-ocr page 1-

Vehzaiv^èlde

quot;DIC^twef^KEJM

quot;VANf

SCJ^AEJJVIAJvI

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

SCHAEPMAN\'S

DICHTWERKEN

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VERZAMELDE

DICHTWERKEN

VAN

DR H. J. A. M, SCHAEPMAN.

Nieuwe Druk.

AMSTERDAM,

C. L. VAN LANGENHUYSEN. 1888.

-ocr page 8-

-

1

.

.. . ■

.

-ocr page 9-
-ocr page 10-
-ocr page 11-

DE PAUS.

Van wareldgrens tot grens, des Meesters heilig woord: „Gij Simon, Jona\'s zoon, zijt Petrus, rots der kerke,

„Die \'k als mijn bruid begroet; en wat de Hel ook werke, „Wat krachten ze ook ontplooi, wat stormen ze ook ontboei, „Mijn machtwoord breekt de golf en stilt het stormgeloeiquot;

\'t Zijn achttien honderd jaar!..., En \'t woord werd niet tot logen:

Nog staat het vorstlijk beeld van Petrus, onbewogen.

De stormen tartend, als het rustpunt aller macht:

Als kern der orde, door den Christus aangebracht.

Wat van den tijd ook worde, in \'t her- en derwaart wenden.

Slechts aan der Pausen hand zal hij zijn loop volenden.

De Paus! Wie onzer heeft dat machtig tooverwoord Ooit zonder kloppend hart en roerloos aangehoord?

Wie heeft, als gold het slechts een beeld van \'t ver verleden Met lagen stof bedekt, onteerd, tot puin vertreden.

Als gold het slechts een naam in vroeger tijd geroemd.

Nu reeds vergeten, — wie heeft liefde of haat verbloemd,

En bij dien klank niet meêgejubeld, of gezworen Hem uit te delgen, te vermelen ? Wij behooren.

Wij zonen dezer aard, of voor of tégen hem Te staan. Wie hoort het niet, hoe nog de reuzenstem Van gansch het wareldrond, van welken kant zij kome. Van vijand of van vriend, vergaat in \'t éene: Rome!

De Paus! Wat meesterstuk door Christus\' heiige hand Te midden van den tijd, voor allen tijd, geplant; In menschelijken vorm, wat godlijk beeld dier glotie, Die somtijds voor ons oog de wolken der historie

IJn achttien honderd jaar! — Nog klinkt van oord tot oord,

1

-ocr page 12-

\'2

Met bliksemstralen scheurt, en in een zee van licht

Haar eeuwge waarheid schrijft: „De Heer der Heeren richt!quot;

Ja, God heeft hem gesteld, en eigner glorie stralen

Als drievoud diadeem om \'t sterflijk hoofd doen dalen.

Want zie: des Vaders kracht, de waarheid van den Zoon,

De liefde van den Geest, zij vormen de eene kroon,

Wier spangen, door het kruis vereenigd en verbonden,

Geen machten dezer aard verbrekend scheiden konden.

Hij is de bode Gods! Wie leven wil en licht,

Hij houde op hem alleen het zoekend oog gericht.

Hij staat voor de eeuwigheid! Het slagzwaard der monarchen

Verstompte; \'t vlammend woord, de trots der heresrarchen

Verdween; — de ontzachbre drift van woede en van verraad

Spatt\'e, als een zeepbel, stuk; — de reuzenmacht van \'t kwaad.

Het opgezweepte volk, dat, als de lava ziedend

Zijn kraters uitgestort, de kroonen neêiwierp, vliedend

Als stuifzand voor den wind de vorsten henendreef, —

Verbrijzelde op die rots zijn krachten : — Petrus bleef!

De Paus! Op hem alleen, het aspunt dezer aarde, \'

Rust vrijheid, rede en recht, en deugd en menschenwaarde. Hij voerde Europa, dat in \'t ijsren slavenjuk Aan Caesars voeten kromp, tot grootheid en geluk.:

Kn met het eigen bloed, verkwistend heengegoten,

Bevruchtte hij den grond, waaruit de stammen sproten,

Wier reuzenarbeid nog het nageslacht verstomt,

Dat wéér den Paus verwerpt en zich voor Caesar kromt.

De Paus! \'t Geheimvol woord; „Verdwenen zijn de Godenquot;, Werd waarheid voor Euroop; de sombre poort der dooden Ging voor de Caesars op, en \'t machtig keizerrijk Lag machteloos langs de aard, als waar \'t een reuzig lijk.

Maar uit de steppen van Mongoolje brak een wilde Een onbedwingbre storm; een snijdende angstkreet gilde De doodsche vlakten door: „de Hun en Attila!quot;

In \'t weeke hulpgeschrei, in \'t kermen om genad Vergaat het manlijk woord dat van in-vrijheid-sneven En triomferen sprak, en \'t zwaard hield opgeheven,

Dat ras ter néér zonk voor het beuken van de knods:

Geheel Europa buigt voor d\'ijsren geesel Gods;

En blakend stedenpuin en bloed verkondt de zege,

De zege van de toorts, van \'t slagzwaard! Allerwege Heerscht de oude chaos wéér; een vreeslijk uur is tiaar :

Voor Rome\'s poorten daagt de dreigende Barbaar!

En ziet! versmolten zijn hun scharen, en verzwonden.

Als nevlen voor de zon! Hun spieren zijn ontbondeii.

En langs hun rijen straks zoo talrijk, zweeft de Dood. .. . En \'t bloed der Hunnen verwt Europa\'s stroomen rood,

Hoe zijn de dapperen verdwenen? hoe gevallen

-ocr page 13-

3

Diu reuzen van geweld, die ijsren duizendtallen?

Hoe viel de woudeik als een broos en krakend riet ? —

Het woord des Pausen klonk: .jTot hiertoe, verder niet!quot;

De Paus! Een nieuwe dag is voor Euroop gerezen;

In \'t woest Germanje wordt der Christnen God geprezen; In Wodens heilig woud verheft zich \'t heerlijk kruis.

En door den eiken dom klinkt zangerig geruisch:

Het vredelied der Kerk!

Een stam, nog fiisch en krachtig. Nog vol van jonglingsmoed, verheft zich. Trotsch en machtig, In \'t vol bewustzijn van zijn sterkte en in den gloed Des levens, dat hem reeds naar daden hijgen doet,

Neep hij het oorlogszwaard in de ijzersterke vingeren,

Om wat hem tegenstaat als halmen weg te slingeren.

Om in den moordbrand, die zijn woede deed ontstaan,

Door \'t eigen vuur verteerd (is \'t noodig) te vergaan.

En zie, die reuzenteelt, de fiere zoon van \'t Noorden,

Wiens krachtige arm nog nooit de stijfgetrokken koorden, quot;■ Wiens nek het slavenjuk nog niet gevoeld heeft, buigt Voor grijzaarts, in wier woord de Almachte zich betuigt. De ruwe kracht, die straks een wareld zou verdelgen.

Wordt heiige sterkte in Gods soldij; de koene telgen Der vrije mannen staan in \'t juk van Gods genaA. . .

En bukken blij het hoofd voor \'t kruis van Golgotha. —

Maar grootscher wonder nog: de doode ontvangt het leven;

Een ware scheppingskracht is Petrus\' Stoel gegeven;

En op de puinen van het rijk des Caesars, rijst

Een grootscher staatsgebouw, dat naar den hemel wijst

En \'t kruis in top verheft. Als klonk een nieuw . „het worde !quot;

Zoo stroomt de chaos sadm tot éen verheven orde,

Een eenheid, waar zich vrij het minder onderdeel

Ontwikkelt in zijn bloei tot sterking van \'t geheel;

Een staat, waarin het recht gepaard gaat met de liefde;

Waarin het oorlogsstaal, dat vroeger schennend griefde,

Tot schuts der maagden en der zwakken wordt gewijd;

Het beeld des Hemels geboetseerd wordt in den tijd:

En aan de spits van \'t groot, van \'t heilig rijk Germanje,

Staat \'s Pausen schepping, staat de Keizer: Charlemagne !

De Paus! — Ziet ge op die spond\' verlaten en alleen Dien grijzaart? Ruwe kracht dreef van zijn kroost hem heen. Om nu te sterven als een balling ? Neen, om \'t leven Der eer van \'t kruis gewijd, verwinnend op te geven.

Dien grijzaart kent ge niet? Ziet, in der Pausen rij, Aanschouwde ik nooit een beeld meer waarlijk Paus dan hij ! Hij, monnik en reeds Paus; hij. Paus en steeds de zelfde Als toen de kloostercel zijn schedel overwelfde;

-ocr page 14-

K

Hij, rustig bij d\' orkaan, die om zijn zetel stormt;

Hij, die zijn eeuw als was gekneed heeft en vervormd;

Hij, die den keizerstelg, den woestling aan zijn voeten Deed buigen, den tyran in \'t hairen kleed deed boeten;

Hij, de gevloekte van den natijd!

Zie het oog

AVeêr vonklen bij \'t gezicht, dat neérdaalt van omhoog:

Ja, triomferen zal \'t beginsel, dat hij stelde:

Vrij zal de kerk, de bruid zijns Christus* zijn ! al helde

Voor d\' eind\'gen blik de schaal der zege, al stond de kans

Wanhopig, — God regeert! Der zege gloriekrans

Wordt van het hoofd der kerk door geen geweld genomen :

De zegepraal is \'t eind! al gudsen er weêr stroomen

Van martlaarsbloed; de kracht des Eeuwgen staalt het riet,

En Innocentius daagt ginds, in \'t ver verschiet.

Verwinnaar in den strijd!

Als in een zegewagen Verkeert hem \'t sterfbed! door Gods englen voortgedragen Klinkt als een lied, zijn woord: „Ik sterf der aarde een spot, „Wijl \'k recht en waarheid minde en streed voor de eer van God!\'

De Paus ! Een ruwe kreet dreunt schriklijk langs de zeön. En spelt een breeden vloed van ongekende weên,

„Voor God en zijn Profeet!quot; zoo klinkt het, en als bruist Een nagalm van de hel die woorden door, het druischt De volken somber toe, als waar\' hun laatste stonde Geslagen en als klonk de doodsbazuin in \'t ronde.

„Voor God en zijn Profeet!quot; De zonen der woestijn Verheffen stout hun leus, en spotten met de pijn Des doods, daar \'t Paradijs zich Allah\'s strijdren opent; Zij dringen altijd voort, de vorstenzetels slopend.

De steden zengend, en in dolle zegepraal De godsdienst vestend van de wellust en van \'t staal!

Maar hoort, wat jammerklacht:

„Ach, noemt mij niet de schoone „Bezoedeld is mijn glans, gevallen is mijn kroone;

„Der weduw sluierdoek verberge \'t dor gelaat,

„En \'t afgebeulde lijf bedek het treurgewaad!

„\'k Was eenmaal heerlijk schoon in lang vervlogen dagen; „De koningsmantel was mijn schoudren omgeslagen, „Het vorstlijk diadeem omgaf mijn hoofd — en ziet,

„Dat alles ging te loor — en ik, ik weende niet;

„Ik juichte, want een glans meer heerlijk dan \'t verleden, „Golfde om mijn schedel heen. Hier had de Heer geleden, „Hier had zijn kruis gestaan, hier had zijn macht gestraald, „Hier had de Christus op de Hel gezegepraald!

„Ja, ik heb Hem gezien, der menschheid boeiverbreker, „Den Koning des triomfs, den onbedwingbren wreker.

-ocr page 15-

5

„Des hemels glorie straalde op mij terug door Hem;

„Eerbiedig groette de aard: „Volschoon Jerusalem 1quot;

„En nu, wat roemt ge mij der steden rijks vorstinne!

„De maan van Mohammed blinkt op de heiige tinne

„Van Sion; langs haar top weêrklinkt de zegezang,

„Die mij de boodschap brengt van slavernij en dwang,

„Van erger dan de dood! De hiel der Saracenen

„Verdrukt de plekken, waar de Christus is verschenen,

„Vertrapt het heilig kruis — en over \'s Heeren graf

„Zwaait nu de Moslemin den looden heerschersstaf;

„Ja, op Calvarie\'s kruin zoekt de oorlogshengst zijn voeder;

„Gij Christ\'nen, wreekt het kruis, gij zonen, wreekt uw moeder!quot;

En de onbedwongen storm huilt luider en verwoeder,

En langs de zeön klinkt der Saracenen spot:

„Droom zacht, Europa, droom u sterk en veilig, tot „Gij opspringt uit uw slaap! Straks zullen de oorlogspaarden „Te wed gaan in uw vloed! Straks zullen onze zwaarden „U doen ontwaken om te sterven!quot;

Maar er staat

Een wachter aan de kust, wiens oog geen stipje ontgaat,

Wiens oor die klanken vangt. De rotsen van het Noorden, De vlakten van het Zuid herhalen straks zijn woorden.

En uit hun doodslaap schudt het klinken van zijn stem De volken van Europe: „Op, naar Jerusalem!\'\'

En zie, des Heeren kracht bewerkt het grootsche wonder; De Leeuw van \'t Westen rijst! Verschriklijk als de donder Zoo loeit zijn strijdkreet, en het land van Overzee Trilt bij dien schrikbren toon; het zwaard is uit de schee.

Drie eeuwen lang zal ook dat zwaard niet weder rusten, Dan krachtiger gevoerd, dan zwakker; en al gudsten Ook stroomen bloeds langs de aard — aan\'t kroost van Mohamnied Wordt paal en perk gesteld. Europa is gered!

En nu, gij vlakten van Jerusalem, hertoovert De helden voor mijn oog, door eeuw op eeuw omloverd Met kransen, die geen tijd verwelken doet. Hoe grootsch Hoe heerlijk staan zij daar; de sombre macht des doods Beheerscht hen nimmer; — en als koning over allen Staat Petrus, staat de Paus, de ziel dier heldentallen.

Om zijnen Stoel geschaard staan Godfried van Bouillon En Richard, hij wiens zwaard geen eeuw vergeten kon, En Frankrijks Heiige, die Vincennes\' zoele dreven Voor \'t sterfbed der woestijn grootmoedig op kon geven;

Staan, met het zilvren kruis op \'t zwarte kleed gestikt. De ridders van St. Jan, die even onverwrikt Den dood in de oogen zien, als krijgsklaroenen schettren. De paarden brieschen en de breede klingen klettren

-

-ocr page 16-

f)

Op helm en borstkuras, als wen de liefde smeekt,

En roept naar \'t lazaret, waar fel de pest zich wreekt Op ieder die haar rijk vermetel durft betreden,

De prooi wil wringen uit haar greep!

En zie, het Heden Herkent de helden van des kruises eeuwen niet,

Of haalt de schouders op, en, spottend lachend, ziet Het uit de hoogte van zijn weten op de dagen,

Toen de eer van Jezus\' kruis het bloed nog sneller jagen Het zwaard nog gorden deed; toen mannenmoed en kracht Nog blij ten offer op Gods autaar werd gebracht. Verdwaasden noemt het hen, die lustkasteel en gade Ontvluchtten voor een grond, waar zelfs geen reine wade Hun lijk omhullen zou. Verkwisters, die het spel Van hunne trotschheid met de onbuigbaarheid der hel. Met al de krachten, die hun eerzucht sadmvergaarde. Doorzetten, trots het bloed, dat rondplast over de aarde. Dit zijn de Pausen!

Vreeslijk denkbeeld, zoo het lot Der wareld door de wraak van d\'algerechten God Gelegd werd in de hand van onzer eeuwe wijzen!

Dan zou uit de ord\'lijkheid een nieuwe chaos rijzen.

Waar wellust en geweld, waar wreedheid en verraad Verheven deugden zijn, waar eeuwig onverzaad De ruwe kracht het bloed des zwakken zou begeeren, De wareld, als haar God, een Nero zou vereeren.

Waar als een laatst bedrijf van quot;t machtloos tooverspel, Het rijk des twèeden Doods verrijzen zou: de Hel!

Maar God heeft ons behoed: het zwaard der Muzelmannen Brak op de Petrusrots, en uit den kring gebannen Des levens, sleept hun rijk een machteloos bestaan, Een sombre worstling tusschen blijven en vergaan En levend sterven.

Maar de waarheid der historie Vlecht om des Pausen hoofd den stralenkrans der glorie.

De Paus ! \'t Is of de storm, die rustloos loeide, zwijgt. Kalm is de zee, slechts dan wanneer de Zephyr stijgt Komt aan den voet der rots een spelend golfje breken. Hoe, is het uur des strijds, het uur der hel verstreken ? Want vrede, vrede is \'t lied, dat iedere echo voert;

Maar \'t is geen vrede; \'t is bedrog: de vijand loert Op \'t gunstig oogenblik.

Op, op, o Sions wachten! Een nieuwe strijder daagt, met forsch gestaalde krachten.

Wat grootheid! Om zijn hoofd de lauwer van \'t genie. De kroon des Priesters, en de glans der maagden! zie. Wat vuurgloed in dat oog, dat aan den klank der woorden

-ocr page 17-

7

Nog hooger geestdrift huwt. Wat dank en lofakkoorden Ontstroomden \'t needrig hart, dat d\'arraen monnik zag,. . . En Luther hoogprees als de bode van den dag.

En ach, verdwenen is die grootheid, en verduisterd

Door graauwe dampen; aan het slijk der aard gekluisterd

Ligt nu die fiere geest, die \'t volle zonlicht dronk.

Maar in den heinacht der verdierlijking verzonk.

De drager van \'t genie wordt menner van de scharen

Van \'t volk, - het volk, dat, dan geestdriftig opgevaren,

Dan somber zwijgend, als het herfstblad door den wind

Geslingerd wordt door hem, die \'t aan zijn leuze bindt.

De priester wierp zijn kroon, zijn offer neer; \'t gelooven-

Alléen, wordt hem de weg ter zaligheid Daarboven.

Des monniks maagdlijkheid.... zie, naast hem staat een vrouw 1

Ziedaar de held, de God des nieuwen tijds. Zijn woede

Stort zich in klanken uit, die snerpend als de roede,

Heet als de lava, en verplettrend als metaal,

Den val des Pausen, en zijn eigen zegepraal

Verkonden aan \'t heelal. Der aarde vesten duislen

Bij \'t beuken van zijn woord, dat, machtig in \'t vergruislen,

Geen paal, geen perken kent, en alles neêrstort; dat

De driften opwoelt die het menschlijk hart bevat;

Hen door zijn duivlenhaat tot hooger haten prikkelt

En tot éen schrikbre kracht, der helle waard, ontwikkelt.

En nu, nu stijgt de kreet en davert door de lucht:

„Weg met den Paus! Reeds lang genoeg heeft de aard gezucht

„Naar vrijheid van dien boei, naar hooger licht en leven

„Dan ons de Dwingeland op Petrus\' Stoel kon geven;

„Weg met den Paus ! De nacht der slavernij is om,

„De dageraad breekt aan!quot;

En van den Wartburg klom Een rosse gloed de blaauwe kimmen langs; ontstoken Is \'t vuur der tweedracht, \'t vuur des strijds; de velden rooken, De wapens klettren en de duizendtallen gaan Ter zege — want wat kracht zal aan hun kracht weerstaan ? En hoort - het bonst en kraakt - verwoede kreten schallen. Is dan het Pausdom, is de Petrusrots gevallen?

Zacht goot de zilvren maan heur stralen langs den trans. En door de sfeeren gloeit de duizendvoude glans Der starren, door Gods hand in \'t blaauw azuur geweven.

Stil is \'t op de aarde Alleen de Westewindjes zweven De ranke twijgen door. Daar, in den schemerschijn,

Stond hij, de Titan der hervorming. „Schoon zal \'t zijn „Daarboven!quot; klonk het. En der volkren leeraar rilde Als trof een felle schok zijn lichaam. Langzaam trilde Het woord zijn lippen af: „Daarboven? Dat\'s voorbij;

-ocr page 18-

8

„Voorbij voor de eeuwigheid, voorbij voor u en mij,

„Voorbij voor allen, die ons volgden 1 Want verloren „Zijn God en hemel, zijn der Englen zaalge koren,

„Is zelfs de hoop! — voorbij is alles, — slechts de Dood — „Hij rest ons!quot;

„„Luther, hoe, noemt u niet ieder groot, „„Niet d\'Engel aan het graf van Christus, neêrgezonden „„Om dwalers in den nacht zijn waarheid te verkonden ? „„U, den verdelger van het Pausdom?quot;quot;

„\'t Pausdom ? \'t Zal „Nog fier, nog heeilijk staan, als met een doffen knal, „Het rijk van Luther en zijn stichting zal verzinken!

„Neen, alles is voorbij, - de dag, dien ik zag blinken „Is nacht geworden, en de onvvrikbre Petrusrots „Straalt in den lichtgloed van de heilgenade Gods!quot;

Ja, vreeslijk is de Heer voor wie zijn goedheid tergen, En spottend klinkt zijn stem: „Gij, kinderlijke dwergen, „Gij, schepsels van éen dag, wier wezen zwakheid is, „Wat staat ge in oproer tegen mijn geheimenis, —

„De rots van Petrus? Hoe, gij reuzige genooten,

„Gij wilt der wareld as uit hare voegen stooten,

„De kern der eeuwen voor uw slagen doen vergaan?

„Het zij, beproeft uw kracht, geniet der zege waan!quot;

Nu scheurt uw ketens los, gij, zwaar gepreste slaven,

Gij armen, die de wreede in \'t dwanggareel deed draven. Nu zijt ge vrij, - ja vrij! - Nu op, gij vorsten, ziet De bliksems van den Paus, zij pletteren u niet,

Nu op, uw kracht getoond, de fiere leus geheven!

De rots van Petrus zal den strijd niet overleven.

De strijdbazuin herklinkt, en duizendtallig naakt

De rij der dappren, die der menschheid ketens slaakt,

Onstuimig als de zee, die bulderend haar baren,

Gegeeseld door d\'orkaan, de velden langs doet varen;

Het werk der eeuwen, door hun feilen mokerslag

Verbrijzeld, stort in een. Geen rede, geen gezach

Niets bindt hen - altijd voort, voort tot, bij \'t lied van allen.

De Stoel van Petrus is verbroken en gevallen ;

Voort, tot het gloeien van des harten razernij

Het zweet doet paarlen op hun voorhoofd, en de rij.

Verdelging om zich heen, éen puinhoop slechts, aanschouwend,

Den slaap in de armen zinkt, op haar triomfen bouwend.

Maar straks als gij ontwaakt, gij, joelend, tuimlend volk, Dan lofzing, zoo gij kunt! Daar dondert uit de wolk De stem der wrake: \'Ziet, dat hebt ge u zelv\' verkoren!\' Hoe hard, hoe pijnlijk drukt dat slavenjuk. Geboren Om slechts te leven voor \'t genot van een despoot.

-ocr page 19-

9

Is ieder levensuur u zwaarder dan de Dood!

Geschapen zijt ge, tot een speelbal voor de grillen

Van meesters, tot wier lust ge uw eigen leven spillen,

Uw kroost onteeren, of uw kracht, uw hartebloed

Op verre kusten voor een vreerndling geven moet!

Gij, vorsten, als ce wolk, die nu uw blik verduistert,

Is weggedreven, ziet dan om u! Hoort, er fluistert

Een zachte stem door \'t volk, die scherp en snijdend wordt,

En straks zich luid en schel door uw paleizen stort:

„Wij willen vrijheid, recht!quot; En dan gij, lafaarts, beeft ge.

Gij Goden zonder God! Dan, arme dwazen, streeft ge

Naar een verzoening, naar een vrede 1 \'t Is voorbij

Met al uw heerlijkheid! Uw trotsche heerschappij.

Gebouwd op tyrannie en wreede rechtsverkrachting,

Zinkt in het slijk terug! De hconlach der verachting

Snerpt in uw ooren langs de wanden van de zaal.

Waar straks de hovling vleide in zoet geknede taal.

Uw troon ligt neêrgebonsd, en alles overheereud

Weêrklinkt de volkskreet, uw verbasterd bloed begeerend. —

En nu, gij, volken en gij, wareldvorsten, ziet.

Gij hebt te vroeg gejuicht, te vroeg uw zegelied

In overtrotschen waan langs de aarde heen doen schateren:

Te midden van den drang der losgebroken wateren.

Te midden van d\'orkaan staat onverwrikt de rots:

De Stoel van Petrus! Buigt, hier is de vinger Gods!

De Paus. Europa, zie, u wordt de keus gegeven

Of voor, of tegen hem! Bij hem is licht en leven,

Is kracht, die eeuwen tart, is wijsheid, die den geest

Zijn sluiers afrukt en den matten blik geneest;

Bij hem is alles wat de menschheid derft. Bezielend

Is \'t ongekunsteld woord, dat ge, aan zijn voeten knielend,

In geestdrift opvangt, in uw hart bewaart. „Mijn zoon,quot;

Noemt hij den zwerver, dien geen wareld heeft geboon

Of immer bieden kon: geluk en zielen vrede.

Europa! iedre storm voert in zijn vlucht u mede;

Gevallen is uw kroon, gebroken is uw staf.

Aan \'t einde van uw baan gaapt een verslindend graf.

Wilt gij weêr opstaan, in de grootheid van \'t verleden,

De draagster van het lot der wareld zijn, weêr treden

Aan \'t hoofd der zusteren, weêr stralen in het licht

Der ware vrijheid, op geen bandloosheid gesticht?

Dan, op naar Petrus! Hij, hij heeft de heilgenade.

-

Die stroomend uit het kruis, de warelden verzaadde,

De Zoon des Menschen, met de scherpe doornenkroon De heiige slapen om, stond voor het volk ten toon: En aan de breede schaar, die opgezweept tot haten En vloeken hem omgaf, werd toen de keus gelaten:

-ocr page 20-

10

Wien wilt ge: Christus

En het vreeslijk antwoord: „Neen, „Wij willen Christus niet!quot; dreunt door de vlakte heen; „Wij willen Christus niet!quot; En achttien langzame eeuwen Verkonden ons dien vloek. Het leven der Hebreeuwen Is dood — hun volksbestaan is ballingschap, het bloed Des Schuldeloozen, des Verworpnen wordt geboet.

En achttien eeuwen lang doen, in verheven koren,

De warelden het lied des Konings Christus\' hooren.

\'t Zijn achttien honderd jaar! en nog, nog staat de rots , Onwrikbaar als voorheen, hoe fel de branding klots.

Als zuil der waarheid, als het middenpunt der tijden.

Ziet, eeuwen gaan voorbij, en brengen vreugd en lijden En schand en eere; met den stroom des tijds vergaat,

Wat van den tijd is — en de rots van Petrus staat!

Op den eersten Zondag van den Advent, 1866.

-ocr page 21-

AANTEEKENINGEN.

Bladz. 3.

„De Paus! Ziet ge op rlie spoiul, verlaten en alleen „Dien grijzaarl? enz.

Do H. Gregorius VII stierf te Saleuio, den 25n Mei 1085.

In lt;le kleine stad Saone in Toskanen uit geringe ouders (volgens sommigen was zijn vader een timmerman) geboren, bevond bij zich in 1048 als prior in de abdij van Cluny. Toen omstreeks Kerstmis van hetzelfde jaar Bruno, Bisschop van Toul, door den Keizer tot Paus verkoren, zich op zijne reis naar Rome te Cluny eenige dagen ophield, wist hem de prior Hildebrand te overreden, zich van de teekenen der pauselijke waardigheid te ontdoen. Als eenvoudig pelgrim zou zich de Bisschop naar Rome begeven en werd daar de keus van het volk en de geestelijkheid op hem gevestigd, dan eerst zou hij zich als opvolger van Petrus kunnen beschouwen en het gewaad mogen aannemen, waarop de Keizer hem recht gaf. Bruno van Toul volgde dien raad, en voerde den jeugdigen prior met zich naar Rome.

Met die daad begint de historische werkzaamheid van Hildebrand. Onder vier elkander opvolgende Pausen, gedurende het eigen veertien jarig Pausschap, bleef hetzelfde doel hem bezielen: de vrijheid en onafhankelijkheid der Kerk.

Schoon teekent hij zelf zijn tijd en zijn eigen werkzaamheid in den rond-goanden brief, dien hij den Legaten, na de synode, in 1084 te Salerno gehouden, medegaf. Wij laten er eenige plaatsen uit volgen:

„Gregorius, Dienaar der dienaren Gods. Aan alle getrouwen van Petrus „zijn apostolische zegen.quot;

„Lieve Broeders, het kan voor u geen geheim gebleven zijn, dat in onze „tijden dat is geschied, wat de Psalmist voorzegt: Waarom morren de heide-„nen en gaan de volken met booze gedachten om? De koningen der aarde „staan op en de vorsten plegen raad tegen den Heer en tegen zijn gezalf-„den. De hoofden des volks en der priesters zijn in breede scharen opgetrokken tegen Christus den Zoon des Almachtigen en tegen Petrus zijn Apostel „om de godsdienst uit te roeien en dwaalleer te verspreiden. Maar de getrouwe „aanhangers des Heeren vermochten zij niet te buigen, noch door bedreiging „noch door vleierij. En zij hebben de hand opgeheven tegen ons. alleen „omdat wij niet zwegen bij de gevaren der kerk, omdat wij niet duldden, „dat de kerk, de Bruid van Christus, gebracht werd tot slavernij.

„De Profeet zegt: „Waarschuwt zonder ophouden,quot; en ik bekommer mij „niet om mij-zelven, maar luide en nadrukkelijk roep ik u toe: Wee ons! „het ware geloof ons gegeven door den zoon Gods is bijna ten gronde gedicht, en tot een spot geworden voor Jood, Saraeeen en Heiden. Want Joden „en Heidenen handelen naar hun wet, maar wij Christenen, zijn slaven onzer „driften en verwaarloozen ons heil voor hier en hiernamaals. Hoe velen zijn „er onder ons, die uit liefde tot den Almachtigen, in Wien wij leven en „zijn, den dood uitdagen, zoo als wareldsche krijgers het doen voor hun leen-„heeren, hun bondgenooten en onderdanen. Van dezulken gaan er duizenden „dagelijks voor hun tijdelijke overheden den dood te gemoet. Maar voor „onzen God en Verlosser waagt niemand dit tijdelijk leven. Ja, men vreest

-ocr page 22-

„zich den haat van enkele machtigen op den hals te halen. En zoo er soms „eenige weinigen zijn, die uit liefde tot de goddelijke wet den roekeloozen in „\'t aangezicht weerstaan, dan worden zij door hun broeders niet slechts „onverschillig behandeld, maar als voorbarige, onverstandige heethoofden gescholden.

„Sinds ik verheven werd op den Apostolischen Stoel, heb ik onophoudelijk „gestreden voor de vrijheid, de zuiverheid en het ware geloof der kerk. Dat „wilde dè oude vijand beletten en daarom wapende hij al zijn dienaren «tegen ons, en er ging een vervolging uit tegen de Roomsche Kerk, zoo als „er geen gezien was sedert de dagen van Constantijn, den grooten Keizer. „Eu nu getrouwe broeders, hoort oplettend aan, wat ik u zeg. Alle christe. „nen gelooven, dat St. Petrus, de Vorst der Apostelen, de Vader van alle „geloovigen, dat de H. Roomsche Kerk de moeder en alle waarheid leerende „voor de overige gemeenten is. En u, die dit gelooft en belijdt, u smeek „en beveel ik, dat gij, ter liefde des Almachtigen, uwen vader en uwe moeder „bijstaat, zoo gij nog door hunne bemiddeling hier en hiernamaals vergeving „der zonde, genade en zaligheid verkrijgen wilt.quot;

(Bij Gfrörer, Gregor. VII, 7^ B. S. 954- 55.)

Wij erkennen, dat het onmogelijk is iemand in volstrekten zin den grootsten Paus te heeten. Maar als strijder voor de vrijheid der Kerk en dus ook voor de ware vrijheid der volken, als onbuigbaar handhaver van de rechten en plichten der hem toevertrouwde Kerk, als de verbreider van het geloof in de meer afgelegen noordsche rijken, als de man, die te midden der vrees-selijkste maatschappelijke omwentelingen nog bleef zorgen voor wetenschap en kennis, als de scherpziende staatsman, die het eerst de grootsche en vruchtbare idee der kruistochten uitsprak, als de rechtvaardige, met de aureool der Heiligen gekroond, verschijnt ons Gregorius en is een der schoonste typen van het Pausdom in zijne de wareld omvattende, behoudende, herstellende en scufppende werkzaamheid.

Bladz. 4.

„En Innocentius daagt ginds in \'t ver verschiet,

„Verwinnaor in den strijd.quot;

De hier bedoelde Innocentius is Lottario Conti, Paus onder den naam van Innocentius III. Hij behoorde niet tot de onmiddelijke opvolgers van Gregorius VII, maar aanschouwde de volste verwerkelijking der grootsche beginselen, door zijn heiligen voorganger gesteld (XIIIe Eeuw).

Bladz. 7.

Zie, voor het gesprek van Luther, Audin, Histoire de Luther, 2e deel.

Zijne voorstanders vergeleken den vader van het Protestantisme wel bij den Grafengel. De Kerk van Rome was dan het ledige graf!

[Bladz. 7. De 7 regel rijmt nergends; ook niet in de eerste uitgave (1866). Kan misschien een vaers als het volgende er ook aan moeten voorafgaan?

„Geen vrijheid voor den wil! voor liefde, noch berouw!quot;

ƒ. A. A. Th.]

-ocr page 23-

VONDEL,

Aan

LOUIS ROYER,

den maker vdn hel Standbeeld,

EN AAN

PETRUS JOSEPBUS HUBERTUS CUYPERS,

den ontwerper van hel Voetstuk,

als een blijk van hooge bewondering

EERBIEDIG OPGEDRAGEN.

KI heerlijk is uw loon, gij, die voor nageslachten

Uw naam met Vondels naam en roem vereenigd .weet, Gij, die in brons en steen de hoogste der gedachten, Den Dichter-Koning zelv\', voor ons herleven deedt.

Gij zijt met Vondel éen. Wanneer in later jaren

De nazaat aan den Vorst der Zangren hulde geeft.

Dan klinkt u-beider lof ons tegen van de snaren.

Waarop de volle toon van Vondels grootheid beeft.

Spreekt niet uw Vondel-zelf — door u ten throon geheven, Door u met vorstenpraal en zegestoet omgeven:

„Vergeet het kunstpaar niet, dat mij vereeuwigd heeft!quot;

Utrecht.

op S. Lucas-ilag 1S67.

-ocr page 24-

I.

„En Aemstels oude nacin en zal geen roem ontberen.quot;

VoNUEL.

Rijs nog eenmaal voor onze oogen,

Fiere, heerlijke Amstelstad,

Die de schatten eener wareld In uw grachtengordel vat;

Rijs, Venetië van ons Noorden,

Uit der eeuwen somber graf.

Schud de nevlen van \'t verleden Voor het rijkste daglicht afl

Rijs nog eenmaal, in de volheid Van uw zestiende-eeuwsche pracht,

Met uw forsche burgerijen.

Edel door hun eigen kracht;

Heerlijk glanst gij nog in \'t lieden:

Neen, uw winter daalde niet....

Maar de dagen uwer lénte Zijn der glorie rijksgebied.

Geef ze ons weêr uw kloeke zonen;

Slechts nog levend op \'t paneel.

Levend door de tooverkleuren

Van der Rembrandts kunstpenseel;

Geef hen weêr, die u ven ijkten Met een wonderwerk te meer;

Geef vooral uw hoogste glorie Hollands dichter. Vondel, weêr!

Vondel! — zie de polsen zwellen Van het warmer kloppend bloed;

In de handen beeft de veder.

Die dien naam hergeven moet;

Vondel — duizend, duizend stemmen Geven antwoord, zingen \'t lied.

Dat den dichter roemt en huldigt Als monarch op \'t kunstgebied.

