-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

(

3^

-ocr page 6-

ij. cfliiloiiiiis unii c|)iulii(t

Bid voor ons.

-ocr page 7-

TBb aèz

GAAT TOT ^

flenHiiioÉsvanPaËa

istiexj\'w

VOLLEDIG GEBEDENBOEKJE

teh eere van dien Grooten Wonderwerker,

DOOR

A. M. D. G.

Multa signa facit.

IVerlcehjk goedgekeurd. Nieuwe vermeerderde Uitgaaf.

tóf

-p^ ^

EDUARD VAN WEES.

■ RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

-ocr page 8-

BiSLTOTHEEK Dt;f? RUKSUNIVERSITEII UTRECHT

.CöLl_ JHOMA.ASSE

-ocr page 9-

HOORREDE.

T

Nietiegenslaande reeds menige pen lot lof van den H. Antonius van Padua heeft bijgedragen, kan er nochtans niet genoeg geijverd worden, om de liefde tot, en het vertrouwen op den Heilige, die voortdurend inde Kerk Gods door schitterende wonderen uitblinkt, aan te wakkeren .

Een korte levensbeschrijving des Heiligen, eenige der ontelbare wonderen, welke door zijne voorspraak geschied, en aan authentieke bronnen zijn ontleend, benevens vele gebeden, hem ter eere, vormen dit vjerkje tot een stichtend gebedenboekje voor kerk en huis.

Mogef gij, waarde lezer, uit dit

-ocr page 10-

— 4

weinige rijken zegen putten voor lichaam en ziel.

Alles tot meerdere eer van.God en zijnen trouwen dienaar den H. Anto-nius van Padua.

Bij de heiligverklaring schreef Paus Gregorius IX: »De IJ. Antonius, die y)thans in den Hemel woont, is op vaarde verheerlijkt door vele ivon-«deren, welke dagelijks hij zijn graj )■gt;geschieden, en wier echtheid door ^geloofwaardige getuigen isbevedigdy

De Schrijver.

-ocr page 11-

KORTE UIEISBESCMIIIJIIK

VAN DEN

H. ANTOfólUS VA^S PADUA.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

„ De vrucht des gerechtigen is een boom des levens, en die harten inneemt is een wijze.quot; Spreuken v. Sa lom, XI, 30.

li. ANTONIUS werd in het 1195 te Lissabon,de hoofdstad van Portugal, uit een adellijk geslacht geboren en ontving in het doopsel den naam van Ferdinand. Zijn vader. Martin van Bellones, was koninklijk rentmeester, en zijne moeder, eene godvreezende vrouw, met name Maria, stamde af van het oud aanzienlijk geslacht Trevera. Beiden stelden meer prijs op de deugd dan op hunnen adel; daarom streefden zij er met zorg naar, om hun zoon niet zoozeer eene adellijke, als wel eene echt christelijke opvoeding te geven. Onder de leiding van eenige vrome domheeren der kathe-

-ocr page 14-

draal, wijdde de godvruchtige jongeling zich aan de wetenschappen en maakte door vlijt zulke vorderingen in kennis en deugd, dat hij op den leeftijd van 15 jaren reeds het besluit nam, om de zuiverheid en den vrede zijns harten voor altijd te bewaren, aan de bedriegelijke genoegens der wereld te verzaken en zich te begeven tot de kloosterlijke eenzaamheid.

Met toestemming zijner ouders trad hij alzoo te Lissabon in het klooster der Augustijnen en legde daar den grondslag tot zijn toekomstig heilig leven. Doch het talrijk bezoek zijner bloedverwanten verstrooide zijn hart, dat altijd met God bezig was, zoozeer, dat hij zijnen overste verzocht, hem naar een eenzaam klooster te zenden.

Hij ging alzoo naar Coimbra, in het klooster, het H. Kruis genaamd, waar hij 8 jaar lang in de grootste verborgenheid en strengste boetvaardig-

-ocr page 15-

— 9 —

heid leefde. Zijn stil, zachtmoedig en vlekkeloos gedrag verwekte tie bewondering van al zijne medebroeders, en zijne verhevene deugden strekten het geheele klooster tot voorbeeld. Dagen nacht verdiepte hij zich in de gewijde wetenschappen en bestudeerde voornamelijk de H. Schrift en de werken dei\' kerkvaders, waardoor hij zich, zijne voortreffelijke geestesgaven in aanmerking genomen, tot den in-drukwekkenden prediker vormde, die uit eigen overtuiging sprak, overal doordrong tot het menschelijk hart en op die wijze grooten zegen in de kerk verspreidde. Door liefde tot het gebed en de grondige overweging der goddelijke waarheden, hield hij zijnen geeest immer helder en opgebeurd, en bereikte aldus die verhevene volmaaktheid, waardoor hij schitterde in de strenge orde van denH.Franciscus.

In het achtste jaar van Antonius\'

-ocr page 16-

— 10 —

verblijf in het klooster te Coimbra, bracht Don Pedro, infant van Portugal, de lichamen der vijf eerste martelaren van de orde des H. Franciscus, kort te voren door de ongeloovigen te Marocco vermoord, naar Spanje over, en zette die te Coimbra in de kloosterkerk bij. Het aanschouwen dezer heilige reli-quiën maakte op Antonius een zoo diepen indruk, dat hij in zijn binnenste een brandend verlangen voelde, om zijn bloed voor Jesus te vergieten. » Voor U,quot; sprak hij meermalen tot zichzelven, vheeft de Zaligmaker zijn leven en «.bloed opgeofferd, en wat hebt gij tot «dusverre voor Hem gedaan? O kon gt;toch ook ik een offer der liefde, een » martelaar worden!\'\' Daar het zielsverlangen, om bloedgetuige van Jesus te worden, voortdurend grooter werd en hij hiervoor geen beter gelegenheid meende te kunnen vinden, dan wanneer hij in de orde van

-ocr page 17-

— 11 —

den fl. Franciseus trad, wendde hij zicli tot zijne oversten, teneinde hunne toestemming daarvoor te bekomen. Aanvankelijk maakten dezen veel bezwaar, want zij wilden den alleszins bekwamen broeder niet gaarne missen. Als zij evenwel de roeping Gods erkenden, bewilligden zij zijn verzoek. Toen de heilige jongeling verlof vroeg, om het kooster, het H. Kruis, te mogen verlaten, en in de orde van den H. Franciscus te gaan, werden de reguliere domheeren daarover zeer droevig gestemd; een hunner bespotte het plan van den Heilige en zeide schertsend : »Ga, ga, Ferdinand, gij zult on-»getwijfeld een heilige worden.^ — nEn als dat gebeurt, wat zult gij dan zeggen9\'\' antwoorde Ferdinand, ygt;zull gij dan geen reden hebben u daarover te verheugen en God te\' loven?\'\' Daarop trad hij .een klein klooster binnen, dat de Franciscanen niet ver van

-ocr page 18-

Coimbra bezaten, en vroeg om opgenomen te worden. Nadat hij onder de broeders was aangenomen, werd hij in het jaar 1221 in de kapel, welke toegewijd was aan den H. An-tonius den Kluizenaar, gekleed, en veranderde den naam Ferdinand, dien hij nog altijd gehouden had, in dien van Antonius, met het vaste besluit, om dezen Heilige volmaakt na te volgen Eenigen tijd leefde hij onder de zonen van den II. Franciscus in gebed en strenge versterving, als opnieuw in hem het verlangen ontwaakte, een martelaar des Christendoms te worden. Hij smeekte diensvolgens zijnen oversten, hem te veroorloven om de Moo-ren in Afrika het Evangelie te gaan verkondigen, en als hij hunne toestemming had bekomen, ging hij scheep en landde aan de kust van Afrika. Nauwelijks echter was hij zijn apostolischen arbeid begonnen, of een

-ocr page 19-

— 13 —

;e- zware ziekte overviel hem, welke zoo-

er lang aanhield, dat hij besluiten moest,

rd weder naar Spanje terug te keeren.

el. De doodzieke missionaris aanvaardde

n- derhalve de terugreis; doch het vaar-

;r- tuig, door tegenwind naar Sicilië

en gedreven, landde te Messina aan.

en De H. Antonius moest wegens zijne

it, ziekte langen tijd in deze stad ver-

)1- toeven, tot hij eindelijk vernam, dat

Je rle H. Franciscus van Assisië eene

ïd vergadering hield van zijne volgelin-

in gen, om de vorderingen na te gaan,

3n welke zij lot dusver op den weg der

n. volmaaktheid gemaakt hadden, ir- Het verlangen om den heiligen or-

o- destichter te zien, was oorzaak dat

in hij ziekte en zwakheid vergat, en zich

n- daarheen begaf. Hij aanschouwde den

3p H. Franciscus en onderhield zich meer-

;a. malen met hem, waardoor zalige ver-

jn troosting en levend vertrouwen zijn

sn hart vervulden.

-ocr page 20-

— 14 —

Ook maakten de nederigheid van Franciscus en zijne innige liefde tot God zulk een indruk op hem, dat hij besloot, niet meer naar Spanje tegaan, maar in Italië en in de nabijheid van den H. Franciscus te blijven, om zijnen zaligen levenswandel nader te overwegen en den zijne daarnaar in te richten. Daar Antonius echter zeer zwak was, en tengevolge zijner ziekelijkheid een ellendig uitzicht had, bood hij zich te vergeefs bij de oversten der kloosters aan tot het nederigste en geringste werk; geen hunner wilde hem opnemen, dewijl men vreesde, dat hij het huis slechts tot last zou strekken, en omdat hij ook zorgvuldig zijne bekwaamheden en deugden verborg. Eindelijk ontfermde zich over hem een medelijdende gardiaan, Gratianus geheeten, die hem naar zijne provincie medenam, en hem bij Bologna, in de nabijheid des kloosters,

-ocr page 21-

__ 15 —

een enge cel tot verblijf aanwees.

Hier leefde Antonius, die niets vuriger wenschte dan voor de wereld onbekend te blijven, in groote verborgenheid, onderhield zich met God, voegde bij zijne overwegingen strenge verstervingen en harde werken van boetvaardigheid, verdroeg alle vernederingen met geduld en bewaarde zulk een diep stilzwijgen, dat hem nooit een woord ontging, waaruit men zijne kundigheden had kunnen opmaken. Aan een bijzonder toeval .had men het te danken, dat de verborgen schat bij den Heilige werd ontdekt. In het jaar 1221 hielden de ordebroeders van den H. Franciscus met de naburige Dominicanen, wegens kloosterlijke aangelegenheden, te Forli eene vergadering waarheen de gardiaan den H. Antonius ook medenam. Bij het begin der vergadering, verzocht men den Dominicanen, om als genoodigden,

-ocr page 22-

- 16 —

eerst eene redevoering te houden; dezen echter1 verontschuldigden zich dat zij daarop niet voorbereid waren. Nu behaagde het der goddelijke Voorzienigheid, dat de gardiaan den H. Antonius gelastte, den kansel te beklimmen en te spreken, \\olgens hetgeen de Geest Gods hem zou ingeven. Hij gehoorzaamde ootmoedig en predikte met zooveel welsprekendheid, kracht en zalving, dat alle toehoorders verbaasd stonden. De H. Antonius was destijds 26 jaren oud en scheen van natuurswege en dooi\' de genade Gods bestemd tot zulk een ambt. Waardig en innemend was zijn gelaat, hij bezat een sterke en welluidende stem. was zeer vast van geheugen en had zich de H. Schrift zoo eigen gemaakt, dat hij haar bij iedere gelegenheid zeer nauwkeurig toepaste en den waren zin der goddelijke uitspraken met bewonderenswaardige weten-

-ocr page 23-

— 17 —

schap en vol beteekenis wist te ontwikkelen. Ofschoon de Heilige ge-\' heel zijne jeugd in Portugal had doorgebracht, en zich daar nooit op de /studie der talen had toegelegd, predikte hij desniettemin met evenveel gemak in het Italiaansch en Fj ansch, alsof hij van kindsbeen af daarin was opgevoed.

Voortdurend bewerkte God wonderen ten gunste van diegenen, welke zijne preeken bijwoonden of die wilden bijwonen. Kene vrouw kon van haren man, die een woestaard was, geene vergunning bekomen, om Antonius te gaan hooren. Zij begaf zich daarom naar eene kamer, op de bovenste verdieping van haar huis, plaatste zich aan het venster en hoorde daar de preek zoo duidelijk, alsof zij op de plaats geweest was, waai\' Antonius sprak, ofschoon zij een uur ver daarvan verwijderd was. Zij maakte haren Gaat tot A. 2

-ocr page 24-

— 18 —

man dit bekend eu deze onderzocht zelf de waarheid van dit wonder, bekeerde zich en was voortaan buitengewoon ijverig in liet aanhooren van Gods woord uit den mond des Heiligen.

Eene andere vrouw liet, om de preek niet te verzuimen, haar kind zonder toezicht alleen te huis. Terwijl zij den heiligen prediker aan hooi de, viel door een treurig ongeval het kind in een ketel kokend water, waarin het natuurlijkerwijze aanstonds had moeten omkomen; maar God, die allen beschermt welke zijne dienaren liefhebben, bewaarde het kind daarin ongedeerd, en de moeder vond het bij hare terugkomst spelend in dit schrikkelijk bad, alsof het zich op een ge-noegelijke plaats bevond.

Een derde vrouw vond, toen zij van de preek huiswaarts keerde, haar kind dood in de wieg. Aanstonds liep

-ocr page 25-

zij tot den heiligen prediker en smeekte hem om hulp. Hij sprak tot haaide woorden, welke de Heer in het Evangelie tot den koninklijken hoofdman zeide, toen deze Hem om de genezing zijns zoons smeekte: «Ga. uw zoon leeft!quot; Op hetzelfde oogenblik ondervond zij de waarheid zijner woorden, want toen zij tehuis kwam, vond zij haar kind reeds te been en spelend met andere kinderen van zijne jaren.

Toen de H. Franciscus van de voortreffelijke eigenschappen en kundigheden van Antonius hoorde gewagen, zond hij hem naar Vercelli, om zich in de godgeleerdheid nog meer te bekwamen. Antonius trad inderdaad met veel vrucht op als leeraar in de godgeleerdheid te Bologna, Toulouse, Montpellier en Padua, toen hij benoemd werd tot gardiaan te Limoges. Eindelijk werd hij priester gewijd en aangewezen, om in ver-

-ocr page 26-

schillende provinciën boetpredicatiën te houden. Weldra werden zijn redenaarstalent en deugden alom vermaard, en men noemde hem niet anders meer dan den Heilige.

Zonder aanzien van persoon trad de H. Antonius op voor machtigen en eenvoudigen, predikte met kracht Jesus den Gekruisigde en bestreed kloekmoedig ongeloof en misdaad. Deze ijver en onverschrokkenheid bracht hem menigmaal in levensgevaar.

Te dien tijde stelde zich Ezelino of Hezelin, in de nabijheid van Tarvis uit een Duitsch geslacht geboren, aan het hoofd der Ghibelijnen of keizers-gezinden, bemachtigde Verona, benevens verscheidene steden van Lom-bardië en trok gedurende 15 jaren het land rond, alles verwoestend op zijne tochten. Hij verachtte het tot driemaal dooi\' de kerk over hem uitgesproken banvonnis. Eens vernam

-ocr page 27-

Hezelin, dat de bevolking van Padua tegen hem was opgestaan; hierdoor in woede ontstoken, liet hij op één dag 12000 inwoners vermoorden. Verona, waar hij zich gewoonlijk ophield, was bijna geheel ontvolkt. Als de moedige geloofsheld Antonius van deze gruwelen hoorde, nam hij het besluit, om zich onverwijld naar Verona tot Hezelin te begeven. Hij aanvaardde de reis, kwam te Verona aan het paleis en vroeg om tot den vorst te worden toegelaten, welk verzoek aanstonds werd bewilligd. Toen Antonius binnentrad, zag hij Hezelin op een troon zitten en omringd door een troep soldaten, bereid, om eiken wenk van hun gebieder nauwkeurig te vervullen. Door dit gezicht was Antonius niet het minst ontsteld, maar trad onverschrokken nader tot Hezelin ensprak; » O vijand van God, gruwzame tiran, een razenden hond gelijk! Wanneer zult

-ocr page 28-

gij eens ophouden, het bloed der christenen te vergieten? Zie, hel oordeel Gods is reeds over u geveld, een zwaar en verschrikkelijk vonnis!quot; Bij deze toespraak stonden de soldadaten van Ezelino liet bevel af te wachten, tot vermoording van den Heilige. Doch door Gods toedoen volgde er heel iets anders ; want de tiran werd door deze woorden des kloeken boetpredikers zoodanig ontsteld, en verloor zijn gewone ruwheid dermate, dat hij het zachtmoedigst lam gelijk, zich met een boetgordel omhangen voor den man Gods nederwierp, tot groote verwondering aller aanwezigen, ootmoedig zijn schuld bekende, volkomen levensverbetering beloofde en zich tot zijne medeplichtigen wendde in de volgende bewoordingen : »Mannen, kameraden, iveest er niet over verwonderd, want wat ik u thans zeg, is de zuivere waarheid. Ik zag om hel

-ocr page 29-

r/elaat van dezen man een goddelijken glans schitteren, die mij zoozeer deed schrikken, dat ik bij het ontzettend schouwspel reeds meende ter helle te moeten varen.\'quot; Van af dit oogenblik hield hij ten teerste den Heilige in eere, en wachtte zich. zoolang Anto-nius leefde, voor zware euveldaden. Dewijl de II. Antonius echter nog voortdurend predikte over het gepleegde onheil van Ezelino, zond deze zijne dienaren tot den Heilige met de uitgezochtste geschenken, onderbeding: ))Neemt hij deze geschenken aan, zoo doodt hem oogenblikkelijk; luijst hij ze echter met weerzin af, verdraagt dan alles, zonder hem leed te berokkenen .\'\' Daardoor wilde hij zich overtuigen, of Antonius nog altijd onder Gods bijzondere bescherming stond. De aldus ingelichte dienaren kwamen met hunne geschenken tot Antonius en zeiden: » Uw zoon Ezelino te Rome

-ocr page 30-

— 24 —

beveelt zich in uwe gebeden aan, en verzoek U dringend, deze kleine gift aan te nemen, welke hij U toezendt uit genegenheid, en om daarvoor het behoud zijner ziel af te smeeken.quot;

Toen Antonius dit hoorde, weigerde hij het geschenk nadrukkelijk en sprak : « Van hetgeen aan menschen ontroofd is, wil ik niets aan nemen. Dat alles zal hem ten verderve strekken. Gaat spoedig terug, opdat het huis door mue tegenwoordigheid niet bezoedeld ivorde.quot; De gezanten snelden beschaamd terug naar hunnen tiran, en verhaalden hem alles, wat er gebeurd was ; waarop hij uitriep : «Deze is een man\' Gods! Laat hem begaan ; dat de man verder zelf zegge, welke geschenken hij voortaan verlangt.quot;

In de redevoeringen des Heiligen heerschte verhevenheid van gedachte, meesterlijke schildering en toch de grootste eenvoud.

-ocr page 31-

— 25 —

f

Prediking voor de visschen te Rimini.

en c\'er verderfelijkste ketterijen, die der Manicheërs, welke door den H. Augustinus reeds met vrucht bestreden en bijna geheel was uitgeroeid, verhief zich wederom in de

11de

en 1 2de eeuw, verspreidde haar onheil in Italië en in het zuiden van Frankrijk, en kreeg onder de namen van Katharen en Waldensen, van Albi-gensen en Patavenen eene gevaarlijke uitbreiding in stad en land.

Terwijl nu de H. Kerk, de bruid van Christus, in groot gevaar verkeerde, zond God haar in zijne barmhartigheid twee voortreffelijke mannen te hulp, de twee groote patriarchen, den H. Dominions en den H. Fran-ciscus, welke met de uitgelezen schare hunner zonen, door middel van ge-

-ocr page 32-

— 26 —

leerdheid, gebed en heiligheid van levenswandel, de ketters bestreden en hen eindelijk overwonnen.

In dezen glorievollen strijd voor de eer van God en het zielenheil der geloovigen, had de H. Antonius een zeer belangrijk deel. Door zijn toedoen bleef in \'t bijzonder de Romagna van deze pest bevrijd. De stad Rimini, waartegen de ijverige bisschoppen en zelfs de Paus te vergeefs alle middelen hadden aangewend, was misschien het ergst aangestoken. Toen nu onze heilige missionaris in -de nabijheid dezer stad kwam, werden de ketters reeds door schrik bevangen, dewijl zij vernomen hadden, dat geen enkele tegenstander het tegen hem kon volhouden. Zij spraken daarom af, hem in het geheel niet te gaan hooren en spoorden het volk aan, hun voorbeeld te volgen.

Toen nu de Heilige, steeds gewoon

-ocr page 33-

— 27 —

een talrijk publiek voor zich te zien, aankwam, bemerkte hij. dat allen zich terugtrokken, en slechts eenige vrouwen en grijsaards bij zijne predikatie verschenen. Antonius echter verloor daardoor geenszins zijn ijver en gaf, hetgeen hij eens ter eere Gods ondernomen had, niet meer op. Hij predikte voor de weinigen, die nog aanwezig waren, en wel met zooveel vuur, dat de ongeloovigen, dit vernemende, besloten, hem te dooden. Wanneer de Heilige zulks vernam, zonderde hij zich in een eenzaam vertrek af en verbleet aldaar eenige dagen, door gebed, vasten en strenge boetple-gingen God om barmhartigheid smee-kende voor dit volk, opdat het, zijne blinde hardnekkigheid verzakende, zich toch in het katholiek geloof zou laten onderrichten.

Uit die eenzaamheid trad Antonius alsdan te voorschijn, begaf zich on-

-ocr page 34-

— 28 —

verwijld naar het strand der Adriatische Zee, ter plaatse waar de rivier Mare-chia zich ontlast, en riep met luider stemme tot de visschen:

«Komt, redelooze visschen, komt, om de woorden te hooren van God, die u geschapen heeft, ter beschaming der menschen, die in dwaling volharden, ooren en hart sluiten voor de goddelijke stem.quot;

Er bevonden zich ook vele nieuwsgierigen en spotters aan het strand. En zie! een ongehoord wonder ! Nauwelijks had de Heilige zijn bevel uitgesproken, of de zee kwam in beweging en er verscheen aanstonds aan de oppervlakte een menigte visch, van allerlei soort, groot en klein; zij zwommen ijlings naar het strand, waar Antonius stond, en schaarden zich, den kop opwaarts geheven, volgens de schoonste \' orde samen in rijen en gelederen, gelijk soldaten voor

-ocr page 35-

hunnen overste. De kleinste naderden tot op korten afstand, de. groo-tere waren in den vorm van een halven kring allengskens meer verwijderd, en verbeidden al vreedzaam en aandachtig aldus de woorden des nieuwen apostels.

De verzamelde menschenschaar werd echter diep bewogen en stond, getroffen over dit nooit geziene wonder, in ademlooze stilte af te wachten, wat er zou geschieden.

Toen nu de Heilige zijne zeldzame toehoorders had zien naderen, verheugde hij zich in den Heer en hield de volgende predikatie voorde visschen:

«Gij visschen, looft den Heer, «prijst uwen Schepper, dankt Hem, «dat Hij u tot woning en verblijf «zulk een schier onbegrensd element «heeft toebedeeld, waarin zoovele toe-«vluchtsoorden tegen allerlei nood-«weer; dat Hij het water zoo hel-

-ocr page 36-

wtlec en doorschijnend licoft yernaakt, «opdat gij den weg op uwe tochten «en de hinderlagen uwer vijanden «zoudt kunnen ontdekken. Diezellde «God heeft u bij uwe scheppingge-«zegend, tot uw onderhoud een be-«hoorlijk voedsel bereid, en u boven «alle andere dieren eene wonderbare «vruchtbaarheid geschonken, ter ver-«meerdering van uw nakroost. Looft «God wegens de talrijke voorrechten «en vrijheden, welke hij u verleend «heeft, ü heeft de Schepper vrijge-»sproken van onderdanigheid aan «alles wat leeft, u heeft Hij in den «algemeenen zondvloed het leven ge-«spaard, en liet u zonder hinder on-«gedeerd rondzwemmen, terwijl toch »andere dieren meer van angst dan «wel door het water omkwamen. Door «uwe bemiddeling heeft de Heer «zijnen vluchtenden profeet Jonas «gedurende drie dagen geherbergd en

-ocr page 37-

— 31 —

«den blinden Tobias genezen. Gij »alleen hebt den Verlosser milddadig »den cijuspennig geschonken voor zich »en zijne leerlingen. Ook gij zijt de «spijs der boetelingen, welke zich van svleesch onthouden. Van uw vleesch »heeft de verrezen Heiland zelf willen «genieten, om de waarachtigheid zijner «menschelijke natuur en van zijne op-«standing uit het rijk der\' dooden on-»omstooteIijk te bewijzen. Ja, de Heer »zelf heeft op uw element over uwe «hoofden gewandeld en zijne apos-»telen uit visschers gekozen, om men-«schenvisschers van hen te ma-«ken, waarom ook Hij zoo velen uwer »in hunne netten dreef.quot;

De visschen, klein en groot, schenen zeer aandachtig te luisteren, vermeerderden steeds in getal, staken, als waren zij met verstand begaafd, nu den kop omboog, dan weder onder water, openden hun

-ocr page 38-

bek en weken niet van de plaats, tot dat de H. Antonius hen gezegend en afscheid van hen genomen had. Dan sloegen zij hevig met hunne vinnen en verdwenen in de zee, die nog lang in beroering bleef. Doch ook een groote beroering beving de toeschouwers ; velen weenden van aandoening bij dit schouwpel; anderen vielen den Heilige te voet en smeekten om vergeving voor hun ongeloof, wederom anderen waren naar de stad geijld en hadden eene groote menigte doen toestroomen.

Antonius nam nu de gehoorzaamheid der redelooze dieren te baat, om de menschen te wijzen op hun ongeloof en ondankbaarheid. Hij stelde hun levendig voor oogen de boosheid der zonde, bijzonder der ketterij, en wederlegde hunne dwalingen zoo volkomen, dat met uitzondering der

-ocr page 39-

— 33 —

weinigen, die verstokt bleven, do ge-heele stad zich bekeerd. Aldus opende de H. Antonius, door zijn zielenijver, de stad Rimini de deur van den schaapstal der H. Kerk en van den hemel.

Toen hij in het jaar 1227 te Rome voor Paus Gregorius IX predikte, werd deze zoozeer getroffen, dat hij geheel opgetogen, hem vde ark des uerbondsquot; noemde. Door zijne zachtmoedigheid en innemende minzaamheid vermeed hij bij de behandeling van zijn onderwerp alle bitterheid en verstond de zeldzame kunst, de schuldigen ernstig te straffen en te bekeeren, zonder hun vertrouwen te schokken. Als hij de versteende zondaren deed sidderen voor de rechtvaardige oordeelen Gods, troostte hij te gelijk de vrome zielen, terwijl hij hun een .levendig vertrouwen op de Gaat tot A. 3

-ocr page 40-

— 34 —

goddelijke harmhartigheid inboezem- | je de. Vandaar, dat het volk in ganscho

scharen toestroomde waar hij preek- itl

te. en dewijl de kerken meermalen or(

de menigte niet konden bevatten, was cis

bij genoodzaakt, op openbare pleinen, |i lts

ja niet zelden in het open veld Gods all

woord te verkondigen. lt; tw

Eens dat Antonius wegens den , be

toeloop der menschen, welke zijne tn

preek bijwoonden, buiten stond te Jo

preeken, pakten donkere wolken zich | ie

zamen, vergezeld van bliksem en h«

donder, en bedreigden de menigte met va

een vreeselijk onweder. leder was ei\' sc

op bedacht, zich te redden en eer, (le

onderkomen te zoeken. Antonius hield dt

echter allen tegen, en verzekerde hun, ■ te

dat zij niet nat zouden worden. In- d(

derdaad, het onweder ontlastte zich si

rondom de verzamelde menigte en ; zc

deed den grond overstroomen, doch g(

geen enkele droppel viel binnen E

-ocr page 41-

— 35 —

den kring der toehoorders.

