DA COSTA\'S
MEESTER WE I Hv
4
?00R \'T ONDERWIJS EN TOT ZELFOEFENIM,
MET INLEIPTNG EN A AN T EE KE NING-EN,
DOOR
B. SCHELTS YAN KLOOSTERHFIS.
T. Inleiding en Tekst. — IT. Aanteekeningen.
LEIDEN. — A. VV. SIJTHOFF.
■
Bk Moltzer. Kast 3, Pl.B N0.22
De tyd en heeft noyt weghgenomen
O
O) 13
5
O» 3
V
i-H
lt;D
V
O
O gt;
-4-)
b/}
O lt;
O)
t
O
CL 0»
u c
O
3
O
O CD
DA COSTA\'S MEESTERWERKEN.
DA COSTA\'S
MEESTERWERKEN.
VOOR \'T ONDERWIJS EN TOT ZEUOEFENINfi,
MET INLEIDING EN AANTEBKENINGEN,
DOOR
B. SCHELTS VAN KLOOSTERHUIS.
v \\ • §P
i * 1
I.
(Inleiding en Tekst.)
LEIDEN. - A. W. SIJTHOFF.
„Kwamen zijne geschiedkundige herinneringen zijne verbeeldingskracht te hulp, mocht deze leunen tegen genen, dan ontstonden die gedichten, of episoden van gedichten, waarvan men naar waarheid zeggen kan dat hunne wedergade nergens in onze letterkunde aangetroffen wordt: de groote Politieke Zangen, Hagar, de Slag bij Nieuwpoort.quot;
Huet (Litt. Fant. 1. 159).
VOORREDE.
Dat den grooteren gedichten van Da Costa eene steeds toenemende populariteit ten deel valt, legt m. i. een gunstig getuigenis af van den kunstsmaak van het huidige ontwikkelde putliek. Immers, hy was geen „vliegenreddendquot; rijmelaar, of kun-stige-sonnetten-smedend sentimentspoëet met „boven lucht en wolken uitschreiende idealenquot; (die den in-gezonden Nederlander aan weinig meer dan aan klink-klank doen denken), maar een dichterlijk gemoed, dat „een verterend aandeel nam In al wat onze tijden baren,quot; en na eene diepgaande studie der geschiedenis vele en gewichtige dingen over die tijden te zeggen had; dat, eindelek, die dingen zei in niet-slechts-door-den-vorm aangrijpende verzen; mannenvoer in mannelijk dicht.
Indien Da Costa nog niet meer wordt gelezen dan reeds het
geval is, moet dit hieraan toegeschreven, dat hij slechts na eene
*
VOORBEDE.
meer of minder uitgebreide studie volkomen kan worden begrepen en verstaan. \')
Hierby te helpen is het doel der Aanteekeningen, die bij eene eerste, zeer nauwgezette lectuur der verzen willen nageslagen worden — om daarna het genot der lezing niet te verminderen. Immers, recapituleeren is door Huet terecht „eene zeer onaesthetische bezigheidquot; genoemd.
Die Aanteekeningen zijn uitvoerig geworden, vooral door de soms vrg groote citaten: gevolg van mijn streven, niet zoozeer de woorden etymologisch — quasi-geleerd 2) voor ons leeken
\') Of heeft Van Oosterzee nog op dit oogenblik gelijk, als hij zegt: „Meer, dan wij berekenen kunnen, heeft de antipathie tegen Da Costa\'s godsdienstige richting op zijne waardeering als letterkundige en dichter gewerkt. En had hij-zelf zoo geheel ongelijk, toen hij, zeker in geen zeer vroolijke stemming, eenmaal in het openbaar zich beklaagde: „Nederland is het land der sympathie voor kolossale geesten niet;\'onze genieën mogen eene zekere bepaalde lengte niet te boven gaan...Te verblijdender, voorwaar, dat menigeen reeds begintquot; (in 1861) „op dat mingunstig oordeel terug te komen; dat het jonge Holland, jegens anderen vaak zoo streng, zich jegens hem rechtvaardig betoont; dat hij in den laatsten tijd niet slechts lof, maar liefde van tot dusver min bevriende zijden heeft ingeoogst. Bijna zouden wij durven voorspellen, dat de waardeering van Da Costa als dichter niet enkel eene bestendige, maar zelfs eene gedurig klimmende zijn zal. Er zijn figuren, die er bij winnen, als zij op een afstand gezien worden, buiten verband met een omgeving, die hen min of meer terugdringt of drukt.quot; (Iets over D. C. — Bott. 1861.)
-j Dit worde niet opgevat als eene afkeuring van zeker degelijk-wetenschappelijke annotaties als van Dr. E. Verwijs of Prof. J. Verdam (in de „Nederlandsche Klassiekenquot;), maar wel als een protest tegen het gebruik van dergelijke uitgaven op de Hoogere Burgerscholen, en als richtsnoer voor studeerende onderwijzers. Voor beiden acht ik dit „hangen aan de letterquot; (immers dat wordt het voor hen!) het tegengestelde van bevorderlijk.
VI
voorbede.
in de historische en de vergelijkende taalstudie, — doch meer de gedachten toe te lichten, en dit wel \'t liefst door Da Costa-zeiven of door zijne geestverwanten. Ik vraag geene verschooning voor die uitgebreidheid: eene verwijzing, zonder meer, was misschien dienstig geweest voor den bezitter eener goede bibliotheek, doch voor het meerendeel — der onderwijzers met name — had ze niets beteekent. En daarby: wat door anderen goed gezegd is, waarom zal ik het verhaspelen? — Met de Bijbelteksten is het een ander geval; ik meen te mogen aannemen, dat ieder lezer van Da Costa in het bezit van een O. en N. T. is en ik dus de teksten niet hoefde over te schrijven, na er, eens voor altijd, op gedrukt te hebben, dat Da Costa zonder lectuur van den Bijbel volstrekt onverstaanbaar is.
Het doel der Inleiding is een beeld van den mensch en den dichter te schetsen, dat door de meergenoemde aanteekeningen wordt bijgewerkt; alzoo: Da Costa reeds eenigermate te leeren kennen vóór de lezer zyne gedichten tracht te genieten. Deze kennis toch is, hoewel gewenscht bij alle dichters van eenige beteekenis, noodzakelijk bij den onzen, want hij gaf zich in zijne verzen en in zijn proza steeds geheel zóó als hij was, \') en vele zijner gedachten wijken aanmerkelijk af van de tegenwoordig gangbare.
Nog dit: onder het beste dat mü over Da Costa bekend is, reken ik; Pbof. All. Pierson „I. da Costa, eene gedenkredequot;, Mr. H. J. Koenen ,Levensbericht van Mr. I. da Costaquot;, 2)
\') „In berekening lag niet zijne krachtquot;. (Pierson).
^ In de Handelingen van de Maatsch. der Ned. Lett, te Leiden, jaarg. 1860. \\
vu
vookeede.
viii
C. Busken Huet (Litt. Fant. I en Ned. Bell. I), Peof. Jos. A. Albeedingk Thijm „Mr. I. da Costa, enkele trekken van \'s dichters charakterbeeld,quot; E. J. Potgieter (Krit. Stud. II) en, eindelek, Hasebkoeks „Overzicht van het leven en de werken des dichtersquot; \'). Behalve van enkele andere kleinigheden heb ik voornamelijk van deze werken gebruik gemaakt.
Moge deze uitgave van „Da Costa\'s Meesterwerkenquot; er iets toe bijdragen, dat velen onzen dichter voortaan niet slechts „ambtshalvequot; lezen, maar waarlijk te gast gaan aan zjjn disch!
1) Achter de „Kompl. Ged.quot;
B. SCHELTS VAN KLOOSTERHUIS.
\'s-Gravenhage, Mei\'1888.
INLEIDING.
^Rampzalig.... de poëzie, die geen ander uitwerksel van zich nalaat, dan dat van den welluidenden klank
of bevalligen vorm____
„Zoo in myne vroegere of latere schriften immer iets eenig gehalte bezat, \'t was mij of vrucht des Evangelies, óf voorbereiding of behoeftewekking tot die eeuwige Waarheid.quot;
Da Costa (1847).
I.
Zijne levensgeschiedenis. — Isaac da Costa is den I4den Januari 1798 te Amsterdam geboren, daags vóór de overstrooming der Nederlanden door de Fransche revolutionnairen: Daendels voorop! \') Zijn vader, Baniël da Sosta, een Portugeesch-Israëlie-tisch aristocraat, dreef met den vader van Isaacs lateren speelnoot en boezemvriend Abraham Capadose een aanzienlijken wijnhandel. Hij -wordt ons geteekend \'1) als een werkzame, onbuigbaar standvastige en op zyn patricischen afkomst fiere handelsman, aarts vijand van den Franschen revolutiegeest en alle republikeinen, schoon geen nauwgezet-geloovig Israëliet. Zijne vrouw Rebecca Ricardo behoorde mede tot de Portugeesch-Joodsche aristocratie en was „eene gemoedelijke vrouw in haren godsdienst, van nauwgezette zeden en teeder gehecht aan haar eenig kind.quot; Samen voedden ze den buitengewoon vluggen knaap zeer zorg-
1
) Door Koenen t. a. p.
inleiding.
vuldig op, „in eene denkwijze geheel strijdig met den heerschenden geest der eeuw;quot; \') zoo was, bijv., de genoemde Abraham Capadose schier zy\'n eenige speelmakker. Op achtjarigen leeftijd kwam hy op de Latijnsche school, die hij in 1811 verliet na zijn eigen Latijnsch gedicht „Over de twaalf werken van Herculesquot; uitgesproken te hebben.
In 1813 werd hij door zijn onderwijzer in \'t Hebreeuwsch, Lemans, bij Bilderdijk geïntroduceerd. Een beslissend oogenblik voor Da Costa\'s verder leven, door hem steeds in dankbaarheid herdacht.1). In hunne bewondering voor Homerus en hun\' stryd tegen de heerschende begrippen vonden de Meester en de vijftienjarige elkander en leerden weldra elkaar volkomen verstaan en waardeeren.
Daarna maakte Da Costa nadere kennis met den „fljnbeschaaf-denquot; D. J. van Lennep, wiens colleges hem bekeerden van z^ne bewondering voor het Voltairiaansch deïsme tot diepen eerbied jegens het Bijbelsche geschiedverhaal. Later zong hy op \'s Professors vijftigjarig jubileum;
„Achtb\'re Grijsaard, met wiens lessen in uw mannelijke jeugd mijn nog ongewisse jonkheid als met kinderlijke vreugd d\' eersten indruk mocht ontvangen van de waarheid van dat woord, dat uit Isrel door de volken van heel de aarde werd gehoord; — de eerste zelfbewustheid voelde van de roeping van mijn\' stam; de eerste trekking (licht!) myns harten tot den God van Abraham.quot;2)
Toen Isaacs vader hem naar de Leidsche academie wilde zenden, ried Prof. H. W. Tydeman hem, zijn\' zoon liever eerst aan Bilderdyk toe te vertrouwen „ter geregelde opleiding in onderscheidene vakken, vooral in het Romeinsche Recht en ter voorbereiding voor de hoogeschool.quot; Hierdoor werden de beide dichters van goede kennissen goede vrienden, weldra als vader en zoon sprekend over Recht, Taal, Poëzie, Geschiedenis, Philosophie. „Doch ook dit onderwijs, dat zich dikwerf van uren tot halve dagen uitstrekte, was vruchtbaar in onderrichting van meer dan
x
1
) Bijv. in „De Mensch en de Dichter Bilderdijkquot; bl. 276, in de Inleiding Tan het 4de deel van Bilderdijks brieven, en in vele gedichten.
2
) Hasebroeks volksuitgave 592.
inleiding.
éénen aard, en gaf gelegenheid tot menig vertrouwelijk gesprek. Daar was een band gelegd voor heel het leven, en meer dan dit.quot; 1j
Later — Bilderdijk verliet in 1817 „het voddig Amsterdamquot; voor „het geruste, hemelsche Leidenquot;, Da Costa was reeds in September 1816 Leidsch student geworden — later vonden ze elkaar in de Sleutelstad terug, waar Da Costa natuurlijk een der ijverigste toehoorders werd bij Bilderdijks „privaat-collegesquot; over de Vaderlandsche geschiedenis. In die dagen waren Meester en Leerling onafscheideiyk verbonden.
A0. 1818 promoveerde Isaac tot Doctor in de Eechten en in 1821 tot Dr. in de Bespiegelende Wijsbegeerte en Letteren, waarna hij drie weken later, 11 Juli 1821, in het huwelijk trad met Jonkvrouwe Hanna Belmonte, alweer eene Israëlietische aristocrate, die nochtans eenige jaren op een Christelijk Instituut was geweest en daar het onderwas in den Christeiyken godsdienst had bijgewoond. Voorloopig woonden de jonggehuwden in de woning van den ouden Heer Da Costa, die in \'t begin van het volgend jaar overleed, „niet zonder eenig voorgevoel, dat zijn eenige zoon, die zijn roem en hoop was, nog eenmaal, gelijk hem dit moest voorkomen, het geloof zijner vaderen verzaken zou.quot; 2)
Dat de vader den zoon kende, bewees de 20ste October 1822, toen Isaac da Costa, zijne vrouw en zijn vriend Dr. Abraham Capadose „den heiligen doop ontvingen door de hand van Ds. Egelingquot;; — waarover aanstonds meer.
Da Costa leefde voortaan ambteloos in Amsterdam, zijn\' tijd verdeelend tusschen studeeren, dichten, schrijven, het houden van zeer druk bezochte „Vrijdagschequot; voorlezingen.
xi
Van 1839—1851 was hij lid der Tweede klas van het KoninkHjk Instituut, waar hij zelfs tweemaal (1842 en 1844) op \'t gestoelte des voorzitters gezeten heeft. Met dit lidmaatschap was hij bijzonder ingenomen; zyne „Vijf en twintig Jarenquot; hebben er hun ontstaan aan te danken, „Aan Nederland in 1844quot; en „1648 en 1848quot; werden, onder meer, in die vergaderingen voorgedragen ; tot het laatst heeft hij voor. het Instituut gepleit, en het heeft hem diep gegriefd dat hij niet gekozen werd, toen het
1
\') Brieven IV bl. X.
2
) Koenen t. a. pl.
INLEIDING.
Instituut in gewijzigden vorm en onder anderen naam \') in 1855 herleefde.
In 1845 hebben Prof. J. Bosscha en Staatsraad M. C. van Hall moeite gedaan, om Da Costa te doen benoemen tot buitengewoon Hoogleeraar in de Letterkunde aan \'t Amsterdamsche Athenaeum; dan tevergeefs: een anoniem schrijver en loopende geruchten over Da Costa\'s hevige polemiek tegen zijne vijanden verijdelden dit plan.
Van 1852 — 1860 was hij, eindelijk, „Bestuurder en Voorganger van het Seminarium der Vrije Schotsche Kerkquot;: de ziel en de eer van die instelling, voor welke hij heeft gekampt met vuur, met bitterheid soms. Sedert dien tijd heeft hij ook de zoogenaamd chiliastische beginselen „wat al te uitsluitend op den voorgrond gesteld,quot; volgens Koenen.
Nog wordt melding gemaakt van zijne reis naar Londen (tijdens de wereldtentoonstelling in 1851) „waar hij met de uitnemendste persoonlijkheden in betrekking kwamquot;, en van een bezoek aan Edinburg (1855), terwijl hij ten minste schriftelijk van zijne deelneming liet blyken in de algemeene vergadering der Alliance Évangélique te Parijs (1856).
Éene benauwende borstkwaal maakte ten slotte een einde aan het werkzame leven. Hoe hij niettegenstaande zijne pijnen steeds „beminnelijk mensch en vroom, geduldig lijderquot; 1) bleef, zeggen ons Potgieters verzen 2):
.... „Wanneer ons de hemelsche glimlach niet heugde quot;Waarmee hy, op \'t leger der smarte gestrekt,
Slechts woorden verkondde van vrede en van vreugde.
Zijn leed met den mantel der liefde bedekt!..., Waarop van geen menschen-miskenning hy klaagde,
Waarop hy een stervende martelaar scheen.
Die blij van zyn Heer en zijn Heiland gewaagde.
Maar zegende wie hij het felst had bestreen!quot;
„Hij ging in de vreugde zijns Heeren inquot;, zeg\'t Mr. H. J. Koenen, „op den overgang van den Joodschen tot den Christelijken Rust-
XII
1
) Alb. Thijm t. a. p.
2
) Poëzie I. 113.
inleiding.
dag, den 28sten April 1860, na een schier aanhoudend lijden van vijf maanden. Op den 3den Mei daaraanvolgende werd zyn stoffelijk overschot onder algemeene aandoening en rouw ten grave gedra gen in het statige kerkgebouw, waar ook de assche van Vondel en De Buyter den dag der algemeene verrijzenis verbeiden!quot;
II.
Zijn doop. — Ofschoon Da Costa in aanleg, karakter, neigingen en sympathieën steeds Jood is gebleven, kan men hem niet begrijpen zonder de kennis, dat hy overtuigd Gereformeerd Christen was en, vooral. Chiliast als Bilderdijk, die even druk de beelden der Apocalypsis toepaste op zynen tijd.
