Mr. Eugene van Oppen Jr.
IK MEMOBIAM
gj OPGEORACEN
AAN
tes mMmi Wierwaiitea en vritto
■n ■ ■: \'VyS
C3-. JOlSrOISBILiOET-
mmmm:
Mr. Eugène Van Oppen Jr.
_:_
■
Mr. Eugène van Oppen Jr.
IN MKMORIAM
OPGEDRAGEN
n
A AX
Vak 151
ies ovsrledfiiieii lloBiyeriaiileii i vrieMeii
DOOK
Gr. jrOlNTCKBLOET.
DRUK VAN M. ALBERTS EN ZONEN TE GULPEN.
EIGENDOM DES SCHRIJVERS.
Mr. EUGENE VAN OPPEN Jr.
L\'herbe pousse plus vite au cceur que sur la fosse;
Une pierre, une croix, le terrain qui se hausse Disent qu\'un mort est 14.
Mais quelle croix fait voir une tombe (tans 1\'anie?
ThéoJgt;hiU Gautier. La comédie (le la mort.
Alle vrienden van clen jeugdigen rechtsgeleerde, wiens naam aan het hoofd dezer bladzijde staat, zullen, wat hem betreft, verzet aanteekenen tegen den vierde dezer weemoedige regelen. Bij het rijzen der terp , die het stoffelijk overblijfsel van Eugkxe van Oppen bedekt, werd den 16,,en April jongstleden een kruis opgericht in het hart van hen allen; en ik ben overtuigd dat velen het met zich zullen dragen tot de stonde daagt, waarop zij zei ven nederzinken in de groeve, beschreid door tranen, die getuigenis zullen afleggen van de smart, welke ook hun henengaan zal achterlaten in de ziele van velen.
Het is de bedoeling van dit kleine geschrift dien vrienden een geschenk te geven, tot aandenken aan dengene, dien zij oprecht en vurig beminden. Den hemel zij dank, dat ik mij-zelven mag rekenen tot hun getal. Ik heb Eugène gekend terwijl hij op de schoolbanken zat als knaapje van elf, twaalf jaren. De sympathie, mij toen reeds in het hart gestort, nam toe naarmate zijn talent
6
en zijn karakter zich in den loop der jaren ontwikkelden. Ik geloof te kunnen zeggen , dat de genegenheid haar toppunt bereikte, toen hij, den ïden Maart jl., mij een bezoek kwam brengen en ik, gedurende een hoogst vertrouwelijk onderhoud van twee volle uren, van nabij mocht aanschouwen, tot wat heerlijke vrucht de schoone bloesem zijns levens gerijpt was. Het zou de laatste maal wezen dat wij elkander ontmoetten. Den (.)den April trof mij de verpletterende mare van het onheil, dat het aardsche geluk der zijnen kwam vernietigen; den 14\'\'\'\'quot; daaropvolgend bezweek hij aan zijne wonden; den 1G\'\'6quot; weende ik bij zijn graf.
Hoe luide sprak die stille groeve, op het Ambysche kerkhof, van onbestendigheid alles aard-schen! Een jongeling van nog geen twee en twintig jaren; begaafd met talenten van geest en hart, gelijk er slechts zelden vereenigd worden gevonden; krachtig en schoon van lichaam; eene gezondheid genietend, welke de sterksten hem mochten benijden ; bij den ingang der schitterendste loopbaan onvoorziens nedergeworpen door het staal van een moordenaar; en te ruste gaande op het kerkhof, aan de zijde van een vader en eene zustet, die, vóór acht dagen nog, zich met hem verheugden in het meest onbekommerde geluk; — is het wonder, dat wij moeite hadden ons van de werkelijkheid te overtuigen van hetgeen wij zagen? dat er gedachten in ons oprezen vol somberen weemoed; gedachten, welke peinzen deden aan
1
liet „ vanitas vanitatumquot;, hetwelk, naar getuigenis van een zijner academievrienden, de jeugdige overledene, zij het clan ook somwijlen half schertsend, menigmaal op de lippen had
Antoink Ferdinand Eugene Hubert van Oppen, oudste zoon van den Weledelgestrenge!! Heer Mr. Eugène van Oppen, Advocaat-Procureur, en Vrouwe Antoinette Boots, werd geboren te Maastricht den 26stequot; Mei 1863. Als kind bezocht hij de school der Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis in zijne woonplaats; ving zyne latijnsche studiën aan in het Gymnasium te Sittard, waar hij verbleef van April 18ÏB tot Augustus 1876; bracht daarop vier jaren door in het klein Seminarie van Rolduc; voleindigde aldaar zijne humaniora; doorliep er vervolgens den eenjarigen cursus van wijsbegeerte; ging in de maand September van 1880 ter Hoo-geschool in Utrecht; deed zijn doctoraal-examen in Juni 1884; promoveerde den 18lt;len November van hetzelfde jaar en gaf den 14den April 1885 zijne rijkbegaafde en reine ziel aan Uod weder.
Rijkbegaafd en rein: gelukkig hij op wien die woorden passen! Zijn henengaan moge dan tranen lokken in de oogen en zuchten doen rijzen uit het hart; oog en hart verheffen zich van de groeve naar boven; dood en graf spreken zwijgend van opstanding, vergelding en leven.
8
Het was niet noodig langen tijd met Eugène om te gaan, om overtuigd te wezen van den rijkdom zijns geestes. Evenals in het tintelend oog van zijn vader, lag ook in het zijne iets, dat u aanstonds sprak van verhevenheid boven het gewone. Iets scherpzinnigs, iets dóórdringends in de plooien ook van het meest verborgene. Wie vóór luttel jaren het schoollokaal binnentraden, waar hij met zijne kleine makkers gezeten was, zij het b. v. om zich de eerste beginselen eigen te maken der klassieke talen, waren niet verwonderd, dat de leeraar Eugène voorbijging wanneer het vragen gold, gemakkelijk door eenieder te beantwoorden, en zich tot hem wendde waar eene oplossing moest gegeven worden, welke helderder geestes-blik en dieper nadenken vereischte. — Niet anders was het later. Mij zijn personen bekend, die Eugène enkel zagen, niet spraken ; toch gewagen zij van de scherpzinnigheid zijns verstands. Want, ook op het enkele gezicht, was het niet mogelijk het gevoel te weren, dat men zich bij hem, gelijk bij zijn vader, in tegenwoordigheid bevond van het verstandelyk supérieure.
Met dien gelukkigen aanleg tot bedrevenheid in de wetenschap ging, naar getuigenis van al zyne leermeesters, een geheel buitengewoon studietalent gepaard. Reeds als kind arbeidde hij methodisch. Er lag ordelijkheid over al zijne verrichtingen. Niet de vlinder mocht zijn symbool wezen, maaide bij. De schat zijner kennis vermeerderde met
9
den dag. Niets, hoe verscheiden ook, werd opgenomen door zijn geest of aanstonds ter rechte plaats gezet, waar het waarlijk ter vermeerdering strekte van het reeds verworvene. „ Qui bene distinguit , bene doeetquot; placht hij tijdens /.ijne academiejaren te zeggen; en het is mijne overtuiging, dat hij als leeraar uitnemend geslaagd zou zijn.
