-ocr page 1-

flPi

OVER

lezers Tan de „Katholiek,quot;

door

p. j_/. Ji u p,

Pastoor te Monster.

a

v

gt;: (amp;mgt;-

Rotterdam, G. W. VAN BELLE. 1887.

-ocr page 2-

X

r\'

: \\ :

il?\'

ë :C

-ocr page 3-

Vak 23

IETS

OVER

COMmiEElffl STAAT

aan\'de

Lezers m de „Katholiek,quot;

door

p. y. pup,

Pastoor te Monster.

Rotterdam, G. VV. VAN BELLE. 1887.

-ocr page 4-

I IT H O U 13.

Biz.

Inleiding............ 3

1. Een paar aanmerkingen.......5

2. Verhouding van de kerk tot staatsvor

men en regeeringen.......15

3. Wat is constitutioneele staatsvorm, wat

constitutioneele staat?......21

-ocr page 5-

Wij zijn dr. Schaepman dank en wel grooten dank er voor schuldig, dat hij bij zijne menigvuldige en gewichtige bezigheden den tijd heeft willen afzonderen tot eene nadere uiteenzetting. 1)

Ik vind daarin het bewijs, dat de zaak, door hem behandeld, van groot gewicht moet geacht worden, gelijk zij ook door u en mij geacht wordt.

Gelijk u bekend is, heeft dr. S. in het Septembernummer van de Katholiek, bl. 187, getracht te bewijzen, dat ,, de uitspraak, dat de constitutioneele monarchie met de Christelijke beginselen in strijd zou zijn, onhoudbaar is.quot;

Wat hem bewogen heeft om dezen aanval te doen op eene uitspraak, die hij (bl. 333) eene vrije meening noemt, is mij niet bekend.

Dat hij echter, als behoorende tot de redactie van de Katholiek, had kunnen, (mogen wij zeggen: moeten?) weten, dat deze uitspraak, al was het niet in dezelfde bewoordingen, door de Katholiek gedaan was, mogen wij als zeker aannemen.

De Maasbode en de Nieuwe Noord-Hollander hebben dan ook te recht daaraan herinnerd.

In deel 14, vervolgd in deel 16, vinden wij; Ken hlik op den algemeenen toestand, waartoe ook de Staat behoort,

^ Men zie de Katholiek, deel 92, bl. 325 enz.

-ocr page 6-

4

waar gezegd wordt, dat die toestand anti-Christelijk is, en daar vindt men een schooue uitweiding over constitutie en constitutioneelen Staat. In deel 35 en 36 wordt getoond hoedanig de toestand is van het Protestantisme. Ook daar wordt gesproken over constitutionalisme en constitutioneelen Staat en aangetoond, dat, hetgeen Stahl noemt aisoZwie revolutie, nagestreefd wordt en zichtbaar is in het door Stahl veroordeelde constitutionalisme (deel 36, 177).

Als getrouw lezer van de Katholiek, bekend met deze uitspraak, die ik voor een gevestigde en gegronde hield, kan ieder wel begrijpen, hoe gretig ik de Katholiek van September 1.1. ter hand nam, om de bewijzen voor de onhoudbaarheid te wegen, bereid van gevoelen te veranderen.

Maar, helaas! gelijk mijn antwoord in October gezegd heeft, de bewijzen werden te licht bevonden. En daar ik geenszins aan mijn gevoelen zonder grond wilde vasthouden , vroeg ik aan dr. S. andere en betere bewijzen, vooral uit de voor ons. Katholieken, ter orienteering in onze meeningen zoo gewichtige Syllabus of Encyclieken van onze Pausen.

Een ieder, die mij kent, zal weten, dat het mij alleen om de waarheid en niet om den persoon te doen is. Ik schat dr. Schaepman zeer hoog, om de uitstekende gaven, waarmede de goede God hem bedeeld heeft. Die gaven zag ik gaarne aangewend alleen ter eere Gods en tot heil van onze Moeder de H. Kerk, die bij de veelvuldige aanvallen in onze dagen aan zulke verdedigers behoefte heeft.

Het hooge gewicht en het groote belang van de zaak en ook omdat de persoonlijkheid van dr. S. zooveel gewicht aan zijne meening geeft, deed mij dan de pen opvatten.

-ocr page 7-

5

En daaraan danken wij de nadere uiteenzetting, onder den titel van: Over de constitutioneele monarchie in het November-nommer bl 325.

Op die nadere uiteenzetting heb ik eenige zeer gewichtige aanmerkingen, die ik mij veroorloofd heb, om bijzondere redenen, in deze brochure aan de lezers van de Katholiek mede te deelen. Het zal mij gelegenheid geven, om tevens iets te zeggen over constitutioneelen regeeringsvorm en constitutioneele monarchie.

I. Een paar aanmerkingen.

Eene eerste zeer gewichtige aanmerking is, mijns inziens, zekere duhhehmnigheid, die zich hier vertoont en welke men van een zoo uitstekenden geest niet zoude verwachten — een gebrek, dat ons tot hooge voorzichtigheid en nauwlettendheid in het wegen der uitdrukkingen vermaant.

In het opstel: Naar aanleiding der Grondwetsherziening, had dr. S. twee stellingen, de constitutioneele monarchie betreffende, opgezet. De eerste luidde: de uitspraak, dat de constitutioneele monarchie met de Christelijke beginselen in strijd zou zijn, is onhoudbaar. De tweede: de constitutioneele monarchie is uitteraard niet onbestaanbaar met de Christelijke beginselen van Staatsrecht en Staatsbeleid.

Twee verschillende stellingen. De eerste valt aan, de tweede verdedigt.

De eerste stelling heeft dr. S. trachten te bewijzen; voor de tweede werden geen bewijzen aangevoerd. Wellicht achtte hij door het onhoudbare der eerste stellino te bewijzen ook de tweede bewezen.

Welk antwoord vind ik nu op mijne vraag om betere bewijzen ?

-ocr page 8-

r=

6

Wij worden verwezen naar een ander terrein en verzocht nota te nemen van de bewijzen, die nu voor de tweede stelling worden aangevoerd, en dan te besluiten: „hiermede meen ik de rechtmatigheid mijner stelling te hebben gehandhaafd.quot;

Wij zullen dus uit het bewijs van de tweede stelling tot het rechtmatige der eerste stelling moeten besluiten. Immers hier wordt gebruik gemaakt, volgens het verlangen van den Z. E. Heer EiJP, van Encycliek en Syllabus.

Ik noem dat dubbelzinnigheid.

Zoo valt men aan en, als het gevecht gaat beginnen, werpt men zijne wapens weg en gaat loopen, om den tegenstander naar een ander terrein te voeren, dat men gunstiger schijnt te achten.

Ik ben echter zoo vrij op mijn terrein te blijven en den aanval af te wachten.

