^:\' V
■1 :\'x-:
JOHANN TETZEL,
AFLAATPREDIKER EN INQUISITEUR.
EENE GESCHIEDKUNDIGE STUDIE,
DOOR
O. ül. MJBSIJTEJB, Ord. Praêd«
UTRBCHT,
WED. J. R. VAN ROSSUM. 1885.
124
0\'
■■ -tï?\'»■,\'
|
PRIX DES ABONUEMEKTS FRANCE Un an....... • • ....... • • 20 fr. Six mois........................11 fr. Trois mois ..........................6 fr. ÈTRANGER Un an.......................25 fr. Six mois..................................13 fr. Trois mois..............................7 fr. |
TARIF DES AMOMES j A LA PAGE: La page................. 30 fr.j La 1/2 page............ 20 frJ Le 1/4 page.,,......,... 10 fr. A LA LIGNE : Sur 1/2 colonne: la ligne.. 1 fr. |
0 fr. 50
1 fr. »
France. .. Étranger.
LE NUMÉRO
Les annonces sont regues aux bureaux de la Revue, 17, rue Cassette, Paris.
Les opinions émises dans les articles signés n\'engagent que la responsabilité des auteurs,
y\\Lir^X^L:i) IVLAJME et FILS, Édlteurs LITXJR,OIE
EDITIONS FRANQAISES
En venle chez tous les libraires et chez les éditews, a Tours. Missels. — Bréviaires. — Diubnaux, etc.
Textes revus et approuvés par la Sacrée Congregation des Rite».
BREITI ARUM ROMAXUM. Nouvelle édition in-12, en 4 volumes, mesurant 18X10, imprimee en NOIR et ROUGE sur papier INDIEN, trés mince, opaque et trés solide (chaque volume ne pèse, relié, que 500 grammes et ne mesure que 2 centimètres d\'épaisseur). Texte encadré d\'un filet rouge. Chaque volume est ornê d\'unegravure sur acier.
VIENT DE PARAITRE JXOUVEAXJ BI^EVIAIJE^E
En deux .-volumes in-io, mesurant 16X10, tiré en noir et rouge sur papier Indien telnté, spécialement fabriqué, trés mince et trés solide Bans être transparent. Chacun des volumes, d\'environ l\'ÏOO pa^8» ne pèse, relié, que SSÜO gramme» et ne mesure que 3 cent. d\'épaisseur. Les caractéres, gravés sur nos indications, sont nets, gras, trés lisibles et trés élégants. Un encadrement rouge, de nombrcases frises, des lettrines d\'un goiit se\'vére, ornent le téxte sans le surchager.
Prix broche.......... IT fr. — Relié chagrin de____41 a SS» francs.
RITXJALE
Un volume in-16, mesurant 16X10. Edition avec chant, ornée d\'un filet rouge et d\'un grand nombre Ae-vignettes. itaprimée en noir et rouge,
Broch., papier ordinaire... » fr. SO. — Papier indien....... 3 fr. SO
Un catalogue spécial des publications liturgiques, avec fénilles spécimens des diftérentes éditions, est env^^ sur demande affranchie adressée a MM. A. MAME
JOH ANN TETZEL,
AFLAATPREDIKER EN INQUISITEUR.
EENE GESCHIEDKUNDIGE STUDIE,
DOOR
O. A. MJEIJTEK, Ord. JPraeti.
BIBLTUTHECA
CON VEN\'TL*:; M £ G Lgt; i w\' „
----. ^ ^3* -S
UTRECHT,
WED. J. R. VAN ROSSUM. 1885.
IM P R IMI P E K M I T T I M U S.
IIuiSEN, in Conv. Keg. SS. Ros.
In festo S. Thomae ^ Mart. 1885.
Fr. A. van den Elzen, Ord. Pracd. Prior. Proi1.
|
IM P RI M A T U R. Maar sen, 9 Mart. 18S5. |
T. G. li. C. Essink, Libr. Cens. |
VOORREDE.
Den io1^1\' November 1883 herdacht het protestantsche Duitschland het vierde eeuwfeest van Luthers geboorte. Hoezeer de Luthersche Kerk door heftige partijschappen ook was verdeeld, hoezeer tal van geloovigen ook van Luthers evangelie waren afgeweken, men meende toch voor een oogenblik alle veeten te moeten ter zijde stellen en één van hart zoo niet Luthers leer te belijden en te verheerlijken, dan toch met den geweldigen Hervormer nogmaals te protesteeren tegen het gehate Rome. Orthodoxie reikte, hoe noode ook, de hand aan ongeloof, pantheïsme en scepticisme; en Luthers dubbelzinnige deugd en beweerde heldenmoed vonden overal de vurigste lofredenaars. Luide weergalmde in kerk en school het bekende lied: „Eine feste Burg ist unser Gott.quot; — De Evangelisch-luthersche Kerk in Nederland achtte het plicht met de Duitsche Broeders feest te vieren, maar de kleine gemeente had hier te weinig invloed, dan dat zij op veel medewerking kon rekenen. Alleen de bescheiden feestvieringen te Amsterdam en te Rotterdam trokken eenigszins de aandacht. De feestredenen, die bij deze gelegenheid werden uitgesproken, hadden natuurlijk de apotheese ten doel van
II
Luther, die „den zielenijver, zijn eenig streven, voor geld „zag verkocht door een Tetzel.quot; Dat deze tegenstander bij de verheerlijking van Luther ter sprake kwam, wekte weinig bevreemding, maar meer verwondering brachten de woorden teweeg van een bekend professor van Leiden, die in een lezing voor het Lutherjubilé het volgende ten gehoore bracht: „De Dominicaner monnik Tetzel bood den pauselijken aflaat „ook in de omstreken van Wittenberg te koop. Verlossing „der ziel uit het vagevuur, zoodra het geld klonk op den „bodem der offerkist; vergeving van zonden, niet slechts van „reeds bedrevene, maar ook van de zoodanige, die nog bedreven zouden worden, de zwaarste niet uitgezonderd, zooals „het onteeren der Moedermaagd, indien mogelijk, zou wezen; „ziedaar wat de aflaatshandelaar aan de meestbiedenden te „koop aanbood.quot; i) — Deze grove beschuldigingen, die als algemeen erkende waarheden zonder de minste terughouding werden opgesomd, noopten ons om te onderzoeken, of die beschuldigingen inderdaad waar, of ten minste wel zoo zeker waren, gelijk zij werden voorgesteld.
Nog meer werden wij tot dit onderzoek aangemoedigd door de Winterswijksche schoolquaestie. Het verloop dezer zaak, gedenkwaardig voor de geschiedenis onzer schoolpolitiek, l:.gt nog te versch in aller geheugen, dan dat wij het in bijzonderheden zouden mededeelen. Eveneens herinnert zich nog ieder het belangrijk debat, hetwelk naar aanleiding dezer gebeurtenis tusschen Dr. Schaepman en den heer de Meijier
i) Zie „de Tijdquot; 19 November 1883 n0, 11053.
in
in de Tweede Kamer der Staten-Generaal gevoerd werd. Bovendien sprak de Evangelische Maatschappij in hare vergadering van Septevrber 1884 de wenschelijkheid uit, om een bijzonder onderzoek omtrent Tetzel in te stellen. Aan dit verlangen hopen wij door deze studie tevens te voldoen.
Ernstige moeilijkheden deden zich bij dit onderzoek voor. Zooveel mogelijk dienden oude, gezaghebbende schrijvers te worden geraadpleegd, maar deze waren bijna uitsluitend vurige Lutheranen en als zoodanig bittere vijanden van Tetzel, want Luther te verheffen zonder Tetzel te verwerpen is onmogelijk. Luther heeft Tetzel zoo diep verguisd, dat, mocht ook maar ééne beschuldiging valsch blijken, die smaad een onuitwisch-bare smet zou werpen op Luthers voorgewende heiligheid. De eer van Luther eischte dus, dat men zijn tegenstander aan de verachting prijs gaf.
Geheel anders is het standpunt der Katholieken. Voor hen is Tetzel betrekkelijk van minder belang. Ook al ware hij schuldig aan alle dwalingen en misdrijven, die men hem ten laste legt, dan nog volgt hieruit niets ten nadeele der katholieke Kerk. Tetzel is de katholieke Kerk niet. Dit schijnt grootendeels de reden te zijn, waarom van katholieke zijde gedurende een paar eeuwen geen poging is ingesteld niet alleen om Tetzel te verdedigen, maar zelfs niet om hem te leeren kennen. Het geheele terrein werd onbetwist den vijand overgelaten. Hadden Katholieken met gelijke zorg, als waarmede Protestanten Luthers akten verzamelden, de geschriften van Luthers bestrijders aan de vergetelheid onttrokken, veel, wat thans nog duister is en mogelijk nooit zal worden opge-
IV
helderd, zou tot een juister en volmaakter oordeel van tijden personen hebben bijgedragen. Thans dient die leemte te worden aangevuld door een voorzichtig gebruik van schrijvers, wier blik maar al te dikwerf door godsdiensthaat is beneveld. Eén voordeel geeft echter deze geschiedvorsching, n. 1. dat het getuigenis dier schrijvers, waar zij soms ondanks zich zelve spreken ter gunste van Tetzel, zeker onverdacht is.
Den uitslag van dit onderzoek bieden wij in de volgende bladzijden den belangstellenden lezer aan; vertrouwend op het rechtschapen oordeel ook van hen, die Tetzel als het toonbeeld aller ongerechtigheid pleegden te beschouwen. — Blijve de waarheid ons aller eerlijk doel.
Nijmegen, 26 December 1884.
J O H A NN TETZEL,
A FLA AT PR EDIK ER EN INQUISITEUR.
Stel u voor een monnik, wiens gelaatstrekken de hevigste hartstochten teekenen, wiens oog domheid, wiens mond list, wiens houding verwatenheid, wiens ongemeene welgedaanheid een weelderig onderhouden leven verraadt, voeg daarbij de eervolle titels van aflaatverkooper, beurzensnijder, oplichter, wellusteling, en gij hebt in hoofdlijnen het beeld van Johann Tetzel, zooals dit meer of minder geïllustreerd bij protestantsche geschiedschrijvers voorkomt. Dicht dien monnik verder nog verscheidene schelmstukken toe, die gij in Boccaccio\'s Dtca-merone, Pfaff Amis, bij middeleeuwsche of latere schrijvers van de monniken verhaald vindt, en gij kent Johann Tetzel, zooals hij nog heden voortleeft in den mond van het Duitsche volk. Zoover heeft laster, onkunde, fanatisme het gebracht. Terwijl Luthers nagedachtenis van den kansel werd gevierd en men in stille godsvrucht ter bedevaart toog naar de heilige plaatsen door den „theueren Gottesmannquot; eertijds bewoond, had men slechts haat en afschuw voor zijn driesten tegenstander, wien Luther zelf het brandmerk der schande had op de kaken gedrukt. Was Luther „der Diener Gottesquot;, Tetzel was „der Diener Mammonis.quot; Eerst bij het derde eeuwgetijde der Hervorming, in 1817, toen het „Vivat Luther! Pereat Tetzel!quot; dat eenmaal langs Wittenbergs straten weerklonk, weder met
volle borst werd aangeheven, ging er eene stem op ter gunste der vermoorde onschuld i), maar zij ging bijna verloren onder de talrijke juichkreten. Vele jaren verliepen, toen Audin, tijdens zijne geschiedvorschingen voor Luthers biographie, de volgende merkwaardige bekentenis deed: „Alors, nous l\'avouons, „un scrupule nous est venu; si, sur la foi d\'écrivains réformés, „et catholiques même, on avait calomnié le Dominicain? „Les morts reviennent quelquefois!quot; 2) Dit vermoeden werd waarheid, toen Dr. Gröne in 1853 de pen opnam om Tetzel met tal van oorkonden en bewijsstukken te verdedigen 3), het werd nog meer bevestigd door de toelichtingen van Joh. Janssen en Evers. 4)
„Reconstructie der geschiedenisquot; wierp men den onvermoeiden kampvechter der katholieke zaak, Dr. Schaepman, tegen, toen hij in de Tweede Kamer der Staten-Generaal alleen den handschoen voor Tetzel opnam. 5) Reconstructie, ja, maar waartoe protestantsche geschiedschrijvers de meeste bouwstoffen hebben aangedragen. Von der Hardt, Löscher, Walch en anderen hebben met zorg alle stukken verzameld, die op den aflaatstrijd betrekking hebben, opdat de nakomelingschap de „Greuel des Tetzelischen Ablaszkramsquot; kennende, den „seligenquot; Luther steeds hoog zouden vereeren, maar juist die stukken leggen getuigenis af voor Tetzels onschuld, weerleggen de tallooze aantijgingen; zij bevatten zuiver katholieke leer. Gewichtige akten bracht nog de Protestant Seidemann aan het licht. Eindelijk heeft Dr. Korner, Superintendant en Oberpfarrer em., gram over het stoutmoedig optreden van Gröne, uit verschillende archieven stukken verzameld, die dienen moesten tot
1) Vertraute Briefe zweier Katholiken über den Ablaszstreit. Frankfurt. 1817.
2) Audin. Histoire de Luther. 1, p. 44.
3) Dr. Gröne. Tetzel und Luther. Soest. 1853. 2«; Aufl. i860.
4) Joh. Janssen. An meine Kritiker. p. 60. Evers. Martin Luther. I Band. II.
5) Tweede Kamer der Staten-Generaal, zitting van 4 April 1amp;84.
3
logenstraffing i), maar verschillende dezer werden veeleer wapenen voor Tetzels verdediging. Aldus is langzamerhand met de hulp van Protestanten de kalklaag van leugen en laster, die Tetzels beeld overdekte en geheel misvormde, verwijderd en herkennen wij de waardige trekken van een man, uitmuntend door geleerdheid en rechtschapenheid.
Brekende met de „protestantsche traditiënquot; zullen wij in de volgende bladzijden Tetzels leven schetsen, niet volgens eene pseudo-historie, maar volgens de werkelijkheid, want deels bekende, deels tot nu toe onbekende documenten zullen uitmaken, dat de zoogenaamde „nieuwequot; Tetzel ouder is dan de „oude.quot; 2) Geleidelijk zullen wij daarbij iederen onpartijdigen beoordeelaar, zoo wij vertrouwen, voldoende overtuigen, dat Tetzel noch in leer, noch in leven zich aan die misdrijven heeft schuldig gemaakt, waarvan de Protestanten hem betichten.
Daar nu de tegenpartij het tijdvak vóór de hervorming steeds met de donkerste kleuren schildert, hoog opgeeft van de misbruiken vooral op godsdienstig gebied, om aldus de carica-tuur van Tetzel niet te schril bij hare omgeving te laten afsteken en daardoor alle waarschijnlijkheid te doen verliezen; zien wij ons verplicht eerst een blik te werpen op den gods-dienstigen toestand van Duitschland in de tweede helft der i5de eeuw. De voortreffelijke, zaakrijke Geschichte des deui-schen Volkes van Joh. Janssen zal daarbij een onzer voornaamste bronnen zijn.
I.
Het valt niet te ontkennen, het Westersch schisma had in verschillende bisdommen, in vele kloosters toestanden doen
1) Dr. Körner. Tezel der Ablaszprediger. Frankenberg. 1880.
2) De Afgevaardigde de Meijier, Tweede Kamer der Staten-Generaal, 4 April i884.
4
geboren worden, die wij niet genoeg kunnen betreuren, maar God, die Zijne Kerk nimmer verlaat, schonk overvloedig hulpmiddelen tot heeling dezer wonden. Hij wekte mannen op van onberispelijken levenswandel, ijzeren wilskracht, heilige geestdrift, mannen brandend van ijver voor het zielenheil, voorde kerkelijke tucht, voor de glorie van Christus\' Bruid. Onder deze viri illustres bekleedt de Duitsche kardinaal Nicolaas Cues eene eerste plaats. In 1451 begon hij op last van den Paus de kerkelijke hervorming in Duitschland. „Als een engel „des lichts en des vredesquot;, schreef de abt Trithemius tegen het einde derzelfde eeuw, „verscheen Nicolaas van Cues te midden „der duisternis en der verwarring, herstelde de eenheid der „Kerk, bevestigde het aanzien van haar Opperhoofd en strooide „rijke zaden van nieuw leven uit.quot; Niet overal viel het zaad in goede aarde, doch waar het ontkiemde , bracht het honderd-voude vruchten voort. Zelf beoefenende, wat hij anderen predikte, doorreisde hij jaren lang Duitschland, herstelde de kerkelijke tucht, bracht naar vermogen verbetering in de opleiding der geestelijken, in het godsdienstig onderwijs des volks, waakte over het predikambt en trad met onverbiddelijke strengheid tegen alle zware misbruiken op. In geen tijdvak der Duitsche geschiedenis waren de synoden talrijker, meer omvattend, dan in de jaren 1451—1515. Behalve de provinciale conciliën van Mentz, Maagdenburg, Keulen en Salzburg, werden gedurende dit tijdvak in verschillende gewesten ver over de honderd diocesaan-synoden gehouden, in wier decreten het in- en uitwendig leven der Kerk geheel weerspiegeld wordt. Uit deze akten leert men de talijke en groote misbruiken kennen, die de Kerk waren ingeslopen, maar ook de middelen, die tot. beteugeling van het kwaad werden aangewend. Te midden der meuschelijke zwakheid openbaarde zich op de conciliën en synoden de machtige Geest, die de Kerk Gods bezielt; en prelaten, schoon persoonlijk van minder stichtenden levenswandel, voelden zich gedwongen, waar het hunne kerkelijke bediening gold, aan de oude wetten en voorschriften gehoor te
5
geven en daardoor hun eigen leven te veroordeelen. Vele door deugd en geleerdheid uitstekende bisschoppen traden als krachtdadige bevorderaars der geestelijke hervorming op. Aangemoedigd door de Pausen, begunstigd door bisschoppen en vorsten, won de kerkelijke beweging meer en meer veld.
De kloosterorden ontwaakten tot een nieuw leven, de geest der stichters herleefde, die geest van geloof, versterving,onthechting aan de wereld. In bijkans alle orden kwamen een aantal kloosters overeen, om de verslapte regeltucht te herstellen , vereenigden zich hiertoe tot eene congregatie en kozen zich een vicaris-generaal, die onmiddellijk van den overste der orde zijne bevelen ontving; zoo telde o. a. de Dominicanerorde congregatiën in Elzas, Beieren, Brabant en Oostenrijk. Van al deze congregatiën, die ook op de niet obser-vante kloosters van Duitschland grooten invloed uitoefenden, verdienen vooral twee onze aandacht, omdat zij aan Nederland onmiddelijk hun oorsprong ontleenden, n. 1. de Windes-heimsche congregatie der Reguliere Kanunniken en de Hol-landsche congregatie der Dominicanen. Uit het klooster van Windesheim, de oefenschool der verhevenste deugden, togen tal van beproefde kloosterlingen, die overal hunne medebroeders tot getrouwe naleving der kloosterregels zouden aansporen. In 1437 ontving daar Joh, Busch van Zwolle de zending, om de Saksische kloosters der Reguliere Kanunniken te hervormen. Reisvaardig knielde hij voor zijn prior neder, die onder de volgende woorden zijn zegen over die moeilijke onderneming uitsprak. „Gij zijt onze dochter, groei en vermeerder u tot „duizenden. Dat uwe nakomelingen de poorten hunner vijan-„den in bezit nemen.quot; Deze zegen was eene profetie. Geen religieus werkte met meer vrucht voor het herstel der kloostertucht. Onoverkomelijk schenen dikwijls de moeilijkheden; gevaren, zoo van slechtgezinde kloosterlingen als baatzuchtige leeken, moesten iedereen afschrikken, maar Joh. Busch stelde al zijn vertrouwen op God; en dit vertrouwen werd niet beschaamd: de Windesheimsche congregatie nam voortdurend
6
toe in kloosters en voortreffelijke religieusen. Omvangrijker werd de werkkring van dezen voor het zielenheil brandenden kloosterling, toen hij door Nicolaas van Cues in 1451 op de synode van Maagdenburg tot pauselijk delegaat en later tot visitator der Noord Duitsche kloosters werd benoemd. Onvermoeid doorkruiste hij nu de Noordelijke gewesten van Duitsch-land, krachtens apostolisch gezag overal de kloosters tot stipte onderhouding der oorspronkelijke regels terugvoerend. Maagdenburg, Meiszen, Brandenburg, Thüringen, Holstein, Westphalen, Windesheim waren gedurende vijftig jaar beurtelings het doel zijner langdurige tochten. „Misericordias Domini in aeternum cantabo,quot; met dit vers begon hij zijn levensgeschiedenis, op last van zijn prior ondernomen, en deze woorden ontvloeiden onder het schrijven nog menigmaal aan zijne pen, als hij aan de talrijke kloosters dacht, die tot den oorspron-kelijken staat waren wedergekeerd en tot dat tijdstip (1475) bijna allen in de kloostertucht volhardden. 1)
Minder bekend, schoon van niet minder belang is de hervorming, die destijds in de Dominicanerorde plaats greep en van Holland uitging, Martialis Auribelli, generaal der Dominicanen, bezocht op zijne algemeene visitatiereis in 1463 het Dominicanerklooster van Rotterdam en was daar zoozeer gesticht door den voorbeeldigen levenswandel der kloosterlingen, door hunne nauwgezette onderhouding der constitutien, dat hij besloot Holland tot een brandpunt te maken, vanwaar nieuwe gloed zich over de Orde zou verspreiden.
In 1464 werd de Hollandsche congregatie te Rijssel opgericht. Reeds op het eerste kapittel te Haarlem traden verschillende kloosters tot de hervorming toe, bij elk nieuw kapittel wies hun aantal, en ten laatste strekte de congregatie zich uit van de Oostzee-Provincien en Denemarken tot Savooie en Lotharingen. Vooral in Duitschland was zij bijzonder
1) K. Grube. Joh. Busch. — «quae in regulari observantia pene omnia usque in praesens perseverant.quot;
7
werkzaam. Had men destijds te Bremen, Wismar, Rostock, Halle, Maagdenburg , Halberstadt, Marburg en op vele andere plaatsen aan het Predikheerenklooster aangeklopt, men zou in den prior, in de paters, of in den eenvoudigen leekebroeder den Hollander herkend hebben. Holland was een kweekschool voor de religieusen van Duitschland. Jaarlijks toog de prior met een medgezel naar het kapittel, dat gewoonlijk in eene Nederlandsche stad, Rotterdam, Zutfen, Leeuwarden, Zwolle, Utrecht of Nijmegen gehouden werd. Op die vergaderingen werden de grondslagen gelegd voor het ontwaakte geestelijke leven. Eenheid in het kerkelijk officie, de verplichtingen der religieuse geloften, de verhouding tot de leeken, de dagorde, het vleeschderven waren de punten, die te Haarlem in 1465 werden overwogen. 1) Te Rotterdam, in 1468, werden vooral de stilzwijgendheid en de eenzaamheid „quae mater est devo-tionis et amica moerorisquot; ingescherpt; een dag water en brood stond op de geringste overtreding. Men denke niet, dat deze voorschriften een doode letter bleven; het kapittel vermaande niet alleen ernstig de oversten de straffen toe te passen en meer acht te slaan op de overtredingen dan op de traditien 2), maar stelde in elk klooster „circatoresquot; aan, die voortdurend zouden waken, dat de dagorde door ieder nauwkeurig werd gevolgd. Bleef een religieus, hetzij prior of leekebroeder, nalatig in zijne bediening, dan kon hij zich verzekerd houden bij het eerstvolgend kapittel te worden aangeklaagd en gestraft naar verdiensten. Om de studie, waartoe de Orde bijzonder ingesteld was, aan te wakkeren, werd in elk klooster een leerstoel opgericht en het klooster te Maagdenburg tot
1) Acta Cap. Congreg. Holl. —Generalaatsarohief der Predikheerenorde te Rome. Codex G. — Deze en meer andere geschiedkundige bijzonderheden zijn wij verschuldigd aan de welwillendheid van den Z.Eerw, P. A. Hoogland te Rome.
2) „Nee sint faciles praelati remittere poenas, cum non super patrum tra-ditiones sed super fratrum transgressiones constituti sint. Cap. Leovard. 1479.
8
algemeen studiehuis verheven. Hoe streng men ook was in het uitvoeren der regels, — „ubi est rigor ibi vigorquot; gold voor princiep — toch moesten de studenten, zoo noodig, worden ontzien. Ieder was verplicht zich op de wetenschap, vooral op de gewijde wetenschap, toe te leggen; miste iemand hiertoe de bekwaamheid, dan was boeken kopieeren, illumineeren of inbinden zijn taak: lediggang werd in geen geval binnen de kloostermuren geduld.
Het lijdt geen twijfel, kloosters, geheel doordrongen van dien echt christelijken geest, moesten overwegenden invloed uitoefenen op den godsdienstigen toestand van het Duitsche Rijk. De godsdienst ontving daardoor meer kracht om dieper in te grijpen in het maatschappelijk leven, de zucht naar beschaving te bevorderen en deze geheel dienstbaar te maken aan zijn verheven doel: de kennis en de liefde van het hoogste Goed. Dit doel werd openlijk uitgedrukt in de stichtingsbrieven der acht hoogescholen, die gedurende dezen tijd door den Paus in Duitschland werden opgericht.
„Onder de zalighedenquot;, zoo schrijft Lodewijk van Beieren in den stichtingsbrief der universiteit van Ingolstadt, „die den „mensch in dit vergankelijk leven door Gods genade ten deel „vallen, zijn wetenschap en kunst eene der eersten. Want door „deze wordt de weg tot een heilig en goed leven aangewezen, „de rede tot ware kennis verlicht, tot deugdzamen levenswandel „geneigd, het christelijk geloof vermeerderd en recht en alge-„meen welzijn gegrondvest.quot;
„Geen beter, tot verwerving der eeuwige zaligheid krach-„tiger en Gode welgevalliger werk,quot; zegt Eberhard van Wur-temberg in de oorkonde der hoogeschool van Tübingen, „meende hij te kunnen verrichten, dan wanneer hij bijzonder „met vlijt en wedijver daarvoor zorg droeg, dat deugdzame „en naarstige jongelingen in de schoone kunsten en weten-„schappen onderwezen en in staat gebracht werden. God zelf „te kennen, Hem alleen te eeren, Hem alleen te dienen.quot; De universiteiten kregen daardoor eene hoogere beteekenis,
9
zij waren niet alleen de hoogste burgerlijke, maar ook de hoogste kerkelijke inrichtingen voor onderwijs. Onder die leergierige jeugd, die aan de bronnen der wijsheid haren dorst kwam lesschen, behoorde dan ook een groot gedeelte tot don geestelijken stand. Proosten, dekens , domheeren van collegiale, bisschoppelijke en aartsbisschoppelijke kerken, treffen wij de eerste tien jaren na de stichting in grooten getale op de registers der Bazelsche universiteit; zelfs verreweg de meeste studenten, die bij de opening van Freiburgs hoogeschool zich lieten inschrijven waren aan den dienst der Kerk verbonden. Aan de Kerk hadden de hoogescholen hun ontstaan, hun wasdom te danken, aan Haar vielen ook de schoonste vruchten ten deel. De talrijke seculiere en reguliere geestelijkheid ontving daar eene wetenschappelijke, godsdienstige opleiding. „Ik ken, God weet hetschreef Wimpheling, de strenge rechter der wereldsgezinde en werkelooze geestelijken, „in de zes „diocesen van den Rijn, vele, ja ontelbare zielzorgers onder „de wereldgeestelijken met rijke kennissen voor de zielzorg „uitgerust en rein van zeden. Ik ken uitstekende prelaten, „kanunniken en vicarissen aan kathedrale en collegiale kerken, „ik zeg niet, slechts weinige, maar vele, mannen van onbe-„sproken gedrag, vol godsdienstzin, vol mildheid en liefde „jegens de armen.quot; Verder spreekt hij van „zoovele zonen „der aanzienlijkste burgers met den doctorsgraad der heilige „theologie versierd, gelijk wij er door Gods genade in vele „diocesen van Duitschland aan het hoofd der parochie-kerken „aantreffen. Voorheen was hieraan wellicht gebrek, maar heden „zien wij, dank de door Gods genade bij de Duitschers uitge-„vonden boekdrukkunst, dagelijks een grooter aantal geleerden „optreden, aan wie de zielzorg zeer nuttig wordt toevertrouwd.quot;
Niemand zal beweren, dat deze toestand hare keerzijde niet had, dat de oprechte Christen niet menige reden had tot treuren. „Men ziet er,quot; klaagt Joh. Rutzbach over de prelaten, „opgeblazen gestalten komen aanstappen, gekleed „in het fijnste Engelsch laken, met de baret op het
IO
„hoofd, de met ringen vol kostbare edelsteenen opgeschikte „hand of op den rug, of trotsch in de zijde. Ofwel zij „rijden fier te paard, gevolgd van talrijke, bontkleurig uitgedoste pages. Er worden prachtige woningen gebouwd met „hooge, heerlijk beschilderde zalen; er wordt gebrast bij schitte-„rende feestmalen, met baden verkwist, wat voor godsdienstige „stichtingen was bestemd, vertooning gemaakt met zeldzame „paarden, honden en jachtvalken. De hooge geestelijkheid draagt „veel de schuld van de slechte zielzorg. Zij stelt ongeschikte „herders over de gemeenten, terwijl zij zelf de tienden trekt. „Menigeen zoekt zooveel prebenden als mogelijk is op zich te „vereenigen, zonder aan de verplichtingen te voldoen, enver-„spilt de kerkelijke inkomsten door weelde in bedienden, „pages, paarden en honden. De een zoekt den ander in praal-„vertoon en weelde te overtreffenquot;. Hieruit echter tot den algemeenen, blijvenden toestand van geheel Duitschland te besluiten, zonder open oog te hebben voor het vele goede en voortreffelijke van dit tijdvak is de grootste partijdigheid, is de hatelijkste geschiedvervalsching.
Nog krachtiger trad de godsdienst op door de menigvuldige parochie- en kloosterscholen, en wel het krachtdadigst door de stichting van onzen Geert Groote: „de broeders van het ge-meene levenquot;. Langzamerhand vermenigvuldigden zich hunne scholen, eerst in Nederland, verder den Rijn op tot Zwaben, eindelijk, omstreeks 1500, strekte hunne ,vereeniging zich uit van de Schelde tot den Weichsel, van Kamerijk tot Culm. Voor arm en rijk stond hunne school geopend, want kosteloos kon ieder een uitstekend onderricht ontvangen. Waar zij geene huizen hadden, waren zij nog voor het onderwijs ijverig werkzaam door de stadsscholen van meesters, de arme scholieren van schoolgeld en boeken te voorzien. In de broedersscholen werd de christelijke opvoeding hoog gesteld boven uitsluitende wetenschap, en de godsdienstige, zedelijke vorming der jeugd, de aankweeking en bevestiging van eene degelijke godsdienstigheid als hoofddoel beoogd. Het geheele onderwijs was van
een christelijken geest doortrokken, de jeugd leerde den godsdienst beschouwen als den drager van het geheele menschelijk bestaan, als den grondslag van alle ware beschaving. Door hen werden mannen gevormd als Agricola, Hegius, Langen, Dringenberg, die een nieuw tijdvak openden voor de Duitsche wetenschap en de schatten van Athene en Latium voor allen toegankelijk maakten. Wiskunde, wijsbegeerte, astronomie, geschiedenis, letterkunde, alles wat het verstand kon ontwikkelen, den geest verheffen, den mensch veredelen, werd met geestdrift bestudeerd; zedelijke volmaaktheid echter stond bovenaan. Daarin was hunne ware grootheid gelegen, dat alle wetenschap, alle kennis slechts diende tot beteugeling der hartstochten, tot bereiking van het eenig waarachtig levensdoel, dat de heidenen of niet gekend, of in een nevelwolk hadden aangestaard. Men kan het zich voorstellen, hoe heilzaam de godsdienst door zulk een onderwijs en zulke onderwijzers op het Duitsche volk moest inwerken, hoe godsdienstzin moest doordringen tot alle standen, in de kasteelen der edelen, in de huizingen der poorters, in de werkplaatsen der gilden, in de pachthoeven der landlieden. De treffendste voorschriften geven hiervan blijk. „Het christelijk huisquot;, zoo vermaant de „Seelenführerquot;, in 1498 verschenen, „moet een christelijke tempel zijn, vooral „op Zondagen en andere heilige dagen, wanneer allen, vader, „moeder, kinderen, knechten en dienstmaagden, oud en jong, „bij elkander zijn en God lofzingen, bidden en lezen; niet „minder moeten zij zingen, spelen, vroolijk zijn. Vooral op zulke „dagen moeten de ouders de kinderen spijzen met christelijke „leer, door meer aalmoezen te geven dan gewoonlijk, door alle „werken van barmhartigheid en vergevingsgezindheid jegens den „evenmensch te verrichten. Dat is den kinderen een goed voor-„beeld geven in de christelijke leer, zulks gaat niet verloren.quot; Coelde\'s catechismus, omtrent 1470 uitgegeven, schrijft voor: „Vader en moeder zullen de kleinen in deugdzamen levenswandel voorgaan en de kinderen op Zon- en Feestdagen naar „de Hoogmis, de preek en de vesper geleiden en bovendien
„nog dikwijls ter Mis. Zij zullen ze straffen zoo dikwijls het „noodzakelijk is. Van de strenge tucht hangt het heil der „kinderen af; ouders, die hunne kinderen volgens eigen wil „laten opgroeien, bereiden zich zelf een geesel.quot; — Niet minder christelijk moest het karakter der gilden zijn. De godsdienst verhief den arbeid tot een verdienstelijk werk, gaf daardoor aan de werkplaats eene zekere wijding, afgebeeld door den schutspatroon, die met zijn symbolisch gereedschap den werkman herinneren moest, „hoe eerzaam het handwerk was, daar „ook de Heiligen gearbeid hadden; hoe door arbeid men Gods „eer vermeerderen en door Gods Barmhartigheid zich den Hemel „verdienen moet.quot; De kapel of het altaar van het gilde, de jaarlijksche schitterende patroonsfeesten en omgangen, de kerkelijke diensten op bepaalde tijden voor de gildebroeders opgedragen, alles moest er toe bijdragen om de gedachte bij den handwerksman levendig te houden, dat het doel van den arbeid niet stoffelijk, maar geestelijk is. Eveneens werden de landlieden, vooral zij, die het geluk hadden onder den kromstaf te wonen, tot een christelijk leven aangemaand. „Al het „werkvolkquot;, zoo luidt een reglement van 1483, „zalgedachtig „zijn, dat bidden en arbeiden moeten samengaan. In het „algemeen moeten zij aan tafel vóór en na het eten bidden , eveneens het „Ave Mariaquot; zeggen, zoo dikwijls het geklept wordt, „alsdan den arbeid staken en zich niet verontschuldigen, dat „zij te veel te doen hebben. Desgelijks moeten allen op de „geboden Feestdagen en alle Zondagen des jaars Mis en preek „aandachtig bijwonen en anderen niet storen door gesnap en „gelach. Wie dit overtreedt zal gestraft worden, en, komt „het dikwijls voor, dan zal hij bij het einde des jaars uit den „dienst worden ontslagen.quot; In gelijken zin zegt een voorschrift van het klooster Königsbrück onder meer bepalingen: „Knecht „of dienstmaagd, die zonder verlof Mis en preek niet, of niet „geheel, bijwoont, zal bij het namiddagmaal het vleesch of „vijf schelling onthouden worden.\'\'
Dit krachtig godsdienstig leven, dat alle standen der maat-
13
schappij doordrong, kon onmogelijk in zich besloten blijven, het moest zich in al zijne schoonheid en verscheidenheid openbaren, in de verhevenste kunstvormen zich uitdrukken. Waarin kon het nu beter zich vertolken dan in de heerlijke christentempels, de verhevenste gewrochten van architectuur, schilder- en beeldhouwkunst ? Een vrome wedijver maakte zich van de geloovigen meester. In alle gewesten van Duitschland, in groote zoowel als kleine steden, werden de prachtigste kerken gesticht, vergroot of voltooid, zelfs in dorpen verrezen tempels, die in schoonheid met de kathedralen wedijverden en betrekkelijk niet minder zware offers eischten dan de domkerken van Freiburg en Ulm. Vele dier kunstwerken zijn in den loop der eeuwen, vooral tijdens den dertigjarigen oorlog verbrand en verwoest, maar nog is hun getal zoo aanzienlijk, dat men met grond kan beweren : in geen tijdperk van Duitschlands geschiedenis werden meer kerken gebouwd, dan van het begin der i5de eeuw tot aan de Reformatie. Drie, vier kerken op ééne plaats tegelijk in aanbouw, was geene zeldzaamheid. Te Keulen, het Duitsche Rome, bereikte deze bedrijvigheid het toppunt. Daar werden van 1450—1500, het reuzenwerk van den Dom buiten rekening gelaten, niet minder dan 20 kerken, kloosters en kapellen gebouwd of aanmerkelijk vergroot. Wat men ook tegen den godsdienstigen toestand van dien tijd moge inbrengen, de tallooze kerkgebouwen zijn daar als onwraakbare getuigen van de levenskracht des katholieken geloofs, zoowel onder bepaalde personen als onder geheel het volk. De kerkbouw ging uit van geheel het volk. Adel, burgerij, gilde, daglooner, ieder wilde naar vermogen tot het Huis des Heeren bijdragen. Was men niet bij machte een penningske te offeren, hoenders, granen, kleedingstukken, pantser, helm of zwaard werden den bouwmeester grootmoedig aangeboden; zelfs metselaars gaven met de eene hand als aalmoes, wat zij met de andere als werkloon ontvangen hadden. Vele rekeningen der bouwmeesters uit dien tijd leggen een onomstootelijk bewijs af van de offervaardigheid, van den godsdienstzin der
14
geloovigen. Niet tevreden met den Heer een Huis te bouwen, eischte men dat dit heiligdom tevens de prediker zou zijn van een hooger leven, dat het de leer en de overleveringen van het Christendom zou verzinnebeelden, alle voorwerpen der godsvrucht zou voor oogen houden. Het christelijk gemoed dreef er toe aan, om de plaats, waar de Heiland woont en in liefde en genade Zich met de menschen vereenigt, waar de geloovige schare in gebed en godsvrucht zich ten Hemel verheft, met het schoonste en schitterendste, wat de aarde aanbiedt en de ziel kan verheffen, op te luisteren en te verheerlijken. Hiermede was door den godsdienst de roeping van schilder- en beeldhouwkunst aangewezen. Aan dit doel wijdde de Keulsche school grootendeels haar palet) hebben vele meesterstukken van Memling, Van der Weijden, Schongauer en anderen hun ontstaan te danken, meesterstukken, waarin een waar en diep godsdienstig gevoel zoo zuiver mogelijk wordt weerkaatst. Koor- en predikstoelen, altaren, grafmonumenten , doopvonten boden den beeldhouwer overvloedig gelegenheid om den rijkdom en de stoutheid van zijn genie ten volle te doen schitteren, terwijl goud- en zilversmid hunne kunst beproefden aan kelken, remonstransen, ciboriën en ander gewijd vaatwerk. Betrekkelijk zeer weinige hunner kunstwerken zijn het wandalisme der i6de eeuw ontkomen, zij vielen onder den moker van het beeldstormend grauw of verdwenen in den smeltkroes der vorstelijke roovers, maar, wat ons nog rest, vervult ieder met de hoogste bewondering. Men gevoelt, dat de godsdienst, die aldus kunstenaars inspireerde, zelf krachtig moest leven. Eenzelfde levensstroom deelde zich mede aan de kloosters, waar de Duitsche kunst was grootgebracht. Vele monniken zien wij penseel, graveerstift of beitel ter hand nemen; bouwmeesters van naam waren : Cisterciênsers, Benedictijnen, Dominicanen, welke laatste te Straatsburg eene bouwkunstige school hadden. Een anderen Fra Angelico bezat Duitschland in den godvreezenden Jacobus Griesinger van Ulm, (-|- 1491), die de glasschilderkunst door
IS
nieuwe uitvindingen volmaakte, eene kunstschool stichtte, wegens zijne heldhaftige deugden zalig verklaard en als patroon der glasschilders vereerd werd.
De verhevenste openbaring van dit godsdienstig leven was de liefdadigheid, de christelijke deugd bij uitnemendheid. Armenzorg van wege den staat of de gemeente was onbekend. De hospitalen, wees- en gasthuizen waren zoo ruim met legaten bedeeld, ontvingen van de godsvrucht der geloovigen zoovele en zoo milde giften , dat de armen rijkelijk van alles konden worden voorzien, zonder jaarlijksche toelagen of huiscollecten. Luther zelf moest deze milddadigheid tot zijne schaamte ontelbare malen bekennen: „lm Papstthum war Jedermann barm-„herzig und milde, da gab man mit beiden Handen fröhlich „und mit groszer Andacht.quot; — „Da schneite es zu mit Almosen, „Stiften und Testamenten.quot; — „Unsere Eltern und Vorfahren , „Herren und Könige, Fürsten und Andere gaben reichlich „und mildiglich auch zum Ueberflusz zu Kirchen, Pfarren, „Schulen, Stiften, Spitalen.quot; — De gildebroeders droegen „um „Christi und seiner Heiligen willenquot; niet alleen zorg voor elkander, maar bedachten ook „brüderlichquot; de andere armen. Bij de jaarlijksche gildefeesten mocht eene ruime bedeeling der armen niet ontbreken. Menig huis, waar wee zen, zieken, ouden van dagen nog heden een gelukkig onderkomen vinden, werd van de penningen der gilden gesticht. Het aantal „werk- und wohlthatige Brüderschaften arbeitender Leutequot; was zeer aanzienlijk; te Lübeck -waren er zeventig, te Keulen ongeveer tachtig, te Hamburg meer dan honderd. Hieruit blijkt, dat de liefdadigheid in alle standen ijverig beoefend werd. Geen wonder was het, in steden, zoo groote als kleine, lazaretten en gasthuizen met rijke inkomsten aan te treffen, wanneer zelfs de kleinste dorpen hun leprozenhuis hadden. Aan de kloosterpoorten bovendien ontvingen dagelijks duizenden spijs en kleederen, terwijl talrijke geestelijke orden en vereenigingen zich aan de verpleging der zieken en de verzorging der behoeftigen hadden toegewijd.
i6
Nog zouden wij kunnen wijzen op de vele drukbezochte bedevaartplaatsen, op de talrijke geestelijke broederschappen, vooral van den H. Rozenkrans, i); doch wij meenen voldoende te hebben bewezen, dat de godsdienstige toestand van Duitsch-land vóór de Reformatie lang zoo bedroevend niet was, als men dikwijls voorgeeft; dat er volstrekt geen Egyptische duisternis heerschte, voordat Maarten Luther het licht zijns Evangelies ontstak. Wij herhalen: er waren schromelijke misbruiken op godsdienstig gebied; bisschoppen, kloosterlingen, priesters leefden dikwijls niet overeenkomstig hun staat, maar deze misbruiken werden opgewogen door het heilig, voorbeeldig leven van anderen; tegenover hebzucht, wereldsgezindheid, eigenbaat schitterden vrijwillige armoede, edelmoedige onthechting, heldhaftige zelfverloochening. Voor den geschiedschrijver is het onvergeeflijk dit te verzwijgen, alleen de schaduwzijde te toonen, en deze liefst zoo donker mogelijk, als zij dienen moet tot achtergrond van den diep verguisden Dominicaan Johann Tetzel.
