t. 9mvt bkisntrrtr
quot; -----
■■■*\'. . \\ v: \' -v. \'.: :• \'
• •\' ••• •
■\'.;- .\',...^quot; ■ \'!■\' ■\' ■ \'■■\'■:■ \'■■gt;. :-t- .. \' ■ :j\' Si
•-• \' j\': v ; ■ \',\'-*• r^V^i.^v \' ., \'■■ -
. -■: \'- \' r •■,: ■, \' ■;■ :. gt;\' v: \' -gt;■ vv;: ^-: - ;
■ ~gt;t
■ \' • gt; \'/. : . v1-- - ■ ■ \' -
■:
■\' \'. . •\'■quot; \'• ; .-,- ■ ■ \':-gt;V • •■ :\' ^ quot;• ■\'•gt;- /-•;-■
:.dy-\'. ■■ ,
Cr
m-y\'yquot;
-; --Ï. ■quot; \', \':f-. ■ ■
.\'ïy.i
T ■■\'■
- :y . :
quot;i;- •
■ .-v- r
i- S( -
, \'v Ui \'quot;W- V/fe/
. ;-\' -V - V -■ \' gt; quot; •
apm
\\ -quot; \'r. ^ - T- WV-\'-r;i
■■ ■ L- \' -v ;• ■ , -v \' ■ .. ■ y-:- . ;\'v .
-
.-- i i\'
DE DEIE FORMULIEREN VAN EENIGHEIÜ,
De Drie Formulieren van Eenigheid,
GELIJK DIE VOOR DE GEREFORMEERDE KERKEN DEZER LANDEN ZIJN VASTGESTELD IN HAAR LAATSTGEHOUDEN NATIONALE SYNODE.
UITGEGEVEN
AMSTERDAM.
VOORREDE quot;VOOR DEN EERSTEN DRUK.
Aanleiding tot deze uitgave bood een niet van gewicht ontbloote gebeurtenis in de samenkomst van de ouderlingen der oudere gereformeerde Kerk te Amsterdam, op Zaterdag den 24 Februari iSSS.
In deze samenkomst namelijk , die belegd was om met de nieuw opgetreden broederen de werkzaamheden voor het nieuwe kerkelijk jaar te verdeelen, deed een der aanwezigen het verzoek, dat de ouderlingen dezer Kerk tezaam met de predikanten, door onder-teekening van de drie Formulieren, wilden doen blijken van hun onverdeelde en hartelijke instemming met de Belijdenisschriften onzer Kerke.
Door bijna al de aanwezige ouderlingen werd met ingenomenheid en opgewektheid aan dit verzoek voldaan. Van onderscheidene der toen afwezigen weet men nu reeds, dat ze niets liever doen, dan hun namen bij die der broederen voegen. En wie de namen kent van de gereformeerde predikanten, die in de laatste jaren aan de gemeente onzes Heeren Jezu Christi te Amsterdam geschonken zijn, zal wel geen oogenblik twijfelen, of ook dezer naam zal eerlang aan de namen der broederen ouderlingen worden toegevoegd. Het boek, waarin de onderteekening geplaatst werd, bestond eenvoudig uit de drie bijeen gebonden Formulieren, waaronder stond: Met bovenstaande drie Formulieren van eenigheid, zijnde de Belijdenis ^ de Catechismus en de Canones van Bordt, betuigen de ondergeteekenden, als opzieners van de gemeente onzes Heeren Jezu Christi te Amsterdam, hunne hartelijke instemming.
Deze gebeurtenis noemde ik »niet van gewicht ontblootquot;. Staat het toch vast, dat de Kerk van Christus in haar uitwendige, zichtbare
VOORREDE.
gestalte subjectief geen anderen band van eenheid heeft dan haar Belijdenis, dan is ontegenzeggelijk onderlinge aaneensluiting van opzieners en leden der gemeente op den grondslag dier Belijdenis het begin van Kerkherstel.
Zij, die overeenstemmen in belijdenis en deze overeenstemming uitspreken, vormen feitelijk saam één Kerk. Niet de eenheid van Kerkenorde, maar de eenheid van belijdenis beslist voor de eenheid der Kerken. En de vraag, of deze belijdenis-eenheid der Kerken met trager of met vlugger gang weer tot eenheid van Kerkenorde zal leiden, wordt uitsluitend beheerscht door de meerdere of mindere wilskracht, energie en oprechtheid, waarmeê men die belijdenis aanvaardt.
Hiermeê is niet gezegd, dat overeenstemming in de belijdenis van de drie Formulieren alle dwaling afsnijdt. Dat kan niet beweerd door wie ook maar oppervlakkig van de historie onzer Kerken kennis nam. Uit die historie toch blijkt, hoe allerlei ketters en dwaalgeesten, over wier afwijking van de gereformeerde leer thans slechts één gevoelen bestaat, desniettemin in oprechtheid verzekerden, dat ze tegen de onderteekening van deze Formulieren geen bezwaar hadden. En niet minder is uit de historie onzer Kerken bekend, hoe men in onderscheidene provinciën, o. a. door de nadere verklaring tegen de Remonstranten en door de vijf Walchersche artikelen, nog een nooddam om deze Formulieren heeft zoeken op te werpen, teneinde het geweld der onheilige wateren te keeren.
Het is en blijft mijne overtuiging, dat met name tegen den algeheelen afval van de linkerzij der modernen, tegen het pure rationalisme der conservatieve modernen en niet minder tegen de pantheïstische neigingen der moderne orthodoxen, onze Kerken haar belijdenis nog uit te spreken hebben.
Want wel geef ik toe, dat alle ketterij van ééne familie is en uit den vader der leugen stamt en niet zou kunnen uitbreken , als er geen zonde in ons hart werkte, en dat dus in dien algemeenen zin de nieuwe ketterijen reeds in die van ouder dagen veroordeeld liggen; maar op het voetspoor onzer vaderen acht ik hiermeê de Kerk toch geenszins van den plicht tot nadere verklaring en meer ontwikkelde belijdenis ontslagen.
In de dagen der Remonstranten hebben onze vaderen niel gezegd; »Deze ketterij is reeds in den heelen en halven Pelagius veroordeeldquot;; maar ze hebben opzettelijk tegenover den bijzonderen vorm, waarin
VI
VOORREDE.
deze Remonstrantsche dwaling optrad, in even bijzonderen vorm hun nadere verklaring gesteld, vervat in de vijf Leerregelen.
Vaststelling der waarheid en afsnijding van alle ketterij verkrijgt men derhalve met de onderteekening der drie Formulieren nog geenszins.
Indien eenmaal de gereformeerde Kerken dezer landen, door Gods gunste hereenigd, weer tot een generale Synode mochten geraken, en op zulke Synode heur nadere verklaring tegen het modernisme en de moderne orthodoxie naast die tegen de Remonstranten zullen plaatsen, dan zal waarschijnlijk meer dan één terugtreden, die thans nog de drie Formulieren onderschrijft.
Om de grenslijn zuiver te trekken, die de waarheid scheidt van de dwaling, is de grondslag dezer drie Formulieren dus niet te eng, maar nog te ruim.
Voor dat doel moet men derhalve naar andere middelen omzien; althans, dat doel heeft niemand, die deskundige is, bij de onderteekening dezer Formulieren op het oog.
Neen, zulk een onderteekening is een louter kerkelijke daad.
Om de kerkelijke lijn weer op te vatten, is men gebonden aari het laatste woord, dat de Kerk als Kerk officieel gesproken heeft; en dat woord nu spraken onze Kerken in 1618 en 1619 te Dordrecht.
Niet alsof ze nu niet nog heel wat meer zouden te zeggen hebben , maar eenvoudig omdat alle nader spreken haar op dit oogen-quot;blik is belet.
Geen nationale Synode van alle gereformeerde Kerken dezer landen is na de Synode van 1618/19 meer samengekomen.
Ons Kerkrecht staat dus nog altoos op den toen gelegden grondslag.
Alle kerkelijk bestaan, elk kerkelijk recht, alle kerkelijke macht moet dus, om goed te zijn en rechtens te bestaan, binnen den omtrek van dezen grondslag vallen.
Al wie binnen den omtrek van dezen grondslag niet staat, verbeurt het recht tot kerkelijk meespreken; maar ook , al wie zijn plaats wel binnen den omtrek van dien grondslag neemt, mag kerkelijk niet geweerd.
VII
Nu neemt zijn plaats binnen dien intrek, niet het lid of de opziener eener Kerk, die in een quatenus 1) heil zoekt; alleen het
1) De Formulieren aanvaarden voorzooverre ze met Gods Woord overeenkomen.
VOORREDE.
quia 1) sluit in. Wie een quatenus huldigt, staat buiten den grondslag, maar begeeft er zich over de brug zijner personeele overtuiging nu en dan naar toe.
Alle instemming met de te Dordrecht gesproken en beleden woorden moet dus onvoorwaardelijk een zaak des harten zijn.
Maar schiet iemand in dat opzicht niet tekort, ook al bergt hij dan in den opstal van zijn overtuiging nog denkbeelden, die niet uit den gereformeerden wortel zijn , dan mag aan zulk een het recht om kerkelijk op te treden en kerkelijk medezeggenschap te hebben, niet worden betwist.
Uit dien hoofde waag ik het te beweren, dat elke Kerk, die, in ontredderden toestand geraakt, herstel van goeden Kerkstaat nastreeft, af heeft te zien van alle dichten der reten en der naden, en uitsluitend beginnen moet met te vragen naar het kerkdijk fundament.
Wordt de kerkelijke grondslag weer zuiver, d. w. z. vindt men, na wegneming van stof en puin, als grondslag zijner Kerk weer dienzelfden grondslag terug, waarop de Kerk onzer vaderen eens gebloeid heeft, dan begint men bij het begin en komt langs zuivere lijn en in den wettigen weg vanzelf verder.
Doet men dit in meerdere Kerken, dan zullen deze Kerken noodzakelijk en vanzelf elkander op dien gelijken grondslag ontmoeten en heur »eenheid op dien grondslagquot; zal openbaar worden.
Vandaar het hooge gewicht, dat ik hecht aan onderteekening dei-drie Formulieren van eenigheid.
Wel weet ook mijn ziel te klagen van de slapheid en onbewustheid en onoprechtheid, die zich bij alle onderteekening der massa\'s in zulk een handschrift mengt. Maar ditzelfde euvel bestaat op elk terrein. Hoe weinigen, die bij den heiligen Doop met de volle energie belijden, wat ze uitspreken ! Doopt men dan daarom niet? Of ook op burgerlijk terrein, hoe weinigen, die bij het onderteekenen van de huwelijks-acte met volkomen helderheid wisten, wat ze deden. Zuit ge dan daarom de huwelijksacte afschaffen?
vin
Ziet, mannen-broeders, wie in der waarheid belijdt, dat wij »allen gezondigd hebben en derven de heerlijkheid Godsquot;, die zal met mij tot het inzicht en de bekentenis komen, dat zulk een volkomen
1) De Formulieren aanvaarden omdat ze met Gods Woord overeenkomen.
VOOEREDE.
heldere bewustheid op aarde onder zondige menschen nimmer bereikbaar is.
Maar zóó vat dan ook niemand zulk een instemming met het beleden woord eener Kerk op. Ieder rekent bij zulk een onderteekening met de gewone en aan ieder bekende gebrekkelijkheid van onze daden, wetende dat er ja, zeer stelliglijk een implicita deceptio 4), maar, God zij lof, ook een fides implicita 2) bij de onderteekening van elke acte geldt.
Op dien grond komt het mij aanbevelenswaardig voor, dat de opzieners der gemeente onzes Heeren Jezu Christi in deze landen allengs in alle steden en in alle dorpen tot deze acte van kerkelijk belijden mogen komen, niet door zoo nu of dan eens in het vage van hun ingenomenheid met onze Formulieren te reppen, maar door in een publieke samenkomst, zoodat ieder het ziet, die Formulieren, zonder eenig nader beding, te onderteekenen, uitsluitend als bewijs van instemming met hun inhoud.
Van de Kerkenorde raag dit niet gevergd, omdat wel de beginselen, in zulk een Kerkenorde neergelegd, duurzaam zijn, maar de formuleering van die beginselen wisselt met de wisselende omstandigheden. Nu onderteekent men die beginselen vanzelf in de onderteekening der belijdenis, en zoo kan dus de Kerkenorde rusten tot later.
Wel dient ook die Kerkenorde op de rol te komen, maar na, niet vóór de Belijdenis; terwijl aanvaarding eener eenigszins gewijzigde Kerkenorde dan eerst kan en mag, als men den moed heeft gegrepen, om de Kerkorde, waaronder men thans leeft, cordaat opzij te zetten.
Dit immers springt in het oog: Twee Kerkenordeningen kan niemand tegelijk volgen. Wie dus zijn naam onder de Kerkenorde van Dordt van 1619 plaatst, schaft daarmeê de Kerkorde van 1816 af. En nu wenscht zeker niemand vuriger dan schrijver dezes, dat God de Heere ons spoedig den dag doe aanlichten, waarop de meeste Raden onzer Kerken tot dezen stap mogen verwaardigd worden; maar dit kan noch mag, eer men eerst weer met bewustheid zich plaatsen kan op den grondslag van onze Belijdenis, gelijk die ligt uitgesproken in onze drie Formulieren.
1) Gebrek aau volkomen zelfkennis.
2) Een nog niet volkomen bewuat geloof.
IX
VOORREDE.
Juist daarom strekt zich mijn wensch opzichtens deze Formulieren nog eenigszins verder uit, dan tot de opzieners der gemeente. Ik wenschte wel van God, dat ook de leden der gemeente weer met zoo helder mogelijke bewustheid en openlijk voor hun hartelijke instemming met deze Formulieren uitkwamen.
Niet dat dit in gewonen, gezonden Kerkstaat behoeft. Eertijds hebben onze Kerken nimmer leekenbelijdenis op de Forrrfulieren gevraagd. Maar in den tegenwoordigen toestand schuilt een oorzaak, die hier wel terdege toe noopt. Te weten, als het op Kerkherstel gaat, raken ook de leden der gemeente in het gedrang en zullen ook zij hebben te kiezen vóór of tegen deze of gene Kerkorde. En overmits het nu ongeestelijk is, een gemeentelid over een Kerkorde te doen oordeeien, indien er geen oordeel over de Belijdenis voorafging, is thans verklaring van de gemeenteleden over onze Formulieren wel terdege noodzakelijk.
Daaraan dient echter vooraf te gaan, dat men de gemeenteleden met die Formulieren bekendmake. Niemand mag ze teekenen dan na lezing, liefst van mondelinge uitlegging of toelichting in samenkomsten der gemeente verzeld.
Ook op onze catechisatiën dient dat doel nagestreefd, en zeer zeker mag het roekeloos heeten, in deze dagen jonge mannen en vrouwen tot het heilig Avondmaal toe te laten, die men niet eerst met de kloeke Belijdenis der waarheid, gelijk onze Kerke die steeds beleed , heeft bekend gemaakt.
Kon men daarom bij de dusgenaamde ^aannemingquot; een afdruk van deze Formulieren van kerkeraadswege ten geschenke geven, dan zou de kerkeraad hiermee een eersten, zuiver geestelijken en zeer uitmuntenden stap doen op den weg naar Kerkherstel.
Het is om zulk een kennismaking van onze drie Formulieren mogelijk te maken, dat ik deze uitgave ervan ter perse lei.
Zulke «Formulierenquot;, als saccoord van kerkelijke gemeenschapquot;, moet men bijeengebonden hebben in een goed leesbare uitgave, die op eerste aanvrage te verkrijgen is.
En dat is thans niet het geval.
Wel staan Catechismus en Confessie achter veler Psalmboek en
X
VOORREDE.
kan men de Canones apart koopen, maar dat vormt geen geheel, is niet prettig en leesbaar gedrukt, en lokt daardoor niet uit tot kennisneming.
Bovendien, voor onderteekening en ten geschenke bieding is zulk een gesplitste uitgave niet geschikt.
En wel bestaan er oudere edities, die uitnemend konden dienen, en gaven de H.H. Scholte en Van Toorenenbergen ook in onze eeuw nog afdrukken van de drie Formulieren uit, maar de oudere edities zijn meest door den papiermolen geloopen; Van Toorenenbergens prachtige uitgave is niet voor huiselijk en kerkelijk gebruik, maar voor het studeervertrek; bovendien niet symbolisch, maar critisch; en ook Scholtes editie voldoet niet in elk opzicht aan de behoefte. Vooreerst toch heeft Scholte boven de artikelen der Belijdenis opschriften geplaatst, die niet echt zijn, er teksten bijgevoegd, die geen symbolisch gezag hebben, en sommige schoone uitdrukkingen veranderd, die behouden dienen te worden; en voorts staan in zijn uitgave bij den Catechismus slechts een deel der teksten, die er bij hooren.
Er schoot mij dus niet anders over, dan zelf een nieuwe editie ter perse te leggen, waarvan mij nog rest rekenschap te geven, en over welker gebruik mij ten slotte nog een enkele opmerking geoorloofd zij.
De Belijdenis liet ik afdrukken naar de ofücieele uitgave, te Dordrecht in ^ 619 bij Francois Borsaler, medestander van Isaac Janszoon Canin, met privilegie voor zeven Jaar, uit last der Synode-Nationaal uitgegeven.
Waar symbolisch gebruik doel is, had ik niet te vragen naar de geschiedenis van den tekst, noch mij in te laten met de vraag, hoe deze tekst zijn moest. Symbolisch gezag heeft alleen die tekst, die door de bevoegde kerkelijke autoriteit vastgesteld is, in casu de Synode-Nationaal van Dordt.
De teksten, doorgaande bij de Confessie op den kant gedrukt, moesten daarom wegblijven. Die teksten toch nam de Synode van Dordt niet over. Het officieel kerkelijk gezag staat dus niet in voor hun keuze. Deze teksten missen derhalve symbolisch gezag. Ze
XI
VOORREDE.
mochten alzoo niet opgenomen; want men mag ze niet in de onder-teekening meerekenen.
Strikt genomen hadden om even dezelfde redenen dus ook de opschriften boven de artikelen moeten wegblijven. Immers, ook deze nam de Synode van Dordt niet over. Toch gaf ik er de voorkeur aan ze op te nemen. Deels omdat de plaatsing van deze titels boven de artikelen de practische bruikbaarheid verhoogt. En deels omdat moeilijk alle symbolisch gezag aan deze titels kan betwist worden. Gelijk toch uit de Synodale Acta van de Synode-Nationaal, te Middelburg in 1581 gehouden, blijkt, is door deze Nationale Synode last gegeven, om de Confessie nogmaals uit het Fransche origineel te vertalen. Deze vertaling is ingediend op de Provinciale Synode te Haarlem in 1582, en door de Provinciale Synode van\'s-Graven-hage in den jare 1583 geapprobeerd, nadat ze reeds in 1580 te Dordrecht ter perse was gelegd. En het is nu in deze Synodaal geapprobeerde uitgave, dat bovenbedoelde titels het eerst voorkwamen, blijkens de voorrede, waarin men leest: «Wij hebben voor elk Ar-tyckel een corte somma gestelt, tot uwen besten; opdat deLeere, die men in de Artyckelen soecken wil, terstond te beter gevonden, ende in memorie gedruct mach worden 1).
Van den Heidelbergschen Catechismus liet de Synode van Dordrecht geen officieelen tekst uitgaan. Ten opzichte van dit tweede formulier is men dus gebonden aan den tekst, die, tijdens de Synode-Nationaal vergaderde, in publiek gebruik was. Want wel las men op de Synode den Latijnschen tekst voor. Maar ieder der aanwezigen wist bij zijn stem uitnemend goed, dat de destijds gangbare Nederduitsche tekst voor de Kerken dezer landen zou gelden.
Ten grondslag legde ik daarom den tekst van Elzevier, in 1617, »De Catechismus ofte onderwysinghe in de Christelijcke Religie, die in de Gereformeerde Kercken van Nederlandt geleert wort. Tot Leyden. By Louys Elzevier. Anno 1617quot;, en alzoo vlak vóór de Synode saamkwam, in het licht verschenen.
XII
Bij den Catechismus gaf ik de teksten wel, daar dit leerboek destijds bijna nooit zonder de teksten werd uitgegeven, en ze in een leerboek meer eigenaardig op hun plaats zijn. Ze werden genomen naar de Latijnsche uitgave, als door de Synode gevolgd.
1) Le Long, Kort hhtorisck verhaal, p. 109.
VOORREDE.
Die in de uitgave van 1617 waren verdriedubbeld in aantal en konden dus niet in aanmerking komen.
Van de Canones is weinig anders te zeggen, dan dat ze afgedrukt zijn naar den offlcieelen tekst, die op last van de Synode-Nationaal in 1619, bij Isaac Janszoon Ganin ende zijne medestanders, het licht zag.
Spelling en grammatica zijn in al deze drie stukken meer in overeenstemming gebracht met onze manier van schrijven en vervoegen ; terwijl daarentegen de wijze van uitdrukking in deze prachtige documenten geheel gebleven is wat ze was. Een zeer enkele maal is een verouderde uitdrukkingswijze aan den voet der bladzijde toegelicht.
Wat nu het gebruik van deze uitgave der Formulieren aangaat, zoo heeft dit boekske in de eerste plaats het oog op hen, die over de gemeente onzes Heeren .Ie/u Christi als opzieners zijn gesteld; dus ook op de Kerker aden. Geen Kerkeraad van een gereformeerde Kerk is denkbaar, zonder dat de Heilige Schrift vóór den Voorzitter ligt en de Formulieren onzer Kerk bij de hand zijn.
Ook op de kansels van onze Gereformeerde Kerken hooren deze Formulieren thuis, opdat de Bedienaar des Woords te gelegener tijd de gemeente van thans aan de belijdenis der gemeente van vóór straks drie eeuwen aansluite.
Kerkeraden. die een exemplaar van dit boekske wenschen te ontvangen, om te dienen als exemplaar van onderteekening, kunnen daarom zulk een exemplaar met het noodige wit papier er achter, en in steviger band gebonden, voor verhoogden prijs ontvangen.
Voor uitdeeling op catechisatiën zal later een kleine volksuitgave volgen, maar voor uitdeeling aan hen, die voor het eerst tot het heilig Avondmaal gaan, diene deze editie, die daarom opzettelijk, ook in keuriger band gebonden, verkrijgbaar zal worden gesteld.
Maar ook buiten dit kerkelijk gebruik, zagen we onze drie Formulieren weer zoo gaarne ook in de huisgezinnen tot hun eere komen. Waarom kan elk huisvader niet minstens ééns per jaar deze drie Formulieren naast zijn Martelaarsboek leggen, om uit heide boeken het woord der aloude Kerk tot zijn huisgenooten te brengen?
XIII
VOORREDE.
Dit wekt historischen zin en brengt weer in gemeenschap met die heerlijke tijden, toen ons Christenvolk in den lande nog goed en bloed voor het Heilig Evangelie onzes Heeren Jezu Christi prijsgaf.
Het gaat toch niet aan, te zeggen; »Ili leg mij bij deze Formulieren nederquot;, indien men zelfs oppervlakkig geen kennis van hun inhoud nam, noch weet wat ze belijden.
Dagen van strijd en moeite, dagen ook van toewijding en zelfopoffering zijn komende; zuurdeeg kan niet in het meel liggen zonder te gisten; en ook de gisting, die nu in onze Kerk valt waar te nemen, moet tot vrijmaking van de gekochten des Heeren leiden.
Maar in de voorbereiding tot zulk een strijd zij er dan ook ernst, zij er degelijkheid, zij er wélgefundeerde kennis!
Kennisse, niet van menschelijke inzichten , maar van het bestek van Gods heilig Huis-, en het is aan de verbreiding van die kennis, dat ook dit boekske dienstbaar wenscht te zijn, indien het den Koning der Kerk mag believen het daartoe als instrument te bezigen.
Ik besluit deze Voorrede met een drievuldige bede.
De eerste is, dat ook de tegenstanders onzer Formulieren de hun aangeboden gelegenheid mogen aangrijpen, om van onze Formulieren van eenigheid kennis te nemen. De klacht is niet ongegrond, dat ze vaak zonder kennis beaamd worden, maar komt het ook niet wel voor, dat men ze ongelezen veroordeelt ? Ik geloof nog altoos, dat meer dan één, die nu tegenpraat, van harte vóór1 onze Formulieren zou kiezen, indien hij ze eerst maar las.
Mijn tweede bede is, dat men toch aflate van het noemen der kerkelijke richtingen naar menschen en het indeelen van onze tolken in scholen, die zich naar godgeleerde personen regelen, om in den kerkdijken strijd onzen tegenstanders geen andere banier tegen te wuiven, dan de onvervalschte kleuren onzer gereformeerde Kerken. Doet men dat niet, dan blijft het: «Ik ben van Paulus en ik van Apollos.quot; Eerst door de drie Formulieren van eenigheid weer tot standaard te kiezen, worden de personen opzij gedrongen, en wordt de band die ons saambindt weer ohjectief.
En hiermeê hangt tevens mijn derde en laatste bede saam. de bede namelijk, dat men toch ophoude, het voor te stellen, also*;\' de
XIV
VOORREDE. XV
gereformeerde Kerken haar Formulieren ooit in eenige de minste waardij naast het Woord van God hadden gesteld.
Velen meenen dat, en pleiten dan tegen de gereformeerden op wat zij noemen; de Heilige Schrift.
Dit nu ga niet zoo voort.
Immers, wie de gereformeerden met dat wapen bestrijdt, strijdt niet edel.
De strijd toch staat niet zóó, alsof onze tegenstanders voor de Heilige Schrift en wij voor de Formulieren zouden roepen. Daar denkt geen onzer aan.
Neen, maar dit is de stand van het geschil.
Als die Schrift vóór ons ligt, dan vraagt Filippus ons: Verstaat gij ook, wat gij leest? En op die vraag nu antwoorden de gereformeerden met te zeggen : »Wij verstaan die Heilige Schrift in den zin, waarin de gezuiverde Kerk aller eeuwen die verstond , ten dus overeenkomstig de Formulierenquot;; terwijl onze tegenstanders dan roepen: »Niet naar luid der Formulieren, maar naar wij privatelijk en persoonlijk die Heilige Schrift opvatten.quot;
Het geschil is dus maar; dHob zal Gods Woord verstaan worden?quot;
Overeenkomstig het oordeel van de Kerk aller eeuwen, naar aller vromen getuigenis?
Of wel naar het private gevoelen van de\'en of genen geleerde?
En in dien strijd nu zeggen wij —en hebben we dat zoo mis ? —: »Dan «iet naar ieders private opvatting, maar naar luid het getuigenis van de martelaren aller eeuwen.quot;
En zie, dat getuigenis nu, en dat alleen, wil onze gereformeerde Kerk in haar drie prachtige Formulieren beleden zien door opzieners en leden.
Brenge de Heere ons daartoe!
Amsterdam, 28 Febr. 1883.
KUYPER.
VOORREDE VOOR DEZEN TWEEDEN DRUK.
Sneller dan vermoed kon worden is de groote oplage van den eersten druk uitverkocht.
Dit verblijdt mij hartelijk.
Het toont dat de belangstelling in de stukken, waarop onze Kerken accoord van gemeenschap sloten, klimt.
Op verzoek van den geachten uitgever heb ik daarom niet geaarzeld, een tweeden druk, nu in twee uitgaven, op de pers te leggen.
Eén uitgave op beter papier en in netten band voor kerkelijk en huiselijk gebruik; en tegelijk een tweede uitgave op gewoon papier en in eenvoudigen omslag voor catechisanten, aannemelingen en schoolkinderen.
Hierbij voeg ik alleen nog, dat de vroegere uitgave van de drie Formulieren, die Ds. Molenaar bezorgde, niet een bloote uitgave, maar een paraphrase was, en daarom in de voorrede voor den eersten druk niet werd genoemd; terwijl de schooluitgave van den heer Van Velzen daarin evenzeer wierd weggelaten, omdat ze geen uitgave van de drie Formulieren in één werkje, maar een afzonderlijke uitgave in drie werkjes van de drie Formulieren was.
Geringschatting van deze beide uitgaven lag zeer verre van onze bedoeling. Eer herdenken we met dankbaarheid het goede, ook door haar gesticht.
En Ds. Molenaar én de heer Van Velzen hebben, evenals Scholte en anderen, aanspraak op erkentelijkheid en waardeering.
Amsterdam, 29 November 1883.
KUYPER.
DER
GEEEFOEMEERDE KEEKEN IN NEDEELAND,
OVERGEZIEN IN DE SYNODE-NATIONAAL,
XAATST GEHOUDEN TE DOUDRECHT, EN UIT LAST DEEZELVE UITGEGEVEN, OM VOORTAAN IN DE NEDERLANDSCHE KERKEN ALLEEN VOOR AUTHENTIEK GEHOUDEN TE quot;WORDEN.
HET EERSTE ARTIKEL.
Wij gelooven allen metter harte en belijden met den monde, dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, \'twelk wij God noemen: eeuwig, onbegrijpelijk, onzienlijk, onveranderlijk, onein-delijk, almachtig; volkomen wijs, rechtvaardig, goed, en eene zeer overvloedige fonteine aller goeden.
II. Soor Wat mtbbel @ob üan onê geïenb fóorbt.
Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste, door de schep-pinge, onderhoudinge en regeeringe der geheele wereld: overmits dezelve voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk zijne eeuwige Kracht en Goddelijkheid, als de Apostel Paulus zegt, Rom. I : 20: Welke dingen alle genoegzaam zijn om de menschen te
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
overtuigen en hun alle onschuld te benemen. Ten tweede, geeft Hij zich zeiven ons nog klaarder en volkomelijker te kennen door zijn heilig en Goddelijk Woord, te weten, zooveel als ons van noode is in dit leven tot zijne eer en de zaligheid der zijnen.
III. SScm \'t gefcEjreben SSoovb @obê.
Wij belijden, dat dit Woord Gods niet is gezonden noch voortgebracht door menschelijken wille; maar de heilige mannen Gods hebben gesproken, gedreven zijnde door den Heiligen Geest, gelijk de heilige Petrus zegt. Daarna heeft God, door eene zonderlinge zorge, die Hij voor ons en onze zaligheid draagt, zijnen knechten, den Profeten en Apostelen, geboden, zijn geopenbaarde Woord bij geschrift te stellen, en Hij zelf heeft met zijn vinger de twee tafelen der Wet geschreven. Hierom noemen wij zulke schriften : heilige en Goddelijke schrifturen.
IV. ËanonieEe 83ocfen ber ©etligc ©djrifture.
W7ij vervatten de Heilige Schrifture in twee Boeken, des Ouden en des Nieuwen Testaments, welke zijn Canonieke Boeken, daar niet tegen valt te zeggen. Deze worden aldus geteld in de Kerke Gods. De boeken des Ouden Testaments: de vijf boeken van Mozes, te weten. Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium; het boek Jozua; der Richteren; Ruth; twee boeken Samuëls, en twee boeken der Koningen; twee boeken der Kronieken, genaamd Para-lipomenon; het eerste van Ezra; Nehemia; Esther; Job; de Psalmen Davids; drie boeken Salomons, namelijk, de Spreuken, de Prediker en het Hooglied; de vier groote Profeten: Jesaia, Jeremia (met deszelfs Klaagliederen), Ezechiël en Daniël; en voorts de andere twaalf kleine Profeten, namelijk, Hosea, Joel, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, [Habakuk], Zefanja, Haggai, Zacharia, Maleachi. Het Nieuwe Testament: de vier Evangelisten: Mattheüs, Marcus, Lucas, Johannes; de Handelingen der Apostelen; de veertien brieven van den Apostel Paulus, te weten, tot de Romeinen, twee tot de Korintheren, tot de Galateren, tot de Efeziërs, totdeFilip-penzen, tot de Kolossenzen, twee tot de Thessalonicenzen , twee tot Timotheüs, tot Titus, tot Filémon, tot de Hebreen; de zeven
2
ART. VII, VAN DE H. SCHRIFTURE.
brieven der andere Apostelen, te weten, de brief van Jacobus, twee brieven van Petrus, drie \\an Johannes, de brief van Judas; en de Openbaring des Apostels Johannes.
