/
■v. 1.
/
ARNHEM — YBE YBES.
AA. oct
\'l a 5
VOLLEDIGE HANDLEIDING
TOT DE
KEKEN- EN SCHILDERKUNST
SCHILDERS EN LIEFHEBBERS
BEVATTENDE
HET OLIEVERW-SCHILDEREN, HET MINIATUUR- EX WATERVERWr
TEEKENEN, ALSMEDE HET TEEKENEN MET PASTELVERWEN EN DE KUNST OM BLOEMEN IN WATERVERW TE TEEKENEN EN KOPERPLAAT-DRUKKEN TE KLEUREN.
BENEVENS EEN AANHANGSEL OVER DE KUNST
VAN
BOETSEREN EN BEELDHOUWEN.
ONDER MEDEWERKING DER VOORNAAMSTE SCHILDERS UITGEGEVEN
DOOR DE
GEBROEDERS SüSSE.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1294 7630
ARNHEM — YBE YBES.
m
..Lin
TYP. P. A. GEURTS, NIJMEGEN.
INHOUD.
quot;N
HET OL1EVERW-SCHILDEREN VOOR GENRE-STUKKEN EN LANDSCHAPPEN.
Bladz.
Over het olieverw-schilderen ....... 1
Zaken tot het schilderen in olievenv benoodigd . . .2 Doek, paneelen, papier ........ 3
Verwen 3
Olieën ........... 4
Haar-penseel, gewoon penseel ....... 5
Eangschikking der verwen op het palet . . . . ,5 Voorloopige opmerkingen ........ 6
Het schilderen zelve 7
De grond ........... 9
Aanwending der verwen ........ 9
Over het landschap-schilderen in het algemeen . . . .13 Aanwending der verwen . . . . . . .13
Studiën naar de natuur ........ 13
De schetsen . . . . . . . . ^
De ledepop (mannequin) ........ 14
Het vernissen der schilderstukken......16
Om eene teekening te vergrooten of te verkleinen . . .16
Bladz.
Toebereiding van het doek, de paneelen en het papier .17
Wijze om het vernis van schilderstukken af te doen . . .17 Methode, om het vernis door wijngeest weg te nemen . .18
HET MINIATUUR- EN AQUAREL-SCHILDEREN VOOR PORTRETTEN.
Plet miniatuur-schilderen . . . . . . . .19 Zaken, welke tot het miniatuur-schilderen benoodigd zijn . .19 Verwen ........... 20
De peuseelen...... . . ■ .21
Het ivoor...............21
Het week maken van het ivoor. . . . .21
Het polijsten .......... 22
Voorloopige opmerkingen . . . . . .22
De bewerking van het miniatuur-schilderen . . . .23 Eerste gedeelte. Vleeschkleur bij jongelieden . . . .25 Tweede gedeelte. Vleeschkleur der vrouwen en kinderen . . 25 Berde gedeelte. Vleeschkleur der grijsaards . . . .26 Haren ........... 27
Blond haar .......... 27
Kastanjebruin haar . . . . . .27
Zwart haar .......... 27
Grijs haar. .......... 28
De achtergrond. . . . . . . • . .28 Kleeding en bijzaken. . . . . . -28
Het portretteren in waterverw . . . .30
Benoodigde gereedschappen . . .31
De verwen .......... 32
Penseelen ................32
Papier ........... 33
Het opspannen van het papier . . . .33
Het waterverw-teekenen zelve . . . . . • .33
Aanwending der verwen........35
Het schilderen naar de natuur . . . . . .35
Eecept voor gomwater . . . . . • . -36
INHOUD.
HET WATERVERW-TEEKENEN VOOR GENRE-STOKKEN EN
LANDSCHAPPEN.
Bladz.
Waterverw-teekenen . . . . . . . . .36 Benoodigde gereedschappen . . . . . . .37 Verwen ........... 38
Papier ........... 38
Opspanramen, plankjes en bordpapier . . . .39
De penseelen .......... 39
Het palet ........... 40
Uitvoering van het waterverw-teekenen . . . . .40 Landschappen en zeestukken ...... .40
Genre-stukkeu .......... 43
AANWENDING EN VERMENGING DER VERWEN.
Landschappen ep zeestukken . . . . . .43
Genre-stukken .......... 44
Schilderen in dekverw ........ 46
Het wasschen met sepia ........ 46
Studiën naar de natuur ........ 47
Het teekenen in waterverw van bloemen, vruchten, enz. . . 48 Het velinpapier ......... 49
De penseelen .......... 49
Verwen ........... 49
Het kleuren van steendrukplaten . . . . .50
Teekenen op rijstpapier ........ 50
HET TEEKENEN MET PASTELVERWEN, DOEZELAARS, POTLOOD EN DE DRIE SOORTEN VAN KRIJT.
Over de verschillende wijzen van teekenen met krijt. . . 51 Het teekenen met pastelpennen. . . . . . .53 Noodige zaken voor het pastel-teekenen . . . . .53 Pastelpennen .......... 53
Zwartkrijt-pennen ......... 53
Papier...........53
Y
INHODD.
Bladz.
Doezelaars. .......... 54
Pastel-teekening. ......... 54
Achtergronden . . . . . . . . . .56 Aanwending der pastelverwen . . . . . . .56 Het teekenen met den doezelaar . . . .57
Papier ........... 58
Doezelaars. .......... 58
Teekenkrijt .......... 58
Het werken met den doezelaar . . . .... 59
Het teekenen met potlood. . . . . . . .60 Papier ........... 60
Potlooden ........... 61
Uitvoering van het teekenen met potlood . . . . .61 Het teekenen met de drie soorten van krijt . . . .63 Opspannen van het papier . . . . . . .63 Handelwijze om de teekeningen in zwart krijt duurzaam te maken. 63
■ DE KUNST OM BLOEMEN IN quot;WATERVERW TE TEEKENEN EN KOPERPLAAT-DKUKKEN TE KLEUREN.
Over het het velinpapier . . . . . . . .64 Verwen en derzelver toebereiding . . . . . . 64 Penseelen ........... 65
Palet. ........... 66
Het beginnen der teekening en het leggen van den grond . 66 Van het aanleggen . . . . . . . . .67 Van het empateren ......... 67
Van het afwerken ......... 67
De kunst om koperplaat-drukken te kleuren . . .68
Penseelen en verwen. ........ 68
Uitvoering .......... 68
HET BOETSEREN EN BEELDHOUWEN.
Over het beeldhouwen ........ 69
Zaken benoodigd voor den beeldhouwer . . . . .70
VI
v
1XII0UD.
Bladz.
Het beeldhouwen zelve . . ...... 70
Het boetseren in het algemeen. . . .71
Over de evenredigheden . . . . . . . .71 Boetseren in aarde ......... 71
Boetseren in was . . . . . .73
Van het afgieten 73
Het gips tot afgietsels ........ 78
Het afgietsel, waarbij de gietvorm verloren gaat . . .74 Het schoon- en gereedmaken van den gietvorm . . .76 Gieten van het gips ......... 76
Het uit den vorm nemen van het proefstuk . . .76
Verbetering van het afgietsel . . . . .77
Afgietsel, waarbij de gietvorm behouden wordt . . .77
Het gieten ........ . . 78 ^
Het in een zettten van het proefstuk . , . . .79 Het wegnemen der naden ........ 79
Afgietsel naar de natuur . . . . , . . .79 Bronzen van het gips . . ...... 80
Om gips te verzilveren of te vergulden . . . . .80 Schoonmaken van het gips . ...... 81
Het kleuren van het gips . . . . . . .81
Over gebrande aarde ........ 81
Het beeldhouwen in marmer . . . . . .81
Noodige zaken tot het beeldhouwen . . . . . .83 Bewerking van het marmer . . . . .83
Het snijden in albast . . . . . . 83
Het snijden in hout . . . . .83
vir
HET OLIEVERW-SCHILDEREN
VOOR
GENRE-STUKKEN EN LANDSCHAPPEN.
Reeds zeer veei is er over het olievenv-schilderen geschreven, en ofschoon onderscheidene beroemde kunstenaars zich hiermede bezig gehouden hebben, gelukte het echter slechts zeer weinigen zich zoo verstaanbaar voor hunne lezers te maken, dat deze eenig nut uit hunne werken konden trekken. Zonder de verdiensten van de verschillende schriften, die over dit onderwerp handelen, te willen betwisten, hebben bijna alle het weetgierige publiek slechts afgeschrikt, of door hunne te groote uitgebreidheid, of door eene te geleerde methode. Toen wij dus dit handboek in het licht gaven, was het ons doel zoowel kunstenaars als liefhebbers nuttig te zijn, en durven wij hopen, dat zij in dit werkje de beste ophelderingen zullen vinden, terwijl wij door ondervinding weten, van hoewel belang het is, om vooraf goede theoretische kennis te bezitten, alvorens tot\'de praktijk over te gaan. Moge niemand in gebreke blijven dezen weg in te slaan, en geenen tijd met het zoeken naar zaken verkwisten, die hij veel spoediger kan te weten komen. Het is echter geenszins ons gevoelen, dat men volgens een boek zoude kunnen schilderen, maar dit toch kunnen wij bepaald zeggen, dat goede theoretische kennis de studie gemakkelijker maakt en dezelve minder droog doet schijnen. Eene eenvoudige, duidelijke verklaring, eene goed doordachte methode, maken den grondslag van ons werkje
1
uit, dat, niettegenstaande deszelfs beknoptheid, alles bevatten zal, wat degenen, die hetzelve als leiddraad willen gebruiken, maar eenigzins van nut kan zijn; want het is niet voldoende, veel over een onderwerp geschreven te hebben, om hetzelve duidelijk te maken, dikwijls is de eenvoudigste verklaring de beste, inzonderheid in de kunst; hiernaar hebben wij vooral gestreefd, om ons voor iedereen verstaanbaar te maken.
ZAKEN, TOT HET SCHILDEREN IN OLIEVERW BENOODIGD.
1 Schilderezel.
1 modeldrager.
1 verwkwastje.
2 Paletmessen, een van ijzer, het andere van hoorn.
1 dubbel oliebakje.
1 palet !).
12 platte penseelen.
2 penseelen van marterhaar.
2 penseelen van dassenhaar van verschillende grootte.
1 kwast om te vernissen.
1 flesch vernis om te retoucheren.
1 flesch vernis voor schilderijen.
1 flesch lijnolie.
1 flesch papaverolié.
1 flesch terpentijnolie.
DOEK, PANEELEN, PAPIER.
De ouden schilderden op houten paneelen. Eerst in lateren tijd werd het doek hiertoe gebezigd, daar niettegenstaande de groote naauwkeurigheid, waarmede zij deze paneelen vervaardigden, dezelve in houten ramen besloten en met onveranderlijke zelfstandigheden toebereidden, deze paneelen echter door den tijd leden.
\') Het palet van eene langwerpige ovale gedaante moet, om ligt te zijn, uit notenboomenhout gemaakt zijn. Wanneer men ophoudt met werken moet het altijd met olie schoon gemaakt worden.
3
Tegenwoordig heeft men de bereiding van het doek op zulk eenen trap van volkomenheid gebragt, dat men aan hetzelve de voorkeur geeft, en zich slechts zeer zelden van paneelen bedient.
Het doek moet van hennip zijn, terwijl het een eerste ver-eischte is, dat het volkomen gespannen zij.
Men heeft tweeërlei soorten van ramen, gewone en met sleutels !); de laatste hebben nog, behalve dat zij sterker zijn, het voordeel, dat men het doek weder kan aanspannen, ingeval het slapper mogt zijn geworden. Nu en dan bezigt men ook tot het schilderen in olieverw papier, hetwelk even als het doek bereid is; uit hoofde van deszelfs geringeren prijs, is het voor studiën te verkiezen. Om het toe te bereiden moet het op een raam gespannen worden.
VERWEN.
De verwen k^men met olie gewreven en in kleine blaasjes in den handel voor; ofschoon men dezelve reeds geheel bereid kan verkrijgen, kan het onzen lezers niet onaangenaam zijn, de bereidingswijze der verwen te leeren kennen, want niet altijd kan men dezelve gemakkelijk en oogenblikkelijk bekomen, terwijl men op het platte land of op reis zijnde, als wanneer men de verwen slechts in poeder heeft, ze gemakkelijk zelf kan bereiden. Hiertoe bedient men zich van een palet en eenen glazen looper; de verwen worden met papaverolie gewreven; de graad van wrijfbaarheid hangt alleen af van derzelver meer of minder steen-achtigen aard, waarvan men zich gemakkelijk kan overtuigen, door een weinig verw tusschen de vingers te\'nemen; slechts dan zijn zij volkomen fijn gewreven, wanneer men geene enkele korrel meer kan voelen.
Om de verw op bet midden van het palet bijeen te verzamelen, bedient men zich van een mes, waarvan men twee soorten heeft, te weten: van ijzer en van hoorn; het laatste wordt bij dieverij Zoo noemt men kleine stukjes hout, die in de hoeken van het raam aan-gebragt zijn en dienen, om dit vaster aan te spannen, hetwelk men door middel van hamerslagen doet.
4
wen gebruikt, die het ijzer zouden kunnen oxyderen, bij wit, napelsch-geel, chroom-geel en de okersoorten. Bij de overige verwen kan men zonder nadeel een ijzeren mes gebruiken. Doet men de verwen, die men pas gewreven heeft, niet onmiddellijk in het blaasje, dan kan men ze ook in goed gesloten potjes van aardewerk bewaren. Om de verwen in de blaasjes zoo lang mogelijk verseh te houden, moet men deze blaasjes in eene houten doos of in een glazen vat bewaren, hetgeen verkieslijker is dan in eene blikken doos, daar, zoo als de ondervinding leert, het blik de warmte meer doorlaat.
Wij zullen nu de voornaamste verwen, die wij aanraden om te gebruiken, opgeven.
|
Kremserwit. Loodwit. Napelsch-geel (glimmend). „ „ (gewoon). Chroom-geel. Mineraal-geel. Gele oker. Oker van Berry. Gebrande terra-sienna. Natuurlijke „ „ Natuurlijke italiaansche aarde. Gebrande „ „ Bruin-rood. Zinnaber. |
Engelsch rood. Gebrande omber. Karmjjnlak. Kraplak. Gewoon lak. Geel lak. Kobalt-blaauw. Ultramarin. Mineraal-blaauw. Berlijnsch-blaauw Smaragd-groen. Asphalt (Bitumen). Perzikepittenzwart Ivoorzwart. |
OLIEËN.
Tot het schilderen bedient men zich van twee soorten van olieën: de blanke of papaverolie en de vette of lijnolie; de laatste is zeer opdroogend, en men gebruikt dezelve daarom bij verwen die langzaam droogen, de zwarte, de bruine cn het lak. De blanke olie is insgelijks opdroogend, doch in mindere mate, en men bezigt dezelve om die reden bij de overige verwen, die spoediger droogen.
5
HAAR-PENSEEL, GEWOON PENSEEL.
Van beiden heeft men onderscheidene soorten. Vooreerst de haarpenseelen van varkensborstels; deze zijn stomp of puntig. De eerste gebruikt men voor het ontwerpen en het aanleggen van groote partijen; de puntige en inzonderheid de kleinste voor fijne partijen en tot het opwerken.
Men heeft ook penseelen van marterhaar en van haar van het graauwe eekhorentje, en wel stompe en puntige; de eerste zijn voor fijn werk te verkiezen. De tinten maakt men met het das-penseel, terwijl men eindelijk met eenen breeden, platten kwast vernist. De haarpenseelen maakt men met groene zeep schoon. Hiertoe neemt men een weinig zeep in de hand, wrijft daarmede alle de penseelen en droogt dezelve vervolgens zorgvuldig af. Het is noodzakelijk, om dit onmiddellijk te doen, nadat men ophoudt met schilderen, daar de verw spoedig in de penseelen droogt, en men dezelve alsdan niet zoo gemakkelijk schoon kan maken. Indien iften dit echter uit onachtzaamheid eenige dagen mogt verzuimd hebben, laat men de penseelen eenigen tijd in olie liggen en maakt dezelve vervolgens op de genoemde wijze schoon. Terwijl men schildert is het voldoende om het penseel in olie te dompelen en met een lapje af te droogen, alvorens men hetzelve in de verw brengt. Gebruikt men een vernispen-seel en is het droog, dan laat men hetzelve eenigen tijd in wijngeest weeken, doch droogt het goed af, alvorens men vernist.
RANGSCHIKKING DER VERWEN OP HET PALET.
Eerst bevestigt men het dubbele oliebakje op het palet, digt bij de opening, in welke men den duim houdt. Vervolgens plaatst men de verwen, terwijl men van de regterzijde naar de linkerzijde begint. Het midden van het palet houdt men vrij tot het vermengen der verwen. Eindelijk, om zich het werk gemakkelijker te maken, neemt men de volgende rangschikking in acht: men begint met de witte verw, vervolgens lichtgeel, de donkere verwen, de aarden, de roode verwen, de lakken, de bruine, de zwarte en eindelijk ten laatste de blaauwe verwen.
6
VOORLOOPIGE OPMERKINGEN.
Vooreerst kieze men een geschikt licht. Om zekere uitkomsten te verkrijgen, is de goede verdeeling van het licht onvermijdelijk noodzakelijk. Het licht moet niet te sterk zijn, deels om de te groote lichtmassa te vermijden, gedeeltelijk om de oogen niet te vermoeijen.
Men moet zooveel mogelijk het licht van boven laten vallen, en de plaatsing naar het noorden is de beste. Is het venster naar het zuiden gelegen en bijgevolg aan de zonnestralen blootgesteld, dan moet men een wit gordijn voor hetzelve hangen, daar het anders onmogelijk zoude zijn om te kunnen schilderen.
Schildert men naar de natuur, dan is het noodzakelijk, dat men zich ongeveer op eenen twee en eene halve maal grooteren afstand van het voorwerp plaatse, dan de hoogte van hetzelve bedraagt; slechts op deze wijze laat zich de uitwerking der massa\'s en van het geheel berekenen; even zoo moet men zich ook, om zijn werk goed te beoordeelen, nu en dan van hetzelve verwijderen.
Van belang is het ook op eene verschillende manier te werk te gaan, naar gelang van het voorwerp der studie. Gestoffeerde stukken of genre-stukken, vereischen eene uitvoeriger bewerking dan het portret, wanneer dit levensgroot genomen wordt. Bij het historie-schilderen zoekt men massa\'s en uitwerking, zonder zich veel om de meer uitvoerige bewerking der afzonderlijke dee-len te bekommeren.
De uitwerking van de perspectief maakt deze onderscheidene manieren noodzakelijk, en kunstenaars, hetzij zij zich slechts met eene soort van schilderen bezig houden, of in alle werken, moeten zich met deze regelen der kunst ten volle bekend maken. Het is voor de leerlingen van het meeste belang om zich eene goede wijze van behandeling eigen te maken, al leggen zij zich hetgeen altijd het geval is, slechts op eene soort van schilderen toe; want zoo gemakkelijk het is, om zich naar de vereischten van het kleine te schikken, even zoo moeijelijk is het, om de manier te veranderen, wanneer men aan een te bekrompen werken gewoon is.
7
HET SCHILDEREN ZELVE.
Het is om zoo te spreken, onmogelijk om in de kunsten stellige regels aan te geven voor de wijze van behandeling bij het werken zelve, ofschoon men zich naar ecnige algemeene voorschriften kan regelen. Elk kunstenaar heeft zijne eigene manier; juist deze moet iedereen trachten te verkrijgen. In de eerste plaats moet men oorspronkeljjk zijn; dit maakt eigenlijk den waren kunstenaar uit.
Men moet derhalve aan het genie de middelen overlaten om zich te verheffen, doch hetzelve nimmer wetten stellen. De kunstenaar bestudere de meesterwerken der oude en nieuwe scholen, en neme slechts dat uit dezelve over, wat hem van nut kan zijn, om zich eene eigene manier te verschaffen.
In het olieverw-schilderen, even als in alle andere kunsten, vindt men onderscheidene wijzen van uitvoering. Vele kunstenaars leggen den grond met volle hand en gaan dan tot het glaseren over, om de schaduw doorschijnendheid te geven; anderen daarentegen bewerken de schaduwpartijen met alle doorschijnende toonen, terwijl zij zorgvuldig vermijden om er donkere verwen in te brengen.
Zoo als wij reeds zeiden, zijn alle methoden goed wanneer men ze slechts met het vereischte talent behandelt.
Voor ons klein handboek kozen wij bij voorkeur eene eenvoudige doordachte methode, welke het eerste werk van den leerling gemakkelijker kan maken, en die hij zonder moeijelijkheid kan volgen.
quot;Wij beginnen met op te geven hoe men op\' de gemakkelijkste wijze eene schets kan maken; daar de schets de hoofdzaak in het schilderen is en alles hierop rust, vordert zij ook de meeste oplettendheid.
Tot het maken der eerste omtrekken bedient men zich van wit krijt, welke men zeer ligt met potlood overtrekt, om dezelve beter te doen houden. Om de schaduwen aan te leggen en om over de uitwerking van het geheel te oordeelen, wrijft men een weinig aardpek en vette olie te zamen, en duidt dezelve breed,
echter met de grootste naauwkeurigheid aan, en Iaat nu dit eerste werk droogen.
Vervolgens ontwerpt men met eene zekere stoutheid, alle partijen op eens, dekt de schaduwpartijen met doorschijnende too-nen, die met de vereischte donkere verwen ligt vermengd zijn; even zoo gaat men met de lichte partijen te werk, zonder de verw er te dik op te leggen, om bij het overschilderen niet te moeten enipateren. Voor de schaduwpartijen vermengt men de verwen met vette olie, en voor de lichte partijen met blanke olie.
Het is van belang om bij deze eerste bewerking niet te dikwijls op de schaduwpartijen terug te komen, ten einde zij behoorlijk zouden kunnen droogen. Bij het eerste aanleggen trachte men zooveel mogelijk met eene streek te werken, inzonderheid wat betreft de schaduw^partijen, om een gekunsteld werk, dat geene goede uitwerking maakt en de harmonie van het geheel stoort, te vermijden.