II.
Leipzig was in de tweede helft der i5de eeuw een der voornaamste steden van Duitschland. Het middelpunt vanSaksen, nog niet op zijde gestreefd door het opkomend Dresden, dreef het uitgebreiden handel met de noordelijke Staten en trok geen gering voordeel uit de destijds ontdekte zilver-, tin- en ijzermijnen van het Ertsgebergte, die Saksen tot het Mexico en Peru van Europa maakten. De grootste welvaart en tevens het hoogste aanzien was het echter verschuldigd aan
i) De eerste Rozenkransbroederschap werd in het klooster Dominicaner te Keulen door den prior Jacobus Sprenger opgericht in 1475. Frederik III met zijn hof, benevens de keurvorsten, waren de eersten, die zich in de broederschap lieten opnemen; na hen volgden binnen weinige jaren honderdduizenden geloovigen uit alle streken van Duitschland. — Coppenstein. De Fratern. Rosarii lib. III. Coloniae. 1613.
i7
zijne universiteit. Deze was reeds gesticht in 1409 tengevolge der woelingen van Hus, die het Duitsche element uit de universiteit van Praag, de oudste en meest bezochte van geheel Duitschland, verdreven had. Van de 5000 studenten, die met hunne professoren de oproerige en kettersche stad verlieten , trok bijna de helft naar Leipzig , waar zij door hertog Frederik met de meeste gastvrijheid werden ontvangen. Het „Rothes collegiumquot;, het „Fürstenhausquot; en later het „Frauen-collegiumquot; werden gesticht tot huisvesting en onderhoud der Saksers, Beieren, Franken, Polen en Sileziërs, terwijl Paus Joannes XIII nog zes kanunnikaten aan deze rijke fundatiën toevoegde. Deze vorstelijke milddadigheid van den hertog, hoezeer zij ook werd op prijs gesteld, gaf hem, noch zijn opvolgers den minsten invloed op de hoogeschool. Vrij onbewimpeld gaf Joh. Kone, professor aldaar, in eene publieke rede, uitgesproken ten jare 1445 in tegenwoordigheid van den hertog, dit te kennen. „In „unsere Privilegiën und Freiheiten hat sich kein König, kein „Kanzier einzumischen; die Universitat regiere sich selbst, „andere und bessere ihre Statuten nach Bedürfnisz.quot; 1) De universiteit maakte één zelfstandig, maatschappelijk lichaam uit, onafhankelijk van den Staat; zij bezat eigen bestuur, eigen wetgeving, eigen rechtspleging en was daarbij door verschillende keuren voor belasting gevrijwaard. Wat haar vooral in bloei deed toenemen, was het nieuwe leven, dat overal in Duitschland voor de studiën krachtig ontwaakte. In grooter getal stroomden jaarlijks de studenten naar hare gehoorzalen. Onder de namen van hen, die zich in 1482 voor het wintersemester op het register inschreven, treffen wij aan „Johannes Tezdius de Lipsia quot;
Johann Tetzel, of Tezel, werd, volgens het vrij algemeen gevoelen der geschiedschrijvers, in het begin der tweede helft van de i5de eeuw te Leipzig geboren; juister zijn geboortejaar te bepalen is bij gebrek aan zekere gegevens onmogelijk. Zijn
1) Joh. Janssen. I. p. 79.
i8
vader behoorde tot het edele goudsmidsgilde, dat destijds het toppunt van bloei bereikte en meesterwerken leverde, die met de beste Grieksche en Oostersche kunststukken de proef kunnen doorstaan. De eerste leerjaren bracht Johann Tetzel door in de kloosterschool der Augustijnen. Toen hij alle klassen door-loopen had en daarbij van een buitengewonen aanleg voor de studie had blijk gegeven, besloten zijne ouders hem niet in het voorvaderlijk gilde te doen opnemen, maar aan de universiteit zijner vaderstad te laten studeeren. Grammatica rhetorica, dialectica — het oude trivium — waren de eerste vakken, waarop hij, volgens middeleeuwsch gebruik, zich had toe te leggen; Priscianus, Alexander, Gallus, Quintilianus en Aristoteles waren de hiervoor sinds eeuwen beproefde gidsen. Van Tetzels leermeesters heeft de geschiedenis ons er slechts één overgeleverd, n. 1. den beroemden Coenraad Wimpina, professor in de rhetorica, die te Leipzig zijne academische studiën had gemaakt, van den pauselijken legaat Raymundus Perauld in 1502 den doctorshoed ontving en in 1506 rector der nieuwgestichte universiteit te Frankfort a. O. werd benoemd. 1) Wederkeerige hoogachting en oprechte vriendschap hielden professor en discipel levenslang aan elkander verbonden.
Na vijf jaar studie verwierf hij met Kruisverheffing als de zesde onder 55 candidaten het baccalaureaat der philosophie. 2) Thans werd het gebied der gewijde wetenschap voor hem ontsloten en zouden de alom nog hooggeschatte Sententien van Petrus Lombardus hem onderrichten in de meest belangrijke, voor den Christen meest verheffende waarheden. Hetzij de gestadige omgang met de Dominicanen, die destijds aan de hoogeschool de theologie doceerden, hem eene bijzondere vereering voor die Orde inboezemde, of wel zijn veelvuldig bezoek aan de Dominicanerkerk hem het apostolisch leven dier reli-
1) Gröne 1. c p. 2.
2) Merken wij hier aan, dat Luther bij dergelijke gelegenheid te Erfurt, in 1502, van de 57 candidaten slechts de dertigste was.
*9
gieuseu deed liefhebbeu, in ieder geval, hij zeide in 1489 de wereld vaarwel en meldde zich aan in het oud, eerwaardig Sint-Paulusklooster, dat reeds in 1229 door een der eerste volgelingen van den H. Dominicus, den gelukz. Ceslaus, was gesticht. De regeltucht van dit klooster, ofschoon in den loop der eeuwen door vele omstandigheden verslapt, was in den laatsten tijd weder tot de voormalige strengheid teruggevoerd. Het vormde thans met nog zeven kloosters, te Eisenach, Plauen, Luckau, enz. eene afzonderlijke congregatie, waarover sinds 1487 aan Nicolaas Beier, een man, uitstekend door deugd en geleerdheid, als vicaris-generaal het bestuur was toevertrouwd. Toen Tetzel het ordekleed had ontvangen en binnen de stille kloostermuren, waar alles, het crucifix zijner cel, de fresco\'s der kloostergangen, de beelden der koornissen, verachting van de wereld predikte, tot ernstige overweging gekomen was, ontzegde hij zich alle profane studiën, orn zich met des te grooter ijver aan de geschriften der Kerkvaders te wijden 2). Naar het voorbeeld van Dominicus wilde hij apostel worden in den waren zin des woords, geen rederijker, die in hoogdravende woorden en gekunstelde vormen zich zeiven zoekt, maar een apostel, die het waarachtig zielenheil beoogt; daartoe, zijne heldere, godsdienstige geest had dit reeds lang ontdekt, leverden de Kerkvaders de rijkste bronnen. De nauwgezette plichtsbetrachting , de ijver, waarmede hij de geringste bevelen volbracht, wonnen hem de liefde en het vertrouwen zijner oversten en medebroeders. Nu en dan stond de prior, pater Martinus Adam, hem toe in de kloosterkerk het Woord Gods
1) Gröne 1. c. p. 3.
2) In 1539, na den dood van den katholieken hertog George, verdreven de voorstanders der gewetensvrijheid de paters uit hun dierbaar klooster, dat nu tot universiteit werd ingericht. Volgens protestantsch gebruik werden de fresco\'s zorgvuldig door den witkwast aan het oog onttrokken; de vrijzinniger geest van dezen tijd heeft weer eenige dier schilderstukken aan het licht gebracht en zooveel mogelijk gerestaureerd.
te verkondigen. Bij die gelegenheden openbaarde zich reeds de volksredenaar; en men kon vrij zeker voorspellen, wat succes hem wachtte als eenmaal zijne gaven tot volle rijpheid zouden gekomen zijn. Hij bezat „een helder verstand, een goed „geheugen, een welbespraakten mond, eene levendige voor-„dracht, eene krachtige, mannelijke stem, wier betoovering nog „door zijne rijzige gestalte verhoogd werd.quot; Tot voldoening van zijn apostolischen geest en tevens tot oefening van zijn veelbelovend talent mocht hij soms in naburige kerken voor de geloovigen optreden; meer verwijderde missiën konden hem eerst later worden toevertrouwd, toen hij de priesterlijke wijding ontvangen had. Deze werd hem, na eenige jaren van ernstige voorbereiding, toegediend door Thilo , bisschop van Merseburg. i)
De langdurige cursus, dien de Orde tot opleiding en vorming harer leden voorschrijft, was in 1497 volbracht. Pater Tetzel ontving volmacht om in elk klooster, dat zijne medewerking zou verzoeken, de geestelijke functiën uit te oefenen en tevens den Rozenkrans te prediken. Voorloopig zou deze volmacht hem echter weinig te stade komen, want zijne oversten koesterden andere plannen. In de Orde was het een gebruik om studenten, die buitengewonen aanleg voor de wetenschap verrieden, na afloop der gewone studiën naar een der algemeene studiehuizen te zenden, die door de Dominicanen te Parijs, Bologne, Oxford enz. in de schaduw der universiteiten waren opgericht. Daar konden deze studenten, studentes honoris genaamd, zich verder in de gewijde wetenschap bekwamen , tot professor worden opgeleid en, na volbracht examen, de verschillende graden behalen. Eervol voor Tetzel was derhalve de last, dat hij zich naar het algemeen studiehuis van Keulen moest begeven; en wij begrijpen, met wat geestdrift
1) Vogel. Leben des pttpstl. Ablaszpredigers oder Ablaszkramers. Job. Tetzels. p. 51 en volgende.
hij den reisstaf ter hand nam en onder den zegen des priors en de groeten zijner broeders het geliefd Leipzig verliet, i)
„Rome est déj:l sur le chemin qui mène H Rome,quot; dit ondervond ongetwijfeld ook de eenvoudige monnik gedurende den langen pelgrimstocht naar Keulen, het „Duitsche Romequot;. Keulen met zijn druk handelsverkeer, zijn wakkere, welgestelde burgerij, met zijn beroemde universiteit, het brandpunt der Nederduitsche beschaving, waar Rijnlanders en Westpha-lers, Hollanders en Scandinaviers samenstroomden, met zijne meer dan 150 kerken, kloosters en kapellen , allen met een schat van reliquieen verrijkt, wat bood het geen aantrekkelijkheid voor den Duitscher, den religieus ? Aangrijpend was de aanblik dier machtige Hanzestad, de „koningin van den Rijnquot;, als hare trotsche muren en bolwerken, hare tallooze torens en heerlijke kerken, allen beheerscht door den statelijken, majes-tueusen Dom, wiens ranke zuilen, pinakels en torens dagelijks hooger hemelwaarts stegen, in het verschiet opdoemden. Aeneas Sylvius, de fijn beschaafde Italiaan, had op zijne menigvuldige reizen door Europa geen rijker, prachtvoller stad gezien. Maar, wat naast al den luister Tetzel niet het minst zal hebben getroffen, was de nederige spits van dat dierbaar klooster, dat eenmaal Albertus Magnus en Thomas van Aquino door hun verblijf hadden geheiligd, was de eenvoudige maar schoon gebouwde kloosterkerk, waar het gebeente rustte van den „Doctor Universalisquot;, waar de wijdberoemde Rozenkranskapel was gesticht , door Sixtus IV en diens opvolgers met talrijke aflaten begunstigd. Bij zijne intrede in het uitgestrekte klooster kwam echte kloostergeest hem overal tegen. Sinds 1464 was de strenge tucht weder hersteld. Coen-raad van Aste, generaal der Predikheeren, had persoonlijk
1) 1497. 6 Maji. fr. Joës Tezel convquot;_s Lipsiensis potest stare in quo-cunque conventu et praedicare rosarium. Idem assig-natur Coloniae in studentem honoris.
Regesta Mag. Genlium. Generalaatsarchief der Predikheerenorde te Rome.
22
haar ingevoerd; de vrome prior Jacobus Sprenger, als inquisiteur aan de ketters maar al te goed bekend, had haar ijverig doorgezet. Nachtwaken, koorgebed, vleeschderven, verbod van geldbezit, alle oude wetten waren met kracht weder ingescherpt en alleen hier en daar met wijs beleid, volgens den eisch der omstandigheden, gewijzigd. Wat de studie betreft, de kloosterschool handhaafde haren ouden roem, zij toonde zich het patronaat der twee groote middeleeuwsche lichten waardig. In dezelfde kloosterzalen, waar eenmaal de H. Thomas van de lippen zijns hooggevierden meesters Albertus die lessen van hemelsche wijsheid opving, werd steeds eene breede schaar ordebroeders, uit allerlei natiën samengesteld, in de traditioneele leer onderricht. Dagelijks, tenzij wettige redenen zulks verhinderden , verklaarde de regens sludii de onovertroffen Summa van den Engelachtigen Leeraar, terwijl daarna lo cut or ia werden gehouden, d. w. z, de behandelde stof verder werd toegelicht, met verschillende vraagstukken in verband gebracht, om ten laatste, tot weinige stellingen herleid, aan het geheugen te worden toevertrouwd. Hieraan, evenmin als aan de lessen, die in de Sententiën en in de H. Schrift gegeven werden, mocht niemand zich onttrekken, i) Bij het eindigen van den studietijd was ieder student tot eene
i) Ordinationes pro studüs convïïf Coloniensis. A0 14S3.
Octavo, quod indefectibiliter semel in die non celebri universaliter regens, vel aliquis magistrorum loco ejus, nisi infirraitas vel alia ratio-nabilis causa obstiterit, legat in partibus Sancti Thome, alie quoque due lectiones fiant in logica videlicet et physica seu metaphysica, ut est consuetum.
Nono, quod lectionibus baccalaurei, sentenciarii et biblici omnes interesse teneamini, nisi aliqui vestrum ex rationabilibns causis de licencia vestri regentis vel magri studentium haberent abesse; locutoria vero de materia lectionum regentis sine defeclu modo consueto in diebus legibi-libus teneantur, a quibus nullus praesumat se absentare nisi pro magna necessitate et hoc cum licencia regentis aut magri studentium, exceptis diebus rasure et balnei ac quibus fiunt disputaciones solemnes extra conventum.
23
plechtige thesisverdediging verplicht. Behalve deze oefeningen hadden somtijds actus solemnes, wetenschappelijke steekspelen, plaats, waarin esne reeks philosophische, exegetische en theologische stellingen publiek tegen iederen aanvaller moesten worden verdedigd. De voortreffelijkheid dezer oude leermethode bleek uit de degelijke, goed onderlegde theologanten, die door haar werden gevormd en sinds jaren zich de hoogachting en het vertrouwen van Keulens burgerij verwierven. Aan de hoogeschool, waar, bij een vlijtige beoefening der klassieken, de scholastiek nog den schepter zwaaide, bekleedden verschillende paters een leerstoel van de theologische faculteit, de beroemdste van geheel Duitschland; het blanke gewaad van Dominicus was er tehuis. Op de feestdagen van Sint-Dominicus en Sint-Thomas hield daar, volgens overoud gebruik, een Predikheer de feestrede voor de talrijke professoren en studenten; waren er publieke redetwisten, de magisters van het Dominicanerklooster togen er met hunne leerlingen heen. De nieuwe omgeving, het stichtend leven der kloosterlingen, de algemeene ijver voor de studiën kan bij Tetzel den weldadigen invloed niet gemist hebben. Al weten wij niet, of hij publiek ooit in het krijt is getreden, of hij een der talrijke collaciones, die door de Dominicanen op bepaalde dagen van het jaar in het Domkapittelhuis , in de Sint-Gereon, de Sint-Andreas en in andere kerken waren vastgesteld, gehouden heeft, toch mogen wij veronderstellen , dat hij zijne talenten niet begraven, maar ijverig er mede gewoekerd heeft. Tot deze veronderstelling worden wij nog meer gerechtigd, als wij vernemen, dat Tetzel, vier maanden na zijne komst te Keulen, reeds tot professor in den cursus der Senieniien wordt benoemd en daarbij alle privilegiën ontvangt, die aan dit ambt zijn verbonden, i)
Decimo, quod quilibet studentium pro prima aut secunda forma missus circa finem sui temporis ad responsionem unam solemnem teneatur. — Generalaatsarchief der Predikheerenorde te Rome.
i) 1497. 24 Sept. fr. Joês Tezel convus Lipsiensis fit cursor cum graciis.— Reg. Mag. Genlium. Generalaatsarchief der Predikheerenorde te Rome.
24
Hoelang hij nog te Keulen vertoefde , aan welke kloosterschool of universiteit hij doceerde en den graad van baccalaureus in de theologie behaalde; waar de pauselijke legaat Raym. Perauld hem leerde kennen en voor een nieuwen werkkring bestemde, zijn vragen, die door de geschiedvorschers nog dienen opgelost; voor ons is het voldoende het bewijs te leveren, dat hij volstrekt geen „frater ignobilisquot; was en de Dominicaan Lindner in zijn kroniek hem te recht onder de geleerden van het Sint-Paulusklooster te Leipzig rangschikt.
Niemand, die Tetzels deugdelijke opleiding en het succes, waarmede zijne studiën werden bekroond, in aanmerking neemt, zal zich verwonderen later in hem den strijdhaften kampioen te ontmoeten, die het eerst tegen Luther in het strijdperk trad, hem met het zwaard zijner onverbiddelijke logica geduchte slagen toebracht, om ten laatste met al de behendigheid van een geoefend strijder hem in zijn zwak te treffen. Aan deze overwinning op den Wittenbergschen monnik heeft hij de eeretitels van „Idiotquot;, „ungelehter Tropfquot;, „grober Eselquot; te danken; andere wapenen dan spot en laster bleven Luther tot zelfverdediging niet over. In blinde vereering voor den „seligen Gottesmannquot; wiens komst in den loop der eeuwen door profeten en wonderteekenen zou zijn voorspeld, in buitensporige geestdrift voor dien tweeden Messias, wiens verschijning een licht was voor de volken, hebben Protestanten Luthers woord als het Evangelie aangenomen; zelfs de vuilaardige spot en gemeene laster, die onder het ledigen van den tinnen bierkroes aan den gewijden mond des meesters ontvielen, werden met zorg door ijverige discipelen als kostbare brokkelingen verzameld, opdat er niets verloren ga. i) Luthers beschimpingen werden woorden van vroomheid en godzaligheid, die in de stilte der binnenkamer dienden overwogen; zijn lasteringen orakeltaal, waaraan te twijfelen blasphemiescheen. Voor deze trouwe leerlingen werd Tetzels onwetendheid tradi-
i) Motto der Tisch-Reden. Eisleben. 1566.
2S
tioneel. Nu moge men op stellige gronden verzekeren, dat Tetzel niet onwetend was, uitwijzen volgens archieven en de oudste geschiedschrijvers, dat hij zelfs professor was, het uvró; i\'yrj zal zich hiertegen hardnekkig verzetten. Desnoods zal men voor de kleingeestigste spitsvondigheden niet terugschrikken. Körner, om ons tot Tetzels jongsten biograaf te bepalen, geeft hiervan een niet onaardig voorbeeld. In zijne „Notitia universitatis Francofurtensisquot; had Becmann o. a. geschreven (p. 55): Reverendus frater Jo amies Tetzel ordinis praedica-torutn, s. theologiae professor. Hieruit had Gröne afgeleid, — en wie zou het niet met hem ? — dat Tetzel ten minste den titel van professor gevoerd heeft. Toch niet, „indenWorten „Becmannszegt bovengenoemde Herr Superintendant und Oberpfarrer, „finden wir unserseits nur, dasz derselbe als „Theolog, als eiu Mann, dem die Theologie professie war, „bezeichnet werden soil.quot; — Zulk eene onpartijdigheid behoeft geen betoog, het is voldoende, dat zij „Wahrheit in Liebequot; (Kömers devies) tot leus voert.
III.
Om een juist oordeel te vellen over Tetzels aflaatprediking en die al of niet als „aflaathandelquot; te kunnen brandmerken, is het van belang te weten, wat de Katholieke Kerk omtrent den aflaat leert, te meer, daar van protestantsche zijde, de Luther-feesten van November 1883 en de Poppink-quaestie hebben dit weer duidelijk bewezen, gebruik tot misbruik en misbruik tot gebruik gestempeld wordt. Dit hoofdstuk, waarin die leer ontwikkeld wordt, hoezeer Tetzel daardoor eenigen tijd van het tooneel verdwijnt, heeft dus genoegzame reden van bestaan; dit zal nog meer blijken in het vervolg.
Drie beginselen zijn er vooral, waarop de aflaatleer steunt; zonder deze kan men zich redelijker wijze geen aflaat denken.
20
i0. Na de vergeving der zondeschuld en de kwijtschelding der eeuwige straf door het Sacrament der Boetvaardigheid of door een volmaakt berouw, blijft er nog dikwijls tijdelijke straf te voldoen, hier of in hei vagevuur. — Dat door de vergeving der zondeschuld tegelijk de eeuwige straf wordt kwijtgescholden, behoeft niet bewezen; niemand kan erfgenaam zijn van het Rijk der Hemelen en tegelijk van alle recht daarop beroofd, evenmin vriend en tegelijk vijand van God. Uit den aard der zonde volgt evenwel, dat er nog eene tijdelijke straf te voldoen kan overblijven; de zonde toch is niet alleen eene verwijdering van hfit Oneindig Goed en verdient als zoodanig eene eeuwige, oneindige straf, maar is ook eene ongeregelde toenadering tot een eindig goed en hieraan beantwoordt eene tijdelijke, eindige, straf, i) Door goede werken kunnen de geloovigen voor deze overblijvende tijdelijke straf voldoen; komen zij hieraan in dit leven te kort, dan wacht hun het vagevuur, waar Gods Rechtvaardigheid ten volle wordt voldaan. Dit is eene leer door vele en treffende voorbeelden in de H. Schrift gestaafd, door de kerkelijke Overlevering bevestigd en door het concilie van Trente 2) tot geloofswaarheid verklaard.
20. Er is in de Kerk een schat van overvloedige voldoeningen van Christus en de Heiligen. — Deze waarheid volgt uit de katholieke leer van de goede werken. De goede werken, bijv. vasten, hebben eene tweevoudige waarde: in zoover zij goed, d. i. in de liefde Gods verricht zijn, verdienen zij het eeuwig leven, in zoover zij eene straf zijn, voldoen zij aan Gods Rechtvaardigheid. Door Zijn H. Lijden, dat om de hypo. statische vereeniging van oneindige waarde is, heeft Christus ons den Hemel verdiend, maar datzelfde Lijden had tevens eene oneindig voldoeningschenkende kracht, welke de God-mensch wegens Zijne onzondigheid niet behoefde en daarom aan Zijne Bruid, de H. Kerk, heeft afgestaan. Bij dezen
1) S. Th. IIIgt; p. q. 86. a. 4. o.
2) Conc. Trid. Sess. 6. can. 30.
27
schat hebben de Heiligen hunne overvloedige voldoeningen gevoegd. Vele Heiligen toch, ofschoon hunne werken, wat de verdiensten betreft, van den Rechtvaardigen Rechter ten volle beloond zijn, hebben nochtans meer voldaan dan zij om hunne zonden verplicht waren. Deze overvloedige voldoeningen gaan niet verloren, maar komen krachtens de gemeenschap der Heiligen en de eenheid van Christus\' mystiek Lichaam aan de Kerk te baat.
3». Er is in de Kerk eene macht om deze overvloedige voldoeningen aan hen toe te voegen, die nog tijdelijke straf moeten voldoen. — Gelijk in eiken goed geregelden staat aan den vorst of den hoogsten gezagvoerder de macht toekomt om te beschikken over de gemeengoederen en deze volgens het staatsbelang aan behoeftige onderdanen uit te reiken , zoo heeft ook het Opperhoofd der Kerk, die door de hoogste Wijsheid is gesticht, de macht om de geestelijke schatten, de voldoeningen van Christus en de Heiligen, aan die geloovigen mede te deelen, wien tijdelijke straf nog te voldoen overblijft, i) Deze macht, zooals het concilie van Trente verklaart, 2) is door God aan de Kerk gegeven en van de vroegste tijden af door Haar uitgeoefend. Hiervan getuigen de Overlevering, de Martelaarsakten, de oudste synoden en conciliën.
Meer „ervaring in de gymnastiek der middeleeuwsche dialec-
1) Totus iste thesaurus (meritorum Christi et Sanctorum) est in dis-pensatione ejus qui praeest generali Ecclesiae; unde Petro Dominus claves regni coelorum commisit. (Matth, 16.) Quando ergo utiiitas vel necessitas ipsius Ecclesiae hoc exposcit, potest ille qui praeest Ecclesiae, de ista infinitate thesauri comraunicare alicui, qui per charitatem fit membrum Ecclesiae, de praedicto thesauro quantum sibi visum fuerit opportunum, vel usque ad totalem remissionem poenarum, vel usque ad aliquam certam quantitatem; ita scilicet, quod passio Christi et aliorutn Sanctorum ei imputetur, ac si ipse passus esset, quantum sufficeret ad remissionem sui peccati; sicut contingit, cum unus pro alio satisfacit. S. Th. Quodlib. II. q. 8. a. 16. o.
2) Sess. 25. de Reform.
28
tiekquot; i) wordt tot recht verstand van de aflaatleer niet vereischt; want de door vele andersdenkenden miskende of liever ongekende aflaat is niets anders dan de uitoefening van bovengemelde macht. In minder of meer bewoordingen verklaren alle katholieke godgeleerden: Aflaat is eene kwijischelding der tijdelijke zondestraf, die na de vergeving der dadelijke zondeschuld nog ie boeten overblijft, welke kwijtschelding een volmachthebbende buiten de Biecht verleent door toepassing van den kerkelijken schat. 2) Wat werkt derhalve de aflaat uit? Vrijspraak van de tijdelijke straf; terwijl onze voldoeningen, die dikwijls door traagheid, eigenliefde, zwakheid onvolmaakt en ontoereikend zijn, worden aangevuld door de volmaakte voldoeningen van Christus en de Heiligen. Zoo openbaart zich, gelijk Cajetanus zeer juist aanmerkt, 3) in den aflaat Gods Barmhartigheid en Rechtvaardigheid, de Barmhartigheid, doordien wij van straf worden vrijgesproken, de Rechtvaardigheid, doordien met den kostbaren losprijs van Christus\' H. Bloed voor onze straf wordt voldaan.
Hiertegen wordt natuurlijk aangevoerd, dat de Pausen uitdrukkelijk van eene remissie peccatorum gewagen, dat de aflaat dus eene vergeving van zonden is. Maar is het dan onbekend, dat het woord peccatum dikwijls zondestraf en geen zondeschuld beteekent ? Wijst niet de H. Augustinus 4) er reeds op, dat in de H. Schrift de uitdrukking peccata in verschillende beteekenis voorkomt ? Wordt niet van de vroegste tijden der Kerk de vergeving der tijdelijke straf door remissio pcccatorurn aangeduid ? Spreekt de H. Thomas van Aquino (Quodlib. II q. 8. a. 16 en IIa IIae q. 189. a. 3. ad 3um) met zoo menig ander Kerkleeraar zich dan tegen, als zij den aflaat remissio peccatorum noemen en tevens staande houden ,
1) W. Moll. Kerkgeschiedenis. D. II. St. IV. p. 185.
2) Ferraris. Biblioth. Indulg. art. I.
3) Cajet. Tract. VIII. q. 1.
4) Contra duas ep. Pelag. lib. 3. c. 6. n. 16.
29
dat de aflaat alleen de straf vergeeft? Zo\\i Paus Leo XIII in strijd zijn met de algemeene kerkleer, zooals deze in den kleinsten catechismus is uitgedrukt, wanneer hij in de jongste jubilé-brieven van 1879 en 1881 den aflaat eene vergeving der zonden noemt ? Een enkele blik in de katholieke theologanten, van welken tijd ook, zou voldoende zijn om iedereen te overtuigen, dat peccatum in de kerktaal ook straf beteekent; maar wat voor elke wetenschap vereischte is: de kennis der termen, acht men voor de katholieke theologie niet noodig. — Met meer schijn van recht wordt opgeworpen, dat sommige aflaten èn van de straf èn van de schuld ontslaan (a poena et a culpa); deze formule is echter niet van de Kerk, maar van de middeleeuwsche quaestoren afkomstig. Uitdrukkelijk verklaarde Nicolaas van Cues op de synode van Maagdenburg: „De apostolische Stoel placht onder zulke termen nooit aflaten te verleenen.quot; Krachtig verhieven zich ook het concilie van Constanz en Clemens V tegen deze uitdrukking, terwijl Benedictus XIV zulke aflaten als verdacht beschouwt. 1) — Straf alleen is volgens de algemeene leer der Kerk het voorwerp der aflaten , en eene voor God bindende straf, niet eene bloot kerkelijke. Dit volgt uit den aard der aflaten; de voldoeningen van Christus en de Heiligen, door den aflaat geschonken, treden in de plaats van onze nog verschuldigde voldoeningen; deze nu, indien zij volmaakt geschiedden, zouden de voor God bindende tijdelijke straf wegnemen , derhalve hebben de volmaakte voldoeningen van Christus en de Heiligen een gelijk gevolg. 2) Eveneens blijkt
1) De Syn. Dioec. lib. XIII. c. XVIII. n. 7.
2) Et quoniam certum est, omni hoe attestante Ecclesia, indulgentias succedere loco injunctarum poenitentiarum; eonsequens est, quod idem est effectus indulgentiae, qui erat futums effectus injunctae satisfactionis poenitentialis. Constat autem quod per injunctam satisfactionem poeni-tentialem digne exequutam solvitur poena temporalis pro actuali peccato debita apud divinam jusutiam (hoc enim universalis credit Ecclesia) igitur
3°
dit uit de straffen, die door den aflaat oudtijds werden kwijtgescholden en in de middeleeuwsche poenitentie-boeken waren bepaald en omschreven, bijv. van zeven jaren, carenen, quadragenen, enz. Deze straffen waren niet bloot kerkelijk, maar sacramenteel en strekten tot voldoening der God nog verschuldigde tijdelijke straf. Ofschoon deze canonieke straffen sinds de kruistochten minder van kracht en sinds het begin der i5ie eeuw, ten minste als regel, in onbruik waren, heeft de Kerk ze nog behouden als maatstaf voor de uitgestrektheid der aflaten. Niet alle aflaten toch schelden de geheele zondestraf kwijt. Alleen door den vollen aflaat schenkt de Paus krachtens zijne apostolische volmacht uit den kerkelijkeu schat zooveel voldoeningen als ieder tot opheffing der tijdelijke straf voor God nog verschuldigd is; wie derhalve den vollen aflaat geheel deelachtig werd, zou ontslagen worden van alle tijdelijke straf, de reinheid des Doopsels erlangen en, kwam hij in dien gelukzaligen staat te sterven, zonder in het vagevuur te toeven, den Hemel binnengaan. De andere aflaten geven slechts voldoening voor een zoo groot gedeelte van de tijdelijke straf als bepaald wordt door de boete-canons. Een aflaat bijv. van zeven jaar en zeven quadragenen beteekent, dat iemand door toepassing van den kerkelijken schat zooveel van de tijdelijke straf wordt kwijtgescholden, als God hem zou vergeven voor zeven jaar canonieke boete en zeven quadragenen, d. i. zeven veertigdaagsche vasten.
Dwalen velen omtrent het wezen der aflaten, nog grooter
per indulgentiam loco satisfactionis succedentem, si veraciter ac digne acquisita fuerit, solvetur quoque tantum de poena temporali pro actuali peccato debita apud divinam justitiam, quantum apud eamdem aequivalet indulgentia acquisita. Et haec ratio non eget ampliori confirmatione quum jam determinatum sit per Ecclesiam Romanam id qaod communius doe-tortim opinio sentiebat, scil. effectum indulgentiarum esse remissionem poenae temporalis pro peccato actuali debitae apud divinam justitiam. Cajet. Tract. VIII. q. i.
dwaling heerscht er omtrent het verdienen van aflaten : van berouw schijnt daarbij geen spraak. Dit is niet alleen misverstand, maar kan ter nauwernood van kwaadwilligen laster worden vrijgepleit. Eenstemmig is de leer der katholieke Kerk, dat zonder berouw geen vergeving mogelijk is zoomin van de zondeschuld, als van de zondestraf, want de straf wordt zonder de schuld nimmer vergeven, hetzij deze dage-lijksch of doodelijk zij. Reeds deze algemeene leer moest aan de bewering: voor aflaten wordt geene inwendige verbetering des harten vereischt, allen grond ontzeggen ; ongerijmd toch is het, dat er strijd zou bestaan tusschen de theorie der katholieke Kerk en hare praktijk. Volkomen wordt deze laster echter gelogenstraft door de aflaatbullen. Neem de aflaat-bullen van 1875 en 1881 ter hand, daar staat uitdrukkelijk: „aan allen , die waarlijk rouwmoedig zijn en gebiecht hebbenquot; — „vere poenitentibus et confessisquot; —; „aan allen, die hunne „zonden behoorlijk gebiecht hebbende, het H. Sacrament der „Eucharistie ontvangenquot; — pec cat a sua rite confess i SS. Eucharistiae Sacramentum suscipiant. Wie meenen zou, dat deze essentieele voorwaarde eerst van lateren tijd dagteekent, sinds Luther de „grove dwalingenquot; der aflaatleer heeft aan het licht gebracht, zou zich deerlijk bedriegen. Leo X , Julius II, Alexander VI stellen woordelijk dezelfde voorwaarde. Handtastelijk wordt eindelijk deze logen, wanneer Albertus Magnus reeds leert, dat berouw en biecht voor den aflaat vereischt worden, dat „daarom altijd in de aflaatbrieven geschreven „staat: aan allen, die rouwmoedig zijn en gebiecht hebben;quot; 1) wanneer de H. Bernardus, en vóór hem het concilie van Clermont van de kruisvaarders een vermorzeld hart en de biecht vordert tot verdiening van den aflaat. 2) Volstrekt eischt de Kerk,
1) Et ideo semper in Uteris indulgentiarum continetur: omnibus con-tritis et confessis. In Sentent. 1. IV. dist. XX. a. 16.
2) Suscipe crucis signum et omnium peccatorum de quihus corde contrito coufessiontm fee er is, indulgenllam habebis. S. Bern. Ep. 363.
32
dat de geloovigen hunne zondige wegen verlaten en met vermorzeld hart tot God wederkeeren. Verre van den geest der boetvaardigheid te verzwakken, sporen de aflaten ieder aan, waardige vruchten van boetvaardigheid voort te brengen,verbinden zij de geloovigenquot;, zooals Bourdaloue zegt i)„totdat-„gene wat in den godsdienst het moeilijkste , het heldhaftigste, het „grootste is, nl. eene oprechte bekeering.quot; lederen katholiek is het bekend, hoevele verstokte zondaars, ter gelegenheid bijv. van een jübilé-aflaat, tot God wederkeeren, hoeveel vijandschap afgelegd, hoeveel onrecht hersteld wordt; dan heeft er volkomen verzoening plaats tusschen God en den mensch. Als eene liefdevolle Moeder treedt de H. Kerk voor hare rouwmoedige kinderen op, komt hunne zwakheid te gemoet, ontslaat hen krachtens de Sleutelmacht van hunne tijdelijke straf en biedt Gode het dierbaar Bloed van Christus tot losprijs aan. De geloovigen aldus van alle zondeschuld en zondestraf ontslagen, en daardoor welgevalliger voor Gods oog, ontvangen meer genaden om de zonden te vermijden en werken des geloofs te verrichten. Waarlijk, alleen blind vooroordeel kan den aflaat een vrijbrief tot zondigen noemen.
Van niet minder onkunde geven zij blijk, die den aflaat verwaarloozing der goede werken verwijten. Het verrichten van goede werken wordt juist door den aflaat bevorderd. Gewoonlijk toch stelt de Kerk, behalve den staat van genade, nog als voorwaarde: het ontvangen der heilige Sacramenten, het verrichten van bepaalde gebeden, godvruchtige oefeningen, liefdadige werken, in enkele gevallen, bijv. voor een jubilé, ook vasten en aalmoezen. Hieruit kan men de heilrijke gevolgen der aflaten nagaan. Door het veelvuldig naderen tot de heilige Sacramenten worden de geloovigen meer en meer geheiligd, door hunne goede werken verdienen zij zich een heerlijken kroon in den Hemel, en aldus bereikt de Kerk het godvruchtig doel, dat Zij zich bij het verkenen van aflaten
i) Sermon pour 1\'ouverture du Jubilé, ziéme p.
33
altijd voorstelt: de glorie van God en het heil der zielen. Wie hieraan opmerkzaamheid leent, ziet, hoe de Kerk door de aflaten ieder aanmoedigt om lid te worden van geestelijke broederschappen, om deel te nemen aan godvruchtige oefeningen en door gebeden en aalmoezen mede te werken aan de verspreiding des geloofs onder de heidenen, aan het los-koopen en „kerstenenquot; van Chineesche kinderen, aan het stichten en onderhouden van arme kerken, enz. zal met het concilie van Trente moeten instemmen, dat de aflaten „voor „het Christenvolk ten zeerste heilzaamquot; zijn.
Bijzondere aandacht verdient nog de aflaat voor de overledenen, want, verkeerd begrepen, is hij voor vele Protestanten een steen des aanstoots en tevens eene beschuldiging tegen Tetzel. — De rechtvaardigen, die in de vriendschap met God gestorven zijn, maar tijdens hun leven door goede werken de tijdelijke straf niet uitgeboet hebben, moeten deze door het bitter lijden in het vagevuur voldoen; niets, wat besmet is, kan het Hemelrijk binnengaan. Dit is een katholiek leerstuk, dat door het gezag der H. Schrift, der Overlevering, der H. Vaders, der Conciliën, vooral dat van Trente, overvloedig wordt gestaafd. Op niet minder hechten grondslag steunt de leer, dat deze zielen door de gebeden en goede werken der levenden kunnen geholpen worden. De Catacomben, de oudste liturgieën der Mis treden hiervoor als eerbiedwaardige getuigen op; doch het zij voldoende het gulden woord van Sint-Augus-tinus te herhalen: „De geoorloofdheid te betwisten van datgene^ „wat de geheele Kerk overal pleegt te doen, is de verwaandste „dwaasheid.quot; (Epist. 54, alias 118, n. 6.) Wanneer nu de geloovigen hunne voldoeningen Gode kunnen aanbieden voor de overledenen, wat belet dan de Kerk, om de zielen met de overvloedige voldoeningen van Christus en de Heiligen te hulp te komen? Waarom zou Zij niet hare geestelijke schatten kunnen uitreiken aan de zielen in het vagevuur, die door het geloof en de liefde leden zijn van het ééne mystieke Lichaam van Christus. „Er bestaat geen reden,quot; zegt de H. Thomas,
34
(Suppl. q 71, a. 10. o.) „waarom de Kerk de gemeenschappe-„lijke voldoeningen, waarop de aflaten steunen, zou kunnen „schenken aan de levenden en niet aan de dooden.quot; — Dit neemt niet weg, dat er een belangrijk verschil bestaat tus-schen de aflaten voor de levenden en de overledenen.
De levenden behooren tot het geestelijk rechtsgebied der Kerk, over hen kan Zij dus krachtens de van Christus verleende macht, rechtspreken, hen vrijspreken van de overblijvende tijdelijke straf en hiervoor met den kerkelijken schat voldoen. De overledenen daarentegen zijn niet meer aan de Kerk onderworpen, hen kan Zij daarom niet vrijspreken, maar door de liefde, die Haar met deze kinderen verbindt, opent zij hare schatten en biedt deze aan Gods Rechtvaardigheid tot voldoening voor de lijdende zielen. Om deze reden verleent de Paus de aflaten voor de overledenen altijd „bij wijze van voorbedequot; — per modum suffragii. De voorbede Zijner Kerk, vertrouwen wij terecht, zal God verhooren en die geestelijke schatten als delging voor de schuld der overledenen aannemen; maar volgens het algemeen gevoelen der theologanten, heeft God zich hiertoe geenszins verplicht en staat het dus aan Zijne Barmhartigheid de zielen van hun lijden geheel of gedeeltelijk te verlossen.
Een ander onderscheid mag eveneens onze opmerkzaamheid niet ontgaan, want door dit over het hoofd te zien zijn vele Protestanten gestijfd in hunne dwaling: de aflaat is zondevergeving zonder berouw. Volgens het gevoelen van zeer vele en zeer voorname godgeleerden kunnen de geloovigen den aflaat voor overledenen verdienen, ook al zijn zij niet in staat van genade, mits de Kerk deze voorwaarde niet uitdrukkelijk vaststelt. 1) Hoe men hieruit kan besluiten, dat,
1) Suarez. Disp. LIII sect. IV. n. 5. „In lucrante indulgentiam defuncto non requiritur gratiae status.quot;. — Soto. 4 Dist. 45 q. 2. a. 3. — La Croix, lib. VIII. de S. Cruciat. cap. 3. Dub. 2. — Billuart. de Ind. a. VI. — Tamburino, Gabriel, Richardo, enz.
35
om den aflaat deelachtig te worden geen berouw of staat van genade vereischt wordt, is een logisch raadsel, evenzeer als het bevreemding wekt, dat theologanten, wien het toch waarlijk niet aan scherpzinnigheid heeft ontbroken, zich zoo grof zouden tegenspreken. Niet de levenden, zoo leeren zij, die in doodzonde de goede werken verrichten, door de Kerk als voorwaarde gesteld, worden deelachtig aan den aflaat, maar de zielen in het vagevuur, die, schoon niet zoo volkomen mogelijk, zich toch zeker in staat van genade bevinden. De zondaar is alleen de tusschenpersoon, door wiens hand de Kerk de aflaten als eene geestelijke aalmoes uitreikt aan hare naar lafenis verzuchtende kinderen in het vagevuur. Zoo blijft derhalve altijd het beginsel gehandhaafd, dat de aflaat den staat van genade noodzakelijk veronderstelt in dengene, die hem deelachtig wordt, m. a. w. geen aflaat zonder berouw.
Vatten wij thans in enkele stellingen de katholieke leer omtrent den aflaat samen; zij zullen ons dienen tot proefsteen, waaraan wij Tetzels leer kunnen toetsen.
i0. De aflaat is eene vrijspreking van tijdelijke zondestraf, niet van zondeschuld,
2®. De aflaat is eene vrijspreking niet van bloot kerkelijke, maar van voor God bindende straf.
3°. Be aflaat is eene toepassing van den kerkdijken schat, die beslaat uit de overvloedige verdiensten van Christus en de Heiligen.
4°. De aflaat is bij wijze van voorbede vo\'ordeelig aan de zielen des vagevuurs.
5°. De aflaat veronderstelt den staat van genade in dengene die hem deelachtig wordt.
IV.