De leden der Juridische debating - club, te Utrecht gevestigd, hebben zich menigmaal aan de scherpzinnigheid van den jeugdigen student vergast. Wie den 30stequot; April 188-1 zich in de vergaderzaal bevonden, spreken nog met warmte over zijne verdediging van drie stellingen, betreffende de scheiding van twee graden in de rechtswetenschap. Trouwens het lag geheel in Eugene\'s aard, met v hart en ziel gehecht te zijn aan genoemd gezelschap ; en helder staat het mij nog voor den geest, met wat geestdrift hij placht te verhalen van het genoegen, in die vroolijk-ernstig wetenschappelijke bijeenkomsten genoten.
Toen hij intusschen in de maand Juni des jaars 1884: zijn doctoraal aflegde, stonden velen, die hem niet van nabij kenden, verbaasd over de snelheid, waarmede hij het stadium der rechtskundige studiën had doorloopen. En toen hij den 18,Jequot; November daaropvolgende promoveerde, op een proefschrift getiteld: „ Eene rechtsvraag omtrent handelszaken.\'\'\'\' („Behoort eene handeling tusschen een koopman en een niet-koopt nan tot het handelsrecht of niet?quot;), waren al degenen, die wisten dat Eugène
io
de zaak ernstig opgenomen en met inspanning eigener krachten de dissertatie ten papiere gebracht had, verwonderd, dat een jongeling van een en twintig jaren zóó boud dorst optreden op juridisch gebied, en in quot;t openbaar de meeningen bestrijden van zijn eigen leermeester, den kort te voren ontslapen Hoogleeraar Mr. J. A. Fruin.
Met weemoed vraag ik mij af, wat er van dien heerlijken aanleg geworden zon zyn, indien Eugène zich geheel had mogen ontwikkelen onder de talentvolle leiding van zijn uitstekenden vader... Deze getuigde dat hij redenen gehad zou hebben van bewondering, indien zijn zoon, na drie of vier jaren onder zijne leiding geweest te zijn, eene juridische scherpzinnigheid had aan den dag gelegd als welke hij thans reeds deed blijken, na eene leiding van nauwelijks vier maanden.
Nadat hij, eenigen tijd te voren, te \'s Hertogenbosch gepleit had, trad hij den dag, die zijne verwonding voorafging, ten eersten male als pleiter op voor de Maastrichtsche balie. Door wie tegenwoordig waren bij het pleidooi en het optreden van den jeugdigen rechtsgeleerde aanschouwden is gezegd, dat Eugène bescheiden was, eenigzins bedeesd zelfs, gelijk passend was voor een jongeling zijner jaren; doch tevens, dat uit geheel zijne houding, uit den toon zijner stem, uit den vorm zijner gebaren, bovenal uit de fijnheid zijner redeneering viel op te maken, dat hij eenmaal, en weldra, der baiie zijner vaderstad ten roem zou
11
wezen, evenzeer als zijn vader het altoos geweest was.
Eugène had besef van de buitengewoonheid zijner geestesgaven. Hoe kon het anders 1 Hij had blind moeten zijn om niet de triomfen te aanschouwen, welke zijne superioriteit hem alom, en van jongs af, deed behalen. Met dat al, was er in hem geen zweem van pralerij noch van hoogmoed te bespeuren. Hij liep niet te koop met zijne wetenschap en was in dit, gelijk in vele andere opzichten, verschillend van vele jongelieden onzes tijds. Vandaar dan ook, dat hij in geen enkel gezelschap misplaatst was en van ganscher harte schertsen kon, in tegenwoordigheid ook der eenvoudigsten van geest. Flikkerde bijwijlen een straaltje van zijn vernuft door de wolkjes van het meest alledaagsche gesprek, het kwam geheel ongezocht en verscheen en verdween, door allen, behalve door hem-zelven, gezien en bewonderd.
Ziedaar Eugene\'s geest. Zijn hart ? Wie den 1 geien April jl. op het kerkhof stonden te Amby en de tranen zagen vloeien langs het gelaat van zoovelen, moeten getroffen zijn geweest en hebben bespeurd, dat de jongeling, welke er op dien dag ten grave gebracht werd, naast uitnemende gaven des geestes, nog uitstekender gaven des gemoeds in zijn binnenste gedragen had.
12
Eugene\'s aangename vriendelijkheid, het is waar, ging met zekere terughoudendheid gepaard, welke soms voor koudheid gehouden werd door wie hem niet dan zeer oppervlakkig kenden. Het had heel wat in, eer men toegelaten werd tot zijne intimiteit. Want kind des gevoels. in den weeken zin des woords, was hij, hoe teederhartig ook, in geenen deele. Doch had eenmaal zijn vlug-gaand verstand hem eene nobele zijde in een hart doen ontdekken, dan opende hij het zijne geheel en al voor eene vriendschap zoo hecht, zoo warm en zoo hartelijk als er slechts eene op aarde gevonden wordt. De Heeren P. Haanebrink, Aug. Tichelaar en Ant. Vos de Wael, — om slechts dezen, zijne boezemvrienden te Utrecht, bij name te noemen — kunnen het getuigen. Zelden heeft viertal van elkanders zielen geleefd als zij.
Niemand echter heeft meer van Eugene\'s hartelijkheid genoten dan zijne uitgebreide familie, dan zijne ouders, zijne zusters en broertjes.
De liefde, welke hem aan de leden zijner familie hechtte, was eene geheel buitengewone. Zij openbaarde zich bij elke gelegenheid, vroolijk of droevig, in de innigste belangstelling. Vond Eugëne geen lust in uitgaan, dewijl hij in het ouderlijk huis alles ontmoette wat zijn eenvoudig hart aan genoegen verlangde, toch bezocht hij meermalen per week zijne Ooms en Tantes en stadig ging bij die bezoeken de meest gulle opgeruimdheid van
13
hem uit. Daar is door zijn henengaan eene leemte gebracht in menig hem dierbaar gezin.
Dat hij zijn Vader en zijne Moeder teeder beminde, wien zal het verbazen? Waren zij hem vreemd geweest, nog zou de adeldom hunner zielen, indien het hem gegeven ware dien van nabij te kennen, zijn hart tot genegenheid hebben gestemd. Maar hij droeg in het gemoed de liefde, hem door die dierbaren betoond alle de dagen zijns levens; en geene enkele der duizenden weldaden, van Papa en Mama ontvangen, welke niet met voor zijn oog zichtbare letters geschreven stond in zijn dankbaar hart. Het was een lust en een genot, hem van zijne Ouders te hooren spreken; en de outroering, welke zich van hem meester maakte, zoo dikwerf hij , als student der Hoogeschool, hun vaarwel zeide, om zich, na afloop der vacantie, naar Utrecht te begeven, gat keer op keer blijk, dat hij waarlijk een kind was, in den edelsten en aandoenlijksten zin.