Is het geheel behoorlijk gevorderd, dan begint men weder te schilderen, terwijl men zoo weinig als mogelijk is olie gebruikt, en den.vorm en het model naauwkeurig tracht weder te geven.
Het olieverw-schilderen bezit wel het voordeel, dat men altijd kan overschilderen, doch moet men dit zorgvuldig trachten te vermijden en, zoo als wij reeds zeiden, zoo veel mogelijk, met de eerste streek trachten te werken. Ten dien einde moet men van zijn werk geheel doordrongen zijn, en naauwkeurig aan zijn model de verschillende uitwerkingen van de speling van licht en schaduw opzoeken.
Van bijzonder belang is het om te vermijden, dat eene verw niet inschiet, waardoor matte, doffe vlekken ontstaan; dit is een gevolg van het te dikwijls overschilderen. In dat geval bezigt men alsdan tot overschilderen vernis; dit geeft aan de verwen den vereischten glans, om later over hare uitwerking te kunnen oordeelen, en maakt dat het werk spoediger voleindigd kan worden. Niettegenstaande het voordeel, hetwelk deze aanwending van het vernis oplevert, moet men hetzelve echter zoo weinig mogelijk, en slechts dan, wanneer het onvermijdelijk noodzakelijk is, gebruiken.
9
DE GROND.
In het schilderen is de achtergrond van eene schilderij van het grootste gewigt en verdient daarom alle aandacht van den leerling; naarmate hij het voorwerp laat uitkomen, bepaalt hij deszelfs kracht.
In een historie-stuk of genre-schilderij wordt de achtergrond van het landschap of van gebouwen zeer moeijelijk, daar dezelve eene naauwkeurige perspectief vereischt, waartoe diepe kennis in dit belangrijk, doch even zoo moeijelijk gedeelte der kunst verondersteld wordt. \') Bij het portret, ofschoon de grond hier veel minder moeijelijk schijnt, is het echter ook noodzakelijk, de meeste oplettendheid op de behoorlijke uitwerking van het licht te besteden.
De achtergrond moet altijd noodzakelijk in overeenstemming met het te schilderen voorwerp zijn; de leerling moet dus in de eerste plaats er naar trachten, om denzelven die uitwerking te geven, die het hoofdvoorwerp krachtig doet uitkomen. In dit opzigt verdienen bij het portret de volgende toonen de voorkeur: donkergrijs, groen, donkergeel en anderen, die men echter altijd hoogst doorschijnend moet houden.
AANWENDING DEK VERWEN.
Het is uiterst moeijelijk en bijna onmogelijk, eene methode op te geven, die men bij het maken van het coloriet volgen moet;, hiertoe wordt genie vereischt en men zoude dikwijls in verlegenheid zijn op te geven, hoe men hiertoe zoude kunnen geraken. Niettegenstaande de waarheid van dit gezegde, zullen wij, om de studie gemakkelijker en minder afgetrokken te maken,, opgeven, op welke wijze de hoofdmengsels gemaakt moeten worden, de leerling zal hieruit algemeene kennis kunnen opdoen.
Wij beginnen met de aanwending der vleeschkleuren en zullen vervolgens tot de hoofdmengsels overgaan.
^ Over de perspectief zal men het werk van Thenot kunnea raadplegen.
10
Nadat de eerste aanleg goed droog is, bewerkt men op nieuw de schaduwpartijen met de aardhars of het zwart, gemengd met bruin-rood en de gebrande terra-siena, en tempert door kobalt en gelen oker.
Yoor geelachtige tinten en lichte partijen bezigt men den oker, met wit en een weinig zinnaber vermengd. Bij de roode tinten moeten de gebrande verwen de eerste plaats bekleeden; voor zeer gekleurd vleesch voegt men er het lak bij. Voor halve tinten vermengt men de lichte verwen met de aarden, den oker en het kobalt. Voor weerschijnen (reflexien) bezigt men dezelfde verwen, doch voegt er nog den toon bij, dien het voorwerp, hetwelk men schildert, terugkaatst. Om de schaduwpartijen te voltooijen, bezigt men dezelfde verwen, als voor de halve tinten; vervolgens gaat men over tot het opbrengen van het licht en van de lichte punten. Wij zullen nu de middelen opgeven om de hoofdverwen te verkrijgen.
Voor een wit ligchaam. De schaduwpartijen worden verkregen door wit, menie en kobalt, getemperd door den oker; de lichte partijen door wit en den oker, met lak vermengd, de halve tinten door dezelfde verwen als de schaduwen, met eenen boventoon van kobalt; de wfeêrschijnen door dezelfde toonen, welke schaduw en liebt zamenstellen, veranderd door de verwen, die dezelve omgeven.
Voor de hlaauwe Teleur. De schaduwen bestaan uit berlijnsch-blaauw, gebrande terra-siena en een weinig lak of wit, dit bepaalt de schakering van het blaauw; de lichte partijen uit wit, berlijnsch-blaauw, kobalt of ultramarin en een weinig lak; de halve tinten uit dezelfde verwen als de schaduwen, terwijl men er wit en een weinig meer lak bijvoegt; de weerschijnen uit oker en wit, getemperd door de omringende verwen; het licht uit dezelfde verwen, als voor de lichte partijen echter met minder lak.
Voor de gele kleur. De schaduwen worden verkregen door aardpek en de terra-siena; de lichte partijen door gelen oker, wit en napelsch-geel; de halve tinten en de weerschijnen door dezelfde verwen, terwijl men er een weinig gebrande terra-siena
11
en eene stip bruin-rood bijvoegt; het licht door wit en gelen oker.
Voor het roze-rood. De schaduwen worden gemaakt met lak en een weinig aardpek; de lichte partijen met wit, het lak en eene stip van gelen oker of napelsch-geel, de halve tinten door dezelfde verwen en kobalt; de weerschijnen met dezelfde verwen met eenen boventoon van geel en van de omringende kleur; het licht met wit en lak.
Voor de violette kleur. De schaduwen verkrijgt men door aardpek, de blaauwe verwen en lak; de lichte partijen door blaauw, lak en wit; de halve tinten en de weerschijnen door dezelfde kleuren, met een gering bjjvoegsel van gelen oker of napelsch-geel ; het licht door wit, lak en kobalt.
Voor de roode kleur. De schaduwen worden verkregen door aardpek en lak; de lichte partijen door scharlakenrood en een weinig lak; de halve tinten en weêrschijnen door lak en zinnaber; het licht met scharlakenrood vermengd met eene stip van lak en wit.
gt;s
Voor de bruine kleur. De schaduw verkrijgt men door aardpek; het zwart, de gebrande terra-siena en bruin-rood; de lichte partijen door dezelfde verwen vermengd met wit; de halve tinten en weêrschijnen door dezelfde verwen, echter voegt men er oker en lichtgeel bij; het licht door dezelfde verwen als bij de lichte partijen.
Voor de groene kleur. De schaduwen maakt men door aardpek, de biaauwe en gele verwen; het licht door de blaauwe verwen, de meer ondoorschijnende gele en dikwijls witte verwen, wanneer het een lichter groen is; de halve tinten en weêrschijnen door licht blaauw en licht geel.
Voor de zwarte kleur. De schaduwen worden verkregen door aardpek, zwart en een weinig lak; de lichtste partijen door dezelfde verwen en een weinig blaauw; de halve tinten en weêrschijnen door dezelfde verwen, vermengd met wit, lichtgeel en bruin, het licht door zwart, lak, blaauw en wit.
Ten laatste komt het glazuur ^, waartoe men de doorschij-
\') Onder glazuur verstaat men elke ligte tint, welke vereiseht wordt, om doorschijnendheid en harmonie te geven. Het bestaat uit een weinig verw en veel olie, blanke voor de lichte en vette voor de schaduwpartijen.
12
nendste verwen, de aarden, het lak en blaauwe verwen neemt. De dunnere stoffen, welke zich van den achtergrond verheffen, moeten het laatste na de geheele voltooijing van dezen laatsten gemaakt worden. Hiertoe bezigt men de meest doorschijnende blaauwe en grijsachtige toonen. Wit met een weinig oker geeft de lichtpartijen.
Bij de haren, om dezelve ligtheid te geven, is het eveneens noodzakelijk, om de omtrekken eerst na de voltooijing van den achtergrond af te werken. Om alle hardheid te vermijden is het van een bijzonder belang, dat de omtrekken als \'t ware nevelachtig in den achtergrond overgaan, die altijd te gelijk met de overige partijen afgewerkt moet worden.
OVER HET LANDSCHAP-SCHILDEREN IN HET ALGEMEEN.
De voorschriften, welke wij over de aanwending der verwen, de penseelen enz. reeds gegeven hebben, zijn voor het landschapschilderen dezelfde als voor het genre-schilderen. quot;Wij gaan alzoo dadelijk tot de behandeling zelve over.
Hetzij men naar de natuur schildert of slechts eene schilderij copiëert, zoo moet men altijd met het aanleggen van de lucht en den achtergrond beginnen, het spreekt van zelve eerst nadat men naauwkeurig en volgens de regelen der perspectief het te maken landschap op het doek geteekend heeft. Men maakt vervolgens de zwaardere partijen van boomen, grond en gebouwen, welke men nu reeds de begeerde uitdrukking tracht te geven. Ten dien einde bezigt men de warme roodachtige toonen, om het groen, hetwelk hierop later moet gebragt worden niet te rood te doen zijn.
Het is onnut, om het licht en het doorbrokene in het loof uit te sparen, hierop komt men buitendien bij het voltooijen van het loof terug, hetwelk altijd iets van de omringende kleur dei-lucht moet hebben. Evenzoo is het met den grond en de gebouwen, inzonderheid in de schaduw gelegen, welke men altijd eenen weerschijn moet geven, daar zij zich anders te hard en als van de lucht en den achtergrond afgesneden zouden vertoonen,
13
waardoor de harmonie, die toch eene der eerste eigenschappen eener goede schilderij is, zoude lijden.
AANWENDING DER VERWEN.
Het levendige groen wordt verkregen door berlijnsch blaauw, met meer of minder donker geel vermengd; het zachte groen door ultramarin of kobalt en gele verwen ; het groen in de schaduw door blaauw-zwart en geel; het roodachtig groen door zwart en de natuurlijke of gebrande terra-sienna. Voor den achtergrond neemt men inzonderheid kobalt vermengd met lak, meekrap en wit.
Het is van belang dat de schakeringen bij de boomen en den grond in dezelfde mate aan den tint der lucht deelnemen, als zij wijken.
De lucht maakt men door penseelstreken, die men later door middel van den daskwast in een laat vloeijen. De lichte wolken worden hierover geschilderd; hiertoe neemt men kobalt, wit en eene stip van lak. Voor donkere wolken bedient men zich van kobalt, vermengd met zwart, lak of gelen oker, dezelfde verwen ook dikwijls voor de warme tinten van den gezigtseinder.
De grond, de gebouwen en de boomen, die zich in hun geheel op dén voorgrond bevinden, moeten geëmpateerd opgebragt worden, ten einde den achtergrond meer te doen wijken.
STUDIËN KAAR DE NATDÜR.
De studiën naar de natuur zijn uiterst belangrijk en vorderen daarom alle aandacht der leerlingen. Noch tijd nog moeite mag men sparen; men gewenne zich steeds aan eene uitgestrekte bevatting, om gemakkelijk de uitvoering te verkrijgen. Ook moet men trachten met de meeste naauwkeurigheid te copiëeren, en liever zich met eene afzonderlijke partij te vergenoegen, dan te spoedig een geheel te zoeken. De leerling moet niet slechts zijne studiën tot het naakte bepalen, maar ook tot kleeding en alle levenlooze voorwerpen uitstrekken.
14
Bij landschappen en zee-stukken moeten de lucht, de boomen en het water voorwerpen van de ijverigste studie uitmaken, welke nimmer te ver gedreven kan worden. De speling van het licht, welke hier zoo zeer in aanmerking komt, moet ook afzonderlijk bestudeerd worden. Daarom moet men alle deszelfs uitwerkingen naauwkeurig berekenen en oplettend nagaan.
de schetsex.
Schetsen noemt men het eerste ontwerp eener compositie, die tot eeue schilderij dienen moet, zij zijn onontbeerlijk voor de studiën, want niet alleen geven zij ons de middelen aan de hand, om te leeren componeren, maar houden ook de verbeeldingskracht levendig en maken de uitvoering gemakkelijker.
In alle takken der schilderkunst zijn de schetsen van groot nut. Zij voltooijen de studie in de eerste plaats, verfijnen daarenboven den smaak en versterken het oordeel; daarom sporen wij allen, die zich met de schilderkunst bezig houden, ernstig hiertoe aan, en verzekeren, dat men nimmer genoeg schetsen kan maken. Men late zich in het begin volstrekt niet verontmoedigen, integendeel volharde men, en men zal, zooveel te spoediger het doel bereiken. En inderdaad is ook dit gedeelte van het werk van groot belang; inzonderheid bestudere men naauwkeurig de natuur en geve zich steeds rekenschap van de uitwerking, welke men wil verkrijgen; slechts op deze wijze geraakt men tot eene gunstige uitkomst. In de kunsten maakt de. waarneming alles uit, en het genie is in zoo verre scheppend, als het van het ware doordrongen en bezield is.
de ledepop (mannequin).
Deze is alleen noodzakelijk, om de afzonderlijke deelen van de kleeding te voltooijen, die men niet genoegzaam op het model kan bestuderen; echter moet men zoo weinig mogelijk aan hetzelve den vorm en de beweging der kleeding zoeken, want ligt zoude men daaraan valsche aanduidingen vinden, dewijl de schik-
15
king dezer bijzaken eene vrucht van de verbeeldingskracht en den smaak van den kunstenaar is. De kleeding is van groot belang voor de uitwerking van het geheel en vereischt dus eene naauwkeurige studie. Om steeds zeker van zijn werk te zijn, teekent men met krijt of pastel in eene losse- schets en naar het model de hoofdvormen, alsmede de speling van licht en schaduw aan.
Bij deze methode kan men alsdan met meer zekerheid naar de ledepop werken, echter is het verkieslijker, zich zoo veel mogelijk naar het model te rigten. Niettegenstaande de naauw-keurigheid waarmede men bij de behandeling van de onderscheidene partijen der kleeding te werk moet gaan, kan men dezelve uitvoeriger bewerken dan de vleeschpartijen. Zij moeten met eene zekere stoutheid en vlugheid behandeld worden, en ten dien einde moet men bijzondere studiën van de kleeding naar de natuur gemaakt hebben; slechts op deze wijze wordt men aan eene breede behandeling gewoon, welke eigenschap inzonderheid voor de historie-schilders vereischt wordt. Van minder belang is dit voor den genre-schilder; echter moet men in het olieverw-schilderen, zoo als wij reeds gezegd hebben, steeds naar uitdrukking zelfs vóór de voltooijing van het stuk streven; altijd heeft men de middelen in de hand om hetzelve te voltooijen; is men echter te uitvoerig, dan vervalt men in eene gebrekkige manier, en gewent zich, volgens de technische uitdrukking, aan een gemaniëreerd werk.
Poppen noemt men kleine figuren van hout, welke men naauw-keurig alle houdingen van het menschelijk ligchaam kan geven. Men bedient zich van dezelze tot het opzoeken van bewegingen, welke men juist van noode heeft, en vermijdt daardoor om ge-dwongene en onnatuurlijke houdingen te geven. De plaatsing eener groep en de uitwerking van de vereischte perspectief in het schilderij maakt men zich veel gemakkelijker wanneer men zich kleine poppen van was vervaardigt. In het algemeen moeten schilders zich altijd een weinig op het beeldhouwen toeleggen; zij kunnen dan ook op eene grootere maatstaf figuren uit klei maken, die zij een gedeelte der kleeding kunnen aantrekken.
16
HET VERNISSEN DER SCHILDERSTUKKEN.
Het vernissen is bij het olieverw-schilderen van groot belang, en moet daarom met de meeste zorgvuldigheid gedaan worden. Vooreerst is het noodzakelijk dat het schilderstuk volkomen droog zij. Het schaadt volstrekt niet, om met het vernissen 5 of 6 maanden te ■wachtei:. Ongelukkigerwijze volgt men niet altijd dezen regel, en hoe vele schilderstukken lijden niet bij het onmiddellijk vernissen. Het geschilderde wordt donker en berstig. Er komen wel gevallen voor, waarin men niet anders kan handelen, doch men trachte het echter zooveel als mogelijk is te vermijden. Ook moet men het schilderstuk niet te dik met vernis bedekken, doch slechts zooveel als noodig is, om de uitwerking der kleuren, die zij verloren hebben, weder te geven. Twee malen het stuk te vernissen is voldoende, slechts wachte men tot de eerste laag vernis volkomen droog is. Het vernissen geschiedt met de platte breede kwast, door eerst naar alle kanten van het doek in het rond te strijken en met regelmatige streken tè eindigen.
OM EENE TEEKENING IE VERGROOTEN OF TE VERKLEINEN.
Wil men eene schilderij copiëeren en wel op eene grootere of kleinere schaal, dan moet men, om zeker van de juistheid der evenredigheden te zijn, het in een aantal van gelijke vierkanten verdeelen, hiertoe neemt men draden, welke men met een weinig was aan de lijst van het schilderij bevestigt. Heeft men deze verdeeling gemaakt, dan maakt men op zijn papier of doek evenveel vierkanten door middel van liniaal en krijt, die in dezelfde mate grooter of kleiner dan de eerste zijn, als men de copij grooter of kleiner dan het origineel begeert. Nu teekent men in elk vierkant hetzelfde gedeelte, dat in het overeenkomstige vierkant van het origineel voorkomt. Deze methode is zeer goed, zij vereenvoudigt den arbeid en maakt denzelven veel zekerder. Men vermijde zooveel mogelijk het calceren, ten minste zoo lang als men vorderingen in het teekenen wil maken.
17
TOEBEREIDING TA2s\' HET DOEK, DE PANEELEN EN HET PAPIER.
Eerst brengt men door middel van een mes lijderlijm op het doek, paneel of papier. De hoofdzaak is, dat de lijm er zoo veel mogelijk gelijkmatig worde opgebragt. Zoodra de lijm droog is, wrijft men met puimsteen alle oneffenheden af en bestrijkt vervolgens de gladgemaakte vlakte met loodwit, dat met olie gewreven is. Deze laatste bewerking herhaalt men drie tot vier malen en wrijft telkens de vlakte met puimsteen glad. Wil men deze bereiding onmiddollijk eenen tint mededeelen en dezelve eenen warmeren toon geven, dan voegt men er een weinig oker bij, doch slechts zoo veel als van noode is om den tint van het chineesche papier te verkrijgen.
Doorgaans is het voordeeliger, het bereide linnen te koopen.
WIJZE 051 HET VERNIS VAN SCHILDERSTUKKEN AF TE DOEN.
Is een vernis reeds te geel geworden, en wil men op nieuw vernissen, of heeft het vernis scheuren gekregen, zoodat de schilderij daaronder lijdt, dan moet hetzelve weggenomen worden.
Hiervoor bestaan twee methoden.
De eerste bestaat hierin, dat men het vernis met de vingers op de volgende wijze wegneemt: men legt het schilderstuk voor zich op eene tafel, en begint nu in eenen hoek in het rond te wrijven. Dikwijls gaat hierdoor het vernis van zelf als stof weg. Men maakt zich het werk gemakkelijker, wanneer men er een weinig sandarak op strooit. Men wrijft gelijkmatig en altijd met de vingers voort, terwijl men van tijd tot tijd het als stof afgewreven vernis met een linnen doekje wegveegt. Hoe meer de bewerking ten einde loopt, des te zachter moet men wrijven, inzonderheid aan de lichte en ruwe plaatsen, en om niets van het glazuur mede te nemen. Is de schilderij geheel van het vernis ontdaan, hetgeen men gemakkelijk uit den glans van het geschilderde ziet, welken men nu alleen op de plaatsen vindt, waar zich geen vernis bevindt, (terwijl de hiermede nog bedekte partijen mat toeschijnen) wascht men het schilderstuk met terpen-
2
18
tijnolie af; deze neemt het overige stof en de onzuiverheden mede.
Bevinden zich op het schilderstuk verhevenheden en holligheden , waarin de vinger niet dringen en alzoo het vernis niet verwijderen kan, dan neemt men een weinig wijngeest met terpentijnolie vermengd, doch men moet hierbij voorzigtig te werk gaan en onmiddellijk de plaats met een fijn lapje afdroogen. Is de bewerking geëindigd, dan vernist men het schilderstuk op de reeds opgegeven wijze.
METHODE, OM HET VERNIS DOOK WIJNGEEST WEG TE NEMEN.
Deze tweede methode is geschikt voor oude of ten minste voor zulke schilderstukken, die vóór eenige Jaren gemaakt zijn geworden. Bij hare aanwending moet men zeer voorzigtig zijn, daar men anders zeer gemakkelijk het glazuur, ook zelfs de verwen, medeneemt.
Men bevochtigt een klein popje van fijn linnen of boomwol met wijngeest, welke met een derde gedeelte terpentijnolie vermengd is; men wrijft nu hiermede zacht over de plaats, welke men van vernis wil ontdoen, en na verloop van 7 of 8 seconden droogt men deze met een soortgelijk popje, dat in enkele terpentijnolie gedompeld is, af; en op deze wijze gaat men over de geheele schilderij voort. Om zich te verzekeren dat geen vernis meer achtergebleven is, bestrijkt men de geheele schilderij met terpentijnolie en droogt ze vervolgens af. Is er nog vernis blijven zitten, dan neemt men het even als in het begin met wijngeest,, gemengd met terpentijnolie, weg; vervolgens wascht men op nieuw de plaatsen met enkele terpentijnolie, droogt dezelve met een fijn lapje af, en vernist de plaatsen op de bekende wijze.
19
HET MINIATUUE- EN AQUAREL-SCHILDEEEN VOOR PORTRETTEN.
I HET MINIATUUR-SCHILDEREN.