V. Sffiaortimt be §eiïige Sdjïifture [jaar aandien en autoriteit ïjceft.
Alle deze Boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof naar dezelve te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En gelooven zonder eenige twijfeling al wat in dezelve begrepen isr en dat niet zoozeer, omdat ze de Kerk aanneemt en voor zoodanige houdt; maar inzonderheid, omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat ze van God zijn; dewijl ze ook het bewijs van dien bij zich zeiven hebben; gemerkt de blinden zeiven tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden.
VI. Dnberfdjeib tuffdjen be Ëanonieïe en Sftiocriefe SJcefen.
Wij onderscheiden deze heilige Boeken van de Apocriefen, als daar zijn; het derde en het vierde boek van Ezra; \'t boek van Tobias; Judith; \'t boek der Wijsheid; Jezus Sirach; Baruch; \'tgene bijgevoegd is tot de historie Esthers; \'t gebed der drie mannen in het vuur; de historie van Susanna; van het beeld Bel en van den Draak; het gebed van Manasse; en de twee boeken der Macchabeën. Dewelke de Kerk wel lezen mag en daaruit ook onderwijzingen nemen, voor zooveel als zij overeenkomen met de Canonieke Boeken; maar zij hebben zulk een kracht en vermogen niet, dat men door eenige getuigenis van dien eenig stuk des geloofs of der Christelijke religie moge bevestigen: zoo ver is het van daar, dat ze de autoriteit van de andere heilige Boeken zouden mogen verminderen,
VII. SSolfomen^eib ber §etltge ©djrifture om alleen te gijn een regel beê geloofê.
Wij gelooven, dat deze Heilige Schrifture den wille Gods volkomen-lijk vervat, en dat al \'tgene de mensch schuldig is te gelooven, om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt. Want overmits
3
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
de geheele wijze des dienstes, die God van ons eischt, aldaar in \'t lange beschreven is, zoo is \'t den menschen, al waren \'t zelfs Apostelen, niet geoorloofd, anders te leeren, dan ons nu geleerd is door de heilige Schrifturen; ja, al ware het ook een Engel uit den Hemel, gelijk de Apostel Paulus zegt. Want dewijl het verboden is den Woorde Gods iets toe of iets af te doen, zoo blijkt daaruit wel, dat de leere deszelven zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is. Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijken bij de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte bij de waarheid Gods (want de waarheid is bovenal), noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle menschen zijn uit zich zeiven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten, of zij uit God zijn. Desgelijks: Zoo iemand tot u komt en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem in uw huis niet.
VIII. $at @ob eenig té in SBejen cn nodjtanê in brie SJSerfonen onberfcgeiben.
Achtervolgende deze waarheid en dit Woord Gods, zoo gelooven wij in een eenigen God, die een eenig Wezen is, in hetwelk zijn drie Personen, in der daad en waarheid en van eeuwigheid onderscheiden naar hunne onmededeelbare eigenschappen, namelijk de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. De Vader is de oorzaak, oorsprong en het begin aller dingen, zoowel zienlijke als onzienlijke. De Zoon is het Woord, de Wijsheid en het beeld des Vaders. De Heilige Geest, de eeuwige Kracht en Mogendheid, uitgaande van den Vader en den Zoon. Alzoo nochtans, dat dit onderscheid niet maakt, dat God in drieën gedeeld zij; aangezien dat de Heilige Schrifture ons leert, dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest elk zijne zelfstandigheid heeft, onderscheiden door haar eigenschappen ; doch alzoo, dat deze drie Personen maar een eenig God zijn. Zoo is het dan openbaar, dat de Vader niet is de Zoon, en dat de Zoon niet is de Vader, dat ook insgelijks de Heilige Geest niet is noch de Vader, noch de Zoon. Hierentusschen deze Personen. zóó
4
ART. IX, VAX 1)Ë UlUEÜliNHEIIJ.
ondersclieiden, zijn niet gedeeld, noch ook ondereen vermengd. Want de Vader heeft het vleesch niet aangenomen, noch ook de Heilige Geest, maar alleen de Zoon. De Vader is nooit zonder zijnen Zoon, noch zonder zijnen Heiligen Geest geweest: want zij alle drie van gelijke eeuwigheid zijn in een zelfde Wezen. Daar is noch eerste, noch laatste; want zij zijn alle drie een in waarheid, in mogendheid, in goedheid en barmhartigheid.
IX. SBeiuijê bcS tioorgamiben avtifeï» Dan bc bricfjeib ber 5J5er»onen in ceiien @ob.
Dit alles weten wij, zoo uit de getuigenissen der Heilige Schrifture, als ook uit hunne werkingen, en voornamelijk uit degene, die wij in ons gevoelen. De getuigenissen der heilige Schrifturen, die ons leeren deze Heilige Drievuldigheid te gelooven, zijn in vele plaatsen des Ouden Testaments beschreven: welke niet noodig is te tellen, maar alleen met onderscheid of oordeel uit te kiezen. In Genesis, cap. 1 ;26, 27, zegt God: Laat ons mcnschen maken, naar onzen leelde en naar ome r/elijlienissc, enz. Zoo schiep dan God den mensch naar zijnen heelde, man en ivijf schiep Hij ze. Desgelijks Gen. 3 : 22 : Ziet, Adam is gevjorden gelijk een van ons. Daaruit blijkt, dat er meer dan één Persoon in de Godheid is, als Hij zegt: Laat ons menschen maken, naar onzen heelde; en wijst daarna de eenigheid aan, als Hij zegt: God se!dep. \'t Is wel waar, dat Hij niet zegt, hoeveel Personen dat er zijn; maar \'tgene voor ons wat duister is in het Oude Testament, dat is zeer klaar in het Nieuwe. Want als onze Heere gedoopt werd in de Jordaan, zoo is de stemme des Vaders gehoord geweest, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon; de Zoon werd gezien in \'t water, en de Heilige Geest openbaarde zich in de gedaante van eene duive. Ook mede is in den Doop aller geloovigen deze forme ingesteld van Christus: Doopt alle volken in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. In het Evangelium van Lucas spreekt de engel Gabriël tot Maria, de moeder des Heeren, aldus: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogslen zal u overschaduwen; en daarom ook dat Heilige, dat uit u zal geboren worden, zal Gods Zoon genaamd worden. Desgelijks: De genade onzes Heeren Jezu Christi, en dc liefde Gods, en de gemeenschap des Heiligen
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
de geheele wijze des dienstes, die God van ons eischt, aldaar in \'t lange beschreven is, zoo is \'t den menschen, al waren \'t zelfs Apostelen, niet geoorloofd, anders te leeren, dan ons nu geleerd is door de heilige Schrifturen; ja, al ware het ook een Engel uit den Hemel, gelijk de Apostel Paulus zegt. Want dewijl het verboden is den Woor de Gods iets toe of iets af te doen, zoo blijkt daaruit wel, dat de leere deszelven zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is. Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijken bij de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte bij de waarheid Gods (want de waarheid is bovenal), noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle menschen zijn uit zich zeiven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende : Beproeft de geesten, of zij uit God zijn. Desgelijks: Zoo iemand tot u komt en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem in uw huis niet.
quot;Vin. 5Dat @ob eentg té in SBejen en ttocljtanê in brie SPerfoneir onberfcfyeiben.
Achtervolgende deze waarheid en dit Woord Gods, zoo gelooven wij in een eenigen God, die een eenig Wezen is, in hetwelk zijn drie Personen, in der daad en waarheid en van eeuwigheid onderscheiden naar hunne onmededeelbare eigenschappen, namelijk de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. De Vader is de oorzaak, oorsprong en het begin aller dingen, zoowei zienlijke als onzienlijke. De Zoon is het Woord, de Wijsheid en het beeld des Vaders. De Heilige Geest, de eeuwige Kracht en Mogendheid, uitgaande van den Vader en den Zoon. Alzoo nochtans, dat dit onderscheid niet maakt, dat God in drieën gedeeld zij; aangezien dat de Heilige Schrifture ons leert, dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest elk zijne zelfstandigheid heeft, onderscheiden door haar eigenschappen; doch alzoo, dat deze drie Personen maar een eenig God zijn. Zoo is het dan openbaar, dat de Vader niet is de Zoon, en dat de Zoon niet is de Vader, dat ook insgelijks de Heilige Geest niet is noch de Vader, noch de Zoon. Hierentusschen deze Personen, zóó
4
ART. IX, VAX DE BUIEÜKNHEIJU.
onderscheiden, zijn niet gedeeld, noch ook ondereen Yermengd. Want de Vader heeft het vleesch niet aangenomen, noch ook de. Heilige Geest, maar alleen de Zoon. De Vader is nooit zonder zijnen Zoon, noch zonder zijnen Heiligen Geest geweest: want zij alle drie van gelijke eeuwigheid zijn in één zelfde Wezen. Daar is noch eerste, noch laatste; want zij zijn alle drie één in waarheid, in mogendheid, in goedheid en barmhartigheid.
IX. Söelmj» be§ uoovgnmibeu ortifeïê ban k bTicf;eib ber $eivonen iu ceuen @ob.
Dit alles weten wij, zoo uit de getuigenissen der Heilige Schrifture, als ook uit hunne werkingen, en voornamelijk uit degene, die wij in ons gevoelen. De getuigenissen der heilige Schrifturen, die ons leeren deze Heilige Drievuldigheid ts gelooven, zijn in vele plaatsen des Ouden Testaments beschreven: welke niet noodig is te tellen, maar alleen met onderscheid of oordeel uit te kiezen. In Genesis, cap. 1:26, 27, zegt God: Laat ons mcnschcn maken, naar onzen ieelde cn naar onze gelijkenissc, enz. Zoo schiep dan God den mensch naar zijnen heelde, man en wijf schiep Hij ze. Desgelijks Gen. 3 : 22 : Ziel, Adam is geworden gelijk een van ons. Daaruit blijkt, dat er meer dan één Persoon in de Godheid is, als Hij zegt: Laat ons menschen maken, naar onzen heelde; en wijst daarna de eenigheid aan, als Hij zegt: God schiep, \'t Is wel waar, dat Hij niet zegt, hoeveel Personen dat er zijn; maar \'tgene voor ons wat duister is in het öude Testament, dat is zeer klaar in het Nieuwe. Want als onze Heere gedoopt werd in de Jordaan, zoo is de stemme des Vaders gehoord geweest, zeggende : Deze is mijn geliefde Zoon; de Zoon werd gezien in \'t water, en de Heilige Geest openbaarde zich in de gedaante van eene duive. Ook mede is in den Doop aller geloovigen deze forme ingesteld van Christus: Doopt alle volken in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. In het Evangelium van Lucas spreekt de engel Gabriel tot Maria, de moeder des Heeren, aldus: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsien zal u overschaduwen; cn daarom, ook dat Heilige, dat uit u zal geboren worden, zal Gods Zoon genaamd, worden. Desgelijks: De genade on zes Heeren Jesu Christi, en de liefde Gods, en de gemeenschap des Heiligen
BELIJDENISSE 1)ES GELOOFS.
Geest es zij met u. Daav zijn drie, die getuigen in den hemel, de. Vader, het Woord en de Heilige Geest, en deze drie zijn één. — In alle deze plaatsen wordt ons ten volle geleerd, dat er drie Personen zijn in een eenig Goddelijk Wezen. En hoewel deze leer de menschelijke verstanden verre te boven gaat, nochtans gelooven wij die nu door het Woord, verwachtende totdat wij de volkomene kennisse en vrucht van dien genieten zullen in den hemel. Voorts staan ook aan te merken de bijzondere ambten en werkingen dezer drie Personen t\' ons waart. De Vader is genaamd onze Schepper door zijne kracht; de Zoon is onze Zaligmaker en Verlosser door zijn bloed; de Heilige Geest is onze Heiligmaker door zijne woning in onze harten. Deze leer van de Heilige Drievuldigheid is altijd beweerd en onderhouden geweest bij de ware Kerk, van de tijden der Apostelen af tot nu toe, tegen de Joden, Mahumetisten en eenige valsche Christenen en ketteren, als Marcion, Manes, Praxeas, Sabellius, Samosatenus, Arius, en andere diergelijken, die met goed recht van de heilige vaders zijn veroordeeld geweest. Overzulks nemen wij in dit stuk gaarne aan de drie geloofssommen, namelijk der Apostelen, van Nicea, en van Atha-. nasius; insgelijks \'tgene daarvan door de ouden in gelijkvormigheid van dien besloten is.
X. ®at Qejuê Sljristitó luoaradjtig eit ceuimg @ob iê.
Wij gelooven, dat Jezus Christus naar zijne Goddelijke natuur de eeniggeborene Zone Gods is, van eeuwigheid geboren; niet gemaakt, noch geschapen (want alzoo zcu Hij een schepsel zijn); maar cénswezens met den Vader, mede-eeuwig; het uitgedrukte beeld der zelfstandigheid des Vaders en de glans zijner heerlijkheid, Hem in alles gelijk zijnde. Dewelke is Gods Zone, niet alleen van dien tijd af, dat Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid, gelijk ons deze getuigenissen leeren , wanneei\'ze met malkanderen vergeleken worden; Mozes zegt, dat God de wereld heeft geschapen, en de heilige Johannes zegt, dat alle dingen zijn geschapen door dat Woord, hetwelk hij God noemt; de Apostel zegt, dat God de eeuwen door zijnen Zoon gemaakt heeft; des^ gelijks, dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft; zoo moet dan degene, die genaamd wordt God, het Woord, de
6
ART. XII, VAN DE SCHEPP1NGE ALLER DINGEN.
Zoon en Jezus Christus, toen al geweest zijn, als alle dingen door Hem geschapen werden. En daarom zegt de profeet Micha: Zijne uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. En de Apostel: Hij is zonder begin der dagen en zonder einde des levens. Zoo is Hij dan de ware, eeuwige God, die Almachtige, denwelken wij aanroepen, aanbidden en dienen.
i XI. Sat be §eilige @eeêt waaradjtig en eeuwig @ob iê.
Wij gelooven en belijden ook, dat de Heilige Geest van eeuwigheid van den Vader en den Zoon uitgaat; niet zijnde gemaakt, noch geschapen, noch ook geboren, maar alleen van beiden uitgaande; ■welke in orde is de derde Persoon der Drievuldigheid, éénszelvigen Wezens, Majesteit en Heerlijkheid met den Vader en den Zone; zijnde waarachtig en eeuwig God, gelijk ons de Heilige Schriften leeren.
XII. SSon be êcfie^hige alfer bingeh en met name ber (Sngelen.
Wij gelooven, dat de Vader door zijn Woord, dat is door zijnen Zoon, den hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft geschapen, als hét Hem heeft goed gedacht, een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante, en verscheidene ambten gevende, om zijnen Schepper te dienen. Dat Hij ze ook nu alle onderhoudt en regeert naar zijne eeuwige voorzienigheid en door zijne onein-delijke kracht, om den mensch te dienen, ten einde dat de mensch zijnen God diene. Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om zijne zendboden te zijn, en zijne uitverkorenen te dienen: van welke sommigen van die uitnemendheid, in welke hen God geschapen had, in \'t eeuwig verderf vervallen, en de anderen zijn door de genade Gods in hunnen eersten staat volhardig en staande gebleven. De duivelen en booze geesten zijn alzoo verdorven, dat zij vijanden Gods en alles goeds zijn; naar al hun vermogen als moordenaars loerende op de Kerke en een ieder lidmaat van die, om alles te verderven en te verwoesten door hunne bedriegerijen; en zijn daarom door hunne eigene boosheid veroordeeld tot xle eeuwige verdoemenisse, dagelijks verwachtende hunne schrikkelijke pijnigingen. Zoo verwerpen en verfoeien wij dan hierover de dwa-
7
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
ling der Sadduceën, welke loochenen, dat er geesten en engelen zijn, en ook de dwaling der Manicheën, die zeggen, dat de duivelen hunnen oorsprong uit zichzelven hebben, zijnde uit hunne eigene nature kwaad, zonder dat zij verdorven zijn geworden.
XIII. ®au bc Soorjicnigtjeib @obê en ategeering aller bingcit.
quot;Wij gelooven , dat die goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, dezelve niet heeft laten varen, noch den gevalle ofte der fortuine overgegeven, maar stiert en regeert ze alzoo naar zijnen heiligen wille, dat in deze wereld niets geschiedt zonder zijne ordinantie, hoewel nochtans God noch auteur is, noch schuld heeft van de zonde, die daar geschiedt; want zijne macht en goedhekl is zoo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk zijn werk beschikt en doet, wanneer ook de duivelen en godde-loozen onrechtvaardiglijk handelen. En aangaande \'tgene Hij doet boven het begrip des menschelijken verstands, hetzelve willen wij niet curieuselijk onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan: maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbiedinge de rechtvaardige oordeelen Gods, die ons verborgen zijn, ons tevreden houdende, dat wij leerjongens Christi zijn, om alleen te leeren\'Igeno Hij ons aanwijst in zijn Woord, zonder deze palen te overtreden. Deze leeringe geeft onseenen onuitsprekelijken troost, als wij door dezelve geleerd worden, dat ons niets bij geval overkomen .kan, maar door de beschikkinge onzes goedertieren hemelschen Vaders, die voor ons waakt met eene vaderlijke zorge, houdende alle schepselen onder zijn geweld, alzoo dat niet een haar van ons hoofd (want die alle geteld zijn), ook niet één vogelken op de aarde vallen kan, zonder den wil onzes Vaders. Waarop wij ons verlaten, wetende, dat Hij de duivelen in den toom houdt en alle onze vijanden, dio ons, zonder zijne toelatinge en wille, niet beschadigen kunnen. En hierover verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der Epicureën , dewelke zeggen, dat zich God nergens mede bemoeit, en laat alle dingen bij gevalle geschieden.
XIV. SBau be êdjcpping en ben bal beê menêtfjeit en jijn onöermogen tot Ijet ware goeb.
Wij gelooven, dat God den mensch geschapen hoeft van het stof
O
ART, XIV, VAN DE SCHEPPING EN DEN VAL DES MENSCHEN. 9
der aarde en heeft hem gemaakt en geformeerd naar zijn beeld en gelijkenisse, goed, rechtvaardig en heilig, kunnende met zijnen wil in alles overeenkomen met den wille Gods. Maar als hij in eere was, 200 heeft hij het niet verstaan, noch zijne uitnemendheid erkend, maar heeft zich zeiven willens der zonde onderworpen, en overzulks den dood en der vervloekinge, de oore biedende den woorde des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden, en heeft zich van God, die zijn ware leven was, door de zonde 1) afgescheiden; hebbende zijne geheele natuur verdorven: waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en geestelijken doods. En in alle zijne wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren alle zijne uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen der-z»lve, welke genoegzaam zijn om den mensch alle onschuld te benemen: overmits al het licht, dat in ons is, is in duisternis veranderd, gelijk de Schrift ons leert, zeggende: liet licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heejt het niet begrepen; alwaar de heilige Johannes de menschen xduisternisquot; noemt. Daarom verwerpen wij al dat men hiertegen leert van den vrijen wille des menschen, aangezien de mensch niets dan een slaaf der zonden is, en niets hebben kan, tenzij dat het hem gegeven zij uit den hemel. Want wie is er, die zich beroemen zal iets goeds te kunnen doen als uit zich zeiven, daar toch Christus zegt; Niemand kan lot mij komen, tenzij dat de Vader, die mij gezonden heeft, hem trekke? Wie zal met zijnen wille voortkomen, die daar verstaat, dat het bedenken des vleesches is vijandschap legen God? Wie zal van zijne wetenschap spreken, ziende dat de natuurlijke mensch niet begrijpt de dingen, die des Geestes Gods zijn? Kortelijk, wie zal eénige gedachte voorstellen, dewijl hij verstaat, dat wij niet bekwaam zijn van ons zeiven iets te denken als uit onszelven, maar dat onze bekwaamheid uit God is? En daarom \'tgene de Apostel zegt behoort met recht vast en zeker gehouden te worden, dat God in ons werkt het willen en het volbrengen, naar zijn welbehagen. Want daar is noch verstand, noch wille, den verstande
1) De Latijnsche tekst heeft: luo peccalo, de officieele Ncderduitsclie van 1619: de zoude.
2
BELIJDENISSE DES GELOOFS,
en wille Gods grelijkvonnio:, of Christus heeft ze in den mensch gewrocht; \'twelk Hij ons leert, zeggende; Zonder mij kimt gij niets doen.
Wij gelooven, dat door de ongehoorzaamheid Adams de erfzonde uitgebreid is geworden over het gansche menscheüjke geslacht, welke is eene verdorvenheid der geheele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam, en die in den mensch allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel derzei ve: is daarom zoo leelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menschelijke geslacht te verdoemen. Zij is ook zelfs door den Doop niet gan-schelijk te niete gedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit eene onzalige fontein: hoewel zij nochtans den kinderen Gods tot verdoemenisse niet toegerekend, maar door zijne genade en barmhartigheid vergeven wordt; niet om in de zonde gerust te slapen, maar opdat \'t gevoelen dezer verdorvenheid de geloovigen dikwijls zoude doen zuchten, verlangende om van dit lichaam des doods verlost te worden. En hierover verwerpen wij de dwalingen der Pelagianen, die zeggen, dat deze zonde niet anders is dan uit navolging.
XVI. $an be cciinngc Sjevïicjinge ®ob§.
Wij gelooven, dat \'t geheele geslacht Adams door de zonde des eersten menschen in verderfenisse en ondergang zijnde. God zich zeiven zoodanig bewezen heeft als Hij is, te weten: barmhartig en rechtvaardig. Barmhartig, doordien dat hij uit deze verderfenisse trekt en verlost degenen, die Hij in zijnen eeuwigen en onvergan-kelijken raad, uit enkele goedertierenheid, uitverkoren heeft in Jezus Christus, onzen Ileere, zonder eenige aanmerking hunner werken. Rechtvaardig, doordien Hij de anderen Iaat in hunnen val en verderf, daar zij zich zeiven in geworpen hebben.
10
ART. XVIII, VAN DE MENSCUWORDINGE JEZU CHRISTI.
XVII. SSau be toeberopreditinge be§ getiaHett ntenëdjcn.
Wij gelooven, dat onze goede God, door zijne wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende, dat zich de mensch alzoo in den lichame-lijken en geestelijken dood geworpen en geheel ellendig gemaakt had, zichzelven begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en heeft hem getroost, belovende hem zijnen Zone te geven, die worden zou van eene vrouw, om het hoofd der slang te vertreden, en hem gelukzalig te maken.
XVIII. SSan be 2JfenM)tuorbingc ^eju Gcljristi.
Wij belijden dan, dat God de belofte, die Hij den oudvaderen gedaan had door den mond zijner heilige Profeten, volbracht heeft, zendende zijnen eigen, eeniggeboren en eeuwigen Zone in de wereld, ten tijde van Hem bestemd, dewelke eens dienstknechts gestalte aangenomen heeft en den mensche gelijk geworden is, waarachtiglijk aannemende een ware menschelijke nature, met alle hare zwakheden (uitgenomen de zonde), ontvangen zijnde in het lichaam der gelukzalige maagd Maria, door de kracht des Heiligen Geestes, zonder mans toedoen. En heeft niet alleen de menschelijke nature aangenomen, zooveel het lichaam aangaat, maar ook eene ware menschelijke ziele, opdat Hij een ware mensch zoude zijn. Want aangezien de ziel zoowel verloren was als het lichaam, zoo was \'t van noode, dat, Hij ze beide aanname, om dezelve beide zalig te maken. Daarom belijden wij (tegen de ketterij der Wederdooperen, die loochenen, dat Christus menschelijk vleesch van zijne moeder aangenomen heeft), dat Christus is deelachtig geworden des vleesches en bloeds der kinderen; dat Hij eene vrucht der lendenen Davids is naar den vleesche, geworden uit den zade Davids naar den vleesche; eene vrucht des buiks van Maria; geworden uit de vrouwe; eene spruite Davids; een scheute uit den wortel Iscü\'s; gesproten uit het geslacht van Juda; afkomstig van de Joden naar den vleesche; uit den zade Abrahams, aangezien Hij aangenomen heeft het zaad Abrahams en is zijnen broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde: alzoo dat Hij in der waarheid onze Imma-nuël is, dat is nGod met ons.quot;
u
BEL1JDEKISSE DES GELOOFS.
XIX. SSan be bereeitigiitgc en fjet cmberMjeib ber ttoee naturen Sljviëti in een perêoon.
Wij gelooven, dat door deze ontvangenisse de Persoon des Zoons onafscheidelijk vereenigd en te zamen gevoegd is met de mensche-lijke natuur; zoodat er niet zijn twee Zonen Gods, noch twee per-sonen, maar twee naturen in eenen eenigen persoon vereenigd, doch elke natuur hare onderscheidene eigenschappen behoudende. Gelijk dan de Goddelijke natuur altijd ongeschapen gebleven is, zonder begin van dagen of einde des levens, vervullende hemel en aarde, alzoo heeft de menschelijke natuur hare eigenschappen niet verloren, maar is een schepsel gebleven, hebbende begin van dagen, zijnde een eindige natuur, en behoudende al \'tgene dat een waar lichaam toebehoort. En hoewel Hij derzelve door zijne verrijzenis onsterfelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid zijner menschelijke natuur niet veranderd, dewijl onze zaligheid en ver-rijzenisse mede hangen aan de waarheid zijns lichaams. Doch deze twee naturen zijn alzoo te zamen vereenigd in één persoon, dat ze, ook zelfs door zijnen dood, niet gescheiden zijn geweest. Zoo was dan \'tgene Hij stervende in de handen zijns Vaders bevolen heeft een ware menschelijke geest, die uit zijn lichaam scheidde, maar hierentusschen bleef de Goddelijke natuur altijd vereenigd met de menschelijke, ook zelfs als Hij in \'t graf lag; en de Godheid hield niet op in Hem te zijn, gelijk ze in Hem was als Hij een klein kind was, hoewel zij zich voor eenen kleinen tijd zoo niet openbaarde. Hierom bekennen wij, dat Hij ware God en ware mensch is: ware God, om door zijne kracht den dood te overwinnen, en ware mensch, opdat Hij voor ons mocht sterven uit de zwakheid zijns vleesches.
XX. @ob Ijeeft gijne redjtoaarbifjljetb en Bannfjartigfjcib fcetoejen in
Wij gelooven, dat God, die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, zijnen Zone gezonden heeft, om aan te nemen de natuur, in welke de ongehoorzaamheid begaan was, om in dezelve te voldoen en te dragen de straffe der zonden door zijn zeer bitter lijden en sterven. Zoo heeft dan God zijne rechtvaardigheid bewezen tegen
12
AET. XXI , VAN DE VOLDOENINGE CHUISTI.
zijnen Zone, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft, en heeft uitgestort zijne goedheid en barmhartigheid over ons , die schuldig en der verdoemenisse waardig waren, voor ons gevende zijnen Zone in den dood door eene zeer volkomene liefde, en Hem verwekkende tot onze rechtvaardigmaking, opdat wij door Hem hadden de onsterfelijkheid en het eeuwige leven.
XXI. SSan be öoïboentttge Efpriêti, onjeê eenigen §ooge|)rieêterê, tioor onê.
13
Wij gelooven, dat Jezus Christus een eeuwige Hoogepriester is, met eede , naar de ordeninge Melchisedeks, en heeft zich zeiven in onzen naam voor zijnen Vader gesteld, om zijnen toorn te stillen met volle genoegdoening, zich zeiven opofferende aan het hout des kruises, en vergietende zijn dierbaar bloed tot reiniginge onzer zonden, gelijk de Profeten hadden voorzegd. Want daar is geschreven , dat de straffe op den Zone Gods gelegd is, opdat wij vrede hadden en dat wij door zijne striemen genezen zijn ; dat Hij ter slachtinge geleid is als een lam ; met de misdadigers is gerekend; en als een kwaaddoener veroordeeld door Pontius Pilatus, hoewel hij Hem onschuldig verklaard had. Zoo heeft Eij dan betaald, dat Hij niet geroofd had, en heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen; en dat zoowel in zijn lichaam als in zijne ziele, gevoelende de schrikkelijke straf, die onze zonden verdiend hadden, zoodat zijn zweet werd gelijk druppelen bloeds, op de aarde afloopende. Hij heeft geroepen: Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten\'! en heeft zulks alles geleden tot vergeving onzer zonden. Daarom zeggen wij wel terecht met Paulus, dat wij niet anders weten, dan Christus en dien gekruist; wij achten \'t al voor drek , om de uitnemendheid der kennisse onzes Heeren Jezus Christus ; wij vinden allerlei vertroostinge in zijn wonden, en hebben niet van noode eenig ander middel te zoeken, of te versieren 1), om ons met God te verzoenen, dan alleen deze eenige offerande, eenmaal geschied, door welke de geloovigen in eeuwigheid vohnaakt worden. Dit is ook de oorzaak, waarom Hij door den Engel Gods genaamd is Jezus, dat is Zaligmaker, vermits Hij zijn volk verlossen zou, van hunne zonden.
1) Te versieren beteekent: uit te denken.
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
XXII. SBan onje rerf)ttiaorbigma!inge boor ^et gefooüe in QejuS G(;riêtus.
Wij gelooven , datom ware kennisse dezer groote verborgenheid te bekomen , de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloove, hetwelk Jezus Christus met al zijne verdiensten omhelst, Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt. Want het moet noodzakelijk volgen, of dat niet al, wat tot onze zaligheid van noode is, in Jezus Christus zij; of, zoo het alles in Hem is, dat degene, die Jezus Christus door het geloof bezit, zijne geheele zaligheid heeft. Nu, dat men zeggen zou , dat Christus niet genoegzaam is, maar dat er nog benevens Hem iets meer toe behoeft, ware eene al te ongeschikte Godslasteringe: want daaruit zou volgen, dat Christus maar eene halve zaligmaker ware. Daarom zeggen wij ten rechte met Paulus, dat wij door \'t geloof alleen, of door \'t geloof zonder de werken gerechtvaardigd voorden. Doch wij verstaan niet, dat het, om eigenlijk te spreken, \'t geloove zelve is, dat ons rechtvaardigt; want het is maar een instrument, waarmede wij Christus, onze rechtvaardigheid, omhelzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenende alle zijne verdiensten en zoo vele heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid: en het geloove is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap aller zijner goederen houdt, dewelke, onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zonden.