Met het bewijs voor de tweede stelling wordt de eerste niet te niet gedaan.

Als men bij de ivoorden blijft en den zin der woorden houdt, heeft de tweede stelling geen verder bewijs noodig dan deze uiteenzetting:

De constitutioneele monarchie bestaai; ook de Christelijke beginselen van Staatsrecht en staatsbeleid bestaan:

dus is de constitutioneele monarchie niet onbestaanbaar met de Christelijke beginselen van Staatsrecht en Staatsbeleid.

Welke kracht van bewijs nu voor de eerste stelling hierin te vinden is, is mij niet duidelijk.

Doch let wel, geachte lezers, de uitdrukking niet onbestaanbaar, heeft een dubbelen zin: den eerste, dien gij daarin vindt; den tweede, dien de schrijver daaraan geeft:

L

-ocr page 9-

7

bl. 328 lezen wij, „de verhouding van dezen regeerings-vorm (de constitutioneele) tot de beschreven Christelijke begrippen wordt aangeduid door de woorden: „ uitteraard niet onvereenigbaar quot;

Niet onbestaanbaar, zal dus moeten beteekenen: „ niet onvereenigbaar.quot;

Van twee zaken, die naast elkander bestaan en dus niet onbestaanbaar zijn, b. v. de Kerk en de dwaling, kan men toch niet zeggen: zij zijn niet onvereenigbaar?

Wilt gij, geachte lezers, nog een ander voorbeeld van dubbelzinnigheid ?

De geëerde schrijver schijnt nog al veel gewicht te hechten aan het woord „uitteraard.quot;

Op bl. 328 geeft hij daarvan de verklaring. „Uitteraard, zoo lezen wij, beteekent volgens van Dale\'s woordenboek van nature.quot;

En voegt er dan deze woorden aan toe: „ Het is de eenvoudige vertaling van de woorden per se.quot;

Ik denk, niet volgens van Dale\'s woordenboek.

De stelling luidde: „de constitutioneele monarchie is uitteraard niet onbestaanbaar met enz.quot;

En daarbij past het woord uitteraard zeer goed, zoo als wij later zullen zien, als wij onderzoeken naar den aard der constitutioneele monarchie.

Om zijne stelling te bewijzen, beroept de schrijver zich op de woorden van Paus Leo XIII, in de Encycliek Immortali Dei van 1 Nov. 1885: Nulla per se reprehenditur ex variis reipublicae forrais, aangehaald op bl. 336 en aldus vertaald:

„ Geen enkele der verschillende regeeringsvormen op zich zelf (per sej wordt afgekeurd.quot;

Waarom wordt per se hier niet eenvoudig vertaald door uitteraard of van nature? Immers uitteraard of

-ocr page 10-

8

van nature is een eenvoudige vertaling vanger se (bl. 238).

Om de eenvoudige reden dat uitteraard of van nature niet past bij een vorm op zich zelf of per se.

Ik heb gezegd, dat het woord „uitteraardquot; wel past bij constitutioneele monarchie, niet bij regeeringsuorm.

Wij willen dit om hot belang der zaak iets nader verklaren.

„Natuur, zegt de Katholiek (dl, 31, bl. 100), beteekent hetzelfde als aard of wezen, maar van de zijde zijner beweging, wording of ontwikkeling.quot;

Men zal dus van een wezen, dat werkt, zich beweegt, wordt of zich ontwikkelt, kunnen zeggen, welke zijne natuur is. Immers uit de werking van een wezen besluit men tot zijne natuur.

Maar een vorm op zich zelf genomen is geen levend, geen werkend, geen zich ontwikkelend wezen. Eerst dan ontstaat het wezen, als de vorm op een stof wordt toegepast en daarmede zich vereenigt.

Een vorm op zich zelf, zou de wijsgeer zeggen, is in potentia, niet actu; mogelijk, niet werkelijk.

Het is dan ook dubbelzinnig gesproken, als men, een vorm per se (op zich zelf) bedoelende, spreekt van een vorm uitteraard.

De aangehaalde tekst van de Civilta, bl, 337, zegt dan ook zeer juist: de vorm van een regeering is op zich (niet: uitteraard) onverschillig, é di per se indifferente. En de ware idee van de constitutioneele regeering (niet: regeeringsvorm) vordert uitteraard, di sua natura enz.

Wanneer men niet onderscheidt, wat inderdaad onderscheiden is, komt men er toe, om, gelijk de schrijver doet, Staat en Staatsvorm te verwisselen en, gelijk bl, 328 te lezen geeft, te zeggen: „ De constitutioneele Staat is een Staats- of regeeringsvorm.quot;

-ocr page 11-

9

Men heeft mij gezegd: uwe begrippen van constitutio-neelen Staat en constitutioneele regeeringsvorm stemmen niet overeen met die van dr. S. Zoude men niet beter zeggen: de begrippen van dr. S. stemmen niet met elkander overeen? Constitutioneele Staat, constitutioneele monarchie, constitutioneele regeeringsvorm schijnen woorden van dezelfde beteekenis, en dat moet noodzakelijk verwarring in den geest tot gevolg hebben. Uit welke verwarring dit volgt, dat men na veel omhaal van woorden eindelijk toch niets bewezen heeft en tot geen besluit gerechtigd is.

We gaan over tot eene tweede niet minder gewichtige aanmerking.

Zij betreft het gebruik, dat wij te maken hebben van Pauselijke Allocutiën, Encyclieken en Syllabus.

Indien gij, geachte lezers van de Katholiek, het u nog herinnert, had ik dr. S. verzocht, om bij hernieuwde bewijzing van de onhoudbaarheid der bekende stelling gebruik te maken van de Pauselijke acten, Syllabus en Encycliek (Zie de Kath. dl. 92 bl. 255).

Dit schijnt mij zeer kwalijk genomen te zijn, blijkens de navolgende tot mij en anderen gerichte vermaning:

„De Encycliek en de Syllabus van 1864, zoo lezen wij bl. 332, zijn in onze negentiende eeuw „het teeken, dat weersproken wordt. Weersproken niet het minst door de lasterlijke overdrijvingen, die beiden maakten tot eene veroordeeling van alles ? wat tot deze negentiende eeuw behoort.