Het miniatuur-schilderen heeft sinds langen tijd eenen welverdienden bijval gevonden; deszelfs talrijke geleerde voorstanders hebben krachtig medegewerkt, om hetzelve eene der eerste plaatsen onder de meest geachte takken der schilderkunst te verzekeren, en inderdaad, draagt niet alles bij, om hetzelve eenen werkelijken voorrang te geven? De heerlijke volledigheid van lt; • het werk, de waarheid der uitwerking, hoe komen deze niet de
natuur nabij ? Daarenboven het voordeel, van in deszelfs belangrijke voortbrengselen, de afbeeldsels dergenen, die ons dierbaar zijn, en van welke wij welligt voor altijd gescheiden zijn, te bezitten, dit alleen is voldoende om ons met dankbaarheid jegens die kunstenaars te vervullen, die tot deszelfs vooruitgang hebben bijgedragen. Isabey, Augustin en Saint, die zich in dit werk eenen onsterfelijken roem verwierven, hebben de regtmatige hoogachting sinds langen tijd wel verdiend; daarom waren wij ook van gevoelen, dat goede aanwijzingen, geput uit de school dezer verschillende meesters, van groot nut voor kunstenaars en liefhebbers, die zich aan de beoefening van dit gedeelte der schilderkunst wijden, moeten zijn. Wij gelooven niets vergeten te hebben, wat voor hen nuttig kon wezen, en hopen, dat dit hand-j boekje bijval bij het publiek moge vinden.
\' ZAKEN, WELKE TOT HET MINIATUUR-SCHILDEREN BENOODIGD ZIJN.
|
1 staande lessenaar, met groen saai bekleed en van een\' schuif-haak voorzien.
1 palet van ivoor, voorzien met de verwen, welke vervolgens opgegeven zullen worden.
1 palet van aardewerk voor de waterverwen.
20
1 paletmes.
4 penseelen van eekhoornhaar.
2 penseelen van zwart marterhaar, met breede stompe punt voor den achtergrond met dekverw.
2 penseelen van hetzelfde haar, doch kleiner en puntig voor de kleeding in dekverw.
1 krabmes.
1 lens \').
1 zakje met poeder van puimsteen 2).
1 fleschje met gomwater.
VERWEN.
De verwen, die men tot het miniatuur-schilderen bezigt, komen in schelpen voor; sommige kunstenaars brengen ze zelve op het palet, anderen laten dit werk aan de verwverkoopers over; doet men het echter zelf, dan maakt men zich het werk gemakkelijker, wanneer men de verwen in de volgende orde op het palet plaatst: eerst de witte, vervolgens de gele, de roode, de bruine en zwarte verwen. Men plaatst dezelve digt bij den rand van het palet, zoodat dit er rondom mede bezet is, naar binnen aan de beide einden doet men de blaauwe verwen; de ledige ruimte en het midden is tot het vermengen der verwen bestemd. De volgende opgaaf bevat alle de verwen tot het miniatuur-schilderen benoodigd.
Wit 3). 1 Goudgeel.
* Gele oker. * Zinnaber.
1
Het moet fijn gewreven en door eene zijden zeef gezift worden. Men vindt het reeds zoo toebereid bij alle verwverkoopers.
3) De met een sterretje aangeduide verwen behooren tot de vleeschpartijen en haren; de andere doet men op een afzonderlijk palet; men gebruikt deze laatste voor den achtergrond en het bijwerk.
21
|
* Roode oker. * Kraplak. * Karmijnlak. * Orpiment. * Oker van Berry. * Natuurlijke terra-sienna. * Gebrande terra-sienna. * Bister. * Sepia. * IJzerbruin. * Ultramarin. |
Geel oi-piment. Napelsch-geel. Kobalt. Sapgroen. Berlijnsch-blaauw. * Indigo. Guttegom. * Keulsche aarde. * Lampzwart. * IJzerbister. |
DE PENSEELEN.
Voor de vleeschpartijen, en in het algemeen voor alles wat gepointeerd wordt, neemt men penseelen van eekhoornhaar. Daar het van groot belang is, dat zij eene goede zuivere punt hebben, zoo moet men dezèlve bij het koopen beproeven. Hiertoe dompelt men ze in water, trekt dezelve alsdan tusschen de vingers of de lippen, en ziet of zij eene goede punt maken. In het schilderen met dekverw bedient men zich van penseelen van zwart marterhaar, met platte, stompe punt voor den achtergrond; voor de overige partijen moeten zij kleiner en puntig zijn.
HET IVOOR.
Het ivoor koopt men in kleine dunne plaatjes. Men kieze die uit, welke eene blaauwachtige kleur hebben, daar deze niet zoo spoedig bederven en geel worden; niettegenstaande de onderscheidene bewerkingen, die zij reeds ondergaan hebben, is het echter noodzakelijk, dezelve nog aan eene tweevoudige bewerking te onderwerpen, te weten ze week te maken, en vervolgens te polijsten.
HET WEEK MAKEN VAN HET IVOOE.
Deze bewerking heeft door middel der warmte plaats; men doet het ivoor tusschen twee glasplaten en legt het of in de zon
22
of in eenen warmen oven; trekt het hierbij aan de eene zijde krom, dan keert men het op de andere om. De warmte moet slechts matig zijn, daar het ivoor anders ondoorschijnend wordt en later bij het snijden berst \').
HET POLIJSTEN.
Om het ivoor te polijsten, bedient men zich van een werktuig met regte, snijdende kling; men schrapt hiermede het ivoor van het eene einde tot het andere voor- en achterwaarts af, tot de geheele vlakte zuiver en gepolijst is. Nu neemt men in fijn poeder gebragten puimsteen en wrijft dit met een propje papier op de gepolijste vlakte van het ivoor in de rondte draaijende in. Het stof, hetwelk op het ivoor overblijft, veegt men met een penseel af. De gepolijste vlakte mag men niet met de vingers aanraken, daar op deze plaatsen de verw niet goed vat, en men weder op nieuw moet beginnen te wrijven.
VOOELOOPIGE OPMERKINGEN.
Men bekleedt het ivoor met wit papier, bestrijkt echter den rand van het papier met stijfsel uit zuiver zetmeel, daar dit geene vlakken geeft; vervolgens perst men het ivoor, om het vlak te houden. Om met meer gemak te werken, bevestigt men het ivoor op den lessenaar of met spelden of kleine daartoe geschikte nageltjes; om geene vlekken op het ivoor te maken, is het noodig om een stuk gewoon of Bristol-papier onder de hand te leggen, waarop men tevens het penseel kan beproeven, of het niet te veel verw bevat. Daar men altijd zeer zuiver water van noode heeft, zoo moet men twee glazen hebben; in het eene worden de penseel en schoon gemaakt, terwijl het andere voor het werk bestemd is.
*) Om dit goed te doen moet de punt der schaar steeds naar het middelpunt gerigt zijn.
23
DE BEWERKIXG VAN HET JIINIATÜÜR-SCHILDEUEX.
De schetsen maakt men met potlood. Men kan wel onmiddellijk op het ivoor schetsen, doch naar het voorbeeld van beroemde kunstenaars is de volgende handelwijze beter. Men ontwerpt eene schets op papier, en wanneer deze goed gelijkend en voltooid is, calkeert men door middel van calkeer-papier en brengt dezelve op het ivoor over. Men trekt vervolgens de omtrekken met potlood over; voor het omtrekken met hot penseel neemt men voor de vleeschpartijen het roode praecipitaat of karmijn, vermengd met bister.
Voor de kleeding en het bijwerk neemt men dezelfde verwen, welke men verbolgens voor elke partij moet gebruiken. Wanneer men iets uit wil wisschen, bedient men zich eenvoudig van een met water bevochtigd penseel. Linnegoed, witte doorschijnende stoffen maakt men met kobalt of ultramarin; in het algemeen brengt men de^verw dun op en duidt de omtrekken slechts in zoo verre aan, als men dit tot het overzien van zijne schets behoeft. Alvorens men den grond legt moet men ten volle de verschillende toonen weten, uit welke elke partij samengesteld is, en naauwkeurig zoeken, hoe deze schakeringen verkregen kunnen worden. De lichte en donkere partijen vereischen eene ligte en breede behandeling, terwijl men zorgvuldig het licht moet uitsparen. Men begint met de harceringen, die tamelijk breed moeten gehouden worden en gaat vervolgens tot het pointeren over. Den achtergrond legt men te gelijkertijd aan; dit is allernoodzakelijkst om over de uitwerking van het geheel te kunnen oordeelen en er harmonie in te brengen. De achtergrond wordt in het algemeen met dekverw gemaakt; dit is een langdurig en moeijehjk werk, inzonderheid wanneer men digt bij de omtrekken van het voorwerp zelve komt. Om alle hardheid te vermijden moet men met de dekverw pointeren, om dezelve de vereischte doorschijnendheid te geven. De achtergronden zijn met dekverw zeer moeijelijk en vereischen des te meer eene naauwkeurige studie, daar zij van eene groote uitwerking in het miniatuur-schilderen zijn. Pointeert men den achtergrond, dan
24
volgt men dezelfde methode, als bij de overige partijen. Het is noodzakelijk om de kleuren van den achtergrond goed te berekenen, en daartoe moet men de werking der voorwerpen in aanmerking nemen. De groenachtige tinten zijn inzonderheid de meest gebruikelijke. Is de eerste aanleg gemaakt, dan werkt men den-zelven weder over, om meer kracht bij te zetten inzonderheid in de donkere partijen; vervolgens gaat men over tot de halve tinten, daarna tot de meer gekleurde partijen en eindigt met de weerschijnen \'), het glazuur 2) en de lichte partijen.
Zoo als wij reeds gezegd hebben, beginne men met het hace-ren, het pointeren bezige men slechts op het einde; op deze wijze maakt men zich eene breede behandeling eigen, de eenige dei-in dit vak van schilderen door goede kunstenaars aangenomen methode. Men moet de verw niet zeer vochtig nemen; het is ook van belang om niet lang op eene en dezelfde plaats te werken, want op deze wijze neemt men de verw weder weg. Alle gedeelten van het werk moeten gelijkelijk vorderen, terwijl men anders niet over de uitwerking kan oordoelen; men loopt alsdan gevaar om te veel te werken, en minder doorschijnendheid in het werk te brengen, wanneer men te dikwijls over dezelfde plaats gaat. De haren en alle ligte voorwerpen, welke zich van den achtergrond verheffen, bewerkt men eerst nadat deze laatste geheel voltooid is. Daar wij nu dezen weg, dien men moet volgen opgegeven hebben, gaan wij tot de aanwending der verwen over, en wel in de eerste plaats zullen wij beginnen met de vereischte verwen voor de vleeschdeelen, en verdeelen deze in drie afdee-lingen: 1. vleeschkleur der mannen; 2. vleeschkleur der vrouwen en kinderen; 3. vleeschkleur der grijsaards. quot;Wij zullen eindigen met de haren, de kleeding en het bijwerk.
\') Het is noodzakelijk om de weêrseliijnen de hun toekomende tinten te geven, ten einde de noodige harmonie voort te brengen. Daar zij te weeg gebragt worden door de tinten der voorwerpen, waardoor zij omringd worden, moet men ze ook met dezelfde toonen terug geven en naauwkeurig hunne lichtwerking berekenen.
-) Men noemt glazuur ligte overdekkingen met doorschijnende verwen; het is onmisbaar om harmonie en doorschijnendheid voort te brengen.
25
EERSTE GEDEELTE.
Vleeschkleur bij jonge lieden.
Voor de lichte partijen, ijzerrood; voor de donkere, keulsehe aarde en gebrande terra-sienna, ijzerbister en ultramarin; voor de gekleurde partijen der wangen, van den neus, den mond en de kin, gele oker, lak, zinnaber en ijzerrood; de sterkere schaduwen schildert men op nieuw over, met de reeds opgegeven verwen voor de kleur der donkere partijen, terwijl men do bruine toonen, door lak en praecipitaat verhoogd, de overhand laat hebben ; voor het wit van het oog, ultramarin; voor de donkere partijen, bister, gemengd met praecipitaat; voor den traanheuvel, oker en lak; voor de schaduwen der oogharen en van het ooglid, bister, oker en ultramarin; voor den oogappel, bij blaauwe en groenachtige toonen, ultramarin of berlijnsch blaauw en een weinig bister; bij de bruine toonen, gebrande terra-sienna, bister en praecipitaat; voor liet zwart van het oog, lampzwart en praecipitaat; de lichtpunten in het oog en van alle andere partijen maakt men met wit en fijne puntige penseelen van zwart marterhaar. De verwen moet men noch te vloeibaar, nog te dik maken; voor de groenachtige halve tinten neemt men ultramarin, oker en praecipitaat; voor de blaauwachtige halve tinten neemt men ultramarin en praecipitaat; voor de grijze halve tinten, praecipitaat, lampzwart en ultramarin; voor de weêrschij-nen, oker, gebrande en natuurlijke terra-sienna, ijzerbister en ultramarin. Om de borst, armen en handen te schilderen, neemt men dezelfde verwen, doch meer gedekt; de halve tinten en weerschijnen inzonderheid met warmere toonen, de vingertoppen meer gekleurd met bruinrood en zinnaber; de nagels een weinig paarsch, met lak en ultramarin.
TWEEDE GEDEELTE.
Vleeschkleur der vrouwen en kinderen.
De lichte partijen met oker, zinnaber en lak; de donkere met gebrande terra-siena, ijzerbister en ultramarin; de gekleurde par-
26
tijen der wangen, van den neus, den mond en de kin, mot oker, lak en zinnaber; de zwaardere schaduwen met de reeds opgegeven verwen, voor de schaduwpartijen verhoogd door oker, lak en praecipitaat. Voor de oogen dezelfde verwen als bij de mannen; de blaauwachtige halve tinten met ultramarin en lak; de groenachtige halve tinten met ultramarin en oker; de grijsachtige halve tinten mot ultramarin, praecipitaat en eene stip van lampzwart; de weerschijnen met gelen oker, gebrande en natuurlijke terra-sienna, ultramarin en lak. Voor den hals, de armen, de borst en handen dezelfde verwen als voor het aangezigt; men bewerke inzonderheid zorgvuldig de halve tinten, zeer frissche toonen gebruikende en zoo veel mogelijk doorschijnendheid trachtende te verkrijgen; de eenigzins sterkere weerschijnen met oker, ultramarin, lak, natuurlijke en gebrande terra-sienna. De vingertoppen met lak en zinnaber; de nagels met fijne toonen van lak en ultramarin.
DERDE GEDEELTE.
Vleeschldeur der grijsaards.
De lichte partijen met bruinrood, lak, gebrande terra-sienna en een weinig bister; de schaduwpartijen met keulsche aardeen gabrande terra-sienna, ijzerbister, ultramarin, ijzerrood; de gekleurde partijen der wangen, van den neus, den mond en de kin met zinnaber, lak, roodbruin, ijzerrood en gebrande terra-sienna; de zwaardere schaduwen met de reeds genoemde verwen, doch verhoogd door praecipitaat, ultramarin en lak. Voor de oogen neemt men dezelfde verwen, als bij jonge menschen, doch minder levendig. De blaauwachtige halve tinten maakt men met ultramarin en lak; de grijsachtige halve tinten met ultramarin, praecipitaat en lampzwart; de groenachtige halve tinten met ultramarin, oker, natuurlijke terra-sienna en eene stip van praecipitaat; de weerschijnen met oker, natuurlijke en gebrande terra-sienna, ultramarin enz. Bij de overige vleeschpartijen bedient men zich van dezelfde verwen, als bij jonge menschen, doch laat men de grijze toonen de overhand hebben.
27
HAREN.
De haren maken het moeijelijkste gedeelte van het hoofd uit. Daar dit werk groote losheid vordert, is het noodzakelijk hetzelve stout uit te voeren en zoo weinig mogelijk op dezelfde plaats terug te komen; slechts op deze wijze verkrijgen de haren de vereischte zachtheid; ook moet het licht zorgvuldig uitgespaard worden. Wij zullen de vereischte verwen voor de afzonderlijke schakeringen van het haar opgeven. Dit is natuurlijk ook op den baard toe te passen.
BLOND HAAR.
Algemeene kleur: gele oker, bister en lak; de schaduwen schildert men met ijzerbister en ultramarin over; voor de halve tinten, ultramarin; de donkere, praecipitaat en bister; eindelijk voert men het algemeegt;ie glazuur ligt met oker uit; de lichte partijen schildert men over met wit, gemengd met oker; het licht met zuiver wit.
KASTANJEBRUIN HAAR.
Algemeene kleur; ijzerbister, lampzwart en eene stip vaulak; de schaduwen schildert men over met sepia, ijzerbister en lak; de halve tinten met ultramarin, de zwaardere met sepia en praecipitaat; het algemeene glazuur maakt men met oker en ijzerbister en schildert de lichte partijen met wit, met ijzerbister en oker gemengd, over; eindelijk het licht met wit en eene stip van oker.
ZWART HAAR.
Algemeene kleur: lampzwart en sepia; de schaduwen met lampzwart, praecipitaat, sepia en ultramarin; de halve tinten met ultramarin, de zwaardere met dezelfde verwen als voor de schaduwen; het algemeen glazuur maakt men met eene stip van
28
ultramarin en lak, vermengd met lampzwart; de lichte partijen schildert men met wit, gemengd met sepia en lampzwart over; het licht met wit en eeue stip van ultramarin.
GRIJS HAAR.
Algemeene kleur; bister, lampzwart en ultramarin, zeer ligt genomen; voor de schaduwen en donkere partijen dezelfde verwen, echter meer gedekt; de halve tinten met oker en ultramarin; het algemeene glazuur niet oker en ultramarin ; de lichte partijen met wit, oker en ultramarin; het licht met wit.
DE ACHTERGROND.
Daar het noodzakelijk is, om het hoofdvoorwerp zoo veel als mogelijk is van den achtergrond te verheffen en uit te doen komen, moeten de schakeringen van den achtergrond in de bruine grijze en groenachtige toonen vallen. De achtergronden van landschappen en het binnenste in het portret moeten breed en als \'t ware als bijwerk behandeld worden; zij dienen slechts om het portret te doen uitkomen. In het dekverw-schilderen bezigt men voor de achtergronden de verwen met wit vermengd; men moet dikwijls overschilderen, de verw niet te dik nemen, tot dat het ivoor geheel gedekt is.
KLEEDING EN BIJZAKEN.
In het algemeen maakt men alle partijen van de kleeding en het bijwerk in dekverw. Zonder ons met de verwen bezig te houden, zullen wij voor elke soort van kleederen slechts de hoofdkleuren opgeven; hiernaar zal men reeds de werking van stoffen en andere te schilderen voorwerpen kunnen wijzigen.
Blaauiv. Algemeene bereiding: ultramarin, berlijnsch-blaauw en een weinig lak; de schaduwen: berlijnsch-blaauw en lak; de lichte partijen: wit, ultramarin, berlijnsch-blaauw en lak; de donkere partijen: ultramarin, berlijnsch-blaauw en praecipitaat; het licht: wit en ultramarin, of kobalt en lak.
29
Groen. Algemeene bereiding: meekrap, berlijnscli-blaauw en sapgroen; de schaduwen: indigo, gebrande terra-sienna en gele oker; de lichte partijen: wit, berlijnsoh-blaauw, sapgroen en gele oker; de donkere partijen: indigo en praecipitaat; het licht: wit en sapgroen, of berlijnsch-blaauw en goudgeel.
Paarsch. Algemeene bereiding: Karmijn en indigo of berlijnsch-blaauw of kobalt en ultramarin; de schaduwen: indigo, karmijn en gebrande terra-sienna; de lichte partijen: wit met karmijn en indigo of berlijnsch-blaauw gemengd, of met Karmijn en indigo of ultramarin; de donkere partijen: indigo, karmijn en praecipitaat; het licht: wit, ligt gemengd met karmijn en ultramarin of berlijnsch-blaauw.
Geel. Algemeene bereiding met gelen oker of goudgeel en natuurlijke of gebrande terra-sienna; de schaduwen: gebrande terra-sienna en ijzerbister; de lichte partijen: wit en oker of goudgeel; de donkere partijen: gebrande terra-sienna, ijzerbister en lak; het licht: wit, gemengd naet een weinig oker of goudgeel.
Rozenrood. Algemeene bereiding met lak; de schaduwen: lak, praecipitaat en ultramarin; de lichte partijen: wit en lak; de donkere partijen: lak, praecipitaat en gebrande terra-sienna; het licht: wit met eene stip van lak.
Rood. Algemeene bereiding met zinnaber en karmijn; de schaduwen: ijzerbister, gebrande terra-sienna en praecipitaat; de lichte partijen: zinnaber, geglaceerd met karmijn; de donkere partijen: sepia, praecipitaat, lak en gebrande terra-sienna ; het licht: wit en zinnaber, geglaceerd met karmijn.
Wit. Algemeene bereiding: ultramarin of kobalt; de schaduwen ultramarin, ijzerbister en lampzwart; de lichte partijen: wit met eene stip van oker en kobalt; de donkere partijen met dezelfde verwen als de schaduwen; het licht: zuiver wit.
Grijs. Algemeene bereiding van lampzwart, indigo en lak, ligt genomen; de schaduwen met dezelfde verwen en eene stip van praecipitaat; do lichte partijen : wit, lampzwart en een weinig lak; de donkere partijen met dezelfde verwen als de schaduwen; het licht: wit, een weinig lampzwart en eene stip van lak.
Bruin. Algemeene bereiding met oker van Berry, bister, ge-
30
brande terra-sienna en lak; de schaduwen: sepia, bister, gebrande terra-sienna en lak; de lichte partijen; wit, bister, gebrande terra-sienna en lak; de donkere partijen; sepia, gebrande terra-sienna en praecipitaat; het licht: gebrande terra-sienna en lak.