Een andermaal, als hij te Aries in een provinciaal kapittel zijner orde preekte, verscheen de H. Fran-ciscus, die destijds nog leefde en in Italië was, in de lucht en gaf aan alle aanwezigen zijn zegen. Onge-\' twijfeld wilde hij daardoor zijn bijval eri | betuigen aan het woord van zijnen trouwen leerling, die aan niets anders arbeidde, dan om zijne broeders te bevestigen in de liefde tot hunnen heiligen staat en de stipte nakoming van hunnen regel. Menigmaal verscheen ook de H. Antonius zelf op de verst verwijderde piaaatsen, zonder de plaats, waar hij zich bevond, te verlaten. Zoo getuigden verscheidene personen, dat hij hen in den slaap kwam vermanen, om enkele zonden te biechten, die zoo verbolgen waren, dat ze God alleen kende. Eens, dat hij zich te Montpellier be-

-

-ocr page 42-

— 36 —

vond cn in de hoofdkerk predikte, herinnerde hij zich, dat hij niemand verzocht had, om in het klooster in zijne plaats het plechtiggraduaal te zingen, dat hij overeenkomstig zijn taak, had moeten doen. Terwijl hij hier-over leedwezen gevoelde, hield hij het hoofd op den kansel eenigen tijd voorover gebogen, en terzelfder oogenblik zagen de broeders in het klooster hem het graduaal zingen. Zoo vernieuwde God om zijnentwil het wonder, dat men van den tl. Ambrosius verhaalt, die toen hij te Milaan het H. Misolïer opdroeg, scheen ingeslapen te zijn op het altaar en terzelfder tijd te Tours gezien werd, waar hij de begrafenis van den groo-ten H. Martinus bijwoonde.

Dergelijk geval deed zich met den H. Antonius ook nog voor te Limoges, waar hij tijdens een groot feest in de kathedrale kerk predikte en

-ocr page 43-

— 37 —

toch in zijn klooster de negende les van het Matitunum., dat. hem opgedragen was te zingen, inderdaad scheen te zingen.

God deed dezen heilige ook nog uitschijnen door de gave der voorzegging. Eene vrouw, welke zich te Assisië bevond, voorspelde hij, dat haar zoon, die het levenslicht ging aanschouwen, den marteldood zou sterven, wat ook werkelijk geschied-ile; want deze knaap, die den naam Philippus ontving, trad in de orde van den M. Franciscus en bevond zich in de stad Agot. toen de Sarace-nen haar wederom op de Christenen bemachtigden. Nadat hij heldhaftig geweigerd had het geloot te verzaken en tot de leer van Mahomed over te ^aan, werd hij gevild, doorstond met onderscheiden Christenen vele andere folteringen, en werd onthoofd, na eerst zijne geloofsgenooten tot den

-ocr page 44-

— 38 —

marteldoofl te hebben aangemoedigd.

Antonius doortrok talrijke steden en vlekken van Italië, Spanje en Frankrijk, en bewerkte overal verbeteringen dei\' zeden en bekeering der grootste zondaren. Dezen bijval ondervond de heilige, die niet zelden voor 3000 mensehen predikte, vooral tengevolge van de buitengewone uitwerkselen der goddelijke genade, Zoo predikte hij eens in eene stad; zeker inwoner aldaar verzocht hem in zijn huis en bood hem een kamer aan, teneinde zich rustiger en ongestoord tof de studie en overweging te kunnen begeven: Antonius bracht daar den ganschen nacht door in het gebed, terwijl de burger zijn geheel huis doorliep en naging of alles in orde was. Toen hij het vertrek van Antonius voorbijkwam, keek hij uit nieuwsgierigheid door het venster naar binnen, waar Antonius bad, en

-ocr page 45-

— 39 —

bemerkte daar een zeer schoon en liefelijk kind in de armen van den heilige, dat hem omhelsde en liefkoosde, terwijl het hem onafgebroken aanstaarde. De man kon deze verschijning niet begrijpen. Het kind maakte zich aan Antonius bekend, en zeide, dat hij Jesus was. Antonius bemerkte na het gebed eindelijk den toeschouwer en gebood hem, van hetgeen hij gezien en gehoord had, toch niemand, zoolang hij leefde, iets te zeggen. De goede man hield woord, en maakte eerst na den dood van Antonius de verschijning bekend. Daaraan wordt dan ook de voorstelling van den heilige met het kind Jesus op zijne armen toegeschreven. Op zekeren dag predikte de heilige wederom met vrucht, zoodat een groot zondaar, die bij de preek tegenwoordig was, zulk een berouw en leedwezen over zijne zonden gevoel-

H

-ocr page 46-

de, dat hij luide begon te snikken Hij wilde den heilige zijne zonden belijden, doch kon van het weenen geen woord uitbrengen. Toen de heilige dit bemerkte, sprak hij hem toe; »Ga en schrijt al uwe zonden, welke gij indachtig zijt, op een blad, en breng het mij;quot; als hij zulks gedaan en Antonius het geschrevene had ingezien, was heel het geschrift oogen-blikkelijk verdwenen, waaruit de heilige besloot, dat de arme boeteling vergiffenis zijner zonden had verworven.

Allengskens werd Antonius tegen zijn wil tot de hoogste waardigheden zijner orde verheven, welke hij ook nauwkeurig en met vlijt waarnam. Hoe hij bij elke gelegenheid, als het de eer van God gold, eenen onver-moeiden ijver en onverschrokken moed aan den dag legde, kan men nagaan uit het volgende. Toen de H. Francis-cus in het jaar i 226 gestorven was

-ocr page 47-

— 41 —

werd Elias. een man, die de beginselen der wereld huldigde, tot generaal der orde gekozen en slopen er door zijn wanbestuur groote misbruiken in. Antonius en Adam, een Engelschman, verzetten zich nadruk-kelelijk tegen den ondergang der orde, en traden onbeschroomd op voor de instandhouding der kloostertucht. Beleedigingen en mishandelingen waren evenwel de belooning van hun ijver, en het kwam zoo ver, dat zij als oproerigen voor altijd binnen hunne cellen zouden worden opgesloten. De zaak kwam eindelijk voor Paus Gre-gorius IX, die de onschuld der beide kloosterlingen erkende en Elias van zijne waardigheid ontzette.

Als de H. Antonius gardiaan was in het klooster te Puij, ontmoette hij een zeker notaris, die een wellustig en ongebonden leven leidde. Antonius groette hem en boog zich zeer

-ocr page 48-

— 42 —

eerbiedig. De notaris, van meening, dat hij hem bespotte, gevoelde zich beleedigd, en dreigde Antomus, voor zulk eene beschimping, welke hein, volgens zijn meening werd aangedaan met zijn degen te doorsteken. De heilige antwoordde hem, dat wel verre van hem te beschimpen of te bespotten, hij hem integendeel met liefde en eerbied groette, dewijl hij wist. dat hij eens een roemrijk martelaar van Jesus Christus zou zijn; slechts verzocht hij hem (Antonius) indachtig te zijn,als hij gemarteld zou worden. De notaris lachte, doch weldra werd de voorspelling des heiligen vervuld. Zeker bisschop maakte namelijk een reis naar Palestina, om daar zelf te arbeiden aan de bekeering der Sa-racenen, en de notaris, die hem derwaarts volgde, vatte zulk eenen ijver op voor het heil der ongeloovigen, dat hij hun in eigen persoon de waar-

-ocr page 49-

— 43 —

heden van onzen heiligen godsdienst verkondigde en hun de dwaasheid van het Mahomedisme bewees. De hardnekkigen koelden nu al hun woede op hem, pijnigden hem gedurende 8 dagen op de gruwzaamste wijze, en benamen hem eindelijk het leven. Stervend verklaarde hij, dat de H. Antonius hem dit gelukkig voorval had voorspeld, en dat hij als een groot propheet moest beschouwd worden. Evenals de H. Antonius toekomstige dingen voorzag, zoo doordrong hij ook, voorgelicht door God, de aan het oog der menschen verborgenste zaken.

Eens, dat hij te Puij preekte, nam do duivel de gedaante aan van een bodo, en zeide tot eene vrouw uit de menigte, dat zij die plaats zoodr a mogelijk zou verlaten, daar haar zoon, door zijne vijanden overvallen en vermoord was. Doch de heilige begreep

-ocr page 50-

_ 44 —

aanstonds de list van den satan en riep der vrouw toe, dat zij niet ongerust zou zijn, want dat liaar zoon, zich zeer wel bevond, en deze botie een bedrieger was en de satan in persoon. Deze vertoonde zich inderdaad zelt als zoodanig, want hij verdween in de gedaate van een rook.

liet gebeurde eens, dat men den heilige verzocht, om eene lijkrede te houden bij de begrafenis van een rijk man, die door woeker tijdens zijn leven groote schatten op een gestapeld had. Antonius koos zich tot tekst de woorden des Heeren in het Evangelie : i^Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.quot; Op het einde dei-toespraak zeide hij tot de bloedverwanten van den overledene, dat zij de kisten van den gestorven gierigaard zouden onderzoeken, en dat zij daarin zijn hart zouden vinden. Zij

-ocr page 51-

gingen heen, en vonden, te midden van het geld, het hart des afgestorvenen, dat nog warm was.

De H. Antonius had eenigen tijd op den berg Alvernia in de eenzaamheid doorgebracht en ging vervolgens naar Padua, waar hij al aanstonds met veel vrucht de vastenpreeken hield. Een jongeling te Padua beleed den heilige, dat hij zijne moeder geschopt had. Om hem het gewicht dier misdaad te doen beseffen, en hem tot een groot leedwezen op te wekken, zeide Antonius, dat een voet, die het werktuig van zulk een daad geweest was, verdiende afgehouwen te worden. De boeteling, in plaats van de vermaning des ijverigen biechtvader te overwegen, die niets anders beoogde, dan hem een grooten afschrik voor deze zonde in te boezemen, ging na den biechtstoel verlaten te hebben, naar huis, en hakte zich

-ocr page 52-

— 46 —

in zijn onbezonnen boetvaardiglieirl den voet af. Dit veroorzaakte aanstonds groot opzien; doch toen de heilige zulks vernam, ging hij tot den ondoordachten jongeling, zette den afgekapten voet op zijn natuurlijke plaats en genas hem.

Terwijl Antonius zich nu te Padua bevond, werd zijn vader te Lissabon in Portugal, van een moord beschuldigd, in hechtenis genomen, voor de rechtbank gedaagd en met zijn geheele familie in de gevangenis geworpen, omdat inderdaad de schijn tegen hem getuigde, daar het lijk van den ver-slagene in fijnen tuin, waarin de moordenaar het geworpen had, ontdekt was geworden. De heilige, door veropenbaring van het gevaar bewust waarin zijn vader zich bevond, vroeg zijnen overste verlof, om uit te gaan. doch werd door een Engel naar Lissabon vervoerd. Daar verscheen hij

-ocr page 53-

— 47 —

den volgende morgen voor den rechter en smeekte hem dringend, om de bevrijding zijns vaders, die, gelijk hij verzekerde, onrechtvaardig van moord beschuldigd was. Toen de rechter hem zulks weigerde, verzocht hij, dat het lijk van het slachtoller hem zou worden getoond. Men bracht hem in de r aadskamer en de groote dienaar Gods, die de sleutels van leven en dood in handen had, beval den doode in den Naam van Jesus, op te staan en voor al de vergaderden te getuigen, of zijn vader, zijne moeder of iemand hunner diensboden hem vermoord had. In hetzelfde oogenblik stond de doode op, en antwoordde, dat de wegens moord op zijn persoon beschuldigden, geheel onschuldig waren, en niet het minste aandeel daaraan hadden. Na deze woorden sliep hij weder rustig in. Zoo werd Martin van iBellonesSmetêvrouw en

■ Cm

-ocr page 54-

— 48 —

huisgenooten in vrijheid gesteld en keet\'de eervol huiswaarts. De heilige bleef nog dien ganschen dag bij hen, om hen te troosten en tot de deugd op te wekken, en werd den volgenden nacht door denzelfden Engel naar zijn klooster te Padua teruggebracht.

Ten gunste zijns vaders deed de heilige nogmaals een dergelijke reis: want deze edelman, die tegenover de wereld veel te goedertrouw was, had sedert lange jaren in zijn ambt van koninklijk rentmeester meermalen verzuimd, kwitantie te vorderen iler gedane betalingen, en als deswege door de schatbewaarders een gerechtelijk onderzoek tegen hem werd ingesteld, en hij alle uitgaven niet kon verantwoorden, liep hij gevaar, groote sommen te moeten bijleggen, of, indien hij die niet kon storten, tot levenslange gevangenisschap veroordeeld te worden. De heilige, dit

-ocr page 55-

— 49 —

dreigend onheil weder door openbaring vernemende, sloeg opnieuw dien onzichtbaren weg, den weg der Engelen in, kwam nog denzelfden nacht te Lissabon aan, legde den rechters alles, waaraan zijn vader het geld had besteed, zoo duidelijk uiteen en gaf alle omstandigheden van tijd, plaats en personen zoo nauwkeurig aan, dat zij hem moesten vrijspreken. Zegevierend keerde de heilige langs genoemden weg naar zijn klooster-terug, waar men zijn afwezigheid nauwelijks had bemerkt,

Dewijl de man Gods den satan onvermoeid bestreed, wendde deze van zijnen kant alle middelen aan, om hem in het verderf te storten, en hem het leven te benemen. Eens greep hij hem bij den keel en poogde hem te wurgen; doch de heilige joeg hem, door zijn geliefkoosden lofzang: »0 glorierijke Maagd, die verheven Gaat tot A. 4

É

-ocr page 56-

zijt boven de sterren!quot; op de vlucht. Een andermaal deed deze booze vijand den kansel ineenstorten, waarop An-tonius stond te preeken, en hoopte daardoor niet alleen hem te verwonden, maar ook het volk schrik aan te jagen, en de predikatie te onderbreken ; doch niets van dat alles geschiedde, want onze heilige, die door de Engelen beschermd werd, bekwam geen letsel door dien val; en en het volk dat voorat door Antonius tegen de woede van den duivel was gewaarschuwd, werd door dit voorval niet verontrust; en nadat men een anderen predikstoel had aangebracht, zette hij zijne preek in denzelfden zin en met dezelfde geesdrift voort als eerst.

De overwinningen van den heilige op de ketters, als werktuigen en handlangers van satan, waren niet minder glansrijk, dan die welke hij op den duivel

-ocr page 57-

zeiven behaalde. Van daar- werd hij algemeen « Geesel der kettersquot; genoemd Een hunner, die zich te Toulouse bevond, zeide den heilige, dat hij niet aan de wezenlijke en waarachtige tegenwoordigheid des Heeren in het allerhoogste Sacrament des Altaars geloofde, indien liij dit geloofspunt niet door een wonder zou zien bekrachtigd. Het wonder, dat hij verlangde, was, dat zijn lastdier, na drie dagen honger te hebben geleden, haver en tiooi zou laten staan, en de geconsacreerde Hostie aanbidden zou. Vol geloof en vertrouwen op God, nam de heilige aan, hem dit wonder te doen aanschouwen. Toen nu na verloop van drie dagen onze ketter zijn muildier het lievelingsvoeder voorzette, en het tot vreten aanspoorde, wendde inderdaad het dier zich van alles af, en wierp zich voor het allerheiligste Sacrament, dat de heilige in zijne handen handen hield, neder, het

-ocr page 58-

geen eindelijk dien ellendige en meer anderen zijner sekte bewoog, de waarheid te erkennen en zich met de Kerk te verzoenen.

Toen de heilige zich ten laatste, omstreeks het einde van den vastentijd des jaars 1281, van den aposto-lischen arbeid en de strenge boetple-gingen geheel, en al uitgeput gevoelde, ging hij naar Padua, om zich ongestoord tot den dood voor te bereiden. Bij zijne komst aldaar, verdrong zich liet volk in zoo groote menigte rondom hem, dat men genoodzaakt was, den heilige in het vertrek van den biechtvader eens nonnenkloosters buiten de stad te brengen. Nadat hij de heilige Sacramenten der stervenden had ontvangen, bad hij nog de boet-psalmen, en ontsliep in tegenwoordigheid zijner beide medebroeders Lucas, en Rogerius, kalm in den Heer, den 13en Juni, in het36ste jaar zijns

-ocr page 59-

— 53 —

levens, waarvan hij er meer clan 10 in de orde van den H. Franciscus had doorgebracht, De ontelbare wonderen, welke na zijnen dood door zijne voorspraak geschiedden, bewogen Paus Gregorius IX, h ^tn in het jaar 1232 plechtl heiligen op te nemen.

g onder het getal der

-ocr page 60-

Wonderen na zijnen dood.

i.

mtrent het jaar 1675 leefde er te Monte Murano, een vJek in liet koninkrijk Napels, een zeker Antonius Tortomano, Deze rechtschapen man moest eens voor zaken op reis. Diep in een dal gekomen, werd hij eensklaps door drie roovers aangevallen, gevangen genomen en gekneveld. Daar hij bemerkte, dat het om zijn leven te doen was, wendde hij zich tot onzen heilige, en riep tweemaal: »0 H. Antonius! H. Antonius!quot; Een der moordenaars gaf hem achttien doodeiijke slagen op het hoofd zeggende: ygt;Roep nu H. Antonius!quot;

-ocr page 61-

En de arme man verloor zijn leven. Om hun gruwelstuk geheim te houden, wierpen zij het lijk in eendiepen sloot, en bedekten het met steenen en takkebossen. Nadat hij acht dagen op die plaats gelegen had, ontwaakte de vermoorde als uit een diepen slaap, en hoorde dat men hem toeriep: ))Antonius, Antonius, sta op!quot; — Hij gaf gehoor aan de stem, en toen hij zich oprichtte, zag hij een jeugdigen Franciscaan voor zich, die hem toesprak: «Antonius! omdat gij mij tweemaal geroepen hebt, heb ik eveneens u tweemaal toegeroepen quot; Hierop nam hij den van den dood verrezene bij de hand, leidde hem op den rechten weg, en verbood hem, om iemand van dit voorval iets te zeggen, maar alle dagen hem ter eere dertien Onze Vaders en Wees Ge-groeten te bidden. Tortomanus, het bevel indachtig, zweeg gedurende

-ocr page 62-

— 56 —

twee volle maanden. Op liet feest van den H. Antonius echter Ron hij zich niet meer inhouden, en vertelde de geheele toedracht.

11

Te Santare, een vlek in het koninkrijk Napels, leefde iemand, die van wege satan door zulk eene geweldige bekoring tot zelfmoord werd overvallen, dat zij hem ter nauwernood kon wederstaan. — De bekoorder verscheen haar inde gedaante van den Gekruisigde, en trachtte haar over te halen, zich in den vloed Tago te werpen, daar dit het eenige middel was, om vergiffenis te erlangen en zalig te worden. — Op het feest van den H. Antonius, besloot deze ongelukkige werkelijk den gegeven raad van den duivel te volgen, en liep naar de rivier. — Daar haar weg derwaarts langs de kerk van den H. Antonius liep, trad zij toch nog daar bin-

-ocr page 63-

— 57 —

tien, en bad den heilige vertrouw vol, om haar door zijne machtige voortspraak te verlichten, of het aldus Gods wil was, dat zij haar plan volvoerde.

Terwijl zij derwijze bad, overviel haar een diepe slaap; en in den slaap vernam zij de stem des heiligen, die haar zeide; »Zie in uwen schoot het geschrift; zoodra gij het geschrift zult gelezen hebben, zult gij geheel bevrijd zijn van de bekoring!quot; Hetgeen de heilige haar beloofd had, werd letterlijk vervuld. Toen zij ontwaakte, zag zij het geschrift voor zich en las:Ecce-j- Crucem Domini! fugite partes adversae; vicit Leo de tribu Juda, Radix David, Alleluja, Alleluja! —

»Ziet het -|- kruis des Heeren! vlucht gij weerspannige partijen, de Leeuw uit het geslacht van Juda, de ivor-tel van David, heeft overwonnen. Alleluia, Alleluja—

-ocr page 64-

— 58 —

Nauwelijks had zij dit gelezen, ol de bekoring hield op en de vroegere rust keerde tot haar hart terug Üit geschrift ontving de destijds regeerende koning Dyonisius, volgens zijn verzoek, van haar, en voegde het in de hofkapel bij de overige heiligdommen.

Die vrouw viel, dewijl zij dit gebed niet meer verrichten kon, herhaaldelijk in de vorige bekoring. Toen de koning dit vernam, liet hij haai\' een afschrift geworden. Zoodra had zij het niet gelezen, of zij werd van alle kwaad bevrijd. Daar de H. Kerk later de macht dezer woorden tegen de hel zelf ondervond, schreef zij ze den exorcisten, (bezweerders) bij het verdrijven der booze geesten, voor.

III.

Zekere persoon, Richarda genaamd, reeds gedurende twintig jaren aan

-ocr page 65-

— 59 —

het ziekbed gekluisterd, werd iarn in h! haar ledematen, en daarbij nog stom en doof. — Eindelijk nam zij vol vertrouwen tot Antonius haren toevlucht. — En zie, zij kreeg de spraak en eindelijk, na aanhoudend gebed, ook de g zondheid der overige ledematen terug. Vreugdevol verliet zij het bed, waarop zij zoo lange jaren was vastgehecht, en verkondigde tot stichting van allen de heerlijke weldaden Gods en van zijnen heilige.

IV.

In het jaar 1650 overviel eene vrouw van hooge geboorte zulk eene groote zwaarmoedigheid, dat zelfs hare dienstboden, welke alle mogelijke zorg aanwendden, orn haar te bevredigen, haar tot overlast strekten, spijs noch drank haar smaakte, onderhoud met kennissen haar verveelde, zij weinig

-ocr page 66-

_ 60 —

sliep en haar eigen leven haar eindelijk ondragelijk werd. — Niets kon haar heter troosten dan de dood. — Itaar zij nu zag, dat er op aarde voor haar geene hulp meer te vinden was, nam zij, aangespoord dooi- eene dringende ingeving, tot den H. Antonius hare toevlucht. Nauwelijks had zij met kinderlijk vertrouwen hieraan beantwoord, of zij vond verhooring; de verloren kalmte en rust keerden terug, en onder eer- en dankbetuigingen deed zij de belofte, om deze ontvangene genade dooi- een ex-voto bekend te maken.

% I

V.

Een man had langer dan 24 jaren eene zonde van afgrijselijke boosheid in de Biecht verzwegen. Hoe meer hij gebiecht en het allerheiligst Sacrament ontvangen had, des te verschrikkelijker werd de heiligschennis, Irj die

-ocr page 67-

— 61 —

ontzettende ellende drong een straal van genade tot zijn beneveld hart door, en hij nam zijne toevlucht tot den H. Antonius. Terwijl hij den heilige bad, verscheen Antonius aan zijn verblinden pleegzoon, bracht hem zijn veroordee-lenswaardige boosheid onder het oog, en wees hem met zulk een nadruk op de gestrengheid der goddelijke gerechtigheid en het gevaar van voor eeuwig verloren te gaan, dat de verstokte zondaar zich oogenblikkelijk tot God bekeerde, zijne zonden oprecht en rouwmoedig biechtte en aldus gered werd van het eeuwig verderf.

VI.

Don Ignigo, bisschop van Cordova, een groot vereerder \\an den H. Antonius, was op zekeren dag zeer treurig, wegens het verlies van zijnen, met kostbaar edelgesteente bezetten ring, dien

-ocr page 68-

■— 62 —

hij bij de bisschoppelijke wijding aan den vinger gedragen had. Daar hij, na vele gebeden en heilige Missen, ter eere van den heilige verricht, hem niet kon vinden, zoo bleef er niets anders over dan een opvallend wonder, dat hem dan ook ten deel viel; want weinige dagen daarna noodigde hij eenige zijner vrienden ter tafel. Terwijl zij aanzaten, kwamen de wonderen van den H. Antonius ter sprake. Daar herinnerde de bisschop zich den verloren ring en maakte de opmerking; «ik vereer dezen heilige innig, wegens de vele gunsten, welke ik reeds van hem heb ondervonden, ééne gunst echter,quot; zeide hij, aheeft hij mij evenwel willen weigeren.quot; En wonder! nauwelijks had de bisschop gesproken, of de ring viel tot verwondering van alle aanwezigen midden op tafel. — De bisschop erkende aanstonds zijnen ring, en met dankbaar gemoed prezen allen God, en stelden een nog grooter

-ocr page 69-

— 63 —

vertrouwen op de voorspraak van dezen heilige.

VII.

Zekeren ridder te Napels werd door diens knecht, een geboren Afrikaan, eene groote som gelds ontstolen. De schelm maakte zich daarop met een zijner collega\'s uit de voeten. Nu nam de heer zijn toevlucht tot den H. Antonins en liet, hem ter eere, heilige Missen lezen. Nauwelijks hadden de beide vluchtelingen zich naar Afrika ingescheept, of er ontstond een geweldige storm, zoodat een hunner van het dek in zee sloeg. De dief werd echter dooi\' den H. Anto-nius bij de haren gegrepen onder de woorden ; »Geef terur/, wat gij gestolen hebt, anders zijt gij een kind des doods.\'quot; Binnen weinige oogenblikken werd het schip ziaar de Napelsche

-ocr page 70-

— 64 —

kusten gedreven en de dief gedwongen, zijnen heer te voet te vallen, het gestolen terug te geven, en de gansche toedracht der zaak omstandig te verhalen. Aldus kreeg de heer door de voorspraak des heiligen zijn gestolen goed, en zijn dienaar de rust des gewetens terug.

vin.

In het jaar 1651 verwierf een soldaat in Albanië van onzen heilige een uitstekende gunst. Deze getuigde onder eede, tegenover vele personen, waaronder twee ordepriesters, dat hij in den oorlog tegen de Turken gevangen genomen, aan handen en voeten gebonden, zich tijdens zijne gevangenschap voortdurend aan den bijstand Gods en der Allerheiligste Maagd Maria had aanbevolen. Van den H. Antonius van Padua herinnerde hij zich niet, ooit iets gehoord te hebben.

-ocr page 71-

— 65 —

Desniettemin was de H. Antonius, met het ordekleed omhuld, hem in den slaap verschenen, en had hem toegesproken ; «Wees getroost, God en Maria hebben u verhoord, en ik ben op hun bevel gekomen, om uwe boeien tc verbreken. Ik ben Antonius van Padua, sta op en reis naar Padua, om daar God en zijne H. Moeder dank te betuigen.quot;

Ik ontwaakte, aldus gaat hij voort, en vond mij volkomen van mijne boeien bevrijd. — Aanstonds begal ik mij op weg, en, ofschoon deze verscheidene dagreizen eischte, werd ik door geen enkelen Turk aangehouden, maar allen ontvloden mij als iemand, door pest aangetast, tot ik eindelijk het Turksch gebied achter den rug, gelukkig door de christelij ke staten te Padua aankwam.

5

Gaat tot A.

-ocr page 72-

— 66 —

IX.

Hieronymus, de dertienjarige zoon van Johan Amaldus van Buran, leed aan het linker dijbeen aan roos, later kwam er beeneter bij, zoodanig zelfs, dat de geneesheeren, ofschoon zij de verrotte kniebeen-schelven er uithaalden, toch het leven van den zieke vo«r verloren hielden, indien hem de voet niet werd afgezet. Toen de knaap zulks vernam, vroeg hij vol vertrouwen om de beeltenis van den H. Antonius, bad dezen heilige om hulp in zijn ellendiger! toestand, en deed aanstonds de belofte, zijn gral te Padua te bezoeken en uit dankbaarheid altijd een bruin kleed te dragen. — Nauwelijks had hij den H. Antonius deze belofte afgelegd, of hij genas volkomen. — Kort daarop reisde hij naar Padua, en ging zonder eenigen hinder rondom het gral.