„ Het is waarlijk niet de gemakkelijkste taak der Katholieke pers geweest om die verschillende in omloop zijnde overdrijvingen tot haar juiste maat terug te brengen. Wie zich de dagen herinnert van 1864, wie weet, hoe nog in 1875 de groote vervalschingen van Gladstone

-ocr page 12-

10

door de Kardinalen Manning en Newman moesten worden aangetoond en weerlegd, zal zeker deze uitspraak niet wraken.quot;

Wij nierken in het voorbijgaan aan, dat na 20 jaren de nevelen, die de heldere opgaande zon wilden verduisteren, wel zullen zijn opgetrokken en wenschen de Katholieke pers geluk met haren niet gemakkelijke volbrachte taak. Wij vervolgen onze aanhaling:

„ Het is dan ook eene voortreffelijke gewoonte om, onder Katholieken, deze aktestukken ter bestrijding van VliiJE meeningen niet te bezigen. Wanneer men die gewoonte niet volgt, vervalt men licht in de eene of andere overdrijving, die door anderen wel tot een schrikwekkende afmeting zal worden gebracht. Wanneer evenwel zulk een bestrijding heeft plaats gehad, dan is men, ook om het hier geschetste gevaar te voorkomen, gedwongen tot tegenweer.

„ Het beroep op de Encycliek en den Syllabus van 1864 tot staving van de onbestaanbaarheid der constitu-tioneele monarchie met de Christelijke beginselen mist allen grond.

„Over den regeeringsvonn, die de constitutioneele monarchie heet, is in geen van beide aktestukken met een tittel of jota spraak.quot;

Heb ik dan inderdaad mij vergist, geachte lezers, en in mijn opstel iets anders gezegd en verlangd dan dat dr. S. met andere bewijzen de onhoudbaarheid der bekende uitspraak zoude staven? BI. 253 schreef ik: „Had dr. S. niet beter gedaan de uitspraak te toetsen aan den Syllabus en vooral de Encycliek Immortale Dei? Daar schijnt het volle licht.quot;

En nu zoude ik mij beroepen hebben op de Encycliek en den Syllabus van 1864 tot staving van de onbestaan-

-ocr page 13-

11

baarheid der constitutioneele monarchie met de Christelijke beginselen !!

Ik zet hier achter een paar uitroepingsteekens en laat de waardeering van dergelijke dubbelzinnige bestrijding aan uw gezond oordeel over.

Maar nu die gewoonte en wel die loffelijke gewoonte, om onder Katholieken deze aktestukken ter bestrijding niet te bezigen.

Mijne tegenovergestelde meening is, dat deze aktestukken zijn uitgevaardigd ten gebruike niet van ketters, scheurmakers of ongeloovigen. ook niet tegen dezen, maar ten gebruike van de kinderen der Katholieke Kerk tegen de kinderen der Katholieke Kerk, die zouden ingestemd hebben met de heerschende dwalingen van den tegenwoordigen tijd in de verschillende wetenschappen en vooral de Staatswetenschap.

Wij halen hier aan de woorden van Paus Pius IX z. g. aan den Aartsbisschop van Munchen-Freising: (21 Dec. 1863

„Ofschoon de natuurlijke wetenschappen (waartoe zeker ook de Staatswetenschap behoort) op hunne eigene beginselen door de rede gekend steunen, moeten echter de Katholieke beoefenaren daarvan de goddelijke openharing als een geleidende ster voor oogen houden, bij welker licht zij zich voor klippen en afdwalingen kunnen behoeden.quot;

Vooral waar men zal beslissen, of eene meening met het Christelijke beginsel strijdt of overeenstemt, zal men moeielijk een zekerder maatstaf ter beoordeeling vinden.

Om de veroordeeling te ontgaan , die zijnen zoo geliefden constitutioneelen Staat zoude treffen door Syllabus en Encycliek, maakt de schrijver een (later te bespreken)

\') Men zie de Katholiek, deel 45, bl. 63 en t.

-ocr page 14-

12

onderscheid tusschen constitutioneelen en modernen Staat en schrijft blz. 328: ,, De constitutioneele Staat is een Staats- of regeeringsvorm; de moderne Staat is een theorie, een stelsel van Staatsbeleid. Tot den modernen Staat behooren de moderne begrippen en vrijheden, die door den onsterfelijken Pius IX in zijn Syllabus als verwerpelijk en verderfelijk worden aangewezen.quot;

De schrijver heeft dus zeer goed de constitutioneele monarchie of Staat in dat licht beschouwd en te recht, ter staving van de indifferentie der Kerk in betrekking tot regeeringsvormen, zich beroepen op de duidelijke uitspraken van onzen roemrijk regeerenden Paus en had zelfs daarmede kunnen volstaan.

Maar zegt men: „het zijn vrije meeningen.quot;

Moeten wij daaruit besluiten: daarmede hebben Pauselijke Allocuties en Encyclieken en Syllabus niets te maken?

Onze H. Vader Leo XIII geeft ons het antwoord in zijne Encycliek Irnmortale Dei:

„ Derhalve in eene zoo moeielijken loop der dingen, zullen Katholieke menschen als zij Ons, zooals behoort, hooren willen, gemakkelijk zien, welke ieders plichten zijn zoowel in meeningen als in daden.quot;

En zonder te onderscheiden tusschen vrije en niet vrije meeningen, vervolgt Zijne Heiligheid;

„En nu in het meenen, al wat de Eoomsche Opperpriesters geleerd hebben, of zullen leeren, dat moet men met een standvastig oordeel vasthouden en in het openbaar, zoo dikwijls de omstandigheden het vorderen, belijden. En met name omtrent die zoogenaamde vrijheden moet men zich houden aan het oordeel van den Apostolischen Stoel, en een ieder moet , wat hij gemeend heeft.quot;

-ocr page 15-

13

Er is dus niets verkeerds in, zijne en eens anders meeningen te toetsen aan hetgeen de Roomsche Opperpriesters geleerd hebben.

Dat kan voor onze wetenschap niet dan voordeelig zijn en zal ons, indien wij onzen geest van dat ücht steeds laten beschijnen, voor vele afwijkingen, in den tegenwoordigen tijd zoo gemakkelijk te begaan, behoeden.

Vermaant de H. Vader zelf niet tegen het bedriegelijke schijnschoon der hedendaagsche dvvaiingen? Cavendum____

Tracht men niet juist in onze dagen de verderfelijkste meeningen onder schijn van waarheid ingang te doen vinden?

Hoe schoon klinken, hoe verleidelijk noodigen ons niet die woorden van vrijheid en gelijkheid?

Vrijheid van geweten, vrijheid van godsdienst, vrijheid van de pers, vrijheid van vergadering, vrijheid van onderwijs, rechtsgelijkheid, gelijkheid van alle burgers ,en anderen, waartegen reeds zoo dikwijls is gewaarschuwd geworden.

Het ware mij dan ook zeer aangenaam geweest de uitspraak te vernemen: de meening, dat de constituti-oneele monarchie met het Christelijke beginsel in strijd zou zijn, is volgens Pauselijke Allocuties, Encyclieken, Syllabus onhoudbaar.

Ik wil het bewijs nog altijd wachten en zal ieder, die het mij wil leveren ten hoogste dankbaar zijn. Immers een dwaling, in den geest opgenomen, moet in de gevolgen verderfelijk zijn.

