Widiifili\'uis en (\')nio|uniiii
OUDSTE PHOTESTANTSGHE KERK IN BELGlE
( gt;5 ariJi lirtorclM\'k»1. .MsivIit mi l.l irlio\\c ).
V OORD Px A C H T
Ü. c. WA (;f,N J\'Ü.
Predikant t.\' Ant\\v. rpcü .
4 juni 1884, in de l*ransche Kerk tc Brussel.
«li n i 11:«»^«\'\\ lt;\'it lt;»|» \\«Ty.olt;k lt;{ d\' v ISc i ii4Mllt;k.
HOT\'l\'r.nDA.M. J. M. IIRRDKK 1 SS- gt;.
H. oct.
17^3
//, f /743
Geschiedenis en Ooespeong
der
Oudste Protestantsche Kerk in België
(MARIA HOOREUEKË, MAKTER EN ET1CHOVE).
VOORDRACHT
gehouden door
J. H. C. WAGENER,
Predikant te Antwerpen,
op 24 Juni 1884, in ue Fransche Kerk te Brussel.
------
Dit werkje wordt uitgegeven op verzoek der Belgische Synode.
quot; \\ ^
** -------
%|ï#
__quot; ROTTERDAM. — J. M. BREDEE,
1885.
Stoomdrukkerij, D. van Sun amp; Zoon. — Bierhaven 27, Rotterdam.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
1754 3913
VOORREDE.
Sedert geruimen tijd had ik het voornemen opgevat eenige pogingen in H werk te stellen, ter verkrijging der noodige bronnen tot het maken eener voordracht over den oorsprong en de geschiedenis der oudste Protestant ache Gemeente in België, edoch mijne drukke ambtsbezigheden waren oorzaak van uitstel. In 1883 werd ik op de Synode verzocht in 1884 over het een of ander onderwerp te spreken, en van dat oogenblik af aan gevoelde ik mij gedrongen niet langer te wachten aan het werk te gaan, zooveel de tijd het mij toeliet, waarvan de uitslag is geweest dat ik éene maand voor de vergadering der Synode gereed was, en dan ook in de Fransche taal deze redevoering gedeeltelijk heb uitgesproken ie Brussel, aan den avond van den 24 Juni 1884. Den volgenden dag werd mij door de Synode verzocht het gesprokene te laten drukken, waaraan ik thans voldoe.
Weldra zal dit werkje ook in de Fransche taal uitgegeven worden. Ontvangt mijnen gebrekkigen arbeid, waarde lezers! mét welwillendheid en bescheidenheid. Hartelijk zal ik mij verblijden indien ik vernemen mag, dat de uitgave in veler handen is gekomen. Gij zult er in vinden niet alleen de inwijdingsrede, uitgesproken in de nieuwe kerk te Maria Hooreheke in 1872 door Dr. Herbsï, maar ook toespraken van wijlen Ds. van Maasdijk, Ds. van der Waaijen Pieterszen en andere nog levende predikanten. Alles hij die gelegenheid in Kerk en Geuzenbosch, den volgenden dag bij het gehucht Louise Marie gesproken, kan ik niet geven.
J. H. G. WAGENER.
-—
■
■
■
■
.
■
■
\'
■■
I .
■
■
■
_
Sedert negen en twintig jaren in België werkzaam. eerst als hulpprediker bij Ds. van Maasdijk te Brussel, daarna als predikant te Mechelen c. s., Maria Hoorebeke en thans te Antwerpen, rust op mij de taak in dit avonduur eene voordracht te houden. Beleefdelijk roep ik uwe inschikkelijkheid en aandacht in voor hem, die zich nu de oudste der Hollandsche leeraars in België kan noemen. Velen uwer weten reeds het onderwerp, waarover ik het een en ander wensch te zeggen. Laat het u niet verwonderen, het is over de Protestantsche gemeenten te Maria Hoorebeke, Maeter en Etichove.
Maria Hoorebeke is een klein dorp in het hart van Oost-Vlaanderen, zes uur van Gent gelegen. De natuur is er allerbekoorlijkst. Het ligt in eene heuvelachtige, bosch-rijke, vruchtbare streek, die tot vroolijkheid uitlokt. Drie gehuchten vormen er den geuzenboek; de kerk, pastorie en school liggen in Corseele en dan zijn er nog Bokegem en Vrijsbeke. Op het dorp zelf woont niet een Protestant. De Hervormden wonen er twintig minuten gaans van daan. Te Maeter woonde in mijn tijd nog eene protestantsche familie, en te Etichove twee, óok daar ging ik iedere maand eene godsdienstoefening in het kerkje houden.
Deze gemeente is zeer belangrijk, niet gelijk andere overige Belgische gemeenten grootendeels uit vreemdelingen bestaande, maar uit oorspronkelijke inwoners des lands. Het overblijfsel van de groote menigte, die daar te lande, trots alle vervolging onder Spaansch en Oostenrijksch bestuur, staande is gebleven, staat als een toonbeeld des reinen Christendoms, midden op het gebied des Roomschen Gatholicismus.
— 6 —
Zij zijn bijbelsche Christenen, er is geen gemeente waar men trouwer ter kerk komt dan daar. Het is een treffend gezicht vaders en moeders met de kleinste kinderen op den schoot in het huis des gebeds te zien nederzitten, aller aandacht geboeid aan de rede des sprekers, die hun de groote werken Gods verkondigt. Pastorie, onderwijzerswoning en schoollokaal bezitten ze. Bij testamentaire beschikking van den heer P. F. van den Berghe en diens zuster, vroeger R. C., later protestant geworden, en leden dier gemeente, hebben ze, behalve de pastorie, fondsen tot onderhoud der kerkelijke en schoolgebouwen, tot voorziening in schoolbehoeften, eenige bezoldiging van den onderwijzer, doch niet voldoende, en voorarmen gegeven. Landbouw en het naaien van glacé handschoenen is het middel van hun gering bestaan; allen moeten hard werken om in hun dagelijksch onderhoud te voorzien. Deze gemeente is het overblijfsel van „de Vlaamsche Olijfberg,quot; die eertijds bestond uit zeven gemeenten. In een oud geschreven lidmaten-, doop- en huwelijksboek, dat gevonden is geworden gedurende mijn verblijf aldaar op den zolder van P. de Schepper, en mij ten geschenke is gegeven, vindt men die gemeenten genoemd: Maeter, Maria Hoore-beke, Wij legem, Melden, Etichove, Oudenaarde en Nukerke.
In de geschiedenis wordt ook nog gesproken van Pamele, Asper, Synghem, Eename en Ronse. —
Behalve te Maria Hoorebeke en Etichove *) staat er onder het gebied van Maeter nog een kerkje, dat vroeger aan de Protestanten behoorden nu door de Gatholieken wordt gebruikt, en een te Wijlegem boven Blasius Bouclé, die ook thans met twee boerenhofsteden het eigendom zijn van een klooster. De Protestanten, die in die hofsteden hebben gewoond, zijn onder Alva naar Engeland gevlucht. Een dier boeren zelf heeft zich in eene kist
Het kerkje te Etichove dateert van 1780.
moeten laten wegvoeren, om door den vijand niet gedood te worden.
Op het zegel der kerk slaat; „Vreest niet, gij klein huddeke,quot; Lukas 12 : 32° en te Etichove bij de Jonge zijn nog een tinnen avondmaalsbeker en schotels, die door de oude Boschgeuzen zijn gebruikt geworden, toen vervolging in ruime mate hun deel was. Ieder jaar bij de viering van het H. Avondmaal te Etichove worden ze daar gebruikt.
Tot in 1824 moesten de Hervormden in tuin of boomgaard hunne dooden begraven, ieder bij zijne woning. Sedert dien tijd bezitten zij een eigen kerkhof. Bij het bouwen eener nieuwe kerk in 1871 en 1872 is dit kerkhof aanmerkelijk vergroot geworden.
De kerk is een nieuw, fraai gebouw, 16 October 1872 ingewijd, door een lagen muur omringd en aan do zijde van den weg door een ijzeren hek afgesloten.
Bij de inwijding waren tegenwoordig de volgende predikanten: Ds. Spoerlein van Antwerpen, president dei-Synode , die den sleutel der kerk met eene korte toespraak aan den leeraar overhandigd heeft. Bij de opening der kerk heeft Ds. Wagener de godsdienstoefening met gebed geopend. Na het gezang der gemeente heeft de president der Synode met toespraak en gebed den Bijbel op den predikstoel geplaatst, waarna Dr. Herbst de inwijdingsrede hield. Na gezang sprak Ds. Peron .van Dour in het Fransch en verhaalde ons hoe hij in zijne jeugd, B. Gatholiek zijnde, Evangelisch was geworden, hetgeen bij velen zijner ambtsbroeders onbekend was; daarna trad Ds. Peterson van Lize-Seraing op en Ds. Blom van Gent. Na het gezang werd de dankzegging gehouden door Ds. van Maasdijk, die met den apostolischen zegen de morgen-godsdienstoefening eindigde. Ten 12 ure vonden de van elders gekomen geloofsgenooten in het oude kerkgebouw verver-schingen, en de vrienden en predikanten uit België, Engeland
en Holland begaven zich naar de pastorie, die, hoe ruim ook, dien dag klein genoeg was om een kouden maaltijd te gebruiken en daar te vertoeven. Ten twee ure \'s middags begaf men zich op nieuw naar het kerkgebouw. De waardige en door den schrijver nooit te vergeten leeraar, Ds. Niemeijer te Dinteloord, die thans ten grave is gedaald, opende met gebed. Na gezang hield Z.Eerw. eene toespraak en wees na zijne herinnering aan zijn bevestiging van den tegenwoordigen predikant in deze gemeente er op, dat bij het vele verkeerde onzes tijds, dit meest door vreemde giften opgerichte kerkgebouw een bewijs was, dat de ware christelijke liefde niet is uitgestorven en naar Haggaï 2 : 10 de belofte des Heeren bracht, dat aan deze plaats vrede zou worden gegeven, ook in de harten dergenen, die hier vrede zoeken. Daarna traden Ds. van Maasdijk van Brussel, Ds. van Schelven van Gent en Ds. van der Waaijen Pieterszen van Mechelen op. Ds. Rochedieu van Brussel had op zich genomen ook tegenwoordig te zijn, doch was verhinderd tot zijnen ons leedwezen. Na nog eene toespraak van Ds. Andry van La Bouverie, van den heer Wilford van Temsche en een kort verslag van Ds. Wagener, eindigde Ds. Spoerlein met dankzegging en aposlolischen zegen. Behalve bovengenoemde leeraars was ook nog Ds. van Schelven van Souburg aanwezig en een candidaat in de Theologie uit Duitschland, een jeugdige vriend van Dr. Herbst.
Den volgenden dag vereenigden wij ons in het overgeblevene Geuzenbosch boven Etichove. Was het weder niet heel gunstig, toch waren er vele hoorders, vooral H. Gatholieken. Daar spraken Ds. Spoerlein van Antwerpen, Ds. Andry van La Bouverie, Ds. Blom en Ds. van Schelven van Gent, Ds. van der Waaijen Pieterzen van Mechelen en Ds. Peterson van Soraing. Gebed en dankzegging werden gehouden door Ds. Wagener.
En hiermede keerden we naar de pastorie terug; eenigen onzer vrienden vertrokken, anderen bleven te
— O —
Maria Hoorebeke nog een of meer dagen. Nimmer z;al ik in mijn leven die twee dagen vergeten, die we zoo broederlijk en vriendschappelijk te zamen hebben doorgebracht.
Ik twijfel niet of onze lezers zullen gaarne eenige van die korte toespraken vernemen. Do eerste die ik u mededeel is de
Inwijdingsrede van Br. Herbst, Predikant der Hoogduitsche Gemeente te Brussel.
De genade van onzen Heer Jezus Christus, de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met ons allen. Amen.
Gij vindt onzen tekst in Genesis 28 : 10—22.
Geliefde Feestgenooten! Tot hiertoe heeft de Heer geholpen; laten wij ons daarin beroemen en verblijd zijn.
De geschiedenis van Jakob, die in zijne worsteling met God overmocht en daarom Israël genaamd werd, strekke tot leiddraad aan onze feestvreugde over de hulp des Heeren, te dezer plaatse zoo ruimschoots ondervonden; verkondige ons ten tweede den drievoudigen zegen, die uit de inwijding dezes tempels voorspruiten moet en vemieuwe ten slotte, zoowel de beloften Gods als de geloften der gemeente voor tijd en eeuwigheid.
Jakob verliet het ouderlijke huis met den zegen zijns vaders en zijner moeder, doch met den vloek zijns broeders Ezau.
Zoo moest ook gij voor driehonderd jaren, als ketters met den dood bedreigd, huis en hof als bedelaars ontvluchten.
Ten tijde der vervolging waren spelonken, wouden en groote wateren uwe wijkplaats; boschgeuzen en watergeuzen waren de spot- en tevens eernamen waarmede men u bestempelde; maar ziet, de Heer ging met u; voor het volk des Heeren is rust weggelegd; gij hebt
— 10 —
het ondervonden. Hij schenkt rust. Een steen in de woestijn is in Gods hand immers een zachte peluw gelijk V
Jakob werd in den droom gesterkt. Hij zag de ladder Gods, die hemel en aarde verbond, en de engelen Gods daarlangs op- en nederklimmende. En de Heer zeide tot hem: „Dit land waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. Ik ben met u, en Ik zal n behoeden overal waarheen gij trekken zult, en Ik zal u weder-brengen in dit land.quot;
Ook uwe vaderen hebben de ladder Jakobs in de woestijn leeren kennen. De Heer stond de veriatenen ter zijde met den rijkdom zijner versterkingen, met de bewijzen zijner zaligmakende genade en de volheid zijner vertroostingen. Heeft God ook aan hen de beloften niel verwezenlijkt, die Hij eens aan Jakob schonk? Immers bebouwt gij weder de akkers uwer vaderen en woont in vrede in uwe hofsteden.
Uit zijn droom ontwaakt, spreekt Jakob een drievoudig woord der wijding uit over de rustplaats waar hij God van nabij leerde kennen: Hoe vreeselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels.
Den steen, die hem tot hoofdpeluw gediend had, richtte hij op tot een gedenkteeken, zalfde dien met olie en zwoer daarbij dat, zoo God hem in vrede deed weder-keeren, die gedenksteen een huis Gods zou wezen.
Ook aan deze plaats is het gedenkteeken der vervolging en der liefderijke versterkingen tot een huis Gods geworden. Gij hebt het voorbeeld gevolgd der eerste christenen, want bouwden ook zij niet bij voorkeur hunne werken op den grond, geheiligd door de graven hunner martelaren ?
Wij zijn heden, in den naam van den driemaal heiligen God, voor het eerst opgegaan naar dit bedehuis, met geene andere begeerte, dan, even als Jakob den steen
- 11 —
met olie zalfde, dit gebouw te wijden tot een gedenksteen aan Gods groote daden.
Ja, moge ook de plaats, waar wij nu staan, naar Jakobs woord zijn,
eme heilige plaafs,
een huis Gods,
en de poort des hemels.
In gothischen stijl opgetrokken is het, als wil dit bedehuis, met zijn spitse vormen, ons reeds van verre den weg ten hemel wijzen; en treden wij daar binnen, zinrijk schoon spreekt ook het inwendige tot ons. Die vensters met hunne prachtige kleurschakeeringen, die ons in gloeiende tinten het beeld weergeven van den mensch geworden Christus, roepen zij ons niet toe: „Laat ons hier tabernakelen bouwen!quot; Ja gewis, dat was de eerste indruk, die ons bij het binnentreden overweldigde en toen wij den. voet verder waagden, toen wij die schitterende lichtvonken meer nabij traden, plechtstatig ruischte ons Jehovah\'s stem tegen, zooals Mozes dien vernam in het brandende braambosch: .,Trek uwe schoenen uit, want de plaats waarop gij staat is heilig land. Uit de zondige wereld stellen wij ons hier als zondaars voor het aangezicht van den heiligen God: belijdenis van zonden en ootmoedig opzien tot God, dat moet het hoofdkarakter onzer Godsvereering zijn. Moge voor het geestelijk oog van ieder lid .der gemeente de ingang van dit bedehuis ten opschrift dragen; Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven, en bewaar uwen voet, wanneer gij het huis Gods zult binnentreden. — Niet dat dit opschrift iemand afschrikke; want de tempel des Nieuwen Verbonds is meer dan een huis der boetedoening. Hij is immers eene plaats der verkondiging van het zaligmakend geloof? Wij aanschouwen hier niet slechts het vlammenoog van Jehova, maar tevens de ondoorgrondelijke barmhartigheid Gods in Christus Jezus. En zoo
— 12 —
moet het ook zijn: het bedehuis een Godshuis, eene woonstede Gods onder de menschen.
Gods woorden en beloften, die de wanden van dit kerkgebouw versieren, strekken ze niet tot opbouwing van ons geloof? Op den kansel ligt Gods dierbaar Woord, opdat het door den mond Zijner getrouwe dienaren in de harten dringe. Zoowel het gebed der dankzegging als de stille verzuchting des harten stijgt hier als wierook omhoog: \'s Heeren huis is een huis des gebeds. En gindsche doopvont spreekt tot ons: „Laat de kinderkens tot Mii komen en verhindert ze niet.quot; De Avondmaalstafel doet ons de vriendelijke uitnoodiging hooren: „Komt, want alle dingen zijn nu gereed.quot; Het statig klokgelui galmt ons reeds van verre dringend toe: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast van zonde zijl, Ik zal u ruste geven,quot; en treden wij binnen, dan klinkt dezelfde roepstem ons tegen in welluidende orgeltonen.