Een angstkreet steeg in de laatste dagen der 15de eeuw uit
36
Griekenland op. Bajazeth II had, toen hij door Maximiliaans luisterrijke overwinning bij Villach, in 1494, voor zijne woeste horden den pas naar Duitschland zag afgesneden, den roof-gierigen blik op Griekenland geslagen. In korten tijd verzamelde hij eene groote vloot in de Ionische en Egeïsche zeeön, voerde zelf eene groote menigte landtroepen door den Isthmus naar den Peloponnesus , met dit gevolg, dat hij Methon, Coron en vele andere sterke plaatsen op de Venetianen veroverde, hunne vloot verstrooide , den Peloponnesus geheel aan Venetië ontweldigde-en zegevierend naar Byzantium terugtoog. In deze droevige omstandigheden zond Alexander VI, begaan met het lot der Grieksche Christenen, kardinaal Perauldnaar Duitschland om den kruistocht tegen de ongeloovigen te prediken. Eene andere reden gaf deze zending nog meer klem. Het jaar 1500 was een jubeljaar geweest. Evenals in vorige eeuwen waren ontelbare geloovigen naar de Eeuwige Stad getrokken om de groote genaden deelachtig te worden; de toevloed der pelgrims was zelfs zoo groot geweest, dat de Paus zich verplicht had gezien het jubeljaar eenigen tijd te verlengen. Dit besluit mocht velen te baat komen, voor nog veel meer was het vruchteloos, daar zij door pestziekte, oorlog en andere rampen verhinderd waren den pelgrimsstaf op te nemen. Om deze niet van de geestelijke schatten uit te sluiten, gaf de Paus den kardinaal volmacht om overal in Duitschland het jubilé te prediken, mits de aalmoezen, bij die gelegenheid ingezameld, zouden strekken tot bestrijding der Turken. De rijksvorsten kwamen echter uit eigenbelang hiertegen in verzet; en eerst in 1502 werd de aflaatprediking toegestaan.
Kardinaal Perauld benoemde pater Tetzel tot aflaatprediker; en het strekt dien religieus tot geen geringe aanbeveling het vertrouwen te bebben bezeten van een persoon, die als kardinaal en pauselijk legaat in hoog aanzien stond en daarenboven door zijne tijdgenooten wordt geroemd als „een man, heilig van „leven, rechtschapen van gemoed, ijverend voor het recht, „van eer en rijkdom zeer afkeerig, wiens gelijke dit tijdvak
37
„niet bezat.quot; Tetzel toonde zich dit vertrouwen volkomen waardig. Vol ijver voor het apostolaat doorkruiste hij Duitsch-lands gouwen. Te Zwickau werkte hij door zijne levendige, krachtige, zalvingrijke welsprekendheid zoo machtig op het volk, dat hij ieders onverdeeld vertrouwen won. Vooral zijne met hoogen ernst gepaarde innemendheid en geleerdheid wonnen hem de liefde en de achting der reguliere geestelijkheid; volgens het gebruik dier tijden schonk deze hem uit hoogachting het eerelidmaatschap der orde.
De faam van Zwickau ging hem overal vooruit, waar hij als prediker optrad, i) Te Neurenberg, Leipzig, Maagdenburg , Bautzen, Görlitz, Halle en op vele andere plaatsen zag hij zijne missie met schitterend succes bekroond. In welken geest het jubilé gepredikt werd, blijkt uit den brief van kardinaal Perauld aan de geloovigen te Erfurt. 2) Uitdrukkelijk worden zij vermaand door eene rouwmoedige biecht en goede werken zich waardig voor te bereiden tot het ontvangen der buitengewone genaden, „door tranen van boetvaardigheid moesten zij de vlekken hunner ziel afwasschen.quot; Geen zucht tot vuig gewin, maar tot waarachtig zielenheil is zijn eenige drijfveer, en „om zelfs den schijn te vermijden, als ware de „aflaat voor de rijken en niet voor de armenquot;, verbiedt hij den prediker op straf van excommunicatie aalmoezen te vorderen van de armen; deze konden volstaan met meer te bidden.
De aflaatprediking verhief Tetzel, voorheen slechts in Saksen geroemd, tot den algemeen gevierden volksredenaar. Volgens getuigenis van Buddaeus en vele andere tijdgenooten, verwierf hij door zijne buitengewone welsprekendheid bij het volk steeds grooter naam, steeg hij voortdurend in aanzien; vooral aan zijne doordringende stem, beeldrijke taal en krachtige bewijsvoering had hij dien invloed te danken. 3) Weldra zou een
1) Gröne 1. c. p. 5.
2) Walch. Luthers Werkc, T. XV. p. 227.
3) Gröne 1. c. p. 6.
3S
nieuwe ramp hem noodzaken tot belang van den godsdienst en het vaderland daarvan krachtig gebruik te maken.
Sinds eenige jaren kwamen voortdurend onrustwekkende tijdingen van de oostelijke grenzen des Rijks. Iwan III, nadat hij het juk der Mongolen had afgeschud en de Russische monarchie gesticht, zocht zijn gebied te vergrooten ten koste van Polen en de Duitsche Orde. Lijfland vooral, dat onder het bestuur van den grootmeester Walter van Plettenberg het toppunt van bloei bereikt had, was het doel van den krijg. Eerst na een hardnekkigen tegenstand kon de dappere grootmeester den overmachtigen Czaar tot een verdrag bewegen, maar niet lang daarna viel deze, vergezeld van roof- en moordzieke benden Tartaren, weder in het nauwelijks herademende land. Alles werd te vuur en te zwaard verwoest; mannen en vrouwen, geestelijken en leeken werden in harde dienstbaarheid gevankelijk voortgesleurd of door uitgezochte martelingen gedood, kerken en heilige plaatsen geplunderd en onteerd, gewijde vaten, sieraden, klokken verbrijzeld en weggevoerd. i) In dezen uitersten nood wendde de grootmeester zich tot den Paus: de Duitsche rijksvorsten waren reeds vroeger op den rijksdag te Lindau doof geweest voor zijne beden; Lijfland lag te ver om hunne bezorgdheid te wekken. Julius II begreep de belangen van het Duitsche Rijk beter dan de bekrompen, baatzuchtige rijksstenden; hij gaf zijn legaat Joh. Ang. Arcimbold last den kruistocht te doen prediken in Mentz, Keulen, Trier, Meiszen en onderhoorige bisdommen en steden. In \' de hiervoor bestemde bul legt de Paus den beklagens-waardigen toestand van Lijfland voor de geloovigen bloot, wijst op het gewicht der noordsche landen, die dienen moeten tot schutsmuur tegen de barbaarsche Russen en Tartaren en moedigt de ridders aan, die steeds tot glorie van God en tot verheffing van het christelijk geloof hadden gestreden, Wat al geestelijke voorrechten door den Paus geschonken werden
l) Verkorte inhoud van de aflaatsbul van Julius II, bij Walch, 1. c. p. 265.
39
aan hen, die zelf het zwaard aangordden, een of meer manschappen tot den heiligen krijg uitrustten, of hiertoe ruime aalmoezen bijdroegen, zullen wij hier niet opsommen; het zijn de gewone gunsten, die door de Bulla Cruciata, zooals deze in de Spaansche landen nog in zwang is, verleend worden. Merken wij alleen aan, dat „das allervollkommeste ablasz und „verzyhung aller irer sünd, darüher sie in iren hertzen gerüwet „und mit mtmd gebychtet habenquot;, gegeven wordt. — Voor deze aflaatprediking was de Dominicaan Tetzel de aangewezen persoon. Met Baumhauer, seculier geestelijke uit Neurenberg, werd hem de prediking in het uitgestrekte Meiszen, waartoe ongeveer het tegenwoordig koninkrijk Saksen en Lausitz behoorden, toevertrouwd. De godsdienstige geest van het volk, het belang van het Duitsche vaderland, maar bovenal de algemeene gevierdheid van Tetzels redenaarstalent beloofden een schitterend succes. Overal waar hij het aflaatkruis oprichtte, wist hij door zijn apostolisch woord de menigte zoo te treffen en in liefde tot God en den evenmensch te ontvonken, dat velen zich bekeerden en overvloedig aalmoezen uitreikten. Deze aalmoezen waren des te rijker, wegens de grootere welvaart, waarin Saksen door de jongste ontginning der zilver- en tinmijnen te Schneeberg, Freiberg en Annaberg verkeerde.
In 1505 toog hij naar Leipzig, zijn vaderstad. De mare zijner komst was hem reeds vooruitgesneld; geheel Leipzig beijverde zich om den beroemden prediker feestelijk te ontvangen. Zoodra hij de poorten der stad was genaderd, trok hertog George van Saksen aan het hoofd der gansche geestelijkheid hem te gemoet en nu ging het in plechtigen optocht naar het Sint-Paulusklooster, waar de eenvoudige religieus weder zijne vorige, armoedige cel betrok. Twee jaar later treffen wij Tetzel nogmaals als aflaatprediker aan. Te Pirna, Plauen, Freiberg, waar de Dominicanen kloosters bezaten en Tetzel waarschijnlijk reeds vroeger het woord Gods had verkondigd, was de toevloed ongehoord; in deze laatste plaats offerde men binnen twee dagen 2000 gulden. Eveneens was te Dresden
40
de opkomst der geloovigen buitengewoon. Geen kerk kon de talrijke menigte bevatten, zoodat de hertog van Saksen den prediker een venster van het hertogelijk slot afstond, om vandaar tot de onafzienbare scharen het woord te richten. Maar het glanspunt zijner prediking bereikte Tetzel, toen hij in zijne volle waardigheid als subcommissaris van den pauselijken aflaat te Leipzig zijn intocht hield, om zijne vaderstad aan de buitengewone genaden en gunsten van den H. Stoel deelachtig te maken. De grootste kerk was te klein voor het saamgestroomde volk, „balkons en terrassen moesten hem tot kansel, de uitgestrekte markt van Leipzig tot tempel dienen.quot;i) De toehoorders hingen aan zijne lippen. Met de onweder-staanbare kracht, die alleen het Christendom den redenaar verleent, bracht hij de geloovigen tot schuldbesef, wekte hen op tot naastenliefde, bewoog ieder om zich te onthechten van de schatten, die de mot en de roest verteert, en om zich onvergankelijke schatten te vergaderen voor den Hemel. In heiligen naijver trachtte ieder door berouw, gebeden, goede werken Gods genaden te verwerven en tevens door ruime aalmoezen bij te dragen tot de verdediging der Duitsche broeders in Lijfland. De offervaardigheid was buitengewoon, het bedrag der aalmoezen overgroot. Dit succes zonder wedergade was aanleiding, dat Tetzel op vele plaatsen, waar hij het aflaatkruis oprichtte, gevraagd werd, om voor liefdadige doeleinden te preeken. Te Annaberg trad hij op ter gunste der Antonianen van het klooster Lichtenburg, uren ver kwamen de geloovigen toegestroomd; te Görlitz verzocht hem de raad ten voordeele der onlangs gestichte Sint-Pieterskerk te prediken, binnen drie weken moet hij niet minder dan 45,000 gulden hebben ingezameld.
Deze feiten vormen een scherp contrast met de jammerklachten, die Luther over het gemis aan liefdadigheid bij zijne volgelingen later aanhief, „Onder het pausdom,quot; zoo klaagt
1) Gröne p. 7.
41
hij, „waren de menschen milddadig en vrijgevig, maar nu „onder het evangelie geeft niemand meer, de een vilt den ander; „ieder wil alles alleen hebben. En hoe langer men het evan-„gelie predikt, des te dieper verdrinken (ersaufen) de menschen „in gierigheid, opschik en weelde, alsof de arme bedelzak „eeuwig hier moet blijven. Dank aan het evangelie, zijn de „menschen zoo slecht geworden, dat zij, nu niet meer men-„schelijk maar duivelsch onbarmhartig, niet tevreden zijn met „het genot van het evangelie en zich vetmesten met kerkgoe-„deren, maar, zooveel in hen is, het evangelie ten laatste ,.geheel zouden uithongeren.quot; i) Het schijnt, dat de evangelische Christenen de vergelijking met hunne katholieke voorvaderen vreesden, althans niet aan hunne deugd, maar aan de kuiperijen en het bedrog van Tetzel hebben zij die milddadigheid toegeschreven. Tetzel, eenmaal door den „seligenquot; Luther gevonnisd, moest noodzakelijk door allerlei ongeoorloofde middelen zooveel geld hebben bijeengezameld. Dit stond vast; welke die middelen waren, zou haat en onkunde wel uitdenken. „De landlieden in den omtrek,quot; zoo verhaalt Hofmann (p. 59), „wist hij (Tetzel) drie maanden lang bijzonder daardoor tot zich te lokken, dat hij, buiten-zijn aflaat-preeken, allerlei vermakelijkheden, bijv. vogelschieten, mast-klimmen, kegelen om een os, dobbelen om duiten, om peperkoek, enz. op touw zette; en opdat de landman door den arbeid niet verhinderd zou worden om zijne aflaatmarkten te bezoeken, stelde hij deze gewoonlijk tot Zon- en Feestdagen uit. Zoo was de aflaat te Merkwitz op den eersten Zondag na H. Drievuldigheidsdag, te Plauszig op Sint-Jan, te Portitz en Gottscheuna op Maria-Visitatie, te Schönfeld op St. Laurens, te Hohenheide op Sint-Michael bepaald; en daar de gemeene man zoozeer met volksfeesten van dezen aard is ingenomen, werden zelfs nog in den tijd na de Reformatie op eenige dezer plaatsen , wegens Tetzels voormalige aanwezigheid, zoogenaamde
1) Joh. Janssen 1. c. II p, 302, 303.
42
aflaatpreeken gehouden, op welke dagen de landlieden van hun heer gelegenheid tot dansen en vrij bierdrinken ontvingen en ook tegenwoordig nog wel ontvangen.quot; — Laster en grove onwetendheid reiken hier elkander de hand. Waar is het, dat Tetzel op last zijner overheid soms naar plaatsen zich moest begeven , waar het kerkwijdings- of patroonsfeest gevierd werd ; de menigte op dien dag samengestroomd kon dan tegelijk aan den kruisvaartaflaat deelachtig worden; maar onkunde, zoo geen laster is het, aan hem de invoering van vermakelijkheden toe te schrijven, die reeds eeuwen vóór Tetzel bij die gelegenheid gehouden werden en als „kermisquot; nog in zwang zijn. Nog dwazer is de opzet van het dansen en vrij bier-drinken, dit heeft niet het minste met Tetzel uit te staan, maar is een oud, middeleeuwsch gebruik. Als symbolische erkenning van het leenheerschap moesten op bepaalde tijden de pachters in vele streken „heerendansenquot; uitvoeren. Van hun landheer ontvingen zij dan bier en koek. Wie echter wegbleef of niet danste, werd gestraft.
Diezelfde door geloofshaat overprikkelde phantasie vereenigde Tetzel onafscheidelijk met den aflaat. In eiken aflaatprediker herkende men de gehate gestalte van den Dominicaan, in eiken aflaatbrief las men de Tetzel toegedichte lasteringen. Aflaten, eerst na hem aan kerken verleend, moesten toch door hem zijn gepredikt; wie er aan durfde twijfelen, zou men evenals te Groszaga i), door bepaalde aanwijzing van plaats beschamen. Meer nog, de vermetele, die het eerst zijn hand naar den „Gezalfde des Heerenquot; had durven uitstrekken, werd het middelpunt, waarom zich na verloop van tijd alle schelmstukken en schurkerijen, die ooit van monniken en aflaatpre-dikers werden verhaald, groepeerden. Eene menigte anekdoten, die uit de middeleeuwsche spotschriften nog bij het volk in omloop waren, vonden in Tetzel den bepaalden persoon; zij werden door geschiedschrijvers eerst twijfelachtig met „es soilquot;,
i) Körner I. c. p. 30.
43
„auch hat man gesagtquot;, „do kumt mir. anquot;, „es wird auch behauptetquot;, „einige meinenquot;, enz. ingeleid, maar later door geschiedschrijvers van ruimer geweten vlakweg als volkomen zeker aan den aflaatprediker toegeschreven. Waar Vogel bijv. in 1717 schreef: „Auch soil Tetzel einmal gesagt habenquot;, daar schrijft Hofmann zonder aarzelen in 1844: „Auch hat Tetzel einmal gesagt.quot; Door deze systematische geschiedvervalsching is langzamerhand de caricatuur, die Protestanten den „oudenquot; Tetzel noemen, geconstrueerd en Johann Tetzel de held geworden van alle aflaatzwendelarij, gelijk de Alte Fritz alle soldaten-anekdoten. Vrijheer von Münchhausen alle jachtavonturen op zijn rekening heeft. In strijd met de „protes-tantsche traditiénquot; moet dit de protestantsche pfarrer Seide-mann, dien men waarlijk niet van Roomschgezindheid kan verdenken, erkennen, als hij van Tetzel sprekende, zegt: „bemitleidenswerth , weil die Flamme der Reformation, je heller „sie zum Segen der Welt aufglühte, desto schwarzere Schatten „auf sein Andenken warf; weil, was der Spott von Jahrhun-„derten über das schmutzige Geschaft des Ablasses zusamraen-„trug, an ihm sich festhing und wie mit einen Sagenkreise ihn „umhüllte.quot; 1) De gewone kenteekenen der verdichting; onzekerheid, tegenspraak omtrent tijd, plaats en omstandigheden, blijven dan ook niet uit; de eene geschiedschrijver betrapt den ander op onwaarheid, deze ontkent absoluut, wat gene tracht te bewijzen. Maar dit is niet het eenigst verdacht verschijnsel; met den vinger kan men het plagiaat nagaan en met genoegzame zekerheid aanwijzen, waar de oude lappen zijn geborgd, die het harlekijnspak samenstellen. Geven wij, om dit in bijzonderheden te toonen, enkele voorbeelden aan:
„Het zij geoorloofd bij deze gelegenheid een ander bewijs voor Tetzels arglistigheid aan te voeren, ofschoon men niet weet, waar deze anekdote is voorgevallen. Eens wilde hij,om
IJ Seidemann. Die Reformationszeit in Sachsen p. 22.
44
den aflaat meer ingang te doen vinden, aan de christelijke gemeente een veder toonen, die, gelijk hij voorgaf, de duivel aan den aartsengel Michael in den strijd ontroofd had. (Apoc. XII 7—9); des nachts slopen echter een paar slimme deugnieten in Tetzels slaapvertrek, stalen de veder uit het kastje en legden kolen daarvoor in plaats. Tetzel ging den volgenden morgen, met het reliquieën-kastje in de hand, naar de kerk en sprak, alvorens het geopend te hebben, over de kracht van deze hemelsche veder. Eindelijk opende hij het kastje, en — in plaats van de veder lagen er kolen in! Tetzel het zich hierdoor niet van streek brengen. „Het is geen wonder,quot; zeide hij, „dat ik bij den rijkdom aan heilige reliquieên niet „het juiste kastje genomen hebquot;; en nu begon hij over de kracht van deze kolen, waarop de H. Laurentius zou geroosterd zijn, op de onbeschaamdste wijze te preeken.quot; (Hofmann p. 49.) Dit bewijs (?) van Tetzels arglistigheid behoeft geen commentaar, als men bedenkt, dat tijd noch plaats is aangegeven en bovendien het geheele verhaal met wat meer détails reeds gevonden wordt in Boccaccio\'s Decamerone, geschreven in 1353. 1) Geven wij nu een feit, dat Vogel als een „wahrhaftige Geschichtquot; heeft geboekt:
„Toen Tetzel te Leipzig eene groote som gelds bijeengeschraapt had, kwam zeker edelman, wienTetzels bedriegerijen niet onbekend waren, tot hem met verzoek, of hij hem ook voor de zonden, die hij nog voornemens was te bedrijven, aflaat kon geven, voor dit geval wilde hij hem 10 thaler geven. Tetzel weigerde aanvankelijk onder voorwendsel, dat het een gewichtig geval (casus) was, maar, voegde hij er bij, als hij hem 30 thaler wilde geven, zou hij hem den begeerden aflaat mededeelen; daar hij van Z. H. den Paus volle macht ontvangen had. De edelman telde hem nu het verlangde geld
1) Decam. VI. 10. Frate Cipalla promette a certi contadini di mostrare loro la penna dello agnolo Gabriello, in luogo quale trovando carboni, quelli dice esser di quelli che arrostirono San Lorenzo,
45
toe, terwijl Tetzel hem brief met zegel overreikte , daarbij meenende eene goede visch te vangen; maar ongelukkig was het een kreeft. Want, toen Tetzel Leipzig verliet, wachtte hij dezen op, viel nem aan, ontnam hem al het geld, dat de prediker in de stad verzameld had, smeerde hem de huid met eene geduchte dracht slagen en liet, nadat hij verklaard had dat dit de zonde was, die hij voornemens was geweest en waarvoor hij bij gevolg reeds aflaat had verkregen, hem rustig naar Leipzig wederkeeren. De edelman begaf zich met het geld naar dezelfde stad.quot; Als gold het Homerus\' geboorteplaats, betwisten zich niet minder dan vier steden het oord, waar het heldenfeit zou zijn voorgevallen. Leipzig, Maagdenburg, Königslutter, Jüterbogk, elk wapent zich met „geloofwaardigequot; geschiedschrijvers, „vertrouwbarequot; kronieken, „eeuwenoudequot; overleveringen, om haar goed recht te staven. Toch meenen wij, dat Hecht, Tetzels protestantsche biograaf, de waarheid vrij goed nabij komt, als hij beweert, dat er voor het feit in het geheel geene plaats is aan te wijzen; want behalve het verschil van plaats zijn er nog andere en wel zeer bedenkelijke symptomen van geschiedvervalsching. Oneenigheid omtrent den tijd, de een noemt 1502, de ander 1517, verandering vau omstandigheden zijn eene kleinigheid, maar de held zelf der klucht staat aan allerlei wisselvalligheden bloot. Voortdurend verandert hij van naam en stand. Nu eens treedt hij op, onbekend als Elegast, dan weder voert hij initialen in zijn schild, waaruit men alles spellen kan, nu eens is hij vrijheer met tal van kwartieren, dan weder eenvoudig een „Reutersmannquot;, een „equisoquot;, een „Bereiter.quot; Wat eindelijk den doorslag geeft, is de opmerking van Dr. Gröne, dat de geheele geschiedenis in den „Pfaffe Amisquot;, een spotschrift uit de i3de eeuw, in hoofdtrekken wordt teruggevonden. 1) Om het Ab una disce omnes met meer recht en meer kracht
1) Gröne 1. c. p. 210, Körner 1. c. p. 5.
46
hier te doen gelden, zullen wij nog een schelmstuk, waarmede Tetzel zijn loopbaan zou zijn begonnen, aan de critiek onderwerpen.
Hofmann (p. 37) verhaalt het volgende: „Hier te Zwickau was het, waar Tetzel onder luiden bijval der menigte met kracht predikte, maar ook het eerste bewijs van zijn driestheid en onbeschaamdheid aflegde. Eens verzocht hij de gast te mogen zijn van den koster dier plaats; deze verontschuldigde zich echter, omdat hij te arm was, ora zoo\'n hoogen gast te herbergen. „„Geld zullen wij spoedig bekomen,quot;quot; gaf Tetzel hem ten antwoord, „„zie maar in den kalender, wat voor Heilige wij morgen vieren.quot;quot; De koster vond den naam Juvenalis, maar betreurde het, dat deze Heilige zoo weinig bekend was. „„Wij zullen hem wel bekend makenging Tetzel voort, „„luid morgen met alle klokken, gelijk op hooge feestdagen, en laat eene plechtige Mis opdragen.quot;quot; De koster gehoorzaamde en alles stroomde samen. Toen de Mis hall geeindigd was, besteeg Tetzel den kansel en sprak: „„O, „„geliefde menschen, heden moet ik u iets zeggen; indien ik „„het verzweeg, het ware gedaan met uwe zaligheid. Gij weet, „„tot nu toe hebben wij reeds lang dezen en genen Heilige „„aangeroepen, maar zij zijn thans oud geworden en te vei-„„moeid om naar ons te hooren en ons bij te staan. Heden „„vieren wij de gedachtenis van Juvenalis, en ofschoon hij ons „„tot nog toe onbekend is gebleven, laat hij ons toch dierbaar „„zijn, want, omdat het een nieuwe Heilige is, zal hij zich „„ons des te ijveriger aantrekken. Juvenalis was een heilige „„martelaar, wiens bloed onschuldig vergoten werd. Wilt gij „„nu zijne onschuld bij God ook genieten, brengt dan heden, „„nog onder de Hoogmis, uw offer op het altaar. Gij echter, „„voornamen en rijken, gaat de anderen met een goed voor-„„beeld voor.quot;quot; Tetzel, die wachters aan de deuren had geplaatst , om niemand uit te laten, die niet geofferd had, zag toe wat ieder gaf; de offerande was rijkelijk. Thans verliet hij den kansel, legde zelf eene kleinigheid op het altaar en vroeg, listig
47
lachende, aan den koster: „„Hebben wij nu genoeg voor een avondpartijtje?quot;quot; — Dat deze oplichterij een „bewijs is van driestheid en onbeschaamdheidquot; zal ieder toegeven, maar dat Tetzel zich hieraan heeft schuldig gemaakt, hiervoor is geen bewijs geleverd. Integendeel, zulke argumenten bewijzen Tetzels onschuld. Onderzoeken wij zelf de bronnen. Vooreerst vinden wij noch bij Luther, noch bij andere protestantsche schrijvers uit dit tijdvak, zooals Melanchton, Mathesius, Myconius, allen tijdgenooten en vijanden van Tetzel, een enkel woord over dit schandaal, dat zij , indien het gebeurd ware, zeker niet verzwegen, maar den gehaten monnik naar het hoofd zouden geslingerd hebben. De eerste, die er van gewaagt, is Tobias Schmidt in zijn Kronijk van Zwickau, uitgegeven in 1656, hij had hetrgevonden bij zekeren Strigenitius, in diens preeken over den profeet Jonas. Seckendorf en Vogel namen het gretig van Schmidt over en door hen deed het de ronde bij alle latere geschiedschrijvers. Deze kunnen natuurlijk Tetzel niet genoeg brandmerken, dat hij een Heilige verdicht of, volgens anderen, Juvenalis, den bekenden satyricus, als martelaar en Heilige aan de vereering der geloovigen heeft voorgesteld. Derhalve zal men Tetzel schuldig moeten verklaren, omdat 136 jaar na zijn dood een lichtgeloovige kroniekschrijver, steunende op het getuigenis van een onbekenden predikant, hem een misdaad ten laste legt, waarvan geen enkel tijdgenoot melding maakt. Allons done! — In den laatsten tijd zijn er echter oudere bronnen ontdekt, reeds dagteekenend uit de i3eneeuw, n.1, de bovengenoemde Pfaj} Amis en de Fahrende Schuier, waarin „fast wörtlichquot; hetzelfde feit moet worden teruggevonden. 1) De geheele schelmerij schijnt dus niets anders te zijn, dan een onbetamelijke spot met de vereering van den H, Juvenalis, welke vereering, tengevolge van een mirakel in 1233 bij het graf des Heiligen
1) Hermann. Joh. Tetzel. Frankf. Brochüren 1882.
48
te Narnia voorgevallen, in de i3de eeuw zeer verspreid en door Pausen en bisschoppen met aflaten begunstigd werd. i) Veronderstel echter, Strigenitius is een man, wiens geloofwaardigheid buiten verdenking staat, dan nog biedt het verhaal zooveel tegenstrijdigheid, dat men het noodzakelijk in twijfel moet trekken. Volgens Seckendorf, een van Tetzels oudste beschuldigers , heeft het feit plaats gehad, vóór dat Tetzel aflaatprediker was; daar nu deze in 1502 reeds met deaflaatprediking belast werd en volgens Vogel tegen het einde der i5de eeuw is priester gewijd, moet dus omtrent 1500 Tetzel dit schandaal hebben gepleegd. Maar nu vragen wij iederen onpartijdigen beoordeelaar, hoe kon Tetzel in 1502 met zooveel succes, met algemeene toejuiching van het volk en de geestelijkheid te Zwickau den aflaat prediken, als hij twee jaren te voren dezelfde stad op zoo onbeschaamde wijze had bedrogen ? Vergeet dan het volk zoo spoedig de oplichterij van iemand van stand, vooral wanneer eigen beurs er mede gemoeid is? Zou de geestelijkheid geen aanklacht hebben ingediend tegen den prediker, die met wachters de kerkdeuren afzette, opdat niemand aan zijne zakklopperij zou ontkomen?
Wat men zich nauwelijks in de steppen van Azie, in de wildernissen van Amerika kan verbeelden, zou voorvallen in in het hart van Duitschland, in Saksen, tijdens het bestuur van den ijverig katholieken hertog George en den streng kerkelijken bisschop Johann van Salhausen. Waarlijk, het is onbegrijpelijk, hoe protestantsche geschiedschrijvers, zoo onverbiddelijk streng in hun critiek, waar het geldt katholieke traditien, zoo lichtgeloovig, zelfs onnoozel kunnen zijn, waar er sprake is van protestantsche traditien; dan houden zij geen rekening met feiten en toestanden, dan zien zij geen tegen-
ij Act. S. S. 3 Maji. Gröne vergist zich als hij meent, dat de Index Sanctorum geen H. Juvenalis aanwijst. Den Mei komt een H. Juve-nalis voor, aangegeven als belijder, maar in de Middeleeuwen uit misverstand op vele plaatsen als martelaar vereerd.
49
strijdigheid in karakters en omstandigheden, dan schijnen zij kleurenblind. Ten stelligste weigeren wij daarom eenige kracht van bewijs aan deze en dergelijke anekdoten toe te kennen en, zoolang er geen deugdelijker argumenten worden aangevoerd, bestaat er geen reden Tetzel te verdenken, laat staan te beschuldigen. Geen reden, want de eervolle onderscheidingen) die den religieus van den kant zijner Orde in dezen tijd ten deel vielen, misbillijken elk wantrouwen; zij vormen een schitterend contrast met de aantijgingen zijner lasteraars en hebben dit voor, dat zij niet uit verdachte, maar uit zekere bronnen zijn geput, n.l. uit de Regesta van Cajetanus, generaal der Predikheerenorde. i)
Tetzel, omtrent 1506 tot prior van het klooster te Grosz-Glogau gekozen, werd in 1509, op voordracht van zijn provinciaal en het kapittel, door Cajetanus toegelaten tot het magisteriaat in de theologie, mits natuurlijk de vereischte voorwaarden door hem gesteld werden. Deze voorwaarden waren niet gering te achten, zeven jaar moest men destijds aan eene universiteit loffelijk hebben gedoceerd, alvorens ring en baret werden verleend. Het pleit derhalve alleszins voor Tetzels geleerdheid, dat hij tot die waardigheid werd bekwaam geoordeeld.
Van niet minder belang is zijne aanstelling tot inquisiteur, krachtens het privilege, dat de Orde sinds 1235 bezat en eerst in 1543 bij de oprichting van de Romeinsche Inquisitie-rechtbank verviel. „Aan niemand,quot; zoo verklaart toch de Constitutie der Dominicanen, „worde dit ambt opgedragen, „tenzij aan godvreezende, bescheiden, geleerde broeders, „van rijpen leeftijd, die voor alle zaken geschikt en tot de
l) Fr. Js: Tetzel Conventus Glogoviensis licentiatur ad suscipiendum. Magisterium in theologia ad requisitionem sui Provincialis de consilio dis-cretorum, dummodo fecerit actus debitos praecedere illud Magisterium. Idem Fr. fit Inquisitor per Provinciam Poloniae cum gratiis etc. similiter ad petitionem sui Provincialis.
4
S\'1
„uitoefening van een zoo teilzaam ambt bekwaam zijn, gelijk „reeds te Straatsburg in 1358 is bepaald.quot; Neemt men nu in aanmerking, dat het Cajetanus bijzonder tot lof wordt gerekend , dat hij in alle provinciën zijner Orde mannen wist aan te stellen, die uitmuntten door deugd en ijverden voor het onderhouden der kloostertucht 1), dan ontvangt deze dubbele onderscheiding nog grooter beteekenis en wordt zij eene afdoende weerlegging van al hetgeen, tot op dit oogen-blik van Tetzels leven, tegen zijne deugd en geleerdheid wordt opgeworpen.
V.
In de jaren, die onmiddelijk op 1510 volgen, verdwijnt Johann Tetzel geheel uit het gezicht. Geschiedvorschers hebben met ijver en scherp vernuft alle wegen doorzocht, maar de sporen, die zij ontdekten zijn zoo luttel en daarbij zoo twijfelachtig, dat wij nagenoeg in het onzekere rondtasten. Eerst in 1517, bij eene gelegenheid, die altijd in de heugenis der volken zal voortleven, treedt de Dominicaan weder op den voorgrond en valt hem een voorname rol ten deel in het ontzettend drama, dat met de jammerlijke scheuring der Christenheid zou eindigen.
Toen Leo X in 1513 tot den pauselijken Stoel werd verheven, vond hij de oude Sint-Pieterskerk in puin; met luid protest van verschillende kardinalen en vele rechtgeaarde Christenen, was de eerbiedwaardige basiliek, het gedenkteeken van meer dan duizend jaren, op bevel van Julius II onder het houweel der sloopers gevallen. Voor de prachtlievendheid en den kunstzin van den nieuwen Paus, den afstammeling van Cosmo de Medicis, was het streelend aldus genoodzaakt te zijn tot den bouw van een tempel over het graf der Apos-
ij Chronicon Mag. Genlium. Ord. Praed. p. 81.
SI
telen. Daardoor kon hij aan zijne geestdrift voor de klassiek voldoen en te Rome, gelijk zijne beroemde voorvaders te Florence, de kunst van Griek en Romein krachtig doen herleven. De nieuwe Sint-Pieter zou volgens het grootsche plan van den genialen Bramante alles overtreffen, wat ooit door oude of nieuwe kunst geleverd was, zij zou het zinnebeeld zijn van Rome\'s verhevenheid boven alle kerken der wereld, zij zou het Pausdom voor alle volkeren in ongekenden glans doen schitteren. De verwezenlijking van dit plan bood vele bezwaren: onmetelijke schatten waren er mede gemoeid, en de pauselijke schatkist was door de vele oorlogen van Julius II uitgeput. Niets bleef er over, dan een beroep te doen op de milddadigheid der geloovigen. Tot ditzelfde doel had Paus Julius reeds in 1506 voor verschillende gewesten een aflaat verleend; wat weerhield dus Leo X om dit voorbeeld te volgen en door het uitreiken van geestelijke schatten de geloovigen tot het brengen van eenig tijdelijk offer aan te sporen? De hoofdkerk der christelijke wereld zou daardoor eene kerk worden van de geheele Christenheid. Bij den aanvang van het jaar 1514 werd te Rome een aflaat verleend voor al degenen, die door gebeden en aalmoezen aan den bouw van het heiligdom zouden medewerken, terwijl het volgende jaar de Paus in verschillende landen de aflaatprediking aan de Minderbroeders opdroeg. Albertus van Brandenburg, primaat van Duitschland, werd met den gardiaan der Observanten van Mentz, Alexander Molitoris, tot commissaris van den aflaat benoemd voor de bisdommen Mentz, Maagdenburg, Halber-stadt en het markgraafschap Brandenburg. Tot algemeen subcommissaris , wien weder verscheidene predikers en biechtvaders waren onderworpen, stelden deze den beroemden Johann Tetzel aan, die reeds vroeger had bewezen volkomen voor dit ambt berekend te zijn. Aldus werd Tetzels naam onafscheidelijk verbonden met eene aflaatprediking, die, in den loop der tijden met fabels opgesmukt, het onomstootelijk bewijs zou leveren der diepe bedorvenheid van de Roomsche Kerk
52
in de i6de eeuw. — Zoo schiijveu Protestauten; en menig Katholiek schrijft onwetend hen na; maar onderzoeken wij zelve, wat aflaten er verleend, wat voorwaarden er vereischt werden,
„Uit bezorgdheid voor het heil der Christenzielen,quot; zegt Leo X in de aflaatbul i), „en overwegende, dat alle geloovigen „de Eeuwige Stad niet kunnen bezoeken , hebben wij in goed „vertrouwen op de genade van den almachtigen God en de „verdiensten van Zijne HH. Apostelen Petrus en Paulus en „van alle Heiligen, na rijpen raad, uit de volheid der apos-„tolische macht, aan alle Christengeloovigen van beider kunne, „enz... die oprecht boete doen en biechten, zooveel aflaat van „zonden verleend, als degenen ontvangen, die te Rome de „kerken bezoeken.quot; — Verder schenkt de Paus aan de biechtvaders dezelfde uitgestrekte volmachten, die bij een jubilé plegen gegeven te worden.
Wil men nu weten, hoe destijds te Rome over den aflaat werd gedacht, welk begrip aan „aflaat van zondenquot; werd gehecht, men leze de Decretale van 9 November 1518: „De „Roomsche Kerk, die de overige (kerken) als hare Moeder „moeten volgen, leert, dat de Paus van Rome, als opvolger „van Petrus en stadhouder van Jezus Christus op aarde, de „macht heeft, aan de Christengeloovigen de schuld door middel „vau het Sacrament der Boetvaardigheid en de tijdelijke straf, „welke volgens de goddelijke Rechtvaardigheid voor de dadelijke „zonden is verdiend , door middel van den kerkelijken aflaat „te vergeven. Door diezelfde macht kan hij degenen, die lede-„maten zijn van Christus en door den band der liefde vereenigd, „zoowel in dit leven als in het vagevuur uit den overvloed der „verdiensten van Christus en de Heiligen aflaat verleenen; „krachtens apostolische volmacht komt hem het recht toe over „den schat dezer verdiensten tot heil der levenden en der afge-„storvenen te beschikken, voor genen geschiedt dit bij wijze
1) Walch. 1. c. p. 285.
53
„van vrijspreking — per modum ahsolutionis — voor dezen bij „wijze van voorbede — pér modum suffragii—i).quot; Allet\'vijfel is opgeheven: dezelfde leer, die eenmaal de H. Thomas van Aquino aan zijne discipelen voordroeg , dezelfde leer, die thans van de katheders der katholieke Theologie wordt verkondigd, vinden wij met duidelijke termen in Leo\'s Decreet vervat.
Te Rome was men dus, ondanks de hartstochtelijke studie der klassieken, op het stuk van aflaat zeer goed ingelicht; de rechtzinnigheid staat boven twijfel. Maar kan dit ook van den aartsbisschop van Mentz worden gezegd? Heeft Albertus van Brandenburg, die steeds als een praalziek, wereldsgezind kerkvorst wordt afgeschilderd, zich niet aan de kerkleer vergrepen en den aflaat tot een vrijbrief voor zonden verlaagd? Wij antwoorden beslist: Neen. Het bewijs? De Instrucüo van den aartsbisschop voor allen, die met de aflaatprediking werden belast. Dit belangrijk document werpt een bijzonder licht over den aflaatstrijd, want het was vooral dit geschrift, dat Luthers verontwaardiging wekte. Eene nadere beschouwing is het daarom overwaard.
De Instrucüo 2) door den aartsbisschop en den gardiaan gericht aan alle seculieren en regulieren, wien de prediking der aflaten en der geestelijke voorrechten is opgedragen, bevat vooreerst tal van vermaningen en bevelen omtrent de gedragslijn , die de geestelijken tijdens hunne bediening moeten volgen. „Zij moeten voor alles de eer van den almachtigen God, het „heil der zielen en de hoogachting jegens den heiligen, aposto-„lischen Stoel, benevens den voortgang en het nut van den „voorzegden bouw (der Sint-Pieterskerk) zich tot doel stellen.quot; „Op alle plaatsen van ons gebied moeten zij zich wat handel „en wandel betreft, waardig en deugdzaam gedragen, herbergen „en onvoegzame plaatsen volstrekt vermijden en zich van alle „overvloedige en nuttelooze uitgaven onthouden, opdat het
1) Dr. Lammer. Die Vortridentinisch-katholisclie Theologie, p. 304.
2) Walch. 1. c. p. 37I.
54
„ambt van hen niet worde veracht, wier gedrag men afkeurt.quot; Onder eede, dien zij in handen van den aartsbisschop of van diens afgevaardigde moeten afleggen, zijn zij gehouden deze verplichtingen na te komen, terwijl zware kerkelijke straffen den overtreder bedreigen. Vervolgens worden vele voorschriften medegedeeld over de wijze, waarop de prediking zal plaats hebben , over de plechtigheden, die haar moeten vergezellen, over de stof, die moet worden behandeld, enz. Niemand, gelooven wij, zal het den aartsbisschop euvel duiden, dat hij met herderlijke zorg waakt, opdat eene prediking, \'die ingesteld is tot heil en bekeering der zielen, niet strekke tot hare schade en haar verderf. Van nog grooter belang is de opsomming der geestelijke gaven, die door den Paus zijn verleend; nauwkeurigheid en duidelijkheid laten hier niets te wenschen over. De geestelijke voorrechten zijn voornamelijk vier in getal, die ieder afzonderlijk kunnen verkregen worden.
Het eerste is een volle aflaat, — plenaria remissio omnvm peccatornm — waardoor iemand, nadat hem de zonden vergeven zijn, door de kwijtschelding van alle tijdelijke straf volkomen Gods genade ontvangt. Wat nu wordt er om dien aflaat te verwerven vereischt? Alleen uitwendige werken, of
ook verbetering des harten?____„Om den aflaat te verdienen,quot;
zoo luidt woordelijk de Instruciio, „moet ieder, die rouwmoedig „gebiecht — corde contritus et ore confessus — of ten minste „voornemens is, dit op den bepaalden tijd te verrichten, zeven „kerken bezoeken, daartoe aangewezen door het wapen des „Pausen, dat aan de kerkdeur is vastgehecht. In elke kerk „moet hij godvruchtig vijfmaal het „Onze Vaderquot; en vijfmaal „het „Wees gegroetquot; bidden ter eere van de vijf wonden O. „H. J. C., door Wien onze verlossing is bewerkt, of eenmaal „het Miserere, welke psalm zeer geschikt is, om vergeving „der zonden af te smeeken.quot; Bovendien moeten de aflaatpre-dikers in al hunne preeken met duidelijke woorden de geloovigen aanraden „om niet alleen te biechten, maar ook uit voegzaam-„zaamheid en godsvrucht daags vóór de Biecht te vasten en
55
„den volgenden dag het H. Sacrament des Altaars te ont-„vangen.quot; — Zooals voor iedereen blijkt, verouder stelt aflaat hier de vergeving der zonden, maar is deze niet; immers, zijn eenmaal de :ionden vergeven door de Biecht, dan kan van eene vergeving dierzelfde zonden door den aflaat geen spraak zijn. Eveneens is het zonneklaar, dat de aartsbisschop uitdrukkelijk inwendige verbetering des harten tot voorwaarde stelt en niet, zooals dikwijls wordt verhaald, aflaten voor aalmoezen alléén veil had. Aanleiding tot deze laatste beschuldiging is waarschijnlijk een misverstand van de tweede genade.
