-ocr page 1-

259

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

i :~i:: \' gt; ,

■ f

■■——

-ocr page 5-

WET

«»■

OP DE

REGTERLIJKE ORGANISATIE

X\'

EN HET

BELEID DER JUSTITIE

m//-..

k^Vrt.\'

W5

-ocr page 6-

E R R A T A

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

Bladz. 14, regel 5 van boven staat: artikelen 390 1°, 391. moet gelezen worden: 390 1°, 391 lu,

Bladz. 17, regel 12 van onderen, staat: den cipier, meet gelezen worden: het hoofd.

-ocr page 7-

i isr ih: o Tj id.

Bladz.

Algemeene bepalingen . Van de kantongeregten.

Van de arrondissements-regtbanken

Van de geregtshoven. Van den hoogen raad

Wet van den 9den April 1S77 (Stbl. Ko. 79), tot vaststelling van de klassen en zamenstelling der arrondissements-regtbanken, van de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij die regtbanken, alsmede van de klassen der kantongeregten en van de jaarwedden der kanton-regters en der ambtenaren bij de kantongeregten, gewijzigd bij de wet van den 7den October 1884 (Stbl. ]STo. 212). 15

UEGTERLIJKE INDEELING.

I. Wet van den 9den April 1877 (Stbl. No. 74), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondissement s-regtbanken en kantongeregten binnen het ressort van het geregtshof te \'s Hertogenbosch.......18

II. Wet van den 9den April 1877 (Stbl. No. 75), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondis-sements regtbanken en kantongeregten binnen het ressort van het geregtshof te Arnhem..........22

HI. Wet van den 9dcn April 1877 (Stbl. No. 76), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondis-sements regtbanken cn kantongeregten binnen het ressort van het geregtshof te \'s Gravenhatre........25

IV. Wet van den 9den April 1877 (Stbl. No. 77), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondissements-regtbanken en kantongeregten binnen het ressort van het geregtshof te Amsterdam, gewijzigd bij de wet van den 6den Mei 1878 (Stbl. No. 31)..........29

V. Wet van den 9den April 1877 (Stbl. No 7S), tot vaststelling van het regtsgebied en de zetels der arrondissements-regtbanken en kantongeregten binnen het ressort van het geregtshof te Leeuwarden.

1

6 8 10 12

-ocr page 8-

INHOUD

BIJLAGEN TOT DE WET OP DE REGTERLIJKE ORGANISATIE.

Bladz.

Wet van den 26sten Mei 1841 (Stbl. No. 17), omtrent de

regterlijke oraanisatie in Limburg........37

Wet van den 26sten Mei 1841 (Stbl. No 18), regelende

sommige punten de dienst der justitie betreffende . . 38 Wet van den 4den Jul ij (Stbl. No. 90), tot wijziging van

de wettelijke bepalingen omtrent de regterlijke tucht . 38 Wet van den lOden November 1875 (Stbl. No. 204) tot op-hefling van de provinciale geregtshoven en instelling van

nieuwe geregtshoven............. •

Besluit van den 17den December 187ó (Stbl No 245), houdende bepalingen aangaande de archieven der bij; de wet van 10 November 1875 (Stbl. No. 204) opgeheven provin-

niolp frprpcrt^linvPTl . . . . • •

Besluit van den 17den\'December 1875 (Stbl. No. 246), tot regeling van de beëediging en de installatie der nieuwe

geregtshoven................

Wet van den lOden November 1875 (Stbl. No. 203), tot wijziging van artikel 84 en van den staat, behoorende tot artikel 110 der wet op de regterlijke organisatie en

het beleid der justitie . . ,..........

Wet van den 9den April 1877 (Stbl. No. 80), houdent.e bepalingen omtrent het personeel der ontbonden arron-dissements-regtbanken en kantongeregten, de daarbij aar-gestelde procureurs en deurwaarders, de overbrenging der daarbij aanhangige zaken, alsmede omtrent den

ambtskring van notarissen...........

Besluit van den 29sten A.pril 1877 (Stbl. No. 91), tot regeling van de beëediging en de installatie van de nieuwe arrondissements-regtbanken en kantongeregten . Besluit van den 29sten April 1877 (Stbl. No. 92), tot vaststelling van enkele bepalingen ten aanzien van de bij de ontbonden arrondissements regtbanken ingeschreven advokaten en aangestelde prokureurs, benevens ten aanzien van de bij de regtbanken en bij de ontbonden

kantongeregten aangestelde deurwaarders......

Besluit van den 29sten April 1877 (Stbl, No. 93;, nopens de archieven van de ontbonden arrondissements-regtban-ken en kantongeregten, alsmede nopens de stukken, bewaard in de algemeene bewaarplaatsen der minaten

en registers van notarissen...........

Besluit van den 8sten Maart IS79 (Stbl. No. 40), laatstelijk gewijzigd bij besluit van den 9den October 1883 (Stbl. No. 141), houdende bepalingen omtrent het bewaren der oude regterlijke archieven, welke dagteekenen van vóór de invoering der Fransche wetgeving ....

40

43

43

44

45

49

50

51

52

voorzie 5. I de bev

-ocr page 9-

38

WET

OP DE

REGTERLIJKE ORGANISATIE

EN HET

40 BELEID DER JUSTITIE.

EKRSTE AFIgt;EEI.1X«.

Algemeene Bepalingen.

43 .

Artikel 1.

De regterlijke magt wordt (onverminderd het regtsgebied over bepaalde onderwerpen, bij de Grondwet of bij andere wet-

44 telijke bepalingen aan bijzondere kollegiën toegekend) uitgeoefend door:

lo T)e kantongeregten;

2o. De arrondisseraents-regtbanken;

3o. De geregtshoven;

4o. Den Hoogen Raad.

45 2. De kennisneming en beslissing van alle geschillen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvorderingen of burgerlijke regten en de toepassing van alle soort van

49 wettig bepaalde straffen zijn bij uitsluiting opgedragen aan de regterlijke magt, volgens de verdeelingen van regtsgebied, de regterlijke bevoegdheid en de werkzaamheden bij deze wet geregeld

3. Het openbaar ministerie wordt uitgeoefend door den pro-quot; kureur-generaal bij den Hoogen Raad, door den prokureur-ge-

50 neraal bij de geregtshoven, door de otlicieren van justitie bij de arrondissements-regtbanken en door de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kantongeregten.

In ieder arrondi-sement wordt de waarneming van het openbaar ministerie bij de kantongeregten opgedragen aan één of

51 meer ambtenaren.

Bij opdragt aan meer dan éénen ambtenaar wordt het regtsgebied, waarin ieder hunner werkzaam zal zijn, door den Koning aangewezen

4 Het openbaar ministerie is bijzonderlijk belast met de

52 handhaving der wetten, met de vervolging van alle strafbare feiten en het doen uitvoeren van alle strafvonnissen.

Hetzelve moet worden gehoord in al de gevallen bij de wet voorzien.

5. He ambtenaren bij het openbaar ministerie zijn verpligt de bevelen na te komen, welke hun in hunne ambtsbetrekking

BJSGTEKL. OKG. 1

-ocr page 10-

3 ALGEMEENE BEPALINGEN.

door de daartoe bevoegde magt, van wege den Koning zullen worden gegeven.

6. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van den prokureur-generaal, of van den oftlcii\'r bij de arrondissements-regtbank, wordt de dienst waargenomen door eenen advokaat-generaal of substit.uui, volgens den rang hunner benoeming, en, bij afwezigheid, belet of ontstentenis van dezen, door een der raadsbeeren of refters, daartoe respectievelijk door de presidenten van den Hoogen Raad, bet geregtsbof of de regtbank van het arrondissement te benoemen.

7 Be presidenten van den Hoogen Raad, van de hoven en regt-banken worden, in geval van afwezigheid, belet of ontstentenis, vervangen door een vice-president, of, bij gebreke van dezen, door dgt;:n ondstbenoemden raadsheer of regter

8. De leden van de regterlijke magt fmet uitzondering van de regters-plaatsvervangers) kunnen niet tevens zijn advokaat, prokureur, notaris of solliciteur, of eenig ambt bekleeden aan hetwelk eene vaste wedde is verbonden/

Zij zullen echter tevens mogen zijn leden van de stedelijke-of gemeenteraden, leden en secretarissen van hoozheemraad-scbai-pen, dijk- en polderbestur\' n, curatoren van hooge en andere scholen, leden van de commissiën van openbaar onderwijs of van alle inrigtingen, welke niet als eigenlijk bezoldigde ambten kunnen worden beschouwd

In geval van twijfel of eenige openbare betrekking van laatstgenoemden aard met het lidmaatschap der regterlijke magt bestaanbaar zij, zal zulks door den Koning worden beslist.

9. De leden van den Hoogen Raad zullen niet tevens mogen zijn leden van de Staten Generaal

10. Bloedverwanten of aanverwanten tot den derden graad ingesloten kunnen niet te zamen zijn raadsbeeren, reïtera, ambtenaren van het openhaar ministerie en griffiers in den Hoogen Haad, of in hetzelfde hof, of in dezelfde regtbank.

Indien de ZA\'atrerschap eerst moirt zijn ontstaan na de benoeming, zal degene die dezelve heeft aangegaan zijn .«nbt niet kunnen blijven behouden, zonder vergunning van den Koning.

Deze wetsbepaling is niet toepasselijk op de substituten griffiers.

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte.

11. De leden der regterlijke raagt, die voor hun leven of voor een bepaalden tijd zijn benoemd, kunnen door den H Dogen Raad, bij een met redenen omkleed arrest, uit hun anbt worden ontzet:

lo wanneer zij wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld;

2o. wanneer zij verklaard zijn in staat van faillissement of kennelijk onvermogen, of wegens schulden zijn gegijzeld;

3o wegens wangedrag of onzedelijkheid, of bij gebleken voortdurende achteloosheid in de waarneming van hun ambt;

4o wegens overtreding van de bepalingen der wet waarbij hun

a. het uitoefenen van eenig beroep wordt verboden;

een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen;

c. verboden wordt, zich in eenig onderhoud of gesprek n te

-ocr page 11-

ALGEMEENE BEPALINGEN.

laten met partijen of hare advokaten of prokureurs of eenige bijzondere onderrizting, memorie of schriftuur van hen aan te nemen;

d. de verplichting wordt opgelegd het geheim der raadkamer te bewaren

Overtreding van de bepalingen onder 4o vermeld kan alleen dan grond tot ontzetting opleveren, wanneer de overtreder reeds vooraf voor gelijke overtreding is gewaarschuwd.

De Hooge Raad spreekt de ontzetting niet uit dan op de vordering van den prokureur-generaal, of, zoo zij dezen zeiven geldt, op de vordering van den advokaat-generaai daartoe door ons aangewezen.

Zij, wier ontzetting moet worden gevorderd, worden ten minste veertien dagen te voren door den ambtenaar van het openbaar ministerie, door wien de vordering geschiedt, opgeroepen, ten einde te worden gehoord

De oproeping geschiedt bü gesloten brief, die de redenen der vordering behe\'st De bezorging van den brief aan den opgeroepen ambtenaar geschiedt bij deurwaarders exploit

De Hooge Ra.-d kan, hetzij ten verzoeke van het openbaar ministerie of van den betrokken persoon, hetzij ambtshalve, getuigen hooren

Het onderzoek heeft plaats in raadkamer.

De uitspraak geschiedt in het openbaar.

12 he ambtenaren, in het vorig ar ikel bedoeld, worden op de wijze, daarbij bepaald, uit hun ambt, ontslagen J

lo bij gebleken ongeschikthe d door ouderdom, door aanhoudende ligchaamsziekte of ten gevolge van zielsziekte;

2o wanneer /ij onder curateele zijn gesteld ;

3o. wegens de aanvaarding van een ambt of betrekking, onvereenigbaar met het lidmaatschap der regterlijke raagt.

Voor de aanspraak op pensioen der wegens ongeschiktheid door ziela- of ligchaamsziekte ontslagen ambtenaren wordt geen nader bewijs van de oorzaak der ongeschiktheid gevorderd

13. Elk lid van de regterlijke magt, tegen wien hetzij een bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij magti-ging tot opneming in een huis van bewaring of geneeskundig gesticht voor krankzinnigen is verleend, of op wien lijfsdwang is ten uitvoer gelegd, wordt, op de vordering van den proku reur-yeneraal, door den Iloogen Raad in zijne bediening geschorst.

Gelijke schorsintr kan door den Iloogen Raad. op de vordering van den prokureur-generaal, worden uitgesproken ten aanzien van elk lid der regterlijke magt, tegen wien regtsingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding is verleend.

De opheffing der schorsing na den afloop van de vervolging, na het ontslag uit het huis van bewaring of geneeskundig gesticht, of na het ontslag uit de gijzeling, geschiedt op de vordering van den prokureur-generaal, of op verzoek van den geschorsten regterlijken ambtenaar, den prokureur-generaal gehoord.

Bevindt zich de prokureur-generaal in een der in dit artikel omschreven gevallen, dan geschiedt de vordering door den advokaat-generaai, daartoe door Ons aangewezen.

3

-ocr page 12-

ALGEMEENE BKPALINGEPf.

Schorsinir in de bediening brengt geen schorsing mede in het genot der bezoldiging.

14. De presidenten zijn bevoegd, ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie, aan de leden van huu kollegie, de grifliers en substituut-ffri(fiers, die de waardigheid van hun ambt, hunne ambtsbezigheden, of ambtspligten verwaarloozen, of die zich schuldig maken aan de overtredingen in art. 11 onder 4o bedoeld, na ben in de gelegenheid te hebben sesteid om te worden gehoord, de noodige waarschuwing te doen.

De presidenten der arrondissements-reirtbanken hebben gelijke bevoeüdhi\'id ten aanzien van de regters-plaatsvervan^ers bij hun ko\'legie en de binnen het regtsgebied daarvan gevestigde kantonregters, hunne plaatsvervangers en grilliers.

De presidenten der geretjtshoven hebben gelijke bevoegdheid ten «anzien van de presidenten der arrondissements-regtban-ken binnen het regtsgebied van hun kollegie, de president van den Hoogen Raad ten aanzien van de presidenten der geregtshoven, en de prokureur generaal bij den Hoogen Raad ten aanzien van de andere voor hun leven benoemde ambtenaren van het openbaar minist-rie.

15. De leden van den Hoogen Raad. mitsgaders van de hoven en regtbanken, de ambtenaren van bet openbaar miniaterie,de grirtiers en hunne substituten bij die kollegiën hebben hur vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar hun kollegie is gevestisrd, of binnen den afstand van duizend meters daarbüiten.

16 De leden van de regterlijke magt kunnen buiten den tijd der vacantiën zich van de plaats van hun vast en voortdurend verblijf niet verwijderen, zonder daartoe verlof te hejben bekomen

Zij kunnen zelfs in den tijd der vacantiën niet buiten het koningrijk eaan, zonder bijzonder verlof van den Koning.

17 De jaarlijksche vacantiën van den Hoogen Raad, de hoven en arrondissements-regtbunken zullen aanvangen met den eersten Julij en eindigen met den laatsten Augustus i gesloten.

18. Gedwrende de vacantiën zal er in den Hooien Raad, gelijk mede in e\'k hof en in elke regtbank, eene kamer zijn, belast met de afdoening der burgerlijke en hande\'szHken welke poed vereischen

Voor de behandeling van strafzaken heeft geene varantie plaats.

19 Alles wat de wijze van eeds aflegging, het kostuum der onderscheiden regterlijke ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling, en de orde van den inwendigen dienst van den Hoogen Raad, gelijk mede van de hoven en regtbanken, de advokaten, prokureurs en reutsbn ienden aangaat, zal bepaald worden bij regiemei ten van openbaar bes «^uor,

20 In strafzaken zal het r^tsgeding op de teregtzittingen in het openbaar worden gehouden op straffe van nietigheid, tenzij bij de wet anders mogt zijn bepaald, of de Hooge Raad. het hof, de regtbank of het kantongeregt, om gewigtige, bij het proces verbaal der zitting te vermelden, redenen, mogt bevelen, dat het regtsgeding, geheel of gedeeltelijk, met gesloten deuren zal plaats hebben.

4

-ocr page 13-

ALGKMKKNK BEPALINGEN\'.

Dezelfde bepaling is ook toepasselijk op de gedingen in bur-gtrlijke zaken.

In alle gevnllen zullen de vonnissen en arresten, zoo in burgerlijke als in strafzaken, in bet openbaar worden uitgesproken, en moeten zijn ingerigt volgens de voorschriften van art. 156 der lt;i rond wet, alles op straffe van nietigheid.

21. De vonnissen en arresten, gewezen met een ander getal regters dan in deze ia liepaald, zijn nietig.

22 l)e llooge Raad, boven en regtbanken, mitsgaders de ambtenaren van bet openbaar ministeiie, zijn verpligt berigt en consideratiën te geven, wanneer zulks bun van \'s Konings wege zal w orden quot;jevraagd

23. Geen lid van den iloogen Raad of van eenighof of regtbank zal tot commissaris ol rapporteur mogen worden benoemd in eene zaak, in welke een zijner bloed- of aanverwanten, tquot;t den derden graad ingesloten, als advokaat of prokureur werkzaam is of geweest is.

2i De leden van den Roogen Raad, de boven en regt\' anken mogen zich niet directelijk of indirectelijk over eenige voor hen aanhangige geschillen, of die z.j weten of vermoeden dat. voor hen aanhangig zullen worden, in eeni^ bijzonder onderhoud of gesprek inlaten met partijen of d zei ver advokaten of prokureurs, noch eenige bijzondere onderiigting, memorie of schrifturen aannemen.

25. De regterlijke kollepiën en ambtenaren zijn onderling verpligt aan letteren requisitoriaal ten dienste der justitie wettig gevolg te geven

26 In alle zaken zal de president hoofdelijke omvraag doen, beginnende met den commissaris of rapporteur, en vervolgens aan de verdere leden, van den jongst benoemden tot den oudsten ; de president brengt liet laatste zijn advijs uit.

Geen afwezend lid kan zijn advijs door een zijner medeleden doen voordragen, noch hetzelve schriftelijk indienen.

27. Wanneer er meer dan twee verschillende gevoelens zijn uitgebracht, zal het besluit worden opgemaakt op de wijze, die het meest overeenkomt niet het gevoelen van de meerderheid

28. De leden \\an de regterlijke magt zijn verpligt het geheim te bewaren opzigtelijk de gevoelens, die in de raadkamer over regtshangige gedingen door de raadsheeren of refters zijn geuit geworden.

29. Alle de leder van de regterlijke magt in deze wet opgenoemd zullen, elk naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, alvorens in bediening te treden, den eed (belofte) afleggen:

Dat /ij getrouw zullen zijn aan den Koning en de Grondwet zullen onderhouden en nakomen;

Dat zij, middellijk of onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel, tot het verkrijgen hunner aanstelling, aan ni mand, wie hij ook zij, iets hebben gegeven of beloofd, noch zullen geven of beloven;

Dat zij nimmer eenige giften of geschenken hoegenaamd zullen aannemen of ontvangen van eenig persoon, welken zij weten of vermoeden eenig regtsgeding of zaak te hebben of te zullen

5

-ocr page 14-

ALGEMEENE BEPALINGEN.

krijgen, in welke hunne ambtsverrigtingen zouden kunnen te passé komen;

Dat, zij voorts hunne posten niet eerlijkheiii, naauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zullen waarnemen, en zich in de uitoefening hunner bediening gedragen zooals braven en eerlijken regterlijken ambtenaren betaamt.

TWEEIgt;E AFD££IiINO.

Van de Kantongeregten.

30. Bijzondere wetten rege en het regtsgebied en de zetels der kantongeregten, alsmede de klassen waartoe zij behooren, en de jaarwedden uer kantonregtera en der ambtenaren bij de kantongerrgten.

31. Er zullen voor elk kantongeregt zijn een renter, twee of ten hoogste vier plaatsvervanger?, volgens de bepalingen daaromtrent door den Koning te maken voor ieder kanton, en een grillier.

32 Hij verhindering of ontstentenis van den kantonregter wordt hij vervangen do^ r een plaatsvervanger, naar rang van benoeming.

33. liij verhindering of ontstentenis van den grillier worden zijn ambtsverrigtin^en waargenomen door een ingezeten van het kanton, minstens drie en twintig jaren oud, door den kantonregter te benoemen lot wederopzeggens toe en te beoedigen.

Maakt het kanton een gedeelte uit eener gemeente, zoo is het voldoende dat de benoemde zij ingezeten uier gemeente.

Het lormulier van den in dat artikel vourgeschreven eed wordt door den Koning bepaald

IJe ambtenaar \\an het openbaar ministerie wordt als zoodanig, des vereiödit, vervangen door een plaatsvervanger van den kantonregter, door dezen aan te wijzen

34 De kantonregters en hun plaatsvervangers hebben hun vast en voortdurend verblijf in het kanton. Zij houden hunne teregtzittingen in de hoofdplaats van het kanton

De griffiers hebben hun vast en voortdurend verblijf in die hoofdplaats. Om bijzondere redenen kan door den Koning eene andere plaats in het kanton voor hun vast en voortdurend verblijf worden aangewezen.

Indien het kanton een gedeelte eener gemeente uitmaakt, is het voldoende, dat de kantonregter, zijne plaatsvervangers en de griffier binnen die gemeente hun vast en voortdurend verblijf hebben.

De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kantongeregten hebben hun vast en voortdurend verblijf ter plaatse door den Koning aan te wijzen

35. De kantonre^ters moeten den ouderdom van vijf en twintig jaren, hunne plaatsvervangers, de grilliers en de ambtenaren van het openbaar ministerie den ouderdom van drie en twintig jaren bereikt hebben

Zij moeten, met uitzondering van de plaatsvervangers, op eene rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederbmdsche uimersiteit den graad van doctor in de regtswetenschap verkregen hebben.

6

-ocr page 15-

VAN DE KANTONGEBEGÏEN.

36. De kantonregtcrs en hunne plaatsvervangers brengen voor buitengere-itelijke verrigtingeu geene vacatie- of andere lounen m rekening Alle met dit verbod strijdige verordeningen zijn ingetrokken.

Ue reis- en verblijfkosten, door hen aan belanghebbenden ia rekening te brengen, worden bij de wet bepaald.

De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kanton-geregten hebben, voor het houden van zitdagen en het bijwonen van teregtzittingen in de kmtons waar zij niet gevestigd zijn, aanspraak op vergoeding van reis- en verblijfkosten op den vuet door den Koning bepaald.

37. De kantonregters worden voor het leven, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de grilliers tot opzeggens toe door den Koning benoemd

De kantonregters-plaatsvervangers worden door den Koning voor vijfjaren aangesteld. Zij zijn bij aftreding weder benoembaar.

38 Behalve de werkzuamheden aan de kantonregters bij de wet opgedragen, nemen zij kennis, zoo in burgerlijke als in handelszaken, zonder hooger beroep indien de vordering niet meer beloopt dan /quot;50, en behoudens hooger beroep indien dezelve niet meer beloopt dan /quot;200:

lo. Van alle louter personele reg\'svorderingen;

2o. Van alle regtsvorderingen tot betaling van renten, buren en pachten, mitsgaders van intressen of gedeelten van inschul-den, zelfs ingeval de rente, de huur, de pacht, of de hoofdsom der inschuld meer dan /quot;200 bedraagt, mits de regtstitel niet worde betwist

39. Zij zullen insgelijks, ronder hooger beroep indien de vordering niet meer dan f 5C beloopt, en behoudens hooger beroep tot welke som de vordering zich mogt uitstrekken, kennis nemen:

lo. Van burgerlijke regts vorderingen tot vergoeding van schaden, hetzij door menschen, hetzij door dieren toegebragt aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvrrfchten

2o. Van zoodanig herstel aan huizen, woningen, gebouwen en pachthoeven, hetwelk volgens de wet tot laste van den huurder valt;

So. Van betaling van arbeidsloonen aan werklieden, huren van dienstboden, en het volbrengen van wederzijdsche overeenkomsten van meesters en hunne dienstboden, of arbe dslieden.

40 Zij nemen kennis van burgerlijke regtsvorderingen ter zake van mondelinge beleediging, zonder hooger beroep indien de gevraagde betering zich bloot,elijk bepaalt tot eene geldsom geen vijftig gulden tebovengaande, en behoudens hooger beroep tot welke hoogere som de gevraagde belering moge loopen, of ook 111 alle gevallen waarin, nevens of in de plaats van eenige geldsom, een verdere eisch tot betering mo^t gedaan zijn.

41. Zij nemen insgelijks, behoudens hooger beroep, kennis van de regtsvorderingen tot ontruiming van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders en kelders, zonder onderscheid van het bedrag der huur, indien de huurder geen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur te berde brengt en in gebreke blijft het perceel te ontruimen.

7

-ocr page 16-

VAN DE KANTONGEEEGTEN.

De bovenstaande bepaling is toepasselijk op pachthoeven, lan- | derijen, tuin- en andere gronden, mits de huur, over het jaar berekend, of de waarde van dien niet meer dan ƒ200 bedrage. \'ï

In beide gevallen kunnen de vonnissen bij voorraad worden £ ten uitvoer gelegd, niettegenstaande verzet of hooger beroep, ^ behoudens de bevoegdheid van üen kantonregter om het stellen van borgtogt te bevelen.

42. Zij nemen mede kennis van de regtsvorderingen tot ont- la binding van huur van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen, 4| stallen, zolders en kelders, mitsgaders van pachthoeven, lande- I rijen, tuin- en aridere gronden, en dien ten gevolvc van der zeiver ontruiming, ter zake van wanbetaling der huurpenningen, zonder hooger beroep indien de huur, over het j?iar here- j kend, niet meer dan /\' 50, en behoudens hooger beroep indien dezelve niet meer dan ƒ200 bedraagt.

l)e bepaling van het laatste lid des vorigen artikels is insgelijks te dezen toepasselijk.

4S. In alle geschillen, welke voor dading of compromis vatbaar zijn en in welke partijen zich voor een kantonregter te hunner keuze, doch binnen het arrondissement, aanmelden en zijne beslissing inroepen, zal deze van derzelver geschil moeten kennis nemen, welke ook de aard van het geschil en de waarde van het betwiste voorwerp zij.

In dat geval zal de kantonregter altijd wijzen in het hoogste ressort: ten ware partijen, in zake aan hooger beroep onderworpen, dat beroep hadden voorbehouden.

44. De kantcnreg\'ers vonnissen over strooperij, bedoeld bij artikel 314 van liet Wetbo-k van Strafregt, en over alls overtredingen, waarvan de kennisneming niet aan een anderen regter is opgedragen.

Hunne vonnissen zijn aan hooger beroep onderworpen, met uitzondering van het geval dat tegen het feit geene andere straf is bedreigd dan geldboete van ten hoogste ƒ 25.

Zij nemen insgelijks kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden, ten behoeve der beleedigde partij, wanneer die vordering geen ƒ 50 tebovengaat. Wanneer die vordering ƒ 50 tebovengaat moet dezelve by eene afzonderlijke actie bij den daartoe bevoegden bnrgelijken regter vervolgd worden

45. Ingetrokken bij art. 4 der Wet van den 9den April 18/7 (Stbl. no. 73).

DERDE AFBEEliUrO.

Van de Arrondissements-Regtbanken.

46. Bijzondere wetten regelen het regtsgebied en de zetels j| der arrondissements-regtbanken, alsmede hare zamenstelling,

de klassen waartoe zij behooren, en de jaarwedden der leden van en der ambtenaren bij die regtbanken

47. In geval van ziekte of belet van eenen regter, wordt hij, \' bij gebreke van een anderen regter, vervangen door eenen der ^ regters plaatsvervangers, welke ten hoogste vijf in getal zullen kunnen zijn voor elke regtbank.

48. De regters van de arrondissements-regtbanken, de officie-

8

-ocr page 17-

VAÏT DE AREONDISSEMENTS-EEGTBANKEN.

ten van justitie, de griffiers en de regters-plaatsvervancrers moeten, onverminderd de vereischten bij de Grondwet voorgeschreven, op een rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche universiteit den graad van doctor in de regt wetenschap hebben bekomen en den vollen ouderdom van 25 jaren hebben bereikt.

De substituut-officiers en substituut griffiers zullen insgelijks op eene rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche universiteit den graad van doctor in de regts weten schap hebben bekomen, zullende nogtans de ouderdom van volle 23 jaren voldoende zijn.

49. Ingetrokken bij art. 7 der Wet van tien 9den April lb77 (Stbl no. 72 .

50. De arrondissements-regtbanken vonnissen in burgerlijke zaken in oneffen getal, doch ten minste met drie regters.

51. De presidenten, vice-presidenten, regters en regters-plaatsvervangers worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

De ambtenaren van het openbaar ministerie, griffiers en der-zelver substituten worden insgelijks door den Koning aangesteld, doch tot wederopzeggens toe.

52 Wanneer eene plnats van regter, plaatsvervanger, grirtier of van kantonregter openvalt, zendt de regtbank, de officier van justitie daaronder begrepen, aan den president en proku-reur-generaal van het yeregtshof, tot welks ressort zij behoort, eene lijst van aanbeveling van drie candidaten, welke lijst, alphabetisch ingengt, aan den Koning wordt aangeboden, om daarop zoodanig acht te sluan als Hij zal dienstig oordeelen

53. De arrondissements-regtbanken zullen in eersten annleg kennis nemen van alle persoonlijke, zakelijke en gemengde regts-vorderingen van allerlei aard. uitgezonderd die, welke bij de wet verklaard zijn tot de bevoegdheid van de kantongeregten of van de hoven en den Hoogen Raad te behooren.

54 Zij nemen in het hoogste ressort kennis:

lo Van alle jurisdictie-geschillen tusschen de kantongeregten van hun regtsgebied;

2o. Van alle personele reytsvorderingen, de waarde van ƒ400 in hoofdsom niet te\' ovengaande:

3o. Van alle zakelijke regtsvorderingen, indien de waarde van het onderwerp, hetzij in hoofdsom, hetzij in inkomsten tegen vijf ten honderd berekend, niet meer beloopt dan ƒ 400;

4o Van alle regtsgedingen betrekkelijk verplaatsing van scheidteekenen, aanmatiging van gronden, ooomen, heggen, slooten, van afleidingen en belemmering van waterloopen, alle binnen \'s jaars gepleetcd, en van alle regtsvorderingen wegens bezitregt;

5o. Vmu alle aan hooger beroep onderworpene vonnissen door de kantonregters gewezen.

55. Zij wijzen in het hoogste ressort in alle personele zakelijke en gemengde regtsvorderingen aan hooger beroep onderworpen, ingevalle partijen verklaard hebben van het hooger beroep af te zien.

Deze bepaling is niet toepasselyk in zaken, die niet voor dading of compromis vatbaar zijn.

De arrondisst ments-regtbanken vonnissen in eersten aanleg

9

-ocr page 18-

10 VAN DE ARRONDISSEMENTS-KEGTBANKKN.

over overtredingen, bedoeld in artikel 432, 433 en 434 van liet Wetboek van Strafregt, over overtredingen ter zake van belastingen en over alle misanjven, waarvan de kennisneming niet aan een anderen regter is opgedragen.

Die vonnissen zijn aan booger beroep onderworpen, met uitzondering van die, welke ter zake van overtredingen zijn gewezen.

Zij nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de beleedigde partij, wanneer de vorderingen geen /quot;lóO tebovengaan. Wanneer die vorderingen /quot;150 te boven gaan, moeten dezelve bij eene afzonderlijke burgerlijke actie vervolgd worden.

57. Zij vonnissen in strafzaken met drie leden.

5b. De arrondissements regtbanken nemen in hooger beroep kennis van de daarvoor vatbare vonnissen door de kantonreg-ters in strafzaken in eersten aanleg gewezen

l)e bepaling van het voorgaand artikel is ook van toepassing op de vonnissen in hooger beroep.

59 De regtsmagt der anondissements-regtbanken, ten aanzien der eers\'e en voorloopige instructie van strafzaken, mitsgaders die der regters-ccmmissarissen, gelijk ook het getal, Je diensttijd van laatstuemelde, en de verdere daartoe betrekkelijke bepalingen, worden j:ereüeld bij het Wetboek van Strafvordering^

VII:KIU: AF]gt;££L.ino.

Van de Geregtshoven.

GO. Er zijn vijf geregtshoven, waarvan de zetels zyn te \'sller-togenbosch, te Arnhem, te \'s Gravenhage, te Amsterda n en te Leeuwarden.

Het regts^ebied van het geregtshof te \'s Hertogenbosch strekt zich uit over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Is oordbrabant en Limburj;; üat van het geregtshof te Arnhem over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Gelderland en Overijssel; dat van het geregtshof te \'s Gravenhage over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Zuidholland en Zeeland; dat van he* geregtshof te Amsterdam over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn geiegen in de provinciën Noordholland en Utrecht; dat van het geregtshof te Leeuwarden over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe

61. Ue geregtshoven zijn zamengesteld als volgt:

te Amsterdam uit een president, één vice-president, negen a tien raadsheeren, één prokureur-generaal. twee advokaten-generaal, één gritlier en twee substituut-grilliers

te \'s Hertogenbosch, Arnhem, \'s Gravenhage en Leeuwarden nit één president, één vice-president, zeven a negen raadshee* ren, één prokureur-generaal, één ii twee advokaten-generaal, één grillier en één a twee substituut-griffiers.

JJe jaarwedden der leden van en ambtenaren bij de geregtshoven worden vastgesteld overeenkomstig den staat bij deze wet gevoegd.

62. De presidenten, vice-presidenten en raadsheeren worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

-ocr page 19-

VAN DE GEREGTSHOVEN.

De ambtenaren van lu;t openbaar ministerie, de griffiers en hunne substituten worden insgelijks door den Koning aange steld doch tot wederupzegyens toe.

63 Wanneer een plaats van raadsheer openvalt, maakt, liet hof, de prokureur generaal daaronder begrepen, eene lijst van ^ aanbeveling van drie candidaten op, welke lijst, alphabetisch i ingerigt, aan den Koning wordt, aangeboden, om daarop zoo-| danig acht ie slaan als Hij zal dienstig oordeelen

64. ümerminderü de vereischten bij de Grondwet gevorderd, zullen de raadsheeren, prokureurs generaal, advokaten-generaal en gritiiers der peregtshoven, moeten

lo. sedert ten minste vijf jaren zijn meesters of licenciaten in de regten op eene van \'s rijks hooge scholen:

2o. den ouderdom van dertig jaren ten volle hebben bereikt.

De substituut-griffiers moeten op gelijke wijze denzelfden graad verkregen hebben in de regten, en den ouderdom van vijf en twintig jaren ten volle hebben bereikt.

65 De hoven oordeelen in eersten aanleg over jurisdictie-geschil\'en tusschen arrondissements-regtbanken of tusschen kan-tongeregten, in verschillende arrondissementen binnen hun regtsgebieu voorvallende.

66. Zij oordeelen in eersten aanleg en in liet hoogste ressort, behoudens de voorziening in cassatie, over alle burgerlijke en aan liooger beroep aan het hof onderworpene geschillen, binnen zijn regtsgeb ed voorvallende, wanneer partijen de regts-magt van het geregtshof raauwelijk te dien einde inroepen

67. Vervallen bij art. 9 der wet van den 26sten April 1884 y (Stbl. no. 92).

68. Zij oordeelen in hooger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen, in strafzaken bij de arrondissements-regtbanken binnen hun regtsgebied in eersten aanleg gewezen.

69. Zij oordeelen in booger beroep van de daaraan onderworpene vonnissen, door de arrondiss-ments-regtbanken binnen hun regtsgebied in eersten aanleg in burgerlijke zaken, gewezen.

70. In de zaken, vermeld bij artt. 65, 66 en 69, vonnissen de hoven met vijf raadsheeren.

71. In de zaken, bij art. 61 vermeld, zullen geene vonnissen kunnen worden gewezen dan met zes raadsheeren, en geene veroordeeling worden uitgesproken dan met meerderheid van stemmen.

Bij het staken van stemmen, wordt bet vonnis gewezen ten voordeele van den beklaagde.

72 ingetrokken bij de Wet van den 4den Julij 187-t (Stbl. no 92

73. De hoven zullen, indien dezelve, door het beklag der belanghebbende partij of op eene andere voldoende wijze, kennis dragen, dat er verzuim heeft plaats gehad in het vervolgen i van strafbare feiten, den prokureur-generaal belasten om te dien aanzien aan hen verslag te doen, en voorts kunnen bevelen dat te dier zake het vereischte gevolg worde gegeven, ^ zoo daartoe termen zijn.

74—82. Ingetrokken bij art. 2 der Wet van den 22sten Mei 1841 (Stbl. no. 46).

11

-ocr page 20-

VAN DEN HOOGEN KAAD.

VIJFDE AFIgt;EEI.INO.

Van den Hoogen Raad.

83. De Hooge Raad is zamengesteld uit één president, één vice president, ten minste twaalf en ten hoogste veertien raadslieeren, één prokureur generaal, drie auvokaten generaal, één grillier en twee substituut-grifliers.

84 De president, de vice-president en de raadslieeren van den Hoogen Raad, benevens de prokureur generaal bij dien raad worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

De advoknten-generaal, de grifiier en zijne substituten worden insgelijks door den Koning aangesteld, doch tot wederop-zeggens toe.

85. Wanneer eene plaats van raadsheer in den Hoogen Raad openvalt, zal de Hooge Raad daarvan kennis geven aan de Tweede Kamer der Staten-generaal, en daarbij inzenden eene door dien raad, de prokureur generaal daaronder begrepen, bij gesloten briefjes en met meerderheid van stemmen opgemaakte aanbevelingslijst van zes kandidaten, waarop de Tweede Kamer bij het maken van hare nominatie zocdanig acht zal slaan, als zij zal dienstig oordeelen

De leden der hoven en der arrondissements-regtbanken, mitsgaders de leden van het openbaar ministerie hij dezelve, welke deze hunne ambtsbedieningen met lof en ijver hebben waargenomen, zullen bij het opmaken dier lijst meer bijzonderlijk in annmerking komen.

86. De hoedanigheden, vereischt om raidsheer, prokureur-generaal, advokaat-generaal of grittier bij den Hoogen Raad te zijn, behalve die bij de Grondwet gevorderd, zijn;

lo. sedert den tijd van ten minste tien jaren den graad van meester of licenciaat in de rekten op eene van \'s rijks hooge scholen verkregen te hebben-,

\'2o den vollen ouderdom van vijf en dertig jaren.

De substituut-grittiers moeten gelijken graad van regten bezitten. op eene van \'s rijks hooge scholen verkregen, en den ouderdom van vijf en twintig jaren ten volle bereikt hebben.

87. De Hooge Raad oordeelt ter eerster instantie:

lo. Over alle regtsvortleringen, waarin de Koning of de leden van het Konirk\'ijk huis als gedaagden worden aangesproken;

2o. Over alle regtsvorderingen, in welke de Staat als gedaagde wordt aangesproken, uitgezonderd die welke \'s rijks belastingen betreffen.

Niettemin moeten de zakelijke regtsvorderingen voor den gewonen regter worden gebragt.

88 De Hooge Raad oordeelt insgelijks ter eers.ter instantie over alle jurisdictie-geschiiien:

lo. Tusschen alle regterlijke autoriteiten, welke niet behoo-ren onder hetzelfde geregtshof;

2o. Tusschen de geregtshoven;

3o. Tusschen eenig provinciaal geregtshof ter eerster instantie regt doende, en eenige regtbank of geregt onder hetzelve ressorterende;

12

-ocr page 21-

VAN DEN HOOGEN KAAD.

\\ 4o. Tussclien een gereztshol of eene regtlmnk ter eenre, en ( een der byzondere kollegiën, bij art. 1 vermeld, ter andere zijde. ! 89. De Hoo^e Raad neemt insgelijks ter eerster instantie kennis van alle geschillen in zaken van prijzen en buit, die door de schepen van oorlog van den Staat, of door schepen bij l partucilieren uitgerust en van commissie of „lettres de marquequot; | voorzien, worden achterhaald en opgebragt, mitsgaders van alle ! geschillen, welke tusschen de nemers onderling deswege zouden mogten ontstaan ( 90. De arresten, door den lloogen Raad ter eerster instantie in burgerlijke zaken gewezen, zuilen onderhevig zijn aan revisie, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtspleging

91 De Hooge Raad oordeelt bij wege van hooger beroep in burgerlijke zaken:

lo Over de aan hooger beroep onderworpen vonnisen door ; de geregtshoven in eersten aanleg gewezen;

2o. Over de vonnissen gewezen bij de hoven van justitie \\ in de koloniën of bezittingen van het rijk in andere werclddee-i len, overeenkomstis; de bepalingen deswege door den Koning t te maken.

92. üe Hooge Raad neemt in het eerste en laatste ressort kennis van de amhtemisdrijven en ambtsovertredingen begaan

s door de leden der Staten Generaal, de hoofden der ministeriëele | departementen, de Gouverneurs Generaal of de hooge ambte-| naren onder een anderen naam met gelijke magt bekleed in i de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, jj de leden van den Raad van State en de commissarissen des Konings in de provinciën.

Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier begrepen strafbare feiten begaan onder eene der verzwarende omstandigheden omschreven in artikel 44 van het Wetboek van Strafreift.

In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gedingen, is de Hooge Raad bevoegd tevens kennis te nemen van de vordering tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, volgens de bepalingen van het, laatste lid van artikel 56.

93. De Hooge Raad neemt in het eerste en laatste ressort kennis van de misdrijven omschreven in de artikelen 881 tot 385 en in de artikelen 388 en 389 van bet Wetboek van Strafregt.

94. Tegen de arresten van den Hoogen Raad wordt geene cassatie toegelaten.

95. De Hooge Raad neemt kennis van den eisch tot cassatie, gedaan tegen de handelingen der hoven, van de arron-dissements-regtbanken en kantongeregten en tegen derzelver arresten en vonnissen, in het hoogste ressort gewezen, behoudens de slotbepaling van het laatste lid van art. 99

96. De eisch tot cassatie kan worden ingesteld, hetzij door de partijen, hetzij ambtshalve door den prokureur-generaal bij den Hoogen Raad, met inachtneming van de hiernavolgende voorschriften.

97. De Wetboeken van Burgerlijke Regtspleging en van

IS

-ocr page 22-

TAN DEN HOOGEN BAAD.

Strafvordering: bepalen de regelen, termijnen en vormen van de voorziening in cassatie.

98. De prokureur-generaal bij den Hoogen Raad zal zich in cassatie kunnen voorzien „in liet belang der wetquot;, na verloop der termijnen aan de partijen toeifes\'aan, zonder dat het te wijzen arrest eenig nadeel kan toebrengen aan de regten door partijen verkregen.

99 De Hooge Raad vernietigt de handelingen, arresten en vonnissen :

lo. Wegens het verzuim der vormen, voorgsschreven op straffe van nietigheid;

2o. Wegens verkeerde toepassing of schending der wet;

So Wegens overschrijding der regtsmagt

Nietierain kunnen de vonnissen, in burgerlijke zaken door de kantonregters in het hoogste ressort gewezen, niet anders worden vernietigd dan wegens onbevoegdheid of overschrijding van regtsmagt, of ter zake dat dezelve de gronden n et inhouden, waarop zij zijn gewezen, of niet met opene deuren zijn uitgesproken; onverminderd de bevoegdheid van d-^n proku-reiir-generaal bij den Hoogen Rand om zich alleer in het belang der wet tegen die vonnissen in cassatie te voorzien.

100. Behoudens de gevallen, waarin volgens de wet een ander getal raadsheeren vereischt wordt, vonnist de liooze Raad in alle burgerlijke zaken, zoo in eersten aan\'eg als in hooger beroep, mitsgaders in strafzaken en in cassatie, met zeven raadsheeren.

10]. In zaken, vermeld bij art. 92, vonnist de Hoo:*e Raad ten getale van tien raadsheeren.

Bij het staken der stemmen wordt het vonnis uitgesproken ten voordeele van den beklaagde.

102 In zaken, bij art 93 vermeld, vonnist de Hooge Raad met zes raadsheeren

Bij het staken der stemmen wordt het vonnis uitgesproken ten voorde-Ie van den beklaagde.

108. Partijen zijn niet ontvankelijk om in cassatie te worden toegelaten, zoolang de gewone wijze van procederen toereikende is om hare bezwaren te doen herstellen, hetzij door denzelfden regter bij wien de zaak heeft gediend, hetzij door middel van hooger beroep

104 De Hooge Raad zal in alle zaken van cassatie de bepalingen der twee volgende artikelen inachtnemen.

105. Indien het arrest of vonnis vernietigd wordt ter zake van verkeerde toepassing of schending der wet, of van overschrijding van magt. zal de Hooge Raad, zonder in een nieuw onderzoek naar het al of niet bestaan van de daadzaken, in het beklaagde arrest of vonnis vermeld, te kunnen treden, ten principale regt doen; zullende \'s Hofs uitspraak in geen geval voor eenige nadere regterlijke voorziening vatbaar zijn.

106. Indien het arrest of vonnis vernietigd wordt ter zake van verzuim in de vormen, die op straffe van nistizheid zijn voorgeschreven, zal de Hooge Raad eene nieuwe instructie der zaak bevelen, te beginnen van de oudste akte in welke de nietigheid begaan is, en zal in dat geval de zaak worden verwezen:

lo. Wanneer de vernietigde uitspraak gegeven was door een

14

-ocr page 23-

van den h006en raad. 35

kanton gerept, aan de arrondissements-regtbank tot welker ressort hetzelve behoort;

2o Wanneer het vernietigde vonnis is gewezen door eene arrondissements regtbank, aan bet geretrtshof van liet ressort;

80. Wanneer het vonnis gewezen is door een geregtshof, aan een aangrenzend gcegtshof

107. De Hooge Raail zal van de geregtsboven, regtbanken en kantongeregten vhti het rijk de berigten en informatiën mogen vragen, welke dezelve zal dienstig oordeelen, met of zonder voortbrenging ot opeisching der stukken, betrekkelijk eene zaak waarin de Hooge. Raad moet oordeelen.

K 8. Ingetrokken bij de Wet van den 4den Julij 1^74 fStb no. 90).

109 De Hooge Raad zal, indien dezelve door bet beklag der belansrbebbende partij, of op eenige andere voldoende wijze, kennis draagt, dat er verzuim heeft plaats gehad in het vervolgen van strafbare feiten, aan de regtsmaüt van den Hoogen Raad onderworpen, den prokureur eeneraal belasten om te dien aanzien verslag te doen, en voorts kunnen bevelen, dat te dier zake het vereischte gevolg worde gegeven, zoo daartoe gronden zijn.

110 De jaarwedden van de ambtenaren in den Hoogen Raad worden bepaald volgens de tabelle bij deze wet gevoegd.

111. De tegenwoordige ambtenaren van de regterlijke raagt, welke niet bezitten de vereisebten bij deze wet bepaald, kunnen nogtans benoemd worden tot gelijksoortige ambten als zij thans bekleeden.

De tegenwoordige rommiesen griffier, welke den graad van meester of licenciaat in de regten niet bezitten, zijn niettemin tot griffiers benoembaar.

De te voren verleende dispensation wegens de graden van bloedverwantschap of aanbuwelijking blijven in stand

112 Nadat de zetels der onderscheidene regterlijke kollegiën zijn bepaald, kunnen dezelve niet dan ten gevolge eener wet worden verplaatst.

WET van den Men April 1877 (Stbl. nquot;. 79). tol vaststelling van de klassen en zamenstel-ling der arrnndissements-regthanken, van de jaarwedden der leden van en ambtenaren hij die regtbanken, alsmede van de klassen der kantongeregten en van de jaartcedden^der kantonregters en der ambtenaren hij de kantonqereqten, gewijzigd hij de wet van den Iden October 1884 (Stbl. n0. 212).

Aetikel 1.

De klassen en de zamenstelline der arrondissements regtbanken, benevens de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij die regtbanken worden vastgesteld bij den volgenden staat:

-ocr page 24-

16 KLA.SSEN EN ZAMENSTELLTNG DEU REGTBANKEN ENZ.

EERSTE KLA.SSE.

Amsterdam.

1 president f 4000 4 substit.-officiers, ieder f3000 1

3 vice presidenten, ieder - 3500 1 grittier - 2000 lt;

13 refters, ieder - 3000 4 substit.-griffiers, ieder - 1500 4

1 officier - 4000

Rotterdam.

1 president f 40r,0 3 substit-officiers, ieder f 3000 ^

2 vice presidenten, ieder - 3500 1 griffier - 2000 \' 9 refters, ieder - 3000 3 substit.-griffiers, ieder - 1500 } 1 officier - 4000

\'s Hertogenboscb, Maastricht, Arnhem, Zwolle, \'s Graven -1 hnjre, Middelburg, Haarlem, Utrecht, Leeuwarden, Gro- i ningen. Assen.

1 president f 4000 1 a 2 substituut-ofliciers,

1 vice-president 3500 ieder f30fl0!

4 iï 5 regtera, ieder - 3000 1 griffier - 2000

1 officier - 4000 1 a 2 substit.-griff., ieder - 1503 i

TWEEDE KLASSE.

Breda, Roermond, Zutphen, Tiel, Almelo, Dordrecht, Zie-rikzee. Alkmaar, Heerenveen, Winschoten.

1 president f 3500 1 substituut-officier f 2500

3 a 4 regters, ieder - 2500 1 griffier - ]600; 1 officier - 3500 1 substituut-griffier -1200

Bij elke regtbank hoogstens vijf regters-plaatsvervangers zonder bezoldiging.

2. De klassen der kantongeregten, benevens de jaarwedden der kantooregters en der ambtenaren bij de kantongeregten worden vastgesteld bij den volgenden staat:

EERSTE KLASSE.

\'s Hertogenbosch, Maastricht, Arnhem, Zwolle, \'s Graven-: hage. Leiden, Rotterdam (de 2 kantons). Middelburg, Am-i sterdam (de 4 kantons), Haarlem, Utrecht, Leeuwarden,; Groningen, ASsen.

kantonregter f3000; griffier f900.

TWEEDE KLASSE.

Eindhoven, Breda, Bergen op Zoom, Tilbursr, Roermond,! Nijmegen, Zutphen Deventer, \'Jiel, Almelo, Delft, Schiedam,] Gouda, Brielle, Dordrecht, Gorinchem, Goes, Zierikzee, Alk-\' maar. Hoorn, Amersfoort, Harlingen, Sneek, Heerenvreen, Appingedam, Winschoten.

kantonregter f 2500; griffier f 800.

-ocr page 25-

KLASSEN EN ZAMENSTELLING DEK KEGTBAMiEN ENZ. 17

DERDP. KLASSE

Oss, Heusden, Waalwijk, Veghel, Boxmeer, üirachot, Oos-terhout. Zevenbergen, lieerlcn, Sittard, Gulpen, Venlo, Weert, Helmond, Wageningen, Kist, Üoesborgh, Terborg, Groenlo, Apeldoorn, Geldermalsen, Zalrbommel, Uruten, Vianen, Kampen, Harderwijk, Ommen, Enschedé, Goor, Alphen, Schoonhoven, Sommelsdijk, Üud-Ueijerland, Ridderkerk, Sliedrecht, Oostburg, Ter Neuzen, Hulst, Tholen, Hilversum, Schagen, Helder, Medemblik, Zaandam, i\'ur-merend. Haarlemmermeer, Éreukelen-Nijenrode, VNijk bij Duurstede, Woerden, Berliknm, i okkum, Bergum, Bols-ward, Beetsterzwaag, Lemmer, Steen wijk, Zuidhorn, Onder-dendam, Zuinbroek, Hoogeveen, Meppel, Emmen.

kantonregter f2200; griflier f 800.

ambtenaren van het ministerie, ieder ƒ1200.

Bij elk kantontreregt hoogstens 4 kantonregters-plaatsvervan-geis zonder bezoldiging

3 Worden ingetrokken:

de staten beboorende tot de artt. 86 en 4\'i der wet op de Regterlijke Organisatie en bet beleid der justitie;

de Wet van 1 Junij 1830 (.-tbl. n0. 12;; de artt. 82 en 83 der Wer van 28 April 1835 fStbl. nü. 10), en art. 2 der Wet van 26 Mei 1841 (Stbl. n0 17).

4 lgt;eze wet treedt in werking op den loden Mei 1877.

STAAT, behoorende tot art. 61 der Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der Justitie, en aanwijzende de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij de Geregtshoven.

Amsterdam.

1 president f 5000

1 vice president - 4500

9 a 10 raadsheeren, ieder - 4000 1 prokureur generaal - 6000

2 advok.-generaal, ieder 14000

1 grillier - 2500

2 substit.-grifllers, ieder - 2000


\'s hertogenbosch, Arnhem, \'s Gravenhage, Leeuwarden.

1 president f 5000 1 ii 2 adv.-generaal, ieder f 4000

1 vice-president -4500 1 grillier - 5J500

7 a 9 raadsheeren, ieder - 4000 1 a,2 subst.-grifliers, ieder - 2000

1 prokureur-generaal - 5000

STAAT, behoorende tot art. 110 der Wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der Justitie en aanwijzende de jaarwedden der leden van en ambtenaren bij den Hoogen Raad.

1 president f 8000 3 advok -generaal, ieder f 5000

1 vice-president - 6000 1 griflier - 3500

12 k 14 raadsheeren, ieder - 5000 1 a 2 subst.-griffiers, ieder - 2a00

1 rroknreur-geuernal - £000

KEGTEKL. OliO. 2

-ocr page 26-

REGTKBLTJKE INDEELING.

REGTERLIJKE INDEELING.

W KT van den ^den April 18quot;7 fStbl n\' 74,» tot na si sir II mg van het regi*yrhn d en d* z tfls der ttt rlt;;ndi\'sseiii^ nts - rrqttia // k\' /• en kanton^erealen bmnm hrt resa n van het Geregtshof te \'sHertogenbosch.

Artikel 1

Het repts^ebieil van de tot liet «erH^tshof te \'s Hertogenbopch belioitrende arrnndissements regthanken strekt zicli uit over de kantons, nan^ewezt-n bij den volgenden staal:, die tevens de zetels van die arroi dieseinents-re^tbHnken en van de daartoe behworende k..ntongere{iten b paalt:

le Arrondissement \'sHertogenbosch

1.

5e kanton Veghel. 6e „ Rquot;xnieer 7e ,/ Eini\'hoven. 8e „ Oirschot.

^e kanton s Hertogenbosch,

^e „ Oss

^e „ Heusden.

4e „ Waalwijk.

2e Arrondissement Breda

le kanton Maastricht. 2e „ Heerlen

4e kanton Bergen op Zoom. 5e ,/ Tilburg.

le kanton Breda 2e ,/ üo terbout.

8e „ Zevenbergen.

8e Arrondissement Maastricht.

8e kanton Sittard. 4e „ Gulpen. 4e Arrondissement Roermond.

le kanton Roermond. 3e kanton Weert.

2e ,/ Venlo. 4e „ Helmond,

2 Het regtsgebied van elk kantongeregt 8;rekt zich uit over de gemeenten, by den volgenden staat aangewezen:

Kantongeregt \'sHertogenbosch.

\'s Hertogenbosch. Dungen. Helvoirt.

1 ngelen. St. Michielsgestel. Vufjht. ^

Empel en Meerwijk Boxtel. Cromvoirt.

Rusmalen. Esch.

Berlicum c. a. Haaren.

18

-ocr page 27-

KEGTEELIJKE INDKELOG.

Kanton geregt Oss.

Oss G effen.

Nulind.

Alem c. a.

Lith.

Lithoijen.

üijen.

Kantongeregt

Heusden Hedikhuizen.

Ht-rpt c a Kokhoven.

Wijk c a Veen Andel.

Megen c. a

B. rchem.

Heesch

Kisteirode

Schaijk.

Reek.

Grave

Heusden.

Rijswijk. Emmikhoyen Giessen. Woudrichem. de Werken c. Werkendam. Almkerk

Velp.

Herpen. Huisseling c, Ravestein. Beursen c. a. Dieden c. a.

Bussen c. a. 1 irongelen c. } Meeuwen c. a Heesbeen c a. Oudheusden c

a.

Kantongeregt Waalwijk Waal wij k. Vrijhoeve- Ca pelle.

Waspik.

Sprang

CapeUe. Loon op Zand.

Kantongeregt Veghel Vegliel. Dintlier.

Schijndel üden

Hees wijk. Zeeland.

Kantongeregt Boxmeer. Boxmeer. Escharen.

Beugen c. a. Mill c. a.

Oeffelt. Beeis.

Cuijk c. a. Haps.

Linden. Wnnroij.

Gassel. Sambeek.

Vlijmen. Ts\'ieuwkuik c. Lrunen

Boekei.

Erp.

St. Oedenrode.

Oploo c. a.

Vierlin|jsl)eek

Maashees c. a.

Bergen.

Ottersum.

Gennep.

Kantongeregt Eindhoven.

Baardwijk. Bes» ui en

Eindhoven. Tongi Ire. Stratum Gestel c. a. Zeelst.

Strijp.

Woensel c. a. Son c. a. Nuenen c. a.

Geldrop. Zes Gehuchten. Aalst.

Waal re

Veldhoven c. a. Oerle.

Duizel c. a.

Eersel.

Riethoven.

Westerhoven.

Bergeijk.

Luijkssrestel.

Borkel c a

Dommelen.

Valkenswaard.

Heeze.

Leende.


Kantongeregt Oir schot. Oirschot. Reuzel.

Moergestel. Bladel c. a.

Hilv«renbeek. Hoogeloon c.

Hooge en Lage Mierde. Yesscm c. a.

Oostelbeers c.

Diessen.

Best

Liempde.

-ocr page 28-

fiKGTEELTJKE INDEELING.

20

Kantongeregt Breda.

Breda.

J\'rincenliage.

Terheijden.

Kantongeregt Oosterhout,

Oosterliout.

Zwaluwe.

Made c. a.

Teteringen. Gmneken c. a. Chaam.

Rijsbergen. Zundert c, a.

Geert rwidenherg. B aamsdonk. \'s G ravenmot;r.

Dongen.

Kantongeregt

Zevenbergen. Oudenbosch. J icphen.

lilt;.even c. a.

Kantongeregt

]gt;. rgen op Zoom. Koosendaal c. a. Steenbergen c. a. jN\'ieuw-Vossemeer.

Zevenbergen, Etten c. a. Klundert. Willemstad.

Fijn aart.

Bergen op Zoom. Halsteren. Wcensdrecbt. Ossendrecht. Putte.

Dinteloord e. a. Standdaarbuiten. Oud- en Is.-Gastel.

Huijbergen, Wouw.


Udenhout. Goirle. Alphen c. a.

Kantongeregt Maastricht.

Kantongeregt Tilburg, \'i ilburg.

Merkel c. a.

Oisterwük.

Bafc.rle-Nassau. Gili\'.e e. a.

Maastricht. Oud Vroenhoven. Borgharen. Itteren.

Bunde.

Cronsveld. Mesch. Eijsden. Rijckholt. St. Pieter.

Ulestraten. Meerssen. Houthem. Am bij. Heer.


Kantongeregt Heerlen.

Heerlen.

Scha» sberg.

Xlbach over Worms.

.Him burg

gt;\'ieuwenhagen.

Eijgelshoven.

Kerkrad e. Voeren daal. Klimmen. W ij n andsrad e. iN uth.

Hoensbroek.

Amstenrade.

Merkelbeek.

Brunssuni.

Schinveld.

Hulsberg.

Sohimmert.


Kantongeregt Sittard.

Sittard.

Munstergeleen.

Jabeek.

Bingelrade.

Oirsbeek.

Npaubeek.

Schinnen.

Geul.

Beek.

Elsloo.

Geleen.

Stein.

TTrmond.

Obbicht en Papenhoven. Grevenbicht.

Bom. Roosteren. Su ster en. ^ ieuwstadt. Limbricht. Broek sittard.


-ocr page 29-

REGTKELTJKE INDEELTNG.

21

Kantongeregt Gulpen.

Gulpen. VHlkenbur»; Oud Valkenburg:. Schin op Geulie. Struclit.

Wijlre.

Wittem.

Simpelveld.

Bocholtz.

Vaals

Slenaken.

Noorheek.

Mheer.

St. Geertroid. Margraten. Cadier en Keer. Bemelen.

Berg en Terblijt.


Kantongeregt Roermond.

Roermond. Maasniel. Herckenboscli en

Melick. St. Odiliënberg. Vlodrop. Posterbolt. Montfort.

Echt.

Ohé en Laak.

Stevensweert.

Thorn.

Wessem.

Maaabracht.

Linne.

Herten.

Heel en Panheel. Beegden.

Horn.

Haelen.

Buggenum.

Nunhem.

Neer.

S walmen.

Beesel.

Kessel.


Kantongeregt Venlo.

Venlo. Sevenum.

Tegelen. Ho^st.

Bel fel d. Ven ra ij.

Maasl)ree. Wanssum.

Helden. Meerlo.

Kantongeregt Weert.

Weert. Meijel.

Rudel. Soerendonk. Maarheeze. Nederweert.

Roagel. Heijthuijscn. Baexem. Grathem.

Broekhuijsen. Ar een en Velden. Grubbenvorat.

Hunsel. Itter voort. Neerritter. Stamproij.


Kantongeregt Helmond. Helmond. Beek en Donk.

Mierlo.

Asten. Lierop. Someren.

Gemert. Bakel c. a. Deurne c. Vlierden.

Stiphout.

Lieshout. Aarle-Rixtel.

3. De arrondissementa regtbank te Eindhoven, en de kanton-geregten te Grave, Boxtel, Asten, Ginneken, Oudenboach, Meeraden, Horat en Gennep zijn ontbonden.

4 De wetten van 22 jterember 1S28 (Sthl. n0. 68) en 18 September 1841 (Stbl. n0. 33), met alle daarin gebragte wijzigingen, zijn ingetrokken.

5. Deze wet treedt in werking op den loden Mei 1877.

-ocr page 30-

22 REGTERLTJKE INDEELTNG.

II.

WET van den Qden April 1877 (Stbl. n0. 75), tut vnshteLing van het regtsqebied en de zetel* der arrondisamp;ements-regthanken en kantong er eg ten binnen het ressort van het Geregtshof te Arnhem.

Aktikkl 1.

Het regtsqebied vnn de tot het frereqtshof te Arnhem hehoo-remle arrondisseraents-reptbanken strekt, zich uit over de kan-tune, annsievvezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en van de daartoe behoo-rende kantongeregten bepaalt:

Je Arrondissement Arnhem ]e kanton Arnhem. 4e kanton Kist.

•ie „ Wageningen. 5e Doesborgh.

3e „ Nijmegen 6e „ Terborg.

2e Arrondissement Zutpheu.

Ie kanton Zutphen. 8e kanton Apeldoorn.

2e ,/ Groenluo. 4e w Deventsr.

3e Arrondissement Ti el

le kanton Tiel 4e kanton Druten.

2e „ Geldermalsen. 5e „ Vianen,

3e „ Zaltbommel.

4e Arrondissement Zwolle

le kanton Zwolle. 3e kanton Harderwijk.

2e ,/ Kampen. 4e „ Ommen

5e Arrondissement Almelo.

le kanton Almelo. Se kanton Goor.

2e „ Enschedé

2. Het regtsgehied van elk kantongeregt strekt zich uit over de gemeenten, bij den volgenden staat aangewezen-. Kantongeregt Arnhem.

Arnhem Westervoort. Herwen en Aerdt.

Rozendaal. Duiven Pannerden.

Rh den. Zevenaar.

Kantongeregt Wageningen.

Wageningen. Doornwerth. Veenendaal.

Renkum. Ede. Rhenen.

Ki

Nijmef Millini Ubheri Groesf:

K;

Eist

Huissj

Gent

K

Doesb Anger

K

Wisch Bergh Gendi

K

Zutpli Warn; Vordt

B

Groeu Lichti Aalte

¥

Apeld Voort

l

Bevei Diepe

I

Tiel. Echt( IJ zen Dode

1

i Gelde Est lt; Ophe Varii

I .

-ocr page 31-

REGTERLTJKE INDEELTNG.

Kantongeregt N ij m eg e n.

Nijmegen Millingen. Ubbergen. Groesbeek.

Mook. Reurnen Ovrrasselt Balgoij.

Wijchen Beulingen.


Kantongeregt Eist.

Eist Bemmel.

Heteren.

Huissen. Valburg.

Gent

Hemmen.

Kantongeregt Doesborgh.

Doesborgh. Didam.

Angerlo Wehl.

Kantongeregt Ter borg.

Wiscli. Dinxperlo.

Berfili. Doetincbera (Stad-).

Gendringen. Doetincbem (A.mbt-).

Kantongeregt Z u t p h e n.

Zutphen. Hengelo

Warnsveld. Lochem.

Vorden. Laren.

Kantongeregt Groenlo.

Hummelo. Steenderen.

Zelhem.

Gorssel. Brummen.

Borculo. Ruurlo.

Groenlo. Winterswijk.

Eibergen. Neede.

Lichteiivoorde. Aalten.

Kantongeregt Apeldoorn.

Epe.

Apeldoorn. Voorst.

Heerde.

Kantongeregt Deventer. Deventer. Olst.

Diepenveen. Wijhe.

Kantongeregt Ti el.

Tiel. Kesteren.

Kaalte. Bathmeu.

Zoelen. Wadenoyen.

Echteld. Lienden.

Maurik. Buren.

Uzendoorn. Dodewaard.

Kantongeregt Geldermalsen. Gel derm al sen. Waarden burg.

Est en Opijnen.

Ophemert.

Varik.

Buurtnalsen.

Culenborg.

Beusicheca,

Haaften.

Deil.

Beesd,

-ocr page 32-

1

24 REC.TERLTJKE INDE ELTNC.

Kantongeregt Zaltbommel.

3. r en de

Zaltbommel. Poederoijen. Driel. Brakel. Ammerzoden. Zuilichem. Hedel. Gameren. Nederheraert. Hurwenen.

Heerewaarden.

Rossum.

Kerkwijk.

Loche Delde

4. 1 met a

5. 1

Kantongeregt Druten.

Pruten. Batenburg. Ewijk, Horssen. Bergharen. Appeltern.

Dreumel. Wamel.

Kantongeregt V i a n e n.

Vianen. Hei- en Poeikop. Hagestcin. Sclioonrewoerd. Everdingen. Leerdam.

Asperen.

Leerbroek.

Lexmond.

Kantongeregt Zwolle.

Zwolle. Dalfsen. Zwollerkerspel. Nieuwleusen. Hattem. Staphorst, lleino. Hasselt.

Zwartsluis. Vollenhcve (Stad-). Vollenhove (Ambt ). Blokzijl.

He behoc

Kantongeregt Kampen.

Kampen. Zalk- en Veecaten. OJdebroek. Wilsum. Kamperveen. IJsselmuiden.

Grafhorst. Genemuiden.

kante zetels beho

Kantongeregt 11 a r d e r w ij k.

le kf 2e

Harderwijk. Pntten. J rmelo. Nykerk.

Doornspijk. El burg.

Kantongeregt 0 m ra en.

le k

Ommen (Stad-). Hardenberg (Stad-). Ommen (Ambt-). Hardenberg (Ambt-). Den Ham. Gramshergen.

A vereest.

3e 4e

Kantongeregt Almelo

le k

Almelo (Stad-). Vriezenveen. Almelo (Ambt-). Tubbergen. Wierden. Oostmarsum. Hellendoorn. Denekamp.

Borne. Weerselo.

2e Se

le k 2e

Kantongeregt Enschedé.

Enschedé. Losser. Lonneker. Oldenzaal.

Heneelo. Haaksbergen.

8e

Kantongeregt Goor.

le

Goor. Diepenheim. Delden (Stad-). Markelo. Delden (Ambt-), Holten.

Rijssen.

2.

de den

-ocr page 33-

REGTERLIJKE INDEELING.

3. De arrondissements-regtbanken te Nijmegen en Deventer, en de kantongeregten te Zevenaar, Nijkerk, Elburg, Wijchem, [jochem. Aalten, Doetinchera, Culenhorg, Vollenhove, Kaalte, Delden, Oldenzaal en Ontmarsum zijn ontbonden.

4. I\'e wetten van 22 l ecember 1828 (Stbl n0. 71 en SO), met alle daarin gebragte wijzigingen, zijn ingetrokken.

5. 1 eze wet treedt in werking op den 15den Mei 1377.

III.

WET van den Men April 1877 (Stbl. n0. 76), tot v ad stelling van het regtsgehied en de zetels der arrowdissements-regtbanken en kantong er eg ten binnen het ressort van het Geregtshof te \'sGravenhage.

ARTTKKL 1.

liet regtsgebied van de tot het Geregtshof te \'s Gravenhage behoorende arrondissements regtbanken btrekt zich uit over de kantons, aangewezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en van de daartoe behoorende kantongeregten bepaalt :

le Arrondissement \'sGravenhage.

Ie kanton \'s Gravenhage. 3e kanton Leiden.

2e w Delft. 4e „ Alphen.

2e Arrondissement Rotterdam,

le kanton Rotterdam no. 1. 5e kanton Schoonhoven.

2e ,/ Rotterdam no. 2. 6e „ lirielle.

3e „ Schiedam. 7e „ Sommelsdijk. 4e i, Gouda.

3e Arrondissement Dordrecht,

le kanton Dordrecht. 4e kanton Gorinchem,

2e „ Oud-Heijerland. 5e „ Sliedrecht. 8e ,/ Ridderkerk.

4e Arrondissement Middelburg,

le kanton Middelburg, 4e kanton Ter Neuzen,

2e i, Goes 5e „ Hulst.

3e „ Oostburg.

5e Arrondissement Zier ik zee le kanton Zierikzee, 2e kanton Tholen

2, Het regtsgebied van elk kantongeregt strekt zich uit over de gemeenten of de gedeelten van gemeenten, bij den volgenden staat aangewezen:

25

-ocr page 34-

REGTERLTJKE INDEELING.

26

Kantongereclit \'s G r a v e n h a g e. Veur Voorburg.

\'s Gravenhai Wassenaar

Rijswijk. Lousduinen.

Kantongeregt Delft.

Delft. Pijnackcr Monster.

Stompwijk. Berkel en Rodenrijs Naaldwijk

Zegwaard. Vrijenban. Wateringen.

Zoetermeer. Schipluiden. Hot van Delft.

Nootdorp. De Lier.

Kantongeregt Leiden.

Leiden Rijnsburg.

Noordwyk.

Voorhout.

Sassenheim.

Leiderdorp Zoeterwoude. Voorschoten. Valkenburg.

Katwijk. Oegstpeest. Warmond.

Noord wijkerhout.

Kantongeregt Alphen. ^

Alphen. Zwammerdam. Ter Aar.

Hazerswoude. Aarlanderveen. Woubrugge.

Benthuizen. Nieuwveen Koudekerk.

Bobkoop. Rijnsaterwoude. Üudshoorn.

Kantongeregt Rotterdam no. 1.

Het gedeelte van Rotterdam geleg-n aan de westzijde en noordzijde van het water dat, onder den naam van cle Schie, vervolgd in de Delftsche vaart, door de Vlasmarktslais, den Steiger, onder door de Groote Markt, den Kolk en de Oude Haven tot aan de Maas, die gemeente doorsnijdt, en van de Maas beneden de Oude Haven-

Delfshaven.

Kantongeregt Rotterdam no. 2.

Het gedeelte van Rotterdam gelegen aai van de hiervoren genoemde wateren,

Kralingen. Bergschenboek.

Capelle a. d. IJssel. Hillegersberg.

Kantongeregt Schiedam.

Schiedam. Vlaardingeram-

Overschie bacht.

Kethel en Spaland. Maasland.

Kantongeregt Gouda.

Gouda Waddinxveen.

Hekendorp. Moercapelle.

Lange-Ruigeweide. Bleiswijk.

JReeuwijk. Zevenhuizen.

de oostzijde en zuidzijde met die wateren zelve.

Schiebroek.

\'s Gravezande.

Maassluis

Vlaardingen.

Nieuwer kerk {

den IJsael. Moordrecht. Gouderak.

-ocr page 35-

KEGTERLIJKE TNDEKLING.

27

Kantongeregt Schoonhoven.

Schoonhoven. Willige Langerak Jaarsveld ^ Lopik.

Polsbroek, i: Benschop, j Willeskop.

Hoenkoop.

Vlist

Haastrecht Sto\'wijk.

Berken wonde Ouderkerk aan den Ussel.