Even nauwe banden hechtten zijn hart aan al zijne broertjes en zusters. Mijn vinger beeft van aandoening, wanneer ik herdenk, hoe teeder bovenal hij de oudste hunner beminde, hem meer nabij in jaren, die heldhaftige Marie, in- en uitwendig zoozeer aan hem gelijk en thans op het kerkhof te Amby sluimerend aan zijne zijde. — Hij was de lieveling zijner jongere broertjes en zusjes. Altoos er op bedacht den kleinen genoegen te verschaffen, had hij steeds eenige lekkernijen
14
op zijn kantoor, waar zij gestadig vrijelijk mochten binnenkomen en telkenmale voor him bezoek beloond werden door een snoepje uit de doos met bonbons. Nooit begaf hij zich te ruste zonder eerst de kamers, waar de kleinen sliepen, bezocht te hebben. Dan drukte hij, terwijl zij sluimerden, een hartelijken kus op hun voorhoofd en gaf, bij het heengaan, altoos een kruisje ten zegen aan allen. Kwam hij des ochtends naar beneden, steeds droeg hij eea der kleinen op zijne armen. Lusti-ger aanvang van den dag, dan zijne hartelijkheid telken morgen aan het gelukkige huis bereidde, was niet uit te denken. Mij heugt, van der familie vreemde ooggetuigen, te hebben hooren verhalen, hoe Eugène met de vroolijke kleinen ter kerk ging, tot stichting van eenieder nederknielde in hun midden en een wakend oog hield over aller kinderlijk gebed. Toen ik, na afloop der begrafenisplechtigheid op den 16\'Jen April, der arme weduwe een bezoek bracht, die met de portretten van Papa, Marie en Eugène vóór zich zat in gezelschap barer thans oudste dochter Tonia, sneed liet mij door de ziel, toen ik een tweetal kleinen, welke nauwelijks besef hadden van de ramp die hen had getroffen, de kamer zag binnenkomen, hen zwijgend een kus zag drukken op de beeltenis van Eugène, cn voorts, na Mama en Tonia omhelsd te hebben, schreiend het sombere vertrek zag verlaten.
15
Geen wonder dat zijne zusters en broertjes zooveel van hem hielden; want huiselijk genoegen was Eugene\'s lust en leven. Ontweek hij aan de Hoogeschool van Utrecht alle singnlariteit en begaf hij zich, schier geregeld, vóór het diner naar de Societeit der studenten, hij vertoefde er gemeenlijk slechts kort. Zonder de samenkomst met anderen te vluchten, zocht hij liefst zijne ontspanning in het hartelijker onderhoud met de enkelen, die waarlijk zijne intiemen verdienden te wezen. Vandaar dan ook, dat hij er van hield zijn altoos eenvoudig diner, immers hij had een zekeren afkeer van alle praal en weelde, te gebruiken op zijne kamer, in gezelschap van een zijner vrienden, die om de beurte, dag aan dag, zijn gastheer was of zijn gast.
Doch bovenal te Maastricht, in de woning zijner dierbare Ouders, gaf hy blijken van zijn huiselijken aard. Slechts bij groote uitzondering zag men hem in een koffiehuis verschijnen; en, werd hij er aangetroffen, men konde verzekerd wezen, dat hij er zich bevond om een vriend ol eene kennis te ontmoeten, niet om er uitspanning te vinden. Zijne gelukkige uren beleefde hij te huis; des avonds vooral, wanneer na afloop van de drukke werkzaamheden des dags, Papa, Mama en kinderen by elkander kwamen. Hadden de kleinen zich naar bed begeven, dan vereenigde men zich op het kantoor of in de huiskamer; men las de nieuwsbladen, men sprak over de politieke ge-
16
beurtenissen, men koutte, men schertste, men lachte en niet dan noode werd de klokslag vernomen, welke het uur van te ruste gaan aangaf. Eugène hechtte zeer aan die prettige samenkomst. Toen hij mij laatstelijk bezocht, baatte al mijn drang om hem den laatsten trein te doen nemen niets; hij moest en zou vertrekken, reeds te acht ure: „Papa en Mama waren niet gewaarschuwd; zij rekenden op zijn bijzijn.quot; —
En waarlijk de goede jongen had reden om het ouderlijk huis bovenal te beminnen. Daar toch woonde metterdaad het geluk, dewijl God er in eere was, wiens liefde alleenlijk een huisgezin gelukkig maken kan.
Het is hier de plaats niet uit te weiden over deze laatste gedachte. Dit eene slechts: hoeveel geringer zou het getal wezen der Ouders, die zich bedroeven over hunner kinderen koudheid en tranen storten om hun wangedrag, indien zij, op het voorbeeld dergenen op wie deze regelen hen wijzen, dien kinderen van jongsaf liefde instortten voor het ouderlyk huis en hen, in die woning, het genoegen deden vinden naar hetwelk het hart dei-kinderen haakt, maar dat er slechts kan gevonden worden, wanneer werkdadige godsdienst in het gezin zijn invloed doet gelden!
Aldus was voor Eugène het huis zijner Ouders waarlijk eene plaats der vreugde; waarlijk tevens eene leerschool van die deugd en die godsvrucht,
n
welke hem zouden behoeden te midden der gevaren en hem, den rijkbegaafden, den alom ge-zochten en bijgevolg aan sterker verleiding bloot-staanden jongeling onwrikbaar deden blijven in de onschuld en tot een type maakten, waardig om door den Weleerwaarden Heer J. A. H. Wouters , den getuige zijner laatste levensdagen die het woord voerde bij zijn graf, ten voorbeeld gesteld te worden aan alle jongelieden, geroepen als hij om te leven in de hooge kringen der he-dendaagsche maatschappij.
Want een deugdzaam en innig godsdienstig jongeling was hij: niemand die hem gekend heeft zal aarzelen het te getuigen. Zijne deugd was niet enkel gevestigd op den brozen en wankelbaren grondslag des gevoels. Eene hoog-ernstige opvatting van alles wat op God en godsdienst betrekking had, deed hem, in zijne kindsche jaren reeds, onder de leiding zoowel zijner ouders als zijner leermeesters , doordringen met het verstand in het wezen van hetgeen zijn heiligen godsdienst betrof. Wel hield Eugëne vast met hart en ziel aan het „crede ut intelligasquot; des H. Augustinus: „geloof opdat gij begrijpet.quot; Maar, op den grondslag van dat kinderlijk geloof steunend, verhief zijn scherpzinnig verstand zich tot de heden ten dage helaas, te weinig bezochte sferen van het begrijpen, naaide mate onzer eindigheid, der verheven leerstukken van den geopenbaarden godsdienst. Geen won-
18
der dat hij, zelfs tijdens de vacanties, welke hem het leven aan de Hoogeschool vergnnde, in gezelschap zijns vaders de vergaderingen kwam bijwonen van de vereeniging „Geloof en Wetenschapquot;, te Maastricht gevestigd. Geen wonder dat hij, on-middelijk na zijn terugkeer in het ouderlijk huis, zelf er lid van werd. Geen wonder ook dat hij, te midden zijner talrijke bezigheden, nog tijd vond om boeken te lezen van hoog-ernstigen aard, die over do geheimen van den katholieken godsdienst handelden. Eugene\'s kinderlijk geloof bestraalde zijne mannelijke wetenschap; zijne mannelijke wetenschap bestraalde zijn kinderlijk geloof, en beiden, geloof en wetenschap samen, voerden hem op tot eene liefde, tot eene vastheid van overtuiging, die hem pal deden staan te midden dei\' aanvallen van twijfelzucht en onverschilligheid, welke hij , gelijk alle jongelieden onzer dagen , keer op keer ontmoette op zijn weg!