-ocr page 25-

15

Vondel, dichter boven allen,

Dichter met uw gansche ziel,

Echo van het eeuwig loflied.

Dat der englen harp ontviel,

Dichter, die in aardsche vormen

\'t Hemelsch ideaal hergeeft.

Waar de mensch, de wareldkoning, In verrukking henenstreeft.

Dichter zijn, \'t is de aard beheerschen

Met onbreekbren vorstenstaf,

\'t Is de volle kracht bezitten.

Die de Schepper \'t schepsel gaf, \'t Is, als de aadlaar, opwaart stijgen

Met den blik omhoog gericht. Om den vollen straal te vangen Van het gouden zonnelicht.

Maar dien wellust te hertooveren.

Al dat leven, al dien gloed In de zielen neêr te storten

Uit den rijksten overvloed, -Al die schoonheid, daar genoten,

In zijn klanken teêr en fijn,

Breed en diep terug te geven:

Waarlijk, dat is dichter zijn.

Hij, de dichter, ziet de waarheid,

Schouwt der wijzen ideaal Zonder nevlen, zonder sluier,

In den heisten middagstraal.

Ja, hij meet, hij peilt de diepten.

Van geen blikken nog doorgrond. Hij alleen, hij kent de reine.

Die geen aardsche aanbidder schond.

Waarheid zien - en haar omkroonen

Met der schoonheid eeuwgeu krans, Met de stralen, neêrgetooverd Uit der heemlen zilverglans; Waarheid zien, - eb haar doen leven.

Leven voor de onsterflijkheid, \'t Is de schoonste hemelgave,

Slechts geniën weggeleid 1

Rijs nog eenmaal voor onze oogen,

Fiere, heerlijke Amstelstad, Pronkjuweel der Dietsche landen. Als slechts Hollands kroon beval!

-ocr page 26-

16

Rijs nog eenmaal, werp den sluier

Van het lang verleden neêr, Geef uw kloeke burgerijen,

Geef uw dichter, Vondel, weêr!

Hoor, daar klinken blijde zangen,

Antwoord op de dichterbeê! En de stemmen van het heden. Van de toekomst zingen mee : jja, de Dood is wareldkoning En \'t heelal zijn rijksgebied. Maar geniën zijn onsterflijk;

Ware dichters sterven niet!quot;

II.

„Dus volght de kunst het leven altijt nader, „Al zwijght ze stil, noch fpreeckt het stomme bcelt.quot;

Vondel.

IN waarheid, dat zijt gij! gij, Hollands grootsche zanger, Gij, door der broedren hand met lauweren gekroond; Terwijl de gloed der vreugd nog op uw voorhoofd throont. Terwijl de hand reeds beeft, van hooge vaerzen zwanger. Waarin Gij de eedle daad met eeuwgen dank beloont.N waarheid, dat zijt gij! gij, Hollands grootsche zanger, Gij, door der broedren hand met lauweren gekroond; Terwijl de gloed der vreugd nog op uw voorhoofd throont. Terwijl de hand reeds beeft, van hooge vaerzen zwanger. Waarin Gij de eedle daad met eeuwgen dank beloont.

Gij keert van \'t feestmaal weêr; nog plooit zich om uw leden De mantel, voor geen kleed min kostbaar afgelegd; Nog voelt gij Govaerts hand, die u de kroon omvlecht; Nog klinkt het woord u toe: „Zoo lauwert u het heden. Nu reeds de onsterflijkheid zich aan uw werken hecht.\'\'

Gij zit ter neêr en peinst; de dartelende zangen,

Des Romers harp ontlokt aan \'t Tiburtijnsche strand, Horatifis\' weeldrig lied herklinkt in Nederland,

Met al zijn Zuidergloed door u weêr opgevangen,

In Noordschen vorm gekneed, bemeesterd door uw hand!

In waarheid, dat zijt gij; — maar niet in halve ruste,

Niet als de moede gast, na \'t luide jubelfeest.

Die in een vagen droom het kort genot herleest,

Nog eens de zoetheid proeft der welgesmaakte luste

En naar een danklied zoekt met half bezwijmden geest!

Gij zetelt daar als Vorst, gij zetelt daar als Koning;

Ge ontvangt den huldegroet van wie zich kunstnaar noernt, En als de ceder boven \'t needrig veldgebloemt\',

Verheft ge fier uw hoofd in de onbeperkte woning,

Waar slechts \'t genie zich koning roemt!

-ocr page 27-

17

\'t Genie, \'t is heilig vuur aan \'t godlijk vuur ontstoken; Een nagalm is \'t van \'t woord, dat licht en leven schept; \'t Is de ongetemde geest, die zich naar boven rept. Als waar\' de band der stof reeds door zijn kracht gebroken. En in der liefde zee de blanke wieken klept.

En Vondel, dat zijt Gij ! Gij, meester der geniën,

Gij, in wiens reuzenziel het hoogste dichtvuur gloeit. Gij, door wiens aadren heen de kracht tot scheppen stoeit. Gij, die geheel een volk, doet zinken op de kniën Verwonnen door uw kracht, door uwe taal geboeid!

De Genii der kunst, der hooge kunst, omgeven Uw needrig taboeret, ten vorstenstoel gewijd;

Zij dragen uwen naam door \'t renperk van den tijd.

En hebt gij eens uw macht van hen te leen geheven-Nu brengen ze U hun hulde, U, die hun koning zijt.

Het Leerdicht, dat den blik door Gods natuur doet dwalen En \'t lied des Scheppers hoort in \'t buldren van den storm, Maar ook de majesteit des Eeuwgen in den worm Bewondren durft, brengt u zijn rijkste gloriestralen,

U, die de waarheid doscht in wonderschoonen vorm.

Die Ernstige, om wier mond toch fijne lacbjens zweven,

Maar lachjens, soms gescherpt tot dolken, of gegadrd Tot roeden voor den dwaas, die ronddoolt over de aard, U huldigt ze als haar vorst, die \'t onverstand deedt beven En door den volksdeun zelfs der waarheid wreker waart.

Het menschelijke hart, wat hof vol kronkelingen,

Vol duistre raadslen, wat onmetelijk gebied !...

Toch dwaalt die Genius met scherpen oogblik niet.

Hij kan de wareld in de menschenborst doordringen.

Wier wondren straks zijn hand in, \'t leven overgiet.

Maar naar den hemel schouwt de Cherub, ja ten hemel,

Waar de Ongeziene throont in vollen levensgloed,

Daar schept de poëzie haar volsten overvloed.

Haar onverdoofbren glans in \'t volle lichtgewemel.

Dat zelfs den Seraf in aanbidding staren doet.

De statige Engel van het Treurspel buigt den schedel, De zanger van het Lied der Godheid buigt zich neêr: Een zelfde is beider vorst, éen Vondel is hun Heer;

Hij gaf den mensch terug in vormen waar en edel En droeg zijn hallel-lied tot in der heemlen sfeer!

Ja waarlijk, gij zijt groot, mijn Vondel! De geslachten Regeert uw koningsnaam ; en hoor, uit iedre borst,

-ocr page 28-

18

Die Hollandsch klopt en voelt, naar Hollands grootheid dorst, Weêrklinkt op vrijen toon, met onbedwongen krachten, Een zegelied voor u, o Neérlands dichtervorst!

III.

„Justus fide vivit.quot;

Vondel.

WAar, Meester, peinst gij op? Door wat verheven sferen Zweeft, in zijn vlucht, de geest,Aar, Meester, peinst gij op? Door wat verheven sferen Zweeft, in zijn vlucht, de geest,

De geest des dichters, die als in het oog des Heeren

Der raadslen antwoord leest?

Wat reine scheppingen der doorgeworstelde uren

Verrijzen voor uw oog.

Slechts wachtend op uw hand, die ze omkneedt tot figuren,

Ontzaglijk, fier, en hoog;

Hen tot gestalten vormt, die ons, verrast, doen staren

Op ware majesteit.

Op ongebroken kracht bij \'t barnen der gevaren.

Of zoete teederheid?

Waar, Meester, peinst gij op? In \'t rijk der idealen

Voert gij den heerschersstaf.

En iedre harteklop en ieder ademhalen

Werpt daar zijn schatten afl Geen telt de .sterren, waar zij kringlen in hun banen.

De tochten door de lucht,

De golven, voortgezweept langs \'t vlak der oceanen

In hooggezwollen vlucht;

En wie, wie meet den stroom, den heirstroom der gedachten,

Die langs de blikken vaart Des dichters, waar hij peinst in slapelooze nachten

Of ronddoolt over de aard?

Maar in het dichterwoord stort zich dat zieleleven.

Dat kind des geestes uit.

Het woord, doorzichtig als de sluyer, saamgeweven

Om \'t voorhoofd eener bruid;

Het woord, dat, als de geur uit rozek noppen brekend,

In de eigen stond vergaat.

Maar dat des kunstnaars hand straks met een zegel teckent.

Dat erts tot goudmunt slaat!

Waar, Meester, peinst gij op? Wat wareld, opgerezen

Ten antwoord op die beê!

Een wareld door geen oog, als Vondels oog, doorlezen;

Een grenzenlooze zee!

Aanschouwt gij, jongling weêr, met wild verwarde hairen

En vurig stroomend bloed.

Uw Mozes, Israël geleidend door de baren.

Door Isrêls God behoed?

Doorzwerft gij weêr vol moed der dieren lustwarande.

Waar ge uit uw dartlen kout

-ocr page 29-

19

De waarheid klinken doet, die in der schalkheid banden

Den geest gevangen houdt?

Of, - gij zijt krachtig man en hebt partij gekozen

Bij \'t woelen van den strijd;

Een strijder zijt gij, ja, die rust kent noch verpoozen.

Zich gants zijn leuze wijdt.

Gij ziet uw Palameed door vuig bedrog gevangen.

Door list ten dood gesleurd,

En jaagt, door \'t grieksche spel, het bloedrood naar de wangen.

Wier masker gij verscheurt:

Gij hoort het joelend lied - en uit de vlugge veder

(Wat wapen in uw hand!)

Stort zich een stroom van spot en scherpe waarheid neder.

Die als de lava brandt!

Maar neen, des kunstnaars oog heeft eindloos meer genoten.

Toen hem uw beeld verscheen:

Hij heeft een heilgen gloed de vormen doorgegoten;

En langs uw trekken heen Speelt nog de volle drift, die Aemstels krijgerscharen

Bezielde in stervensnood.

Ja, tot der zaalgen koor den menschengeest deed varen.

Om uit der liefde schoot,

Om van der Englen harp den wiegezang te rooven

Voor \'t Kind der Moedermaagd,

Dat zich het kribjen koos voor \'t licht der hemelhoven,

En \'saardrijks kroone draagt!

Ja, teedre beelden ook omzweven u. De moeder

Van \'t menschelijk geslacht Verschijnt daar voor uw oog, zooals haar de Albehoeder

Aan Adams zijde bracht.

Gij ziet ze in al het schoon van d\'opgang harer dagen.

Die de Engel zelv\' beneed;

Gij ziet haar vallen, och! en durft nog tranen vragen

Van wie zij vallen deed!

Weêr klopt uw harte warm voor uw geboortestede;

Gij geeft uw verren groet Een kostbaar pronkjuweel voor \'t grijze Keulen mede

Ee zingt haar maagdenstoet;

Daar klept de doodenklok van Fotheringay\'s tinne,

En trots dien sombren toon.

Vlecht gij der fiere vrouw, der schoonste koninginne

De heiige martelkroon !

Door heel \'t verleden schouwt uw arendsblik. Daar kampen

De machten in de lucht.

Daar ziet ge een hemelgeest, beneveld door de dampen

Van eigen trotsche zucht;

Daar vlamt het zwaard der wraak in heilige englenvingren;

Snel als de bliksemschicht Ziet gij de morgenster in d\'eemvgen afgrond slingren. Verwonnen door het licht J

-ocr page 30-

20

Maar trots het strijdgewoel, dat dondert door de sferen,

Klinkt hoog de zegetoon.

Die, de eeuwigheden door, den naam verheft des Heeren En klatert om zijn throon.

Daar, Meester, peinst gij opl Uw blik aanschouwt den engel.

Die juichte: Gode de eer !

En in uw ooren ruischt der serafs toongemengel,

Uw veder geeft het weêr!

Gij schudt het edel hoofd? Nog heiliger ontroering

Beeft in uw meesterhand.

Zweeft ge op den wiekslag van nog hooger geestvervoering

Naar \'t hemelsch vaderland?

Waar, Vondel, peinst gij op? Een golf van harmoniën,

Een stroom van poëzie Geeft antwoord op de vraag; de koning der geniën

Bidt, dankt en juicht: „Ik zie.

Ik zie, ik zie het Licht, de Waarheid, en het Leven

Den ongeschapen Zoon,

Het Menschgeworden Woord, met koningsglans omgeven;

En \'t Autaar is zijn throon!

Ik zie den Bruidegom, die \'t oog der aard verblijdde

Gezeten naast zijn bruid,

Haar sterkend met het bloed, dat heenstroomt uit zijn zijde.

Waaruit het leven spruit!

Ik zie den offeraar en vleklooze offerande.

Die, aan des kruises stam,

Door lijden, smaad en dood de macht des doods verbande,

Der Hel haar staf ontnam.

Ik proef (o God, mijn God, die steeds mijn ziel begeestert.

Geen Seraf geeft het weêr)

Ik proef, — ik stamel slechts door de eeuwigheid bemeesterd,

Ik proef mijn God en Heer!

Mijn Koning en rnijn God, — o, de idealen dooven,

quot;Waar gij uw stralen schiet,

Ik duizel bij den glans, die van uw throon daarboven

Zich in mijn ziele giet,

Ik leef, ik leef door U: — mijn krachten zijn verstoven : Aanbidden en gelooven,

Dat is mijn koningslied!quot;

IV.

„Scribis aetcrnitati.quot;

G. Vossius.

n

kOor de sferen \'Stormt het lied: „Eeuwig is de Heer der Heeren; „Einde of aanvang kent Hij niet!quot; Maar er ruischen

-ocr page 31-

21

Door het zwerk Machtig, sterk,

Zangen, die het bloed doen bruisen, Die de sluimerende kracht Doen ontwaken En het menschenhart doen blaken In \'t bewustzijn van zijn macht, Zangen, die den dag doen gloren

Na den nacht,

Zangen, uit des hemels koren,

Klinkend over \'t aardsch gebied; „Stervling zij de mensch geboren,

„Ware dichters sterven niet!quot;

Over al de doodstrofeön,

Over puinen, lijken, graf,

Over de ongemeten zeen Der ontelbre stervensween

Voert de geest den heerschersstaf: Boven al de doffe klachten,

Tolken van de felle smart,

Door de wrake des Almachten

Rijzende uit het menschenhart, Boven al de jammerkreten,

Die den dood verwinnaar heeten, Zingt de vrije geest zijn lied:

„Ware dichters sterven nietlquot; Dichters, die als hemelzoneu Op der bergen spitsen staan,

In de gouden snaren slaan En een vlucht van volle toonen Op doen gaan,

Toonen, waarin ieder hart Het volmaakte woord kan vinden

Voor zijn vreugde, voor zijn smart; Waarin tranen zich verbinden

Met der moeder zaalgen lach; Waarin al de stormen tierèn,

Al de geurge zephyrs zwieren.

Die één dag In de menschenborst ziet zweven; Toonen, die het rijke leven,

Hooge waarheid, wedergeven

In der schoonheid zonneglans. Dichters, die als Godes wachters.

Met der Englen stralenkrans.

Heel den zwerm der wetverkrachters

Voor het zwaard Van het heilig woord doen vallen. Het Trisagion doen schallen Over de aard;

-ocr page 32-

22

Die der boosheid macht bedwingen; Die den lasteraar doen zingen:

„God is groot!quot;

Neen, - zij zijn geen stervelingen Zij zijn sterker dan de Dood I

Vondel, Neêrlands reinste glorie Is uw naam;

En de lofkreet van de faam En de stemmen der historie Smelten sadm.

Scheent gij bij uw volk vergeten, Scheen uw hooge zangster stom? Hoor het zware klokgebrom En de duizend, duizend kreten, Schaterend door de Arnstelstad,

Zij betuigen, zij verkonden,

Dat ge uw volk hebt weêrgevonden;

Dat uw kostbre wijsheidsschat Door geen tijdstroom werd verslonden.

Maar het hoogste leven had, \'t Leven, dat door al de kringen

Van den tijd Ons op vollen toon doet zingen,

Dat ge onsterflijk zijt!

Vondel! — ziet hoe triomferend

Hij verrijst,

Met zijn hand den tijd bezwerend, Met zijn kroon den nijd braveerend.

Met zijn blik die opwaarts wijst, Met zijn blik, die tot den hoogen

Door d\' azuren sluier dringt,

Waar de seraf, neêrgebogen,

\'t Lied der eere zingt; Met zijn blik, die spreekt: „Daarboven Is de kracht,

Is de grootheid, is de macht;

In des Paradij zes hoven

Vindt de dichter wat hij tracht. En de gever aller gaven,

En der wijsheid eeuwge bron,

Waar de zielen zich aan laven,

En de nooit geschapen zon,

Die haar volle levensstralen Op ons koude hart doet dalen, -Eenmaal in de hemelzalen

Kweekster van het hoogst genot, — Dat is God.quot;

-ocr page 33-

4AlMTEEKEI\\lNGEN.

I. Biz. 14.

Met een wonderwerk te meer

Het Amsterdamsche Stadhuis, door den Ridder Huygcns in zijn bekend gedicht: „\'s werelts achtste wonderquot; geheeten.

II. Blz. 16.

Gij, door der broedren hand enz.

„In den jaare 1653 hielden eenige Schilders, Poëten en Liefhebbers der dicht- en schilderkunste, ontrent hondert in getaale, t\'Amsterdam S. Lucas Feest: daar ze den twintighsten van October op S. Joris Doelen ter maaltydt gingen, en iemant, Apollo verbeeldende, den Dichter Vondel ten dien einde genoodight, en aan \'t hooger eindt van de tafel op een\' hoogen stoel geplaatst, den lauwerkrans op \'t hooft zette..... Te deezer tydt quam zyne

Vertaaling van Horatius Lierzangen..... onder de pers; maar buiten zyn

toedoen, door iemant die een afschrift wist te bekomen. Doch hy, ziende den druk niet te verhinderen, hieldt \'er de handt noch aan, en droeg die vertaaling op aan de Kunstgenooten van Sint Lucas f Amsterdam, Schilders, Beeldt-houwers. Teekenaars en hunne begunstigers: tot een blyk van de genegentheit, die hy hunne edele kunste toedroegh, met erkentenisse der gunst en eere op hun feest genooten.quot;

G. Brandt\'s Leven van Vondel.

Ik hoop, dat het duidelijk genoeg blijkt, dat ik, evenzeer als de „Dietsche Warandequot;, Deel VII, blz. 284, de meening van den „Spectatorquot;, dat Vondel den lauwer niet mocht ophebben, indien toevallig op het St. Lucasfeest de gildebroeders hem niet gekroond hadden, verwerp.

II Blz 16.

Govaerts hand.

Namelijk van Govert Flinck, leerling van Rembrandt en vriend van Vondel.

III. Blz. 18.

Aanschouwt gij, jongling weêr, enz.

De in dit vaers en volg. bedoelde stukken van Vondel zijn:

Het Pascha, of de verlossing der kinderen Israels uit Egypte.

Vorstelijke Warande der Dieren.

Palamedes, of vermoorde onnoozelheid.

De hekeldichten.

Gijsbrecht van Aemstel, met het beroemde koor: o Kersnacht enz.

Adam in ballingschap.

De Maegden.

Maria Stuart.

Lucifer.

Altaergeheimenissen,

-ocr page 34-

24

III. Biz. 19.

van Fotheringay\'s tinne.

Op den iSen Februari 1587 werd Maria Stuart, Koningin van Schotland, op het kasteel te Fotheringay, in het graafschap Northampton, op bevel harer nicht Elisabeth, onthoofd.

IV. Blz. 21.

Trisagion.

De grieksche uitdrukking voor: „driewerf heilig.quot;

-ocr page 35-

DE PERS.

EEn vorstelijke gave is \'t menschlijk woord, een vonk Der eemv\'ge majesteit, die langs den chaos blonk; Een nagalm van het woord, dat, uit des niet-zijns duister, De wareldorde riep tot leven, licht en luister;En vorstelijke gave is \'t menschlijk woord, een vonk Der eemv\'ge majesteit, die langs den chaos blonk; Een nagalm van het woord, dat, uit des niet-zijns duister, De wareldorde riep tot leven, licht en luister;

Een tochtjen van den geest, die in den aardklomp vloot En \'t levenloos model met schoonheid overgoot;

Een kostbaar pronkjuweel des diadeems, geslagen Om \'t hoofd des konings, \'t hoofd des menschen Hoort, daar dragen De bauwende echos, met geheimvol beven, voort,

De hymne van den mensch, de hymne van het woord,

Die tolk is van de stem der fluisterende gaarde:

„Geprezen zij de God der heem\'len en der aarde.quot;

Een rijke gave is \'t woord, — ja gave, gave Gods!

Spijt bastaard-wetenschap, spijt menschelijken trots.

Of waant gij, dat de schok der sadmgesloten klanken, Der toonen, zonder zin, der vortnelooze spranken,

Een éenheid baarde; \'t woord ? —

Der liefde kunstjuweel Is \'t menschelijk bestaan, met gaven naamloos veel,

Toch door gedachte en taal eerst waarlijk mensch geslagen. De mensch ontving het zijn als gave, om \'t op te dragen. Als offer, aan de macht door wie hij d\'oorsprong nam:

Hij zelf is de offerande en \'t woord is de outervlam.

Een vorstengave is \'t woord. De heerlijke gedachten.

Der ziele hemelsch kind, uit \'sgeestes reinste krachten Geboren zonder wee en zonder angst, — zij staan Belichaamd in het woord, gevrijwaard voor \'t vergaan; In \'t luchte gazen kleed, in al hun teêrheid machtig,

In al hun eenvoud rijk, in al hun zwakheid krachtig. Onschijnbaar menschenwoord, —• wat wapen in de hand Van hem, wiens breede borst van felle strijdlust brandt!

Heeft niet een enkel woord, de wareld ingeworpen, D\'oinwentelings-orkaan doen bruisen door de dorpen

-ocr page 36-

26

En steden, — niet den loop gedwongen van het lot, En \'t gulden throongestoelt verkeerd in moordschavot?

Toch zijt ge zwak en teêr, gij menschenwoord ! vervlogen Is ras uw ijl bestaan, gebonden aan \'t vermogen Der losse klanken! — Als der Zephyrs lentezucht,

Die door de blaadren ruischt en heenvaart in de lucht.

Als \'t geuren van de roos, dat in éen wenk genoten In d\' eigen wenk verstuift, — zóo blijft uw macht besloten In \'t trillen van den toon, die door de ruimte zwerft.

Voor éen seconde heerscht, en heerschende versterft!

Gezegend zij de hand, die, onder Haarlems wallen.

Den ruw gesneden vorm in \'t mulle zand deed vallen;

Gezegend zij de blik, die al de grootheid mat

In \'t schijnbaar kinderspel verborgen en bevat,

Die aan den klank den vorm, aan \'t woord de letter paarde,

Neen, iedren lettervorm weêr duizendvoud herbaarde

En \'t woord een dienstmaagd gaf, die al zijn teederheid

Bewaarde en toch verschiep voor de onverganklijkheid!

Dat was een heerlijk uur. Door beuk en eikenbladren Trilde (als een hemelsch lied, van heilige englenscharen Geheven) \'t dankend woord; „Aan Gode de eer.quot; Het scheen Als golfde weêr de geest door \'t leemen vormsel heen. De geest, die \'t eerste woord op menschenlippen toovert Eri nu zijn volle kracht, zijn rijksten tooi verovert.

Nu, nu het zielvol woord, nog maagdelijk en versch.

Door heel de wareld dreunt, gedragen door de pers!

De pers! Wie roemt haar niet des geestes eêlste vinding,

Haar, ongekende macht voor geest- en stofverbinding.

Haar, in des menschen hand, de schoonste vorstenstaf, Nog heerschend over puin en lijkgeraad en graf?

Wat wonder heerlijk beeld, toen zij, des Heeren engel Geboren in de golf van \'t heilig toongemengel Der heem\'len, de aard betrad! Nog drupte \'t vleugelpaar Van liefde en van geloof, nog vonkelde er om haar Een stroom van zonnelicht, die, altijd hooger zwellend En over berg en rots heel \'t wareldrond doorsnellend. De nevlen henendreef voor \'t stralend aangezicht En antwoordde op de beê: „Licht, altijd meerder licht!quot;

Toen was het als weêrklonk een zegepsalm daar boven Van hooge wetenschap en kinderlijk gelooven,

Van kennissen, gekweekt aan der altaren voet.

Van heilgeloof, betuigd door \'t purpren martelbloed, Van zelfbewuste kracht, in waanzin niet verloren.

Gelouterd door het vuur, op \'t Pinxterfeest geboren;

Toen sloeg Cecilia nog op het speeltuig, dat

-ocr page 37-

27

Een nieuwe, een gouden snaar te méér ontvangen had, Een snaar, wier volle klank wel duizend andre toonen Of oplost of bevat, en door de verste zoonen Haar zilvren trilling jaagt, die in de harten dringt En \'t heerlijk stralend kruis, dat ons behield, bezingt.

Nog eenmaal opent u, gij geelgetinte blaad\'ren.

De roem van \'t nageslacht, het wonder onzer vaadren,

Gij, eerste kindren van een nieuwe wareldmacht,

Verkwikt mij met den geest, die door uw regels lacht,

Verkwikt mij met uw geur van vroomheid, deugd en vrede, Van eerlijkheid en recht, van oude, trouwe zede.

Verhaalt mij, hoe de hand, nog rein en onbesmet.

De vormen samengaarde, om aller eeuwen wet Bij duizend duizenden langs de aarde heen te slingeren. Bij duizend duizenden te plaatsen in de vingeren.

Die na den heeten dag zich vouwden om het blad En lazen r hoe de Heer zijn volk behouden had.

Wat wondervolle dag, die oprees aan de kimmen!

Maar blijft de hemel blaauw en steigeren en klimmen Geen onweêrswolken op?

O de eersteling van \'t woord Was \'t niet een hymne aan God een lof- en dankakkoord. Een heilige eed van trouw, der heem\'len Heer gezworen?

Maar ach, een ander woord klonk in der menschheid ooren, Een sijflend slangenwoord, vol valsche list en spot.

Dat ras een weêrgalm vond: „Wij willen zijn als God!\'\'

En sints die ure staan en kampen op onze aarde Twee machten, beide sterk in zelfbewuste waarde;

Het woord der Heemlen en het woord der Hel. Zij staan In hooggespannen strijd, slechts te einden door \'t vergaan, \'t Vergaan van een dier twee ontembre kampioenen.

Twee stemmen spreken: „dood!quot; geen fluistert van „verzoenen!quot; Hun beider wapentuig is de onbedwongen pers,

Of jub\'lend in geloof en liefde, of in \'t gekners,

Het eeuwig tandgekners des Satans, God bestrijdend,

En in dat vloekwoord zelf Zijn almacht toch belijdend.

Het danklied van de pers, wat klonk het fier en stout.

Maar kinderlijk en teêr, o Haarlem, door uw Hout!

En ach, hoe werd die toon, zoo zuiver, weèr verbasterd Tot tolk van dwaze drift, die \'t heilige belastert,

Die recht en waarheid vloekt en met ontzinden zin,

Een andren Heiland spelt en hooger heilgewin!

Ziet, voor den mokerslag van \'t razend oproer springen De banden van elkaar, die \'t woelend volk bedwingen En, vreeslijk in de hand der reuzen van \'t geweld,

Is ook het vlugge woord, dat aan de pers ontsneld Als breede lavastroom langs heel het aardrijk kronkelt.

-ocr page 38-

28

Of, als ontembre vlam, in duizend oogen vonkelt,

In duizend borsten woelt! ontzachelijke macht,

Die voor geen zwaarden deinst, ja, met de boeien lacht.

Aartsengel van het kwaad en dienares der logen.

Neen, dochter van de boel des Konings, die voor de oogen

Der hovelingen in het schaamtelooze kleed

Met iedren wulpschen tred haar maagdlijkheid vertreedt,

En, heerschend met een woord, in dronkenschap gezworen.

Door wellust afgeperst, de wreede taal doet hooren:

„Mijn loon? — Johannes\' hoofd!quot;

Bloed, vroeg zij, altijd bloed, Bloed van des monniks hand, die \'t vratig oproer voedt En straks der vorsten zwaard en scherp gewette klingen, Nog rookend van den krijg, belaadt met zegeningen;

Bloed, van den valschen mond, die \'t knettrend vuur ontsteekt. Servet in vlammen worgt en God om „vrijheidquot; smeekt;

Bloed, vroeg zij, of de ziel!

En later, als de kringen Der boosheid wijder gaan en immer zich verdringen.

Maar ook de tijger vorm, in zijde en in fluweel Sirenenliedren zingt met honigzoete keel.

Dan stort met iedren klank een droppel gif in de ader Der menschheid, die de hand nog kust van den verrader; Dan throont ze, want de Pers werd machtig, werd Vorstin, Gehuldigd en gevierd door \'t beedlend hofgezin.

Door slaven, die, belust haar juk. te mogen dragen.

Zich krommen voor haar roê en zwoegen voor den wagen, Waarop de onteerde throont, schofferend met Rousseau, Grijnslachend met Voltaire, ontzind met Diderot, Of Vrijheids-priesteres van nieuwe tijden zwanger.

Met Frankrijk aan haar voet en Mirabeau tot zanger.

Maar vrijheid zonder God is slavernij; er gaat

Een wrekende Engel rond met bliksemend gelaat

En d\'ademtocht des doods en de eerstgeboornen vallen

In de ongemerkte hut en breede koningshallen.

Als eens Egyptes nacht verhalen kon. Hoe boog

De pers, de vrije pers voor \'t vlammenschietend oog.

Voor d\' opgeheven arm, die heenwees naar Vincennes

Of, erger dan ten dood, naar \'t moordende Cayenne;

Hoe ras de vrijheidszang verwisslen kon van toon

En omsloeg in een lied voor keizerszwaard en kroon;

Hoe ras de hooge idee, ten zetel afgestegen.

Van fierheid lang ontdaan, ter neêr boog voor den degen;

Ja, \'t lisplen van het woord en \'t buigen van de stem

Rees, daalde of weder rees naar d\' ijzren wil van hem.

Sints draagt de wareldmacht geen breede rijksgewaden.

Geen gouden diadeem met parelen beladen.

Geen wondren tooverstaf, die thronen nederwerpt •

Of door elk aangezicht als folterroede snerpt;

-ocr page 39-

Neen, spijt het ridderkruis van Lazarus, de loovren,

Die hooge stapels goud om valsche lokken toovren,

Spijt al de schittering der fulpen hoflivrei,

Blijft toch haar zichtbaar kleed : de rok van den lakei.

Hoort, zij, de persgodin, vraagt vrijheid van de banden,

Die, al te lang voorwaar, haar vleugelen omspanden.

Zij vraagt een vrijheid, die haar, evenknie van God,

Het recht geeft om haar woord, \'t zij lastering of spot, Te slingren naar het hoofd van Kristus, om haar keuze Te doen op „Barabbas!quot;, om zingenot, haar leuze.

Te prediken aan de aard, om thronen eeuwenoud Verachtlijk neêr te slaan als lang vermolmend hout;

Om naar des niet-zijns poel de menschheid heen te stieren. Te zinken met haar prooi en dan — te zegevieren!

Verachte, die zoolang, zoolang reeds aan de mijt De brandstof hebt gevoerd; zoolang reeds in den strijd Geweld en dwinglandij en vorstenmacht zaagt kampen,

Naast u, nooit tegen u, — die reeds een zee van rampen.

Steeds zwellend torenhoog, langs de aarde henenplast;

Met rozen in het hair aan keizertafels brast;

De tong gekneveld hebt, die God en eer verdadigt:

Zijt gij dan nimmer moê, hyena, nooit verzadigd?

Bedenk, het kwade mist het recht zelf van bestaan;

Zijn orde, wet en doel is \'t eeuwige vergaan!

Te midden van den storm, in de onherbergzame ure.

Staat aan des kruises voet een needrige figure.

Een maagd, maar \'t arm gewaad van rein en smetloos wit,

Door purpren droppels bloed getint. Zij staat en bidt

En houdt de drukpersharp met snaren rijk bespannen.

Schijnt uit den tengren vorm de levenskracht gebannen,

Geen nood — ook \'t Kruis is zwak, maar staat. Daar golft en ruischt

Een wonderhelle toon, die altijd voller bruischt,

Een toon waar biddende ernst in lispelt, strenge wrake

De felste klanken leent der aangeboren sprake.

Een toon, die juicht en zingt, mysteriën verklaart.

Afgronden opensluit voor \'t oog der duizlende aard.

Een toon, waarin het lied op Trentes top geheven

Zijn konings-majesteit, zijn hoog en godlijk leven

Doet klaatren, Bossuet zijn volle mannenkracht

Huwt aan den liefdegloed, zoo koesterend en zacht

Van Fénelon, waarin de forsche donderslagen

Van Görres uit zijn slaap den Rijnstroom op doeu dagen;

En ook een hollandsch woord den eengeboren Zoon

En \'t heiligste geheim in klanken, diep en schoon

Doet leven, ja een toon, waar al wie \'t kruis belijden

Meê samenstemmen: \'t éen; „Gelooven, hopen, strijden!quot;

-ocr page 40-

30

Een is der wijsheid God, éen is des levens bron,

Door de eeuwigheden heen blinkt éene waarheidszon:

Geen nevel, die haar smet, geen wolk die ooit haar stralen Omsluiert of verbergt; in duizenden van talen Klinkt, raenigvoud van vorm, toch de eene waarheid weêr: „Wie groot wil zijn en sterk, zij dienaar van den Heer!quot; Ja, dienaar van den Heer! buig, buig uw hoofd ter neder. Vraag uit des Heeren hand het juk der dienstmaagd weder Gij, trotsche vrije Pers! Uw macht versplintert ras; Uw kroon valt stuk ter aard, als grof geslepen glas; Uw wijsheid wordt, helaas, tot waanzin; uw bezieling Wordt de adem van het kwaad, die aanzet tot vernieling. Geef, geef den kampstrijd op, kind van mijn Vaderland, En wandel over de aard weêr aan der Godsdienst hand.

-ocr page 41-

AANTEEKEMNGEN.

Bladz. 25. Een rijke gave is \'t woord. Ja gave. gave Gods, enz.

De spraak en haar gebruik behoort bij het geheel der natuur van den rnensch, en die hem daarom het eene heeft geschonken, kon hem het andere uiet hebben onthouden. W. Wessels, over vergelijkende Taalstudie. In dien zin meen ik „gavequot; te hebben verstaan. ...

Bladz. 29. „De rok van den lakei.quot;

De toespelingen hier en in de voorgaande regels zijn duidelijk voor elk, die in de geschiedenis der fransche dagbladpers geen vreemdeling is. Ook heeft men, in onze tïjden vergeet men soms zeer spoedig, toch misschien de „affaire de Kervéguenquot; nog niet vergeten.

