Vak 140
v 7
- •- *} ■ ■ r
.% rv\'^.quot;r*
- ^ :\' . ^f- - A.
S. \'f~ f- 3
■n \' , t \'T -
lt; ^ *• gt;^-
gt; gt; ^ T \\
. gt;-.
-^ ■ ■ Va *
\'■ \'v ^ ^
V . Jr ■ lt; /
v\' quot; Z quot;■» ^
x , v. quot;*
: / ^ y v\'\'
¥ #
f gt;
i? -, - gt;k. -quot;
^ l
gt; fy S.\'
OPCr. «-•
9.
gt; lt; ) V
gt; v ( ? ^U .
:r
1. « gt; • ;
.,- . i. ■. ^ \' r\' H^f4 .:Xi-. .Ai
^ i - i- it
188
,
^esJ^u.dj lt;D ^ \'
1 .l^.e.e^Uo_
JU.,
GESCHIEDENIS
ii mini ei mum
VOOR GYMNASIA EN HOOGERE-BURGERSCHOLEN.
LEIDDRAAD BIJ DE BEIIAIELING DER OÜDE GESCHIEDENIS,
DOOR
D*. P. C. M,ARGADAXT,
LEEKAAP. AAS HET GYMNASIUM TE \'S GRAVENHAGE.
BfBLfOTEcT^\'. i cor;- ■
I\' *
\\ era fft.»T. «i* j
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 188«gt;.
VOORBERICHT.
Meermalen gedurende de laatste jaren, tijdens welke het onderwijs in de Oude Geschiedenis in de eerste klasse van ons Gymnasium door mij werd gegeven, kwam de gedachte bij mij op, door het uitgeven eener handleiding het dicteeren uit te halen en den leerlingen de zaak zoodoende gemukkelijker te maken.
Bij het samenstellen daarvan heb ik mij steeds zooveel mogelijk gehouden aan de waarheid, van welke, dunkt mij, iedereen moet doordrongen zijn, wien de eervolle taak van het geven van onderwijs is opgelegd, n.1. dat men „het beste wat men weten kanquot; niet alleen .,magquot;, maar wel degelijk moet mededeelen, mits slechts in eenen vorm, die bevattelijk is voor hen, aan wie het onderwijs moet ten goede komen. Goed onderwijs in geschiedenis is nu, naar ik althans meen, niet te geven, zonder veel vertellen; meermalen is mij gebleken dat door jongens op den duur nog meer onthouden wordt van eene eenvoudige, bevattelijke, mondelinge mededeeling, dan van wat zij moeten opschrijven en van buiten leeren. Op sommige bladzijden van mijn
boekje zijn enkele regels tusschen twee haakjea geplaatst (zooals b.v. op blz. 10), waaruit de docent aanleiding kan nemen te vertellen, bovendien is hier en daar menige phrase met voordacht door mij zóó gekozen, dat een eenigszins schrandere jongen opheldering zal vragen, en er dus voor verdere mondelinge uitbreiding weder ruimschoots gelegenheid is.
Dat ik alleen de geschiedenis der Grieken en Romeinen heb behandeld, vindt zijne verklaring in mijne meening, dat de geschiedenis van de andere volken der oudheid, althans voor gymnasiaal onderwijs, alleen in zooverre van belang is, als zij met de geschiedenis van Oriekenland en Rome samenhangt, en men die dus het best daarmede in verband kan behandelen, zooals b.v. op blz. 23 is geschied.
Ik raag dit voorbericlit niet eindigen, alvorens mijn welgeraeeEden dank te hebben gebracht aan mijn vriend en ambtgenoot Dr. Th. P. H. vax Aalst, die mij bij het samenstellen van mijn boekje, welks proefbladen hij de goedheid heeft gehad met zorg na te zien, menige behartenswaardige opmerking heeft ten beste gegeven.
quot;s Gravenhage , Maart 1886. Dr. P. C. MARGADANT.
A. GESCHIEDENIS DER GRIEKEN.
§ i.
Aardrijkskundig overzicht van Griekenland.
Griekenland of Hellas, zooals de Grieken zeiven het land oemden, is het zuidelijk gedeelte van het zoogenaamde Balkan chiereiland. Een aardrijkskundig overzicht van dat schiereiland aat zich het gemakkelijkst geven, wanneer wij achtereenvolgens eschouwen : Noord-Griekenland, Midden-Griekenland, Pelo-onnesus en de eilanden. f ?
I. Noord-Griekenland bestaat uit Epirus en Thessaliü, welke\'r eide landschappen door het Pindus-gebergte gescheiden zijn. f \' \'C \'/
a. Epirus is het kustland aan de Ionische zee. De naam die {\'\'\'(■ J \'asiland beteekent heeft het van de eilandbewoners der Ionische
ee gekregen. Het was een ruw bergland, door krijgshaftige vol-eren bewoond, van welke sommigen eerst laat onder den invloed er grieksche beschaving zijn gekomen. In het midden lag Do-ona waar het oudste, aan den oppergod Z e u s gewijde grieksche rakel was.
b. Thes sa lie, eenmaal een door bergen ingesloten meer; in
iet oosten vond men de bergen Ossa, Pelion en Olympus^ j \'Iwaar de Griek zich de verblijfplaats zijner meeste goden dacht. qquot;;.f Tusschen den Olympus en de Ossa lag het liefelijke dal Tempe,
waardoor de PenSus de grootste rivier van Thessalie stroomde. De voornaamste steden in dit landschap waren Larissa aan den PenSus, P har sa lus (48 v. Chr.), Lamia, dat na den dood
^ llt; n-rt \'
meinen. lt;2*^ [si i-J 9^^, ^
s. margadant, Grieken en Romeinen. / l£.
A
L\'
/ van Alexander den Groote zijn naam aan eenen oorlog ^ heeft gegeven.
^ II. Midden-Griekenland, waarin de volgende landschappen:
a. Attica, een tamelijk onvruchtbaar land, dat hoofdzakelijk olijven, vijgen en honig\'\'(berg Hymettus) voonbrac^t^gp^dsta^ Athene met de h^yenstad ^irji£et$sj Eleusis bekend door de godsdienstige feestenquot;(mystenen), die^aldaa,r jaarlijks werden ge- ^ vierd, Marathon (490 v, Chr.), Decelea, bekend in den pelo-ponnesischen oorlog. In het zuiden waren de zilvergroeven van Laurium. De zuidspits van Attica heette kaap Sunium. Ten westen van Athene het eilandje Salanns {480 v. Chr.) gekoloniseerd door Phoeniciers.
b. Boeotie, een veel vruchtbaarder land dan Attica; op de, -_ grens van beide landschappen lag de berg Cithaeron. Staatkundig was Boeotië eene vereeniging van een aantal steden, de voor - ^ naamste van die steden was Thebe met den burcht Cadmea. In I * den loop der grieksche geschiedenis is Boeotië dikwijls het tooneel \' geweest van de oorlogen die de grieksche staten onderling voer- | den: vele plaatsen herinneren dan ook aan veldslagen: b.v. Pla- \'Xj-. taeae (479 v. Chr.), Coronea (447 en 394 v. Chr.), Leuctra^/^ (371 v. Chr.), Chaeronea (338 v. Chr.) en nog meer andêfen.
c. Phocis, het landschap van den Parnassus. Aan den voet^1]! van dien berg, op eene plaats die de Grieken voor Ae^niiddeL-punt der aarde hielden, lag de heilige tempelstad^V^/zz, waar het beroemde orakel van Apollo zich bevond.
Nog verdient in Phocis vermelding de stad Elatear^hamp;t N.O. ^
door Philippus van Macedonië ingenomen in 338^Chr.
d Doris, een klein bergland, bekend als het stamland derquot;3 Doriërs, die later o. a. het landschap Laconica in Peloponnesus bevolkten.
e. Locris. Men onderscheidt drie staten van dien naam, één in de nabijheid van het O^a-gebergte en den Thermopylae-^^.
^ (480 v. Chr.), één ten N. van Phocis en Boeotië en één aan dej J Corinthische golf, waarin de havenstad Naupactus (thans Lepanto)\'^ ^ gelegen was.
•S
f. Aetolie en g. Acarnanie. Deze beide westelijk gelegen landschappen van Midden-Griekenland, door woeste en krijgs-
C*£jl. 1^/
J i \'\' ^ *- PLSO
3
haftige volken bewoond, worden in de grieksche geschiedenis slechts weinig vermeld, omdat zij althans in het bloeitijdperk daarvan geen rol hebben gespeeld. De rivier die deze beide landschappen scheidde, heette de Achelous. In Acarnanie was het voorgebergte Adium bekend door den zeeslag in 31 v. Chr.
h. Megaris met de stad Megara, een klein ten N. van den isthmus of landengte van Corinthe gelegen landschap. Over deze landengte tusschen de Corinthische en Saronische zeeboezems kwam men in: .rt
III. Peloponnesus (d. i. het eiland van Pelops, thans Morea geheeten). Dit schiereiland „met zijn plataanbladvormquot; is aan de ^
vier zijden door de zee begrensd en zeer bergachtig. Het geheel -in het midden gelegen hoogland Arcadië is rondom door bergen $ «v \'viV** omgeven, die zich naar het oosten en zuiden vertakken. De meest bekende dier in zuidelijke richting loopende vertakkingen ^r is de Taygï\'tus, die de landschappen Mcssenii: en Laconica jCr scheidt. In de bergen van Arcadië ontspringen ook de meest bekende rivieren van het schiereiland, zooals de Alpheus, die in q.\' westelijke, en in Laconica de Eurotas die in zuidelijke richting stroomt. Het landschap Arcadië zelf doet ons in vele opzichten denken aan een ander bergland in Europa, n.1. aan Zwitserland.
Even als de Zwitsers verhuurden deze bergbewoners zich gaarne als huursoldaten en was hun land ingedeeld in kantons. Deze kantons van Arcadië waren staatkundig geheel gescheiden. Epa-minondas de thebaansche veldheer, die in 362 v. Chr. in den veldslag van Man tinea gesneuveld is, heeft wel getracht Arcadië staatkundig één geheel te maken, ten einde in Peloponnesus tot tegenwicht tegen Sparta te kunnen dienen, maar deze eenheid is slechts van zeer korten duur geweest.
De voornaamste steden in Arcadië waren, Mantima (362 v.
Chr.) en Tegua. Door den invloed van Epaminondas is gesticht Megalopolis (de groote stad), die tót hoofdstad moest dienen van het vereen igd Arcadië.
De verdere landschappen in Peloponnesus zijn:
a. Achaje aan de corinthische golf, met de steden Aegium en Patrae thans Patras geheeten.
b. Argolis, met de hoofdstad Argos en de verder nog uit den ,
/w«
[A o
vO
i-ki
ƒƒ JlK
,v^
voorhistorischen tijd dagteekenende steden Mycenae en Tiryns. De meest bekende zeeplaatsen zijn Epidaurus en Troezen. In dit landschap zijn opgravingen gedaan door Dr. Schliemann,
welke een aantal voorwerpen aan het licht hebben gebracht die uit een tijd dagteekenen, waaromtrent ons historische gegevens ontbreken.
Oamp;lc*—\'\'hz Laconica, het zuidelijkste landschap, dat uitloopt in twee ^ • landtongen en kapen, Ma lea en Taenarwn (thans kaap Matapan.)
De hoofdstad was Sparta of Lacedaemon aan den Eurüias. Ten . Z. de laconische golf.
d. Messenië, een zeer vruchtbaar land, bekend door zijne oorlogen met Sparta. De oude bergvesting li/wme diende als .p , burcht voor de stad Mess ene, die later op raad van Epami- Qpt
\\ J ^j^n o n d a s gebouwd is. Aan de zeeku|tMag Pylos (thans Navarino) ^ c\'aar tegenover het eilandje Sphacteria (425 v. Chr.). Ten Z. ^
de messenische golf.
A
li
■1 s
if eXa — •
y
/*— e. Elis, een land met een zeer vruchtbaren bodem. De hoofd-1 stad was Elis aan den Peneüs ; verreweg de meest bekende plaats
4 was Olympia aan den Alpheus, waar alle vier jaren de beroemde
spelen werden gehouden, en waar zich de prachtige tempel van $ugt;ay£^gt; ^ den god Ze us bevond met het wereldberoemde beeld door den atheenschen beeldhouwer Phidias vervaardigd.
Nog verdienen vermeld te worden in het noorden van het schiereiland het gebied van de stad Sicyon en dat van Corinthe. IV. De Griekse he eilanden.
De meest belangrijke eilanden in de Ionische zee zijn:
Corcyra, later door Corinthiers gekoloniseerd, een aanlegplaats voor schepen op hun tocht van Griekenland naar Italië. pA~-T\'\'e^gt;
Ithaca, het uit de Homerische gedichten bekende eiland waar .Odysseus koning was.
pfzjZy.iftv Cephallenia.
Cythera, ten Z. van Laconica, eene kolonie der Phoeniciêrs. Cr eta (thans Candia). Dit zeer bergachtige eiland bezit drie berggroepen, waarvan de middelste Ida heet Reeds in voorhistorischen tijd had het een hoogen trap van beschaving bereikt; de naam Minos die ons uit dien tijd is overgeleverd wijst op een tijdperk van phoenicische heerschappij. Het bezat vele havens en
%
■Vigt;
(
A
^0\'
|S 0
/ inhammen die het tot een gewenschte schuilplaats voor zeeroovers o, J maakten. De meest bekende stad was Cnossus met het Labyrinth. quot; 0 0 \' \'^ Cyprus, evenzeer een oude nederzetting der Phoeniciers. r Jcc^o^
Rhodus (het rozeneiland), later eene nederzetting der Doriers.
Dit eiland heeft een ongekenden bloei, ook op het gebied van kunsten en wetenschappen genoten in den tijd na Alexander den Groote, toen bijna alle andere grieksche Staten reeds lang in verval waren geraakt.
In de Aegeïsche zee vinden wij aan de oostkust van Midden-Êt^\'^^^Griekenland het vruchtbare eiland Euboea door eene nauwe zee-lengte, den Euripus, van het vaste land gescheiden. De meest — bekende steden waren Chalcis en Eretria, de N.O. spits heette Qfl Èr^i-kaap Artemisium (480 v. Chr.). Ten zuiden van Attica lag het ^ . eiland Aegina, als zeemogendheid, langen tijd Athene\'s meest* quot;^^Vijeduchte vijandin.^^
y De Cydaden groep, aldus genoemd omdat zij in een kring geacht werden te liggen rondom het eiland Delos, dat door de
J ^a^-Gïieken beschouwd werd als ^^^gboorteplaats van den god polio en de godin Artemis, en als zoodanig het godsdienstig ■fquot;quot;^middelpunt was van den lontschen stam. Tot deze eilanden-groep behoorden verder: Paros, liekend^om zijn marmer, Andros, Naxos (wijnbouw), Melos (thans Milo) (416 v. Chr.).
De Sporaden (verspreid licj^epjjie ^ilanden): Thasos, Lemnos (zeer vulkanisch eiland), Lesbos met de hoofdstad Mytilene, Chios, een vruchtbaar, vooral door zijn wijnbouw bekend eiland, vo Savios, Cos, Scyros, later door atheensche kolonisten bewoond.
Q^/I^
^ A.P** 2*^ A-/ .
amp;
De oudste bevolking van Griekenland. — Heldentijd.
Het grieksche volk behoorde tot de groote Arische of Lndo-Germaansche volkengroep en was verwant aan de stammen die Italië hebben bevolkt. Dit blijkt o. a. nog uit de verwantschap der talen. Met zekerheid kan omtrent de oudste bevolking van Griekenland en de wijze waarop zij in dat land is gekomen niets
amp;
T
t-
^Sr^d^- ^ - ^^T\'.
____amp;£st
worden vastgesteld.
Waarschijnlijk zijn de oudste bewoners uit Azie en van de stranden der Zwarte zee door de thans als Donau-staten bekende landen, en wel van het noordwesten, in Griekenland gekomen. Die oude stammen vinden wij vermeld onder den ouden naam Pelasgen. Wat die naam beteekent weten wij evenmin met juistheid als van waar zij die hebben ontleend.
Wel vinden wij bij latere grieksche schrijvers vermeld, dat de oudste naam voor Arcadie en ook wel voor geheel Peloponnesus Pelasgia was, zoodat daaruit valt op te maken dat die streken bijna uitsluitend door de Pelasgen zouden zijn bevolkt en bewoond. Alles wat de latere Grieken van deze hunne voorouders meenden te weten, is door hen ingekleed in mythen en sagen; van werkelijk historisch-betrouwbare overleveringen zijn bijna geene sporen meer over.
Het sprak echter van zelf, dat de landen in het oosten en zuiden, zooals Phoenick en Aegypte, die in den tijd waarvan wij nu spreken, reeds op zulk een hoogen trap van beschaving stonden, ook iets daarvan aan Griekenland hebben medegedeeld, r -1 De ondernemende phoenicische zeevaarders stichtten weldra ne-rmi y I derzettingen op tie eilanden der aegaeïsche zee, zooals b.v. op Rhodus, Creta, Cythera en Thasos. In de voorstelling der latere Grieken knoopten zich die aegyptische en phoenicische en kolonisatie aan de namen van Cecrofis. Danaüs en Cadmus vast, die in Athene, Argos en Thebe zouden hebben Z* geleefd en geregeerd. Die namen beteekenen alleen dit, dat de
^ invloed
latere Grieken zich bewust waren dat Aegypte en Phoenicie invloed hadden uitgeoefend op de kolonisatie en beschaving van hun land, en tevens dat in die tijden langzamerhand het ruwe jagers- en herdersleven uit den vroegeren tijd zich naar meer beschaafde zeden ging schikken en de behoefte aan het samenwonen in steden en burchten (acropolis) meer en meer zich gevoelen deed.
De algemeene naam waarmede de latere Grieken zich noemden, was Hellenen; overleveringen beweerden dat na de Pelasgen deze Hellenen een tijd het heerschend volk in Griekenland zouden zijn geweest. Om dien naam „Hellenenquot; te verklaren, moesteen stamheld Hellen dienen, dien men op zijne beurt in de over-
5-3
— -
¥
___\' Z*-«-7 o-t-^ _ (
levering drie zonen gaf. Van die zonen van Hellen, zouden de grieksche stammen die in historischen tijd het land bevolkten :
i Doriers en Aeoliers, loniers en Achaetrs afstammen. Den naam gt;van Grieken waarmede wij hel volk roemen, hebben wij aan de Romeinen ontleend, ƒ\'Tquot;»\'quot; o.
Toen nu allengs beschaving zich begon t^v^rtrei^dgn arider/4^ y die bewoners van Griekenland, trad er een o^ergangstiulperk in. ^
fDe grieksche overleveringen verhalen ons in dat tijdperk van eenige „heldhaftige typenquot;, die door krijgstochten of andere belangrijke daden veel van zich hebben doen spreken. Vandaar dat r|^.iit tijdperk gewoonlijkDe grieksche overleveringen verhalen ons in dat tijdperk van eenige „heldhaftige typenquot;, die door krijgstochten of andere belangrijke daden veel van zich hebben doen spreken. Vandaar dat r|^.iit tijdperk gewoonlijk de heldentijd of dje der AchaeCrs wordt i ^ genoemd.
Met jaartallen kan hier nog niets zekers worden opgegeven^\' wel stelden de Grieken de groote gebeurtenissen uit dien heldentijd .j^op hunne wijze chronologisch vast, maar historische zekerheid \' ^.hebben deze jaartallen in het minst niet. //fafcsu*
^ ^ Wij vernemen uit de grieksche sagen veel omtrent de lotge- \'
^vallen en daden van Heracles (Hercules), Theseus en \'{ y O ed i p u s, den tocht der Argovaarders naar Colchis aan de J Zwarte zee, de onderneming der zeven vorsten tegen Thebe en i v^het beleg van Ilium of Troje, eene stad op de westkust van Jf*
J
p i Klein-Azie. Omtrent dit laatste wapenfeit vinden wij veel vermeld
in de beide Homerische heldendichten, de Ilias en de Odyssea. (Kort verhaal van den hoofdinhoud dier beide heldendichten). Deze beide oude gedenkteekenen der grieksche letterkunde zijn waarschijnlijk niet door een persoon vervaardigd en hebben geene waarde a!s geschiedverhaal. Belangrijk zijn zij echter om tAons een beeld te geven van de toestanden in de tijden waaruit \\ die verschillende zangen dagteekenen, welke eeuwen lang in den K^mond des volks hebben voortgeleefd, alvorens zij zijn verzameld ^ en opgeschreven.
-v Wij zien n.1. uit die gedichten, dat in de 10 en 9de eeuw \\ v. Chr. het koningschap in Griekenland de algemeen in zwang zijnde regeeringsvorm was. De koning bezat zijne macht als\'de J daartoe door de godheid^^aangfAvezepersoon, en had om zich j heen een aantal bejaïrdte fieoen, che\' zijn raad uitmaakten, ter-
fwijl het volk niets
had. De handel, ruilhandel met
• • •
vee als betaalmiddel, werd gedreven door de Phoeniciers. Sporen van ruwe zeden, moord en roof, komen nog veelvuldig voor op den naasten bloedverwant van den verslagene rustte de plicht zijn dood te wreken (bloedwraak). Van slavernij vinden wij weinig melding gemaakt; opmerkelijk is het echter dat in die min beschaafde tijden de achting voor de vrouwen veel grooter is dan bij de latere Grieken, vooral bij de Atheners.
De Dorische volksverhuizing en hare gevolgen.
Na den trojaanschen oorlog had er in Griekenland eene groote „ omkeering plaats tengevolge van volksverhuizingen; vroeger nam
i
S ) men aan dat .zij ongeveer 60 jaren na de inneming van Troje
^7 :
had plaats gegrepen, dus ongeveer 1124 v. Chr.; het is echter vrij zeker dat zij eerst later is begonnen, waarschijnlijk ongeveer 1050—1000 v. Chr. Zekerheid hebben echter deze jaartallen niet.
Men neemt aan dat die volksverhuizing zich aldus heeft toegedragen; De Thessaliërs bezetten de landstreek aan den Peneus en den Pindus, die voortaan naar hen werd genoemd, en de bevolking die zij daar vonden, werd deels verdreven, deels schat^ $
«ar»
Trr/cZ-otu plichtig gemaakt {Penesteti). Een deel der uitgewekene stammen
I^^ging naar TioeotieYtm. ander, het geharde herders- en jagersvolk ^W\'der Doriers, zette zich eerst in het naar hen genoemde landje , aan den voet van het lt;9^/Vz-gebergte neder.. Onder leiding van aanvoerders die zich afstammelingen van WjVp)!) ■ Heracles (Hercules) noemden, trokken die Doriers later het smalste gedeelte van de corinthische golf over naar Peloponnesus, die zij langzamerhand geheel veroverden, beljalve Arcadie dat zijne oude Pelasgische bewoners behield enpichaje (,,de terugkomst der Herachdenquot;). /
Dit zegevierend binnenrukken van de Doriers in Peloponnesus bracht ook daar groote veranderingen te weeg. De Ionische bevolking van de landen aan de noordkust werd opgejaagd door de Achajers, die op hunne beurt voor de Doriers hadden moeten
gt; OC»^. . ƒ
VV
9
vluchten. De loniers begaven zich het eerst naar Attica, maar dit kleine land kon al de vluchtelingen niet bevatten, en zoo kwam het dat de loniers overstaken naar de eilanden en de kusten van Klein-Azie. Ook op Attica waagden de Doriers na hunne veroveringen in Peloponnesus een aanval (sage van koning Cod rus). Deze verhuizingen gaven in het algemeen aanleiding tot het koloniseeren van de kusten van Klein-Azië.
Na die volksverhuizingen bestaan de grieksche staten, zooals men die in historischen tijd vindt. Eén rijk heeft Griekenland nooit uitgemaakt; in tijden van dreigend gevaar, zooals b.v. tijdens de perzische oorlogen, sloegen de meeste grieksche staten de handen wel is waar ineen, omdat zij inzagen dat zij dan door samenwerking iets zouden beteekenen, maar het land was overigens verdeeld in een groot aantal kleine staatjes. Staat en stad is\' in het Grieksch gelijkluidend (polis). Bij elke stad bestond het streven naar staatkundige zelfstandigheid {autgnqmie). Dikwijls vertrouwden kleinere staten zich toe aan de leiding van een \'• machtiger staat, die dan het bestuur der bondsaangelegenheden had {hegemonie). Zelfs heeft Athene in zijn bloeitijdperk (5de eeuw voor Chr.) getracht een rijk te stichten, maar weldra hadden de onderworpen staten berouw en deed Sparta\'s naijver de poging mislukken. Bij den vrede van Antalcidas in 387 v. Chr. nam men als beginsel aan, dat voortaan iedere staat autonoom zou zijn, maar deze zelfstandigheid leidde niet tot vrijheid, maar tot eene algemeene verzwakking dier vrije staten, die den weg voor de macedonische overheersching heeft gebaand.
De voornaamste oorzaken der reeds boven vermelde kolonisatie waren overbevolking en burgeroorlog. In alle grieksche staten n.1. behalve in Sparta had het koningschap in de helft der 8ste eeuw ongeveer moeten plaats maken voor eene adelsheerschappij (aristocratie, oligarchie). Deze adel onderdrukte het volk, waarbij dan dikwijls een edelman, in twist met zijne partijgenooten . steun zocht; kon hij dit voor zich winnen, dan werd hij tyran. Een tyran in den griekschen zin van het woord is een onwettig heerscher, iemand die met een eenhoofdig gezag bekleed is in eenen staat die vroeger eene republiek was. Deze benaming komt omtrent 700 v. Chr. het eerst voor in Klein-Azie en op de grieksche eilanden.
lyamp;rjt ^ at** ££.4^/-^,,/ i y^T^ £tZt£i2-^-a_.
De meesten van die tyrannen waren hoogst ontwikkelde, pracht-lievende raenschen, in wie kunsten en wetenschappen dikwijls 7. machtige beschermers vonden. Veelal echter moesten zij ondanks/ zich zeiven overgaan tot geldafpersingen, om huurtroepen in dienst te houden, die hunne macht steunen en de tegenpartij in bedwang houden moesten; de hoofden dier tegenpartij waren in ( ballingschap.
C
grieksche staten en de positie van een tyran zijn b,quot;
na te gaan in de geschiedenis van Athene\\.
Wanneer er nu in een staat burgertwist was ontstaan en men vroeg raad b.v. aan het orakel, dan wees dat steeds op koloni-; satie. De koloniën stonden met de moederstad in eene betrekking, , die men het best vergelijken kan met die van volwassen kinderen tot hunne ouders. De zeden en de gewoonten der moederstad ^ vond men in de kolonie terug, oorlogen tegen de moederstadquot; werden zooveel mogelijk vermeden, feesten die de moederstad J vierde, ook in de kolonie herdacht. C
De voornaamste grieksche koloniën waren:
a. In Klein-Azie: de ionische steden Miletus (495 v. Chr.\' ^ Ephesus, Colophon, Phocaea: die in de eerste tijden na de do- ^ rische volksverhuizing waren gekoloniseerd en ^//^lt;als irfji^gder-stad beschouwden. De bewoners van Phocaea ^stichtten/Masjilia [Marseille\') in Zuid-Gallie omstreeks 600; en later voor de Perzen uitwijkend Elea in Zuid-Italië; de- aeolische steden Cyme en _ Smyrna; Halicnrnasstis eene oorspronkelijk dorische stad, bekend als de geboorteplaats van den geschiedschrijver Herodotus.
b. Aan den Hellespont, de Propont is (zee van Marmora) en de Zwarte zee (Pontus Euxlnus): Abydos, en daartegenover Sestos, Lampsacus eene kolonie der Phocaè\'ers, Calchedon en daartegenover Byzantium, beide gesticht door de Megarensers; Sinope eene nederzetting der Milesiers, die een aantal steden in die streken hebben gebouwd, b.v. ook Olbia bij den mond van den Borysthenes {Dnjepr).
[De bovengenoemde opeenvolgende regeeringsvoimen der
goed |
X
^ ^ US\'*
j c. Op de kust van Thracie en Macedonië lagen:
^ Abdéra, eene stad wier bewoners den noodlottigen naam hadden van zeer dom te zijn; AmpMpolis aan de mond van de
lt;^7quot;*-^ CCa- l
j\'rivier den Strymon, eene atheensche kolonie. Op het tot Macedonië gerekende schiereiland Chalcidice, dat met drie landtongen in zee uitliep (kaap A/hos) lag een aantal koloniën, van welke de meest bekende waren Olynthus en Potidaea (432 v. Chr.). ,/gt;• \'
d. In Bene den-Italië en op Sicilië was een zeer groot aantal / ^ grieksche koloniën, zelfs werd Beneden-Italië Groot-Griekenland etT? 1 t f genoemd. Het waren veelal achaëische en dorische nederzettingen. —\'quot; *\'/ De bekende stad Syracuse op Sicilië was eene kolonie der Co- /
r int hier s (735 v. Chr.).
Ook in Africa, Spanje en Gallie vond men grieksche koloniën, die allen een min of meer belangrijke rol in de geschie-denis hebben gespeeld. ^ A*. ^jtt-
■efOJl iA-ns*. ~ Q
r-
Iels over den godsdienst der Grieken en enkele nationale instellingen in verband daarmede.
Het geheele openbare en bijzondere leven der Grieken was met hunnen godsdienst nauw verbonden. Alle groote nationale
r
tti instellingen, die bij het grieksche volk, hoezeer ook door ver-
schil van tongval en zeden en door bloedige oorlogen dikwijls ^ I gescheiden, het bewustzijn levendig hielden, d.t er toch een ver- j\'- s.\\ i band van eenheid bestond, wortelden in den godsdienst. Die a , j godsdienst was voor een groot deel oorspronkelijk natuurdienst,^
later dacht men zich die natuurkrachten als personen, aan wie.^ * men wel een eeuwig voortbestaan maar toch ook menschelijke 5 hartstochten en gewaarwordingen toeschreef. o -e^.
De Grieken vereerden vele goden; sommigen dier goden wer-den overal vereerd, anderen slechts op enkele plaatsen; de Romeinen hebben later hunne goden met die der Grieken vereenzelvigd, vandaar dat bij ons dikwijls minder juist de romein-7quot;\'
sche benamingen voor de grieksche godheden in gebruik zijn^T^^^ Geen volk had meer feesten en godsdienstige ])lechtigheden dan het [/ grieksche, zoowel in eiken staat afzonderlijk, als nationale feesten die door het geheele volk werden gevierd. Van de feesten die
eamp;6ia^- Xjv ***££*£*■
12
T
elke staat afzonderlijk vierde, zal later de gelegenheid zijn te spreken, als de geschiedenis der beide voornaamste grieksche staten, Sparta en Athene behandeld wordt; hier is het echter de plaats iets mede te deelen over de nationale feesten.
Nergens werd de lichaamsoefening en de wedstrijd daarin hoo-ger geacht dan bij de Grieken. Reeds in de oudste overblijfselen , der grieksche letterkunde, bij Homerus vinden wij er veelvuldig Jjoli Ja ^ melding van gemaakt. In elke stad grepen die oefeningen plaats in de palaestra (worstelschool) en het gymnasium.
In die scholen werd de jeugd geoefend om zich op een der groote nationale spelen met anderen te kunnen meten. Onder die spelen zijn de beroemdste:
i0. de Olympische spelen, om de 4 jaren.Xt^Olympia in Elis gehouden, ter eere van den oppergod Zenfi. Sedert 776 v. Chr/
zijn de namen der overwinnaars opgeteekend, welke lijsten voor het meerendeel nog bewaard zijn. Later werd dit jaar als het begin eener tijdrekening gebruikt (Olympiaden).
20. de Pythische spelen evenzeer om de vier jaren, telkens in het derde jaar eener Olympiade, te Delphi gehouden ter eere van Apollo./\'b/li Piej ]
30. de Neméïsche spelen, ter eere van Ze us in het Nemva-dal nabij de stad Cleonae in Ar go lis, om de twee jaren gevierd.
4U. de Isthmische spelen ter eere van den zeegod Poseidon, op de landengte {isthmus) van Corinthe, alle twecHaren gevierd. gt; Op die^vspelen waren^jvedstrijd^n^ b.v. in harcjiöopejj,/ wa^ep-mennen, spi\'mgen. worstelen, vui^ec4iten en het werpen met de schijf {discus). Ook werden er letterkundige voordrachten ge- | houden door redenaars en wijsgeeren. Een krans van olijfbladeren was de prijs der overwinnaars, wier namen ten aanhoore van duizenden , vertegenwoordigers van geheel Griekenland, door een heraut werden uitgeroepen. De terugkeerende overwinnaars werden in hunne steden met groote geestdrift en eerbetoon ontvangenden schoope \' hymnen zijn dikwerf ter hunner eere gedicht (Pindarus).
litofiik
Eene andere nationale instelling van groot gewicht waren de orakels. Een orakel is eene plaats waar eene bepaalde godheid wordt vereerd, en waar door priesters voorspellingen op gezag van die godheid worden medegedeeld.
IB.
Er waren in de grieksche^verekl vele orakels. Het oudste was dat van^de^godDodona in Epirus, waar uit het ruischen van den heiligen eik, later uit den klank van een koperen bekken werd geprofeteerd. Verreweg het beroemdste orakel was dat van Apollo te Delphi. De priesteres die hier de woorden n \'r~ .n
of klanken uitte, welke de priesters verklaarden, heette pythia. Xquot;--/7
. . . vu—
Het delphische orakel was niet alleen in Griekenland, maar ook^r^^ ^
daarbuiten zeer geacht (koning Croesus) en was rijk door de^,, - *
vele geschenken die het uit dankbaarheid van vorsten en staten \' ontving. Herhaaldelijk is het in den loop der grieksche geschiedenis echter voorgekomen dat het orakel zich onder den invloed van ,
hen die met de leiding er van belast waren partijdig betoonde ,y vandaar mede dat het in later tijd in achting daalde. \' jj\'
De tempel van Apollo te Delphi was ook het heiligdom en JUi
godsdienstig middelpunt der Delphische amphictyonie. Amphi^\'ig: (u ^ ü.tyonen beteekent eigenlijk „omwonersquot;, maar werd later gebruikt /X^ van volken , die bij een gemeenschappelijTTHeiligdom, op bepaalde tijden bijeenkomen om te offeren en onderlinge aangelegenheden te bespreken. Van deze amphictyonieen was de delphische of ook wel pythische geheeten, de meest beroemde. Zij had als gemeenschappelijke heiligdommen oorspronkelijk eenen tempel aan De-meter, de godin van den akkerbouw gewijd, nabij de Thermopylae, en later ook een van Apollo te Delphi, die de voornaamste werd. SjU . .
Tot dit overoude verbond behoorden twaalf stammen, die hoezeer ook later op verschillende trappen van macht en aanzien t staande, in deze vergadering toch geheel gelijke rechten hadden.
Het doel van het bond was behalve de zorg der heiligdommen, het vaststellen en instandhouden van enkele beginselen van volkenrecht, zoo mocht men b.v. geene stad die tot het verbond behoorde tot den grond verwoesten, en van geene belegerde stad het water afsnijden. Tweemaal in elk jaar werden de bondsvergaderingen gehouden, in de lente en in den herfst, en telkens waarschijnlijk zoowel te Delphi als bij de Thermopylae. Ieder der twaalf tot het verbond behoorende stammen, liet zich op deze vergaderingen vertegenwoordigen door twee afgevaardigden die stemrecht hadden, zoodat er dus 24 stemmen werden uitgebracht,
fff
maar zond bovendien nog enkele anderen die slechts aan de beraadslagingen konden deelnemen zonder stemrecht. Wanneer een bondsstaat zich niet aan de uitspraken der vergadering onderwierp , werden hem geldboeten opgelegd, of hij werd uit het verbond gestooten. Bleef hij in gebreke die geldboete te betalen, dan werd er besloten een zoogenaamden „heiligen oorlogquot; tegen hem te voeren (356 v. Chr.). In lateren tijd werd ook deze instelling, die oorspronkelijk met heilzame en edele bedoelingen was opgericht, een staatkundig werktuig. =
§ 5-
Indeeling der Grieksche geschiedenis.
Teneinde een overzicht der grieksche geschiedenis te verkrijgen, is het wenschelijk haar in eenige tijdperken te verdeden. Wij nemen als zoodanig aan:
iste tijdperk. Van de dorische volksverhuizing tot het begin der perzische oorlogen, ongeveer 500 v. Chr.
2de tijdperk. Griekenlands bloeitijd: van het begin der perzische oorlogen tot aan den peloponnesischen oorlog (500—431 v. Chr.).
2,de tijdperk. De tijd van binnenlandsche oorlogen en van verval: van het begin van den peloponnesischen oorlog tot den veldslag van Chaeronea en den kort daarop gevolgden dood van koning Philippus (431 v. Chr.—338, 336 v. Chr.).
^de tijdperk. De tijd van de macedonische heerschappij over Griekenland, de oorlogen van Alexander den Groote en zijne opvolgers {diadochen), tot de onderwerping van Griekenland aan de Romeinen (336 v. Chr.—146 v. Chr.).
EERSTE TIJDPERK TOT ONGEVEER 500 V. CHR.
§ 6.
Sparta.
De dorische volksverhuizing bracht de Doriers als heerschers in Laconica. In historischen tijd vinden wij in dat landschap drie soorten van bevolking.
10. De Spariiaieii, nakomelingen der dorische veroveraars. Zij\' bewoonden de hoofdstad Sparta oi Lace daemon, eene stad zonder muren, oorspronkelijk een legerkamp. Deze Spartiaten hielden zich bijna ukdmtgnd/met jacht en lichaamsoefeningen bezig.
2quot;. De Prrioiken, onderdanen der Spartiaten. Alle steden in het Eurutas-A\'A en alle zeesteden werden door hen bewoond. Zij dreven handel en werkten ook op het gebied van nijverheid.
Hun was de verplichting opgelegd krijgsdienst te verrichten en schatting te betalen.
30. De Heloteji, lijfeigenen van den spartaanschen staat, afstammelingen van de voor-dorische bevolking van Laconica, en na de onderwerping van Messenie, ook Messeniers. Aangezien - zij lijfeigenen van den staat waren, konden zij door hunne heeren niet worden vrijgelaten en kon de staat b.v. in oorlogstijd, de diensten der Heloten vorderen. Zij werden hard behandeld en kwamen dikwijls in opstand tegen hunne onderdrukkers.
De wetgeving der Spartanen en de geheele inrichting van den staat werden door de nakomelingen beschouwd als instelling van L Lycurgus; doch omtrent hem verkeeren wij zeer in het onze-kere, zoowel wat zijn persoon als zijne instellingen betreft. jE. ^/,
historischen tijd leeren wij de Spartanen kennen als dat krijgs quot;quot;
1 UAUr
haftige, geharde volk, waarbij de opvoeding der kinderen reeds van hunne vroege jeugd een voorwerp van staatszorg uitmaakte, Die zorg van den staat strekte zich echter niet alleen over de ^kinderen, maar ook over de volwassenen uit, aan wie het reizen en het verkeer met vreemdelingen verboden was. Teneinde dat
■i
*-^3 f-w Ï 6
verkeer met andere natiën tegen te gaan, hadden de Spartiaten {maar niet de Perioiken) een munt, die nergens elders gangbaai was. Bij de opvoeding werd vooral dit doel in het oog gehouden het volk te vormen tot eene weerbare, militaire natie. De geheele persoonlijkheid in Sparta, had slechts deze ééne beteekenis: een onderdeel te vormen van den staat; en de openbare en bijzondere levenswijze laat zich alleen daaruit verklaren , dat alle persoonlijke belangen moesten wijken voor, en zich voegen naar het staatsbelang. Aan het hoofd van den staat stonden twee koningen, wier waardigheid erfelijk was in twee geslachten, dat der Ag ia den en der Eurypontiden. Volgens de overlevering stamden beide geslachten van den uit de mythologie bekenden heros Heracles af. Bij ontstentenis van mannelijke nakomelingen werd de naaste bloedverwant van den overleden koning tot opvolger gekozen. Oorspronkelijk hadden die koningen dezelfde macht, diej^wij in de oudste overblijfselen der grieksche letterkunde, in de Homerische gedichten, aan den koning vinden toegekend: zij waren opperpriesters, opperrechters en opperveldheeren; doch later werden ■hunne rechten in elk dezer drie opzichten zeer beperkt door de macht der ephoren, een uit vijf personen bestaand college, dat jaarlijks aftrad; een hunner was voorzitter en naar hem werd het jaar genoemd. In den alleroudsten tijd werden die ephoren door de koningen benoemd, later werden zij echter door het volk gekozen. Hunng macht was aanvankelijk slechts rechterlijk en administratief,/flater kregen zij een zeker opzicht over de zeden en de andere takken van bestuur en_konden zij zelfs de koningen ter verantwoording roepen en handelend tegen hen optreden.
J Hun opzicht strekte zich uit over perioiken en heloten f ook scha-delijken invloed van vreemdelingen in Sparta moesten zij weren.
Een lichaam dat in alle grieksche staten, waar een aristokra^ tisch bestuur was, gevonden wordt, ontbrak ook in Sparta nier, n.1. de raad der ouden. In den historischen tijd bestond die raad i uit 28 leden, waarbij nog de twee koningen kwamen. Aanzien-gt; lijke lieden die den leeftijd van 60 jaren moesten bereikt hebben, ^konden daarin gekozen worden; de keus geschiedde door het volk, de candidaten voor eene opengevallen betrekking in dit lichaam verschenen achtereenvolgens in de volksvergadering; hij, bij wiens
±--l
17
verschijning het luidste geschreeuw werd aangeheven, gold voor gekozen. Zij hadden hun ambt voor het leven en moesten voorat n beraadslagen over zaken die aan de volksvergadering zouden ,le worden voorgelegd, en tevens vormden zij met de koningen
\' en de ephoren het hoogste regeeringslichaam en hadden recht- ^ ........... - - 1
ke gaderina tot welke ieder Spartiaat die den leeftijd van 30 jaren had bereikt, toegang had Jl^esliste over^oorlog en vrede en de : andere buitenlandsche aangelegenheden e!h \'koos, zooals wij boven zagen, de leden van den raad der ouden en de ephore?i.
Spoedig werd Sparta de machtigste staat van de geheele Pe-loponnesus. Zeer hebben daartoe medegewerkt de gelukkigs
\' 1quot;
\\ - ------O quot; --O--------O*4 \'j( $ * t f
oorlogen die het voerde met Messeni£\', in de tweede helft der ƒ 5 forf*
achtste, en de tweede helft der zevende eeuw v. Chr.
Aan het einde van den eersten oorlog viel Ithsme, van den * tweeden Ira den Spartanen in handen. Volgens een verhaal zoiljlt; \' in dezen tweeden oorlog de moed der Spartanen in den strijd zijn
)er_ : 1U UCamp;Cil tWCCUCll ULgt;llUg UC lllUCU UC1 OjJcll LaiJCll 111 UC11 birijU ZiJIi J ^
[en aangevuurd door de bezielende krijgsliederen van T y r t a e u s, L \'\'
die hun door de Atheners was gezonden. Een deel der Messe-^^^F^TIL niers verliet het land en vestigde zich in de stad Zankle op quot;
Sicilië die in het vervolg naar hen Messana werd genoemd, de 0Qr ■ achtergeblevenen werden Heloten. Gelukkige oorlogen en ver-01). bonden met andere naburige staten hebben te weeg gebracht dat en later Laconica de leidende staat, en Sparta de eigenlijke hoofdje stad van een peloponnesisch verbond is geworden.
gen
§ 7-
JM vv lt;\' ^quot;Athene.
quot;A ^ J
aacj Attica het^veinig vruchtbare landschap, waarvan Athene de
jen_ hoofdstad was, had eene oppervlakte van nog geen 40 □ geogr.
ien mijlen, en bestond oorspronkelijk uit een aantal gemeenten, dier
jjk naar de overlevering door Theseus in voor-historischen tijd 1
lam t0^ P0\'\'s waren vereenigd. Sinds dien lijd waren alle bewo-
tar
en ;re
spraak over crimineele en staatkundige misdrijven. De volksver- ^
gt;
iens ners van Attica die het burgerrecht hadden Atheners. In den
margadant, Grieken en Romeinen.
18
bloeitijd zijner geschiedenis had Attica een half millioen inwoners, waaronder slechts ongeveer 100.000 vrije burgers waren. Ongeveer half zooveel vreemdelingen telde Attica onder zijne /bevolking, lieden uit alle landen die zich ter wille hunner han-/. / / delsbetrekkingen in Athene en vooral in de havenstad Piraeêus f \'r/1 / hadden gevestigd, en de overigen waren slaven. Die slaven waren
y\'*/ /7ln\'et zooa\'s in Sparta de nakomelingen van vroegere bewoners.
maar evenzeer grooteiideels buitenlanders; zij hadden met het oog ^ op hun onderworpen toestand een zeer dragelijk lot, en konden in geval van mishandeling zelfs eischen aan een anderen meester te worden verkocht. De eigenlijke bevolking was van ionischen stam, zij beschouwden zich zeiven als autochthonen (lett. uit den grond voortgekomen , van daar oorspronkelijke bewoners) en lieten zich bij vele gelegenheden, voornamelijk tegenover de Spartanen,
daarop veel voorstaan.
In den oudsten tijd vinden wij in Attica een koningschap, en verschillende koningsgeslachten hebben over het landschap geregeerd. Langzamerhand werd echter de macht van den adel (eupatriden) grooter, en beperkte de rechten des konings. De voornaamste van die beperkingen is wel die, welke omstteelg^_ 752 v. Chr. plaats vond, toen men het ambt van den koning tot op een duur van tien jaren inkortte, ofschoon de waardig-heids-bekleeders nog den naam van koning behielden. De erfopvolging van het regeerend geslacht werd daarna opgeheven, alle eupatriden konden het voorrecht genieten te regeeren. Tn 6S3 v. Chr. werd deze uitvoerende macht weder ingekort, daar zij toen werd opgedragen aan negen ambtenaren tegelijkertijd, wier ambtstijd maar één jaar zou duren. Deze negen ambtenaren heeten in later tijd met éénen naam archonten, de eerste heette bij uitstek ^ircho\'fi^tn naar ^em werd het jaar genoemd, de tweede behield den naam van itoning er/ was belast met priesterlijke bedieningen, de derde heettepolemarchus en op hem werden aanvankelijk de militaire bemoeiingen der koningen overgedragen.
De zes overigen bij elkander hadden éénen naam: \'\'i\'1 ■*•-\'•.$Cff\'
De maatschappelijke toestanden in Attica waren echter te dien 9S t tijde verre van gunstig. Geschreven recht bestond er niet en harde -
schuldwetten drukten zwaar op het volk, de adel had de recht-
j hst,,- et*- ---j
M
0 O,
---- ^
r
19
spraak en niet zeiden iverden de schuldenaars of hunne kinderen ais slaven verkocht, of moesten zij als pachters arbeiden van den nieuwen eigenaar van het land: de pachtsom bedroeg dan bjs van de opbrengst der landerijen.
Staatkundige woelingen tusschen de verschillende partijen,
maakten dat men overging tot het opstellen van geschreven •■vetten. Dit .werd ten uitvoer gebracht in 621 door Draco, die toen tirclioiLv^2^uC bijzonderheden kennen wij die wetten van Draco niet, wel weten wij dat de latere Atheners zeiden dat zij . met bloed waren geschrevenquot;, en dat zijn naam spreekwoordelijk is verbonden gebleven aan alle harde, onbillijke wetten. De maatschappelijke toestanden in Attica schijnen ook door die wetten niet veel verbeterd te zijn, althans 9 jaren na het archon-taat van Draco was de partijstrijd weder zeer hevig ontbrand, en trachtte een zekere Cylon, met behulp van zijn schoonvader, den tyran van Megïira, de tyrannis in Attica te vestigen. S/.
Deze poging mislukte echter, Cylon en zijne aanhanger.?
moesten den burcht van Athene, dien zij bemachtigd hadden,
prijs geven en hoewel hij zelf wist te ontkomen, werden zijne aanhangers door de in^ cjen burcht jjedrongen edelen onder aanvoering van den archotf^leg\'acTes gedood. De aanhangers van Cylon die bij de altaren der goden als smeekelingen hunne toevlucht hadden gezocht, werden op listige wijze door herh van daar weggelokt. Zulk een daad was in het oog der Grieken een zware heiligschennis en werd nog dikwijls later het geslacht der \\ \' A Alcmaeoniden tot hetwelk Megacles behoorde, als een bloedschuld aangerekend. Buitenlandsche oorlogen die ongelukkig afliepen , o. a. een strijd met Megara, waarbij het eiland Sa la mts voor de Atheners verloren ging. droegen er toe bij de ontevredenheid nog te doen toenemen. De man die in dezen verwarden toestand orde zou brengen was Solon, een afstammeling uit een oud koningsgeslacht. Hij behoorde natuurlijk tot de partij der eupatriden, doch door de vele reizen die hij gedaan had, had hij zich meer ontwikkeling verschaft dan zijne stamgenooten bezaten. 5 ^ S^Hij wekte het volk op Salamis te heroveren, de schuldigen aan \' \', de wreede daad van 612 v. Chr. werden uit Attica verbannen;
sé* na deze gebeurtenissen zou het Solon ongetwijfeld gelukt zijn
■ua. ^f^u.
1)\'
/
V
20
/
klasse, de eigenlijke boerenstand, waren zij die jaarlijks minsfei; 150 wonnen, de vierd^illep die een inkomen hadden lager dan gt;-\\ È quot;X de derde. De verschillende^ Massen hadden verschillende staatkun-!\' / dige rechten en verplichtingen. De eerste drie klassen moesten
krijgsdienst verrichten als zwaargewapenden, de vierde betaalde geene belastingen, doch mocht deel nemen aan de volksvergadering of als gezworenen in de rechtbanken verkozen worden.
Tot de staatsambten konden slechts de eerste drie klassen ver-yamp;lt^-rf^\'-aiÉk.kozen worden, tot dat van archon slechts de eerste. De uit over-1 /V inl. . ouden tijd dagteekenende Areopagus had het toezicht op de zeden en wetten; alle archonten , die zich aan geen ambtsmisdrijf hadden schuldig gemaakt, kregen daarin zitting na afloop van hun ambts- n jaar. Tevens stelde Solon een regeeringsraad van 400 leden in.,*\' die door het geheele volk, alle jaren p^^meuw ui*; de hoogste drie klassen gekozen werd. De rdaAsTeden moesten 30 jaar oud zijn, alle Atheners echter die den leeftijd van 20 jaar hadden ^ bereikt, mochten in de volksvergadering verschijnen, die viermaal des jaars gehouden werd. Over oorlog en vrede, instelling en afschaffing van wetten werd daar beraadslaagd.
Bij den heftigen strijd der partijen was het echter niet te wachten, dat iedereen zou genoegen nemen met deze wetgeving van Solon; de drie voor hem bestaande partijen van den adel
17Ï f lgt; @Ly
zich tot tyran te maken, maar hij gaf de voorkeur aan eerf wettig boven een onwettig bestuur en werd in 594 v. Chr. archon. Met dat ambt bekleed, heeft hij de schulden zeer doen verminderen; omtrent de\' wijze waarop dit geschiedde, bestaat geene volkomen zekerheid, waarschijnlijk was het eene geheele schulddelging; zeker is het dat Solon verbood dat men voortaan voor schulden als slaaf kon worden verkocht. /
Nadat deze maatregelen den verwarden maatscBappelijken toestand voor het oogenblik hadden verbeterd, werd hem opgedragen eene nieuwe staatsinrichting te ontwerpen. De inrichting die hij tot stand bracht heet timocratie, omdat het vermogen daarbij als grondslag werd aangenomen. Uitgaande van het growjbezit^dedce^ Solon alle atheensch^-buyers in vier klassen. Tot cx^eefstè klassé/^ behoorden zij die jaarlijks-van hun land 500 maten koren, olie of wijn oogstten, tot de tweede die jaarlijks 300 verkregen. De de;
van
en
baa
Pi
So
rei;
S6\' he( zw
n L
C
%s
r-u^
1
een Chr. loen taat eele aan
toegen hij als
ice ■ gt;■amp;// ssé/
; of
^ie
l-K,
%
an
en de le-
:r-•r-;n ;n s-
d ■-V
en noodzaakten zelfs Clisthenes uit die oorlog met de Spartanen en de\\
gt;/,
goed terugkeerde, om er als tyran te regeeren r^Zrjn bestuur was voor Athene zeer heilzaam, handel en nijverheid bevorderde hij zooveel hij kon, de kunst vond in hem een beschermer en de stad werd zeer door hem verfraaid.
Xadat hij in 527 v. Chr. was overleden, regeerde zijn oudste zoon Hippias langen tijd in denzelfden geest. De machtige tegenpartij der Alcmaeoniden had zich weder jegens geheel «^Griekenland verdienstelijk gemaakt, door te zorgen voor het Opbouwen van den tempel te Delphi^ die door brand was vernield ; zij was de onverzoenlijke vijandin van de zonen van Pisistratus, die bovendien zei ven al meer en meer in achting daalden. Gekwetst eergevoel bracht er in 514 v. Chr. twee jonge atheensche edellieden Harmodi us en Aristogiton toe. den broeder van Hippias, Hi pp arch us te vermoorden op het feest der Panathenaeen. Hun daad en hunne personen zijn later door de Grieken verheerlijkt en vereeuwigd. Hippias werd na den dood zijns broeders wreed en achterdochtig en versterkte daardoor natuurlijk de tegen hem werkzame partijen. De Alcmaeoniden onder Clisthenes gebruikten den invloed van het orakel van Delphi in dier voege, dat zij bij monde van de Pythia de Spartanen herhaaldelijk • lieten aanmanen Attica den oorlog aan te doen, teneinde de alleenheerschappij aldaar omver te werpen. Zij Lieten zich daartoe vinden en in 510 v. Chr. moest Hippias de wijk nemen naar Azië. De adelspartij boog echter thans het hoofd niet voor de Alcmaeoniden, die zich bij de volksgajtij aansloten. De Spartanen kwamen nu om de partij ^
/ .. JTotCol quot; * V Lquot;
van de handeldrijvende klasse en van het landvolk int het noorden
en oosten van A//mi/quot;bleverL bestaan, en de onrlerfii^gé strijd baande eindelijk vaor den aanvoerder der laatstgenoemde partij, ^
Pisistratus, den weg tot de iyrannis. Nog bij het leven van Solon, nadat deze teruggekeerd was van verre buitenlandsche reizen, begon de invloed van Pisistratus toe te nemen. In 560 v. Chr. trad hij als alleenheerscher op, maar nog tweemalen fl\'o-LL\' heeft hij voor den vereenigden invloed der andere partijen moeten ^ \' Aiv zwichten en Athene verlaten, waarheen hij in s.^7 v. Chr. voor
1 i^-v\' i.-^tTn blt;
gelijktijdige veeten met Thebe en Cha kis waren ten einde gebracht, kon Clisthenes de hervormingen die hij voorhad, en I reeds bezig was in te voeren, voltooien. Door die hervormingen, die het volk reeds dadelijk tegen Sparta en den adel dapper had ^ verdedigd, is hij de eigenlijke grondlegger der democratie in ilt;./ Athene geweest. Zij waren hoofdzakelijk de volgende:
i0. De indeeling van den staat jn tien staêimen1// en van eikeif S^u si, \'*\'* V4 rUtivJlL irji~ U 1
stam in tien genreenten, de vier stammen die er vroeg# geweest
_ waren en waarin de adel den meesten invloed bezat , bleven ais godsdienstige vereenigingen bestaan.
2°. Dientengevolge werd het aantal leden van den staatsraad / gebracht op 500, 50 uit eiken stam.
30. Het geven van het burgerrecht aan een aantal 111 Attica gevestigde vreemdelingen, die een tegenwicht moesten vormen tegen de adelspartij. gt;
40. De instelling van het ostracisme of schervengerecht, eene volksuitspraak die verhinderen moest dat één persoon te veel macht kreeg. In eene vergadering van minstens 6000 burgers, welk aantal geacht werd het geheele volk te vertegenwoordigen, moest dan door stemming met scherven over de verwijdering van zulk een persoon worden beslist, die zijn burgerrecht en zijne goederen behield, doch voor tien jaren het land moest verlaten , tenzij men besloot hem voor het verstrijken van dien termijn terug te roepen, r
\\ de e
welke Athene in dezen tijd te bestrijden had, moet ook mg ge- c noemd worden het eiland Aeguia, dat hun nog langen tijd heeft i weerstaan en dat zij eerst in 456 v. Chr. tot onderwerping hebben kunnen dwingen.
Zoo was, wat zijne binnen- en buitenlandsche aangelegenheden betreft, de toestand van Athene, toen het den geweldigen strijd met de grootste mogendheid uit het oosten, met Perzie, beginnen moest.
Behalve de reeds bovengenoemde buitemandsche mogendheden,
A.-v
ï , c-.
23
TWEEDE TIJDPERK 500—431 V. CHR.
§ 8.
De Ionische opstand.
-
Alvorens de geschiedenis te behandelen van den oorlog tusschen . Perzië en Griekenland, is het hier de plaats iets over het per-zische rijk zelf in het midden te brengen.
\'(5
O ,
Het perzische rijk was ontstaan uit dat der Meden, die er in geslaagd waren het juk der Assyriërs af te schudden. A sty ages was de laatste koning van Medk geweest. Aan den overgang van de heerschappij der Meden op de Perzen, knoopt zich de naam vast van den eersten koning van het perzische rijk: Cyrus, die V de kleinzoon van Astyages zou geweest zijn. Omtrent de jeugd van dien Cyrus zijn verschillende verhalen in omloop. Naderhand koning geworden (558—529 v. Chr.) heeft hij het perzische rijk zeer uitgebreid door de verovering van Lydié\', waar koning Croesus regeerde, en van het nieuw-babylonische rijk (538 v. Chr.). Na zijn dood volgde zijn zoon Cambyses hem op (529 — \' 522 v. Chr.). Deze veroverde Aegypte, waar de laatste koning P sa m m é n 11 u s in 525 tegen hem den slag van Pelusinm. aan een der Nijlarmen, verloor. Op Cambyses volgde Darius, de zoon van Hystaspes {522—485 v. Chr.). Hij heeft voorde inwendige inrichting van het toen door veroveringen zoo uitgebreide perzische rijk veel gedaan, o. a. door de indeeling in twintig satrapiüen of stadhouderschappen. Maar even als zijne voorgangers was hij ook een veroveraar.. Vele arabische stammen werden aan hem cijnsplichtig, en hij was de eerste perzische heerscher die den voet zette in Europa, toen hij het ruwe Nomaden-volk der Scythen, dat in de landen woonde, die de Do?iau (toen Ister geheeten) bespoèlt, beoorloogde. Op dien tocht tegen de Scythen, zou hij zijn omgekomen, als de Grieken die zich in zijn leger bevonden, het eens hadden kunnen worden over het afbreken van de brua; over den Ister. Deze Grieken
o-
t—i
U.
Ga
i. 24
waren vorsten die door de Perzen in de klein-aziatische steden waren aangesteld, teneinde daar onder perzische suzereiniteit te regeeren; die grieksche koloniën op de kust van Kiem-Azië waren onder Cyrus onderworpen. Dar lus had Thracie en iïTacedonii: veroverd, en deze beide gebeurtenissen hadden er toe bijgedragen, de Perzen met de Grieken in Europa in nadere aanraking te brengen, en het was onmogelijk dat tusschen die twee zoo geheel verschillende volken eene nieuwe botsing lang kon uitblijven, zij waren natuurlijke vijanden, en de langdurige worsteling met Perzic die de eerste helft der sde eeuw v. Chr. inneemt, is het schitterendst tijdperk van de grieksche geschiedenis, ^ ■
Schoon het lang Se voorzien was dat de strijd tusschen Grieken en barbaren komen moest, heeft toch een betrekkelijk onbetee-kenend voorval er de naaste aanleiding tot gegeven. Histiaeus de vorst van Milete had zich vroeger op den tocht der Perzen tegen de Scythen verzet tegen het afbreken van de Donaubrug, en aangezien zijne meening de overhand had behouden, was hij de man geweest, die toen den koning het leven had gered. Daarvoor wenschte Darius hem te beloonen en ontbood hem naar zijn hof te Susa. Het verblijf aan het perzische hoi scheen echter Histiaeus niet aan te staan, misschien was ook dankbaarheid wel niet de eenige drijfveer, die den koning bewogen had den vorst van Milete in zijne onmiddellijke omgeving te ontbieden en hem daar te houden. Toen hij geene andere gelegenheid zag om van daar weg te komen, kwam hij op den roekeloozen inval, een opstand te bewerken onder de aziatische Grieken, tegen het perzische gezag. Om aan dit plan gevolg te kunnen geven, wendde hij zich tot zijn schoonzoon Aristago-ras, die in zijne afwezigheid vorst van Milete was en wiens verhouding met het perzische hof op dat oogenblik ook al zeer gespannen was. Hij had namelijk op verzoek van de adelspartij op het eiland Naxos, die aldaar verdreven was, eene expeditie tegen dat eiland ondernomen, en deze tocht dien hij mede met goedkeuring van het hof\' te Susa had gedaan, was ongelukkig afgeloopen. Zijn toekomst was dus onzeker en het gewaagde plan van zijn schoonvader lachte hem toe. De meeste ionische steden waren bereid na de verdrijving hunner tyrannen het perzische
af Grieke statnve kenlan tagöi twinti Euboi z:ch des, kozei griek Dar verlc bov( een laag ea-Azi Gr lin
b-in-XC
■r-.gt;^v
juk af te werpen, zoodat in het najaar van 500 alle aziatische Grieken nagenoeg onder de wapenen stonden. Maar zonder hunne stamverwanten in Europa zouden zij weinig vermogen; in Griekenland fi echter. met name in Sparta vond het verzoek van Arista gör as om hulp weinig gehoor, slechts de Atheners stelden twintig schepen ter zijner beschikking, en de stad Erctria op Euboea nog vijf. Aanvankelijk gelukte het den opstandelingen z:ch meester te maken van de oude hoofdstad van Lydiè, Sar-des, maar toen de stad door moedwil in brand was geraakt, . kozen de Lydiers de zijde der Perzen. Bij Ephvsus leed het J f~ grieksche leger een nederlaag. Histiaeus werd werkelijk door Dar lus naar lonië gezonden, maar hij had alle vertrouwen ^ verloren, zoodat hij eindigde als avonturier. Tweedracht deed bovendien veel kwaad onder de Grieken, die in 496 bij Iade.rh*-rquot; een klein eilandje voor de haven van\\Milete, een zware neder- \' r \' 1 laag leden. Daarop werd de stad Mikte zelve ingenomen in 495 ea^de opstand bedwongen, de oude bloei der ionische steden in Azië was voorbij en Darius zwoer wraak aan de europeesche Grieken, de bewoners van Athene en Eretria, die de opstandelingen hadden bijgestaan. ^ u
* \'\'f V ïV-w CVN ; •
§ 9.- ® k r; v
De oorlog- tegen Darnts. — Marathon.
In 493 trok de schoonzoon van Dan us, Mardonius naar den Hellespont, teneinde zoo over land naar Griekenland te komen ; deze tocht is echter voor de Perzen ongelukkig afgeloopen, het landleger werd door thracische volksstammen zwaar gehavend, de vloot leed schipbreuk bij kaap At hos, slechts werden enkele vestingen op de thracische kust versterkt en met perzisch garnizoen bezet. Koning Dar lus begreep dat zijn volgende aanval van eene andere zijde komen moest, n.1. over zee. Terwijl vöor dien tocht in Azie de noodige toerustingen werden gemaakt, werden er herauten naar alle grieksche staten gezonden, om hen tot vrijwillige onderwerping uit te noodigen. Zulk eene uitnoodi-
26
ging geschiedde in den vorm van het vragen naar ,,aarde en water.quot; Aan ernstigen tegenweer tegen Perzië konden op dat oogenblik slechts twee staten in Griekenland denken, n.1. Athene en Sparta, Men verhaalt dan ook dat in die twee staten de herauten van Darius zijn vermoord. Een voornaam man in Athene was in dien tijd Miltiades, die tyran in de thracische Cher-sonesus (schiereiland Gallipoli) was geweest, als perzisch vazal den tocht tegen de Scvthen had medegemaakt, en bij den Ister juist had aangeraden de brug af te breken. Vrees voor de wraak der Perzen had hem na den slag bij Lade weder naar zijne vaderstad Athene doen terugkeeren.
De Mediër Datis en Artaphernes werden nu door Da-r I u s aan het hoofd gesteld van de nieuwe expeditie; zij moesten met een vloot van 600 schepen en een leger van 100.000 man naar Griekenland gaan. Enkele eilanden in de Aegeïsche zee o. a. Naxos werden onderworpen, en Eretria ingenomen en verbrand. In het perzische leger was de oude tyran Hippias, -tü hij hoopte dat de oostersche indringers hem zijne heerschappij
•/. / , in Athene zouden terugschenken. Aan de oostkust van Attica, \'^^^Bij Marathon landde de perzische macht; Sparta werd door de - n, Atheners\'om hulp aangezocht, maar de Spartanen vierden juist een feest en voor de eerstvolgende volle maan konden zij niet uitrukken. Athene stond dus alléén, maar hield zich sterk; in
C . /C o* 7quot;quot; y J Ct c
den raad der tien veldbeererf,wist een hunner Miltiades zijn gevoelen de ovêrRand te doen behouden: de stad te verlaten en den Perzen tegemoet te rukken. Een kleine versterking van Pla-taeae kwam den Atheners te hulp en met een leger van slechts 10.000 zwaargewapenden, besloot men aan de zienswijze van Miltiades gevolg te geven. De schitterende overwinning bij Marathon in het najaar van^ v. Chr. bewees dat hij juist had gezien. Na deze nederlaag gaven de Perzen toch hun plan nog niet op, den volgenden dag zeilde de perzische vloot kaap Sunium om, teneinde zoo naar Athene te komen, maar ook daar waren de overwinnaars van Marathon hun vijanden voor; en aldus moesten de Perzen besluiten onverrichter zake naar Azië terug te keeren, op welken terugtocht Hippias gestorven is. De roem van het wapenfeit bij Marathon komt uitsluitend aan
de A de S marsi zelf der D de 1 Zijn waa Pa^ ver
rar
ad tot
gS
aa zv in te
i, !u
I
—
\'JyHos-è-6\'*\'
27
de Atheners toe; cp den avond van den volgenden dag kwamen de Spartanen, trouwens SBB slechts 2000 man, met versnelde marschen aanrukken, doch konden slechts zich op het slagveld zelf overtuigen van de nederlaag der Perzen en de dapperheid der Atheners.
