Vak 13
\\si.s % 151 j p,i) n i cje.iie.je. 3e.3c_s«. •\'
itpn pFnnnaritni fafrr llfarin
^ipirtfiiorisf.
|l|:
-i v?é--
•«I £
cHocsmon?, Sic. ^fcitcrrew. \'l^bS. 14
m I__^______
vayyyyf - s
\'■\\ i
Jo zo F W®Fo me r
DE
Apostolische Handwerksman,
JSid van de (Slarisbroederschap der Sfeiliqe S^amilie, van de \'Dereenicjinj van den S\'teiligen Uinceniius van cfaulu, oBesiuurder van hei -Qiefdewerl der cffïiliiairen enz, enz.,
goSü-siicfvtig, ovcc,[e3c.n tc cÜz-uy^c-t 10 01cci 1884.
dooz-
deif fjefwhhtdeif cPhtef M 3 (1l I X\\
Redemptorist.
Roermond, M. Waterreus. 1888.
He-; Fransch vrij gevolgd.
oorwoord.
Zaligmaker heeft zijne Kerk als eene maatschappij Kp ingericht. Om ons dit te doen begrijpen, noemt Hij haar op de eene plaats een Rijk, op de andere een Huisgezin. Een maatschappij is ook in werkelijkheid een zedelijk lichaam, waarvan de leden onderling met elkander verbonden zijn doordien zij hetzelfde doel beoogen, geleid worden door eenzelfde gedachte, handelen volgens dezelfde beginselen.
De Heilige Kerk is dus een zedelijk lichaam, waarvan Christus het hoofd is en de geloovigen de ledematen zijn, gelijk door den Apostel Paulus wordt gezegd. Hieruit volgt, dat wij betrokken zijn in den toestand der Kerk: wij maken er immers een deel van uit. Dezelfde Apostel zegt dan ook in een schrijven aan de geloovigen van Ephezen: sNiemand haat zijn eigen lichaam, ieder onderhoudt het en wijdt het zijne zorgen.quot; En als hij in een anderen Brief dezelfde gedachte ontwikkelt, toont hij aan op welke wijze alle leden van het menschelijk lichaam door eene wederkeerige handeling samenwerken om het gemeenschappelijk leven te onderhouden.
Hij wil ons doen begrijpen, dat wij, door een deel uit te
6
maken van het lichaam der Kerk, ook verplicht zijn, de belangen der Kerk te bevorderen. Dit is ook heel natuurlijk: hij, die lid is van eenige maatschappij, zal en kan niet onverschillig zijn voor hetgeen die maatschappij aangaat.
Zoo zijn wij dan allen, naarmate van ons vermogen, gehouden de belangen van de Kerk te bevorderen, dus, mede te werken aan de uitbreiding van het Rijk Gods op aarde. Wie dat niet doet, wie werkeloos, onverschillig blijft, toont zijne verplichting niet te kennen en is schuldig aan een strafbaar verzuim.
\'t Is waar, op den Priester, den arbeider in den wijngaard des Heeren, rust de taak van te onderwijzen, voor te lichten, raad te geven, maar het is ook waar, volgens het woord van het hoofd der Apostelen, dat elk Christen bij den Heiligen Doop een priesterlijke zalving heeft ontvangen en dus ook verplicht is de leer des heils te verbreiden.
De H. Joannes Chrysostomus zegt te dezen opzichte: ^Het is eene groote dwaling en waarin, helaas, toch velen verkeeren, te denken, dat de menschen in de wereld zich niet behoeven te bekommeren om het heil van den evenmensch; ze durven zelfs zeggen: » We hehbm ons met anderen niet te bemoeien.quot;
Gij hebt u met anderen niet te bemoeien^ maar, vraagt dezelfde Kerkleeraar, wie moet zich dan met hen bemoeien ? De duivel, die niets anders zoekt dan de menschen te bekoren en in het verderf te storten ? De ketters, de joden, de god-verzakers, de losbandigen ?
Gij hebt u met anderen niet te bemoeien, maar, gaat de Heilige voort, weet wel, als gij zoo spreekt, dan spreekt gij gelijk de slechtste menschen, die ooit in de wereld geleefd
VOORWOORD. 7
hebben. Cain had zijn onschuldigen broeder Abel vermoord en in een kuil verstopt, en toen God de Heer hem vroeg; sWaar is uw broeder Abel?quot; antwoordde hij in zijn snoodheid; s lVa( heb ik mij ine* mijn broeder te bemoeien rquot; De Schriftgeleerden en Farizeën hadden aan Judas dertig zilverlingen uitbetaald, en hij had hun zijn Goddelijken meester overgeleverd. Hij kreeg berouw, smeet hun het geld voor den voet, en riep: sik heb onschuldig bloed verkocht!quot; sDat is uwe zaak,quot; zeiden de godsmoorders, vdaar hebben wij ons niet mede te bemoeien V\'
Men kan het heil van anderen bevorderen, met duidelijker woorden, men kan de deugd der naastenliefde beoefenen, men kan een apostel, een gids, een raadsman, een leeraar, een voorbeeld van stichting voor anderen zijn welken rang men ook in de maatschappij bekleedt, tot welken stand men ook behoort.
Veel kan gedaan worden door overheden, door menschen die over anderen gesteld zijn, door menschen van aanzien, door menschen van invloed, door werkbazen, door onderwijzers. Het behoeft niet te worden aangetoond.
Maar ook zij, die geen overheid zijn en met anderen gelijk staan, kunnen aan het heil van dezen toebrengen. Zij lokken elkander mede naar kwade gezelschappen, zij doen met elkander mede aan slemperij en overdaad, ze leeren elkander den weg naar de hel kennen, .... zouden ze elkander ook niet kunnen stichten, niet kunnen in het goede voorgaan, geen heilzamen raad kunnen geven ?
Zelfs als onderdaan kan men gunstig werken op kwaad-gezinde overheden, te weten, door ijverige en nauwgezette plichtsvervulling, door standvastig te blijven op den goeden weg, al gaan zooveel andere onderdanen van dienzelfden
VOORWOORD,
meester op den verkeerden; door geen gehoor te geven aan kwade zaken, als soms een meester die mocht voorstellen en door dan met beleefdheid de opmerking te maken, dat zulke handeling niet voor God te verantwoorden is.
Deze waarheid wordt in een helder licht gesteld door de beknopte levensschets van een eenvoudig handwerksman, die, door echten godsdienstzin aangedreven, als een apostel geijverd heeft aan het zielenheil van vele anderen.
8
T T1111T i n-1T n T T11T T T111 n n T1111TI it T T T
i.
Jozef Veromer als kind en als scholier.
■4-bsv*
Jtt ozef Veromer zag den i Juni van het jaar 1807 te
®fe Brussel het levenslicht. Hij was de zoon van Alex-
CNG)^ J
ander Jozef Veromer en Maria Boonans, een deugdzaam echtpaar, waarvan men zou kunnen zeggen wat de Heilige Schrift zegt van Zacharias en Elizabeth; «Zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende onberispelijk in de geboden en de wetten van den Heer.quot; Zij kregen na Jozef nog twee zoons; Antonius en Felix. Hun grootste zorg was die kinderen deugdzaam op te brengen.
De kleine Jozef liet zich zoo gewillig door hen leiden, dac men van dien kleine kon vragen, wat van Joannes den Dooper werd gevraagd toen hij nog in zijn eerste jeugd was; sWat denkt gij, dat er van dit kind zal worden ? want de hand des Heeren was met hem.quot; Van nature was hij volgzaam, hij deed naar den wijzen raad zijner ouders en gaf acht op hun goed voorbeeld.
Maar vader en moeder zorgden niet alleen hun kind in godsvrucht op te brengen, zij volgden ook den raad van den
lO DE APOSTOLISCHE
Apostel, als hij zegt: sOuders, voedt uwe kinderen op in onderwijs en in de tucht des Heeren:quot; zij vertrouwden hun kind aan bekwame en brave leermeesters toe, opdat zijn verstand gunstig zou ontwikkelen en het zou opgroeien tot een nuttig lid van Kerk en Staat. —■
De Fransche revolutie van het laatst der vorige eeuw had ook in België vreeselijke verwoestingen aangericht: de godsdienst had er jammerlijk onder geleden, het onderwijs eveneens. Het Concordaat van 1801 deed den toestand tot verbetering komen. Wat de scholen betreft, eertijds in België zoo bloeiend, in den laatsten tijd veelal te niet gegaan of gesloten, zij kwamen tot een vernieuwd leven. Daarvoor zorgde; de Kerk, de Geestelijkheid. Tot haar was dan ook in den persoon der Apostelen door den Zaligmaker gezegd: sGaat en
onderwijst alle volkeren!.....quot; «Daarom is het voor den
Paus, voor de Bisschoppen, voor de Priesters,quot; gelijk Monseigneur de Ségur zoo juist zegt,quot; niet slechts een recht, maar een plicht te zorgen voor een godsdienstig onderwijs; een plicht waaraan zij zich niet kunnen onttrekken zonder hun eigen heil in gevaar te stellen; een plicht, dien zij moeten vervullen niet om te heerschen, gelijk hun door de liberalen wordt aangewreven, maar om de jeugd in de vreeze des Heeren te doen opgroeien en het Koninkrijk der Hemelen op aarde uit te breiden.quot;
Dezelfde geleerde Prelaat zegt verder nog van het onderwijs: Daartoe behooren twee verschillende, maar toch met elkaar vereenigde en met elkaar samenhangende zaken, namelijk, om het minst voorname het eerst te noemen, wat dient ter ontwikkeling van het verstand en ter vorming van den mensch tol: een nuttig lid van den staat. Om daartoe te geraken moet het kind leeren lezen, schrijven, rekenen, het moet mondelings en
HANDWERKSMAN. 11
schriftelijk zijne gedachten ordelijk en juist leeren uitdrukken, kennis opdoen van de aarde, van de natuurkrachten, van de geschiedenis des vaderlands, en zoo al meer.
Maar de groote zaak is, dat het kind onderwezen worde in hetgene hem vormt tot een braaf, deugdzaam mensch: het moet God den Heere leeren kennen, beminnen en dienen, het moet gewoon gemaakt worden aan de stipte vervulling van zijne verplichtingen omtrent God, den naaste en zich zeiven.
De Kerk is door God als de leermeesteres voor den mensch: zij moet dus zorgen, dat ieder leert wat hij behoeft om in de wereld als een zelfstandig wezen te kunnen handelen; maar\' tegelijk moet zij zorgen, dat de ontwikkelde zielsvermogens eene richting ten goede krijgen: de Kerk moet zorgen voor een godsdienstig onderwijs. De onderwijzers moeten brave menschen zijn, de leerboeken moeten, waar het pas geeft, aanleiding geven dat het hart der jeugd gevoed worde met hetgene strekt tot heil en tot zaligheid
De doorluchtige schrijver zegt nog:
Vaders en moeders, weet dat gij het recht niet hebt uwe kinderen godsdienstloos op te voeden, hen naar godsdienstlooze scholen te zenden. Gij moet hen voorgaan in het gebed, gij moet hen stichten door uwe godsvrucht en deugd; gij moet u in uwe taak laten helpen door brave onderwijzers en onderwijzeressen. Dit is een gewetenszaak. Gij kunt u daaraan niet onttrekken zonder u aan groote zonden schuldig te maken. De godsdienstige school moet met het godsdienstige huisgezin samen werken om het kind te brengen tot het doel van zijne bestemming op aarde.
Waar geen godsdienstige scholen bestaan, en de kinderen genoodzaakt zijn een zoogenaamd neutraal onderwijs te ontvangen.