Vandaar ook in Eugène van Oppen die eerbied voor de priesters, de bedienaren van den katholieken godsdienst. Niet hij, de voor zijn leeftijd in wetenschap volmaakte, de alles bezittende wat de wereld een jongeling slechts kan toewenschen, vermeed den priester; gelijk zoovele anderen doen, die met mindere gaven van vernuft en kennis bedeeld zijn, doch wier wijsheid zich verre verheven acht boven alles wat den godsdienst betreft. Indien Eugène een priester op straat ontmoette
19
of een religieus, in welk gewaad dan ook gedost, schaamde hij zich niet hem, in het openbaar en voor het aangezicht van allen, met een vriendelijken groet te bejegenen. Veeleer zoude hij zich, in wat gezelschap hij zich ook bevond, geschaamd hebben; zoo de priester, hem bekend of onbekend, het eeiste zijn groet had toegebracht. De eenvoudige en arme liefdezuster stond in bet gemoed van dezen jongen advocaat wijd hooger aangeschreven dan wie haar met minachting bejegende; en zyn hart stond gereed in toorn te ontvlammen, wanneer eene tong, zij het ook schertsend, eene dier edele vrouwen bedreigde met eene: uitdrukking van spot.
Immers hij had besef van de waarheid en de waardigheid van den godsdienst, dien hij beleed uit volle overtuiging van verstand zoowel als van hart. Dit besef was in zijn gemoed bevestigd, dooiden voorgang zijner brave ouders, sedert zijne kindsche jaren. Hij wist dat die godsdienstige gezindheid de grondslag was zijns geluks, hier en hiernamaals, en wachtte zich wel lichtzinnig spel met zoo kostbaar een schat te spelen. Geene enkele beweegreden, hoe spitsvondig ook, zou er hem toe hebben gebracht zich in gevaar te stellen dien te verliezen. Men mocht hem spreken van minder goede dagbladen of tijdschriften, welker lezing noodzakelijk is, naar het zeggen van velen, om op de hoogte te blijven der politieke gebeurtenis-
20
sen. Ëugène wierp er geen blik in; las enkel couranten van de zuiverst godsdienstige beginselen en logenstrafte de bewering zijner verleiders door bi] elke gelegenheid te toonen, dat hij veel dieper, veel juister en veel omvattender blik had in de aangelegenheden des tijds dan zij. Men mocht hem spreken van boeken. romans of wat dan ook, van verdachten inhoud, welker lezing noodzakelijk is alweder, naar het zeggen van velen, om op de hoogte te zijn van den toestand der letterkunde in onze eeuw. Eugène sloeg ze van de hand, las enkel boeken, welke hij toonen kon zonder blos aan ouders, zusters en broeders; en logenstrafte alweder het beweren van wie hem tot andere lezingen wilden verlokken, door over litteraire zaken gesprekken te voeren, wier ernst al de schijngeleerdheid zijner tegenstanders te schande maakte.
Met dien eerbied voor den katholieken godsdienst en die ernstige opvatting zijner waarheden paarde hij eene voorbeeldige beoefening. Naar getuigenis van een zijner academievrienden, ontbrak hij te Utrecht niet alleen aan geen enkelen plicht, maar ook, zoo geene bijzondere bezigheden hem beletten, ging hij dagelijks ter kerk om de H. Mis bij te wonen. Hij gruwde van de gedachte om zijn morgengebed achter te laten of des avonds, zonder gebeden te hebben, zich ter ruste te begeven. Op gezette tijden. want hij was een man van orde overal en in alles, naderde hij tot de
21
H. Sacramenten, ten voorbeeld van velen wier zwakheid beducht is voor een glimlach. Altoos droeg hij het rozenhoedje bij zicli; en voor geen geld ter wereld had hij het scapulier afgelegd, dat kleed der trouwe kinderen van de Koningin des hemels. Trouwens de brave jongen kwam er alom voor uit, dat hij de H. Maagd Maria innig liefhad. Als student te Sittard en te Rolduc had hij zich altijd een voorbeeldig congreganist betoond; en hij bleef der Moeder Gods, gelijk wij zien zullen bij zijn zalig afsterven, getrouw tot zijn laatsten snik. Mij is verhaald door ooggetuigen, dat het een lust was Eugène gedurende de godsdienstoefeningen te zien bidden. Onlangs nog, in de Goede Week, volgde hij de plechtigheden van Witten Donderdag, Goeden Vrijdag en Paasch-zaterdag, in de Sint-Servaas te Maastricht, met zoo treffende ingetogenheid, dat het aan wie hem zagen niet mogelijk was de oogen van hem af te wenden.
Is het wonder, dat een jongeling, door zulke overtuiging en zulke godsvrucht gepantserd, of het ware, tegen de gevaren der verleiding, rein als een kind terugkeerde van de academie , waarheen hij rein als een kind was vertrokken \'1 De zekere terughoudendheid, die ik zeide dat met zijne aangename vriendelijkheid gepaard ging, was oorzaak dat het min goede, hetwelk hij wel eens zag, geen verlokkenden invloed op hem uitoefende. Tevens bewerkte zy, daL hij, door zijne positie in
22
aanraking gebracht werd met jongelieden van allerlei aard, steeds dezelfde bleef: opgeruimd en beminnelijk in den omgang; kalm, rustig, ernstig wanneer het betaamde; en, opgeruimd of ernstig, nimmer in woord of in daad het minst te kort doende aan zijne zeer strenge beginselen van godsdienst en goede zeden.
Beminnelijk, zeg ik, in den omgang; want hij was het in hooge mate. In hooge mate bezat hij het talent de deugd beminnelijk te maken. Ten bewijze strekke, dat vele studenten, tot eene andere kerkelijke gezindheid behoorend dan hij, oprecht veel van hem hielden en den omgang zochten van Eugène, die toch in alles zich liet leiden door de beginselen van den katholieken godsdienst. Slechts vorderde hij dat men eerbied koesterde voor wat eerbied vergt; en nooit zou hij iemand in zijn hart hebben opgenomen, op wien de minste vlek kleefde.
De invloed dan ook ten goede, door hem uitgeoefend, is veel grooter geweest dan hij-zelf wel wist. Ik zou den naam knnnen noemen van een, die mij zeide, dat het de gedachte aan Eugène was die hem heeft teruggevoerd van het pad der lichtzinnigheid ; de gedachte aan Eugène, die hem thans nog staande hield op den weg der deugd. De herinnering aan Eugène\'s braafheid was als eene stem, die voortdurend klonk in zijn gemoed en de onrust, uit den klank dier stem geboren, gunde zijn
hart geene rust, tot het, door terugkeer naar de vrome gevoelens der kindsche jaren, de bewustheid verkregen had, dat het zonder schaamte in tegenwoordigheid van den reinen en braven jongeling verschijnen kon.
En aldus stond Eugène van Oppen vóór ons, als type van den jonkman onzes tijds. Wetenschappelijk ontwikkeld in buitengewone mate; in buitengewone mate braaf en godvruchtig; rein van zeden, eenvoudig en beminnelijk in den omgang; met één woord alles bezittend, wat ook de strengste eischen kunnen vorderen of\' verlangen.