-ocr page 42-

S. MARIA,

DE ZONDARESSE VAN EGYPTE

DE laatste toon van \'t broedrenkoor Klonk statig de woestijnen door; De kluiz\'naar neemt het boek en leest: „Gedreven door zijn heilgen geest,E laatste toon van \'t broedrenkoor Klonk statig de woestijnen door; De kluiz\'naar neemt het boek en leest: „Gedreven door zijn heilgen geest,

„Begaf zich Jezus gants alleen „Naar \'t diepste der woestijnen heen; „Heeft veertig volle dagen daar,

„Verlaten van zijn jongrenschaar, „Den Vader biddend dag en nacht, „In boete en vasten doorgebracht.quot;

De kluiz\'naar sluit het heilig boek. „Dat ons dezelfde geest bezoek\'!quot; Zoo klinkt éenstemmig aller woord. En statig treedt een grijsaard voort. De rechte heffend, zegent hij De hem bevolen broedrenrij En spreekt: „Laat ons in vrede gaan, „Den Christus volgende op zijn baanlquot; En \'t antwoord klinkt: „In Christus naam!

En zwijgend trokken éen voor éen De broeders ter woestijne heen.

Om veertig dagen lang aan God Zich gants alleen te wijden, tot De Kerk, als jonge bruid gecierd, \'t Verrijzen van haar Bruigom viert.

Het laatst van heel de rij betrad Ook Zozimus het eenzaam pad.

-ocr page 43-

33

2.

Wel somber is de woestenij,

Zoo dor, zóo eenzaam; als geslagen

Met eemvgen slaap, zoo sluimert zij. De tochten van den Simoun jagen Slechts wolken stof de vlakten door;

Geen halmpjen buigt zich op hun spoor, Geen blaadjen ritselt bij hun naadren;

\'t Is huivringwekkend in dat graf!

En hoe we ook alle kracht vergaadren, Een kille schrik doorstroomt onze aadron,

\'t Gelaat verbleekt en wendt zich af, Wij slaan de handen voor onze oogen, Reeds met een nevel overtogen.

Hoe onze stem ook daver\' — neen. Als antwoord galmt het om ons heen: Alleen, alleen — geheel alleen!

Maar hoe ze ook doodsch en eenzaam sch Toch dierbaar is ze ons — de woestijn : Wanneer we, \'t breede pad ontvloden.

Waar wellust heerscht en ondeugd spot, Daar niet alleen zijn, maar met God, Dan is ze ons, ja, een rijk der dooden,

Een graf; maar als der korrel zaad De voren, die haar hield omsloten.

Waar ze eens, vol frischheid, uitgeschoten.

Als geurige anjer opengaat;

Dan is ze ons graf, om te verrijzen Om, weêr verheerlijkt opgestaan. Met frisscher klanken, hooger wijzen Den ongeschapen God te prijzen

En moediger ten strijd te gaan;

Dat werd zij Zozimus den grijzen.

3-

Reeds zag de kluiz\'naar negen dagen Verrijzen over \'t eenzaam oord. En peinzend trad hij verder voort.

Geen galm, door \'t windjen voortgedragen.

Had nog zijn zoete beê- verstoord;

Slechts \'t lichte kabbelen der baren,

Die dan eens statig, dan eens wild. Dan breed geplooid, dan hoog gevaren,

Heur weg vervolgden naar het zilt.

Slechts quot;t ritslend kraken van de twijgen — Dat deed hem eindelijk verstaan. Hij stond aan de oevers der Jordaan. De zon ving aan het Oost te ontstijgen,

-ocr page 44-

34

Reeds spelde een zachte purperglans

Heur naadren aan den trans; De morgennevlen, dof en koud,

Vervlogen, vol deed zij haar stralen Op \'t mulle stuifzand nederdalen:

Een breede stroom van goud!

4-

Maar was ook \'t schouwspel grootsch - des grijzen

Omzwervend oog ontging die pracht; De beelden van \'t verleden rijzen Vol leven uit den langen nacht.

Hij zag zich jongling, neêrgebogen

Voor \'t kruis zijns meesters, \'t gloeiend hart In heiige aanbidding opgetogen

Bij zóo veel liefde, zoo veel smart;

Hij zag zich, strevend naar volmaking.

En, schoon de hairvlok jeugdig zwiert,

Reeds grijs in lijden en verzaking

Van iedre lust, die de aardling viert: — Dat waren lichte, schoone beelden!

Maar ook een zwarte schaduw viel Er op hun luister, en zijn ziel Zag vormen, die een tijd herteelden,

Waarin, bij \'t razend stormgewiel.

Zijn hart, aan eigen kracht geloovend.

Het vuur der heiige min verdoovend.

Door tochten uit een lager lucht,

Zich vaardig dacht tot hooger vlucht.

5-

Gered had hem des Heeren hand.

Hem aan der zonde slavenband Zoo vol van heiige liefde ontheven,

Dat zelfs het donker droef gezicht Als met een bron van hooger leven Verkeerde en glansend scheen te zweven In zaalger heemlen licht.

6.

Terwijl hij peinzend verder trad,

Daar stond hij eensklaps stil, als had Een vreemde klank, bij \'t eeuwig zwijgen

Der woestenij, zijn oor bereikt.

Ja, \'t was als vlood er door de twijgen Een wezen, dat zijn blik ontwijkt.

Maar toch — neen, wat door \'t lover ging, \'t Was niet des zefiers ritseling.

-ocr page 45-

35

Wat kon het zijn? — Het spiedend oog

Zag onbestemd en vaag Een vorm, die vluchtend zich bewoog,

Zich bukte krom en laag.

Wat kon het zijn? — De kluiz\'naar stond

En dacht aan valschen schijn;

Maar eindlijk klonk het uit zijn mond: „Gij stervling, of wat ge ook moogt zijn,

In Jezus naam verschijn!quot;

En toen het kreupelhout zich boog. Verscheen een vrouwe, rank en hoog.

Maar zichtbaar neêrgebukt door pijn.

Zóo als zij daar verscheen, de leest

Met grove pij omhuld.

Met tranen \'t glazig oog gevuld,

Dat eenmaal schittrend was geweest, — Zóo was zij \'t beeld dier felle smart. Die iedre vezel scheurt van \'t hart,

Maar die ook God geneest

7-

„Gij spreekt des Heilands naam, — ik kom

Ddt was haar welkomstgroet. De kluiz\'naar stond verbaasd en stom

En sneller vloot zijn bloed;

Maar eindlijk vond zijn stem wéér kracht: „Wat, vrouwe! heeft u hier gebracht. Wat dreef u naar deez\' zandwoestijnen.

Waar gij verlaten weg zult kwijnen,

Verlaten in uw stervensnacht ?quot;

Zij zag hem smeekend aan, en zacht Klonk nu het antwoord op zijn vragen: „Zoo gij me kendet, vloodt ge heen Én vloekte \'t uur, waarop \'k verscheen; Maar neen, gij kent me — want gedragen Langs alle streken is mijn naamr De zondares heet mij de faam. — O! \'s Heeren hand heeft mij geslagen,

Mij aan het wis verderf ontroofd; Des Heeren liefde zij geloofd! —

Gij kent me niet? — en wilt ge weten Hoe zij, die eens heeft neêrgezeten Aan \'t maal der boozen, nu in rouw En boete, tranen plengt voor God,

Verneem dan \'t zondig levenslot!quot;

Vol eerbied plaatste zich de vrouw Aan \'s kluiz\'naars voeten en verhaalde Hoe Jezus\' liefde zegepraalde.

-ocr page 46-

36

„In Alexanders trotsche stad Verrees mij de eerste levensstonde,

Des doopsels wondrenwerkend bad Ontdeed mij van de smet der zonde;

De Christus hulde me in het kleed, Uit heilgenade sadnigeweven.

Het kleed, dat in den gloed van \'t leven De misdaad mij bezoedlen deed.

9-

„Mijn leven was der moeder dood, —

Mijn\' vader sneed dat zwaard door \'t harte. En de eenge laafnis in die smarte

Was \'t lachjen, dat mijn wang hem bood. ik werd het leven van zijn leven,

Ik de afgod van zijn gansche ziel.

Ik, toen zijn hemel hem ontviel. Als troostende engel bijgebleven.

Wat ook mijn blik slechts scheen te vragen, \'t Was hem eene onverbreekbre wet, Hoe meer dan wel mijn zoet gebed! Zóo vloden dan mijne eerste dagen In dartel spel en vreugd voorbij;

Als \'t vogelijn, dat ge om ziet zweven Langs geur\'ge bloemen, bonte dreven. Zoo huppelde ik in \'s levens Mei.

io.

„Een beeld nog zweeft mij voor den geest. Een laatste erinring aan die dagen,

Dat steeds bij storm en onweêrsvlagen Mijn heul en trooster is geweest. —

„Zie, aarde en hemel vierden feest!

In al den toovergloed der kleuren, In onnavolgbre en rijke pracht Begon, na langen winternacht.

Natuur haar hoofd weêr op te beuren;

Als had ze een bruidegom verwacht, Zóo blonk de blijdschap op haar wezen In onvermengde schittring uit.

En was zij waarlijk ook geen biuid.

Klonk niet het blijde Hallel luid?

Zong aarde en hemel niet: „Verrezen!quot;?

-ocr page 47-

37

11.

„Des morgens, toen mijns vaders mond Me een langen kus op \'t voorhoofd drukte

En \'k jublend aan zijn zijde stond, — Toen was \'t of hem zijn heil verrukte;

Toen sprak hij met bezield gelaat:

„Geluk, mijn dochterken! gij gaat ,^Een schoone stonde te gemoet, „Een stonde, rijk aan d\'overvloed „Van de onvermengde vreugd hierboven,

„Waar de onafzienbare Englenstoet „De goedheid van hun Schepper loven.

„U wacht een vreugde zonder smart, „Waarin uw moeder zich vermeidde, „Die haar deed juichen, toen zij scheidde, „En leven goot in \'t brekend hart.quot; En toen ik \'t vragend oog verhief,

Toen klonk het: „Dochter, mij zoo lief! „Gij zult het heil des Heeren smaken,

„Zijn lichaam zal uw spijze zijn,

„Zijn heilig bloed uw vreugdewijn; „Ras, ras zult gij Hem zien genaken.

„Hang vrij uw rijkste tooisel om, ,,Uw Jezus naakt, uw bruidegom!quot;

12.

„En wat mijn hart toen heeft gesmaakt — Wie, kluiz\'naar! waagt het uit te spreken? Zou niet de straal der zon verbleeken.

Waar \'t eeuwig godlijk licht genaakt? Zie, \'k heb zóo veel, zoo veel genoten, \'k Heb onvermoeid en onverdroten Naar al wat weelde was gestreefd.

Maar nooit eene enkle stond beleefd, Zóo zalig als de zaalge stonden.

Waarin, door liefdegloed verslonden\',

Ons hart een hemel is.

Och! had ik nimmer toch vergeten,

Hoe zoet het is, te zijn gezeten Aan \'s Heeren liefdedisch!

13-

„Dat was de morgen van mijn leven, Een morgen zonder wolkgordijn. Vol bloemengeur en zonneschijn.

„Och! waar\' die morgen steeds gebleven! Te ras, helaas! zou \'t anders zijn

-ocr page 48-

38

Zie, op mijns vaders schoot gezeten, Droomde ik van liefde, hemel, God, Van onverstoorbaar zielsgenot;

Mij trok eene onverbreekbre keten Steeds naar het vaderharte heen!

„O vaderhart, mijn licht, mijti leven, Zoo naauw met mij te zadm geweven,

Zoo innig, innig met mij éen,

O! waart gij steeds mij bijgebleven!

„Zie, kluiz\'naar! \'k jubelde, ik genoot; Ik leefde — eilaas, daar stond de dood!

14.

Langs de uitgeteerde en bleeke wang Vloot nu een bittre traan ter neder En bonzend sloeg het hart haar weder.

Ook Zozimus — hem werd het bang, Door zooveel diepe smart bewogen,

Zich uitend met zoo feilen drang! „Geprezen zij uw wil, o Heer!quot; Zoo sprak ze en hief den blik ten hoogen En kalmer nu begon zij weêr:

iS-

„„Zou \'t waarheid zijn, is God de liefde?quot; Zoo vroeg ik straks mij zeiven af Bij \'t pas gesloten vadergraf;

En bij het wee, dat mij doorgriefde.

Bij \'t zwaard, dat mij de borst doorstiet Sloeg ik op \'t kruis mijne oogen niet. Maar lisplend klonk het in mijne ooren, Als deed een slang haar sijflen hooren (Mij was \'t een klank uit hooger koren): „Neen, God, God is de liefde niet!quot;

16.

„Wat volgde? Dat ik \'t wreken konde! De liefde vlood, mij bleef de zonde!quot;

17-

En smartlijk boog de ontroerde vrouw Het hoofd in bitter zielsberouw, En traan op traan, die \'t oog ontwelde, Schonk heur bedwongen boezem lucht,

-ocr page 49-

39

Die hijgde en nokte in zucht op zucht,

Alsof een ijz\'ren boei haar knelde.

Hoe ook de grijsaard, diep bewogen,

Vertroostend van den Heiland sprak, Die reeds zoo meengen traan deed droegen,

Zoo menig zondenjuk verbrak, —

Zij bleef in rouw ter neêr gebogen,

Eén klacht slechts uit de bleeke mond:

„Mijn God, mijn God! kunt Gij vergeven Wat ik, rampzaalge, heb misdreven. Wat trotsche razernij bestond?quot;

Maar eindlijk was het haar, als viel Een hemelbalsem in de ziel,

Als hoorde zij de zoete taal:

„Hen, die in tranen zijn herboren.

Heb ik me als vrienden uitverkoren!quot;

En straks hernam zij haar verhaal.

18.

„De Zonde — maar gij kent haar niet,

Haar, die in weeldestroomen badend.

Slechts lachjens aan haar dienaars biedt. Maar, trots haar masker, zich verradend,

Voor de oogen der ontwaakte schaar Een doodshoofd blijkt, verteerd en naar. — Zie, ik was schoon — mij had de Heer Die gaaf der Englen meêgegeven.

Die \'t menschlijk hart van vreugd doet beven, Als ophefc naar een hooger sfeer!

„„Schoon zijt ge!quot;quot; — ja, dat was de groet, Die straks de drift der aardsche minne

Mij bracht door heel een jonglingsstoet. Mij roemend als hun koninginne.

En ik geloofde \'t zoet gevlei —

Mijn hart herhaalde, t mij!

Ik viel — verloren, ach! verloren

Was \'t heerlijk tooisel, dat de zang Verheft der vleklooze Englenkoren

Ontelbare eeuwigheden lang!

Ik viel, ik heb den kelk gedronken

Van wellust en van zingenot,

En bij den gloed, dien \'k voelde ontvonken, Heb ik mij kwistig weggeschonken Aan wie mij later heeft bespot!

O! dat geen bliksem mij doorkliefde.

-ocr page 50-

40

Mij nederslingerde in de hel Bij \'t roekloos zielenspel!

„O God! mijn God! gij zijt de liefde!

Hoor, klui?,\'naar! hoor het wonderwerk. Dat Jezus\' lieide, zacht en sterk,

In mij, welzaalge, heeft gewrocht;

Hoe Hij mijn schuld heeft vrijgekocht!

19-

„Een heilige, onweêrstaanhre stem Dreef me opwaarts naar — Jeruzalem Ik toog met duizend andren mede;

Zij wilden \'t heilig kruishout zien En hun Verlosser hulde biön. — Hun vroomheid was me een spot, mij, wreede! Ja, waar zij juichten, God ter eer, En jubelden in Christus\' glorie,

In zijner liefde heilvictorie,

Daar sloeg ik niet mijne oogen neór,

Maar spotte en hief den vreugdebeker En bracht hem tergend aan den mond En raasde: „Zoo hun God bestond.

Hij zou dan opstaan, Hij, de wreker!quot;

Door zijden netten ras omsponnen,

Viel menige onschuld mij te voet,

Verteerd, vermeld door helschen gloed, — Ik had op wraak aan*God gezonnen.

Ik vierde reeds mijn zegetocht Bij iedre ziel, die \'k overmocht.

En toch — Gods liefde heeft verwonnen!

20.

„„Jeruzalem, Jeruzalem!quot;

„Zóo groette blijde en opgetogen

Het doel der reis des pelgrims stem.

En ik, nog heulend met de logen.

Ik zwoer in ongebogen trots.

Dat daar, waar eens de Zone Gods En hel en zonde aan \'t kruis verneérde,

Zijn dood den dood wéér overheerde, — Nü door het toedoen eener vrouw De zonde triomferen zou I Ik wilde langs dezelfde plekken.

Waar hij zijn zege had gevierd, Den zegetocht der hel doen trekken! —\'

-ocr page 51-

M

God had mijn pad, zoo rijk vercierd, Zoo rijk beplant met geurge rozen,

Veranderd in een woestenij:

God had mij voor zijn macht doen blozen. Ik had ter wrake mij gekozen

Dat Christus bukken zou voor mij !

21.

„Er zijn in \'t leven oogenblikken,

Geheimvol als de lentelucht.

Die in de rozengaarden zucht En nu onthutst u op doet schrikken,

En dan weêr \'t gloeiend voorhoofd kust En al uw zorgen streelend sust;

Geheimvol, als de duizend stemmen, Die onbestendig en verward Verrijzen uit het eigen hart En beurtelings uw borst beklemmen,

Als drukte \'t onheil aambeeldzwaar. Dan weêr, bij \'t barnen van \'t gevaar,

U wekken tot genot.

Als zaagt ge een droom voor waarheid aan, Als dreeft ge in kinderlijken waan

Nog met uzelv\' den spot.

En vraagt gij duizendwerf: waarom? Ook duizendwerven blijft ge stom:

Geheimen van ons lot 1

22.

„Zoo werd ook ik eens opgedreven In onbestemd gevoel —

Ik volgde \'t vrome volksgewoel.

En toen \'k mijn sluier had geheven,

Beving me een vreeselijke schrik....

Voor Christus\' tempelpoort stond ik!

Voor Christus\' tempelpoort — het teeken Van zijn verwinning voor mijn oog — Daarboven, in den gulden boog.

Straalde in een glans, niet uit te spreken. Het beeld der Moedermaagd!

De slange, die haar heil belaagt, Lag ingekrompen aan haar voeten ....

En ik, ik moest haar beeld ontmoeten,

Haar maagd\'lijk beeld, gekroond met pracht! Een koortsdrift greep mij aan — ik wilde Terug — terug! mijn boezem trilde.

En toch met onweêrstaanbre macht Klonk in mijn hart een stemme: „Voort!quot;

-ocr page 52-

42

Weêr stond ik in de tempelpoort.

En nu — naar binnen voortgejaagd.... Daar werd op eens mijn gang vertraagd, — Wijd open stond de breede tempel, Het lofgezang der Christenrij Klonk hoorbaar, ja, omgolfde mij —

Maar verder treden dan den drempel.

Maar binnengaan op Gods gebied, Vermocht ik niet!

„Als ware een muur van diamant

Gerezen uit den grond,

Als had me eene ijzersterke hand

Genageld waar ik stond,

Hoe fel ik wrong en rukte en streed

En niet te wijken koos.

Al gloeiden mij de wangen heet.

Al vloeide \'t koude voorhoofdzweet, — Ik stond er machteloos.

23-

„Hoe lang ik kampte, weet ik niet.

Slechts dit — op eenmaal was \'t als rees er Een lichtstraal in mijn hart, als wees er Een hand mij naar den tempel: ziet, Ontelbaar als de sterren, aan

Het wolkenloos azuur,

En gloeiend als de tongen vuur,

Die langs de daken slaan,

En machtig als het reinst graniet,

Dat tijd en stormen weêrstand biedt, Zóo rezen daar onmeetbaar hoog Mijn zonden voor mijn oog!

En weder klonk het: „„Moed, o vrouwe! God vraagt een traan van reine rouwe !quot;

„Toen weende ik, en het was als hield Geen ijz\'ren muur mijn voet meer tegen; Maar \'k was in tranen neêrgezegen.

Voor \'t beeld der Moedermaagd geknield.quot;

24.

Zóo sprak ze en hief zich op. niet meer

Gekromd door zieleleed,

Maar slank en rijzig, als weleer,

In \'t hairig boetekleed.

Weêr vonkelde dat gitzwart oog,

Dat straks in tranen zwom.

-ocr page 53-

43

Het doodsbleek, dat haar wang betoog,

Keert nu in purper om;

Haar hand omklemde \'t kruisbeeld vast

En drukte \'t aan de borst;

Lang had ze \'t als heur zoetste last

In trouwe min getorscht.

Terwijl de laatste zonnestraal

Haar met een glans omgaf,

Vloot in een hemelzoete taal Dit lied haar lippen af:

25\'

„Maria — o! wie kent haar niet,

Haar, der erbarming koninginne.

Die in haar hooge reine minne

Nog nooit een zondaar van zich stiet. Haar, die, als heerscheresse throonend,

Slechts liefde van haar dienaars vergt, Die zij, hen voor Gods toorn verschoonend. Aan \'t gloeiend harte bergt?

„Maria — als de stormen jagen En golf op golf het bootjen zweept, Dat dati den afgrond ingesleept,

Dan als ten hemel wordt gedragen, Als duizend, duizend dooden dagen.

Dan rijst haar beeld in zilvren glans En giet zijn stralen langs den trans En op de golven neêr,

Dan stroomt, na doorgekampte smart, In \'t door den angst gebroken hart Het vriend\'lijk leven weêr!

„Maria, beeld der reinste min! Hoe koestrend, hoe verwarmend straalt ge

Den moegetobden boezem inl.

Met wat oneind\'ge liefde daalt ge Van uw verheven zetel af Bij \'t kroost der zonde, \'t kroost der straf! Hoe roemt ge u bij den Albehoeder,

Terwijl ge \'t lied der Englen zingt. De diadeem uw hoofd omringt,

Als onze voorspraak, onze moeder!

„O moedernaam, o zoete toon,

Meer kostbaar dan de koningskroon. Waarin de diamanten vonken.

Meer rijk aan zin en melodij Dan ooit een harptoon heelt geklonken. Wat zijt ge een hemelwoord voor mij!

-ocr page 54-

„Maria! toen ontzinde drift Haar merk mijn hoofd had ingegrift,

Toen \'k neêrzonk, moêgetobt in \'t streven Naar weelde, naar genot, naar leven,

Het oog van \'t hemelsche afgewend — Toen zaagt ge troostend op mij neder En werd me een moeder zacht en teeder, Mij, die geen moeder had gekend!quot;

26.

De kluiz\'naar zat daar opgetogen In zwijgende bewondering,

Alsof hij aan haar lippen hing,

Tot in het diepst der ziel bewogen.

En wel verheemlend was \'t genot Dier zacht gestemde melodij,

Heengolvend door de woestenij.

Waar geene zich verheft dan zij;

En zij bezong de Vrouw, die God Tot moeder zich verkoor.

\'t Was Zozimus als klonk voor hem Een bovenaardsche reine stem Uit \'s Heeren Englenkoor.

27.

„Ja,quot; zoo hernam ze in \'t eind \'t verhaal, „Ja, wel mag ik haar moeder heeten, Ze ontdeed mij van de slavenketen. Geborgen onder weidschen praal.

Zij, zij verscheurde \'t toovernet,

Waarin mijn ziel zich had gevlochten. En toen mijne oogen zich bevochtten,

Toen troostte zij mijn weemoed met De schoonste hemelgaaf, \'t gebed:

Ja, aan haar voet ter neêr gebogen,

Heb ik gebeden; — o! ik bad.

Ik, die zoo lang gejubeld had In \'t koor der wellust en der logen!

Ik bad — o onwaardeerbre stond.

Zooals ik nimmer, nimmer vond Bij \'t los gedartel der koralen!

\'k Was als de vogel, dien het goud Der traliën niet meer weêrhoudt, Die, zwevend in de zonnestralen.

Zijn \'jubeltoon, zijn vrijheidslied In duizend trillingen vergiet.

Ik bad — daar daalde voor mijn oog

-ocr page 55-

45

Een zilvren lichtglans van omhoog,

Daar stond zij naast mij •— de eeuwig reine, De Moeder van des Vaders Zoon,

Daar sprak ze op hemelzoeten toon: „Gij zijt me een dochter, teer en kleine, „De dochter van mijn zielsgebeên,

„Klem nu uw hand in mijne hand, „Dan voer ik u naar \'t vaderland,

„Naar mijnen Jezus heen!quot;

29.

„Het woord der moeder triomfeerde: De zonde vlood — de Liefde keerde!

3°-

„Eens lag ik, in mijn smart verzonken.

Voor Jezus\' heilig kruis ter neêr,

En, bij mijn tranen vreugdedronken.

Smeekte ik: „Geef lijden, lijden, Heer! Gij hebt zóo veel voor mij geleden.

Geleden tot den dood.

Laat mij uw lijdenspad betreden,

Mij, die \'t zoo lang ontvlood!quot;

„En Gode lof — bij \'t laatste woord

Was reeds mijn beê verhoord; Des Heeren Engel toonde mij Het pad ter woestenij!

3i-

„Daar tracht ik, gants alleen met God, Te boeten voor den gruwbren spot,

Dien \'k in de razernij der zonde

Naar \'t heilig aanschijn slingrèn dorst.

Daar voor het razen in mijn borst.

Dat den Gekruiste meer doorwondde Dan \'t sterven als een moordenaar!

Daar boette ik, vruchtloos strevend naar Vergeving — God, zoo \'t mooglijk waar\'!

„Ja, God, mijn God! gij zult vergeven: Gij, bron van liefde, bron van leven! Gij brijzelt het geknakte riet,

Gij dooft het smeulend vonkjen niet! Gij hebt mij liefdevol geheven,

Ontkerkerd, uit het kille graf;

Gij zult uw heilig woord niet schenden;

-ocr page 56-

46

Maar uw genade zal volenden Wat uw genade gaf!quot;

Sa-

Zacht dook der zonne laatste gloed En kuste nog der bergen voet,

Omspeeld door d\' avondwind,

Geen enkel blaadjen ruischte meer, Zoo lieflijk lag heel de aard ter neór,

Als waar\' ze een slapend kind. En schoon zijn gants doorgloeide ziel Het scheiden zwaar en moeilijk viel,

Nam Zozimus den staf En dankte in diepgevoelde taal De vrouwe voor het schoon verhaal.

Dat zij zoo trouw hem gaf.

„Gij wilt dan scheiden, nu, reeds nu?

Hoor dan mijn laatste woord aan u,

Een stout gewaagde beê,

En toch, \'t is de een\'ge wensch van \'t hart, Zoo lang gefolterd door de smart,

Door eind\'loos, eind\'loos wee!

Zie, keert ge bier terzelfder steê.

Waar \'k, wachtend u, een jaar zal beiden, O! voer dan eenmaal vóór mijn scheiden

Het liefdepand mijns Heilands mee! Dat eens zijn lichaam nog mij voede,

Dat eens zijn bloed mijn dorst nog lesch\', Dal dan mijn ziele hemwaart spoede,

Dat is de beê der zondares!quot;

In \'s grijzen oogen blonk een traan:

Hij had haar ziele wensch verstaan.

II.

i.

De morgen daalde in volle pracht, En met der zonne gulden glansen Verdreef hij van de blaauwe transen De doffe neevlen van den nacht. Een zachte purperende gloed Vloot langs den oostelijken hemel En kaatste \'t lieflijk kleurgewemel Terug in d\' effen vloed.

-ocr page 57-

47

2.

En aan den hoogen oever stond De zondaresse en blikte in \'t rond Met van verlangen stralende oogen; Zij had zoo lang gewacht — zoo lang Gestreden met des boezems drang, En eind\'lijk was het jaar vervlogen: De zaalge stonde was nabij!

In heiige ontroering beefde zij ;

Door liefde en dankbaarheid bemeesterd, Als door een hooger drift begeesterd, Vloot heel haar ziel in zangen heen; — En zingen kan de liefde alleen:

3-

„Koning der harten!

Heeler der smarten!

Kom in mijn zwoegende, hijgende borst. Stil van \'t verteerende,

U slechts begeerende,

U slechts behoorende harte den dorst! Hef mij, geknakte,

Sterk mij, verzwakte!

Machtige Vorst!

„Bronair van leven!

Doel van mijn streven!

Daal tot mij neêr!

Ziellooze spranken,

Staamlende klanken.

Och! de gevallene biedt u niet meer: — Kom, o mijn God en mijn Heer!

„Ach! in het duister der nachten Hief ik mijn handen omhoog; U vroegen al mijn gedachten,

Leven mijns levens, licht van mijn oog!

„Zie, in haar reuzige koren Zongen de sterren uw lof;

In het verstuivende stof Zag ik uw heerlijkheid gloren!

„Jublend in zalig genot.

Frees het heelal zijnen God!

Hopend en bevend en minnend

Stroomde u mijn ziel te gemoet. De aarde en haar glansen verwinnend. Brandend van hemelschen gloed!....

-ocr page 58-

48

„Zou Hij naadren?

Door mijne aadren Stroomt met sneller slag liet bloed 1 Zing, mijn ziele! o, zing uw Koning,

Zing uw Redder, uw Belooning,

Breng Hem uw leven als liefdegroet!...

,Ja, Hij nadert,

Reeds vergadert De Englendrom I De aarde begeeft mij.

De eeuwige luister des hemels omgeeft mij, \'t Woelende harte wordt zwijgend en stom: Jezus, mijn liefde, mijn Bruidegom! Kom!quot;

4-

En toen de ontroerde vrouwe zweeg. Toen klonk het zachtjens, als ontsteeg Den breeden stroom een zilvren stem: „Hij komt, Hij komt, ga op tot Hem!quot; Vol heiige geestdrift blikte zij — De kluiz\'naar stond aan de overzij.

En luid en luider klonk de stem: „Hij komt, Hij komt, ga op tot Hem!quot;

Daar was haar leven — maar de stroom

Joeg steeds zijn golven voort, Hoe gaat zij op naar d\'andren zoom. Waarheen het hart haar spoort?

Valt eind\'lijk niet de slagboom neêr.

Haar scheidend van haar God,

Daagt nimmer haar de stonde weêr Van \'t zegenrijkst genot?

Hoor, boven \'t murmelend geluid Der kabbelende golven uit Klonk vol en krachtig nu de stem: „Uw Jezus wacht — ga op tot Hem!quot;

Waar kracht ontbreekt, geeft liefde moed Gesteund op God, verteerd door gloed, Betrad de vrouw den breeden vloed — En zie, zij zweelde langs de baren, Als droegen Christus\' Englenscharen Zijn bruid hun meester te gemoet!

-ocr page 59-

49

5-

Aanbiddend zeeg zij aan de voeten Des heilgen kluiz\'naars neer;

Maar wie, wie geeft in klanken weèr Dat zoo verruklijk zacht ontmoeten

Van \'t schepsel en zijn Heer?

Neen, wij aanbidden, loven, zwijgen.

En de overstelpte ziel Kan slechts een smeekbede op doen stijgen Dat ook ons harte nioog\' verkrijgen Wat haar te beurte viel.

6.

„Gij keert terug terzelfder tijd!quot;

Dat was de dank en bede tevens,

Die zij den kluiz\'naar had gewijd.

En, vol van d\' overvloed des levens En badend in genot,

Betrad zij, zalig in haar God,

Der golven schuimend pad.

En was het wonder, zoo haar ziel Geen schaterenden zang meer had,

Maar slechts een traan haar oog ontviel. Haar lippen slechts de dankbre bede:

„Zie op uw dienaresse neêr „En laat haar ingaan in uw vrede,

„Mijn Bruidegom en Heer !quot;

111.

Weer was een jaar voorbijgevlogen,

Weèr was de grijze kluizenaar. Op \'t voorbeeld van, de broedrenschaar. De woestenijen ingetogen;

Het grijze hoofd ter neêr gebogen.

Ging hij door \'t stuifzand, mul en zwaar, Slechts moeizaam voort met tragen tred; Hij scheen verzonken in gebed.

Toch heerschte in zijn gemoed geen vreê Een angstig voorgevoel beknelde Zijn driftig kloppend hart, als spelde De toekomst onherstelbaar wee,

-ocr page 60-

50

En rustloos zwierf zijn vorschend oog Soms langs de breede vlakte henen, Die, helder door de zon beschenen.

Geen enkel punt zijn blik onttoog.

2.

Daar nadert hij dezelfde plek.

Waar in zoo liefelijk gesprek De vrouw haar ziel hem had geopend; — En zal ze er nog zijn? — Vreezend, hopend, Bewoog zich zijn ontstelde voet;

Zal zij er nog zijn? — O! het bloed Scheen in zijn aadren te verstijven;

Hij kon het droombeeld niet verdrijven, Dat voor hem opdook, dof en vaag. Als antwoord op die dwaze vraag.

En hoe hij, worstlend, zich bemoeide Die vraag te ontwijken — immer boeide Zij heel zijn wezen, heel zijn geest, Die vreezend hoopt en hopend vreest.

3-

En zie, op eenmaal zag hij haar,

En als verpletterd stond hij daar —

De vale olijftint van den dood

Verving der wangen gloeiend rood.

Het zwervend oog stond star en dof

Alsof de blik der slang het trof,

Zijn boezem hijgde, \'t bonzend hart

Werd als vaneengerukt door smart,

En van zijn lippen, paarsch en kil,

Joeg straks een angstkreet, raauw en schril.

4-

Wie ooit zijn harte mocht bespieden,

Als, na het droombeeld van den nacht. Dat met schier bovenaardsche macht De rust der sponde hem deed v)ieden; Als, ua dat uur van ijd\'le vrees,

De doffe werklijkheid verrees En men hetzelfde schrikbre beeld,

Maar nu door zonnelicht omspeeld.

Voor \'t wijd geopend oog deed rijzen, — Wie dan de martling heeft gevoeld. Die door het twijflend harte woelt, Den schrik, die \'t stollend bloed doet ijzen, Hij gist, hoe op des kluiz\'naars ziel

-ocr page 61-

51

De waarheid piettrend nederviel,

Hoe op zijn afgestreden wezen De felste droefheid stond te lezen,

En hoe hij zonder levensblijk Ter neêr zonk op der vrouwe lijk.

5-

En, toch geen vreeslijk schouwspel bood Dat zwijgend offer van den dood — Het graf had al zijn somberheid Niet langs dat wezen heengespreid.

Geen hand, in koortsdrift sadmgenepen Of in quot;t ontvlochten haar verward,

Geen kramp van onbeschrijfbre smart, Die elke spier had aangegrepen.

Geen glazig weggezonken oog,

Dat reeds het floers des doods betoog. Op \'t kleurloos bleek gelaat geschreven,

Hen iep de felle worsteling,

Den laatster, grooten strijd — van \'t leven In zoete rust lag zij daar neêr. Een glimlach, hemelsch zacht en teêr, Scheen om den bleeken mond te zweven;

Het oog was op het kruis gevest. Het kruis, de zon van hare dagen,

Dat ze in der polsen laatste slagen Aan \'t harte had geprest.

Zij had het sterven niet gevreesd;

Haar was de dood een blijde bode.

Een lang verwachte vriend geweest. Die haar ter eeuwge bruiloft noodde En opriep tot het zegefeest

Zie, als de frissche roos haar .knoppen

Verbreekt, den vollen purpergloed, Bedaauwd met parelende droppen, In \'t gouden zonlicht glansen doet.

Als zij de zoele lentelucht Met balsemenden geur bevrucht. Dan breekt de vlinder uit zijn schellen En scheurt de windsels, die hem knellen

En, drijvende op den zonnestraal.

Schijnt hij, uit kleuren saamgeweven, Een bloem, de bloemen rond te zweven

In vollen levenspraal.

Zoo brak bij \'t lied der Englenscharen

Haar ziel het leeman hulsel stuk, Om hoog en hooger opgevaren,

-ocr page 62-

52

Bevrijd van boei, verlost van \'t juk,

Haar eeuwgen Bruigom aan te staren,

Haar eindeloos geluk!

6.

Nog lag de grijsaard neergebogen Tn \'t jammer, dat zijn ziel verteert En al zijn krachten overbeert;

Maar eind\'lijk welde er uit zijne oogen Een traan, de zoetste leniging.