12 DE APOSTOLISCHE
daar moeten de ouders dubbel werkzaam zijn aan het zielenheil van hunne kinderen: zij moeten met hen de cathechismuslessen bespreken, hun de geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament verhalen of een boek daarover in de handen geven en het doen voorlezen in den huislijken kring; zoo ook moeten zij hunne kinderen bekend maken met de levens van Gods lieve Heiligen. Zij moeten hun nu nog veel meer tot stichting-zijn, hen nog meer opwekken tot een godvruchtigen levenswandel.
De brave ouders van Jozef Veromer waren van deze waarheden doordrongen; zij waakten met groote zorg voor hun kind en gaven nauwkeurig acht of zijn kennis in het godsdienstige gelijken tred hield met zijne vordering in de bloot maatschaplijke kundigheden.
De kleine Jozef gaf zijnen ouders alle reden om tevreden te zijn; ze zagen de zorgen hem gewijd vrucht dragen, en van hun kind kon als van het Kind Jezus gezegd worden; ïHij nam toe in wijsheid, in jaren en in welbehagen bij God en de menschen.quot;
Toen hij tien jaar was, oordeelden zijne ouders dat het tijd werd hem voor de Eerste H. Communie te laten leeren. De groote dag is een merkwaardig, een hoogst gewichtig tijdpunt in het menschelijk leven. Het waardig doen der Eerste Communie beslist bij velen over het geluk in de eeuwigheid. Dat wisten die goede menschen, en daarom hielpen zij hun kind in het noodige onderricht en zij bereidden hern telkens meer voor om met godsvrucht tot de Tafel des Heeren te naderen. Zij lieten hem zelfs nog afzonderlijke lessen geven, opdat hij zooveel te beter zou begrijpen, wat het zeggen wil de eerste Communie te doen, en hij er zooveel te meer gevoel van zou hebben.
HANDWERKSMAN. 13
Toen de heilige tijd voor hem nabij was en hij belijdenis van zijne zonden moest gaan doen, onderzocht hij zijn geweten met de grootste nauwgezetheid, opdat geen enkel vlekje van zonden zijne ziel zot1, aankleven. Op den schoonen dag zeiven stichtte hij door bijzondere godsvrucht en toonde te beseffen, wat geluk het voor den mensch is met het Vleesch en Bloed van den Godmensch gespijzigd te worden. Zijn geheele leven lang dacht hij dan ook aan den gelukkigen dag van zijne Eerste Communie met de meeste voldoening terug, en hij noemde dien een der schoonste door hem beleefd. Zijn brave vader kwam omstreeks dezen tijd te sterven. De moeder bleef met hare killederen zonder fortuin en onverzorgd achter. Zij trachtte door handarbeid zooveel mogelijk in de behoeften van haar gezin te voorzien. Jozef had al kunnen meéhelpen om iets te verdienen, maar zij liet hem nog een paar jaren de school bezoeken, opdat hij zooveel beter toegerust de wereld zou kunnen ingaan.
II.
Jozef als jongeling op een ambacht.
yjmamp;emge jongen, die onschuldig als een duif de school /tv verlaten en nu op een ambacht gaat, hetzij in
een fabriek, hetzij op een winkel of in eenige werkplaats welke ook, verliest daar zijn onschuld, zijn deugd, zijn goeden wil; hij wordt er bedorven en een lid van den grooten hoop, die \'s morgens en \'s avonds het gebed verzuimt, des Zondags ter nauwernood naar de kerk gaat, den Paaschplicht vergeet, met God en godsdienst spot en leeft alsof geen dood, geen oordeel volgde; alsof er geen hel was waar de boosheid en snoodheid gestraft wordt met eene eeuwige pijniging.
Helaas, er zijn maar al te veel werkplaatsen, waar de onervaren jeugd gevaar loopt. Op de eene beroemt zich de meester zelf tot de verlichten te behooren, die niet noodig hebben aan den leiband der Geestelijken te gaan; tot de verlichten, die zich naam maken door in clubs en Café\'s op te treden tegen de Kerkdijken, tegen de heerschzuchtige Priesters, tegen de verouderde begrippen van God en godsdienst. Het spreekwoord vindt hier bevestiging: »Zóó meester, zóó knecht.quot; En al bestaat er een
DE APOSTOLISCHE HANDWERKSMAN. 15
groote afstand tusschen den meester en den leerjongen, de onzuivere atmospheer die van den meester uitgaat vergiftigt de lucht der geheele werkplaats, dringt de geheele fabriek door, en tot de geringste die er arbeidt, ademt de besmetting met volle teugen in.
Er is een andere werkplaats, een andere fabriek. De meester, de heer is een rechtschapen mensch. hij vervult zijne kerkelijke plichten; maar onder zijne werklieden zijn er, die de engelendeugd reeds lang hebben verloren en de meest zedelooze gesprekken durven voeren; er zijn er, die godslasteringen uitbraken, die grootsch gaan op een losbandige levenswijze, op nachtbraken en zwelgerij; er zijn er, die morren tegen de Voorzienigheid en wel de heele maatschappij omver zouden willen werpen om bij de verwarring te rooven en te plunderen — en dan later, zonder arbeid in overvloed zouden willen leven. De meester, de heer verneemt het niet, hij kan niet altijd tegenwoordig zijn, maar de leerjongens hooren en vernemen alles, ze hooren het kwaad en worden er mede besmet.
Laat een vader en een moeder hun kind, dat naar een winkel gaat, waarschuwen voor het kwaad, dat de onschuldige daar misschien zal zien; laten zij de les, den wenk geven dat de jongen de oogen moet afwenden, de ooren moet sluiten, de kleine is nog niet bestand tegen zoovele en zoo streelende aanlokselen, zijne onschuld lijdt schipbreuk op de gevaarlijke klippen en de ouders zien hun veel belovenden jongen opgroeien tot een deugniet, tot een losbol, tot een snoodaard, die een nagel aan hun doodkist is.
De jongen komt op een winkel, waar geen groot aantal knechts zijn, waar hij misschien maar alleen werkt met den meester, die den naam heeft een vlijtig man te zijn en op
16 DE APOSTOLISCHE
wiens levensgedrag als burger van den staat niets te zeggen valt. Maar hij heeft het des Zondags altijd druk, dan moet de leerjongen komen helpen, eerst slechts een uurtje, doch daarna al langer en langer, zoodat er ten laatste voor hem geen tijd meer over is om een half uurtje naar de kerk te gaan en een stil Misje te hooren. Zulke jongens worden flauw en traag ten opzichte van den godsdienst en komen er langzamerhand toe Onzen Lieven Heer geheel uit het oog te verliezen.
Goddank, er zijn gunstige uitzonderingen op den regel. Niet op iedere werkplaats leert de jongen, die pas de groote wereld intreedt, ondeugd en boosheid kennen, niet op iedere fabriek loopt zijne onschuld gevaar, niet iedere winkel is verderfelijk voor hem. Er zijn heeren en meesters, die zorgvuldig waken dat hunne onderhoorigen niet ontstichten, niet vloeken, geen ergernis geven, niet spotten met den godsdienst, niet de jongens tot zonden verleiden. Eere zij hun! De Hemel zal hunne goede zorgen mild beloonen. Brave ouders zullen dan ook trachten hunne kinderen onder zulke heeren en meesters een plaats te verschaffen. Ze vinden zich ondertusschen wel eens teleurgesteld: allen, die een goeden naam dragen, verdienen dien niet altijd. Dat ondervond ook de moeder van onzen Jozef.
Zij had hem bij een »bravenquot; meester op een schoenmakerswinkel besteld, maar vernam al spoedig, dat het niet raadzaam was hem daar te laten; de gezellen vooral behoorden niet tot de braven. Op een blikslagerij bleef hij niet langer. Ten laatste beerde hij het pettenmaken.
Dat de jongen geheel vrij is gebleven bij de gevaren, die hem bij het aanleeren van een ambacht omgaven, durven wij niet be-
HANDWERKSMAN. I ^
weeren; trouwens hij getuigt zelf cr onder geleden te hebben en zei later meermalen, dat het hem moeite heeft gekost het onkruid uit te roeien, dat in zijn hart wortel had geschoten tijdens zijn verkeer met andere leerjongens en zijn verblijf op de werkplaatsen. Gelukkig, hij heeft zich niet geheel laten mede-sleepen op den kwaden weg: het zaad van godsdienst en deugd, hem in het hart geplant door godvruchtige ouders en brave onderwijzers, is niet verstikt door het onkruid; het is ontkiemd en langzamerhand ontwikkeld en opgeschoten, het is tot weligen bloei gekomen, het is de schoonste vruchten gaan dragen toen hij lid werd van de Heilige Familie, en alzoo de middelen\', leerde kennen en beoefenen om met mosd het kwaad te weerstaan en onverschrokken getuigenis te geven van trouw aan het geloof, van liefde tot God, van ijver voor het werk van zijne zaligheid en voor het zielenheil van den naaste.
vjv vjv 4V _y|v vjv vjv 4v vjv gt;{v ^V. 4 gt;jv yj\'v ^
III.
•Jozef Veromer als echtgenoot, vader en patroon.
J^Ai \'S Pettenmaker werd Jozef een handig gezel, een bekwame knecht. Hij leerde zijn ambacht grondig en vestigde zich later als meester. Toen de zaak opnam, ging hij er aan denken zich een levensgezellin te zoeken en hij vond in Anna Gaethoffs, geboortig van Lier, juist iemand van zijne gading: zij was stil en braaf en huiselijk. Op het einde van het jaar 1826 trad hij met haar in den echt. Uit dat huwelijk werden elf kinderen geboren, van welke vijf in jeugdigen leeftijd stierven.
De Apostel vergelijkt den huwelijken staat bij het\'verbond, dat Christus met zijne Kerk heeft gesloten. Hij zegt: »Even als de Kerk aan Christus onderworpen is, zoo moeten vrouwen, onderdanig zijn aan hare mannen. En gij, mannen, bemint uwe vrouwen, gelijk de Christus de Kerk heeft bemind, voor welke Hij zich heeft overgeleverd.quot;
Veromer heeft getoond zijne verplichting als echtgenoot te kennen en te willen vervullen: Hij beminde zijne vrouw met eene even reine als hartelijke, eene even edele als getrouwe liefde.
i9
Hij was een voorbeeldig echtgenoot. Hij was ook een voorbeeldig huisvader.
Met de grootste zorgvuldigheid bevlijtigde hij zich voor het tijdelijk en geestelijk welzijn van zijne kinderen; met den meesten ijver werkte hij om in hunne behoeften te voorzien, en hun eene opvoeding te geven overeenkomstig zijnen stand in de maatschappij: hij wilde niet, dat zij daar beneden zouden gaan, hij wilde er hen ook niet boven verheffen. Hij zorgde voornamelijk voor hun zielenheil.
Even als Tobias tot zijn zoon, zoo zei hij tot zijne kinderen: sHoudt al uwe levensdagen den Heer voor oogen, wacht u ooit in het kwade toe te stemmen en de geboden van den Heer onzen God onvervuld te laten. Weest barmhartig voor zooveel gij het kunt zijn. Doet nooit aan een ander, wat gij niet zoudt wenschen dat een ander u dede. Looft God te allen tijde en vraagt Hem, dat Hij uwe schreden leide.... Vreest niet, mijne kinderen! wij zijn niet rijk, maar wij zullen vele goederen hebben, als wij ons van alle zonden onthouden en het goede doen.quot;
Die lessen zette hij kracht bij door zijn goed voorbeeld. Eiken morgen bad hij met zijn gansche gezin, en iederen avond evenzoo, als wanneer de Rozenkrans hun gezamenlijk gebed was. Hij zelf ging niet uit om partijtjes en vermakelijkheden bij te wonen, zijne kinderen liet hij daaraan evenmin deel nemen. Zij gingen met hem naar de kerk om de Mis, de Vespers of het Lof bij te wonen. Hij zei niet; bidt, gaat biechten, gaat ter communie, maar hij zei: laten wij bidden, laten wij ter biecht gaan, tot de Tafel des Heeren naderen. Hij deed verder zijne kinderen een goede school bezoeken, bij ondervinding wetende, dat godsdienstige onderwijzers de ouders behulpzaam zijn in de opvoeding van hun kroost: hij begreep, dat gods-
20^ ^ DE APOSTOLISCHE
dienstlooze onderwijzers het kinderlijk gemoed koud en onverschillig laten voor deugd en godsvrucht; hij begreep dat leermeesters, die in het openbaar zich verklaren tegen Paus en Kerk, een bederf zijn voor de jeugd, gelijk zij een ergernis zijn voor ieder geloovige.