De taktiek van Miltiades was zich niet te ontwapenen, maar de Perzen ook nog van de eilanden in den archipel te verdrijven. Zijn invloed bezorgde hem het opperbevel over leger en vloot, waarmede hij in 489 vertrok; eene onderneming tegen het eiland Paroi\' echter mislukte, men beschuldigde hem in Athene van
verraad;i de met de Alcmaeoniden naverwante Xanthippus,
(■f
[evacler van den later zoo beroemden Pericles, wist Miltiades ten val te brengen, en de overwinnaar van iï/ara/Z/öw werd tot eene^geldboete /veroordeeld van 50 talenten (ongeveer 140.000 gülden). Gelukkig heeft een spoedig sterven een einde gemaakt aan het leven van den man, die zoozeer door de ondankbaarheid zijner tijdgenooten zijn roem had overleefd. Athene echter vond in Themistocles een man, waardig Miltiades\' opvolger te zijn.
De oorlog tegen Xerxes. — Thermopylae. — Salamis. — Plataeae.
Het sprak van zelf dat D a r I u s niets liever wenschte, dan de nederlaag van Marathon op de Grieken te wreken. Maar een opstand in Aegypte verhinderde hem vooralsnog zijne aandacht aan Griekenland te schenken; deze opstand duurde nog voort toen hij in 485 stierf. Zijn zoon en opvolger, Xerxes bedwong Aegypte en kon toen eerst weder denken aan de grieksche aangelegenheden.
De eenige man die in die dagen een geopend oog had voor het gevaar dat de Atheners nog steeds van Perzië dreigde, was Themistocles; al zijne bemoeiingen waren dan ook daarop gericht. Athene tot eene zeemogendheid te maken. Daartoe moest
7 /
, /.\'Ckk- ^
J*-
.■^TfU-
de haren Piraeè\'ns worden voltooid en voor de opbrengst vai de zilvermijnen van Laurium de attische marine worden versterkt, Themistocles was een echt staatsman, die voor geen listl terugdeinsde om zijn doel te bereiken. Toen Aristides, di rechtvaardigste aller Atheners, zijn politiek bestreed, wist hijj te bewerken dat deze verwijderd werd door eene uitspraak van het ostracisme. De loop der gebeurtenissen quot;huldigde den ver-quot;standigen blik van Themistoclesf reeds dadelijk na de ; 4 onderwerping van Aegyptc begon Xerxes toebereidselen te maken tot den oorlog tegen Griekenland. De vaart om kaap At hos wenschten de Perzen op grond van de vroegere treurige ervaring niet meer te ondernerqenvan daar dat Xerxes een kanaal liet graven door die lan\'dtong\' van het schiereiland Chal-cidice, waarvan kaap Athos de spits was. Ook werden er schipbruggen gebouwd over den Hellespont. In het najaar van 481 x v. Chr., verscheen de koning zelf in Voor-Azië* in de volgende lente brak het leger van Sardes op. De sterkte van dat leger jVordt dikwijls zeer verschillend opgegeven, en veelal wordt j alles wat aan den tocht deel nam als weerbare manschappen _ aangemerkt, hetgeen onjuist is. Het landleger bedroeg ongeveer SOO.OGO man, waaronder 80.000 ruiters, de legertros telde 200.000 man. De vloot was 1207 schepen sterk met 250.000 koppen bemand. Aan die overmacht moest Griekenland weerstand bieden.
Op aandrang van Athene kwam reeds in 481 een congres van grieksche staten op de landengte van Car int he bijeen, en besloot men alle veeten tusschen de staten onderling te laten rusten, om zich met onverdeelde krachten te kunnen wijden aan
de groote, nationale zaak. quot;L.....
./
28
icvestig erde,
p zijn
eschik
eelige men k de gri salici®
\\y
gt;i
-■ ..
\\j
Aanvankelijk scheen de toestand voor de Atheners niet gunstig, vele staten werden bezield door een doodelijken angst voor de overmacht uit Azie, en de uitspraken van het orakel van Delphi werkten er zeer toe mede, de algemeene moedeloosheid te doen toenemen. De grieksche stamgenooten op Sicilië, 0. a. de tyran Gelo van Syracuse werden te vergeefs om hulp aangezocht. Griekenland, en dat nog wel lang niet alle staten, V stond geheel alleen, toen al meer en meer de dreigende tijdinge:
(fl -li/L
.
r
29
st. v bevestigd werden dat het perzische leger in drie colonnes na-i lerde, en had in die benarde omstandigheden slechts te hopen ap zijne natuurlijke gesteldheid, die het voor verdediging wel geschikt maakte, en den genialen blik zijner leiders. Eene voor-deelige stelling bij het Je?npe-;lal besloot men op te geven,
men kon op de thessalische volksstammen niet rekenen. Toen de grieksche troepen terugtrokken, gaven niet alleen de Thes-satos. „aarde en waterquot;, maar ook andere staten waaronder
gingen naar de Perzen over. Het orakel van Delphi gaf . nog steeds ontmoedigende antwoorden, slechts de handigheid van Themistocles wist een vermoedelijk anders bedoelde mede- f deeling zoo te verklaren, dat hij den Atheners aan het verstand \' A
wist te brengen, dat met de „houten murenquot; schepen waren bedoeld, waarna men dan ook besloot met vereenigde krachten ter zee te strijden. Tevens besloot het congres dat de sterke stelling aan het Oe/a-gehergte, de Thermopylae zou worden gehandhaafd: daar zou een landleger worden opgesteld, en tegelijk eene vloot naar de noordkust van Euboea worden gebracht om in overeenstemming met dat landleger de krijgsbewegingen te verrichten. ^ . , \'r\'-y
Aan de vloot leverden de Atheners het belangrijkste contingent,
meer dan de helft, maar toch besloten zij ook ter zee het opperbevel van Sparta te erkennen. Naar de Thermopylae zonden de spartaansche ephoren slechts 300 Spartiaten onder koning Leonidas, onder voorgeven dat er later nog meerdere troepen zouden volgen, die echter niet zijn gekomen; wel sloten zich enkele hulptroepen bij Leonidas aan. De vloot lag bij kaap |i\'.\' Artemisium, onder het opperbevel van den Spartaan Eury-i ad e s. In het midden van den zomer van het jaar 480 v.
Chr. werd tot tweemalen toe een gedeelte .der perzische vloot door storm vernield en grepen er zeegevechten bij Artemisium plaats, die deels gunstig voor de Grieken uitvielen, deels onbeslist bleven, maar waarin de grieksche vloot toch zoozeer leed,
sterkt •n list s, de st hij v van ver-a de n te kaap Jrige een \'hal-hip-481 nde
dat aan den avond van den derden slag besloten werd, den terugtocht te aanvaarden. Tegelijkertijd streed het landleger der Perzen aan de Thermopylae; twee dagen lang stuitten de perzische aanvallen op den heldenmoed der Grieken af, eindelijk bewerkte
- . -u \'
30
o J?rlc
het verraad van E phi alt es dat de Spartanen die slechts met nog enkele hulptroepen (bij elkander nog geen 1000 man) met Leonidas aan het hoofd, waren achtergebleven, sneuvelden en de pas aan Xerxes in handen viel. Zoowel dus te land als ter zee was wel voor het oogenblik de tegenstand der Grieken gebroken , maar tevens hadden de Perzen geleerd dat zij met een geduchten vijand te doen hadden.
V Toen zij in Midden-Griekenland kwamen, werd PlataeaT^aox hen in brand gestoken, en rukten zij naar Attica, waar bijna de geheele bevolking deels op de schepen was- gegaan, deels naar het eiland Salaviis en de naburige kuststeden van Peloponnesus was uitgeweken. Van het eiland Sala?nis zagen de Atheners hunne stad in vlammen opgaan, daar lag de grieksche vloot, en daar zou ook dank zm het beleidvol handelen van Themistocles de beslissende oerwinning bevochten worden, al hadden vele bondgenooten lidier op eene andere plaats willen strijden. De bekende list vanpThemistocles gelukte uitstekend, Xerxes viel de Grieken aan (nazomer 480) en de dag eindigde met eene roemrijke overwinning. De perzische koning zou na dien slag wellicht npg niet onmiddelijk naar Azië zijn teruggekeerd, maar een tweede list van Themistocles, die door een gevangen Aziaat den koning liet weten, dat de Grieken er over dachten de bruggen over den Hellespont af te breken , deed hem besluiten van krijgsplan te veranderen.
Een deel der perzische troepen, 2 50.000 man onder M a r d o-nius des konings zwager, kreeg last in Noord-Griekenland te overwinteren, teneinde in het volgende jaar den oorlog voort te zetten. Ondankbaarheid en verkleining waren ook ditmaal het loon voor den man die Griekenland gered had, hij werd voor 479 niet als aanvoerder herkozen, Aristides behoorde tot de aanvoerders van het landleger, hij was voor den slag van Sa/a-mis teruggeroepen, en Xanthippus werió iuJmiraal. Mardo-n i u s heeft eerst beproefd door onderhanpelin^moe Grieken te winnen; toen echter op hooghartige wijze alle pogingen daartoe door hen werden van de hand gewezen, rukten in den zomer van 479 de Perzen wederom naar Attica en Athene binnen, dat voor de tweede maal door de inwoners verlaten was. In het
cT^
ring\'
?
^4
IJ
il •ïl
\'1 rrO dio-n IXJ. (y{,lviamp;t~x , yuy^,
djtn ^~nliJ^t,-4 lt;i~-jlt;\'\'y*\' ^\'^h £.
c,u**~ i/^ Ut \'r*^gt;(^ ti\'Ci^l1*\'—■ vvu t-iMJ*-tb.
3\\CC~ ji^VcU^J -vw^u-.,quot;-^^* K\'-~l,cAf.*~?^t föquot;-*,*-
~?u e~oU rUwi-vMt. jk -HTtWi ^ oi*quot;
najamp;r kwam eindelijk de spartaansche krijgsmaclit onder aan
ring van Pausanias, den regent voor Leonidas\' minderjarigen
zoon. Hef\'perzische leger was evenzeer aanzienlijk versterkt, zoo-^J^1\'^
dat thans 350.000 man in het veld waren, terwijl de grieksche\'^^*ty:^\'wai«
verbondenen er slechts 110.000 man tegenover konden stellen
De strijd werd geleverd bij Plataeae in Boeotië en eindigde met n,V\'\'i4^^iï
de algeheele overwinning der Grieken: een groot deel van het 0 . ^
~:1K
leger was gesneuveld benevens de aanvoerder Mardo-nius. Op het grondgebied waar de slag geleverd was, werden
voortaan jaarlijks bevrijdingsfeesten gevierd. Spoedig na de over- _
winning werd Thebe, dat de perzische zijde gekozen had,
ingenomen, de hoofden der perzische partij werden uitgeleverd en op de landengte op last van het congres ter dood gebrachtfe cJSéUamp;B*/K.. als landverraders. Gelijktijdig met den slag bij Plataeae landden de Grieken met hun vloot op de ionische kust, en versloegen j/iwn daar onder den spartaanschen koning Leotychidas en den rfcgt;.?jjfDTZ Athener Xanthippus de Perzen bij kaap Mycïile (tegenover^^\'J.
het-eiland Samos).*- ^2- ^--
Nog was de oorlog niet gedaan, wel kreeg de strijd tu^ïchen Grieken en Perzen na 479 een geheel ander karakter, maar duurde toch nog langen tijd. Na den slag van Plataeae beschouwde verreweg het grootste deel van Griekenland Sparta als den eersten staat, en dat was wel geneigd zich zei ven ook die plaats toe te kennen: dit bleek althans spoedig genoeg, toen het begon met de Atheners het bouwen hunner muren en het weder in staat van tegenweer brengen hunner stad, te beletten. Maair nog altijd was de diplomaat Themistocles in Athene, enrzijn list bewerkte dat men ongestoord kon voortgaan met bouwen I daarbij intusschen liet hij de Spartanen zulk eene droevige figuur slaan, dat de gebeurtenissen van 479 en 478 zeker de eerste kiemen hebben gestrooid van dien onverzoenlijken haat tusschen Spartanen en Atheners, die zulke jammerlijke gevolgen heeft gehad, niet alleen voor beide staten maar ook voor de geheele grieksche wereld.
In 477 ging de overwinnaar van Plataeae Pausanias op nieuw met eene grieksche vloot naar het oosten en behaalde belangrijke voordeelen. Hij kreeg de machtige stad Byzantium in handen, doch trotsch op zijn wapengeluk, en verblind door de
I*
32
oostersche pracht en weelde, die den soberen Spartaan natuurlijk het allereerst moest treffen in tegenstelling met zijne eigene leefwijze, deed hij daarna aan koning Xerxes den verraderlijken voorslag hem behulpzaam te zijn in het veroveren van Griekenland, mits hij zelf de waardigheid van satraap en de hand van \'skonings dochter, als loon zou krijgen. Aanvankelijk\' konden de ephoren hem niets bewijzen, maar later toen bovendien zijne weelderige oostersche leefwijze en zijne pogingen de heloten op te ruien, aanstoot en ergernis verwekten, is hij toch overtuigd en ter dood gebracht. Intusschen kwam men in Sparta tot het inzicht, dat zulke verre tochten verderfelijk werkten op de levenswijze en de zeden van koningen en onderdanen, en besloot men den oorlog ter zee maar liever aan de Atheners over te laten en zich toe te leggen op het verkrijgen van een sterk landleger, een taktiek die Sparta is blijven volgen tot den peloponnesischen oorlog.
r Themistocles heeft ook niet veel vruchten geplukt van al wat hij voor de Atheners had gedaan. Zijne medeburgers hadden eene antipathie tegen hem, misschien ook omdat hij zich nog al veel op zijne verdiensten liet voorstaan, de Spartanen haatten hem met een doodelijken haat o. a. van wege den listigen streek van 478. Reeds leefde hij, tengevolge van een uitspraak ■: van het ostracisme, als balling in Argos toen de Spartanen hem aanklaagden als landverrader, omdat hij van het verraad van , ^\'Tausanias zou hebben geweten en dat niet had aangebracht.
Nu rekende hij zich in Argos 06k niet langer meer veilig en i/t-^^-^^kwam in 465 na een moeilijken tocht in Perzië, waar hij door den koning Artaxerxes I, zoon en opvolger van Xerxes hooggeschat en vors.telykjaehandeld werd. Na een tijd in Klein-Azie te Magnesia gewoond te hebben stierf hij aldaar, zijn dood kwam nog juist tijdig genoeg om hem te verhinderen in dienst van Perzië Griekenland te gaan bevechten. De Perzen hadden namelijk juist in dezen tijd eenige belangrijke voordeelen behaald, doch in 466 weder eene gevoelige nederlaag te land en ter zee geleden bij de rivier Eurymedon in Pamphylie door den Athener Cimon, den zoon van Miltiades, die zich den oorlog tegen /p Perzië tot levenstaak had gesteld.
?£/£***
* js\' * m
33
§ ii-
Athene als hoofd van het verbond van De los; Cimon en Pericles.
In § lo hebben wij reeds gezien dat na de treurige gebeurtenissen met Pausanias de Spartanen hunne schepen terugriepen en den zeeoorlog tegen Perzië aan de Atheners overlieten. Deze laatsten verzuimden niet van den voor hen zoo gunstigen loop der zaken partij te trekken en begonnen de krachten der nog overige bondgenooten op militaire wijze te organiseeren. De vergadering van het verbond zou op het van ouds den loniers heilige eiland Delos gehouden worden, elke staat, onverschillig groot of klein, had in die vergadering evenveel in te brengen, met de binnenlandsche aangelegenheden der daaraan deelnemende staten zou het verbond zich niet inlaten; de hoofdzaak was allen te beschermen tegen Perzie. Op voorstel van^Aristljej. werden de sterkten der contingenten in schepen en troepen vastgesteld, evenzeer als het bedrag der geldelijke bijdragen, die gestort zouden worden in de bondskas op het eiland Delos. en die in den tijd waarvan wij nu spreken, na den slag bij den Eurymedon 460 talenten per jaar bedroegen (1300.000 gulden ongeveer).
In 468 v. Chr. was Aristldes overleden, Themistocles was zooals wij boven zagen reeds verwijderd, maar de taak van leider der vijandelijkheden tegen Perzie was ook na den dood dier beide uitnemende mannen, aan goede handen toevertrouwd bij Cimon, den zoon van Miltiades. Nu kon het moeilijk anders of een bekwaam man die jaren achtereen met luisterrijk gevolg tegen de Perzen streed, moest een beslissenden invloed gaan uitoefenen op de buitenlandsche staatkunde van Athene en van zijne bondgenooten. In die jaren zijn de Atheners de ervaren zeelieden geworden, die door hunne oorlogsmarine zoo geducht waren, zelfs nog tot op het laatst van den peloponnesischen oorlog. Zoolang het gevaar van de zijde van Perzie nog dreigend was, vereenigde de gemeenschappelijke band van vijand-
MARGADANT, Griek:ni eti liomeinen. 3
34
schap tegen den machtigen oosterschen nabuur alle leden van het verbond van Delos, maar niet zoodra was dat dreigende gevaar geweken of vele bondgenooten trachtten zich aan het nakomen hunner verplichtingen te onttrekken. Sommigen weigerden voortaan meer iets te leveren, zooals b.v. het eiland Naxos,
dat in 466 door de Atheners met de wapenen werd bedwongen en schatplichtig werd gemaakt, anderen vonden de levering der schepen te lastig en kochten die verplichting af door het geven van een som gelds, zoodat van lieverlede de vloot van het verbond geheel uit atheensche schepen bestond. Het was dus geen wonder dat Athene het geld, dat het op die wijze kreeg, ging beschouwen als loon voor zijn strijd tegen Perzie dien het bijna alleen met zijtie schepen voerde, en dat langzamerhand aldus het verbond veranderde in een rijk met Athene tot hoofdstad en de bondgenooten tot onderdanen. Uit vrees hetzij voor de Perzen ,
hetzij voor de Peloponnesiers achtte men de bondskas op Delos ook niet veilig genoeg bewaard, en besloot die ongeveer in het jaar 454 naar Athene zelf over te brengen; een daad waardoor natuurlijk het zooeven geschetst, gewijzigd karakter van het bond nog duidelijker aan den dag kwam.
Alle geschillen der bondgenooten als zoodanig niet alleen,
•naar ook processen tusschen burgers uit de staten moesten voor
■ le atheensche rechters worden beslist, en elk jaar in de lente moesten de bondgenooten naar Athene komen om hunne bij-
■ Iragen te storten; in den peloponnesischen oorlog vinden wij er meermalen melding van gemaakt, dat zij zelfs tot persoonlijken dienstplicht waren gedwongen.
^ Ci m on had niet alleen de Perzen uit 7hracie verdreven^, ^maar ^^ opk door het onderwerpen van het eiland Scyros, waarmee* atheensche cleruchen gezonden werden, zijn naam beroemd ge-rnaa^t\' was groote man in Athene, de leider der behou-Jende partij, die sterk spartaanschgezind was.f Tegenover die partij stond de democratische, die vertrouwende op eigen kracht zich niet aan Sparta wilde storen, en geen oog had voor hetgeen Cimon steeds verlangde; „dat Sparta en Athene de beide runderen zouden zijn die den wagen van Griekenland moesten trekken.quot; Die democratische partij vond weldra twee bekwame
jL-
35
leiders in Ephialtes en vooral in den zoon van Xanthippus,
Pericles.
Het had weinig gescheeld of in 465 was reeds de oorlog tus-schen Athene en Sparta uitgeba-sten, die bij de meer en meer zich scherp afteekenende partijverhoudingen eigenlijk nog maar eene quaestie van tijd was. In dat jaar namelijk had weder een der bondgenooten, het eiland Thasos, zich trachten los te maken van redden steeds meer knellenden band; het was daarop door Athene aangevallen en had hulp gezocht bij Sparta. Men had daar wel ooren naar het verzoek der Thasiers, maar een hevige aardbeving, waardoor een groot gedeelte der stad Sparta verwoest .♦•\'werd, verhinderde daaraan gevolg te geven. Daarbij kwam nog .
^pV^Tde zoogenaamde derde Messenisjhe oorlog, eigenlijk een heloten- f-
• a-quot;—\'-—\' De heloten nestelden zich weder even als vroeger in vme, en voor die vesting lagen de Spartanen, toen Cimon
in 462 in Athene terugkeerde als overwinnaar van Thasos, hetwelk schatpTichtig was gemaakt. Men wist in Sparta dat de Atheners meesters waren in de kunst van belegeren, en riep dus hun hul])
in tegen Tthhme, een verzoek waaraan de groote Spartanen vriend Cimon gaarne gehoor gaf. Maar ook de Atheners konden de vesting niet nemen, en wantrouwen maakte nu plaats bij de Spartanen voor het vertrouwen, waarmede zij hen te hulp hadden geroepen. Kort na hunne aankomst werden zij op beleedigende wijze weder weggezonden, eene beleediging, die de gespannen verhouding tusschen deze beide staten, spoedig tot openbare vijandschap deed overslaan , en tevens aan C i m o n \'s tegenpartij natuurlijk een machtig wapen in de hand gaf. Het bondgenoot-1 schap met Sparta werd verbroken en de democratische partij in -fV/^»^-it^^Athene was er op bedacht, ook een attisch landverbond op te^v^-^ richten, waarbij zich weldra Argos, Thes sa lie en later ook Me-fquot;
* gara aansloten. Cimon\'s invloed wist echter op dat oogenblik i nog te bewerken, dat men den nationalen vijand Perzie ging^y^vquot; VTl 1 bestrijden. Een der minst onderworpen perzische wingewesten-Aegypte en ook in dezen tijd was daar weder een opstand tegen het perzische gezag, aangestookt door een zekeren Inïrus: heni^fc
zou men gaan ondersteunen. In 461 zeilde Cimon naar Aegyptfn- ^ uit, en zijne afwezigheid was eene gewenschte voor de
36
democratische partij om hare plannen door te zetten, en der aristocratische partij een duchtigen slag toe te brengen. Ephi-altes en Pericles stelden namelijk voor aan den Areopagus het toezicht op wetten en zeden te ontnemen, terwijl dat lichaam alleen een hooggerechtshof voor moord bleef. Deze maatregel legde den grondslag tot nog andere instellingen die mede ten dorfko hadden de volkspartij te versterken: het bezoldigen van gezwore-^1 nen, raMstéfien,\' en misschien ook van het bijwonen der volks-, vergadering, en het uitkeeren van gelden aan onbemiddelde ^-quot;Burgers om de opvoeringen in den schouwburg te kunnen bijwonen. Tevens wisten beide staatslieden te bewerken dat Athene, nu het door zijn nieuw landverbond nog zooveel gemakkelijker in botsing met Sparta kon geraken, door lange muren met de havenstad Piraeéus en met Phalër071 verbonden werd, waardoor . /J*0\' het eene onneembare vesting werd, steeds in gemeenschap staande V de zee; dit werk, dat ook al den aristocraten en spartaansch
\' gezinden niet zeer naar den zin was, is na eenige jaren ook werkelijk voltooid.
Heftig was de partijstrijd toen Ciraon na een jaar uit Aegypte . terugkeerde, en weldra was er een uitspraak van het ostracisme j uitgelokt, die dezen grooten steunpilaar der aristocratische partij
voor tien jaren verwijderde1). Toen kregen zijne tegenstanders • jy e Vi\' gelegenheid hunne plannen ten uitvoer te brengen en de volks-
o? heerschappij in Athene in beginsel te vestigen.
Njfji * Vroeger zagen wij reeds dat uit de zich scherp afteekenende
y partijverhoudingen een strijd van de staten uit Peloponnesus te
gen het attische landverbond ontstaan moest. De Spartanen hadden echter op dit tijdstip nog hunne handen vol in Messenie, de eerste vijandelijkheden kwamen in 459 van Corinthe, verbonden met Athene\'s oude mededingster ter zee, Aegina. Een belangrijk deel der atheensche strijdkrachten was in Aegypte, in twee overwinningen ter zee handhaafden echter de Atheners hun
Jamp;- *) Eens voor al zij hier opgemerkt, dat de chronologie van dit geheele tijdperk tot op het jaar 445 zeer onvolledig bekend en onzeker is; van de verschillende zeer uiteenloopende meeningen kwam mij die, welke ik gevolgd heb, het waarschijnlijkst voor.
37
ouden naam als zeemogendheid, en daarna werd Aegina geblokkeerd. Te land behaalden de Atheners ook enkele voordeelen toen de Spartanen zich met de zaak begonnen in te laten. Een strijd tusschen Phocis en Doris, waarbij de Spartanen besloten hun oud stamland te hulp te komen, diende als naaste aanlei- .
ding. De Atheners bezetten de megarensische passen om den^^t- -quot; Spartanen het terugtrekken te beletten, reden genoeg voor hen om thans hunne wapenen tegen Athene zelf te keeren, waar de nog altijd machtige oligarchische partij, die juist in dien tijd Ephialtes haar tegenstander had uit den weg doen ruimen,
hen met ingenomenheid zag komen. De spartaansche aanvoerder ^ ■
rukte voort tot dicht aan de noordgrens van Atiica naar Tanagra *
in Boeotie, waar hij stuitte op een atheensch leger, door thes-salische hulptroepen versterkt, onder Pericles. In 457 v. Chr.,
zijn de Atheners daar verslagen, voornamelijk door de trouweloosheid der thessalische ruiterij, die gedurende het gevecht naar de Spartanen overliep. Daarna trokken de Spartanen weder terug om het beleg van li hum e voort te zetten. In het begin van 456 waren de Atheners weder in het veld en ditmaal bevochten zij / -eene overwinning bij Oenophyta op de Boeotiërs die waarschijnlijk quot;
met de Spartanen gemeene zaak gemaakt hadden.1 Daarop werden o/eral in Boeotie democratische besturen ingesteld Phocjs en Locris in het attische landverbqnd opgenomen en Aegina staatkundig vernietigd. Dit was daardoor machtig geworden en men maakte inmiddels de staatkundige hoofdstad van het verbond, Atherfe lot eene bijna ^onneembare vesting door het voltooien der lange muren. In het volgende jaar viel echter Ithhme den Spartanen in handen, en kregen zij dus weder meer gelegenheid hunne aandacht op hunne tegenstanders in Midden-Griekenland te vestigen.
Maar de groote staatsman Pericles zag in de gegeven omstandigheden het wenschelijke er van in de Spartanen niet verder te tarten, en begon met in Athene zelf een belangrijken stap te doen, die den Spartanen niet anders dan aangenaam kon zijn,
door te bewerken dat in 454 of 453 Cimon uit zijne ballingschap werd teruggeroepen. Deze zou van zijn kant beloven den toestand in Attica, zooals die onder democratischen invloed geworden was , te erkennen, Pericles daarentegen zou met Sparta
36
»
lp
democratische partij om hare plannen door te zetten, en der aristocratische partij een duchtigen slag toe te brengen. Ephi-altes en Pericles stelden namelijk voor aan den Areopagus het toezicht op wetten en zeden te ontnemen, terwijl dat lichaam alleen een hooggerechtshof voor moord bleef. Deze maatregel legde ^ den grondslag tot nog andere instellingen die mede ten dofiti^ ^ hadden de vo^spartij te versterken: het bezoldigen van gezwore-^1 nen, raadsledenen misschien ook van het bijwonen der volks-, vergadering, en het uitkeeren van gelden aan onbemiddelde \'^quot;Burgers om de opvoeringen in den schouwburg te kunnen bijwonen. Tevens wisten beide staatslieden te bewerken dat Athene, nu het door zijn nieuw landverbond nog zooveel gemakkelijker in botsing met Sparta kon geraken, door lange muren met de havenstad Piraeèus en met Phaler on verbonden werd, waardoor het eene onneembare vesting werd, steeds in gemeenschap staande uLmet de zee; dit werk, dat ook al den aristocraten en spartaansch / gezinden niet zeer naar den zin was, is na eenige jaren ook
werkelijk voltooid.
Heftig was de partijstrijd toen Cimon na een jaar uit Aegypte terugkeerde, en weldra was er een uitspraak van het ostracistne.
X yb uitgelokt, die dezen grooten steunpilaar der aristocratische partij 0\'VWvoor ^en jaren verwijderde1). Toen kregen zijne tegenstanders [\\lt;y 5 gelegenheid hunne plannen ten uitvoer te brengen en de volks-fP heerschappij in Athene in beginsel te vestigen.
* Vroeger zagen wij reeds dat uit de zich scherp afteekenende y partijverhoudingen een strijd van de staten uit Peloponnesus te
gen het attische landverbond ontstaan moest. De Spartanen hadden echter op dit tijdstip nog hunne handen vol in Messeniè, de eerste vijandelijkheden kwamen in 459 van Corinthe, verbonden met Athene\'s oude mededingster ter zee, Aegina. Een belangrijk deel der atheensche strijdkrachten was in Aegypte, in twee overwinningen ter zee handhaafden echter de Atheners hun
J*- *) Eens voor al zij hier opgemerkt, dat de chronologie van dit geheele tijdperk tot op het jaar 445 zeer onvolledig bekend en onzeker is; van de verschillende zeer uiteenloopende meeningen kwam mij die, welke ik gevolgd heb, het waarschijnlijkst voor.
37
ouden naam als zeemogendheid, en daarna werd Aegina geblokkeerd. Te land behaalden de Atheners ook enkele voordeden toen de Spartanen zich met de zaak begonnen in te laten. Een strijd tusschen Phocis en Doris, waarbij de Spartanen besloten ^ ^
hun oud stamland te hulp te komen, diende als naaste aanlei- .
ding. De Atheners bezetten de megarensische passen om den\\^- , . Spartanen het terugtrekken te beletten, reden genoeg voor hen om thans hunne wapenen tegen Athene zelf te keeren, waar de ƒgt;*
nog altijd machtige oligarchische partij, die juist in dien tijd Ephialtes haar tegenstander had uit den weg doen ruimen,
hen met ingenomenheid zag komen. De spartaansche aanvoerder ^ • •
rukte voort tot dicht aan de noordgrens van Atiica naar Tanagra in Boeotie, waar hij stuitte op een atheensch leger, door thes-saljsche hulptroepen versterkt, onder Pericles. In 457 v. Chr.,
zijn de Atheners daar verslagen, voornamelijk door de trouweloosheid der thessalische ruiterij, die gedurende het gevecht naar de Spartanen overliep. Daarna trokken de Spartanen weder terug om het beleg van Tihüme voort te zetten. In het begin van 456 waren de Atheners weder in het veld en ditmaal bevochten zij / -eene overwinning bij Oenophyta op de Boeotiërs die waarschijnlijk quot;
met de Spartanen gemeene zaak gemaakt hadden.) Daarop werden o/eral in Boeotie democratische besturen ingesteld ; en Locris
in het attische landver^nd opgenomen en Aegina staatkundig vernietigd. Dit was daardoor machtig geworden en men maakte inmiddels de staatkundige hoofdstad van het verbond, Atherfe lot eene bijna ^onneembare vesting door het voltooien der lange muren. In het volgende jaar viel echter Tthume den Spartanen in handen, en kregen zij dus weder meer gelegenheid hunne aandacht op hunne tegenstanders in Midden-Griekenland te vestigen.
Maar de groote staatsman Pericles zag in de gegeven omstandigheden het wenschelijke er van in de Spartanen niet verder te tarten, en begon met in Athene zelf een belangrijken stap te doen, die den Spartanen niet anders dan aangenaam kon zijn,
door te bewerken dat in 454 of 453 Cimon uit zijne ballingschap werd teruggeroepen. Deze zou van zijn kant beloven den toestand in Attica, zooals die onder demo crat is chen invloed geworden was, te erkennen, Pericles daarentegen zou met Sparta
38
laten onderhandelen over een wapenstilstand. Deze kwam in 451 of 450 voor vijf jaren tot stand; tot een bepaalden vrede was Sparta niet te vinden, want daarbij had het ook. het attische landverbond moeten erkennen, en dat wilde het niet.
Nu kon Cimon zijn levenstaak weder opvatten: strijd teger. T\'erzie; in het voorjaar van 449 ging hij op nieuw naar het oosten. Nog altijd was Aegypte niet geheel onderworpen; dat v/erd dus weder ondersteund, al hadden de Atheners er ook zware nederlagen te betreuren gehad, maar de hoofdmacht van het attische eskader was bestemd tegen Cyprus. Daar stierf Cimon aan eene ziekte in 449; na zijn dood , die geheim gehouden was, behaalden de/Atheners nog eene overwinning bij Salamis op Cyprus. Dit was de laatste slag tegen de Perzen ; dat er een eigenlijke vrede gesloten is (de zoogenaamde vrede van Cimon) is niet waarschijnlijk, vermoedelijk heeft men slechts enkele bepalingen vastgesteld en overigens berust bij de wederzijds behaalde vcordeelen.
Voor Athene was het gelukkig dat de strijd met Perzie feitelijk geëindigd was, het kreeg te veel te doen. In 447 had er^iry * Midden-Griekenland eene beweging plaats van verbannenen tegaïi ^J\' de democratie, welke beweging door de Atheners aanvankelijk niet werd geteld; om die te onderdrukken, werd de Athener Tolmides met 1000 zwaargewapende Atheners en bondge-nooten uitgezonden. Hij verloor echter nog in hetzelfde jaar bij Coronïu in Boeotiè een slag, waarin hij zelf sneuvelde, en het \' gevolg van dien slag was het verlies van Boeotiè en Locris. Daarbij kwam in het volgende jaar een opstand op Euboea, een eiland dat de Atheners veel vleesch en koren leverde, en terwijl Pericles dat verzet ging bedwingen, viel Megara af. Van den l)enarden toestand waarin Athene op dat oogenblik verkeerde,
trok men in Sparta handig partij en zond een leger over de landengte. Pericles kon in deze omstandigheden wel niet anders doen dan onderhandelen, en die onderhandelingen kostten waar- , schijnlijk geld. Reeds stonden de Spartanen te Eleusis toen hun koning, naar men zegt, zich liet omkoopen om terug te trekken.
Daarop werd Euboea geheel ten onder gebracht, en een vrede gesloten met Sparta voor 30 jaren. De Atheners stonden alles af lt;
lt;?//•
30
wat zij na 456 hadden gekregen, behalve Plataeae en A egin a: daarna erkende Sparta de atheensche hegemonie, en gaf toe da: voortaan alle staten die tot op dat oogenblik nog neutraal waren, zich naar believen óf bij het spartaansche verbond óf bij het. atheensche zouden kunnen aansluiten (445).
§ I2-
De tijd van 445—431 v. C/ir. — Pericles als eigenlijk hoofd van Athene.
Na het jaar 445; was Pericles op staatkundig gebied de /fn ■ uj eerste man, het hoofd van Athene. Nog slechts één tegenstander v stond hem in den weg, die spoedig door het ostracisme verwijderd werd. Daarna was Pericles voor eenige jaren onbetwistmeester.vUAiU~t~«-lt;. van het staatsterrein, en toen was er in Athene in naam eene ^^ democratie, inderdaad eene regeering van den eersten man. Gelijk later in Frankrijks\' grootste bloeitijdperk de persoon van den koning Lodewijk XIV, die als het ware het middelpunt dier geheele eeuw was, door zijne onderdanen in uitzinnige vertering met den naam van „Zonnekoningquot; werd begroet, noemden de Atheners hun grooten landgenoot die evenzeer van zijn tijdperk,
van zijne eeuw het middelpunt was: den Olympiër. Deze voorname positie dankte Pericles vooreerst aan zijnehooge afkomst, van moederszijde was hij verwant aan het geslacht .der Alcmae-oniden, en de Atheners zagen gaarne dat door afstammelingen uit voorname geslachten de hooge betrekkingen in staats- en legerbestuur werden bekleed; ten tweede aan ziine groote welsprekendheid , die hein het meesterschap verzekerde over het opgewonden atheensche volk, en ten derde aan zijn edel en onbaatzuchtig karakter^, dat voor geene omkooping vatbaar was.
■i-* Bij herhaling werd hij door het volk gekozen tot een der tien veldheeren, wier bevoegdheid buitengewoon groot was op het gebied van het krijgswezen en de financien. Veertien jaren heeft dat tijdperk van bloei, voorspoed en vrede geduurd, slechts even afgebroken in 440 v. Chr. door een tocht van Pericles naar
-iféfZ- ***— - Y Jb /raL-~.£yf\'^\' \'** ^
Samos dat, toen het weigerde de suprematie van Athene te erkennen, eenige maanden lang werd belegerd en gestraft met het verlies zijner vloot en het betalen der oorlogskosten.
De eeuw, het tijdperk van Pericles heeft echter de grootste beteekenis voor de grieksche kunst op elk gebied. De grootste kunstenaar op bouwkundig gebied was ongetwijfeld Pericles\'
vriend Ph;idias, nevens hem verdienen Ictinus en Mnesi-cles genoemd te worden. Hun geniale hand heeft Athene ge-maakt tot de tempelstad van P e r i c zoovele^eestenitukk^^^
van beeldhouwkunst gewrocht. (Parthenon, Py(pfyïa?£n, beeld / van „Athene parthenosquot; van goud en ivoor vervaardigd) De middelen die benoodigd waren voor het ten\' uitvoer brengen van zulke werken, werden gevonden uit de ruime inkomsten van Athene, dat door de jaarlijksche schatting zijner bondgenooten in een zeer gunstigen financieelen toestand verkeerde.
Nevens de beeldhouwkunst bloeide ook de letterkunde. De ff afy ~ drie groote meesters op dramatisch gebied waren de treurspel-~ dichter/quot; A e s c h y 1 uXl(S25—456).) ®0PhocleCr(496—4o6)^} Euripides ((480—406).] Aeschylus was wat zijn persoon en zienswijze betreft nog geheel de man uit het tijdperk van den , bevrijdingsoorlog tegen Perzië, hij had dapper medegestreden bij x Marathon, Salamis en Plataeae (zijne tragedie: de Perzen).
Sophocles was in alles de man van de eeuw van Pericles, Euripides de dichter in wiens werken wij zien hoe de redeneerkunst meer en meer in zwang kwam.
Naast deze drie treurspeldichters waren er vele komediedichters; de voornaamste onder hen allen, van wien wij nog elf stukken over hebben, was Aristophanes (444—380 ongeveer). Met bitteren spot hekelt deze geestige dichter vele in zijn oog beden-^ kelijke nieuwigheden van zijn tijd: de zich meer en meer uitbreidende democratie, de wijsbegeerte, de richting van Euripides; zoodat zijne blijspelen een belangrijke kenbron zijn voor het leven in het Athene van dien tijd.
[Korte mondelinge mededeelingen over de attische dramatische poezy, en de opvoeringen der treur- en blijspelen].
* Niet alleen de kunst, ook de wetenschappen, meer bijzonder /rt.historische wetenschap vond onder Pericles\' tijdgenooten ____\' -• -no.....- Ca. «Scj——***
Pj -----i--------------— • ---------
1 föfrlt;*i.foLC J ■
-V
bekwame beoefenaars. Voor allen verdient vermelding Herodotus van Halicarnassus {(484—424 ongeveer).) Den bijnaam van „vader der historiequot;, dien men hem gewoonlijk geeft, verdient hij daardoor dat zijne wijze van geschiedschrijven een geheel nieuwe was; voor hem gaven de menschen die zich met het schrijven van geschiedenis bezig hielden, de plaatselijke herinneringen van verschillende steden op, en maakten met hulp van bestaande ^ geslachtsregisters chronologische berekeningen. De levensgeschie-denis van Herodotus is zeer onvolledig bekend; in zijn geschiedwerk dat geschreven is in het dialect der aziatische loniers,
stelt hij zich ten doel ons aan te toonen, dat tusschen de groote macht Perzië in het oosten, en Griekenland in het westen, een strijd moest ontstaan, omdat die twee volken van nature vijanden waren. Herodotus lascht in zijne geschiedenis der perzische oorlogen vele verhalen in omtrent andere volken , zoo is b.v. één geheel boek gewijd aan de geschiedenis van Aegypte. De kennis die de schrijver noodig had voor het samenstellen van zijn geschiedwerk, heeft hij zich eigen gemaakt op groote reizen.
Een ander groot geschiedschrijver uit dat tijdperk was Thu-^ir»\'^ cydides, ^(460—396 ongeveer).\' Hij beschreef de geschiedenis 0^° van den peloponnesischen oorlog tot op het jaar 411. In het jaar 423 is hij tengevolge van een verzuim, door hem als vlootvoogd gepleegd, uit zijn vaderland verbannen. Dien tijd heeft hij zich ten nutte gemaakt om zijn geschiedwerk te schrijven,
dat in 8 boeken is vervat, en waarin hij de daarin voorkomende personen zeer dikwijls sprekende invoert.
Betrekkelijk kort zou echter dat tijdperk van bloei en rust duren; de toenemende bloei van Athene, de uitgebreide cleru-chiCen op eilanden, zooals Lemnos, Imbros en Sa/ros en het stichten van de stad Amphipolis (437) aan\' den mond van den Strymon, het met geweld ten onder brengen van afvallige bond-genooten, al die zaken waardoor het attische rijk zijne kracht zoo duidelijk toonde, waren Sparta een doorn in het oog. De naaste aanleiding was ook bij deze hardnekkige worsteling tusschen den dorischen en ionischen stam ,^evej^ajs bij de perzpche \'
onrlneren . hptrpkkpliik nnhpHin\'HpnH C.nrrhrn. «triiH met
I
\' uü
oorlogen, betrekkelijk onbeduidend. Corcyra hadden strijd met Corinthe en verzpcht zich aan den attischen statenbond te mogen
e» -po «—■« -— 9
\' -\'
—
42
aansluiten. i_wc durfde men echter in Athene niet aan, beducht voor eene botsing met het peloponnesisch verbond, maar sloot een defensief verbond met de Corcyraeers. Toch zou hierdoor juist geschieden, wat men in Athene door het inslaan van een middelweg had zoeken te vermijden. Een ohservatievloot van Athene in de adriatische zee moest den Corcyraeers overtuigen^, dat Athene voor hunne belangen een open oog had, welke vloot iï-— nog door eene tweede werd versterkt, toen in het najaar van
- 433 v- Chr. de Corinthiers eene beslissend^? overwinning op de
Cbrcyraeers behaalden bij dé^\'^^^itai^enT\'Hel\'tweêde attische eskader verhinderde den Corinthiers het verder gebruik maken hunner overwinning en hierover verwoed, drongen zij met alle kracht in Sparta op een oorlog tegen Athene aan. Later werden de Corinthiers nog meer verbitterd, toen hunne kolonie Potidaea op Chalcidice die vertrouwende op hare moederstad van het attische verbond was afgevallen, door de Atheners werd beoorloogd en belegerd. De positie van Pericles in Athene was in de jaren 433 en 432 ook niet die meer van vroeger • eene partij die veel verder ging dan hij zelf wilde, begon al meer en meer het hoofd op te steken, en de oude oliirarchische partij verbond zich met deze om den grooten staatsman ten val\' te brengen. In 432 begon dat partij verbond van zich te laten jw^jren door Pericles\' ouden vriend den wijsgeer An ax ago rquot;aS\\4an te klagen, die zich door het land te verlaten wist te redden. Phidias, die juist op dien tijd zijn meesterstuk, het groote beeld van Ze us te Olympia had afgewerkt, werd bij zijn terugkeer in Athene gevangen genomen en aangeklaagd, o. a. van oneerlijkheid. Hij stierf voordat het proces was uitgewezen. Daarna rees er een aanklacht tegen de vrouw van Pericles, Aspasia uit/^ Milete, en eindelijk zou men hem zelf hebben aangetast, doch juist op dat oogenblik brak de oorlog uit. j
43
DERDE TIJDPERK 431—338, 336 V. CHR.
§ 13-
De Peloponnesische oorlog 431—404 Chr.
In Sparta had in het najaar van 432 de pa; tij de overhand behouden, die door de ephoreii geleid en in verstandhouding met de Cor int hier s van geen vergelijk tusschen Sparta en Athene meer weten wilde. Langs diplomatieken weg begon men in 431 de aan het uitbarsten van een oorlog gewoonlijk voorafgaande onderhandelingen te voeren: een spartaansch gezantschap eischte in Athene de verdrijving van het bezoedelde geslacht der Alc-inaeoniden en dus ook van Pericles, de Atheners verlangden daarentegen* dat ook in Sparta zty die eenmaal een bloedschuld op zich hadden geladen, zouden verdreven worden. Daarop vorderde Sparta het opbreken van het beleg yjui Potidaea en het herstellen van Aegina als een zelfstandigea- staat, en toeh de -(f Atheners ook dezen eisch van de hand wezen, stelden de Spartanen hun ultimatum: aan alle bondgenooten zouden de Atheners hunne zelfstandigheid teruggeven. Nu was het voor Pericles gemakkelijk met zijne groote welsprekendheid het volk te bewegen , dezen ongehoorden eisch van Sparta van de hand te wijzen, en juist door den oorlog aan te raden zijn eigene, zooals wij boven zagen, steeds meer wankelende positie te versterken.
In dezen verdelgingsoorlog, die gedurende zijn geheelen duur zoo zeer het karakter draagt, dat men wederzijds met bitteren haat en met een zucht naar persoonlijke wraakneming streed, ^ zou het eerste bloed niet vergoten worden in een strijd tusschen / de Spartanen en Atheners. Eene thebaansche bende overviel in de lente van 431 de met Athene verbonden stad Plataeae; hun aanval mislukte echter. In den zomer van hetzelfde jaar verscheen de spartaansche koning Archidamus in Attica, en voor de nadering van zijn leger vlood het landvolk binnen de muren yan
44
Athene. Het spartaansche leger plunderde Attica, en Pericles die in Attica zelf slechts defensief te werk wenschte te gaan, liet door een vloot de kusten van Peloponnesus plunderen; tegelijkertijd streden de Atheners met gunstig gevolg bij Potidaea.
jn voigencie jaar 43ojvolgde koning Archidamus, voor de tweede maal met zijn leger in Attica verschenen, dezelfde tactiek van oorlog voeren en plunderde het land 40 dagen lang.
Toen brak er in de overbevolkte stad Athene een besmettelijke /7 ziekte uit, gewoonlijk met den naam van pest bestempeld, doch \'naar de beschrijving veel overeenkomst hebbende met de ziekte die nog bij ons onder den naam van typhus bekend is, die in het zuiden en oosten had gewoed en zoo over de eilanden naar jler^ Piraeéus was gekomen, en tegelijkertijd ook in Italië heerschte. Twee jaren lang en later nog eens heeft deze ziekte ƒ op de vreeselijkste wijze de attische bevolking geteisterd. In
. hunne radeloosheid wierpen de Atheners de schuld van al hun 0 ongeluk op Pericles, die op dat oogenblik met de vloot op de
^ kusten van Peloponnesus was. Hij werd aangeklaagd van slecht v- beheer der staatsgelden, van zijne ambten ontzet en veroordeeld tot eene geldboete van 15 talenten. Spoedig had het wufte volk echter weder berouw en herstelde Pericles in zijn eer. In 429 viel Potidaea den Atheners in handen, de Peloponnesiers verschenen niet in Attica van wege de epidemie, doch Pericles was door huiselijk (leed en door de ondankbaarheid zijner medeburgers zoozeer geknakt, dat de ziekte ook hem ten grave sleepte. Zijn dood liet in Athene een plaats ledig, die naar waarde niet te vervullen was, maar die spoedig ingenomen werd door volksmenners, die v^eL-verder gingen dan Pericles ooit gewild had, o. a. den /reefclooier C1 eon. Tevens was met zijn dood de leidende gedachte bij het voeren van den oorlog verdwenen. In 428 werd het beleg van Plataeae voortgezet, de Peloponnesiers trokken voor de derde maal Attica binnen, en de Atheners be-g^i*.^\' merkten dat op het eiland Lesbos in de stad Mytilene de heer-schende adelspartij tot Sparta wilde overgaan. Eene atheensche vloot dwong in 427 de stad tot overgave, en men meende in Athene een indrukwekkend voorbeeld te moeten stellen voor andere bondgenooten, die wellicht nog afvallig zouden willen
0\'
worden. Als men Cl eon\'s zin had gedaan, waren alle volwassen mannen uit Mytilene gedood, maar dit is niet geschied, slechts de krijgsgevangen edellieden, ongeveer iooo , zijn ter dood gebracht \'). In den zomer van hetzelfde jaar viel Plataeae den Thebanen en Spartanen in handen. de bezetting werd vermoord en de stad verbrand. Corajra trad intusschen geheel tot het atheensche verbond toe, nadat de adel -aldaar in verstandhouding met de Spartanen getracht had de democratie omver te werpen. In 426 deden de Atheners eenige tochten onder N i c i a s en Demosthenes, en in het volgende jaar kreeg deze laatste bevelhebber toestemming eene vloot die naar Corcyra en Sicilië bestemd was, te vergezellen en een vast punt te bezetten aan de westkust van Peloponnesus. Hij nam daartoe de haven van Pylos in Messenie en begon die te versterken. Deze tijding deed de Spartanen die onder Agis 11, den opvolger van Archidamus weder een inval in Attica hadden gedaan, besluiten tot den terugkeer. Na een slag bij Pylos werd er een aantal Sparti-aten op het tegenover de haven gelegen eilandje Sphacteria geblokkeerd. Onder deze omstandigheden hadden de Atheners vrede kunnen krijgen, maar er was eene partij onder Cleon, die voor alles voortzetting van den oorlog wenschte. Cleon zelf werd uitgenoodigd met versterking naar Pylos te gaan, daarna werd Sphacteria genomen, en de manschappen waaronder vele Spartiaten gevangen genomen. 1 De verzoeken van Sparta om vrede werden steeds dringender, doch op raad van Cleon wezen de Atheners die voortdurend van de Hand. In 424 keerde de krijgskans zich weder tegen hen, toen zij de nederlaag bij De Hum in Boeotie leden en tevens kwamen er voor hen onrustbarende tijdingen uit het noorden, van de thracische kust, waar de Spartaan Brasidas de atheensche bondgenooten waaronder Amphipolis afvallig maakte. Bij deze laatste stad beschul-
. /
\') Men neeft in den laatsten tijd het ter dood brengen der aristocraten van Mytilene wel eens in twijfel getrokken (Müller Strübing); deze beschouwingswijze echter hangt samen met de geheele opvatting van bedoelden auteur over het geschiedwerk van Thucydides, zoodat men deze geheele beschouwingswijze deelen moet, en hem niet ten opzichte van dit feit alleen volgen kan.
46
(iigde men den vlootvoogd Thucydides, zijn plicht te hebben verzuimd, hij werd verbannen en vond in zijne ballingschap tijd, zijn geschiedwerk over den peloponnesischen oorlog te schrijven izie § 12).
Cleon en de atheensche oorlogspartij drong er krachtig op aan geene schikking of vrede met Lacedaetnoii te treffen, voor de eer der atheensche wapenen op de kust van Thracie zou zijn hersteld en zeilde in 422 zelf daarheen. Op een verkenningstocht naar Amphipolis werd hij, die volstrekt geen veldheer was, door Bras id as aangevallen en in dien strijd sneuvelden beiden.
Met Cleon en Brasidas waren de vurigste voorstanders voor het voortzetten van den oorlog verdwenen, de vredespartij in Athene, voornamelijk door Nicias voorgestaan, wist het in 421 zoover te brengen, dat er voor vijftig jaar een vrede met Sparta gesloten werd. Bij dezen naar Nicias genoemden vrede werd- aangenomen, dat ieder der partijen zou moeten afstaan, wat hij tijdens den oorlog had veroverd, maar juist dat was sommigen staten volstrekt niet naar den zin, zoodat men reeds bij het tot stand komen van den vrede vooruit zien kon, dat die niet van langen duur zou zijn.
Met den vrede van Nicias eindigt het eerste gedeelte van den peloponnesischen oorlog, en begint er een tijdperk waarin de hoofdrol wordt gespeeld door Alcibiades Deze man, wiens buitengewone talenten slechts er toe gediend hebben, gedeeltelijk ook door den loop der omstandigheden, om den val zijner vaderstad te verhaasten, was als klein kind, na het sneuvelen van zijn vader Clinias bij Coronea, bij zijn voogd en bloedverwant Pericles aan huis opgevoed. Een verkwistende wildzang als hij, die reeds van zijne jeugd af tot alles in staat werd geacht, was noch door de leiding van Pericles, noch door den omgang met Socrates tot een ander man te vormen geweest. Zijn haat tegen Sparta deed hem den vrede van Nicias afkeuren, de omstandigheid dat men het reeds over het ten uitvier leggen der vredesvoorwaarden niet eens kon worden, was natuurlijk voor hem en zijn geestverwanten een machtige steun. In het voorjaar van 420 kwamen er, voornamelijk ook op aanstoken van Alcibiades gezanten van Argos, Elis en Mantinea in Athene
Ct£c*J^oOLn, overfetctab- cte^
CiÏÏ-SK«SV^k;-^:^
^ ^-^L- ^
om ren nieuw verbond te sluiten. Sparta, waar de 00r\'0gslt;^^^^rD^= partij ook al weder machtig begon te worden, wenschte, na dit/^
vernomen te hebben, natuurlijk zekerheid te erlangen, in welke ^ verhouding het nu voortaan tot Athene zou staan en zond daartoe evenzeer een gezantschap. Deze spartaansche gezanten lieten zich door Alcibiades op roekelooze en lage wijze bedriegen;/-waardoor er reeds dadelijk weder zulk eene verkoeling tus-schen Sparta en Athene ontstond, dat N i c i a s met moeite een vredebreuk verhinderde. Nadat Alcibiades in het volgende jaar vruchteloos beproefd had in Peloponnesus enkele staten voor den krijg tegen Sparta te winnen, herstelden de Spartanen in 418 v. Chr. hun gezag in het schiereiland door de Argiven en hunne bondgenooten te verslaan bij Mantinêa. Slechts de stad Argos werd na dit wapenfeit voor het bondgenootschap der Atheners behouden, die zich in 416 van eene treurige zijde deden kennen, door het eiland Melos, dat eene dorische bevolking had ,
die zich aanvankelijk neutraal had gehouden, doch later zich tegen Athene vijandig had betoond, uit te hongeren en de weerbare manschap te dooden.
Maar een man van het karakter van Alcibiades kon niet rusten of behagen scheppen in dien halven oorlogstoestand waarin Athene eigenlijk verkeerde na den vrede van Nicias. Zeer kwam hem te pas het verzoek om hulp, dat de sicilische stad Egesta in het najaar van 416 aan de Atheners richtte. Deze stad werd in het nauw gebracht door de bewoners van eene andere stad op Sicilië, Seltnus, die door de Syracusanen werd onder-\' \'
steund, en wendde zich tot Athene, haar verzoek ondersteunende door het toezeggen van eene belangrijke som als soldij. Eene algemeene opgewondenheid maakte zich van de Atheners meester, en Alcibiades wist\' uitstekend die aan te wakkeren, de heerlijkste vooruitzichten op het schatrijke Sicilië werden hun voorgespiegeld, zelfs veroveringen in Africa als niet onmogelijk verondersteld. (Weinig hielp de raad van den voorzichtigen Nicias,
die den indruk dier hersenschimmige berekeningen trachtte weg te nemen; de oorlogspartij onder Alcibiades behield de overhand ,\' bij een oorlog was licht buit te behalen en geldelijk voordeel was ook Alcibiades zelf, die schatten verkwist had, niet
48
onverschillig. Geene opoffering werd dan ook te groot geacht om de toerustingen zoo luisterrijk mogelijk te maken en Alci-biades zelf benevens Nicias en Lamachus werden met de leiding der expeditie belast. Bijna was de tocht op het laatste oogenblik nog verhinderd, want op een lentemorgen van het jaar 415 v. Chr., bemerkte men plotseling dat alle hermeszuilen in de stad Athene vernield waren. De daders van deze heiligschennis zijn nooit ontdekt. Sommigen schuiven haar op rekening van de tegenstanders der sicilische expeditie, om zoo doende een blaam op Alcibiades te kunnen werpen; waarschijnlijk echter was het een eenvoudige daad van brooddronkenheid, die naderhanti de oligarchische partij handig heeft weten aan te wenden om haar doel te bereiken, daar zij een besluit wist uit te lokken tengevolge waarvan alle daden van heiligschennis, die in den laatsten tijd bedreven waren, zouden worden aangebracht. A1-cibiades, wien krachtens dat besluit als aanklacht ten laste werd gelegd, dat hij de godsdienstplechtigheden (mysteriën\') van Eleusis zou hebben quot;nagebootst in eene particuliere woning, drong aan op een onmiddellijk onderzoek. Dit werd echter verijdeld en men liet de expeditie uitzeilen.
De vloot, 136 oorlogsschepen sterk, verliet nu Athene en zette eerst koers naar CorcT/ra, en van daar naar Zuid-Italie. Bij de drie bevelhebbers liepen natuurlijk de meeningen uiteen. Alcibiades was er wat hem betrof voor zich eerst vrienden o]) Sicili\'t: te verwerven, en daarna op Syracuse los te gaan. Toen de vloot voor Catana lag, kwam een atheensch adviesjacht Alcibiades halen, opdat hij in Athene zou terecht staan wegens de nabootsing der mysteriën van Eleusis; hij ging onverwijld mede, doch wetende dat hem eene veroordeeling wachtte, ontsnapte hij te Thurti in Zuid-Italie aan zijn geleide en begaf zich eerst naar Ar^ os. Daar vernam hij dat hij bij verstek ter dood veroordeeld en zijne goederen verbeurd verklaard waren; en hierover wanhopig verbitterd, besloot hij den Atheners te toonen „dat hij nog leefdequot; door zijne diensten ter beschikking der Spartanen te stellen.
Na het vertrek van Alcibiades had Nicias Syracuse aangevallen, Lamachus was in een der eerste gevechten gesneu-
49
veld, en de machtige handelsstad dacht er reeds aan zich aan de Atheners over te geven, toen op aandrang van den nieuwen raadgever, de Spartaan Gylippus ter hulpe werd gezonden en zijne komst deed de zaken geheel keeren. Nicias was een besluiteloos man, vertrekken durfde hij niet, veel uitrichten kon hij evenmin, dus besloot hij in Athene zijne terugroeping of versterking te vragen. Deze laatste kwam onder Demosthenes. Maar het was te laat, een aanval op Syracuse mislukte, en daarna ried ook Demosthenes tot den terugtocht, te meer daar de atheensche troepen door ziekten geteisterd werden.
^1 Eerst draalde Nicias een poos, daarna deed eene maansver--\'dAiistering in den voor het vertrek bestemden nacht (27 Aug. 413), den bijgeloovigen man zijn voornemen opgeven. Een nieuwe nederlaag der Atheners maakte dat zij niet meer over zee konden vertrekken, men moest dus het eiland inrukken om naar eene andere bevriende stad te komen. Na eene reeks van ongelukkige gevechten, vi^gn de^ovgrblijfselen van het toch reeds ^
•^cr
zoo gedunde leger den Syracusanen\' en spartaansche hulptroepen in handen, de gevangenen werden als slaven verkocht of kwamen\'*»^^-—^—-^-om van gebrek; Nicias en Demosthenes werden ter\'dood , r r. gebracht. Bij dezen tocht had Athene zijne beste krachten ver-bruikt, alle krachtsinspanning na dien tijd was als het ware de doodsstrijd van den eens zoo machtigen staat.
^ lx\\ hetzelfde jaar 413 verscheen voor het eerst na 12 jaren weder een spartaanscn leger onder A gis II in Atiica, en dat wapenfeit opent eigenlijk het derde gedeelte van den peloponne-sischen oorlog, den zoogenaamden deceleïschen oorlog; op raad namelijk van Alcibiades hadden de Spartanen het stadje De-%_h.
celjgi in Attica bezet, teneinde van daar uit. Athene te kunnen —
bestoken, nadat de Atheners in het vorige jaar weder openlijk in oorlog met Sparta waren geraakt, door het plunderen van de kusten van Peloponnesus. Nimmer wellicht was de toestand in Athene zoo hopeloos geweest als op dat oogenblik, hunne beste krachten waren verteerd door de expeditie naar Sicilië, in Attica een spartaansch leger, in Azie zetelden twee perzische satrapen, Tissaphernes te Sar des en Pharnabazus te €6^«-. Dascylüum, die het met Sparta eens waren, en ten slotte de margadakt, Grieken en Romeinen. 4
k.
50
dreigende oligarchische revolutie in de stad zelve. En de man, die gereed stond over al die vijandelijke machten tegen zijn vaderstad de leiding op zich te nemen, was Alcibiades. Hij ging persoonlijk naar Azië om de atheensche bondgenooten op de eilanden afvallig te maken en met Tissaphernes te onderhandelen. Dat Athene reeds op dit oogenblik niet voor den laat-sten beslissenden slag werd gesteld, was voornamelijk het gevolg van twee omstandigheden, de trouw van enkele bondgenooten en de plotselinge omkeering in de staatkundige gedragslijn van Alcibiades, die met de Spartanen in onmin geraakte, en nu zijn invloed, dien hij reeds bij Tissaphernes gewonnen had, gebruikte ten gunste der Atheners. De sluwe Pers begreep maar al te goed dat het zijn land ten nutte moest komen, wanneer de grieksche wereld in een tweestrijd was gewikkeld, waarvan slechts eene algemeene uitputting en eindelijk zelfvernietiging het gevolg kon zijn. Hij gaf geen beslissend antwoord aan Alcibiades, die onderhandelingen aanknoopte met eene atheensche vloot, die bij Sam os lag, en van een Spartanenvriend nu oligarchisch-gczind Athener werd, daar hij nog maar altijd niet kon vergeteft, hoe de democratische partij hem in 415 had behandeld. Met enkele voorname personen op de vloot bij Samos verstond Alcibiades zich in Athene de democratie af te schaffen, en Pisander werd derwaarts gezonden, met de ofticiöele opdracht om te spreken over het verbond met Perzië, maar tevens om een oligarchischen staatsgreep voor te bereiden. Deze gelukte, er werd een nieuwe staatsraad gekozen van 400 leden (411V. Chr.), de bezoldiging van elke staatsbetrekking werd afgeschaft.
In Athene was deze staatsgreep gemakkelijk in zijn werk gegaan^ de oligarchen hadden macht genoeg om zonder Alcibiades, daar de beloofde hulp van Perzië uitbleef, hun plannen door te zetten, maar moeilijker ging het op de vloot bij Samos: daar zwoer men de democratie te zullen handhaven* er werden meuwe officieren gekozen en het opperbevel aan Alcibiades gegeven, die nu al zijn invloed gebruikte om een burgeroorlog te voorkomen. Spoedig ontstond in den boezem der 400 zeiven, die eenige maanden een schrikbewind in Athene gevoerd hadden, oneenigheid; een deel van hen knoopte zelfs verraderlijke
51
onderhandelingen met Sparta aan. Onder den indruk van het verlies van Euboea, waar eene atheenfche vloot een nederlaag leed, werden de 400 afgezet, en trad eene eenigszins gewijzigde democratie daarvoor in de plaats, waarbij ook de bezoldiging der rechters en der leden van de volksvergadering afgeschaft bleef, en daardoor deze staatsdiensten tot de meer gegoede klassen werden beperkt. Daarop trad men in overleg met de vloot van Sanios en het verbanningsb\'esluit, dat tegen Alcibiades eenmaal . was uitgesproken, werd ingetrokken, enkelen van de omverge-worpen oligarchische partij werden ter dood gebracht.
In den zomer van 411 had de atheensche vloot eene belang-^»
laid hii CvnossT\'ma nn de Snartanpn y
rijke overwinning behaald bij Cvnossrma op de Spartanen , di verbonden waren met Pharnabazus. In het najaar van datzelfde V--— jaar begonnen de Atheners weder te bemerken, dat hun oude bevelhebber Alcibiades hun vloot aanvoerde en ving tevens de laatste, niet minst roemrijke periode van diens veelbewogen leven aan \'). Zijn eerste wapenfeit was het winnen van den zeeslag lj.|0, bij l*Cyzicus aan de Propont is, waarin de Spartanen hun admiraal ^ M1 n d a r u s verloren. Daarop werd door hem aan den Bosporus eëtf tol opgericht, zoodat de vloot thans ook zonder ondersteuning uit Athene in haar onderhoud kon voorzien, veroverde hij verscheidene steden waaronder Byzantium, en sloot een wapenstilstand met^^^J^a s(j Vier jaren had Alcibiades nu bijna rnet onbeperkte macht het bevel gevoerd over de atheensche vloot, eerst in 407 werd hij weder door het atheensche volk dat hem, door zijn voorspoed verblind, alles vergaf tot aanvoerder gekozen. Nu kon hij er weder aan denken naar zijne vaderstad terug te keeren, vroeger was hij reeds staatkundig in zijne eer hersteld, thans zou ook de vervloeking, die indertijd tegen hem was uitgesproken, worden opgeheven. Onder de toejuichingen eener jubelende volksmenigte keerde hij terug in den zomer van 407. Maar het attische volk toonde zich hier weder even wispel-
\') Het wederopleven der zeemacht en de rijke buit aan dc overwinningen van Alcibiades te danken, hebben waarschijnlijk aan de democratische partij in Athene zulk een overwicht verschaft, dat omstreeks 40!gt; dc staatsregeling van voor 411 weder werd hersteld.
4*
/ 0 (1\' turig als altijd; in den grond der zaak was men bang voor A1-cibiades, die zich gemakkelijk tyran had kunnen maken als hij gewild had. Op het oorlogsterrein in Azië verscheen tijdens zijne afwezigheid de perzische prins Cyrus, jongere zoon van koning Darius II, die het plan koesterde in plaats van zijn ouderen broeder Artaxerxes Mnemon koning van Perzie te worden, en daarom een verbond zocht met de Spartanen, in wier vlootvoogd, den geslepen Lysander, hij een man meende gevonden te hebben, die geschikt was hem bij zijne plannen behulpzaam te zijn.
Toen A1 c i b i a d e s in dan. Ifihfsl weder in Azie kwam, bemerkte hij dat zijn invloed cfeeds verminderd was, en toen een zijner onderbevelhebbèrsTn 407 tijdens zijne afwezigheid bij Notium .JKeen slag verloor, had hij weder spoedig de positie verloren die hij zich onlangs had verworven. Hij werd niet herkozen als bevelhebber en trok zich terug in zijne bezittingen, versterkte •aatsen op de thracische kust. Nieuwe strategen werden door Athene gekozen, van welke Co non de voornaamste was. Zij zouden nu niet meer tegen Lysander te strijden hebben, want in Sparta duurde het ambt van vlootvoogd ook maar een jaar en de afgetredene werd nooit herkozen. De nieuwe spartaansche admiraal was Callicratidas. Hij sloot in 406 Con on in de haven van Mytilene op Lesbos in, en op het vernemen van dat bericht besloot men in Athene met alle krachtsinspanning eene vloot uit te zenden om Conon te ontzetten. In den nazomer raakte deze vloot slaags met de peloponnesische bij Lesbos, bij een groep klippen, bekend onder den naam van de Arginusen. Callicratidas sneuvelde, de Atheners behaalden eene volko-|/mene overwinning; aan deze zege kleeft echter in de geschiedenis 5/ een bloedvlek. De atheensche bevelhebbers werden aangeklaagd hun plicht te hebben verzuimd, wat betrof het redden der drenkelingen en het opvisschen der lijken, de doodstraf werd aan 0(/ /V~y lt;1/ zes hunner, die het gewaagd hadden naar Athene terug te keeren Lr f / voltrokken; onder die zes was de jonge Pericles, de zoon van Pericles en Aspasia.