XXIII. ®at onje rec^tüoarbigmaïinge kêtaot in be öergebinge bcr gonben en toereïeninge ber gefjoorjaamljcib Gfjristi.
Wij gelooven, dat onze gelukzaligheid gelegen is in de vergevinge onzer zonden om Jezus Christus\' wille, en dat daarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen is, gelijk David en Paulus ons lee-ren, verklarende de gelukzaligheid des menschen te zijn , dat God hem de gerechtigheid zonder de werken toerekent. En dezelfde Apostel zegt; dat wij om niet of uit genade gerechtvaardigd zijn, door de verlossinge, die in Jezus Christus is. En daarom houden wij dit fondament altijd vast, Gode alle de eere gevende, ons vernederende en bekennende zoodanigen als wij zijn, zonder iets van ons zeiven
44
AKT. XXIV, VAN DE HEILIGMAKINGE DES MENSCIIEN. 13
of van onze verdiensten te vermeten, steunende en rustende op de gehoorzaamheid des gekruisten Christus alleen, dewelke onze is, wanneer wij in Hem gelooven: die is genoegzaam om alle onze ongerechtigheden te bedekken en ons vrijmoedigheid to geven, de consciëntie vrij makende van vreeze, verbaasdheid en verschrikkinge om tot God te gaan , zonder te doen gelijk onze eerste vader Adam, dewelke al bevende zich met vijgebladeren bedekken wilde. En voorwaar, indien wij voor God verschijnen moesten, steunende op ons zeiven of op eenige andere schepselen, hoe weinig het ook ware, wij moesten, eylacen, verslonden worden. En daarom moet een iegelijk zeggen met David: Heere! ga niet in het gerichte met uwen knecht; want niemand, die leeft, zal voor uiv aangezicht rechtvaardig zijn.
XXIV. S8on be ^eUigniaïinge be§ ntenêcfjen en be goebe ftiei-ïcit.
Wij gelooven, dat dit waarachtig geloove, in den mensch gewrocht zijnde door het gehoor des Woords Gods en de werking des Heiligen Geestes, hem wederbaart en maakt tot eenen nieuwen mensch, en doet hem leven in een nieuw leven en maakt hem vry van de slavernij der zonde. Daarom is het zoo verre van daar, dat ditrecht-vaardigmakend geloove de menschen zoude doen verkouden 1) in een vroom en heilig leven, dat zij daarentegen zonder hetzelve nimmermeer iets doen zuilen uit liefde Gods, maar alleen uit liefde huns zelfs en uit vreeze van verdoemd te worden. Zoo is het dan onmogelijk, dat dit heilig geloove ledig zij in den mensch: aangezien wij niet spreken van een ijdel geloof, maar van zulk een , \'twelk de Schrifture noemt een geloof, dat door de liefde werkt, dat den mensch beweegt om zich te oefenen in de werken, die God in zijn Woord geboden heeft; welke werken, als zij voortkomen uit den goeden wortel des geloofs, goed en bij Gode aangenaam zijn, overmits zij alle door zijne _ genade geheiligd zijn; hierentusschen komen zij niet in rekening om ons te rechtvaardigen. Want het is door \'t geloove in Christus, dat wij gerechtvaardigd worden, ook eer wij goede werken doen, anderszins zouden zij niet meer kunnen goed zijn, dan eene vrucht des booms goed zijn kan
1) Verkouden heteekent: verkoelen.
BELIJDENISSE DES GELOOFS,
vóórdat de boom goed is. Zoo doen wij dan goede werken; maarniet om te verdienen (want wat zouden wij verdienen?), ja, wij zijn in God gehouden voor de goede werken j die wij doen, en niet Hij in ons 1); aangezien Hij het is, die in ons werkt het willen en het volbrengen naar zijn welbehagen. Laat ons dan letten op \'tgene dat er geschreven staat: Wanneer gij zult gedaan hebben al het-gene u bevolen is, zoo zegt: wij zijn onnutte dienstknechtén, want wij hebben maar gedaan hetgene wij schuldig waren te doen, Hierentusschen willen wij niet loochenen, dat God de goede werken beloont; maar het is door zijne genade, dat Hij zijne gaven kroont. Voorts, al is \'t dat wij goede werken doen, zoo gronden wij toch onze zaligheid niet daarop: want wij kunnen geen werk doen, of het is bestoet door ons vleesch en ook strafwaardig; en al konden wij eenig voortbrengen, zoo is toch de gedachtenisse van ééne zonde genoeg, dat \'tzelve van God zoude verworpen worden. Alzoo dan zouden wij altijd in twijfel staan, herwaarts en derwaarts drijvende zonder eenige zekerheid, en onze arme consciëntiën zouden altijd gekweld worden, indien zij niet steunden op de verdiensten des lijdens en stervens onzes Zaligmakers.
XXV. SSan Ijct ofbocn ber ceremonicele SSct.
Wij gelooven, dat de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben met de komste van Christus, en dat alle schaduwen een einde genomen hebben; alzoo dat het gebruik van dien onder de Christenen weggenomen moet worden; nochtans blijft ons de waarheid en substantie van dien in Christus Jezus, in denwelken zij hare vervulling hebben. Hierentusschen gebruiken wij nog de getuigenissen , genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te reguleeren, in alle eerbaarheid tot Gods eere, achtervolgende zijnen wil.
XXVI. SSon be eetttge boorBibbinge Efjriêtt.
16
Wij gelooven, dat wij geenen toegang hebben tot God dan alleen door den eenigen Middelaar en Voorspraak, Jezus Christus, den
1) Wij zijn in God gehouden en niet Hij in ons, beteekent: Wij zijn bij God in de schuld voor onze goede werken, en niet Hij bij ons.
AKT. XXVI, VAN DE VOORBIDDINGE CHRISTI.
17
rechtvaardige, dewelke hierom mensch geworden is, vereenigende te zamen de Goddelijke en menschelijke natuur, opdat wij, menschen, eenen toegang zouden hebben tot de Goddelijke Majesteit, anderszins ware ons de toegang gesloten. Maar deze Middelaar, dien de Vader ons heeft gegeven tusschen Hem en ons, moet ons door zijne grootheid niet verschrikken, om ons een ander, naar or.s goeddunken, te doen zoeken. Want daar is niemand, noch in den hemel , noch op de aarde onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus, dewelke, Itoewel Hij in de gestaltenisse Gods was, nochtans zich zeiven vernietigd heeft, aannemende de gestaltenisse eens menschen en eens knechts voor ons, en is in alles zijnen broederen gelijk geworden. Indien wij nu eenen anderen Middelaar zoeken moesten , die ons goedgunstig ware: wien zouden wij kunnen vinden, die ons meer beminde dan Hij, die zijn leven voor ons gelaten heeft, ook toen wij zijne vijanden waren 7 En zoo wij eenen zoeken, die macht en aanzien heeft, wie is er, die des zooveel heeft als degene, die gezeten is ter rechterhand zijns Vaders, en die alle macht heeft in den hemel en op de aarde? En wie zal eer verhoord worden dan de eigen welbeminde Zone Gods? Zoo is dan alleen door een mistrouwen dit gebruik ingevoerd, dat men de heiligen onteert,in plaats van die te eeren , doende quot;tgene zij nooit gedaan, noch begeerd hebben, maar hebben het volstandiglijk en volgens hunnen schuldigen plicht verworpen, als blijkt uit hunne schriften. En hier moet men niet voorbrengen, dat wij \'t niet waardig zijn; want het heeft hier de meening niet, dat wij onze gebeden op onze waardigheid zouden voordragen, maar alleen op de uitnemendheid en waardigheid onzes Heeren Jezus Christus, wiens rechtvaardigheid de onze is door het geloove. Daarom de Apostel, willende deze zotte vreeze, of veel meer dat mistrouwen van ons nemen, zegt ons, dat Jezus Christus zijnen broederen in alles gelijk moest worden, opdat Hij een barmhartige en een getrouwe Hoogepriester zoude zijn, om de zonden des volks te verzoenen; want in \'tgene Hij zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen, die verzocht worden, te hulpe komen. En daarna, om ons nog meer moed te geven om tot Hem te gaan, zegt hij: Dewijl wij dan eenen grooten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zone Gods, zoo laat ons deze belijdenisse vasthouden. Want wij hebben geenen Hoogepriester, die niet kan medelijden
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
hébhen met onze zwakheden, maar die in alle dingen gelijk als ivij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genads vinden, om geholpen te worden, ter bekwamer tijd. Dezelfde Apostel zegt, dat wij vrijheid hebben tot den ingang des heiligdoms door het bloed van Jezus; zoo laat ons dan toegaan, zegt hij, in volle verzekerdheid des geloof s enz. Desgelijks: Christus heeft een onvergankelijk priesterdom; waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan: a/200 Hij altijd leeft om voor hen te bidden. Wat ontbreekt er meer, dewijl Christus zelf deze uitspraak doet: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader dan door Mijl Waartoe zouden wij eenen anderen quot;Voorspreker zoeken? Aangezien het God beliefd heeft, ons zijnen Zoon tot Voorspreker te geven, laat ons Hem niet verlaten om eenen anderen te nemen, of veel meer eenen anderen te zoeken, zonder Hem immermeer te vinden; want als God Hem ons gegeven heeft, zoo wist Hij wel, dat wij zondaars waren. Daarom, achtervolgende het bevel van Christus, zoo roepen wij den hemelschen Vader aan door Christus, onzen eenigen Middelaar, gelijk wij in \'t gebed des Heeren geleerd zijn, verzekerd zijnde, dat al wat wij den Vader in zijnen naam iidden zullen, ons zal gegeven worden.
XXVII. SB au be algemecne (Sf)riêteltjfe Serfe.
Wij gelooven en belijden eene eenige katholieke of algemeene Kerke, dewelke is eene heilige vergaderinge der ware Christ-geloo-vigen, alle hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, ge-wasschen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest. Deze Kerke is geweest van den beginne der wereld af en zal zijn tot het einde toe; als daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. En deze heilige Kerke wordt van God bewaard of staande gehouden tegen het woeden der geheele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen. Gelijk zich de Heere, gedurende den gevaarlijken tijd onder Achab, zeven duizend menschen behouden heeft, die hunne knieën voor Baal niet gebogen hadden. Ook mede is
18
ART. XXIX , VAN DK MEBKTEEKENEN DER KERKE. 19\'
deze heilige Kerke niet gelegen, gebonden of bepaald in eene zekere plaats of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de geheele wereld: nochtans te zamen gevoegd en vereenigd zijnde met hart en wille in éénen zelfden Geest, door de kracht des geloofs.
XXVIII. S)ot een iegelijf êdjutbig ië jid) hij be tuare Serfe
Wij gelooven, aangezien deze heilige vergadering is eene verzameling dergenen, die zalig worden, en dat buiten dezelve geene zaligheid is, dat niemand, van wat staat of qualiteit hij zij, zich behoort op zich zeiven te houden, om op zijn eigen persoon te staan; maar dat zij allen schuldig zijn zich zeiven daarbij te voegen en daarmede te vereenigen; onderhoudende de eenigheid der Kerke, zich onderwerpende der onderwijzinge en tucht derzelve, den hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende de opbouwinge der broederen, naar de gaven, die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten oens zelfden lichaains. En opdat dit te beter mochte onderhouden worden, zoo is het ambt aller geloovigen, achtervolgende het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze Vergadering, hetzij op wat plaats dat ze God gesteld heeft: al ware \'t schoon zoo, dat de magistraten en plakkaten der prinsen daartegen waren, en dat de dood of eenige lichamelijke straf daaraan hing. Daarom, al degenen, die zich van dezelve afscheiden of niet daarbij voegen, die doen tegen de ordinantie Gods.
XXIX. S3an f)et onberêdjeib en be merfteeïenen ber Wove en
Wij gelooven, dat men wel naarstelijk en met goede voorzichtigheid, uit den Woorde Gods, behoort te onderscheiden, welke de ware Kerke zij: aangezien dat alle mekten, die hedendaags in de wereld zijn, zich met den naam der Kerke bedekken. Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypocrieten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, en hierentusschen van de Kerk niet zijn, hoewel zij naar het lichaam in dezelve zijn; maar wij
BELIJDEN1SSE DES GELOOFS.
zeggen, dat men het lichaam en de gemeenschap der -ware Kerke onderscheiden zal van alle sekten, welke zeggen, dat zij de Kerk zijn. De merkteekenen om de ware Kerke te kennen zijn deze: zoo de Kerk de reine predicatie des Evangeliums oefent; indien zij gebruikt de reine bediening der Sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft; zoo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te straffen. Kortelijk, zoo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daartegen zijn , houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd. Hierdoor kan men zekerlijk de ware Kerke kennen: en het staat niemand toe, zich daarvan te scheidén. En aangaande degenen, die van de Kerk zijn, die kan men kennen uit de merkteekenen der Christenen, te weten uit het geloove, en wanneer zij, aangenomen hebbende den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen; den waren God en hunnen naaste liefhebben; niet afwijken , noch ter rechter-, noch ter linkerhand, en hun vleesch kruisigende met zijne werken. Alzoo nochtans niet, alsof daar nog geene groote zwakheid in hen zij, maar zij strijden daartegen door den Geest alle de dagen huns levens; nemende gestadiglijk hunne toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid des Heeren Jezus, in denwelken zij vergevinge hunner zonden hebben, door \'t geloove in Hem. Aangaande de valsche kerk, die schrijft .zich en harer ordinantiën meer macht en autoriteit toe, dan den Woorde Gods, en wil zich het juk van Christus niet onderwerpen; zij bedient de Sacramenten niet, gelijk Christus in zijn Woord verordend heeft, maar zij doet daar af en toe, gelijk als het haar goed dunkt; zij grondt zich meer op de menschen, dan op Christus; zij vervolgt degenen, die heiliglijk leven naar het Woord Gods en die haar bestraffen van hare gebreken, gierigheid en afgoderijen. Deze twee kerken zijn lichtelijk te kennen en van elkander te onderscheiden.
XXX. S5an be regeerittge ber ®erle boor ïerïeltjfe ambten.
20
Wij gelooven, dat deze ware Kerke geregeerd moet worden naar de geestelijke politie 1), die ons onze Heere heeft geleerd in zijn Woord; namelijk dat er Dienaars of Herders moeten zijn, om Gods
1) Politie, teteekent: inrichting.
ABT. XXXII, VAN DE DISCIPLINE OF TUCHT DER KERK. 21
Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen; dat er ook Opzieners en Diakenen zijn, om met de Herders te zijn als de Raad der Kerke, en door dit middel de ware religie te onderhouden en te doen dat de ware leer haren loop hebbe ; dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den toom gehouden; dat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naardat zij van noode hebben. Door dit middel zullen alle dingen in de kerken wel en ordelijk toegaan, wanneer zulke personen verkoren worden, die getrouw zijn, en naar den regel, dien de heilige Pau-lus daarvan geeft in den brief tot Timotheüs.
XXXI. SSon be Sieuoren, Ouberlingen en Sioïenen.
Wij gelooven, dat de Dienaars des Woords Gods, Ouderlingenen Diakenen tot hunne ambten behooren verkoren te worden door wettelijke verkiezing der Kerk, met aanroeping des naams Gods en goede orde, gelijk het Woord Gods leert. Zoo moet zich dan een iegelijk wel wachten, door onbehoorlijke middelen zich in te dringen, maar is schuldig den tijd te verwachten, dat hij van God beroepen wordt, opdat hij getuigenis hebbe van zijne beroeping, om van dezelve verzekerd en gewis te zijn, dat zij van den Heere is. En aangaande de Dienaars des Woords, in wat platits dat zij zijn, zoo hebben zij ééne zelfde macht en autoriteit, zijnde allegader Dienaars van Jezus Christus, des eenigen algemeenen Bisschops en des eenigen HooKIs der Kerke. Daarenboven, opdat de heilige ordinantie Gods, niet geschonden worde, pf in verachting kome, zoo zeggen wij, dat een ieder de Dienaars des Woords en de Ouderlingen der Kerk in zonderlinge achting behoort te hebben om des wérks wrile, dat zij doen, en in vrede met hen te zijn zonder murmureering, twist «f tweedracht, zooveel mogelijk is.
XXXII. SSan be orbe en btécipline of tutfit ber Serf.
Hierentusschen gelooven wij, hoewel het nuttelijk en goed is, dat die Regeerders der Kerke zijn onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der Kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te wijken van hetgene ons Christus, onze eenige Meester, geordineerd heeft. En daarom ver-
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
werpen wij alle menschelijke vonden en alle wetten, die men zoude willen invoeren, om God te dienen en door dezelve de consciëntiën te binden en te dwingen, in wat manier het zoude mogen zijn. Zoo nemen wij dan alleen aan hetgene dienstelijk is om eendrachtigheid en eenigheid te voeden en te bewaren, en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods; waartoe geëischt wordt de excommunicatie of de ban, die daar geschiedt naar den Woorde Gods, met hetgene daaraan hangt.
Wij gelooven dat onze goede God, acht hebbende op onze gro-vigheid en zwakheid, ons heeft verordend de Sacramenten, om aan 1) ons zijne beloften te verzegelen, en om panden te zijn der goedwilligheid en genade Gods tot onswaart, en ook om ons geloove te voeden en te onderhouden, dewelke Hij gevoegd heeft bij het woord des Evangeliums, om te beter aan onze uiterlijke zinnen voor te stellen, zoowel hetgene Hij ons te verstaan geeft door zijn Woord, als hetgene Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vast makende in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt. Want het zijn .zichtbare waarteekenen en zegelen van eene inwendige en onzienlijke zaak, door \'t middel derwelke God in ons werkt door de kracht des Heiligen Geestes. Zoo zijn dan de teekenen niet ijdel, noch ledig, om ons te bedriegen; want Jezus Christus is de waarheid van dien, zonder wien wij niet met allen zijn zouden. Voorts zijn wij tevreden met het getal der Sacramenten, die Christus, onze Meester, ons heeft verordend, welke niet meer dan twee zijn, te weten: het Sacrament de Doops en des heiligen Avondmaals van Jezus Christus.
XXXIV. SSan ben heiligen ÜDoop.
22
Wij gelooven en belijden, dat Jezus Christus, die het einde der wet is, door zijn vergoten bloed een einde gemaakt heeft aan alle andere bloedstortingen, die men zoude kunnen of willen doen tot verzoening en voldoening der zonden; en dat Hij, afgedaan hebbende deBesnij-
1) De Latijnsche tekst, evenals de uitgaven van vuur 1611, heeft: in.
AKT. XXXIV, VAN DEN HEILIGEN DOOP.
23
denis, die met bloed geschiedde, in de plaats derzelve beeft verordend het Sacrament des Doops, door hetwelk wij in de Kerke Gods ontvangen en van alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om geheel Hem toegeëigend te zijn, zijn merken veldteeken dragende; en dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader. Zoo heeft Hij dan bevolen te doopen al degenen, die de zijnen zijn, in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestcs, alleen met rein water; ons daarmede te verstaan gevende, gelijk het water de vuiligheid des lichaams afwascht, wanneer wij daarmede begoten worden, hetwelk op het lichaam desgenen, die den Doop ontvangt, gezien wordt en besprengt hem, dat alzoo het bloed van Christus hetzelfde van binnen in de zielen doet door den Heiligen Geest, dezelve besprengende en zuiverende van hare zonden, en ons wederbarende uit kinderen des toorns tot kinderen Gods. Niet dat zulks door het uiterlijke water geschiedt, maar door de be-sprenging des dierbaren bloeds des Zoons Gods, die onze Roede Zee is, door welke wij moeten doorgaan, om te ontgaan de tirannieën van Pharao, welke is de duivel, en in te gaan in het geestelijke land Kanaan. Alzoo geven ons de Dienaars van hunne zijde het Sacrament en hetgene dat zichtbaar is, maar onze Heere geeft hetgene door het Sacrament beduid wordt, te weten de gaven en onzienlijke genaden, wasschende, zuiverende en reinigende onze zielen van alle vuiligheden en ongerechtigheden, en onze harten vernieuwende en dezelve vervullende met alle vertroosting, ons gevende eene ware verzekerdheid zijner vaderlijke goedheid, ons den nieuwen mensch aandoende en den ouden uittrekkende met alle zijne werken. Hierom gelooven wij, dat, zoo wiens voornemen is in het eeuwige leven te komen, die moet maar eens gedoopt worden met den eenigen Doop, zonder denzelven immermeer te herhalen; want wij ook niet tweemaal kunnen geboren worden. Doch deze Doop is niet alleen nut zoolang het water op ons is, en dat wij \'t water ontvangen, maar ook al den tijd onzes levens. Hierom verwerpen wij de dwaling der Wederdooperen, die niet tevreden zijn met een eenig Doopsel, dat zij eens ontvangen hebben, en daarenboven verdoemen den doop der kinderkens der geloo-vigen, dewelke wij gelooven, dat men behoort te doopen en met het merkteeken des verbonds te verzegelen, gelijk de kinderkens
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
in Israël besneden werden op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan zijn. En voorwaar, Christus beeft zijn bloed niet min vergoten om de kinderkens der geloovigen te wasschen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen. En daarom behooren zij het teeken te ontvangen en het Sacrament van hetgene, dat Christus voor hen gedaan heeft: gelijk de Heere in de wet beval hun mede te deelen het Sacrament des lijdens en stervens van Christus, kort nadat zij geboren waren, offerende voor hen een lammeken, hetwelk was een Sacrament van Jezus Christus. Daarenboven, hetgene de Besnijdenis deed aan het Joodsche volk, hetzelfde doet de Doop aan onze kinderen, welke de oorzaak is, waarom de heilige Paulus den doop noemt de besnijdenisse Christi,
XXXV. San Ijet Ijetltg Stüonbmaal onje» §9cren Sejquot; Efjriftt.
Wij gelocven en belijden, dat onze Zaligmaker Jezus Christus het Sacrament des heiligen Avondmaals verordend en ingesteld heeft, om te voeden en te onderhouden degenen, die Hij aireede wedergeboren en in zijn huisgezin, quot;welke is zijne Kerke, ingelijfd heeft. Nu hebben degenen, die wedergeboren zijn, in zich tweederlei leven : het ééne lichamelijk en tijdelijk, hetwelk zij van hunne eerste geboorte medegebracht hebben, en is allen menschen gemeen; het andere is geestelijk en hemelsch, hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte, welke gesahiedt door \'t Woord des Evangeliums, in de gemeenschap des licbaams van Christus; en dit leven is niet gemeen dan alleen den uitverkorenen Gods. Alzoo heeft ons God tot onderhouding des lichamelijken en aardschen levens aardsch en gemeen brood verordend, hetwelk daartoe dienstelijk is, en is allen gemeen zoowel als het leven. Maar om het geestelijk en hemelsch leven te onderhouden, hetwelk de geloovigen hebben, heeft hij hun gezonden een levendig brood, dat van den hemel nedergedaald is, te weten Jezus Christus, dewelke het geestelijk leven der geloovigen voedt en onderhoudt, als Hij gegeten, dat is toegeëigend en ontvangen wordt door het geloove in den geest. Om ons dit geestelijk en hemelsch brood af te beelden , heeft Christus verordend een aardsch en zienlijk brood, hetwelk een Sacrament is van zijn lichaam, en den wijn tot een Sacrament zijns bloeds, om ons te betuigen, zoo waarachtig!ijk als wij het Sacrament ontvangen en houden in onze
24
ABT. XXXV, VAN HET HEILIG AVONDMAAL. 25
handen en hetzelve eten en drinken met onzen monde, waarmede ons leven daarna onderhouden wordt, dat wij ook zoo waarachtig-lijk door \'t geloof (hetwelk de hand en mond onzer zielen is) het ware lichaam en het bloed 1) van Christus, onzes eenigen Zaligmakers, ontvangen in onze zielen tot ons geestelijk leven. Nu, zoo is het zeker en ongetwijfeld, dat ons Jezus Christus zijne Sacramenten niet tevergeefs heeft bevolen. Zoo werkt Hij dan in ons al wat Hij door deze heilige teekenen ons voor oogen stelt: hoewel de wijze ons verstand te boven gaat en ons onbegrijpelijk is, gelijk de werking des Heiligen Geestes verborgen en onbegrijpelijk is. Daarentusschen zoo feilen wij niet, als wij zeggen, dat hetgene van ons gegeten en gedronken wordt het eigenlijk en natuurlijk lichaam en het eigen bloed van Christus is; maar de wijze, op welke wij dezelve nuttigen, is niet de mond, maar de geest, door \'tgeloove. Alzoo dan blijft Jezus Christus altijd zittende ter rechterhand Gods, zijns quot;Vaders, in de hemelen, en laat toch daarom niet, ons zijns deelachtig te maken door het geloove. Deze maaltijd is eene geestelijke tafel, aan dewelke Christus zich zeiven ons mededeelt met al zijne goederen, en doet ons aan dezelve genieten zoowel zich zeiven als de verdiensten zijns lijdens en stervens; voedende, sterkende en vertroostende onze arme troostelooze ziele door het eten zijns vleesches en dezelve verkwikkende en vermakende door den drank zijns bloeds. Voorts, hoewel de Sacramenten met de betee-kende zaken te zamen gevoegd zijn, zoo worden zij nochtans met deze twee zaken van allen niet ontvangen. De goddelooze ontvangt wel het Sacrament tot zijne verdoemenisse, maar hij ontvangt niet de waarheid des Sacraments: gelijk als Judas en Simon de toovenaar beiden wel het Sacrament ontvingen, maar niet Christus, die door hetzelve beteekend wordt, hetwelk den geloovigen alleen medegedeeld wordt. Ten laatste: wij ontvangen het heilige Sacrament in de verzamelingen des volks Gods met ootmoedigheid en eerbiedinge, onder ons houdende eene heilige gedachtenis des doods van Christus, onzes Zaligmakers, met dankzegging, en doen aldaar belijdenisse onzes geloofs en der Christelijke religie. Daarom behoort zich niemand daartoe te begeven, zonder zich zeiven eerst wel beproefd te hebben; opdat hij, etende van dit brood en drin-
1) De Latijnsche uitgave heeft: ver urn sangninein d. i. het ware bloed.
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
kende uit dezen drinkbeker, niet ete en drinke zich zeiven het oordeel. Kortelijk, wij zijn door het gebruik dezes heiligen Sacraments bewogen tot een -vurige liefde jegens God en onzen naaste. Daarom verwerpen wij alle vermengelingen en verdoemelijke vonden, die de menschen bij de Sacramenten gedaan en gemengd hebben, als ontheiligingen derzelven, en zeggen, dat men zich moet laten vergenoegen met de verordening, die Christus en zijne Apostelen ons geleerd hebben, en spreken gelijk zij daarvan gesproken hebben.
XXXVI. 83an Ijct ambt ber Düerljeib.
Wij gelooven, dat onze goede God , uit oorzaak der verdorvenheid des menschelijken geslachts, Koningen, Prinsen en Overheden verordend heeft, willende, dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën, opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de menschen toega. Tot dien einde heeft Hij de Overheid het zivaard in handen gegeven tot straffe der hoozen en bescherming der vromen. En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie, maar ook de hand te houden aan den heiligen Kerkedienst: om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk des Antichrists te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te voorderen; \'t Woord des Evangeliums overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in zijn Woord gebiedt. Voorts: een ieder, van wat qua-liteit, conditie of staat hij zij, is schuldig zich aan de Overheden te onderwerpen, schattingen te betalen, hun eere en eerbiedinge toe te dragen en hun gehoorzaam te zijn in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord, voor hen biddende in hunne gebeden, opdat ze de Heere stieren wille in al hunne wegen, en dat wij een gerust en stil leven leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid. En hierover verwerpen wij de Wederdoopers en andere oproerige menschen, en in \'t gemeen al degenen, die de Overheden en Magistraten verwerpen en de Justitie omstooten willen, invoerende de gemeenschap der goederen, en verwarren de eerbaarheid, die God onder de menschen gesteld heeft.
26
ART. XXXVII, VAN HET LAATSTE OORDEEL.
XXXVII. S3 an I)ei ïoatëte Dorbeet.
Ten laatste gelooven wij achtervolgende \'t Woord Gods, dat als de tijd, van den Heere verordend (die allen creaturen onbekend is), gekomen en \'t getal der uitverkorenen vervuld zal zijn, onze Heere Jezus Christus uit den hemel zal komen, lichamelijk en zienlijk, gclijh Hij opgevaren is, met groote heerlijkheid en majesteit, om zich te verklaren een Richter te zijn over levenden en dooden, deze oude wereld in vuur en vlam stellende, om dezelve te zuiveren. En alsdan zullen persoonlijk voor dezen groolen Richter verschijnen alle menschen, zoowel mannen als vrouwen en kinderen, die van den aanheginne der wereld af tot het einde toe geweest zullen zijn, verdagvaard zijnde door de stemme des archangels en door het geklank der Goddelijke bazuin. Want al degenen, die gestorven zullen wezen, zullen uit de aarde verrijzen, de zielen te zamen gevoegd en vereenigd zijnde met haar eigen lichaam, in hetwelk zij zullen geleefd hebben. En aangaande degenen, die alsdan nog leven zullen, die zullen niet sterven gelijk de anderen, maar zullen in een oogenblik veranderd en uit verderfelijk onverderfelijk worden. Alsdan zullen de hoehen (dat is de consciëntiën) geopend en de dooden geoordeeld worden, naar hetgene zij in de wereld gedaan zullen hebben, \'tzij goed of kwaad. Ja, de menschen zuilenreken-schap geven van alie onnutte woorden, die zij gesproken zullen hébhen, die de wereld niet dan voor kinderspel en voor tijdverdrijf acht: en dan zullen de verborgenheden en geveinsdheden der menschen openbaarlijk voor allen ontdekt worden. En daarom is de ge-dachtenisse dezes Oordeels met recht schrikkelijk en vervaarlijk voor de boozen en goddeloozen, en zeer wenschelijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen, dewijl alsdan hunne volle verlossinge volbracht zal worden, en zullen aldaar ontvangen de vruchten des arbeids en der moeite, die zij zullen gedragen hebben; hunne onnoozelheid zal van allen bekend worden, en zij zullen de schrikkelijke wrake zien, die God tegen de goddeloozen doen zal, die ze getiranniseerd, verdrukt en gekweld zullen hebben in deze wereld; dewelke overwonnen zullen worden door het getuigenis hunner eigen consciëntiën, en zullen onsterfelijk worden, doch in zulker voege, dat het zal zijn , om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur. hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is, en daarentegen de geloovigen en
27
BELIJDENISSE DES GELOOFS.
28
uitverkorenen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eere. De Zone Gods zal hunnen naam belijden voor God zijnen Vader en zijne uitverkoren engelen; alle tranen zullen van hunne oogen afgewischt worden-, hunne zake, die nu tegenwoordig van vele Richteren en Overheden als kettersch en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de zake des Zoons Gods te zijn, en tot eene genadige vergelding zal hen de Heere zulk eene heerlijkheid doen bezitten, als het hart eens menschen nimmermeer zoude kunnen bedenken. Daarom verwachten wij dien grooten dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus onzen Heere.
EINDE DER CONFESSIE.
(£aie$t§mu§ of DJibcrhuijingc in He (Sljriftelijfe Seete, i»ie in tie Sicberïanbfdje ©erefotmceriic Sievlcn en Sloten gelcerb toorbt.