Hij handelde geheel in den geest van den Bisschop van Orleans, die in zijn werk over het Christelijk Huwelijk zegt: sik ken geen gewichtiger zaak voor de ouders dan eene school te kiezen voor hunne kinderen, de onderwijzers te kiezen aan wie zij een deel toevertrouwen van hunne ouderlijke taak, maar voor wier handelingen de ouders zeiven verantwoordelijk
blijven.....Vran die keuze hangt alles af, zoo wat de ouders
als wat de kinderen betreft.quot;
In zake van de leiding der kinderen door de ouders, wordt in hetzelfde werk gezegd:
»De H. Schrift beveelt den ouders standvastigheid aan, gestrengheid, vermaning, aanwending van het ouderlijk gezag, bestraffing. Zoo staat daarin geschreven: sWie zijn zoon bestraffing spaart, bemint hem niet; als men hem wezenlijk bemint, dan tracht men hem te verbeteren. Het paard, dat men den toom niet aanlegt, wordt ontembaar; en het kind, dat aan zich zelf wordt overgelaten, kent geen breidel en stort zich in het verderf.quot;
Wij behoeven er niet aan te twijfelen dat Veromer getrouw den plicht van waakzaamheid en bestraffing vervulde. Hij was van nature zacht, maar als het er op aan kwam, dan wist hij zich te doen gelden. Geen van zijne kinderen is den verkeerden weg opgegaan. Wel een bewijs, dat hij het kwade bij hen reeds van den beginne heeft bestreden.
Wat hij voor zijne kinderen was, dat wilde hij ook voor allen zijn, die bij hem in het werk waren, te weten een vader.
HANDWERKSMAN. 21
die hun tijdelijk, maar ook hun eeuwig heil wilde bevorderen.
Hij betaalde volledig wat zij verdienden, en gebruikte geen slinksche middelen om van hun loon iets te kunnen aftrekken. Onthouding van het loon der werklieden, dat wist hij uit zijn Cathechismus, is een wraakroepende zonde. Mochten alle patronen die waarheid ter harte nemen, dan zouden tegenwoordig niet zoovele werklieden zich ontevreden betoonen, niet zoovele zouden morren tegen hunne patronen, niet zoovele zouden wrok tegen hen in zich omdragen.
Hij spoorde hen ook aan des Zondags getrouw de kerk te bezoeken, oplettend naar de preek te hooren, iedere maand of minstens vijf, zes maal in het jaar ter biecht en communie te gaan. Eiken dag gaf hij gelegenheid, dat zij gezamenlijk een Rozenhoedje baden, en dan deed hij zelf daaraan mede. En in het drukste van den tijd had hij wel tot twintig menschel! in het werk, die dus allen onder zijne goede leiding-zoowel voor het heil van hunne ziel als voor het onderhoud van hun lichaam arbeidden. Dat hij des Zondags niet liet werken, behoeven wij nauwelijks te zeggen; sDe dag des Heeren moet geheiligd worden!quot; was zijn stelregel en daaraan hield hij zich getrouw. En de Zondag moest voor zijne werklieden ook een rustdag zijn, want de Maandag riep hen weer ten arbeid en die mocht niet doorgebracht worden in ledigheid, nog minder door langs de straat te slieren of in de herbergen liet verdiende geld te verdrinken.
Hij stond er op, dat zijne werklieden zich in alles aan tijd en orde hielden: zij moesten opeen vastgesteld uur komen en terstond aan den arbeid beginnen: zij mochten geen praatjes vooraf houden. Zóó werd veel kwaad voorkomen en veel goed gesticht, want de werklieden, onder het opzicht van hun
22
meester aan regel en wet gewend, betoonden zich ook elders ordelijke en oppassende menschen.
De Apostel Paulus zegt: «Indien iemand geen zorg draagt voor de zijnen, geen zorg voor degenen, die onder hen staan, die heeft het geloof verzaakt en hij is erger dan een ongeloovige.quot; Van die waarheid bleek meester Veromer doordrongen. Mocht dit het geval zijn bij alle meesters en meesteressen. Mochten zij allen ook de les van den H. Augustinus ter harte nemen, als hij zegt: «Draagt zorg degenen die onder u staan, als het noodig is, te berispen. Laat geen enkel middel, dat door u kan aangewend worden, ongebruikt: vervul uw plicht door raadgeving, vermaning, aanmoediging, door bedreiging;quot; vervult uw plicht ook door toediening van straf, als het in uwe macht staat die op te leggen.
IV.
De Broederschap van de H. Familie en een der oprichters van deze Congregatie in de Magdaiena-Kerk te Brussel.
I^g^dijk Veromer zoo waren er omstreeks dien tijd, dat wil zeggen tegen het einde van de eerste helft dezer eeuw, niet velen meer onder den werkenden stand in Brussel te vinden. De Belgen, vroeger altijd zoo gehecht aan God en godsdienst, zoo nauwgezet in de vervulling van hunne godsdienstplichten, zoo eenvoudig van hart en geest, zoo onderworpen, zoo volgzaam, zoo gedwee zelfs — ze waren voor een groot deel, althans in de groote steden, verbasterd. Velen hadden de kostbare gave des geloofs verloren, velen behoorden tot de onverschilligen die des zondags den kerktijd in de koffiehuizen doorbrachten; velen hadden gehoor gegeven aan de verkondigers van stelsels in strijd met de wetten der Kerk, in strijd met de wetten van den staat, in strijd met de bestaande verordeningen in de maatschappij — en ze mokten en wrokten en lieten zich opnemen in genootschappen, die onverwerping, omwenteling, verwoesting, plundering en moord ten doel hadden.
24 de apostolische
Slechte dagbladen en zedelooze boeken werden gretig gelezen. De leiding der jeugd werd, waar het mogelijk was, aan de geestelijkheid onttrokken, de godsdienst in een bespottelijk daglicht gesteld, de Zondag ontheiligd, de echt geschonden, .... we zullen maar niet verder gaan. Een nieuw gevaar dreigde. Een revolutionaire vereeniging onder den naam van Internationale bekend, van Engeland naar de verschillende staten van Europa overgeplant, zocht hare leden onder de klasse der werklieden en vestigde zich ook in België. Brussel inzonderheid toonde zich geneigd met de omverwerpers der maatschappelijke orde mede te doen. Een kwade, een booze tijd was het. Maar de Voorzienigheid waakte. Tegenover den verwoestenden stroom deed Zij een krachtigen dam verrijzen, en veel bleef behouden wat verzwolgen dreigde te worden door de wateren des verderfs. In het jaar 1844 was in de kerk der Eerwaarde Paters Redemptoristen te Luik een godsdienstige vereeniging tot stand gekomer,\'lie zich ten doel stelde den geest van godsvrucht en deugd vooral onder de jongelingen en mannen van den werkenden stand te behouden en meer op te wekken: zij plaatste zich onder het patronaat van Jezus, Maria en Jozef en noemde zich het genootschap der Heilige Familie. Belletable, een kapitein in Belgischen dienst, was er de stichter van. Ofschoon de vereeniging nog maar drie a vier jaar in werking was, had zij toch reeds, te Luik in het bijzonder, haar heilzamen invloed doen gevoelen. Velen, die niet veel meer deden dan wat streng gevorderd wordt om lid van de Kerk te zijn, begonnen met meer aandacht hunne gebeden te doen, een keer meer in het jaar hunne zonden te belijden en tot de Tafel des Heeren te naderen, minder zich aan dronkenschap over te geven, zediger te zijn in woorden en daden, een braver zoon.
HANDWERKSMAN. 25
een zorgzamer huisvader te zijn. Sommigen, die vroeger van God noch godsdienst iets wilden weten, waren bekeerd. Zelfs enkele verklaarde vijanden van de Kerk waren tot bezinning gekomen. En die vroeger reeds ten goede gingen, ze werden ijverige, vurige Christenen, die ten voorbeelde strekten van vele anderen. »Zulk eene Congregatie moesten we ook hier hebben,quot; hadden de Paters Redemptoristen te Brussel reeds meermalen tot elkander gezegd. Nu het in Luik zoo goed ging, dachten ze ernstig na wie geacht zou kunnen worden geschikt te zijn om de taak te beginnen. Daar komt Veromer de pettenmaker aan het klooster, hij verzoekt voor zich en een paar anderen een scapulier. Een der paters treedt met hem in gesprek, vertelt van de Congregratie te Luik, van hare inrichting, haar doel, hare werking en van de heilzame vruchten daar reeds geoogst, en zegt dat van quot;Brussel nog veel meer kon gehoopt worden. En als men maar eens begon, dan zouden de leden zich wel bij massa komen aanbieden. Ten slotte vraagde hij of Veromer zelf niet met eenige zijner kennissen zou willen beginnen. Het antwoord was gunstig. Het duurde niet lang of nadere bespreking had plaats. Veromer slaagde er in een klein getal kloeke, brave mannen te vinden, die met hem het goede werk wilden aanvangen, en op den tweeden Kerstdag van het jaar 1848 had de eerste samenkomst plaats in eene kamer grenzende aan de kerk der Paters. Tien mannen slechts waren op dien dag bijeen, maar zij toonden zich van goeden wil en ze zouden hun best doen meerdere te winnen. De grondslag was gelegd. Elke week groeide het getal aan. Veromer voornamelijk bevlijtigde zich om leden te bekomen. Het getal was na weinige maanden aangegroeid tot honderd. Ze vergaderden nu in de kerk zelve. Den 15 Juli
20
i S49 hacl eerste plechtige opdracht plaats, dat wil zeggen de toewijding aan Jezus, Maria en Jozef. Te Brussel was alzoo eene Congregatie van de Aartsbroederschap der H. Familie tot stand gekomen.
Bij de uitbreiding, die zij reeds aanvankelijk had, moest er aangedacht worden de vereeniging in te richten gelijk die te Luik. Bennetable, een militair, stelde zich voor den geest hoe elk regiment zijne compagnies heeft, elk met een kapitein en luitenant aan het hoofd; zoo verdeelde hij het geheel der vereeniging in secties, elk met een prefect en onder-prefect aan het hoofd. Zoo richtte men nu ook de vereeniging in te Brussel in de Magdalena-kerk. Het kwam er nu op aan de menschen te vinden, die geschiktheid genoeg hadden om eene sectie te besturen. Inderdaad er rust veel op den prefect en zijn medehelper. Hij moet zijne leden goed leeren kennen, hen onderrichten, hun raadgever., hen van tijd tot tijd bezoeken, er zooveel mogelijk voor zorgen, dat zij getrouw de vergaderingen bijwonen; als ze ziek zijn moet hij hun trooster wezen, en zoo al meer. Te Brussel werden de secties niet te gelijkertijd gevormd, maar de eene na de andere, en bij iedere nieuw opgerichte bleef Veromer de prefect tot zoo lang zij heel in orde was en de verdere leiding aan een ander kan worden toevertrouwd.