Hoe werd hij van de waarheid des N. T. overtuigd?
Zijn vader had hem opgebracht in een laodiceesch Jodendom. Keeds vroeg verviel hij tot „een geheel onbestemd philosophismus aangaande God en Goddelijke dingenquot; (zooals hjj later getuigde): tot instemming zelfs met het Voltairiaansch deïsmus. Tijdens zyn eersten omgang met Bilderdijk „vond (hij zich), door onderscheidene invloeden, gebracht tot de verstandsoverüüging der historische waarheid van het O. T.quot; Met zulk eene vaagheid kon echter het immer positieve karakter van Da Costa geen\' vrede hebben.
xiii
Zijn\' zielstoestand in die dagen beschreef hy dichterlijk in de Inleiding van de Hymne: God met ons (1826)\') en in proza aldus2): „Het was die chaos van verwarring tusschen jeugdig opbruisende driften — en de behoefte naar het hoogere; heer-schappijvoerende zonde — en verlangen naar de kennis, naar een geheiligd dienen van God; de trek naar aardsche ydelheden van roem en hoogheid — en het besef dat er in dat alles niets wezenlijks was voor het hart en voor de eeuwigheid. Tegelijk was in mijne ziel een besluit genomen, om eenmaal in de maatschappij gevestigd mij aan de allerstriktste waarneming aller Joodsche inzettingen te bmden; en ook daarvan besefte ik tevens het ledige en onvoldoende.quot; — Daar kwam op eens een woord van Bilderdijk (die zich anders strikt onthouden had van alle pogingen hem te bekeeren) en hij werd plotseling gebracht tot
\') Vergel. Aant. bl. 8. -) Brieven van B. IV bl. XIII.
INLEIDING.
de erkenning van de eenheid Gods in het O. T., der waarheid van „de alle schepselenbevatting te-bovengaande Drievoudigheid van Vader, Zoon en Heiligen Geest! Ik vond die hoogste aller verborgenheden dan ook weldra zelfs in de getuigenissen dei-oudste Eabbijnen zoowel als in alles, dat in die dagen uit Schepping, Geschiedenis en Zelfbeschouwing tot mijne ziel sprak, op het klaarst en ondubbelzinnigst terug.quot;
Eenmaal zoover gekomen, kon Bilderdijk weten, dat de vurig godsdienstige Da Costa niet halverwege zou blijven staan, — kon hij zeggen;
„De aan God getrouwe Jood is Christen in \'t verlangenquot;.
En öf hij vurig godsdienstig was? Zijne „Inleiding tot de Hymne Voorzienigheidquot; moge het antwoord geven. \')
„De hemelen, de heem\'len moeten dalen,
zoo de echte geest der Dichtkunst u verrukt!
Vermoogt gij dit, Helleensche Puikpoëten?
Vermoogt gij dit, gij. Barden van het Noord?
Neen! Gij-alleen, Jeruzalems Profeten,
verkondigers der Godheid en Haar woord!
bevoorrecht kroost van uitverkoren Vaderen!
Gy, Jasses zoon 2), tot wiens doorluchten stam
dat bloed behoort, dat lof bruist door mijn aderen en nog verkondt van waar het d\' oorsprong nam!
Gij, Koningskind, verengelde Isaïas!....
Gy, Heiligen! Gij zijt de ware Dichters!
uw taal is ziel in zielenmelody !
Verheft ge uw stem, gü, aardsche hemelstichters ? het Heidendom wijkt sidderend op zy!
Mijn hart springt op en wil zijn boei ontglippen,
en golven met uw hymnen hemelwaart.
De kou der koorts bevangt mijn bleeke lippen,
rondom mijn hart is \'t brandend bloed vergaard.
Mijn Vaderen! geeft me adem, krachten, woorden! En storte ik uit hetgeen raijn borst doet gloên!
n „Kompl. Ged.quot; bl. 271.
\') David, van wien Da Costa beweert af te stammen.
XIV
INLEIDING.
Verhoort gij mij? zoo zullen mijn akkoorden
den psalm van \'t Oost in \'t West weergalmen doen! Bezielt gij mij? zoo zal ik de aard\' bezielen,
en hupp\'len doen ter glorie van haar Heer!
In assche zal de Godverloochnaar knielen,
en Hallels op doen stagen God ter eer,
wanneer mijn mond d\'Almachtige zal zingen,
den Opperheer van Eeuwigheid en tijd,
den Legervorst, die vlammende Eng\'lenkringen tot wachters heeft, en op de wolken rijdt!quot;
Nochtans was voor Da Costa Jezus nog niet „die Zoon, door
de Profeten aangekondigd als Israels sterke God (Jes. IX : 5)____
Juist deze ontkenning zocht ik te ontgaan door allerlei (ongerijmde!) onderstellingen.... Doch ook deze schellen der blindheid moesten wegvallen. Op één oogeriblik (het was het tijdstip mijner diepste verwikkeling in den weg, die ten afgrond voert!) ging er een licht op in het diepst mijns bestaans; en ik bevond mij geloovende, dat Jezus de Nasarener de Koning van Israël, de Zaligmaker der wereld was. In dat geloof werd ik bevestigd door onderscheidene menschelijke schriften.... Doch vooral las ik van nu aan vrijmoedig en aanhoudend de boeken-zelve des Nieuwen Testaments, en ik ontving in m^n hart het krachtige getuigenis dat ook deze het quot;Woord van God waren. Ik mocht tot Dengenen, die van dat Woord het Begin en het Einde is. uitroepen;
Mijn Redder, imjn Goël, mijn Zondenvernieler,
mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mijn God, mijn Onheilverwinnaar, mijn Levensbezieler!
gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot.quot;
Bilderdyk schijnt hem in \'t eerst niet aangemoedigd te hebben, doch weldra werd „die hoogste Waarheid meer en meer het hoofdonderwerp onzer gesprekken en brieven en dichterlijke uitboezemingenquot;. Toen Da Costa zijn\' omkeer aan zijne jonge echtgenoote mededeelde, bleek het „(wat vreugde!)quot; dat zy ook hierin geljjk met hem dacht, zooals ze voorbereid was door hare opleiding aan eene Christelijke school. Capadose, mede in \'t geheim genomen en eerst afkeerig van het denkbeeld, begon
XV
INLEIDING.
weldra met het echtpaar een onderzoek van Godsdienst en Biibel, en de uitkomst was, dat ze by Ds. Lucas Egeling in Leiden steun en voorlichting zochten; waarop de beslissende stap volgde.
Van nu aan volgde in proza en in dichtmaat een even vurig belijden der door hem erkende Waarheden, als een heftig verdedigen tegen allen die niet in hoofdzaak eenstemmig met hem dachten; „tegen den Christus-geschapen-hemeling van G-roningen, zoowel als tegen den onpersoonlijken Logos van Leiden, tegen de Hervormde Kerkleer van den Hoogleeraar Scholten, zoowel als tegen het verouderd-vulgair en daarteboven ongehoord-arbitrair rationalisme van Dr. Meyboomquot;; \') — vooral echter een daverende kamp tegen „de aanvallen des hoe-ook-vermomden onge-loofs, met het ondubbelzinnig uitgesproken doel, om dat ongeloof onder alle zijne vormen en gedaanten, met alle de hem geschonken gaven en middelen te bekampen. Hier zag hij zich als van G-od-zelven eene bepaalde levensroeping aangewezen.quot; 2)
Dr. All. Plerson zegt in zijne Gedenkrede ongeveer het volgende; De bloem van het oude Israël was het profetisme. De edelste Israëlieten waren profeten: mannen, die eene sterke en levendige bewustheid hadden van hunne zedeliike roeping, om eigen overtuigingen te belijden, en om naar hunne eigen overtuigingen den toestand van land- en tijdgenooten te veranderen. Da Costa nu was (naar het ware woord van W. de Glercq) „de geestelijke zoon van de Profetenquot;. — De versteende godsdienst, der Eabbijnen voldeed Da Costa niet; geen pantheïsme, geen monotheïsme, dat van de oude theocratie ontdaan op deïsme moet uitloopen, bevredigde hem. Bilderdijks calvinisme predikte hem een godsdienst, inniger dan de uitnemendste profeten te voren ooit hadden gekend; en het predikte hem een godsleer, verheven voortbrengsel der Westersche philosophie. „Hij werd Christen, neen, hij kwam tot de bewustheid dat hij krachtens geheel zijn\' aanleg, in Bilderdijkschen zin reeds Christen xvas. De nieuwe godsdienst die hij aannam was voor hem samengevat In dat ééne „geheimzinnige leerstukquot; van het vleesch-geworden Woord, van den mensch-geworden God, van de volstrekte Godheid van Jezus. God in de menschheid, het oneindige
\') Da Costa in zijn „Brief aan Mr. Groen Tan Prinstererquot; 1854 (aangehaald door Thijm.)
4) Koenen t. a. p.
XVI
INLEIDING.
in het eindige en concrete, het ideale in het werkelijke op tastbare en aanschouwelijke wijze optredend en zich openbarend,— zoo Da Costa geboren was om een geloof te hebben, het moest, het kon geen ander dan dit geloof zijn. Het vereenzelvigde zich met geheel z\\jn wezen. Het werd het middelpunt van zijn denken en gevoelen en ... . het werd de springader van zijn geheele poëzie.quot;
En toch! bü al zijn Christelijken jjver was hy niet bekrompen, niet volstrekt onverzettelijk, geen behoudsman quand même. „Zoo weinig bekrompen, dat hij veeleer, by al zijn rechtmatigen afkeer van teugellooze vrijzinnigheid, een voorbeeld van echte vrijgevigheid in menig opzicht mag heeten: ter goeder trouw heeft hij de vrijheid der wetenschap ook op kerkelijk grondgebied voorgestaan, totdat het hem bleek, hoevelen harer tolken vrijheid voor zichzelven begeerden en u slechts de vryheid lieten om het met hen eens te zyn, of anders stelselmatig te worden buitengesloten ; en, ja, van zulke vrijheidstirannen — om Bilderdüks woord te gebruiken — had hij een onuitroeibaren afkeer. Zoo weinig behoudsman, dat het hem in een uitsluitend-conservatieven dampkring wel eens spoedig al te eng scheen te worden, en hy (was het uit paradoxen-jacht of uit zucht tot emancipatie?) op eenmaal huiveringwekkend revolutionnair of radicaal bleek te zijn. — Zoo weinig onverzettelijk, dat hij, by alle onwrikbaar vasthouden aan onmisbare hoofdzaken, de deuren van zyn hart dag en nacht open hield voor nieuwe gezichtspunten, denkbeelden, richtingen op ieder hem dierbaar terrein, en levenslang niet heeft opgehouden dagelijks, niet maar te zijn, maar te wokden.quot; \')
Als bewys hiervoor diene, dat eerst na 1840 ongeveer, „de hoop op de toekomst des Heeren, profetisch-israëlietisch gekleurd, voor hem het anker der ziele werdquot;, m. a. w. van toen werd hij meer bepaald Chiliast, zooals hij, sedert, dit artikel zijner belijdenis, meer dan eenig ander, vooropschuift en er bij iedere gelegenheid op terugkomt. — Voor deze langzame verandering in Da Costa\'s overtuiging is merkwaardig de Opdracht van 1848 aan Beets; 1) Als we verzen van jarén-hèr opnieuw onder de oogen krijgen, dan „wordt meer dan ooit de behoefte levendig
xvii
1
) Voor „Lijden en Heerlijkheid, twee hymenquot;.
inleiding.
aan nieuwe woorden, nieuwe vormen, nieuwe ruimte voor hetgeen, sedert wü schreven, zich nader of ontdekte of ontwikkelde in onze ziel. — Zoo ging het mij dan ook, toen tot mij kwam de wensch eener nieuwe uitgave van mijne in 1826 uitgestorte Hymme; god met ons. Als ik dien Lofzang schreef op de eerste komst van den G-odmensch (hoog geloofd!) in de wereld, was mij de rykdom dor nog onvervulde profetie, de dierbaarheid en heerlijkheid van des Emmanuels glorierijke wederkomst als Koning, nog zoo geene zaak geworden, gelijk later, van hartvervullend, en geheel de geloofshoop des Christens als vervolledigend belang!quot;
Meer bewezen van verandering (bijv. van zijne politieke inzichten), die getuigen van zyn voortdurend worden, zal de lezer vinden in de Aant., waar tot eene vergelijking van de „Bezwarenquot; met sommige stukken zijn Politieke Gedichten gelegenheid wordt gegeven.
Wenscht men, eindelijk, zijn doop te vergelijken met de bekeering van een anderen dichter, dan hoore men Huet: \') Het opmerkelijk feit, dat Da Costa voor Tollens, voor zoover wü kunnen nagaan, niet bestaan heeft, is „een bewijs te meer voor de stelling, dat Tollens tot een vroeger tijdperk behoorde. Da Costa toch was, krachtens zijn uitgangspunt en zijne methode, een modern man; een reactionnair wien zijne oud- en nieuwtestamentische begrippen niet verhinderden, de wapenen der 19ae eeuw te hanteeren; die tegen de nutsverhandelingen uit de dagen van Tollens zyne geniale improvisatiën1) overstelde; en wiens bekeering van het Jodendom tot het Christendom, bij Tollens\' overgang van het Katholicisme tot het Protestantisme vergeleken, denken doet aan eene welonderhouden kanonnade, in onderscheiding van een vochtig geworden vuurwerk. Zou Tollens gemeend hebben, aan zijn fatsoen te kort te doen, zoo hij .... hoe dan ook aan den weg getimmerd had; de ander deinsde, als het moest, zelfs niet voor de vrijmoedigheid van den Yankee terug. quot;Wat misschien erger was; Da Costa bewoog zich in de richting der godsdienstige herleving, waartoe Chateaubriand in de eerste jaren der eeuw den stoot gaf en welke Lamartine de kroon opzette; en dit was voor Tollens reden genoeg, niet van hem te houden. Als een goed vertegenwoordiger van hetgeen de 18de eeuw „de verlich-
xviii
1
) De Yrijdagsche voordrachten.
INLEIDING.
tingquot; noemde, haatte Tollens eiken vorm van orthodoxie.... Werden wij uitgenoodigd te beslissen, naast wien van beiden, zoo men wil, het zinnebeeld van den domper past, wij zouden niet aarzelen. Een domper is Tollens geweest, die in onze neiging tot nationale zelfvergoding ons heeft gestijfd; met zijn burgerlijk ideaal van tevredenheid ons in slaap heeft gezongen; de melodieën der eeuwigheid op een draaiorgel heeft gezet. Da Costa daarentegen is niet alleen een kerkorgel geweest,\') maar hij heeft ook onzen gezichtskring uitgebreid, onze zelfkennis vermeerderd, en, naar de fraaie tegenstelling by Goldsmith, wanneer spotlust ons onder sijn gehoor had gébracht, ons genoodzaakt te ilijven en met de anderen mede te bidden.quot;
Ten slotte over den theoloog Da Costa te spreken, zal ik me niet vermeten. Alleen weet ik wat Prof. Van Oosterzee gezegd heeft; „O, deze Da Costa heeft geweten, wat zoovelen in onze dagen verleerden, indien zij het ook al immer verstonden, geweten, wat gelooven is, gelooven op gezag eener welgestaafde getuigenis, gelooven ook zonder doorgronden, ook zonder gevoelen (?), ook zonder aanschouwen.... en. uitstekend individu als hij was, heeft hy ten einde toe de bekoringen van het thans heerschend individualisme ontweken.... Wat schatten heeft hy weten op te delven uit de goudmijn der heilige Schrift; wat diepten gepeild, voor anderer oogen verborgen; wat waarheden verstaan, door de
wijsheid der eeuw met een hooghartigen glimlach verworpen!____
De naam van Dilettant op gewyd en theologisch gebied is hem door zijne bestrijders tallooze malen op smadelijke wijs voor de voeten geworpen. Hij was immers slechts een dichter, en waar werd het recht van intuïtie en phantasie ooit minder dan in dit doodnuchter Nederland toegestemd. Hij was daarenboven rechtzinnig .... Welnu, op het gevaar af van dien smaad te deel en beweer ik, dat deze dichterlijke dilettant-theoloog nu en dan1) meer van de heerlijke harmonieën der Schrift gezien en aan het licht gebracht heeft, dan menig Godgeleerde van beroep, zoo grijs als het stof zijner boeken; voorspel ik, dat veel van Da Costa\'s
XIX
1
quot;) Eene zinswending niet oneigenaardig in \'s Professors mond!