De eerste Zondag,
4 Fr. Welke is uw eenige troost, beide in het leven en sterven ?
Antw. Dat ik met lichaam en ziele, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met zijnen dierbaren bloede voor alle mijne zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft, en alzoo bewaart, dat, zonder den wille mijns hemelschen Vaders, geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja, ook dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door zijnen Heiligen Geest des eeuwigen levens verzekert en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
Kom, 14 8. 1 Cor. 6 : 19. 1 Cor. 3 23. Tit. 2 : 14. 1 Petr. 1 : 18. 1 Joh. 1:7 en 1 Joh. 2. Hebr. 2 : 14. 1 Joh. 3 : 8. Joh. 8 : 34, 35. 36. Joh. 6 : 39. Joh. 10 : 28. 2 Thess. 3 : 3. 1 Petr. 1 : 5. Matth. 10 : 30. Luc. 21 : 18. Kom. 8 : 28. 2 Cor. I : 23. 2 Cor. 5 : 5. Efez. 1 : 14. Rom. 8 : 16. Rom. 8 : 14. 1 Joh. 3:3. ■
2 Vr. Hoe vele stukken zijn u noodig te weten, opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt?
Antw. Drie stukken. Ten eerste: hoe groot mijne zonde en ellende zij. Ten andere: hoe ik van alle mijne zonde en ellende verlost worde. En ten derde: hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.
Matth. 11 : 28, 29, 30. Efez. 5 : 8. Joh. 9 : 41. Matth. 9 : 12. Rom. 3 : 11. 1 Joh. 1 : 9, 10. Joh. 17 : 3. Hand. 4 : 12 en 10 : 43. Efez. 5 : 10. Ps. 50 : 14. Matth. 5 : 16. 1 Petr. 2 : 12. Rom. 6 : 13. 2 Tim. 2 ; 15.
catechismus.
IIET EERSTE DEEL.
II. Zondag.
3. Vr. Waaruit kent gij uwe ellende?
Antvo. Uit de Wet Gods.
Rom. 3 : 20.
4. Vr. Wat eischt de Wet Gods van ons?
Antw. Dat leert ons Christus in eene hoofdsom, Matth. 22 : 37—40: Gij zult liefhebben den Heere uwen God met geheel uw harte, met geheel uwe ziele, met geheel uw verstande en met geheel uive kracht. Dit is het eerste en het groot gebod. En het tweede, dezen gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven. Aan dcie twee geboden hangt de gansche Wet en de Profeten,
Deut. 6 : 5. Lev. 19 : 18. Marc. 12 : 30. Luc. 10 : 27.
5. Vr. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?
Antw. Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijnen naaste te haten.
Rom. 3 : 10, 20, 23. 1 Joh. 1 : 8, 10. Rom. 8 : 7. Efez. 2 : 3. Tit. 3 : 3. Gen. 6 : 5 en 8 : 21. Jer. 17 : 9. Rom. 7 : 23.
III. Zondag.
6. Vr. Heeft dan God den mensch alzoo boos en verkeerd geschapen ?
Antw. Neen Hij; maar God heeft den mensch goed en naar zijn
evenbeeld geschapen, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijnen Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen.
Gen. 1 ; 31. Gen. 1 : 26, 27. Efez. 4 : 24. Coloss. 3 : 10. 2 Cor. 3 : 18.
7. Vr. Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des menschen?
Antw. Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voor-
30
VAN DES MENSCHEN ELLENDE
ouderen, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzoo ia verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.
• Gen. 3. Rom. 5 : 12, 18, 19. Ps. 51 ; 7. Gen. 5 : 3.
8. Vr. Maar zijn wij alzoo verdorven, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad?
Antw. Ja wij; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.
Gen. 8 : 21 en 6 : 5. Job 14 : 4 en 15 : 14, 16 , 35. Joh. 3 : 6. Jes. 53 : 6. Joh. 3 : 3, 5. 1 Cor. 13 : 3. 2 Cor. 3 : 5.
IV. Zondag.
9. Vr. Doet dan God den mensche geen onrecht, dat Hij in zijne Wet van hem eischt wat hij niet doen kan?
Antw. Neen Hij: want God heeft den mensch alzoo geschapen, dat hij dat konde doen: maar de mensch heeft zich zeiven en alle zijne nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.
Efez. 4 : 24. Gen. 3 : 13. 1 Tim. 3 : 13. Gen. 3 : G. Rom. 5 : 12. Luc. 10 : 30.
10. Vr. Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft iaten?
Antw. Neen Hij, geenszins; maar Hij vertoornt zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen, alzoo Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in alhet-gene geschreven is in het boek der Wet, om dat te doen.
Gen. 2 : 17. Rom. 5 : 12. Ps. 50 : 21 en 5 ; 6. Nah. 1 : 2. Exod. 20 : 5 en 34 : 7. Rom. 1 : 18. Efez. 5 : 6. Deut. 27 : 26. Gal. 3 : 10.
11 Vr. Is dan God ook niet barmharlig?
Antw. God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zoo eischt zijne gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straffe aan lichaam en ziel gestraft worde.
Exod. 34 : 6, 7 cn 20 : 6. Ps. 7 : 10. Exod, 20 : 5 en 23 : 7 en 34 : 7. Ps. 5 : 5, 6. Nah. 1 : 2, 3.
31
catechismus.
58an beê menMjen tierlolgittge.
V. Zondag.
■12. Vr. Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straffe verdiend hebben , is er eenig middel, waardoor wij deze straffe ontgaan mochten en wederom tot genade komen ?
Antw. God wil dat zijner gerechtigheid genoeg geschiede: daarom moeten wij aan haar óf door ons zeiven, óf door eenen anderen volkomenlijk betalen.
Gen. 2 : 17. Exod. 23 : 7. Ezech. 18 : 4. Matth. 5 : 26, 2 Tliess. 1 ; 6. Luo. 16 : 2. Hom. 8 : 3.
13. Vr. Maar kunnen wij door ons zeiven betalen?
Antw. In geenerlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.
Jol) 9:2 en 15 : 15, 16 en 4 : 18, 19. Ps. 130 : 3. Matth. 6 ; 12; 18 : 25 en 16 : 26.
14. Vr. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?
Antw. Neen, want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mensch gemaakt heeft; ten andere zoo kan ook geen bloot schepsel den last des eeuwigen toorns Gods tegen de zonde dragen en anderen daarvan verlossen,
Ezech. 18 : 4. Gen. 3 : 17. Nah. 1 : 6. Ps. 130 : 3.
15. Vr. Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken ?
Antw. Eenen zulken, die een waarachtig en rechtvaardig mensch zij, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook mede waarachtig God zij ?
1 Cor, 15 : 21. Ilebr. 7 : 26. Jes. 7 : 14 en 9 : 6. Jer. 23 : 6. luc. 11 : 22.
Vl. Zondag.
16. Vr. Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mensche zijn?
32
tan des menschen velossinge.
Antw, Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de men-schelijke nature, die gezondigd had, voor de zonde betaalde; en dat een mensch, zelf een zondaar zijnde, niet konde voor anderen betalen.
Ezcch. 18 : 4, 20. Rom. 5 : 18. 1 Cor. 15 : 21. Hebr. 2 : 14, 15, 16. Hebr. 7 : 26. 27. Ps. 49 : 8. 1. Petr. 3 : 18.
17. Vr. quot;Waarom moet Hij te zamen een waarachtig God zijn? Antw. Opdat Hij uit kracht zijner Godheid den last des toorns
Gods aan zijne menschheid dragen en ons de gerechtigheid en het leven verwerven en wedergeven mocht.
Jea. 9 : 6 en 63 : 3. Deut. 4 : 24. Nah. 1 : 6. Pa. 130 : 3. Jes. 53 : 4, 11. Jes. 53 : B, 11.
18. Vr. Maar wie is deze Middelaar, die te zamen waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mensch is?
Anlw. Onze Heere Jezus Christus, die ons van Gode tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en tot eene volkomene verlossinge geschonken is.
1 Joh. 5 : 20. Kom. 9 ; 5 en 8 : 3. Gal. 4 : 4. Jes. 9 ! 6. Jer. 23 : 6. Maleachi 3 : 1. Luc. 1 : 42 en 2 : 6, 7. Kom. 1 : 3 en 9 : 5. Phil. 2 : 7. Hebr. 2 : 14, 16, 17 en 4 : 15. Jes. 53 : 11, 9. Jer. 23 : 5. Luc. 1 : 35. Joh. 8 : 46. Hebr. 4 : 15 en 7 : 26. 1 Petr. 1 : 19 en 2 : 22 en 3 : 18. 1 Tim. 2 : 5. Matth. 1 : 23. 1 Tim. 3 : 16. Lue. 2 : 11. Hebr. 2:9. 1 Cor. 1 : 30.
19. Vr. Waaruit weet gij dat?
Antw. Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het paradijs geopenbaard heeft, en namaals door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door zijnen eeniggeboren Zoon vervuld.
Gen. 3 : 15. Gen. 22 : 18 en 12 : 3 en 49 : 10. Jes. 53 en 42 : 1, 2, 3, 4 en 43 : 25 en 49 : 5, 6, 22, 23. Jer. 23 : 5, 6 en 31 : 32, 33 en 32 : 39, 40, 41. Mich. 7 : 18, 19, 20. Hand. 10 : 43 en 3 : 22, 23, 24. Kom. 1 : 2. Hebr. 1 : 1. Hebr. 10 : 1 en 10 : 7. Col. 2 : 7. Joh. 5 : 46. Kom. 10 : 4. Gal. 4 : 4 en 3 : 24. Col. 2 ; 17.
VII. Zondag.
20. Vr. Worden dan alle menschen wederom door Christus zalig, alzoo zij door Adam zijn verdoemd geworden?
33
CATECHISMUS.
Antw. Neen zij, maar alleen degenen, die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al zijne weldaden aannemen.
Matth. 7 : 14 en 22 : 14. Mare. 16 : 16. Joh. 1 : 12 en 3 ; 16, 18, 36. Jes. 53 : 11. Ps. 2 : 12. Rom. 11 : 20. Rom. 3 : 22. Helr. 4 : 3 en 5 : 9 eu 10 : 39 en 11 ; 6.
21. Vr. Wat is een oprecht geloove?
Antw. Een oprecht geloove is niet alleen een zeker weten of kennisse, waardoor ik \'t al voor waarachtig houde, dat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een zeker vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn harte 1) werkt, dat, niet alleen anderen, maar ook mij vergevinge der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij uit loutere genade, alleen om de verdiensten Christi wille.
Jao. 2 : 19. Hebr. 11 ; 1, 7. Rom. 4 ; 18, 19, 20, 21 en 10 ; 10. •Efez. 3 : 12. Hebr. 4 : 16. Jao. 1 ; 6. Gal. 5 : 22. Matth. 16 : 17. 2 Col. 4 : 13. Joh. 6 : 29. Bfez. 2 : 8. Philipp. 1 : 19. Hand. 16 : 14. Rom. 1 : 16 en 10 : 17. 1 Cor. 1 : 21. Hand. 10 : 44. Hand. 16 : 14. Rom. 1 : 17. Gal. 3 : 11. Hebr. 10 : 10, 38. Gal. 2 : 16. Efez. 2 : 8. Rom. 3 : 24 en 5 : 19. Luc. 1 : 77, 78.
22. Fr. Wat is dan eenen Christen noodig te geloovea?
Antw. Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons
de Artikelen onzes algemeenen en ongetwijfelden Christelijken ge-loofs in ééne hoofdsom leeren.
Joh. 20 : 31. Matth. 28 : 19. Marc. 1 ; 15.
23. Vr. Hoe luiden die Artikelen?
Antw. Ik geloof in God den Vader, don Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
3-i
En in Jezus Christus, zijnen eeniggeboren Zoon, onzen He-ere; ■die ontvangen is van den Heiligen Geest, géboren uit de maagd, Maria; die geleden heeft onder Pontius Filatus, is gekruist, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derden dage wederom opgestaan van de dooden; opgevaren ten hemel, zittende
1) De oudere teksten lezen: hartelijk in plaats van zeker, en in stee van: in mijn harte lezen deze: in mij.
VAN GOD DEN VADER,
ter rechterhand Gods des almachligen Vaders; van waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.
Ik geloove in den Heiligen Geest. Ik getoove eene heilige, alge -meene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen; vergevinge der zonden; wederopstandinge des vleesches; en een eeuwig leven.
VIII. Zondag.
24. Vr. Hoe worden deze Artikelen gedeeld?
Antw. In drie dealen. Het eerste is van God den Vader cn onze schepping. Het andere van God den Zone en onze verlossing. Het derde van God den Heiligen Geest en onze heiligmaking.
25. Vr. Aangezien dat er maar een eenig Goddelijk Wezen is , waarom noemt gij den Vader, den Zone en den Heiligen Geest?
Antw. Omdat God zich alzoo in zijn Woord geopenbaard heeft, dat deze drie onderscheidelijke Personen de eenige, waarachtige en eeuwige God zijn.
Deut. 6 : 4. Efez. 4 : 0. Jes. 41 ; G en 43 : 5. 1 Cor. 8 : 4, 6. Jes. 61 : 1. Luo. 4 ; 18. Gen. 1 ; 3,3. Ps. 33 : G. Jes. 48 : 16. Matth. 3 : 16, 17 en 38 : 19. 1 Joh. 3 : 7. Jes. 6 : 1, 3, 10. Joh. 12 : 40. Huml. 28 : 26. Joh. 14 : 26 en 13 : 26. 2 Cjr. 13 : 13. Gal. 4 : 6. .Efez. 2 : 18. Tit. 3 : 5] 6.
IX. Zondag.
26. Vr. Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aardel
Antw. Dat de eeuwige Vader onzes Heeren Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft, die ook dezelven nog door zijnen eeuwigen raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, om zijns Zoons Christi wille, mijn Goden mijn Vader zij, op welken ik alzoo vertrouwe, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lijfs en der ziele verzorgen, en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keeren; want Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader,
35
catechismus.
Gen. 1 en 2. Exod. 20 : 11. Job 33 : 4. Job 38 en 39. Hand. 4 : 24 en 14 : 15. Pa. 33 : 6. Jes. 45 : 7. Hebr. 1 : 3. Pa. 104 : 2, 3 en 115 : 3. Matth. 10 : 29. Efez. 1 : 11. Joh. 1 : 12. Kom. 8 : 15. Gal. 4 : 5, 6, 7. Efez. 1 : 5. Ps. 55 : 23. Matth. 6 ; 25, 26. Luc. 12 : 22. Kom. 8 ; 28. Jes. 46 : 4. Kom. 10 : 12. Matth. 6 32, 33 en 7 : 9, 10, 11.
X. Zondag.
27. Vr. Wat verstaat gij door de Voorzienigheid Gods?
Antw. De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door
quot;welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met zijne hand nog onderhoudt en regeert, alzoo dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede en alle dingen niet bij gevalle, maar van zijne vaderlijke hand ons toekomen.
Hand. 17 : 25, 27, 28. Jer. 23 .- 23,24. Jes. 29 : 15, 16. Ezeeh. 8 12. Hebr. 1 : 3. Jer. 5 : 24. Hand. 14 : 17. Joh. 9 : 3. Spr. 22 : 2. Matth. 10 : 29. Spr. 16 : 33.
28. Vr. Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door zijne Voorzienigheid onderhoudt?
Antw. Dat wij in allen tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen, en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onzen getrouwen God en Vader, dat ons geen schepsel van zijne liefde scheiden zal, aangezien dat alle schepselen alzoo in zijne hand zijn, dat zij tegen zijnen wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.
Kom. 5 : 3. Jac. 1:3. Ps 39 : 10. Job 1 : 21, 22. 1 Theas. 5 : 18. Dent. 8 : 10. Ps. 55 : 23. Kom. 5 : 4. Kom. 8 : 38, 39. Job 1 : 12 en 2 : 6. Spr. 21 : 1. Hand. 17 : 25.
29. Vr. Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligmaker, genoemd?
Antw. Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden ver-
36
VAN GOD DEN ZONE.
lost; daarbenevens, dat bij niemand anders eenige zaligheid te zoeken of te vinden is.
Matth. 1 : 21. Hebr. 7 : 25. Hand. 4 12. Joh. 15 : 4, 5. 1 Tim. 2 : 5. Jes. 43 : 11. 1 Joh. 5 : 11.
30. Vr. Gelooven dan die ook aan den eenigen Zaligmaker Jezus, die hunne zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zich zeiven of ergens elders zoeken?
Antw. Neen zij; maar zij verloochenen met der daad den eenigen Heiland en Zaligmaker, Jezus, ofschoon zij zich zijns met den monde roemen; want van tweeën één, óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, óf die dezen Zaligmaker me.t waren geloove aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hunne zaligheid van noode is.
1 Cor. 1 : 13, 30, 31. Gal. 5 : 4. Hebr. 12 : 2. Jes. 9 : 6. Col. 1 : 19, 20 én 2 : 10. 1 Joh. 1 : 7.
XII. Zondag.
31. Vr, Waarom is Hij Christus, dat is een Gezalfde, genaamd? Antw. Omdat Hij van God den Vader verordineerd is, en met
den Heiligen Geest gezalfd, tot onzen hoogsten Profeet enLeeraar, die ons den verborgen raad en wille Gods van onze verlossing vol-komenlijk geopenbaard heeft; en tot onzen eenigen Hoogepriester, die ons met de eenige offerande zijns lichaams verlost heeft, en ons met zijne voorbiddinge steeds voortreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, die ons met zijn Woord en zijnen Geest regeert, en ons bij de verworvene verlossinge beschut en behoudt 1).
Ps. 45 : 8. Hebr. 1 : 9. Jes. 61 : 1. luc. 4 : 18. Deut. 18 : 15. Hand. 3 : 22 en 7 : 37. Jes. 55 : 4. Joh. 1 : 18 en 15 : 15. Ps. 110 : 4. Hebr. 10 : 14 en 10 : 12 en 9 : 12, 14, 28. Rotn. 8 i 34. Hebr. 9 : 24. 1 Joh. 2 : 1. Rom. 5 : 9, 10. Ps. 2 : 6. Zach. 9 : 9. Matth. 21 : 5. Luc. 1 : 33. Matth. 28 ; 18. Joh. 10 : 28. Openb. 12 : 10, 16.
32. Vr. Maar waarom wordt gij een Christen genaamd?
37
Antw. Omdat ik door \'t geloove een lidmaat van Christus en
1) De lezing: behoedt berust op een fout.
catechismus.
alzoo zijner zalving deelachtig ben, opdat ik zijnen naam bekenne en mij zeiven tot een levendig dankoffer Hem offere, en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en den duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeere.
Hand. 11 : 26. 1 Cor. 6 : 15. 1 Joh. 2 : 27. Hand. 2 : 17. Matth. 10 : 32. Rom. 10 : 10. Eom. 12 : 1. 1 Petr. 2 : 5, 9. Openb. 1 : 6 en 5 : 8, 10. 1 Petr. 2 : 11. Kom. 0 ; 12, 13. Gal. 5 : 16. 17. Efez. 6 : 11. 1 Tim. 1 : 18, 10. 2 ïim. 2 : 12. Matth. 25 : 34.
XIII. Zondag.
33. TV. Waarom is Hij Gods eeniggeboren Zoon genaamd, zoo wij toch ook Gods kinderen zijn?
Aniw. Daarom dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is, maar wij zijn om zijnentwil uit genade tot kinderen Gods-aangenomen.
Joh. 1 : 14. Hehr. 1 : 1, 2. Joh. 3 : 16. 1 Joh. 4 : 9. Hom. 8 ; 32. Kom. 8 : 16. Joh. 1 : 12. Gal. 4 : 6. Efez. 1 : 5, 6.
34. Vr. Waarom noemt gij Hem onzen Heere?
.Antw. Omdat Hij ons met lijf en ziel van al onze zonden t niet met goud of met zilver, maar met zijnen dierbaren bloede, gekocht, en van alle geweld des duivels verlost heeft, en ons alzoo-zich tot een eigendom gemaakt,
1 Petr. 1 : 18, 19. 1 Petr. 2 : 9. 1 Cor. 6 : 20. 1 Tim. 2 ; C. Joh. 20 : 28.
XIV. Zondag.
35. Vr. Wat is dat gezegd: Die ontvangen is vmi den Ueiligen Geest, geboren uil de maagd Maria1!
Antw. Dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is en blijft, ware menschelijke natuur uit het vleesch en bloed der maagd Maria door de werkinge des Heiligen Geestes aangenomen heeft, opdat Hij ook het ware zaad Davids zij, zijnen broederen in alles gelijk, uitgenomen de zonde.
38
VAN COD DEN ZONE.
I Joh. 5 : 20. 3oh. 1 : 1 en 17 : £. Kom. 1 : 3. Col. 1 : 15. Rom.
9 ; 5. Gal. 4 : 4. Luc. 1 : 31, 42, 43, Matth. 1: 20. Luc. 1 ; 35.
Rom. 1 : 3. Ps. 132 : 11. 2 Sara. 7 : 12. Luc. 1 : 32. Hand. 2 : 30. Philipp. 2 : 7. Hebr. 2 : 14, 17. Hcbr. 4 : 15.
36. V)\\ Wat nuttigheid bekomt gij door de heilige ontvanginge en geboorte van Christus?
Afitw. Dat Hij onze Middelaar is, en met zijne onschuld en vol-komene heiligheid mijne zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.
Helr. 7 : 26, 27. 1 Petr. 1 : 18, 19. 1 Petr. 3 : 18. 1 Cor. 1 r 30, 31. Rom. 8 : 3, 4. Je3. 53 : 11. Psalm 32 : 1.
XV. Zondag.
37. Fr. Wat verstaat gij bij het woordeken: Geleden?
Antw. Dat Hij aan lijf en ziele den ganschen tijd zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menscheiijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met zijn lijden, als met het eenige zoenoffer, ons lijf en ziele van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve.
Jes. 53 : 4. ] Petr. 2 : 24. 1 Petr. 3 : 18. 1 Tim. 2 ; 6. Jes.
53 : 10. Efei. 5 : 2. 1 Cor. 5 : 7. 1 Joh, 2 :\'2. Kom. 3 : 25. Hebr.
9 : 28 en 10 : 14. Gal. 3 : 13. Col. 1 : 13. Hebr. 9 : 12. 1 Petr.
1 : 18, 19. Rom. 3 : 25. 2 Cor. 5 : 21. Joh. 3 : 16 en 6 : 51. Hebr. 9 : 15 eu 10 : 19.
38. Vr. Waarom heeft Hij onder den rechter Pontius Pilatus geleden?
Antw. Opdat Hij, onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zoude, bevrijdde.
Joh. 18 : 38. Matth. 27 : 24. Luc. 23 : 14, 15. Joh. 19 : 4. P». 69 : 5. Jes. 53 ; 4, 5. 2 Cor. 5 ; 21. Gal. 8 : 13.
39. Vr. Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruist is geweest, dan of Hij met eenen anderen dood gestorven ware?
Antw, Ja het; want daaidoor ben ik zeker, dat Hij de ver-
3d-
catechismus.
vloeking, die op mij lag, op zich geladen heeft: want de dood des kruises van God vervloekt was.
Gal. 3 : 13. Deut. 21 : 23.
XVI. Zondag.
40. Vr, Waarom heeft Christus zich tot in den dood moeten vernederen ?
Antw. Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden konde betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods.
Gen. 2 : 17. Rom. 8 : 3, 4. Hebr. 2 : 14. 15.
41. Vr. Waarom is Hij begraven geworden?
Antw. Om daarmede te betuigen, dat Hij waarachtiglijk gestorven is.
Hand. 13 ; 29. Matth. 27 : 59, 60. Luc. 23 : 52. Joh. 19 : 38.
42. Vr. Zoo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten sterven?
Antw. Onze dood is geene betalinge voor onze zonden, maar alleen eene afstervinge der zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.
Mare. 8 : 37. Fs. 49 : 8. Philipp. 1 : 23. Joh. 5 : 24. Rom. 7 : 24.
43. Fr. Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en dood van Christus aan het kruis?
Antw. Dat door zijne kracht onze oude mensch met Hem gekruist, gedood en begraven wordt, opdat de booze lusten des vleesches in ons niet meer regeeren, maar dat wij ons zeiven Hem tot eene offerande der dankbaarheid opofferen.
Hom. 6 : 6. Rom. 6 : 6, 12. Rom. 12 : 1.
44. Vr. Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle!
Antw. Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganschelijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door zijne onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helsche kwale, in welke Hij in zijn gansche lijden (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij van de helsche benauwdheid en pijne verlost heeft.
Ps. 18 : 5, 6 en 116 : 3. Matth. 26 : 38 en 27 : 46. Hebr. 5 : 7. Jes. 53 ; 5.
40
quot;van god den zone.
XVII. Zondag.
45. Fr. Wat nut ons de opstanding van Christus?
Antw. Ten eerste, heeft Hij door zijn opstanding den dood overwonnen , opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door zijnen dood ons verworven had, konde deelachtig maken. Ten andere, worden ook wij nu door zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven. Ten derde, is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding.
Kom. 4 : 25. 1 Petr. 1:3. 1 Cor. 15 : 16. Hom. C : 4. Col. 3 :
I, 3. Efez. 2:5. 1 Cor. 15 : 20, 31.
46. Vr. Wat verstaat gij daarmede; Opgevaren ten hemel1} Antw. Dat Christus voor de oogen zijner jongeren van de aarde
ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordeelen de levenden en dooden.
Hand. 1 ; 9. Mare. 16 : 19 Luc. 24 : 51. Hebr. 9 : 24 en 4 : 14. Kom. 8 : 34. Col. 3 : 1. Hand. 1 ; 11. Matth. 24 : 30.
47. Vr. Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, alzoo Hij ons beloofd heeft?
Antw. Christus is waarachtig niensch en waarachtig God. Naar zijne menschelijke natuur is Hij nu niet meer op aarde; maar naar zijne Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.
Matth. 28 : 20. Hebr. 8 : 4. Matth. 26 : U. Joh. 16 : 28 eu 17 .-
II. Hand. 3 : 21. Joh. 14 : 18. Matth. 28 : 20.
48. Vr. Maar zoo de menschheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden ?
Antw. Ganschelijk niet; want mitsdien de Godheid onbegrijpelijk en overal tegenwoordig is, zoo moet volgen, dat zij wel buiten hare aangenomen menschheid is en nochtans persoonlijk met haar vereenigd blijft.
Jer. 23 : 24. Hand. 7 : 49. Jok. 3 : 13, Col, 2 : 9. Joh. 3 ; 13 en 11 : 15. Matth. 28 ; 6.
41
4
CATECHISMUS,
49. Vr. Wat nut ons de hemelvaart van Christus?
Antw. Ten eerste, dat Hij in den hemel voor het aangezicht zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere, dat wij ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij , als het Hoofd , ons zijne lidmaten ook tot zich zal nemen. Ten derde, dat Hij ons zijnen Geest tot een tegenpand zendt, door welks kracht wij zoeken dat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet dat op de aarde is.
1 Joh. 2 : 1. Rom. 8 : 34. Joh. 14 : 2 en 17 : 24 en 20 : 17. Efez. 2 : 6. Joh. 14 : 1G en 16 : 7. Hand. 3 : 33. 2 Cor. 1 : 22 en 5 ; 5. Coloss. 3 : 1.
XIX. ZüN\'DAG.
50 Vr. Waarom wordt daartoe gezet: Zittende ter rechterhand Gods?
Antw. Dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij zichzelven daar bewijze als het Hoofd zijner Christelijke Kerke, door hetwelk de Vader alle ding regeert.
Efez. 1 : 20, 21. 22, 23. Coloss. 1 : 18. Matth. 28 : 18. Joh. 5 : 22.
51. Vr. Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid onzes Hoofds Christus?
Antw. Eerstelijk, dat Hij door zijnen Heiligen Geest in ons, zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgiet. Daarna, dat Hij ons met zijne macht tegen alle vijanden beschut en bewaart.
Hand. 2 : 33. Efez. 4 : 10. Ps. 2 : 9 en 110 : 1, 2. Joh. 10 : 28. Efez. 4:8.
52. Vr, Wat troost u de wederkomst van Christus om te oor-deelen de levenden en de dooden?
Antw. Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde even denzelfde, die zich te voren om mijnentwille voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot eenen Rechter uit den hemel verwachte, die al zijne en mijne vijanden in de eeuwige verdoemenisse werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot zich in de hemelsche blijdschap en heerlijkheid nemen zal.
Philipp. 3 : 20. Lnc. 21 : 28. Rom. 8 : 23. Tit. 2 : 13. 1 Thcss. 4 : 16. Matth. 25 : 41. 2 Thess. 1 ; 6, 7. Matth. 25 : 34.
42
VAN GOD DEN HEILIGEN GEEST.
XX. Zondag.
53. Vr. Wat gelooft gij van den HeLligen Geest?
Antw. Eerstelijk, dat Hij te zanien met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is. Ton andere, dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een oprecht geloove Christus en aller zijner weldaden deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwiglijk blijve.
1 Joh. 5 : 7. Gen. 1 : 2. Jes. 48 : 16. 1 Cor. 3 : 6 en 6; 19. Hand.
5 : 3. 4. Gal. 4 : 6. Matth. 28 : 19, 20. 2 Cor. 1 : 22. Efez. 1 : 13.
Gal. 3 : 14. 1 Petr. 1:1,2. 1 Cor. 6 : 17. Jo!i. 15 : 26. Hand.
9 : 31. Joh. 14 : 16. 1 Petr. 4 : 14.
XXI. Zondag.
54. Vr. Wat gelooft gij van de heilige algemeene Christelijke Kerke ? Antw. Dat de Zone Gods uit het gansche menschelijke geslacht
zich eene gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord in eenigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt ; en dat ik daarvan een levendig lidmaat ben en eeuwig zal blijven.
Efez. 5 : 26. Joh. 10 : 11. Hand. 20 ; 28. Efez. 4 : 11, 12. 13. Gen. 26 : 4. Openb. 5 : 9. Rom. 8 : 29. Efez. 1 : 10, 11, 12, 13. Jes. 59 ; 21. Kom. 1 : 16 en 10 : 14, 15, 16, 17. Efez. 5 .• 26. Hand. 2 : 42. Efez. 4 : 3, 4, 5. Ps. 71 : 17, 18. Jes. 59 : 21. 1 Cor. 11 : 26. Matth. 16 : 18. Joh. 10 : 28, 29, 30. Ps. 129 : 1, 2, 3, 4, 5. 1 Joh. 8 : 14, 19, 20, 21. 2 Cor. 13 : 5. Kom. 8 : 10. Ps. 23 : 6. 1 Cor. 1 : 8, 9. Joh. 10 : 28. 1 Joh. 2 : 19. 1 Petr. 1:5.
55. Vr. Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen? Antw. Eerstelijk, dat alle en elk geloovige als lidmaten aan
den Heere Christus en al zijne schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te leggen.
1 Joh. 1 : 3. Rom. 8 : 32. 1 Cor. 12 : 12, 13. 1 Cor. 6 : 17. 1 Cor. 12 : 21 cn 13 : 5. 6. Phil. 2 : 4, 5, 6.
43
catechismus.
56. Vr. Wat gelooft gij van de vergevinge der zonden?
Antw. Dat God, om het genoegdoen van Christus wille, al
mijne zonden, ook mijnen zondelijken aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.
1 Joh. 2:2. 1 loh. 1 : 7. 2 Cor. 5 : 19. Kom. 7 : 33, 24, 25. Jer. 31 : 34. Mich. 7 : 19. Pa. 103 : 3, 10, 12. Joh. 3 : 18. Joh. 5 : 24.
XXII. Zondag.
57. Vr. Wat troost geeft u de opstanding des vleesches ?
Antw. Dat niet alleen mijne ziel na dit leven van stonden aan
tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vleesch, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijne ziel vereenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
Lnc. 16 ; 22 en 23 : 43. Phil. 1 : 21, 23. Job 19 : 25, 26, 1 Joh. 3 : 2. Philipp. 3 : 21.