Zwart. Algemeene bereiding van lampzwart, lak, en indigo; de schaduwen met dezelfde verwen; de lichte partijen: wit, lamp-zwart en lak; de donkere partijen: lampzwart, lak en indigo; het licht: wit, een weinig lampzwart en lak; de hoofdverwen voor de weêrschijnen zijn oker, terra-sienna, geel, de lakken, blaauw enz.; voor de fluweelstoffen, welke slechts uit weêrschijnen bestaan, moet men dezelve in het bijzonder opsporen, voor de glazuren bezigt men eveneens dezelfde verwen. De ligte en doorschijnende stoffen bewerkt men of op den achtergrond of op de vleeschpartijen, doordien men met witte of gele toonen pointeert ; het licht verkrijgt men door wit. Edelgesteenten, paarlen enz., om dezelve doorschjjnend te doen zijn, maakt men eveneens nadat het portret voltooid is, terwijl men het ivoor of door middel van een krabmesje of van een even bevochtigd penseel bloot maakt. Voor gouden voorwerpen bedient men zich van den oker en gebrande terra-sienna; voor het licht, van wit en napelsch geel; voor zilveren voorwerpen, van ultramarin en lampzwart; het licht, zuiver wit. Voor ijzer en staal dezelfde verwen als voor zilver, met meer indigo; het licht, wit met eenen ligten tint van indigo.
HET POETEETTERBK IN WATERVEEW.
Ofschoon het waterverw-teekenen in vele opzigten met het miniatuur-schilderen overeenkomt, onderscheidt het zich echter van dit laatste door de moeijelijkheid, om dezelfde fijnheid in de doorschijnende toonen voort te brengen. Er bestaat eene tweevoudige behandeling van het portret in waterverw, de eerste is die door pointeren; de beroemde Isabey heeft het hierin tot eenen hoogen trap gebracht. Wie bewondert niet het werk van dezen grooten kunstenaar? Zijne vrouwenportretten inzonderheid
31
munten door fijnheid en ligtheid uit; er bestaat niets beters en volmaakters. De tweede methode is gemakkelijker en sneller: zij bestaat in dikwijls herhaald, ligt wasschen. Deze wijze, daar zij spoedig vordert, is zeer geschikt voor het portret, zij vordert echter eene zekere vaardigheid, inzonderheid wat betreft kleeding en bijzaken, die breed gehouden en bijgevolg met geest teruggegeven moeten worden. De dekverwen spelen insgelijks eene groote rol bij dit werk; men moet dezelve echter matig gebruiken en alleen voor het licht bezigen. Weinige kunstenaars leggen zich op deze methode toe, doch ten onregte, daar zij veel voordeel oplevert. Bij het portretteren is het noodzakelijk zich zoo veel mogelijk op eene snelle uitvoering toe te leggen. Ten dien einde moet men de leerlingen alle middelen aan de hand geven, om zich het werk eenvoudiger te maken, met bijzondere inachtneming van de meest mogelijke gelijkheid, welke men steeds de voorkeur boven het meer uitgewerkte moet geven. Wij noo-digen daarom onze lezers uit om zich op deze methode toe te leggen, overtuigd, dat zij door oefening van dezelve, de meest wenschelijke uitkomsten zullen verkrijgen.
BENOODIGDE GEREEDSCHAPPEN.
1 lessenaar even als die bij het miniatuur-schilderen.
1 palet van ivoor of porcelein.
4 eenigzins dikke penseelen van eekhoornhaar.
4 penseelen van rood of zwart „
Eene plaat van ijzerblik of karton, tot het opspannen\' van het papier.
1 paletmes.
1 flesch gomwater \').
1 vergrootglas 1).
1
) Het vergrootglas gebruikt men alleen bij het pointeren. Uitvoeriger hierover op pag. 19.
32
DE VERWEN.,
Voor het waterverw-teekenen gebruikt men dezelfde verwen als men voor liet miniatuur-schilderen neemt; zij zijn achttien in getal.
Voor het overige kan men dit getal tot vier en twintig brengen, wanneer men meer reeds geheel bereide tinten wil hebben.
Napelsch-geel.
Gele oker.
Lak.
Karmijn.
Gebrande terra-sienna. Natuurhjke „ Lampzwart. Berlijnsch-blaauw. Kobalt.
Ultramarin. Sepia.
Neutraaltint.
Praecipitaat.
Sapgroen.
Roode oker.
Zinnaber.
Indigo.
quot;Wit gebruikt verwen \').
men bij de dek-
PENSEELEÏT.
De penseelen zijn van eekhoornhaar: voor de dekverwen neemt men eenigzins dikkere penseelen: ook bedient men zich van penseelen van rood en zwart marterhaar, die een weinig fijner moeten zijn.
PAPIER.
Voor het waterverw-teekenen bezigt men in het algemeen de engelsche soorten van papier: zij moeten zeer fijn van korrel zijn. Om zich het werk gemakkelijker te maken, moet men het opspannen. Isabey bedient zich hierbij van eene plaat van ijzer-blik, welke door het besmeren met olie van alle roest vrij ge-
\') Men kan het zelf bereiden, wanneer men het in poeder koopt en op het palet met een weinig gomwater aanmengt. Ook kan men het bereid in kleine fieschjes bij de verwverkoopers krijgen.
33
houden wordt; het opgespannen, drooge papier polijst hij met eenen wolfstand; op deze wijze verkrijgt men eene uiterst gelijke oppervlakte, welke voor het waterverw-teekenen hoog noodig is. Men kan zich tot het opspannen van het papier ook van een bordpapier bedienen. Sinds eenige jaren gebruikt men met goed gevolg Bristol-papier. Dit heeft \'het dubbele voordeel, dat het niet opgespannen behoeft te worden en zoo fijn van korrel en digt is, dat het geene verdere toebereiding meer van noode heeft. Het is echter te vreezen, dat het eerder dan andere papiersoorten geel wordt. Deszelfs gebruik is desniettegenstaande zeer algemeen. Het is van belang, om altijd de regte zijde van het papier te gebruiken; ten dien einde houdt men het blad horizontaal tegen het licht en ziet nu welke zijde het meeste gevlekt is, en deze is de verkeerde zijde. Ook moet men er naauwkeurig op letten, of het geene kleine gaten of te groote onevenheden heeft, dit heeft men echter niet bij het Bristol-papier, wel echter bij het fransche en de overige engelsche papier-soorten te vreezen.
HET OPSPANNEN VAN HET PAPIER.
Zoo als wij reeds zeiden, kan men het papier of op eene plaat van ijzerblik of op een bordpapier opspannen. Men gaat hierbij op de volgende wijze te werk. Men legt het blad papier op een servet en bevochtigt het met eene in zuiver water gedompelde spons, laat het ongeveer vijf minuten droogen, tot een gedeelte van het water reeds verdampt is, legt nu het ijzerblik of het bordpapier op het papier, buigt den rand van het papier aan de vier zijden naar achteren om, en plakt denzelven aan de achterste vlakte met stijfsel vast, en wel eerst twee tegenovergestelde randen en vervolgens de twee andere randen. Men moet hierbij het papier aanspannen, doch niet te sterk, om het niet te doen scheuren. Men laat het papier nu twee of drie uren droogen.
HET WATERVERW-TEEKENEN ZELVE.
Het waterverw-teekenen kan volgens tweeërlei wijzen gedaan worden, te weten het pointeren en het eigentlijke waterverw-
3
34
teekenen. Voor de eerste volge men de reeds bij het miniatuur-schilderen opgegeven voorschriften. De tweede geschiedt door middel van meer of minder dikwijls herhaald wasschen en breede harcering. Deze methode is voortreffelijk, inzonderheid voor kleeding en bijwerk. Vele kunstenaars maken in hunne portretten het hoofd door pointeren, de kleeding en het bijwerk volgens de tweede manier, anderen vereenigen het waterverw-teekenen met het teekenen in potlood en gekleurd krijt; alle deze manieren zijn even goed en kunnen door den kunstenaar met voordeel gevolgd worden. Wij zullen de hoofdregels voor het teekenen in waterverw opgeven. Men schetst met potlood; de onjuiste potloodstrepen veegt men met broodkruimels of elastieke gom uit; hierbij ga men voorzigtig te werk en spare het papier zoo veel mogelijk, ten einde het deszelfs fluweelachtige oppervlakte behoude, daar het beeld anders deszelfs frischheid verliest. Men kan in het waterverw-teekenen even als in het miniatuur-schilderen calkeren, dit is zekerder. De omtrekken met het penseel doet men met neutraaltint gemengd met lak. Om spoediger te vorderen, masseren sommige kunstenaars de schaduwen met potlood, deze moeten goed en iets harder zijn, ten einde zij niet door de verw medegenomen worden ; dit mag dan ook niet te sterk plaats hebben, daar de verw anders op deze plaats niet droogt. Deze manier kan men ook bij de kleeding en het bijwerk volgen. Bij de vleeschpartijen is het van zeer veel belang, het licht uit te sparen; bij de overige partijen komt er dit niet zoo zeer op aan, men verkrijgt het bij deze door het bevochtigen met het penseel en de elastieke gom, of een dropje water, hetwelk men op het papier laat vallen. quot;Wanneer de kleeding of het bijwerk zwaarder tinten hebben, kan men zich van dekverw bedienen om de lichte partijen te verkrijgen; voor het overige moet men met de dekverw zorgvuldig te werk gaan, om eene zekere grofheid voor te komen; in sommige gevallen kan men het gebruik van dekverw niet vermijden, doch bezige men er slechts weinig van.
35
AANWENDING DER VERWEN.
Voor de vleeschpartijen der mannen geschiedt de eerste aanleg met oker en zinnaber, de schaduwen maakt men met aardpek (bitumen), lak, neutraaltint, bruinrood en gebrande terra-sienna; de gekleurde partijen met zinnaber, lak en bruinrood; de halve tinten met oker, natuurlijke en gebrande terra-sienna, lak en ultramarin; de levendige partijen met sepia, lak en praecipitaat; de weerschijnen en glazuren met dezelfde verwen als voor de halve tinten. Voor de vleeschpartijen der vrouwen en kinderen: de algemeene kleur met oker, zinnaber en lak; de schaduwen met neutraaltint, gebrande en natuurlijke terra-sienna, eene stip van sepia en ultramarin: de gekleurde partijen met zinnaber en lak; de halve tinten met oker, gebrande en natuurlijke terra-sienna, lak en ultramarin; de levendige tinten met gebrande terra-sienna, lak, sepia en praecipitaat; de weerschijnen en glazuren met dezelfde verwen, als voor de halve tinten. quot;Wat de kleeding en het bijwerk betreft, zullen wij ons niet in bijzonderheden der te gebruiken verwen inlaten. Alleen raden wij aan, dunne tinten te gebruiken, om de aandacht niet van de hoofdzaak af te leiden.
HET SCHILDEREN NAAR DE NATUUR.
In de eerste plaats komt hier in aanmerking het kiezen van het behoorlijke licht; dit behoeft niet sterk te zijn, doch het is onvermijdelijk noodzakelijk dat het van boven kome. De ligging tegen het noorden is de verkieselijkste. Men moet, zich zoo plaatsen, dat de hand geene schaduw op het papier geeft. Volgens de regelen der kunst, moet men, om over het geheel te oor-deelen, zich op eenen afstand van tweemalen de hoogte van het model bevinden. Dezen regel kan men slechts bij het schetsen volgen, en vervolgens digter bij de persoon, die zit, komen, om naauwkeurig de bijzonderheden te zien. Men zoeke slechts eenvoudige en natuurlijke stellingen en luistere niet veel naar de personen, die zich laten schilderen; het is de kunstenaar, die berekenen moet welke stellingen het beste voor het voorwerp,
36
dat gecopiëerd moet worden, geschikt zijn; hij kieze inzonderheid die uit, welke de meeste bevalligheid in de bewegingen brengen, en aan het doel beantwoorden, hetwelk men zich voorstelt. Daar het van belang is, om het model niet te vermoeijen, moet men de zittingen niet te lang rekken. Men moet in het begin der zittingen zich met de moeijelijkste partijen bezig houden en met die eindigen, die van den kant van het model eene minder onafgebroken inspanning vorderen. Ook is het van belang, dat de kunstenaar nog voor het vertrek de verschillende uitdrukking van zijn te schilderen voorwerp bevatte en naauwkeurig bestudere, hetgeen de schilders ongelukkigerwijze te veel veronachtzamen; om deze reden zijn ook de goede portretten zoo zeldzaam.
RECEPT VOOR GOMWATER.
In laauw warm water lost men drie vierendeel zuivere arabische gom, een vierendeel witte suiker op en voegt er een half glas wijngeest bij. Nadat alles volkomen opgelost is, zijgt men het door een fijn doekje door; men stopt de flesch, waarin men de oplossing bewaart, goed digt, om voor te komen dat zij niet dik worde.
HET WATERVERW-TEEKENEN VOOR GENRE-STUKKEN EN LANDSCHAPPEN.
Het waterverw-teekenen heeft sedert twintig jaren groote vorderingen gemaakt; dit werk, vroeger van zoo weinig beteekenis, heeft eensklaps eenen waarlijk grooten opgang gemaakt. Dank zij de bemoeijingen onzer kunstenaars, die wel inzagen, hoe noodzakelijk en voordeelig het voor hen was, om, behalve het bewerken van ernstige compositiën, zich met eene soort van schilderen bezig te houden, die voor eene spoedige uitvoering vatbaar was, en tevens zeer volkomen uitkomsten gaf. Zal het
37
waterverw-teekenen met geest en talent behandeld worden, dan levert het groote moeijelijkheden op; ook moet men er zich met volharding op toeleggen, daar bij hetzelve niet alle die hulpmiddelen ten dienste staan, als bij de andere takken der schilderkunst; intusschen, sedert de engelsche waterverw-schilders hunne heerlijke voortbrengselen aan het licht hebben gebragt, streefden ook andere kunstenaars, zich hunne verschillende methoden te nutte te maken; om zulke uitkomsten te verkrijgen, werden dan ook alle middelen in het werk gesteld, hetgeen al weder bewijst, dat zich in de kunsten geen stelsel laat invoeren, want welke manier van behandeling men ook volge, zij zijn alle goed, zoodra zij slechts tot eene gunstige uitkomst leiden.
Het waterverw-teekenen is niet alleen voor kunstenaars eene groote hulpbron, maar zij geeft ook de liefhebbers een middel van uitspanning aan de hand, gepast voor de betrekkingen yan het maatschappelijk leven; want niettegenstaande de begeerte, die men hebben kan, om te schilderen, laat de geringe tijd, die men hieraan toewijdt, het niet toe, deze zaak met kracht door te zetten. Hoe onschatbaar is daarom niet eene meer eenvoudige, minder voorbereiding behoevende tak van schilderen? Hoe talrijk zijn niet de vormen van het waterverw-teekenen! Het landschap, de zee- en genre-stukken, het portret, bloemen enz., vindt iedereen hier niet iets naar zijnen smaak? Dames inzonderheid, voor wie dit werk als \'t ware bestemd schijnt, vinden hierin eene onuitputtelijke bron van bezigheid, die voor haar zooveel te geschikter schijnt, daar zij eenvoudig en aangenaam in de uitvoering is.
BEXOODIGDE GEREEDSCHAPPEN.
Een stel verwen.
6 vellen zoogenaamd grand-raisin of imperiaal-papier.
2 opspanramen, een groot en een klein.
6 penseel en.
1 palet van porcelein.
1 kleine spons.
1 glas op een schoteltje.
38
1 liniaal met eenen winkelhaak. 1 stuk elastieke gom. 1 pennemes.
5 potlooden, N0. 1, 2 en 3. 1 fleseh met gomwater.
In het waterverw-teekenen gebruikt men onderscheidene soorten van verwen, vooreerst de engelsche verwen in stukken, van Gewmann, en ten tweede fransche verwen in stukken en pijpjes; deze laatste worden tegenwoordig veel gebruikt, en door de meest beroemde kunstenaars gebezigd. Zij geven gemakkelijk de verw af, zoodra men er slechts met een bevochtigd penseel over wrijft. Wij laten de namen der verwen volgen, die wij aanraden om te gebruiken.
Guttegom. Maderabruin.
Indisch-geel. Kobalt.
Gele lak. Ultramarin.
Natuurlijke terra-sienna. Berlijnsch-blaauw.
Gebrande „ „ Indigo.
Gele oker. Neutraal-tint.
Oker van Berry. Sepia.
Galsteen. Bruinrood.
Zinnaber. Van Dijk\'s bruin.
Menie. Lampzwart.
Karmijnlak. Lichtzwart.
Kraplak. Mineraalgroen.
Krap-karmijn.
Voor dekverw gebruikt men de verwen in poeder. Zij zijn ten getale van drie: zilverwit, napelsch-geel en chroomgeel; men mengt dezelve met gomwater aan.
Men gebruikt fransche en engelsche soorten van papier; eene hoofdvereischte is, dat zij van eene goede hoedanigheid, tamelijk
39
dik, van eene gelijkmatig fijne korrel en vast zijn. Het is van belang om de regte zijde van het papier te kiezen. De wijze, waarop men deze kennen kan, hebben wij reeds opgegeven en voegen er slechts bij, dat de zijde, op welke men den naam van den fabrikant kan lezen, de goede zijde is. Snijdt men het papier in stukken, dan moet men de regte zijde met een teeken merken.
OPSPANBAMEN , PLANKJES EN BORDPAPIER.
Bij het waterverw-teekenen is het allernoodzakelijkst om het papier op te spannen; hiertoe bedient men zich van ramen, plankjes en bordpapier. Het opspanraam is een raam van hout, waarin een plankje past. Is het papier vochtig gemaakt, dan legt men het op dit plankje en bevestigt dit in het raam, waarin het door middel van latjes, die aan de rugzijde aangebragt worden, vastgehouden wordt. Bordpapier is hiertoe insgelijks geschikt; het moet echter stevig en gelijkmatig dik zijn; de rand wordt rondom met pergament bekleed. Het papier wordt op de volgende wijze opgespanneö-. Men legt het papier op een servet en bevochtigt het met eene natte spons, laat het een oogenblik droogen, legt dan het plankje of bordpapier op het papier, buigt de randen van hetzelve over het plankje of bordpapier om en bevestigt hetzelve door stijfsel; om het papier te spannen, moet men het een weinig aantrekken. Men laat het papier een paar uren droogen.
DE PEKSEELEN.
De peuseelen zijn of van eekhoorn- of van marterhaar. Men moet in de keuze van dezelve voorzigtig te werk gaan; om goed te zijn, moeten zij digt fijn wezen en eene goede punt hebben. Om zich hiervan te overtuigen dompelt men dezelve in water en slaat ze uit; vormt zich nu eene volkomen punt, dan is het goed; ziet men daarentegen haren van het midden af staan, dan deugt hetzelve niet. Voor het wasschen neemt men liever eenig-zins zwaardere dan te fijne penseelen. Voor het schilderen in dekverw neemt men bij voorkeur penseelen van marterhaar, die
40
eene vastere punt hebben. Geraakkelijkshalve steekt men twee penseelen aan een stokje, aan elk einde een; het eene dient voor verw, het andere voor water. Om ze altijd zuiver te houden, moet men twee glazen met water bij zich hebben staan.
HET PALET.
Men bedient zich van een palet van aardewerk van eene langwerpige vierhoekige gedaante. De verwen worden aan de randen gewreven; het midden houdt men voor het vermengen der kleuren open; om steeds frissche toonen te hebben, is het van belang, de verwen niet te lang op het palet te laten, en het daarom van tijd tot tijd met eene kleine spons schoon te maken.
UITVOERING VAN HET WATEKVEEW-TEEKENEN.
Tot meerdere volledigheid zullen wij met het werken zelve beginnen, en vervolgens de aanwending der verwen en hare verschillende mengingen opgeven. Men schetst met potlood; de schaduwen masseert men een weinig, om zich beter van hare uitwerking te overtuigen. Tot het uitvegen der onjuiste potloodstrepen gebruikt men elastieke gom, doch men doe dit zoo weinig mogelijk, om het oppervliesje van het papier niet weg te nemen; tot het uitvegen van potloodstrepen kan men ook broodkruimels of handschoenenleder gebruiken; dit laatste is verkieselijker.
Hetzij men naar de natuur of naar het model schildere, geve men zich steeds goed rekenschap van de uitwerking, die men begeert te verkrijgen, en kieze zich daartoe naauwkeurig de verwen uit; is men hiertoe geraakt, dan bevochtige men het papier met eene spons of een penseel.
LANDSCHAPPEN EN ZEESTUKKEN.
Bij landschappen zoowel als zeestukken begint men met de lucht. Daar men in het waterverw-teekenen, om doorschijnendheid te verkrijgen, dikwijls eene plaats moet overteekenen, is het
41
noodzakelijk om voor den eersten aanleg eene weinig gedekten tint te nemen; wat de lichte partijen betreft, zoo sparen sommige kunstenaars dezelve naauwkeurig uit, anderen bedekken dezelve geheel en gaan er vervolgens, alvorens het papier droog is, met een bijna droog penseel of eene kleine spons over. Men kan deze twee onderscheidene manieren beproeven en die volgen, welke iemand het beste van de hand gaat.
De verwijderde partijen legt men te gelijk met de lucht aan, vervolgens komt men aan den voorgrond en eindelijk aan de hier tusschen liggende partijen. Daar het noodzakelijk is, dat het ge-heele werk gelijkelijk vordere, moet men elke kleur laten vloei-jen, de eene in de andere; slechts zij men met die kleuren voor-zigtig, door welke de toonen, welke men wil voortbrengen, veranderd worden; bv. bjj eene blaauwe lucht, waar blaauwe en gele partjjen digt bij elkander voorkwamen, moet men deze op onderscheidene tijden maken; in dit geval laat men dezelve na het voltooijen eener partij alleen door middel van een vochtig penseel ineenvloeijen. Van belang is het, om elke partij met de noodige kracht aan te grijpen; dit heeft niet alleen invloed op de algemeene harmonie, maar voorkomt insgelijks dat men niet te dikwijls op dezelfde plaats behoeft terug te komen, hetgeen niet goed is en waardoor de doorschijnendheid lijdt. Ook moet men, om geenen tijd te verliezen, onderscheidene teekeningen te gelijk op een of meer vellen papier onder handen hebben; deze manier is inzonderheid geschikt om vlugheid, eene hoofdvereischte in het waterverw-teekenen, te verkrijgen.