INLEIDING.
arbeid op schri/tgcbied later met het waarmerk van zilver of goud zal gestempeld worden, als menige oude dwaling, die thans onder den naam van „modernquot; wordt binnengehaald, reeds lang tot het vermolmde hout.... gerekend is. Op meer dan één gebied van Schriftbeschouwing hebben wij Da Costa gadegeslagen, maar wü herinneren ons niet ooit of immer door hem eene gewijde stof te hebben zien ontvouwen, zonder dat hj] die in een verrassend licht wist te plaatsen of oogpunten aanwees, die vaak eene nieuwe wereld van denkbeelden openden.quot;
III.
xx
Als leerling van Bilderdijk. — Waarin was hij niet met zijn meester één van ziel en één van zin? Wat vereenigde hen al niet? Hunne gemeenschappeljjke bewondering voor de Grieksche klassieken, en hun gezamenlijke strijd tegen den revolutionnai-ren tijdgeest; hun even geloovig opgaan onder \'t gehoor van éénzelfden dominé, en hunne gelijke vaardigheid in het schrijven van luid-klinkende verzen; de heftigheid waarmee beiden om \'t zeerst hunne vijanden bestookten waar die zich ook lieten zien, en de deemoed waarmee zij zich nietswaardige zondaren beleden; „in Bilderdijks leer was de poëzy geheel inspiratie en vond hij geen voldoening dan in verzen, wier maat en klankparing zich ten sterkste van de rhythmische gangen der antieken onderscheidden, — Da Costa\'s practijk heeft bewezen dat hij met hart en geest deze theorie had omhelsdquot;; beiden waren, „vervuld van echten krijgsmoed, doordrongen van de herinneringen der tyden toen dapperheid en hoflykheid om het zeerst tot offervaardigheid spoorden bij de kinderen der edele geslachten — ontvonkt voor de ridderlijke deugden hetzij van den Spaanschen,\') hetzü van den Nederlandschen 2) adel — geenszins afkeerig om in de overleveringen, bewaard op de tong des volks, historische trekken te herkennen, die bijdragen leverden tot de eervolle geschiedenis hunner geslachtenquot;; „beiden warme voorstanders van het aloude Prinsenhnis en afkeerig van de burgerlijke aristocratie, die den Stadhouders menigmaal den voet heeft dwars gezetquot;. Tot waardeering en beoefening van Oostersche wijsheid
\') Da Costa, afstammeling van een Portugeesch adellijk geslacht. -) Bilderdijk: „Don Teisterbantquot;.
INLEIDING.
heeft geen den ander behoeven aan te sporen of op te wekken: het zat bü beiden in het bloed; samen gevoelden zij zich koningen onder de dichters en vroegen hulde als zoodanig; Da Costa noch Bilderdijk had sympathie voor de openbare meening op het gebied van smaak, van letterkunde, van wetenschap, en daarom had de openbare meening sympathie noch voor Bilderdijk, noch voor Da Costa; beiden trokken zich bij miskenning met een gevoel van gekwetste majesteit terug; en beiden hebben eerst bij \'t einde huns levens, en meer nog na hun\' dood, eene zekere populariteit verworven.
Daarbij komt nog, dat Da Costa (met Pierson gesproken) „in zijn diepste wezen een bewonderende natuurquot; was en zich derhalve zeker niet onttrekken kon aan „de betoovering, die een zoo krachtige, zoo rijk en harmonisch begaafde geest als die van Bilderdijk (de wrevel, waarvan hij zich-zelven beschuldigt, moge dan werkelijk voor iedereen zijn omgang somtijds bemoeilijkt hebben) op de hem omringenden moest oefenen.quot; \')
En toch! Wie meenen mocht, dat Bilderdijks invloed alvermogend was, dat de jongere zwoer bij \'s Meesters woorden, dat de leerling slechts de nagalm van den oudere was, — die vergist zich. Er is, ja, eene periode in Da Costa\'s leven geweest, dat hij zich, onbewust doch met lichaam en ziel, overgaf aan zijn\' afgod, en ronduit alle aspiratiën onzer eeuw afkeurde; maar ten anderen — Pierson heeft het terecht opgemerkt — hij heeft zijne roeping vervuld in volstrekte onafhankelijkheid van Bilderdijk: tweede periode in Da Costa\'s werken en streven, toen hij slechts den wecj laakte waarlangs zijne tijdgenooten hun doel trachtten te bereiken.
Mr. H. J. Koenen zegt hiervan: „Da Costa behield zijne zelfstandigheid, en (zal ik het ronduit zeggen, gelijk ik liet meen?) in onderscheidene opzichten was de invloed van den leerling op den voorganger grooter dan omgekeerd. Want Da Costa, hoe vurig zijne dankbaarheid jegens den meester die hem innig liefhad ook ware, volgde Bilderdijk geenszins in alles, gelijk sommige andere zijner volgelingen.2) Zoo heeft hij zich, bij voorbeeld, nimmer met het Bilderdijksche Natuurrecht, gegrond op het
\') Thijm.
-| Daarom ook zal de schim van Da Costa het mij vergeven, dat zijne gedichten in de z. g. „nieuwequot; siielling verschijnen, nu Bilderdijk (hoe dan
ook) in dezen achter heeft moeten staan hij Do Vries en Te Winkel.
*
XXI
INLEIDING.
beginsel der onbeperkte behoefte of van den krijg van allen tegen allen, volgens Hobbes, kunnen vereenigen; nimmer heeft hij in de hooge ingenomenheid van zijnen meester met de eeuw van Lodewijk XIV en XV, met een Corneille, Boileau, Voltaire, of ook met den Duitscber Lessing gedeeld, terwijl hij daarentegen eenen Tasso, Camoëns, vooral den gevoeligen Lamartine\') en onder de Duitscbers later eenen J. Gr. von Herder verre de voorkeur gaf. En op don minder stijven en gekunstelden, meer natuurlijken, lossen, gevoelvollen dichttrant, dien Bilderdijk sinds zijne vestiging te Leiden heeft aangenomen, is Da Costa, door hem met vele merkwaardige verschijnselen der negentiende eeuw 1) bekend te maken, van onmiskenbaren invloed geweest....
Aanbidden, loven en gelooven,
ziedaar den sleutel van \'t Heelal:
de Zon der Waarheid, die van Boven op den getrouwe stralen zal;
dat was het beginsel der Philosophie, of — wil men liever? — der Theosophie van Da Costa. Haar karakter was Apologie der hóógste, der goddelijke, der geopenbaarde waarheid, terwijl bij Bilderdijk maar al te dikwijls de teleurstelling doorschemert, dat hem de oude toes\'tand van Staat en Kerk vóór 1781 ontvallen was, zonder dat de terugkeer van het Huis van Oranje hem hetgeen hij wenschte en wilde had aangebracht.quot;
De Katholieke Alberdingk Thijm werkt het verschil tusschen beide dichters aldus uit: „Had Da Costa, in zijne tweede periode, met den eeuwgeest, die hem een gruwel was, volkomen en zoo Bilderdiikiaansch als maar mooglijk scheen gebroken — hij bleef zonder twijfel, in zijne derde, aan de beginselen getrouw, die hem daarbij geleid hadden; maar hij stond der Eenw-zelve veel minder vijandig tegenover. Hij zong nog wel, met de herinnering eens „anti-welschenquot; lieds2):
„Zij zullen ons niet hebben de Goden dezer Eeuw!quot;
XXII
1
) O. a. met Southey.
2
*) Zie de Aant. vóór „Aan Nederl. in
INLEIDING.
maar hij verwierp niet meer wat die Eeuw karakteristieks aanbood, ómdat het voortbrengsel der Eeuw was. Hij week geen handbreed van zijn geloof in de Godheid van Christus en in de zaligmaking der wereld door Zijn verzoenend bloed; hij bleef wel altoos de leerling van Bilderdijk, wiens Oranje-gezindheid haar voornaamsten grond vond in gehechtheid aan monarchistische begrippen — maar hij had toch iets beters dan Bilderdijkschen doem over voor de moderne constitutiën; daarentegen moet men erkennen, dat, in den strijd der partijen, Da Oosta\'s protestan-tismus tegen de Roomsche Kerk scheen toegenomen naarmate de liberalen hem minder volstrekten weerzin inboezemden, \'tls de waarheid, dat Bilderdijks hart, bij zijne, te dier tijd, gansch
ongewone kennis van middeleeuwsche toestanden......schier
onafgebroken „warm voor de Moederkerk heeft geslagen;quot; Bilderdijks monarchismus, ondersteund door zijne geschiedvorsching, deed hem den revolutionnairen overgang bij de meerderheid der Nederlandsche geesten, in de tweede helft der XYIde Eeuw, veel ongunstiger beoordeelen, dan Da Costa, onder voorlichting van Groen (die wel niets voor de ruimer bewegingen in Bilderdijks geschiedbeoordeeling gevoelen kon) het ooit vermocht. \') Da Costa was het beste hart van de wereld — ook de Katholiek, 1) die hem gekend heeft en zijne vriendschap genoot, zonder hem op eenig punt te kunnen toegeven, moet het erkennen — maar dat neemt niet weg, dat hij gedaan heeft wat hij vermocht om met eerlijke wapens de Kerk van Rome te bestrijden; dat hij zich veel beter kon schikken te midden van zoovele orthodoxe personen als geenerlei natuurgemeenschap met hem schijnen te hebben, dan men het van den Oosterling en Spanjaard (gelijk hij zich-zelven noemt) zou verwacht hebben, of dan het Bilderdijk ooit doenlijk zou geweest zijn.2) Ook met de ontwikkeling der nieuwere nijverheidsbegrippen was Da Costa meegegaan.... en hoewel wij geenszins betreuren, dat Bilderdijk op zijn ouden dag niets heeft losgelaten van zijne onvoorwaardelijke gehechtheid aan vervlogen tijden, juichen wjj er evenzeer in, dat zijn leerling, behoudens het oude geloof aan „Christus en Dien gekruistquot;, wat onze tijd goeds heeft bij zijn best is gaan erkennen.quot;
XXIII
1
-J Alb. Thijm-zelf.
2
) Vergel. het slot-couplet van „Voor Ierlandquot; (Kompl. Ged. bl. 668).
INLEIDING.
IV.
Zijne werken. — Niets kan Da Costa\'s onverpoosde werkzaamheid beter doen uitkomen dan Koenens lijst van zijne „Voorlezingenquot;, „Poëtische werkenquot;, „Prozaschriftenquot;, \') waaruit hier eene bloemlezing volgt:
*1. De Verlossing van Nederland. Amst. 1814 (2 drukken). \'2. De Perzen van Eschylus. (Opgedragen aan Mr. W. Bilder-
dijk en Mr. D. J. van Lennep.) Amst. 1816. *3. De Prometheus van Eschylus. Amst. 1818.
*4. Zangen bü het examen der Nederl. Port. Israël. Armenschool 1818, 1819, 1820.
*5. Alfonsus I. Treurspel. Amst. 1821 (opgevoerd 1845). *6. Poëzy. Leiden 1821, 1822, 2 Dn. (herdr. 1847).
7. Voorlezingen over het Taalstelsel van Bilderdijk (1823).
8. Bezwaren tegen den geest der Eeuw. Leiden 1823.
9. Voorlezingen over de Kemonstrantsche en Contra-Remon-
strantsche twisten en de Synode van Dordrecht. (1823 - 24) ■10. Het karakter van Prins Maurits en de rechtspleging van Oldenbarnevelt. Rott. en Amst. 1824 en 1825.
11. De Sadduceën. Leid. 1824.
12. Geestelijke Wapenkreet. 1825.
13. Zes reeksen van voorlezingen over Vaderlandsche Geschie
denis (1831-1838),
14. Voorlezingen over den Ondergang der Eerste Wareld van
Bilderdijk (1836).
15. Lezingen tegen Dr. Strauss en diens ieöeM Jc-m (1839 —40).
16. Voorlezingen over de Eenheid en Overeenstemming der
Evangeliën. Amst. 1840, 2 Dn. (In het Eng. vertaald 1851. — Hierbij: eene Verhandeling over het Evangelie van Matthaeus. Amst. 1858).1)
*17. Vijf-en-twintig Jaren. Amst. 1840 (2de en 3de druk 1841, 4de druk 1846, later meermalen met andere gedichten herdrukt.)
XXIV
1
) De Voorlezingen („Improvisatiënquot;) zijn verder ter zijde gelaten; ze loopen geregeld door van 1831 tot \'s Dichters dood 1860.
INLEIDING.
18. Rekenschap van gevoelens. Amst. 1843. herdrukt 1843.
(Tegenschrift van Opzoomer.)
19. Landgenooten. met het oog op God, bliift Nederlanders en
vereenigd. Amst. 1844.
\'20. Aan Nederland in de Lente van 1844. Amst. 1844.
21. Overzicht van het Leven en de Werken van Mr. W. B.
en Vrouwe K. W. B. Amst. 1844.
22. Recensie van het Leven van Jezus door J. J. van Ooster
zee. (1847 en \'50).
23. Paulus. Eene schriftbeschouwing. Leid. 1846. 2 Dn.
24. Bilderdijks Epos. Met Inleiding, Varianten, Aanteekeningen
en Verhandelingen. Leeuw. 1847.
\'25. Zangen uit verscheidenen leeftijd. Haarl. 1847. *26. Wachter, wat is er van den Nacht? Een lied bij de uitgangen van 1847. Haarl. 1848.
*27. Lijden en Heerlijkheid. Twee Hvmnen. Amst. 1848. *28. 1648 en 1848. Haarl. 1848.
29. Het Oogenblik. Een woord over het Ontwerp van Grond
wetsherziening. Amst. 1848.
30. Israël en de Volken, een overzigt van de Geschiedenis
der Joden tot op onzen tijd. Haarl. 1848, 2de druk 1873. (Vertaald in \'t Eng. en in \'t Hoogd.)
31. Programma der Kiesvereening Nederland en Oranje.
Amst. 1849.
32. Herinneringen uit het leven en den omgang van W. de
Clercq. Amst. 1850.
*33. De Chaos en het Licht. Een halve-eeuws-lied. Haarl. 1850. *34. Hagar en Elizabeth. Haarl. 1852.
35. Een en twintig dagen te Londen. (1852).
36. Herinneringen aan D. J. van Lennep. (1853).
37. Aan de Kiezers. (Aanbeveling van Mr. Groen van Prin-
sterer, 1853).
38. Recensie van Prof. Davids uitgave van B.\'s Ziekte der
Geleerden. (1854).
39. Brief aan Mr. G. Groen van Prinsterer. Haarl. 1854. *40. Politieke Poëzj7. Haarl. 1854.
*41. Hesperiden. Haarl. 1855.
42. Beschouwingen van de Handelingen der Apostelen. Amst.
1856 (Vertaald in \'t Hoogd).
43. Beschouw, van het Evangelie van Lucas. Amst. 1856, 2 Dn.
XXV
INLEIDING.
44. a. Wat er door de Theol. faculteit te Leiden alzoo geleerd wordt. Amst. 1857. (Tegenschrift van Prof. Scholten.) b. Brief van den Hoogleeraar J. H. Scholten. Amst. 1857.
quot;45. De Slag bij Nieuwpoort. Haarl. 1859.
70. Eekenschap der opvatting en uitvoering van het plan der
Kompl. Dichtw. van Bild. (In Dl. XV dier uitgave).
71. De Mensch en de Dichter W. Bilderdijk. Haarl. 1859.
72. Velerlei ) de Nederl. Stemmen en Beschouwingen. contributie aan gt; de Nederlander.
de tijdschriften 5 de Heraut.
Deze keus geeft èn het bewijs van zijne onverpoosde werkzaamheid, èn een goeden kijk op den aard van zijn levensarbeid.
Begonnen in de grijze oudheid en \'t verre Hellas (Eschylus-studie), weldra bij voorkeur verblijf houdend in de „Godgewijde strekenquot; des Oostens, heeft hij niettemin voortdurend zich Amsterdammer van de 19ae eeuw gevoeld — en is toch ook weer in vele opzichten geen kind dezer eeuw geweest.
Om dit te bewijzen moeten we zijne Poëzie wat nauwkeuriger bezien. — Ook de Prozaïst — als Vaderlandsch en Israëlietisch historieschrijver, als biograaf, theoloog en politicus — is voorzeker de studie waard; echter komt hier meer bepaald de Dichter ter sprake.
G-ewoonlijk verdeelt men zijn dichterlijk leven in drie tijdperken. Na in zijne jeugd uitsluitend de Graeco-Romeinsche klassieken en hunne nieuwere navolgers gediend te hebben,\') trad hij na „de ontwaking van zijn Israëlietische zeltbewustheidquot;, straks bij zyn overgang, als Hollandsch dichter op met „de beroemde bundels van 1821 en \'22quot;: zijne eerste periode. Hase-broek beweert, dat dit eerste schot een koningsschot is geweest, en De Voorzienigheid is daar, om te bewijzen, dat \'s Dichters eerste tred een schrede is geweest naar den troon! Straks (1826) zal de Christen den Jood op zijde, zoo niet voorbij, streven in het stemmen van juichende Hallels. [God mei ons.)
XXVI
Doch weldra treedt hij — tijdens de Fransche en Belgische omwentelingen, daags vóór Bilderdijks dood — zijn tweede tijdperk in; voor den Christen dagen van vurigen strijd en gloeiend
\') Thijm noemt dit zijn „eerste periodequot; en rekent dan, wat Hasebroek „de tweedequot; noemt, voor „een tijdperk van overgangquot;. Hasebroek spreekt van het lyrische, het hymnodische en het historische tijdvak.
INLEIDING.
belijden, voor den Dichter jaren van rust, van teruggang... doch slechts pour mieux saiiter.