58. Vr. Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven? Antw. Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugd
in mijn hart gevoele, ik na dit leven volkomene zaligheid bezitten zal, die geen ooge gezien, geen oore gehoord heeft, en in geens menschen hart gekomen is, en dat om God daarin eauwiglijk te prijzen.
2 Cor. 5 : 2, 3. 1 Cor. 2 : 9.
XXIII. Zondag.
59. Vr. Maar wat baat het u nu, dat gij dit al gelooft?
Antw. Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwigen levens.
Hah. 2 : 4. Rom. 1 : 17. Joh. 3 : 36.
60. Vr. Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Antw. Alleen door een oprecht geloove in Jezus Christus, alzoo dat, al is het dat mij mijne consciëntie beklaagt, dat ik tegen alle
44
VAN DE RECHTYAAKDIGMAKINGE.
de geboden Gods zwaarlijk gezondigd heb en derzelven geen gehouden heb , en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder eenige mijne verdienste, uit loutere genade mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals hadde ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, zooverre ik zulke weldaad met geloovigen harte aanneem.
Eom. 3 : 21, 23, 24 en 5 ; 1, 2. Gal. 2 : 16. Efez. 2 : 8, 9. Phil. S : 9. Rom. 3 : 9. Kom. 7 : 23. Eom. 3 : 22, Joh. 3 : 18, Tit. 3 ; o. Deut. 9 : 6. Ezech. 36 : 22. Kom. 3 : 24. Efez. 2:8. 1 Joh. 2:2. 1 Joh. 2 : 1. Rom. 4:4. 2 Cor. 6 : 19. 2 Cor. 5 : 21.
61. Vr. Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloove rechtvaardig zijt?
Antw. Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam zij; maar daarom, dat alleen de genoegdoeninge, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijne gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloove aannemen en mij toeëigenen kan.
1 Cor. 1 : 30 en 2 : 2. 1 Joh. 5 : 10.
XXIV. Zondag.
62. Vr. Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk derzelve zijn?
Antw. Daarom dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, gansch volkomen en der Wet Gods in alle stukken gelijkmatig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.
Gal. 3 : 10. Deut. 27 : 26. Jes. 64 : 6.
63. Vr. Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die nochtans God in dit en in het toekomende leven wil beloonen?
Antw. Deze belooning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.
Luc. 17 : 10.
45
catechismus.
04. Vr. Maar maakt deze leer niet zorgelooze en goddelooze menschen?
Jntvj. Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zoo wie Christus door een ■waavachtig geloof ingeplant is, niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Matth. 7 : 18. Joh. 15 : 5.
XXV. Zondag.
63. Vr. Aangezien dan alleen het geloove ons Christus en al zijner weldaden deelachtig maakt, vanwaar komt zulk geloove?
Anlw. Van den Heiligen Geest, die het geloove in onze harten werkt door de verkondiging des heiligen Evangeliums en het sterkt door het gebruiken van de Sacramenten.
Efez. 2 : 8 en 6 : 23. Joh. 3 : 5. Philipp. 1 : 29. Matth. 28 : 19, 20. 1 Petr. 1 : 22, 23.
66. Vr. Wat zijn de Sacramenten?
Anlw. De Sacramenten zijn heilige zichtbare waarteekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evangeliums des te beter te verstaan geve en ver-zegele; namelijk, dat Hij ons vanwege des eenigen slachtoffers van Christus, aan het kruis volbracht, vergevinge der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt.
Gen. 17 : 11 Eom. 4 : 11. Deut. 30 : 6. Lev. 6 : 25. Hebr. 9:7, 8, 9, 24. Ezech. 20 : 12. 2 Kon. 17 : 3G. Jes. 6 ; 6, 7 en 54 : 9.
67. Vr. Zijn dan beide, het Woord en de Sacramenten, daarhenen gericht, of daartoe verordend, dat zij ons geloove op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid, wijzen?
Anlw. Ja zij toch; want de Heilige Geest leert ons in het Evangelie en verzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomene zaligheid in de eenige offerande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is.
Eom. 6 : 3. Gal. 3 : 27.
46
VAN DEN HEILIGEN DOOP.
68. Vr. Hoeveel Sacramenten heeft Christus in het Nieuwe Verbond of Testament ingezet?
Antw. Twee: den heiligen Doop en het heilige Avondmaal,
XXVI. Zondag.
69. Vr. Hoe wordt gij in den heiligen Doop vermaand en verzekerd , dat de eenige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?
Antw. Alzoo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zoo zekerlijk met zijnen bloede en Geest van de onreinigheid mijner ziele, dat is van al mijne zonden, gewasschen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewasschen ben.
Matth. 28 : 19. Mare. 16 : 16. Hand. 2 : 38. Joh. 1 : 33. Matth: 3 : 11. Rom. 6 : 3, 4. 1 Petr. 3 : 21. Marc. 1 : 4. Luc. 3 : 3.
70. Vr. Wat is dat, met den bloede en den Geest van Christus gewasschen te zijn?
Antw. Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om des bloeds Christi wille, hetwelk Hij in zijne offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft; daarna ook door den Heiligen Geest vsrnieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hDe langer hoe meer der zonde afsterven en in een godzalig, on-straffelijk leven wandelen.
Hetr. 12 : 24. 1 Petr. 1 : 2. Ooenb. 1 : 5 cn 7 : 14. Zach. 13 : 1. Ezieh. 36 : 25. Joh. 1 : 33 en 3 : 5. 1 Cor. 6 : 11 en 12 : 13. Bom. 6 : 4. Col. 3 : 12.
71. Vr. Waar heeft ons Christus toegezegd, dat Hij ons zoo zekerlijk met zijn bloed en Geest wasschen wil, als wij met het Doopwater gewasschen worden?
Antw. In de inzetting des Doops, welke alzoo luidt: Gaat dan henin, onderwijst al de volkeren, dezelven doopende in den name des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geest es. Matth. 28 : 19. En : Die geloofd zal heLben en gedoopt zol zijn, zal zalig worden ,
47
CATECHISMUS.
maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. Mare. 16; 16. Deze beloftenisse wordt ook herhaald, ■waar de Schrift den Doop het had der wedergeboorte en de afwasschinge der zonden noemt. Tit. 3:5; Hand. 22 : 16.
Matth. 28 : 19. Mare. 16 : 16. Tit. 3 : 6. Hand. 22 : 16.
72. Yr. Is dan het uiterlijk waterhad de afwasschinge der zondei zelve ?
Antw. Neen het; want alleen het bloed -van Jezus Christus ei de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.
Matth. 3 : 11. 1 Petr. 3 : 21. Bfez. 5 : 36, 1 Joh. 1 : 7. 1 Oor. 6 : 11
73. Fr. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop he bad der wedergeboorte en de afwasschinge der zonden?
Antw. God spreekt alzoo niet zonder groote oorzaak; namelij niet alleen om ons daarmede te leeren, dat, gelijk de onzuiverhei des lichaams door het water, alzoo ook onze zonden door het bloe en den Geest van Jezus Christus weggenomen worden , maar veel meer, dat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteeken wi! ver zekeren, dat wij zoo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk g3 wasschen zijn, als wij uitwendig met water gewasschen worden.
Openb. 1 : 5 en 7 : 14. 1 Cor. 6 : 11. Mare. 16 : 16. Gal. 3 : S\'
74. Fr. Zal men ook de jonge kinderen doopen?
Antw. Ja; want mitsdien zij alzoowel als de volwassenen in Ié Verbond Gods en in zijne gemeente begrepen zijn, en dat hun dx, Christus\' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest die het geloof werkt, niet weiniger aan den volwassenen toegezsg wordt, zoo moeten zij ook door den Doop, als door het teeke des Verbonds, der Christelijke Kerke ingelijfd en van de kindere der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Tei bond of Testament door de besnijdenisse geschied is, voor dewelk in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.
Gen. 17 : 7. Matth. 19 : 14. Luc. 1 : 14, 15. Ps. 22 : 11. Jes. 44 1, 2, 3. Hand. 2 : 39. Hand. 10 : 47. Gen. 17 : 14. Col. 2 : 11, 12, 1
48
VAN HET HEILIGE AVONDMAAL.
25(m fjct fjciftge Sïüonbmaat ongeê §ceren 3e3u Efjriêtt.
XXVIII Zondag.
75. Vi\\ Hoe wordt gij in het heilige Nachtmaal vermaand en verzekerd, dat gij aan de eenige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al zijn goed gemeenschap hebt?
Antw. Alzoo, dat Christus mij en allen geloovigen tot zijner gedachtenisse van dit gebroken brood te eten en van dezen drinkbeker te drinken bevolen heeft, en daartoe dok beloofd : eerstelijk, dat zijn lichaam zoo zekerlijk voor mij aan het kruis geofferd en gebroken en zijn bloed voor mij vergoten is, als ik met oogen zie, dat het brood des Heeren mij gebroken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt; en ten andere, dat Hij zelf mijne ziele met zijn gekruist lichaam en vergoten bloede zoo zekerlijk tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en den drinkbeker des Heeren (als zekere waarteekenen des lichaams en bloeds Christi) uit des dienaars hand ontvange en mondelijk geniete.
Matth. 26 : 2C, 37, 28. Marc. U : 22, 23, 24. Luc. 22 : 19, 20. 1 Cor. 10 : 16, 17 en 11 : 23, 24, 25 en 12 : 13.
76. Fr. Wat is dat te zeggen, het gekruiste lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken ?
Antw. Het is niet alleen met een goloovig harte het gansche lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergevinge der zonden en het eeuwig leven verkrijgen, maar ook daarbenevens door den Heiligen Geest, die te zamen in Christus en in ons woont, alzoo met zijnen heiligen lichame hoe langer hoe meer vereenigd worden, dat wij, al is het dat Christus in den hemel is en wij op de aarde zijn, nochtans vleesch van zijn vleesch en been van zijne beenen zijn, en dat wij van éénen Geest (als leden eens lichaams van ééner ziele) eeuwiglijk leven en geregeerd worden.
Joh. 6 : 35, 40, 47, 48, 60, 51, 53, 64. Joh. 6 : 65, 56. Col. 3:1. Hand. 3 : 21. 1 Cor. 11 : 26. Efez. 6 : 29,30 en 3 : 16. 1 Cor. 6 : 15. 1 Joh. 3 : 24 en 4 : 13. Joh. 6 : 57 en 15 : 1, 2, 3, 4, 5, 6. Efez. 4 : 15, 16.
77. Vr. Waar heeft Christus beloofd, dat Hij de geloovigen zoo zekerlijk alzoo met zijnen lichame en bloede wil spijzen en laven, als zij van dit gebroken brood eten en van dezen drinkbeker drinken ?
49
catechismus
jlniw. In de inzettinge des Avondranals, welke alzoo luidt: Be lieere Jezus, in den nacht, in den welken Hij verraden werd, nam hel hrood, en als Hij gedankt had, brak Hij het en zeide: Neemt, eet: dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt. Doet dat tot mijne gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in mijnen bloede. Doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zuil drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren totdat Hij komt. 1 Cor. \\ 1 : 23—26.
Deze toezegging wordt ook herhaald door Paulus, waar hij spreekt: De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet eene gemeenschap des bloeds van Christus? Eet brood, dat wij breken, is dat niet eene gemeenschap des lichaams van Christus? Want één brood is het: zoo zijn wij velen één lichaam, dewijl te ij allen ééns broods deelachtig zijn. 1 Cor. 10 : 16, 17.
1 Cor. 11 : 23, 24, 25, 26. Matth. 26 : 26, 27. 28. Mare. 14 : 22, 23, 24. Luc. 22 : 19, 20. 1 Cor. 10 : 16, 17.
XXIX. Zondag,
78. Vr. Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk lichaam en bloed van Christus?
Aniw. Neen; maar gelijkerwijs het water in den Doop niet in het bloed van Christus veranderd wordt, noch de afwassching der zonden zelve is (waarvan het alleen een Goddelijk waarteeken en verzekering is), alzoo wordt ook liet brood in het Nachtmaal niet het lichaam van Christus zelf, hoewel het naar den aard en de eigenschap der Sacramenten het lichaam van Christus Jezus genaamd wordt.
Matth. 26 ; 29. Efez. 5 : 26. 1 Cor. 10 : 16 en 11 : 26. Geo. 17: 10, 11. Exod. 12 : 11, 13 en 13 : 9. Tit. 3: 5. 1 Petr. 3 : 21. 1 Cor. 10 : 3,4.
79. Vr. Waarom noemt dan Christus het brood zijn lichaam en den drinkbeker zijn bloed, of het Nieuwe Verbond in zijn bloed, en Paulus de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus?
Antw. Christus spreekt alzoo niet zonder groote oorzaak: namelijk niet alleen om ons daarmede te leeren, dat, gelijk als brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzoo ook zijn gekruist lichaam en zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor
50
van het heilige avondmaal.
onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worden; maar veelmeer om ons door deze zichtbare teekenen en panden te verzekeren, dat wij zoo waarachtiglijk zijns waren lichaatns en bloeds door de werkinge des Heiligen Geestes deelachtig worden, als wij deze heilige waarteekenen met den lichamelijken mond tot zijner gedachtenis ontvangen, en dat al zijn lijden en gehoorzaamheid zoo zekerlijk onze eigen zij, als hadden wij zeiven in onze eigene personen alles geleden en Gode voor onze zonden genoeg gedaan.
Joh. 6 : 55. 1 Cor. 10 : 16.
XXX. Zondag.
80. Vr. Wat onderscheid is er tusschen het Avondmaal des Heeren en de Paapsche Mis?
Jntvo. Het Avondmaal des Heeren betuigt ons, dat wij volkomen vergeving van alle onze zonden hebben door de éénige offerande van Jezus Christus, die Hij zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd, die nu naar zijne menschelijke natuur niet op de aarde maar in den hemel is, ter rechterhand Gods zijns Vaders, en daar wil van ons aangebeden zijn. Maar de Mis leert, dat de levenden en de dooden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christup nog dagelijks voor dezelve van de Mispriesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden: en alzoo is de Mis in den grond anders niet dan eene verloochening der eenige offerande en des lijdens Jezu Christi en eene vervloekte afgoderij.
Hctr. 10 : 10, 12 en 7 : 26, 27 en 9 : 12, 25. Joh. 19 : 30. Matth. 26 : 28. Luc. 22 : 19. 1 Cor. 10 : 16, 17 eu 6 : 17. Coloss. 3 ; 1. Hebr. 1 : 3 eu 8 : 1. Matth. 6 : 20, 21. Joh. 4 : 21 en 20 : 17. Luc. 24 : 12. Hand. 7 : 55. Philipp. 3 : 20. 1 Thess. 1 : 10. Hebr. 9 : 26 en 10 : 12, 14.
81. Fr. Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?
Antw. Voor diegenen, die zich zeiven vanwege hunne zonden
mishagen en nochtans vertrouwen, dat dezelve hun om Christi wille vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met zijn lijden
51
catechismus.
en sterven bedekt zij; die ook begeeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Maar de hypocrieten en die zich niet met waren harte tot God bekeeren, die eten en drinken zich zeiven een oordeel.
1 Cor. 11 : 28 en 10 : 19, 20, 21 22.
82. Vr. Zal men ook diegenen tot dit Avondmaal laten komen, die zich met hunne bekentenis en hun leven als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen ?
Jntw. Neen; want alzoo wordt het verbond Gods ontheiligd en zijn toorn over de gansche gemeente verwekt. Daarom is de Christelijke Kerke schuldig, naur de ordening van Christus e-n zijne Apostelen, zulken — totdat zij betering huns levens bewijzen — door de Sleutelen des liemelrijks uit te sluiten.
1 Cor. 11 : 20, 34. Jes. 1 : 11 en 66 : 3. Jer. 7 : 21. Ps. 50 : 16.
XXXI. Zondag.
83. Vr. Wat zijn de Sleutelen des hemelrijks?
Antw. De verkondiging des heiligen Evangeliums en de Christelijke ban of de uitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk den geloovigen opengedaan en den on-geloovigen toegesloten wordt.
84. Vr. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des heiligen Evangeliums ontsloten en toegesloten?
Anlw. Alzoo als, achtervolgende het bevel van Christus, allen en eenen iegelijken geloovigen verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zoo dikwijls als zij de beloftenisse des Evangeliums met een waai\' geloove aannemen, waarachtiglijk al hunne zonden van God om der verdiensten Christi wille vergeven zijn: daarentegen allen ongeloo-vigen en die zich niet van harte bekeeren verkondigd en betuigd wordt, dat de toorne Gods en de eeuwige verdoemenisse op hen ligt, zoolang zij zich niet bekeeren; navolgende welke getuige-nisse des Evangeliums God beide in dit en in het toekomende leven •oordeelen wil.
Joh. 20 ; 21, 22, 23. Matth. 16 : 19.
52
VAN DE DANKBAARHEID.
85. Vr. Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten dooiden Christelijken ban?
Antw. Alzoo als, achtervolgende het bevel van Christus, degenen, die onder don Christelijken naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij menigmaal broederlijk vermaand zijnde van hunne dwalingen of hun schandelijk leven niet afstaan willen , der gemeente of dengenen, die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden, en zoo zij naar de vermaninge niet vragen, van henlieden door het verbieden van da Sacramenten uit de Christelijke gemeente, en van üod zeiven uit ket Rijk van Christus gesloten worden, — en wederom als lidmaten van Christus en zijne gemeente aangenomen, zoo wanneer zij waarachtige beteringe beloven en bewijzen.
Matth. 18 : 15, 16, 17. 1 Cor. 3 : 4, 5, 11. 2 Cor. 2 : 6, 7, 8.
HET DERDE DEEL.
XXXH. Zondag.
86. Vr. Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder eenige verdienste van ons, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?
Antw. Daarom dat Christus, nadat Hij ons met zijnen bloede gekocht en vrijgemaakt heeft, ons ook door zijnen Heiligen Geest tot zijn evenbeeld vernieuwt, opdat wij ons met ons gansche leven Gode dankbaar voor zijne weldaden bewijzen en Hij door ons geprezen worde. Daarna ook dat elk bij zich zeiven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij, en dat door onzen godzaligen wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden.
Eom. 6 : 13 en 12 : 1, 2. 1 Petr. 2 : 5, 9. 1 Oor. 6 : 20. Matth. 5 : 16. 1 Petr. 2:12. 2 Petr. 1 : 10. Matth. 7 : 17. Gal. 5 : 6, 22, 1 Petr. 3 : 1, 2. Kom. 14 : 19.
53
catechismus.
87. Vr. Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeeren?
Anlw. In geenerlei wijze; want de Schrift zegt, dat geen on-kuiscbe, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierige, dronkaard, lasteraar, noch roover, noch dergelijke het Rijke Gods beërven zal.
1 Cor. 6 : 9, 10. Etez. 5 : 5, 6. 1 Joh. 3 : 14.
XXXIII. Zondag.
88. Vr. In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekeering •des menschen?
Antw. In twee stukken: in de afsterving des ouden, en in de opstanding des nieuwen menschen.
89. Vr. Wat is de afsterving des ouden menschen?
Antw. Het is een hartelijk leedwezen, dat we God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.
90. Vr. Wat is de opstanding des nieuwen menschen ?
Antw. Het is eene hartelijke vreugde in God door Christus, en lust en liefde naar den wil Gods in alle goede werken te leven.
Rom. 6 : 1, 4, 5, 6. Efez. 4 : 22. 23, 24. Col. 3 : 5, 6, 8, 9, 10. 1 Cor. 5:7. i Cor. 7 : 10. Kom. 8 : 13. Joël 2 : 13. Hosea 6 : 1. ifom. 5 : 1 en 14 : 17. Jes. 57 : 15. Rom. 6 ; 10, 11. Gal. 2 : 20.
91. Vr. Maar wat zijn goede werken?
Antw. Alleen die uit waar geloove naar de Wet Gods alleen Hem ter eere geschieden, en niet die op ons goeddunken of op menschen-inzettingen gegrond zijn.
Rom. 14 : 23. Lev. 18 : 4. 1 Sam. 15 : 22. Efez. 2 : 10. 1 Cor. 10 : 31. Ezech. 20 : 18, 19. Jes. 29 : 13. Matth. 15 : 7, 8, 9.
XXXIV. Zondag.
92. Vr, Hoe luidt de Wet des Heeren ?
Antw. Ik ben de HEEIiE uw God, die u uit Egypteland, uit den diensthuize, uitgeleid héb.
54
VAN DE TIEN GEBODEN.
Het eerste gebod.
Gij zult geene andere goden voor mijn aangezicht hebben.
Het tweede gebod.
Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken van hetgene dat boven in den hemel is, noch van hetgene dat onder op de aarde is, noch van hetgene dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet huigen, noch hen dienen, want Ik, de IIEERE uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoeke aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten, en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en mijne geboden onderhouden.
Het derde gebod.
Gij zult den naam des HE ER EN uws Gods niet ijdellijk gebruiken , want de JIEERE zal niet onschuldig houden die zijnen naam ijdellijk gébruikt.
Het vierde gebod.
Gedenkt des Sabbatdags, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de Sabbat des HE EREN uws Gods: dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uiu vee, noch uw vreemdeling, die in uwe poorten is. Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee, en alles wat daarin is, en Hij rustte ten zevende dage: daarom zegende de HEERE den Sabbatdag, en heiligde den zeiven.
Het vijfde gebod.
Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd vjorden in den lande dat u de HEERE uw God geeft.
Het zesde gebod.
Gij zult niet doodslaan.
Het zevende gebod.
Gij zult niet echtbreken.
55
CATECHISMUS.
Het achtste gebod.
Gij zult niet stelen.
Het negende gebod.
Gij zult geen valsche getuigenisse spreken tegen uiuen naaste.
Het tiende gebod.
Gij zult niet hegeeren uws naasten huis; gij zult niet hegeeren icws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is.
Exod. 20 : 1 enz. Deut. 5 : 6 enz.
93. TV. Hoe worden deze tien geboden gedeeld?
Antw. In twee tafelen: waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegens God zullen houden. De andere, wat wij onzen naaste schuldig zijn.
Deut. 4 13. Exod. 34 : 28. Deut. 10 : 3, 4. Matth. 22 : 37—40.
94. Vr. Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Antvj. Dat ik, zoo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij,
tooverij, waarzegginge, bijgeloof, aanroepinge der heiligen of andere schepselen mijde en vliede, en den eenigen waren God recht leere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganscher harte liefhebbe, vreeze en eere; al-zoo , dat ik eer van alle creaturen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen zijnen wil doe.
1 Joh. 5 : 21. 1 Cor. 6 : 9, 10 en 10 : 7, 14. lev. 19 : 31. Deut. 18 : 9, 10. Matth. 4 : 10. Openb. 19 : 10 en 22 : 8, 9. Joh. 17 : 3. •Ter. 17 : 5, 7. 1 Petr. 5 : 5. Hebr. 10 : 36. Coloss. 1 : 11. Eom. 5 : 3, 4. 1 Cor. 10 : 10. Philipp. 2 : 14. Ps. 104 : 27. Jes. 45 : 7. Jac. 1 : 17- Deut. 6 : 5. Matth. 22 : 37. Deut. 6 ; 2. Ps. 111 : 10, Spr. V : 7 cn 9 : 10. Matth. 10 : 28. Matth. 4 : 10. Deut. 10 : 20. Matth. 3 : 29 en 10 : 37. Hand. 5 : 29.
95. Vr. Wat is afgoderij?
Antw. Afgoderij is in de plaats des eenigen waren Gods, die zich
56
van de tien geboden.
in zijn Woord geopenbaard heeft, of, benevens Hem, iets anders versieren 1) of hebben, waarop de mensch zijn vertrouwen zet.
Efez. 5 : 5. 1 Kron. 16 : 26. Philipp. 3 : 19. Gal. 4 : 8. Efez. 2 : 12. 1 Joh. 2 : 23. 2 Joh. vs. 9. Joh. B : 23.
XXXV. Zondag,
96. Vr. Wat eischt God in het tweede gebod?
Antw. Dat wij God in geenerlei wijze afbeelden, noch op eene andere wijze vereeren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft.
Jes. 40 : 18, 19, 25. Deut. 4 : 15, 16. Rom. 1 : 23, 24. Hand. 17 : 29. 1 Sam. 15 ; 23. Dent. 12 : 30. Matth. 15 : 9.
97. Vr. Mag men dan ganschelijk geene beelden maken?
Antw. God kan noch mag in geenerlei wijze afgebeeld worden.
Maar de schepselen, al is het dat zij kunnen afgebeeld worden, zoo verbiedt toch God hunne beeltenis te maken en te hebben, om die te vereeren of God daardoor te dienen.
Jes. 40 : 25. Exod. 34 : 17 en 33 : 24 cn 34 : 13.
98. Vr. Maar zoude men de beelden in de kerken als boeken der leeken niet mogen lijden?
Antw. Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, dewelke zijne Christenen niet door stomme beelden, maar door de levendige verkondiging zijns Woords wil onderwezen hebben.
Jer. 10 : 8. Hab. 2 : 18, 19. Kom. 10 : 17. 3 ?etr. 1 : 19. 2 Tim.
3 : 16, 17.
XXXVI. Zondag.
99. Vr. Wat wil het derde gebod?
Antw. Dat wij niet alleen met vloeken of met valschen eede, maar ook met onnoodig zweren, den naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulker schrikkelijke zonden deelachtig maken, en in summa, dat wij den heili-
1) «Versierenquot; beteekeut: uitdenken.
57
5
catechismus.
gen Name Gods anders niet dan met vreeze en eerbiedinge gebruiken, opdat Hij van ons recht bekend, aangeroepen en in ai onze woorden en werken geprezen worde.
Lev. 24 : 15, 16. Lev. 19 : 12. Matth. 5 : 37. Jac. 5 : 12. Lev. 5 : 1. Spr. 29 : 24. Jer. 4 : 2. Jcs. 45 : 23. Matth. 10 : 32. Hom. 10 : 9, 10. Ps. 50 : 15. 1 Tim. 2 : 8. Collos. 3 : 17. Kom. 2 : 24. 1 Tim. 6 : 1.
■100. Vr. Is het dan zoo groote zonde Gods naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God zich ook over die vertoornt, die, zooveel als het hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden ?
Anlw. Ja gewisselijk; want daar is geen grooter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lasteringe zijns Naams, waarom Hij die ook met den dood te straffen bevolen heeft.
Spr. 29 : 24. Lev. 5 : 1. Lev. 24 : 16.
XXXVII. Zondag.
101. Vr. Maar mag men ook godzaliglijk bij den naam Gods eenen eed zweren?
Antw. Ja, als het de overheid van hare onderdanen of anderszins ook de nood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eere en des naasten zaligheid; want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond en daarom ook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest.
Deut. 6 : 13 en 10 : 20. Jes. 48 : 1. Hebr. 0 : 16. Gen. 21 : 24 en 31 : 53. Joz 9 : 15. 1 Sara. 24 : 23. 2 Sam. 3 : 35. 1 Kon. 1 : 29. Rom. 1 : 9 en 9 : 1. 2 Cor. 1 : 23.
102. Vr. Mag men ook bij de heiligen of bij eenige andere schepselen eenen eed zweren?
Antw. Neen, want een recht eedzweren is God aanroepen, dat Hij, als die alleen het harte kent, der waarheid getuigenis wil geven en mij straffen, indien ik valschelijk zwere: welke eer aan geen schepsel toebehoort.
2 Cor. 1 : 23. Rom. 9 : 1. Matth. 5 : 34, 35, 36. Jac. 5 : 12.
58
VAN DE TIEX GEBODEN.
XXXVIII. Zondag.
103. Vr. Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Antw. Eerstelijk, dat de kerkedienst, of het predikambt, en de scholen onderhouden worden, en dat ik, inzonderheid op den Sabbat, dat is op den Rustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome, om Gods Woord te hooren, de Sacramenten te gebruiken. God den Heere openlijk aan te roepen en den armen Christelijke handreikinge te doen; ten andere, dat ik alle de dagen mijn levens van mijne booze werken viere, den Heere door zijnen Geest in mij werken late en alzoo den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvange.
Tit. 1:5. 2 Tim. 3 : U. 1 Cor. 9 : 13, 14. 2 Tim. 2 : 2 en 3 : 15. Ps. 40 : 10, 11 en 68 : 27. Hand 2 : 42. 1 Tim. 4 : 13. 1 Cor. 14 ; 29. 1 Cor. 11 ; 33. 1 Tim. 2:1. 1 Cor. 14 : 1G. 1 Cor. 1G : 2. Jes. 6G : 23.
XXXIX. Zondag.
404. Vr. Wat wil God in het vijfde gebod?
Anlw. Dat ik mijnen vader en mijne moeder, en allen, die over mij gesteld zijn, alle eere en liefde en trouwe bewijze, en mij hunner goede leere en straffe met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerper en ook met hunne zwakheid en gebreken geduld hebbe; aangezien het Gode belieft, ons door hunne hand te regeeren.
Efez. 6 : 1, 2 en 6 : 5. Coloss. 3 : 18, 20, 22. Efez. 5 : 23. Spr. 1 : 8 en 4 ; 1 en 15 : 20 en 20 ; 20. Exod. 21 ; 17. Kom. 13 : 1. Spr. 23 : 23. Gen. 9 : 24. 1 Petr. 2 : 18. Efez. 6 ; 4, 9, Coloss. 3 : 30. Kom. 13 ; 3, 3. Mattli. 22 : 21.
XL. Zondag
105. Vr. Wat eischt God in het zesde gebod?
Antw. Dat ik mijnen naaste noch met gedachten, noch met woorden of eenig gelaat, veel weiniger metterdaad, door mij zei ven of door anderen onteere, hate, kwetse of doode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge, ook mij zeiven niet kwetse of moedwillig-
59
catechismus.
lijk in eenig gevaar begeve; waarom ook de Overheid het zwaard draagt om den doodslag te weren.
Matth. 5 : 21, 23 en 26 : 52. Gen. 9 : 6. Efez. 4 : 26. Rom. 12 : 19. Mattli. 5 : 25 en 18 ; 35. Rom. 13 : 14. Coloss. 2 : 23. Matth. 4 : 7. Gen. 9 : 6. Exod. 21 : 14. Matth. 26 : 52. Rom. 13 : 4.
106. Vr. Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?
Antw. God, verbiedende den doodslag, leert ons, dat Hij den wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor eenen doodslag houdt.
Spr. 14 ; 30. Rom. 1 : 29. 1 Joh. 2 : 11. Jac. 1 : 20. Gal. 5 : 19, 20. 21. 1 Joh. 3 : 15.
107. Vr. Maar is dat genoeg, dat wij onzen naaste, als gezegd is, niet dooden?
Antw. Neen; want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt, dat wij onzen naaste liefhebben als ons zeiven, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijne schade, zooveel als ons mogelijk is, afkoeren en ook onzen vijanden goed doen.
Matth. 22 : 39 en 7 : 12. Rom. 12 : 10. Efez. 4 : 2. Gal. 6:1,2. Matth. 5 : 5. Rom. 12 : 18. Luc. 6 : 36. Matth. 5:7. 1 Petr, 3 : 8. Colloss. 3 : 12. Exod. 23 : 5. Matth. 5 : 44, 45. Rom. 12 : 20.
XLI. Zondag.
108. Vr. Wat leert ons het zevende gebod?
Antw. Dat alle onkuischheid van God vervloekt is, en dat wij daarom, haar van harte vijand zijnde, kuisch en tuchtiglijk leven moeten, hetzij in den heiligen huwelijken staat of buiten denzelven.