Deze tweede genade bestaat in een biechtbrief, waardoor men van de grootste en zwaarste misdaden vergeving kan bekomen; voor dezen biechtbrief — de Tnstructio zegt het met ronde woorden — is de Biecht geen vereischte. „Habemus confitentem reumquot;! roept men hier wellicht uit, „Zondenver-geving zonder Biecht! Wat wii men meer?quot; ... Wij antwoorden, dat voor een biechtbrief geen berouw vereischt wordt en de gevolgtrekking; „Zondenvergeving zonder Biecht,quot; alleen onbekendheid verraadt met de leer en de gebruiken der katholieke Kerk, Om dit op te helderen veroorloove men ons eene korte uiteenzetting; de belangrijkheid der biechtbrieven, die in de aflaatquaestie een hoofdrol spelen, en de onwetendheid van vele andersdenkenden eischen dit volstrekt.
Ieder, die eenigszins met de geestelijke rechtsmacht der katholieke Kerk is bekend, weet, dat de rechtsmacht — potestas jurisdictionis — der biechtvaders zich niet over alle zonden uitstrekt, maar dat de Paus om gegronde redenen zich de vergeving van verschillende zware misdaden voorbehoudt; eveneens kan het hem niet onbekend zijn, dat eenige kerkelijke straffen, door den Paus voor sommige groote zonden bepaald, door den biechtvader in gewone gevallen niet kunnen worden opgeheven. Ten tijde van het jubeljaar en bij andere gewichtige gelegenheden geeft de Paus echter aan alle biechtvaders uitgestrekter macht; dan kunnen zij van zonden, wier
56
vergeving de Paus zich had voorbehouden, — casus reser-vati — vrijspreken, en van straffen, door den Paus opgelegd, ontslaan. Dit heilzaam gebruik heerscht sinds eeuwen in de Kerk, alleen met dit onderscheid, dat tegenwoordig bij een jubilé de volmacht onmidddijk aan de biechtvaders verleend wordt, terwijl vroeger deze mid del ijk gegeven werd door biechibrieven of confessionalia. Een biechtbrief is derhalve geen kwijtschelding van zonden, maar alleen een diploom, waardoor iemand een biechtvader kan kiezen, die krachtens dit diploom de macht ontvangt om hem van kerkelijke straffen en van zonden, wier vergeving de Paus zich heeft voorbehouden, vrij te spreken. Men neme hierbij wel in aanmerking, dat, wanneer de biechtvader de macht omvangen heeft om die zonden te vergeven, hij die macht niet kan toepassen, zonder dat de biechteling in de daartoe noodige gesteltenis verkeert. Twee voorwaarden immers worden bij de zondenver geving noodzakelijk vereischt: de rechtsmacht in den priester en het berouw in den biechteling. De eerste voorwaarde werd vervuld door den biechtbrief, maar tot de tweede was de geloovige altijd nog verplicht, zóó zelfs, dat een biechtbrief den zondaar van geen wezenlijk nut kon zijn, indien deze weigerde zich tebe-keeren. Hieruit volgt, dat voor het ontvangen van een biechtbrief geen berouw vereischt wordt, maar wel voor de toepassing. Evenmin als thans voor het uitschrijven van een jubilé, wanneer de Paus onmiddelijk aan alle biechtvaders uitgestrekter rechtsmacht verleent, in de geloovigen berouw wordt vereischt, zoo werd ook destijds die gesteltenis niet gevorderd bij het overdragen dierzelfde macht door de geloovigen. Al volgde dit niet reeds uit de natuur der biechtbrieven, wij zouden tot staving tal van bewijsplaatsen kunnen aanvoeren, maar wij meenen te kunnen volstaan met de woorden van den beroemden theologant van het Trentsche concilie, Dominicus Soto, tijdgenoot en bestrijder tevens van Luther: „Erbestaat nqeen twijfel, of ieder, die een diploom ontvangen heeft, zij „het dan ook in staat van doodzonde, kan van deze voor-
57
„rechten gebruik maken, omdat het alleen privilegiën zijn, „die aan wien ook kunnen worden toegestaan.quot; i)
Geheel ongewettigd is daarom de gevolgtrekking door menig Protestant gemaakt, dat voor de vergeving der zwaarste misdaden geen berouw vereischt wordt. Iets anders toch is de macht om de zonden te vergeven, iets anders de vergeving zelve. Voor het eerste is van den kant der geloovigen geen berouw noodzakelijk, want deze macht heeft onraiddelijk betrekking op den biechtvader en staat buiten de Biecht; voor het laatste wordt het berouw altijd als noodzakelijke voorwaarde vereischt. Nog eens, opdat de biechtvader de macht ontvangt om de zonden te vergeven, wordt geen berouw in de geloovigen gevorderd, maar wel opdat de zonden vergeven worden.
De algemeene leer der Kerk, die bij de zondenvergeving het berouw altijd en overal noodzakelijk veronderstelt, wordt door de biechtbrieven zelfs bevestigd. Vóór de absolutieformule, die aan eiken biechtbrief is toegevoegd en door den biechtvader moest worden gebruikt, wordt in de meeste dier brieven de Biecht uitdrukkelijk vernoemd, bijv,: „Formula „absolutionis plenariae praemissa confessione.quot; — Behalve de macht om te ontslaan van de „casus reservatiquot; en de kerkelijke straffen, verleende de biechtbrief den biechtvader nog eenige faculteiten, betreffende het veranderen der geloften, het toedienen der H. Communie, enz.
De derde genade bestond in eene bijzondere deelneming aan alle goede werken, die in de H. Kerk geschieden: aan alle Heilige Missen, bedevaarten, gebeden, aalmoezen, verstervingen, enz. Voor het verkrijgen van deze genade was, geheel in overeenstemming met de katholieke leer, de Biecht geen voorschrift. De goede werken immers, die door de rechtvaardigen verricht worden, kunnen voor den zondaar voordeelig zijn; niet alsof zij hem verdienstelijk zijn, of voor
I) Dom. Soto. In Seulent. 1. IV. dist. XXI. q. 2. a. 3. — Diana Bulla Cruciatae, xoi. — La Croix, lib. VIII. de S. Cruciat. cap. I. dub, IV. a. 1,
5«
zijne straffen kunnen voldoen, maar in zoover de goddelijke Barmhartigheid, door de goede werken van Gods vrienden bewogen, — de congruo per modum impetrationis — den zondaar alles schenkt, wat voor zijne bekeering noodzakelijk is.
De vierde genade heeft alleen betrekking op de overledenen; zij bestaat uit een vollen aflaat voor de geloovige zielen in het vagevuur. Om dezen aflaat te verdienen was een aalmoes voldoende ; berouw of Biecht werden geenszins vereischt. — Na hetgeen wij vroeger over den aflaat voor de afgestorvenen gezegd hebben, behoeft dit geen toelichting; alleen merken wij aan, dat deze vierde genade met de derde dikwijls op één confessio-nale staat, dat tegen een bepaalde aalmoes werd uitgereikt i).
Ten slotte volgen nog verschillende volmachten voor den subcommissaris om te dispenseeren in de kerkelijke „irregularitatesquot;, in de huwelijksbeletselen wegens bloedverwantschap, enz.
Dit is de ergerlijke (?) inhoud van een stuk, dat door Protestanten als een „schaamteloosquot; bewijs van Rome\'s diep verval wordt aangevoerd. Inderdaad, bestond er bij velen geen onkunde en vooroordeel, het zou een raadsel zijn, hoe men nog van aflaten, als „kwijtschelding van zondeschuldquot;, van „zondenvergeving zonder berouwquot; durft reppen. Niets van dit alles treffen wij aan; voor den persoonlijken aflaat wordt uitdrukkelijk de Biecht gevorderd, voor de andere drie genaden, die buiten het gebied zijn van aflaat en zondevergeving , wordt slechts een aalmoes gevraagd; zoolang nu de aalmoes een goed werk is , zal niemand met grond hier iets tegen kunnen inbrengen. Ook niet, dat zij worden gevorderd
l) Item pro coufessionali et pavticipatione suffragiorum Ecclesiae et pro indulgentia plenissima pro animnbus in pargatorio existentibus obti-nendis non est necesse confiteri sed sufficit duntaxat quartam partem floreni solvere pro confessionali redimendo. — Avisamenta Confessar. tt Slat ut a Rev. P. D. Joh. Arcimboldi. — Dit belangrijk stuk vonden wij op het Rijksarchief te Utrecht in een der copieboeken van het Domkapittel, die door Ridder Mr. T. A. L. Van Rappard ons welwillend ter inzage waren verstrekt. — Zie TeUels biechtbrieven: Bijlage I.
59
uit winstbejag. „Niemandzoo leest men in de Instructio, „zullen de aflaatpredikers zonder eenige genaden laten heen-„gaan, want de zaligheid der Christengeloovigen wordt hier „niet minder beoogd, dan hel voordeel van den bouw der „Sint-Pieterskerk. Zij echter, die geen geld hebben, zullen „hunne bijdragen door gebeden en vasten vervangen; want „het Rijk der Hemelen moet niet wijder geopend zijn voor „de rijken dan voor de armen.quot; Ieder , die geen persoonlijk vermogen bezat, kon met gebeden en vasten volstaan , terwijl onder „armenquot; begrepen werden, niet alleen de religieu-sen, die geen vermogen hadden, of zij, die hun onderhoud bedelden, maar ook allen , die door handenarbeid in hunne dagelijksche behoeften voorzagen, zonder voor de toekomst iets te kunnen overleggen. — Enkele privilegiën misschien uitgezonderd , bevat de Insiructio dezelfde geestelijke voorrechten , die reeds eeuwen vóór Luther door de kruisvaartbullen werden verleend. Met de Insiructio van Arcimbold, die omtrent 1515 in Keulen, Trier, Kamerijk, Doornik, enz. den aflaat predikte, komt zij bijna woordelijk overeen. De biechtbrieven waren sinds lang overal in zwang, en verschillende exemplaren bevinden zich nog op Nederlandsche archieven. Geen stootende praktijken, zelfs geen nieuwigheid kan men dus de Insiructio van den aartsbisschop van Mentz ten laste leggen; dit is voor Tetzels onschuld van groote waarde. Hierin toch komen vele protestantsche geschiedschrijvers overeen, dat Tetzel niets meer is geweest dan de trouwe uitvoerder der aartsbisschoppelijke lastgeving, dat hij gevallen is als offer van zijn vermeenden plicht. Bevat derhalve de Insiructio geen ergerlijke voorschriften, dan zal men , volgens hen, tot de onschuld van den aflaatprediker moeten besluiten, evenzeer als tot de schuld van Luther, die zich tegen de Insiructio verzet heeft. Doch er zijn directe getuigenissen ter gunste van Tetzel.
Toen de Dominicaan tot subcommissaris was benoemd, voor Tetzels preeken. Moeilijk toch kan men aannemen, zoo men niet eerder tot het tegenovergestelde moet besluiten,
6o
dat Vou der Hardt, een volijverig Protestant, juist de gunstige plaatsen heeft medegedeeld en de ongunstige verzwegen. Volgens de sprookjes of lasteringen van Myconius, Chemnitz, Seckendorf en anderen, zou men hier eene onstuimige kramerstaal, eene alle grenzen overschrijdende onbeschaamdheid verwachten; maar niets van dien aard. Behoudens enkele gebreken, die aan den smaak dier tijden zijn te wijten , bevatten zij niets stuitends. Het tweede en grootste fragment moge tot bewijs hier eene plaats vinden.
„Eerwaarde Heer, ik verzoek u het onderhoorige volk op „het hart te drukken, dat het zoo groote genade, die tot heil „der zielen is geschonken, toch niet venvaarlooze. Het worde „herinnerd, dat de H. Laurentius alle schatten der Kerk uitdeelde en zijn lichaam aan de vlammen prijsgaf, dat de H. „Bartholomeus zich aan de gruwzaamste folteringen overleverde, „dat de H. Stephanus gesteenigd en alle Martelaren gepijnigd ,.en gedood zijn alleen om hunne ziel te redden. Bedenkt, „(zult gij hen toeroepen), dat gij Rome in uwe stad of plaats „hebt, dat uwe kerk de kerk is van den H. Petrus, uwe pries-„ters apostolische poenitenciers. Uwe kerken , namelijk, zijn „gelijk geworden aan de zeven kerken van Rome, aan wier „bezoek aflaten verbonden zijn; de zeven altaren gelijk aan „de zeven altaren der Sint-Pieterskerk, waaraan een volle „aflaat is verleend. Wat peinst gij? Wat draalt gij nog met u „te bekeeren? Waarom stort gij reeds nu geene tranen over „uwe zonden ? Waarom belijdt gij uwe zonden niet aan de „voeten der plaatsbekleeders van onzen heiligsten Heer den „Paus? Spoort de H. Laurentius, die de hem toevertrouwde „schatten uit liefde tot God uitreikte en zijn lichaam te roos-„teren gaf, u niet aan? Begrijpt gij het voorbeeld niet van de „H.H. Bartholomeus, Stephanus en anderen, die volgaarne „den wreedsten dood voor het heil hunner ziel ondergingen?
En gij, gij offert nog geen geringe aalmoes, laat staan groote^ schreef hij, opdat het volk goed omtrent den aflaat zou worden onderricht, verschillende preeken ten dienste der onder-
6i
hoorige geestelijken. Vaw drie dezer prceken, die allen later zijn verloren, heeft Von der Hardt uittreksels gemaakt. Indien deze de proef kunnen doorstaan, dan bewijzen zij ook. quot;„schatten! Zij hebben hunne lichamen aan folteringen blootgesteld en gij wilt niet die vermakelijkheden en die wereld-„sche genoegens ten offer brengen ! Priester , edelman , handelaar, vrouw, maagd, jongeling, grijsaard, treedt uwe kerk „binnen, die, gelijk ik zeide, de kerk is van den H. Petrus. „Bezoekt het H. Kruis, dat voor u is opgeheven en zonder „ophouden u toeroept. — Gij schaamt u om met eene kaars „het Kruis te naderen, maar schaamt u niet om de herberg „te bezoeken; gij schaamt u om tot de apostolische biecht-„vaders te gaan, maar schaamt u niet om de danspartijen bij „te wonen! Denkt er aan, dat gij op de onstuimige zee dezer „wereld tusschen zware stormen en groote gevaren gesteld zijt „en niet weet, of gij de haven des heils kunt bereiken. Weet „gij niet, dat al het menschelijke hangt aan een draad en „geheel het leven een strijd is op aarde ? Laat ons daarom, „gelijk de H. Laurentius en alle andere Heiligen, strijden voor „het heil der ziel en niet voor het lichaam, dat heden is en „morgen niet meer, dat heden gezond, morgen ziek , heden „levend, morgen dood is. Weet, dat ieder , die rouwmoedig gebiecht en aalmoezen, volgens den raad van zijn biecht-„vader, in het offerblok gestort heeft, volkomen vergeving „zijner zonden zal verkrijgen. Heeft hij gebiecht en het jubilé „door dagelijks het Kruis en de altaren te bezoeken gehou-„den, dan zal hij dezelfde aflaten verdienen, als wanneer hij „in de Sint-Pieterskerk de zeven altaren zou bezoeken, waar-„aan een volle aflaat verbonden is. Wat staat gij dan nog „ledig ? Spoedt u allen tot het heil uwer ziel. Weest volvaardig „en bezorgd voor het heil uwer ziel evenzeer als voor de tijdelijke „goederen, waarmede gij u dag en nacht ophoudt. Zoekt den „Heer, gelijk Joannes vermaant, zoolang Hij nabij is en zich „vinden laat; arbeidt zoolang het dag is, de nacht immers „breekt aan, waarin niemand meer arbeiden kan.quot;
02
„Gij luistert niet naar de stem van uwe bloedverwanten „en andere overledenen , die roepen en smeeken : „Ontfermt „ „u mijner, ontfermt u mijner, gij ten minste mijne vrienden, „ „want de hand des Heeren heeft mij geraakt; want wij ver-„ „keeren in de wreedste straffen en kwellingen, waarvan gij „ „met een geringe aalmoes ons zoudt kunnen verlossen.quot; „Maar gij wilt niet. Opent uwe ooren! De vader roept tot „den zoon en de moeder tot de dochter: „Waarom ver-„ „volgt gij mij als God en verzadigt gij u met mijn vleesch?quot; „als zeiden zij: „Wij hebben u voortgebracht, gevoed, opge-„„leid en u onze tijdelijke goederen nagelaten en gij zijt zoo „„wreed, zoo hardvochtig, dat, nu gij zoo gemakkelijk ons „ „kunt verlossen, gij niet wilt en in de vlammen ons naar de „ „beloofde heerlijkheid laat versmachten.quot; quot;
„Gij kunt thans biechtbrieven erlangen, krachtens welke gij „(van de voorbehouden zonden ééns) in het leven en in het „uur des doods, en van de niet voorbehouden zonden totiens „quoiiens volkomen vergeving kunt verkrijgen.
„O, Gij, die alles belooft, maar niets volvoert! Gij woekeraars, roovers, moordenaars, misdadigers! Nu is het tijd om „te hooren naar de stem van God, die niet den dood des „zondaars verlangt, maar dat hij zich bekeere en leve. Jerusalem! „Jerusalem! Bekeert u tot den Heer uwen God. O, Gij, die „middelijk of oumiddelijk deze heilige zaak tegenwerkt, hoe „kwalijk is het met u gesteld! Gij zijt buiten de gemeenschap „der Kerk. Geen heilige Missen, geen gebeden, geen preeken, „geen Sacramenten, geen voorbeden zijn u van nut. Akkers, „wijnbergen, bosschen, veeteelt leveren niets meer op; de „wijnoogst mislukt, gelijk voorbeelden getuigen. Toeft niet. „Bekeert u tot mij met geheel uw hart eu maakt gebruik van „de heilmiddelen, waarvan de Wijze Man zegt: „De Aller-„„hoogste schiep op aarde eene artsenij, en de verstandige „„man zal er geen afschrik van hebben.quot;quot; i)
i) Loscher. Reforraations-Acta, I. p. 416 etc.
63
De volgende plaats uit het derde fragment mogen wij niet stilzwijgend voorbijgaan: „Gij moet weten, het leven der men-„schen op aarde is een strijd. Wij hebben te kampen tegen „den duivel, de wereld en het vleesch, die onze ziel ten ver-„derve zoeken. In zouden heeft ons onze moeder ontvangen. „Helaas, dat de banden der zonden ons houden omkneld! „Moeilijk is het, ja in zekeren zin onmogelijk, zonder Gods „bijzondere hulp de haven des heil te bereiken. Want niet „door de werken der gerechtigheid , die wij doen, maar door „Zijne heilige Barmhartigheid heeft hij ons verlost. Daarom „moeten wij de wapenrusting Gods aandoen. Neemt den „vrijgeleibrief, dien de Plaatsbekleeder van O. II. J, C. aanbiedt; daardoor kunt gij uwe ziel uit de handen der vijanden „verlossen en haar door middel van berouw en Biecht veilig en „zeker, zonder eenige straf des vagevuurs te ondergaan, naar „het Rijk der zaligen voeren.quot;
Men kan zijne oogen ter nauwernood gelooven, als men bij Plank en andere geschiedschrijvers leest, dat Tetzel in deze Instrudio met geen woord van berouw of biecht spreekt. Verbazing grijpt ons aan, als men hoort, dat volgens Tetzel de geloovigen door een biechtbrief alleen van hunne zaligheid verzekerd zijn, dat berouw, noch Biecht, noch verbetering des harten voor den aflaat worden vereischt. Heeft hij dan niet uitdrukkelijk geleerd, dat ieder, die na rouwmoedige Biecht — emit ritus et confessus — aalmoezen geeft, aflaat vei dient? Heeft hij niet herhaaldelijk alle zondaars vermaand, hunne zondige wegen te verlaten en de wapenrusting Gods aan te doen? Niet duidelijk verklaard, dat een biechtbrief een vrijgeleide is, maar door middel van berouw en Biecht — median te contriiione confessioneque ? — Met deze bewijzen in de hand vragen wij recht tegenover blind vooroordeel, recht tegenover geschiedvervalsching, recht tegenover groven laster, en dat recht, wij betwijfelen het niet, zal door den onpartijdigen beoordeelaar ons worden geschonken.
Tetzel begon zijn prediktocht door de bisdommen Maag-
64
denburg en Halberstadt met deuzelfden ijver, die hem vroeger reeds kenmerkte. Hoe deze prediking plaats had, is eenigszins af te leiden uit het ceremonieel door kardinaal Perauld bij dergelijke gelegenheden voorgeschreven i). Naderde de subcommissaris eene stad, dan toog de geheele geestelijkheid: prelaten, domheeren, kloosterlingen, hem te gemoet en verwelkomde den genadeprediker zingende: Advenisti desiderabilis, etc. Ondertusschen verzochten de biechtvaders den zegen van den subcommissaris en ontvingen ieder uit zijne hand een staf tot teeken, dat zij met dezelfde macht werden bekleed als de poenitenciers te Rome. In processie keerde men nu terug, terwijl twee geestelijken de litanie zongen, die door het geheele koor beantwoord werd. Was men de kerk binnengetreden , dan werd plechtig met gebogen knieën het Media zita aangeheven; daarna weerklonk, begeleid van orgelspel, het Te Deum door de kerkgewelven. Bij het vers: Te ergo quaesumus etc., dat driemaal en telkens hooger werd ingezet, plantte de subcommissaris het aflaatkruis, dat met het pauselijk wapen was versierd, beklom vervolgens den kansel en vermaande het volk, dat thans de geschikte tijd, de dag des heils was aangebroken. Eene plechtige heilige Mis werd nu opgedragen, terwijl iederen avond na de Vesper een Lof gehouden werd ter eere van het H. Kruis. Dit Lof moest, volgens voorschrift van den aartsbisschop van Mentz, door de geestelijkheid, de poenitenciers en den subcommissaris met betamende plechtigheid en godsvrucht worden bijgewoond. Niets heeft dus deze ernstige godsdienstplechtigheid gemeen met de potsierlijke vertooningen, die zoovele schrijvers hun lezers opdisschen. Maar wat anders kan men verwachten van hen, wier schendige spotternij zelfs de indrukwekkendste ceremoniën der heilige Mis niet spaart?
Omtrent den zomer van 1517 kwamTetzel te Maagdenburg en te Halle, waar hij met veel gevolg preekte en ruime aal-
ij Walch. 1. c. p. 260 en 377.
65
moezeu inzamelde. Tegen het einde van October vertrok hij naar Jüterbogk, op eenige uren afstands van Wittenberg, om ook aldaar het atlaatkruis te planten. Hier zou de onvermoeide subcommissaris echter in zijn prediktocht plotseling worden verhinderd door een man, die sinds geruiraen tijd met wrevel en bitteren spot het aflaatprediken had gadegeslagen, die thans het oogenblik gekomen zag, om in den persoon van Tetzel èn den aflaatprediker èn de aflaatleer met één slag te treffen. Wij noemden Dr. Martinus Luther.
VI.
Verdienen Luthers woorden geloof, dan waren de schromelijke misbruiken, waaraan Tetzel zich zou hebben plichtig gemaakt, aanleiding, dat de „Gottesmannquot; met kracht zijne stem verhief en in het volle bewustzijn zijner hemelsche roeping opkwam voor het heil der zielen. De „verfluchte diebische Geizquot; van aartsbisschop Albertus en Tetzels „greulich schreck-liche Artikel,quot; zoo herhaalt hij in het beruchte smaadschrift Wider Haus-ivorst, zijn de eerste oorzaken van de „luthersche Larmen.quot; Natuurlijk wordt dit door vele protestantsche geschiedschrijvers zonder den geringsten twijfel bevestigd. Bij nader onderzoek evenwel blijkt, — Evers heeft dit in Luthers biografie nadrukkelijk uitgewezen — dat de misbruiken Luther slechts tot uithangbord dienden om de goedgeloovige menigte te verschalken. Niet de aflaaiprediking, zij moge met ergerlijkheden zijn vergezeld of niet, maar de aflaatleer, in zoover deze in strijd was met Luthers evangelie, was de voornaamste oorzaak van zijn optreden.
Het is bekend, dat de Wittenbergsche Professor, lang voordat de aflaatstrijd uitbrak, zich niet meer op katholiek standpunt bevond; dat hij een evangelie predikte, dat wegens zijne nieuwigheid zich zelf veroordeelde. Krachtens eene gedwongen gelofte, misschien ook om zich aan het ouder-
66
lijk gezag te onttrekken, had Luther den kloosterstaat omhelsd , waartoe hij zich volstrekt niet geroepen gevoelde. Deze onberaden stap bracht in hem eene scrupuliteit teweeg, waardoor hij zijne rechtvaardigheid niet uit God, maar uit eigen werken zocht te verkrijgen. De wanhoop, het gevolg dezer vermetele leer, voerde weldra tot een ander uiterste: rechtvaardiging door Christus zonder onze medewerking. Dit beginsel werd de grondslag van het nieuwe evangelie, dat in het „pccca fortUer, sed jortius credêquot; zijn volkomen uitdrukking vinden zou. „Onze gerechtigheid is slechts zonde; daarom „moet ieder alleen de door Christus aangeboden genade aan-„nemen.quot; „Om den vrede te vinden, moet ieder aan zich „zeiven en aan zijne goede werken wanhopen; Christus heeft „onze zonden tot de zijnen en zijne Gerechtigheid tot de onze „gemaakt.quot; Van de waarheid dezer stellingen was hij reeds in 1516 zoo diep overtuigd, dat hij het anathema uitsprak over ieder, die ze niet geloovig aannam i). „De wet is vervuld „door Christus:quot;, zoo preekte hij in den Advent van 1516, „het is derhalve niet noodig, dat wij haar vervullen, maar „wij moeten alleen Hem, die ze vervuld heeft door het geloof „aanhangenquot;. De goede werken waren dus niet noodzakelijk; doch dit was slechts het begin der dwaling, weldra zou hij ze geheel verwerpen. Aan de universiteit van Wittenberg liet hij een zijner leerlingen in het openbaar verdedigen: „Het is „onwaar, dat de vrije wil het tegenovergestelde kan kiezen; „veeleer is hij niet vrij, maar gevangen.quot; „Ieder rechtvaar-„dige zondigt zelfs gedurende eene goede handeling.quot;- De verdienstelijkheid der goede werken was hiermede geloochend. 2) Wat gevolgen dit had voor den aflaat is duidelijk. De aflaat
1) Janssen. 1. c. II. p. 74,
2) Protestanten bekennen dit rondborstig. „Gewiszquot;, zegt Löscher, 1, c. p, 347, „diese Thesen treffen schon das Herz des Papstthums, na.r-
„lich die Lehre vom Verdienste der Werke...... Der selige Luther
„hat damit der Reformation auf\'s herrlichsie vorgespielt.quot; — Verschillende geschiedschrijvers stellen daarom de Reformatie reeds in 1516.
6;
is eene toepassing van den kerkelijken schat; de kerkelijke schat komt voort uit de verdienstelijkheid der goede werken, derhalve moest Luther ook den kerkelijken schat loochenen, wat gelijk staat met eene loochening van den aflaat. Eene andere dwaling, eveneens voortspruitende uit het nieuwe evangelie , was voor den aflaat niet minder noodlottig. De katholieke leer der voldoening was volgens Luther „eene schandelijke dwaling.\'\' „Uit eene onschatbare goedertierenheid vergeeft „God altijd en om niet de zonden. Hij scheldt ze kwijt „zonder iets anders van ons te vorderen, dan dat wij voortaan „deugdzaam leven.quot; i) De zondestraf— niet alleen de eeuwige, maar ook de tijdelijke — werd, volgens hem, altijd te gelijk met de zondeschuld vergeven. Door dit beginsel was het voorwerp van den aflaat ontkend. Aflaat — wij zagen het reeds vroeger — is eene kwijtschelding der tijdelijke straf, die na de vergeving der dadelijke schuld nog te boeten overblijft; Luther verwerpt de overblijvende tijdelijke straf, bij gevolg ontneemt hij aan den aflaat alle reden van bestaan. Aflaat, in katholieken zin opgevat, was voor hem dus een onding. Deze gevolgtrekking was juist, maar niet overeenkomstig de orthodoxie. Raadzaam was het daarom niet haar altijd luide te verkondigen. In zijne Vastenpreeken van r 517 leerde hij : „Christus legt de voldoening in het hart; gij behoeft derhalve „noch naar Rome, noch naar Jerusalem ■, ncch naar Sint-„Jacob (van Compostella), noch hier-, noch daarheen te „trekken om aflaat te verdienen.quot; — „Christus zegt niet: „Gij „ „moet voor uwe zonden zooveel vasten, zooveel bidden , „„zooveel geven, dit of dat doen:quot; maar Hij verlangt alleen, „dat men de zonde vluchte en den beleediger vergeve.quot; Later, toen hij niets meer te duchten had, goot hij de fiolen zijner gramschap uit over de geestelijkheid, die „de wereld met den „leugenaflaat vervuld en bedrogen heeft en lasterlijk Gods genade „heeft genoemd, wat eigenlijk niets is.quot; 2)
1) Lutheri Op. Coiit. de Ind. nquot;. 13. (T. I. Ed. Witeb, 1545).
2) Evers. 1. c. I. p. 19.
6S
Het was dus voldoende, dat er aflaat gepredikt werd, oiu Luther in het harnas te jagen; misbruiken waren hiertoe overbodig , of liever, de aflaat zelf was voor Luther het grootste misbruik. Hier dringt zich de vraag op: waarom, indien de aflaatleer de voornaamste drijfveer van Luthers verzet was, waarom trok de Wittenbergsche professor dan te velde juist tegen Tetzel, terwijl aan verschillende andere geestelijken ook het subcommissariaat van den aflaat was toevertrouwd? Als reden heeft men dikwijls den naijver der Augustijnen opgegeven, die, gewoonlijk met de aflaatprediking belast, zich door Tetzels benoeming verongelijkt meenden; maar terecht, dunkt ons, neemt Pallavicini i) deze beweegreden niet aan. Niet de Augustijnen, maar de Minderbroeders werden in den regel met deze zending vereerd. Elders is derhalve de reden te zoeken en wel in den persoon van Tetzel zeiven. Tetzel was Dotni-nicaan, scholasticus, inquisiteur, drie titels, te zamen meer dan genoeg, om zich Luthers wrok op den hals le halen. Eene vluchtige verkenning van het terrein, waarop de strijd geleverd wordt, is, om dit goed te begrijpen, vereischte.
Sinds het humanisme aan de Duitsche universiteiten ijveriger en algemeener beoefening vond, ontwaakte langzamerhand een geest van verzet tegen de scholastieke wetenschap. Deze verwijdering was zeer natuurlijk. Terwijl de groote philologen der isde eeuw zich geheel aan de klassieke studiën toewijdden, overal Rome\'s taal in al hare zuiverheid en sierlijkheid trachtten in te voeren , had de Scholastiek zich zoo ver mogelijk van de klassieken verwijderd. Zij maakte \' de taal alleen dienstbaar aan het juist bepalen van begrippen en stellingen en vermeerderde haar toch reeds lijvig woordenboek met eene menigte praegnante uitdrukkingen, die in het oor der fijnbeschaafde Latinisten niet anders dan als barbarismen moesten klinken. Zoo ontstond aanvankelijk een strijd tegen den vorm, maar de wetenschap zelve werd nog geëerbiedigd. Het jongere ge-lacht der humanisten, dat zich na 1500 deed gelden, vooral
1) Hist. Cone, Trid. I. 4. 1.
r,9
de zoogenaamde ^Poëtenquot;, stelden zich hiermede niet tevreden. Niet tegen den vorm alleen, ook tegen de wetenschap moest de aanval worden gericht. Met bitteren spot werd het gezag der middeleeuwsche leeraars veracht, hunne leer als sophisterij uitgekreten , hunne beginselen als onzeker verworpen. Ondanks dien feilen strijd bleef de Scholastiek op de universiteiten nog heerschende. De Dominicanen vooral waakten voor de tradition hunner voorvaderen; zij streden voor eene wetenschap, die altijd de hoogste goedkeuring der Pausen had weggedragen en aan de Kerk onschatbare diensten had bewezen. Maar de krijg der humanisten ontaardde in eene wreede vervolging, toen de Dominicaan Jacobus Hochstraten, professor aan de theologische faculteit te Keulen, in 1513 de censuur uitsprak over den „Augenspiegelquot; van Reuchlin, een der voornaamste Duitsche humanisten. Geheel Duitschland geraakte in bewe-weging. Het regende pamfletten tegen de Keulsche Dominicanen. De grofste dwalingen, de afschuwelijkste misdaden werden hun ten laste gelegd en dit met eene onbeschaamdheid, een cynisme zonder wederga. Het oordeel der universiteiten van Leuven, Mentz, Erfurt en Parijs, die Hochstratens gevoelen deelden, in plaats van de gemoederen te bedaren, wekte de hartstochten nog heviger op. Wat Hochstraten, volgens de humanisten, misdaan had, moest de geheele Orde ontgelden. Van 1515—1517 verschenen de Brieven van onberoemde mannen, waarin de Dominicanen en de professoren der Keulsche en Parijsche universiteiten werden gelasterd en gesmaad, waarin zij van de laagste liederlijkheden werden beticht; kortom, geen straatsteenen, maar slijk en vuilnis werden hun naar het hoofd geworpen. Met een schaterlach werd dit verfoeilijk schimpschrift in het kamp der humanisten ontvangen. Het was gedaan met den eerbied en de achting voor de kloosterlingen. Hochstraten mocht tegenover zooveel verguizing de stem verheffen, in eene krachtige apologie zijne handelwijze verdedigen, het baatte niets. Integendeel, het ontlokte den vijand nog bitterder beschimpingen en zelfs openbare
70
vijandelijkheden. Frans van Sickingen, de revolutieheld en Luthers toekomstige, waardige bondgenoot, zeide Hochstraten en diens oversten veete aan en dreigde Keulen met een bezoek zijner plunderzieke benden, indien aan Reuchlin geen voldoening werd geschonken.
In den strijd tegen de scholastici nam Luther ijverig deel. Te Erfurt, het brandpunt der humanistische woelingen, had hij vele jaren doorgebracht, Crotus, Spalatin, Mutianus, hartstochtelijke humanisten, waren zijne vertrouwde vrienden, de „poetenkringquot; telde hem onder zijne leden, het kon derhalve niet anders of Luther moest ook een vurig bestrijder der scholastici zijn. Dit liet hij voor niemand geheim.
Te onstuimig, te hartstochtelijk van aard, dan dat hij langen tijd zijn gevoelen zou verbergen en alleen te gelegener plaats zou openbaren, brak hij van den kansel tegen de scholastici los. Nu eens waren het „monsters van domheid\'\' en „wonderen van duisternisquot;, dan weder beklaagde hij ze als een „rampzalig slag menschenquot;, of voer tegen hen uit als tegen „dwaze, bespottelijke droomers.quot; Zonder aarzelen rangschikte hij de doctores scholastici wegens valsche getuigenis onder de zondaars tegen het achtste gebod, verwierp de glossen over Aris-toteles als ijdele taal en vergeleek de wijsbegeerte van den Stagyriet met de Hydra van Lerna, die Thomisten, Scotisten, Albertisten en Modernen tot zoovele koppen had. Deze en andere liefelijkheden beteekenen wel is waar weinig bij de eeretitels en lofprijzingen, waarmede hij later de scholastici overlaadde , toen hij de Summa angelica voor een Summa diabolica verklaarde; maar zij zijn toch merkwaardig, omdat zij reeds ontleend zijn aan de leerredenen over de Tien geboden, die Luther tot stichting der gemeente, van 1516—1517, te Wittenberg hield. Wat indruk deze preeken op de vrome schare maakten is ons onbekend; maar door de „Poëtenquot; werden zij met bijval aangehoord, zoo niet gelezen, want Luther vereerde gewoonlijk zijne vrienden en geestverwanten met eenige exemplaren. Welkom voor den strijd waren hem vooral de examens
71
aan de Wittenbergsche hoogeschool. Bij die gelegenheden liet hij niet na de scholastici door de bitterste en hatelijkste stellingen te grieven en te tarten. Aristoteles, van wiens werken Thomas en alle Thomisten te zamen, volgens hem, geen enkel hoofdstuk hebben begrepen, stond vooral aan zijne uitvallen bloot. Om dezen philosoof tot schande te maken en tegen hem veel vijanden te werven, liet hij in 1517 een zijner leerlingen een reeks stellingen verdedigen, waarvan eenige gericht waren tegen kardinaal d\'Ailly en Gabriel Biel, andere tegen Scotisten, nog andere tegen alle scholastici te zamen. „Deze paradoxenquot;, zoo schreef hij, „mocht men kakodox „noemen; voor mij en de mijnen zijn zij orthodox.quot; Nu, kakodox klonken zij zeker voor de in scholastieke wetenschap vergrijsde magisters en doctoren, de stellingen: „dat het aan „grooten twijfel onderhevig was, of de Latijnen de leer van „Aristoteles bezaten; dat het den meest gebruikeUjken definities „van Aristoteles aan beginselen mangeldequot;, enz. maar, waren daarom alle orthodox? Dit zou de tijd spoedig leeren.
In den Reuchlinschen strijd verschijnt Luther niet op het tooneel, en waarom niet? Niet omdat hij van Reuchlin af-keerig was: hij was met hart en ziel hem toegedaan; ook niet, omdat hij diens gevoelen niet deelde: hij roemt diens „reine Theologiequot;, maar om de eenvoudige reden, dat de gelegenheid zich daartoe niet aanbood. Hij zelf schrijft aan Reuchlin: „Ich war einer von denen, die an deiner Seite zu „sein wünschten, fand aber keine Gelegenheit. Aber was damals „deinem Karapfgenossen versagt war, ist nun deinem Nach-„folger reichlich zu Theil geworden.... Auch ich bekampfe „eben dieselben.quot; 1)
Omtrent Luthers gezindheid jegens de Dominicanen bestaat er dus geen twijfel; ook al bezaten wij niet zijne briefwisseling met de „Poëtenquot;, dan nog zou de innige vriendschap — „summa familiaritas, artissima amicitiaquot; — met Crotus, den
1) Evers. 1. c. I. p. 62.
72
schrijver der Brieven van onberoemde mannen hem van vijand, schap tegen die kloosterlingen verdenken.
Dominicaan en scholasticus te zijo was bijgevolg voor Tetzel reeds voldoende, om bij voorkeur in Luthers ongenade te vallen ; maar er was meer. Tetzel was inquisiteur, Tetzel moest waken voor de rechtzinnigheid van het katholieke geloof: en Luthers evangelie, was dat orthodox? Wij hebben er reeds op gewezen, het „nieuwe evangeliequot; week in vele punten: omtrent den vrijen wil, de werking der genade, de goede werken, enz. van de katholieke leer af. Onopgemerkt kon dit niet blijven, vooral sinds de hoogeschool van Wittenberg en vele geleerden te Erfurt, Neurenberg en elders Luthers beginselen aankleefden. In 1515 werd Luther reeds „ketter gescholdenquot;, eene benaming , die hem minder streelend voorkwam , althans in zijne preeken en stellingen zoekt hij voortdurend deze beschuldiging van zich af te weren en vaart soms uit tegen die „duistere „breinen, die de Schriftuur niet smaken, Christus\' leer niet „hebben gelezen en hun eigen schrijvers , die zij aanbidden , „nooit hebben begrepen.quot; Eveneens klaagt hij over „sommige „geleerden, die de Wittenbergsche theologanten van nieuwigheid „in de Kerkleer beschuldigen,quot; en toornt tegen de aflaatpredi-kers, omdat zij het volk waarschuwen tegen zijne leer als tegen een „verderfelijke dwalingquot;. De verschijning van Tetzel, den kettermeester, in de omstreken van Wittenberg, moest hem dus niet aangenaam stemmen. Indien deze hem voor de geestelijke rechtbank daagde, wie zal zeggen, wat hem wachtte? Tn ieder geval herroeping van eene zienswijze of voorgewende overtuiging, die hem boven alles aan het hart lag.
Drijfveeren van geheel anderen aard, van minder kracht, maar daarom niet geheel te veronachtzamen, waren ook in het spel. Krachtens de Tnstructio van den aartsbisschop van Mentz waren, zoolang de Sint-Pietersaflaat werd verkondigd, alle andere aflaten opgeheven. Nieuw was deze bepaling niet: men treft ze aan in alle kruisvaartbullen; maar door den samenloop van verschillende omstandigheden was zij voor Luther
73
hatelijk. Iu die tijden, wanneer op vastgestelde feesten in kerk of klooster een aflaat kon worden verdiend, stroomden alle geloovigen uit den omtrek naar die bevoorrechte plaats, om Gods genaden deelachtig te worden. Nu mogen de aalmoezen, bij die gelegenheden aan de kerk of aan de kloosterlingen geschonken, van minder belang zijn geweest, voor het Augustijnerklooster te Wittenberg, dat ook zulk een geestelijk voorrecht bezat; kwam het ontberen dier aalmoezen thans slecht te stade, want het verkeerde reeds vele jaren in financieele moeilijkheden. Sinds 1502 had men de muren van het oude klooster neergeworpen en een begin gemaakt met den bouw van een nieuw, dat tevens tot studiehuis zou worden ingericht. Deze onkosten, gevoegd bij het onderhoud eener talrijke kloostergemeente, hadden de geldmiddelen van het klooster uitgeput. Luther had, tijdens zijn bestuur als vicaris, delasten hiervan ondervonden en daarom alle toezending van nieuwe kloosterlingen afgeweerd. „Wie glaubst duzoo schreef hij met de hem eigen ruwheid, „dasz ich deiue Sardanapale und „Sybariten logieren kann? Wenn ihr sie so schlecht erzogen „habt, so fiittert die Ltimmel selbst. Ich habe allenthalbe
„genug unnütze Brüder---- lm Ganzen 41 Personen essen von
„unserm mehr als arm sten Vorrath; sed Domiaus providebit.quot; 1) Het dormitorium was ia 1517 voltooid, van de kerk waren de grondslagen onlangs gelegd, geen wonder dus, dat de prediking van den Sint-Pietersaflaat, die voor acht jaren alle andere aflaten ophief, Luthers wrevel opwekte. Door deze omstandigheden wordt opgehelderd, waarom hij de aflaatpredikers voortdurend beschuldigt van den lieden al het geld af te persen, waarom hij later tegen deze bepaling eene afzonderlijke thesis (de S()ste) stelt. Waren deze predikers niet gekomen, hij zou niet langer in een armoedige van hout en leem opgetrokken noodkapel het „nieuwe evangeliequot; hebben moeten verkondigen.
1) Evers. 1, c. I. p. 21Ó.
74
Bij zoo vele grieven tegeu den aflaat op zich zeiven en tegen Tetzel in het bijzonder was eene botsing onvermijdelijk. Zijne vrienden drongen in vele brieven en bijeenkomsten er op aan, dat hij openlijk tegen den subcommissaris zou optreden ; zij wierpen steeds nieuwe brandstof op het vuur, dat sinds lang smeulend, spoedig met onwederstaanbaar geweld zou ontvlammen. Reeds stroomde de menigte uit Wittenberg uaar Jüterbogk, waar de gevierde volksredenaar het aflaat-kruis had opgericht. De keurvorst had uit eigenbelang den aflaatpredikers zijn gebied ontzegd. Luther had meermalen de geloovigen tegen de aflaten gewaarschuwd, wat baatte het ? De kerken te Wittenberg stonden ledig. Misschien zou spoedig op pauselijk gezag de gehate inquisiteur zelfs binnen Wittenberg zijn intocht houden.