Krimpen aan den

IJ ssel Krimpen aan de

Lek.

Lekkerkerk, Bergambacht. Ammerstol.


Kantongeregt Brielle.

Brielle. Oosivoorne. Roekanje Nieuw-Helvoet Nieuwenhoorn. Hellevoetslnis.

Oudenhoorn.

Zuidland.

Hekelingen.

Spijkeniase.

Geervliet.

Heenvljet.

Abbenhroek. Zwartewaal. Vierpolders. Rozenburg.


Kantongeregt Sommelsdijk.

Sommelsdijk. Ooltgensplaat.

Vliddelharnis. Oude Tonge.

Stad aan \'t Haring- Nieuwe Tonge.

vliet. Herkingen.

Den Bommel. üirks and.

Kantongeregt Dordrecht.

Dordrecht. Dubbeldam. Groote Lindt. Zwijndrecht.

Kantongeregt Oud-Beierland.

Melissant. Stellendam. Goedereede. Ouddorp.

e en

Oud-Beijerland. Numansdorp.

Nieuw-Beijerland. Strijen.

Piersuil \'b Gravendeel.

Goudswaard. Maasdam.

Zuid-Beijerland. Puttershoek.

Kantongeregt Ridderkerk.

Ridderkerk. Oost- en West-Ba-Hendrik-Ido-Am- rendrecht.

bacht. Rhoon.

| Heerjansdam. Poortugaal.

Kantongeregt Gorinchem.

Heinenoord. Mijnsheerenland. Westmaas. Klaaswaal.

Hoogvliet. Pernis. Charlois Usselmonde.

Hoog Blokland. Schelluinen. Giessen-Meuwkerk. Hardinxvelü,

Nieuwland.

Meerkerk.

Ameide.

Tienhoven.

Noordeloos.

Hoornaar,

Gorinchem.

Ar kei.

Vuren

Herwijnen.

Heukelum.

Kedichem.

-ocr page 36-

BEQTERLTJKE INDEELTNQ.

28

Kanton^eregt Sliedrecht.

Sliedrecht.

Giessendam.

Pen sum.

Molenaarsgraaf.

Ottoland.

Goudriaan.

Lanserak.

Nieuw poort.

Groot-Ammers.

Brandwijk.

Streefkerk.

Nieuw-Lekkerland.

Alblasserdam. Oud-Alblas. Papendrecbt. Wijngaarden. Bleskensgraaf en Hofwegen,


Kantongeregt Middelburg.

Middelburg.

Nieuw- en St. Joos-

land.

Arnemuiden.

Veere.

St. Laurei.s. Grijpskerke.

Serooskerke.

Vrouwepolder.

Oostkapelle.

Domburg.

Aagtekerke

V\\ estkapelle.

Meliskerke.

Zoutelande. Biggekerke. Koudekerke. Vlissingeu. Rit them.

Oost- en West-Souburg.


Kantongeregt Goes.

Goes

\'s Heer-Abtskerke.

Nisse.

\'s Gravenpolder.

Hoedekenskerke.

Baarland.

Oudelande.

Kllewoutsdijk.

Driewegen.

Ovezande.

Borsselen.

\'s Heerenhoek.

Heinkenazand.

\'sHeer-Arendskerke.

Wolphaartsdijk.

Kortgene

Wissekerke.

Colijnsplaat.

Kats

Kattendijke.

Moetinge.

Knpelle.

WemeldiBge.

Uerseke.

Schore.

Kruiningen.

Waarde.

Krabbendijke.

Rillnnd.

Fort Bath.


Kantongeregt Ooatburg.

Oostburg.

Waterlandkerkje.

1.1 zend ij ke.

Biervliet.

Hoofdplaat.

Schoondijke.

Breskens. G roede.

Nieuw vliet. Znidzande. Cadzand. Retrancbement.

St. Annater Muiden.

Sluis.

Heille.

Aarden burg.

Eede

St Kruis


Kantongeregt Ter Neuzen.

Ter Neuzen.

Hork.

Philippine.

Axel.

Kantongereebt Hulst.

Sas van Gent. Westdorpe.

Hulst. Clinge. Graauw. Hontenisse.

Ossenisae. Hengstdijk. Bosebkapelle. Stoppeldijk.

St. Jam.teen. Koewacht. Zuiddorpe. Overslag.


-ocr page 37-

RfcGTKKLTJKE INDEELING.

29

Kantongeregt Z i e r i k z e e.

Zierikzee.

Ouwerkerk.

Isieuwerkerk.

Oosterland.

Bruinisse.

Dreischor.

Noordgouwe.

Zonnemaire.

Brouwershaven.

J)nivendijke.

Eikerzee

Ellemeet.

Noordwelle.

Ken esse

Haamstede.

Burgli.

Serooskerke.

Kerkwerve


Kantougeregt Tholen.

Tliolen. St Aunaland.

Oud-Vossemeer. Stavenisse.

! St. Philipsland. St. Maariensdyk.

3. De aTrondissements-regtbaiikeu te Leiden, Brielle, Gorin-chera en Goes, en de kan\'ongeregten te Voorburg, ISquot;aaldwijk, Isoordwijk, Woubrugge, Vlaardiugen, llillegersberg, \'s Gravendeel. Vliamp;singen, Sluis, Heinkenszand, Kortgene, Axel en Brouwershaven zijn ontbonden.

4. De wetten van 22 December 1828 (Stbl. n0. 74 en 75), met alle daarin gebragte wijzigingen, zijn ingetrokken.

5. Deze wet treedt in werking op den loden Mei 1877.

IV.

WET van den Qden April 1S77 (Stbl. n0. 7quot;), tot vauntelling van het regtsgehied en de zetel* aer arrondis\'sements-regtbanken en kantongereqten Linnen het ressort van het Geregtshof te Amsterdam, gewijzigd bij de loet van den §den Mei 1878 (Stbl. nquot;. 31).

tluiden

Artikel 1.

Het regtsgebied van de tot het Geregtshof te Amsterdam belioorende arrondissements-regtbanken strekt zich uit over de kantons, aangewezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en van de daartoe belioorende kantougeregt en bepaalt:

le Arrondissement Amsterdam.

Ie kanton Amsterdam no. 1. 4e kanton Amsterdam no. 4. 2e „ Amsterdam no 2. 5e „ Uilversum. Se w Amsterdam no. 3.

2e Arrondissement Alkmaar.

ft

le kanton Alkmaar. 4e kanton Hoorn.

2e // Schagen. 5e u Medemblik.

3e „ Helder.

Seherpenisse. Poortvliet.

-ocr page 38-

HEGTEBLUKE INDEELING.

80

•\'

8e Arrondissement Haarlem.

Ie kanton Haarlem. 2e „ Zaandam.

.Se kanton Formerend. 4e „ Haarlemmermeer.


4e Arrondissement Utrecht.

Ie kanton Utrecht. 2e „ Breukelen-Jfijen-10de.

3e kanton Amersfoort. 4e „ Wijk bij Duurstede. 5 e „ Woerden


2. Het regts^ebied van elk kantongeregt strekt zich uit over de gemecnten of de gedeelten van gemeenten, bij den volgenden staat aangewezen;

Kantongeregt Amsterdam no. 1

l)e grenslijn van het tot dit kanton beboorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken van af de Hooge Amstel-brug, langs den Binnen-Amstel en Kloveniersburgwal O Z. dwars over \'ie Nieuw markt, ten oosten van en langs de St. Antboniewaag en ten westen van en langs de Zeevischmarkt, lungs de Geldersche kade »». Z, Kamperboofd, Kraansluis, langs den \' ogt;tetooksdijk W Z. en het terrein waarop ziclgt; het hulpstation van den Oosterspoorw-eg bevindt (Oostelijk Stationseilanü bij den Oo.-terdoksdijk) W Z, N Z en O. Z.; voorts langs den oever van het Openhaven front en het IJ \'de liïp\'aatsen en de H ndelskade in het kanton begrepen) in oostelijke rigting tot aan den afsluitdijk, en van daar lagt; gs dien dijk VV Z tot aan de grens der gemeente, aldaar dien dijk over in oostelijke rigting en verder de grens der gemeente volgende tot a^n de Weesperzijde, en langs de Weesperzijde tot aan het uitganspunt de Hooge Amstelbrug. Watergraafsmeer.

Uiemen.

Kantongerecht Amsterdam no. 2.

De grenslijn van het tot dit kanton beboorend gedeelte der ge-meei te Amsterdam is getrokken van af den Klovenierbburg-wal hoek Oude Hoogstraat, langs den Kloveniersburgwal en Binnen-Amstel VV. Z, de Utrechtsche zijde tot aan den ümiet-pna\', de grens der gemeente tot aan de zuidzijde van het Rijen wandelpark, langs de zuidzijde van het Rij en wandelpark in regte rigting over de Singelgracht., de Singelgracht O. Z. tot tegenover de Looijerssracht, Looijersgracht, Runstraat, Huidenstraat, en Heisteeg Z. Z., het Singel VV. Z. tot aan de Beulingstraat, dwars over het Singel, het Spui Z l, dwars over het Rokin ten noorden van en langs de Kraaminrichting, de Grimburgwal Z Z., de Oudezijdsvoorburgval O. Z., de lt;gt;ude Doelenstraat en Oude Hoogstraat Z. Z. tot aan het uitgangspunt Kloveniersburgwal.

Kieuwer-Amstel.

Onder-Amstel Uithoorn

-ocr page 39-

BEGTEELIJKE INDEELING.

Kantongeregt Amsterdam do 3

De grenslijn van bet tot dit kanton beboerend gedeelte der geraeeiite Amsterdam is yetrokkeu van af bet Kamperboufd Ihi gs de Ge iierscbe kade V\\. Z , ten westen van en langs de S\'eevisi bmarkt en ten oosttn \\an en langs de St Antbunie waag, dwars over üe Nieuw markt, Klovt-niersbmgwal W. Z. tot aan de Oude Hoogstiaat, Oude Hoogstraat en Oude l\'oe-lenstraai Z , Oudezijdsvoorhurgwal W. Z. tot aan den Grim burgwal, Grimburgwal N. Z, ten noorden van en langs, d\' Kraaminrijiting, dwars over bet Rokin, Spui ^ Z, Singel a \' 10 ann üe Kf-rte Heisteeg, Heisteeg, Huidenstraat RunstroH\' en Looijt-rsgrwcbt N Z, dwars over de Lijnbaans-graebt, Sc\'-ans en SingeLracbt, -ingel^rHcbt VV Z tot aan de zuiuzij-ii- van bt-i Hij en wandt-Ipark, Z Z. van lift hij en wan\')»-![/ark lot aan ue ^rensder gemeeiite, langs de grens der ü\'-met-nte tot aan de Kuiperslom, de Kuipersloot Z. Z., Haambgt;«rr èrr, Hloem^racbt Z. Z, Pnnsengrac bt. O. Z tot aan de Lrfliejirm^bt Leliegiacbt, Oude Lelit-straat, Torensteeg en Mi.1 steeg Z. over de 1) nkt-re Sluis Moz^s en Aaronstraat liet Damp ein, ten west-n an en lanjis ie Beurs naar het Damrak O Z, vo-rts tien oever vn\'gende langs ü- Texel-scbe kade me st«*ii^rs niet in bet kanton hegrepen). de Haring-pak k rij, dt-n Korten Singel, bet aangfplempte terrein lgt;ij den Westerüoksuijk (V\\eatelijk Stationse land) O. Z., N. Z. en u. Z, den \\\\ estrrd(jksdijk (Je steigers niet in het. kanton begrepen) de buitenzijde der Houthaven, en voorts lungs den zuidelijken oever van het ^ oordzeekanaal tot aan de grens der gemeente, aldnar over het Kanaal die grens volgende tot aan den afslui\'sdijk te Schellmiiwoude, di»-n dijk voljjmde langs den westelijken oever en voorts langs den oever van bet 3J en bet Openbavenfront (de Handelskade eu de ligplaatsen niet in bet kanton begrepen;, lat gs de 0 Z., N Z. en VV Z. van bet terrein waarop zich bet bulpstation van den Oosterspoorwej; bevindt (Oostelijk S\'ationseiland bij den Oosterdoksdijki, den Oosterdoksdijk en Kraansluis W Z, voorts in Noordelijke rigting langs den oever van de Krooi-mewaal tot aan bet uitgangspunt het Kamperhoofd.

Buiksloot.

N eu wen dam.

Ransdorp

Kantongeregt Amsterdam no. 4.

De grenslijn\' van bet tot dit kanton beboorend gedeelte der gemeente Amsterdam is getrokken van den boek van den JSieuwezijdsvoorburgwal en Mo\'steeg N. Z , door de Molstetg N. Z., Torensteeg N Z.. over de Torensluis, Oude Leliestraat en Leliegracht N Z, Prinsengracht W. Z. tot aan de Bloemgracht, Blnemgracbt IV Z., Raambarrière, Kuipersloot IsT Z., de grens der gemeente tot aan den zuidelijken oever van bet Noordzeekanaal, aldaar in oostelijke rigting dien oever volgende langs de buitenzijde der Houthaven, den Westerdoksdijk en het aangeplempte terrein bij dien dijk olquot; Westelijk Stations-

81

i

-ocr page 40-

K

Haarl Bloen Zandv ^r Bennt Heem K

Zaand Westz Assen

¥

Purni Hpeuc Broek Mark* Monn Katw K

Haarl Lisse. I-

Utree Maan 0 de Bi

I\'

Brenl rod Breul ter; Loosd Loene Loem Vreel Nigte

! 1-

Amer Hoevi Stout Barnc Hoog 1

Isederborst den

Berg Ankeveen. \'s Graveland. Kortenboef.

Heer Hugo waard. Oterleek.

Oudorp. Scberinerborn. Zuid- en Koord-

scbermer.

Graft.

Hij p.

Akersloot. Uitgeest Castricum Limmen. Heil o.

St Pancras, Koedijk.

Oude Niedorp. Üudkarspel. VVarmenbui?en. Haren karspel.

St. Maarten

Petten,

Zijpe.

Callantsoog,

Vlieland,

82 EEGTEELUKE INDEELIfG.

eiland W. Z, N. Z. en Ü. Z. (de steigers in liet kanton begrepen^, den Korten Singel, Haringpakkerij, Texelsche kade (de steigers in liut kanton begrepen), Damrak W. Z., ten noorden van en lanjrs den i)am, Mozes- en Aiironstraat N. Z., over de Donkere bluis tot aan bet uitgangspunt ftieuwezijds voorburgwal.

Sloten,

Kantongeregt Hoorn,

Hoorn Enkbuizen. Wognum.

Scbellinkbout. Grootebroek L\'rsem

Wydenes. Hoogkarspel. Avenborn.

Urk Blokker. Beets.

Venbuizen. Westwoud. Oudendijk.

Bovenkarspel. Zwaag. Berkhout,

Kantongeregt Hilversum.

Hilversum. Kaarden.

Laren Muiden

Elaricum. M\'eesp.

Huizen. Weesperkarspel. Bussum.

Kantongeregt Alkmaar.

Alkmaar.

tgmond Binnen. Egmond aan Zee. Bergen.

Scboorl.

K oordscbarwoude. Zuidscbarwuude. Broek op Langendijk.

Kantongeregt Helder. Helder. Texel.

Wieiingerwaard,

Barsingerborn.

Winkel.

Nieuwe Kiedorp.

Kantongeregt Medemblik.

Wieringen.

Kantongeregt S c b ag e n.

Scbagen Anna Paulowna

Medemblik.

Opperdoes.

Wervershoof.

Andijk.

iNibbixwoud.

Midwoud.

Sijbekarspel.

Opmeer.

Spanbroek.

Obdam.

Amei: Leers Doom

Hensbroek. Hoogwoud. Abbekerk. Twisk.


-ocr page 41-

EKGTKBLIJKK INDEELING Karcfcongeregt H an r 1 e m.

Haarlem. Haarleminerliede en

Bloemend aal. Spaarmvoude

Zandvoort Spaarndam

Beunebroek. Schoten.

Heemstede Velsen

Kanton^eregt Zaandam.

Beverwijk. Heemskerk. Wijk aan Zee Duin.

Zaandam. Woimerveer.

Westzaan. Krommenie.

Assendelft Zaandijk

Kanton geregt 1\' u r m e r e n d.

Koo? aan de Zaan. Oostzann


Purmcrend. Ilpeudam.

Broek in Waterland. Marken

Monnikkendam. Katvvoude.

Edam.

Kwadijk.

Vfiddelie.

Warder.

Oosthuizen.

Beemster.

Jis;»

Wormer. Wij de worm er. Landsmeer.


Kantongeregt Haarlemmermeer.

Haarlemmermeer. Hillegom.

Lisse. Alkemade.

Kantongeregt Utrecht.

Utrecht. Zeist.

Maartensdijk. Jutphaas.

Leimui\'len. Aalsmeer.

Vreeswijk. Oudenrijn.

de Bilt. IJsselstein.

Kantongeregt B r e u k e 1 en-N ij e n r o d e.

Brenkelen-Ts\'ijen-

rode. Breukeien-St. Pie-

ters.

Loosdrecht. Loeuen. Loenersloot. Vreeland. Nigtevecht.

Abcoude-Proostdij, Abcoude-Baam-

brugge. Vinkeveen

Wa-

verveen. Mijdrecht. Wil nis. Ru wiel. Kockengen

Laagnieuwkoop.

llaarzuilens.

Maarssen.

[Vlaarssaveen.

Tienhoven

Westbroek.

Acht.tienhoven.

Zuijlen.


Kantongeregt Amersfoort.

Amersfoort. Bunschoten.

Hoevelaken. Eemnes

Stoutenburg. Baarn.

Barneveld Soest

Hoogland. Leusden

Kantongeregt Wijk bij Duurstede. Wijk bij Duurstede. Driebergen.

Langbroek. Amerongen. Leersum. Doom.

Rij sen burg. Bunnik Odijk. Werkhoven,

Maarn. Woudenberg. Scherpenzsel. Renswoude.

Cothen.

Houten. Schalkwijk.

Tuil en \'t Waal.


KEGTERL. ORG.

3

-ocr page 42-

rkgtkrl1jke indeeling

34

Kant on gerekt Woerden.

Woerden. Kamerik Zegveld.

Nieuwkoop Zevenhoven. Bodegraven.

Rietveld.

Bar wout s waarder.

Waard er Papekop

Oudewater Snelrewaard.

Montfoort.

Linsohoten.

Veldhuizen.

Vleuten.

Harmeien.


8. ])e arrondissoments-reurtbanken te Hoorn en Amersfoort, en de kantonorereüten te Nieuwer-Amstel, Weesp, Edam, Enkhuizen, Beverwijk, Usselstein, Maarssen, Loenen en Rhenen zijn ontbonden

4 De wetten van 22 December 1828 (Staatsblad nos. 73 en 78), met alle daarin gebragte wijzigingen, zijn ingetrokken.

5. Deze wet treedt in werking den 15den Mei 1877.

V.

WET van den, tflen Jpril 1877 (Stbl. nquot;. 78), tot vaststelling van het rcjtsgehied en de ze\'els der arrondissernents-regthanken en kavtongeregten binnen het ressort van hel Geregtshof ie Leeuwarden.

Artikel 1.

Het regtsgebied van de tot het Geregtshof te Leeuwarden behoorende arrondissements-regtbanken strekt zich uit over de kantons, aangewezen bij den volgenden staat, die tevens de zetels van die arrondissements-regtbanken en van de daartoe behoorende kantongeregten bepaalt:

le Arrondissement Leeuwarden.

le kanton Leeuwarden. 5e kanton Harlingen.

2e „ Berlikum. 6e u Sneek.

8e „ Dokkum. 7e „ Bolsward, 4e „ Bergum.

2e Arrondissement Heerenveen.

le kanton Heerenveen. 3e kanton Lemmer.

2e Beetsterzwaag. 4e „ Steenwijk.

3e Arrondissement Groningen.

le kanton Groningen. 3e kanton Appingedam.

2e ,, Zuidhorn. 4e „ Onderdendam,

4e Arrondissement Winschoten.

2e kanton Zuidbroek.

le kanton Winschoten.

-ocr page 43-

IIEGTERLIJKE IKDKELING.

5e Arrondissement Assen.

Ie kanton Assen Se kanton Meppcl

2e „ Hoogeveen. 4e „ Emm en.

2. Het regtsgebied van elk kantongegt strekt zich uit over de gemeenten, bij den volgenden staat aangewezen:

Kantongeregt Leeuwarden.

Leeuwarden. Leeuwarderadeel. Idaarderadeel. l^aarderadeel.

Kantongeregt Berlikum.

Menaldumadeel. \'t Bildt. Ferwerderadeel.

Kantongeregt Dokkum.

Dokkum. Kollumerland en Ameland.

Westdongeradeel. Nieuwkruisland. Schiermonnikoog.

Qostdongeradeel. Dantumadeel.

Kantongeregt Bergum.

Tietjerksteradeel. Achtkarspelen.

Kantongeregt Harlingen.

Harlingen. Franekeradeel. Terschelling.

Franeker. Barradeel.

Kantongeregt Sn eek.

Sneek. IJlst. Wijmbritseradeel. Kauwerderhem.

Kantongeregt Bols ward.

Bol sward. Workum.

Hennaarderadeel. Hindeloopen.

Wonseradeel. Staveren.

Kantongeregt Heer en veen.

Schoterland. Haskerland.

Aengwirden. Utingeradeel.

Kantongeregt Beetsterzwaag.

Smallingerland. Opsterland.

Kantongeregt Lemmer.

Lemsterland. Doniawerstal. Sloten. Gaasterlai

Kantongeregt Steen wijk.

Steenwijk. Blankenham. Steenwij kerwold

Giethoorn. Kuinre.

Wanneperveen. Oldemarkt.

Kantongeregt Groningen.

Groningen. Haren Noorddijk

85

Hemelumer Olde-phaert en Noord-wolde.

Weststellingwerf.

Ooststellingwerf.

-ocr page 44-

REGTEllLIJKE TNDKKLING.

Kantongeregt Zuid hom. Zuidhorn. fJrijpskerk.

Oldekerk.

Grootegast.

Marum.

Ten Boer. Slochteren.

Kantongeregt Appingedam.

Appingedam. \'t Zandt.

Delfzijl. Loppersum.

Bierum. Stedum.

Kantongeregt Onderdendam.

Leek. Hoogkerk.

Aduard. Ezinge. Oldehove.

Bedum

Middelstum.

Kantens.

LJithuistermeeden. Uithuizen.

Usquert.

Warlfum.

Baflo

Eenrum.

Kloosterburen.

Ulrum. Leens. Winsum. Adorp.


Kantongeregt Winschoten. Winschoten. Wedde.

Oude Pekela, Vlagtwedde.

Nieuwe Pekela. Bellingwolde. Onstwedde. Nieuweschans.

Einsteru-olde. Beerta.

Kantongeregt

Zuidbroek. Meedcn. Scheemda. Midwolda.

Zui dbroek.

Nieuwolda. Termunten. Noordbroek. Sappemeer.

Hoogezand. Muntendam. Veendam Wildervank.


Kantongeregt Assen.

Assen.

Rolde.

Borger.

Gasselte.

Gieten.

Anlo

Zuidlaren

Vries

Eelde.

Peize.

Roden. Norg. S milde.

Kantongeregt Hoogeveen.

Hoogeveen. Westerbork.

Oosterhesselen. .Beilen.

Zweelo. Ruinen. Kantongeregt Mep pel.

Meppel. Nijeveen.

de Wijk. Havelte.

Ruinerwold. Vledder.

Zuidwolde.

Diever. Dwingelo.

Kantongeregt Emmen.

Dalen.

Emmen Coevorden, Sleen.

Odoorn.

-ocr page 45-

BIJLAGEN TOT DE WET OP DK REGTKKL. ORGANISATIE. 37

3 De arrondissemcnts-reütbanker. te Sneek en Appingedam, en de kantongeregten te Hohvcrd, Rmwerd, Jlindeloopen, Oldc-berkoop en Hoogezand zijn ontbonden

4 He wetten van 22 December 1828 (Staatsblad nos 79, 81 mi K2), met alle daarin gebragte •• ij/.igingen, zijn introtrokken.

5. Deze wet treedt in werking den laden Mei 1877.

BIJLAGEN TOT I)E TVET OP DE REGTERLIJKE ORGANISATIE.

WE T van den lasten Mei 1841 (Stbl nquot;. 17), omtrent de regterlijke organisatie in Limburg.

Artikel 1.

(Ingetrokken bij de wet van den lOden November 1875 Stbl. no 204;.

2. (Ingetrokken bij de wet van den 9den April 1877, Stbl. no. 79). v

3 De verdeeling der gemeenten van de provincie Limburg in kantons, en de indeeling der knntons in de beide voorschreven arrondissementen 1), wordt bij eene afzonderlijke wet bepaald.

4 De Nederlandscbe wetboeken, de algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, ue wet op de zamenstelling der regterlijke magi en het beleid der justitie, die op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving, mitsgaders de tegen-woord ge wet, zullen in de provincie Limburg van verbindende kracht zijn, en aldaar zoo spoedig mogelijk worden inKevoerd. Het tijdstip dier invoering wordt nader door den Koning bepaald.

5. Ten aanzien der twistgedingen in burgelijke en handelszaken, behoorende tot Ue competentie van het gcre^tshof in Limburg, en welke op het oogenblik der invoering van de tegenwoordige wet aanhangig zijn bij den Hoogen. Raad, zal gehandeld worden overeenkomstig art. 54 der Wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving

6. ten opzigte der op het oogenblik der invoering van de tegenwoordige «et onbesliste strafzaken, zal worden gehandeld volgens artikel óó der Wet op den overgang van de vroegere tot, de nieuwe wetgeving.

1

Maastricht en Roermond.

-ocr page 46-

bijlagen tot de wet op de

WET van den Qbsten Mei 1841 (Stbl nquot;. 18), regelende sommige punten de dienst der justitie betreffende.

Artikel 1.

Bij den IToogen Rand zal een derde advocaat-generaal worden aangesteld, op gelijke wedde als de advocaten-generaal thans bij denzeive fungerei de. Daartegen zal, bij de eerste vacature, het getal der substituut-griffiers bij den Hoogen Raad op twee, en dat der substituut-griffiers bij de geregtshoven, behalve bij die van Zuid- en Noord-Holland, op één verminderd worden

3. jue grilliers der arroudissements-regtbanken zullen zich bij de instructie van strafzaken en tot bijwoning van coniparitiën in burgerlijke of handelszaken kunnen doen vervangen door eenen klerk ter griffie, daartoe op de voordragt van den griffier door de regtbank te benoemen en te beëedigen, en den ouderdom van 28 jaren hebbende bereikt.

Wanneer in bijzondere gevallen de griffiers en substituutgriffiers bij den Hoogen Raad, de Geregtshoven, of de Arron-dissements-Regthanken worden verhinderd de dienst op de openbare teregtzittingen of in de raadkamer waar te nemen, zullen zij vervangen worden door een der raadsheeren, regters of regters-plaatsvervangers, daartoe door den president van het collegie te benoemen.

WET van den Men Julij 1874 (Stbl. nquot; 90), tot wijziging van de feitelijke bepalingen omtrent de rejterlijke tucht.

Eenig abtikel.

De artikelen 72 en 108 der wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der justitie worden inuetrokken.

De artikelen 11, 12,1H en 14 dier wet worden ingetrokken en vervangen door de volgende bepalingen;

li. l)e leden der regterlijkc magt, die voor hun levrni of voor een bepaalden tijd zijn benoemd, kunnen door den Ho( gen Haad, bij een met redenen omkleed arrest, uit hun ambt worden ontzet:

lo. wanneer zij tot gevangenis of tot zwaardere straf zijn veroordeeld;

uitgezonderd wordt echter de gevangenisstraf, die geldboete vervangt en die wegens overtreding van politie is opgelegd;

2o. wanneer zij verklaard zijn in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen, of wegens schulden zijn gegijzeld.

88

-ocr page 47-

hkgtkrlijkk organisatik.

3°. wegens wangttdragof en/.edelijkheid, of bij gebleken voortdurende iichtcluoslieiti in de waarneming van hun ambt; of 4°. wegens overtreding van de bepalingen der wet, waarbij bun a. bet uitoefenen van eenig beruep wordt verboden,

b eene vasle woonplaats wordt aangewezen,

c. verboden wordt zich in eenijr onderhoud of gesprek in te laten met partijen of hare advokaten of prokureurs, of eenige bijzondere onderrigting, memorie of schriftuur van hen aan te nemen,

d. de verpligting wordt opgelegd het geheim der raadkamer te bewaren.

Overtreding van de bepalingen ouder 4°. vern eid kan alleen dan grond tot ontzetting opleveren, wanneer de overtreder reeds vooraf voor gelijke overtreding is gewaarschuwd.

De Hoofje Raad spreekt de ontzetting niet uit dan op de vordering van den proKureur-gcneraal, of, zoo zij dezen zelven geldt, op de vordering van den advokaat-generaal, daartoe door Ons aangewezen.

Zij, wier ontzetting moet worden gevorderd, worden ten minste veertien dagen te voren door den ambtenaar van bet openbaar ministerie, door wien de vordering geschiedt, opgeroepen, ten einde te worden gehoord.

De oproeping geschiedt bij gesloten brief, die de redenen der vordering behelst De bezorging van den brief aan den opgeroepen ambtenaar geschiedt bij deurwaarders exploit.

De Hooge Raad kan, hetzij ten verzoeke van het openbaar ministerie of van den betrokken persoon, hetzij ambtshalve getuigen hooren.

Het onderzoek heeft plaats in raadkamer.

De uitspraak geschiedt in het openbaar.

12. De ambtenaren, in het vorige artikel bedoeld, worden op op de wijze, daarbij bepaald, u t hun ambt ontslagen

l0- bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende ligchaamszieKte of ten gevolge van zielsziekte; 2°. wanneer zij onder curatele zijn gesteld; of 3o. wegens de aanvaarding van een ambt of betrekking, ou-vereenigbaar niet het lidmaatschap der reuterlijke magt.

Voor de aanspraak op pensioen der wegens ongeschiktheid door ziels- of ligchaamsziekte ontslagen ambtenaren wordt geen nader bewijs van de oorzaak der ongeschiktheid gevorderd.

13. Kik lid van de regterlijke magt, tegen wien hetzij een bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij mag-tiging tot opneming in een huis van bewaring of geneeskundig gesticht voor krankzinnigen is verleend, of op wien lijfsdwang is ten uitvoer gelegd, wordt, op de vordering van den proku-reur-generaal, door den Hoogen Raad in zijne bediening iieschorst.

Gelijke schorsing kan door den Hoogen Raad, op de vordering van den prokureur-generaal, worden uitgesproken ten aanzien van elk lid der regterlijke magt, tegen wien een bevel van dagvaardinsr in persoon is verleend.

i)e opheffing der schorsing na den afloop van de vervolging, na het ontslag uit het huis van bewaring of geneeskundig gesticht, of na het ontslag uit de gijzeling, geschiedt op de vor-

39

-ocr page 48-

bijlagkn tot dh wkt 01\' dk

tiering van den prokureur-generaal of op verzoek van don ge-scltorsten regtcriijkwn amb\'.enaar.den prokureur generaal gehoord.

Bevindt zich d»; prokurenr-gcneraal in een der in dit artikel omschreven gevallen, dan geschiedt de vordering door den advo-kaat.-gener.\'.al, daartoe door Ons aangewezen.

Schorsing in de bediening brengt geene schorsing mede in ■ het genot der bezoldiging.

14. De presidenten zijn bevoegd, ambt-halve of op de vordering van het openbaar ministerie, aan de leden van hun collegie, de grilliers en substituut griffiers, die de waardigheid van hun ambt, hunne ambtsbezigheden ■ f ambtspligten verwaarloozen, ot die zich schuldig maken aan de overtredingen in art. 11 onder -lo. bedoeld, na hen in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord, de noodige waarschuwing te doen.

De presidenten der arrondissements regtbanken hebben ge-l\'.ke bevoegdheid ten aanzien van de regters-plaatsvervangers bij hun collegie en de binnen het regtsgebied daarvan gevestigde kan ton regters, hunne plaatsvervangers en gritliers.

De presidenten der geregtshoven hebben gelijke bevoegdheid ten aanzien van de presidenten der arrondissements-regquot;,banken binnen het regtsgebied van hun collegie, de president van den Hoosen Raad ten aanzien van de presidenten der geregtshoven, en de prokureur-generaal bij den Hoogen Raad ten aanzien van de andere voor hun leven benoemde ambtenaren van het openbaar ministerie.

WET van den lOden November 1875 (Stbl. n0. 201-), tot opheffnuj van de \'provinciale geregtshoven en instelling van nieuwe ge- | regt,quot;hoven.

Artikel 1.

De artikelen 60 en 61 der wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der justitie worden ingetrokken en vervangen door de volgende bepalingen:

Art. 60. Èr zijn vijf sreregtshoven. waarvan de zetels zijn te \'s Hertogenbosrh, te Arnhem, te \'s Gravenhage, te Amsterdam en te Leeuwarden

liet regtsgebied van het Geregtshof te\'s Hertogcnbosch strekt zich uit over de arrondissementen, wier hoofd|gt;Uatsen zijn gelegen iu de provinciën Noordbrabant cn Limburg; dat van het Geregtshof te Arnhem over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Gelderland en Overijssel; dat van het Geregtshof te \'s Gravenhage over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Zuidlnlland en | Zeeland; dat van het Geregtshof te Amsterdam over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën

40

-ocr page 49-

fiEGTERLIJKE ORGANISATIE.

Noordholland en Utrecht; dat van het Geretitshof te Leeuwarden over de Jirrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe.

Art. 61. De geregtshoven zijn samengesteld, als volat:

te Amsterdam uit éun president, cén vice-president, negen a tien raadaheeren, een prokureur-generaal, twee advokaten-generaal, één gr\'füer en twee substituut-griffiers;

te \'s Hertogonhosch, Arnhem, -quot;s Gravenhage en Leeuwarden uit -één president, één vice-president, zeven a, negen raadshee-re.n, één prokureur generaal, één a twee advokaten generaal, één griffier en één a twee substituut-griffiers.

De jaarweden dor \'eden van en ambtenaren bij de geregtshoven worden vastgesteld overeenkomstig den staat bij deze wet. gevoegd.

2 Ds staat, behoorende tot art. 61 der wet op de Regter-lijke organisatie en het beleid der justitie, wordt ingetrokken en vervangen door den volgenden:

STAAT, behoorende tot artikel 61 der wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der justitie en aanwijzende de jaarwedden der leden van en ambtenaren b:j de geregtshoven .....1)

8. De artikelen 62 en 63 der wet op de Regterlijke organisatie en liet beleid der justitie worden ingetrokken en vervangen door de volsende bepalingen:

Art. 62 De presidenten, vice-presidenten en raadsheeren worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

I\'e ambtenaren van het openbaar ministerie, de griffiers en hunne substituten worden insgelijks door den Koning aangesteld. doch tot wederopzeggens toe.

4. De bepaling van nummer 1 van art. 65 der wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der justitie w )rdt ingetrokken.

De nummers 2 en 3 worden 1 en 2.

5. Het tweede lid van art. 9 der wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der justitie wordt ingetrokken

6. Waar, hetzij in de wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der justitie, hetzij in andere wetten of wettelijke verordeningen, de woorden.- „provinciale geregtshovenquot;, „provinciale hovenquot; of „provinciaal geregtahofquot; voorkomen, worden in plaats daarvan gelezen: geregtshovenquot;, hovenquot; of .,ge-regtshofquot;.

De werkzaamheden, opgedragen aan de provinciale geregtshoven, traan over op de geregtshoven bij deze wet ingesteld, naar gelang van hun regtsgebied.

7 De provinciale geregtshoven zijn ontbonden.

8. De leden der ontbonden geregtshoven, de a nbtenaren van het openbaar ministerie tn de griffiers en substituut griffiers bij die hoven honden hunne volle wedde als wachtgeld, en wel:

lo. zij, die bij het in werking treden dezer wet den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben bereikt, levenslang;

41

2o. de anderen totdat zij, hetzij op nieuw in eene regterlijke betrekking, of, krachtens Koninklijke benoeming, in eene

1

Zie bladz. 17.

-ocr page 50-

BIJLAGEN \'lOT DE WET OP DE

met het lidmaatschap der regterlijke magt onverecnigbare, van rijkswege bezoldigde betrekking zijn geplaatst, hetzij eene reg-terlijke betrekking weigeren te aanvaarden, die hun, krachtens art 11, ook buiten hun verzoek kan worden opgedragen.

Als diensttijd der hierbedoelde ambtenaren wordt ook beschouwd de tijd, verloopen tusscheu de inwerkingtreding dezer wet en hunne herplaatsing of hunne weigering om een hun overeenkomstig artikel 11 opgedragen regterlijke betrekking te aanvaarden

9. De grilliers bij de ontbonden geregtshoven worden geacht eene wedde te hebben genoten, gelijks\'aande met de som hunner bezoldiging, vermeerderd met hetgeen hunne emolumenten gemiddeld in de drie laatste jaren, voorafgaande aan dat waarin deze wet in werking treedt, boven de onkosten der grifüe hebben bedragen.

10. De reaterlijke ambtenaar in artikel 8 bedoeld, die eene daar vermelde openbare betrekking aanneemt, waaraan eene mindere wedde verbonden is dan hij tot dusverre genoot, ontvangt het verschil als toelage.

11. De volgende betrekkingen bij de nieuw ingestelde geregtshoven kunnen aan de leden van, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de gritllers of substituut-griffiers bij de ontbonden provinciale geregtshoven, ook buiten hun verzoek, worden opgedragen:

aan de presidenten en vice-presidenten de betrekking van president of vice-president;

aan de raadsheeren, die van president, vice-presidtnt of raadsheer;

aan de prokureurs-generaal, die van prokureur-yeneraal, president of vice-president;

aan de advokaten-generaal, behalve de reeds vermelde, ook die van advokaat-generaal;

aan de grilliers, die van president, vice-president, raadsheer of griffier;

aan de substituut-griffiers, behalve de in de laatste plaats vermelde, ook die van substituut-griffier.

Bij weigering om deze betrekkingen te aanvaarden, vervalt het in artikel 8 bedoelde wachtgeld geheel, indien het geregts-hot\', waarbij de betrekking wordt opgedragen, gevestigd is in dezelfde gemeente, waar het ontbonden hof zijn zetel had, en wordt het met de helft verminderd, indien dit geregtshof gevestigd is in eene andere gemeente

12. De prokureurs bij de ontbonden provinciale geregtshoven worden geacht te zijn aangesteld bij het nieuwe geregtshof, welks regtsgebied dat van het ontbonden provinciaal geregtshof omvat, waarbij zij hunne bediening uitoefenden.

Zij, die niet wonen ter plaatse waar het nieuwe geregtshof zijn zetel heeft, zijn niet verpligt hunne woonplaats derwaarts over te brengen, doch stellen aldaar eene ter griffie bekend te maken woonplaats.

Openvallende plaatsen van buiten den zetel van het geregtshof wonende prokureurs worden niet vervuld.

13. De deurwaarders bij de ontbonden geregtshoven worden

42

-ocr page 51-

RKGTKRLIJKE OEGAN1SATIE.

geacht te zijn aangesteld bij het nieuwe geregtshof, te vestigen ter plaatse waar het ontbonden hof, waarbij zij hunne bediening uitoefenden, zijn zetel had, of, zoo daar geen nieuw geregtshof gevestigd worüt, bij de arrondissements-regtbank ter plaatse waar het ontbonden geregtshof gevestigd was.

Zij blijven, in het laatste geval, in het genot hunner volle wedde zoolang zij als deurwaarder bij de arroadisssments-regt-bank in functie zijn

14. De op het tijdstip der invoering van deze wet bij de ontbonden provinciale geregtshoven aanhangige burgerlijke en strafzaken worden bij het geregtshof, welks regtsgebied dat der ontbonden provinciale geregtshoven omvat, overgebragt, wat de burgerlijke rtgtsgedingen betreft door de meest gereede partij bij exploit, aan de wederpartij of aan hare gekozen woonplaats beteekend, om op de laatste dingtalen te worden voortgezet.

15. De wet van 26 Mei 1841 (Stbl. no. 16) en art. 1 der wet van 26 Mei 1841 (Stbl. no. 17) worden ingetrokken.

16. Deze wet treedt in werking op den Isten Januarij 1876.

BESLUIT van den VIden December 1875 (Stbl. n0. £i45), houdende bepalingen aangaande de archieven der bij de wet van 10 November 1875 (Stbl. n0. 204) opgeheven provinciale geregtshoven.

Artikjcl 1.

De archieven der ontbonden provinciale geregtshoven, alsmede de gelden, geldswaardige papieren en andere zaken of stukken, ter grillie van de voormelde hoven bewaard, worden bij of zoo spoedig mogelijk na het in werking treden der wet van 10 November 1876 (Stbl. no. 204) gesteld onder bewaring van de gritliers bij de nieuwe geregtshoven, en overgebragt naar die nieuwe geregtshoven, elk voor zoover dit het regtsgebied der ontbonden hoven omvat.

2. Dit besluit treedt in werking den eersten Januarij 1876.

BESLÜIÏ van den 11 den December 1875 (Stbl. nn. 246), tot regeling van de beèediging en de installatie der nieuwe geregtshoven.

Artikel 1.

De beëediging en de installatie van de bij de wet van 10 November 1875 (Stbl. no. 204) ingestelde nieuwe geregtshoven

43

-ocr page 52-

BIJLAGKN TOT DR WET O? DE

gcscliieden den SOsten Tlecemher 1875. in eene plegtige algemeens zitting van den Htiouen Raad.

2. De presidenten en vice piesidenten van, de raadsheeren in, henevens de prokurenrs-generaal, ndvokaten-generaal, griffiers cn substituut griffiers bij de nieuwe geregtshoven leggen, hoofd voor hoofd, in handen van den lloogen Raad den eed (belofte) af, voorgeschreven bij art. 29 der wet op de Regterlyke organisatie en het beleid der justitie.

Na deze eedsallegging wordt elk geregtshof afzonderlij!: door den president van den Hoogen Raad, ten overstaan van dit collegie, verklaard te zijn geïnstalleerd, ten einde, volg\'ns de we*, in functie te tredt-n den Isten Jannarij W?

3. Afschriften van de processen-verbaal van beëedi/ing en installatie worden door don grilller bij den Hoogen Raaa bin oen acht dagen medegedeeld aan onzen Minister van Justitie.

Kik geregtshof ontvangt van den griffier binnen der zelfden termijn afschrift van het proces-verbaal zijner beëedi-ing en installatie

4. Ingeval eenig lid van of ambtenaar bij een geregtshof verhinderd is tegenwoordig te zijn bij de in art. 1 vermelde beëediging en installatie, legt hij later den eed (belofte) af op de wijze, voorgeschreven bij het vierde lid van art. 1 van het Reglement 1, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 14 September 1888 (Stbl. no 36)

Hij wordt onmiddellijk daarna door den president, van den Hoogen Raad, ten overstaan van de burgerlijke kanier vti.n dit collegie, verklaard te zijn geïnstalleerd in zijn ambt.

Van zijne beëediging en installatie geschiedt gelijke mede-deeling en binnen denzelfden termijn als bij art. 3 is voorgeschreven.

WET van den Vïden November iSTS (Stbl.

li0. 203 J, tot wijziging van artikel 84 en van den slaat, behoorende tot artikel 110 der wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der justitie

Arttkel 1.

Artikel 84 der wet op de Reirterlijke organisatie en het beleid der justitie wordt ingetrokken en vervangen door de volgende bepaling:

84. De president, de vice-president en de raadsheeren van den Hoogen Raad, benevens de prokureur generaal bij dien Raad worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

De advokaten-generaal, de grillier en zijne substituten worden insgelijks door den Koning aangesteld, doch tot weder-opzeggens toe.

44

-ocr page 53-

T

11

ekgteklijkk organisatik.

2. De staat, he.hoorende tot artikel 110 der wet op de Re^-terlijke organisatie en het beleid der justitie, wordt gewijzigd als volgt:

STAAT, behoorende tot artikel 110 der wet op de Reg-terlijke organisatie en het beleid der justitie en aanwijzende de jaarwedden der leden van eu ambtenaren bij den Hoogen Rnad.... 1)

3. Deze wet treedt, in werking den Isten Januarij 1876.

WET van den $ den April 1877 (Stbl. n0. 80), houdende bepalingen omtrent het personeel der ontbonden arrondissements r egt bank en en kantong eregten, de daarbij aangestelde procureurs en deurwaarders, de overbrenging der daarbij aanhangige zaken, alsmede omtrent den ambtskring van notarissen

Artikel 1.

De thans bestaande regtbanken zijn ontbonden.

2. De leden der ontbonden arrondissements regtbanken, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de grifliers en substituut-grifliers bij die regtbanken houden hunne volle wedde als wachtgeld, en wel:

1°. zij, die bij het in werking treden dezer wet den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben her ikt, levenslang;

2° dï anderen totdat zij, hetzij op nieuw in eene regterlijke betrekking of, krachtens Koninklijke benoeming, in eene met het lidmaatschap der regterlijke magt onvereenigbare, van rijkswege bezoldigde betrekking zijn geplaatst, hetzij eene regterlijke betrekking weigeren te. aanvaarden, die hun, krachtens art. 5, ook buiten hun verzoek, kan worden opgedragen.

Als diensttijd der hier bedoelde ambtenaren wordt ook beschouwd de tijd, verloopen tusscben de inwerking!redin}; dezer wet en hunne herplaatsing: of hunne wcigerine om eene hun overeenkomstig art. 5 opgedragen regterlijke betrekking te aanvaarden.

3. De griffiers bij de ontbonden rest\'.anken worden geacht eene wedde te hebben genoten, gelijkstaande met de som hunner bezoldiging vermeerderd niet betgeen hunne emolumenten gemiddeld in de drie laatst; jaren, voorafgaande aan dat waarin deze wet in werking treedt, boven de onkosten der griffie hebben bedragen

45

4. De regterlijke ambtenaar in art. 2 bedoeld, die eene daar vermelde openbare betrekking aanneemt, waaraan eene min-

.

1

Zie bladz. 17.

-ocr page 54-

BIJLAGKN TOT DE WET OP DE

dere wedde verbonden is dan hij tot dusverre prenoot, ontvangt het verschil als toelage.

5. De volgende hetrskkingen hij de regterlijke collcgicn kunnen aan de leden van, de ambtenaren van liet openbaar ministerie en de griffiers of substituut griffiers bij de ontbonden regtbanken, ook buiten hun verzoek-, worden opgedragen *•

aan de presidenten de betrekking van president, vice president of raadsheer;

aan de regtcrs die van president, vice-president, raadsheer of regter;

aan de officiers die van prokureur-geneiaal. advokaat-gene-raal, officier, president, vice-president of raadsheer;

aan de substituut officiers, behalve de reeds vermelde, ook die van substituut-officier;

aan de grilliers die ran president, vice-president, raadsheer, regter nf griffier-,

aan de substituten-griffiers, behalve de in de laatste plaats vernielde, ook d\'e van substituut-griffier.

Bij weigering om deze betrekkingen te aanvaarden, vervalt het ii art. 2 bedoelde wachtgeld geheel, indien het regterlijk collegie, waarbij de betrekking wordt opgedragen, gevestigd is in dezelfde gemeente waar de ontbonden regtbank haren zetel had, en wordt het met de helft verminderd, indien dat regterlijk collegie gevestigd is in eene andere gemeente ^ De thans bestaande kantongeregte.n zijn ontbonden.

7. Be kantonregters van en de griffies bij de ontbonden kan-tongeregten houden hunne volle wedde als wachtgeld, en wel:

lo zij, die bij het in werking treden dezer wet den ouderdom van vijf en zestig jaren hebben bereikt, levenslang;

2o. de anderen, totdat zij, hetzij op nieuw in eene regterlijke betrekking of, krachtens Koninklijke benoeming, in eene met het lidmaatschap der regterlijke magt onvereenigbare, van rijkswege bezoldigde betrekking zijn geplaatst, hetzij eene regterlijke betrekking weigeren te aanvaarden, die hun, krachtens art. 10, ook buiten hun verzoek, kan worden op2edragen.

Als diensttijd der hier bedoelde ambtenaren wordt ook beschouwd de tijd, verloopen tusschen de inwerkingtreding dezer wet en hunne herplaatsing of hunne weigering om eene hun overeenkomstig art. 10 opgedragen regterlijke betrekking te aanvaarden.

8. De kantonregters van en de griffiers bij de ontbonden kanton geregten worden geacht eene wedde te hebben genoten, gelijkstaande met de som hunner bezoldiging, vermeerdert1, met het gemiddeld bedrag hunner emolumenten in de drie laatste jaren, voorafgaande aan dat waarin deze wet in werking treedt, voor zooveel de griffiers betreft, na aftrek van de onkosten der griffie.

9. De kantonregter of griffier, die eene in art. 7 bedoelde openbare betrekking aanneemt, waaraan eene mindere wedde verbonden is dan hij tot dusverre genoot, ontvangt het verschil als toelage.

10. !)e volgende regterlijke betrekkingen kunnen aan de kantonregters van en de griffiers bij de ontbonden kanton geregten ook buiten hun verzoek, worden opgedragen:

46

-ocr page 55-

HKGTERLIJKE ORGANISATIE. 47

aan dc kantonregters, die den p:raad van meester ot licentiaat in de rekten op eene van \'s Rijks hoogescholen verkregen hebben, de betrekking van president, vice-president, raadsheer, regter of kantonregter-,

aan de griffiers, die bedoelden graad bezitten, behalve de reeds vermelde betrekkingen ook die van griffier.

aan de kantonregters, die bedoelden graad niet bezitten, de betrekking van kantonregter;

aan de griffiers, die bedoelden graad niet bezitten, de betrekking van griffier bij een kantongeregt.

Bij weigering om deze betrekkingen te aanvaarden, vervalt het in art. 7 bedoelde wachtgeld geheel, indien de zetel van de regterlijke betrekking, die wordt opgedragen, gevestigd is in dezelfde gemeente waar het ontbonden kantong.-regt zijn zetel had, en wordt liet met de helft verminderd, indien deze regts-zetel gevestigd is in eene andere gemeente

11. De bepalingen van art. 2 der wet van 31 December 1856 (Staatsblad no 165) en van art. 5 der wet van 18 April 1874 (Staatsblad no. 68) blijven op de griffiers bij de ontbonden regtbanken van toepassing

12. Aan de griffiers bij de ontbonden kantongeregten kunnen, zoolang zij niet eene andere openbare betrekking aannemen, door Ons, onder vast te stellen voorwaarden, tot wederopzeggens toe, de bevoegdheden, hun thans toekomende, krachtens art. 182 Wetboek van Koophandel, krachtens de wet van 22 Pluviose Vilde jaar en de daarmede in verband staande verordeningen, worden toegekend.

13 i)e prokureurs bij de ontbonden regtbanken worden geacht te zijn aangesteld bij de regtbank of de regtbanken, waartoe het gebied behoort van de ontbonden regtbank bij welke zij hunne bediening uitoefenden.

Zij stellen bij elk der regtbanken, waarbij zij geacht worden te zijn aangesteld, eene ter griffie aan te wijzen woonplaats.

Openvallende plaatsen van buiten den zetel der regtbank wonende prokureurs worden niet vervuld.

14. De deurwaarders bij de ontbonden regtbanken of kantongeregten worden «eacht te zijn aangesteld bij de regtbank en de regtbanken, bij het kantongeregt of de kantongeregten, waartoe het gebied behoort van de ontbonden regtbank of het ontbonden kantongeregt waarbij zij hunne bediening uitoefenden.

Zij zijn niet verplicht hunne woonplaats naar een der nieuwe zetels over te brengen.

15. De notarissen, aangesteld vóór het in werking treden dezer wet, zijn, onverminderd hunne bevoegdheid in den geheelen omtrek van het nieuwe arrondissement, tevens bevoegd hunne bediening uit te oefenen in den geheelen omtrek van het voormalige arrondissement waarin hunne standplaats gevestigd is.

16 De zaken, op het tijdstip der invoering dezer wet aanhangig bij de arrondissements-regtbariken in plaatsen, alwaar ook volgens de njeuwe indeeling arrondissements-regtbanken worden gevestigd, zijn, van regtswege en zonder dat daartoe eenige formaliteit wordt vereischt, overgebragt bij de aldaar tevestigen arroadissements-regtbanken^en alle beschikkingen

ii

-ocr page 56-

BIJLAGKN TOT DK VVKT Ol\' DE

betreffende in die zaken te verrigten werJaaamlieden blijven van kracht.

Deze bepalingen zijn mede toepasselijk op de zaken, welke aanhangig zijn bij de kanton ger egt en, gevestigd iu plaatsen, alwaar volgens de nieuwe indeeling kautongeregten gevestigd blijven.

17. De op het tijdstip der invoering van deze wet bij de overige ontbonden regtbanken en kantong regten aanhangige zaken worden overgebragt bij de regtbauk of het kantongeregt, waartoe de gemeente behoort, waar de ontbonden regtbank of het ontbonden kantongeregt was gevestigd.

Die overbrenging geschiedt, wat de burgerlijke regtsgedingen bij de regtbanken betreft, door de meest gereede partij bij eenvoudige acte van prokureur tot prokureur, en wat de burgerlijke regtsgedingen bij de kantongeregten betreft, door de meest gereede partij bij exploit aan de wederpartij of aan hare gekozene woonplaats beteekend, houdende oproeping tegen een bepaalden regtdag, om op de laatste dingtalen voort t,e procederen. Tusschen de oproeping en den daarbij bepaalden regtdag moet, onverschillig waar de opgeroepenen wonen, een termijn van acht vrije dagen worden gelaten.

18. De oproepingen of dagvaardingen om voor de ontbonden regtbanken of kantongeregten te verschijnen, gelden van regts-wege als oproeping of dagvaarding om te verschijnen voor de regtbanken of kantongeregten, naar welke de aanhangige zaken, volgens de twee vorige artikelen, worden overgebragt.

Houdt deze regtbank of dit kantongeregt op den bepaalden tijd geene zitting, bestemd voor de behandeling der soort van zaken, tot welke die, waartoe de oproeping of dagvaarding betrekking heeft, behoort, dan worden de oproeping of dagvaarding van regtswege geacht te zijn gedaan tegen de eerst volgende voor de behandeling dier zaken bestemde zitting.

De comparitiën, voor de presidenten der ontbonden regtbanken bepaald, worden op den bepaalden tijd gehouden voor de presidenten der regtbanken, naar welke de bij de ontbonden regtbank aanhangige zaken worden overgebragt.

19. In de gevallen, waarin de wet de kennisneming van geschillen opdraagt aai» den regter, die een vonnis gewezen heeft, treden in de plaats der ontbonden regtbanken of kantongeregten die, naar wqjke de daarbij aanhangige zaken volgens deze wet worden overgebragt.

20. Het hoo-rer beiy)ep van vonnissen van ontbonden kanton-geregten wordt gebrrgt voor het collegie, hetwelk bevoegd is in hooger beroep te oordeelen over de vonnissen, welke vorden gewezen door het kantongeregt, waarnaar de zaak, indien zij nog bij den eersten regter aanhangig geweest\' ware, volgens deze wet zoude zijn overgebragt.

21. liij al(;emeenen maatregel van inwendig bestuur wordt bepaald, naar welke regtbank en naar welk kantongeregt de archieven der ontbonden regtbanken en kantongeregten, alsmede de gelden, geldswaardige papieren en andere zaken of stukken, ter griffie van laatstgemelde regtbanken er. kantongeregten berustende, worden overgebragt.

-ocr page 57-

eegterlijke organisatie. 49

22. Bij de eerste benoeming van regterlijke ambtenaren, ver-eischt tot de invoering van deze wet en van de wetten van dezelfde dagteekening, betreffende de inrigting en het regts-gebied der arrondissements-regtbanken en kantongeregten blijft art. 52 der wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der justitie buiten toepassing.

Totdat de wet van 28 April 1876 (Staatsblad no. 102), tot regeling van het hooger onderwijs, in werking treedt, wordt bij benoemingen tot betrekkingen, waartoe, ingevolge de artt. 35 en 48 der wet op de Rcgtsrlijke organisatie en het beleid der justitie, vereischt is het bezit van den graad van doctor in de regtswetenschap, gevorderd het bezit van den graad van meester of licentiaat in de regten op eene der ryks hooge-scholen verkregen.

23. Deze wet treedt in werking op den 15den Mei 1877.

BESLUIT van den Wésten April 1877 (Stbl. n0. 91), tot regeling van de beëediging en de installatie van de nieuwe arrondissements-regtbanken en kantongeregten.

Artikel 1.

De beëediging en de installatie van de bij de wetten van 9 April 1877 (Staatsblad no. 74—7^) ingestelde nieuwe arrondissements-regtbanken en kantongeregten geschieden den 14den Mei 1877, in plegtige algemeene zittingen van elk der geregts-hoven, binnen wier regtsgebied de nieuwe arrondissementen en kantons gelegen zijn.

2. De presidenten en vice-presidenten van, de regters en reg-ters-plaatsvervangers in, benevens ue officieren, substituut-officieren, griffiers en substituut-griffiers bij de nieuwe regtbanken, alsmede de kantonregters en hunne plaatsvervangers, benevens de ambtenaren van het openbaar minist rie en de griffiers bij de nieuwe kantongeregten, leggen, hoofd voor hoofd, in handen van het betrokken geregtshof den eed Oelofte) af voorgeschreven bij art. 29 der wet op de Regterlijke organisatie en het beleid der justitie. Na deze eedsaflegging wordt elke regtbank en elk kantongeregt afzonderlijk door de president van het geregtshof, ten overstaan van die regtbank of dat kantongeregt, verklaard te zijn geïnstalleerd, ten einde, volgens de wet, in functie te treden den 15den Mei 1877.

3. Afschriften van de processen-verbaal van beëediging en installatie worden door de griffiers bij de geregtshoven binnen acht dagen medegedeeld aan Onzen Minister van Justitie. Elke regtbank en elk kantongeregt ontvangt van den betrokken griffier binnen denzelfden tijd afschrift van het proces-verbaal zijner beëediging en installatie.

4

begterl. ohg.

-ocr page 58-

BIJLAGEN TOT DE WET OP DE

4 Ingeval eenig lid of plaatsvervangend lid van of ambtenaar bij eene regtbank verhinderd is tegenwoordig te zijn bij de in art. 1 vermelde beeediging en installatie, legt hij later den eed (belofte) af op de wijze voorgeschreven bij het derde, en indien eenig kanionregter, kantonregter-plaatsvervanger of ambtenaar bij een kantongeresrt in dit geval verkeert, op de wijze voorgeschreven bij het tweede lid van art. 1 van het Reglement I, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 14 September 1838 (Staatsblad no. 36).

Hij wordt onmiddellijk daarna door den president van het betrokken geregtshof of van de betrokken arroudissements-regtbank, ten overstaan van de burgerlijke kamer van dat col-legie, verklaard te zijn geïnstalleerd in zijn ambt.

Van zijne beëediging en installatie geschiedt door den griffier van het geregtshof of van de regtbank gelijke mededeeling, en binnen denzelfden termijn als bij art. 3 is voorgeschreven.

BESLUIT van den Wsten Jpril 1877 (Stbl. n0. 92), tot vaststelling van enkele b epalingen ten aanzien van de bij de ontbonden arron-dissements-regtbanken ingeschreven advokaten en aangestelde prokureurs, benevens ten aanzien van de bij de regtbanken en bij de ontbonden kantong er eg ten aangestelde deurwaarders.

Artilel 1.

De advokaten bij de ontbonden arrondissements-regtbanken te Breda, Maastricht, Roermond, Zutphen, Tiel, Zwolle, Almelo, Rotterdam, Dordrecht, Middelburg, Zierikzee, Alkmaar, Haarlem, Utrecht, Heerenveen, Groningen, Winschoten en Assen worden, bij het in werking tredenquot;der wetten van 9 April 1877 (Staatsblad no. 72—80), op den vroeger door hen afgelegden eed, in dezelfde orde waarin zij bij die regtbanken waren ingeschreven, gesteld op het tableau, respectievelijk bij de nieuwe arrondissements-regtbanken gevestigd in de bovengenoemde gemeenten.

De advokaten bij de ontbonden arrondissements-regtbank te Eindhoven, Nijmegen, Deventer, Leiden, Gorinchem, Brielle, Goes, Hoorn, Amersfoort, Sn eek, en Appingedam worden, bij het in werking treden der genoemde wetten, op den vroeger door hen afgelegden eed, naar de orde waarin zij bij die regtbanken waren ingeschreven, ingevoegd, die te Leiden op het tableau bij den Hoogen Raad, die te Eindhoven, Nijmegen en Sneek respectievelijk op het tableau bij het geregtshof te \'s Hertogeubosch, te Arnhem en te Leeuwarden, en de overige

50

-ocr page 59-

hegtkklijke organisatie.

respectievelijk op liet tableau bij die nieuwe arrondissements-regtbank, waartoe de Lremeente behoort waar de ontbonden regtbank was gevestigd.

2. De prokureurs en deurwaarders, die, volgens de artikelen 13 en 14 der wet van 9 April 1877 (Staatsblad no. 80), worden geacht te zijn aangesteld bij de regtbank of de regtbanken, bij het kantongeregt of de kantongeregten, waartoe het gebied behoort van de ontbonden regtbank of het ontbonden kantongeregt, waarbij zij hunne bediening uitoefenden, blijven hunne bedieningen uitoefenen op den vroeger door hen afgelegden eed.

3. Dit besluit treedt in werking den löden Mei 1877.

BESLUIT va7i den Wsten April 1877 (StbL n0. 93), nopens de archieven van de ent bon-den arrondissements-r egt banken en kantongeregten, alsmede nopens de stukken, bewaard in de algemeene bewaarplaatsen der minuten en registers van notarissen.

Ahtikel 1.

De archieven der ontbonden arrondissements-regtbanken en kantongeregten, alsmede de gelden, geldswaardige papieren en andere zaken of stukken, ter griflie van de voormelde regtban-ken en kantongeregten bewaard, worden, behoudens de btTpaling van het volgende artikel, bij of zoo spoedig mogelijk na het in werking treden der wetten van 9 April 1877 (Staatsblad no. 72—80), gesteld onder bewaring van de griffiers bij de nieuwe arrondissements regtbanken en kantongeregten, en overgebragt respectievelijk naar die nieuwe regtbanken en kantongeregten, waartoe de gemeenten behooren, waar elk der ontbonden regtbanken en kantongeregten was gevestigd.

2. De ter griffie van de ontbonden regtbanken berustende dubbelen der registers van den burgelijken stand en de daarbij behoorende alphabetische tafels worden op het in art. 1 bepaalde tijdstip geschift en overgebragt naar de nieuwe regtbanken, waartoe de gemeenten behooren tot welke elk dezer dubbelen en tafels betrekking heeft.

3. De stukken, bewaard in de algemeene bewaarplaatsen der minuten en registers van notarissen in de gebouwen waar de ontbonden regtbanken zitting hielden, worden op het in art. 1 bepaalde tijdstip gesteld onder bewaring van de tijdelijke jongst benoemde notarissen binnen de hoofdplaatsen der nieuwe arrondissementen, waartoe de gemeenten behooren waar elk der ontbonden regtbanken was gevestigd, met overbrenging van die

51

-ocr page 60-

52 bijlagen tot de wet op de regterl oeganisatie.

stukken naar de algemeene bewaarplaatsen, gevestigd in elk der nienwe arrondissementen.

4. Dit besluit treedt in werking den loden Mei 1377. r

BESLUIT van den Ssien Maart 1879 (Stbl. n0. 40), laatstelijk gewijzigd bij besluit van den Qden October 1883 (Stbl. n0. J41), houdende bepalingen omtrent het bewaren der oude regterlijke archieven, weike dagteekenen van vóór de invoering der transche wetgeving.

Artikel 1.

De oude rechterlijke archieven, welke dagteekenen van vóór de invoering der Fransche wetgeving en thans nog bij de gereclits-hoven, arrondissements-reclitbanken en kantongerechten bewaard worden of nog bij de gemeentebesturen ol\' de hypotheekbewaarders berusten, worden overgebracht naar de bewaarplaats der Rijks archieven te \'s Gravenhage, naar die gevestigd in de hoofdplaats der onderscheiden provinciën of naar het depót der Rijksarchieven van het voormalig Overkwartier van Gelderland ie Roermond en onder bewaring gesteld van den archivaris des Rijks, van de provinciale archivarissen of van den archivaris ^ van het Rijksarchief te Roermond. \' ^

Naar welke van deze bewaarplaatsen iedere verzameling van oude rechterlijke archieven moet overgebracht worden, staat ter besliss n-? van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

2. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is gemachtigd om, onüer voorwaarden door hem te stellen, aan gemeenten, die een eigen gemeente-archivaris en doelmatige arcbiellokalen | hebben, zoodanige gedeelten van de archieven in art 1 van dit besluit bedoeld, welke op die gemeente betrekking hebben, tot wederopzeggens ter bewaring toe te vertrouwen of onder liare berusting te laten j

8, De overbrenging, in art. 1 van dit besluit bedoeld, moet volvoerd zijn vóór 1 Januari 1889. ;|

-ocr page 61-

WETBOEK

VAN

STRAFVORDERING.

-ocr page 62-
-ocr page 63-

i isr ja o xj nx

Bladz.

Algemeene bepalingen..............1

Van het opsporen der strafbare feiten.

Van de ambtenaren, belast met de opsporing der

strafbare feiten................ 1

Van de burgemeesters en commissarissen van polieie, met betrekking tot de strafbare feiten aan de kennisneming van den kantonregter onderworpen.....8

Van de veld- en boscbwachters.........3

Van de ambtenaren van het openbaar ministerie . . 4

Van de hulp-officieren............5

Van ontdekking op heeter daad.........6

Van den regter-commissaris en van de voorloopige infor-

matien................... 9

Van het verleenen van regtsingang en de verdere geregte-

iijke instructie................18

Van het regtsgeding op de teregtzitting van de arrondis-sements-regtbank.

Van het aanhangig maken der zaak.......22

Van het onderzoek ter teregtzitting.......24

Van de beleedigde partij...........33

Van de beraadslaging en uitspraak........34

Van het hooger beroep van vonnissen van de arrondisse-

ments-regtbanken..............37

Van de beregting van strafzaken die tot de bevoegdheid van den kanton-regter behooren, zoo in eersten aanleg

als in hooger beroep............ . . 41

Van strafvordering tegen regterlijke ambtenaren . ! , . 43

Van afwezig gebleven beklaagden..........43

Van de herkenning van veroordeelden die ontvlugt en

weer achterhaald zijn.............44

Van de regtspleging ter za!:e van valschheid......45

Van de wijze van regtspleging jegens hen, die den eerbied

schenden, aan de openbare magt verschuldigd .... 47 Van de wijze, op weke in strafzaken de getuigenissen van leden van het koninklijk geslacht zullen worden ont-VHH^n...................47

-ocr page 64-

I A II O L\' U.

Uladz.

Van strafvordering ter zake van strafbare feiten, aan de kennisneming van den hoogen raad in het eercte en laatste ressort onderworpen.

Van strafvordering ter zake van misdrijven bedoeld in art. 93 van de wet op de regterlijke organisatie en het

beleid der justitie. ..............48

Van strafvordering ter zake van de ambtsmisdrijven «n ambtsovertredingen, vermeld in art. 92 der wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie . . 50

Thpalingen aan de in de twee vorige paragrafen bedoelde gedingen gemeen............50

Van de regeling van regtsgebied..........51

Van de wraking en verschooning van regters en de verzending van de zaak uit dien hoofde naar een en anderen

regter...................5J

Van\'het ten uitvoer leggen van arresten en vonnissen . . 55 Van het beroep in cassatie.

Van het beroep in cassatie in het algemeen ... .56 Van de wijze van xnrocedtren in cassatie . . , . . 57 Van de opschorting en vernietiging van arresten en vonnissen, uit hoofde van bepaalde omstandigheden ... 60

Van gevangenissen...............61

Van de middelen om de persoonlijke vrijheid te verzekeren tegen onwettige gevangenhouding of andere willekeurige handelingen............. 62

Van het bewijs der strafbare feiten.

Algemeene bepalingen............63

Van bewijs door getuigen...........64

Van schriftelijke bescheiden..........64

Van bekentenis...............64

Van aanwijzingen..............65

Van de kracht van onbecedigde verklaringen .... 65 Van het ophouden en te niet gaan van vervolgingen en straffen.

Van den dood of de zinneloosheid der verdachten, beklaagden of veroordeelden............66

Van verjaring................67

: 1 onder ten an • van 1 - lo 2o 3°.

40.

-ocr page 65-

WETBOEK

Jiladz.

Z STEAFTORDEEOG.

het

. . 48 -

ven op

. . so Algemeen e be pali ngen.

be- . 1. Niemand mag tot straf vervolgd of veroordeeld worden, 50 1 dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien. .51 2. Tot strafvordering zijn alleen geregtigd de ambtenaren, er- welke bij de wet daartoe bevoegd zijn vt-rklaard.

ïsn 3. Behalve in de gevallen bij de wet voorziin, kan de ver-

5,\' r joeding van schade, door eenijr strafbaar fe\'t veroorzaakt,

55 alleenlijk bij eene afzonderlijke burgerlijke regtsvordering vervolgd worden

56 4. Gedurende den loop van de restsvervolging tot straf,

57 blijft de regtsvordering tot vergoeding van schade voor den on- \' burgerlijken regter geschorst, onverminderd de behoedmiddelen

. 60 bij de wet veroorloofd.

61 5. Geene regtsvervolging tot ttraf kan gestuit of geschorst ke- worden door het afzien van de burgerlijke regtsvordering, He- • ten zij in de gevallen bij de wet voorzien.

62 6. Indien de verdediging van den beklaagde een geschilpunt i van burgerlijk regt betreft, van welks beslissing de regter

63 oordeelt dat de waardering van het feit afhangt, aan den-

64 zeiven te laste gelegd, zal de regtsvervolging met of zonder

6.j. tijdsbepaling worden geschorst.

* 64 Indien de beklaagde in bewaring is, zal de regter zijne

65 voorloopige invrijheidstelling kunnen gelasten.

05 7. Alle dagvaardingen en beteekeninaen van stukken op last en of van wege het openbaar ministerie of van wege andere

ambtenaren, daartoe bij de wet gemagtigd, geschieden door be- eenen deurwaarder of dienaar van de openbare magt, op de

66 wijze voorgeschreven bij art. 144.

• C7 EERSTE TITEE.

Van het opsporen der strafbare feiten. EERSTE AI D KELING.

Van de ambtenaren belast met de opsporing der strafbare feiten.

\'c. Met liet opsporen der st-afbare feiten zijn, volgens de onderscheidingen bij de wet gemaakt, de hiernavolgende ambtenaren belast, elk voor zoo veel aangaat de uitgestrektheid • van het grondgebied voor hetwelk hij is aangesteld en beëedigdr - lo De veld- en boschwachters;

2o De otticieren en onderofficieren der marechaussée; 3°. De directeuren, en commissarissen van policie en de waterschouten;

4o. De burgemeesters, of degenen die hen vervangen, doch

1

-ocr page 66-

2 I. TITEL. VAN HET OPSPOREN DER STRAFBAHE I\'EITEN.

alleen in de gemeenten alwaar geene commissarissen van policie zijn;

5«. De kanton-retjters;

Go De ambtenaren van het openbaar ministerie, behalve die bij de kanton-gereiiten;

7°. Alle andere beambten in zaken bij bijzondere wetten en wettige verordeningen aan hunne waakzaamheid toevertrouwd.

9. ]n de gemeenten, die in verscheidene afdeelingen van policie verdeeld zijn, zullen de commissarissen van policie hunne ambtsverriertingen uitoefenen over de geheele uitgestrektheid der gemeente, in welke zij zijn geplaatst, zonder zich van deze verpligting te kunnen verschoonen, op prond dat de feiten geplecird zouden zijn buiten de bijzondere afdee-ling waarover zij zijn gesteld.

10. Elke gestelde masrt, elk openbaar ambtenaar die in de uitoefening van zijne bediening kennis bekomt van een strafbaar feit, zal gehouden zijn daarvan dadelijk den ambtenaar van het openbaar ministerie bij de regtbank, binnen welks regtsgebied het feit begaan is, of waarin de verdachte woont of mogt kunnen gevonden worden, berigt te geven, en aan demelven ambtenaar alle de bescheiden, processen-verba.il en akten, die tot de zaak betrekkelijk zijn, in te zenden.