Lev. 18 : 28. Jud. vs. 23. 1 Thess. 4:3, 4, 5. Hehr. 13 : 4. I Cor. 7 : 7.
109. Vr. Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en diergelijke schanden ?
Antw. Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Gees-tes zijn, zoo wil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren:
60
van de tien geboden.
daarom verbiedt Hij alle onkuische daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten , en wat den mensch daartoe trekken kan.
Efez. 5 : 3, 4. 1 Cor. 6 : 18, 19. Matth. 5 : 27, 28. Efcz. 5 : 18.
I Cor. 15 : 33.
XLII. Zondag.
HO. Vr. Wat verbiedt God in liet achtste gebod?
Antw. God verbiedt niet alleen dat stelen en rooven, hetwelk de Overheid straft, maar Hij noemt ook dieverij alle booze stukken eu aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld of schijn des rechts, als met onrecht gewicht, el, maat, waar, munt, woeker of door eenig middel, van God verboden: daartoe ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting zijner gaven.
1 Cor. 6:10. 1 Cor. 5 : 10. Luc. 3 : 14. 1 Thess. 4 ! G. Spr.
II : 1 en 16 : 11. Ezech. 45 : 9, 10. Dcut. 25 ; 13. Ps.15 : 5. Luc. G ; 35. 1 Cor. 6 : 10, Spr. 23 : 20, 31 en 21 : 20.
111. Fr. Maar wat gebiedt u God in dit gebod?
Antw. Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzoo handele, als ik wilde, dat men met mij handelde; daartoe ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge.
Matth. 7 : 12. Efez. 4 ; 28.
XLIII. Zondag.
112. Vr. Wat wil het negende gebod?
Antw. Dat ik tegen niemand valsche getuigenis geve, niemand zijne woorden verkeere, geen achterklapper of lasteraar zij , niemand lichtelijk en onverhoord oordeele of helpe verdoemen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigene werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik den zwaren toorn Gods op mij laden wil. Desgelijks dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en bekenne; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.
Spr. 19 : 5, 9 en 21 : 28. Ps. 15 : 3 en 50 : 19, 20. Rom. 1 : 30. Matth. 7 : 1. Luc. 6 : 37. Joh. 8 : 44. Spr. 12 : 22 en 13 : 5. 1 Cor. 13 : 6. Efez. 4 : 25. 1 Petr. 4 : 8.
61
c-vteciiissius.
XLIV. Zondag.
113, Vr. Wat eischt van ons het tiende gebod?
Antw. Dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij ten allen tijde van ganscher harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben.
Kom. 7 : 7.
114. Fr. Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden?
Antw. Neen zij: maar ook de allerheiligsten, zoolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzoo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven.
1 Joh. 1 : 8. Kom, 7 : 14, 15. Pred. 7 : 20. 1 Cor. 13 : 9. Kom. 7 : 22. Ps. 1 : 2.
115, Vr. Waarom laat ons dan God alzoo scherpelijk de tien geboden prediken, zoo ze toch niemand in dit leven houden kan?
Antw. Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondelijken aard hoe langer hoe meer leeren kennen en dies te begeeriger zijn, de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, dat wij zonder onderlaten ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij langs zoo meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.
Kom, 3 : 20. 1 Joh. 1 : 9. Ps. 32 : 5. Matth. 5 : G. Kom. 7 : 24, 25. 1 Cor. 9 : 24. Phil. 3 : 12, 13, 14.
XLV, zoivijag.
116. Fr. Waarom is het gebed den Christenen van noode?
Antw. Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid
is, hetwelk God van ons vordert, en dat God zijne genade en den
C2
VAN HET GEBED.
Heiligen Geest alleen dien geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.
Ps. 50 : 14. Matth. 7 : 7. Luc. 11 : 9, 13. 1 Thess. 5 : 17.
117. Vr. Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?
Antw. Eerstelijk, dat wij alleen den eenigen waren God, die zich in zijn Woord ons geopenbaard heeft, om al hetgene dat Hij ons ■ geboden heeft te bidden, van harte aanroepen. Ten andere, dat wij onzen nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangezicht zijner majesteit verootmoedigen. Ten derde, dat wij dezen vasten grond hebben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande «lat wij zulks onwaardig zijn, om des Heeren Christi wil zekerlijk wil verhooren, gelijk Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.
Joh. 4 : 22, 23, 24. Rom. 8 : 26. 1 Joh. 5 : 14. Jac. 1 : 5. Joh.
4. : 24. Ps. 145 : 18. 2 Krou. 20 : 12. Ps. 2 : 11 en 34 : 19. Jes.
fifi : 2. Rom. 10 : 14. Jac. 1 : 6. Joh. 14 : 13 en lö. 23. Dan. 9 : 17, 18. Matth. 7 : 8. Ps. 27 : 8.
118. Vr. Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?
Antw. Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de
Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij ons zelf ge-geleerd heeft,
Jac. 1 : 17. Matth. 6 : 33.
119. Vr. Hoe luidt dat gebed?
Anlxv. Onze Vader, die in de hemelen zijt.
Vw naam worde geheiligd.
üw koninkrijk kome.
üw wille geschiede gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijksch brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den hoozo.
Want Uw is het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
Matth. 6 : 9, 10, 11, 12, 13. J.uc. 11 : 2, 3, 4.
63
catechismus.
XLVI. Zondag.
120. Vr. Waarom heeft ons Christus geboden, God alzoo aan te spreken : Onze Vader ?
Antw. Opdat Hij van stonde aan in het begin onzes gebeds in ons de kinderlijke vreeze en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is en dat Hij ons veel weiniger afslaan zal hetgene, dat wij Hem met een recht geloove bidden, dan onze vaders ons aardsche dingen ontzeggen.
Matth. 7 : 9, 10, 11. Luc. 11 : 11, 12, 13.
121. Vr. Waarom wordt hier toegedaan: Die in de hemelen zijt?
Antw. Opdat wij van de hemelsche majesteit Gods niet aardsch
gedenken en van zijne almachtigheid alle nooddruft des lijfs en der ziele verwachten.
Jer. 23 : 23, 24. Hand. 17 : 24, 25, 27. Kom. 10 : 12.
122. Vr. Welke is de eerste bede?
Antw. Uw naam worde geheiligd. Dat is: Geef ons eerstelijk, dat wij U recht kennen en U in al uwe werken, in welke uwe almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen; daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken alzoo schikken en richten, dat uw naam om onzent wille niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.
Joh. 17 : 3. Jer. 9 : 24 en 31 : 33, 34. Matth. 16 : 17. Jac. 1 : 5. Ps. 119 : 105. Ps. 119 : 137. Luc. 1 : 46, 47, 68, 69. Hom. 11 : 33. Ps. 71 : 8 en 115 : 1.
123. Vr. Welke is de tweede bede?
Antw. Uw koninkrijk kome. Dat is: Regeer ons alzoo door uw Woord en uwen Geest, dat wij ons langs zoo meer U onderwerpen;
64
van het gebed.
bewaar en vermeerder uwe Kerke; verstoor de werken des duivels en alle geweld, welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle booze raadslagen , die tegen uw heilig Woord bedacht worden, totdat de volkomenheid uws Rijks toekome, waarin Gij alles zult zijn in allen.
Ps. 143 : 10 eu 119 ; 5. Matth. 6 : 33. Ps. 51 : 20 en 122 : 6. 1 Joh. 3 : 8. Kom. 16 : 20. Openb. 22 : 20. Rom. 8 : 22, 23. 1 Cor. 15 : 28.
XLIX. Zondag.
■124. Vr. Welke is de derde bede?
Antxv. üw toil geschiede gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde. Dat is: Geef, dat wij en alle menschen onzen eigen wil verzaken en uwen wil, die alleen goed is , zonder eenig tegenspreken gehoorzaam zijn: opdat alzoo een iegelijk zijn ambt en beroeping zoo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen.
Matth. 16 : 24. Tit. 2 : 11, 12. Lnc. 22 : 42. Efez. 5 : 10. Rom. 12 : 2. 1 Cor. 7 : 24. Pa. 103 : 20, 21.
L. Zondag.
125. Vr. Welke is de vierde bede?
Antw. Geef ons heden ons dagelijksch brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor bekennen, dat Gij de eenige oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch uwe gaven zonder uwen zegen ons gedijen , en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.
Ps. 145 : 15. Ps. 104 : 27. Matth. 6 : 26. Jac. 1 : 17. Hand. 14 : 17 en 17 : 27. 1 Cor. 15 : 58. Deut 8 : 3. Ps. 37 : 16 en 127 t 1, 2. Pa. 55 : 23 en 62 : 11 en 146 : 3. Jer. 17 : 5, 7.
LI. Zondag.
126. Vr.. Welke is de vijfde bede?
Antw. Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen
65
catechismus#
schuldenaren. Dat is: Wil ons, armen zondaren, alle onze misdaden en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds Christi wille niet toerekenen, al zoo wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons gansche voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven.
Ps, 51 : 3 en 143 : 2. 1 Joh. 2 : 1. Eom, 8 : 1. Matlh. 6 : 14.
LIL Zondag.
427. Vr. Welke is de zesde bede?
Anlw. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den hooze. Dat is: Dewijl wij van ons zeiven alzo) zwak zijn, dat wij niet één oogenblik kunnen bestaan, en daartoe onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch, niet ophouden ons aan te vechten: wil ons toch behouden en sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten eenenmale de overhand behouden.
Joh. 15 : 5. Ps. 103 : 14. 1 Petr. 5 : 8. Efez. 6 : 12. Joh. 15 19. Rom. 7 : 23. Gal. 5 : 17. Matth. 26 : 41. Mare. 13 ; 33. 1 Thess. 3 : 13 en 5 : 23.
128. Vr. Hoe besluit gij uw gebed?
Antvu. Want Uw is hel koninhrijk, de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogen hebt, en dat alles, opdat daardoor, niet wij, maar uw heilige name eeuwiglijk geprezen worde.
Rom. 10 : 12. 2 Petr. 2 : 9. Joh. 14 : 13. Jer. 33 8. 9 Fs. 115 : 1.
129. Vr. Wat bedui\'t het woord: Amen?
Aniw. Amen, dat is te zeggen: het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed veel zekerder van God verhoord is, dan ik in mijn harte gevoele, dat ik zulks van Hem bcgeere.
C6
2 Cor. 1 : 20. 2 Tim. 2 : 13.
EINDE VAN DEN CATECHISMUS.
DE VIJF MTIKELEN TEamp;EN DE EEMONSTRAKTEN,
OFTE
OORDEEL DER NATIONALE SYNODE DER GEREPOR-JIEERDE KERKEN VAN DE VEREENIGDE NEDERLANDEN,
GEHOUDEN BINNEN DORDRECHT IN DEN JARE 1618 EN 1619,
OVER
DE BEKENDE VIJF HOOFDSTUKKEN DER LEERE, DAAROVER IN DB GEREFORMEERDE KERKEN DEZER VEREENIGDE NEDERLANDEN VERSCHIL GEVALLEN IS.
Onder de zeer vele vertroostingen, dewelke onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus aan zijne strijdende Kerk in deze ellendige pelgrimage gegeven heeft, wordt deze met recht onder de voornaamste geacht, die Hij haar heeft nagelaten, als Hij tot zijnen Vader in het hemelsche Heiligdom zoude ingaan, zeggende: »7/c hen met u alle de dagen tot aan de voleindiging der wereldquot;. De waarheid van deze vriendelijke belofte is biijkelijk in de Kerk van alle tijden. Want alzoo zij niet alleen door openbaar geweld der vijanden en goddeloosheid der ketteren, maar ook door bedekte listigheid der verleiders van den beginne is bestreden, voorwaar, indien de Heere haar te eeniger tijd van de heilzame hulpe zijner beloofde tegenwoordigheid had ontbloot, zij zoude al over lang óf door geweld der lyrannen zijn verdrukt geweest, óf door de arg-
voorbede.
listigheid der bedriegers ten verderve verleid. Maar de goede Herder, die zijne kudde, voor welke Hij zijn leven heeft gelaten, zeer volstandiglijk bemint, heeft het woeden der vervolgers steeds ter rechter tijd en door zijne uitgestrekte hand, dikwijls wonderlijk, ternedergezet en de kromme wegen en bedrieglijke raadslagen der verleiders ontdekt en te-niet gedaan; in beide bewijzende, dat Hij waarlijk bij zijne Kerk tegenwoordig is. Hiervan hebben wij een zeer klaar bewijs in de Historiën der godzalige Keizers, Koningen en Prinsen, dewelke de Zone Gods zoo menigmaal tot hulp van zijne Kerk heeft verwekt, met eenen heiligen ijver zijns huizes ontstoken, en door hunnen dienst niet alleen het woeden der tyran-nen bedwongen, maar ook zijne Kerk, wanneer zij met vaische leeraars te strijden had, tegen hen met middelen ter genezing van heilige Synoden voorzien, in welke de getrouwe dienstknechten van Christus met gezamenlijke gebeden, raad en arbeid kloekmoediglijk zich hebben gesteld voor de Kerk en waarheid Godes tegen de knechten des satans, alhoewel zij zich in engelen des lichts veranderden; en hebben het zaad der dwalingen en der tweedracht weggenomen, de Kerk in eendracht der reine religie behouden en den oprechten godsdienst ongeschonden op de nakomelingen voortgezet.
Met eene gelijke weldaad heeft onze getrouwe Zaligmaker zijne genadige tegenwoordigheid aan de Kerk van Nederland, die eenige jaren zeer is verdrukt geweest, in dezen tijd bewezen. Want deze Kerk, van de tyrannie des Roomschen Antichrists en de schrikkelijke afgoderij des Pausdoms door Godes machtige hand verlost en in de gevaren van zoo langdurigen oorlog menigmaal wonderbaarlijk bewaard zijnde en in eendracht der ware leer en tucht tot lof van haren God, tot wonderlijken wasdom van het gemeenebest, en vreugde van de geheele Gereformeerde wereld zeer heerlijk bloeiende, is van Jacobüs Arminius en zijne navolgers, dragende den naam van Remonstranten, door verscheidene zoo oude als nieuwe dwalingen , eerst heimelijk, daarna openlijk, aangevochten, en, door ergerlijke twisten en scheuringen hardnekkiglijk verstoord zijnde, in zoo groot gevaar gebracht, dat die zeer bloeiende Kerken door eenen schrikkelijken brand van tweedrachten en verdeeldheden ten laatste zouden zijn verteerd geworden, ten ware de ontferming onzes Za-
68
VOOEUEDE.
ligmakers ter bekwamer tijd daartusschen ware gekomen. Docli geprezen zij in der eeuwigheid de Heere, dewelke, nadat Hij zijn aanschijn ten oogenblik tijds van ons (die op menigerlei wijze zijnen toorn en gramschap hadden verwekt) verborgen hadde, voor de gansche wereld heeft bewezen, dat Hij zijns Verbonds niet vergeet en het zuchten der zijnen niet veracht. Want als daar nauwelijks eenige hope van herstel naar menschelijk oordeel scheen voorhanden te zijn, heeft Hij aan de Doorluchtige en Hoog-Mogende Heeren, de Generale Staten der Vereenigde Nederlanden, dit in het harte gegeven, dat zij, met advies en directie van den Doorluch-tigsten en kloekmoedigsten Prinse van Oranje, besloten hebbende deze woedende zwarigheden met wettelijke middelen te bejegenen, welke door de voorbeelden der Apostelen zeiven en der Christelijke Kerk na hunnen tijd doorgaans zijn goed gekend, en zelfs ook in, de Kerke van Nederland met groote vrucht vóór dezen gebruikt, en hebben eene Synode uit al de Provinciën van hun gebied door hunne autoriteit naar Dordrecht bijeengeroepen, nadat zij daartoe van te voren verzocht en door gunst des Grootmachtigsten Konings Jacobüs, Koning van Groot-Brittannië, enz. en der Doorluchtige Prinsen, Doorluchtige Graven en machtige Republieken verworven hadden vele voortreffelijke godgeleerde mannen, opdat door gemeen oordeel van zoo vele theologanten der Gereformeerde Kerk de leeringen van Arminius en zijne navolgers in eene zoo vermaarde Synode rijpelijk zouden worden onderzocht en alleen uit Gods Woord geoordeeld, de ware leer bevestigd, de valsche verworpen, en den Nederlandschen Kerken eendracht, vrede en rust door Godes zegen wedergebracht. Over deze weldaad Godes is het, dat de Neder-landsche Kerken zich verheugen en de getrouwe ontfermingen haars Zaligmakers ootmoediglijk bekennen en dankbaar roemen.
Deze eerwaardige Synode (na voorgaand algemeen vasten en bidden door autoriteit der Hooge Overheid in al de Nederlandsche Kerken tot afbidding van Godes toorne en verwerving van zijnen ge-nadigen bijstand uitgeschreven en gehouden) in des Heeren naam binnen Dordrecht vergaderd zijnde, ontstoken in liefde tot God en den welstand der Kerk, en wezende, na aanroeping van Godes naam, met eenen heiligen eed verplicht, van alleen naar het richtsnoer der Heilige Schrifture te oordeelen, en in het onderzoek en
69
VOOUnEDE.
70
oordeel van deze zaak met eene goede en oprechte consciëntie te handelen , heeft zeer naarstiglijk en met groote lankmoedigheid gearbeid, om de voornaamste voorstanders dezer leeringen, voor haar geciteerd zijnde, te bewegen, dat zij hun gevoelen van de vijf bekende Hoofdstukken der leer, mitsgaders de redenen van dien volkomenlijk wilden verklaren. Maar als zij het oordeel der Synode verwierpen en op de vraagstukken, in de maniere als billijk was, weigerden te antwoorden, en dat voorts geene vermaningen der Synode, noch resolutiën der Welgeboren Edele Gedeputeerden van de Heeren Generale Staten, ja zelfs niet de bevelen van de Doorluchtige Hoog-Mog. Heeren Generale Staten bij hen iets vorderden, is de Synode genoodzaakt, niet last van hunne Hoog-Mog. en naar de gewoonte der oude Synoden, eenen anderen weg in te gaan: en is het onderzoek van de voorzeide vijf leerstukken uit de schriften, bekentenissen en verklaringen, eensdeels te voren uitgegeven, anderdeels ook aan deze Synode overgeleverd, bij der hand genomen. Hetwelk, alzoo het nu door Godes bijzondere genade met zeer groote vlijt, getrouwigheid, consciëntie en overeenstemming van allen en een iegelijk is voleind, zoo is \'t, dat deze Synode tot Godes eere, behoudenis van de oprechtigheid der zaligmakende waarheid, gerustheid der conscientiën, vrede en welstand der Nederlandsche Kerken, besloten heeft het navolgende oordeel (waarin het waarachtige en met Godes Woord overeenkomende gevoelen van de vijf voorzegde leerpunten wordt verklaard, en het valsche, en met Godes Woord strijdende verworpen) openlijk uit te spreken en eenen iegelijken bekend te maken.
tiijf Strtifelcn tegen be SRemottStvaitten.
HET EERSTE HOOFDSTUK ber km,
namclij! bon be ©obbetijfe SSerfiejittge en SBcrtrcr^inge.
I. Aangezien alle menschen in Adam gezondigd hebben, en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden, zoo zoude God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij hot gansche menschelijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en om de zonde verdoemen, volgens deze woorden van den Apostel: Be ge-heele wereld is voor God verdoemlijk. Zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3 ; 19, 23); en: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 0 : 23)
II. Doch hierin is de liefde Gods geo-penhaard, dat Hij zijnen eeniggeioren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die in Rem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hehbe (1 Joh. 4:9; Joh. 3 : 16).
III. En opdat de menschen tot het geloove worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap tot wien Hij wil, en wanneer Hij wil; door wier dienst de menschen geroepen worden tot bekeering en het geloof in Christus, den gekruiste. Want hoe zullen zij in Hem gelooven, van wien zij niet gehoord hebben? en hoé zullen zij hooren, zonder die hun pre-dik? en hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? (Rom. 10 : 14, 15).
IV. Die dit Evangelie niet gelooven, op die blijft de toorn Gods; maar die het aannemen, en den Zaligmaker Jezus met een waarach-
LEERREGELS,
tig en levendig geloof omhelzen, die w%rden door Hem van den toorn Gods en van het verderf verlost en met het eeuwige leven begaafd (Joh. 3 : 36; Mare. 16 : 16).
V. De oorzaak of schuld van dit ongeloof, gelijk ook van alle andere zonden, is geenszins in God, maar in den mensch. Maar het geloove in Jezus Christus, en de zaligheid door Hem, is eene genadige gave Gods, gelijk geschreven is: Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Efez. 2:8); als ook: Het is u gegeven, in Christus te gelooven (Fil. 1 : 29).
VI. Dat God sommigen in den tijd met het geloof begaaft, sommigen niet begaaft, komt voort van zijn eeuwig besluit. Want alle zijne werken zijn Hem van eeuwigheid aan hekend (Hand. 15 : 18), en: Hij doet alle dingen naar den raad zijns willens (Efez. 1 : 11). Naar welk besluit Hij de harten der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt om te gelooven; maar degenen, die niet zijn verkoren, naar zijn rechtvaardig oordeel, in hunne boosheid en hardigheid laat. En hier is het, dat zich ons voornamelijk opdoet die diepe, barmhartige en t\'samen rechtvaardige onderscheiding der menschen, zijnde in even gelijken staat des verderfs, of het besluit van verkiezinge en verwerpinge, in het Woord Gods geopenbaard. Hetwelk, gelijk als het de verkeerde, onreine en onvaste menschen verdraaien tot hun verderf, alzoo geeft het den heiligen en godvreezenden zielen eenen onuitsprekelijken troost.
Vil. Deze verkiezinge is een onveranderlijk voornemen Gods, door hetwelk Hij vóór de grondlegging der wereld eene zekere menigte van menschen, niet beter of waardiger zijnde dan de anderen, maar in de gemeene ellende met de anderen liggende, uit het ge-heele menschelijk geslacht, van de eerste oprechtigheid door hunne eigene schuld vervallen in de zonde en het verderf, naar het vrije behagen zijns willens, tot de zaligheid, uit loutere genade, uitverkoren heeft in Christus, denwelken Hij ook van eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen en tot een fundament der zaligheid gesteld heeft. En opdat zij door Hem zouden zalig gemaakt worden, heeft Hij ook besloten, hen aan Hem te geven en krachtiglijk tot zijne gemeenschap door zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of met het ware geloof in Hem te begaven,
72
HOOFDST. I. VAN DE VERKIEZINGE EN VEKWEEPINGE.
te rechtvaardigen, te heiligen en, in de gemeenschap zijns Zoons krachtiglijk bewaard zijnde, ten laatste te verheerlijken, tot bewij-zinge van zijne barmhartigheid, en ten prijze van de rijkdommen zijner heerlijke genade. Gelijk geschreven is: God heeft ons uitverkoren in Christus vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde, die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in zich zeiven, naar het welbehagen zijns willens, tot prijs der heerlijkheid zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde (Efez. i : 4,-5, 6); en elders: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8 vs. 30).
■VIII. De voorgemelde verkiezinge is niet menigerlei maar eene en dezelfde van alle degenen, die zalig worden, beide in het Oude en Nieuwe Testament. Gemerkt ons de Schrifture een eenig welbehagen , voornemen en raad van den wille Gods voorstelt, waardoor Hij ons van eeuwigheid heeft verkoren, beide tot de genade en tot de heerlijkheid, tot de zaligheid en tot den weg der zaligheid, denwelken Hij bereid heeft, opdat wij daarin wandelen zouden (Efez. 1 : 4, 5 en 2 : 10).
IX. Deze zelfde verkiezinge is geschied, niet uit het voorgezien geloof en de gehoorzaamheid des geloofs, uit heiligheid of eenige andere goede hoedanigheid of geschiktheid, als eene oorzaak of voorwaard», te voren vereischt in den mensch, die verkoren zou worden; maar tot het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs, iert heiligheid enz.; en diensvolgens is de verkiezing de fontein van alle zaligmakend goed, waaruit het geloove, de heiligheid en andere zaligmakende gaven, en eindelijk het eeuwige leven zelf, als vruchten vloeien, naar het getuigenis van den Apostel: Hij heeft ons uitverkoren (niet omdat wij waren, maar) opdat wij zouden zijn heilig en onberispelijk voor Hem in de liefde (Efez. 1 : 4). ■
X. De oorzaak van deze genadige verkiezing is het eenige welbehagen Gods, niet daarin bestaande, dat Hij eenige hoedanigheden of werken der menschen uit alle mogelijke voorwaarden tot eene voorwaarde der zaligheid heeft uitgekoren: maar hierin, dat Hij eenige zekere personen uit de gemeene menigte der zondaren zich
73
LEEUKEGELS,
tot een eigendom heeft aangenomen, gelijk geschreven is: Als de
hinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden enz., 200 werd tot haar (namelijk Rebekka) gezegd: De meerdere zal den mindere dienen ; gelijk geschreven is: Jacob héb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat (Rom. 9 : 11, 12 : 13); en; Daar geloofden er zoo velen, als er verordineerd waren ten
eeuwigen leven (Hand. 13 : 48).
XI. En gelijk God zelf op het hoogste wijs, onveranderlijk, alwetende en almachtig is, zoo kan de verkiezing, van Hem gedaan, niet ontdaan en wedergedaan, noch veranderd, noch wederroepen, noch afgebroken worden, noch de uitverkorenen verworpen, noch het getal derzelven verminderd worden.
XII Van deze hunne eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij verscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd (2 Kor. 13 :5). Niet als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord van God aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.), in zichzelven met eene geestelijke blijdschap en heilige vermakinge waarnemen.
XIII Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze verkiezing nemenquot; de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zichzelven voor God te verootmoedigen, de diepte van zijne barmhartigheden aan te bidden, zichzelven te reinigen, en Hem, die hen eerst zoo uitnemend heeft liefgehad, wederom vuriglijk te beminnen. Zoo verre is het vandaar, dat zij door deze leer van de verkiezing en door de overlegging van dezelve in het onderhouden van Gods geboden vertragen, of vleeschelijk-zorgeloos zouden worden; hetwelk door Gods rechtvaardig oordeel dengenen pleegt te gebeuren, die, of zichzelven van de genade der verkiezing lichtvaardiglijk vermetende, óf ijdellijk en dartellijk daarvan klappende, in de wegen der uitverkorenen niet begeeren te wandelen.
XIV. Voorts gelijk deze leer van de Goddelijke verkiezing, naar Gods wyzen raad, door de Profeten, Christus zelf en de Apostelen, zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament gepredikt is, en daarna in de heilige Schriften voorgesteld en nagelaten, alzoo moet zij ook ten huidigen dage te zijner tijd en plaats in de Kerke Gods
74
HOOFDST. I. VAN DE VEUKIEZINGE EN VERWEBPINGE.
(dewelke zij bijzonderlijk is toegeëigend) voorgesteld worden met den geest des onderscheids en Goddelijke eerbieding, heiliglijk, zonder nieuwsgierige onderzoekinge van de wegen des Allerhoogsten, ter eere van Gods heiligen naam en tot eenen levendigen troost \' van zijn volk (Hand. 20 : 27; Rom. 12 : 3 en Hoofdstuk H : 33, ^ 34; Hebr. 6 : 17, 18).
XV. Deze eeuwige en onverdiende genade van onze verkiezing \' wijst en prijst ons de Heilige Schrifture daarmede allermeest aan, » wanneer zij wijders getuigt, dat niet alle menschen zijn verkoren, \' maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige verkiezing voor-1 bijgegaan, namelijk die, welke God naar zijn gansch vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft r in de gemeene ellende te laten, in dewelke zij zichzelven door hunne eigene schuld hebben gestort, en met het zaligmakend ge-loof en de genade der bekeering niet te begaven, maar hen in hunne eigene wegen en onder zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden, 1\' tot verklaring van zijne gerechtigheid, te verdoemen en eeuwiglijk te straffen. En dit is het besluit der verwerping, hetwelk God 16 geenszins maakt tot een auteur van de zonde (hetwelk godslasterlijk is te denken), maar stelt Hem tot eenen verschrikkelijken, on-S berispelijken en rechtvaardigen Richter en Wreker van dezelve. !11 XVI. Die het levendig geloof in Christus of het zeker vertrouwen 111 des harten, den vrede der consciëntie, de betrachting van de kin-^ derlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus, in zich 00 nog niet krachtiglijk gevoelen, en nochtans de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die rï® moeten niet mismoedig worden, wanneer zij van de verwerping hooren gewagen, noch zichzelven onder de verworpenen rekenen, e\' maar in het waarnemen der middelen vlijtig voortgaan, naar den iequot; tijd van overvloediger genade vuriglijk verlangen, en dezelve met \'el\' eerbiedinge en ootmoedigheid verwachten. Veel min behooren voor deze leer van de verwerping verschrikt te worden degenen, die Lar ernstiglijk begeeren zich tot God te bekeeren. Hem alleen te be-:n» hagen en van het lichaam des doods verlost te worden, en noch-\'n^ tans in den weg der godzaligheid en des geloofs zoo ver nog niet zlJ kunnen komen, als zij wel wilden. Gemerkt, de barmhartige God 3ds beloofd heeft, dat Hij de rookencle vlaswiek niet zal uitblusschen
75
LEEEBEGELS.
en het (jekrookte riet niet zal verbreken. Maar deze leer is met recht schrikkelijk dengenen, die, God en Christus den Zaligmaker niet achtende, zichzelven den zorgvuldigheden der wereld en den wellusten des vleesches geheel hebben overgegeven, zoolang zij zich met ernst tot God niet bekeeren.
XVII. Nademaal wij van den wil Gods uit zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond , in hetwelk zij met hunne ouderen begrepen zijn, zoo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kindschheid uit dit leven wegneemt (Gen. -17:7; Hand. 2 : 39 ; -1 Kor. 7 : 14).
XVIII. Tegen degenen, die over deze genade der onverdiende verkiezinge en strengheid der rechtvaardige verwerping murmureeren, stellen wij deze spreuke des Apostels: o Mensch, wie zijt gij, die tegen God antwoordt! (Rom. 9 : 20) en deze van onzen Zaligmaker: Is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil ? (Matth. 20 : 15). Wij daarentegen, deze verborgenheden met eene godvruchtige eerbiedinge aanbiddende, roepen uit met den Apostel: o Diepte des rijkdoms, heide der wijsheid en der kennisse Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen, hoe onnaspeurlijk zijne wegen! Want wie heeft den zin des Heeren gekend ? Of wie is zijn raadsman geweest ? Of wie heefl Hem eerst gegeven, en het zal hem vergolden worden ? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen; Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen. (Rom. 11 : 33—36).
aSertoertnnge ber bwatingcn, boor trelfe be Slcberfanbëdje herten eenen tijb lang gijn Bcroerb getnovben.
De rechtzinnige leer van de verkiezing en verwerping verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,
I. Die leeren: »dat de wille Gods van zalig te maken degenen, die daar zouden gelooven en in het geloof en de gehoorzaamheid des geloofs volharden, is het gansche en geheele besluit van de Verkiezing der zaligheid, en ilat er niets anders van dit besluit in het Woord Gods is geopenbaard.quot; — Want deze bedriegen de eenvou-digen en wedersproken klaarlijk de Heilige Schriftuur, die getuigt,
76
HOOFDST. I. VEEWEUPINGE DEE. DWALINGEN.
dat God niet alleen degenen, die gelooven zullen, wil zalig maken, maar dat Hij ook eenige zekere menschen van eeuwigheid heeft uitverkoren, welke Hij in den tijd vóór anderen met het geloof in Christus en met volstandigheid zoude begaven , gelijk geschreven is : Ik heb uwen naam den menschen geopenbaard, die Gij mij uit de wereld gegeven hebt (Joh. 17 : 6); en: Daar geloofden zoo velen, als er verordineerd waren ten eeuwigen leven (Hand. 13 : 48); en: Hij heeft ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn, enz. (Efez. 1 : 4).