Zoolang echter dat bewijs niet gevonden wordt, onderschrijf ik het oordeel van de Katholiek dat de bestaande toestand ook der Staten anti-Christelijk is.

In beginsel zijn wij het allen eens. Wij allen verwerpen met de Pausen al die moderne beginselen en

-ocr page 16-

14

vrijheden, zooals zij door de Pausen veroordeeld zijn.

Ik zeg niet zonder reden: zooals zij door de Pausen veroordeeld zijn.

Ge moet weten, geachte lezers, en daarop let men niet altijd, waaraan ook de „lasterlijke overdrijvingenquot; vooral door de vijanden der Kerk zijn toe te schrijven.

Ge moet dan weten, dat er wel absolute waarheden, geen absolute dwalingen zijn.

In iedere stelling, hoe valsch ook, is eenige waarheid Wat waar is is licht; wat dioaling is is duister.

Onze geest, voor de waarheid geschapen, wordt het eerst aangetrokken door de waarheid en let niet op de dwalino-, die daarmede verbonden of daarin verborgen is.

O 7

Voorzichtigheid is aan te raden. Toetsen wij die schijnwaarheid aan de rede en vooral aan de openbaring, dan zullen wij spoedig ontdekken, waar de dwaling schuilt.

Zoo ziet de door het geloof verlichte rede zoo klaar en zoo juist.

Maar is eens de dwaling onder den schijn van waarheid in een geest en vooral in een uitstekenden geest doorgedrongen en heeft daarvan bezit genomen, en houdt deze geest die schijn-waarheid met tenaciteit vast; wie zal ons dan de gevolgen daarvan kunnen beschrijven?

Eene dwaling, in den geest opgenomen, verduistert het verstand en maakt den geest geneigd op het pad der dwaling voort te gaan en alles naar dat valsche licht te beoordeelen.

Daarom moeten wij het als een groot geluk achten, dat God ons zulke leidslieden heeft gegeven, die ons voor alle dwaling behoeden en, door het licht der waarheid te laten schijnen, onzen geest van de dwaling bevrijden.

Neen, wij Katholieken, moeten de Pauselijke aktestukken niet ter zijde leggen, maar ze gebruiken, en dat is

-ocr page 17-

15

ook de meening van dr. S., niet om daarover te twisten, maar otn door herhaalde lezing en studie onzen geest zoo te verlichten, dat hij gemakkelijk de dwalingen van de waarheid kan onderscheiden. 1)

2. Verhouding van de Kerk tot Staatsvormen en regeeringen.

Het is u niet onbekend, geachte lezers, hoe ons met zekere breedvoerigheid is aangetoond, dat de Kerk betreffende de Staatsvormen op zich indifferent is; dat wil, mijns inziens, zeggen, dat de Kerk van haren Stichter niet de minste opdracht heeft ontvangen, om aan de zoo verschillende volken bepaalde Staatsvormen voor te schrijven.

, De aanhalingen uit de Encyclieken Diuturnum illud en Immortale Dei van onzen roemrijk regeerenden Paus Leo XIII passen hier zeer juist.

Men vergelijke de Katholiek, dl, 92, bl. 336:

„Evenmin, zoo schrijft onze H. Vader, is hier sprake over de verschillende vormen van Staatsbestuur, want er is geene reden, waarom de Kerk het oppergezag van een enkele of van meerderen niet zou goedkeuren, zoo dit slechts rechtmatig is en tot algemeen welzijn strekt.

„ Om welke redenen het den volkeren niet verboden is, om, zonder de gerechtigheid te kort te doen, een soort van regeeringsvorm te nemen, die of met den aard des volks of met de instellingen en gebruiken

O O

hunner voorvaderen het meest overeenkomstig is.quot;

\') Men zie de Tijd van 9 Nov. \'87. Staatkunde van de Katholieken.

-ocr page 18-

16

En verder in de noot:

„ Door deze uitspraken en beslissingen echter, als men ze juist wil beoordeelen, wordt geen enkele van de verschillende regeeringsvormen op zich zelf afgekeurd, aangezien deze niets hebben, wat met de Katholieke leer in strijd is, en zij, mits met wijsheid en rechtvaardigheid toegepast, den Staat in den besten welstand kunnen handhaven.quot;

Het is dus eene uitgemaakte zaak, dat de Kerk betreffende Staatsvormen indifferent is.

Maar, zoo vragen wij, volgt daar nu uit, dat al die verschillende Staatsvormen ook voor de volken, welke daardoor tot Staat gevormd worden, indifferent zijn ? Zal het voor een volk onverschillig zijn of men het dezen of genen Staatsvorm geeft? Zijn deze laatsten allen even goed en even slecht, en zal het goede of slechte afhangen alleen van de menschen, die ze gebruiken?

Mij dunkt, geachte lezers, dat men dan uit het gestelde beginsel meer besluit, dan er in ligt.

Al heeft de goddelijke openbaring daaromtrent aan de volken alle vrijheid gelaten en niets voorgeschreven ■, is dan die vrijheid zoo onbepaald te nemen, dat de men-schelijke rede, die toch ook een licht is, hier niet moet voorlichten en oordeelen, welke van die menigvuldige vormen geschikt of de meest verkiesbare is?

Juist uit de menigvuldigheid der vormen zal men moeten besluiten, dat niet iedere vorm voor ieder volk evenzeer past.

En al is dus de Kerk indifferent, zoo zijn daarom de vormen in zich niet indifferent, maar moeten met oordeel gekozen worden.

Daarom zegt onze H. Vader:

„ Zonder de gerechtigheid ie hort te doen; overeenkomstig

-ocr page 19-

17

den aard der volken; overeenkomstig de instellingen en gebruiken hunner voorvaderen.quot;

En «laar nu de menschelijke rede niet met absolute zekerheid oordeelt, kan er ttisschen hen, die oordeelen moeten, strijd ontstaan.

En dit geldt zeker nog meer, wanneer men een bestaanden vorm in eenen anderen zal hervormen.

En dat daarbij hartstochtelijk kan te werk gegaan worden, is dat in allen gevalle af te keuren?

7 O quot;N.

Is het zelfs met de toepassing van het constitutioneele stelsel in onze dagen niet eenigszins revolutionair toegegaan? Past die vorm dan zoo uitstekend voor alle volken, in aard, gewoonten, zeden, instellingen en gebruiken zoo verschillend?

En toch zullen alle volken den constitutioneelen Staatsvorm moeten aannemen, en heeft men dien zelfs aan den Paus willen opdringen!

Als wij dan, geachte lezers, verder doorredeneeren uit de vrijheid, die aan den mensch gelaten is omtrent de Staatsvormen, zouden wij dan niet mogen zeggen, dat het menschelijke vernuft in staat is Staatsvormen uit te denken, die met de natuur en ook met het Christelijk beginsel in strijd zijn?