Die \'s menschen hart van God ontving. Een traan, die bij het koortsig gloeien Weêr nieuwe kracht in \'t bloed doet vloeien En in het leven meer genot Doet vin den bij \'t rampzaligst lot.

De grijsaard weende en loofde God.

7-

Hoor, hoor! daar davert door de vlakten

Een vreeselijke kreet,

\'t Is of de wolken samenpakten

En door de luchten, zwoel en heet, Het buldren van de donderslagen.

Door d\'ongebonden storm gedragen,

Zijn volle klanken loeien deed!

Hoor, hoe het immer verder rolt En dreunend langs de heemlen holt En rondbruist door het zwaatlend lover!

Soms slaat de zware schoone schreeuw Tot scherp en snijdend gillen over:

Het is het brullen van den leeuw!

Daar staat hij op des heuvels top, Het puilend oog bespat met bloed, Doorsprankeld met den bliksemgloed; Hij heft den zwaar gespierden kop.

Zijn gouden manen rijzen op,

Zijn lenden schokt de razernij, Die rondzweept in den breeden staart, Zijne ijz\'ren klaauwen ploegen de aard: Ja, \'t is de vorst der woestenij!

8.

De kluiz\'naar zag en hief het oog. Om hulpe smeekend naar omhoog;

Geone aardsche kracht bracht redding aan, Slechts God kon hoeden vuor \'t vergaan.

-ocr page 63-

53

Op eens — als ware een hooger sterkte Gevloten in zijn wankle ziel,

Of dat het hem te beurte viel,

■ Dat Godes geest in \'t harte werkte.

Hij hief zich stout en krachtig, luid Sprak hij \'t bevel des Heeren uit: ,;Gij schepsel, buldrende in uw trots,

„Gij zijt de slaaf der Heiige Gods;

„Stijg eerbiedvol den heuvel af „En delf haar lijk een waardig graf!quot;

En voor hij ophield met te spreken Sloeg hij vol eerbied \'s kruises teeken.

9

Met minder ootmoed, dan het kind,

Dat, in onschuld\'gen eenvoud, blijde Ter neör geknield aan \'s moeders zijde, In \'t knielen nog behagen vindt.

Boog zich de koning der woestijn Bij \'t lijk der Heiige Gods ter neêr,

Om, naar het wachtwoord van zijn Heer,

Haar dienaar en haar slaaf te zijn.

Met zijn gestaalde klaauwen groef De leeuw het heet woestijnzand open;

En toen de grijsaard stil en droef,

Maar kalm, — want levend was zijn hope Op eeuwige hereeniging Te midden van der zaalgen kring —

Het heilig lijk der aard hergaf,

Toen sloot de leeuw weêr \'t open graf.

Des krijgsmans zwaard vergaat door \'t zwaard. De kroon gaat door de kroon verloren, — Zij, die in Christus zijn herboren,

Zijn eeuwig koningen der aard!

10.

En nu — ja, kniel, gij arme grijze.

En stort op ongedwongen wijze

Den weemoed, dié uw hart omsluit, In onbespiede tranen uit! —

Gij mindet haar, als heilgen minnen.

Gij weeklaagt, maar benijdt haar niet;

En door den sluier heen der zinnen Breekt hemelklaarheid, en gij ziet Haar, na het roemvol overwinnen,

In glorielicht op Sions tinnen,

Waar zij haar Bruidegom geniet.

-ocr page 64-

54

Maar hoe, hoe wringt ge uw handen salm, Hoe laat ge uw marmerkouden lippen Dat weemoedsvolle woord ontglippen:

„Gij, Heiige, kende ik slechts uw naam?quot; Zie om u, in het mulle zand Liet nog der heiige veege hand Het antwoord op uw vragen na:

„Maria Aegyptiaca!quot;

Maria Aegyptiaca!

Het golvend stuifzand der woestijnen Zal in der stormen jacht verdwijnen,

Maar, hoe het dwarrel en verga. Die naam, in :t nietig stof geschreven.

Zal klinken langs het wereldrond Zoo lang de God van liefde en leven. Die Magdalena hid verheven.

Der zondaresse schuld ontbond, — Zoo lang de God, die quot;t kruishout torschte En naar het hart der menschheid dorstte, Aan \'t aardrijk wordt verkond.

Gij schoone, zoete, heiige Vrouwe, Die, met de hemelkroon gecierd. De kroon, herwonnen door uw rouwe. De bruiloft des Beminden viert! Zie op den jongling, die zijn lied. Zijn stamelenden zang u biedt. Zie op zijn diepe ellende néér, En bid voor hem den Hemelheer!

-ocr page 65-
-ocr page 66-

f C^emu en kar liaivtng.

Aan

Z. 1). H. Mg\' A. J. SCHA.EPMAN,

BISSCHOP VAN UfiSKBON, I. P: I. ENZ.

BIJ ZIJNE TERUGKOMST UIT ROME

met den meesten eerbied

OPGEDRAGEN.

Wat Gij gezien hebt in het volle licht Van Romes zon, in al den gloed van \'t leven, Heb ik getracht in klanken weêr te geven;

Maar geeft het woord, het stamelend gedicht De grootheid wéér, die ü het hart deed beven?

Hergeeft de toon der zwakke harp de weelde, U toegestroomd uit Pius\' teder oog;

Hergeef ik U zijn houding, fier en hoog. Of d\'aureool, die om zijn slapen speelde.

Toen Hij met U naar Petrus\' tempel toog?

Ach, wat zijn woorden, wat is menschentaal Voor hem, die \'t volle leven daar aanschouwde; Wat al de kracht, waarop de dichter bouwde

Bij \'t zielsgenot, gesmaakt in \'t ideaal,

Dat in de hand des kunstenaars verflaauwde?

Gij hebt gezien, — en zoo het spel der klanken

U slechts een flaauw maar tevens vriend\'lijk beeld Van Romes glorie, van den Priestervorst herteelt. Ik zou den geest, die mij de harp gaf, danken, Ik had. God lof, niet te vergeefs gespeeld.

-ocr page 67-

I.

1846 1850.

EEn trillend lof- en dank-akkoord, Een juichtoon, aan het hart ontsprongen, Belichaamd in het heerlijkst woord, Een hymne, in eeuwen niet gezongen, Een jubellied klonk over de aard , Vol poëzij en liefde en leven,En trillend lof- en dank-akkoord, Een juichtoon, aan het hart ontsprongen, Belichaamd in het heerlijkst woord, Een hymne, in eeuwen niet gezongen, Een jubellied klonk over de aard , Vol poëzij en liefde en leven,

Door alle volken aangeheven

In éene geestdriftvolle vaart.

Het was het lied van alle talen:

Het dartelde onder Napels\' lucht In ongedwongen feestkoralen,

In rijke maat en hooge vlucht:

Het bruiste door de uoorderstormen In krachtig mannelijke vormen.

En \'t staamlen van den Afrikaan Smolt met de rijk bezielde toonen.

Het feestlijk koor van Rome\'s zonen, \'t „Evviva Pio Nono!quot; sadm.

Wel was \'t een uur van heiige weelde,

Toen \'teerst die wondervolle naam Met zoeten klank de lucht doorspeelde: Wel stortte Jesus\' blijde bruid Het dankbaar hart in zangen uit;

Wel klonk \'tTe Deum na het klagen Om \'t zwart behangen hoogaltaar, Na \'t weenen bij des grijzen baar: Het Oosten spelde donkre dagen.

En zware wolken hingen neêr:

En wie, wie zou de kroone dragen,

Kroone uit het reinste goud geslagen,

Doch doornenkroon gelijk weleer?

-ocr page 68-

58

Verruklijk scheen de Junizon,

En vlocht den groenen heuvelklingen,

Die als met lauwren Rome omringen. Een krans van gouden stralen on.;

Daar rolde \'t zware klokgebrom,

Daar werd de feesttrompet gestoken. Het klemmend zwijgen werd gebroken.

En van Sint Pieters hoogen dom,

Tot aan der aarde verste palen

Goot zich de stroom der geestdrift uit.... En alle natiën vertalen

Het zegelied van Christus\' bruid.

„Evviva Pio Nono !quot; ja,

Daar stond hij voor het oog der scharen,

De drager van Gods heilgenl! —•

Bij \'t woelend wentelen der baren,

Bij \'t brullend raatlen van dquot; orkaan,

Brak, in zijn vollen middagluister. Het eeuwig woord door \'t nachtlijk duister :

„Nooit zal de Petrusrots vergaan T Daar stond hij, menschenzoon als allen.

Van éen geslachte, met den groep, In heilgen eerbied neêrgevallen.

Hem groetend met hun vreugderoep;

Daar stond hij — stervling, maar onsterflijk,

Geen krokend riet, maar ijz\'ren rots. Macht, door geen aardsche macht verderflijk De Paus, de Stedehouder Gods!

Zie, Pius naakt, — een heilig zwijgen

Vervangt het schaterend gerucht, En slechts der harten beden stijgen

Als balsemgeuren in de lucht.

Hij heft het smeekend oog naar boven,

Waar d\' ongeziene Bron ontspringt Van \'t moedvol hopen, \'t rein gelooven,

Waar ongestoord de liefde zingt;

Hij bidt en strekt de hand ten hoogen. Hij, tusschen aarde en hemel, daar Geplaatst als vorstlijk middelaar:

En als een hooger sfeer ontvlogen,

Zoo ruischte een wondervolle toon. Als nimmer \'s menschen oor verzaadde,

Als \'t Englenloflied vol en schoon.

Zijn zegen: ^.Vrijheid en genade!quot;

„Genade en vrijheid! tooverklanken.

Die door het langzaam kloppend bloed Ken stroom van heiige levensspranken

-ocr page 69-

59

En hooge blijheid hupplen doet!

Gij, die, wat stormen ons omgeven,

Vertrouwen schenkt en frissche kracht, En zoete droomen neêr doet zweven In \'t donker van den lijdensnacht!

Genade, die met zachte hand De tranen droogt, ter neêr gevloten

Bij [t heimwee naar het vaderland! Genade, die den mensch, verstooten

Door \'t star, onbuigbaar, wrekend Recht, Weêr in der Liefde kring doet treden

Als aller broeder, niet als knecht!

Gij, die de moeder, wier gebeden

Slechts vroegen om een rasschen dood, Weêr op doet springen van verlangen,

Weêr juichen doet in blijde zangen.

Nu zij haar zoon in de armen sloot.

De Vrijheid, — \'t heerlijkst adelteeken, De beeltnis Gods in \'s menschen ziel, Dat hij-alleen zich voelt ontbreken,

Die tot den laagsten rang verviel. De vrijheid, goddelijker waarheid Geliefde dochter, heerlijk kind.

Die vrede brengt en harten bindt. En door haar bovenaardsche klaarheid

Des waanzins neevlen overwint!

Zij blijft — al wondt den pols de keten. Al prest de ontvleeschte schoudren \'t juk De vrije mensch hij kent geen druk; Onbuigbaar blijft het fier geweten, —

Als \'t, op der waarheid rots gesteld.

Geen ijz\'ren arm, geen ruw geweld.

Geen valsche list kan ondergraven:

Alleen de logen maakt tot slaven.

Alleen de boei der misdaad knelt,

De Vrijheid, — maar de valsche niet. Die, van haar oorsprong af verbasterd, Het godlijk recht der waarheid lastert. Slechts kransen aan de logen biedt.

Die in de onzaalge borst geboren Van d\' Engel, die Jehovah tart. Het band\'loos lied der hel doet hoeren, Voor licht een rosse toorts doet gloren

En recht met hovaardij verwart;

Die, in haar eigen gloed verteerend. Den broeder én zich-zelve ontzielt, En ware vrijheid van zich weerend.

Den hiel des dwinglands kussend, knielt!

-ocr page 70-

60

De vrijheid, onder \'t kruis ontspringend

En stroomend heel de wereld door, Met nieuwe kracht den mensch doordringend, Die, monsters als zijn Goden zingend,

Helaas, en God en eer verloor!

De vrijheid, met gezach verbonden.

Het schoonst juweel der vorstenkroon, Met liefde en trouwe sadmgewonden;

De heiige wreekster aller zonden.

De gave van den Menschenzoon!

„Genade en vrijheid,quot; schoone leuze

Van \'t boven alles hoog gezach;

Verheven geest, waarin die keuze Gevormd werd en gekoesterd lag! Wel minlijk hart, door liefdegloed Zoo overmeesterd en verslonden.

Dat slechts de haat blijft voor de zonden.

Maar heilgenade voor wie boet;

Dat, de ijverzucht der Vorsten wrakend,

Alleen den vadernaam begeert.

Den gouden heerschersstaf verzakend,

Door \'t Kruis de warelden regeert!

\'t Was of er achttien eeuwen vloden,

En weêr des Meesters heilig woord Door \'t jongrental werd aangehoord: „Mij zal de hand der misdaad dooden ;

„Mij zal de haat der wareld slaan;

„Maar schoon ook u haar hiel vertrede,

„Schoon \'t Kruis het lot blijft van uw baan, „Ziet ik, ik laat u mijnen vrede!quot;

De haat der wareld? Ruischt dan niet Om Pius\' zetel \'t dankbaar lied,

Door diiizend duizenden gezongen!

Zweeft niet op millioenen tongen De hymne, die het hart hem biedt!

Doet zelfs de vergelegen kust,

Aan de overzij der blaauwe wateren,

Geen jubelende toonen schateren Vol nieuw ontwaakte levenslust? —

O, wuft en grillig is het volk:

Op \'t rijke spel der zonnestralen

Volgt ras de bliksemzwangre wolk, —

Hoort door den stroom der feestkoralen Het lied des oproers rijzen, dalen;

En onder bloemen flitst de dolk!

Schoon zijt ge, o Rome, heerlijk schoon.

-ocr page 71-

61

Gij, koningin der voorgeslachten,

De hoogste gaven, eêlste krachten. Zij vlochten u de vorstenkroon! Het zwaard, dat dood brengt en verdelgen, Heeft u de glorie toegevoerd,

üe wareld aan uw kar gesnoerd;

Maar met dea throon der keizerstelgen Zonk ook uw fiere heerschappij. Als schaduw gmg haar glans voorbij.

De kunstnaar schiep zijn idealen Voor u in kunstgewrochten om,

En nog, nog staat de nazaat stom,

Bij wat uw puinen hem verhalen Van hunner jonkheid adeldom.

Maar toch, wat grootheid ze ons verkonden,

\'t Is :t woord des grafs, het leven vlood, De kunstnaar is aan \'t stof gebonden : De wet van alle stof is — dood!

Het lied der dichters klonk en trilde;

Hun helden waren de uwe alleen; Hun fier, geestdriftig harte wilde

U eeuwgen als den marmersteen,

Waarop uw glorie stond geschreven, —

Maar \'t schepsel geeft geen eeuwig leven; De cither zwijft — de toon sterft heen!

En toch was u een kroon bereid, Die onverganklijk, in het duister Der tijden, met ondoofbren luister U sieren zou voor do eeuwigheid! De palm, gewonnen door het bloed, Gepurperd in den breeden vloed. Die stroomde uit de opgereten adren Van drie miljoenen martelaren,.

De lelie, rein en onbesmet.

Door maagdenhand van \'t slijk gered, De lauwer, om den schedel stralend

Der leeraars, trots des lichaams pijn.

Door \'t woord des Geestes zegepralend. Zij zouden uwe kroone zijn!

En hij, die op den Aventijn,

Alleen te weinig lijden duchtend.

Uw bodem met zijn bloed bevruchtend,

Aan t slavenkruis het leven gaf,

Hij zou, bij \'t juublen der viktorie,

U deel doen hebben in zijn glorie.

U groot doen zijn, als Petrus\' graf;

-ocr page 72-

62

Gij bleeft der wareld Koninginne:

Niet door den dwang der slavernij,

Maar door de kracht der vrije minne; Het kruis blonk van uw gulden tinne; Der Pausen zetelstad waart gij!

Ach, juist die grootheid wilt gij niet, In onverklaarbre woede sart gij

De hand, die u het leven biedt;

Door koortsdrift opgedreven, tart gij

Het vlammend zwaard des wrekers uit, En zingt de hymne van uw vrijheid. Gij, reeds der dwinglandij ten buit, \'t Profetiesch lied van hooger blijheid.

Terwijl de Satan u vertreedt;

Gij hebt uw purper heeugesmeten

In ruil voor \'t grove slavenkleed, —■ Gij wilt een kroon, gij vindt een keten !

O Rome, Rome, hoor, de stem. De reuzenstem der voorgeslachten, — Het fluistren van uw zielsgedachten, — Het roemt den Paus, het spreekt van hem En gij, gij dondert: weg met hem!

Bij \'t roode schijnsel der flambouwen.

Viert gij den moord\'naar des getrouwen,

Wiens-zielloos hulsel gij bespot;

Wiens laatste woord, bij \'t woest rinkinken, U somber dreigend toe blijft klinken : „De zaak des Pausen is bij God!quot;

Maar voort! het monster is ontketend.

Dat in de ziel des menschen huist,

En dat zijn ijz\'ren boei vergetend

Als lava door den bloedstroom bruist; Het oproer is zijn baan begonnen

En holt in dolle woede voort,

Door \'t zwaard der dappren onverwonnen.

Door liefde tot verraad gespoord, \'t Hosanna heeft voor lang geklonken.

Het kruist hem! klinkt ontzettend na. De Junizon heeft uitgeblonken,

En is in neevlen weggezonken;

Op Thabor volgde Golgotha!

Nog eens een langen blik geslagen Op \'t heerlijk oord, op Napels\' kust, Waar nieuw genot en reiner lust Met iedren frisschen morgen dagen

-ocr page 73-

63

Eu slechts de drang der zorgen rust.

Nog eens een groet u toegewuifd,

O Napels! en de zeiler stuift De golven door, de Kaap voorbij;

Omsluierd zijn uw heerlijkheden.

Doch voor den geest des vreemden treden Zij weêr in bonte mijmerij!

Maar zie, daar rijst voor \'t starend oog-Een graauwe steile rots omhoog,

Die op haar kruin een vesting torschend — Het beeld vertoont der ruwe kracht Te midden van de speelsche pracht.

Haar naam? Zoo vraagt de vreemde vorschend-Die traag zijn mijm\'ring onderbreekt,

Tot luide een stem: Gaëta! spreekt.

Gaeta! — dan het hoofd ontbloot,

Ken hulde aan \'t onheil dan geschonken;

Want heeft de maar niet rondgeklonken Dat Pius daar \'t geweld ontvlood?

Een hulde aan \'t onheil dan!

Maar vlucht Nu Petrus\' volger voor \'t gerucht Der losgebroken vrijheidskoren?

Staat niet omstraald van eeuwig licht Zijn zetel op de rots gesticht,

En gaat niet iedre macht verloren.

Die tegen hem haar wapens richt ?

De Paus gevlucht? Is niet de zege Van eeuwigheid hem toegezegd,

Verkondt zijn stem niet allenvege,

Dat God den strijd voor hem beslecht!

Gaat niet een juichtoon door de lucht, Zoo dikwijls de oorlogsfakkels rooken:

„De tijd der zege is aangebroken,

„God maakt zijn wrekende\' arm geduchtquot;? En Petrus vliedt, en Pius vlucht ?

De zwakheid is de hoogste kracht,

De glorie M\'ordt door schand bevochten. En \'t vluchten in den sombren nacht Kan schooner zijn dan zegetochten!

„Wat dwaasheid!quot; spreekt de mensch en lacht „Wat dwaasheid! Zie, aan \'t eerloos kruis Hangt daar een dwaze vastgeklonken. Die. zinsverbijsterd, tuimeldronken,

Zich Koning waande uit Davids huis!

Zijn erfdeel was geheel \'t geschapen\',

-ocr page 74-

64

Der volken heil, der wareld lot Hing aan zijn wenken, om de slapen

Droeg hij de kroon van d\' eeuwgen God !

„En ziet ge \'t? Heerlijke ironie Door \'t bovenschrift u aangeboden : Geschreven slaat het: ,,Vorst der Jodenquot;, In \'s warelds talen, alle driel En hij, hij sterft, onteerd, bespot. Hij wareldkoning. Zoon van God! De dwaze! — wat een felle traan Zal langs de dorre kaken vloeien,

Als straks de wondkoorts \'t lijf doet gloeien,

De matte polsen driftig slaan!

Dan zal hij, ach te laat, beweenen Dien eersten stap, zoo ras gezet Op \'t pad der eerzucht, en nog stenen Om \'t armlijk huis te Nazareth !quot;

Het lied van alle wareldtalen

Geeft antwoord op der vuigen spot.

Zijn slavendood is zegepralen.

Hij throont in eeuwge gloriestralen.

Oneindig Koning, Zoon van God! Hoe buigen voor Zijn wareldscepter En heldenmacht en vorstendom !

Heel de aarde is van aanbidding stom. Geen gouden Cherubsvleugel klept er.

Waar Hij zijn hoogen zetel sticht,

In de ongemeten zee van licht:

Een toon slechts dringt door alle kooien Waar de Englenharp Gods eer verkondt, ja, jubelt heel de schepping rond Als immer, immer nieuwgeboren.

En dondert door het rijk der nacht: De zwakheid is de hoogste kracht.

Nog eenmaal dan: het hoofd ontbloot, Niet voor een grijzaard, heengedrevcn Van \'t wettig erf, door God begeven.

Maar voor den Koning sterk en groot. Wiens heerschappij het al omvademt.

Wiens hand elk schepsel, dat er ademt, In \'t eenig huis des Vaders noodt.

Gaeta, — hoort ge \'t heerlijk lied.

Langs uwe dorre steenrots huppelend.

Kent gij den zang der liefde niet. Die, zacht in tranen nederdruppelend. Den Vader \'t eigen leven biedt?

-ocr page 75-

65

O schooner dan op d\' eersten dag,

Toen \'s Heeren Kerk haar Pius zag, En uitbrak in verheven zangen,

O schooner klinkt haar melodij. Nu moord\'naarskreten \'t „heil!quot; vervangen; Nu klinkt des harten poëzij!

Of zegt me, kent ge een reiner toon,

Dan \'t staamlen van de weduwvrouwe Die, half verpletterd door haar rouwe,

\'t Met eigen zweet verdiende loon Hier afstaat in verheven trouwe

Voor Petrus\' recht, voor Pius\' throon? En toch — zoo zongen duizend monden; De Vader boven kent hun tal;

Eens zal Hij aan \'t verbaasd heelal De namen van die helden konden Bij \'t zegevierend feestgeschal!

Dan zal \'t geheim zich openbaren,

Dan wordt de flaauwe scheemring licht, Dan zal \'t ontsluierd aangezicht Op de ongeschapen waarheid staren.

Waar \'t antwoord aller raadslen ligt!

Daar straalt in vollen middagglans,

Aan d\' onbewolkten hemeltrans \'t Geheim der zwakheid en der schande,

En bij der Englen harpgeruisch Treedt Pius, dien het onrecht bande, Verwinnend Koning door het Kruis!

Een krachtig lied voor de oorlogshelden! Een zegelied voor \'t ridderzwaard! Ten forschen toon de harp besnaard; Verheven klinke \'t langs de velden

En zing hun roem der wachtende aard! Een lied voor Frankrijk, \'t land der eere.

De bakermat van kracht en moed. De machtige arm, waarmeê de Heere

Zijn daden wrocht, zijn wondren doet! Gegroet, gij, ongelijkbre in sterkte,

Gij, moeder van een heldenkring.

Wier vuurge moed geen dam beperkte.

Wier hoofd de Geest der kracht omvlerkte,

Als de oriflamme voorwaarts ging!

Land van de fiere Paladijnen,

Vereeuwigd in het heldenbeeld,

Dat ons de Zanger heeft geteeld Als hij ons Roland doet verschijnen,

Wiens naam door Roncevalle speelt! Gij, moeder veler heilgen tevens,

5

-ocr page 76-

66

Hoogstralend in uw Lodewijk, —

Wat zijt ge aan iedre glorie rijk,

AVat geeft van d\' overvloed des levens De schaar van uwe zonen blijk I Hoe schittert in ontaanbren glans Het beeld der zachte herderinne Der heldenmaagd van Orleans!

U vlecht deze aarde een lauwerkrans; En \'t heerlijk lied van Sions tinne,

Dat henendringt door \'t lager zwerk, Roerat u der natiën heldinne,

U, de oudste dochter van de Kerk!

Een lied voor Frankrijk! De eeuwge God Gaf daar Zijn wrekend zwaard in handen,

Sloeg, onder vreeslijk bittren spot, \'t Omwentlings-ondier wéér in banden.

Dat zich de meester dacht van \'t lot. En Frankrijk, trouw aan zijn historie,

Trouw aan zijn aadlijk voorgeslacht. Herstelde in zijn onkreukbre macht Den Paus, wien \'t juublen der viktorie Aan Roraes blijde poorten wacht.

Hoor, weder klinkt der vreugde zang Uit \'s harten vrijen, heilgen drang;

Weer juichen Rome\'s ware zonen;

Weêr klinkt, als eenmaal, forsch en luid. Ver boven andre glorietoonen.

Het blij „Evviva Pio!quot; uit.

Gebroken is de macht der droomen, Gebroken is de tooverkring.

Die \'t afgedwaalde volk omving; Der vrede Vorst is neêrgekomen,

Gaëta\'s grijze banneling!

Het uur der worstling is verstreken.

Der strijd is om, de nacht vergaat. En door de graauwe neevlen breken

De glansen van den dageraad;

Het licht verrijst, de kimmen gloeien, —

De dood beheerschte Golgotha,

Maar \'t Leven breekt de grafsteenboeien En jubelt luid, Allelujah !

O, zoo bij \'t schaterende koor,

Bij \'t ruischen van de zegezangen, Een sluipende angst de borst bleef prangen,

Dan vond zij in de beè gehoor: „Almachtig God der legerscharen,

„Die Frankrijk uitkoost tot uw zwaard,

-ocr page 77-

67

„Wil \'t in uw heiige trouw bewaren, ,.En nieuwe lauwren doen vergaaren, „Als steeds uw rijker zegen waard!quot;

De toekomst is voor \'t oog verborgen;

Ons deel op aarde is kamp en strijd. Op \'t blijde heden volgt een morgen Van angst en worstling, nood en zorgen Maar God is Koning van den tijd!

-ocr page 78-

II.

Mm fel|3ct fastis.

1854.

Een kind des hemels is de Wetenschap, geboren

In d\' oceaan van licht,

Waar \'t heerlijk loflied golft der negen Englenkoren

Voor \'s Heeren aangezicht.

De stralenkrans der zon is haar ten kleed geweven

En, waar zij nederdaalt,

Versmelt de nevel en ontkiemt het zuiverst leven.

Dat ooit de ziel bestraalt.

Het adelteeken Gods, dat op haar voorhoofd flonkert.

Verheldert ieder spoor;

Haar oog, als de aadlaarsblik nooit door een smet verdonkerd,

Peilt alle diepten door:

Het ingewand der aard ligt voor haar schreden open.

En in haar hooge vlucht Telt zij de starren, meet de banen, die zij loopen,

Aan \'t maatloos ruim der lucht,

Ja, heerlijk bovenal, zij peilt den Mensch, dat wonder.

Dat raadsel, in wiens hart De hartstocht loeit en raast als de ongetemde donder.

Of \'t klaaglied zucht der smart;

En iedren lauwerkrans, op \'t grootsch gebied veroverd.

Vlecht ze in éen kroone sadm Waarmee zij d\' eeuwgen God, haar Suzerein, omlovert.

Bij \'t zingen van zijn naam !

Maar ach, gevallen is de hemeltelg; haar vlerken

Zijn, zwaar van slijk, geknot;

En kruipend over de aard vindt ze op deze aard haar perken, En doemt zich zelv\' ten spot.

-ocr page 79-

69

Verduisterd is de glans, die, van haar voorhoofd vloeiend.

Haar overgoot met licht;

Zij draagt het goochlaarskleed, waardoor zij, dwazen boeiend,

Zich zelve als logen richt.

Geen hymne meer voor God, geen hoogere idealen,

Die in het dor gemoed Des levens volheid en der waarheid licht doen dalen

Met tintelenden gloed.

Die dagen zijn voorbij, die grootheid is vervlogen;

Der empirie alléén Dankt zij den waarheidsschat, dien ze uitstalt voor onze oogen

Als louter werklijkheên;

Bij \'t chemiesch onderzoek, gehuld in vuile gassen.

Sticht wetenschap haar hof,

En op de vraag: „Vanwaar?quot; komt u het woord verrassen: ^Het eerste en laatste is: Stof!

„In d\' aanvang was het slijk, in de eeuwige eeuwigheden,

„Voor iets nog was, was slijk; — zijn wentling ingetreden,

„Naar eeuwge wetten, werd \'t bewustloos slijkatoom „Tot wareldbol; — al ras werd uit een nieuwen stroom „Van kringlend wentelen de lucht om ons geboren,

„Met sterren, maan en zon!

En nieuwe tijden gloren: . „Het levenlooze wordt tot leven, — ziet de plant „Ontkiemen uit het slijk ! Door de ijzervaste hand „Der wetten wordt \'t atoom weêr in een kring gedreven,

„En nu ontstaat het dier, ontstaat \'t bezintuigd leven; „En eind\'lijk schept het slijk zijn grootste meesterstuk, „Het denkend leven, ja den mensch !

En nu, gij menschdom, buk, „Ja buk u diep ter aard, omhels het slijk, uw moeder, „Gij kent haar, dat alleen ontbreekt het rund — uw broeder !

„In d\' aanvang was het slijk, geen geest, geen hooger kracht „Dan onder \'t zintuig valt heeft de aarde voortgebracht. „Weg met de mythen en de fabels ! Op de vragen „Der wijzen uit den nacht der lang vervlogen dagen „Geeft onze wetenschap het antwoord, breekt het slot Van elk mysterie: \'t Stof is oorzaak, - einde, - God!quot;

En \'t woord der wijzen vindt zijn antwoord in het leven :

Want leer en daad zijn éen ;

De kracht van \'t denkend brein drijft ras het willend streven

Naar \'t zelfde doeleind heen.

De droomen van het brein, die \'t zielloos stof vergoden,

Slaan wortel in het hart,

Dat, hijgend naar geluk, des Eeuwigen geboden

Als vloekbre ketens tart.

Stof is de menschheid, stof! - dan ook in \'t stofgewemel

-ocr page 80-

70

Naar \'t hoogste doel gestreefd !

De mensch wil stijgen, wil een zaligheid, een hemel:

De stof is \'t, die ze geeft!

Haar ideaal aanschouwt ge in \'t beeld der fille-mère;

Het lied van Béranger Galmt van de lippen af der veile bayadère,

En \'t slavenkoor zingt meê.

„Rozen van Cyprus omkransen den beker,

\'t Purper der druiven tint het kristal;

\'t Heden is kort, en het morgen onzeker;

Morgen misschien komt der vreugde verbreker,

Kleppert de doodsklok, voor \'t bekergeschal !

Driftig dan de ure, de korte, gegrepen,

ledre sekonde betwist aan het lot!

Wijs zij die leven, dwaas zij die dweepen,

\'t Leven is vluchtig, kostbaar \'t genot!

„Lachende beelden, met schoonheid omgeven.

Staan in de verte, wenken ons toe.

Ziet, op de geuren der warelden zweven Vreugde en Genot door Elysiums dreven:

Wie werd hun kozen, hun dartelen moê?

Eens, en te snel, slaat de vreeslijke stonde;

Eens valt de slag van \'t onbuigbare lot ;

Nog klinkt de danstoon schaatrend in \'t ronde:

\'t Leven is vluchtig, kostbaar \'t genot!

„Schoonheid en Liefde, verheven Godinnen!

Heerlijkste telgen van \'t moederlijk stof!

Ha, met wat tuimel bedwelmt ge onze zinnen!

Is er een hooger genot dan te minnen Onder de myrthen van Artemis\' hof?

Alles vergaat, en ook zij, zij verdwijnen;

De eeuwige wet maakt hun glorie ten spot — Nog lacht de wareld, de zon blijft nog schijnen; Nog blijft de liefde, de liefde is genot.quot;

Ziedaar de psalm, die, vol en krachtig aangeheven.

En duizendvoud herhaald.

De leer der scholen in den rijken vorm van \'t leven

Voor \'t jong geslacht vertaalt!

Doldiiftig scheurt de schaar de nevlen der gedachte

Met vuisten sterk en grof.

En dwingt de wareld, met haar grootheên en haar machten, Te buigen voor het stof!

Maar de mensch is geen stof slechts — een hoogere kracht

Doorgloeit en doortintelt zijn borst;

Als een heldere straal door den donkeren nacht

-ocr page 81-

71

Breekt de geest door de zinlijke korst; En \'t raadsel des levens wordt lieflijk en zacht

Voor hem, die zijn binnenst doorvorscht.

Maar de mensch is geen stof: elke klopping van \'t hart

Getuigt voor de onsterflijke ziel;

De trilling der vreugde en het prangen der smart,

Der driften onstuimig gewiel.

Zij zingen den geest, die den logenaar tart,

Wiens schedel het Godsmerk ontviel!

Of bidt in de maagd de bewustlooze atoom,

Die straks in hyena verkeert?

Of zingt in den dichter de groenende boom.

Wiens lommer den zonnestraal weert ?

Of gloeit in den krijgsman met bruischenden stroom Het staal, dat zijn lauwren vermeert ?

Neen, de mensch is geen stof, is geen wording van \'t slijlcj

De hoogste in der wordingen rij.

De band tusschen \'t stoflijk en geestelijk rijk,

De Koning der schepping is hij;

En, zij ook het lichaam der aarde gelijk.

De geest is onsteiflijk en vrij!

Ja vrij, maar toch drukt op zijn boezem een last;

En, schoon hij voor \'t Eeuwige blaakt.

Toch is op zijn schoudren een dwangjuk getast.

Dat prangt, tot het stervensuur naakt;

Een ijzeren boei bindt aan de aarde hém vast. Die schreiende hemelwaarts haakt.

De zonde, — quot;t geheim van de wieg en het graf.

Zij dompelt de ziel in het stof;

Zij toovert, voor lijden en strijden en straf,

Een vreugde als van \'t hemelsche hof,

En perst van zijn lippen een jubellied af

Der dierlijkste wulpschheid ten lof.

Maar de mensch is geen stof slechts, — de God, die hem schiep.

Hem stelde tot pronk van Zijn huis,

Hij hoorde de stem, die „barmhartigheid!quot; riep,

En brijzelt zijn boeien tot gruis;

En viel ook de menschheid zóo laag en zóo diep.

De ziel is weêr vrij door het Kruis !

Maar luid en luider klinkt de stem der stofvergoding.

En waar de Christus sprak van lust- en zinnendooding.

Daar predikt stout en ruw het kind der eeuw zijn leer : „De Christus slóeg het vleesch: op! werpen wij ter neör

-ocr page 82-

72

„Den geest, de dwaling, die het menschdom in onteering „En schande houdt geboeid; die door haar sombre leering

„De stem des harten smoort, die om verlossing schreit „En vrijheid eischt voor \'t vleesch, als \'t recht der menschlijkheid!quot;

Een antwoord op die stem !

Gegroet, gij grootsche tempel,

Juweel der Ctesarsstad, waar iedre steen den stempel

Van hooger draagt dan \'t stof, den geest als heer erkent 1 Gij, op der Heilgen graf des geestes monument!

Gij, antwoord op de stem, die, tolk der oude Zonde,

Den dood der ziele vroeg en steeds aan de aard verkondde Als \'t eind der dwaling en \'t begin van \'t waarheidsiijk : „De mensch, de gansche mensch is wording uit het slijk Iquot;

Daar, op zijn zetel, throont de balling van Gaëte,

En neemt den handschoen op der onherstelbre vete;

Krijg tusschen hem en de eeuw!