II. Die leeren: »dat de Verkiezinge Gods ten eeuwigen leven velerlei is: eene algemeene en onbepaalde, de andere bijzonder en bepaald; en dat deze weder óf onvolkomen, wederroepelijk, niet zonder weerspraak en voorwaardelijk is, óf volkomen, onwederroe-pelijk, zonder weerspraak en volstrekt.quot; Insgelijks: »dat er eene andere verkiezing is tot het geloof, eene andere tot de zaligheid, alzoo, dat de verkiezing tot het rechtvaardigmakende geloof kan zijn zonder de beslissende verkiezing ter zaligheid.quot; — Want dit is een gedichtsel van \'s menschen hersenen, buiten de Schrift verzonnen , waardoor de leer van de verkiezing verdorven, en deze gulden keten van onze zaligheid verbroken wordt: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8 : 30).
III. Die leeren: »dat het welbehagen en voornemen Gods, van hetwelk de Schrifture in de leer van de Verkiezing gewag maakt, niet daarin bestaat, dat God eenige bijzondere menschen vóór anderen heeft uitverkoren, maar daarin, dat God uit alle mogelijke voorwaarden (onder welke ook zijn de werken der Wet) of uit de ge-heele orde van alle dingen de onedele daad des geloofs en de onvolmaakte gehoorzaamheid deszelven tot eene voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen, welke Hij voor eene volkomene gehoorzaamheid genadiglijk zou hebben willen houden, en der belooning des eeuwigen levens waardig achtenquot;. — Want met deze schadelijke dwaling wordt het welbehagen Gods en de verdienste van Christus krachteloos gemaakt, en de menschen door onnutte vragen van de waarheid der genadige rechtvaardigmaking en van de eenvoudigheid der Schriftuur afgetrokken, en deze spreuke des Apostels van onwaarheid beschuldigd: God heeft ons geroepen met eene heilige roe-
77
LEEBEEGELS.
ping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven ü in Christus Jezus, vóór de tijden der eeuwen (2 Tim. 1 : 9).
IV. Die leeren : »dat in de Verkiezing tot het geloof deze voorwaarde te voren vereischt wordt, dat de mensch het licht der natuur recht gebruike, vroom zij, klein, nederig en ten eeuwigen leven geschikt, gelijk alsof aan die dingen de verkiezing eenigszins hinge.quot; — Want dit smaakt naar het gevoelen van Pelagius, en strijdt tegen de leer des Apostels, daar hij schrijft: Wij hebben eertijds verkeerd in de hegeerlijkheden onzes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen: maar God, die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde, waai~mede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levendig gemaakt met Christus; {uit genade zijt gij zalig geworden) en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den Hemel in Christus Jezus, opdat Hij zou hetoonen in de toekomende eeuwen den uitnernenden rijkdom zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken , opdat niemand roe we (Efez. 2 : 3—9).
V. Die leeren: »dat de onvolkornene en niet beslissende Verkiezing van bijzondere personen ter zaligheid is geschied uit het voorgezien geloof, bekeering, heiligheid, godzaligheid, die óf eerst begonnen óf ook eenen tijd lang geduurd hebben; maar dat de vol-komene en beslissende verkiezing geschied is uit de voorgeziene ein-delijke volharding in het geloof, bekeering, heiligheid en godzaligheid ; en dat dit is de genadige en evangelische waai digheid, om welker wille hij, die verkoren wordt, waardiger is dan hij, die niet verkoren wordt; en dat derhalve het geloof, de gehoorzaamheid des geloofs, de heiligheid , godzaligheid en volharding niet zijn vruchten van de onveranderlijke Verkiezinge ter heerlijkheid, rnaar dat het zijn voorwaarden, die te voren vereischt en als volbracht wezende, voorzien zijn in degenen, die ten volle verkoren zullen worden, en oorzaken, zonder welke de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid niet geschiedt.quot; — Hetwelk strijdt tegen de geheele Schriftuur, die deze en diergelijke spreuken in onze ooren en harten doorgaans inscherpt: De verkiezing is niet uit de werken, maar uit den roepende {Rota.
78
HOOFDST. 1. VERWERPINGE DER DWALINGEN.
6 : H, 12). Daar geloofden too velen, als er verordineerd waren ten eeuwigen leven (Hand IS : 48). Hij heeft ons uitverkoren in Hem, opdat wij heilig zouden zijn (Efez. 1 : 4). Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh 15 : 16). Indien het door genade is, zoo is het niet meer uit de werken (Rom. 11 ; 6). Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben , maar dat Hij ons lief heeft gehad, en zijnen Zoon gezonden heeft (1 Joh. 4 vs. 10).
VI. Die leeren : ïdat niet alle Verkiezinge ter zaligheid onveranderlijk is , maar dat sommige uitverkorenen, niettegenstaande eenis besluit Gods, kunnen verloren gaan en ook eeuwig verloren gaan.quot; — Met welke grove dwaling zij God veranderlijk maken en stooten om den troost der godzaligen, dien zij scheppen uit de vastigheid van hunne verkiezing, en wederspreken de Heilige Schriftuur, welke leert, dat de uitverkorenen niet kunnen verleid worden (Matth. 24 ; 24); dat Christus degenen, die Hem van zijnen Vader gegeven zijn, niet verliest (Joh. 6 : 39), en dat God, die Hij te voren verordineerd, geroepen en gerechtvaardigd heeft, dezelven ook heeft verheerlijkt (Hom. 8 : 30).
VIL Die leeren: »dat er in dit leven geene vrucht, noch geen gevoel is van de onveranderlijke Verkiezing ter heerlijkheid; ook geene zekerheid, dan die hangt aan eene veranderlijke en onzekere voorwaarde.quot; — Want behalve dat het ongerijmd is te stellen eene onzekere zekerheid, zoo strijdt dit ook tegen de bevinding der heiligen , die uit het gevoel van hunne verkiezing zich met den Apostel verheugen en deze weldaad Gods roemen (Efez. d); die volgens Christus\' vermaning zich met de discipelen verblijden, dat hunne namen in den Hemel geschreven zijn (Luk. 10 : 20); die ook het gevoel van hunne verkiezing stellen tegen de vurige pijlen van de aanvechtingen des duivels, vragende: Wie zal beschuldiging in-brengen tegen de uitverkorenen Gods ? (Rom. 8 : 33).
VUL Die leeren: »dat God niemand uit zijnen louter rechtvaardigen wil besloten heeft in den val van Adam en in den gemeenen stand der zonde en verdoemenis te laten, of in de mededeeling van de genade, die tot het geloof en de bekeering noodig is. voorbij te gaan; want dit staat vast: Hij ontfermt zich, diens Hij wil, en verhardt dien Hij wil (Rom. 9 : 18); en ook dit: Het is u gegeven de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen te
79
LEERREGELS.
weten, maar dien is het niet gegeven (quot;Matth 13 : 11). Desgelijks; Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Ja, Vader! vjant alzoo is geweest het welbehagen voor U (Matth. 11 25, 26).
IX. Die leeren: »dat de oorzaak, -waarom God tot het ééne volk meer dan tot het andere het Evangelie zendt, niet is het louter en eenig welbehagen Gods, maar omdat het ééne volk beter en waardiger is dan het andere, aan hetwelk het Evangelie niet wordt medegedeeld.quot; — Want dit ontkent Mozes, het Isiaëlie-tische volk dus aansprekende: Ziet des Heeren uws Gods is de hemel en de hemel der hemelen , de aarde en al v:al daarin is; alleenlijk heeft de lieer e lust gehad aan uwe vaderen, om die lief te hebben en heeft hun zaad na hen, ulieden , uit alle volken ver ■ koren , gelijk het te dezen dage is (Deut. 10 : 14, 15); en Christus, zeggende: Wee u, Chorazin ! wee u, Betsaïda ! want zoo in Tyrus en Sidon de krachten n aren geschied , die in u geschied zijn , zij zouden zich eertijds in zak en assche bekeerd hebben (Matth. ll : 21).
HET TWEEDE HOOFDSTUK ber leere,
ban ben boob Etjriêtt, ett be bertoêêingc ber nienMjen boor benjelüen.
I. God is niet alleen ten hoogste barmhartig, maar ook ten hoogste rechtvaardig. En zijne gerechtigheid (gelijk Hij zich in zijn Woord geopenbaard heeft) vereischt, dat onze zonden, tegen zijne oneindelijke Majesteit begaan, niet alleen met tijdelijke, maar ook met eeuwige straffen, beide naar ziel en lichaam, gestraft worden : welke straffen wij niet kunnen ontgaan, tenzij dat der gerechtigheid Gods genoeg geschiede.
II. Maar alzoo wij zeiven niet kunnen genoeg doen en ons van den toorn Gods bevrijden, zoo heeft God uit oneindige barmhartigheid zijnen eeniggeboren Zone ons tot eenen borg gegeven, die, opdat Hij voor ons zoude genoeg doen, voor ons of in onze plaats zonde en vervloeking aan het kruis geworden is.
80
HOOFDST. ir. VAN DEN DOOD CfIRTSTI.
III. Deze dood des Zoons Gods is de eenige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid, overvloediglijk genoegzaam tot verzoening van de zonden der gansrhe wereld. •
IV. En deze dood is daarom van zoo groote kracht en waardigheid , omdat de persoon, die denzelven geleden heeft, niet alleen een waarachtig en volkomen heilig mensch is, maar ook de eenig-geboren Zone Gods, van éénzelfde eeuwig en oneindig wezen met den Vader en den Heiligen Geest, zoodanig als onze Zaligmaker wezen moest. Daarenboven, omdat zijn dood is vergezelschapt geweest met het gevoel van den toorn Gods en den vloek, dien wij door onze zonden verdiend hadden.
V. Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in den gekruisten Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebben zal; welke belofte allen volken en menschen, tot welke God naar zijn welbehagen zijn Evangelie zendt, zonderonderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van be-keering en geloove.
VI. Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeeren, noch in Christus gelooven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus, aan het kruis geofferd, maar door hunne eigene schuld.
VIL Maar zoo velen a\'s er waarachtiglijk gelooven, en door den dood van Christus van de zonden en het verderf verlost en behouden worden, die zeiven genieten deze weldaad alleen uit Gods genade , hun van eeuwigheid in Christus gegeven, welke genade Hij niemand schuldig is.
VIH. Want dit is geweest de gansch vrije raad, de genadige wil en het voornemen Godes des Vaders, dat de levendigmakende en zaligmakende kracht van den dierbaren dood zijns Zoons zich uitstrekken zoude tot alle uitverkorenen, om die alleen met het rechtvaardigmakend geloof te begaven, en door hetzelve onfeilbaar-lijk tot de zaligheid te brengen, dat is: God heeft gewild, dat Christus door het bloed zijns kruises (waarmede Hij Let nieuwe Verbond bevestigd heeft) uit alle volkeren, stammen, geslachten en tongen, diegenen allen en alleen krachtiglijk zoude verlossen, die van eeuwigheid tot de zaligheid verkoren en van den Vader Hem gegeven zijn; de-
81
LEERREGELS,
zeiven begaven met het geloof, hetwelk Hij hun, gelijk ook andere zaligmakende gaven des Heiligen Geestes, door zijnen dood heeft verworven, en van alle hunne zonden, zoo de aangeborene als werkelijke, zoo na als vóór het geloof begaan, door zijn bloed zoude reinigen, tot den einde toe getrouwelijk bewaren, en ten laatste zonder eenige vlek en rimpel heerlijk voor Hem stellen.
IX. Deze raad, voortkomende uit de eeuwige liefde Gods tot de uitverkorenen, is van den aanbeginne der wereld tot op dezen te-genwoordigen tijd (de poorten der helle zich tevergeefs daartegen-stellende) krachtiglijk vervuld geweest, en zal ook voortaan vervuld worden, alzon dat de uitverkorenen te zijner tijd tot één vergaderd zullen worden, en dat er altijd zal zijn eene Kerke dergeloovigen, gefundeerd in het bloed van Christus, dewelke Hem, hunnen Zaligmaker, die voor hen, als eenbruidegom voor zijne bruid, aan het kruis zijn leven overgegeven heeft, standvastiglijk beminnen, geduriglijk dienen, en hier en in alle eeuwigheid prijzen.
De rechte leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwaïingen dergenen,
I. Die leeren: »dat God de Vader zijnen Zone tot den dood des kruises verordineerd heeft zonder zekeren en bepaalden raad van iemand zekerlijk zalig te maken: alzoo dat de noodzakelijkheid, nuttigheid en waardigheid van de verwerving des doods van Christus wel zoude hebben kunnen bestaan, en in alle deelen volmaakt, volkomen en in haar geheel blijven, al ware het schoon, dat de verworvene verlossing niet één eenig mensch immermeer met dei-daad ware toegeëigend geweest.quot; — Want deze leer strekt tot versmadinge van de wijsheid des Vaders en van de verdiensten van Jezus Christus, en strijdt tegen de Schrifture, want zoo zegt onze Zaligmaker: Ik slel mijn leven voor mijne schapen en ken dezelven (Joh. 10 : 15, 27); en de profeet Jesaia van den Zaligmaker: ylls zijne ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben,\' zoo zal Hij zaad zien, Bij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des Heeren zal door zijne hand gelukkiglijk voortgaan.
82
HOOFDSTUK II. VEBWERPIXGE DEB DWALINGEN.
(Jes. 53 : 40). Eindelijk zij stoot om het artikel des geïoofs, waarmede wij gelooven : De algemeene Christelijke Kerk.
II. Die leeren: ïdat dit het einde van den dood van Christus-niet geweest is, dat Hij met der daad het nieuwe Verbond dei-genade door zijn bloed zoude bevestigen, maar alleen, dat Hij den Vader een bloot recht zou verwerven, om met de menschen wederom zoodanig verbond als het Hem believen zou, hetzij der genade of der werken, te mogen oprichten quot; — Want zulks strijdt tegen de Schrifture, die leert, dat Christus geworden is Borg en Middelaar eens beteren, dat is, des nieuwen Verhonds (Hebr. 7 :22), en dat het Testament in de dooden eerst bevestigd is (Hcofdst. 9:15,17).
III. Die leeren: »dat Christus door zijne genoegdoening voor niemand zekerlijk de zaligheid zelve en het geloof, waardoor dezegenoegdoening van Christus tot zaligheid krachtiglijk toegeëigend wordt, verdiend heeft, maar alleen voor den Vader verworven heeft de macht of den volkomen wil, om opnieuw met de menschen te handelen, en nieuwe voorwaarden, zulke als Hij zou willen, voor te schrijven, van dewelke de volbrenging aan den vrijen wil van den mcnsch hangen zou: en dat het derhalve hadde kunnen geschieden, dat óf niemand óf alle menschen die zouden vervullenquot;.— Want dezen gevoelen al te verachtelijk van den dood van Christus, erkennen geei-.szins de voornaamste vrucht of weldaad, door denzelven verkregen, en brengen wederom uit de hel voort de Pelagiaansche dolinge.
IV. Die leeren : »dat het nieuwe Verbond der genade, dat God de Vader, door tusschenkomen van den dood van Christus, met de menschen gemaakt heeft, niet daarin bestaat, dat wij door het geloof, voor zooveel het de verdiensten van Christus aanneemt, voor God gerechtvaardigd en zalig gemaakt worden, maar daarin, dat God, afgeschaft hebbende het afeischen van de volmaakte gehoorzaamheid der Wet, het geloove zelf en de gehoorzaamheid des geloofs, alhoewel onvolmaakt, voor de volmaakte gehoorzaamheid der Wet rekent, en der belooning des eeuwigen levens uit genade waardig acht.quot; Want dezen wederspreken de Schriftuur: Zij worden om niet gerechtvaardigd uit zijne genade door de verlossing, die in Christus Jezus is, welken God voorgesteld heeft tot eene verzoening, door het geloof in lijn bloed (Rom. 3 : 24, 25), en brengen met den goddeloozen Socinus voort eene nieuwe en vreemde recht-
82
LEERKEGELS.
vaardigmaking des menschen voor God, tegen de eendrachtige overeenstemminge van de gansche Kerk.
V. Die leeren: sdat alle menschen in den staat der verzoening en genade des Verbonds zijn aangenomen: alzoo, dat niemand, om der erfzonde, der verdoemenisse schuldig is of verdoemd zal worden ; maar dat alle menschen van de schuld dezer zonde vrij zijn.quot; — Want dit gevoelen strijdt tegen de Schrift, welke zegt, dat wij van nature kinderen des toorns zijn (Efez. 2: 3).
VI. Die het onderscheid tusschen verwerving en toeëigening daartoe gebruiken, opdat zij den onvoorzichtigen en onervarenen dit gevoelen mochten inplanten, »dat God, zooveel Hem aangaat, allen menschen die weldaden, die door den dood van Christus verkregen worden, even gelijk heeft willen mededeelen; maar dat sommigen der vergeving der zonden en des eeuwigen levens deelachtig worden, anderen niet, dat zulk onderscheid hangt aan hunnen vrijen wil, dewelke zich voegt bij de genade, die zonder onderscheid aangeboden wordt, en dat het niet hangt aan die bijzondere gave der barmhartigheid, die krachtiglijk in hen werkt, opdat zij zichzelven die genade boven anderen zouden toeëigenen.quot; — Want dezen, zich gelatende alsof zij dit onderscheid in eene gezonde meening voorstelden, trachten het volk het verderfelijk venijn van de Pelagiaansche dwalingen in te geven.
VII. Die leeren: »dat Christus voor diegenen, die God ten hoogste liefheeft en ten eeuwigen leven heeft verkoren, niet heeft kunnen noch moeten sterven, ook niet gestorven is, naardien dezulken den dood van Christus niet van noode hebben.quot; — Want zij wederspreken den Apostel, die zegt: Christus heeft mij lief gehad, en heeft zichzelven voor mij overgegeven (Gal. 2 : 20). Ingelijks: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het, die gestorven is (Rom. 8 : 33, 34), namelijk voor hen; en den Zaligmaker, die zegt: Ik stel mijn leven voor mijne schapen, en: Dit is mijn gebod , dat gij elkander liefhebt, gelijkenvijs Ik ulie-den lief gehad heb. Niemand heeft meer liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden (Joh. 10 : 15 en 15 ; 12,13).
84
HOOFDST. Ill EN IV VAN DE VERDORVENHEID EN DE BEKEERINGE. 85
HET DERDE EN VIERDE HOOFDSTUK ber Seere
ban be® men»d)eit berbortien^etb ett Befeeringe tot @ob ett be manier bergelüen.
I. De mensch is van den beginne naar het beeld Gods geschapen T versierd in zijn verstand met ware en zalige kennis zijns Scheppers en andere geestelijke dingen; in zijnen wil en zijn hart met gerechtigheid; in al zijne genegenheden met zuiverheid; en is over-zulks geheel heilig geweest; maar door het ingeven des duivels en z^nen vrijen wil van God afwijkende, heeft hij zichzelven van deze uitnemende gaven beroofd, en heeft daarentegen in de plaats van dien over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand; boosheid, wederspan-nigheid en hardigheid in zijnen wil en zijn hart; mitsgaders ook onzuiverheid in alle zijne genegenheden.
II. Zoodanig als nu de mensch geweest is na den val, zoodanige kinderen heeft hij ook voortgebracht, namelijk hij, verdorven zijnde, verdorvene; alzoo dat de verdorvenheid, naar Gods rechtvaardig oordeel, van Adam op alle zijne nakomelingen (uitgenomen alleen Christus) gekomen is, niet door navolging, gelijk eertijds de Pelagianen gedreven hebben, maar door voortplanting der verdorvene natuur.
III. Overzulks zoo worden alle menschen in zonden ontvangen en kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot eenig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonden. En willen noch kunnen tot God niet wederkeeren, noch hunne verdorvene natuur verbeteren, noch zichzelven tot de verbeteringe daarvan schikken, zonder de genade des wederbarenden Heiligen Geestes.
IV. Wel is waar, dat na den val in den mensch eenig licht der nature nog overgebleven is, waardoor hij behoudt eenige kennisse van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen hetgeen eerlijk en oneerlijk is, en ook betoont eenige betrachting tot de deugd en uiterlijke tucht: maar zóó ver is het van daar, dat de mensch door dit licht der natuur zoude kunnen komen tot de zaligmakende kennisse van God en zich tot Hem bekeeren, dat
LEEEREGELS.
hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt; ja, veel meer hetzelve, hoedanig het ook zij, geheel op verscheidene wijze bezoedelt en in ongerechtigheid te onder houdt, hetwelk dewijl hij doet, zoo wordt hem alle onschuld voor God benomen.
V. Gelijk het met het licht der natuur toegaat, zoo gaat het ook in dezen toe met de Wet der Tien geboden, van God door Mozes den Joden bijzonderlijk gegeven; want nademaal zij de groot-heid der zonde wel ontdekt en de/, mensch meer en meer van zijne schuld overtuigt, doch het geneesmiddel daartegen niet aanwijst, noch eenige krachten toebrengt, om uit deze ellendigheid te kunnen geraken en dat zij, alzoo door het vleesch krank geworden zijnde, den overtreder onder den vloek blijven laat, zoo kan de mensch daardoor de zaligmakende genade niet verkrijgen.
VI. Hetgene dan noch het licht der natuur, noch de Wet doen kan, dat doet God door de kracht des Heiligen Geestes, en door het Woord of de bediening der verzoening, welke is het Evangelie van den Messias , waardoor het God behaagd heeft de geloovige men-schen zoo in het Oude als Nieuwe Testament zalig te maken.
VII. Deze verborgenheid van zijnen wil heeft God in het Oude Testament aan weinigen ontdekt, doch in het Nieuwe Testament (het onderscheid der volkeren nu weggenomen zijnde) heeft Hij haar aan meer menschen geopenbaard; van welke verscheidene uitdeelin-,gen de oorzaak niet moet gesteld worden in de waardigheid van het eene volk meer dan het andere, of in het beter gebruik van het licht der natuur, maar in het gansch vrije welbehagen en de onverdiende liefde Gods, waarom ook diegenen, wien buiten, ja, tegen alle verdiensten zoo groot eene genade geschiedt, haar met een nederig en dankbaar hart moeten erkennen, maar in de anderen, wien deze genade niet geschiedt, moeten zij met den Apostel de strengigheid en rechtvaardigheid van Gods oordeelen aanbidden en die geenszins curieuselijk onderzoeken.
VIH. Doch zoo velen als er door het Evangelie geroepen worden, die worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstig!ijk cn waarachtiglijk in zijn Woord wat Hem aangenaam is, namelijk, dat de geroepenen tot Hem komen: Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen en gelooven, de rust der zielen en het eeuwige .leven.
■86
HOOFDST. Ill EN IV. VAN DE VERDORVENHEID EN DE BEKEERINGE. 87
IX. Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het Evangelie, noch in Christus door het Evangelie aangeboden zijnde, noch in God, die door het Evangelie roept en zelfs ook dien Hij roept verscheidene gaven mededeelt, maar in degenen, d:e geroepen worden, van dewelken sommigen , zorgeloos zijnde, het Woord des levens niet aannemen; anderen nemen het wel aan, maar niet in het binnenste huns harten, en daarom is het, dat zij, na eene verdwijnende blijdschap, van het tijdelijk geloof wederom terugwijken; anderen verstikken het zaad des Woords door de doornen der zorgvuldigheden en wellusten der wereld en brengen geene vruchten voort: hetwelk onze Zaligmaker leert in de gelijkenis van het zaad (Matth. 13).
X. Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men den mensche niet toeschrijven, alsof hij zichzelven door zijnen vrijen wil zou onderscheiden van anderen, die met even groote of genoegzame genade tot het geloof en de bekeering voorzien zijn (hetwelk de hoovaar-dige ketterij van Pelagius stelt), maar men moet het Gode toeschrijven , die, gelijk Hij de zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzoo ook hen in den tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekeering begaaft, en, uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het rijk zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden Desgenen, die hen uit de duisternis tot zijn wonderlijk Jicht heeft geroepen, en opdat zij niet in zich zeiven, maar in den Heere zouden roemen, gelijk de Apostolische schriften doorgaans getuigen.
XI. Voorts wanneer God dit zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, en de ware bekeering in hen werkt, zoo is het dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij recht zouden verstaan en onderscheiden die dingen, die des GeestesGods zijn: maar Hij dringt ook in tot de binnenste deelen des menschen met de krachtige werking deszelven wederbarenden Geestes; Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden, «n maakt dat dezelfde wil, die dood was, levendig wordt: die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu metterdaad wil; die weder-
LEERREGELS.
spannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt dien wil alzoo, quot;dat hij als een goede boom -vruchten van goede werken kan
voortbrengen. ... .
XII. En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping opwekking van de dooden en levendigmaking, waarvan zoo heerlijk in de Schrifture gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt; en deze wordt in ons niet teweeg gebracht doormiddel van de uiterlijke predicatie alleen, noch door aanrading, of zulke manier van werking, dat, wanneer nu God zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de macht des menschen zou staan wedergeboren of niet wedergeboren te worden, bekeer 1 of niet bekeerd te worden; maar het is eene gansch bovennatuurlijke, eene zeer krachtige, en tegelijk zeer zoete, wonderlijke, verborgene en onuitsprekelijke werking, dewelke, naar het getuigenis der Schriftuur (die van den Auteur van deze werking is ingegeven), in hare kracht niet minder noch geringer is dan de scheppinge of opwekkinge der dooden; alzoo dat alle diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtig wedergeboren worden en metterdaad gelooven. En alsdan wordt de wil, ziinde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en bewogen, maar van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf: waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mensch door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert. ^ . ....
XIII. De wijze van deze werking kunnen de geloovigen m dit leven niet volkomenlijk begrijpen; ondertusschen stellen zij zich daarin gerust, dat zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart gelooven en hunnen Zaligmaker liefhebben.
XIV. Zoo is dan het geloove eene gave Gods; niet omdat het aan den vrijen wil des menschen van God wordt aangeboden , maar omdat het den mensch metterdaad wordt medegedeeld, ingegeven en ingestort- ook niet daarom, dat God de macht alleen om te gelooven zoude geven, en daarna de toestemming of het metterdaad gelooven van den vrijen wil des menschen verwachten, maar omdat Hii die daar werkt het willen en volbrengen, ja, alles werkt in alien, in den mensch teweeg brengt beide den wil om te gelooven en het geloof zelf. , , , , .
XV Deze genade is God aan niemand schuldig: want wat zoude Hij schuldig zijn dengenen, die Hem eerst niets geven kan, opdat
88
HOOFDST. Ill EN IV. VAN DE VERDOEVENHEID EN DE BEKEEMNGE. 89
het hem vergolden worde; ja, wat zoude God dien schuldig zijn, die van zichzelven niet anders heeft dan zonde en leugen? Diegene dan , die deze genade ontvangt, die is Gode alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig en dankt Hem ook daarvoor; diegene, die deze genade niet ontvangt, die acht ook deze geestelijke dingen gansch niet, en behaagt zichzelven in het zijne; of zorgeloos zijnde, roemt hij ijdellijk dat hij heeft hetgene hij niet heeft. Voorts, van diegenen, die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren, moet men naar het voorbeeld der Apostelen het beste oordeelen en spreken: want het binnenste des harten is onbekend. En wat aangaat anderen, die nog niet geroepen zijn, voor zulken moet men God bidden, die de dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren, en moeten ons geenszins tegen dezen verhoovaardigen, alsof wij ons-zelven onderscheiden hadden.
XVI. Doch gelijk de mensch door den val niet heeft opgehouden een mensch te zijn, begaafd met verstand en wil, en, gelijk de zonde, die het gansche menschelijke geslacht heeft doordrongen, de nature des menschen niet heeft weggenomen, maar verdorven en geestelijker wijze gedood: alzoo werkt ook deze goddelijke genade der wedergeboorte in de menschen niet als in stokken en blokken, noch vernietigt den wil en zijne eigenschappen, noch dwingt hen met geweld tegen hunnen dank, maar maakt hen geestelijk levendig, heelt, verbetert en buigt hen tegelijk liefelijk en krachtiglijk, alzoo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleesches te voren ten eenenmale de overhand had, daar begint nu eene gewillige en oprechte gehoorzaamheid des gsestes de overhand te krijgen, waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onzen wil gelegen is. En ten ware dat die wonderbaarlijke Werkmeester alles goeds in dezer voege met ons handelde, de mensch zoude ganschelijk geene hope hebben van uit den val te kunnen opstaan door zijnen vrijen wil, waardoor hij zichzelven, toen hij nog stond, in het verderf heeft gestort.
XVII. Gelijk ook die almachtige werkinge Gods-, waardoor Hij dit ons natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vereischt het gebruik der middelen, door welke God naar zijne oneindige wijsheid en goedheid deze zijne kracht heeft willen uitstrekken, alzoo is het ook, dat de voorgemelde bovennatuurlijke werking Gods, waardoor Hij ons wederbaart, geenszins uitsluit
7
LEERREGELS.
noch omstoot het gebruik des Evangelies, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en eene spijze der zielen verordineerd heeft. Daarom dan, gelijk de Apostelen en de Leeraars, die hen zijn gevolgd, van deze genade Gods het volk godzaliglijk hebben onderricht, Hem ter eere, en tot nederdrukking van allen hoogmoed des menschen, en ondertusschen nochtans niet hebben nagelaten , hen door heilige vermaningen des Evangelies te houden onder de oefeninge des Woords, der Sacramenten en keikelijke tucht: alzoo moet het ook nu verre van daar zijn, dat diegenen,
die anderen in de gemeente leeren of die geleerd worden, zich zouden
vermeten God te verzoeken door het scheiden dier dingen, die God naar zijn welbehagen heeft gewild dat te zamen gevoegd zouden blijven; want door de vermaningen wordt de genade medegedeeld, en hoe dat wij ons ambt vaardiger doen, hoe dat ook de weldaad Gods, die in ons werkt, zich heerlijker vertoont en zijn werk gaat dan allerbest voort. Welken God alleene toekomt, zoo vanwege de middelen als vanwege de zaligmakende vrucht en kracht derzelven, alle heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen!
De rechtzinnige leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de
dr/alingen dergenen,
I. Die leeren: »dat men eigenlijk niet zeggen mag, dat de erfzonde in zichzelve genoegzaam is om het gansche menschelijk geslacht te verdoemen, of om tijdelijke en eeuwige straffen te verdienenquot;. — Want dezen wederspreken den Apostel, die daar zegt: De zonde is door één en mensch in de wereld ingekomen, en door de zonde de dood, en alzoo is de dood tot alle menschen doorgegaan, in welken allen gezondigd hebben (Rom. 5 : 12); en: Be schuld is uit écne misdaad tot verdoemenis (Hoofdstuk 5 : 16); en: Be bezoldigingo der zonde is de dood (Rom. 6 : 23).
II. Die leeren: ))dat de geestelijke gaven of de goede hoedanigheden en deugden, als daar zijn: goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid in den wil des meuschen, als hij eerst geschapen werd, niet konden zijn, en dat zij diensvolgens in zijnen val niet hebben kunnen gescheiden worden.quot; — Want zulks strijdt tegen de be-schrijvinge van het evenbeeld Gods, welke de Apostel stelt Efez.