11. Een ieder die getuide is geweest van eenen aansla?, hetzij tegen de openbare rust of veiligheid, hetzij tegen iemands leven of eigendom, zal desgelijks gehouden zijn daarvan dadelijk berigt te geven aan den ambtennar van het openbaar ministerie bij de regtbank, het zij van bet arrondissement waarin de daad gepleegd is, het zij van dat alwaar de verdachte woont of kan worden gevonden, of aan een\' der hulp ofllcieien

De vorenstaande bepaling is niet toepasselijk op de personen, bij het tweede en derds lid van art 6fj vermeld

12 Ieder tegen wien een strafbaar feit is gepleegd of die daarvan kennis draagt, is bevoegd daarvan aangifte te doen bij een der ambtenaren, genoemd in art 8.

De schriftelijke aangiften zullen moeten worden onderteekend.

De mondelinge aangiften zullen door den ambtenaar, die dezelve ontvangt, in geschrifte worden gesteld, en zoo door hem, als door den aangever, worden onderteekend, zoo deze kan schrijven Ingeval van beletsel wordt de reden daarvan vermeld.

13 Bij misdrijven alleen op klagte vervolgbaar, geschiedt de klagte mondelinsr of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij d\'ior den tot de klagte geregtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmagt voorzien.

De mondelinge klagte wordt door den ambtenaar die haar ontvangt, iu geschrift gesteld en, na voorlezing, door V.eiu met den klager of diens gevolmagtigde onderteekend Indien deze niet teekenen kan, wordt de reden van liet beletsel vermeld. De schriftelijke volmagt of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte vastgehecht.

i/n

De sc overleggi doeld in door den Alles i 14.. To officier v 15. D( op de artt. 13

f

-ocr page 67-

1. TITEL. VAN HET OPSPOREN DEE STEAPBABE FEITEN. ti

De schriftelijke klagte wordt door den kinder, of, onder overlegginti van de schriftelijke volmagt, of, in het geval bedoeld in het vorige lid, van een authentiek afschrift daarvan, door den gerolmajitigde onderteekend.

Alles op straffe van nietigheid.

14. Tot het ontvangen der klagte is elk officier en elk hulpofficier van justitie bevoegd en verpligt.

15. De intrekking der klagte geschiedt bij de ambtenaren, l op de wijze en in den vorm voor het doen der klagte bij de

artt. 13 en 14 bepaald.

TWEEDE AF DEE LIK G.

Van de burgemeesters en commissarissen van policie, met betrekking tot strafbare feiten aan de kennisneming van den kanton-regter onderworpen.

16. De commissarissen van policie, en, in de gemeenten waar geene commissarissen van policie zijn, de burgemeester of die deszelfs plaats vervult, zullen de strafbare feiten aan de kennisneming van den kanton regter onderworpen nasporen, zelfs ook de zoodanige die tot het bijzonder toezigt van de veldwachters en boschwachters behooren Zij zullen de berigten en aangiften ontvangen tot de voornoemde f iten betrekkelijk.

De processen-verbaal door hen te dien einde op te maken, zullen inhouden den aard en de omstandigheden der feiten, den tijd wanneer, en de plaats waar dezelve zijn bedreven, mitsgaders de bewijzen of aanwijzingen ten laste van de vermoedelijk schuldigen.

17. In gemeen en, in welke niet. meer dan één commissaris van policie is, zul, bij wettig beletsel van denzelven, de burgemeester of die deszelfs plaats vervult, den gezegden dienst waarnemen, of door tijdelijke aanstelling van eenen persoon tot vervanging van den commissaris van policie, in diens dienst voorzien.

18. De burgemeester of die deszelfs plaats vervult, of wel de commissaris van policie, zal aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongeregt alle de stukken en narigten doen geworden, ten langste binnen den tijd van drie dagen, de dag, op welken het feit tot zijne kennis is gekomen, daaronder begrepen

DERDE AEDEELING.

Van de veld- en boschwachters.

19. De veld- en bosch wachters zijn voornamelijk belast met het opsporen dlt;\'r strafbare feiten, strekkende tot benadeeling van veld- en bosch-eigendommen

20 De veld- en bosch wachters staan, voor zoo verre het opsporen der strafbare feiten betreft, die tot Ie bevoegdheid van de regtbank behooren, onder het toezigt van den officier van justitie van het arrondissement, onverminderd hunne onderhoorigheid aan de ambtenaren der administratieve magt, die boven hen zijn gesteld.

3 wetten : ieid toe-

a.i! en I

i

Zij zullen van alle strafbare feiten processen-verbaal opma-

f

-ocr page 68-

^ I. TITEL. VAN HET OPSPOREN DEE STRAPBARE FEITEN, ken, ten einde te doen blijken van den aard, de omstandigheden, den tijd en de plaats van de begane strafbare feiten, zoo als ook van de bewijzen en aanwijzingen die zij daarvan hebben kunnen inwinnen

21. De veld- en boschwachters motten hun proces verbaal binnen den tijd van vier en twintig uren doen toekomen aan den commissaris van policie, en binnen de gemeenten, alwaar geen commissAris van policie is, aan den burgemeester of dengenen die hem vervangt. Deze zijn verpligt de processen-verbaal, uiterlijk binnen vier en twintig uren na de ontvangst, aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie in te zenden,

VIERDE AF HEELING.

Van de ambtenaren van het openbaar ministerie.

22. De ambtenaar van het openbaar ministerie bij bet kanton-geregt is belast met de vervolging van het in het kanton gepleegde strafbaar feit, dat tot de bevoegdheid van den kanton-regt.er behoort.

Hij is bevoegd naar aanleiding van hem ter vervolging toegezonden processen verbaal nasporingen te doen of een nader onderzoek in te stellen.

Hij kan die nasporingen of dat nader onderzoek opdragen aan de hulp-officieren van justitie — de kanton-regters uitgezonderd — zoomede aan de beambten, genoemd in art. 8, lo en 7o

23 De officieren van justitie zijn belast met de nasporina en vervolging van alle strafbare feiten, waarvan de kennisneming behoort aan de arrondissements-regtbanken.

24\', Tot de waarneming der ambtsverrigtingen, bij het vorige artikel aan de officieren van justitie opgedragen, zijn gelijkelijk geregtigd:

Die van het arrondissement waarin liet feit. is begaan;

Die van het arrondissement waarin de verdachte woont;

Die van bet arrondissement waarin de verdachte wordt gevonden;

In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene officieren van justitie, zal diegene hunner steeds met de vervolging der zaak belast blijven, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst.

25. Strafbare feiten, buiten het Rijk in Europa aan boord van een Nederlandsch vaartuig gepleegd, worden, ter bepal\'.ng van de bevoegdheid van den vervolgenden ambtenaar, geadit te zijn belt;rHan ter plaatse waar de eigenaar van het vaartuig woont of de reederij is gevestigd.

26. De ambtsverrigtingen vhu de ambtenaren van het openbaar ministerie worden, onverminderd de bepalineen van de wet op de consulaire regtsmagt, bij vervolging van strafbare feiten buiten bet Rijk in Europa niet aan boord van een Kederlandsch vaartuig gepleegd, vervuld door de ambteraren van het openbaar ministerie bij de arrondiesements regtbank of het kanton-geregt, onder wier reesort de verdachte woont, gevonden wordt, of zijne laatst bekende verblijfplaats h eft gehad.

In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene ambtenaren van het openbaar ministerie, blijft diegene hunner

-ocr page 69-

I. TITEL. VAN HET OPSPOEEN DKK STEATBARE FEITEN. 5

steeds met de vervolging der zaak beiast, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst.

Wanneer de verdachte hier te lande niet woont, niet wordt gevonden, en geen bekende verblijfplaats heeft gehad, worden de bedoelde ambtsverrigtingen uitgeoefend door den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank of door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongeregt n0 1 te Amsterdam.

2/. De ambtenaren, met het nasporen der strafbare feiten belast, hebben het re^t om, in de uitoefening van hunne ambtsverrigtingen, de openbare burgerlijke, of de gewapende magt onmiddellijk in te roepen.

De veld- en boschwachters zijn hiervan uitgezonderd; deze zullen /ich te dien einde vervoegen bij de hoofden der plaatselijke besturen van de gemeenten alwaar zij hun a \' bt uitoefenen.

28. De officieren van justitie zijn gehouden om, zoodra strafbare feiten, die tot de kennisneming van de regtbank behooren, tot hunne kennis komen, den procureur-generaal bj het ge-regtshof daarvan berigt tc geven.

Onverminderd hunne verpligting tot vervolging moeten zij de voorschriften opvolgen die dezo hun, tot het doen van onderzoek, of toi vervolging van die feiten, zal geven.

29. De bepaling van het voorgaande artikel geldt eveneens ten aanzien van de ambtenaren van het, openbaar ministerie bij de kantongeregten tegenover den officier van justitie bij de regtbank, met betrekking tot de feiten die tot de kennisneming van den kantonregter behooren

30. De ambtenaren van het openbaar ministerie zullen zorg dragen voor de verzending, de beteekening en de uitvoering der bevelschriften die door den regter, in het beleid der zaak, zullen worden gegeven.

31. Wanneer een officier van justitie door klagte of aangifte, of op eenige andere wijze is onderrigt, dat in zijn ressort een strafbaar feit is gepleegd, of dat iemand, die daaraan vermoed wordt schuldig te zijn, zich binnen hetzelve bevindt, zal hij verpligt zijn, naar omstandigheden, aanvankelijk alle narigten te verzamelen en in te wini en, welke dienstig kunnen zijn om over de zaak licht te verspreiden.

32. De offi.ier van justitie zal, wanneer daartoe termen zijn, de stukken aan den regter-commissdris doen toekomen, met zoodanige requisitoiren als hij zal geraden achten.

33. Indien de regtbank, op beklag van den belanghebbende, of op eene andere voldoende wijze, bevindt, dat «rr verzuim plaats heelt in het vervolgen van een strafbaar feit aan hare kennisneming onderworpen, zal zij den officier van justitie kunnen belasten om te dien aanzien aan haar verslag te doen, en hem voorts kunnen bevelen om ter zake der opgegeven daadzaken, zoo daartoe termen zijn, vervolgingen in te stellen

VIJFDE AFDKKLING.

Van de hulp-officieren.

34. Hulp officieren zijn de in art. 8 no, 2-ambtenaren.

.

genoemde.

é

-ocr page 70-

^ I. TITEL. VAN HET OPSPOREN DEE STRAPBARE FEITEN, ken, ten einde te doen blijken van den aard, de omstandigheden, den tijd en de plaats van de begane strafbare feiten, zoo als ook van de bewijzen en aanwijzingen die zij daarvan hebben kunnen inwinnen

21. De veld- en boschwachters motten hun proces verbaal binnen den tijd van vier en twintig uren doen toekomen aan den commissaris van policie, en binnen de gemeenten, alwaar geen commissAris van policie is, aan den burgemeester of dengenen die hem vervangt. Deze zijn verpligt de processen-verbaal, uiterlijk binnen vier en twintig uren na de ontvangst, aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie in te zenden,

VIERDE AF HEELING.

Van de ambtenaren van het openbaar ministerie.

22. De ambtenaar van het openbaar ministerie bij bet kanton-geregt is belast met de vervolging van het in het kanton gepleegde strafbaar feit, dat tot de bevoegdheid van den kanton-regt.er behoort.

Hij is bevoegd naar aanleiding van hem ter vervolging toegezonden processen verbaal nasporingen te doen of een nader onderzoek in te stellen.

Hij kan die nasporingen of dat nader onderzoek opdragen aan de hulp-officieren van justitie — de kanton-regters uitgezonderd — zoomede aan de beambten, genoemd in art. 8, lo en 7o

23 De officieren van justitie zijn belast met de nasporina en vervolging van alle strafbare feiten, waarvan de kennisneming behoort aan de arrondissements-regtbanken.

24\', Tot de waarneming der ambtsverrigtingen, bij het vorige artikel aan de officieren van justitie opgedragen, zijn gelijkelijk geregtigd:

Die van het arrondissement waarin liet feit. is begaan;

Die van het arrondissement waarin de verdachte woont;

Die van bet arrondissement waarin de verdachte wordt gevonden;

In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene officieren van justitie, zal diegene hunner steeds met de vervolging der zaak belast blijven, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst.

25. Strafbare feiten, buiten het Rijk in Europa aan boord van een Nederlandsch vaartuig gepleegd, worden, ter bepal\'.ng van de bevoegdheid van den vervolgenden ambtenaar, geadit te zijn belt;rHan ter plaatse waar de eigenaar van het vaartuig woont of de reederij is gevestigd.

26. De ambtsverrigtingen vhu de ambtenaren van het openbaar ministerie worden, onverminderd de bepalineen van de wet op de consulaire regtsmagt, bij vervolging van strafbare feiten buiten bet Rijk in Europa niet aan boord van een Kederlandsch vaartuig gepleegd, vervuld door de ambteraren van het openbaar ministerie bij de arrondiesements regtbank of het kanton-geregt, onder wier reesort de verdachte woont, gevonden wordt, of zijne laatst bekende verblijfplaats h eft gehad.

In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene ambtenaren van het openbaar ministerie, blijft diegene hunner

-ocr page 71-

I. TITEL. VAN HET OPSPOEEN DKK STEATBARE FEITEN. 5

steeds met de vervolging der zaak beiast, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst.

Wanneer de verdachte hier te lande niet woont, niet wordt gevonden, en geen bekende verblijfplaats heeft gehad, worden de bedoelde ambtsverrigtingen uitgeoefend door den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank of door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongeregt n0 1 te Amsterdam.

2/. De ambtenaren, met het nasporen der strafbare feiten belast, hebben het re^t om, in de uitoefening van hunne ambtsverrigtingen, de openbare burgerlijke, of de gewapende magt onmiddellijk in te roepen.

De veld- en boschwachters zijn hiervan uitgezonderd; deze zullen /ich te dien einde vervoegen bij de hoofden der plaatselijke besturen van de gemeenten alwaar zij hun a \' bt uitoefenen.

28. De officieren van justitie zijn gehouden om, zoodra strafbare feiten, die tot de kennisneming van de regtbank behooren, tot hunne kennis komen, den procureur-generaal bj het ge-regtshof daarvan berigt tc geven.

Onverminderd hunne verpligting tot vervolging moeten zij de voorschriften opvolgen die dezo hun, tot het doen van onderzoek, of toi vervolging van die feiten, zal geven.

29. De bepaling van het voorgaande artikel geldt eveneens ten aanzien van de ambtenaren van het, openbaar ministerie bij de kantongeregten tegenover den officier van justitie bij de regtbank, met betrekking tot de feiten die tot de kennisneming van den kantonregter behooren

30. De ambtenaren van het openbaar ministerie zullen zorg dragen voor de verzending, de beteekening en de uitvoering der bevelschriften die door den regter, in het beleid der zaak, zullen worden gegeven.

31. Wanneer een officier van justitie door klagte of aangifte, of op eenige andere wijze is onderrigt, dat in zijn ressort een strafbaar feit is gepleegd, of dat iemand, die daaraan vermoed wordt schuldig te zijn, zich binnen hetzelve bevindt, zal hij verpligt zijn, naar omstandigheden, aanvankelijk alle narigten te verzamelen en in te wini en, welke dienstig kunnen zijn om over de zaak licht te verspreiden.

32. De offi.ier van justitie zal, wanneer daartoe termen zijn, de stukken aan den regter-commissdris doen toekomen, met zoodanige requisitoiren als hij zal geraden achten.

33. Indien de regtbank, op beklag van den belanghebbende, of op eene andere voldoende wijze, bevindt, dat «rr verzuim plaats heelt in het vervolgen van een strafbaar feit aan hare kennisneming onderworpen, zal zij den officier van justitie kunnen belasten om te dien aanzien aan haar verslag te doen, en hem voorts kunnen bevelen om ter zake der opgegeven daadzaken, zoo daartoe termen zijn, vervolgingen in te stellen

VIJFDE AFDKKLING.

Van de hulp-officieren.

34. Hulp officieren zijn de in art. 8 no, 2-ambtenaren.

.

genoemde.

é

-ocr page 72-

8 1. TITEL. VAN HET OPSPOKEN DtR STKAFBAEE FEITEN.

tegen hen een bevel van voorloopige aanhouding mogen uitvaardigen, en daarbij aanduiden de plaats alwaar de aangehoudene zal worden in verzekering gebragt.

4G. Hij zal in beslag nemen de wapenen en al hetgeen tot het plegen van liet strafbaar feit blijkt of schijnt gediend te hebben of bestemd te zijn geweest, gelijk ook alles wat dienen kan om de waarheid aan den dag te brengen.

Hij zal den verdachte aanmanen om zich te verklaren over de in beslag genomene voorwerpen, welke hem zullen worden vertoond

Hij zal van dit alles een proces-verbaal opmaken, hetwelk onderleekend zal worden door den verdachte, of, bij weigering, zal daarvan worden melding gemaakt

47. Indien de aard van het sirafbaar feit zoodanig is, dat het bewijs waarschijnlijk kan worden verkregen uit de papieren of andere stukken cn zaken in het bezit van den verdachte, zal de officier van justitie, vergezeld van den kanton-regter, of, wanneer deze zich niet op de plaats bevindt, ot op cenigs andere wijze verhinderd is, van den burgemeester of die den-zelven mogt vervangen, zich terstond ter woonstede van den verdachte begeven, om aldaar datgene op te sporen wat Lij nuttig zal oordeelen om de waarheid aan het licht te brengen.

Hij zal daarvan proces-verbaal opmaken, en de papieren of andere stukken onder zich nemen.

48. Hij zal tot de ontdekking van het strafbaar feit hetzelfde onderzoen mogen doen, zoo wel in de woning van den verdachte, als in herbergen, koüijhuizen en andere openbare plaatsen.

49. De door hem in beslag genomene voorwerpen zullen besloten en verzegeld worden in eenen omslag, waarop door hem gesteld zal worden de behoorlijke aanteekening van den das; waarop zij in beslag genomen zijn.

Indien dezelve niet geschikt zijn om in eenen omslag te worden gesloten, zal aan dezelve door hem eene strook papier met zijn zegel worden vastgehecht, op welke de bovengemelde aanteekening door hem zal gesteld en onderteekend zijn.

50. De verrigtingen in de drie voorgaande artikelen voorgeschreven, zullen geschieden in bijwezen van den verdachte, in geval hij gevat is geworden; ee voorwerpen zullen hem worden voorgehouden, ten einde dezelve te erkennen, en te waarmerken, zoo daartoe termen zijn, en in Heval van weigering, zal daarvan in het proces-verbaal melding worden gemaakt.

51. De officier van justitie zal, indien hij het noodig oordeeit, zich van een of meer deskundigen doen vergezellen of bijstaan, teu einde zich door hen te doen voorlichten en van hen zoodanige verslagen te vragen, als in het belang van het onderzoek worden vereischt.

52 leder die als deskundige daartoe wordt opgeroepen, is verpligt zijne diensten aan de justite te leenen.

l)e deskundigen zullen in handen van den officier van justitie den eed afleggeu dat zij hem verslag naar hun geweten zullen geven.

53. De processen-verbaal, akten, stukken en instrumeuten,

-ocr page 73-

I. TITEL. VAN HET OPSPOREN DER STRAFBARE FEITEN. 9

ingevolge de voorgaande artikelen opgemaakt of in beslag genomen, zullen onverwijld door den officier van ustitie, niet de requisitoiren, welke hij ten dienste der justitie noodzakelijk zal achten, overeenkomstig het vastgestelde bij artikel 32, aan den regter-commissaris worden ingediend.

54. Het bevel v:in voorloopige aanhouding, bedoeld bij art. 45, is slechts gedurende zes dagen van kracht

Op de vordering van den officier van justitie kan de regtbank in raadkamer, alvorens re^tsingang te verleenen, in de gevallen en op de gronden in art 86 vermeld, bij eene met redenen ornkleede beschikking het bevel eenmaal verlengen voor een tijd door de regtbank ie bepalen, maar in geen geval voor langer dan zes dagen.

Is niet binnen zes dagen na de dagteekening, hetzij de verlenging toegestaan, hetzij gevangenneming of gevangenhoudii g overeenkomstig art. 85 bevolen, of is in geval van verlenging niet binnen den gestelden termijn gevangenneming of gevangenhouding bevolen, dan is de aangehoudene van reg\'swege vrij.

55. Bij verhindering of bij ontstentenis van den officier van justitie, zullen de hulp-officieren de bemoeijingen waarnemen, waarvan in art. 43 tot en met art. 52 gehandeld wordt.

TWEEDE TITEJL.

Van den ragter-commissaris en van de voorloopige informatien.

56. Het geregtshof benoemt, bij iedere arrondissements-regtbank, uit derzelver leden,een\' of meerregters commissarissen, belast met de instructie der strafzaken.

57. De regters commissarissen worden voor den tijd van twee jaren aangesteld.

Echter zal de instructie eener zaak worden voortgezet en ten einde gebrag* door dengenen die dezelve heeft begonnen.

De regters-commissarissen zijn steeds weder benoembaar.

Memand zal echter, na den afloop van zijnen diensttijd ver-pligt zijn die functien te blijven waarnemen, voor dat hij gedurende twee jaren daarvan is bevrijd geweest.

58. Indien de regter-commissaris tijdelijk mogt zijn verhinderd, zal de regtbank eenen anderen tot de waarneming van zijnen dienst benoemen

Daar, waar meer dan één regter-commissaris is, zai de dienst van dengenen die verhinderd is, bij voorkeur door den anderen worden waargenomen.

59. De regter-commissaris kan geene voorloopige informatiën inwinnen, zonder requisitoir van het openbaar ministerie, overeenkomstig de bepalingen van artikel 32 hier boven.

Ind en de regter commissaris verklaart dat er geene termen tot het inwinnen van informatien bestaan, zal de officier van justitie de verklaring van dien ambtenaar ter kennis der arrondissements regtbank kunnen brengen, ten einde daaromtrent door die regtbank worde beslist.

In geval de regtbank beslist dat de zaak behoort te worden

-ocr page 74-

10 II. TITEL. VAN DEN EEGTER-COMMISSAEIS, ENZ.

vervolgd, zal zij daartoe eenen anderen regter-commissaris kunnen benoemen.

60. De refter commissaris moet. bij alle zijne ambtsverrigtin-ge.i, door den giifiier of eenen suhstituut-griflier worden bijgestaan.

De offider van justitie kan bij de verhooren tegenwoordig zijn, ind en de regter commissaris hem daartoe uitnoodigt.

Zoo dikwijls de officier van justitie bij de verhooren tegenwoordig is, wordt daarvan bij het proces-verbaal melding gemaakt en hij is bevoegd aan den regter-commissaris de vragen, die hij verlangt gedaan te worden, op te geven, waarop de regter-commissaris, naar bevind van zaken, zal beschikken.

De regter commissaris is verpligt, telken reize, de verhooren en ingewonnen int\'ormatien aan den officier van justitie, op diens verlangen, mede te deelen, ten einde dezen in staat te stellen om de vereischte requisitoiren te doen.

61. De regter-commissaris zal de dagvaarding bevelen van de personen, welke hem als getuigen door het openbaar ministerie zijn opgegeven.

Hij kan insgelijks doen oproepen den verdachte en de getuigen, die door dez-n zijn aangeduid, of die hij ambtshalve vermeent te moeten hooren.

Bij zijn proces-verbaal wordt melding gemaakt van alle de door den verdachte, als getuigen, opgegeven personen, om het even of de regter-commissaris die al of niet heeft laten oproepen

De dagvaarding der getuigen of verdachten geschiedt op last van het openbaar ministerie.

62 De getuigen zullen door den regter-commissaris ieder afzonderlijk worden geboord; hij kan dezelve echter met elkander confronteren

68 De getuigen zullen beloven de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen; de regter-commissaris zal hun hunne namen, voornamen, ouderdom, staat, beroep en woonplaats afvragen, alsmede of zij zijn dienstboden van den verdachte of hem door bloedverwantschap of door aanhuwelijking bestaan en, zoo ja, in welken graad

De regter-commissaris zal de belofte en opgaven, mitsgaders alle de vragen en de antwoordt.i der getuigen, door den griffier behoorlijk in geschrift doen stellen.

64-. Het alzoo in geschrift gestelde zal onderteekend worden door den regter-commissaris. den griffier en de getuigen of verdachten, nadat hetzelve zal zijn voorgelezen, en laatstgenoemden verklaard hebben daarbij te volharden. Ingeval de getuigen of verdachten niet teekcnen kunnen of willen moet daarvan melding worden gemaakt

65. Tussciien de regels zal niet mogen worden ingeschreven.

De doorschrappingen en de verwijzingen zullen door den

regter-commisïaris, den griffier en de getuigen of verdachten goedgekeurd en onderteekend moeten worden; het tusschen de regels ingeschrevene, mitsgaders de niet goedgekeurde door ■ halin.en en verwijzingen, zijn nietig en van onwaarde.

66. Een ieder die gedagvaard is om getuigenis der waarheid te geven, is gehouden voor den regter-commissaris te verschijnen, en getuigenis af te leggen.

-ocr page 75-

II. TITFX. VAN DfcN RKGTER-COMMISSAEIS, ENZ. 11

Des verdachten bloedverwanten en aan gehuwden in de regte linie; deszelfa broeders, zusters en aan gehuwd en in gelijken graad; deszelfs ooms, moeijen en deszelfs broeders- en zusterskinderen, mitsgaders de echtgenoot zelfs na echtscheiding, kunnen niet genoodzaakt worden getuigenis af te legiten.

Hetzelfde is toepasselijk op hen, die, uithoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking, tot geheimhouding ver-pligt zijn, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen. als zoodanig, is toevertrouwd.

67. Indien een getuige op de hem gedane dagvaarding niet verschijnt, zal de regter-commissaris op nieuw zijne oproeping kunnen bevelen, en hetzij te gelijker tijd, hetzij later, daarbij een bevel tot medebrenging kunnen voegen

Bij niet-verschijning van den verdachte, zal deze daartoe door geene dwangmiddelen kunnen worden verpligt.

68. Indien de getuige op de eerste uf tweede dagvaarding verschenen, of, voor den regter-cnmmissaris gebragt zijnde, weigert getuigenis der waarheid af te leggen, kan de regtbank, op verslag van den regter commissaris, ua verhoor of behoorlijke oproeping van den getuige en op den conclusie van het openbaar ministerie, bevelen dat de getuige in gijzeling worde gebragt en gehouden, tot dat hij aan zijne verpligting zal hebben voldaan.

Het vonnis van de regtbank z»l bij voorraad worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande verzet of hooger beroep

De gijzeling duurt niet langer dan dertig dagen Zij kan, zoolang de behandeling der zaak niet is afaeloopen, op vordering van den otlicier van justitie door de regtbank telkens van dertig dagen tot de .\'tig dagen worden verlengd.

69. Indien de getuige of verdachte de Nederlandsche taal niet verstaat, is de regter-commissaris bevoegd eenen tolk te benoemen, die den ouderdom van achttien jaren moet hebben bereikt en beveelt zijne dagvaarding

De tolk legt naur de wijze zijner godsdienstige gezindheid den eed of de belofte af van getrouw zijne taak te zullen vervullen.

Indien de getuige of verdachte doofstom is, tijdelijk het gebruik van zijn gehoor- en spraakvermogen of een dezer vermogens tijdelyk of voortdurend mist, doet de regter-commissaris zijne vragen door den griffier in geschrift stellen, waarop door den getuige of verdachte schriftelijk wordt geantwoord

Kan dè in het vorig lid bedoelde getuige of verdachte niet lezen of schrijven, dan benoemt de regter-commissaris eenen daartoe gesehikten persoon tot tolk en beveelt zijne dagvaarding. Het 2de lid van dit artikel is dan van toepassing.

70. Wanneer een getuige schndeloosstelling vraagt, zal dezelve door den regter-commissaris worden begroot, op vertooning van de akte van dagvaarding

71. Wanneer een getuige of verdachte door verklaringen van eenen arts of heelmeester doet blijken dat hij buiten staat is van op de hem gedane dagvaardingen te kunnen ver-chijnen, zal de regter-commissaris zich te zijner woning begeven.

72. Indien een getuige of verdachte in een ander kanton woont, dan waartoe de gemeente behoort, binnen welke de

-ocr page 76-

12 11. TITEL VAN DEN REGTER-COMMISSAHIS, ENZ, regtbank zitting houdt, kan de regter-commissaris den kanton-reff\'er magtigen, om dien getuige of verdachte te hooren.

73 Zoo dikwijls getuigen zullen moeten gehoord worden, welke woonachtig zijn in een ander arrondissement, zal de regter-commissaris de ontworpen vraag-artikelen overzenden aan den regter-commissaris binntn wiens arrondissement die getuigen woonachtig zijn, ten einde hen, op of naar aanleiding dier vraag artikelen te hooren.

Indien echter de woonplaats vau den getuige nader gelegen is bij de hoofdplaats van het arrondissement alwaar de instructie geschiedt, dan bij die van het arrondissement waarin hij woont, is de regter-commissaris bevoegd, den getuige voor zich te doen ontbieden, al ware des getuigen woonplaats in eene andere provincie gelegen.

74. Indien, in het geval van het eerste lid van het vorig artikel, de ambtenaar van het openbaar ministerie het volstrekt noodzakelijk mogt achten dat zoodanige getuigen worden opontboden om gehoord te worden, zal hij deswege een met redenen bekleed verslag aan de regtbank doen, welke daarop naar bevind van zaken zal beschikken.

75. Wanneer de regtbank in de overkomst dier getuigen bewilligt, zullen zij daartoe gedagvaard worden, en melding daarvan zal in de akte van dagvaarding worden gemaakt.

76 Indien de verdachte in een ander arrondissement woont, kan de regter commissaris de ontwurpen vraag-artikelen overzenden aan den regter-commissaris, binnen wiens arrondissement de verdachte woonachtig is, ten einde hem op of naar aanleiding dier vraag-artikelen te hooren.

77. Hij, die op verzoek van oenen regter-commissaris verklaringen heeft ingewonnen, zal het proces-verbaal besloten en verzegeld aan laatstgenoemden overzenden.

70. De regter commissaris kan, zooveel moeelijk in overleg met den officier van justitie, in het belanjr der door hem gevoerd wordende informatiën en instructiën, het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de hul: -officieren van justitie, zoomede aan de beambten, genoemd in arl. 8,1quot; en 7°.

79. Wanneer in den loop van het onderzoek voldoende aanwijzing van schuld tegen den verdachte ontstaat, kan de regter-commissaris, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, op de vordering van den officier van justitie, tegen den verdachte een bevel van voorloopige aanhouding verleenen met aanduiding van de plaats alwaar de aangehoudene zal worden in verzekering gebragt.

Ts het bevel niet onmiddellijk op het hooren van den verdachte gevolgd, dan wordt hij binnen vier en twintig uren, na zijne opneming in de gevangenis, gehoord.

Art 54 is op het bevel in dit artikel bedoeld van toepassing.

80. Wanneer gedurende het onderzoek van den regter-commissaris een dlt;rr aanwezigen de stilte stoort, of teekenen geeft van goed» of afkeuring, en vruchteloos door den regter-commissaris is gewaarschuwd, of het bevel van dezen om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan hij op diens last worden verwijderd.

-ocr page 77-

11. TITEL. VAK DEN HEGTER-COMMISSARfS, ENZ. 18

Heeft gedurende het onderzoek eenig strafbaar feit plaats dan maakt de regter-comniissaris daarvan proces-verbaal op en zendt dit aan den officier van justitie. Hij kan tevens, op de gronden en in de gevallen vermeld in art. 86, een bevel van voorloopige aanhouding tegen den verdachte verleenen.

Art. 54 en het 2de lid van art. 79 zijn dan van toepassing.

igt;ï:rigt;:e titel.

Van het verleenen van regtsingang en de verdere geregtelijke instructie.

81. Zoodra de officier van justitie voldoende aanwijzing beeft verkregen van een gepleegd strafbaar feit, aan de regtsmagt der regtbank onderworpen en van den persoon, die zich daaraan schuldig heeft gemaakt, en hij het verleenen van regtsingang noodig oordeelt, biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan de regtbank aan.

Hij vordert daarbij, met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij verwijzing der zaak naar de teregt-zitting, hetzij dat de instructie der zaak worde gelast.

Op deze vor lering wordt door de regtbank in raadkamer beslist.

82. Indien het aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming en de instructie der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollezie behoort, zal zij dezelve naar den bevoegden regter verwijzen. De officier van justitie zal de stukken aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie, bij zoodanig kollegie, doen toekomen.

Wanneer de verdachte zich in hechtenis bevindt, kan de regtbank bevelen, dat, hij in hechtenis zal verblijven.

Wanneer binnen zes dagen daarna door den bevoegden regter geen nieuw bevel van gevangenhouding is verleend, wordt de verdachte in vrijheid gesteld.

83. Indien ter zake van het feit geen regt tot strafvervolging aanwezig is, weigert de regtbank den regtsingang en stelt zij den verdachte buiten vervolging

84. Indien geene voldoende aanwijzing bestaat omtrent den aard van het feit of dat hetzelve is geplfieard, of van de schuld van den verdachte, weigert zij den regtsingang en stelt den verdachte buiten vervolging, of beveelt de voortzetting van het voorloopig onderzoek, en is in dat geval bevoegd om, voor zoover dit nog niet overeenkomstig het tweede lid van art. 54 heeft plaats gehad, ook ambtshalve, met inachtneming van het aldaar bepaalde, het bevel van voorloopige aanhouding éénmaal te verlengen.

85. In alle andere gevallen verleent zij den regtsingang en verwijst zij de zaak naar de teregtzitting of gelast zij instructie, in het een en ander geval met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding

Op straffe van nietigheid kan echter in geen geval ter zake van een misdrijf verwijzing naar de teregtzitting plaats hebben zoolang de verdachte niet door den regtei-commissaris is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen.

86. Gevangenneming, of, zoo de verdachte voorloopig is aan-

-ocr page 78-

14 lil. TITEL. VAN HET VEEL. VAN EEGTSING., ENZ ^ gehouden, gevangenhouding, kan, bij het verleenen van rejits- / de bt ingang, worden l)evolen indien tepen het misdrijf als maximum/ , 93. I

eene gevanpenisstrnf van vier jaren of meer is bedreigd, of meldt,

indien de reptsingang wordt verleend wegens verduistering- kelen d

opligting of de in de artikelen 390 1°, 391, 392 1Q, 395 e^ Zij u

416 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, vóór o

wegens medepligtigheid aan of poging tot de misdrijven, in dit voltjing

artikel vermeld of wegens de in de artt. 432 en 433 omschreven 94. 1

overtredingen, doch alleen op grond hetzij van gegronde vrees officier

voor vlugt van den verdachte, hetzij van eenige andere gewig- na di;

tige reden van maatschappelijke veiligheid. middel

De reden wordt op btralïe van nietigheid in de beschikking lgt;e a

met name vermeld. verge \'

In alle andere gevallen wordt, zoo de verdachte voorloopig verre c

is aangehouden, diens invrijheidsTelling bevolen gende

87 In geval de aan de regtbank gelijktijdig overgelegde stuk- den pi

ken betrekkelijk zijn tot zamenhangende feiten of tot feiter.. welke,

door denzelldeu persoon begaan en het belang van het onder- verslag

zoek zich niet tegen de voeging verzet, zal de regtbank over Het

deze allen bij eene en dezelfde beschikking uitspraak doen. daarna

88. Strafbare feiten worden geacht zamcnhangende te zijn, \' *en bev wanneer zij begaan zijn: Binr

1°. door verscheidene vereenigde personen gelijktijdig; \' het ar

2°. door veramp;chillende personen op onderscheidene tijden of 95.

plaatsen, doch ten gevolge van eene door hen vooraf gemaakte zoodra

afspraak; van d

3°. met het oogmerk om zich de middelen te verschaffen tot feit, b

het begaan van een ander straf l)aar feit of de uitvoering daar- He

van te bevorderen of tot siand te brengen of wel om zich van h

tegen de straf van een ander strafbaar feit te beveiligen. 9G.

89. Üe regtbank doet eveneens bij een^ en dezelfde beschik- .can d king uitspraak, wanneer buiten de gevallen bij art 87 bedoeld daarbi de gelijktijdig aan de regtbank overgelegde stukken betrekkelijk De zijn tol meerdere strafbare leiten, tusschen welke verband be- de op staat en de voeging in het belang van het onderzoek is. of di«

90. Indien in de gevallen van de artt. 87 en 89 de strafbare Zij is feiten ieder afzonderlijk aarf de kennisneming van d zelfde 97. regtbank zijn onderworpen, kan deze in eiken stand der zaak, missa hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van zoo d justitie of op verzoek van den beklaagde, de voeging bevelen, zoo 1

91. Indien buiten de gevallen van art. 87 meerdere strafbare schijr feiten gelijktijdig aan de kennisneming van dezelfde regtbank hand( worden onderworpen, kan de regtbank in eiken stand der zaak, 98 zoowel ambtshalve als op de vordering van den officier van bekla justitie of op het verzoek van den beklaagde, de splitsing bevelen na h

Dit bevel is verplijitend, indien geen der gevallen, bedoeld de re

bij art 87 en art. 89, aanwezig is in ai

92. De beschikkingen, by de artt. 82, 83, 84 en 85 bedoeld, officie houden in tegen

den naam, of, als die onbekend is, de aanwijzing zoo du;de- Ar\'

lijk mogelyk, van den verdachte; \\ De

het feit in hoofdzaak dat hem ten laste wordt gelegd; aan (

de vordering van het openbaar ministerie; art. }

-ocr page 79-

Z 111. TITEL. VAN HET VERL. VAN EEGTSING , ENZ. 16

a regts-/ de beslissing, met de gronden waarop zij rust.

iximuwj , 93. De beschikking, waarbij regisingang wordt verleend, ver-eigd, of , meldt, behalve het bij het voorgaand artikel bepaalde, de arti-stering- kelen der wet, waarbij het feit is strafbaar gesteld. 395 e^ Zij wordt den beklaagde zoodra mogelijk, en in ieder geval drijven, vóór of uiterlijk te gelijk met de eerstvolgende akte van ver-i, in dit volging, vanwege het openbaar ministerie berekend.

ïhreven 94. In de gevallen, vo rzien bij de artt 82 tot 85 kan de e vrees officier van justitie, binnen den tijd van vier en twintig uren gewig- na de uitspraak van de regtbank, daartegen verzet doen, door

middel van eene verklaring ter griffie der reutbank afgelegd likking De akte van verzet moet, benevens de processtukken, des noods vergeeld van eene memorie, bevattende de redenen, voor zoo rloopig verre die niet bij de akte zelve zijn uitgedrukt, binnen de volgende vier en twintig uren door den officier van justitie aan estuk- den procureur-generaal bij het geregtshof worden opgezonden, Feiter. welke, binnen drie da^en na de ontvangst, dezelve met zyn onder- verslag en requisitoir indient bij het hof.

k over Het hof, zamengesteld uit vijf leden, zal binnen drie dagen en, daarna de uitspraak der regtbank goedkeuren of te niet doen,

e zijn, * \'en bevelen hetgeen bevonden zal worden te behooren.

Binnen drie dagen na de uitspraak, zal de procureur-generaal \' liet arrest van het hof aan den officier doen toekomen.

ien of 95. Indien instructie is gelast, beveelt de refter commissaris, laakte zoodra de stukken in zijne handen zijn gesteld, de verschijning van den beklaagde om door hem te worden gehoord op het \'en tot feit, bij het bevel n hoofdzaak uitgedrukt.

daar- De beklaagde, die in vrijheid is, wordt door tusschenkomst i zich van het openbaar ministerie gedagvaard.

90. Indien de beklaagde niet op de dagvaarding verschijnt; schik- xan de regter-commissaris hem andermaal doen dagvaarden en idoeld daarbij voegen een bevel van medebrenging.

kelijk De beambte, met dat exploit belast, zal, des noodig zijnde,

d be- de openbare burgerlijke of de gewapende magt van de plaats, of die der naastbij gelegene plaats, ter zijner hulp inroepen, fbare Zij is verpligt onmiddellijk aan die vordering te voldoen.

telfde 97. Gedurende den loop der instructie doet de regter-com-

zaak, ■ missaris, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelt, den beklaagde, • van zoo deze in verzekerde bewaring is, voor zich verschijnen, of, len, zoo hij in vrijheid is, daartoe dagvaarden Bij elke niet-vcr f bare schijning van den beklaagde, wordt door den regter commissaris ge-bank handeld, zoo als bij het eerste lid van het vorige artikel is bepaald, zaak, 98 Bij het ontstaan van meer gewigtige bezwaren tegen (:en

\' van beklaagde die in vrijheid is, of op grond van omstandigheden, elen na het verleenen van den regtsingang bekend geworden, kan loeld de regtercommissaris, in de gevallen en op de gronden vermeld in art. 86, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den oeld, officier van justitie, een bevel van voorloopige aanhouding

tegen den beklaagde verleenen.

J\'de- Art 54 en het tweede lid van art. 79 zijn van toepassing.

k De officier van justitie biedt de stukken met zijne vordering aan de regtbank aan, die in raadkamer, met inachtneming van art. 86, de gevangenhouding of de invrijheidstelling beveelt.

-ocr page 80-

16 III. TITEL. VAN HET VEEL. VAN REGTSING , ENZ.

99. In de gevallen, waarin de beklaagde niet voor den regter-commissaris kan worden gebragt, of niet kan worden gevangen genomen, of nu zijne in verzekerde bewaringstelling is ontvlugt, wordt de instructie niettemin aangevangen of voortgezet en zooveel mogelijk ten einde gebragt.

100. Na het eerste verhoor van den beklaagde, zal de regter-commissaris met de instructie voortgaan, en denzelven zoo dikwijls hooren en, des noods, met de getuigen of deze onderling confronteren, als hij, hetzij ambtshalve, hetzij op het requisitoir van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van den beklaagde, zal noodig achten.

Alle bepalingen van den vorigen Titel betrekkelijk het hooren van getuigen, en derzelver verpligtins; om getuigenis der waarheid af te lezgen, mitsgaders de bevoegdheid tot liet aanwenden van het middel van lijfsdwang, zijn te dezen toepasselijk.

In geval de beklaagde na behoorlijke oproeping niet verschijnt, of een tegen hem uitgevaardigd beve1 van voorloopige aanhouding of van gevangenneming niet is kunnen worden ten uitvoer gelegd, en er vermoeden bestaat, dat hij voortvlugtig is en dat de overlegging van beëedigde getuigenissen noodig zal zijn om zijne uitlevering te verkrijgen, gelaat de legter-commissaris, op de vordering van het openbaar ministerie, tlat de getuigen, alvorens hun getuigenis af te leggen, elk op de wijze van zijne godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte zullen doen van de gebeele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Deze bepaling is niet toepasselijk op de personen, bedoeld in art. 164 van het Wetboek van Strafvordering.

Van den gedanen eed of de gedane belofte geschiedt aan-teekening door den griffier.

101 De officier van justitie is geregti^d aan den regter-commissaris de vragen op te geven, die hij verlangt dat aan den beklaagde zullen worden gedaan, en waarop de regter-commissaris, naar bevind van zaken, beschikken kan.

Hij kan bij dat verhoor tegenwoordig zijn, indien de regter-commissaris hem daartoe uitnoodigt. Het derde lid van art. 60 is te dezen toepasselijk.

102. Indien de regter-commissaris zulks noodig acht, zal hij het vereischte verslag kunnen vragen van een of meer des-kundisren.

De deskundigen zullen in handen van den regter commissaris den eed afleggen, dat zij hun verslag, naar hun geweten, zullen geven.

Op deze deskundigen is de bepaling van het eerste lid van art. 52 van tot-passing.

103. Geene strikvragen zullen in den geheelen loop van eenig proces aan eenise beklaagden of getuigen mogen worden gedaan, en de regter zal geen acht mogen slaan op de antwoorden welke op zoodanige strikvragen mogten zijn gegeven.

Vragen in welke eene daadzaak, door den 1 eklaagde of de getuigen niet beleden of opgegeven, als waarheid wordt aangenomen of voorondersteld, zullen ook als strikvragen moeten worden beschouwd.

-ocr page 81-

III. TITEL. VAN HET VERL VAN REGTSING., ENZ. 17

104, Wanneer uit de instructie gewigtige bezwaren te^en anderen dan den beklaagde ontstaan, kan de regter-commissaris, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, tegen de7.en, op dc vordering van den officier van justitie, een bevel van voorloopijre aanhouding verleenen.

Art. 54 en het tweede lid van art 79 zijn van toepassing.

De officier van justitie handelt overeenkomstig a\'t. 81.

De zaak wordt verder op de gewone wijze overeenkomstig de voorschriften van dezen Titel behandeld

1U5, De bevelen van gevangenneming en de beschikkingen waarbij regtsin^ang is verleend kunnen in de geheele iiitge-strektheid van het koningrijk worden ten uitvoer gelegd.

Indien de beklaagde gevonden wordt buiten het arrondissement van den regter, die het bevel van gevangenneming heeft uitgevaardigd, zal hij, alvorens hij in gevangenis worde gesteld, gebragt worden voor den kanton regter, of den burgemeester, of commissaris van policie van de plaats waar hij gevat is, welke het bevel voor gezien zal teekenen

106 Indien hij, diè met de uitvoering van het bevel van gevangenneming belast is, het noodzakelijk acht voorzorgen te nemen, ten einde de beklaagde zich niet aan de vervolgingen der justitie onttrekke, zal hij den bijstand dor openbare burgerlijke, of der gewapende magt kunnen inroepen van de plaats of van de naburige plaats, waar de gevangenneming moet geschieden De openbare burgerlijke of de gewapende magt is verpligt, op de vertooning van het regterlijk bevel, onmiddellijk aan dc aanvrage te voldoen.

107. In geval de beklaagde niet kan worden gevat, zal het bevel van gevangenneming aan zijne woonplaats, of, wanneer die onbekend is, aan des/.elfs laatste verblijf worden beteekend, en er zal een proces-verbaal van de gedane nasporing worden opgemaakt, hetwelk voor gezien zal moeten worden geteekend door den kanton regter, tien commissaris van policie of den burgemeester van de plaats.

Het bevel van gevangenneming en het proces-verbaal zullen aan den oflicier van justitie worden teruggebragt.

108. De beklaagde, die uit krachte van een bevel van gevangenneming is gevat, zal zonder verwijl worden gebragt in de gevangenis, bij liet bevel vermeld

lO!1. De deurwaarder of de ambtenaar met de uitvoering van het bevel van gevangenneming belast, zal den beklaagde aan den cipier van de gevangenis overgeven, welke, op verfooning van het, bevel, denzelven zal innemen, en schriftelijk zal verklaren zulks te hebben gedaan; de deurwaarder, of de ambtenaar met de uitvoering van het bevel belast, zal vervolgens de stukken tot den gearresteerde betrekkelijk, ter griffie brengen en schriftelijk bewijs nemen dat dezelve aldaar overgenomen zijn.

Hij zal dtze beide schriftelijke bewijzen binnen vier en twintig uren aan den officier van justitie vertoonen, welke dezelve voor gezien zal teekenen, met bijvoeging van de dagteekening.

110. Buiten het geval van betrapping op heeter daad, zal geene huiszoeking mogen plaats hebben, zonder verlof van de arrondiesements regtbank.

2

-ocr page 82-

18 III. TITEL, van het vekl. van kegtsing., enz.

Er zal evenwel, in geval van dringende noodzakelijkheid\' zonder dit verlof, door den reiter-cooimissaris, ter requisitie van den officier van justitie, huiszoeking mogen geschieden:

1Q. In de woning van den beklaagde;

2°. In de woning waarin het misdrijf gepleegd is;

3°. In herbergen, koffijl.uüen en andere openbare plaatsen. ^

111. In alle gevallen eener huiszoeking al had die zelfs k plaats met verlof van de regtbank zal het den renter com mis- 1 saris niet geoorloofd zijn geschriften, boeken en andere papieren R te onderzoeken of in beslag te nemen, zonder dat hij daartoe uitdrukkelijk door de regtbank zij geaiagtigd

112. De huiszoekingen zullen door den regter-commissaris in tegenwoordigheid van den officier van justitie gescnieden.

Indien deze mogten belet zijn, kan de regter-commissaris zich t door üen kanton regter en de officier van justitie door den burgemeester doen vervangen.

113. indien de papieren of boeken van den beklaagde moeten Ij onderzocht worden, zal hij daarbij in persoon olquot; bij een\' ge- | maütigde kunnen tegenwoordig zijn.

Het proces-verbaal zal door den beklaagde of zijnen gemag-tigde worden onderteekend, indien de een of ander daarbij tegenwoordig is, of er zal melding worden gemaa.ct van zijne weigering.

114 De regter-commissaris zal daarenboven de voorschriften j nakomen van art. 17, 48 en 49 van dit Wetboek.

115. De regtbanken kunnen, hetzij ambtshalve» hetzij op ( verzoek van den beklaagde, zich de stukken doen voorleggen

en bevelen dat de instructie spoedig worde voleindigd, of dezelve sluiten, zoo daartoe ^ronden zijn.

Zij zullen bijzonder acht slaan dat, wanneer er eene voor-loopige aanhouding heeft plaats gehad, de zaak met den ver-eischten spoed worde voortgezet.

116. Alle bevelen tot gevantrenneming of gevangenhouding zijn voor niet lansier dan dertig dagen geldig te rekenen van den dag, waarop zij zijn ten uitvoer gelegd.

Indien aan het eind van dien termijn de instructie niet is afgeloopen of de zaak niet is beregt, wordt de beklaagde onmiddellijk in vrijheid gesteld, tenzij de regtbank op vordering van den offic er van justitie het bevel bij gemotiveerde beschikking voor ten hoogste dertig dagen hebbe verlengd. Hetzelfde zal nog daarna telkens van dertig dagen tot dertig dasrcn kunnen geschieden, indien de regtbank na den laatst verleerden termijn zulks nood\'g oordeelt Op deze beschikkingen is het tweede lid van art. 93 van toepassing.

117. Na afloop der in-tructie of wanneer, in l et geval van art. 99, deze wegens ontstentenis van den beklaagde niet is kunnen worden voltooid, deelt de regter-commiscaris de stukken mede aan den officier van justitie

Oorueelt deze de instructie niet volledig, dan vordert hij, met aanduiding \\aa hetgeen hij daartoe noodi«: acht, dat zij meer volledig wordt gemaakt.

118. Z odra de instructie is ten einde gebragt, doet de officier van justitie den beklaagde bij exploit aanzeggen, dat de instructie

-ocr page 83-

III. TITEL. VAN HET VEKL. VAN REGTSING., ENZ. 19

gesloten is, met vermelding van het requisitoir dat tegen liem genomen zal worden,

119. De beklaagde kan, binnen acht dagen na de beteekening van de sluiting der instructie, eene memorie ter grilfte van de regtbank inleveren. De bevoegdheid daartoe wordt hem bij het exploit, in het voorgaand artikel bedoeld, op straffe van nietigheid, kenbaar gemaakt.

Df. beklaagde kan in het exploit de verklaring doen opnemen, dat hij van deze bevoegdheid afstand doet. De verklaring wordt door hem geteekend Zoo hij zijne verklaring niet kan teekenen, wordt daarvan in het exploit melding gemaakt.

\'J20 De beklaagde kan zich omtrent het indienen der memorie beraden met een raadsman, door hem met inachtneming van art. 183 gekozen.

121. De beklaagd»1, die wegens misdrijf vervolgd wordt en zich ingevolsre art. 86 te dier zake in verzekerde bewaring bevindt, kan zich omtrent het indienen der memorie beraden met een raadsman, hem op zijn verzoek door den president der regtbank ambtshalve toegevoegd.

122. De toevoeging geschiedt uit de advocaten en procureurs in het arrondsssement gevestigd. Zij wordt den benoemde, alsmede den beklaagde, door of namens den president dadelijk kenbaar gemaakt.

123 Gedurende den tijd voor de inlevering der memorie bepaald, he«!ft de toegevoegde raadsman van den beklaagde toe-cang tot hem en kan hij hem, behoudens het vereischte toezigt, alleen spreken.

Gedurende dienzelfden tijd kan de raadsman, alsmede de beklaagde, die niet in verzekerde bewaring is, ter griffie inzage nemen van de stukken,

124. De memorie kan ook door den raadsman worden onderteekend.

Van de inlevering der memorie wordt aan dengene die haar overlegt, doo»- den griffier schriftelijk bewijs gegeven

125. De griffier teekent den dag der inlevering op de mcnif rie aan en zendt die binnen vier en twintig uren aan den officier van justitie

De officier van justitie dient haar, binnen drie dagen na die inlevering, met de stukken en met zijne vordering bij de regtbank in.

Is geene memorie ingeleverd, dan dient de officier van justitie de stukken, met zijne vordering, bij de regtbank in binnen drie dagen na verloop van den termijn, voor de inlevering der memorie bepaald of zoo de afstand is gedaan, in het tweede lid van art 119 bedoeld, binnen drie dagen na de dagteekening van het aldaar vermelde exploit

Op de vordering van den officier van justitie wordt door de regtbank in raadkamer beslist.

126. Indien de regtbank de instructie niet volledig oordeelt, beveelt zij, met aanduiding van het onderwerp een nader onderzoek.

Zoodra het bevolen onderzoek is afgeloopen, wordt gehandeld overeenkomstig de artt. 118, 119 en 125.

-ocr page 84-

20 III. TITEL, van het verl. van regtsing, enz.

De termijnen in liet eerste lid van art. 119 en het derde lid van art. 125 worden bepaald op twee dagen.

127. Indien het aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming: der zaak tot de bevoegdheid van «en anuer kollegie behoort, verwijst zij dezelve naar den bevoegden regter.

De officier van justitie doet de stukken aan den bevoegden ambtenaar van liet openbaar ministerie bij zoodanig kollegie toekomen.

liet tweede en derde lid van artikel 82 zijn hier van toepassing.

Indien ter zake van h^t feit geen regt tot strafvervolging aanwezig is of de instructie geene voldoende aanwijzing vgt;in schuld tot verdere vervolging heeft opgeleverd, stelt zij den beklaagde te dier zake buiten vervolging.

Indien in de instructie of naden afloop daarvan vormen zijn verzuimd, beveelt, zij herstel van dat verzuim of heropening van het onderzoek van de laatst geldige akte af, welke aan het verzuim is voorafgegaan

In alle andere gevallen verwijst zij de zaak naar deteregtzitting.

De artt 87—91 zijn hier van toepassing.

128. Wanneer de beklaagde buiten vervolging wordquot;, gesteld of, bij verwijzing, geen der gevallen of gronden vermeld in art. 86, meer aanwezig is, beveelt de regt,bank, indien de beklaagde in verzekerde bewaring \'s, zijne invrijheidstelling.

129 Op de bHschikkinoen bij art. 12quot; vermeld, is ar,. 92, en op die, houdende verwijzing naar de teregtzitting, bovendien art, 98 van toepassing

130. Tegen dé beschikkingen, waarbij de beklaagde ter zake van misdrijf naar de teregtzitting is verwezen, kan deze, en tegen die, vermeld in art. 127 eerste en vierde lid, kan de olticier van justitie verzet doen.

Het verzet geschiedt, door middel eener verklaring t\'-r griffie, af te leggen door den officier binnen twee dagen na de uitspraak, en door d^n beklaagde binnen acht dagen na de beteekening der beschikking.

In geval van verzet van den officier van justitie, verzendt, deze de akte van verzet,, vergezeld van eene memorie, bevattende de redenen, wanneer die niet in de akte zelve zijn uitgedrukt, binnen de volgende vier en twintig ^uren aan den procureur-generaal van het geregtshof.

In geval van verzet van den beklaagde, kan deze binnen voornoemde acht da.-en eene memorie ter gritlie indienen en geschiedt de verzending aan den procureur-generaal binnen vier en twintig uren nn verloop van dezen termijn of na de indiening der memorie.

In het, een en ander geval dh-nt d^ procureur-generwl, binnen drie dagen na de ontvangst, zijn verslag en requisitoir bij het, hof in. en w rdt, voorts gehandeld overeenkomstig agt;t. 91-, derde en vierde lid.

131 De beklaagde kan van het regt, in het voorgaand artikel bedoeld, afstand doen.

182 Indien bij de verwijzi g naar de teregtzitting ter zake van een misdrijf de beklaagde zich te dier zakt Miirevo\'ge ■•••t 86 in verzekerde bewaring bevindt en wordt gehouden, of daarbij

-ocr page 85-

III. TITEL. VAN HET V£RL. VAN EEGTSING., ENZ. 21 zijne gevangenneming wordt bevolen, bepaalt de regtbank, dat aan den beklaagde ambtshalve een raadsman zal worden toegevoegd.

De toevoeging geschiedt door den president der regtbank uit de advocaten en procureurs in liet arrondissement gevestigd. Zij wordt den beklaagde gelijktijdig mut de beschikking, waarbij de zaak naar de ttregtziltin^ is verwezen, beteekend

De toegevoegde raadsman kan daarna alsnog dooreen gekozen raadsman worden vervangen, indien deze ui\'erlijk twee dagen vóór de tercgtzitting ter trrillie verklaring allegt, dat hij bereid is ten bepaalden üage de verdediging van den beklaagde op zich te nemen. De grillier geeft hiervan onverwijld kennis aan den toegevoegden raadsman De toegevoegde heelt de bevoegdheid eenen anderen raadsman in zijne plaats te doen optreden, mits hij daarvan vooraf aan den voorzitter kennis geve.

133. Als raadslieden worden slechts toegelaten advocaten en procureurs binnen het Rijk de praktijk uitoefenende.

134 Tva beteekening van de beschikking, houdende verwijzing naar de teregtzitting heeft, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, de gekozen of toegevoegde raadsman toegang tot hem en kan hij hem, behoudens het vereischte toezigt, zoo dikwijls hij dit verlangt, alleen spreken.

Hij, zoowel als de beklaagde, die niet in verzekerde bewaring is, kan ter grittie inzage nemen van de stukken, zonder de voortzetting der zaak op te houden.

De beklaagde kan van de stukken, voor zoover hij dit verlangt, ten zijnen kosten afschriften doen nemen.

Bij onvermogen, ter beoordeeling van de regtbank, kan deze gelasten, dat de afschriften, welke zij noodig acht, kosteloos worden afgegeven. In dit geval worden de kosten der afschriften als geregtskostcn aangemerkt.

135. In alle gevallen waarin, na gehouden instructie, de regter blijkt onbevoegd te zijn, blijft echter de instructie van kracht.

136. Kiemand kan, buiten vervolging zijnde gesteld, ter zake van hetzelfde feit in regten worden betrokken, hetzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden.

Als nieuwe bezwaren worden aangemerkt de verklaringen van getuigen, stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke niet zijn onderzocht geworden, doch echter van dien aard zijn. dat zij of de bewijzen versterken welke de regtbank te zw ik heeft geoordeeld of de feiten meer ontwikkelen tot betere ontdekking der waarheid.

In dat geval biedt de officier van justitie de stukken wederom aan de regtbank aan, met zoodanige vorderingen, als hij, met inachtneming van het bepaalde bij art. 81, raadzaam oordeelt en wordt de zaak op de gewone wijze overeenkomstig de voorschriften van dezen Titel behandeld

137. Alle uitspraken der raadkamer vermelden, straffe van nietigheid, de namen der leden van het regtskollc^ie, door wie zij zijn gewezen en worden door ieder hunner en door den griffier onderteel-end.

Zoo quot;ikwijls de regtbank in raadkamer eene beschikking neemt, is zij samengesteld uit drie led^n

138 Alle bevelen van gevangenneming en gevangenhouding zijn uitvoerbaar niettegenstaande verzet van den beklaagde.

-ocr page 86-

22 III. TITEL. VAN HET VERt VAN KtGTSTNG., ENZ.

De bevelen tot invrijheidstelling: op grond van onvoldoende aanwijzing van schuld zijn uitvoerbaar niettegenstaande elk beroep. Van de andere kan het openbaar ministerie de uitvoering opschorten gedurende den termijn, binnen welken het tegen de beschikking kan opkomen, en indien het van die bevoegdheid gebruik gemaakt heeft, tot de beslissing daarover, mits binnen den daarvoor gestelden tijd gegeven Hetzelfde geldt voor het geval, dat ten gevolge van onbevoegd verklaring overeenkomstig de artt. 82 en 127 de invrijheidstelling zou moeten plaats hebben.

139 De beklaagde, krachtens bevel van gevangenneming aangehouden, wordt, binnen vier en twintig u/en na iijne opneming in de gevangenis, door den regter commissaris gehoord.

140 Bij verzuim of bij nietigheid van eenige in (iezen Titel voorgeschreven beteekening kan de beklaagde mits bij zijne eerste verschijnii-g, de nietigverklaring vorderen van de dagvaarding waarbij hij, zoo instructie is gelast, voor den refter-commissaris, of, zoo de zaak naar de teregtzitting is verwezen, ter teregtzitting is opgeroepen.

V1ER1gt;E TITEIi.

Van het regtsgeding op de teregtzitting van de arrondiss era ents - regtbank.

§ 1. V an het aanhangig maken der zaak.

141. De zaak wordt ter teregtzitting aanhangig gemaakt:

1°. door eene dagvaarding, van wege den officier van justitie

aan den beklaagde beteekend, hetzij regtstreeks, hetzy ten gevolge van verwijzing-,

2° door eene dagvaarding, beteekend van wege andere ambtenaren. daartoe bij de wet gemagtigd.

De artt 87-91 zijn toepasselijk op zaken, welke regtstreeks bij dagvaarding worden aanhangig gemaakt.

142. Bij de dagvaarding w. rden tevens opgegeven de naam, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, de aanduiding, zoo naauwkeurig mogelyk, van de getuigen en deskundigen, die van wege den officier van justitie of den in nummer 2 van het eerste lid van het vorige artikel bedoelden ambtenaar zullen worden gedagvaard.

In geval van regtstreeksche dagvaarding zijn de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van art 134. vanquot; toepassing, zoodra de betcekenin/ der dagvaarding is gesohied.

143. De dagvaarding behelst eene opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welken tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn-, alles op straffe van nietigheid.

Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden, waaronder het feit zou gepleegd zijn

144 De dagvaarding wordt, met afgifte of achterlating van een afs hrift, beteekend asm den persoon van den beklaagde of, zoo deze niet in v« rzekerde bewaring is, aan zijn persoon of zijne woonplaats; indien hij hier te lande geene bekende woonplaats heeft, aan zijn laatste verblijfplaats hier te lande.

-ocr page 87-

IV. TITEL. VAN HET REGTSG OP DE TEKEGTZ., ENZ. 23

In geval de beambte, met de beteekening der dagvaarding belast nocb den beklaagde noch iemand vau diens huisgenooten aan zijne woon- of verblijfplaats vindt, zal hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van hst plaatselijk bestuur of aan denjrene die hem vervangt, die het oorspronkelijk stuk voor gezien zal moeten teekenen, en het afschrift zoo mogeljk aan der. beklaagde zal moeten doen toekomen, zonder dat vfen dit laatste echter in regten zal behoeven te blijken.

Inden de beklaagde hier te lande geene bekende woon- of verblijfplaats heeft, geschiedt de beteekenini; der dagvaarding door middel van aanplakking van het afschrift aan het gebouw, waar ie regtbank zitting houdt.

Alles op strafte van nietigheid.

Bij bekende verblijfplaats buitenslands wordt door den beambte met de beteekening der dagvaarding belast tevens een afschrift van de dagvaarding bij aangeteekenden brief aan den beklaagde verzonden.

145. Indien regtstreeks van wege den officier van justitie is gedagvaard, kan de beklaagde verzoeken, dat de zaak door de regtbank in raadkamer worde onderzocht en daartoe tegen de dagvaarding verzet doen bij exploit, binnen vijf drtgen na de dagvaarding te beteekenen aan den officier van justitie.

i)it verzet doet de dagvaarding van regtswege vervallen.

De officier biedt daarop, na des noods den beklaagde door den regter-commissaris te hebben doen hooren, de stukken aan de regtbank aan met zoodanige vordering als hij, met inachtneming van art. 81, raadzaam acht en zorgt voor de intrekking van de dagvaarding van getuigen, zoo deze heeft plaats gehad.

De zaak wordt alsdan behandeld volgens de voorschriften betreffende het onderzoek in raadkamer, evenals ware geene dagvaarding geschied.

146. Onverminderd de bevoegdheid van den beklaagde om zelf getuigen en deskundigen te doen dagvaarden, Kan op zijn verzoek de president van de regtbank bevelen, dat deze van wege den officier van justitie of den in nummer 2 van het eerste lid van art 141 bedoelden ambtenaar worden gedagvaard.

De beklaagde geeft, ten minste tweemaal vier en twintig uren vóór Ue teregtzitting, overeenkomstig het bepaalde bij art. 142, van de getuigen en deskundigen, aoorhem gedagvaard of te dagvaarden, bij exploit kennis aan den officier van justitie, of, indien de dagvaarding is geschied van wege den in nummer 2 van het eerste lid van art. 14i bedoelden ambtenaar, aan dien ambtenaar.

147. Op straffe van nietigheid moet tusschen den dag waarop de dagvaarding aan den beklaagde is beteekend en dien der teregtzitting een termijn van ten minste tien dagen verloopen

Met toestemming van den beklaagde kan deze termijn worden verkort, mits in het exploit van dagvaarding de verklaring van den beklaagde, houdende zijne toestemming, worde opgenomen en door hem geteekend. Zoo de beklaagde zijne verklaring niet kan teekenen, wordt daarvan in het exploit melding gemaakt,

148. Vrijwillige verschijning van den beklaagde op eene

-ocr page 88-

24 IV. TITEL, van het regtsg. op de teeegtz., enz.

dagvaarding, beteekend in strijd met de voorschriften van art. 144 of met die van het voorgaand artikel, dekt de nietigheid.

§ 2. Van het onderzoek ter te regtzitting. 149. De regter, die als regtcr-commissaris de zaak heeft onderzocht, neemt, op straffe van nietigheid, aan het onderzoek ter teregtzitting geen deel.

De regtbank zal bij voorkeur zijn zaraengesteld uit r?gters, die niet over de verwijzing naar de teregtzitting hebben gezeten.

150 Jn zaken, betreffende strafbare feiten, op welke geene gevangenisstraf is bedreigd, kan de beklaagde zich laten vertegen woordigm door eenen advocaat of procureur, bepaaldelijk daartoe door hem gevolmagtigd, ten ware de regtbank mogt bevelen, dat hij in persoon verachijne liet tweede lid van art. 190 is van toepassing. 151. De president handhaaft de orde op de teregtzitting en geeft daartoe de noodige bevelen.

Indien een der aanwezigen de stilte of orde op de teregtzitting stoort of teekenen geeft van goed- of afkevring, en vruchteloos door den president is gewaarschuwd of liet bevel van den president om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan hij op diens last, worden verwijderd en zoo noodig gf-durende den tijd der teregtzitting worden in bewaring gehouden.

152 De president doet het onderzoek een aanvang nemen door den beklaagde, of, zoo er meer dan één beklaagde is, ieder hunner, in de orde waarin zij zijn gedagvaard, af te vragen zijnen naam, zijnen voornamen, zijnen ouderdom, zijne geboorteplaats, zijne woon- of verblijfplaats en zijn beroep Hij vermaant hem oplettend te zijn op hetgeen hij zal hooren.

Hij doet het bevel van verwijzing, zoo deze heeft plaats gehad, door den griffier voorlezen

Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet, behoudens de gevallen, waarin de wet schorsing toelaat, of de regtbank die, om daarbij te verme\'den redenen, noodig oordeelt.

153. In de gevallen, waarin van nietigheid der dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van den officier van justitie of onbevoegdheid van de regtbank, zonder onderzoek der zaak zelve, kan blijken, is de beklaagde of zijn raadsman bevoegd die verwering reeds aadelijk na de ondervraging, in het voorgaand artikel bedoeld, voor te dragen en toe te lichten.

De officier van justitie kan daarop antwoorden.

De beklaagde en zijn raadsman kunnen andermaal jn, zoo de oftlcier van justitie daarna weder het woord verlangt, nogmaals het woord voeren.

De regtbank gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak Wordt de verwering ontijdig of ongegrond bevonden, dan wordt het onderzoek der zaak zelve onmiddellijk voortgezet. 154 De officier van justitie draagt de zaak voor.

Hij legt eene lijst over der getuigen, die ten zijnen verzoeke of ten verzoeke van den beklaagde zijn gedagvaard

Deze lijst wijst geene andere getuigen nan dan die, van welke, met inachtneming van het bepaalde bij de artt 142 en 146, van wege den officier aan den beklaagde of van wege dezen

-ocr page 89-

IV. TITEL. VAN HET REGTSG. CP DE TEREGTZ , ENZ. 25

aau iicu officier opgave is gedaan, of die, welke ten verzoeke van den beklaagde door den officier zijn gedagvaard.

155. Op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van deu beklaagde, mits gedaan vóór den aanvang van het getuigenverhoor, worden ook gehoord getuigen, niet op oe lijst voorkomende, doch ter teregtzittiug tegenwoordig.

In dit geval, alsmede in geval een getuige bij de opgave niet voldoende is aangeduid, k.-ai op de vordering van üen officier van justitie, indien het verhoor ia verzocht door den beklaagde of op het verzoek van dezen, indien het verhoor is gevorderd door den officier van justitie, het onderzoek door de regtbank voor eenen bepaalden tijd worden geschorst,

156. l)e president kan om bijzondere redenen aan een of meer getuigen, op daartoe gedaan verzoek, met toestemming

r----- den officier van justitie en den beklaagde, vergunnen zich

vóór het afleggen hunner verklaring tot een door hem te bepalen tijdftip te verwijderen.

; 57. Indien een op de lijst vermelde getuige blijkt niet te zijn verschenen, kan de r^gtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoete ian den beklaagde, het onderzoek voor bepaalden of onbepaal-den tijd schorsen.

Op gelijke wijze kan worden gehandeld, indien een verschenen getuige bij de verdere behandeling der zaak is achtergebleven, of, na de vergunning om zich te verwijderen, ten bepaalden tijde niet is teruggekeerd.

De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing bij niet-verschijning, of bij het achterblijven, gedurende de verdere behandeling, van den raadsman van den beklaagde.

158 In de gevallen, bij hef voorgaand artikel bedoeld, wordt de getuige, tenzij blijke van geldige verhindering, op de vordering van den officier van justitie, bij het vonnis, waarbij het onderzoek wordt geschorst, veroordeeld tot betaling der dien ten gevolge noodeloos gemaakte geregtskosten. Lij lijfsdwang op hem te verhalen.

De regtbank beveelt tevens, dat hij trgen den dag voor de nadere teregtzittiug bepaald of te bepalen andermaal worde gedagvaard en des noods door een deurwaarder of dienaar der openbare magt voor liagt;.r worde gebragt.

159. De getuige kan van de kosten geheel of gedeeltelijk worden ontheven, indien hij op de nadere ïeregtzitting voor zijn achterblijven gegronde redenen of verschoonende omstandigheden ter beoordeeling van de regtbank aanvoert.

De officier van justitie wordt in ieder geval op het verzoek gehoord.

160. Ue president beveelt, behoudens het bepaalde bij art. 156, dat de getuigen zich begeven naar het voor hen bestemde vertrek, met uitzondering van den eersten, dien h.j voor zich doet vers. hijnen

Nadat deze zijne verklaring heeft afgelegd, worden achtereenvolgens de overigen, in tie orde bij de lijst aangewezen, ieder afzonderlijk opgeroepen, eerot zij, die ten verzoeke van

-ocr page 90-

26 IV, TITEL, van het regtsg, op de tehegtz., enz. den oHicier van justitie, daarna zij, die ten verzoeke van den beklaagde moeten worden gehoord.

lgt;e orde kan echter door den president worden veranderd, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den oilicier van justitie of op het verzoek van den beklaagde.

De president neemt, zoonoodig, maatreifelen om de getuigen te beletten, dat zij zich vóór het afleggen van hunne getuigenis, onder elkander over het ten laste gelegde feit, over den beklaagde of over het door hen gegeven of nog te geven ge^uigenis onderhouden.