Op dit oogenblik verscheen Lysander weder in Azie, wel niet als vlootvoogd, maar als onderbevelhebber, hij overwon in
fquot; . 1? . //«In ,L ax-
2^, C f !/■\'h
ZZ- -^We/V^-^y tjuX _
i — \'quot;V—
IÉ.
58
\\
405 de Atheners in den laatsten beslissenden slag bij Aegospotami,
aan den Hellespont. De houding der atheensche bevelhebbers was zoo onhandig, dat men bijna geneigd zou zijn aan verraad te denken, de welgemeende raad van Alcibiades, die zich in de nabijheid bevond, werd van de hand gewezen: slechts Conon ontkwam aan deze vernietiging met 12 schepen naar Cyprus Thans was het met Athene gedaan en de ontredderde staat prijs^1^quot;^quot;1 \' gegeven aan de willekeur van L y s a n d e r. Hij begon met een aantal atheensche krijgsgevangenen ter dood te brengen , en overal besturen van tien personen (decarchieCri) en spartaansche commandanten {harmosten) aan te stellen. Alle atheensche kolonisten en garnizoenen werden naar hunne moederstad gezonden , ten einde aldaar de bevolking te vermeerderen en de overbevolkte stad des te spoediger door uithongering te doen vallen. Van de landzijde rukten de Spartanen van Decelêa uit op Athene los en daarop verscheen Lysander in den Piraeens ■, onderhandelingen maanden lang gerekt, terwijl de honger in de stad op het vreeselijkst zich gevoelen deed, baatten niet meer, ja Thebe en Corinthe eischten zelfs de algeheele verdelging der gevreesde vijandin. Dit laatste wenschte Sparta niet, Athene kreeg als voorwaarden: het afstaan zijner bezittingen, het slechten der lange muren en van Piraeêus, het uitleveren zijner vloot op twaalf schepen na. De democratie werd afgeschaft en dertig oligarchen, in de geschiedenis bekend onder den naam van „de dertigquot; werden in Athene aangesteld als bewind, dat door een spartaansch garnizoen in den burcht werd gesteund. Alcibiades heeft den smaad van Athene niet lang overleefd, hij werd in 404 in Perzie verraderlijk vermoord.
§ 14-
Sparta als leidende macht in Griekenland. De Corinthische oorlog 404—387 v. Chr.
Door den afloop van den peloponnesischen oorlog was thans uitgemaakt dat de Doriërs met hunne oligarchische staatsinstellingen in Griekenland de leidende macht zouden zijn. De man,
54
die door zijne wapenfeiten en zijne daarop gevolgde maatregelen het attische rijk en zijne democratische staatsregeling te gronde gericht had, was Lysander. Hij had daardoor eene positie in Sparta niet alleen, maar in de geheele grieksche wereld, die den koningen en ephoren bezorgdheid inboezemde. Veelal leefde hij buiten Sparta, waar hij zich niet goed meer te huis vond, en aan de verzwakking van zijn invloed in zijn vaderstad, door afgunst op zijn groot machtsbetoon veroorzaakt, is het te danken dat Athene niet lang de oligarchische heerschappij heeft behoeven te dulden.
De dertig heerschten in Athene als een schrikbewind, rijke enp aanzienlijke burgeis werden ter dood gebracht en hunne ■ .goederen werden verbeurd verklaard; eerst geschiedde dit uit ^staatkundige redenen, later, zooals altijd bij alle revolutionnaire besturen, uit persoonlijken haat en geldzucht. Te midden der dertig zeiven ontstond oneenigheid en de woeste Critias,, , liet een zijner meer gematigde ambtgenooten Theram ën es eenvoudig ter dood brengen. Ieder die eenigszins kans zag ctjjU Athene te verlaten, nam de wijk naar naburige staten en ste-^^quot;-den en deze uitgewekenen hebben juia de^ heerschappij ■ der^.quot;^* dertig doen vallen onder leiding van Thrasybulus, een oud-gediende uit den peloponnesischen oorlog. Hij overrompelde de^/51-attische grensvesting Phyle en van daar uit de haven Piraeëus.
Toen in een daarop volgend gevecht Critias verslagen werd en sneuvelde, stortte de oligarchie ineen.
De aanhangers van Critias weken naar Eleusis, de meer gematigden , vroegere vrienden van Thefamënes vormden in Athene een college van tien mannen, en beide partijen riepen de Spartanen te hulp om hen tegen de democraten onde-Thrasybulus te ondersteunen.
Lysander verscheen met een sparaansch leger bij Eleusis,
maar juist nu bewerkte de naijver in Sparta tegen Lysander, dat men hem niet voor de tweede maal begaan liet de zaken/* in Athene geheel naar zijne inzichten te regelen]\' Een der spar-taansche koningen kreeg in last zich eveneens naar Attica te begeven, Thrasybulus nam na eene nederlaag diens bemiddeling aan, in 403 werd de democratie in Athene met eenige wijzigingen
yt
tr
Y y
quot;Vquot;)
L-VW
Aw CL
weder hersteld, nadat eene algemeere amnestie was afgekondigd (het jaar van den archon Eu cl ld es). De oligarchen die naar Eleusis hun toevlucht hadden genomen, werden ook spoedig ten onder gebracht.
In het jaar 401 verwezenlijkte de perzische prins Cyrus zijn plan (§ 13) zijnen broeder Artaxerxes II te beoorlogen, ten einde te trachten hem van den troon te stooten. Hij had daarbij grieksche hulptroepen voornamelijk Spartanen en Achaiers, ofschoon hij officieel door geen enkelen griekschen staat ondersteund werd. Met dit leger, en een groot aantal Perzen rukte hij van Sardes op, aanvankelijk voorwendende dat hij enkele volken wilde tuchtigen, die het zijner satrapie lastig maakten. Later openbaarde hij aan zijne soldaten het ware doel van den tocht, die jammerlijk mislukt is, aangezien zijn leger bij Cunaxa niet ver van Baby Ion door koning Artaxerxes is verslagen, in ^ j^_ welken slag Cyrus zelf sneuvelde. De sluwe Tissap hernes ^tAheeft daarna door list het grieksche hulpleger van zijne aanvoer-,-v^^ders beroofd, die hij op verraderlijke wijze om het leven deed u^uiw^engen , en te midden van de algemeene verslagenheid, die de
, /-
, QJU,
,7V
n/%\' van leiding beroofde Grieken midden in een vijandelijk land beving, stelde Xenophon van Athene zich aan het hoofd en bracht het leger naar de Zwarte zee en van daar naar Byzantium terug. Hij zelf heeft den tocht van Cyrus en den terugtocht der tienduizend onder zijne leiding beschreven. Deze Xenophon heeft behalve dit verhaal nog yele andere werken geschreven, van welke enkele herinneringen bevatten aan zijn door hem hoog geschatten leermeester Socrates. VHet leven en de denkbeelden van dezen merkwaardigen wijsgeer kennen wij behalve uit Xenophon uit- de nagelaten werken van een zijner andere leerlingén , Plato. In het jaar 399 is hij op zeventigjarigen leeftijd aangeklaagd wegens ontrouw aan den staatsgodsdienst van Athene door het invoeren van nieuwe godheden , en wegens het bederven der jongelieden^Schuldig verklaard en ter dood veroordeeld dronk hij met de meeste gelatenheid den gifbeker, nadat eene bijzondere^omstandigheid hem in staat gesteld had de laatste maand zijns levens na zijne veroor-/ deeling veelal in gezelschap met zijne vrienden in de gevangenis
f JL* ______- ^. . .
{~V-4 Q ^
*V-,
door te brengen. De laatste dagen en vooral de laatste uren van Socrates\' leven heeft Plato in een zijner werken ons uitvoerig verhaald.
Nadat de tocht van Cyrus was mislukt, was Tissaphernes door den perzischen koning aangewezen om ook die provinciën te besturen, die Cyrus vroeger had bestuurd. Als zoodanig viel hij in 400 Je ionische steden in Azie aan, die van hem afvallig waren geworden en met den troonpretendent gemeene zaak hadden gemaakt. In hunnen tegenspoed wendden die steden het oog naar het moederland, en wel naar den eenigen staat, welke, in Euro-peesch-Griekenland nog bij m \' \' \' \' ;n, naar
Sparta.
In 399 verscheen er een spa zie, die
zijn leger versterkte met de overgebleven grieksche huurbenden, welke onder Cyrus hadden gediend. In het volgende jaar leden de perzische satrapen, vooral Pharnabazus gevoelige verliezen door die grieksche troepen. Men moest in Perzië tot andere maatregelen zijn toevlucht nemen en den koning zien te bewegen openlijk den oorlog te verklaren en met meer kracht op te treden. Artaxerxes besloot mede op raad van Pharnabazus een vloot uit te rusten tegen de Spartanen, en aan het hoofd van die vloot te stellen den atheenschen vluchteling Conon. Na den dood van Ag is II had Lysander weten te bewerken, dat diens stiel broeder Agesilaus tot koning van Sparta\'\'werd gekozen. Deze was, schoon van gebrekkigen lichaamsbouw, een ervaren bevelhebber en geslepen staatsman en bij zijne landge-nooten zeer gezien. Oorlog was voor Sparta op dit oogenblik eene gewenschte afleiding, want in den staat openbaarden zich gevaarlijke woelingen en samenzweringen. Het beste middel om dien gespannen toestand te doen ophouden, en tevens voor L y-s an der persoonlijk om zijne positie te handhaven, was het aangrijpen van het echt nationaal-grieksche denkbeeld: oorlog tegen Perzie, ditmaal onder leiding van Sparta. Maar de Spartanen misrekenden zich hierin, dat de andere grieksche staten gereedelijk hunne denkbeelden zouden helpen ten uitvoer brengen. Daarvoor hadden zij zich in Griekenland te veel vijanden gemaakt.
In 396 verscheen Agesilaus in Azie, aanvankelijk door Ly-
57
sander vergezeld, een hem door Tissaphernes aangeboden wapenstilstand maakte hij zich ten nutte tot het reorganiseeren zijner eigene strijdkrachten, en die verstandige tactiek verzekerde hem in het^ volgende jaar eene beslissende overwinning bij ^
rivier PactïiCus niet ver viLUgSardes^Eene intrigup aan het per- (/ i zische hof, waarin vooral de melder van Artaxerxes een werk- ^
zaara aandeel gehad heeft, bracht daarop Tissaphern es ten val. Hij werd ter dood gebracht : met zijn opvolger sloot Agesilaus een wapenstilstand teneinde den krijg met den anderen satraap Pharnabazus te kunnen voortzetten , wiens satrapie hij grooten-deels veroverde. Juist toen hij op het punt was zijn tocht voort A
te zetten naar de meer in het binnenland gelegen landschappen,
kwam een bericht uit zijn vaderland hem terugroepen, omdat de aangelegenheden van Griekenland dringend zijne tusschenkomst eischten.
K Boven zagen wij reeds\'dat de antipathie in Griekenland tegen Sparta steeds was toegenomen. Met de vijanden der spartaansche hegemonie, Thebe, Corinlhe en Argcs, traden de Perzen in onderhandeling; in welke onderhandelingen perzisch geld een hoofd- /
rol speelde. Athene trachtte nog te bemiddelen , maar toen dit mis-1 lukte, trad het voornamelijk door den invloed van Thrasybulus met Thebe en daardoor met de coalitie tegen Sparta, in verbin- CC V-ritdXi-lx. tenis, hopende zijn ouden rang in Griekenland te herwinnen.^
Lysander, die met leede oogen den toenemenden invloed van Agesilaus zag, hoopte door eene snelle beweging deze geheele coalitie uiteen te doen spatten en dus als redder van Sparta uit die verwikkelingen op te treden, maar dit mislukte: hij verloor in 395 bij Hclliartns in Boeotig een veldslag en het leven. Teneinde tegen f/\'-l-de grieksche verbondenen te strijden, werd ni/Agesilaus teruggeroepen , hij liet een deel van zijn leger aft ïe^vToótf in Azië achter onder leiding van zijn zwager Piséfnaer en trok langs denzelfden weg, dien eenmaal Xerxes genomen had, naar Griekenland terug. In 394 kwam het tusschen zijn leger en dat der grieksche verbondenen tot een treffen bij Coronêa in Boeotië,
waarin hij overwinnaar bleef. V ƒ | * ^
Kort voor deze overwinning kreeg hij het bericht dat zijn zwager in Azië eene nederlaag had geleden door CononenPharna-
. v ,
58
bazus bij Cnidus, in welken zeeslag de vloot der Spartanen vernietigd was. Daarop kwam de grieksch-perzische vloot onder Pharnabazus en Conon, die na den slag bij Aegospotatni niet weer in zijne vaderstad was geweest, naar Athene en Conon liet door perzisch geld de lange muren en de havenwerken van den PiraeCus herstellen.
De toestand der Spartanen werd daardoor zeer bedenkelijk; het middelpunt van den oorlog werd thans de isthmus van Cc-rinthe (vandaar corinthische oorlog), de toegang naar Peloponnesus, welks bezit voor Sparta eene levensvraag was. Van atheensche zijde onderscheidde zich in dien oorlog vooral Iphi-c rat es. Eenige jaren lang woedde op dit terrein de krijg, toen in Sar des weder een satraap kwam, die meer genegen was voor een verbond van Perzie met Sparta. Een spartaansch gevolmachtigde Antalcidas werd daarop naar Azie gezonden. Uit zijn mpnd vernam de perzische satraap, dat men geneigd was de belangen der aziatische Grieken geheel aan den perzischen koning prijs te geven , en tevens dat alle vereeniging van staten in Griekenland voortaan onmogelijk zou worden gemaakt door het erkennen dat iedere staat autonoom zou zijn. Deze bepaling, waardoor het vestigen van een groote macht in Europa verijdeld* werd, was den Perzen natuurlijk zeer naar den zin. De grieksche verbondenen tegen Sparta trachtten hierin nog verandering te brengen, maar te vergeefs, Conon werd zelfs als ontrouw aan de perzische belangen gevangen genomen. Thrasybulus stierf omtrent dienzelfden tijd, de Aegineten en Spartanen bestookten de attische kusten en de spartaansche invloed aan het perzische hof nam meer en meer toe, zoodat de Atheners besloten in 3S7 ook hunne gevolmachtigden naar Sardes te zenden Zij behielden hunne lange muren en hunne bezittingen Lemnos, Tmbros en Scyros. Argos moest zijn verbond met Corinthe, Thebe zijne suprematie over Boeotie laten varen. Tot het ten uitvoer leggen van den vrede in Griekenland, die naar zijnen oorspronkelijken bemiddelaar die van Antalcidas genoemd werd, werden de Spartanen aangewezen, die tevens moesten toezien dat aan de bepalingen daarvan de hand gehouden werd, en daardoor op nieuw eene machtige positie in Griekenland verkregen.
De strijd over de hegemonie tusschen Sparta e7i Thebe. — Epaminondas en Pclopidas 3S7—362 r*. Chr.
Onder den schijn van den vrede van Antalcidas uit te voeren beoogde de staatkunde der Spartanen in de navolgende jaren in werkelijkheid de heerschappij aan zich te trekken en overal allen tegenstand te fnuiken door strikte toepassing van het beginsel der autonomie. In het volgen van die staatkundige gedragslijn kwamen zij dikwijls in botsing met historisch verkregen rechten, die dan door hen als nietig werden beschouwd , zooals b.v. toen zij kort na den vrede Man tinea in A read id noodzaakten zijne muren te slechten en zich weder als voorheen in eenige afzonderlijke dorpen te splitsen, het machtige Olynthus op het schiereiland Chalcidice dwongen het verbond dat het had opgericht, te ontbinden, en de stad Phlius in het N.O. van Peloponnesus eene spartaansche bezetting opdrongen.
In 383 maakten zich de Spartanen wel het meest gehaat, toen een hunner bevelhebbers, Phoebidas, die versterking naar Chalcidice bracht, in verstandhouding met de oligarchische partij in Jhebe zich van den burcht dier stad. de Ca dm ra, meester maakte. Men riep in Sparta na deze willekeurige daad Phoebidas wel terug, maar liet het garnizoen in Thebe liggen, en de democratisch-gezmAz Thebanen waren verplicht hunne vaderstad te verlaten. Velen hunner werden gastvrij in Athene opgenomen. De voornaamste dier thebaansche uitgewekenen was Pelopidas, die met enkele anderen zich in 379 verkleed naar Thebe begaf, de oligarchische leiders aan een maaltijd overrompelde en liet ombrengen, waarna het volk te wapen geroepen en de democratie in Thebe hersteld werd; na enkele dagen gaf ook het spartaansche garnizoen van de Cadmra tegen vrijen aftocht zich over.
Men nam dit in Sparta zeer euvel op, maar een leger dat terstond teeen de Thebanen in het veld werd sebracht onder
60.
^ koning Cleombrötus, ko^i niel|jkitrichten, een deel echter
daarvan bleef achter te ThesptaT. DeBévelhebbei^tlie dat gedeelte \' aanvoerde, liet zich verloTclcen een snellen aanval op Athene te
ondernemen, teneinde den Piraeüus te overrompelen. Deze daad mislukte, eene dergelijke rooverij in vollen vredestijd maakte natuurlijk in Athene de verbittering tegen Sparta weder gaande, en onmiddellijk kwam aldaar een verbond mettle stand, en tevens werd er onder Timotneus, Ch abri as en Callistratus een nieuw zeeverbond opgericht, daTwelTmnmer zóó krachtig is geweest als het vroegere delische verbond, maar toch heeft bijgedragen Athene weder voor een tijd tot een tamelijk machtigen staat te maken. Zooveel mogelijk trachtte men de be.-palingen van den vrede van Antalcidas na te komen door de Yauionomie der deelnemende staten te waarborgen.^ Een aantal [eilanden en zeesteden nam hieraan deel, en ter zee bracht de vloot van het verbond den Spartanen groote nadeelen toe, o. a. in 376 bij Naxos.
Een vergelijk in. 374 tusschen Sparta en Athene getroffen, was maar van korten duur. Andermaal zou de tusschenkomst van--, Perzie in de grieksche aangelegenheden worden ingeroepen en tevens partij getrokken worden van den toenemenden naijver tusschen Athene en Thebe; de Atheners konden het niet goed dulden dat de Thebanen er op uit waren Boeotie als één staat onder hunne suprematie te brengen, en tevens betrekkingen aan-Q ^ knoopten met Jason, den tyran van Pherae in Thessalie.
Zoo kwam er inïji een vredescongres te Sparta bijeen, waarbij men den vréÖEr^van Antalcidas als grondslag aannemende, tot een vergelijk zou komen, maar in die vergadering vermeerderde juist de groote verbittering tusschen Sparta en Thebe. Deze laatste stad was op dat congres vertegenwoordigd door den beroenidsten harer medeburgers, J£ p a m i n oji dji s.
iA V
W
A
v
y yquot;
Deze wenschte het vredesverdrag voor. geheel Boeotie te onderteekenen, even zoo goed als Sparta hl^Seed voor het geheele statenbond in Peloponnesus. Dit wees Agesilaus beslist van de hand, want daarmede werd de staatsrechterlijke eenheid van Boeotië erkend, wat men tot geen prijs wilde: daarover uist ontstond de oneenigheid. Men schatto, in Sparta de strijd-
us^
cUe elf- — j
61
-r
krachten van Boeotië veel te licht; wel had de oude koning A g e s i 1 a u s, jaren lang tochten naar Boeotië gedaan , zonder dat eenige beslissende uitslag was verkregen, maar men rekende hier toch buiten het talent van Epaminondas, zeker een der grootste veldheeren, dien Griekenland in den loop zijner geschiedenis heeft voortgebracht. Koning Cleombrotus trok met een sterk leger Boeotië binnen om de Thebanen door wapengeweld te dwingen tot hetgeen men op het congres, langs den weg van onderhandelingen, niet had kunnen bereiken. In een bloedigen , ^quot;/^eldslag in den zomer van 371 bij Leuctra in Boeotië geleverd, 1 s \'werd het spartaansche leger door Epaminondas en Pelop
as verslagen, de koning zelf en 400 Spar/ia/en sneuvelden.quot;, e slag van Leuctra was de zwaarste nederlaag, die de Spartanen ooit geleden hebben. Van deze schitterende overwinning kon Epaminondas niet onmiddellijk partij trekken, uittoj^! ^bpofde van verwikkelingen in Thessaliü, eerst toen in 370 oe quot;fTti f ^Thebanen door den moord van Jas on van Pherae geen vij-a/d in den rug meer te duchten hadden, kon hij zijne aan-/ v\'-^sdacht vestigen op de aangelegenheden in Peloponnesus en zich ^ in verbinding stellen met de staten van A read ie, waar onmiddellijk na den slag van Leuctra de vijandige stemming tegen Sparta zich duidelijk had geopenbaard. Men had daar namelijk het plan opgevat de verschillende staten tot één staat te vereenigen met eene nieuwe hoofdstad Megalopolis (groote stad) in het zuiderr van het landschap, die tevens als een .bolwerk tegen Sparta zou moeten dienen. Toen dan ook Epaminondas en Pelopidas in het jaar na den slag van Leuctra in Peloponnesus kwamen, vonden zij daar alles gereed tot den krijg tegen Sparta en drongen zij -tot in de nabijheid van de stad Sparta zelve door. Daar had men zich echter tot het uiterste voorbereid en zelfs de Atheners te hulp geroepen, zoodat dethe-baansche bevelhebbers van een aanval op de stad afzagen. Daarop veranderde EpaminqJndas zijn oorlogsplan, hij rukte naar Messenig, na zich eerst in Arcadie te hebben overtuigd dat de bouw van Megalopolis, en daarmede de staatkundige eenheid van dat landschap goed vorderde. In 369 legde hij in Mes sen ie den grondslag voor een nieuwe hoofdstad Mess ene, die het oude
I\'hhme tot burcht zou hebben. Zoodoende zou Sparta worden omgeven door vijandige staten en zijn invloed in Peloponnesus \'.vorden beperkt.
Epaminondas was er op bedacht Thebe tot den eersten staat van Griekenland te maken; daartoe werd P e 1 o p i d a s naar het perzische hof gezonden, teneinde de erkenning van Thebe als leidende macht van den koning van Perzië te verzoeken. Verschillende tochten naar Peloponnesus werden evenzeer door Epaminondas ondernomen, om tot hetzelfde doel te geraken. Pelopidas handhaafde de thebaansche belangen in Thes-salie, hij bracht den jongen Philippus, den lateren koning van Macedonië naar \'I heb e als gijzelaar, om zeker te zijn dat ook in Noord-Griekenland zijne schikkingen zouden worden ge-eerbiedigd; ja zelfs lag het in de plannen van Epaminondas Thebe ten koste van Athene tot eene zeemogendheid te maken. Vele omstandigheden werkten er echter toe mede om deze macht, van Thebe slechts kort te doen duren, PeIopJ_das sneuveldey^ tegen Alexander den tyran van Pherae, ^èn^ook in Pelo- ^ ponnesus ontstond oneenigheid. Arcadic werd het tooneel van een partijstrijd, waarin Tegra de hulp van Thebe inriep, eh Epaminondas besloot persoonlijk tusschenbeide te komen.
De oude Agesilaus zag in dat Sparta thans een strijd op leven en dood zou te voeren hebben, toen hij hoorde dat de Thebanen met verschillende verbondenen uit Peloponnesus onder Epaminondas op Sparta aanrukten. Door Athenerf en enkele staten uit het schiereiland, die Sparta trouw gebleven waren versterkt, raakten de Spananen met de Thebanen slaags bij Manünêa, in den zomer van 362. In dat treffen werd Epaminondas zwaar gewond, en zijn onmiddellijk daarop gevolgde dood belette den Thebanen van de overwinning, die zij ook hier behaalden, gebruik te maken.
Voor hen bleef niets over dan te bewilligen in een vrede, waarbij door de kracht der omstandigheden werd uitgemaakt dat géén staat in Griekenland de hegemonie zou hebben, en waarbij de onafhankelijkheid van Mess en ie\' werd erkend, reden genoeg voor Sparta om zich niet bij dien vrede aan te sluiten. — Ook de onlangs verkregen eenheid van Arcadia moest wegens de
630
afwijkende gezindheid van enkele staten met geweld worden gehandhaafd. fl
i i6.
Philippus 7,an Macedonië 359—336 t. Chr.
Op dit oogenblik, toen geen enkele staat de hegemonie had,
en door dien toestand van verdeeldheid en gebrek aan leiding Griekenland als door den drang der omstandigheden prijs werd gegeven aan een machtigen veroveraar, kwam in het noorden de macedonische macht op. En aan die macht kon op dat oogenblik geen grieksche staat het hoofd bieden. Sparta verloor in 358 door den dood zijn bekwamen koning Ag^ifaus, Athene werd in « — 357 gewikkeld in den zoogenaamden hnniip-pnontpn-nnrlnp;, dnor- / y x dat Chios, Rhodus, Cos en Byzantium afvallig werden, en als^ de Atheners nog niet te rechter tijd hun bevelhebber Chares v.C*a^. uit Azië hadden teruggeroepen, had het weinig gescheeld of zijquot;-waren weder in oorlog gekomen met Perzië, tot welken oorlog het perzische hof reeds groote toebereidselen maakte. Zij moesten zich dus in 355 laten vinden tot een vrede, waarbij de bondgenooten werden ontslagen van hunne verplichtingen, en Athene dus zelf \'lt;
erkende dat het als belangrijke mogendheid eigenlijk had uitge- / \'■
leefd. De derde groote macht in Griekenland Thebe. was gewik- » 1 keld in een amphictyonen- (of \\\'éi!igen oorlog met Phocis, waarin de Phocensen zich meester maakten van Delphi en het orakel,
met de rijke tempelschatten hunne legers onderhielden en tien ,
iaren lang in Midden-Griekenland het hunne er toe hebben bij- /\' 1 gebracht, om den weg te banen voor de macht van Macedonië.
De Macedoniërs waren een volk van oud-griekschen stam,
ofschoon verschillende gedeelten van het land bezet waren door . * thracische en illyrische stammen. Aan het hof de/ïtoningen te Pella waren grieksche zeden en grieksche beschaving doorgedrongen, al had ook de adel nog veel van zijne vroegere ruwe gebruiken overgehouden, en deinsde men van tijd tot tijd niet terug voor het uit den weg ruimen van kroonpretendenten. u
IC
\'ö CU-
0 ^
5) Hli-\'m ! t r\'- f^
iij £$\'amp;!]
14 \'frW* [^rvvyrA^^Jl_^_jit\'
6-t
In 359 was Philippus heerscher van Macedonië geworden, eigenlijk ierst als voogd en regent over zijn minderjarigen neef, maar toen hij met diplomatische handigheid en krijgskundige bekwaamheid het land uit zeer benarde omstandigheden had gered, was de neef stilzwijgend op zijde geschoven en Philippus, als ware hij de eigenlijke koning, blijven regeeren. Philippus, een even sluw diplomaat als bekwaam veldheer, kende de Grieken door en door, hij had niet te vergeefs (§ 15) een tijd als gijzelaar te T/iebe doorgebracht. Terwijl Athene bezig was met den bondgenooten oorlog, ging in Thraciè de eene kuststad na de andere aan Philippus over, in 357 o. a. Aviphipolisgt; eene stad waarop de Atheners al in geen reeks van jaren in staat waren geweest hunne aanspraken te doen gelden, maar welker verlies toch Tiunne belangen zeer benadeelde^ Daarop breidde hij zijne veroveringen steeds uit; in Athene had men door den bond-genooten-oorlog maar al te duidelijk begrepen, dat men geene mogendheid van den eersten rang meer was; de financien waren er deerlijk in de war, en het gold eerst die te regelen, waarvoor een uitnemend geschikt persoon gevonden werdquot;in Eubïl-1 us, die in weinige jaren op dat gebied wonderen voor Athene heeft verricht, wat ook de onbillijk oordeelende oppositie-partij bij monde o. a. van DeJii.o.sthenes er dikwijls van gezegd moge hebben. De staatkunde van Eu bul us was den staat voor eenige jaren rust te verschaffen, waaraan Athene zoo dringend behoefte hadom dat te kunnen doen moest hij natuurlijk het mindere volk op zijne hand zien te krijgen, dat het best mede te sleepen was als men veel geld uitgaf om het te vermaken. Daarmede is E u b ü 1 u s dan ook niet karig geweest, en daarvan heeft men hem wel eens een verwijt gemaakt. Zijne partijgenooten en geestverwanten in Athene waren T h o c i o n , een der edelste karakters uit de grieksche geschiedenis, doch niet zeer bekwaam als veldheer , en Aeschines terecht onder de welsprekendste redenaars der oudheid geteld. Aan deze partij werd het hoe langer hoe duidelijker, dat men verstandiger deed zich met de Macedoniërs te verstaan, wier toenemende macht men toch met meer keeren kon en die een stamverwant volk waren, dan zooals tot nog toe het geval was geweest, in eindeloozen strijd tusschen de grieksche
H\' Ó
.
•\\~
-^s
65
staten onderling de beste krachten van het volk te verspillen, en te bewerken dat de algemeene uitputting die van al die oorlogen het gevolg was, hen allen machteloos maakte. Tegenover de partij van Eubltlus en Aeschines stond de zoogenaamde patriotten-partij onder Demosthenes, een man die meteen ^ \'
fanatiekgn, haat tegen de Macedoniërs was bezield, en oorlog tot \' ü j \', I/quot;\'j eiken prijs tegen Philippus te prediken als het doel zijns levens |\\X\' beschouwde. De mos t h e n e s was iemand die een ongelukkige /] ^
jeugd had gehad; na den dood zijns vaders hadden zijne voogden hem in zijn vermogen te kort gedaan, en de verbittering tegen die personen die meer tot de kringen van Eubülus be-hoorden, heeft zeker al de eerste aanleiding gegeven om hem van diens partij te vervreemden.
Toen Eubülus de leiding der zaken in handen kreeg, was Philippus intusschen reeds meester van bijna alle bezittingen van Athene op de kust van Thracie, in 353 viel, na enkele anderen Methond in zijn handen.!\'
Aan het voeren van den oorlog tegen Philippus viel niet te denken; Athene was te uitgeput om met eene zoo machtige militaire monarchie als Macedonië toen reeds was, te gaan strij-denf zich met hem verstaan kon ook niet, want dan had ment ./ty hem al de veroveringen in Thracié moeten laten, men moest dus \' \' eenvoudig verdedigenderwijze te werk gaan, en in 352 belette dan ook een atheenscl). leger Philippus, die na eenige overwinningen, in Thessaliè\' op \'Thocis aanrukte f de Thermopylae door te komen J*\'
Nog was het misschien niet onmogelijk voor Athene met P h i-^ ^ ^ lippus den oorlog tot een goed einde te brengen, maar wat men boven alles noodig had was een landmacht; Sparta kon zich in geen verbond met Athene inlaten, de verwikkelingen in Peloponnesus vorderden al zijne krachten* de eenige mogendheid die overbleef was Olynthus op Chalcidice (§ 15). Deze stad had een verbond met Philippus, doch werd ook beducht voor zijne macht; in 352 kwam er een afzonderlijke vrede tusschen Athene en Olynthus tot stand, waardoor de stad natuurlijk tevens haar verbond met Philippus brak; twee jaren later barstte de oorlog uit en trad de stad beslist met Athene in verbond.
Thans achtte men dan het oogenblik gekomen openlijk tegen
maroadant, Grieken en Romeinen. 5
66
Macedonië op te treden en 10.000 man met 50 oorlogsschepen zouden naar Olynthus gezonden worden, doch eene onverwachte gebeurtenis eischte op eenmaal de atheensche krachten elders; op Euboea braken wellicht mede onder macedonischen invloed onlusten uit en terecht begreep Eubulus dat men hier eerst handelend moest optreden. Demosthenes beroemde zich er op de eenige te zijn geweest die de expeditie naar Euboea ontraden had, en hier heeft de uitkomst hem gelijk gegeven, want de tocht liep op niets uit, al had ook P hoe ion aanvankelijk eene overwinning behaald, en het eiland ging voor de Atheners verloren. Door dezen krijg op Euboea werd Athene natuurlijk verhinderd Olynthus te ondersteunen, en toen men eindelijk afdoende hulp kon zenden was de stad reeds door P h i 1 i d p u s veroverd (348).
Na den val van Olynthus werd Eubulus en zijne staatkundige ■ gedragslijn geminacht en afgekeurd en leed zijn invloed schade, maar binnenlandsche veeten moesten thans vergeten worden ter wille van de gevaren die van buiten dreigden. Daarom slechts ééne leus: de oorlog tegen Macedonië; Aeschines werd naar enkele staten in Peloponnesus gezonden om bondgenooten te winnen, maar zijne welsprekende vertoogen troffen geen doel. Athene stond alleen tegenover zijn machtigen vijand. Thans ijj begreep de vroegere oorlogspartij dat het maar zaak was om y zich met Phi lippus te verstaan; vooral Demosthenes werd \\ in plaats van oorlogzuchtig eensklaps zeer vredelieveflÖ? rfij had op dat oogenblik een zeer invloedrijke plaats in men raad met Philocrates; de zoogenaamde patriotten-partij was in eens verstomcPvöor de macht van Philippus, en de beide evenge-noemde mannen werden met Aeschines, en andere gezanten naar Pella gezonden om onderhandelingen aan te knoopen met Philippus. Deze ontving hen zeer welwillend, doch gaf hun te verstaan dat van het teruggeven der steden, zooals van Amp hip 0 lis, geen sprake kon zijn; tevens zouden er macedonische gevolmachtigden naar Athene komen tot het sluiten van een vrede en werd men het voorloopig eens over een wapenstilstand.
Men trachtte het atheensche volk in de volksvergadering de zaak van den vrede aannemelijk te maken, en dit gelukte na
67
eenige moeilijkheden, vooral onder invloed van Aeschines en Eubnlus. Toen het volk in Athene zijne toestemming had gegeven , ging hetzèlfde gezantschap weder naar het macedonische hof. De hoop intusschen nog verdere concessien van Philippus te verkrijgen bleek ijdel, wel gaf hij den gevangenen zonder losgeld de vrijheid, maar overigens werd de vrede gesloten opdien voet, dat ieder zou behouden wat hij op dit oogenblik had. In^,
Athene werd daarna op voorstel var/Phi 1 ocrates, naar wien q-da^vrede genoemd wordt, een volksbesluit genomen waarbij de P/wcenseti gedreigd werden met eene gewapende tusschenkomst,
zoo zij niet den delphischen tempel aan de Amphictyonen overgaven.
Tot het sluiten van dezen vrede had Demosthenes evenzeer het zijne bijgedragen, maar hij beoogde geen duurzamen vredestoestand met Macedonië; slechts een korte rust om naderhand weder den oorlog te beginnen was zijn doel, en om daartoe te geraken moest hij reeds dadelijk een eenigszins afgezonderde houding aannemen; op zijn tweede gezantschapsreis ontweek hij veelal zijne medegezanten, (of wel naar de voorstelling die Aeschines van de zaak geeft, meden zij hem). Hij verklaarde ,
at men snel naar den Hellespont moest gaan, in plaats van ^ lt;
naar het hof te Pel/a, om Philippus te beletten verdere ver- ^Afleveringen in Thracie te maken. Bij zijn terugkeer in Athene y klaagde hij zijne ambtgenooten aan, maar sneller dan iemand had kunnen denken maakte trelt;^en van Philippus aan de nog ha^geritf^VerwfeTenngernn Midden-Griekenland een einde. Na het sluiten van den vrede stonden de^- n/j Phocensen geheel alleen tegenover MacedoniëjAhun aanvoerder^ onderhandelde met Philippus liet de Thermopylae vrij en ver-e^^^i^\'aK liet op voorwaarde van vrijen aftocht met zijn huurleger Phocis:
daarop viel Philippus in het landschap en veroverde het zonder slag of stoot. De Aviphictyoneii-wamp;cgaAzx\'vixg werd naar Delphi geroepen, om te beraadslagen wat in dezen staat van zaken te doen stond. Een gezantschap met Aeschines aan het hoofd werd andermaal naar den koning gezonden. De Amphictyonen stootten de Phocense?i uit en gaven hunne twee stemmen aan koning Philippus, die daarop het volk liet ontwapenen en hun de geroofde tempelschatten, waarmede de huurlegers onderhouden
68
waren, als boete oplegde. De vijandige stemming tegen Philip-p u s in Athene bleef steeds voortduren, men zond zelfs geen feestgezantschap naar Delphi voor de pythische spelen, omdat Phi lippus thans het voorzitterschap daarbij bekleedde. Dit was eene beleediging den koning aangedaan, maar hij zag die om staatkundige redenen over het hoofd , verkldarde geen oorlog en eischte slechts voldoening, ew Dernosthenes was het nu die een toespraak hield „over den vredequot; om de volksvergadering daartoe te bewegen. Toen dat dreigend gevaar geweken was en de goede verstandhouding die met P h i 1 i p p u s bestaan had, weder geheel nutteloos was verstoord geworden, begon de partij van D e-mosthenes hare tegenstanders in rechten te betrekken, en i Aeschines werd aangeklaagd van landverraad; gelukkig voor hem was een zijner aanklagers een persoon wiens leven het daglicht niet zien mocht, en door diens veroordeeling werd het proces van hoogverraad op de lange baan geschoven. Maar uitsteK--was voor Demosthenes en een der andere nog erger heethoofden zijner partij, den redenaar Hyperides, geen afstel. Eerst werd Philocrates aangeklaagd zich te hebben laten omkoopen, hij ging vrijwillig in ballingschap en wachtte zijne veroordeeling niet af, daarop werd Aeschines zelf aangetast; ieder aanhanger der macedonische staatkunde was nu eenmaal bij Demosthenes en de zijnen een landverrader, ternauwernood werd hij, door Phocion en Eubulus verdedigd, vrijgesproken1). Dat Aeschines als gezant wel eens geschenken van Philippus had aangenomen, was iets waartoe de etiquette als diplomaat hem verplichtte en daarin stond hij bovendien volstrekt niet alleen. Na deze nederlaag voor de rechtbank in Athene ging Demosthenes in Peloponnesus bondgenooten tegen Macedonië werven, de koning trachtte nog eenmaal de goede verstandhouding met de Atheners te herstellen, maar daar wilde de thans bovendrijvende partij niet van hooren. Roekeloos werden in de ihracische Cherso-
\') Nog steeds wordt de houding van Demosthenes tegen de mtiee-donisehgezinden in de verschillende stuten, die hoogstens een advocaten-streek kan genoemd worden , verdedigd en de laatsten als schuldigen en landverraders gebrandmerkt; reeds een geschiedschrijver der oudheid. Polvbius, oordeelde geheel anders.
A
nesus de macedonische grenzen geschonden door een atheensch huurleger, en toen P h i 1 i p p u s daarvoor voldoening liet vragen , die geweigerd, ja zelfs met Perzie werden onderhandelingen aangeknoopt tegen Macedonië, en de steden Pcririthus en Byzanthnn door de Perzen en Atheners in hun krijg tegen Philippus met goed gevolg ondersteund.^Dit laatste was genoeg om Philippus te nopen aan de Atheners den oorlog te verklaren, die door D e-mosthenes opgeruid dan ook niets liever wenschten. De koning echter die zijne handen nog te vol had aan den Hellespont en voor alles een bondgenootschap tusschen Boeotië en Athene wenschte te voorkomen, was er op bedacht thans aanvankelijk de Atheners in afwachting van zijne komst in eenen oorlog in Griekenland zelf te wikkelen, en daarvoor was weldra eene aanleiding gevonden. De Locriers van Amphissa klaagden de Atheners aan in de Amph-vergadering van heiligschennis en eischten dat zij zouden veroordeeld worden tot een geldboete, als dat geschied was en Athene had, zooals te denken was, het betalen van die boete geweigerd, dan was er tot een heiligen oorlog tegen de Atheners besloten, iets wat Philippus zeer naar den zin zou zijn. Een der niet stemhebbende vertegenwoordigers {pyla-gorae) van Athene bij de bondsvergadering was op dat oogenblik Aeschines, en een man die zoo bekwaam was als hij op het gebied van het heilige recht der Aniphictyonen wist duidelijk aan te toonen dat de bewoners van Amphissa zich nog aan zwaardere vergrijpen hadden schuldig gemaakt. De vergadering besloot dan ook een heiligen oorlog tegen Amphissa te beginnen. De dank dien Aeschines daarvoor in zijn vaderstad van de tegenpartij inoogstte was eene verdachtmaking, dat hij werkzaam was geweest in het belang van Philippus; die integendeel juist onmiddellijk tegen Athene had kunnen optreden als de eerste aanklacht der bewoners van Amphissa door Aeschines niet krachteloos was gemaakt. Philippus kreeg het opperbevel in den oorlog tegen de Locriërs, door de meerderheid der Aniphictyonen daartoe benoemd, en eenmaal in Griekenland zijnde, na Amphissa verwoest te hebben, bezette hij in 338 plotseling Elatêa in Fhocis. De schrik dien deze gebeurtenis in Athene te weeg bracht was ontzettend; in allerijl
gt;
70
bewerkte Demosthenes nog dat er een verbond tusschen Athene en Thebe gesloten werd. In den zomer van 33S werd bij Chaeronra in Boeotie de beslissende veldslag geleverd, waar de bekwaamheid der macedonische bevelhebbers o. a. van den kroonprins Alexander en de voortreffelijkheid hunner legerin-richting de zege behaalde over de dapperheid der Boeotiers en Atheners. Zonder tegenstand opende Thebe zijne poorten voor de Macedoniërs en kreeg op den burcht een garnizoen der overwinnaars, in Athene dacht men nog een wijle er aan zich tot het uiterste te verdedigen en Demosthenes die bij Chaeronla de vlucht genomen had, verliet de stad om bij de bondgenooten gelden te innen voor die voorgenomen verdediging, maar de vredespartij behield de overhand, en Philippus schonk onder de gegeven omstandigheden zéér gunstige voorwaarden. Overal, ook in Peloponnesus, sloten nu de Grieken vrede met den koning , ■ den Spartanen werd alles ontnomen wat zij in den loop der tijden aan zich hadden getrokken en hun gebied werd bepaald tot hunne oorspronkelijke bezittingen aan den Eumtas. Er werd een nieuwe regeling ingesteld, een groot grieksch verbond onder de hegemonie van Macedonië, waaraan alle grieksche staten deelnamen met uitzondering alleen van Sparta. Dit nieuwe verbond zou den oorlog beginnen tegen Perzië, en de bondsraad te Corinihc vergaderd benoemde Philippus tot opperbevelhebber in dien krijg. De toerustingen in Macedonië waren juist gereed in 336, doch voor zijn vertrek vierde de koning nog het bruiloftsfeest zijner dochter. Te midden der feestelijkheden werd hij echter verraderlijk vermoord door Pausanias een officier zijner lijfwacht.
VIERDE TIJDPERK 336-146 V. CHR.
Alexatider de Groote 336—323 v. Chr.
Met vreugde vernamen de Grieken in bijna alle staten den dood van den koning van Macedonië, ja zelfs Demosthenes
71
ging zoover, dat hij hoewel door huiselijk leed getroffen, in feestgewaad in het openbaar verscheen. Men dacht dat de nia-cedonische macht met Philippus\' dood was vernietigd, maar men rekende hierbij buiten den kroonprins, den twintigjarigen Alexander. Deze vorst zeker een der grootste persoonlijkheden die de geschiedenis kan aanwijzen, had eene geheel grieksche opvoeding genoten van den wijsgeer Aristoteles, maar tevens een flinke opleiding als soldaat in de leerschool zijns vaders. ]
Voor dat dan ook de plannen van revanche voor de nederlaag bij Chaeronra ergens in Griekenland tot een begin van uitvoering waren gekomen, stond Alexander aan het hoofd van zijns vaders leger op griekschen bodem , en deed natuurlijk allen tegenstand terstond ophouden. Hij werd gehuldigd door alle grieksche staten behalve Sparta en Op de bondsvergadering te Corinthe werden alle besluiten die vroeger met betrekking tot zijn vader genomen waren, thans voor hem vernieuwd (§ 16). Alexander beschouwde het omverwerpen van het aan uitputting lijdende perzische rijk als zijne groote levenstaak: wat de Grieken, door allerlei veeten en twisten verdeeld , niet hadden vermogen te doen ,
daartoe zou thans zijne krachtige leiding hen brengen. Maar alvorens naar het Oosten te gaan, moesten eerst de vazalstaten ten W. en ten N. van Macedonië tot aan den Donate worden ten onder gebracht. Plotseling verbreidde zich door Griekenland het gerucht dat Alexander op een krijgstocht in Illyrie gesneuveld was, weder eene uitgezochte gelegenheid dus voor de Grieken die nog altijd revanche wenschten voor ChaeronJ-a.
Demosthenes\' werkzaamheid begon weder, Thebe kwam in opstand tegen de macedonische heerschappij, en werd met per-zisch geld door tusschenkomst van Demosthenes ondersteund,
ja zelfs werd er een gezantschap uit Athene naar Perzie gezonden.
Maar op eenmaal kwam Alexander\'s persoonlijke verschijning dit valsche gerucht logenstraffen, Thebe werd ingenomen en ver-^
woest, slechts de burcht Cadmea bleef als een macedonische ftï-Ü-A. i\' post staan. Athene kreeg, zijn eedbreuk in aanmerking genomen, quot;Cx yj nog zeer gunstige voorwaarden, Alexander eischte slechts dat de mannen die aan de beweging aldaar en het ondersteunen der Thebanen schuldig waren, hem uitgeleverd zouden worden en
:1U
cJZSL %T*i
$ 1) ï-i Ib-, iv Cvd^^^-y^\' *}(,\'$$lt;)
daaronder dus ook Demosthenes. De redenaar Demades en Phocion echter wisten een overeenkomst met Alexander te treffen, waarbij Demosthenes en de anderen gespaard bleven.
Sedert dieri dag is Demosthenes dan ook wat zijn staatkundige gedragslijn betreft een veel voorzichtiger man geworden.
Thans stond Alexander niets meer in den weg om naar het Oosten te gaan. In Perzie was ui den laatsten tijd alle gezag in handen geweest van een machtig fevefing, die in 336 de kroon had gegeven aan Darius III Codomannus. Deze had echter dien hoveling doen ombrengen en was koning van Perzie op het oogenblik dat Alexander zijn tocht begon. Zooals wij boven zagen had hij met de zoogenaamde patriotten-partij in Griekenland
ui
.onderhandelingen aangeknoopt, voornamelijk nadat een zekere ♦\'^Memnon, een grieksch bevelhebber in zijn dienst, hem had ingelicht over de macedonische macht en de plannen van A1 è x a n d e r. f Deze ging nu, na het bestuur van Macedonië in handen van Antipater, een oud generaal zijns vaders, te hebben gelaten in 334 naar Azie met een leger van ongeveer 35.000 man, en reeds in het voorjaar van datzelfde jaar behaalde hij eene beslissende overwinning bij de rivier Gr aniens, die hem meester van geheel Klein-Azie maakte, en waarna de Grieken in die streken met groote geestdrift tot hem overgingen. De stad Halicarnassus werd door Memnon die het opperbevel had gekregen over de land- en zeemacht in Klein-Azie, verdedigd, doch viel na een poos toch ook aan de Macedoniers in handen. Het oorlogsplan van M e m n o n , de grieksche eilanden voor zich te winnen, de Grieken op te stoken en zoo Alexander van Macedonië af te snijden werd spoedig door zijn dood verijdeld.
Alexander zelf rukte nu door Lycic, Pamphylié en Phrygie (Gordium, Gordiaanse he knoop\') zonder hindernis naar Ctliciè. Daar vernam hij dat koning Darius zelf met eene legermacht, zoo talrijk als alleen de perzische vorsten die konden verzamelen, tegen hem oprukte. Deze geweldige overmacht werd door de Macedoniers verslagen bij Issus in Ciliciè\', (333). Onder de perzische gevangenen behoorden de moeder, de vrouw en de twee dochteis van Dar lus, die door Alexander met groote onderscheiding werden behandeld.
73
De macedonische koning besloot nu eerst alle aan zee gelegen provinciën van het perzische rijk te veroveren, om daardoor eene basis voor zijne krijgstoerustingen te winnen en tevens Darius gelegenheid te geven nog eens een zoo mogelijk nog talrijker leger te verzamelen, opdat de volgende slag beslissend zou kunnen zijn. In Phoenicie werd het macedonische leger opgehouden door het beleg van lyrus, dat zeven maanden lang zich verdedigde, en in Palaestina door dat van Gaza. Daarna eerst kon Alexander zich naar Aegypte begeven. Aldaar aangekomen toonde hij zich niet een woest veroveraar, maar bracht hij de handelwijze in toepassing, die hij later ook in Azie volgde :
n.1. hij trachtte eene samensmelting te weeg te brengen tusschen de zoo uiteenloopende geaardheden van Oosterlingen en Grieken;
wel verre van zooals eens Cainbyses bij zijne verovering van Aegypte gedaan had, het volk in zijn godsdienstig geloof te krenken, deed hij een tocht naar den beroemden orakel-tempel van Zeus-Ammon, waar de priesters hem voor een zoon der godheid verklaarden, eene daad die natuurlijk er op berekend was het voor indrukken zoo ontvankelijk gemoed der Oosterlingen voor zich te winnen.: Alvorens Aegypte te verlaten legde hij aan een der Nijlarmen de grondslagen voor een nieuwe stad, die het middelpunt van den wereldhandel zou worden, en naar haren stichter Alexandria zou heeten. Een paar malen tijdens het beleg van Tyrus had de koning van Perzie aan Alexander vredesvoorslagen gedaan , maar hij had die trotsch van de hand gewezen en duidelijk te verstaan gegeven dat zijn doel de geheele vernietiging van het perzische rijk was. Daarop had Darius gedurende het verblijf der Macedoniers in Aegypte weder groote strijdkrachten ^ verzameld en wachtte thans Alexander if, niet ver van de* bouwvallen der verdwenen wereldstad Nineveh. Daar, tusschen , ..^ ArbT\'la en Gaugamêla, zou de beslissende slag plaats grijpen. Het macedonische leger bedroeg nog geen tiende gedeelte van dat der Perzen, maar toch behaalde de tactiek en de persoonlijke moed van Alexander in 331 eene volkomene overwinning.
Het lot van de perzische monarchie was thans beslist. Dar lus week naar Media-, Babyion en Susa vielen den veroveraar in handen en eenigen tijd later ook Pers epulis, waar de koninklijke
f
paleizen door Alexander in brand gestoken werden\', om de gelijke daad eenmaal door Xerxes in Athene bedreven te wreken. Toen de Macedoniërs daarna op Ecbatana, de hoofdstad van Medie, aanrukten om Darius te achtervolgen, was deze greeds naar het Oosten gevlucht, en altijd verder in de richting van Bactrü\' en Sogdiana teruggeweken waarheen hij steeds door Alexander gevolgd werd, toen deze vernam dat eene omwen-fwquot; .J teling in de naaste omgeving van Darius was losgebarsten en d ^ inmiddels door den satraap van Bactrk, Bessus was ge-
y dood, juist toen de Macedoniers op het punt waren hem in ^ handen te krijgen.
\'/ v Enkele grieksche huurbenden , die den perzischen koning hadden
\'gediend, gingen iets later in macedonischen dienst over. Omstreeks dienzelfden tijd had Alexander het bericht gekregen dat een laatste poging in Griekenland om de macedonische macht in Europa aan het wankelen te brengen, was mislukt. Ditmaal waren het enkele staten van Peloponnesus onder aanvoering van koning. Ag is III van Sparta die het waagden zich met de Macedoniers te meten. Te Athene was men blijkbaar nog te zeer onder den indruk van het lot dat Thebe wedervaren was in 335. en ook getroffen door de welwillende gezindheid die de macedonische koning steeds tegenover de stad had betoond, o. a. door het ten geschenke geven van 300 perzische wapenrustingen na de overwinning bij den Gramcus. Demosthenes was na 335 de voorstander, zooals wij boven zagen, eener vredelievende staatkunde. De Spartanen dan en enkele bondgenooten belegerden Megalopolis, maar werden in 330 door den in Macedonië achtergebleven regent Antipater bij die stad geslagen. Koning Agis sneuvelde en ook Sparta moest zich thans volledig aan de Macedoniers onderwerpen.
Intusschen zette Alexander in Azie zijn veroveringstocht voort, beurtelings vijandige volksstammen overwinnende en ge-Q w- vaarlijk verzet in zijn eigen leger dempende, waar men het den \\ \'-j _ koning kwalijk nam dat hij in elk opzicht perzische zeden en gewoonten volgde, en zich meer en meer door voorname Perzen omgaf.fEen komplot werd ontdekt en de aanleggers daarvan met den dood gestraft. In de volgende jaren kwam het macedonische
T5
leger in het stroomgebied van de rivieren Oxus en laxartes en aldaar trad in 327 Alexander in het huwelijk met de bactri-sche koningsdochter Roxftne, met welk huwelijk tevens eene zinnebeeldige verbroedering tusschen Europeanen en Aziaten was bedoeld. Na een korte rust zou hij zijne verdere plannen gaan verwezenlijken, n.1. de verovering van oostelijk Azië en van Tndie. j In 327 brak hij daartoe van Bacine op met een leger van 120.000 man. In twee colonnes trok die krijgsmacht naar den
die in 326 werd overgetrokken evenals de Hydaspes. ^
-V Een daar regeerend radja P or u s werd in een bloedigen
slag door Alexander verslagen, waarna het leger verder ^et^ Vijfstroomen-land in oostelijke richting doortrok. Maar men kende V^_ j/* de uitgebreidheid niet van het land, dat men thans was binnen- f
I f leger gedekt, den Indus af tot aan het Indus-delta, onder steeds ^ voortdurende moorddadige gevechten der door de brahmanen opgeruide inlandsche hoofden. Van den beneden-Zw^W zou het leger in drie afdeelingen naar Perzië terugkeeren: Craterus trok met een deel door Ar a c hos ie (Afghanistan) en Carman ie: de admiraal Nearchus zeilde met de vloot door den indischen oceaan; de koning zelf volgde met de hoofdmacht evenzeer den landweg door Gedroste {Beloedsjistan); in de woestijnen van die laatste streek verloor hij echter zijne beste troepen. In de lente van1 324 was men weder in de perzische hoofdstad Susa, alwaar een groot bruiloftsfeest plaats greep , waar een tal van huwelijken gesloten werd tusschen hooggeplaatste macedonische en grieksche ambtenaren en officieren en vrouwen uit den perzischen adel, een politiek die Alexander ook weder ter wille der verbroedering tusschen Europeanen en Aziaten in praktijk bracht. Immers gedurende zijn geheelen tocht had Alexander, zooveel hij kon, getoond dat niet alleen zucht tot veroveren zijn doel was, maar ook verbreiding van de grieksche beschaving en grieksche taal over Azië,
niet slechts het onderwerpen, maar ook het ..helleniseerenquot; van
b- ■\' . -w-- ^ CAgt; C \' gt; \' c . U -\' ;
p. ( £~ (XL /gt;y»A»viWv c .y^X-C ^ -^jfii
■ quot;tL v-v^c.( ^ v v» W i-t i- 4.6 ■ • v-^. i1 • \'Pve-x. lt;. w lt; .. i
het perzische rijk was de taak die hij zich had gesteld. Deels als soldaten, deels als kolonisffen volgden vele Grieken zijn tocht, en een aantal grieksche inwoners bevolkte een lange lijn van nederzettingen van den Hellespont tot aan den laxartes. Niet alleen voor handel en nijverheid had Alexander\'s tocht nieuwe verkeerswegen geopend, ook de grieksche kunst en wetenschap verbreidde zich nu o¥er het Oosten. SU •Or*
Bij zijn terugkeer te Susa was Alexander\'s grootsche tocht voorloopig geëindigd, maar vele macedonische oud-gedienden begrepen echter het geniale plan van hunnen koning niet en zagen in hem slechts den van voorvaderlijken eenvoud meer en meer afwijkenden oosterschen heerscher. Tienduizend dier veteranen onder Craterus werden ontslagen en naar Macedonië teruggezonden. Groote plannen, waarschijnlijk de verovering van Arabie, hielden Alexander\'s geest bezig, toen hij zich in den zomer van 323 in zijne nieuwe residentie Baby Ion ophield, en gezantschappen uit alle streken dei wereld daar hun huldebetoon kwamen brengen. Plotseling sleepte toen echter eene hevige ziekte, waartoe buitengewone vermoeienissen, eene losbandige levenswijze en persoonlijk leed zooals de dood van zijn vriend Hephaestion, de kiem hadden gelegd, deze geniale persoonlijkheid ten grave ,• slechts drie-en-dertig jaren oud.
De tijd der diadochen en epigonen. (Geschiedenis van Griekenland van den dood van Alexander tot aan de onderwerping van dat land aan de Romeinen 323—146 v. Chr.
Alexander liet geen opvolger voor den troon van zijn wereldrijk na, slechts een halfbroeder van gekrenkte geestvermogens, Philippus • Arrhidaeus en twee onmondige kinderen, van welke het jongste, dat alleen voor de opvolging in aanmerking kwam, eerst na den dood zijns vaders werd geboren. Een hevige strijd tusschen zijn veldheeren lag dus voor de hand. Aanvankelijk had Perdiccas, wien Alexander op zijn sterfbed zijn zegelring had ter hand gesteld, den meesten invloed ert hij aanvaardde de regeering in naam van het kind dat de koningin R o x ft n e zou
/i-lA^- llï/i/ u igt; 77 \', —
^7 (JL~.±. iJL-yt,, v1quot; ^- \' / \') f~-r L*gt; Llt;^~ quot;J lt; ■- t LlS quot;IJiii
ter wereld brengen. De verschillende deelen des rijks werden on der de voornaamste personen vai* A1 e x a n d e r\'s^mgeving als stadhouderschappen verdeeld. yu^-wt C-h
Na zich met Alexander\'s geheimschrijver Éumenes van Car dia in de thracische Chersonesus verbonden te hebben, beoorloogde hij Ptolemaeus, den stadhouder van Aegypie. en werd aldaar door zijne eigene soldaten omgebracht. Antipater, J-Jts de oude regent over Macedonië en Griekenland, kreeg nu de leiding, doch naast hem verhief zich in Azie de oude generaal A n t i g o n u s. Al deze veldheeren bekommerden zich echter weinig om de rechten van het macedonische koningshuis, die wakker door E u tn e n e s werden verdedigd. De oorlog tegen dezen was nog niet ten einde toen Antipater stierf en een vorst uit Epirus Polysperchon als opvolger aanstelde.
De zoon van Antipater, Cassander die spoedig met Alexander\'s zuster huwde, was door deze opvolging zeer ontstemd en verbond zich met Antigonus en diens zoon Demetrius Poliorcetes (stedenbelegeraar). Hij liet de weduwe van koning Philippus en later ook de koningin RoxSne en Alexander\'s. - , , ■ j beide zonen dooden. Eumenes, die in het oosten Antigonus bestreden had, verloor aldaar het leven , en daarna was deze laatste meester in Azië. Naijver der veldheeren in Europa en Aegypte deed echter een verbond tot stand komen tegen hem. fuX
In 306 versloeg Demetrius Ptolemaeus in een grooten TTy-quot;
slag ter zee bij Sa lam is op Cyprus waarop Antigonus en zijn \'
zoon den koningstitel aannamen, welk voprbeeld door hunne ^ , tegenstanders spoedig werd gevolgd. In 301 besliste de slag van Tpsus in Phrygie ten gunste der verbonden vorsten tegen Antigonus, die er sneuvelde, en Demetrius die door de vlucht zich redde, en naderhand nog een zeer avontuurlijk leven leidde.
Na vele bloedige oorlogen ontstonden vervolgens uit het rijk van Alexander de volgende rijken:
i0. Macedonië en Griekenland.
oiJamp;-» Ü, lt;Or» WTT-\'I iamp;Ji ■\' *\'£•, Ih
gt;
^7
Het Syrische rijk der Seleuciden.^ ( Uk .
2quot;.
-gt;»
Aegypte onder de Ptolemaèen.
Pergamum, Bithynie en eenige kleinere staten in Azië. Macedonië en Griekenland. In Griekenland was na den
v (Xvaii
78
dood van Alexander de gedachte levendig geworden nog eenmaal een verzet tegen Macedonië te wagen. Demosthenes was op dit oogenblik uit Athene verbannen, omdat hij de uitlevering van een zekeren Har pal us, die de Macedoniërs wenschten, had afgeraden, en men hem dien ten gevolge beschuldigde van te zijn omgekocht. Men riep hem echter terug, nadat reeds de oorlog aan Macedonië verklaard en de Athener Leosthenes tot aanvoerder van het leger benoemd was. Aanvankelijk nam deze oorlog een gunstige wending voor de Grieken. Leosthenes belegerde Antipater in Lamia in \'Thessalie (van daar de Lamische oorlog), doch sneuvelde, dairna besliste een slag in 322 bij Cran-non tegen hen, en moest Athene bewilligen in de vredesvoorwaarden van Antipater, waarbij de democratische regeering werd omvergeworpen , een macedonisch garnizoen in den jPiraeéus kwam, en de hoofden der oorlogspartij o. a. Demosthenes werden A ter dood veroordeeld. Deze nam echter de vlucht en doodde zich door vergif te Calauna, een eilandje aan de kust van Ar go lis.
Eenige jaren later is P h o c i o n met eenige andere aanhangers der macedonische partij in Athene ter dood veroordeeld, toen de atheen-sche democratie weder voor korten tijd het hoofd had opgestoken.
Na den dood van Cassander was ten gevolge van\' een troonstrijd in Macedonië de heerschappij over dat land en over
van Arftigonus. quot;gëKeeten^3 vond de
Griekenland gekomen aan de nakomelingen;-Sjr,. 1 \' f f ^ Onder diens kleinzoon , evenzeer AntigontU ■p^ J. macedonische macht in Griekenland een heragen tegenstander in
het achaeïsche verbond, dat onder A r a t u s van Sicyon zeer -■
/ • ^ \'Ww • •
\' J machtig werd, zoodat het zelfs in^4^ de macedonische bezetting t , ,,
verdreef uit den burcht van Cormthe „een der drie ketenenquot; _ƒ waarmede Griekenland aan Macedonië was vastgeklonken. Twisten echter met de Aeloliërs, die ook een verbond hadden gesloten, dat eigenlijk meer eene vereeniging was om gezamenlijk te plunderen, en met Sparta verzwakten dat verbond. In Sparta n.1. waren de koningen Agis IV en Cleomenes III er op (gt; quot;it de oude hegemonie over Peloponnesus te herstellen. Uit
^naijver op Sparta\'s toenemende macht^riep Aratus den mace-donischen koning Antigonus Dos on te hulp en stelde het achaeisch verbond onder de bescherming van Macedonië De
p _ f
-quot;i ■ i- quot;I , \' ■ ?vu--v-vt- • /1
c
.0 l
V y ^ w
gt; _ WAva,i S
% cu. c(,. é-JvvC v ■
79
Spartanen werden door de Macedonit-rs en de Achaeers bij Se lias ia verslagen, en koning Cleomenes moest het land verlaten (222). Daarna trok de macedonische koning Sparta binnen en noodzaakte de bewoners tot een helleensch bondgenootschap, door hem opgericht, toe te treden. Na den dood van Aratus volgde Ph 11 opöemen hem-öp als hoofd van het verbond, dat nog een tijdlang door twisten verdeeld werd, tot eindelijk de Romeinen zich indrongen als scheidsrechters tusschen de twistende partijen. Toen Macedonië een wingewest was geworden Verloor ook Griekenland zijne onafhankelijkheid en werd een deel van dat macedonische wingewest onder den naam van Achaje (146).
20. Het Syrische rijk der Selcuciden. De eerste koning van dit rijk, naar wien de geheele dynastie genoemd werd, was S e-leucus Nicator. Hij stichtte de stad AntiochiC aan den Orcvtes. Door deze en nog ongeveer een veertigtal andere steden in Azië werd de grieksche taal en beschaving steeds meer in het : Oosten verbreid. Oorlogen tegen Aegypte en tegen andere volken., -van Azië vormen den hoofdinhoud van de geschiedenis van dit rijk quot; r welks vorsten meestal den naam Antiochus droegen. De latere staat der Parthen maakte aanvankelijk een onderdeel uit van Syrië, *
J
vgt;gt;;
Ui-K
dx~ vf i»„.
k
dat hoe langer zoo meer onder den invloed der Romeinen geraakte en eindelijk een romeinsch wingewest is geworden (64 v. Chr.).
3°. Aegypte onder de Ptolemaeen. Aanvankelijk was dit rijk, hetwelk tot hoofdstad Alexandria had, zeer machtig en knoopte handelsbetrekkingen aan met Arable en Indie; de voornaamste vertegenwoordigers van het nieuwe leven op het gebied van be-1 schaving en nijverheid waren ook hier weder de Grieken. De koningen hadden allen den naam Ptolemaëus en worden slechts door hunne bijnamen onderscheiden. De eerste heette Ptolemaëus Lagi (zoon van Lag us). A lexandrie werd het middelpunt van het wereldverkeer, en kunsten en wetenschappen bloeiden aan het hof der beschaafde vorsten. In 31 v. Chr. werd het een romeinsch wingewest onder speciaal bestuur van den keizer. ^ £
40. De kleinere staten , zooals P\'erganium , Btt/tA nie, Pontus, vielen achtereenvolgens, deels door erflating, deels door verovering den Romeinen in handen.
Q ,
j Vï o//Cvv^vi
wtf
. . . ^ ■ 1
I
B. GESCHIEDENIS DER ROMEINEN.
§ i9-
Aardrijkskundig overzicht van Italië.
| V ^ . Italië ontleent zijn naam aan eenen kleinen volksstam, de
\'■ Itali, die aan de zuidspits woonden en die uitgebreid is over \' U -\' de bewoners van het geheele schiereiland. In staatkundigen zin^ „ bleef die naam tot in de derde eeuw v. Chr. beperkt tot het gebied van het eigenlijke schiereiland.