Versmaadt gij die liefdevolle roepstemmen niet, voorzeker Gods huis wordt u dan ook tot eene poort des hemels.
Naar een aloud gebruik verheft zich het kerkgebouw op den akker der dooden; mocht dit u op iederen rustdag het woord des apostels te binnen brengen: „Heden, zoo gij mijne stem hoort, zoo verhardt uwe harten niet,quot; en laat ons dan vreezen dat niet te eeniger tijd de belofte van in Zijne rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. —
Mocht werkelijk voor u allen dit huis eene poort des hemels zijn, mocht gij daarin iets ondervinden van de belofte des Heilands aan zijne discipelen: „Van nu aan zult gij den Hemel zien geopend en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen.quot; En worde dan eindelijk aan den eindpaal onzer loopbaan het woord des gekruisigden Verlossers aan ons allen verwezenlijkt: „Heden zult gij met mij in het paradijs zijn!quot;
Het woord der inwijding is gesproken; treden wij daardoor bemoedigd, vol vertrouwen, de toekomst te
— 13 -
gemoet. „Uw zaad zal wezen als het stof der aarde; en in u en in uw zaad zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.quot; Zoo luidde de belofte Gods aan Jakob; neemt ook gij haar mede als eene feestgave op dezen heuglijken dag.
Gods troostwoord aan de gemeente te Filadelphia: „Ziet! ik heb eene geopende deur voor u gegeven : want gij hebt kleine kracht en gij hebt mijn woord bewaard en hebt mijn naam niet verloochend,quot; is ook voor u gesproken en voor iedere gemeente des Heeren, die staat in den geloove. Voor \'de bedorven wereld het zout der aarde te wezen, een licht tot verdrijving van ongeloof, eene stad te zijn op een berg gebouwd, als wegwijzer voor alle zoekende zielen, zietdaar uwe belofte en tevens uwe roeping. Spreekt daarom allen met Jakob: „De Heer zal mijn God zijn, en deze plaats der zegeningen een huis Gods; van alles wat Gij mij geven zult zal ik U voorzeker de tienden geven.quot; Sluit in de schatkist van dit kerkgebouw, in deze plechtige ure, deze drievoudige gelofte weg, als een onvervreemdbaar eigendom der gemeente.
„De Heer zal mijn God zijn,quot; zij en blijve de belijdenis der gemeente van nu aan tot in der eeuwigheid. Mogen uwe handen steeds bereid zijn om wel te doen aan een iegelijk en bovenal aan de huisgenooten des geloofs. Gods huis worde bij u steeds krachtiger bevestigd, op het eenig fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, op welken het gebouw bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot eenen heiligen tempel in den Heere- Amen.
Hierop volgt de toespraak van wijlen Ds. H. van Maasdijk, predikant der Vlaamsch-Hollandsche gemeente te Brussel, welk handschrift voor mij ligt. Ik geef letterlijk het door Z.Eerw. mij toegezondene.
— 14 -
Tekst: Maltheus 5 : 13—17.
M. V! Het is mij goed mij hier te bevinden en wel bij zulk een gelegenheid. Alvorens ik de gemeente van Maria Hoorebeke ooit bezocht had, zelfs alvorens ik ooit een enkel lid derzelve persoonlijk kende, was dezelve mij reeds dierbaar als de oudste protestantsche gemeente van België, door het aanbiddelijk Hoofd der gansche gemeente zoo kostbaar bewaard en staande gehouden, ondanks de vele en velerlei aanvallen van de poorten der hel.
Ruim dertig jaren geleden werden er nieuwe banden gelegd tusschen mij en deze gemeente. Mijn innig geliefde en nu zalige vriend Ds. Koningsberger nam toen den herderstaf dezer gemeente in handen, toen ik in Brussel het evangelisatie-werk begon; in dien langen tusschentijd raakte ik te Brussel met niet weinige leden van deze gemeente in persoonlijke kennis, kreeg ze lief en werd van hen geliefd; herhaalde malen mocht ik ook hier in het oude bedehuis de woorden des eeuwigen levens verkondigen; ik herhaal het, het is mij goed thans hier te zijn en ooggetuige te wezen dat \'s Heeren gunst en zegen nog steeds op Maria Hoorebeke rusten. Ja dit doen ze wel; immers is het de Heer, en niemand anders, die voor reeds vele jaren zorgde, dat de gemeente van Maria Hoorebeke een zeer geschikte pastorie en een schoollokaal bezaten die nu den lust en moed in de harten deed ontstaan, om, even als dit bij den godvreezenden koning David, 2 Samuël 7, plaats had, een nieuw en schoon godshuis te bouwen, en die dien lust en moed zoo heerlijk bekroonde? Ook heeft de Heer de pogingen van uwen leeraar gezegend. O, gemeente van Maria Hoorebeke! hoe uitnemend goed is de Heer voor u! Vergeet intusschen niet, dat naar mate de Heer meer goed voor u is, uwe dankbaarheid en verplichting jegens Hem behooren te wassen en toe te nemen.
Waardoor zult gij die betoonen ? De u zoo even voor-
gelezen woorden uit het dierbaar Bijbelboek beantwoorden deze vraag: Gij zijt het zout der aarde, gij zijt het licht der wereld.
Zult gij dit zijn alleenlijk of meer dan vroeger, omdat gij nu geenen somberen geuzentempel, maar een smaakvol bedehuis bezit ? Ik ontken het geenszins dat een geschikt, sierlijk, vooral zindelijk bedehuis der godsvereering een zekeren luister toebrengt, en op zich zeiven een zeker begeerlijk en aantrekkelijk licht verspreidt: doch, mijne vrienden! zoo er niet wat anders dan dit bijkomt, zult gij aan uwe door onze tekstwoorden opgenoemde roeping hier, weinige Protestanten, als gij zijt, tusschen eene talrijke Roomsche bevolking niet kunnen beantwoorden — immers bezit men hier schoonere, meer smaakvolle en rijker versierde tempels dan gij den uwen hebt kunnen en mogen maken? Uw Godshuis, hoe lief dan ook, is toch maar een miniatuur van het hunne, niet waar? Gij zijt het zout der aarde zegt u: weest voor de bevolking, in wier midden gij woont, wat het natuurlijk zout voor het voedsel des licbaams is, dat is: hetzelve smakelijk makend en voor\'t bederf bewarend. Och! poogt door Gods genade den godsdienst van Jezus Christus, dien gij belijdt, aan te bevelen, begeerlijk, aangenaam en smakelijk te maken, door als kinderen des vredes, der liefde en der tevredenheid, matig, rechtvaardig en godzalig te wandelen in deze wereld, — tracht ook de nog in ongeloof, bijgeloof en zondehdienst levenden voor het verderf te bewaren door voor hen te bidden, en te zoeken ze tot Hem te geleiden, die u van uw verderf verlost heeft.
Gij zijt het licht der wereld zegt u en mij en allen oprechten Protestanten: hangt Hem met uw ganschc hart in leer en leven aan, die het waarachtig Licht is; wandelt als kinderen des lichts, verzaakt alle werken der duisternis (alle zonden), waakt en strijdt er tegen, in de kracht uws Gods en Zaligmakers ten bloede toe. —
— 16 -
Merkt wel op dat in het: Gij zijt het licht der wereld meer dan een bloot vasthouden aan de leer der. Hervormde Kerk sprake is, — dat in en door die woorden hoofdzakelijk het geloof, werkende door de liefde, het geloof, dat oprechte goede werken voortbrengt, bedoeld wordt.
De Heer onze God bekwame ulieden en ons allen tot deze van het waarachtig Christendom onafscheidbare dingen, om Zijns geliefden Zoons wille, door Zijnen Heiligen Ge«st. Amen.
Toespraak gehouden door wijlen Ds. A. van der Waaijen Pieterszen, te Mechelen.
Mijne Vrienden! Toen ik, waarde gemeente van Maria Hoorebeke! uw nieuw kerkgebouw zag, dacht ik aan.het woord vanPaulus, 1 Gor. 3 vs. 9: „Gods gebouw zijt gijquot; en aan dat andere woord vs. 16. „Weet gij niet dat gij Gods tempel zijtquot; en vs. 17: „De tempel Gods is heilig, welke gij zijt.quot;
De Heer woont niet in tempelen, gemaakt met handen, de hemel is zijn troon, de aarde is de voetbank Zijner voeten. Hoe zou dit gebouw den grooten oneindigen God kunnen bevatten? Geliefden! ik wenschte u op dezen plechtigen dag te herinneren, dat de groote heerlijke God twee tronen heeft, de eene in den hemel, de andere troon in het ootmoedig Hem gewijde hart, naar het woord des Heeren bij den profeet Jesaja: „Ik woon in het hooge en verhevene, spreekt de Heer, en bij dien, die een verbroken en verbrijzeld hart heeft en voor mijn Woord beeft.quot; Jes. 57 : 15. Hier in dit gebouw komt gij samen met verbrijzelde, ootmoedige harten, om vertroost , bemoedigd te worden met het woord Zijner genade en Zijns vredes in Christus; om het Woord dei-verzoening te hooren, dat God in Christus tot ons spreekt.
— 17 -
Mocht dit kerkgebouw het symbool zijn van wat gij zijt ieder in het bijzonder voor de wereld, in de wereld voor uwen God en door uwen God en Verlosser.
Hoe liefelijk toch ligt dit kerkgebouw in Vlaanderen\'s schilderachtig landschap, hoe ernstig en stil wijst de torenspits ten hemel! Zoo zij uw leven, uw wandel te midden van Vlaanderen\'s bevolking een vingerwijzing ten hemel. Toont het overal en altijd, dat gij niet het aardsche maar het hemelsche, niet u zeiven maar den Heer zoekt. Laat het blijken in alles, dat dit woord in uwe harten woont: „Hier beneden is het niet, \'t ware leven, lieven loven, is maar daar men Jezus ziet.quot; Hoe eenvoudig en toch liefelijk verheven ligt uw kerkje en wat is het van binnen zonder praal en pracht. Hoe duidelijk wordt ons dat woord: „wij prediken niet ons zeiven, maar Christus den Heer,quot; dat in dien geopenden Bijbel aan den ingang van uw heiligdom te lezen staat.
Zoo ook, mijne vrienden! leven wij niet ons zeiven, maar voor Christus, ons leven zij met Christus verborgen in God. Het woord Gods wone rijkelijk in u. En gelijk, ja meer nog dan deze bijbelspreuken op de wanden van dit bedehuis, meer nog dan de wet Gods geschreven op deze muren, mogen door Gods geest zijne wet, zijn Woord, zijne belofte geschreven zijn in ieder gemoed Neen wij willen niets weten dan Christus voor ons en Christus in ons, door het geloof. Ik zeide: onze God, die in geest en in waarheid wil en moet aangebeden zijn, heeft Zijn troon in den hemel, maar ook Zijn troon in het verbroken en verbrijzelde hart dat voor Zijn Woord leeft. Zeg mij, hoe is dat hart gestemd dat de Heer tot Zijn tempel heeft gewijd, waarin Hij woont, zoodat het in waarheid van u, van ons kan gezegd worden: Gods gebouw zijt gij, gij zijt de tempel des levenden Gods?
Ziet, daarin wonen en werken bovenal deze drie dingen:
1°. Diepe ootmoed bij het gevoel onzer schuld,
- 18 -
onwaardigheid en geheele afhankelijkheid van Hem. Daar zijn wij niets, Hij alles, daar verstaat men uit genade: alleen om Christus\' verdiensten, wordt men zalig.
2°. Stil geloof en vertrouwen. Steunende op die genade en de beloften Gods, die alleen in Christus ja en amen zijn, dat vertrouwen, dat onder allen kommer en druk en bij alle beproeving zegt: de Heer zal voorzien.
Dat geloof, dat steunt op Christus alleen, en waarvan Jezus zegt; „die gelooft heeft het eeuwige leven en komt niet in de rampzaligheid.quot; Dat geloof, waarvan Hij wederom getuigt: het zal de Hearlijkheid Gods zien.
3°. Kinderlijke en vurige liefde, die onze harten aan Hem en elkander verbindt, liefde door Zijnen geest uitgestort in onze harten, waardoor wij Zijn beeld vertoonen hier op aarde: het beeld van den God der liefde. De H. geest wone en werke in uwe harten, geliefde geloofsgenooten! opdat dit alles in ons zij. Wedergeboren, vernieuwd, geheiligd door Zijne genade zijt gij Gods gebouw. Zijn heiligen tempel. Amen.
Toespraak, gehouden door den WélEerw. Heer Van Schelven, Predikant hij de Vrije Christelijke Zendingsgemeente te Gent.
Gods Woord niet in tempelen met handen gemaakt. De hemel is Zijn troon, de aarde de voetbank Zijner voeten, het heelal de tempel met Zijne heerlijkheid vervuld. De eerste tempels hier op aarde zijn niet gebouwd op Goddelijken last, maar vrucht van heidenschen afgodendienst. In het paradijs en door de geloovigen der eerste wereld werd God gediend in den tempel der vrije natuur.
Als God zich met Zijn Geest van de afkeerige volken terug trok en Zijne openbaring toevertrouwde aan het uitverkoren volk, aan Israël, bouwde Salomo Hem een tempel. Die was de laatste toevlucht voor den Heere,
- 1\'.» —
om niet van de aarde verdrongen te worden met Zijn waarheid en dienst.
In dien tempel werd Gods waarheid gepredikt, minder door woorden dan door plechtigheden. De schuld, de zonde, de strafoefenende gerechtigheid en de noodzakelijkheid der verzoening werd er door dagelijksche bloedige offers staande gehouden; maar ook de mogelijkheid der verzoening door in de plaats gestelde offeranden gepredikt, die afbeeldingen waren voor dien legenwoordigen tijd, ofschoon zij zelve de zonde niet konden wegnemen. Die offers waren eene duidelijke prediking van den Christus, die komen zou.
Dat is dus het punt van samentreffen van den tempel -te Jeruzalem en een christelijk bedehuis Wat daar symbolisch werd gepredikt, wordt hier verkondigd als door Jezus Christus volbracht. Daar de schuld staande gehouden, de scheiding tusschen God en den zondigen mensch aanschouwelijk in het Heilige der Heiligen, maar waar niet het volk, doch alleen de Hoogepriester, eenmaal des jaars, voor Zijn aangezicht komen mocht. Hier de bekendmaking: de schuld is betaald, — de ongerechtigheid gedragen. God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende. Daar geen vergeving zonder bloedstorting. Hier vergeving zonder geld en zonder prijs, maar niet buiten Christus, noch zonder geloof in Zijn verzoenend lijden en sterven. Dat is de blijde boodschap, die allen volken gepredikt moet worden. En daarom verblijden wij ons in ieder christelijk bedehuis, waar en door wien geopend, dat aan de verkondiging van dit Evangelie zal gewijd zijn.
Inderdaad M. H., wij stellen op prijs den schoonen bouwtrant, de geschilderde vensters, het goed ameublement van deze kerk, maar Gods Woord, deze prediking is eigenlijk hare waarde en hare heerlijkheid. Door de prediking van dit Evangelie kan er van uit deze plaats een
—\'2ü —
zegen gaan, een zegen niet alleen tot opbouwing der gemeente, der kinderen van onze oude geloofsgetuigen en martelaren, maar ook een zegen voor dit gewest, zoo diep in duisternis en onwetendheid gedompeld.
Van harte wenschen wij leeraar en gemeente geluk met het groote voorrecht, dat zij dit bedehuis hebben mogen bouwen. In herinnering brengen wij in deze ure het ontzettende onderscheid tusschen den toestand der vaderen, die in de zestiende eeuw deze gemeente grondvestten in bosschen en holen, met opoffering van hun goed en hun leven, en tusschen u, tegenwoordige gemeente dezer vallei. Erken dit op dezen dag, dankbaar en vroolijk voor Gods aangezicht, die u met zooveel lieflijker omstandigheden zegent. Openbaar die erkentelijkheid, door te waken over de waarheid, waaruit de gemeente geworden is, waardoor ze nog bleef bestaan Maak getrouw gebruik van de openbare godsdienstoefeningen. Openbaar in leven en wandel dat ge kinderen der waarheid zijt, voedsterlingen van het Evangelie der vernieuwing en der wedergeboorte, opdat alzoo in dezen stofïelijken tempel de geestelijke tempel moge worden gebouwd tot heerlijkheid van God en Jezus Christus. Dat zij zoo!
Aanspraak van Ds. R. Peterson, Predikant der Duitse he Evangelische Gemeente te Seraing bij Luik.
Gemeente van Maria Hoorebeke! Ik ben u dank schuldig, dat gij ook mij hebt uitgenoodigd heden in uw midden en deelgenoot van uw feest te zijn. Toch was het niet slechts uwe uitnoodiging die mij hier deed komen; mij zelve was het eene behoefte, is het een genot getuige te zijn van uwe vreugde. En wederom is het niet slechts eigen welgevallen dat ik hier ben, maar ik ben door den Kerkeraad der Duitsche Gemeente te Seraing met een ouderling hier heen gezonden.
- 21 -
Zoo sta ik dan hier als vertegenwoordiger van de jongste gemeente van ons Synodaal Verbond om u, gemeente van Maria Hooreheke, die u met zekere fierheid, die haar recht heeft, de oudste gemeente van België kunt noemen, geluk te wenschen met dit feest der inwijding uwer nieuwe kerk en u te zeggen dat, gelijk als een lid verheerlijkt wordt alle leden zich mede verblijden, zoo ook wij in Seraing op het innigst deelnemen in uw geluk.