]61. De president vraagt den getuige af zijnen naam, zijne voornamen, zijnen ouderdom, zijn beroep en zijne voon- of verblijfplaats; of hij den beklaagde gekend heeft vóór het feit waarvoor deze te regt staat; ot hij bloed- of aanverwant is van den beklaagde en in welken graad, en of er dienstbe trekking tusschen hem en den beklaagde bestaat of bestaan heefi.

De getuige doet hierna, op straffe van nietigheid, naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid den eed of de belofte van de {jeheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Daarop wordt hij door den president ondervraagd, irlij legt zijne verklaring af, zonder zich van een schriftelijk opstel te mogen bedienen

De regtbank kan echter om bijzondere redenen den getuige toeslaan, bij zijne verklaring van die aeschrilten of schriftelijke aanteekeningen gebruik te maki-n, welke zij veroorloven zal.

162. Als xetuigen zullen niet mogen worden gehoerd en kunnen zich verschoonen:

1°. des beklaagden of medebeklaagden bloed-of aanverwanten in de regte lijn-,

2°. des beklaagden of medebeklaagden bloed- of aanverwanten in de zijlinie tot den derden graad ingesloten;

3° des beklaagden of medebeklaagden echtgenoot, of vroegere echtgenoot na echtscheiding.

Het hooren der voorschreven personen brengt geene nietigheid te weeg, indien zij getuigenis hebben afgelegd met gezamenlijke toestemming van den officier van justitie en van den beklaagde.

Zij kunnen zelfs zonder die toestemming door de regtbank worden toegelaten om zonder eedsaflegging inlichtiUien te geven.

163. Van het geven van getuigenis, en zelfs van het afleggen van onbeëedigde verklaring, kunnen zich nok verschconen zij, die uit hoofde van hunnen stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verpligt zijn, doch alleen omtrent hetgeen, waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.

164. Zullen niet anders dan tot het geven van inlichtingen en buiten eede kunnen worden gehoord:

1°. zij, die den vollen ouderdom van zestien jaren niet hebben bereikt;

2°, zij, die wegens ziekelijke storina: der verstan lelijke vermogens onder curatele of op regterlijke magtiging in bewaring zijn gesteld, al hebben zij bij tusschenpoozen het gebruik dier vermogens.

165 De regtbank kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den oflicier van justitie of op het verzoek van

-ocr page 91-

iV. TITEL. VAN HET RïGTSG. OP DE TEREGTZ. ENZ. 27

den beklaagde, dat niet anders dan buiten eede worden gehoord zij, die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, eene vervolging na verleenden regtsingang aanhangig is.

166. Indien een «etuige, op de eerste of de nadere dagvaarding verschenen, of voor de regtbank gebragt, zonder wettigen grond weigert den eed of de belofte te doen of zijne verklaring af te leggen, kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vorderintr van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, het onder-oek voor eenen bepaalden tijd schorsen.

In dat geval is het eerste lid van art. 18 van toepassing De regtbank beveelt tevens, dat de getuige in gijzeling worde gesteld, of daarin gehouden, zoo hij ter zake van gelijke weigering bij het voorloopig onderzoek of in de instructie zich reeds in gijzeling bevindt, en dat hij op den bepaalden dag weder voor haar worde gebragt.

Het bevel wordt gewezen op de vordering van den officier van justitie, nadat de getuige in zijne verdediging, door hem of zijnen raadsman voorgedragen, ia gehoord.

167. Indien een getuige, bij het voorloopig onderzoek of de instructie gehoord, overleden is, of niet is kunnen worden gedagvaard, of op de dagvaardingnietisverschenen, of verschenen zijnde weigert getuigenis te geven, en de zaak niet wordt geschorst, of wanneer, in geval van schorsing de getuige bij zijne weigering volhardt, kan de regtbank bevelen, dat de vroeger afgelegde verklaringen door den griflier worden voorgelezen.

De voorlezing heeft, op straffe van nietigheid, plaats, wanneer zij door den officier van justitie gevorderd, of door den beklaagde verzocht wordt.

De regtbank zal op deze voorgelezen verklaringen zoodanig acht kunnen slaan als zij met inachtneming van de voorschriften van art 409, zal meenea te behooren

168. Men zal den getuige niet in de rede mogen vallen

De getuigen mogen op de teregtzitting met elkander niet in woordenwisseling treden.

169 Nadat de getuige zijne verklaring heeft afgelegd, kunnen hem door de regters en de officier van justitie vragen worden gedaan. De president geeft hun, op hun verlangen, daartoe liet woord

De president geeft voorts aan den beklaagde en aan zijn- n raadsman de gelegenheid den getuige vragen te doen en tegen den getuise en diens verklaringen in te brengen wat tot verdediging kan dienen.

De ondervrasring der getuigen door den beklaagde of zijn raadsman geschiedt door tusschenkomst van den president, tenzij de regtbank toesta, dat zij zonder die tusschenkomst geschiede. De toestemming kan steeds worden ingetrokken

De regtbank kan ambtshalve of op het verzet van den officier van justitie of van den beklaagde, beletten, dat aan eenige vraag, door den beklaagde of diens raadsman of door den officier van justitie gedaan, worde gevolg gegeven.

-ocr page 92-

28 IV. TITEL, van het ekgtsg. op de tekegtz. enz.

T)ez(

170. Gedurende den verderen loop van liet onderzoek kunnen geliooi den getuide, die reeds zijne verklaring: heeft afgelegd, met (|e v0( inachtneming der bepalingen van het voorgaand artikel, nog 177 vragen worden gedaan. stukke

171. Ka liet allergen zijner verklaring blijft de getuige in de ^ een ^ gehoorzaal, tenzij de regtbank met toestemming van den officier (] van justitie en van den beklaagde, en, zoo noodig, met bevel Qe]j om op eenen te bepalen tijd weder in de gehoorzaal aanwezig klaagd te zijn, hem vergunt zich te verwijderen. den 0j

172. De president kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vorde-

ring van den olficier van justitie of op het verzoek van den be- ]iejj

klaagde, getuigen met elkander confronteren. voor 7gt;

Op gelijke wijze kan hij bevelen dat, na afgelegde getuigenis,

een of meer der getuigen de gehoorzaal verlaten en dat een of ])e)

meer hunner op nieuw worden binnengelaten, ten einde, hetzij bevoeg

afzonderlijk, hetzij in elkanders bijzijn, nogmaals te worden ^gt ge

gehoord. ]s e

175. Op gelijke wijze, als bij het voorgaand artikel oedoeld, , jn kan de president bevelen, dat een of meer beklaagden de ge-hoorzaal verlaten, ten einde een getuige buiten hunne tegen- 379 woordigheid worde ondervraagd. gedam

In dat geval wordt, op straffe van nietigheid, daar;ia met voortg

het onderzoek der zaak niet voortgegaan, dan nadat vooraf de y00

beklaagde is onderrigt van hetgeen in zijne afwezigheid is voor- stoort,

gevallen. het bi

174 Indien een getuige verdacht wordt zich op de teregt- opeevlt; zitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig ge- ^ bevele maakt, kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vor- zitting dering van den officier van justitie of op het verzoek van den wordt beklaagde, dienaangaande onderzoek bevelen, met schorsing, beklaa zoo noodig, der zaak tot na den afloop van dat onderzoek In ,

In dat geval wordt door den griffier dadelijk proces-verbaal van q

opgemaakt en niet den presid.-nt en de regters onderteekend. ]8ü.

liet proces-verbaal bevat de afgelegde verklaring van den getuige. dering

De verklaring van den getuige wordt hem voorgelezen en j beklaa

door hem onderteekend. Bij gebreke van onderteekenirg vermeldt 7.^1 \\

het proces verbaal de weigering of de reden van verhindering. ; dighei

De regtbank kan daarop regtsingaug verleenen volgens de Het

bepalingen van den derden Titel 181,

liet proces-verbaal wordt door de regtbank in handen gesteld ,ien ],

van den officier van justitie. hun v

175 Wanneer in het geval bij het voorgaand artikel bedoeld, i)e de regtbank geen regtsingang verleent, kan zij echter, op de beklax gronden, vermeld in art. 86, de voorloopige aanhouding van Het den getuige bevelen. 182

De officier van justitie handelt overeenkomstig art 81. tuiger

Art. 54 is toepasselijk. stukk

Oe zaak wordt verder volgens de voorschriften van len derden ]8S,

Titel behandeld. niet v

176. Alle bepalingen in deze paragraaph ten aanzien van ge- ~ plaats tuigen voorkomende zijn ook van toepassing ten Aanzien van j)e1 deskunditren, behoudens dat de deskundigen den eed of de gedag\' belofte afleggen, voorgeschreven bij art. 52.

J

-ocr page 93-

IV. TITEL. VAN HET REGTS9. OP DK TEREGTZ., ENZ 29

Dezelfde persoon kan als getuige en als deskundige worden gehoord, mits hem vóór het afleggen van den eed of de belofte de voor beiden bestemde eeden worden voorgehouden

177. Processen-rerbaHl, verslagen van deskundigen of andere , stukken worden op last van den president, wanneer deze of * een der regters of wel de officier van justitie dit verlangt, door den griffier voorgelezen.

Gelijke voorlezing heeft plaats op het verzoek van den beklaagde. tenzij de regtb^nk ambtshalve, of op het verzet van den officier van justitie anders beveelt.

Ten bezware van den beklaagde wordt, op straffe van nietig-heid, op geene stukken acht geslagen, dan voor zooveel en voor zoover zij zijn voorgelezen.

17Ö. Nadat alle getuigen en deskundigen zijn gehoord, wordt de beklaagde door den president ondervraagd, behoudens diens bevoegdheid om reeds vroeger en zelfs vóór den aanvang van het getuigenverhoor aan den beklaagde vragen te doen.

Is er meer dan één beklaagde, dan geschiedt de ondervraging in de orde, waarin die, bedoeld bij art. 152 heeft plaats gehad.

Het derde lid van art. 160 is hier van toepassing

179. Indien de beklaagde weigerachtig of in gebreke blijft gedane vragen te beantwoorden, wordt niettemin met de zaak voortgegaan.

Zoo de beklaagde de stilte of de orde op de teregtzitting stoort, en vruchteloos door den president is gewaarschuwd of het bevel van den president om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan de regtbank zijne verwijdering uit de gehoorzaal ^ bevelen, en zoo noodig, dat hij gedurende den tijd der teregtzitting in bewaring worde gehouden. De behandeling der zaak wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt, evenals ware de beklaagde tegenwoordig gebleven,

In de beide gevallen, bij dit artikel bedoeld, blijft de raadsman van den beklaagde met de verdediging belast.

180. De president kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, bevelen, dat een of meer der beklaagden de gehoorzaal verlaten, tot einde een ander hunner buiten tegenwoordigheid van dien beklaagde worde ondervraagd.

liet tweede lid van art. 173 is dan van toepassing

181. Ook de regters cn de officier van justitie kunnen aan den beklaagde, vragen doen De president geeft hun daartoe op hun verlangen het woord

De beklaagde of zijn raadsman kan ook aan r.ijnen mede-beklaagde vragen doen.

Het derde en vierde lid van art. 169 zijn hier van toepassing.

182 Na de ondervraging van den beklaagde kunnen aan getuigen of deskundigen op nieuw vagen worden gedaan of stukken worden voorgelezen.

183. Indien een beklaagde of getuige de Nederlandsche taal niet verstaat, kan het onderzoek, op straffe van nietigheid, geen plaats hebben zonder bijstand van een tolk.

De tolk wordt van wege den officier van justitie ter teregtzitting gedagvaard, tenzij de tolk ter teregtzitting aanwezig mogtzijn.

-ocr page 94-

30 IV. TITEL. van het kegtsg. op de tekegtz., enz.

De regtbank kan ook, hetzij ambtshalve, betzij op de vordering van den officier van justitie of op bet verzoek van den beklaagde, de dagvaarding van eenen tolk bevelen, indien op de teregtzitting de bijstand blijkt noodig te zijn. Het voorgaand lid is dao van toepassing. ^

De beklaagde kan den tolk wraken, mits daarvoor redenen gevende. De regtbank doet daarover terstond uitspraak.

184. De tolk moet den ouderdom bebben bereikt van achttien jaren.

Hij legt, naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte af van getrouw zijne taak te zullen vervullen.

Geen der getuigen of der regters, die van de zaak kennis nemen, wordt als tolk toegelaten.

Hetgeen in strijd met de bepalingen van dit artikel is vertolkt, wordt geacht niet vertolkt te zijn

185. De bijstand van eenen tolk wordt mede, op straffe van nietigheid, gevorderd, wanneer een beklaagde of getuige bet gehoor- en spraakvermogen of één dezer vermogens mist en niet schrijven kan.

In dit geval wordt als tolk gedagvaard iemand, diï geschikt is met hem om te gaan.

De twee voorgaande artikelen zijn hier van toepassing, behoudens dat in dit geval de tolk slechts den ouderdom van zestien jaren behoeft te hebben bereikt.

Indien de hier genoemde beklaagden en getuigen schrijven i kunnen, zal de griffier bun de vragen en opmerkingen, aan hen i te doen, bij geschrifte ter hand stellen, en zullen zij bij geschrifte daarop antwoorden, al hetwelk vervolgens door d^n griffier zal ^ worden voorgelezen Op gelijke wijze zal door de hier genoemde getuigen de eed of de belofte worden afgelegd.

186. In de gevallen, bij de artt. 183 en 185 bedoeld, wordt hetgeen ter teregtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor den beklaagde vertolkt te zijn, voor zoover dit ten zijnen nadeele strekt, geacht niet te zijn gesproken of voorgelezen.

187. J^ij niet-verscbijning in den gedagvaarden tolk, of bij diens weigering om den eed of de belofte af te leggen of zijne diensten te leenen, alsmede bij het aannemen eener voorgestelde wraking, en in het geval, bij het derde lid van art. 183 voorzien, zijn de artt. 157. 158, 159 en 166 van toepassing.

Ih8. In den loop van of na het getuigenverhoor zal de president j den beklaagde en zoo noodig den getuigen de voorwerpen, die als stukken van overtuiging dienen, vertoonen en hen daaromtrent hooren.

189 Nadat, behoudens het bepaalde bij art. 182, di ondervraging van den beklaagde heeft plaats gehad, kan de officier van justitie het woord voeren, en legt hij, na voorlezing, zijne vordering aan de regtbank o er.

De beklaagde en zijn raadsman kunnen hierop antwoorden. :

De officier van justitie kan daarna andermaal het « oord voeren, f

Aan den beklaagde en zijnen raadsman wordt echter, op straffe van n engheid, het regt gelaten Otn het laatst te spreken.

Ook daarna is art 182 van toepassing en kan ook de beklaagde nader worden ondervraagd. Jn dat geval kunnen de officier

J

-ocr page 95-

IV. TITEL. VAN HET KKGTSG. OP DE TEKEGTZ., ENZ. 31

van justitie en de beklaagde en zijn raadsman nogmaals, op don hiervoren vermelden voet, het woord voeren.

390. Indien aan de regtbank, naar aanleiding van den loop van het onderzoek, de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van ter teregtzitting nog niet gehoorde getuigen of deskundigen, of vau de inzage, het onderzoek of de bezigtiging van bescheiden of tukken van overtuiging, die niet ter teregtzitting aanwezig zijn, beveelt zij, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de oproeping dier getuigen of deskundigen, zoo noodig met last aan den deurwaarder of dienaar der openbare raagt om hen dadelijk ter teregtzitting mede te brengen, of de overlegging van die bescheiden of van die stukken van overtu ging.

De regtbank kan daartoe het onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen. Zij is bevoegd om ten bepaalden dage de schorsing, zoo noodig. weder voor eenen bepaalden tijd ie, verlengen.

Art. 177, 3de lid, is op deze bescheiden van toepassing

191 Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden, die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens de wet tot verzwaring van straf grond geven, maakt de otticier van justitie den beklaagde daarop opmerkzaam.

Bij lt;;ebreke daarvan wordt door de regtbank, op straffe van nietigheid, op die omstandigheden geen acht geslagen.

19-, In het geval, bij het voorgaand artikel bedoeld, kan de regtbank tot nader onderzoek dier orastandiüheden, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen. Zij is bevoegd om ten bepaalden dage de schorsing, zoo noodig, weder voor eenen bepaalden tijd te verlengen.

Op de bepa tide teregtzittingen kunnen nog niet gehoorde getuigen of deskundigen of nosr niet overgelegde bescheiden of stukken van overtuiging worden bijgebragt

Van de dagvaarding van nog niet gehoorde getuigen of deskundigen geschiedt beteekening, overeenkomstig art. 142 of het laatste lid van art. 146.

Op de nieuwe bescheiden is art. 177, derde lid van toepassing.

193 Indien gedurende den loop van het onderzoek de noodzakelijkheid blijkt van instructie of van aanvulling van eene gevoerde instructie, beveelt de reetbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, met aanduiding van het onderwerp, een nader onderzoek en stelt zij daartoe, met schorsing der zaak tot na den afloop, de stukken in handen van den regter-commissaris.

De instructie geschiedt volgens de voorschriften van den derden Titel.

Na afloop wordt gehandeld overeenkomstig art. 117 en wordt de beklaagde bij exploit, hem van wege den officier van justitie beteekend, tot voortzetting van het geding ter teregtzitting, voor de nadere behandeling bepaald, opgeroepen.

De artt. 142, 146, 147 en 148 zijn dan van toepassing.

194. In alle gevallen, waarin schorsing van het geding plaats

-ocr page 96-

32 IV. TITEL, van het ekgtsg op de tkbegtz., rnz.

heeft, wordt de za-tk op de nadere teregtzitting hervat in den stand, waarin zij zicli op liet tijdstip der schorsing bevond. De regthank is bevoegd om, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, te bevelen, dat liet onderzoek ter teregtzitting op nieuw worde aangevangen.

195. In alle gevallen, waarin de zaak voor eenen bepaalden tijd wordt uitgesteld of geschorst, wordt door den president aan den beklaagde en aan de verschenen getuigen, deskundigen en tolken de dag aangezegd, waarop zij, zonder daartoe op nieuw gedagvaard te worden, ter teregtzitting moeten verschijnen.

Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen of tolken op den aana:ezegden dag, wordt gehandeld evenals waren zij niet | verschenen op de dagvaarding.

19H. Indien op de teregtzitting eenig strafbaar feit wordt gepleead, wordt de verdach\'e met de getuigen onmiddellijk , ondervraagd, en daarvan door den griffier proces-verba *1 opge- | maakt en met den president en de regters onderteekend l

Het proces-verbaal wordt door de regtbank in handen gesteld ? van den officier van justitie.

In de gevallen en op de gronden vermeld in art. 86, kan de * regtbank, op de vordering van den officier van justitie of ambtsliHlve, tevens de voorloopige aanhouding van den ver- ji dachte bevelen. Het tweede, derde en laatste lid van art. ]75 1 zijn dan van toepassing.

197. Indien uit het onderzoek ter teregtzitting voldoende j aanwijzing ontstaat, dat de be jaagde zich heeft schulcig ge- » maakt aan een ander strafbaar feit dan waarvoor hij ts regt staat, wordt, wanneer de officier van justitie het vordert, op de wijze bij het eerste lid van het voorgaand artikel bepaald, proces-verbaal opgemaakt, houdende de verklaringen van de getuigen en van den verdachte ten aanzien van dat feit.

Het tweede en derde lid van het voorgaand artikel zijn dan van toepassin sr.

198. De griffier houdt proces-verb»al der teregtzit ing. waarin ] achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak ter teregtzitting voorvalt.

Het behelst tevens den zakelijken inhoud van de verklaringen \' der getuigen en deskund\'gen en van de opgaven van den beklaagde.

De president kan gelasten, dat daarin van eenige omstandig- , beid. verklaring of opgave aanteekening wordt gedaan

Gelijke aanteekening geschiedt, wanneer een der regters het verlangt, alsmede op de vordering van den officier van ji.stitie of op het verzoek van den beklaagde.

Het proces-verbaal wordt door den president en don griffier : vastgesteld en onderteekend binnen den termijn, bij het eerste | lid van art 226 vermeld.

199. In alle gevallen, waarin bij deze parapraaph ain den be- » klaagde de bevoegdheid wordt toegekend tot het doer van eenig | verzoek of verzet, k mt die bevoegdheid mede toe aan den raads- | man van den beklaagde.

-ocr page 97-

IV. TITEL. VAN HET EKGTSGED OP DE TEREOTZ., ENZ. 33 200 Weigering of verzuim om te heslissen over ecne vordering of een verzet van den officier van justitie of een verzoek of verzet van den beklaagde, naar aanleMinK van eenige bepaling van dezen Titel gedaan, h^eft nieligheid ten gevolge

201. Indien de z;gt;ak overeenkomstig nummer 2 van liet eerste lid van art. Hl duor andere ambtenaren wordt vervolgd, zal zij ter teregtzitting op de ge vone wijze w(irden bebande-ld behoudens dat te dier zake de hemoeijingen ami den officier van justitie opgedragen door die ambrenaren of van hunnentwege worden vei rigt.

De regthank zal daarna de stukken snellen in handen van den officier van justitie, die, heizij in dezt llde, hetzij in eenevolgende 1 teregtzitting zijne conclusie znl nemen

De beklaagde zal het regt hebben om dadelijk tegt;:en die con-i clusie schriftelijke bedenkingen aan de re^tbank aan te bieden.

§3. Van de beleeiligde part ij

1 202 Indien de beleedigde partij hare vordering om schadevergoeding tot 150 gulden ol minder beperkt en niet bij den burgerlijken regter heeft aanhang g gemaakt, kan zij zich in het /eding l over de strafzaak voegen Dit geschiedt door eene verklaring op ; de openbare teregtzitting onmiddellijk na de ondervr-ging van den beklaagde, bij art 152 bedoeld, of, zoo deze niet is versche- 202 Indien de beleedigde partij hare vordering om schadevergoeding tot 150 gulden ol minder beperkt en niet bij den burgerlijken regter heeft aanhang g gemaakt, kan zij zich in het /eding l over de strafzaak voegen Dit geschiedt door eene verklaring op ; de openbare teregtzitting onmiddellijk na de ondervr-ging van den beklaagde, bij art 152 bedoeld, of, zoo deze niet is versche-

Inen, na het verleeuen van het verstek.nen, na het verleeuen van het verstek.

Zij die, om in eene burgerlijke zaak in rekten te verschijnen bijstand behoeven, of vertegenwoordigd moeten worden, hebben, om zich in het strafgeding te voegen, den bijstand ofdiever--* tegen woordisring van noode

203. De beleediüde partij kan zich op hare kosten doen vertegenwoordigen door eenen gcraautigde en zich doen bijstaan door eenen randsman Als gemagtigde en a\'s raadsman worden alleen toegelaten zij, die als raadamp;man van eenen beklaagde kunnen

j optreden

Heeft de beleediüde partij hare woonplaats buiten de gemeente waar de regthank is gevestigd, dan is zij verpligt in die gemeente i woonplaats te kiezen.

204. De beleedigde partij mag harerzijds tot bewijs dat door haar, tengevolge van het ten laste gelegde feit, schade is geleden, of tot staving van het opgegeven bedrug der schade, stukken overleggen, dcch geen getuigen of deskundigen aanbrengen

205. De beleediede partij of de raadsman, die haar bijstaat, kan aan de getuigen vragen doen, doch alleen voor zoover die vragen betreffen het bewijs van de geleden schade of het bedrag dier schade

• »e ondervraging der getuigen door de beleedigde partij of haren raadsman geschiedt door tusschenkomst van den president,

I tenzij de regthank toestaat, dat zij zonder die tusschenkomst geschiede De toestemming kan steeds worden ingetrokken. tenzij de regthank toestaat, dat zij zonder die tusschenkomst geschiede De toestemming kan steeds worden ingetrokken.

De regthank kan ambtshalve of op het verzet van den officier

I\' van justitie of van den beklaagde of diens raadsman, beletten, dat aan eenige vraag, door of namens de beleedigde partij gedaan, gevolg worde gegeven.

206. De beleedigde partij kan haren eisch toelichten of door

-ocr page 98-

34 IV. TITEL, van het regtsged op dk tereotz.enz.

... Het

haren raadsman doen toelichten, nadat de oflicier van justitie toepas

zijne vorderinir, overeenkomstig het eerste lid van art. 189, heeft 214.

overgelegd Zij heeft andermaal het woord nadat de oflicier van gesteh

justitie in de gelegenheid is gesteld ten tweeden male het woord j)e

te voeren Zijn

207. De beleedigde partij kan, op straffe van niet ontvankelijk- slecht

held, geene vordering doen, die reeds is aanhangig gemaakt bij verwij

den burgerlijken regter, of die eene hiogere of andere is dan die, » gjj

waarover door de regtbank gelijktijdig met de strafzaak kan drijf,

worden uitspraak pedaan. Woi

208 De regtbank doet over de vordering der beleedigde partij oordet

gelijktijdig met de etrafzaak uitspraak de koi

Ind

§ 4. Van de beraadslaging en uitspraak. • ten w

voor «

209. Nadat overeenkomstig art. 189 de beklaagde het regt op Kos het laatste woord heeft kunnen uitoefenen, sluit de president alleen het omierzoek en deelt mede wanneer, volgens beslissing der verooi regtbank, de uitspraak zal plaats vinden. aan d

Ten bepaalden tijde kan de uitspraak tot een naderen dag die in

worden uitgesteld. ; dent :

In geen geval raag de uitspraak bepaald worden Ipter dan op 215

den veertienden dag na het sluiten van het onderzoek. t ook b

Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, d-in wordt de wordt

zaak op de bestaande dagvaarding op nieuw onderzocht. De

210. De president en regters kunnen, zoowel vóór de teregt- wordt zitting als na het sluiten van het onderzoek, inzage der proces- worde stukken nemen. De

211. De regtbank beraadslaagt naar aanleiding van de dagvaar- jaren ding en van het onderzoek op de teregtzitting over het bewezene het rt of niet bewezene der feiten, over derzelver qualificatie, over het 216 bewezene der schuld van den beklaagde en over de toepassing overti van de straf bij de wet bepaald. door (

Heeft de beleedigde partij zich in het geding gevoegd, dan be- Ind

raadslaagt de regtbank tevens ook over de ontvankelijkheid en beklaf

gegrondheid der vordering, door deze ingesteld. Ind

212. Blijkt onder de beraadslaging, dat het onderzoek met vol- j strafv ledig is geweest, dan kan de regtbank, bij een met redenen omkleed niet c bevel gelasten, dat op eene door haar te bepalen teregtziUing het 217 onderzoek worde hervat. de rej

Bij het bevel worden tevens aangewezen de getuigen of deskun- vaard

digen, wier verhoor, of de bescheiden of stukken van overtuiging, tot he

welker inzage of bezigtiging de regtbank noodig acht. welke

De aangewezen getuigen of deskundigen, alsmede de beklaagde, klaag(

tenzij deze bij de uitspraak tegenwoordig zij, worden door den Het

officier van justitie tegen den bepaalden dag bij exploit\':er teregt- Dor

zitting opgeroepen. van g

Het onderzoek ter teregtzitting geschiedt voorts naar Ie regelen, , afgegt

in dezen Titel vervat . 218

213 In het geval hij het voorgaand artikel voorzien, kan ook : der z

de regtbank, indien nieuwe bezwaren zijn bekend geworden met wijst

aanduiding van het onderwerp, eene nadere instructie bevelen en . De de stukken daartoe stellen in handen van den regter-commissaris.

-ocr page 99-

ÏV. TITEL. VAN HET REGTSG. OP DE TESKGTZ., ENZ. 35

Het tweede, derde en vierde lid van art. 193 zijn dan van toepassinjr.

214. Bij schuldiïverklarihg wordt de straf opgelegd op het feit gesteld

De veroordeelde wordt tevens verwezen in de kosten.

Zijn meerdere feiten ten laste gelegd, en wordt de beklaagde slechts ter zake van sommige dier feiten veroordeeld, dan kan de verwijzing in de kosten ook voor een deel der kost en plaatshebben.

Bij veronrdeeliris van mede beklaagden wegens hetzelfde nus-drijf, heeft hoofdelijke verwijzii g in de koeten plaats.

Worden mede beklaagden niet wegens hetzelfde misdrijf veroordeeld, dan wordt voor ieder der veroordeelden het aandeel in de kosten bij het vonnis bepaald

Indien mede-beklaagden niet allen worden veroordeeld, kan, ten aanzien van den veroordeelde, verwijzing in de kosten ook voor een deel plaats hebben

Kosten, door of ten behoeve van den beklaagde gemaakt, zijn alleen in zooverre onder de geresjtskosten begrepen, als zij zijn veroorzaakt door de afgifte van kost.elooze afschrift en van stukken aan den beklaagde en de oproeping van getuigen of deskundigen, die ingevolge verzoek van den beklaagde op bevel van den president zijn gedagvaard.

215 De veroordeeling in de kosten wordt uitvoerbaar verklaard, ook bij lijfsdwang, waarvan de langste duur üoor de rejftbauk wordt bepaald.

De veroordeelde kan voor de kosten waarin hij bij de uitspraak wordt erwezen, in geen geval langer dan zes maanden in gijzeling worden gehouden

De lijfsdwang Kan niet meer worden toegepast, wanneer vijf jaren na de gebee\'.e uitvoering der straf zijn verloopen, of wanneer het regt tot uitvoering der straf door verjaring is vervallen.

216. Indien de regthank niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft geput, dat het ten laste gelegde feit is gepleegd door den beklaagde, spreekt zij den beklaagde vrij.

Indien het feit of ue dader niet strafbaar is, ontslaat zij den beklaagde van alle regtsvervolging te dier zake

Indien uit anderen hoofde ter zake van het fei^ geen regt tot strafvordering aanwezig is, verklaart zij den officier van justitie niet ontvankelijk

217 Iquot; de gevallen, voorzien bij bet voorgaand artikel, beveelt de regtbank dat de kosten, door den beklaagde gemaakt tot dagvaarding en schadeloosstelling van getuigen of deskundigen of tot het bijbrengen van stukken, niet uitzondering van die kosten, welke de regtbank verklaart noodeloos te zijn gemaakt, den beklaagde door den Staat worden vergoed.

Het bedrag der veigoeding wordt bij het vonnis vastgesteld.

Door den president wordt daarvoor, zoodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgegeven.

218 Indiër, het aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming der Z\'»ak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, verwijst zij dezelve naar den bevoegden regter.

De officier van justitie doet de stukken aan den bevoegden

-ocr page 100-

36 IV, TITEL, van het kegtsg. op de teregtz., enz. ambtenaar van het openbaar ministerie bij zoodanig kollegie toekomen.

Het tweede en derde lid van art. 82 zijn hier van toepassing.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing, wanneer het leit een misdrijf of eene overtreding oplevert, waarvan de kennisneming aan den kanion-regter behoort en de beklaagde de verwijzing naar dien reuter niet heeft gevorderd In dat geval kan aan de beleedii\'de partij, die zich in het geding he» ft gevoegd, de vordering slechts tot zoodanig beloop worden toegewezen als waarover de kantonregter gelijk\'ijdig met de strafzaak had kunnen uitspraak doen.

Jgt;e beklaagde kan in het geval, bij het vorige lid van dit artikel bedoeld, van het vonnis niet komen in hooger beroep.

219. In alle gevallen beveelt de regtbank de teruggave der voorwerpen, die ais stukken van overtuiging hebben gediend, n?. verloop van acht dagen nadat het vonnis in kracht van jrewijsc e zal zijn gegaan, aan den met name in het vonnis te vermelden perüoon, die df voorwerpen tijdelijk als -tukken van overtuiging iieeft afgestaan of bij wien zij zijn in beslag genomen, tenzij de regtbank besl\'sse, dat deze de voorwerpen door misdrijf heeft verkregen, in welk geval zij de teruggave kan gelasten aan den met name in het vonnis te vermelden persoon aan wien de voorwerpen wederreg-telijk znn onttrokken, of tenzij daarop door den eigenaar of regt-hebbende binnen den voormelden termijn onderden griffier beslag zij gelegd, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering

De vernietiging of oi braikbaarmaking van werktuigen of andore voorwerpen, vervaardigd, geschikt gemaakt, of gediend hebbei.de tot het plegen van een strafbaar feit, kau in het vonnis worden gelast.

220. Bij het vonnis wordt de invrijheidstelling bcvoh n van den beklaagde, die in verzekerde bewaring is, wanneer hij niet wordt veroordeeld of veroordeeld wordt wegens een straf baar feit, niet vermeld in art. 86,

221. Het vonnis moet met redenen omkleed zijn en het strafbaar feit uitdrukken met alle omstandigheden, die volgens de wet tot verzwaring of verlig\'ing van straf aanleiding geven.

Het moet wijders inhouden de bes\'issing der regtbank over de punten bij art 211 vermeld, mitsgaders, in geval van veroordeel ing, de artikelen der wet welke worden toegepast en de straf waartoe de beklaagde wordt veroordeeld

Het bevat eindelijk de namen der regters door wie het is gewezen, den naam van den griffier, die in de raadkamer aanwezig is geweest, en den dag van de uitspraak.

222. Het vonnis wordt in eene openbare zitting uitgesproken door den president of een der regters, die over de zaak hebben geoordeeld

223 Niet. nakoming van eene of meer der bepalingen van de twee voorgaande artikelen heeft nietigheid ten gevolge.

224. De beklaagde, die in verzekerde bewaring is, moet bij de uitspraak tegenwoordig zijn.

Is hij daartoe niet in staat of heeft, naar aanleiding van art. 179, de uitspraak buiten zijne tegenwoordigheid plaats gehad.

-ocr page 101-

IV. TITEL. VAN HET REGTSG. OP DE TEREGTZ., ENZ. 37

dan wordt het votmis hem door den {jriflier in de gevangenis voorgelezen, met de kennisgeving in het volgend artikel voor den president voorgeschreven. Van dit een en ander wordt door den griffier op het vonnis melding gemaakt.

225. Na het uitspreken van het vonnis geeft de president den veroordeelde, indien hij tegenwoordig is, kennis van het regtsmiddel, dat tegen het vonnis openstaat en van den termijn, binnen welken dnt regtsmiddel kan worden aangewend

226. Het vonnis wordt binnen tweemaal vieren twintig uren na de uitspraak door de refters, die over de zaak hebben geoordeeld, en den griffier onderteekend.

Zijn één of meer hunner daartoe buiten staat, dan wordt hiervan aan het slot van het vonnis melding gemaakt.

Zoodra het vonnis is geteekend, kunnen de raadsman van den beklaagde en de beklaagde zelf, zoo hij niet in verzekerde bewaring is, daarvan en van het proces-verbaal der teregtzitting inzage nemen.

227. In eiken stand van het geding, zoowel gedurende den loop van de instructie als van het onderzoek ter teregtzitting en bij de einduitspraak, kan de regtbank, zoowel ambtshalve als op de voordrngt van den regter commissaris, zoolang deze met de instructie is belast, op de vordering van den officier van Justitie of op het verzoek van den beklaagde, de invrijheidstelling van dezen, indien hij in verzekerde bewaring is en, eveneens ambtshalve, of op de vordering van den officier van justitie, in de gevallen en op de gronden in art 8(i vermeld, de gevangenneming of de gevangenhouding van den beklaagde bevelen.

Op de bevelen van gevangenneming of gevangeniiouding is het tweede lid van ait. 93 toepasselijk. Zij zijn uitvoerbaar niettegenstaande elk beroep.

Op de bevelen tot invrijheidstelling is het laatste lid van art. 188 van toepassing.

VU F 1gt;E TITEIi.

Van het hooger beroep van vonnissen van de arrondissements-regtbanken.

228. Tegen de daarvoor vatbare vonnissen, door de arron-dissements-ivgtbanken na het onderzoek ter teregtzitting, of in den loop van dat onderzoek gewezen, kan hooger beroep worden ingesteld door den officier van justitie en door den beklaagde.

Van vonnissen bij verstek kan alleen de officier van justitie in hooger beroep komen. Dit beroep vervalt van regstwege, indien binnen acht dagen na de aanzegging, bedoeld bij art. 234-, de veroordeelde bij verstek tegen het vonnis verzet doet.

Indien te/en hetzelfde vonnis door den officier van justitie hooger beroep en door den beklaagde beroep in cassatie, of door den officier van justitie beroep in cassatie en door den beklaagde hooger beroep is ingesteld, wordt aan het hooger beroep geen gevolg gegeven, zoolang geen uitspraak is gedaan op het beroep in cassatie.

1

-ocr page 102-

38 V. TITEL, van hkt hooger beroep van vonn., enz.

In dat geval vervalt liet hooger beroep van regtswege, wanneer lt;ie voorziening in cassatie d^or den Hoogen Raad ontvankelijk wordt geoordeeld.

Tegen vonnissen, die geene eindvonnissen zijn, is het hooger, beroep slechts gelijktijdig met dat van het eindvonnis toegelaten.

229 Het hooger beroep moet woraen ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak van het vonnis.

In het geval echter, bedoeld bij het tweede lid van art. 224, loopt de termein van den dag, waarop het vonnis den be-klaagde is voorgelezen.

230 Het hooger beroep wordt ingesteld door eene verklaring, af te leggen door dengene, die van bet middel gebruik maakt, ter griffie van de regtbank, die het vonnis heelt gewezen

De verklaring van den beklaagde kan ook namens hem ge- I schieden door zijtien raadsman, of door eenen bijzonder daartoe schriftelijk gemagtigde.

Verlangt de beklaagde, die in verzekerde bewaring is, de verklaring zelf af te leggen, dan begeeft de griff.er zich tot hem, om haar aan te m-nn n.

231 Van de verklaring, in het voorgaand artikel vermeld wordt door den gril fier kosteloos eene akte opgemaakt, die door hem met dengene, die de verklaring \'allegt, wordt ge-teekend. indien deze niet kan teekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld

De schriftelijke volmagt, in bet tweede lid van het voorgaand artikel bedoeld, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek aischritt daarvan, wordt aan de verklaring gehecht.

Van het hooger beroep wordt aanteekening gedaan in een daartoe bestemd ter griffie berustend register

232 Binnen veertien dairen na de verklaring van in hooger beroep te komen, zal de beroepende partij aan het geregtshof eene memorie kunnen indienen, behelzende de middelen en gronden, waarop zij haar hooger beroep steunt. Deze memorie moet door dezelfde partij of haren raadsman onderteekend zijn; zij zal bij de stukklt; n worden gevoegd, en zal daarvan door de tegenpartij of haren raadsman inznire kunnen « orden genomen.

233. De griffier van de regtbank, welke het vonnis gewezen heeft, zal, binnen drie danen na de aanteekening van het hooger beroep, de stukken van het geding moeten overzenden ter griffie van het geregtshof

234. Indien bet hooger beroep is ingesteld door den officier van justiiie, word van wege dezen aan den beklaagde daarvan bij exploit aanzegging gedaan

De aanzegging geschiedt, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, binnen drie dagen, in andere gevallen binnen acht dasrm na het afleggen der verklarina:.

Bij gebreke hiervan wordt, wanneer de beklaagde bij zijne verschijning ter teregtzitting van het geregtshof daartoe verzoek doet, de zaak voor een bepaalden tijd uitgesteld, zonder dat de door het uitstel veroorzaakte kosten ten laste van den beklaagde kunnen worden gebragt.

235. De beklaagde, die buiten de plaats waar het geregtshof

-ocr page 103-

,\'Zt V. TITEL. VAN HET H006F.Il BEEOKP VAN VOKN , ENZ 39

e, wan- gevestigd is in verzekerde bewaring is, wordt, nadat hij zijne «1 ont- verklaring heeft afgelegd of de in het voorgaand artikel bedoelde aanzegging hem is gedaan, en de termijn voor liet in-hooger stellen van hooger beroep voor hem is verstreken, ten spoedigste yelaten! overgebracht naar de gevangenis, bestemd tot bewaring van n veer- beklaagden, ter plaatse waar bet gerechtshof is gevestigd.

Zoodra die overbrenging is geschitd, heeft zijn raadsman rt. 224 toegang tot lu-m en kan hij hem, behoudens het vereischte len be- loezigt, zoo dikwijls hij dit verlangt alleen spreken.

23G Den beklaagde, die ter zake van het feit waarvoor hij klaring teregt staat, in verzekerde bewaring is, wordt door den presi-maakt\' dent van het geregtshof een raadsman toegevoegd, en \' De toevoeging geschiedt uit, de advocaten en procureurs, in

em ge- | het arrondissement, alwaar het geregtshof zitting houdt, ge-daartoe vestigd Zij wordt dadelijk door of namens den president aan den beklaagde kenbaar gemaakt.

iS) de Het aatste lid van art 182 is toepasselijk.

ot hem Op de verdediging in hooger beroep zijn voorts de artt. 133

3 en -34, tweede, derde en vierde lid toepasselijk.

ermeld 237. De zaak wordt in hooger beroep aanhangig gemaakt ikt, die ^oor eei,e dagvaarding, van wege den procureur-generaal aan rut ge- den beklaagde beteekend.

lak van De artt. 147 en 148 zijn hier van toepassing.

Heeft, de beleedigde partij zich in het geding gevoegd, dan gt;rgaand doel de procureur-generaal haar bij exploit den dag aauzeggeu, is ver- waarop de zaak ter teregtzitting zul worden behandeld.

de ver- Zoolang niet gedagvaard is, kan hij, die in hooger beroep is gekomen, van het beroep afstand doen De afstand geschiedt in een ^ wordt gestaafd op de wijze, voorgeschreven bij de artt. 280 en 231. De griffier geeft biervan onverwijld kennis aan den hooger procureur-generaal.

egtshof Van den afstand, door den officier van Justitie gedaan, ge-ïlen en schiedt van wege dezen bij exploit aanzegging aan den beklaagde, lemorie 238. De procureur generaal en de beklaagde kunnen zoowel id zijn ; in eersten aanleg gehoorde als nieuwe getuigen of deskundigen ioor de doen hooren.

nomen. kunnen ook nieuwe bescheiden overleggen.

ewezen ^en aanzien van de dagvaarding van getuigen of deskundigen

an het i11 hooger beroep gelden de voorschriften van de artt. 142, •zenden eerste lid, en 146.

239. Behoudens de bepalingen in de volgende artikelen van officier dezen Titel vervat, zijn de artt. 150 tot en met 227 op het laarvan regtsgeding bij het geregtshof van toepassing.

Al hetgeen in die artikelen voorkomt ten aanzien van de sekerde regtbank, den president en de leden van en de ambtenaren bij sn acht de regtbank, geldt, ook ten aanzien van het geregtshof, den president en de leden van en de ambtenaren bij het geregtshof. ij zijne 240 Na de ondervraging, bij art 152 bedoeld, wordt verslag

oe ver- uitgebragt door een raadsheer-rapporteur, door den president zonder benoemen binnen acht dagen, nadat de stukken ter griffie

an den zijn gebragt.

De beklaagde kan daarna mondeling zijne bezwaren tegen egtshof vonnis opgeven of door zijnen raadsman doen opgeven.

-ocr page 104-

40 V. TITEL. VAN HET HOOG KR BEROEP VAN VONN., ENZ.

241. In het geval, voorzien bij de artt 174 en 175, wordt het proces-verbaal, met de stukken van het geding, door den procureur-generaal tueyezouden aan den oificifr van justitie bij de regtbank, die in eersten aanleg heeft gevonnisd, en is die regtbank bevoegd om van het misdrijf kennis te nemen.

De verdachte wordt, indien zijne voorloopige aanhouding door het geregtshof is b vol en, naar de gevangenis dier regtbank, tot bewaring van beklaagden bestemd, overheb ragt.

242. Art. 190 is van toepassing ten aanzien van de in eersten aanleg gehoorde en niet in hooger beroep gedagvaarde getuigen en deskundigen

243 In de gevallen, voorzien bij de artt. 193 en 213, wordt de instructie gevoerd door den regter-commissaris bij de regtbank, die in eersten aanleg heeft gevonnisd jS\'a afloop van het bevolen onderzoek deelt de regi er-commissaris de stukken mede a?n den procureur generaal.

244 Jn de gevallen, bedoeld bij de artt. 196 en 197, wordt het proces-verbaal door den procureur-^enenal toegezonden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie, met de ver-vclgintr belast

Is de voorloopige aanhouding van den verdachte door het geregtshof bevolen, dan wordt deze overgebragt mar de tot bewaring van beklaagden bestemde gevangenis bij de regtbank, tot kennisneming van het misdrijf bevoegd

245 De beleedigde partij, die zich met overeenkomstig art. 202 in het geding in eersten aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hooger beroep.

Heeft de voeging in eersten aanleg plaats gehad, dan duurt zij van regtswege voort in ho\' ger beroep, ook al is de beleedigde partij daarin r.iet verschenen.

246. De beraadslaging, bedoeld bij art. 211, geschiedt naar aanleiding zoowel van het onderzoek op de teregtzitting in hooger beroep, als van het onderzoek op de teregtzitting in eersten aanleg, zooals dit volgens het proces-verbaal dier teregt-zlttinc heeft plaats gehad.

247. Het geregtshof bevestigt het vonnis, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met geheele of gedeeltelijke vernietiging van het vonnis, datgene wat de regtbank had behooren te doen.

Indien echter de hoofdzaak niet door de regtbank is beslist, en het onderzoek daarvan het gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, verwijst het geregtshof daartoe de zaak naar dezelfde of eene aangrenzende regtbank binnen zijn regtsgebied.

248 Indien alleen de beklaagde in hooger beroep is gekomen, kan hij tot geene zwaardere straf worden veroordeeld dan hem bij het vonnis is opgelegd.

249. De kosten van het hooger beroep komen niet ten laste van den beklaagde, indien, op het beroep van den officier van justitie alleen, het vonnis in zijn geheel wordt bevestigd of in het voordeel van den beklaagde gewijzigd, liet geresitshof is bevoegd die kosten niet of slechts voor een deel ten laste van den beklaagde te brengen, inoien, op het beroep van den be-

-ocr page 105-

V, TITEL, vaif het iioogke beroep van vonn., enz, 41 klaagde, het vonnis in diens voordeel wordt gewijzigd of, op het beroep van den officier van justitie en den beklaagde beide, het vonnis wordt bevestigd

Bij verwijzing o^eret-nkometig het tweede lid van art. 247 wordt de uitspraak omtrent de kosten voorbehouden tot de eindbeslissing.

250. Het arrest van het geregtshof wordt in eene openbare zitting uitgesproken door den president of eeu der leden die over de zaak hebben geoordeeld.

251. Indien de zaak in eersten aanleg is aanhangig gemaakt door of vanwege de ambtenaren bij art 141, 2o. aangeduid, zullen ten aanzien van het hooger beroep van deze proeedure en de daaraan verbonden vervolging door de ambtenaren van het openbaar ministerie ingesteld, de vorenstaande bepalingen gelden, or.der de navolgende wijzigingen:

lo. dat de verklaring bij art. 23\' vermeld, zal geschieden dooiquot; de partij welke in beroep is gekomen, binnen den termijn van een en twintig dagen na de beteekening van het vonnis;

2o dat de bepalingen van de artt, 232, 233, 234 en 237 op dat beroep niet toepasselijk zijn;

8o dat de partij welke in beroep is gekomen, op strafte van verval, binnen een en twintig dagen na hare verklaring, hare wederpartij zal doen dagvaarden, om te verschijnen op de eerste teregtzitting van het hof, welke na acht vrije dagen zal worden gehouden, met aanduiding van dag en uur;

4o. dat het geding op de teregtzitting zal worden behandeld overeenkomstig hetgeen bij art. 201 is voorgeschreven;

óp. dat beide partijen hare stukken onder inventaris aan het hof moeten overleggen;

6o dat de bedoelde ambtenaren in de kosten van den processe kunnen worden veroordeeld.

.

Zi:sigt;i: T1TEJL.

Van de beregting van strafzaken die tot de bevoegdheid van den kanton-regter be-hooren, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep.

252. Bij de kanton-geregten zal de kennisneming van strafbare feiten aanhangig worden gemaakt door de dagvaarding van wege het openbaar ministerie bij het kanton-geregt.

253. Op het regtsgeding bij het kanton geregt is de vierde Titel van toepassing; hetgeen daarin ten aanzien van de regt-bank, den president, de regters of de ambtenaren bij de regt-bank voorkomt, geldt ook ten aanzien van de kanton regters of de ambtenaren bij het kanton-geregt, behoudens:

lo dat de termijn van dagvaarding is van acht vrije dagen:

2o. dat de beklaagde, tenzij hij vervolgd wordt ter zake van strooperij of de kanton-! egt er beveelt, dat hij in persoon ver-schijne, zich ter teregtzitting kan doen vertegenwoordigen door eenen daartoe bij bijzondere volmagt gemagtigde; de volmagt, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, eeu authentiek

-ocr page 106-

42 VI. TITEL, van de bekegting van stbafz., enz. afschrift daarvan, wordt overgelegd en aan het proces verbaal der tereptzitting gehecht:

3° dat de bepaiinfjen betrekkelijk de beteekening van de lijsten der wederzijdsche getuigen, de geregtelijke instructie, den regter-commissaris, het bevel van verwijzing, de verzekerde bewaring en het verzet tegen de dagvaarding niet toepasselijk zijn ;

4° dat de vordering der beleedigde partij zich niet verder dan tot de som van 50 gulden kan uitstrekken;

5° dat in geval van veroordeeling wegens (.vertreding van art 439, lo van het Wetboek van Strafregt, de kanton-regter in het vonnis beveelt, dat de in dat artikel bedoelde goederen, welke als stukken van overtuiging gediend hebben, voor zoover zij bij den veroordeelde werden in beslag genomen, aan het militair gezag zullen worden uitgeleverd; i

6U. dat de veroordeelde, voor de kosten, waarin hij bij de uitspraak woidt verwezen, in geen geval langer dan eene maand in gijzeling kan worden gehouden

254 indien iemand overeenkomstig de bepalingen van artikel 74 van het Wetboek van Strafregt de vervoljf\'ng: wenscht te , voorkomen, zal hij, voorzien van eene schriftelijk.ï magtiging van het openbaar ministerie bij het kanton geregt, binnen den termijn bij die magtiging daartoe bepaald, ten kantore van den met de invordering der boeten belasten ambtenaar, het maximum van de bedreigde boete met de reeds gemaakte kosten moeien betalen en de aan verbeurdverklaring oLderworpen voorwerpen moeten afgeven of de waarde, waarop dj zijn ge-achat, moeten voldoen.

In h«;t exploit van dagvaarding wordt de bevoegdheid vermeld, den beklaagde bij art. 74 van het Wetboek van Strafregt verleend.

255 In de gevallen waarin volgens de wet hooger beroep wordt toegelaten, kan zulks geschieden door den ambtenaar van het openbiar ministerie bij het kanton-geregt en door den veroordeelde.

256. Op het hooger beroep van vonnissen van de kanton-gen sten is de vijlde Titel van toepassing met uitzondering van de artt 230 laatste lid. 235, 236, 239, 241, 243, 244 en 250.

Hetgeen in de artt 230—233 voorkomt omtrent de griffie of den griflier van de reetbank ol van het gercztsbol, geldt ten aanzien van de griffie of den griffier van het kanton-geregt of van de regtbank Hetgeen in de overige toepasselijke artikelen voorkomt ten aanzien van het geregtshot of de ambtenaren bij het geregtshof geldt ten aanzien van de regtbank of de ambtenaren bij de regtbank.

257. Behoudens het bepaalde bij art. 253, 256 «ju 258 zijn de artt. 150 tot en met 2-26 op het regtsgeding bij de regtbank in hooger beroep van toepassing.

258. Wanneer de regtbank bevindt, dat het feit reeds in eersten aanleg ter barer kennisneming beboert, doet zij de

\' Vaar vonnis is in dit geval vatbaar voor hooger beroep.

.

-ocr page 107-

VII. TITEL. VAN STRAFV. TEGKN EEGTERL AMBTENAREN. 43

ZEVENDE TITEE.

Van strafvordering tegeu regterlijke ambtenaren-

259 Vlet uitzonderins; van den lioogen raad, neemt geen reglerlijk kollegie ol kantun-regter kennis van eene zaak, waarin ee» re^terlijk ambtenaar tot liet kolleeie of het kauton-geregt behoorende, als verdachte is betrokken

Bovendien neemt geene arrondissements-regthank kennis van eene zaak, waarin een lid of een regterlijk ambtenaar van het gerechtshof, tot welks regtsgebied de regtbank behoort, als verdachte is betrokken

Evenmin neemi een kauton-geregt kennis van eene zaak, waarin een lid of een regterlijk ambtenaar van de regtbank, tot welker regtsgebied het kanton-geregt behoort, als verdachte is betrokken.

Indien grond voor vervolging bestaat, wordt tot de behan-handeling der zaak een ander regterlijk koliegie van gelijken rang of een andere kanton regter aangewezen.

260. De aanwijzing, in het voorgaand artikel vermeld, geschiedt door den hoogen raad.

Zij geldt tevens ten aanzien van medeverdachten van den regterlijken ambtenaar.

261. De aai wijzing geschiedt in raadkamer met zeven leden, nadat de procureur generaal is gehoord, op verzoekschrift, met de stukken in te dienen door den ambtenaar van het openbaar ministerie, die naar de gewone regelen met de vervolging zou zijn belast.

262. De beschikking van den hoogen raad wordt van wege den procureur-generaal aan den verdachte lieteek nd.

De procureur-generaal doet tevens afschrift van de beschikking met de stukken toekomen aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het aangewezen koliegie of kanton-geregt, waarna de verdere vervolging op de gewone wijze geschiedt.

263. Ten aanzien van het opsporen der strafbare feiten bij dezen Titel bedoeld blijven de voorschriften van den eersten Titel van kracht.

i

ACHTSTE TITEE.

Van afwezig gebleven beklaagden.

264. Tegen hem, die in gebreke blijft op de aan hem gedane dagvaarding ter teregtzitting te \\erschijnen of zich, in de gevallen bij de wet voorzien, door eenen gemagtigde te laten vertegenwoordigen, wordt verstek verleend, waarna dadelijk wordt overgegaan tot het onderzoek en de beregting overeenkomstig den vierden, vijfden of zesden Titel.

Eveneens wordt verstek verleend tegen den gedaagde, die niet voldoet aan het in de artt. 150 en 253, no 2 vermelde bevel om in persoon te verschijnen

265. liet vonnis bij verstek gewezen, waarbij de beklaagde is veroordeeld, of waarbij zijne opzending naar een rijksopvoedings-

T

-ocr page 108-

i:

44 VIII. TITEL. VAN AFWEZIG GEBLEVEN BEKLAAGDEN, gesticht is bevolen, moet aan hem van wege den ambtenaar van het openbaar ministerie worden beteekend.

266. De veroordeelde of hij, wiens opzending naar een rijksopvoedingsgesticht is bevolen, kan bij exploit aan het openbaar ministerie beteekend, verzet doen, uiterlijk binnen den tijd van veertien dagen aa dien, waarop hij is aangehouden Ier ten-uitvcsrlegfdng van de tegen hem uitgesproken plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht, of van de gevunjienisstrat\'of hechtenis; wat de laatste betreft, zoowel van die, waartoe hij is veroordeeld, als die voor eene hem opgelegde boete in de plaats treedt, of nadat lijfsdwang op hem toegepast, of beslag op zijne goederen gelegd is tot verhaal van eene tegen hem uitgesproken boete.

Doe. het verzet wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst.

Het bevel van gevangenneming verleend overeenkomstig art. 227 is uitvoerbaar niettegenstaande verzet.

Niettegenstaande zijne vrijspraak, blijven alle de kosten, door het verstek veroorzaakt, \'en laste van dengene die in verzet is gekomen, ten ware de dagvaarding mogt zijn nietig verklaard, of hij mogt bewijzen in de onmogelijkheid te zijn geweest van te kunnen verschijnen.

267. Het verzet brengt van regtswege dagvaarding mede op de eerstkomende gewone teregtzitting; hetzelve zal worden vervallen verklaard, wanneer degene die in verzet gekomen is, niet ten dage dienende in regten verschijnt, en het vonnis, bij verstek gewezen, zal ten uitvoer worden gelegd.

Wanneer degene, die in verzet gekomen is, ten dage dienende verschijnt, wordt de zaak behandeld overeenkomstig de voorschriften van den vierden, vijfden of zesden Titel. De regter bekrachtigt de bij verstek gewezen uitspraak, of doet met ge-heele of gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak op nieuw regt.

^68 Isa de uitspraak bij verstek kan uitvoering worden gegeven aan de beslissing, die de regtbank ten aanzien van de stukken van overtuiging gegeven heeft, nadat van dezelve eene naauwkeurige beschrijving door den griflier zal zijn opgemaakt en ter griflie n dergelegd.

De regter kan van de teruggave of vernietiging uitzonderen zoodanige voorwerpen als hij noodig vindt.

XKCi i:xDE TITKI..

Van de herkenning van veroordeelden die ontvlugt en weer achterhaald zijn.

269. Wanneer een veroordeelde ontvlugt is, en iemand mogt gevat zijn die voor den ontvluüte is gebonden, doch omtrent de eenzelvigheid van wiens persoon twijfel of onzekerheid is ontstaan: of die ontkent aat hij degene is voor vvien men hem houdt, zal het gereatshof, of de regtbank dooi welke de veroordeeling was uitgesproken, op requisitoir van het openbaar ministerie, bevelen dat op eene te bepalen teregtzitting zal worden overgegaan tot het onderzoek van de eenzelvigheid van dien persoon.

270, zittim welke Het op üi achter de rejj . van di 271 is uit} 272. zich ii nopen;

Va

I 273. schrift te zijr en op uitvoei opmak wordt bewari bewaai

274 hetzelv com mi

275. neer d gediem

276. welke pligt, ( den, d( arrond bank ii pToces-het be ^ alle be!

Het gegevei te vord

De 1 justitie

277. lijkinsr worden pewaan titel ge

278.

.

-ocr page 109-

IX. TITEL. VAN HERKENN. VAN VEEOOEDEKLDEN ENZ , 45 270. Het openbaar ministerie zal, te dien einde, op de teregt-zittinsr zijne getuigen doen dagvaaroen, gelijk mede die op welke de achterhaalde zich beroept.

Hetzelve zal insgelijks den achterhaalde doen èagvaarden om op die teregtzifting tegenwoordig te zijn; de getuieen en de achterlia-ld- zullen vervolgens worden gehoord, en het hof of de regtbank zal uitspraak doen overeenkomstig de voorschriften van den vierden Titel.

271 Indien bet vonnis door eene arro\'idissements regtbank is uitgesproken, is hetzelve voor hooger beroep vatbaar.

272. Het openbaar ministerie en de achterhaalde kunnen zich in cassatie voorzien, in de vormen en binnen de termijnen nopens cassatien bij dit Wetboek vastgesteld.

TIEXIgt;E TITEI.,

Van de regtspleging ter zake van valschheid.

en, door | 273. In alle strafzaken betrekkelijk tot valschheid in ge-i verzet schriften, zal het stuk dat beweerd wordt valsch of vervalscht rklaard, te zijn, ter griffie worden overgelegd, en tevens ondertee-end lest van en 0p iedere bladzijde gewaarmerkt door den grttier, die een uitvoer\'g proces-verbaal van de gesteldheid van het stuk zal nede op opmaken, mitsgaders door dengenen door wien die overlegging worden wordt gedaan, en eindelijk doen- den ambtenaar, onder wiens ini.en bewaring het is geweest, indien hetzelve uit eene openbare inis, bij bewaarplaats is genoinen.

274 Bij de verhooren van den bek\'aagde over dat stuk zal lenende hetzelve mede door dezen, en ook bovendien door den regter-Le voor- commissaris en den grillier onderteekend worden.

e regter 275. Het misdrijf kan altijd worden vervolgd, ook dan wan-met ge- nggj. ^ stukken, die er bet onderwerp van zijn, tot grondslag uw regt. gediend hebben van gereütebjke of burgerlijke akten den ge- 276. Alle openbare of bijzondere bewaarders van stukken, van de welke beweerd worden valsch of vervalscht te zijn, zijn ver-.ve eene pligt, op «traffe van daartoe bij lijfsdwang genoodzaakt te wor-^emaakt (ien( dezelve, op een bevelschrift van het gere. tshof of van dc arrondissements-regtbank, ter griHie van den hove of der regt-onderen bank in bewaring te geven; van deze in bewaring geving zal een proces-verbaal worden opgemaakt, hetwelk, met en benevens het bevelschrift, den bewaarder zal strekken tot ontlauting jegens alle belangbebbenden.

lie Het staat aan denzelven vrij, van de door hem in bewaring

gegeven stukken en van het proces verbaal kosteloos afschriften te vorderen.

id mogt ])e kosten tot overbrenging der stukken werden onder de omtrent justitie kosten begrepen

irheid is 277. l)e stukken die geleverd zullen worden om tot verge-uen hem lijking te dienen, zullen, even als de stukken welke beweerd de ver- worden valsch of vervalscht te zijn, worden onderteekend en )penbaar Gewaarmerkt, op de wijze in de twee eerste artikelen van dezen ting zal titel gemeld.

leid van 073 jje bepaling van artikel 276 hierboven, is insgelijks toe-

!N.

itenaar

a rijks-inbaar ijd van er ten-in een htenis; veroor-treedt, ne goe-sproken

vonnis

itig art.

-ocr page 110-

46 x. tite l. van df. regtspl ter zake van valschheiü. passelijk op alle openhnre bewaarders van stukken, ter vergelijking kunnende dienen.

27«. Indien lt;Je overgave van een authentiek stuk vereischt en gevorderd wordt, zal aan dengenen, die hetzelve in zijne bewaring heeft, een afschrift daarvan worden gelaten, hetwelk met het oorspronkelijke door den voorzitter van de arrondisse-ments-regtbank zal worden vergeleken, die daarvan een proces- : verbaal /al opmaken; indien zoodanig authentiek stuk onder ; bewaring is van een openhaar p rsoon, zal het voorzeitle afschrift door dezen gelegd worden onder zijne oorspronkelijke stukken, om in de plaats van het oorspronkelijke te strekken, tot de terugzending van liet laatstgemelde, en met iievoegdlieid om daarvan grossen of afschriften uit te geven, mits daarbij melding; makende van het proces-verbaal.

Indien nogtans het stuk een gedeelte uitmaakt van een register, zoo dat, het daarvan niet voor eenen tijd kan worden afges.heiden, kan de ree*\'tank het overbrengen van het register ter inzage hc elen, en vrijstelling verleencn van de formaliteit| bij dit artikel vastgesteld

SdO ünderhandsche geschriften kunnen insgelijkü als stukken-van vergelijking overgelegd en als zoodanig s ngenonen worden, indien volkomen van derzelver echtheid blijKt.

Echter kunnen de bijzondere personen welke, zelfs volgens hunne eigene erkenning, onderhandsche geschriften bezittenJ niet onmiddellijk tot der/.elvet afgifte worden genoodzaakt, maar indien zij voor het hof of de regthank zijn gedagvaard en hunne gronden van weigering niet zijn geldig verklaard, kan bij regtcrlijk bevel de overgave, zelfs bij lijfsdwang, worden bevolen

281 üe getuigen welke gehoord zullen worden over eenig stuk of stukken, in het geding overgelegd, zijn gehouden dezelvegt; insgelijks te waarmerken en te onderteekenen.

2ö2. De beklaagde, daartoe door den regter gelast, is ver-, pligt, in diens tegenwoordigheid, een geschrift te vervaardigen, of wel anuere stukken, door liem geschreven, over te leggen.

283. In de voorloopige geregtelijke instructie, zal de regter-comtnissaris eenen of meer deskundigen kunnen benoemen, ten einde het stuk, welks valschheid of verval selling beweerd wordt, en de stukken van vergel ij kin ir, te onderzoeken, en een schriftelijk verslag van hunne bevinding uit te brengen, hetwelk bij het geding zal worden gevoegd

284 Indien de beklaa-\'de wordt eregt gesteld, kunnen de in het vorige artikel vermelde deskundigen worden t-ehoord.

Het hof of de regthank kan ook op requisitoir van het openbaar ministerie, of ten verzoeke van den beklaagde andere deskundigen hoeren.

2üö, Indien de beklaagde ter zake van valschheid in eene authentieke akte, wordt veroordeeld, zal de regthank het zij verklaren dat het geheele stuk valsch is, het z j bepaaldelijk aan uiden, waarin dc vervalsching bestaat Van die verklaring wordt door den grillier proces verbaal opgemaak: en door den president en hem onderteekend.

Zoodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, zal

-ocr page 111-

X. TITEL. VAN DK REGTSPL. TEE ZAKE VAN VALSCHHEID. 4^\'

afsclirift van het proces verbaal, door den griffier onderteekend, aan het valsche of vervalschte stuk worden gehecht, en bij de uitgifte van grossen of atschriiten van het stuk, zal steeds aan den voet afschrift v-.n het proces-verbaal moeten gevoegd worden.

Eindelijk zal op het valsche of vervalschte stuk, door den griflier \';ene aanteekening worden gesteld, waarbij naar het aangehechte proces verbaal wordt verwezen.

286. ue stukken van overtuiging en van vergelijking worden binnen veertien dagen, nadat het arrest of vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, terug gebragt ter plaatse, van waar zij gekomen zijn, of terug gegeven aan degenen, die dezelve hebben medegedeeld.

237. Voor het overige heeft de instruc ie ter zake van valsch-heid op dezelfde wijze plaats, als ten aanzien van andere misdrijven is bepaald.

288. Indien de bewaarder of de getuigen weigeren of niet in staat zijn de overgelegde of hun vertoond wordende stukken te waarmerken en te onderteekenen, of indien de beklaagden weigeren de stukken te teekenen, of in \'s regters tegenwoordigheid te schrijven :al zulks iu het proces-verbaal vermeld worden.

XXFDE TITEïi.

Van de wijze van regtspleging Jegens hen, die den certiied schenden, aan ue openbare raagt verschuldigd

289. In geval op plaatsen, waar en tijdens de Commissaris des Konings in de provinciën, de leden der Provinciale en Gedeputeerde Maten, de hoofden en leden van de gemeentebesturen, mitsgaders de ambtenaren van administrntieve of regterlijke policie in het openbaar eenige ambtsverrigtingen waarnemen, een of meer personen de stilte storen, of teekenen van goed- of afkeuring geven, of, op welke wijze oo1-, geraas of beweging verwekken en zij op de eerste waarschuwing zich niet dadelijk stil houden, zal hun gelast worden te vertrekken en die zich daartegen verzetten zullen verwijderd en tot na alloop van de ambtsverrigtingen in bewaring gehouden worden-, de voormelde ambtenaren maken van een en ander proces-verbaal op, hetwelk aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar rainisierie wordt toegezonden.

TWAAIjFDE TITEI,.

Van de wijze, op welke in strafzaken de getuigenissen van de leden van het koninklijk geslacht zullen worden ontvangen.

290. De prinsen en prinsessen van het koninklijk geslacht zullen nimmer voor den regter-commissaris, noch ook ter teregtzitting van een hof of eene regtbank, als getuigen kunnen worden gedagvaard, ten zij de Koning, door een bijzonder besluit, tot dat einde strekkende, hoogst dezelve tot die verschijning mogt hebben gemagtigd

f

-ocr page 112-

XII. VAN DE GETUIGEN VAN HET KON. GESLACHT.

291. Wanneer de getuigenis der prinsen of prinsessen vereischt mojjt worden, geduren ie de voorloopige instructie, zal dezelve afgenomen en in geschrift worden gesteld door den president van het geregtshof, binnen welks regtsgebied de prinsen of prinsessen zich op dat oogenblik bevinden, en zal de president zich naar hoogstderzelver paleis tot dat einde begeven.

Hij zal daarna de alzoo door hem ingewonnen verklaringen terstond toezenden aan den regter-coirmissaris, die met de instructie der zaak is belast.

292 Wanneer de getuigenis der prinsen of princessen vereischt mo^t worden op eene teregtzitting, en zij tot aflegging van dezelve aldaar bij koninklijk besluit gemagtigd zijn, zal hetzelve besluit tevens de plechtigheden regelen, welke ten aanzien van hoosrstdezelve moeten worden in acht genomen

293. Wanneer de prinsen of princessen niet gemagtigd zijn geworden om in persoon te verschijnen, zullen liun\'ie getuigenissen op de teregtzitting worden gelezen, op strafte van nietigheid, en het zal aan den regter geoorloofd zijn, om den el ver inhoud, naar gelang der omstandigheden, tot bewijsmiddel te doen dienen.

]gt;£RTli:Xlgt;£ TITEIi.

Van strafvordering ter zake van strafbare feiten, aan de kennisneming van den hoogen raad in het eerste en laatste ressort onderworpen.

§ 1.

Van strafvordering ter zake van misdrijven

bedoeld in art. 93 van de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.

294. Behoudens het bepaalde bij de arlt 295, 296 en 997 blijven, ten aanzien van de opsporing van misdrijven vo\'gens art. 93 der W et op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, aan de kennisneming van den hoogen raad in het eerste en laatste ressort onderworpen, de voorschriften van den eersten Titel van kracht.

295. De procureur-generaal bij den hoogen raad waakt voor de rigtige opsporing van misdrijf, als in het voorgaand artikel bedoeld.

De bevelen, die hij daartoe geeft aan de officieren vanjuamp;titie en de overige ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast, worden door dezen opgevolgd.

Op de officieren van justitie en de hulp-officieren rusten tegenover den procureur-generaal gelijke verpligtingen, hls bij den eersten Titel aan de hulp-oflicieren tegenover den officier van justitie zijn opgelegd.

296 Wanneer de procureur-generaal kennis heeft bekomen van een misdrijf, als bij art 294 bedoeld, doch geene voldoende gronden vindt tot dagvaarding of tot het vorderen van rechtsingang, wint hij, naar omstandigheden, zelf de narigten in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen of stelt daartoe,

48

-ocr page 113-

XIII TITEL. van strayterzake van stbavb feiten. 49

ischt zoodanige vorderinp hIs hij geraden aclii, de stukken

zelve in handen v»n don raadslicer-commissHris, op zijne vordering ident door den hoogen raad in raadkamer uit de leden van den raad en of i benoemd.

ident • 297 In geval van ontdekking op heeter daad, wordt door den officier van justitie, de hulp officieri-n en den regter-com-ngen raissaris datgene verrigt, wat hun voor dat geval naar de geit de wone regelen is opsredragen.

Pe officier van justitie zendt de stukken, tot de /.aak he-ischt i| trek kei ijk, en de in beslag jrenomen voorwerpen,ten spoedigste r van aan den procureur-generaal bij den Imogen raad zelve Zoodra deze op de plaats bedoeld bij art. 48 tegenwoordig

i van is, boudt de hemocijing van den officier van justitie, op, en wordt door den procureur generaal verrigt hetgeen bij de artt. zijn : 43 tot 58 aan den officier van justitie is opgedragen.

uige- Zoodra ook de raadsliper-commissaris op de bedoelde plaats

nie- tegenwoordig is, wordt hetzelfde verrigt, door dezen, op de elver vordering van den procureur-generaal

i.el te 1 298 Op het voorloopig onderzoek van den raadsheer-commis

saris zijn de bepalingen van den Tweeden \'iitel en de artt. 110 t tot 114 van toepassing, behoudens-

dat, onverminderd de bevoegdheid van den raadsheer commissaris Tot opdragt van verhoor, overeenkomstig art. 78, in ^ geen geval bewilliging tot dagvaarding als bij art. 75 bedoeld, wordt gevorderd;

dat, onverminderd de bevoegdheid van den raadsheer-commissaris en den procureur-generaal om zich bij huiszoeking te \\ doen vervangen op de wijze, bedoeld bij het tweede lid van r ] ait. 112, de huiszoeking in ieder geval door hem zeiven kan

^ 1 geschieden.

299 Zoodra de procureur-generaal voldoende aanwijzing heeft g verkregen van een gepleegd misdrijf, als bij art. 294- bedoeld

i 397 en van den persoon, die zich daaraan heeft schuldig gemaakt \'gens en hij het verleenen van regtsingang noodig oordeelt, biedt hij il der de stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan den

ii het hoogen raad aan.

van Hij vordert daarbij, met of zonder bevel van gevangenneming , of gevaneenhouding, hetzij verwijzing der zaak naar de teregt-voor zitting, hetzij dat de instructie der zaak worde gelast.

rtikel Op deze vordering wordt door den hoogen raad in raadkamer \' beslist.