Voor een aardrijkskundig overzicht beschouwen wij het geheele schiereiland tot aan de Alpen en verdeelen dat in drie deelen: I. Noord-Italië, de landen aan de /Voevers, die den Rubico tot zuidgrens hebben [Galilia CisaTpina). Wat ten N. van de Po lag heette Gallia Transpadana, ten Z. Gallia Cispadana. In de Alpenstreken woonden ruwe volksstammen; aan de veneti-aansche golf de Carni, met de welvarende handelsstad A quileja , en de Veneti met de voornaamste stad Patavium (Padua). De kuststreek aan de Tyrrheensche zee heette Ligurie, de beroemdste stad aldaar was Genua. In den loop der geschiedenis hebben de Kelten deze landen in bezit genomen en de vroegere bewoners, de Etrusci meer naar het zuiden gedrongen De meest bekende keltische volksstammen aan den N.-ZV-oever waren de Insubres met de stad Mediotanum (Milaan), de Tau-rini, in wier gebied later door keizer Augustus de stad Augusta Taurinorum [Turijn) is gesticht en de Cenomani met
81
de stad Verona. Aan den Z.-ZVoever de Boji met de steden Muigt;na [Modvna], Bononia {Bologna), de Lingones in de buurt van Ravenna. De meest zuidelijke gallische volksstam was die der Seritmes, die zich aan de oostkust van Jjmbrii! vestigden en langdurige oorlogen met de Romeinen hebben gevoerd. In hun gebied stroomde de rivier de Metaurus (207) en lag de stad Sena Gallica. In die streken vond men ook nog de stad Ari-minnm {Rimini). Eerst in 82 is het gebied van Ariminum tot eigenlijk Italië gerekend ea in 42 weder door Octavianus bij de regio Cispadana gevoegd, zoodat de Rubico eigenlijk slechts 40 jaar de grensrivier heeft uitgemaakt (49).
• JI. Midden-Italië doorsneden door de Apennijnen. Daarin lt; vond men de volgende landschappen:
a. Etrurie, een republikeinsch statenverbond bestaande uit twaali afzonderlijke staten, waaronder Arretium , Clusium, Pisae, Veji. Tijdens de romeinsche heerschappij is bekend de kolonie Flo- \' rentia. Nadat de Romeinen in langdurige oorlogen die twaalf republieken achtereenvolgens hadden onderworpen, legden zij koloniën en wegen aan. - »-
b. Umbrie, waar de Tiber ontsprong en de Metaurus stroomde. De bekendste stad was Sentinum (295). Later vond men er vele romeinsche koloniën. ■*-
c. Picennm met de havenstad Ancüna, eene nederzetting van Grieken uit Syracuse.
d. Het land der Sabijnen, een bergland ten Z. van Umbrie.
e. Het bergland bewoond door volksstammen, wa?rvan de Mar si, en de Paeligni de voornaamste waren {Abrmzen). Eene stad der Paeligni was Corfinium {Italica 90).
f. Laiium van den Tiber tot over den Liris (Gariglianó), met de steden Rome, het oude Alba longa, Tusculum, Tibur, An.xur { Tarracina), Arpinum (geboorteplaats van Cicero).
g. Samnium, met de steden Caudium, („de furculac Cau-dinaequot; 321) en Maluentum (later eene romeinsche kolonie met den naam Beneventum).
h. Campanie, (vlak land) met de kaap Misenum. De bekendste rivieren zijn de Volturmis en Silnrus (71) en de steden Cumae,
margadavt , Grieken en Romeinen. 6
/
82
de moederstad van Neapolis; Putehli, Capua en Nolo., Hercu-laneuni, Pompeji; de vulkaan Vesuvius (79 n. Chr.). III. Beneden-Italië met de volgende landschappen: a. Apulie met de steden Lu eer ia, Venusia (geboorteplaats van den dichter Horatius), het vlek Cannae aan den Aufi-dus [216).
A, ! vb. Ca la brie met de havenstad Brundisium en de grieksche nederzetting Tarente.
c. Lu can ie en Bruttii waar vele grieksche steden ^kgen: Elea, Rhegium , Croton, Syharts, Thurti, \'Metapontum. De eilanden die tot Italië behooren zijn:
i0. Sicilië, de korenschuur van Rome, door de straat van Mess ana, {JScylla en Charybdis) van Italië gescheiden. De meeste steden lagen aan de kust en waren van griekschen oorsprong: Al es san a, Panormus, Lilybaeum (beide nederzettingen der Phoenier s), Agrigentum, Gela, Syracuse; de vulkanische herg Aetna. Ten W. varPSiciliè de Aegatische eilanden (241).
20. Sardinië, en
30. Corsica, beide in 237 aan Rome door de Carthagers afgestaan. 4 ■; Uis-yH vt- gt; i.■
De bevolking van Noord-Italie bestond oorspronkelijk uit Urns\' briers en Etrusci (Rasennae, zooals zij zich noemden).
Aan de monden van de Po woonden, zooals wij boven zagen, de Veneti, en in het Z.W. van Noord-Italie de Liguriers. Ongeveer 500 v. Chr. beginnen de Galliërs Italië binnen te trekken, aanvankelijk namen zij de Po-vlakte in bezit, later echter trokken zij ook over die rivier en breidden zich verder uit.
De oudsfe bewoners van Midden- en Beneden-Italië zijn de Utnhriers: de Etrusci in bet eigenlijke Etrurie en Campanie, een beschaafd volk, (etruscische vazen), dat ook veel zeehandel en zeeroof dreef; de Sabel li, in het bergland der Apennijnen. Tot dezen volksstam behoorden de Sabjnen, de Pkenters, de Samniien en andere kleine volksstammen van Midden-Italië, zooals de Marsen en de Lucaniers; de Osei waren een met de Sahelli verwant volk, tot hen behoorden o. a. de Volsci en Aequi; -de Latijneti een volk aan den oever van den Tiber, vormden een statenbond, dat uit 30 zelfstandige steden bestond,
¥
83
van welke Alba Longa de voornaamste was. Daar verzamelden zich elk jaar de bondgenooten tot het vieren van een godsdienstig feest. Midden tusschen de landen der Etrusci, Latijnen en Sa-bij nen ontwikkelde zich sedert het midden der 8ste eeuw, aan den linker Tiber-ozver, de stad Rome.
§ 20.
Indeeling der Romeinsche geschiedenis.
De geschiedenis van Rome laat zich gevoegelijk verdeelen in de vier volgende tijdvakken:
i0. Het ontstaan der stad en de uitbreiding harer macht over Midden- en Zuid-Italie, tevens het tijdperk der wording en ontwikkeling van Rome\'s staatsinstellingen (753—264 v. Chr.).
20. De bloeitijd der republiek, de veroveringen die Rome tot een wereldrijk hebben gemaakt (264—133 v. Chr.).
3°. Het verval der republiek, het tijdperk van binnenlandsche verdeeldheid en burgeroorlogen tot de vestiging der monarchie
(i33—31 v- Chr-)-
4°. Rome een keizerrijk, tot den ondergang van het Westersch-romeinsche rijk (31 v. Chr. —476 n. Chr.).
(
EERSTE TIJDPERK 753 — 264 V. CHR.
§ 21.
Rome in den koningstijd 753—510 v. Chr.
De geschiedenis van Rome van de stichting der stad tot op het tijdstip, dat zij de beheerscheres van geheel Italië is geworden, is duister: sage en geschiedkundige overlevering loopenhier in elkander. De fabelachtige geschiedenis van oude koningen, die
6»
- 1,1 1
in Latium zouden hebben geregeerd, is eene poging de oud-latijnsche mythologie in historische verhalen te veranderen. De overleveringen spreken van arcadische nederzettingen (Evander), van eenen koning Latinus, die onmiddellijk op de goden zou zijn gevolgd; zijn persoon dankt zijn ontstaan aan den naam van ji het volk. Onder diens regeering zouden trojaansche vluchtelingen zich in Latium hebben nedergezet, onder aanvoering van AenSas. De zoon van Aeneas wordt genoemd als de stamvader van een koningsgeslacht in Alba Longa. Later zou er volgens deze legenden in Alba Lovga een troonstrijd hebben plaats gehad, waarbij Amulius, de jongere zoon van koning Procas, zich tei. nadeele van zijn ouderen broeder Numitor van den troon meester maakte. De. dochter van, Numitor, Rhea Silvia, zou bij den oud-italischen god Mars moeder zijn geworden van tweelingen Romulus en Remus, die aanvankelijk te vondeling gelegd, door eene wolvin, het aan Mars geheiligde dier, gezoogd \' Ij.) ■ werden; daarna onder herders opgevoed, zouden zij de veronge-* V; . lijking van hunnen grootvader, Numitor gewroken en de stad j Rome hebben gesticht. Al deze legenden, gelijk trouwens vele
V ■,-gt; anderen, die dagteekenen uit den overgangstijd van het koningschap in Rome tot de republiek, zijn mede toe te schrijven aan iaw. \'quot;ii / de zucht der latere romeinsche geslachten, een hunner voorva-deren in die overoude tijden als hisjQrjgdi persoon te doen optreden. Het geslacht der J u 1 i i o. a., waaruit de eerste romeinsche keizers zijn gesproten , leidde zijnen oorsprong van dien AenSas af.
Slechts staat het vast dat het geheele verhaal omtrent Rome\'s stichting uit de vereeniging van eene grieksche en eene romeinsche iabel ontstaan is, die reeds lang voor Vergilius\' heldendicht, de A en eis (i8t0 eeuw v. Chr.) haar beslag gekregen had. S\'*Het eenige, wat historisch zeker is, is dat de oudste bewoners j-Wfr van j^ome Galijnen waren, de naam ■wan den stichter en eersten
koning Romulus is-eerst gevormd, nadat men den naam der stad had, even als Hellen, in Griekenland. De stichtinghi(nner stad stelden de latere Romeinen in het jaar 753 v. Chr., en wel op den 2isten April, (het herdersfeest der Palilia). Wanneer echter de boeren en herders, die in dat deel van Italië woonden, er toe zijn overgegaan eene stad te stichten is niet uit te maken.
p i 1
gt;05, c
Zeker is het overigens dat het oudste Rome lag op den Palatijn {Roma quadratd). Om die stad op den Palatijn kwamen enkele andere nederzettingen, o. a. op den Esquilinus en Coelius.
Daartegenover lag eene tweede stad op den Quirinalis en Viminalis, eene sabynsche nederzetting; de oudste romeinsche geschiedenis wijst beslist op die twee steden, die eindelijk zijn saamgesmolten. Niet echter alleen langs vreedzamen weg heeft dat oude Rome zich uitgebreid, daarvoor zijn oorlogen gevoerd,
deels ondernomen met het doel om zijne macht te vergrooten,
deels verdedigingsoorlogen tegen de Rasennae in Etrurie en de naburige sabellische volken Zoo verhaalt men b.v. dat onder den derden romeinschen koning Tullus Hostilius de stad Alba Longa zou zijn veroverd en dfu r i a t i i); met zeker
heid staat vast, dat na den ondergang van Alba verschillende aanzienlijke geslachten uit die stad, zooals b.v. de J u 1 i i, zich in Rome zijn komen vestigen. De plaatsen die Rome onderwierp,
werden deels als onderdanen behandeld, deels werden de bewoners daarvan genoodzaakt in menigte naar Rome te verhuizen,
al die nieuwe inwoners vormden langzamerhand een nieuwen stand, de plebs, scherp afgescheiden van de oude burgers.
Alles wat men verder van die oudste tijden (753—510) weet, is vastgeknoopt aan de^jiamen van zeven koningen: Romulus,^quot; een Latijn, Nu ma Pompilius, een Sabijn, Tullus Hostilius, een Latijn, Ancus Martius, weder een Sabijn. Daarna kwam de dynastie der Tarquinii, Tarquinius Priscus,
Servius Tullius, Tarquinius Superbus. Alleen omtrent de laatste drie bestaan eenige historische gegevens.
De beide eerste koningen behooren zeker geheel tot de fabel-_
leer; aan Romulus schreef men staatkundige en militaire stellingen toe, aan N ujn a de inrichting van den romeinschen £
godsdienst, aan T ulïiTs\' de vernietiging der albaansche macht,
en aan Ancus veroveringen op de Latijnen , die den grond zouden hebben gelegd voor den staatkundigen stand van de plebs. De Tarquinii, die waarschijnlijk van etruscische afkomst zijn,
zouden Rome\'s macht evenzeer verder hebben uitgebreid en tevens belangrijke gebouwen hebben doen stichten.
•v^vtluXt) u ciA*x IfyJLv^j^ (amp; /lt;T\\yl\'Cj2o gt; / IX-i■JjSvZ^b^^7^-^ •Squot; 1—
£l^kiL86e^uos_ u- CLX-^ lt; U - t t
t/jf p sA sL/Ür- t Qfyk 2^ J\',--t 1 \'lamp;stdjiJlsJÈ) ^V»- ■ \' ■
De oudste bewoners van Rome (Populus Romanus Quiri-
tium) waren zoo ingedeeld dat een aantal familien een gens ot geslacht, eenige geslachten eene curia, en tien curiën, een der drie stammen vormden, waaruit het volk bestond. Het in het oog loopende verschil tusschen den koning te Rome en dien in de oudste grieksche staten bestaat daarin dat de romeinsche koning verkozen, en voor zijn leven benoemd werd, terwijl van erfop-/ volging geene sprake\' is. Twee lichamen in den staat stonden nevens den koning: n.1. de senaat, een raad van patres (hoofden van gezinnen) ten getale van 300 leden, door den koning gekozen, en de volksvergadering. ^1; t -4- De oud-romeinsche staat bestond niet alleen uit menschen, die het volle burgerrecht hadden, wij vinden er ook een stand, die in meer staten van Italië wordt aangetroffen, dien der clienten. Zij waren waarschijnlijk afstammelingen van een vroeger onderworpen bevolking, iedere familie van clienten was afhankelijk , van een familie van burgers (patres, patricii). De dient had
tegenover den burger die zijn patroon was verschillende verplichtingen, hetgeen ook omgekeerd het geval was. Hun getal groeide steeds aan door het vrijlaten van slaven en door de vestiging van vreemdelingen, die zich onder het patronaat van een burger stelden.
Een derde belangrijke stand was de reeds genoemde plebs, waarschijnlijk Latijnen ,(zij waren verstoken van alle staatkundige j rechten, hadden geen aanspraak op eenig deel derstaatsplomeinen
(ager püblicus) en_ evenmin met de burgers huwelijken
sluiten, ook van den staatsgodsdienst en-het bekleeden der priesterambten waren zij uitgesloten.
Ten tijde der Jarquinii wordt reeds de invloed der grieksche beschaving in Rome merkbaar, deels natuurlijk uit de grieksche steden in Beneden-Italie, deels uit de door Phocaeers gestichte kolonie Massilia in Zuid-Gallic, die reeds vroeg met de Romeinen in handelsbetrekkingen stond. Steeds was ook de staatkunde der koningen er op uit zich de suprematie over Latum te verwerven. Men sloot, naar het schijnt, een verbond met de Latijnen op den voet van gelijke rechten. Rome kreeg het eerevoorzitterschap bij de oude feesten der latijnsche steden en stichtte op den
V
\\
Uj ■/■ C (^i.. ; ^ 1 quot;H) • ; •-.v: (\' c-V-Urav gt;-Tgt; ? CiL ? S.
\' ,1 ; ^ {■■\',5 V-lu- quot;fev ■ j\'»*!. *.\'K t K) ^
^ t-tft 6-v^KAVJ , ^ 6twltv»
ylsW) ■quot; \' ^^,-t \'
a u^
Ave tl tin us een bondsheiligdom, gewijd aan de godin Diana. /vfaw Het opperbevel in den krijg zou afwisselend door Romeinen en Latijnen worden bekleed. Eerst de laatste koning van Rome heeft een eigenlijke^ hegemonie. over Latium gevestigd.
In den tijd van Servius TulliusA^erd een muur gebouwd,
die de dubbele romeiBsc^ en sabijnsche stad zou omsluiten;
daarvan zijn nog belangrijke gedeelten over. Tevens kreeg de stad een nieuwen burcht op den Mons Tarpejus: het Capitool; aan de zwakke oostzijde der stad werd een aarden wal aangelegd.
Eene nieuwe indeeling dagteekent evenzeer uit dien tijd: het \'
stadsgebied werd ingedeeld in vier kwartieren, terwijl ook het --
landelijk gebied in een aantal wijken werd verdeeld. De overlevering schrijft ook aan Servius Tullius, die van f578—534 J zou hebben geregeerd,j^eene nieuwe indeeling in klassen en cen-iurien toe, die strekken moest een staatkundige eenheid te vormen tusschen patriciërs en plebejers. IBeze nieuwe indeeling had evenals die van Solon, die troüvvens ongeveer uit denzelfden tijd dagteekent, als grondslag het vermogen in land. Hoe hoog de eensus in den oudsten tijd voor elk der vijf klassen is geweest,
valt niet op te geven, de daarvoor aangegeven cijfers zijn niet juist. Naar dat vermogen nu werd uitgemaakt op welke wijze de Romeinen krijgsdienst zouden verrichten; de meest vermogende
y \' grondbezitters werden nog boven de eerste klasse gesteld, in 18 / eenturié\'n ingedeeld en voor den ruiterdienst aangewezen; het zwaargewapende voetvolk werd geleverd door de eerste drie klassen, de mannen der vierde en vijfde klasse deden dienst als lichtgewapenden, alle burgers, wier vermogen te gering was om in de vijfde klasse te worden ingedeeld, werden in eene afzonderlijke centnrie vereenigd. Bovendien kwamen er nog vier cen-iurien bij, bestaande uit handwerkslieden en muzikanten in het leger. Het geheele aldus als leger ingedeelde volk werd nog onderverdeeld in twee bannen, dien der onderenen der jongeren.
De burgers vormden tusschen hun. i7de en 4S£\'te jaar het actieve leger, de anderen deden in tijd van nood dienst in de stad. Het geheele aantal centuricn wordt berekend op 193, waarvan de eerste klasse er 80, de tweede, derde en vierde elk 20, de vijfde er 30 telde.
^V^-v ■■■,: gt;:;
*/V t I l \\^ • V J/ ^ ^
K f/ 1 \' ■ In de gfieksche geschiedenis zagen wij reeds (§ 3 blz. 9) hoe * ^ \' ,;■ in den loop der achtste eeuw bijna overal de macht der koningen U y \\ moest wijken voor die der aanzienlijken; ook in Rome heeft deze beweging nagewerkt. De overlevering spreekt van eene omwente-\'. ^v ling, door welke de laatste dynastie verdreven is. Tarquinius
r Superbus, die in zijn geheele persoonlijkheid veel overeenkomst
vertoont met grieksche tyrannen, moest de stad verlaten. Verschillende pogingen zouden er vervolgens door hem in het werk zijn gesteld om zijn vroegere macht te herwinnen. De inval der Et rus een, waaraan zich de naam Por sen a van Clusium vastknoopt, wordt intusschen ten onrechte in verband gebracht met de geschiedenis van Tarquinius. Ook hier hebben wij weder tal van sagen die, zooals wij boven zagen, ontstaan zijn uit de zucht der latere Romeinen hunne voorouders een rol te doen spelen in den tijd van den overgang van het koningschap tot de republiek. Zeker is het dat de stichting der republiek met groote gebeurtenissen gepaard is gegaan (oorlog met de Latijnen, overwinning der Rorpeinen aan het meer Regillus.)
^, r- iJj-~ v /jAisCfiiij- .2-*^,«- •
iJjfallsireri\'- Coamp;Hquot; -UsVl1- Uj- \'J q . cL f quot;
, quot; . . . i quot; \' 2 ^ \' V\'. V Wi : ;■ r 1 ( ^ ^
-h
Iets, over den Romeinschen godsdienst.
~ . AM L lu*. , bi-VtX- .
Kil tv
Uv ■ / \'y \' . gt;-) v U V\'.
Oorspronkelijk was de godsdienst der Romeinen evenals die der Grieken natuurdienst, maar de verschillende geaardheid van deze beide volken van den indo-germaanschen stam komt in hunnen godsdienst zeer duidelijk uit. De verbeeldingskracht van den griekschen geest bracht vele mythologische voorstellingen en talrijke verhalen te voorschijn, bij de Romeinen ontbreekt de mythologie bijna ten eenenmale, en vinden wij een bekrompen bijgeloovigheid, welke aan Griekenland schier geheel vreemd was. Had de Griek van zijne goden een geheelen kring van sagen en verhalen, de Romein kende van de meesten der goddelijke wezens, die hij vereerde niets meer dan den naam. Eerst later nam de romeinsche eeredienst vele uitheemsche en grieksche goden op en vereenzelvigde die met zijne eigene. De belangrijkste godheid
.ty* 1
É.
89
der Romeinen was Mars, een god die door alle italiaansche\'
volken werd vereerd, en die behalve een aardgodheid ook een god van den dood was, waaruit zich zijne latere meer bijzondere beteekenis als oorlogsgod heeft ontwikkeld. De eerste maand van het oud-romeinsche jaar. Maart was aan hem geheiligd. Quiri-nus is vermoedelijk de sabijnsche god Mars. Een niet minder belangrijke plaats in den romeinschen eeredienst werd ingenomen door Jupiter, den god des hemels en van den donder, wen men als echtgenoote J u n o ter zijde stelde. Rondom deze godheden groepeert zich eene reeks van andere meer of minder belangrijke , goddelijke wezens, zooals D.iana,, Venus, Mi-K nerva, Tellus (de god der aardequot;), Neptunus, Vesta\'(cte godin van den huiselijken haard) en de god Janus, die met twee aangezichten werd voorgesteld en het zinnebeeld was van de opening, het begin; zoo was aan hem b.v. het begin van het jaar en de morgen heilig.
Deze en meer andere godheden hadden voor hunnen eeredienst priesicrcolleges, slechts weinigen van die priesters waren uitslui- 3
tend met die geestelijke waardigheid bekleed, de meeste priesterambten waren vereenigbaar met een staatsambt.
Onder de priesters waren de belangrijkste de pontifex maxi-mus, de voorzitter van het college der poniifices, de drie flami-nes major es, van Jupiter, Mars en Q u i r i n u s, (/fowifw Dialis, Martialis en Quirinalis), de offerkonirtg, de Vestaalsche ■ maagden , de fetiales, een priestercollege dat onder inachtneming r-c \'\' van gewijde formaliteiten den oorlog verklaren of verdragen sluiten moest, en de angures, die den wil der godheid moesten opmaken uit bepaalde teekenen (b.v. uit de vlucht van vogels),
en hunne waarnemingen moesten aanwenden om invloed uit te oefenen op den gang van het staatsleven. In hunne hand was de leiding der auspicia zonder welke in den romeinschen staat geene gewichtige handeling mocht worden ondernomen.
Ingevolge een opdracht van een overheidspersoon hadden de augures die auspicia waar te nemen, want naar het romeinsche begrip waren de magistraten eigenlijk de personen die de auspicia hadden, en als wij later zien zullen dat de patriciërs met eene zoo hardnekkige vasthoudendheid aan de plebs den toegang tot
•y h-t:
l\' \'jJ \',___
J-
90
verschillende ambten, met name tot het consulaat weigerden, dan is dat voor een belangrijk deel ook daaraan toe te schrijven, dat zij meenden dat lieden uit de plebs niet die auspicia hadden, die zij bezaten, en er naar hun inzicht derhalve ernstig gevaar voor den staat zou kunnen ontstaan.
In den loop der geschiedenis is de romeinsche godsdienst een f staatkundig werktuig geworden, de angstvallige bijgeloovigheid van het volk en de vasthoudendheid aan bepaalde formaliteiten maakte het niet moeilijk voor hen die daarvan misbruik wilden maken , onder den schijn van godsdienstige nauwgezetheid , hunne bedoelingen door te drijven. Vele voorbeelden zijn daarvan bekend en in de laatste eeuw der republiek was het eene algemeen gevestigde meening dat de geheele godsdienst, met name voor zoover zij betrekking had op de augures en auspicia, een werktuig was, waarvan de invloedrijke personen naar hun inzicht en dikwijls in hun persoonlijk belang gebruik maakten.
§ 23.
Rome als republiek. — Binnenlandsche strijd om de staatkundige gelijkstelling der standen. — Oorlogen met de naburige volken en met de Kelten 510—343 v. Chr.
In den eersten tijd na de omwenteling, die aan de heerschappij der koningen een einde heeft gemaakt, vinden wij de bewoners van Rome gewikkeld in aanhoudende oorlogen. In 493 is het hun gelukt wel niet de hegemonie van Tarqninius over La-tium te herstellen, maar toch het oude verbond op den voet van volledige gelijkheid van Romeinen en Latijnen. In dezen tijd beginnen evenzeer de langdurige oorlogen en veeten der Romeinen met hunne naburen, Veji, de Sabijnen, de Aequi en Vols een. Veelal waren deze oorlogen niets dan strooptochten, voortgevloeid uit oneenigheden tusschen naburen.
Na de verdrijving der koningen werd het door hen bekleede ambt vervangen door het consulaat. Alleen wat betreft de gods-
. amp;*gt;-\' 0 ^ l-\'C. --
-£•\'V - __—
dienstige zijde van de koninklijke waardigheid werd het koningschap behouden in een priesterambt, dat van den zoogenaamden ojfj er koning, die echter nooit een staatkundige betrekking mocht vervullen. De regeeringspersonen waren voortaan in plaats der koningen de twee consuls, die echter in den oudsten tijd nog t -
den-naam van praetor en (praeire) droegen. Zij werden bij keuze ^ ;
voor één jaar benoemtf:,quot;\'hadden het hoogste burgerlijke, militaire en rechterlijke gezag en konden elkander in de uitoefening hunner bevoegdheden belemmeren.- Daar het echter geschieden kon dat niet alle regeeringspersonen krijgskundige bekwaamheden hadden, „
kon op last van den senaat door een der consuls voor zes maanden -
hoogstens, een dictator\' worden benoemd, die tot zijn medehelper en plaatsvervanger op zijne beurt den magister equiium koos.
Aan zulk een overheidspersoon waren dan alle anderen onderga-schikt, ook was hij van zijne daden geenerlei verantwoording JjJZ* schuldig. Zooals wij later zien zullen is de consulaire macht ook \'
op het gebied van controle over de zeden en dat der rechtspraak over andere magistraten verdeeld. De consuls werden gekozen door het volk, in de vergadering der centurien, hadden het recht het volk bijeen te roepen, en de senaatsvergaderingen uit te schrijven en te leiden. Van hun rechterlijke uitspraken was beroep op de volksvergadering der centurien toegelaten. Indien een der consuls gedurende zijn ambtsjaar stierf, werd er een ander in zijn plaats benoemd, een maatregel die met de meest angstvallige nauwgezetheid werd toegepast (C. Caninius Rebilus 45.)
De senaat, de oude staatsraad uit den koningstijd, werd nu elke ^vijfjaren door de consuls aangevuld, de aftredende consuls kregen er zitting in. Langzamerhand werd deze vergadering eigenlijk de hoogste macht in den staat, wier besluiten door de consuls werden uitgevoerd. Reeds vroegtijdig schijnen in dit lichaam ook plebejers te zijn toegelaten, al hadden die dan ook aanvankelijk waarschijnlijk niet al de rechten der oude patricische se- .VY natoren {patres conscriptie. De senaat had later de leiding der . ■ V
■ godsdienstige en staatkundige aangelegenheden, hij had b.v. het tóezipht/over vreemde godsdienstplechtigheden, die in Rome amp; werden ingevoerd (Bacchanalia)vergunde den overwinnenden^ir veldheer zijn tnumftocht\'had de opperste beslissing over de ,
staatskas en den ager publicus ,y4iet recht van oorlogsverklaring en het sluiten van vrede en verdragen, het toekennen van eer-bewijzingen en geschenken aan bevriende koningen. De taak dus,, die in onze moderne staten door eenige ministeriën wordt uitgeoefend, rustte in Rorae op den senaat.
X Maar ook de vergadering der burgers trad na de verdrijving der koningen op den voorgrond, in de vergadering dercenturien (comitia ceniuriata) kwamen zoowel de patriciërs als de plebejers {populus en plebs) bijeen. Zij verkozen tijdens de republiek de hoogste staatsambtenaren, stemden over de wetsvoordrachten der regeering, ook wanneer het een aanvallenden oorlog gold, enquot;hadden de beslissing in strafzaken, waarbij het leven der burgers betrokken was;\' van de uitspraken der met de rechtspraak belaste ambtenaren, aanvankelijk de consuls,
fmmétmn, bestond beroep op deze volksvergadering, \'p S •\' \'•
De plebs echter zag spoedig in, dat in deze nieuwe órde vanquot; zaken de patriciërs (populus\') alle macht hadden, en dat er eigenlijk twee verschillende staten in dezelfde stad tegenover elkander stonden; de patriciërs alleen bekleedden de burgerlijke betrekkingen en de priesterambten, en pasten het ongeschreven gewoonterecht toe ^ij waren de kapitalisten ,;7/en hadden tegen • betaling van eene schatting de staatsdomeinen (ager publicus) in bezit, ja spoedig zelfs schoon niet in naam dan toch inderdaad in eigendom, waarmede zij naar willekeur handelden, terwijl de belasting niet eens geregeld werd opgebracht. Wanneer in oorlogstijd, en wij zagen boven reeds dat de Romeinen bij den aanvang der republiek voortdurend oorlog voerden, eene buitengewone belasting werd geheven, dan drukte die het zwaarst op de plebejers, want de staatsdomeinen, die de patriciërs in bezit hadden, waren natuurlijk niet belastbaar. De plebejers geraakten dus hoe langer zoo meer in schulden bij de patriciërs, en de schuldeischer had over zijn schuldenaar het recht hem als slaaf in den vreemde te verkoopen of hem te dooden. In dien gespannen toestand weigerde eens in 494 een aantal plebejers den krijgsdienst en week uit naar den zoogenaamden „heiligen bergquot; op geringen afstand van Rome. De patriciërs en de senaat werden door die handelwijze tot toegeeflijkheid gedwongen (Agrippa)
93
i -
/9)
gt;
V-
en er kwam een verdrag tusschen de beide onderdeelen van de bewoners van Rome tot stand. Aan het hoofd van de plebs zouden evenzeer twee overheidspersonen staan, de volkstribune?!, die later tot vijf, sedert 457 tot tien zijn vermeerderd, en die uit de plebs door de vergaderingen der plebejers werden benoemd. Deze tribunen werden bijgestaan doorplebeïsche politie-magistraten (aediles) en hadden tot taak de plebejers tegen de willekeur der patricische overheidspersonen te beschermen, zij konden daartoe protesteeren tegen hunne besluiten en door dat protest de uitvoering van zulk een besluit beletten (veto). Altijd moest gedurende zijn ambtsjaar zulk een tribuun binnen de stad zijn, en zijn huis moest dag en nacht voor hen, die zijn hulp kwamen inroepen, openstaan, hun persoonlijkheid was onschendbaar (sacrosanctus.)
J Na dezen tijd staan dus de beide standen in Rome eigenlijk als twee met elkander verbonden staten nevens elkander, later eerst zullen de plebejers er op uit zijn gelijkstelling van politieke rechten te verkrijgen. In de eerstvolgende jaren na de instelling van het volkstribunaat, vinden wij telkens de rechten en aanmatiging der patriciërs in botsing komen met den nu behoorlijk staatkundig geregelden toestand der plebejers, het spreekt van zelf dat men gaarne het door den nood afgedwongen tribunaat aan de plebs weder ontnomen had (sagen van Coriolan.us en den volkstribuun Genucius 473). Patriciërs die meeradenquot;ple--tejers genegen waren en aan nen ook deel wilden geven in het / bezit van het staatsdomein, werden ter dood gebracht (Sp. Cas-/ /-
sius 486\'). De plebejers hadden ook hunne eigene vergaderingen, waarin een tribuun het voorzitterschap bekleedde; «■■MMiHÜik kwam\\ daar alleen de plebs bijeen, en werden er de tribunen en aedilen gekozen {concilia plebis), later toea in 449 eene wet had
94.
Oorlogen met de naburige volken en hevige besmettelijke ziekten deden wellicht voor een poos den strijd tusschen de standen bedaren, toen in 462 de volkstribuun C. Terentilius Arsa, aangespoord door de willekeurige rechtspraak der patricische magistraten, voorstelde dat eene commissie van vijf plebejers zou worden belast met het samenstellen van geschreven wetten. De strijd over dit voorstel liep zoo hoog, dat in 460 de plebs een oogenblik er aan dacht gemeene zaak te maken met den Sabijn Appius Herdonius, die met zijn volk het Capi-tool had overrompeld, doch spoedig weder verdreven werd. Schoorvoetende gaf de senaat loe en zocht eerst door andere concessien de plebs te winnen: in 457 werd het aantal tribunen op tien gebracht, een paar jaren later het recht van boete opleggen beperkt, maar eindelijk moest ook de hoofdzaak worden ingewilligd en in 454 werd besloten in de comitia centuriata eene commissie van tienmannen te kiezen, die het nieuwe recht te boek zouden stellen.
Eerst echter werd een gezantschap naar Athene en naareenige grieksche steden in Zuid-Italië gezonden, om daar de wetten te bestudeeren. Voor 452 werden in die commissie van tienmannen slechts patriciërs gekozen, in 451 werden de andere overheidsambten, consulaat en tribunaat, tijdelijk buiten werking gesteld enkregen die tienmannen het hoogste gezag in handen, zonder dat beroep op het volk was toegelaten. Tegen het einde van hun ambtsjaar, werd een wet in tien tafelen openbaar gemaakt, die na goedkeuring van den senaat door de centurien werd aangenomen. Maar nog was de zaak niet geheel gereed; voor 450 werden weder tienmannen gekozen, waaronder ook plebejers waren. Die commissie schijnt plannen te hebben gekoesterd, waardoor een geheel nieuwe staatsregeling zou zijn ontstaan, moet zeer willekeurig en tyran-niek te werk zijn gegaan, (sage van Appius Claudius), en ook quot; getracht hebben hun ambtstijd boven den gezetten tijd te verlengen. Dit maakte dat het decemviraat werd afgeschaft, de consuls traden weder op, (die eerst van toen af dien naam kregen) en ook de volkstribunen. Er was thans een geschreven wet van twaalf tafelen. Daarop is een reeks van wetten gevolgd, die den staatkundigen toestand van de plebs regelden; er werd o. a. vast-
gesteld dat de tribunen voortaan het recht zouden hebben de senaatszittingen bij te wonen; ook de benoeming der quaestoren,
die in het vervolg alleen financie-magistraten zijn, werd aan de consuls ontnomen en zou plaats vinden in de comitia tributa,
die zooals wij boven reeds zagen ook in dezen tijd ontstonden
rr* quot;II 1 i ~ 1 linnr —p\'^irjiirlir
(TvtiU(i(Ajpersori55s,.
Na den tijd der tienmannen , heeft de p/eis steeds zich beijverd den strijd voort te zetten om staatkundige gelijkstelling te verkrijgen. De eerstvolgende poging vond plaats in 445 door (den tribuun C. Canulejus, die voorstelde dat de huwelijken tusschen patriciërs en plebejers wettig zouden zijn: dat is de kin-J vj deren van een patriciër en eene vrouw uit de plebs zouden niet j i meer zooals vroeger plebejers maar patriciërs zijn. Canulejus 4 kreeg dit voorstel er door, en nu wenschte men ook aan de ple-V bejers toegang te verleenen tot het consulaat. Daarover ontbrandde J een hevige strijd1; de tribunen beletten de werving van troepen . ■,
en de zittingen van den senaat, maar toch konden de patriciërs -dit gewichtige punt niet toegeven, er werd een soort van overeenkomst gesloten, men gaf n.1. aan de plebejers het recht als / ijJ. militaire overheidspersonen een met het consulaat gelijkstaand^5 / ambt te vervullen (krijgstribunen met consulaire bevoegdheid).*-quot;*quot; f Deze toegeeflijkheid bleef echter langen tijd een concessie in naam; telkens wisten namelijk de patriciërs de keuze van consuls en dus van hun gelijken door te zetten, of anders,\' als er krijgstribunen werden benoemd, die ook uit hun stand te doen verkiezen (tot 401). Tevens werd een deel der consulaire bevoegdheid op een ander uitsluitend patricisch ambt overgebracht door de instelling in 444 der twee censoren, waardoor tevens de con- ^v suis van een zeer omvangrijk deel hunner taak werden ontheven. \'
Deze nieuwe overheidspersonen waren belast met het houden van den census, (schatting, volkstelling en nieuwe organisatie der burgers). Als die census was afgeloopen, moest de censor een reinigingsoffer {lustrum) verrichten. Van daar heet ook de ge-heele tijdruimte tusschen den eenen census en den anderen lustrum; dit was eerst vier jaren, later vijf. In 433 bepaalde een wet
% *
W 11 III ii
Pa.
(quot;Ui
96
dat de censoren gedurende anderhalf jaar hun ambt bekleeden zouden; zoodat nu alle vijf jaren voor 18 maanden twee censoren werden gekozen, terwijl er gedurende den overigen tijd van het lustrum geene censoren waren. De vergadering der centurièn i koos deze overheidspersonen aanvankelijk uitsluitend uit de pa-\'h v triciërs, eerst in 339 is bij eene wet vastgesteld dat een der . - \' censoren een pleBSJff moest zijn. Behalve den census van het geheele volk moesten de censoren eene soort van militaire Inspectie Jjouden over de ridders, den senaat aanvullen met nieuwe leden,
\'én\'het toezicht uitoefenen over dezeden. De burgers konden door ■ quot;de cehso\'rYn wegens onbehoorlijke handelingen worden gedegra-t/\' y u dgerd, en hun burgerrecht verliezen, ridders en senatoren uit hun_
stand worden teruggezet. De volgende censoren konden echter zulk een gedegradeerden burger weder in zijnen vroegeren staat herstellen. Enkele andere verplichtingen zooals het verpachten der . staatseigendommen, het aanbesteden der openbare werken a» der belastingen , benevens het1 toezicht op gêbomven waren1 evenzeer de taSk der censoren^*-^ De regelmatige vorderingen der plebejers in hun wedstrijd om l jfeSQ \'S staatkundige gelijkstelling werden in 439 nog eens gestoord door ■ ƒ\'den moord, dien Servilius Ahala bedreef op Sp. MaeHus,
een plebejer; deze daad bleef echter niet ongestraft, want de ^ moordenaar moest voor de volkswoede uit Rome wijken. In 421
kregen de plebejers de bevoegdheid zich weder voor éen der ambten verkiesbaar te stellen n.1. voor de quaestuur.
Deze verschillende woelingen in den staat gingen gepaard met veelvuldige buitenlandsche oorlogen; de voornaamste vijanden,
die Rome in dezen tijd te bekampen had, waren de Etrusci uit Veji en Fidenae, de Satijnen, de Aequi en de Volscen. Deze oorlogen, die veelal uit rooftochten ontstonden of zich daarbij bepaalden, nameg^ toch ook dikwijls een zeer ernstig karakter aan [477 Cnemcra , ^06 Fabii\\ Het verbond der Romeinen met de Latijnen had gedurende deze herhaalde oorlogen, weder meer het karakter gekregen van eene hegemonie.
In 437 brak een nieuwe krijg met Veji uit, omdat de van Rome afhankelijke stad /Fidenae zich aan de Vejenters aansloot; kort daarna echter veroverden de romeinsche troepen Fi-
L amp;
olt;i
t
(JU.
v
v ; y ■ %%
Op Oj itM.lt;CueJU D-i
foamp;AA) .\'| i dxyv^-*^ JU^ Ql (kQ^x^/y^vO^ **j\\A.KAJL -ds
^Zl3 iMto ok O^ t.
*11 j.\' ,„/OLCxygt;jv-t* ^\'\' fy ^ ® ot/. ■\'5 •W-lt;jm./u o,gt;^,7
fQZvi uaJo^U 4-lt;a^ iJLj^-^
denae en sloot Veji een wapenstilstand voor acht jaren, die echter \'\'
ook weder spoedig voor oorlog plaats maakte, waarin de Romeinen wederom zegevierden.
In den loop der vijfde eeuw was de macht der Rasennae zeer gedaald: de Grieken op Sicilië waren hunne geduchte tegenstanders , die hun veel afbreuk op zee deden, en hen in^74^ aangevoerd door Hiero I van Syracuse, verbonden met de Grieken yan Cyme, bij die stad een geduchte nederlaag toebrachten. Te land zoowel in Etrurie zelf als in Campanie\\iïAd.etxamp;e Rasennae te strijden tegen de Samniten en LucaniCrs; in 424 was de ctruscische hoofdstad van Campanie, Capua hun quot; ontnomen,
waarna spoedig uit, dit deel van Italië het etruscische element geheel verdrongen werd. Tegelijker tijd kwamen de Kelten hen in het noorden bestoken, en verschillende keltischc volksstammen .vestigden zich in de /Vlanden (§ 19). ^ ■ /\' !
In 404 belegerden de Romeinen de stad Veji, en bij dezen ^
belegeringskrijg bleven de troepen voor het eerst den winjgr door .
in het veld, ook kregen de soldaten toert\' voor het eerst solaij.
De veldheer, onder wiens aanvoering de.Römeinen toen stonden was M. Furius Camillus. die in 396 als dictator Veji heeft ingenomen. Nadat nu allengs de macht der Etrtiscen was gedaald en eindelijk zoo aanzienlijk was verminderd door de invallen der Kelten, leerden ook de Romeinen voor het eerst deze geduchte tegenstanders kennen. De volksstam der Sen on es belegerde Clu-sium, een hulpverzoek der Clusynen gaf Rome aanleiding in diplomatieke onderhandelingen te treden met de Kelten, maar toen deze mislukten en de gezanten ook deel namen aan de gevechten der Clusynen, rukten de Senunes regelrecht op Rome aan en brachten den Romeinen onder hunnen Brennus, (leger- quot; 1
hoofd) een geduchte nederlaag toe aan de Alia, een linker zijriviertje van den Tiber, (390 of 388). Daarna werd Rome j ingenomen en in de asch gelegdquot;, het Capitool schijnt een blok- V.
kade te hebben doorstaan, evenwel noopten ziekten en ongunstige tijdingen uit hun eigen landstreken de Kelten af te trekken,
en zich voorloopig te vreden te stellen met eene groote som gelds. De romeinsche nationale trots, die ongaarne een nederlaag erkennen wilde, gaf van deze geschiedenis later eene geheel andere
a^-tf
98
voorstelling. Rome werd weder opgebouwd en had daarna op nieuw gelegenheid de omringende volken te bestrijden.
Toen de buitenlandsche vijand, zij het dan ook met zware verliezen, was afgeslagen, verkeerden deels ook ten gevolge van de groote noodzakelijke onkosten aan het weder opbouwen der stad verbonden, de plebejers weder bijna in even treurigen toestand als in 494, hun leider en voorvechter de patriciër M. Manlius werd ter dood gebracht (384).
Eindelijk stonden uit de plebs twee mannen op, C. Licinius Stolo en L. Sextius Lateranus, die zich ten taak stelden door nieuwe wetsvoorstellen voor goed aan alle grieven een einde te maken (376).!iVooreerst zou ten behoeve der schuldenaars, wat reeds aan rente was betaald, van het kapitaal worden afgetrokken , en de rest der schuld in drie gelijke deelen binnen drie jaren worden aangezuiverd voorts zou niemand meer dan 500 jugera (125 bunders ongeveer) domeingrond mogen bezitten; het consulair-tribunaat zou worden afgeschaft en een der beide consuls steeds een plebejer moeten wezen.
/K nu
b-\'i ^ /■
7
W.,vK
I . ,1
AP^-
I.
.\'•k
~r
gt;■
Jaren achtereen hebben de patriciërs de aanneming dezer Li-cinisch-Sextische wetten belet1). De tribunen, verhinderden door hun veto de verkiezing van consuls of consulair-tribunen,\' en de staat scheen in twee vijandige kampen verdeeld. Eindelijk kwam er eene bemiddeling tot stand mede onder den invloed van den ouden Camillas, die in 367 nogmaals tot dictator gekozen werd. L. Sextius, een der voorstellers werd voor de eerste consul uit de plebs. Om den laatsten tegenstand der patriciërs tot zwijgen te brengen, werd toegegeven dat de recht-sgraak van het consulaat zou worden afgenomen en het patricische\' ambt der praetuur zou worden ingesteld; aanvankelijk was er één praetor, later twee, vier, zes, acht, terwijl Caesar het aantal nog vermeerderd heeft. In 337 vinden wij reeds dat een plebejer de praetuur bekleedt. Nevens de plebejische aedilen
2\'i
\' f \'7
■ /)■\'
K\'
\') _ Men wilde deze staatkundige en sociale gelijkstelling der beide standen tot geen prijsimmers een voornaam godsdienstig bezwaar belette den patriciërs aan de plebs de - consulaire waardigheid toe te staan: de toekomst van den. staat meende men op liet spel te zetten wanneer de auspicia (§ 22j der.consuls door mannen uit de plebs konden worden gehouden.
4
■-5
•7
[ Q. i-ls\' . , i ,
v . , , vKgt;
VW \'.l-^
!.,^V-w
/vw
7V
gr • C-^--
. I \'-\'v I^AJCV^
kwamen in 366 evenzeer twee curulische aedilen, welk college gezamenlijk politie-functiên verrichtte.
Sedert dat nu ook het consulaat door de plebejers kon worden bekleed, was de staatsrechterlijke gelijkstelling tusschenpatriciërs en plebs bereikt; over de verdere godsdienstige bezwaren der patriciërs zegevierde de plebs in het jaar 300 toen eene wet werd aangenomen , die bepaalde dat enkele plaatsen in de priester-colleges der pontifices en augnres door plebejers zouden worden vervuld.
§ 24.
De uitbreiding van de Romeinsche macht over geheel Italic. De oorlogen van verschillende Italiaansche volken tegen Rome 343—264 v. Chr.
Gedurende den strijd tusschen de patriciërs en de plebs, dien wij in de vorige § hebben nagegaan, was de macht der Romeinen naar buiten eveneens zeer toegenomen, en in het midden der ^ vierde eeuw was Rome zonder tegenspraak de heerschende fl d/L.
gendheid in Midden-Italië. Tevens was het in dien tijd geworden
ppn militair f. staat, pn Hnnrin lacr Han nnV sninp rnenincr 7°*?*
een militaire staat, en daarin lag dan ook zijne roeping voor^^^ l/ ^ de toekomst: het moest de loopbaan volgen van alle miliiaircj,^.(.«ja«iuiai/ staten\';en zijne veroveringen steeds uitbreiden. Allereerst zou \'leCquot;
^dat doen door in te grijpen in de toestanden van Zuid-Italie. r\'f,
aanleiding was de volgende: De stad Capua in Cam panic was aangevallen door samnitische benden en riep Rome\'s hulp in,^*^
| daarbij haar geheele onderwerping onder de romeinsche heer-/8(-Yquot;^ ds. ^ schappij aanbiedende, als het verzoek zou wordeiT^ijigggüligd. De Romeinen vorderden daarop in 343^ dat de Samniten het^w gebied van Capita zouden verlatëff^erTToen zij dit weigerden^CW was eene oorlogsverklaring het gevolg. Daarmede begon die lange reeks van oorlogen van Rome tegen de nog onafhankelijke itali-Xvte, aansche volken die geëindigd zijn met de onderwerping van geheel Italië onder Rome\'s opperheerschappij, en dat het overwinnaar daaruit te voorschijn is getreden, dankte het aan «x-/EWjtvuwvL
100
zijne voortreffelijke legers niet alleen, maar ook aan zijne staatkundige eenheid, die het zoo machtig maakte tegenover zijne dikwijls verdeelde tegenstanders. Ook in die oorlogen is alles, wat ons daaromtrent is overgeleverd niet geheel historisch zeker,
eerst in het laatste gedeelte van dit ongeveer tachtigjarig tijdperk staan wij op vaster terrein. Omtrent dien allereersten oorlog, die /vermoedelijk maar één jaar heeft geduurd (343—342) en waarin jed\'^ Campanie het oorlogsterrein was, weten wij al zeer weinig. Rome moest vrede sluiten, omdat het reden had te vermoeden dat de Latijnen in opstand zouden komen, en de Samniten, omdat zij door de Tarentijnen werden bedreigd. Capua bleef aan de \\fr Romeinen. De gevreesde latijyischc oorlog brak werkelijk in 341- 3\'is uit, de Latijnen eischten voor zich het volle romeinsche burgerrecht en deel aan de ambten in Rome. Enkele andere volken sloten zich bij de Latijnen aan; maar eene overwinning van _ . quot; /L. Manlius Torquatus in 340 bij Lrifanum in het land der
v\'^Anrunci, in het Z. van Latium was de redding der Romeinen.
de beide volgende jaren kwamen de andere volken, die aanj y \'tien oorlog hadden deelgenomen, zooals üe^Volscen tot onder-werping. Daarna maakten de Romeinen gebruik van hun recht als overwinnaars door de oplossing van het lat ij 71 sche verbond (338). Verschillende steden moesten een gedeelte van hun grond-
gebied aan Rome^afstaan, andere werden koloniën. De latijnsche . steden werden 1 elk afzonderlijk met Rome verbonden, terwijl £ bondgenootschappen onderling verboden werden, enkele plaatsen V
verloren hare onafhankelijkheid en werden gemeenten van romein- •
sche burgers, terwijl anderen hare rechten en atitonomie behjel-^\'-y i\' den. Zoo kwam er allengs eene gëhêe1e~ïinïe van min of meer^jl onder Rome staande plaatsen, als voorposten tegen de volken ™ \' van Zuid-Italië, met wie men \'\'vroeg .of Iaat wel weder in oorlogstoestand zou zijn.
J\\-\' De Samniten hadden van hunne zijde niet met gelatenheid /i ij den aanleg dier geheele vestinglinie aangezien, zij wisten zeer pJjW goed dat de vestiging der Romeinen in plaatsen als CaTes, Fre-V-gellae, Sora, eigenlijk eene uitdaging was tot hen gericht, en het duurde dan ook ni^t lang of in 326 brak de tweede, meest langdurige en \\hozlt;S\\v(fysatnnitische oorlog uit, (326—304). De\'
A
Jamp;.
Jlo.
amp; F?
s? t
Ir
■^j
r:
If
U f
sgt;l Fr?
r •«MP1\'
b-?4*
t1 — •Ct
_ iHuJ
\'Jjil/Xi
lt;Ül p ^gt;— •
itit den)
ft
Jfjf
\'steund, doch hadden op listige wijze de samnitische bezetting weten te verwijderen, toen Rome hun een bondgenootschap aanbood op zeer voordeel ge voorwaarden. Dit was de aanleiding tot den oorlog, die aanving met een reeks van bloedige gevechten , waarin de Romeinen aanvankelijk in het voordeel waren, zoodat zelfs de Samniten in 322 om vrede smeekten, dien de Romeinen weigerden. Daarop gelukte het in 321 den Samniten-3.a.nvoeTAtr Gavius Pontius het romeinsche leger, dat aanrukte om het door de Samniten geblokkeerde Luceria in Apulic te ontzetten, h y\'in te sluiten in de passen van Caudium, en het zonder tegen-,,, ^ 14 , ^weer te noodzaken zich over te geven. De Samniten wisten echter Van ^\'e overw\'nn^nS geen partij te trekken, zij sloten een vrede \'\\)jgt; met de consuls, die met hun leger onder het juk moesten door-■^Ji^gaan. De senaat verklaarde echter dien vrede voor onwettig, \'■ omdat de toestemming der volksvergadering hierbij niet was gevraagd, en leverde de consuls aan de Samniten uit, welke echter door hen niet werden aangenomen. Lange jaren woedde daarna nog de oorlog voort in Campaniè en Apulie; in 314 en 312 begonnen de Romeinen hunne linien tegen het noordelijke gedeelte van Samnium door het aanleggen van voorposten en koloniën te versterken, en in het Ia«*ste jaar werd de groote . heirbaan van A p pi us Claudiusf(via A pp ia) van Rome naar Capita aangelegd. Op dat tijdstip eindelijk begon de al meer en meer benarde toestand der Samniten, en de toenemende macht der Romeinen de aandacht te trekken van andere italiaansche volken; eerst verklaarden de Etruscen, daarna de Umbrièrs aan Rome den oorlog. Op dit oorlogsterrein onderscheidde zich aan romeinsche zijde Q. F a bins Rullianus, die de Rasennae versloeg. IN a nog eene tweede overwinning konden de Romeinen hunr.e krachten besteden tegen de Umbrièrs, die bij Mevania werden verslagen. De Samniten hadden inmiddels nog eens het onderspit moeten delven en zagen zich na nog een nederlaag bij Bovianum verplicht vrede te sluiten (304). In naam was deze vrede een op den voet van gelijkheid gesloten verbond, inderdaad moesten de Samniten Rome\'s suprematie erkennen.
% Na dezen vrede volgden de Romeinen weder hun oude tac-
ét* 0
102
tiek: koloniën^ege^-^grden aangelegd. (Narnia in\'/ het N. en Alba in het Z.); en deze versterking en inrichting van romeinsche gebied wekte m 298 de Samniten er weder toe 0P nog eenmaal gewapenderhand hun geluk tegen de Romeinen te beproeven. Met drie legers zou Rome worden aangevallen, de Etruscen en Umbriè\'rs sloten zich bij hen aan, ja zelfs kel-A tische troepen der Setitm.es kwamen hunne legers versterken.
!U Tegen deze geduchte coalitie rukten in 295 de beide consuls P.
Decius Mus en Q. Fabius Rullianus met een leger van 60.000 man in het veld, langs den Tiber noordwaarts naar Utn-brie\' eene reserve zou Etrurie aanvallen; daardoor werden de ^ , Etruscen genoodzaakt uit het verbonden leger weg te trekken,
zoodat in den slag bij Sen tin 11 m in Umbrléj,2qcj) de Romeinen hoofdzakelijk tegen de Samniten en Kelten te strijden hadden. Deze bloedige slag,\' die in de geschiedenis beroemd is geworden door de zelfopoffering van Decius, eindigde met eene geheele overwinning voor Rome \'j. Daarmede was de zaak beslist, slechts , . ■ de Samniten hielden nog eenige jaren den strijd vol. In 290 % slöten zij met den consul M\'. Curius Dentatus vrede, eu ver
loren daarbij een belangrijk deel van hun grondgebied, dat met romeinsche koloniën zou worden oveidekt. Reeds een jaar voor het sluiten van den vrede was juist op de grens der Apulièrs, Lu can iers en Samniten de belangrijke vesting Venusia aangelegd.
Na het einde van dezen derden krijg niet de Samniten had Rome eigenlijk reeds de besliste hegemonie over het geheele schiereiland der Apennijnen. De volken van Italië werdén op weinige uitzonderingen na door de Romeinen als „bondgenooteri\' beschouwd , maar niet al die bondgenooten hadden dezelfde rechten. De zoogenaamde latijnsche bondgenooten (socii nominis lat in 1) hadden een veel gunstiger positie; wanneer b v. een hunner in Rome ging wonen kon hij daar dadelijk het burgerrecht verkrijgen, mits hij in zijn woonplaats maar een erfgenaam achterliet, evenzeer werd hij romeinsch burger als hij in zijne woonplaats
£ v
\') Volgens een door Livius medegedeeld verhaal zou Decius hier het voorbeeld gevolgd hebben van zijnen vader, die in den latijnschen oorlog in een slag bij den Vesuvius (,340) hetzelfde zou hebben gedaan.
4
103^
een ambt had bekleed. De niet-latijnsche,..bondgenooten vormen verreweg de meerderheid, het waren de overwonnen volken uit Samnium, Eirurie en Umbrie\' de verhouding dier verschillende volken tot Rome was niet bij allen dezelfde, meestal hadden zij een deel van hun grondgebied moeten afstaan, doch behielden hunne zelfstandige regeering onder eigen overheden: hun rechten en plichten waren duidelijk bij verdragen omschreven.
Nog anders was de toestand van die staten die op grond van herhaalde oproeren waren gestraft, zooals dat bij vele latijnsche, volscische en campaansche steden het geval was. Zij waren uitgesloten van alle staatkundige rechten en verkeerden ongeveer in denzelfden toestand, waarin voor 494 de plebs in Rome had verkeerd. Enkelen werden zelfs bestuurd door een jaarlijks uit Rome daarheen gezonden praefcctus {praefcctura); in den loop der tijden zijn echter de meesten hunner \'uit hun onderworpen toestand opgeheven.
Er was in 290 in Italië nog een sterke macht, die met leede oogen Rome had zien opkomen, n.1. de machtige stad Tarente. Het stichten van de kolonie Vetiusia was den Tarentijnen een doorn in het oog. Het eerste volk in Italië, dat bereid was hen bij te staan waren de Lucaniers, die jaren lang hunne verbitterde vijanden waren geweest, maar nu bezig waren enkele onafhankelijke grieksche steden in het zuiden van het schiereiland aan zich te onderwerpen. Thurii zocht tegen de Lucaniers. hulp bij de Romeinen. Deze eischten dat zij Thurii met rust zouden laten, maar het antwoord van de Lucaniers op Rome\'s eisch was een bondgenootschap met de Tarentijnen. Daarop ontstond er in geheel Italië weder eene omvangrijke beweging tegen Rome; in 284 versloegen de Senones een romeinsch leger, dat de etrus-cische stad Ar ret htm te hulp was gekomen ^ de italiaansche volken zagen dat het machtige Rome toch niet onoverwinnelijk was. Over de Senones en Boji herstelden de Romeinen hun invloed evenzeer door twee overwinningen, waarna de Kelten moesten vrede sluiten. Maar in Zuid-Italie was de gisting nog niet bedaard. In 282 ontzette C. Fabricius na eene overwinning op de Lucaniers de stad Thurii; nieuwe reden tot bezorgdheid voor de Tarentijnen. In hunne verbittering vernielden zij in 282 eene
. 102
F
tiek: koloniën^e^groote yegeQ-^erden aangelegd. {Narnia in7 het N. en Alba in het Z.); en deze versterking en inrichting van _ het romeinsche gebied wekte m 298 de Samniten er weder toe 0P no8 eenmaal gewapenderhand hun geluk tegen de Romeinen ji-w/e-y; te beproeven. Met drie legers zou Rome worden aangevallen, , de Eiruscen en Umbriers sloten zich bij hen aan, ja zelfs kel-iische troepen der Seritmes kwamen hunne legers versterken. y Tegen deze geduchte coalitie rukten in 295 de beide consuls P.
/ Decius Mus en Q. Fabius Rullianus met een leger van
60.000 man in het veld, langs den Tiber noordwaarts naar Um-bric\' eene reserve zou Etrurië aanvallen; daardoor werden de Etruscen genoodzaakt uit het verbonden leger weg te trekken, zoodat in den slag bij Sentinum in Umbrié^{2Q^] de Romeinen hoofdzakelijk tegen de Samniten en Kelten te strijden hadden. Deze bloedige slag,\' die in de geschiedenis beroemd is geworden door de zelfopoffering van Decius, eindigde met eene geheele overwinning voor Rome 1 j. Daarmede was de zaak beslist, slechts , .. de Samniten hielden nog eenige jaren den strijd vol. In 290 ^ ■^quot;T\'T^sloten zij met den consul M\'. Curius Dentatus vrede, en verloren daarbij een belangrijk deel van hun grondgebied, dat met romeinsche koloniën zou worden oveidekt. Eeeds een jaar voor het sluiten van den vrede was juist op de grens der Apuliers, Lucaniers en Samniten de belangrijke vesting Ven its ia aangelegd.
Na het einde van dezen derden krijg met de Samniten had Rome eigenlijk reeds de besliste hegemonie over het geheele schiereiland der Apennijnen. De volken van Italië werden op weinige uitzonderingen na door de Romeinen als „bondgenootenquot; beschouwd, maar niet al die bondgenooten hadden dezelfde rechten. De zoogenaamde latijnsche bondgenooten (socii nominis latim) hadden een veel gunstiger positie; wanneer b v. een hunner in Rome ging wonen kon hij daar dadelijk het burgerrecht verkrijgen , mits hij in zijn woonplaats maar een erfgenaam achterliet, evenzeer werd hij romeinsch burger als hij in zijne woonplaats
Volgens een door Livius medegedeeld verhaal zou Decius hier het voorbeeld gevolgd hebben van zijnen vader, die in den latijnschen oorlog in een slag bij den Vesuvius ^340) hetzelfde zou hebben gedaan.
103^
een ambt had bekleed. De }iiet-iaHjnsche,.\\ionAgenooie.Ti vormen verreweg de meerderheid, het waren de overwonnen volken uit Samniunt, Etrurie en Umhrie\' de verhouding dier verschillende volken tot Rome was niet bij allen dezelfde, meestal hadden zij een deel van hun grondgebied moeten afstaan, doch behielden hunne zelfstandige regeering onder eigen overheden: hun rechten en plichten waren duidelijk bij verdragen omschreven.
Nog anders was de toestand van die staten die op grond van herhaalde oproeren waren gestraft, zooals dat bij vele laiijnsche, volscische en campaansche steden het geval was. Zij waren uitgesloten van alle staatkundige rechten en verkeerden ongeveer in denzelfden toestand, waarin voor 494 de plebs in Rome had verkeerd. Enkelen werden zelfs bestuurd door een jaarlijks uit Rome daarheen gezonden praefcctus [pracfcciiira); in den loop der tijden zijn echter de meesten hunner \'uit hun onderworpen toestand opgeheven.
Er was in 290 in Italië nog een sterke macht, die met leede oogen Rome had zien opkomen, n.1. de machtige stad Tarente. Plet stichten van de kolonie Venusia was den Tarentijnen een doorn in het oog. Het eerste volk in Italië, dat bereid was hen bij te staan waren de Lucaniürs, die jaren lang hunne verbitterde vijanden waren geweest, maar nu bezig waren enkele onafhankelijke grieksche steden in het zuiden van het schiereiland aan zich te onderwerpen. Thiirii zocht tegen de lucaniers hulp bij de Romeinen. Deze eischten dat zij TJntrii met rust zouden laten, maar het antwoord van de Lucaniers op Rome\'s eisch was een bondgenootschap met de Tarentijnen. Daarop ontstond er in geheel Italië weder eene omvangrijke beweging tegen Rome; in 284 versloegen de Semnes een romeinsch leger, dat de etrus-cische stad Ar ret in m te hulp was gekomen^ de italiaansche volken zagen dat het machtige Rome toch niet onoverwinnelijk was. Over de Semmes en Boji herstelden de Romeinen hun invloed evenzeer door twee overwinningen, waarna de Kelten moesten vrede sluiten. Maar in Zuid-Italië was de gisting nog niet bedaard. In 282 ontzette C. Fabricius na eene overwinning op de Lucaniers de stad Thnrii; nieuwe reden tot bezorgdheid voor de Tarentijnen. In hunne verbittering vernielden zij in 282 eene
104
romeinsche flottielje die naar Sena aan de Adriatische zee, waar eene kolonie was aangelegd, zeilde, omdat die schepen tegen het verdrag van 304 kaap Lacinium omgevaren en in de haven van Tarente waren binnengeloopen. ^ij overvielen daarna het door de Romeinen bezette Thiirii en verdreven het garnizoen. Oorlog met Rome was dus onvermijdelijk, maar alleen waagden zij het niet den thans reeds zoo machtigen staat aan te tasten en-riepen koning Pvrrhus van Epirus te hulp. Deze, een zeer avontuurlijk man, zooals de diadochen-\\.\\]A er meer heeft aan te, wijzen, kwam in 280 met een vrij talrijk leger en 20 olifanten J\' naar Italië; eerst moest hij de Grieken aan de krijgstucht gewennen rukte toen\' den Romeinen te gemoet en versloeg hen in 28q_ bij Htraclm. Daarna hoopte hij een vrede te (kunnen verkrijgen en zond als bemiddelaar Cineas naar Rome. Deze koiv^ echter onverrichter zake vertrekken, na het trotsche antwoord
__ vernomen te hebben, dat Rome met geen vijand onderhandelde
x-U-^zoolang diens troepen nog op italiaanschen bodemstonden. Eene tweede overwinning werd door Pyrrhus in 279 bij A\\fyculum \' in Apulic behaald, maar door de zware opofferingen die zij hem gekost had, wanhoopte hij toch aan het bereiken van zijn doel. Hij sloot een wapenstilstand met de Romeinen en gaf gehoor aan een verzoek der Sicilianen om hulp tegen de Carthagers. In vier jaren had hij daar vele voordeelen behaald, doch ook hier bedroog hij zich in den geest der grieksche bevolking en stuitte op de kustvestingen der Carthagers\', in 275 kwam hij we-der in Tarente en leed nog in hetzelfde jaar een zware nederlaag .„T^^^V^bij Mahcfiitum in Samnium tegen M\'. Curius Dentatus.
Daarop begaf hij zich in 274 weder naar Epirus^ Twee jaren later werd Tarente cijnsplichtig. ^ zj-v
Daarmede zijn de groote oorlogen, die Rome te voeren ha.d\'*A° om zijne suprematie in Italië te vestigen ten einde. ^
óW-iw lL 0C\\M OJ, ^ ^
éJjt ^ /ygt; At* lt; JkA
/
\\
O
11
IA jJ
105
TWEEDE TIJDPERK 264—133 V. CHR.
§ 25-
De eerste Punische oorlog 264—241 v. Chr.
De eerste buitenlandsche mogendheid, met welke Rome te strijden had na de onderwerping van Italië ,^^s Carthago. Deze stad die in de 9dlt;! eeuw voor onze jaartelling 0oor Phocniciers ^
waarschijnlijlc uit Tyrus, op de noordkust van Africa was gesticht, ft was in^den loop der tijden de eerste handelsstad der wereld gevvor-^ 0 /s den J Eerst bracht zij de oudere phoenicische nederzettingen op dé\' J f yhy noordkust van Africa onder hare hegemonie, daarna de koloniën^ der Tyriè\'rs in Zuid-Spanje en op de meeste eilanden der Mid^0quot;^ ^ dellandsche zee {Sicilië, Sardinië, de Balearen e. a.). Al dej ^
koloniën die zij stichtte of veroverde, dienden als middelpunter^j^.^-^^ . van handel; Carthago was slechts een^rooteTandels- en geld^y macht, voor beschaving heeft het weinig of niets gedaan. De staatsregeling was aristocratisch , een raad met twee suff eten, bezat de wetgevende, rechterlijke en administratieve macht. De veld-heeren die de carthaagsche legers, welke meestal saamgesteld waren uit huurtroepeVi ■, aanvoerden waren verantwoording schuldig aan den raad der honderdmannen, die\'een soort van con-tróle over alle ambtenaren uitoefenden. De godsdienst der Car-^thagers was in hoofdzaak dezelfde als die der Phoeniciërs, de ^ • -uquot;vuurgod Moloch werd door hen met menschenoffers vereerd.