-ocr page 73-

— 67 —

Degenen, die hem in zijn smartelijken toestand vroeger gekend hadden, onderzochten zijn knie, en bespeurden, tot niet geringe verwondering, dat de plaats, waar de beeneter-schelven waren weggenomen, geheel wonderdadig was aangegroeid.

X.

Een groot wonder was de gebeurtenis, welke in het jaar 1732 door de voorspraak van den H. Antonius plaats greep.

De toenmaals regeerende koning van Spanje beval een zijner admiralen, de oorlogsvloot uit te rusten, ten einde de vesting Oran, door de Mooren sedert zoovele jaren wederrechtelijk in bezit genomen, te heroveren. Admiraal Don Modemar (1)

(i) De Hoogeerw. Pater Dalmiatius Kick, provinc-aal der Franciscanen in Beieren, heeft dezen admiraal in de stad Alicante zelf nog gezien, toen hij in het jaar 1756 naar Murcia in Spanje reisde, ter bijwoning van het Generaal-Kapittel.

-ocr page 74-

— 68 —

verontschuldigde zich bij den quot;koning, dat tiet geheel en al onmogelijk was, de voor onoverwinnelijk gehouden vesting in te nemen. Desniettemin hield de koning aan en verlangde dringend, dat zijn bevel werd opgevolgd. De admiraal haalde zijne schouders op, maakte eene buiging, ging naar zijn vloot, welke reeds gereed lag, om zee te kiezen en lichtte het anker. Hij landde met zijn smaldeel te Alicante, eene stad in Spanje. Terwijl hij hier nogmaals rijpelijk overwoog, hoe zijn plan ten uitvoer te leggen, zag hij opnieuw de volslagen onmogelijkheid in, om zulk een geweldig versterkte stad aan den vijand te ontrukken. Hij ging daarom de stad Alicante in, en bezocht aldaar de kerk der Franciscanen om in dit heiligdom zijn gewichtig en moeilijk plan den oneindigen God en den H. Antonius van Padua, als patroon dezer

-ocr page 75-

— 69 —

nfer) I ^61^\' aan bevelen. Nadat hij zijn /as, I gebed geëindigd had, begaf hij zich den I naar het klooster om met de paters nin I te gaan spreken, en verzocht den ïde I eerwaarden gardiaan, in deze aan-ge- ■ gelegenheid, ter eere van den H. on-1 Antonius, eene heilige mis op te ing I dragen. —

3ed I Nadat deze geëindigd was, maak-het | ten de pater gardiaan en meer anderen hunne opwachting. — Tn de kerk teruggekeerd, verzocht nu de admiraal den gardiaan, een ladder te doen aanbrengen, waarmede de laatstgenoemde lachte. Daar de admiraal echter ernstig en nadrukkelijk bleel aandringen, werd er eene aangebracht en tegen het hoofdaltaar gezet, waarop zich het prachtig gesneden beeld van den H. Antonius in levensgrootte bevond. Tot aller verwondering, beklom de admiraal, terwijl het volk er I in gespannen aandacht stond, zelf

eel I \'je. ijk 3er I ol-ilk !en |

]m | ■■■

iar | dit | ijk H.

-ocr page 76-

— 70 —

die ladder tot aan het beeld van den H. Antonius, zette den heilige zijnen met pluimen versierden hoed op het hoofd, hing hem het eereteeken van een bevelvoerenden admiraal om de schouderen, het zwaard op zijde, en gaf hem eindelijk den regementsstaf in de hand.

Daarop sprak hij met luider stem, ten aanhoore van al het volk ; »Gij zijl het, gij, o H. Antonius! die Oran kunt innemen; ik ben er niet toe in staat.quot; En zijne hand op het hoofd des heiligen leggend, ging hij verder: ))Van nu af, o H. Antonius, zijt gij admiraal en ik uw dienaar en soldaat; als zoodanig sta ik thans onder uwe bevelen. Na God is geheel mijn vertrouwen op u gevestigd, o, groote wonderdoener !quot; Als hij aldus gesproken had, steeg hij van de ladder af, begaf zich volkomen getroost naai de vloot, en stak van wal.

-ocr page 77-

— 71 —

Hoe nader de gunstige wind zijne schepen naar de vijandelijke stad voortdreef, des te eerder verwachtte men tusschen hoop en vrees de begroeting van het vijandelijk geschut.

Toen zij echter niets vernamen, gaf de admiraal zijnen soldaten last, de kanonnen te doen ontbranden. Nog alles stil. Nu liet hij zijne mannen aan land. — Tot hunne niet geringe verbazing bemerkten zij ner-gends eenen vijand, ja, wat nog meer verwondering baarde, de stadspoorten stonden wagewijd open.

In de onzekerheid echter, of niet een krijgslist de oorzaak was dier handelwijze van den kant der vijanden, beval de admiraal om met de grootste voorzichtigheid de stad binnen te dringen. Doch ook hier was alles stil en onbezield, zoodat men geen enkelen vijand in het gezicht kreeg. Na geruimen tijd kropen ein-

-ocr page 78-

— 72 —

delijk eenige achtergebleven Mooren uit hunne schuilhoeken. Voor den admiraal gebracht en ondervraagd naar de oorzaak van het gebeurde, gaven zij eenparig te kennen: «Zoodra het eskader der Christenen zich voor de stad vertoonde, zag men op hetzelfde oogenblik, tot aller ontsteltenis, in de lucht een ontzaggelijk leger, aangevoerd door een Franciscaan, met de vereischte onderscheidingsteekenen van macht bekleed ; op het hoofd een spaanschen hoed, met pluimen versierd, den degen op zijde en den regementsstaf in de hand, terwijl hij de stad met volslagen ondergang bedreigde. Bij dit gezicht was alles, klein en groot, jong en oud in verwarring op de vlucht geslagen, al liet overige achterlatende,quot; Zoo viel alsdan de beroemde en geweldig sterke stad Oran, door de machtige voorspraak van den IJ. Antonius, zonder

-ocr page 79-

— 73 —

slag of stoot, in handen van admiraal Don Modemar, onbeschrijfelijk verheugd als deze was over eene zoo onverwachte en ongehoorde zegepraal. De admiraal gat in allerijl den koning bericht van den afloop. — Het beeld van den H. A.ntonius, versierd met bovengenoemde onderscheidingsteekenen, is te Alicante nog te zien. — Dit wonder geschiedde op het feest van den H. Antonius in het Jaar 1732, en de waarheid daarvan werd in 1770 te Rome bekrachtigd

XI.

Te Oviedo, eene stad in de provincie Asturië, leefde zekere vrouw met name Francisca van Uravio, welke in kommervolle omstandigheden verkeerde. Haar echtgenoot, Don An-tonius Danta, sedert geruimen tijd voor zaken in Amerika, wist niets

-ocr page 80-

— 74 —

van dat alles, dewijl hij niet eender brieven, door zijne vrouw verzonden, had ontvangen. Dooi\' den uitersten nood gedrongen, nam Francisca hare toevlucht tot den H. Antonius, ging naar de kerk der Franciscanen, en begaf zich tot het beeld van den heilige, dat zich aldaar bevond. Hier legde zij eenen brief aan het adres van haren echtgenoot, in den arm van den fl. Antonius, en verzocht hem met kinderlijk vertrouwen, dien brief toch aan haren man te doen toekomen, en haar het gewenschte antwoord te doen geworden.

Den volgenden morgen, reeds vroeg, ontwaarde de koster in de hand van den H. Antonius een schrijven, en trachtte hem dit te ontnemen, doch te vergeefs: zoo stevig hield het beeld den brief vast. De eerste persoon, die na het ontsluiten der kerkdeur binnentrad, was Francisca, om

-ocr page 81-

— 75 —

het gevraagde bij Antonius te gaan halen. Toen zij echter den brief in de hand zag, meende zij, dat het de hare was, dien zij hem daags te voren in den arm legde, en gaf haar hart aldus lucht; »0 H. Antonius, waarom bezorgt gij den brief niet aan mijnen man? zoo vurig heb ik u daarom gesmeekt; verhoort gij mijne zuchten niet in zulk een bittere armoede?quot;

De koster hoorde dit klagen der vrouw, en vroeg naar de reden; toen zij hem de gansche toedracht der /aak had medegedeeld, raadde hij haar, terwijl hij zelf den brief uit de hand van den H. Antonius niet los kon krijgen, zelve te beproeven, den brief te nemen. Francisca volgde den raad des kosters, en zie ! zonder de geringste moeite nam zij den brief uit de handen van den H. Antonius, uit wiens armen tegelijkerlij d 300 Mexikaansche geldstukken (volgens

-ocr page 82-

— 7fi —

onze geldswaarde ongeveer 540 gulden) vielen, welke de echtgenoot zijne vrouw toezond.

De H. Antonius had dus, om de behoeftige vrouw te helpen, den hem toevertrouwden brief aan Don Antonius Danta, haren man, zelf ter hand gesteld, en in denzelfden nacht het antwoord daarop teruggebracht. De koster maakte dit wonder aanstonds ruchtbaar, waarop alle geestelijken uit het klooster samenstroomden, om vol verbazing te vernemen, wat de brief behelsde, welken de H. Antonius in antwoord aan de vrouw had bezorgd. De inhoud van den brief was als volgt :

Geliefde Echtgenoote /

Reeds sinds geruimen tijd leefde ik te Lima lussrhen hoop en vrees, wijl ik geen tijding van u ontving, hoe gij hel maakt et, toen juist deze

-ocr page 83-

— 77 —

brief aankwam, welke mij door een religieus van de orde der Franciscanen werd overhandigd en al mijne bezorgdheid over u lue/jnam. In dit mu schrijven beklaagt gij u, dat ik de brieven, aan mij gericht, onbeantwoord liet; integendeel kan ik u verzekeren, dat niet een uwer brieven mij is geworden, behalve deze laatste, en ik u dan ook reeds beweende als cene doode. — Nu echter is mijne vreugde des te grooler; daarom volgt door tussehenkomst van denzelfden kloosterling, die mij uwen brief gebracht heeft, het antivoord, benevens 300 Mexicani-stukken, welke uwen nood inmiddels zullen lenigen, tot ik zelf terugkom. En terwijl ik, ten zeerste verlangend en stellig hopend, weldra bij u te zijn, den H. Antonius als mijnen beschermer om zijnen bijstand verzoek, vertrouw ik spoedig weder tijding van u te ontvangen, U in Gods hoede

-ocr page 84-

— 78 —

aanbevelend, blijf ik

Uw liefhebbende echtgenoot, Don Antonius Dcmta. lima, den 2 3 Juli 1729.

De oorspronkelijke brief, in het Spaansch geschreven, wordt ter bevestiging van dit wondei\' te Oviedo bewaard. O, hadden deze koopman den bode erkend! welk een ontvangst zou hij hem bereid hebben !

XII.

Doch niet slechts in Italië en Spanje zou de naam van den H. Antonius zijne vereering vinden, maar ook in Frankrijk, Duitschland en zoover de naam van Katholiek zich uitstrekte, wilde God zijnen trouwen dienaar door een wonder zien verheerlijkt. Ik zou hier nog even kunnen herinneren aan het wonderbeeld van onzen heilige in de

-ocr page 85-

— 79 —

Franciscanen-kerk te Kaltern in Tyrol. Ziehier zijn oorsprong : In het jaar 1638 werd den Paters Franciscanen, in de kerkelijk herstelde provincie Tyrol, het vervallen slot Rottenburg met zijn plein afgestaan, tot het bouwen van een klooster, hetwelk in 1643 tot vreugde van den ganschen omtrek werd voltooid.

Het beeld van den H, Antonius van Padua zou de nieuwe kerk, die aan het klooster was vastgebouwd,bijzonder doen schitteren, want de genaden en weldaden, welke de vereerders van dien heilige in dit bedehuis ontvingen, wezen ook ver van daar verwijderden den weg aan, waar zij in geestelijke en lichamelijke noodwendigheden hulp konden vinden.

Tot oprichting van dit wonderbeeld had de goddelijke Voorzienigheid den heer Ohristophorus UdalrikusvonBach uitgekozen —Die heer werd in 1638,

-ocr page 86-

~ 80 —

door de voorspraak van den H. Anto-nius, op eene wonderbare wijze gered uit een gevaarlijke hinderlaag van zijnen vijand. — Om zijne dankbaarheid jegens den heiligen beschermer te doen uitkomen, besloot hij, in de nieuwgebouwde kerk der Franciscanen, voor eigen rekening een altaaar op te richten, ter eere van Antonius. Toen hij hiermede gereed en het altaar op zijne plaats verrezen was, ontbrak nog slechts het beeld van den heilige. — De almachtige God, die de eer van zijnen trouwen dienaar overal wilde verspreiden, opdat allen in den nood tot hem hunne toevlucht zouden kunnen nemen, zond tot genoemden heer von Bach, die inmiddels naar Padna was gereisd, eenen onbekenden schilder, welke hem vroeg, of hij eene schilderij van zijne hand verlangde? — Wat zou von Bach wel vuriger wenschen ? Aanstonds

-ocr page 87-

— 81 —

verzocht hij de afbeelding van den H. Antonius. — Eenige dagen later kwam de schilder en bood hem de bestelde schilderij aan. Toen de vrome man het geld ging halen ter betaling, vond hij tot zijne groote verbazing, den schilder niet, en kon hem ook nergens meer opsporen. — Daarom ge-looven eenigen, niet zonder grond, dat die beeltenis het werk is van de hand eens Engels; en inderdaad kan deze afbeelding tot nog toe door geen menschenhand trouw worden nagemaakt.

De schilderij stelt den H. Antonius levensgroot voor. Aan zijn voet ziet men de tinnen der kerk van Padua, in zijn rechterhand houdt hij eene witte lelie, het teeken zijner maagdelijke zuiverheid, in de linker een boek, waarop het lieve Kindje Jesus rust; twee Engelen kronen het hoofd. Goedertierenheid aan ernst gepaard, straalt Gaat tot A. 6

-ocr page 88-

— 82 —

van zijn gelaat. — Het kleed is gelijk aan dat der Franciscanen in Tyrol. In die houding blinkt de H. Antonius reeds meer dan 200 jaren zoo schitterend door wonderen uit, dat de kerk te klein werd, om de ex-voto\'s te bevatten, en de oude plaats moesten maken voor de nieuwere. Zelfs de verslagboeken konden het aantal wonderen niet meer bevatten, zoodat men gevoegelijk zeggen kon : « Wie te Padua niet is verhoord geworden, hij (ja tot den 11. Antonius te Kallernquot;

XIII.

Onder de afbeeldigen van den H. Antonius bestaat er eene van mozaïk in de kerk van denH. Johannes vanLa-teranen boven aan het gewelf des koors, uit den tijd van Paus Nicolaas IV.

Deze beeltenis is vermaard door het volgend merkwaardig voorval. Oe opgei\' van Paus Nicolaas IV, BonifaciusVIII

-ocr page 89-

— 83 —

beval, dat het afbeeldsel, hetwelk zich naast dat van den li. Franciscus bevond, zou weggenomen worden; want het kwam hern onredelijk voor, dat twee zulke nieuwe heiligen reeds onder de beelden der allerheiligste Maagd, van den H. Joannes den Dooper en onder die der Apostelen stonden. Echter liet hij het zich welgevallen, dat Franciscus als de stichter der zoo heilige en nuttige orde dei\' Minderbroeders, bleef staan; maar den H. Antonius wilde hij daar niet laten, en gaf last, dat daarvoor de H. Gre-gorius de Groote in de plaats zou komen.

De kunstenaars volgden dit bevel, doch werden al aanstonds, toen zij nader toetraden, door eene onzichtbare hand, of gelijk het eenigen toescheen, door een schrikbare gedaante terug gedreven. Allen stortten plotseling neder. Toen den Paus zulks ter core

-ocr page 90-

_ 84 —

gt;

kwam, zeide hij: «Laat den H. An-tonius staan; want zooals ik zie, kunnen wij met hem slechts verliezen, doch niets winnen.quot;

XIV.

Men kan onmogelijk het leven van Bernardus Colnago, van de Sociëteit van Jesus, lezen, zonder getroffen te worden door de kinderlijke eenvoudigheid van dien vromen dienaar des Heereh, waardoor hij op zoo innigen en vriendschappelijken voet stond met den H. Antonius. Uit vele voorbeelden slechts het volgende:

Om een zekere vrouw te troosten, over het verlies van een paard, waardoor haar man zeer ontriefd was, wendde zich pater Colnago tot den H. Antonius; en weldra kreeg de man zijn paard terug. Doch man noch vrouw lieten den eerwaarden pater

-ocr page 91-

— 86 —

weten, dat het paard was teruggevonden. Dientengevolge in de veronderstelling, dat zijn gebed niet verhoord was geworden, ontbood de pater een wereldlijken priester, die naderhand in de orde trad van den H. Fran-ciscus van Paula en gat hem in last, eenen steen op het altaar van den H. Antonius te leggen, en hem te zeggen, dat hij een hart moest hebben, harder dan deze steen, dewijl het zooveel inhad, om zijnen vriend eenen dienst te bewijzen. De eenvoudige priester volbracht, hetgeen hem was opgedragen, Daar zag hij echter een kloosterling van het altaar nederdalen, die hem den steen teruggat en lachend zeide: «Zeg aan Bernardus. dat eerder hij een steenen hart heeft, daar hij na zoovele mijner lietdebewijzen, nog wantrouwen tegen mij kan opvatten.quot; Hoezeer de goede pater, dit

-ocr page 92-

— 86 —

quot;vernemend, zich vernederde en verheugde, laat zich licht begrijpen.

XV.

Waar de H. Anttonius een waar vertrouwen vond op zijne machtige bescherming, was hij ook milddadig met zijne gunsten, zelfs in zeer nietige aangelegenheden.

Een leekebroeder der Capucijnen had een gewijden rozenkrans, dien hij zeer op prijs stelde, uit hoofde der vele aflaten, daaraan verbonden Deze brak echter doordien de draad versleten was, zoodat de kralen links en rechts lagen verspreid. Met groote moeite verzamelde hij ze alle, op een enkele na, die hij onmogelijk kon terugvinden. Hierover treurig te moede, bad hij met vertrouwen het Responsorium tot den heilige. Antonius troostte hem onmiddelijk; want er

-ocr page 93-

kwam eene mier tot den broeder gekropen, welke hem de kraal bracht. De brave kloosterling raapte haar op en weende van blijdschap en dankbaarheid.

XVI.

Een kloosterzuster had reeds do Sacramenten der stervenden ontvangen, en lag te zieltogen. Haar vader begaf zich naar Pater Bernardus Col-nago, wiens medelijdende inborst hij kende, en verzocht hem, dat hij haar toch eens zou gaan bezoeken. Toen hij in het klooster kwam en voor liet hek stond, zeide hij tot eene non : ,,Zoudt gij gaarne zien, dat wij de stervende genazen?quot; »Ja, pater,quot; antwoordde deze lachend, «laten wij haar genezen.quot; Colnago hernam : »Dan zullen wij haar ook genezen ; om dit te bewerken, behoeven wij den H.

-ocr page 94-

— 88 —

Antonius slechts daarom te bidden.quot; Daarop hief hij zijne banden ten hemel, en maakte driemaal het teeken des kruises. Vervolgens gaf hij der non eenen rozenkrans, dien hij juist in de hand had, en beval [haar, dien aan de stervende medezuster, Johanna Tedeschi, te gaan brengen. Nauwelijks had de zieke den rozenkrans aangeraakt, of zij was volkomen gezond.

XVII

Tijdes de keizer en de republiek Venetië tegen de Turken, die gezworen vijanden van den Christen-naam, oorlog voerden, werd een christen soldaat gevangen genomen en, onbarmhartig met ketenen beladen, in een duisteren kerker geworpen. De ongelukkige, geen kans meer ziende op eenige hulp, zuchtte

-ocr page 95-

— 89 —

bitter en barstte in droevige tranen los. Evenwel ontwaakte in zijn hart een groot vertrouwen op den H. Antonius ; hij beval zich den heilige aan, en beloofde, indien hij verlost werd, te Padua zijn heilig gebeente te gaan bezoeken. De heilige verscheen hem, slaakte zijne boeien, opende de deur zijner gevangenis, en gaf hem de verzekering, dat hem op zijne vlucht geen hinder zou overkomen. Zoo ook geschiedde het. Vervuld van erkentelijkheid, kwam hij te Padua, om aan het graf van den heilige zijn dankbaar hart lucht te geven. Dit gebeurde in het jaar 1660.

XVIII.

Er bestaat nog heden ten dage te Venetië op zekere plaats, Barbare della Tale genaamd, eene nis, waarin een beeld van den H. Antonius ver-

-ocr page 96-

— 90 —

eei d wordt. Daar naast woonde voorheen een man, die op zekeren dag, niet ver van zijn huis, een brand zag uitbreken, welke ontstond in een nabijgelegen houtmagazijn, zich met woede verder uitbreidde tot de belendende gebouwen en alles vernielde.

Daar nu genoemde heer tegen de vlammen geen menschelijke hulp meer verwachtte, begaf hij zich in allerijl op weg naar Padua tot den heilige, en stelde heel zijn huis onder diens bescherming. De brand hield meerdere dagen aan, en veroorzaakte schade van ongeveer millioen dukaten aan hout. Bij zijne terugkomst vond de eigenaar zijn huis terug, dat te midden der geweldige vlammei^ daar ongeschonden was blijven staan, terwijl alle overige in asch lagen.

XIX.

Zelfs ter dood veroordeelden von-

-ocr page 97-

— 91 —

den in den H. Antonius den redder huns levens en den verdediger hunner eer.

Te Perpignan werd het jaar 1429, een edelman van rechtschapen levenswandel en een groot vereerder van den H. Antonius, naar het schavot geleid, zoodat de bijl weldra een einde aan zijn leven ging maken. In weerwil van een streng onderzoek, had de gelijkluidende verklaring der valsche getuigen, welke zijne vijanden waren, het zoover gebracht, dat het gerecht hem schuldig verklaarde en ter dood veroordeelde. Vuriger dan ooit riep hij, op weg naar de gerechtplaats, zijnen heiligen beschermer aan, die zijne onschuld kende. De liefdevolle heilige verscheen nu, ten aanschouwe van het geheele volk, in de lucht, daalde nederwaarts, nam den veroordeelde bij de hand, verbrak zijne boeien en leidde hem eene kapel binnen, welke

-ocr page 98-

— 92 —

op zijnen weg naai- het schavot lag. Alle aanwezigen getuigden luide zijne onschuld. Toen de koning van Arra-gon zulks vernam, schonk hij hem niet slechts gratie, maar herstelde hem door aanzienlijke voorrechten en gunsten in zijne aangetaste eer.

-ocr page 99-

— 93 —

Aard en wijze om de oefening der negen Dinsdagen ter eere van den H. Antonius te verrichten.

van God, door de verdiensten en de voorspraak zijner heiligen eene genade te bekomen, is vertroutoen vóór alles noodzakelijk, om verhoord te worden: ))Als gij kunt gelooven,quot; zeide de goddelijke Zaligmaker. Hij die gelooft, kan alles. De mensch, die in geloof en vertrouwen wankelt, wordt door den heiligen apostel Jacobus zonder hulp afgewezen, als hij zegt: »Hij »bidde echter door het geloof zonder »te twijfelen ; want wie twijfelt, is ge-«lijk aan de golven der zee, die door «den wind bewogen en rondgedreven «worden; daarom denke zoo iemand »niet, dat hij van den Heer iets zal «ontvangen.quot;

-ocr page 100-

— 94 —

Stel u, om dit geloof in u op te wekken, de uitstekende deugden van den H. Antonius voor oogen; zijne vurige liefde tot God en den evennaaste, zijnen ijver voor het heil der zielen, zijne nederigheid, geduld en zachtmoedigheid, zijne gehoorzaamlieid en armoede, verder de genaden, die hij van Jesus Christus ontving, zijn vertrouwelijken omgang met het goddelijk Kindje, de verbazende wonderen, die hij bewerkt, en de weldaden, die hij voor zoovele duizenden verworven heeft. Stel u, met dit vertrouwen bezield, door eene rouwmoedige biecht in staat van genade, want God verhoort het gebed van den zondaar doorgaans niet. Daarom, ofschoon, gelijk wij later zullen vernemen, de H. Antonius van de hem biddende dame de biecht en de H. Communie niet nadrukkelijk verlangde, werd toch uit hoofde der algemeene

-ocr page 101-

— 95 —

cieelnemingj welke deze oefening der negen Dinsdagen ondervond, ook liet lolïelijk gebruik door de Kerk ingevoerd, dat degenen, die deze oefening verrichten, voor zoover zulks gevoegelijk kan geschieden, alle negen 1 misdagen ook biechten en communiceeren, om zoodoende hun hart van zonden te zuiveren en des te zekerder in hunne bede verhoord te kunnen worden. Recht vrome zielen zijn gewoon, gedurende deze negen Dinsdagen nog werken van boetvaardigheid te beoefenen: zij vasten tot den middag, ofwel versterven zich, indien zulks niet mogelijk is, in iets anders. Zij, die vermogend zijn, geven eene aalmoes of doen andere liefdewerken. Allen echter wonen eene 11. Mis bij, en bidden onder dezelve 13 Onze Vaders en Weesgegroeten, gelijk An-tonius het zelf eens van een zijner vereerders verlangde; zij die lezen

-ocr page 102-

~ 96 —

m

kunnen, bidden het Responsorium, door den H. Bonaventura vervaardigd, de getijden, de litanie: de drie voetvallen of andere gebeden, welke dit boekje bevat, ieder naar verkiezing. Deze oefening moet echter noodzakelijk ondernomen worden met de meest mogelijke onderwerping aan God én reinheid des gewetens, met groote eerbiedigheid, levendig geloof en vurig vertrouwen, en daarbij mag niets anders verzocht of verlangd worden, dan de lof van God, de eer des heiligen en eigen welzijn, in zoover zulks niet strijdt met de belangen onzer ziel.

-ocr page 103-

- Ü7 —

De negen Dinsdagen ter eere van den H. Antonius van Padua.

Oorsprong dezer Godsvrucht.

]||^e negen Dinsdagen ter eere van den H. Antonius zijn eeiie voortreffelijke oefening van godsvrucht, welke over heel de katholieke wereld verspreid is, endoor ontelbare personen met onbeschrijfelijk veel nut wordt verricht, wegens de vele mirakelen en weldaden, welke krachtens de verdiensten van den H. Antonius en door diens voorspraak zijn bewerkt. Te rlien einde worden negen achtereenvolgende Dinsdagen (in noodzakelijke gevallen kunnen zij ook onderbroken worden) uitgekozen, waarop men tot de H.H, Sacramenten nadert, of het beeld van den H. Antonius eerbiedig-bezoekt, en aandachtig eenige gebeden Gaat tot A. 7

-ocr page 104-

— 98 —

verricht, om, door de voorspraak van den heilige, de gevraagde gunst te verwerven. De insteller dezer godsvrucht is de 11. Antonius zelf, gelijk ; uit het volgende blijkt;

In het jaar 1(517 verzocht eene edele dame te Bologna den H. Antonius om eene buitengewone gunst, waarna de heilige in den nacht zich aan haar vertoonde en zeide: «Bezoek gedurende negen Dinsdagen in de kerk van den H. Franciscus mijn beeld, en gij zult verhoord worden.quot; Nauwkeurig volgde zij den raad des heiligen, welke door een ongehoord wonder werd bekroond. Dit ontzettend mirakel verspreidde zich weldra door geheel Italië, en wekte in de harten der geloovigen een zoo groot vertrouwen op den LI. Antonius, dat men in alle geestelijke en lichamelijke noodwendigheden tot de oefening der negen Dinsdagen zijne toevlucht nam, wat

-ocr page 105-

99 —

immer de gelukkigste uitkomst opleverde. Üm de gewenschte genade des te zekerder te erlangen, begon men, behalve het bezoeken zijns altaars en het bijwonen der H. Mis, ook nog andere oefeningen van godsvrucht in te voeren.

tfeo

-ocr page 106-

De eigenlijke oefening der negen Dinsdagen.