Wat toekomst lachte op aarde hem tegen! En welk een genot was het mi], den \'ï\'16quot; Maart jongstleden, op zoo vertrouwelijke wijze, over die toekomst met hem te spreken!— Helaas, de goede God had het anders beschikt. Nauwelijks was eene maand sedert ons onderhond vervlogen of Eugène lag in het graf. —
Niet aan mij is het, de in alle dagbladen vermelde gebeurtenis van den vreeslijken 9dequot; April te verhalen. Veel minder nog , een woord van verwijt toe te voegen aan hem die de wandaad bedreef, doch wien op zoo verhevene wijze door Eugène-zelven en, uit naam der geheele familie, openly k, door den Weledelen Heer August van Oppen, Rector aan het Maastrichtsche gymnasium, vergiffenis geschonken werd. Late ik slechts be-
24
proeven, volgens de getuigenissen, mij verstrekt door wie er bij tegenwoordig waren, u het afsterven van Engëne te doen aanschouwen; dat afsterven, dat de schoonste aller kronen zette op zijn braaf en voorbeeldig leven.
Het is bekend, dat Eugëne, op het oogenblik dat hij zich doodelijk gewond voelde, uit het ouderlijk huis vluchtte, om in de niet verre van daar gelegen woning van Dr. Mjst geneeskundige hulp in te roepen. Bij het binnentreden des huizes viel de arme jongen, ten gevolge van zijn bloedverlies en zijne pijnen , in onmacht. De lange duur dier bezwijming ontnam toen reeds aan de geneesheeren schier alle hoop op behoud.
Op het kerkhof te Amby is het reeds gezegd, doch het mag hier worden herhaald, dat Dr Nijst en Mevrouw zijne echtgenoote, gedurende al de dagen welke Eugène te hunnent doorbracht, hem eene liefde betoonden zoo groot en zoo hartelijk, dat zij geene meerdere zorgen hadden kunnen wijden, indien hij hun eigen kind geweest was. Uit naam aller vrienden van Eugène zij hun beiden alhier hartelijk dank gebracht! Het was een groote troost voor ons gemoed, te midden der droefheid waaraan ons hart ten prooi was, te mogen denken, dat de arme, om wiens lijden wij treurden, zóó liefderijk verpleegd werd en verzorgd, dat hem niets ontbrak van wat het menschelijk vermogen schenken kon.
25
Tocli, ondanks alle zorgen, zou de sponde, waarop hij Donderdag namiddag in de woning van Dr. Nijst werd nedergelegd, reeds Dinsdag daaropvolgend zijn lijk dragen.
Ik w il eenvoudig, en naar volle waarheid, verhalen wat er in dat tijdsverloop geschiedde; de feiten spreken luide genoeg, om mij van den plicht te ontslaan er bemerkingen bij te voegen. Een enkel woord vat alles te zamen: Eugène leed en stierf als eeu heilige; daar is geen zweem van overdrijving in mijne stoute uitdrukking.
Eene der twee Zusters van Liefde, welke al aanstonds ontboden waren, konde, toen zij den armen jongen daar zoo doorschoten en doorstoken zag liggen, haar gevoel van smart niet bedwingen. Zij zeide onwillekeurig bij zich zelve, doch luide genoeg om door Eugène gehoord te worden: „Wat moet men toch een beul zijn, om zoo iets te kunnen doen!quot; En hij, kalm en bedaard als naar gewoonte: „Ach, Zuster, hij wist niet wat hij deed!quot; — Ook de Weleerwaarde Heer J. A. H. Wouters, kapelaan der Sint-Servatius-kerk, was toegesneld om zijne priesterlijke hulp te bieden. Nog had hij den knop der deur in de hand toen Eugène, hem ziende, uitriep: „Kapelaan, ik vergeef alles, alles!quot; — Dezelfde gevoelens van verheven christelijke liefde uitte hij meerdere malen. Zoo zeide hij tot de tweede Liefdezuster, welke
4
liem op eenen anderen dag vroeg; „ Wel, Mijnheer Eugène, heeft U vergiffenis geschonken aan den man, die U zoo mishandelde?quot; „Och, Zuster, ik ben niet eens kwaad op hem geweest; ik heb niets te vergeven; die man moet niet goed bij zijne zinnen geweest zijn!quot; Aldus zocht hij-zelf verontschuldiging voor dengene, die hem, men-schelijkerwijze wijze gesproken, zoo diep ongelukkig gemaakt had.
De meer dan twijfelachtige, toen reeds verontrustende toestand des lijders deed het den ge-neesheeren wenschelyk voorkomen, dat hem de Laatste Heilige Sacramenten werden toegediend. Een enkel woord, door den Zeer Eerw. Heer Wouters daaromtrent gesproken, werd aanstonds blijmoedig, mft de gulste toestemming, door Eugène beaiu..c d. Slechts verzocht hij den priester hem vooraf de beteekenis der verschillende plechtigheden , bij de bediening gebruikelijk , te verklaren, opdat hij met meer godsvrucht de Heilige Sacramenten der stervenden zou kunnen ontvangen. Daar werd gehoor gegeven aan zijn verzoek; en met eene ontroering, grooter dan hij immer ondervonden had aan welk sterfbed dan ook, diende de Heer Wouters, na de H. Absolutie te hebben uitgesproken, Eugène het H. Oliesel toe en reikte hem voorts de H. Teerspijze, ter versterking in den laatsten strijd.
Kalm en rustig lag daar de arme jongen; kalm en rustig, in het bezit van zijn God; ondanks de
27
pynen, die hem kwelden, biddend voor wie hem dierbaar waren op aarde; biddend voor zich zeiven; biddend ook, en niet het minst, voor zijn vijand en moordenaar; geheel overgegeven aan Gods: H. wil en door zijne gelatenheid en zijne godsvrucht tranen lokkend in de oogen van allen die hem \'aanschouwden.
Intusschen was hij geheel onkundig van wat er in het ouderlijke huis was voorgevallen na zijne vlucht. Al vermoedde hij ook, dat er geworsteld was met den moordenaar en er ook wonden zouden zijn toegebracht, de dood van zijn Papa en zijne Zuster waren hem onbekend en werden hem ook geheim gehouden.
Den volgenden ochtend eerst ontving Mevrouw verlot hem te bezoeken. Aanstonds vroeg haar Eugène: „Mama, hoe gaat het rn-et Papalquot; Wat de arme moeder bij die vraag lö\' irf \'ontging den omstaanders niet. Na haar ontwijkend antwoord: „Vrij goed, lieve jongen!quot; bleven beiden eenige oogen blikken sprakeloos. Toen omhelsde de moeder zwijgend haar kind en verliet, oogenschijnlijk kalm, zijne lijdenssponde. Doch nauwelyks had zij het vertrek verlaten of zij bezweek onder de overmaat der smart en viel in eene bezwijming, die ongeveer een half uur duurde. Dezelfde marteling (of was het wel iets anders voor haar teederminnend moederhart?) ging de edele vrouw telken dage, met dezelfde kalmte, te gemoet. Eiken dag toch kwam zij haar lijdend kind bezoeken en den
28
laatsten nacht week zij geen oogenblik van zijne zijde. —
9
Ook naar zyne zuster Marie vroeg Eugène herhaaldelijk. Ik zeide reeds hoe innig veel hij hield van haar, die door Mgr. Rutten, met volle recht, eene edelmoedige dochter, een engel van onschuld, eene martelares der kinderlijke liefde genoemd werd. „Mamaquot;, luidde het onder meer, -is Marie ook gewond?quot; En alweder het antwoord ontwijkend, antwoordde de moeder: „Met Marie gaat het wel.quot; — Waarom komt ze me dan niet eens bezoeken % zij houdt toch zooveel van me!quot; „Marie moet bij Papa blijven, lieve jongen; en daarbij, ge weet wel dat ze verkouden Avas en niet uit mocht gaan.quot; — „Dan is het goed, Ma; als ik nu ook maar weêr gauw op de been ben, dan zal alles spoedig vergeten zijn.quot;
Men trekke uit deze laatste woorden niet de gevolgtrekking, dat Eugène geene bewustheid had van zijn gevaarlijken toestand. Keer op keer, doch nooit -wanneer zijne moeder tegenwoordig was, gaf hij door zijn spreken blijk, hoe goed hij wist dat zijn dood meer dan waarschijnlijk nabij was. Doch, teederste bewijs van zijne innige kinderlijke liefde en van zijn fijngevoelig hart, hij verborg, zooveel hij kon, zijn lijden voor het oog der arme, om haar de droefheid des aanschouwens te sparen.