Hij was juist de man, die orde en regel tot stand wist te brengen en te onderhouden onder menschen, die voor het meerendeel weinig gewoon waren daaraan te hechten; hij wist den broedergeest in hen te op wekken, hij wist hun liefde in te boezemen voor de Vereeniging. Als de een of andere te kort was gekomen in zijne verplichting of zich aan eenig kwaad had schuldig gemaakt, dan bracht hij dien het verzuim of het kwaad met bedaardheid onder het oog, en het gevolg was veelal, dat zijn
HANDWERKSMAN. 27
woord een gunstige uitwerking had. Hij verstond de kunst veler hart voor zich te winnen.
Eens, het was in Maart van het jaar 1853, bij eene drie daag-sche geestelijke oefening die halfvasten werd gegeven, kwamen \'s morgens drie mannen, dié blijkbaar den nacht in herbergen hadden doorgebracht, de kerk binnen. Veromer ging hen te gemoet en sprak op minzamen toon; sVrienden, gaat eens goed uitrusten, gij zijt nu zoo vermoeid, maar komt van avond terug, dan vergaderen wij weer, en gij zult wat moois hooren, dat u van veel nut zal zijn.quot; Zij verwijderden zich onmiddellijk. Ues avonds kwamen inderdaad twee van hen terug en zij woonden alle oefeningen der Missie bij. Het gevolg was, dat zij van hun zondigen levenswandel terug kwamen; één zelfs lid werd van de Broederschap, ja een lid wiens gedrag een voorbeeld van stichting was.
Veromer heeft de voldoening gesmaakt de stichter geweest te zijn van de Congregatie der H. Familie te Brussel, die tegenwoordig meer dan zeshonderd leden telt, die volijverig aan hun zielenheil arbeiden en door geregelde levenswijze ten zegen zijn voor de geheele stad.
Het bestaan van zulk eene Vereeniging is in onzen tijd van het hoogste belang.
De leden van de H. Familie stellen zich voor Jezus Maria en Jozef na te volgen en doen dus hun huisgezin zooveel mogelijk gelijken op dat van het Heilig gezin te Nazareth. De reinheid des levens wordt door deze Broederschap bevorderd, de vaderlijke waakzaamheid de moederlijke zorg wordt er door opgewekt en aangespoord; de kinderlijke gehoorzaamheid leeren de zoons en dochters als een plicht kennen en beoefenen.
De Broederschap der H. Familie doet haren leden de ge-
28 DE APOSTOLISCHE
reedste middelen ter hand nemen om te vorderen op den weg van deugd en volmaking, te weten het gebed^ waardoor men alles van God verkrijgt wat ter zaligheid dienstig is.
» Vraagt en gij zult verkrijgen,quot; zegt de H. Schrift. Inderdaad door het gebed kunnen wij alles van God verkrijgen: alles wat strekt tot welzijn van ons lichaam en wat het tijdelijke betreft; zooveel te meer dan nog, wat tot welzijn van onze ziel en ons dienstig ter zaligheid is. Het woord Gods. Bij iedere oefening wordt door den geestelijken Directeur een gemeenzame toespraak gehouden, geheel berekend naar de vatbaarheid en de ontwikkeling van hen, die lid zijn der Congregatie: die toespraak is hun, gelijk de Koninklijke Profeet zegt »een licht dat voor onze schrede schijnt op den weg des levens.quot; De Heilige Communie: de leden worden aangemaand bij alle hooge feesten voor den Priester neer te knielen en belijdenis van hunne schuld te doen en vervolgens zich te voeden met het Lichaam en Bloed des Heeren. Eene algemeene communie wordt minstens eenmaal per jaar gehouden, terwijl daarenboven het patroonfeest van iedere sectie met biecht en communie door de leden van die sectie wordt gevierd. Het Heilig Sacrament des Altaars wordt zinnebeeldig genoemd «Tarwe der Uitverkorenenquot; de leden der H. Familie komen er, in gevolge hun regel, van zeiven toe verscheidene malen in het jaar de Tafel des Heeren te naderen, en wenden alzoo het heilzaamste middel aan om eens tot de Uitverkorenen te behooren. Het goede -voorbeeld. Wie zoo ver komt zich te laten inschrijven als lid van de H. Familie, mag het voornemen opgevat hebben een beter leven te gaan leiden, maar het is zoo zeker niet, dat hij zich nu waardig zal betoonen de medaille der schoone Yereeniging te dragen. Hem kleven misschien nog groote
HANDWERKSMAN,
vlekken aan, die maar niet zoo in eens kunnen uitgewischt worden; hij was misschien een dronkaard, en zal zich nu nog wel eens te buiten gaan; hij was misschien een minnaar van slechte lectuur, hij zal niet ineens dien hartstocht overwonnen hebben; hij vloekte wel eens, er zal hem nu nog wel eens
een vloek over de lippen komen.....maar Goddank, hij
hij heeft de eerste schrede gedaan, komt in nauwe betrekking, in innig verkeer met mannen en jongelingen, die in reinheid des harten voor God willen leven, die de matigheid beoefenen, die stichtende boeken lezen, die nooit vloeken; hun goed voorbeeld heeft hij altijd voor oogen, het kan niet anders of het moet een heilzamen invloed op hem hebben.
Zoo werken de leden der Heilige Familie aan hun eigen heil, zoo winnen zij ook anderen voor godsdienst en deugd.
Veromer heeft zich grootelijks verdienstelijk gemaakt door die Broederschap te Brussel tot stand en tot ontwikkeling te brengen.
V.
Veromer, de vriend der armen, zieken en noodlijdenden.
TOWSat wij tot dus verre van Veromer mededeelden, was slechts het begin van zijn apostolischen arbeid. Het
lidmaatschap der H. Familie had in zijn hart een warme liefde tot de armen doen ontstaan, die al meer en meer toenam en hem vervolgens deed gloeien en branden om de armen op te zoeken, te troosten, te helpen, bij te slaan, hun levensmiddelen en en kleederen en bed en dekking te bezorgen. Voornamelijk de geestelijke behoeften van de armen trok hij zich aan, geheel in den geest der Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo, waarvan hij in 1853 werkend lid was geworden. Hij zette zich zoo gemoedelijk op den houten stoel in de hut van de arme weduwe neer, vernam daar altijd naarstig naar het gedrag der kinderen, bestelde de kleinen op een goede school, de grooteren op een ambacht; sprak woorden van troost en bemoediging tot de vrouw, die in haar man den broodwinner van het talrijke gezin had verloren. Gaarne bezocht hij de gezinnen, waarvan de vader achterlijk was in de vervulling van zijne plichten. Hij slaagde er veelal in zulken man te gewennen des morgens en \'s avonds te bidden, des Zondags naar de Mis te gaan; hij bracht hem verder naar een biechtvader en vierde met hït gezin feest op den
DE APOSTOLISCHE HANDWERKSMAN. 31
dag, dat de vader voor het eerst na een reeks van jaren tot de Tafel des Heeren was genaderd, zich zoo overgelukkig gevoelde, een heel ander mensch was geworden. Wie onwettig samen woonden, bezorgde hij de vereischte papieren om te kunnen huwen en vervolgens als christelijke echtgenooten te kunnen leven. De natuurlijke kinderen deed hij wettigen opdat zij zich hunne geboorte en hunnen naam minder zouden behoeven te schamen. Aan de verschillende liefdewerken, die de Vereeniging van den H. Vincentius bij voorkeur gaarne ter hand neemt, had hij gedurende vijftien jaren met ijver deel, en wie met hem in aanraking kwam, zegende hem als een werktuig in Gods hand om de armen lichamelijk en geestelijk behulpzaam le zijn, tot orde en plicht te brengen, zooveel mogelijk evenbeelden te doen zijn van de H, familie, die te Nazareth in de grootste godsvrucht en de beoefening van de schoonste deugden leefde.
Zijn ijver blonk vooral uit toen in 1S66 de Cholera te Brussel heerschte.
Hij hielp de lijdenden, die geen hulp van ande ren kenden bekomen, die schier geheel aan zich zeiven waren overgelaten, en hij zocht die op in nauwe straten en smalle gangen. Waar niemand zich durfde wagen, daar begaf hij zich heen om naar zijn vermogen hulp te brengen voor het aangetaste lichaam, maar meer nog, elaar de dood bij de meesten volgde, om hen tot een zalig sterfuur voor te bereielen. Velen hebben het aan zijne tusschenkomt te danken, dat zij de eeuwigheid zijn ingegaan na met volle bewustheid de laatste H. Sacramenten ontvangen te hebben. Waar hoop op behoud was, daar wendde hij alle middelen aan die tot vermindering der ziekte, tot herstel, tot versterking dei-levenskrachten kon dienen. De eloor hem verstrekte hulp heeft meer dan twee honderd lijders aan den dood doen ontkomen.
32 DE APOSTOLISCHE HANDWERKSMAN.
Het stedelijk bestuur reikte het volgende jaar medailles uit aan degenen, die zich bij de ziekte door toewijding en opoffering tot heil der lijders het meest hadden onderscheiden, zich het meest verdienstelijk hadden gemaakt: aan den Heer Jozef Veromer werd den 25 September 18Ó7 eene medaille van de eerste klasse ter hand gesteld.
De Winter van het jaar 1879 was streng; in December viel er veel sneeuw. De koude deed voor velen het werk stil staan; zij konden niets verdienen en hadden geen voorraad kunnen opdoen, omdat in den Zomer niet veel te verdienen was geweest. Koophandel en nijverheid verkeerden in kwijning. Er heerschte groote nood, zelfs in gezinnen, die anders geen hulp behoefden. Om te voorzien in de behoeften, waarin zoovelen verkeerden, vereenigden zich eenige menschlievende burgers der stad, mannen van verschillende richting zoowel ten opzichte van godsdienst als van staatkunde: zij noemden zich het Comité van de pers. Een beroep werd gedaan op de liefdadigheid van de ingezetenen der stad, en de belangrijke som van 300,000 francs werd ter leniging der noodlijdenden ingezameld. Maar hoe aanzienlijk het bedrag was, het moest zuinig worden beheerd, het geld moest uitgedeeld worden naargelang van de behoeften. Veromer. ofschoon toen reeds twee en zeventig jaar, hielp krachtig mee om de giften te doen toekomen aan wie de grootste behoeften hadden, hij kende de arme woningen en de meesthulpbehoevenden, en zorgde dat een daaraan evenredig deel der offers werd geschonken. Het comité erkende daarna ook zijne verdiensten en deed hem een eere diplome toekomen, geteekend door de hoofdredacteurs van de verschillende dagbladen te Brussel verschijnende.
r^CCI-C^C^€€3C#30§QC^QClG-D§G
VI.
Ver om er, bestuurder van het Liefdewerk der Militairen en medearbeider aan het Liefdewerk der Ambulancen.
lt;v ■\\£3.
ilaJl\'6 mani wiens blik zich vestigde op allen, die behoefte /v1 hadden aan hulp en bescherming naar het lichaam en naar de ziel, zag met leedwezen, dat de jeugdige militairen, die aan hun huis onttrokken waren om zich in den krijgsdienst te oefenen, in de kazernen geen gelegenheid vonden hun morgenen avond gebed te doen. Het smartte hem, dat vele onschuldige en brave jongelingen daar in aanraking kwamen met losbandigen en zedeloozen, en het was zijn vurige wensch hen zooveel mogelijk te ontrukken aan het gezelschap dier bedorvenen en hen te harden tegen de beproevingen, die het militaire leven zoo veelvuldig aanbiedt. Niet ten onrechte vreezen de ouders voor de goede zeden van hunne zoons, die het soldatenpak moeten aantrekken; vele jongens gaan met onschuldig hart van huis enkomen terug doorleerd in alle kwaad, en ten speelbal aan velerlei hartstochten. Het kwade gezelschap heeft hunne goede zeden verbasterd. Wat is daartegen te doen? Veromer kende een redmiddel, hij heeft het aangewend en vele jongelingen behoed voor ver-
34 DE APOSTOLISCHE
leiding. In December 1855 begon hij met een ongehuwd vriend het liefdewerk der militairen.