Zoo komen wij tot het onderzoek, of er niet reeds Staatsvormen, met de natuur en het Christelijk beginsel strijdig, zijn ingevoerd.

Uit het beginsel, dat de Kerk indifferent is omtrent Staatsvormen, is dus niets ten voordeele van eenigen Staatsvorm te besluiten. Vooral niet, dat allen even goed en even slecht zijn.

Zoo keurt de Civilta (bl. 337 aangehaald) zekeren Staatsvorm af, als bron van voortdurenden strijd en blijvend gevaar voor de zedelijkheid.

-ocr page 20-

18

En Mgr. Henry Sauve vordert, dunkt mij, te veel van de Katholieken, als Zijne Hoogwaardigheid verlangt, dat zij de regeeringsvormen, die aangehoden worden of in werking zijn, zuilen beoordeelen, indépendamment, d. i. onafhankelijk van hun oorsprong, hun werking en hunne beginselen en ze als pure vormen zullen beschouwen (bl. 332).

Indien volgens de Civilta „ de vorm van eene regeering niets is dan eene machinequot;, kan iedereen toch weten, dat er verschillende dergelijke machinen bestaan, die door verschillende personen met verschillende bedoelingen gemaakt zijn en aanbevolen worden. Regeeringsvormen zijn immers geen natuurproducten, maar worden door mensehen gemaakt. Zoude het dan wel voorzichtig zijn, dat een volk zulk een aangeboden machine blindelings aannam en het niet eerst door een deskundige liet onderzoeken en met andere vergelijken?

Maar nu ziet ge dat machine werken en het werkt, volgens uwe ondervinding, verkeerd en meer ten nadeele dan ten voordeele; zal men het dan toch maar aannemen en laten werken, omdat men zegt, dat het zulk een mooi en heerlijk machine is, en men het machine alleen op zich zelf moet beschouwen, onafhankelijk van oorsprong, werking, doel enz.?

Zouden wij , Katholieken , niet beter doen aan de Kerk hare indifferentie te laten behouden en ons te regelen naar den raad van onzen H. Vader Leo XIII (aangehaald in de Tijd van 7 Nov. 11.):

„Het is dus duidelijk, dat er voor de Katholieken een gegronde reden bestaat om deel te nemen aan het Staatsbestuur, want zij doen dit niet en moeten het ook niet doen, om goed te keuren, wat er tegenwoordig verwerpelijk is gelegen in de politieke instellingen, maar

-ocr page 21-

19

om die instellingen , voor zoo ver het mogelijk is, dienstbaar te maken aan het wezenlijk en waarachtig algemeen welzijn. Vast besloten de wijsheid en de kracht van den Katholieken godsdienst als gezonde levenssappen en bloed in al de aderen van den Staat te storten.quot;

Een tweede pnnt, hetwelk wij willen beschouwen, betreft de verhouding der Kerk tot de regeeringen, waar wij die verschillende vormen reeds zien toegepast.

Hier vinden wij in zekeren zin, mijns inziens, dezelfde indifferentie als omtrent de Staatsvormen.

Met alle regeeringen tracht de Kerk of onze H. Vader op een vriendschappelijken voet te verkeeren en voert geen strijd tegen eenige regeering. Als gezant van den Vredekoning tracht hij overal vrede te stichten en met de grootste toegevendheid en zachtmoedigheid alle redenen van strijd weg te nemen.

Ik heb mij slechts te beroepen op de geschiedenis van den- Culturkampf, die aan ieder uwer bekend is.

Daar toont de Kerk en Leo XIII, die haar zichtbaar Hoofd is, zich groot en boven alle aardsche kleincreestie-

v-\' O O

heden verheven. Voor het heil der zielen heeft zij alles over en wil liever zelf het kruis opnemen, dan het anderen te dragen eeven.

O O

Zoekt de Paus zelfs niet naar een modus vivendi met de Kerk vervolgende regeering van Italië, om aan dat schoone land de rust, vrede en welvaart, die verloren zijn , terug te schenken ?

Wij zien dan ook de gezanten van den Paus bij heidensche, mahomedaansche, schismatieke, kettersche, ongeloovige regeeringen, ja bij wettige en onwettige regeeringen. En als de regeering van ons vaderland den Paus-Koning in zijn diepe vernedering. Koning van een paleis en een tuin, den troost en steun van Nederlands

-ocr page 22-

20

vertegenwoordiger ontnam, dier. wij, Katholieken, des noods wel alleen zouden bekostigen, heeft de H. Vader toen ook zijne gevoeligheid getoond doorZijnen gezant terug te roepen?

En waarom, geachte lezers, is onze H. Moeder zoo boven alle menschelijke onvolmaaktheden verheven?

Omdat zij bezield en geleid wordt in hare handelingen door den Heiligen Geest Gods.

Omdat de Kerk de onafhankelijkheid van ieder volk, van iederen Staat erkent, om zijne eigene zaken naar verkiezing te regelen, mits verantwoording niet aan de Kerk, maar aan God.

Omdat zij geen ander doel beoogt dan de meerdere eer en glorie Gods en het heil der zielen, overtuigd van de waarheid van het goddelijke Woord: Zoekt eerst het rijk Gods en diens gerechtigheid, en het overige zal u worden toegevoegd.

Wilt gij, geachte lezers, weten , waarin vooral de Kerk toont, dat zij de onafhankelijkheid der Staten erkent?

Het is allerduidelijkst daarin zichtbaar, dat de Kerk met alle Staten, met de kleinste zelfs, concordaten sluit en aan de regeeringen gunsten verleent, die door de Katholieke onderdanen dier Staten niet altijd even gunstig beoordeeld worden.

De Paus ziet alles van de hoogten des geloofs, en wie kan met zijne menschelijke rede die hoogten beklimmen?

Maar indien dan onze Moeder de H. Kerk omtrent de verschillende regeeringen zoo indifferent schijnt, zullen wij daaruit mogen , ja moeten besluiten, dat al die regeeringen ook in zich indifferent zijn en niet in strijd mat de Kerk of de Christelijke beginselen?

De Zaligmaker zond Zijne Apostelen, om alle volken te onderwijzen, en die volken waren heidensche volken, waar het Christendom slechts vervolging te wachten had.

-ocr page 23-

21

Waartoe diende dat onderwijs? Om ze te leeren, hoe zij een Gode welgevallig volk zouden uitmaken.

En hoe noodzakelijk dat onderwijs ook voor onze dagen nog is, dat leert ons de Encycliek Immortale Dei van 1 Nov. 1885. Het is, gelijk gezegd is, het program der komende eeuwen, dat wij, Katholieken, en vooral de Katholieke Staatslieden moeten toepassen. Hoe anders zal dat pogram werkelijkheid worden?