Daar lag hij dan uitgestrekt, vijf dagen lang onophoudelijk ten prooi, in meerderen of minderen graad, aan smarten, van welke men zich
29
nauwlijks een denkbeeld kan vormen. Immers behalve de altoos voortdurende pijn der wonden, zoo vreeselijk reeds op zich zelve genomen, gevoelde hij keer op keer benauwdheden en krampen , die hem dwongen zich te wringen, te keeren en te wenden op zijne peluw en aldus de smart der wonden nog te vermeerderen. Doch te midden van dat alles, al spatten hem een enkele maal ook tranen uit de oogen, was hij kalm en rustig en vond zijn troost in de algeheele overgeving aan Gods heilig welbehagen en in de gedachte aan Jesus\' bitter lijden.
Gestadig hield hij zijne oogen op het kruisbeeld gericht en zuchtte hij: „Mijn Jesus, barmhartigheid!quot; of „Mijn God en mijn al! Mijn Heer en mijn God! Jesus, ontferm U mijner en verlicht toch mijne pijnen !quot; — Eens dat hij veel heviger nog gekweld werd dan anders, gaf eene der twee Liefdezusters, die met de haar eigene liefde voortdurend aan zijne sponde waakten, hem het kruisbeeld in de hand en spoorde hem zachtkens aan zijne lijdensuren door geduld te benuttigen. Plotseling teekende zich een buitengewone ernst op Eugene\'s bleek gelaat. Hij vestigde zijne blikken op het beeld van den Goddelijken Zaligmaker, drukte er een hartelijken kus op en sprak zacht: „Ach, Zuster, wie kan lijden zooals Deze leed?quot; En daarop luide en met de innigste godsvrucht bad hij : „O Gij, die alles voor mij gedaan hebt, die voor mij aan het kruis hebt willen sterven.
30
die alles kunt, heb medelijden met mij en leer mij toch geduldig zijn uit liefde tot U ! Ik vereenig mijne smart met de Uwe, die zooveel grooter was dan de mijne !quot;
Trouwens de eenvoudige en geheel kinderlijke godsvrucht, door Eugène op zijn ziek- en sterfbed aan den dag gelegd, was waarlyk treffend. Zelfs de Liefdezusters, gewoon bij stervenssponden te staan, moesten bijwijlen de kamer verlaten van louter aandoening.
Geen oogenblik wilde hij zijn rozenhoedje ter zijde leggen. Hield hij het in de rechterhand en wilde hij met deze een of ander verrichten, dan nam hij het zoolang in de linker. Gleed het soms van den arm, om welken hij het zich liet winden, dan verzocht hij aanstonds een der bij hem staan-den het er weder om te doen. Aanhoudend ook liet hij, al biddend, de koralen door zijne vingeren glijden. Op zekeren nacht dat hij geene rust kon vinden, zeide hij tot de Liefdezuster, die aan zijn bed gezeten was: „Zuster, ik kan niet goed slapen. Zouden wij samen niet eens een rozenhoedje biddenquot;?quot; Op het bevestigend antwoord kuste hij aanstonds, uit eigen beweging, driemalen het kruisje, aan zijn rozenhoedje bevestigd, maakte het teeken des H. Kruises en antwoordde, met heldere stem, terwijl de goede Zuster voorbad. Telkenmale als nij, in het „Onze Vaderquot;, aan de woorden kwam: „Vergeef ons onze schulden, gelyk wij vergeven onze schuldenarenquot;, legde hij er eene geheel
31
bijzondere klem op. Toen het rozenhoedje was ge-eindigd en de Zuster bespeurde dat hij vermoeid was, zeide zij: „Nu zullen wij ophouden, Mijnheer Eugene, U wordt te moe.quot; „Neen Zusterquot;, gaf hij ten antwoord; „laat ons eerst nog de litanie bidden van Onze Lieve Vrouw; die hoort bij het rozenhoedje; en dan ook nog een Onze Vader ter eere van mijn H. Engelbewaarder.quot;
Dikwijls bracht hij de hand aan het scapulier, dat hij droeg op zijne schouders, en raakte het aan, om zich te overtuigen dat het er nog was. Toen de Zuster hem vroeg of hij altoos zijn scapulier gedragen had, gaf hij ten antwoord: „Van den dag mijner eerste H. Communie ben ik er getrouw aan geweest; en ik wil er zeker van wezen, dat ik het bij mij heb wanneer ik sterf.quot;
De goede jongen was ook innig dankbaar voor de zorgen welke men hem bewees. Niet den minsten dienst zag hij voor zich verrichten of een hartelijk „dank uquot; kwam van zijne lippen. Daarenboven was hij te midden zijns lijdens niet slechts tevreden, doch bijwijlen bracht zijne opgeruimdheid zelfs een glimlach op de wangen van wie hem bewaakten. „Gij zijt eigenlijk geene Zuster,quot; zeide hij eens lachend tot eene der Zusters van Liefde. „Hoe zoo, Mijnheer Eugène ? ik versta niet goed wat u zegt.quot; „Wel, gij zijt maar een zusje,quot; sprak hij, den klem leggend op het verkleinwoord; „want gij zijt zoo klein van stuk; maar ik houd
32
toch veel van u, want ge zorgt goed voor me.quot; — In het geheel maakte hij op de twee Liefdezusters, wien het thans nog niet mogelijk is zon-der ontroering van hem te spreken, den indruk van een kind. Zoo onschuldig, zoo godvruchtig, zoo eenvoudig, altijd en in alles.
Intusschen brak de nacht van den 13\'len op den 14\'lequot; April aan, welke de laatste zoude zijn, dien Eugène op aarde levend doorbracht. Des avonds reeds was het hem aan te zien dat de dood nabij was: hij begon veel onrustiger te worden dan naar gewoonte. Zijne moeder week dan ook niet meer van zijne zijde.
Wanneer hij van benauwdheid en pijn niet wist waar zich te wenden, werd liij door haar bemoedigd met de woorden: „Nog een korten strijd, Eugène, heb nog maar wat geduld!quot; Zij maakte het H. Kruisteeken over hem en bad met hem te zamen; „Mijn Jesus, barmhartigheid!quot; of ook andere schietgebeden.