Als de dienst is afgeloopen, kunnen de militairen zich in de kazerne op hunne manier vermaken; die dit niet verkiezen, loepen langs de straat te slenteren; hebben ze geld op zak, dan krijgen de bierhuizen een beurt of het gaat op aan sterken drank. De kazerne, de straat, de herberg, \'t is alles een verkeerde leerschool voor de jonge militairen; Veromer heeft hun een toevluchtsoord geopend, waar ze, met in achtneming van verordeningen betreffende zedelijkheid en godsdienst, vrijen toegang hebben, zich met eenig spel kunnen bezig houden, goede boeken vinden, pijp of cigaar kunnen rooken, aan ouders en alle andere betrekkingen ongestoord kunnen schrijven. Een korte, stichtende voorlezing wordt gehouden, en het slot is een gezamenlijk gebed.
De aalmoezenier is het hoofd van de militaire quot;Vereeni-ging; hij woont de vergaderingen van tijd tot tijd bij, voornamelijk tegen den tijd der hooge kerkelijke feesten, en bereidt de leden dan voor tot het waardig ontvangen van de H. Sacramenten. Hij is hun aller vader, gaat bij de vermogenden rond om geld in te zamelen voor de benoodigdheden der Vereeni-ging,zorgt dat zijn ferme jongens genoeg hebben om zich somwijlen te kunnen ontspannen. Bij zijn bezoek drukt hij hun een onbesproken levenswandel op het hart, liefde tot God, eerbied voor geestelijke en wereldlijke overheden en trouwe vervulling der plichten van hun staat. Uit hun gedrag moet het blijken, dat zij leden zijn van de militaire Vereeniging; en dit is werkelijk het geval.
In denzelfden geest was Veromer de leidsman van de militairen en zij waren hem dankbaar hun zulk eene schoone
HANDWERKSMAN. 35
gelegenheid geopend te hebben om ook als soldaat een Christelijk leven te kunnen leiden.
Hij toonde zijn toewijding ten heile der militairen nog op eene andere wijze.
Toen in 1870 de bloedige oorlog tusschen Frankrijk en Duitschland gevoerd werd, nam België eene menigte gewonde krijgslieden der beide natiën gastrij op, het Liefdewerk der ambulancen werd opgericht en ieders hulp werd ingeroepen om daaraan bij te dragen of om ter verpleging der gekwetsten mede te helpen. Veromer bood zich aan als verpleger: een gunstige gelegenheid om zijne naastenliefde voldoening te geven, eene gunstige gelegenheid ook veler ziel te redden. Verscheidene maanden achtereen was hij schier eiken dag, ja zelfs ook des nachts, te vinden in de zalen, waar niets dan smartkreten werden gehoord, waar kreupelen en verminkten de vreeslijkste pijnen leden, waar de dood een welkome bode was voor die gekweld werden door onuitstaanbaar lijden. Met hoeveel ijver snelde hij telkens heen naar die verblijfplaatsen van jammer en smart; wat was het hem een genot dan uit-deeling te kunnen doen van tabak en cigaren uit eigen beurs gekocht of aan andere liefdadigen verzocht voor de ongelukkige lijders; wat was het hem een genot, hen met een teug wijn te kunnen laven of hun eenige andere versnapering te kunnen aanbieden.
Dreigde de een of ander aan zijne verwonding te zullen bezwijken, dan was Veromer er bij om hem nog tijdig te doen voorzien met de genademiddelen van onze Moeder de H. Kerk. Uie dienst was hem niet gevraagd, zijn godsdienstig gevoel bewoog hem dien te bewijzen aan menschen, die in hunnen staat zoo weinig aanleiding vinden |aaii een zalig sterfuur te
36 DE APOSTOLISCHE HANDWERKSMAN.
denken. Hij rekende het zich zelfs een plicht de geestelijke verpleging van de gekwetsten te verbinden met de verzorging van het stoffelijk hulsel hunner ziel.
Het Comité van het Roode Kruis te Parijs erkende zijne verdiensten en schonk hem den 1 December 1871 een eerediplome en een gedenkpenning, als dankbetuiging voor zijne edelmoedige zorgen ten heile van de gekwetste Fransche soldaten.
België kwam eerst later op het denkbeeld eere te geven aan de mannen,die door opofferende liefde voorden smartlijdenden nabuur het land een gloriekroon hadden gevlochten, en Brussel vereerde Veromer den 27 December 1880 met een diplome, vermeldende de diensten, die hij in den Fransch-Duitschen oorlog aan de gewonde militairen bewezen had.
VIL
Veromer, bestuurder van het Liefdewerk der Ambachten.
o/
^M/ye onverzadelijk; zij dorst naar het heil der
/fo zielen, wij hebben Veroraer reeds beschouwd als zijne krachten met liet gelukkigste gevolg aan verschillende liefdewerken wijdende, wij gaan hem nu volgen als toonbeeld van ijver en toewijding aan een zaak van hoog gewicht; wij gaan zien wat door hem tot nut en welzijn van de knapen, die op een ambacht zijn, tot heil van de volwassen werklieden en in het algemeen ten beste van de klasse der werklieden gedaan is. De Vereeniging van den H. Vincentius van Paulo begon het Liefdewerk der Ambachten: Bij ondervinding kende Veromer de gevaren waaraan de jongelingen blootstaan, die een ambacht willen leeren, voornamelijk in groote werkplaatsen. Het bestuur der Vereeniging stelde hem voor als het hoofd van dit Liefdewerk op te treden, en Veromer was juist de man, wien de Voorzienigheid met de noodige talenten en den vereischten aanleg bedeeld had om zulke zaak op de beste wijze te leiden. Hij werd nu de vader van de jeugdige ambachtsgezellen, en zij erkenden en achtten hem als zoodanig, dit moet tot hun lof gezegd worden.
38 DE APOSTOLISCHE
In 1854 begon dit liefdewerk met een klein getal leerjongens, die onder zijne leiding gesteld werden; het getal groeide voortdurend aan, en klom tot 350. Veromer schaarde hen iederen Zondag voormiddag om zich in de kapel der Broeders van de Christelijke leer. Hij onderwees hen daar in de waarheden van den godsdienst, zich bewust dat onwetendheid in den godsdienst een voorname oorzaak is, dat velen zich laten verleiden, op den doolweg geraken en geheel verloren gaan.
Ploogst ncodig was zulk onderricht voornamelijk te Brussel. De kinderen komen na het doen van de Eerste Communie nog maar zelden naar den cathechismus, naar de preeken hooren ze weinig, in korten tijd zijn ze grootendeels vergeten wat hun hoog noodig was te weten om toegelaten te worden tot de Eerste Communie. In huis hooren de meesten niet van godsdienst spreken, of er wordt met onverschilligheid, met afkeuring over gesproken, misschien wel met spot. Hm gedrag wordt er niet beter op, sommigen worden zelfs groote boosdoeners en plegen liet ergerlijkste kwaad. Op de werkplaatsen hooren ze anderen, die even zoo weinig van den godsdienst weten, er mee lachen en ze sluiten zich aan bij de zoogenaamde verlichten, die geen kerk bezoeken, alle oefeningen van godsvrucht allengs hebben verzuimd en wien daarom de gave des geloofs is ontnomen. Veromer trok zich het lot aan van de kleine werkmansgezellen, om te redden, wie behouden wenschten te blijven bij den zondvloed van kwaad, dat hun van alle kanten toestroomde.
Als hij daar in hun midden gezeten was, dan sprak hij zoo vaak; »Beste jongens, weet dat ik uw vriend ben en dat ik niets beoog dan uw geluk; vele jaren reeds ken ik de aankomende werklieden en de werklieden zeiven: ik weet dat zij
39
een goeden leidsman, een vriend noodig hebben, ik wil het voor u zijn, ik wil alle zorg voor u dragen, ik wil u beminnen, gelijk de Zaligmaker de kinderen heeft bemind en de armen heeft lief gehad. Voor hun welzijn is Hij zelf arm geworden en voor hun heil heeft Hij zelfs zijn leven ten beste gegeven. Wilt gij ook door Hem bemind worden, hoort dan niet naar de bedorven jongelingen, die den spot drijven met al wat heilig is, die vloeken en zedelooze gesprekken voeren; hoort niet naar hen als zij u voorpraten dat de Kerk goed is voor onnoozele menschen en oude vrouwen; zij zijn te dom om anderen les te geven. Het zou hun veel beter zijn als zij met u hier kwamen, dan konden ze leeren wat de Kerk is, wat de Priester s doen tot heil der wereld; dan konden ze vernemen waarvoor de mensch in het leven is geroepen; wat de voornaamste wetenschap voor den mensch is, welke plichten ieder in zijn staat te vervullen heeft.quot; Veromer trachtte de harten der jongelingen te winnen, die ter vergadering waren gekomen, en hij trachtte ze te openen voor een geregeld godsdienst-onderricht, dat vervolgens door een Priester of een geestelijken Broeder werd gegeven.
In zijn toespraken bemoedigde hij hen opdat zij het menschelijk opzicht zouden trotseeren, des Zondags vlijtig naaide kerk zouden gaan en maandelijks ter communie, al mochten zij daarom door anderen belachen en bespot .worden.
Hij vermaande hen geen slechte boeken te lezen, ook geen slechte nieuwsbladen; niet mee te praten over de politiek, waaraan jeugdige schoen-en kleermakers, bakkers en smids en andere ambachtslieden niets hebben, en die lichtelijk hun hoofd in de war brengt.
Herbergen druk te bezoeken en er lang te verblijven, daartegen verklaarde hij zich uitdrukkelijk; hij zou hun gaarne
40 DE APOSTOLISCHE
alle bezoek afgeraden hebben, omdat de herbergen niets te leeren geven, maar wijselijk strekte hij zijne wenschen niet te ver uit en bemerkte met voldoening dat een willig oor werd verleend aan de wijze lessen, den vaderlijken raad en de ernstige vermaningen, door hem met innige liefde gegeven.
Eéne zaak nog, zoo noodig in onzen tijd, besprak hij met zijne jongelingen herhaalde malen, te weten den plicht van onderwerping aan geestelijke en wereldlijke overheden.
Het kostte hem niet veel moeite zijn jongelieden te beduiden dat zij gehoor moeten geven aan den Paus, aan de Bisschoppen, aan de Priesters, die allen in hunne bediening rechtstreeks de plaats van God innemen en in Gods naam spreken en bevelen; hun gehoorzaamheid in te prenten aan ouders ging ook, maar hun onderwerping aan de wetten van den staat, aan de gemeentelijke verordeningen, aan de beschikkingen van heeren en meesters en van alle andere wereldlijke overheden als plicht te leeren kennen, viel niet zoo gemakkelijk, daar de menschen van onzen tijd een gelijk recht voor allen preeken, en daarmede bedoelen, dat de een niet meer ü dan de ander, en geen mensch dus recht heeft bevelen te geven. Dat wordt luide verkondigd, en jongelingen en knapen hooren er van, ze zien verzet tegen de overheden, ze zien de werklieden met strenge eischen tegen over de werkgevers staan, ze hooren de meesters betitelen als verdrukkers, uitzuigers,
beulen....... Is het wonder dat heel verkeerde begrippen
van onderdanigheid, zelfs in het hart van jeugdigen, wortel schieten ? Veromer bevlijtigde zich het kwaad uit te roeien en zijne jongelingen te vormen tot werklieden, die door vlijti-gen arbeid en stipte plichtvervulling zich de achting en het vertrouwen hunner meesters zouden weten te verwerven.
HANDWERKSMAN. 41
Veromer was niet altijd de ernstige zedepreeker: hij lachte en schertste met zijne jongens als het pas gaf; hij nam met hen deel aan spel en vermakelijkheden, bereidde hun van tijd tot tijd een aangenaam leest, en oefende hen in het geven van onschuldige tooneelvertooningen.