£,titie 800. De bepalingen van den derden Titel zijn op het onder-

elast, , zoek, in raadkamer bij den hoogen raad van toepassing, be-y houdens:

listen 1°. dat, indien de hooge raad instructie gelast, hij tevens

Is bij een zijner leden tot raadsheer commissaris benoemt, tenzij

ficier \' zoodanige benoeming reeds krachtens art. 296 heeft plaats gehad;

omen 2°. dat de arresten, door den hoogen rand, op de vordering

)ende tot regtsingang of na afloop der instructie gewezen, niet

chts- vatbaar zijn voor eenig beroep.

n, die «•toe, i

4

-ocr page 114-

50 XIII TITEL. VAK STEAFV. TKB ZAKE VAN STRAJB FJtlTEN.

4 2.

Van strafvordering ter zake van de ambtsmis-dry ven en ambtsovertredingen, vermeld bij art. 92 der wet op de regteriijke organisatie en het beleid üer justitie.

301. De artt. 4 tot en met 19 der wet van den SSsten April 1855 Staatsblad n0 33), houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Miuisterieele Departementen blijven van kracht.

Zij zijn van toepassing op alle ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door dein art. 92 der wet op de regteriijke organisatie en het beleid der justitie opgenoemde personen. Al hetgeen in die artikelen voorkomt, omtrent Ministers en Hoofden van Ministerieele Departementen ^eldt ook bij de vervolging van deze wegens andere ambtsmisdrijven en ambts-overtredingen dan die zijn omschreven in de artt. 355 en 856 van het Wetboek van Strafregt, alsmede bij de vervolging wegens ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door alle andere in art. 92 voormeld bedoelde personen.

302. De procureur-generaal bij den hoogen raad is verpligt aan den ontvangen last onmiddellijk gevolg te geven

Hij vordert van den hoogen raad de benoeming van een zijner leden tot raadsheer commissaris, ten einde voorloopig| onderzoek worde ingesteld

Op dit voorlopig onderzoek is art. 298 van toepassing

Geene vordering geschiedt tot het verleenen van regtsingang, tot last van instructie of tot verwijzing der zaak naar de teregtzitting Wordt door den procureur-generaal gevangenneming of gevangenhoadinsr noodig geoordeeld, dan beslist de hooge raad, op de vordering van den procureur-generaal, alleen omtrent de gevangenneming of gevangenhouding. Art. 116 is op deze arresten van den hoogen raad van toepassing

Zoodra he\' onderzoek, in het tweede lid bedoeld, is afgeloo-pen, of, heeft zoodanig onderzoek geen plaats gehad, zoodra de last tot vervolging is ontvangen, wordt de verdachte van wege den procureur generaal ter teregtzitting gedagvaard, en zijn de volgende artikelen van dezen Titel van toepassing.

De dagvaarding bevat, op straffe van nietigheid, de opgave van het feit, in den last tot vervolging uitgedrukt.

§ 3.

Bepalingen aan de in de twee vorige paragrafen bedoelde gedingen gemeen.

303. In de gevallen, waarin bevel van voorloopige aanhouding of van gevangenneming is verleend, wordt de aangehoudene onmiddellijk, na de uitvoering van het bevel, overgebragt naar de gevangenis tot bewaring van beklaagden, ter plaatse waar de hooge raad is gevestigd.

304. Het regtsgeding in het eerste eu laatste ressort bij den

hooger voorge dat geldt waarv en de vorder waar dering waaro spraak

-ocr page 115-

XIll. TITEL. VAN STfiAFV. TERZAKE VAN STRAJ-R. I F.ITEN. 5quot;i

hoogen raad wordt gevoerd op de wijze, bij den vierden Titel voorgeschreven, behoudens:

dat de uitzonderiug, vervat in het vierde lid van art. 218, geldt zoo dikwijls het feit een misdrijf of overtreding oplevert, waarvan de kennisneming aan eenen anderen re.ter behoort;, en de beklaagde de verwijzing naar dien regter niet heeft ire-vorderd, in welke gevallen aan de beleedigde party, die zich, waar dit was toegelaten, in het geding heeft gevoegd, de vordering slechts tot zoodanig beloop kan worden toegewezen, als waarover de bevoegde regter gelijktijilig met de stralzaak uitspraak had kunnen doen.

305. De achtste Titel is op het regtsgeding bij verstek bij den hoogen raad van toepassing

806. Al hetgeen in de toepasselijk verklaarde Titels voorkomt omtrent de arrondissements regtbanken, de presidenten en de leden van of de ambtenaren van het openbaarministerie en d.^ griffiers bij die kollegien, is, behoudens de wijzigingen uit dezen Titel voortvloeijende, van toepassing op den hoogen raad, den president en de leden van en den procureur generaa] en den griffier hij den hoogen raad.

207. De vervolging der medeverdachten van dengene. die voor den hoogen raad te regt staat, heeft bij hetzelfde kollegie plaats.

VEERT 1EX1gt; E TIT EE.

Van de regeling van regtsgebied.

308. Er zal regeling van regtspebied kunnen plaats hebben in de navolgende gevallen:

1°. Wanneer ondersclieidene regterlijke kollegien of regters aan welke hij de grondwet of andere wettelijke bepalingen regtsmagt is opgedragen, zich de kennisneming van dezelfde of van zamenhangende strafbare feiten hebben aangetrokken ;

2°. Wanneer onderscheidene regterlijke kollegien of regters, door een van welke de strafzaak noodwendig behoort te worden beregt, zich hebben onbevoegd verklaard daarvan kennis te nemen.

809 De verzoeken tot regeling van regtsgebied worden gedaan bij request; zij worden alleenlijk bij memorien behandeld.

310. Op het ingekomen verzoek niet de daartoe behoorende stukken, zal de regter be/elen dat alles worde medegedeeld aan de partijen, of wel dadelijk zonder mededeeling beslissen, behoudens verzet.

311. Wanneer op het verzoek van den beklaagde tot regeling van het regtsgebied, de mededeeling aan partijen wordt bevolen, zal het bevelschrift beide de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de regterlijke ligchamen, voor we\'ke die zaak gelijktijdig is aanhangig gemaakt, g-lnsten de stukken van het geding over te zenden, met bijvoeging van een met redenen bekleed advijs over het geschil wegens de bevoegdheid.

312. Wanneer de mededeeling bevolen is op het verzoek3 tot

T

-ocr page 116-

52 XIV. TITEL, van de reoeling van ekgtsgkbied. regeling van regtsüebied, van ettn\' der gemelde aiubtenaren, zal her. bevelschrift den andere bevelen om de stukken, en zijn niet redenen omkleed ad vijs, over te zenden

313 Jiij het bevel van mededeeling wordt, naar mate van den afstand der plaatsen, de termijn bepaald, binnen welken de stukken en de met redenen bekleede ad vijzen ter gritlie moeten worden ingezonden.

Dit bevel wordt, benevens afschrift van het verzoek tot regeling van regtsjrebied, aan partijen beteekend en door die be-teeki-ninj; wordt de eindelijke beslissing der zaak geschorst, behoudens den voortgang der instructie.

De beklaagde kan zijne middelen omtrent het regisjrebied in geschrift indienen, uiterlijk binnen den tijd van acht dagen na de beteekening van het bevel van mededeeling.

314 De zaak zal worden afg daan op de tere^i zitting, op een rapport, en na de conclusie van het openbare ministerie te hebben gehoord

3)5. Wanneer op het verzoek tot regeling van leitisgebied, dadelijk en zonder bevolene mededeeling uitspraak is gedaan, zal het vonnis van wege het openbaar ministerie, worden be-teekend aan den ambtenaar van bet openbaar minis erie bij de hoven, re^tbanken of regters, welke tot het gescl il hebben aanleiding gegeven.

Het zal mede worden beteekend aan den beklaagde, welke daartegen in verzet zal kunnen komen binnen acht üaien.

Dit verzet schorst van regtswejie het uil wijzen der zaak

316. De beklaagde die zich niet in verzekerde bewaring bevindt. wordt niet tot het doen van verzet toegelaten, tenzij hij vóór of uiterlijk binnen acht dagt-.n na de beteekening, -woonplaats hebbe geko/.en binnen de gemeente, waarin een der beide kol! gien of regters, over welker bevoegdheid geschil is, zitting heeft.

Bij gebreke hiervan zal hij zich niet daarop kunnen beroepen, dat hem geene mededeeling is «edaan, waartoe de verzoeker, in dat geval, ongehouden is.

317. De hooge raad, het geregtshof, of de arrondissements-regtbank, zal tevens de uitspraak doen over alle handelingen en vonnissen, welke door den regter, aan wien de zaak onttrokken wordt, mofeten gedaan of gewezen zijn.

318 De arresten of vonnissen, in zake wegens gaschil van regtsgebied gew ezen, zullen door geen verzet Kunnen worden bestreden, wanneer er een bevel van mededeeling is vooraf gegaan en behoorlijk ten uitvoer gebragt.

319. Het arrest of vonnis gewezen, hetzij na eer bevel van nn;dedeelinsi, hetzij na gedaan verz« t, zal aan de partijen in dezelfde vormen worden beteekend. als ten aanzien der beteekening van bet bevel van mededeeling zijn voorgeschreven.

820. De eindvonnissen der arronüissements-regtbanken en hoven, in zake wegens geschil van reütsjie\'ned, zijn respectieve-Jijk vatbaar voor hooger beroep en cassatie.

r

-ocr page 117-

XV. TITEL. VAN DE WRAKING EN VEESCHOONING, ENZ. 53

VIJFTIENDE TI TE li.

Van de wrakinf; en verscliooni ult;i van regters en de verzending van de zaak uit dien hoofde naar eenen anderen regter.

321. Een lid van den hoogen raad, van de geregtshoven, van de arrondissements-regtbaiiken of een kaotonregter, kau zoowel door den beklaagde, als door het openbaar ministerie worden gewraakt, om de volgende redenen;

1°. Indien bij den beklaagde in bloedverwantschap of m zwage/scbap bestaat tot in den vierden graad ingesloten;

2°. Indien hij persoonlijk belang bij de zaak beeft;

3°. indien, binnen bet jaar vóór de wraking, tegen den beklaagde, of tegen deszelfs echtgenoot of nabestaanden en aangehuwd en in de regte linie, eene verv olging wegens misdrijf op klagte of aangitte van den gewraakten regter heeft plaats gehad;

4°. Indien de regter een schriftelijk ad vijs in de zaak gegeven heft; •

5°. Im.ien hij, hangende het geding, geschenken van iemand, die bij de zaak belang heeft, heeft ontvangen, of dezelve aan hem zijn beloofd, en hij deze belofte heeft aangenomen ;

G0. Indien er een burgerlijk regtsgeding tusschen den regter, zijne vrouw, of hunne bloedverwanten of aangehuwden in de re: te linie, ten eenre, en den beklaagde, ter andere zijde, aanhangig is:

7°. Indien de regter is voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator, vermoedelijke erfgenaam of begiftigde van den beklaagde:

8°. Indien er een hooge graad van vijandschap tusschen den regter en den beklaagde bestaat;

9°. Indien er tusschen den regter en den beklaagde sedert den aanletr van het regtsged\'ng of binnen zes maanden vóór de wraking, hebben plaats gehad beleedigingen of bedreigingen.

322. Behoudens hetgeen bij artikel 328 ten aanzien van de wraking van den regter-commissaris, raadsheer-commissaris of rapporteur is bepaald, kan een regter alleen worden gewraakt ter gelegenheid der openbare teregtzitting.

323. De wraking moet mondeling of bij schriftelijke conclusie worden voorgedragen, zoodra het onderzoek ter teregtzitting aanvang neemt. In den loop des onderzoeks is men daartoe niet meer ontvankelijk

324. Indien de wrakende partij vermeent meer dan eene reden van wraking tegen denzelfden regter te hebben, moet zij alle te gelijk voordragen

825 Indien zij meer dan één lid van het regterlijk kollegie wil wraken, kan zij de tweede of verdere wraking niet voordragen, vóór dat over de voorgaande is beslist.

3i6 De hooge raad, het geregtshof of de arrondissements-regtbank zal, na de conclusien van het openbaar ministerie, of,

-ocr page 118-

54 XV. TITEL, van dk wraking en verschooning, enz.

indien hetzelve de wrakende partij is, na deszelfs requisitoir, dadelijk over de wrakinsr raadplegen en vervolgens ter openbare teregtzitting uitspraak doen.

Gt-en der leden, behalve de gewraakte regter, mag zich ver-schoonen aan de raadplegingen over, en tie beslissing van de wraking deel te nemen.

327. Indien een kanton regter wordt gewraakt, zal de wrakende partij eene schriftelijke akte van wraking, met redenen bekleed, aan den kanron-regter ter band stellen

Deze zal met het onderzoek der strafzaak niet kunnen voortgaan, en zal de voorschreverie akte, benevens zijn schriftelijk ad vijs, onmiddellijk aan de arrondissemenls regtbank inzenden, welke op de conclusien van het openbaar ministerie uitspraak doet.

Ingeval de wraking wordt geldig verklaard, zal een der plaatsvervangers van den kanton-regter optreden.

328. In geval van wraking van eenen regter-commissaris, raadsheer-commissaris of rapporteur, wordt de akte van wraking, met redenen bekleed, door de wrakende partij ingeleverd, aan de arrondissements regtbank, het geregtshof of den hoogen raad, bij welke de strafzaak aanhangig is, welke, na het berigt van den gewraakt en te hebben ingewonnen, op requisitoir of op de conclusien van bet openbaar ministerie uitspraak doet.

329. Indien een regter zich wil verschoonen om eene der redenen, in art. 321 vermeld, of op andere billijke grunden, zal bij die aan bet kollegie, waartoe bij behoort voordragen, en zich aan deszelfs beslissing moeten onderwerpen.

330. Wanneer ten «e vol ge van geldig verklaarde wraking of van vrijwillige verschooning, de leden van een geregtshof of eene regtbank niet meer in genoegzame getale mogten zijn om van de zaak kennis te nemen, zal dezelve naar een ander geregtshof of eene andere regtbank verzonden worden.

331 Het verzoek tot ver/ending zgt;l door de belanghebbende partij worden gedaan aan den hoogen raad, wanneer de regts-vervolging plaats heeft voor een geregtshof en aan het geregtshof, wanneer de regts ver vol ging plaats heeft voor eene arrondissements regtbank, of aan de arrondissements regtbank, wanneer de wraking van den kanton-regter mogt zijn geldig verklaard, en de plaatsvervangers ontbreken of gewraakt ^ijn

33^. Het verzoek wordt gedaan bij request, op hetwelk de hooge raad, het hofot de regtbank, na het openbaar ministerie te hebben gehoord, zal beschikkan, en, indien h t verzoek wordt toeges-taan, den regter aanwijzen, aan eiken de kennisneming wordt opgedragen.

333. De uitspraak zal door of van wege den procureur-generaal of den ofllcier van justitie worden srebn.gt ter kennis van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het hot, de regtbank of het kanton geregt, aan welke de zaak is verwezen

Die uitspraak wordt aan den beklaagde van wege het openbaar ministerie heteekend.

334. De arresten en vonnissen, ter zake van wraking, verschooning en verzending gewezen, zijn, in geen geval, aan hoo-ger beroep of cassatie onderworpen

-ocr page 119-

XVI. TITEL. VAN HET TEN UITV. LEGGEN VAN ARK., ENZ. 55

ZESTIi:Xlgt;E TITEÏi.

Van bet ten uitvoer leggen van arresten en vonnissen.

835. Geen arrest of vonnis, in kracht van gewijsde gegaan, mag worden ten uitvoer gelegd, zoo lang:

lo. de termijn tot liet aanteekenen van cassatie niet is verstreken ;

2o. in geval van beroep in cassatie, de hooge raad niet bij eindvonnis beeft beslist.

336 Indien de termijn tot bet aanteekenen van booger beroep of van cassatie is verstreken of er door den boogen raad uitspraak is gedaan, blijlt niettemin, indien de veroordeelde dit uitdrukkelijk verlangt, de tenuitvoerleguing van bet arrest of vonnis geschorst gedurende den tijd van acht dagen daarna

887. Binnen den voorschreven termijn kan de veroordeelde een verzoekschrift om gratie, ongesloten, inleveren of doen v

inleveren ter griflle van bet 1 ollegie, hetwelk de veroordeeling beeft uitgesproken.

Deze inlevering heeft het gevolg, dat de ten uitvoerlegging geschorst wordt.

De griffier houdt naauwkeurige aanteekening van den dag der inlevering van zoodanig verzoekscbiilt: hij geeft daarvan kennis aan den ambtenaar van bet openbaar mii isterie met de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis belast, en verzendt onmiddellijk het verzoekschrift aan het departement van justitie, ten einde aan den Koning te worden ingeleverd.

S38 In het geval bij artikel 374 voorzien, wordt de ten uitvoeilegging van bet arrest of vonnis, ten aanzien van de mede veroordeelden, die zich niet in cassatie hebben voorzien,

zoo zij dit uitdrukkelijk verlangen, geschorst tot na den eindelijken atioop dei zaak.

839. De ten uitvoerlegging van alle arresten en vonnissen blijft van regtswege sreseüorst zoolang de Koning over een verzoek om gratie raadpleegt.

3i0. Te dien einde is de procureur-generaal bij den boogen raad verpligt, om, zoodra een verzoek om gratie door den Koning aan den boogen raad is ingezonden, daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den ambtenaar met de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis belast.

841. Indien de veroordeelde geene gratie heeft verzocht, of zijn verzoek is afgeyezen, geschiedt de ten uitvoerlegging van het arrest of vonni», zoo dra mogelijk, na verloop van den termijn bij art. 336 iangewezen.

842. De straffen vat gevangenis, hechtenis, plaatsing in eene rijkswerkinrigting en openbaarmaking van de regterlijke uitspraak worden ten uit\'oer gelegd op bevel van den ambtenaar van hét openbaar ministerie bij het regterlijk kollegie of kfrnton-geregt, dat de veroordetling heeft uitgesproken.

Die ambtenaar kan daarbij de hulp inroepen van de openbare burgerlijke of gewapende magt.

. i sit oir, ƒ subare

li reran de »

; M\'ra-deuen

voort-iftelijk endei), spraak

plaat s-

ssaria, \'ükio^, (1, aan loogen berigt ■ toir of . c doet. ne der .pilden, 1 ragen,

cing of • shotquot; of ,ijn om [Ier ge-

bbende gt; i resjts-•gtshof, ndisse- -anneer ■klaard.

velk de nisterie verzoek kennis-

rgene-nis van bof, de :r\\vezen t open-

R

3g, ver-,an boo-

-ocr page 120-

56 XVI. TITEL, van het ten* L\'Itv, leggen van akk., enz.

3-i3. De vervolging tot verhaal van boeten, verbeurdverklaarde voorwerpen en kosten, heeft plaats in maniere als volgt:

Indien de zank t»ij den hoogen rand, ot bij het geregtshof is beslist, of wel bij üe reglbank is aanhangig gemaakt, overeenkomstig de voorschriften van artikel 141, Ivo 1, geschiedt de ten uitvoerleggint; in naam van den ambtenaar van het openbaar ministerie, door het daartoe bevoegd bestuur

ndien de ambtenaren, bij art Hl, No. 2, aangeduid, het geding hebben aangelegd, geschiedt de ten uitvoerlegging ter requisilie van die/elfue ambtenaren.

34». Bij strafbare feiten, waarvan de kanton-regter kennis neemt, worden de boeten, verbeurdverklaitrde voorwerpen en kosten veihaald in naam van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kanton geregt, door den daartoe bevoegden ontvanger.

345 Indien, in de gevallen bij de wet voorzien, aan de be-leedilt;rde partij eene sum tot scliadevergoeding is toegelegd, geschiedt de vervolging door haar zelve.

Z£VKXTIE3ngt;i: TITEïi.

Van het beroep in cassatis.

EERSTE AFDEELING.

Van het beroep in cassatie in het algemeen.

346 Wanneer in den loop van het regtsgeding voor het geregtshof, de arrondissements-regtbank of het k.inton-geregt eenige vormen mogten zijn geschonden of nagrlaten, welke bij dit Wetboek op stralfe van nietigheid, zijn voorgeschreven, zal zoodanig verzuim of schending, op de vordering van den veroordeelde of van het openbaar ministerie, gronden opleveren tot vernietizing van het arre-t of vonnis en van hetgeen daaraan is vooraf gegaan, te rekenen van de eerste nietige akte af.

Hetzelfde zal plaats hebben, zoo wel in de gevallen van onbevoegdheid, als in geval er nagelaten of geweigerd is uit-spra k te doen. het zij op eene ol meer vorderingen van den beklaagde, hetzij op eene of meer vorderingen van het openbaar ministerie, gesirekt hebbende om geiruik te kunnen maken van eene bevoegdheid, of van een regt, hetwelk door de wet is toegekend; ofschoon ook de straf fan nietigheid niet woordelijk verbonden zij aan het nalaten der formaliteit, waarvan de uitvoering gevraagd of gevorderd wts.

Eindelijk wordt ook de cassatie toegela:en, zoo wel wegens verkeerde toepassing of schending der wet, als wegens overschrijding van regtsmagt.

347. In geval de beklaagde is vrijgesproken, op grond dat deszelfs schuld niet is bewezen, kan de «assat e van het vonnis ol arrest, doquot;r den procureur-generaal bij der. hoogen raad, alleen vervolgd worden in het belang dtr wet, zonder den vrij-gesprokene te benadeelen.

348 Indien de beklaagde van alle r;gtsvervolging is ontslagen, op grond dat het feit noch msdrijf, noch overtreding oplevert, kan de cassatie door het opiiibaar ministerie worden

-ocr page 121-

XVII. TITEL. VAN HET BEROEP IN CASSATIE 57

gevorderd, op de wijze bij de tweede afdeeling van dezen Titel voorgesclireven.

349. Indien de nietigheid berust op de veroordeeling tot eene andere straf dan die, welke bij de wet tegen het misdrijf of de overtreding is bepaald, kan de cassatie insgelijks op voorschreven wijze worden gevorderd, zoo wel door het openbaar ministerie als door den veroordeelde.

350. In het geval bij de artikels 348 en 349 voorzien, kan de beklaagde incidenteel en zonder voorafgaande aanteekening, zich in cassatie beroepen, ter zake van informaliteiten bij gelegenheid der teregtstelling begaan.

Zoodanig incidenteel verzoek wordt vooraf geinstrueerd en beslist.

Indien het vonnis of arrest te dier zake wordt vernietigd, handelt de hooge raad overeenkomstig art. 106 van de wet op de regterlijke organisatie.

Indien daarentegen de eisch tot cassatie wordt verworpen, wordt het beroep van den procureur-generaal voortgezet en beslist.

351. Wanneer de opgelegde straf dezelfde is als die der wet welke op het misdrijf of de overtreding toepasselijk is, zal üe veroordeelde de vernietiging van het arrest of vonnis niet kunnen vorderen, op grond dat er een misslag begaan is in de aanhaling van de artikelen der wet; onverminderd het regt van het openbaar ministerie om de vernietiging alleen in het belang der wet tc kunnen vorderen.

352. Wanneer de hooge raad de instructie eener zaak vernietigt, zal dezelve, indien er zeer grove misslagen mogten hebben plaats gehad, bevelen dat de kosten van het vernietigd geding komen zullen ten laste van den ambtenaar welke de nietigheid begaan heeft

353 In geenerlei strafzaken, zijn partijen ontvankelijk om in cassatie te worden toegelaten, zoo lang de gewone manier van procederen toereikende is.

TWEEDE AFDEELING Van de wijze van procederen in cassatie.

354. Het beroep in cassatie tegen voorbereidende gewijsden en tegen gewijsden van instructie of gelijksoortige vonnissen, in het hoogste ressort gewezen, zal niet openstaan dan na het eindvonnis-, de vrijwillige voldoening aan zoodanige voorbereidende gewijsden of vonnissen kan, in geen geval, worden tegengeworpen als een grond van niet ontvankelijkheid.

De bepaling van dit artikel is niet toepasselijk op de gewijsden of vonnissen over onbevoegdheid, noch over exceptien van verjaring en van gewijsde zaak.

355. De aanteekening van beroep in cassatie zal door den beklaagde of zijnen raadsman of gemagtigde, ter griffie worden gedaan, en onderteekend zoo door dengenen die de verklaring doet. als door den griffier.

Indien degene, die de verklaring doet, niet teekenen kan, zal de griffier er melding van maken.

4*

-ocr page 122-

XVII rirr.L v.w It KT ukrokp IN CASSATIF.

De verlclarinir zal in een daartoe bestemd openbaar register kosteloos worden ingeschreven, waaruit een iegelijk geregtigd is zich uittreksels te doen geven.

356. De beklaagde zal drie dagen vrij hebben, na den dag op welken bet arrest of vonnis is uitgesproken, ten einde zijne verklaring te doen. Dezelfde termijn wordt aan het openbaar ministerie toegestaan.

357. Indien bet openbaar ministerie, bij het geregtshof, de arrondissements-regtbank of het kantongeregt zich van het middel van cassatie bedient, geschiedt de aanteeker.ing op dezelfde wijze als bij het eerste en derde lid van art. 3»5 la voorgeschreven, en moet in dat geval die aanteekening aan den beklaagde worden kenbaar gemaakt in maniere als volgt:

Indien hij in verzekerde bewarin» is, wordt de aanteekening aan den zei ven, binnen drie dagen nadat dezelve heeft plaats gehad, door den griffier voorgelezen en hem daarvan afschrift gelaten.

Indien hij in vrijheid is, wordt hem de aanteekening binnen veertien dagen vanwege den ambtenaar van het openbaar ministerie betcekcnd.

lilj gebreke van de in liet eerste lid. bedoelde kennisgeving binnen den daarvoor gestelden termijn wordt, wanneer van wege den beklaagde op de teregtzitting daartoe verzoek gedaan word;, uitstel verleend, met last dat dc aanzegging alsnog geschiede.

358. De beklaagde zal, bet zij bij het doen var zijne voornoemde aanteekening, het zij binnen de tien volgende dagen, ter griffie van het hof of van de regtbank, waar het beklaagde arrest of vonnis gewezen is, een verzoekschrift kt-nnen indienen, houdende zijne middelen van cassatie.

De griffier zal hem daarvan een schriftelijk bewijs geven.

359. Indien het openbaar ministerie zich in cassatie beroept, is hetzelve op strafte van niet ontvankelijkheid verpligt cm, op dezelfde wijze en binnen denzelfden termijn, als in bet vorig artikel is vermeld, eenc memorie ter griffie van het hof, de regtbank of het kanton-geregt in te dienen, houdende zijne middelen van cassatie.

360. Onverminderd de middelen van cassatie bij de weder-zijdsche memorien vermeld, kunnen nog andere worden voorgedragen. behoudens de bevoegdheid van den hocgen raad, om aan de wederpartij, zoo daartoe gronden zijn, eenen bekwamen tijd van uitstel te verleenen.

361. Binnen drie dagen na het verloopen vfji den termijn bij art. 358 vermeld, zal de griffier, onder inventaris, welke kosteloos wordt opgemaakt, alle de stukken van het geding overzenden aan den griffier bij den hooien nad, die dezelve ter griffie zal nederleggen en daarvan dadelijk kennis geven aan den procureur-generaal bij den boogen raad.

362. De beklaagde kan het verzoekschrift of de memorie, of wel de beteekende uitgifte of afschriften van het vonnis of arrest, of afschrift van zijnen eisch tot cassatie, dadelijk aan den griffier van den boogen raad inzenden.

363 Zoodra de stukken ter griffie van den boogen raad zijn

58

-ocr page 123-

XVII. TIT! Ji. VAN HET BKROK1\' IN CASSATIE

nedergelegd, kan, zoowel de procureur-generaal als dc beklaagde of zijn advokaat daarvan inzage nemen.

864. Nadat de stukken, gedurende den tijd van aclit dagen, ter griffie hebben berust, zal de procureur generaal dezelve onmiddellijk, tegen een bewijsschrift, ligten en aan den hoogen raad inleveren.

De president zal, bij appointement eenen rapporteur benoemen, en den dag bepalen óp welken het verslag ter tcregtzit-ting zal worden Hitgebragt.

Èr zullen ten minste veertien dagen moeten verloopen tus-schen den dag van het gemeld appointement en den d»g voor de teregtzitting bepaald.

365. Binnen tweemaal vier en twintig uren na het appointement van den president, zal de griffier de stukken aan den rapporteur moeten ter bar.d stellen.

366. Zoodra de president den dag heeft bepaald, geeft hij daarvan kennis aan den procureur-generaal, welke die tijdsbepaling ten minste acht dagen vóór den dag der teregtzitting aan den beklaagde doet beteekenen.

367. Op den bepaalden dag doet de rapporteur zijn verslag, hetwelk moet behelzen een summiei voorstel der feiten, en de juiste aanduiding van de middelen van cassatie, indien en voor zoo ver die zijn voorgedragen,

368 Daarna zal de prorureur-generaal, benevens dc advokaat van den beklaagde, indien er een voor deozelven verschijnt, het woord voeren.

369. De hooge raad zal hierop in raadkamer raadplegen, en den eisch in cassatie, het zij op de aangevoerde gronden, het zij op andere gronden welke de hooge raad zelf mogt oordeelcn te bestaan, ontzeggen, of het arrest of vonnis vernietigen.

In het laatste geval handelt dezelve overeenkomstig de voorschriften en onderscheidingen in de artt. 105 en lOö van de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie voorkomende.

Het arrest zal ter openbare Leregtzitting worden uil gesproken.

370. De beklaagde, wiens veroordeeling ten gevolde van de beslissing van den Hoogen Raad geheel of gedeeltelijk stand houdt, wordt verwezen in de kosten op het beroep gevallen.

De kosten komen echter niet ten zijnen laste, wanneer de veroordeeling stand houdt ten gevolge var de verwerping van een beroep, ingesteld door het openbaar ministerie alleen.

De Hooge Raad is bevoegd de kosten van het b: roep niet of slechts voor een deel ten laste van den bek\'aagde te brengen, indien, op het beroep van het openbaar ministerie of van den beklaagde, het vonnis of arrest in het. voordeel vuu laatstgenoemde word\' gewijzigd of een beroep van het openbaar ministerie en van den beklaagde beide wordt verworpen.

Bij verwijzing der zaak naar denzelfden of eenen anderen regter, wordt de uitspraak omtrent de kosten voorin-houden tot de eindbe-Klissing.

371. De beklaagde welke in verzekerde bewaring is. en die, ten gevolge van de vernietiging van het arrest of vonnis eene nieuwe teregtstelling moet ondergaan, wordt in dien ftaat aan

59

-ocr page 124-

60 XVII. TITEL, van hkt bkrokp in cassatie.

den bevoegden ambtenaar van liet openbaar ministerie overgeleverd.

372. Wanneer een eiseli tot cassatie ontzegd is, zal de partij die dcnzclven had gedaan, onder geen voorwendsel hoegenaamd, of op welke wijze ook, eenige verdere voorziening tot cassatie tegen hetzelfde arrest, of vonnis kunnen aanwenden.

87S. liet arrest, waarbij een eisch tot cassatie ontzegd is, zal binnen drie dagen, bij een eenvoudig uittreksel, door den griffier onderteekend, en door den president gewaarmerkt, worden uitgegeven aan den procureur-generaal bij den hoogcn raad, en door dezen worden verzonden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het hof of de regtbank, welke het beklaagde arrest of vonnis heeft gewezen

874. Indien bij het vonnis of arrest van veroordeeling meerdere medebeklaagden zijn veroordeeld, en slechts één of eenigen hunner, zich in cassatie hebben beroepen, zal, ia geval van vernietiging van de uilspraak, zulks ten aanzien van allen gelden.

De beklaagde die niet in cassatie is opgekomen, kan echter bij een nieuw arrest, tot geene zwaardere straf worden veroordeeld, dan diegene, waartoe hij bevorens verwezen was.

ACHTTIENDE TIT EI..

Van de opschorting en vernietiging van arresten en vonnissen, uit hoofde van bepaalde omstandigheden.

875. De arresten of vonnissen, waarbij iemand lot straf is veroordeeld, kunnen, zelfs in het geval dat het verzoek om cassatie is afgewezen, door den hoogen raad, het zij ter requisitie van den procureur-generaal bij dat kollegie, of op een verzoekschrift van den veroordeelde, worden geschorst en zelfs vernietigd, in de drie volgende gevallen:

1°. Indien twee of meer beklaagden bij onderscheidene arresten of vonnissen als daders van hetzelfde strafbare feit zijn veroordeeld, en die arresten niet zijn overeen te brengen, maar het bewijs van onschuld van den eenen of den anderen der veroordeelden medebrengen;

2°. Indien, na de veroordeeling wegens moord, doodslag of eenig misdrijf met doodelijk gevolg, er stukken worden te berde gebragt, waaruit aanvankelijk genoegzaam blijkt dat de persoon, wiens vooronderstelde dood aanleiding tot de veroordeeling heeft gegeven of bij de bepaling der straf in aanmerking is genomen, nog in leven is;

8°. Indien, na de veroordeeling van eenen beklaagde, om welk strafbaar feit ook, een of meer getuigen, welke te zijnen laste getuigenis hebben afgelegd, ter zake van meineed in dat geding, in regten worden betrokken.

376. In het geval bij Mgt;. 1 van het vorige artikel vermeld, zal de hooge raad, na onderzo k, de beide gewijsden of vonnissen vernietigen, tn de beklaagden verzenden naar een der arrondissements-regtbanken, welke van het strafbare feit, aan de beklaagden ten last\'; gelegd, gecne kennis hoegenaamd ge

X

nome zoeke:

377 zal d(

^ schor; lijk c van ( vonni welke sing : ling procu voor

378 hooge vonni de bt

Ine bevel\' klaag Wa , wordi \' of vt 1 zaak van c meint lie

* het t ! 87i I defin i mogt diens J stelle j word 1 lm a daart •1 derze beno( I raad ;l veroo

S8( gen s

♦ op al 88: van j ten i

4

-ocr page 125-

Xvlll. TITEL. VAN DE OPSCnORTIXG VAN VONNISSEN ENZ. 61 nomen heeft, en zulks ten einde de zaak op nieuw te onderzoeken en daarin re^t te doen

377. In het geval bij No. 2 van art. 375 hier boven vermeld, zal de hooge raad de ten uitvoerlegging van het ai rest of vonnis schorsen, en eene regtbank benoemen en mngtigen, om ^rere^\'te-lijk onderzoek en uitspraak te doen wegens de eenzelvigheid van den persoon, en om uaarna de stukken, henevens het vonnis deswege te vellen, aan den hoogen raad in te zenden, welke laatstgenoemde alsdan, naar bevind van zaken, de schorsing zal intrekken, of wel het arrest of vonnis van veroordeeling zal te niet doen, en tevens op bet requisitoir van den procureur-generaal een nader onderzoek der zaak zal bevelen, voor zoo verre daartoe gronden zouden moj;en zijn.

378 In het geval bij No. 3 van art. 37\' vermeld, zal de hooge raad insgelijks de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis van veroordeeling si-horsen, tot dat. over de schuld van de beklaagde jjetuigen zal /.ijn uitspraa* gedaan

Indien de getuigen worden vrijgesproken, zal de hooge raad bevelen, dat het oorspronkelijk arrest of vonnis, tegen de beklaagden gewezen, worde ten uitvoer gelegd.

Wanneer de getuigen daarentegen Ter zake van meineed worden veroordeeld, zal de hooge raad het oorspronkelijk arrest of vonnis, tegen den beklaagde gewezen, vernietigen, en de zaak naar eene arrondissenients regtbank verzenden, welke noch van de oorspronkelijke zaak, noch van die, betrekkelijk tot den meineed, kennis he: ft genomen

lie getuigen, die wegens meineed zijn veroordeeld, zullen in het nieuw onderzoek niet mogen gehoord worden

379. Indien in een der gevallen bij art. 3/5 vermeld, na den definitieven alloop der zaak, van de onschuld van eenen persoon mogt blijken, welke reeds zijne straf heeft onderg\'ian, zal, op diens verzoek, de hooge raad den veroordeelde in zijne eer heratellen hij een arrest, hetwelk ten koste van den staat zal worden afgekondigd

Indien de veroordeelde mogt zijn overleden, zal het verzoek daartoe door eenen zijner nabestamden, of, bij het ontbreken derzeive, door eenen curator ad hoe, door den hoogen raad te benoemen, mogen gedaan worden, en zal, in dat geval, de hooge raad de nagedachtenis van üen overledene ontlasten van de veroordeeling welke tegen hem was uitgesproken.

NEGEXTIEXOE TITEL..

quot;Van gevangenissen.

380. De hoofden van alle gevangenissen en rijkswerkinrigtin-gen zijn verpligt een register te houden

Dat register zal op de eerste en laatste bladzijde door den president van de arrondisseuients-regtbank get eekend en voorts op alle and.\'re bladen door hem gewaarmerkt zijn.

381. Elk, die een bevel van voorloopige aanhouding, een bevel van gevangenneming, of een arrest of vonnis van veroordeeling ten uitvoer legt, moet bij de overlevering van den persoon aan

-ocr page 126-

XIX. TITEL, van gevangenissen.

het hoofd van het gesticht, door dezen op deszelfs registers doen inschrijven:

1°. J\'en voornaam, naam, het beroep en zoo mogelijk de geboorteplaats en de woonplaats van den gearresteerde;

2°. J\'e opgave van het regterlijk kollegie of van den ambtenaar welke de aanhouding of de in gevangenisstelling heeft bevolen;

8°. De dagteekening van het bevel, vonnis of arrest:

4°. Di n dag der overlevering; en

5°. Bij veroordeeling, den tijd der straf.

Deze inschrijving wordt door hem benevens het hoofd van het gest dit geteekend.

Het hoofd van het gesticht stelt hem een uittreksel uit zijn register tot zijne ontlasting ter hand.

Hij is eindelijk verpligt het bevel, vonnis of arrest aan liet hoofd van het gesticht te vertoonen.

382. Geen hooid van eene gevangenis of rijkswerkinrigting mag iemand in het gesticht innemen of houden dan uit krachte van een bevel daartoe door de bevoegde magt verleend, of van een vonnis of arrest, en zonder dat zoodanig bevel, vonnis of arrest, in voetfC voormeld in zijn register is ingeschreven.

383. Op het bovengemeld register zal insgelijks door het hoofd van het gesticht, ter zijde der akte vgt; n overneming, worden aangeteekend de dag van het vertrek van den gevangene of verpleegde, alsmede het bevelschrift, arrest of vonnis, uit kracht van hetwelk hij vertrokken is.

384. Gedurende de instructie eener strafzaak is de regter-rommissaris, of, in de gevallen waarin de instructie door een raadsheer-commissaris geschiedt, deze bevoegd in de gevangenis ten opzigie van den beklaagde zoodanige bevelen te geven als hij in het belang der instructie noodige acht.

Indien nogtans door den procureur-generaal of officier van justitie, of ook door den regter-commissaris of raadsheer-commissaris, noodzakelijk mogt worden geacht dat een gevangene, na den dag zijner gevangenneming, langer dan zes dagen buiten toegang behoorde te worden gehouden, zal de voortduring daarvan geen plaats mogen hebben, dan uit kracht van een bevel van den hoogen raad, van het hof, of van de regtbank.

385 De hooge raad, de hoven en de arrondissements reet-banken zijn verpligt om de gevangenissen en rijkswerkinrigtin-gen van tijd tot tijd door commissarissen uit hun midden te doen bezigtigen, ten einde voor de nakoming van de voorschriften van dezen en den volgenden titel te zorgen.

Dezelfde verpligting rust op den procureur-generaal en de otticieren van justitie bij die collegien.

TWINTIGSTE TITEL..

Van de middelen om de persoonlijke vrijheid te

verzekeren tegen onwettige gevangenhouding of andere willekeurige handel ngen.

38G Wanneer, in het geval van art. 152 van de grondwet, het politiek gezag een ingezeten des rijks mogt hebben doen

62

-ocr page 127-

XX TITEL. VAV VEBZEK DER PERSOONL. VRIJHEID , ENZ, 63

arresteren, zal onverminderd de verpligting, in zoodanig geval, aan het politiek gezag, hetwelk de aanhouding bevolen beeft, opgelegd, degene in wiens bewaring zoodanig ingezeten is overgeleverd, gehouden zijn daarvan onmiddellijk kennis te geven aan het geregtshof, mitsgaders aan de arrondissements-regtbank.

387- Indien het politiek gezag niet heeft nagekomen de ver-pligtingen welke bij het voorgaand artikel der grondwet zijn voorgeschreven, zul het hof of de regtbank, na verhoor van den procureur-ïeneraal of van den officier van justitie, bevelen dat. de gearresteerde worde in vrijheid gesteld.

3ö8 Indien het politiek ge\'ag vo daan heeft aan het \\ oor schrift van art 153 der grondwet, zal ten aanzien van den gearresteerde gehandeld worden overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek.

389 Een ieder die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt in eene pla-its, die niet wettig bestemd is om tot gevangenis te dienen, is gehouden daarvan kennis te geven aan den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank, of aan den procureur-generaal bij het geregtshof.

890. Deze ambtenaren zijn verpligt, het zij van ambtswege, het zij op daarvan bekomen berigt, zich terstond naar de plaats te begeven, en den gevangen gehou en persoon in vrijheid te doen stellen, of, zoo er eene wettige reden van aanhouding gegeven wordt, denzelven dadelijk voor dei bevoegden regter te doen brengen.

Zij zullen van dat alles een behoorlijk proces-verbaal opmaken.

EEN EX TWIXTICSSTE TITEL..

Van het bewijs der strafbare feiten.

E KUSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

391. ^Niemand kan wegens misdrijf of overtreding veroordeeld worden, tenzij de re/ter, door wettige bewijsmiddelen, de overtuiging hebbe bekomen, dat een strafbaar feit werkelijk heeft plaats gehad, en dat de beklaagde daaraan schuldig is

Op Idoote vermoedens of onvolkomen bewijs mag niemand veroordeeld worden.

392 Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:

1°. Bewijs door getuigen;

2°. Schriftelijke bescheiden;

3°. Bekentenis;

4°. Aanwijzingen.

393. De/.e bewijsmiddelen kunnen, zoo wel op zich zelve afzonderlijk, als onderling vereenigd, tot daarstelling van reg-terlijke overtuiging dienen, voor zoo verre zij met de hierna volgende voorschriften overeenkomen.

394. Alle soort van bewijsmiddelen kan door tegenbewijs worden ontzenuwd.

395. Geenerlei bewijsmiddel zal ter veroordeeling van eenen beklaagde verpligtend zijn, wanneer de regter niet volkomen

-7

-ocr page 128-

64 XXI. TITEL, van het bewijs der strafbare feiten. overtuigd is dat deze het hem ten laste gelegde strafbaar feit waarlijk heeft begaan of daaraan medepligtig is.

TWEED K AF DE KLING.

Van bewijs door getuigen,

396. Tot het geven van getuigenis in strafzaken zijn allen bevoegd, die daarvan niet ziju uitgesloten bij de artt. 162, 164 en 165 van dit Wetboek.

397. 1\'e aizonderlijke getuigenis van eenen enkelen getuige kan niet als wettelijk bewijs gelden.

Echter kunnen atzonderlijkc en op zich zelve staande getuigenissen omtrent onderscheidene leiten als wettelijk bewijs gelden, wanneer zij door hunnen zamenloop en hun verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak.

De beoordeeling hiervan wordt aan de voorzigtigheid van den regter overgelaten.

398 Iedere afgelegde getuigenis moet loopen over feiten welke de getuige zelf gehoord, g. zien olquot; ondervonden heeft, en moeien daarbij tevens uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.

Bijiondere meenuigen of gissingen, bij redenering opgemaakt, zijn geene fjetuijienissen.

»99. In de beoordeeling der waarde van de getuigenis, moet de refter bijzonder acht geven op de onderlinge ovireenstem-ming der getuigen: op de overeenstemming der getuigenissen met hetgeen van elders aangaande de zaak en liet geding bekend is; op de beweegredenen welke de getuigen kunnen hebben gehad om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen; op de levenswijze, de zeden en den stand uer getuigen; cn, in het algemeen, op alles wat op derzelver meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zoude kunnen hebben.

Di-RDE AFDEELiNG.

Van schriftelijke bescheiden.

400. De voorschriften omtrent de kracht van bewijs van openbare en bijzondere schriftelijke bescheiden in burgerlijke zaken, moeten ook ten aanzien van het bewijs in strafzaken in acht genomen worden.

401. De wrklaringen, verbalen of relazen van hen, die in eenige openbare posten, ambten of bedieningen gesteld zijn, moeten, om als schriftelijke bescheiden te gelden, door hen afgelegd zijn op den eed bij den aanvang hunner bediening gedaan, of wel daarna met eede bevestigd worden

402. De rapporten van deskundigen, van ambtswege benoemd om over de bijzonderheden of gesteldheid eener zaak li an oordeel en hunne bevinding te verklaren, kunnen alleen dienen om tot des regters inlichting te verstrekken.

VIERDE AFDEELING.

Van bekentenis.

403. Eene bekentenis, door den beklaagde voor den regter afgelegd, dat hij hei aan hem ten laste gelegde feit heeft ge-

-ocr page 129-

XXI. TITEL. VAN HKT BKWIJS DKR STRAFBAKE FKMEN. 65

pleegd, en vergezeld van eene bepaalde en naauwkeume op-fave van omstandighetien, welke ook, lietzij uit eene verKlnnng vHii den persoon tegen wien het feit is gepleegd, of uit andere bewijsmiddelen, bekend zijn, en dajirmede overeenstemmen, van een volledig bewijs van schuld opleveren.

404. Een bloote bekentenis van schuld, door geenerlei in het gediug bekende omstandigheden gevest,ilt;id, is nimmer ge-nuegzaam om een wettelijk bewijs daar te stellen.

405. De herroeping eener «jeregtelijke bekentenis van scliu^d maakt dezelve niet krachteloos, tenzij die herroeping op aannemelijke redenen gegrond zij.

VIJFDE AFDEELING.

Van aanwijzingen.

406. Door aanwijzingen worden verstaan daadzaken, gebeurtenissen of omstandigheden, welker bestaan en overeenstemming, zoo onderling, als met het ten laste gelegde feit zelf, klaarblijkelijk aantoonen uat er een strafbaar feit gepleegd is, en wie hetzelve bedreven heeft.

407. Het bestaan dezer aanwijzingen kan niet anders worden, bewezen dan :

1°. Door getuigen;

2°. Door schriftelijke bescheiden;

3°. Door persoonlijk onderzoek of bezigtiging, by den regter gedaan ;

4°. Door eigen erkentenis van den beklaagde, zelfs buiten het geregt gedaan.

408. De beoordeeling der kracht van bewijs welke aanwijzingen in elk bijzonder geval hebben, wordt aan de bescheidenheid des regters overgeladen. Deszelfs geweten wordt op het ernstigste belast met de inachtneming van de alleruiterste zorgvuldigheid en naauwkeurigheid in dat onderzoek.

ZESDE AFDEELttG.

Van de kracht van onbeëedigde verklaringen.

409 In de gevallen waarin de wet toelaat personen te hoorpn die onbevoegd zijn om ais getuigen op te treden, zal derzelver verklaring alleen rils toelichting mogen worden aangemerkt.

De regter zal alzoo geen volkomen geloof mosen hechten aa.u hetgeen zoodanige onbevoegde getuigen verklaren te hebben gehoord, gezien en ondervonden, al ware zulks met redenen van wetenschap bekleed, maar hunne verklaringen hlleen doen strekken om bekend te •■vorden met. en op hei spoor te geraken van daadzaken, welke van elders kunnen blijken of bevestigd worden.

-ocr page 130-

66 XXII. TITEL, van hkt ophoudkn van vkrv. enz.

TWEE EX TWINTIOSTE TITEE.

Van het ophouden en te niet Kaan van vervolgingen en straffen.

EERSTE AFDEELING.

Van den dood of de zinneloosheid der verdachten, beklaagden of veroordeelden.

410. Pe bepaling van art 69 van het Wetboek van Strafregt lijdt uitzondering voor zooveel aangaat het verhaal van boete of van verbeurte van bepaalde voorwerpen in znke van landelijke, plaatselijke en andere openbare belastingen, alles volgens de bepalingen en ondtrscheiuingen in artt. 411, 1IJ}, 413 en 414 voorkomende.

411. Tndien in het geval van het vortee artikel, het geding nog niet aanhangig is gemaakt, wordt hetzelve, voor zoo veel die boeten en verbeurdverklaringen betreft, dcor de ambtenaren bij art. 141, No. 2, vermeld, of door het openbaar ministerie, tegen de erfgenamen van den dader of diens vertegenwoordigers aangelegd en vervolgd bij denzelfden regter en op dezelfde wijze, als tegen den overledene zou hebben plaats gehad, indien deze alleen boete of verbeurdverklaring, of beide, zouc.e hebben beloopen.

412. Indien de vervolging reeds vóór het overlijden van den dader was aangevangen, zal zij teg» n de erfget.amen of vertegenwoordigers worden voortgezet, door eene dagvaarding in den vorm en binnen de termijnen in burgerlijke zaken voorgeschreven, strekkende ten einde het regtsgeding te hervatten, en, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering op dat stuk, volgens de laatste gedingstukken voort te zetten op de wijze als in strafzaken van dien aard gebruikelijk is.

413. Indien de strafzaak reeds in het hoogste ïessort is beslist, doch de termijn tot cassatie nog nitt is verloopen, of een beroep in cassatie aanhangig is, wordt op dezelfde wijze gehandeld als in het vorige artikel is voorgeschreven.

414 Indien in de gevallen bij de twee vorige artikelen voorzien, de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene belang hebben bij de afdoening van het geding, kunnen zij hetzelve hervatten, door middel van eene verklaring aan den ambtenaar, welke de vordering heeft ii gesteld, beteckend; en zal in dat geval de zaak tot het uiteinde worden voortgezet volgens de laatste gedii gstukken, overeenkomstig het bepaalde bij art 412.

Indien het geding vóór het overlijden van den dader nog niet was aangevangen, kannen de erfgenamen of vertegtmvoordi-gers van den overledene ala aanleggers optreden, wanneer eenig voorwerp mogt zijn in beslag genomen.

415. Indien een persoon na het plegen der daad, welke tot strafvordering kan aanleiding geven, is krankzinnig teworden^ en die staat wordt erkend door den regter welke van het strafbaar feit moet kennis nemen, wordt de strafvordering geschorst

-ocr page 131-

XXII. TITEL. VAN «ET OPHOUDEN VAN VEEV., ENZ. 67 tot nu het herstel van den beklaagde; alles behoudens de bepalingen en onderscheidingen in artt. 416 en 417 voorkomende.

416. De vordering tot boete en verbeurdverklaring, bij art. 410 vermeld, kan, indien de beklaagde is onder curatele gesteld, tegen den curator, of anderzins tegen eenen curator ml hoe worden aangevangen of voortgezet, op dezelfde wijze, als bij vorenstaande artikelen, ten aanzien van erfgenamen of vertegenwoordigers van eenen overledene, is voorgeschreven.

417- De curator heeft, van zijne zijde, dezelfde bevoegdheid tot het aanvangen of doen voortzetten van het geding, als bij het tweede lid van art. 414 aan de erfgenamen of vertegenwoordigers is toegekend.

418, Indien in de gevallen bij art. 410 vermeld de dader is overleden, nadat de veroordeeling tot straf kracht van gewijsde heeft bekomen, worden alle boeten en verbeurdverklaringen, mitsgaders de kosten, o:) Ue erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene verhaald.

Bij krankzinnigheid wordt in dat geval tegen den curator gehandeld, \'onverminderd de uitvoering der andere straften tegen den veroordeelde, zoodra hij hersteld is.

TWEEDE AFDEELING.

Van verjaring.

419. De ambtenaren van het openbaar ministerie en de regters geven ambtshalve acht op de verjaring, al ware het dat zij niet door de beklaagde wordt ingeroepen.

-ocr page 132-
-ocr page 133-

WETBOEK

VAN

STRAFRECHT.

-ocr page 134-

Omvs Strafl Uitsl Pogii Deeli Sami Indii op Ver\\ Bete di

-ocr page 135-

I IDT IK O TJ ID.

EERSTE BOïK AIGEMEEgt;E BEPALINGEN.

Bladz.

Omvang van de werking der Strafwet........1

Straffen..........r,\' * i\'-V quot;

EHtsluiting, vermindering en verhooging der strafbaavlieicl

Poging...................

deelneming aan strafbare feiten.........

Samenloop van strafbare feiten. . . . • • • • • • • Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen

op klachte vervolgbaar.........• • •

Verval van het recht tot strafvordering en van de strat Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uit drukkingen...............

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN.

Misdrijven tegen de veiligheid van den staat.....14

Misdrijven tegen de koninklijke waardigheid. . . . . , 16 Misdrijven tegen hoofden en vertegenwoordigers van bevriende staten...... • . • \' • * \' /. quot;

Misdrijven betreffende de uiloefening van staatsplicnten

en staatsrechten ..............^

Misdrijven tegen de openbare orde.........J»

Tweegevecht............ ......

Misdrijven waardoor de algemeene veiligheid van personen

of goederen wordt in gevaar gebracht.......24

Misdrijven tegen het openbaar gezag........^7

Meineed...................oi

Muntmisdrijven................

Valschheid in zegels en merken..........öö

Valschheid in geschriften.............

Misdrijven tegen den burgerlijken staat.......™

Misdrijven tegen de zeden............£7

Verlating van hulpbehoevenden..........^

Beleediging ..................

Schending van geheimen.....-.......^9

Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid.......^

Misdrijven tegen het leven gericht.........

13

17

-ocr page 136-

INHOUD

Bladz. i

Mishandeling.................45 1

Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door

schuld...................46

Diefstal en strooperij..............47

Afpersing en afdreiging.............48

Verduistering.................49

Bedrog...................49 ■

Benadeeling van schuldeischers of rechthebbenden ... 51

Vernieling of beschadiging van goederen.......54

Ambtsmisdrijven................54

Scheepvaartmisdrijven..............59 .

Begunstiging.................6i

Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende

titels gemeen . . . .......................64-

DERDE BOEK OVERTREDING EIS.

Overtreding betrelfende de algemeene veiligheid van personen en goederen..............65

Overtredingen betreffende de openbare orde......67

Overtredingen betreffende het openbaar gezag.....69

Overtredingen betreffende den burgerlijken staat .... 70

Overtreding betreffende hulpbehoevenden.......70

Overtredingen betreffende de /.eden ........70

Overtredingen betreffende de veldpolitie.......72

Ambtsovertredingen...............72

Scheepvaartovertredingen.............73

Wet, houdende bepalingen tot uitvoering van de artikelen

88 en 39 van het Wetboek van Strafrecht ..... 75 Wet, houdende bepalingen, regelende het in werking treden van het va-tgestelde Wetboek van Strafrecht en den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, alsmede om overeenstemming te brengen tussehen de bestaande wetten en het nieuwe wetboek .... 78

-ocr page 137-

WETBOEK

VAN

STRAFRECHT.

EERSTE BOEK.

Algemeene bepalingen.

EERSTE TITEL.

Omvang van de werking der at ra f wet Artikel I.

Geen feit ia strafbaar dan uit kracht van eene daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

Bij verandering in de wetgevinjr na het tijdstip waarop bet feit begaan ia, worden de voor den verdachte gunstigste bepalingen toegepast.

2. De Nederlandecbe strafwet is toepasselijk op ieder die zich binnen het rijk in Europa aan eenig strafbaar feit schuldig maakt.

3. De Nederlandscbe strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten bet rijk in Europa aan boord van een Nederlandsch vaartuig aan eenig strafbaar feit schuldig maakt.

4 De Nederlandscbe strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt:

1°. aan een der in de artikelen 92—96, 105 en 108—110 omschreven misdrijven;

2°. aan eenig misdrijf ten opzichte van njksmuntspeciën, rijksmuntpapier, of van rijkswege uitgegeven zegels of merken;

3°. aan valschheid hetzy in schuldbrieven of certificaten van schuld van den Nederlandscben staat of van eene Nederlandscbe provincie, gemeente of openbare instelling, hetzij

STRAFRECHT. 1

-ocr page 138-

2 BOEK I. OMVANG VAN DE WERKING DEE STEAFWET.

in de tot een dezer stukken behoorende talons, dividend-of rentebewijzen, of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven, of aan liet opzettelijk gebruik maken van eenig der bier vermelde gescbriften:

4°. aan een der in de artikelen 381, 383 en 385 omschreven misdrijven,

5. De Kederlandsebe strafwet is toepasselijk op den Neder

lander die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt: 1°. aan een der misdrijven omschreven in de Titels 1 en II van het Tweede Boek en in de artikelen 206. 237. 38S en 389.

2°. aan een feit hetwelk door de Nederlandeche strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land. waar het begaan is, straf is gesteld quot;e vervolging kan ook plaats hebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit Nederlander wordt.

6. De Isederlandsche strafwet is toepasselijk op den Neder-landschen ambtenaar die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in Titel XXVIII van het Tweede Boek.

7. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op den schipper en de opvarenden van een Nederlandsch vaartuig, die zich buiten het rijk in Europa, ook buiten boord, schuldig maken aan een der strafbare feiten omschreven in Titel XX^X van het Tweede Boek en Titel IX van het Derde Boek.

8. De toepasselijkheid der artikelen 2—7 wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend.

TWEEDE TITEL.

Straffen.

9. De straffen zijn:

a hoofdstraffen:

1 0. gevangenisstraf.

2°. hechtenis.

3°. geldboete.

/j bijkomende straffen:

1°. ontzetting van bepaalde rechten,

2°. plaatsing in eene rijkswerkinrichting,

3°. verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen,

4°. openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

10. De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.

De duur der tijdelijke gevangenisstraf is ten minste ten dag en ten hoogste vijftien achtereenvolgende jaren.

Zij kan voor ten hoogste twintig achtereenvolgende jaren worden opge\'egd in de gevalle» waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van den rechter zijn geamp;teld. en in die waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrrf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van vijftien jaren wordt overschreden.

Zij kan in geen geval den tijd van twintig jaren te boven gaan.

11. Gevangenisstraf van vijf jaren of minder wordt geheel,

-ocr page 139-

TITEL n. STEAFFEN. lt;i

gevangenisstraf van langeren duur gedurende de vijf eerste jaren in afzondering ondergaan.

In geval van veroordeeling tot gevangenisstraf van langeren duur dan van vijfjaren, kan liet hoofd van het Departement van Justitie, op verzoek van den veroordeelde, hem vergunnen zijnen verderen straftijd geheel of ten deeie in afzondering door tc brengen.

12. De afzonderlijke opsluiting wordt niet toegepast:

1°. op hen die tijdens hunne veroordeeling den leeftijd van veertien jaren nog niet hebben bereikt;

2°. op gevangenen hoven den leeftijd van zestig jaren, tenzij op eigen verzoek;

3°. op gevangenen die daarvoor na geneeskundig onderzoek ongeschikt blijken te zijn.

13. De gevangenen die hunne straf in gemeenschap ondergaan worden verdeeld in klassen.

14. De gevangene is verplicht tot het verrichten van den hem opgedragen arbeid, overeenkomstig de voorschriften ter uitvoering van artikel 22 gegeven.

15. De tot gevangenisstraf veroordeelde kan, wanneer hy drie vierden van straftijd en tevens ten minste drie jaren in de gevangenis heeft doorgebracht, voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.

Deze invrijheidstelling is te allen tijde herroepbaar ingeval de veroordeelde zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaarden.

De tijd verloopen tusschen de invrijheidstelling en het besluit van herroeping wordt niet in rekening gebracht op den duur der straf.

De gevangene wiens invrijheidstelling is herroepen, kan niet opnieuw voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.

De gevangenisstraf wordt geacht geheel te zijn ondergaan, indien zonder herroeping de straftijd ia verstreken.

16. De besluiten van voorwaardelijke invrijheidstelling en die van herroeping worden genomen door het hoofd van het Departement van lustitie, de eerste op voorstel of na ingewonnen bericht van het bestuur der gevangenis.

De aanhouding van den voorwaardelijk in vrijheid gestelde, die zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaarden, kan in het belang der openbare orde worden bevolen door liet hoofd van de gemeentepolitie ter plaatse waar hij zich bevindt of door den officier van justitie van het arrondissement waartoe die plaats behoort, onder verplichting om daarvan onverwijld kennis te geven aan het Departement van Justitie.

Volgt daarna de herroeping, dan wordt zij geaeht bevolen te zijn op den dag der aanhouding.

17. Het formulier der verlofpassen en de verdere voorschriften ter uitvoering van de artikelen 15 en 16 worden vastgesteld hij algemeenen maatregel van inwendig bestuur.

18. De duur der hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste een jaar.

Zij kan voor ten hoogste een jaar en vier maanden worden

-ocr page 140-

T

I

4 BOEK I. STRAFFEN. , ,

ue c

opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhoofdng ter zake dere

van samenloop van misdrijven, herhaling van misdryf of het de gi

bepaalde bij artikel 44, de tyd van één jaar wordt overschreden. nj8 £

Zij kan in geen geval den tijd van een jaar en vier maanden 25,

te boven gaan. \' van i

19. Behoudens de bepaling van artikel 25, worden hechtenis (ie u en gevangenisstraf niet in hetzelfde gesticht ondergaan. hech

Den veroordeelde wordt, op zijn verzoek, vergund de hechte- gestii

nis in afzondering te ondergaan. ande:

Artikel 12 is van toepassing op de hechtenis. 26.

20. De tot hechtenis veroordeelde houdt zich bezig met zoo- der t danigen arbeid als hij verkiest, behoudens de voorschriften van eike orde en tucht ter uitvoering van artikel 22 gegeven. 27

Over de opbrengst van zijn arbeid heeft hij de vrije beschikking. tijd)

Wanneer hij in gebreke blijft zich met eenigen arbeid bezig uitsp

te houden, kan hij onderworpen worden aan de bepaling van (ie u

artikel 14. hecht

21. De duur der tydelijke gevangenisstraf en der hechtenis derin wordt in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, derdi maanden en jaren, niet in gedeelten daarvan. De

32. De wet wijst de gestichten aan waar hetzij gevangenis- gelijt

straf, hetzij hechtenis wordt ondergaan. word

De inrichting en het beheer dezer gestichten, de verdeeling de ve

der gevangenen in klassen, de arbeid, de bestemmirg van de 28.

opbrengst van den verplichten arbeid, het onderwijs, de gods- paald

dienstoefeningen en de tucht worden, naar beginselen bij de jo

wet te stellen, geregeld bij algemeenen maatregel van nwendig ^ go

bestuur 30

Huishoudelijke reglementen voor elk gesticht worden door

de besturen ontworpen en door den Koning vastgesteld. 40

23. Het bedrag der geldboete is ten minste vijftig cents. Bij veroordeeling tot geldboete wordt die boete, bij gebreke

van betaling binnen twee maanden na den dag waarop de 50 rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, vervangen

door hechtenis. 6°

De duur dezer hechtenis is ten minste een dag en ten Qn hoogste zoovele dagen als het maximum der bedreigde geld-

boete vijftallen guldens bevat, of, indien dit maximum negen van i

honderd gulden te boven gaat, zes maanden. ten c

Die duur wordt in de rechterlijke uitspraak in tiier voege alleer

bepaald dat niet meer dan een dag voor eiken halven gulden 09.

der opgelegde boete in de plaats treedt. te bt

De hechtenis kan voor ten hoogste acht maand3n worden halve

opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhaoging ter uitgei

zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of wegei

het bepaalde bij artikel 44, de som van negen honderd gulden ambts

wordt overschreden. gelegj

Zij kan in geen geval den tijd van acht maanden te boven gaan. 39

24. I\'e veroordeelde kan de hechtenis ondergaan, zonder den^ tt termijn van betaling af te wachten. zoowe

Hij is altijd bevoegd zich van de hechtenis te bevrijden door de g€

betaling van de boete. sprok Nadat de uitvoering der hechtenis is aangevangen, bevrijdt

-ocr page 141-

TITEL 11. STKAFFEN. 5

de betaling van een evenredig gedeelte der boete van de verdere uitvoering; dat gedeelte staat in dezelfde verhouding tot de geheele boete als het nog overblijvend gedeelte der hechte-nia staat tot den geheelen duur der hechtenis.

25. Bevindt de veroordeelde, die hechtenis ter vervanging van de boete moet ondergaan, zich in een gesticht, bestemd tot de uitvoering van gevangenisstraf, dan kan op zijn verzoek de hechtenis terstond na het eindigen der gevangenisstraf in dat gesticht worden ondergaan, zonder daardoor van aard te veranderen

26. De gevangenisstraf en de hechtenis gaan in op den dag der tenuitvoerlesging van de rechterlijke uitspraak, voor zooveel elke dezer straffen betreft.

27. Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaald dat de tijd, door den veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van die uitspraak voorloopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de bem opgelegde tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of geldboete geheel of gedeeltelijk zal worden in mindering gebracht; wat de geldboete betreft volgens den in het derde lid van artikel 24 bepaalden maatstaf.

De bepaling van dit artikel is ook toepasselijk ingeval, bij gelijktijdige vervolging wepens meerdere feiten, de veroordeeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan waarvoor de veroordeelde zich voorloopig in verzekerde bewaring bevindt.

28. De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:

1°. het bekleeden van ambten of van bepaalde ambten;

9°. het dienen bij de gewapende macht;

3°. het kiezen en de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;

4°. het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder en het zijn van voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator over anderen dan eigen kinderen;

5°. de vaderlijke macht, de voogdij en de curateele over eigen kinderen;

6°. de uitoefening van bepaalde beroepen.

Ontzetting van leden der rechterlijke macht, die hetzij voor hun leven, hetz\'j voor een bepaalden tijd zijn aangesteld, of van andere voor hun leven aangestelde ambtenaren, geschiedt, ten opzichte van het ambt waartoe zij aldus zijn aangesteld, alleen in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald.

29. Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden en bij de gewapende, macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling we trens eenig ambtsmisdrijf of wegens eenig misdrijf waardoor de schuldige een bijzonderen ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.

30. Ontzetting van de vaderlijke macht en van de voogdij, de toeziende voogdij, de curateele en de toeziende curateele, zoowel over eigen kinderen als over anderen, kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling van;

-ocr page 142-

6 BOEK I, STEAÏTEN.

1°. ouders of voogden die opzettelijk met t m aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig mLarijf deelnemen;

2°. ouders of voogden die tegen een aan iiun gezag onderworpen minderjarige eenig misurijf plegen, omschreven in de Titels XIII, XIV, XV, XVIII, XIX en XX van liet Tweede Boek.

81, Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter den duur als volgt:

1°. hij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven-,

2°. hij veroordeeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechten s, voor een tijd den duur der hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijfjaren te hoven gaande.

8°. hij veroordeeling tot geldboete, voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijfjaren.

De straf gaat in op den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.

82. In de hij de wet bepaalde gevallen kan de rechter gelasten, dat de veroordeelde in eene rijkswerkinrichting worde geplaatst voor ten minste drie maanden en ten hoojjsfe drie jaren.

De bepalingen der artikelen 14, 21 en 22 zijn toepass-lijk op Je straf van plaatsing in eene rijkswerkinrichting.

De straf gaat in op den das waarop de hoofdstraf eindigt.

88 Voorwerpen den veroordeelde toehehoorende, docr middel van misdrijf verkregen of waarmede misdrijf opzettelijk is gepleegd, kunnen worden verbeurdverklaard.

Bij veroordeeling wegens misdrijf, niet opzettelijk geplee-jd, of wegens overtreding, kan gelijke verbeurdverklaring worden uitgesproken in de bij de wet bepaalde gevallen.

84. Verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen wordt, ingeval die voorwerpen niet worden uitgeleverd of het geldelijk bedrasr waarop zij bij de uitspraak geschat worden, niet wordt betaald binnen twee maanden na den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, vet-vangen door hechtenis

De duur dezer hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste zes maanden.

Die duur wordt in de rechterlijke ui spraak in dier voege bepaald, dat niet meer dan een dag voor eiken halven gulden van het in het eerste lid bedoeld geldelijk bedrag in de plaats treedt

Op deze hechtenis zijn de artikelen 24 en 25 van toepassing.

Ook de uitlevering van de voorwerpen bevrijdt van de hechtenis.

85 Alle kosten van gevangenisstraf, hechtenis en plaatsing in eene rijkswerkinrichting komen ten laste, alle opbrengst van geldboeten en verbeurdverklaringen ten bate van dei stagt;vt.

86 In de gevallen waarin de rechter krachtens de wet de openbaarmaking zijner uitspraak gelast, bepaalt hi.i tevens de wijze waarop aan dien last op koste van den veroordeelde uitvoering wordt gegeven.

4 37. de gel. del ij kt Blijl wikkel niet k hij in proeft: • 88.: feit, h Valt gevang baar is dan k; | Minist

■ zal ge] jaren.

Deze 89. : feit, b bereikt scheid! | Blijk

■ ■ handel p begane j-i nisstra ,t is, of i

kan di « gestich ; achttie Deze

i, BiiJk

handcli straf ba i Geld gesteld vijftien De i worden 40 ï overma ^ 41. I ; de noo eerbaar aanram i Niet

1

-ocr page 143-

TI,TEL III. UITSLUITING, ENZ. DJïll STEAJBAAEHEID. 7

gt; ? DERDE TITEL.

n Uitsluiting, vermindering en verhooging

11 der strafbaarheid.

!- , 37. Niet strafbaar is hij die een feit begaat dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstan-r delijke vermogens niet kan worden toegerekend.

Blijkt dat het begane feit hem wegens de gebrekkige ont-•t wikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens n niet kan worden toegerekend, dan kan de rechter gelasten dat e. hij in een krankzinnigengesticht worde geplaatst gedurende een n proeftijd den termijn van een jaar niet te boven gaande.

88. Een kind wordt niet strafrechtelijk vervolgd wegens een k feit, begaan voordat het den leeftijd van tien jaren heeft bereikt Valt het begane feit in de bepaling van een misdrijf waarop 3- gevangenisstraf is gesteld en dat niet alleen op klachte vervolg-Le baar is, of in die der overtredingen omschreven in artikel 482, ti. dan kan de burgerlijke rechter, op vordering van het Openbaar ik Ministerie, gelasten dat het kind in eon rijksopvoedingsgesticht zal geplaatst worden, ten hoogste tot den leeftijd van achttien jaren,

el Dezelfde rechter kan altijd het ontslag gelasten, e- 89. Bij strafrechtelijke vervolging van een kind wegens een feit, begaan voordat het den leeftijd van zestien jaren beeft d, bereikt, onderzoekt de rechtar of het met oordeel des onderin sclieids gehandeld heeft.

fr Blijkt niet dat het met oordeel des onderscheids heeft ge-r- handeld, dan wordt op het kind geene straf toegepast. Valt het of begane feit in de bepaling van een misdrijf waarop gevange-n, • nisstraf is gesteld en dat niet alleen op klachte vervolgbaar }p -j. is, of in die der overtre lingen omschreven in artikel 4s2, dan it- kan de rechter gelasten dat het kind in een rijksopvoedings-ü gesticht zal geplaatst worden, ten hoogste tot den leeftijd van te achttien jaren.

Dezelfde rechter kan altijd het ontslag gelasten ge Blijkt dat het kind met oordeel des onderscheid» heeft geen handeld, dan wordt, het maximnm der hoofdstraffen, op het its strafbare feit gesteld, met een derde verminderd

Geldt het een misdrijf, waarop levenslange gevangenisstraf is sg. I gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste is. ï| vijftien jaren.

og j De in artikel 9/j 1° en 4° vermelde bijkomende straffen an • worden niet opgelegd.

■ 40 IS\'iet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door de ; overmacht is gedrongen.

de \' ^ 41, Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de de noodzakelijke verdediging van ei^en of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellyk gevolg is ge-

-ocr page 144-

BOEK I. POGING.

weest van eene hevige gemoedsbewegintr, door de aanrandiug veroorzaakt.

42. Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.

43. Met strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag

Een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de strafbaarheid niet op, tenzij het door den ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen den kring zijner ondergeschiktheid was gelegen.

44. Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de straf met een derde worden verhoogd.

VIERDE TITEL.

Poging.

45. Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard en de uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van zijnen wil onafhankelijk niet is voltooid.

Het maximum der hoofdstraffen op het misdrijf gestsld wordt bij poging met een derde verminderd.

Geldt het een misdrijf, waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ter. hoogste vijftien jaren.