In het Instituut gekozen als dichter, vrilde hij er zijne eerste spreekbeurt ook dichterlijk vervullen, — „En ziet! Ik gevoelde mij nog dichter!quot; Over de hooge poëtische waarde zijner meeste, nu volgende, verzen is bij de kenners slechts één roep. Verschillende citaten zoo in deze Inleiding als in de Aant. bewijzen het. — Doch vraagt men, of zijn vijftienjarig\') prozabad den dichter niet heeft geschaad? Ja en neen. Neen, in zoover studie het dichterlijk talent steunt; ja, in zoover hij door zijn aangenomen gewoonte er bijwijlen toe gebracht werd „de didactische bewering, soms aan bewijsvoering grenzend, in de plaats te stellen voor den lyrischen zangquot;. Zooals Kilstner zei:
Mehr als ein Dichter lesen soil.
Las Hölty; und sein Lied war vom Geles\'nen voll,
zoo is het ook met Da Costa geweest.
By hem komt even dikwijls als de Dichter de Historicus aan \'t woord, doch altyd ondervindt deze den invloed van gene: „z^n herbouwen der geschiedenis was een poëtisch herbouwen, poëtischer en daardoor vrijer, naarmate hij de geschiedenis van den laatsten en vóórlaatsten tijd dichter naderde.quot; (Huet.)
Doch niet de aanwezigheid van veel proza is het hoofdbezwaar door menigeen tegen de politieke zangen aangevoerd; wonder plekken heeft men zich gestooten aan zijn heftig, vooral aan zijn voortdurend belijden der hoogste Waarheden. Men heeft op grond daarvan zijne lier „eensnarigquot;, z^ne verzen zinledig,1) zijne gedachten omtrent de hedendaagsche politiek vaag,2) zijne poëzie eentonig3) genoemd. Kon men Da Costa\'s oordeel hierover nog vernemen, hij zou antwoorden: „ach, nog te weinig heb ik myn Redder gediend en geëerd, te zelden nog gewezen op onze heerlijke Toekomst, en wat geeft de huldiging van die absurde uitspraak, „de Kunst om de kunstquot;, indien men scha lijdt aan
XXVII
1
) Huet, bijv. Ned. Bell. I. 78.
2
:lt;) Potgieter, Krit. Stud. II.
3
) All. Pierson. t. a. p.
INLEIDING.
zijne ziel? Hoe durft men, anders dan uit minachting, de heiligste Waarheid te kort eene stof achten voor tien strophen? En dan, de Dichter en de Staatsman mogen aanrakingsvlakken hebben, er is nochtans een essentieel onderscheid: gene verlaat nimmer— op straffe van ingeschreven te worden in het didactiseerend rijmersgild — het gebied der afgetrokken beschouwing, hij doet slechts grepen in het practische, alledaagsche leven, om het ge-grepene in zijn hoogere spheer te idealiseeren, te generaliseeren ook. Waardoor zijne verzen nooit even zoovele wetsartikelen worden.
En echter \'t is, *t is Waarheid, wat de geest in \'t droomgezicht der dichtvervoering leest! \'t Is Waarheid, ja, maar Waarheid uit den hemel, en onerkend by \'t duiz\'lend stofgewemel;
en \'tgeen op aard voor \'t sterflijk oog geschiedt, bestaat, als beeld daarvan, en, op zich-zelve niet!quot; \')
En zullen wij partij kiezen — tot partijhaat toe — tusschen den realist en den idealist als Da Costa? Of liever de deuren van ons hart en ons hoofd open houden voor het Schoon, uit welk kamp het ook kome?
V.
Als mensch. — Een idealist is onze dichter geweest en gebleven tot op zijn sterfbed: met half verstijfde hand Bilderdijk „een standbeeld beitelend, levensgroot en naar het levenquot; 1); „hij heeft menigvuldiger de bazuin gestoken in de lucht dan gadegeslagen hetgeen voorviel aan zijne voetenquot;; steeds „dwepend met een onwerkelijk en onmogelijk Jodendomquot;. En niet slechts met dit alleen!
Met dat al, een hoog-ernstig en religieus mensch, die den tyd, „hem door God hier geschonkenquot;, nooit in ijdelheid heeft toegebracht, doch besteed aan ernstig werk. Zullen we daarom met sommigen beweren, dat hij zich nooit jong heeft gevoeld als De Genestet? Neen, voorzeker. Alleen: wat hij als levenslustige
XXVIII
1
) Hasebroek. doch vergel. Huet I, 158 vv.
INLEIDING.
jongen is geweest, kan men niet in zijne gedichten, niet in zijn proza lezen; maar is hij niet tot op zijn ouden dag in sommige opzichten kind gebleven: argeloos, \') niet slechts in den omgang met vrienden, vol idealen, geheel vertrouwen, zich gevend zonder eenig voorbehoud, zich hechtend met volle, zelfs met jaloersche liefde aan „zijn Meester\'\'? Doch reeds vroeg moet hij zijn aangetrokken hebben gevoeld door ernstige lectuur, allereerst dooide Klassieken en onder hen voornamelijk door de tragici. Vandaar zeker de ontwikkeling van zijn zin voor het verhevene, voor de poëzie der geestdrift: „niet streelen moet de dichter, niet behagen, — maar overwinnen, maar gebiên!quot; Geen lauwerkrans uit menschenhanden, een straal uit den Hooge slechts zij de prijs waarnaar hij jaagt. Populariteit zal hij als onheilig afwijzen, want: „hij dwing met reuzenovermacht den geest der eeuw terug te tredenquot; en leide ons zinnelijk geslacht met sterke hand tot \'s Vaders huis! — Hem is de poëzie een godsgezante, hem een strijdster voor hooge en heerlijke waarheden. — Militante natuur als hij is,2) ziet hij in zoetvloeiend dicht gebrek aan gevoel, en zegt Lamartine met lichte ironie na:
Gelukkig hij, wiens zangen vloeien
van uit een boezem, altijd koel,
die niet verteert van innig gloeien,
niet overstelpt wordt door \'t gevoel!
Hij mafj bevallig, sang\'rig kweel en,
het oor met zoete klanken streelen....
maar Da Costa-zelve voelt zich, als Israels Profeten, Dichter van eene hoogere orde:
Maar wij, die boezems schokken willen
en hartstochtsvlammen op doen gaan,
ons moeten de ingewanden trillen,
ons \'t hart van eigen driften slaan!.. ..
\') Zie bijv. Huet I 1G1.
J) „Hij heeft den strijd lief, meer misschien dan voor zijn geluk, en zeker meer dan voor zijne rust te wensciien wasquot;. Hasebroek t. a. p. 915.
XXIX
INLEIDING.
Wij moeten proeven, \'t geen wij zingen,
der weelde fijnste kittelingen,
de nijpendste angels van de smart! \')
Als dusdanig Koning-Zanger wilde hij \'t liefst gehuldigd, en daarom zal \'t slotvers van Calisch, 2) niettegestaande de zinspeling op wat deze „zijn afvalquot; noemde, hem vleiender hulde geschenen hebben dan bijv. Beets\' koelbloedig zilveren-bruiloftsvers.
Vraagt men Da Costa, van waar in hem die vurigheid kwam, dan wijst hij naar \'t heete Libyaansche zand, van waar hij oorsprong nam; en zijne vrienden Hasebroek en Ten Kate, Koenen en Van Oosterzee, Potgieter, Beets en Calisch zeggen dat hem vlijtig na, tot Huet er den draak mee steekt, en beweert dat Da Costa hrt Oosten, gelijk dit zich inzonderheid dooide vergelijkende taalstudie aan onze eeuw geopenbaard heeft, niet kende, nocli gemeenzaam was ook maar met het huidige Oosten. Volgens Huet heeft niet het Libyaansche zand, maar, „dezelfde zon, waarin op Madera de druiventrossen zich koesterenquot; ook het bloed en de verzen van Da Costa warm gestoofd.— Voorts,, voegt de nuchtere criticus er bij, was hij een onovertroffen meester in het hanteeren der vaderlandsche taal, met name van hare archaïsmen uit den tijd der Dordtsche synode.
Da Costa-zelve wist het alzoo: hartstocht was zijn leidsman, niet het kalme onderzoek, niet de wikkend-en-wegende critiek. „Objectiefquot; was hij zóó weinig, dat hij zelfs bij het citeeren eener bestreden meening niet kan nalaten, er bij te voegen: „niet aldus, voorzeker.quot; Wat hij als waarheid erkende, was voor zijn absoluten geest de quot;Waarheid, die geen tweede naast zich duldde. Daarom bevreemdt het ons — en toch is het weer begrijpelijk door zijn, verklaarbaar, gemis aan zelfkennis — als we bij Koenen 3) lezen, dat Da Costa jaren rondgeloopen heeft met het plan van een groot Epos in zijn hoofd, door hem. Da Costa-zelven, uit te werken: de geschiedenis Israels, — slottafereel, natuurlijk, wederkomst van Elia, aanvang van het Millennium. Hoeveel „studiesquot; in proza en poëzie ook vooraf zijn gegaan, Da Costa was zoo min episch dichter als Bilderdijk.
!) Volksuitg. 308.
!) Aid. 810: „Verbaas, sleep weg\' en wees Da Costa weerquot;! :1) ï. a. p. 346.
XXX
INLEIDING.
Zelfbeheersching was hem een straf, onberedeneerd zijne voor-of tegeningenomenheid, sterk en snel afwisselend zijne stemming : alles het gevolg van zijn fijn, dichterlijk, gevoel.
Als vriend was hij veeleischend, omdat hij veel gaf; onuitputtelijk hartlijk: van zijne vriendschap tot zijne liefde was slechts één stap, en beiden waren van nature jaloersch. Slechts een volkomen en onbetwist bezit was hem genoeg. Hij vroeg voor zich bewondering, was zelfs bijwijlen ijdel, doch nimmer afgunstig af naijverig op zijne meerderen of zijns gelijken; daarbij bezat hem ook in den vriendenkring de hartstocht voor waarheid, en schoon hij fijne vormen kon hebben indien hij dat verkoos, was hij soms tot onbeleefd wordens waar tegen zijne omgeving. Daarom, echter, nog niet onverdraagzaam: de streng-katholieke Alberdingk Thijm, als de orthodox-rechtzinnige Van Oosterzee en Koenen, naast den geavanceerd-liberalen All. Pier-son, allen hebben zich met reden zijn\' vriend genoemd en naar de mate hunner gaven bloemen gestrooid op zijn graf.
Laten we besluiten met de woorden van den talentvolsten, den laatsten van dit viertal:
„Heeft hij niet kunnen meewerken om het jonger geslacht te vormen; heeft hij, minder bevoorrecht dan Bilderdijk, geen beroemden leerling nagelaten op wien zijn mantel gevallen is; mag hij evenmin gelden als vertegenwoordiger van het geslacht dat thans het hoofd reeds naar het graf buigt, — hij blinke in zijn eenzaamheid met dubbelen luister. Zijn geest was stout en oorspronkelijk. Zijn blik omvatte de gebeurtenissen van zijn tijd. De hoogste aangelegenheden der menschheid hielden hem onafgebroken bezig. Zijn poëzie heeft nergens ware grootheid miskend, zelve meer dan eens onnavolgbare grootheid bereikt....
„Het pand, dat hij zich toebetrouwd achtte, heeft hy met leeuwenmoed verdedigd, heeft hij ten einde toe lief gehad. Het bloed des Nieuwen Testaments was hem dierbaarder dan het zijne. In de opvatting van zijn levenstaak heeft hij zich niet vergist. Hy moest zich met den geest der eeuw verzoenen of den geest der eeuw met zijn geloofsadem bezielen. Voor eene persoonlijkheid als de zijne was er geen derde.quot;
B. SCHELTS VAN KLOOSTERHUIS. \'s-Gravenhage, Mei 1888.
XXXI
DA COSTA\'S MEESTERWERKEN.
DA COSTA\'S
MEESTERWERKEN.
VOOR !T ONDERWIJS EN TOT ZELFOEFENINCT,
]
MET INLEIDING EN AANTEEKENINGEN,
DOOK
B. SCHELTS VAN KLOOSTERHUIS.
II.
(Aanteekeningen.)
LEIDEN. —
A. VV. S1JTHOFF.
„Kwamen zijne geschiedkundige herinneringen zijne verbeeldingskracht te hulp, mocht deze leunen tegen genen, dan ontstonden die gedichten. of episoden van gedichten, waarvan men naar waarheid zeggen kan dat hunne wedergade nergens in onze letterkunde aangetroffen wordt: de groote Politieke Zangen, Hagar, de Slag bij Nieuwpoort.quot;
Huet (Litt. Fant. 1, 159).
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Vooraf ga \'s Dichters quot;belangrijke en hem kenschetsende „VOOREEDE.
„Men heeft verlangd de eenigszins samenhangende reeks mijner verzen van lateren leeftjjd over onderwerpen van maatschappelijk, vaderlandsch, christelijk belang in een enkelen bundelquot; (Politieke Poezy. 1854.) „verzameld, opnieuw het licht te doen zien. Volgaarne heb ik daartoe mijne medewerking verleend, ook door het toelichten, by wijze van aanteekeningen of inleiding, zoowel van de algemeene strekking als van plaatsen of détails in deze Dichtstukken, die om wèl verstaan te worden, een enkele historische herinnering hier en daar schenen te behoeven. En inderdaad! gelijk deze verzen, onder den indruk achtereenvolgens van den dag geschreven, op allerlei gebeurtenissen van meer of min voorbijgaanden aard zinspeelden, zoo behoefden zij dergelijke ophelderingen des te meer in eenen tijd als de onze met nieuwe verschijnselen, als ware het, steeds overstelpend en overstelpt.
„Reeds zijn verre achter ons de dagen, waarin de val der Orleansche tusschenregeering, de herleving van een Napoleontisch Keizerrijk onder de toekomstigheden behoorden; — de dagen,
VIJF EN TWINTIG JAREN.
waarin Komes Paus \') als een Opperhoofd van vrijzinnigen bezongen, of van Lamartine als van eene Mogendheid gesproken werd; — die kritische dagen van 1847 en 1848. in wier weder op hunne beurt zoo snel vervangene tooneelen de horizon van 1830 spoorloos op meer dan één punt verdween. Bij altijd dezelfde overspanning in rustloozen stoflijken en verstandelijken vooruitgang, — bij altijd dezelfde spanning eener verwachting van telkens nabij schijnende en dan wederom achterwaarts wijkende uitkomsten, — bij altijd denzelfden onrustvollen vrede en onophoudelijk dreigenden volken- en burgerkrijg,quot; (vgl. het gedicht vs. 90 vv.) „ — bij altijd denzelfden kamp tusschen O m-keering en Behoud, (waar-tusschen-in telkens het Woord van God zijn getuigenis tegen beider verkeerden grondslag inbrengt!) — zijn vooral op dit oogenblikquot; (1854) „wederom nieuwe bewegingen en verwikkelingen aan de orde van den dag; Het brandpunt verplaatst naar de grenzen van Azië en Europa; Frankrijk en Engeland de Dardanellen doorgevaren; het Turksche zwaard (niettegenstaande het bij den Mohammedaan sedert lang als noodlottig gevreesd 1853) tegen Rusland uit de scheede getrokken; alia stoflijke zoowel als geestelijke, kerkelijke zoowel als politieke belangen betrokken in den gang en uitslag van dezen meer dan immer beteekenenden kamp!
„Zoo vermenigvuldigen, zoo versnellen tegelijk, zich de teekenen van onze wondere en gansch bijzondere eeuw. De Dichter, na ze met de tonen van zijn snarenspel eenigen tijd bijgehouden en als begeleid te hebben, eindelijk buiten adem geraakt,quot; (vgl. vs. 55) „werpt zich liever, als in zynen mantel gewikkeld, in een hoek van het vaartuig neder waarin wij allen op de snel en fel bewogen wateren drijven, met den blik naar een kustlicht gericht, dat onbedriegeliik en zeker op een veilige haven wijst.
2
„Dat kustlicht! het werd ons door geen feilbare menschelyke hand ontstoken in het Woord van G-od, waarvan profetie met historie de groote licht- en levenselementen z\\]n. Spoedig weg-
^ Pius IX (quot;Giovanni Maria, graaf de Mastaï-Feretti, gekozen 1846, gest. 1878) stelde zich aan het hoofd der nationale beweging in Italië en maakte het pausdom weder tot „het politieke middelpuntquot; van dit land. P i o n o n o ! was het algemeene wachtwoord, de leus der liberalen, de hoop der patriotten; een Evviva (Hij leve!) op den Paus werd te Napels, Modena en Lombardije als een revolutionnaire kreet beschouwd.
VIJF EN TWINTIG JAREN.
gespoeld met de eb der tyden mogen ook de treffendste toestanden, de belangrijkste wereldgebeurtenissen zijn, — het laatste einde van al dit eindige, ook met betrekking tot onze voor hooge heerlijkheid bestemde aarde, is voorzegd. Op dat einde telkens gewezen te hebben \') zal, ik weet het, wel altijd een der groote aanklachten (zoo niet redenen van ignoreeren 1)) tegen mijne dus geheetene politieke poëzie bij sommigen ook van zeer onderscheiden godsdienstige en staatkundige richting blijven; voor anderen, als voor mijzelven, ligt misschien juist hierin de ziel en eigenaardigheid van het verschijnsel op Christelijk-dichterlijk gebied.