Is de aanleg behoorlijk gedroogd, dan teekent men op nieuw over, en bewerkt nu meer de schaduwen van alle partijen; dit doet men met meer gedekte\'verwen, terwijl men tevens berekent, hoeveel deze na het opdroogen van hare kracht verliezen; doch dit te berekenen, vereischt reeds eenige oefening.
De boomen op den voorgrond voltooit men eerst, nadat de lucht geheel afgewerkt is; de omtrekken moeten meer of minder uitvoerig bewerkt zijn, naar de plaats en den toestand van eenen meer of minder verdunden dampkring; de afzonderlijke gedeelten moeten als \'t ware op eens, vrij en in de vereischte uitdrukking
42
van den vorm gemaakt worden. Dit moeijelijke en belangrijke deel van het landschap vereischt eene vlijtige studie. Wat de bijzaken op den voorgrond bij landschappen en zeestukken betreft, figuren, dieren enz., zoo houdt men deze ook tot het laatste terwijl men de reeds opgegeven wijze volgt; ofschoon men dezelve door middel van dekverwen kan maken, is het toch beter dit te vermijden. Bevinden deze partijen zich in het verschiet, dan moet men dezelve, als mede alles wat zich hierin bevindt, ligt en nevelachtig maken. Het verschiet is altijd een hoogst moeijelijk werk, maar ook van des te meer belang.
Even als de lucht, zoo ook verdient het water de oplettendheid van de kunstenaars; men moet dit breed aanleggen en de hoofdschaduwen aanduiden. Spiegelen de omringende voorwerpen zich in het water, dan moet men hetzelve de algemeene kleur van deze laatste geven, natuurlijk met een zwakker koloriet. Is het water in beweging en opbruischend, dan bezigt men de spons enz.; zooals wij reeds zeiden, worden alle deze middelen met het beste gevolg door de engelsche kunstenaars aangewend. En inderdaad, wat vereischt het waterverw-teekenen? Veel vaardigheid in de uitvoering, en het is gemakkelijk te begrijpen, dat eene methode, die zonder zich aan zekere voorschriften te houden en slechts ten doel heeft, de beste werking voort te brengen, waarlijk boven alle andere te verkiezen is, daar men door dezelve spoediger datgene bereikt, hetwelk anders veel moeite zoude kosten.
GENRE-STUKKEN.
De genre-stukken of die, welke binnenhuizen voorstellen, ver-eischen eene zuivere en goed getroffen schets; want het is zeer moeijelijk, later iets te verbeteren, zoodra men reeds met water-verw of sepia is begonnen te wasschen. Men ga daarom met voorzigtigheid te werk; nadat de schets voltooid is, masseert men met eenen ligten sepia- of neutraal-tint, naar gelang van den grondtoon van het model. Deze voorbereiding maakt tevens de uitvoering gemakkelijk, want door eenige lichte lazuren, welke
43
men hier opbrengt, verkrijgt men dikwijls en dadelijk eene zeer voldoende uitkomst; voor het overige kan men de raadgevingen volgen, die wij reeds vroeger bij de uitvoering van het water-verw-teekenen hebben opgegeven, in verband met die, welke wij in het volgende hoofdstuk over de aanwending en vermenging der verwen zullen mededeelen.
AANWENDING EN VERMENGING DEE VERWEN.
Landschappen en Zeestukhen.
Wij beginnen met de verwen, die men bij het landschap en zeestuk gebruiken moet. De blaauwe lucht maakt men met kobalt of ultramarin, een weinig met lak vermengd; de grijze en blaauwachtige toonen der lucht met kobalt en ultramarin, den neutraaltint met indigo en lak. Dezelfde verwen worden voor het verschiet en do bergen gebruikt. De gele en roode toonen, inzonderheid die, welke door den ondergang der zon voortgebragt worden, verkrijgt men door guttegom, indisch-geel en de roode verwen, zoo als menie en zinnaber; van het laatste behoeft men slechts zeer weinig te nemen. Het water heeft altijd eenen groen-achtigen of blaauwachtigen toon ; den eersten zal men met indigo en eene stip van sepia maken; vervolgens verwarmt men het koloriet door oker, guttegom, natuurlijke en gebrande terra-sienna enz. Voor den blaauwachtigen toon neemt men den neutraaltint indigo, kobalt of ultramarin en eene stip van sepia.
Het warme groen voor boomen en loof verkrijgt men door indigo, natuurlijke en gebrande terra-sienna en indisch-geel; bij kouder groen laat men de natuurlijke terra-sienna, het gele lak en de oker den boventoon hebben; voor donkerder groen neemt men indigo, sepia, natuurlijke en gebrande terra-sienna; wil men geel herfstloof, dan gebruikt men gebrande terra-sienna, indisch-geel en eene stip van zinnaber. Boomen, die zich in het verschiet bevinden, maakt men te gelijkertijd als de laatste, en schildert dezelve dan ligt met de blaauwachtige en lakachtige toonen. Voor de blaauwachtige en paarschachtige boomstammen neemt
44
men indigo, neutraaltint, lak; voor de levendige toonen sepia, gebrande terra-sienna en eene stip van lak; voor de geelbruine toonen oker, natuurlijke en gebrande terra-sienna en eene stip van lak; voor planten dezelfde verwen als voor de boomen.
Gebouwen, gronden en rotsen van lichtgele toonen maakt men met oker, natuurlijke en gebrande terra-sienna, blanke sepia en eene stip van lak. Voor grijsachtige toonen neemt men dan blaauw, lak en neutraaltint. Voor de bruine toonen, lichte of donkere, bezigt men sepia, gebrande terra-sienna, bruinrood, menie en eene stip van lak. Bij meer roode toonen laat men bruinrood, menie en eene stip van zinnaber, den boventoon hebben. Bij groenachtige toonen voegt men er indigo en de andere blaauwe verwen, gemengd met die, welke men tot de bovengenoemde gele toonen neemt, bij.
GENRE-STUKKEN.
In het genre-schilderen bereidt men in het algemeen alle schaduwen met eenen geringen toon van indigo, lak en sepia, en zet het werk verder voort met de toonen, zoo als zij voor de afzonderlijke partijen vereischt worden.
Bij binnenhuizen maakt men de bruine toonen met sepia, indigo, gebrande terra-sienna en lak. Bij meer lichtbruine toonen neemt men hiertoe natuurlijke terra-sienna, dewijl daardoor de donkere toonen verzwakt worden. Voor gele tinten gebruikt men oker, natuurlijke en gebrande terra-sienna, sepia enz. Voor de blaauwachtige en grijsachtige toonen, indigo, neutraaltint, sepia en lak. Om het oude van muren en gronden na te bootsen, neemt men de verwen eenigzins droog in het penseel. De lichte partijen verkrijgt men door middel van dekverw.
Wij gaan nu tot de kleeding en bijzaken over. Om blaauw te verkrijgen, teekent men met kobalt of ultramarin, een weinig met lak gemengd.
Voor de schaduwen voegt men er eenige bruinachtige toonen bij. Voor de halve tinten gebruikt men blaauw en lak met een weinig oker en terra-sienna. Rozenrood legt men met lak aan;
45
bij de schaduwen voegt men er eene stip van sepia en gebrande terra-sienna bij; bij de halve tinten kobalt en ultramarin in geringe hoeveelheid. Groen wordt aangelegd met indisch-geel, lak en blaauw; bij de schaduwen voegt men er eene stip van sepia en gebrande terra-sienna bij, als ook eene stip van lak; bij de halve tinten neemt men zeer dun blaauw, gemengd met lak. Grijs wordt zeer dun aangelegd met zwart, blaauw en sepia; de schaduwen met dezelfde verwen; in de halve tinten laat mende blaauwe en laktoonen de overhand hebben. Rood legt men met lak en eene stip van zinnaber aan ; bij de schaduwen voegt men er sepia en gebrande terra-sienna bij; bij de halve tinten bezigt men de lichter bruine toonen. Bruin legt men aan met sepia, gebrande terra-sienna, bruinrood, lak enz.; dezelfde verwen gebruikt men bij de schaduwen; bij meer bruingeel voegt men er natuurlijke terra-sienna, oker enz. bij; bij de halve tinten neemt men de blaauwe toonen, gemengd met lak. Geel wordt aangelegd met indisch-geel, galsteen, oker enz. Voor de schaduwen neemt men natuurlijke en gebrande terra-sienna en eene stip van lak en sepia; voor de quot;halve tinten de gele en blaauwe toonen vermengd met lak. Zwart wordt aangelegd mot zwart, vermengd met licht-blaauw en lak; bij de schaduwen voegt men er sepia, de donkere blaauwe verwen en den neutraaltint bij; bij de halve tinten de blaauwe en lakachtige toonen. Het licht, zoo als wij reeds gezegd hebben, spaart men uit of maakt hetzelve met dekverw; voer sommige voorwerpen is het laatste te verkiezen, b. v. meubelen, stoffen met weêrschijnen, wapenrustingen, edelgesteente enz.
Bij het genre-teekenen gaat men bij het maken der vleeschpar-tijen op de volgende wijze te werk. Het vleesch bij jonge lieden wordt met oker en een gering bijvoegsel van menie aangelegd; men teekent vervolgens met lak, met eene stip van menie over; de halve tinten maakt men met ultramarin, de schaduwen met sepia, lak en eene stip van bruinrood; de meer gekleurde partijen der wangen enz. met lak en bruinroo.d. Bij het vleesch van grijsaards laat men de grijsachtige toonen de bovenhand hebben, voegt er de blaauwe toonen van indigo of kobalt bij enz. Het hoogrood der vrouwen en kinderen wordt met gelen oker of
46
guttegom, een weinig met menie vermengd, aangelegd; de halve tinten maakt men met kobalt of ultramarin; de schaduwen met sepia en eene stip van bruinrood en gebrande terra-sienna; de gekleurde partijen der wangen met lak en menie.
Voor bruin haar gebruikt men sepia, eene stip van lak en gebrande terra-sienna; voor blond haar; oker, natuurlijke en gebrande terra-sienna en sepia; voor grijs haar: de blaauwe verwen, natuurlijke terra-sienna en sepia; voor zwart haar: zwart, indigo, lak en neutraaltint.
Linnengoed en witte, dunne doorschijnende stoffen, maakt men met eene stip van indigo en den neutraaltint; de halve tinten met blaauwe verwen; de schaduwen met dezelfde verwen als bij het aanleggen.
De weerschijnen maakt men met de verwen der onderscheidene schakeringen, die dezelve omringen, en daar zij juist teruggegeven moeten worden, om het geheel het noodige effect te geven, moet men zorgvuldig de hiertoe te bezigen verwen uitkiezen.
De glazuren, die onmisbaar zijn om harmonie voort te brengen, maakt men met de doorschijnende toonen, zoo als de lakken, de blaauwe verwen, de aardverwen enz.
. SCHILDEREN IN DEKVERW.
Tot het schilderen in dekverw gebruikt men de ondoorschijnende verwen; zij worden met gomwater gewreven en aldus bereid koopt men ze in kleine fleschjes. Wanneer men dezelve wil gebruiken, neemt men er een weinig met de paletspatel uit, stopt echter het fleschje onmiddellijk digt, daar deze verwen aan de lucht zeer spoedig dik worden. Daar men ze slechts in 3 kleuren gebruikt, zoo moet men, indien andere schakeringen ver-eischt worden, het wit met de verwen in stukken vermengen.
HET WASSCHEN MET SEPIA.
Om meer levendigheid aan deze wijze van wasschen bij te zetten mengt men somwijlen de sepia met gebrande terra-sienna. Om zich
47
het werk gemakkelijk te maken, maakt men vooraf in eenige bakjes tinten van onderscheidene graden van sterkte gereed. Even als bij het waterverw-teekenen begint men met het bevochtigen van het papier met eene spons met water, vervolgens begint men eerst met de lucht, het verschiet en daarna de hier tusschen gelegen gronden, terwijl men zorg draagt, om elke partij de noo-dige kracht te geven; ook is het van belang, om niet te dikwijls op dezelfde plaats terug te komen, de uitwerking van de verandering der verwen te berekenen, die door het opdroegen een derde van hunne kracht verliezen. Bij boomen, planten enz, maakt men de bijzonderheden als \'t ware op eenmaal; bij boomen moet men dikwijls met de vormen veranderen en naauw-keurig elke bijzondere soort van boomen bestuderen. De behandeling moet breed, met vrije stoute streken geschieden, daar die kleine streken het werk lastig en onharmonisch maken; het licht verkrijgt men door het uitsparen van het papier. Het wasschen met sepia is zeer nuttig voor leerlingen, want het geeft eene vlugge hand en dient als voorbereiding van het waterverw-teekenen; wij rad«n daarom ten sterkste aan, om hiermede te beginnen. Om verandering te hebben kan men vervolgens niet slechts op wit papier, maar ook op half gekleurd papier het wasschen met sepia voortzetten; de lichte partijen worden met wit verhoogd en men verkrjjgt op deze wijze teekeningen, die eene voortreffelijke uitwerking doen. Deze manier is daarom des te geschikter, daar zij er aan doet gewennen, om de werking van het licht te gevoelen en te begrijpen.
STUDIËN NAAR DE NATUUR.
Voor landschappen en zeestukken is het allernoodzakelijkst om naar de natuur te teekenen, zoodra men zich slechts de vereischte grondregels eigen gemaakt heeft; daartoe kieze men de fraaiste partijen uit en wel de zoodanige, die alle vereischten bezitten; want ofschoon alles, wat zich aan ons oog voordoet, den stempel van oorspronkelijkheid heeft en bjj gevolg een eigenaardig karakter bezit, zoo moet men echter eene keuze doen. Wil men
48
een geheel wedergeven, dan zoeke men slechts naar massa\'s, dewijl men zonder dat nimmer een zeer uitvoerig werk verkrijgen kan ; wil men echter afzonderlijke partijen copiëeren, dan legge men zich integendeel meer op de bijzonderheden toe. Om met nut studiën te maken, werke men bij afwisseling in deze twee manieren, om zoowel de algemeene als bijzondere uitwerkingen te leeren kennen. Men kan nimmer genoeg studiën in dit genre maken, hetzij met pastel, potlood, doezelaars enz., men verkrijgt hierdoor eene ligte hand; ook zijn deze studiën niet alleen \\oor het oogenblik te verwerpen en noodzakelijk, maar zij dienen ook later als leiddraad bij de eerste compositiën. Eveneens verwaar-looze men niet de studie der figuren; ofschoon zij slechts bijzaken zijn, is het echter van belang, om dezelve geestig voor te stellen, en daartoe moet men zich vlijtig op het schetsen toeleggen. Wij herhalen het nog eens , men werke steeds naar de natuur en bestudere dezelve met ijver, dit is het eenige middel om uitkomsten te verkrijgen, die, hoe gering dezelve ook zijn, des niet te min den stempel Tan oorspronkelijkheid bezitten, hetgeen altijd eene verdienste is.
HET TEEKENEN IN WATERVEEW VAN BLOEMEN, VRUCHTEN ENZ.
Ten einde onze verhandeling over het waterverw-teekenen zoo volledig mogelijk te doen zijn, meenden wij onze lezers en inzonderheid lezeressen geenen ondienst te bewijzen, door hun eenige teregtwijzingen bij het teekenen van bloemen, vruchten enz. te geven. De beroemde Redoute bragt het hierin tot eenen zeer hoogen trap van volkomenheid; het gebruik van het velinpapier en van andere door dezen kunstenaar gebezigde middelen, droegen niet weinig tot den vooruitgang van dezen zoo belangrijken tak der teekenkunst bij. Ofschoon Eedouté eene groote school stichtte, had hij echter onder zijne kweekingen weinig navolgers, hoewel het onze pligt is te zeggen, dat eenige weinigen met roem het pad van den meester bewandelen.
49
HET VELINPAPIER.
Dit is uiterinate geschikt tot het opnemen van verwen. Om het werk gemakkelijker te maken, spant men het even als het papier op, en bezigt hiertoe een bordpapier.
DE PEXSEELEN.
De penseelen zijn dezelfde als voor het waterverw-teekenen in het algemeen. Voor zwaardere partijen neemt men eenigszins dikkere; kleinere voor het overteekenen en voor de bijzonderheden.
VEEWEN.
Men bezigt de reeds genoemde engelsche of fransche verwen. Bij het teekenen van rozen gebruikt men karmijn in poeder, aangemengd met vlugtig loogzout; dit geschiedt op de volgende ■wijze: men neemt een klein fleschje met eene glazen stop, vult het voor drie vierde gedeelten met loogzout en voegt er dan de noodige hoeveelheid poeder van karmijn bij; men schudt het fleschje van tijd tot tijd om , om de oplossing van het karmijn te bevorderen; moet men er van gebruiken, dan giet men eenige droppels op het palet, en stopt dadelijk het fleschje digt.
Men schetst met een tamelijk zacht potlood. Nadat de schets voltooid is begint men te wasschen hetgeen echter slechts zeer ligt geschieden moet en met de noodige berekening van de uitwerking der tinten. Ten dien einde probeert men altijd vooraf op een ander stuk velin; men laat de teekening nu droogen en komt vervolgens op de schaduwen en de krachtige partijen terug. Heeft men de verw opgebragt, dan neemt meh, zonder te wachten tot dat zij droog is, het bordpapier met de twee handen, houdt het naar de vereischten kant schuins om aan de verw de noodige rigting te geven; dit was de manier, die door Redoute gevolgd werd, om die harmonische toonen voort te brengen, die men op geene andere wijze op het velin zoude kunnen brengen. Voor het overteekenen en de bijzonderheden bedient men zich van
4
50
kleine penseelen: de omtrekken moeten met den eersten streek aangeduid worden, daar het zeer moeijelijk is, om de verw van het velin weg te nemen. Men werkt door middel van wasschen dikwijls met harceringen of pointering; deze laatstgenoemde manieren volgt men inzonderheid bij vogels, insecten enz.
HET KLEUREN VAS STEENDRUKPLATEN.
Het kleuren van steendrukplaten komt geheel met het water-verw-teekenen overeen; daar echter het papier van steendrukplaten ongelijmd is, moet men het eerst lijmen, om er op te kunnen werken.
Hiertoe bezigt men het volgende middel. Men lost in eene kan water afzonderlijk op 1% lood lijm, 3 lood aluin en een stuk witte zeep van de grootte eener hazelnoot; wanneer deze zelfstandigheden opgelost zijn doet men de drie vochten bijeen en zijgt het door linnen. Met deze lijm bestrijkt men zeer zacht door middel van een breed penseel de beide zijden van het papier, en wanneer het een weinig opgedroogd is , ongeveer na verloop van 10 minuten, spant men het papier op een bordpapier en begint nu het kleuren. Om deze steendrukplaten meer uitwerking te geven, bezigt men dikwijls de dekverwen in het licht en gom in de schaduwen, om meer harmonie voort te brengen.
TEEKENEN OP RIJSTPAPIER.
Het rijstpapier komt uit China; het wordt uit het merg van eenen boom vervaardigd. Het heeft een dun doorschijnend weefsel, welks fluweelachtig voorkomen bijzonder aan de vereischten van het waterverwteekenen beantwoordt, en eene verwonderlijke goede uitwerking doet, inzonderheid bij het teekenen van vlinders, vogels en bloemen.
De wijze waarop men bij dit papier te werk gaat is de volgende. Men begint met het papier nat te maken, spant het op een raam op en laat het 4 tot 5 uren droogen. Daar men niet met potlood op rijstpapier kan schetsen, schetst men op een stuk papier, legt
51
dat onder het raam, als wanneer nu de omtrekken door het doorschijnende rijstpapier zullen schijnen; nu kalkeert men met het penseel, dat een weinig van de vereischte verw bevat en wascht dan zeer ligt. Om de teekening meer kracht bij te zetten, brengt men dezelfde toonen in dekverw aan de andere zijde op; op deze wijze worden de kleuren veel levendiger.
HET TEEKENEN MET PASTEL VERWEN, DOEZELAARS, POTLOOD EN DE DRIE SOORTEN VAN KRIJT.
OVER DE VERSCHILLENDE WIJZEN VAK TEEKENES MET KRIJT.
De gemakkelijkheid waarmede kunstenaars hunne denkbeelden door middel van het teekenknjt kunnen wedergeven en zoo spoedig en des te zekerder uitkomsten verkrijgen, daar deze de vrucht van de eerste gedachte zijn, is een voordeel, hetwelk duidelijk bewijst van hoeveel belang het is, om deze verschillende methoden te volmaken en die op te sporen, welke ons zoowel de middelen tot eene snelle uitvoering, als ook tot een goed begrepen geheel van uitwerking aan de hand geven. Sedert eenige jaren konden wij de verschillende vorderingen van de teeken-kunde opmerken, de oude manier van harcering met krijt werd door het werken met doezelaars vervangen, dat verre verkieslijker is en welke gemakkelijke uitvoering wérkelijk reeds eene behoefte geworden is, want inderdaad wekt men bij leerlingen de lust niet op, wanneer men hen met een en hetzelfde werk vermoeit. Bij de studie moet men alles trachten te vereenigen, en daarom zijn wij ook erkentelijkheid jegens die kunstenaars verschuldigd, die verbeteringen in de onderscheidene soorten van het teekenen, zoo als wij het tegenwoordig doen, invoerden.
50
kleine penseelen: de omtrekken moeten met den eersten streek aangeduid worden, daar het zeer moeijehjk is, om de verw van het velin weg te nemen. Men werkt door middel van wasschen dikwijls met harceringen of pointering; deze laatstgenoemde manieren volgt men inzonderheid bij vogels, insecten enz.
HET KLEUREN VAN STEENDRUKPLATEN.
Het kleuren van steendrukplaten komt geheel met het water-verw-teekenen overeen; daar echter het papier van steendrukplaten ongelijmd is, moet men het eerst lijmen, om er op te kunnen werken.