Voorwoord.

oe welgevallig aan God ou don H. Antonius de door hem zeiven ingestelde devotie der negen Dinsdagen is, bewijzen de ontelbare en schier dagelijksche wonderen en genaden, waarmede de oneindige God deze oefening bekrachtigt, door de verdiensten zijns getrouwen dienaars.

Men begint de negen Dinsdagen tot eer van God, van \'de negen koren der Engelen en van den H. Antonius:

-ocr page 107-

— 101 —

lo. Met te biechten en te commu-niceeren.

2o. Met het bijwonen der H. Mis aan het altaar van den heilige (men kan ook zelf eene H. Mis op dit altaar laten lezen.)

Üo Met het aandachtig bidden van het Responsorium, de getijden van den heilige, of de litanie enz. Zij, die niet lezen kunnen, bidden hem ter eere 1 \'ó Onze Vaders en Wees ge-groeten .

4o. Met eene versterving, vasten tot den middag of het geven van een aalmoes.

5o. Met minstens eenmaal een waskaars te laten onsteken.

Geen rnensch is er wellicht gevonden, die deze vrome oefening met levendig geloof en vertrouwen op God ondernam, of hij heeft zoo niet de verlangde genade, dan toch iets van veel grooter voordeel ontvangen. (1)

-ocr page 108-

— 102 —

GEBED.

WAARDOOR MEN DEN li. AnTÜNIUS TOT ZIJN BESCHERMER KIEST.

H. Antonius, roemwaardige dienaar en vriend van God! Ik N. N. groet u door het zoet Hart van Jesus, Dien gij in de gedaante van een aanvallig kindje in uwe armen gedragen hebt; ik wensch u van harte geluk met die eeuwige heerlijkheid, welke God u voor altijd verleend heeft; ik dank God uit het binnenste mijns harten voor alle genaden en voorrechten, waardoor Hij u boven anderen heeft

(i) Ten einde deze negemlaagsche oelening en het vertrouwen op den H. Antonius meer ie doen toenemen, heeft Paus Clemens XIII den 28 Maart 1763, op alle Dinsdagen des jaars, hetzij die onderbroken of niet onderbroken met of zonder noveen gevierd worden, telkenmale een vollen aflaat verleend voor degenen, d\'e bij uitstelling van het Allerheiligste Sacrament de kerk der Franciscanen bezoeken en rouwmoedig biechten en communiceeren, en bidden tot intentie van Z H. den Paus.

-ocr page 109-

uitverkoren. Heden kies ik u opnieuw tot mijn beschermer, voorspreker en vertrouwelijken vader, en neeni mij vast voor, u nooit te verlaten, u altijd te vereeren, en niets te doen wat in strijd is met uwe eer. Ik smeek u derhalve, mij voor immer als uw pleegkind aan te nemen; sta mij bij in al mijn doen en laten, en verlaat mij niet in het uur des doods. Amen.

Bij het begin der negen Dinsdagen.

GEBED.

lofwaardige beschermer H. An-tonius! tot meerdere eer van God al-machtigen zijn Moeder, de allerheiligste Maagd Maria, welke Hem negen maanden onder haar maagdelijk hart heeit

-ocr page 110-

— 104 —

gedragen, alsook ter vereering van de negen koren der Engelen, begin ik, het geringste uwer pleegkinderen, heden de negen Dinsdagen, met het vaste voornemen, deze ook trouw te voleinden. — Gij zelf zijt de insteller dezer oefening, dewijl gij eene voorname vrouw, ia haren benarden toestand, aanraaddet, gedurende negen Dinsdagen uw altaar en beeld te gaan bezoeken.

Met deze uw eigen meening vereenig ik de mijne, ik vereer en prijs u, en in u, Dengene, Die wonderbaar in zijn heiligen, u versierd heeft met den luister van altijddurende wonderwerken.

Neem mij, uwen dienaar (uwe dienaresse) en deze mijne oefening genadig aan.

Getrouwe vriend van God ! wees mijn middelaar bij God door uwe allesver-mogende voorspraak. — Verkrijg mij, bid ik u, vergiffenis van al mijne zonden, en opdat ik voortaan de zonden

-ocr page 111-

— 105 —

inijde en God getrouwer diene, ook de genade, die mij in het goede moet versterken en bevestigen. Vraag ook voor mij om lichamelijke gezondheid, zoo die ten minste in \'t belang mijner ziel is; bescherm mij tegen alle zichtbare en onzichtbare vijanden, gevaren en rampen, sta mij vooral bij indezen mijnen nood en verlegenheid, welke u bekend is, en waarom ik voor u op de kniëen deze negendaagsche oefening verricht.

(Geef thans uwe aangelegenheid Ie kennen.) Gij vader, en heilige beschermer, weet het best, wat mij het voor-deeligst is. Laat mij toch, voor zoover liet tot mijn heil strekt dat ik verhoord worde, dekracht uwer voorspraak ondervinden.

O milddadige Jesus! verhoor den H. Antonius, die voor mij bidt, opdat mijn gebed door de kracht zijner verdiensten, verhoord worde, dewijl ik in hem U als den wonderbaren God

-ocr page 112-

— 1 06 —

erken en aanbid, die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.

GEBED

voor den eersten dlnsdag.

Antonius verlaat op löjarigen leej-tijd de wereld en begeeft zich iv het klooster.

jj^jflmachtige God, die uwen getrouwen dienaar Antonius in den bloei zijner jeugd door de stralen uwer genade hebt verlicht, en hem geleerd hebt, den gevaarlijken afgrond der zinnelijke lusten te vermijden, U, ondoorgrondelijke bron van barmhartigheid, smeek ik floor de verdiensten van den H. Antonius, schenk mij de genade, dat mijne ziel liet ijdel genot en de vergankelijkheid van alle aardsche

-ocr page 113-

- 107 —

goederen en vermaken volkomen be-sefie, het rechtmatig gebruik daarvan bij het licht des geloofs, volgens uwen wil en welbehagen, aanwende, en U als het eenigst ware goed met levendig o-eloof en heili^\'e liefde voortdurend moge zoeken en behouden. Besproei, barmhartige God, mijne zondige ziel met de levende wateren der bron, door welke de HL Antonius alle aardsch en zinnelijk genot heeft veracht. Geel, 0 mijn (3od, dat zij, verrukt van he-melsche blijdschap, U alleen zoeke. naar U verlange, ü vinde en in li eeuwig rusten moge. Gij echter, roemrijke vader, I I. Antonius ! helder schitterend voorbeeld aller deugden, veilige toevlucht van alle bedrukte harten, geef gehoor aan mijn ootmoedig gebed, eti verwerf mij van den oneindi-gen God de genade, welke ik zoo vurig verlang; Dit smeek u door de verdien-

-ocr page 114-

— 108 —

sten van uwe onschuldige kindsheid,

Amen.

Onze Vader. — Wees geyroet. GEBED

voor den tweeden dinsdag.

Antonius bereidt zich. door de strengheid. zijns levens voor tot den marteldood.

eeuwige God! Schepper allei dingen, mijn waarlijk hoogste en eenig-ste goed! Ach, konde ik, ellendig schepsel, u naar waarde dankbetuigen voor alle genaden en weldaden, mij naar ziel en lichaam bewezen, voornamelijk voor het kostbare bloed, dat. uw eeniggeboren Zoon in zijn bitter lijden vergoten heeft, om mijne zon-

-ocr page 115-

— 109 - -

den al\' te wasschen en te voldoen voor uwe strenge gerechtigheid. Daar ik echter mijn onmacht erken, neem ik mijne toevlucht tot uwen trouwen dienaar, den H. Antonius en kies hem tot mijn patroon en voorspreker bij uwe onuitsprekelijke barmhartigheid, dewijl hij, door zijn innig verlangen naar den marteldood en ook door de zucht, om zijn bloed voor ü te vergieten, U bijzonder welgevallig was. Daarom smeek ik U ootmoedig, o oneindige God, altijd getrouw in uwe beloften, door de vurige liefde, welke de H. Antonius U toedroeg, door zijne brandende begeerte naar het martelaarschap en door den strengen levenswandel, waardoor hij tot verheerlijking van uwen heiligen Naam, zijn onschuldig lichaam kastijdde, ontsteek mijn hart door uwe goddelijke liefde, opdat de booze begeerlijkheid in mij uitgedoofd worde, en het vuur

-ocr page 116-

der heilige begeerten in mij steeds ontvlamme.

U, glorievolle vader, H. Antonius! martelaar van begeerte, onschuldige boeteling, smeek ik van harte, open ook vooi mij uw hart, en verkrijg mij van mijnen Heer en God den bijstand zijner genade, opdat ik, door de oefening gedurende deze negen Dinsdagen, in mijne aangelegenheid verhoord worde. Dit bid ik u door uw zoo vurig verlangen naai\' de martelaarskroon en de gestrengheid van uw heilig leven. Amen.

Onze Vader, — Wees yeyroel.

-ocr page 117-

— Ill —

GEBED

VOOR DEN DERDEN DlNSDAG.

Antonius begeeft zich met toestemming zijner oversten tot de eenzaamheid, om zich alleen met God bezig te houden.

ü glorievolle Antonius! ijverige navolger der Seraphijnen! om de zinnelijke lusten van dit aardsche leven te overwinnen, koost gij de eenzaamheid tot Paradijs uwer ziel; van de menschen verwijderd, wildet gij slechts met God en zijne heilige Engelen omgaan! o liefderijke patroon, afgezonderd van de schepselen, vereenigdet gij u met uwen Schepper, als hemelburger hier op aarde. — Zie, tot u neem ik mijne toevlucht, verkrijg mij door uwe machtige voorspraak bij God de genade, dat myne ziel, te midden der aardsche beslomme-

-ocr page 118-

— 112

ringen van dit ellendig leven, de ware eenzaamheid vinde, vrij van alle wereld-sclie en zinnelijke aanlokselen, bovenal aandachtig blijve gedurende het gebed en alleenlijk streve naar de eeuwige goederen. Maak tocli, dat mijne ziel al hare gedachten en zinnen moge stellen op God, Hem hare bezigheden opdrage, standvastig op Hembetrouwe, en na den dood met u eeuwig den drieeenigen God moge genieten. Roemvolle vader, H. Antonius! schitterende zon hier op aarde, en helder licht voor hen, die wandelen in dit dal van tranen, ik kom tot u met de ootmoedige bede, wil toch de zuchten van mijn bedrukt hart genadig aanhoo-ren en mijne aangelegenheid bij Jesus door uwe machtige voorspraak steunen. — Hierom smeek ik u, door uw in God verborgen en voorbeeldig leven. Amen.

Onze Vader. — Wees gegroet.

-ocr page 119-

— 118 —

GEBED

voor uen vierden dlnsuag

Antonius verbergt uit diepen ootmoed, de hoof/e wijsheid, hem door God verleend.

Almachtige eeuwige God ! ik loof en zegen U in in uwen trouwen dienaar Antonius. De H. Geest heeft zijne zuivere ziel met de gave eener buitengewone wijsheid en wetenschap vervuld, en hem genadig ingegeven, het hem toevertrouwde talent zorgvuldig zoo lang te verbergen, tot het U zeiven behaagde, het onder de korenmaat der diepste nederigheid verborgen licht, op den kandelaar te plaatsen, en het aan de wereld mede te deelen.

Illt; vereer in Antonius de door uwen geest ingestorte wijsheid, zoo innig verbonden met oprechte nede-Gaat tot A, 8

-ocr page 120-

— 114 —

righeid ; ik loof en prijs u uit het binnenste mijns harten en dank u, dat Gij in hem deze twee prijzenswaardige en zeldzame hoedanigheden van wijsheid en ootmoed zoo volmaakt hebt vereenigd. Daarom bid ik ü, o God, die eeuwig getrouw zijt in uwe beloften, schenk mij de wijsheid uwer heiligen, opdat ik in waren ootmoed, mijne nietigheid erkenne, mij zeiven minachte, het kwade van het goede onderscheide, en U alleen als mijn waar en hoogste goed hier en hiernamaals eeuwig beminnen moge.

U, roemvolle vader, H. Antonius! vat van wijsheid en wonderbare spiegel van ootmoedigheid ! smeek ik met kinderlijk vertrouwen, verkrijg mij de genade, welke ik gedurende deze oefeningen van u verlang. Zoo vele duizenden hebt gij reeds verhoord, o verhoor ook mijn ootmoedig gebed. Dit bid ik u, ter wille der u door

-ocr page 121-

God verleende wijsheid en diepe nederigheid. Amen.

Onze Vader. — Wees gegroet.

GEBED

voor den vijfden dinsdag.

Antonius, door God verlicht, ontdekt de hinderlagen des duivels en maakt hem beschaamd.

O eeuwige Wijsheid, die wonderbaar degenen verlicht, die met een oprecht hart naar U verlangen; die het licht uwer genade in de reine ziel van Antonius hebt uitgestort, waardoor hij alle listen en lagen dei-hel ontdekt en onschadelijk heeft gemaakt, verleen mij, door de verdiensten van uwen heilige, de genade, dat ook mijne, van ijdelheden en kwade neigingen verblinde oogen, door het he-melsch licht bestr aald, de bekoringen en strikken van satan ontdekken, en

-ocr page 122-

— nn —

dat mijn hart alle hoovaardij der wereld en des vleesches, door de macht van uwen allerheiligsten Naam, kloekmoedig moge overwinnen. Ik hid U, o liefderijke God, dooi\' de verdiensten van den H, Antonius, geef toch, dat ik door de ingevingen des duivels en de lusten mijner zinnen niet van den weg der deugd worde afgeleid. Bevestig mij steeds, o Heer, in uwe heilige vrees, laat haar door dringen in het binnenste mijns harten, opdat ik uwer barmhartigheid waardig worde, en U eens met den H. Antonius in eeuwigheid moge loven en prijzen.

U, roemvolle vader, B. Antonius, luisterrijke overwinnaar der hel, bid ik, zie op mij, uw onwaardig pleegkind neder, help mij in mijne aangelegenheid en verkrijg voor mij de gewenschte genade.quot; Daarom smeek ik u, door de heerlijke zegepraal,

-ocr page 123-

— 117 —

welke lt;i,ij op de vijanden uwer ziel behaald hebt. Amen.

Onze Vader. — Wees gegroet.

GEBED

voor den zesden dinsdag.

Anlonius, steeds volhardend in het gebed, verkrijgt de wonderbare macht um alles van God te verwerven.

O oneindig barmhartige God, gij hebt aan het gebed van uwen die-naai\' Antonius, tijdens zijn leven zulk eene macht verleend, dat het voor uw allerheiligst aanschijn nimmer zonder uitwerking is gebleven. Zoo dikwijls Antonius U aanriep, hebt Gij hem genadig verhoord. Ik bid U, o goedertierene God, door alle genaden, waarmede gij uwen dienaar vervuld hebt, alsook door de vurige godsvrucht, waarvan hij steeds tijdens het gebed

ll

-ocr page 124-

— 118 —

doordrongen was, schenk mij in het gebed levend geloof, kinderlijk vertrouwen en volkomen aandacht, opdat ik verdiene in mijne aangelegenheden door U verhoord te worden. Let niet op mijne lauwheid en verstrooidheden, maar op de vurigheid, waarmede An-tonius tot U bad, en altijd gehoor bij U vond.

U, roemvolle vader, 11. Antonius, bid ik met kinderlijk vertrouwen, verkrijg mij waren ijver in het gebed en bijzonder die genade, waarom ik u reeds in het begin dezer oefening gebeden heb; o laat mij niet onverhoord heengaan van uw beeld. Hierom smeek ik u, door dat heilig vuur van innige vereeniging met God, waarmede uw gebed tot den troon des Almachtigen opsteeg. Amen.

Onze Vader. — Weesgegroet,

-ocr page 125-

— 119 —

GEBED

VOOR DEN ZEVENDEN ÜINSUAG.

Anlonius verkondigt het woord Gods met onvermoeiden zielenijver, en bekeert ontelbare zondaren en ketters.

O Almachtige en sterke God, uwe stem is van oneindige kracht en sterkte; zij verbrijzelt rotsen, velt cederboomen, ontsteekt de harten in vuur, en doet woestijnen sidderen. Deze kracht en sterkte hebt Gij uwen dienaar Antonius medegedeeld, opdat hij door de verkondiging van uw heilig woord, de hooge ceders in hunne hoovaardij vernederen, het vuur der kwade begeerlijkheid uit-dooven, en de trage harten in heilige vreeze zou ontsteken. U alleen zij roem en eer. Schenk mij echter

-ocr page 126-

— 120 —

o God van barmhartigheid, door de voorspraak van den H. Antonins, de vergeving mijner zonden en eene volmaakte bekeering.

Dit smeek ik U door zijn brandenden zielenijver, waarmede hij zooveel duizenden zondaars en ketters tot U bekeerd heeft ; geef, o mijn God, dat ook mijn hart de boosheid der zonden erkenne, de bedrevene door oprecht berouw en boetvaardig-lieid uitwissche, en voortaan niet meer zondige.

U, roemvolle vader, H. Antonius, die zoovele zondaars en ketters tot God hebt teruggevoerd, bid ik ootmoedig, schenk mij slechts een enkele vonk van het heilig vuur, \'dat voor het heil der zielen in u brandde, opdat ook mijne ziel van ganscher hai\'te zich tot God moge bekeeren. Om deze en de reeds voornoemde genade bid ik u door uwen gloeien-

-ocr page 127-

. - 121 -

den zielenijver en de kracht, door God aan uwe woorden verleend, om de zondaars te bekeeren. Amen.

Onze Vader. — Weesgegroet.

GEBED.

VOOR DEN ACHSTEN DlNSDAG.

Antonius gaat vertrouwelijk om met het goddelijk Kindje, en wordt met genaden en liemelsche zoetheden vervuld.

O Jesus, luister des hemels, vreugde der Engelen, zalige troost der menschen, hoop aller schepselen, hoogste goed en eenig voorwerp, dat de harten kan bevredigen; in Antonius hebt Gij gevonden, wat Gij verlangdet. Zijne voorbeeldige deugden deden U van den hemel naai\' de aarde afdalen, en legden U in de gedaante van een aanvallig Kindje op zijn kuische armen neder,

-ocr page 128-

— 122 —

O onbegrijpelijke genade! o onuitsprekelijke waardigheid ! ik bid U door deze liefde, waardoor het uw vermaak is, met de kinderen der menschen te zijn, dat mijne ziel van al het aardsche ontdaan, zich in U alleen moge verheugen. Wees Gij mij mijn troost, mijne hulp en eenige toevlucht in leven en dood, en mijne vreugde, gedurende de gansche eeuwigheid .

U echter, o roemvolle vader, H. Antonius, vlekkelooze spiegel der zuiverheid, onschuldige en eenvoudige duif, vreugde van het Kindje Jesus, bid ik, door de zoetheid, waarmede uwe ziel overladen werd, toen gij liet goddelijk Kindje Jesus uit den schoot der H. Moeder tot uwe armen zaagt afkomen, en door die verrukkelijke oogenblikken, toen het u met zijne teedere handjes omhelsde en liefkoosde, wees mijner indachtig bij

-ocr page 129-

— 123 —

den lieven Jesus, dien gij thans in alle eeuwigheid van aanschijn tot aanschijn omhelst en aanschouwt; beveel ook Hem mijn lichaam en zondige ziel aan. Verkrijg mij de genade, waarom ik zoo vurig bid. Amen.

GEBED

voor den negenden dinsdag.

Antonius ster/t een zaligen dood en bewerkt tallooze wonderen.

Almachtige God, trouwe belooner van het goede. Gij hebt U gewaar-digd, uwen trouwen dienaar Antonius, nadat hij onvermoeid in uwen wijngaard gearbeid, een groot aantal ketters tot uwe H. Kerk teruggebracht en duizenden van zondaars tot boetvaardigheid en bekeering gebracht had, door een zaligen dood tot de eeuwige belooning te roepen, Gij hebt

-ocr page 130-

— 124 —

uwen ootmoedigen dienaar, o mijn God. bij zijn intrede ten hemel, verblijd met uwe heilige tegenwoordigheid, en zijne gezegende ziel onder uwe bescherming gesteld, haar verheven tot het koor der martelaars van begeerte, en zijn lichaam ter vereering gesteld voor de gansche wereld ! Dooi- dezen zaligen dood van den H. Antonius, bid ik U, o mijn God, verleen mij in uwe onuitsprekelijke barmhartigheid de genade, om tot het einde toe, standvastig in het goede te blijven volharden. Zend mij alsdan uwen dienaar Antonius te gemoet, opdat hij met mij strijde tegen de bekoringen en in den doodsangst mij trooste, mijne ziel onder uwe hoede stelle, en haar rein etj onbevlekt aan uw heilig aangezicht moge vertoonen.

U, o roemvolle vader, H. Antonius, bid ik, verkrijg mij van God dooi

-ocr page 131-

— 125 —

uwen verdienstelijken dood, de ver-hooring mijner tijdelijke aangelegenheid en de genade, om eens in uwe tegenwoordigheid gelukkig te mogen afsterven. Amen.

Onze Vader, — Wees gegroet.

GEBED

ALS MEN NOG NIET VERHOORD TS GEWORDEN.

Als ik in mijnen rampspoed den Heer aanriep, heeft Hij mij, ter wille mijner ongerechtigheden, nog niet verhoord. O Heer Jesus Christus, hoe lang zal ik nog tot U roepen en zult Gij mij niet verhooren? Hoe lang zal ik zuchten, en zult Gij mij niet helpen ? Ook u, H. Antonius, heb ik aangeroepen, om uwe voorspraak ; doch om het rechtvaardig oordeel Gods, heb ik de genade, waarom ik

-ocr page 132-

— 136 —

zoo dringend bij u aanhield, niet kunnen verkrijgen.

O goedertieren Jesus, het is mij leed, dat ik U, het opperste goed, dat ik boven alles vvensch te beminnen, ooit beleedigd heb. O Jesus, vergeef mij al mijne zonden en geef mij de genade, het kwade te vermijden, en standvastig in het goede te volharden ; ik neem mij nu vast voor, U nimmer meer te beleedigen. O liefderijke Jesus, sterk dit mijn voornemen, daar mijne zwakheid U volkomen bekend is.

O H. Antonius, vereenig uwe vooi\'-spraak met mijn gebed, want dan hoop ik met zekerheid door God verhoord te worden, als ik van al mijne zonden gezuiverd, toegang vind bij Jesus, mijn liefdevollen vader. O allerzoetste Jesus, ontferm U mijner, en verhoor mij in mijne aangelegenheid door de verdiensten van den H. Antonius Amen.

-ocr page 133-

— 127 —

DANKBETUIGING

VOOR ONTVANGEN GUNSTBEWIJZEN.

Toen ik in mijnen rampspoed tot den Heer verzuchtte, heeft Hij mij verhoord, omdat gij, o trooster der bedrukten, H. Antonius, bij den Vader der barmhartigheid voor mij gebeden hebt. — Nu ondervind ik, dat niemand God te vergeefs aanroept, als Antonius voor hem bidt. Hoe liefdevol hebt gij mij getroost, dat ik door uwe hulp datgene verkregen heb, waarom ik bad. Van ganscher harte bedank ik\' u, zoowel voor deze genade, als voor alle mij bewezene weldaden. Uit dankbaarheid geef ik mij geheel aan u; neem mij voor altijd als uw pleegkind aan, en leer mij steeds in alles den heiligen wil van God volbrengen. O aller milddadigste Jesus, kroon uwer Heiligen! Wie hen vereert, vereert ook U. Ik verheerlijk U in uwen

-ocr page 134-

— 128 —

belijder Antonius, door wiens voorspraak Gr ij mij verhoord en de ontvangen weldaad bewezen hebt. Behalve deze genade, liefdevolle Jesus, smeek ik U dringend om de genade der volharding in uwen dienst tot aan mijnen dood, opdat ik waardig worde, van U, o Jesus, die troostvolle woorden te vernemen : Welaan, gij goede en getrouwe knecht, treed binnen in de vreugde uws Heeren. Amen.

Beroemd Responsorium

tep eepe van ieo H. htonius van Paiua,

door den H. Bonaventura vervaardigd.

Den 18den April 1263, dus 82 jaren na den dood en de begrafenis van den 11. Antonius, woonde de H. Bonaventura, als generaal der orde,

-ocr page 135-

— 129 —

de plechtige opgraving van het gebeente des heiligen te Padua bij. Toen men de tong van den H. An-tonius nog geheel frisch, rood en ongeschonden bevond, nam de H. Bonaventura haar in zijne handen en sprak : »O ge zegende tong, die God altijd geloofd hebt, en anderen leerdet Bern te prijzen ; helder blijkt het thans hoe qroot uwe verdiensten zijn bij God.quot; — Vervolgens kuste hij die heilige tong, en werd zoozeer tot de vereering van den H. Anto-nius gedreven, dat hij er slechts op bedacht was, om diens wonderen naar waarde te vermelden. En als hij dan, in verrukking opgetogen, gereed was om den lof van den H. Antonius in zijn wonderen te beschrijven, voelde hij, hoe de pen tusschen zijne gewijde vingeren zich als van zelf bewoog, en onder Gods leiding, schreef nu zijn Gaat tot A. 9

-ocr page 136-

_ 130 —

hand het beroemde Responsorium van den H. Antonius neder :

RESPONSORIUM.

Wilt gij miraak\'len zien: (wat alie

menschen duchten) En dood, en ketterij en ongelukken

(vluchten ; De helsche vijand wijkt, melaatsch-

(heid zelfs vergaat ; Geen krankheid, die haar prooi niet

(ras gezond verlaat. R) l)e zeeën vlieden heen, van over-

(stroomde landen, De boeien laten los aan sterk geknelde

handen.

Geen lidmaat ooit zoo dor, niets, wat

(verloren ging, Dat jong en oud die bad, niet weder

(t\'rug ontving, Het grimmigste gevaar, ja, elke nood (moet wijken.

-ocr page 137-

— 131 —

Dat hij, die \'t ondervindt, uit alle

(land en rijken. Hier eiken twijfel wraak, en luide

(en openbaar Met Padua \'t verhaal, getuigend al te

(gaar.

R) De zeeën vlieden heen van overstroomde landen, enz. Eere zij den Vader, den Zoon en

den H, Geest, enz.

R. De zeeën vlieden heen van over-

(stroomde landen, enz. V. Bid voor ons, o H. Antonius! R. Üpdat wij waardig mogen worden de beloften van Christus.

GEBED.

Laat o God, uwe Kerk zich verheugen in de dankbare en betrouw-volle!; herinnering aan uwen zaligen belijder Antonius, opdat zij door gees-

-ocr page 138-

— 182 —

t.elijke hulp, te allen tijde beschermr] en waardig gemaakt worde, om eenmaal de eeuwige vreugde te genieten, door Christus onzen Heer. Amen.

AANMERKING. Telkens 100 dagen aflaat. Wie dit Responsorium gedurende eene heele maand dagelijks bidt kan op een dag der maand naar verkiezing een vollen aflaat verdienen onder voorwaarde van te biechten te Communiceeren en eene kerk of openbare bidplaats te bezoeken, om er te bidden tot intentie van Zijne Heiligheid (Pius IX, 25 Januar 1866).

-ocr page 139-

— 138

Kleine getijden

ÏAI DEI i AiTaiiis m pioyn.

DE METTEN.

De Zegen van den H. Antonius. ~

Ziet het kruis des Heeren ; vlucht, gij weerspannige partijen, de leeuw uit het geslacht van Juda, de wortel van David heeft overwonnen Alleluja. V, Heer, open mijne lippen, R. En mijn mond zal uwen lol verkondigen.

V. God, geeft acht op mijne hulp. R. Heer, haast U, om mij te helpen (Van Septuagesima tot Paschen zegt men in plaats van Alleluja: Lof\' zij U, Heer, Koning der eeuwige heerlijkheid /)

-ocr page 140-

— 184 —

Lofzang.