Daar gij nu meer dan drie honderd jaren telt en wij slechts tien jaren tellen, en reeds in de Wet geschreven staat (Leviticus 19 : 32): „Het aangezicht des ouden zult gij vereeren,quot; zoo past het ons, jonge gemeente, niet om u, hare oudere zuster, met veel vermaningen op uw feest te gemoet te komen. Maar toch zullen wij wel recht, ja de verplichting hebben, op eenen zoo gewichtigen dag als dezen, waarop de Heer aan u en in u aan al onze Belgische gemeenten zulk een bewijs Zijner barmhartigheid geeft, elkander wederkeerig te herinneren aan het woord dat Hij tot de gemeente te Philadelphia sprak en nog tot ons spreekt (Openb. 3 : 11): „Houd dat gij hebt.quot; Bij de erkentenis van eigene zwakheid en armoede, zou het waarlijk niet den Heer verheerlijkend zijn, indien wij zeiden: wij hebben niets.
Wij hebben toch wat, ja wij hebben veel, niet van ons zeiven, niet door eigen verdiensten, maar als genadegaven des Heeren hebben wij veel, en wij kunnen er ons niet genoeg op toeleggen om tot het klare bewustzijn te komen van dat, wat wij hebben. Wij hebben de ivaarheid, en ik versta hier onder de waarheid de geheele openbaring Gods en het inbegrip van wat God is en gedaan heeft, wat Hij zijn wil en zijn zal voor zondaren, voor verlosten in Christus; de gansche heilsontwikkeling, welke in eeuwigheid niet eindigen zal.
Die waarheid hebben wij, ongeacht hoeveel een iegelijk van ons daarvan verstaat, in zich opgenomen heeft,, in
hem verwerkelijkt werd, tot ons bewustzijn gekomen is. Want het is mogelijk, dat een kind eene erfenis heeft en angstig bewaart, zonder de waarde van den schat zeiven te kennen, en daarbij, misschien, in armoede leeft.
Wij hebben nog meer. Wij hebben de vrijheid om die waarheid te onderzoeken, meer en meer ons eigen te maken , te genieten, te belijden door woord en wandel. Waarlijk, vergelijken wij daarmede de tijden en toestanden onzer en uwer vaderen, zoo is dit bezit wel een groot voorrecht.
Daarbij hebben wij allen die uitwendige middelen, die noodig zijn om ons die waarheid aan te prijzen, te doen kennen, eigen en dierbaar te maken, door onderwijs en prediking, door ambt en sacrament, in School en Kerk. Ja ook dit bedehuis is een voorrecht, dat niet te verachten, maar in hooge waarde te houden is. Laat ons toch niet zijn van degenen die zeggen: wij willen wel den wijn, maar niet de lederen zakken, noch de vaten. De geschiedenis der Kerk leert in vele voorbeelden, dat de eenzijdige vergeestelijking der dingen van het Godsrijk op aarde zelve spoedig — vergun mij dit woord — vergeest, vervliegt , zich oplost en te niet gaat. Wij hebben nog een voorrecht, het is dat wij verre van ieder sectarisme tot die Kerk in dat land behooren, die, gebouwd op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Christus de hoeksteen is, ter eener zijde een is met de Kerk der martelaren van vroeger eeuwen (uwe gemeente is daarvan een levend bewijs), ter anderer zijde éen is met de kerken van andere landen, die onmiddellijk uit de Hervorming zijn voortgekomen en die als een deel van geheel de Kerk van Christus op aarde kan genoemd worden. Dit alles, onder meer, hebt ook gij, gemeente van Hoorebeke; houd wat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme!
Er is groot gevaar dat wij verliezen wat wij hebben, gevaar van binnen en van buiten.
Van binnen. Zoo uitnemend en kostelijk als de goederen
__ 23
zijn, die ons gegeven zijn, toch dragen wij dezen schat in aardsche vaten. Onze gemeenten zijn zwak, omdat zij zoo menigvuldig zijn in den lande, en het getal harer leden tegenover de bevolking gering is. En toch ligt hier niet het grootste gevaar. Integendeel, de Heer zegt wel eens: „dit volk is mij te veelquot; en „wee de veelheid der volkeren.quot; Slimmer is de verstrooidheid, waardoor wij zoo ver van elkander verwijderd zijn en de afgescheidenheid, zoowel door de drie talen, die wij spreken, als van de middelpunten des evangelischen levens in andere landen. Het ergste gevaar echter is de zwakheid van ons geloof, de flauwheid onzer liefde, het gebrekkige des geestelijken levens. Waarlijk, wij moeten erkennen dat wij wel zwak zijn en dat tegenover het gevaar dat ons van huiten bedreigt. Hier, bij u, onder landbewoners, die aan het oude vasthouden, maar dan ook dikwijls fanatiek Rome toegedaan zijn, daar, bij ons, onder de bewegelijkheid van hetindustrieele leven, wel een breken met Rome, maar ook met alle positive religie, alzoo een volslagen ongeloof. Hier en daar een leven der wereld, met haar last en lust, zorgen en vreugde, armoede en rijkdom; eene wereld, die met haar stoffelijk streven eenen zeer schadelijken invloed uitoefent op onze gemeenten en hare leden. En de wereld gelijkvormig worden, is het niet verliezen wat wij hebben van den Heer? Daarom: behoud wat gij hebt. Vergun mij nog te vragen, waarom wij zullen behouden? Boven alles omdat in de ons aanvertrouwde goederen des heils onze zaligheid ligt. Ja, maar behalve dat ook, omdat de Heer zeker nog een plan heeft met deze gemeenten der verstrooiing. Wij leven in afzondering, weinig of niet bewogen van (ik zeg niet den stroom des tijds) maar van den wind, den adem des levens, die door de Christelijke Kerk gaat. Gelijk de bezetting van eene afgelegene vesting niet weet van de batailles die geleverd, van de overwinningen die bahaald worden, zoo kon het ons voorkomen, dat overal zulk eene
— 24 —
nachtelijke stilte heerscht als bij ons. Het is niet zoo, mijne geliefden, ziet. Ik werk een werk in deze dagen, spreekt de Heer. In de protestansche landen wordt met goed gevolg de strijd gestreden tegen het ongeloof, en met het vernieuwde gemeenschapsleven met God is de reddende liefde werkzaam om het verlorene te zoeken. Op het gebied der Roomsche Kerk ontwaken de gewetens tegen de overheersching van menschelijke dwalingen en vragen zij naar de vrijheid, die in Christus Jezus is. En in de Heidenwereld wordt het eeuwig Evangelie gedragen van land tot land, en de banier des kruises geplant van oord tot oord; afgodsbeelden vallen en altaren worden verbroken. Overal bewijst zich het waarachtig en levend Christendom als eene macht, die de wereld overwint, en dat op ieder gebied van het menschelijk streven. Zou nu alleen België onaangedaan blijven van hetgeen alle landen beweegt? Ik kan het niet gelooven. Ofschoon heden weinig belangstelling in godsdienstige dingen gevonden wordt, zoo zal vroeg of laat een vuur van Boven het hart dezes volks doorgloeien. Zal het zijn een oordeel, opdat van dit geslacht afgeëischt worde het bloed aller rechtvaardigen, diehier gedood zijn gedurende eeuwen? God verschoone dit volk genadig daarvoor! Of zal het zijn eene koesterende zomerhitte om den oogst te doen rijpen, waarvan het bloed dier martelaren het zaad is ? Ik wensch het van harte! Maar in het een en in het ander geval zullen onze gemeenten eene roeping te vervullen hebben. Zal het zijn een oordeel Gods, dan zullen onze gemeenten zijn wat de vrijsteden waren in Kanaan, opdat in hen menig bezwaard gemoed dien Christus vinde, die eene verzoening is voor alle schuld, ook voor bloedschulden. Zij zullen zijn de klove der steenrotsen, waar menige verjaagde duif rust vindt in God. Zal daarentegen een pinkstervuur tot een vernieuwd geestelijk leven over dit volk worden uitgegoten, en dit geloof en hoop ik het meest, dan zullen de gemeenten der ver-
— 25 -
strooiing zijn, wat de Synagogen der Joden waren in de tijden der Apostelen, van welke Paul us in iedere stad uitging om het Evangelie te prediken aan de heidenen, alzoo aanknoopingspunten van uit welke de Heer iets nieuws over België verbreidt. Niet dat ik verwacht eene bekeering in massa tot het Protestantisme, want misschien mag men zeggen: dit volk is niet voor het Protestantisme, en het Protestantisme is niet voor dit volk en de Romaan-sche volken. — Ik verwacht iets dat meer en hooger is, waarbij het Roomsche zal te niet gedaan worden door de kracht der waarheid en het Katholieke zich zal vereenigen tot éen lichaam met dat, wat in het Protestan-\' tisme eeuwig is, en dit vereenigd lichaam zal levend en verheerlijkt zijn door de krachtige inwoning en werking van Gods Geest. Daarom, mijne geliefden! laat ons tot ons eigen heil in het tegenwoordige, en opdat onze gemeenten in staat zijn hare roeping te vervullen in de toekomst, getrouw zijn in het opbouwen van ons zeiven in ons allerheiligst en dierbaar geloof, getrouw zijn in het strijden en getuigen naar buiten, getrouw zijn in het bidden, in het lijden, in het wachten ook, dat niet het gemakkelijkste is.
Zie ik kom haastelijk, spreekt de Heer, houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme.
Kroon. Ik weet niet welke kroon de Heer voor ons, Belgische Christenen, heeft weggelegd. Maar ik vraag naar geene kroon. Indien ik slechts U heb. Heer Jezus! zoo vraag ik naar niets in hemel noch op aarde. En indien Gij naar de overvloedige mate Uwer genade, kronen wilt geven, wij nemen ze aan met dank, om ze neder te leggen aan de voetbank Uwer voeten, want gij zijt ons de Eenige en ons alles, onze Eerste en Laatste, Wien wij strijdend en triomfeerend toebrengen: dank en aanbidding, eer en lof en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen. Gezang 74 : 7.
— 26 -
Toespraak gehouden door den Heer William Wil ford van Temsche, in 1884 overleden te Gent.
Mijne waarde vrienden! Het is bijna anderhalf jaar geleden, namelijk op 19 Juni 1871, dat ik gevraagd werd door den kerkeraad der proteslantsche gemeente van Maria Hoorebeke, om ook een eersten steen te leggen aan de alhier te bouwen nieuwe kerk. Ik had toen het genoegen, mijne vrienden, u eenige woorden toe te spreken, en ik verheugde mij over de eer, die mij aangedaan werd ook eene hand te mogen leggen aan het opbouwen van dezen tempel Gods. En nu, mijne broeders, oere zij Hem, die ons gespaard heeft niet alleen om ons dit werk te zien voleindigen, maar ook om ons heden hier te zamen te mogen vereenigen, op het feest der inwijding, om Zijnen zegen af te smeeken over deze kleine maar oprechte Christengemeente. Het is nog zoo lang niet dat ik dit kleine afgezonderde geuzenhoekje heb leeren kennen, doch ik verzeker u, dat ik ook nooit mijn eersten indruk daarvan vergeten zal.
Door dezen indruk opgewekt, besloot ik, thuis gekomen zijnde, mijne verdere hulp bij te brengen en u met mijnen broeder John Wilford dit vensterglas te schenken, ter ver-eering en versiering van den tempel Gods, en ter gedachtenis aan eenen geliefden vader, die als een waar christen 4 April 18G8 ons door den dood ontnomen is.
Ook gelukte het mij door giften van onze familie en vrienden, zoowel hier als buitenslands, eene genoegzame som te vergaderen, om u ook dit tweede vensterglas te schenken als een bewijs onzer liefde voor het Woord van God. Gij allen, mijne vrienden! hebt ook uwe giften bijgebracht, ja de armste zelfs uwer gemeente, ben ik wel verzekerd, is niet achtergebleven in deze weldaad, om het huis Gods te verkrijgen. Daar staat het nu, de lieve Heer heeft uwe gebeden verhoord en schenkt mij het geluk het heden in te wijden.
~ 27 -
Laat rnij toe ook eenige woorden te spreken over uwen godvreezenden herder, die dat heerlijk Evangelie u in waarheid verkondigt. Niets heeft hij gespaard, dagen en halve nachten is hij werkzaam geweest om het noodige, onder biddend opzien tot God, tot voltooiing van dat, gebouw te verkrijgen. En de lieve Heer heeft ook zijne gebeden verhoord. Toont hem dan ook naast God uwe dankbaarheid. Komt getrouw in dit huis des gebeds, waarin Hij u en zich zeiven toeroept: waakt, bidt en strijdt om in te gaan in het Koninkrijk des Heeren. — Zorgt dat gij nooit de vermaningen, die hij u in den Naam van zijnen Zender doet, vergeet; bedroeft hem nimmer en zoekt hem zijn gewichtig en zwaar ambt te verlichten zoo veel mogelijk. God weet of hij lang of kort onder u werkzaam zal zijn, doch hecht u meer en meer aan hem, gelijk de klimop, die zich aan den boom vasthoudt. Mijne bede zij, dat hij u nimmer verlate, en ik nog dikwerf het geluk moge hebben hem hier te bezoeken.
De Heer der Heerscharen spare ons allen daartoe in leven en gezondheid, en doe ons rijpen, door het geloof in Christus, voor den hemel. Vreest dan niet, gij klein kud-deke! gij kinderen der oude boschgeuzen, gij christenen. Vertrouwt steeds in God, want die in Hem vertrouwt, zal niet beschaamd worden. Laat uw licht schijnen te midden van de duisternis en vergeet niet dat uwe vrome voorvaderen, die vol geloof in Christus, tot het einde toe, al moesten zij als martelaars sterven, getrouw zijn gebleven, als het ware uit den hemel u toeroepen: houdt u maar aan het woord van God, gelooft in Christus\' en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
Gaat dagelijks tot dien Jezus Christus, vermoeid en belast van zonde, van Hem kunt gij alleen ware rust en vrede ontvangen. En dit allen doende, zullen de vijanden geen schapen storen. Gaat voort op den door u ingeslagen weg, zorgt ook dat uwe kinderen zoo vroeg mogelijk het
— 28 —
pad des Heeren leeren kennen, opdat gij bij uw scheiden van hier met Paulus kunt uitroepen: „het leven tvas mij Christus, het sterven gewin.quot; Doch ik eindig, mijne vrienden, met Gods zegeningen biddend over u af te smeeken en met de hoop dat ook in dit gebouw nog vele zielen voor het Rijk van Christus mogen gewonnen worden. Amen.
Toespraak gehouden door den Wel Eer w. Heer Van Schelven, Predikant der Vrije Evangelische Gemeente te Gent, in het Geuzenbosch, tusschen Ranse en het gehucht Louise Marie.
Als wij op deze plaats te zamen zijn, en een blik terugwerpen in de vervlogen eeuwen, dan doorkruisen allerlei stroomen van gedachten onze ziel. Inderdaad deze omstreken hebben eene belangrijke geschiedenis. Hare oudste bewoners waren geen Christenen, het waren heidenen Eerst in de 7de en 88te eeuw hebben Eligius, Amandus en anderen hier het Christendom gepredikt. Wat zij prediken was zeker niet meer het zuiver en onvermengd Evangelie van Jezus Christus, toch heeft het, zoo als het dan was, een gezegenden ommekeer in deze gewesten teweeggebracht. Waren de inwoners van dit land nog maar daarbij gebleven. Hadden zij het nog maar bewaard, gelijk zij het ontvangen hadden! Maar, helaas! met de pausen van Rome aan het hoofd, zijn zij, gelijk de geheele Kerk, steeds verder en verder afgeweken van het oorspronkelijk Christendom.
in het midden van dien afval bleef echter steeds in eenige zielen inwendig het christen-geloof voortleven, hoewel de Kerk zelve het heidendom gelijk geworden was. Ja, van deze Vlaamsche landen mag gezegd worden dat er in elke eeuw een krachtig protest is aangeteekend tegen dien afval. Reeds in de 12d° eeuw, toen Philippüs graaf van Vlaanderen was en Wilhelmus, bisschop van
— 29 —
Reims, zijn hier menschen ter dood gebracht, omdat zij tegen het pausdom en hare afdwalingen getuigden.
In de ISquot;1quot;\' eeuw zond Gregorius IX Jacobijner monniken naar Vlaanderen, om een onderzoek in te stellen naar de zuiverheid van het geloof der bewoners van deze gewesten, en om hen die afgeweken waren terecht te brengen of uit te roeien.
In de 14de eeuw oefende zekere Jan de Landuno, door zijn protest tegen de roomsche leer en kerkgebruiken, zoodanigen invloed, dat op verschillende plaatsen gedurende verscheidene jaren zelfs geen mis werd gevierd.
In de 15de eeuw zijn te Douai (dat destijds tot Vlaanderen behoorde) verscheidene menschen levend verbrand , omdat zij zich in hun christelijk geloof hielden aan de H. Schriften.
Steeds is er onder de Zuid-Nederlanders een levende conscientie geweest, die klopte voor de waarheid, een zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid, niet alleen op staatkundig maar ook op godsdienstig gebied. Ziet dat ook in de 16d8 eeuw. Pas had Luther het licht op den kandelaar herplaatst, of de stralen er van werden hier gretig opgevangen. In 1520 werd reeds te Antwerpen het Evangelie gepredikt.
Aan de Vlamingen komt de eer toe dat zij voor de groote godsdienstige Hervorming de eerste martelaren geleverd hebben. Immers in 1523 beklommen twee Augustijner monniken van Antwerpen te Brussel den brandstapel , omdat zij hun evangelisch geloof niet verloochenen wilden. En wat lange rij van Vlamingen heeft hun bloedspoor gevolgd! Hadden de Vlamingen in de zestiende eeuw hunne gedachten, hunne geloofs-overtuiging kunnen volgen, gewis, er was in deze gewesten geen spoor van het kenmerkende der Roomsch-Katholieke Kerk overgebleven. De kerkelijke Reformatie zou meer nog dan in de noordelijke Nederlanden over het pausdom hebben gezegevierd.