De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het voltooide misdrijf.

46. Poging tot overtreding is niet strafbaar.

VIJFDE TITEL.

Deelneming aan strafbare feiten.

47. A.ls daders van een strafbaar feit worden gestraft:

1°. zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen;

2°. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding het feit opzettelijk uitlokken.

Ten aanzien der laatsten komen alleen die handelingen in aanmerking die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hare gevolgen.

48. Als medeplichtigen aan een misdrijf worden gestraft:

1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van

het misdrijf;

2°. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf.

49. Het maximum der hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij medeplichtigheid met een derde verminderd.

Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.

De in artikel % 1° 3°. en 4°. vermelde bijkomende straffen zijn voor medeplichtigheid dezelfde als voor hot misdrijf zelf.

8

By 1 in aam lijk gei

50. 1 heid ui toepass dien d:

51. 1 bepaah sarisse: of con toedoei

52. ]

53. ] wordt druktt bekend den ui

Deze tijdsti; het rij

54. . de dn zijn n; het si den rt

Dez( last li strafre gevest

-ocr page 145-

TITEL V. deklnem1ng aan strafbare feiten 9

Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hare gevolgen.

50. De persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing der strafwet alleen in aanmerking ten aanzien van dien dader of medeplichtipe wien zij persoonlijk betreffen.

51. In de gevallen waarin wegens overtreding straf wordt bepaald tegen bestuurders, leden van eenig bestuur of commis-sarissen, wordt geene straf uitgesproken tegen den bestuurder of commissaris van wien blijkt dat de overtreding buiten zijn toedoen is gepleegd.

52. Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar.

53. Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de uitgever als zoodanig niet vervolgd, indien bet gedrukte stuk zijn naam en de woonplaats vermeldt en de dader bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den uitgever is bekendgemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd whs.

54. Bij misdrijf door middel van de drukpers gepleegd wordt de drukker ala zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de persoon op wiens last het stuk is gedrukt, bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den drukker is bekendgemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de persoon, op wiens last bet stuk is gedrukt, op het tijdstip van het drukken strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd was.

ZESDE TITEL.

Samenloop van strafbare feiten.

55. Valt een feit in meer dan ééne strafbepaling, dan wordt slechts eene dier bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Indien voor een feit dat in eene algemeene strafbepaling valt, eene bijzondere strafbepaling bestaat, kom\'; deie alleen in aanmerking.

56. Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zich zelf misdrijf of overtreding opleverende, in zoodanig verband dit zij moeten worden beschouwd als ééne voortgezette handeling, dan wordt slechts ééne strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Insgelijks wordt slechts ééne strafbepaling toegepast bij schuldigverklaring aan valschheid, valsche munt of muntschen-nis en aan het gebruikmaken van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid, valsche munt of muntschennis gepleegd is.

57. Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt ééne straf uitgesproken,

\'

-ocr page 146-

10 BOEK I. SAMENLOOP VAN STRA1BAKE FEITEN.

Het maxinmin dezer straf is het vereenigd bedrag van de 63 I

hoogste straffen op de feiten gesteld, doch niet hooger dan schuldi

een derde boven het zwaarste maximum. deeling

53 Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve luet

staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere van amp;el misdrijven opleveren waarop ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt elke dier straffen uitgesproken, doch mogen deze

te zamen in duur de langstdurende met niet meer dan een jn(i derde overtreffen.

Geldboeten worden daarbij berekend naar den duur van het

maximum der bedreigde vervangende hechtenis. 61. I

59 Bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf kunnen gepleeg

daarnevens geene andere straffen worden opgelegd dan ontzet- nog ni

ting van bepaalde rechten, verbeurdverklaring van reeds in j onder

tigen v Is dt

beslag genomen voorwerpen, en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

60. In de gevallen der artikelen 57 en 58 gelden ten aanzien d^n ka van bijkomende straffen de volgende bepalingen: | ziender

1°. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden ; verwan opgelost in ééne straf, in duur de opgelegde hoofdstraf ; van ee of hoofdstraffen ten minste twee en ten hoogste vijf • ing_slo jaren te boven gaande, of ingeval geene andere hoofdstraf t 65. 1 dan geldboete is opgelegd, in ééne straf van ten minste |den in twee en ten hoogste vijf jaren; Izonder

2°. de straffen van ontzetting van verschillende rechten fop kla worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermin- leveudt dering opgelegd; leene V(

3°. de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwer- 66. 1 pen worden, evenals de vervangende hechtenis bij niet- iuaand( uitlevering dier voorwerpen, voor elk misdrijf afzonderlijk - men v; en zonder vermindering opgelegd. durend

De straffen van vervangende hechtenis mogen geza- men, ii menlijk den tijd van achi maanden niet te boven gaan, 67, ^

61. De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen den wordt bepaald door de volgorde van artikel 9.

Waar den rechter de keuze tusschen twee hoofdstraffen is gelaten, komt bij de vergelijking alleen de zwaarste dier straffen in aanmerking.

De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door het maximum. 68.

De betrekkelijke üuur zoowel van ongelijksoortige als van voor gelijksoortige hoofdstraffen wordt eveneens bepaald door het |vervolg maximum. wijsde

62. Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 be- ln doeld, hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van over- ^deelen, tredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder ver- Is. mindering straf opgelegd. Iheeft 1

De straffen van hechtenis, vervangende hechtenis daaronder vervolg begrepen, mogen voor de overtredingen gezamenlijk den tijd 1

van acht maanden niet te boven gaan. - • \'

De straffen van plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden \'

opgelost in ééne straf waarvan de duur wordt bepaald binnen 69. I de grenzen van artikel 32, (iei1 ve

-ocr page 147-

TITEL VII. INDIENING, ENZ. DJiR KLACHTE. 11

van de 63 Indien iemaud, na veroordeeling tot straf, opnieuw wordt ger dan schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeeling gepleegd, wordt de vroegere straf in rekening gebracht, ih zelve met toepassing der bepalingen van dezen titel voor het geval leerdere van gelijktijdige berechting.

ïen zijn |

ïen deze ■ ZEVENDE TITEL.

ian een Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen op klachte vervolgbaar. 64. Indien een misdrijf dat alleen op klachte vervelgbaar is, kunnen 1 gepleegd is tegen iemand die den leeftijd van zestien jaren ontzet- uoj; niet had bereikt of die, anders dan wegens verkwisting, eeds in onder curateele gesteld is, geschiedt de klachte door zijn wet-le rech- tigen vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.

Is deze de persoon tegen wien de klachte moest geschieden, aanzien dan kan de vervolging plaats hebben op klachte van den toedienden voogd of curator, van de echtgenoote, van een bloed-wnrden verwant in de rechte linie of, bij gebreke van deze, op klachte ofdstraf ; van een bloedverwant in de zijlinie tot den derden graad cste vijf |ingesloten.

ofdstraf 65. Indien hij tegen wien het misdrijf is gepleegd, binnen minste ! ^n in het volgende artikel gestelden termijn overlijdt, kan, Izonder verlenging van dien termijn, de vervolging geschieden rechten rcop klachte van de ouders, van de kinderen of van den over-vermin- levenden echtgenoot, ten ware blijken mocht dat de overledene

Heene vervolging niet gewild heeft.

oorwer- 66. De klachte kan slechts worden ingediend gedurende drie lij niet- maanden nadat de tot klachte gerechtigde kennis beeft beko-nderlijk . men van het gepleegde feit, indien hij binnen Europa, of gedurende negen maanden nadat hij daarvan kennis heeft beko-n geza- men, indien hij buiten Europa verblijf houdt.

n gaan. 67, Hij die de klachte indient, blijft gedurende acht dagen straiten ^ den dag der indiening bevoegd haar in te trekken.

alfen is j ACHTSTE TITEL.

straffen Verval van het recht, tot strafvordering

en van de straf.

ti wordt

68. Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken als van voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden üor het |vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van den Nederlandschen rechter, of van den rechter 58 be- koloniën en bezittingen van het rijk in andere wereld-

in over- gdeelen, onherroepelijk is beslist.

Ier ver- ïiet gewijsde afkomstig van een anderen rechter, dan

jheeft tegen den-elfden persoon wegens hetzelfde feit gecne aronder vervolging plaats in geval van:

len tijd 10 vrijspraak ot ontslag van rechtsvervolging;

2°. veroordeeling gevolgd door geheelc uitvoering, gratie of worden verjaring der straf.

binnen Het recht tot strafvordering vervalt door den dood van

van het

den verdachte.

.

-ocr page 148-

12 BOEK I. VEE VAL VAN HET RECHT TOT STKAFVORD. ENZ. f

70. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring; vpriarine 1°. in één jaar voor alle overtredingen en voor de misdrijven ^ |

door middel van de drukpers gepleegd; Ir1\'\' • u

2°. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechte- f^ _ nis of gevangenisstraf van niet meer dan driejaren is pL ^*e gesteld; horsim

8°. in twaalf jaren voor alle misdrijven waarop tijdelijke jg ver0(

gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld; . „i;n2 4°. in achttien jaren voor alle misdrijven waarop levens-lange gevangenisstraf is gesteld

71. De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen; Be

1°. bij valschheid, valsche munt of muntschennis vangt de

termijn aan op den dag na dien waarop gebruik is ge- „g ^ maakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valsch- . , ^ beid, valsche munt of muntschennis gepleegd is;

2°. bij de misdrijven omschreven in de artikelen 278, 279 r

en 282, op den dag na dien der bevrijding, of van den m;L ^ dood van hem tegen wien onmiddellijk het misdrijf ge- . \'gepleegd is vo80g s,

72. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die \' daad den vervolgde bekend of hem op de hij de wet voor ge- 0 gi jy rechtelijke akten bepaalde wijze beteekend zij. \'■

gt;a de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Seg0

73. De schorsing der strafvervolging ter zake van een prae-quot; judicieel geschil schorst de verjaring. pari

74. Het recht tot strafvordering wegens overtredingen waarop

geene andere hoofdstraf gesteld is dan geldboete, vervalt door q~,\'£

vrijwillige betaling van het maximum der boete, en van de ,

kosten indien er reeds vervolging heeft plaats gehad, op machti- (!er \\

ging van den bevoegden ambtenaar van net Openbaar Ministerie u8„ ,

binnen den termijn door hem te stellen. . ?

Is nevens geldboete verbeurdverklaring op het feit gesteld,

dan moeten tevens de aan verbeurdverklaring onderworpen; e.

voorwerpen worden afgegeven of de waarde waarop zij geschat; ■ r1^ ^ zijn, worden voldaan

Jn de gevallen waarin de straf wordt verhoogd wegens her- ze^L \'-j

haling, is die verbooging ook van toepassing, wanneer het vï

recht tot strafvordering wegens de vroeger gepleegde overtreding f r ^ ^

volgens het eerste en tweede lid van dit artikel is vervallen. au

75 Het recht tot uitvoering van de straf vervait door den: A-iie dood van den veroordeelde. Rif

76 Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door verjaring, lij . De termijn dezer verjaring is bij overtredingen twee jaren,\' va^

bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd vijf jaren,; Pv en bij andere misdrijven een derde langer dan de termijn der | z0^v verjaring van het recht tot strafvordering.

In geen geval is de termijn der verjaring korter dan de duur der opgelegde straf. ° •

77. De termijn van verjaring vangt aan op der. dag na dien waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd. zeeon

Bij ontvluchting van een veroordeelde uit het gesticht of de V inlichting waarin hij zijne straf ondergaat, vangt een nieuwe quot;

-ocr page 149-

TITEL IX. BETEEKENIS VAN UITDErKKTNGEN.

lisdriiven verjaringstermijn aan op den dag na dien der ontvluchtiDg.

ïij herroeping eener voorwaardelijke invrijheidstelling vangt e hechte- 8611 nieuwe verjaringstermijn aan op den dag na dien der her-

\' Jaren 18 De termijn loopt niet gedurende de bij de wet bevolen tiideliike schorsing der tenuitvoerlegging, noch gedurende den tijd dat g)^. J de veroordeelde, zij het ook ter zake van eene andere veroor-j ]eVens- deeling, in verzekerde bewaring is.

NEGENDE TITEL.

Beteekftnis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen.

78. Waar van misdrijf in het algemeen of van eenig misdryf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan en poging tot dat misdrijf begrepen, voor zoover niet uit eenige bepaling het tegendeel volgt.

79. Aanslag bestaat zoodra eene strafbare poging tot het voorgenomen feit aanwezig is.

80. Samenspanning bestaat zoodra twee of meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen.

81. Met het plegen van geweld wordt gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht.

f 82. Onder zwaar lichamelijk letsel worden begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening zijner ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht eener vrouw.

Onder zwaar lichamelijk letsel wordt mede begrepen storing der verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft.

83. Nederlander is hij die dezen staat bezit volgens de wet tot uitvoering van artikel 7 der grondwet.

Met den Nederlander staat gelijk ieder ander wiens uitlevering bij de wet is verboden.

84. Onder ambtenaren worden begrepen alle personen verkozen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen.

Onder ambtenaren en onder rechters worden begrepen scheidsrechters; onder rechters zij die administratieve rechtsmacht oefenen.

Allen die tot de gewapende macht behooren, worden mede als ambtenaren beschouwd

85. Onder schipper wordt verstaan elk gezagvoerder van een vaartuig of die dezen vervangt.

Opvarenden zijn allen die zich aan boord bevinden, met uitzondering van den schipper.

Schepelingen zijn allen die zich als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord bevinden.

86. Onder Nederlandsche schepen worden alleen verstaan die vaartuigen welke door de wet betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag als zeeschepen worden aangemerkt.

87. Onder vijand worden begrepen opstandelingen.

Onder oorlog wordt begrepen burgeroorlog.

18

-ocr page 150-

97. 1

^ Btandlii van vij; te bew sterken ding li van fei Indit uitbree ten hoi 98 I oratren door li

91. De bepalingen der acht eerste Titels van dit boek zijn ^«el^c ook toepasselijk op feiten waarop bij andere wetten of veror- te] deringen straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt. gg j

101.

eene V land i Neder gestra 102. wordt hulp 1 Lev twinti 1°.

handel

Iten naten na

nïü0a gestraf

EERSTE TITEL.

Misdrijven tegen de veiligheid van den staat.

92. De aanslag ondernomen met het oogmerk om den Koning,

de regeerende Koningin of den Regent van het laven of de 2 • vrijheid te berooven of tot regeeren ongeschikt te maken, ;

wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

93. De aanslag ondernomen met het oogmerk om liet rijk geheel of gedeeltelijk onder vreemde heerschappij te brengen of om een deel daarvan af te scheiden, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

94. De aanslag ondernomen met het oogmerk om den grond-wettigen regeeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen of op onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren,

95. Hij die door geweld of bedreiging met geweld ecne vergadering van den Regeeringsraad uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van eenig besluit dwingt, of een lid uit die vergadering verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Hij die door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk een lid van den Regeeringsraad verhindert de vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicat te vervullen,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hocgste zes jaren.

96. De samenspanning tot een der in de artikelen 92—95 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Tl

14 BOEK II. MISDRIJVEN TEGEN DE VEILIGH. V. D. STAAT.

Onder tijd van oorlog wordt begrepen de tijd waarin oorlog dreigende is. Tijd van oorlog wordt mede geacht te bestaan, zoodra de militie te land, hetzij geheel, hetzij ten deele, door den Koning buitengewoon is bijeengeroepen en zoolang die buitengewoon onder de wapenen blijft.

88. Door dag wordt verstaan een tijd van vier en twintig uren, door maand een tijd van dertig dagen.

89. Onder inkliraming wordt begrepen ondergraving, alsmede het overschrijden van sloo^en of grachten tot afsluiting dienende.

90. Onder valsche sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen.

Slotbepaling-.

-ocr page 151-

TITEL I. MISDRIJVEN TEGEN DE VEILIGH. V, D. STAAT. 15

97. Hij die met eene buitenlandsche mogendheid in verstandhouding treedt, met het oogmerk om haar tot het plegen van vijandelijkheden of het voeren van oorlog tegen den staat te bewegen, haar in het daartoe opgevatte voornemen te versterken, haar daarbij hulp toe te zeggen of hij de voorbereiding hulp te verleenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de^ vijandelijkheden worden gepleegd of de oorlog uitbreekt, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd.

98 Hij die opzettelijk bescheiden, berichten of inlichtingen, omtrent eenige zaak waarvan hij weet dat de geheimhouding door het belang van den staat wordt geboden, hetzij open-baarmaakt, hetzij aan eene buitenlandsche mogendheid mededeelt of in handen speelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

99. Hij die eene hem van regeeringswege opgedragen onderhandeling met eene buitenlandsche mogendheid opzettelijk ten nadeele van den staat voert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

100. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

1°. hij die, in geval van een oorlog waarin Nederland niet betrokken is, opzettelijk eenige handeling verricht waardoor de onzijdigheid van den staat wordt in gevaar gebracht, of eenig bijzonder voorschrift tot handhaving der onzijdigheid van regeeringswege gegeven en bekendgemaakt, opzettelijk overtreedt;

2°. hij die, in tijd van oorlog, eenig voorschrift van regeeringswege in het belang der veiligheid van den staat gegeve i en bekendgemaakt, opzettelyk overtreedt.

101. De Nederlander die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij eene buitenlandsche mogendheid, wetende dat deze met Nederland in oorlog is, of in het vooruitzicht van een oorlog met Nederland, wordt, in het laatste geval indien de oorlog uitbreekt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

102. Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt gestraft bij die opzettelijk, in tijd van oorlog, den vijand hulp verleent of den staat tegenover den vijand benadeelt.

Levenslange gevangenisstrnl of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren wordt toegepast indien de dader:

1°. eenige versterkte of bezette plaats of post, eenig middel van gemeenschap, eenig magazijn, eenigen krijgsvoorraad of eenige krijgskas, of wel de vloot of het leger of eenig deel daarvan aan den vijand verraadt, in \'s vijands macht brengt, vernielt of onbruikbaar maakt, of eenige tot afweer of aanval beraamde of uitgevoerde onderwaterzetting of ander militair werk belet, belemmert of verijdelt;

2°. eenige kaart, plan, teekening of beschrijving van militaire werken, of eenige inlichting betreitende militaire bewegingen of ontwerpen den vijand mededeelt of in handen speelt;

AT.

n oorlog bestaan, Ie, door ang die

twiutig

alsmede enende. opening

iele zijn t veror-

aat.

Coning, i of de maken, idelijke

iet rijk rengen .ft met ;wintig

gronding te e straft

ie vernemen uit die raf van

ittelijk ing bij vullen, jaren. 92—95 ■af van

-ocr page 152-

16 BOEK 11. M1SDETJVEN TEGEN DE VEILIGH. V. D. STAAT.

3°. hetzij oproer, hetzg muiterij of desertie ouder het krijge»

volk teweegbrengt of bevordert;

4°. als verspieder den vijand dient of een verspieder des

vijands opneemt, verbergt of voorthelpt. ï 0 111.

103. Ue samenspanning tot een der in artikel 102 omschreven aan get misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 1 vijf jaren.

104. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft hij die, in tijd van oorlog, zonder oogmerk om den vijand hulp te verleenen of den staat tegenover den vyand te benadeelen, opzettelijk:

1°. een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt;

2°. desertie van een krijgsman, in dienst van het rijk, teweegbrengt of bevordert.

105. Hij die, in tijd van oorlog, eenige bedriegelijke handeling pleegt bij levering van benoodigdheden ten dienste van de vloot of het leger, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat.

106. Bij veroordeeling wegens het in artikel 92 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28 No 1—6 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de art,kelen 93—103 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 No. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens het in artikel 105 omschreven mis- gt;

drijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft en van de in artikel 28 No. 1—4 vermelde rechten, en kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast

107- De straffen gesteld op de in de artikelen J02—105 omschreven feiten, zijn toepasselijk indien een dier feiten wordt { gepleegd tegen of met betrekking tot de bondgenooten van den staat in een gemeenschappelijken oorlog.

TWEEDE TITEL.

Misdrijven tegen de koninklijke waardigheid,

108. De aanslag op het leven of de vrijheid van de niet- i regeerende Koningin, van den troonopvolger of van een lid van 1 het koninklijk huis, wordt gestraft met gevangeoisstiaf van ten hoogste vijftien jaren. I

Indien de aanslag op het leven den dood ten gevolge heeft quot;lie

of met voorbedachten rade wordt ondernemer, wordt levens- regeer

lange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig niet \'

jaren opgelegd. gevan

109. Elke feitelijke aanranding van den per.soon des Konings 117 of der Koningin, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, gt; hoofd wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaar gevan en zes maanden. lp hoogs

troono Regen\' gestra!

!\' aan get vijf ja \' aan get vijf ja 112. lift. k(

110. Elke feitelijke aanranding van den persoon van den 1)8

gt;. 4

-ocr page 153-

IT. ÏITEL II. MISDR. TEGEN DE KONINKL. WAAEDIGHEID 17

krijga\' ; troonopvolger, van een lid van het koninklijk huis, of van den ! Regent, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt er dea gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste ies jaren.

^ 111. Opzettelijke beleediging den Koning of der Koningin hreven aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste loogste I vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

I 112. Opzettelijke beleediging den troonopvolger, een lid van wordt quot; het koninklijk huis of den Regent aangedaan, wordt gestraft im den i met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete and te !■ van ten hoogste drie honderd gulden.

^ 113. Hij die een geschrift of afbeelding waarin eene beleedi-pcg voorkomt voor den Koning, de Koningin, der. troonopvolger, een lid van het koninklijk huis of den Regent, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestrafr. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd guides».

opzicht Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en ideling er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren | zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den hreven j schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelr.k is geworden, melde •! kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

114 Bij veroordeeling wegens het in artikel 108 omschreven 3—103 misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28 -No. 1—ó vermelde 28 No. rechten worden uitgesproken.

Bij veroordccling wegens een der in de artikelen 109 en 110 u mis- i omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 Xo. ng van 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

i de in Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 111 en 113 making omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 No. i 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

05 om-

wordt t DERDE TITEL.

Misdrijven tegen hoofden en vertegenwoordigers van bevriende staten.

115. De aanslag op het leven of de vrijheid van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden staat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de aanslag op het leven den dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernemen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd

e heeft 116. £ike feitelijke aanranding van den persoon van een levens- regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden staat, die twintig niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met

i gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Loninga 117. Opzettelijke beleediging een regeerend vorst of ander jpaling, j hoofd van een bevrienden staat aangedaan, wordt gestraft met en jaar gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten

* hoogste driehonderd gulden.

an den lis. Opzettelijke beleediging eenen vertegenwoordiger van

SÏKAEEECHT. 2 _!_

thelpt; t rijk,

handevan de an ten

eid. e niet-lid van i-an ten

-ocr page 154-

18 BOEK II. MISDR. TEGfX HOOFDEN EN VERTKGENW KNZ.

eene buitenlandsclie mogendheid bij de ^ederlandscLe regeering 125.

in zijne hoedanigheid aangedaan, wordt gestraft met gevange- schrift

nisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste (jewelc

driehonderd gulden. , outeit;

119. Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene belee van te diging voorkomt voquot;r er.n regoerend vorst of ander hoofd vana [og een bevrienden staat of voor een vertegenwoordiger van eene ? schrift buitenlandsclie mogendheid bij de Isederland-che regeering in , omkoc zijne ho; danigheid, met het oogmerk om aan den beleedig^nder uit t€ inhoud ruchtbaarheid Ie geven of de ruchtbaarheid daarvan te hoest vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat crulder wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden ; j)e7, of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. ,rjft 0\'j

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er.ii * 237 tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zij cl gegrift verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige ^ nlee^t wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij var . gf e^n de uitoefening van dat beroep worden ontzet. aan^ev

120. Bij veroordeeling wegens het in artikel 115 omschrevei zes\'mi misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28 No. 1—5 vermeldt , \' 128 rechten worden uitgesproken. eene quot;]

Bij veroordeeling wegens het in artikel 110 omschreven mis- deelne

drijf, kan ontzetting van de in artikel 28 No. 1—4 vermeldt ecn\' rechten worden uitgesproken. j ^29

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 117 en llh schrift

omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 2!f hebber

No. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken. pleegt

V1ERDB TITEL. ;

Misdrijven betreffende de uitoefening van een ja; staatsplichten en staatsrechten. 130.

121. Hij die door geweld of.bedreiging met geweld eenever-\' 28 No gade ing van de beide kamers der Staten-Generaal of van eene quot; gy dezer uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van eenig be- ]24—1 sluit dwingt of een lid uit die vergadering verwijdert, wordt artikd gestraft met gevangenisstraf van ten hoogs\'e twaalf jaren.

122 Hij die door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk een lid van eene der kamers van de Staten-Generaal verhindert de vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn

plicht te vervullen, wordt gestraft met gevargenisstraf van ten ^

hoogste drie jaren ^ S ggnJo.

123. Hij die door geweld of bedreiging mc.t geweld eene ver- van

gadering van de staten eener provincie of van den raad eener }1Qri(jei

gemeente uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van eenig 122

besluit dwingt, of den voorzitter of een lid uit die vergadering wor(ft

verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstr f van ten hoogstequot; inhoud

negen jaren ^ vermee

124 Hij die door geweld of bedreiging net geweld opzettelijk wor(jt

den voorzitter of een lid van de staten eener provincie of van 0f den raad eener gemeente verhindert de vergadering bij te wonen

of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt; tijdens

gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. verloof

-ocr page 155-

TITEL IV M1SDR TEGKN HOOFDEN EN VERTEGENW. ENZ. 1 9

125. Tlij die, hij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk iemand verhindert zijn kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar

126. Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door gift of belofte iemand omkoopt om zijn kiesrecht hetzij niet, hetzij op bepaalde wijze uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Dezelfde straf wordt toegepast op den kiezer die zich door gift of belofte tot een of ander laat omkoopen.

127. Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, eenige bedrieglijke handeling pleegt waardoor de stem van een kiezer ran onwaarde wordt of een ander dan de door dien kiezer bedoelde persoon wordt aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden

128. Hij die opzettelijk zich voor een ander uitgevende, aan eene krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

129. Hij die, hij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, opzettelijk eene plaats gehad hebbende stemming verijdelt of eenige bedrieglijke handeling pleegt waardoor aan de stemming een andere uitslag wordt gegeven dan door de wettig ingeleverde stembiljetten zou zijn verkregen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

130. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 121 en 123 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 No. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 122 en 124—129 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 No. 3 vermelde rechten worden uitgesproken.

VIJFDE TITEL.

Misdrijven tegen de openbare orde.

131. Hij die in liet openbaar, mondeling of bij geschrifte, tot eenig strafbaar feit opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

122. Hij die eenig geschrift waarin tot een strafbaar feit wordt opgeruid, met het oogmerk om aan den opruienden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden

Indie n de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige

regeering gevange-i hoogste

ne belee-loofd van v van eenej eering in | (ligendeEa larvan t( aanalaatl maunder.

iat en er|i aren zij es schuldigei i hij vat

i schreven vermeldt

;ven mis-vermeldt

7 en llv irtikel 2!!

eene vervan eene eenig bert, wordt aren. pzettelijk erhindert merd zijn f van ter.

eene ver-lad eenei fan eenigijj rgaderini:, ti hoogste

ipzettelijki ie of van te wonen in, wordt •en.

-ocr page 156-

20 BOEK II. MISDRIJVEN TEGEN DE OPENBARE ORDE.

wegens jrelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van een a

de uitoefening van dnt beroep worden ontzet. rechte

133. Hij die in het openhaar, mondeling of hij geschrifte, yanwe

aanbiedt inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen met „

om ecnig strafbaar feit te plegen, wordt gestraft met gevan- yan ^

genisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten uj;

hoogste driehonderd gulden. braak

184. Hij die ten geschrift waarin wordt aangeboden inlich- order

tingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om eenig straf- recht!

baar feit te plegen, met het oogmerk om aan dat aanbod crekoin

ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te ver- besten

meerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt ia(i:

gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of o-eschi geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. ; geniss

Indien de schuldige hef. misdrijf in zijn beroep begaat en er, ]je

tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn een j

verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige persoi

wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van 139

de uitoefening van dat beroep worden ontzet. weder

135 Hij die, kennis dragende van eene samenspanning tot vende

een der in de artikelen 92—95 of 1()2 bedoelde misdrijven, op aanstc

een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan teil

worden voorkomen, opzettelijk nalaat, daarvan tijdig voldoende honde

kennis te geven hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, yj:

hetzij aan den bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, braak

gestraft met gevangenisstrat van ten hoogste een jaar of geld- order

boete van ten hoogste driehonderd gulden. den }

136. Hij die, kennis dragende van een voornemen tot het o-issin plegen van een der in de artikelen 9?—110 omschreven mis- ^ m drijven, tot desertie in tijd van oorlog, 1 ot militair verraad, dromr tot moord, tot menschenroof of verkrachting of tot een der in in2 Titel VII van dit Boek omschreven misdrij\' en voor zoover o-eschi daardoor levensgevaar wordt veroorzaakt, op een tijdstip waarop genisE het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, ^ £)e opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven een ^ hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den persoi bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van

ten hoogste driehonderd gulden. van t.

Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, kennis dragende £)ee

van eenig in het eerste lid vermeld reeds gepleegd misdrijf wordt

waardoor levensgevaar is ontstaan, op een tijdstip waarop de ^en 0

gevolgen nog kunnen worden afgewend, opzetteajk nalaat daarvan quot;jen

gelijke kennisgeving te doen. straffe

137. De bepalingen van de artikelen 135 en 136 zijn niet 141 van toepassing op hem die door de kennisgeving gevaar voor teo-en eene strafvervolging zou doen ontstaan voor zich zeiven, voor straf een zijner bloedverwanten of aangehuwder in de rechte linie De of in den tweeden of derden graad der zijlf.nie, voor zijn echt- jö, genoot of gewezen echtgenoot, of voor een ander bij wiens vervolging hij zich, uit hoofde van zijn amb*: of beroep, van het alleggen van getuigenis zou kunnen verschoonen. 2°.

138. Hij die in de woning of het beslopen lokaal of erf, bij

-ocr page 157-

TITEL V. MTSDRTJVKN TEGEN DE OPENBARE OPDE. 21 een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich met op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valscbe sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den rechthebbende en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in den voor de nachtrust bestemden tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen.

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen.

139. Hij die in een voor den openbaren dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van den bevoegden ambtenaar annstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den bevoegden ambtenaar en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in den voor de nachtrust bestemden tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen.

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hy gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen.

140. Deelneming aan eene vereeniging die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Deelneming aan eene andere bij de wet verboden vereeniging wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Ten aanzien der oprichters of bestuurders kunnen deze straffen met een derde worden verhoogd.

141. Zij die openlijk met vereenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

De schuldige wordt gestraft:

lö. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld eenig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

-ocr page 158-

22 BOEK 11. MISDRIJVEN TEGEN DE OPENBARE ORDE.

3° met gevangenisst raf van ten hoogste twaalf jaren, indien dat geweld den dood ten gevolge beeft.

Art. 81 blijft buiten toepassing.

142. Hij die opzettelijk door valsche alarmkreten of signalen de rust. verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

14\'lt;. Hij die door geweld of bedreiging met geweld e.ene ge-ooiloofde openbare vergadering verhindert, wordt gsstraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden.

144. Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruisch eene geoorloofde openbare vergadering stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

145. Hij die üoor geweld of bedreiging met geweld hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of begrafenisplechtigheid verhindert, wordt gestratt met gevangenisstraf van ter. hoogste een jaar.

146. Hij die opzettelijk door het verwekken ran wanorde of het maken van gedruisch hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of begrafenisplechtigheid stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden.

147. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden wordt gestraft:

1°. hij die een bedienaar van den godsdienst in de geoorloofde waarneming zijner bediening bespot;

2°. hij die voorwerpen aan eenen eeredienst gewyd, waar en wanneer de uitoefening van dien dienst geoorloofd is, beschimpt

148. Hij die opzettelijk den geoorloofden toegang tot eene begraafplaats of het geoorloofd vervoer van een lijk naar eene begraafplaats verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden.

149. Hij die opzettelijk een graf schendt of eenig op eene begraafplaats opgericht gedenkteeken opzettelijk en wederrechtelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

150. Hij dis opzettelijk en wederrechtelijk een lijk opgraaft of wegneemt of een opgesjraven of weggenomen lijk verplaatst of vervoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een laar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

151. Hij die een lijk begraaft, verbergt, wegvoert of wegmaakt, met het oogmerk om het overlijden of de ge.ioorte te verhelen, wordt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd galden.

ZESDE TITEL.

Tweegevecht,

152. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden wordt gestraft

I

-ocr page 159-

TITEL VI. TWEEGEVKCHT.

lo, hij die iemand tot eene uitdaoing tot tweegevecht of tot liet aanueuien van eeue uitdaging aanzet, indien daarop een tweegevecht volgt;

2° hij die opzettelijk eene uitdaging overbrengt, indien daarop een tweegevecht volgt,

153. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft hij die iemand in het openbaar of in tegenwoordigheid van derden verwijtingen doet of hem aan bespotting prijsgeeft, omdat hij niet tot tweegevecht heeft uitgedaagd of omdat hij eene uitdaging heeft afgewezen

164. Tweegevecht wordt ten aanzien van hem die zijne tegenpartij geen lichamelijk letsel toebrengt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

Hij die zijne tegenpartij eenig lichamelijk letsel toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Hij dia zijne tegenpartij zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt gestrnft met gevangenisstraf van tlt; n hoogste drie jaren.

Hij die zijne tegenpartij van het leven berooft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of, indien het tweegevecht op leven of dood was aangegaan, met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Poging tot tweegevecht is niet strafbaar.

155, Up hem die in een tweegevecht zijne tegenpartij van het leven berooft of haar eenig lichamelijk letsel toebrengt, worden de bepalingen omtrent moord, doodslag of mishandeling toegepast :

1°. indien de voorwaarden niet vooraf zijn geregeld;

2°. indien het tweegevecht niet plaats heeft in tegenwoordigheid van wederzijdsche getuigen;

3°. indien de dader, opzettelijk en ten nadeele van de tegenpartij, zich aan eenige bedrieglijke handeling schuldig maakt, of van de voorwaarden afwijkt.

156. Getuigen en geneeskundigen die een tweegevecht bijwonen, zijn niet strafbaar.

De getuigen worden gestraft;

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, indien de voorwaarden niet vooraf zijn geregeld, of indien zij partijen tot voortzetting van het tweegevecht aanzetten-,

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien r.ij, opzettelijk en ten nadeele van eene of beide partijen, zich aan eenige bedrieglijke handeling schuldig maken of eenige door partijen gepleegde bedrieglijke handeling toelaten, of toelaten dat van de voorwaarden wordt afgeweken.

De bepalingen omtrent moord, doodslag of mishandeling worden toegepast op den getuige bij een tweegevecht waarin eene der partijen van het leven is beroofd of haar eenig lichamelijk letsel is toegebracht, indien hij, opzettelijk en ten nadeele van die partij, zich aan eenige bedrieglijke handeling heeft schuldig gemaakt of eenige bedrieglijke handeling heeft toegelaten, of heeft toegelaten dat ten nadeele van den verslagene of verwonde van de voorwaarden is afgeweken.

28

I

-ocr page 160-

BOEK II, MISDR. WAAEDOOE DE ALG. VEILI6H., ENZ, TH

ZEVENDE TITEL. sperd ol

Misdrijven n-aardoor de algemeene veiligheid

van personen of goederen wordt in m

gevaar gebracht,

157. Hij die opzettelijk brand sticht, ecne ootploffing teweeg-1 So- ni brengt of eene overstrooming veroorzaakt, wordt gestraft: . 3^

1«gt;. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indieoE 164. daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; J door s1

2o raet gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren indien! gevanec daarvan levensgevaar volt;.r een ander te duchten is; r; Indie

3o. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogstei schuldi twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander van te te duchten is en liet feit iemands dood ten gevolge heeft. 165.

158. Hij aan wiens schuld brand, ontplofllng of overstrooming voor h te wijten is, wordt gestraft: ■; gestrat

lo. met gevaiiüonisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maand

maanden of sreldboete van ten hoogste driehonderd gulden, Indi

indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat; schuld

2o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes hoogst

maanden of geldboete van ten hoogste dr ehonderd gulden, 166.

indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat; i gesteb

So. niet gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een zijne

jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, gestra

159. Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van brandt 1°-bluschgereedschappen of bluschmiddelen wedemchtelijk verbergt

of onbruikbaar maakt, of op eenigc wijze de blussching van brand verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenis- 2°, straf van ten hoogste zes jaren

160. Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van watersnood dijkmaterialen of gereedschappen wederrechtelijk verbergt

of onbruikbaar maakt, eenige poging tot herstel van dijken of 3°. andere waterstaatswerken verijdelt, of de aangewende middelen tot het voorkomen of stuiten van overstrooming tegenwerkt,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren,

161. Hij die opzettelijk cenig werk dienende tot waterkeering 16 of waterloozing vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigd, wordt, niinj indien daarvan gevaar voor overstrooming te duchten is, gestraft ■ vaar met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, len

162. Hij die opzettelijk eenig werk dienende voor het open- 1quot; baar verkeer vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, eemgen openbaren land- of w aterweg verspert of een ten aanzien van zoodanig werk of van zoodanigen weg genomen veiligheids- 2( maatregel verijdelt, wordt gestraft:

1°, met gevangenisstraf van ten hoogste ne^en jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is;

2°, niet gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien

daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te 1

duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. doe

1G3, Hij aan wiens schuld te wijten is df.t eenig werk die- scl\' nende voor het openbaar verkeer wordt vernield, onbruikbaar ^

-ocr page 161-

, ENZ. TITEL VII. MISDB. WAAEDOOR DE ALG. VEILTGH., ENZ. 25

gemaakt of beschadigd, eenigc openbare land- of waterweg versperd of een ten aanzien van zoodanig werk of van zoodanigen e-hpirl weg genomen veiligheidsmaatregel verijdeld, wordt gestraft: ^ 1quot;. met gevangenisstraf of hechtenis vhd ten hoogste drie

maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor het verkeer onveilig wordt;

g teweeg-^ 2o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een •aft: jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft,

n, indien- 164. Hij die opzettelijk gevaar veioorzaakt voor het verkeer m is; j door stoomvermogen over een spoorweg, wordt gestraft met in indien! gevancenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, i is; Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de

n hoogstel schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke en ander van ten hoogste twintig jaren.

Ige heeft. 165. Hij aan wiens schuld te wijten is dat gevaar ontstaat trooming voor het verkeer door stoomvermogen over een spoorweg, wordt gestraft met gevangenissraf of hechtenis van ten hoogste zes rste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. I gulden, Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de :staat; schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten gste zesl hoogste een jaar.

! gulden, 166. Hij die opzettelijk een voor de veiligheid der scheepvaart itaat; gesteld teeken vernielt, beschadigt, wegneemt of verplaatst, ;stc een zijne werking verijdelt of een verkeerd teeken stelt, wordt left. gestraft:

n brand 1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien verbergt\' daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart te

ing van duchten is;

mgenis- 2°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart te waters- duchten is en het feit het zinken of stranden van een

■erbergt vaartuig ten gevolge heeft;

ijken of 3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten iddelen hoogste twintig jaren, indien daarvan gevaar voor de

awerkt, veiligheid der scheepvaart te duchten is en het feit

jaren. iemands dood ten gevolge heeft.

keering 167- Hij aan wiens schuld vernieling, beschadiging, wegne-wordt, ming of verplaatsing van een voor de veiligheid der scheep-festraft vaart gesteld teeken of verijdeling zijner werking of het stellen van een verkeerd teeken te wijten is, wordt gestraft: ; open- lo. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie

lenigen maanden of geldboete van ten hoogate driehonderd gul-

en van den, indien daardoor de scheepvaart onveilig wordt;

rheids- 2C. met gevangenisstraf of hechtenis van hoogstens zes

maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gul-indien den, indien het feit het zinken of stranden van een

ïer te vaartuig ten gevolge heef-;

8°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een indien ; jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

;er te | 168. Hij die eenig vaartuig opzettelijk en wederrechtelijk doet zinken of stranden, vernielt, onbruikbaar maakt of be-k die- | schadigt, wordt gestraft:

kbaar | l». met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, in-|

-ocr page 162-

174.

26 BOEK II. MISDE. WAARDOOR DE ALG. VEILIGH., ENZ.

dit n daarvan levensgevaar vooreen ander te duchten is;

2°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft

169 Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig vaartuig zinkt of strandt, vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd wordt, wordt gestraft:

1quot;. met gevangenistraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

170 Hij die eenig gebouw of getimmerte opzettelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft:

lo. met {jevaiifjeniastraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

3°. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemi.nd8 dood ten gevolge heeft.

171. Hij aan wiens schuld de vernieling of beschadiging van eenig gebouw of getimmerte te wijten is, werdt gestraft:

lo. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden , ind en daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehenderd gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

3o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

172. Hij die in een put, pomp, bron of in eene ten algemeenen nutte ot tot gezamenlijk gebruik van of met anderen bestemde drinkwaterinrichting eenige stof aanbrengt, wetende dat daardoor het water voor het leven of de gezondheid schadelijk wordt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. ,

173 Hij aan wiens schuld te wijten is dat in een put pomp. of bron of in eene ten algemeenen nutte of tot gezamenlijk gebruik van of met anderen bestemde drinkwaterinrichting eenige stof wordt aangebracht, waardoar het water voor het leven of de gezondheid schadelijk wordt, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehor.derd gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge hesft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar.

Uitdeelt,

schadelijk xestratt n

Indien je schuld jjke van 175. 1

1,,\'hadeUjV of uitgcd dat scha senissrra boete vai Indien \' schuldige hoogste De,,\'hadeUjV of uitgcd dat scha senissrra boete vai Indien \' schuldige hoogste De wh 176 1

schrever uitoefen Bij v 175 omi zijner v

J

-ocr page 163-

TITEL VTI. MISDB. WAARDOOR DE ALG. VKïLTGH., ENZ. 27 chtenis; ,) 174,. Hij die waren verkoopt, te. koop aahlaedt, aflevert of van ten uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid ;chadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, wordt estraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt e schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijde-ijke van ten hoogste twintig jaren

175. Hij aan wiens schuld te wijten is dat waren, ichadelijk voor het leven of de gezondheid, verkocht, afgeleverd lof uitgedeeld worden, zonder d it de kooper of verkrijger met jdat schadelijk karakter hekend is, wordt gestraft met gevan-[genissrraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar De waren kunnen worden verbeurdverklaard.

176 Bij veroordeeling wegens eenig in dezen Titel omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 174 en 175 omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

iiging traft; e drie l gulderen

e zes gul-taat; een leeft, ten eren ende heid ten

t de lijke

put ge. ter-iter Ke-zes en.

de

ACHTSTE TITEL Misdrijven tegen het openbaar gezag. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of

177.

geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1Q. hij die een ambtenaar een gift of belofte doet met het oogmerk om hem te bewegen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;

2° hij die een ambtenaar eene gift doet ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door dezen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.

Ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

178. Hij die een rechter eene gift of belofte doet met het oogmerk om invloed te oefenen op de beslissing van eene aan diens oo-deel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstrafquot; van ten hoogste zes jaren.

Indien die gift of belofte gedaan wordt mei het oogmerk om eene veroordeeling in eene strafzaak te verkrijgen, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Ontzetting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rschten kan worden uitgesproken.

179. Hij üie door geweld of bedreiging met geweld een ambtenaar dwingt tot het volvoeren eener ambtsverrichting of het nalaten eener rechtmatige ambtsverrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

aar voor lood ten

vaartuig ichadigd

s maan-gulden, itaat; ste een left.

vernielt

indien is;

indien

9;

n ten r voor )d ten

180. Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uit-

J

-ocr page 164-

BOEK II, MISDRIJVEN TEGEN HET OPENBAAR GEZAG.

oefening zijner bediening, of tegen personen die hem daarbij|vcrw\'j^(

met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

181. De dwang en de wederspannigheid In de artikelen 179 en 180 omschreven worden gestraft

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien 01,15 quot;quot;quot; het misdrijf 01 de daarmede gepaard gaande feitelijkheden .

eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben; |za? in

2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes 1)a.ar m maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge nun£ 1 li ebben; \' Imet ge\'

3o. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien va^8Qer zij den dood ten gevolge hebben. 1°quot;-

182. De dwang en de wederspannigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven, door twee of meer personen met vereenigde krachten gepleegd, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het door hem gepleegds misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben:

met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2^, met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben,

183. Met ambt\' naren worden ten aanzien der artikelen 179—182 gelijkgesteld de bestuurders beneven* de beëedigde beambten en bedienden van spoorwegdiensten,

184. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of eene vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van eenig toeziftht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk eenige handeling, door een dier ambtenaren ondernomen ter uitvoering van eenig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Met den in het eerste gedeelte van het vorige lid bedoelden ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder die, knehtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met eenigen openbaren dienst is belast.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden,

kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.

185. Hij die bij eene terechtzitting of ter plaa\'se waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening zijner bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en na het door of van wege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet

-ocr page 165-

TITEL VUL MisDKUViCN tegen het openb. gezag. 29

verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden.

186. Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksop\'oop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of van we^je het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden ot geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

187. Hij die eene bekendmaking, van wege het bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, met het oogmerk om de kennisneming daarvan te beletten of te bemoeilijken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

188. Hij die aangifte doet dat een strafbaar feit gepleegd is, \' wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

189. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of \' geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

1°. hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of vervolgd wordt t\'r zake van eenig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren der justitie of politie;

2°. hij die nadat eenig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf geploegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren der justitie of politie onttrekt.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een zijner bloedverwant^ of aangehuwden in de rechte linie of in den tweeden of derden graad der zijlinie of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot.

19Ö. Hij die opzettelijk eene gerechtelijke lijkschouwing belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

191. Hij die opzettelijk iemand, op openhaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid berooft, bevrijdt of bij zijne zelfsbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

192. Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan eenige wettelijke verplichting die hij als zoodanig te vervullen heeft, wordt gestraft:

lo. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden;

2o. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden

193. Hy die opzettelijk niet voldoet aan een wettig hevel tot overlegging van een stuk hetwelk beweerd wordt valsch of vervalscht te zijn, of hetwelk dienen moet ter vergelijking met

ZAG.

i daarbij bijstand gestraft oete van

artikelen

i, indien ijkheden

n en zes gevolge

i, indien

rtikelen en met angenis-

en zes f of de lamelijk

, indien

i, indien

rtikelen iëedigde

of eene gt;or een ^last of tot het hij die onder-let, be-•af van te zes-

loeiden ettelijk nbaren

i twee an den orden,

ar een ng zij-na het h niet

-ocr page 166-

80 BOEK II. MISDRIJVEN TEGEN HET OPENBAAR GKZAG.

een ander waarvan de valschheid of verval selling beweerd, of de echtheid ontkend of niet erkend wordt, wordt gestraft:

1®. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden;

2o. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier n aanden.

194. Hij die, in staat van faillissement of van kenlijk onvermogen verklaard of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereischte inlichtingen te geven of ze overeenkomstig de wet te beëedigen, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestralt met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

195. Hij die een recht uitoefent, wetende dat bij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet, wordt gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

196. Hij die opzettelijk onderscheidingsteekenen draagt of eene daad Terricht beboorende tot een ambt dat bij niet bekleedt of waarin hij geschorst is, wordt gest aft met gevangenisstraf van ten boogste driemaanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

197. Een vreemdeling die in strijd met \'s E\'onings last of \'s rechters bevel, ter uitvoering van de wet gegeven, binnen het rijk in gt;Iuropa terugkeert, wordt gestraft met een gevangenisstraf van hoogstens drie maanden.

198. Hij die opzettelijk eenig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan eene gerechtelijke sequestratie onttrekt of, wetende dat bet daaraan onttrokken is, bet verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk eenig krachtens de wet in beslag genomen goed vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt.

De bewaarder die opzettelijk een dezer feiten pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren

Indien een dezer feiten ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten boogste honderd twintig gulden.

199. Hij die opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege bet bevoegd openbaar gezag verzegeld zijn, verbreekt, opheft of beschadigt, of de door zoodanig zefiel bewerkte afsluiting op andere wijy.e verijdelt, wordt gestraft met gevan-genisstraf van ten boogste twee jaren

De bewaarder die opzettelijk het feit pleegt, of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde stast, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien het feit ten gevolge van onachtzaanheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten

-ocr page 167-

TITEL VIII. MI8DRIJVKN TKGKN HKT OPBNB. GKZAG. 31 hoogste eene maand ot geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden.

200. Hg die opzettelijk zaken, bestemd, om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers die voortdurend of tijdelijk op openbaar gezag bewaard worden, of hetzij aan een ambtenaar, hetzij aan een ander in het belang van den openbaren dienst zijn ter hand. gesteld, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste driejaren.

201. Hij die opzettelijk brieven of andere stukken, aan een post- of telegraafkantoor bezorgd of in eene postbus gestoken, aan hunne bestemming onttrekt, opent of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

20?. Indien de schuldige aan een der in de artikelen 128—201 omschreven misdrijven zich den toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft of het goed onder zijn bereik brengt door middel van braak, verbreking of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, k^n de straf met ten hoogste een jaar gevangenisstraf worden verhoogd.

203. Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk desertie van een krijgsman, in dienst van het rijk, uitlokt door een der in artikel 47. n0. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 48 vermelde wijze, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

204. Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk oproer of muiterij van krijgslieden, in dienst van het rijk, uitlokt door een der in artikel 47 nn. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 4S vermelde wijze, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

205. Hij die zonder toestemming des Konings, iemand voor vreemden krijgsdienst aanwerft, wordt gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogsie een jaar of een geldboete van ten hoogste drie duizend gulden.

206. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft;

lo. hij die zich opzettelijk voor den dienst bij de militie of bij de schutterij ongeschikt maakt of laat maken;

2o. hij die een ander op diens verzoek opzettelijk voor dien dienst ongeschikt maakt

Indien in het laatste geval het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstjaf van ten hoogste zes jaren opgelegd.

NEGENDE TITEL.

Meineed.

207. Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift eene verklaring onder eede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe, gemachtigde, opzettelijk eene valsche verklaring onder eede aflegt, wordt gestraft met gevangennisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien de valsche verklaring onder eede is afgelegd in eene strafzaak tan nadeele van den beklaagde of verdachte, wordt

-ocr page 168-

BOEK II. MUNTMISDRTJVEN.

de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Met den eed staat gelijk de belofte of bevestiging die krachtens de wet voor den eed in de plaats treedt.

Ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

TIENDE TITEL.

Muntmisdrijven.

208. Hij die muntspeciën of muntpapier namaakt of ver-valscht, met het oogmerk om die muntspeciën of dat muntpapier als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, wordt, als schuldig aan valsche munt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

209. 11 ij die opzettelijk als echte en onvervalschte mnntspeciën of muntpapier uitgeeft muntspeciën of muntpapier waarvan de valschheid of vervalsching hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oo-jmerk om ze a!s echt en on -vervalscht uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

210. Hij die muntspeciën in waarde vermindert, met het oogmerk om ze aldus in waarde verminderd uit te geven ofte doen uitgeven, wordt, als schuldig aan muntschsnnis, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

211. Hij die opzettelijk als ongeschonden muntspeciën uitgeeft muntspeciën waarvan de schennis hem, toen hij ze ontving, bekend was, lt; f deze, met het oogmerk om ze als ongeschonden uic te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, wordt ges,raft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

212. Indien een der in de artikelen 208—311 omschreven misdrijven ten opzichte van buitenlandsche muntspeciën of buitenlandsch muntpapier wordt gepleegd, wordt het maximum der gevangenisstraf met twee jaren verminderd.

213. Hij die opzettelijk valsche, vervalschte of geschonden muntspeciën of valsch of vervalscht muntpapier weder uitgeeft nadat de valschheid, vervalsching of schennis hem is bekend geworden, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

214. Hij die stolfen of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een muntmisdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden,

I)e stutten en werktuigen worden verbeu ra verklaard.

315. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 208-211 omschreven misdrijven, kan ontzetting van (ie in artikel 28 no. 1-4 vermelde rechten worden uitgesproken.

82

-ocr page 169-

TITEL XI. VALSCHHKID IN ZEGELS EN MERKEN.

ELFDE TITEL.

Valselilieid in zegels en merken.

216. Met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren wordt gestraft:

lo. hij die van rijkswege uitgegeven zeirels namaakt of ver-valscht, met het oogmerk lt; m die zegels als echt en on-vervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2o. hij die, met gelijk oogmerk, zoodanige zegels vervaardigt door vederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels.

217. Met eevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren wordt gestraft:

lo. hij die op gouden of zilveren werken valsche rijksmerken of door de wet vereischte meesterteekenen plaatst of echte vervalscht met het oogmerk om die werken te gebruiken of door aïideren te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken of teekenen echt en onver-valscht waren;

2o. hij die, niet gelijk oogmerk, op de bedoelde werken merken of teekenen plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels;

80. hij die echte rijksmerken of door de wet vereischte meesterteekenen inzet, aanvoegt of overbrengt in, aan of op andere gouden of zilveren werken dan die waaraan zij oorspronkelijk zijn aangebracht, met het oogmerk om die werken te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken of teekenen oorspronkelijk daarop waren geplaatst.

218 Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren wordt gestraft:

lo hij die op voorwerpen aan ijk onderworpen valsche rijksmerken plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die voorwerpen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalscht waren-.

2o. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde voorwerpen merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van eebte stempels.

219. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft;

lo. hij die andere dan de in de artikelen 217 en 218 bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen of hunne verpakking moeten of kunnen worden geplaatst daarop valschelijk plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalscht waren;

2o. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde goetleren of hunne verpakking merken pla«tst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels;

3o. hij die echte merken gebruikt voor goederen of hunne verpakking waarvoor die merken niet bestemd 7ijn, met

STRA.FIIECJIT. 3

-ocr page 170-

BOEK II. VALSCIIIIEID IN ZEGELS EN MERKEN.

liet oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde roerken daarvoor bestemd waren.

220. Hij die opzettellijk valsclie, vervalsclite of wederrechtelijk vervaardigde zegels, teekenen of merken, of de voorwerpen waaraan zij wederrechtelijk verbonden zijn, gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, als waren die zegels, teekenen of merken echt en onvervalscht en niet wederrechtelijk vervaardigd of wederrechtelijk aan de voorwerpen verbonden, wordt gestraft met dezelfde stratfen als in de artikelen 216—219 zijn bepaald, naar de daar gemaakte onderscheidingen.

221. Hij die voorwerpen aan ijk onderworpen ontdoet van het daarop geplaatste afkeuringsmerk, met het oogmerk om die voorwerpen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als waren zij niet afgekeurd, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk deze van het afkeuringsmerk ontdane voorwerpen gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of ten verkoop in voorraad heeft, als waren zij niet afgekeurd.

222. Hij die van rijkswege uitgegeven zegels, welke reeds tot gebruik hebben gediend, ontdoet van het merk bestemd om ze voor verder gebruik ongeschikt te maken, me: het oogmerk j-om die zegels te gebruiken of door anderen te doen gebruiken I als waren zij nog niet gebruikt, wordt gestraft met gevangenis- | straf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hooiste | driehonderd gulden.

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die opzettelijk deze van dat merk ontdane zegels gebruikt, verkoopt, :e koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, als waren zij nog niet gebruikt.

223. Hij die stoffen of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van eenig in artikel 216 omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De stoffen en werktuigen worden verbeurdverklaard.

224. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 216—222 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

9 chrift en.

TWAALFDE TITEL.

Valse hheid

in ges

225, Hij die een geschrift waaruit eenig recht, eenige verbintenis of eenige bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat bestemd is om tot bewijs van eenig feit te dienen, valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, als schuldig aan valschheid in geschrift, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

84

-ocr page 171-

TITEL XII, VALSCHHEID IN GESCHRIFTEN. 35

Met dezelfde straf wordt «restraft bij die opzettelijk gebruik maakt van het valsche of vervalschte geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

226. De schuldige aan valschheid in geschrift wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren, indien zij gepleegd is:

lo. in authentieke akten;

2o. in schuldbrieven of certificaten van schuld van iederen staat, eenige provincie, gemeente of openbare instelling;

80. in aandeelen of schuldbrieven of certificaten van aandeel of schuld van eenige vereeniging, stichting of vennootschap;

4o. in talons, dividend- of rentebewijzen behoorende tot een der onder de beide voorgaande nummers omschreven stukken, of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven;

5o. in voor omloop bestemd krediet- of handelspapier.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

227. Hij die in eene authentieke akte eene valsche opgave doet opnemen aangaande een feit, van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk cm die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijne opgave in overeenstemming met de waarheid, wordt, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, gestraft met gevangenis traf van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van de akte als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, indien ui\' dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan.

228. De geneeskundige die opzettelijk eene valsche schriftelijke verklaring afgeeft nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de verklaring wordt afgegeven met het oogmerk om iemand in een krankzinnigengesticht te doen opnemen of terughouden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden opgelegd.

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die opzettelijk van de valsche verklaring gebruik maakt als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid.

229. Hij die eene schriftelijke geneeskundige verklaring nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het openbaar gezag of verzekeraars te nrsleiden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij d.e, met gelijk oogmerk, van de valsche uf vervalschte verklaring gebruik maakt als ware zij echt en onvervalscht.

280. Hij die een getuigschrift, van goed gedrag, bekwaamheid, armoede, gebreken of andere omstandigheden valschelijk

-ocr page 172-

36 BOT^K II. VALSCHHEID IN GESCHKIFTEN.

opmaakt of verval acht, met het oogmerk om het te gebruiken 2o. 1 ofiloor anderen te doen gebruiken ugt;t het verkrijgen van eene 1 ]

indienststelling of tot het opwekken van welwillendheid en Indit hulpbetoon, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste • aan de een j tar | hij ges

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk ge- ;; Ontz hruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of kan wi vervalscht getuigschrift als ware het echt en onverralscht. 288.

281. Hij ilieeen reispas, veiligheidskaart o( reisorder valsohelijk \' wederj opmaakt of vervalscht, of die zoodanig stuk op een valschen staat, \' naam of voornaam of met aanwijzing eener valsche hoedanig- , het hu heid doet afgeven, met het oogmerk om het te gebruiken of ten ho door anderen te doen trebruiken als ware het echt en onver-valscht of als ware de inhoud in overeenstemming met de waar- j,

heid, wordt gestratt met gevangenisstraf van ten hoogste twee \'f.

jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik 233. maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht . boete stuk als ware het echt en onvervalscht of als ware de inhoud lo. gt; in overeenstemming met de waarheid. ^ 2o.

283 Hij die biljetten eener krachtens de wet opgerichte \' ^\'ederlandsche circulatiebank, waarvan de valschheid of ver- 240. valsching fiem toen hij ze ontving bekend was, in voorraad ding ( h\'-eft of binnen het rijk in Europa invoert, met het oogmerk openli, om ze als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, i; raad i wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zeven f drie r jaren. j Ind

238. Hij die opzettelijk valsche of vervalschte biljetten eener er, tij krachtens de wet opgerichte Nederlandsche circulatiebank weder zijn * uitgeeft nadat de valschheid of verval selling hem s bekend ge- schub worden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogtse drie kan 1 maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. ; 241

234. Hij die stoffen of werktuigen voorhanden heeft waarvan ■ gestra hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van eenig in .; lo. artikel 226 no. 2—5 omschreven misdrijf, wordt gestraft met 2o. gevangenisstraf van ten hoogs-e zes maanden of geldboete van

ten hoogste driehonderd gulden j Gec

De stoffen en werktuigen worden verbeurdverklaard. j leedij:

235. liij vernordeeling wegens een der in de artikelen 225—229 ; volgd en 282 omschreven r..isdrijven, kan ontzttting van de in j en bt artikel 28 no. 1 —,4 vermelde rechten worden uitgesproken. [| \'fel

■ G7 ni

DERTIENDE TITEL. | De

Misdrijven tegen den burgerlijken staat.

236. Hij die door eenige handeling opzettelijk eens anderen afstamming onzeker maakt, wordt als schuldig aan verduistering van staat, gestraft met gevangenisstraf van ten h wgst^ vijfjaren.

Ontzetting van de in artikel 28 no 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken

237. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft;

lo hij die opzettelijk een dubbel huweMjk aan aat;

ter ti Aa hu\\v( schei gewc 24 vrou te h geva 24

-ocr page 173-

TITEL XIV. 3IISDEIJVKN IEGEN DE ZKDEN.

2o. hij die een huwelijk aangaat, wetende dat de wederpartij daardoor een dubbel huwelijk aangaat.

Indien hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat, aan de wederpartij zijn gehuwden staat heeft verzwegen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren

Ontzetting van de in artikel 28 no 1—5 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

288. De ongehuwde die een huwelijk aangaat, opzettelijk aan de wederpartij verzwijgende dat daartegen eenig wettig beletsel bestaat, wordt, indien op grond van dat beletsel de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken, gestraft aiet gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

VEERTIENDK TITEL.

Misdrijven tegen de zeden.

233. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

lo. openbare schennis van de eerbaarheid;

2o. schennis van de eerbaarheid, waarbij een ander zijns ondanks tegenwoordig is

240. Hij die eenige voor de eerbaarheid aanstootelijke afbeelding of vliegend blaadje waarvan hij den inhoud kent, verspreidt, openlijk ten toon stelt, aanslaat of ter verspreiding in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het, plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

241 Met gevangenisstral van ten hoogste zes maanden wordt gestraft;

lo. de gehuwde die overspel pleegt -

2o. de ongehuwde die het feit medeples^t, wetende dat. de medeschuldige gehuwd is.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van den be-leedigden echtgenoot, binnen den tijd van drie maanden gevolgd door een eisch tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed op grond van hetzelfde feit.

Ten aanzien van deze klachten zijn de artikelen 64, 65 en 67 niet van toepassing.

De klachte kan worden ingetrokken zoolang liet onderzoek ter terechtzitting niet is aangevangen.

Aan de klachte wordt geen gevolg gegeven, zoolang niet het huwelijk door echtscheiding is ontbonden of het vonnis, waarbij scheiding van tafel en bed is uitgesproken, onherroepelijk is geworden.

242. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene vrouw dwingt met hem buiten echt vleeschclijke gemeenschap te hebben, wordt, als schuldig aan verkrachting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

243. Hij die buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft met

37

:ebruiken van eene : ihcid en -i hoogste 7

I

elijk ge-ilsch of scht.

ilsohelijk \' valschen ■; oedanig-liken of i onver-ie waar- ;, ste twee

gebruik rvalscht ,, inhoud

gerichte of ver-oorraad •ogmerk itgeven. |

r e /even

|

n eener v weder end ge- . tse drie Iden.

™ ar van i enig in \'li ft met I te van

\'5—229 de i :en.

nderen

stering fjaren, echten

wordt

-ocr page 174-

BOEK II. MISDRIJVEN TEGEN DE ZEDEN.

eene vrouw van wie hij weet dat zij in staat van bewusteloosheid of onmacht verkeert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

244. Hij die vleeschelijke gemeenschap heeft met een meisje beneden den leeftijd van twaalf jaren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

245. liij die buiten eclit vleeschelijke gemeenschap heeft met eeoe vrouw die den leeftijd van twaalf, maar nog niet dien van zestien jaren heeft bereikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Vervolging heefr. buiten de gevallen van artikel 248, niet plaats dan op klachte.

246. Hij die door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt tot het plegen of duldeu van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

247. Hij die met iemand van wien hij weet dat hij in bewusteloosheid of onmacht verkeert of met iemand beneden den leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen pleegt of laatstgemelden tot het plegen of dulden van zoodanige handelingen of, buiten echt, van vleeschelijke gemeenschap met een derde verleidt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

248. Indien een der in de artikelen 243 en 245—247 omschreven misdrijven zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren opgelegd.

Indien een der in de artikelen 242—247 omschreven misdrijven den dood ten gevolge heeft, wordt gevangen: sstraf van ten hoogste vijftien jaren opgelegd.

249. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft ontucht gepleegd:

lo. door ouders, voogden, toeziende voogden, godsdienstleeraars of onderwijzers met aan hunne zorg of opleiding toevertrouwde minderjarigen;

door bestuurders of opzichters in werkinrichtingen, werkplaatsen of fabrieken met hunne minderjarige bedienden of ondergeschikten;

3o. door ambtenaren met personen die aan hun gezag zijn onderworpen of aan hunne waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen;

door bestuurders, geneeskundigen, onderwijzers, beambten, opzichters of bedienden in gevangenissen, rijkswerkinrichtingen, huizen van verbetering, opvoedingsgestichten, weeshuizen, ziekenhuizen, krankzinnigengestichten of instellingen van weldadigheid, met personen daarin opgenomen.

250. Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft

lo. niet gevangenisstraf van ten hoogste vier ja-en, de vader, moeder, voogd of toeziende voogd die opzettelijk het plegen van ontucht door zijn minderjari|i kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, ieder ander die uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door

88

2o.

4o.

-ocr page 175-

?

TITEL XIV. MISDRIJVEN TEGEN DE ZEDEN. 39

iwuste- i een minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert,

ngenis- | of die van liet opzette\'ijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde een gewoonte

meisje :: maakt.

iet ge- 251. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 239 en 241—250 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in

heeft art. 28 no. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken.

)g niet Indien de schuldige aau een der misdrijven in de beide vorige

et ge- artikeleu omschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan

hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

B, niet i 252, Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

emand ; lo. hij die aan iemand die in kenlijken staat var dronNcnschap

lingen, \' verkeert, bedwelmenden drank verkoopt of toedient;

irheid, 2o. hij die een kind beneden den leeftijd van zestien jaren dronken maakt;

in be- 80. hij die iemand door geweld of bedreiging met geweld

en den dwingt tot het gebruik van bedwelmenden drank.

egt of ; Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,

lande- wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoog-

et een stc zes jaren.

m ten Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

7 om- I Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan

heeft, hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

legd. L 253. Hij die een onder zijn wettig gezag staand kind beneden 1 mis- den leeftijd van twaalf jaren aan een ander afstaat of overlaat, if van \' i wetende dat het tot of bij het uitoefenen van bedelarij, van ^ gevaarlijke kunstverrichtingen of van gevaarlijken of de gewordt £ zondheid ondermijnenden arbeid zal worden gebruikt, wordt

t; gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

ienst- \'i 254. Mishandeling van een dier wordt gestraft met gevan-

oplei- i genisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten

■:i hoogste honderd twintig gulden.

:ngen, Indien het misdrijf in het openbaar gepleegd wordt, wordt

;e be- gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van

I\' ten hoogste honderd twintig gulden opgelegd.

jn on- Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee

ivd of f jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is gewor-

ibten, den, kunnen de straften met een derde worden verhoogd,

irich- Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar.

wees- I

ellin- VIJFTIENDE TITEL.

mien. | Verlating van hulpbehoevenden.

\'ader, -j 255. Hij die opzettelijk iemand tot wiena onderhoud, ver-

het pleging of verzorging hij krachtens wet of ow\'ereenkomst ver-

f den plicht is, in een hulpeloozen toestand brengt of laat, wordt

min- y gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of

; H geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

mder r| 250. Hij die een kind beneden den leeftijd van zeven jaren

door i\' te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ont-

-ocr page 176-

BOEK II. VERLATING VAN HULPBEHOEVENDEN.

doen, verlaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

257. Indien een der in de artikelen 255 en 256 omschreven feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Indien een dezer ftiten den dood ten gevolge heeft, wordt liij gestraft met gevangenisstraf van ten liooxste negen jnren.

2o8. indien de schuldige aan liet in artikel 2öC omschreven misdrijf de vader ol de moeder is, kunnen te zijnen aanzien de in de artikelen 256 en 257 bepaalde straffen met een derde worden vehoogd.

25Ü Indien de moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind kort na de geboorte ie vondeling legt ot, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt het maximum der iu de artikelen 256 en 257 vermelde straffen tot de helft verm nderd.

260 Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 255—259 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 4 vermelde rechten worden uitgesproken.

ZESTIENDE TITEL.

Beleediging.

261. Hij die opzettelijk iemands eer of goeden naam aanrandt, door telastlegging vhu een bepaald feit, met het kenlijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smand. gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehorderd gulden.

Indien dit geschiedt duor middel van geschriften of afbeel-dii.gen, verspreid, openlijk ten toon gesteld of aangeslagen, wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met g- vangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van len hoogste driehonderd gulden.

Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zoover de dader klaarblijkelijk beeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging.

262. Hij die !.et misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt ingeval het bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit is toegelaten, wordt, indien hij dat bewijs niet levert en de telastlegging tegen beter weten is geschied, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Ontzetting van de in artikel 28 no 1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

263. Het bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit wordt alleen toegelaten in ce volgende gevallen:

lo. wanneer de rechter het onderzoek naar de waarheid noodig acht ter beoordeeling van de bewering van den beklaagde dat hij in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging gehandeld heeft;

2o. wanneer aan een ambtenaar een feit begaan iu de uitoefening zijner bediening wordt te laste gelegd.

264. Het in artikel 263 bedoeld bewijs is i iet toegelaten,

40

indien he ien verve

265. In rechterlijl reroordee

Indien wijsde oi vokomen Indien legde fei

vol ging pel ij k ov

266. E smaad c niO\' delii mondelii of\' aan ge leediginy maandei

i\'67. J

paalde s de belee of ter z

268. K eene val doet bn soon w( klacht,

Ontze kan wo

269. . vervolgt gepleeg

270. dat, ws gekenm ilrie un

int i een de iu de i zijn ec quot;271. voor ei aan d\' te gev spreid met g van te nd ti;

-ocr page 177-

TITEL XVI. BELEEDIGING.

indien het te laste gelegde feit niet dan op klachte kan worden vervolgd en yeeiie klachte is gedaan.

265. Indien de beleedigde aan het te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard, is •eroordeeling wegens laster uitgesloten.

Indien hij van net te laste gelegde feit hij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is vrijgesproken, wordt dat gewijsde als volKomen bewijs der onwaarheid van het feit aangenieikt.

Indien tegen den beleedigde wegens het hem te laste gelegde feit eene strafvervolging is aangevangen, wordt de vervolging wegens laster geschorst totdat bij gewijsde onherroepelijk over het te laste gelegde feit is beslist.

266. Elke opzettelijke beleediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, iemand hetzij in het openbaar moi deling of bij geschrifte, hetzij in zijne tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift, aangedaan, wordt, als eenvoudige beleediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden

i\'67. De in de voorgaande artikelen van dezeu titel bepaalde straffen kunnen niet een derde worden verhoogd, indien de beleediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening.

268. Hij die opzettelijk te.en een bepaald persoon bij de overheid eene valsche klachte of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam van den persoon wordt aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft met gevai gen is str»f van ten hoogste drie jaren.

Ontzetting van dequot; in artikel 28 no. 1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

269. Beleediging, strafbaar krachtens dezen titel, wordt niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, behalve in het geval van artikel 267.

270. Hij die ten aanzien van een overledene een feit pleegt dat, ware deze nog in leven, als smaadschrift of smaad zou zijn gekenmerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

i/it misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte hetzij van een der bloedverwanten of aan gehuwden van den overledene, in de rechte linie of zijlinie tot den tweeden graad, hetzij van zijn echtgenoot.

271. Hij die een geschrift of afbeelding van bgleedigenden of voor een overledene smadelijken inhoud, met het oogmerk om aan den beleedigenden of smadelijken inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het. misdrijf, nog sreen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

;rr. van ten

i sell reven vordt de 3te zeven

41

-ocr page 178-

BOEK II. SCHENDING VAN GEHEIMEN.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van de in artikel 269 en het tweede lid van artikel 270 aangewezen personen.

ZEVENTIENDE TITEL.

Schending van geheimen.

272 Hij die opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uit hoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekendoiaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte.

273. Hij die opzettelijk aangaande eene onderneming van handel of nijverheid bij welke hij werkzaam is of geweest is, bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van het bestuur der onderneming.

ACHTIENDE TITEL.

Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid.