T» J J • 1 * T_ 1 J
a
Reeds sedert ruim twee eeuwen voor het uitbreken van den
eersten punischen oorlog hadden de Carthagers vasten voet op Sicilië, en na de nederlaagf^rler Atheners voor Syracuse hadden ^ ^ 3^ yunJi*, zij het plan opgevat het geheele\'eiland aan zich te onderwerpen Na den ■ terugtocht van Pyrrhus waren de betrekkingen van^^i^WAA»^ Carthago met Rome, die vroeger vriendschappelijk waren geweest,
getuige de beide handelsverdragen van ^09 en 348, verkoeld eivt 5 thans zou eene kleine onbeteekenende aanleiding de oorzaak zijn
v i
c/
J
l ^
van den strijd tusschen de groote handelsmogendheid uit Africa en de veroverende macht uit-Europa, waarbij het van den aanvang duidelijk merkbaar was, dat geen der twee rusten zou alvorens zjjn tegenstander te hebben vernietigd. Die aanleiding was de —volgende; eene in Cam pan ie geworven huurbende, de zooge-^ ^.yquot; quot;naamde Mamcriijnen (Mamers ss Marsquot;), die in dienst hadj\'^
\'■ gestaan van den tyran van Syracuse, Agathocles,-was na A^t^^V^^ctat deze vermoord was, door de Syracusanen vrijgelaten op J- V:mivoorwaarde dat zij Sicilië zouden ontruimen. Dit hadden zij echter -^v. j niet gedaan, doch integendeel zich meester gemaakt van Messana fW)Jili!\'i eQ z\'c^ genesteld. Vandaar uit maakten zij rooftochten
——~=r-v door het eiland. Hiëro II, koning van Syracuse wenschte hen
- *lv-. . ..
uit Messana te verdrijven, nadat hij hun eerst teeds andere na-ds^-hrt-^^quot;\'^deelen had toegebracht, en in die benarde omstandigheid schoot ^V^^^^^nun niets over dan of aan Carthago of aan Rome hulp te ver-zoeken. De Carthagers die het niet goed konden aanzien dat eene zoo machtige stad als Messana onder de heerschappij van I Syracuse komen zou^Jwlden al getracht te bemiddelen tusschen ^\'e r 0 en soloaten-repu^lte^ en onder den schijn dier be-Iv* v-nW-yii\'middeling, uit nijd tegen den koning van Syracuse, den Mamer-ju, lijnen reeds hulp beloofd. De meerderheid van hen besloot echter Iktwjj,Wj^^zieh tot Rome te wenden, omdat zij dat voordeeliger achtte, en z00 i^vaju jn 265 een hulpverzoek van hen aan den senaat. Deze stond voor eene zeer moeilijke beslissing, de bezetting van Mes-na ^etee^ende n.1. oorlog met Carthago, breken met Hiëro, quot;W-wvwu, aan Rome reeds vroeger eens tegen een dergelijke republiek
^in Rhegiutn hulp had verleend. De senaat durfde geen besluit %,syy.i nemen, de consuls legden de zaak aan de volksvergadering voor
-vwXl,,, en hgf romeinsche volk besliste ten gunste der Mamcriijnen.
~ De Carthagers waren zeer verstoord over dit besluit, en begonnen langs diplomatieken weg onderhandelingen aan te knoopen met de minderheid die voor een hulpverzoek aan Carthago was geweest, zij brachten een vrede tusschen de Mamertijnen en .Sj1-racuse tot stand en hadden den burcht van de stad reeds bezet, s toen de voorhoede van het romeinsche leger te Rhegiutn kwam. De Mamertijnen verklaarden toen de hulp der Romeinen niet meer noodig te hebben, doch deze.laatsten lieten zich zoo niet afschepen;
if
Vx^pO^Z. L^^i 00 * i, . -ca\'quot; -gt;l**^.~ \'fr*— - ^quot;«-i I»«~J ^ttv^vwu M^Mgt;^\\jL. ML—V\\-~S~*~ . «CK^ s»M-« oi^- lt;^* C^-^t-u ■ **■ ---------
■rU^JLJL °ieU~~l*, n^u-^p cte
HfZ\'/- i^JL ^^^^x^LcillLi CM. A/#- Vj
I,»^e£^. namp;j/ j^tvw — 107-t~\'\'~quot;- lt;**— öa^U^L^f.^ L
ÜlA^Vamp;\'tyU^l9— [ AfLlJ.
de voorhoede van hun leger onder C. Claudius ging met moeite over de straat van Messana waar de carthaagsche bevelhebber —..l-,_^.-_ H a n n o gevangen genomen, en zijne troepen tot den aftocht .-■ . -gedwongen werden/Daarmede was de teerling geworpen en schoot den Carthagers niets over, dan aan de Romeinen den oorlog te \' ;-
...^ verklaren. \\jr. *.% -. ?v
Inmiddels was de romeinsche hoofdmacht ook naar Sicilië gekomen en nam de aanvoerder App. Claudius Messana in.quot;
Deze inneming was het eerste feit van een reeks schitterende krijgsverrichtingen op Sicilië, waarbij een der consuls zich zoo onderscheidde, dat hij voor zich en zijn geslacht rtijr naar den naam der stad den eernaam Messala verwierf (M. Valerius Maxiraus). Toen de Romeinen met zooveel voordeel daar streden , veranderde ook H i e r o van Syracuse van partij en werd een trouw bondgenoot der Romeinen, die hun nog menigen dienst heeft kunnen bewijzen. ^ i-l-\'Jquot;
Het eerste wat den Carthagers, na zich behoorlijk -tot den strijd te hebben toegerust, te doen stond. was. te trachten de Romeinen uit Sicilië te dringen? de veldheer die daarmede werd belast, werd echter in Agrigentum (Akragas) ingesloten en een carthaagsch leger dat tot ontzet was komen aanrukken, werd te gelijk met het bezettingsleger onder de muren der stad verslagen, \'
waarna de stad zelve in 262 den Romeinen in handen vieljHoe schitterend ook de vooMeelen waren, die Rome te land\'óp de Carthagers behaalde, was het toch duidelijk dat men alleen met legers hun niet genoeg af breuk kon doen; om eène mogendheid alsquot;
Carthago met vrucht te kunnen bestrijden, had men voor alles behoefte aan een vloot, want ter zee hadden de Carthagers nog onbetwist de heerschappij, de Romeinen hadden wel eene marine,
maar de schepen waren van gansch ander kaliber dan de carthaagsche. Naar het model van een gestrand carthaagsch schip werd nu eene romeinsche vloot gebouwd, en met die vloot behaalde C. D ui li us in 260 bij \' My lae aan de noordkust van Sicilië eene belangrijke overwinning. De enterbruggen maakten dat ook in dit zeegevecht de kern der romeinsche strijdmacht, de legioensoldaten hunne diensten konden bewijzen. Toen het nu in 259 den Romeinen gelukte de Carthagers uit Corsica te
t
■ \'tw, - \'A-J1-.
tir quot;
U. C4JL V. Uv*
108
verdrijven en zij nog andere voordeelen ter zee hadden behaald, besloot men tot de koene daad, de Carthagers in Africa zelf aan te tasten. In het voorjaar van 21;6 liep eene romejnsche vloot van 330 groote oorlogsschepen met 40.000 man landingstroepen onder de consuls M. Atilius Rej^ulus en L. Manlius Vulso naar Africa uit en leverde eerst bij kaap Ecnomus aan de zuidkust van Sicilië, met schitterend gevolg den grootsten zeeslag dien de oudheid kent. Eene nog sterker carthaagscWe vloot werd daar geheel verslagen, en de weg naar Africa stond thans voor de Romeinen open; zij landden weldra te Clypea, en maakten dat tot basis hunner krijgsoperatien. Belangrijke voordeelen in Africa behaald, brachten den senaat er toe een der consuls met de helft van het leger terug te roepen; Regu-lus bleef alleen achter met ruim 15.000 man en 40 schepen, en drong zegevierend door tot in de nabijheid van Carthago, zoodat zelfs met hem over een vrede onderhandeld werd. Maar de voorwaarden, die hij stelde waren voor de Carthagers ten eenenmale onaannemelijk, hij verlangde niets minder dan het afstaan van Sardinië en\'Sicilië aan Rome, dat Carthago zich schikken zou onder de romeinsche heerschappij, voortaan maar één oorlogsschip bezitten en niet weer oorlog naar eigen goedvinden zou mogen verklaren. \' Deze hoonende eisch met welks bewilliging Carthago aan Rome onderdanig zou zijn geworden, gaf aan het volk de kracht om zich toe te rusten tot eene wanhopige verdediging. De Spartaan Xanthippus werd met het bevel over het car-thaagsche leger belast, \'met een macht iets sterker dan die van Regulus rukte hij tegen de Romeinen op, en behaalde bij Tunes in 255 eene volkotnene overwinning; slechts een klein deel van het Romeinsche leger ontkwam naar Clypea, en Regulus zelf was krijgsgevangen. Legenden die haren oorsprong vinden in den doodelijken haat der Romeinen tegen de Carthagers, hebben verhaald dat Regulus door de Carthagers zou zijn doodgemarteld, hij heeft echter naar alle waarschijnlijkheid nog eenige jaren in Carthago geleefd, en heeft daar eene meer menschelijke behandeling ondervonden dan zijne vrouw in Rome aan carthaagsche krijgsgevangenen uit wraakzucht deed ondergaan.
De overwinning der Carthagers van 255 was voor de Romeinen
109
niet de eenige tegenspoed dien zij moesten verduren; de vloot) die het overschot der romeinsche legermacht uit Africa terugbracht, verging grootendeels, twee jaar later trof een andere zeeramp eene romeinsche vloot bij kaap Palinurus in Lucanic. In 254 viel de stad Panormos op Sicilië den Romeinen in handen 7~en sedert dit wapenfeit stond de oorlog een poos stilj de beide krijgvoerende mogendheden hadden zulke zware verliezen geleden, dat men eigenlijk tot geene krachtige daden meer in staat wasj eerst in 250 behaalden de Romeinen onder L. Cae^ cilius^MeteHus weder eene belangrijke overwinning bij Pa-nofmos, en dit gaT hun weder zooveel moed dat zij besloten\' nog eenmaal eene vloot uit te rusten om de Carthagers uit hunne laatste vestingen op Sicilië, Drepana en lilyhaeum (op de westkust) te verdrijven. Een carthaagsch gezantschap, dat om vrede kwam verzoeken, moest onverrichter zake terugkeeren; de legende wil dat het deze zending is geweest waaraan ook Re-gulus zou hebben deelgenomen. AVakker verdedigden zich de Carthagers bij Drepana, dat door de Romeinen werd geblokkeerd en in 249 verloor de consul P. Claudhis Pulcher bij een aanval op quot;die stad een zeeslag, (verhaal der puilt). In 247 kwam een jong bekwaam carthaagsch veldheer op Sicilië, Ha-milcar Barcas (bliksem) 90 deze begon aldaar den kleinen oorlog tegen de Romeinen.TD^ar?oe bezette hij bij Panormos de rots Heirctc en drie jaren ia ter den berg Eryx bij Drepana. De toestand op Sicilië was nu feitelijk deze, dat de partij, die eene beslissende nederlaag leed, den krijg zou\'moeten opgeven. Aanzienlijke romeinsche burgers besloten uit eigen middelen eene vloot uit te rusten, de senaat gaf ook nog enkele schepen en beloofde na eene overwinning de gemaakte kosten te vergoeden, zoodat in 242 tweehonderd nieuwe oorlogsschepen weder zee konden kiezen onder den consul C. Lutatius Catulus. Hij deed een aanval op Drepana en werd daarbij gewond; daarna koos hij eene stelling bij Aegtisa het grootste der Aegatlschc eilanden (241). Eene carthaagsche vloot, die tegen hem opvoer, werd aangetast) het eigenlijke opperbevel in dien slag, schoon geleverd onder leiding van den gewonden Catulus werd bekleed door den praetor P. Valerius Falto. De Romeinen bleven over-
winnaars en de kracht der Carthagers was hiermede gebroken. Hamilcar en zijn onoverwonnen troepen moesten aftrekken. Carthago moest Sicilië afstaan, de romeinsche krijgsgevangenen zonder losgeld uitleveren en beloven koning Hiero van Syracuse en andere romeinsche bondgenooten niet te zullen beoorlogen, tevens werd eene oorlogsschatting opgelegd van 3200 talenten waarvan 1000 dadelijk te betalen, de rest binnen 10 jaren (vrede van Catulus). . * ; ^ Sicilië werd h\'eF\'eerste romeinsche wingewest (provincid). Een landstreek die als eene romeinsche provincie werd georganiseerd, werd bestuurd door een stadhouder met een of meer quaestoren. In het algemeen zijn de bewoners der provinciën wat hunne staatsrechterlijke positie betreft onderdanen, slechts maakten daarop die steden eene uitzondering die door een verbond of door eene wet of senaatsbesluit een anderen rechtstoestand hadden gekregen. Men onderscheidt dus in de provinciën: steden die afhankelijk waren, vrije staten die met Rome een verbond hadden gesloten, of die door een wet eene bevoorrechte positie hadden gekregen, en eindelijk romeinsche municipia en koloniën. Het bestuur over de romeinsche provinciën was dikwijls zeer willekeurig en inhalig, en vele maatreg werden geheven/ ___
provinciën te fnuiken en^/de bestuurders te verrijken, die jaarlijks afwisselden en reeds daardoor in den regel geen hart voor de bewoners der wingewesten hebben konden.
De tijd tusschen den eersten en tweeden Punischen oorlog 241—218 v. Chr.
\\
__Was Carthago reeds diep vernederd door den vrede van\\Catulus, nog zou het in zijn eigen grondgebied zwaarder tegenspoeden te doorstaan hebben. De geldmiddelen van den staat waren natuurlijk in zeer ongunstigen toestand en de regeering
JE-
Ill
berekende met koopmans-zuinigheid, dat men van het loon, dat den huurlingen nog verschuldigd was, slechts een gedeelte zou betalen. Toen die groote massa van kelt is die, spaansche en afri-caansche huursoldaten eenmaal tegelijker tijd naar Africa was overgebracht, wat ook een groote fout was, rukten zij nog door africaansche opstandelingen versterkt, ten getale van ongeveer 70.000 man, onder aanvoering van den Campaniêr Sj3endues en den Libljer Mathüs op de hoofdstad aan. Tegenover dit dreigend gevaar, besloot quot;Carthago eindelijk, nadat andere veldheeren minder gelukkig geweest waren het opperbevel aan H a m i 1 c a r Barcas in handen te geven. Deze behaalde eene overwinning op hen en kreeg eindelijk door woordbreuk hun leiders en onder- \'• handelaars in handen, waarna de volgelingen in menigte werden neergesabeld.
Tijdens dat huurlingen-oproer waren ook de troepen op Sardinia aan het muiten geslagen en toen de inwoners van het eiland hen in het nauw brachten, riepen zij de hulp der Romeinen in. In 238 gaf de senaat aan het verzoek dier bandieten gehoor,
en toen de carthaagsche regeering, na het dempen van den opstand hare rechten op Sardinië wilde doen gelden, verklaarde de senaat den oorlog. Een oorlog met Rome kon de uitgeputte staat op dat oogenblik natuurlijk niet voeren, hij moest tot * ,, eiken prijs vrede houden en daarom Sardinia laten varen en ////*. bovendien nog de 1200 talenten betalen, die Rome gebruik makende van den toestand eischte. Het eiland Sardinia werd in 1 /ƒ//,- /£l If U*. 227 met Corsica onder het bestuur van ééneru\'- praetor gesteldj/ ^**1 dë römeinsche beschaving echter is er eigenlijk nooit geheel\' doorgedrongen.
Kort na deze gebeurtenissen kwamen de Romeinen voor het eerst in aanraking met de bewoners aan de overzijde der Adria-tisthe zee. Op de oostelijke kust van die zee lag de kaperstaat der Illyriars, niet alleen de grieksche kusten werden door die zeeroovers geplunderd, maar dikwerf ook römeinsche schepen door hen buit gemaakt. Op verzoek van de grieksche stad Tssa,
op het gelijknamige eiland in de Adriatische zee gelegen, besloot de senaat tusschen beide te komen, en toen een der afgezonden bemiddelaars op last der koningin T e u t a van Scodra was ver-
gt;0, jf^aZ-z^A— — /rlt;i^r^Yvi,
/?j}~ //f
{/ móórd, werd haar de oorlog verklaard. Deze eindigde zeer gunstig voor de Romeinen, de hoofden van den staat Scodra werden voortaan aan Rome schatplichtig, eene nieuwe provincie werd aldaar nog voorloopig niet georganiseerd, wel kwamen er op de eilanden Issa en Corcyra ronaeinsche praefecten. Het ten onder brengen dier gevreesde zeeroovers gaf aanleiding dat de Atheners in 228 uit dankbaarheid een bondgenootschap met de Romeinen sloten en men hun den toegang verleende tot de Isthmisc/ie spelen.
In dezen tijd beginnen de Romeinen ook meer hun aandacht
/te schenken aan de /Vvlakte. C. Flaminius had een voorstel gedaan het land derte schenken aan de /Vvlakte. C. Flaminius had een voorstel gedaan het land der Senones aan romeinsche boeren ter bebouwing toe te wijzen. De senaat had dit geweigerd, maar met hulp van de vergadering der tribus had hij het er toch doorgekregen.
Deze romeinsche nederzettingen aldaar hadden de verontwaardiging gaande gemaakt van enkele keltische volksstammen, zooals de Boji en Insubres, en zoo werd een oorlog met de Kelten onvermijdelijk. In 225 vielen talrijke keltische benden inEtrurii 1 li J en rukten voort tot Clnsium. Een consul die op Sardinië was,\'1,1,
M lt;iis\\ hield hen staande en hij en zijn ambtgenoot slaagden er in door ! I lt;7 het bloedige treffen bij Tclamon de hoofdmacht der indringers
te vernielen. Daarop werd een aanval gewaagd op het gebied der Boji en toen die gelukt was, stonden de Romeinen aan de Po. Deze werd overgetrokken, en meer door den moed zijner soldaten dan door zijne persoonlijke bekwaamheden behaalde C. f, Flaminius in 223 eene overwinning op de Insubres. Eena f^J\' /Q^d^weede overwinning werd in het volgende jaar door M. Clau-^/^/ , ^ r\'l/- ji dius Marcellus bij Clastidium bevochten, de kcltischê hoofd-: ^ II man werd daar door den romeinschen consul in een tweegevecht/PTZy
gedood {spolia opnna) en daarna Mediola?ium stormenderhand J ingenomen. Daarmede waren de Romeinen meester van de Po-streken, waar zij zich bezig hielden koloniën te stichten, en was hun macht uitgebreid tot aan den voet der Alpen. Nog was dit gebied kwalijk onderworpen toen Hannibal naderde.
De partij van Hamilcar in Carthago was machtig na het bedwingen van den opstand der huursoldaten, en die invloedrijke positie wendde iiij aan om pogingen in het werk te stellen Car-
j ^ tl V L-ibtsy rL
113
v
tgt;~amp;C
thago\'s deerlijk geschokte macht te versterken door het zoeken van een vast uitgangspunt voor nieuwe krijgstoerustingen in het Westen. De spaansche koloniën waren tot op dat tijdstip door Carthago nog weinig benuttigd, hij ging nu daarheen om er voor zijne vaderstad een nieuw rijk te grondvesten. H a m i 1 c a r \'s staatkunde werd na zijn dood (in 229 of 228) voortgezet door Hasdrubal zijn schoonzoon, die door de officieren als aanvoerder verkozen en wiens benoeming daarna door de regeering werd bekrachtigd. Hasdrubal was meer diplomaat dan veldheer, door verdragen bedong hij vele voordeden voor de Car-thagers, en tijdens zijn bevelhebberschap zijn de fundamenten gelegd voor de hoofdstad der carthaagsche bezittingen in Spanje: Nieuw-Carthago {Cartagena). Langzamerhand waren de Romeinen er opmerkzaam op geworden hoe de macht hunner tegenstanders in het Iberische schiereiland belangrijk toenam , zij meenden althans voorloopig langs dip\'omatieken weg te moeten toonen dat de zaak aan hunne aandacht niet was ontgaan. Aanleiding daartoe vonden zij in de komst van een gezantschap in Rome uit de grieksche kolonie Saguntum (thans Murviedro\'), waarschijnlijk in 226 of 225, dat den senaat wees op het steeds toenemen der carthaagsche macht in Spanje. Een verdrag, dat daarop met Hasdrubal totstandkwam, legde aan de Carthagers de verplichting op den Ebro niet met een krijgsmacht over te trekken, en bepaalde dat de strikte neutraliteit en zelfstandigheid van Saguntum zou worden gehandhaafd, want die der andere Grieken lag reeds opgesloten in de bepaling betreffende het niet overtrekken van den Ebro.
Tot dat verdrag liet Hasdrubal zich vinden, immers de carthaagsche veroveringen in Spanje hadden op dat tijdstip den Ebro nog lang niet bereikt. Zoo waren de omstandigheden in het ibe-risch schiereiland toen Hasdrubal in 221 door sluipmoord om het leven kwam, en het leger Harmilcar\'s zoon Hannibal tot opperbevelhebber uitriep, die Op dat oogenblik nog geen 30 jaren telde. Hij had van zijnen vader met diens veldheerstalenten ook den doodelijken haat tegen Rome geërfd, en was om zijne groote gehardheid en schitterende gaven bij de soldaten buitengewoon bemind. Ha,nnibal begreep dat het allereerst op zijn
MARGADAKT, Grieken en Romeinen. S
fquot;quot;
Af* \'
Irrs Iv d u. i
ti
fi.^
\'..\'■ - • • 114
: t i i1*- ^ -■ - Cl__Ctsy* I-. t f\': f, _\' ■;. ï/\'\'^\' -/ W
weg lag de carthaagsche heerschappij over Spanje te voltooien, vooral nu de Romeinen zich met de aangelegenheden in het schiereiland hadden bemoeid, en zoo verliep het jaar 220 met * veldtochten tegen spaansche volksstammen. Daarop eerst kon hij denken aan de vredebreuk met Rome; de naaste aanleiding daartoe schijnen de aangelegenheden in Saguntum zelf aan de hand te hebben gedaan. De leidende partij in die stad stond namelijk reeds geheel onder romeinschen invloed, reeds eenmaal
(m■■
U (-vi ort^/
4
had een scheidsrechterlijke uitspraak van den senaat tusschen de beide partijen aldaar beslist. Hannibal moest dus Saguntum beschouwen als een punt waar de Romeinen ten allen tijde een leger konden doen landen, en wilde ook zijnerzijds ingrijpen in den partijstrijd in die stad. Hij begon derhalve de stad te belegeren (219), en dat was in lijnrechten strijd met de bepalingen van het verdrag met Hasdrubal, trouwens de Romeinen hadden zich daaraan ook al niet gehouden, want door hunne inmenging was de voor Saguntum bepaalde neutraliteit geschonden. Toen de stad na een beleg van acht maanden door Hannibal was veroverd, kwam er een romeinsch gezantschap in Carthago met den eisch, dat hij zou worden uitgeleverd als de Carthagers prijs stelden op het behoud van den vrede. Toen deze eisch werd afgewezen, was daarmede de oorlog op nieuw verklaard. De verovering van Saguntum was dus de naaste, gezochte aanleiding tot dezen oorlog, de eigenlijke oorzaak lag in de steeds toegenomen verbittering tusschen Rome en Carthago na den vrede van 241, die zeker was gestegen door de gebeurtenissen op het eiland Sardinië.
§ 27.
De tweede Punische oorlog 218—201 v. Chr. \'i quot; quot; -
In de lente van 218 brak Hannibal van Nieuw-Carthago op met een leger van 90.000 man voetvolk en 12.000 ruiters en trok over den Ebro. Een leger van ruim 12.000 man was onder bevel van zijn broeder Hasdrubal in Spanje achtergeblevenen
C\' K*-quot;i1,-
w\'
-v:: /
lil
115
een derde krijgsmacht ongeveer even talrijk naar Africa gezonden. Niet zonder bloedige gevechten en zware verliezen bereikte het carthaagsche leger de Pyrenaeen, een deel der troepen werd daar nog achtergelaten, zoodat het leger thans nog slechts 50.000 man en 9000 ruiters telde. Met hen rukte Hannibal ongehinderd door Zuid-Gallië tot aan de Rhone en toen hij niet zonder moeilijkheden die rivier was overgetrokken, greep er voor het eerst eene schermutseling plaats met een romeinsche ruiterbende. Een der consuls voor 218, P. Cornelius Scipio had n.1. de opdracht gekregen van. Pisaè uit na\'ar de spaansche kust ten N. van den Ebro te zeilen, maar de legioenen die aanvankelijk bestemd waren onder zijn bevel naar Spanje te vertrekken, had men tegen de Kelte7i moeten gebruiken, die op het bericht van Hannibal\'s nadering in opstand waren gekomen. Toen Scipio eindelijk met nieuwe legioenen zee gekozen had, en in Massilia was aangekomen, vernam hij met verbazing dat Hannibal de Pyrenaeen reeds over was en de Rhone naderde, en dat het te laat was om hem den overtocht over die rivier nog te beletten. De consul zond daarop zijnen broeder Cn. Scipio met de hoofdmacht naar Spanje en keerde zelf naar Pisae terug. Na het overtrekken van de Rhone verrichtte het carthaagsche leger den tocht over de Alpen Het is niet zeker door welken pas Hannibal getrokken is, volgens sommigen zou hij door het dal van Cham-héry over den kleinen St. Bernhard, volgens anderen over den Mont-Genèvre zijn gegaan. Vijftien dagen duurde die moeilijke tocht, dien men in Rome voor geheel onmogelijk had aangezien, het klimaat en de aanvallen der bergbewoners teisterden het carthaagsche leger vreeselijk, zoodat, toen Hannibal in Noord-Italie aankwam hij nog slechts 30.000 man voetvolk en 6000 ruiters over had.
Inmiddels had Scipio troepen verzameld, en rukte over de Po de Carthagers tegemoet, en daarna over den licinus. Hannibal was na eerst de stad der Taurini te hebben ingenomen, evenzeer aldaar aangekomen. Een bloedig ruitergevecht werd bij de ontmoeting der beide legers aan den Ticinus geleverd (218j. de Romeinen werden geslagen en Scipio gewond, slechtsae moed van zijn lyjarigen zoon, den lateren overwinnaar bij
11(5
Zama, redde hem het leven. In allerijl moesten de Romeinen naar Placentia terugwijken: door dat gevecht waren zij uit Gallia Traiispadana geslagen. In het laatst van het jaar 218 vereenigde zich met Scipio de andere consul Ti. Sempronius Long us, die aanvankelijk door den senaat met een vloot en een leger naar Sicilië was gezonden om van Lilybaëum naar Africa over te steken, doch later was teruggeroepen. Men had in Rome van Hannibal\'s krijgsplan niet het minste vermoeden gehad. Toen Sempronius zich met het andere consulaire leger had vereenigd, stond weder een krijgsmacht van 40.000 man tegenover de Carthagers. Scipio was er vóór den slag te vermijden , Sempronius daarentegen wilde offensief optreden en daar zijn ambtgenoot zwaar gewond was, voerde hij het opperbevel en bood in de laatste dagen van 218 Hannibal een slag aan op den rechteroever van het riviertje de Trchia, die met een zware neerlaag voor de Romeinen eindigde, een groot deel van hun leger was gesneuveld. Zij stonden nu met een deerlijk geslagen , leger in een land, waarvan de bewoners hun ontrouw werden en in groote menigte naar Hannibal overliepen. Op dezen keliischen opstand, dien Hannibal aanwakkerde door steeds de keltische krijgsgevangenen zonder losgeld vrij te laten, had hij gerekend; steeds gaf hij aan de bewoners van Noord-Italie te verstaan, dat hij slechts gekomen was om hen van het romeinsche juk te bevrijden. Zijn geniaal inzicht had dezen geheelen oorlog tegen Rome op breeden grondslag ODcezet; \'.kriiesoueratiën in
met Macedoniëj ^n de kwalijk
1
worpen AV/^-stammen in , in ver-
eeniging met zijn eigen vaderland in Africa samenwerken om de romeinsche macht te vernietigen. Alleen van de Keilen heeft hij goede hulp genoten, in alle andere opzichten heeft hij zich misrekend, in Spanje had reeds op dit tijdstip C n. Scipio alle zeeplaatsen op de oostkust benoorden den Ebro in zijn macht, en waren reeds meerdere voordeelen op de carthaagsche troepen aldaar behaald.
Nog nimmer was de senaat en het romeinsche volk voor zulk een ernstigen toestand geplaatst als na de nederlaag bij de Trebia, en toch nam men nog niet die maatregelen, die de ernst van
Spanje l^ater een verbond
onder-
n~\'iL %
het oogenblik vorderde. Tot consuls voor 217 waren gekozen C. Flaminius en Cn. Servilius, de eerste was de man die eenmaal tegen de Galliërs had gestreden, hij was een bekwaam volksleider en geen bekwaam veldheer,\' dien men anders tegen Hannibal best had kunnen gebruiken. Tegen het einde van den winter brak het carthaagsche leger uit de winterkwartieren op, trok de Apennijnen over en kwam zoo in het stroomgebied van den Arnus. De tocht van Hannibal door deze streken was hoogst moeilijk, de rivier, die buiten hare oevers getreden was, had in dit seizoen het geheele omliggende land in een ijsvlakte herschapen. Soldaten en lastdieren bezweken in grooten getale en Hannibal zelf verloor zijn rechter oog. Daarna ging de tocht zuidwaarts^ wijd en zijd werd Etrurie door de carthaagsche troepen geplunderd, waardoor Flaminius zoo verstoord werd, dat hij zonder zijn ambtgenoot af te wachten, onbesuisd den vijand natrok tot bij het Trasimeensche meer eene plaats die door Hannibal met voordacht tot het leveren \'van een slag was uitgekozen. De Romeinen trokken onder een dichten nevel een nauwe bergengte binnen en toen allengs het uitzicht helderder werd, zagen zij zich omsingeld en overvleugeld door de Carthagers, die op de bergen stonden. Een slachting van eenige uren was het gevolg, Flaminius zelf behoorde onder de gesneuvelden, op weinigen na was het geheele leger vernield, en een hulpbende die de andere consul had vooruitgezonden viel evenzeer den Carthagers in handen. De weg naar Rome stond voor Hannibal open.
Tegen aller verwachting in rukte hij echter niet op Rome aan, maar trok door Ümbrié, naar de stranden van de Adriatische zee; ook zijn leger had veel geleden en zonder een vasten grondslag voor zijne krijgsoperatiën was een aanval op Rome voor hem zelf, zoo hij mislukt ware, vernietigend geweest. Voorloopig stelde hij zich tevreden met het landschap Picenum te verwoesten en zijn leger gedurende den rusttijd geheel op romeinsche wijze te wapenen met de buitgemaakte wapenrustingen. Daarop trok hij door de Sabellische streken van Midden-Italie naar Apnlic, te vergeefs zocht hij hier zich bondgenooten te verwerven, de Sa-bellen waren niet zoo gemakkelijk mede te sleepen als de Kelten.
/r -fa * t
118
In Rome had men inmiddels Q. F a b i u s M a x i m u s tot dictator benoemd en deze rukte zeer behoedzaam het carthaagsche leger na, altijd trachtende den slag te vermijden (Cunctaior) door Sam ti in m, naar Camp an ie en weer naar Apulie. Een poging om Hannibal den weg te versperren was mislukt door een krijgslist. Men begon in Rome en ook in het leger dat dralen van Fabius moede te worden, en gaf aan zijn magister equittim , M. Minucius Rufus evenzeer dictatoriale macht en de helft der legioenen. Toen echter deze tegen Hannibal een nederlaag had geleden, stelde hij zich vrijwillig weder onder de bevelen van Fabius.
Na afloop van Fabius\' dictatuur had men in Rome besloten weder een andere tactiek te gaan volgen en aanvallenderwijze te werk te gaan. De beide consuls voor 216, C. Terentius Varro een plebejer en L. Aemilius Paullus een man uk een zeer oud geslacht, werden aan het hoofd gesteld van een leger van 80.000 man en 6000 ruiters. Deze beide ambtgenooten, die het op niet veel punten eens waren, hadden om den anderen dag het opperbevel. Toen zij bij het romeinsche leger kwamen, had Hannibal reeds zijn hoofdkwartier te Cannae aan den Aufidiis. Aemilius en meer andere bezadigde bevelhebbers hadden gaarne een slag vermeden, maar Varro gaf, gebruik makende van een dag waarop de beslissing aan hem stond, last tot den strijd. Hannibal wenschte niets liever dan een veldslag op dit wederom met zorg door hem gekozen terrein, wel had hij de helft van het aantal voetvolk, dat de Romeinen in den slag brachten, maar zijne ruiterij was sterker en voor een ruiterstrijd was het terrein bij uitstek geschikt. De slag van Cannae in 216 is de zwaarste nederlaag; die Rome ooit heeft geleden: 70.000 Romeinen en bondgenooten waaronder de consul Aemilius Paullus, de oud-consul Servilius en 80 mannen van senatoren-rang bleven op het slagveld, slechts Varro redde zich met eene kleine ruiterbende naar Vennsia; Hannibal had ongeveer 8000 man verloren.
Ou
Onder den verpletterden indruk, dien deze nederlaag natuurlijk in Rome te weeg bracht, waande men Hannibal reeds voor de poorten der stad te zien en toch komt aan de Romeinen en
19\'
hi \'~\\j3ü
meer bijzonder aan den senaat de lof toe dezen zwaren slag met kalmte te hebben gedragen. Men dacht er niet aan vredesvoorslagen , evenmin aan den roekeloozen V a r r o, toen hij te Rome terugkeerde, verwijten te doen, maar dankte hem, dat hij niet had gewanhoopt aan de redding van den staat • voor alles namelijk wenschte men in de stad zelve de verdeeldheid niet te doen toenemen. Hannibal verscheen ook nu niet voor Rome, schoon enkele stemmen in zijn krijgsraad zich daarvoor verklaarden. Gewichtig waren voor hem de gevolgen van dien slag,\',vele romeinsche bondgenooten werden afvallig; \'JCapua sloot een verbond met Carthago waar men op het vernemen van de tijding besloot versterkingen naar Italië te zenden; verder kwam er in het volgende jaar een oL^en defensief verbond tusschen Hannibal en Phi-lippusTy/jan Macedonië tot stand. In hetzelfde jaar van Cannae verloor echter Has drub al in Spanje een slag tegen P. en Cn. Scipio, en deze nederlaag was van beteekenis, omdat althans uit Spanje nu in deze voor Rome zoo hachelijke omstandigheden geen versterking voor Hannibal te wachten was.
Nadat Varro van het leger was teruggeroepen, werd M. Claudius Marcellus met een commando belast, en werden zelfs slaven in de legioenen opgenomen. Het gelukte dezen veldheer nog in hetzelfde jaar Hannibal een échec toe te brengen bij No la in Campanie; tegelijker tijd kwamen er uit Spanje, steeds ongunstiger tijdingen; een en andermaal was Hasdrubal tegen de beide S c i p i o \'s daar in het nadeel en na korten tijd kwam er zelfs een verbond tegen de Carthagefs tot stand tusschen de romeinsche veldheeren in Spanje en den Numidiër Syphax, die in West-Nu vi idi£ ( Algiers) het bewind voerde. In Sicilië hadden de Romeinen kort na den slag van Cannae het verlies te betreuren van hunnen ouden bondgenoot Hiëro, zijn kleinzoon Hiëronymus die hem opvolgde, knoopte betrekkingen met Hannibal aan, en toen deze in 214 was vermoord, viel Syracuse openlijk van Rome af. Phi 1 ippus van Macedonië, die ingevolge het met Hannibal gesloten verbond, thans ook handelend wilde optreden, werd door de Romeinen gewikkeld in eenen oorlog met de Aei0Hérs, zoodat men voorloopig van hem niets te vreezen had. In de volgende jaren kwamen weinig betee-
/
cvgt;gt; V
L f —\'
uif
120
-----/ /
kende krijgsbedrijven voor, alleen Ti. Sempronius Gracchus behaalde eene overwinning op een carthaagsch bevelhebber bij Beneventum in 214. Eerst in 212 greep weder een belangrijk feit plaats quot;döór Marcellus\' inneming van Syracuse; toen in 210 ook Akragas aan de Romeinen in handen was gevallen, was de oorlog op Sicilië ten einde. Maar Hannibal behaalde in hetzelfde jaar 212 een belangrijk voordeel door de verovering van de stad Tare7ite en de omstandigheden in Spanje werden voor Rome evenzeer hoogst bedenkelijk door den dood der beide Scipio\'s en het verlies van een groot gedeelte van dat schiereiland; gelukkig dat Hasdrubal na den dood dier veldheeren door C. Claudius Nero aldaar in bedwang werd gehouden, en dus Hannibal weder op de steeds verlangde versterking wachten moest. In 211 vermocht hij niet de stad Capua te redden , 0^; „ .\' vv/5 die door de Romeinen belegerd werd, zelfs een marsch tot onder ( , 1 de muren van Rome kon den senaat niet doen besluiten de be-%\'K r ■ v \'egeringstroepen van Capua te doen terugkeeren. Deze stad werd , / Ji [ingenomen, en tot straf voor haar afval vernederd tot eeneprae-\'p\' ^ \'\' Jfectura (§ 23). Het lot van Capua bracht een geducht nadeel quot;toe aan de positie van Hannibal in Zuid-Italië, vele steden vroeger de carthaagsche zijde hadden gekozen , trachtten weder j Vvv«^ü\'*Sdp goeden voet met Rome te komen. In 209 viel Tarente den Romeinen weder in handen door toedoen van Fabius, en ook daar werd eene vreeselijke strafoefening op de afvalligen toegepast; in het volgende jaar had Rome het verlies te betreuren J van den flinksten bevelhebber, dien het op dat tijdstip bezat, \' Marcellus, hij sneuvelde op een verkenningstocht. Hannibal liet zijn lijk met militaire eer begraven; zulk eene ridderlijke handelwijze had hij steeds in acht genomen, als een romeinsch bevelhebber in den strijd was gevallen.
In 210 was in Spanje van romeinsche zijde, de man op het oorlogfferrëin verschenen, wien het ten slotte gelukken zou over den onoverwinnelijken Carthager te zegevieren: P. Cornelius Scipio; voorloopig waren echter zijne krijgsbewegingen tegen Hasdrubal niet zeer gelukkig, want deze wist hem te ontwijken en eindelijk in 208 den tocht naar Italië te aanvaarden, ten einde zich daar met zijn broeder te vereenigen en zoo gezamenlijk op
--------------- I
/g\' v\',1 **quot; • •\' ^
5K\')j
121
Rome los te rukken. Echter viel een bericht door Hasdrubal aan Hannibal afgezonden den Romeinen in handen, en dit bracht den consul Claudius Nero tot het koene besluit een deel van zijn leger tegenover Hannibal in Apulie te laten, en zelf in allerijl met het andere gedeelte naar het Noorden te rukken, naar Sena Gallied, waar hij zijnen ambtgenoot M. Livius Salinator met vier legioenen vond. Deze beide consulaire legers vielen Hasdrubal aan, terwijl hij op het punt was de rivier Metaurus over te trekken (207). In den slag liet hij zelf
■ I\' 1 11 11 \' * \'JUM IM\'IT»quot;
het leven; Italië was gered en de oorlog beslist ten gunste der Romeinen. Het afgehouwen hoofd zijns broeders werd in Hannibal\'s kamp geworpen, eene handelwijze die zeer ongunstig \'• afstak bij de wijze waarop de gesneuvelde romeinsche aanvoerders steeds door hem waren behandeld.
In 20^ kwam Scipio naar Italië, met het plan zich tot consul te laten verkiezen en dan den oorlog naar Africa over te brengen ; reeds stonden de Romeinen in verbinding met S y p h a x en ook met Masinissa, den vorst van Oost-fCimidië, en van Macedonië was voor de Carthagers geen hulp meer te wachten,
omdat nog steeds de Ae/olié\'rs door de Romeinen ondersteund, Philippus V beoorloogden. In den senaat vond echter het plan quot; »
tegenkanting, aan Scipio, die voor 205 werkelijk tot consul gekozen was, een commando in Africa te geven, eindelijk gaf men hem verlof op Sicilië zijne toerustingen voor te bereiden en bet volgendequot;jaaTnaar Africa over te steken. Dit geschiedde; in .■*
f den herfst van 204 landde hij met een talrijk leger niet ver van Ulica, welke stad hij begon te belegeren. Syphax had de car-thaagsche zijde gekozen en was behulpzaam Scipio te noodzaken het beleg van Ulica op te breken, doch weldra werd hij door toedoen van Rome\'s bondgenoot Masinissa ten ondergebracht en als krijgsgevangene aan de Romeinen uitgeleverd, zoodat thans geheel Numidie hen steunde. Nu restte den Carthagers niets dan Hannibal Iterug te roepen, vocfral nadat voorafgaande vredesonderhandelingen waren mislukt. In 202 werd daarop bij Zama (volgens anderen bij Naragarra) de beslissende slag geleverd,
waarin Scipio overwinnaar bleef en daarna ried Hannibal zelf zijnen landgenooten den vrede aan. De voorwaarden die
rj
v\'-
122 ♦
ü
yamp;rr*quot;
Scipio stelde waren:\' het uitleveren der carthaagsche vloot op tien schepen na, met het verbod er nieuwe bij te bouwen, gt;50 jaren lang elk jaar 200 talenten betalen, geen oorlog meer voeren buiten Africa, en in Africa slechts .mét toestemming der Ro-meinen, aan Masinissa alles teruggeven wat hij zelf en zijne voorouders hadden bezeten, daarentegen zou Carthago zijne autonomie en zijn grondgebied in Africa behouden. Carthago moest dien vrede, hoe de voorwaarden ook waren aannemen, en daarmede was het staatkundig vernietigd en feitelijk afhankelijk van Rome geworden. Scipio kreeg na zijn zegetocht den bijnaam --fiJ-U, Africanus. o/ttyoiitt /gt; /• {
De oorlogen met Macedonië en Syrië 200—189 v. Chr.
Al was Rome als overwinnaar uit den strijd te voorschijn getreden, het schiereiland Italië en meer bijzonder het zuidelijk gedeelte daarvan had door dien Hannibals-oorlog zeer veel geleden * immers op dat terrein hadden dertien jaren lang twee vijandelijke legers elkander bestreden; een aantal bewoners van Italië was door dien langdurigen krijg zeer verarmd en had zijne verwoeste landerijen moeten verlaten en van alles beroofd zich te Rome gaan vestigen. Ongelukkigerwijze trad na den vrede van 201 geen tijdperk van rust in, waarin de senaat den tijd zou hebben kunnen vinden maatregelen te beramen en ten uitvoer te brengen, die met het oog op de bedenkelijke toestanden in het schiereiland dringend noodig zouden zijn geweest. Evenwel is er in de volgende jaren aan de beste havens in Zuid-Italië eene reeks romeinsche koloniën aangelegd.
Enkele plaatsen, zooals b.v. Capua, die zich ontrouw aan Rome hadden betoond, moesten ondervinden dat zij voortaan geheel van Rome afhankelijk waren geworden. Later bij de behandeling der maatschappelijke woelingen tijdens de Gracchen zal er gelegenheid zijn te wijzen op de wanverhoudingen en bedenkelijke toestanden, waarvoor de tweede punische oorlog zeker mede de kiem heeft gelegd.
l 0%. t \'-év
In dezen zelfden tijd vinden wij ook de eerste sporen der romeinsche letterkunde, de oudste geschiedschrijvers, treur- en blijspeldichters behooren in dit tijdperk te huis.
Gelijk te verwachten was ontstond er weldra een nieuwe strijd op het terrein waar geen vrede was gesloten, n.1. met de Kelten, doch ook zij werden hoewel met veel inspanning ten onder gebracht en het geheele land tot de Po met nog meer romeinsche koloniën voorzien.\' Ook vinden wij dat in Spanje, waar de Romeinen bijna gedurende de geheele tweede eeuw v. Chr. oorloogden, reeds in dezen tijd is gestreden. In 1^7 werd Spanje wederom . na vroeger een tijdlang één wingewest te zijn geweest, in twee provinciën; Hispania citerior en ulterior, ingedeeld, die de zuidoostelijke helft van het schiereiland omvatten en Nieuw-Carthago en Cordïiba tot hoofdsteden hadden; later in den loop der eeuw is, zooals wij zien zullen, die tweede provincie nog vergroot door de verovering van Lusitanie.
. Vooreerst wachtte echter Rome nog de taak te strijden tegen den \'^Bondgenoot van Hannibal, Philippus V van Macedonië; deze wilde zich schadeloos stellen voor het geringe voordeel dat zijne oorlogen met de Aetolièrs en Rome hem hadden opgeleverd, en verbond zich met Antiochus III van Syrië om Aegypte van zijne buitenbezittingen te berooven, waar na 204 een troonstrijd was uitgebarsten, toen een vijfjarig kind als troonopvolger was nagelaten. Hij was daarop, toen hij aan zijne plannen gevolg gaf, ook in een oorlog gewikkeld met de Rhodiè\'rs, die hem vooral ter zee groote nadeelen toebrachten. Aanvankelijk zond de senaat in 201 eene observatievloot en eindelijk een gezantschap, dat van den koning eischte dat hij zou ophouden met zijne aanvallen op verschillende grieksche kuststeden en Aegypte, en den Rhodicrs voldoening zou geven volgens de uitspraak van scheidsrechters. Toen hij dat alles weigerde en in het volgende jaar Attica vreeselijk teisterde, was eene oorlogsverklaring het gevolg, men zou, naar het heette, trachteft Griekenland te bevrijden van de overheersching der Macedoniers. Ofschoon eerst in de lente van 199 de oorlog van de zijde der Romeinen ernstig ondernomen werd, hadden toch reeds in 200 vijandelijkheden plaats, zooals de bestorming van Chalcis op Euboea, waar Philippus veel
124
krijgsvoorraad had verzameld, welke daad hij beantwoordde door die vernieling van enkele plaatsen in Attica, nadat het hem mislukt was Athene bij verrassing in te nemen. Eene poging om het achaeisch verbond op zijne zijde te krijgen werd evenmin met gunstig gevolg bekroond, het besloot zich neutraal te houden en koos eindelijk partij voor de Romeinen. De krijgsverrichtingen van het jaar 199 waren van weinig beteekenis, eerst in 198 verscheen T. Quinctius Flamininus, de man, die zich in dezen oorlog naam zou maken in het romeinsche legerkamp. Hij rukte uit Phocis naar Thessalie, en leverde aldaar in den zomer van 197 Philippus den beslissenden veldslag van Cynoscephalae, dien de MacedoniOrs verloren. Een wapenstilstand\' was het gevolg en daarop kwam in het volgende jaar een vrede met Macedonië tot stand, waarbij het zich groote vernederingen moest laten welgevallen: het verloor namelijk al zijne bezittingen in Griekenland , op de eilanden, in Klein-Azië en Thracie, /en moest des verlangd aan Rome hulptroepen leveren ,, pok het recht van verbonden te sluiten en romeinsche bondgenodten aan te vallen werd Philip-p u sgt; benomen; voorts moest hij bijna zijn geheele vloot uitleveren en» schatting betalen. In hetzelfde jaar werd door Flamininus op de Isthmische spelen afgekondigd dat de Grieken geheel onafhankelijk waren. Hoe goed de senaat het op dat oogenblik met Griekenland bedoeld moge hebben , de roofzieke Aet0liers maakten zeer spoedig andere maatregelen noodig. Alvorens Flamininus uit Griekenland vertrok, vernederde hij nog eerst den tyran Nabis van Sparta\\ Daarop werden in 194 de romeinsche troepen \' uff\' GneÉènland teruggetrokken, iets wat op dit oogenblik juist zeepton voorzichtig was, omdat de betrekkingen van den senaat met koning Antiochus III van Syrië, die den ouden dood-- \' vyjind der Romeinen, Hannibal, aan zijn hof had, niet zeer gunstig waren. Na den vrede van 201 had men van Rome uit de positie van Hannibal in Carthago onmogelijk gemaakt. Hij was daar weder een zeer invloedrijk man geworden, waarschijnlijk V zelfs snQeet, en had door zijn voortreffelijk beheer gemaakt dat , de schatting geregeld werd opgebracht zonder dal er buitengewone belastingen behoefden geheven te worden. Dit kon men in Rome niet aanzien\' vermoedelijk moest een gezantschap Hannibal\'s
i; -rquot;
J* \\
uitlevering vragen maar deze ontweek bij tijds zijn vaderland en ging naar Azië, waar hij in vereeniging met Antiochus den oorlog tegen de Romeinen voorbereidde. Ook door de Aetoliers werd hij aangespoord, die Griekenland tegen Rome in het harnas jaagden. In 192 brak de oorlog uit, nadat reeds Nabis van Sparta het zwaard had getrokken tegen het achaeisch verbond. Deze werd echter spoedig met hulp van inmiddels aangekomene romeinsche versterkingen ten onder gebracht.
In plaats van gehoor te geven aan Hannibal\'s raadgevingen en den oorlog tegen Italië zelf te richten, liet Antiochus zich door de Aetoliers overhalen in Griekenland de Romeinen te bevechten f /vervreemdde Phi lip pus V van zich, die in dezen oorlog zijn natuurlijke bondgenoot zou geweest zijn, en beging fout op fout. Eerst in 191 kwam hij met de Romeinen in gevecht bij Thermopylae, waar hij een zware nederlaag leed, die hem noodzaakte in allerijl naar Ephisns te vluchten. Philippus die de Romeinen had bijgestaan werd schadeloos gesteld; in Europa woedde de oorlog nog twee jaren voort door toedoen der Aetoliers. Intusschen maakte Antiochus in Azie belangrijke krijgstoerustingen zoowel te land als ter zee.
In Rome had men voor het jaar 190 tot consul gekozen L. Cornelius Scipio, den broeder van den overwinnaar van Za7na, hij kreeg de leiding van den syrischen oorlog, maar zijn broeder Africanus ging mede in naam als legaat, maar inderdaad als de eigenlijke bevelhebber. Antiochus onderhandelde bij de komst van het romeinsche leger in Azië nog eerst over een vrede, maar toen hem de eisch gesteld werd geheel Voor-Azie tot aan den Jaurns af te staan, liet hij zich verlokken tot een slag. Deze werd in 190 geleverd bij het noordelijkst gelegen Magnesia aan het Sipylus-g€üQxgX.amp;, en liep zeer ongelukkig voor Antiochus af, wiens dubbel zoo sterk leger door de Romeinen geheel werd verslagen. Thans moest hij toch in den gestelden eisch bewilligen en Voor-Azië afstaan tot het Taurus-gebergte. Daarna moesten zich ook de Aetoliers onderwerpen. Voorts werden aan Antiochus bijna gelijkluidende voorwaarden opgelegd als aan Philippus V in 196, de staatkundige betee-kenis van het eens zoo machtige rijk der Seleuciden was verdwenen.
126
. /
Het op Antiochus veroverd grondgebied werd voor een deel gegeven aan de republiek Rhodus, n.1. een stuk van Car ie en Lycie. Koning Eu me nes II van Pergumum die den Romeinen gewichtige diensten had bewezen, kreeg lJ7ierso?iesus, Phrygié, Lydie, Carië tot den Maea7idcr, en een deel van Lycie. Ook de keltische macht in Azie, in Gala/ié\', werd evenzeer gefnuikt.
§ 29.- -
•\\ \\ A-t y ■ c
De 07iderwerping van Macedonië, Carthago en Griekenland 189—146 v. Chr.
Terwijl Rome zoo voortging op de baan der veroveringen, was er ook in den staat zelf niet altijd vrede. Juist in dat tijdperk , waarin de buitenlandsche staatkunde zoo zeer op den voorgrond treedt, was ook natuurlijk het lichaam dat de buitenlancsche aangelegenheden bestuurde, n.1. At senaat, hoe langer zoo invloedrijker geworden en kregen in dien senaat enkele voorname fami-liën {nobilej^, zooals b.v. die der S c i p i o \'s, langzamerhand alle macht. Een der personen die daartegen oppositie voerde was M. Porcius Cato (234—149), een type van oud-romeinsche gestrengheid, een man van groote bekwaamheden, maar die toch van eene zekere bekrompenheid niet valt vrij te pleiten. In 184 bekleedde hij op zeer strenge wijze censuur (C ut o censorius).
Aan die partij, van welke Cato een der voornaamste leiders was, gelukte het den overwinnaar van Zama, P. Scipio, aan te klagen wegens allerlei verkeerde praktijken die hij in Azië zou hebben bedreven, en evenzoo diens broeder L. Scipio, die in naam de bevelhebber in den syrischen oorlog was geweest; deze laatste werd slechts met moeite door Ti. Gracchus, den vader gered. P. Scipio trok zich uit het openbare leven terug en stierf in 183 op zijn landhuis in Campanie; in hetzelfde jaar overleed V ook zijn groote tegenstander Hannibal, die na den vrede met Syrië het hof van Antiochus had moeten verlaten en de wijk genomen had naar Pr us i as den koning van Bithynië; toen hij
127
op het pnnt stond door dezen aan de Romeinen te worden verraden , maakte hij door vergif een einde aan zijn leven.
Wat de buitenlandsche aangelegenheden betrof, richtte zich de blik van den senaat weder het eerst naar Macedonië. Hier regeerde nog altijd Philippus V, die zich voortdurend allerlei onaangename behandelingen moest laten welgevallen van de Romeinen en hun bondgenoot Eumenes II van Pergamum. Toen hem die vernederingen eindelijk hevig verbitterden, begon hij met eerst aan zijn eigen hof de romeinschgezinde partij, die daar een voornaam vertegenwoordiger vond in zijn jongeren zoon Demetrius, een gevoeligen slag toe te brengen , door, mede op aanstoken van zijn oudsten zoon Perseus, Demetrius te laten ombrengen (181). Terwijl hij nog toebereidselen maakte om de Romeinen te beoorlogen, stierf hij in 179 en werd door Perseus opgevolgd. De senaat kwam tot het inzicht dat Macedonië op den duur toch weder te machtig werd, dat bovendien de Grieken lang niet meer zoo afkeerig waren van de macedo-nische heerschappij als zij vroeger waren geweest, en tevens werden zij door hun spion in het Oosten, Eumenes II ingelicht dat Perseus groote toebereidselen maakte. Toen een romeinsch gezantschap aan het macedonische hof zeer trotsch werd bejegend , was daarmede de zaak beslist en was de romeinsche diplomatie er op uit den koning van Macedonië geheel van zijne bondgenooten te vervreemden, die met dat doel door verschillende romeinsche gezantschappen werden bewerkt, zoodat hij in 171 alleen stond toen de oorlog met Rome uitbrak. Aanvankelijk was in dien krijg het geluk den Romeinen niet gunstig, vooral ook _
door de onbekwaamheid hunner bevelhebbers en het gebrek aan y}
tucht bij de soldaten. Voor 168 werd als consul gekozen L. -■ Aemilius Paullus, de zoon van den bij Cannae gesneuvelden consul, een zeer bekwaam man. Hij versloeg Perseus in 168 bij Pydna, en met dien slag was het lot van Macedonië beslist,
de koning moest zich op genade of ongenade aan de Romeinen overgeven. De senaat besloot het land nog niet tot eene provincie te organiseeren, wel het onschadelijk te maken als mogendheid.
Daartoe werden de volgende maatregelen getroffen; alle voorname personen met hunne volwassen zoons werden naar Italië gedepor-
-y t- ](5^gt; 128
teerd, en het land zelf werd ingedeeld in vier kantons, die t-j-v • geheel van elkander afgescheiden zouden zijn, de helft van de M - door die ka?ttons opgebrachte belastingen moest als schatting aan de Romeinen worden betaald. Evenzeer werden in Griekenland om daar de nationale partij ten onder te brengen zeer harde maatregelen genomen, 1000 personen waaronder de geschied-schrijver^Po 1 ybius zouden naar Italië worden gebracht, zoo het heette orrTafdaar te worden in verhoor genomen over in het geheim met Perseus aangeknoopte betrekkingen. Van dat verhoor kwam echter niets, Polybius vincjen wij later in Rome terug als vriend van enkele voorname personen, de anAert Achneers werden eenvoudig als gedeporteerden naar de steden van Etrurie gezonden. In het jaar 150 verkreeg het overschot van hen de - , toestemming naar hun vaderland terug te keeren. Aan de republiek Rhodus werden weder de bezittingen in Lycie en Car ie ontnomen, omdat zij een poging tot bemiddeling had beproefd, en de man die in het Oosten steeds als romeinsch dwarskijker had dienst gedaan, Eu me nes II, werd, aangezien heT\'rtyli1 van Pergamum voor de Romeinen nu niet meer het gewicht van vroeger had, met minachting behandeld, evenals eens Philip-pus V na de vernedering van Syrië. Alleen Athene kreeg van o-*«.\'U Romginen de eilanden Delos en Lemnos ten geschenke^ In
• \' ^167 hield Aemilius Paullus zijn schitterenden zegetocht in Rome, die door Perseus als gevangene werd opgeluisterd, deze en zijn zoon leefden daarna nog eenige jaren in Italië.
In de volgende jaren vinden wij de Romeinen in moeilijke oorlogen gewikkeld op het ibensch schiereiland, waar zij met afwisselend geluk streden tegen de volksstammen der Vaccaei, Arevaci en Lusitaniers, en waar vele wreedheden door hen \' werden bedreven; later zal er gelegenheid zijn de spaansche oorlogen eenigszins breedvoeriger te beschouwen, omdat het gewichtigste tijdperk uit dien krijg eerst valt in den tijd nadat Rome had afgerekend met zijnen ouden vijand Carthago. Masinissa was in Africa voor de Carthagers na den vrede van 201 een zeer lastig nabuur geweest\' steeds breidde hij zijn rijk uit ten hunnen nadeele en vond voor die pogingen steun bij Rome; men kon aldaar namelijk niet velen dat Carthago ondanks zijne zware
i- J- ♦\'C-V-
i
129
vernedering toch betrekkelijk nog in bloeienden toestand verkeerde, en eene partij van welke wederom Cato de voornaamste woordvoerder was, rustte niet voordat deze gevaarlijke mededingster geheel was ten onder gebracht. Toen het in 151 tot een openlijke vredebreuk tusschen Carthago en Masinissa kwam, was de vrede van 201 geschonden, die den Carthagers verbood zonder toestemming van Rome oorlog te voeren, en besloot de senaat dan ook, voornamelijk door de steeds herhaalde aansporingen van Cato en den handelsnaijver der romeinsche koop- quot;i.:; lieden daartoe gebracht, aan Carthago den oorlog te verklaren. De Carthagers deden al het mogelijke ten einde dien te vermijden : zij getroostten zich, toen de twee consuls van het jaar 149 met hunne legermacht naar Afiica overstaken, alle mogelijke / vernederingen en opofferingen, doch hunne lijdzaamheid sloeg tot eene woedende verbittering over, toen van hen geèischt werd hunne stad te verlaten en op eene andere plaats, waar zij verkozen, mits twee mijlen van de zee verwijderd, eene andere stad te stichten. Nu besloten zij met de kracht der wanhoop hunne vaderstad te verdedigen. In datzelfde jaar (149) stierven in Rome en in Africa Carthago\'s twee hardnekkigste vijanden, Cato en Masinissa.PDe man, die in het leger dat Carthago nu insloot, de eer lt;iw romeinsche wapenen zou handhaven was een zoon van^A emilius Paullus, den o v erwinnaar van Pydna, die door den oudsten zoon van Scipio Africanus was geadopteerd: P. Cornelius ScipiojAemilianus; aanvankelijk kon hij weinig uitrichten, doch toen hij voor 147 \'tot consul was gekozen, nam hij die maatregelen, die in het volgende jaar Carthago hebben doen vallen. Van land- en zeezijde blokkeerde hij de stad en daarna begon, toen de bezetting was uitgehongerd, een vreeselijk straatgevecht, dat zeven dagen duurde. Ten slotte werd de stad in brand gestoken, de grond waarop zij gestaan had ten eeuwigen tijde met een vloek beladen, en het grondgebied^ in 146 een~quot;fómeinsch wingewest o\'nder den naam Africa, met Utica tot hoofdstad.
1 tnlt; ■O
\'s-/
jUj
. Cl!\' • lt;
VTt
i/
In Griekenland was inmiddels herhaaldelijk de romeinsche tusschenkomst ingeroepen in binnenlandsche aangelegenheden, zonder dat Romè, dat in Spanje, Africa en Macedonië genoeg Grieken en Romeinen. . 9
MARC.ADAM\',
130
te doen had, ernstig zijn aandacht aan den toestand aldaar kon wijden. In 149 was in Macedonië een opstand ontstaan onder leiding van een persoon die zich uitgaf voor een zoon van Phi-lippus V, of naar men ook wel meent, voor een zoon van Perseus. In werkelijkheid was deze Pseudo-Philip pus een voller.. Aiidriscus genaamd, afkomstig uit eene grieksche stad in Klein-Azië. Deze pretendent wist zich zulk een invloed te verschaffen, dat de senaat krachtdadig besloot tusschen beide te komen, en Q. Caecilius Metellus een zeer bekwaam veld-v- heer naar Macedonië zond. Deze versloeg Andriscus een en
andermaal en organiseerde Macedonië als eerTTomeinsch winge-j west. Daarop werd het achaeïsch verbond, dat door zijn voorzitter Critolaus tot een oorlog met Rome werd aangestookt, eene verpletterende nederlaag toegebracht door Metellus bij Scar-phêa in Locris. In 146 kwam de consul\'M u m m i us in Griekenland en overwon de Achaeërs nog eenmaal op den Isthmus. De stad Corinthe viel na dien slaa; den Romeinen in handen, en
^ i fl KVW ...
v quot; M u m m 1 u s het haar op last van den senaat verbranden: ook
hier speelde de naijver der romeinsche kooplieden een rol. Dit feit maakt een einde aan de zelfstandigheid van Griekenland, in menigte stroomden de Grieken naar de westersche - -laiuJen en y i.\' verbreidden daar hunne beschaving maar ook hunne zedelijke
verdorvenheid. Staatsrechtelijk werd Griekenland een onderdeel van de provincie Macedonië, een te Thessalontca verblijfhoudend landvoogd regeerde over het gewest, dat beide landen omvatte (146).\' Eerst in den tijd van keizer Augustus werd Achaje, zoquot;oaIs de Romeinen Griekenland als wingewest noemden, een ^ afzonderlijke provincie.
De Grieken zijn echter in elk opzicht door de Romeinen altijd veel genadiger behandeld dan andere volken.
§ 30- V1 -
De maatschappelijke toestand in Italië. — De oorlogen tegen de Lusitaniërs en tegen Numantia 146—133 v. Chr.
Met de veroveringen die Rome in de laatste jaren had gemaakt, had het inderdaad zijn wereldrijk gevestigd. Van alle landen
^ •\' I c\'-k-
J? .
i,. t-1
131
rondom de Middellandsche zee was alleen Spanje nog in oorlogs- -,, toestand, maar de groote grieksche mogendheden uit het Oosten, Xy die overblijfselen van het wereldrijk van Alexander den Groote, \'
waren óf geheel onderworpen óf erkenden Rome althans als eene macht, die zij ontzagen en vreesden (C. Popilius Laenas en Anti och us IV Epiphanes). De laatste vorst van Pergït-mum, At tal us III, die in 133 na eene zeer wreede regeering overleed zonder wettige erfgenamen, liet hetzij dan bij echte hetzij onechte testamentaire beschikking zijn rijk aan de Romeinen na, en daarmede verkregen zij het schoonste gedeelte van Klein-Azië.
Deze groote uitbreiding van het rijk droeg echter de kiemen 7^ van verval in zich?]/ Het bestuur der onderworpen wingewesten, \'
wier bewoners men niet vermocht voor zich te winnen en met hun nieuwen toestand te verzoenen, maar die door de jaarlijks afwisselende stadhouders dikwijls op de gruwelijkste wijze werden mishandeld, omdat die hun ambt als een middel beschouwden om zich te verrijken, wees op zware misbruiken. Van lieverlede begon de regeeringsstand (de nobiles of optimates) zich als de heerschende klasse te beschouwen, die de verschillende onder-deelen van het rijk eenvoudig tot haar voordeel kon exploiteeren, ^ zoo zelfs dat in 14Q een vaste rechtbank- moest worden belast A met het onderzoek naar de knevelarijen in de wingewesten,
■ wanneer de onderdanen aldaar hun grieven blootlegden tegen de/in , romeinsche landvoogden {quaesiio de repetundis). De toestanderw^ quot;ZZ in Italië zelf werkten echter er ook toe mede eene revolutie voor quot;— te bereiden :l|de staatkunde, die de Romeinen tegenover de onderworpen bewoners .van Italië volgden, moest bij hen wel ontevredenheid wekken wzij werden vaak met minachting behandeld, en toch waren zij het die een niet onbelangrijk deel der strijdkrachten .leverden, welke aan Rome zijne overwinningen mogelijk maakten;
Jkde herhaaldelijk uitgedrukte wensch der bondgenooten om niet \' alleen de nadeelen, maar ook door de verleening van het volle burgerrecht de voordeelen van het romeinsche staatsleven te genieten bleef on verhoord.Een ander bedenkelijk verschijnsel was het toenemende proletariaat in Rome zelf, de groote massa der stedelijke bevolking, die stemde in de volksvergaderingen en die hare landelijke leefwijze en verblijf had vaarwel gezegd, omdat . 1.
n ^eurry
U4 Ju—
0. CiA\'X
, . . - ...... - ^
• l-i\\ ; \'i- \\ A ^v.A «b.