In deze hachelijke omstandigheden, nu langer aarzelen onmogelijk was, begaf zich Luther met de professoren der universiteit, die aan zijne partij waren verknocht, naar de proostdij van Kemberg, even buiten Wittenberg. Daar wachtte hem , behalve den proost Ziegelheim, Schurf de kanselier van den keurvorst; daar zouden aller belangen worden besproken. Wat er al binnen die gewijde muren werd beraamd , heeft de geschiedenis ons niet overgeleverd; alleen weten wij, uit Luthers mond, dat deze er het besluit maakte „gegen die dicken „Irrthümer der Ablasse zu schreiben.quot; Schurf zeide nog tegen hem: „Gij wilt tegen den Paus schrijven? Wat wilt gij begin-„nen ? Men zal het niet dulden.quot; Luther antwoordde daarop: „En als men het eens moest dulden?quot; i)
Uit deze en nog enkele gelijkluidende gezegden met sommige geschiedschrijvers het besluit te trekken, dat Luthers aanval tegen den Paus gericht was, ja, dat zijn optreden tegen de aflaatpredikers niets anders was dan een bedekte aanslag tegen Rome, dit dunkt ons te gewaagd en minder overeenkomstig met Luthers karakter.
i) Evers. I. c. I. p. 56.
75
Dat feitelijk het Pausdom in den aflaatstrijd ernstig werd aangevallen, dit is zeker en wordt later door Luther met innig leedvermaak herdacht, maar was hij zich hiervan bij het uitbreken van den strijd bewust ? Wij betwijfelen het. Luthers aanval was voornamelijk gericht tegen de scholastieke aflaat-leer als strijdig met zijn evangelie; eerst toen de Paus zich voor de partij der scholastici uitsprak, barstte hij ook in gramschap los tegen het Opperhoofd der Kerk. Daargelaten, of wij den Reformator geloof moeten schenken, als hij menigmaal ten stelligste beweert, dat hij destijds den Paus nog grooten eerbied toedroeg, schijnt deze handelwijze geheel volgens zijn inborst. Wie aan Luther zulk een fijne, diepdoordachte kunstgreep toeschrijft, kent, volgens Gröne, de Saksersnatuur niet. Uitgeslepen diplomatie is aan woeste hartstochtelijkheid vreemd. Luther was opbruischend, eigenzinnig , duldde geen tegenspraak, was te trotsch om, voor wien ook, in het minste te wijken en snelde blindelings op den eenmaal ingeslagen weg voort, onverschillig voor de gevolgen. Zoo kunnen wij ons zijn stuk voor stuk verwerpen van de katholieke dogma\'s zeer goed verklaren; terwijl het tevens reden geeft van zijn stijgenden haat, eerst tegen de scholastici, later tegen den Paus en de geheele Kerk.
Duidelijker blijkt uit het voorspel van den strijd, hoe men den „seligen Magisterquot; moet verstaan, als hij er zich op beroemt, dat hij geheel alleen den strijd heeft aangebonden; dat hij alleen stond te midden der vijanden, als een roos tusschen de doornen, dat niemand, zelfs van zijn intiemste vrienden iets van de disputatie heeft geweten, i) Dit is louter onwaarheid. Maar den verdediger van den noodleugen, al is deze ook wat sterk, moet men zulks niet aanrekenen. Luther voerde het woord voor een talrijke partij. Alleen wierp hij den handschoen in het strijdperk, maar deze handschoen was het teeken voor een algemeenen strijd. En de hulp? Ook deze ontbrak hem
i) Evers. 1. c. I. 47, p. 4S.
76
niet. Steun vond hij in den keurvorst, die met weerzin zijn onderdanen aalmoezen zag schenken voor den pauselijken aflaat, steun in de Wittenbergsche universiteit, die hij door zijn dwaalleer beheerschte, steun iu de humanisten, die hem als een voorvechter tegen de Scholastiek begroetten, steun eindelijk in allen, die bij den strijd niets hadden te verliezen, maar alles te winnen, die evenals Luther konden zingen: „Wer arm ist, hat nichts zu fürchten, kann nichts verlieren, „sondern sitzt fröhlich in guter Hoffnung, denn er hofft zu „gewinnen.quot; i)
VII.
De istc November was eertijds voor Wittenberg een der belangrijkste en heugelijkste dagen van het kerkelijk jaar. Op dien dag vierde men in de slotkerk, aan alle Heiligen toegewijd, het kerkwijdingsfeest, waaraan een aflaat verbonden was. Wat luister de geloovigen op dat feest in dien heerlijken tempel aanschouwden, wat pracht aan tapijten en kerkgewaden, wat rijkdom aan gouden en zilveren gewijde vaten, wat schatten aan kostbare reliquieën, hiervan gewagen de kronieken met de meeste uitvoerigheid. Frederik de Wijze had zijne slotkerk verfraaid en opgeluisterd met eene kwistigheid, die hem met Salomon deed vergelijken. Evenals in andere jaren begon ook in 1517 de feestelijkheid reeds met de eerste Vesper, den 3isten October. Tegen het uur, dat het feestelijk klokgeklep de geloovigen tempelwaarts opriep, verliet Luther zijn klooster, om de plechtigheid met eene feestrede te openen. Alvorens hij de slotkerk binnentrad, stond hij stil en sloeg eene reeks stellingen aan de deur. Voor de eenvoudige geloovigen wekte deze handeling niet de minste bevreemding: het was gewoonte kerkelijke feesten met academische stellingen op te luisteren en deze aan de kerkdeur te publiceeren. Aandacht trok zij
1) Evers. 1. c. 1 p, 212.
77
voor hen al evenmin, want de theses waren in het Latijn gesteld. Voor degeletterde wereld daarentegen, voor de studenten en professoren van Wittenberg, was zij des te meer opmerkzaamheid waard. Iedereen aan de universiteit kende den onverschrokken lector primarius, roemde diens ijver en talenten , maar wist ook diens leer en streven. Luthers vrienden waren in gespannen verwachting. Het was een gewichtig oogen-blik , gewichtiger dan zij en zelfs Luther vermoedden. De lont werd in het kruit geworpen, maar de rampzalige gevolgen, die hierdoor Duitschland en de geheele Christenheid zouden treffen , had niemand overzien.
Zoodra waren de stellingen niet aangeslagen, of talrijke exemplaren werden onder de geestelijken, theologanten en studenten, die jaarlijks op dien dag naar Wittenberg trokken, verspreid, terwijl Luthers vriend, Justus Jonas, zoo niet op verzoek dan toch zeker met medeweten van Luther, ze terstond vertaald in druk gaf. Binnen veertien dagen waren zij door geheel Duitschland, binnen weinige weken aan gene zijde der Alpen bekend. „Poëtenquot;, humanisten juichten ze toe; en dit zal niemand verwonderen, als men den inhoud der 95 theses nagaat.
Wanneer Luther zijn tegenstanders de grootste onwetendheid , sophisterij, verwarring en duisterheid verwijt, wanneer hij hen, onverschillig of zij den doctorshoed dragen of niet, „ezelsquot;, „dwazenquot;, „narrenquot;, „apenquot; noemt, dan is de eisch toch zeker niet te hoog gesteld, indien wij van den Witten-bergschen professor zoo geen meesterstuk, ten minste stellingen vragen, die door eenheid, duidelijkheid en redelijkheid uitmunten. Van uitmunten is echter geen spraak. Te vergeefs zoekt men dikwijls naar het onderling verband der theses , naar de kracht en volgorde der bewijzen; soms schijnt de leeraar met zich zei ven in tegenspraak. Dit kon niet anders. Luther had zijn rechtvaardigingsleer nog niet volkomen voor zich vastgesteld en vreesde daarbij zijn gevoelen geheel uit te spreken. Een beknopt overzicht der stellingen zal ons hiervan overtuigen. Het zal ons de wapenen en de krijgstactiek van
78
Tetzels tegenstander doen kennen, want tegen Tetzel waren de theses gericht; Luther noemde geen namen, maar in de door Justus Jonas bezorgde vertaling staat uitdrukkelijk, dat zij waren „wider Bruder Joh. Tezeln, Prediger-Ordensquot;.
1. Toen onze Heer en Meester Jezus Christus zeide: „Doet boetvaardigheid,quot; enz., wilde hij, dat het gansche leven der geloovigen boetvaardigheid zou zijn.
2. Dit woord kan niet van het Sacrament der Boetvaardigheid, dat door de priesters wordt toegediend, verstaan worden.
3. De inwendige boetvaardigheid alleen wordt echter niet bedeeld; deze is zelfs ijdel, zoo de uitwendige niet allerlei versterving des vleesches verricht.
4. De straf blijft derhalve zoolang de zelfhaat, d.i. de ware inwendige boetvaardigheid, blijft, dus tot den ingang van het Rijk der Hemelen.
Met deze theses opent Luther den strijd. Bij den eersten oogopslag zou men moeilijk gissen tegen welke waarheid de aanval gemunt is, zoo bedekt is de loopgraaf aangelegd, maar bij nader onderzoek ontdekt men spoedig, dat deze spitsvondige sophisterij tegen den aflaat is gericht. Aldus redeneert hij: Christus heeft bevolen boetvaardigheid te doen gedurende het gansche leven; het Sacrament der Boetvaardigheid kan men echter niet elk oogenblik des levens ontvangen, want in dit geval zou men niets anders moeten doen dan voortdurend zijne zonden belijden, dus kan hier de Biecht niet zijn bedoeld. Aan de boetvaardigheid, die in den zelfhaat bestaat, beantwoordt eene straf, dus aan eene altijddurende boetvaardigheid eene altijddurende straf; bij gevolg, zoo gaat Luther voort — en dit is de 5de thesis — wil noch kan de Paus eenige andere straf vergeven, dan die hij volgens eigen goedvinden of volgens de canons heeft opgelegd. De reden hiervan geeft hij in de Resolutiones; „Want de mensch kan niet kwijtschelden, wat God bevolen en gebonden heeft.quot; Op de sophismen, waaraan deze redeneering mank gaat, willen wij de aandacht niet vestigen, maar alleen wijzen wij met
79
nadruk op de gevolgtrekking: ,.De Paus wil noch kan eenige „andere straf vergeven , dan die hij volgens eigen goedvinden of „volgens de canons heeft opgelegd.quot; Dit is het princiep van Luthers dwaling omtrent den aflaat: De aflaten hebben alleen betrekking op de straffen, die van mcnschen zijn opgelegd. (Thesis 34.). Zij zijn dus volgens hem geene kwijtschelding van voor God bindende, maar alleen van zuiver kerkelijke straffen.
De volgende theses , van 8—26, gaan over de aflaten met betrekking tot de zielen in het vagevuur. In weinige woorden kunnen wij ze aldus samenvatten: De zielen in het vagevuur hebben geen kerkelijke straf meer te ondergaan, deze is alleen voor de levenden; de stervenden worden hiertoe niet verplicht en de afgestorvenen hiervan door den dood ontslagen; derhalve nemen de aflaten voor overledenen geen straf weg. Maar, zal men vragen, hoe zijn de aflaten dan nog dienstig voorde geloo-vige zielen als zij noch voor God bindende, noch kerkelijke straffen wegnemen? „Per modum suffragiij bij wijze van voorbede antwoordt Luther, maar in geheel anderen zin dan door de Katholieken wordt verstaan, hij bedoelt n.1. op dezelfde wijze, waarop het privaat gebed van den Paus, den bisschop, ja, van iederen Christen aan die zielen voordeelig is. — Aan deze drogredenen wordt nu eene beschuldiging ontleend tegen de aflaatcommissarissen, alias tegen Tetzel, die prediken, dat de Paus de geloovigen door den aflaat van alle straf — dus ook van de voor God bindende straf — kan vrijspreken en aan de zielen in het vagevuur straffen kwijtschelden, die zij vroeger in dit leven hadden moeten voldoen. In Luthers oog bevat deze taal der aflaatpredikers grove onwaarheid, doch volgens de katholieke leer valt hierin niet het minste te gispen. De beschuldiging bewijst, dat Tetzel preekte volgens het algemeen gevoelen der Kerk, en dit strekt dezen tot eer. Maar zij bewijst nog meer: zij bewijst met welke sluwe, onedele tactiek Luther tegenover Tetzel te werk gaat. Luther geeft voor, dat de Paus dezelfde dwaalleer omtrent de aflaten is toegedaan als hij. stelt daardoor Tetzel in tegenspraak met
8o
het Opperhoofd der Kerk en verhaalt verder op den aflaat-prediker de absurditeiten, die uit den aflaat, in Lutherschen zin verstaan, volgen. Door dezen kunstgreep neemt hij den schijn aan van te strijden vóór den aflaat van den Paus, maar tegen den aflaat der predikers; en menigeen, hierdoor misleid, slaat geloof aan Luthers oprechte gezindheid, als deze zegt: „Wie tegen de waarheid van den pauselijken aflaat „spreekt, zij anathema en vermaledijd. Wie echter waakt voor „de moedwillige, teugelooze woorden van den aflaatprediker, „zij gezegend.quot; (Thesis 71. 72.)
Nadat Luther heelt verklaard, waarin volgens hem en, gelijk hij voorwendt, ook volgens den Paus, de aflaten voor levenden en overledenen bestaan, betwist hij de zekerheid der aflaten, maar vervalt door de aflaatpredikers te beschuldigen, dat zij volstrekte zekerheid leeren, in het ander uiterste: de volstrekte onzekerheid. (Thes. 27—33; 49. 52.) De beschuldiging is geestig uitgedrukt en uitnemend geschikt om met de aflaatpredikers den spot te drijven. De uitkomst heeft dit bevestigd, bij den naam van Tetzel denkt men onmiddelijk aan het:
Wenn das Geld ira Kasten klingt,
Die Seel\' aus dem Fegfeuer springt.
Menig Protestant, wien het vagevuur alleen reeds een droombeeld is. heeft zich geërgerd aan zulk een dwaasheid, het hoofd geschud over eene leer, die zijne verbeelding zich onder de meest phantastische vormen voorstelt; maar niet de verbeelding, het verstand moet onze richtsnoer zijn. Verre van ons, dat wij bovengenoemde meening verdedigen, doch haar volstrekt verwerpen kunnen wij evenmin. Ook hier ligt de gulden weg in het midden. Volgens de katholieke theologanten wordt eene ziel dan uit het vagevuur verlost, wanneer zij of door eigen lijden, of door gebeden, goede werken en aflaten der levenden hare straf volkomen voldaan heeft. Een aalmoes der levenden kan derhalve oorzaak zijn, dat eene ziel uit haar lijdensoord wordt bevrijd, vooral wanneer aan
8i
die aalmoes nog een aflaat verbonden is. Wij zeggen; kan, want , wanneer dit w, zal niemand met volkomen zekerheid uitmaken. Immers, het vertrouwen, dat God de goede werken,
bijzonder de aflaten, èn aan deze of gene ziel in het bijzonder, • •• s
èn op dien tijd, waarop de aflaat verdiend wordt toevoegt, is wel gegrond, maar geeft toch geen volstrekte zekerheid. Luther valt hier in een ander uiterste. Voor hem zijn de aflaten volstrekt onzeker, zoowel de aflaten voor de afgestorvenen als voor de levenden. De afgestorvenen, wij kunnen het niet weten, willen niet altijd verlost worden. Tot bewijs? Een armzalig sprookje van de HH. Severinus en Paschalis, die liever nog geruiraen tijd wilden beroofd worden van Gods Aanschijn en gefolterd worden door het vuur, dan de Hemelsche Heerlijkheid binnengaan. Wat de levenden betreft, deze mogen wel vertrouwen, dat God hunne zonden vergeeft, zeker zijn zij in geenen deele van hun berouw en nog veel minder van het verdienen der aflaten. Aldus Luther. — Hier stooten wij op een van Luthers hoofddwalingen, n. 1. de ongenoegzaamheid van het vertrouwen. Dit vertrouwen moge steunen op de H. Schrift, het is en blijft ongenoegzaam. Niet vertrouwen , leert Luther, maar gelooven moeten wij, dat is, wij moeten ontwijfelbaar meenen, dat de zonden vergeven zijn en dan zijn zij onfeilbaar vergeven.
Ondanks de perken, die wij ons bij dit overzicht gesteld hebben, mogen wij de 35stt: thesis niet onvermeld voorbijgaan, te meer omdat deze door Grüne en andere geschiedschrijvers, zoo niet verkeerd, dan toch zeer onduidelijk is weergegeven en verklaard, zij luidt: „Diegenenpreeken onchristelijk, „die leeren, dat voor het verlossen der geloovige zielen en voor „het verkrijgen van biechtbrieven geen berouw noodig is.quot; — Volgens hetgeen wij vroeger hebben aangetoond, is dit niet onchristelijk; tot liet verdienen van aflaten voor overledenen wordt niet altijd berouw in de levenden vereischt, voor het verkrijgen van biechtbrieven is hiervan zelfs geen sprake. Dit is eene stelling van voorname katholieke theologanten en ten tijde
6
82
van Tetzel algemeen aangenomen. Overvloedig is dit bewezen en tegen verkeerde uitleggingen verdedigd. (Zie hfdst. Ill en V.)
Alsof Luther den aflaat nog niet gering genoeg had geschat, door te beweren, dat deze slechts kwijtschelding van zuiver kerkelijke straffen is; dat hij de straffen der geloovige zielen niet wegneemt; dat niemand van den aflaat eenige zekerheid hebben kan; stelt hij nu eene reeks theses om te betoogen, dat de aflaat niet noodzakelijk is. (Thes. 36—52). Hierin komen alle katholieken met hem overeen: de aflaat is niet volstrekt noodzakelijk; maar Luther werpt deze noodzakelijkheid zoo ver weg, dat men inderdaad zich afvraagt, waartoe de aflaat nog dienstig zijn kan. Hij leert: „Ieder boetvaardig Christen heeft „geen aflaat van noode; goede werken moet men stellen boven „aflaten; niet dan van zijn overvloed mag men aalmoezen „geven om aflaten te verdienen; de Paus verlangt meer het „gebed dan aflaatgelden.quot; Volgens deze theses heeft het al den schijn, dat de Kerk voor de aflaten geen inwendige verbetering vordert, dat door de aflaten de goede werken worden nagelaten, de boetvaardigheid wordt verwaarloosd; toch hebben wij er vroeger (Hfdst. III) uitdrukkelijk op gewezen, dat de aflaten altijd en noodzakelijk verbetering des harten veronderstellen, dat zij goede werken vereischen en de Christenen aansporen tot boetvaardigheid en bekeering. — Mogelijk werpt men op, dat Luther in de 49stc thesis verklaart, dat aflaten nuttig zijn; maar wil men weten, wat dat nuttig zijn beteekent, men leze zijne Resolutiones: „Dat ik gezegd heb ; „zij zijn nuttig, versta ik zoo, niet voor allen , maar voor oude „menschen en trage (schnarchende) daglooners, in zoover het voor „dezen beter is, dat zij van de straffen ontslagen worden, dan „dat zij haar tegen hun wil dragen.quot; Het preeken en aanbevelen van zoo gering een voorrecht is dan ook bepaald nutteloos; en „vijand van Christus en den Paus zijn zij die het Woord Gods „hiervoor in alle kerken geheel en al doen zwijgen.quot; (Thes. 53). Met deze woorden zinspeelt hij op een voorschrift van de Instructie des aartsbisschops, dat zeker de grenzen der billijk-
83
heid niet overschrijdt. Het luidt aldus: „Eveneens bevelen „wij, dat in iedere stad en op iedere plaats, waar bovengemelde „voorrechten en aflaten verkondigd worden, zoolang het Kruis „opgericht blijft, wekelijks slechts drie preeken hierover zullen
„gehouden worden..... Wij bevelen ook, dat tegen dit uur
„op geene andere plaats gepredikt worde.quot; i) Iedereen ziet, dat er hier van een „gantz und gar verbiethenquot; geen sprake isj dat de aartsbisschop voorzichtig handelt met de aflaat-preeken te beperken en tevens aan alle geloovigen gelegenheid te geven, om in de aflaatleer te worden onderwezen. In strijd met zich zeiven is Luther, wanneer hij hier opkomt tegen het verkondigen en verklaren van den aflaat en elders klaagt, dat het volk op dit stuk niet genoegzaam onderricht wordt.
Dat er in deze reeks van stellingen niet een aantal (Thes. 56—66) zouden voorkomen, die tegen het bestaan van den kerke-lijken schat zouden zijn gericht, kan niemand bevreemden. Wanneer de goede werken niet verdienstelijk zijn, wanneer de volmaaktste handeling eens Heiligen nog dagelijksche zonde is, wanneer de overvloedige voldoeningen van Christus de onvolmaakte voldoeningen der geloovigen niet kunnen aanvullen, dan behoort een kerkelijke schat, waaruit de voldoeningen van Christus en de Heiligen ons door de aflaten worden medegedeeld, tot de onmogelijkheden. Overeenkomstig Luthers leer is dit alles consequent; maar wat volgt hier dan uit voor Tetzel, voor de aflaatpredikers, die, getrouw aan de alge-meene Kerkleer, spreken van een kerkdijken schat? Wij zullen hier de vele, hatelijke beschuldigingen niet herhalen, waardoor Luther hen wegens schandelijk bedrog aan den spot en de verachting der menigte prijsgeeft. Eén aantijging alleen mogen en kunnen wij hier niet stilzwijgend voorbijgaan, hoe grievend deze ook zij voor het christelijk gemoed: „Aan den „pauselijken aflaat zoo groot eene kracht toe te kennen, dat „hij iemand kan vrijspreken, ook al had deze, zoo mogelijk,
1) Walch. 1. c. p. 379.
84
„de heilige Moeder Gods onteerd, is onzinnig.quot; (Thes. 75). Schande over den leeraar, die het eerst zulk een schaamtelooze lastering in openbare stellingen opnam; schande over zijn volgelingen, die, zij het dan ook onder „het schier weigeren der penquot;, zich niet schamen deze gemeenheid voortdurend te herhalen!
Om den katholieken aflaat bij de menigte voor goed in minachting te brengen — dit is Luthers hoofddoel — volgt nog een tiental voor het volk bevattelijke, doch daarom niet minder ijdele moeilijkheden. (Thes. 80—90). Zeer listig weet de professor zich hier achter de „vragen van den gemeenen manquot; te verschuilen, daardoor kan hij vrij smalen en alle verantwoordelijkheid van zich afwerpen. Ten slotte verklaart Luther, waarin de aflaat volgens hem en, zooals hij beweert, volgens den Paus, bestaan moet. De aflaat moet den Christen niet ontslaan van straf en vrede brengen op deze wereld. Geen vrede, maar kruisen moeten de Christenen zoeken, want niet door de vertroostingen des vredes, maar door menigvuldige kwellingen der ziele moet men ingaan in het Hemelrijk. (Thes. 91—95). Schreven wij hier een commentaar, wij zouden deze stichtelijke ascesis met menigen stichtelijken (?) levensregel des vromen (?) Meesters kunnen vergelijken, en de parallel zou verrassen, misschien vermakelijk wezen; nu bepalen wij ons tot de aanmerking, dat Luther zelf een volkomen vrede op de wereld heeft gebracht en een monster aflaat heeft verleend, waartoe geen berouw, geen goede werken, maar slechts een krachtig geloof vereischt wordt.
Niettegenstaande den algemeenen bijval, die aan de stellingen reeds bij haar verschijnen te beurt viel, was Luther toch niet wel te moede; hij vreesde, en terecht, dat zij hem de vijandschap van den aartsbisschop van Mentz zouden berokkenen. Om te verhinderen, dat deze van vreemden de toedracht der zaken overdreven voorgesteld zou vernemen, en om zich later des te beter te kunnen verantwoorden, zond hij den prelaat den isten November een brief met een exemplaar der theses. De aanhef van den brief is zoo kruipend mogelijk.
85
Luther verontschuldigt zich, dat hij, „het uitvaagsel dei men-schenquot;, zich vermeet een schrijven te richten tot de „hoogste doorluchtigheidquot; en smeekt, dat „de hoogheid van zijn door-luchtigen Vader in Christus zich gewaardige een blik te werpen op dat stofje\'. De brief laat zich verder in drie punten verdeelen. Vooreerst klaagt Luther over de aflaatprediking, waarin hij niet zoozeer de aflaatpredikers beschuldigt, die hij niet gehoord heeft, als wel het volk betreurt, dat er allerlei dwaling uit opvangt. Vervolgens valt hij de aflaatpredikers aan, omdat zij den aflaat te zeer verheffen, m. a. w. omdat zij niet preeken gelijk Luther: „de aflaten werken niets uit tot het geluk en de heiligheid der zielen; zij neuien alleen uitwendige straf wegquot;. De derde klacht geldt de Tnstructio, die op naam van den aartsbisschop is uitgegeven, waarin gezegd wordt, dat een der genaden (de aflaat) een onschatbare gave Gods is, waardoor de mensch met God verzoend en alle straf des vagevuurs wordt kwijtgescholden; dat er voor het verdienen van aflaten voor afgestorvenen en voor biechtbrieven geen berouw wordt vereischt. Zoowel in zijne theses als in dezen brief ziet men, dat Luther dikwijls misbruik noemt, wat de geheele Kerk als gebruik erkent. De Tnstructio van Duitschlands primaat vlakweg af te keuren scheen echter al te vermetel, daarom zegt Luther, dat er eene Instructio is uitgegeven op naam van den aartsbisschop, en voegt er tusschen haakjes bij; „ongetwijfeld, Hoogwaardigste Vader, buiten Uw weten en zonder Uwe toestemming.quot; Eindelijk smeekt hij ootmoedig den aartsbisschop aan de predikers eene andere Instructio voor te schrijven, „opdat er ten laatste niet iemand „opsta, die door tegenschriften dit werkje weerlegge tot oneer van „Uwe doorluchtigste Hoogheid, wat ik hoogst ongaarne zoude „zien en toch vrees, zoo niet spoedig hierin maatregelen wor-„den genomen.quot; — Maatregelen nemen om dit te voorkomen, zou voor den aartsbisschop onmogelijk zijn: de brief dagleekende van den istcn November en den 3i5t\':n October was reeds „iemandquot; opgestaan, die te Wittenberg in eene reeks van
86
stellingen de Instructio had aangevallen. Zoo blijkt Luthers huichelarij tegenover zijn „Hoogwaardigsten Vader in Christusquot;, zoo openbaart zich de ootmoed van het „uitvaagsel der men-schenquot;, van het „stofje quot;
De opschudding, die de 95 stellingen vooral in de Saksische landen veroorzaakten, wekte in niet geringe mate de bezorgdheid van de aartsbisschoppelijke Commissie te Halle, want dit college, bestaande uit leden der domkapittels van Maagdenburg en Halberstadt, was door den aartsbisschop van Mentz met het bestuur der beide Saksische bisdommen belast. Zij deed ijverig onderzoek, maakte verslag op van het gebeurde en zond dit met de stellingen en een verhandeling van Luther naar den aartsbisschop. Dit belangrijk stuk, dat voor den geheelen aflaatstrijd beslissend zou zijn, is later zoek geraakt. Wij willen ons niet verdiepen in de vraag, hoe zulk een gewichtig document kon verloren gaan, terwijl bijna alle andere stukken van dien tijd in het Maagdenburgsch archief zijn verzameld, noch de Centuriatoren verdenken van moedwillige verduistering; dit staat vast: het verslag der aartsbisschoppelijke Commissie was gunstig voor Tetzel. Wij maken ons sterk dit te bewijzen door een andere akte, die gelukkig is bewaard gebleven, nl. door het antwoord van den aartsbisschop. Was het verslag der Commissie ongunstig geweest voor Tetzel, dan zou de aartsbisschop , door bovengemelden brief van Luther in zijne meening nog versterkt, den Wittenberg-schen doctor ongetwijfeld om zijn geloofsijver geprezen en den overmoedigen aflaatprediker hebben terechtgewezen, zoo niet afgezet. Het tegenovergestelde heeft echter plaats. Hiervan zal een overzicht van \'s bisschops schrijven ons overtuigen.
Na den gebruikelijken zegewensch bericht aartsbisschop AI-bertus, dat hij het schrijven van zijne Commissie benevens de verhandeling en de stellingen „van een vermetelen monnik te „Wittenberg, de aflaatprediking en onzen subcommissaris betreffende,quot; heeft gelezen. — Dit teekent. — Voorts verklaart hij, dat „het driest ondernemen van gemelden monnik hem
»7
„persoonlijk wel is waar niet in verzoeking zal brengen, maar „dat het arme, onverstandige volk daardoor geërgerd en tot „jammerlijke dwaling verleid wordt. Daarom heeft hij(deaarts-„bisschop) de verhandeling, de stellingen en andere geschriften „(van Luther) niet alleen aan de theologanten en canonisten „zijner universiteit te Mentz ter beoordeeling gegeven , maar „ook zelf met zijn geleerde hofradea en andere zaakkundigen „in beraadslaging en aandachtige overweging genomen i). „Dientengevolge is mei eenstemmigheid besloten , het hierbij-„gevoegde, in tegenwoordigheid van bovengemelde geleerden „voorgelezen , proces tegen dien monnik op te maken en de „geheele zaak voor den Paus te brengen, in de hoop, dat „Zijne Heiligheid zulke maatregelen neme, dat de dwaling „nog bijtijds geweerd worde .... Een uittreksel van het „protocol der gehouden beraadslaging wordt te gelijk met het „verzegelde proces verzonden onder verzoek , dit alles in ver-„eeniging met verstandige, geleerde mannen eveneens te onderzoeken en zorgvuldig te overwegen en, bijaldien het proces „goed. deugdelijk en doelmatig bevonden worde, dit aan onzen „suheommissaris, den heer fohann Tetzel, te zenden en vervol-„gens rechtelijk aan bedoelden monnik te Wittenberg te doen „aanzeggen, opdat de giftige dwaling zich niet verder onder „het volk voortplante.quot; —Deze plaatsen alleen zijn voor Tetzels rechtvaardiging van de grootste beteekenis , want zij bewijzen i0. dat de aartsbisschop, de hofraden, de universiteit van Mentz en de aartsbisschoppelijke Commissie te Halle beslist vóór Tetzel en tegen Luther partij kieken, wiens optreden als een „driest ondernemenquot;, wiens leer als „een giftige dwalingquot; gebrandmerkt wordt; 2°. dat Luthers beschuldigingen tegen Tetzel geen grond hebben; hoe anders te verklaren; dat Tetzel met de aankondiging van het proces wordt belast, indien de inquisiteur zelf zich aan de schandelijkste misbruiken en de verfoeilijkste dwalingen omtrent den aflaat had schuldig ge-
I) Albertus van Brandenburg schijnt dus niet zoo geheel vervreemd \\au het geestelijk bestuur, als men dikwijls voorgeeft.
88
maakt ? Doordien de beschuldigde, na een rijp onderzoek en langdurige beraadslaging, tot rechter over den aanklager wordt aangesteld, is een schitterend bewijs van Tetzels onschuld gegeven. De nog volgende lastgevingen van den aartsbisschop bevestigen dit alleszins. Op voordracht der Commissie keurt de prelaat de benoeming van den heer Tetzel tot aflaat-commissaris voor Brandenburg en Pruisen goed. Verder had de aartsbisschop, na inzage van de bezoldiging der aan Tetzel onder hoor ige commissarissen, deze wat hoog en het personeel wat talrijk bevonden. Een zoo groot aantal subcommissarissen was, zijns inziens, niet van noode en kon door de prediking niet gedragen worden. — Wij merken hier aan , dat er alleen sprake is van de kosten der Tetzel onderhoorige commissarissen, niet van Tetzel persoonlijk. — Bovendien was het Albertus ter oore gekomen, dat „etlichequot; subcommissarissen in preeken en in gasthuizen zich onbetamelijk hadden gedragen, zoodat hun dit tot eigen oneer en tot minachting van de aflaatprediking wordt nagezegd. „Daarom,quot; zoo gaat de prelaat voort, „be-„velen en willen wij ernstig, dat gij (de Commissie) hierover met „onzen algemeenen sulcommissaris den heer Johann Tetzel in „onderhandeling treedt, om de groote onkosten, die zoo talrijk „een personeel na zich sleept, in zoover dit zonder nadeel voor „de aflaatprediking kan geschieden, te beperken en te vermin-„deren. Desgelijks, dat hij (Tetzel) zijn onderhoorige commis-„sarissen ernstig vermane zich voortaan in preeken, woorden „en werken overal welvoegelijk, volgens regel en tucht en gelijk „het hun stand betaamt, te gedragen. Mocht de heer Tetzel „evenwel tegen liet voorstel der Commissie eenig bezwaar „hebbenquot; — wat zeer goed gebeuren kon, daar de vermindering van personeel den reeds bejaarden subcommissaris de lasten der prediking des te zwaarder zou doen gevoelen — „dan „moest zij hem den brief des aartsbisschops toonen.quot;
Indien Tetzel die ongehoorde schanddaden had bedreven, waarvan Luther en diens volgelingen hem betichten, indien hij zich publiek aan de zedelijkheid had vergrepen en zich
89
met een groot deel der aflaatgelden had verrijkt, dan was het zeker hier, in een vertrouwelijk schrijven aan de Commissie, de plaats om den inquisiteur terecht te wijzen, of ten minste de Commissie voor hem te waarschuwen. Doch geen woord, waaruit men Tetzels schuld kan afleiden. Integendeel, hij zelf wordt aangesteld om enkele ondergeschikten te vermanen en ontvangt daarbij den last, om ook in Brandenburg en Pruisen den aflaat te preeken, wat hem toch zeker niet zou zijn opgedragen, als hij zijn ambt zoo schandelijk misbruikt had.
Zoo is dit schrijven van Albertus van Brandenburg, dat soms tot beschuldiging van Tetzel wordt aangevoerd i), juist een krachtig bewijs van zijn onschuld. „Etlichequot; commissarissen hebben mogelijk misdaan, — dit zullen wij niet betwisten — maar Tetzel kan men geen buitensporigheden, laat staan wandaden, toeschrijven. Volkomen gerechtigd zijn wij dus tot de gevolgtrekking, dat Tetzel tijdens de Aflaat pre diking voor de Sint-Pieterskerk niets heeft misdaan tegen de rechtzinnige leer, niets tegen de goede zeden. Niets tegen de rechtzinnige leer; dit is bewezen uit de fragmenten zijner preeken, — uit zijne biecht-brieven, — uit vele stellingen van Luther, waarin hem de de rechtzinnige leer wordt tot verwijt gemaakt, — uit den brief van den aartsbisschop van Mentz, waarin Tetzel met de uitvoering van het proces wordt belast. Niets tegen de goede zeden; dit blijkt uit den eerbied, waarmede Duitschlands primaat, ondanks Luthers aanklacht, in laatstgenoemden brief steeds over Tetzel spreekt, zonder in het minst op eenig misdrijf hoegenaamd te zinspelen; dit is duidelijk, als eene nieuwe aflaatprediking in Brandenburg en Pruisen aan Johann Tetzel wordt toevertrouwd.
i Körner. 1, c. p. b8 en 148.
9°
VUL
Luthers stellingen hadden Tetzel in zijn eer diep gekrenkt, zijn naam ter algemeene bespotting prijsgegeven. De baccalaureus, die jaren lang het professoraat bekleed had, was van grove dwalingen beschuldigd; de inquisiteur, die waken moest voor de rechtzinnigheid in geloofs- en zedenleer, was van ergerlijke misbruiken beticht. Persoonlijk had Tetzel dus redenen te over, om met Luther den strijd aan te binden, maar het waren vooral hoogere belangen, die hem naar de wapenen deden grijpen. Het was „de glorie van God , de „verdediging van het katholieke geloof en de eer van den H. „Apostolischen Stoel,quot; die hem deed besluiten den handschoen op te nemen, door Luther toegeworpen. Openbaar had Luther de katholieke leer aangevallen, openbaar zou Tetzel haar verdedigen. Ware de aflaatprediker zoo onwetend als eene pseudo-traditie hem schildert, hij zou zich hebben tevreden gesteld met Luther te veroordeelen, — iets waartoe zijn ambt hem bevoegdheid verleende — en zich niet aan een openbaar twistgeding hebben gewaagd; maar hij had van zich zeiven hooger dunk: Luthers Theses zouden door Tetzels Antitheses worden weerlegd.
Omtrent half December, 1517, verliet de inquisiteur Halle, waar hij vermoedelijk met de aartsbisschoppelijke Commissie in overleg was getreden, en begaf zich naar Frankfort a. O., om aldaar de uitdaging te beantwoorden. Nog voor het einde des jaars zag met het volgend opschrift eene reeks stellingen het licht: „Opdat de waarheid blijke, de dwalingen worden onderdrukt, de moeilijkheden tegen de katholieke „waarheden met kracht van redenen worden opgelost, zal „Frater Johannes Tetzel, van de Predikheerenorde, Bacca-„laureus in de H. Godgeleerdheid en Inquisiteur, onderstaande „stellingen verdedigen in de vermaarde universiteit van Frank-„fort a. O.quot; — Op den dag voor het dispuut bestemd, verscheen een jeugdig kloosterling, Johann Knipstrow, om zich
91
met den ouden theologant te meten. Tetzel moest natuurlijk voor den twintigjarigen student het onderspit delven. Wij voegen er bij: „natuurlijkquot;, want protestantsche geschiedschrijvers verzekeren dit, al is ook van het geheele dispuut nieis bekend, i) De aflaatprediker, zoo beweert men, was te onwetend om zich te kunnen verdedigen, te onwetend zelfs, om de theses samen te stellen , want deze zijn niet van Tetzel, maar van zijn leermeester Conrad Wimpina, destijds rector aan de Frankfortsche universiteit. De mogelijkheid, dat Tetzel zijn ouden vriend en meester zou geraadpleegd hebben, willen wij niet ontkennen; maar dat de Antitheses niet door Tetzel zouden zijn gesteld, dit ontkennen wij volstrekt. Met tal van bewijzen, zoo intrinsiek als extrinsiek, heeft Gröne Tetzels auteurschap gehandhaafd. 2) Het krachtig betoog van dien geleerde, dat allen redelijken twijfel uitsluit, willen wij om der kortheid wille, hier niet, herhalen; het zal voldoende zijn eenige gronden aan te geven, waarop de bewering van Tetzels vijanden steunt. De hechtheid (?) dier gronden zal ons die bewering gereedelijk doen aannemen. De Antitheses kunnen niet van Tetzel zijn, zoo verklaart Hofmann c. s,, omdat Tetzel niet bedreven qenoeg was in het Latijn. Hoe het geschiedschrijvers met zulk eene opwerping ernst kan zijn, is een raadsel. Tetzel zou niet genoeg bedreven zijn in het Latijn, en nog wel in het scholastiek Latijn, hij die voor zijne studiën zich van geene andere taal had bediend! De taal zou hij niet genoeg meester zijn, waarin hem alle lessen waren voorgedragen, waarin hij ontelbare malen had geredetwist en jarenlang gedoceerd! Otn preeken en strijdschriften in het Latijn uit te geven, zou hem de kennis niet hebben ontbroken, maar wel om theses te stellen! Nog meer: die theses, hij zou ze in Latiums taal niet kunnen stellen, raaar
wel kunnen verdedigen!........ Is er grooter ongerijmdheid
denkbaar ?
1) Körner. 1. c. p. 110.
2) Gröne. 1. c. p. 75.
92
Kömer is daarom verstandig genoeg om deze dwaze meening niet te deelen; maar de Antitheses aan Tetzel toeschrijven , dit kan hij evenmin. „Verre zij van ons,quot; zegt hij op goed-hartigen toon, „Tetzel te beschimpen of diens ontwikkeling „tot het nulpunt te herleiden, maar het ligt in de natuur der „zaak, en de ondervinding leert het, dat iemand, die zich „levenslang in het praktische leven beweegt, langzamerhand „bij de mannen der wetenschap en hun voortdurenden syste-„matischen voortgang moet achterblijven.quot; i) — Zeer zeker ; Kflrner, de emeritus-predikant, strekt hiervan zelf tot treurig bewijs; onverklaarbaar is het anders, hoe deze nog met een argument durft optreden, dat door Protestanten 2) reeds lang als een „ungeschichtlicher Irrthumquot; is verworpen en zelfs door Köstlin, den verheerlijker van Luther, niet dan zeer twijfelachtig wordt voorgesteld. 3) Daarbij had Körner moeten bedenken, dat Tetzel tot omtrent zijn veertigste jaar zich in het speculatieve leven had bewogen; dat hij als subcommissaris van den aflaat juist in de aflaatleer zeer goed onderricht was; dat hij als inquisiteur ambtshalve op de hoogte moest zijn van de actueele geloofsgeschillen; en eindelijk dat het niet aangaat, katholieke dogma\'s met uitvindingen en systemen der natuurwetenschap gelijk te stellen. Dit alles gevoegd bij de feiten, dat Tetzel de openbare verdediging der stellingen op zich durfde nemen en in geschriften, wier vaderschap hem door niemand betwist wordt, de aflaatleer klaar en duidelijk heeft uiteengezet, doet scherp genoeg de bespottelijkheid eener bewering uitkomen, die vooral op grond van Tetzels onwetendheid de Antitheses aan Wimpina toekent. — Terecht wijst men niet de onbeduidendste
1) Kömer. 1. c. p. ui.
2) Die weitverbreUete Anoahme dass Tetzel wegen seiner Umvissen-heit sich von Wimpina seine Streitschriften habe abfassen lassen , dass er rait fremden Federn geprunkt, ist ein ungeschichtlicher Irrthum, der nicht immer wieder und wieder kehren sollte. — Dr, Lammer. 1, c. p. 8
3) Köstlin. Martin Luther. I. 181.
93
redenen af, om Tetzels auteurschap te ontkennen, want de Antitheses zijn zoo duidelijk en redelijk gesteld, de leer is zoo echt dogmatisch en zuiver katholiek, daarbij de toon zoo waardig, dat zij met den „traditioneelenquot; aflaatkramer in lijnrechte tegenspraak zijn. Een vluchtig overzicht zal iedereen hiervan overtuigen.
Zonder af te dwalen tot een nietswaardigen woordenstrijd, waartoe Luthers sophistische verklaring van den text: „Doet „boetvaardigheidquot; enz., aanleiding gaf, bepaalt Tetzel alleen : „Ieder dwaalt, die beweert dat Christus, toen deze predikte: „„Doet boetvaardigheid,quot; de in- en uitwendige boetvaardig-„heid in dien zin bevolen heeft, dat Hij het Sacrament der „Biecht niet heeft kunnen bedoelen. De in- en uitwendige „boetvaardigheid baat thans den zondaar niets ter zaligheid, „wanneer Biecht en Voldoening in werkelijkheid of in voor-„nemen niet aanwezig zijn.quot; (Thes. 2 : 3.) De reden lezen wij tusschen de regels in: Omdat Biecht en Voldoening zijn bevolen door Christus en niet, zooals Luther bedoelt, door den Paus en de Kerk zijn opgelegd.