Des oproers springvloed heeft Zijn oog een traan ontperst; zijn hart heeft niet gebeefd :

Zijn kracht is kracht uit God. De geest der heiige sterkte. Die d\'eersten Petrus \'t hoofd bij iedren storm omvlerkte Voor \'t oog des Sanhedrins, aan \'t kruis op d\' Aventijn, — Hij zal ook Pius tot een schuts op \'t slagveld zijn.

Straks heeft de Koning voor het kleed der Bruid gestreden. De- Leeraar antwoordt nu op \'t raadsel van het heden.

Maar neen, hij antwoordt niet op \'t raatlend woordenspel.

Soms vrucht der ijdelheid, somn naklank uit de hel;

In de onbewolkte sfeer, waar bidden en gelooven Den dampkring vormen, staat des Pausen zetel, boven De stormen dezes tijds, de woelingen der aard,

Der kindren twistgejoel. —

Zoo slaat het wolkgevaart Zijn doffe sluiers om den vorst der Alpen henen;

Gij waant zijn grootheid in een nevelkleed verdwenen ? \'t Ontwikkelt slechts zijn voet, voor \'t wijder vergezicht Baadt zich de fiere kruin in \'t gouden zonnelicht.

Neen, Pius antwoordt niet, - hij zingt een koningszang.

Een lied, door duizenden reeds eeuwen, eeuwen lang Met kloppend hart beproefd, - tot weör de volken hoorden, Hoe God zijn Mozes roept: „Ik geef mijn dienaar woorden.quot;

Daar rijst hij. Om hem heen wat schitterende stoet Van mannen, die, gebronsd door feller zonnegloed, In \'t doodsgevaar gestaald, de wareld overmogen Als telgen der genade en goedheid uit den hoogen,

Als zonen vau de Kerk, die door alle eeuwen heen Der waarheid zetel droeg: onsterflijk, heilig, éen !

-ocr page 83-

73

,,Eeu antwoord!quot; buldert de eeuw, „een antwoord op ons vragen !\'\' En statig klinkt het, heel de wareld rondgedragen:

„In d\' aanvang was het Woord, vóór d\' aanvang van het lot „Der wareld was het Woord — en \'t Woord was eeuwig. God, „Was leven, licht en kracht; en tijd en wareldorde „Z ij n, door de macht des VVoords, dat door éen klank: het worde, „Der heemlen harmonie en de aarde in \'t aanzijn riep,

„Deed bloeien en bevolkte, en straks den Koning schiep, „Den mensch, dat kunstgewrocht, die wareld in de wareld,

„Wier heerschersstaf hij voart, wier kroon zijn hoofd oniparelt, „Den mensch, dien vorm uit slijk, maar levend door den geest, „Waarin de Schepper \'t werk der eigen grootheid leest, „Den mensch, die bij den stroom van licht, waarin hij baadde, „Een nieuwen glans ontving, den rijkdom der genade, „Die, evenbeeld van God, geadeld werd tot zoon!

„Maar \'t licht werd duisternis, de jubelzang werd hoon, „De mensch werd zondaar — en de stem der hemelkoren, „Die hem omgaven, klonkr „Verloren, ach, verloren!quot;

„De God, wiens wezen in zijn liefde zich vergiet,

„Hij vloekt de zonde, maar den zondaar straft Hij niet! „De schuld der oudren, die geslachten op geslachten „In ijz\'ren boeien slaat, die, door geen aardsche krachten „Te delgen, van de wieg tot aan het graf hen maakt „Tot slaven, zie, zij wordt vernietigd — ja er naakt „Een nieuwe scheppingstonde, een nieuw geslacht zal rijzen, „Dat God den Vader weêr op kindertoon zal prijzen i

„Een nieuw geslachte? Ja, aanschouw de Moeder! Zij, „De Bruid des Geestes, is van zonde en erfsmet vrij 1 „Zij, vorm van \'t ideaal der Godheid, zal voor \'t leven,

„Gedaald in haren schoot, het kleed der menschheid weven, „En \'t leven uit haar schoot zal treden in \'t gericht „Met dood en duisternis — Hij, \'t ongeschapen Licht!

„Gegroet, gij reine Bruid des Geestes, eeuwig schoone, „Der wijsheid dochter en der liefde gloriekroone,

„Gij, in der onschuld kleed rondspelend aan de hand „Des Eeuwgen, toen zijn kracht de rotsen heeft geplant,

„Zijn oog de ruimten mat, de breede waatren deelde;

„Gij, die de smart niet kent der moeder, maar de weelde „Der heemlen hebt gesmaakt aan \'t kribjen van uw kind; „Gegroet gij, moeder ook van ons, wie \'t stof ombindt „Met banden, die de dood al spoedig zal verbreken,

„Als wij, van mond tot mond, het blijde woord gaan spreken : „Gij, vol genade, gij, volzaalge, wees gegroet;quot;

Zoo klinkt des Leeraars stem; en machtig, als de vloed Van toonen, die door \'t hoog gewelf der kathedrale

-ocr page 84-

74

Der orgelpijp ontstroomt, in onnavolgbre tale,

Zacht als de kinderstem, of vol van majesteit.

Als \'t raatlend omveêr des Almachten lof verbreidt. Zoo klinkt het loflied, dat in volle en rijke toonen Der eeuw het antwoord brengt van \'s Geestes vrije zonen:

Wees gegroet,

Wonderschoone, heiige Vrouwe,

Die de tranen onzer rouwe In een juichtoon keeren doet! Langverwachte,

Afgebeden Door de zuchten van \'t verleden,

Maar bezongen door het heden.

Als vorstin van \'t nieuw geslachte.

Kiemend uit des Zones bloed,

Wees gegroet!

Onder \'t wicht Van de zonde neêrgeslagen.

Dekte \'t stof ons aangezicht En de weenende oogen zagen Nergens licht!

Maar ons wekte \'t Lied der Englen,

Die hun schoonste toonen menglen. Hun akkoorden samenstrenglen Tot éen groet,

Onbevlekte!

U te moet!

Zonder smet In der moeder schoot ontvangen.

Hebt gij Satans kop verplet.

En de zondaars, wreed gevangen.

Zijn gered!

Hooger leven.

Licht en vrijheid.

Liefde, waarheid, hoop en blijheid Zijn den telg der aard hergeven.

Die zich spoedt \'t Lied der Englen bij te streven;

Wees gegroet 1

Wees gegroet,

Dochter van de reinste liefde!

Als geen menschlijk harte voedt.

Die den zondaar, die haar griefde.

Als haar Zoon herrijzen doet!

Daalt ter neder.

-ocr page 85-

75

Zaalge scharen !

Spant de harpen gouden snaren, Zingt den zegepraal, tot lof Van de liefde, sterk en teder.

Over \'t stof!

\'t Eeuwig woord, \'s Vaders Zoon is mensch geworden.

En de straal der Godheid gloort. Door het kleed van lager orden Niet gesmoord.

Blijde moeder,

Aan wier boezem Jesse\'s schoonste en reinste bloesera

Heeft gerust,

U zij lof en d\'Albehoeder,

Die de zwervers bracht tot rust!

Wees gegroet,

Bruid des Geestes! Koninginne,

Thronend in der heemlen gloed. Stralend van den glans der minne. Die de Serafs juichen doet.

Zie de telgen Van uw harte,

Kampend met den drang der smarte,

Worstlend met der helle nood, Die hen aangrijnst met verdelgen, Met den dood!

Wees ons schild. Gij, onverwonnen Door de strikken u gesponnen,

Sterk ons nu de ziele vreest, Tot wij eenmaal zegepralen

En op \'t eeuwig bruiloftsfeest, Bij het klaatren der cymbalen,

U der liefde tol betalen,

Wij, de zonen van uw geest!

Toen van Gaëta\'s rots de Priester-Koning staarde.

De mokerslag der Hel zijn zetel davren deed,

Riep hij de Maged aan, die eens de slang vervaarde:

Het spook des oproers week voor \'t blinken van haar kleed. En nu in zegepraal weêr Pius\' schilden glansen.

Nu kroont voor \'t oog der aard, met hooggespannen zin, De Koning-Martelaar met nieuwe lauwerkransen Der Martelaren Koningin!

-ocr page 86-

76

Daar gleed een wondre straal uit hooger reiner sferen, Die als met gouden palm het grijze hoofd omwindt; Hoe klopt het moederhart bij \'t blijde triomferen

En schenkt zoo gaarne een deel der glorie aan haar kind Een fiere stem weêrklinkt, heel de aarde trilt bij \'t hooien,

En in de helle zwijgt der Satans wraakgeschreeuw: „U heb ik tot mijn Vorst, mijn Petrus uitverkoren,

,.Gij zijt de Koning dezer eeuw!quot;

-ocr page 87-

111.

CASTEL-FIDA11D0.

De treurzang ruische langs de heuvelen,

Waar Isrels heiige legervaan Bezweek en \'t scherpe zwaard der euvelen ^ De bloem der helden deed vergaan!

Geen volle krijgsmuzijk weêrklinke,

Geen hel geslepen wapen blinke,

Dan met het floers der rouw omhuld; Ach, Isrels helden zijn bezweken,

De dag der glorie is verstreken.

De maat der jamm\'ren is gevuld!

Treur, Isrel, om uw heldenzonen,

De roemlooze aarde dronk hun bloed; Geen lauwer zal hun hoofd meer kroone\'n ^ Geen zege klinkt hun in \'t gemoet! \' Treur, fel geslagen bruid des Heeren, De morgen zag hen \'t staal braveeren. Zag, bij het klimmen van den nood,\'

Bij \'t dunnen van de smalle scharen \' Hun fleren moed geen vijand sparen; De treurige avond zag hun dood!

Ja, kleed u vrij in \'t kleed der rouwe,

Gij moeder, nu geen moeder meer. Herdenk hun jeugd, hun moed, hun trouwe.

-ocr page 88-

78

Hun geestdrift voor uw vleklooze eer, Nooit zal hun hand uw borst meer tooien, Met rozen nooit uw pad meer strooien;

Geen blijde zangtoon heft uw lof; Wij zagen ze, uw gevierde telgen.

Door \'t onverbeden zwaard verdelgen En zinken in het bloedig stof!

Zij vielen, in des levens morgen.

Toen alles licht was voor hun oog.

Toen nog de looden last der zorgen

De fiere leest niet nederboog.

Zij vielen, door de hand der roovren, Zij oogstten smaad, geen eerelovren.

De lafheid jubelde op hun graf, — Arm Isrel, scheur uw feestgewaden,

En laat de tranen \'t hart verzaden,

Dat al zijn bloed ten offer gaf!

Maar neen, geen rouwmisbaar, geen kreten

Van felle smart, van naamloos wee; Het somber rouwfloers weggesmeten En \'t voer\' de laatste tranen meê!

Heeft hen der roovren hand verslagen, Ziet, wat ontelbre glories dagen

En stroomen van den hemel af, — Reeds brengt de harp der Englenscharen Castel-Fidardo\'s martelaren

Een heldenzang op \'t heldengraf!

De macht der boosheid brak haar boeien.

Trad in haar volle rusting op.

En hief, van feilen haat aan \'t gloeien,

De bloedroode oproervaan in top. De zetels der gekroonden vallen. De vorsten worden volksvasallen.

En juublen om de zegekoets. Die piettrend voortholt door Europe, En, als een teeken blijder hope,

Haar sporen verwt met stroomen bloeds

Het vuig verraad, de sombre logen

Staan met het oproer saAmgeschaard, Zij, reddende Englen uit den hoogen. Zij brengen vrijheid aan onze aard! De stroom breekt los — de grondpilaren Der wareld storten; — langs de baren

Giert bulderend de noord-orkaan:

Dat is de wieg der wareldorde.

De chaos waaruit éen: „het wordequot;

-ocr page 89-

79

Het rijk der vrijheid op doet staan!

„Naar Rome!quot; hoort, wat jubeltoonen

Begroeten straks dien rooverschreeuw;

Ziet wat al lauweren omkroonen

Den Godsgezant, den held der eeuw!

„Naar Rome! \'t hol der dwingelanden. Die volken slaan in ijz\'ren banden.

Naar Rome! waar de kanker tiert,

Die, aan Itaaljes boezem knagend.

De smetstof naar heur harte dragend, De vrijheid doodt en zegeviert!quot;

Naar Rome! — klinkt het, en daar rijzen

De helden van het voorgeslacht,

Die \'t onverbasterd nakroost wijzen

Op \'t strijdperk waar de glorie lacht.

Naar Rome! — hoort het staal rinkinken, Dat eens de Moslemin zag blinken In Godefrieds, in Richards hand.

Naar Rome! ziet des Kruises standert Golft, onverbleekt en onveranderd,

Op de eeuwge Petrusrots geplant!

Gegroet, gij helden, opgetreden

Te midden van der dwazen spot,

Die fier het hoogste hebt beleden,

\'t Geloof aan \'t recht, aan de eer, aan God! Gegroet gij, lievling der viktorie.

Die al den rijkdom uwer glorie

Aan Pius\' voeten hebt gelegd,

Die, na des levens harde slagen,

Nog eens uw eerlijk zwaard wilt dragen. Des armen grijzaards arme knecht!

Den Christus lof! Hij is de Heere;

Hij is de Koning van \'t heelal:

Zijn hand verhefFe ons of verneêre,

Wij zeegnen haar in vreugd en val! Zij vielen, zij. De zang der hateren Klinkt met verdubbeld vreugdeschateren;

Maar, wat mysterie ons omgeeft.

Een heldre lichtstraal heeft geblonken, Éen grootsche troost is ons geschonken; De zege is ons: de Christus leeft!

Zij vielen, om den weg te banen

Voor \'t uur, dat eens den strijd beslist. Opdat van Frankrijks legervanen De Judasvlek werd uitgewischt!

-ocr page 90-

80

Zij vielen, dat onze eeuw mocht weten, Dat nog de Christus niet vergeten,

Dat nog zijn grootheid wordt erkend; Zij vielen, — maar als martelaren, De nederlaag dier heldenscharen Is hunner zege monument!

Laat vrij de dwaling zegevieren,

Laat vrij des oproers dolle stoet In uitgelaten vreugde zwieren

En dartlen door het heldenbloed, — Alleen de Waarheid heeft het leven, Haar telgen wankelen noch beven,

Bij al de stormen van het lot;

Wordt ook ons laatste bloed vergoten, Vóór nog het raadsel zij ontsloten. Wij weten: onze Heer is God!

Ja, God is Koning, ook van \'t booze,

Zijn hand omklemt den heerschersstaf, Ter Zijner eer slechts schudt een pooze

De vorst der hel zijn ketens af; Hij kan der heilgen bloed doen vlieten, Der zege trotschen waan genieten.

Maar triomferen kan hij niet, —

Straks rinkend met zijn stalen keten, Zijn zijner neérlaag jammerkreten Der rhartelaren zegelied!

-ocr page 91-

IV.

1865.

Een chaos is onze eeuw, een maalstroom, in wiens kringen Gedachten, meeningen en stelsels zich verdringen,

Waarin met iedre golf een waarheidsleer verdwijnt, Die, straks weêr opgespoeld, in andren vorm verschijnt; Een schrikbre wenteling van razernij en logen.

Die telkens, telkens groeit. Verrukt en. opgetogen Begroet de menigte het albezielend woord,

Dat alle raadslen lost, dat iedre beê verhoort,

Die opwelt in het hart, dat, moede en afgestreden,

Naar ruste snakt; toch blijft het immer schijn! het heden Vergaat, — de morgen brengt een nieuwe waarheid aan. Die, als haar moeder, door de dochter zal vergaan!

Judrea\'s rechter stond en peinsde; ruwe kreten Weórklonken om zijn stoel, — nog lispelde \'t geweten, Nog kampten in de ziel zijn eigenliefde en \'t recht; Nog wankelde de zege, en \'t pleit bleef onbeslecht.

De gunst des Keizers, ja, en \'t opgezweepte woeden Van \'t razend volk — maar ook, de Mart\'laar, die hij bloeden En lijden deed, schoon \'t hart hem gaarne vrijheid schonk! Kon hij \'t verzoenen, was er uitkomst? Somber klonk

6

-ocr page 92-

82

Zijn laatste vraag: „Wat is de waarheid?quot;

En zoo staren üe zonen onzer eeuw op de opgeruide baren

Des tijdstrooms, — rijst er niet, met ieder oogenblik, Een nieuw verschijnsel? ziet hun half gedoofde blik Iets anders dan een rij, een lange rij van vragen?...

Geen antwoord, of —

Aanschouw de waarheid onzer dagen. Aanschouw ze, kind der eeuw! en zoo ge kunt, bemin En volg haarl

Grootsche idee verwerkt in \'t Huisgezin, Van arbeid en van liefde, en, als hun kroon, een weelde, Die gave is van omhoog! — Wat nieuwe schepping teelde De wijsheid onzer eeuw?

Geen antwoord, dan de klank Van \'t Bacchanaliesch lied, dat d\' ingezwolgen drank Zoo heesch, zoo somber maakt, als deed van d\' ouden toren De half gespleten bel haar raauwe toonen hooren;

Geen antwoord, dan een stem, die dierlijk zingenot Als recht der menschheid stelt en met de waarde spot Der maagd\'lijkheid, die bloem des hemels! Wulpsch genoegen. Ziedaar \'t verheven doel, waarnaar de duizend zwoegen, — En erger dan des drijvers lastdier, — dat slechts éen Bereikt — en hij, hij leeft, geniet — voor zich alléén,

Hoort niet den hongerkreet der menschlijke machienen,

Maar: steeds genieten! en ten beurtzang: steeds verdienen I

Het huisgezin wordt staat, en speurt het oog al ras Den aard der vruchten uit de kiemen van t gewas,

Klinkt ze ons dan vreemd de leer, gepredikt van de daken. Het uur verkondend, dat de volken vrij zal maken Van bijgeloof en waan? De staat erkent geen God,

Erkent geen machtiger, die ingrijpt in het lot Der wareld; hij is zelf zijn almacht, zelf zijn wreker;

Wee, wie de knie niet buigt, wee, wee den plichtverbreker, Die in de onnoozelheid der eerste jaren dacht.

Dat God de Heer was, wien alleen men hulde bracht. Die waande dat een God ons eerbied af kon vergen !

De Staat erkent geen God! Maar ziet, wat tal van dwergen Zich plaatsen op den throon der godheid! Hoort gij niet Den God Vitellius ter eere \'t juichend lied?

Ziet gij den priesterstoet het oorlogsros geleiden Van Caracalla-God, en knielen voor die beiden, —

Voor \'t paard en \'t ondier?

Ja, de stroom der dwinglandij Brak uit zijn oevers bij den logenkreet van: vrij!

Vrij, — als de stalen wet mijn polsen maakt tot slaven.

Mijn adem regelt? Vrij, wen \'k in \'t gareel moet draven. Geblinddoekt; als ik \'t recht mag lastren, en geen toon.

-ocr page 93-

83

Geen sylbe lisplen mag ter eer van d\' eeuwgen Zoon,

Wiens naam men neêrtrapt?

Maar de Staat is Heer en Koning, Hij schept de wetten, maakt het recht tot schijnvertooning. Den dwang tot vrijheid, ons bestaan zelf tot gend,

Den Vorst tot ledepop, en \'t volk tot Paria!

De zwaarste golven van den stroom des tijds! hoe zwalpen Die reuzen over \'t vlak, ontzachelijk als de Alpen,

Den Hemel tergend, — straks, bij d\'aantocht van d\'orKaan, In ziedend water en in wolken schuim vergaan.

Des menschen rede schuwt de banden van \'t gelooven En streeft op eigen wiek, arm vogelijn, naar boven.

Naar boven, waar de stroom der zuivere ether vloeit En in ondootbaar licht de hoogste waarheid gloeit;

Naar boven, naar de zon! om straks met matte vlerken Te rusten in de schaduw der laagste rozenperken,

Reeds hijgende naar rust! O, ze is zoo vrij, zoo groot De rede, nu de doek, die haar \'t gezicht omsloot, Is weggevallen, nu \'t mysterie is gebannen:

\'t Mysterie? — Kinderspel!

De vierschaar is gespannen Der wijsheid; \'t eerst verschijnt de groote logen: God En Christus. Ieder wacht de machtspreuk, die het lot Dier heerscheren beslist, de machtspreuk, die het leven Der duizend duizenden een nieuwen loop moet geven!

Daar treedt een goochlaar op, met rinkelende bel En kakelbont gewaad; zijn stem klinkt luid en schel:

„God en de Christus! O gij dwazen, die u martelt „Met zulke fabels, gij, die zoo wanhopig spartelt „In \'t strak gespannen net der wijsheidsvragen, - ziet „Gij dan het heden, dan uw eigen toestand niet?

„God en de Christus! Ja, wat maakt het u?- Verwonnen „Is lang dat standpunt, en een nieuwe tijd begonnen;

„De tijd is kostbaar - en misschien komt na \'t vergaan „Een ander leven, dat die vraag verheldert, aan;

„Hoe \'t meest genieten in de volheid onzer dagen:

„Is de eerste en laatste, de gewichtigste aller vragen!quot;

Bij \'t stijgende gejoel, bij \'t davrend handgeklap. Dat antwoordt op die taal, treedt de ernst der wetenschap Ten rechterstoel; zij heeft gevorscht in \'t grijs verleden, Als pelgrim iedre plek en iedre kust betreden.

Heeft elke bron doorvraagd, en met onfeilbaar oog Het al doorschouwd. Nu rijst ze in majesteit omhoog En velt haar vonnis: „de oude dwaling is verdwenen,

„\'t Geloof aan wondren vaart met \'t spel der kindschheidhenen,

-ocr page 94-

84

„Geen enkel raadsel meer!quot;

Met uitgedorde hand Rukt zij het beeld omver, in ieders hart geplant,

Den Christus God en mensch; zij loochent al de glorie. Gevlochten om zijn -hoofd; „het antwoord der historie,quot; Zoo spreekt ze, „doemt hem als een dweeper zonder naam, «Door bijgeloof vereerd, dat sterk werd door een faam, „Die, bode van zijn dood, ook van zijn roem \'t moest wezen, „Nakallend wat het hart der volgren sprak : Verrezen !

„Zijn leer is kindertaal, is zoete poCzij,

„Vol vage droomen of ontzinde mijmerij;

„Den fleren denker is ze een bronadr van verwijving,

„Die \'t egoïsme vleit met nieuwe krachtenstijving,

„Die God den Vader noemt van \'t sterflijk wezen!

God

„Is d\' eenheid van \'t heelal, de ziel van \'t wareldlot; „De som der wezens, ja de veelheid aller dingen „Is God en telkens God! \'t Zijn slechts de ontwikkelingen „Van \'t éene Wezen, dat zich voortspint eind\'loos ver, „En heden ; Christus heet, en morgen, Lucifer!quot;

Zoo raast de wetenschap, en juichend in haar zege,

Verkondt ze op blijden toon haar waarheid allerwege

Als eenig, godiijk, groot; zelv\' slingert ze om haar hoofd ■ De lauwren, onder \'t woord: „wee, die hen mij ontrooft!quot;

Zoo hangt zich de arme vrouw, in wier verwrongen trekken En puilend oog gij \'t merk des waanzins kunt ontdekken, Zoo hangt ze \'t overschot van vroeger grootheid aan,

Haar oude vodden, bont van kleuren, in haar waan Met klatergoud in \'t haar. een stok in \'t ronde zwaaiend, Roemt zij zich Koningin, luide al haar titels kraaiend.

De laatste baren zijn voorbijgespoeld; de orkaan Zweept hen met forschen slag langs de onbeperkte baan, Trots dam en dijken, heel de wareld door. Bedolven Zijn recht, gezach en plicht in \'t schuimend graf der golven, De thronen vallen voor hun ongetemde kracht, — Hoe vreeslijk is de storm, hoe somber is de nacht,

De nacht van d\' eeuwgen dood!

Maar door het zwarte duister, Dat over d\' afgrond hangt, straalt met ondoofbren luister De Kerk van Christus, op de onwrikbre rots gesticht. De rots, die leven is en kracht; een stroom van licht Doorvloeit de sferen, een gestalte treedt ons tegen

Die liefde brengt voor haat en voor vervloeking zegen Begroet hem; „Pius!quot; Onze grootheid, onze kracht, De zwakke grijsaard, die met dood en lijden lacht, De strijder, die slechts rust in \'t harnas, de onversaagde.

-ocr page 95-

85

Die voor geen enklen storm der eeuw zich boog, al daagde Het Oproer, in \'t gewaad van \'t blind, misleide volk,

Al sloop het om zijn stoel met moord\'naarsgif en dolk, Al lispte \'t aan zijn zij in zacht fluweelen toonen,

Al vroeg \'t als wetenschap het recht om God te hoonen, — Hij bleef onwrikbaar en verwinnaar ook; hij staat.

Bij \'t loeien van de zee, die om zijn zetel slaat,

Al vallen rijken, al vergaan de macnten ! Nu omhangen Met \'t vlammend zwaard der wraak, uit \'s Heeren hand ontvangen. Toont hij der eeuw haar beeld: het stervend lichaam, dat Nog worstelt, nu de dood met ijz\'ren greep \'t omvat, Nu \'t klamme zweet reeds door \'t blanketsel breekt. De graven Verslonden reeds haar kroost, haar dienaars en haar slaven.

Haar kunst, haar wetenschap, haar vrijheid, — en wat schrijft, Het nakroost op haar graf, zoo haar een grafsteê blijft!

Een licht gemurmel vaart door de opgeslagen blaadren Van \'t oud geschiedboek, \'t stijgt, het wordt de stem der vaadren. Der eeuwen; \'t antwoord klinkt: „Geen naam, geen zerk, geen graf; Als dor gebladert valt de roem der boozen af;

Dood zijn zij in den dood, voor immer!

Op den schedel

Der eeuw rust ook die vloek, door al wat groot en edel. Wat recht en heilig is haar toegeslingerd, ja De stem der liefde vloekt uit Pius\' mond: „Verga,

„Verga, onzaalge, die met bloed besmeurde handen „Dorst slaan aan \'t heiligdom der godheid, die de banden, „Gestrengeld tusschen gade en echtgenoot en kroost, „Gescheurd hebt met een drift waarbij de menschheid bloost! „Ontaarde dochter en ondankbaarste slavinne,

„Die \'t aangezicht van Hem, die in verheven minne „U met Zijn kruis en dood de vrijheid kocht, besmeurt, „Met scherpe nagels weêr Zijn wonden openscheurt; — „Gij hebt den kelk zijns bloeds langs de aarde heengegoten, „Bij losse dansmuziek met dartle speelgenoten

„Gehuppeld op zijn graf! — Voorwaar, de stonde slaat, „Waarin des Heeren toorn de sluizen openlaat,

„Waarin, bij \'t angstgeschrei en kermend handenwinden, „De vuurge golven van zijn wraakzee u verslinden.

„Uw dagen zijn geteld, uw gruwelen staan geboekt,

„Verga voor de eeuwigheid, gevloekte, wees gevloekt!\'\'

Eens ging de Godmensch door de breede voorportalen Op tot het heiligdom; waar Hij den blik liet dwalen Rustte op geen vroom gebed het liefdestralend oog.

Er joelde een drokke schaar, met zoet gefluister boog De wisselaar vooruit en bood zijn valsche waren In ruil voor de offerspijs van \'s Eeuwigen altaren.

Toen voer een felle schok door \'t goddelijke hart,

De schok van \'t heilig recht en eeuwger liefde smart.

-ocr page 96-

Toen bliksemde zijn oog en greep de hand naar koorden, Die snerpend langs den rug de lage bent verstoorden, En \'t dondert door de lucht, dat veste en tempel beeft: „Hoe! maakt gij \'t vaderhuis ten rooverhol?quot;

Zoo heeft

Aan Pius de Almacht weêr haar geesselkoord gegeven;

Weêr vluchten voor den slag, die \'t diepste merg doet beven De tempelschenners heen, terwijl in d\' eeuwgen nacht De Satan om de pijn der trouwe slaven lacht!

\'t Geklop der hamers zweeg, en \'t nijdig oog der scharen Zag \'t kruis zich heffen en als een der moordenaren Den Zoon des Vaders aan het eerloos hout gehecht.

Wel is de wraak voldaan, maar vuige spotlust vlecht Een nieuwen doornenkrans om \'t hoofd des schuldeloozen : „Gij wonderdoender, hoor, hoe lijdt ge als een der boozen, „Gij meester van den dood, die aan het graf gebiedt, „Hoe sterft ge in schande en pijn en redt g\' uzelven niet?\'\'

En van de lippen klonk \'t met naauw bemerkbre beving: „Vergeving, Vader, ach, zij dwalen, ach, vergeving!quot;

Nog klinkt dezelfde beê langs heel het wareldrond, Nog vloeit de stroom der liefde uit Jezus\' heilgen mond, .Nog leeft dezelfde Geest, die, vreeslijk voor het kwade. Den armen zondaar zoekt en bidt en schreit: „Genade; „Genade voor ,uw volk Iquot; is Pius eenge beê,

„Genadequot; bidt de mond der trouwe scharen meé,

„De macht der hel verzink\', Uw licht schijne allerwege, „Schenk, Vader, hun genade en aan uw Kerk de zege!quot;

-ocr page 97-

E«gis Vmem aystelma.

1867.

Wat dartelende zang, wat blijde jubelkreten !

Is \'t bloedig gistren soms in \'t heden reeds vergeten,

Is dan de lucht zoo frisch en de atmosfeer zoo blij,

En dreef de kruiddamp van Sadowa reeds voorbij ?

Is reeds de wond geheeld, door broederhand geslagen In \'t broederharte ? kwam er antwoord op de vragen.

De sfinxen van Euroop: Hanover, Frankrijks eer,

Itaaljes staatsschuld en der Pruissen zucht naar meer?

Staan niet de natiën gewapend tot de tanden.

Slechts wachtende op de vonk, die \'t vuur zal doen ontbranden. Het vuur des oorlogs — slechts te blusschen door het bloed Of door den purpren stroom tot feller vlam gevoed?

Van Jersey\'s eiland klinkt de stemme des profeten :

„Gebannen is de krijg, gedoofd zijn de oude veten;

„Geen fel ontsloten haat verdeelt meer volk van volk; „Des vredes reine straal doorbreekt de zwarte wolk.

„Geen mijn geeft meer haar erts voor zwaarden en kanonnen, „Alleen voor \'t spoorwegnet, dat, de aardbol omgesponnen, „De natiën vereent en allen samensnoert „Tot éen Europa, straks tot menschheid opgevoerd !

„De twintigste eeuw genaakt. Begroet haar wordingsstonde, „Gij, stemmen van \'t heelal! blij klinke uw zang in \'t ronde! „Van \'s hemels transen daalt der wareld Paradijs „En stort zijn vollen straal op \'t moederlijk Parijs.

-ocr page 98-

88

„Parijs, de bakermat van vrijheid en beschaving,

„Daar vindt het dorstend hart zijn heetgezochte laving.

„Daar vindt de fiere geest zijn heerlijkst ideaal,

„En viert de vrijheid, na haar kruis, de zegepraal!

„Parijs, de levensbron van \'t heerlijk organisme „Der menschheid, eindlijk éen, na \'t eeuwenlange schisme,

„Door koningen geteeld; Parijs, het hoofd, de tolk „Van \'t grootsche wonder, \'t uit zijn graf verrezen volk ; „Ddar rijst de tempel van den vrede, om welks altaren „Uit duizend schalen straks de wierook op zal varen,

„Waar aller stammen hand, in Frankrijks hand gelegd, „Den nooit te scheuren band der éene menschheid vlecht!quot;

Zóo juicht de Ziener en miljoenen juichen mede.

Maar vrede, vrede, roept ge — en ach, het is geen vrede ! Hoort boven \'t krijgsrumoer van Querataro, \'t lied Van Greta\'s vrijheid klinkt door \'t Europeesch gebied. Een sylbe, een woord, een stem, weg zijn des vredes droomen En \'t dondert: Luxemburg !

Langs Seine en Rhóne stroomen. Langs Rijn en Elbe jaagt op vleugelen van vuur Een zelfde leuze; daar hijgt de adelaar naar \'t uur Der wrake op \'t bastaartkind, dat met zijn breede pennen Een oogenblik in vlucht hem scheen voorbij te rennen ;

Maar ook Germanjes hengst vermorselt het gebit En rekt de lenden, door den reuk des strijds verhit;

Straks vlijmt de spoor en schiet de teugel: d\' ijz\'ren hoeven Verpletten in hun vaart wat weêrstand durft beproeven.

En voor den rijder en zijn ros geen stilstand meer;

Het graf verslindt hen of de zege voert hen wêer!

Europa wacht en staart, - daar klinkt een stem uit \'t Noorden : „Waartoe nog lang gedraald, waartoe met ijd\'le woorden Een kostbren tijd verspild, de mannelijke daad Voert tot de zege, niet het beuzelend beraad;

Hier helpt geen woordenspel, - de teerling is geworpen.

Laat eerst den degen \'t bloed der hecatomben slorpen.

Het zwaard vraagt bloed, voorwaar, maar drijft de giftstof uit. Die \'t lichaam teekent tot des doodes wisse buit!

Waarom gewankeld, nu de kamp ons dreigt ? De krachten Ontwikklen zich alleen door strijd met andre machten;

Alleen uit worstling kiemt de zege, - \'t uur is daar,

\'t Uur der beproeving met der Franken adelaar:

Nu moog\' van on/e kracht Euroop zich vergewissen Of staren op ons graf: dat zal het zwaard beslissen!quot;

Maar vleiend klinkt de toon: „Waartoe het bloed gespild, Waartoe een drift getoond, door \'t harte niet gewild ?

Neen, hooger dan het zwaard, dat enkel kan vernielen,

-ocr page 99-

89

Niet scheppen, staat de stem, die spreekt in aller zielen; De trek, door hooger hand ons wezen ingestort.

Waardoor de landgenoot ons waarlijk broeder wordt, Ja broeder, door de taal, den volksaard, niet gescheiden Door vorsten-eerzucht of door staatsbelang! Verleiden We ons zeiven met geen droom; half stervend ligt de reus, Door \'t zwaard alleen gesteund, niet door de vije keus Der volken ; laat de mond der vrije stammen spreken, Is \'t noodig, ja, den band van \'t vreemd gezach verbreken, Zich zelf herscheppen in de schuts van d\' eeuwgen God, En kiez\' de natie zelf zich vrij het eigen lot 1quot;

Maar scherp en spottend vlijmt het antwoord : „Ja, de keuze Der vrije volken zij voortaan Europa\'s leuze!

Aanschouw het troetelkind dier staatsleer; \'t vrij en éen Itaalje, van de zee tot de Alpen! Om ons heen Weérklinkt - een jubelzang ? - Ja, \'t lied der Calabrezen, Dat vloeken slingert naar het hoofd der Piëmontezen, t Geschutgedonder in Palermo, in Turijn De doodskreet van een stad, die ras geen stad zal zijn. Uit duizend kerkers brult de lijdenskreet der armen.

Die in der vrijheid land geen enkle kan beschermen, En boven alles loeit een niet te temmen vloed Met donderend geweld: het volks- en staats-bankroet! Zietdaar de schepping van de vrije keus der volken In schuts der bajonet, gerugsteund door de dolken

Der bravi. Laat die droom voorbij zijn, laat het zwaard Der eerzucht in de scheê en spaart de hijgende aard ;

Geen bloed meer afgevergd, neen, raadpleegt uw historie, De dagen rijk aan deugd, aan waren moed en glorie ;

Keert tot uzelv\' terug, herstelt het evenwicht Der Staten in Euroop; beschouwt als eersten plicht Den band van allen tegen de eerzucht des vermetelen,

Die in den kring der Pairs als Suzerein wil zetelen ! Der Staten evenwicht, geen overwicht van kracht Bij de enklen, — voor geen droom den nekslag toegebracht Aan dynastien, die de Christen als barbaren Kan schelden, maar de plicht des staatsmans moet bewaren; Geen krijg meer voor de idee, wat feit is blijve feit En vinde \'t levensrecht in \'t recht der werklijkheid.quot;

De wareld stond verbaasd bij \'t klinken van die tale; In \'t einde rees de vraag : maar wie, wie houdt de schale. Wie brengt de krachten in haar wederzijdsch verband. Wie geeft den maatstaf aan ? Zal dan alleen de hand Van \'t spelend toeval met zijn duizend wisselingen De machten binden en beperken in haar kringen ?