Op deze wijze won hij vele jongelingen voor het Liefdewerk der Ambachten, dat onder zijn wijs bestuur tot weligen bloei kwam en de hoop gaf, dat allengs een betere geest onder de werklieden der stad komen zou.
VIII.
De bestuurder van de Sint Jozefs-vereeniging.
zouden niet altijd jongelingen blijven, ze zouden zich een levensgezellin kiezen, ze zouden zich in den echt begeven, vader worden. Dan zouden ze geen lid van de Vereeniging kunnen blijven en den kring missen waarin ze zoo veilig waren tegen verleiding en den kwaden tijdgeest, dan zouden ze zich al licht laten meesleepen om met de bedorvenen mee te doen.... de goede zorgen hun gewijd, zouden nutteloos zijn aangewend. sNeen, dat moet, dat mag zoo niet zijn!quot; Zóó sprak de Vereeniging van den H. Vincentius van Paülo, zoo sprak ook Veromer. »Ook voor de gehuwden moet een kring bestaan, waar zij godsdienstig kunnen samen zijn, elkander kunnen stichten, waar ze zich ontspannen kunnen op betamelijke wijze en een genot smaken, waarvan vloekers en drinkers en zedeloozen geen besef hebben.quot;
De nieuwe kring, waar de gehuwde werklieden een verkeer zouden vinden als de jongelingen, waar zij kracht en sterkte zouden op doen om openbare belijdenis te geven van
^ eeds bestond de Vereeniging, der jongelingen,maar zij,die nu zoo heilzaam geleid werden en zoo braaf leefden,
43
hun geloof en van hunne deugd, waar zij tevredenheid met hunnen stand, berusting in Gods heiligen wil, onderdanigheid
aan hunne overheden zouden leeren..... die nieuwe kring
kwam tot stand in het jaar 1856. Aan Veromer werd het bestuur opgedragen — en hij liet het zich welgevallen, ofschoon zijn tijd reeds voor zulk een groot gedeelte door de beoefening van andere Liefdewerken werd ingenomen.
Sint Jozefs-vereeniging werd de kring der ambachtslieden genoemd,die des Zondags in het Broedergesticht (rue des Alexiens) vergaderen zouden, om zich den Bruidegom der Allerheiligste Maagd ten voorbeelde te stellen, zich te oefenen in de navolging van zijne verhevene deugden en zich te bevlijtigen hem gelijkvormig te worden.
Een betere Patroon kon zeker voor de Vereeniging der gehuwde werklieden niet gekozen worden: de H. Jozef heeft vlijtig gearbeid en ofschoon hij met zijn arbeid slechts een sober stukje brood kon verdienen, was hij tevreden en gelukkig; hij was een deugdzaam echtgenoot,die zijne vrouw met de teederste en zuiverste liefde beminde; hij was een zorgvuldige vader, die alle oplettendheid wijdde aan het kind,dat aan zijne leiding was toevertrouwd. In zijn huisgezin heerschten regel en orde, daar was vrede en eendracht, daar was godsvrucht de heerschende geest.
De oprichting van die Vereeniging paste zoo juist voor den toenmaligen tijd, zulke Vereeniging past evenzeer voor onzen tijd. De toestand der maatscliappij,vooral die der werkende klasse eisch-te toen in Belgie, en eischt nu ook in ons land, aanwending van krachtdadige pogingen om het lot van de werklieden in geestelijk en stoffelijk opzicht te verbeteren. Daartoe waren reeds verschillende middelen geproefd, een uitmuntend middel zelfs, maar, dat, helaas eenzijdig toegepast zijnde.
44
zonder eenige vrucht was gebleven; Men had, evenals bij ons, prachtige scholen gebouwd, de onderwijzers wetenschappelijk gevormd, hun hooge bezoldiging gegeven, de kinderen zooveel mogelijk naar de scholen gedreven, maar naar scholen, waar het verstand mogelijk wel werd ontwikkeld, maar het hart niet gevormd, naar scholen waar van God noch godsdienst mocht gesproken worden, naar scholen waar de kinderen geen onderwijs ontvingen in hetgeen hun het noodzakelijkst is om tot onderworpen dienaars van den staat en getrouwe leden dei-Kerk op te groeien.
Men heeft ook de werkloonen verhoogd, maar naar dezelfde mate hebben de werklieden hunne uitgaven vermeerderd, omdat ze niet vooraf gewend waren aan overleg,aan spaarzaamheid; het meerdere werd naar de bierhuizen gebracht of voor artikelen van Weelde uitgegeven, en in de gezinnen bleef het even erbarmelijk gesteld als toen de loonen minder hoog waren.
. Men heeft het volk zoogenaamd voorgelicht door de uitgaaf van goedkoope dagbladen, door het verspreiden van volks-geschriften, door voorlezingen te houden.
Men heeft vereenigingen tot stand gebracht voor metselaars, voor smids, voor bakkers, voor schoenmakers en nog al meer, waar besproken zou kunnen worden wat men zou kunnen aanwenden om het vak tot meerdere hoogte te brengen
en den werkman een ruimer bestaan te verschaffen.......
Het heeft ondertusschen alles niets gebaat om het lot der handwerkslieden te verbeteren. En waarom niet?
Omdat hun het licht niet werd ontstoken, dat behoed voor dwaling, voor val, voor verderf. Omdat zij geleid werden door mannen zonder geloof, zonder deugd, zonder goede zeden, omdat de machtige hefboom niet ter hand was gekomen, die
45
allen wil ten goede neigt, en tot zelfs het versteendste hart vermurwt: de godsdienst.
Het dreigde al erger en erger te worden en de bedorve-nen trachtten steeds meerderen tot zich te lokken door hun schoone vooruitzichten voor te houden, door hun een gelukkiger toekomst af te schilderen.
Jozef Veromer, de apostolische werkman, trad op, hij lokte op zijne beurt de werklieden tot zich - en gelukkig, er waren er nog van goeden wille. Twintig, dertig, vijftig, honderd leden werd de Sint Jozefs-vereeniging sterk en ze groeide nog steeds aan. Geregeld kwamen des Zondags bijeen en ze luisterden met aandacht naar de wijze lessen van hun waardigen leidsman, naar het godsdienstig onderricht dat hun door een geestelijke gegeven werd.
De Sint Jozefs-vereeniging bleek een goede leerschool. Velen die er lid van waren, lieten zich ook opnemen in andere congregaties en werden voorbeelden van stichtende godsvrucht. De goede Veromer verheugde er zich over, als hij die ruwen allengs hunne plompheid zag afleggen, tot zachtaardigheid, tot beschaving zag komen, als hij den vormeloozen klomp allengs een goed gevormd beeld zag worden. Ja, de godsdienst ver-teedert de harten en veredelt de menschen naar het lichaam, meer nog naar de ziel.
Een groote deel van den Zondag geeft Veromer ten beste voor zijne mannen. Hij trekt \'s morgens vroeg met hen op naar de kerk: dan wordt wordt een plechtige Mis opgedragen, een twintigtal van zijne leden maken een goed geordend koor uit en zij zingen de Mis; een vijftigtal, soms minder, soms meer, naargelang van omstandigheden, nadert tot de Tafel des Heeren; op hooge feestdagen gaan allen... drie, vier, vijf honderd
46
ter communie. Des middags is het Lof; allen zijn weder aanwezig, de koorzangers gegeven blijk van hunne bekwaamheid, de geheele vergadering zingt daarna een loflied ter eere van den Heiligen Patroon, die zich in den Hemel verheugt over de brave werklieden, welke zich onder zijne bescherming hebben ge steld, en wien hij een machtige voorspreker is bij den Zoon Gods, dien hij tot Pleegvader geweest is.
De goede naam der Sint Jozefs-vereeniging verbreidt zich door de stad en daar buiten. Andere steden wenschen ook zulk een kring voor de werklieden, die achtereenvolgens tot stand kwam te Leuven, te Enghien, te Hal; daarna in meer andere plaatsen. De Brusselsche bleef nog voortdurend in ledental toenemen.
De Vereeniging van den H. Vincentius had reden tevreden te zijn over den goeden gang van het door haar begonnen Liefdewerk ten heile der ambachtslieden.
In een verslag over het jaar 1858 uitgebracht zegt zij;
sHet Liefdewerk van den H. Jozef blijft een heilzamen invloed uitoefenen op de zes honderd man, die er lid van zijn en de vergaderingen bijwonen.
Het is ons niet mogelijk te vermelden in hoeveel gezinnen het vrede en geluk heeft aangebracht. Wij zullen slechts enkele feiten aanhalen om overtuigend te doen zien, dat God zijnen zegen schenkt aan die in zijnen naam werken, ook al mochten die arbeiders dan ook nog zwak en zijne gunsten minder waardig zijn.
Twee huismoeders, die jaren lang veel verdriet hadden van hare echtgenooten, beleven nu, Goddank, veel vreugde van hen. Met de meeste voldoening hebben zij aan een van onze medebroeders te kennen gegeven, dat hare mannen ge-
HANDWERKSMAN. 47
heel van levenswijze veranderd zijn sinds ze deel uitmaken van onze Vereeniging. De eene zei: jMijn man vloekt nu niet meerquot;; de andere sprak: sMijn man gaat zich nu niet meer te buiten aan den drank;quot; beiden getuigden dat het nu in haar huis altijd rustig was, dat er geen oneffen woord meer viel en ze nu gelukkig leefden.
In onzen kring had zich ook een man laten opnemen, die 42 jaar lang zijn plichten had verzuimd. Hij woonde de vergadering bij en na afloop daarvan vertrekkende, sprak hij een onzer broeders aan: zijn verzoek was hem bij een Priester te brengen, omdat hij zich bekeeren wilde. De man heeft zijne biecht gesproken en is een Christelijk leven gaan leiden.
Een grijsaard, die een rekening van 53 jaren met Onzen Lieven Heer te vereffenen had, is door de gunstige werking der Sint Jozefs-vereeniging zijne kerkelijke plichten gaan vervullen en tot een vernieuwd leven der genade gekomen.
Niet enkel voor hen, die als lid zijn ingeschreven, werkt de Vereeniging ten heile, zij tracht ook een heilzamen invloed uit te oefenen op wie niet als lid zijn toegetreden. Als de liefde in iemands hart brandt, dan gloeit dat hart van verrukking en het wenscht dat liefdevuur in vele andere harten ontstoken. Zoo nemen onze leden dikwijls vrienden en kennissen mede naar de vergadering, opdat ook dezen zich opgewekt zouden gevoelen in zich zeiven te keeren en tot verbetering des levens te komen. Zulk een enkel bezoek is soms van hoogst nuttig gevolg. Zoo vernamen wij van een man, die op zijn doodsbed lag, en vroeger nalatig was geweest in het vervullen van zijn plichten: hij was nu voorzien met de laatste Heilige Sacramenten, voelde zich gelukkig en hoopte op een genadig oordeel bij zijne verschijning voor Gods rechterstoel. Die zoete
48 DE APOSTOLISCHE
vertroostingen had hij te danken, volgens zijne getuigenis aan der leden van de Sint( Jozefs-vereeniging.
Dat zijn alle vruchten van den ijver waarmede de goede Bestuurder Veroraer bezield was.quot;
In hetzelfde verslag worden nog eenige middelen vermeld die aangewend werden om den ijver der leden gaande te houden en hen getrouw de vergaderingen te doen bijwonen. Zoo, bijvoorbeeld, werd ieder jaar een uitdeeling gedaan van klee-cingstukken, die verstrekt werden aan hen, die de verplichtingen nauwkeurig waren nagekomen; in het afgeloopen jaar was de diergaarde door hen bezocht en was met ruim een tweehonderdtal een uitstapje gedaan naar Waterloo, waar ze zich te goed konden doen aan een ruim voorziene tafel. Bij den terugtocht gingen zij over Alsemberg, bezochten het mirakuleuze Maria-beeld, knielden er stichtend biddende voor neer en zongen lofliederen ter eere van Haar, die door de Kerk wordt genoemd. Troosteres der bedrukten^ Hulp der Christenen.