In eene reeks stellingen (Thes. 5—16) geeft Tetzel vervolgens de juiste verhouding aan van de aflaten tot de Voldoening. Wij laten er den verkorten inhoud van volgen. ,.De „Voldoening, die God na de vergeving der zonden eischt, „geschiedt door straf of door iets wat voor God daaraan „gelijk is, n. 1. door aflaten. Deze straf, die door den priester „wordt opgelegd en door Gods Rechtvaardigheid gevorderd, „moet of hier, of in het vagevuur worden ondergaan. Is de „zondeschuld vergeven en de zondestraf volbracht, dan moet „men toch, zoo lang men leeft, leedwezen hebben over de „bedreven zonden, ze altijd verafschuwen en niet zonder „vrees zijn voor de vergeving der zonden. Dezelfde straf „echter, die na rouwmoedige Biecht — oh peccclta conirita et „confessa — is opgelegd, kan de Paus door aflaten geheel „kwijtschelden.quot; Dit wordt nog nader bepaald. „De aflaten „nemen van hen, die in de vereischte gesteltenis verkeeren,
94
„alleen de straffen weg, die strekken om Gods Rechtvaardig-„heid te voldoen — poena vindicaiiva —, maar niet die strekken „om de wonden der ziel te heelen en haar voor verderen val „te behoeden — poena medicativa et praeservaüva. Zoolang „iemand leeft, mag hij geenszins die werken van boetvaar-„digheid nalaten.quot; — De aflaat is dus volgens Tetzel geen vergeving van zondeschuld, maar van zondestraf; en van welke straf? Niet, zooals Luther beweert, van eene zuiver kerkelijke, maar van eene voor God bindende straf, want de aflaat neemt de voldoenende straf weg, die in de Biecht is opgelegd en deze straf verplicht voor God. Hieruit volgt de absolute verwerping van Luthers dwaling: „De mensch, ook „op Goddelijk gezag, kan niet kwijtschelden, wat God bevolen „en gebonden heeft.quot; Dit valsch beginsel weerlegt hij in de volgende stellingen (Thes. 17—27), waarin hij de werking der Sacramenten des Ouden en Nieuwen Verbonds uiteenzet en duidelijk verklaart, dat in de Nieuwe Wet de Paus, en eveneens elk priester, niet alleen kan verklaren, dat de zonden door God vergeven zijn, maar ze ook werkelijk kan vergeven. Om door zijn dwaling minder aanstoot te geven, had Luther er bij gevoegd, dat God de zonden niet vergeeft dan door tusschenkomst van den priester. Ook deze stelling vindt bij den inquisiteur geen genade. „Hij dwaalt,quot; zoo luidt de 27ste thesis, „die beweert, dat Christus de zonden niet kan „vergeven zonder de absolutie van den priester. Men moet „niet — wat uit Luthers leer zou volgen — „wanhopen aan „een zondaar, die door den dood wordt overvallen en niet „kan biechten, want een berouw, het kleinste in duur, kan „nog vergeving der zonden bewerken. Zware straffen wachten „echter in het vagevuur dengene, die zijne bekeering uitstelt „tot het stervensuur, wanneer de tijd hem ontbreekt om de „zondestraf te voldoen. Door aflaten kan deze straf spoediger „worden voldaan; dwaas handelen daarom zij, die de geloo-„vigen weerhouden om zich in bezit te stellen van eenbiecht-„briefquot; (Thes. 28—33). In een biechtbrief werd o. a. aan
95
den biechtvader volmacht gegeven om den rouwmoedigen zondaar, zoo deze in stervensgevaar verkeerde, een vollen aflaat te verkenen.
Luthers stellingen over den duur der canonieke straffen en den toestand der zielen in het vagevuur weerlegt Tetzel met weinig woorden (Thes. 34—44). Overal herkent men den scholastieken theologant. De bewering, dat de Paus door vollen aflaat niet kwijtschelding van alle voldoenende straf verstaat, maar alleen van de door hem opgelegde; dat de Paus aan de zielen in het vagevuur geen straf kwijtscheldt; dat de aflaatpredikers dwalen, als zij preeken : „Door den „aflaat kan alle voldoenende straf worden kwijtgescholden,quot; wordt alleen door het krachtige: „errorquot; gebrandmerkt. (45—47).
Omtrent zijn gevoelen over den aflaat voor de overledenen laat Tetzel ons niet in het onzekere. „Ofschoon de Paus zoo leert hij, „geen rechtsmacht heeft over de zielen in het „vagevuur, kan hij haar toch aflaat toepassen bij wijze van „voorbede. Is eene ziel door het lijden van alle smet gereinigd ,quot; — d, i. heeft zij alle straf voldaan — „dan kan „zij zonder eenige hindernis ten Hemel stijgen en Gods „Aanschijn genieten: wie derhalve zegt, dat eene ziel niet „eerder ien Hemel kan stijgen, vóór dat het geld op den „bodem der offerkist klinkt, dwaaltquot; — Met Tetzels eigen woorden wordt hier de grillige voorstelling verworpen, als zou bij het geklingel der offerpenningen telkens eene ziel uit het vagevuur opstijgen. De verlossing der zielen uit het vagevuur is volgens hem niet volstrekt afhankelijk van de aalmoezen der geloovigen. Nu moge men opwerpen, dat vroeger het bekende vers: „So baldquot; enz. op de Tetzelsche aflaatkisten zou hebben gestaan, die nog te Maagdenburg, Brunswijk, Ulm en elders worden getoond, wij kennen de kracht van dit „zouquot;. Menig Lutheraan heeft mogelijk met afschuw den blik gewend van die zware met ijzer beslagen kisten, misschien het vochtig oog ten hemel geslagen en den Heere gedankt, dat de „seligequot; Luther Duitschland van die
96
„Greuelquot; heeft verlost; doch dit bewijst alleen volslagen onkunde, want wat zijn die afschrikwekkende kisten? Eenvoudig groote offerblokken, waarin de voorvaderen hunne gaven stortten tot ondersteuning der armen en tot onderhoud der kerken, maar die bij den protestantschen eeredienst in onbruik zijn geraakt, i) Voilé tout!
Tegenover Luthers beschuldiging, dat de aflaatpredikers zouden hebben verkondigd: „Door aflaten zijn de geloovigen „verzekerd van hunne zaligheid,quot; bepaalt Tetzel wanneer en in hoever de geloovigen kunnen vertrouwen op de aflaten. „Het is eene dwaling, dat niemand met eene stelligheid, zooals „de menschelijke zwakheid kan geven, verzekerd kan zijn van „het verdienen der aflaten; eene dwaling, dat iemand, wiens „straffen door de aflaten vergeven zijn, volgens voorschrift, n.1. „na oprecht berouw, belijdenis enz , niet zeker is van zijne zalig-„heid; eene dwaling, dat iemand, nadat hij den pauselijken aflaat „volgens alle vereischten ontvangen heeft n.1. na oprecht berouw „en belijdenis, niet verzoend wordt met God.quot; (Thes. 60, 62, 63.) Hieruit blijkt weder, dat Tetzel voor het deelachtig worden van den aflaat uitdrukkelijk berouw vereischt. De tegenovergestelde bewering vindt nergens grond, noch in Tetzels In-siructio, noch in zijn biechtbrieven, noch in zijn Antitheses, noch in zijn overige strijdschriften. Tevergeefs zal men zich hier op de 64ste stelling beroepen. Deze luidt: „Verkeerd is „het te verzekeren: het is geen christelijke leer, dat om biecht-„brie7ie?i te nemen voor vrienden, en om aflaat te verdienen „voor overledenen, geen berouw vereischt wordt.quot; Voor anders-gezinden, die met de katholieke leer en gebruiken niet zijn bekend, is deze stelling ergerlijk. Dr. Lammer vond haar, toen hij nog Protestant was, „anstöszig.quot; Zelfs Gröne schijnt haar minder goed te begrijpen en doet blijkbaar alle moeite om zich uit de verlegenheid te redden. Toch valt op de waarheid en de duidelijkheid dezer stelling niets af te dingen.
I) Gröne. 1. c. p. 177.
97
Zij is de eenvoudige ontkenning van Luthers 35510 thesis, waarin deze het onchristelijk noemt, tot het ontvangen van biechtbrieven en tot het verdienen van aflaten voor overledenen geen berouw te vereischen. Tetzel loochent dit met betrekking tot beide dealen en — gelijk wij hfdst. VI gezien hebben — met recht. Duidelijkheidshalve voegt hij bij het eerste lid de woorden; „voor vrienden,quot; daardoor blijkt het wederom, dat de biechtbrief geen kwijtschelding van zonden is. Kwijtschelding immers van zonden wordt niet gegeven zonder persoonlijk berouw; het berouw van anderen heeft daarop geen invloed. Kan men dus voor vrie7iden biechtbrieven ontvangen, door in hunne plaats eene aalmoes te geven, dan kan door biechtbrieven geen kwijtschelding van zonden worden verstaan en is bijgevolg voor het ontvangen dier diplomen berouw geen vereischte 1).
Zeer juist wordt van thesis 72—79 de verhouding tusschen de liefdewerken en de aflaten aangegeven. „De aflaten stellen „de voldoeningen van Christus in plaats van de onzen. De „liefdewerken zijn van grooter waarde wat de verdienste, „maar de aflaten wat de voldoening betreft; wie dusquot; — gelijk Luther — „voor het volk het eene leert en het andere verzwijgt , dwaalt.quot; — „De aflaten bevrijden iemand eerst van „de straffen, doch maken zijn werken, omdat deze daardoor „in grootere liefde geschieden, verdienstelijker. De aflaat zelf „is een werk van barmhartigheid en in sommige gevallen staat „dit geestelijk werk van barmhartigheid boven een lichamelijk. „Ofschoon het verdienen van aflaten niet is geboden, kan het „toch voor enkelen zeer raadzaam zijn; al wie dusquot; — gelijk Luther — „het eene zegt en het andere verzwijgt, verleidt het volk en dwaalt.quot; — De aflaten zijn volgens Tetzel niet volstrekt noodzakelijk, doch alleen raadzaam; zij zijn nuttig,
1) Dat het nemen van biechtbrieven voor vrienden niet ongeoorloofd is, blijkt uit de eeuwenoude praktijk der katholieke Kerk in Spanje. Nog tegenwoordig — gelijk wij van zeer vertrouwbare zijde hebben vernomen — staat de Kerk bij gelegenheid der kruisvaartbul dit gebruik aldaar toe.
7
98
maar onder voorwaarden. „Indien men niet met geloof, gods-„vrucht en vertrouwen aflaten wil verdienen, dan zijn zij niei „voordeelig; beijvert men zich daarentegen om alles, wat door „den Paus wordt voorgeschreven, zoo goed mogelijk te verhullen , dan zijn zij nuttig, wat anderen hiertegen ook mogen „inbrengen.quot; (Thes. 83. 85.)
Met kracht handhaaft de inquisiteur het bestaan van den kerkdijken schat. (Thes. 90—98). „De schat, waaruit de „Kerk aflaten verleent, is niet te weinig bekend; hij bestaat „uit de voldoeningen van Christus en de Heiligen. Wie door „den kerkelijken schat de sleutelmacht des Pausen verstaat, „dwaalt,quot; want tot het kwijtschelden van zondenstraf is de vrijspreking niet voldoende, maar wordt bovendien eene toepassing van den kerkelijken schat vereischt.
De spitsvondige „vragen des gemeenen mans,quot; waarmede Luther het debat sloot, acht Tetzel geen weerlegging waardig; zij dienen op eens gemeenen mans manier te worden beantwoord en passen geenszins in een ernstige redetwist van geleerde doctoren.
Slaan wij thans een blik over alle Antitheses, dan moet ieder bekennen, dat zij onmogelijk het werk kunnen zijn van iemand, die is een „ungelehrter Tropfquot;, een „grober Esel.quot; Alles verraadt een degelijk onderlegd theologant. De leer der Voldoening, de werking der Sacramenten, de natuur, de kracht, de zekerheid en het nut der aflaten; dit alles wordt zoo bondig en klaar behandeld, dat ieder het gevoelen van den geleerden Hefele onderschrijft: „Wer aber je seine (Tet-„zels) Thesen las,.... der musste zugeben, dass dieser Mann „die schwierige Lehre vom Ablass sehr gut verstand, und „dass diese Thesen unstreitig viel besser sind als die Obelisken des vielberühmten Dr. Eek.quot; 1) — Wat Tetzels orthodoxie betreft, geen Katholiek, die de Antitheses gelezen heeft, zal, gelooven wij, er eenig bezwaar tegen maken. Niet dat
1) Tübinger Quartalschrift. Jahrg. 1854. p, 631.
99
alle stellingen geloofspunten ziju, maar zij zijn de redelijke gevolgtrekkingen eener leer, die in hoofdzaken door het concilie van Trente en door de decreten van verschillende Pausen is vastgesteld. Wil men dus Tetzel van „schreckliche Artikelquot; beschuldigen, dan blijft er slechts één uitweg open, nl. dat Tetzel hier anders leert dan hij vroeger zou hebben gepreekt. Maar ook dit is ij del. In zulk geval zou Luther ongetwijfeld op het onderscheid tusschen leer en prediking hebben gewezen. Beide worden echter evenzeer door hem bestreden. Deze Antitheses, wier redelijkheid en rechtzinnigheid door ieder onpartijdig beoordeelaar worden geprezen, zijn juist door Luther voor dwaling en dwaasheid verklaard; en van dit oordeel des Meesters zijn de getrouwe leerlingen niet afgeweken. In echt Lutherschen stijl zegt o. a. Löscher (1. c. I. p. 523): „Diese zwey Disputationes (van Tetzel) sind Proben „von den stinckenden Schaeden des Papstthums, wie sie in „ihrer recht garstigen und aufgedeckten Gestalt eytern.quot; Verontwaardigd roept Vogel uit: „Hoe zondig, godslasterend „en verwerpelijk deze stellingen zijn, kan zelfs de eenvoudigste „Lutheraan licht beoordeelen.quot; En Tentzei schrijft in zijne Reformationsgeschichte: „De stellingen van Tetzel zijn zeer „plomp en liederlijk, de nietswaardige aflaat wordt daarin zoo „heftig mogelijk verdedigd.quot; — Men ziet, de misbruiken, waarvan Tetzel wordt beschuldigd, zijn oi gebruiken, of laster ; dit eerste hebben wij reeds genoegzaam aangetoond, dit laatste zullen wij met één voorbeeld doorslaand bewijzen.
Luther had Tetzel beschuldigd van zeer onwaardig over de H. Maagd te hebben gesproken. Met verontwaardiging werpt de inquisiteur in zijne Antitheses deze lasterlijke dwaling van zich af. Dit blijkt uit de ioiste stelling. Wij onderschrappen: „Dit blijkt,quot; want hoe Gieseler, Tentzei, Merle d\'Aubigné en anderen de sterkst mogelijke ontkenning voor de sterkst mogelijke bevestiging kunnen aanzien, is onbegrijpelijk. De betwiste woorden toch luiden letterlijk aldus: „Aan de sub-„commissarissen en aflaatpredikers bovendien ten laste te
TOO
„leggen, dat zij, indien iemand, zoo mogelijk, de Moeder „Gods altijd Maagd onteerd had, dezen krachtens de aflaten „konden vrijspreken; het is meer dan daghelder, dat zulk een „beschuldiger spreekt tegen de bekende waarheid, door haat „wordt vervoerd en dorst naar het bloed zijner broeders.quot; i)
Overmoedig, onbeschaamd zou het in den aflaatprediker geweest zijn, zoo nadrukkelijk en in het openbaar de beschuldiging als lagen laster zijn tegenstanders terug te slingeren, indien de aantijging slechts op eenigen grond van waarheid had gesteund, maar zij was geheel uit de lucht gegrepen. Zonder schroom kon hij zijn lasteraars uitdagen, want zijne onschuld was reeds rechterlijk bewezen.
Toen men, met of zonder medeweten van Luther, het gerucht had rondgestrooid, dat Tetzel vooral te Halle zulk een ergerlijke taal zou hebben gesproken, begaf deze, gesterkt door den moed, die alleen een rein geweten geven kan, zich naar genoemde stad. Aldaar aangekomen, verzocht hij de burgerlijke overheid eene vergadering te beleggen. Den i2den December, 1517, kwamen, volgens een authentieke akte 2), de raadsleden, de gildemeesters, de gezworen schepenen en het bestuur der mijnwerken op het raadhuis bijeen, en nu verklaarde de aflaatprediker, hoe vele personen, die hij wegens hun aanzien thans niet wilde bekend maken, hem beschuldigd hadden van de kracht der aflaten te hebben overdreven en vergelijkingen te hebben gebruikt, die leiden moeten tot minachting der H. Maagd Maria. Daar dit niet alleen tot oneer van Maria, maar ook tot smaad van de leden zijner Orde en ook van
1) Subcormnissariis insuper ac praedicatoribus ueniarum imponere, ut si quis per impossibile Dei genitricem semper uirginem uiolasset, quod eundem Indulgentiarum uigore absoluere possent, luce clarius est, Sic contra apertam ueritatem imponentem odio agitari ac fratrum suorum sanguinem sitire. Lutheri Op. I. p. XCV. b. (Ed. Witeb. 1545) — Körner, door een drukfout misleid, beproeft te vergeefs de vertaling dezer thesis en wijt ten laatste de onduidelijkheid aan Tetzels slecht Latijn. (!).
2) Zie de door Seidemann gepubliceerde authentieke akten: Bijlage 11.
lOI
zijn eigen persoon strekte, verzocht hij de vergadering onderzoek te doen naar zijne prediking en hem onder ieders ambts-zegel waarachtig kondschap te geven van hetgeen allen te zamen en ieder afzonderlijk zich van het feit zouden herinneren.
Het getuigenis, aan welks echtheid niet valt te twijfelen, was als volgt: „Wij Raadsheeren, Gildemeesters, Schepe-„nen, enz. hebben afzonderlijk de zaak besproken en ieders „herinnering eenstemmig bevonden; wij bekennen, dat wij „zulke onpassende taal van genoemden waardigen Heer en „algemeenen Subcommissaris bij ons noch elders in gesprek of „preek hebben gehoord, ook heeft niemand onzer van andere „lieden iets gehoord, dat zijne eerwaardigheid zulke onwel-moegelijke taal zou hebben gesproken. Wat ons persoonlijk „betreft, wij houden zijne eerwaardigheid voor onschuldig aan „zulke woorden en verzoeken iedereen met bijzonderen aandrang „hem insgelijks voor onschuldig te erkennen. — Tot bekentenis „en tot staving dezer waarheid hebben wij Raadsheeren, „Gildemeesters, Schepenen, enz. onder aan dezen brief ons „zegel laten hechten.quot;
Twee dagen later ontving Tetzel een getuigenis van de geestelijke overheid van Halle, dat niet minder beslissend is. In dit belangrijk stuk doet Johannes Pals, doctor van het canoniek Recht en proost van de órde der Augustijnen, kond aan alle aartsbisschoppen, bisschoppen, keurvorsten .... en aan alle geloovigen van geestelijken of wereldlijken stand, dat de Eerwaarde Heer, de Heer Johann Thezel (of Tetzel) Baccalaureus enz. hem onderricht heeft, dat hij (Tetzel) door verschillende personen met woord en geschrift beschuldigd wordt, als zou hij vroeger en vooral hier te Halle oneerbiedig van de aflaten en van de H. Maagd gepredikt hebben. Daar nu zulke beschuldigingen, zoo verklaart de proost verder, tot smaad van de Koningin des Hemels, tot ergernis der geloovigen en tot geringschatting van bovengemelden Heer Johannes Tetzel strekken, heeft hij als rechter in deze zaak, zich beijverd, om de waarheid te ontdekken, en alle biechtvaders
I02
ran Halle en omstreken in de pastorie der Lieve-Vrouwenkerk ontboden. — Hier volgen de namen van meer dan 30 geestelijken , waaronder Augustijnen, Carmelieten, Minderbroeders , enz. — Nadat hij allen en ieder van hen in het bijzonder ten strengste heeft vermaand, om hieromtrent de waarheid te bekennen, „hebben zij ieder openlijk verklaard, dat zij gedoemde onbetamelijke woorden, of soortgelijke, van ver-„melden Heer Johann Tetzel in of buiten diens preeken niet gehoord en tot op dit uur geen gerucht daarvan vernomen „hebben. Zij houden daarom, dat hij aan dit gerucht, indien „dit zich ergens mocht hebben verspreid, onschuldig is.quot; Tot oorkonde en kennis hiervan heeft de proost den open brief met het zegel der proostdij en de onderteekening van den notaris doen voorzien.
Gaan wij deze allerbelangrijkste getuigenissen nog eens nauwkeurig na.
De burgerlijke overheid van Halle en omstreken verklaart na ijverig onderzoek eenstemmig: 1quot; dat zij dergelijke ongepaste uitdrukkingen noch te Halle, noch elders heeft gehoord, 20 dat zij van andere lieden niets hieromtrent heeft vernomen, 30 dat zij Tetzel hieraan onschuldig houdt en ieder dringend verzoekt het eveneens te doen.
De talrijke geestelijken van Halle getuigen officieel: i0 dat zij genoemde of dergelijke woorden van Tetzel noch in, noch buiten diens preeken gehoord hebben, 20 dat zij tot op dit uur geen gerucht er van hebben vernomen, 30 dat zij hem aan dit gerucht, mocht het in omloop zijn, onschuldig achten.
Het staat dus vast, dat Johann Tetzel niet onbetamelijk heeft gepreekt; dat zelfs niet bij geruchte hiervan iets te Halle was bekend en dat geestelijken zoowel als leeken den aflaat-prediker hiertoe niet in staat achtten; bijgevolg is Luthers beschuldiging volstrekt laster.
Door deze authentieke bewijsstukken wordt Tetzels aanklagers het zwijgen opgelegd. Wat zullen zij er tegen inbrengen? De authenticiteit der akten loochenen? Dit kunnen
103
zij niet: de stukken zijn onderteekend en verzegeld. Twijfelen aan de geloofwaardigheid der getuigen? Dit gaat evenmin; vooreerst bestaat er geen reden om de goede trouw der raadsheeren, gildemeesters, schepenen, enz. benevens der talrijke geestelijken, waaronder provinciaals, priors, enz. te verdenken en vervolgens moesten al deze personen getuigenis der valschheid hebben gegeven, want het getuigenis van allen en van ieder afzonderlijk is eenstemmig. Ongenoegzaam onderzoek ten laste leggen? Ook dit heeft geen grond; want de burgerlijke overheid heeft met vijf colleges de zaak besproken, terwijl de proost, Johannes Pals, als rechter „zich beijverd „heeft om de waarheid te ontdekken.quot; De getuigen van partijdigheid beschuldigen? Onmogelijk; de geestelijke rechter Johannes Pals is Augustijn en Luthers geestverwant, daarbij komen onder de namen der getuigen niet minder dan Hen ordebroeders van den Wittenbergschen monnik voor.
Één zoogenaamde uitvlucht rest nog: Indien Tetzel deze betwistte uitdrukkingen niet te Halle heeft gebruikt, dan heeft hij ze elders gebezigd, want „Erdichtet hat sie Luther nicht dit is onfeilbaar (?) zeker, i)
Zonder vrees van te veel te bewijzen, verklaren wij deze laatste bewering onhoudbaar op grond van de volgende feilen : 10 Tetzel was beschuldigd van vooral te Halle ergerlijk te hebben gepredikt en in deze stad is aan niemand ook niet bij geruchte iets hiervan bekend, evenmin dat hij elders aldus zou hebben gepreekt.
2° Tetzel geniet bij geestelijken en leeken, die hem van nabij kenden, zoo hooge achting, dat allen hem tot zulk een daad nu en in de toekomst niet in staat rekenen.
3° Te Halle resideerde de aartsbisschoppelijke Commissie, die met een bijzonder toezicht over de aflaatprediking was belast, indien bijgevolg Tetzel, waar ook, zich ontstichtend had gedragen, dan moest dit college het weten, of kon het
i) Kömer. J. c. p. 88
io4
ten minste te weten komen. Ondanks alle navorschingen van geestelijke en burgerlijke overheid, heeft men ook niet van andere lieden het minste hiervan vernomen. De Commissie zelf belastte, gelijk wij weten, den inquisiteur met eene nieuwe aflaatprediking.
Wij herhalen dus met volle recht: Tetzel is onschuldig aan dit misdrijf.
IX.
Tetzels Antitheses werden door de universiteiten, waar de Scholastiek nog heerschte, goedgunstig ontvangen; men vond er de traditioneele leer in terug, die reeds door de oudste Meesters der School was bepaald en verklaard. Te Wittenberg, dat geheel op de hand was van Luther, werkte deze algemeene goedkeuring verbitterend. De oude wrok tegen de hoogeschool van Leipzig, waar Tetzel gestudeerd had, ontvlamde met nieuwe felheid. Niet dan met leede oogen had de Wittenbergsche universiteit, die gesticht was om Leipzig naar de kroon te steken, moeten zien, hoe deze ondanks het drijven der humanisten nog stond in vollen luister en hare jeugdige mededingster in aanzien en talrijkheid van studenten ver overschaduwde; en thans, men gevoelde het maar al te zeer, was een nieuwe nederlaag geleden. De opgewonden stemming duurde nog voort, toen in het begin van Maart, 1518, een bode te Wittenberg kwam, die door Tetzel uit Halle was gezonden met een aantal exemplaren der Antitheses, om deze aldaar te verkoopen. Nauwelijks hadden de studenten dit vernomen, of zij spoedden zich tot den onverlaat, verweten onder een vloed van bedreigingen den armen koopman , dat hij met zulk een waar binnen Wittenberg durfde verschijnen. Eenige kochten daarop enkele exemplaren, maar weldra vielen andere hem aan en roofden den geheelen voor-
io5
raad, omstreeks 800 exemplaren. In dolle uitgelatenheid zou men zich nu op den gehaten Leipziger wreken. Terstond werd eene vergadering belegd, en afgekondigd, dat ieder, die bij de verbranding en de lijkplechtigheid der Tetzelsche stellingen wilde tegenwoordig zijn, zich tegen twee uur op de Markt moest bevinden. Op het bepaalde uur was de veelbelovende (?) jongelingschap, waarvan Luther zulk een treurig tafereel heeft opgehangen, ter aangeduide plaatse aanwezig; en wij kunnen ons voorstellen , hoe het „Vivat Luther! Per eat Tetzel!quot; luid weergalmde, toen de theses van den inquisiteur in rook opgingen. Luther was over deze baldadigheid, die voor een heldenstuk moest doorgaan, zeer misnoegd. Zij was voor hem geheel ontijdig. Met zulke oproerige demonstraties was de rol van onschuldig vervolgde, dien hij tegenover Paus en bisschop zich had voorgenomen te spelen, onvereenigbaar. Alle verantwoordelijkheid zocht hij daarom zoo ver mogelijk van zich af te werpen. De studenten werden door hem van den kansel tot broederlijke liefde vermaand, terwijl zijn vrienden per brief van zijn onschuld werden ingelicht. „Opdat «gij vooruit moogt weten,quot; zoo schreef hij aan zijn vriend Lange, 21 Maart 1518, „hoe de zaak zich heeft toegedragen, „in geval de tijding van de verbranding der Tetzelsche stellingen tot u komt en, zooals gewoonlijk, overdreven wordt „voorgesteld, geef ik u hier een verslag. De studenten, verdrietig over die oude sophistische studie en begeerig naar de „H. Schrift, en misschien ook om mijne gunst te winnen, „hebben Tetzels theses verbrand.... Dit alles is geschied „buiten weten van den keurvorst, den senaat, den rector en „van ons allen. Zeer zeker mishaagt mij en allen de zware „beleediging, die door de onzen dien man (Tetzel) is aange-„daan. Ik ben zonder schuld, maar ik vrees, dat men mij „de geheele zaak zal toeschrijven.quot; — Om het vergrijp van Luthers leerlingen te vergoelijken, geven sommige geschiedschrijvers voor, dat dit alleen geschied is uit weerwraak, omdat Tetzel Luthers theses verbrand had; maar het absoluut
io6
stilzwijgen van Luther daar, waar hij in zulk geval had kunnen en moeten spreken, strekt hier reeds tot voldoende weerlegging.
Vermoedelijk omtrent dezen tijd werd Luther door Tetzel namens den aartsbisschop van Mentz voor de geestelijke rechtbank gedaagd, doch hij bekreunde zich niet om den inquisiteur en werkte volijverig voort aan de verspreiding zijner leer. Op Tetzels Antitheses volgde nog in de Vasten van 1518 Luthers Sermon von Ahlasz und Gnade. Deze preek bestaat uit 20 artikelen, die allen gericht zijn tegen de scholastieke aflaatleer en zich kenmerken door volslagen miskenning van het gezag der scholastici. „Laat de scholastieke „leeraars scholastiek zijn,quot; staat o, a. in het igdc artikel, „zij zijn altegader met hunne opiniën niet genoeg om ééne „preek te bevestigen.quot; — Het geschrift was voor het volk bestemd en daarom in het Duitsch geschreven. Te gelijk met de Iheses was het reeds in 1517 verschenen, maar de bisschop van Brandenburg had de uitgave onmiddelijk doen staken, zoodat slechts enkele exemplaren verspreid waren. Thans zag Luther geen reden, die hem nog langer kon weerhouden.
Het duurde niet lang, of het bewuste libel viel in handen van den inquisiteur Johann Tetzel; en eene weerlegging kon nu niet uitblijven. Waarschijnlijk tegen het einde van April verscheen eene Vorlegwig von Bruder Johann Tetzel, welke aan alle Christengeloovigen ter lezing werd aanbevolen. In dit verweerschrift volgt Tetzel zijn tegenstander op den voet. Eén voor één worden de artikelen onderzocht; dp dwaling wordt aan het licht gebracht, scherp tegenover de katholieke leer gesteld en door bewijzen uit de H. Schrift, de Kerkvaders of het kerkelijk Recht bestreden. Elke weerlegging wordt telkens aan het oordeel van den Paus, de H. Roomsche Kerk en alle universiteiten onderworpen. De gematigde toon, die in het geschrift heerscht, steekt gunstig af bij Luthers smaad-
l) Evers. 1. c. II. p. 252.
107
redenen, wat des te meer bewondering wekt, als men denkt aan den hoon, die voor weinig tijds den inquisiteur door Luthers leerlingen was aangedaan. De kalmte, waarmede hij disputeert, doet den strijder kennen, die zich van de waarheid bewust is. Wat de leer betreft, deze wijkt niet in het minst af van hetgeen in de Antitheses is verdedigd; zij is hier, volgens den aard van het werk, nog breeder ontvouwd en daarom des te belangrijker. Treden wij om dit een en ander klaar voor oogen te stellen, in enkele bijzonderheden.
Tetzel begint met het gezag der scholastieke leeraars, die door Luther zoozeer veracht waren, te handhaven en laat vrij duidelijk Luthers streven doorschemeren. „Om de 20 valsche „artikelen,quot; zegt hij, „bij de menschen eenigen schijn van „waarheid te geven, moest de schrijver (Luther) eerst de „scholastieke leeraars uit den weg ruimen, want deze zijn „gezamenlijk tegen hem. Deze handelwijze heeft hij met de „ketters gemeen. De ketters weten, dat zij, zooals Sint-„Augustinus leert, vooral door het gezag moeten bestreden „worden, en daarom, wanneer zij eene dwaling onder het „volk willen verspreiden, verwerpen zij eerst alle leeraars, „die met hunne leer in strijd zijn.quot; — „Dit miskennen der „Scholastiek geschiedt echter geheel ten onrechte. Onder die „duizenden leeraars zijn er vele onder het getal der Heiligen „opgenomen; hunne leer over de boetvaardigheid is door de „Heilige Roomsche Kerk nooit gegispt, maar voor echt aangenomen; hunne uitlegging van de H. Schrift en van de „vier groote Kerkvaders altijd als getrouw erkend.quot;
De weerlegging van alle artikelen na te gaan, is ondoenlijk. 1) Daar men echter Luthers artikelen nagenoeg tot vier hoofddwalingen kan herleiden, kunnen wij volstaan met alleen deze aan te geven en door Tetzels wederlegging te laten volgen. Zooveel mogelijk zullen wij Tetzels woorden letterlijk aanhalen.
1) Zie: Löscher. 1. c. I. p. 484. — Gröne. 1, c. p. 219. — Rohrbacher. Hist. Univ. de 1\'Eglise Cath. XXIII. p. 28.
io8
Luther beweert ten eerste: De Voldoening kan niet bewezen worden uit de H. Schrift, noch uit de Kerkvaders,
Hiertegen voert Tetzel verschillende plaatsen aan uit de H. Schrift: Deuter. XXXII, II Kon. XXIV alsmede het bekende voorbeeld van David. Deze koning had, zooals men weet, zich schuldig gemaakt aan overspel. Verpletterd door de vreeselijke woorden van den profeet Nathan, beleed hij met een van droefheid en berouw verbrijzeld hart zijne schuld. God nam daarop zijne zondeschuld weg, schold hem de verdiende straf des doods kwijt, maar toch zou het zwaard niet wijken van zijn huis, omdat hij Gods woord veracht en dien misdaad gepleegd had. — Uit het Nieuwe Testament grondt hij zich op Christus\' woorden: „Doet waardige vruchten van boetvaardigheid,quot; welke tekst door alle Heilige leeraars van de Voldoening wordt verstaan. Eindelijk treden verschillende Kerkvaders tot getuigenis zijner stelling op, o. a. Sint-Gregorius, Sint-Anselmus en Sint-Augustinus. De woorden vooral van dezen laatste, sluiten allen twijfel uit: „God heeft niemand „vrijheid gegeven om te zondigen, ofschoon Hij de bedreven „zonden barmhartig vergeeft, wanneer eene betamende voldoening niet wordt nagelaten.quot; (Enchir. c. 70.)
Ten tweede. De aflaat neemt niet weg de voor God bindende straffen.
Dit weerlegt Tetzel aldus: „De volkomen aflaat neemt „ook de straf weg, die de goddelijke Rechtvaardigheid nog „voor de zonden vordert, indien deze rouwmoedig is gebiecht, „maar door geene genoegzame voldoening is uitgeboet. De „Paus volgt den H. Petrus in diens ambt op en heeft bijge-„volgt evenals de H. Petrus de macht om alle zonden te verbeven, krachtens de woorden des Heeren tot Petrus gesproken : „Alles wat gij binden zult op aarde, zal gebonden zijn in „den Hemel, enz. Daar nu de Paus alle zonden vergeven „kan, zoo kan hij door den aflaat ook alle straf voor de „zonden vergeven. Alle straf toch, die de menschen voor „hunne zonden moeten lijden, wordt eerst door God, tegen
log
„Wien de zonde is, opgelegd en vervolgens in de plaats van „God door den priester naar evenredigheid bepaald. Niemand „dus houde slechts voor eene opinie: De .aflaat neemt de „straf weg, die de goddelijke Rechtvaardigheid vordert van „de zonden, welke rouwmoedig gebiecht, maar door den priester „niet met genoegzame boete zijn gestraft; want de H. Roomsche „Kerk met alle christelijke Leeraars brengt dit in beoefening „en heeft het nooit verworpen.quot;
Ten derde: De aflaat ontslaat van de werken der boetvaardigheid.
Deze beschuldiging, die Luther voortdurend zijn tegenstander voor de voeten werpt, laat Tetzel niet na krachtig te beantwoorden. „De volkomen aflaat neemt de werken der Voldoening weg in dien zin, dat, zoo iemand de aflaat volkomen „deelachtig wordt, hij krachtens pauselijke macht ontslagen „is van alle voldoenende straf, die voor de rouwmoedig „gebiechte zonden was opgelegd. Daar evenwel na de vol-„kömen vergeving der zondeschuld en der zondestraf de „mensch nog aangevallen wordt door den duivel, de wereld „en het vleesch, en de zondige gewoonten en driften hem „voortdurend tot hervallen neigen, moet hij de werken van „boetvaardigheid nooit nalaten, want zij zijn heelend voor „zijne geestelijke zwakheid en bovendien verdienstelijk voor „het eeuwig leven. Geen pauselijke of bisschoppelijke aflaatbrief zegt dan ook, dat de menschen, indien zij den aflaat „verdienen, voortaan zich van de werken der boetvaardigheid „zullen onthouden. Zelfs al hadden wij niet gezondigd, dan „waren wij in onze hoedanigheid van schepsel nog hiertoe „verplicht. Al hebben wij alle goede werken verricht, die in „ons vermogen zijn, dan nog moeten wij zeggen: Wij zijn „onnutte dienaren Gods.quot; — „De aflaat is geen kwijtschelding „van boetvaardigheid: dit kan in waarheid nooit door de „christelijke leer worden bevestigd. Degenen die aflaat ver-„dienen, hebben een oprecht berouw en zijn in Gods liefde; „door berouw en liefde wordt de mensch echter niet verflauwd,
110
„maar integendeel ontvlamd om God te dienen en veel voor „Gods eer te arbeiden. Daarom verlangen juist godvruchtige „en vrome lieden naar aflaten, maar geen trage. Valsch is „dus het artikel, dat de arme zondaars afkeerig zoekt te maken „van den aflaat, als ware deze niet heilzaam. Het is ook „tegen den inhoud van alle aflaatbrieven, die allen aanioonen, „dat aflaat verleend wordt om de menschen tot berouw, Biecht „en goede werken aan te sporen. Bovendien strijdt het tegen „het algemeen gebruik der H. Roomsche Kerk en kan door „de H. Schrift niet worden gestaafd.quot;
Ten vierde: Het heeft geen grond, dat de zondestraf in het vagevuur kan worden uitgeboet.
Na de aanmerking, dat dit gevoelen door de tegenpartij gesteld wordt als ware het een Evangelie, zonder eenig bewijs uit de H. Schrift of uit het kerkelijk Recht, weerlegt Tetzel het aldus: „De Heilige Kerk en alle Kerkvaders getuigen, dat „ofschoon God uit Barmhartigheid èn de zondeschuld èn de „zondestraf kan vergeven, Hij toch het recht bezit om na de ver-„vergeving der zondeschuld de tijdelijke zondestraf nog te eischen. „Indien derhalve de mensch op deze wereld niet genoegzaam „heeft voldaan, dan kan God de nog af te boeten straf in het „vagevuur vorderen.quot; — Dat deze overblijvende straf gedeeltelijk of geheel door aflaten kan worden weggenomen, bewijst de inquisiteur uit het eeuwenoud gebruik der H. Roomsche Kerk om aan altaren, kerken en kapellen aflaten te verkenen, die toevoeglijk zijn aan de zielen in het vagevuur. Dit gebruik zou de H. Stoel niet toelaten, indien het niet op goede gronden steunde. Vervolgens beroept hij zich op het kerkelijk Recht, op de nieuwere Kerkleeraars, vooral op den H. Thomas, wiens leer door Paus Urbanus V en Innocentius VI als christelijk is erkend en aanbevolen.
Aan Tetzels scherpzinnigheid was de draagkracht van Luthers artikelen niet ontgaan, hij begreep zeer goed hunne strekking. Er was hier meer dan een schoolsch dispuut; het gold hier beginselen, die, eenmaal aangenomen, diep zouden
grijpen in het kerkelijk leven. Zijne waarschuwing is eene profetie, die letterlijk is vervuld. „Vele menschenzoo vermaant hij, „zullen door deze artikelen de overheid en de „macht van den Paus en den H. Roomschen Stoel verachten. „De werken der sacramenteele Voldoening zal men nalaten; „het woord der predikers en leeraars nooit geloof schenken. „Ieder zal naar eigen goedvinden de H. Schrift willen uitleggen. „De Christenen zullen in groot zielsgevaar verkeeren, want „ieder zal gelooven wat hem goeddunkt.quot;
In het laatste artikel had Luther zijn vijanden verweten, dat zij hem van ketterij hadden beschuldigd en zelve niet wisten wat rechtzinnige leer was. Tetzel komt hiertegen op. Hij zal aan de beroemde universiteit van Frankfort nog andere stellingen verdedigen en daaruit zal voor iedereen blijken, waar de rechtzinnige leer gevonden wordt in Luthers Theses en Sermon of in Tetzels Antitheses en Vorlegutig. Verder onderwerpt hij al zijne geschriften aan de beslissing van den H. Stoel en noodigt Luther uit eveneens te doen. Als deze mocht voortgaan met leeringen te verspreiden, die niet steunen op de H. Schrift, het kerkelijk Recht, de Kerkleeraars, of de rede, en weigert zich te onderwerpen aan het oordeel der Kerk, dan moeten de Christenen, gedachtig aan Christus\' woorden: „Wie de Kerk niet hoort, zij u een „heiden en tollenaar,quot; geen acht slaan op zijn geschrijf, terwijl hij zelf dit geen antwoord zal waardig keuren.
Bij het lezen der Vorlegutig staat men verwonderd, zoo niet verontwaardigd over de schaamteloosheid, waarmede men zoo klakkeloos den inquisiteur de grofste dwalingen heeft durven verwijten. Alleen de lastering, dat hij voor den aflaat geen berouw zou hebben vereischt. wordt schitterend weerlegd door het feit, dat hij hier niet minder dan zeventien-maal verklaart: Aflaat is eene kwijtschelding van de tijdelijke straf der zonden, die rouwmoedig gebiecht zijn. Alles, wat Tetzel hier uiteenzet omtrent aflaat, zondeschuld, zondestraf, enz. komt in hoofdzaak overeen met de leer van Prierias, Soto
112
Cajetanus en andere theologanten van dien tijd; het is niet alleen de leer der scholastici, maar de leer der Kerk. Luther verzette zich tegen deze leer, onder voorwendsel, dat zij een verdichtsel was der gehate Scholastiek, maar in waarheid was het de algemeen aangenomen Kerkleer. Cochlaeus, zijn tijdgenoot, erkent dit uitdrukkelijk: „Luther gaf 95 „stellingen uit, waarmede hij de aigemeene en aangenomene „meening over de aflaten en het gevoelen der Kerk bestreed. 1)
Omstreeks het begin van Mei, 1518, had het aangekondigde dispuut te Frankfort plaats. Vele religieusen, men spreekt van 300, waren daarbij tegenwoordig. Niet onwaarschijnlijk werd bij deze gelegenheid Tetzel tot het magisteriaat of doctoraat in de H, Godgeleerdheid bevorderd, althans eerst na dezen tijd draagt hij den titel van magister.
De stellingen, die Tetzel zich heeft voorgenomen te verdedigen , hadden ten doel Luthers leer te weerleggen en volgens de kerkelijke censuur te veroordeelen. De wijze, waarop de inquisiteur hier te werk gaat, toont, dat hij volkomen de kracht, maar ook het zwak van zijn tegenstander kende. Zonder zich af te geven met de dikwijls banale opwerpingen van zijn bestrijder, en alle kracht in ijdele schermutselingen te verspillen, treft hij den vijand onmiddelijk op de meest wondbare plaats en laat hem alleen de keus: óf zich onderwerpen, of zich veroordeelen.