Op, wijzen onzer eeuw, op, brengt uw antwoord aan,

Europa dobbert tusschen blijven en vergaan !

-ocr page 100-

90

Maar hoort, daar trilt een toon, een antwoord op de bede, Door veler ziel gestort; de hymne van den vrede

Klinkt langs het veld van Mars en \'t buldren van \'t kanon Verkondt geen nieuwen krijg, geen feller rampen bron : \'t Is vrede! vrede! ja, tot straks der luchten suizen Het kinderspel verstoort der vorsten-kaartenhuizen!

„Groot is de Christus, onze Koning, onze God:

Hij houdt de draden van het wisslend wareldlot,

Van Hem het vorsten-woord dat stormen doet bedaren En vrede lachen doet langs d\' opgeruide baren.

Van Hem des beed\'laars stulp, van Hem het luchtkasteel Der rijken, uit Zijn hand de serge of \'t kroonjuweel; De kracht der vorsten is de kracht des Vaders, en hun kroone Een straal der diadeem van Hem, den eeuwig schoone;

Zijn zalving wijdt hun hoofd, zijn geest omvlerkt hun throon, De bron der grootheid blijft genade van den Zoon.quot;

De Christus! ja bij Hem, bij Hem-alleen, Europe!

Vindt ge in uw heden troost en voor uw toekomst hope.

Zijn oog alleen doordringt uw chaos en hergeeft Het aaklig lijk de kracht, die naar het hooger streeft;

Hij kan herscheppen: niet de staatsleer van uw wijzen,

Niet \'t spel der nota\'s zal u, arme, doen herrijzen.

Geen menschlijke arm zoo sterk geen vorstenmoed zoo groot De Christus, Hij alleen verwon, beheerscht den dood!

\'t Zijn achttienhonderd jaar! Daar trad de Tiberboorden Een schaamle visscher langs, een vreemd\'ling in die oorden; Het zwaar gebronsd gelaat verried zijn oostersch bloed, De mantel om zijn leên, het schoeisel om zijn voet, Zij spraken van een tocht, in armoede en ontbering En lijden afgelegd, maar kracht en zelfbeheering En mannelijke moed ontstraalden \'t tintiend oog,

Gevest op t Kapitool. Op \'t voorhoofd, breed en hoog, Lag zelfbewustheid en die trek van eigen waarde Waaraan zich \'t diep besef van hulpbehoefte paarde;

Die man was koning, held of wijsgeer, ja er scheen Door \'t armelijk gewaad meer nog dan grootheid heen.

Wie dan, wie mocht hij zijn? Kon soms die arme \'t weten. Die, bij zijn aanblik, net en schuitjen heeft vergeten.

En na een broederkus, wat wonder, henenspoedt.

Straks door de Jodenwijk de mare fluistren doet:

„Heil broeder. Petrus is in Rome!quot;?

Als overmeesterd Door al de majesteit daar voor hem, en begeesterd Door éen gedachte, groot als Rome zelf, stond hij Bewegeloos. Daar trad een wand laar naderbij En zag den vreemden en verslond hem roet zijn oogen

-ocr page 101-

91

En vroeg op zachten toon, als door zijn hart bewogen :

„Gegroet op Rome\'s grond! Ziet gij de Keizerstad „Soms heden voor het eerst, een heerlijk schouwspel, — wat ,;Mijn vreemde, voerde u hier?quot;

„„Ik kom den God verkonden, „„Wiens outer \'t volk verliet voor de offerdienst der zonden, „„Den God hun onbekend!quot;quot;

„Gewis een zware taak, „Die \'k niet wil prijzen, noch met scherpe reden laak; „Wat was uw vaderland?quot;

„„Ik ben een stam ontsproten „ „Wiens bloed op Caesars woord door Rome heeft gevloten, „„Dien gij vervloekt, veracht; \'k ben Galileër, Jood!quot;quot; „Een van hun vorsten?quot;

„„Neen, nooit zag mijn land mij groot. „ „Als de arme visschers daar mocht ik mijn schamel leven „„Slechts rekken door de spijs, die mij het net kon geven; „„Ik heb geen schatten, goud noch zilver!quot;quot;

„Maar uw geest „Is vrij en krachtig, trots uw lagen stand, geweest,

„Gij hebt de taal aanhoord der wijzen, ja de vragen ,,Der scholen zijn voor u ontsluierd, en gedragen

„Door duizend stemmen zweeft uw wijdberoemde naam „Als wijsgeer de aarrle rond op vleugelen der faam?quot;

,,„Ik ben een arme, \'k heb geen wijsheid!quot;quot;

„Kondt gij dan „Een leer des levens die de harten boeien kan,

„Een leer die eiken dag een meer verfijnde streeling, „Een hooger wellust brengt, met onuitputbre teeling „Slechts zoete rozen schept, waar doornen zijn, \'t genot „Als eerste en laatste doel des wijzen stelt ?quot;

„ „De God,

„„Dien ik u kondig, heeft in \'t menschlijk kleed geleden, „ „Den schrikbren kamp der, doods aan \'t slavenkruis gestreden, „„Hij is gestorven tusschen moordenaars!quot;quot;

„Voorwaar

„Een vreemde Godheid, bij der goden adelaar!

„Wat leert ge ons in haar naam?quot;

Niets, niets dan offerande, „ „Het offer van uw trots voor smaadheid en voor schande, „„Het offer van \'t genot voor armoede en voor nood, „„Ja \'t offer van uw bloed, van \'t leven voor den dood!quot;quot; „Gij vestigt dan die leer in Rome, — en dan?quot;

„„Heel de aarde

„„Behoort haar!quot;quot; „Voor hoelang?quot; „„Voor de eeuwigheid!quot;quot;

(„De waarde

„Van uw gezach schijnt mij zoo groot niet, maar misschien „Zal u der Caesars hand een machtig steunsel biên:

„Zij zal den moedwil, die u tegenhoudt, doen vallen, „De wijsheid doet uw naam als dien haars priesters schallen.

-ocr page 102-

92

„De rijke brengt u goud: ook rijkdom is een machtquot; ... „„Neen, neen, \'t is werk van God; geen sterfelijke kracht „„Verwint de wareld. Zie, \'k verg offers, waar de weelde „„De rijken met haar gloed van eeuwge vreugd omspeelde; „ „\'k Verg offers, waar de trots van \'t menschelijk verstand „„Den wijsgeer waarheid biedt en valsche kroonen spant „„\'k Verg offers waar de mond van laffe vleierscharen „„Den Caesar priester maakt aan godgewijde altaren,

„„\'k Verg niets dan offers, altijd offers, door het bloed „ „Herleeft de wareld!quot; quot;

„Dat uw Godheid u behoed\'

„Maar nimmer zal uw leer éen volgeling verwerven.

„Zoo nu de haat u treft, wat dan?quot;

„„Dan zal ik sterven.quot;quot;

Zijn woord werd waarheid, ja, op Romes heuvlen rees Het kruis van d\' eersten Paus, maar uit den bloedstroom wees Een hand ten hemel heen, waar de offrende offerande Haar volgeling het hoofd met zegepalm omspande.

\'t Zijn achttienhonderd jaar! het bloed van Petrus vloot, \'t Bracht aan Euroop, aan de aard herleving met den dood, t Bracht licht na duisternis en na verachting glorie,

\'t Werd de eerste bladzij van een schittrender historie,

■ Die met het kruis begint en eindigt met het kruis. Hoogstralend van de wolk bij \'t eeuwig feestgeruisch!

Nog staat het kruis, de stoel van d\'eersten Paus! Wij staren Nog altijd op die spits bij quot;t klimmen der gevaren.

En door de wolken stof, de kruiddamp van den strijd.

Blinkt daar ons \'t antwoord op de raadslen van den tijd!

De raadslen van den tijd! Als van zijn as gewenteld,

En door den forschen ruk tot \'s afgronds rand gekenteld, (Den afgrond van het niet!) ligt \'t arme Europa néér En kent geen rustpunt dan de rust der lijken meer.

Geen orde, geen gezach! in bulderende vlagen Heeft \'t Oproer tegen God dat alles weggeslagen.

En met de hand verward in \'t losgereten hair,

Of zwervend langs de borst met wanhoopvol gebaar, Met oogen uitgeweend en gloeiend in hun holen Ziet gij \'t verdwaasd geslacht langs de open groeve dolen;

Soms klinkt een feestmuziek nog boven \'t kermen uit.

Ze is als de schaterlach des Satans bij zijn buit!

Een heiige trilling vaart Europa door, - naar Rome Spoedt vogelvlug de golf van alle wareldstroomen;

Naar Rome roept het hart in iedre menschenborst;

Naar Rome, naar den throon van d\'eeuwgen vredevorst,

Daar staat ontsluierd en in heldre middagglansen

-ocr page 103-

93

\'t Onfeilbaar antwoord, daar vergaat het spel der kansen, Het eeuwig wanklen tusschen werklijkheid en niet,

Voor waarheid vol van gloed, onwrikbaar als graniet.

In \'t plechtgewaad gehuld, de driekroon om de slapen En in de hand het kruis, zijn vorstenstaf, zijn wapen.

Staat Pius, - om hem heen wat schitterende rij,

Gestalten fier en hoog, - geen enkle toch als hij! -Zij steunen \'s grijzen arm ten hemel opgeheven Bij \'t woeden van den strijd, die \'t moedig hart deed beven, Als eenmaal Aarons hand den heilgen Godsprofeet Op \'s heuvels toppen steunde en Isrel winnen deed.

Geen grootheid dezer aarde ontbreekt hun; t zijn de zonen Der vruchtbre Moedermaagd, wier schedel zij omkroonen Met lauwren, ingeoogst op t veld der wetenschap,

Naar eiken kant doorkruist met onverpoosden stap, Met palmen, schooner nog en eeuwig groen, gewonnen In kamp met ruwe kracht of listen helsch gesponnen;

Zij zijn de volgers van het viertal, dat het beeld Van d\'eersten Petrus torscht. Ook om hun slapen speelt De geest des Heeren ; ook hun kracht is Gods genade,

Wiens hand den reuzenlast op hunne schouders laadde.

Op Petrus\' vorstlijk graf staat Pius, en hij zingt Een hymne, een zegelied, dat door de sferen dringt,

Dat op zijn vollen toon steeds rijker harmoniën.

Ontwikkelt, en de schaar doet storten op de knieön.

Hij zingt de grootsche daad, die vrije liefde en recht Tot een geheel verbindt, tot éen onbreekbren echt. Het recht, dat scheiding brengt, de liefde, die verbindend Bezielt, - den grijzen eik met groen klimop omwindend; Het recht, dat \'t eigen ik als eerste doeleind stelt, De liefde, die het hart met medelijden zwelt;

Hij zingt: het offer, dat een slaafgeworden koning, Een menschgeworden God, met schrikbre smartvertooning Tot zoen van \'s menscben schuld den eigen vader bracht, Ten tol aan \'t eeuwig recht, door eeuwger liefde kracht. Hij zingt: het offer, dat de wareld uit het duister Tot volle waarheid bracht, ontboeide van den kluister,

Door slangenlist den mensch omknellend, \'t offer, dat Door d\' eeuwige eeuwigheên zich zonder dood hervat, Dat, als een volle stroom langs d\' aardbol heengegoten,

Door eeuw op eeuw geproefd, door elk geslacht genoten, Met iedre nieuwe golf een vloed van leven schenkt En de immer dorstende aard met eeuwge frischheid drenkt.

Hij zingt — en naar de maat der stijgende vervoering.

Daalt in der schare hart een heiliger ontroering.

Hij zingt: de helden, die het heerlijk kruismodel Nabootsten in hun strijd met de opgezweepte hel.

-ocr page 104-

94

Nabootsten met hun bloed; - hij zingt de martelaren, Die broeders van het woord des woords getuigen waren En spraken door hun dood! U, u het allereerst O Petrus, die van \'t kruis de warelden beheerscht,

Als eens uw meester op den Schedelberg, u prijzen De volle noten; die de warme borst ontrijzen;

U geldt zijn hymne, die het lied der wareld wordt,

En straks haar harmonie door alle sferen stort.

Maar zacht en teeder wordt des zangers stem, als klaagde Een Rachel in zijn toon, nu weêr de morgen daagde.

Die \'t spelend kindje van haar borsten had gescheurd. Hij zingt den held, wiens bloed de Dwina heeft gekleurd; En naast dat beeld verrijst een andre beeltnis: Polen,

Een vorm, vast levenloos, van \'t hoofd tot aan de zolen Een wonde, door geen pijn tot weêrstand meer getergd Ja, smeekend om een graf, - Siberie\'s mijngebergt Met knoetslag ingejaagd, zelfs in haar laatste zuchten Beroofd van \'t zoet genot der vaderlaudsche luchten,

Zelfs in haar laatsten strijd door beulenhand geprest Tot opstand tegen God, den eengen, die haar rest.

\'t Was in de dagen, dat een wijsgeer, held en koning. Uit Hohenzollerns stam; zijn vorstelijke woning.

Zijn Sans-Souci zich schiep, dat Duitschlands keizerskroon Getorscht werd door een vrouw met manlijk krachtbetoon, \'t Was toen ook voor een vrouw dat Knezen en Bojaren Zich kromden in het stof — ja, van Voltaire\'s snaren Ruslands Semiramis ter eere \'t loflied rees,

Dat \'t slingerwerk der eeuw der Polen doodsuur wees.

Sinds vloog een eeuw voorbij — een eeuw van worstelingen Der zwakke met de kracht — een eeuw van folteringen.

Van doodstrijd voor een volk, — en nog, nog leeft het bloed, Al trappelde op de borst de stalen Overmoed.

Zoo vaak aan Neva\'s boord in \'t oostersch hof der Czaren De wulpsche danstoon ruist, op roos en myrte-bldren

Het licht der feesten glanst, zoo vaak verschijnt een hand. Met bloed bespat, dwaalt langs \'t verguldsel van den wand. En schrijft er: „Polen!quot;

Hoort, wat spelt die forsche trilling In Pius\' stem? hij vloekt de wreede bloedverspilling,

Door ijzren klaauwen van een stervend volk gevergd,

Hij toont de hoogste kracht, door \'t krachtloos niet getergd, Den toorn des Eeuwgen als Hij oprijst tot zijn wrake!

En heerlijk troostwoord: „Wat vervolging u genake,

Mijn dochter! ook uw Heer Hij leed en overwon, Uw stroomend martelbloed wordt eens uw levensbron!quot;

-ocr page 105-

95

Maar hoe, hoe trilt mijn borst van ongekende weelde, Wat ruischte er door de lucht, dat zoo \'t gehoor mij streelde Met klanken, hemelzoet, hoe ! zingt des Tibers strand.

Zingt Pius\' heiige mond den roem van Nederland ?

Ja ook voor n, voor u, mijn vaderland, weêrklinken De zangen, die ons hart vol wellust in mag drinken.

Ook op uw bodem kiemde in volle mannenkracht De geest des offers, op Kalvarie\'s berg gebracht;

Uw zonen droegen ook het kruishout, ja het lijden Werd ook hun ziel een bron van nooit gesmaakt verblijden, In \'t vol bewustzijn van hun zegepraal. Daar treedt, Welzaal\'ge moeder, in het purper bruiloftskleed De rij der zonen op, de negentien, wier glorie Op menig donker blad der eigen volkshistorie Een gouden weêrschijn werpt....

De volle beker ging De rij der vrienden langs, en uit den breeden kring Steeg \'t schelle dronkaardslied in velerhande talen Naar \'t eene grondakkoord: „de Geuzen zegepralen!quot;

Daar sloeg de hoofdman zich voor \'t rimplend voorhoofd, uit Zijn oogen straalde een gloed vol woeste wreedheid, luid Bevelend klonk zijn woord: „Op, dappere gezellen, „De monniken ten dood, de monniken ter hellen!quot;

„De monniken ten dood I\' Hoe heerlijk klonk die maar Den fleren krijgers toe, gestaald in \'t doodsgevaar,

Hoe repte zich de hand bij \'t eervol werk: Vermoorden I — Maar nog voor andren was de klank dier ruwe woorden En streelende muzyk, een reine hemeltoon,

Die sprak van vrije liefde en eeuwge zegekroon,

Van luttel lijden en de palm der martelaren!

Bij \'t rosse fakkellicht, omstuwd door krijgerscharen.

Treedt moedig \'t heldental ten strijdperk, schoon de walg Het eerlijk hart vervult bij d\' aanblik van de galg!

De galg, het hout dsr schand, de straffe der onteerden !

Maar straalt niet van het kruis de glorie des verneêrden Beneden allen, die, van eere en schoon ontdaan,

Toch koning was der aarde en eeuwig God? — Zij gaan. — Gegroet, gij heldental, gestorven voor de waarheid Der goddelijke daad, die met des hemels klaarheid De warelden vervult, die \'s Heeren offerand Gestaafd hebt door uw bloed, gestaafd hebt \'door uw schand Gij, zonen van het kruis, voor de eer van \'t kruis gestorven, Gij levende in de kracht, door Jesus\' bloed verworven, U offerend voor Hem! Gij, ook voor Petrus\' recht.

Voor Petrus\' vorstenkroon aan \'t hout der schand gehecht, Hoe jubelt om uw graf de gloriepsalm, - begonnen Door \'t vlekloos offerlam: „Heil u, gij hebt verwonnen!\'\'

-ocr page 106-

vm

De psalm, door Pius\' mond der opgetogen aard Verkondigd, voortgezet in niet te stremmen vaart Door duizend duizenden, wier geestdriftvolle toonen De hymne zingen van oud Neêrlands heldenzonen!

Wat zijt gij groot en schoon, mijn vaderland! het bloed, Dat uit htm aadren vloot, heeft uwe kracht gevoed; De laatste trilling van hun lippen was een bede Voor de eer der dierbre plek, een smeeken om den vrede Voor u, voor gansch uw volk I En reeds drie eeuwen lang Bidt nog hun hollandsch hart met nooit te smoren drang; En eenmaal, eenmaal, ja, verrijst de heerlijke uchtend. Die, den gespleten stam met nieuwe kracht bevruchtend.

Zijn jonkheid weêr herteelt in loten, rank en sterk, En Nederland hergeeft aan d\' éene Moederkerk!

Voor \'t reuzig marmerstuk, nog vormloos in zijn zwaarte. Stond, met bezielden blik, de meester, \'t Ruw gevaarte Scheen met den menschenzoon te spotten, maar de stof Is dienaar van den geest en geeft den koning lof!

Daar glijdt de lijfrok van de schoudren, in de handen Des kunstenaars blinkt reeds de beitel, door de wanden Klinkt dreunend slag op slag, en marmerblok op blok Bedekt den harden grond, die davert bij den schok,

Door de ijz\'ren vuist gericht — lt;le blonde haren zwieren. Met zweet en s.tof bedekt, langs hals en hoofd, de spieren Staan strak gespannen op den forschen arm: — treed voor. Treed voor, gij ideaal, en breek de boeien door.

Die u omknellen, — en vernieuwde slagen dalen Met vaste hand, maar vol van vuurge drift; daar dwalen De vonkende oogen langs den ruwen vorm, voorwaar,

Reeds schijnt het leven door die trekken, ruw en zwaar! Moed, moed, gij meester ! nog een enkle van uw slagen. Een druppel van uw zweet, gij kunt aan \'t nakroost vragen Den lauwer van \'t Genie!

Ja waarlijk, dat is hij, Herschepper van zijn volk, in spijt der dwinglandij; Der wareld leeraar en de zanger van den morgen,

In nevelen gehuld, in sluiers dicht verborgen.

Die de eerste was voor de aard! ja, \'t is de Godsprofeet, Die voor zijn staamlend woord de Faroos siddren deed. Die \'t lied der zege zong, toen de opgeruide golven Het heir des dwingelands in \'t stroomend graf bedolven; Ja, \'t is de ziener, die op Sinal zijn God In volle glorie schouwde en, sterveling, \'t genot Der heemlen heeft gesmaakt, die, met dien glans omgeven. Het woord Jehova\'s sprak, dat waarheid bracht en leven Te midden der woestijn! Wat koninklijke kracht Bezielt de breede borst, die \'t schuttend kleed veracht, Wat kalme en fiere moed spreekt uit de marm\'ren vormen,

-ocr page 107-

95

Waar \'s levens krachten in haar volheid onder stormen!

Daar staat de meester voor zijn meesterstuk, zijn oog Drinkt heete wellust in \'t aanschouwen; stout en hoog Verheft de moede zich. en schouwt nog eens; in trouwe,

Dat is zijn ideaal: nu werklijkheid! de flaauwe Gelaatstint wordt ten blos, maar keert in \'t matte bleek. En als waanzinnig grijpt hij \'t beeld en gilt hij: „spreek!quot;

O! voelde ik de e:\'gen drift mijn zwakke borst ontbranden, Den vuurgloed van \'t genie in hart en hoofd en handen. Ik schiep in \'t marmerblok nog hooger ideaal Tot hooge werklijkheid, bij \'t licht der zegepraal!

Ik schiep het beeld van hem, die, trots de lichtomkrooning Van \'t hoofd des Patriarchs, verhevener vertooning Van hooge menschendeugd, door Gods gend gestaald,

Aan \'t oog der wareld toont en in den lichtgloed straalt Van Christus\' priesterschap! Want ja, ook door zijne aadren Golft heiige heldenmoed, die roevers en verraadren Doet deinzen voor zijn wenk; ook hij is wareldvorst, Herschepper van zijn volk, dat of het dwangjuk torscht. Of stervend nederligt! Getuigt het, gij, Germanje,

Nu vrij van d\'ijz\'ren boei der Caesars, Groot Brittanje En Nederland, door hem van \'t kleed des grafs ontdaan. Bij \'t klinken van zijn woord verheerlijkt opgestaan!

Getuigt het, gij, ook gij, aan Nijl- of Wolga-stroomen Wéér in den levenskring door Pius opgenomen. Na d\' eeuwenlangen slaap ! Ook van zijn lippen vloeit Het woord der waarheid, dat het smeulend vuur ontgloeit, Weêr opwekt tot de vlam van lieven en gelooven!

Ja, hij is held en vorst en leeraar! Toch verdooven Die gloriestralen bij de lichtkroon der genA,

De kroon des Konings, die eens throonde op Golgotha, De kroon des Priesters, waar de zonnegloed der heemlen En \'t purpren offerbloed in rijken glans in weemlen;

De kroon des Priesters, eerste en grondvorm van de drie. Op Petrus\' hoofd geplaatst, als beeld der harmonie Van God en \'t schepsel in den Godmensch! Zij verduistert Den gloed, die \'t starend oog aan \'t beeld van Mozes kluistert. En wraakt ook \'t eigen hoofd des boezems dwaze zucht. Toch geeft voor Pius\' beeld zich \'t hart in zangen lucht. O! dat ik \'s kunstnaars kracht, zijn volle kracht gevoelde. Dat Michelang\'loos geest in d\'engen boezem woelde,

\'k Gaf Pius\' trekken weêr, in marm\'ren vormen, ja Ik schiep zijn beeld vol kracht, vol liefde en vol gend!

Maar Pius spreekt, — en wat zijn onze lofakkoorden. Bij \'tstormen van zijn taal, bij \'tleven van zijn woorden? Hoort, Pius spreekt; hoe vonkt in Vaders oog een gloed. Die leven om zich spreidt; de scharen aan zijn voet — Hij ziet hun zwermen niet, noch hoort hen; — wat hij spreken,

7

-ocr page 108-

98

Wat hij verkonden zal, geldt alle wareldstreken,

Want op zijn slapen rust des Hoogepriesters macht, De geest van den Profeet, de Koninklijke kracht:

„Gij, eeuw vol eigenwaan, die, in der zustren rije,

„U als vorstinne roemt en boven allen vrije,

„Gij, die uw naam bezingt op schaamteloozen toon „En alle macht der aard verneêrd hebt voor uw throon, „Des Heeren vonnis klinkt: wat roemt ge u zelf verheven, „Gij, tot het graf gedoemd, die \'t langzaam vliedend leven „Door folteringen rekt, erken gij, trotsche, uw lot „En buk het stervend hoofd voor \'t eeuwig leven: God!

„Wat waant ge u zelve sterk, gij, arme! neen, de glorie „Der nijverheid verschaft op \'t sterven geen victorie;

„De bliksemvonk, uw slaaf, hij schept geen menschengeest ,,En \'t dampen van den stoom bezielt geen dorre leest. „Uw breede dichtrenrij, uw trotsche wetenschappen, „Zij volgen ras uw baar, met afgemeten stappen.

„Gij, eeuw des levens, uw laurieren vallen af;

„\'t Paleis, door feeenhand geschapen, wordt een graf!

„God is des levens bron. God is des levens vader,

■ „Hij stort weêr frissche kracht in \'t dorre bed der ader; „God is des levens bron, en \'t kruishout van Zijn Zoon „Stelt de eerste levenswet in middaglicht ten toon: „De wet van offerand, van recht en liefde en vrede, „Van mannelijke kracht en kinderlijke bede,

„Van hooge en vrije vlucht in iedre hemelsfeer, „Met Godsdienst hand aan hand, tot Godes meerdere eer ! „Op, op dan, naar het kruis, gij, nu zoo diep gevallen, „Nu wankend naar uw graf! Daar zal het woord u schallen, „Dat alle lijden, alle smarten doet vergaan:

„De Christus stierf; en straks: de Heer is opgestaan!quot;

De dag der eeuw verzinkt, wat brengt ons de avond aan?

-ocr page 109-

„Eg# §msa €t Qm-Qmquot;

HET EINDE.

Langs Patmos\' steile rotsgebergten goot De laatste straal der zon haar purperrood En kleurde, met een donker gouden tint, De baren, spelend in den avondwind En koeltjens strooiend langs de dorre kust.

Maar in de ziel des ballings was geen rust; Onstuimig golfde de adem door zijn borst, Die zwoegde als had ze een looden last getorscht. Ontzettend was het. Sinds dat eerste woord, — Dat „zie en schrijfquot;, in \'t morgenuur gehoord, — Was, in een onafzienbaar lange baan.

De loop der eeuwen langs,zijn blik gegaan: En ruwe strijd en hoon en foltering.

Zich volgend of zich wisslend in hun kring. En lijden, dood, ja smaadheid tot in \'tgraf, — Dat was het wat zijn veder wedergaf.

Hij zuchtte en hief het moê en smeekend oog. Vol van de felste zielsangst, naar omhoog En weende : „Heer en Meester vol genil.

Ontferm U mijner zwakheid! nooit verga

-ocr page 110-

icu

Uw heiige Bruid, Uw uitverkoren volk!quot;

Daar scheurde weêr een bliksemstraal de wolk, Daar dreunde weêr een forsche stem: „Aanschouw Het eind der tijden en des Heeren trouw!quot;

Hij hoorde en zag; daar daalde een lichtend meer Vol vuurge beelden en gezichten neêr.

Op de zeeën gezeten

In \'t purper gewaad.

Met de zege op \'t gelaat:

Die zich uit in haar kreten Vol wellust en haat;

Met de kroon om haar schedel,

Met de aarde aan haar voet.

Die zich wentelt in \'t bloed

Van wat schoon is en edel.

Wat waar is en goed;

Door het monster gedragen,

Dat bloedig en fel De verwinnende hel Als een godheid deed dagen . In \'t goochelaarsspel;

Door het monster, dat de aarde Aanbiddend omringt.

Als haar Christus bezingt.

Dat haar erfvijand baarde

Wiens klaauw haar bedwingt.

Zoo genaakt op de wolken, Het koningskleed om.

En omstuwd door een drom

Uit de talen en volken,

Dier warelden zon!

Zoo genaakt zij, de Moeder,

Die \'t menschelijk lot Heeft verkeerd in genot,

Met den Wellust tot voeder.

En Satan tot God!

Zie, wat glansen doorvonken Het gitzwarte haar.

Van de parelen zwaar;

Uestrooid met karbonken Uit \'t diepste der adr I

-ocr page 111-

101

De bokaal van \'t genieten

Drinkt elk uit haar hand;

Ze is gevuld tot den rand Met het bloed der Levieten,

Den Christus gestand!

De verdierlijkte choren

Omwagglen haar throon,

En hun schaatrende töon Klinkt de wulpsche in hare ooren,

Als dank, haar geboón.

En zij zelve, beschonken Van \'t martelaarsbloed.

Ze verheft ook den voet.

En zij danst vreugdedronken In razenden gloed!

„Aan mijn arm de victorie.

Mijn harte de min Van der Vorsten gezin,

Mij omlauwer\' de glorie.

Als wareldvorstin!quot;

Maar een loeiende klank als des donders rolt aan:

Ze is vergaan! ze is vergaan!

Daar naadren de vorsten, verpletterd door schrik. Met wankende schreden en zwervenden blik;

Zij dronken haar beker vol eeuwig genot!

De schaal werd versplinterd — haar roem werd ten spot Hun akelig klaaglied vervult de natuur:

„De stad aller eeuwen verging in een uur.

Geen asch merkt de plek waar haar throon heeft gestaan Ze is vergaan! ze is vergaan!quot;

Met stof op het voorhoofd, met ord\'loozen baard.

Staan óok om haar groeve de rijken geschaard;

Zij wenden hun blikken vol huivering af

En naadren behoedzaam dat levende graf.

„Wee! wee!quot; roept hun mond en ook de echo roept: „w

Hoe zonk in de diepte der heerlijkheid steê!

Verloren! verloren! haar oostersche pracht.

De schatten der aard, der Vorstinne gebracht!

Haar vlammende zijde, haar purper vol gloed,

Haar slaven zoo jeugdig, haar hupplende stoet!

Verloren — haar paarlen uit d\'afgrond geroofd.

Haar edelgesteenten den mijnen ontsloofd;

Vergoten — de wijn uit de kostbare amfoor;

Gebroken — haar beker uit goud en ivoor;

Haar pracht is verdwenen, haar vuurgolven slaan:

-ocr page 112-

102

„Ze is vergaan! ze is vergaan!quot;

Verbaasd staart de zeeman langs \'t heillooze strand; De moêgestaarde oogen wrijft morrend zijn hand.

Daar balt zich de vuist in de krampen der pijn;

Daar voelt zijn gestalte der wanhoop venijn;

Daar gilt van zijn lippen een jammerend: „wee 1 Vergaan is uw luister, vorstinne der zee 1 Geslecht zijn uw dijken, waar nimmer een golf De kracht van verwon, die geen springvloed bedolf. Verzand zijn uw havens, wier ringmuur een vloot Van klapperende wimpels en zeilen omsloot!

Geen zweem van haar grootheid, geen puin bleef bestaan

Ze is vergaan! ze is vergaan!quot;

Geslachten en volken verdringen elkadr;

Een altijd vermeerdrende, loeiende schaar.

De stein van de duizendmaal duizenden krijt... Nu Christus de Heer blijkt van wareld en tijd.

De Stad was hun moeder, en Satan hun vorst;

Het bloed der geslachten verteert hun de borst; Een jammertoon davert: „Het oordeel breekt aan: Wij vergaan! wij vergaan!quot;

Maar boven \'t loeiend: „verloren! verloren!quot;

Jubelt een lied.

Klatert de harptoon der eeuwige choren, Lofzingt de wareld, in Christus herboren, \'t Blijde verschiet:

„Hallel den Sterke! zijn arm heeft geslagen;

\'t Onrecht verzonk.

Hallel den Eeuwge, wiens slagzwaard wij zagen Vorsten verpletten en volken verjagen;

Dat in de nevlen der zinkende dagen Lichtende blonk.

„Hallel den Christus! de trotsche is gevallen;

\'t Lijden heeft uit;

Hallel, daar glansen Jerusalems wallen,

Hallel, daar daalt de gekroonde voor allen, De eeuwige Bruid!quot;

Stralend van des levens gloed.

Golvend in den lichten vloed,

Stroomend uit der schoonheid bron.

Aller eeuwigheden zon.

Bij den klank der gouden snaren,

Daalt het Sion van den Heer In den aard herboren sfeer,

In die bondstent Gods ter neêr;

-ocr page 113-

103

Waar de stammen- zich vergaren,

Waar geen strijd, geen lijden meer. Waar het eindelooze heden.

Zonder avond, zonder nacht,

Waar het eens verloren Eden Voor het oog der menschheid lacht.

Als een bruid in \'s levens jeugd, Trillend van de reinste vreugd, Met den myrtenkrans getooid, \'t Feestkleed om de leên geplooid: Zoo verschijnt ge, o Heiige Maged, Gloeiend door de liefdevlam,

Moeder van den zaalgen stam,

Dien geen dood zijn God ontnam, Sion, dat den Heer behaget,

Reine bruid van \'t vlekloos Lam, Zalig, zalig wie mag deelen In des Heeren zegepraal.

Als zijn vrienden, zijn gespelen. Aan het eeuwig bruiloftsmaal!

Voor \'t ontsluierd aangezicht Is uw klaarheid \'t eeuwig licht. Dat in duizend stralen schiet, \'tEind\'loos leven nedergiet.

Uit der Godheid schoot genomen. Ja, uw hooggetrokken muur Glinstert van het liefdevuur,

Dat de Geest van \'t Godsbestuur Door de kringen heen doet stroomen

Der gezaligde natuur.

\'s Heeren englen zijn uw wachten;

Jesus heiige Apostelschaar Strekt met haar gewijde krachten U ter vest. ten steunpilaar.

Neen, geen aardsche zonne blinkt Die in dampen nederzinkt;

Neen, geen bleeke zilvren maan Brengt haar teêren lichtstroom aan; Godes glorie is uw luister.

En de liefelijke pracht Van het Lam, voor U geslacht, Breekt met stralen heerlijk zacht Alle nevlen, alle duister;

Neen, de hemel kent geen nacht. De Drieeenheid is uw tempel.

Vader, Zoon en Heiige Geest;

Weer is \'t vlekloos Lam de drempel,

-ocr page 114-

104

De ingang tot het hemelfeest.

Volken, talloos als het zand,

Stuivend langs der zeeën strand.

Vorsten in de heerlijkheid,

Door Jehova hun bereid,

Juichen in uw lichtgewemel,

Drinken uit den levensstroom,

Proeven van den kennisboom,

Vrij van d\'erfelijken schroom:

Want de liefde van den hemel Brak den langgedragen toom.

Overstroomd door eeuwge waarheid.

Door beproefde liefde sterk,

Schittert in Jehova\'s klaarheid De eeuwig jonge Moederkerk.

De beelden zijn verdwenen voor het oog

Des zieners; maar er davert van omhoog

Een stem, vol fiere kracht en majesteit:

„Ik ben uw God, uw Heer van eeuwigheid;

„Ik ben \'t begin en \'t einde van den kring,

„Beschreven door der tijden wisseling.

„Van Mij het scheppingswoord, maar ook van Mij

„Der warelden voltooiing 1 Zalig zij

„Die zegevierden in den harden strijd,

„In \'t worstlen met de machten van den tijd.

„Uit \'s levens stroomen drenkt mijn hand hun dorst,

„Met \'s levens balsem zalf ik hun de borst,

„Zij zijn Mij zonen, — Ik hun Heer en God,

„Het eeuwig voorwerp van hun heilgenot!quot;

En weêr een stem, die davert door het zwerk Als \'t luid bazuingeschetter, machtig, sterk.