90
JIOOrDST. Ill EN IV. TEUWEEWNGE DER DWALINGEN. 91
4 ; 24, alwaar hij getuigt, dat het bestaat in gerechtigheid en heiligheid, welke beide ontwijfellijk in den wil hare plaatshebben.
III. Die leeren : ))dat in den geestelijken dood de geestelijke gaven van des menschen wil niet zijn gescheiden, nademaal de wil in zichzd-ven nooit is verdorven geweest, maar alleen door de duisternis des verstands en de ongeregeldheid iler geneigdheden verhinderd : welke verhinderingen weggenomen zijnde, dat alsdan de wil zijne vrije aangebo-rene kracht zou in het werk kunnen stellen, dat is allerlei goed, hetwelk hem voorkomt, uit zichzelven zou kunnen willen en verkiezen, of niet willen en niet verkiezen.quot; — Dit is eene nieuwigheid en dwaling en strekt daartoe, dat zij de krachten van den vrijen wil verheft tegen de spreuk van den Profeet: Arglistig is het hart, meer dan eenig ding, ja doodelijk is het (Jer. 17 : 9), en des Apostels: Onder dewelke (kinderen der ongehoorzaamheid) ook wij allen eertijds verkeerd hebbsn in de begeerlijkheden omes vleesches, doende den wil des vleesches en der gedachten (Efez. 2 ; 3).
IV. Die leeren: ïdat de onherboren mensch niet eigenlijk noch geheellijk dood is in dé zonde, of ontbloot van alle krachten tot het geestelijk goed; maar dat hij nog kan hongeren en dorsten naaide gerechtigheid en het leven, en offeren eene offerande eens verslagen en verbroken geestes, die Gode aangenaam is.quot; — Want deze dingen strijden tegen de klare getuigenissen der Schriftuur: Gij ivaart dood door de zonden en misdaden (Efez. 2:1, 5); en: Al het gedichtsel van de gedachten des harten is ten alle dage alleenlijk boos (Gen. 6 : 5 en 8 : 21). Daarenboven, hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende en naar het leven, en Gode eene offerande van eenen gebroken geest opofferen komt eigenlijk toe den wedergeborenen en dengenen, die zalig genoemd worden (Ps. 51 : 19 en Matth. 5 ; 6).
V. Die leeren: »dat de verdorvene en natuurlijke mensch de ge-meene genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur) of de gaven, hem na den val nog overgelaten, zoo wel gebruiken kan, dat hij door dat goed gebruik eene meerdere, namelijk de evangelische of zaligmakende genade en de zaligheid zelve allengskens en bij trappen zoude kunnen bekomen. En dat in dezer voege God zich van zijne zijde betoont gereed te zijn, om Christus aan alle menschen te openbaren, naardien Hij de middelen, die tot de kennisse van Christus, tot het geloof en tot de bekeering noodig zijn, genoegzaam en krachtig allen
LEERREGELS.
toedient.quot; — Want benevens de ervaring van alle tijden betuigt ook de Schriftuur, dat zulks onwaarachtig is: Hij maakt Jakob zijne woorden hekend, Israël zijne inzettingen en zijne rechten. Al zoo heeft Hij aan geen volk gedaan; en zijne rechten, die kennen zij niet (Ps. 147 : 19, 20). God heeft in de verledens lijden alle de heidenen laten wandelen in hunne wegen (Hand. 14 : 16); en- Zij (te weten Paulus en de zijnen) werden van den Hedigen Geest verhinderd het woord in Azië te spreken, en, aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen, en de Geest liet het hun niet toe (Hand. 16 : 6, 7).
VI Die leeren: »dat in de ware bekeering des menschen geene nieuwe hoedanigheden, krachten of gaven in den wil door God kunnen ingestort worden, en dat overzulks het geloove, waardoor wij eerst bekeerd worden, en waarvan wij geloovigen genoemd worden, met is eene hoedanigheid of gave, van God ingestort, maar alleen eene daad des menschen, en dat het niet anders kan gezegd worden eene gave te zijn , dan ten aanzien van de macht om tot hetzelve te komen.
Want daarmede wederspreken zij de Heilige Schriftuur, die getuigt, dat God nieuwe hoedanigheden des geloofs, der gehoorzaamheid en van het gevoel zijner liefde in onze harten uitstort: Jk zal myne Wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven (Jer 31 • 33); en: Ik zal water gieten op de dorstigen, en stroomen op het droge: Ik zal mijnen Geest op uw zaad gieten (Jes. 44 : 3)- en: De liefde Gods is in onze harten uitgestort door den Heiligen Geest, die ons gegeven is (Rom. 5 : 5). Zulks strijdt ook tegen het gedurig gebruik der Kerke Gods, dewelke bij den Profeet aldus bidt: Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn (Jer. ^1 : l»)-
Yil Die leeren: »dat de genade, waardoor wij tot God bekeerd worden, niet anders is dan eene zachte aanrading, of (gelijk anderen dit verklaren) dat dit de alleredelste manier van werking is in de bekeering des menschen, en die best overeenkomt met de natuur des menschen, welke door aanrading geschiedt, en dat er niets is, waarom deze aanradende genade alleen niet zou genoegzaam zijn om den natuurlijken mensch geestelijk te naken, ja, dat God niet anders de toestemming van den wil voortbrengt dan door deze wijze van aanrading, en dat de kracht der Goddelijke werking, waardoor zij de werkinge des satans te boven gaat, hierin bestaat, dat God eeuwige, maar de satan tijdelijke goederen be-
92
IIOOFDST. Ill EN IV. VERWEHPINGE DER DWALINGEN. 93
looft.quot; — Want dit is gansch Pelagiaansch en strijdig tegen da geheele Heilige Schrifture, dewelke, behalve deze, nog een andere en veel krachtiger en Goddelijker manier van werkit g des Heiligen Geestes in de bekeeringe des menschen erkent, gelijk bij Ezechiël: Ik zal u een nieuw hart neven en za.1 eencn nieuwen geest ycven in het binnenste van u: en Ik zal het steenen hart uit uw vleesch wegnemen en zal u een vlceschen hart geven (Huof.lst. 3G ; 26).
quot;VHI. Die leeren; »dat God zulke krachten zijner almogendheid in de wedergeboorte des menschen niet gebruikt, waariloor Hij des ■ zelfs wil krachtiglijk en onfeilbaar zou buigen tot geloof en bekeering ; maar dat, al de werkingen der genade volbracht zijnde, dewelke God gebruikt om den mensch te bekeeren, de mensch nochtans Gode en den Heiligen Geest, wanneer Hij de wedergeboorte des-zelven voorheeft en hem wederbaren wil, alzoo kan wedeistaan, en metterdaad ook dikwijls wederstaat, dat hij zijns zelfs wedergeboorte ganschelijk belet, en dat het overzulks in zijne eigene macht blijft, wedergeboren te worden of niet.quot; — Want dit is anders niet, dan al de kracht van de genade Gods in onze bekeering wegnemen, en de werking des almachtigen Gods den wil des menschen onderwerpen, en dat tegen de Apostelen, die leeren, dat wij gelooven naar de tuerking der sterkte zijner macht (Efez. i : 19); en: dat God het welbehagen zijner goedigheid en het werk des geloofs in ons vervult met kracht (2 Thess. i : ii)-, en; dal zijne Goddelijke kracht ons alles, wat tot het leven en de godzalic/-heid behoort, geschonken heeft (2 Petr. \\ : 3).
IX. Die leeren: »dat de genade en de vrije wil gedeeltelijke oorzaken zijn, die beide te zamen werken het begin van de bekeering, en dat de genade in orde van werking niet gaat vóór de werking van den wil; dat is: dat God niet eer den wil des menschen krachtiglijk helpt tot de bekeering, dan wanneer de wil des menschen zich zeiven beweegt en daartoe bepaalt.quot; — Want de oude Kerk heeft deze leer al overlang in de Pelagianen veroordeeld, uit den Apostel: Zoo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom. 9 : IG); zoo ook: Wat onderscheidt u? en wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen (i Kor. 4 : 7)? en: Het is God, die in u werkt beide het willen en het werken , naar zijn welbehagen (Fil. 2 : 13).
LEERÜEGELS.
ber Scevc öait bc ooUjavbing bcr §eiüt;cit.
I. Die God naar zijn voornemen tot de gemeenschap zijns Zoons, onzes Heeren Jezus Christus roept, en door den Heiligen Geest wederbaart, dezelven verlost Ilij wel van de heerschappij en slavernij der zonde, doch Hij verlost hen in dit leven niet ganschelijk van het vleesch en het lichaam der zonde.
II. Hieruit spruiten de dagelijksche zonden der zwakheid, en aan de allerbeste werken der heiligen kleven ook gebreken. Hetwelk hun gestadig ooizaak geeft om zich voor God te verootmoedigen, hunne toevlucht tot den gekruisten Christus te nemen, het vleesch hoe langer hoe meer door den Geest des gebeds en heilige oefeningen der godvruchtigheid te dooden, en naar het perk der volmaaktheid te zuchten, totdat zij, van dit lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen zullen regeeren.
III. Uit oorzaak van deze overblijfselen der inwonende zonde, en ook vanwege de aanvechtingen der wereld en des salans, zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven, zoo zij aan hunne eigene krachten overgelaten werden. Maar God is getrouw, die hen in de genade, hun eenmaal gegeven, barmhartiglijk bevestigt en ten einde toe krachtiglijk bewaart.
IV. En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware geloo-vigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is dan dat zij van het vleesch zoude kunnen overwonnen worden, zoo worden nochtans de bekeerden niet altijd alzoo van God geleid en bewogen , dat zij in sommige bijzondere daden door hunne eigene schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken, en van de begeerlijkheden des vleesches verleid worden en die volgen. Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat zij niet in verzoeking geleid worden, hetwelk zoo zij niet doen, zoo kunnen zij niet alleen van het vleesch, de wereld en den satan tot zware en ook gruwelijke zonden weggerukt worden, maar worden ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, tot dezelve somwijlen weggerukt; gelijk de droevige vallen van David, Petrus en andere heiligen, die ons in de Schriftuur beschreven zijn, bewijzen.
IIOOFDST. V. VAN DE VOLHARDING DER HEILIGEN.
V. Met zoodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven den Heiligen Geest, verbreken voor eenen tijd de oefeninge des geloofs, verwonden zwaarlijk hun conscientie, en verliezen somwijlen voor eenen tijd het gevoel der genade, totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op den-weg wederkeeren, het vaderlijk aanschijn Godes opnieuw verschijnt.
VI. Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, den Heiligen Geest van de zijnen, ook zelfs in droevige vallen, niet geheel weg, noch laat hen zoo ver niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ter dood of tegen den Heiligen Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zich zeiven in het eeuwige verderf storten.
VH. Want, eerstelijk, in zulke vallen bewaart Hij nog in hen dit zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga, noch uitgeworpen worde. Ten anderen, vernieuwt Hij hen zeker en krachtig door zijn Woord en zijnen Geest tot bekeering, opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn, vergevinge in het bloed des Middelaars door het geloof met een verbroken hart begeeren en verkrijgen, de genade Gods, die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen, zijne ontfevmingen en trouw aanbidden, en voortaan hunne zaligheid met vreezen en beven des te naarstiger werken.
VIII. Alzoo bekomen zij dan dit, niet door hunna verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganschelijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot den einde toe in den val blijven of verloren gaan. Hetwelk, zooveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zoude kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zoude; doch, ten aanzien van God, kan het ganschelijk niet geschieden, dewijl dat noch zijn raad veranderd, noch zijne belofte gebroken, noch de roeping naar zijn voornemen weder-loepen, noch de verdienste, voorbiddingen bewaringe van Christus krachteloos gemaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes veriideld of vernietigd kan worden,
IX. Van deze bewaringe der uitverkorenen tot de zaligheid en van de volharding der ware geloovigen in het geloof kunnen zelfs de geloovigen verzekerd zijn, en zij zijn het ook naar de mate des geloofs, waarmede zij zekerlijk gelooven, dat zij zijn en altijd blijvea
95
LEERREGELS.
zullen ware en levendige leden der Kerk, dat zij hebben vergevinge der zonden en het eeuwige leven.
X. En volgens dien spruit deze verzekerdheid niet uit eenige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloove der beloften Gods, die Hij in zijn Woord zeer overvloedig tot onzen troost geopenbaard heeft; uit het getuigenis des Heiligen Geestes, die mede met onzen geest getuigt, dat wij zijn kinderen en erfgenamen Gods (Rom. 8 : 16); eindelijk, uit de ernstige en heilige betrachting van eene goede conscientie en van goede werken. En zoo de uitverkorenen Gods dezen vasten troost in deze wereld niet hadden, dat zij de overwinningebehouden zullen, mitsgaders dit onbedriegelijk pand der eeuwige heerlijkheid, zoo zouden zij wezen de ellendigste van alle menschen.
XI. Ondertusschen getuigt de Schrifture, dat de geloovigen in dit leven tegen verscheidene twijfelingen des vleesches strijden, en, in zware aanvechting gesteld zijnde, dit volle betrouwen des geloofs en deze zekerheid der volharding niet altijd gevoelen; maar God, de Vader aller vertroosting, laat hen boven hun vermogen niet verzocht worden, maar geeft met de verzoeking ook de uitkomst, (1 Kor. 10 : 13), en wekt in hen de verzekerdheid der volharding door den Heiligen Geest wederom op.
XII. Doch zoo ver is liet van daar, dat deze verzekerdheid der volharding de ware geloovigen hoovaardig en vleeschelijk-zorgeloos zoude maken , dat zij daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreeze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in allen strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God, en dat de overdenking van die weldaad hun is een prikkel tot ernstige en gedurige betrachting van dankbaarheid en goede werken, gelijk uit de getuigenissen der Schrifture en de voorbeelden der heiligen blijkt.
XIII. Wanneer ook het vertrouwen der volhardinge wederom levendig wordt in degenen, die van den val weder opgericht voorden, zoo brengt dat in hen niet voort eenige dartelheid of onachtzaamheid der godzaligheid, maar eene veel grootere zorg, om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te nemen, die van te voren bereid zijn, opdat zij , daarin wandelende, de verzekerdheid van hunne volharding zouden mogen behouden, en opdat het aanschijn des verzoenden Gods (welks aanschouwing den godvruchtigen zoeter is dan het levenlt; en welks
96
VEEWERPINGE DEB DWALINGEN.
verberging bitterder is dan de dood), om het misbruik van zijne vaderlijke goedertierenheid niet wederom afgekeerd worde, en zij alzoo in zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen.
XIV. Gelijk het God nu beliefd heeft dit zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzoo bewaart , achtervolgt en volbrengt Hij het door het hooren, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders vermaningen, bedreigingen, beloften en het gebruik der Heilige Sacramenten.
XV. Deze leer van de volharding der ware geloovigen en heiligen, mitsgaders van de verzekerdheid dezer volharding, welke God, tot zijns naams eere en tot troost der godvruchtige zielen, in zijn Woord zeer overvloedig geopenbaard heeft en in de harten der geloovigen indrukt, wordt wel van het vleesch niet begrepen, en wordt van den satan gehaat, van de wereld bespot, van de oner-varenen en schijnheiligen misbruikt en van de dwaalgeesten bestreden , maar de Bruid van Christus heeft haar altijd als eenen schat van onwaardeerlijken prijs zeer teederlijk bemind en standvastiglijk verdedigd. Hetwelk opiat zij ook voortaan doe, zal God bezorgen; tegen denwelken geen raad geldt, noch eenig geweld iets vermag. Welken eenigen God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, zij eere en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
De rechte leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen ,
I. Die leeren: »dat de volharding der ware geloovigen niet is eene, vrucht der verkiezing of gave Gods, door den dood van Christus verworven, maar eene voorwaarde des Nieuwen Verbonds, die de mensch, gelijk zij spreken , vóór zijne beslissende verkiezing en recht-vaardigmaking door zijnen vrijen wil moet volbrengen.quot; — Want de Heilige Schriftuur getuigt, dat zij uit de verkiezing volgt en door de kracht des doods, der verrijzenisse en voorbiddinge van Christus den uitverkorenen gegeven wordt. De uitverkorenen hébhen het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden (Rom. 11 : 7). Desgelijks: Die ook zijnen eigen Zone niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven: hoe zal Hij ons ook met Hem
97
LEERIIEGELS,
niet al\'e dingen schenken? Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt, Wie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven is; ja, dat meer is, die ook opgewekt is; die ook ter rechterhand Gods is; die ook ■voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (Rotn. 8 : 32—35).
II. Die leeren : «dat God den geloovigen mensch wel voorziet met genoegzame krachten om te volharden en bereid is die in hem te bewaren, zoo hij zijnen plicht doet; doch, alschoon nu alle die dingen, die noodig zijn om in \'t geloove te volharden en die God gebruiken wil om het geloove te bewaren, in het werk gesteld zijn, lt;lat het dan nog altijd hangt aan het believen van den wil, dat hij volharde of niet volharde.quot; — Want dit gevoelen begrijpt in zich een openbaar Pelagianisme, en als het de menschen wil vrij maken, zoo maakt het hen roovers van Gods eere, tegen de gedurige overeenstemming der Evangelische leer, die den mensch alle stofie van roemen beneemt en den lof dezer weldaad aan de genade Gods alleen toeschrijft, en tegen den Apostel, die getuigt, dat het God is, die ons tot den einde toe zal bevestigen, om onstraffelijk te zijn in den dag onzes Heeren Jezus Christus (1 Kor. 1 : 8).
III. Die leeren: »dat de ware geloovigen en herborenen niet alleen kunnen van het rechtvaardigmakend geloof, insgelijks van de genade en zaligheid ganschelijk en eindelijk uitvallen, maar ook dikwijls met der daad van haar uitvallen en in der eeuwigheid verloren gaan.quot; — Want deze meening maakt de genade, recht-vaardigraaking, wedergeboorte en gedurige bewaring van Christus krachteloos, tegen de uitgedrukte woorden des Apostels Paulus: God \'bevestigt zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren; veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn (Rom. 5 ; 8, 9); en tegen den Apostel Johannes: Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren (1 Joh. 3 : 9); en ook tegen de woorden van Jezus Christus: Ik geef mijnen schapen het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit mij-ne hand rukken. Mijn Vader die ze mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders (Joh. 10 : 28, 29).
■93
VEIUVEUriXGE DER DWALINGEN.
IV. Die leeren: «dat de ware geloovigen en herborenen kunnen zondigen de zonde tot den dood of tegen den Heiligen Geest,quot; dewijl dezelfde Apostel Johannes, nadat hij in het 5. Kap. van zijnen eersten Zendbrief, vers 16 en 17, van degenen, die tot den dood zondigen, gesproken had en verboden voor hen te bidden, terstond in het 18e vers daarbij voegt: Wij weten, dat een iegeHjk, die uit God geboren is, niet zondigt (verstaat met zulke zonde), maar die uit God geboren is bewaart zich zeiven, en de booze vat hem niet (1 Joh. 5 : 18).
V. Die leeren: »dat men geene zekerheid van de toekomende volharding in dit leven kan hebben zonder bijzondere openbaring.quot; — Want door deze leere wordt de vaste troost der ware geloovigen in dit leven weggenomen en de twijfelinge der Paus-gezinden in de Kerk weder ingevoerd; daar de Heilige Schrifture\'\' deze zekerheid doorgaans trekt, niet uit eene bijzondere en buitengewone openbaring, maar uit de eigene merkteekenen der kinderen Gods en uit de zeer standvastige beloften Gods; inzonderheid de Apostel Paulus: Geen schepsel kan ons scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen lleerc (Rom. 8 ; 39); en Johannes: Die zijne geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in den-zelven; en hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, dien Hij ons heeft gegeven (1 Joh. 3 : 24).
VI. Die leeren; «dat de leer van de verzekerdheid der volharding en der zaligheid uit haren eigen aard en natuur is een oorkussen des vleesches, en voor de godvruchtigheid, goede zeden, gebeden en andere heilige oefeningen schadelijk, maar daarentegen dat het prijselijk is daaraan te twijfelen.quot; — Want dezen betoonen, dat zij de kracht der goddelijke genade en de werkinge des inwo-nenden Heiligen Geestes niet kennen, en wederspreken den Apostel Johannes, die het tegendeel met uitgedrukte woorden leert in zijn eersten Zendbrief: Geliefden! nu zijn tv ij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn , wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is; en een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zich zeiven, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3 : 2, 3). Daarenboven worden dezen wederlegd door de voorbeelden der Heiligen, zoo des Ouden als des Nieuwen Testaments, de welken, alhoewel zij van hunne volharding en zaligheid zeker waren, noch-
99
lEEUKEGELS.
tans in de gebeden en andere oefeningen der godzaligheid gedurig zijn geweest.
VII. Die leeren: »dat het geloove dergenen, die maar voor eenen tijd gelooven, van het rechtvaardigmakend geloof niet verschilt dan alleen in de gedurigheid.quot; — Want Christus zelf, Matth. 13 : 20 en Luk. 8 : 13 en vervolgens, stelt merkelijk daarbeneven nog drieërlei onderscheid tusschen degenen, die maar voor eenen tijd gelooven en de ware geloovigen, als Hij zegt, dat genen het zaad ontvangen in eene steenachtige aarde, maar dezen in een goede aarde of goed harte; dat genen zonder -wortel zijn, maar dezen een vasten wortel hebben; dat genen zonder vruchten zijn, maar dezen hunne vrucht in verscheidene mate met standvastigheid of volstandigheid voortbrengen.
VIII. Die leeren: ndat het niet ongerijmd is, dat de mensch , zijne eerste wedergeboorte verloren hebbende, wederom opnieuw , ja menigmaal wedergeboren worde.quot; — Wast dezen loochenen door deze leer de onverderfelijkheid van het zaad Gods, waardoor wij wedergeboren worden, tegen het getuigenisse des Apostels Petrus: Gij die wederom geboren zijt, niet uit vergankelijken, maar uit onvergankelijken zade (1 Petr. 1 : 23).
IX. Die leeren: »dat Christus nergens gebeden heeft, dat de geloovigen in het geloof onfeilbaar zouden volharden.\' — Want zij wederspreken Christus zeiven, die zegt: Ik heb voor u gebeden , Fetrus, dat uw geloof niet ophoude (Luk. 22 : 32), en den Evangelist Johannes, die getuigt, dat Christus niet alleen voor de Apostelen , maar ook voor alle degenen, die door hun woord gelooven zouden, gebeden heeft; Heilige Vader.\' bewaar ze in uwen naam, en: Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den 6002e (Joh. 17 ■ 20 , 11 , 15).
BESLUIT.
En dit is de naakte, eenvoudige en oprechte verklaring van de rechtzinnige leer der vijf Artikelen, die in Nederland in verschil zijn, en meteen de verwerpinge der dolingen, waardoor de Neder-landsche Kerken een tijd lang zijn beroerd geweest, welke verklaring
100
BESLUIT.
■en verwerping de Synode oordeelt uit den Woorde Gods te zijn genomen en met de belijdenisse der Gereformeerde Kerken overeen te stemmen; waaruit klaarlijk blijkt, dat degenen, denwelken zulks het minst betaamde, tegen alle waarheid, billijkheid en liefde hebben gehandeld, die het volk hebben willen wijsmaken: »dat de leer der Gereformeerde Kerken van de Predestinatie en de aanklevende hoofdstukken, door haren eigen aard en drijvinge de harten ■der rnenschen van alle godvruchtigheid en godsdienst afleidt; dat zij een oorkussen is voor het vleesch en den duivel, en een burg des satans, waaruit hij allen rnenschen lagen legt, het meerendeel van hen verwondt en velen van hen met de pijlen óf der wanhoop, óf der zorgeloosheid doodelijk doorschiet. Dat die leere God maakt eenen •auteur der zonde, onrechtvaardig, een tiran en huichelaar, en dat zij niets anders is dan een vernieuwd Stoïcismus, Manicheïsmus\', Libertijnschap en Turkendom; dat zij de rnenschen vleeschelijk-zorgeloos maakt, als zich zeiven daardoor wijs makende, dat het den uitverkorenen niet kan hinderen aan hunne zaligheid, hoe zij ook leven,\' en zij daarom allerlei gruwelijke schelmstukken onbekommerd mogen bedrijven; dat het dengenen, die verworpen zijn, quot;ter zaligheid niet kan baten, al ware het, dat zij schoon alle de ■werken der heiligen waarlijk mochten gedaan hebben; dat daarmede geleerd wordt, dat God door het bloote en loutere goeddunken van zijnen wil, zonder eenig opzicht of aanmerkinge van eenige zonde, het grootste deel der wereld tot de eeuwige verdoemenis voorbeschikt en geschapen heeft; dat de verwerpinge op gelijke wijze de oorzaak is der ongeloovigheid en goddeloosheid, gelijk de verkiezinge ia de fontein en oorzaak des geloofs en der goede werken; dat vele onnoozele kinderkens der geloovigen van de borsten der moeders worden afgerukt en tiranniglijk in het helsche vuur geworpen, alzoo dat hun noch het bloed van Christus baten kan, noch de .Doop, noch het gebed der Kerken bij hunnen Doop,quot; en wat dergelijke andere dingen nog veel meer zijn, die de Gereformeerde Kerken niet alleen niet bekennen, maar ook van ganscher harte met ver--foeiinge verwerpen.
Daarom, zoo velen als er den naam onzes Zaligmakers Jezus ■Christus godvruchtiglijk aanroepen, dien betuigt deze Synode van Dordrecht door den naam des Heeren, dat zij van het geloove der ■■Gereformeerde Kerken willen oordeelen, niet uit lasteringen, die
101
LEERREGELS.
hier en daar uit samengeraapt zijn, ook niet uit private of bijzondere spreuken van sommige, zoo oude als nieuwe , Leeraren, die dikwijls ook te kwader trouw aangehaald, of verdorven en in eenen verkeerden zin verdraaid worden; maar uit de openbare belijdenissen der Kerken zelve, en uit deze verklaringe der rechtzinnige leer, die met eendrachtige overeenstemminge van allen en een ieder lid der geheele Synode bevestigd is.
Daarna vermaant dezelve Synode ook ernstiglijk de lasteraars, dat zij toezien wat zwaar oordeel Gods zij op zich laden, die tegen zoo vele Kerken en zoo veler Kerken belijdenissen valsch getuigenis spreken, de conscientiën der zwakken beroeren, en bij velen de gemeenschap der ware geloovigen zoeken verdacht te maken.
Ten laatste vermaant deze Synode alle Mede-dienaars in het Evangelie van Christus, dat zij zich in het verhandelen van dezeleere, beide in Scholen en Kerken, godvruchtiglijk en godsdienstiglijkgedragen ; dezelve zoowel met de tong als met de pen tot Godes eer, heiligheid des levens en vertroostinge der verslagene gemoederen richten ; dat zij met de Schrifture naar de regelmaat des geloofs niet alleen gevoelen, maar ook spreken; en eindelijk van alle zulke wijzen van spreken zich onthouden, die de palen van den rechtenquot; zin der Heilige Schrifture, ons voorgesteld, te buiten gaan, en die den dartelen Sophisten rechtvaardige oorzaak geven mochten, om de leer der Gereformeerde Kerken te beschimpen of ook te lasteren.
De Zone Gods, Jezus Christus, die, ter rechterhand zijns Vaders zittende, den menschen gaven geeft, heilige ons in de waarheid; brenge diegenen, die verdwaald zijn, tot de waarheid; steppe den lasteraars van de gezonde leer hunne monden ; en begave de getrouwe dienaars zijns Woords met den Geest der wijsheid en des onderscheids, opdat alle hunne redenen mogen gedijen ter eere Gods en tot stichting der toehoorderen. Amen.
102
Dladz,
I. BELIJDENISSE DES GELOOFS........1
II. DE CATECHISMUS............29
Het Eerste Deel. Van des mensclien ellende ... 30
Het Tweede Deel. Van des menscben verlossinge . 33
Van God den Vader...........35
Van God den Heiligen Geest........43
Van de Rechtvaardigmakinge.......44
Van de Sacramenten...........46-
Vau den Heiligên Doop........47
Van het Heilige Avondmaal.......49\'
Het Derde Deel. Van de dankbaarlieid.....53
III. DE VIJF ARTIKELEN TEGEN DE REMONSTRANTEN 67 Het Eerste Hoofdstuk. Van de goddelijke Verkiezinge
Venverpinge der dwalingen........76
Het Tweede Hoofdstuk. Van den dood Christi. . . 80
Verwerpinge der dwalingen........82
Het Derde en Vierde Hoofdstuk. Van de verdorvenheid en de bekeeringe.........85
Verwerpinge der dwalingen........90\'
Het Vijfde Hoofdstuk. Van de volharding der Heiligen. 94 Verwerpinge der dwalingen........97
-■ - v■\' : ^
vX/-t\' quot;-.--T quot; \' : quot;?.)•gt;.% ■ _ .c ; quot; . . f . . ■. . ..-\'l
. ; ; ^ ; \'■ ^ \'. - ■ - - ■- - quot; K; \' ■ \'■ ■-
:.lt;V. :
\'•rr-r\'.
-
; ■ - W ..■■:V\':^ :quot;: .■ ■quot;■ :■■• , ■ quot; \' ■\' ■■■\' .:■: quot;-r- -
- • - . . . ;V-v - ■ ; ^
.■•■.■ quot; ; - •■; ■ :v-\' 1 \' -■■■■-- .K-;
c quot; gt;•
■ ■ s - . - - ■.,: ■ , \'\' V \'\' ■-/quot; *■
■;V\'\'
■•\' ■\'■ v\' /5
-••■/\': v J,-V-- f,
, \'O-- \'-- .•K-\' - \'5 quot; , ;\' t
.
■
■r^mm
^ ~r:quot; . 6 ■ ■ ;; \'. ; :\'. gt;.-\' quot;■ ■ ■ r \'
.- ; • -• -,■ .-• - ; \' .. ;■■■•\' ,- .,\'; •\'. \' ■ ,. . .. .■ \' \' : \' \'■ \' . • \' , - - -..
-. ■•- ■ - ■ •: • - - . ^ ; v-.;- .■ gt; IA
—_■-■ \' :-________:______- M \'■_:
IP\'V • V.---:-—-——
: : -■ \' . ■■■ ^-\'
| ■:-;-quot; V \'•\'gt;r V\\ ^ . - ■ -. v-;;; ^ :i ;.
te psw»iSsMfi-\' \'tmmquot; sSi!
|l:t- \'• —:: - v ;. ^ quot; - , - ^ ^ j
gt;-1-
|
.vM - .: * ■ V- f\'• lt;■.\' ■ l II , Kv^.T\'V\'- •V ■- v.\'; |
1 V- -; v- \'-■\' ^-1 i---- ; •#•,;•• v .• \'j Jfl ■ ■:• - . .\' ■ f\' \' quot; \'. :gt;fV |
;(. •*: ■ .\'■.■ ,^-\'
■•- ^ ■■• - •\' - v gt; -, - - - - • •-: -
€■ : \' . . - \'
-5 1
; •
- ■
^ - \' - ■, w\'-.v •. vj--,/ ,.■— m
r-. ■■\' ■■ : : ,. ■ - igt;. -,. ,\', \' i . -.\' - quot; j --: ^ : - ; - ■ v /- - ■ ■ \' . ■ ■ v - \' • : \' ■ -
- - ■ \'• Ir lt;\'
■ V - .i:-.quot; •■-S.------
V ; »S-w \':-\'
2 .