* A-V -i %Cjff st t • , - \' /V *t~ \'£\'•■■
iïiei. J i. /
132-
tc.
ff.i gt;
CU*-
v7 t ^
de arbeid, dien zij vroeger verrichtte, thans bijna uitsluitend door slaven werd verricht ;J(\\e toenemende slavernij is in werkelijkheid een der zwaarste wj/nden geweest waaraan de romeinsche maatschappij van die dagen leed, ^(slavenoorlogen op Sicilië, „koning Eunusquot;) eensdeels omdat\' door hpn thans den boeren het werk werd ontnomen, anderdeels omdat het groote aantal van vrijgelaten slaven een verderfelijken invloed uitoefende op de burgerij en haar staatkundig leven. In bet begin der tweedy eeuw vinden wij bij herhaling nieuwe regelingen der censors omtrent den staatkundigen toestand der vrijgelatenen, die het bewijs leveren dat reeds toen hun toenemend aantal voortdurend bij de romeinsche staatslieden een voorwerp van bezorgdheid was.^[Naast die proletariërs en vrijgelatenen vinden wij den adelstand, den ouden patricischen geboorte-adel, en den nieuweren ambts-adel (nobilitas), een stand die meer en meer een oligarchisch karakter aanneemt, en niet dan zelden een man die niet tot hem behoorde {homo novus), den toegang tot de hoogere ambten verleende. Eene wet van den tribuun L. Villius (180 v. Chr.) regelde de opvolging der ambten en stelde de bepaalde tusschenruimte vast, die er moest verloopen voor men na een lager ambt een hooger kon bekleeden, ook vinden wij dat er reeds omstreeks 159 bepalingen zijn vastgesteld tegen het toenemende kwaad van omkooping der kiezers (ambitus\'), een kwaad dat er natuurlijk niet beter op werd naarmate het aantal onbe-\' vv middelde stemgerechtigden in Rome steeg. Rome\'s toenemende rijkdommen, die zoo belangrijk waren dat na den oorlog met Perseus er zelfs geene directe belastingen meer van de burgers werden gevorderd, hadden tevens het aanzijn geschonken aan een soort van geld-aristocratie, die in de provinciën als belastingpachters (publicani) werkzaam, een wezenlijke macht in den staat vertegenwoordigde door hare belangrijke financiëele specu-gt; latien. Als stand heetten deze lieden, ridders, en tot hen behoorden allen, die ook zonder krijgsdienst te paard te verrichten, den riddercensns van 400 000 sestertiën (iets meer dan 40.000 gulden) bereikten. Hun strijd tegen de senaats-partij en hunne staatkundige beteekenis zal in het vervolg nog meermalen worden besproken. Niet van belang ontbloot voor den maatschappelijken
Llt;!
i
At-»
Oti
7 7Z 57-gt; /e»- /.- A» » .■ \' ; ut_
^i^^Cc~-yct1\'^ ^\'z {/lt;hj) J*-amp; i-*-if.ij ■ i C- ypl^t/gt; l£lt;~*-gt; ïgt; amp;t* - . gt; /— ^ f.. .rCx.-^^.^ i\'j i,____
L33.
toestand van die dagen is ook het feit dat de grieksche beschaving al meer en meer begon veld te winnen, en op het romeinsche leven en ook op de letterkunde reeds van dien tijd haren be-slissenden invloed deed gevoelen (het romeinsche blij- en treurspel: Plautus, Terentius, Pacuvius, Accius). „
Boven zagen wij reeds dat van den kring der landen rondom^^ / de Middellandsche zee, Sicilië met zijn slavenkrijg en vooral je het in.de^en ti ien praetor * Gaiol
uiers onder den schijn hun akkers te zullen aanwijzen had laten n-,/ dooden, en meer andere bloeddorstige buitensporigheden van^ romeinsche bevelhebbers in Spanje hadden aldaar een algemeenen haat tegen Rome gekweekt. Gelijk meermalen in den loop der geschiedenis ontstond er in het iberisch schiereiland een voor de Romeinen aller verderfelijkste ^uer\'tïlc^, onder leiding van Viria-thus. Gedurende vele jaren heeft deze legeraanvoerder den Romeinen zware nederlagen toegebracht en wekte door zijne behaalde voordeelen andere, celtiberische volksstammen in Spanje tolverzet tegen Rome op; de voor de spaansche stammen gunstige gesteldheid van het oorlogsterrein en de onbekwaamheid der romeinsche bevelhebbers bezorgden hun in de volgende jaren nog menige overwinning op de legioenen, tot eindelijk i 1^139, de ziel van krijg Viriathus door zijne 1 \'\' \'
dTe\'^met dien dood
\'\'met dien dood voor zicli lijtsbelioud van romeinschen consul kochten. Daarmede was de lusitanische oorlog ten einde, maar nog niet die met de stad. Nu mant ia aan den Dicrro, in het gebied der Arevaci. De tucht in het romeinsche leger liet zeer veel te wenschen óver, het verval, dat in den maatschappelijken toestand in Italië merkbaar was, had zich ook al onder de legioenen doen gevoelen. In 137 ondervond de consul C. Hostilius Mancinus daarvan de nadeelige gevolgen, daar een legerafdeeling onder zijne bevelen op een valsch alarm ^ vluchtte, en daardoor den A1 umantijncn de gelegenheid gai Ae \\ door hen ingesloten Romeinen tot eenen voordeeligen vrede te V noodzaken. Dit verdrag werd echter door den senaai niet goed- I gekeurd en de consul Mancinus werd aan de Numantijncn uitgeleverd, doch niet door hen aangenomen. De in de volgende
/\'
Spanje heOn^tje^en tijd Rome lastig maakten. De bloedige daai van dm praetor gt;(Talba, die in 150 een aantal weerlooze Lusita^
T
den gebracht,
eigene lieden werd voor zich lijfsbehoud
ter dood den
134
jaren naar Spanje gezonden veldheeren konden evennun, iets uit-
tchten, en daarop besloot men Rome\'s grooten veldheer\'Scipiochten, en daarop besloot men Rome\'s grooten veldheer\'Scipio
. . H-vX-jS r
em 111anu3\', den overwinnaar van Carthago, met een sterk
leger tegen de heldhaftige stad te zenden. Hij kwam in 134 aldaar aan en herstelde door het nemen van de strengste maat-■. -regelen de zoo zeer verslapte krijgstucht. Onder zijne bevelen dienden in Spanje de latere bevelhebber C. Marius en de numidische prins Jugurtha, de kleinzoon van Masinissa, als aanvoerder eener hulpbende. Nadat Numaniia eenige maanden was ingesloten geweest, viel het in 133 Aemilianus in handen; slechts weinige burgers waren er overgebleven, om den zegetocht des overwinnaars als gevangenen mede te maken. Met dit wapenfeit was Spanje met uitzondering van eenige bergvolken in het noorden aan Rome onderworpen.
derm; iIj^perk 13^^31 v. chr.
llT § 3I-\'aius Gracchus 133—121 v. Chr.
èyfvomeinen nog in Spanje streden, was in Rome [ende maatschappelijke omwenteling reeds uitgebroken , die door zijne welgemeende pogingen tot verbetering naaste aanleiding gaf, was Ti. S e m p r o n i us P G^r a c c h u s, de zoon van een in de spaansche oorlogen zeer \' Vgunstig bekend veldheer, en van moederszijde een kleinzoon van \\r Scipio Africanus Maior, den overwinnaar van Zama. Hij was in 162 geboren, had zich in Spanje in het romeinsche leger een eervollen naam verworven, en vatte na zijn terugkeer van daar het plan op, eenige leniging aan te brengen voor de wonden, waaraan de romeinsche maatschappij zijner dagen leed.
Zijn taak was echter niet gemakkelijk; allereerst moest hij om verbetering aan te brengen in strijd komen met de romeinsche
l/Ji\' - f tvl- vA—^ /fiy L2 l \\JiAO \'l5
/. ■•\' hiW c. • Pilt \'. ■\' / Vv bJk.\'Jt*-\'
^ 135 r cuw-
grooten, die hunne uitgebreide grondbezittingen {latifundia) uit-sluitend door slaven lieten bearbeiden, en verder eene geheelé nieuwe inrichting der agrarische toestanden bewerkstelligen. Voor /»
133 werd deze ondernemende jonge man tot volkstribuun geko-^-^j, -
zen en niet lang na het aanvaarden van^ijn ambt trad hij op met het voorstel eener nieuwe akkerwet. f Dit wetsvoorstel had* tot grondslag de oude bepalingen van L1 c i n i u s S t o 1 o en L. quot;ï. f S e x t i u s (§ 23), krachtens welke geen romeinsch burger meer dan f
125 bunders staatsland mocht bezitten; ten gunste van de thans bestaande groote grondbezitters voegde hij er nog bij dat voor1\' ^
twee volwassen zonen des huizes nog de heltt zou worden toegewezen, maar alles wat op dit oogenblik boven die maat in lt;•. particulier bezit was, zou, behoudens recht op schadevergoeding,
aan den staat\'vervallen. Eene bijzondere commissie van drie door r , volkskeuze benoemde mannen, die jaarlijks aftrad, zou het aldus gt; aan den staat gekomen domein in stukken van 30 jugera (iets meer dan 7 bunders) splitsen en onder de armere burgers ver-deelen, welke stukken land door de nieuwe eigenaars niet zouden k mogen verkocht of vervreemd worden. Dit wetsvoorstel wekte natuurlijk bij de romeinsche grondbezitters in hooge\'rtiate-de verontwaardiging op, doch werd door het .verarmde deel dés volks met groote ingenomenheid begroet. De optimale?! wisten\' Je be-.
werken dat een vriend en ambtgenoot van T,i. Gracchus, de volkstribuun M. Octavius zich tegen diens wetsvoorstel verzette\'■ \' met zijn veto. Hiervan was het gevolg, dat Gracchus^in eene ;
volksvergadering eene stemming uitlokte over de vraag of een J
tribuun, die in het nadeel van de plebs handelde, zijn ambtmanj L\'\' \'
blijven bekleeden, en toen de «BBÉBStóÉltó deze vraag inont-i^;1 /gt; . kennenden zin hadden beantwoord, was daarmede tevens uitge- jT*
maakt dat M. Octavius van zijn ambt was ontzet. Deze daad was zuiver revolutionnair, het oude recht van de onschendbaarheid der volkstribunen was daarmede krachteloos gemaakt. Daarna namen de comitia Gracchus\' akkerwet met groote ingenomenheid aan , en kozen in de commissie der drie mannen tot het aanwijzen en verdeelen van grondbezit o. a. den nauwelijks twintigjarigen broeder van Ti. Gracchus, Caius. Eenmaal door den drang der omstandigheden als volksleider opgetreden moest Gracchus
136
verder gaan: toen het bekend werd dat het rijk van Pergamum bij testamentaire beschikking aan de Romeinen was vermaakf, ^■yv Zv. £*gt;lt;lt;■ »-»•gt;■{§ 30) vorderde hij dat de schat der Attaliden tevens aan de :gt;-^vquot;^^vt--arrnere burgers zou ten^ goede komen; dit voorstel was een direct \'hl- • . ingrijpen in de bevoegdheid van den senaat, die de beschikking
zn ij-t-\'rx \\.__o,ver de provinciën had, en daardoor maakte hij zich bij de
-^fc-\'^eÉaatSpwtij nog meer gehaat.
^ ^ yi3e groote zaak voor Ti. Gracchus was nu ook voor 132
/ tot volkstribuun te worden gekozen, want als hij zijn ambt moest neerleggen, dreigde hem behalve een aanklacht tevens de -zekerheid dat zijne hervormingen niet zouden worde^/leir—ivit-voer gelegd. Evenwel was het niet geoorloofd dat eenzelfde burger twee jaren achtereen hetzelfde ambt bekleedde. Tijdens de stemming over de herkiezing van Ti. Gracchus ontstond er in de vergadering een vechtpartij waarin hij zelf en 300 zijner aanhangers den dood vonden; zoo beantwoordden de optimaten het onwettig afzetten van een volkstribuun, met zich te vergrijpen aan de van. ouds als heilig beschouwde persoonlijkheid van zulk een magistraat. De dood van Ti, Gracchus vond, aangezien men hem als een gevaarlijk volksleider beschouwde, ook goedkeuring bij de voornaamste mannen in Rome, zooals bij Scipio Aemilianus, die door zijn huwelijk aan hem verwant was, maar toch besloot men zijne agrarische hervormingen ten uitvoer te leggen. De reeds boven besproken aanvaarding van het rijk Per-gaviwn zou door de Romeinen echter niet kunnen plaats hebben zonder bloedigen strijd: een onwettige zoon van E u m e n e s II wist eene beweging ten zijnen gunste te doen ontstaan, die de Romeinen met veel moeite onderdrukten, en eerst daarna werd het rijk georganiseerd als provincie onder den naam van Azie, nadat er nog enkele deelen van waren afgestaan aan CappadociÈ Li en Pontus. De landvoogd der nieuwe provincie had zijne resi- «s dentie te Ephesus.
Scipio Aemilianus die zich reeds tijdens zijn verblijf in Spanje en ook na zijn terugkeer in Rome ongunstig over de handelingen van zijn zwager T i. Gracchus had uitgelaten, bewerkte in 129, weder naar aanleiding van vele klachten der italiaansche bondgenooten, dat aan de commissie van driemannen de be-
di/l
137
voegdheid ontnomen werd om uitspraak te doen wat staatsdomein en wat particulier eigendom was, en die weder aan de consuls zou worden gegeven. Nog in hetzelfde jaar vond men hem op zekeren morgen dood op zijn bed liggen; over zijn sterven zijn vele geruchten in omloop geweest, maar de waarheid is nooit
aan het licht gekomen. ^ U /V ^ y . -1 ___■*
In de volgende jaren, terwijf de gespannen partijverhoudingen in Rome nog steeds voortduurden, moesten de Romeinen hunne wapenen keeren tegen de Galliërs aan de overzijde der Alpen, en nadat belangrijke voordeelen op hen waren behaald, ging men er toe over ook in die streken eene provincie in te richten n.1. Gallia Narbonensis, het Z. deel van het tegenwoordige Frankrijk, met de hoofdstad Narbo {Narbonne), j X
In het schiereiland Italië, was het inmiddels evenmin rustig, de italiaansche bondgenooten eischten bij herhaling voor zich het burgerrecht, een opstand der stad Fregellae in 125 moest opi bloedige wijze worden onderdrukt. De man, die in den gespannen toestand weder het eerst ten gunste van het volk en de bondgenooten handelend zou optreden, was C. Gracchus, die in 124 eigenmachtig als quaestor het eiland Sardinië had verlaten en zich voor het volgende jaar met gunstig gevolg candidaat stelde voor het tribunaat. Deze nieuwe tegenstander der optimaten-\\)amp;\\\\X] was ontegenzeggelijk een bekwamer en veel welsprekender man dan zijn broeder Tiberius. De door hem beraamde hervormingsplannen zouden ten doel hebben aan de heerschappij van den senaat en de ojgt;timaten\\ia.\\\\.\\] een einde temaken, en het grootste gewicht in den slaat te schenken aan de democratie. De wetten die hij voorstelde om dat doel te bereiken, moesten dan ook \' tevens allen strekken die elementen, die, vijandig tegenover den senaat en de optimaten stonden, aan zich te verbinden:1 ten eerste liet hij eene wet aannemen waarbij werd bepaald dat slechts de comitia centuriata te beslissen hadden over leven en dood van een romeinsch burger, men zou derhalve verder niet meer een staatkundig misdadiger tot vijand des vaderlands mogen verklaren , en hem dan als buiten de wet staande doen veroordeelen. Zijn tweede wetsvoorstel was een korenwet, waarbij werd vastgesteld dat iedere maand Jot zeer gelagen prijs aan arme burgers uit de
i Al i i *
LXquot;-/! ^ fc\'L
vv
^ -i openbare graan magazijnen koren zou worden uitgedeeld. Voorts J/
stelde hij door een wet eenige verzachtende bepalingen voor den j
krijgsdienst in , en voerde eene gewichtige verandering in de stem- TJh
ming der comitia centuriata in, het lot zou voortaan bepalen
,uit alle vijf de klassen, welke centurie het eerst zou stemmen, yf!
\' \'Jf Als machtig tegenwicht tegen den senaat gaf C. Gracchus aan \'
de geldaristocratie, den ridderstand (§ 30), staatkundige betee-
kenis, door een wetsvoorstel te doen aannemen , krachtens hetwelk
zij, die den ridder census hadden, voortaan als gezworenen in de
rechtbanken zouden worden gekozen, met uitzondering van
zooals tut nu toe, de senaiorc?i. Om dien ridderstand nog meer
voordeelen te verschaffen liet hij bepalen dat de provincie Azie,
aan welke door den senaat geen belastingen waren opgelegd,
wel belasting zou te betalen hebben, en daarmede was deze rijke
landstreek overgeleverd aan de knevelarijen der publicani (§ 30)
de verpachting dezer belastingen zou alleen in Rome mogen\'1
plaats hebben.
■T\'
) U\' inV
Ook nog andere bepalingen werden door C. Gracchus door-gedreven; men zou eene menigte verarmde burgers uit Rome 1 zoeken te verwijderen door het aanleggen van nieuwe koloniën o. a. quot;
X
op de plaats waar Carthago had gestaan (Junonia), en de kroon op alles zou worden gezet door het schenken van het burgerrecht aan de italiaansche bondgenooten. Maar\'dit voorstel vond overal scherpe tegenkanting, en wederom was er een tribuun te vinden die zich door zijn veto daartegen zou verzetten, maar men ging tevens verder. Terwijl C. Gracchus in Africa was om de kolonie Junonia te organiseeren, kwam deze volkstribuun, M. Livius Drusus, met wetsvoorstellen voorden dag, die neg veel gunstiger luidden dan die van Gracchus, en door die intrigue liet het volk zich paaien, zoodat toen hij uit Africa terugkeerde , Gracchus\' positie zeer verzwakt was, hij werd voor 121 niet als tribuun verkozen, en een der vurigste aanhangers der opti-»z«/if«-partij, L. Opimius, met de consulaire waardigheid bekleed. Deze nam nu in verstandhouding met de senaats-partij maatregelen om Gracchus met zijn aanhang ten val te brengen, en dit gelukte maar al te goed, eindelijk werd er zelfs een prijs op zijn hoofd gezet. Nog in hetzelfde jaar, bij gelegenheid van een
139
straatgevecht, stierf hij, gedood door de hand van een zijner slaven, dien hij zelf tot deze daad had aangespoord om niet in de handen zijngr vijanden te vallen. Behalve aan C. Gracchus kostte dit straatgevecht met de daarop gevolgde veroordeelingen aan ongeveer 3000 menschen het leven: tot dezen bloedigen prijs was de overwinning van de optimatén over de volkspartij behaald (121).
De oorlogen tegen Juguriha en tegen de Cimbren en leu-tonen. — C. Marius 112—101 v. Chr.
In de vorige § hebben wij gezien, hoe de pogingen der Grac-chen op niets waren uitgeloopen, de brandende vraagstukken in de romelnsche maatschappij: de sociale toestand in de stad zelve en de verhouding van Rome tot zijne bondgenooten, bleven zooals zij waren, slechts de optimatén partij had hare positie versterkt; van de beloofde hervormingen van Drusus kwam natuurlijk evenmin iets tot stand. In den oorlog tegen Numidiè zou op het duidelijkst blijken, welke grove gebreken de romeinscheregee-ringspersonen en het geheele staatswezen aankleefden.
In Numidiü regeerde na den dood van Masinissa diens zoon Mie ipsa. Bij zijn dood bepaalde hij, dat zijne beide zonen Adherbal, Hiempsal, en zijn neef, tevens aangenomen zooiv^ Jugurtha zouden regeeren. Deze drie prinsen konden het echter over de verdeeling des rijks reeds dadelijk niet eens worden, en Hiëmpsal werd door toedoen van Jugurtha gedood. Daarna ontstond er een bloedige troonstrijd tusschen Jugurtha en Ad-herbal, die ten einde raad besloot naar Rome te gaan en den senaat zijne grieven bloot te leggen, ^^ar Jugurtha had in den spaanschen oorlog de roqjeinsche staatslieden en veldheeren voldoende leeren kennen, hij wist dat men met geld bij hen alles gedaan kon krijgen , en gedurende zijn strijd met Rome heeft hij dan ook steeds in omkooping der romeinsciie staatslieden en veldheeren zijn heil gezocht. Aanvankelijk werd door eene romeinsche commissie het rijk Numidü tusschen Jugurtha en
140
Adherbal verdeeld, maar toen daarna weder een strijd tusschen deze beiden ontbrandde, werd de laatste door zijn tegenstander
S
[ V, inn jg stafi Cirta belegerd en bij de capitulatie van die stad ver
moord, benevens een groot aantal//Vz/mw;? die er woonden (112).
Deze daad maakte in Rome een storm van verontwaardiging onder de volkspartij gaande* men besloot tusschen beide te treden. De bevelhebbers der romeinsche legers in Africa echter lieten zich bijna allen door Jugurtha omkoopen en de oorlog vorderde daardoor niet. Zelfs liet een volkstribuun den koning naar Rome dagen om van hem de waarheid te vernemen, maar ook daar wist hij met zijn geld zich aan het afleggen van elke verklaring te onttrekken, en liet er tevens nog een zijner bloedverwanten , dien hij gevaarlijk achtte, uit den weg ruimen, waarna de senaat het gesloten verdrag verbrak en Jugurtha gelastte Italië te verlaten. Later werd een onderzoek ingesteld naar de personen die zich door den koning hadden laten omkoopen. Eerst in 109 werd een nieuw bevelhebber, Q. Caecilius Me-tellus, haar\' Africa gezonden die de eer der romeinsche wapenen zou Herstellen. Zijn onderbevelhebber was C. Marius, de zoon
/ fa,
\' 3S-een arm landbouwer uit een dorp bij Arpim/m. Me te 11 us
\' faeen veldslag op Jugurtha, die daarop met de Romeinen in eene onderhandeling trad, welke hij echter spoedig weder afbrak. Nog immer werd dus de oorlog slepende gehouden en eeri^j bondgenootschap met zijn schoonvader, den koning van Maure-jj},
k\'
Ml
gaf aan Jugurtha nieuwen moed en versche strijdkrachten , toen ook van romeinsche zijde een geheel nieuw man optrad in den persoon van Metellus\' onderbevelhebber C. Marius. Deze man die door zijn afkomst van een geheel ander slag was dan de optimaten, die in Rome in staats- en legerbestuur werden gekozen, wist zich voor het jaar 107 tot consul te doen verkiezen, en zich tevens het opperbevel in den oorlog tegen Jugurtha te doen opdragen. Reeds in de samenstelling der door hem geworven legioenen bleek het dat een geheel ander man aan het hoofd was gekomen, het onderscheid tusschen de verschillende wapens, dat vroeger door leeftijd was uitgemaakt 1 § 21), werd opgeheven, de romeinsche boeren en burgers verdwenen uit de legioenen, het proletariaat nam eene belangrijke plaats in het
U
141
leger in, en sedert Marius is er eerst sprake van een eigenlijk gezegden soldatenstand. Toen hij in 107 het opperbevel in Numidiè overnam, werd de oorlog met volhardende inspanning voortgezet,
en in 105 had men het deels door gelukkige wapenfeiten, deels door onderhandelingen met den koning van Mauretanie zoover gebracht, dat deze Jugurtha in den steek liet en hem eindelijk uan Marius\' onderbevelhebber, L. Cornelius Sulla, uitleg
verde; daarna is hij naar Rome gebracht en aldaar gedood.^^^c____ ___
Toen C. Marius op den eersten dag van het jaar 104 triumftocht over Numidie hield, dreigde reeds sedert eemgén tijd een groot gevaar den romeinschen staat. Voor de eerste maal hadden germaansche volksstammen tegen Rome gestreden, de Cimbren hadden hunne woonplaatsen aan de Noordzee verlaten, waren «ja^èaar het Zuiden getrokken, en stonden na vele zwerftochten_in_
^ \'7 GaIIie op het grondgebied van de romeinsche provincie, waar :^^®ij twee belangrijke overwinningen behaalden, deJaatste meest ^«^jgioedige bij Aransio {Orange) (10S)»
^y-ü--Nog onder den verpletterenden indruk, dien deze nederlaag in Jgt;-ARome had teweeggebracht, stelde men den held uit den oorlog tegen Numidie, C. Marius, aan het hoofd der tegen de Germanen ^ bestemde krijgsmacht. Met terzijdestelling van daaromtrent bestaande bepalingen bekleedde men hem achtereenvolgens met het consulaat tot en met het jaar ioC. In 103 hadden de Cimbren zich waarschijnlijk voor het eerst met een anderengermaanschen volksstam, de Teutonen, verbonden, die van de landstreken aan het westen der Oostzee afkomstig waren, en besloten zij gezamenlijk den aanval op Italië te wagen; in het volgende jaar waren de Teutonen de Rhone overgetrokken en stonden, nog versterkt door^de Ambronen) een keltischen volksstam, tegenover^ J Marius. Deze versloeg hen bij Aquae Sextiae (102) en maakte\'1\'\' ^ vele krijgsgevangenen. Tezelfder tijd echter hadden ook de Cim- \' bren een tocht naar Noord-Italie ondernomen ; na aldaar te hebben overwinterd stuitten zij in 101 evenzeer op een romeinsch leger onder Marius en Q. Lutatius Catulus, en in den zomer ■„iJr_ ^ v van dat jaar moesten ook zij het \'onderspit delven in den slag bij Vercellae [campi Raudii). Dit oorlogsgevaar, waarbij het bestaan van den romeinschen staat ernstig op het spel had ge-
n/VïK
h\'J quot;~zgt;.
i-ul.
142
staan, was door M a r i u squot; dapperheid en tactiek afgewend, na zijne overwinningen op de Germanen was hij in Rome de eerste ^
man, wiens naam nevens dien van Romulus en Camillus, als die van den derden stichter der stad werd verheerlijkt.
§ 33-
C. Mar lus als leider der volkspartij. — De oorlog der Tlaliaansche bondgenooten 100—88 v. Chr.
Na zijne schitterende krijgsbedrijven kon Marius, op welk verheven standpunt hij ook staan mocht, toch niet overgaan tot de partij der optimaten. Zijn afkomst en opvoeding, zijn dikwerf plomp optreden tegen die partij en met name tegen enkele ieden daarvan verboden hem dit. Hij moest zich dus wel opwerpen tot hoofd der volkspartij, die hem zijne consulaten had bezorgd en hem reeds sedert 107 als haar leider beschouwde. Ongelukkig voor hem vond hij twee medestanders, die, volksleiders in den slechtsten zin van het woord, voor geen middel van geweld terugdeinsden. Het waren C. Servilius Glaucia en L. Appuleius^aturninus. die voor het jaar 100 tot \' praetor en volkstri hu 11 n werden gekozen, terwijl Marius zelf in
dat jaar voor de zesde maal consul was. In verstandhouding met / de beide anderen trad Saturninus op met wetsvoorstellen om \\ in den nog immer bedenkelijken maatschappelijken toestand van JItalië verbetering aan te brengen. Saturninus wilde dat voor veteranen van Marius zou worden gezorgd door een akker-\'j-xM ê vw-i • I wet:\' die hun landerijen zou toewijzen in verschillende deelen des (! I rijks, tevens was daarmede verbonden een korenwet. Ieder ser.aatslid zou voorts binnen vijf dagen na aanneming van de akkerwet die moeten bezweren op verbeurte van zijn lidmaatschap en geldboete. Door middel van straatgevechten wist Saturninus die wetsvoorstellen door te drijven, de senatoren zwoeren op één na den gevorderden eed, nadat ook Marius zelf dien had afgelegd. De één die weigerde was Marius\' oude opperbevelhebber in Numidie, Me tel lus, hij onttrok zich door Italië te verlaten aan eene veroordeeling, die echter toch volgde.
Jti ■
-f-t.
U3
Het ging echter op dat tijdstip te Rome zooals het pleegt te gaan, de woeste buitensporigheden van de bondgenooten van Marius bewerkten allereerst, dat de tegen hem overstaande par- gt; tijen zich nauwer aaneensloten: de kloof die er bestaan had ^ ^ j tusschen de senaats-partij en die der ridders werd tijdelijk gedempt. Marius zelf zag, dat hij zijne alle perkei/te buitengaande partij- \\ genooten ook niet meer meester was, en moest zich als consul de bezwaarlijke taak getroosten de partij der orde tegen hen te steunen. Zij werden op het Capitool gedreven en moesten aldaar capituleeren, de invloed van Marius was op dat oogenblik zelfs niet sterk genoeg meer om zijne vroegere vrienden te redden, de voornaamsten hunner werden gedood. De man die nog weinig tijd te voren na zijne schitterende wapenfeiten als „derde stichter, van Romequot; was verheerlijkt, had
li
........... ^______________ è
zijn aanzien thans bij alle par-\\\\
tijen verbeurd en zag zich genoodzaakt eene reis te ondernemen ^ ^ naar Azie. ^
Na het onderdrukken dezer democratische woelingen, waarbij de partij der optimaten weder eene beslissende zege had behaald,
besloot eene hervormings-partij zelve pogingen in het werk te stellen de verbeteringen aan te brengen, die de bestaande toestanden dringend eischten, met name wat betreft de positie der italiaansche bondgenooten en van de bewoners der provinciën,*
want de knevelarijen der publicani, die als ridders niet behoefden te vreezen, dat zij in Rome door hunne gelijken, die als gezworenen in de rechtbanken zitting hadden, zouden worden veroordeeld . gingen alle perken te buiten, en wanneer \'al een edelden-kend man daaraan mocht trachten een einde te maken, dan bekwam hem dit slecht (proces var/?? R utilius Rufus). Ten einde daarin verbetering aan te brengen, en tevèns aan de steeds luider uitgesproken wenschen der italiaansche bondgenooten om volkomen staatkundige gelijkstelling te gemoet te komen, verbonden ^ g
zich in Rome eenige optimaten. Hun woordvoerder werd T.ivius Or us iis. een volkstribuun, die in 91 met een wetsvoor-~fV-— steT\'voor den dag kwaim, dat ingrijpende veranderingen beoogde in rec^s[IraaK^Terwij 1 tevens uitgebreide kolonisatieplannen het romeinsche landvolk ten goede zouden komen. Juist echter omdat de ridderstand in zijne positie als rechters werd verkqjt
/JU1* 6. \'V \'fa
r iZ ^Tgt; est* .
144
waren die natuurlijk het heftigst tegen^ het voorstel van D rus us gekant, maar toch werd het aanvankelijk aangenomen, evenwel later op grond van eene plaats gehad hebbende onwettigheid weder opgeheven. Om zijne plannen door te drijven had hij het burgerrecht ^aan de^Ualjaansch^bondgenooten beloofd, maar rzijn plotselinge dood in 91 verhinderde de uitvoering dezer belofte, die trouwens op groote bezwaren stuitte. De stemming dier itali-aansche bondgenooten werd natuurlijk door dit laatste feit weder zeer geprikkeld en sloeg weldra tot e^n^georganiseerden opstand over. Spoedig stonden de Marsen (naar wien de oorlog ook wel eens genoemd wordt) en Rome\'s oude vijanden de Samtiiien en lucaniërs met andere italiaansche volken onder de wapenen om thans met geweld te verkrijgen, wat hun langs wettigen weg steeds onthouden was.
Een bloedige daad te Asculum in P ice mem, n.1. het vermoorden van een romeinschen nraetor aldaar was het sein tot den opstand. De bondgenooten zouden een nieuw georganiseerden staat vormen geheel geschoeid op den voet der romeinsche staatsregeling. De stad Corfmium in het land der Paehgni zou onder den naam Italica de nieuwe hoofdstad zijn van den staat, waarvan even als in Rome een senaat het hoogste staatslichaam, en twee consuls de eerste magistraatspersonen zouden zijn.
Reeds in den winter vajfc9J»aren de vijandelijkheden begonnen en moest Rome op tweejBfcoonogstooneel, een noordelijk en een zuidelijk , met zijne afvafl^PtKm^genooten in het strijdperk treden, bevelhebbers van hoogeren of lageren rang hebbgiwigh ■ in quot;dezen oorlog vooral onderscheiden^ Julius Caesar^^uftaTj1 , / Marius en Gn. Pompejus Strabo, de vader van den later
/ beroemden Pom pej us.f Met afwisselend geluk werd er een jaar
A
lang bloedig gestreden, doch op het einde van het jaar 90 stond de zaak voor de Romeinen toch nog zoo hachelijk, dat de senaat j _ besloot van st^it^un^jgg gedragslijn te veranderen en toe te geven. Cgt;UVi. ,\'Een door Caesar voorgestelde wet, die aan al de bewoners van de staten, die tot op dat oogenblik nog Rome trouw waren gebleven , het burgerrecht verzekerde werd aangenomen, en bracht natuurlijk dadelijk de nog niet openlijk verklaarde tegenstanders tot onderwerping. Een tweede wet van 89 gaf den in opstand
L
145
\\
verkeerenden volken aanleiding de wapenen neder te leggen, aan- yu u-
gezien zij bepaalde, dat alle italiaansche bondgenooten, die zich binnen twee maanden bij den romeinschen praetor urbanus aan-^- j, meldden, het burgerrecht zouden krijgen. Nog was daarna echter de strijd niet geheel ten einde, vooral de Samniten en Lucaniêrs wenschten van geene overeenkomst te hooren, en in Campaniü bleef Nola nog wederstand bieden. Zoo stonden de zaken in Italië, toen een andere, evenzeer gevaarlijke oorlog uit het Oosten de Romeinen bedreigde, jj
§ 34-
- De burgeroorlog -78 Chr.
ié
De eerste oorlog met Mithradates. tuischen Sul la en Marius 8!
Het rijk Pontus, aan de zuidkust der Zwarte zee gelegen, _ was ontstaan kort na den slag bij Ipsus (§ 18). De koning, die quot; l quot;■ in dezen tijd over dat rijk regeerde Mithradates VI Eupa-tor had over de oostelijke en noordelijke kustlanden der Zwarte zee zijn gezag uitgebreid en was van zins ook zijn gebied in Klein-Azie ie vergrooten, op een tijdstip toen de Romeinen gewikkeld in de oorlogen met Numidii\' en de Cimbren en Teutonen, hem dat niet konden beletten. Nadat hij uch meester had gemaakt o.a.
van de Jaurische Chersonesus (het scn^reiland de Krim), onderwierp hij later, geholpen door zijn schoonzoon .Tigranes, dei^J vorst van Armenië, de landschappen Paphlagonië, Cappadociè en Bithynie, die onder romeinsche bescherming stonden , en stelde zich in betrekking met Crcta en andere eilanden in de Aegeïsche zee, waar hij de zeeroovers begunstigde en overal den haat tegen de Romeinen aanwakkerde, iets wat hem in Azië trouwens niet •:gt; moeilijk viel. omdat de knevelarijen der puhlicani in die streken ,V er toch reeds den romeinschen naam zoo gehaat hadden gemaakt. «A In korten tijd was Mithradates meester van Phrygic en de romeinsche provincie Azië; de romeinsche landvoogd werd teruggedreven , een groote krijgsmacht werd door hem in het veld gebracht, zijne zeer talrijke vloot beheerschte de Zwarte zee,
en dit alles geschiedde in den tijd dat Rome den strijd om zijn
MARGADANT. Grieken en Romeinen. 10
.s
fPi
146
u
bestaan in het schiereiland Italië zelf nog niet had ten einde bracht en de groote veldheer Sul la, die vroeger als stadhouder van Cilicié\' zijn naam^in^Azie^ reeds ^eenmaal had gevreesd ge-jrfF maakt, nog niet het oorlogstooneel m Italië kon verlaten. Den
\\r romeinschen legaat M\'. Aquillius die door zijne roekelooze
handelwijze zeker het zijne er toe had bijgedragen een vredebreuk met Mithradates uit te lokken, liet deze op smadelijke wijze ter dood brengen, en daarna moest een ongehoord bloeddorstige daad de nog steeds wankelende Aziaten partij doen kiezen en tevens den Romeinen aantoonen met welken vijand zij te doen hadden. Op bevel van Mithradates zouden op een dag alle bewoners van Azië van romeinsche of italiaansche afkomst worden omgebracht. Het gevolg van dezen last was dat, naar de minste opgave, 80.000 menschen van verschillenden leeftijd en kunne door de beulen van Mithradates werden vermoord. Tevens bracht hij orde in zijn nieuw verworven gebied; Pergamum zou zijn nieuwe hoofdstad, en Cappadocie, Phryg-ie en Bitliyniè satrapieën van Pontus worden. De afschuwelijke daad van M i-thradates wekte echter hier en daar in Azië afgrijzen, met name boden de Rhodiërs hem krachtig wederstand. Hulp uit Rome kon echter nog steeds niet worden verleend, en van deze machteloosheid der Romeinen trok de koning van Pontus handig partij door thans ook zijne legers naar Europa te zenden, waar in Thracie en Macedonië reeds vroeger eene beweging door hem was voorbereid; zoo mogelijk wilde hij ook in Griekenland vasten voet krijgen en de Romeinen terug dringen tot over de Adriatische zee. Enkele eilanden in de Aegeïsche zee vielen hem in handen, op Delos werd evenzeer een afgrijselijk bloedbad aangericht, en daarna maakte hij zich meester van Euboea. v
Zooals wij boven zagen, had de oorlog met de bondgenooten aan de beste romeinsche veldheeren inmiddels de handen vol werk gegeven en hen verhinderd naar Azië te vertrekken; maar het was niet die oorlog alleen, een nog veel gevaarlijker beweging in de stad Rome zelf, het begin van een burgeroorlog, maakte het onmogelijk den buitenlandschen vijand te bestrijden.
Een geestverwant van Drusus, P. Sulpicius Rufus, volkstribuun in 88, had een aantal wetsvoorstellen ingediend, waarbij
hij de geheele staatkundige gelijkstelling tusschen de oude en de nieuwe burgers beoogde. Trots een wanhopigen tegenstand, waarbij vooral Sulla op den voorgrond trad, nam de volksvergadering de voorstellen van Sulpicius aan, en nu trad de rumoerige tribuun op met een voorstel waarbij aan Sulla het hem reeds ^ opgedragen commando tegen Mithradates ontnomen en dit aan den ouden Marius gegeven werd. Maar hierbij had hij gerekend buiten Sulla\'s soldaten, want deze waren zeer aan hun aanvoerder verknocht en wenschten zich de kans op het behalen van buit, welke de veldtocht in Azie hun bood, niet zoo maar te zien ontglippen. Op aandrang zijner soldaten deed Sulla den \'■ gevaarlijken stap met een talrijke macht op Rome los te nikken en met een deel der troepen de stad binnen te dringen. De gewa-\'
pende benden door Marius en Sulpicius verzameld werden ^ ten onder gebracht en Sulla was meester van Rome. Eenige leiders der volkspartij, waaronder Marius en Sulpicius, werden door toedoen van Sulla door het volk tot vijanden van den staat verklaard, de laatste werd omgebracht, Marius ontkwam over Minturnae, naar Africa. Daarop liet Sulla de wetten \'• van Sulpicius weder intrekken, en 300 nieuwe leden uit de aanhangers der o/gt;timaten-^axt\\] in den senaat kiezen, terwijl ook toen reeds de macht der volkstribunen op het gebied der wetgeving eenigszins werd beperkt. Met deze en eenige andere maatregelen , waarmede Sulla de zegepraal der oJgt;timafen-\'paxt\\] beoogde , waren echter zijne tegenstanders niet ten onder gebracht, £gt; wel was een der consuls voor 87 een optimaal, maar de andere, v—-L. Cornelius Cinna een\' aanhanger der volkspartij; voor SuÜa naar het Oosten vertrok, liet hij daarom dezen democra-tischen consul eenen eed afleggen, niets te zullen doen tegen de nieuwe orde van zaken.
In het begin van het jaar 87 verliet Sulla met zijn leger Italië, doch nauwelijks was hij vertrokken of Cinna brak reeds zijn eed met voor te stellen, dat de als vijand van den staat verklaarde aanhangers der volkspartij zouden worden teruggeroepen, en dat toch de nieuwe burgers gelijk gesteld zouden worden met de oude. Over dit voorstel brak in Rome zulk een hevige strijd los, dat een bloedbad waarbij duizenden het leven verloren er
10*
148
het gevolg van was. C i n n a verliet vijand van den staat werd verklaard,
in zijne plaats.
Inmiddels was S u 11 a in Griekenland, waar hij na een beleg Athetie bestormde en innam en aan de pontische troepen een zware nederlaag toebracht bij Chaeronea (86). Het bleek echter thans welk een gevaarlijken stap hij gedaan had door zijn gewapend optreden aan het hoofd van zijn leger in Italië in 88, want zijne staatkundige tegenstanders in Rome volgden zijn voorbeeld getrouw na: C i n n a en M a r i u s, gesteund door eenige andere partijgenooten, hadden gewapende benden verzameld, rukten op Rome aan en dwongen de stad tot de overgave. De senaat was verplicht met hen te onderhandelen, en Cinna, dien men toch weder als wettig consul erkennen moest, beloofde geen bloed te zullen vergieten. Bij de overgave werd Marius van den over hem uitgesproken ban ontslagen; hij echter, de eenmaal alii redder van Rome gevierde man, kon niet vergeten dat hij als balling de stad en Italië had moeten verlaten en nam nu, eenmaal teruggekeerd, een schrikkelijke wraak. Een moordtooneel dat vijf dagen en vijf nachten duurde was het gevolg, en aan deze gruwelen kwam eerst voor goed een einde toen Marius in 86 voor de zevende maal consul was geworden en enkele dagen na de aanvaarding van dat ambt was overleden. Toen namen Cinna en zijn partijgenoot, de edele Q. Sertorius, afdoende maatregelen om aan deze bloedtooneelen een einde te maken.
de stad, waarna hij tot en een ander consul trad
ai^\'\'
igt;
1quot;
S.M£.d\'lt;4e-\'
n Mithradates, het geluk weder ten gunste van Rome gekeerd:
I eene tweede overwinning door Sulla bij Orchomenoi
,, I V„ Boeotië bevochten bracht er
het Oosten had zich na de voorspoedige krijgsbewegingen Sulla, deels ook door het ondragelijk despotisme van
(.AM
0^
:h
bij Orchomenos (85) in veel toe bij de positie van den koning van Pontus te verzwakken. Deze was echter inmiddels ook door andere romeinsche veldheeren in het nauw gebracht. Er was n.1. ook een aanvoerder der democratigJie-partij op het oor-logstooneel verschenen , wiens onderbevelneboerF i m b r i a gedurende het jaar 85 niet zonder voordeel tegen de pontische troepen streed, nadat de veldheer zelf door de soldaten was afgezet en gedood. Ook eene romeinsche vloot onder L. Licinius Lu-
Uit
c u 11 u s, den legaat van S u 11 a, zegevierde in enkele zeegevechten en won de zeesteden op de kusten van Klein-Azië weder terug. Fimbria was intusschen na belangrijke voordeelen behaald te hebben tot in Perganmm doorgedrongen, en wanneer Lucullus het slechts van zich had kunnen verkrijgen zich met den democratischer aanvoerder Fimbria te vereenigen, zou Mithrada-tes op dit tijdstip zeker reeds den Romeinen in handen zijn gevallen. De omstandigheden noodzaakten den pontischen koning intusschen tot een vrede. S u 11 a stelde hem als voorwaarden: het ontruimen en teruggeven van alle veroverde streken en plaatsen in Europa en Klein-Azie, het uitleveren van een deel zijner oorlogsvloot en het betalen van 3000 talenten aan oorlogskosten. Toen Mithradates aanvankelijk die voorwaarden niet aannemelijk vond en beweerde van Fimbria een gunstiger vrede te kunnen verkrijgen , en S u 11 a daarop weder de krijgsbewegingen opende, gaf de gevolmachtigde des konings toe. Te. Dardanusva Azie aan den Hellespont werd in een persoonlijke samenkomst van Sulla en Mithradates het vredesverdrag aangenomen (84). Thans restte Sulla nog Fimbria ten onder te brengen; toen hij diens leger bereikte en insloot niet ver van Pergamujn, weigerden de soldaten uit het democratische leger te strijden, en aan Fimbria bleef niets over dan door zelfmoord een einde aan zijn leven te maken.
De verdreven koningen van Biihynie en CappadociC werden weder in hunne rijken hersteld, de romeinsche provincie Aziö werd op nieuw georganiseerd en een zware oorlogsbelasting van 20.000 talenten, waarbij nog de vergoeding kwam voor de achterstallige opbrengst der laatste vijf jaren, werd van die landstreek geëischt. In 83 vertrok Sulla uit Azië naar Griekenland en liet een legaat met de legioenen van Fimbria in Azië achter.
Cinna had inmiddels na Marius\' dood voortdurend op onwettige wijze het consulaat bekleed en was in 84 door zijne soldaten omgebracht, toen hij op het punt stond tegen Sulla naar Griekenland op te trekken. De aanvoerders der democratische partij na den dood van Marius en Cinna boden aan Sulla, toen hij uit Azië terugkeerde geen krachtigen tegenstand; in Camfianic bedwong hij de democratische consuls, het leger van
9,
gt;v
1.
V /V\'
150
h c i
LU
een hunner liep zelfs geheel naar hem over (83). In het volgende jaar, 82, moest de jonge C. Marius, die toen consul was, ■* quot;niet ver van Praeneste het onderspit delven tegen Sul la, en na die nederlaag wierp zich de rest van zijn leger in de stad Praeneste, waar hij werd geblokkeerd, terwijl Suila zelf Rome be-- Vette. Te vergeefs trachtten de Samniten en lucaniêrs onder Pontius van Te les ia later het ingesloten Praeneste te redden, toen hun dit mislukt was besloten zij naar Rome te trekken. Öp den eersten Novemberdag van het jaar 82 - viel onder de muren der hoofdstad bij de Porta \'^Collina de beslissende slag tusschen Sulla aan de eene, de democraten en Samniten aan de andere zijde. Na een wanhopigen strijd, die ongeveer 100.000 menschen het leven kostte, bleef de overwinning aan de Sul-laansche troepen. Daarmede was de oorlog in Italië in hoofdzaak geëindigd, Praeneste moest zich overgeven, de jonge Marius en de zoon van Pontius van leks ia stortten zich in elkanders zwaard. Sulla was meester van Italië, dat weldra geheel door zijne troepen werd ten onder gebracht; de jong^Cn. Pom pejus werd door hem naar Sicilië en Africa gezonden en onderwierp ook die streken.
Na deze wapenfeiten was Sulla er op bedacht den romeinschen staat op nieuw te regelen; niet lang na den slag bij de Porta Collincs^J^ ^chd^orjiet volk voor onbepaald^jc^ot^ JI J Ji U dictator kiezen (ïooails zijn^titel^oUedig^ luidc)ef: ^ictator tot het ramp;i gt; ^ gt; vaststellen van wetten en lgt;ét regelen van den staat) en had daardoor een onbeperkte macht. Met dit ambt bekleed begon hij thans wraak te nemen voor de bloedige daden, die eenmaal C. Marius had bedreven-, tallooze aanhangers zijner tegenpartij werden ter dood gebracht, eri opdat dit moorden regelmatiger zou toegaan, liet roscriptie-X^iXfa bekend maken , waarop de namen van die aanhangers der Mariaansche partij stonden , die door een ieder straffeloos, konden worden gedood en wier bezittingen ten bate van den staat werden verbeurd verklaard. Niet alleen personen, ook steden werden voor hare oppositie tegen de opti-wafó«-partij gestraft, en het lag in Sulla\'s bedoeling geheel Italië romeinsch te maken: het geheele schiereiland moest al wat r /0 6?nog aan \'vroegere verschillen van spraak en zeden herinnerde
ifj
sT-t!:
verliezen. Om dat doel te bevorderen werden overal groote kolo-nisatien aangelegd, vooral in Etrurie. De SamnUen waren na de nederlaag bij de Porta Collina geheel te gronde gericht, hun land zou volgens Sulla\'s beschikkingen onbewoond blijven. In Noord-Italie werd eene nieuwe provincie Gallia-Cisalpina tus-schen de Alpen en Apennijnen georganiseerd met den Rubico als zuidelijke grens (§ 19).
De romeinsche senaat werd aangevuld door 300 ridders, voortaan zouden de onA-quaestoren reeds recht hebben op het lidmaatschap van dat lichaam, het aantal quaestoren zou tot op twintig worden gebracht, en aangezien S u 11 a de censuur liet vervallen, was men thans onafzetbaar senaatslid voor het leven. Aan de ridders werd de rechtspraak ontnomen en deze aan de senatoren teruggegeven , omtrent de opvolging der ambten werden ook eenige nieuwe bepalingen vastgesteld, het aantal praetor en werd van acht op tien gebracht, een consul of praetor zou gedurende zijn ambtsjaar in Rome blijven, en het jaar daarna als proconsul ot propraetor het commando in een der wingewesten voeren. De grootste wijziging onderging door Sulla\'s bepalingen het volkstribunaat, want aangezien nu voortaan niemand, die eens volkstribuun was geweest, een ander staatsambt zou mogen bekleeden, hoopte hij het ambt in minachting te brengen, tevens werden er ook andere bepalingen vastgesteld, die de macht der tribunen zeer beperkten. Ook op het gebied van het strafrecht bracht Sulla gewichtige hervormingen te weeg door het instellen van meerdere vaste rechtbanken. Evenzeer dagteekentuit Sulla\'s tijd eene nieuwe organisatie der municipia, die voortaan een deel zouden uitmaken van den romeinschen staat, en in het staatsverband werden ingevoegd.
Nadat Sulla door deze verschillende maatregelen den staat geheel had gereorganiseerd, legde hij in 79 zijn ambt van dictator neder en ging stil leven op zijn landhuis in Campanie, waar hij in het volgende jaar 78 plotseling overleed. Zijn dood kwam voor de belangen van Italië op dit tijdstip uiterst ongelegen, had hij langer kunnen werkzaam zijn om de door hem ingestelde hervormingen verder in hare ontwikkeling te leiden, dan was aan Italië wellicht veel strijd en ellende bespaard gebleven. .
§ 35-
Cn. Pomp ejus Magnus. — Cicero en de samenzwering van Catihna. — Ondergang van Mithradates 78—61 v. Chr.
Nog in hetzelfde jaar 78 begon reeds de eerste aanval op_; S u 11 a \'s instellingen : de consul voor dat jaar, M. A e m 11 i u s Lepidus wilde namelijk o. a. de volkstribunen in hunne vroegere rechten herstellen en de verbannenen terugroepen; deze plannen trachtte hij met geweld van wapenen door te zetten, maar hij en zijne aanhangers werden in twee veldslagen, waarvan , een op den Campus Mar dus bij Rome geleverd werd, verslagen. / Hij zelf verliet daarop Italië. In de nabijheid der hoofdstad was nu wel is waar het gevaar geweken, maar een beslist en uiterst bekwaam tegenstander der nieuwe orde van zaken stond nog in Spanje, en \'had daar sedert het vorige jaar groote voordeden ^ behaald. Het was Q. Sertorius; vele uitgeweken leden der Mariaansche partij verzamelden zich onder zijn vanen en zijn groote bekwaamheden niet alleen als veldheer, maar ook als bestuurder en de tact waarmede hij de Spanjaarden voor zich wist~-te winnen maakten hem tot een geduchten tegenstander. Spoedig had hij zijne macht in Spanje, waar hij volstrekt niet als een aanvoerder van oproerige scharen, maar veeleer als romeinsch bestuurder optrad, zoo vaste wortelen doen schieten, dat men eerlang te wachten had Q. Sertorius naar Rome te zien optrekken. De tegenover hem staande veldheeien waren niet tegen hem opgewassen en dus besloot de senaat in 77 den jongen Cn. Pom pejus naar Spanje te zenden. Deze jonge officier, die op dat oogenblik slechts negen-en-twintig jaren telde had zien reeds in den burgerkrijg in 82 en 81 naam gemaakt; in 79 had hij, schoon hij er volgens de wetten nog geen recht op had, een triumf gehouden, nadat hij in Africa de Mariaansche partij, die zich met den koning van Numidië (een deel van het vroegere rijk van J u g u r t h a) had verbonden , ten onder gebracht had. Pom pejus die met proconsulate bevoegdheid naar Spanje was
153
gezonden, al had hij nog geen enkel ambt bekleed, leed eene nederlaag tegen Sertorius bij den Sucro, en eerst toen die bekwame aanvoerder door een komplot van zijne officieren was omgekomen, werd de beweging in Spanje gedempt, die, hoe gevaarlijk reeds op zich zelve, den toestand voor Rome nog hachelijker dreigde te maken, daar Sertorius een verbond had gesloten met Mithradates, welke zich toerustte voor een nieuwen krijg, en ook met de gevaarlijke zeeroovers op de Middellandsche zee betrekkingen had aangeknoopt. In 74 begon Mithradates werkelijk een nieuwen krijg tegen Rome, den zoogenaamden ^
derden oorlog, (de tweede (83—81) had maar kort geduurd, en I - o t-v was geëindigd met een vrede, waarbij de overeenkomst van Dar- lt; : , v t dames (§ 34) werd hernieuwd). Aanleiding vond de koning van quot; J Pontus in het bezetten van BithyniC door de Romeinen: welk land hun bij testament door den laatsten koning was toebedeeld, j quot; -Hij begon weder even als vroeger met het vermoorden van vele in Azië wonende Romeinen en rukte met zijne krijgsmacht naar Bithyniè\', zijn bondgenoot Tigranes van Armenië, die het syrische rijk had veroverd, hielp hem op dat oogenblik nog niet,
wel sloot hij, zooals wij boven zagen, een verbond met Sertorius en met de zeeroovers. Tegenover den koning stond als ro-meinsch bevelhebber Lucullus, die a!s legaat van Su 11 a (§ 34)
reeds eenmaal tegen hem gestreden had, in 73 de pontische troepen dwong het beleg van Cyzicus op te breken en Mithradates nog andere nadeelen toebracht.
Terwijl in Azië de oorlog gelukkig werd gevoerd, was Italië zelf het tooneel van een allergevaarlijkste beweging. In 73 waren namelijk de slaven in opstand gekomen. Eenige van die slaven,
die uit alle oorden der wereld werden bijeengebracht in Italië om daar de kunst van het zwaardvechten te leeren (gladiatores),
en dus den zin voor bloeddorstige tooneelen, die zich bij uitstek in het volksvermaak der Romeinen openbaarde, moesten prikkelen, waren in 73 uit Capua, waar er een groot aantal bijeen was, losgebroken. De vluchtelingen, spoedig versterkt door andere weggeloopen slaven, kozen zich tot aanvoerder Spartacus, een Thracier, en behaalden enkele voordeelen op de tegen hen afgezonden romeinsche legers; weldra hadden zij geheel Bruttii,
154
Lucanie en Campanie in hun macht en doorkruisten het geheele schiereiland van het zuiden naar het noorden met hunne bloed-dorstige^hon^n. Eindelijk werden zij verslagen door M. Licinius Crassus in 71, en de laatste scharen van Spartacus vielen door het zwaard van Pompejus, die juist op dat oogenblik uit Spanje terugkeerde.
In 70 bekleedden Pompejus en Crassus het consulaat, de eerste vooral was, ofschoon niet een buitengewoon bekwaam veldheer, omdat het geluk hem nog al gediend had in zijne onder-/ nemingen, de held van het oogenblik, en gold na Sulla\'s dood A^yoor het eigenlijke hoofd der opiimaten-\\)a.i\\A]. Hij achtte het echter thans voor zijn persoonlijk belang niet ondienstig zich nader j/ met de democratische partij te verstaan, en bewerkte daarom dat het volkstribunaat in zijne macht zou worden hersteld, en dat de rechtspraak ook weder aan de senatoren werd ontnomen. De senaatsleden hadden zich al even partijdig betoond als de ridders, het bestuur der provinciën ging nog steeds gepaard met zware misbruiken, juist waren er daarover onthullingen gedaan naar aanleiding van het proces van C. V e r r e s, den landvoogd van Sicilië, die alles wat vroeger geschied was nog overtroffen, en de advocaat zijner tegenpartij, M. Tullius Cicero (106—43), had het zijne er toe bijgedragen al de gruwelen en knevelarijen van den roofgierigen stadhouder in het licht testellen. De verandering der rechtspraak geschiedde waarschijnlijk onder den invloed van Pompejus, voortaan zouden de gezworenen slechts voor een derde gedeelte uit senatoren bestaan, de overige twee derde gedeelten zouden worden gekozen uit de ridders en een klasse van menschen , die, wat hun vermogen betrof, den ridderstand zeer nabij kwamen (iribuni aerarü). Ook kenmerkt zich dit jaar door de herstelling der censuur, een ambt dat S u 11 a stilzwijgend op zijde had geschoven.
Crassus en Pompejus die hunne legers hadden afgedankt, keerden na afloop van hun ambtsjaar in het particuliere leven terug, voor Pompejus echter was nog een schitterende loopbaan weggelegd. In 67 was men in Rome eindelijk tot het inzicht gekomen dat men de zeeroovers maar niet steeds straffeloos hunne rooverijen, waaraan de vroeger genomen halve_maatregelen geen
/V
155
paal en perk hadden kunnen stellen en die aan het óngeloofelijke grensden, kon laten voortzetten.
Een volkstribuun, vriend van Pompejus deed het voorstel den om zijne wapenfeiten gevierden man met een commando *
voor drie jaren tegen de zeeroovers te belasten, daarvoor een groote macht tót zijne beschikking te stellen en-hem eene buiten- -
gewoon uitgebreide bevoegdheid te verkenen. De senaat verzette zich heftig, maar het volk nam\'het aan: Pompeju-s was na 70 in elk opzicht een populair man. In drie maanden had hij zijn taak volbracht, de gevangenen werden met buitengewone mildheid behandeld. Een conflict tusschen hem en een ander romeinsch bevelhebber op Creta, die krijg voerde tegen plaatsen die zich reeds aan Pompejus onderworpen hadden, zou misschien niet zoo gemakkelijk zijn opgelost, als niet in 66 een andere gewichtige opdracht de krachten van Pompejus gevorderd had, namelijk de oorlog tegen Mithradates.
Lucullus had in Azie steeds met voorspoed gestreden en ■ tty in 72 den koning eene zware nederlaag toegebracht bij Cabeira. ^ ^ Als vluchteling moest Mithradates hulp gaan zoeken bij zijn schoonzoon Tigranes van Armeriii, terwijl Lucullus Ponhes binnentrok, waar hij de zeesteden veroverde en tevens in Armenië de uitlevering van Mithradates liet vragen. Tigranes weigerde dit en begon daarmede ook den oorlog tegen de Romeinen.
Lucullus rukte daarop Armeniè binnen recht op de hoofdstad Tigranocerta aan, welke hij, schoon zonder gevolg, aanviel;
evenwel behaalde hij met zijn zeer klein leger een schitterende overwinning op de talrijke troepenmacht van Tigranes (69),
waarop de hoofdstad zich moest overgeven. Geheel Syriè onderwierp zich daarna aan de Romeinen, een der kroonpretendenten,
die vroeger naar Rome de wijk had genomen, werd er als koning aangesteld.
Mithradates verzamelde nog eenmaal in de meer binnenwaarts gelegen landschappen van Klein-Azie een zeer talrijk leger,
terwijl Lucullus door de intriges zijner vijanden uit den ridderstand, wiens financieele belangen hij in de provincie Azie had benadeeld door maatregelen tegen den woeker te verordenen,
in Rome ten val werd gebracht. Ook in het leger daalde Lu-
156
cullus\' prestige, en op een tocht naar Oostelijk-Armenië uitte deze vijandige stemming tegen den veldheer zicli op zoo ondubbelzinnige wijze, dat hij genoodzaakt was terug te keeren. Toen hij naderhand zich weder toerustte om de koningen van PonU/s en Armenië, die inmiddels groote voordeden hadden behaald, te gaan bevechten, werd hij vervangen als bevelhebber door een 0^5ül^ uw Tt» ift^-der consuls van dat jaar, en tevens werden de oudgedienden, ^die nog steeds van Fimbria\'s leger in Azie overgebleven wa-ren, ontslagen. Lu cullus ging naar de provincie Azië, en \'P\'-\'Mithradates kwam weder in Pontus terug.
I
In 66_ werd op voorstel van den volkstribuun C. M a n i 1 i u s Pom pejus met het kommando tegen Mithradates en T i-g r a n e s belast, en hem daarvoor weder eene buitengewoon groote bevoegdheid geschonken, Cicero die in dat jaar de praetuur tekleedde, ondersteunde in zeer welsprekende bewoordingen Ma-nilius\' voorstel. In Galat ie nam Pom pejus hel opperbevel van L u c u 11 u s over, rukte daarna op Pontus aan en versloeg den konirlg op de plaats waar later de stad JSiicopolis gebouwd is. Mithradates ontkwam slechts met een klein deel van zijn leger uit dezen nachtelijken slag, en ondervond tevens de ontrouw van zijnen schoonzoon Tigranes, die van hem afvallig geworden was: hem restte dus niets dan zich naar de noordelijke deelen van zijn rijk te begeven, naar Colchis, waarheen Pom pejus hem een eind weegs volgde. Daarop sloten de Romeinen vrede met Armenië, welken vrede dat rijk moest koopen ten koste van al de vroeger gemaakte veroveringen. In het volgende jaar voerde Pom pejus met gunstig gevolg oorlog tegen enkele aziatische volksstammen, en breidde daardoor de romeinsche macht uit tot aan den Caucasus en de stranden der Caspische zee. Vele schikkingen werden geheel eigenmachtig door Pompejus in Azie getroffen, o. a. in Syrië en in Palaestina. In het eerstgenoemde land verklaarde hij het geslacht der Seleuciden vervallen van den troon en maakte het rijk tot eene romeinsche provincie, in het Joodse he land nam hij den tempelberg te Jeruzalem na een beleg in en stelde een aan Rome schatplichtig vorst als heerscher aan. Toen hij zich in 63 in Palaestina bevond, kreeg hij de tijding dat Mithradates gestorven was, in een strijd met zijn zoon
cA-
a
?x.
157
PharnSces had hij het onderspit gedolven en zich daarop doen dooden.
De eigenlijke taak van Pomp ejus in het Oosten was dan nu ten einde, na nog enkele schikkingen te hebben getroffen scheepte hij zich in 62 in naar Ephesus, en van daar naar Italië, waar men met angstige spanning de komst van den oppermachtigen imperator te gemoet zag. ■\'
In Rome was tijdens de afwezigheid van Pom pejus veel gebeurd. De aan de optimate7i tegenovergestelde partij vond een bekwamen leider in C. Julius Caesar, een man uit een oud adellijk geslacht, die geboren in het jaar 102, (of volgens anderen in 100) reeds op betrekkelijk jeugdigen leeftijd was opgetreden als een beslist aanhanger der democratische partij. Nader aan hem sloot zich thans M. Crassus aan, die zich een voor die dagen fabelachtig vermogen had verworven. Waarschijnlijk dachten reeds in 66 Caesar en Crassus er aan, zich van de invloedrijkste ambten en van eene sterke militaire positie te verzekeren , en waagden daartoe in 65 eene poging. Omtrent de uitvoering van hun plan verkeeren wij echter in het onzekere; zeker is het dat een deel van de te plegen gewelddadigheden was toevertrouwd aan den patriciër L. Sergius Catilina, een man van zeer aanzienlijke afkomst maar van een door en door bedorven karakter, die na eene in uitspattingen doorgebrachte jeugd de leider was geworden van allen, die hun vermogen hadden verloren of verkwist en door eene gewelddadige omkeering der zaken dat hoopten terug te winnen.
Toen de uitvoering van dit plan echter was mislukt, daar de senaat op de hoogte van de zaak was gekomen, gaven Caesar en Crassus hunne oogmerken toch niet op. Voor het jaar 63 wilde men een beslist aanhanger der democratie tot consul hebben en besloot daarom de verkiezing van Catilina voor dat staatsambt te bewerken. Toen geen der optimaten bereid gevonden werd zich in dezen troebelen toestand te wagen, trad een homo novns, M. Tullius Cicero als candidaat op voor het consulaat.
158
Hij was in 106 te Arpinum geboren, had zich in Rome als pleitbezorger en in de lagere staatsambten den naam van bekwaamheid en eerlijkheid verworven, en was bij het steeds meer besliste optreden der democratische partij een aanhanger der op-timaten geworden. Zwakheid van karakter en een onverzadelijke eerzucht waren zijne beide grootste gebreken, en tegenover den genialen leider der democratische partij beteekende hij, schoon geestig en scherpzinnig, weinig of niets. Deze Cicero werd in 63, nadat de verkiezing van Catilina mislukt was, coiréul, met ■een zeer onbeduidend man als ambtgenoot-é-ÖJ^^^
Catilina had zich intusschen losgemaakt van Caesar en C r a s s u s en streefde wederom naar het consulaat voor 62 ; steeds trad hij op als de leider en beschermer der verarmden en noodlijdenden , maar deze vermochten hem toch voor dit jaar evenmin te doen verkiezen, en toen hem langs den wettigen weg was mislukt zich eene machtige positie te verwerven, besloot hij eene sociale omwenteling te basrtll\'nemen om zijn doel te bereiken: tegelijkertijd zou eene legerbende in Etrnrie hem daarbij ondersteunen. Cicero slaagde er in de plannen van Catilina te weten te komen en den senaat daarvan in kennis te stellen, die niet lang daarna aan de consuls buitengewone bevoegdheid tot handelen verleende. Een moordaanslag op den consul Cicero mislukte, daar er verraad in het spel was, en de daarop gevolgde redevoering, die Cicero in den senaat tegen hem hield, verhaastte zijn vertrek uit de stad, waarop hij zich naar het leger in Etrnrie begaf. De deelhebbers aan het komplot in-Rome zagen rustig toe, dat de regeering troepen op de been bracht om de beweging in Etrurie te onderdrukken, en traden ten slotte in verbintenis met een gezantschap van den keltischen volksstam der Allobrogen, dat zich juist toen in Rome ophield. Zij maakten gemeene zaak met de samenzweerders, maar hielden tevens de regeering van al hunne bevindingen op de hoogte, ten gevolge waarvan eindelijk de voornaamste aanleggers van het komplot werden in hechtenis genomen. Een debat in den senaat, waarbij Caesar er op aandrong den gevangenen het leven te laten, M. Porcius Cato (een achterkleinzoon van den ouden censor § 29), daarentegen zeer bepaald hunne terechtstelling verlangde,
quot; A. quot; \' lt;quot;—-*£-1* \'gt;zr*^S~\' 3*™ fa
c2^. lt;_^ c**— /Clt;~4. z~gt;£jZ y-e^Jke^x^. --
y^.-^r rak zEsite^a,^
liep daarop uit, dat zij in December 63 aan den scherprechter werden overgeleverd, eene daad die in strijd was met het in Rome geldende recht van beroep op het volk. In het begin van 62 werd het leger van Catilina bij Pist or ia in Etrurië verslagen, waarbij hij zelf met tal van oproerlingen sneuvelde.
Deze loop der gebeurtenissen was een zedelijke nederlaag tevens voor de democratische partij, wier leiders men het niet kon vergeven dat zij vroeger eens met Catilina gemeene zaak hadden gemaakt, en had aan de oJgt;limaten-^rii] nieuwe krachten geschonken/7 Tegen het einde van 62 kwam Pompejus uit het Oosten, tot algemeene verwondering en verrassing dankte hij te Brundisium het grootste deel van zijn leger af en stelde zich tevreden met voor de derde maal als zegevierend imperator, ditmaal over Azië, Rome binnen te trekken (61). Den stap, dien^s^ hij thans zoo gemakkelijk had kunnen doen: zich meester te^2-7 maken van de alleenheerschappij, die bij den bestaanden toestand van den staat toch eerlang door iemand zou moeten gedaan wor— den, waagde Pompejus niet, -daartoe ontbrak hem de moed.
§ 36-
Het eerste driemanschap. — Cicero\'s verbanning 60—58 v. Chr.
n L ^
De vrees, die velen in Rome bekropen had voor den overwin-y\',/1 naar van Azie, maakte, nu het bleek dat zij ijdel was geweest,
bepaling, die verbood dat eenzelfde persoon tweemaal hetzelfde ambt mocht bekleeden binnen tien jaren. Zijn eisch al zijne schik-kingen in Azië gezamenlijk goed te keuren werd verijdeld door ^
een voorstel van Lucullus, die over iedere schikking afzonderlijk -wenschte beraadslaagd te zien, iets wat de zaak natuurlijk einde-^
loos rekte, en ook met de landverdeelingen maakte de senaat geen voortgang uit hoofde van geldgebrek, oftchoon men dia1^^^!quot;quot;
y ^
a ijelt;u
Cs
160
in beginsel goedkeurde. Wanhopende deze partij in den senaat, ^ die zich tegen hem kantte, te kunnen winnen, wendde hij zich tot de democratische partij; en de leider van die partij, Caesar die ook wel behoefte had voor zijne staatkundige rehabilitatie ^ ^zich aan een zoo machtig en gevierd veldheer als Pompejus nader aan te sluiten, trad met hem in overleg in het jaar 60.