Hiertoe bezigt men het volgende middel. Men lost in eene kan water afzonderlijk op l1/^ lood lijm, 3 lood aluin en een stuk witte zeep van de grootte eener hazelnoot; wanneer deze zelfstandigheden opgelost zijn doet men de drie vochten bijeen en zijgt het door linnen. Met deze lijm bestrijkt men zeer zacht door middel van een breed penseel de beide zijden van het papier, en wanneer het een weinig opgedroogd is , ongeveer na verloop van 10 minuten, spant men het papier op een bordpapier en begint nu het kleuren. Om deze steendrukplaten meer uitwerking te geven, bezigt men dikwijls de dekverwen in het licht en gom in de schaduwen, om meer harmonie voort te brengen.
TEEKENEN OP RIJSTPAPIER.
Het rijstpapier komt uit China; het wordt uit het merg van eenen boom vervaardigd. Het heeft een dun doorschijnend weefsel, welks fluweelachtig voorkomen bijzonder aan de vereischten van het waterverwteekenen beantwoordt, en eene verwonderlijke goede uitwerking doet, inzonderheid bij het teekenen van vlinders, vogels en bloemen.
De wijze waarop men bij dit papier te werk gaat is de volgende. Men begint met het papier nat te maken, spant het op een raam op en laat het 4 tot 5 uren droogen. Daar men niet met potlood op rijstpapier kan schetsen, schetst men op een stuk papier, legt
51
dat onder het raam, als wanneer nu de omtrekken door het doorschijnende rijstpapier zuilen schijnen; nu kalkeert men met het penseel, dat een weinig van de vereischte verw bevat en wascht dan zeer ligt. Om de teekening meer kracht bij te zetten, brengt men dezelfde toonen in dekverw aan de andere zijde op; op deze wijze worden de kleuren veel levendiger.
HET ÏEEKENEN MET PASTEL VERWEN, DOEZELAARS, POTLOOD EN DE DRIE SOORTEN VAN KRIJT.
OVER DE VERSCHILLENDE WIJZEIf VAN TEEKENES MET KRIJT.
De gemakkelijkheid waarmede kunstenaars hunne denkbeelden door middel van het teekenkrijt kunnen wedergeven en zoo spoedig en des te zekerder uitkomsten verkrijgen, daar deze de vrucht van de eerste gedachte zijn, is een voordeel, hetwelk duidelijk bewijst van hoeveel belang het is, om deze verschillende methoden te volmaken en die op te sporen, welke ons zoowel de middelen tot eene snelle uitvoering, als ook tot een goed begrepen geheel van uitwerking aan de hand geven. Sedert eenige jaren konden wij de verschillende vorderingen van de teeken-kunde opmerken, de oude manier van harcering met krijt werd door het werken met doezelaars vervangen, dat verre verkieslijker is en welke gemakkelijke uitvoering werkelijk reeds eene behoefte geworden is, want inderdaad wekt men bij leerlingen de lust niet op, wanneer men hen met een en hetzelfde werk vermoeit. Bij de studie moet men alles trachten te vereenigen, en daarom zijn wij ook erkentelijkheid jegens die kunstenaars verschuldigd, die verbeteringen in de onderscheidene soorten van het teekenen, zoo als wij het tegenwoordig doen, invoerden.
52
HET TEEKENEN MET PASTELPENNEN.
Het teekenen met pastelpennen is tegenwoordig zeer in zwang, dank zij de talrijke vorderingen welke deze kunst gemaakt heeft, met behulp van welke men in staat is de meest mogelijke harmonische uitwerking voort te brengen. Er bestaat niets bevalliger dan de portretten in deze manier. De eerste moeijelijkheden, die de studie oplevert, niet in aanmerking genomen, bezit dit werk het groote voordeel van snelle uitvoering en zekere, in andere soorten van teekenen, zooals het olieverw-schilderen, het water-verw-teekenen enz. onbekende uitkomsten. De duurzaamheid van deze wijze van teekenen werd wel te regt in twijfel getrokken, doch tegenwoordig behoeft men hiervoor niet meer bevreesd te zijn, daar de nieuwe methode die witachtige, vroeger gebruikelijke toonen niet meer aanwendt. Tegenwoordig ziet men als \'t ware slechts iets op het papier gebragt, hetwelk zoowel eene •wezentlijke duurzaamheid bezit, als ook tevens doorschijnendheid en harmonie in de teekening brengt, waarin toch alles bestaat en hetgeen tevens het moeijelijkste in alle soorten der schilderkunst is. Het teekenen met pastel bezit niet alleen het voordeel van alles teekenen minder moeijelijk te zijn, maar tevens ook de werking van het olieverw-schilderen te doen. Deze zoo levendige en harmonische toonen, de spoed waarmede het werk vordert, konden niet missen het zoowel voor kunstenaars als voor liefhebbers belangrijk te maken.
NOODIGE ZAKEN VOOR HET PASTEL-TEEKENEN.
1 volledige doos met pastelpennen.
6 doezelaars van leder van opvolgende grootte.
6 doezelaars van papier van opvolgende grootte.
2 penseelen met vierkante punt.
12 stuk zwartkrijtpennen Nü. 1 en 2.
6 stuks zachte zwartkrijtpennen.
12 stuks harde zwartkrijtpennen.
Een weinig neteldoek of boomwol.
53
6 vellen wit of stroogeel papier.
1 lijst, om de uitwerking van de teekening te kunnen beoordeelen.
PASTELPENXES.
Er bestaan twee soorten van, zachte en harde. De eerste komen in kleine pennen voor. Zij zijn goed, wanneer men ze gemakkelijk tusschen de vingers fijn kan wrijven en wanneer de schakeringen glinsteren. De harde pastelpennen koopt men in kleine ronde doosjes met 12, 18 en 24 pennen. Om alle de noodige kleuren te hebben moet men ze zoo volledig als mogelijk nemen, ïen einde dezelve gemakkelijker te snijden, zijn deze pennen in riet gestoken, men moet hiertoe echter altijd een zeer scherp mes gebruiken. Nog vindt men eene soort van harde pastel, een engelsch fabrikaat, even als de potlooden in hout gevat. Het is noodzakelijk dat zij op het papier goed afgeven, in het tegenovergestelde geval moet men ze verwerpen. Deze pastelverwen moeten zoo veel te eerder van eene goede hoedanigheid zijn, daar ze met voordeel gebruikt kunnen worden voor het over-teekenen en bij die partijen, waar noch de vinger noch de doezelaar kunnen aangewend worden.
KRIJT PENNEN.
Voor het pastel-teekenen heeft men vooreerst van noode het zwartkrijt N0. 1, 2 en 3; eveneens gebruikt men het roodkryt, het witkrijt en ook potlooden; deze laatste mag men echter niet veel gebruiken, daar anders de teekening vuilachtig en leelijk wordt. Voor het schetsen bedient men zich van potlood, hetwelk tamelijk zacht moet zijn, om de hiermede gemaakte trekken te kunnen uitvegen, zonder het papier vet te maken.
PAPIER.
De meest gebruikelijke soorten van papier zijn het witte en graauwachtigwitte, of met eenen tint van stroogeel; voor por-
54
tretten zijn de zeer lichte papieren te verkiezen. Even zoo gebruikt men ook de half gekleurde blaauwe en andere soorten van papier, daar men echter ook op deze de verwen moet em-pateren, verkrijgt men minder doorschijnendheid in de toonen en minder harmonie in het geheel. Het is verder van belang de regte zijde van het papier te kiezen; om zich het werk gemakkelijker te maken moet men het papier opspannen, ten dien einde ga men op de later op te geven wijze te werk.
DOEZELAARS.
Voor het aanleggen bedient men zich van doezelaars van leder .en papier. Die van papier bezigt men bij zeer krachtige partijen. Men neemt ze van middelmatige grootte.
PASTEL-TEEKEKIKG.
Het schetsen geschiedt met houtskool. Tot het uitwisschen gebruikt men een linnen lapje, waarmede men ligt op het papier slaat. Men moet trachten, de omtrekken juist te maken, want het overige werk hangt van de schets af. Men kan met de pastel wel verbeteren, wanneer eene partij slechts aangeduid is geworden, men vermijde echter zooveel mogelijk de verbeteringen, die zich niet altijd goed laten maken. Men begint met het aanleggen der schaduwen, die men vrij en krachtig aangrijpt; te gelijkertijd legt men ook de haren aan en gaat dan tot de lichte partjjen over. Voor den neus, den mond, de oogen neemt men eenen kleineren doezelaar, het licht spaart men niet uit. Dan komt men weder op de schaduwen en haren terug en legt tevens den achtergrond met een balletje van boomwol aan, om beter over de uitwerking te kunnen oordeelen. Is het geheel aangelegd, dan bewerkt men nogmaals de schaduwen en lichte partijen met den doezelaar en de zachte en harde pennen, en gaat vervolgens tot de halve tinten over. Het is van groot belang, om de schaduwen zeer krachtig te maken; verzachten kan men deze altijd; men gewenne zich, om dezelve reeds bij het
55
tegin krachtig aan te grijpen. Bij de gekleurde partijen der wangen, van het voorhoofd, den neus, de kin gebruikt men neteldoek of boomwol, terwijl men zich van den vinger of van een klein rond penseel van varkenshaar met eene stompe punt bedient; het is eeue soortgelijke penseel als men bij het orientalisch teekenen gebruikt.
Men maakt ten dien einde vooraf de vereischte kleuren op een stuk papier gereed, neemt hiervan zeer weinig en wrijft rond-draaijende, zoo veel mogelijk model en vorm teruggevende; bij de lichte partijen bedient men zich van broodkruimels of ook van zachte witachtige pennen en andere lichte kleuren. Wil men hier of daar eene partij zachter maken, dan gebruikt men hiertoe het neteldoek. Tot het voltooijen gebruikt men de harde pastelpen--. Tien en werkt met lichte harceringen; van deze zelfde pennen bedient men zich l)ij het overteekenen. Vervolgens gaat men tot de weêrschijnen en lichte punten over. De kleeding wordt met het potlood geschetst; de plooijen duidt men met het krijt N0. 2 aan; vervolgens masseert men het licht en de schaduwen met wit en andere noodige pennen, en wel bedekt men hiermede het papier geheel. Hiertoe gebruikt men slechts den vinger. De overige bijzaken behandelt men veel minder uitvoerig; het licht maakt men met witte toonen of verkrijgt men door het uitwrijven met broodkruimels. Op dezelfde wijze gaat men met de dunne en doorschijnende stukken te werk. Zoo als wij reeds zeiden, gebruikt men bij dit werk alle soorten van teekenkrijt, en het zoude moeijehjk zijn, om op te geven hoe men altijd moet te werk gaan. In de kunsten bestaat er geen systeem, alles hangt van het genie van den kunstenaar af; de hoofdzaak voor hem is, om het voorgestelde doel te bereiken, onverschillig welke middelen hij da3rtoe in het werk stelt. Van belang is het slechts om de middelen van uitvoering té kennen, en alles, hetgeen onontbeerlijk is, bij de hand te hebben; studie en praktijk maken het overige uit.
56
ACHTERGRONDEN.
Er bestaan twee manieren, om de achtergronden in pastel te behandelen; of met ligte tinten met de zachte pennen en de bijgevoegde noodige schakeringen, of op de voor de kleeding op-gegevene wijze, doordien men het papier geheel bedekt; het is echter dan noodzakelijk, dat de kleeding en de bijzaken meer voltooid zijn. De pastelverwen verkrijgen op de achtergronden, die op deze wijze gemaakt zijn, zeer veel kracht en de uitwerking van het olieverw-schilderen. De eerste manier wordt tegenwoordig algemeen aangewend, en is ook beter geschikt voor het ligte pastel-teekenen hetwelk gelijkmatige, ligte en nevelachtige achtergronden verlangt. Alle voorwerpen, die zich van den achtergrond moeten verheffen, maakt men eerst nadat deze laatste geheel afgewerkt is.
AANWENDING DER PASTELVERWEN.
Tot het aanleggen van het gezicht, maakt men vooraf op een stuk papier zacht zwartkrijt, menie en eene schakering van lichtgeel, de vleeschkleur nabijkomende, gereed. Men begint de schaduwpartijen en haren aan te teekenen met het zwartkrijt en menie ; gaat vervolgens tot de lichte partijen over, bedient zich hiertoe van de gele pennen, een weinig met menie vermengd. Later teekent men de trekken zeer ligt met het roodkrijt en het zwartkrijt N0. 2; bij de gekleurde partijen gebruikt men de lakachtige toonen, rood en vleeschkleur, alsmede ook de lichtgele toonen. De schaduwen bewerkt men op nieuw met den doezelaar, ook met de pennen Nquot;. 1 en 2, het roodkrijt enz. Om de lichte partijen te voltooijen, bezigt men witte, rozenroode en gele toonen, zachte pastelverwen en ook de helderste toorten van de harde pastelverwen; de halve tinten verkrijgt men door de blaauwachtige en lakachtige toonen; de weêrschijnen met bruine, gele en roode toonen, alsmede ook de geelachtige, matblaauwe en grijsachtige toonen; het licht en de lichte punten met broodkruimels en met krijt. Voor de ligte achtergronden neemt men
57
zachte pastelpennen, blaauwe of grijze; voor ondoorschijnende gronden gebruikt men in het algemeen de groenachtige en grijsachtige toonen, de eerste verkrijgt men met gele en witte pennen, de laatste met wit of paarsch, grijs of bleekgrijs.
Bij de behandeling van derzelver schakeringen rigt men zich geheel naar het voorwerp; het hangt van den smaak des kunstenaars af, om te voren die tinten te berekenen, die zijn voorwerp het meeste doen uitkomen.
Bij het in de lijst zetten eener pastel-teekening moet men vermijden, dat het glas niet onmiddellijk het papier aanrake, zij moet alzoo eenige lijnen van dit verwijderd blijven.
HET TEEKENEN MET DEN DOEZELAAK.
Dit is eene soort van teekenen, die sinds eenige jaren veel tot de vorderingen -der teekenkunst bijgedragen heeft. De snelle en gemakkelijke uitvoering is van groot voordeel en wordt heden ten dage zoo zeer geacht, dut het, algemeen verspreid, door alle scholen aangenomen is geworden, en niet ten onregte, want niet alleen maakt zij de studie gemakkelijk, maar zij doet ook aan eene breede behandeling gewennen, hetwelk inzonderheid voor de beginnenden nuttig is, die altijd met vrees en om zoo te spreken mager werken. Zoo als wij reeds gezegd hebben, moet het hoofddoel van den leermeester zijn, om die methoden uit te kiezen, die de studie voor de leerlingen gemakkelijker maken; bedenkt men ook, dat men vroeger deze dikwijls gedurende drie of vier maanden lang over een stuk met zwartkrijt, om zoo te spreken liet treuzelen, hoe veel lust behoort hier niet toe, om zich niet door zulk eene methode af te laten schrikken! En wat was hier het gevolg van? Dat een klein gedeelte de beoefening dezer zoo nuttige kunst, die bijna\'in eiken stand van nut is, voortzetteden. Dit is tegenwoordig eene zoo erkende daadzaak, dat het teekenen een gedeelte van eene beschaafde opvoeding uitmaakt.
58
PAPIER.
Men bedient zich van engelsch of fransch papier; algemeen neemt men het witte dat tamelijk fijn -van korrel is. Eveneens bedient men zich ook van het halfgekleurde papier.
DOEZELAARS.
Men heeft papieren en lederen doezelaars. Van de laatste vindt men twee soorten, te weten van geel en wit leder, men moet die uitkiezen, welke eenigzins zacht zijn, doch tevens eene goede punt hebben; die van wit leder bezitten de eigenschap om het krijt weg te nemen, en men gebruikt dezelve daarom bij het licht en de weêrschijnen.
Voor het aanleggen en voor zeer donkere partijen neemt men doezelaars van papier; de beste zijn die van graauw papier; zij mo\'eten niet te hard en van tamelijk fijn papier zijn. Men bedient zich ook van kleine doezelaars, die men zelf van eenigzins zachter papier draait; het papier van oude nieuwsbladen is het beste hiertoe geschikt. Om alle vettigheid van de doezelaars weg te nemen, wrijft men ze met puimsteen, van het midden te beginnen naar de punt toe.
TEEKENKRIJT.
Men neemt het zwartkrjjt N0. 1, 2 en 3. Voor het doezelen bedient men zich van het zachte zwartkrjjt. Het schetsen geschiedt met sehetskrijt, dat tamelijk zacht moet zijn, ten einde het papier niet vet worde. Bij zeer uitvöerig bewerkte tee-keningen met den doezelaar wendt men somwijlen den chineschen inkt aan, hetzij met pointering of harcering; zoodanige teeke-ningen doen eene goede uitwerking, doch zij houden lang op en moeten niet veel zorgvuldigheid en netheid uitgevoerd worden.
59
HET WEEKEN MET DEN DOEZELAAR.
Zoo als wij straks zeiden, geschiedt het schetsen met schets-krijt; men duidt de omtrekken ligt aan, zonder te dikwijls over dezelve heen te gaan, en eindigt vervolgens met het papier met een lapje af te kloppen. Tot het schetsen kan men eveneens het krijt Nn. 2 gebruiken, daartoe behoort echter reeds eene zekere vaardigheid daar de onjuiste strepen moeijelijk uitgewischt kunnen worden. De eerste methode is in allen geval de beste. Van belang is het, om de strepen van het schetskrijt ligt uit te wisschen, ten einde het papier niet vettig worde, waardoor de doezelaar moeijelijk vat; om dit te vermijden moet men zich altijd van een lapje en nimmer van broodkruimels bedienen. Voordat men begint, maakt men op een stuk papier zacht krijt gereed en begint met eeuen doezelaar van papier de schaduw te maken; men moet dezelve krachtig aanduiden en er niet bevreesd voor zijn, om dezelve te donker te maken, zonder groote vaardigheid zal dit eerste werk nimmer donker genoeg uitvallen; is het te donker, dan is het altijd gemakkelijk lichter te maken en men vermijdt ook om dikwijls op dezelfde plaats terug te komen, waardoor het papier zoo zeer lijdt. Zijn de schaduwen naar behooren aangeduid, dan gaat men over tot de lichte partijen, die men met den doezelaar en het neteldoek maakt. Dit laatste moet zeer zorgvuldig inzonderheid op wit papier gedaan worden, hetwelk spoedig vettig wordt; daarom raden wij ook eerstbeginnende aan om op half gekleurd papier te werken. Zijn de lichte partijen en schaduwen behoorlijk gemaakt, dan maakt men de halve tinten en weerschijnen ; ten laatste gaat men nog eens naauwkeurig het geheel over. Ten dien einde neemt, men het krijt N0. 1 en 2, en werkt met ligte harceringen ; in het harceren moet men zich veel oefenen, want het maakt de hand zeer los, even zoo is het met het werken met de broodkuimels gelegen;1; deze gebruikt men niet
*) Men moet altijd oudbnkken brood en in de gedaante van kleine bolletjes gebruiken.
60
alleen voor het licht, maar ook voor de overige partijen. Heeft men hierin eene zekere vaardigheid verkregen, dan levert dit veel voordeel op. Op half gekleurd papier gebruikt men het wit-krijt, dat zoo wel voor het licht als voor de overige lichte partijen gebezigd wordt. Zooals wij reeds zeiden levert het teekenen met den doezelaar geene positieve moeijelijkheid op, slechts moet men van het terug te geven effect goed doordrongen zijn, elke partij vrij en breed behandelen en de harcering en de bijzonderheden zorgvuldig uitvoeren. Somwijlen bedient men zich in het teekenen met den doezelaar bij gekleurde partijen van de pastelverwen. Teekeningen in deze manier doen een goed effect, en deze methode kan met veel voordeel bij het portret gevolgd worden. Het is hetzelfde of men half gekleurd of wit papier hiertoe bezigt.
HET TEEKEN MET POTLOOD.
De menigvuldige verbeteringen in de fabricatie van de pot-looden hebben veel bijgedragen tot de verspreiding van het teekenen met potlood, hetwelk een groot hulpmiddel voor kunstenaars is. Velen hunner munten in dit genre uit. En hoeveel voordeel levert het ook niet op, niet slechts bij studiën naar de natuur, maar ook voor .uitvoerige teekeningen, zoo als het portret, landschap enz. Het teekenen met potlood deed eene aanmerkelijke schrede voorwaarts, sinds de uitvinding van het verschillend gekleurd papier, waarop deze wijze van teekenen, inzonderheid wanneer men ze met wit krijt opwerkt, zich waarlijk tooverachtig voordoet. De snelheid van uitvoering is van groote waarde zoowel voor den kunstenaar, wiens tijd altijd kostbaar is, als voor den liefhebber, die in korten tijd talrijke studiën kan maken; men kan te gelijk zoo wel op half gekleurd papier, als op wit eene ligte tint van waterverw hier mede verbinden, hetgeen eene voortreffelijke uitwerking doet.
PAPIER.
Men gebruikt zoo wel fransch als engelsch papier; het en-gelsche papier van eene fijne en vaste korrel neemt men voor
61
teekeningen van waarde; ook is het van belang, de regte zijde van het papier te kiezen, en in zoo verre als men ten doel heeft era met waterverw te werken , moet het opgespannen worden; voor studiën en omtrekken is het onverschillig van welke hoedanigheid het papier is.
POTLOODEN.
Daar de hoedanigheid der potlooden van groote invloed op het werk zelve is, zoo kieze men inzonderheid een vast, tamelijk dik potlood, hetwelk gemakkelijk over het papier heen glijdt en van eene donker grijze, bijna zwarte kleur is. Tot het overwer- j. ken met wit neemt men of witkryt of verw met het penseel opgebracht; voor studiën is het krijt te verkiezen en slechts bij zeer uitvoerige\' teekeningen bedient men zich van verw.
UITVOERING VAN HET TEEKENEN MET POTLOOD.