„Over deze zelfde betiteling mijner gezamenlijke Tijdzangen met den naam van politiek vraag ik intusschen ten besluite dezer Voorrede nog even het woord. Ik zou om meer dan ééne reden de combinatie niet gekozen hebben. Nu zij eenmaal in zwang kwam en daar is, blijf ik niet alleen Duiten verzet of protest, maar ben ik zelfs met eenig genoegen inschikkelijk voor eene benaming, die toch niet in allen deele zich aan een onjuiste opvatting schuldig maakt. Daar is toch inderdaad (daargelaten elke toepassing op den inhoud dezes bundels) tusschen den blik des Staatsmans en dien des Dichters niet altijd een zoo essentieel verschil. In elk geval heeft ook de politiek hare dichterlijke zijde, en heeft van wederzijde voor den waren Staatsman ook de poëzie in de beschouwing der tijden hare stem en beteekenis. Vooral mogen Staatsman en Dichter elkander ontmoeten in de in-acht-neming dier door G-ods woord geopenbaarde toekomst, waaraan niet minder dan aan de waardeering van het verleden der geschiedenis het juiste inzicht in de behoefte van het tegenwoordige hangt.quot; (vgl. vs. 64) „By alle miskenning en verguizing, in onzen tijd en in ons land, van ook dit element der Hoogste Waarheid, zal toch hier en daar nog wel ook onder onze landgenooten een woord ingang of weerklank vinden, dat dezer dagen in Duitschland door een vermaard Godgeleerde aan een niet min beroemden Staatsman (door Dr. Lücke aan den Kidder Bun sen) gericht werd; 2) „Juist een waar Staatsman
3
1
) Goddank is deze vrees niet bewaarheid!
2
) Bij D. C. staat het volgende in quot;t Hoogduitsch.
VIJF EN TWINTIG JAEEN.
4
heeft behoefte aan eene zekere profetische gave, een uitzien in „de toekomst van den Staat en der Kerk, een profetisch onder-„ kennen der goede en der booze machten en teekenen der Toe-„komst in het Heden. Is de Staatsman (gelijk hij behoort te „zijn) tevens een waar Christen, dan staat hfl vóór alles in den „dienst des Rijks Christi en moet naar Gods Woord het Heden „en de Toekomst verstaan en richten. Dit kan hij echter alleen „dan, als hij de Wetten, Ordeningen en Wegen Gods in de ge-..schiedenis uit de Schrift waarlijk erkent en de profetie van het „Evangelie verstaat. — Geve Godquot; (dus spreekt nog ten slotte, uit zijn individueele\') opvatting der Apocalypse, de geleerde Duitsche Theoloog) „dat alle Vorsten en Staatslieden in dezen „waarachtigen zin luisteren naar de apocalyptische stemmen, „zegels, bazuinen en toornschalen des Godlijken Gerichts in „onzen tijd, en daarnaar zich en volken regeeren, opdat Staat en „Kerk hoe lang zoo meer zich ontwikkelen (zusammenbauen) „tot die Godsstad van den Hemel, in welke alle volken wandlen „in eenzelfde Licht, in welke de koningen der aarde hunne heer „lijkheid brengen en door welker poorte niet ingaat een onreine „noch die gruwlen doet of leugen spreekt.quot;quot;
\') Vgl. het citaat in de aant. bij vs. 04 hierachter.
VIJF EN TWINTIG JAREN.
VOORZANG.
Vorm. Vierregelige anapaestische strophen. — Bijna altijd hebben de anapaesten een\' jambischen voorslag, bijv.;
„Niet steeds is de liefde bestendig van duurquot; enz.
W — , WW —, w w — w —
of: „Hervormd Amsterdam, gij gelukkige moeder
der fiere gemeent\', die u glansrijk hierschiepquot; enz. —
D. C. gebruikt zuivere anapaesten, evenals zijn „leermeester en vriendquot; Mr. D. J. Van Lennep in zijn bekenden Duinzang (waarvan deze voorzang een „nagalmquot; heet te zijn):
„Kan het zijn, dat een sprank van den vorigen gloed, die in jeugdige stonden mij blaakte,
dat een vonk, in \'t geheim nog bewaard en gevoed, nu zoo snel weer tot dichtvuur ontwaakte?quot; enz.
Nog één voorb. (in tijdsorde n a. D. C.) van diezelfde maat: K. L. Ledeganck\'s Begraving van sir John Moore:
„Niet een trom werd gehoord, niet een treurige noot, als wij \'t lijk op de veste bestelden,quot; enz. —
Merk nog op, dat D. C. zijne gedachten niet (stijfjes) verknipt naar den strophevorm, vgl. vs. 44 en vs. 52. —
O
VIJF EN TWINTIG JAKEN.
Vs. 1. „sinds lang niet meerquot;. — Behalve enkele gelegenheidsgedichten (een paar bruiloftsliederen, eenige Paasch- en Pinksterzangen) had D. C. sedert zijn bekende hymne „G-od met onsquot; (1826) weinig meer dan „stijloefeningen in dichtmaatquot; geschreven: al zijn tyd werd door de theologie (strijdschriften en wekelijksche voordrachten) in beslag genomen. — In \'36 richtte de dichter E. M. Calisch eene vrij krasse opwekking tot D. C. — dan, voorloopig tevergeefs. — Later schreef D. C. aan een\' vriend: „Hetgeen my in jaren niet gebeurd is, noch misschien gebeuren kon, is eene oogenblikkelijke opwelling van de dichterlijke ader. Ik kon de noodiging tot waarneming van de tweede leesbeurt op de openbare vergadering van onze klassequot; (van \'t Koninklijk Instituut) „niet afslaan. En ziet, ik gevoelde my nog dichter! IJdelheid als alles, zoo het niet een weg van plicht hier ware, ik hoop ook van getuigenis. — God zij maar in alles nabij.quot;
Vs. 5. ader = bron; verstikt: als in den kleigrond; in den zandgrond geraakt, schiet de waterstraal weder uit. — M. i. een minder gelukkig beeld. — Vergelijk D. C.\'s antwoord aan Calisch:
o Calisch! zoo mijn krachten zonken,
mijn ader stolde vóór den tijd,
mijn allerlaatste levensvonken zijn aan een hooger zucht gewijd!
Vs. 7. Vermeten = poging; zich iets vermeten (sterk vervoegd) = iets onderstaan, iets durven ondernemen.
Vs. 10. Haar ziet niet terug op winter, maar op ader in vs. 5.
Vs. 11 en 12. De zinbouw is hier foutief: in den zin, zooals hy er staat, is „een reeks van onvruchtbaar vervlotene jarenquot; onderwerp, wat logisch niet kan; D. C. bedoelde: „dat één oogst die dorheid van een reeks van onvruchtbaar vervlotene jaren vergold.quot; Alzoo: één oogst het subject, een reeks enz. bijv. bep. bij dorheid.
6
VIJF JEN TWINTIG JAREN.
Vs. 15. Slaken = loslaten. Nog gezegd van boeien, een zucht. Bij Vondel in meer letterlijke beteekenis: „dat de schenner gedwongen werd mij, bange maagd (Hageroos), te slakenquot;; bi] Hooft: een gelegenheid slaken. — Vgl. Eng. slack = los, to slack = verslappen, verminderen.
Vs. 16. NI. als koning Jezus over de herboren aarde zal regeeren, want déze aarde en déze zon zullen vergaan, vgl. 2 Petr. III: 10 en 11, Apoc. XXI: 1.
Vs. 18. Harp: verhevener zinnebeeld dan de lier (vs. 1) of de citer (vs. 58), vgl. „Davids harpzangenquot; (gewijde poëzie) en lierdichten (uitstortingen van dichterlijk gevoel in \'t algemeen; Th. van Eyswijk : „\'k Ben een arme lieremanquot; enz.). — Deze w i s s\' 1 i n g wordt veraanschouwelijkt in de beide volgende regels!
Vs. 21. Glansrijker eeuw; zijn stam (de Joodsche) nu veracht, ten minste verstrooid, in Davids tijden een welvarend en machtig volk. — De hymnen: de dichterlijke boeken des O. T.
Vs. 22. Dochter van Sion~ Jeruzalem (vgl. vs. 23 en 24). Sion eigenlijk de hoogste heuvel in de eeuwige stad, waarop Davids burcht gebouwd was. — Opsprong drukt hier keurig de verrukking der Dochter van Sion uit!
Vs. 23. Haar; der Dochter, de Koning is natuurlijk G-od.
Vs. 25. Euphraat: denk aan de Babylonische ballingschap.
Vs. 26. Vgl. Ps. 137:2. — Ontsnaar\'d is hier, strikt genomen, overbodig.
Vs. 29. En nog later zong Juda. „Men zie over de poëzie der Joden in het Spaansche Schiereiland de Nederl. Stemmen IV 235, en Stemmen en Beschouwingen II 374—6,quot; (aant. van D. C.) of Da Costa\'s meer algemeen bekend boek Israël en de Volken bl. 184 — 198, bl. 406 v.v. — Staf natuurlijk staf eens ballings.
Vs. 30. Zweem-zwier; allitteratie, vgl. ook bijv. vs. 41,48 enz.
8 vijf en twintig jaeen.
Vs. 31. G-oudkorrels: letterlijk doelend op het stofgoud in den Taag, flguuriyk op den handel waardoor de Joden rijk werden. Hierop zinspeelt Potgieter („I. daCostaquot;): „en de korlen des Taags werden staven aan \'t IJ.quot; — Lisbóa, Nederl. Lissabon.
Vs. 34. Zich: foutief genomen voor elkaar, vgl. ook vs. 71, 344 en Terwey, Ned. Sprkk. § 112.
Vs. 39. Schoon gezegde hulde aan Bilderdijk\'s talent, wien D. C. eene kinderlijke, bijna vergodende, liefde toedroeg.
Vs. 42. Schoon met mindere snelheid: het tegengestelde van een bewijs voor D. C.\'s zelfkennis, immers algemeen stelt men zijne gedichten na \'40 boven de toen reeds gezongene.
Vs. 43. Zyner Vaad\'ren: één bewijs uit de zeer vele, dat D. 0. schoon Christen gedoopt zich Jood is blijven voelen. „Ik bleef toch wel (neen! ik werd eerst recht) Israëliet, toen ik, door de genade van myner Vaderen God en Zaligmaker, mij Christen beleed.quot; (D. 0. Voorrede bij Israël en de Volken, bl. XI).
Vs. 44. Land, nl. Nederland.
Vs. 45. Den striid tegen Afgoon: in onderscheidene gedichten, uitvoeriger nochtans in proza: „Bezwaren tegen den geest der Eeuwquot; (1823), eene doorloopende vervloeking dier afgoun, uit welk boekje ik meermalen zalciteeren. — Merk in deze opnoeming een zekeren climax op: de onderwerpen worden steeds meer bepaald-godsdienstig.
Vs. 47. ontsloten: vgl. zijne Inleiding op de hymne „God met onsquot;:
(Fragment).
In diepten verzonken van leed en ellende,
het hart in bedwelmende droomen verward,
door prikkels van onrust wier bron ik niet kende
gedreven, gefolterd tot eind\'looze smart,
heeft de aarde my lang in mijn dorheid gedragen, in morrende wanhoop aan wereld en lot:
VIJF EN TWINTIG JAEEN.
een knagend verlangen verteerde mijn dagen,
een woede van honger naar zielengenot!
Ik zocht het, ik riep wat dit hart zich verbeeldde,
in alles wat de aarde verlokkendst belooft: in brandende driften, in bruisende weelde,
in Ridderverdienste. die \'t maagdenhart rooft, in palmen, gewassen voor wereldbedwing\'ren,
in zangen, bewonderd door \'t luistrend gewelf....
maar \'t schaduwbeeld vluchtte voor d\' indruk der ving\'ren
\'t was ijdelheid, ijd\'ler dan de ildelheid-zelf! — In diepten des onheils verzonken, verloren,
versmachtte mijn ziel naar den levenden God!
Maar ach! in de blindheid der zonde geboren,
bleef rust\'looze woeling mijn pijnigend lot!
Hoe zoude ook het schepsel zich nog onderwinden,
den Schepper te zoeken in \'t afgekeerd hert?
en waar is het licht, dat Hem weder doet vinden.
Wiens beeld door de zonde in ons uitgewischt werd? Dat licht kan geen Heidensche wijsheid doen schiinen, geen stelsels, vergank\'lijk als \'t wegsnellend Thans, geen boeteverord\'ning van quot;VVet en Rabbijnen,
geen eigengewillige dienst des Verstands....
o God des ontfermens! Gij zaagt op mij neder,
en \'k werd tot een nieuwe bevatting herteeld! in d\' Eeniggeboren keert God tot ons weder, in d\' Eeniggeboren, Zijn uitgedrukt Beeld! Die Een\'ge.... Zijn hand heeft mijn oogen bestreken,
en \'t hartenbewindsel dos ongeloofs viel.
Ik zag Hem, ik gaf mij! De hel is geweken;
de hemel ging op uit Uw woord in mijn ziel!.... Myn Redder, mijn Goël, mijn Zondenvernieler,
mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mijn God mijn Onheilverwinner, myn Levensbezieler!
gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot!
Voor U wil ik stryden, voor U wil ik lijden,
voor IJ wil ik de aarde doorgalmen van lof!
aan U wil ik adem en levenskracht wyden,
tot de Engel des levens mii slake uit dit stof!
Zyt Gij, o mijn Koning! (Gij!) tot mij gekomen?
hebt Gij hem gezocht, die naar U niet en zag?
8 vijf en twintig jaren.
Vs. 31. G-oudkorrels: letterlijk doelend op het stofgoud in den Taag, figuurlyk op den handel waardoor de Joden rijk werden. Hierop zinspeelt Potgieter („I. daCostaquot;): „en de korlen des Taags werden staven aan \'t IJ.quot; — Lisbóa, Nederl. Lissabon.
Vs. 34. Zich: foutief genomen voor elkaar, vgl. ook vs. 71, 344 en Terwey, Ned. Sprkk. § 112.
Vs. 39. Schoon gezegde hulde aan Bilderdiik\'s talent, wien D. C. eene kinderlijke, bijna vergodende, liefde toedroeg.
Vs. 42. Schoon met mindere snelheid: het tegengestelde van een bewijs voor D. C.\'s zelfkennis, immers algemeen stelt men zijne gedichten na \'40 boven de toen reeds gezongene.
Vs. 43. Zyner Vaad\'ren: één bewijs uit de zeer vele, dat D. C. schoon Christen gedoopt zich Jood is blijven voelen. „Ik bleef toch wel (neen! ik werd eerst recht) Israëliet, toen ik, dooide genade van mijner Vaderen God en Zaligmaker, mij Christen beleed.quot; (D. C. Voorrede bij Israël en de Volken, bl. XI).
Vs. 44. Land, nl. Nederland.
Vs. 45. Den strijd tegen Afgoon: in onderscheidene gedichten, uitvoeriger nochtans in proza: „Bezwaren tegen den geest der Eeuwquot; (1823), eene doorloopende vervloeking dier afgoön, uit welk boekje ik meermalen zal citeeren. — Merk in deze opnoeming een zekeren climax op; de onderwerpen worden steeds meer bepaald-godsdienstig.
Vs. 47. ontsloten: vgl. zyne Inleiding op de hymne „God met onsquot;:
(Fragment).
In diepten verzonken van leed en ellende,
het hart in bedwelmende droomen verward,
door prikkels van onrust wier bron ik niet kende
gedreven, gefolterd tot eind\'looze smart,
heeft de aarde mij lang in mün dorheid gedragen, in morrende wanhoop aan wereld en lot:
VIJF EN TWINTIG JAKEN.
een knagend verlangen verteerde mijn dagen,
een woede van honger naar zielengenot!
Ik zocht het, ik riep wat dit hart zich verbeeldde,
in alles wat de aarde verlokkendst belooft:
in brandende driften, in bruisende weelde,
in Ridderverdienste, die \'t maagdenhart rooft,
in palmen, gewassen voor wereldbedwing\'ren,
in zangen, bewonderd door \'t luistrend gewelf....
maar \'t schaduwbeeld vluchtte voor d\' indruk der ving\'ren;
\'t was ydelheid, ijd\'ler dan de iidelheid-zelf! — In diepten des onheils verzonken, verloren,
versmachtte mijn ziel naar den levenden God!
Maar ach! in de blindheid der zonde geboren,
bleef rust\'looze woeling mijn pijnigend lot!
Hoe zoude ook het schepsel zich nog onderwinden,
den Schepper te zoeken in \'t afgekeerd hert?
en waar is het licht, dat Hem weder doet vinden.
Wiens beeld door de zonde in ons uitgewischt werd? Dat licht kan geen Heidensche wijsheid doen schijnen, geen stelsels, vergank\'lijk als \'t wegsnellend Thans, geen boeteverord\'ning van Wet en Rabbijnen,
geen eigengewillige dienst des Verstands....
o God des ontfermens! Gij zaagt op mij neder,
en \'k werd tot een nieuwe bevatting herteeld! in d\' Eeniggeboren keert God tot ons weder, in d\' Eeniggeboren, Zijn uitgedrukt Beeld! Die Een\'ge.... Zijn hand heeft mijn oogen bestreken,
en \'t hartenbewindsel dos ongeloofs viel.