Tegen één uur des nachts veranderde zijn toestand; hij werd weder kalm en zocht herhaaldelijk naar zijn scapulier. Mama, het bemerkend zeide tot hem: „Ja, lieve, gij zijt gewapend met het scapulier, dat gij zoo trouw hebt gedragen. Ik verzeker u, lieve Eugène, dat de H. Maagd Maria, onze goede Moeder, u zal bijstaan in den overgang van dit naar het andere leven!quot; Hij nam zijn scapulier en drukte het in zijne handen, te-gelyk met zijn rozenkrans.
Te drie uren begon hij nog kalmer te worden. Een kruisbeeld, dat hij intusschen in zijne handen had genomen, werd menigmaal door Mama aan zijne lippen gebracht. Nu en dan sloeg hij er zijne, toen reeds meestentijds geslotene, oogenop; en dan straalde zijn gelaat als van bovenaardsche tevredenheid; doch hi] konde geen woord meer spreken. Dan omarmde hi] zyne moeder ten afscheid en overlaadde haar met liefkozingen en kussen. En zij, gebroken van hart, en evenmin als Eugène een woord kunnende uiten, wees hem op het H. Kruisbeeld en spoorde hem zwijgend aan, zijne smart aan God op te offeren, ter liefde van Jesus.
Voortdurend zag men hem de lippen bewegen ten gebed. Eens sprak hij half luid. «Mijn God, ik beveel U.....quot; hij kon den zin niet verder uitbrengen en het waren zijne laatste woorden. De benauwdheid nam ieder oogenblik toe, tot eindelijk de dood, des morgens te half acht uren, hem uit zijn lijden kwam verlossen.
Toen kende de droefheid der arme moeder geene grenzen meer. Zij had haar derde offer gebracht. Zoolang haar kind nog ademde, betoonde zij eene schier bovenmenschelijke sterkte. Toen Eugène den geest gegeven had en zij zich voor hem niet langer behoefde te bedwingen, viel zij als zinneloos op het ontzielde lichaam, overdekte al jammerend het gelaat met kussen en tranen en slechts met moeite kon men haar eindelijk bewegen de sterfkamer te verlaten.
5
u
Geen enkel woord van wrok tegen den bewerker des onheils was bij Eugene\'s sterfbed gesproken.
Denzelfden dag nog werd het lichaam geneeskundig onderzocht en vervolgens in de kist gelegd en overgebracht naar de woning van den Weledelen Heer August van Oppen, alwaar het verbleef tot den dag der begrafenis, Donderdag den 16^quot; April.
Treurig bewoog zich op dien dag de lange stoet, onder het oog van duizenden belangstellenden, door de Maastrichtsche straten. Het lijk werd gevolgd door nagenoeg dezelfden, die Maandag tevoren de lijken van Papa en Marie hadden vergezeld, doch vermeerderd met vele persoonlijke vrienden van Eugène. Aandoenlijk was het, de kist, welke het stoffelijk overblijfsel bevatte, gedragen te zien door eenigen der laatstgenoemden, in diepen rouw, met onbeschrijfelijke smart in de ziel en op het gelaat beiden. Eene menigte kransen bedekten haar; anderen werden achterop gedragen. Want velen beminden Eugène innig; en hun hart had behoefte blijk te geven van zijne liefde, door het eenige, dat hunne genegenheid hem nog geven kon, een bloemkrans op zyn graf.
Niet minder treffend was de plechtige lijkdienst in de Sint-Servatius-kerk. Daar, in het midden, stond de lijkbaar eens jongelings, in wiens rijkbegaafde ziel het geloof geleefd had, oprecht
35
en vurig, hetwelk de groote apostel van Maastricht er vóór vijftien honderd jaren had verkondigd. Het geloof van Servatius had zijn gemoed rein gehouden van allen vlek; had hem in vrede den schoonen weg zijns jeugdigen levens doen bewandelen ; had hem getroost in zijn lijden, en, te midden van de smarten des doods, hem den hemel getoond, waar zijne deugd, zijne onschuld en zijne godsvrucht hare kroon zouden ontvangen in eeuwigheid. Is liet wonder dat ons hart, dit overpeinzend , zich maar nauwelijks konde vereenigen met het „dona ei requiem,quot; dat daar trilde langs de eeuwenoude gewelven 1 Wij waren onmachtig de overtuiging van ons af te zetten, dat Eugëne, die zóó geleefd had en zóó was gestorven, reeds in de eeuwige vreugde vereenigd was met de twee dierbaren, die, na een levenswandel rein gelijk de zijne, hem waren voorgegaan in de ruste des grafs. Geen smeekgebed om barmhartigheid steeg op uit onze borst; maar een danklied tot den God, die dezen gelukkigen jongeling met zoo rijke genaden had begiftigd en hem had weggenomen uit de gevaren der wereld, eer nog de boosheid zijn hart had doen verwelken.
Na afloop van den H. Dienst zette de lijkstoet zich in beweging naar het Ambysche kerkhof, waar Eugëne op de familieplek te ruste zou gaan, naast zijnen, vader en zijne zuster. Het was een heerlijke lentedag; en ons hart had moeite zich te overtuigen dat Eugëne werkelijk naar het graf
36
gedragen werd. Toch was het zoo. Rein als de hemel, wiens blauw zich zoo helder welfde boven onze hoofden, was zijne ziel geweest hier op aarde. De zon, die hare zachte stralen koesterend op het aardrijk nederzond en er het jeugdige groen deed ontspruiten, werd ons een beeld van het rijke licht der goddelijke liefde, dat gefonkeld had in Eugene\'s onschuldig hart en er de heerlijke bloemen deed ontluiken van de deugden, op zoo verhevene en toch eenvoudige en beminnelijke wijze, gestadig en ten voorbeeld van allen, door hem beoefend. Die gedachten troostten ons in onze droefheid. Waar zulk een leven, dus spraken wij tot ons zeiven, gevolgd is van zulle een dood, daar spreekt de dood zelve van leven, van opstanding , van vergelding, van blijdschap onver-gankelijk en eeuwig.
Te Amby aangekomen werd het lijk door den Weleerwaarden Heer C. Heuvels, Pastoor der gemeente , ontvangen. In de kerk werd het gewone kerkelijk gebed over den doode uitgesproken en gezongen.
Daarop begaven wij ons naar het kerkhof. Te midden eener doodsche stilte, slechts afgebroken door het gesnik van velen, die, op het gezicht der graven van Papa en Marie, hun gevoel niet meester waren, werd de kist nedergelaten in de groeve. Te midden derzelfde stilte trad de Weledel-Gestrenge Heer Mr. E. Sassen op, om, namens de
O
O i
Maastrichtsche balie, zjiu ambtgenoot een laatste vaarwel toe te roepen. Hij schetste den ontslapene als een man des plichts. Als kind jegens zijne ouders, als leerling jegens zijne leeraren, als vriend jegens zijne makkers, als student aan de Hooge-school, als advocaat voor den rechter, bovenal als Christen voor God, altijd en overal betoonde zich Eugène een man des plichts. Daarom ook, hoe kort zijne loopbaan geweest zij, is zijn leven eene welsprekende les voor allen; terwijl het voor hem-zeiven een strijdperk was, waarin hij zich de heerlijkste belooning waardig maakte.