Tot het schetsen gebruikt men de potlooden N0. 2. Eerst worden de massa\'s ligt aangegeven, dan eerst in bepaalde trekken de massa\'s en bijzonderheden; nu gaat men aan de schaduwen en neemt daartoe de dikke potlooden N0. 1, eindelijk aan de lichte partijen, waartoe men eenigzins hardere potlooden noodig heeft. Deze eerste aanleg moet breed doch reeds juist gemaakt worden, om niet weder hier op te moeten terug komen. Na deze voorbereiding gaat men in het. algemeen het geheel over, en bewerkt bij afwisseling de bijzonderheden der afzonderlijke partijen met de vereischte potlooden. Tot het uitwisschen bedient men zich van elastieke gom doch ook van broodkruimels ; dit laatste is te verkiezen, zoodra het werk reeds eenigzins gevorderd is; met de kleine bolletjes kan men gemakkelijker uitwisschen, zonder de nevenpartijen te beschadigen. Bij de lucht en het water bedient men zich met voordeel van de boomwol. Zijn de massa\'s op deze wijze goed aangegeven, dan eindigt men door middel van broodkruimels en potlood. Dit is een voortreffelijk middel, om ligt en snel deze twee belangrijke partijen van
62
het landschap te voltooijen. Bij studiën naar de natuur moet men geheel vrij te werk gaan en zich liever slechts aan de positieve aanduidingen, dan aan te groote uitvoerigheid houden. Inzonderheid trachte men om zich eene breede en bepaalde behandeling eigen te maken ; studiën, volgens deze grondstellingen en slechts met een weinig volharding gemaakt, leiden in korten tijd tot snelle vorderingen. De kunstenaars veronachtzamen helaas te zeer deze methode. Bij het portret bedient men zich tot het schetsen van een eenigzins harder potlood. Zal men zekerder te werk gaan, dan maakt men de schets op een ander papier, en brengt deze op het teekenpapier over. De massa\'s der schaduwen maakt men met eenigzins zachter potlood en harceert zoo veel als mogelijk is. In het algemeen moet men niet de te zachte potlooden gebruiken, ten ware zij van eene uitstekende hoedanigheid mogten zijn. Zal men het teekenen in potlood met eenige ligte wasschingen met waterverw verbinden, dan neemt men voor de gekleurde gedeelten van het gezigt menie en voor de kleeding en bijzaken de andere vereischte tinten. De teekenin-gen in dit genre behandelt men op dezelfde wijze, alleen wordt het werk met het potlood iets breeder gehouden.
Dezelfde methode is ook voor half gekleurd papier geschikt, alleen gebruikt men hierbij wit voor de lichte partijen. Door deze onderscheidene methoden verkrijgt men teekeningen die eene verrukkelijke uitwerking doen, wanneer zij slechts met geest en talent gemaakt zijn.
HET TEEKESEN MET DE DRIE SOORTEN VAN KRIJT.
Zoo noemt men de vereeniging van het krijt in de drie hoofdkleuren, te weten van het witte, roode en zwarte. Wij noodigen kunstenaars en liefhebbers uit, om zich met deze sinds langbe-kende, doch te weinig algemeen verspreide methode af te geven. En inderdaad hoeveel reden van welgelukken sluit deze methode niet in zich? Ook deze methode van teekenen heeft het voordeel van bij kunstlicht uitgevoerd te kunnen worden, tot eene aangename bezigheid in winteravonden.
63
De snelle uitvoering van deze wijze van teekeneu maakt haar inzonderheid voor het portret geschikt. Daar het kunstlicht het voordeel bezit, om de voorwerpen goed te masseren, zoo gewent men zich daarbij aan eene breede behandeling, minder uitvoerig in de bijzonderheden, doch des te rijker in harmonie en uitwerking.
Deze methode is zeer voortreffelijk voor studiën; men leert den toon der verwen gevoelen, een zoo belangrijk gedeelte der kunst, hetwelk helaas zoo vele kunstenaars veronachtzamen. Van de teekening hangt voorzeker veel af, doch men mag zijne studie niet geheel en al aan deze wijden; want men moet ook aan de middelen denken. om leven en beweging in de voortbrengselen der kunst te brengen.
^ OPSPANNEN VAN HET PAPIER.
In het algemeen spant men het papier voor uitvoerige teeke-ningen op; wil men dezelve in lijsten zetten, dan bedient men zich hiertoe van, een bordpapier. Men legt het blad papier op een servet, maak het door middel eener spons nat, en laat het 5 minuten droogen. Daarna legt men het bordpapier op het papier en plakt dit met deszelfs randen aan de achtervlakte vast.
Om teekeningen in zwart krijt of potlood duurzaam te maken, haalt men ze door melk of een dunne oplossing van gom; dit laatste werd door Fielding en Andreas Durand aangewend. Men hangt het blad aan deszelfs einde op, laat het droogen en doet het in de pers.
DE KUNST OM BLOEMEN IN WATERVERW TE TEEKENEN EN KOPERPLAATDKÜKKEN TE KLEUREN.
Voor eenige jaren werd het teekenen van bloemen in water-verw grootendeels slechts door kruidkundigen gedaan, die minder
64
naar het schilderachtig effect van de figuren streefden, dan wel enkel om elke bloem hare kleur weder te geven. Robert trad het eerst als bloemteekenaar op, en zijne produkten getuigen van de weinige hulpmiddelen, welke toenmaals het waterverw-teekenen ten dienste stonden, dat sinds dien tijd, dank zij het talent van Eedouté, dezelfde levendigheid als het olieverw-schil-deren bereikt heeft.
Die bekwame kunstenaar, deze Van Huysum in het waterverw-teekenen, was meer nog dan deze beroemde Nederlander, de stichter van een nieuwen tak der schilderkunst; uit zijne school kwamen uitmuntende meesters, die dit genre verbreidden, hetwelk tegenwoordig inzonderheid veel door dames beoefend wordt.
Wij zullen naauwkeurig de methode van Redoute opgeven, en hiertoe de aanteekeningen van eene zijner uitmuntendste leerlingen, Mevr. Lucy de Béaurepaire, volgen.
OVER HET VELIKPAPIEK.
Daar de waterverwen bijna gelijke kracht als de olieverwen bezitten, zoo begrijpt men gemakkelijk, dat gewoon papier de sterke toonen niet kan onderhouden; men vond alzoo eene soort van pergament, het velin, uit, hetwelk de eigenschap bezit, om al de frischheid en den glans der verwen te onderhouden.
Het velinpapier heeft echter het onaangename, van pleksgewijze vettig te zijn, op deze plaatsen vat alsdan het penseel niet; alvorens men dus begint te teekenen, wrijft men het met elastieke gom of broodkruimels.
Om het velinpapier gedurende het werken niet morsig te maken, spant men het op een bordpapier en bedekt het met een vel papier. Men maakt het met eene spons nat en, wanneer het nog slechts een weinig vochtig is, spant men het op. Het opspannen geschiedt op de bekende wijze met mondlijm.
VEEWEN EN DERZELVER TOEBEREIDING.
Niet de menigvuldigheid der verwen maakt een rijk palet, maar de kunst, die zich van dezelve weet te bedienen.
65
Indisch-geel. Karmijnlak.
B erl ij nsch-blaauw. Chinesche inkt.
Redoute vergenoegde zich met deze acht verwen voor al zijne bloemstukken, welke alle van zulk eene rijke en schitterende harmonie zjjn.
Deze verwen koopt men reeds toebereid in stukken en wrijft dezelve slechts met een met water bevochtigd penseel af; zij kosten echter ook veel, en beter is het, om dezelve in pakjes te nemen; men doet een weinig van het poeder in kleine potjes en voegt er naar gelang meer of minder water bij. Om de verwen versch te houden, moet men, wanneer men ophoudt met teekenen, de potjes met v^ater vullen, en dit weggieten wanneer men weder begint te werken.
Het karmijn lost men in sterke ammonia gedurende 24 uren op, en verdunt door het bijgieten van water de ammonia. Men moet de verw eerst dan gebruiken wanneer al het alcali ver-vlugtigd is.
De saffraan wordt door het laten trekken in koud water gedurende 12 uren verkregen, vervolgens door linnen doorgezijgd. De saffraan is van groote dienst bij de warmere toonen van rood, bij het teekenen van angelieren enz. Zijne kleur verandert echter door het licht.
PENSEELEN.
Bij het bloemen-teekenen wordt groote zindelijkheid vereischt, daarom verzuime men nimmer, voor dat men begint te werken, zijn palet en zijne penseelen te onderzoeken.
De beste penseelen zijn die van zwart marterhaar. Voor het aanleggen gebruikt men kleinere, voor het afwerken dikkere; men kan zich niet van hetzelfde penseel voor het licht en de schaduwen bedienen, waardoor onzuivere en valsche toonen ontstaan ; elke kleur vereischt bijna haar eigen penseel, inzonderheid bij het aanleggen.
Guttegora. Saffraan. Kobalt. Indigo.
5
66
PALET.
De beste paletten zijn die van ivoor; zij bezitten het voordeel van de verwen steeds vochtig te houden, terwijl zij integendeel op porcelein spoedig opdroogen.
Om de teekening niet morsig te maken, legt men een stuk papier onder de hand, terwijl men nog een stuk velinpapier bij zich moet hebben liggen om de toonen vooraf te proberen; door deze voorzorg behoeft men niet over te schilderen, hetwelk het werk dikwijls zeer leelijk maakt.
HET BEGINNEN DER TEEKENING EN HET LEGGEN VAN DEN GROND.
Alvorens men tot het schetsen overgaat, moet men de compositie reeds in het hoofd hebben, voert dezelve met het potlood uit, verbetert, waar het uoodig is, trekt de bloemen over met ligte trekken bij het licht, en zwaardere bij de schaduwen.
Moet het bouquet eenen donkeren achtergrond hebben, dan mag in hetzelve niet een gelijke toon heerschen, want de bloemen komen dan niet uit en vormen slechts een basrelief; integendeel moet deze in het raidden steeds lichter gehouden worden, vooreerst om lucht in de compositie te brengen, en ten tweede op dat de bloemen en bladen zich niet te hard tegen den achtergrond zouden afteekcnen.
Wanneer de hoofdgroep in het halfdonker op eenen lichten hemel moet uitkomen, heeft zij eenen zeer ligten achtergrond van noode, moet men groote wolken vermijden, en het verschiet en den voorgrond naar voren brengen. Bij het aanleggen der lucht worden de toonen aan elkander gevoegd, nadat het velin ligt met de spons bevochtigd is geworden; is deze aanleg gedroogd , dan teekent men over en voltooit; hetzelfde moet mer ook bij het aanleggen van eenen donkeren achtergrond volgen j de lucht en den achtergrond maakt men steeds nadat het bouquet aangelegd is.
67
VAN HET AANLEGGEN.
Datgeen waardoor inzonderheid Redoute\'s werken uitmunten, is de wijze van derzelver eersten aanleg. Vooraf maakt hij alle zijne tinten op een palet gereed, geeft eiken van dezelve hunnen trap van sterkte, en nu begint hij te teeken. Om dit belangrijke werk duidelijk te maken, zullen wij hier Mevr. Béaurepaire zelve laten spreken.
Wil men eene roos teekenen, dan doet men eerst karmijn op het palet, vermengt een weinig hiervan met veel water voor het licht en een gedeelte met minder water voor den algemeenen tint, voegt hier eene stip van kobalt voor de halve tinten bij, en maakt de schaduwen met een mengsel van karmijn, chineschen inkt en kobaJJ;. Het middelpunt der bloem maakt men met zuiver karmijn in de warme reflectiën, met een bijvoegsel van blaauw en grijs, waar de levendige toonen der natuur dit vereischen. Heeft men al deze toonen op het palet, dan begint men te teekenen. Op deze wijze verkrijgt men levendige schakeringen, vol doorschijnendheid en glans.
VAN HET EMPATEREN.
Even als in het olieverwschilderen wordt ook bij het teekenen van bloemen geëmpateerd; de schaduwen en de sterke tinten vereischt meer verw dan de lichte, die inzonderheid bij eenige lichte bloemen nimmer zoo doorschijnend- zijn, als men in staat is dezelve door het wasschen voort te brengen.
VAN HET AFWERKEN.
Is de aanleg op de opgegeven wijze gemaakt, dan hangt het voltooijen nu meer van het geduld in het overteekenen af; wil men een voorwerp meer vooruit doen komen, dan wascht men het ligt, wil men van het zelve een ander meer verwijderd houden, dan legt men er een lazuur op; het fluweelachtige aanzien ver-krygt men door fijne harceringen, even als alle die ontelbare fijne zaken van eene bloem.
68
Het afwerken is het moeijelijkste van het bloemteekenen, en slechts weinige kunstenaars weten hier den middelweg te houden, welke tot volmaaktheid voert; ik geloof dat men nimmer vergeten moet, dat aan den vorm der bloem nimmer iets straffeloos veranderd kan worden en dat de misslag in het coloriet de meest verschoonbare is.
DE KUNST , OM KOPEEPLAATDRUKKEN TE KLEUREN.
De platen in zwarte kunst en aquatinta, en inzonderheid de steendrukplaten, zijn die, welke het gemakkelijkst gekleurd kunnen worden en de beste uitkomst opleveren. De gewone koperplaatdruk biedt vele en bijna onoverkomelijke moeijelijkheden op.
PENSEELEJT EN VERWEN.
Tot het kleuren neemt men kleine, meer of minder dikke pen-seelen, naar gelang van de grootte van het voorwerp; de beste zijn die van marterhaar. De verwen komen in kleine doosjes in stukken voor.
UITVOERING.
De tint van de plaat dient als natuurlijke aanleg; men behoeft slechts te zorgen, om met de verw niet over de omtrekken te gaan, ten einde de plaat niet te bederven Men teekent met een meer of minder vochtig penseel, naar de sterkte der op te brengen verw, begint hij de zwaarste schaduwen, neemt vervolgens de halve tinten \'en eindigt met de lichte partijen; bij de schaduwen wascht men breed, de harceringen der plaat volgende; het licht, te weeg gebragt door het wit van het papier, teekent men zeer ligt over en gaat in het algemeen zoo te werk als bij het waterverw-teeken.
Bij het kleuren heeft men geene voorbereiding noodig; men moet het papier niet te nat maken, daar het anders vlekt; het behoeft slechts vochtig te zijn, dan droogt het van zelve en behoudt zijnen glans; het mag ook niet bij eene kagchel of met
69
een heet gemaakt ijzer gedroogd worden, dewijl hierdoor eveneens vlekken ontstaan.
Om bloemen goed te kleuren, houde men zich aan de gelijksoortige handelwijze bij het waterverw-teekenen.
HET BOETSEREN EN HET BEELDHOUWEN.
OVER HET BEELDHOUWEN.
Zoowel om de onkosten als den omslag, is het beeldhouwen in het groot alleen voor museums en privaatgalerijen geschikt. Het beeldhouwen in het klein levert echter noodzakelijke versiersels voor kabinetten en kamers op. De liefhebbers van hetzelve konden sinds langen tijd hunnen smaak slechts bevredigen met de oude figuren van Sévre, van welke vele reeds door den tijd geleden hebben, en de weinig overgeblevenen zich in de handen van eenige liefhebbers bevinden.
Slechts sinds weinige jaren hebben onze tegenwoordige beeldhouwers, hun voordeel bij het algemeen maken van hun talent inziende, heerlijke beeldjes en groepen, vol verdienste en waarde voortgebragt. Deze meesterwerken in miniatuur hebben veel bijgedragen om het beeldhouwen in zwang te brengen, en dienden tevens om zi^h fraaije verzamelingen tot eenen geringen prijs te verschaffen, als ook om liefhebbers aan te sporen, zich op deze kunst toe te leggen, waartoe zij zich wegens derzelver moeijelijkheden niet in staat rekenden. Wij dachten daarom door dit werkje nuttiger te zijn, wanneer wij in hetzelve alle noodige aanwijzingen in deze kunst opgaven, te beginnen met het boetseren tot aan het beeldhouwen in marmer en brons.
70
ZAKEN BENOODIGD VOOK DEN BEELDHOUWER.
1 voetstuk van hout.
2 bakken van onderscheidene grootte.
1 spatel van ijzer.
1 lang mes.
1 dozijn boetseerspatels van ijzer, buksboomhout en ebbenhout.
2 schrapijzers of getande boetseerspatels.
2 aretande bijtels.
1 bijtel.
1 houten klopper.
2 kwasten van varkensborstels.
1 fleseh met zeepbrandewijn.
1 flesch met olijfolie.
1 flesch met vette olie.
quot;Boetseerwas en boetseeraarde.
De boetseerspatels van buksboomenhout en ebbenhout, sommige glad, andere getand, dienen tot het uitsteken in het ruwe; men heeft ook verlengde en afgeronde met een stomp uitsteeksel; zij dienen tot het boetseren van die partijen, waar men niet met den vinger kan bijkomen.
De schrapijzers zijn van staal met getande snede; zij dienen om de aarde weg te nemen en zijn bij het maken van een meer uitvoerig werk noodzakelijk.
HET BEELDHODWEN ZELVE.
Het beeldhouwen neemt zijnen oorsprong in het boetseren. Elk te beeldhouwen voorwerp, hetzij in marmer, steen, hout of brons, moet eerst in was of aarde geboetseerd worden, en wordt dan door middel van het afdrukken in gips het eerste werk teruggegeven. Na dit model in gips wordt het voorwerp gebeeldhouwd.
quot;Wij beginnen met het boetseren in was of aarde en zullen vervolgens tot de onderscheidene methoden, om afdruksels te maken, overgaan.
Ofschoon wij dit boek voor liefhebbers geschreven hebben.
71
zullen deze echter desniettemin genoodzaakt zijn, bijna voor e!k gedeelte hunne toevlugt tot de afzonderlijke handwerkslieden te moeten nemen, en wij kunnen hun slechts hierdoor nuttig zijn, dat wij hun de onderscheidene toebereidingen leeren kennen.
HET BOETSEREX IN HET ALGEMEEN.
De eerste grondstelling bij het boetseren is, om de natuur op hare kleinste schaal na te bootsen, in tegenoverstelling van het beeldhouwen, waar men op de grootste schaal werkt. Zoo b. v. om een hoofd te boetseren, begint men met uit was of aard.e eenen bol van de grootte van een ei te maken; in deze maakt men met de punt van eenen eenigzins dikken boetseerspatel de twee ooghoHen, maakt dan met kleine ballen de oogappels en den neus, vormt den mond, doordien, men eerst de twee einden nederdrukt, vervolgens de lippen, verder de wangen, de kin, de haren en ooren, steeds stof er op brengende. Dezelfde wijze volgt men ook voor het overige gedeelte van het ligchaam; de afzonderlijke ledematen vormt men ook te gelijkertijd, snijd dezelve dan met eenen draad af, boetseert dezelve op zich zelve en ver-eenigt ze daarna weder.
OVER DE EVENUEDIGHEDEN.
Als eene algemeene stelling geldt, dat eene figuur ongeveer 6 malen de hoogte van het hoofd moet hebben. Het been moet even lang als de bovenschenkel zijn. Het ligchaam van het sleutelbeen af tot aan den onderbuik is gelijk aan een dezer deelen. De arm, de hand uitgestrekt, is driemalen de lengte van het hoofd.
Bij eene figuur in opgerigten stand moet het sleutelbeen lood-regt met den binnensten knokkel van het rustende been zijn.
BOETSEREN IN AARDE.
Tot het boetseren bezigt men de kleiaarde; zij moet vet en vrij van steentjes en roestdeelen zijn, inzonderheid tot het boetseren van kleine figuren.
72
Alvorens men begint is het noodig om het te maken voorwerp door middel van een beslag op het houtblok, waarop men werkt, te bevestigen. Ten dien einde bevestigt men in het hout kleine ijzeren staafjes; op deze wijze vindt de aarde een steunpunt, en blijft ook in grootere massa\'s, aan het bovenste gedeelte van het voorwerp aangebragt, hechten. Ook ditzelfde geldt van deelen, die geene ondersteuning hebben, zoo als de armen, het hoofd, enz. Om het hoofdgedeelte steviger te zetten bedient men zich van kleine stukken hout. Voor groote voorwerpen is het beslag geheel van ijzer en zeer stevig gewerkt. Dit beslag rust op een voetstuk, dat op eenen tap ronddraait; de beeldhouwer kan alzoo zijn werk naar alle kanten draaijen, zonder zelf van plaats te veranderen.
Het eerste ruwe werk doet men met de handen en de boet-seerspatel; de kleinste van deze bezigt men bij het voltooijen en\' bij die partijen, waar de vinger niet kan inkomen.
Daar de aarde spoedig droog wordt, moet men, om dezelve steeds vochtig te houden, van tijd tot tijd nat maken; men neemt water in den mond en blaast het water als een fijne regen, er op; op deze wijze gaat men bij voorwerpen van kleineren omvang, een borstbeeld, een beeldje enz. te werk; boetseert men echter een beeld of een basrelief, dan bezigt men eene spons of een gieter.
Werkt men langen tijd achter elkander, dan moet dit alle drie uren geschieden. Houdt men met werken op, dan bedekt men de aarde met vochtig linnen, en vervangt dit, zoodra het droog is door ander nat linnen, ongeveer om de 8 of 10 uren; dit hangt van de plaats, van het weder en de grootte van het voorwerp af. Ten einde het linnen niet op de deelen, waarop het ligt, zoude schuren, houdt men het door middel van spelden of kleine draden verwijderd; dit is inzonderheid bij het gezigt noodzakelijk.
Bewerkt men kleine voorwerpen, zoo als b. v. een beeldje, dan moeten de naakte gedeelten der armen, schenkels, die spoediger droogen, behalve het bedekken der geheele figuur, nog afzonderlijk met bevochtigde linnen reepen omwikkeld worden.
73
BOETSEREN IN WAS.
Het was bezigt men tot het boetseren van kleine voorwerpen en van die, welke in de afzonderlijke deelen zeer uitvoerig moeten zijn; men werkt te gelijker tijd met de vingers en de boet-seerspatels en maakt dezelve van tijd tot tijd met speeksel of olijfolie nat, om het aankleven te beletten. Ook moet de plaats waar men werkt behoorlijk warm zijn.