Ik zag Hem, ik gaf mij! De hel is geweken;
de hemel ging op uit Uw woord in mijn ziel!....
Mijn Redder, mijn Goel, mijn Zondenvernieler,
mijn Meester, mijn Heiland, mijn Heer en mijn God mijn Onheilverwinner, mijn Levensbezieler!
gezegend, geheiligd, beslist is mijn lot!
Voor U wil ik streden, voor U wil ik lijden,
voor U wil ik de aarde doorgalmen van lof!
aan U wil ik adem en levenskracht wijden,
tot de Engel des levens mii slake uit dit stof!
Zyt Gij, o mijn Koning! (Gij!) tot mij gekomen?
hebt Gij hem gezocht, die naar U niet en zag?
9
VIJF EN TWINTIG JAREN.
zoo wasch. mij, zoo baad mij in lout\'rende stroomen des Geestes, dien Ge uitzondt ten Vijftigsten dag! ja! stort in mijn aad\'ren die kracht van gelooven, die hoogten terneer stort en marmer verbreekt, die hemelvuur inroept en afdwingt van Boven,
en ijskoude harten in liefdebrand steekt!
Ja! geef mij te galmen met loven en danken, in vlammenden ijver, in worstlenden moed,
in lieflijke psalmen, in dond\'rende klanken;
vall\' hemel en aarde voor Jezus te voet! —
Vs. 48. Emmanuel (Vgl. Matth. 1: 23) = God met ons, of: God en mensch tevens.
Vs. 50. De deining gaat een\' storm vooraf... op zee, hier *de revoluties (van \'47 en \'48), die D. 0. voorzag: zie zoowel dit gedicht als vooral de „Wachterquot;.
Vs.. 51. Adem = geest Gods, een inspiratie van hoogere Hand, vergel. vs. 531.
Vs. 53. Wat dan irög zou zij zingen? — M. i. zonderlinge vraag, alsof een Dichter ware in gloed gezet, voor hij (prozaïsch gezegd) „een onderwerpquot; heeft gevonden, alsof niet veeleer zijn stof hem in vervoering bracht! M. a. w.: hoogstwaarschijnlijk is de conceptie van de kern voorafgegaan aan die van den voorzang!
Vs. 55. Verliezen: de aandacht nl. van iemand die met zooveel vuur zich werpt in den strijd zijner dagen als D. C. deed! „Zijn hart nam een verterend aandeel in al wat onze tijden baren.quot; (Beets.) — Dat zijn geest zich verloren hebbe, wil er bij mij slecht in: wegwijs in de huidige historie dunkt hij me steeds gebleven, al overschatte hij soms enkele minder belangrijke gebeurtenissen van den dag.
Vs. 59. Weggevl otene: hiermee is niet de snelheid van doorvlogen (57) uitgedrukt.
Vs. 61. Een grond voor mijn voeten: schoon gezegd en juist tevens, want niet om de feiten is het D. C. te doen, maar om \'t geen deze hem leeren, maar wijl (en in zoover als) deze hem teekenen zijn van het naderend Rijk Christi. (vgl. vs. 55.)
10
VIJF EX TWINTIG JAREN.
Vs. 63. Toekomst, nl. het Duizendjarig Eijk (zie D. C.\'s voorrede!)
Vs. 64. Alleen, bep. van die: tenzy de Geschiedenis eene vingerwijzing naar de Toekomst, het Rijk van koning Jezus, is, ontzegt D. C. haar allen ernst en alle beteekenis. — Men vergelijke bl. 7. van D. C.\'s Israël en de Volken: „De tijd in welken wij leven, is een tijd, waarvan het voorbeeldelooze, veel bewogene, van groote uitkomsten zwangere, door geenerlei beduidende richting van den menschelijken geest wordt ontkend. De vraag, in aller harten levend, is die welke uitgaat naar het einddoel, naar de oplossing van alle die zich dagelijks om ons heen vermenigvuldigende of aankondigende schuddigen, omkeeringen, verwikkelingen, voorbereidingen, op het gebied van Kerk en wereld, van geloof, bijgeloof en ongeloof, zedelijkheid en wetenschap, maatschappelijk leven en individueele practijk. Het laatste einde, waarop alles moet uitkomen, weet niemand dan alleen de Christen, die in eenvoudigheid het woord der voorzeggingen van zijnen Heer en Zaligmaker eerbiedigt, onderzoekt en bewaart. Hij, die gezegd heeft, dat „Hij veel moest lijden van Zijn volk en van de Heidenen, en gekruisigd worden, en daarna ten derden dage uit de dooden zou verrijzenquot; (en het was alzoo!), Diezelve heeft ook vóór en na Zijnen dood en opstanding zoo met eigen mond als door den mond van Zijne Apostelen en Profeten gezegd, „dat Hij wederkomen zal op de wolken des hemels en dat met die wederkomst verbonden is de vervulling van al datgeen, hetwelk van Hem, den Christus Israels en den Geopenbaarde onder alle de volkeren, door Profeten en Psalmisten aan de Israëlietische vaderen en uitverkorene geloovigen betuigd is.quot; Hij zal als Koning heerschen over het huis Jakobs. God de Heer zal Hem den troon Zijns vaders Davids geven. Hij zal regeeren van zee tot zee, en van de rivieren tot aan de einden der aarde. Onder Zijnen schepter zullen alle de twaalf stammen Israels hereenigd worden. In hunnen vrede, hunne heerlijkheid, hunne onderwerping aan dien schepter van gerechtigheid, waarheid en liefde, zullen alle de volkeren der aarde deelen. De geheele aarde zal bedekt worden van de kennis van God en overdekt worden van Zijn licht. De gcddeloozen, mitsgaders alle goddelooze en afgodische machten, zullen uitgeroeid, de Oversten dezer wereld uitgeworpen worden. Jeruzalem zal
11
vijf en twintig jaren.
herrijzen in heeriykheid uit hare vernedering, gelijk de dooden die in den Heer geloofd zullen hebben uit hunne graven. Het laatste Boek des Bijbels trekt dat alles te zamen in deze zijne laatste woorden; „Ik, Jezus, de quot;Wortel en het Geslacht van David, de blinkende Morgenster, — zie! Ik kom haasteiyk.quot;
kern.
Vs. 65. Hoe kalm klinken, na de vurige anapaesten, deze alexandrijnen: \'t Gevoel staat het woord af aan \'t Verstand.
Vs. 67. Met opzet geen caesuur. Let ook op de talentvolle snyding der volgende regels, bijv. vs. 71, 74, 75 enz.
Vs. 69. Maar, mare= „bericht eener groote, belangrijke gebeurtenis.quot;
Vs. 72. Ontmoetten: in den onvolt. verl. tyd; botsen natuurlijk in den onv. t e g. tyd !
Vs. 73 vv. „Bendenquot;, „dol van moedquot;, „Barbarenquot;, enz.: de tijding komt uit het Napoleon vijandige kamp! — Des Drijvers arm; zie Jesala XIV : 4.
Vs. 78. Uitgeschenen; minder juist gebruikt (wellicht ook niet bedoeld) bij kroon en staf.
Vs. 79. Ban == heerschappij; in \'t Mnl. ook = bevel, (niet verwant met binden of met baander-, hanierheer). Zie ook 1648 en 1848 vs. 165, Chaos en \'t Licht vs. 401; in 1648 en 1848 vs. 363 is ban = vloek, banvloek.
Vs. 81. Ten tweeden male, nl. 31 Maart 1814 en 22 Juni 1815. — Hergeef den roof; bij den tweeden Parijschen vrede (20 Nov. 1815) werd bepaald, dat alle geroofde schatten van kunst en wetenschap aan de vorige eigenaars teruggegeven moesten worden.
Vs. 82. Babel: de stad der ongerechtigheid des O. T., „een voorbeeld van den Antichristquot;; zie Jesaia en Jeremia!
Vs. 83. Ontkwaamt die wraak; nl. die Babel trof: geheele verdelging van den aardbodem.
12
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Vs. 88. De Heilige Alliantie, den 26 Sept. 1815, door keizer Alexander van Rusland, koning Frederik Wilhelm van Pruisen en keizer Frans van Oostenrijk gesloten. Later volgden, except Engeland en de Paus, alle Europeesdie mogendheden. Poging om aan het staatsleven een Christelijk-godsdienstigen grondslag te geven; door Metternich een tienjarige vloek geworden. (1825 Alexander, de ziel van \'t verbond, sterft).
Vs. 90. In zijn vaart: verkorte redengevende bijzin!
Vs. 91. Dwangbezweerders, nl. de Verbondenen, die den dwang (= de tirannie, vs. 93) bezwoeren; vgl. slangenbezweerder; een geest, een storm bezweren.
Vs. 92. Rot = partij, aanhang, in minachtenden zin. — Schoffeer en uit het Lat. dis-conficere = stuk maken; conflcere := klaar maken = ons confijten; schoffeeren in \'tMnl. = verderven, schenden, verslaan; alzoo ruimer beteekenis dan nu.
Vs. 95. Vertooning voor: een vertoon: echtNederlandsch woord voor komedie in ongunstigen zin.
Vs. 97. Juichen in Jezus. In den St.-B. volgt na dit ww. soms een datief: Ps. 47:2 Juychet Gode; Ps. 95:2 Laet ons hem juychen met Psalmen.
Vs. 99. Verbonden, vgl. „Bezwarenquot; enz., bl. 73: „Gij, Vorsten, kunt de pogingenquot; (der ellendige dagbladschrijvers) „verijdelen, niet door mensch\'lijke Verbonden (want die zyn ongeoorloofd in de zaak van Godsdienst, .en Godsdienstige orde) maar door standvastige volharding in al hetgeen ware Vorstenplicht u voor zal schrijven. God is uw Rechter, en God-alleen!quot;
Vs. 100 vv. Bekend is het gezegde: het hof van Lodewijk XVI danste op een vulkaan. D. C. werkt dit beeld, als op ons toepasselijk, uit. — Het in reg. 102 (en \'t, vs. 104) heeft tot antecedent ingewand, vs. 101.
Vs. 104. Zij: aanv. wijs; \'tis, alsof D. C. dit slechts noode toegeeft.
13
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Vs. 106. Daar deze slechts individuen (al zijn ze talrijk soms) alleen lichamelijk benadeelt, terwijl gene de geheele maatschappij moreel te gronde richt.
Vs. 107. Het zeventiende jaar der eeuw! — D. C., voor wien de inhoud alles, de vorm slechts bijzaak is, beult zich niet af om gladde overgangen te vinden, als deze niet in den geest der stof wortelen. — Ook in dit opzicht een man van karakter.
Vs. 109. Herinneringen: aan de daden van 1517 enz., „welke daden Rome\'s wrok verwekken, den ongeloovigen een raf.dsel blijven, de lauwen onder de hervormden uit hunnen dommel schudden.quot;
Vs. 112. Vaticaan = paleis des Pausen in Rome, vandaar ook = regeering van den Paus. — Oorspronkelijk een Lat. adject.: campus vaticanus = \'t veld op den rechteroever van den Tiber.
Vs. 115. Neen! Vierde Hendrik boog! enz. „Kwaliik deed wTaarlijk de Protestant, als hij, soms allerlei bondgenootschap tegen het Pausdom aangrijpende, zich meende te mogen scharen aan de zijde van het Vorstelijk wangedrag, als b. v. van eenen Keizer Hendrik IV van Duitschlandquot; (1056—1106), ..tegenover wien althans de ontzaglijke Hildebrandquot; (G-regorius VII. 1073 — 85), „wel van zich zeiven mocht getuigen, gerechtigheid lief gehad, en ongerechtigheid gehaat te hebben. — Edeler en grooter waren ongetwijfeld de fiere Hohen-staufenquot; (1138 — 1254). „Doch wat was de strijd ook door dezen, en bepaaldelijk door Keizer Prederik IIquot; (1215 — 50), „tegen de Pausen gevoerd? — Die de tweevoudige beteekenis van het Pausdom in die eeuwen begrepen heeft, en uit dat standpunt den kamp tusschen Keizers en Pausen leerde beschouwen, zal het gewis onzen edelen Graaf Willem II van Holland minder kwalijk nemen, dan het gros onzer historieschrijvers pleegt te doen, dat hij het Roomsch-Koningschapquot; (1247 — 56) „en den kamp tegen den afgezetten Keizer, ter gunste en als door de gunst van Paus Innocentius III, aanvaardde.quot; (Aant. van D. C.) — D. C. heeft zich met den naam van den bedoelden Paus ver-
14
VIJF EN TWINTIG JAREN.
schreven: Innoc. III (geb. Graaf v. Signia) regeerde van 1198 tot 1216, doch zijn naamgenoot Innoc. IV (Luigi Fiesco) wordt bedoeld: 1241 — 1254. — Eene geheel afwijkende beschouwing omtrent Gr. Willem II is te vinden bij Huet, Land van Rembrand (I bl. 204).
Vs. 116. En zelfs dat Koningswoord: enz. „Dat de Kerk van Rome in hoofd en leden bedorven was en volledige hervorming behoefde, was eene lang vóór Luthers optreden algemeen bekende en erkende waarheid. De Koning van Frankrijk, Lodewijk XIIquot; (1498—1515), „beschreef ten jare 1511, in gemeenschap met Keizer Maximiliaanquot; (I, 1493 — 1519) „en met eenige Kardinalen, eene Kerkvergadering te Pisa, om de hand aan het werk van hervorming te slaan, doch die, als zoovele andere, tot geene uitkomsten leidde. Bij die gelegenheid wordt gemeld, dat Koning Lodewijk, vooral op de heerschzucht van den krijg-lievenden Paus Julianus IIquot; (1503 — 13) „gebeten, eene munt liet slaan met dit opschrift; Perdam nomen Babylonis.quot; (= dat ik den naam Babylon uitdelge.) (Aant. van D. C.) — Hier past eene vingerwijzing naar den welmeenenden Paus Urbanus VI (1378 — 89), naar de zonder pauselijke toestemming bijeengekomen kerkvergadering te Pisa (1409) die tevergeefs den strijd tusschen de beide Pausen trachtte te beslechten en de orde te herstellen, naar Gerson en d\'Ailly, hoogleeraren aan de Parijsche Sorbonne, die de Kerk poogden te hervormen door bestrijding der leerstelling van de pauselijke onfeilbaarheid en invoering van eene alge-meene kerkvergadering boven den Paus staande, — vooral naar de kerkvergadering van Constanz (1414 — 18), waarvan getuigd wordt dat eenheid en verbetering der Kerk het hooge doel der bijeenkomst was, en naar die van Bazel (1431 — 49) waarin de stelling werd verkondigd, dat de Kerkvergadering boven den Paus stond en slechts de eerste, niet de tweede, onfeilbaar was, — en die ook werkelijk eenige hervormingen in de Duitsche kerk heeft tot stand gebracht.
Vs. 119. Nauw gescherpt: vgl. een scherp vernuft, scherp gedacht; en zie de vorige aant.
Vs. 120. NI. door den Pauselijken staf.
15
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Vs. 123. Bij = door, gelijk nog in vele uitdrukkingen: bii de gratie Gods, b|i dezen, te Gr. bü J. B. Wolters, enz. (vgl. ook vs. 10 hiervoor). — Hijgend; sterk, doch niet te kras gezegd van den door zijne zonden gefolterden Luther, dien zijne vrienden soms bewusteloos in de cel vonden, tot een Augustijner monnik hem den gemoedsvrede deed vinden bij Paulus.
Vs. 127. Zwervend: in 1510. — Het vinden van den Bijbel in \'t klooster te Erfurt valt eigenlijk vóór dien tocht naar Rome.
Vs. 132 vv. — Uitwerking van teksten als Handig. XXI: 18, Rom. 1:17, Rom. 111:20, 27 en 28! — „De Genade-leer.quot; — Geloof (vs. 132 en 136) staat in de gebied, wijs; in reg. 136 heeft deze geb. wüs „de beteekenis van een voorwaardelijken zin in de aantoon, wijsquot;, vgl. Hag ar vs. 36 en Terwey § 188.
.Vs. 138. Stond, hier := geboorteuur.
Vs. 139. Heil: door de kennis des Woords, de waarachtige kennis Gods.
Vs. 141. Daar staat hy! enz. „De bekende woorden van Luther, waarmede hij zijne verantwoording op den Rijksdag te quot;Worms besloot: „Hier sta ik! ik kan niet anders! God helpe my, Amen!quot; (Aant. van D. C.) — Den 16 April 1521 verscheen L. voor de eerste maal in den Rijksdag; den volgenden dag sprak hij zijne beroemde rede en sloot (nauwkeurig gezegd) zijn antwoord op de vraag van den Officiaal van Trier, of hij zijne dwalingen wilde herroepen, met de boven aangehaalde woorden.
Vs. 143. Gevaarten: denk aan \'t Monniken- en \'t Kloosterwezen, de hiërarchie der Kerk, — doch ook (blijkens \'t verband met reg. 144) aan sommige leerstukken dier Kerk: leer der Goede Werken — der Aflaten — van het Vagevuur, aan het coelibaat der priesters, aan de Mis, de Biecht, de voorspraak der Heiligen, enz. (Zie bijv. Groen van Pinsterer, Handb. der Gesch, van het Vaderl. bl. 51).