Bij \'t vernemen van de mare, Dat een Minderbroeder-schare,

Vijf in tal als raart\'laar sneeft, En voor Jesus \'t leven geeft.

Wordt hij aanstonds Minderbroeder, Draagt zich op aan d\' Albehoeder, En met \'t woord Gods in de hand. Snelt hij naar der wilden strand.

Geef, o Jesus, vol genaden,

Groot in macht en groot in daden, Dat Anton ins altijd.

Ons door zijn gebed bevrijd\'.

Antiphoon.

O wonderbare Held van Spanje, schrik der ongeloovigen, nieuw licht van Italië, kostbaar pand van Padua verkrijg voor ons. Antonius, de bescherming der genaden van Christus,

-ocr page 141-

— 135 —

opdat wij den korten tijd, die ons vergund wordt, niet vruchteloos laten voorbij gaan.

Dat alle kinderen des Heeren zich verblijden.

Dat zij den lof van den H Anto-nius alom verbreiden.

GEBED.

ü God, die door de H. Kerk wonderbaar genoemd wordt in uwe heiligen door wier voorspraak zij bijstand gevoelt in alle dingen, verleen ons, dat wij, die in den naam van uwen zaligen belijder Antonius vergaderd zijn, mogen verkrijgen, wat wij verzoeken; opdat wij in alle voorvallen beschermd wordende, nimmer ophouden U te loven en te danken, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer. Amen.

-ocr page 142-

— 136 —

De Pr[men,

God, geef acht op mijne hulp,

Heer, spoed U, om mij te helpen. Eere zij den Vader, enz.

Lofzang.

Hij verdrijft de ketterijen,

Met het woord Gods te verblijden. Breek der helle kerkerslot, En bevrijdt fle Bruid van God

Geef, o Jesus, vol genaden,

Groot in macht, en groot in daden

Dat Antonius altijd

Ons door zijnn gebed bevrijd\',

Antiphoon.

Door wonderteekenen, die van Gods

[macht getuigen, Dnet hij het ongeloovig volk zich [geloovig nederbuigen,

-ocr page 143-

— 137 —

Voor God, zijn Heer, wiens dierb\'re

[Bruid, hun lastermond, Door hun vermeten taal, zoo dikwerf

[had gewond. Ontwaak, H. Antonius tot onze hulp. Verlos ons van alle zichtbare vijanden.

GEBED.

O, God, die uwen H. belijder Antonius, zulk een uitmuntenden verkondiger van uw woord gemaakt, en de H. Kerk door zijne zalige leering zoo wonderbaar verblijd hebt, verleen ons genadig, dat wij, hetgeen hij ons met woerden en werken geleerd heeft, door zijne voorspraak getrouw mogen navolgen, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer. Amen.

De Terttcn.

God, geel aebt op mijne hulp.

-ocr page 144-

Heer, spoed U, om mij te helpen. Eere zij den Vader, enz.

Lofzang.

Water\'n vloeien uit de steenen,

Hard versteende harten weenen. Als zijn tong, die honig vloeit, Hem met \'s hemels dauw besproeit. Geet, o Jesus, vol genaden,

Groot in macht en groot in daden. Dat Antonius altijd,

Ons door zijn gebed bevrijd\'.

Anïiphoon.

Hij dorstte steeds naar U; o God,

[en placht te waken, Van \'t eorste morgenlicht, in uwe

[dienst en zaken; Gij wildet, dorstend aan het kruis,

[dan voor hem zijn Een helderschijnend licht, een levende

[fontein.

-ocr page 145-

— 139 —

Doe door uwe verdiensten, allerrnin-

[nelijkste Antonius, Onze harten in de liefde van Chris-[tus smelten.

GEBED.

Stort, allerliefste Jesus, den vruchtbaren regen uwer liefde overvloedig over onze dorre hartén uit, en zuiver ze door de voorspraak van den H. Antonius van alle vlekken der zonden. Gij die leeft en heerscht met den Vader en den H. Geest in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

De Sexten.

God, geef aciit op mijne hulp.

Meer, spoed U, om mij te helpen. Eere zij den Vader enz,

-ocr page 146-

— 140 —

Lokzang.

Hij had altijd in zijn leven,

\'t Heilig kruis in \'t hart geschreven, Droeg dit teeken in zijn ziel. Dat hem nimmer lastig viel.

Geef, o Jesus, vol genaden.

Groot in macht en groot in daden, Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd\'.

Antiphoon.

Looft, schepselen, den Heer, die uit

[de hemelzalen, Zijn mil den zegen op u allen neer

[doen dalen. En uwe hoop beloont door \'t onwaardeerbaar goed, Dat door Antonius, Hij voor u allen

[doet.

Dat allen zich verheugen en verblijden,

-ocr page 147-

__141 —

Die door Antonius tot den schoot [der H. Kerk gebracht zijn.

GEBED.

O God, voor wiens aanschijn de hemelen zelfs niet zuiver zijn, sla een oog van genade op ons, wier vlekken Gij door het dierbaar bloed van uwen eenigen Zoon, gewaardigd hebt af te wasschen, en vergun ons, dat wij door de voorspraak van den H. Antonius, zóó door de tijdelijke goederen mogen wandelen, dat wij met onzen geest altijd naar U en naar de eeuwige goederen wenschen en verlangen mogen, door denzelfden Jesus Christus, die met U en den H. Geest leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

De Nonen.

God, geef acht op mijne hulp.

Heer, spoed U, om mij te helpen.

Eere zij den Vader, enz.

-ocr page 148-

— 142 —

Lofzang.

Zijne ziele wordt ontboden,

En in die fontein verslonden,

VViuir zij nu in vrede rust.

Keuwig barer) dorst aan blusclit.

Geef, o .fesus, vol genaden.

Groot in macht en groot in daden,

Dat Antonius altijd

Ons door zijn gebed bevrijd\'.

Antiphoon.

Verbeug u, Padua, in wiens vei blijde

[staten.

De Heer zulk een schat heeft in be-

[zit gelaten, En dat de goede God u beeft geopenbaard, In welk een schoon altaar bij dient

[te zijn bewaard. De heilige verheugt zich in zijne

[heerlijkheid, Hij verblijdt zich in zijne rustplaats.

-ocr page 149-

— 143 —

GEBED.

Laat, o genadige God, uwe H. Kerk zich verheugen in de voorspraak van uwen H, belijder Antonius, opdat zij door geestelijke hulp te allen tijde gesterkt en waardig gemaakt worde om eenmaal de eeuwige vreugde te genieten, dooronzen Heer Jesus Christus die met U leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes in alle eeuwen.

Amen.

De Vespers.

God, geef acht op mijne hulp.

Heer, spoed U, otn mij te helpen. Eere zij den Vader, enz.

Lofzang.

Toen hij zalig was gestorven,

Is zijn stofi\'lijk deel bedorven;

Maar zijn tong, Gods lof gewoon. Bleef onbedorven en zeer schoon.

-ocr page 150-

_ 144 —

Antiphoon.

O zegenrijke tong, die zongt den lot

[des Heeren, En ook denzelfden lof den menschen

[placht te leeren, Wij zien nu zonneklaar, door zulk

[een wonderdaad. Op wélk oen hoogen trap gij in Gods [achting staat.

Gezegend zij de H. Antonius, wien de Allerhoogste in den hemel met zijne heerlijkheid gekroond heeft.

GEBED.

Verhoor ons, o God, onze Zaligmaker, opdat wij door de voorspraak van den B. Antonius, uwen belijder, den H. Geest, dien gij beloofd hebt aan allen, die Denzelven vragen, heden door zijne verdiensten waardig mogen worden te ontvangen, dien zaligmakenden Geest, die met U en

-ocr page 151-

— 145 —

den Vader leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.

De Completen.

Bekeer ons, God, onze Zaligmaker, En wend uwen toorn van ons af. God, geef acht op mijne hulp,

lieer, spoed U, om mij te helpen. Eere zij den Vader, enz.

Lofzang.

Wil aan uwe dienaars geven, Zoo gestorven, als die leven,

Door uw voorspraak vol van kracht, \'t Goed, waar iedereen naar wacht.

Geef, o Jesus, vol genaden,

Groot in macht en groot in daden. Dat Antonius altijd Ons door zijn gebed bevrijd\'.

Antiphoon.

Nu is hij deelgenoot der hemelvreugd geworden. Gaat tot A. 10

-ocr page 152-

— 146 —

Van t\' zalige getal der Vaders van

(zijn orde, Wier leven hij hier had beoefend

(met de daad. Zie, welk een kroon de deugd haar (minnaars achterlaat.

GEBED.

Goedertieren Jesus, die uwen belijder, den H. Antonius, met gedu-rigen luister van wonderteekenen versiert, verleen ons genadig, dat wij, hetgeen wij met vertrouwen door zijne verdiensten verzoeken, door zijn voorbede mogen bekomen. Die leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen.

Amen.

Opdracht.

Antonius, neem de getijden,

Die \'k u ter eer bied, toch aan. Ik wil uw dienaar zij voortaan. Wil door uw macht mijn ziel bevrijden,

-ocr page 153-

— 147 —

Haar steeds beschermen irdennooH, Vooral in \'t uur van mijnen dood, Wanneer zij zal van \'t lichaam

[scheiden ; Geef, dat zij op dien laatsten dag U tot haar leidsman vinden mag, Die haar met liefde zult geleiden. Door uw hulp en aau uw hand Tot in \'t hemelsch Vaderland. Ach, toon ook, bid ik uw vermogen Aan hen, die nog in kwelling zijn ; Toon aan die zielen Gods aanschijn, Opdat ze in vrede rusten mogen. Verkrijg van Gnds barmhartigheid Voor haar de volle zaligheid.

-ocr page 154-

7

— 148 —

De drie voetvallen ter eere der allerheiligste Drievuldigheid.

Eerste voetval.

\\

U allerheiligste en gezegende Drie-ëenheid! voor liet altaar van het aller-lerheiligsle Sacrament, waar liet waarachtig lichaatn en bloed van ,]esuflt; Clmstus tegenwoordig is, val ik voor tl neder, in vereeniging met de brandende liefde van den H. Antonius. waarmede Gij hem tot het genot uwer eeuwige aanschouwing hebt uitverkoren, en waardoor hij U reeds vóór de schepping der wereld welgevallig is geweest, en zulks in eeuwigheid zijn zal. — Lof en heerlijkheid, wijsheid en dank, eer, macht en sterkte zij onzen God van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Onze Vader. — Wees gegroet.

-ocr page 155-

— 149 -

Tweede voetval.

U allerheiligste en gezegende Drievuldigheid! ik val U te voet, in veree-niging met de groote liefde, waarmede uw dienaar Antonius door de veree-ring uwer Godheid, uw goddelijk Hart zoo innig tot zich trok, dat. hij den menschen door hetzelve dien overvloediger) stroom van bovennatuurlijke gunsten en genaden kan verwer-ven en mededcelen, waardoor uw lof en ile vereering van den H. Antonius dagelijks toeneemt. Deswege zij U, o verheven Groil, lof en heerlijkheid, wijsheid en dank, eer, macht en sterkte zoo van mij als van al uwe schepselen, in den hemel, op de aarde en onder lt;ie aarde van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Onze Vader. - Wees ueyroel.

-ocr page 156-

— 150 —

Derde voetval.

O allerneiligste, gezegende Drievuldigheid, door dezen voetval wensch ik al datgene aan te vullen, wat de H. Antonius op aarde ter bevordering uwer eer en van den bloei des geloofs uit menschelijke onmacht niet heeft kunnen bijbrengen, en zulks in vereeniging met die hemelscbe godsvrucht, liefde en ootmoedigheid, waarmede hij zelf\' dit zou volbracht hebben, als hij nog op aarde leefde, en het doorzicht had, dat hij thans in den hemel heeft.

Deswege zij U, o verheven God, lof en heerlijkheid, wijsheid en dank, eer, macht en sterkte, zoo van mij als van al uwe schepselen,\' in^den hemel, op de aarde en onder de aarde, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Am,

Onze Vader. — Wees gegroet.

-ocr page 157-

— 151 —

Sluitgebed.

Ü getrouwe en beminnenswaardige beschermer, H. Antonius, ik bid , U, door het allerheiligst Hart van onzen Heer Jesus Christus, waarin Hij al de wonden zijns lichaams heeft geleden, doe mij nu ondervinden, hoe machtig gij thans zijt voor het aanschijn Gods — Doe mij met zekerheid in mijnen kommer op verhooring hopen, opdat ik met allen, die U in hunen nood aanroepen, blij te moede, zeggen kan: Inderdaad, de oneindige God leeft en heerscht in zijnen trouwen dienaar den H. Antonius, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Uwe gezegende tong, H. Antoni-us, die steeds Gods lof verkondigde en anderen hiertoe aanspoorde, zij in eeuwigheid geprezen. — Nu blijkt het zonneklaar, welke groote verdiens-

-ocr page 158-

— 152 —

ten gij verworven hebt bij God, dewijl dezelve, twee en dertig jaren na uwen dood, gansch schoon, rood en frisch bevonden werd, en tot heden te Padua ongeschonden wordt vereerd.

-ocr page 159-

— 153 —

Litanie

TER EERE

nu [len H. Antoiiius tao Padua.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U ornzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons. God hemelsche Vader, ontferm U onzer.

God Zoon, Verlosser der wereld,

ontferm U onzer.

God H. Geest, ontferm U onzer. Allerheiligste Drievuldigheid, één

God, ontferm U onzer,

Heilige Maria, \\

Heilige Moeder Gods, 1 S

Heilige Maagd der maagden, f lt; Heilige Antonius, \\ §

Heilige Antonius, gelrouwel o dienaar der allerheiligstel ^ Maagd Maria, J

-ocr page 160-

— 154 —

Heilige Antonius, navolger der

Apostelen,

Heilige Antonius, luister der

Seraphijnsche orde,

Heilige Antonius, voorbeeld van

kinderlijke godsvrucht.

Heilige Antonius, grootmoedige verachter der wereld. Heilige Antonius, ielie der zuiverheid,

Heilige Antonius, vriend der

armoede,

Heilige Antonius, voorbeeld der

christelijke ootmoedigheid, Heilige Antonius, onderdanig oller

van gehoorzaamheid.

Heilige Antonius, spiegel der

matigheid.

Heilige Antonius, vat van zuiverheid.

Heilige Antonius, schitterende ster van heiligheid,

-ocr page 161-

— 155 —

Hetlige Antonius, roos van geduld,

Heilige Antonius, steunpilaar

der Kerk,

Keilige Antonius, arke des

verbonds.

Heilige Antonius, leeraar der

waarheid,

Heilige Antonius, verkondiger

der genade.

Heilige Antonius. uitroeier der

misdaad,

Heilige Antonius, schrik der

ongeloovigen.

Heilige Antonius, geesel dei-ketters,

Heilige Antonius, ij veraar der zielen.

Heilige Antonius, schrik der hel. Heilige Antonius, opwekker

der dooden.

Heilige Antonius, troost der bedroefden,

-ocr page 162-

— 156 —

Heilige Autonius, verdediger

«Ier rechtvaardiger),

Heilige Antonius, groote lieveling van het kindje Jesus, Heilige Antonius, terugvinder

van verloren zaken.

Heilige Antonius, helper in alle noodwendigheden en gevaren.

Heilige Antonius, trooster in

eiken rampspoed,

Heilige Antonius, machtige voorspreker in het uur des doods,

Heilige Antonius, voortdurende

wonderwerker.

Heilige Antonius, trouwe vader en beschermer,

Wees genadig, spaar ons, o Heer ! Wees genadig, verhoor ons o Heer ! Van alle kwaad, verlos ons o Heer! Van alle zonden, verlos ons o Heer !

-ocr page 163-

— 157 —

Vati uwe gramschap,

Van de hinderlagen les duivels, Van pest, hongersnood en oorlog,

Van o verstrooiing en brandschade,

Van bliksem en on weder, / lt; Van den eeuwigen dood, ^ %

Door de verdiensten en de voorspraak van den H. Antonius,

Door /,ijne vurige liefde,

Door zijnen ijver in het be- /

keeren der zondaren, 1 S

Door zijne begeerte naar den

marteldood.

Door zijne stipte onderhouding van armoede, gehoorzaamheid en zuiverheid,

Door alles, waarmede hij U welgevallig is geweest.

Op den laatsten dag des oordeels, verlos ons, o Heer !

-ocr page 164-

— 158 —

Wij zondaren, wij hidden U, verhoor ons !

Dat gij ons .wilt^sparen.

Dat Gij ons . tot ..ware boetvaardigheid wilt brengen,

Dat Gij het vuur quot;der goddelijke

liefde in ons wilt ontsteken, ) ^ Dat Gij onze harten tot he- lt;-quot; tnelsche begeerten wilt op-wekken. i cdquot;

Hat Gij ons wilt deelachtig \'l maken aan de verdiensten en de voorspraak van den 1 ^ H. Antonius, 1 oquot;

I O

Dat Gij ons een volmaakt be- f ^ rouw, ootmoed en de genade l § der o verwegin g wil t verleen en Dat Gij allen, die Antonius aanroepen, het behoud naar ziel en lichaam wilt verleenen.

Dat Gij na den dood onze zielen in genade wilt opnemen, wij bidden U, verhoor ons!

-ocr page 165-

— 159 —

Zoon Gods, wij bidden U, verhoor ons!

Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, spaar ons Heer! Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, verhoor ons Heer! Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer, Heer! Christus, hoor ons!

Christus, verhoor ons!

Onze Vader, Wees gegroet.

v. Bid voor ons H. Antonius, R. Opdat wij waardig worden der beloften van Christus.

GEBED.

Beminnelijkste Jesus, die uwen belijder, den H. Antonius met gedurigen luister van wonderteekenen versiert, verleen ons genadig, dat wij. door zijne verdiensten en _ voorspraak datgene verwerven, wat wij vol var-

-ocr page 166-

— 160 —

trouwen van ü vragen, die met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht in eeuwigheid. Amen.

-O---

Godvruchtige gebeden tot den H. Antonius in allerlei aangelegenheden.

gelijk ze verval zijn in het Responsorium van den H. Bonaventuui.

T. DOOD.

Gebed voor een gelukzaligen dood.

O, H. Antonius, overwinnaar des doods, die door uw allesvermogende voorspraak bij God velen dooden het leven des lichaams maar nog meer

-ocr page 167-

— 161 —

aan geestelijke dooden het leven der ziel hebt teruggegeven, bewaar door den invloed uwer verdiensten en uwe machtige voorspraak mijn lichaam voor een haastigen dood, mijne ziel echter voor den eeuwigen dood, opdat Jesus, mijn eenig leven, nimmer in mij sterve.

O heilige vader, welke groote gevaren staan mij in den laatsten strijd te wachten, als de smarten des doods mij zullen omgeven, en de hel tegen mij zal samenspannen. Ach, sta mij dan bij, en geef door uwe voorspraak dat Jesus, de toevlucht der stervenden, en zijne heilige Moeder mij ter zijde staan, opdat ik door hunne bescherming de vijanden gelukkig over-winne, en na behaalde zegepraal de eeuwige rust moge ingaan.

Ontferm u ook, o doodenopwek-ker, H. Antonius, over de geloovige zielen, vooral over die mijner ouders, Gaat tot A. 11

-ocr page 168-

— 162 —

vrienden en weldoeners, welke zich misschien nog in het pijnlijk vagevuur bevinden; bid voor hen, opdat zij weldra eeuwig Gods aanschijn in den hemel mogen genieten. Amen.

II. DWALING.

Gebed om in het wart; geloof te volharden.

O H. Antonius, liefderijke leeraar en licht der H. Kerk, beminnaar der goddelijke wet. bid voor ons bij den Zoon Gods, dat wij voortdurend in het geloof mogen volharden en met uwen bijstand datgene volbrengen, wat gij door woorden en werken hebt geleerd.

H. Antonius, gij hebt onwetenden den weg getoond, en de afgedwaalden door oprechte boetvaardigheid tot God teruggebracht; verleen ook mij door uwe voorspraak, eene onover-

-ocr page 169-

— 163 —

winnelijke standvastigheid in het geloof; help degenen, die door ongeloof van Christus, den éénen en waren weg, zijn afgeweken, verlicht den nevel van hun verstand, verbreek de hardnekkigheid van hunnen wil, opdat zij in den schoot der alleen zaligmakende kerk terugkeeren, en aan de hel ontrukt worden. Amen.

III. ANGST.

Gebed in nood en angst.

A.ch, in hoevele kwellingen bevindt zich toch de ellendige mensch ! H. Antonius, milde vertrooster aller bedrukten, gij ziet in God de droefheden en angsten, welke ik lijd ; zoudt gij mij niet te hulp willen snellen ? — Gij troost toch allen, die tot u hunne toevlucht nemen, zoudt gij mij alleen zonder hulp laten ? O neen, ik weet het, gij verlaat ook mij niet, daarom roep ik tot u vol

-ocr page 170-

— 164 —

vertrouwen en ootmoedig van harte, wil mij in mijn angst en nood niet verlaten. O goedgunstige H. Anto-nius, aanschouw mij en alle bedrukten met die medelijdende oogen, waarmede gij altijd gewoon zijt neer te zien op de benarde stervelingen. Troost der bedroefden, help de on-gelukkigen; beur de droefgeestigen op, kom ons te hulp in alle angsten en kwellingen, en voer ons eens uit dit tranendal naar die stad, waar de liefdevolle Heiland en Verlosser Jesus van de oogen zijner heiligen alle tranen afdroogt. Handel Gij, o goedertieren Jesus, met mij volgens de mildheid Uwer ontferming, gelijk U dunkt, dat nuttig en heilzaam is voor mijne ziel. Wilt Gij, dat ik lijde, het geschiede volgens Uwen heiligen wil. Schenk mij nu slechts geduld, en hiernamaals de eeuwige vreugde. Amen.

-ocr page 171-

— 1(55 —

IV. HEL.

Gebed tegen de bekoring en der hel.

O Heer Jesus Christus, sterke leeuw uit den stam van David, zie, onze vijand, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden; als Gij ons niet beschermt, zijn wij verloren. O Jesus, gij hebt uwen dienaar Antonius tegen alle aanvallen der hel gewapend, sterk ook door zijne voorspraak mijne zwakheid, opdat ik de bekoringen des duivels altijd overwinne, en tot den dood in uwe genade en vriendschap volharde.

H. Antonius, zegevierende overwinnaar der hel, haast u, om mij te helpen, waak over mijn ziel en lichaam tegen alle hinderlagen van satan, opdat ik ongehinderd den weg der geboden Gods bewandele, en tot liet gewenschte einde der eeuwige zaligheid moge geraken. Amen.

-ocr page 172-

— 166 —

V. MELAATSCHHEID.

Gebed tegen de melaatsch-heid der zonde.

Dat gij, o H. Antonius, van God de macht ontvangen hebt, om de me-laatscheid des lichaams te genezen, daarvan getuigt de ondervinding. — Doch geen melaatschschheid is schadelijker en gevaarlijker dan de zonde ; daarom smeek ik u, o lieldevolle beschermer, behoed mijn lichaam tegen de melaatschheid, als zulks Gods wil is; nog meer echter mijne ziel tegen de zonde.

Ach ik heb gezondigd, mijne ziel en mijn hart is bevlekt, en om de menigte mijner misdaden durf ik nauwelijks mijne oogen ten hemel verheffen, O H. Antonius, vurige minnaar van de reinheid des harten, geef door uwe voorspraak, dat ik niet aarzele tot het goddelijk Hart

-ocr page 173-

— 167 —

van Jesus te naderen, mij ootmoedig voor zijne voeten neder te werpen en te zeggen : Heer, indien Gij wilt, Gij kunt mij genezen.

O mijn Jesus, ik heb berouw over mijne zonden, en verafschuw ze; schenk mij een zuiver hart, besproei mij met een enkelen droppel van uw dierbaar bloed, en ik zal gereinigd worden. Liever wil ik sterven, dan IJ nogmaals te beleedigen, dit neem ik mij vast voor met uwe genade en door de voorspraak van den H. An-tonius. Amen.

VI. ZIEKTEN.

Gebed in lichamelijke ziekten.

O H. Antonius, ervaren geneesheer voor ziel en lichaam, o opbeuring voor allen, die door ziekte worden getroffen en zich in uwe voorspraak

-ocr page 174-

— 168 —

aanbevelen; sla de oogen uwer erbarming op mij, uw pleegkind neder, alsook op alle zieken, die door smartelijke kwalen bezocht worden en tot u verzuchten.

O groote vriend Gods, door uwe alvermogende voorspraak en verdiensten worden niet slechts zieken frisch en gezond, maar ook zeer velen zelfs van den dood gered. — Daarom bid ik u, ter wille van uw medelijdend hart jegens alle lijdenden, ontferm u mijner, laat mijne zuchten en gebeden doordringen tot den troon van God, opdat Hij mij uit mijne ziekte ver-losse, — Ik beken het, ik ben een arme jzondaar (zondares) en verdien niet, verhoord te worden. Doch door uwe bemiddeling hoop ik op herstel.

Goedgunstige Jesus, man van smarten, bruidegom des bloeds. Gij zelf hebt zwakte en smarten doorstaan, verhoor mij en ontferm U over mijne

-ocr page 175-

— 169 —

zwakheid. Genees mijne ziel, ik heb tegen U gezondigd; genees echter door de verdiensten van den H. An-tonius ook mijn lichaam, opdat ik den dood ontrukt worde en U in uwe heilige Kerk den schuldigen dank moge bewijzen. Amen.

VII. DE ZEE.

Gebed voor degenen, die zich op zee bevinden.

Onze Heer en Verlosser Jesus Christus, wien zeeën en winden gehoorzamen, verhoort ook u, H, Antonius! als gij voor schepelingen bidt. Uw gebed doet wind en golven bedaren en voert opvarenden veilig de haven binnen. Verhoor ook ons gebed, dat wij voor de zeevarenden tot God opzenden, opdat zij onder uwe bescherming zonder storm, welvarend en voorspoedig de gewenschte bestemming mogen bereiken.

-ocr page 176-

— 170 —

Bid ook, o H. Antonius, voor ons, die op de gevaarlijke wereldzee onder zoovele stormen ronddolen, opdat wij behouden tot het gewenschte doel der eeuwige zaligheid mogen geraken. Amerh

VIII. BOEIEN.

Ik kom tot u, o, H. Antonius, liefdevolle vertrooster der bedroefden, en bid u voor de troosteloozen, die in gevangenschap zuchten. O hoevele Christenen zuchten onder het zware juk dei1 heidenen. Door uwe machtige voorspraak breken ijzeren boeien van zelve. O H. Antonius, die zelf uwen onschuldiger! vader uit den kerker hebt verlost, verhoor mijn gebed voor de gevangen Christenen en bevrijd hen van alle rampen en banden. Amen.

-ocr page 177-

— 171 —

IX. ZIEK LIDMAAT.

Gebed tot herstel der oogen,

ooren handen en voeten.

O H. Antonius, uit liefde tot Jesus hebt gij Hem al de ledematen van uw lichaam en iiel toegewijd, en werdt daarom waardig bevonden, Jesus in de gedaante van een aanminnelijk kindje in uwe armen te mogen ontvangen, Hem te omhelzen en met uwe kuische lippen te kussen. Ik bid u, door deze onschatbare genade, liefde en teederheid, welke gij in dien vertrouwelijker! omgang genoten hebt, zie neder op mijn ziek lidmaat (oog enz.) Ontferm u over uw lijdend pleegkind, ter wille van de liefde, welke gij koesterdet jegens het goddelijk kindje Jesus en verlos mij uit mijn smarteiijken toestand. Regel mijne zinnen en bestuur mijne ledematen

-ocr page 178-

— 172 —

w

opdat ik, gestorven aan de wereld, herschapen worde in een reinen tempel Gods en gezond van lichaam, indien Gode zulks behaagt, Christus, als mijn goddelijken Heiland, voor altijd getrouw moge dienen. Amen.