— 30 —
Ja het was hun waarachtige ernst in den strijd tegen Spanje, tegen Rome, tegen de inquisitie; zij zijn er niet in teruggedeinsd, al stond alles wat den mensch op aarde dierbaar is, goed en bloed, dagelijks op \'t spel. Bij duizenden hebben zij er alles voor verlaten, de wijk genomen naar vreemde landen, zij zijn gevlucht in deze bosschen om er bij nachten en ontijden God te dienen naar Zijn Woord en naar de overtuiging van hun geweten. Moed behoorde er toe om als Petrus Datheen, Fkanciscus Junius, N. van der Sghuuren en zoo vele anderen, het Evangelie in Vlaanderen te prediken, als hun hoofd door Al va op prijs gesteld was. En toch hebben zij het gedaan. En als éen held in den strijd gevallen was, stonden weder anderen op om het vaandel des Evangelies omhoog te heffen. O, konden de ravijnen in dit bosch spreken, zij zouden ons herhalen het krachtig Evangelie, dat tusschen hare wanden door hen verkondigd werd, — de vurige gebeden tot God opgezonden om de komst van het Rijk der waarheid, der liefde en des vredes; ze zouden ons vertellen hoevele duizenden uit Ronse, Maria iïoorebeke, Maeter, Oudenaarde en andere steden en dorpen nabij en verre van deze plaats kwamen naar dit bosch, met een honger niet naar brood, maar naar de woorden des eeuwigen levens, een honger die hier verzadigd werd.
Maar ze zouden ons ook verhalen van die duizend vreezen , die hunne harten vervulden, nu voor den Baljuw van Aalst, die menigwerf met zijne ruwe knechten de vergaderingen overviel, en doodde wat hij bereiken kon, dan voor den woedenden Pieter Titelmans , deken van Ronse, Inquisiteur van Vlaanderen, wiens naam als die eens bloedhonds in de geschiedenis geteekend is. En de uitslag van dien bangen en langen strijd? Helaas, Alva met zijn Spanjaarden, de Inquisitie met hare handlangers hebben niet gerust, voor zij iederen getuige der waarheid hadden gesmoord in bloed.
— 31 —
Alléén is in deze gewesten het kleine kuddeke van Maria Hoorebeke, Maeter en Etichove door God bewaard om die oude geschiedenis aan deze dagen te verbinden , en tot getuige te strekken van de onveranderlijke trouw van God, tot in duizend geslachten. Dat ze door geloof en leven bewijzen mogen geven, dat hetzelfde geloof in hen woont en zij van dei-vaderen aard niet vervallen zijn. Stelle God ze ten zegen voor deze streken, opdat het tegenwoordig geslacht door hen moge worden uitgelokt om te komen tot en te wandelen in het licht der openbaring van God. De Heer zij gedankt dat wij na drie honderd jaren nog weder eens in ditzelfde bosch mogen samen zijn onder gunstiger omstandigheden; ^ dat wij op dezelfde plaats nog eenmaal hetzelfde Evangelie mogen verkondigen, dat onze zaligheid niet verworven moet worden door onze goede werken (die wij niet hebben), niet gekocht wordt voor goud of zilver, maar eene gave is van Gods genade ter wille van het zoenoffer door Jezus Christus gebracht aan het kruis.
Ja, M. H. Wij kinderen der oude geuzen, wij wekken u, die nog tot de R. K. kerk behoort op, om gebruik te maken van de vrijheid, u gewaarborgd door de goede wetten van dit land, het Evangelie te onderzoeken en niet te rusten voor gij het antwoord gegeven hebt op de vraag: wat gij te doen hebt om God te behagen en zalig te worden.
Dat zijt gij schuldig aan u zeiven, aan het Evangelie u gegeven, aan het voorgeslacht, dat voor datzelfde Evangelie alles heeft veil gehad. Ik heb gezegd.
Toespraak gehouden door wijlen Ds. A. van der Waaijen Pieterszen, van Mechelen, 17 October 1872,
in het Geuzenhosch.
Veel hebben wij gehoord, veel is er gezegd, veel hebben wij genotenen waarlijk, wij moeten het zeggen, op de heilige plaats. waar onze geloofsgenooten voor de
_ 32
zaak des Heeren leden en streden en waar wij nu zooveel zegeningen, zegeningen van het Evangelie, zegeningen der vrijheid herdenken: „de Heer heeft groote dingen aan ons gedaan.quot; Ik vraag mijzelven af: zullen wij die zegeningen naar waarde schatten en gebruiken, of zal het voor ons een schat, een rijkdom zijn, waarbij onze zielen nog arm blijven en den hongerdood sterven? Niet die den wil des Heeren geweten, maar die hem gedaan heeft, die zal zalig worden, is het woord van onzen Heiland. Daarom, met het oog op onzen plicht, wilde ik vertellen wat ik onlangs las en mij zeer trof.
Er woonde te Parijs op de bovenste verdieping van een groot gebouw een naar het oog zeer arm, oud en zwak man. lederen dag zag men hem met zijn bedelstaf de vele trappen van het huis afgaan, om in de volkrijke straten der groote stad te bedelen. De buren, die hetzelfde huis bewoonden, hadden dikwijls medelijden met den ouden, afgeleefden, zwakken man, en gaven hem van het hunne dan een stuk brood, een kop bouillon en andere vriendelijke ondersteuning, die hij met schijnbare dankbaarheid aannam. Eens op een morgen echter blijft zijne deur gesloten, de arme man gaat niet uit. Al spoedig trekt dit de aandacht der andere bewoners, men denkt dat hij ziek is, en weldra zeggen zij de een tot den ander: wij moeten toch eens zien waar onze oude man blijft. Men klopt aan zijne deur, maar er komt geen antwoord en na herhaaldelijk kloppen besluit men de politie te waarschuwen. Die komt, de deur wordt geopend, en men vindt in een hoogst armoedige kamer den ouden man uitgestrekt op den grond. De dokter wordt geroepen, de man op zijn strooleger neergelegd, (hij was op een kist voorover gevallen) en men besluit dan dat de oude man den hongerdood is gestorven. Men schikt alles in orde, opent ook de kist waarop hij dood gevonden was, en die kist was vol geld. Den hongerdood gestorven op een rijk
gevulde kist. Hoe verschrikkelijk! En wij.....En wij ....
wij zouden den eeuwigen dood sterven als wij ons maar tevreden stelden met het uitwendige, als wij bij zoo vele zegeningen, bij zulk een rijk Evangelie, bij zulk een hemelschen schat als wij kennen en bezitten, er ons niets van toeeigenden en ons tevreden stelden met dien schat der waarheid, zonder hein te openen, met dien rijkdom der goddelijke genade in Christus te weten, in onze huizen door Zijn Woord te bezitten en er nimmer gebruik van te maken en te leven van het stof en voor het stof der aarde, schijnbaar tevreden met hetgeen ons van tijd tot tijd werd toegereikt, zonder zelve die waarheid te onderzoeken en te volgen, in onze harten te bewaren en in ons leven te bewijzen.
Dit feest zij dan niet vruchteloos voor onze harten, voor onze huizen. Onze voorvaders hadden dien schat in hoofd en hart en leven en daarom konden zij strijden en overwinnen, strijdende en lijdende dien schat aan ons, hunne nakomelingen, ongeschonden overleveren. Ja, al werd hun Gods Woord geroofd, zij kenden het, zij herhaalden geheele hoofdstukken en brieven aan hunne kinderen. Het woord Gods was in hunne harten een levend woord en een blijvend woord. Zoo zij het met ons! In onze huizen, in onze harten, zoowel als in onze tempels, wone die rijke schat Gods. .Verrijkt en versiert u met die schatten die God zijnen kinderen geeft, opdat niet een onzer den eeuwigen hongerdood sterve, te midden van den rijkdom der goddelijke genade. Maar Hij, de Almachtige, rnake ons allen rijk door het geloof, rijk in en door Zijne genade in Christus. Dat zij zoo!
Ten laatste sprak de WelEerw. Heer Blom, predikant te Gent, nog ongeveer het volgende:
Roomsch-Katholieken en Protestanten, laat ik nog
— 34 -
een enkel woord tol u richten, om met u mij te verblijden in de vrijheid die wij thans in België genieten. Ja het zijn nu andere dagen, gelijk ook reeds de voorgaande sprekers opmerkten, dan toen in de jaren na de Kerkhervorming uwe voorvaderen, Protestanten, in deze bosschen moesten vluchten. Nu hebben wij vrije uitoefening van onzen godsdienst, en zelfs op deze plek, door den angst of het bloed uwer vaderen gewijd, de toestemming van burgemeester, overheden en grondeigenaars, hoewel Roomsch-Katholieken, om hier te zamen te komen. Het zijn nu andere dagen, Roomsch-Katholieken, nu gij het goedkeurt, dat uwe overheden ons hier toelaten en gij zeiven komt om onze prediking te hooren en met aandachten stillen eerbied tegenwoordig zijt onder het spreken der voorgangers van hen, die nog dikwijls met den naam van Geuzen gescholden worden. Noemt ons maar alzoo, dat deert ons niet, wij hebben aan hen, die weleer dien naam droegen, groote verplichting, en eigenlijk duidt die naam niets meer aan, dan dat wij Christenen zijn, wier geloof van het uwe verschilt, ofschoon wij éen God aanbidden, en éen Zaligmaker hebben, Jezus Christus.
Om u echter ons geluk te doen begrijpen en zeiven onze vrijheid recht te doen waardeeren, haal ik eene geschiedenis op, die in de stad mijner inwoning. Gent, is geschied en die ons het groote onderscheid tusschen toen en thans recht duidelijk verkondigt.
In September van het beroemde jaar 1566, na de Kerkhervorming, zou er buiten Gent een haye-preek plaats hebben, gelijk ook hier in de omstreken van Etichove en Ronse hebben plaats gehad. Francois de Jon of Franciscus Junius was daartoe uit Antwerpen, waar hij aireede vervolgd werd, naar Gent overgekomen, doch moest reeds in de kleeding van een eenvoudig koopman tot een vriend gaan, wiens huis in de stad van achteren op de Schelde uitkwam. Van daar begaf hij zich met eenige vrienden
in eene schuit naar buiten ter prediking. Voordat zij echter de stad waren uitgevaren, werden zij door den baljuw of schout, begeleid door gewapende mannen, onder eene brug tegengehouden, met het doel den prediker Junius onder hen te zoeken , en zoo men hem vond, stren-gelijk te straffen. Gelukkig werd hij onder de aanwezenden niet herkend, en nu men met den schrik was vrijgekomen, zette men toch de vaart voort, om buiten de afgesprokene hage-preek te houden.
Hoe onrustig zal hun hart geklopt hebben en hoe angstig zullen zij zijn bijeen geweest! En nu, hoe rustig en vrij zijn wij hier thans vergaderd. Toen vervolging vaa, overheden en bespotting van het volk, nu toelating en zelfs opmerkzaamheid op onze prediking. Toen allerlei gevaar voor de protestanten, menigeen werd vervolgd en verschrikt, menige hagepreek werd onder bloedstorting uiteen gedreven. Ja, nu zijn het andere dagen. Wij danken die overheden en grondeigenaren, die ons vrijheid en medewerking verleenden om hier in dit geuzenbosch te kunnen samenzijn. Maar wij danken bovenal God, die uit den druk onzer vaderen voor ons de vrijheid deed geboren worden. En wij bidden dien Hemelheer, dat Hij de woorden, hier gesproken, moge zegenen aan uwe harten, en ook vooral u, Protestanten, er door moge opwekken om dankbaar gebruik te maken van de vrijheid waarin gij staat, opdat gij, vervuld met den Geest van Christus , dien ook zoekt uit te breiden. Ja, Roomsch-Katholieken, uwe medechristenen zijn wij, u zóo genegen, dat wij wel gaarne zouden willen, dat gij met ons dezelfde kennis van het Evangelie bezat. Christenen zijn wij, al eeren wij den paus van Rome niet; dat is ook niet noodig, als wij Christus, het onzichtbare Hoofd zijner Kerk slechts eeren , al bidden wij niet tot heiligen of Maria; dat is onnut, als wij God maar aanbidden en Jezus Christus als Zaligmaker erkennen.
Niet dus, dat wij niet bidden of afkeerig zijn van
de religie, o neen! wij zijn zeer gehecht aan onze Christelijke religie, en een goed Christen bidt gaarne en veel, en dit doende willen wij ook voor u bidden dat gij komen moogt tot de ware kennis van het Christelijk geloof, waarin wij ons nu vrijelijk mogen verheugen.
Gij hebt echter gelijke vrijheid als wij om dien godsdienst te volgen, dien gij meent de beste te zijn, en wilt gij nu misschien den onzen leeren kennen, welnu, gebruikt het Evangelie en onderzoekt het, want het kan u wijs maken tot zaligheid. —
Na een gebed ook door den laatsten spreker, sloot deze ons samenzijn in het Geuzenbosch aldus: „Keert nu in vrede naar uwe woningen , overdenkt ernstig het gehoorde en de genade van onzen Heer Jezus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen, Roomsch-Katholieken en Evangelische Christenen, Amen.
Vervolgen we nu ons verhaal. Boven de deur der kerk staat: Wij -prediken niet ons zeiven, maar Jezus Christus en Dien gekruisigd. (2 Cor. 4:5)
In de kerk is een oud orgel, ook de predikstoel is uit de oude kerk genomen, doch beiden zijn geheel veranderd. Rechts van den kansel zijn de Tien Geboden, links het Onze-Vader en de 12 Artikelen des Christelijken Geloofs op doek met vergulde letters op den muur geplakt. Tusschen elk vensterglas staat te lezen een toepasselijke tekst, en boven het orgel in vergulde letters: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.quot;
Op den predikstoel ligt een fraaie Bijbel, een geschenk van Mej. J. Giller uit Brighton, later de echtge-noote geworden van Ds. Dugart te Frameries (nu te Dour) edoch helaas door den dood in het jaar 1882 van zijne zijde en die van haar kind weggerukt.
De beide ramen aan weerszijden van den predikstoel
zijn van beschilderd glas, die rechts de geboorte, den doop en Gethsémané, links de kruisiging, opstanding en hemelvaart voorstellen.
Onder den kansel staat een doopvont uit blauwen steen sierlijk gehouwen, een geschenk van de vrouw van den predikant Wagener, waarop gegraveerd staan deze woorden; Laat de kinderhens tot mij komen, der zulk en is het Koninkrijk der hemelen (Luk. 18: 16). De geheele betimmering van het gebouw is net en smaakvol en in gothischen stijl. Het gebouw is zuinig en met veel overleg tot stand gebracht uit de bijdragen der gemeenteleden , giften uit Holland, Engeland, Frankrijk, Rusland en elders,quot; ook van de Gustaaf-Adolf-Vereeniging uit Duitschland en Holland. Vijftig Bijbels zijn een geschenk van het Neder-landsche Bijbelgenootschap, en Gezangboeken met den vervolgbundel er bij zijn gegeven ten deele door een inwoner van Groningen.
De kerk heeft twee-en-twintig banken, waarop ongeveer twee honderd personen plaats kunnen vinden. De voorlezer en voorzanger heeft een lessenaar, die opgehouden wordt door een in oud hout uitgehouwen arend. De Bijbel op dien lessenaar is een geschenk van het Britsch Bijbelgenootschap, geworden door tusschenkomst van den heer Kirckpatrick te Brussel.
De inzameling der gelden heeft ons in staat gesteld bovendien verscheidene noodzakelijke herstellingen te kunnen doen aan de pastorie, achter den tuin een muur te kunnen bouwen en een klein huisje op den grond der kerk, verhuurd aan een der protestanten. In den toren zijn twee klokken, en er is nog plaats voor eene derde; op de klokken zijn de woorden gegraveerd: Vlaamsche Olijfberg 1872. J. H. G. Wagener, Predikant.
In die gemeente ben ik acht jaren en negen maanden werkzaam geweest en was mijn gebrekkige arbeid niet ongezegend. Doch hoe zijn die gemeenten van den Vlaamschen
Oliifberg ontstaan? Deze oude boschgeuzen, zoo werden zij genoemd, hadden hun verblijf in een bosch dat zich uitstrekte tot Henegouwen, en van Maria Hoorebeke af zeven uren lang was. Zij waren daar voor de Hervorming van afkomst Waldenzen , waarbij zich later gevoegd hebben Catharen, uit Languedoc en omstreken uit Frankrijk gevlucht , alsook eenige tapijtwevers uit Nederland. In de Evangelische Kerkbode van 2 Augustus 1844 No. 31 wordt voor de Belgische Waldenzen te Maria Hoorebeke hulp gevraagd. Veel onderstand heeft die gemeente gehad uit Nederland, van de Gustaaf-Adolf-Vereenigingen, enz.
De geschiedschrijver Hamelsveld zegt, dat reeds in het begin der vijftiende eeuw, ten gevolge eener onmen-schelijke bul van paus Innocentius, eene barbaarsche vervolging op nieuw ondernomen is tegen de Waldenzen, waarvan er velen ontvlucht zijn naar Frankrijk en Nederland, en van hen moeten er zich in holen in de bosschen bij Oudenaarde metterwoon gevestigd hebben. Dat woud was vol steenachtige kuilen en holen en was ook in Alva\'s tijd het toevluchtsoord voor wanhopige vluchtelingen. In 1450, zegt hij ook, dat in Vlaanderen de gevluchte Waldenzen bloedig vervolgd werden; men noemde zo ketters, toovenaars en dienaars van den duivel. Niettegenstaande de wreedste vervolgingen nam hun getal zeer toe en zijn er velen gebleven. Op eene wreede wijze zijn er velen om het leven gebracht, die uit de bosschen gevangen genomen werden. Wilden ze hun kettersch geloof niet afzweren, dan werden zij opgehangen, verbrand of levend gevild, aan een paal gebonden, ook werden bijenkorven rond hen gezet, en zij aan de angels van de bijen blootgesteld, zoo moesten ze van honger en smart omkomen. Twijfelaars werden neus en ooren afgesneden en zoo weggezonden.