Een ander tweehonderdtal, die geen deel hadden kunnen nemen aan de ontspanning, hetzij wegens huislijke omstandigheden, hetzij omdat ze zulk een langen toch niet konden maken, hetzij om welke andere afdoende reden dan ook, dien werd een vroolijke avond verschaft in het gesticht der Broeders. Er werd gepraat en gezongen, zoo wel vaderlandsche liedjes als godsdienstige gezangen werden aangeheven; er werd volop gegeten en gedronken, waarbij de Broeders en de Vincentius-heeren de taak van bedienden vervulden, en het zoo genoeglijk toeging als bij de feestmalen der eerste Christenen.
Nog wordt in hetzelfde verslag gewezen op de toeneming van den goeden geest onder de leden der Vereeniging: zij stonden onder het Patronaat van den H. Jozef, ze kozen zich
HANDWERKSMAN. 49
nu ook zijn Heilige Bruid tot bijzondere Beschermster en lieten zich ten getale van 230 inschrijven in het scapulier, en waren in het vervolg dragers van het schouderkleed der H. Maagd. —
De werkman leeft gewoonlijk van de eene week op de andere als het niet is van den eenen dag op den anderen; als het tijd is om zijn loon te ontvangen, dan is het laatst ontvangene in den regel geheel op, en misschien heeft hij zelfs al schuld gemaakt. Hij denkt er niet aan iets te sparen, iets over te leggen voor den Winter of voor den ouden dag. Den leden der Sint Jozefs-vereeniging werd dit punt onder de aandacht gebracht en het gevolg was, dat in het jaar 1858, waarvan hier melding wordt gemaakt, reeds 83 hunner een spaarpenning-boekje hadden, dat hen aanduidde als bezitter van eenige francs, waarover zij in tijd van nood zouden kunnen beschikken.
Uitmuntend goed ging het .... nog ongeveer een half dozijn jaren. Wien was het voornamelijk te danken? Aan Veromer, die, zich zeiven schier vergetende, zijne zorgen aanwendde om zoovelen als maar mogelijk was te onttrekken aan de gevaren van verleiding en te voeren en te houden op den weg, die tot heil en zaligheid brengt.
Ach wat treurig bericht omtrent de toekomst der Ver-eeniging bevatte het verslag dat in 1864, werd uitgebracht! Veromer had Brussel verlaten, en zich elders gevestigd: niemand had men kunnen vinden, om hem op eenigszins waardige
wijze te vervangen...... De Vlaamsche sectie der Ver-
eeniging zou nu niet langer meer op zich zelve blijven bestaan, zij zou ingelijfd worden bij de Congregatte van den H.Franciscus Xaverius.
Het besluit viel weinig in den geest van de leden dei-Sint Jozefs-vereeniging, en.....velen vielen af, om waar-
UE APOSTOLISCHE HANDWERKSMAN.
5°
schijnlijk weder nalatig te worden in de vervulling van hunne godsdienstplichten, onverschillig omtrent hun eeuwig heil, om misschien zich te gaan aansluiten bij de genootschappen, die een kanker zijn voor de maatschappij, een pest voor de mensch-heid, een ergernis voor de braven, een afgrond van jammer en ellende voor allen, die er zich in laten opnemen.
gt;|v gt;{v qs. vj\'v vjv vjv ^jv gt;jv vjv ^jv gt;{v gt;iv y|v, v{v vjv
IX.
Beproevingen. Veromer sterft.
ier in dit leven hebben de braven veelal te kampen @Vrgt; met kruis en lijden. Zij worden beproefd, maar ook gelouterd door hetgeen zij te verduren hebben om na dit leven zooveel spoediger het Rijk der Zaligheid binnen te gaan. Tobias, die brave, godvreezende man leefde alleen om wel te doen, hij diende God van ganscher harte, gelijk de H. Schrift zegt, en hij werd eensklaps met blindheid geslagen. Job, »de eenvoudige rechtschapen man die den Heer vreesde en zich verwijderde van alle kwaad,quot; hij had de zwaarste slagen te verduren. Toen op zekeren dag zijne zoons en dochters bij hun oudsten broeder ten gast waren, kwam een bode tot Job en zei hem; »De ossen werkten en de ezelinnen graasden, toen kwamen de Sabeërs, zij vielen op hen aan, hebben ze meegevoerd en de herders vermoord; ik alleen ben ontkomen om u dit bericht mede te deelen.quot;
Hij sprak nog toeneen ander kwam en sprak: »Het vuur van den Hemel heeft de schapen en herders getroffen, alles is door de vlammen vernield; ik alleen ben gespaard gebleven om u deze tijding over te brengen.quot;
52 DE APOSTOLISCHE
Hij was nog bezig met spreken toen een derde kwam. Hij sprak tot Job: »De Chaldeers zijn in drie benden op de kameelen afgekomen, zij hebben ze met zich weggevoerd na de hoeders gedood te hebben ; ik alleen heb mij kunnen redden om u daarvan bericht te geven,quot;
Hij had nog niet uitgesproken toen een vierde bij Job kwam en hem zeide: »Toen uwe zoons en dochters in het huis van hun oudsten broeder ter maaltijd waren, kwam een hevige wind uit de woestijn, hij deed het huis schudden, en tot een puinhoop ineenstorten, allen die er in waren zijn gedood: ik alleen ben behouden gebleven om u die tijding over te brengen.quot;
Wat deed Job toen hij die hartverscheurende berichten vernam, nu hij zoo jammerlijk was getroffen in zijne goederen en in hetgeen hem het dierbaarst was, in zijne kinderen ?
Job boog zich diep ter aarde, aanbad Gods heilige beschikking en sprak: »De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, er is mij niets gebeurd dan wat Hem behaagt: de Naam des Heeren zij geprezen.quot; —
Maar de reeks van beproevingen is nog niet ten einde.
Job was kinderloos, had zijn vee verloren, was doodarm, maar gezond. Nu werd zijn lichaam overdekt met afzichtelijke zweren, die een walgelijk vocht uitlieten, zoodat iedereen hem schuwde en zelfs zijne beste vrienden hem verdachten van geheime zonden, die de oorzaak zouden zijn dat hem zooveel kwaad trof. Nog bleef Job gelaten en sprak: »Als wij het goede van den Heer ontvangen hebben, waarom zouden wij ook niet het kwade van hem aannemen?quot;
Wat den godvreezenden Job wedervaren is, is, hoewel
S3
dan ook niet zoo volmaakt overeenstemmend, het lot geweest van den braven Veromer,
Hij, die van zijne jeugd af zoo trouw was geweest in den dienst van God, die als werkmansgezel zoo standvastig de bekoringen van andere gezellen had afgeslagen, die zoo vlijtig arbeidde, zulk voorbeeldig echtgenoot, zulk een zorgzame huisvader was; de man, die zoo ijverig hielp om te Brussel de Broederschap der H. Familie tot stand te brengen, die oprichter en bestuurder van zooveel andere Liefdewerken was, had even als Job een tijd gekend van voorspoed en welvaart, ook van huislijk geluk en zegening in zijn echt; maar ook als Job kreeg hij daarna te worstelen met vele rampen. De zaken gingen niet meer te Brussel naar wensch, hij vestigde zich toen te Mechelen. Hier ging het niet beter. Hij beproefde nu zijn geluk te Antwerpen, maar vond het daar niet. Vervolgens keerde hij naar Brussel terug. Later heeft hij ook nog een korten tijd te Lier gewoond.
Om voor zich en zijn gezin het brood te verdienen, heeft hij altijd met ijver de handen aan het werk moeten slaan.
Van zijne elf kinderen verloor hij er 5, gelijk wij reeds vroeger gezegd hebben, in jeugdigen leeftijd: een negentienjarige zoon stierf in het jaar 1846 te Antwerpen, een achttienjarige in het volgende jaar te Brussel; een dochter van een en dertig jaar in het jaar 1864, een dochter van vijf en dertig jaar in het jaar 1865; een vier en twintigjarige dochter ontviel hem in 1868. Hij had toen van zijn talrijk gezin nog meer ééne dochter over. Gelukkig was hem zijne brave gade nog behouden gebleven, die vreugde en leed, onder voortdurend opzien naar den wijzen Beschikker van ons lot, eendrachtig met hem deelde.
Veromer bleef onder al die wederwaardigheden nog ver-
54 de apostolische
bonden aan de Liefdewerken, die onder zijne leiding tot zulke gunstige ontwikkeling, tot zoo weligen bloei gekomen waren; sommigen bleef hij van verre besturen, de Vlaamsche afdeeling der Sint Jozefs-Vereeniging door zijn vertrek schier te niet gegaan, heelt hij tot een vernieuwd leven weten te brengen.
In 1872 werd een pelgrimage georganiseerd door vereerders van de H. Maagd en van het H. Hart van Jezus: Veromer nam er deel aan en bezocht Lourdes, Issoudun en Paray-le-Monial.
Drie jaren daarna stierf zijne brave gade, die het loon ging verwerven voor deugd en godsvrucht, het loon ook bereid voor reine huwelijksliefde, voor moederlijke zorg en teederheid; maar haar verscheiden veroorzaakte den achterblijvenden echtgenoot eene bittere droefheid, die hij evenwel zocht te verdrijven door zooveel te meer oefeningen en werken van godsvrucht en liefdadigheid.
In het jaar 1877 werd te Rome het achttiende eeuwfeest gevierd van den marteldood der Apostelen Petrus en Paulus. Veromer telde toen zeventig in drukken arbeid doorgebrachte levensjaren, hij voelde evenwel kracht en moed genoeg om aan de feestviering deel te gaan nemen; vooraf had hij reeds door spaarzaam overleg zich het benoodigde reisgeld bezorgd, hij toog dus met de pelgrims heen en smaakte de zoete voldoening met de vrome scharen vurige beden te doen op de grafstede der Heiligen, die als offer voor de Kerk van Christus waren gestorven en in den Hemel zich verheugen in de eeuwige aanschouwing en verheerlijking van den Almachtigen God. —
Wat heeft hij veel van die bedevaart weten te vertellen aan zijne leden! Hoe aandachtig luisterden ze als hij er met geestdrift van sprak! Ze zou hem stof geven tot nuttig onder-
HANDWERKSMAN,
houd voor jaren lang! Helaas, nog maar drie jaren bleef hij de bloeiende gezondheid genieten, die hem in staat had gesteld zooveel drukken arbeid te verrichten: in Augustus van het jaar 1880 kreeg hij een zenuw-aanval, die hem noodzaakte zich te matigen. Hij bekwam er van. Maar in Februari van het volgende jaar, toen men hem geheel hersteld meende, werd hij op nieuw getroffen — en nu voelde hij zijne kracht merkelijk verminderd, hij moest zich van alle inspanning onthouden en mocht en kon niet meer werken, mocht kon en niet meer uitgaan om de ziel te zijn van wie hij zijn vrienden en broeders noemde. —
En in den loop van dat jaar zou er nog feest gevierd ■. worden! De Sint Jozefs-vereeniging zou dan plechtig het zilveren jubilé van haar bestaan vieren. De hoop van alle leden was, dat hun hooggeachte Bestuurder tegen dien tijd wel weer hersteld mocht zijn. De Zomer ging voorbij, Veroraers toestand bleef dezelfde; het werd Herfst, en in October zou de feestviering plaats hebben. Hij was toen nog niet beter. Maar de goede menschen weten er raad op om hem in hun midden te hebben: ze halen hem met een rijtuig aan zijn woning af, en leiden hem als in zegepraal de feestzaal, het oude vertrek in het Broedergesticht (Rue des Alexiens), binnen.