Vs. 144. Met den onder \'t stof begraven Bijbel!
Vs. 145. Kandelaar = de Bijbel, het lichtgevend quot;Woord Gods. — Herplaatst: ziet terug op den eersten Christentijd.
16
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Een Lied in 1840.
VOORZANG.
i Kan het zijn dat de lier, die sinds lang niet meer ruischte, die sinds lang tot geen harten in dichtmuziek sprak,
weer op eens van verrukking en hemellust bruiste en in stroomende galmen het stilzwijgen brak?
5 Kan het zijn dat een ader, verstikt en vergeten,
schoon eens mede van jeugdige zangtonen yol,
thans opnieuw, door een stout maar gelukkig vermeten, in den zandgrond geraakt, weder uitschoot en zwol?
\'t Mochte zijn, dat een winter voorbij waar gevaren ie en haar ijs by de stralen dor lentezon smolt; — dat — een reeks van onvruchtbaar verdotene jaren door één oogst voor het minst al die dorheid vergold!
Neen! de mensch mag zijn lente geen tweede maal smaken: op z ij n winter volgt nooit weer herleving en groei! — is dan alleen als dit stof eens zijn dooden zal slaken voor een eeuwige zon, voor een eind\'loozen bloei!
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Evenwel heeft wellicht onze Dichtkunst haar tijden.
o! De harp van myn stam heeft de wiss\'ling gekend van gejuich en geklag, van verheffing en lijden, van bevrijding en lange — verdorrende ellend.
Heeft ze in glansrijker eeuw niet de hymnen doen rijzen,
waar de Dochter van Sion bij opsprong in lof?
waar nog heden de Volken haar Koning in prijzen,
schoon Jeruzalems kroon ligt gedoken in \'t stof?
En Jeruzalem viel! en, Euphraat! aan uw boorden
hing het speeltuig ontsnaard in de wilgen verward! — Werd van daar ook nog niet in vermogende akkoorden profetie en vertroosting gebracht aan het hart?
En nog later zong Juda, daar \'t, balling, zijn staf voert, of het waar met een zweem van den vroegeren zwier, waar de Taag langs .Lisbóa zijn goudkorrels afvoert,
waar zich Cordua baadt in den Guadalquivir!
Ja, ook daar nog deed Isrel zijn liederen stijgen,
op zich huwende Westersche en Oostersche wijs .... de Inquisitie daagt op, en de harptonen zwijgen, aan verstrooiende stormen geslingerd ten prijs!
Zoete boorden des Amstels! gij deedt ze herleven.
Op den toon van uw Vondel, uws Bilderdijks stem ving de snaar weder aan van vervoering te beven,
en des Jongelings greep had een oogenblik klem.
o! Hij zong - uit de zucht, die nog leeft in zijn aad\'ren.
Schoon met mindere snelheid van dichterlijk bloed, — dan eens Dichtkunst en Min, dan eens \'t lot zijner Vaad\'ren, of het land, eens dien Vaad\'ren zoo gul en zoo goed,
of, den strijd tegen afgoön, uit d\' Eeuwtrots gesproten,
of, den lofzang den God aller heem\'len ter eer; —
en (de hand van dien God had mijn zielsoog ontsloten!) den Emmanuel, eind\'Hjk, mijn Heiland en Heer!
2
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Zweeg die lier voor altoos? — En indien zij herleefde,
door de deining der Eeuw uit haar sluim\'ring geschokt, of omdat weer een Adem de snaar overzweefde,
die heur zilveren tonen ten wederklank lokt,
wat dan nog zou zij zingen? wat voorwerp zich kiezen
uit Verbeelding en — Waarheids onmetelijk veld,
daar zich aandacht en geest in den maalstroom verliezen, van wat telkens de dag aan zijn opvolger meldt?
Ziet! het vierde eener eeuw heeft zijn stonden doorvlogen,
sinds ik aanving mijn hand aan de citer te slaan! — Weggevlotene jaren! herrijst voor mijne oogen!
o ! geeft gij mij de stof voor mijn maatgezang aan!
ja, een stof voor mijn verzen, een grond voor mijn voeten,
van waar verder mijn oog in het rond moge gaan, om aan d\' eindpaal der tijden een toekomst te ontmoeten, die-alleen van die tijden den loop leert verstaan!
:t Zijn vijf en twintig jaar! — \'t Kanon van Waterloo bromt in mijne ooren nog, als toen de vlugge Boo, met losgelaten toom van \'t slagveld afgezonden,
door Hollands steden rende; — en duizenden van monden herhaalden wijd en zijd de ontzachelijke maar:
„\'t Uur, dat der Volken lot beslissen moet! te daar! „De honderdduizenden ontmoetten zich, en botsen. „De Pruisen naad\'ren en de Britten staan als rotsen. „Maar de Adelaar bezielt zijn benden, dol van moed. „Oranje leeft, maar op de velden stroomt zijn bloed!quot; En straks: „Triumf! geeft lof den God der legerscharen! „Hij heeft des Drijvers arm, den moedwil der Barbaren „ten spot gemaakt, ontwricht. — Tot hiertoe. Aartstiran! „Uw kroon, uw staf, uw ster heeft uitgeschenen. Van „uw ban herademt de aard. Ja, de afgod is gevallen, „o stad der weelde! stad des bloeds! Ontsluit uw wallen „ten tweeden male voor Euroop! Hergeef den roof, „o Babel! Voor de stem der wraakvermaning doof.
vijf en twintig jaren.
„ontkwaamt ge een tweede maal die wraak; houd op te wroeten „in \'s menschdoms ingewand (daar komt een tijd van boeten!) „en \'t zij weer vrede op een te lang geteisterde aard!quot;
Het zij zoo! ja, de storm hebbe uitgewoed; het zwaard, verpoozingloos gezwaaid, ruste eind\'lijk in de scheede; en \'t heilig Vorstenbond verzeeg\'le \'t! — Is het Vrede,
omdat de donder zweeg van \'t moordverspreidend kruit?
Is de Oorlog, in zijn vaart, ook in zijn bron gestuit?
en viel de Omwent\'ling in de macht der Dwangbezweerders ? zij, met haar bloedig rot van orde- en rechtschoffeerders!
zij, telg en moeder van onzaal\'ge Tiranny,
ontvangen en gekweekt bij \'t leugenlied van: Veij!
Neen! kroost van Adam! wacht niets anders dan vertooning van vrijheid, orde of rust, totdat die Vredekoning komt heerschen over de aard, in wien de hemel juicht,
en voor wien eenmaal al wat leeft de knieën buigt!
Neen! wacht, Euroop! geen heil van waap\'nen of verbonden! Uw moederschoot heeft nog den vuurberg niet verslonden,
wiens ingewand van \'t zaad des opstands woelt en blaakt; en, schoon het ook niet steeds de lavavloeden braakt,
zijn gisting toch verraadt in trilling, rook en steenen die \'t oprispt! - Zii de krijg der volkeren verdwenen;
de kiem werd niet gesmoord, maar kruipt en woelt in \'t rond, en dreigt als tijdgeest meer, dan zo ooit als krijg bestond.
Het zeventiende jaar der eeuw! — Wat jubeltonen doordaav\'ren oud Germanje, en wakk\'ren in haar zonen herinneringen op, waar Rome tegen wrokt,
het Ongeloof voor staat, en Lauwheid-zelf van schokt? quot;Wat zingt men? welke daan? wat mannen? — Zijn het vorsten, die tegen \'t Vaticaan hun zwaard ontblooten dorsten? Is \'t Keizerlijke trots en Vorst\'lijk wangedrag,
ten tegenwicht beproefd van \'t Pauselijk gezag?
Neen! Vierde Hendrik boog! de Hohenstaufen vielen! en zelfs dat Koningswoord: ,,\'k Zal Babyion vernielen!quot; verwoei, gelijk de stem van Kerkvergadering en menig Kerkvoogd in onvruchtb\'re klacht verging,
met raad- op raadslag, nauw gescherpt, of weer bezworen
4
VIJF EN TWINTIG JAREN.
120 door d\' eemvenouden Staf. — Wat Almacht had verkoren was zwakker werktuig! \'t Was een boet\'ling, arm en klein, een Monnik zonder glans van vaad\'ren, als onrein verworpen bij zichzelf, — maar hijgend naar vergeving,
naar waarheid, naar de kracht van Boven, naar herleving, 125 naar zielsbevrijding uit der zonde nacht en hel!
\'t Is Luther! — Worstelend in de engte van zijn cel, of zwervend door de stad der Cesars, vraagt hij beide wat geen van beide heeft te geven!.... En God zeide; „Daar zü licht!quot; en het licht verrees hem uit dat Woord, 130 op Erfurts kloosterstof heroverd! Ja, hij hoort als uit Gods eigen mond den Evangelie-zegen;
„Geloof! — De zaligheid wordt door geen doen verkregen „van menschen. Ze is Gods werk. Gerechtigheid en heil, „voor schat noch wijsheid, voor geen boete of aflaat veil, 135 „is gave van Zijn liefde aan zondaars, \'t Eeuwig leven „(geloof in Christus en Zijn zoenbloed!) is gegeven.quot;
Dat woord werd leven in zijn ziel, wordt in zijn mond een overwinnend zwaard.... Hervorming! \'t wras uw stond. De Monnik, in de kracht van \'t Heil, hem aangebroken, 140 heeft op den dag te Worms \'t getuig\'nis uitgesproken!
Daar staat hij! ja,. God hielp. Daar knielt hij, keer op keer! Onweders drijven af, en zegens plassen neer;
gevaarten storten in, die de eeuwen reeds trotseerden, en waarheden staan op, die als in \'t graf verteerden. U5 In \'t huis des Heeren is de Kandelaar herplaatst,
en schittert van een licht, dat Rome-zelf weèrkaatst.
En thans! drie eeuwen, sinds, zijn in de zee der tijden verdwenen, — en gij deelt dien jubel, dat verblijden,
o zonen eener eeuw, zoo rijk, zoo ho.og verlicht?
iöo Neen, Luthers vrijheidszin was de uwe niet. Gij sticht een ander werk, en op een and\'ren grond. De kennis, ontworteld aan \'t geloof, werd trots, werd heiligschennis. Een and\'re geest stuwt thans de raad\'ren voort!
\'t Is geen doorvorschen meer, maar richten van het Woord 155 des Heeren, — God gedaagd ter vierschaar van de Rede, — Zijn Waarheid, veil gesteld voor ingebeelden vrede of wisheid uit het stof! \'t Is Heldendeugd en -kracht,
5
6 vijf en twintig jaren.
gepredikt aan de ziel die naar vergeving smacht!
\'t Is uit het Christendom den Christus weggenomen.
loo Is \'t wonder, zoo een Eeuw, verzonken in haar droomen èn grondslag èn banier van \'t grootsche werk vergat, en \'t jonge Duitschland joelt waar eenmaal Luther bad?
Maar \'t overblijfsel leeft! Trots Wet- en Woordverkrachting daar is een toekomst voor \'t geloof! een heil verwachting 165 voor onze zuchtende aard! Daar is een Christuskerk,
niet in de gunst des Tijds, maar in haar Heiland sterk.
\'t Jaar twintig. — Onder de aard zijn schuddingen vernomen! Ds vuurberg rookt en ronkt en dreigt weer uit te stroomen; de volken zijn opnieuw verbolgen; en de toorts ito des oorlogs walmt van ver. De Constitutiekoorts doorwandelt half Euroop, van Portugal en Spanje tot N.apels en Piémont; — ja, \'t moederlijk Germanje; — en Koningsbloed rookt weer in Frankrijk! — Alles wacht, of \'t monster, pas getemd door Noordsche heldenkracht, ivs den band ontspringen \'zal van legers en verdragen. —
Tien jaren uitstel nog! De zon der Julidagen is aan den hemel nog niet opgegaan! — Maar ziet!
een ander Godsgericht vertoont zich in \'t verschiet.
De Ster, voor veertig jaar uit Corsica verschenen,
180 is in uw rotsen. Sint Heieen! voor de aard verdwenen.
Gij waart een Morgenster, Napoleon! Uw blik straalde èn de Omwent\'ling èn haar vijanden ten schrik! o! Eenmaal stondt Gij groot. Onsterfelijke glansen ontglommen bliksemend aan Uwer helden lansen!
185 en Gij, bewelkomd door een gloriedronken Volk,
zweeft, Aad\'laar, óver hen, — als op een donderwolk van rook, een zee van licht, den golvenden helmetten en borstkurassen uitgestraald en bajonetten,
ter brijzeling geveld van wat ook weerstand bied\',
190 naar \'t vast berekend punt, waar Gij de zege ziet!
Ja, eenmaal stondt Gij daar, een beeld van alvermogen! De koningen der aard omkringden U, en bogen.
De wil van Frankrijk was Euroop de wet, Uw wil aan Frankrijk! Op Uw wil vloog alles of stond stil. — 195 Maar neen! Gij waart de man van God niet. Werelddwinger!
vijf en twintig jaeex.
gij werdt het speeltuig van dat Lot, dat aan den vinger der hooge Godheid drijft, toen G-e in Uw hoogheid tradt,
en een verdwaasd geslacht ü als een God aanbad! —
Gij vielt! — Gij sterft! — De rij der Aartsveroveraren, 200 die eenmaal, als Gij-zelf, des werelds geesels waren,
ontmoet U met dees taal in \'t vale doodenryk:
„o Zoon des dageraads! hoe werdt Gij ons gelijk!
„Gij vielt! — Rust eind\'lük, rust in \'t verre grafgesteente! „zoo rusten moog\'lijk is zelfs aan uw koud gebeente.quot;
205 \'t Jaar drie en twintig rees, — \'t Is feest in Haarlems wal. De menigte vlood saam op \'t schel trompetgeschal.
\'t Is wel haar tijd niet meer van blinkende tournooien,
waar duizend Edelen de heirbanier ontplooien voor Hollands Liebaart en den Henegouwschen Leeuw! 2io \'t Geldt echter hier een dag der bonte Middeleeuw.
Een man (\'t was in den tyd, toen Beieren reeds taande en \'t stout Bourgondië den weg der grootheid baande)
een man, in Haarlems hout, sneed op den beukenstam een vorm, die in den grond als letter nederkwam!
ais Maar op die letter zeeg een stemgalm uit de blaren: „Vermenigvuldig u!quot; en \'t was zoo. Vijftig jaren had de Eeuw nog niet geteld, als \'t Aartsbisschopp\'lijk Stift den troon der Drukkunst op zijn bodem zag! De Schrift, het eerste, ging van toen vertienmaalduizendvuldigd 220 naar \'s aardrijks hoeken uit! — O wonderen verschuldigd aan \'t toeval van één\' dag! Hier is de vinger Gods.
Wat ook ontheiligd werd door menschelijken -trots of wrevel: hier was God! \'t quot;Was, wat ge ooit sedert werkte, o. Drukkunst! \'t was, het bleef, met nooit gekende sterkte, 225 vermenigvuldiging! — van licht, van wetenschap,
van woord, van wil, van macht. Het was een reuzenstap ten hemel — en ter hel. Ja, menschdom! ook ter helle.
o. Wie in arren moed\' dat woord in twijfel stelle,
zie om zich! zie die Pers, die in haar jonge kracht 230 den dag des Bijbels aan \'t verduisterd menschdom bracht,
sinds, tegen God in kamp, verharde zondekweekster, verboden-lust- en haat- en oproervlam-ontsteekster!
Zie spottend Ongeloof aan waarheid, hemel, deugd, als opgedrongen door haar dienst aan \'t hart der jeugd.
7
8 vijf en twintig jaren.
235 aan \'t oog der kind\'ren! zie haar legioen romannen
gezondheid beide en schaamt\' van maagdenwangen bannen en met haar sluipen in het eenzaam slaapsalet,
en in den droom of in de nachtwaak op het bed gedachten mengen, die, in \'t woelend bloed gevloten, 340 d\'echt verontreinigen, eerdat hij werd gesloten!
Hij zie die Drukpers, als verwaten Koningin gezeten op haar koets, de Meening als slavin in teugels klemmen, en aan \'s Afgronds macht verraden, ja, ongeduldig, met een zwerm van vlugge bladen, 245 vermenigvuldigd dag bij dag, en uur voor uur,
onze aard bezwangeren van ondermijnend vuur,
de Majesteit weerstaan, G-ods ordeningen hoonen,
de tempels pionderen, en koningen onttroonen.
\'t Jaar dertig ! — Juli? .... \'k zag uw kroon in \'t slijk gesleurd, 25o Bourbon! — September?.... \'t rijk der Nederlanden scheurtI ïfu was \'t een worstelen van langgerekten vrede en wrevel; \'t zwaard, of \'t waar, bezworen in de scheede; in schjjn van midd\'laarschap, geweld en hoogheid heer;
aan \'t Recht zijn recht, en aan de Zegepraal haar eer 255 ontkend! — En Talleyrand in de onderhand\'lingswijsheid
der eeuwen — en der Eeuw — volleerd, plaatst in zijn grijsheid met afgerichte hand den Vrede in evenwicht op Staatsomkeering, en het Wanrecht dat zij sticht. —
Europa! Nederland! verbonden triumfeeren,
260 gesponnen onder de aard. Maar zie ook God regeeren!