X. VERLOREN ZAKEN.

Gebed om verloren zaken terug te vinden.

O Jesus, ik heb gedwaald als een schaapje dat verloren was, ach, zoek uwen dienaar (dienares) op. Uwe geboden niet meer indachtig, ben ik ver van U afgeweken, en daarom dan ook, dewijl ik U beleedigde, heb ik ingevolge uwe gerechtigheid ook het tijdelijke verloren. — Om dit weder terug te bekomen, smeek ik U ootmoedig, o Jesus, geef geen acht op mijne onwaardigheid, maar op de

-ocr page 179-

— 173 —

voorbede van uwen dienaar Antonius, wien Gij de macht verleend hebt, het verlorene weder terug te brengen. — Daarom richt ik mij tot u, o H. Antonius getrouwe terugbezorger van verloren zaken. Aan allen, dieu met een oprecht gemoed aanroepen, brengt gij trouw het verlorene weder terug; overal klinkt uw lof:

.......niets wat verloren ging

Dat jong en oud, die bad, niet weider t\' rug ontving.quot;

Verhoor ook mijne bede, en schenk mij terug, wat ik door ongeluk of diefstal verloren heb. Ik weet, wel is waar, dat de Heer het mij ontnomen heeft; daarom zeg ik met Job; De naam des Heerenzij gezegend. Dewijl ik echter niet weet wat de goddelijke Voorzienigheid met mij voorheeft, kom ik tot u, o H. Antonius. met de ootmoedige bede: geef door uwe voorspraak, dat ik, indien het Gode

-ocr page 180-

_ 174 —

welgevallig is, terugvinde, hetgeen ik verloren heb. O. goedertieren Vader, gij kent het verlies, dat ik ondervind en den nood, die mij drukt; verlaat mij dan niet in mijne aangelegenheid, opdat ik met vreugde in het hart van uw altaar terugkeer, u luide dankzegge en uwen lof, benevens al de mij bewezen weldaden overal moge verkondigen Amen.

XI. GEVAREN.

Gebed ter afwering van gevaren.

Zoo dikwijls gij, o H. Antonius. machtige beschermer uwer pleegkinderen, met vertrouwen wordt aangeroepen, verdwijnen alle gevaren. Daarom groet ik u ootmoedig van harte, en roep uwe hulp in tegen alle gevaren naar lichaam; sta mij bij en

-ocr page 181-

175 —

bescherm mij tegen alle zichtbare en onzichtbare vijanden; behoed ons tegen oorlog, honger en pest, hagel en onweder, watersnood en brandschade alsmede tegen alles wat ons beangstigen kan, nu en in het uur van onzen dood. Amen.

O God, geef acht op mijne hulp! Heer, haast U, om mij le helpen. Kom ons te hulp, o God en Heiland, spaar ons tot meerdere verheerlijking van uwen heiligen naam, en wend uw aangezicht at van onze zonden, door de verdiensten van den H. An-f tonius. God verhefïe zijnen ai m en zijne vijanden worden verstrooid; en die Hem haten, vlieden voor zijn aanschijn. H. Antonius, kom mij te hulp. Jesus van Nazareth, Koning dei-Joden ! Deze zegevierende titel zij mij het krachtigste middel tegen alle kwaad. {Ofwel:) Zie het -j- kruis des Heeren vlucht, gij weerspannige par-

-ocr page 182-

— 176 —

tijen, de Leeuw uit het geslacht van Juda, de wortel van David heeft overwonnen. Alleluja.

XII. GEBREK.

Gebed in gebrek en armoede.

Door uwe voorspraak, o H. An-tonius, verdwijnt de nood bii allen, die u met levend vertrouwen aanroepen. Aanhoor toch mijn bidden en smeeken, dewijl ik mij in groo-ten nood en armoede bevind. — Door achteruitgang in tijdelijke zaken verkeer ik in kommervolle omstandigheden, lijd ik grooten honger, kan mij, noch de mijnen volgens onzen stand kleeden, noch mijne schulden voldoen, en moet mijne schuldeischers benadeelen, van wie ik door mijne groote armoede geheel afhankelijk ben. O vader der armen, gij ziet in God mijn gedrukt en gebroken hart. Ach, ontferm u over mij. — Ik verlang geen

-ocr page 183-

— 177 —

rijkdom, noch overvloed, maar alleen het noodzakelijke tot onderhoud mijns levens. - O Jesus, vader der armen, verhoor den H. Antonius, die voor mij bidt, ter wille van de lietde waarmede (Jij in de gedaante van een tee-der kindje op zijne armen gerust hebt — Verlos mij uit mijne ellende, gelijk het U het beste schijnt. Wilt Gij echter dat ik langer lijde, o verleen mij dan door de verdiensten en voorspraak van den H. Antonius, uwe genade en geduld, opdat ik uit liefde tot U lijde, en niet bezwijke onder het kruis. Ik vereenig mijn gebed mei de heilige armoede waarin Gij geleefd hebt. Amen.

Gebed om de hulp van den H.

Antonius te verwerven.

Wees gegroet, o H. Antonius. Zie ter wille van het zoete Hart van Jesus, op mij neder van af den troon uwer heerlijkheid. — Gij houdt niet Gaat tot A.

-ocr page 184-

— 178

op, goed te doen aan allen, die u aanroepen. — Zie ook neer op mijnen el-lendigen toestand ; ofschoon gij voor eeuwig bij den Onsterfelijke woont, laat gij nooit na, de stervelingen te helpen. Daarom smeek ik u ootmoedig, verkrijg mij door uwe voorspraak, dat ik de zonde verlate, opdat Hij, die gekomen is, niet om de rechtvaardigen, maar de zondaars op te zoeken, mij wegens mijne boosheid niet verstrooie. Geef, dat ik genade vinde in de oogen van God en zijne heilige Moeder Maria; verlicht de duisternis mijns harten, en doe mij kennen, wat Gods wil van mij verlangt. Sta op, en kom mij te hulp, terwijl ik u aanroep, die door God met eer en heerlijkheid gekroond, groote wonderen verricht, tengevolge der u verleende macht. Gij verheugt u eeuwig in den hemel en verhoort allen, die u hierin dit tranendal metver-trouwen aanroepen.

-ocr page 185-

— 179 —

Gebed in allerlei tegenspoed.

Met vermorzeld en vernederd hart kom ik tot u, o medelijdende Antonius, troost der bedroefden ; ik smeek u op mijne knieën, aanschouw mijn lijden en den zwaren last des kruises, waaronder ik zucht. — Kom ook mij te hulp, dewijl gij bereid zijt, allen te helpen, die u aanroepen. Bid voor mij bij onzen lieven Jesus, die wel is waar onze gebeden, uit hoofde zijner barmhartigheid, verhoort, doch om onze onwaardigheid, rechtvaardig met zijne hulp vertoeft. Gij echter, H. Antonius, die zijn getrouwe dienaar zijt, zoudt gij niet alles vermogen bij dit liefdevol vaderhart? Wat kan deze rechtvaardige Rechter zijnen trouwen vriend toch weigeren ? :i Daarom bid ik u, o edelmoedige beschermer, verkrijg mij vóór alles, de Igenade om de zonde te verlaten, op-Idat ik de gevraagde hulp in mijn

-ocr page 186-

— 180 —

lijden des te eer bekome. Geef dat ik verhooring vinde in mijne aangelegenheid, opdat ik den God, die wonderbaar is in zijne heiligen, hier in den tijd, en daar boven voor eeuwig moge loven en prijzen. Amen.

Vurige verzuchtingen tot Jesus, om door de voorspraak van den H. Antonius alle onheil af te weren-

Wat toeft Gij, o Jesus, in uwe barmhartigheid! Zie, ik zucht en roep tot U: O Iaat mij niet langer in angst verkeeren, maar toon mij uwe oneindige goedertierenheid.

Ik beken het, ik ben niet waardig, dat Gij met genadige oogen op mij neerziet, want mijne misdaden zijn grooter in getal dan de haren van mijn hoofd en reeds lang heb ik het vonnis verdiend van het eeu-

wii on er ik da be uil tol en ik dr ik de

Wi 01 ik bc k( tij tc d(

-ocr page 187-

wige vuur. Ach, Heer, als Gij de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal er voor U bestaan? O goede Jesus, ik weet, dat Gij den dood des zondaars niet wilt, maar dat hij zich bekeere en leve. Gij noodigt allen uit door uwe woorden: ))Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken.quot; Zie, ook ik kom, ofschoon te laat, tot U, gedreven door overmaat van lijden; ik kom, met zware zonden overladen, doch hoop door U verkwikt te worden. Ik kom met droefheid en oprecht berouw in het hart, omdat ik U, mijn hoogste goed, dien ik hoven al bemin, beleedigd heb. Ik kom echter met een ernstig en krachtig voornemen, mijn leven te verbeteren, ja, liever alles te lijden, dan dooi\' eene vrijwillige zonde van U gescheiden te worden.

Doch, als ik overweeg, dat ik den

-ocr page 188-

— 182 —

besten aller Vaders door mijne zonden zoo menigwerf veracht heb, durf ik o, strenge Rechter, zonder bijstand, niet voor uw heilig aangezicht verschijnen.

Daarom smeek ik uwen dienaar Antonius, dat hij mij vergezelle tot den troon uwer oneindige Majesteit, om door zijne voorspraak de vergeving mijner zonden te bekomen, opdat ik aldus gereinigd, waardig bevonden worde, voor uw goddelijk aanschijn te verschijnen, en in mijne moeielijke aangelegenheid verhooring te vinden. — U, o Jesus, is bet alleen bekend, wat mij dienstig en nuttig is. Voor zoover mijn gebed niet strijdig is met uwe eer en mijn geestelijk heil, verlos mij, bid ik U, door de verdiensten van uwen dienaar uit mijn lijden; verlangt\'quot;Gij echter, dat ik nog meer lijde, schenk mij dan geduld en overgeving aan

-ocr page 189-

— 183 —

uwen allerheiligsten wil door de voorspraak van den H. Antonius. Amen.

Het Responsorium van den H. Antonius in den vorm van een gebed.

0 liéfderijke en goedertieren God, Gij alleen wrocht groote wonderen, maar ook Gij zijt wonderbaar in uwe heiligen en verhoort genadig hunne voorspraak. Ik, onwaardig, ongelukkig en ellendig schepsel, nader in dezen mijnen nood voor den troon uwer barmhartigheid, en val op mijne knieën neder. Ik loof en prijs de onmetelijke genade, welke Gij uwen trouwen dienaar Antonius, mijn roemvollen beschermer, verleend hebt, en waarvan Gij U gewaardigt aan allen mede te deelen, welke zijne voorspraak inroepen; want dood. dwaling, rampspoed, hel en zelfs me-laatscheid moeten wijken; die op zee

-ocr page 190-

— 184 —

en in gevaar verkeeren, landen behouden aan, gevangenen worden verlost, zieke ledematen genezen en verloren goederen worden aan de ongelukkigen terugbezorgd; alle gevaren, alle rampen en smarten verdwijnen. — Dat getuigt niet slechts de door hem verheerlijkte stad Padua, maar de heele wereld, zoover de naam van Katholiek zich uitstrekt.— Daarom loof en verheerlijk ik met alle schepselen uwe goedheid en erbarming, o almachtige God de Vader, beminnenswaardigste God de Zoon, alsmede U, liefdevolle H. Geest, en bid U ootmoedig, wil mij door de voorspraak en verdiensten van uw belijder Antonius in deze en andere aangelegenheden genadig verhooren, — Verwerf mij dit, o uitverkoren en beminnelijke beschermer, H. Antonius. Amen.

-ocr page 191-

— 185 —

De zegen van. den H. A.ntonius tegen de aanvechtingen der helsche geesten.

Ziet het -j- kruis des Heeren! vlucht, gij weerspannige partijen, de leeuw uit het geslacht van Juda. de wortel van David heeft overwonnen. Alleluja ! Alleluja!

Laat ons hidden.

O H. Antonius, zuivere en aanvallige lelie van maagdelijke reinheid, kostbaar edelgesteente van armoede, spiegel van matigheid, toonbeeld van rechtvaardigheid, schitterende ster van heiligheid, sieraad van het Paradijs, steunpilaar der H. Kerk, verkondiger der waarheid, uitroeier der misdaad, voortplanter der deugden, troost der bedroefden, brandende vlam der goddelijke liefde, hemelsche profeet, schrik der booze geesten.

-ocr page 192-

— 186 —

in wiens zuivere armen de Zoon desi eeuwigen Vaders, zacht gerust heeft en die door uwe predikatiën het vuur der goddelijke liefde in de harten hebt ontstoken; ik ellendige verachtelijke zondaar (zondares) smeek u uit al mijne krachten, neem mij onder uwe hoede en bescherming, verkrijg mij een waar berouw over mijne zonden, een bron van tranen over dezelve, aandacht gedurende het gebed, en een volkomen overgeving aan Gods heilgen wil. Dewijl gij geheel door het vuur der goddelijke liefde ontstoken waart, bid ik u, ontsteek ook mijn dor en gevoelloos hart, opdat ik van de liefde Gods doordrongen, den duivel, de wereld en het vleesch tot aan den dood steeds glansrijk moge overwinnen. Amen.

O gezegende tong, die steeds Gods lof verkondigdet, en anderen

-ocr page 193-

— 187 —

leerdet, Hem te prijzen, wij zien thans zonneklaar\', welk een schat van verdiensten gij bij den Heer vergaderd hebt.

-ocr page 194-
-ocr page 195-

GEBEDEN

n den Naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes, zal ik met nederigheid naderen tot het altaar van mijnen God, om in vereeniging met de gansche heilige katholieke Kerk het onbloedig otïer der H. Mis bij te wonen en in ootmoedige dankbaarheid de herinnering te vieren van het bloedig otïer, dat onze Zaligmaker, uit liefde tot ons, op Golgotha heeft opgedragen- Amen. Van het begin der H, Mis tot het Kyrie {.De rechtvaardige bekent zijne

-ocr page 196-

— 190 —

nietigheid en zonden, vóór dat hij zijne gebeden ten hemel zendt; laai ik arme zondaar, zijn voorbeeld, volgen.)

Almachtige en eeuwige God, schaamte overdekt mij, wanneer ik in uwe heilige tegenwoordigheid verschijn. Ik heb gezondigd. — Ik beken met den priester, dat ik dikwijls gezondigd heb door gedachten, woorden en wei ken. Mijn geweten verwijt mij dat ik zooveel goeds verzuimd, zooveel kwaad bedreven heb. Maar o God. Gij zijt mijn vader. Ik weet, dat Gij U over mij met de grootste liefde zult ontfermen, wanneer ik slechts mijne zonden betreur en met oprechtheid verlang mijn hart te beteren. — O liefste Vader, mijn vurigste wensch is, mij van al mijne zonden te zuiveren en geheel de uwe te zijn. Heden zal ik met mij zelven^ een begin maken.— Sta mij bij doorj

-ocr page 197-

— 191 —

uwe genade opdat ik dit heilig voornemen kloekmoedig ten uitvoer bren-ge; door Jesus Christus onzen Heer.

Amen.

Bij de Collecte.

O God, hoe groot is uwe liefde voor ons, daar Gij ons zoozeer be-mindet en om ons zalig te maken, uwen eenig-geboren Zoon van den hemel afzondt, opdat Hij voor ons zoude wezen de Leeraar der waarheid, voorbeeld der volmaaktheid, ja zelfs het slachtoffer voor onze zonden. Mochten zijne heilige lessen, zijn goddelijk voorbeeld en de overvloedige verdiensten van zijn lijden en sterven voor mij, noch voor iemand onzer vruchteloos zijn geweest. Om deze genade bidden wij U, o Heer door den zelfden Jesus Christus onzen Verlosser en Zaligmaker. Amen.

-ocr page 198-

— 192

Bij kei Epistel en hel Evangelie

Hoe groot is mijn geluk, o God, dat ik door uwe genade, buiten zoovele volkeren geboren, en opgevoed ben in den heiligen godsdienst, welke alléén ons Gods woord en de heilzame lessen van Jesus Christus voorhoudt, zooals deze in de brieven uwer Apostelen en in het Evangelie vervat zijn en ons daarin onderricht en ze verklaart. — Wees gedankt, eeuwig geloofd en geprezen voor deze onuitsprekelijk groote weldaad. Mochten toch alle volkeren der aarde, alle ketters en ongeloovigen het ware licht erkennen, dat Gij in de wereld gezonden hebt, om alle natiën te verlichten en hun den weg naar den hemel te toonen. Amen.

Bij de H. Offerande.

(Stel u voor, o ziel, de oribegrij. pelijke tuaarde dezer heilige Offerande^

-ocr page 199-

— 193 —

waardoor gij uwen God de verschuldigde aanbidding kunt geven, en Hem op eene waardige wijze uwen dank betuigen voor zijne menigvuldige genaden. In dezelve kunt gij voldoen voor de tijdelijke straj uwer zonden, en zoowel voor u als voor anderen alle genaden bekomen, die tot onze zaligheid dienstig zijn.)

Almachtige en eeuwige God, ge-waardig U met welgevallen aan te nemen het reine offer, dat wil U in vereeniging met den priester opdragen, tot voldoening voor onze tallooze zonden, beleedigingen en verzuimenissen; tot zaligheid van allen, hier tegenwoordig, van alle ge-loovige christenen, zoo levenden als afgestorvenen. Dat hetzelve mij en allen ten eeuwigen leven strekke,

Amen,

43

Gaat tot A

-ocr page 200-

— 194 —

Bij de vermenging van het water met den wijn.

O God, die door een wonder uwer almacht den mensch in zoo edelen staat geschapen, en door een nog grooter wonder uwer liefde, hem in zijne vorige waardigheid hebt hersteld, geef ons, door het geheim, dat de vermenging van het water met den wijn ons voorstelt, dat wij eens deel mogen hebben aan de Godheid van Hem die zich gewaardigd heelt, onze menschelijke natuur aan te nemen; Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die met den Vader en den heiligen Geest leeft en heerscht, God in alle eeuwigheid. Amen.

Bij de opoffering des kelks.

Wij offeren U, o God, den kelk des heils op en smeeken U ootmoe-

-ocr page 201-

— 195 —

dig, hem als een kostbaren wierook fe laten opklimmen tot voor den troon uwer genade, zoo voor mijne als aller menschen zaligheid. Amen.

Bij het Or ate Fratres.

Opgewekt door de woorden van uwen dienaar, roep ik tot U, o Heer, en bid U, neem toch deze offerande uit de handen des priesters aan, tot eer en glorie van uwen heiligen Naam, tot zaligheid van ons en van geheel uwe heilige Kerk.

Bij de Prefatie en het Sancius.

Tot U, o Heer, verhef ik mijn hart. — Ik wenschte U, o God, den verschuldigden dank te kunnen geven. Mochten alle menschen altijd en op alle plaatsen U als hun Vader erkennen, U uit ganscher harte beminnen, U dienen en loven, door

-ocr page 202-

— 196 —

Jesus Christus, uwen Zoon onzen Heer door wien alle koren der Engelen uwe goddelijke Majesteit aanbidden en verheerlijken. Gedoog, dat ik mijne stem met hunne hemelsche lofzangen ver-eenige, en in alle nederigheid uit-roepe: heilig is de Heer de God dei-heerscharen ! Hemel en aarde zijn met zijne heerlijkheid vervuld ! Macht en eer zij Hem in het allerhoogste! Hoog geloofd zij Hij, Die tot ons komt in den naam des Heeren: eer en roem zij Hem in het allerhoogste des hemels!

Canon.

(O ziel, bereid u tot het yroote ivonder der almacht en liefde van uwen God. Nog weinige oogenhlik-ken, en Jesus zelf zal op dit altaar nederdalen.)

Goddelijke Verlosser, Jesus Chris-

-ocr page 203-

— 197 —

tus, weldra zult Gij uit liefde tot ons op dit altaar wezenlijk tegen-woordig zijn. Laat ook uwe milde barmhartigheid nederdalen over mij en allen, voor welke ik mij voorgenomen heb, of voor welke ik verplicht ben te bidden. Versterk ons geloof in U. — Vermeerder onze hoop en ons betrouwen op U, en doe onze harten van liefde tot ü ontvlammen. Geef, dat wij alle men-schen als onze broederen en zusters hartelijk liefhebben, in U en om ü, gelijk Gij het ons geboden hebt. Wij bidden ü, o God, laat dit gebod van liefde nooit geschonden, maar immer op de quot;volmaakste wijze ten uitvoer gebracht worden. Amen.

Onder de Consecratie en de opheffing der H. Hostie,

Dit is uw lichaam, o Jesus, tny»

-ocr page 204-

— 198 —

Heer en mijn God, Gij zijt hier tegenwoordig. — Ik aanbid U, ik bemin U, o Jesus, mijne liefde, mijn God en mijn al. — Voor U zal ik leven, — in U wil ik sterven. Eeuwig zal ik de uwe zijn. Leven noch dood zal mij scheiden van de liefde van mijn God. Amen.

Bij de opheffinn van Jesus\' H. Bloed.

Ziehier het bloed des nieuwen verbonds, de prijs onzer verlossing. Wasch en zuiver mij, o Jesus, door uw goddelijk bloed. Erbarm U over mij en alle zondaren, en reinig ons door de verdiensten van uw lijden en sterven van alle zonden. Wees gedankt en bemind, o Jesus, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

-ocr page 205-

— 199 —

Na de H. Consecratie.

Wat kan ik anders op dit oogen-blik, o Goddelijke Zaligmaker, dan U danken, dat Gij U gewaardigd hebt, ons zoo liefdevol te bezoeken, — dan mij verblijden over uwe goddelijke tegenwoordigheid en U smeeken immer bij en in ons te willen blijven. Ja, Heer, danken zal ik U door den ijver en de liefde, waarmede ik aan uwe genade zal beantwoorden : mijne vreugde zal ik U toonen, door de stipste zorg, om U nooit meer in het minst te bedroeven ; en zoo durf ik dan met de diepste nederigheid U allerootmoedigst smeeken, uwe woonplaats voor eeuwig in mijn hart te vestigen. Wees gij, o Jesus, voor altijd mijne bescherming, mijne hulp en mijn troost, Amen.

-ocr page 206-

— 200 —

%

Bij de qeclachtenis (Memento) aan de overledenen.

Ook onze broeders en zusters, die thans nog door de vlammen des vage vuurs gezuiverd worden, hebt Gij door uw dierbaar bloed vrijgekocht. Wij bidden U, laat hen deel hebben aan onze gebeden en aan de vruchten dezer heilige offerande. Voornamelijk roepen wij uwe barmhartigheid in voor hen, die op aarde onze ouders, broeders, verwanten of weldoeners, vrienden en vijanden waren en voor degenen, die van bijzondere voorbidders op aarde verstoken zijn. — Erbarm U over hen naar de grootheid uwer barmhartigheid, en voer ook eens ons arme zondaars, na de ballingschap van dit sterfelijk leven, tot het eeuwig Vaderland, waar wij vereenigd met alle heiligen en gelukzaligen, U van eeuwigheid tot

-ocr page 207-

— 201 —

eeuwigheid zullen loven en prijzen, door Jesus Christus onzen Reer Amen.

Pater Noster (Het Onze Vader)

God van goedheid, uw beminde Zoon heeft ons geleerd, U onzen Vader te noemen ; daarom bidden wij met kinderlijk vertrouwen: Onze Vader, enz.

Bij het Agnus Dei.

Vlekkeloos en geduldig als een iam, dat ter slachtbank geleid wordt, droegt Gij, o minnelijke Zaligmaker, den zwaren last onzer zonden tot op den berg van Kalvarië. O, goddelijk Lam, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer! o Jesus, schenk ons uwen vrede.

De H. Nuttiging.

{Terwijl de priester het allerheiligst Vleesch en Bloed van Jesus wezen-

-ocr page 208-

— 202 —

lijk ontvangt, tracht gij dan, o mijne ziel, uwen Jesus geestelijkerwijze in uw hart te ontvangen.

O, mijne ziel, overdenk uwe nietigheid — verneder u in het aan schijn van uwen God, — bereid u voor, om Jesus geestelijker wijze te ontvangen. Zeg tot dat einde met den priester driemaal: Heer, ik ben on waardig, dat gij zoiidl komen onder mijn dak, {spreek slechts een woord, en mijne ziel zal gezond worden.)

O, mijn God, mijn Verlosser, ach, hoezeer bedroeven mij thans mijne zonden ! — mocht ik toch voor U verschijnen met een hart, gelieel zuiver van vlekken ; met een hart, bereid, om U wezenlijk te ontvangen. — Mijne ziel kwijnt weg van liefde tot U. Kom dan, o zoete Jesus ! Ach, kom geestelijker wijze in mijn hart. O, mijn God, mijn Jesus, vervul mij met uwen geest, met uwe liefde.

-ocr page 209-

— 208 —

Neem geheel en al bezit van mij : laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde.

Na de H. Nuttiging.

Versterk, o God, mijn hart tot de beoefening der deugd en van alles, wat U aangenaam is. Duld niet, dat ik na zulk een lieilig olïer te hebben bijgewoond en er aan deelachtig te zijn geworden, ooit mijn hart weder door eenige zonde bevlekke, door Jesus Christus onzen Heer. Amen-

Bij de laatste Collecte.

(Vereenigen wij ons thans met den priester, om God voor dit offer te danken, en Hem te hidden dat Hij ons de heilzame vruchten van hetzelve mededeele.)

Ik dank U, o God, dat Gij mij buiten zoovele duizenden bij deze

-ocr page 210-

— 204 —

heilige offerande\',, hebt laten tegenwoordig zijn. Mocht ik toch de zegenrijke uitwerkselen van dezelve in mij gevoelen : mocht ik vromer en godvruchtiger, zachtmoediger en geduldiger, menschlievender, kuischer en meer ingetogen, — in één woord, beter en heiliger deze plaats verlaten. Om deze genade bid ik U, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer. Amen.

Ontferm Ü ook, o God, over alle menschen, — keer van ons af de straffen, die wij door onze zonden zoozeer verdiend hebben, — bewaar ons van alle onheil naar ziel en lichaam, — zegen hen, die door uwe goddelijke wijsheid met het bestuur der volkeren belast zij^ opdat zij wijselijk regeeren, — zegen hunne onderdanen, opdat zij gaarne en uit plicht gehoorzamen, — zegen de jeugd, opdat zij heilig en onbedorven

-ocr page 211-

• 205 —

voor U wandele, zegen den ouderdom, opdat wijsheid en deugd hem versiere. Geef eindelijk uwe genade aan alle menschen, opdat zij getrouw hunne plichten vervullen, naar deugd en heiligheid streven, elkander stichten en hartelijk liefhebben, en dooi\' al hun doen en laten U mogen behagen, dooi\' Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die in eenheid met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht, van eeuwigheid tot

eeuwigheid.

Bij den Zegen des Priesters.

Ons zegene de almachtige God: de Vader, de Zoon en de H. Geest.

Sluitgebed.

Wij bedanken U, o allerheiligste Drievuldigheid, voor de groote genade dat wij deze heilige Mis hebben rao-aen biiwonen. Neerquot; hptoffpr dat. wij U

Amen.

-ocr page 212-

— 202 —

lijk ontvangt, tracht gij dan, o mijne ziel, uwen Jesus geestelijkerwij ze in uw hart te ontvangen.

O, mijne ziel, overdenk uiue nietigheid — verneder u in het aanschijn van uwen God, — bereid u voor, om Jesus geestelijker wijze te ontvangen. Zeg tot dat einde met den priester driemaal: Heer, ik ben onwaardig, dat gij zoudt komen onder mijn dak, (spreek slechts een woord, en mijne ziel zal gezond worden.)

O, mijn God, mijn Verlosser, ach, hoezeer bedroeven mij thans mijne zonden ! — mocht ik toch voor U verschijnen met een hart, geiieel zuiver van vlekken ; met een hart, bereid, om U wezenlijk te ontvangen. — Mijne ziel kwijnt weg van liefde tot U. Kom dan, o zoete Jesus ! Ach, kom geestelijker wijze in mijn hart. O, mijn God, mijn Jesus, vervul mij met uwen geest, met uwe liefde.