274. Hij die voor eigen of vreemde rekening sh.venhandel drijft of opzettelijk daaraan middelijk of onmiddelijk deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

275. Hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is, of het daartoe gebruikende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het vervoer den dood van een of meer slaven ten gevolge heeft, wordt de schipper gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

276. Hij die als schepeling dienst neemt op een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is of gebruikt wordt, of vrijwillig in dienst blijft na die bestemming of dit gebruik te hebben vernomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

277. Hij die voor eigen of vreemde rekening middelijk of onmiddelijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een vaartuig, wetende dat het tot drijven van slavenhandel bestemd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

278. Hij die iemand over de grenzen van het rijk .n Europa voert, met het oogmerk om hem wederrechtelijk onder de macht van een ander te brengen of om hem in hulpeloozen toestand te verplaatsen, wordt als schuldig aan menschenroof, gestraft met gevangengenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

279 Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van dengene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestrift met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

42

-ocr page 179-

TITEL XVIII. MISDR. TEGEN DE PZRSOONL. VRIJHEID. 43

Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt opgelegd indien list, geweld of bedreiging met geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

280. Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van dengene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt of aan de nasporing van de ambtenaren der justitie of politie onttrekt, wordt gestraft met gevange-nissiraf van ten hoogste drie jaren of, indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

281. Als schuldig aan schaking wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren .hij die eene minderjarige vrouw, zonder den wil van hare ouders of voogden, doch met hare toestemming wegvoert, met het oogmerk om zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die eene vrouw door list, geweld of bedreiging met geweld wegvoert, met het oogmerk om zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte.

De klachte geschiedt;

a. indien de vrouw tijdens de wegvoering minderjarig is, « hetzij door haar zelve, hetzij door iemand wiens toestemming

zij tot het aangaan van een huwelijk behoeft;

4 b. indien zij tijdens de wegvoering meerderjarig is, hetzij | door haar zelve, hetzij door haren echtgenoot.

Indien de schaker met de weggevoerde een huwelijk heeft gesloten, heelt geene veroordeeling plaats, dan nadat de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken.

282. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of beroofd houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

De in dit artikel bepaalde straifen zijn ook van toepassing op hem die opzettelijk tot de wederrechtelijke vrijheidsroe ving eene plaats verschaft.

283. Hij aan wiens schuld te wijten is dat iemand wederrechtelijk van zijne vrijheid beroofd wordt of beroofd blijft, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft wordt de schuldige gestraft met hechtenis van ten hoogste negen maanden.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met hechten\'s van ten hoogste een jaar.

284. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft;

} in arti-lersonen.

it hoofde beroep, met ge-aete van

eegd is,

ling van reest is, egd, be-hoogste gulden, liet be-

d.

nhandel Ineemt, If jaren, loet op ihandel ift met

en ten Qgenis-

artuig, emd is estem-estraft

Ink of of verin van isstraf

Europa tier de loozen mroof, jaren, m bet ngene et ge-

-ocr page 180-

T

293. H

str»f var

294. E daarbij wordt, ii

van ten

295. 1 hare vr wordt glt;

296 I van eer gestraft I Indici ■hij gesn

w ederrechtelijk dwingt iets te doen, niet te doen of te latl^n v

dulden

2o. bij die een ander door bedreiging met smaad of smaadschrift dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden.

Jn het geval ondtr 2o. omschreven, wordt het misdrijf niet \\ervolgd dan op klachte van hem tegen wien het gepleegd is

2S5. Bedreiging met openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, met eenig misdrijf waardoor de algemeene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, met verkrachting, niet feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met eenig misdrijf tegen het leven gericht., met\' zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Indien deze bedreiging sciiriftelijk en onder eene bepaalde

aaauiwu V/Ipijtp, Ol. Ill i 1LUIXJXV t/ll l\'llUCJ Cv-llO 1/CJirtrtlUC i OO-\' ï

voorwaarde geschiedt, wordt zij gestraft mat gevangenisstraf j; M\'- 1 van ten hoogste vier jaren. \' Ivan een

286 Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 27 —282 ||stra\'t1 D en in het tweede lid van artikel 285 omschreven misdrijven, niaande kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

Indiei Ihii gest

397.

| der mei

Iof mede omschn een dei het bei 399. wegens misdr ij melde :of mede omschn een dei het bei 399. wegens misdr ij melde :

300. ten ho derd ?

Indi wordt hoogst Indi straft Met linï d Pog

301, nestra

Ind wordt ste ze Ind straft

NI GEK TIEN DE TITEL Misdrij ven tegen het leven gericht.

287 Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft , wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

288. Doodslag gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heeter daad, aan zich zeiven of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregen te verzekeren, wordt gestraft met levens\'ange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren

289. Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren.

29U. De moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevuiling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kinderdoodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

291. De moeder die, ter uitvoering van 3en onder dc werking van vrees voor de ontdekking van hare aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opze\'telijk van het leven berooft, wordt, als srhuldig aan kinder-nmord, gestraft met gevangenisstraf van ten 1 oogste negen jaren.

292 De in de artikelen 290 en 291 omschrcveu misdrijven worden ten aanzien van anderen, die er aan deelnemen, als doodslag of als moord aangemerkt.

4 BOEK II. MISDR. TEGEN DE PEESOON. VRIJHEID.

lo. hij die een ander door geweld of bedreiging met geweld:

-ocr page 181-

TITEL XIX. M1SJDR. TEGEN ITET LEVEN GEEICIIT 45

293. Hij die een and» op \'iijn uitdrukkelijk en ernstig verlangen van liet leven lEjrooft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten ho\'ijste tv/aalf jaren.

294. Hij die opzettelijk een ander tot zelfmoord aanzet, hem daarbij behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfmoord volgt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

295. De vrouw die opzettelijk de afdrijving of den dood van hare vrucht veroorzaakt of door een ander laat veroorzaken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

296 Hij die opzettelijk de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw zonder hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het feit den dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

297- Hij die opzettelijk de afdrijving of den dood der vrucht van een vrouw met hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

Indien bet feit den dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt hij gestraft rnet gevangenisstraf van ten hoojjste zes jaren.

397. Indien ee geneeskundige, vroedvrouw of artsen ij berei-der medeplichtig is aan het misdrijf in artikel 295, of schuldig of medeplichtig aan een der misdrijven in de artikelen 296 en 297 omschreven, kunnen de in die artikelen bepaalde stratfen met een derde worden verhoogd, en k-m hij van de uitoefening van het beroep waarin hij het, misdrijf begaat worden ontzet

299. Bij veroordeeïing wegens doodsla;;, wegens moord of wegens sen der in de artikelen 293 296 en 297 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken.

TWINTIGSTE TITEL Mishandeling.

300. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadee-linir der gezondheid.

Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar

301. Mishandelin gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien het feit zwaar licbaruelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

fc geweld, gt;en of te]

f sniaad-lulden, rijf niet ;gd is iracbien •door de ir wordt van del ht, met \'aft niet

•epaalde nisstral\'

282 ir ij ven, e rech-

erooft, ilsstralquot; t

iin een \'oering of om, 3 deel-it van ast ra ft oogste

e een noord, in ten

or de na de inldig hoog-

wer-ie be-loorte itder-iaren. •ij ven , als

-ocr page 182-

BOEK II. MISHANDELING.

302. Hij die aan een ander opzf,f elijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig .^an zware misliandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren.

303. Zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vnftien jaren

304. De in de arikelen 300—303 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd :

lo. ten aanzien van den schuldige die het misdrijf begaat tegen zijne moeder, zijn wettigen vader, zijn echtgenoot of zijn kind;

2o indien bet misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening;

So. indien het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor liet leven of de gezondheid schadel.jke stoffen.

305. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 301 en 303 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

306. Zij die opzettelijk deelnemen aan een aanval of vechterij waarin onderscheidene personen zijn gewiktceld, worden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de bijzondere door hem bedreven feiten, gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, indien de aanval of vechterij alleen zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien de aanval of vechterij iemands dood ten gevolge heeft.

EEN EN TWINTIGSTE TITEL.

Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door schuld.

307. Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste negen maanden.

308. Hij aan wiens echuld te wijten is dat ren ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of zoodanig lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefen ng zijner anibts-of beroepsbezigheden ontstaat, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden.

309. Indien de in dezen titel omschreven misdrijven worden gepleegd in de uitoefening van eenig ambt of beroep, kan de straf met een derde worden verhoogd, kan (ntzetüng worden uitgesproken van de uitoefening van het beroep waarin het misdrijf is gepleegd, en kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

46

-ocr page 183-

TITEL XXII. DIEFSTALEN 8THOOPEEIJ.

TWEE EN TWINTIGSTE TITEL.

Diefstal en strooperij.

310. Hij die eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

311. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft .*

lo. diefstal van vee uit de weide;

?o. dietamp;tal bij gelegenheid van brand, ontploffing, watersnood, schipbreuk, stranding, spoorwegongeval, oproer, muiterij of oorlogsnood;

3o. diefstal gedurende den voor de nachtrust bestemden tijd in eene woning of op een besloten erf waarop eene woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen den wil van den eigenaar bevindt;

4o. diefstal door twee of meer personen;

5o. diefstal waarbij de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik beeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum.

Indien de in no. 3 omschreven diefstal vergezeld gaat van eene der in no. 4 en 5 vermelde omstandigheden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren opgelegd.

312. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met bet oogmerk om dien diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heeter daad, aan zich zeiven of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren wordt opgelegd-

lo. indien het feit wordt gepleegd hetzij gedurende den voor de nachtrust bestemden tijd in eene woning of op een besloten erf waarop eene woning staat; hetzij op den openbaren weg; hetzij in een spoortrein die in beweging is;

2o. indien het feit wordt gepleegd door twee of meer ver-eenigde personen;

3o. indien de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order, of een valsch kostuum.

4o. indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt opgelegd, indien het feit den dood ten gevolge heeft

313. Bij veroordeeling wegens diefstal kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

47

314. Hij die, zonder geweld of bedreiging met geweld tegen

I

-ocr page 184-

BOEK II. DIEFSTAL EN STROOPERU.

personen, geheel of ten deele aan een ander toebehoorendc klei, Imgger, ongesneden veen, zand, aarde, grind, puin, mcst-speciën, zoden, plasgen, lieide, helm, wier riet. biezen, mos, onbewerkt en niet vervoerd hak- of sprokkelhout, ongeplukte of afgevallen boomvruchten of bladeren, te veld staand gras ^ of te veld staande of na den oogst achtergebleven veldvruchten wegneemt, met het oogmerk om zich die voorwerpen wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan strooperij, gestraft met trevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

Indien tijdens het plegen vm het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeelicg van den schul dge wesens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogsquot; e twee maanden.

315. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden wordt gestraft:

lo. strooperij gepleegd met behulp van vaartuigen, wagens trek- of lastdieren;

2o. strooperij gepleegd onder eene of meer der in artikel 811 no. 2—5 vermelde oipstandigheden.

Ontzett ng van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

316 Indien de dader van of medeplichtige aan een der in dezen titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen dien dader of dien medeplichtige uitgesloten

Indien hij zijn van tafel en bed of van goed iren gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte Imie, hetzij in den tweeden graad der zijlinie, heeft, de vervolging, voor zoover hem betreft, alleen plaats op eene tegen hem gerichte klachte van dengene tegen wien het misdrijf is gepieegd.

DKIE EN TWINTIGSTE TITEL.

Afpersing en afdreiging.

317. Hij die met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoo\'deelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van ei-nig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort hetzij tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afpersing, gestratt met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

De bepalingen van het tweede en derde lid van art. 312 zijn op dit misdrijf van toepassing.

318. Hij die, met het oogmerk om zich o1 een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot he*, aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt als schuldig aan afdreiging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

48

Dit tegen v

319. omschr(

320. schreve vermeit

321. aan eei onder schul di ten ho gulden.

322.

| hoofde roep, lt; gestraf

323. noodzai bewind

I beheert ïï tingen, zich ht vijf jai \' 324. omschr 525. jschreve uitspra 28 no Indii hij van

, rechte! valscht listige dichtse tot hei inschu vangen 327. dwalin zekerir sluit t

STE/

-ocr page 185-

TITEL XXIV. VERDUISTERING.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klaclite van hem tegen wien het gepleegd is.

319. De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

320. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel om-• schreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

VIER EN TWINTIGSTE TITEL.

Verduistering.

321. Hij die opzettelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan doormisdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeeigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren ot geldboete van ten hoogste zestig gulden.

322. Verduistering gepleegd door hem dis het goed uit ihoofde van zijne persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

323. Verduistering gepleegd door hem wien bet goed uit noodzaak in bewaring is gegeven, of door voogden, curators, bewindvoerders, uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen of beheerders van instellingen van weldadigheid of van stichtingen, ten opzichte van eenig goed dat zij als zoodanig ouder zich hebben, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

324. De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

825, Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten en ontzetting uitspreken van de in artikel 28 no 1—4 vermelde rechten.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

VIJF EN TWINTIGSTE TITEL.

Bedrog.

326. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederquot; rechtelijk te bevoordeelen, hetzij door het aannemen van een valschen naam of van eene valsche hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van eenig goed of tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

327. Hij die door listige kunstgrepen den verzekeraar in dwaling brengt ten opzichte van omstandigheden tot de verzekering betrekking hebbende, zoodat deze een overeenkomst sluit die hij niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou heb-

STRAFRECHT. 4

49

-ocr page 186-

BOEK IT. BEDROG.

ben gesloten, indien hij den waren staat van zaken gekend liad wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

328. Hij die, niet liet oogmerk om zich of een ander, teul nadeele van den verzekeraar of van den wettigen houder varv een bodemenjbrief, wederrechtelijk te bevoordeelen, brand stichtl of eene ontploffing teweegbrengt in eenig t gen brandgevaar verzekerd goed, of een vaartuig dat verzekerd is of waarvan de lading of de te verdienen vrachtpenningen zijn verzekerd, of wanrop bodemerijpenningen zijn geschoten, doet zinken of stran den vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft} met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren

329. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar wordt; gestraft de verkooper die den kooper bedriegt

lo. door hem die een bepaald aangewezen voorwerp kocht, opzettelijk iets anders daarvoor in de plaats te leveren

2o. ten opzichte van den aard, de hoedanigheid of de hoe veelheid van het geleverde, door het aanwenden van listige kunstgrepen.

330. Hij die eet- of drinkwaren of geneesmiddelen verkoopt.a te koop aanbiedt of aflevert, wetende dat zij vervalscht zijn en die vervalsching verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren,

Ket- of drinkwaren of geneesmiddelen zijn vervalscht wanneer door bijmenging van vreemde, bestanddeelen hunne waarde of hunne bruikhaariieid verminderd is |

331 Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren worutj gestraft de aannemer of de bouwmeester van eenig werk of de verkooper van bouwmaterialen, die by de uitvoer ng van het werk of de levering der materialen eeni\'/e bedritgelijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van personen ol goederen, of de veiligheid van den staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht.

Met dezelfde straf wordt gestraft, hij die. met het opzicht over het werk of over de levering der materialen belast, dt bedriegelijke handeling opzettelijk toelaat.

332 Hij die, bij levering van benoodigdheden ten dienste van de vloot of het leger, eenige bedriegelijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van den staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht, wordt gestraft met ge vangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

ilet dezelfde straf wordt gestraft, hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedriegelijke handeling opzettelijk toelaat.

333 Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, hetgeen tot afbakening der grenzen van erven dient vernielt, verplaatst, verwijdert of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

334-. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door het verspreiden van een logen-achtig bericht, den prijs van koopwaren, fondsen of geldswaard!» papier doet. stijgen of dalen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

50

835. leenem eenige deelen vennoc te bew ware o wordt

336. looze ^ een en met gt

337. pak kin liet nu herkon van ee pakkin geringe invoert uitgevf verkoo; gevang van tel

Indh zijn vi schuld gevang 338 schreve 339. ven mi spraak ning vi Bij ^ 331 en artikel

340 of tot schuldi straf v: lo. i 2o. ii

8o.

-ocr page 187-

TITEL XXV. BKDKOG.

835. Hij die, zich belastende met of zijne medewerking ver-leenende tot het plaatsen van schuldbrieven\' van eenigen staat, eenipe provincie, gemeente ot openbare instelling, of van aandeden in of schuldbrieven van eenige vereeniging, stichting of vennoot chap, het publiek tot inschrijving of deelneming tracht te bewegen door het opzettelijk verzwijgen of verminken van ware of voorspiegelen van valsche feiten of omstandigheden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

336. De koopman, de bestuurder of commissaris eener na^m-looze vennootschap of coöperatieve vereeniging die opzettelijk eenen on waren staat of balans openbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

337- Hij die opzettelijk waren, welke zelve of op hare verpakking valschelijk voorzien zijn van den naam, de firma of het merk waarop een ander recht heeft, of, ter aanduiding van herkomst, van den naam eener bepaalde plaats met bijvoeging van een verdichten naam uf firma, of op welke of op wier ver pakking zoodanige naam, firma of merk, zij het ook met eene geringe afwijking, zijn nagebootst, binnen het llijic in Europa invoert zonder klaarblijkelijke bestemming om weder te worden uitgevoerd, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, uitdeelt of ten verkoop of ter uitdeeling in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert eena vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden worden opgelegd.

338 De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing

339. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten eti üe schuldige woiden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 326, 328, 331 en 332 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken

ZES EN TWINTIGSTE TITEL\'.

Benadeeling van schuldeischers of rechthebbenden.

340 De koopman die in staat van faillissement is verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt, als schuldig aan eenvoudige bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

lo. indien zijne verteringen buitensporig zijn geweest;

2o. indien hij, met het oogmerk om zijn faillissement uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, op bezwarende voorwaarden geldopnemingen heeft gedaan ;

3o. indien hij de boeken die hij gehouden heeft, niet in ongeschonden staat te voorschijn brengt.

oi

:end liad ui jaar. uier, ten ud er varw. nd sticht ; ndgevaar | larvan de J i kerd, o: | of stranl t gestraft j

ar wordt

•p kocht, leveren; f de hoe id en van

verkoopt it zijn en vangenis-

cht wan ie waarde

en wordt : werk of g van het :e hande-rsonen oi lorlog kan

it opzicht belast, de

enste van ag pleegt, tijd van t met ge

;t opzicht ke hande

er weder-r grenzen bruikbaar i hoogste

gr weder een logen dswaardis genisstraf

-ocr page 188-

53 BOEK n. BENAD. VAN SCIIULDEISCHERS OF KEClITIf.

341. De koopman die in staat van faillissement is verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt, als schuldig aan bedriegelijke bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedriegelijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers:

lo. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt; 2o. ecnig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden

de waarde heeft vervreemd:

3o ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement n et kon worden voorkomen, een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4o. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van liet houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren. 842. J)e bestuurder of commissaris eener aaamlooze yennootschap of coöperatieve vereeniging welke in utaat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

lo indien hij heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, waaraan de door de vennootschap of vereer iging geleden verliezen geheel of grootendeels zijn te w\'jteu; 2o. indien hij, met het oogmerk om het faillissement der vennootschap of vereeniging uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven tot het doen van geldopnemingen op bezwarende voorwaarden 5 .

3o. indien het hem te wijten is dat niet geregeld is boek gehouden, of dat de boeken die gehouden zijn, niet m ongeschonden staat worden te voorschijn gebracht. 343. De bestuurder of commissaris eener naamlooze yen-nootschap of coöperatieve vereeniging, welke in staat van faillissement is verklaard, wordt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuideischera van de vennootschap of vereeniging • lo. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt; 2o. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarbl jkelijk beneden

de waarde heeft\'vervreemd;

3o. ter gi legenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een der schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4o. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren. 344 Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden wordt gestraft hij die ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeischers:

Tl\' lo.

345. akkoor den se voorde het allt; een ja; ? Gelij denaar ; naamic ; nige O\' i 346.

of, zon J toegela r vier ja ; korting dicht 1 . niet ve heeft ( benedei I eischer!

347. schap artikel sternmi ten ge\\ staat gi den oir tien du

348. den eilt;j een and gebruik van ten

De be

349. 343, 34-den out

Bij v{ Bchrevei uitspraa 3494* mteurs: -wee di De dc

-ocr page 189-

TITEL XXVI. BENAD. VAN SCHULDEISCHBKS OP BECHTH. 58

lo. in geval van gerecbtelijken boedelafstand van een koopman of van faillissement, of in het vooruitzicht van bet een of het ander, eenis; goed aan den boedel onttrekt, in het laatste geval indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd;

2o. bij verificatie der schuldvorderingen in geval van gerechtelijken boedelafst ind van een koopman of van faillissement, eene niet bestaande schuldvordering voorwendt of eene bestaande tot een verhoogd bedrag doet gelden.

345. De schuldeischer die tot een aangeboden gerechtelijk akkoord toetreedt ten gevolge van een overeenkomst hetzij met den schuldenaar, hetzij met een derde, waarbij hij bijzondere voordeden heeft bedongen, wordt, in geval van aanneming van het akkoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Gelijke straf wordt in hetzelfde geval toegepast op den schuldenaar of op den bestuurder of commissaris der gefailleerde naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging die zoodanige overeenkomst sluit.

346. Hij die in staat van kennelijk onvermogen is verklaard of, zonder koopman te zijn, tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden, indien hij, ter bcdriegelijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers, hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel ontrokken heeft of onttrekt, hetzij eenig goed om niet of klaarblijkelijk beneden de waarde heelt vervreemd, hetzij een zijner schuld-eischers op cenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt.

347. De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging die, buiten het geval van artikel 342, zijne medewerking heeft verleend of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, ten gevolge waarvan de vennootschap of vereeniging buiten staat geraakt aan hare verplichtingen te voldoen of moet worden ontbonden, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tien duizend gulden

348. Hij die opzettelijk zijne eigene zaak of, ten behoeve van den eigenaar, eene hem niet toebehoorende zaak onttrekt aan een ander die daarop een recht van pand, terughouding, vrucht-gebruik of gebruik heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

De bepaling van artikel 316 is op uit misdrijf van toepassing,

349. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 341, 343, 344, en 346 omschreven misdrijven, kan de schuldige worden oatzet van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikel 340—346 omschreven misdrijven, kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast.

S49i/s. Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders mteursrecht, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste wee duizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, als-

H.

rklaard dt, als ngenis-igelijke

en niet eenig

t;

)eneden

tijdstip worden :ijze be-

im rus- h len, be-tapieren. ize ven-n faillis-1 traf van

mng ge-1, waargeleden

lent der: mide dat; ft mede-loen van

1 is boek , niet in •lit.

joze ven* w faillis-straf van )rting van ■eenigint, zij liaten stzij eenig •ekt;

: beneden

n tijdstip n worden zebevoor-

hem rus-len, bewa-lapieren, •en en zes orting van

-ocr page 190-

53 BOEK n. BENAD. VAN SCIIULDEISCHERS OF KEClITIf.

341. De koopman die in staat van faillissement is verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt, als schuldig aan bedriegelijke bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedriegelijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers:

lo. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt; 2o. ecnig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden

de waarde heeft vervreemd:

3o ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement n et kon worden voorkomen, een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4o. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van liet houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren. 842. J)e bestuurder of commissaris eener aaamlooze yennootschap of coöperatieve vereeniging welke in utaat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

lo indien hij heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, waaraan de door de vennootschap of vereer iging geleden verliezen geheel of grootendeels zijn te w\'jteu; 2o. indien hij, met het oogmerk om het faillissement der vennootschap of vereeniging uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven tot het doen van geldopnemingen op bezwarende voorwaarden 5 .

3o. indien het hem te wijten is dat niet geregeld is boek gehouden, of dat de boeken die gehouden zijn, niet m ongeschonden staat worden te voorschijn gebracht. 343. De bestuurder of commissaris eener naamlooze yen-nootschap of coöperatieve vereeniging, welke in staat van faillissement is verklaard, wordt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuideischera van de vennootschap of vereeniging • lo. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt; 2o. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarbl jkelijk beneden

de waarde heeft\'vervreemd;

3o. ter gi legenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een der schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4o. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren. 344 Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden wordt gestraft hij die ter bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeischers:

Tl\' lo.

345. akkoor den se voorde het allt; een ja; ? Gelij denaar ; naamic ; nige O\' i 346.

of, zon J toegela r vier ja ; korting dicht 1 . niet ve heeft ( benedei I eischer!

347. schap artikel sternmi ten ge\\ staat gi den oir tien du

348. den eilt;j een and gebruik van ten

De be

349. 343, 34-den out

Bij v{ Bchrevei uitspraa 3494* mteurs: -wee di De dc

-ocr page 191-

TITEL XXVI. BENAD. VAN SCHULDEISCHBKS OP BECHTH. 58

lo. in geval van gerecbtelijken boedelafstand van een koopman of van faillissement, of in het vooruitzicht van bet een of het ander, eenis; goed aan den boedel onttrekt, in het laatste geval indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd;

2o. bij verificatie der schuldvorderingen in geval van gerechtelijken boedelafst ind van een koopman of van faillissement, eene niet bestaande schuldvordering voorwendt of eene bestaande tot een verhoogd bedrag doet gelden.

345. De schuldeischer die tot een aangeboden gerechtelijk akkoord toetreedt ten gevolge van een overeenkomst hetzij met den schuldenaar, hetzij met een derde, waarbij hij bijzondere voordeden heeft bedongen, wordt, in geval van aanneming van het akkoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Gelijke straf wordt in hetzelfde geval toegepast op den schuldenaar of op den bestuurder of commissaris der gefailleerde naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging die zoodanige overeenkomst sluit.

346. Hij die in staat van kennelijk onvermogen is verklaard of, zonder koopman te zijn, tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden, indien hij, ter bcdriegelijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers, hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel ontrokken heeft of onttrekt, hetzij eenig goed om niet of klaarblijkelijk beneden de waarde heelt vervreemd, hetzij een zijner schuld-eischers op cenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt.

347. De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging die, buiten het geval van artikel 342, zijne medewerking heeft verleend of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, ten gevolge waarvan de vennootschap of vereeniging buiten staat geraakt aan hare verplichtingen te voldoen of moet worden ontbonden, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tien duizend gulden

348. Hij die opzettelijk zijne eigene zaak of, ten behoeve van den eigenaar, eene hem niet toebehoorende zaak onttrekt aan een ander die daarop een recht van pand, terughouding, vrucht-gebruik of gebruik heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

De bepaling van artikel 316 is op uit misdrijf van toepassing,

349. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 341, 343, 344, en 346 omschreven misdrijven, kan de schuldige worden oatzet van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikel 340—346 omschreven misdrijven, kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast.

S49i/s. Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders mteursrecht, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste wee duizend gulden.

De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, als-

H.

rklaard dt, als ngenis-igelijke

en niet eenig

t;

)eneden

tijdstip worden :ijze be-

im rus- h len, be-tapieren. ize ven-n faillis-1 traf van

mng ge-1, waargeleden

lent der: mide dat; ft mede-loen van

1 is boek , niet in •lit.

joze ven* w faillis-straf van )rting van ■eenigint, zij liaten stzij eenig •ekt;

: beneden

n tijdstip n worden zebevoor-

hem rus-len, bewa-lapieren, •en en zes orting van

-ocr page 192-

54 BOEK II. VERNIEL. OK BESC1IAD. VAN GOEDEREN.

mulle de den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben, worden verbeurd verklaard. . , . ■ . ,

S^ter Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk quot;■emaakt wordt op eens anders auteursrecht, verspreidt of open- | lijk te koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. , ^ . . .

De. door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren worden verbeurd verklaard.

Z-VdquaLer. De misdrijven in de brtide voorgaande artikelen omschreven, worden niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.

ZEVEN EN TVVIVTIGSTK Ti l EL.

Vernieling of beschadiging van goederen.

350. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk ceniK goed dat quot;eheei of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete ran ten hoogste driehonderd gulden.

Gelijke straf wordt toegepast op hem die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt.

351 Hij die spoorweg- of telegraaf merken, werken dienende tot waterkeenng of waterloozing, gas- ff waterleidingen of riolen, voor zoover deze werken, leidingen of riolen ten aUetneenen nut te gebezigd worden, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. . , . • • i

Sblbis Hij aan wiens schuld te wijten is dat eeM{r in Het vorig artikel bedoeld werk, vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt w .rdt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden

353 Hij die opzettelijk en wederrechtelijk eemg gebouw ot vaartuig dat «heel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt of onbruikbaar mnakt. wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hooeste vier jaren. , . , ,

353 De bepaling van artikel 316 is op de m dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

354 Indien een der in dezen titel omschreven misdrijven door twee of meer vereenigde personen gepleegd wordt, kan de straf met een derde worden verhoogd.

A.Car VN TWINTIGSTE \'1ITEL.

A mb tsmisdrij ven.

355 Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, met of zonder ontzetting van bet in artikel 28 no. 3 vermelde recht, w gt;rden cestruft de hoofden van ministerieele departementen:

lo. die hunne medeonderteeker.ing verleenen aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat daardoor de grondwet of andere wetten oi alge-

-ocr page 193-

TITEL XX VU I. AMBTSMISDEIJVKN. 55

meene maatregelen van inwendige bestuur van den staat of van zijne koloniën of bezittingen in andere wereld-deelen worden geschonden;

2o. die uitvoering geven aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkinsen, wetende dat deze niet van de vereischte medeonderteekening van een der hoofden van de ministerieele departementen zijn voorzien;

3o. die beschikkingen nemen of hevelen geven of bestaande beschikkingen of bevelen handhaven, wetende dut daardoor de grondwet of andere wetten of algemeene niaav regelen van inwendig bestuur van den staat of van zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen worden geschonden;

4o. die opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen der grondwet of andere wetten of algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den staat of van zijne koloniën of bezittingen in andere wereldder1-len, voor zoover die uitvoering wegens den aard des onderwerps tot hunne ministerieele departementen be hoort of uitdrukkelijk hun is opgedragen.

35fi. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden worden gestraft de hoofden van ministerieele departementen aan wier grove schuld te wijten is dat de in an. 3ö5, no. 4 omschrijven uitvoering wordt nagelaten

357. He bevelhebber der gewapende macht die weigert of opzettelijk nalaat, op de wettige vordermg van het bevoegde burgerlijk gezag de onder zijn bevel staande macht aan te wenden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

358. De ambtenaar die opzettelijk den bijstand der gewapende macht inroept tegen de uitvoering van wettelijke voorschriften, van wettige bevelen van het openbaar gezag of van rechterlijke uitspraken of bevelschrilten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren

Indien die uitvoering daardoor wordt verhinderd, wordt de schuldige ges raft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

359 He ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dient t, voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk xeld of geldswaardig papier, dat hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staa\' , wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

360. De ambtenaar of een ander net eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk b last persoon die opzettelijk boeken of registers, uitsluitend bestemd tot controle van de admi nistratie, valschelijk opmaakt of vervalscht, wordt gestraft mei gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

361. De ambtenaar of een arder met eenigen openbare i dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die opzettelijk zaken bestemd t m voor Ut- bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers, welke hij in

-ocr page 194-

56 BOEK 11. AMBTSMISDRIJVEN.

zijue bediening onder zich heeft, verduistert, vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, of toelaat dat zij door een ander worden weggemaakt, vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, ot dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

362. De ambtenaar die eene giftof belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijne bediening ie s te doen of na te laten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

363. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de ambtenaar:

lo. die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening iets te doen of na te laten;

2o. die eene gift aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd \'met zijn plicht, in zijne bediening is gedaan of nagelaten.

361. De rechter die eene gift of be. ofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde invloed te oefenen op de beslissing van eene aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien die gift of belofte wordt aangenomen met het bewustzijn dat zij gedaan wordt om eene veroordeeling in eene strafzaak te verkrijgen, wordt de rechter gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

365. De ambtenaar die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

366. De ambtenaar die in de uitoefening zijner bediening, als verschuldigd aan hem zeiven, aan een ander ambtenaar of aan eenige openbare kas, vordert of ontvangt of bij eene uitbe-talinsr terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is, wordt, als schuldig aan knevelarij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

367. De ambtenaar die, belast met de bewaking van iemand die op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd, hem opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt of bij zijne bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijue schuld te wijten is, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

368. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren wordt gestraft:

lo. de ambtenaar, met het opsporen van strafbare feiten belast, die opzettelijk niet voldoet aan de vordering om

-ocr page 195-

TITEL XXVIII. AMBTSMISDRIJVEN.

van ecne wederrechtelijke vrijheidsrooving te doen blijken of daarvan aan de l.oogere macht opzettelijk niet onverwijld kennis geeft;

2o. de ambtenaar die, na in de uitoefening van zijne bediening kennis te hebben bekomen dat iemand op onwettige wijze van de vrijheid is beroofd, opzettelijk nalaat daarvan onverwijld kennis te geven aan een ambtenaar met het opsporen van strafbare feiten belast.

De ambtenaar aan wiens schuld eenig in dit artikel omschreven verzuim te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

369. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar wordt gestraft het hoofd van een gesticht, bestemd tot het opsluiten van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegijzelden, of van een rijksopvoedingsgesticht of krankzinnigengesticht, die weigert te voldoen aan eene wettige vordering om iemand, die in het gesticht is opgenomen, te vertoonen, of om inzage te geven van het register van inschrijving of van de akte waarvan de wet de inschrijving vordert.

370. De ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid of zonder in achtneming van de bij de wet bepaalde vormen, in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jiiar of geldboete van ten hoogste driehonderd guldenquot;

Met gelijke straf wordt gestraft de ambtenaar die, ter gelegenheid eener huiszoeking, met overschrijding van zijne bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, geschriften, boeken of andere papieren onderzoekt of in beslag neemt.

371. De ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid, zich doet overleggen of in beslag neemt een aan eenige openbare instelling van vervoer toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket, of een telegraphisch bericht dat zich in handen bevindt van een ambtenaar der telegraphic of van andere personen belast met den dienst van eene ten alge-meene nutte gebezigde telegraafinrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

372. De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer die een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, gesloten stuk of pakket opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of den inhoud aan een ander bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

373. De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer die een aan zoodanige instelling toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeeigent, of den inhoud wijzigt of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeeigent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

57

-ocr page 196-

58 BOEK II. AMBTSMISDRIJVEN.

Indien zoodanig stuk of voorwerp geldswaarde heelt, wordt de toeëigening gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes

quot;^374. lgt;e ambtenaar der telegraphie of eenig ander persoon beiast niet het toezicht op of met den dienst van eene ten alffemeene nutte gebezigde telegraafinrichting, wordt gestratt: lo. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden, indien hij den inhoud van eeu aan de telegraphie ol aan zoodaniKeinrichting toevertrouwd bericht opzettelijk en wederrechtelijk aan een ander bekendmaakt ol een telegram o zettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of den inhoud aan een ander bekendmaakt;

2o met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien hij een aan de telegraphie of aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericht of een telegram opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich

toeeigent of den inhoud wijzigt.

875 De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer of der telegraphie of eenig ander in artikel 374 bedoeld persoon, die opzettelijk toelaat dat een ander een der in de artikelen 372—874 vermelde feiren pleegt, of een ander oaarbij als medeplichtige terzijde staat, wordt gestraft met de straiten en naar de onderscheidingen in die bepalingen vastgesteld.

376 Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden ol geldboete van ten hoogste twaalfhonderd gulden wordt gestra t de ambtenaar die opzettelijk deelneemt, middel.ijk of onmul-

^faan aannemingen of leverantiën «\'aar over hem op het tijdstip der handeling geheel of ten deele het bestuur of toezicht is opgedragen;

2o. aan het bezorgen van plaatsvervangers of nummer-verwisselaars voor de militie, bjj wier keuring oi toelating hij geroepen is ambtshalve werkzaam te zijn

377 De ambtenaar van het muntwezen, behalve de muntmeester, of de ambtenaar van den waarborg die handel dnjtt in edele metalen of daarvan vervaardigde voorwerpen, of opzettelijk aan zoodanigen handel middellijk of onmiddellijk deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste twaalfhonderd gulden.

378. 1)•. ambtenaar van den waarborg die een te zijnen kan-tore Hanzeboden Soud- of zilverwerk afdrukt of natrek of daarvan èene beschrijving geeft aan een ander dan die van ambts-weae bevoegd ia haar te vorderen, wordt gestralt met gevan-eeriisstraf van ten hoogste driehonderd gulden.

379 De ambtenaar van den hurgelijken stand die iemands huwelijk sluit, wetende dat deie daardoor een dubbel huweluk aangaat, wordt gestratt met gevangenisstraf van ten hoogste

ZeDeaarnbtenaar van den burgerlijker stand die iemands huwelijk sluit. wetende dat daartegen eenig ander wettig beletsel bestaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. 380. Bij veioordceling wegens ten der m de artikelen SoJ,

-ocr page 197-

TITEL XXIX. SCHEEP VA ARTM1SDR1JVEN- 59

368, 864, 366, 373, laatste lid, en 379, eerste lid, omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 3 en 4 vermelde rechten worden uitgesproken.

NEGEN EN TWINTIGSTE Til EL. Scheepvaartmisdrijven.

381. Als schuldig aan zeeroof wordt gestraft:

Jo. met gevangenisstraf van tt*u hoogste twaalf Jaren, hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het bestemd is o\' het gebruikende om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of teuen zich danrop bevindende personen of goederen, zonder door eene oorlogvoerende moirendheid daartoe te zijn gemachtigd of tot de oorlogsmarine eener erkende mogendheid te behooren:

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die, bekend met deze bestemming of dit gebruik, als schepeling dienst neemt op zoodatiig vaartuig of vrijwillig in dienst blijft na daarmede bekend te zijn geworden Met het gemis van machtiging wordt gelijkgesteld het overschrijden van dc machtiging alsmede het voorzien zijn van machtigingen afkomstig van tegen elkander oorlogvoerende mogendheden

Art 81 blijft buiten toepassing.

382. Indien de in artikel 381 omschreven daden van geweld den dood van een der zich op het aangevallen vaartuig bevindende personen ten gevolge hebben, wordt de schipper en worden zij die aan de daden van geweld hebben deelgenomen, met sjevamrenisstraf van ten hoogste vijftien jaren gestraft.

383. Hij die voor eigen of vreemde rekening een vaartuig uitrust met de in artikel 381 omschreven bestemming, wordt gestraft met eevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

3H4. Hij dit. voor eigen of vreemde rekening middellijk of onmiddellijk medewerkt tot het, verhuren, vervrachten of verzekeren van een vaartuig, wetende dat het de in artikel 381 omschreven bestemming heeft, wordt gestralt met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren

385 Hij die een Nederlandsch vaartuig opzettelijk in de macht van zeerooveis brengt, wordt gestraft:

1°. indien hij de schipper is, niet gevangenisstraf van ten

hoogste twaalf jaren;

2°. in alle andere gevallen, met gevangenisstraf vaotenhoog-

sle negen jaren 886 I\'e opvarende van een Nederlandsch schip die zich wederrechtelijk van het schip meester maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

387 De schipper van een Nederlandsch schip die het schip aan den eigenaar of de reederij onttrekt en ten eigen bate gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

3*8 Met gevangenisstraf van ten hoogste vi«r jaren wordt gestraft de Nederlander die zonder vergunning van de Neder-

-ocr page 198-

60 BOEK II. SCHEEPVAARTMISDRIJVEN.

laiitlschc rep:eerin^ een kaperbrief aanneemt, of als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het zonder vergunning van de Nederlandsche regeering voor de kaapvaart bestemd is.

389. De Nederlander die als schepeling dienst neemt op een vaartuig, wetende dat het zonder vergunning van de Nederland-sche regeering voor de kaapvaart bestemd is ot gebruikt wordt, of vrijwillig in dienst blijft na die bestemming of dat gebruik te hebben vernomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogs\'e drie jaren.

890. Wordt gestraft: i •

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren de schipper van een Nederlandsch schip die, na den aanvang der monstering en vóói het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk en wederrechtelijk aan het voeren van het schip onttrekt;

3°, met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand, de schipper van een Nederlandsch zeevisschersvaartuig die, na den aanvang der monstering en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk en wederrechtelijk aan het voeren van het vaartuig onttrekt.

391. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie vóór den aanvang der reis. . ,

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch schip verbonden heeft, niet medemaakt;

3o, met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis waarvoor hij zich op een Nedirlandsch schip verbonden heeft, niet medemaakt.

392. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie gedurende de reis: . . .

lo. met gevangenisstraf van ten hqpgste een jaar de schepe-Jing die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch schip verbonden heeft, niet verder medemaakt;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste een maand, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch zeevisschersvaartuig verbonden heeft, niet verder medemaakt.

393. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie na den afloop der reis:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, de schepeling van een Kederlandsch schip die, na den alloop der reis en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk door wederrechtelijke afwezigheid aan zijne verdere dienstverrichtingen onttrekt;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken, de schepeling van een Neder andsch zeevisschersvaartuig die, na den alloop der reia en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk door wederrechtelijke afwezig-lieid aan zijn verdere dienstverrichtingen onttrekt.

-ocr page 199-

TITEL XXIX. SCHEvïPVAARTMISDEIJVEN

894. De in de artikelen 391—393 bepaalde straffen kunnen worden verdubbeld, indien tvree of meer personen gezamenlijk of ten gevolge van SHinenspanning het misdrijf plegen.

394i?5. -De reeder, boekhouder of schipper van een I^eder-landsoh schip of zeevisscheravaartuig die een schepeling in dienst neemt, wetende dat er nog geene maand is verstreken sedert deze zich aan zijne verbintenis voor een Nederlandsch schip of zeevis-schers vaar tuig heeft onttrokken op de wijze in een der artikelen 391—393 omschreven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Niet strafbaar is het feit indien de indienstneming buiten het llijk in Europa geschiedt met toestemming van den Nederlandschen consul of, zoo die er niet is, op verzoek van de plaatselijke overheid.

395. I)e opvarende van een ^Nederlandsch Fchip of zeevis-schersvaartuig die aan boord den schipper, of de schepeling die aan boord of in dienst een meerdere in rang feitelijk aanrandt, zich met geweld of bedreiging met geweld te^en hem verzet of hem opzettelijk van zijne vrijheid van handelen berooft, wordt, als schuldig aan insubordinatie, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

De schuldige wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben-,

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

3°. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.quot;

396. Insubordinatie gepleegd door twee of meer vereenigde personen, wordt, als muiterij, gestraft met gevangenisstraf van

: ten hoogste zes jaren.

De schuldige wordt gestraft:

1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben-,

2°, met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

3°, met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben.

397. Hij die aan boord van een Nederlandsch schip of zee-visschersvaartuig rot muiterij op dar, schip of vaartuig opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

398. Dienstweigering door twee of meer schepelingen van een Nederlandsch schip of zeevisschevsvaartuig, gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning gepleegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

399 Wordt gestraft:

lquot;, met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, de schepeling van een Nederlandsch schip die, na wegens

61

r den

-ocr page 200-

BOEK 11. SCHEEP VA AHTMTSDKTJ VF.N.

dienstweigering disciplinair tc zijn gestraft, bij zijne dienstweigering volhardt; . »

2° met gevangenisstraf van ten hoogste een maand or geldboete van ten hoogste zestig gulden, de schepeling van een Keüerlandsch zeevisschersvaartuig die zich gedurende de rei^ schuldig maakt aan dienstweigering.

400. Met gevangenisstraf van ten hoogste res maanden ot geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestran de opvarende van een Nederlandsch schip of zeevisschersvaarluig:

1« die opzettelijk niet gehoorzaamt aan etnig bevel des

schippers tot herstel der orde aan boord gegeven; 2°. die, wetende dal de schipper van zijne vrijheid van handelen beroofd is, hem niet naar vermogen ie hulp komt; 8°. die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van insubordinatie, opzettelijk nalaat daarvan tijdig aan den schipper kennis te geven De onder n(). 3 vermelde bepaling is met van toepassing indien de insubordinatie niet is gevolgd

401. l\'e in de artikelen 3ö6, 389, 391—39S, 39o—400 be naaide straffen kunnen met e- n derde worden verhoogd, indien de schuldige aan een der in die artikelen omschreven misdrijven scheepsoilicier is. . , , , , ■ i .4. w

402 De schipper van een Nederlandsch schip, die met het oogmerk om z.cli of een ander wederrechtelijk te bevoordee-len of zoodanige bevoordeeling te bedekken, hetzij het schip verkoopt, hetzij geld opneemt op het schip, het scheepstoebe-hooren of dt*n scheepsvoorraad. het.\'.ij goederen van de lading of van den scheepsvoorraad verkoopt ot verpandt, hetzij verdichte schaden of uitgaven in rekei mg breng\', hetzij het ver-eischte dagregister niet overeenkomstig de wettelijke voorschr iften houdt, hetzij bij het verlaten van liet schip met zorgt voor het behoud der scheepspapieren, wo-d- gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. .• t

403 De schipper van een Nederlandsch schip die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen of zoodanige bevoordeeling te bedekken, van koers verandert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

404 De schipper van een Nederlandsch schip die, builen noodzaak of in strijd met eenig wettelijk voorschrift gedurende de re s het schip verlaat, en ook aan zijn scheepsvolk daartoe last of vergunning geeft, wordt gestraft met gevangemsstrat van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

405 De schipper van een Nederlandsch vaartuig die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van den eigenaar of de ree-derii, handelingen pleegt ot gedoogt, wetende dat deze bet vaartuig of de lading aan opbrenging, aanhouding of opbou-din^ kunnen blootstellen, wordt gestraft met gevangemsstrat vanquot; ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogstj^zes-honderd gulden. , , . .

De opvarende die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van den schipper, met aelijke wetensclmp gelijke liandelmzen

pleegt wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste regen maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderü gulden.

62

-ocr page 201-

TITEL XXTX. SCHEEP VA A rtm rs DR1J VEN.

406 De schipper vmi een Nederlandsch schip die opzettelijk buiten noodzaak aan een opvarende niet verschaft uatgene wat hij verplicht is hem te verschaffen, wordt gestraft niet gevangenisstraf van ten hooeste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

407. De schipper van een Nederlandsch schip die opzettelijk huiten noodzaak of in strijd met eenig wettelijk voorschrift goederen werpt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoosrste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

408 Hij die lading, scheepsvoorraad of scheepshehoefte, ar.n boord van een vaartuig aanwezig, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

400 De schipper die de Nederlandsche vlag voert, wetende dat hij daartoe niet gerechtigd is wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

410. De schipper die opzettelijk door het voeren van eenig onderscheidingstekken aan zijn vaartuig den schijn geeft alsol het een Nederlandsch oorlogsvaartuig ware, of een loodsvaar-tuig in Nederlandsche wateren of zeegaten dienst doende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste diiehonderd gulden.

411. Hij die buiten noodzaak op een Nederlandsch schip optreedt als schipper, stuurman of n achinist, wetende dat hem krachtens wettelijk voorschrift de bevoegdheid daartoe is ontnomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden

412 De schipper van een Nederlandsch schip die zonder geldige reden weigert te voldoen aan eene wettelijke vordering om een beklaagde of veroordeelde benevens de tot zijne zaak betrekkelijke stukken aan boord te nemen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

413. De schipper van een Nederlandsch schip die een beklaagde of veroordeelde, dien hij op eene wettelijke vorderins: aan boord genomen heeft, opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt, of bij zijne bevrijding of zelfbevi ijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste driejaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijne schuld is te wijten, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden

414. De schipper van een Nederlandsch vaartuig die aan vaartuigen, schippers of opvarenden, wetende dat zij in nood zijn, niet zoodanige hulp verleent a!s waartoe hij bij machte is zonder zijn vaartuig, de opvarenden ot zich zeiven aan ondergang bloot te stellen, wordt, indien de dood het gevolg is van aanvaring of aandrijving met het vaartuig waarover hij hevel voert, gestraft met gevamrenisstraf van ten hoogste drie jaren.

415. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 381—387,

63

-ocr page 202-

BOEK II. BEGUNSTIGING.

402 en 403 omschreven misdrijven, kan ontzettting van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

DERTIGSTE TIT KL.

Begunstiging.

416 Hij die opzettelijk eenig door misdrijf verkregen voorwerp koopt, inruilt, in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verbergt, wordt, als schuldig aan heling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste driejaren.

Dezelfde straf wordt opgelegd aan hem die opzettelijk uit de opbrengst van eenig door misdrijf verkregen voorwerp voordeel trekt.

417- Hij die een gewoonte maakt van het opzettelijk koopen, inruilen, in pand nemen of verbergen van door misdrijf verkregen voorwerpen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

De schuldige kan worden ontzet van de in artikel 28 n0. 1—4 vermelde rechten en van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

418. Hij die eenig geschrift of eenige afbeelding uitgeeft van strafbaren aard, wordt gestraft met gevangenisstraf^-of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien:

lo. de dader noch bekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekend gemaakt;

2°. de uitgever wist of moest verwachten, dat de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd zou zijn.

419. Hij die eenig geschrift of eenig? afbeelding druktquot;van strafbaren aard, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien:

1°. de persoon op wiens last het atuk gedrukt is noch bekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekend gemaakt-,

2U. de drukker wist of moest verwachten dat de persoon op wiens last het stuk gedrukt is, op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd zou zijn.

420. Indien de aard van het geschrift of de afeeelding een misdrijf oplevert dat alleen op klachte vervolgbaar is, kan de uitgever of drukker in de gevallen der beide voorgaande aiti-kelen alleen vervolgd worden op klachte van hem tegen wien dat misdrijf gepleegd is.

EEN ENquot; DERTIGSTE TITEL.

Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende titels gemeen.

421. De in de artikelen 105, 174, 208—512, 21G—222, 225—229, 232, 310—312, 315, 317, 218, 321—323, 326—332 341, 343, 344, 34G, 359, 3G1, 366, 373, laatste lid, 402, 416 en 417 bepaalde gevangenisstraf kan met een derde worden

64

-ocr page 203-

TITEL XXXI. BEPAL. OVER HERHAL. VAN MISDRIJF 65 i verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige hetzij eene tegen 1 ; hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij eene wegens diefstal, ver-! duistericg of bedrog krachtens de militaire wetten uitge-j sproken straf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert ; die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvcjring dier straf , nog niet is verjaard.

422. De in de artikelen 108, eerste lid, 109, 110, 115, eerste lid, 116, 141, 181, 182, 287, 290, 291, 293, 296, 297, 300—303,

\' \'381, 382, 395 en 396 bepaalde gevangenisstraf, alsmede de ^tijdelijke gevangenisstraf op te leggen krachtens de artikelen ^ |92, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 288 en 289, kan met een \'jderde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het mis-j \'drijf noe geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige ihetzij eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij eene wegens gewelddadig verzet tegen of mishandeling van meerderen in rang of schildwachten, of van geweldenarijen tegen fpersonen krachtens de militaire wetten uitgesproken straf ge-I heel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden -, of indien tijdens het plegen van het f misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard.

423. De in de artikelen 111—113, 117—119, 261—271, 418 en 419 bepaalde stralfen kunnen met een derde worden ver-

l Jioogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf i jaren zijn verloopen, sedert de schuldige eene tegen hem * Wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uit-1 gesproken gevangenisstraf geheel of ten deele heeft onder-l traan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of fodien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uit-roering dier straf nog niet is verjaard.

DERDE BOEK.

Ovcrtredinircii.

EERSTE TITEL.

)vertreding betreffende de algeraeene veiligheid van personen en goederen.

424. Hij die op of aan den openbaren weg of op eenige voor iet publiek toegankelijke plaats, tegen personen of goederen enige baldadigheid pleegt, waardoor gevaar of nadeel kan rorden teweeggebracht, wordt, als schuldig aan straatschenderij, lestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

, Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar s verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schul-

; STRAFRECHT. 5

-ocr page 204-

66 BOEK III. OVEETR. BETKKFF. DE ALGKMEENE VEILIGH.

dige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste drie dagen worden opgelegd.

425. Met hechtenis van ten hoosrste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft;

lo. hij die een dier op een menscli aanhitst of een onder zijne hoede etaand dier, wanneer het een menscli aanvalt, niet ter ighoudt;

2o. hij die geene voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.

•]26. Hij die, terwijl hij in Etaat van dronkenschap verkeert, hetzij in het openbaar het verkeer belemmert of de orde verstoort, hetzij eens anders veiligheid bedreigt, hetzij eenifje handeling verricht waarbij, tot voorkoming van gevaar voor leven of gezondheid van derden, bijzondere omzichtigheid of voorzorgen worden vereischt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van oe overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke of de in art. 453 omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee weken.

427. Met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

lo. de eigenaar of gebruiker die ten opzichte van toegangen tot of openingen van kluizen, kelders, onderaardsche lokalen en ruimten, waar die op den openbaren weg uitkomen. niet de noodige voorzorgsmaatregelen neemt ten behoeve van de veiligheid der voorbijgangers;

2o. hij die niet zorgt dat eene door hem of op zijn last op een openbaren weg gedane op- of uitgraving of een door hem of op zijn last op den openbaren weg geplaatst voorwerp behoorlijk verlicht en van de gebruikelijke teekenen voorzien is;

3o. hij die bij een verrichting op of aan den openbaren weg niet de noodige maatregelen neemt om voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen;

4o. hij die iets plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zoodanige wijze dat door of ten gevolge daarvan iemand die van den openbaren weg gebruik maakt, nadeel kan ondervinden;

öo. hij die op den openbaren weg een rij-, trek- of lastdier laat staan, zonder de noodige voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben genomen;

6o. hij die zonder verlof van beo bevoegd gezag, eenigen openbaren land- of waterweg verspert of het verkeer daarop belemmert.

428 Hij die, zonder verlof van den burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, eigen onroerend goed in brand steekt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden.

-ocr page 205-

TITEL II. OVZKl REDING BETRF.FF. DE OPENS. OEDE. 67

429. Met geldboeie van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

1° hij die een vuurwapen afschiet, een vuurwerk ontsteekt of een vuur aanle.\'t op zoo korten a\'stand van gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan;

2o hij die een luchtbol oplaat, waaraan brandende stollen gehecht zijn.

TWEEDE TTTEL.

Overtredingen betreffende de openbare orde,

430. Hij die zonder verlof van het bevoegd gezag eene opneming doet, eene teekening of beschrijving maakt, van eenig militair werk, of die openbaar maakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden

431 Met geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft hij die. rumoer of burengerucht verweKt waardoor de nachtrust kan worden verstoord.

432. Met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen wordt gestraft:

lo. als schuldig aan bedelarij, hij die in het openbaar bedelt :

2o. als schuldig aan landlooperij, hij die zonder m ddelen var. bestaan rondzwerft.

483. .Bedelarij of landlooperij, gepleegd door drie of meer personen boven den leeftijd van zestien j tren, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden.

434 De schuldige aan eene der in de beide vorige artikelen omschreven overtredingen kan bovendien, zoo hij tot werken in staat is, tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden veroordeeld voor ten hoonste drie jaren

435 Met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden wordt gestraft:

]o hij die zender daartoe gerechtigd te zijn een Kederland-schen aoelijken titel voert of een gt;ederlandsch orde-teeken draagt;

2o. hij die zonder \'s Konings verlof, waar dit vereischt wordt, een vreemd ordeteeken, titel, rang of waardigheid aanneemt:

3n. hij die, door het bevoegd gezag naar zijn naam gevraagd, een valschen naam opgeeft

436. Hij die, niet toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet eene toelating vordert, buiten noodzaak dat beroep uitoefent, wordt gesiraft niet geldboete van ten hoogste driehonderd gulden

Hij die, toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet eene toelating vordert, buiten noodzaak in de uitoefening van dat beroep de grenzen zijner bevoeudheid overschrijdt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van een schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is ge-

-ocr page 206-

TIT

68 BOEK III. OVKKTREÜING BETREFF. DE OPENS. OEDE. ? ^ ^ worden, kan, in plaats van de geldboete, in het geval van liet|nlden. eerste lid hechtenis van ten hoogste twee maanden, in het ge- Uk voo val van het tweede lid hechtenis van ten hoogste eene maand rorden v worden opgelegd .. 441 ^

437. De goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, uit-gestraft: drager, winkelhoudcnde opkooper of tagrijn, die geen doorloo-j lo hij pend register houdt of in d «t register geene aanteegening de houdt van alle door hem gekochte goederen, of daarin niet an\' vermeldt den koopprijs, de namen en woonplaatsen der ver- na koopers, of die nalaat dat register op aanvrage te vertonnen 2o. de aan den burgemeester of aan den door dezen aangewezen sel ambtenaar, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf fai en twintig gulden. sci

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee de jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van ta den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is ge- 442 M( worden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten lo. hij hoogs e\' zes dagen worden opgelegd. he

438. Hij die er zijn beroep van maakt aan personen nacht- we verblijf te verschaffen en geen doorloopend register houdt, of 2o. de nalaat in dat register aan te teekenen of ie doen aanteekenen scl de namen, beroep of betrekking, woonplaats, dag van aankomst be en van vertrek van de personen die een nacht in zijn huis da hebben doorgebracht, of die nalaat dat register op aanvrage te vo vertonnen aan den burgemeester of aan dsn door dezen aangewezen ambtenaar, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. . . Overt\'

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee,

jaren zijn verloopen, sedert eene vroegeie veroordeeling van 448. 11 den schuldige wegens gelijke overtre üng onherroepelijk is ge-le gemei worden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van tenjurgemet hoogste\' zes «lagen worden opgelegd. jitgevaai

439. Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboetefechte.nis van ten hoogste honderd vijftig gulden wordt gestraft; joogste -

lo. hij die van een krijgsman beneden den rang van ofi\'icier 44 1 goederen behoorende tot de kleeding. uitrusting of wa-j.lk upgt pening koopt, inruilt, als geschenk aanneemt, in pand,feldboetf gebruik of bewaring neemt, of zoodanige goederen voor 44ó. H een krijgsman beneden den rang van officier verkoopt,fcele te ruilt, ten geschenke, in pand, in gebruik of bewaring tan kzin peeft\', zonder schriftelijke vergunning door of van wegej-.bmvde, den bevel voerenden officier afgegeven; jmde cm

2o. de koopman die, eene gewoonte makende van het koo-l.ord , r pen van zoodanige go deren, de bij algemeenen maat-hsschp-n regel van inwendig bestuur gegeven voorschriften om-eden va trent het daarvan te houden register niet naleeft. jnogste ;

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee 446 H jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling vanfeiligbeit den schuldige wegens eene dezer overtr ;dingen onherroepelijkjisdrijf is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld. kr« mac

440. Hij die drukwerken of stukken netaal in een vorm die^delijk ze op munt- of bankpapier of op muntspeciën doet gelijken,iet geld vervaardigt, verspreidt of ter verspreiding in voorraad heeft.

-ocr page 207-

TITEL UI. OVERTRKD. BETRKFF. HET OPENB. GKZAG. 69

I)E\' rordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig van het gilden.

het ge- Ue voorwerpen waarmede de overtreding plaats heeft, kunnen i maandrorden verbeurdverklaard

•141. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt eer, uit-jestraft:

dooïloo-j lo hij die in sta t van faillissement is verklaard, indien hij de wettelijke voorschriften betreffende de. verplichting tot aangifte dat hij heeft opgehouden te betalen, niet heeft nageleefd;

de bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging welke in staat van faillissement is verklaard, indien hij de wettelijke voorschriften betreffende de vefplichting tot aangifte dat de vennootschap of vereeniging heeft opgehouden te betalen. niet heeft nageleefd.

442 Met hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt gestraft; lo. hij die, surséance van betaling verzocht of verkregen hebbende, eieenmachtig daden verricht, waartoe de mede-werkintr vnn bewindvoerders door de wet wordt, gevorderd; 2o. de bestiiurdei of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging welke surséance van betaling verzocht of verkregen heeft, die eigenmachtig daden verricht, waartoe de medewerking van bewindvoerders door de wet wordt gevorderd.

i nachtoud t, of eekenen inkomst :ijn huis vrage te i aange-m hoog-

DERDE TITEL.

en tweerver^re^n^en ^etreffende het openbaar gezag, ling van 448. Bij die een algemeen voorachrift van politie, krachtens k is ge-je gemeentewet in buitengewone omstandigheden dour den van ten lurge mee ster of den commissaris des Konings in de provincie jitgevaardigd en afgekondiüd, overtreedt, wordt gestraft met eldboetejechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten

joogste vijf en twintig gulden.

i oflicier 444 Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als : of wa-jhlk opgeroepen, wederrechtelijk wegblijft, wordt gestraft met n pand,f;ldboete van ten hoogste zestig gulden

445. Hij die, in zaken van minderjarigen of van onder cura-:ele te stellen of gestelde personen, of van hen die in een

liet koo-n maat-\'ten om-\'t.

een twee ling van roepelijk

onn die

voor erkoopt,

lewaring raukzinnigengesticht zijn opgenomen, als bloedverwant, aan-

huwde, echtgenoot, voogd of toeziende voogd, curator of toe-•■nde curator, voor den rechter geroepen om te worden ge-iord, noch in persoon noch, wanr dit is toegelaten, door isschr.nkomst van een gemachtigde verschijnt, zi nder geldige iden van verschooning, wordt gestraft met geldboete van ten nogste zeatig gulden.

44fi Hij die, bij het bestaan van gevaar voor de algemeene aligheid van personen of goederen of bij ontdekking van een isdrijf op heeter daad, het hulpbetoon weigert dat de open-tre macht van hem vordert en waartoe hij, zonder zich aan tdelijk gevaar bloot te stellen, in staal; is, wordt gestraft gelijkeniet geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

lekening rin niet Ier ver-;rtoonen gewezen jste vijf

en twee ling van k is ge-van ten

2o.

id heeft,

iin wege;

-ocr page 208-

70 BOEK III. OVERTRED. BETBEFF. DEN BÜRGERL STAAT.

44-7. Hij die eene bekendmaking, vanwege het bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

VIERDE TITEL.

Overtredingen betreffende den burgerlijken staat.

448. Hij die niet voldoet aan eene wettelijke verplichtinp tot aangifte aan den ambtenaar van den burgerlijken stand voor de registers van geboorte of overlijden, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden

449. De bedienaar van den godsdienst die, voordat partijei hem hebben doen blijken dat haar huwelijk ten overstaan var den ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken, eenia godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht, wordt gestralt met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden

Indien tgdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordee ling van den êchuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenii van ten hoogste twee maanden worden opgelegd.

VIJFDE TITEL.

Overtreding betreffende hulpbehoevenden.

450. Hij die, getuige van het oogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert, nalaat dezen hulp te verleenen o te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zich zeiven anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verleenen of ver schaffen kan, wordt indien de dood van den hulpbehoevendi volgt, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden o geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

ZKSDE TITEL.

Overtredingen betreffende de zeden.

451 Met hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboeti van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft:

1«. hij die in het openbaar voor de eerbaarheid aanstoote lijke liederen zingt-.

So. hij die in het openbaar voor de eerbaarheid aanstoote lijke toespraken houdt;

8o. hij die op eene van den openbaren weg zichtbare plaat voor de eerbaarheid aanstootelijke woorden of teeke ningen stelt.

452. De bordeelhouder die in het huis waarin hij zijn be drijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin belroorende vrouw op neemt zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze in tegenwoordigheid van den burgemeester of van den doo dezen aangewezen ambtenaar, op diens bureel te hebben bel kendgemaakt met het bedrijf dat in dat huis wordt uitgefj

-ocr page 209-

TITEL VI. OVERTREDING BETREFFENDE DE ZEDEN. 71

oefend, wordt pestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

453. Hij die zich in kenlijken staat van dronkenschap op den openbaren weg bevindt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog e en jaar is verloopen, sedert ecne vroegere veroordeeling van den s\' hul-dige wegens gelijke of de in artikel 426 omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete. hechtenis van ten hoogste drie dagen worden opgelegd.

Bij tweede herhaling binnen een jaar nadat de eerste veroordeeling wegens herhaling onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis van ten hoogste twee weken opgelegd.

Bij derde of volgende herhalingen gepleegd telkens binnen een jaar nadat de laatste veroordeeling wegens tweede of volgende herhaling onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste drie weken en kan de schuldige daarenboven, zoo hij tot werken in staat is, tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden veroordeeld voor ten hoogste een jaar. In geval van herhaling van overtreding na te zijn geplaatst geworden in eene rijkswerkinrichting, vangt de termijn van een jaar, bedoeld in de vorige zinsnede, aan op den dag van het ontslag uit de rijkswerkinrichting.

454 De verkooper van sterken drank of zijn vervanger die in de uitoefening van het beroep aan een kind beneden de zestien jaren sterken drank toedient of verkoopt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of geldboete van ten hoogste honderd gulden

455. Met geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft-

lo hij die door dieren doet trekken of dragen een last welke kenlijk hunne krachten te boven gaat;

2o hij die het vervoer door trek- of lastdieren doet plaats hebben op eene noodehios pijnlijke of kwellende wijze;

3o hij die dieren vervoert op een noodeloos pijnlijke of kwellende wijze

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtredintr of wegens het in artikel 254 omschreven misdrijf onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste drie dagen wo -den opgelegd.

456. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden wordt gestraft:

1°. hij die een voor het publiés toegankelijk huis van hazardspel, onverschillig of de toegang al of niet van eenige voorwaarde of de inachtneming van eenigen vorm afhankelijk is gesteld, opricht of houdt of in de onderneming daarvan deelneemt;

2°. hij die in zoodanig huis van hazardspel als bankier of opzichter over het spel werkzaam is-,

3o. hij die tot het houden van zoodanig huis van hazardspel eene plaats verstrekt.

-ocr page 210-

72 BOEK Hf. OVKRTRED BKTREFF. DE VELDPOLITIE.

■157. Met geldboete van ten hoogste vijftig gulden wordt

^ 1° bij die in een voor bet publiek toegankelijk buis van bi. trdspd, onverscb\'Uig of de toegang al of i.iet van eetuge voorwaarde of de inacbtnenmtg van eeuigen vorm afhankelijk is oesteld, aan bet spel deelneemt;

2o. bij die , \'zonder verlof\' van den burgemeester, gelegenheid geeft tot bet bouden van hazardspel op den openbaren weg.

ZEVENDE TITEL.

Overtredingen betreffende de veldpolitie,

458. Hij die, zonder daartoe geref£ti^d te zijn, zijn niet-uitvliegen 1 pluimgedierte laat loopen in tuinen of op eeni-en grond die bezaaid, bepoot of beplant is. wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

459 Hij die, zonder daartoe aeregti^d te zijn, vee laat loopen in tuinen, hakhosscben of rijswaarden, op eenig wei- of hooiland of op eenigtn grond die bezaaid, bepoot o\'beplant is, of die ter bezaaiing, bepoting of beplanting is ^ereedeemaaKt, wordt gestraft met geldnoete van ten hoogste vijf en twintig gn\'den.

*60 Hij die, zonder daartoe gerechtizd te zijn, loopt op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, of die ter be-z^aiintr, bepoting of beplanting i* gereedeemaakt, of gedurende de maanden Mei tot en met October op eenig wei- oc hooiland, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

461 Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, over eens anders grond waarvan de toegang op eene voor hem blijkbare wijze door den rechthebbende is verboden, loopt, rijdt, of vee laat loopen, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

ACHSTE TITEL.

Ambtsovertredingen.

462 De ambtenaar, bevoegd tot de uitgifre van afschriften of uittreksels van vonnissen, die zoodanig afscbrift of uittreksel uitgeeft alvorens bet vonnis behoorlijk is onderteekend, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden. .

468 De ambtenaar die zonder verlof van bet bevoegd gezag afscbrift maakt of uittreksel neemt van geheime ^egeerings-bescheiden of die openbaarmaakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboeïe van ten hoogste driehonderd gulden ,

464 Het hoofd van een uestifht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegijze\'den, ol van e n rijksopvoedingsgesticht of krankzinnigengestirb , die iemand in het gesticht opneemt of houdt, zonder zich bet bevel van dc bevoegde macht of de rechterlijke uitspraak te hebben laten pertoonen, of die nalaat van deze opneming en van bet bevel of

-ocr page 211-

TITEL VUL AMBTSOVl\'ETREDINGEX. 73

de uitspraak op grond waarvan zij geschiedt, in zijne registers de vereisclite inschrijving te doen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

465. De ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat voor de voltrekking van een huwelijk zich de bewijsstukken of \\erklaringen te laten geven die de burgerlijke wet vordert, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

466. De ambtenaar van den burgerlijken stand die in strijd handelt met eenig voorschrift der burgerlijke wet omtrent de registers van den burgerlijken siand, of omtrent de formaliteiten vóór of de voltrekking van een huwelijk, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

467. De ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat eene akte in de registers in te schrijven of e.ne akte op een los blad schrijft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

468. Met geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft:

lo. de ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat aan het bevoegd gezag de opgave te doen die eenig wettelijk voorschrift van hem vordert;

2o. de ambtenaar die nalaat aan den ambtenaar van den burgerlijken stand de opgaven te doen die eenig wettelijk voorschrift van hem vordert.

NEGENDE TITEL.

Scheepvaartovertredingen.

469. De schipper van een Nederlandsch schip die vertrekt alvorens de monsterrol is opgemaakt en geteekend, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

470. De schipper die niet alle door of krachtens wettelijke bepalingen gevorderde scheepspapieren, boeken of bescheiden aan boord heeft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

471. Met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

lo. de schipper van een Nederlandsch vaartuig die het bij de wet vereischte dagregister of strafregister niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften houdt of niet vertoont wanneer en waar de wet dit vordert;

2o. de schipper van een Nederlandsch vaartuig die, bij gemis van strafregister, nalaat den rechter de bij de wet gevorderde mededeelingen te doen.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene dezer overtredingen onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opgelegd.

472. De schipper van een Nederlandsch vaartuig die niet voldoet aan zijn wettelijke verplichting betreffende de inschrij-

-ocr page 212-

74 BOEK III- SCHEEPSOVEB.TXEDTNGEN.

vin» en kennissevinu van geboorten of sterfgevallen die gedTi-renüe een zeereis plaats hebben, wordt gestrait met geldboete van ten hoogste honderd gulden.

473 De schipper of schepeling die met in acht n- emt de wettelijke voorschriften vastgesteld tot voorkoming van aanvaring of aandrijving, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. . . »

74 De schipper van een Ivederlandsch vaartuig die nalaat aan vaart uk en, schipp. rs of opvarenden in nood zoodanige hulp te verleen en als waartoe hij bij machte is zonder zijn vaartuig, de opvarenden of zich zeiven ann ondergang bloot te stellen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden ot geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Algrcmeene Slotbepaling:.

475. Het in werking treden van dit wetboek wordt nader bij de wet geregeld. 1)

1

Het in werking treden is bepaald op den Isten September 1886.

In c in eer voorda hst d: vorder van he 1° 2°

Wor een va met u bij de 2. ï bedoel schrift stande den vlt; plaats daad, i oüicier onder Het de ree Gelij wordei liet

-ocr page 213-

WET van den Xhdan Januari 188G (Slbl. 11°. 7), houdende bepalingen tot uilvnering van de artikelen 38 en 39 van hel Wetboek van Strafrecht.

^ 1. Jiepalincen, regelende de wijze waarop de last van den burger 1 ij ke 11 rechter wordt verkregen tot plaatsing van een kind in een 11 ijksopvoedingsgesticht.

Artikel 1.

In de gevallen, waarin de wet de plaatsing van een kind in een Rijksopvoedinysgesticlit toelaat wegens feiten, begaan voordat het den leeftijd van tien jaren heeft bereikt, kan de laat daartoe binnen een jaar nadar die feiten zijn begaan gevorderd worden door den oflieier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement:

1 0. waarin het kind woont,

2°. waarin het verblijf houdt, of 8°. waarin het feit is begaan.

Wordt de kennisneming der zaak gelijktijdig aan meer dan een van de drie genoemde rechtbanken onderworpen, zoo blijft, met uitsluiting van de overige, die rechtbank bevoegd, welke bij de bovenstaande rangschikking vroeger is geplaatst.

2. Ten aanzien van de opsporing van de in het vorig artikel bedoelde feiten en de voorloopige informatiën gelden de voorschriften van het quot;Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat hetgeen wordt voorgeschreven ten opzichte van den verdachte geldt ten opzichte van het kind, en dat in de plaats van de voorloopige aanhouding bij ontdekking op beeter daad, door den betrokken rechter commissaris, olilcier of hulp-ollicier van justitie kan worden bevolen dat het kind voorloopig onder behoorlijk toezicht in verzekerde bewaring worde gesteld.

Het bevel vervalt, wanneer het niet binnen drie dassen door de rechtbank is bekrachtigd.