Was zijn hart altijd innig vereenigd geweest met dat van zijne leden, zij van hunnen kont toonden immer, maar nu vooral, hunne liefde tot — hunne hoogachting voor den waardigen Bestuurder. Zij overhandigden hem eene medaille, geslagen ter herinnering aan het 25 jarig bestaan, der schoone Vereeniging door hem in het leven geroepen en bestuurd.
Het was de laatste bijzondere eerbewijzing die hem te beurt viel.
Veromer verminderde sinds dien tijd al meer en meer,te vergeefs putte hij zijne geldmiddelen uit om gezondheid en kracht terug
56 DE APOSTOLISCHE
te bekomen,hij bleek onherstelbaar,afgeleefd; zelfs zijn gezond verstand raakte beneveld. Belangstellende vrienden,bewonderaars van zijn vurigen ijver voor alle goede zaken,erkentelijken,die hem terugkeer op den weg naar den Hemel te danken hadden, ze waren hem aanvankelijk als om strijd komen bezoeken, versterkende middelen, versnaperingen komen aanbrengen, maar zijn lijden duurde zóó lang; de een na den ander bleef achterwege, vergat hem, ten laatste bleef hij schier geheel aan zich zeiven overgelaten — en hij had in velerlei opzicht zooveel hulp noodig.... Het kon zoo niet langer duren.... Er moest in zijne verzorging, in zijne verpleging voorzien worden, niemand gevoelde het zoo goed als Veromer zelf. Het kostte hem wel veel, maar de nood drong er hem toe, aanvrage te doen om opgenomen te worden in het gasthuis der Anne zusters. Den 19 Juni van het jaar 1883 kreeg de man, die zulke verhevene Liefdewerken tot stand gebracht, en zooveel jaren bestuurd had, die zooveel duizenden onder zijne bescherming had genomen en veilig langs \'s levenspaden had geleid, die zich zeiven ten offer had gegeven voor het heil der menschheid, een nederig vertrekje in een armen gesticht waar zeker wel de liefde hem omgaf, maar de gedachte hem voor den geest moest zweven, dat de wereld niet edelmoedig beloont voor den arbeid zoo onbaatzuchtig en zoo lang gedaan voor het tijdelijk en eeuwig geluk van naar het lichaam en naar de ziel lijdende natuurgenooten.
Veromer verdreef zooveel mogelijk die gedachte. Het viel hem niet moeielijk; hij had geen vergelding, geen dank verhoopt, hij had slechts voldoening gegeven aan zijn weldadig hart. Als er sprake kon zijn van loon, dan hoopte hij dat van God, die de poort des Hemels opent voor de dienstknechten, die hunne talenten niet in de aarde begraven, maar er voordeel mede
HANDWERKSMAN.
gedaan hadden. Overigens, hij leefde nu zoo onbekommerd, zoo ongestoord, zoo rustig; hij had zooveel reden tot dankbaarheid, hij stichtte zich zoo herhaaldelijk aan de zelfopofferende liefde van de Zusters; hij kon hier zoo innig, zoo hartelijk bidden, zoo langen tijd kon hij ongehinderd aan het gebed
besteden...... Was hij al van vele jaren her gewoon zijn
Rozenkrans bij zich te dragen, hij had hem nu altijd in de hand, den heelen dag door en zelfs gedurende den nacht, waarvan menig uur slapeloos voorbij ging.
De goede zorgen hem in het liefdegesticht gewijd, vermochten niet den braven, ouden man tot versterking en levenslust te brengen; hij bleef sukkelend nog eenige maanden voortleven, toen een nieuwe aanval der zenuwen hem alle kracht ontnam en hem buiten kennis deed geraken; hij scheen al terstond met den dood te worstelen, en het Heilig Oliesel werd hem toegediend. Het was Donderdag avond 8 Mei 1884. Den volgenden dag herkreeg hij evenwel het bewustzijn, sprak zijne biecht en ontving de Teerspijze der stervenden. Alzoo toegerust met de genademiddelen van onze Moeder de H. Kerk, wachtte hij gelaten en geheel overgegeven aan Gods wil zijn laatste uur af. Kalm en zacht ontsliep hij in den Heer Zaterdag 10 Mei des nachts ongeveer ten twee uur, op twintig dagen na, 77 jaren oud.
57
ti mi i n 11111111 Ti 111 n rrn uitiiTtiitT
X.
Een woord tot slot.
meer, maar wat hij tot stand
------0---------,----: voort en kan onder Gods zegen
nog duizenden behoeden tegen den kwaden geest van onzen tijd, kan nog duizenden tot deugd en godsvrucht brengen, kan nog anderen duizendtallen tot stichting zijn.
Dat de Heer hem barmhartig is geweest en hem de kroon van eeuwige heerlijkheid in den Hemel heeft toegekend, behoeven wij niet te betwijfelen.
Laat zijn levenswandel ook ons tot stichting verstrekken en laat zijn voorbeeld ons aansporen hem te volgen in zijn vurigen ijver voor het goede.
Hij heeft een krachtdadig middel gevonden ter heiliging van zich zeiven en ter bevordering van het heil des naasten in de Broederschap van de H. Familie, laten wij met hem dat middel ter hand nemen en het zal ook ons voeren tot meerdere volmaking van ons zeiven, tot medewerking aan de eeuwige belangen van onze evenmenschen. Maar laten wij dan ook, gelijk Veromer, geheel onbaatzuchtig zijn: laten wij niet rekenen op loon of vergelding hier in deze wereld, zij loont met ondank.... doch zooveel te heerlijker zal het loon zijn in het andere leven. sWie ée\'ne ziel voor den Hemel wint,quot; heeft een
DE APOSTOLISCHE HANDWERKSMAN 59
Heilige gezegd, «waarborgt daardoor zijne eigene zaligheid;quot; als lid van de H. Familie zijn wij in de gelegenheid vele zielen te winnen, velen te stichten, velen tot de beoefening van deugd en godsvrucht te brengen.
Wie reeds lid is van die schoone Broederschap, ver-dubbele zijn ijver, en trachte een andere Veromer te worden. Wie nog niet is toegetreden, schare zich, met zooveel andere braven, onder de banier van Jezus, Maria en Jozef, en hij zal allengs meer de overtuiging in zich omdragen een heilzaam middel gevonden te hebben om den bedorven tijdgeest met gelukkig gevolg te kunnen bestrijden; hij zal de zoete voldoening smaken vele anderen te zien toestroomen, en het getal te zien vermeerderen van die te zamen een sterke macht willen uitmaken ter bestrijding van alle kwaad en ter uitbreiding van het Rijk Gods op aarde.
igt;De Congregratie van de Heilige Familie heeft wonderen uitgewerktquot; die getuigenis heeft Veromer gegeven, wij zullen dezelfde ervaring opdoen en, wat meer is, wij zullen de uitwerkselen dier wonderen zien, wij zullen de versteendsten week zien worden als was, de verstoktste zondaars in boetvaardigen herschapen zien; wij zullen, hoe zwak en broos, hoe traag en onverschillig we thans ook mogen zijn, gaan gloeien van ijver voor de eere Gods en van werkdadige liefde tot den evenmensch; wij zullen leven, wij zullen sterven in de blijde verwachting door Jezus Maria en Jozef in het Rijk der Zaligen binnengevoerd en daar met den krans van eeuwige glorie gekroond te worden.
t i n n n 111111T i r t 11T n 11 f 11111 t i T i T T T r T
Bij den Uitgever M, WATERREUS, Roermond zijn verschenen:
Geschiedenis van O. L. Vrouw in V Zand door
Devotus. ƒ 0,75
De Eenzame Duif, Meditatiën voor den Advent
en den Kersttijd door Pater Vogels - 0,75
Meimaand van O. L. Vrouw van Altijddurenden
Bijstand door Pater Vogels gebrocheerd - 0,30
gebonden - 0,50
Mijne Eerste H. Communie, Gebedenboek voorkinderen vóór en na hunne eerste H. Communie gebrocheerd - 0,35
gebonden - 0,50
Wal een Friester Jijden kan, een verhaal door Louis Veuillot, een boekje zeer geschikt ter verspreiding, en vooral dienstig om den eerbied voor den Priester onder het volk te ver-hoogen - 0,12
per 12 ex. a 10, p. 50 a 8, p. 100 a 61/3 ct.
Kort onderricht voor de Meditatie door P. Vogels - 0,10 per 50 ex. a 8 ct., p. 100 a 7 ct.
Leven van den Gelukzaligen Clemens Maria Hof-hauer, Vic.-Generaal en eersten voortplanter der Congr. des Allerh. Verlossers aan deze zijde der Alpen, door J. A. M. Walter, Redemptorist, - 1 ,—
gebonden in prachtband - 1,75
Het H. Misoffer door J. Brouwer, Redemptorist ƒ 0,60
Laudate Domirmrn, Geestelijk Liederenboekje ten behoeve van R. C. Scholen, Collegiën, Pensionaten en Vereenigingen gebrocheerd - 0,35
gecartonneerd - 0,45 gebonden - 0,55
Geheel tot bekeerinq van, Nederland, per 100 stuks - 0,40
„ 500 „ - 1,50 , 1000 „ - 2,50
Plaatjes van Hollandsche Heiliyen en Miraculeuze Beeltenissen van Nederland met het gebed op den achterkant, voor de bekeering van Neer-lands Protestanten. De eerste serie bestaat uit de navolgende voorstellingen: O. L. Vr. in \'t Zand, O.L.Vr.van het H. Hart, H. Martelaren van Grorcuni, Marteldood Martelaren van Gor-cum, H. Bonifacius, Mirakel H. Sacrament Amsterdam, Mirakel H. Bloed Boxmeer, HH.
Wiro, Plechelmus en Otgerus, H. Werenfridus, H. Adelbertus, H. Willebrordus, H. Switbertus, H. Maternus per 100 stuks - 1,20
„ 500 „ - 5, „ 1000 „ - 9,—
Bij denzelfden Uitgever zijn verkrijgbaar:
Veertig verschillende Communie-oefeningen, door
Pater Vogels - \' Twee en veertig Kruisweg-oefeningen ot de ziel op
den Kruisweg door Pater Vogels - 1,25 De Weg der goddelijke liefde door Pater Bensdorp,
linnen band - 1,— kalfleer „ - 2,50
Leven van Pater Bernard door M. Lans ƒ 0,85 Leven van den Eerhiedwaardigen G er ar dus Majella, leekebroeder der Congregatie van den Allerh.
Verlosser - 1,— Over het intreden in een Klooster door J. Brouwer,
Redemptorist, - 0,25 Volledig Meditatie- en Gebedenboek door den H.
Alphonsus, rood snee - 1,—
verguld „ - 1,35 Nieuw Katholiek Missieboek of Inleiding tot een Christelijken levensioandel door den H. Alphonsus,
rood snee - 1,—
verguld „ - 1,35
Episteh en Evangeliën, voor alle Zondagen en
voornaamste Feestdagen - 1,35
Bezoeken hij het Allerheilig ate Sacrament door den H. Alphonsus, - 0,60
Werkjes van den Eerw. Pater PETERS.
Het Lijden van Christus, eene leerschool der
voornaamste deugden - 1,75 Heilzame II enken, betrekkelijk de roeping en voorbereiding tot den Huwelijken Staat - 0,31 Plichten der gehuwden - 0,3-t Heilzame raadgevingen aan Katholieke Ouders betrekkelijk de opvoeding hunner kinderen - 0,34 Raadgevingen aan eene jonge dochter in de wereld - 0,34 De ware dienstbode - 0,15
Depot der Werkje^
van den
H. Alphonsus.
Uitgaven van DESSA TX te I/uil.
LE\'VEKiisra-
van alle voorkomende