-ocr page 213-

— 208 —

Neem geheel en al bezit van mij : laat niet toe, dat ik ooit van U gescheiden worde.

Na de H. Nuttiging.

Versterk, o God, mijn hart tot de beoefening der deugd en van alles, wat U aangenaam is. Duld niet, dat ik na zulk een heilig offer te hebben bijgewoond en er aan deelachtig te zijn geworden, ooit mijn hart weder door eenige zonde bevlekke, door Jesus Christus onzen Heer. Amen1

Bij de laatste Collecte.

(Vereenigen wij ons thans met den priester, om God voor dit offer te danken, en Hem te bidden dat Hij ons de heilzame vruchten van hetzelve mededeele.)

Ik dank U, o God, dat Gij mij buiten zoovele duizenden bij deze

J

-ocr page 214-

— 204 —

heilige offerande\'; hebt laten tegenwoordig zijn. Mocht ik toch de zegenrijke uitwerkselen van dezelve in mij gevoelen : mocht ik vromer en godvruchtiger, zachtmoediger en geduldiger, menschlievender, kuischei en meer ingetogen, — in één woord, beter en heiliger deze plaats verlaten. Om deze genade bid ik U, door Jesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer. Amen.

Ontferm Ü ook, o God, over alle menschen, — keer van ons af de straffen, die wij door onze zonden zoozeer verdiend hebben, — bewaar ons van alle onheil naar ziel en lichaam, — zegen hen, die door uwe goddelijke wijsheid met het bestuur der volkeren belast zij^ opdat zij wijselijk regeeren, — zegen hunne onderdanen, opdat zij gaarne en uit plicht gehoorzamen, — zegen de jeugd, opdat zij heilig en onbedorven

-ocr page 215-

— 205 —

voor U wandele, zegen den ouderdom, opdat wijsheid en deugd hem versiere. Geef eindelijk uwe genade aan alle menschen, opdat zij getrouw hunne plichten vervullen, naar deugd en heiligheid streven, elkander stichten en hartelijk liefhebben, en dooi\' al hun doen en laten U mogen behagen, door .Tesus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die in eenheid met den Vader en den H. Geest leeft en heerscht, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

Bij den Zegen des Priesters.

Ons zegene de almachtige God: de Vader, de Zoon en de H. Geest.

Sluit gebed.

Wij bedanken U, o allerheiligste Drievuldigheid, voor de groote genade dat wij deze heilige Mis hebben mo-aen biiwonen. Neem hAtoffp.r dat. wij U

-ocr page 216-

— 206 —

in vereeniging met uwen dienaar hebben opgedragen, genadig aan, en geef, dat hetzelve mij en allen, voor welke ik liet opgedragen heb, de kwijtschelding onzer zonden en alle genaden verwerven moge, welke wij tot zaligheid onzer ziel behoeven, door Jesus Christus, onzen Heer en Zaligmaker. Amen.

Een ander gebed

tot den H. Anionius voor de negen Dinsdagen.

O machtige helper in alle noodwendigheden, H. Antonius van Padua, daar zoovele menschen uwen bijstand roemen en door de negendaagsche oefening in hunne aangelegenheden getroost en verhoord zijn geworden, houd ook ik nu deze negen Dinsdagen ter bevordering van Gods eer en de uwe. Ik hoop, door de riike

-ocr page 217-

— 207 —

verdiensten van Jesus Christus en door uwe trouwe hulp en machtige voorspraak, getroost te worden in mijne ! aangelegenheid. Ik kniel hier ootmoedig voor uw beeld neder, bezoek het met de meeste godsvrucht, vereer het met den verschuldigden eerbied, en roep voor hetzelve uwe krachtige hulp en voorspraak in. Ik heb het vaste vertrouwen jegens u, o minnelijke H. ^ Antonius, dat gij mij kunt helpen en | het ook wilt, en twijfel er in het \' minst niet aan, of gij zult mij wegens uwe groote goedertierenheid zeker helpen. Want gij zijt op aarde een zoo getrouwe dienaar Gods geweest en zijt nu in den hemel zulk een groote vriend van Christus, dat Hij u bijzonder liefheeft en vereert, en u met \'geen billijk verzoek afwijst, of hetzelve weigert.

Als dus mijn wensch, waarom ik de negen Dindagen houd, billijk en

-ocr page 218-

— 206 —

in vereeniging met uwen dienaar hebben opgedragen, genadig aan, en geef, dat hetzelve mij en allen, voor welke ik het opgedragen heb, de kwijtschelding onzer zonden en alle genaden verwerven moge, welke wij tot zaligheid onzer ziel behoeven, door Jesus Christus, onzen Heer en Zaligmaker. Amen.

Een ander gebed

tot den II. Antonius voor de neycn Dinsdagen.

O machtige helper in alle noodwendigheden, H. Antonius van Padua, daar zoovele menschen uwen bijstand roemen en door de negendaagsche oefening in hunne aangelegenheden getroost en verhoord zijn geworden, houd ook ik nu deze negen Dinsdagen ter bevordering van Gods eer en de uwe. Ik hoop, door de riike

-ocr page 219-

— 207 —

verdiensten van Jesus Christus en door uwe trouwe hulp en machtige voorspraak, getroost te worden in mijne aangelegenheid. Ik kniel hier ootmoedig voor uw beeld neder, bezoek het met de meeste godsvrucht, vereer het met den verschuldigden eerbied, en roep voor hetzelve uwe krachtige hulp en voorspraak in. Ik heb het vaste vertrouwen jegens u, o minnelijke H. Antonius, dat gij mij kunt helpen en het ook wilt, en twijfel er in het minst niet aan, of gij zult mij wegens uwe groote goedertierenheid zeker helpen. Want gij zijt op aarde een zoo getrouwe dienaar Gods geweest en zijt nu in den hemel zulk een groote vriend van Christus, dat Hij u bijzonder liefheeft en vereert, en u met \'geen billijk verzoek afwijst, of hetzelve weigert.

Als dus mijn wensch, waarom ik de negen Dindagen houd, billijk en

-ocr page 220-

— 208 —

overeenkomstig Gods wil is, twijfel ik er niet aan, of gij zult hem voor den troon van God opdragen en redding voor mij verwerven. Indien hij echter strijdig is met den wil van God en het heil mijner ziel, dan verlang ik er niet naar, maar smeek u, verkrijg mij liever van den barmhar-tigen God eene andere genade, die mij voordeelig is. Ach, verhoor mij dan, o goede H. Antonius, en troost mij in mijne moeielgke omstandigheid. Neem mijn gebed in genade aan, en laat mijn dringende bede tot u komen. Dat mijne zuchten doordringen tot uw medelijdend hart en mijne tranen uw teeder gemoed bewegen. Laat toch mijn standvastig vertrouwen niet beschaamd worden, opdat zij, die u niet zoeken, u en mij bespottend, niet zeggen: waar is uw vertrouwen nu, dat gij op Antonius gesteld hebt? Deze snotters

-ocr page 221-

— 209 —

zult gij o H. Antonius, beschamen, en door mijne bede te verhoeren, aan al uwe vijanden toonen, dat zij, die op u vertrouwen, goed vertrouwd hebben, en die u in hunnen nood aanroepen, troost en hulp van u verkrijgen. Daarom bid ik, o glorierijke heilige, meer ter uwer eer dan ten mijnen voordeele, wil mijn gebed verhooren, en mijn verzoek bij God indienen. Verhoor mij toch, ach, verhoor mij toch, opdat uw lof in de wereld des te meer geroemd worde, uwe trouwe vereerders des te meer in uwe liefde en vereering toenemen en zij, die met uwe vereering lachen, des te eer beschaamd worden. Let er niet op, H. Antonius, dat ik zoo onwaardig ben, om verhoord te worden, maar denk, hoe waardig uwe voorspraak is bij God, opdat ik verhoord en getroost worde. Ach, wees niet indachtig, dat ik den Gaat TOT A. 14

-ocr page 222-

— 310 —

allei\'verhevendste God en tegelijkertijd ook u, zijnen trouwen vriend, zoo menigwerf vergramd heb, maar zie hoe ik thans al mijne zonden van harte betreur, en welk vast voornemen ik heb, die nimmermeer te bedrijven. Versmaad dan mijn rouwmoedig en droevig hart niet, gelijk ook de rechtvaardige God het niet veracht of versmaad. Ofschoon ik zulk een groot zondaar ben, hebt gij toch geen reden, mij te verstooten, maar veeleer grond om mij op t9 beuren en te verhooren, opdat uw lof en eer des te meer voor de wereld uitblinken, als wanneer de menschen vernemen dat gij ook mij, den grootsten aller zondaren, verhoord ongetroost hebt Allen, ik in \'t bijzonder, zullen immers wondervol verhalen welk een goedertieren heilige gij zijt, wijl gij zelf den misdadigste niet versmaad, maar hem, toen hij

-ocr page 223-

— 211 —

rouwnioedig tot u kwam, met uwe gewone milddailigheid in genade hebt opgenomen. Eindelijk kom ik u ook herinneren, dat gij zelf de insteller zijt van de oefening der negen Dinsdagen, dewijl gij aan zoovelen, die haar in hunnen nood hielden, zulke spoedige en dikwijls wonderdadige hulp verleend hebt. Dat moet immers alle noodlijdenden aansporen, eveneens vol vertrouwen deze oefening: te verrichten. En zoo ben ik dan het negendaagsch bezoek van uw beeld begonnen, en zal hetzelve met de meest mogelijke godsvrucht voortzetten, vol vertrouwen alsdan ook verhoord te zijn. Uw vriendelijk beeld, waarbij gij het lieve Kindje Jesus op uwe armen draagt, bezoek ik hier met innige liefde, ik buig mijne knieën en mijn zondig hoofd, en aanbid vol eerbied het Kindje Jesus, dat gij op aarde zoo teeder

-ocr page 224-

— 212 —

omhelsd hebt, u tevens smeekende, het ook in mijn naam te aanbidden en het mijne onwaardige gebeden op te dragen. Draag het ook mijn dringend verzoek op, leg het den hangen toestand bloot, waarin mijn bedroefd hart verkeert, bid het zoete Kindje Jesus voor mij, uwen trouwen dienaar, en verkrijg mij de genade, waarom ik de negen Dinsdagen verricht. Ach, houdt toch voortdurend aan, en wordt niet moede, tot gij voor mij de gewenschte gunst hebt verkregen; dan zal ik, na deze bekomen te hebben, ook niet ophouden, u erkentelijkheid te bewijzen en uwen lof voor alle menschen te belijden. Amen.

Opoffering van dit gebed.

Nu heb ik, o H. Antonius, mijn hart voor u uitgestort, uw beeld bezocht en vereerd en voor hetzelve

-ocr page 225-

— 213 —

mijn gebed verricht. Ik offer u dan mijn onwaardig gebed allerootmoedigst op, en vereenig het met al de gebeden, welke gij op aarde gedaan hebt, en met die, welke u ter eere zijn geschied. Alle deze, tot een geestelijken bloemruiker saamgevoegd, bied ik u met verschuldigden eerbied aan, ter bevordering uwer eer en tot verkrijging der gevraagde gunst. Neem zulks toch aan, o goede vriend, en laat het u even welgevallig zijn, alsof u dit door den recht vaardigsten der menschen werd aangeboden. Amen.

Gebed voor het altaar van den H. Antonius.

O roemvolle Vader, H. Antonius van Padua, ware toevlucht van alle noodlijdenden, gij hebt zelf alle menschen, welke in druk verkeeren, naar uw altaar verwezen, onder de ver-

-ocr page 226-

— 214 —

zekering, dat wie hetzelve ooit gedurende negen Dinsdagen bezoeken en u aanroepen, zeker zouden verhoord worden, Door deze uwe belofte aangemoedigd, kom ook ik, arme zondaar (zondares) op dezen Dinsdag voor de eerste, (tweede, derde maal enz.) tot u, val in nederigheid des harten voor u op mijne knieën neder, en vereer dit heilig altaar, hetwelk bijzonder aan uwe eer is toegewijd. Ik herinner u, o H. Antonius, aan de groote eer, welke de H. Kerk u bewezen heeft, toen zij dit altaar aan uwen heiligen naam toegewijd en zorg gedragen heeft, dat daarop het allerheiligste geheim gevierd wordt. O welk eene groote vreugde en eer geniet gij van dit heilig altaar, terwijl de allerheiligste offerande wordt opgedragen, en Christus zelf in persoon, door de handen des priesters, zijn waarachtig lichaam en dierbaar bloed

-ocr page 227-

— 315 —

aan zijnen hemelschen Vader opdraagt.

Aan deze zoo groote eer wenschle ik u heden voornamelijk te herinneren als ook aan de verplichting, welke de H. Kerk u bij het wijden van dit altaar heeft opgelegd, terwijl zij u bij herhaling bad om de gebeden van allen, die voor dit heilig altaar uwe hulp inroepen, genadig te willen verhooren. Daarom neem ook ik in mijne ellende tot dit altaar mijne toevlucht, om voor hetzelve mijn armoedig gebed te storten. Ja, hier is de ware bron der genade en een veilig toevluchtsoord, waarop gij zelf ons gewezen hebt, om uwe hulp te zoeken. Hier hebt gij beloofd algemeen gehoor te geven, en aller smeekiugen te verhooren. Hier hebt gij beloofd: troost in droefenis, hulp in allerlei noodwendigheden, bijstand in vervolging, sterkte in kleinmoedigheid, en inwil-

-ocr page 228-

— 216 —

liging van alles, wat verlangd wordt, als het overeenstemt met de eer van God en het heil onzer ziel- Het is daarom, dat ik met vertrouwen voor uw altaar nederkniel en uwe barmhartigheid inroep. — Ik stel mij onder uwe bescherming, o, H. Antonius, en zoek bij u, o getrouwe helper in den nood, raad en bijstand. Versmaad mijn gebed niet in mijnen nood, maar verhoor mij volgens uwe groote goedheid en mededoogen. Troost mij in mijne droefenis, versterk mij in mijne mismoedigheid, bescherm mij door de goddelijke genade, en verkrijg mij datgene, waarom ik vraag, indien het Gode welgeval-vallig is. U beveel ik mijn lichaam en mijne ziel, al mijne ellende en aangelegenheid. Sta mij altijd trouw bij, en behoed mij tegen alle onheil naar ziel en lichaam. Amen,

-ocr page 229-

— 217 —

GEBEDEN

TER EERE DER GROÜTE VREUGDEN, WELKE ANTOMUS OP AARDE GENOOT, OM BIJZONDERE GENADEN VAN GOD TE BEKOMEN.

I. GEBED.

te) eerc der vreugde, welke hij ondervond, toen Jesus in de gedaante van een feeder kind

aan hem verscheen .

«

O li. Antonius, onbevlekte lelie der eeuwige lente, wier aangename geur tot den hernel opsteeg, en den Zoon Gods tot de aarde deed nederdalen, ik herinner u aan de vreugde, welke gij in die tegenwoordigheid

-ocr page 230-

— 218 —

van Jesus gesmaakt hebt, toen Hij zich gewaardigde, u in de gedaante van een aanvallig kindje te verschijnen,\' en uw minnelijk hart met de volheid zijner bovennatuurlijke vertroosting te verkwikken. Laat mij, o waarde beschermer, in mijne aangelegenheid aan uwe vreugde deelachtig worden. Wend voor mij bij Jesus mijnen Heiland, uwe krachtige voorspraak aan, opdat ik waardig worde, datgene te bekomen, wat ik uit mij zelf niet waardig ben te verkrijgen. Kom mij te hulp in mijnen nood. Ontferm u mijner, en wees mijn troost ten tijde der verdrukking God, die wonderbaar is in zijne heiligen, is ook alle bedroefden genadig, voor welke gij bidt. — Laat dan uw dienaar (dienares) niet ongestroost van u heengaan, maar verwerf mij de genade, waarnaar ik in deze mijne verlatenheid smeek, opdat ik verhoord

-ocr page 231-

— 219 —

wordende. God door u en u in God eeuwig moge loven en minnen. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

II. GEBED.

ter eere der vreugd, welke hij (je-voelde, toen hem vijftien dagen voor den dood, zijn stervensuur werd geopenbaard.

H. Antonius, verhoor mijn gebed eu laat mijn geroep komen tot u, die voor alle noodlijdenden eene veilige toevlucht en een medelijdende trooster zijt. Wees de vreugde indachtig welke gij ondervondt, toen God u vijftien dagen voor uwen dood, door eenen Engel het stervensuur deed aankondigen om u het loon uwer verdiensten, de eeuwige vreugde te schenken. Lenig door die vreugde dit mijn lijden; neem, o liefderijke beschermer, de smarten en angsten weg van mijn bedrukt hart

-ocr page 232-

— 220 —

want gij zijt in deze aangelegenheid naast God mijn groote hoop. Treed, o H. Antonius, voor den troon der allerheiligsle Drievuldigheid, om voor mij te bidden, ter afwering van alle rampen. Door u hoop ik verhoord en uit mijne moeielijke omstandigheid verlost te worden.

Neem dan, o groote vriend van God, dezen ram spoed van mij weg en verzacht mijne smarten. Wend door uwe veelvermogende voorspraak de gramschap Gods van mij af, en verzoen mij met Hem door uwe overgroote verdiensten, opdat ik, indien ik verhooring vind. God voor de ontvangen weldaad in de vreugde mijns haiten ten allen tijde danken moge, nu en hierna in alle eeuwigheid. Amen.

Onze Vader, Wees gegroet.

-ocr page 233-

— 221 —

III. GEBED.

Ier eere der vreugde welke hij smaakte, toen hij bij zijn afsterven zar/, dat Je sus hem te fjemoet Imam.

O H. Antonius, wie wonderen en teekenen wil zien, vindt die vooral bij u, wijl de hand Gods ze door u op alle plaatsen heelt verricht en tot op den dag van heden, niet ophoudt er te bewerken.

De klaarblijkelijke hulp, waaraan door uwe voorspraak alle bedrukten deelachtig worden, noopt mij, geheel mijn vertrouwen te stellen op uwe voorspraak en verdiensten. Geef, o dierbare beschermer, dat mijne hoop op u niet beschaamd worde. Herinner u de vreugde, welke gij ondervinden mocht op het laatste oogen-

-ocr page 234-

— 222 —

blik uws levens, toen Jesus u te geracet kwam, en u de poorten des hemels geopend werden. Maak mij deelachtig aan die vreugde in deze mijne aangelegenheid, opdat ik door uwe verdiensten waardig worde, van alle onheil naar ziel en lichaam bevrijd te worden. Aanschouw mijnen nood, dien ik u klaag, en vertoef niet langer, hem van mij weg te nemen. Bewijs mij, o groote wonderdoener, H. Antonius, een teeken, en laat mij tot meerdere verheerlijking van uwen lof, in deze aangelegenheid, uwe behulpzame hand ondervinden, opdat God, die wonderbaar in u werkt, zonder ophouden door Engelen en menschen geloofd en ge-geprezen worde. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

-ocr page 235-

— 223 —

Godvruchtig gebed tot den H. Antonius gedurende de H. Mis

O H. Antonius, veelvermogende helper in alle bekommeringen, ik neem geheel mijne toevlucht tot u in deze mijne aangelegenheid, en klaag u mijnen nood. Ofschoon ik mij niet waardig acht, om geholpen te worden, kom ik niettemin met kinderlijk vertrouwen tot u, hopende op uwe goedheid, dewijl gij zoovelen in hunne rampen hebt geholpen. Ik werp mij voor uwe voeten neder en roep met droefheid in het hart tot u om hulp. Ten einde uwe alles-vermogende voorspraak des te gemakkelijker in te winnen, wil ik ter uwer eer en uit liefde tot u dit heilig misoffer bijwonen, dewijl ik wel weet, dat deze allerheiligste olïerande u bijzonder aangenaam en boven alle andere gebeden welgevallig is.

-ocr page 236-

— 224 —

Daarom olïer ik aan de allerheiligste Drievuldigheid deze heilige mis, benevens alle heilige missen, welke heden inde Kerk Gods gelezen worden, tot uwe meerdere eer en de verspreiding uwer wonderwerken. Ik offer ook deze H. Mis u ter eere op, en bid u, haar met welgevallen aan te nemen, dewijl ik toch niets beters heb, waarmede ik u kan vereeren. Ik smeek u derhalve ootmoedig, laat mijne aangelegenheid u ter harte gaan, en bepleit mijne zaak voor den troon der goddelijke genade. Ik stel mijn lot in uwe handen met de vriendelijke bede, hetzelve gedurende H. Consecratie den allerhoogsten God op te dragen en vertrouw vol aan te bevelen. Dan ben ik er zeker van, dat gij mijn belang op de beste wijze zult bevorderen, en indien God het verlangt, mijne droefheid in vreugde zal veranderen. Amen.

-ocr page 237-

— 225 —

NOVEEN ter eere van den H. Antonius van Padna.

EERSTE DAG.

\'aar ik zonder eenige hulp ben, neem ik naast God tot u, o H. Antonius, mijne toevlucht; o neem mij op onder uwe bescherming met dezelfde vreugde, waarmede de se-raphijnsche orde u ontving, toen gij, naar een strengeren levenswandel verlangend, het besluit hadt genomen, den H. Franciscus in armoede en boetvaardigheid na te volgen. Verkrijg mij van God, door de verdiensten van dit heilig streven, de genade, dat ik ook den veiligen weg bewandele, mijn hart onthechte aan de wereld, en in alles het eenige heil mij ner ziel voor oogen boude, Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

Gaat rnx a. 45

-ocr page 238-

— 226 —

TWEEDE DAG.

Strek uwe machtige hand uit, o H. Antonius, om mij te helpen ; dat door uwe verdiensten worde aangevuld, waarin ik te kort schiet. Uw ijver in het streven naar christelijke volmaaktheid was zoo groot, dat gij u reeds twee jaren na uwe intrede in de seraphijnsche orde, tot de eenzaamheid hegaaft en tot voedsel niets dan water en brood gebruiktet, om daardoor de zinnelijkheid des lichaams in u te bestrijden, zoodat een ieder gesticht werd door uwe volmaaktheid. Verkrijg mij door de verdiensten van uw streng en boetvaardig leven van God de genade, dat ook ik waardige vruchten van boetvaardigheid voortbrenge, in dit leven mijne tallooze zonden uitboete, en door een oprecht godsdienstig leven den oneindigen God hier en hiernamaals moge behagen Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

-ocr page 239-

— 227 —

DERDE DAG.

Uwe bereidwilligheid om noodlijdenden te helpen, o H. Antonius, spoort ook mij aan, om met allen, die in moeielijkheden verkeeren, voor u neer te knielen, opdat ik door uwe voorspraak genade vinde in de oogen van Hem, wiens vleesch en bloed gij voor het eerst in het derde jaar na uw intrede in de seraphijnsche orde, aan den Hemelschen Vader opofferde t. — O, met welk een godsvrucht en vurige liefde hebt gij uw eerste H. Misolïer gevierd. Verwerf mij van God. door al die groote verdiensten, waarmede gij als priester gedurende de H. Mis bij de H. Consecratie het brood en den wijn ver-anderdet in het waarachtig lichaam en bloed van Christus, de genade, dat ik het allerheiligst Sacrament des altaars nu en vóór mijn aisterven waardig moge ontvangen, daardoor

-ocr page 240-

— 228 —

in de genade Gods versterkt worde, en tot het einde in dezelve moge volharden. Amen.

Onze Vader. — Wees gegroet.

VIERDE DAG.

O H. Antonius, bedenk de genade, welke u, op het vierde jaar van uw intrede in de seraphijnsche orde, door den Almachtige verleend werd. om zijn woord met zulk een buitengewonen ijver en indrukwekkendheid te verkondigen, dat allen die het aanhoorden, verbaasd stonden en krachtdadig in de liefde tot God ontstoken werden. Verkrijg mij van God door deze gunst en door de verdiensten van uw apostolisch predikambt de genade, bij het aanhooren van Gods woord mij hetzelve naar ziel en lichaam ten nutte maken, om daarvoor in

-ocr page 241-

— 229 —

de eeuwigheid het loon te ontvangen. Amen.

Onze Vader. — Wees gegroet, VIJFDE DAG.

Verkrijg mij, o H. Antonius, door uwe machtige voorspraak de genade der vergiffenis van al mijne zonden, gij, die in het vijfde jaar van uwe intrede in de seraphijnsche orde het hart van een groot zondaar tijdens de biecht zoozeer troft, dat al zijne op papier geschrevene zonden, wegens de volmaaktheid van zijn berouw, oogenblikkelijk verdwenen. Verwerf ook voor mij diezelfde genade van God, opdat ik, vooraleer ik sterf en verschijn voor den strengen rechterstoel van God, al mijne zonden beweene, ze rouwmoedig be-lijde en door uwe voorspraak en verdiensten daarvan vergilïenis moge er-

-ocr page 242-

— 230 —

langen. Amen.

Onze Vader. — Wees gegroet.

ZESDE DAG.

Verlos mi] van alle onheil, o H. Antonius, die in het zesde jaar na uwe intrede in de seraphijnsche orde door de talrijke en groote wonderen, welke gij uitwerktet, de oogen en harten van alle menschen tot u getrokken hebt, en alles voor allen geworden zijt; verkrijg mij door de overgroote verdiensten dier liefde, waardoor\' gij blinden het gezicht, dooven het gehoor, zieken de gezondheid en dooden het leven hebt geschonken, van God de genade, dat ik toch geen slechten dood sterve, maar, na in zonden gevallen te zijn, aanstonds weder opsta, en • tot het einde toe een Gode welgevallig leven moge leiden. Amen.

Onze Vader. — Wees gegroet.

-ocr page 243-

— 231 —

ZEVENDE DAG.

Kom mij te hulp, o H. Antonius, want gij weet, dat mij zulks naar lichaam en ziel noodig is. Bij God zijt gij alvermogend, de Heer is met u, gij zijt gezegend onder alle heiligen, en gezegend is ook Hij, die u van uit den hemel de behulpzame hand toereikt. Een dooden jongeling hebt gij in het zevende jaar na uw intrede in de seraphijnsche orde wederom tot het leven opgewekt, en daardoor duidelijk te kennen gegeven, dat degene geholpen wordt, dien gij wilt helpen. Verkrijg ook mij, door de verdiensten, welke gij verworven hebt bij God, van Hem de genade, dat Hij mij en de mijnen zijnen goddelijken zegen schenke, mij goedgunstig tegen alle kwaad behoede, en mij na dit sterfelijk leven

-ocr page 244-

— 232 —

met het eeuwig leven moge verblijden. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

ACHTSTE DAG.

O H. Antonius, trouwe zielenherder, kom mij te hulp, als schrik en doodsangst mij omringen.; gij, die zoo vol ijvei\' waart voor het heil der zielen, dat gij in het achtste jaar na uw intrede in de seraphijnsche orde, aan vele zondaars in den slaap zijt verschenen, hen vaderlijk vermaandet, om hunne deels vergetene, deels verzwegen zonden in den biechtstoel te gaan belijden en zich door werken van boetvaardigheid in staat van genade te stellen. Verkrijg mij dooide verdiensten van deze uwe bezorgdheid voor het heil der zielen, van God de genade, dat ik mij zeiven kenne, mijne zonden verfoeie, niet van deze

-ocr page 245-

— 233 —

wereld scheide, zonder het ontvangen der heilige Sacramenten, maar met God verzoend, een zaligen dood moge sterven. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

NEGENDE DAG.