Hunne godsdienstoefeningen hielden zij des nachts en zoo geregeld mogelijk in hunne holen, doch zonder
— 39 —
het zingen van godsdienstige liederen. Onder hen was een vroegere monnik, Jan Castellan, als leeraar in 1524, die datzelfde jaar het eerst het Evangelie verkondigde te Doornik en omstreken, zoo ook te Rongy. Hij was getrouwd, werd te Doornik gevangen genomen , en om de verkondiging van Gods Woord levend verbrand.
In 1529 kwamen er verschrikkelijke bevelschriften tegen de ketters in Vlaanderen uit; zij werden in 1531 vernieuwd, echter met eenige verzachtingen.
Niettegenstaande alle vervolgingen bleven de boschgeuzen getrouw aan het geloof in Christus, al moesten velen van hen het martelaarschap ondergaan. Onophoux, delijk baden zij den goeden God getrouw te mogen blijven en Christus niet te verloochenen, tot aan tot in den dood. Zoo hadden ze voor het Evangelie gewonnen een Vlaamsch onderwijzer van Oudenaarde, Mattheus geheeten, die hunne nacht vergaderingen in stilte had bijgewoond. In 1536 moest hij naar Doornik vertrekken en hij stormde op de duisterlingen zijner eeuw met eene onverbiddelijke gestrengheid los. De waarheid des Woords werkte in hem overtuigend en krachtig. Christus was geworden zijn eenige en volkomene Verlosser. Daar aangekomen werd hij beschouwd als een der grootste ketters, die mededeed met hen die rond Oudenaarde in de bosschen woonden. Hij las, zeide men, de Evangeliën en vertaalde geschriften van Luther, te Antwerpen gedrukt, om onder de geloovigen te verspreiden. Het waren de uitgaven van den Bijbel van Jacob van Liesveldt, in folio gedrukt te Antwerpen. In 1545 is deze drukker gevangen genomen en onthoofd geworden, omdat hij in een der uitgaven de aanteekening had geplaatst: de zaligheid komt alleen door Jezus Christus. Dit heette in het oog van Rome ketterij.
Zoo ook is in September 1536 te Vilvorden vermoord geworden de Engelsche Hervormer William Tyndale, omdat hij de eerste vertaler is geweest van het Engelsch
— 40 —
Testament uit het Grieksch, hetgeen mishaagde aan zijnen droevigen vorst Hendrik VIII. De bisschop van Londen, de verspreiding willende tegen gaan kocht de geheele oplage op en verbrandde alles.
De geldelijke opbrengst stelde William Tyndale in staat eene tweede maal het N. Testament te Antwerpen te kunnen drukken, doch nu was het getal exemplaren veel grooter, en in weinig tijds was deze tweede uitgave verkocht en door geheel Engeland verspreid. In het jaar 1884 is te Londen het standbeeld van William Tyndale onthuld. Het staat op de Teemsche-Embarkment. Onder het beeld staat geschreven: William Tyndale, eerste vertaler van het Nieuwe Testament in het Engelsch uit het Grieksch, geboren in 1484, gestorven als martelaar te Vilvordenin België 1536. Psalm 119, Psalm 105, Psalm 130. 1- Johannes 5 : 11. De laatste woorden van William Tyndale waren; Heer, open de oogen van Engelands koning. Een jaar daarna werd op \'s Konings bevel een Bijbel geplaatst in elk kerspel. Deze William Tyndale was ook niet onbekend bij de boschgeuzen.
Zoo werd ook nog een andere onderwijzer, Gilein de Meulere, van Oudenaarde, door zijn verkeer met de bosch-geuzen een christen. Had hij vroeger, gloeiende van verkropte spijt, dat hij zijn vriend Mattheus voor de Roomsch-Katholieke kerk verloren zag, hem bij den kraag gevat, de deur uitgeworpen en gedreigd om hem aan de inquisiteurs over te leveren, thans had de lieve Heer zijne oogen geopend en was hij zelf evangelisch geworden.
Zoo was dan de Bijbel ook voor hem een waar boek, het Woord van God geworden. Op zijne bede: ik wil opstaan en tot mijn Vader gaan, en ik wil zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen u, och, dat ik slechts een uwer knechten zijn mocht, nam God de Vader hem ook als een zoon aan. Toen ging hij naar Doornik. Daar aankomende zag hij een blinde, die door Mattheus was geherbergd geworden
- 41 —
en van hem onderwezen was in den weg der zaligheid.
Eene menigte volks was rond dien blinde geschaard en luisterde naar dien bedelaar, die God lovende langs de huizen psalmen zong. En wat deden de vrienden der inquisiteurs ? Zij sleepten dien blinde naar de gevangenis,
omdat hij kettersche liederen zong in huis en op straat,
hetgeen met den dood gestraft werd. Met overkropte spijt vliegt Mattheus , de onderwijzer te Doornik, tusschen het volk en zegt: „onze stad is aan Spaansche moordenaars verkocht, blinden mogen geen psalmen meer zingen.quot; Hij klom op eene hoogte en ried de Overheid aan om toch het bloed des rechtvaardigen niet onschuldig te laten vloeien.
O, hoe gaarne had men ook hem gevangen genomen,
maar voor het volk, dat zijn schoolmeester innig lief had,
durfde men niet. En wie viel aanstonds aan Mattheus\'
voeten? Het was de Meulere, die vroeger hem beleedigd en bespot had. Mattheüs verzocht hem op te staan en niet voor hem te knielen, hij zeide dat alles vergeten was en onder een toevloed van volk gingen de twee christenvrienden gearmd naar het schoolhuis. Edoch, nauwelijks waren zij daar, of wie staat voor hen? Petrus Brulius, een aanhanger van Galvijn te Straatsburg, die als leeraar aan de Boschgeuzen het Evangelie had verkondigd; ook Henegouwen en Artois had hij bezocht. Toen het bekend werd wie Brulius was, werd hij gevangen genomen en te Doornik heeft hij den marteldood ondergaan. Velen heeft hij in Vlaanderen en elders tot de kennis van het evangelisch geloof in Christus gebracht. —
Op den brandstapel bad hij nog voor zijne moordenaren. Ook Mattheus en de Meulere verlieten Doornik * en begaven zich opnieuw naar Oudenaarde, waar zij weder in stilte de godsdienstoefeningen in de bosschen bijwoonden. De brieven die zij van hunne gevangene geloofsgenooten te Doornik ontvingen waren overheerlijk en lazen de Christenen elkander ter bemoediging voor.
De groot-inquisiteur van Vlaanderen, Petrus Titteman geheeten, te Ronse woonachtig, wordt in de geschiedenis een monster genaamd, voor wien ieder vluchtte. Als op satansvleugelen gedragen toog hij over zee en land. Hij nam allen gevangen, die hij dacht dat ketters waren. Vernomen hebbende dat de onderwijzer de Meulere met vrouw en kinderen te Oudenaarde woonde en tot de Boschgeuzen behoorde, kwam hij hem onverwacht, 20 April 1554. met gewapende macht gevangen nemen, terwijl zijne vrouw naar de markt was en hij zich bezig hield met zijne kinderen te vermaken. Al snelden de kinderen weenende hun vromen vader na, al smeekten zij om hem los te laten met de ontstelde moeder, die thuis was gekomen, geboeid werd hij onmeêdoogend weggevoerd, en in den kerker geketend. Vergeten we niet dat die inquisiteur Tittelman zelf ketter was geweest. Tot het bijgeloof teruggekeerd , zocht hij zijne ketterij uit te wisschen door zijne woede tegen onze geloofsgenooten.
Werd in de gevangenis door de Meulere menige zucht geslaakt voor vrouw en kinderen, — van hen gescheiden zijnde bad hij onophoudelijk getrouw te blijven aan zijnen Heer en Verlosser tot het einde toe. De vervelende ver-hooren moede verlangde hij naar zijn onrechtvaardig en onchristelijk vonnis. —
Gij zijt wel dwaas, riep eens een soldaat, die de wacht hield, door de traliën des kerkers hein toe, om u te laten dooden voor uwe gevoelens. Waarvoor en voor wien dient gij, vroeg de Meulere ? Ik, antwoordde de soldaat, ik dien den koning voor vier kronen, waarop de gevangene zeide: voor vier kronen in de maand? Voor vier kronen, zeide de Meclere , en daarvoor zult gij u heden of morgen in het gevaar brengen, in doodsgevaar, zonder te weten voor welke zaak gij strijdt. Ik, zeide hij, wijd mijn leven aan den Koning der koningen, aan Jezus Christus, dien gij niet kent, in Wien van harte geloovende
— 43 —
ik hoop te sterven en die alles doen kan , wat Hij wil, — gij dient uwen koning Philips, die onschuldigen inkerkert.
Op den 22stcn Juni 1554 werden te Oudenaarde de klokken geluid, de volksmenigte spoedde zich naar de strafplaats, waar de wurgpaal en brandstapel gereed stonden. De dienaren der geestelijkheid gaven den gevangene de Meülere op last der inquisiteurs in de hand der wereldlijke overheid, die hare soldaten gebruikte om hem naar den moordpaal te voeren. Met het oog op den Heer ging hij biddende vast en onwankelbaar daarhenen, al liepen eenige blinde monniken met een crusifix vooruit en al vielen zij hem lastig met hun kloosterlatijn. Hij groette nog dezen en genen vriend, ook weenende zijne dierbare vrouw en vijf kinderen, die hem op de straat voor het laatst zagen. Hij werd geworgd en zijn lichaam verbrand. Zijne laatste woorden waren: Dank, innig dank, lieve Vader in Ghrislus! ik heb mijn geloof in U behouden. Tallooze tranen werden door geloofs- en stadgenooten geplengd.
In dien tijd was de invloed der Jezuïten zeer groot; alle middelen werden er te baat genomen om de ketters uit te roeien. Men zegt dat er nog een pauselijke munt van dien tijd bestaat, waarop de Jezuïten als Domini canes, jachthonden des Heeren op ketters, zijn voorgesteld. De stempel vertoont een hond met een fakkel in den bek, op den aardbol rondloopende, met het motto: Ware hij reeds brandende. Zoo werd ook in 1558 een zekere Gillis Verdict, uit de omstreken van Oudenaarde, te Brussel geworgd en verbrand, omdat hij het kettersch geloof had aangenomen.
Nog een andere boschgeus, Johan Herewin geheeten, werd ook gevangen genomen en in 1560 geworgd en verbrand, den 4 November. Naar de strafplaats gevoerd, zong hij, zoolang hij kon, onder bespotting en verguizing, den 130sten Psalm. Verwonderd was het volk over zijne kloek-
— 44- -
moedigheid. Zich tot hen keerende, zeide hij: „Ziet hoe eene ellendige wereld de dienaars van Jezus Christus beloont. Eertijds leefde ik zonder Christus, in zonde, ongebondenheid, zonder gevaar, maar zoo haast ik door den Heer een Christen gemaakt ben, is mij de wereld tot vijand geworden en nu voert zij mij ten dood. De dienstknecht echter is niet meerder dan zijn Heer.quot; In 1560 was het gefal der Hervormden in Antwerpen zoo groot, dat de Overheid hen niet in het openbaar durfde ombrengen, zeventien duizend waren de nieuwe leer toegedaan. 14 Juni 1562 heeft de predikant Jan van Wingek in de omstreken van Oudenaarde aan 7000 geloovigen het Evangelie der zaligheid verkondigd. Uit-een gejaagd heeft de leeraar moeten vluchten, en honderd pond Vlaamsch geld had men uitgeloofd aan dengenen, die hem in de handen zijner vijanden zou kunnen leveren.
Als een der predikanten van den Vlaamschen Olijfberg, of de Gemeenten onder het kruis, wordt in 1564 genoemd Carolüs Niellius, die door de Roomsch-Katho-lieken beschreven wordt als een onverschrokken wolf onder de schapen. Zoo ook wordt nog in de Mémoire justificatif du Magistrat d\'Oudenarde gewag gemaakt van een zekeren Martens of Martenus , predikant bij de boschgeuzen in 1566 bij Oudenaarde, ook als prediker in laatst genoemde stad. Gewoonlijk kwamen onze geloofs-genooten in de open lucht bijeen om het Woord Gods te hooren verkondigen te Edela|re bij Oudenaarde, in de nabijheid van een bierhuis, waar een zwaan uithing, en die Het Zwaanken genaamd werd.
In datzelfde jaar 1566 zijn velen, zooals Lievin de Bleekere en anderen, gevangen genomen, geworgd en verbrand, niettegenstaande de geuzen eene kerk op de Heindrisch mochten bouwen, welke kerk ingewijd is geworden 7 October 1566 en van toen af in gebruik genomen werd. Een R. K. schrijver zegt: groote hoopen ketters
— 45 —
stroomden daar henen uit de omstreken. De sacramenten werden er bediend, de huwelijken ingezegend, zelfs werd er eene protestantsche school opgericht.
Helaas, 9 Maart 1567 werd de godsdienstoefening door krijgslieden overvallen, verscheidenen werden gedood en verjaagd naar de bosschen en 14 April ving men aan met de kerk, die men gesloten had, af te breken. Denzelfden dag dat men daarmede aanving, werden opgehangen de boschgeuzen Joris Adriaanszoon van der Assche, Loüis van Hecke en Mr. Jan Goris, Chirurgijn te Oudenaarde, die in \'s vijands handen gevallen waren. Rorijn, een R. K. schrijver, spreekt in zijne geschiedenis der ketterijen rond Oudenaarde in 1566, van een jong mensch, twintig jaar oud, te Pamele woonachtig. Zijn naam was Jan Tuscaan, hij was de zoon eener burgerlijk welgestelde familie aldaar woonachtig. In het geheim had hij met de boschgeuzen van den Vlaamschen Olijfberg kennis gemaakt, en was Evangelisch geworden. Op zekeren dag begeeft hij zich naar de R. Kath. kerk, plaatst zich dicht bij het altaar, en zooals de priester de hostie opneemt om het volk te laten knielen, rukt hij die uit zijne hand en zegt: ik kan niet langer die afgoderij lijden. De Roomschen, verbitterd over deze schending van hun godsdienst, geven hem aan den wereldlijken rechter over, door wien hij in ketenen geboeid in de gevangenis wordt geworpen Eindelijk breekt de dag der veroordeeling aan: zijn vingers en hand moesten afgekapt en hij daarna te Pamele levend verbrand worden. Vreezende voor oproer verzocht men dat deze strafoefening te Oudenaarde mocht ten uitvoer gebracht worden. 9 Juni 1566 werd voor eene talrijke menigte van toeschouwers zijn vonnis volvoerd. Deze terechtstelling verwekte ontevredenheid, vooral onder zijne vrienden en geloofs-genooten. Pieter Bor , een protestansch geschiedschrijver, maakt melding van zijne terdoodbrenging, zonder op
— 10 -
te geven hoe hij om het leven is gebracht. Terzelfder tijd moet er een geuzen-predikant van den Vlaatnschen Olijfberg op de Vrijdagmarkt te Gent verbrand zijn geworden, zijn naam wordt echter niet genoemd.
27 October 1566 werd gevangen genomen de leeraar van de Boschgeuzen van den Vlaamschen Olijfberg, Andries Bertelot geheeten, die zich verstout had in de omstreken van Aalst het Evangelie der zaligheid te verkondigen. In die stad is hij opgehangen geworden 2 November 1566. In de Mémoires justificatifs du Magistrat d\'Oudenarde wordt nog gesproken van twee geuzen-predikanten, die in de bosschen bij Oudenaarde vertoefden, Herman Struij-kere of Modet geheeten en Nigaise Verschueren. Een R. K. geschiedschrijver zegt van hen: de een muntte uit in welsprekendheid, de andere, verhard door de zonde, in beleedigingen te uiten tegen onze heilige kerk, zij vermaakten beurtelings eene menigte van menschen. Eene ontzachelijke menigte volgde zijne valsche leerling. Toen Herman de Struijkere de eerste hagepreek buiten Oudenaarde hield, zegt een protestansch schrijver, waren er 7000 hoorders, die zeer tevreden waren over zijn christelijk spreken, echter moest ook hij de vlucht nemen bij de boschgeuzon van den Vlaamschen Olijfberg. Bij de predikatiën van Modet werden dikwerf 600 a 700 pistoolschoten gelost. De landvoogdes gaf dadelijk bevel alle predikanten, die openlijk op de straat predikten, maar eenvoudig op te hangen en van dat oogenblik af aan ging men gewapend het Evangelie verkondigen.