IJoU den terugkeer toch van Pompejus uit Azie was Caesar staatkundig niet zeer gezien^ de openbare meening brandmerkte hem als den helper en geestverwant van Catilina, en een fopzettender schuldenlast, dien hij echter grootendeels verminderd ad tijdens zijn stadhouderschap in Hispania ulterior, drukte hem zwaar. Begeerende in het jaar 59 het consulaat te bekleeden had hij afstand gedaan van zijn triumf, opdat hij voor zijne candi-datuur persoonlijk in Rome zou kunnen werkzaam zijn; en hij was voor dat staatsambt ^n ook verkozen met den onbeduidenden M. Calpurnius ÖTtTulus als ambtgenoot. Daarvoor had hij / reeds met Pompejus eene alliantie tegen de aristocratie ge-.Is* sloten Atet-rwelije ook Crass us was toegetreden. Deze alliantie, ^-^j^\'^ie€^^?^ïïkürast van de drie machtigste mannen in den staat (érreenzelfde staatkundige gedragslijn te volgen heet het eerste triumviraat. Pompejus had met het sluiten van die verbintenis \'y slechts de vervulling van zijn eigen zoo vurig gekoesterde wen-
schen op het oog, en zag niet in dat juist deze vereeniging een overwinning was der volkspartij, die hem in den persoon van -Caesar een mededinger ter zijde stelde, tegen wien hij in geen enkel opzicht was opgewassen.
Zoodra Caesar in 59 consul was, begon de strijd over de landverdeelingen ten gunste der veteranen van Pompejus.\' Caesar bracht het, schoon niet altijd met wettige middelen,; zoo ver dat landerijen in Cclmpanië aan die soldaten zouden*1 worden toegewezen. ,
Toen hij eerst dit voor zijn nieuwen staatkundigen medestander had ten uitvoer gebracht, begon hij voor zich zorgen:
Caesar had in de allereerste plaats behoefte aan eene militaire positie, en dus aan eene provincie. Een met hem bevriend vdifee-\'* tribuun wist bij de mmüfamp;figeda.an te krijgen dat Gallia Cisal-
I___ pina met 3 legioenenen Tllyricum voor vijf jaren onder Cae-\\
II tXf cl# e J 0^vrgt; ^ M
CnMooe. li,. . ZsvdZ/kjL Co^~- ^ \'Vvle/to N
rwf£yjlf- jjlA/W- ZjeAfy^ cLuyi-
7gt;icU U?U v^!~.cO^ k —\'^uVt, ^M-
■t^-i
161
N
sar\'s bestuur zouden worden gesteld \', op voorstel van Pompejus voegde de senaat/ daar nog bij de provincia Narbonensis met één legioen. Zoo was dan Caesar in het bezit van zijn zoozeer* cj»-begeerd commando en dat wequot; in dep onmiddellijke nabijheid van ,v Italië; de persoonlijke band tusschen hem en Pompejus werdrf^f\' bovendien nog versterkt doordat de laatste met zijne dochter ^
Julia in het huwelijk trad. Na afloop van Caesar\'s consulaat• jji-\'/i bleef hij nog eenige maanden in Rome, en alvorens te vertrekken\'^^^^ | oordeelde hij en zijne beide staatkundige vrienden het raadzaam . yv-zich te ontdoen van de beide invloedrijkste leideis der optimaten $Jj^
Cicero en Cato. Als werktuig tegen den bij de democratische }J partij zoo gehaten consul van 63 diende P. Clodius Pulcher.
Deze man , van patricische afkomst, maar staatkundig niet veel^^y 1/^y meer dan een avonturier, had reeds in Rome van zich doen^\' •in
spreken door zijne losbandige leefwijze en zijne adoptie door//\'/», een plebejer, die hem in 58 het bekleeden van het tribunaat^^^^^t/quot; mogelijk maakte. Als volkstribuun trad hij tegen Cicero op,.^^^
dien hij persoonlijk haatte, omdat diens scherpe tong hem al eenmaal op jammerlijke wijze aan de kaak had gesteld, en diende een wetsontwerp in, waarbij bepaald werd dat ieder, die •
\' ciu (UjW**/
een romeinsch burger zonder wettigen vorm van proces zou hebben f doen ter dood brengen, met verbanning zou worden gestraft, i \'i ^ \' Dit wetsvoorstel was natuurlijk, schoon diens naam er niet in* /i
V
genoemd werd, bij uitnemendheid van toepassing op Cicero, met het oog op zijne handelwijze tegenover de aanhangers van Catilina. De consuls van 58 waren beslist op de hand van Clodius, de driemannen ondersteunden Cicero evenmin, Caesar had reeds te vergeefe getracht hem op minder onaangename wijze uit Rome te verwijderen door hem in zijn leger eene betrekking als legaat aan te bieden. Cicero ging vrijwillig in ballingschap naar Macèdonie, daarna werd een wet tegen hem gemaakt, die hem gelastte zich op een afstand van 400 mijlen van\' ^Tome verwijderd te houden\', en werd zijn huis in de stad, verwoest. Om Cato te verwijderen was ee« ander middel te baat genomen: hem werd opgedragen naar Cyprus te gaan, en dat eiland, dat aan de dynastie der Ptolemaeen behoord had , en bij testament aan de Romeinen was vermaakt, bij Rome in margadant, Grieken en Romeinen. 11
162
te lijven, aan welke opdracht Ca to zeer tegen zijn zin gevolg geven moest, en van welke hij zich met groote onbaatzuchtigheid kweet.
§ 37-
Caesar in Gallie 58—49 v. Chr.
i Toen Caesar in de lente van 58 in zijne provincie kwam, dreigden aan de romeinsche wingewesten en aan het groote nog onafhankelijke kellische land gevaren, die dringend de tusschen-komst van een groot veldheer als hij vereischten. Het krijgshaftige volk der Helvetiers, dat een groot deel van zijn land was kwijt geraakt aan de Germanen, had het besluit genomen zijne woonsteden te verlaten en zich in Gallie met geweld van wapenen een nieuwe woonplaats te veroveren. Caesar zag de ernstige gevolgen in , die niet zouden kunnen uitblijven , als de romeinsche provincie en het onafhankelijke Gallie door de zwermen der Helvetiers waren overstroomd, en het land der Alpen, dat zij verlieten, in handen der Germanen geraakte. Een krijgstocht tégen hen ondernomen had ten gevolge, dat een deel van hen ^ • op den linkeroever van den Ar ar (Saóne) vernietigd, en de ^ ^ hoofdmacht bij Bibracte (Autun) werd verslagen, het gedeelte
dat ontkwam werd genoodzaakt naar het land, dat het verlaten had, terug te keeren. Toen door deze wapenfeiten de romeinsche naam in Gallie geducht was gemaakt, viel er een nog moeilijker pleit te beslechten: de Romeinen hadden het hoofd te bieden \\ aan de steeds zich meer uitbreidende Germanen. Enkele keltische \',/ i/fa- stamn:ien van Midden-Gallie riepen de hulp der Romeinen in lOti\' teëen Ariovistus, den hoofdman der Sneven. De twee mach-
quot;^yj^tïgsten hunner waren de Aedui, bij welk volk een zeer invloedrijke jJ^ 19meinschgezinde partij was. en de Sequani, welke laatsten in-dertijd het hunne er toe hadden bijgedragen het intrekken der Ger-•y ,fS7 in Gallie zooveel mogelijk te bevorderen. Toen Caesar
1 aan het hulpverzoek gehoor gaf en Ariovistus hoonend zijne eischen had afgewezen, besliste een slag in het land, dat thans de RIs as heet, tegen de Gertnanen.
jfe--
163
Het eerste jaar van Caesar\'s proconsulaat had zich dus gekenmerkt door schitterende voordeden voor de romeinsche wapenen , en de landvoogd zelf had zich een in elk opzicht voortreffelijk veldheer betoond. De suprematie der Romeinen over de Kelten was door zijne overwinningen in beginsel gevestigd, al zou ook nog menige bloedige veldslag moeten geléverd worden, eer de staatkundige overmacht der Romeinen overal, met name onder de krijgshaftige Belgen in het N. werd erkend. Deze belgische volksstammen, waaronder de dappere NervièrT,\' \'lDracht Caesar in 57, na eenige overwinningen op hen behaald te hebben, ten onder. In het volgende jaar dwong hij de Veneti in het tegenwoordige BrÈtagne, in de buurt van Vannes, tot onderwerping: niet alleen te land, ook ter zee moesten hier de Romeiren\'hun krijgskunst toonen; in hetzelfde jaar had de jonge P.\'C.rassus, de zoon van den drieman, het landschap Aqnitanie tusschen de Garonne en de Pyrenaeen veroverd. Nu grootendeels de Kelten in Gallii\' onder de romeinsche heerschappij waren gekomen, achtte Caesar het noodig ook aan hunne stamgenooten in Bri-tannie zijne overmacht te doen gevoelen, en in 55 trok hij voor het eerst daarheen, na eerst nog een krijgstocht tegen de Ger-manen ondernomen te hebben en den Rijn te zijn overgetrokken, waarschijnlijk op de hoogte tusschen Coblenz en Andernach. De Britanniers zijn echter op deze en nog een volgende expeditie , in 54 niet dan in naam onderworpen.
Inmiddels waren het thans weder de gebeurtenissen in Rome zelf, die Caesar\'s aandacht vorderden. Pompejus, die natuurlijk door zijne positie geroepen was den meesten invloed uit te oefenen, bleek niet de man te zijn, die in staat was de gebeurtenissen te leiden. De losbandige democratie mtx P. Clodius aan het hoofd was hem spoedig te machtig. Tegen dezen voor geen buitensporigheden terugdeinzenden volksleider had Pompejus geen ander middel van bestrijding, dan zich weder nader aan te sluiten bij den senaat. Dadelijks grepen er in Rome woeste tooneelen plaats, gewapende benden beslisten in bloedige vechtpartijen over den gang der zaken ; dit bleek vooral, toen men het plan had opgevat C i c e r o \'s terugroeping te bewerken , wat trots allen tegenstand van Clodius, in 57 onder medewerking van Pompejus enden
11*
164
senaat ook werkelijk geschied is. In den nazomer van dat jaar keerde hij in Italië terug, en de wijze waarop men hem daar ontving was wel geschikt voedsel aan zijne bovendien reeds zoo groote ijdelheid te geven. Pom pejus verkeerde op den duur in eene eenigszins scheeve verhouding, de groote wapenfeiten van Caesar stelden hem zeer in de schaduw, liefst had hij een machtige militaire positie gehad, zooals Caesar in Gallie, maar bij gebrek daaraan moest hij zich voorloopig tevreden stellen met het „oppertoezicht over den korenaanvoerquot;, welke betrekking hem toch ook eene uitgebreide bevoegdheid verleende. Hij kon bij - den senaat niet veel gedaan krijgen, de verkiezingen voer 56 vielen zeer tegen den zin der driemannen uit, zelfs tegen vroeger door Caesar gemaakte wetten ontstond eene oppositie. Deze laatste was echter door talrijke aanhangers in Rome nauwkeurig op de hoogte van wat daar voorviel en belegde in 56 eene conferentie met Pomp ejus en Crass us te Luca \'), de zuidelijkste stad van zijne provincie. Op deze bijeenkomst, die behalve door de driemannen nog door vele andere invloedrijke mannen werd bijgewoond, werd de band tusschen Caesar, Pompejus en Cr as sus weder nauwer aangehaald en tevens vastgesteld dat de beide laatstgenoemden voor 55 weder te samen het consulaat zouden bekleeden. Daarna zou Pompejus, de beide spaansche provinciën, C rassus Syrië krijgen voor vijfjaren met een tal-
Vrijke krijgsmacht; Caesar zou naafloop van zijn vijfjarig bestuur in 54, nog zijn commando met vijfjaren verlengd zien, dus tot het jaar 49 (zie de noot op blz. 167), daarna zich candidaat kunnen stellen voor het consulaat van het jaar 48, en tevens zou hij het aantal zijner legioenen op tien mogen brengen.rijke krijgsmacht; Caesar zou naafloop van zijn vijfjarig bestuur in 54, nog zijn commando met vijfjaren verlengd zien, dus tot het jaar 49 (zie de noot op blz. 167), daarna zich candidaat kunnen stellen voor het consulaat van het jaar 48, en tevens zou hij het aantal zijner legioenen op tien mogen brengen.
Tegenover dit machtig optreden van de driemannen en meer bijzonder van Caesar, want hij was de man die eigenlijk den toestand beheerschte, stond de senaat en de opiiniaien-\\)zr\\.\\] in Rome machteloos; de oppositie ■ van mannen als Cato hielp niets, door middel van ruw geweld werden de plannen van _Luca door het volk tot wet verheven. Het werd hoe langer zoo
\'j Luca is sedert Augustus tot Etrurié\' gerekend, maar behoorde in den tijd, dien wij nu behandelen, nog tot de provineie Gallia Cisaljnim,
165
* J- ï J
duidelijker, dat eigenlijk feitelijk de republiek had opgehouden te bestaan en dat men steeds meer eene militaire ontknooping naderde; de besluiten van Luca gaven aan Pompejus en Crassus het recht krijgstoerustingen te maken naar hun goeddunken, Pompejus bleef met die troepenmacht in Italië en liet zijne spaansche provinciën door zijne legaten besturen. Crassus daarentegen verliet nog voor het einde van zijn ambtsjaar Rome en ging naar Syrië, om den oorlog tegen de Par then te ondernemen; hij heeft dien oorlog niet voorspoedig gevoerd en is in 53 bij Carrhae in McsopotamiC verslagen en omgekomen. Deze ongelukkige veldtocht bracht aan het prestige van de Romeinen in het Oosten een gevoeligen knak toe. ^ .. ,
Zoo waren dus nu nog maar twee van de driemannen over, en tusschen hen zou de beslissing moeten vallen, wie eindelijk meester zou worden. Voor de persoonlijke goede verstandhouding tusschen hen was het niet bevorderlijk, dat in 54 Pompejus\' vrouw Julia overleed. De onstuimige tooneelen die voortdurend in de straten van Rome plaats grepen, zoo zelfs dat meermalen het nieuwe jaar zonder consuls begon, waren even zoovele bewijzen van staatkundige machteloosheid en verval. Een oogenblik scheen het, als zou Pompejus in dezen verwarden toestand een beslissenden stap doen. Voor het jaar 52 had T. Annius M i 1 o, een man die een voorname rol had gespeeld in de straatgevechten tegen de democratie, zich candidaat gesteld voor het consulaat. De verkiezing had nog niet piaats gehad, toen in den aanvang van het jaar 52, Clodius op den A\'ppischen weg bij Bovillae, niet ver van Rome, het leven verloor in een gevecht tegen de slaven van Milo. Zijn dood gaf aanleiding tol eene oproerige beweging in Rome, waarbij zelfs het senaatsgebouw afbrandde. Pompejus werd, om in deze bloedige verwikkelingen de orde te herstellen, feitelijk met dictatoriale macht bekleed, ofschoon men den naam van dictator vermeed en hem benoemde tot „consul zonder ambtgenootquot;, met het recht zich een ambtgenoot toe te voegen, als hij dat noodig zou oordeelen. P o m-pejus herstelde de orde door het nemen van krachtige maatregelen, Milo werd aangeklaagd en ging in ballingschap. Zijn advocaat Cicero sprak slechts kort tot zijne verdediging, de
groote redevoering „voor Miloquot;, die wij van den redenaar nog over hebben, is later opgesteld. In den zomer van datzelfde jaar Jcoos Pompejus zich tot ambtgenoot\'\'Q. JtTetellus Scipio en liet zich zijn commando in Spanje verlengen voor 5 jaren, zonder een dergelijk voorstel voor Caesar te doen.
Caesar was gedurende die gebeurtenissen in moeilijken strijd gewikkeld in zijne provincie. De onderwerping van Galliè was nog niet zóó volkomen, of telkens openbaarden zich aldaar nog gevaarlijke bewegingen; nog eenmaal was hij in 53 genoodzaakt den Rijn over te trekken, en nauwelijks waren de in verzet gekomen volken ten onder gebracht, toen zich in den winter van 53 op 52 alles weder tot een krachtigen opstand toerustte, terwijl Caesar zich in Noord-Italië bevond. Ditmaal was de aanzienlijke Arverner Vercingetorix de leider, die in korten tijd bijna alle ga/lische stammen voor zich wist te winnen, doch eindelijk toch onder de muren van Jlesia, {Alisc, Sainte-Retne, dept. de la Cóte d\'Or), waarbinnen hij door Caesar belegerd werd, verslagen werd en zich aan de Romeinen overgaf (52). Daarmede was de groote oorlog geëindigd, nog in het volgende jaar werden enkele gallische stammen door Caesar en.zijn bekwamen onderbevelhebber T. Labienus bedwongen, zoodat eindelijk bij den aanvang van het jaar 50 de groote keltische natie overwonnen was.
Voor een man met Caesar\'s genialen blik stond het op dit oogenblik ontwijfelbaar vast, dat de toestanden in Rome niet me.er zoo konden blijven als zij waren en dat de republiek zich zelve had overleefd. Slechts de onbeperkte heerschappij van een impe-\'rator kon orde brengen in de verwikkelingen, die uit de staatkundige uitputting en machteloosheid .voortsproten. Hadden de omstandigheden eenen loop genomen, zooals Caesar zich dien had voorgesteld, dat hij zelf namelijk onmiddellijk na het eindigen van zijn stadhouderschap in Galliè\', consul voor het jaar 48 had kunnen worden, dan had hij, de machtige veldheer, met behulp van zijne hem verknochte legioenen, allicht dat consulaat kunnen doen overgaan in een dictatuur, en zoo den burgeroorlog kunnen vermijden. Maar dit beletten de partijverhoudingen in Rome: de optimaten en de meerderheid van den senaat wenschten tot
167.
ni
in.\'.
eiken prijs den gevreesden Caesar op zijde te schuiven en werden sedert eenige jaren in dat voornemen getrouw ondersteund door Pompejus, die, ziende dat de vervreemding tusschen hem en Caesar door geen vergelijk meer was uit te wisschen, zijne positie hoopte te versterken door als verdediger der bestaande staatsregeling op te treden tegen den oppermachtigen imperator, die er ongetwijfeld inbreuk op zou maken. Over de intriges der optimaten en de angstvallige, dikwerf dubbelhartige houding van Pompejus heeft Caesar ook op diplomatiek terrein weten te zegevieren.
De groote zaak die belet moest worden was natuurlijk de on- -middejlijke oyergang, dien Caesar voor had, van het eene ambt inquot; hef quot;andere: men streefde er naar te bewerken dat hij een poos lang na het nederleggen van zijn commando als ambteloos persoon leven zou en dien tusschentijd hoopte men te benuttigen ofti hem aan te klagen. De intriges tegen Caesar begonnen reeds in 51* toen kwam een der consuls in den senaat het voorstel indienen, dat de proconsul van Gallié zou aftreden op 1 Maart 49 \'). Maar hij had in Rome ook zijne agenten, lieden die veelal uit geldgebrek zich tegen betaling hunner schulden lieten vinden om in zijn belang werkzaam te zijn. Een van hen was C. Scribonius Curio, een man, die door een romeinsch schrijver als een „zeer geniale gauwdiefquot; betiteld is. Toen in het jaar 50 de vervulling van het proconsulaat in de gallische provinciën ter sprake kwam, verklaarde deze Curio als volkstribuun, dat hij slechts dan niet zijn recht van veto zou toepassen ,
\') Caesar\'s proconsulaat in Galiië eindigde met 1 Maart 49; daar echter, volgens de sedert Sn 11 a gevolgde regeling, hem dan eerst een der consuls van het jaar 49 als proconsul had kunnen opvolgen, had hij moeten wachten tot de komst van zijn opvolger, en zijn commando tot liet einde van 49 kunnen houden. Xu bepaalde echter een wet van Pompejus van 52, dat niet meer de consuls en praetoren onmiddellijk na hun aftreden naar eene provincie zouden gaan, maarzij, die minstens vijfjaren geleden het consulaat of de praetuur luidden bekleed; dus kon reeds met 1 Maart 49 een oud-consul beschikbaar zijn voor het bestuur van Gallié\'. Deze laatste wet heeft 0. a. Cicero genoopt zeer tegen zijn zin van 51— 50 het stadhouderschap in Cilicië te bekleeden.
3gt;
- i\'-\'•,/C£-fc-t»^ éL \'j. t-0 ^ /-tt. C\'Cv-£-~ jCCvamp;ï,
hs ^PixAJ^ uisJeA* amp;\'amp;\' t- V\'l^ Ir ^C-V» \'Xt Xtvva
Vv1\'•; ••gt; * \'-* \'■ i-wu^vjt \'v-\'^yj
als ook Pompejus afstand zou doen van zijne proconsulaire bevoegdheid, opdat na het aftreden der beide machtigste mannen weder een behoorlijk geordende toestand zou kunnen hersteld worden. | Toen deze zaak in den senaat kwam, nam dit lichaam het voorstel aan, waarbij aan Caesar en Pompejus beiden de verplichting zou worden opgelegd tegelijker tijd afstand te doen van hunne ambten. Valsche geruchten uit Gallie, die verzekerden dat Caesar reeds militaire toebereidselen maakte, brachten de regeeringspartij tot een zeer bedenkelijken stap: men vorderde namelijk van Pompejus, dat hij het, commando op zich zou .nemen over twee legioenen die b\'ij Capua lagen. Deze legioenen waren nog wel oorspronkelijk soldaten van Caesar; toen namelijk kort te voren voor de veiligheid van de provincie Syrië de senaat van Caesar en Pompejus elk één legioen verlangde, zond Caesar een zijner oude legioenen en een dat hij eens van Pompejus had geleend; deze soldaten waren nooit naar het Oosten gezonden maar te Capua gebleven,. Pompej us ngm ingevolge dat verzoek het bevel over die legioenen bp zich, en -C a e s a r van zijne zijde hield zich wel marschvaardig, maar opende toch nog niet de vijandelijkheden. Na afloop van zijn tribunaat kwam C u r i o bij hem te Ravenna en vertrok spoedig weder met de quot;opdracht naar Rome, dat Caesar bereid was op i Maart 49 -van Gallia Transalpina afstand te doen en 8 legioenen af te danken, mits men hem Gallia Cisalpina en lllyricum met 1 legioen, of alleen de cisalpijnsche provincie, maar dan met 2 legioenen liet behouden, tot dat de nieuwe verkiezingen voor het consulaat zouden hebben plaats gehad. Dit was alsquot; het ware Caesar\'s ultimatum, de senaat wilde echter, toen Curio met het voorstel in die vergadering voor den dag kwam, van geene schikking meer hooren: Caesar zou op een bepaalden dag afstand doen van de beide ga 11 ische provinciën of anders als landverrader worden beschouwd. Dat enkele volkstribunen, o. a. de latere drieman M. Antonius, zich met hun veto hiertegen verzetten, was evenzeer vruchteloos; zij moesten de wijk nemen naar Caesar\'s karap, toen Pompejus tot veldheer van den senaat met onbeperkte volmacht benoemd werd.
De oorlogspartij in Rome, die zich gevleid had door dit op-
* IA ,
■1^.. ••\'. , MVvCw-i
P
f
/lc \'.-e.
# w/ •
Lentt i
CU.
r M i
U- ■quot; p* t
i iL
TL-
A—
K^.5^5
i CVVv»~.*.^ \'!-
Tl;A v^-
\'M- :
1 , ^ . l\'
lJgt; lfgt;
I\'
!gt;-
• (.** \'To-ec ^VIM» . t^W* ftjt,-»-. C-fcvVvQ
•4 j L-c
U ^ j v-cc \' V ^ t 4 L \\ t. iv£ £ C-vut \' ► \\-i,»-t)
169 /
■\'■V^
treden enkelen van Caesar\'s vrienden en officieren voor zich te winnen, bedroog zich hierin bijna geheel, slechts de dappere T. Labienus ging over naar de partij der optima ten. De tijd van den beslissenden stap te wagen en alles te winnen of alles te verliezen was nu voor Caesar gekomen; met één legioen dat te Ravenna stond, rukte hij, na zijne soldaten van zijn goed recht overtuigd te hebben, voort, trok in de eerste dagen van 49 over den Rnbico en aanvaardde daarmede den burgeroorlog.
-
Vs \' ~- V
gt;
Lcej- L\'iJ_
(M
. r •-
§ 38-
tl]
t- ; £ppi
De burgeroorlog tusschen Caesar cn Pompejus.
alleenheerschappij 49—44 v. Chr.
.
De daad van Caesar was eigenlijk oppervlakkig beschouwd een vermetel waagstuk, hij ging den strijd beginnen met de republiek , met eene instelling waaraan wel is waar grove gebreken kleefden, maar die toch eeuwen bestaan had en onder welke Rome een wereldmacht was geworden; dan stond tegenover hem een beroemd veldheer, een man, wiens naam in de drie wereld-deelen met lof werd genoemd. Caesar echter vertrouwde behalve op zijn genie en de aanhankelijkheid der bewoners van Noord-Itahe op zijne trouwe oud-gedienden uit Galhè, die hem in de moeilijke jaren van zijn proconsulaat reeds zoo menig bewijs hadden gegeven, dat hij op hen rekenen kon.
Zijn eerste verschijnen boezemde aan zijn vijanden dan ook reeds dadelijk schrik in, tegenstand werd nergens geboden, de troepen , die in Umbrie werden geworven . namen alleen reeds op het hoeren van Caesar\'s naam de vlucht, toen hij langs de groote heirbaan, die van Ravenna naar Rome liep, voortrukte. Pompejus, die op dit oogenblik maar ongeveer over twee legioenen beschikken kon, omdat de overige krijgsmacht nog niet was gemobiliseerd, achtte het raadzaam Rome te verlaten, welk voorbeeld ook gevolgd werd door de consuls en vele senatoren; het vertrek der regseringspersonen geschiedde zoo overhaast, dat men zelfs in gebreke bleef de staatskas mede te nemen. Degeen
Caesar\'s
170
die tot opvolger van Caesar in Gal lie was bestemd, was reeds te Corfinium, doch viel hem in handen, waarna zijne soldaten, die hem hadden overgeleverd, in grooten getale tot Caesar yyergingen, deze zag binnen weinige weken zijn leger aangroeien tot 40.000 man. Toen Pompejus tijding kreeg van Caesar\'s ongehoord succes, kon hij niets anders doen dan zich naar Brun-disium terugtrekken en desnoods Italië verlaten, ten einde den oorlog van Griekenland uit te kunnen voeren. Dit deed hij ook werkelijk, Caesar had geen vloot en dus waren zijne aanvallen op de zeestad vruchteloos, zoodat Pompejus ongehinderd zich met zijne troepen kon inschepen.
Zoo was binnen 60 dagen het geheele schiereiland Italië zonder noeraenswaardigen tegenstand in Caesar\'s macht, maar zoo gemakkelijk als deze overrompeling in haar werk was gegaan, zoo veel te moeilijker dreigde de zaak in Pompejus\' provinciën, in Spanje, te zullen zijn, waar zijne bekwame legaten met geoefende legers stonden. Eerst echter begaf hij zich naar Rome en vond daar de schatkist, waarvan hij den inhoud best gebruiken kon. Caesar\'s plan was eerst het Westen aan de partij van Pompejus te ontrukken, met dat doel werd Curio -naaj SiciiiS gezonden, om M. C a t o te verdrijven en dan naar Africa over te steken, waar de Pompejaansche partij steun vond bij J u b a, den vorst van Numidiè (§ 35); Caesar ging persoonlijk naar Spanje. In dat schiereiland werd de strijd hoofdzakelijk gevoerd in den omtrek der stad lier da (thajis Leridd), eene vesting in het N.O. Caesar\'s krijgskundige bekwaamheden brachten door handig manoeuvreeren te weeg, dat reeds in den zomer van 49 de beide legaten van Pompejus moesten capituleeren, eenderde legaat, die in het zuiden stond (M. Terentius Varro), kon het nu ook niet langer meer houden. Hierna nam Caesar bezit van de stad Mass ilia , die gedurende de spaansche krijgsbedrijven door zijne onderbevelhebbers was ingenomen. Sicilië was aan Curio zonder slag of .stoot in handen gevallen, doch deze sneuvelde nog in hetzelfde jaar in Africa in de nabijheid van Utica, dat hij belegerde. In het Westen was dus Pompejus\' macht geheel gebroken, de poging ook Africa tot een steunpunt te maken voor dé Caesarianen was echter mislukt, de strijd moest nu
171
aanvaard worden tegen het Oosten. Het hoofdkwartier der Pom-pejanen, waarheen zich ook alle officieren begaven, die in het Westen des rijks tegen Caesar het onderspit hadden gedolven en van hem vrijen aftocht hadcen gekregen, was Thessalonica;
tegen het einde van het jaar 49 had Pom pejus daar een sterk leger bijeen verzameld, waarmede hij naar de kust van Illyrie oprukte en ook beschikte hij over eene talrijke vloot, die reeds in den zomer een voordeel had behaald op de strijdkrachten der Caesar ianen aan de kust van Dalmat ie.
Toen Caesar na den spaanschen veldtocht in Rome terugkwam, had men hem daar tot dictator benoemd, hij zelf liet zich voor 48 tot consul verkiezen en maakte daarop zijne toebereid-selen, om het bevel te aanvaarden over de troepenmacht te disium en aldus den oorlog naar Griekenland over te brengen.
Ondanks vele moeilijkheden gelukte het hem naar Epirus over te steken en 15 è, 20.000 man aan land te brengen bij het voorgebergte Acroceraunia, daar verkeerde hij een tijdlang in zeer hachelijken toestand, toen het zijn trouwen vriend M. Antonius, . v gelukte met vier legioenen en 800 ruiters ten N. van Dyrrhachium- — \' ^ ^■-te landen. In den omtrek van die stad zijn maanden lang bloedige gevechten geleverd, in het laatste werd Caesar met aanzienlijke verliezen teruggeslagen. Zijn toestand was zeer bedenkelijk, hij was van Italië afgesneden en met zijn geslagen leger uit zijne versterkingen gedrongen. Maar ook hier toonde Caesar weder zijn meestersph^jj ^^vddheer over zijn tegenstander. Snel rukte hij naar Apollointi en^steeds verder in oostelijke richting naar Jhessalie. Pom pejus\' leger volgde hem tot nabij Phar-\'5-u(üA^-l~* salus, daar greep in den zomer van 48 een beslissende slag plaats: Caesar\'s leger bedroeg nog niet de helft van dat van Pompejus, maar toch behaalde zijn tactiek de overhand, Pom-pejus leed eene volkomene nederlaag.
Na den slag van P har salus gaven de Pompejanen den strijd nog niet op; de eerste taak die Caesar te vervullen had was Pompejus te beletten in het Oosten vasten voet te krijgen,
waar hij goed bekend was en gemakkelijk nieuwe strijdkrachten had kunnen verzamelen. Pompejus had op Lesbos zijne familiebetrekkingen aangetroffen en was op weg naar Aegypte. In dat
172
land heerschte sedert een paar jaren eigenlijk regeeringloosheid. Koning Ptolemaeus Auletes, dié in 51 was gestorven, had twee kinderen nagelaten, eene dochter Cleopatra en een zoon Ptolemaeus XII Dionysus. Cleopatra was verdreven, en toen het eskader van Pom pejus naderde, ried de opvoeder des konings dezen aan den voortvluchtigen romeinschen v«ldheer maar P\' uit den weg te doen ruimen, ten einde, naar hij meende, bij • , c^iCaesar in de gunst te komen. Dit gebeurde en toen Pompejus 1 op uitnoodiging van den jongen koning zich aan land zou bege-
ven, werd hij in de sloep, die hem daarheen bracht, vermoord i September 48).
Caesar, die zijn tegenstander snel gevolgd was, verscheen ongeveer een maand later in Alexandrië en toonde zich daar zeer verstoord en bedroefd, toen hij kennis kreeg van de lage wijze waarop de man, die eenmaal zijn vriend en zijn schoonzoon ge-. weest was, ter dood was gebracht. De aegyptische regeering had gemeend te moeten ingrijpen in de romeinsche quaestie, zijnerzijds zou hij na de aldaar heerschende oneenigheden in zijn belang oplossen. Hij vestigde zijn verblijf in Alexandrië en gaf de heerschappij van Aegypte aan Cleopatra en Ptolemaeus, die volgens een in dat geslacht veel voorkomend gebruik, schoon broeder en zuster, met elkander gehuwd waren. De aanhangers van den jongen koning, die voor hunne eigene positie thans alles te vreezen hadden, brachten, geholpen door de burgers van . Alexandria, een leger tegen Caesar op de been waardoor deze in groot gevaar kwam. Eindelijk nadat reeds eenmaal onderhan-.A delingen tusschen hem en Ptolemaeus hadden plaats gehad ,\'v doch de daarbij getroffen overeenkomst trouweloos was verbroken,^ L kreeg Caesar versterking, versloeg de Aegyptenaren en trok daarna als overwinnaar Alexandrië binnen. De koning was op j de vlucht omgekomen, Cleopatra werd thans onder romeinsche suzereiniteit als koningin van Aegypte erkend.
Inmiddels ^ag men in Italië met gespannen verwachting naar den overwinnaar van Pharsalus, den nieuwen meester van het rijk, uit, reeds had men hem met groote eerbewijzingen overladen, hij werd weder tot dictator benoemd en verkreeg eene uitgebreide bevoegdheid over oorlog en vrede, de provinciale aange-
----
•| ymJhrnU I
113v\\6
legenheden en de keuze der staatsambtenaren, ook zou hij het consulaat vijf jaren achtereen mogen bekleeden. Rustig was het het echter in het romeinsche rijk nog niet, met name in Klein-Azie, waar Pharnaces, een zoon van Mithradates, eene beslissende overwinning behaald had op een van Caesar\'s legaten; toen echter Caesar zelf tegen hem optrok werd hij in 47 bij Ze/a in Pontus geslagen {Veni, vidi, vut).
Daarna keerde Caesar naar Rome terug, waar hij reeds dadelij k eene muiterij onder zijne oude troepen te bedwingen had, welke hij door zijn persoonlijk beleidvol optreden toch echter weder spoedig tot gehoorzaamheid wist te bewegen. De kern der Pom-pejaansché partij stond in Africa; aldaar hadden zich 10 legioenen f onder bevel van Mete 11 us Scipio vereenigd met de troepen van Ju ba. Deze krijgsmacht werd door O a e sar in 46 verslagen bij Jhapsiis, alwaar bijna het geheele repiiblikeiiiscHe leger vernield werd. De meeste aanvoerders van dit leger benevens koning Ju ba vonden den dood op de vlucht gedeeltelijk door zelfmoord, / slechts Labi en us en de beidezonen van Pomp ejus ontkwamen naar Spanje. Ca to doodde zich te Utica, om den ondergang quot; der republiek niet te overleven. Het rijk Numidiê werd voor een deel een romeinsch wingewest onder den naam Nieuw-Africa. In den zomer van 46 keerde Caesar naar Rome terug en hield zijne schitterende zegetochten over Gallié\' en Aegypte, Pontus en Numidie. \'/
Thans wachtte Caesar de taak het rijk, welks monarch hij op dit oogenblik was, te ordenen en de wonden te heelen, die aan den staat in de laatste tijden niet het minst door den burgeroorlog waren toegebracht. Een reeks van eerbewijzingen was weder toegekend aan den nieuwen heerscher bij.zijn terugkeer uit Africa, o. a. de dictatuur voor tien jaren, en in 44 liet hij zich die opdragen voor het leven. Dit ambt gaf hem onbeperkte macht, doch daarnevens werden hem nog afzonderlijk geformuleerde rechten en bevoegdheden toegekend, zooals b.v. de beslissing over oorlog en vrede, het recht van de benoeming der stadhouders , het toezicht over de zeden, en ook een paar malen het consulaat; daarbij nog de rechten en onschendbaarheid der volkstribunen en in 45 ook de titel van imperator voor het leven.
-wi. WVN ^
174
F*quot;quot;
Daarmede vereenigde Caesar in zijn persoon alle macht, zooals de koningen die eens hadden bezeten, n.1. de hoogste militaire, rechterlijke en uitvoerende macht; nevens hem was de senaat, v welks ledental aanzienlijk werd uitgebreid, niets meer dan een eenvoudige staatsraad. De comitia moesten voor den vorm nog de besluiten van den imperator goedkeuren. Vele belangrijke hervormingen werden gebracht in de andere takken van \'t bestuur, zooals in het belastingwezen, waar gedeeltelijk het oude stelsel van verpachting werd afgeschaft, de koornuitdeelingen werden ook gewijzigd en namen meer het karakter aan eener geregelde armverzorging. Om de uitbreiding van het proletariaat in Rome tegen te gaan werd het oude stelsel uit de dagen der Gracchen mede te baat genomen (§ 31), en de gelegenheid geopend tot verhuizing naar de provinciën; speciaal vond deze kolonisatie plaats in Gallia Transalpina, Carthago en Corinthc. Ook voor de aangelegenheden der provinciën, die gedurende de republiek zoo jammerlijk waren mishandeld, toonde Caesar hart te hebben door geschikte personen als stadhouders te benoemen. Eindelijk werd door hem de kalender nieuw ingericht; met den aanvang van het jaar 45 begint de nieuwe, met behulp van een wiskundige uit Alexandria hervormde kalender ( Juliaansche tijdrekening). Ook in het krijgswezen kwam eene andere organisatie.
Deze maatregelen en plannen werden uitgevoerd en beraamd, terwijl de tegenpartij nog niet geheel was ten onder gebracht, in Spatije stonden n.1. de beide zonen van Pompejus, Cnaeus en S e x t u s en hadden in dat land een sterk leger verzameld, dat de daar aanwezige strijdkrachten niet konden meester worden, zoodat M ,if \' J-!\' Caesa r\'s persoonlijke tusschenkomst werd vereischt. In 45 ver-\' s\'0eo hij zijne tegenstanders bij Munda, eene stad ten Z. van Corduba. Cn. Pompejus en T. Lab ien us kwamen aldaar om met het grootste gedeelte van het leger. Sext us ontkwam.
Na ook hier de rust hersteld te hebben, keerde Caesar nog in Rome terug; het gold thans zijne hervormingen en de
reorganisatie des rijks ten uitvoer te leggen en tevens zich voor te bereiden tot een nieuwen grooten oorlog aan den Euphraat, waar nog altijd de dood van Crassus op de Parthen moest ^ ^ worden gewroken. Reeds waren in het voorjaar van 44 voor dien
VJ^
t
v.
Éi\'
w
u
v-
V \'
Cv
U.. / : W
:ivW\':
V\\
175
krijg belangrijke toebereidselen gemaakt en stond hij zelf gereed naar het Oosten te vertrekken, toen de dood plotseling hem te midden van zijn omvangrijke taak wegnam.
Het had Caesar niet mogen gelukken de oppositie der republikeinen , die op alle slagvelden tegen hem het onderspit gedolven hadden, in de stad Rome te fnuiken. Staatslieden en letterkundigen hadden de ontstemdheid gaande gehouden, die velen bezielde wegens het te niet gaan der oude republiek; men gevoelde dat deze impèrator met zijn macht, die aan den koningstijd herinnerde, al bleef ook de oude regeling nog in naam voortbestaan, feitelijk den republikeinschen staatsvorm ophief, en al die ontevredenen sloegen de handen ineen om Caesar ten val te brengen. Eene samenzwering, geleid door M. Junius Brutus, een edel karakter, bij wien de ergernis over den ondergang der republiek eerst laat heeft vermogen te zegevieren over zijne genegenheid voor den persoon van den imperator, en door C. C a s s i u s gelukte slechts al te goed; in de laatste senaatszitting voor zijn voorgenomen vertrek naar Azië viel Caesar onder de dolksteken der samenzweerders (15 Maart 44 v. Chr.\'gt;. \\ .V ■
Het tweede driemanschap. — Strijd tusschen Octavianus en Antonius 44—31 v. Chr.
Toen de bloedige daad was gedaan zonder eenig plan, wat men doen zou wanneer zij eenmaal gelukt was, bleek het hoe groot een fout ook uit staatkundig oogpunt de moord op Caesar bedreven was. Onmiddellijk na zijn dood had M. Antonius (§ 38), een van Caesar\'s trouwste aanhangers, die in dit jaar tevens consul was, zich meester gemaakt van zijne bezittingen en papieren en liet nu den senaat eenige dagen later verklaren, dat men de instellingen van Caesar zou eerbiedigen, zoowel die al bekend waren, als die nog uit zijne nagelaten papieren bekend zouden worden; aan de moordenaars werd amnestie verleend. Inmiddels was M. Aemilius Lepidus, die tot stadhouder
17G
voor de provincie Narbonetisis en Noord-Spanje bestemd was, met troepen in Rome gekomen en door allerlei beloften van Antonius gewonnen. Deze laatste was dus op het oogenblik meester van den toestand en maakte daarvan een zeer handig gebruik o. a. reeds dadelijk bij de uitvaart van Caesar, waarbij hij uit diens testament een aantal voor het volk gunstige bepalingen voorlas. De moordenaars van Caesar waren staatkundig nu wel veilig, maar bij de groote sympathie die het volk in Rome voor den imperator koesterde was hun toestand daar toch niet aangenaam, zoodat dan ook enkelen hunner er de voorkeur aan gaven de stad te verlaten, zoo ging Dec. Brutus naar zijne provincie Gallia Cisalpina, tot welk-stadhouderaohap hij nog door Caesar was benoemd. Antonius, die liefst al de moordenaars van Caesar zoo ver mogelijk verwijderd zag, maakte van diens hem toevertrouwde papieren een zeer willekeurig gebruik, en trof een aantal schikkingen op eigen gezag, zoo het heette, krachtens nagelaten bevelen van Caesar. Toen hij nog in het- jaar 44 van het volk gedaan kreeg, want de senaat had het geweigerd, dat hem in plaats van Dec. Brutus Gallia Cisalpina te besturen werd gegeven, was weder de aanleiding daar voor een nieuwen burgerkrijg. M. Brutus en Cassius hadden ook met Antonius gebroken, en begaven zich in strijd met den hun opgelegden last naar hunne oude provinciën Macedonië en Syrië, om daar te kunnen optreden aan het hoofd hunner troepen; in Spanje had Sext us Pomp ejus (§ 38) weder een aanzienlijk leger onder zijne bevelen.
In dezen zelfden tijd verscheen er een ander persoon ten tco-neele, die bestemd was de staatkundige nalatenschap van Caesar ten uitvoer te leggen: deze was C. Octavius, een achterneef van den imperator. Toen hij uit Apollonia\'m Illyrie, waar:-hij de komst van zijn oudoom afwachtte, om gezamenlijk met hem naar het Oosten te vertrekken, in Italië aankwam, vernam hij dat hij door Caesar bij testament was geadopteerd, hij noemde zich dan ook terstond C. Julius Caesar Octavianus. Spoedig stond hij in groot aanzien bij Caesar\'s oud-gedienden en toen hij, door Antonius koel ontvangen, welhaast met dezen in openlijken strijd verkeerde, kozen verschillende legioenen parti\' .
177
voor Octavianus. De tijd stond aan te breken, waarin de ruwe soldaten-heerschappij zich op het vreeselijkst zou laten \\*gt; j gelden. In het laatst van 44 rukte An tonius naar Noord-Italië ^ tegen Dec. Brutus. Deze bezette bij zijne nadering de stad Muiina; de senaat, waarin Cicero zijne heftige „Philifiiischell redevoeringen tegen Antonius uitsprak, besloot wel ié waai1 niet,
dezen tot landsvijand te verklaren, maar wilde hem toch desnoods met geweld ten onder gebracht zien. In 43 verscheen Octavianus met de beide consuls van dat jaar op het oorlogsterrein bij lt; -Mutina, en daar werd Antonius verslagen in twee gevechten,
de beide consuls, Hirtius enPansa sneuvelden, en na den . ✓-
eersten slag zette Cicero in den senaat door, dat Antonius ;\':J\' yy
A
w*
tot landsvijand werd verklaard, die daarop met een klein deel van zijn leger vluchten moest. {\\J .
Tot op dit oogenblik had Octavianus den senaat gediend,
voor welke handelwijze hij door Cicero met loftuitingen werd overladen; het was echter op deu duur te voorzien, dat hij, de \'
erfgenaam van Caesar, niet van zins zou zijn steeds eene partij te steunen, wier bestrijding de levenstaak van zijn oom was geweest, en die eindelijk hem door sluipmoord had uit den weg geruimd. De kansen van de republikeinsche partij stonden overigens op dit tijdstip zeer gunstig^ in het Oosten hadden M. Brutus in Macedonië en Griekènland, Cassius in SyriëzicJn eene machtige militaire positie verschaft, en ook uit andere provinciën kwamen tijdingen van belangrijke voordeelen, door de aanhangers dezer partij behaald. Men meende dat het werk van Caesar,
de vestiging van de monarchale macht, nog wel weder vernietigd kon worden, te meer daar het thans slechts een voorvechter vond in een jongmensch van twintig jaren. Men begon dus jnet tej^\' , ^ trachten Octavianus eenvoudig op zijde te schuiven en der . jict. (uu geheele Caesariaansche partij een slag in het aangezicht te ge- VlN
ven, door officiéél aan Sextus Pompejus het oppercommando over de strijdkrachten ter zee te verleenen. Octavianus hield \' 1 zich echter met berekende slimheid voorloopig werkeloos, liet 1 toe dat ziine beste soldaten hem onttrokken werden en dat An-
1\' 4I/V) \' \'A.
tonius zich met Lepidus vereenigde, waarna ook deze laatste .
door den sehaat tot vijand werd verklaard: Maar eensklaps tradAj\' \' quot;
MARGADAXT, Grieken en Romeinen. 12 j
178.
hij op met eene krachtige militaire demonstratie: toen de senaat het consulaat, dat hij voor zich eischte, weigerde, en dus het vermeesteren van het gezag langs den wettigen weg hem ontzegd was, rukte hij met acht legioenen naar Rome, en daar de senaat tegen deze krijgsbeweging machteloos was, moest hij toegeven, dat in den zomer van 45 Octavianus en een zijner verwanten voor het nog overige gedeelte van dat jaar tot consuls werden benoemdSlDaarop in Rome gekomen, nam de jeugdige consul krachtige ^maatregelen tegen de moordenaars van zijn adoptief- , vader, die hij bij verstek liet veroordeelen, en trok toen op tegen 7quot;\' Antonius en Lepidus. Allereerst was het gevolg van deze
jy . bestand te zullen zijn, eene overeenkomst tusschen deze drie f/Y-ix mannen tot stand kwam. In de nabijheid van Botionia sloten zij | j ^ ƒ eene alliantie, een „driemanschap tot regeling van den staatquot;, « y voor vijf jaren^zij zouden de hoogste macht in den staat ben\'*-\\jv «-if ^ylcleeden, maar de ambten der republiek zouden blijven voortbè\' -Y, staan. Lepidus zou het bestuur krijgen over Spanje en Gallia A amp;f (f/J Narbonensis, Antonius Gallia Transalpina en Noord-Itahe, W/y^Octavianus -Afriea, Sicilië en Sardinië; tegen de nog jn Sr er «V^het Oosten machtige republikeinsche partij onder M. Brutus en gt;Aj/VJ; y Cassius zou met alle kracht oorlog worden gevoerd. Om het leger aan zich te verbinden w^p geld noodig en dat zou wor-^J den gevonden uit proscriptiesCϧ 34). Bij deze bloedige maat-
n^p^^regelen speelde persoonlijke wraakzucht tevens een groote rol, Vgt;VQsiieder der driemannen had enkele tegenstanders, die hij op deze 4/^ wyze gemakkelijk uit den weg kon doen ruimen, een der can-
Vdidaten van Antonius was natuurlijk Cicero, die in den jV^herfst van 43 zijne al te vrijmoedige „Philippischequot; redevoeringen met den dood boette. Toen in Italië, nadat de driemannen met ^hunne legioenen in Rome waren gekomen, de tegenstand op zulk ■jJjO eene wreede wijze was ten onder gebracht, begon de krijg tegen
^ y het Oosten. In den heifst van 42 kwam de strijd daar tot eene
^ beslissing in den dubbelen slag van Philippi, (een stad, die dpor
ji/M
^beweging, dat in Noord-Italie Dec. Brutus door zijne soldaten „.werd in den steek gelaten en zelf door verraad om het leven kwam, en dat er later, want Octavianus begreep bovendien \'tegen de vereenigde macht van Antonius en Lepidus niet bestand te zullen zijn, eene overeenkomst tusschen deze drii mannen tot stand kwam. In de nabijheid van Botionia sloten zi eene alliantie, een „driemanschap tot regeling van den staatquot;
179
Philippus van Macedonië was gesticht in een met Macedonië vereenigd gedeelte van Thraciè). Cassius, reeds na het eerste gevecht aan alles wanhopende, liet zich ter dood brengen en na het tweede, toen zijne soldaten verder den dienst weigerden, besloot ook Brutus te vallen als slachtoffer voor de zaak der republiek, die eigenlijk reeds lang verloren was.
De eenige nog onbedwongen tegenstander was Sext. Pompei us, met wien men Lepidus verdacht onderhandelingen te hebben aangeknoopt; de beide bij Philippi overwinnendetriu?7i-viri ontnamen dezen weinig beteekenenden bondgenoot zijne provinciën en stelden hem schadeloos met het bezit van Africa, daarna verdeelden zij de taak onder elkander. A n t o n i u s nam op zich de zaak van de Caesariaansche partij in het Oosten te doen zegevieren, Octavianus ging terug naar Italië om daar land verdeelingen te houden onder zijne soldaten. Den eersten tegenstand vond hij echter daarbij in de familie van zijn ambtgenoot Antonius, n.I. bij diens vrouw en broeder L. Antonius. Deze laatste werd door Octavianus in de bergvesting Pèrusia, in Etrnrii tot capitulatie gedwongen, en daarna werd er eene vree-\' selijke wraakoefening gehouden onder de magistraten dier stad en^p de gevangen genomen senatoren en ridders (40). M. Antonius ^Jjad inmiddels in het Oosten verschillende schikkingen getroffen, „i^\'én naar Tarsus in Cilicië de verschillende vazallen des rijks \\ \' ontboden om zich te verantwoorden over hunne houding in den laatsten krijg. Daar kwam ook de aegyptische koningin Cleopatra (§ 38), die Antonius zoo voor zich wist in te nemen, dat zij hem overhaalde haar naar Alexandrie te volgenhet jaar 40 moest hij echter die stad weder verlaten om ere1 Parthen te gaan bevechten, die in Syrië waren gevallen en op Klein-Azie aanrukten, maar terwijl hij den strijd tegen dat volk toen aan een zijner onderbevelhebbers overliet, besloot hij zelf eerst de groote strijdvraag te gaan oplossen, die \' de romeinsche wereld beheer-schte. De verhouding tusschen hemen Octavianus scheen aanvankelijk weder een burgerkrijg te zullen veroorzaken, immers had reeds Sext. Pompejus aan Antonius eene alliantie aangeboden , maar toch kwam hoofdzakelijk door den afkeer der oude soldaten, die eindelijk eens naar rust verlangden, onder
10*
tJ
H
m
% ^
■:
r
ft* - - • -VS.
/ « ^ 180 iLe o-iLc-v» quot;t—»»-
v bemiddeling van eenige aanzienlijke Romeinen in 40 te Brun-disium een verdrag tusschen Octavianus en Antonius tot stand. Het rijk werd thans in dier voege verdeeld, dat Antonius het bestuur over het Oosten, Octavianus dat over het Westen verkrijgen zlfii. De grensscheiding tusschen die beide deelen zou worden gevormd door eene lijn, die ten O. der Adriaiische zee o. a. door de stad Strodra in Illyrie liep. Aan Lep i dus werd op nieuw het bezit van Africa verzekerd, terwijl Italië waarschijnlijk gemeenschappelijk bezit bleef, en een huwelijk van Antonius met de zuster van Octavianus zou het verbond bezegelen. In 39 kwam daarop een overeenkomst tot stand te Misënum met Sext. Pompejus, waarbij aan hem belangrijke concessiën werden gedaan. Deze vrede met Pompejus kon echter maar van korten duur zijn, daar althans Octavianus in het rustig bezit zijner macht door de vloot van Pompejus steeds werd bedreigd; Antonius, die zich op dat oogenblik te Athene ophield, kwam jjpgenover Pompejus de bepalingen van- h^t verdrag van Misënum niet na, dat hem o. a. verplichtte Peloponnesus te ontruimen, en door de trouweloosheid van een zijner onderbevelhebbers kwam Pompejus ook met Octavianus in oorlog, dien hij aanvankelijk met voordeel voerde. In 37 echter kwam Octavianus in het voordeed op eene bijeenkomst te Tarente was het triumviraat voor vijf jaren vernieuwd, en tevens had Antonius tegen ruil van een leger, aan Octavianus belangrijke strijdkrachten ter zee afgestaan. Deze behaalden op Sext. Pompejus, onder aanvoering van M. Vipsanius Ag;ripDa eene volkotnene overwinning tusschen Mylae en kaap Pelurum (aan de N. kust van Sicilië (36). In het volgende jaar is S e x t. P o m p e j 11 s in Azie ter dood gebracht ^ojy^lasf quot;van een der legaten van Antonius. Na deze overwinning werd Lepidus door Octavianus aangetast, die eene vijandige houding tegen hem had aangenomen en voor zich . .het bezit van Sicilië vorderde. Lepidus werd ten onder gebracht, en genoodzaakt afstand te doen van al zijTie waardigheden, behalve //wïf OVto ^Van die van pontifex maximus. Hij leefde verder ambtelocs en
. c. w./v J
f, / stierf m 13 te Rome.
O
U. $*■
^ Mii
Nu deze beide tegenstanders onschadelijk waren gemaakt, was
.
181
A \\
de eenige vraag nog maar, wie der beide imperator en in den strijd, die vroeg of laat tusschen hen moest volgen, zou zegevieren. Na enkele jaren zou echter eerst die beslissing vallen. Toen Octavianus in Rome terugkeerde, werd hij met greote eerbe wij zingen overladen, die hij echter niet allen aannam, ook werd hem toen de persoonlijke onschendbaarheid dér tribunen (§ 23 en § 38) voor zijn leven gegeven. De volgende jaren kenmerken zich door vele verstandige maatregelen van Octavianus, o. a. heeft hij de stad Rome zeer laten verfraaien, eene tactiek, die er natuurlijk op berekend was den steeds buiten Rome ver-toevenden An toni us geheel in de schaduw te stellen. Deze streed ongelukkig tegen de Parihen, en geraakte langzamerhand zoo geheel onder den invloed van Cleopatra, die hem in zijn hoofdkwartier in Syrië was komen bezoeken, dat hij zijne vrouw O c t a v i a om harentwil geheel verwaarloosde en stukken van het romeinsche rijk, in Syrië, Phoenicie, Cilicie aan de koningin van Aegypte wegschonkjMet het begin van het jaar 32 was het vijfjarig triumviraat ten einde, en op raad van Octavianus werd aan Cleopatra de oorlog verklaard^Antonius werd wel van zijn macht ontzet, maar de oorlogsverklaring was slim genoeg alleen tegen Cleopatra gericht, omdat Octavianus nog altijd te rekenen had met Antonius\' populariteit in Rome. Het was een ernstige toestand: Antonius en Cleopatra be* schikten over eene zeer groote macht, en wanneer die op eenmaal een aanval op Italië had gewaagd, ware de oorlog voor Octavianus ongunstig afgeloopen. Maar Antonius beging ook hier de fout, die voor hem op den veldtocht tegen de Parthen zoo verderfelijk was geweest, hij draalde te lang, en wat zijn krijgsmacht bóven die van Octavianus in getalsterkte voorhad, in die mate stond zij bij deze achter in gehalte. In den nazomer van 31 viel de beslissing bij kaap Actium in Acar-nanie. De tactiek van Agrippa behaalde de overwinning voor Octavianus, Cleopatra vluchtte in het heetst van den strijd, door Antonius gevolgd; beiden gingen naar Aegypte,, waar Antonius zich doodde, en Cleopatra, tóen zij gezien had, dat haar invloed op Octavianus, die in het volgende jaar ook in A. lex an drie kwam, niets vermocht, zich evenzeer door
182
den beet eener giftige slang om het leven liet brengen. Aegypte werd een wingewest, waar echter de senaat niets te zeggen had, maar dat onder het speciaal bestuur van den princeps kwam. Octavianus was na den slag van Actium onbetwist meester van de geheele romeinsche wereld.
VIERDE TIJDPERK 31 V. CHR.—476 N. CHR.
§ 40-
Het Principaat.
Alvorens den verderen loop der gebeurtenissen te bespreken is het hier de plaats iets in het midden te brengen over de staatsrechtelijke positie van het nieuwe hoofd van den romeinschen staat, den princeps. Deze positie, het principaat, heeft zich historisch ontwikkeld, allereerst in hoofdzaak onder Octavianus, doch ook onder de latere priricipes, en is eindelijk onder Diocletian us en Constant ij n uitgeloopen op absolutisme.
De zeeslag van Actium had beslist dat de Julische dynastie heerschen zou: toch besloot Octavianus het oude koningschap niet te hernieuwen, aan den naam en de vormen der oude republiek werd niet getornd, uiterlijk kwam er weinig verandering, slechts kwam er een nieuwe staatsambtenaar bij de reeds bestaande magistraten der republiek, de monarchie, zooals de oude wereld en ook de nieuwere tijden die gekend hebben, heeft Octavianus niet ingesteld, eerst sedert Dioc le t ia n us (285— 305 n. Chr.) heeft men recht daarvan te spreken; de staatsm-richting, die Octavianus grondvestte was eene „dyarckiequot;, een bestuur verdeeld over twee uitvoerende machten,princeps en senaat.
Het triumviraat was formeel als geëindigd te beschouwen op den laatsten dag van het jaar 33 v. Chr., inderdaad had Octavianus echter zijne macht behouden, ook was hij sedert den aanvang van het jaar 31 consul. In de jaren 29 en 28 trok hij
Fr
18S v
ook de bevoegdheid der censoren weder bij het consulaat, en dientengevolge vervulde hij in 28 met Agrippa de werkzaamheden der censoren door het houden van eene volkstelling, die sedert het jaar 70 v. Chr. niet gehouden was, en zuiverde hij den senaat, die gebracht werd op eene normale sterkte van 600 leden; Agrippa benoemde toen Octavianus tot princeps -senatus, d. i. de persoon die bij de ber^jidslagingen in den senaat het recht heeft het eerst zijn gevoelen te zeggen. Daarna stelde Octavianus alle instellingen, die met de romeinsche constitutie streden, buiten werking en legde daarmede hetr.eder, /
terwijl hij verklaarde, dat hij met het C07isulaat en met de rechte^ .X . van volkstribuun zou tevreden zijn. Kort na het aanvaarden van zijn zevende consulaat, in Januari 27 gaf hij aan senaat en volk de buitengewone macht, met welke hij bekleed was geweest,
terug en drukte het verlangen uit ook hetproconsnlair imperium over de provinciën te willen afstaan. Deze maatregel nam hij natuurlijk om zijne positie te wettigen; de\'senaat drong dan ook bij hem aan zich niet terug te trekken, en na eenig weigeren liet hij zich daartoe vinden.» Hij verklaarde een deel der provinciën , n.1. die, welke door oorlogzuchtige naburen werden ver-/rJ,,2i\'VM•*\'**\'\' ontrust, onder zijn persoonlijk beheer te zullen nemen , de overigen.. zouden door een stadhouder, door den senaat te benoemen worden bestuurd; Aegypte was, zooals wij reeds in § 39 zagen. een particuliere bezitting van Octavianus; zijne militaire positie wenschte hij nog maar voer 10 jaren tebehouden. De senaat schonk hem daarop den titel van Au^tstus, welke titel een sacraal karakter had, en altijd weder door den senaat aan een ^
nieuwen keizer op nieuw verlèend werd.
De naam „C a e s a rquot;, waaruit ons keizer is ontstaan, is als een ^bijnaam aan de principes verbleven, niet alleen voor de Ju Use he dynastie maar ook bij de lateren; sedert keizer Hadrianus (117—138 n. Chr.) krijgt deze titel echter eene andere beteekenis,
n.1. die van vermoedelijk troonopvolger, het was toen niet meer een titel, die men kreeg door afstamming of adoptie, maar door benoeming. Augustus zelf noemde zich princeps, en wilde daaraan de beteekenis gehecht zien van „den eersten der burgersquot;
{princeps civium).
[ — r U dU
l-h\\
y ■\'
-J
184
Het principaal van Augustus was dus in Januari 27 v. Chr. volkomen wettig gegrondvest. Het werkelijke fundament van het principaat was het imperium en de daarmede verbonden pro-consulaire macht. Dit imperium gold?\'fi*ietquot;^)or Rome en Italië; de naam imperator werd bij wijze van vóórnaam voor den eigenlijken naam d^^|jzers geplaatst. Krachtens dat imperium had hij het opperbevel over alle legers, al de andere aanvoerders zijn onderbevelhebbers van den princeps. Alleen in Rome en Italië mochten, op eenige onvermijdelijke uitzonderingen na, althans vóór Septimius Severus (193—211 n. Chr.), geene legioenen zijn, daar gold alleen de burgerlijke macht van den prmceps.
In het jaar 23, nadat Augustus van eene zware ziekte was hersteld, legde hij het consulaat neder en verklaarde hij, dit niet verder te zullen bekleeden, doch gaf den wensch te kennen dat hij wat betreft zijne burgerlijke macht het principaat wenschte te versterken; hierop verleenden hem de c omit ia centuriata de tribunicische macht voor het- leven. Met het aanvaarden van die macht werd de princeps niet de ambtgenoot der buitendien toch voortbestaande volkstribunen, zij bepaalde zich ook niet zooals bij de gewone tribunen tot binnen het stadsgebied, en tegen\'haar gold evenmin de intercessie van een hunner. Deze macht gaf den princeps een grooten invloed op wetgevend gebied en een uitgebreide bevoegdheid door het recht van veto tegenover alle magistraten, vooral daar zij voor het geheele rijk gold; Augustus zelf rekende van dit tijdstip af, zijne heerschappij aan te vangen. Tevens werd hem toen ook in de provinciën, die onder het beheer van den senaat stonden, een imperium verleend, dat hem plaatste boven den landvoogd, die er door den senaat was aangesteld.
Toen in het jaar 22 pest en hongersnood Italië teisterden, wilde men Augustus levenslang met de macht van dictator en censor bekleeden, maar ook deze onderscheidingen wees hij van de hand, alleen kreeg hij het blijvend toezicht over den korenaan-voer, gelijk Pompejus het eens tijdelijk had gehad (§ 37). Voor het waarnemen van deze taak kwam hem uitstekend te stade het bezit van Aegypte, dat het rijkste korenland der wereld was. Bij de steeds voortgaande ontwikkeling van het principaat werd
185
door den keizer een afzonderlijk ambtenaar (praefecius) met dezen tak van bestuur belast.
In de jaren 19 en 18 deed Augustus uitgebreide reizen door het rijk, en toen in dit laatste jaar z\' fn imperrum ei\\v\\\\g(\\e., werd het weder voor 5 jaren verlengd, Jater is zulks nog vier maal geschied, eens nog voor 5, de laatste drie voor 10 jaren.
On dezen zelfden tijd, na zijn terugkeer te Rome schijnt Augustus het recht te hebben verkregen edicten uit te vaardigen, zijne regelingen, zoogenaamde constUutiones, waren reeds als rechtsgeldig erkend bij het verleenen der tribunicische macht, doch daar de princeps slechts ambtenaar en geen monarch was, konden zijne opvolgers die weder opheffen.^ ^
De wetgevende macht der comit ia bleef bestaan, slechts had de princeps het recht van initiatief, en tevens kreeg hij de bevoegdheid voor sommige zaken wetten uit te vaardigen (leges datae), die gelijk stonden met de besluiten der comitia.
Voorts was de princeps lid der aanzienlijkste priestercolleges, en na den dood van Lepidus in 13 (§ 39) werd ook aan Augustus de waardigheid van pontifex maximus verleend, hetgeen steeds alle keizers na hem evenzeer geweest zijn, tot op keizer Gratianus (375—383 n. Chr.), zelfs de christenkeizers niet uitgezonderd. Ook over de hoofdstad en haar bestuur had de princeps het opzicht, zooals over de openbare gebouwen, de waterleiding, de brandweer; bij afwezigheid werd hiervoor een praefecius urbi als zijn plaatsvervanger benoemd. Onder Tiberius (14—37 n. Chr.) werd dit een vast ambt.
De senaat werd onder Augustus en de volgende principes tot op Domitianus (81—96 n. Chr.) somtijds aangevuld door den pri7iceps in hoedanigheid van censor, Zooals onder de republiek; men werd senator na het bekleeden der ambten, van de quaestuur af, eerst Domitianus voegde het recht van benoeming der senatoren bij het principaat. Naar de bedoeling van Augustus zou het opperbestuur des rijks verdeeld zijn tusschen princeps en senaat, zooals wij reeds boven zagen, eerst D i o-cletianus voerde in plaats van die dyarchie de monarchie in. De senaat erkende den imperator als zoodanig, had ook nog eenigen invloed op de buitenlandsche en oorlogs-aangelegenheden
186
en verleende, ten minste tot op V e s p a s i a n u s, (70—79 n. Chr.) den triumf. Ook had dit lichaam het beheer over het aera-rium (staatskas, wel te onderscheiden van den fiscus, die aanvankelijk de particuliere kas des keizers, door den tijd ook staatskas geworden is). Augustus had tevens aan den senaat eene uitgebreide rechtspraak in strafzaken gegeven, en in de gevallen, waarin tegen een misdrijf eene strafbepaling ontbrak, kon de senaat straf uitspreken.
Op het gebied der rechtspraak had echter de princeps zelf ook eene groote bevoegdheid, zoowel in strafzaken als in burgerlijke processen, hij maakte de lijsten der gezworenen. Zelf kon de keizer ook recht spreken, doch hiervan schijnt niet veel gebruik te zijn gemaakt; schoon aanvankelijk een misbruik, kon de keizer ook iedere burgerlijke rechtshandel, die eigenlijk voor gezworenen te huis behoorde, persoonlijk beslechten en ieder romeinsch burger kon zich op den keizer beroepen, hoewel niet van een uitspraak van gezworenen.
In 27 had Augustus tevens aan het romeinsche volk het recht teruggeschonken , dat tijdens het triumviraat opgeheven was geweest, in de com it ia zelf weder zijne overheden te kiezen; daarop had hij zich evenwel door twee middelen eene sterke beperking voorbehouden, n.1. door het recht van onderzoek naar de bevoegdheid der candidaten en door het recht van aanbeveling {commendatio). Toen onder Tiberius de keuze der magistraten op den senaat overging, geschiedde die aanbeveling door schriftelijke mededeeling.
Als veldheer had de keizer eene lijfwacht (cohortespraetoriae), gelijk de veldheeren der republiek er één hadden gehad, sedert Scipio Aemilianus in den oorlog tegen Numantia haar had ingesteld , slechts was zij veel sterker; zij bestond uit een aantal van ongeveer 9000 man , die hoogere soldij trokken dan de andere soldaten, en ook nog andere voorrechten genoten. In den loop van den keizertijd hebben dezepraetorianen dikwerf alle macht aan zich getrokken, en meermalen principes aangesteld, afgezet en gedood.