Na hem sprak de WeledelGestrenge Heer Mr. A. Lemmens en bracht met warmte de vriendschap in herinnering, welke Eugène jegens hem en hij jegens Eugène had gekoesterd. Desgelijks deed ook Eugène\'s boezemvriend, de Heer P. H. Haanebrink, student aan de Hoogeschool van Utrecht. De Heer J. G. Brouwer Nijhofi\', student terzelfde Hoogeschool , legde, diepbewogen, een krans neder op het graf, namens het Kaartgezelschap te Utrecht gevestigd, waarvan Eugène een der oprichters geweest was. De Zeer Eerw. Heer Wouters, tot tekst nemende de woorden; „Ik ben de verrijzenis en het leven!quot; huldigde in den jeugdigen rechtsgeleerde het geloof vereenigd met de wetenschap en sprak in bezielde taal de gedachten uit, welke woelden in het hart van velen, die om het graf vereenigd stonden. Na deze allen plaatste zich Di-. August van Oppen, Rector van het Maas-
5*
38
triclitsche Gymnasium en oom van Eugène, vóór de groeve. In aa icloenlijke bewoordingen bracht hij zijn dank aan allen die tegenwoordig waren, voor de eer aan den overledene bewezen. Met diep gevoel werden door hem de zorgen herdacht, door Dr. Nijst en diens echtgenoote aan Eugène bewezen. Met niet minder diep gevoel schetste hij het verlies, hetwelk hij-zelve door den dood van den edelen jongeling had geleden; en eindigde aldus zijne hartaangrijpende rede :
„Ten slotte nog één woord!.... Bij al dit leed, bij al deze tranen, denken wij aan den rampzalige, die, daarginds te Maastricht, op de nauwe muren zijner cel zit te staren, met bloed bespat, huiveringwekkend koud en onverschillig! Wiens lot is beklagenswaardiger dan het zijnequot;? Wie zou niet liever al de zielesmarten der treurende weduwe willen verduren, dan de gewetenswroegingen, die, vroeg of laat, dien ongelukkige zullen vervolgen?
Welnu, een woord van----vergiffenis, hoe hard
het ook moge vallen! Het onrecht, der maatschappij aangedaan, moet gewroken en wij hebben noch de macht noch het recht dat te vergeven. Doch al het overige zij u vergeven, Caesar Timmermans, ter wille van den God, die Zijne beulen vergiffenis schonk. Het bloed van mijn broeder en zijne kinderen kome niet over u en de uwen! In naam der geheele familie reik ik u, over deze drie dierbare lijken, mijne hand ter verzoening; God smeekend dat Hij uw hart moge roeren, en u vroeg
39
of laat berouw schenken over uwe misdaad, opdat wij eenmaal in den hemel het feest der \\\'er-zoening mogen vieren!quot;
Het is mij niet mogelijk\'den verpletterenden indruk te beschrijven, door deze verhevene taal te weeg gebracht. Welsprekender gebaar dan dat van den Heer August van Oppen, op het oogenblik dat hij zijne handen ter vergiffenis uitstrekte over de drie graven, heb ik nimmer aanschouwd. Nimmer ook hel) ik woorden gehoord, zoo diep als de zyne grijpend in de ziel. Waarlijk, het slot zijner toespraak was een triomflied van het christelijk geloof over misdaad en dood; en ware het mogelijk geweest onze schreiende ziel met de treurige werkelijkheid te verzoenen, gelaten zouden wij op dat oogenblik de gedachte hebben verduurd, dat wij stonden aan Eugene\'s graf.
Het werd ons vergund een blik te slaan in de treurige groeve en wij verlieten het kerkhol. met indrukken in jde ziel, welke velen onzer voor geen goud zouden willen missen. Wij keerden weder naar Maastricht, brachten een kort bezoek aan het huis, waaruit de lijkstoet was vertrokken en gingen voorts een iegelijk zijnen weg.
Eugène van Oppen was heengegaan van de aarde.
)\'
[ -f-
i
f
40
Ja, Gij zijt heengegaan, goede jongen; maar Uwe herinnering is achtergebleven in ons hart! — Dat hart heeft U bemind, tijdens Uwe omwandeling op de wereld; het blijft U beminnen, ook nu ons oog U niet meer aanschouwt, onze ziel de vreugde niet meer mag smaken, aan den har-telijken omgang met de Uwe verbonden.
Slechts korten tijd heeft God ons vergund, in U de verwezenlijking te zien van het ideaal eens braven jongelings. üe rijke genaden, welke Zijne goedheid op U uitstortte, vielen neder op den willigen bodem Uws harten; en thans in den hemel, ons hart zegt het ons, draagt Gij de kroon van het eeuwige verblijden.
Gedenk onzer gelijk wij Uwer gedenken!
Verkrijg voor al Uwe vrienden de kracht, om het verheven voorbeeld van beminnelijke deugdzaamheid te volgen, hetwelk Gij hun gegeven hebt. Dan zal de herinnering aan U hun nooit ter beschaming noch ter wroeging worden. Zij zullen heilig leven als Gij, heilig sterven als Gij, en met U, in eeuwige vriendschap vereenigd hierboven, in eeuwigheid de goedheid prijzen van God, in wiens liefde zij, als Gij, hun geluk en hunne vreugde zullen gevonden hebben op aarde.
Niet om in \'t leed U op te beuren. — Helaas, kan \'t minder U dóen treuren,
Nu dus Uw hart gebroken is, Dat duizenden, die met U lijden,
Gestadig en oprecht IJ wijden Geheel huns harten deerenis!
Niet om te zeggen, dat daarboven In de eeuwig groene lentehoven
Ge Uw dierbren eenmaal wederziet; Dat daar Ge een weldaad zult ontdekken In wat U hier tot rouw kwam strekken, Klinkt, arme Moeder, U dit lied.
42
Maar, in \'t bezit der vrucht van \'t goede, Dat Gij, van liefde nimmer moede,
Zyn ziel op aarde hebt gedaan,
Biedt, vunrger U dan ooit beminnend, En stadig op Uw weldaên zinnend,
Uw zalig kind zyn dank U aan.
Uw liefde was \'t, die, vroeg en spade. Den schat bewaakte van genade ,
Dien God hem stortte in \'t rein gemoed; Zij was het, die in \'s jonglings boezem Tot rijpheid bracht den deugdenbloesem, Die thans bij God hem jublen doet.
Zij was het, die gestaag de stralen Der blijdschap in zijn hart deed dalen,
Waar ook zijn voet op aarde trad; Die nog zijn stervensuur verblijdde,
Toen Gij voor quot;t laatst Uw zorg hem wijdde En troostend aan zijn sponde zat.
Dies, zoo in quot;t lied, dat de englenscharen Doen klinken op hun blijde snaren.
Hij thans reeds mengt zyn vreugdeklank; — U, die door les en voorbeeld beide ,
Zijn ziele dat geluk bereidde,
U, Moeder, uit den hemel: dank !
Dank voor de duizend, duizend zorgen, De goedheên, open en verborgen,
Hem van zijn wieg door U betoond! Dank voor een liefde, die zijn schreden Met vastheid richtte naar dat Eden
Waar God zijne onschuld heeft gekroond
Waar Clod hem reeds deed wedervinden De twee zoo teer door hem beminden,
Die aan Uw liefde zijn ontrukt;
Waar God hem \'t zalig uur doet beiden Dat\' Moeder, hij, na \'t korte scheiden, Voor eenwig aan zijn hart IJ drukt!
Gymnasium Sittard 4 Juni 18S5.