Maar toch vol liefde en teederheid: „Ik kom!quot;

De Ziener juichte, van zijn lipoen klom Een laatste beê; „Kom, Heere Jesus, kom!quot;

Bij \'t strijdrumoer dat dondert door de lucht.

Bij \'t aardvervullend dreigend doodsgerucht.

Bij \'t brandend zieden van het golfgeklots,

In schuim verspattend om de Petrusrots,

Als \'t razend loeien van der hel orkaan Het menschenhart met sneller slag doet slaan. Dan heft de Christen \'t hulpesmeekend oog.

Als eens de Ziener, naar des hemels boog, Dan droogt de traan, die op zijn wangen glom ; Hij juicht en bidt: „Kom, Heere Jesus, kom!quot;

Op den vooravond van den Feestdag der IIH. Apostelen Petrus en Paulus.

-ocr page 115-

MNTEEKËNINGEN.

i.

Bladz. 57. Na \'t weenen bij des grijzen baar.

De voorganger van Pius IX was Mauro Capellari, Paus onder den naam van Gregorius XVI.

Bladz. 58. Daar rolde \'t zware klokgebrom.

Algemeen bekend zijn de indrukwekkende plechtigheden, die plaats hebben bij de Paus-keuze. Het conclave, waarin Pius IX gekozen werd, duurde slechts eenige dagen.

Bladz. 58. Zijn zegen: Vrijheid en Genade!

De eerste daad van Pius IX, na zijne throonsbestijging, was een Motu-proprio, waarbij hij een algeraeene amnestie schonk en eene vrijzinnige regeling van het bestuur des Kerkelijken Staats invoerde.

Bladz. 59. De vrijheid, goddelijker waarheid

Geliefde dochter, heerlijk kind;

„Die waarheid zal u vrijmaken.quot; S\' Johannes\' Evang. S, v. 32.

Bladz. 60. De haat der wareld? enz.

Om de beteekenis te kennen der luidruchtige manifestation, die, tot weinige dagen vóór den opstand toe, Pius IX bij elk optreden omgaven, behoeft men slechts een blik te slaan in hetgeen daaromtrent wordt medegedeeld door Balleydier, Histoire de la Revolution de Rome.

Bladz. 62. Viert gij den moord\'naar des getrouwen.

De moordenaar van graaf Rossi, \'s Pausen minister, werd in zegepraal door de stad gevoeid.

Bladz. 62. ,.De zaak des Pausen is bij God!

Eenige oogenblikken voor den moord zeide Graaf Rossi: La cause du Pape est la cause de Dieu.

Bladz. 63 . De zwakheid is de hoogste kracht.

S\' Paulus, de groote leeraar der heidenen, schreef: „Cum infirmor, tuin potens sum.quot;

II.

Toen de geest onzer eeuw op het gebied van wetenschap en leven beide meer en meer tot het materialisme oversloeg en iedere levensuiting de Godheid van het stof verkondigde, toen trad Pius de IX\', door den II. Geest, die altijd met de Kerk is, gedreven, op, en staafde, door de leer der Onbe-

-ocr page 116-

106

vlekte Ontvangenis, de Godheid van Hem, die zoo verheven een schepsel llt;oii scheppen, toen hij op de aarde nederdaalde om de mcnschelijke ziel te verlossen van de zonde.

De verklaring dezer leer werd door geen enkele omstandigheid noodzakelijk gemaakt. Maar zoo men de vraag durft stellen: waarom toen juist die plechtige uitspraak moest plaats vinden, zal men, hoop ik, het idee, dat dezen tweeden zang ten grond ligt, niet als een onwaarschijnlijk antwoord verwerpen.

Bladz. 69. In d\' aanvang was het slijk, enz.

„Derselbe Kohlenstoff und Stickstoff, welche die Pflanzen der Kohlensaure, der Dammsanre und dem Ammoniak entnehmen, sind nach einander Gras, Klee und Weizen, Thier und Mensch, um zuletzt wieder zu zerfallen in Dammsanre und Ammoniak; hierin liegt das Wunder des Kreislaufs.... Denn das ist die erhabene Schöpfung, von der wir taglich Zeugen sind, die nichts veralten und nichts vermodern laszt, dasz Luft und Pflanzen, Tliiere und Menschen sich tlberall die Hande reichen, sich fortwahrcnd reinigen, ent-wickeln, verjdngen, veredein, dasz jedcs Einzehvezen nur der Gattung zum Opfer fttllt, dasz der Tod nichts ist, als die Unsterblichkeit des Kreislaufs.quot; Mole-schott, Kreislauf des Lebens, p. S4.

Of men de in sommige leerboeken onzer lagere scholen voorgestelde leer, waarbij de mensch sans faron als een hoogst ontwikkeld tweevoetig zoogdier wordt voorgesteld, van materialisme kan vrijpleiten?

De uitdrukking „slijkquot; is de gematigde uitdrukking van Schiller\'s: „Der Mensch entstelit aus Morast, und wartet eine Weile im Morast, und macht Morast und geht wieder zurllck in Morast, bis er zuletzt an den Schnhsohlen seines Urenkels unflatig anklebt. Das ist das Eude vom Lied, der Morastige Cirkel des Menschen Bestimmung.quot; Die Rauber, act. 4, sc. 2.

Bladz. 71. De Christus sloeg het vleesch, enz.

„Christus hat den Geist erlöst vom Fleische, wer aber wird dos Fleisch erlüsen vom Geiste?quot; L. Feuerbach.

Bladz- 73. Gij, in der onschuld kleed, rondspelend enz.

Boek der Spreuken, 8, 27—31.

III.

Bladz. 79. Naar Rome! Hoort het staal rinkinken.

Dat eens de Moslemin zag blinken enz.

Men kent de proclamatie van Lamoricière, waarin hij de Italiaansche vrijheidsscharen als de Muzelmannen onzer eeuw brandmerkt.

IV.

De Encyclica en de Syllabus van 8 December 1S65 vormen te zamen het heerlijkste bewijs van de nog altijd levende waarheid en eenwig goddelijke wijsheid, die het Catholicisme bezit.

Bladz. 81. Judaea\'s rechter stond, enz.

S. Joh. Evang. iS, 38.

Bladz. 82. dat slecht éeu

Bereikt, en hij, hij leeft enz.

Om te begrijpen, dat het laagste egoïsme veelal het beginsel is der machtigste industrie, behoeft men slechts een blik te slaan in Jürg, Geschichte der social-politischen Parteien ; of in de „Aphorismenquot; door denzelfden, en de Historisch-politische Blatter, Jahrgang 65, 66.

-ocr page 117-

107

Bladz. 84. Zijn leer is kindertaal, is zoete poëzij, enz.

Wie de frazen van den model-raensch, Dr Beelen (in Pierson\'s Adriaan de Merinval, Deel I), over het ontzenuwende, verzwakkende en cajoleerende der christelijke heilsleer heeft gelezen, hij zal zich licht een type kunnen voorstellen van den hier bedoelden fleren denkerquot;.

Bladz. 86. lin van de lippen klonk \'t, enz.

S. Lucas\' Evang, 23, 34.

Bladz. 86. Nog klinkt dezelfde bec, enz.

Eene toespeling op het te gelijk met de encycliek uitgevaardigd jubile\'.

V.

Bladz. 87. Van Jersey\'s eiland klinkt, enz.

De volgende aanhaling bevat de minst waanzinnige, de minst godslasterende gedachten, die Victor Hugo\'s Introduction op het bekende werk: „1\'aris-Guidequot; bevat.

Bladz. 90. \'tZijn achttienhonderd jaar! Daar trad de Tiberboorden, enz.

Deze geheele voorstelling en het begin van het volgend gesprek, worden reeds gevonden bij een van de oudste apologeten der kerk.

Bladz. 93. Hij zingt de grootsche daad, enz.

Le sacrifice est la loi fondamentale de l\'amour, — par le sacrifice 1\'amour individuel et l\'amour universel se confondent aussi, puisque par lui, l\'individu place son bonheur dans le service et le bonheur des autres. Cette sphère de dévouement s\'élargit i mesure que l\'amour divin se développe et Ton arrive ainsi, en remontajit de sacrifice en sacrifice, jusqu\'au sacrifice suprème consommé sur la croix par un amour infini. La fut promulguée, non seulement la loi du salut spirituel, mais celle aussi du salut tempore! de l\'humanité, en caractères mystérieux d\'abord pour elle, mais dont elle découvre graduellement le sens profond et illimité.

Gerbet, Introduction a la philosophic de l\'histoirc. Paris, 1832.

Bladz. 94. Hij zingt den held, wiens bloed de Dwina heeft gekleurd.

De Z. Josaphat Kunctevicz, Martelaar, door Pius IX heilig verklaard.

Bladz. 97. en gilt hij; „spreek!quot;

Men verhaalt dat Michel-Angelo, zijn voltooid beeld van Mozes beschouwend, uitriep; „Paria adesso, dacchè vivi.quot;

„Spreek nu, daar ge leeft!quot;

VI.

De voornaamste trekken dezer voorstelling zijn ontleend aan de zes laatste hoofdstukken van de Veropenbaring des H. Johannes.

Op de vraag: „Wat biengt ons de avond aan?quot; is slechts het antwoord mogelijk, dat te gelijk de oplossing is van alle vragen der wareldgeschiedenis.

De warehl zal, 6f van Christus meer en meer afwijkend en toch onmachtig om het godsdienstig gevoel, \'s menschen levensbeginsel, te vernietigen, eindelijk in den waanzin der afgoderij en der satansdienst verzinken; óf terugkeerend tot Christus, bij Hem genade vinden, vrijheid en leven.

Aan die keus sluit zich tevens de laatste ontknooping; het wareldgericht, met zijn beide zijden: de hel, waar de verdoemden sidderen en gelooven; de hemelen, waar de zaligen beminnen en aanschouwen.

En zoo blijft het altijd, \'t Zij dan in de hel als wreker of in den hemel als belooning, overal Koning en God: „Jesus Christus, heri, hodie. Ipse et in saecula!quot;

pi

-ocr page 118-

LIED DES KONINGS.

NOg eenmaal \'t koningslied, nog eenmaal \'t lied des Heeren, Bij \'t schokken van den grond, bij \'t dreunen van de sferen, Bij \'t loeien van den storm, gezongen! Slaat de zee Door dam en dijken heen en voert ze thronen meê En koningen; weêrstraalt, bij \'tfelle bliksemjagen,Og eenmaal \'t koningslied, nog eenmaal \'t lied des Heeren, Bij \'t schokken van den grond, bij \'t dreunen van de sferen, Bij \'t loeien van den storm, gezongen! Slaat de zee Door dam en dijken heen en voert ze thronen meê En koningen; weêrstraalt, bij \'tfelle bliksemjagen,

In somber rossen gloed de logen onzer dagen Als licht der warelden; brult immer nog de stem,

Die opgaat tegen God en raaskalt: weg met Hem?

Geen nood, er gaat door \'t hart des jongelings een trilling, Die naar gevaren hijgt, als naar der lusten stilling.

En die met iedren tocht, die van zijn lippen vliet,

Des kruises glorie zingt en Pius\' koningslied.

O Rome, Rome, gij, van mijner jonkheid droomen

\'t Volheerlijk ideaal, bron, in wier levensstroomen,

Als in Bethesda\'s bad, de dorre lijder daalt

En oprijst met een blos, waarin jong leven straalt;

Jordaan der wareld, gij, die volken, moêgezworven.

Van hun melaatschheid wascht, de leden, half verstorven,

Met manlijkheid versiert, o Rome; Koningin

Van kracht en liefde, gij, gekroonde van \'t begin.

Van de eerste wording af, gekroond voor alle tijden.

Zing, zing de hymne meê van Pius\' martellijden

En Pius\' zegepraal! Gij, puinen, door wier boog

Naat Jupiters altaar fier de overwinnaar toog;

Gij, worstelperk, dat eens den martelaar zaagt knielen,

Waar duizend rezen als er duizend stervend vielen ;

HET

-ocr page 119-

109

Gij, obelisken, die als tongen van graniet

Den Christus predikt over aard en luchtgebied;

Maar gij, maar gij vooral, der martelaren graven.

Paleizen van Gods bruid, toen \'t wareldrond slechts slaven

Of dwingelanden zag; gij, bazilieken, trotsch

Als echte koningen, geworteld in de rots.

Mengt aan mijn toon, die sterft in de eerste levenstogen.

Uw vollen tooverklank, uw gloeiend zangvermogen,

Dat in des harten diepst de hoogste geestdrift giet,

Zingt Christus\' gloriezang en Pius\' koningslied!

De schoot der zeeën scheurt en uit het diepst der kolken Beurt zich een rookkolom, die steigert naar de wolken. Het stralend zonnelicht in doffe neevlen hult. Den dampkring met haar walm en solferstank vervult; Dan eindlijk speelt de wind de dampen henen; wonder, Rees soms, een oogwenk lang, een klip en duikt zij onder Als weêr de golfslag naakt? maar rust spreekt de oceaan; Dan is een wareld — een stuk wareld weêr ontstaan ! Een juichtoon als van een, die, trillend van verrukking, De auroor der vrijheid groet na ijzeren verdrukking, Een toon, waanzinnig en toch juublend, zingt: „Het Lot Gaf eindlijk \'t raadselwoord : De wareld zonder God !quot; De wareld zonder God ! hoor, duizend stemmen loeien De blijde boodschap na, die \'t bloed in de aadren gloeien. Die \'t harte bonzen doet: „Daar, daar, daar zijn we vrij, Daar treedt geen priester of geen godheid ons ter zij,

Daar baarde uit eigen kracht natuur zich zelf; de moeder Is éen met \'teeuwig kind; geen God, geen Albehoeder, Geen kruis, geen Christusbloed, geen ofifer en geen dood. Gegroet gij, wareld, in der vrijheid morgenrood !quot;

Straks op dien lavagrond daar rijzen bloemwaranden, Omgordeld door een dijk, waarop de golven branden En breken; daar verrijst in gloeiende oosterpracht Een lusthof, waar de weelde in duizend vormen lacht; Daar zweven onder palm en geurge myrteblaadren Figuren, blij en licht, met wulpschen gloed in de aadren En wulpsche lachjes om de lippen; door de lucht Golft rasse dansmuziek in dartier toonen vlucht;

En als de cymbels slaan en purpren stroomen vlieten Ruischt luider, luider steeds de hymne van \'t gemeten. In \'tbreede schaduwveld der vorstlijke laurier Peinst met zijn aadlaarsblik, zijn voorhoofd, breed en fier. De wijsgeer, die de schand\', den waanzin van \'tgelooven Aan de oude wareld liet: hoe! nog een God daarboven, Hoe! spreekt niet iedre stem in \'t menschelijke hart Het Godsbewustzijn uit dat alle ketens tart?

En is hij dan geen God, hij, nakroost der Titanen, Hij, machtig om zich zelf den breeden weg te banen

-ocr page 120-

no

En rotsen hemelhoog te staaplen met een vuist,

Wier ijzren spierenkracht der eeuwen waan vergruist ? Ja, throon en outer zijn gevallen voor zijn slagen;

De kracht vermoeit zich reeds het zoete juk te dragen Der wijsheid, waar zij spreekt: „Geweld is recht!quot; Voorwaar Gelukkig wareldrond ! geen koningen meer daar Vol kinderlijken waan, „dat \'s Eeuwigen genade Hun schedel met het wicht der diadeem belaadde!quot;

Neen, scheppingen des volks, door \'t luchtig spel ontstaan, Jn al hun heerscherspracht der vrijheid onderdaan ! Der vrijheid, - haar alleen geurt hier de wierook tegen.

Haar geldt het beurtgezang, dat schatert langs de wegen; Voor haar slechts buigt de knie der wareld zonder God, Die slechts éen eerdienst kent: verzinken in genot.

Toch door het diepste merg dier wonderwareld varen Nog andre schokken heen, dan die het spel der snaren Of \'t hijgen van den lust door \'t harte trillen doet; Is \'t vreeze, is \'trazernij, die door dien bodem woedt? Breekt soms de zilte golf door breedgescheurde kloven. Of brokkelt ze aan den rand der gladde marmerhoven ? Hoe! trilt soms door de lucht, die siddert bij dat woord. De naam eens ballings; God ?

Als over \'t lachend oord. Waar vrucht en bloem en knop in de eigen stonde bloeien, De lava-oceaan zijn vlammen-golf doet vloeien,

Dan gilt een angstkreet door de rijken der natuur, Dan wordt der aarde tooi de speelbal van her vuur, Dan gaat in asch en vlam der wareld glorie onder,

Bij \'t loeien van den storm en \'t raatlen van den donder; En wat slechts voedsel geeft aan \'t jagend vlammenheer Is \'t vratig element een bondgenoot te meer.

Zoo hier; er klonk een woord: de schoonheid werd harpije, De wijsheid logengrijns, de kracht tot razernije.

De vrijheid boog in \'t stof; tot aller stormen vest, Die buldren onder \'tjuk dat hen te zamen prest,

Werd nu de lustwarande; er klonk een woord, er gilde Een vloek (en in de hand der heilige englen trilde De gouden harpe): „Er leeft eenquot;God, een eeuwge God ? „Hem zij de haat, de dood, de onteering; maar er spot „Met ons bestaan een stem, die davert door de sferen, „Die Christus\' naam verkondt en God, den Heer der Heen „In duizend psalmen zingt; voor ons geen eer, geen rust, „Dood aan wie God belijdt of ons!quot;

En van de kust

Schiet bulderend de orkaan, ten leendienst opbezworen Uit \'t somber rijk der nacht; als ziedende van toorn, Zoo brult zijn heerschersstem en davert langs de zee; Hij voert in de eene vaart en wolk en golven meê. Hij, koning van een rijk dat palen kent noch perken!

-ocr page 121-

Ill

Een machtige aacllaar is \'t, die op zijn stalen vlerken De holle donders kruit, den rossen bliksemgloed In de ijzren klaauwen bergt, de baren zieden doet Van de ongetemde drift, die door zijn snavel ademt.

Terwijl zijn vlammend oog heel \'t strijdgebied omvademt, Tot waar zijn vijand toeft:

Een hooge steile rots Verheft zich fier en vrij, door \'t brandend golfgeklots Gewasschen, nie:; geschokt, als spottend met de orkanen. Aanstormend langs de zee met breed ontploken vanen, Als lachend met den vloed, die om haar wanden slaat, In wolken paarlend schuim daarhenen spat: zij staat Zij staat, — een breede krans van schitterende stralen. Een levend zonnelicht, waarbij geen zonnen halen.

Vonkt om haar schedel; wat verheven bogenrij Bouwt op die spits zich sadm, van alle kanten vrij Voor wie als dienaar komt; van allen kant omgeven Door helden, als de steen, waarin hun daden leven. Onbuigbaar, onverwrikt; hoog in hun midden rijst Het kiuis. het eeuwig kruis, dat zegevierend wijst Op wie uit Judaas stam, een leeuwenwelp, gesproten.

Aan \'s Vaders rechterhand het juublen hoort der noten: „De Christus overwint, de Christus heerscht, gebiedt, „O Christus! laat uw volk alleen in \'t strijdperk niet 1quot;

Twee bronnen borlen daar, twee levensvolle stroomen,

Beide uit de levenskracht des kruises voortgekomen.

Beide ook met levenskracht en levensgloed beladn. De stroomen van de Liefde en van \'t Geloof: daar staan Twee wachters aan den weg, uit Isrels heupe stammend. De een met zijn sleutelpaar en de ander met zijn vlammend, Zijn aldoordringend zwaard, beide, in des Heeren kracht, Apostlen van Zijn woord en zuilen van Zijn macht.

Daar gaan, bij \'t blij gejuich, bij \'t schettren der fanfaren. De bronzen poorten op, - wij duizelen, wij staren; Het zwakke menschenoog, de sterfelijke zin Drinkt als de oneindigheid bij volle togen in. De oneindigheid in steen ! hoe heerlijk slaan de golven Dier schoonheid om u heen, tot ge, in dien stroom bedolven. Uw kleinheid als vergeet en machtig wordt als zij.

De hoogste reuzenkracht en schoonste harmonij,

In goud en marmer hier belichaamd, die zich menglen Met Christus\' scheppingswoord en \'t jubelkoor der Englen, Dat in een gouden woord om de open grafcel dreunt: „Gij, Petrus, zijt de rots 1quot;

Hoe loeit, hoe brult, hoe steunt De bulderende orkaan 1 Er stormen legermachten Door \'t donker luchtruim aan, op breede gierenschachten.

-ocr page 122-

112

Met roof en bloeddorst in heur aadren, voortgezweept Door d\' ademtocht der Hel, die altijd nieuwe sleept Uit \'t ongemeten rijk des afgronds; hoe orakringen Hun zwarte scharen, in \'t onstuimig voorwaarts dringen En \'t zegelied reeds op de lippen, Petrus\' rots !

In \'t stof gebogen, bidt de heilgemeente* Gods :

„Hoe lang, o Heer ! hoe lang ? Zie de opgedreven waatren ^Gaan hooger, hooger steeds; de heiige wanden schaatren „Van \'t schel triomfgezang, dat, kruis en offerbloed „Onteerend, God vertreedt en Satans komst begroet! „Hoe lang, o Heer! hoe lang? Is in de purperplassen „Van Golgotha uw bruid van elke smet gewasschen,

„Vlocht maagd en martelaar uit palm en lelieblad „Haar diadeem te zadm, draagt ze in haar hand den schat, „Op aller eeuwen waan door Uwe kracht gewonnen,

„Heeft ze onder \'t kruis voltooid, wat onder \'t kruis begonnen, — „Wat toeft ge dan, o Heer? In \'tgouden hoogtijkleed,

„Haar Credo juublend, staat de trouwe bruid gereed. „Zal eerst een valsche hand haar gulden siersel rooven, „Zal ze eerst slavinne zijn, dan voor uw troon daarboven „In \'tkleed der schande staan; hoe lang, o God! hoe lang? „Hoe staat uw bruid alleen in \'t stormend strijdgedrang 1 „Alleen, woestijnkind zij, door heete Simoun-tochten „Gezengd, alleen, door aarde- en hellekracht bevochten, „Gescholden als onteerde en in haar smart alleen,

„Wie is haar kampioen, haar steun, haar wachter?quot;

„Een,

„Éen,quot; klinkt het van omhoog, „gij, Simon, Jonas\' zone, „Zijt Petrus mijner bruid en schutsheer van haar krone; „Als \'t herfstblad, dat de wind al spelend henendrijft, „Verstuift het menschenwoord; het woord des Heeren blijft I „Zie, eeuwen komen op en eeuwen weêr verzinken, „De nacht omsluiert de aard, of morgenstralen blinken; „De volken rooft de dood, die om hun wiege zweeft, „Éen blijft er : Simon sterft; maar Petrus, Petrus leeft 1quot;

Waar boven Gods altaar de tempel aller Goden In \'t hoogst der lucht zich welft, door \'t meesterwoord geboden Te stijgen naar omhoog tot Christus\' meerder lof,

Staat Petrus, Pius nu.

Verhef u uit het stof.

Laat de aarde met haar vage en vleiende idealen En zoek in hooger sfeer, in reiner lichtbronstralen,

Mijn arme geest, uw verw, uw tinten! bid en kniel,

Vraag vastheid voor uw hand en geestdrift voor uw ziel; \'t Palet van Francia, Angelico\'s vervoering.

Of Michel Anglo\'s lijn en Dante\'s forsche ontroering!

Wie schetst den Paus, dat spel van hooge majesteit

-ocr page 123-

113

En liefde, vorstenkracht en moederteederheid,

In \'t wijde koningskleed die machtige gestalte,

Zich buigend niet gebukt, want van het eêlst gehalte Betuigt zich dit metaal, in \'t felste vuur gestaald.

Steeds rijzend uit de kroes door hooger glans omstraald; Die trekken, door een kroon van golvend zilvren haren Omlijst, het stralend oog, dat forsche krijgerscharen Doet siddren. en een lachje op kinderlippen brengt, Dat koestert als de zon of als de zon verzengt?

Wie schetst den Paus, dat beeld van \'t wonderrijke leven, Die hemelvolle kracht, door \'t aardsche kleed omgeven, Die vormen, waar de gloed, de glorie van zijn God,

Genoten en aanschouwd, door heen breekt, voor het lot De sluiers heeft gelicht, die \'t menschlijk oog omdwalen, — Als door de vlugge wolk der zonne morgenstralen?

Ik heb gezien, gezien! en of ik weende, of bad,

Of jubelde, of wel knielde, of bevend nader trad,

Wie spreekt het? maar bij \'t slaan, bij \'t bonzen van mijn ader, Ontbruischte \'t aan mijn ziel: mijn koning en mijn vader!

Daar rijst hij, hij, de Paus! Een wondervolle zang Ontstroomt zijn lippen; \'t is, als gaf der ziele drang Zich lucht in golven van de rijkste harmonieën.

Die \'t siddrend menschenkind neêrwerpen op de knieën;

„U, Heer der heiligheid! U, vader aller macht!

„U, ongeschapen God! zij alle dank gebracht,

„Altijd en overal, naar billijkheid en waarde,

„Naar \'teischen van Uw recht en \'theil der zondige aarde!

„Gij, Vader, eeuwig God! met d\'éengeboren Zoon,

„Met Uwen Heilgen Geest zijt éen; niet in persoon,

„Maar in drieëenheid van het éene hoogste wezen:

„Éen God, éen Heer zijt Gij! Wat in Uw licht mocht lezen

„Ons jubelend geloof van Uwer glorie eer,

„Dat spreekt het van Uw zoon, Uw geest, o Vader! weêr,

„En speurt geen onderscheid! Wij zingen en belijden

„Den God, waarachtigen regeerder aller tijden;

„Wij bidden knielend aan- en geven in het stof

„Het eigen der persoon, des wezens eenheid lof,

„Met \'t onbeperkt bezit der éene hoogste glorie.

„Het koor der Englen zingt de hymne der viktorie;

„Het lied der Serafs bruischt, de Gherubs geven \'t wéér,

„De menschheid hoort het aan en stamelt: Heilig, Heer!

„Ja, Heilig, Heilig zijt Ge, o God der legermachten!

„Der aarde breede kreits, der heemlen zaalge krachten,

„Zij vatten in haar glans Uw heerlijkheid niet saAm;

„Gezegend Hij, die komt en voert Uw konmgsnaam,

„Hosanna, eeuwig God! Hosanna! Heer der Heeren!quot;

8

-ocr page 124-

144

Als ving een echo \'t woord, dat juichte door de sferen,

Als gaf ze \'t honderdvoud met honderdvouden gloed, \'t Verbaasd gehoor terug, zóo golft een breede vloed Van Hallelujah\'s door de gulden koepelvormen,

Hoogzwellende van kracht, als de ongetemde stormen. Harmonisch, als de toon der zilvren cythersnaar :

„Hosanna, eeuwig God, Drieëenheid, wonderbaar!quot;

En Pius bidt, hij heft èn hand èn smeekende oogen

Ten Vader; o! het hart, het menschenhart, bewogen.

Gepijnigd door de pijn van d\' armen trouwen groep,

Die om zijn zetel schuilt, breekt in het hulpgeroep

Voor Godes outer uit, maar heeft een smeekbede over

Voor hen, wie ruw geweld, wie streelend zingetoover

Op andre paden bracht, ja, spelend met hun eed,

Hun trouw vergeten en het recht vertrappen deed.

Dan, wonder! slaat zijn kracht, in \'t hoog bewustzijn groeiend.

Tot tarten over, nu de wilde noodstorm, loeiend.

De zuilen trillen doet des tempels en de grond.

Zoo \'t mooglijk waar\', zich scheurde en heel zijn rijk verslond ?

Hij roept, en machtig klinkt \'t geheimnisvol gefluister.

Hij roept der aarde kracht, gekroond door hemelluister.

Ten strijde: gordt U om en grijpt het oorlogsstaal.

Hij roept de zaalgen tot het eeuwig hoogtijmaal!

„Maria, Moedermaagd! geniet nog eens de weelde,

„Straal eens nog in den lach, die om Uw trekken speelde,

„Toen \'tkindjen op Uw knie, door wierook, myrrhe en goud

„Gehuldigd werd als vorst, als God en Gods heraut!

„Gij, twaalftal! schouw nog eens op \'tnooit begrepen wonder,

„Waar de eeuwge God zich zelf, van liefde dronken, onder

„Het woord des menschen stelt. Gij, martelaren! juicht

„Bij \'t levende geheim, door \'t martelbloed betuigd,

„Gij, Cherubs! plooit uw wiek en jubelt lof en zegen

„Den ongeschapen God, den zoon des Vaders tegen!quot;

De grijzaart buigt het hoofd: geen woord, geen toon, geen zucht;

\'t Is alles, alles stil in \'t tempelruim, de lucht

Houdt zelfs haar golving in, de mensch het ademhalen;

Ter kroone smelt het spel der gouden zonnestralen;

Een blik omhoog, éen wenk, éen woord, éen wonderwoord —

In Pius\' handen rust de Godmensch!

Breekt hervoort Gij, lofgezangen! slaat in jubelende galmen Langs al \'t geschapen heen; zingt Christus eerepsalmen,

Zingt Christus\' zegelied! Gij, breede heilgen-stoet!

Voer Hem uw koningszang in volle vaart temoet!

Gij, die zijn trekken van hun smaadheid hebt gezuiverd. Gij, die voor folterpijn noch kruisdood hebt gehuiverd.

Maar juublend opwaart gingt, gij allen, bij wier stem De wareld van uw tijd of beefde of juichte, eert Hem,

-ocr page 125-

115

Van wien gij alles, kroon of beedlaarsstaf, of grootheid, Of hooger goed ontvingt in armoede en ontblootheid.

Zingt, jubelt om Zijn throon 1 Gij, trotsche graven, geeft Uw dooden weder op aan Hem, die heerscht en leeft In de eeuwige eeuwigheid! Gij, Christus\' Paladijnen! Gij, Cesar, die het eerst des kruises vorm deedt schijnen Op kroon en vaandeltop! gij, Charlemagne, knecht Van Petrus, maar monarch naar Godes keus en recht! Ontzagbre heldenvorm, een heldeneeuw doorstralend.

Naar uwer glorie maat der hoogsten roem bepalend.

Gaat, dondert in uw lied, nog nimmer strijdens moê. Der wareld zonder God het lied van Christus toe!

De traan der smarten drooge en \'t kermend smeeken zwijge, Des konings hooge lied, het lied der zege stijge!

O, loop der eeuwen! o gij, raadsel, wonder spel Van duizend machten, van de reuzenkracht der hel, En \'tkind van God, dat bidt; o sfinx, die zooveel vragem Ziet beven op de tong. mysterie, dat de dagen.

De korte dagen van een menschenleven vult.

En toch voor \'t zoekend nog u slechts ten halve onthult! Een andere Atlas draagt de wareld op zijn schoudren, Een levend rotsgesteent\', dat wanklen noch veroudren Ooit kende of kennen zal, — toch, brullend jaagt de nacht Zijn zwarte benden aan, — van waar, van waar die kracht?

Het Lgt;, als zong een stem in toonen wonderstreelend. Den geest belevend en het twijflend hart vereêlend. Van boven \'t hooge altaar mij \'t heerlijk antwoord voor: „De blik van wie gelooft breekt alle sluiers door.

Zie \'t heilig offermaal, waar Christus wordt gegeven.

Waar we aan des kruises voet weêr met den Leerling beven. Waar de eeuwig frissche bron der heilgenade vloeit En \'t zaalgend voorgevoel der Heemlen ons doorgloeit! Zie Petrus\' rotsgraniet in Christus\' bloed geboren,

Zie Pius met het Woord, dat aarde en hemelkoren Deed rijzen voor Zijn woord, op \'t gouden cirkelblad!

Kniel, jubel en aanbid wat dit geheim bevat!

O wareld zonder God, wat waant ge God gebannen?

Wie vat d\' Oneindige, wie kan Hem grenzen spannen. Hem die \'t geschapen al als in zijn handen bergt En onder schijn van brood uw trotsche wijsheid tergt? Er heerscht een God omhoog, dezelfde God beneden Sloeg zich een legertent, herschiep deze aard ten Eden En voert met reuzenband, bij \'tbarnen van den strijd.

Naar \'t ongeschapen doel de stroomen van den tijd,

Soms breekt een heldre straal het opgestapeld duister, Een straal van d\'eeuwgen dag: dat is des Heeren luister. En nu, wie waagt den worp in \'t hachlijk wareldspel, Wie staat er tegen „God met onsquot;, Emanuël?quot;

-ocr page 126-

146

„Ik,quot; buldert luid de storm, „ik,quot; spotten hoog de vlagen, Herauten van het rijk, dat Christus wil verjagen Uit mannenborst en kinderharten; „ik, ik sta,

^Ik dien, ik ken geen God!quot;

Geen echo galmt het na Het trotsche menschenwoord. Als de adelaar, wiens spieren De pijl des jagers bij het welgemikt bestieren Met vlijmend staal doorsneed, met pennen half verlamd Zijn hooge rots bereikt, de drift, die hem ontvlamt\' Op \'t eigen nest als koelt en met de laatste slagen Der vlooglen door de lucht de brokken heen doet jagen, Eens tot zijn koningsthroon gegaard en sadmgebouwd; Zoo de opbezworen storm, die op het reine goud Op \'t eeuwig diamant der maagdelijke wanden Zijn reuzenadem brak, nu op de wrakke stranden Dier tooverwareld weêr terugslaat, ongetemd.

Maar ook ontembaar, — want geen vuist, die hem omklemt Als de ijzren hand van God!

Verdelging voor zich jagend Gaan nu de orkanen, dood op hunne wieken dragend. Langs d\' eigen bodem waar hun heirtocht werd bepaald. Hoe somber wordt dat rijk door eigen glans bestraald! Hoe vallen, storten en verzinken in éen stonde.

Die tempels van geweld en wetenschap en zonde! Hoe scheurt de bodem, die met scheppingsmachten spot, Hoe buigt zij voor een God, die wareld zonder God!

Zie over \'t woelend vlak der wateren, die brullen Bij \'t snerpend geeslen van den Noorderstorm, vervullen Des Wrekers boden hun verdelgingswerk; daar jaagt In brok- op brokstuk, dat geen teeken aan zich draagt Of \'t kerker was of hof der weelde, langs de baren Het rijk der vrijheid heen. Wat bleeke schimmen staren. Zich hechtend aan dat puin, in \'t ziedend, kokend graf. Met neevlen voor het oog, die in der zonde straf Hun slechts de ontwikkeling doen vinden van het leven I Hoe voelt die andre groep het wufte harte beven Bij \'t naadren, naadren van de worstling met d\' orkaan; Hoe zoeken ze in de kolk, om aan zich zelf te ontgaan. Vernietiging en — rust!

Gelukkig, wien de golven Neêrwierpen op de rots van Petrus, al bedolven Hen spring- op springvloed, ook al slingert de oceaan Langs klippen scherp en steil, bij \'t op- en nedergaan De matte lenden heen en weêr, als lichte wieren. Die \'trimplen van de baar om \'t steil graniet doet zwieren. Gelukkig, ja, wiens hand bij \'t grijnzen van den dood Dien bodem grijpen mocht en zwijmend \'toog er sloot!

Wat wonder toongeluid, wat steigerende zangen.

-ocr page 127-

117

Hoog boven \'t stormgeloei weêrklinkend, opgevangen Door hemel, aarde en hel! Zingt Mozes weêr zijn lied Aan de oevers van de zee, die hem den doortocht liet En Faroos heir verslond? Voert Miriam haar kooren Hooghupplend in de zege op dwinglandij en tooren Tot \'s Heeren lofgezang? Neen, schiet er uit de borst Des Konings weêr een lied voor hooger eere vorst En voor de reine bruid, te midden van de schoonen Der schoonheid Koningin? Of stort in reuzentoonen Heel \'t schepslenheir het lied, het Hallelujah uit,

Als weêr des Levens hand der graven poort ontsluit ?