Wij gaan over tot een ander feit, dat ten hoogste uwe aandacht, geachte lezers, verdient en ook waardig is. Wij lev(gt;n en bewegen ons daarin.

3. Wat is constitutioneele Staatsvorm, wat constitutioneele Staat?

Ik zeg, geachte lezers, constitutioneele Staatsvorm en constitutioneele Staat, en ik verzoek u daarop wel te letten.

Indien ik het eens ware met wat gezegd wordt op bl. 328: „ De constitutioneele Staat is een Staats- of regeeringsvorm,quot; ware het zeker voldoende te vragen: wat is een (niet de) constitutioneele Staat?

Een Staat, welke ook, is niet een Staatsvorm, maar heeft een Staatsvorm en wordt, meen ik, daar naar genoemd en daardoor van andere Staten, die een anderen vorm hebben , onderscheiden. De vorm , zegt men , geeft het zijn aan de zaak, forma dat esse rei.

Zoo zeggen wij terecht: Nederland is geen monarchale, geen autocratisclie, geen republikeinsche, maar een constitutioneele Staat, omdat het niet een der eerste vormen maar wel den laatstsemelden vorm heeft

Ik meende dus te recht onderscheid te mogen maken

-ocr page 24-

22

tusschen constitutioneelen Staatsvorm en constitutioneelen Staat.

Zoo zullen wij geen gevaar loopen var. iets als van den vorm op zich gezegd te beschouwen, wat van den Staat gezegd wordt, en niet den abstract gedachten vorm (per se) verwarren met den werkenden vorm (actu). Wat is dus een constitutioneele Staatsvorm?

Onzen hooggeachten schrijver mogen wij wel een bijzondere liefde voor dien vorm toekennen, daar hij zonder dat zijn vorm in het openbaar is aangevallen, dien in het openbaar tracht te verdedigen en aan te bevelen. Of hij de moening van sommigen is toegedaan , die dezen vorm houden voor der hesten refreerinfs-

O Ö

vorm, ten minste voor de thans eenig mogelijken regee-ringsvorm, is ons niet duidelijk gebleken.

Zeker meenen wij, geachte lezers, bij niemand beter te kunnen vernemen, wat wel een constitutioneele refee-

O

ringsvorm, die, zooals uit het aangehaalde blijkt, is de constitutioneele Staat, inderdaad of wilt ge liever uitteraard is? Ziethier het antwoord; bl. 326 lezen wij: „ De constitutioneele monarchie is een regeeringsvorm, waarin twee dingen het wezen uitmaken , de monarchie en de volksvertegenwoordiging. De verhouding van deze twee elementen (dingen) tot elkander, de macht enz. enz. enz. . . . deze dingen worden in een Grondwet geschreven Een monarchie, een volksvertegrenwoordifrincr,

O O O quot;

een Grondwet, deze drie elementen maken den reo-eerinws-

O o

vorm, die de constitutioneele monarchie wordt genoemd.quot;

Hoe er uit de vermenging dezer drie elementen een vorm gefabriceerd wordt, die de constitutioneele monarchie wordt genoemd, dat geheim, geachte lezers, wordt ons niet medegedeeld.

In allen gevalle weten wij, dat, om een constitutioneelen

-ocr page 25-

23

regeeringsvorm te maken, drie elementen gevorderd worden: een monarchie, een volksvertegenwoordiging en een Grondwet. Immers deze drie elementen maken den regeeringsvorm, die de constitutioneele monarchie wordt genoemd.

Om nu tot een duidelijk begrip van den vorm te komen, zouden wij eerst dienen te weten: wat is monarchie, wat volksvertegenwoordiging, wat grondwet?

Dit wordt ons niet gezegd. Men veronderstelt, dat wij allen, geachte lezers, zoo ervaren zijn in de Staatswetenschap, dat wij dat alles reeds weten; dat, als er een monarchie, een volksvertegenwoordigingen een grondwet zijn, deze drie elementen zich zoodanig aantrekken en vereenigen en vermengen, dat zij maken den regeeringsvorm, die constitutioneele monarchie genoemd wordt.

Of het u nu duidelijk is, geachte lezers, wat een constitutioneele regeeringsvorm is, kunt ge voor u zeiven beantwoorden; voor mij, ik moet het bekennen, wellicht wegens mijne onkunde in de wetenschap, die men noemt scheikunde, blijft de zaak ten hoogste duister.

De voorstelling en de gebezigde uitdrukkingen zijn daarbij zoo zonderling; let eens op: een monarchie (niet een monarch), een volksvertegenwoordiging (niet volksvertegenwoordigers) en dingen, die in een grondwet geschreven worden, men weet niet door wie? Toch zeker niet door monarchie en volksvertegenwoordiging:?

O O O

Het schijnt mij toe, geachte lezers — en denkt niet, dat ik scherts, maar denkt, dat ik ernstig spreek — het schijnt mij toe, dat dit kind van abstracte verbeelding nog niet tot bewustzijn van zich zeiven gekomen is.

Zouden wij niet beter doen, om ons te vergenoegen met hetgeen de Leuvensche hoogleeraar Moulaet schrijft (zie blz. 332):

-ocr page 26-

24

„Die Katholische Schule hat ebensowenig wie eine jede andere einen einzigen Constitutionstypus, welcher iiberall und immer anwendbar ist.quot;

D. w. z.: De Katholieke school heeft evenmin als iedere (school) eenen eenigen constitutionstypus, welke overal en altijd kan worden toegepast.

Wij weten dan ten minste dat het een vorm is zonder bepaalden vorm, die men dus naar dat de omstandigheden het vorderen gemakkelijk kan wijzigen , ja zelfs maken , indien men slechts zorgt volgens den Leuvenschen hoogleeraar Moulart, dat „de noodzakelijke vrijheid der Kerk en de zedelijke orde daardoor niet bedreigd worden.quot;

Mag ik u, geachte lezers, hier herinneren aan hetgeen de Katholiek eens geschreven heeft omtrent den con-stitutioneelen regeeringsvorm ? Het was slechts in het voorbijgaan, in eene noot in dl. 36, bl. 145; do noot betreft de Bonald, en van hem wordt eezecd:

o o

„Hij verwart de abstractie met de werkelijkheid en het leven. Immers de oorzaak, liet middel en effect zijn werkzaam, zijn geen doode abstractiën, en door de werking wordt het middel meer en meer aan de oorzaak gelijk en desgelijks het effect. De vrouw verkrijgt hare laatste vorming in het gezin (zelfs zekere mannelijke natuur in den ouderdom), en het kind wordt groot, wordt man. De gelijkheid der drie personen, waarnaar de streving is, kan dus niet bereikt worden: de zoon wordt mondig, en het gezin lost zich op. Maar wat niet plaats heeft in de onvolkomene maatschappij des gezins, kan plaats hebben in de openbare maatschappij Hoe zoo? Kan in een en denzelfden Staat een ordelijk levensproces zijn, en toch koning, aristocratie en volk gelijk zijn? Onmogelijk. Dat is de pantheïstische streving van het constitu tionalismus.quot;

-ocr page 27-

En, dit vopgen wij er bij, constitutioneele regeerings-Torm zal dus zijn een vorm, geschikt om het volk gelijk te maken aan den Koning en den Koning gelijk aan het volk.