God, met Zijn cholera de volken schuddend; God,
hoe hel en wereld woel\', bestemmer van ons lot;
God, nog uw God, o van uw Vaad\'ren afgeweken,
o in de omklemmingen der Vreemde schier bezweken, 265 o om dien afval diep vernederd Nederland!
Ja! \'t is der Vaad\'ren God, die d\'onbestaanb\'ren band in \'t eind verscheurde: die èn roem èn verschen zegen deed rijpen voor dit volk, uit alles wat ons tegen,
ja, ter vernieling scheen bestemd te zijn. Gu eert,
270 als alles samenspant en ons vertrapt. Gu weert
d\'omwent\'lingsstortvloed van ons af, o Neêrlands Herder! Antwerpens citadel sprak dond\'rend Uw: „Niet verder!quot; tot Galliër en Belg. En om d\' Oranjestam
VIJF EN TWINTIG JAEEN. 9
(Uw heilgeschenk opnieuw!) schaart Neerland zich. Hij kwam, 275 hij zag, h\\j overwon. Tien afgeperkte dagen
door Uwe almachte hand! — de legers zijn verslagen,
en \'t onze keert gestuit, maar overwinnaar, weêr! —
O roem der Ridders! geef als Christen Gode de eer!
Als Christenridder! neen, van nu aan Christenkoning! 280 o Zoon der W i 11 e m s en der F r i s o \' s, op wiens kroning het Nederlandsche Volk in deze wallen wacht!
vertegenwoordiger van \'t dierbaarst Voorgeslacht!
heil zij dien dag! heil ü in \'t hart reeds ingehuldigd der duizenden, met liefde en eeden, U verschuldigd 285 en aan dier Vaad\'ren stam! Maar o! vergun de vraag,
aan wie haar in den naam des hoogsten Konings waag\':
hebt ge aan dien Heer aireede Uw kroon en troon verbonden, die, in zijn eigen bloed Verzoener onzer zonden,
het hart der Vorsten als der Volken proeft; den weg 290 van Volk en Koning in \'t aanbidd\'lijk overleg
zijns nimmer feilb\'ren Raads omvat; die niet Uw Vaad\'ren (wier bloed, voor Christus veil, van Hem spreekt in Uwe aad\'ren!) oud-Neêrland samensmeedde in snoeren, sterker dan partijschap breken kon, of dolle-omwentelingsban ?
295 Die God (Hy zü ook de Uwe in rijkdom van genade
als op Uw stamhuis lag!) sloeg steeds Uw paden gade!
Zijn oog was op U, \'t zij Ge, als pas gegeven Kind,
ten teeken waart van heil, toen \'t Fransche moordbewind voor Neêrlands vestingen de hoop vast gaf\'verloren,
sou en deinsde; — of toen de Spruit des Czaars U werd geboren terwijl Gij dobberde\' op de waat\'ren der Noordzee (\'t gebed van Nederland ging op die golven mee!)
verdreven Frinsentelg! — het zij Ge in \'t grootsch Britanje den degen gordde voor het heldentelend Spanje, — 305 of straks bij Quatrebras en Waterloo! — of toen,
in somb\'rer tijdsgewricht, bij \'t Godvergeten woên van \'t Brusselsche verraad, betaalde kannibalen U tegengrimden! — of, tot nieuwe zegepralen,
bij \'t hachlyk Bautersem! — of eind\'lijk, als die maar aio het land met doodsschrik sloeg: krank! zorglijk! in gevaar! — o Koning! welk een schat van zielsherinneringen,
die wat U lief heeft naar des Hollands voetbank dringen! —
10 vijf en twintig jaeen.
Geef eer dien Heiland! — Hem, den G-od gezien op aard, behoort Gij, met Uw ziel en lichaam, — met Uw zwaard 315 en schepter! — Tot dien God moet Vorst en Volk zich wenden, met al de zonden, al de nooden, al de ellenden!
Geen kracht, geen wijsheid, hoe door menschen ook betrouwd, geen Grondwet, hoe oprecht bezworen, geeft behoud,
tenzij der Vaad\'ren God het menschlijk woord verzegel\', 320 de zondeschuld verzoen\', den Staat geneze en regel\',
Ziin Woord in eer zij, van Zijn vrees de daad getuig\',
en voor Zijn zaal\'gen Naam heel \'t Land aanbiddend buig\'! — Kniel, Koning! met Uw volk! — En nu, de Koning leve! Oranje voor altoos! — Dat elke vyand beve 326 voor d\'opslag van Zyn oog, de liefde van Zijn volk
en \'t heil des Heeeen, dat Hem toestraalt uit de wolk!
Èn ondertusschen bleef een tijdperk van tien jaren,
steeds oorlogszwanger, steeds onmachtig dien te baren,
zijn loop vervolgen.\' \'t Is rumoer van krijgsgerucht, 330 en tevens vrede, rijk in onafzienb\'re vrucht.
Beschaving breidt zich uit met nooit beproefde spanning, gescherpt als door de vrees voor plots\'linge verbanning door \'t losgerukt geweld der dolle woestaardij.
Een nieuwe levenskracht doorstroomt de Maatschappij 335 der volken; kunst aan kunst, door ijvervuur geprikkeld en mededinging, die geen grens kent, wordt ontwikkeld in duizend richtingen met steeds versnelden spoed!
Natuur, tot in het diepst haars heiligdoms doorwroet,
legt voor het vorschend oog geheimenissen open, 340 verbanden, spelingen, die telkens samenloopen
tot nieuwe bronnen voor \'t Vernuft. De Wetenschap verstout zich niet-alleen een steeds verwijden stap,
maar paart en huwt zich, de eene aan de and\'re, en geeft
[zich spruiten,
vertalrijkt dag aan dag. Dan treedt zij, fier, naar buiten, 345 in \'t leven, en verlaat het stoffig boekvertrek
voor ruimer dampkring en voor schitt\'render bestek;
en streeft al verder van ontdekking tot ontdekking.
tot telkens dieper kracht- en levenslust-verwekking,
en richt verbonden met den Wereldhandel op,
350 en voert de wonderen der Nijverheid ten top.
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Het Menschdom spiegelt zich, betooverd, in de weelde, die vereenvoudiging der werktuigschepping teelde, —
in woning, in kleedij, in levenswijs en staat verjeugdigd, ja kan \'t zyn, in houding en gelaat. —
355 Een nieuwe loopkring is voor heel deze aard begonnen! Uit kool- en ijzermijn ontsprongen haar de bronnen van snelheid, macht en licht. Het helle koolvuurgas vervangt de tinteling van \'t maagdelijke was.
Het zeegevaarte voelt zijn ingewanden leven sco en roept geen drijfkracht meer van buiten, om te zweven. Ja meer! de vrije Zee, waarin de stoomboot zwemt, en \'s Aardrijks vaste korst in ijz\'ren band geklemd,
waarop de spoortrein gonst, wedijv\'ren met elkander.
Zie langs zijn tweelingslijn dien feilen Salamander!
365 Vuur sist het uit zijn buik, die rammelt over de aard.
Hij voert bevolkingen en legers in zijn staart,
metalen tenten, die met bliksemende wielen wat stand houdt, waar hij schreeuwt, verplett\'ren en vernielen. Hij rent, hij vliegt, hij rukt, verwaten en verwoed, 370 afgronden in \'t gezicht, en bergen te gemoet,
die wijken, of, doorboord, een open heirbaan laten.
De steden naad\'ren tot elkander; Volken, Staten doorkruisen, mengen zich. Éénzelfde stoomkrachtvaart sleept heel ons menschdom voort, en effent heel onze aard, 375 bij \'t ruischen van een zee muziek- en zangakkoorden,
waar \'t lied van Strauss mee stemt, en invalt met dees woorden :
„Zie hier uw goden: Kunst en Kracht en Industrie!
„en voorts! geen eerdienst meer dan de eerdienst van \'t Genie!quot;
Erken uw wegen, kroost van Japheth! Neen, het teeken 380 der afkomst van uw geest is nooit van u geweken!
gij zijt van Goddelijk geslacht! de heerschappij der schepping hoorde aan u, — maar aan haar Schepper, gij! Nog heeft Natuur in last haar Ondergod naar de oogen te zien; of. biedt zij \'t hoofd en spot zij met uw pogen, 385 nog zijt gij met een gaaf gewapend van verstand,
van moed en geestkracht, die weldra u de overhand verzekert, — \'t zij ge dringt naar \'t hoogst der sterrekringen, of kennisschatten aan de diepte wilt ontwringen!
Nog zijt ge koning, ja! — maar ach! wat baat een kroon.
11
12 VIJF EN TWINTIG JAEEN.
390 gedragen niet meer God tot heerlijkheid, maar hoon?
In opstand tegen \'t licht uit Hem, wat baat verlichting? Wat baat, o praalzieke Eeuw! uw grootsche Babelstichting, uw opgetaste schat van wetenschap en kunst,
en roemverhefflng in Beschavings hoogste gunst?
395 Wat baat het, als uw schoot met de eigen sapverkwisting de zaden onderhoudt van woeling, wrevel, gisting,
van ontucht, gif, en moord, en zelfmoord, en geweld, en slaafsche aanhank\'lijkheid aan de oppermacht van \'t Geld? als heel de Maatschappij te midden der verrukking,
4üo die uw ontwikk\'ling wekt door de ongelijke drukking van \'t machtig raderwerk, zeeplassen van ellend\'
ter zijde ontwaart van \'t spoor, waarlangs uw wagen rent:
hier weelde ontwassen aan zich-zelf, van buiten bloeiend en schitterend van jeugd, maar innerlijk verschroeiend los en sapverdervend als een kanker, en, of \'t waar,
der standen evenwicht met moedwil brekend, — daar gemor bij d\'arbeid die geen brood geeft, jokdierbanden geworpen om den hals van vrijen, waar de wanden van hitte blaak\'ren dag en nacht, en eeuw\'ge rook 4io de steden zwart verft, en de ziel verstikt in smook?
Of, wilt ge in hooger kring? verantwoord die tooneelen (de tempel onzes tijds!) herschapen in bordeelen,
waar Dichtkunst zich verlaagt tot vuige boeventaal;
terwijl voor \'t wuft geslacht zelfs de achtb\'re Keehtspraakzaal 415 een schouwplaats werd, waar \'t oog met wellust leert te staren op eiken gruwel, dien uw vorderingen baren! —
o Machtige Eeuwgeest! in uw hoogheid moogt gij staan!
maar spreek! wat hebt gij met uw heerlijkheid gedaan?
Ach! in die meng\'ling, in dat misbruik, voelt ge u leven! 420 en zelfvolmaking, zelfvergoding blijft het streven,
ten koste van wat deugd of heiligheid het zij!
Doch op den bodem der ontwijde maatschappij ligt tevens de éénheidszucht! Tot éénheid drijft de klemming der opgespannen veer, — tot éénheid, de bestemming, 425 maar, buiten God, ten vloek der menschheid. Ja, de Man,
die in het middelpunt zich eenmaal wringen kan van \'t weefsel zonder ga, dat onze leeftijd baarde,
is meester van Euroop, is meester van heel de aarde!
VIJF EN TWINTIG JAREN.
Asch van Napoleon! Wat brengt Ge aan Frankrijk? wat 43o aan \'t ondermijnd Euroop? — Verbeidt de Wereldstad in U den vonk in \'t eind, die de opgeladen stoffen in \'t lang gedreigde vuur weldra moet doen ontploffen?
En is de voorboö reeds gezien, het sein gehoord voor Beyruth? — te Parijs? — Werd reeds de droom gestoord 435 des Vredes? is de Krijg, van al zijn Razernjjen omstuwd, of die nog veel vernielender Harpijen van oproer, burgertwist, onttroning, clubsgeweld,
reeds ingespannen ? — Werd het vonnis reeds geveld dier niet meer vreemde straf, eerst van Regeeringloosheid 440 en straks van Tirannie, elkaar gelijk in boosheid,
waarmee de horizon bewolkt is? Of blijft rust,
blijft: „Vrede! vrede! en geen gevaar!quot; de leus, de lust der Eeuw? en is een reeks van Staatsverwikkelingen,
waaruit de kracht ontbreekt zich weder los te wringen, 445 opnieuw voor luttel tijds ophanden? — o! Wie gist wat van des menschdoms lot Daarboven is beslist?
wie heeft G-ods raad gekend ? — Doch .neen! de orakels spreken: die Schriften, van wier woord geen tittel mag ontbreken zoolang de zon haar glans, de maan haar wederschijn 450 zal geven! — Ja, voorzegd is de ingeschonken wijn
der gramschap, de onrust van de volken, de geruchten van oorlog, de ijz\'ren arm eens Heerschers en de zuchten van \'t schepsel dat, vermast, het oog ten hemel richt, — voorzegd, de donk\'re nacht; voorzegd, het Morgenlicht.
455 Op \'s hemels quot;wolken zal Hij komen,
die aan dien nacht een einde maakt!
die, in Zijn heem\'len opgenomen
het troostwoord uitsprak: „Wacht Mij! waakt!quot; Hij komt, naar wien Gods scheps\'len smachten, 4G0 wien \'s werelds eeuwen tweemaal wachtten,
wien de Aard reeds eenmaal heeft gebaard! Het Lam, wiens bloed hier heeft gevloten, de Leeuw, uit Isaï gesproten,
de Man der smart, de God der aard!
13
vijf em twintig jaren.
465 De aloude profetieën zweven
met deze galmen de eeuwen door: des aardrijks vloek wordt opgeheven —
maar de offerlijdenskelk gaat voor!
Is God een mensch, dat Hij zou liegen?
470 of konden de eerst\'lingen bedriegen die Golgotha gedragen heeft?
Voorzeggingen der Zoensverwerving! voorzeggingen der Kijksbeërving!
ondeelbaar zijt ge, als God die leeft!
475 Ja, \'t woord is uit den mond des Heeren naar \'s werelds einden uitgegaan.
\'t Zal nimmer tot Hem wederkeeren,
tenzij voldragen er, voldaan;
„Mijn Koning, ziet! Hij zal regeeren!
4So „Hem zullen alle Volken eeren,
„Hetii, alle Vorsten hulde biên, „Hem, allen-die Zijn smaadheid droegen, „die om behoud\'nis naar Hem vroegen, „in Zijne aanbidb\'re schoonheid zien.quot;
4S5 In Zyne dagen dauwt het vrede;
in Zijne schaduw lofzingt de aard! \'t Gedierte-zelve jubelt mede,
weer onder Edens wet geschaard. Een jongske zal den leeuw beheeren!
490 de wolf zal met het lam verkeeren —
en de Eng\'len Gods weer met den mensch! Het zijn de lang verwachte dagen van \'t aangekondigd quot;Welbehagen,
en aller hemelingen Wensch!
495 Is \'t wonder, zoo de heuv\'len rooken? de bergen wagg\'len als van schrik? des Afgronds ingewanden koken,
verbeidende het oogenblik,
als, van Zijn heiligen omgeven
500 die Zijn bazuin herroept in \'t leven,
de groote Koning komen zal.
14
VIJF EN TWINTIG JAHEN.
om voor der eeuwen eeuwigheden den kop der Helslang plat te treden, bj) \'t hemelsche triumfgeschal ?
505 Uit Patmos hoordet gij ze schaat\'ren de Halleluja\'s voor Gods troon,
gelijk een stemme veler waat\'ren
lofruischend den gezalfden Zoon! „De Koninkrijken en de Machten
5io „zijn voor altoos aan den Geslachten,
„wien heel het scheps\'lendom aanbidt! „De laatste hoogten zijn gevallen!
„en met Zijn duizend- duizendtallen „neemt Hij de wereld in bezit!quot;
515 Looft Hem, gij Natiën te zamen,
op een van God gelouterde aard!
Looft Hem, gij Volken aller namen, tot Jesse\'s heilbanier vergaard!
En gij! sinds twintig eeuwen zwervers,
520 eens weer beloftenisbeërvers!
naar Davids troon! naar Davids Heer! — Van uit dat hart, door ons verbroken, van uit die zij\', door ons doorstoken, stroomt Zijn vergeving op ons neer!
535 Brengt aan dien Koning op uw knieën, o Koningen! uw heerlijkheid!
Zij voor Zijn voetbank, o Genieën!
uw schatting need\'rig neergeleid! Gij wetenschappen en gij Kunsten!
530 gij krachten, machten, gaven, gunsten,
door d\' Adem Gods in ons verwekt! M\'eg met den dienst der heiligschennis! gij hoort den Goël toe, wiens kennis eerlang het aardrijk overdekt!
535 Gij, o vooral! gij Harpenaren,
die de aandrift voelt tot hooger lof!
voor uwe aan God gewTljde scharen
15
vijf en twintig jaeen.
wat ongelijkb\'re zingensstof!
Laat — wat de wentelende jaren 5io van worstelingen of gevaren,
van dreiging of verleiding baren, —
trots Eeuwgeest en Algodendom, —
laat met de galmen van uw snaren het wachtwoord van Gods G-eest zich paren 545 en lovende ten hemel varen:
„Kom, Koning Jezus! kom. ja kom!quot;
16