Het pauselijk gezag is thans het hoofdbeginsel. Door dit tot basis te nemen van den strijd, moest Luther noodzakelijk in de engte gedreven en tot overgaaf gedwongen worden. Eenige waarheden immers betrekkelijk de aflaatleer had Luther verworpen, omdat zij volgens zijne meening niet konden bewezen worden uit de H. Schrift; tegenover deze private Schriftuurverklaring stelt Tetzel het gezag van den Paus, die
1) Luther emulgavit 95 propositiones, quibus conmunem et receptam de Indulgentiis opinionem Ecclesiaequt sententiam impugnabat. Cochlaeus. Acta et Scripta. M. L. p. 5.
alleen onfeilbaar den waren zin der H. Schrift kan bepalen. Andere waarheden had hij geloochend, omdat de H. Schrift er niet uitdrukkelijk melding van maakt; ook voor deze was het gezag des Pausen beslissend, want de uitspraak van Christus\' Stedehouder is voor de geloovigen de laatste ge-loofsregel. Eindelijk worden vele leeringen, die door de Pausen niet tot geloofswaarheden waren verklaard, maar toch door hen als katholiek werden aangenomen, door den Wittenbergschen professor, zonder het minste ontzag voorden H. Stoel, veracht. Om ook deze katholieke waarheden door Luther te doen eerbiedigen, rekende de inquisiteur zich verplicht de verhevenheid van het pauselijk gezag te betoogen. Geen uitvlucht bleef Luther dus over, dan óf het pauselijk te erkennen en bijgevolg zijne dwalingen te veroordeelen, óf dit te verwerpen en zich bloot te stellen aan de kerkelijke censureu.
De eerste twintig stellingen i) bepalen het gezag en de onfeilbaarheid van den Paus, en omschrijven tevens welke baarheden door de geloovigen moeten worden geëerbiedigd en aangenomen. Eenige der belangrijkste laten wij hier volgen :
2. De Paus heeft onmiddelijke rechtsmacht over alle Christenen en moet daarom in alles, wat den Godsdienst en de Hierarchic betreft, mits het overeenkome met het goddelijk en het natuurlijk recht, eenvoudig gehoorzaamd worden.
3. De Paus is door zijne rechtsmacht verheven boven geheel de Kerk en het Concilie; aan zijn bevelen moet men zich dus nederig onderwerpen.
4. De Paus alléén kan vaststellen, wat geloofswaarheid is; hij alleen en niemand anders kan met gezag den zin der H, Schrift bepalen, en woord en daad van anderen goed- of afkeuren.
5. Het oordeel van den Paus in zaken, die het geloof betreffen en voor het heil der menschen noodzakelijk zijn, is onfeilbaar.
1) Lutheri Op. I. p. XCVI. b. (Ed. Witeb. 1545.)
8
ii4
6. De Paus kan dwalen in geloofszaken als privaat persoon, maar niet als ambtspersoon.
14. Niemand, zelfs geen algemeen Concilie, maar alleen de Paus, wien het toekomt senteniialiter (= ex cathedra) te spreken, kan bepalen, wat er omtrent de aflaten geloofd moet worden.
16. Eene katholieke waarheid is eene waarheid, die door alle Christenen geloofd moet worden en geene dwaling in zich besluit.
18. Alle inzettingen, die het geloof betreflen en door den Apostolischen Stoel zijn vastgesteld moeten onder katholieke waarheden begrepen worden, al treft men ze ook niet aan in de H. Schrift.
20. Ofschoon zekere waarheden niet als volstrekt katholiek erkend zijn, komen zij deze toch zeer nabij.
In de volgende stellingen (Thes. 20—47) neemt Tetzel deze princiepen tot maatstaf, om te bepalen, in hoever Luthers leer kettersch, schismatiek, aanstootelijk, valsch of vermetel is. Ware Tetzel evenals Luther slechts gewoon professor, men zou deze handelwijze eigendunkelijk kunnen noemen, maar als inquisiteur was hij tot dit vonnissen volkomen gerechtigd en zelfs verplicht. Daarbij geeft dit afbakenen van de graden der dwaling een bewijs van Tetzels gematigdheid. Niet elke dwaling is voor hem ketterij; eerst dan moet men iemand voor ketter houden, wanneer hij tegenover den regel der katholieke waarheid zijn eigen verkeerde meening hardnekkig verdedigt. (Thes. 28).
De 47ste en 48ste stelling bevatten zijdelings eene vermaning voor den keurvorst van Saksen, dat deze de ketters niet mag begunstigen en tegen de kerkelijke macht in bescherming nemen, terwijl de reeks eindelijk gesloten wordt met eene waarschuwing aan alle geloovigen, om zich niet met Luthers verdachte preeken en geschriften in te laten.
Luther liet beide geschriften niet onbeantwoord. In een pamflet, overvloeiende van grove beschimping en ongepaste
IIS
spotternij, gaf hij zijne verbolgenheid lucht, viel uit in persoonlijke versmadingen en verdraaide Tetzels woorden. De Vorlegnvg noemde hij „ein ausgezeichnetes Zeugnisz und „Proclam seiner (Tetzels) Unwissenheitterwijl hij de stellingen vergeleek met het gebalk van een plompen ezel. Tetzel was „ein freveler Lasterer,quot; die de H. Schrift behandelde en verscheurde „wie die Sau einen Habersack.quot; Door spotten, schelden, razen zocht Luther zoo goed mogelijk zijn leed te verbergen, maar gaf daardoor juist een bewijs, dat Tetzel hem gevoelige slagen had toegebracht.
X.
Waarschijnlijk ten gevolge der bemoeiingen van Albertus van Mentz benoemde Paus Leo in het begin van 1518 te Rome eene commissie, die zich met het onderzoek van Luthers geschriften zou belasten. De professor vertrouwde, dat men zijne leer zou goedkeuren. „Ik hooptequot;, zoo schreef hij, „dat de Paus mij in bescherming zou nemen, want ik had „mijne twistrede zoo met plaatsen uit de H. Schrift en de „pauselijke Decreten versterkt, dat ik zeker was, de Paus „zou dien Tetzel veroordeelen en mij zegenenquot;. 1) Het eindoordeel viel echter geheel ten nadeele van Luther uit: binnen zestig dagen moest hij, of zijne dwalingen herroepen, of te Rome zich komen verantwoorden. Had men spoed gemaakt met het proces, veel kwaad ware voorkomen, maar door eene onbegrijpelijke zorgeloosheid werd de loop daarvan zoo vertraagd, dat het vonnis eerst den 7den Augustus Luther betee-kend werd. Dien tusschentijd had deze zich ten nutte gemaakt door zijne dwalingen in nieuwe geschriften verder en verder uit te strooien. Vooral het geschrift over den ban wekte allerwege verontwaardiging. Keizer Maximiliaan zag zich ver-
i) Evers. 1. c. II. p. 290.
ii6
plicht den Paus ernstig te waarschuwen, om de dwaling toch spoedig te onderdrukken, daar zij anders de onervaren menigte zou medesleepen en zich de gunst en ondersteuning van vorstelijke personen zou weten te verwerven. Als gehoorzame zoon der Kerk stelde hij zijne macht ter beschikking van den Paus. — Het keizerlijk schrijven had gevolg. Cajetanus, thans kardinaal en apostolisch legaat in Duitschland, ontving last om Luther te dagvaarden; wilde deze zich onderwerpen, dan was de kardinaal gemachtigd, hem in de gemeenschap der Kerk op te nemen, weigerde hij, dan moest de weerspannige voor-loopig in hechtenis blijven om later te Rome in verhoor te komen. Deze strenge maatregel sloeg den overmoedigen monnik met angst. Hij smeekte dringend zijne vrienden, om hun invloed bij den keurvorst Frederik en den kardinaal aan te wenden, opdat niet in Italië, maar in Duitschland het verhoor zou plaats hebben. De Wittenbergsche universiteit riep daartoe de voorspraak in van Miltitz, kamerheer aan het Roomsche hof en richtte een ootmoedig verzoekschrift tot Paus Leo. Het Opperhoofd der Kerk liet zich verbidden: Luther zou niet te Rome, maar te Augsburg voor Cajetanus worden gedagvaard. Den 9den October, 1518, verscheen de befaamde kloosterling voor den pauselijken gezant. Cajetanus ontving den afgedwaalde met vaderlijke goedheid en verzocht hem in naam des Pausen zijne dwalingen te herroepen. Deze eisch was gewettigd en de vervulling daarvan redelijkerwijze te verwachten. Had Luther niet onlangs aan deu Paus geschreven: „Allerheiligste Vader, aan de voeten Uwer Heiligheid uitgestrekt, bied ik mij aan met alles, wat ik ben en „alles, wat ik bezit. Maak levend of dood, roep, herroep, „keur goed, keur af volgens Uw welbehagen. Uw stem zal „ik erkennen als de stem van Christus, die in U woont en „in U spreekt. Indien ik den dood verdiend heb, zal ik niet „weigeren te sterven.quot; 1) — Maar thans kwam de ijdelheid
I) Lutheri Op. I. p. CI. b. (Ed. Witeb, IS45).
quot;7
dier woorden aan het licht. Alles wilde hij beloven; doch herroepen, dat nimmer. Tevergeefs trachtte Cajetanus met zachtmoedigheid hem tot inkeer te brengen, tevergeefs beproefde hij door tusschenkomst van Staupitz, vicaris-generaal der Augustijnen, den ongelukkige tot herroeping te bewegen; Luther bleef hardnekkig. Eindelijk deed de vrees voor inhechtenisneming den oproerigen monnik\'een heldhaftig besluit nemen ; hij, die zijn leven voor zijn leer wilde opofferen en door zijn volgelingen reeds als martelaar werd betreurd, sloop \'s nachts half gekleed door een zijpoortje en ontvluchtte als een diet de stad , die getuige moest zijn van zijn heldenmoed. Een brief, vol huichelend eerbetoon en geveinsde toegenegenheid voor den kardinaal achtergelaten , zou dezen overtuigen, hoe deerlijk hij door Luthers kwade trouw was misleid. Hoe anders zal men Luthers handelwijze noemen ? In zijn briet aan Cajetanus schrijft hij: „Hoogeerwaarde „Vader, gij kondt mij niet dringender en zachter verma-
„nen..... Aldus is mijne vrees reeds langzamerhand ge-
„weken, ja veranderd in eene bijzondere liefde en in een „oprechten, kinderlijken eerbied jegens UHEenv.quot; i) — Terzelfde tijd appelleert hij op den Paus, omdat de kardinaal hem verdacht is, meldt den keurvorst, dat vrees voor Cajetanus hem Augsburg heeft doen ontvluchten en geeft zijn spijt te kennen, dat de kardinaal hem met zooveel zachtmoedigheid behandeld heeft, want nu „moet hij de „hitte van zijn bruisend hart onderdrukken tot voor een anderen tijd.quot; 2)
De legaat, met reden over zulk een laaghartige behandeling verontwaardigd, deed zijn beklag bij Frederik van Saksen en eischte Luthers uitlevering, maar de keurvorst , door Luther en de Wittenbergsche universiteit in zijne dubbelzinnige houding gestijfd, was hiertoe niet genegen. Daarop werd den
1) Ibidem p. CCV. b.
2) Ibidem p. CCXXIV. b. en CCXXV, a.
ii8
! 2Jen December te Liuz de pauselijke Decretale afgekondigd , waarin de scholastieke aflaatleer, welke Tetzel gepredikt had, door Leo X dogmatisch werd vastgesteld.
Het was een schoone triomf voor de scholastici en inzonderheid voor Tetzel. Door het hoogste kerkelijk gezag werden de beginselen bekrachtigd eener leer, die door Luther en zijn aanhang voor sophisterij, ketterij en dwaasheid was uitgekreten. Rome had gesproken, en dat woord was een goedkeuring voor Tetzel, een veroordeeling voor Luther. De traditioneele aflaatleer, die door de scholastici was geleerd en in de Kerk algemeen aangenomen, werd thans bekrachtigd. In alle kerken van Duitschland moest Leo\'s uitspraak worden afgekondigd, en geen prediker zou zich vermeten voortaan iets te leeren hiermede in strijd. Wal: teleurstelling, wat verslagenheid deze uitslag te Wittenberg veroorzaakte , is te begrijpen. — Om Luther niet te verbitteren werd in het pauselijk schrijven zijn naam met opzet verzwegen. Toch had hij een gevoeligen slag ontvangen en zijn wapenen moeten overgeven. Hij had verklaard — gelijk wij in zijne Theses verschillende malen hebben aangestipt — dat de leer der aflaatpredikers in tegenspraak was met de leer der Pausen, dit was thans schitterend weerlegd; hij had beweerd, dat hij zich zou onderwerpen aan het woord van Christus\' Stedehouder, door wiens mond Christus sprak, dit zou hij nu door de verloochening van zijn dwaalleer moeten toonen. Het bleek echter, dat al deze protestaties van volkomen onderwerping, enz , of alleen phrasen waren, of alleen voorwaardelijk moeten worden verstaan, t. w. indien de Paus overeenstemde met den onfeilbaren Luther; want nog vóór de afkondiging der Decretale, wier komst hij zeker vermoedde, h ad Luther van den Paus geappelleerd op een algemeen Concilie.
Na het mislukken der eerste onderhandeling, vond men te Rome goed een anderen weg in te slaan. Luther had gezegd, dat Cajetanus als Dominicaan, scholasticus en Italiaan partijdig rechter was; ten einde dit voorwendsel weg te nemen, werd
119
nu besloten een Duitschen humanist af te vaardigen, n.1.den pauselijken kamerheer Miltilz. Deze keuze scheen allergelukkigst. Miltitz stamde af van een der voornaamste Saksische geslachten , was zeer bevriend met de Witteubergsche universiteit en stond in hoog aanzien bij het keur vorstelijk hof van Saksen. Dit laatste diende vooral in aanmerking te komen, want het was bekend, dat Frederik van Saksen Luther beschermde en dat men, zonder medewerking van dien machtigen rijksvorst, den weerbarstigen monnik te vergeefs tot onderwerping zou dwingen. Om deze zending zonder twijfel te doen slagen en zich van Frederiks gunst te verzekeren, zou Miltitz den keurvorst een door den Paus gewijde gouden roos aanbieden, terwijl Pfeffinger, Spalatin en anderen, die aan het hof grooten invloed hadden, een bijzonder schrijven van Paus Leo ontvingen, opdat zij diens verzoek krachtig zouden steunen. Al deze berekeningen faalden echter door de persoonlijke ongeschiktheid van Miltitz.
Volgens bevel van den Paus moest de nieuwe gezant die den ouderdom van 30 jaar nog niet bereikt had, zich eerst door Cajetanus laten inlichten en niets ondernemen zonder diens raad en uitdrukkelijken wil. Onder kerkelijke strafwas hij hiertoe verplicht. Miltitz begaf zich echter eerst naar Pfeffinger en zocht de vriendschap van Luthers aanhangers te winnen. In tegenstelling met Cajetanus, die bij zijne welwillendheid het gezag steeds gehandhaafd had, meende hij gemakkelijker te zullen slagen door af te dalen en den schijn van gulhartigheid en vertrouwelijkheid aan te nemen. Hiertoe kon hij zich des te beter leenen, omdat geene wijding hem aan den dienst der Kerk verbond. 1) Hij verscheen in de kringen der „Poëten,quot; nam deel aan hunne drinkgelagen en versrat daarbij zoozeer zijne waardigheid, dat hij de geheimen
1) Waarschijnlijk was Miltitz slechts cubicularins toumratns. Hij zelf schrijft in 1520: „mir ist noch lieb, das ich nicht also hart ferbunden „bin geistlich zu werden, das ich noch magk zurugk trethen.quot; — Seide-mann. K. von Miltitz, p. 32.
zijner zending verried en het Roornsche hof in een hatelijk daglicht stelde i). Luthers vrienden lieten niet na een en ander onmiddelijk naar Wittenberg te boodschappen.
Zonder zich te richten tot de kerkelijke overheid, alleen steunend op het getuigenis van Luthers partij vertrok. Miltitz in December 1518 naar het keurvorstelijk slot te Altenburg, om daar den vrede met Luther te bewerken. Allereerst ontbood hij Johann Tetzel, die zich in het klooster te Leipzig had teruggetrokken, tot verantwoording van zijn daden. De inquisiteur schreef den gezant een nederigen brief, waarin hij met eene eerbiedige vrijmoedigheid verklaart Leipzig niet te durven verlaten, wegens de vele gevaren, die hem onderweg van Luthers partijgangers dreigen. Vervolgens beklaagt hij zich over Luthers lasteringen en scheeve voorstellingen, als zou hij de oorzaak zijn geweest van diens optreden; niet hij, maar de aartsbisschop van Mentz had bevolen tegen dien oproe-rigen monnik te procedeeren. Ten onrechte wordt hij eveneens beschuldigd van ketterij en godslastering; zijne preeken, die hij naar Rome heeft gezonden, kunnen dit getuigen. Overigens onderwerpt Tetzel zich volkomen aan den pauselijken gezant en belooft, zoolang hij leeft, te strijden voorde rechten en privilegiën van den H. Stoel, waarvoor hij reeds zooveel geleden heeft. 2) — Wisten wij niet, wat omstreeks dienzelfden tijd aan Tetzels ordebroeder. Jacobus Hochstraten, wedervaren was, wat mishandelingen de kloosterlingen van Luthersgezinde roofridders te verduren hadden , de voorstelling van Tetzel zou ons niet zeer waarschijnlijk voorkomen, maar thans geeft zij ons een waar denkbeeld van de droevige gevolgen van Luthers opruiingen.
Nu werd Luther ter vierschaar, of liever ter vriendschappelijke bijeenkomst opgeroepen. Gewaarschuwd voor den minder edelen rol van \'s Pausen gezant, wist Luther alles wat
1) Evers. 1. c. IV. p. 277.
2) Gröne. 1. c. p. 161.
12 1
deze in het schild voerde, want de invloedrijke secretaris van den keurvorst, Spalatin, die te Altenburg verblijf hield, was te gelijk Luthers boezemvriend en Miltitz\' vertrouweling. De gezant ontving den weerspannigen kloosterling als zijn broeder, betoonde hem alle hoffelijkheid, prees zijne geleerdheid, zijn invloed, zijn aanzien; kortom, niets werd nagelaten om Luthers gunst te winnen. Hij verzocht den professor slechts aan te geven, hoe de vrede kon hersteld worden, dan zou geen moeite worden gespaard, om den Paus tot die overeenkomst over te halen. Luther meende deze onhandige politiek niet beter dan door huichelarij te verijdelen. Hij deed de fraaiste beloften; hij zou i0 de pen niet meer opnemen en de zaak laten doodbloeden, 20 den Paus ootmoedig zijne volkomen onderwerping en kinderlijke toegenegenheid per brief betuigen, 30 een geschrift uitgeven, om ieder te vermanen de Katholieke Kerk te volgen en te eerbiedigen, en 40 het oordeel over deze zaak vragen aan den bisschop van Salzburg. Miltitz was met dezen uitslag overgelukkig; hij liet zich verleiden door Luthers beloften en drong op geen herroeping aan. ,,Met Kareiquot; (Miltitz), zoo schrijft dan ook Luther, „heb ik een „buitengewoon vriendschappelijke overeenkomst gesloten.quot; — „Zoo zijn wij vriendschappelijk van elkander gescheiden, zelfs „met een kus, n.1. een Judaskus. Onder het vermanen stortte „hij zelfs tranen. Ik huichelde wederom ook, alsof ik die „krokodillentranen niet verstond, Zoo ver zijn wij gekomen.quot; 1) Hoe het Luther ernst was met de beloften blijkt uit de volgende feiten. Te gelijker tijd, dat hij beloofde te zwijgen, wendde hij alle moeite aan om bij het aanstaande dispuut te Leipzig op te mogen treden en vertrok daartoe van Altenburg onmiddelijk naar genoemde stad. Nog geen maand na de samenkomst, den 3dcn Februari 1519, schreef hij aan zijn vriend Lange: „Nu zal ik doen, wat ik sedert langen tijd heb „overdacht, te weten: eens met ernst op het Roomsche slangen-
1) Evers. IV. p. 287. enz.
122
„gebroedsel losgaan,quot; i) De beloofde brief aan den Paus werd den 3dcn Maart geschreven; daarin smeekt hij den H, Vader „het oor te leenen aan het geblaat van zijn schaapjequot; en roept God tot getuige, dat hij „tegen de macht der Room-„sche Kerk en tegen zijne Heiligheid niets wil of ooit heeft „willen ondernemen.quot; Tien dagen later deelt hij Spalatin in vertrouwen mede: „Ik weet niet of de Paus de Antichrist „zelf is, of diens apostel.quot; 2) Doch genoeg van Luthers trouweloosheid.
Met dezelfde lichtgeloovigheid, waarmede Miltitz de ijdele beloften van den bedriegelijken monnik aannam, luisterde hij ook naar diens lasteringen omtrent Tetzel. Luther had de opschudding niet veroorzaakt, Luther had slechts uit noodzakelijkheid moeten handelen en was onschuldig in deze zaak betrokken, maar Tetzel was de onverlaat, wien alleen men alles wijten moest. Onder den indruk dezer aantijgingen begaf zich de gezant tegen half Januari naar Leipzig, om aldaar den aflaatprediker, die zich volgens Luther aan zoovele buitensporigheden had plichtig gemaakt, geducht te berispen. Het was te voorzien, dat hij dien verraetelen inquisiteur al zijn gramschap zou doen gevoelen.
Tetzel verscheen voor den rechterstoel. Daar ontstak Miltitz in hevigen toorn; met de heftigste woorden voer hij tegen hem uit, stelde hem verantwoordelijk voor de treurige geloofsverdeeldheid, verweet hem zijn optreden en bedreigde hem met de straffen van Christus\' Stedehouder. Bovendien legde hij hem, volgens een brief van den gezant aan Pfeffinger, geldverduistering en ergerlijken levenswandel ten laste. Dit was te veel voor den armen religieus. Hij, die geheel zijn leven voor de H. Kerk had gestreden, die goed en bloed voor de verdediging Harer rechten had veil gehad, zag nu zijne opofferingen miskend en met voeten getreden. Hij, die vol-
1) Janssen. 1. c. II. p. S3. 3) Evers. IV. p. 292.
123
geus plicht gewaakt had voor de eenheid des geloofs, die de Christenen voor de dwaalleeraars had gewaarschuwd, moest voor die trouw de smadelijkste verwijten hooren; en wel uit den mond van den vertegenwoordiger des Pausen ! De grijsaard stond verpletterd: zooveel onrecht, zooveel ondank, zooveel verguizing, ging zijne zielskracht te boven.
Teruggekeerd in zijn klooster, kwijnde Tetzel weg van verdriet. Dagelijks te vernemen, hoe door Luthers kuiperijen de verdeeldheid onder de geloovigen vermeerderde, hoe door de „Poëtenquot; het gezag van den Paus werd ondermijnd en daarbij te moeten deuken, dat hij al die verwarring zou hebben veroorzaakt, dit was te grievend voor zijn edel gemoed. De onbillijke verwijten van den gezant hadden zijn eergevoel te diep beleedigd. Zieleleed sloopte zijne lichaamskrachten en wierp hem op het ziekbed neder. Was het gewetenswroeging of lage spot, die Luther aanspoorde zijn slachtoffer te troosten, wij weten het niet; in elk geval, hij zond den afUatprediker een welwillenden brief, waarin hij hem aanmaande goedsmoeds te zijn en niet voor hem te vreezen. i) Andermaal schreef Luther: „Hij (Tetzel) moest er zich niet over bekorn-„meren, want de zaak was van hem niet uitgegaan, maar „het kind heeft een geheel anderen vaderquot; 2)
Den 27sten Juni zou op den Pleiszenburg, het hertogelijk slot te Leipzig, het langberaamde theologisch dispuut van Eek tegen Carlsladt, en later ook tegen Luther, aanvangen. Het lijdt geen twijfel, of ook Tetzel ware opgetreden, vooral daar de aflaatleer zou worden behandeld, doch ziekte verhinderde hem het Sint-Paulusklooster te verlaten. De ex-rector der universiteit van Leipzig betreurde dit in zijne slotrede; „Met „billijkheid had men vastgesteld, wat en hoeveel de aflaten
1) Quern ego ante obitum Uteris benigniter script is consolatus sum ac jussi bono animo esse nee mei memoriam metuere. Lutheri Op, I. Praef. (Ed. Witeb. 1545.)
2) Gröne. 1. c. p. 174.
124
„kwijtschelden, maar die bepalingen waren wellicht van grooter „gewicht geweest, indien de aflaatprediker (Tetzel) zookrach-„tig van geest in het strijdperk was getreden, als hij uitgeput „door ziekte zich verwijderd had.quot; i)
Den 4den Juli, den dag waarop Luther voor het eerst optrad en vermetel de hand verhief tegen Christus\' Kerk, bezweek Tetzel als offer van Luthers haat. Een ooggetuige, Sebastiaan Fröschel, aanhanger der nieuwe leer, bericht ons daaromtrent het volgende: „Gedurende het dispuut stierf Tetzel, ouder het „Salve Regina der monniken. Toen zij in de kerk Salve „Regina, mater misericordiae aanhieven, begon de monnik „(sacristein) voor de eerste maal te luiden; voor de tweede „maal luidde hij, toen Tetzel lag te zieltogen en bij het derde „geklep, toen de monniken zongen: Sub iuum praestdium „conjugitnus sancta Dei Genitrix, gaf Tetzel den geest.quot; 2) Zoo stierf Tetzel, terwijl zijne ordebroeders de bescherming afsmeekten der allerheiligste Maagd, wier eer hem zoo ter harte ging. Het onverdacht getuigenis van Fröschel toont genoeg, wat men te gelooven heeft van verhalen, als zou Tetzel een geweldigen dood zijn gestorven, enz.
De pauselijke gezant Miltitz maakt bij Tetzels deerniswaardig uiteinde een treurige figuur. Wat katholieke geschiedschrijvers als Pallavicini 3), Maimbourg en anderen van hem melden is niet eervol; de getuigenissen van Protestanten doen
1) Ibidem, p. 175.
2) Men weet, dat het in kloosters gebruik is, om, bij het sterven van een religieus, de overige door het teeken der klok samen te roepen, ten einde aan het sterfbed voor den zieltogende te gaan bidden.
3) Dignus profecto non mediocri laude, nisi earn obscurasset, non solum abjectione sui, parum illi decora qui personam Pontificis gerebat; sed factis ac dictis, Aulae, causaeque sui Principis officientibus. Etenim oblitus, quas partes ageret, nee ab intemperantia conviviorum abstinuit, nee ab usu immoderato vini, quo tortore varia de Romana Aula deprompsit, simulque (uti assolet) moris gerendi gratia amplificavit, etc. — Hist. Cone. Trid. 1. I. c. xvm.
125
hem nog meer in achting dalen en, raadpleegt men zijn brieven, dan kan men moeilijk de gedachte verdrijven, dat hij zijn heer niet met onkreukbare trouw heeft gediend, i)
Tegenover de zware beschuldigingen, waarmede de misleide legaat den ongelukkigen Tetzel geheel ter nedersloeg, bezitten wij eene authentieke verklaring van den provinciaal der Predik-heeren, Hermann Rab, waarin deze zoo krachtig mogelijk voor Tetzels onschuld optreedt. 2) Het schrijven is aan Miltitz gericht :
„Eerwaarde Vader in Christus den Heere,
„Het strekt mij tot groote vreugde, dat Uwe Hoogheid mij veroorlooft U te schrijven. Ik gehad gehoopt in vriendschappelijk onderhoud met U mij over de groote wederwaardigheid te troosten, die mij dezer dagen overkomen is. Moge de Heer genadig zijn jegens Martinus Luther, die alle moeite aanwendt en heeft aangewend, om ons onschuldig mede in zijne zaak te wikkelen, ten einde zijn woede wat te koelen. Wat hij echter den Eerwaarden Pater, Magister Johann Tetzel, aandoet en aangedaan heeft, omdat deze het aanzien van den Apostolischen Stoel zelfs tot eigen nadeel heeft verdedigd en niet nalaat te verdedigen — zooals zijne volkspreeken bewijzen en allen, die hem gehoord hebben, moeten getuigen — dit weet ieder, die de Appellationes en de overige geschriften van Martinus leest en hoort lezen. Ik zou inderdaad niemand kunnen aanwijzen, die zooveel voor den roem van den Aposto-lischen Stoel gedaan en geleden heeft en nog lijdt. Indien onze Heilige Vader dit wist, twijfel ik niet, dat hij hem eene daaraan geëvenredigde onderscheiding zou geven. Met welke leugenachtige lasteringen, die men tot in hei ontelbare hem toedicht, hij overladen wordt, daarvan weerklinken alle hoeken der strai\'eti. Om deze reden beveel ik hem aan Uwe Hoogheid en aan de bescherming van den Apostolischen Stoel, waarvoor hij tot
1) Hermann. 1. c. p. 26, 27, 2$. 3) GrOne. 1. c. p. 167.
laó
de banden toe strijdt, als voor zijn oprechten vriend en heer. Ik had gewenscht, dat Uwe Hoogheid de preek gehoord had, die hij op den dag der Besnijdenis des Heeren gehouden heeft. Daarnaar hadt Gij voorwaar kunnen beoordeelen, hoe hij jegens den H. Stoel gezind was en is. Deswegen beveel ik hem en mij aan Uwe Hoogheid.
Gegeven te Leipzig, den 3den Januari in het jaar des Heils, 1519.
Frater Hermann Rab.
Provinciaal van Saksen.quot;
Indien slechts één der beschuldigingen tegen Tetzel waarheid bevatte, zou het reeds onbegrijpelijk zijn, hoe zijn overste op zulk een beslisten toon tegenover den gezant durft spreken. Hij verontschuldigt of bewimpelt Tetzels daden niet, maar bekent openlijk, dat zij onberispelijk, ja prijzenswaardig zijn. Onwetendheid of misleiding kan men bij Hermann Rab niet veronderstellen; als provinciaal was hij met het bestuur der kloosters van Saksen belast, hij kende zijne onderdanen en bewoonde met Tetzel hetzelfde klooster. Van nabij was hij dus getuige van den geheelen strijd. Bovendien komt de bewering, dat Luther de Dominicanen in het pleit zocht te mengen, volkomen overeen met het streven, dat in Luthers geheime briefwisseling ligt uitgedrukt en onlangs is aan het licht gebracht. 1) Men ziet verder, dat tegenover Tetzel dezelfde tactiek werd gebruikt als tegen Hochstraten. Laster was het eerloos wapen, waarmede „Poëtenquot;, humanisten, Lutheranen, hun vijand aanvielen en tot zwijgen brachten. Wat pers en graveerstift niet vermochten, werd voltooid door ruw geweld. De Keulsche inquisiteur was echter krachtig genoeg om den storm te trotseeren, hij mocht de overwinning aanschouwen en van wege den Paus in zijne eer worden hersteld; maar Tetzel, reeds gekromd onder den last van arbeid en jaren, bezweek voor den snooden aanval van laster en bedrog.
1) Evers. 1. c. I. Die Herausforderung.
127
De kloosterlingen van Leipzig, bewezen den gevallen kampioen van den H. Stoel de grootste eer. „Tetzel werd in „het koor der Sint-Pauluskerk bijgezet, de hoogste onder-„scheiding. die men hem na zijn dood kon aandoen, daar de „Dominicanen hun eigenlijke begraafplaats op het kloosterkerkhof hadden.quot; i) Als zijn grafsteen werd eertijds een zerk aangewezen, waarop een Dominicaan was uitgebeiteld, wiens verweerden rozenkrans later de menigte voor Tetzels geldbuidel aanzag. Tegenwoordig is ook dit verdwenen. Toen vóór weinige jaren een ordebroeder van Tetzel diens graf wilde bezoeken, zeide de koster der Sint-Pauluskerk met zichtbaren spot: „Tetzel, die verm . . . aflaatkramer ligt daar op „straat, gelijk hij niet anders verdiend heeft. Ziet gij daar „die vlakke muur? Daarachter stond eertijds het koor, waar „hij werd bijgezet; dit is echter afgebroken, omdat een straat „het noodzakelijk maakte, en nu treedt alles den ketter met „voeten,quot;
2oo hebben drie eeuwen den haat niet kunnen uitdooven, waarin Luther zijn volgelingen heeft ontstoken tegen een man, wien men niets kan ten laste leggen, dan dat hij gestreden en geleden heeft voor de leer en het recht der Heilige Roomsche Kerk.
XI.
Het is bekend, dat Luther zich uitgaf voor een „Heiligequot;, een „Apostelquot; en een ^Evangelistquot;, dat hij zich liet afbeelden , omkransd met de aureool der Zaligen en bestraald door den H. Geest. In overeenstemming met deze ongehoorde laatdunkendheid, was de eeredieust, waarmede na zijn dood de gedachtenis van den „Held Godsquot; werd gevierd. Openlijk werd hij als heilig vereerd. 2) Een beeltenis met het onder-
1) Het protestantsche „Leipziger Tageblntt und Anzeiger,quot; 29 Mai 1879.
2) M. Heimann. M. Luthers Leben. p, 271.
128
schrift: Divus el Sancius Doc lor M. Luther us werd in de kerken geplaatst; legenden, waarin hij als Profeet, als Samuel, als Elias, als Wonderdoener optreedt, werden onder het volk verspreid; medailles werden ter eere van den Heiligen Leeraar Luther geslagen; met roode letters werd zijn naam in den -Heiligen-kalender opgeteekend en een epistel met evangelie voor zijn feestdag vastgesteld. Op dien dag werd den vromen Saksers voorgehouden Matth. XI. v. 12, 13, 14, en Luther met den grooten Boetgezant vergeleken, met Joannes, van wien geschreven staat: „Joannes is gekomen, „noch etende , noch drinkendequot;, terwijl Luther letterlijk van zich getuigt: „Ich fresse wie ein Böhme und saufe wie ein „Deutscher, das sei Gott gedankt.quot;
Aan deze Luthervereering moest een Tetzelverguizing beantwoorden. Reeds tijdens Tetzels leven „weerklonken de „hoeken der straten van de leugenachtige lasteringenquot;, waarmede deze overladen werd. Na zijn dood had de lasterzucht, door geloofshaat geprikkeld, vrij spel; en de aflaatprediker werd tot een caricatuur misvormd, waarbij men het palet van een Boccaccio niet versmaadde. Vele dier ontsierende pen-seeltrekken hebben wij in den loop dezer studie reeds weggevaagd, maar voor de volkomen restauratie wachten nog enkele beschuldigingen hare wederlegging.
Ofschoon Luther met zijne partij den aflaatprediker nog gedurende diens leven verweet, dat hij krachtens de aartsbisschoppelijke Inslructio zich aan geldafpersing plichtig maakte, vond deze klacht vooral naklank bij de latere geschiedschrijvers. De verbeelding kwam in het spel, middeleeuwseae sprookjes vulden aan wat der geschiedenis ontbrak, en zoo verscheen Tetzel als een hatelijk, geldgierig aflaatprediker, die niet het heil maar het geld der geloovigen beoogde. Verschillende dezer verhalen, al staan zij ook als „wahrhaftige Geschichtquot; geboekt, hebben wij reeds vroeger—Hfdst, IV— met aangifte van bron als anekdote of leugen verworpen. Eén feit blijft ons nog te vermelden, dat eveneens voor
129
Tetzels onverzadelijke schraapzucht wordt aangegeven , maar juist het tegenovergestelde bewijst. De lezer oordeele,
Tetzel kwam omstreeks half Juni, 1517, te Maagdenburg en verklaarde van den kansel, volgens de Instructio, dat alle aflaten gedurende zijne prediking waren opgeheven. Dit bracht den abt van Köningslutter in groote verlegenheid. Op het patroonsfeest der abdij, den 29slen Juni, kwamen altijd vele geloovigert, om den aflaat te verdienen, derwaarts en vooral dit jaar zou de toevloed buitengewoon zijn door de talrijke pelgrims, die over Königslutter naar Aken togen, ter bijwoning van de groote vereering der Heilige Reliquieen. Het klooster nu was zeer arm en bouwvallig, en behoefde daarom de weldadigheid der geloovigen. — Volgens Kapp zou er thans een heftige strijd tusschen den abt en den subcommissaris zijn ontstaan, waarbij de laatste eindelijk zijn eiscb moest opgeven; volgens de bescheiden daarentegen, die Kapp ons overlegt, is er van strijd niets hoegenaamd te ontdekken. De abt wendde zich tot de aartsbisschoppelijke Commissie van Halle, met dringend verzoek het verbod op te heffen, en riep tevens Tetzels tusschenkomst in. De subcommissaris schreef daarop den volgenden brief, waarin schraapzucht, noch vijandschap, doorstraalt:
„Johannes Tetzel, van de orde der Predikheeren, Apostolisch Inquisiteur, algemeen Subcommissaris.
„Aan den Eerwaarden Vader in Christus, den Heer Johannes, abt van het Sint-Petrus-en-Paulusklooster te Königsluttern, aan zijn hooggeachten Heer en Overste.
Ik wensch U het heil, dat God geeft aan degenen, die Hem beminnen. Eerwaarde Vader in Christus , ik heb Uwe zaak bij de raadsheeren getrouw bepleit, met dit gevolg, dat Gij Uwe aflaten vrij kunt verkondigen, zonder eenige som daartoe in onze offerkist te moeten storten. Om deze reden hef ik dan ook bij dezen de schorsing Uwer aflaten op, die ik te Maagdenburg heb afgekondigd. Houd U overtuigd, dat ik hierin Uwe zaak bepleit heb. En hiermede beveel
9
13°
ik mij met de meeste verknochtheid aan U, Eerwaarde Vader, dien ik, zoo God het belieft, binnenkort hoop te bezoeken.
Sint-Mauritsburg, Halle, 22 Juli 1517.quot; 1)
Niet minder ongegrond is de bewering, dat Tetzel kwijtschelding van zonden aan de meestbiedenden te koop zou hebben aangeboden. Vogel zoekt dit te staven door eene vreemdsoortige zondentax, die een liefhebber van antiquiteiten hem heeft toegezonden. De tegenspraak echter der verschillende opgaven en de berekening volgens vreemde muntsoorten, die ten tijde van Tetzel hoogst zelden of geheel niet in Duitschland in omloop waren, doen alleen dit document reeds als apocrief verwerpen. 2)
Het volgt uit den aard der zaak, dat iemand, die eenmaal van geldgierigheid beschuldigd wordt , zonder veel aarzelen van geldverduistering zal worden verdacht. Zoo heeft men ook Tetzel diefstal verweten. Wij ontveinzen niet, dat deze beschuldiging niet geheel is te veronachtzamen, omdat zij steunt op het uitdrukkelijk getuigenis van den legaat Miltitz, maar neemt men in aanmerking, door wien dit is afgelegd , dan gelooven wij niet te veel te vorderen met ook deze beschuldiging te rangschikken onder de tallooze lasteringen, waarvan de aflaatprediker het slachtoffer werd. De jeugdige, onbezonnen Miltitz was geheel aan Luthers zijde , of gaf ten minste voor, diens partij aan te hangen. Luther vergelijkt hem met Saul us. „Met 70 en meer apostolische „brieven gewapendzegt hij, „was Miltitz gekomen, om mij „levend en gebonden naar Rome, dat menschenmoordend „Jerusalem, te voeren; maar de Heer sloeg hem onderweg ter „aarde en veranderde zijn geweld in welwillendheid.quot;—„Wat „heeft de tijd toch alles veranderd!quot; roept Adelraann, een
1) Kürner. 1. c. p. 70 en 117. Deze geschiedschrijver moet zelf erkennen, dat dit feit „geen onganstig lichtquot; werpt op Tetzel.
2) Gröne. 1. c. p. 195.
I3I
tijdgenoot, uit, „wie had ooit kunnen gelooven, dat zulk een „aartsroover en vervolger zoo plotseling een uitverkoren vat „ware geworden.quot; — Afdalende tot de grootste gemeenzaamheid en de innigste vriendschap met een man, dien de Paus, zijn meester, ten strengste veroordeelde, beloofde Miltitz tevens aan den keurvorst van Saksen, Luthers ijverigen beschermer, alle onderdanigheid. Hij rekende het zich niet tot schande om door schaamtelooze bedelbrieven voortdurend diens vorstelijke mildheid in te roepen. Zelfs verzocht hij geldelijke ondersteuning , ten einde aan het pauselijk Hof vrienden te winnen, die hem voor de aanklachten , door Doctor Eek bij den P.-nis tegen hem ingediend, konden beschermen. Luthersgezind en daarbij eenzijdig omtrent Tetzel ingelicht, verdient Miltitz derhalve weinig geloof, te meer nog, omdat de aartsbisschop van Mentz, wien bij elke opening der offerkist een nauwkeurig door getuigen bekrachtigd verslag der inkomsten en uitgaven moest worden ter hand gesteld, den aflaatprediker het volste vertrouwen bleef schenken en hem eene nieuwe prediking opdroeg.
Wij sluiten deze verdichte chronigue scandaleust met eene episode, die Tetzels biografen zich wel wachten vooral niet te verzwijgen. Het is eene pikante gebeurtenis, die met de jaren ook aan omstandigheden gewonnen heeft en thans ongeveer hierop neerkomt: Tetzel zou te Innsbruck overspel hebben gepleegd en voor dit vergrijp door den aldaar aanwezigen keizer Maxmiliaan zijn ter dood veroordeeld; volgens het landrecht moest hij in een zak worden verdronken in de Inn. Op voorspraak echter van den keurvorst Frederik van Saksen, die te gelijkertijd met den keizer te Innsbruck vertoefde, werd hij van den dood bevrijd en zijne straf veranderd in eene levenslange gevangenschap te Leipzig in den kerker bij de Grimmasche poort, welke kerker nog de „Tetzelskerkerquot; genoemd wordt. Dit zou hebben plaats gehad vóór 1517.
Deze trek ontbrak nog aan Tetzels caricatuur; hij was reeds een aflaatverkooper, een oplichter, een gierigaard, een dief,
132
nu is hij teveus een wellusteling. Met deze laatste beschuldiging heeft men hem alle achting van het nageslacht willen ontrooven, zonder daarbij te gedenken, dat in de betichting zelve het beschamend vonnis voor de lasteraars lag opgesloten. Moeilijk toch kan men zich een feit denken, dat meer tegenstrijdigheden aanbiedt. Tetzel was algemeen subcommissaris, en nu vragen wij, hoe kon de aartsbisschop van Mentz, op wiens zedelijkheid vriend noch vijand iets afdingt, het gewichtig ambt van subcommissaris opdragen aan iemand, die openbaar wegens overspel veroordeeld was? Waartoe strekte dan zijne Instructio voor de aflaatpredikers, indien hij een algemeen subcommissaris aanstelde van verdachte zeden ? Wat vrucht kon hij van de aflaatprediking verwachten? Hoe zou de aflaatprediker de geloovigen tot berouw en boete kunnen opwekken, hij, die iedereen tot ergernis was? — Tetzel was inquisiteur. Hoe kon dit ambt, waarvoor strenge zedelijkheid verondersteld en voortdurend gevorderd werd, samengaan met iemand, die zich zoo gruwzaam aan de zeden vergrepen had ? — Tetzel werd door den achtenswaardigen Cajetanus den hoog-sten theologischen graad waardig gekeurd; hij promoveerde aan de universiteit van Frankfort en was bevriend met den deugdzamen hertog George van Saksen. Hoe is dit alles bestaanbaar bij een openbaar misdadiger, die met groote moeite de doodstraf ontloopen is? — Ter nauwernood uit de gevangenis verlost, predikte hij weder met veel vrucht te Halle, Wurzen, ja te Leipzig, in het gezicht van den kerker. Kan men grooter ongerijmdheid denken? — Dit zijn slechts enkele vragen, die reeds bij den eersten oogopslag zich voordoen, maar er zijn nog andere redenen, die ons nopen het geheele verhaal als boosaardigen laster te verwerpen.