Gelyk bevel kan in eiken stand der zaak door de rechtbank worden verleend op vordering van den odicier van justitie

liet bevel der rechtbank geldt, behoudens verlenging, voor

-ocr page 214-

76 BKPA.L1NGEN TOT UITVOERING VAN DE

niet langer dan dertig dagen, en kan door de rechtbank steeds worden ingetrokken.

Hangende appèl en cassatie blijft het bevel van kracht

S. Wanneer de zaak tot genoeuzame klaarheid is gebracht en er naar het oordeel van den officier van justitie grond bestaat tot plaatsing in een Rijksopvoedingsgesticht, dient hij zijne daartoe strekkende vordering met de stukken bij de rechtbank in.

4. Indien ter zake van hetzelfde feit tegen andere personen eene strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld, wordt de behandeling der zaak geschorst totdat de strafrechter zal hebben beslist.

De rechtbank zal aan de uitspraak van den strafrechter zoo danige kracht toekennen, als zij zal meenen te behooren.

5. Alvorens te beschikken, zal de rechtbank, tenzij reeds dadelijk van oordeel, dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is, het verhoor bevelen van het kind, van zijn wettigen vertegenwoordiger, van de getuigen en van alle andere personen wier verhoor noodig voorkomt.

De oproeping wordt beteekend door een deurwaarder of die naar vau de openbare macht. In die van let kind en zijn ver tegenwoordige!* wordt het feit vermeld,

Bij niet-verschijning van de in het eerste lid bedoelde personen kan de rechtbank een bevel van medebrenging verleenen. ^

lt;!. Na afloop der verhoeren doet de rechtbank op de conchrl\'o , v siën van het openbaar ministerie bij gemotiveerde beschikkinpr yorjie uitspraak. BRi\'ksonv

Indien het feit voldoende is gebleken en de wet plaatsing injr^,- ^ een Kijksopvoedingsgesticht wegens dat fe.\'t toelaat, wijst del meu,en rechtbank, zoo zij van oordeel is dat voor zoodanige plaatsing termen bestaan, de vordering toe. gesticht

7. De beschikking, waarbij de plaatsing is bevolen, wordt quot; , aan het kind en zijn vertegenwoordiger beteekend op de wijze voorgeschreven bij ;-rt. 5.

8. Het kind en zijn vertegenwoordiger kunnen binnen acht dagen na de beteekening van het bevel daartegen bij verzoekschrift aan het hof, in te dienen ter griffie der rechtbank die het vonnis gewezen heeft, in hooger beroep komen.

9. Indien het hof do beschikking der rechtbank bekrachtigt,

of de plaatsing voor een anderen tijd gelast, kunnen het kind en zijn vertegenwoordiger daartegen beroep in cassatie doei!

binnen acht dagen nadat \'s hofs beschikking hun is beteekend

10 De cassatie wordt aangeteekend bij verzoekschrift aan d\':n Hoogen llaad, houdende middelen, in te dienen ter griffie van het hof.

De Hooge Raad doet, zonder dat beteekening aan de wederpartij of oproeping van partijen plaats virdt, uitspraak op de conclusiën van het openbaar ministerie.

11. De opneming in het Rijksopvoed ngsgesticht geschiedt tegen overlegging van een extract van de beschikking, waarbij de plaatsing is bevolen.

12. Waar in deze paragraaf gesproken wordt van de rechtbank, het hof of den Hoogen Raad, wordt daarmede bedoeld de raadkamer voor burgerlijke zaken dier colleges.

2. Bepf tot o

wc

13. He ijd verst praak vi loeten v p de vo: en vertlt; De ofli .aartoe s icht ove ippointer •ertegem ordering ring van Het v( lem oud lesteld laarop \\ baar te

rechtba] vorderii doeld. 1 Al he en de r cureur

15. , plaatsii veroorz tot ont

16. zijn vr

De £ stellinj naar d

17-van St

-ocr page 215-

ARTT. 38 KN 39 VAN HET WETB V. STRAFR.

2. Bepalingen, regelende de wijze, waarop de last

tot ontslag uit het 11 ijksopvoedingsgesticht-wordt verkregen vóórdat de b:j het von» nis bepaalde termijn is verstreken.

13. Het ontslag uit het Rijksopvoedingsgesticht vóórdat de ijd verstreken is gedurende welken het kind ingevolge de uit-praak van den burgerlijken of den strafrechter daarin zou loeten verblijven, kan door denzelfden rechter worden bevolen ip de vorderiog: van den officier van justitie of op verzoek van [en vertegenwoordiger van het kind

De officier van justitie, het ontslag vorderende, levert zijne aartoe strekkende vordering, met de stukken, welke hij noodig icht over te leggen, bij de rechtbank in, die bij eenvoudig .ppointement op de vordering, de oproeping gelast van den ertegenwoordiger, tegen een bekwamen termijn om op de ■ordering te worden gehoord. De rechtbank kan ook de oproe-)ing van het kind gelasten.

Het verzoek van den vertegenwoordiger geschiedt bij een door hem onderteekend verzoekschrift. Het wordt door de rechtbank ;este1d in handen van den officier van justitie, ten einde laarop verslag te doen en zijn gevoelen aan de rechtbank kenbaar te maken. De rechtbank kan, alvorens op het verzoek \'e beslissen, de oproeping gelasten tegen een bekwamen termijn zoowel van den vertegenwoordiger als win het kind.

Vorderingen of verzoeken tot ontslag van kinderen uit het Rijksopvoedingsgesticht worden in raadkamer behandeld en lieslist door dezelfde rechtbank, die de plaatsing lieeft bevolen.

Tegen de beslissing is geen hooger beroep toegelaten

14 Indien de plaatsing van het kind in een Rijksopvoedingsgesticht in hooger beroep, met vernietiging van een vonnis der rechtbank, door het hof is bevolen, wordt het verzoek of de vordering tot ontslag van het kind, in het vorige artikel bedoeld. bij dat college aanhangig gemaakt.

Al hetgeen in het vorige artikel van den officier van justitie en de rechtbank is bepaald, geldt in dat geval voor den procureur-generaal en het hof.

§ 3 Bepalingen aan de twee vorige paragrafen gemeen.

15. Al de kosten, zoowel die welke door de vordering tot plaatsing van het kind in een Rijksopvoedingsgesticht worden veroorzaakt, als die welke z odanige plaatsing en de aanvrage tot ontslag doen ontstaan, blijven voor rekening van den Staat.

16. Alle stukken, ter uitvoering van deze wet opgemaakt, zijn vrij van zegel en registratie

De salarissen der griffiers en deurwaarders en de schadeloosstellingen der getuigen, tolken en deskundigen worden berekend naar de tarieven voor s\'rafzaken vastgesteld.

77

ak steeds

,clit liracht en i bestaat

hij 7.ijue

thank in, personen it de heil hebben

liter z en. zij reeds zint; vat wettigen )ersonen,

r of diezijn ver-

2lde per-erleenen. conclu chikkin;

itsing ii wijst de )laatsin;

i, wordt de wijzi

icn ach verzoek mnk dii

rachtigt. iet kind tie doe teekend rift aan er griffli

; weder k op di

eschiedf waarbij

e recht-bedoeld

17. Deze wet treedt in werking te gelijk met het Wetboek van Strafrecht.

6

STRAFRECHT.

-ocr page 216-

WET van den ] hden ylpril ] S8R (St.hl. nquot;. 04 houdende bepalingen, reyelende het in wc king treden van liet hij de wet van 3 Mrw mi {Stbl. n0. 35) vastgestelde Wetlm van Strafrecht en den overgang van de ow tot de nieuwe strafwetgeving, alsmede o. overeenstemming te brengen tusschen de staande wellen en het nieuwe wetboek.

§ 1. Alpemeene bepalingen.

Artikel t.

He wetten van 10 Juni J840 (Stbl. no. 20—26) zijn ingf trokken.

2. Het bij de wet van 8 Maart 1S81 (Stbl. no. 35) vastpe stelde Wetboek van Strafrecht treedt in werking op den ]ste September 1886.

§ 2. Bepalingen, houdende afschaffing, hand-havingofwijzigingvan wetten die thans in werking zijn.

3. Op het in art. 2 vermelde tijdstip zijn aftresehaft:

a. het Fransche Wetboek van Strafrecht. ^Code Pcnal) vooi zoover het thans nog hier te lande van kracht, is;

h. het besluit van den Souvereinen Vorst van 24 Januar 1814 (Stbl no 17) omtrent den boekhandel en den eigendom van letterkundige werken, voor zooverre dit besluit nog niet is afgeschaft;

c de wetten van:

H October 1791, concernant les biens et usages ruraux et la police rurale-,

28 September -.816 (Stbl no, 51), „tot vaststelling van straffer voor hen, die vreemde Mogendheden beleedigenquot;;

12 December 1817 (Stbl. no 33), „houdende straffen tegen degenen, die, niet aan den militairen rechtsdwang onderworpen, de desertie van het krijgsvolk begunstiger.quot;;

20 November 1818 (Stbl. no. 89), „houdende strafbepalingen om den slavenhandel te beteugelenquot;;

23 December 1824 (Stbl. no. 75), „houdende daarstelling van rnidere maatregelen tot wering en uitroeijing van den slavenhandelquot; :

-ocr page 217-

wkt van den 15den april 1886 (Stbl. 110. 64).

16 Mei 1829 (Stl)l. no. 34), „houdende aanvulling van eenige gapingen in het Wetboek van Strafrechtquot;;

19 Mei 1829 (Stbl. no. 35), „strekkende om de vermenging van vergiftige of andere schadelijke zelfstandigheden in eet- en drinkwaren te beteugelenquot;;

1 Juni 1830 (Stbl. no. 15), „tot beteugeling van hoon en laster en andere vergrijpen tegen het openbaar gezag en de algemeene rust,\'-;

April 1836 (Stbl. no. 13), „betrekkelijk de misdaden van valsche munt en muntschennis\'\';

10 Mei 1837 (Stbl. no 21), „houdende tijdelijke aanvulling der bepalingen omtrent de enkele en bedriegelijke bankbreukquot;;

3 Mei 1851 Stbl. no. 44), „regelende de verjaring der straffen, uitgesproken wegens de misdrijven, vermeld in de wetten van 16 Mei 1829 (Stbl no 34) en 1 Juni 1830 (Stbl. no. 15)quot;;

28 Juni 1851 (Stbl. no. 68), „tot invoering van het stelsel van eenzame opsluiting ten aanzien van enkele op te leggen straffen ;

3 Maart 1852 (Stbl. no. 20), „regelende de gevolgen van door den militairen strafregter uitgesproken veroordeelingen bij later gepleegde misdaad of wanbedrijfquot;;

29 Juni 1854 (Sbl. no. 102;, „houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteldquot; ;

3 Juni 1859 (Stbl. no. 44), „houdende wijziging en aanvulling der wet van 12 December 1817 (Stbl. no. 33), met opzigt tot het koopen, in pand of bewaring nemen, of ontvangen van militaire kleedingst,ukken enz.quot;;

25 December 1860 (Stbl no. 102), „houdende aanvulling van art. 10 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no. 102), omtrent strafbare poging tot misdaadquot;;

22 April 1864 (Stbl. no 29), houdende bepalingen voor het geval van wanbetaling van boeten in strafzakenquot;;

17 September 1870 (Stbl. no 162), „tot afschaffing der doodstraf\'-. De artt. 2 en 7 dezer wet blijven van kracht;

24 Juli 1871 (\'tbl. no. 84-), tot wijziging van art. 7 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no. 102), „houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteldquot;;

12 April 1872 (Stbl. no. 23), „houdende bedreiging van straf tegeii de vernieling en de onbruikbaarmaking van schepen en andere vaartuigen door andere dan de in artt 434 en 435 van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelenquot;;

12 April 1872 (Stbl. no. 24), „tot vervanging van de artt 414, 415 en 416 van het Wetboek van Strafrecht door andere bepalingenquot;;

31 December 1875 (Stbl. no. 255), „tot toepasselijkverklaring van art 55 van het Wetboek van Strafrecht, voor zooveel de aansprakelijkheid voor de gerechtskosten betreft op hen, die wegens ééne en dezelfde overtreding veroordeeld wordenquot;;

d de strafbepalingen alsmede alle bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld, welke in andere dan de onder a, /; en c genoemde wetten voorkomen, voor zoover die wetten vóór 1 Maart 1886 zijn in werking getreden tn de

79

-ocr page 218-

WET VAN DEN lÖDEN APKIL 1886 (Stbl. DO. 64).

bedoelde bepaÜDpeD Diet iD deze wet wordeD gehaDdhaafd,

DiscipliDaire voorschrifteD wordeD Diet als bepaliDgeD beschouwd, oDder letter d bedoeld.

4. Op het iD art. 2 vermelde tijdstip zijn mede afgeschaft:

1°, het avis du CoDseil d\'Etat vaD ^ Oetober - sur ia 20 November

compétence cd maticre de délits commis a bord des vaisseaux neutres daDs les ports et rades de FraDee;

2°. de wet vaD 29 JudI 1851; (Stbl do, 103), houdeDdc „uitbreiding vaD de regtsmagt der kaDtonregters iD stratznlceD.

5. Be bepalingen krachtens welke de Regeering vreemdelin-geD, wegeDs l)edelarij of laDülooperij veroordeeld, over de grenzen doet leiden, blijveD vao kracht.

6. BlijveD vaD kracht de bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld alsmede de strafbepalingen, welke voorkomen in verdragen met buitenlandsche Mogendheden.

Feiten, bij deze verdragen strafbaar gesteld, worden, voor zoover deze strafbaarstelling niet geschiedt door toepasselijli-verklaring van het nationale recht, beschouwd als o\\ertredingen.

7. Blijven vaD kracht de bepalingen omtr. n : onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld alsmede de strafbepalingen, welke voorkomen in wetten rakende zaken van Rijksbelastingen, met uitzondering van het tweede lid van art. 9, het vierde lid vaD art. 18 en art. 27 der et van 18 September 18ii2 (Stbl. no 178) „omtrent den waarborg en de belasting der gouden en zilveren werkenquot;.

Het maximum der daarin bepaalde gevangenisstraffen wordt met de helft verminderd. Be minima van het Wetboek van Strafrecht zijn toepasselijk zoowel voor die straffen als voor de geldboeten, welke volgens de tegenwoordige belastingwetten, bij het bestaan van verzachtende omstandigheden, voor vermindering vatbaar zijn.

Be in zake van Rijksbelastingen thans geldende bepalingen voor het geval van waDbetaliugea vao boeten cd gerechtskosteo blijveD van kracht.

Gevangenisstraf, tot verhaal van geldboete of gerechtskosten of vaD beide, wordt vervangen door hechtenis van gelijken duur doch den tijd van één jaar niet overschrijdende. Het algemeen minimum van het Wetboek van Strafrecht is ook voor deze hechtenis van toepassing.

Bijfsdwang tot verhaal van geldboete of gerechtskosten blijft bestaan in de gevallen waarin hij thans kan worden toegepast.

Be lijfsdwang zal bij gebleken onvermquot;gen nimmer den duur van zes maanden te boven gaan, behoudens hervatting indien de veroordeelde later in staat geraakt om het door hem verschuldigde te voldoen.

Ook bij in- of vervoer van goederen in strijd met de Rijksbelastingwetten door kinderen beneden den leeftijd van tien, of, iDdieD Diet bl\'jkt, dat door heD met oordeel des ODder-scheids is gehaDdeld, beDedeD deD leeftijd vaD zestien jareD, kaD de rechter, iD het tweede lid van de artt. 38 en 39 van

80

het Wei bestuur mederei Be fe beschou 62 eerst 8. Ar\' dering

„Wan arroDdn vergezel de regt van mi teregtzi gesteld hoor va In li Organii ,,een bt ingang Ar\', gaat de In b woorde de iD i j aan | voorme indien besliss gegeve aan In i „het li A.rt In art. 2 de ko Art wijzig Het 320

„Zo gekre;

-ocr page 219-

WET VAN DEN 15DEN APEIL 1886 (St1)!. 110. 64).

het Wetboek van Strafrecht aangewezen, op vordering van het bestuur der belastingen, de verbeurdverklaring der aangehaalde goederen uitspreken.

De feiten, in het eerste lid van dit artikel bedoeld, worden beschouwd als misdrijven, behalve voor de toepassing van art, 62 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

8. Artikel 26 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvor-dering wordt gelezen:

,/Wanneer de opschudding op de teregtzitting van eene arrondissements-regtbank, een gerejitshof of den Hoogen Raad vergezeld is geweest van beleediüingen of hedreijfnigen jegens de regters of de regterlijke ambtenaren, welke het kenmerk van misdrijf dragen, zullen de daders dadelijk op dezelfde teregtzitting, zonder eenige dagvaarding, kunnen worden teregt-Kesteld en, nadat de feiten tot klaarheid gebragt zijn, na verhoor van het openbaar ministerie kunnen worden veroordeeldquot;.

In het tweede lid van art. 13 der wet op de Regterlijke Organisatie en het beleid der justitie worden de woorden: „een bevel van dagvaarding in persoon.quot; vervangen door; „regts-ingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhoudingquot;.

Ar\'. 10 van de wet van 15 Januari 1886 (Stbl. no. 5) ondergaat de volgende wijzigingen-.

In het onder dat artikel voorkomende art. 88 worden de woorden: „of de in de artt 390, 1°. 391v vervangen door: Mof de in de artt. 390, 1°., 391, 1°.quot;;

aan de tweede zinsnede van het tweede lid van het onder voormeld art 10 voorkomende art. 123lt;/ wordt toegevoegd; „en indien het van die bevoegdheid gebruik gemaakt heeft, tot de beslissing daarover, mits binnen den daarvoor gestelden tijd gegevenquot;;

aan voormeld art. 10 wordt toegevoegd:

In art. 105 worden de woorden\' „den cipierquot; vervangen door „het hoofdquot;.

A.rt 12 van laatstsremelde wet ondergaat de volgende wijziging:

In het tweede lid van het onder dat artikel voorkomende art. 221tJ vervallen de slotwoorden: „en over de verwijzing in üe kosten, door de beleedijjde partij gemaaktquot;.

Art 20 van laatstgemelde vvet ondergaat de volgende wijzigingen:

Het eerste lid van het onder dat artikel voorkomende art. 320 wordt gelezen:

„Zoodra de procureur-generaal voldoende aanwijzing heeft gekregen van een gepleegd misdrijf, als bij art 315 bedoeld en van den persoon, die zich daaraan heeft schuldig gemaakt en hij het verleenen van regtsingang noodig oordeelt, biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkenue vordering aan den hoogen raad aanquot;

Het laatste lid van het onder voormeld art. 20 voorkomende art 325 vervalt.

9. De militaire strafwetten en de bepalingen van militair strafrecht, in andere wetten voorkomende, blijven van kracht, behoudens de hieronder volgende wijzigingen.

Ieder feit, strafbaar volgens die wetten en bepalingen, wordt,

81

-ocr page 220-

82 wet van den 15den april 1886 (Stbl. no. 64).

voor zoover het niet als disciplinair vergrijp te beschouwen is, beschouwd als misdrijf.

Tn art. 7 der wet van 17 September 1870 (Stbl. no. 162), „tot afschaffing der doodstrafquot;, worden de woorden „tuchthuisstraf van vijf tot vijf en twintig jarenquot; vervangen door: „militaire gevangenisstraf van ten hoogste twintig jarenquot;; en de woorden; „kruiwagenstraf van vijf tot vijftien jarenquot; door: „militaire gevangenisstraf van ten hoogste tien jarenquot;.

Ue wetten van 14 November 1879 (Stbl. no. 191 en no. 193), tot „wijziging van het Crimineel Wetboek voor liet Krijgsvolk te landequot; en tot „wijziging van het Crimineel Wetboek voor het Krijgsvolk te waterquot;, ondergaan de navolgende wijzigingen:

Het eerste lid van art 2, in beide wetten, wordt vervangen door de navolgende bepaling:

„Bij veroordeeling tot eene gevangenisstraf van drie jaren of meer spreekt de militaire regter tevens de in art. 11 vermelde vervallenverklaring uitquot;

In het tweede lid van art. 2, in beide wetten, worden de woorden „Bij veroordeeling tot eene der andere straffen van het gemeene regtquot; vervangen door: „Bij veroordeeling tot gevangenisstraf van minder dan drie jarenquot;.

In het tweede lid van art 8, in beide wetten, wordt het woord „gevangenisstrafquot; vervangen door: „hechtenisquot;.

Art. 4, B 1°., in heide wetten, vervalt.

Het tweede en derde lid van art. 5, in beide wetten, vervallen.

Het eerste en tweede lid van art. 7, in beide wetten, worden gelezen;

„De militaire gevangenisstraf bestaat in opsluiting in eene strafgevangenis.

„Haar duur is ten minste één dag en, behoudens de gevallen waarin zij de straf van den strop vervangt en die van strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, ten hoogste vijftien achtereenvolgende jaren.

„Bij strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven is zij ten hoogste twintig achtereenvolgende jaren.quot;

In het derde en vierde lid van art. 7, in heide wetten, wordt het woord „vijfquot; vervangen door: ,driequot;.

In het vierde lid van art. 7, in beide wetten, worden de

woorden, „spreekt____uitquot;, vervangen door: „kan . ..uitsprekenquot;.

Het vyfde en zesde lid van art. 7, in beide wetten, worden gelezen:

„Op deze militaire gevangenisstraf zijn toepasselijk de regelen, in het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht voor de gevangenisstraf geschreven.quot;

Art. 10 der wet van 14 November 1879 (Stbl no. 191) en het eerste, vierde en vijfde lid van art. 10 Ier wet van 14 November 1879 (Stbl. no. 193) worden gelezen:

„De straf van militaire detentie bestaat in opsluiting in een huis van bewaring, of, zoo de gelegenheid ontbreekt daarvan gebruik te maken, in een huis van provoost, voor den tijd van ten minste één dag en ten hoogste twee achtereenvolgende jaren, behoudens het geval van strafverhooging ter zake van

-ocr page 221-

WET VAN DEN lÓDEN APBIL 1886 (Stbl. 110 64). 88

Hienloop van misdrijven, in welk geval haar duur ben hoogste vee jaren en acht maanden is.

„Op de militaire detentie zijn toepasselijk de regelen, in het. irste Boek van het Wetboek van Strafrecht voor de hechtenis :schreven.

„Het verzoek van den veroordeelde om de detenne in zondering te ondergaan wordt alleen toegestaan zoo daartoe tegenheid bestaatquot;

In liet derde lid van art. 10 der wet van 14 November 879 (Stbl. no 193) vervallen de woorden: «of zelfs de verdere itvoering geschorstquot;

In het derde lid van art. 13 der wet van 14 November 79 (Stbl. no 191) en in het tweede lid van art. 13 der et van 14 November 1879 (Stbl. no. 193) worden de woorden militaire detentie of tot ci.rrectioneele gevangenisstraf, waneerquot; vervangen door; „militaire detentie, tot militaire ge-nngenisstraf of tot gevangenisstraf, beide van minder dan drie iren, voor zoover de regter niet tevens de in art. 13 vermelde ntzegging heeft uitgesproken en.quot;

Het eerste lid van art. 15 der wet van 14 November 1879 Stbl. no. 191) en van art. 16 der wet van 14 November 1879 Stbl. no. 193) wordt gelezen:

.Wanneer een militair tot militaire gevangenisstraf of tot angenisstraf zonder de in art. 12 vermelde ontzegging, tot echtenis of tot militaire detentie is veroordeeld geweest, wordt e tijd zijner opshiiting, ook der preventieve, niet als diensttijd aedegerekend quot;

In het eerste lid van art. 16 der wet van 14 November 879 (Stbl. no. 191) en van art. 17 der wet van 14 November 9 (Stbl. no. 193) worden de woorden „wanneer tegen het oltooid misdrijf de doodstraf met eerloosverklaring of de tucht-misstraf is bedreigdquot; vervangen door; „wanneer op het vol-ooid misdrijf door het Crimineel Wetboek de doodstraf met en strop werd gesteldquot;,

In het tweede lid van laatstgemelde beide artikelen wor-en de woorden „tuchthuisstraf van vijf tot twintig jarenquot; ver-augen door: „militaire gevangenisstraf van ten hoogste dertien renquot;.

liet eerste lid van art 17 der wet van 14 .November 1879 StM. no 19\') en van art. 18 der wet van H November 1879 Stbl no 193) vervalt Aan deze artikelen wordt als nieuw lid oegevoegd de navolgende bepaling:

„De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige miliiaire hoofd-tralfen wordt bepaald door de volgorde van art 4; die van mrgerlijke en militaire straffen door deze vollt;ro de: doodstraf, ;evangenisstraf. militaire gevangenisstraf, militaire detentie, hechtenis, geldboete, met dien verstande dat de voorrang der fevangenisstraf boven de militaire gevangenisstraf en der nilitaire detentie boven de hechtenis eerst bij gelijke maxima der gestelde staffen in aanmerking komt..,

Art. 18 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no, 191) en i»rt. 19 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no 193) worden ervangen door de volgende bepaling:

-ocr page 222-

84 wet van den 15den april 1886 (Stbl. no. 64).

„liet re^t tot strafvordering wegens militaire misdrijven vei valt door verjaring:

„1°. in zes jaren voor de misdreven waarop militaire detenti of militaire gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren gesteld met uitzondering van het misdryf van desertie;

„2Q. in achttien jaren voor de misdrijven waarop in he Crimineel Wetboek de doodstraf met den strop werd ges\'eld „3°. in twaalf jaren voor het misdrijf van desertie en al andere misdrijven niet in Is os 1 en 2 bedoeldquot;.

In het eerste lid van art. 19 der wet van 11 November 1871 (Stbl. no. 191) en in bet tweede lid van art 20 der wet vai 14 November 1879 (Stbl n0. 193) worden de woorden „me eerloosverklaringquot; vervangen door: „met de in art. 11 vermeldt vervallenverklaringquot;.

In de beide voormelde artikelen en de door deze gewijzigde artikelen van de Crimineele Wetboeken te water en te landt vervallen de minima van den duur der militaire gevangenisstraf on der militaire detentie.

De maxima van den duur der militaire gevangenisstrai krachtens een dier beide artikelen en de door deze gewijzigde artikelen van de Crimineele Wetboeken te water e;i te lande op te legden, worden verminderd:

bijaldien meer dan tien jaren kon worden opgelegd, met viji jaren ;

bijaldien tien jaren of minder kon worden opgelegd, tot de helft.

Art. 21 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no 193) vervalt, 10. De volgende strafbepalingen en bepalingen omtrent onderwerpen in de eerste acht Titels van liet eerste i\'oek van het Wetboek van Strafrecht behandeld, blijven, behoudens de in deze wet vermelde wijzigingen, van kracht.

1°. A.rt. 12 vau de publicatie van 24 Februari 1806, houdende bepalingen omtrent een algemeen rivier- of waterregt. art. 7 van Titel XXVIII en, voor zoover het hertogdom Limburg betreft, de artt. 42, 43 en 44 van Titel XXVII van de Ordonnance des eaux et forêts du mois d\'Aollt 1669;

de woorden, voorkomende in het eerste lid van art. 12 voormeld (/te verdeelenquot; tot en met de woorden „waar de contraventie is geschiedquot; alsmede de woorden in het tweede lid van dit artikel „op dubbel gewinquot; vervallen;

De in artt. 7 en 42, tweede lid, bepaalde geldboeten van 500 livres worden vervangen door geldboeten van ten hoogste honderd gulden. Overtreding van art. 42, eerste lid, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. De in art. 44 bepaalde straf „d\'être punis com me usurpateursquot; wordt vervangen door eene geldboete van ten hoogste honderd gulden;

2° de artt. 1 en 5 van de wet van 22 Juli 181 (Stbl. no. 8f houdende „verbod van alle vreemde of particuliere loterijenquot;, in het tweede lid van art. 1 worden de woorden „van een honderd zilveren dukatonsquot; vervangen door: „van ten hoogste een honderd guldenquot;;

3°. de artt. 6 en 7 van de wet van 1 Maart 1815 (Stbl. no. 21),

w

houdende baren Cl 4o. de van de \\ van sch;

eenlt;

betrekk* pen, dij Aan lt; „De ( bate va 6° d 43, 44, Juli 1^ wet va (Stbl i

tw

(S

d d

v

7o

houdquot; eersti in b\\

8° „hoi van 9lt; no. aan van gen

(SI de

-ocr page 223-

wkt van den 15den april 1886 (Stbl. no. 64J. 85 houdende „voorschriften ter viering der dagen aan den openbaren Christeiijken Godsdienst toegewijdquot;;

4o. de artt. 9, 27, 36, 55, 56, 57, 58, 60, 61, 62, 70 en 71 van de wet van 11 A.pril 1827 (Stbl no 17), houdende „oprigting van schutterijen over de geheele uitgestrektheid des Rijksquot;; in art. 4 wordt na het woord .«strafquot; ingevoegd: „of tot eene gevangenisstraf van een jaar of langerquot;;

in art. 60 vervallen de woorden „misdaden ofquot;;

5°. art 22 van de wet van 9 October 1841 (Stbl. no. 12) betrekkelijk de regtsmagt der hooge en andere heemraadschappen, dijk- en polderbesturen-,

Aan dit artikel wordt als tweede lid toegevoegd-

„De opbrengst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van het waterschapquot;;

6o de artt. 5, 20, 24, 26. 28, 80, 82, 38, 86, 87, 88, 40, 42, 43, 44, 45, 48, 58, 55. 56, 57, 64, 66 en 69 van de wet van 9 Juli 1842 (Stbl. no. 20) op „het Ts\'otarisambtquot;, gewijzigd bij de wet van 6 Mei 1878 (Stbl. no. 29) en bij die van 26 April 1876 (Stbl. no 85);

van art. 51 dezer wet vervalt het 1ste lid en in het, tweede lid, gewijzigd bij art 7 der wet van 6 Mei 1878 (Stbl no 29), vervallen het woord „correctionelequot; en de woorden -. „met uitzondering van de gevangenisstraf die de geldboete vervangtquot;;

in art. 54 worden de woorden: „correctionele zakenquot; vervangen d or: .strafzaken ter kennisneming van de arron-dissements regtbankquot;, en de woorden: „ van den 28sten enquot; door- „van den 8sten Titel, eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht en van denquot;;

7o art. 18 van de wet van 28 Augustus 1848 (Stbl. no. 37), houdende „vaststelling eener algemeene bepaling en van den eersten Titel van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zakenquot;;

in art. 19 dezer wet worden de woorden quot;als eene correctionele zaakquot; vervangen door: „als eene strafzaak ter kennisneming van de arrondissements-regtbankquot;; en de woorden „van den 23sten en door: „van den Ssten Titel, eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht en van denquot;;

8°. art. 7 der wet van 28 Augustus 1848 (Stbl. no. 38), „houdende vaststelling van den tweeden Titel van het tarief, van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zakenquot;;

9o. de artt. 25 en 26 van de wet van 12 April 1850 (Stbl. no. 15) tot „vaststelling: van het briefport en tot regeling der aangelegenheden van de brievenposterijquot;, gewijzigd bij de wet van 5 Juli 1855 (Stbl. no. 61) en de artt. ii7 en 23 van eerst-gemelde wet;

in het eerste lid van art. 25 vermeld vervallen de woorden : „of wel, in geval van wanbetaling, op straf eener gevangenis van drie tot zeven dagen in het eerste en van zeven tot veertien dagen in het tweede gevalquot;;

Iflo. de artt. 9, 12 en 18 van de wet van 10 September 1858 (Stbl. no. 102) tot „regeling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappenquot;;

-ocr page 224-

86 wet van üa-n lójwkn ai\'EiL 1886 (Stbl. no. 64).

llo. de artt. 45, 57 en 58 van de wet van 21 December 1853 (Stbl. no. 128), houdende „bepalingen betrekkelijk het bouwen, planten en het maken van andere werken binnen zekeren afstand van vestingwerken van den Staatquot;;

in de eerste zinsnede van art. 57 vervallen de woorden: „of, bij wanbetaling, met gevangenis van een tot drie dagen, met inachtneming van het bepaalde bij het tweede lid van art. 14quot;;

in de tweede zinsnede van art. 57 vervallen de woorden: „of, bij wanbetaling, met gevangenis van drie tot zeven dagen, mede met inachtneming van het bepaalde bij het tweede lid van art. 14quot;;

12o de artt. 11, eerste lid, en 12. eerste en tweede lid, van de wet van 28 Jimi 1854 (Stbl. no. 100), „tot regeling \\an het armbestuurquot;, gewijzigd door de wet van 1 Juni 1870 (Stbl. no 85):

13o art. 23 van de wet van 22 April 1855 (Stbl. no. 32), tot „regeling en beperking der uitoefening van het regt van ver-eenidug en vergaderii-gquot; voor zooveel betreft de verwijzing naar de artt 16, 18 20 en 21;

in voormeld artikel worden de woorden: „gulden enquot;, vervangen door: „gulden ofquot; en vervallen de woorden: r,gezamenlijk of afzonderlijkquot;;

14°. de artt. 20, 40, 41, 42, 44 en 45 van de wet van 13 Juni 1857 (Stbl. no. 87), tot „regeling der jagt en visscherijquot;; aan art. 14 wordt een nieuwe littera ƒ toegevoegi, luidende: „personen die tot eene gevangenisstraf van drie jaar of langer zijn veroordeeld, indien nog geen vijfjaren zijn verloopen na het ondergaan der strafquot;;

in art. 39, tweede lid, worden de woorden „de gevallen en op de wijze, in artt. 51 en 52quot; vervangen door „in bet geval en op d- wijze in art. 74 van het Wetboek van Strafrechtquot;;

in den aanhef van de artt. 41 en 42 worden de woorden „met of zonderquot; vervangen door „ofquot;;

de artt. 43 en 58 vervallen;

in art. 47, derde lid, worden de woorden „is art. 22 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl no 102) van toepassingquot; vervangen door: „is het onder art. 12 der wet van 15 Januari 1886 (Stbl no. 5) voorkomende art. 221 ee van toepassing ;

15o art, 11 van de wet van 20 Augustus 1859 (Stbl no 93), houdende „bepalingen op den loodsdienst voor zeesrbepenquot;, art. 8 van de wet van 30 Decembw 1865 (Stbl. no. 173), tot „regeling van het loods- en bakenwezen op eenige watere» en stroomenquot;, en art. 2 van de wet van 22 December 1867 (Stbl. no 158), houdende ^aanvulling der regeling van het loods en baken lt; ezen op eenige wateren en stroomenquot; ;

art 12 der wet van 20 Augustus 1859 (St!)l. no. 93) vervalt;

16o. art. 23 van de wet van 1 Juni 1861 (Stbl. no. 53), houdende „bepalingen omtrent den doortogt en het vervoer van landverhuizersquot;, gewijzigd bij de wet van 15 Juli 1^69 (Stbl no. 124);

-ocr page 225-

WET VAN DEN lÖDEN APKIL 1886 (Stbl. HO. 64),

7°. de artt. 141, 188, 184 en 187 aanhef en 1° en :20 van wet van 19 Augustus 1861 (Stbl. no 72), „betrekkelijk de tionale militiequot;, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 April 4 (Stbl. no 70);

in art. 24, 1ste lid, wordt tusschen „weldadigheidquot; en „enquot; gevoegd- „van Rijkawerkinrigtingenquot;;

in art 24, 2de lid, wordt het woord „misdrijfquot; vervangen door „strafbaar feitquot;;

nan art. 55 wordt een nieuw nummer toegevoegd, luidende;

.,3°. die tot eene gevangenisstraf van één jaar of langer onherroepelijk is veroordeeldquot; ;

in art. 56, no. 2, wordt het woord „wanbedrijfquot; vervangen door: „een strafbaar feitquot;;

in art. 181, 1ste lid. wordt het woord „misdrijvenquot; vervangen door ^strafbare feitenquot;;

in de artt. 56, 1ste en 2de, en 181, 2de lid, wordt het woord ,/hechtenisquot; vervangen door- „verzekerde bewarintiquot;;

in art. 184 vervallen de woorden: „te zamen of afzonderlijkquot; en wordt het woord quot;en\'\' vervangen door: „ofquot;; 18o. het eerste en tweede lid van art 19 van de wet van Juni 1865 (Stbl. no. 60), regelende „de uitoefening der leeskunstquot;, aangevuld door de wet van 23 April 1880 (Stbl. 10, 65 i;

in voormeld tweede lid worden de woorden „en daarenbovenquot; vervangen door „ofquot;:

19° art. 31, eerste en tweede lid, en art. 32, eerste, tweede n derde lid van de wet van 1 Juni 1865 (Stbl. no. 61), rege-ende ,,de uitoefening der artsenijbereidkunstquot; ;

in het eerste lid van art. 31 wordt achter de woorden „dezer wetquot; gevoegd-, „behalve die van art.. 1, die van art. 12, tweede lid, voor zoover afschriften door regterlijke of geneeskundiL\'e ambtenaren gevraagd worden, die van art. 19 en die van art. 25quot;, en in het tweede lid van voormeld artikel worden de woorden „en daarenbovenquot; vervangen door „ofquot;:

in het derde lid van art. 32 worden de woorden „en kan hen daarenbovenquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden: „worden opgelegdquot;;

20o, art 41 en het tweede lid van art. 44 van de wet van 14 September 1866 (Stbl. no. 138), houdende „bepalingen betrekkelijk de inkwartieringen en het onderhoud van het itrijga-olk, en de transporten en leverantiën voor \'s Koninjïs legers if vestingen gevorderdquot;, gewijzigd bij de wtt van 29 Maart 1877 (Stbl. no. 53);

in de artt. 42, 2de lid, en 44, 2de lid van eerstgemelde wet worden de woorden „misdrijfquot; en „misdrijvenquot; vervangen door: „strafbaar feitquot; en „strafbare feitenquot;; 21 o. art. 3 van de wet van 6 April 1869 (Stbl. no. 39). houdende „intrekking der wetten van 29 Floréal jaar X en 7 Ven-jse jaar XII (Vervoer van vrachten op de landwegen)quot;; 22o. art. 28 aanhef en no. 1, artt. 29 tot en met 35 van de et van 7 April lö6ji (Stbl. no. 57), gewijzigd bij de wet van

i

i

87

eceuiber lijk het •\'innen

oorden ot drie tweede

-ocr page 226-

WET VAN DEN lÓDEN APRIL 1886 (Stbl. no. 64).

8 Juli 1874 (Stbl. no, 96), betreffende „de maten, gewigten, weegwerktuigeu en gasmetersquot;;

in den aanhef van art. 28 wordt het woord ...enquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

in art. 34 worden de woorden „constateren eener overtreding of van een zwaarder misdrijfquot; vervangen door; „constateren van een straflgt;aar feitquot;;

23o. art. 40, aanhef en ln. en 2°, art. 41, aanhef en nos. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11, art. 42 en art. 43, aanhef en nos 2, 3, 4 en 7 van de wet van 10 April 1869 (Stbl no. 65), tot „vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregtenquot;;

in art 39 wordt het woord ./misdrijvenquot; vervangen door: „feitenquot;;

in art. 42 worden de woorden „het 3de lid van art. 27 van het Burgerlijk Wetboekquot; vervangen door: „artikel 466 van het Wetboek van Strafrechtquot;:

in den aanhef van art. 40 wordt het woord „enquot;, waar dit de tweede maal voorkomt, en in den aanhef van de artt. 41 en 43 wordt dat woord vervangen loor „ofquot;, en vervallen de woorden „te zamen of afzonderl kquot;;

24o. de artt. 19 en 20 van de wet van 28 Mei 1869 (Stbl. no. 96), betrekkelijk „de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandscbe vlagquot;;

25°. art. 24, aanhef en litt. a, e. en A, artt. 26 en 27 van de wet van 28 Mei 1869 (Stbl. no. 97) regelende „het toezigt op het gebruik van stoomtoestellenquot;;

in de artt. 26 en 29 wordt het woord „misdrijvenquot; vervangen door: „strafbare feitenquot;;

in de litt. a en li van art 24 worden de woorden „twee honderdquot; vervangen door: „drie honderdquot; en het woord „enquot; door „ofquot;, en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

26o de artt 35, 36, 37, 38, 39, 1ste en 2de lid van de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131). tot „regeling van het vee-artsenijkundig Staatstoezigt en de veeartsenijkundige politiequot;, aangevuld en gewijzigd door de wetten van 2 Juni 1875 (Stbl. no 94), 8 Augustus 1878 (Stbl. no. 115) en 1 Augustus 1880 (Stbl. no. 123);

in art. 27, 2de lid, van eerstgemelde wet wordt het woord „misdrijvenquot; vervangen door: „strafbare feitenquot;;

Art. 35, eerste lid, wordt gelezen als volgt:

/Belemmering of verhindering van hetgeen geschiedt tot uitvoering van deze wet of van Onze krachtens de artt. 15, 31 en 34 te geven voorschriften, het geheel cf gedee\'telijk opgraven van begraven vee, vleesch, beenderen of overblijfselen daarvan, het vervoer van een of meer der in art. 29 bedoelde voorwerpen, in strijd met dat artikel, of niet den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld, naar of uit het in een afgesloten kring gelegen terrein; het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee-, het zonder voorafgaande ontsmetting van kleederen verlaten van

88

dat terre van hetgi vastgestel

jaar of ge

-ocr page 227-

wet vax den 15den apkil 1886 (Stbl. no. 64).

dat terrein, overtreding der artt. 14, 21 en 82 dezer wet en van hetgeen door Ons krachtens de artt. 15, 31 en 34 wordt vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste vijf honderd guldenquot;;

in art. 3, 2de lid, van de wet van 2 Juni 1875 (Sthl. no. 94), wordt het woord „misdrijfquot; vervangen door: „strafbaar feit/\';

27°. art. 30, aanhef en nos. 2 en 3, en art. 31, aanhef cn do. 2, van de wet van 4 December 1872 (S bl. no. 134), tot ,/voorziening tegen besmettelijke ziektenquot;, aangevuld en gewijzigd bij de wetten van 3 December 1874 (Stbl. no. 188) en 28 Maart 1877 (Stbl. no. 36);

in art. 19 van eerstgemelde wet wordt achter het woord „gevangenissenquot; ingevoegd: „van Rijksopvoedingsgestichten, van Rijkswerkinrigtingen\'1;

in den aanhef van de artt 30 en 31 van eerstgemelde wet, wordt het woord „enquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

28°. art. 12, 2de en 3de lid van de wet van 8 Juli 1874 (Stbl. no. 98), tot „regeling van de uitoefening der veeartsenij-kunstquot;, gewijzigd door de wet van 4 April 1875 (Stbl. no. 37;; in het vooimeld tweede lid vervallen de woorden: „en weigering door de veeartsen om den districtsveearts in hunne woning toe te latenquot;;

in voormeld derde lid worden de woorden „en daarenbovenquot; vervangen door „ofquot;;

290. art. 4 van de wet van 19 September 1874 (Stbl. no. 130), houdende „maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderenquot;;

in het eerste lid van voormeld artikel wordt het woord „enquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

30o. de artt. 53, 54, tweede lid, van de wet van 9 April 1875 (Stbl. no. 67), tot „regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegenquot;, art. 56, aanhef en 2de lid, met uitzondering der strafbaarstelling van het. «iet voldoen aan een krachtens art. 22 gegeven bevel of verbod; art. 56, 3de en 4dii lid; artt. 58 en 63 dier wet;

in het eerste lid van art. 68 wordt het woord „honderdquot; vervangen door „twee honderdquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot; ;

in art. 71 wordt het woord „misdrijvenquot; vervangen door „strafbare feitenquot;;

SIquot;, art. 22, met uitzondering van het voorlaatste lid, en art. 29, voor zooveel betreft de toepasselijkverklaring van art. 22, van de wet van 2 Juni 18*5 (Stbl no. 95), tot „regeling van het toezigt bij het oprigten van inrigtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzakenquot;;

in art. 22, laatste, lid, wordt het woord „wanbedrijvenquot; vervangen door: „strafbare feitenquot;;

in het eerste lid van voormeld art. 22 vervallen sub a en h de woorden „te zamen of afzo» derlijkquot; en wordt het

89

-ocr page 228-

90 wet van den 15den april 1886 (Stbl. no. 64).

woord „enquot;, sub a waar het de eerste maal en sub waar liet de tweede maal voorkomt, vervangen door: „of 82o. art. 6, met uitzondering van het 5de lid, art. 7 2de 1: van de wet van 6 .\'uni 1875 (Stbl. no. 130), tot „vaststellii van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheidquot; en art. dezer wet doch alleen voor zoover het de strafbaarstelling li treft van het verzuim des kennisgeving bedoeld bij art. 1. in voormeld :)rt. S wordt het woord „enquot; waar het derde maal voorkomt, vervangen door „ofquot; en vervallen gt; woorden „te zamen of afzonderlijkquot;.

art 2 van de wet van 5 Juni 1875 (Stbl. no. 118), 1 trekkelljk „bet nemen van maatregelen tegen overbrenging vi den Colorado keverquot; ;

in de 1ste alinea van voormeld artikel vervallen woorden „te zamen of afzonderlijkquot; en wordt het wooi „enquot; vervangen door „ofquot;;

34o de artt. 65 en 102, eerste lid, van de wet van 28 Apr 1876 (Stbl. no. 102), tot „regeling van het hooger onderwijs\' gewijzigd bij de wetten van 7 Mei 1878 (Stbl. no. 33), va; 28 Juni 1881 (Stbl. no. 107), van 15 Juni 1883 (Stbl. no. 7i en van 23 Juli 1885 (Stbl. no. 141);

35°. art. 9, tweede lid, van d.; wet van 24 Juni 1876 (Stb! no. 117), houdende „regeling van de voorwaarden rot verkrijgin-der afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der tandheelkunr en van de uitoefening dier kunst\' ;

86°. art. 2, 2de en 3de lid, van de wet van 28 Juni 1870 (Stbl no. 150), houdende „maatregelen tegen het gevaar, het welk door den in-, door- en vervoer van vergiftige stoffen kac ontstaanquot;;

in art 2, 2de en 3de lid, wordt het woord „misdrijf1 en „misdrijvenquot; vervangen door: „strafbaar feitquot; en „strafbare feitenquot;;

in art. 2, 2de lid, wordt het woord „enquot; vervangen door _„ofquot; en vervallen de woorden „gezamenlijk of afzonderlijk\'•; 37° art 22, met uitzondering van het laatste lid, van de wet van 17 November 1876 (Stbl. no. 227), tot „regeling der coöperatieve vereenigingenquot;;

38°. art. 19 van de wet. van 28 Maart 1877 (Stbl. no. 35), tot „wering van besmetting door uit zee aankomende schepenquot;; in art. 19 wordt het woord „enquot;, waar dit de tweede maal voorkomt, vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

39°. art. 10 van de wet van 28 Maart 1877 (Stbl. no. 43), tot „vervanging der koperen door bronzen pasmuntquot;;

40°. art 9, 1ste lid, van de wet van 17 Augustus 1878 (Stbl. no 127), tot „regeling van het lager onderwijsquot;, gewijzigd door de wetten van 27 Ju\'i 1882 (Stbl. no. 117), 3 Januari 1884 (Stbl. no. 2) en 11 Juli 1884 (Stbl. no. 123);

in het eerste lid van art. 9 vervallen de\'voorden: „zon der daartoe bevoegd te zijn lager onderwijs geeft ofquot;, wordt\' het woord „enquot;, waar dit de tweede maal voorkomt, vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

-ocr page 229-

wet van den 15den april 1886 (Stbl. 110 64).

art. 10 h der eerstpenomide wet wordt gelezen; «tot eene der straffen omschreven in art. 28 Nos. 4 en 5 van liet quot;Wetboek van Strafrecht\'\';

41°. art. 9, met uitzondering van het voorlaatste lid, van de wet van 23 April 18H0 (Stbl no. 67), betreffende „de openbare middelen van vervoer, me* uitzondering der spoorwegdienstenquot;: 42°. art. 6 van lt;1 wet van 25 Mei 1?lt;80 (Stbl. no 8Ü), tot „bescherming van diersoorten, nuttig voor landl onw of hont-teeltquot; ;

in het, tweede lid van voormeld artikel worden de woorden : „sinds de schuldige krsuhtens dezelfde strafbepaling werd veroordeeldquot; vervangen door: sedert, eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens overtreding van hetzelfde :»r \'kel dezer wet onherroepelijk is geworden\'; 43°. de artt. 14, 15, 16, 17 en 18 van de wet van 21 Juni 1881 {Stbl no. 7,gt;,), houdende „bepalingen omtrent de zeevis-scherijenquot;, aangevuld bij de wet van 7 October 18^4 (Stbl no. 211 !;

44°. de artt 16, 17, aanhef en no. 2, 18, 23 en 27 van de wet van 28 Juni 1»81. (Stbl. no. 97), houdende „wet\'elijke bepalingen tot regeling van den kleinhi-ndel in sterken drank en tot beteugeling van openbare dronkenschapquot;, gewijzigd bij de wetten van 23 April 1884 (Stbl. no, 54) en 16 April 1885 (Stbl. no 78);

No. 4 van art. 3 wordt gelezen: „Wanneer de verzoeker binnen de laatste twee jaren tweemaal wegens overtreding van eene strafbepaling dezer wet, met uitzondering van die van art. 28, of wegens een der feiten omschreven in art. 184, voor het geval het f3it betrekking heeft op een bevel of eene vordering, krachtens deze wet of de bij deze wet bedoelde plaatselijke verordeningen gedaan, of in de artt. 252, 426, 453 en 454\' van het Wetboek van Strafrecht onherroepelijk is veroordeeld of wanneer hij van de uitoefening van zijn beroep is ontzet, zoolang die ontzetting voortduurtquot;;

in art. 18 worden de woorden: „artikel 19quot; vervangtn dooi\'; „artikel 252, 3°. en 3°, van het Wetboek van Straf-rechtquot;;

45°. de artt. 6, 7 en 8 van de wet van 7 December 1883 (Stbl. no. 202), „ter uitvoering van de op 6 Mei 1882 te \'s Gravenhage gesloten internationale overeenkomst tot regeling van de politie op de visscherij in de Noordzee buiten de ter ritoriale waterenquot; ■

46°. de artt 36, aanhef en 3°., 37, met uitzondering van het, laatste lid, en 38 van de wet van 27 April 1884 (gt;tbl no 96), tot „regeling van het Staatstoezicht op krankzinnigenquot;;

het 2de en 3de lid van art. 18 worden vervangen door de navolgende bepaling: „Ingeval de rechter oordeelende in strafzaken, met toepassing van het 2de lid van art 37 van het Wetboek van Strafrecht heeft bevolen, dat iemand in een krankzinnigengesticht zal worden geplaatst, geschiedt de opneming van zoodanigen persoon tegen overlegging van een uittreksel uit de onherroepelijk geworden uitspraak, die de plaatsin-g beveeltquot;;

91

-ocr page 230-

92 WfT van den 15den aprtl 1886 (Stbl. no. 64).

47°. de artt. 14, ló en 19 van de wet van 23 Juli 1885 (Stbl. no. 142) „tot regeling der Staatsloterij\'\';

in het tweede lid van de voormelde artikelen worden de woorden: „sedert de schuldige wegens dergelijk feit onherroepelijk is veroordeeldquot; vervangen door „sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens dergelijk feit onherroepelijk is gewordenquot;.

11. De feiten in het vorig artikel bedoeld, worden beschouwd als overtredingen. Zij worden als zoodanig berecht voor zoover niet in de bijzondere wet uitdrukkelijk het tegendeel bepaald is.

De in de wetten in het vorig artikel bedoeld met name genoemde poging blijit als zelfstandige overtreding strafbaar.

De op in het vorig artikel bedoelde feiten gestelde gevangenisstraf wordt vervangen door hechtenis met een maximum van gelijken duur doch den tijd van een jaar niet overschrijdende en met een minimum van één dag.

Het minimum der geldboete wordt gesteld op of verminderd tot vijftig cents.

Wanneer op herhaling van overtreding zwaardere straf ia gi;steld, zonder vermelding van eenig tijdvak, binnen hetwelk die herhaling moet hebben plaats gehad, is die bepaling slechts dan van kracht wanneer tijdens het plegen van de overtreding nog neen vijf jaren zijn verloopen sedert de vroegere veroordeeling van den schuldige onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald.

Waar een andere aanvangstijd van den termijn voor de herhaling vastgesteld, is bepaald, wordt de in het vorige lid bedoelde tijd van aanvang daarvoor in de plaats gesteld.

12. Blijven van kracht:

1°. art. 39, 3de lid, van de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) „tot regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politiequot;, aangevuld door de wetten van 2 Juni 1875 (Stbl. no. 94), 8 Augustus 1878 (Stbl. no. 115) en 1 Augustus 1880 (Stbl. no. 123);

in voormeld artikel worden de woorden: „De artt. 142 en 143 van het Strafwetboek, het laatste in verband met art. 5 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no 102), zijn toepasselijk opquot; vervangen door: „Wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaarquot;.

2°. art. 17 van de wet van 23 Juli 1885 (S-bl no. 142) „tot regeling der Staatsloterijquot;.

De feiten in dit artikel bedoeld, worden be.sehouwd als misdrijven.

13. De bij bijzondere wetten en verordeningen verleende bevoegdheid tot het opsporen van strafbare feiten blijft gehand-haatd, ook voorzoover tegen die feiten thans in het Wetboek van Strafrecht is voorzien.

14. In art. 10 der wet van 30 April 1815 (Stbl. no. 33) „houdende instelling van de Militaire Willemsordequot; en in art. 12 der wet van 29 September 1815 (Stbl. no. 47) „houdende instelling van de orde van den Nederlandsshen Leeuwquot;, worden de woorden: „een onteerend vonnisquot; vervangen door:

-ocr page 231-

wet van den 15den aphil 1886 (Stbl. no. 64). 93

„eene onherroepelijke veroordeeling tot gevangenisstraf van drie jaren of tot zwaardere straf.quot;

15. In art. 27 der wet van 9 Mei 1846 (Stbl. no. 24), „betreffende de burgerlijke pensioenen7\', laatstelijk gewijzigd bij die van 21 Mei 1873 (Stbl. no. 64), in art 71 der wet van 28 Augustus 1851 (Stbl. no. 127) «tot regeling der militaire pensioenen bij de zeemagtquot;, art. 70 der wet van 28 Augustus 1851 (Stbl. no. 129) „tot regeling der militaire pensioenen bij de landmagtquot;, art. 43 der wet van 24 Juni 1854 (Stbl. no. 92) „betreffende het verleenen van pensioen aan mindere geëmployeerden, werklieden en bediendenquot;, en art. 21 der wet van 20 Augustus 1859 (Stbl. no. 94), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 April 1876 (Stbl. no 92), „betreffende het verleenen van pensioen en onderstand aan schippers, loodsen, looüskwee-kelingen en hulploodsen bij de loodsdienst voor zeeschepen\'\', worden de woorden „lijf- of onteerendequot; vervangen door: „gevangenisstraf van drie jaren of zwaarderequot;, en de woorden „tot op de rehabilitatie^ of ..tot aan de rehabilitatie door: „gedurende een door den regter bij het vonnis te bepalen tijdquot;.

16. Art. 28 van de wet van 7 Mei 1856 (Stbl. no. 32) „houdende bepalinsjen omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepenquot; wordt gelezen:

.;Bij de monstering worden de artt. 5—9, 17, 20, 21, 23, 24 en 26 dezer wet en de artt. 391—401, 406 en 408 Wetboek van Strafrecht aan de schepelingen voorgelezen.quot;

17. Art. 7 van de wet van 2 Mei 1863 (Stbl. no. 50), gewijzigd door de wetten van 28 Juni 1876 (Stbl. no. 143) en 25 April 1879 (Stbl. no. 87) „houdende regeling van het middelbaar onderwijsquot;, vervalt.

Art. 8, eerste lid b, van eerstgenoemde wet wordt gelezen: „tot oene der straffen omschreven in art. 28, nos. 4 en 5, van het Wetboek van Strafrechtquot;.

18. De wet van 6 April 1875 (Stbl. no. 66) „tot regeling der algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreerode Mogendheden kunnen worden geslotenquot;, blijft van kracht, behoudens de navolgende wijzigingen.

De navolgende nummers van art. 2 dier wet worden gelezen als volgt:

1°. a. aanslag, ondernomen met het oogmerk om den Koning, de regerende Koningin, den Regent of een ander hoofd van een bevrienden Staat van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeren ongeschikt te maken -,

b. aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-regerende Vorstin, van den Troonopvolger of van een lid van het Vorstelijk Huis;

2°. doodslag of moord, kinderdoodslag of kindermoord;

3° bedreigingen strafbaar gesteld bij het tweede lid van art. 285 van het Wetboek van Strafrecht;

4°. het opzettelijk veroorzaken van de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw door haar zelve of door anderen;

5°. mishandeling die zwaar ligchamelijk letsel of den dood

STR Al\'RECHT. 7

-ocr page 232-

94 wet van den 15den aveil 1886 (Stbl. no. 64).

ten gevolge heeft, mishandeling met voorbedachten rade of zware mishandeling;

6°. verkrachting of een der misdrijven tegen de zeden strafbaar gesteld bij de artt. 248 tot en met 247 van het Wetboek van Strafrecht;

7°. koppelarij ;

11°. het namaken of vervalschen, met het in art. 208 van het Wetboek van Strafrecht omschreven oogmerk, van muntspeciën of muntpapier of het opzettelijk in omloop brengen van valsche of vervalschte muntspeciën of muntpapier -,

12°. valschheid in zegels en merken strafbaar gesteld bij de artikelen 216 en 217 van het Wetboek van Strafrecht;

13°. valschheid in geschriften, strafbaar gesteld bij de artt. 225 tot en met 227 van het Wetboek van Strafrecht, benevens het in voorraad hebben of invoeren van billetten eener krachtens wettige verordeningen van den Staat opgerigte circulatiebank, waarvan de valschheid of vervalsching den dader toen hij ze ontving bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven;

14°. meineed;

15°. omkooping van ambtenaren strafbaar gesteld bij de artt. 178, 363 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, knevelarij, verduistering door ambtenaren of daarmede gelijk gestelden;

16o. brandstichting in de in art. 157 en art. 328 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar eestelde gevallen;

17o. opzettelijke en wederregtelijke vernieling van een gebouw strafbaar gesteld bij art. 352 van het Wetboek van Strafrecht of van een gebouw of getimmerte in de in art. 170 van voormeld Wetboek strafbaar gestelde gevallen;

18o. openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, omschreven in art. 141 van het Wetboek van Strafrecht;

19°. het in de in art. 168 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde gevallen opzettelijk en wederregtelijk doen zinken ot stranden, vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen van vaartuigen;

2Co. verduistering.

In de artikelen 6 en 7 wordt het woord „misdrijfquot; vervangen door: „strafbaar feitquot; en in artikel 10 het woord „hechtenisquot; door: ,/verzekerde bewaringquot;.

§3. Bepalingen omtrent overtredingen van Alge-meene Maatregelen van inwen\'dig bestuur,

van Provinciale verordeningen, reglementen en reglementaire voorschriften, van gemeenteverordeningen en van politieverordeningen of keuren van waterschappen.

19\' Blijven van kracht, voor zoover betreft feiten waartegen in eenige andere wet niet is voorzien, de bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld, alsmede de strafbepalingen, bij eenige bijzondere wet vastgesteld ten opzichte van overtreding van eenigen algemeenen maatregel van inwendig bestuur tot uitvoering dier wet uitgevaardigd.

-ocr page 233-

WET VAN DEN lÖDEN APRIL 1886 (Stbl. 110. 64). 95

Art. 11 dezer wet is daarbij van toepassing.

De bepalingen voorkomende in de wetten bedoeld in het eerste lid van dit artikel omtrent solidariteit bij veroordeeling tot boete, voorziening in geval van wanbetaling van boete, bestemming van boete en van verbeurdverklaarde, niet vernietigde of onbruikbaar gemaakte voorwerpen, verval van liet recht van strafvordering door transactie of door vrijwillige betaling van het maximum der boete, alsmede omtrent verzachtende omstandigheden blijven of zijn ingetrokken.

In art. 2, 1ste lid, van de wet van 28 Juni 1876 (Stbl. no. 150), houdende «maatregelen tegen het gevaar, hetwelk door door den in-, door- en vervoer van vergiftige stoffen kan ontstaanquot;, wordt het woord „enquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;.

In art. 3 van de wet van 26 April 1884 (Stbl. no. 80), „houdende buitengewone maatregelen tot afwending van eenige besmettelijke ziekten en tot wering harer uitbreiding en gevolgenquot; en in art. 6 van de wet van 26 April 1884 (Stbl. no. 81) „houdende nadere bepalingen omtrent het vervoer, den in-, uiten doorvoer, verkoop en opslag van busnruit en andere licht ontvlambare of ontplofbare stoffenquot; worden de woorden: „sedert de schuldige wegens hetzelfde feit onherroepelijk is veroordeeld,, vervangen door- „sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is gewordenquot;.

20. Waar in de thans bestaande wetten het geven van nadere voorschriften aan algemeene maatregelen van inwendig bestuur is overgelaten, zonder bepaling van straf tegen de overtreding van voorschriften bij die algemeene maatregelen van inwendig bestuui gegeven, zal die overtreding gestraft worden met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden.

21. Hij die het reglement betrekkelijk de ontginning van steenkolenmijnen, behoorende bij Ons besluit van 28 Juni 1877 (atbl. no. 155), overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

22. Onverminderd de bepalingen van de drie voorgaande artikelen blijft art. 1 van de wet van 6 Maart 1818 (Stbl. no. 12) tot den Isten September 18S8 van kracht.

In voormeld artikel worden de woorden: „met eene boete van ten minste tien en ten hoogste honderd guldew, of eene gevangenis van ten minste één en ten langste veertien dagen, of met boete en gevangenis te zamen, mits binnen de evenge-nioemde beperkingen respectivelijk begrepen zijndequot; vervangen door: «met hechtenis van een tot veertien dagen of geldboete van vijftig cents tot honderd guldenquot;,

23 Art. 74 der wet van 6 Juli 1850 (Stbl. no 39) regelende „de zamenstelling en magt van de Provinciale Statenquot;, blijft van kracht.

Art. 1 der wet van 25 Mei 1880 (Stbl no 86) „tot herziening der wet van 6 Maart 1818 (Stbl. no. 12) omtrent de straffen tegen overtreders van algemeene verordeningen, enz,quot; blijft van kracht.

-ocr page 234-

96 WET VAN BEX lÖDEN\' APKIL 1886 (Stbl. no. 64).

In het eerste lid van voormeld artikel worden de woorden .geldboete van één tot vijf en zeventig gulden en gevangenisstraf van één tot zeven dagen, te zamen of af onderlijkquot; vervangen door: „hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig guldenquot;.

Aan voormeld artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende :

„De duur der vervangende hechtenis is in geval het maximum der bepaalde boete zestig gulden te bovengaat, ten hoogste twaalf dagen.quot;

24. Art. 47 van de wet van 29 Juni 1851 (Stbl. no. 85) regelende „de zamenstelling, inrigtmg en bevoegdheid der gemeentebesturenquot;, blijft van kracht.

De artt. 161—165 van voormelde wet worden vervangen door de twee navolgende bepalingen:

Art. 161. „De raad kan op overtreding zijner verordeningen, voor zooveel daartegen niet bij eene wet, eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur of eene provinciale verordening is voorzien, hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden stellen, alsmede verbeurdverklaring van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen of waarmede de overtreding is gepleegd, voor zoover zij den veroordeelde toebehooren.quot;

Art. 162. „Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherrDepelijk is geworden of daarvoor vrijwillig de geldboete is behaald, kan de regter geldboete of hechtenis tot het dubbel van het voor elk gesteld maximum uitspreken.quot;

25. De artt. 271, 272, 274—282 der in het vorig artikel bedoelde wet blijven van kracht.

Art. 273 van voormelde wet wordt gelezen: „Voor de strafbaarheid der in art. 271 bedoelde poging en medepligtigheid gelden de eischen, in de artt. 45 en 48 van het Wetboek van Strafrecht voor strafbare poging tot en medepligtigheid aan misdrijf gesteld.quot;

In de artt. 272, 274, 275 en 277 van voormelde wet wordt het woord „misdrijvenquot; vervangen door: „overtredingenquot;.

In de artt. 274 en 275 van voormelde wet worden de woorden „de artikelen 270 enquot; vervangen door: „artikelquot;.

26. De artt. 1 tot 5 der wet van 12 Juli 1855 (Stbl. no. 102) „tot voorloopige voorziening in sommige watevstaatsbelangenquot; worden vervangen door de twee volgende bepa1ingen :

Art I. „De besturen van waterschappen kunnen op overtreding der keuren of verordeningen van politie, door hen krachtens de hun toegekende of tot hiertoe wettig uitgeoefende bevoegdheid gemaakt of te maken, en van daarmede gelijkstaande voorschriften, voor zooveel daartegen niet bij eene wet of wettelijke verordening is voorzien, hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden stellen.quot;

Art. 2. „Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is ge-

-ocr page 235-

wtt van den laden april 1886 (Stbl. no. 64). 97 worden of daarvoor vrijwillig de geldboete is betaald, kan de regter geldboete of hechtenis tot het dubbel van het gesteld maximum uitspreken.quot;

27. In de bestaande provinciale, gemeente- of waterschaps-verordeningen, reglementen, reglementaire voorschriften of keuren, wordt de gevangenisstraf vervangen door hechtenis, het minimum der hechtenis op één dag en dat der geldboete op vijftig cents gesteld.

Wanneer gevangenisstraf en geldboete te zamen of afzonderlijk op het feit zijn gesteld, kan de rechter slechts een van beide opleggen.

Behoudens het bij dit artikel bepaalde blijft art. 3 van de wet van 25 Mei 1880 (Stbl. no. 86) van kracht.

28. De strafbare feiten, bedoeld in de artt. 20—27, worden beschouwd als overtredingen.

§ 4. Algemeene bepaling omtrent herhaling van strafbare feiten.

29. De bepalingen van het Wetboek van Strafrecht omtrent strafverzwaring, in geval van herhaling van strafbare feiten, worden toegepast ook indien de vroegere veroordeeling wegens soortgelijk feit of de vrijwillige betaling van de boete onder de heerschappij der oude wetgeving plaats had, zelfs wanneer in die wetgeving aan het eerste feit eene andere qualificatie werd gegeven.

§ 5. Bepalingen betreffende strafbare feiten voor 1 September 1886 gepleegd en op of na dien dag te berechten.

30. Ter bepaling van de bevoegdheid van den rechter en de wijze van rechtspleging, wordt uitsluitend de wetgeving toegepast in werking op het tijdstip waarop rechtsingang werd verleend of, voor de eerste maal, rauwelijks voor de openbare terechtzitting gedagvaard.

31. In alle zaken waarin vóór 1 September 1886 reeds, al ware het bij verstek, een eindvonnis gewezen is, worden, ook na verzet of na gebruik van het middel van hooger beroep of van cassatie, uitsluitend de oude strafrechtelijke bepalingen toegepast.

Indien daarentegen wegens een feit vóór 1 September 1886 gepleegd, eerst op of na dien dag bet eerste eindvonnis gewezen wordt, gelden de bepalingen der vijftien volgende artikelen en van art. 48,

32. Indien in de oude wetgeving levenslange tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren in de plaats.

33. Indien in de oude wetgeving vijf tot vijf en twintigjarige tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren in de plaats.

34. Indien in de oude wetgeving vijf tot twintigjarige tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten .hoogste twaalf jaren in de plaats.

35. Indien in de oude wetgeving vijf tot vijftienjarige tucht-

-ocr page 236-

WET VAN DEN lÖDEN APRIL quot;

98

1 (Stbl. no. 64).

huisstraf of deportatie is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren in de plaats.

36. Indien in de oude wetgeving vijf tot tienjarige tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren in de plaats.

87. Indien in de oude wetgeving verbanning is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden in de plaats.

88. In de gevallen in de artt. 82—87 bedoeld is de rechter bevoegd, ontzetting uit te spraken van de in art. 28, no 1, 2, 8 en 4 van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten, benevens van voogdij en curateele over eigen kinderen, voor den duur in artikel 81 van dat Wetboek aangewezen.

89. Indien in de oude wetgeving correctioneele gevangenisstraf is gesteld, treedt daarvoor in de plaats gevangenisstraf waarvan liet maximum wordt verminderd lot de helft.

40. Indien naar de oude wetgeving ontzetting had kunnen worden uitgesproken van al de in art. 8 c.er wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no. 102) vermelde rechten, treedt daarvoor \'s rechters bevoegdheid tot ontzetting van de in art. 28, no I, 2, 8 en 4 van het Wetboek van Strafrecht vermelde rechten, benevens van voogdij en curateele over eigen kinderen, in de plaats.

41. Indien naar de oude wetgeving ontvetting had kunnen worden uitgesproken van sommige der in art. 8 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no. 102) vermelde rechten, kan die ontzetting slechts plaats hebben in zoover die /echten ook in art. 28 van het Wetboek van Strafrecht vermeld zijn.

Het laatste lid van voormeld art, 8 blijft buiten toepassing.

42. Indien in de oude wetgeving politiegevangenisstraf is gesteld, treedt daarvoor hechtenis van gelijken duur in de plaats.

48. Ten aanzien van het minimum de:* gevangenisstraf, hechtenis en geldboete, gelden de bepalingen der artt. 10, 18 en 28 van het Wetboek van Strafrecht.

44. Indien de strafbepalingen der nieuwe wetgeving voor den schuldige minder ongunstig mochten zijn dan die van de oude wetgeving na de verwisseling in de artt. 82—37, 89 en 42 dezer wet voorgeschreven, worden alleen de bepalingen der nieuwe wetgeving toegep ist.

Alleen de maxima der gestelde straffen worden in vergelijking gebracht.

Bij cumulatieve of alternatieve strafbedreiging worden alleen de zwaarste straffen in vergelijking gebracht.

Bijkomende straffen worden niet in vergelijking gebracht.

Voor zooveel geldboeten betreft, wordt alleen het bedrag der boeten, niet de duur der subsidiaire gevangenisstraf of hechtenis in vergelijking gebracht.

45. Opzending van bedelaars of landlocpers naar een bedelaarsgesticht of werkhuis, kan slechts worden gelaat voor zoover krachtens de nieuwe wetgeving veroordeeling tot plaatsing in eene Rijkswerkinrichting zou kunnen worden uitgesproken.

De opzending is in geen geval verplichtend,

46. Indien hetzij naar de oude, hetzij naar de nieuwe wetgeving, het feit alleen op klachte vervolgbaar is, wordt de

-ocr page 237-

WET VAN DEN loDEN APEIL 1886 (Stbl. DO. 64). 99 strafvordering niet ontvankelijk verklaard tenzij de klacht is gedaan.

De in art. 66 van het Wetboek van Strafrecht vastgestelde termijn vangt aan op den dag in art. 2 dezer wet bedoeld.

Ten aanzien van klachten vóór dien dag ingediend vangt op dien dag de termijn aan bedoeld in art, 67 van het Wetboek van Strafrecht.

47. De artt. 63—67 der wet van 28 Juni 1854 (Stbl. no. 100), „tot regeling van het armbestuurquot;, gewijzigd bij de wet van 1 Juni 1870 (Stbl. no. 85), blijven gelden voor hen wier overbrenging krachtens rechterlijk vonnis, gewezen vóór het in werking treden van deze wet, zal zijn geschied, zoolang zij in zoodanig gesticht verblijven.

De in het eerste lid vermelde artikelen zijn afgeschaft zoodra de laatste landlooper of bedelaar uit de bedelaarsgestichten is ontslagen.

48 Alle bepalingen in het Wetboek van Strafrecht gemaakt, betrekkelijk den ingang, de wijze en de kosten van tenuitvoerlegging van straffen, daaronder begrepen de bepalingen betrekkelijk de bestemming van boete en van verbeurdverklaarde voorwerpen en de straffen die, bij gebreke van voldoening aan de rechterlijke uitspraak, daarvoor in de plaats treden, zijn ^.oepasselijk.

§ 6. Bepaling omtrent straffen vóór 1 September 1886 opgelegd.

49. Art. 35 van heit Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing op straffen, die ten uitvoer worden gelegd krachtens vonnissen vóór 1 September 1886 gewezen.

Slotbepaling.

50. Deze wet treedt in werking op den Isten September 1886.

-ocr page 238-
-ocr page 239-
-ocr page 240-
-ocr page 241-