Deze Herman de Struijkere, bijgenaamd Modet, wiens naam beteekent struikroover, was door de Princes-se van Oranje gehaat. Zijn naam moest zijn niet Modet , zeide zij, maar immodeste (onzedelijk). Bij de landvoogdes Margaretha van Parma was hij aanbevolen als de gevaarlijkste onder de geuzen-predikers, hij was een onverschrokken man en bezield met een vreeselijken
hoogmoed. Later is hij benoemd als predikant te Antwerpen, waar hij lang is werkzaam geweest met den vromen leeraar Johannes Sylvanus. Zijn preeken baarden veel opzien, want hij ijverde zeer tegen den beeldendienst. Gij zijt mijne broeders, zeide hij tegen zijne geloofsgenooten, van den vreeselijken en afschuwelijken beeldendienst zijt gij genezen, houdt, bid ik u, die poppen van u. Zijne welsprekendheid boeide de menigte en bracht menigeen onder zijn gehoor. Met zeer veel zegen is hij te Antwerpen werkzaam geweest. Bürgundhis de geschiedschrijver, zegt in zijn IIIde boek pag. 157, dat Modet te Zwolje uit arme ouders geboren moet zijn. Eerst is hij monnik geweest. Reeds in 1545 evangelisch geworden zijnde, moet, hij te Oudenaarde en omstreken het Woord Gods naar waarheid verkondigd hebben. In 1591, zegt Meunders, in zijne Oostfriesche kerkgeschiedenis Dl. II bl. 289, was hij te Emdem en in 1605 moet hij nog geleefd hebben, Zie Historie der Herv. kerk te Gent, van Willem te Water, predikant te Axel, bladz. 223. Na zijn vertrek werd te Oudenaarde zijn opvolger de leeraar Jodocus bevestigd, die ook veel aanhang had.
Zoo ook werd te Ronse in i 566 in een stal gepredikt door een der leeraars van het Geuzenbosch, die schuur behoorde aan de wed. Hugo Mouart, Louise Kijkenpot geheeten. In 1568 werd ze gevangen genomen, omdat zij den Hervormden godsdienst beleed. Na zeven maanden gevangenis werd zij 29 Juli 1568 met het zwaard gedood.
Een ander Vlaamsch leeraar, Joos Spiering , die te Pamele vele aanhangers had, is 20 Januari 1564 te Oudenaarde met een bal in den mond, om hem het spreken te beletten, opgehangen geworden. Zijne vrienden te Pamele hebben zijn lichaam opgeëischt en begraven. Meester Karel, advokaat te Oudenaarde, en Cornelis de Lesenne, een hoefsmid, leden van den Vlaamschen Olijfberg zijn in 1568 te Luik als ketters opgehangen. En
— 48 -
hoe velen zijn er niet verbrand geworden! Twaalf monniken met brandende waskaarsen gingen gewoonlijk met het Hoogwaardige onder den troonhemel den ketter vooraf, om hem door den aanblik nog tot bekeering te brengen. Op de straf- of liever martel-plaats gekomen, zette men den onschuldige in eene ledige ton, ketende hem vast, stapelde droog hout rondom het vat en stak dit in brand. Welke gruwelijke handelingen! Zoo heb ik ook gevonden dat Guido de Brés,, opsteller der Nederlandsche geloofsbelijdenis, in 1555 voltooid en uitgegeven, ook nog een werk geschreven hebbende, de staf des geloofs, eenige maanden aan die oude Boschgeuzen het Evangelie heeft verkondigd. Gui of Guido df. Bres was geboren te Bergen in Henegouwen, in de stad, die Merüla (1) zag sterven op den brandstapel, en menig offer bracht aan Rome\'s haat tegen dé Hervorming. Gm de Bres was van Rijssel naar den Olijfberg gekomen, van daar naar Gent, later is hij in Zwitserland, Holland, Antwerpen, Doornik en te Valenciennes werkzaam geweest, in laatstgenoemde stad was hij met zijn ambtgenoot Pierre de la Grange werkzaam. Beiden zijn om de verkondiging van het Evangelie in de gevangenis gezet. De Gravin de Reux, wier echtgenoot Gouverneur van Vlaanderen was, kon hare nieuwsgierigheid niet bedwingen, zij wilde toch eens dien Guido de Bres spreken, bezocht hem in de gevangenis, en gaf hare verwondering te kennen, dat hij daar in ketenen geboeid zittende opgeruimd kon zijn, kon eten, slapen en drinken.
De Bres loste haar dit raadsel op en zeide: Mevrouw, de goede zaak welke ik voorsta en handhaaf, en het gerust geweten, dat God, door het geloof in Christus, mij
1
Angelus Mebula was geboren te Brielle 1482. Hij is de stichter van eenige woningen en een weeshuis aldaar, ieder jaar den 25 Juli viert men fesst. Van R, K. Priester werd hy prediker van het zuivere Woord Gods. 25 Juli 1557 is hij om des geloofs wille te Bergen verbrand geworden.
— 4-9 -
Hem zij dank, geeft, doen mij geruster slapen, eten en drinken dan al degenen die mijn dood zoeken. En wat deze ketenen en banden aangaan, \'t is er verre vandaan dat die mij verschrikken of verontrusten zouden. Ik verheug er mij in, ja dank er den goeden God voor^ om Zijnentwil smaadheid te lijden; ik acht ze dierbaarder dan gouden ketenen, gouden ringen en kostbare juweelen,
want zij zijn mij veel heilzamer. Ja, als ik het gerammel mijner ketenen hoor, dan is het mij of er liefelijk snarenspel en maatgezang in mijne ooren klinkt; dat komt niet van die banden, maar van de oorzaak dier banden, namelijk Gods Woord. Toen dien Christen en zijnen medebroeder La Grange het doodvonnis werd aangezegd,
dankten zij den Heer en ontvingen de tijding met vreugde.
Gui de Bres werd opgehangen, 31 Mei 1567, en stierf met de woorden van zijne stervende lippen vloeiende. Zalig zijn de dooden, die in Christus sterven. La Grange, die hem volgde,
zeide, voordat hij van de ladder werd geworpen; ik sterf,
omdat ik het Evangelie der zaligheid heb verkondigd, Jezus Christus en dien gekruisigd. God zij mij genadig! Zoo wordt ook melding gemaakt van Petrus Dathenus, uit Fran-kendaal overgekomen naar de Vlaamsche Olijfberg-gemeenten , waar hij slechts eenige maanden werkzaam geweest is. Daarna is hij te Gent leeraar geweest en in 1584 vertrokken naar Holland. Petrus Dathenus had den naam, zoowel te Gent, waar hij driemalen is geweest,
in 1566, van 1578 tot 1579 en van 1583 tot 1584, als te Maria Hoorebeeke, van den gmzenleeraar met den rossen haard.
In de acte der Waalsche Synode komt zijn naam voor *
als Pierre d\'Athènes , dat is van Athene. De geschiedschrijver Dif.gerick bewijst uit echte stukken, dat hij geboren is te Cassel en monnik is geweest in het Car-melieten-klooster te IJperen, (zie de Annales de la Société d\'Emulation de Bruges. Tom XI, 2mo Série).
De haat was in Holland zoo groot tegen Petrus Dathenus, dat men hem te Utrecht heeft vergiftigd. Tegen-vergift herstelde hem. ïusschen den Prins van Oranje en Datheen was tweespalt, hij was beschuldigd tot den burgeroorlog aangespoord te hebben. Door de rechtbank vrijgesproken, vertrok hij naar Staden, doch werd zeer ziek; deze ziekte was hem ten zegen. Hij werd daar stadsgeneesheer, doch had zijn naam wegens de vijandschap der Lutheranen veranderd in Montanus. Dit hielp niet, hij werd bekend, moest na een jaar tijds de stad verlaten en vertrok met vrouw en kinderen naar Dantzig, doch ook daar moest hij weg.
Te Melving-Elbing vond hij rust, genoot er als dokter veel achting en stierf aldaar.
Eene groote schare volgde zijn lijk. Op zijn graf hééft men een standbeeld opgericht.
J. Fr. Foppens , een Vlaamsch Roomsch-Katholiek schrijver, spreekt in zijn 2de deel, bladz. 972, van zijne veroordeelde geschriften:
1°. De psalmen van David, waarbij gevoegd is, zegt hij, de catechismus van eene pestleer.
2°. Twee antwoorden op de beschuldigingen en lasteringen van Barthol en Latoniüs.
3°. Antwoord op de vragen der Frankfortsche predikanten over de belijdenis van Dresden, door hen uitgegeven.
4°. Frankendaalsch protocol. Rond Oudenaarde en verder in Vlaanderen werden in de 16de eeuw vele Vlaamsche straat-psalm-zingers gevonden, die ook de psalmen van Datheen zongen; deze kregen veel aanhang en in de nabijheid van het Geuzenbosch kwamen duizenden de psalm-zingers hooren. In 1540 drongen reeds de souterliedekens, zoo heetten de psalmen, volgens de Ne-derlandsche berijming van Willem van Züijlen van Nije-velt door, en werden mot do grootste belangstelling
- 51 -
gebruikt. Ook had men nog de psalmberijming van Marnix van St. Aldegonde.
In 1566 werd te Oudenaarde aan vreemdelingen verboden in de stad te wonen, en te Sijnghem en te Asperen werd in dat jaar eerst het Evangelie der zaligheid verkondigd. Te Peteghem was toen als predikant geplaatst Jas üe Pourck.
Over de beeldstormerij, 14 Augustus 1566, wensch ik niet te spreken, daar dit afkeuring verdient. —
Te Oudenaarde geschiedde zulks onder het zingen van de psalmen van Datheen. Zoo trachtte ook de Graaf Van Egmond, Gouverneur van Vlaanderen, eerst met zacht-quot; heid de geuzerij, zooals men het noemde, tegen te gaan, doch tevergeefs.
Van negen tot elf uur \'s morgens, en van een tot drie uur \'s middags, mocht men op de Heindriesch bij Oudenaarde godsdienstoefening houden, anders niet.
Pieter Backeriel is met 13 anderen 13 Juni 1567 tot de galgstraf gedoemd geworden; anderen, die minder oproerig waren, waaronder Jacobus Blommaert, waren weggegaan en hadden zich met de hunnen voor hunne veiligheid naar de bosschen begeven. De geuzen van Eename, Maeter en Maria Hoorebeke liepen immer gewapend. Helaas, velen zijn bij de wreede vervolging naar Engeland of Holland gevlucht.
Gedurende den raad van beroerte onder Alva , beter bloedraad genoemd, zijn onze geloofsgenooten in de bosschen gebleven, waarvan heden nog maar weinig over is. Op eenigen afstand van Etichove bestaat nog een plekje bosch, het Geuzenbosch genaamd, waar ook nog een oud torentje staat. De eerste Koningin van België heeft in de nabijheid daarvan een R. K. kerk laten bouwen, en dat gehucht wordt genaamd Maria Louise.
De geuzen in de bosschen leefden van de jacht, misschien ook wel van den roof; iets wat zijne voldoende verklaring vindt in de woestheid dier dagen van vervolging.
r
— 52 —
Zij werden vervolgd nog meer dan door talrijke wolven, wier ruwe verblijfplaats in holen zij deelden. Zoo werd eens een oude boschgeus van 75 jaren onder hen gevangen genomen en voor de Inquisiteurs gebracht. Waarom, vroeg men hem, blijft ge in uwe vervloekte dwalingen, gelooft ge niet dat er een hel is?
Dat er eene eeuwige rampzaligheid is, zeide hij, geloof ik, maar niet dat ik in dwaling ben.
Een der Inquisiteurs antwoordde daarop: gij zult eeuwig verdoemd zijn, in uw kettersch geloof stervende. Weet gij dat wel zeker mijnheer, vervolgde de grijsaard; een ding wil ik u wel bekennen, dat gij een moordenaar van ware evangelische christenen zijt. Vertoornd riep deze nu uit: het is genoeg, boef die gij zijt. Wordt niet zoo kwaad, antwoordde de vrome grijsaard, ik zeg u de waarheid, doch gij weet in uwe blindheid niet, dat het geloot in Christus eene gave Gods is, welke gave de een nooit, de ander vroeg of laat ontvangt. Nog dienzelfden dag werd hij onthoofd. Een zekere Jan de Wolf van Oudenaarde had zijn kind bij de geuzen van den Vlaamschen Olijfberg in stilte laten doopen, men verdronk den vader toen het ruchtbaar was geworden.
Doch waartoe meer? Te Oudenaarde en elders heeft men de ketters levend gebraden; vastgeklonken aan eene lange keten moesten zij in een ring van vuur rondloopen, totdat zij op deze onmenschelijk wreedaardige wijze omkwamen. Velen van de Boschgeuzen zijn geworgd; verscheidene namen zou ik kunnen opgeven van hen, die getrouw aan hunnen Heer en Verlosser Jezus Christus, psalmzingende als martelaars gestorven zijn. En wat deed men dikwerf voor dat men de ketters wurgde? Men sneed ze de tong uit den mond, om hun het zingen te beletten, doch de vijanden moesten getuigen dat zij aan het spatten van het bloed konden zien, dat zij hun geuzenliederen niet vergaten.
In een ouden Bijbel, waarvan vele bladen weg waren,
— 53 —
heb ik bij den schoenmaker De Jonge , nu overleden, te Maria Hoorebeke eens gezien, dat op den kant nog al leesbaar geschreven stond : o God, geef ons kracht om standvastig te blijven, laat mijn lichaam liever verbrand worden, dan dat ik mij U schame of verloochene, lieve Jezus! En zoo er in ónze dagen zulk eene vervolging kwam , wat God verhoede! zouden ook wij dan, gelijk die vrome Christenen van den Vlaamsehen Olijfberg, getrouw tot aan tot in den dood blijven?
En hoe waren in die dagen de predikatiën van de zoogenaamde geestelijken, die waanden de ware christelijke leer te verkondigen? Te Pamele was er een, die eens op den predikstoel het volgende zeide: Ziet eens, beminde Christenen! gij kunt u niet verbeelden welke verschrikkelijke goddelooze menschén die ketters zijn; alle ketters zijn spitsboeven en alle spitsboeven zijn ketters. Is het geen wonder dat de wereld niet vergaat? Maar het is tijd dezen gruwel uit te roeien. Weg met deze pesten uit onze reine schaapskooi, opdat zij onze christenkudde niet verontreinigen. Weg met hen! Weg met deze goddelooze ketters !
Een ander geestelijke gebruikte een zonderlinge vrijheid om de geschiedenis des Bijbels te moderniseeren. Hij stelde eens de bekeering van Magdelena aldus voor:
Maria Magdelena was eene zeer aanzienlijke, maar ook zeer dartele en coquette dame. Eens reed zij naar haar landgoed in gezelschap van den graaf van Bethanië en den Markies van Emmaus. Onder weg vonden zij eene ontzaglijke menigte mannen en vrouwen op eene weide vergaderd. De genade begon te werken. Maria Magdalen a liet hare koets stil houden en zond een knecht om Ie vernemen wat er te doen ware. De knecht kwam terug, en zeide dat de Abbé Jesus aldaar predikte. Zij stapte met de heeren uit, ging onder de menigte en werd daar zoo getroffen, dat zij van dat oogenblik af alle wereld-sche vermaken vaarwel zeide en christinne wierd.
_ 54 —
Nog een ander voorbeeld van preeken over de vrouwen.
Wie kan al de ondeugden der vrouwen opnoemen ? Sommigen zijn begeerig als Eva , anderen trotsch en ongehoorzaam als Vasthi, sommigen kijfachtig als de vrouw van den ouden Tobias, sommigen gelijken de katten, en doen niets dan blazen en krabben, sommigen gelijken de honden en kunnen slechts blaffen en bijten, sommigen zijn hoogmoedig als de pauwen of morsig als de zwijnen. Deze geestelijke was van oordeel dat er meer vrouwen verdoemd zouden worden dan mannen, dewijl zij het gebod, om den man onderdanig en gehoorzaam te zijn, zoo moedwillig overtraden. Vergeet niet dat deze leerrede, indien men ze zoo noemen wil, gehouden werd bij het bekend worden, dat vele vrouwen het kettersch geloof in die dagen verdedigden.
Een Jezuïet predikte eens over de goede herders; hij sprak van David en diens hond, welken hij nauwkeurig beschreef, en kwam eindelijk op de honden in het algemeen. Hij rangschikte ze in vier soorten, de laatste twee waren de beste.
De Engelsche doggen waren de Lutheranen, de keeshonden de Calvinisten, de krulhonden de Roomsch-Katho-lieken en de goede honden waren de Jezuïeten.
En nu, beminde Christenen, zoo ging hij voort, wat moet nu ons streven zijn? Die Engelsche doggen en keeshonden zoeken uit te roeien op allerhande wijze; die ketters zijn een pest der Maatschappij en men doet er onzen Heer een dienst mede.
Zoo hield een ander geestelijke in die dagen, in de omgeving van het Geuzenbosch geplaatst, een ander sermoen. Hij hield er veel van proeven in zijne predikatiën te geven. Eens wilde hij zijnen hoorders een denkbeeld geven van het ware christelijk geloof en vertoonde op den predikstoel eene walnoot in haren bolster. Let wel op, beminde parochianen, zeïde hij, ziethier een
sprekend zinnebeeld hoe men onze zuivere christelijke leer van alle kettersche dwalingen onderscheiden moet. Ziet deze noot. Haar groene bolster vertoont zeer eigenaardig de leer van de Calvinisten, die slechts oppervlakkig aan de groene schil blijft hangen en verrot. Let verder (en tevens ontbolsterde hij de noot), ontdaan van haren ruwen bolster, is zij nog bedekt met harde schillen: dit is het beeld der Lutheranen, zij zijn zoo hard en stijf van kop als de schillen van deze noot. Zij komen de pit wel nader dan de blinde Calvinisten, maar het is het ware niet. Weest nu oplettend, vrome Christenen, onze oude, onfeilbare, ware, zuivere leer is als het binnenstè van deze noot. Let op. Dit zeggende kraakte hij de noot, doch tot zijn leedwezen was zij van binnen geheel verrot. Die proefneming veroorzaakte den Geuzen veel vreugde, en men vergat niet ze te verspreiden.
Doch keeren we tot de geschiedenis onzer oude Boschgeuzen terug. Jacob Blommaert , die als kapitein den Prins van Oranje diende, heeft met Joost Guis, La Toili.e en Wijbo den 7aen September 1572 Oudenaarde ingenomen; hun rijk duurde echter niet lang, want 9 Januari 1573 werden er weder Geuzen levend verbrand, n.1. Arnoüt de Croos, Mighiel de Seeldraijer en anderen.