Vooreerst heeft Luther deze misdaad aan Tetzel tijdens diens leven nooit verweten; niet eer dan twee en twintig jaar na diens dood maakt hij in het smaadschrift Wider Hans Worst hiervan gewag. Dit zwijgen van Luther is welsprekend. Indien het feit waar was, met wat leedvermaak zou hij zich
\'33
van Tetzels vcroordeeling hebben bediend um dien legen-stander verachtelijk te maken voor de menigte? Hoe zou hij het wapen hebben kunnen versmaden, dat zijn vijand voor goed onschadelijk maakte? Reeds nu laat hij geen gelegenheid ontsnappen om Tetzels eer door allerlei verdichtsels aan te randen, hoe zou hij dan hebben kunnen nalaten diens goeden naam te bezoedelen door eene beschuldiging, die wezenlijk grond had? Waarlijk, indien Tetzels veroordeeling een feit was, dan zou Luthers zwijgen een psychologisch wonder zijn, het eerste mirakel, dat door den nieuwen Elias is gewrocht.
Vervolgens is Tetzel nooit in Innsbruck geweest. De Protestant Von der Hardt (Acta litt. reform. IV. p. 2.) zegt uitdrukkelijk, dat Tetzel nooit in Innsbruck, of in Tyrol geweest is; daarbij gaan de meeste geschiedschrijvers van eene verkeerde veronderstelling uit. Tetzel zou, naar hunne meening, te Innsbruck geweest zijn, toen hij naar Rome ging om het subcommissariaat van den Sint-Pietersaflaat te ontvangen, maar nu is het zeker, dat Tetzel door den aartsbisschop van Mentz en niet door den Paus met dit ambt werd bekleed, dus vervalt de geheele Roomsche reis.
Eindelijk zijn keizer Maximiliaan en Frederik van Saksen niet te zamen in Innsbruck geweest. De chronologie brengt Tetzels biografen in groote verlegenheid , zelfs zóó, dat Vogel — anders nog al lichtgeloovig waar het Luthers lasteringen geldt — het geheele feit in twijfel trekt. „Ik ben van meening,quot; zegt hij, „dat, indien het ooit gebeurd zou zijn, het in de jaren „1512—1514 moet hebben plaats gehad, want in die jaren „mist men Tetzel in de Saksische en Brandenburgsche landen.quot; Körner heeft daarom de geheele beschuldiging aan een nieuw onderzoek onderworpen. Hij meende, het feit zou zijn voorgevallen in 1511 of 1512; maar de hypothese hield geen stand. Met lofwaardigen ijver had hij volgens „archivalische Bescheidenquot; het spoor nagegaan van keizer Maximiliaan en Frederik van Saksen; hij was te weten gekomen, dat er in de archieven van Frederik niets omtrent Tetzel voorkomt; hij had met
134
datums uitgewezen, dat de keizer destijds te luusbmck vertoefde, maar de keurvorst in Saksen verblijf hield. De samenkomst der beide vorsten te bewijzen was hem dus niet gelukt. Wij voegen er bij: en zal hem niet gelukken. Onlangs heeft Evers, Luthers katholieke biograaf, zich naar het keizerlijk archief te Innsbruck begeven, alle procesakten van de jaren 1511, isiaenisij nauwkeurig onderzocht, en met welk gevolg ?
i0. Van het zoo beruchte proces, waarin de keizer zelf zou hebben rechtgesproken, heeft hij niets ontdekt, zelfs niet het geringste spoor.
2°. In de overige akten wordt met niets melding gemaakt van de aanwezigheid van Tetzel, van den keurvorst of van diens vertegenwoordiger, terwijl het verblijf of de doorreis van andere rijksgrooten nauwkeurig staat opgeteekend. i)
Wat ten laatste de geheele episode, die wonderwel aan Boccaccio\'s Decamerone doet denken, waardig besluit, is het feit, dat de „Tetzelskerkerquot; te Leipzig eerst in 1577 — dus bijna zestig jaar na Tetzels dood — is gebouwd.
Hel blijkt dus, dat men ook deze beschuldigingen moet stellen onder de leugenachtige lasteringen, waarvan alle hoeken der straten weerklinken en nog zullen weerklinken, zoo lang partijdige traditie voor geschiedenis moet doorgaan.
Werpen wij thans een terugblik over al hetgeen is behandeld, vatten wij de bewijzen samen, die zijn aangevoerd, dan achtten wij de drie volgende stellingen gewettigd:
I. Tetzel was niet ongeleerd. Dit is bewezen door zijne studiën aan de universiteit van Leipzig, waar hij als de zesde onder de vijf en vijftig candidaten den graad van Baccalaureus in de wijsbegeerte behaalde, — door zijne studiën in de Predikheerenorde, waarin hij achtereenvolgens van studens honoris, tot professor, tot baccalaureus in de H. Schrift en
1) Kvcrs. 1. c, II. p. 255.
135
in de godgeleerdheid, en tot magister of doctor werd bevorderd, — door zijne aanstelling tot het gewichtig ambt van inquisiteur, — door zijne geschriften, zooals de Antitheses en de Vorlegung, die blijk geven van grondige kennis der godgeleerde wetenschap. Hierbij zou men nog kunnen voegen het getuigenis van achtenswaardige, bevoegde geschiedschrijvers: Altamura, Quétif, Pallavicini, Bzovius, Natalis Alexander , enz.
II. Tetzel heeft niet geleerd in strijd met de katholieke aflaatleer. Protestantsche geschiedschrijvers leveren vooreerst hiertoe een bewijs door de bewering, dat Tetzel niets anders geleerd heeft dan de his tructio luidde van den aartsbisschop van Mentz. Deze Instrucüo bevat katholieke leer, derhalve heeft Tetzel rechtzinnig geleerd. Verder strekken tot doorslaand bewijs: de fragmenten van Tetzels preeken, — de biechtbrieven, — de Antitheses, — de Vorlegung, — de veroordeeling van Luthers leer door Albertus van Mentz en diens Commissie te Halle, — de overeenkomst van Tetzels leer met de geschriften van Soto, Prierias, Cajetanus, met de pauselijke Decretale van 9 November 1518, in één woord, met de algemeene Kerkleer.
III. Tetzel heeft zich niet schuldig gemaakt aan misbruiken. Deze misbruiken zijn, of wel katholieke leer, of wel lasteringen.
Katholieke leer zijn de volgende door Luther als misbruik gewraakte stellingen van Tetzel: i0. De aflaat is eenekwijtschelding van voor God bindende straffen. 20. De aflaat is nuttig voor de eeuwige zaligheid. 3quot;. De aflaat voldoet bij wijze van voorbede voor de straffen der zielen in het vagevuur. 40. De kerkelijke schat bestaat uit de verdiensten van Christus en de Heiligen. 5°. Voor het ontvangen van biechtbrieven en het verdienen van aflaten voor overledenen is geen berouw noodzakelijk.
Lasteringen zijn de volgende beweringen, die aan Tetzel worden toegeschreven: iö. De aflaat is een kwijtschelding
136
van zondeschuld. 20. Om aan den aflaat deelachtig te worden is geen berouw noodzakelijk. 30. De aflaat is eene ontheffing van alle werken der boetvaardigheid. 40. De aflaat is volstrekt noodzakelijk ter zaligheid. 5°. Bij elke aalmoes in de aflaatkist gestort, stijgt zeker en onraiddelijk eene ziel uit het vagevuur naar den Hemel. Dat Tetzel dit nooit geleerd heeft, hebben wij uit zijne geschriften, uit zijne preeken, zijne Antitheses en zijne Vorlegung overvloedig bewezen.
Onder de rubriek lasteringen verdienen nog gerangschikt te worden;
i0. De onteerende woorden omtrent de allerheiligste Maagd Maria. Deze betichting is volkomen weerlegd door de Antitheses en de akten van Halle.
20. De geldafpersing, waaraan Tetzel zich door list en bedrog zou hebben schuldig gemaakt. Wij hebben aangetoond hoe vele der ten laste gelegde feiten aan Boccaccio\'s Deca-merone en aan Pfaff Amis zijn ontleend, of zich zelve tegenspreken.
3°. De verduistering van aflaatgelden. Hiertegen hebben wij aangevoerd het vertrouwen, dat de aartsbisschop van Mentz en de Commissie te Halle steeds in den aflaatprediker hebben gesteld; den brief van den provinciaal Hermann Rab en de ongeloofwaardigheid van Miltitz.
4°. Het overspel, dat door het zwijgen van Luther, de getuigenissen van Von der Hardt en Vogel, en de jongste ontdekkingen van Körner en Evers voldoende is gelogenstraft.
Het verdient hier opmerking, dat wij vooral door het raadplegen van authentieke en meerendeels protestantsche werken tot dit resultaat gekomen zijn. De Theses, de Antitheses, Luthers brief aan den aartsbisschop van Mentz en aan den Paus, enz, zijn ontleend aan de oudste Latijnsche uitgave van Luthers werken. De Vorlegung, de fragmenten der preeken, de biechtbrieven, de aflaatbul en de Tnstructio van den aartsbisschop van Meutz treffen wij aan bij Löscher en Walch , twee standaardwerken voor de geschiedenis der Her-
I37
vorming. De meeste overige gegevens hebben wij geput uit later ontdekte authentieke stukken, die zich in het Generalaatsarchief der Predikheerenorde te Rome, in de archieven te Maagdenburg en te Innsbruck bevinden.
Het staat dus vast, dat Johann Tetzel, zooals hij door de Protestanten wordt afgeschilderd, nooit heeft bestaan. Dit hebben wij genoegzaam bewezen. Mogen ook alle argumenten niet volkomen bewijskracht bezitten, men vergete niet, dat het laatste woord in deze quaestie nog niet is gesproken. Eerst dan, wanneer de gewichtige arbeid, die op het bevel en onder hooge bescherming van Z. H. Paus Leo XIII is aangevangen, zal zijn volbracht, wanneer de Regesta van Leo X, die op het Vaticaan berusten, zullen zijn uitgegeven, zal het eindoordeel, dat verschillende omstandigheden nader zal toelichten, kunnen geveld worden. Dit eindoordeel wachten wij intusschen met goed vertrouwen af, vooral nu wij partijdige geschiedschrijvers reeds van zoovele dwalingen hebben \' overtuigd.
G. A. Meijer,
Ord. Fraed
Bij LAG?: I.
T E T Z E L S B I E C K T BRIEVE N.
Tot opheldering van hetgeen wij over de biechtbrieven, of confessionaUa gezegd hebben, voeren wij hier twee exemplaren aan, die beide door Telzel zijn onderteekend. Is de eerste authentiek, wat niet algemeen wordt aangenomen, dan heeft Tetzel in 1516 ook onder den pauselijken legaat Arcirnbold den aflaat gepredikt. Aan den tweeden ontbreekt bij den datum de naam der maand.
1.
Johannes Angklus ARCiMBOLnus Juris Utriuaque Doctor, Pracposilns de Arcisate, Protonotarius et Referendarius Apostol\'cus, necnon ad Coloniensem, Trevirensem, Saltzburgenscm, Bisuntinensem, Bremensem ac Upsalensem, provincias , illarumque, ac Cameracensem, Tornacensem, Moiinensem, AtrebaLensem, Caminensem et Misnensem civitates et clioe-ccses, supeï exe^utione pleuissimarum indulgentiarum immensae Fabricac Basilicae Principis Aposiolorum coeloiumque Clavigeri de Urbe Nuncius et Commissarius, a Sar.ctissimo in Christo Patre et Domino nostro, D. Leone Papa X specialiter deputatus, prout in literis ejusdem sanc-tissimi Domini nostfi Papae sub plumbo edilis, plenius continetur, Dilecto nobis in Christo Aixdreae Hummelshayn salutem in Domino sempiternam.
Kxigente piae devotionis affectu, quem 1103 erga Deum et dictam basi-licam te babero cognovirnus, eo qaod pro continuaiione tam immensi operis ex piüguedine charitatis juxta Apostoiicum iudultum raanus porre-xisti adjulrices. Ideo auctoritate Apostohca nobis tradita te concedimus facultatem eligendi idoneurn secularem, vel cujusvis etiam men licanlium
14°
ordinis reguUrcm coufcasorem, qui confessione tua diligeiiler audita, pro comroissis per te excessibus, criminilnis, delictis atque peccatis quan-tumcunque yravibus et enormibus, etiam Sedi Apostolicae repervatis, etiamsi taiia forent, propter quae Sedes ipsa Apostolica esset raerito consuleada, ac censuris Ecclesiasticis, etiam ab homine ad alicujus in-staniiam latis, de consensu partium etiam ratione interdicti incursis, et quotum absolutio dictae Sedi esset rcservata, praeteiquam machinationis in personam summi Pontificis ; occisionis Episcoporum et aliorum superio-rum Praelatormn et injectionis manuum violentarum in iüos et alios Prae-latos, falsificalionis bullarum et literarum Apostolicarum, Delationis ar-morum et aliorum prohibitorum ad partes infidelium et sententiarum et censuraruni occasione aluminum sanctae matris Ecclesiae, ac de partibus infidelium ad fideles, contra prohibitionem Apostolicam, delatorum,incur-satum, semel in vita, et in non reservatis casibus toties, quoties id petieris et in mortis articulo plenrriam omnium peccatorum tuorum indulgentiam et remissionem impendeiv, ac poeniten\'.iam salutarem injunyere, neci.on Ecclesiae Sacramentum, praeterquam in die Paschae, et in mortis articulo, aüis anni temporibus ministrare, et emissa per te vota quae-cunque, uitramarino, ingressus religionis et castitatis votis duntaxat exceptis, in utilitatem dictae Fabricae commutare possit. Ita tarnen quod durante tempore praesentis commissionis et publicationis, cum praefato Commis-sario, vel Sabdeputatis ab eo super commutatione dictorum votorum in utilitatem dictae Fabricae fiat compositio; necnon tibi et parentibus, caeterisque defunctis tuis, qui in sinceritate fidei et unitate sanctae matris Ecclesiae decesserunt, omniu\'Ji et singularum Missarura, orationum, divi-norum officiorum, jejuniorum, disciplinarum, stationumque, eleernosynarum, suffragionim, omniumque aliorum bonorum Spiritualium, quae fiunt et fient, in perpetuum in universali Sacrosancta militante Ecclesia, et mem-bris ejus participationem impartimur. In quorum fidem et testimonium pracsentes fieri, et sigilli, quo in talibus utimnr, fecimus appensione muniri.
Da\'ium in Worzn, Anno cioioxvi , die 24 Mensis ApriHs. Pontificatus praefati Smctiisimi Domini nostii, Anno 4.
Forma dbsolntionis plcnarii.e praemissa confessione:
Misereatur etc. Dominus noster J. C. per merita suae sanctissimae Passionis te absolvat et ego auc oritate ejusdem et beatorum Petri et Pauli Apostolonim ejus et sanctissimi Domini nostri papae tibi concessa et in hac parte mihi commissa te absolvo: primo ab omnibus censurif ecclesiasticis per te quomodollbet incursis: deinde ab omnibus pcccatis, delictis et rxccssibu ■. tuis hactenus per te commissis quantuincumque enor-
\'41
mibus etiam Scdi Apostolicae reservalis, in quautum cl.ivc;-, saiictae Ecclesiae sc cxtendunt, remittendo tibi per plenariam induigentiam omueni poenam in purgatorio pro praemissis tibi debilam et reslituo le sanctis Sacrament is Ecclesiae et unitali fïdelium ac innocenliae et puritati, in qua eras, quando baptizatus fuisti, ita, quod tibi decedenti clausae sunt portae poenarum et sint aperlae januae Paradisi deliciarum, quocl si nun mcrieris, salva sit iata gratia, quando alias fueris in atortis articulo. In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti. Amen.
Fr. Joannes Tktzel , Siihcomtnis. m. p. /gt;. script.
3.
Albektus , bei et Apostolicae sedis gratia, Sanctarum Magdcburgensis ac Moguntinae sedis Archiepiscopus, Primas, et sacri Komani Imperii in German ia Archicancellarius, Priticeps Elector, ac Administrator Ilal-berstadensium Ecclesiarum, Marchio Brandenburgensis, Sletinensis, Pome-raniae, Cassubarum , Sclavorumque Dux, Burggravius Noribergensis, Kugiaeque Princeps:
Et Guakdianus , iraU\'um ordinis minorum de observantia conventus Moguntini, per Sanctissimum üominum nostrum Leonem , Papam decimum, per provincias Magdeburgenses, Moguntinenses, ac illatum, et IPalbersta-denses civitates et dioeceses, necnon terras et loca Ulustrissimorum Prin-cipum, Dominorura Marchionum Braudenburgenshtm temporali Dominio mediate vel immediate subjecta: Nuncii et commissarii ad infrascripta specialiter deputati: Universis et singulis, praesentes literas inspecturis, Salutem in Domino.
Notum facimus, cjuod sanctissimus Dominus Leo, divina Proyidentia l\'apa decimus modernus, omnibus et singulis ucriusque sexus Christi fidelibus ad reparationem Fabricae Basilicae Principis Apostolorutu, Sancti Petri de ürbe, juxta ordinationem nostram mauus porrigentibus r.djutriccs, ultra plenissimas indulgentias ac alias gratias et facultates, qnas Christi fideles ipsi obtinere possunt, juxta literarum Apostolicarum, desuper con-fectarum, continentiam, inisericorditer etiam in Domino indulsit atque concessit, ut idoneum possent eligere Confessorem presbyteium secularem vel enjusvis etiam mendicantium ordinis regalarem, qui eorum confessione diligenter audita, pro commissis per eligentem deiictis et excessibus, ac peccatis quibuslibot, quantumcunque gravibus et enoimibus, etiam in diciae Sedi reservatis casibus, ac censuris Ecclesiasticis, etiam ab homine
142
ad alicujus instantiam latis, de consensu partium etiam rationa interdicti incursis, et quorum absolutio eidem Sedi esset specialiter reservata. Praeter-quam machinalionis in personam sumnii Pontificis, occisionis Episcoporum , aut aliorum superiorum Praelatorum et injectionis nianuum violentarum in illos, aut alios Praelatos, falsificationis literarum Apostolicarura, dela-tionis armorum, et aliorum prohibitorum ad partes infidelium, ac senten-tiarum et censutarum occasione aluminum tulfae Apostolicae de parlibus infidelium ad lïdeles contra prohibitionera delatorum^ incursarum, semel in vita et in mortis articulo, quoties ille imminebit, licet mors tune non suhsequa\'nr; et in non eservatis casibus totiens quotiens id petierit, plenarie absolvere et eis poenitentiam salutarem injungere. Necnon semel in vita et in dicto mortis articulo, plenariam omnium pcccatornm indulgentiam et remissionem impendere et Eucharisiiae Sacramentum, die Paschatis et mortis articulo excepto, quibusvis anni temporibus ministrare; Necnon per eos, emissa pro tempore voaquaecunque (ultramarino, ingressus Reli-gionis, et castitatis, visitationis liminum Apostolicorum, et Sancti Jacobi ad Compostella votis duntaxat exceptis) in alia pietatis opera auctoritate Apostolica possit et valeat. Indulsit quoque idem Sanctissimus Dominus noster praefatos benefactores, eorumque parentes defunctos, qui cum charitate discesserunt, in precibus, suffragiis , eleemosynis, jejuniis, orati-onibuSj Missis, horis canonicis, disciplinis, peregrinationibus, stationibus-que et ceteris omnibus spiritualibus bonis, quae lïunt et fieri poterunt, in tota sacrosancta Ecclesia, et omnibus membris ejusdem in perpetuum participes fieri.
Et quia devotus N. N. et IValpurgis gt; uxor ejus ad ipsam Fabricam et necessariam instaurationem supradiolae Basilicae Principis Apostolonmi juxta sanctissimi Domini nostri Papae intentionem et nostram ordinationem, de bonis suis contribuendo se gratos exhibuerunt et liberales, in cujus rei signum praesentes literas a nobis acceperunt. Ideo eadem auctoritate Apostolica, nobis commissa, et qua fungimur in hac parte, ipsisque dictis gratiis et indulgentiis uti, et eisdem gaudere possint et valeant, per praesentes concedimus et largimur.
Datum Berlin, sub sigillo per nos ad haec ordinato, Die XI, Mensis.....
Anno Domini cioioxvii.
Forma Ahiolutiouis pleuariae praemissa con/essione:
Hier volgt dezelfde formule als in den eersten biechtbrief; zie: Löscher. Reformations-Acta. I. p. 376 en ,388, — Gröne. Tetzel und Luther, p, igo.
BIJLAGE II.
AKTEN VAN MALLE. gt;)
Wir Rathmann, Meistern und Geschickten aus Innungen untl Gemein-lieit zusammt- den geschwornen Schoppen des Gerichts uffn Berge vor dem Rolande auch Graun und Bornmeister im Thale der Stadt Halle in Sachsen, Thun allermanniglichen, den dieser unser offner Brief vor-kommt, zu wissen, dasz der wtlrdige und anditchtige Ilerr Johatin Tezell. der heil. Schrift Baccalaureus, Ketzermeister, Predigerordens und des -Jubel- oder Gulden-Jahrs etc. bei uns verordneter und nntergesatzer ge-meiner Commissarius uff heuten Dato uff unserm Rathhause, da wir uff seiner Wtlrde an uns dem Rathe gethane Bete versammelt gewest, vor uns erschienen ist und hat vorgetragen, wie er bezüchtigt und bei vielen tapfern, machtigen und gröszeren, dann er jelzt melden und namhaftigt machen wollte, Leuten und Personen angegeben und beredet ware, dasz er der Gnaden Vermögen und Gewalt dieselbige zu vorstandigen, hoch-beschwerlichen unzuchtigs und fast unehrlichen bei uns vorgleicht solle haben, welche Vorgleichunge zu Miszbittunge der Mutter Maria, alle Zeit Jungfrau reichte. Als namlich soil er gesagt oder gepredigt haben, er hatte jetzo solche Grade und Gewalt von papstlicher Heiligkeit; Ob auch einer Mariam, die werthe Mutter Gottes geschwaugert und geschwilcht hatte, er konnt\'s und mogte den davon absolviren und entledigen. Weil nun solch\'s nicht allein die Miszbittunge Maria als das Höchste dieser Rede treffe, sondern ginge in seiner heiligen Ordens der Vütern und Brüdern desselbigen, auch seiner eigen Person und Wesen miszfordern Aergernisz, Beschwerunge und Unehre, wiire dieser Bezachtigung (lle-züchtigung) auch unschuldig. Derwegen er bedacht, seine Unschuld zu
i) Grüne, Tetzel und Luther, p. 234.
144
seiner Norlhdurft auszuführen, darauf gebeten, dasz wir Unterrede und Ger.pradie haben nnd halten wollten, oben berllhrter Rede halben, und was wir uns sammt und insonderheit hierin mogten erinneren und befinden peschehn oder nicht, seiner Würde das wahrhaftige Kundschaft mit unser igliches Amtssecret oder Siegel zu geben lassen; solcher Bete nach haben wir an fünf Theilen: als Kathmann, Meistern, Geschickten, geschwornen Schoppen vor dem Rolar.de Salzgraun und Oberbornmeistern im Tliale uns unterschiedlich beredt und in allen fttnf GesprSchen eintrftchtig vor unsern Person uff\' unser igliches (jegliches) Erinnern einmtltbig befunden und bekennen, dasz wir solclie unscbickliche Reden und Hohnsprache von oben bemeld\'ten würdigen Herrn untersatzten gemeinen Commifsarien bei uns noch sunst nicht haben hören reden oder predigen, auch keiner von uns davon Rede, dasz solche miszbittliche Rede von seiner Würde geschehn sein sollte, von andern Leuten nicht gehort. Dieselbige seine Wtlrde wir auch solche Rede halben, wie obsteht, vor unsern Personen unschnldig halten mit besundern Fleisz bittende ein Iglicher wolle seine Wtlrde das auch alle unschuldig wissen, das zu Bekenntmisz und Steuer der Wahrheit haben wir ob genannte Ra\'hmann, Meister und Geschickten, unser Stadtsecret und wir beschworne Schoppen unser Ingesiegel und ich Hans Zoch, Salsgreue, imein Ingesiegel, das wir, die Oberbornmeistern hierzü mitgebrauchen vor uns und unsern Personen unten an diesen unsern offenen Brief wissenlichen lassen hangen.
Geschehn und gegeben Sonnabends nach der reinen Empfangnusz Maria, allezeit Jungfrauen, nach Christi unsers Heils Geburt Fünfzehn Hundert darnach siebenzehnten Jahre.
Amcultata et deligenter collationata est haer praesens copia per me Balthazarem Tzschakaw, clericum Numburgensis diocoeseos sacra apostolira auctoritate Notarium, et de verba ad verhum cum sua vera originali concordat, quod nianu mea propria protestor.
2.
Vor allen und jeglichen Erzbischofen, Bischofen, Curfürsten, Fdrsten, Grauen , Herrn , Stadten (Stetenn), Amtleuten und andern geistlichs oder weltlichs Standes Christglaubigen, den dieser unser offen Erief zukommt entbieten wir Johannes Pals, geistlicber Recht Doktor, Propst des Klosters zum Nauenwerk Regularordens sanrti Angustini vor Hall, Magdeburger Erzbisthums und Archidiacon des ganzen Bans daselbst unser innige Gott Gebet und ganz willige Dienst zuvoren, und fuhren ihnen hiern;it zu wissen, dasz wir durch den würdigen nnd geistlichen Herin, Ehren
MS
Johann Thezel, der II. Schrift Baccalaureum, Ketzermeister, Predigeror-dcns, itzt papstlicher Heiligkeit und des heiligen Stuhls zu Rom der gnadenreichen Indulgenz zum Gebaude Sanct-Peterskirchen daselbst unter-gesatzten, gemeinen Commissarium unterrichtet, dasz er von Etlichen, wie wohlweniger dann mit einer Wahrheit, bei Etlichen in Schriften und sunst angegeben beruchtigt und bezüchtigt, als sollt\'er vergangene Zeit in seinen Predigten und sonderlich allhie zu Halle mit hiernieden (unten) geschriebenen unschicklichen und unerzogenenen Worten dem Volk und Andem gesaget haben, dasz er aus groszem Vermiigen solcher Gnaden die Gewalt hatte, einen itzlicheu von seinen Sttnden, ob er auch gleich die hochwürdigste und ewige Jungfrau und Gottesgebarerin Mariam ge-schwangert und geschwacht, zu entbinden und absolviren. Dieweil dann solche angezeigte Beztlchtigungen zu groszer Schwache und Miszbittunge der Himmels-Koningin Maria, Aergernisz und Verletzunge, milden Ohren und auch Verkleinerung ehegedachtes Ehren Johannes Thezels reichet, und wo die Wahrheit nicht entdeckt, solcher Gnaden unvorwindlichen Schaden gebarct, haben wir aus, als dieses erzordentlichen Richter in Erfahrung der Wahrheit zu kommen bellissen und auf heute dato alle und itzliche Beichtvater und POnitentiarios solcher Gnaden in der Stadt Halle uff unser Lieben-Frauen-Kirchen-Pfarrhof zusammen fordern und vorbittcn lissen: als namlich die wUrdigen, hochgelahrten Geistlichen und ehren-haftigen Herrn : Ehren Lucam Jacobi, geistlicher Rechte Doctor, genanntes unsers Klosters zum Nauenwerk, Nicolaum Moningh zu Sanct-Moritz, Priores Jeronimum Muller, unser Lieben-Frauen Wichandem Pfrem sancti Mauritzii, Simonem Greyl, sanctae Gertrudis, Conradum Auszbach sanc/i Wnlbrich, Petrum Karelstat, sancti Lauremii, inwendig und auswendig melirgedachter Stadt Halle Johannem Seckel, Petrum Federauff, Siffridum, Langsdorff, Baitholomaum Mellerstadt, alle regulirte Kauoniker, Antoniurn Rabenstich, Subprior Hermanum Eberhardi, Georgium Regis, I\'aulum von Rochlitz; Predigerordens Laurenzium Beliem, Georgium Malzaf, Mar-tinum Nawman; Barfilszerordens Jeronimum Sander, Prior und Provinzial Andraam Gotha, Paulum Nawman, Laurentium Guterbock; unser Lieben-Frauen-Knechtsordens Magistrum Bartholomaum Spyz, Johannem Cyriazi, Johannem Zeumer, Killianum Kolbe, Leonhardum Muller, Johannem Gylraann, Johannem Andree, Petrum Herlemann, Ambrosium Weisze, Hermanum Summer, Gothardum Gere, Johannem Gerth und Johannem Wust, Professen der Convente und Vicarios der Stadt Halle und sie, und eineni Jeglichen von ihnen insonderheit uff\'s höchst und fleiszigst vor-mahnet, uns die Wahrheit uff genannten Artikel zu berichten, daruff sie and ein Jeglicher öffentlich gesaget, dasz sie angezeigle unschickliche
146
Woile oder dergl. von eher genannlen Ehren Johann Thczel in oder auszerhalben seiner Predigten noch Itein Gerucht oder Sage dorvon bis uff diese Stunde nicht gehüret, und hal ten\'s dorvor, dasz er solches Ge-ruchts, wo sich das irgends ereignet hiitte, unschuldig. Des zu Urkunde und Bekenntnisz haben wir diesen unsern ofifen Brief mit unserm unten anhangenden Probstei-Insiegel sammt unsers hier unten geschriebenen Notarien-Unterschrift, wissentlich befestigen rhun lassen; der geben ist nach Christi unsers lieben Herrn Geburt Fdnfzehn Hundert dornach im siebenzehnten Jahre Montags nach Luciae virginis.
De mandata rcverendi patris domini doctoris praefositi ci archidiaconi suprescripti Vitus Keller notarlus sept. Auscnltata et diligenter colla-tionata etc.
INHOUD.
Voorrede .................BI. i
Inleiding...................BI. i
HOOFDSTUK I.
duitschland in de tweede helft der 15^ eeuw.
Katholieke hervorming in Duitschland onder kardinaal Nicolaas Cues. — De kloosterorden ontwaken tot een nieuw leven. — Congregatie der Reguliere Kanunniken van Windesheim eu der Hollandsche Dominicanen. — Invloed van den godsdienst op het onderwijs. — De universiteiten. — De „Broeders van het gemeene levenquot;. — Godsdienstzin der arbeidende klasse. — Krachtige uiting van het godsdienstig leven in de schoone kunsten, in de christelijke deugden......... . BI. 3
H O O F D S T UK U.
tetzels jeugd en studiejaren.
De universiteit van Leipzig. — Tetzel, te Leipzig geboren, ontvangt zijne eerste opleiding in de kloosterschool der Augustijnen te Leipzig. — Hij vervolgt zijne studiën aan de universiteit aldaar en wordt baccalaureus in de wijsbegeerte. — Hij neemt in het Sint-Paulusklooster te Leipzig het ordekleed van den H. Dominicus aan. —• Tetzels kloosterleven. — Hij wordt studens honoris en door zijn oversten naar Keulen gezonden.— De studiën der Dominicanen te Keulen. — Tetzel wordt tot cursor of professor benoemd........ .... . . BI, 16
148
HOOFDSTUK III.
DE KATHOLIEKE AFLAATLEER.
Drie beginselen der katholieke aflaatleer. — De allaat is geen kwijtschelding van zondeschuld, maar van tijdelijke zondestraf. — Over de beteekenis van remissie peccatorum. — Om deelachtig te worden aan een allaat wordt noodzakelijk de staat van genade verondersteld. — De aflaat bevordert den geest van boetvaardigheid en spoort de geloovigen aan tot het verrichten van goede werken. — De geloovige zielen in het vagevuur kunnen deelachtig worden aan de aflaten. — Onderscheid tusschen den aflaat voor de levenden en voor de overledenen, — Om aflaten te verdienen voor de overledenen wordt in de levenden niet altijd de staat van genade vereischt................B!. 25
II O O F D S T UK IV.
TEÏZEL PREDIKER VAN DEN KRUISTOCHTAKLAAT.
Verovering van Griekenland door de Turken. — Kardinaal Perauld predikt\' op last van Alexander VI in Duitschland den kruistocht tegen de or.geloovigen. — Tetzel tot aflaatprediker aangesteld. — Hij predikt met veel vrucht in Saksen, Beieren, Brandenburg, enz. — De Duitsche Orde in Lijfland door de Russen en de Tartaren bedreigd. — Julius 11 verleent een kruistochtaflaat ter gunste der Duitsche Ridders en belast den pauselijken gezant Arcimbold met de prediking. — Arcimbold stelt Tetzel lot subcommissaris der aflaatpredikirg aan. — Tetzeis redenaarstalent algemeen gevierd. — Zijn intocht te Leipzig. — Milddadigheid en godsdienstzin der geloovigen. — Oorsprong en ontwikkeling der Tetzel-Anekdoten. — Tetzel prior van het klooster te Grosz Glogau. — Cajetanus, generaal der Predikheeren, geeft hem verlof om den graad van magister of doctor in de theologie te behalen en benoemt hem tot inquisiteur................... BI. 35
HOOFDSTUK V.
TETZEL PREDIKER VAN DEN SINT-PIETERSAFLAAT.
Paulus Leo X verleent een allaat voor den bouw der nieuwe Sint-Pieterskerk te Rome. — Albertus van Brandenburg, aartsbisschop van Mentz, wordt met Alexander Molitoris, gardiaan der Observanten te Mentz, tot commissaris van den aflaat benoemd. — Tetzel door den aartsbisschop van Mentz tot algemeen subcommissaiis aangesteld. — De Instructie van den aartsbistchop. — De vier voornaamste geestelijke
149
voorrechten. — Wat is een biechtbrief? — De hischtbrief is geen kwijtschelding van zonden. — Voor het ontvangen van een biechtbrief wordt geen berouw vereischt. — Fragmenten van Tetzels preeken. — Tetzel vordert van de geloovigen uitdrukkelijk berouw en Biecht om deelachtig te worden aan den aflaat. — Ceremonieel der aflaatpvediking . BI. 50
HOOFDSTUK VI.
LUTHERS BEWEEGREDENEN TOT DEN STRIJD.
Niet de aflaatprediking, maar de katholieke aflaatleer is oorzaak van Luthers optreden, — Luthers leer vóór 1517 was reeds lijnrecht in strijd met de beginselen der katholieke aflaa\'leer. — Bijzondere haat tegen Tetzel, als Dominicaan, scholasticus en inquisiteur. — Strijd der humanisten tegen de scholastici. — Reuchlin en Hochstraten. — Luthers aanvallen tegen de scholastici. — Benarde orrstandigheden van het Augustijnerklooster te Wittenberg- — Luther door zijne vrienden tot verzet aangespoord. — Bijeenkomst in de proostdij van Kemberg. — Luthers partij . BI. 65
HOOFDSTUK VIL
LUTHERS UITDAGING.
Op de eerste Vesper van Allerheiligen 1517 slaat Luther zijne Theses aan de deur der slotkerk te Wittenberg. — Snelle verspreiding der Theses. — Spitsvondigheid der eerste stellingen. — Dwalingen van Luther omtrent het wezen der aflaten. — Dwaling omtrent den aflaat voor overledenen. — Sluwe tactiek van Luther tegenover Tetzel. — BeschuldiQingen egen de aflaatpredikers. — Dwaling omtrent de zekerheid en de noodzakelijkheid der aflaten. — De kerkelijke schat der aflaten volgens Luther onbestaanbaar. — De aflaatpredikers door Luther aan spot en verachting prijsgegeven. — Luthers brief aan den aartsbisschop van Mentz. — Antwoord van den aartsbisschop, waarin Luther veroordeeld en Tetzel met de uitvoering van het proces belast wordt......BI. 7O
HOOFDSTUK VIII.
STRIJD TUSSCHEN TETZEL EN LUTHER.
Tetzels openbare verdediging der Antitheses. — Tetzel auteur der Anti theses. — Tetzels juiste verklaring van de kracht, de zekerheid en het nut der aflaten. — De aflaatkisten. — Tetzels ge.oelen omtrent den aflaat voor overledenen en omtrent de biechtbrieven. — Wat Luther misbruik noemt, is of gebruik, of laster. — Tetzels onschuld rechterlijk bewezen
I50
door de officieele getuigschriften der geestelijke en wereldlijke overheid van Halle...................BI. 90
HOOFDSTUK IX.
TETZEI.S STR IJ DSC H RIFTEN.
Openbare verbranding van Tetzels Antitheses door Luthers leerlingen.— Vorltgitng van Tetzel tegen Luthers Sermon von Ablasz und Gnade. — De katholieke aflaatleer door Tetzel duidelijk voorgesteld en met kracht van bewijzen gestaafd. — Vier hoofddwalingen van Luther weerlegd. — Aflaat is, volgens Telzels herhaalde verklaring, kwijtschelding van de tijdelijke straf der zonden, die rouwmoedig gebiecht zijn. — Tweede openbaar dispuut van Tetzel te Frankfort. — Tetzels scherpzinnige betoogtrant. — Stellingen over het pauselijk gezag. — Luthers antwoord . BI. 104
H O O F D S T U K X.
TETZELS VERNEDERING EN DOOD.
Luther door kardinaal Cajetanus te Augsburg gedagvaard. — Luthers zwakheid en kwade trouw. — Afkondiging der pauselijke Decretale. — Miltitz naar Duitschland gezonden om de onderhandelingen weder aan te knoopen. — Onbezonnenheid en lichtgeloovigheid van Miltitz. — Miltitz en Luther te Altenburg. — Tetzel bij Miltitz in verhoor. — Tetzel streng berispt. — Hartzeer werpt den aflaatprediker op het ziekbed. — Luthers ziekentroost. — Tetzels dood. — Verdedigingsschrift van den provinciaal Hermann Rab. — Dubbelzinnige houding van Miltitz. . . . BI. 115
HOOFDSTUK XI.
EENIGE BESCHULDIGINGEN WEERLEGD Luihervereering en Tetzelverguizing. — Tetzel heeft zich aan geen geldafpersing schuldig gemaakt. — Brief van Tetzel aan den abt Johannes van Kümgslutter. — Tetzel door Miltitz van geldverduistering beticht.— Ongeloofwaardigheid van Miltitz. — De beschuldiging van overspel heeft geen grond en is in strijd met de jongs ontdekte „archivalische Be
scheiden1\' van Dr. Kümer en Evers..........BI. 127
Algemeen Overzicht. — Besluit...........BI. 134
B IJ L A G E N.
I. Tetzels Biechtbrieven................. BI. 139
II. Akten van Halle.................... BI. 143
ERRATA.
|
17 |
regel 11 |
V. |
b. |
staat. |
XIII lees. |
XXIII |
|
75 |
15 |
V. |
h. |
95 |
opbruischend |
opbruisend |
|
84 |
„ H |
V. |
0, |
»3 |
verrassen „ |
verrassend |
|
93 |
7 |
V, |
b. |
af te dwalen „ |
af te dalen | |
|
105 |
13 |
V. |
0. |
* |
word „ |
wordt |
|
quot;3 |
gt;J \'3 |
V. |
b. |
pauselijk „ |
pauselijk gezag |
JUU UUMI-UllBuy »IIU(L1UJ
-aqbï }uós sojpnóT ap ^pp-tfej jnod sajjao ; uopnqfaistp yjaiuiajd •bj snêp -tuoa inös }a \'pf \'ij g ie uijbiu uretuapua[ aj sa.ipupri t? pi(i.\\ajv \'pjogt;i i tu tgt; qo -q g itib.vb sasiuiaj sajuaf saj \'jios np sajnatj q ap aisod-uibj} a •jiós sfWTiaq- 6 io utïBüi os quot;\'i h \'samaq 6 V subj ap lu^JBd saptdBj no s suibjj siqji jud srepo pta sajnsse ?nos ajjaiaiSnyj jnod xntJisod saoujas
quot;uubiu np \'q of : aN90in0a-aK0xsaM?0j[ WA j. SBJDU018I •jios np -q g ja hijbiu np -q ff \'-q 6 : SivivQ-saUAnOd VIA f quot; M
•uijbui np o£ *q Of : anoisaaioj-anitoiaoa VlA | cijbj gn •jios np -q e \'nin;ui np os \'q 11 \' q 6 : saHAnoQ-sivivo »;A i • 0 H
■assBp ag ap siain*
-nui sanaSBVOA sa[ juauuojd \'jios np cj -q g v. stjbj .mod saapuoq ap ia saanaq 6 v saapnoT; jnod stjuj ap $frnxed linu ap a^Bui ap sqtt.ji saj \'aain •sassBp sauiatxnap sap luajjoduioo suiw saj
ajnoq x na aaSHHAVHX — quot;sajnati l na xafVHX
suss anbeno suep susTpponb sapTdBJsaotAJ.9S
aNiooTunioa; quot;lt;gt; SIVTLVO
ssuaNon v sia\\
QÜON HQ b3J 30 SNIIAI3H0
\'sa.ipiioq r. upuiu uiBiuapnai aj saanqujsip iuos 3uba« (snpjaj-st\'j sap ajjBS) aji!zviq-jun;g mbS bi ap sajioq sai suup saaj ja iifBpaajstnv.P anj T![ ap treajnq nu jios np 05 -q g IUBiVB saasodap saJJia •jios np sajnaq 6 ? ojbzbq-jureg-siJi;^ ap jn^jjl a^ Jüd ajnssi; isa (ua.vBqAva^-addaiQ ■bia) ajjajaisuyj Jnod jujsod aoiaj
quot;IViSOd 30IAU3S
sz se ..............ess1
ze ..............3SS1
98 -JJ Sf- ..............3SS1f
: sjnof i {iicpiisd S8iqi|ii \'$8|diuis
OS Tfr ............. asstqa 3(:
gt 25 ........ .....^818!0 quot;Z
St, 1} ZL ..............assupoaf
: sjüiu [ lutpusd i8|qi|i« \'ano}9J )9 jan^p sjsma
: WXM\'I II»! «M«I \'VIIIlt;1
•uUbui np saanaq 8 ia Jios np cj •q 9 \'(ajEZEi-jureg) suvj v. sa •jios np os \'H 8 ï3 wtiwn quot;P sajnaq 6 \'«HWA —
•jios np sajnaq 0 ja uijbui np sajnaq g \'aSpijg-uopuoq : sa.ipuo\'j ap si •uijïur np on quot;q l ja Jios np sajnaq l \'bijojoijV —
•uijbui np ot \'tl L J9 Jios np sajnaq 1 \'aSpijg-uopuoq .* sa.ipuoi sa •jios np sajnaq 6 Ja uijuui ot; \'it 6 \'(aJuz^l-JiiFS) shtl0d 8P s\'
(sudmoo saqouBuiiQ) saxid saansH v Naiaiionö aoiAuas
anb|inono33 sn|d t:| ojo ,v
MaAVH^aM ia addaia \' hyj
SauaNOI V SIU^
18300.1 30 U3d 30 SNIIAI3H0