Na den dood van den princeps beschouwde men hem als onder de goden opgenomen te zijn. Reeds kort na Caesar\'s dood hadden de triumviri weten gedaan te krijgen, dat bij besluit
187
/
/
n1-
van senaat en volk de gedoode imperator als D i v u s v) Julius formeel onder de goden/was opgenomen. Later kwam deze consecratie van de keizers na hunnen dood veelvuldig voor, en spreekt men dus b.v. van EHvus Augustus, Divus Vespasianus.
De gouden eeuw dèr Romeinsche letterkunde.
De laatste tijd der republiek en de aanvang van het princi-paat is het tijdperk van den grootsten bloei der romeinsche letterkunde. Sedert de Romeinen ratet de igrieksche Vereld hadden kennis gemaakt, was de invloed der iG^iekeni pp de latijnsche letterkunde merkbaar geweest, in bijna ; alle opzichten was de romeinsche literatuur navolging der; Öjrijsken, ailleen de satire is een oorspronkelijk romeinsche dichtv^ H.\'^vvi-
Onder de belangrijkste romeinsche schrijvers uit den tijd van den ondergang deW rej^ibliek verdienen genoemd te worden: M. Tul Hu s Cicerp\\(io6—43 v. Chr.), een man die zich op velerlei onderdeelen vjn het letterkundig gebied bewogen heeft, hij was redenaar en heeft daarvan in menig welsprekende redevoering het bewijs geleverd, maar tevens heeft hij de verdienste van de voornaamste voortbrengselen der grieksche wijsbegeerte in een latijnsch kleed te hebben gestoken, en bij zijne tijdgenooten te hebben bekend gemaakt. Hij heeft de redekunst niet alleen prac-tisch beoefend, maar ook enkele werken geschreven, waarin de theorie der welsprekendheid wordt uiteengezet. Eene briefwisseling, die van hem nog over is met de voornaaüiste mannen van zijn tijd en vooral met zijn boezemvriend T. Pomponius Atticus, levert eene belangrijke bjjdrage voor de kennis der^ geschiedenis. C. Julius Caesar (102—44) heeft de geschiedenis der eerste zeven jaren van den gallischen oorlog te boek gesteld, benevens die van den burgeroorlog tot op de gebeurtenissen in Alexandrite
J
\') Divus krijgt sedert dien tijd de meer speciale bete\'ekenis van eene godheid die vroeger mensch is geweest.
188
na den slag van Pharsalus (48); na zijn dood zijn door enkelen zijner vrienden ook die veldtochten beschreven, die hij zelf niet meer geboekt heeft, zooals ife laatste^ jaar van den gallischen krijg, en de oorlogen in Alexandrië, Africa en Spanjè. Als ge-schiedschriivers^^noeten voorts vermeld worden: Corn. Nepos, die omvan^Fijké\' levensbeschrijvingen heeft geschreven, waarvan slechts een klein gedeelte tot ons is gekomen; C. Salluslius Crisp us, (86—35 v. Chr.), van wien nog slechts twee mono-graphieën over zijn, n.1. de geschiedenis der samenzwering van Catilina, en die van den oorlog met Jugurtha; van een grooter geschiedkundig werk zijn slechts enkele fragmenten be-fO q waard; T. Livius uit Patavium (59 v. Chr.—17 n. Chr.), die^ een zeer belangrijk geschiedwerk heeft geschreven van de stichting van Rome tot op den dood van D r u s u s (9 v. Chr.), dat slechts ft voor een gedeelte bewaard is gebleven; n.1. de oudste geschiedenis .tot op het jaar 293 v.^Chr., en verder de geschiedenis van den oorlog met Hannibal tot kort na den slag van Fydna, tot 167 v. Chr.
Niet alleen het proza vond bekwame beoefenaars in dezen tijd, ook de dichtkunst in hare verschillende geriïes\'bloeide; als dichter \' van het leerdicht verdient vermelding T. Lucretius Carus, (waarschijnlijk 98—55), die het wijsgeerige stelsel van Epicurus in poëzie heeft beschreven (de reruvi na/ura); C. Valerius Catullus (87—54 waarschijnlijk), de grootste lyrische dichter dien Rome ooit heeft voortgebracht, menig gedicht van hem geeft blijk van zijn heftige vijandschap tegen Caesar; P. Ve gilius Maro (70—19 v. Chr.), beroemd door zijne herdersdichteMï\'^ naar grieksch model en door zijn heldendicht de Aetieïs/ïenn epos dat dienen moest de stichting van Rome te vereeuwigen en de Julische dynastie te verheerlijken, en waarin grieksche en itali-aansche sagen dooreen zijn gemengd; Q. Horatius Flaccus (65—8 v. Chr.), de zoon van een vrijgelatene uit Venus ia, die lyrische gedichten vervaardigde in navolging der Grieken en uitmuntte in den eenigen dichtvorm, die oorspronkelijk rpmeinsch was, de satire; Albius Tib uil us (54—19 v. Chr.) en Sext. Propertius (49—15 v. Chr.), die beiden eroiische gtd\\chter\\\\n y elegische dichtmaat vervaardigden; P. O v i d i u s Na so (43 v.
Chr.—17 n. Chr.), wiens dichterlijke talenten op verschillend gebied hebben uitgeblonken, op (tfet der grieksche mythologie, der erotische poëzie en van het leerdicht. Eene intrige aan het hof van Augustus deed hen^ in^on^gpade vallen en bewerkte, dat hij verbannen werd naar 70mi aan de Zwarte zee ; tal van gedichten , die aldaar door hem vervaardigd zijn, bewijze© ons hoezeer het gemis van zijn geliefd Rome hem smartte, t
Als beschermer en leider op letterkundig gebied in dezen bloeitijd der romeinsche literatuur moet genoemd worden behalve Augustus zelf, diens vriend C. Cilnius Maecenas, de machtige steun van vele dichters en letterkundigen, zooals van Ho-ratius, terwijl onder de romeinsche grooten, die zich een letterkundigen naam hebben verworven, in aanmerking komen: C. Asinius Pollio, die eene geschiedenis der burgeroorlogen heeft geschreven, welke echter niet tot ons is gekomen, en M. Valerius Messala. Ook de rechtswetenschap vond in den tijd van Augustus bekwame beoefenaars.
A
191
Onder de regeering van Augustus zijn slechts enkele belangrijke gebeurtenissen voorgevallen, met treffende juistheid is door een schrijver over dit tijdperk opgemerkt, dat de geschiedenis van het principaal van Augustus, vooral in de latere jaren, veelal is de geschiedenis van het keizerlijk paleis en de keizerlijke familie, en dat de hoofdrollen bij die gebeurtenissen worden vervuld door een zelfgenoegzamen, lichtgeraakten vader (Augustus), eene intrigeerende stiefmoeder (Livia), twee afgunstige erfgenamen , van welke de een achterdochtig en gluiperig, (Tiberius) en de andere argeloos en onbezonnen is (C. Caesar), en eene dochter (Julia), wier buitensporigheden aan haren vader nog al eens reden van ontevredenheid gaven \'). Inderdaad heeft huiselijk verdriet veelal het leven van Augustus verbitterd, twee zonen van Agrippa en Julia, Caius en Lucius Caesar, die Augustus had geadopteerd, stierven jong, en de na den dood zijns vaders geboren Agrippa (daarom Postu-mus bijgenaamd) was deels omzijn karakter, deels waarschijnlijk ook door intriges der keizerin L i v i a naar een eenzaam eiland verbannen, waar hij kort na den dood van Augustus op last van Tiberius is omgebracht. Na den dood van C. en L. Caesar was de zoon van Livia uit een vroeger huwelijk, Tiberius door Augustus geadopteerd: deze had zich reeds vroeger op last van zijn stiefvader van zijne echtgenoote moeten scheiden en de weduwe van Agrippa, Julia moeten huwen.
De oorlogen die Augustus voerde hadden hoofdzakelijk ten doel de grenzen des rijks te versterken en te beschermen, zoo b.v. in Spanje, Raeiiè, (thans Grauwbundcrlatid en Tirol) Vindèlicie (thans het N.O. deel van Beieren) en AVrzVz/w (thans ongeveer het W. van Oostenrijk), welke laatste streken voortaan bestanddeelen van het rijk werden, Noricum op denzelfden voet als Aegypte (§ 39). De bloedige oorlog in Dalmatiè\' tv\\ Pannoniü\' (6—9 n. Chr.) was een krijg om eene in opstand verkeerende natie te bedwingen. De Parihen wist Augustus op een reis in het Oosten door diplomatieke handigheid zoo voor zich te winnen, dat Tiberius, die met zijne sterke macht in Armenië
:) Merivale, History ot\'the Romans under the Empire, 1SS2, IV, 263.
192
stond, niet behoefde te strijden, maar de buitgemaakte adelaars en de romeinsche gevangenen teruggegeven werden. Voor de nederlaag van Crassus en Antonius was dus voldoening gegeven (20 v. Chr.). In Germanic was de romeinsche politiek er op bedacht het grondgebied des rijks belangrijk uit te breiden. Dru-sus. Augustus\' stiefzoon, stichtte vele forten aan den Rijn, waarvan Mogontiacum (Mainz) er een was, en deed van uit die plaats zijn grootsten krijgstocht tegen de germaansche volksstammen tusschen Rijn en Elbe. Hij stierf echter in 9 v. Chr. tengevolge van een val van zijn paard, Tiberius heeft daarop de eenmaal aangevangen taak van D rus us in Germanie voortgezet, gedurende de beide jaren, dat hij het bevel voerde, is het echter waarschijnlijk niet tot gevechten van beteekenis gekomen, de streken tusschen Rijn en Elbe erkenden het romeinsche oppergezag. De toen plaats gehad hebbende organisatie is niet volkomen bekend, staatkundig was de Elbe de grens des rijks aan die zijde, maar de Rijn de linie der grensverdediging. Het hoofdkwartier der Romeinen in die streken was Castra Vetera (een plaats in de buurt van XantCn). De stammen, die aan den Rijn woonden, schikten zich reeds onder de romeinsche heerschappij, maar de verder afgelegene, zooals o. a. de Cheruscen waren niet geneigd den steeds meer toenemenden invloed der Romeinen in Germanie te dulden. Het verzet tegen de gehate indringers vond hier een bekwamen aanvoerder in Arminius, een jong man uit het J • 1%^ vorstelijk geslacht bij de Cheruscen, die reeds- als officier in j , romeinschen dienst had gestreden. Deze bracht in 9 n. Chr. den
romeinschen veldheer P. Quinctilius Varus, die zich in Ger-j manie zeer gehaat had gemaakt, een zware nederlaag toe, naar
men meende in het 7eutoburger wond\'1). Varus zelf doodde zich, nog eer de slag geheel was beslist. In de volgende jaren hadden eerst Tiberius, daarna Germanicus het commando over de legioenen aan den Rijn. In den zomer van het jaar 14
\') Een nieuwer onderzoeker stelt de plek, waar Varus met zijn leger verslagen werd. niet meer in het Teutohurger tfoud, maar in een moerassige streek noordelijk van Osnabrücl:, Mommsen, die Ortliehkeit der Varus-schlacht, p. 54, Berlin 1885. l?öm. Gesch., V, p. 43.
193
stierf Augustus te Nolo, in Campanie. Zijn opvolger in het principaal was:
Tiberius (14—37), een telg uit het trotsche geslacht der Claudii, een man die niet de gave bezat van zich bemind te y
\'uiaSü^en daarom zeer dikwijls ook door de nakomelingschap f f7\'
verkeerd is beoordeeld; overigens het echte type van een ro-raeinsch patriciër uit den goeden tijd der republiek, een strikt rechtvaardig man, die b.v. steeds als beschermer van de verdrukte^.
bewoners der provinciën is opgetreden, een uitstekend financier,^ \'
die met zijn groot persoonlijk vermogen veel wel deed, en een lang(^^li niet onverdienstelijk staatsman; zijn zwaartillend, eenigszins achter-^
dochtig karakter heeft velen van hem vervreemd en hem tot dien somberen menschenhater gemaakt, zooals wij hem voornamelijk in de laatste jaren van zijn principaat tijdens zijn verblijf op het eiland Caprrae {Capri) kennen.
Na den dood van Augustus had Germanic us, Drusus\'
zoon, die door Tiberius, nog op last van Augustus was geadopteerd, onder de legioenen aan den Rijn een gevaarlijk oproer te bedwingen gehad: die soldaten hadden veel liever hun geliefden veldheer Germanicus, dan Tiberius met het principaat bekleed gezien. Toen die muiterij was bedaard, was Germanicus er op bedacht het leger afleiding te schenken door den strijd met de Germa7ien te beginnen, immers nog altijd moest de nederlaag van Varus worden gewroken, en tevenslag het in zijne bedoeling de landen tot aan de Elb.è weder van Rome afhankelijk te maken. (. Tweestrijd en verraad onder de Germanen kwam den Romeinen zeer te stade, de vrouw van Arminius, Thusnelda, was aan Germanicus in handen gevallen en luisterde later als gevangene zijn triumftocht in Rome op (17 n. Chr.). Maar ondanks zijne overvvinningen, besloot Tiberius zich tot de verdediging der Jii/\'n-grenzen te bepalen:
zoo heeft de overwinning van Arminius toch in werkelijkheid Germanie van het juk der Romeinen gered. Terwijl Germanicus zich in de hoofdstad des rijks ophield, kreeg hij de opdracht zich naar het Oosten te begeven^ persoonlijke ijverzucht van Tiberius en intriges van de oude keizerin Li via tegen Ger-manicus\' vrouw, Agrippina, schijnen daartoe de naaste aan-
MARGADANT, Grieken en Romeinen. 13
194
leiding te hebben gegeven. In Klein-Azie waren de tronen van vele vazal-staten van Rome door sterfgeval vacant geworden, de daaruit voortvloeiende verwikkelingen zou Germanicus te regelen hebben; daartoe kreeg hij een buitengewoon commando, doch moest tot zijn groot leedwezen zien, dat de betrekking van legaat van Syrië aan een zijner vijanden, Cn. Calpurnius Piso werd gegeven. Toen de zaken in het Oosten door German i c u s waren geregeld, ondernam hij een reis naar Aegypte,
eene daad, waardoor hij zich groote ontevredenheid van Tiberius op den hals haalde, omdat Augustus eenmaal verboden had, dat senatoren en aanzienlijke ridders die provincie, die onder het speciaal beheer van den princeps stond, bereisden. In ./ Syrië teruggekeerd, stierf hij na eene korte ziekte in 19 n. Chr., de openbare meening hield het er voor, dat hij door Piso was (T-Ir vergiftigd, welk feit echter historisch niet bewezen is. De plotse-linge dood van Germanicus heeft een nadeel toegebracht aan de populariteit van keizer Tiberius, dat nooit weder hersteld ij.
Het principacit van Tiberius kenmerkt zich door dé meer absolute macht, die hij het keizerschap heeft bijgezet,l|allereerst door het geheel in handen nemen van het bestuur der hoofdstad en het aanstellen van een vast ambtenaar als praefectus urbi ijv, (§ 4o){jt^n tweede door het concentreeren der praetor iarien-^rAft, J y in de hoofdstad, waardoor de betrekking van aanvoerder der ■ praetorianen (praefectus praetorió), die op dit oogenblik door des keizers gunsteling, L. Aelius Sejanus, bij uitzondering alleen werd vervuld, op wiens raad dan ook deze reWganisatie geschiedde, zoo gewichtig en zoo gevaarlijk werd, enljten derde door het inkorten van de toch reeds schijnbare macht der comitia. Tiberius bepaalde namelijk dat de magistraten niet meer door deze vergadering, maar door den senaat zouden worden gekozen hij was er in elk opzicht op uit de macht van dit lichaam te doen toenemen, ook op het gebied der rechtspraak.
Een onderdeel dier rechtspraak kreeg sedert den tijd van T i-berius zijn zoo bij uitstek gevaarlijk karakter, n.1. delpolitieke processen, voornamelijk die wegens majesteitsschennis, daar zij beslist werden door een voor geene vleierij terugdeinzenden se-x. naat en daar volgens het romeinsche systeem, de staat niet als
\' jv-i-ii*- L \'USA-JjL , ihè. Xiamp;i)
-
195
§
aanklager optrad, werden zij aanhangig gemaakt door de afschuwelijke klasse der „delatoresquot; (aanbrengers).
De verhouding tusschen den keizer en de bewoners der hoofdstad werd mettertijd steeds onaangenamer, tusschen Tiberius en het volk plaatste zich hoe langer zoo meer de gehate gardebevelhebber S e j a n u s, die eenmaal den keizer het leven had gered en daardoor zeer in diens gunst was gestegen. De wreede daden van Sejanus, meer in \'t bijzonder tegenover de bij het volk zoo geliefde familieleden van Germanicus, bereikten eerst recht haar hoogste punt, toen hij als feitelijk heerscher in Rome verkeerde, nadat de keizer in 26 n. Chr. besloten had de stad te verlaten en zich op Caprrae met der woon had gevestigd. Germanicus\' weduwe A g r i p p i n a werd verbannen, twee harer kinderen werden evenzeer verwijderd, nog slechts één mannelijke nakomeling, de latere keizer Caius, Caligula bijgenaamd, stond aan Sejanus in den weg, want de zoon van Tiberius, Drusus, was reeds vroeger door hem omgebracht/quot;, men zag in Rome in den garde-bevelhebber reeds den toekomstigen princeps, die des noods er niet voor zou terugdeinzen , zich, door den keizer te dooden, van het gezag meester te maken. Toen uit dien hocffde Tiberius hem gevaarlijk achtte, was het lot van den oppermachtigen gunsteling beslist j op last des keizers werd hij ingevolge een uitspraak van den senaat ter dood gebracht (31). Zijn meester heeft hem slechts enkele jaren quot; overleefd, op 78jarigen leeftijd stierf hij in 37 te Misenum even-c zeer een gewelddadigen dood, door toedoen van zijnen nieuwen garde bevelhebber Macro.
quot; Caius, bijgenaamd Caligula „het soldatenlaarsjequot;, zooals de legioen-soldaten aan den Rijn hem spotténd hadden genoemd, wanneer hij als knaap in militaire kleeding verscheen, de zoon van Germanicus en Agrippina, bekleedde het principaal van 37—41. Opgevoed te midden van de treurige toestanden van T i b e r i u s\' regeering, vertoont hij vooral op het laatst al de karaktertrekken van een waanzinnige. In den allereersten tijd van zijn bestuur een goed keizer, zoodat hij zelfs de gevreesde processen van majesteitsschennis ophief en de delator es verbande, toonde hij slechts een hartstochtelijke neiging voor spelen en
13*
196
uitspattingen. Daarna hersteld uit een zware ziekte, gedurende de laatste jaren van zijn principaal onderhevig aan aanvallen van razernij, die hem beurtelings daden van kinderachtige onnoo-zelheid, dan weder van bloeddorstige wreedheid deden begaan, viel hij ten slotte als slachtoffer eener paleis-revolutie. Enkele regelingen in het bestuur van Palaestina en een krijgstocht tegen Britannie, die zich slechts tot eene eenvoudige leger-demonstratie bepaalde, zijn de meebt gewichtige feiten van dit principaal, dat voor de geschiedenis des rijks overigens bijna geheel van belang ontbloot is. Toen Caius vermoord was, verloor de senaat zijn tijd met een vruchteloos debat over het aanstellen van een opvolger, doch in dien tijd hadden de praeto-rianen reeds een keuze gedaan, en den broeder van Germani-cus, Claudius, die tot op dat oogenblik een zeer onbetee-kenende positie aan het hof had gehad, tot keizer uitgeroepen, , Veertien jaren heeft hij het principaal bekleed (41—54). Vele van de zwakheden en wreede daden, die dezenprinceps verweten worden, komen op rekening van de personen, die invloed op hem uitoefenden, en aan wier leiding hij, die een man was meer voor het studeervertrek dan voor het keizerschap geschikt, zich blindelings overgaf. Vooral waren dit gedurende den loop zijner regeering achtereenvolgens zijne beide uiterst zedelooze echtge-nooten: Messalina en Agrippina, de dochter van Gei\'i m a n i c u s, en zijne grieksche gunstelingen. Persoonlijk wa%] Claudius met de beste bedoelingen bezield; belangrijke openbare werken zijn onder zijne regeering totstandgekomen; tegenover de bewoners der provinciën nam hij even als Tiberius eene stipte rechtvaardigheid in acht, en nam ook persoonlijk deel aan een veldtocht in Briignnie, waar „eeafi nieuwe romein-sche provincie werd georganiseerd; ook Maurèianflt werd, in twee wingewesten ingedeeld, bij het rijk gevoegd. De tweede echtge-noote des keizers, zijne nicht Agrippina, wist haren gemaal te bewegen haren zoon uit een vroeger huwelijk L. Domitius Ahenobarbus te adopteeren, waarna hij nevens andere namen ook dien van Nero kreeg, onder welken hem de geschiedenis als Claudius\' opvolger kent. Toen dit geschied was en Agrippina, vooral door de medewerking van den bevelhebber der
197.
praetorianen, Burrus, zeker was dat Nero de toekomstige princeps zou zijn, en niet Britannicus, de zoon van Claudius en MessalTna, werd keizer Claudius door haar vergiftigd en Nero door de garde als opvolger uitgeroepen, welke keufee door den senaat werd bekrachtigd door aan hem alle flaartoe vereischte titels en rechten te schenken.
Nero (54—68) was aanvankelijk geen slecht keizer*, de eerste vijf jaren van zijn principaal, {quinquennium Nerhnis\\ werden later onder de gelukkigste tijdperken van het romeinsche keizerschap gerekend. Schoon schuldig staande gedurende den loop zijner regeering aan afschuwelijke misdaden, had Nero geen wreedaar-digen aanleg en zou misschien te midden van eene andere omgeving een geheel andere persoonlijkheid zijn geweest. Maar juist die invloed zijner omgeving en niet het minst, die van zijne diep verdorven moeder Agrippina, heeft hem doen ontaarden tot die wreedheid, die schier spreekwoordelijk aan zijn naam is verbonden gebleven. De weduwe van Claudius wilde namelijk steeds haren zoon bezigen als haar werktuig en beslissenden invloed blijven uitoefenen op den gang van zaken; als haar daarbij iets in den weg stond, deinsde zij voor niets terug, en hare laaghartige kuiperijen hebben Nero ook gebracht tot zijne eerste wreede daad, het vermoorden van zijn stiefbroeder Britannicus (55). Ue geschiedenis van deze vergiftiging moge, zooals zij ons in détails is overgeleverd, niet geheel juist zijn, de waarheid van het feit valt moeilijk te loochenen. Na dit eerste gruwelstuk zonk Nero, mede onder de slechte omgeving van zijne latere tweede echtgenoote Poppaea Sabina, steeds dieper en dieper, en beurtelings zich aan liederlijkheid en wreedheid overgevende kwam hij eindelijk tot zijn grootste misdaad, den moedermoord, waarvan men hem bij onpartijdig onderzoek niet kan vrijpleiten, zooals wel eens beproefd is. Al de daden, die hij later heeft bedreven, komen voor een goed deel op rekening van den toestand van overspanning, waarin hij zich bevond na den moord van Agrip-p i n a: hij moest vergeten tot eiken prijs en deinsde voor niets meer terug. Bovendien verloor hij een persoon, die tot nog toe een gunstigen invloed op hem had uitgeoefend, den aanvoerder der garde, Burrus, en in diens plaats kwamen twee officieren:
198
van welke de beruchte T i g e 11 i n u s er een was. Door hem en door Poppaea is Nero tot zijne wreede daden aangezet: eene samenzwering, die in 65 tegen het leven van den princeps ontdekt werd, gaf hem het middel in de hand verschillende personen te doen terodoodibrengen waaronder zijn leermeester, den wijsgeer SenecA. InnTet vorige jaar {64) was de stad Rome, die sedert de verwoesting door de Galliërs in de 4de eeuw v. Chr., zeer onregelmatig was opgebouwd, geteisterd door een zwaren brand, die zes dagen aanhield en het grootste deel van de stad in de asch legde; het was onder de wreede regeering van Nero nu eenmaal gewoonte geworden, de schuld van alle onheilen op den keizer te werpen, zoodat men hem ook voor deze ongehoorde ramp aansprakelijk stelde, welke meening door de nakomelingschap is overgenomen en ook thans nog wel eens wordt verkondigd. Intusschen mag het voor zoo goed als bewezen worden aangenomen, dat Nero van deze schuld is vrij te pleiten, en integendeel veel heeft gedaan om de gevolgen van het onheil onder de deerlijk geteisterde bevolking eenigszins te verzachten. Een andere meening, die dadelijk werd geopperd, was dat de oostersche bevolking der hoofdstad, de Joden, en de als eene sekte uit hen beschouwde Christelijke gemeente, die aldaar reeds gevestigd was, schuld had aan den brand, en dat men deze meening koesterde was, althans voor zoover de Joden betrof, begrijpelijk, want een oorlog in Palaèstina dreigde reeds eenigen tijd. Eene vreeselijke strafoefefling onder die Christenen: de eerste „vervolgingquot; die de kerkgeschiedenis kent, is naar het verhaal van Tacitus gevolgd \').ƒ De stad Rome is spoedig weder
\') De verhouding van het Christendom tot den romcinschen staat is in verschillende tijden verschillend geweest. Beide, het romeinscheyjnna^acrï, en dc christelijke godsdienst treden nagenoeg te gelijker tijd in de geschiedenis op, en op dit tijdstip had deze nieuwe godsdienst zich reeas zooverre verbreid, dat ook in dc hoofdstad des rijks eene christelijke gemeente was gevestigd; de Komcinen haatten de Christenen, omdat zij hen voor een gevaarlijk element in den staat aanzagen, hun scherpe afscheiding (odium generis hamanij, hun godsdienst zonder eenigen beeldendienst, hun afkeer van de goddelijke cerbewijzingcn aan de gestorven en later ook aan de levende keizers, heeft cr toe bijgedragen dat zij niet
191». /amp;
opgebouwd en Nero zelf nam daarbij een belangrijk deel der stad voor zich voor den aanleg van een nieuw paleis, welks j ^ hoofdgebouw de domus aurea op den Esquilinus was. De kosten ^ daaraan verbonden brachten echter bedenkelijke financieele moeilijkheden te weeg, allerwege, niet alleen in de stad maar ook in andere deelen des rijks, verhieven zich hoe langer zoo luider stemmen tegen den princeps, die in 66 naar Achaje was overgestoken om daar zijn lust, als tooneelspeler en wagenmenner op te treden, bot te vieren. Eindelijk brak er in Gallis onder Julius Vindex en in Spanje onder de legioenen van Serv. Sulpicius Galba een opstand uit. Spoedig was Nero van allen verlaten , ook de praetoriatien in Rome, op aanstoken van een hunner officieren verklaarden zich voor Galba. In zijn radeloosheid, verliet Nero de stad en liet zich door een zijner vrij-gelatenen dooden om de doodstraf te ontgaan, die de senaat over hem had uitgesproken, nadat ook dit lichaam Galba als princeps had erkend, (68). Vindex beleefde den dood van Nero niet meer; nadat zijn leger was geslagen in een treffen met de legioenen van den Boven-Rijn bij Vesontip ( Besancon), bracht hij zich uit wanhoop om het leven.
cX~ Jju. ^ V\\v\\
§ 43\'
Hei Romeinsche rijk van den, dood van Nero tot Septimius Sever us ,68—#93 n. Chr.
Te Chcnia in Spanje kreeg Galba de tijdingen uit Rome,
slechts door wreede principes, maar juist door dezulken die een krachtig
en goed bestuur voerden (b.v. Marcus Aurelius en Diocletianus) Ai^ /£.
hevig werden vervolgd De Romeinen waren zeer toegefelijk voor de gods-
dienstige overtuiging der door hen overwonnen volken, slechts een zuiverC\'yy^\' ivv^^p^telijke godsdienst, die zoo lijnrecht tegen het karakter van alle gods-* y A/rcliensten, die zij tot nog toe hadden leeren kennen, indruischte, scheen 1/t
\\i.y
prijs moest worden/lkiitgeiteöid /lirictVisseling van keizer T r a j a n u s en den proconsul van Uirtus Secundus). Deze zoogenaamde
„eerste vervolgingquot; onder Nero, berustende op hetgeen ons door den geschiedschrijver Tacitus wordt medegedeeld, wordt betwijfeld.
200
i
1 11,111
en spoedig begaf hij zich nu daarheen, de legioenen in de Donau-provincien en Syrië erkenden hem, Vespasian us, de aanvoerder in Palaestina zond zelfs zijn zoon Tit us, die evenwel reeds onderweg den dood van G a 1 b a vernam, naar Rome om den nieuwen princeps te begroeten. Zijn intocht in de hoofdstad kon echter eerst geschieden na het aanrichten van een bloedbad; een aantal zeesoldaten, door-Nero tot een legioen geformeerd , verwekte een tumult en werd door Galba\'s ruiters neergesabeld. Spoedig bleek het dat deze strenge, eenigszins gierige grijsaard niet de man was, die tegen den moeilijken toestand was opgewassen, de legioenen aan den Rijn riepen hun aanvoerder Aulus Vitellius als keizer uit, en op die tijding besloot Galba zijne positie te versterken door het aannemen van een mede-regent. De man, die er op gerekend had dit te zullen worden, M. S a 1 v i us Otho werd niet benoemd en hierover vertoornd wierp hij zich zelf als / keizer op; de praetorianen en de senaat erkenden hem, Galba werd in een oproer omgebracht (69). Aan Otho verbleef ajsnu de taak den strijd met den tegenkeizer in te beslechten,
de beslissende slag viel in hetzelfde jaar bij Bedriacum in Noord-Italië, de legioenen van Vitellius behaalden aldaar eene over-■winning en Otho doodde zich zelf na een principaat van slechts \' enkele maanden. Op het bericht van den slag bij Bedriacum ^huldigde de senaat Vitellius. Maar de soldaten der legioenen in het Oosten, in Syrië en in Aegypte, achtten nun geliefden veldheer Titus Flavius Vespasianus een veel geschikter man voor het principaat dan Vitellius, die zich wel als gulzigaard maar niet als generaal een naam had verworven. Officieel werd in den zomer van 69 Vespasianus door de zich in Alexandrie bevindende legioenen als keizer uitgeroepen, ook de legers in Moeste, Dalmat ie en Pannonie volgden weldra en rukten naar Noord-Italie, waar thans eene overwinning bij Cn-mona tegen Vitellius besliste, die daarop bij de bestorming van Rome gedood werd, na reeds vrijwillig afstand van het principaat te hebben gedaan. Aan Vespasianus werd thans door den senaat de heerschappij opgedragen. Zijn/rzw^aa/duurde van gt; 70—79, hij was de eerste van een reeks van uitstekende keizers, die slechts eenmaal door een minder goed bestuurder. Do mi-
201
tianus is afgebroken. Hij begon met den senaat te zuiveren en zijn spaarzaam beheer en goede regeling van het belastingwezen brachten de financien weder in een beteren toestand. Groote bouwwerken in Rope dagteekenen uit zijn tijd, onder anderen het beroemde Colosseum [amphitheatrtini Flavium), waarvan de rulnen^jiog over ^zijn. ^Voorts, heeft hij veel gedaan voor de „ro-inaniseeringquot; van het\' rijk o/a. door het aanleggen van koloniën en het geven van het latijnsche recht aan Spanje. Ook zijn de grenzen des rijks onder hem nog uitgebreid door de onderwerping van het westelijke deel van ^ritantiie, iets later, onder keizer Titus is door Agricola ook het noorden van dat land ten onder gebracht. Een opstand in Judaea werd in 70 door de inneming en verwoesting van Jeruzalem door T i t u s gestraft en ten einde gebracht; tot aan zijne verheffing tot keizer had Ves-pasianus zelf aldaar den krijg geleid. Bij den aanvang van het principaal van Vespasianus was mede een opstand der Batavieren onder Claudius Civilis door den veldheer Cerealis bedwongen, nadat eene beweging onder de Galliërs, die met den bataafschen opstand in verband had gestaan, door eene overwinning der Romeinen bij Jrier was onderdrukt. Ook aan het onderwijs wijdde Vespasianus zijne aandacht door de onderwijzers van staatswege te bezoldigen. De aanhangers der wijsgee-rige sekten, die voortdurend in de oppositie waren, werden door hem uit Rome verbannen. Hij stierf in 79 en werd opgevolgd door zijn zoon Titus (79—81). Gedurende het kortstondig bestuur van dezen princeps, van wiens goede eigenschappen door de nakomelingschap wellicht wel eens al te hoog is opgegeven, omdat zijn wreede opvolger zoo ongunstig bij hem afstak, teisterde een zware ramp een deel van Campanie: de steden Herculaneum en Pompeji werden in 79 door eene uitbarsting van den Vesuvius onder lava-stroomen en aschregen bedolven (Plinius maior).-De opgravingen in die Streek, die in onzen tijd nog ijverig worden voortgezet, hebben onze kennis omtrent het leven der ouden niet weinig vermeerderd.
Domitianus (81—96), de tweede zoon van Vespasianus, was evenmin als Nero aanvankelijk een slechte princeps, de wreedheid, waardoor hij in de geschiedenis zoo berucht is ge-
202
i
worden , toonde hij eerst later. Hij was oorlogzuchtig en ondernam in 84 een krijgstocht in Germanü, die niet zonder beteekenis was, vooral ook omdat zich daaraan, naar het schijnt, vastknoopt een ander stelsel van de verdediging des rijks aan den Rijn en aan de Donau, dat echter eerst onder Trajanus en Hadria-nus tot zijn volle uitvoering is gekomen. Dit was namelijk het aanleggen van eene reeks vestingen tegen de aanvallen der ger-maansche volksstammen; een deel nu dier verschansingen tusschen Lahn en Main is waarschijnlijk reeds onder Domitianus aangelegd; later werd deze linie tot aan de hovan-Donajt voortgezet. Het nieuwe stuk land , dat op deze wijze bij het rijk werd getrokken 1 werd door de Romeinen bestempeld met den naam van agri decümaies\\ \'omdat de bewoners, die er zich vestigden, tienden moesteji opbrengen. Ook in Britannie is onder dezen princeps gestreden. Ëen krijgstocht aan de Donau liep minder gelukkig af, zelfs moest aan den vorst der Daders (tgw. O. Hongarije, Wallachye, Moldavië en Zevenbergen) jaarlijks eene som worden betaald voor het toestaan van een vrede. Voor de positie van het principaal is liet belangrijk dat deze princeps voor het eerst de censuur voor het leven aannam, waardoor hij het recht kreeg, ten allen tijde en op welke wijze hem goed dacht den senaat aan te vullen. Ofschoon zijn opvolger die censuur weder nederlegde, behielden de latere keizers toch de daaruit voortvloeiende rechten en het benoemen der senaatsleden. De wreedheid, waarmede Domitianus in zijn laatste regeeringsjaren te werk ging, hoofdzakelijk te wijten aan geldgebrek, deed in 96 eene samenzwering in zijn paleis tegen hem ontstaan, waarin ook de keizerin was betrokken, en die hem nog in datzelfde jaar op gewelddadige wijze om het leven deed komen. Tot zijn opvolger werd benoemd de reeds bejaarde senator:
Nerva (96—98). Hij nam, deels ook om zijne eigene positie te versterken, in 97 den Spanjaard M. Ulpius Trajanus tot zoon en mede-regent aan.
Trajanus (98—een man van een edel karakter en een zeer bekwaam veldheer; onder zijn principaal werd de senaat weder een machtiger factor in het staatkundige leven, en ook heeft hij voor het rechtswezen, de armverzorging en de verfraaiing
»
-s ■i
203
der stad Rome zeer veel gedaan. Maar ook naar buiten toondé-hij zich een waardig keizer, onder hem heeft het romeinsche rijk zijn grootsten omvang bereikt. De betaling van de schatting aan de Daciè\'rs vond niet meer plaats en van den Strijd, die daarover
ontstond en nagenoeg vijf jaren duurde, was het einde dat Dacicf gt;gt; \' een romeinsch wingewest werd, en met koloniën werd overdekt.
In de jaren van rust na den dacischèn oorlog heeft Trajanus ,-v
veel gedaan voor de binnenlandsche aangelegenheden: met zijn 7v\'\' ,\'-J\'^ principaal begint het meer bijzonder toezicht over de gemeente- -besturen in Italië. De laatste jaren zijner regeering bracht Tra- \\-
janus door met het beoorlogen der Parthen. Op dien veldtocht ?y ^
in het Oosten werden Armenië en Mesopoiamië in romeinsche ^
provinciën veranderd enquot; cfë parlhisc/ie residentiestad , Ctesiphon \\\' c/ aan den Tigris veroverd. Een opstand onder de Joden in het ^ sv - r Z.O. des rijks werd met geweld ten onder gebracht. De keizer ,
stierf op den terugtocht in 117. Na zijn dood nam:
Hadrian us, een zijner aanverwanten, het bewind in handen (117—138). De oude princeps had hem waarschijnlijk nog in zijne laatste oogenblikken geadopteerd, tenzij deze geheele adoptie een:-intrige van de keizerin is geweest.
Deze princeps, die bij den aanvang zijner regeering de provincie Mèsopotamie weder ontruimde en in Armenië een vazal-,
koning aanstelde, heeft zich verder bekend gemaakt door zijne groote inspectie-reizen door het geheele rijk. Eerst bereisde hij de , noordelijke en noordwestelijke provinciën, daarna Spanje en v,.
Mauretaniê, eindelijk het Oosten en Griekenland. Voor ver- \' lt;■ . • •• •• ••
schillende provinciën des rijks waren deze persoonlijke bezoeken gt;
van den princeps zeer gewenscht, met name was dit het geval voor Britannié\', waar een groote reeks van vestingwerken werd aangelegd, dwars door het eiland heen (van de monding der Tyne tot Solway-Firth), en voor Griekenland, waar evenzeer groote openbare werken tot stand zijn gekomen, en de bewoners ook op het gebied van wetenschap en kunst in Hadrianus een beschermer vonden.f^Terwijl de keizer in het Oosten was,
werd er in Judaea wederom een opstand bedwongen o. a. omdat hij aldaar de kolonie Aclia Cap ito Una had aangelegd, op de plaats waar vroeger Jeruzalem had gestaan. Vcor de binnenland-
sT
■tv
204
sche aangelegenheden is het bestuur van dezen zeer schranderen princeps merkwaardig, aangezien hij ten behoeve der rechtspleging de edicten der praetoren door den jurist Salvius Julianus liet verzamelen, en dus een wetboek werd saamgesteld, waarnevens de keizerlijke rescripten voor enkele rechtsgevallen stonden. Een belangrijke instelling uit dezen tijd is verder eene wijziging in het zoogenaamde consistorium, zooals het later heette, een soort van staatsraad, door den princeps benoemd, reeds door Augustus ingesteld. Deze nieuwe raad, die thans meer het karakter krijgt van een bezoldigden raad des keizers, was belast met de rechtspraak in den alleruitgebreidsten zin. Ook deed het principaat onder Hadrianus een grooten stap voorwaarts op den weg naar het absolutisme. De invloed, die de vrijgelatenen des keizers tot dusverre in meerdere of mindere mate op het bestuur hadden uitgeoefend, maakte plaats voor dien van keizerlijke .ambtenaren uit den ridderstand, die zich thans, nu het principaat in de zeden was ingeworteld, niet meer schaamden in keizerlijken dienst te\' treden. De senaat werd met uiterlijke eereblijken overladen, maar inderdaadjneer op den achtergrond gedrongen. Zeer voortreffelijk was zijne legerorganisatie, die twee eeuwen lang stand hield. In 136 werd L. Aelius Verus door Hadrianus met den titel Caesar begiftigd, wat sinds de titel werd voor den vermoedelijken troonopvolger (§ 40). Toen Verus echter kort daarop overleed, benoemde Hadrianus als nieuwen ,,Caesarquot; Antoninus, die hem ook in 138 is opgevolgd.
Antoninus Pius (138—161). De regeering van dezen princeps verliep zonder eenige merkwaardige gebeurtenissen op te leveren, hij was een man van een edel karakter en een goed regent, die voor de binnenlandsche toestanden veel heeft gedaan. Hij had Marcus Aurelius als Caesar geadopteerd, evenals ook Lucius Verus, die later mede-regent van Marcus Aurelius is geweest.
Marcus Aurelius (161—180), een man zoowel ervaren als bevelhebber als uit een wetenschappelijk oogpunt belangrijk (de wijsgeer op den troon), bij wiens bezadigd leven de losbandige levenswijze van zijn mede-regent Lucius Verus, die in 169 stierf, zeer afstak. Onder zijn principaat is aan de oostgrens des
205
rijks krijg gevoerd met de Parthen en zijn de steden Ctesiphon en Seleucia ingenomen en verwoest. De Christenen , die ook deze overigens zoo gematigde en barmhartige keizer voor gevaarlijk hield, werden onder hem hevig vervolgd , [ Smyrna , Lyon , Vienne). In een langdurigen krijg tegen de germaansche stammen der Markomannen en Quaden drong hij die volken, die reeds tot nabij Aquileja waren voortgerukt, terug. Voor de krijg nog geheel was beslist stierf de keizer aan de pest en werd opgevolgd door zijn zoon Commodus (180—192), een man van wreed-aardigen aanleg, en meer te huis in den circus dan in het keizerlijk paleis; terwijl hij zich met de genoegens van het worstelperk vermaakte, hield de aanvoerder der praeiorianen op de wreedste wijze in Rome huis. Hij viel eindelijk als slachtoffer eener paleis-omwenteling. Dit was na een bestuur van drie maanden evenzeer het geval met zijn opvolger Pert in ax (193).
Na diens dood\' verkochten de praeiorianen den troon aan _M. Didius Julianus, die na zeer korten tijd moest onderdoen voor den legaat der legioenen in Pannonie, L. Septimius S e v e r u s.
§ 44-
Tets over de letterkunde gedurende den keizertijd.
De letterkunde na Augustus draagt geheel het karakter van haar tijd. De schrijvers, Grieken en Romeinen, die in dit tijdperk van zich hebben doen spreken, geven óf aan hun gevoel over de ongelukkige tijden, die zij beleven, lucht in bijtende satiren, óf, voor zoover zij geschiedschrijvers zijn, teekenen sommigen met sombere kleuren de toestanden die zij beschrijven, weder anderen, en hieraan hebben zich evenzeer dichters bezondigd , vervallen tot de meest laffe vleierij der principes. De redekunst en de kunst van declameeren beheerschen voorts dit geheele tijdperk, waarin de natuurlijkheid en frischheid der gouden eeuw hare plaats heeft afgestaan aan gemaaktheid en opgeschroefde vormen.
Onder de voornaamste grieksche en romeinsche schrijvers uit dit tijdperk, noemen wij: de satirendichters Persius Flaccus
206
(34—^2) en Junius Juvenalis (circa 47—130). Vooral in de werken van den laatstgenoemde wordt ons in zwarte kleuren de diepe verdorvenheid, waaraan de geheele maatschappij leed, ge-teekend; voorts verdient vermelding de geestige epigrammendichter M. Valerius Martialis (42—102). Een belangrijke bron voor de kennis vooral van het tijdperk der Antonynen is de grieksche schrijver Lucianus uit Samosüta, het geheele leven van dien tijd, vooral op letterkundig en wijsgeerig gebied, vinden wij bij dezen schrijver afgeteekend. De redekunst vond bekwame vertegenwoordigers in M. Fabius Quintilianus (tweede helft der eerste eeuw n. Chr.), die een leerboek over de redekunst heeft geschreven, en Dio Chrysostomus, van wien wij tal van redevoeringen in de grieksche taal overhebben.
De wijsbegeerte had lot hare bekwaamste beoefenaars de Stoïcijnen Seneca, den leermeester van Nero, en den keizer M. Aurelius. Als geschiedschrijvers verdienen genoemd te worden: Tacitus (circa 54—119), de weemoedige, sombere geschiedschrijver der Julische en Flavische dynastien {Annates en Historiaé), welke, werken echter niet geheel tot ons zijn gekomen; Veil ejus Paterculus, de vleier van keizer Tiberius, onder wien hij gediend heeft, Suetonius Tranquillus (ongeveer 75 —160), de geheimschrijver van keizer Hadrianus, die de levens der eerste twaalf keizers van Julius Caesar tot Domi-tianus heeft beschreven, dan de Grieken Plutarchus uit Chaeronea in Boeotie (van het midden der eerste eeuw tot omstreeks het jaar 120), die o. a. vergelijkende levensbeschrijvingen van beroemde Grieken en Romeinen heeft nagelaten; Appianus, bekend vooral door zijn werk over de romeinsche burgeroorlogen , (gelijk zijn andere ons restende boeken onderdeelen van een grooter werk, dat niet geheel bewaard is gebleven); Dio Cassius, die evenzeer de romeinsche geschiedenis beschreef, (gedeeltelijk slechts tot ons gekomen). Een reeks schrijvers, bekend onder den alge-meenen naam van Scriptor es historiaé Avgustae, is oppervlakkig en onbeteekenend. Een groot natuuronderzoeker was Plinius maior, wien zijne wetenschappelijke neiging het leven gekost heeft in 79 bij de uitbarsting van den Vesuvius (§43). Zijn neef, de jongere Plinius, was de proconsul van Bithynie, die eene
207
verzameling brieven heeft nagelaten, waaronder vooral die aan Trajanus van belang zijn (§ 42).
De wetenschap van het romeinsche recht bloeide zeer in de beide eerste eeuwen van den keizertijd, rechtskennis werd door de principes aangewakkerd, zij was bij vele benoemingen eene aanbeveling, (Gajus, Papinianus, Ulpianus, Paulus).
§ 45-
De gewichtigste gebeurtenissen van het principaat van Septimius Severus, tot den val van het Westersch Romeinsche rijk 193—476 n. Chr.
Met het tijdstip, waarop Septimius Severus het principaat aanvaardt, of eigenlijk reeds met den dood van Marcus Aure-lius begint een nieuwe tijd en krijgt de geschiedenis eeneenigs-zins ander karakter, in het staatkundige door het meer en meer veld winnen der germaansche volken, in het godsdienstige door de geleidelijk voortgaande zegepraal van het Christendom. Onder de vroegere principes hadden volken uit Germa7ne op verschillende punten de grenzen des rijks aangevallen, onder Marcus Aurelius moest tegelijker tijd op alle fel bestookte linien aan die volken het hoofd worden geboden; tegenover de imposante eenheid van het romeinsche rijk, dat eeuwen lang geheel afzonderlijk zonder eenen anderen zoo krachtigen staat daarnevens had bestaan, komt nu allengs een betere organisatie van die macht, die eindelijk het rijk heeft ten val gebracht, van Az germaansche wereld. Het krachtig offensief optreden dier Germanen was een bewijs, dat hunne macht zich langzamerhand meer had ontwikkeld en dat zij aanving noodlottig te worden voor het romeinsche rijk. Overbevolking en daarmede gepaard gaande hongersnood onder de germaansche volksstammen noodzaakte velen hunner groote „verhuizingenquot; te ondernemen, en die tochten om andere woonplaatsen te zoeken richtten zich dan veelal naar de romeinsche grensgewesten. Deze verplaatsingen van germaan-
208
sche volksstammen zijn de eerste voorboden der latere groote volksverhuizing.
Maar ook in den geestelijken en godsdienstigen toestand van het romeinsche rijk was in den loop der tweede eeuw eene groote verandering merkbaar, de romeinsche godsdienst (§ 22) had langzamerhand in den loop der eeuwen allerlei vreemde elementen in zich opgenomen, vooral gedurende den keizertijd, allerlei vreemde godsdienstige gebruiken en eerediensten uit beschavingstijdperken die reeds lang voorbij waren, werden met eene angstvallige bijgeloovigheid in Italië ingevoerd. Langzaam en verborgen aanvankelijk ontwikkelde zich het Christendom; eerst om zuiver staatkundige redenen vervolgd (§ 42), vond het zijne belijders steeds meer en meer in de hoogere klassen der maatschappij. Met de reeks keizers, van welke Septimius Severus de eerste is, allen van vreemde afkomst, verdwijnt natuurlijk ook dat specifiek nationale karakter van het prmcipaat, dat aan het Christendom zoo vijandig was, en schoon Severus zelf nog als vervolger optrad,\'vinden wij dat een zijner opvolgers, Heliogo-balus (218—222) in het groote Pantheon, dat hij voor zijn zonnegod oprichtte, met de romeinsche sacra ook de joodsche en christelijke godsdiensten vereenigde, en dat zijn opvolger, Alexander Severus (222—235) in zijn huiskapel Christus vereerde \'). En als wij letten op de allerlaatste, niet minst bloedige botsing tusschen de romeinsche wereld en het Christendom onder keizer Diocletianus (285—305), dan zien wij hoe in dien tijd de christelijke kerk reeds een afzonderlijken staat in het romeinsche rijk vormt, waarop de macht des keizers slechts in zooverre invloed kan uitoefenen, als hare belijders het met hunne overtuiging kunnen overeenbrengen, zich de uitoefening dier macht te laten welgevallen.
De gewichtigste gebeurtenissen gedurende den tijd, die er ver-loopen is tusschen den aanvang der derde eeuw en den onder-
\') Dr. F. C. Baur, Kirchengeschichte der drei eisten .Tahrhunderte, Se Auflage, Tiibingen 1863.
■ 1
209
gang van het westerscli-romeinsche rijk, willen wij, alvorens dit boek te eindigen, nog in hoofdzaken nagaan.
In de eerste plaats verdient daaronder vermeld te worden dat keizer Caraca 11 a, de zoon en opvolger van Septimius Sever us, een der wreedste principes van welke de geschiedenis van den keizertijd spreekt, in 212 aan alle vrije inwoners van het romeinsche rijk het burgerrecht heeft geschonken; daarmede was de gelijkstelling van de vroegere onderdanen der republiek met het romeinsch-italiaansche overheerschende volk verkregen.
2°. De vernietiging van het rijk der Part hen, in 226 door een zekeren Artaxerxes, een kleinzoon van Sa san, en de stichting van een nieuw-perzisch rijk onder de dynastie der Sasaniden.
Dit rijk was voor de Romeinen ruim zoo gevaarlijk als vroeger \'
dat der F ar then en heeft meermalen bloedige oorlogen tegen hen gevoerd. Het is in de zevende eeuw veroverd door de Arabieren.
3°. Het principaat van Diocletian 11 s (285—305^- De hoofdgedachte van dezen princeps was het ouïïe systeem der dyarchie (§ 40) geheel ter zijde te zetten en de absolute monarchie te vestigen; van dat tijdstip af regeeren de keizers krachtens hun eigen recht, niet meer omdat de senaat hen als zoodanig erkent, onder C o n s t a n t ij n is deze absolute heerschappij nog verder voltooid. Diocletian us was de eerste, die niet meer , /k,\' Italic als het voornaamste land des rijks beschouwde, en Romev^^\'-^A1^ hield onder hem op de hoofdstad te zijn. De senaat bleef een 1 lt;■ (gt; ^ \' lichaam zonder eenige beteekenis, de ambten der aediliteit en\'\'1\'* / van het tribunaat verdwenen, de titel, waarmede de princeps voortaan werd aangesproken, was het bij de oude Romeinen zoo gehate woord dominus. Diocletianus benoemde in 286 Maxi-mianus tot zijn mede-regent met den titel van „A 11 ^ u s t u squot;,
na hem eerst reeds tot troonopvolger te hebben aangewezen.
Later vormde hij het plan het uitgebreide rijk in afzonderlijke deelen te splitsen en daarmede in verband twee zijner officieren den titel van „C a e s a rquot; te schenken, die als het ware de regeerkunst langzamerhand leeren moesten. Daarop verdeelde Diocletianus het rijk in twee helften, hij zelf zou als „Augustusquot;
het Oosten en Thracie besturen en zijn verblijf houden te Ni-
margadant . Grieken en Romeinen. r 14
210
comedie, zijn vice-keizer „Caesarquot; Galerius kreeg het bewind over Griekenland, Maccihnitt~jAe^/fJl^rischc provinciën en zou resideeren te Sirmium in Beneden-Fannonie, de andere „Augustusquot; Maximianus bestuurde Italië, met Raeiie en Vin-deliciè\', Africa en Spanje en vestigde zijn verblijf te Milaan; diens „Caesarquot; Constantius Chlorus kreeg Gallic en Bri-^ytannië en hield zijn verblijf te Trier. Het lag in de bedoeling van Diocletian us dat de beide „August 1quot; niet voor hun leven zouden regeeren, maar na een tijd van twintig jaren zou den aftreden en dat de „Caesaresquot; in hunne plaats zouden komen, die dan op hunne beurt weder nieuwe „C a e s a r e squot; zouden benoemen. De „Caesaresquot; hadden in hun gebied het, hoogste militair en rechterlijk gezag en ook in andere takken van bestuur een tamelijk onbeperkte macht; iedere Augustus kon echter in het gebied van zijn „Caesarquot; met troepen ko-.tnen, de leiding der zaken overnemen en den „Caesarquot; bij zich ontbieden. De wetgeving berustte alleen bij de „Augustiquot; en feitelijk bij Diocletianus. In 305 legde Diocletian us overeenkomstig zijn plan zijne macht neder en Galerius trad op als Augustus in zijn plaats, terwijl aldaar een andere ,;Cae-sarquot; werd benoemd. Zeer tegen zijn zin legde toen ook Maximianus zijne macht neer als „Augustusquot; van het Westen, waar Constantius Chlorus in zijn plaats trad, en eveneens een andere „Caesarquot; werd aangesteld
40. Constant ij n de Groote („Caesarquot; sedert 306, al-leenheerscher van 324—337), de zoon van Constantius Chlo-(j) rus. Uit zuiver politieke redenen verhief deze keizer het Chris-I tendom tot staatsgodsdienst,\' hij zag namelijk in de krachtige organisatie, die de kerk toen reeds bezat, de macht der toekomst.
ÏAan den anderen kant had evenzeer de christelijke kerk behoefte aan de bestaande macht van den romeinschen staat om een # wereldgodsdienst te kunnen worden. Toen de eenheid der kerk ( pnder zijne regeering eön oogenblik dreigde gevaar te loopen, \'\'uU\' /1 u [verlt;i in 325 op het oeèutfentsche concilie van Niiaea in Bithynü, 1 Mjjsen gewichtig geschilpunt beslist en de leer van Arius aldaar als ketterij veroordeeld, schoon deze later nog een groote rol in de geschiedenis gespeeld heeft. Op dit concilie had Constant ij n.
I
2Uf
ofschoon op dat tijdstip nog niet officiéél lid der christelijke kerk zijnde, grooten invloed uitgeoefend; persoonlijk is Constantijn ■,
eerst kort voor zijn dood tot de christelijke kerk overgegaan.
Verder is de regeering van dezen keizer merkwaardig door de verplaatsing van den zetel des rijks naar Byzantium, dat hij aanmerkelijk liet vergrooten en verfraaien en dat naar hem den naam Constantinopolis kreeg. Ook met deze daad bewees Constantijn,
evenals met zijne houding tegenover het Christendom, hoe zeer hij zijn tijd begreep, immers aan de oude hoofdstad Rome verbond zich een historie van tien eeuwen , aan Byzantium echter waren die herinneringen niet verbonden, en wat in Rome met die traditie zou gestreden hebben, kon hier zonder tegenkanting worden tot stand gebracht; verandering^van residentie was ook wel gewenscht, nu het laatste overschot, Van de macht van den senaat plaats maakte voor absolutisme eriKate eeredienst van de olympische goden voor den christelijken godsdienst. De keizer omgaf zich in zijne nieuwe residentie door een talrijken stoet van hovelingen en beambten. Ook verdeelde hij hel rijk in vier praefec-^ ^
turae: i0 het Oosten , onderverdeeld in 5 dioecesen, 2° IllyricumJ (2 dioecesen), 3^ Italië (4 dioecesen), 40 Gallic (3 dioecesen).
5U. De verdeeling des rijks onder Theodosius. In 379 waslt;pA deze generaal door Gratianus tot „Augustusquot; van het Oosten
benoemd, hij streed gelukkig tegen de Go then, die kort te voren bij Hadrianopel (378) eene belangrijke overwinning op de Romeinen hadden behaald, en sloot in 382 vrede met hen. Bijzijn dood (39.\';) bepaalde hij, dat zijn oudste zoon A r c a d i u s het Oosten, quot;zijn jongere, Honorius, op dat oogenblik nog een knaap, het Westen besturen zou. Al moge het niet in het plan van Theodosius hebben gelegen, dat deze beide deelen voor goed gescheiden zouden blijven, de beide rijken zijn nimmer weder vereenigd en ontwikkelden zich hoe langer zoo meer als zelfstandige staten, de byzantijnsche staat nam bij voortduring
!
T\'
een meer oostersch karakter aan, het westersche rijk, dat eerst Milaan, later Ravenna tot hoofdstad had, bleef meer romeinsch. In 476 is dit westersche rijk na vele aanvallen van Hunnen [451 slag in de mauriacensische velden (Méry-sur - Seine), Attila door Aëtius verslagen], Vandalen en andere volken doorstaan te hebben, eindelijk te gronde gegaan door de vereenigde aanvallen der germaansche grensvolken. De aanvoerder der ger-maansche troepen in Italië, Odoacer zette den laatsten keizer Romulus Augustulus af en nam den titel van koning van Italië aan. Het oostersch-romeinsche rijk is in 1453 voor de macht der Osmanen bezweken, die in dat jaar de hoofdstad Constan-tinopel innamen. ^ § .
f, / »- /. /,1 i) . \\ [
d at O- U A ^ d Ö
Ui 1gt; j
1 N H O U D.
A. GESCHIEDENIS DEK GRIEKEN.
Blz.
§ 1. Aardrijkskundig overzicht van Griekenland ........ 1
§ 2. De oudste bevolking van Griekenland. — Heldentijd .... 5
§ 3. De Dorische volksverhuizing en hare gevolgen .... . 8
§ 4. Iets over den godsdienst der Grieken en enkele nationale instellingen in verband daarmede............11
§ 5. Indeeling der Grieksche gesclredenis..........14
EERSTE TIJDPERK TOT ONGEVEER 500 V. CHR.
§ 6. Sparta.....................15
§ 7. Athene....................17
TWEEDE TIJDPERK 500—431 V. CHR.
§ 8. De Ionische opstand................23
§ 9. De oorlog tegen Darius. — Marathon.........25
§ 10. De oorlog tegen Xerxes. — Thermopylae. — Salamis. — Plataeae. 27
§11. Athene als hoofd van het verbond van Delos: Cimon en Pericles. 33
Biz.
§12. I)e tijd van 445—431 v. Chr. — Pericles als eigenlijk hoofd
van Atliene...................39
DERDE TIJDPERK 431—338, 336 V. CHR.
§ 13. De Peloponnesische oorlog 431—404 v. Chr........43
§ 14. Sparta als leidende macht in Griekenland. De Corinthische
oorlog 404—387 v. Chr...............53
§ 15. De strijd over de hegemonie tusschen Sparta en Thebe. —
Epaminondas en Pelopidas 387—362 v. Chr........59
§16. Philippus van Macedonië 359—336 v. Chr........63
VIERDE TIJDPERK 336-146 V. CHR.
§ 17. Alexander de Groote 33C—323 v. Chr......... \' . 70
§18. De tijd der diadochen en epigonen. Geschiedenis van Griekenland van den dood van Alexander tot aan de onderwerping van dat land aan de Romeinen 323—146 v. Chr......76
/
B. GESCHIEDENIS DER ROMEINEN.
§19. Aardrijkskundig overzicht van Italië..........80
§ 20. Indeeling der Romeinsche geschiedenis.........83
EERSTE TIJDPERK 753—264 V. CHR.
§ 21. Rome in den koningstijd 753—510 v. Chr.........83
§ 22. Iets over den Romeinschen godsdienst.........88
Biz.
§ 23. Komc als republiek. — Biiinenlandschc strijd om de staatkundige gelijkstelling der standen. — Oorlogen met de naburige
volken en met de Kelten 510—343 v. Chr.......90
§ 24. De uitbreiding van de Komeinsche macht over geheel Italië. — De oorlogen van verschillende Italiaansche volken tegen Rome 343—264 v. Chr.............- .... 99
TWEEDE TIJDPERK 264—133 V. CHR.
§ 25. De eerste Punische oorlog 264—241 v. Chr........105
§ 26. De tijd tusschen den eersten en tweeden Punischen oorlog
241—218 v. Chr..................110
§ 27. De tweede Punische oorlog 218—201 v. Chr........114
§ 28. De oorlogen met Macedonië en Syrië 200—189 v. Chr. . . . 122 § 29. De onderwerping van Macedonië, Carthago en Griekenland
189—146 v. Chr.................quot;.126
§ 30. De maatschappelijke toestand in Italië. — De oorlogen tegen
de Lusitaniërs en tegen Numantia 146—133 v. Chr.....130
DERDE TIJDPERK 133-31 V. CHR.
§ 31. Tiberius en Caius Gracchus 133—121 v. Chr.......134
§ 32. De oorlogen tegen Jugurtha en tegen de Cimbren en Teuto-
nen. •— C. Marius 112—101 v. Chr...........139
§ 33. C. Marius als leider der volkspartij. — De oorlog der Italiaansche bondgenooten 100—88 v. Chr....., . , . . 142
§ 34. De eerste oorlog met Mithradates. — De burgeroorlog tusschen
Sulla en Marius 88—78 v. Chr............145
Biz.
§ 35. Cn. Pompejus Magnus. — Cicero en de samenzwering ran
Catilina. — Ondergang van Mithradates 78—CI v. Chr. . . . 152 § SC. Het eerste driemanschap. — Cicero\'s verbanning CO—58v. Chr. 159
§ 37. Caesar in Gallië 58—49 v. Chr............162
g 38. De burgeroorlog tusschen Caesar en Pompejus. — Caesar\'s
alleenheerschappij 49—44 v. Chr............169
§ 39. Het tweede driemanschap. — Strijd tusschen Octavianus en
Antonius 44—31 v. Chr...............175
VIERDK TIJDPERK 31 V. CHR.—47C n. CIIR.
§ 40. Het principaat..................182
§ 41. De gouden.eeuw der Romeinsche letterkunde.......187
§ 42. T)e Julisch-CIaudische dynastie 30 v. Chr.—68 n. Chr. . . .190 § 43. Het Romeinsche rijk van den dood van Nero tot Septimius
Severus C8—193 n. Chr...............199
§ 44. Iets over de letterkunde gedurende den keizertijd.....205
§ 45. De gewichtigste gebeurtenissen van het principaat van Septimius Severus, tot den val van het Westersch Romeinsche rijk 193—470 n. Chr..................207
uitgaven van j. b. wolters , ïe groningen.
J. L. Ph. druser, Beknopt Leerboek der Algemeene
Geschiedenis. (Compleet in 2 stukjes). Eerste stukje /\' 0,90 C. F. van Duyl, Greschiedenis. I: Oudheid .... - 0,35 C. F. van T)uyl, Vaderlandsohe Geschiedenis in schetsen en beelden. I : Oude geschiedenis.....- 0,35
C. F. van Duyl, Vaderlandsohe Geschiedenis in schetsen en beelden. II: Middel- en Nieuwe geschiedenis - 0,40 lt;J. F. van Duyl, Mijn Vaderland. Eerste boekje voor
geschiedenis in de lagere school . . . ?gt;de druk - 0,25 C. F. van Duyl , Algemeene Geschiedenis. I; Oude
Geschiedenis, gebonden..........- 3,75
H. Hermans en Dr. J. Woltjeu, Historische atlas der
Algemeene en Vaderlandsche geschiedenis. 2de druk - 2,90 A. M. Kollewijn, Beknopte Geschiedenis der Neder-
landsche bezittingen........3de druk - 0,75
P. Louwerse , Geschiedenisversjes.......- 0,35
Dr. P. C. Margadant, Geschiedenis der Grieken en
Romeinen, voor Gymnasia en Hoogereburgerscholen - 1,25 A. Nuiver en O. J. Reinders, Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en Schetsen .... 3de druk - 0,30 A. Nuiver en O. J. Reinders, Nieuwe Geschiedenis.
Verhalen en schetsen voor de volksschool, ide druk - 0,35 A. Nuiver en O. J. Reinders, Vaderlandsche Geschiedenis .............6de druk - 0,35
A. Nuiver en O. J. Reinders, Tijdrekenkundig Overzicht bij de Vaderlandsche Geschiedenis. 1de druk - 0,10 A. Nuiver en O. J. Reinders, Tijdrekenkundig Overzicht bij de Vaderlandsche Geschiedenis, met aan-
teekeningen..........2de druk - 0,30
A. Nuiver en O. J. Reinders , Een nieuw Honderdtal.
Verhalen voor de Volksschool .... 2de druk - 0,35
-i.
uitgaven \'vau- j. b. wolteks, te groningen.
A. Huivek eu O. J. Reinders, Ons Vaderland. Over-
ziclit van de geschiedenis onzes lands . 2de druk f 0,60
O. J. Reinders, Kleine Vaderlandsclie Geschiedenis. \\
Verhalen en schetsen voor de Volksschool. Sde druk - 0,30
Di-. M. C. Vai.eton, Handboek der Oude Geschiedenis.
I: De Grieken tlt;jt en met Alexander den Grooten,
met kaart ..............- 1,90
Dr. M. C. Vai.eton, Handboek der Oude Geschiedenis.
6.
II: De Romeinen, met kaart........- 1,90
Dr. J. A. Wijnne, Algemeene geschiedenis. I; Oude
Geschiedenis ..........9de druk - 2,90
Dr. J. A. Wijnne ,. Algemeene geschiedenis. II: Middeleeuwen ...........1de druk - 2,90
Dr. J. A. Wijnne , Algemeene Geschiedenis. Hl: Nieuwe
Geschiedenis..........Ide druk - 2,90
Dr. J. A. Wijnne, Algemeene Geschiedenis. IV; Nieuwe
Geschiedenis..........1de druk - 2,90
Dr. J. A. Wijnne , Handboek der Algemeene Geschiedenis .........5de druk - 3,90
Dr. J. A. Wijnne, Overzicht der Algemeene Geschiedenis . ...........t \\lde druk - 1,75
Dr. J. A. Wijnne , Geschiedenis van het Vaderland ............. amp;de druk - 1,75
Dr. J. A. Wijnne, Beknopte Geschiedenis van het
Vaderland.......... . 8ste druk - 1,75
Dr. J. A. Wijnne, Geschiedenis van de Nederlanden, [ - 4,90 Dr. J. A. Wijnne, Nieuwe opstellen over Geschiedenis - 3,75 Dr. J. A. Wijnne, DeOosterschevolken en Griekenland - 4,50 Dr. J. A. WUNNE, Het opsporen der Historische waarheid - 0,40