Blommaert lag met zijn leger te Arnernuiden; door de Spanjaarden uitgedreven, ging hij onmiddellijk naar Oudenaarde. De Baartpoort binnengekomen zijnde, namen ze Burgemeester en Schepenen gevangen, zoo ook den Deken Paulus Koye en den pastoor van Pamele. Er bestaat nog heden ten dage een klachtschrift in rijm van J. D. Waalkens, pastoor van Edelaare, over Oudenaarde, door de Geuzen ingenomen in 1572. In Waalken\'s klachtschrift wordt gezegd dat in de parochiale R. K. kerk van St. Walburg te Oudenaarde, achter den hoogen altaar, een grafzerk ligt van de Eerwaarde Heeren P. van Coije, P. van den Enden. J. van Braole, J. de Degkere,
— 5G -
J. van Upstalle en J. van Anvaing, die, bij de inneming van Oudenaarde door kapitein Blommaert gevangen genomen , in het kasteel van Pamele zijn gekerkerd en, na ontkleed te zijn, met de handen op den rug en de beenen gebonden in de Schelde geworpen en verdronken zijn. De waarheid daarvan komt den schrijver twijfelachtig voor.
De geschiedenis zegt, dat ook eenige boschgeuzen 1 April 1572 met de watergeuzen Brielle hebben ingenomen.
Jacob Blommaert , Quillaüme de Grave, Antony Rijnen uit Zeeland teruggekeerd, kwamen te Eecloo aan, waar zij in een huis zouden vernachten. Verraden door den vijand en herkend, werd het huis waar zij logeerden des nachts omsingeld, de woning in brand gestoken, en allen werden levend verbrand. De vrouw en kinderen van kapitien Blommaert waren in de gemeenten van den Viaamschen Olijfberg achtergebleven en nog heden ten dage wonen er afstammelingen van dien kapitein Blommaert. Thans wonen er tieyi protestantsche huisgezinnen waarvan het hoofd Blommaert heet.
De naam van Olive werd den zeven kruisgemeenten gegeven door Lodewijk van Nassau (Bom. 9 : 17) In de vier dikke geschreven folianten: Historiën der zeven kruisgemeenten „De Vlaamsche Olijfbergquot; genaamd, welke door den kerkeraad der Protestantsche Gemeente te Gent aan Ds. Vent te Brussel gezonden zijn en helaas na zijn dood niet zijn teruggevonden, moet ook nog de volgende brief van Luther voorkomen, geschreven aan de vervolgde Christenen van den Viaamschen Olijfberg, of boschgeuzen in Vlaanderen.
Waarde Broeders in Christus!
De tijd is aangebroken, dat wij het gekir der tortelduiven hooren en dat de bloemen uitspruiten in ons land. U is boven de geheele wereld het voorrecht gegeven om niet alleen het Evangelie te hooren en te kennen, maar
— 57 —
t
ook dat onder u de eersten zijn die voor Christus schande en schade leden, angst en nood, gevangenis en gevaren te verduren hadden, ja ook door de wereld zijn gedood j] geworden. Blijft in Gods kracht standvastig, waakt en bidt!quot;
I LUTHER.
Van Luther zegt Robijn, een R. G. schrijver der ketterijen rond Oudenaarde, dat op den dag zijner begrafenis in geheel Vlaanderen geen duivelbezetenen waren. Toen men vroeg waar zij zich dan bevonden, antwoordde men: ze zijn naar Duitschland om hun prins te begraven. Zoo zegt hij moet ook de knecht van Luther getuigd hebben, dat toen hij het venster opende van de kamer,\'\' waar het lijk gestaan had, hij de lucht zwart zag van duivels, die van vreugde dansten over de aankomst van 1) hun bondgenoot.
Van den hervormer Galvijn verhaalt diezelfde schrijver j dat hij te Noyon gegeeseld en gebrandmerkt is voor een
der vreeselijkste zonden hier op aarde. En zulk een man, t roept hij uit, was een der hervormers. Doch Robijn
beschuldigt hier Galvijn ten onrechte. Wel heeft een zeker geestelijke Jean Ghauvin deze straf ondergaan, maar niet de waardige hervormer. (Zie Merle d\'Au-bigné. Geschiedenis der Kerkhervorming). Zoo ook beschrijft een zekere Burgundiüs den toestand van het volk bij het begin van den toestand op deze wijze: Aldenarde popularibus ingeniis urbs est procax. Theatralis licentia sacrae scnpturae lectionem civibus promiscue indulgerat. Quibus se opionum novitas haut aegré insinuavit; natura sua blanda, et pellax animorum nullo litterarum studio j. mitigatorum. Totam mox plebum positasque circum
gentes velut incendium quoddam en pestis corripuit.
Van 1566 dateeren dus de zeven protestantsche gemeenten van den Vlaamschen Olijfberg, hoewel reeds een eeuw te voren hunne voorouders in de bosschen rond Oudenaarde vertoefden of gevlucht waren.
— 58 -
En deze gemeenten waren aan den gestadigen overlast van hunne tegenstanders blootgesteld. Te Beveren woonde de predikant van Oudenaarde in 1566, die met Ds. van der Schueren ook van den Vlaamschen Olijfberg dikwerf te Gent gepredikt heeft. 29 Juli 1577 was predikant van den Vlaamschen Olijfberg Gornelis van Hille, die uit Haamstede in Schouwen was gekomen; deze leeraar was een geleerd en vroom man, een sieraad voor de kerk, een zijner ouderlingen was Denis \'t Serlippens.
Ds. van Hille is de opsteller geweest van de Zieke-troo.it, die we vinden in de lithurgische schriften der Nederlandsche Hervormde Kerk. Genoemde van Hille is later leeraar geweest te Rotterdam. Zijn opvolger was Johannes Martini , die van daar vertrokken is naar Oostkapel in Walcheren.
In 1579 was Jan de Pourck van Petegem leeraar bij de Gemeente van den Vlaamschen Olijfberg, en in 1578 zijn te Sijnghem en Asper de Roomsch-Katholieke priesters door het volk verjaagd geworden en is daar gekomen een protestantsche leeraar, Ghristoffel Grenier geheeten, die met vrouw en kinderen is gaan wonen in het pastoorshuis te Sijnghem en daar en in de gemeenten van den Vlaamschen Olijfberg het predikambt vervuld heeft. Acht jaren is hii daar werkzaam geweest. De Roomsch-Katholieken zeggen bij die opgave, om het protestantsche leeraarsambt zooals zij meenden belachelijk te maken, dat schoenlappers, zeeldraaiers, wevers en kuipers met den Bijbel in de hand langs de straten predikten en psalmen zongen. In 1580 kwam te Oudenaarde als leeraar Fran-ciscus Pauli, zou ook later Gornelis Theodorie en Gilles Basècles. Ook was te Oudenaarde eene Waalsche protestantsche gemeente. In 1582 was daar Waalsch predikant Gornille, in 1583 Chretien de la Quellerie, te Zele geboren; ook was hij predikant geweest te Gent, en uit
— 59 —
Oudenaarde is hij naar Utrecht vertrokken. In 1575 was hij in handen der Spanjaarden gevallen en voor 400 kronen vrij gekocht. In 1623 stierf hij.
Toen in 1582, den 5(len Juli, Oudenaarde door Parma was ingenomen, hebben de Protestanten verlof gekregen er te blijven wonen, onder beding dat zij den Koning van Spanje getrouw waren. 1578 was te Ronse predikant Reinius Monier. —
In 1580 was te Bouclé St. Dénis leeraar Pieter de Gruetere , volgens Jean Ballin had hij slechts een oog en éene hand. Hij werd door eenige soldaten ge-., vangen genomen en opgehangen , omdat men meende dat hij met andere aanzienlijke personen had medegewerkt aan den opstand en de gevangenneming van twee R. K. bisschoppen. Zijne terechtstelling had plaats 13 Augustus 1581. — Toen zijne vele vrienden hem wilden behulpzaam zijn tot zijne bevrijding, zeide hij: »Lieve Broeders! dat zich niemand haaste om mij te verlossen, laat de lieve Heer zijn werk in mij volbrengen. Ik verlang ontbonden te zijn en met Christus te leven.quot; — In 1578 wordt ook melding gemaakt van een predikant Arnoldus de Sïüer, die te Rouselaere heimelijk predikte en naar Axel in Zeeland is gevlucht, waar hij als leeraar werd benoemd.
In 1589 vinden we dat de leeraar Lucas Trelcat bij den Vlaamschen Olijfberg werkzaam was, in 1596 is hij als tweede predikant bij de Waalsche gemeente te Leiden beroepen.
Ook te Wijleghem zijn de protestanten zeer vervolgd geworden. De hier bedoelde Lucas Trelcat werd volgens het register in het Livre Synodal in 1586 opgenomen onder de gebenificieerde studenten en in 1589 gezonden om te prediken te l\'Olive. Vóór zijn vertrek naar Leiden is hij in Vlaanderen gevangen genomen en door de Synode losgekocht.
Tot 1692 heeft de Vlaamsche Olijfberg zich vervoegd
- 60 -
tot de gemeenten Classis Walcheren in Zeeland, waarvan men ook geldelijke hulp verkreeg. De huwelijken werden door den kerkoraad gesloten en van geestelijk voedsel werd de kudde voorzien door Zeeuwsche predikanten, die de een na den ander eene maand of vier onder hen bleven. Alle kosten voor reis en verblij f van leeraren werden door de Classis van Walcheren voldaan, dit zij tot eer onzer Zeeuwsche broeders vermeld. Ook zorgde men voor bijbels, leerredenen en christelijke boeken. Aan smaad, hoon en vervolging waren de dienaren van het Evangelie, zoowel als onze geloofs-genooten in dien tijd, in ruime mate onderworpen. — Zoo kwam er eens een leeraar uit Zeeland, die genoodzaakt was minstens zes weken in een kelder zich schuil te houden, om niet gedood te worden door de vijanden van waarheid en licht. — Die kelder bestaat nog en dit huis behoort aan protestanten en wordt door Petrus de Schepper en zijne zuster als eigenaars in het gehucht Vrijsbeke bewoond. — In dien kelder werd 7 September 1572 een dankstond gehouden (daar hij voor 3 eeuwen een der. plaatsen van godsdienstige samenkomst was) toen Oudenaarde door Kapitein Blommaert was ingenomen. Latei-bracht eene overeenkomst, met de Staten van Holland aangegaan, eeuige verademing in den vervolgingstoestand.
In dit contract werden de Roomsch-Katholieken hier verplicht jegens de Protestanten zoo te handelen, als die van Sas van Gent deden met de Katholieken. Aan de onzen werd toegestaan des nachts te vergaderen ter uitoefening van hunnen godsdienst Tot hiertoe was men in het geheim te zamen gekomen. In den beginne zelfs had men de vergaderingen overvallen en dikwerf uiteengedreven. Deze overeenkomst verzekerde den leden van den Vlaam-scben Olijfberg tevens zekere vrijheden, waarop, zeide men, ieder inwoner recht had, mits zij geen inbreuk maakten op de bestaande plaatselijke verordeningen en wetten. Men begon dus van weerskanten een register te
- 61 -
houden, het boek der vergelding, dat het verhaal moest bevatten van alle daden, waarover men voldoening meende te moeten vragen. De oudste dagteekening die men uit deze verzameling van beleodigingen heeft kunnen opdelven klimt tot 1692. Het zal niet onbelangrijk wezen er eenigen mede te deelen.
Ik heb gezegd: voor 1824 begroef men de dooden in de tuinen. Bij begrafenissen werd vroeger buitensporig gedronken, hetwelk dikwerf aanleiding gaf tot twist; dit schandaal is later verdwenen. Men begroef over dag in de hoven, hetgeen men toeliet. Maar als de nacht was aangebroken, sloop men in den tuin, \'\' opende den kuil, haalde den doode uit de kist en plaatste het lijk rechtop tegen de deur van het sterfhuis. Des morgens bij het openen der deur rolde de dikwerf verminkte afgestorvene aan de voeten van een vader of moeder, broeder of zuster, zoon of dochter, en deed hen van schrik terugdeinzen.
Dit had plaats tot op den inval der Franschen in 1794. Men beweerde dat het feit door den duivel begaan was, wien de geuzen van rechtswege toekwamen, wat dan ook eene aansporing voor hen was tot de zoogenaamde ware Christelijke Kerk over te komen.
Meu moet zich verwonderen dat de groote hoop der R. Katholieken die fabelen geloofde, en zelfs in onze dagen in die streken nog mensehen gevonden worden, eenvoudig genoeg om te gelooven, dat de duivel zich geregeld bij den dood van eiken Protestant vertoont, om het lichaam op te eischen en in de hel te werpen. Eens, het was vóór de uitvaardiging van het keizerlijk besluit van verdraagzaamheid, vermoordde men een protes-tantschen jongeling in een veld, waar hij klaver sneed voor de hoeve; daarop verspreidde men het gerucht dat de duivel hem gedood had. Onderzoek werd er ternauwernood gedaan, want hij was een ketter.
Hetzelfde gerucht, dat de duivel aldus ongestraft de geuzen liet vermoorden, verspreidde zich den 19 Maart 1786 aan de hoeve der zusters Pede, en deed zich eene koe van den stal geven, omdat deze vrouwen weigerden de dubbele belasting te betalen, die onder den naam van hoofdstoel bekend was. Wel is waar had men ze tot hiertoe altijd dubbel van de Protestanten geëischt, en was zij door dezen betaald. Een zonderling misbruik, dat met vele andere voorzeker had moeten verdwijnen na de bekendmaking van het besluit van verdraagzaamheid, en toch werd de zaak enkel geregeld door de tusschenkomst van de Gedeputeerde Staten van Zeeland, krachtens de vroeger vermelde overeenkomst.
In datzelfde jaar, dat zich kenmerkt door allerlei boosaardigheden tijdens den dood van Gonstantijn Lodens , die Roomsch-Katholiek was, werd zijne weduwe Fhancoise de Schepper, protestant zijnde, herhaaldelijk voor de rechtbank geroepen, door welke zij veroordeeld werd om hare vijf kinderen aan de Kerk van Rome terug te geven en de proceskosten te betalen. — Hare kinderen volgden gedwongen de Roomsch-Katholieke Kerk, maar later keerden zij tot het Protestantisme terug. Afstammelingen van dien Lodens worden nog te Maria Hoorebeke gevonden. — Omstreeks dien tijd vertoonden zich gerechtsdienaars, vergezeld van een groot en slagershond, bij de weduwe Pede, en eischten hare twee jonge kinderen op, en terwijl de arme moeder hare lievelingen tegen haar boezem drukte, sprong de hond op haar toe, en beet haar bij aanhitsing een stuk vleesch uit den arm. Toen nam men hare kinderen af, die later ook Roomsch bleven.
Bij den dood der vrouw van een zekeren heer van Butsele van Nukerke werd heimelijk zijn eenig kind weggeroofd. Later vernam hij, dat dit kind in een klooster te Mechelen verbergen was, en eerst op de dringende aanmaningen, door de afgezondenen van Sas van Gent
gedaan, werd deze kleine Mortara aan zijnen vader weder gegeven.
lederen dag werden de Protestanten gehoond en mishandeld in de herbergen, maar hier kwam Sas van Gent niet tus-schen beiden en vergenoegde zich met het antwoord, dat een Christen zich daarheen niet moest begeven en het zijne plaats niet was. — We hebben een boek gevonden, bevattende het verhaal van de Boschgeuzen of de familie Van Güijck te Maria Hoorebeke in 1572. Het is een drama in drie bedrijven en vier tafereelen door F. de Geert opgesteld, en dat den toestand onzer geloofsgenooten van dien tijd beschrijft.
Het eerste tafereel is de geuzenboek. Het tweede: de heiligschennis. Het derde: de kerker. Het vierde: de brandstapel. De geuzenboek wordt genaamd de plaats Maria Hoorebeke, waar de Hervormden wonen. Nog heden is die naam bekend. Gedurende mijn verblijf aldaar heb ik brieven ontvangen met het adres: Aan Ds. Wagener in den Geuzenboek (Oost-Vlaanderen).
In dat komediestuk, dat van tijd tot tijd te Gent vertoond wordt, komen de namen voor van van der Berghe, Kapitein Blommaert, en van Guijck en zijne kinderen. Het eindigt met de inneming van Oudenaarde door Blommaert en de bevrijding van Van Cüyck en zijne familie, die tot den brandstapel geleid werden op het oogenblik der inneming. Achter in het boek, onder de historische aanmerkingen, komen verscheidene namen van geuzen voor, die van 1565 tot 1573 den marteldood te Oudenaarde, Maria Hoorebeke en elders ondergaan hebben. Zij zijn overgenomen uit het werk: Gentsche geschiedenissen van Pater De Jonghe, Kroniek van Oudenaarde en Nederlandsche geschiedenis door \'t Hooft.
Wat de leeraren van den Vlaamschen Olijfberg betreft , 15 Juli 1692 is er bevestigd geworden J. de Hepe-
- 6i -
laere, welke te Etichove woonde. Nog heden ten dage kan men in de Poeschemstraete aanwijzen de pastorie, die nn door een R. K. pachter bewoond wordt. — 22 October 1706 Is als opvolger aangesteld van den Vlaamschen Olijfberg Ds. Hugo de Schaefter. Deze leeraar moet degene geweest zijn, die, gaande naar het huis des gebeds om het Evangelie te verkondigen, van een priester slagen heeft ontvangen omdat R. Katholieken tot den geuzengodsdienst waren overgegaan. De rechtbank van Brussel heeft dien geestelijke genoodzaakt dokter en apotheker te betalen en zich zeiven te verontschuldigen bij genoemden leeraar.