Ontferm U mijner, H. Antonius, ontferm u over mij, ellendig schepsel, voor wien Jesus, de goddelijke Ver-losser, zijn dierbaar bloed vergoten heeft. Ten einde de zielen aan de handen van Satan te ontrukken en voor den hemel te winnen, hebt gij in het negende jaar na uw intrede in de seraphijnsche orde, overal met zulk een onvermoeiden ijver het volk tot boetvaardigheid opgewekt, dat gij uw lichamelijk voedsel vergat te gebruiken, en door al te groote inspanning en afmatting in een zware ziekte zijt gevallen. Verkrijg mij door de

-ocr page 246-

— 234 —

verdiensten dezer onuitsprekelijke liefde voor het heil des evennaasten van God de genade, dat mij voor alles gelegen zij aan het onvergankelijke, en ik met verachting van de wellusten dezer wereld, steeds werke voor den hemel om eens de eeuwige zaligheid te mogen genieten. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

Sluitgebed na volbrachte Noveen.

O H. Antonius van Padua, getrouwe voorspreker, zie ik heb thans negen dagen uwen lot geprezen en uw voorbeeldig leven in de seraphijnsche orde overwogen, wat ik vertrouw, dat u welgevallig zijn zal. Ofschoon ik niet met dien ijver bezield was, als wel betaamde, hoop ik niettemin, dat gij, mijn onvermogen indachtig, mijne gebeden benevens mijn goeden wil in aanmerking zult nemen, mij zult ver-

-ocr page 247-

— 235 —

hooren en datgene vervullen, wat ik zoo vurig wensch.

Zijt gij echter reeds verhoord rje-worden, zeg dan:

Ja, gij hebt mijn gebed in genade aangenomen, mij goedgunstig verhoord en het verlangen mijns harten bevredigd; daarom betuig ik u mijnen innigen dank, en smeek u verder mij bij te staan ia alle tegenwoordige en toekomstige aangelegenheden; verwerf mij van God de genade, dat ik standvastig in het goede, het kwaad ver-mijde; Jesus, mijnen God en Heer liefhebbe, Hem getrouw diene en mij eindelijk in de eeuwigheid voor altijd met Jesus moge verheugen. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

-ocr page 248-

Gebed in verschillende aangelegenheden.

I.

Gebed voor een zaligen dood.

ta mij bij, o H. An toni us voora in den laatsten en beslissen den strijd opdat ik alsdan het onderspit niet delve, maar pal blijve tegen alle bekoringen, de hinderlagen van lt; boozen geesi zegevierend ontkome, eenmaal blijde de eeuwige rust moge binnengaan.

Ontferm u ook over alle geloovigt zielen, bijzonder over die mijner ouders vrienden, weldoeners, bekenden er en vijanden; bid voor haar. opdat zi ten spoedigste waardig mogen bevon den worden, om in te gaan tot dlt; eeuwige vreugde. Amen.

-ocr page 249-

— 237 —

II.

Gebed om in het gelooj te blijven volharden.

(3 H. Antonius. ijvervolle boetpre-diker, verdediger des geloofsen minnaar der goddelijke wet, bid voor ons bij Jesus Christus, dat wij steeds meer en meer bevestigd; word en in het ware geloof, in hetzelve volharden en getrouw alles onderhouden, wat het geloof ons voorschrijft. Bid echter ook voor de wankelenden, opdat zij opnieuw versterkt worden; — voor de sterken, opdat zij volharden; — voorde onwetenden, opdat zij de waarheid meer en meer inzien; — voor hen, die vreezen om voor hun geloof uit te komen, opdat zij de buitengewone genade beter beseffen, en Jesus en diens heilig woord, even vrijmoedig als gij, voor alle menschen leeren

-ocr page 250-

— 238 —

belijden; opdat wij eens na doorstanen strijd, waardig bevonden worden, vol vertrouwen met den Apostel te zeggen : dat wij den strijd gestreden, het geloof bewaard hebben, en daarom kunnen hopen op de kroon des levens, welke Jesus bereid heeft voor degenen, die zich in zijne komst verheugen. Amen.

lil.

Gebed ten tijde der bekoring.

O Heer Jesus Christus, ontferm u mijner, en sta mij ook bij tegen alle bekoringen van den boozen geest, ge lijk gij den H. Antonius, uwen trouwen dienaar, beschermd hebt, opdat ik te allen tijde waakzaam zij, moedig strijde en in niets toegeve, maar tot mijnen laatsten ademtocht U trouw diene, teneinde U eenmaal, in de eeuwige vreugde met den^H. Antonius

-ocr page 251-

— 239 —

te kunnen loven en prijzen; U die met den Vader en den H. Geest leett en heerscht in eeuwigheid. Amen.

IV.

Geschikt gebed voor zieken.

Door uwe machtige voorspraak, ü H. Antonius, zijn zoovele zieken, die reeds op den rand des grafs waren, oogenblikkelijk gezond worden. Zie, ook ik lig op het bed van smarten ; ik beken het, de menschen kunnen mij niet helpen, daarom wend ik mij tot u, o mijn beschermer en bijzonderen helper in den nood, en smeek u, wil ook voor mij bij God om mijne gezondheid bidden ten einde mij nog beter te kunnen voorbereiden tot den dood, die mij eenmaal ongetwijfeld zal treffen. Indien het echter Gods wil niet is, dat ons vereenigd gebed verhoord worde, verwerf mij dan ten

-ocr page 252-

— 240 —

minste geduld en volharding tot aan het laatste oogenblik, om eens der belofte deelachtig te worden, welke Jesus aan u en allen gedaan heelt, die tot het einde volharden.

Verkrijg voor allen, die mij verplegen en bewaken, eene nimmer verflauwende liefde tot God en de volharding tot het einde toe, als belooning voor al het goed, dat zii mij in mijnen hulpbehoevenden toestand bewezen hebben, en wat ik hun niet vergelden kan. Dit smeek ik u, o H, Antonius, ter wille uwer liefde voor alle zieken en lijdenden, gij, die thans den Vader, den Zoon en den H. Geest looft en prijst in eeuwigheid. Amen.

-ocr page 253-

— 241 —

Negen gebeden tot den H. Antonius.

(Naar verkiezing te bidden gedurende de Negen Dinsdagen.)

1.

O glorierijke H. Antonius, edele zonnebloem der goddelijke gelijkvormigheid, ik groet u met alle Engelen en Aartsengelen. Ik wensch u geluk en bedank den almachtigen God voor de onuitsprekelijke genade, welke Hij u bewezen heeft, om te allen tijde, en evenals de Engelen met vreugde Gods wil op de volmaaktste wijze te vervullen. Ik bid u, o H. Antonius, wil toch in vereeniging met alle Engelen tot den troon van God naderen en in de minzaamheid uws harten Hem mijn verzoek, dat gij zeer goed kent, aanbevelen. Amen.

Gaat tot A. 16

-ocr page 254-

— 242 —

2.

Ik groet u, o H. Antonius, luisterrijke bloem ;; van geestvervoering, in naam quot;van alle heiligen, aartsvaders en profeten, wensch u geluk, en dank den goedertieren God voor de groote genade, welke Hij u verleend heeft, daar gij gelijk de patriarchen en profeten zoo voortreffelijk werdt bedeeld met de gave der diepste kennis Gods en der voorzegging. Ik smeek u, wil in vereeniging met alle heiligen, aartsvaders en profeten optreden voor den troon van God en, door de opoffering van uw\' aller verdiensten, aan mijn gebed gehoor verleenen. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

8.

Ik groet u, o H. Antonius, schit- li terende roos der brandendste lief- a

-ocr page 255-

— 243 —

de, in naam van alle heilige apostelen en leerlingen van Jesus Christus. Ik wensch u geluk en dank den beminnenswaardigen God voor de groote genade, waarmede Hij u begiftigde, daar Hij u even als de apostelen en leerlingen van Jesus heeft uitverkoren, tot ijverig verkondiger van het H. Evangelie en tot verspreider van het Roomsch-katho-liek geloof.

Ik smeek u, ga met alle heilige apostelen en leerlingen des Heeren tot den troon van God en verkrijg mij door de opoffering van uw aller verdiensten de genade, dat mijn gebed moge verhoord worden. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

4.

Ik groet u, o H. Antonius, sierlijke roos van geduld, in naam van alle martelaren en boetedoeners. Ik

-ocr page 256-

— 244 —

wensch u geluk en dank den barm-hartigen God voor de groote genade, u verleend, dewijl gij even als de martelaren en boetplegers voor den naam van Christus vele vervolgingen hebt doorstaan, ja zelfs bereid waart uw heilig bloed te vergieten.

Ik smeek u derhalve, o H. Anto-nius, verkrijg mij in vereeniging met alle heiligen, martelaren en boetedoeners, door de opoffering van uw aller verdiensten, de zoo gewenschte hulp in mijne aangelegenheid. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

5.

Ik groet u, o H. Antonius, beha-gelijke reine bloem van milddadigheid, in naam van alle heilige bisschoppen en priesters. Ik wensch u geluk en dank den allerheiligsten God voor de groote genade, u medegedeeld,

-ocr page 257-

— 245 —

waardoor gij even als de heilige bisschoppen en priesters niet uwe heilige predikatiën en uw heilig voorbeeld vele duizenden zondaars tot God bekeerd, en voor den hemel gewonnen hebt.

O ga, H. Antonius, door alle heilige bisschoppen en priesters vergezeld, tot den troon van God, en verwerf mij door uw aller voorspraak den zoo vurig verlangden bijstand in mijne aangelegenheid. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

6.

Ik groet u, o H. Antonius, nederige bloem van zachtmoedigheid, in naam van alle heilige monniken en kluizenaars. Ik wensch u geluk en dank Gods goedertierenheid voor de groote genade, u geschonken, tengevolge waarvan gij gelijk de heilige monniken en kluizenaars uw leven in

-ocr page 258-

— 246 —

▼asten, waken, bidden en andere ren\' moeilijke werken van boetvaardigheid barn hebt doorgebracht. 0 verleen mij toch door uwe verdiensten en die van alle heilige monniken en kluizenaars de verhooring van mijn gebed. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

7.

Ik groet u, o H. Antonius, helder witte lelie van zuiverheid, in naam van alle heilige maagden en onschuldige kinderen. Ik wensch u geluk en dank den liefderijken God voor de groote genade, welke Hij u heeft verleend,

daar gij even als de heilige maagden en onschuldige kinderen de heerlijkste aller deugden, de kuischheid, zoo onbevlekt bewaard en alle bekoringen zoo manmoedig overwonnen hebt.

Terwille van uw veelvermogende voorspraak en de verdiensten van alle heilige maagden en onschuldige kinde-

-ocr page 259-

— 247 —

ren, bid ik u met vertrouwen, dat de barmhartige God mijn gebed genadig moge aanhooren. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet 8.

Ik groet u, o H. Antonius, liefelijk viooltje van onbeschrijfelijke nederigheid. in naam van alle heilige weduwen en echtgenooten. Ik wensch u geluk en loof den liefdevollen God voor de groote genade, u geschonken, dewijl gij even als deze heiligen in alle mogelijke deugden uitgeschenen, en uwen God gedurende geheel uw leven zoo trouw en vlijtig gediend hebt.

O verkrijg voor mij, H. Antonius, in vereeniging met alle heiligen, door de opoffering van uwe en hunne verdiensten, de genade, om in mijne aangelegenheid door God verhoord te worden. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

-ocr page 260-

— 248 —

9.

Ik groet u, o H. Antonius, aanvallige bloem van innige genegenheid, in naam van alle vrome men-schen, welke nog op aarde leven; ik wensch u geluk en loof den aller-hoogsten God wegens de groote liefde, welke Hij u heeft toegedragen en de genade, waarmede Hij u heeft begunstigd. Ik smeek u, terwille van al de weldaden welke gij zoo rijkelijk van God hebt ontvangen, zie genadig op mij neder en verkrijg mij van God, door de opoffering uwer getrouwheid in zijnen dienst, de genade, dat Hij mijn gebed verhoore tot uv/e meerdere eer en glorie en tot troost van mijn bedroefd hart, ten tijde en op de wijze als het Hem zal behagen voor het heil mijner onsterfelijke ziel. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

-ocr page 261-

— 249 — Lofzang

TER EERE VAN DEN H. ANTONIUS.

{Op diens feest 13 Juni.)

Heden steeg hij, die Belijder,

Wien de volk\'ren de eerekroon Juichend brengen van deze aarde,

Zalig in de hemelwoon.

Vroom, ootmoedig, kuisch en ijv\'rig, Strijdend voor des Heeren zaak, Bleef hij trouw den plicht vervullen

Van zijn opgenomen taak.

Door zijn deugd en voorbeeld tevens.

Keert in \'t uitgeput gemoed Van den strijder Gods weer veerkracht

En verhoogde zielegloed.

Daarom stijgt ook ons uit midden,

Dank en loflied hemelwaart; Strek\' zijn bede ook ons tot voorspraak

Bij den pelgrimstocht op aard. Dan toch wordt de lof behaag\'lijk

-ocr page 262-

— 250 —

In der hemelingen oor,

Dien wij der Drieëenheid brengen,

Heden en alle eeuwen door. Amen.

Antiph. O beste leeraar, licht der H. Kerk, Antonius vim Padaa, minnaar der goddelijke wet, bid voor ons den Zoon van God.

De Heer geleidde den rechtvaardige op de effene paden.

En Hij toonde hem het Rijk Gods.

GEBED.

Laat uwe Kerk, o God zich verheugen in de plechtige feestviering van uwen belijder, den H. Antonius; opdat zij door geestelijke hulp te allen tijde gesterkt en waardig gemaakt worde, om eenmaal de eeuwige vreugde te genieten. Door Jesus Christus onzen Heer. Amen.

-ocr page 263-

GEBEDEN ONDER

1

HET LOF

^^godclelijke Zaligmaker, Jesus Christus, waarachtig tegenwoordig in dit aanbiddelijk Sacrament ! Algoede, die mij zoo onuitsprekelijk liefhebt; zie, doordrongen van innige wederliefde, kniel ik voor dit kostbaarste der Geheimen neder en aanbid uwe goddelijke Majesteit met een geloovig, dankbaar en blijmoedig hart. O mijn God, mijn leven en mijne zaligheid! Niets is mij zoo zoet en weldadig, niets verheugt mij zoozeer als hier, in stille aandacht verzonken, voor u ■neder te knielen, mijn hart in liefdezuchten voor U uit te storten, met U te spreken, en vol dankbaarheid uwe overvloeiende barmhartigheid en

-ocr page 264-

— 252 —

goedheid te prijzen, welke Gij ons zoo wonderbaar in dit Sacrament bewijst.

O hoe liefelijk is uw geest, Heer van goedheid en ontferming ! Om ons deze liefelijkheid in hare verborgene bronnen te doen smaken, hebt Gij dit allerheiligste geheim ingesteld en ons daarin U zeiven als het waarachtig manna des hemels, hetwelk alle geestelijke zoetigheden in haren eigen oorsprong bevat, te smaken gegeven. O, wees daarom geprezen, goddelijke Zaligmaker, troost on-zes levens en bron van alle zaligheid, welke vloeit in de harten van diegenen, die met geloof en liefde tot U naderen en U waardig in dit allerheiligst Sacrament ontvangen.

Bevende van heilige, kinderlijke liefde en vreugde verhef ik mijne blikken tot U, verborgen God en Zaligmaker, en geheel mijn wezen

-ocr page 265-

— 253 —

is doordrongen van liefde, dank en gelukzaligheid. O wonderbaar en boven alles liefelijk Sacrament, welke heilige gewaarwordingen verwekt Gij in de harten van hen, die U waarlijk liefhebben, en hoe juicht de begenadigde ziel, als zij U, haar heil en haar leven, en tiaar geluk en gan-sche zaligheid in dit hemelsch geheim uwer liefde beschouwt!

O goedertieren Jesus, ook ik gevoel, welk eene zaligheid het is, in uwe goddelijke tegenwoordigheid te vertoeveUj en onder de zegenende schaduw van dit liefelijk Sacrament uit te rusten. Behoud en vermeerder dit heilig en zaligmakend gevoel in mij. Laat mijn hart niet in liefde tot U verflauwen, maar houd het levendig en ontsteek het voortdurend met uw geestelijk vuur, opdat het U te allen tijde aanhangein liefde en trouw, in innige, zalige verrukking

-ocr page 266-

— 254 —

voor U, mijn beminden God en Zaligmaker.

Wees Gij voortdurend mijn hoogste wellust, mijne vreugde, het voorwerp van al mijne wenschen, hoop en streven. Laat mij liever alles, ja zelfs mijn leven verliezen, dan van U en uwe liefde gescheiden worden. Help en versterk mij, opdat ik getrouw tot in den dood volharde in den dienst uwer liefde, en laat mij dan daar aankomen, waar ik uw gezegend aanschijn onverscholen mag aanschouwen, en uwen lof met alle zaligen verkondigen kan in alle eeuwigheid. Amen.

Lofzang van den H. Thomas van Aquine ter eere van het allerheiligst Sacrament,

Verborgen Godheid, onder schijn van [spijs en drank

-ocr page 267-

— 255 —

Waarachtig schuilende op de Altaren |

[neem den dank, De hulde en eerbied van een hart,

[in U verslonden, Dat U in \'t stof aanbidt, maar vrucht\'-

[loos zou doorgronden; Gezicht, gevoel en smaak, \'t schiet

[alles toch te kort: Alleen \'t gehoor, dat door het woord

[getroffen wordt. Strekt veilig hier \'t geloof ten gids.

[Dat woord des Heeren Gedoogt geen twijfel, maar eischt

[nederig zielsverneêren, \'k Geloof uw Godheid dan, die een-

[maal zich alléén Op \'t kruis verborg, terwijl de mensch-

[heid hier meteen Omhuld is: ik breng beiden \'t loflied;

[maar rouwmoedig Roep ook ik, als aan \'t kruis de [moorder, overvloedig

-ocr page 268-

— 350 —

Genade in; en ofschoon ik niet als

[Thomas deed, Wiens oog de wond moest zien, al-[eer hij U beleed, Zoo breng ik hier toch hulde aan

[God — en menschheid beiden, Met bede, dat Geloof en Liefde en

[Hoop nooit scheiden In mijn vermorzeld hart, gevoed door

[\'t hemelbrood, Dat levend teeken van des Heeren

[offerdood. O moog mijn ziel, barmhartig Pelikaan,

[U smaken. Wiens bloed met éénen drop een

[wereld rein kon maken, Die onder zondeschuld gebukt ging!

[— Jesus, Heer! Hier voor mijn oog bedekt; o, schouw

[genadig neêr, En geef, dat ik, na zooveel smachtend [zielsverlangen,

-ocr page 269-

— 257 —

Door uw verdienste, \'t heilig licht

[eens moog\' ontvangen, Dat van uw aanschijn straalt, daar,

[waar Gij, onverhuld. De heem\'len met onstoorbre zaligheid

[vervult.

Gebed tot de H, Maagd.

Wees gegroet in den glans uwer onbevlekte ontvangenis, o H. Maagd Maria, Moeder Gods, koningin der Engelen, hulp en voorspraak der men-schen! Zie, aan uwe voeten kniel ik neder om u mijnen eerbied te betoonen, om met vertrouwen en ijver mij aan uwen dienst toe te wijden.

O Koningin des hemels, wie alle scharen der Engelen vol opgetogenheid dienen, en wier lof over den geheelen aardbodem, van het eene

Gaat tot A. 17.

-ocr page 270-

— 258 -

tot het andere einde verspreidt wordt, sla uwe blikken op mijn, in kinderlijke liefde aan u overgegeven hart, en laat mij behooren tot het getal dier waarlijk getrouwe dienaren, die u liefhebben ea zich beijveren, uwe schoone deugden na te volgen.

Zie, zoete Koningin, heden geef ik mij opnieuw weder ter uwer beschikking, met allen, die mij toebehooren, met alles wat ik heb of bezit. Ik wil u dienen met mijne krachten, met mijne bekwaamheden en vermogens, en wil daardoor uwe eer trachten te bevorderen waar en zooveel ik slechts immer vermag.

O genadige Vrouw en Koningin, erken in mij uw eigendom en handel met mij naar uw moederlijk welbehagen, gelijk het tot verheerlijking van uwen goddelijken Zoon, tot uwe eer en mijne zaligheid kan strekken.

-ocr page 271-

— 259 —

Spreid, liefderijke Maagd, den mantel uwer moederlijke bescherming over mij en de mijnen uit, en bewaar ons. voor elke zonde, voor alle gevaar, voor alle ongeluk naar ziel en lichaam. Wees mijn raad in twijfel, mijn troost in lijden, mijne hulp in nood, mijne bescherming in leven en dood.

Al mijne, zoowel tijdelijke als eeuwige belangen, met het grootst vertrouwen in uw gezegende moederhanden stellend, bid ik u, laat mij in alles uwen bijstand ontwaren, en toon, dat ook gij mijne Moeder zijt, o heilige en zoete Maagd Maria. Amen.

Litanie ter eere der allerheiligste Maagd Maria.

Heer ontferm U onzer !

Christus, ontferm U onzer!

Heer, ontferm U onzer !

-ocr page 272-

— 260 —

Christus, hoor ons!

Christus, verhoor ons ! God, hemelsche Vader, ontferm U onzer !

God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer !

God, H. Geest, ontferm U onzer! Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm u onzer!

H. Maria,

H. Moeder Gods, i

H. Maagd der Maagden, [

Moeder van Christus, [

Moeder der goddelijke genade, j gt Allereinste Moeder,

Allerkuischte Moeder,

Ongeschonden Moeder,

Onbevlekte Moeder,

Minnelijke Moeder,

Wonderlijke Moeder,

Moeder des Scheppers,

Moeder des Zaligmakers, Allervoorzichtigste Maagd,

-ocr page 273-

— 261 —

Eerwaardige Maagd

Lofwaardige Maagd,

Machtige Maagd,

Goedertieren Maagd,

Getrouwe Maagd,

Spiegel der rechtvaardigheid.

Stoel der wijsheid.

Oorzaak onzer blijdschap,

Geestelijk vat,

Eerwaardig vat,

Schoon vat van godvruchtigheid,

Geestelijke roos,

Toren van David,

Ivoren toren.

Gulden huis,

A.rk des verbonds.

Deur des Hemels,

Morgenster,

Behoud der kranken,

Toevlucht der zondaren,

Troosteres der bedrukten,

Hulp der Christenen,

Koningin der Engelen,

-ocr page 274-

— 262 -

Koningin der patriarchen,

Koningin der profeten,

Koningin der apostelen,

Koningin der martelaren,

Koningin der belijders.

Koningin der maagden,

Koningin van alle heiligen.

Koningin, zonder erfsmet ont- I g vangen, r —

Koningin van den allerheiligsten l Rozenkrans, )

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons Heer! Lm Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons Heer ! Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm u onzer Heer ! Christus, hoor ons !

Christus, verhoor ons !

Onze Vader enz. Wees gegroet enz.

Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, o heilige Moeder

-ocr page 275-

— 263 —

Gods, verstoot onze gebeden niet in onzen nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren, o eerwaarde en gezegende Maagd, onze Vrouw, onze Middelares, onze Voorspreekster ! verzoen ons met uwen Zoon, beveel ons aan uwen Zoon, vertoon ons aan uwen Zoon!

v. Bid voor ons, o heilige Moeder Gods,

r. Opdat wij waardig mogen worden der beloften van Christus.

Wij bidden U, o Heer, stort uwe genade in onze harten, opdat wij, die door de boodschap des Engels de mensch wording van Christus uwen Zoon gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de heerlijkheid der verrijzenis mogen gebracht worden, door denzelfden Christus, unzen Heer. r. Amen.

v. Bid voor ons, o H. Joseph! r. Opdat wij waardig mogen wor-

-ocr page 276-

— 264 —

den der beloften van Christus.

Wij bidden U, o Heer, dat wij door de verdiensten van den bruidegom uwer allerheiligste Moeder mogen geholpen worden, opdat ons door zijne voorspraak geworde, hetgeen wij door ons zeiven niet kunnen verkrijgen, die leeft en heerscht in eeuwigheid.

R. Amen.

(300 dagen aflaat, Fius Vil 1817.)

-ocr page 277-

— 265 —

LOFZANG.

Tantum ergo.

Ëeren wij dan, diep gebogen, Een zoo heilig Sacrament;

De oude schaduw is vervlogen, In dit nieuw geheim volend;

Wat de zinnen niet vermogen: \'t Worde door \'t geloof erkend.

Lof den Vader, ongeboren,

En zijn Eéngeboren Zoon;

Lof van alle jubelkoren

Zij, met dank en zegentoon,

Beider Geest, als hun beschoren Op hun éénen glorietroon.

Amen.

v. Brood uit den hemel hebt gij hun gegeven.

E. Dat alle geneugte in zich heeft.

-ocr page 278-

— 266 —

Laat ons bidden.

O God, die ons onder dit wonderbaar Sacrament de gedachtenis van uw lijden hebt nagelaten, verleen ons, bidden wij U, dat wij de heilige geheimen van uw lichaam en bloed zoo vereeren, dat wij de vruchten uwer verlossing voortdurend mogen gevoelen, die leeft en heerscht in eeuwigheid. Amen.

(ioo dagen aflaat eens per dag Pius VII, 1818).

IMPRIMATUR.

Buscod, hac 5 Octobris 1880.

j. j. VERSTERREN, Rector.

ad hoc delegatus.

lb

-ocr page 279-

— 267 —

INHOUD

Bladz.

Voorrede..........3

Korte levensbeschrijving......7

Prediking voor de visschen te Rimini ... 25

Wonderen na zijnen dood......54

Aard en wijze, om de oefeningen der Negen Dinsdagen ter eere van den H, Antonius te

verrichten.........93

Oorsprong van de oefening der negen Dinsdagen ter eere van den H. Antoni s ... 97 De eigelijke oefening der Negen Dinsdagen . 100 Gebed, waardoor men den H. Antonius tot zijn

beschermer kiest...... . 102

Bij het begin der Negen Dinsdagen. . . . 103 Gebed, als men nog niet verhoord is geworden. 125 Dankbetuiging voor ontvangene gunstbewijzen. 127 Beroemd Responsorium ter eere van den H.

Antonius. . 128

Kleine getijden van den H, Antonius van Padua 133 De drie voetvallen ter eere der allerheiligste

Drievuldigheid...... , .148

Litanie ter eere van den H. Artonius van Padua 153 Godvruchtige gebeden tot den H. Antonius in allerlei aangelegenheden, gelijk ze vervat zijn in het Responsorium van den H. Bonaventura 160 Gebed om de hulp van den H. Antonius te

vérwerven.......... 177

Gebed in allerlei tegen-poed . . . , -179 Vurige verzuchtingen tot Jezus, om door de voorspraak van den H. Antonius alle onheil

af te weren.........180

Responsorium van den H. Antonius, i n den den vorm van een gebed......183

-ocr page 280-

UiL 8j8 — 268 — ■

Bladz.

De zegen van den H. Antonius tegen de aanvechtingen der helsche geesten . . . .185

Gebeden onder de H. Mis......189

Een ander gebed tot den H. Antonius voor de

negen Dinsdagen....... . 206

Opoffering van dit gebed......212

Gebed voor het altaar van den H. Antonius , 213 Gebeden ter eere der groote vreugden, welke Antonius op aarde genoot, om bijzondere genaden van God te bekomen . . , . . 217 Godvruchtig gebed tot den H, Antonius gedurende de H. Mis ........ 223

Noveen ter eere van den H, Antonius/an Padua 225

Sluitgebed na volbrachte Noveen .... 234

Gebeden in verschillende aangelegenheden . . 236

Gebed voor een zaligen dood . , . . . 236

Gebed om in het geloof te blijven volharden . 237

Gebed ten tijde der bekoring ; . . . 238

Geschikt gebed voor zieken....., 239

Negen gebeden tot den H. Antonius .naar verkiezing te bidden gedurende de negen Dinsdagen 241 Lofzang ter eere van den H. Antonius op diens

feest (i3 Juni) ........249

Gebeden onder het lof,......251

Uitgave van G. MOSMANS Senior \' s-Hertogenbosch.

-ocr page 281-

lads.

185 189

206

212

213

217

223 325 234 336

236

237 =38 \'39

:4i

!49

!SI

-ocr page 282-

-ocr page 283-
-ocr page 284-
-ocr page 285-