En daar de middelen tot dit doel menigvuldig zijn , en die gelijkheid niet aanstonds kan worden ingevoerd, als strijdig met de natuur, begint men met die gelijkheid en de middelen, die men zal bezigen om daartoe te geraken, in een grondwet te schrijven.

Mij dunkt, geachte lezers, zoo beginnen wij er iets van te begrijpen, hoe een monarchie, een volksvertegenwoordiging en een grondwet drie elementen zijn, die een regeeringsvorm maken, welke de constitutioneele monarchie genoemd wordt.

?!aar waartoe nog langer naar den vorm gezocht, we leven immers in en te midden van constitutioneele Staten , waar die vorm wel levend en «erkend zal zijn.

Vragen we dan liever: wat is een constitutioneele Staat, en hoe is die gesteld ten opzichte der Kerk? Zoo naderen wij tot de eigenlijke vraag, of de constitutioneele monarchie met het Christelijk beginsel in strijd is of niet?

De vraag: wat is constitutioneele Staat? is voor ons, oningewijden, gemakkelijker te beantwoorden dan: wat is een constitutioneele regeeringsvorm?

Wanneer de wetenschappelijke mannen het over een constitiitionstypiis nog niet eens schijnen te zijn, hebben wij hier slechts rond te zien, hoe die nog onbepaalde vorm, op de volken toegepast, inderdaad en uitter-aard werkt.

Uit de werking, gelijk wij boven zeiden, blijkt de natuur der zaak.

Wij, Nederlanders, leven in een constitntioneelen

-ocr page 28-

26

Staat; in België constitutioneele Staat, in Frankrijk constitutioneele Staat, in Duitschland constitutioneele Staat, in Italië constitutioneele Staat.

Daar zien wij het constitutionalismus in werking en vooral de streving, om zooveel mogelijk allen in het politieke gelijk te maken , zooals bij onze Grondwetsherziening weer duidelijk gebleken is.

Onze H. Vader zegt daarvan in Zijne Encycliek: Eornm principiorum illud est maximum, ornnes homines, quemadmodum genere naturaque similes intelliguntur, ita reapse esse in actione vitae inter se pares.

dat is: Van die (valsche) beginselen is dit het voornaamste, dat alle menschen, zoo als zij in geslacht en natuur gelijkend gedacht worden, zoo inderdaad in het werkelijke leven onder elkander gelijk zijn.

Als wij dan de werking van dien constitutioneelen Staat zien, dan zeggen wij:

Een constitutioneele Staat is een Staat, waarin monarchie en volksvertegenwoordiging (om die termen te behouden) met elkander in voortdurenden strijd zijn; hetwelk daaruit blijkt, dat de monarch of president door de volksvertegenwoordigers gedwongen wordt zijne ministers te hunnen believe te veranderen.

Een constitutioneele Staat is een Staat, die men wel eens genoemd heeft een wettenfabriek. Alles moet door de wet geregeld worden, tot de klein-kinderenscholen toe. Zoodat de ministers van den Koning werk eenoec

O O O

hebben , om aan de volksvertegenwoordigers steeds nieuwe ontwerpen aan te bieden, opdat de Wetgevende Macht, zoo noemt men die Kamers, hunne wijsheid in het wetten maken kunnen toonen. Ubi plurimae leges, ibi pessimae reipublicae, heeft men gezegd. En terecht, want de wet moet de zeden vormen, de orde handhaven, den burgers die

-ocr page 29-

27

vreedzame rust, welke door de orde wordt voortgebracht, bezorgen. Maar welke rust en welke orde is mogelijk bij de steeds veranderde en veranderende wetten?

Een constitutioneele Staat is een Staat, waarin de burgers door de noodzakelijke splitsing in partijen, elkander voortdurend bestrijden en de meerderheid de minderheid onderdrukt en uitsluit.

Een constitutioneele Staat is een Staat, waarin de belastingen voor de burgers steeds drukkender worden en men er niet aan denkt, om de burgers te ontlasten, maar moer te belasten.

Een constitutioneele Staat is een Staat, die zich vijandig stelt tegen God en godsdienst en de banden, die den Staat aan God verbinden, steeds losser maakt. 1)

Een constitutioneele Staat is een Staat, die in zijn Grondwet en wetten allerlei beginselen schrijft, die door onze Pausen niet kunnen goedgekeurd, maar goddeloos, ongerijmd, verwerpelijk, verderfelijk geoordeeld worden.

Mij dunkt redenen genoeg, om te mogen zeggen, dat zulk een Staat in strijd is met het Christelijk beginsel.

Zoodanig dan is de toestand, dien wij aanschouwen en ondervinden. Hier meer, daar minder. En het zonderlingste is, dat in iederen constitutioneelen Staat hetzelfde steeds terug-keert.

Men heeft echter, geachte lezers, ook hier een uitvlucht uitgedacht, die men onder verschillende vormen terugvindt, om de veroordeeling der constitutioneele monarchie door het gezond verstand en de ondervinding

o o

te ontgaan.

\') Men leze het werkje van Pater van den Anker: Het naturalisme in den Staat.

-ocr page 30-

28

Ook daarover dienen wij een oogenblik met elkander van gedachten te wisselen.

Wij zullen ons alleen bepalen bij het onderscheid, door onzen geachten schrijver gemaakt.

BI. 333 bekent hij , dat „ men moderne vrijheidsbegrippen, door de Pausen veroordeeld , in sommiqe grondwetten van

«/ O

onzen tijd als beginselen vindt neergeschreven,quot; en, zoude men er kunnen bijvoegen, waarnaar door goede Katholieken soms gehandeld wordt.

Er volgt echter een „ maar die geenszins behooren tot den constitutioneelen regeeringsvorraquot; die, gelijk wij weten, constitutioneele monarchie genoemd wordt.

Zietdaar, geachte lezers, hot onderscheid, dat gemaakt wordt, terwijl men anders niet zoo nauwkeurig is in liet onderscheiden,

We zouden kort kunnen antwoorden: quod gratis asseritur gratis negatur.

Doch het groote belang van de zaak vordert, dat wij er een oogenblik bij vertoeven.