Ds. Hügo de Schaefter kwam uit Zeeland, en woonde te Oudenaarde. De kerkeraad bestond toen uit drie ouderlingen en twee diakenen. In 1707 zijn door genoemden leeraar op het Paaschfeest 26 nieuwe leden en in de maand October 29 nieuwe leden bevestigd geworden, wonende te Maria Hoorebeke, Melden, Wijlegem, Oudenaarde en Etichove. 27 Juli 1710 waren ouderlingen te Maria Hoorebeke Joos Blommaert en Pieter Srrz van Maeter en diakenen Jacobus Blommaert en Lievin de Potter. Te Etichove woonde de ouderling Francois Verkleu, te Melden de diaken Van Ledzele en te Nukerke de ouderling Johannes Heul. 6 Maart 1711 is te Melden in het huwelijk getreden Johannes de Menin met Aldegonda Blommaert van Maeter, 21 April 1711 zijn er 29 nieuwe leden bevestigd. 16 Juli 1713 is het huwelijk ingezegend van D. J. Hiller met Gabrielle Marly van Picardie in Frankrijk. Zie lidmatenboek en register ten mijnent berustende van 1706 tot 1714.
28 Maart 1714 is als predikant bevestigd Pieter Brandt , \'s middags heeft hij zijne intreêrede gehouden, predikende over Joh.\'3 : 36. In 1719 (31 Mei) is Petrus Gronenberg als predikant beroepen en bevestigd 7 Februari 1720. Tot tekst had hij bij zijne intrede Openb. 2 : 10.
Zijt getrouw tot in den dood, Ik zal u geven de kroon des levens.
In 1721 zijn er vijftien lidmaat geworden, in 1727 elf, in 1773 een en twintig en in 1735 twaalf. Na twee-en-twintig-jarlgen arbeid is hij opgevolgd geworden door Ds. Abraham Walmijn, en in 1768 kwam Ds. J. van der Meij. Dikvverf moesten onze oude boschgeuzen des nachts vergaderen. In de bestaande registers en aanteekeningen van 1735 tot 1778 komen gedurig uitgaven voor kaarsen voor. Zoo herinnert zich het thans levend geslacht nog dat hunne grootouders gesproken hebben van het \'s avonds zeer laat ter kerke gaan, daar de godsdienstige bijeenkomsten gewoonlijk duurden tot middernacht. Ook waren de wegen in dien tijd zoo onveilig, dat in een besluit van 1725 gezegd wordt: de gemeenten moeten zorgen om hun prediker minstens vijf man tot geleide te geven, eene bepaling waaraan onze geloofsgenooten zich naar het schijnt weinig gestoord hebben, blijkens het voorgevallene in 1772 met den herder J. de Meij. Genoemde leeraar kwam van Oudenaarde naar Maria Hoorebeeke terug. Uit het dichte van een bosch springt een struikroover op hem aan met het pistool in de hand en met den gewonen eisch van de beurs of het leven. — De predikant levert hem gewillig de beurs over. Daarna verzoekt hij zijn be-roover, om het pistool, dat deze nog in de hand hield, door zijn jas heen af te schieten, zonder dat, zeide hij, zou zijne vrouw, die boosaardig, lastig en kwaaddenkend was, nooit geloof slaan aan zijne mededeeling, die hij haar zou moeten doen. De dief, die gaarne een dienst wil bewijzen aan een man, die zich zoo gewillig liet berooven, schiet door een der panden zijner jas. De prediker biedt hem terstond de andere aan en verzocht hem met deze insgelijks te doen. Maar de gauwdief had maar een schot en dit was zooeven door hem gelost. Nu springt de predikant op hem toe, werpt hem op den grond, ont-
— 60 —
neemt hem eerst het pistool en daarna de beurs. Dit geschied zijnde, telt hij hem zooveel stokslagen toe, dat hij op den grond moest blijven liggen.
Den 13den Mei 1773 is als predikant van den Viaam-schen Olijfberg bevestigd geworden P. Langoumois en in 1782 J. D. de Lepelaere. Deze was geboren te Maerke Kerkhegem, en was door de onuitputtelijke liefdadigheid der broederen van de Hervormde Kerk te Walcheren naar Middelburg ter studie gezonden. Door zijnen voorbeeldigen ijver zocht deze leeraar verstandig verbetering te brengen in den droeven toestand der kudde, aan zijne zorg toevertrouwd. Hij predikte overdag, uit hoofde van het besluit van verdraagzaamheid, en niettegenstaande het verzet van de Roomsch-Katholieke priesters daar, die voorgaven dat het edict, waarop Ds. De Lepelaere zich beriep, zich niet tot de Oostenrijksche Nederlanden uitstrekte.
Hij liet ook een predikstoel in Maria Hoorebeke en Etichove\'s kerkje oprichten, en van Doornik een jeugdig christen komen, F. Begart geheeten, om zijne geloofs-genooten in het godsdienstig gezang te onderwijzen. In de maand Augustus 1783 werd de openbare eeredienst opnieuw begeleid door het psalmgezang sedert de dagen der Hervorming opgehouden. Na eene ijverige bediening van elf jaren vertrok J. de Lepelaere naar Waterlands-kerke en van daar werd hij beroepen naar Goes, waar hij stierf.
Hij had tot opvolger Simon de Kok , die maar eenige maanden zijn ambt naar behooren waarnam; daarna kwam Ds. Buut, die ook maar korten tijd als leeraar is werkzaam geweest. Na dezen kwam in 1795 de leeraar Abbema uit Friesland, die in 1803 wegens dronkenschap is afgezet en met vrouw en kinderen te Oudenaarde in de grootste armoede is vervallen. Voor twee borrels jenever, zegt men, predikte hij, al moest hij staan op tafel of ton in de eene of andere herberg. Na zijn vertrek is men
— 67 —
eenigen tijd zonder leeraar geweest. lederen rustdag des Heeren ging de ouderling P. F. de Jonghe voor, waarmede men zeer tevreden was.
3 September 1811 is als predikant van den Vlaatnschen Olijfberg bevestigd geworden Daniel van Biervliet uit Zeeland overgekomen. Korten tijd was hij daar werkzaam in 1816 is hij naar Holland vertrokken. In datzelfde jaar is predikant geworden Ds. J. W. H. Duessen, die in 1817 door Ds. Goedkoop, die te Gent 18 April 1815 zijn ambt had aanvaard, bevestigd is.
In 1823 werd hij opgevolgd door Ds. Huisers, en in 1826 door Ds. J. Prins, die te Oudenaarde woonde en kort voor de revolutie in 1830 naar Nederland is gevlucht. Had men in 1829 eene nieuwe kerk te Oudenaarde gebouwd van gelden, bijeengebracht door collecten in Nederland en België, na de scheiding is die kerk voor een militaire bakkerij gebruikt en zoo ik mij niet bedrieg wordt dit gebouw er nog voor gebezigd.
Na de scheiding van België en Holland bezocht Ds. Goedkoop de oude boschgeuzen te Maria Hoorebeke, Maeter en Etichove, de drie overgeblevenen van den Vlaamschen Olijfberg; om de 14 dagen kwam hij er des Zondags prediken en den anderen Zondag ging de onderwijzer der school voor. De onderwijzer Lammers heeft verscheidene jaren om de 14 dagen in de openbare godsdienstoefening voorgegaan, gecatechiseerd, de zieken bezocht en was in alles wat tot het herderlijk werk behoorde behulpzaam.
Hij had gelegenheid de Protestantsche gemeente aan Z. M. den Koning Leopold I voor te stellen en door zijne bemoeiingen verscheen weldra een koninklijk besluit, dat opnieuw aan de gemeente eene toelage van twaalf honderd franken jaarlijks toekende, ten titel van honorarium voor een leeraar aldaar. Ongelukkig zag zich de Vlaamsche Olijfberg in hare verwachting gedurende go-
ruimen tijd teleurgesteld, daar Ds. Goedkoop beweerde, dat zij als kerk met die van Gent vereenigd was, en die toelage hem toekwam. Aan zijne herderlijke zorg bleef de gemeente toevertrouwd tot den achtsten Augustus 1842, toen werd als herder en leeraar bevestigd de eerw. heer Koningsberger , te Genève gestudeerd en zijne studiën volbracht hebbende. Negen jaren lang was de gemeente in het bezit van dien waardigen en vromen leeraar. In den echt was hij getreden met een Blommaert , eene der afstammelingen van kapitein Blommaert. Na zijn vertrek naar Koudekerke in Zeeland kwam in zijne plaats Ds. F. J. G. Schook van Babyloniënbroek, die er acht jaren geweest is en in 18G0 vertrok naar Loon op Zand.
Opgevolgd werd hij door Ds. G. J. Blom, hulpprediker te Heusden, in 1860, die in 1864 als leeraar naar Gent is vertrokken, 7 October van dat jaar zijn afscheid predikende. Tot zijn opvolger werd benoemd N. Garo, die proponent zijnde bij de Nederl. Herv. Kerk, ingezegend word als leeraar, bijgestaan door Ds. Blom en Ds. Wagener van Mechelen. In den namiddag deed hij zijne intrede. 1 October 1869 werd de gemeente opnieuw vacant.
Alstoen werd beroepen Ds. Wagener van Mechelen, die aldaar werkzaam is geweest van 27 Maart 1870 tot 15 Januari 1879, en daarna naar Antwerpen is vertrokken.
Deze leeraar heeft aldaar met Gods hulpe een nieuwe kerk gebouwd gekregen. —
Ook heeft hij een werk der Evangelisatie onder de Vlamingers begonnen, met behulp van zijnen vriend Ds. Alexander, Engelsch predikant te Kortrijk, alsook te Bousselaere, op verzoek van den heer Henri Tant, wiens eerste kind te Sas van Gent door Ds. ïerwinkel en het tweede te Rousselaere door Ds. Wagener is gedoopt geworden, hoewel hij en zijne echtgenoote toen nog Roomsch-Katholiek waren. Deze heer is met zijne vrouw overgegaan tot het Protestantisme en gaat steeds
— r.lt;) —
ijverig voort met alle pogingen in \'t werk te stellen ter uitbreiding van Gods Koninkrijk. De gemeente aldaar heeft naast God veel aan hem te danken. Daar het voor Ds. Wageneh onmogelijk was te Kortrijk en Rousselaere lederen Zondag godsdienstoefening te houden, heeft hij den heer Van Helden, colporteur van het Britsch Bijbelgenootschap, te Maria Hoorebeke wonende, en als zoodanig vroeger aangesteld op verzoek van genoemden leeraar door dat Bestuur, verzocht zich lederen rustdag naar Kortrijk en Rousselaere te begeven, hetgeen die broeder dan ook heeft gedaan totdat door Ds. Alexander en Ds. Wagener , op verzoek, de eerwaarde heer Van den Brink , vroeger hulpprediker van Ds. H. van Maasdijk, als Vlaamsch leeraar is aangesteld geworden. Nadat Z.Eerw. daar eenige maanden werkzaam was, heeft het Comité Synodaal van Evangelisatie zich dit werk aangetrokken, onder welks beheer deze gemeenten staan.
De schrijver dezer brochure wil gaarne het getuigenis geven, dat hij te Maria Hoorebeke met lust en genoegen en niet zonder zegen werkzaam is geweest, en liet scheiden van die afstammelingen der boschgeuzen hem zeer veel gekost heeft, al was nu en dan ook verdriet over het een of ander zijn deel.
Hij lieeft er eene Christelijke Bibliotheek opgericht, eene Zondagsschool voor de kinderen aangevangen en zijne vrouw eene godsdienstige zangvereeniging gesticht, wier leden in korten tijd zeer vele vorderingen gemaakt hebben. Aan het hoofd dezer vereeniging staat nu Charles Louis Blommaert, die daartoe de bekwaamheid heeft.
29 April 1879 is er bevestigd geworden Ds. A. van der Waaijen Pieterszen, den 16 April 1880 aldaar overleden. Zijn stoffelijk overschot rust op het kerkhof aldaar. De steen, die door de gemeente aangekocht en op zijn graf geplaatst is, geeft in duidelijke woorden te kennen, welke achting en liefde men dien vromen leeraar toedroeg. Zijne
— 70 —
asch ruste in vrede, mogen wij hem eenmaal ontmoeten, waar eeuwige vreugde door hét kind van God genoten wordt.
27 Maart 1881 is er Ds. Wiersma bevestigd, die leeraar was bij de vrije Zendingskerk te Brussel, en 8 Juli 1833 na gedaan colloquium doctum predikant is geworden bij de Nederl. Herv. Kerk te Benschop. Sedert 24 September 1883 is er Ds. Israel werkzaam, die naar wij hopen er lang met zegen moge arbeiden en vele zielen winnen voor het Rijk van Jesus Christus.
De eerste vaste onderwijzer der christelijke school aldaar was L. Blankenbijl, die van 1815 tot 1820 er werkzaam was en toen vertrokken is naar Drimmelen in Nederland.
Zijn opvolger was de reeds genoemde Lammers, die in 1845 zijn ontslag heeft genomen, naar Brussel vertrokken en daar overleden is. Gedurende de vacature heeft Ds. Koningsberger zich met de taak van het onderwijs belast, totdat in 1847 de heer P. Appelboom daar kwam. Zestien jaren was deze in de gemeente werkzaam. In 1863 vertrok hij in Maart als onderwijzer naar Holland. Zijn opvolger
A. Sparnaaij aanvaardde zijne betrekking 15 April 1863 en is daar gebleven tot aan het einde van het jaar 1872, hebbende zijn eervol ontslag aangevraagd en verkregen. De heer Sparnaaij , die thans te Brussel woont, was een der kundigste onderwijzers die te Maria Hoorebeke zijn werkzaam geweest, en verdient, wat zijn onderwijs betreft, allen lof.
15 April 1873 werd hij opgevolgd door den heer
B. Hans, die er nog altijd werkzaam is. Na het vertrek van Ds. Wagener is die school gemeenteschool geworden, wat zijns inziens liever niet had moeten geschieden, hoewel de onderwijzer vrij bleef in het geven van godsdienstig onderwijs buiten de schooluren.
De oude protestantsche kerk bestaat nog en is daartoe ingericht in 1797 door de edelmoedige medewerking der
_ 71 -
kerkelijke classis van Walcheren. Zij kostte 871 gulden, 4 stuivers en 20 oortjes (1840 franken) en maakte een deel uit van de woning van P. van der Haecen, die afstamt van eene zekere familie van der Haegen, die te Ronse gewoond heeft, het andere gedeelte, dat vlak tegen de kerk aan staat, wordt nog bewoond door de familie Blommaert. Tijdens den onderwijzer Lammers was de kerk zonder orgel; nadat hij zich te Oudenaarde eenigen tijd in het orgelspel had geoefend, kocht hij door de edelmoedige tusschenkomst van Joanna van den Berghe een klein orgel, dat in de Roomsch-Katholieke Kerk te Volkegem had gediend. Het werd op schragen aan het eind der kerk geplaatst en door Lammers bespeeld; van dien tijd af zorgde hij dat jongelingen in het orgelspel geoefend werden. Tijdens Ds. Schook er als leeraar stond, heeft hij eene collecte gedaan voor een ander orgel, dat aangekocht is van Ds. van Maasdijk te Brussel, die dit gekocht en verbeterd had.
Dat orgel is na herstelling nog een paar jaren in de nieuwe kerk gebruikt, doch toen is het gegeven geworden aan de jeugdige gemeente te Rousselaere. Te Maria Hoorebeke is het vervangen geworden door een harmonium, aangekocht van Ds. Harsteen te Roubaix, in wiens kerk het geruimen tijd was gebezigd. Rond de kerk ligt het kerkhof, een gedeelte daarvan was in 1824 aangekocht van J. Pede. De gelden daarvoor kwamen van gemeenteleden en subsidie van het Rijk. Bij het bouwen eener nieuwe kerk is deze begraafplaats zeer vergroot geworden.
De Baron Bouwens van der Boijen, vroeger controleur te Oudenaarde, heeft op het kerkhof een grafkelder laten bouwen, waarin zijne twee kinderen en de ingewanden zijner vrouw rusten, haar lichaam is te Delft begraven. Op den grafkelder ligt een zerk, die het medegedeelde tot opschrift heeft. Rond den kelder is een eenvoudig latwerk, waartegen een paar treurwilgen
staan. De schotel en bekers, die men te Maria Hoorebeke bij het avondmaal gebruikt, zijn van zilver, waarin wapentropeeën zijn gegraveerd. Zij zijn een geschenk van het Hollandsche garnizoen, dat bij de opheffing van het bar-rière-tractaat in 1781 België verliet. Het tegenwoordige avondmaals-tafellaken en de servetten zijn een geschenk van Mevrouw William Wilford en de zilveren kan (electro plate) is aangekocht uit de collecte door Ds. Wagener. Vijf jaren lang is betwist geworden de nalatenschap van Mejuffrouw Van den Berghe. In 1841 werd zij door de rechtbank aan de kerkelijke Protestantsche gemeente toegekend. Het schoollokaal met de onderwijzerswoning werd in 181G gebouwd op kosten van het Hollandsche Gouvernement en gegeven aan de kerkelijke Protestantsche gemeente, die eigenares blijft.
En hiermede heb ik mijne taak volbracht, niet zonder moeite en navorsching. De lieve Heer sta steeds aan de zijde dier Protestantsche gemeente in België, doe leeraar, kerkeraad en leden bloeien in christelijke godsvrucht als de morgenster aan den hemel. Moge het medegedeelde bij het lezen de belangstelling in die oude boschgeuzen vermeerderen, dit is de hartewensch van hem die met de bede eindigt:
Groote God! Uw Koninkrijk komc! meer en meer, ook in ons. Ik heb gezegd.
6.4/6?