Bij het begin van het werken is het was altijd eenigzins hard, doch door de warmte der hand verkrijgt het spoedig de ver-.,, eischte weekheid, inzonderheid wanneer het goed toebereid is. Na het werken legt men zijn was op eene koele plaats, waar het goed voor- stof bewaard is.
VAK HET AFGIETEN.
Zoodra het voorwerp in was of aarde voltooid is, moet het door middel van het afgieten wedergegeven worden. Het afgieten geschiedt op tweeërlei wijzen, te weten het afgieten, waarbij de gietvorm verloren gaat, en dat, bij hetwelk de gietvorm behouden blijft. Onder het eerste verstaat men het teruggeven van eene enkele proef van het in was of aarde geboetseerde voorwerp, dat wil zeggen, dat de gietvorm, om het gegotene te kunnen verkrijgen, aan stukken geslagen m,oet worden. Naar dit proefstuk wordt dan do tweede gietvorm gemaakt, welken men behoudt. Op dit zoogenoemde model maakt men eenen gietvorm uit onderscheidene stukken bestaande, en met dezen kan men een onnoembaar aantal afgietsels vervaardigen.
HET GIPS VOOR AFGIETSELS.
Het gips moet om afgietsels te maken zeer zuiver en wit zijn; het wordt op de volgende wijze toebereid: men neemt het schoonste gips, droogt het in eenen oven en zift het door eene zijden zeef. Om het goed te houden moet men het inzonderheid voor vochtigheid bewaren. Wanneer men het gebruiken moet, giet
74
men eerst de tot het aanmengen vereischte hoeveelheid water in den bak, schudt er langzamerhand het gips bij, roert het sterkt met den spatel om, en verwijdert zorgvuldig de blaasjes, die zich aan de oppervlakte vormen. Het is van groot belang, om niet te veel gips te nemen, daar het spoedig hard wordt; met een weinig oplettendheid leert men echter door de ondervinding de noodige hoeveelheid beoordeelen.
Alle gereedschappen moeten onmiddellijk na het werk schoon gemaakt worden.
HET AFGIETSEL, WAAKBIJ DE GIETVORM VERLOREN GAAT.
Vooraf moeten van het uit aarde geboetseerde model alle dee-len, welke bij het uit den gietvorm nemen van hetzelve hinderlijk zijn of zelfs gebroken zouden kunnen worden, door middel van eenen draad afgesneden worden; men verkrijgt op deze wijze afzonderlijke gietvormen der onderscheidene stukken, die vervolgens weder vereenigd worden; nu merkt men deze om zich niet te vergissen. Men maakt den gietvorm in twee gedeelten, om gemakkelijk de aarde van het model af te kunnen nemen, en om dit niet te beschadigen. Nemen wij eens — om dit door een voorbeeld op te helderen — voor model een borstbeeld aan. Voor het eerste gedeelte neemt men ongeveer drie vierde gedeelte van het hoofd, begint van den schedel naar beneden en gaat achterwaarts achter de ooren naar den nek. Om den gietvorm dusdanig te verdeelen neemt men eene smalle strook van aarde, en legt deze om het geheele gedeelte, waar het eerste stuk van den gietvorm eindigt; deze reep, de zoogenaamde drager, moet ongeveer de dikte van den gietvorm zeiven hebben en stevig genoeg zijn; natuurlijk moet deze reep er voorzigtig om gelegd worden, om niet eenig gedeelte van het model in te drukken. Om den drager te ondersteunen, maakt men reepjes van aarde, die men en aan den drager en aan het gedeelte van het hoofd, op hetwelk de andere helft van den gietvorm moet gemaakt worden, verbindt. Is de drager voltooid, dan gaat men tot het afgieten van dit eerste gedeelte van den gietvorm over.
75
Het gereed gemaakte gips moet eenigzins vloeibaar zijn, in hetzelve dompelt men eenen kwast en brengt nu hiermede gips op het gezigt, vervolgens blaast men hier sterk op, ten einde het gips zich verspreide en er zich geene luchtblaasjes zouden kunnen vormen, vervolgens zonder te wachten strijkt men er weder gips met den kwast op, tot alle deelen er geheel mede bedekt zijn, deze eerste laag moet ongeveer de helft der dikte van den gietvorm bedragen. Vervolgens, en om het losmaken van de tweede op te brengen laag van gips te bevorderen, bestrijkt men de eerste met eene laag van met aarde vermengd water, door, middel van eenen kwast, waardoor genoegzaam verhinderd wordt, dat deze tweede laag gips niet zoo vast aan de eerste hangt.
Nu maakt jnen weder een weinig vloeibaarder gips gereed, en brengt dit door middel der hand en van eene spatel op de eerste laag. Tot meerdere stevigheid van den gietvorm, en om voor te komen dat hij bij het afnemen niet breke, omgeeft men denzel-ven met eenige reepen van ijzer, legt op deze het overgebleven gips en geeft aan den vorm eene rondachtige gedaante. Is dit eerste stuk van den gietvorm gemaakt, dan gaat men tot het tweede over. De drager wordt voorzichtig weggenomen; vervolgens maakt men, om de twee gedeelten van den vorm overeen te doen komen, in de randen van den gietvorm kleine kegelvormige groefjes. Om het aan elkander kleven der twee gedeelten van den gietvorm voor te komen, bestrijkt men dezelve met een weinig olijfolie en gaat nu over om het tweede gedeelte te maken, met inachtneming der genoemde maatregelen. Na een half uur en wanneer het gips droog is, scheidt men den gietvorm voorzigtig met de punt van-een mes van een, en verwijdert met de vingers de aarde. Nu past men de twee helften van den gietvorm op elkander en bindt ze stevig te zamen, ten einde ze later door het afgieten zelve niet van een geschoven worden. Men laat ze 24 uren lang droogen, alvorens men ze gaat schoonmaken.
76
HET SCHOOK MAKEN EN HET GEREED MAKEN VAN DEN GIETVORM.
De gietvorm wordt met eenen kwast en met water schoon gemaakt. Heeft men al de aarde er van weggedaan, dan laat men denzelven een weinig aan de zon droogen. Nu moet men hem tot het gieten voorbereiden, door denzelven van binnen met een vetachtig ligchaam te bestrijken, waartoe men zich van eene zeep-oplossing bedient; men giet hiervan iets in den vorm, en is deze hiermede doortrokken, dan giet men het overige er uit en laat den vorm een weinig opdroogen.
GIETEN VAN HET GIPS.
Ofschoon de gietvorm reeds toebereid is geworden, zoo moet men denzelven even voor het gieten gelijkmatig met olijfolie bestrijken; trekt deze dadelijk in het gips in, dan moet men het bestrijken met olie herhalen. Het gips maakt men eenigzins dun en strijkt het door middel van eenen kwast in alle deelen van den gietvorm; onmiddellijk hierop zet men de twee stukken van den vorm op elkander, bindt dezelve stevig te zamen, en giet vervolgens het gips door de opening in den vorm, keert den vorm om en giet het overvloedige gips in den bak uit; deze bewerking wordt 4 of 5 malen herhaald en moet vlug van de hand gaan. Het is noodzakelijk om den vorm naar alle kanten rond te draaijen, ten einde het gips zich overal gelijkmatig aanzette, wanneer er weinig gips overblijft, dan giet men dit in den vorm. Op het einde van deze bewerking neemt men het gips een weinig minder vloeibaar. Moet men een beeldje gieten, dan steekt men, om de beenen sterker te maken en om vaster op het voetstuk te staan, er stukjes ijzer in. Op gelijke wijze gaat men met fijnere deelen te werk, waarin men kleine met vernis bestreken stukjes ijzerdraad inbrengt.
HET UIT DEN VORM NEMEN VAN HET PROEFSTUK.
Ongeveer een half uur na het gieten, kan men het proefstuk uit den vorm nemen. Men moet alzoo den vorm in tweeën bre-
77
ken; is de vorm van geringen omvang, dan legt men denzelven op de knie; is hij echter groot, dan legt men hem op eene tafel, met een kussen of iets soortgelijks er onder. Men begint aan het voornaamste gedeelte, te weten aan het gezigt, en slaat dan zacht met eenen beitel en eenen houten klopper; is de eerste laag van den vorm afgenomen, dan maakt men de ijzeren banden los, en gaat verder met voorzigtigheid voort, inzonderheid wanneer zich een gedeelte van het origineel vertoont. In het algemeen vordert deze bewerking eenige handigheid, die men zich echter na eenige proefnemingen gemakkelijk eigen maakt. ^ Het tweede gedeelte wordt in groote stukken afgenomen.
^ VERBETERING VAÏÏ HET AFGIETSEL.
Ook zelfs wanneer het afgietsel goed gelukt is, moet het proefstuk naauwkeurig nagezien worden, om bestaande gebreken te verbeteren. Ten dien einde bedient men zich van eenen houten of stalen boetseerspatel. Moet men aan sommige plaatsen gips opbrengen, dan maakt men vooraf kleine inkervingen aan deze deelen, ten einde het gips er beter aan zoude vasthechten, bevochtigt vervolgens deze plaatsen behoorlijk en giet er een weinig vloeibaar gips in, laat dit een weinig droogen, echter niet hard worden en verbetert vervolgens. De van het hoofdvoorwerp afgescheiden en afzonderlijk gegoten deelen worden op de opgegeven wijze aangeveegd.
AFGIETSEL, WAARBIJ DE GIETVORM BEHOUDEN WORDT.
De gietvorm dient hier om meerdere afgietsels te verkrijgen en men vervaardigt denzelven op het proefstuk, verkregen uit den aan stukken geslagen gietvorm. Men verkrijgt denzelven op de volgende wijze. Het model of proefstuk moet goed met zeep gesmeerd worden en men laat het nu droogen. Om elk gedeelte van den gietvorm behoorlijk te maken, ontwerpt men vooraf eene goede verdeeling. Elk stuk moet afgenomen kunnen worden; zoo b. v. wil men aan een hoofd de zijdeelen van den neus verkrij-
78
gen, dan moet men daartoe twee stukken afdrukken, het eene, hetwelk regts, het andere dat links -weggenomen wordt. Daar de geheele berekening in deze methode van het verdeelen bestaat, moet deze reeds te voren bepaald worden. Nu bestrijkt men het gedeelte voor het eerste stuk met olijfolie en brengt nu zeer dun gips op hetzelve. Nadat dit behoorlijk droog is, neemt men voorzigtig het stuk af. Is dit gelukt, dan snijdt men het met een mes vierhoekig af en past het andermaal op het model; past het naauwkeurig, dan neemt men het weg en zeept het in, laat het eenige oogenblikken droogen en legt het weder op het model. Nu gaat men aan hot tweede stuk en bestrijkt niet slechts het te maken gedeelte, maar ook het aangrenzende stuk aan deszelfs randen niet olie. Is een gedeelte van het model derwijze bedekt, dan vormt men andere stukken boven deze eerste, slechts maakt men kleine groefjes als kenteekens er in, om de stukken tot een geheel naauwkeurig in elkander te zetten. Het is inzonderheid van belang, dat de onderscheidene stukken naauwkeurig in elkander passen, want niettegenstaande de meeste vaardigheid in dit soort van werk, kan men de kleine tussehen-ruimten tusschen de afzonderlijke gedeelten niet vermijden, waardoor aan het afgietsel kleine uitspringende lijnen ontstaan; men noemt deze lijnen naden, welke vervolgens weggenomen worden. Het is alzoo noodzakelijk, dat deze naden ten minste zeer fijn zijn, om dezelve gemakkelijk te kunnen wegnemen. Wil men eenen gietvorm verkrijgen, die vaster is, dan dompelt men den-zelven in vette olie, doch heeft dezelve alsdan langer tijd van noode om te droogen. Zeer kleine stukken maakt men met mastik. Deze soort van gietvorm levert groote moeijelijkheden op en vereiseht bijzondere studiën. Men moet hierbij steeds zijne toevlugt tot eenen modelmaker nemen, en ook deze behoeft hiertoe reeds een weinig talent.
HET GIETEN.
Vooraf worden de stukken van den vorm het eene na het andere met olie bestreken en weder op hunne plaats gezet. Is
79
dit geschiedt, dan bindt men dezelve goed te zaraen en gaat nu tot het gieten over. Wil men een hol afgietsel hebben, dan moet de tweede laag dunner zijn en sluit men vervolgens deepening;
moet het echter vol zijn, dan wordt de vorm vol gegoten. Is het gips behoorlijk gedroogd, dan neemt men den vorm stuksgewijze af.
HET IN EEN ZETTEN VAN HET PROEFSTUK.
Is het proefstuk gegoten, dan wordt het nu in een gezet. Do uitspringende deelen, alsmede de vrij van het ligchaam afstaande armen, de kleeding en andere bijzaken, die niet in eenen vorm kunnen gegoteg, worden, worden op zich zeiven gegoten en vervolgens aangeveegd. Ten dien einde moeten de ledematen gemerkt worden, door kleine insnijdingen. Aan het hoofdstuk, waaraan de te vereenigen stukken gevoegd moeten worden, maakt men overeenkomende merkteekens; is dit geschiedt, dan worden zij door middel van gips vereenigd, hetwelk men er op giet (nadat men vooraf de beide gedeelten nat gemaakt heeft) en neemt,
alvorens het gips geheel droog is, de zoogenoemde vormnaden weg.
HET WEGNEMEN DEK NADEN.
Dit moet gedaan worden terwijl het gips versch is. Hiertoe bedient men zich van houten of stalen boetseerspatels en een stuk hondenleer tot glad maken. Somwijlen laat men wel de naden aan het afgietsel blijven, en wel gewoonlijk indien deze voor kunstenaars bestemd zijn.
AFGIETSEL NAAR DE NATUDR. *
Men bestrijkt het af te vormen gedeelte met olie en brengt er dan eene laag van eenigzins vloeibare gips, door middel van eenen kwast op. Om het afgevormde gedeelte weder gemakkelijk te ontblooten, brengt men in deze laag van gips eenige draden , zoo digt bij de huid als mogelijk is. De draden dienen,
80
om deelsgewijze de gipslaag weg te nemen. Nu maakt men de gipslaag dikker, neemt vervolgens, na eenige minuten, alvorens het gips te hard wordt, de draden weg en verdeelt den gietvorm in zoo veel deelen als dit noodig is.
BRONZEN VAN HET GIPS.
Men kan het gips alle soorten van bronskleur geven; hierbij gaat men op de volgende wijze te werk: om het brons van oude bronzen standbeelden na te bootsen, bestrijkt men vooraf het gips met vette olie, die met een weinig ierra-sienna vermengd is, laat dit een weinig indroogen en bestrijkt het vervolgens met looderts en een weinig smaragdgroen, eveneens met olie gewreven. In de diepliggende deelen voegt men er een weinig smaragdgroen, met kobalt gemengd, bij. Om groen brons na te bootsen, bestrijkt men eerst het gips met berlijnsch-blaauw en chroomgeel met olie gewreven, brengt er dan een weinig looderts droog op, en vervolgens brons door middel van een kwast. Tot nabootsing van geel of rood brons neemt men eerst berlijnsch-rood met olie gewreven en brengt er dan zeer dun looderts droog en het noodige goudbrons op.
OM GIPS TB VERZILVEREN OF TE VERGULDEN.
Is het gips goed droog, dan bestrijkt men hetzelve eenige malen met vette olie vermengd met eene geringe hoeveelheid zin-naber; is het gips nu goed doordrongen, zoodat het geene olie meer opzuigt, dan bestrijkt men het gelijkmatig met vernis om te vergulden en nu legt men er het goud of zilver in blaadjes op. Met een goudmes neemt men een blaadje goud of zilver uit het boekje, legt het op een goudkussen en verdeelt het in stukken, naar gelang van de grootte van het te vergulden voorwerp; het opbrengen van het goud op het gips zelve geschiedt met een plat en met een weinig pommade bestreken penseel en drukt het met een ander penseel of wat boomwol aan.
81
SCHOONMAKEN VAN HET GIPS.
Is het gips door stof verontreinigd, dan heldert men het op door bepoederen met gips, door middel van eenen kwast. Inzonderheid moet men goed in de holligheden dringen, waar zich de meeste vuiligheid bevindt. Om voor te komen, dat het gips niet vuil worde, kan men hetzelve, zoodra het droog is, eenige malen ligt met vette olie bestrijken, hierdoor verkrijgt het gips eene eenigzins geelachtige kleur.
HET KLEUREN VAN HET GIPS.
Om het gips de zoo zeer gezochte bleekgele kleur te geven, mengt men een weinig gelen oker bij het drooge gips. Om de behoorlijke hoeveelheid van oker te vinden, is het goed, om te voren proeven in het klein te nemen.
OVER GEBRANDE AARDE.
Gebrande of gebakken wordt de aarde genoemd, nadat zij aan de hitte van den oven is blootgesteld geweest. Zij verkrijgt de kleur van tigchelsteenen en verandert niet. Hierbij gaat men op de volgende wijze te werk: het voorwerp uit aarde gereed zijnde laat men het droogen, zorgende dat het droogen gelijkmatig geschiede, te weten dat de deelen, welke de geringste dikte hebben, en natuurlijkerwijze het spoedigste droog worden, van tijd tot tijd bevochtigd worden; inzonderheid mag het niet bersten of scheuren. Op deze wijze gedroogd zijnde wordt het in den oven gedaan. In dezen verliest het door het indroegen \'/, gedeelte van deszelfs omvang. Gebrande aarde duldt volstrekt geen beslag, en indien sommige deelen een steun noodig hadden, dan zoude deze eveneens uit aarde gemaakt moeten worden.
HET BEELDHODWEN IN MARMER.
Het schoonste marmer om te beeldhouwen verkrijgen wij uit Carrara (in het hertogdom Modena). Ook Frankrijk bezit in sommige departementen zeer schoon marmer.
82
NOODIGE ZAKEN TOT HET BEELDHOUWEN.
Hiertoe behooren vooreerst: het werktuig tot het uitsteken der punten en de cirkel tot hetzelfde einde. Verder de houwelen tot het uithakken in het ruwe; vervolgens de bijtels en raspen van verschillende grootte. Voor de uitgeholde partijen in het vleesch of de kleeding heeft men de zoogenaamde violon, een lang werktuig, hetwelk aan deszelfs eene einde van eene boor voorzien is; in het midden is een cylinder bevestigd, die door een draaiboog in beweging gebragt wordt. De kloppers zijn van ijzer en van verschillende zwaarte.
BEWERKING VAN HET MARMER.
Het marmer wrordt naar het gipsmodel bewerkt. Om het model in alle deszelfs deelen naauwkeurig na te bootsen, bedient men zich van geometrische hulpmiddelen, hetzij otn eene getrouwe copie te maken, hetzij om het op eene grootere of kleinere schaal te ontwerpen. Hierbij gaat men op de volgende wijze te werk: nadat het marmer op het ruwste gehouwen is, bedient men zich van het werktuig tot het uitsteken der punten, waarmede men op het model de onderscheidene grootte der uitsteeksels en verdiepingen opzoekt. Heeft men nu op het model naauwkeurig de afstanden aangeduid, dan teekent men onmiddellyk met het potlood de partijen aan waar de punten van het werktuig gezet moeten worden; vervolgens brengt men het werktuig op het marmer over, en holt dit in diezelfde mate uit, als men de dikte aan het model vond; men begint met de hoofdpartijen en men bedient zich hierbij ook van den cirkel. Het marmer wordt naar de vlakten gehouwen, eerst met houwelen, vervolgens met de bijtels en de vijl bewerkt, terwijl men ten laatste nog den puimsteen bezigt.
. HET SNIJDEN IN ALBAST.
Men heeft twee soorten van albast, het witte en het gele. Ofschoon beide in gebruik zijn, wordt echter het eerste meer aangewend en hooger geschat.
83
Daar het albast zeer zacht is, bewerkt men hetzelve met bijtels, raspen en boetseerspatels.
HET SNIJDEN IN HOUT.
Hiertoe gebruikt men holle bijtels en bijtels van onderscheide grootte. De meest geschikte houtsoorten zijn; eiken-, noteboome-, linde-, pere- en buksboomehout, wanneer men dezelve in hunne natuurlijken toestand of kleuren wil; wil men ze echter vergulden, dan neemt men bij voorkeur wit hout, hetwelk zich gemakkelijk laat bewerken en minder hoog in prijs is. Het snijden in hout wordt door gelijke middelen, als het houwen in marmer en albast, bewerkstelligd. Ook hierbij gebruikt men het werktuig tot het uitsteken der pjmten. Voor het overige is dit werk zeer teeder en vereischt veel oefening.
PRAKTISCHE HANDLEIDINGEN
voor de
TEEKEN- EN SCHILDERKUNST.
S0. 1. Gebe. Susse. Volledige Handleiding voor de Teeken- en Schilderkunst, voor Schilders en Liefhebbers......ƒ 0.(i0
Sü. 2. P. Jolly. Volledige Handleiding voor het Schilderen in Sap- en
Dekvenven ... ........0. i0
50. 3. Th. Roweotham. De Kunst van Schetsen naar de Natuur, raet
figuren tot opheldering............ƒ O-öO
.S0. -I. Th. en .Th. L. Roweotham. Praktische Handleiding voor het
Landschapschilderen in Waterverwen.......ƒ 0.;gt;0
X0. 5. Aakon Penley. Praktische Handleiding tot het Schilderen met Waterverwen, volgens de tegenwoordige hoogte der kunst bewerkt
en opgehelderd door Aug. Allebé........ ƒ0,GO
K». C. Adolftna Giese. Landschapteekenen met AValerverf, naar verschillende bronnen bewerkt...........ƒ 0.; 5
Mquot;. 7. Henry Murray. Praktische Handleiding voor het Portretschilderen in Olievenven, met praktische wenken betreffende het Stellen
en Figuurschilderen............ ƒ O.fiO
IS0. S. De kunst om nv.-t Wate-verf te kleuren......ƒ0.30
Typ. 1\'. A. GEüKTS, Nijmegen.