Wij zijn hier, geachte lezers, genaderd tot het eigenlijke punt, de cardo quaestionis.

En daarom verzoek ik u hierop te letten, dat tot nu toe allen, wien Encyclieken, Allocutiën en Syllabus in den weg stonden, tot dergelijke onderscheidingen hunne toevlucht namen.

Het is mij, gelijk ik reeds zeide, niet om den persoon , maar om de waarheid te doen, en daarom bespaar ik u die verwijzingen.

Wij hebben dus het antwoord: maar die behooren geenszins tot den constitutioneelen regeeringsvorm.

Waartoe behooren zij dan, zoo vraagt gij met mij, indien ze in den constitutioneelen staat gevonden worden?

Verneemt het antwoord.

-ocr page 31-

29

BI. 323. „Het blijkt noor\'.ig hier nog bij te voegen, dat de constitutioneele Staat niet gelijkluidend (een dubbelzinnig woord) is inet modernen Staat. De constitutioneele Staat is een Staats- of Regeeringsvorm; de moderne Staat is een theorie, een stelsel van Staatsbeleid. Tot den modernen Staat behooren de moderne begrippen en vrijheden, die door den onsterfelijken PiusIXin zijn Syllabus als verwerpelijk en verderfelijk worden aangewezen, enz.quot;

Het raadsel is opgelost. De constitutioneele Staat bestaat uit twee Staten, die met elkander zoo vereenigd zijn, dat de constitutioneele Staat is een Staats- of regeeringsvorm en de moderne Staat een theorie , een stelsel van Staatsbeleid. Tot den constitutioneelen Staat behoort al wat goed is en tot den modernen Staat al wat verwerpelijk en verderfelijk is.

Ik laat de beoordeeling van deze onderscheiding, geachte lezers, aan uwe wijsheid over en zal mij niet verder in de zaak verdiepen.

Het is mij om het even, of gij voortaan zegt: wat met het Christelijk beginsel in strijd is, behoort tot den modernen Staat of tot den constitutioneelen Staat.

Voor mij zijn constitutioneele Staat en moderne Staat niet gelijkluidend, maar van gelijke beteekenis.

Boven heb ik aangehaald, hoedanig in die moderne constitutioneele Staten een Katholiek zich te gedragen heeft, volgens de leer van onzen H. Vader, en beveel u vooral de lezing van die Encycliek Immortale Dei aan. Ge zult echter opgemerkt hebben, hoe men moet zorgen om die verderfelijke en verwerpelijke beginselen niet goed te keuren. Ik wil eindigen met een aanhaling uit de Katholiek, die, niettegenstaande hij het constitutionalismus ten strengste veroordeelt, voor onze handeling den volgenden regel aangeeft:

-ocr page 32-

30

Dl. 36, biz 195 Zulk eene Staatsregeling kan men als feitelijk bestaaml recht erkennen, en is men niet alleen verplicht als zoodanig te erkennen, waar zij bestaat, maar door haar, als feitelijk reclit getrouw na te leven, zou men met de natuur medewerken, welke allerlei overgangen en middelen heeft om de ware orde weder in te voeren.quot;

Ik eindig hier mijne verdediging. Bij het aanstaande Jubilé moeten alle Katholieken zich één van hart en één van ziel om den algemeenen Vader vereenigen. De strijd moet niet rusten, maar de strijd moet uit zijn. De Kerk heeft in onze dagen van veelzijdigen aanval behoefte aan verdedigers, en het is zeer verkeerd, dat wij onder elkander zouden gaan twisten. De eenheid is onze kracht tegenover den gemeenen vijand. Verdeeldheid maakt ons onmachtig en belet den heilzamen invloed der Katholieken in onzen zoo ongelukkigen tijd. Voor hen, die bevangen zijn door allerlei verderfelijke dwalingen, is er geen redding dan door de waarheid, veritas lïberabit vos. En die waarheid is het eigendom der Kerk, columna et firmamentum veritatis.

Gij vraagt mij ten slotte, welke meening zullen wij volgen? Immers, geachte Lezers, wat wij verdedigen is slechts meening.

Ik antwoord:

In de beginselen eens, gaan de meeningen bij de toepassing dier beginselen dikwerf uiteen. De een zegt: ja, de andere: neen en de derde: ik maak onderscheid.

Op de vraag: is de moderne maatschappij met hare

-ocr page 33-

31

vrijheidsbeginselen enz, in strijd met het Christelijk beginsel? zult ge hetzelfde vinden. De Katholiek antwoordt: Ja. Men zie dl. 14 Een blik op den algemeenen toestand en dl. 36. De toestand van het Protestantisme. Hij noemt den toestand anti-Christendom en de constitutie: Absolute revolutie.

Echter met de bepaling, dat men het bestaand recht moet erkennen, gelijk ik boven heb aangehaald.

Sommigen zeggen neen, zij is niet in strijd, en de Kerk kan en mag zich daarmede verzoenen. Ik reken daartoe de liberaal-Katholieken. \')

Een derde meening maakt onderscheid: onderscheid tusschen den Staatsvorm op zich zelf beschouwd en de bijkomende zaken, die er, zoo zij meenen, niet noodzakelijk toebehooren en er van kunnen verwijderd worden.

Omtrent den Staatsvorin, zeggen zij, is de Kerk indifferent; maar de bijkomende zaken als godsdienst-persvrijheid, gewetensvrijheid enz. veroordeelen zij met én in den zin der Kerk. En nu volgt een tweede onderscheid , waarover wij verder zouden kunnen en wellicht moeten uitweiden, tot terechtwijzing van sommige verkeerde begrippen.

Men veroordeelt die valsche vrijheden in theorie en in beginsel, en dat is noodzakelijk, maar tolereert oï verdraagt ze als feitelijk bestaande in de burgerlijke maatschappij en wetten

En ofschoon nu die beginselen door de Kerk veroordeeld worden, zoo leert deze toch, dat de burgerlijke verdraagzaamheid, van iets wat kwaad en verkeerd is, niet met het Christelijke beginsel strijdt Hier

\') Men zie Mgr. Deschamps Les Catholiqnes-libéraux. Deuxième lettre k un publiciste.

-ocr page 34-

32

geldt het: niet uitroeien, maar laat beiden, goede tarwe en onkruid, groeien tot den oogst\'

Ik dank den goedgunstigeu lezers voor hunne mij verleende aandacht. Heb ik mij van dwaling weten vrij te houden, dan zij Gode alleen daarvan de eer. Ik heb God gebeden, dat ik voor u een goed leidsman zoude mogen zijn, en hoop dat God mijn gebed verhoord heeft; want als de blinde den blinde leidt, vallen dan niet beiden in den kuil?

-ocr page 35-

quot; , 11 ■ \'

A

-ocr page 36-