Wat wonder toongeluid! Hoor, als de stem des Heeren,

Zoo machtig rolt het door de luisterende sferen;

Zóo sprak eens Petrus voor zijn broeders in den kring,

Waar \'t éene heilgeloof ook d\' éenen vorm ontving;

Zóo vlamde Paulus\' woord, dat slagzwaard, langs de wareld,

Die trilde en nederboog! Een vloed van klanken parelt

In rijke melodie en hemelzoeten val

Als gouden drupplen neêr op schalen van kristal.

Dat is des Konings zang!

Door Christus gantsch bemeesterd. Door Christus\' vleesch gesterkt en door zijn bloed begeesterd, Een andre Theofoor, staat Pius en hij ziet De wareld aan zijn voet verzinkende in het niet.

Verzinkende met al, wie daar zich zelv\' ontzielden;

Daar dreunt zijn reuzenstem, —wij hoorden zeen wij knielden.

„Een zuil verheft zich op deze aarde, met haar voet

„Gevestigd in \'t cement van \'s kruises godlijk bloed;

„Een zuil uit rotsgraniet gehouwen en omgeven

„Met stralend kroonengoud. Wat schok den grond doe beven,

„Zij trilt niet. Op haar top rust in een zee van licht

„De geest der heerlijkheid, die koningrijken sticht,

„De duive der Jordaan, de zetel hooger waarheid;

„En van dier wieken stroomt een golf van heinelklaarheid,

„Die om den reuzenvorm des Heeren glorie giet,

„Wier glans, als zonnegloed, door doffe neevlen schiet.

„Een throongestoelte staat; wat ook de wentelkolken

„Der eeuwen in hun kring aan \'t oog der wareldvolken

„Ontroofden, wat de hand der menschheid in haar drift

„Ternedersloeg, dit staat! God heeft er op gegrift

„Zijn eeuwig raadsbesluit in eeuwge lettervormen;

„Dit is mijns Konings Stoel!

Bij \'t loeien van de stormen, „Mijn broeders, om die zuil, dien throon vergaderd! Nu „Vraagt de aarde in stervensnood der redding woord van u, „Bij \'t sluipen van den dood, nu \'s levens vaste kringen „Zijn sadmgetrokken om het middenpunt der dingen,

-ocr page 128-

H8

„Om aller waarheid zuil en om den Stoel der macht,

„Dien \'s Vaders Zone stelde in zijner godheid kracht!

„Een maagdelijke bruid wacht onder wijngaardranken „Den eeuwgen bruidegom. Wat zaalger liefde spranken „Er tintien in dat oog, er gloeien in die borst,

„Hoe \'t hooger zwellend hart naar \'t blij omhelzen dorst! „Zij heeft gestreden, ja gestreden, en verwonnen,

„Trots kerker zwaard en dood, trots gloeiend vuur der zonnen, „Trots folterende koude in schrikbre woestenij,

„Zij bleef des Heeren bruid in schande en slavernij;

„Rein als de wintersneeuw, die glinstert om de bergen, „Verheven schepping Gods te midden van de dwergen, „Die grijnsden aan haar Moet en grepen naar de kroon „Gespannen om haar hoofd door d\'eengeboren Zoon! „Zij klemde zich om \'t kruis, haar erfdeel en haar glorie, „Bij \'t razen van d\' orkaan of \'t jublen der viktorie, „En, moeder als de maagd in Bethlems armen stal,

„Vond aan haar moederborst het hongerend heelal „Der liefde voedsel, met de spijze, die het leven „Uit kille graven naar den hemel op doet zweven!

„Gij, arme zwervers, die de hooggestegen zee „Rondgeesselt zonder rust of uitzicht op een reê,

„Waar u een moeder wacht, hoort gij de zoete stemme, „Ziet gij den open arm, die aan het hart u klerr.me „Der reinste moeder? O gij, dwazen, die den schoot „Der eeuwge liefde voor een valschen blik ontvloodt, „Wat draalt ge? een moeder roept, een moeder smeekt, gij armen!

„Er gaat een Godsgericht langs de aarde! Geen erbarmen „Kent dan de koning op zijn sneeuwwit ros. De boog „Rust forsch gespannen aan den schouder en het oog „Zoekt naar geen doel meer!

Zie, de in bloed geverwde hoeven „Des oorlogs trapplen de aarde en langs de purpren groeven „Volgt met zijn weegschaal reeds de honger, en er gilt „Een snijdende angstkreet rond, die \'t ingewand doortrilt! „Vraag aan dat bleeke paard den naam van zijn berijder: „„De dood!quot;quot; Wat kampioen die opgaat en dien strijder „Den lastbrief rooven kan, wiens vlammend koningswoord „De, wareld als zijn prooi hem aanwijst?

O aanhoort,

„Gij kindren van de bruid, die op uw tooverstranden „De wrake woeden zaagt, die in der golving branden „Uw graven gapen ziet, hoort, hoe uw moeder smeekt, „Die, zegevierend, toch om u van tranen leekt\'

„O Christus, Koning, God en Redder! Ja de schimmen „Der dwaling sterven weg voor u! Aan de Oosterkimmen

-ocr page 129-

419

„Versmelt de nevel en een gouden purpergloor

„Zingt: de eeuwge morgen komt, de groote dag breekt door

„De dag der eenheid en de glorie van den koning!quot;

En de aarde jubelt luid in blijde feestvertooning,

Neen, zinkt aan Pius\' Stoel met kindereerbied neêr:

„Voor u heeft God alleen, heb ik geen kroonen meer!quot;

-ocr page 130-

MNTEEKENINGEN.

Bladz. 108. bron, in wier levens

Als in Bethesdaas bad,

De wonderbare vijver te Jerusalem, wier water, door een Engel beroerd, alle kwalen genas. Zie het Evangelie van Johs V : 2.

Bladz. 108. Jordaan der wareld, gij, enz.

Hier wordt gezinspeeld op de wonderbare genezing van het Syriesch legerhoofd Naëman in de wateren der Jordaan. Men vindt het verhaal: IV Boek der Koningen, 5, 14,

Bladz. 108. Koningin

Van kracht en liefde.

De grieksche naam van Rome beteekent: kracht; Roma, omgezet, Amor, is liefde.

De zinspelingen op verschillende monumenten der eeuwige stad in de volgende vaerzen voorkomende, behoeven geene verklaring.

Bladz. in. wat verheven bogen

Bouwt op die spits zich sadm, enz.

In geheel deze beschrijving heb ik Stt Pieters dom met haar voorplein enz. voor oogen gehad.

Een vierdubbele, van a\'le kanten opene zuilenrij sluii van wêerszijden in een halfrond het voorplein van St. Pieter in. Op de kroonlijst der kolonnade zijn de standbeelden van een honderdtal heiligen geplaatst. Midden op het plein staat tusschen twee prachtige fonteinen de beroemde obelisk van Sixtus V, met de even beroemde opschriften waarvan een de zegepraal van Judaas leeuw bezingt en een ander bijna woordelijk vertaald — zonder iets van de marmeren majesteit van het origineel behouden te hebben, in den tekst voorkomt. Aan den voet der trappen, die onmiddelijk tot St. Pieter geleiden, staan de standbeelden der H. H. Apostelen Petrus en Paulus. De bronzen deuren van St. Pieter worden alleen bij den intocht des Pausen geopend.

In reusachtige gouden letteren leest men op de fries van den koepel boven het graf der Apostelen: „Gij zijt Petrus\',\'gt; enz

Bladz. 112. Waar boven Gods altaar de tempel aller Goden, enz.

Men weet dat de afmetingen van den koepel der St. Pieterskerk die van het Pantheon (de tempel aller goden) naar den buitenmuur gerekend overtreffen, terwijl beide in vorm overeenkomen. Michel-Angelo wilde ook r.iets minder dan den koepel van het Pantheon duizenden voeten hoog in de lucht plaatsen om des Apostels graf te bekroonen.

Bladz. 113. Ik heb gezien, enz.

Dit is een persoonlijke herinnering door een vergeeflijke onbescheidenheid hier ingedrongen.

Bladz. 113. U Heer der Heiligheid, enz.

Ik heb hier beproefd (meer dan beproeven was onmogelijk, van slagen kon geen spraak zijn) eene vertaling te leveren van den heerlijksten der kerkelijke dogmatische triomfzangen, de „praefatio de SS. Trinitatequot;.

-ocr page 131-

121

Tegenover de algeheele loochening van God scheen mij dit jubelend belijden van het diepste aller geheimen: de H. Drieönheid, het meest gepast.

Bladz. 114. En Pius bidt,

Hier eene toespeling op eenige gebeden, die in de Mis het heilig oogen-blik der konsekratie voorafgaan, als: de gedachtenis der levenden en het gebed: „Communicantes,quot; etc.

Bladz. 114. Gij, breede heilgenstoet,

In de vier hoofdzuilen van St. Pieter staan de standbeelden der H. H. Veronica, Helena, Andreas en Longinus; aan de overige zuilen die der groote ordensstichters. In het voorportaal staan de ruiterstatuën van Con-stantijn en Charlemagne.

Bladz. 115. Zie \'t heilig otïermaal

Weêr eene proeve van vertaling der kerkelijke antifoon: „o Sacrum Con-vivium,quot; enz.

Bladz. 117. Een andre Theofoor, staat Pius:

Theoforus. volgens sommigen de eerenaam van den H. Ignatius van Antio-chie, Bisschop en Martelaar, beteekent: „Godsdrager, God in zich dragendquot; of „door God gedragenquot;. Ik meende, na de H. Kommunie op den Paus dezen naam in zijne eerst-aangegeven beteekenis te mogen toepassen.

Bladz. 117. Een zuil verheft zich —

Columna et firmamentum veritatis, de zuil en de grondslag der waarheid: de éene, heilige, katholieke en apostolische kerk.

Bladz. II8. Geen erbarmen \'■

Kent dan de Koning op zijn sneeuwwit ros.

Om te weten, waar ik deze beelden vond, behoeft men slechts een blik te slaan in het Boek der Veropenbaringen van den H, Johannes, hoofdstuk VI.

-ocr page 132-

P A R IJ S 1870-71.

1.

WEg is het zacht geruisch der teedre Aeoolsche snaren De zoete melodie Sterft lispelende heen en weeklaagt aan de bladrenEg is het zacht geruisch der teedre Aeoolsche snaren De zoete melodie Sterft lispelende heen en weeklaagt aan de bladren

De vlucht der poëzie. —

Weg is de tooverklank der huiselijke weelde;

Der harten hymne zwijgt;

Niets: als wen \'t blonde kind, dat dartelende speelde,

Het hoofd ter ruste nijgt;

Och, \'t is de looden druk, die \'t wakend tweepaar oogen

3ij \'t zoete wiegjen sloot.

En \'t harte stil doet staan, door stommen schrik bewogen:

Bij \'t sluipen van den dood!

Eén zal er minder zijn, als weêr die oogjens glansen.

Als weêr dat handjen vlug Naar de eerste stralen grijpt, die langs zijn kribbe dansen: -

En keert hij ooit terug? —

Het is het zwijgen niet der koestrende avondstonde,

Als heel de wereld rust En \'t zilverlicht der maan, bij \'t ingaan van haar ronde,

Ze schuchter, bevend kust.

Neen, \'t is de stilte van de zegenrijke dalen,

Waar lente\'s tooverstaf Het leven in der roze en lelie glans deed stralen: —

Straks breekt de orkaan haar af!

Neen, \'t is het zwijgen van de hooggerugde bergen,

Als \'t onweêr om hun spits

-ocr page 133-

m

Zijn zwarte wolken pakt, die \'t stormend water bergen

En \'t vuur der bliksemflits.

Hoort, langs de harpen slaan de worstelende vlagen

En siddrend trilt de snaar;

Hoe snerpend gilt de klank; hoe huilend krijscht het klagen, Een gierend doodmisbaar!

Weg is de zachte toon der teedre Aeoolsche snaren,

Der vrede hymne zwijgt —

Daar komt een stormwind uit het Noorden opgevaren.

Die altijd hooger stijgt;

Een stormwind, voortgezweept door voortgezweepte stormen

In felle razernij.

Als trok weêr Odins heer met al zijn reuzenvormen

Het siddrend oog voorbij.

Een daav\'rend loeien slaat door alle wereldstreken.

Schudt iedren echo los, —

De beendren op het veld van Waterloo verbleeken,

En beven onder \'t mos! ^

De stormen naadren steeds, de stormen dringen samen

Tot ééne reuzenjacht,

Die, straks weer uitgeplooid, een wereld zal omvadmen

Met meer dan wereldkracht.

Voelt gij den Zuider gloed, die iedre spier doet trillen? —

De Sitnoun brak zijn boei.

En stormt in vlammendrift, met aaklig snerpend gillen.

Op \'t Noorder stormgeloei!

Het Zuiden jaagt zijn vlucht van vaalgewiekte winden

Met scheller krijschen voort;

Voor, altijd, altijd voort! -—- Bij \'t ziedend naadren zwinden

De stormen uit het Noord!

Daar loopt een trilling langs 4e blauwe hemelbogen

Bij \'t stooten van de lucht;

De wereld krimpt ineen, als machtloos neergebogen

Bij \'t zwiepend stormgerucht —

Hoort! langs de snaren van de harpe slaan de orkanenI

Kent gij die toonen niet?

Dat is de toon der wraak, de toon der bloed\'ge vanen.

Dat is het oorlogslied! —

Het lied des oorlogs dan! Een lied van lauwerkransen

En palmen eeuwig groen!

Een lied van tranen ook, die niet als paarlen glansen

Maar \'t loover dorren doen!

Het lied des oorlogs dan! Een lied van trotsche puinen,

Waarom geen klimop bloeit.

Maar om wier zwartgerooste of vaalgeschroeide kruinen

De scherpe kruiddamp stoeit!

Een lied van bloed en staal, waar \'t zwaardgeklir in klettert» Het reuzenmoordtuig brult;

-ocr page 134-

124

Met strofen, waar de klank der krijgstrompet door schettert,

Die \'t aaklig kermen vult!

Een wonder, wonder lied, vol hooge kracht en glorie:

Een hymne van den geest.

Die orde uil stormen schept, en \'t wiss\'len der Viktorie

In wufte wolken leest!

Het lied des oorlogs dan! Een nagalm uit de wouden.

Een zang der woestenij.

Waar leeuw en tijger beide in vrede een rustuur houden

Bij \'s menschen razernij 1 Een reuzig heldendicht in stroomen bloeds gegoten

Langs \'t grensloos worstelveld,

Waar straks de Koning Dood met de ijzige genooten

Zijn oogst van lijken telt!

Voeg al de letters saam, uit de ongebleekte beenen

Door \'t grillig spel gevormd.

Door \'t vale licht der maan als weifelend beschenen.

Terwijl de nachtwind stormt;

Lees, lees het bleeke schiift in \'t somber uur der wake:

„Geslachten gaan te niet,

„Maar eeuwig blijft de Heer, maar eeuwig blijft Zijn wrake\' Dat is des oorlogs lied. —

Nog stond gij los en vrij, gij Koningin der steden.

Voor \'t morgen onbeducht;

Nog zaagt gij spottend uit naar \'t nieuwtje van het heden:

Hoe wolkloos was uw lucht!

Schud vrij uw lokken uit, gij dartele amazone

In \'t sierlijk wapenkleed!

De zorgen vliegen heen; reeds ligt de zegekrone

In \'t arm Berlijn gereed!

Ja, \'t bal Mabille zwijgt, maar \'t schettren der fanfaren

Klinkt vroolijk, blijde en schel.

En vroolijk is \'t gezicht der breede krijgerscharen:

Een vroolijk tusschenspel;

Weêr heeft het geeuwen uit; de batterijen dreunen

Uw plein langs in galop; —

Een ander thema is \'t dan de Offenbachsche deunen,

En \'t frischt uw zenuw op! —

Een ander tooisel eens voor de eeuw\'ge balgewaden;

Weg met de rinkelbel!

Het spiegelend kuras vervangt de borstsieraden

En kleedt toch éven wel!

De scharen staan gereed, \'t Arabisch ros, gezadeld Met kostbre tijgerhuid,

-ocr page 135-

125

Wacht op de Afroditee, tot krijgsgodin geadeld,

En briescht zijn geestdrift uit!

Daar naakt, daar naakt Parijs! — Hoe aller blikken stralen —

Een lachje in \'t dartel oog,

Een liedjen op de lip van liefde en zegepralen,

Of haar geen angst bewoog,

Zoo wipt ze \'t zadel in en grijpt den gouden teugel.

En streelt de zijden maan! —

Maar eensklaps rijst zij op en, vaststaande in den beugel,

Ontplooit heur hand de vaan.

Het dartel lachje wijkt; de lonkende oogen pranken,

De mond staat streng en straf:

De Marseillaise golft in breed metalen klanken Miljoenen lippen af!

De Marseillaise klinkt. Dat is het lied der slaven,

Tot wanhoop opgezweept,

Nog rinklend met de boei, gebroken van de staven.

Ter helft nog meêgesleept! —

Het buldert uit het dek der sombere galeien.

Dat ribbe en dwarshout kraakt,

En de echo brengt een lang, een hartverscheurend schreien:

Bij d\' eersten toon ontwaakt! —

Herinnert ge u den dag, gij volken van Europe,

Toen \'t eerst dat lied weerklonk,

Hoe \'t blijde morgenlicht, hoe der bevrijding hope

In stroomen bloeds verzonk!

Herinnert ge u den dag, gij Rijn- en Sambre-boorden

Toen, feller dan het schroot.

De nooit gekende macht dier scherp gesmede woorden

Uw legers nederschoot?

Het vloog langs de Alpen heen, gevolgd door duizend zonen,

Lombardies vlakten door, —

De zegepraal, gehuwd aan ieder van die tonen.

Vloog juichend ze altijd voor!

Dat lied, het wierp den troon in \'t\' slijk der straten — scheurde

Het smetloos hermelijn. —

Geheel een volk verzonk, en uit de puinen beurde

Zijn hoofd de Jacobijn. —

Daar ruischt een stroom van bloed door ieder van die noten:

Het is het scheppingswoord Der wereld uit den schoot des afgronds voortgesproten

Bij \'t donderend akkoord!

Zoo klinkt de poëzie der vallende Englenkoren,

Een stormend wraakgeloei,

Waar de echo van een lied, in reiner sfeer geboren.

Niet daadlijk uit verwoei. —

De Marseillaise klinkt — door hooggezwollen aadren

Stroomt ziedende het bloed, —

Parijs verheft zijn vaan en brengt den God dier vaad\'ren

-ocr page 136-

426

Den God-Voltaire een groet!

Hoe anders was het eens, toen uit der stede wallen De herderinne toog;

De ruwe Geesel Gods, omringd van zijn vasallen,

Voor \'t woord der zwakke boog;

Een harig boetekleed was \'t harnas der gewijde, Een kruisbeeld was heur zwaard;

Zij toog in hooger kracht dan wapenpraal ten strijde,

Door de Englen Gods bewaard;

God was haar bruidegom. — het fluistren van haar bede Had de Eeuwigheid gehoord;

Het zwaard van Attila zonk machtloos in de schede Voor Genovevaas woord!

Hoe anders was het toen! — Een wolk van Englen zweefde Om muur en torentop,

En ving. Parijs, den zucht, die op uw lippen beefde, In gouden schalen op;

Hoe anders was het toen! En nog, nog stijgen klanken Ook uit uw schoot omhoog,

Nog beeft er menig hart en voelt de grootheid wanken. Die werelden bedroog;

Nog ruischen de echoos wel van zaliger geslachten,

Onsterflijk, altijd voort,

Nog bidt Vincentius, — en, och, der liefde klachten. Ze worden eens verhoord!

Maar klinkt de vrome bede ook krachtig, dringend, teeder. Vol liefde en vol geloof,

Maar roept ook traan op traan des hemels zegen neder, — Steeds blijft de hemel doof!

Ziet, twee gezellen staan, Parijs, aan uw zijde.

De Waanzin en de Schuld!

Aan beiden vastgeboeid, sleept elk u meê ten strijde. Van schrik des doods vervuld.

Verhef, Parijs, uw vaan! — de Marseillaise dondert:

„Geen boete, geen gebed!

„Weg met der heemlen God, door \'t simpel kind bewonderd; „Voltaire is God en wet!quot;

Een krijgsboó nadert. Van zijn hijgend ros gezegen.

Brengt hij der koningin

Gewis een eerlaurier, op \'t bloedig veld verkregen Door stalen heldenzin!

Al staat zijn voorhoofd strak — daar tintelt in zijn oogen Een levensvolle drift;

Zijn borst zwoegt sneller steeds, door \'t blij gevoel bewogen; Waar is zijns vorsten schrift? —

Of — is \'t de doodskleur, die zijn wangen doet verbleeken, Bij de eerste blijde vraag? —

-ocr page 137-

127

Vangt, vangt de woorden op, die door zijn lippen breken;

Hoort: „Forbach, — nederlaag! —

Geen nood, vorstin Parijs! geen nood, de zegepralen

Zij wachten uw bevel;

De jager lokt het wild tot vreedzaam buit behalen

En vangt het wis en snel.

Geen nood — daar vólgt een bode en wenkt u \'t antwoord tegen

Op de ongesproken vraag, —

De woorden, fluistiend van zijn lippen slechts verkregen.

Zijn: „Worthquot; en „nederlaag!quot; —

Geen nood, vorstin Parijs! geen nood, want de eindviktorie

Bracht eeuw op eeuw u aan;

Geen noordsche knechtentroep zal aan uw heldenglorie

De ruwe handen slaan. —

Ziet! bode op bode komt, met versch geplukte blaadren

In \'t heete worstelperk;

Bedwing de valsche vrees, die rondsluipt door uw aadren.

Wees Koningin en sterk!

Wees Koningin en sterk! — dat fluisteren uw zonen? —

Wat ruwe spotternij!

Gevallen is uw staf — gebroken zijn uw kronen;

Uw droomen zijn voorbij.

Wat wacht ge, een driftig blosje op \'t marmerbleek der wangen,

Een antwoord op uw vraag? —

Zoo ras het eene woord het andre kan vervangen,

Is \'t altijd: „Nederlaag!quot; —

Wat waakt gij eindlijk op, gekwetste tijgerinne.

En breekt ge uw tooverban,

Werpt gij \'t tooneelzwaard weg, en wordt ge weer heldinne, Bij \'t ééne woord: „Sedanquot;?

III.

De zoon van \'t Noorden zingt:

„Gewroken is de schande.

Der oudren eer hersteld.

Begraven is de smaad, die ons in \'t harte brandde,

Op \'t bloedig lijkenveld!

Gewroken is het bloed der neêrgetrapte vaadren, »

Dat steeds ten hemel steeg.

Dat schaamrood op de wang en koortsdrift joeg in de aadren

Terwijl de Koning zweeg!

Maar \'t blijde woord weêrklonk — gevallen is de dwinger.

Gevallen in het slijk!

Zijn grootheid spatte uiteen, en Duitschlands stalen vinger

Wees keer op keer een lijk!

o Duitschland vrij en één, o Duitschland, onze glorie,

-ocr page 138-

128

Rijs uit der eeuwen graf;

Omslinger u de kruin met kransen der viktorie,

En leg het doodskleed af!

De levensmorgen daagt uit strijd en worstelingen,

Uit zeeën rood van bloed!

Eerst zal nog \'t heldenzwaard de keizerstede dwingen:

Parijs krimpe aan uw voet!quot;

Parijs! — herkent gij \'t nog? — gepantserd van de zolen

Tot aan des schedels kruin,

Geriemd in \'t stalen kleed, den vijand nog ontstolen,

Onwrikbaar als arduin,

Maar met het helmvizier hoog open, met de bleekheid

Van d\' ernst op \'t stout gelaat —

Zoo wacht het, ópgewaakt uit dartel wulpsche weekheid,

Zijn vijand af, en staat. —

Het wacht, pal als de zuil te midden der ruïnen,

— De zuil van Frankrijks trots —

Helaas, waarom niet eerst, bij \'t naadren der lawinen.

Geknield voor \'t outer Gods!

Het wacht, — en \'t blanke zwaard trilt in de leen\'ge ving\'ren

Het schild beschut de borst:

Naak vrij, gij zoon van \'t Noord, met al uw ruwe dwingren!

Parijs erkent geen vorst!

Zich bukken — nimmer! neen, zoo lang een spier nog rijzen.

Een ader kloppen kan —

Eerst geeft ze \'t antwoord nog op al uw hoonbewijzen.

Een antwoord op Sedan!

Dat was geen strijden meer — dat hopelooze wringen

In \'t stalen jagersnet.

Dat worstlen met een boei, die nauwer steeds haar ringen

En steeds onbreekbrer zet;

Dat aadmen zonder lucht, dat werkeloos verkwijnen

In d\' engen stedemuur —

\'t Is steeds hetzelfde leed, \'t zijn steeds dezelfde pijnen

\'t Is één, één eeuwig uur! —

Wat baat het, of ge straks met meer dan tijgerwoede

Uw felste pijlen drilt?

Hem tergt ge te vergeefs, die daar in koelen bloede

Berekent wat ge spilt! —

Twee minnaars koost ge u uit, en beiden boodt ge uw minne

„Der Zege of wel den Doodquot;; —

Hun beider ruwe voet vertrapte u — de boelinne

Behoort den Hongersnood!

De god der Zege ging, - uw schoonheid was verloren,

Wat zocht hij meer dan dit?

De Dood trad nader, zag — en ging, — zijn uitverkoren

Zij vlekkeloos en wit.

Hem riept ge kermend na, om deernis en erbarmen Met smartekreet op kreet;

-ocr page 139-

129

Hoe brandde \'t weeldrig han naar \'t ijzig kil omarmen —

Hij spotte met uw leed!

Het oordeel wordt vervuld — Gods wreken den verschijnen,

Op bloed en moord belust.

Geen sterven wordt uw deel, maar wel des stervens pijnen ;

De schande, niet de rust!

Toen reest gij eens nog op, ontembaar, onbedwongen

In vollen krijgsmansdos; —

Och, machtloos zinkt het zwaard; — daar naakt met felle sprongen

Der jagers breede tros, —

En gillend krijscht het woord, uw gorgel uitgewrongen:

„Laat, laat de doggen los!quot;

„Laat, laat de doggen los!quot;

Daar siddert door die kreten Een vreeslijk oordeel Gods,

Een echo van het woord, dat, Achab toegesmeten

Zijn kroon brak en zijn trots !

„Gaquot;, sprak de Heer, „tot hem, die Naboths wijngaard \'tooven

„En nu bezitten zal,

„Ga, zeg hem: „ „Moordenaar, uw Koning zag daarboven,

„„Wie \'t eerlijk erfdeel stal!

„ „God heeft gezien en spreekt: Uw vorstenbloed zal leken

„ „Als des gerechten bloed,

„ „De doggen slurpten \'t op, — ik zal de misdaad wreken,

„„Die de aard nog rooken doet!

„ „Ook u, u Jesabel, u geldt des Heeren sprake —

„ „U trapt der paarden hoef —

„ „De doggen snellen toe en schenden \'t lijk; de wrake

„„Verbiedt u zelfs een groef.

„ „Dan zal \'t misvormde rif uw misdaad nog verklagen,

„„Op \'t erf van Jesrahel;

„ „De volken stroomen toe en staan verstomd — zij vragen „„Is deze Jesabel?quot;quot; —

„Laat, laat de doggen los!quot;

Is dan het uur gekomen, Is daar geen hulpe meer?

Is dan de wrake vol en werpt de vloek van Romen,

Parijs, uw muren néér!

Van Rome! — Of weet ge niet, hoe ge in uw wulpsche zangen,

Om Naboth\'s erfdeel vroegt?

Herinnert ge u den dag, toen Achab \'t ging ontvangen,

Hoe gij reeds boeien droegt?

Herinnert ge u, Parijs, hoe gij zoo blij kondt schaaaen.

Bij \'t snerpend oordeel Gods?

Gij, andre Jesabel, hoort gij nu \'t zegeklaatren En voelt gij Jehu\'s knods? —

Een bede, een traan van rouw geeft meerder zegepralen Dan heel een legertros; —

9

-ocr page 140-

180

Gij schimplacht bij dat woord met spottend schoud\'rophalen De doggen breken los!

IV.

Hol slaan de golven na het geeselen der vlagen,

Hol klotst de zware zee; —

Ontredderd drijft het schip — de mast is weggeslagen...

De orkaan nam alles meê!

Geen wimpels klappren meer met wisselende kleuren;

Aan flarden hangt het want,

En sijplend dringt de zee door duizend nauwe scheuren. —

Daagt nergens, nergens land? —

Dat is de sombre vraag, die ge op de bleeke lippen

Van ieder scheepling leest;

Hoe speurt de starre blik naar een dier steile klippen,

In voorspoed zoo gevreesd.

En altijd gaapt de zee en altijd dreigt het zinken,

En altijd loeit de dood. —

Wat sleepte niet de nacht hen mede, vóór het blinken

Van \'t helder morgenrood? —

Dat was de vraag. Parijs, die door uw boezem woelde.

Uw handen trillen deed.

Toen eenmaal weer uw nek den hiel des vijands voelde.

Die van geen meêlij weet.

Geen liefderijke hand zou uwe wond verbergen;

Hij toont ze heel der eeuw.

Dat hadt ge niet verdiend — dat was het laffe tergen

Van den gewonden leeuw;

Zijn manen rijzen op, zijn vlammende oogen vonken.

Schor dondert de oude schreeuw. De sidderende echo vlucht in duistre bergspelonken:

Het woud herkent zijn leeuw!

Zijn stalen klauw omspant reeds de aarde, als hield hij weder

Den terger in zijn greep, —

Een ruk der boeien werpt den vorst der wouden neder. En snerpend zwiept de zweep!

Dat was de vraag. Parijs! — Waarom niet eer gestorven —

Waarom onteerd — en vrij?

Niet liever lid voor lid gemarteld en gekorven.

Dan schande en medelij ?

Dat was de vraag. Parijs, die door uw aadren ziedde

Met meer dan lavagloed. —

Hoe baldet gij de vuist! Het oog dat u bespiedde,

Las in uw trekken „bloed!quot; —

De koorts der wanhoop sloeg door merg en beendren henen. En schudde u als de orkaan;

-ocr page 141-

131

Uw tranen droogden op, gij zoudt niet langer weenen,

Maar — vrij zijn of — vergaan! —

De geest des Caesars, die in \'t heete bloed der stieren

Zijn doopsel eens verdronk, \')

Werd wakker in uw borst waar vlammentochten gieren

Als in een helspelonk. —

God (had men u gezegd,) God tuchtigde ter redding, —

Al brullend sprongt gij op,

Als joeg een Noordorkaan den stortvloed uit zijn bedding

V/eêr naar der rotsen top. —

Gij naamt een handvol bloed en wierpt het naar den hemel

Dien God in \'t aangezicht:

Daar liep een beven door der sterren glansgewemel,

En siddrend week het licht! —

O nacht, o sombre nacht, die over ons komt dalen,

Als de ongeschapen God Zijn aangezicht omhult, geen schemer van zijn stralen

Meer valt op \'t wereldlot; —

O nacht, o sombre nacht, wanneer de God der glorie

Des levens stroomen sluit,

En de aan des menschen hand voorthollende historie

Niet regelt, ordent, stuit!

O nacht, o sombre nacht, waarin geen dauw komt vloeien,

Waarop geen morgen daagt.

Maar door wier diepten slechts de stormen henenloeien.

Door Satans opgejaagd! —

Die nacht, de looden nacht der eerelooze graven.

Zonk met zijn schande en moord;

De stormwind huilde en floot en gilde en joeg de slaven

In eeuw\'ge kringen voort.

De diepten stijgen op en slingren hun gedrochten,

Hun tijgermenschen op —

De roode hydra der vernieling laat heur krochten

En heft den valschen kop. —

Nacht is het, eenwig nacht! —

Daar flikkert door de schichten Der wolk een rosse gloed.

Is dat een morgenrood? —is dat een schemerlichten? —

Het is de glans van \'t bloed!

Nacht is het, eeuwig nacht! — Maar eindlijk komt de zonne ...

Parijs! üw zonne komt —

De fakkels zwieren rond, gedoopt in de oliebronne,

De vuurzee loeit en bromt!

De vuurzee! — buldrend slaan de knetterende golven Bij \'t dondren van \'t kanon:

l) Juliaan de Afvallige.

-ocr page 142-

132

De wonderstad verzinkt in rook en vlam bedolven,

Is dat, Parijs, uw zon? —

De vuurzee — ziedend stroomt ze en wikkelt in heur kringen

Het reuzenlijf der stad, —

Het merk des doopsels zoudt ge u uit de ziele wringen;

Dit is uw vrijheidsbad!

Men zegt dat op dat uur, toen bij der menschheid weenen

De wereldstad verging.

Gezeteld op den rook een koning is verschenen, !)

Gekroond met vlammenkring.

Een sombre koning ook, — het kruis lag aan zijn voeten,

Hij trapte \'t in zijn pijn;

Met wellust scheen zijn hand in de eigen borst te wroeten,

Om smetstof en venijn!

Daar lag op \'t vreemd gelaat geen zweem van rede of willen,

\'t Sprak ééne taal slechts: „haatquot;.

Haat vlamde in \'t satyrsoog, en haat speelde in het trillen.

Dat langs zijn trekken gaat.

Daar gleed geen woord zelfs van de lippen dezes vorsten,

Maar uit zijn gorgel sprong Een schaterend gelach, dat in der Satans borsten

Een schaatrende echo zong!

Een schaterend gelach, dat daavrend boven \'t loeien

Der vlammengolven klonk,

En als een geesel scheen, die hooger \'t vuur deed sproeien

Tot. slechts één vuurzee blonk.

Als door dien lach geprest, zweefde uit der vlammen wieling

Een andre vorm omhoog,

Verheerschapt door een schaar van vorsten der vernieling.

Of zij ter bruiloft toog.

Daar rees die koning op, — en hooger steeg zijn schaatren

Met gillender geluid: —

„Ha! de Eerlooze is vergaanquot;\' — en duizend lachen klaatren: „Kom, kom, mijn heldenbruid!quot;

Toen woei een zachte tocht — de rookkolommen zweefden

Op vale wieken heen:

Daar rezen sidderend, of ze in de vuurzee beefden.

Twee armen op van steen I Twee armen rezen op — en God zag eindlijk neder

Op \'t vlammende gewiel —

Een daverende schok — de zachte tocht woei weder —

De God-Voltaire — viel.

Een ander visioen!

Daar schittert in het duister Een ranke torentop

l) Voltaire: le Roi Voltaire.

-ocr page 143-

133

En heft een doornenkroon in stralend gouden luister

Door rook en vlammen op.

Hoog blinkt de kanten spits: een andere Oriflamme!

In \'t heete strijdgedrang,

Nooit bevend, zinkend nooit, al rekt zich ook de vlamrne,

Al kringelt ze om de stang.

Wie heeft die glorievaan zoo hoog, zoo fier geheven,

Wie, die ze onwrikbaar houdt.

Wie komt, nu \'t ievende als in doodschrik schijnt te beven,

Der zegepraal heraut? —

Hoogedel is de vorm, wier koninklijke omlijning

Zich teekent aan de lucht;

De wolken rollen weg voor \'t stralen dier verschijning,

De laatste stormwind vlucht;

De vlammentongen slaan van alle zijden samen

En welven haar een pad,

Als slaven, die \'t gedreun der zegekar vernamen En bukken onder \'t rad.

Herkent gij hem. Parijs? — Vincennes eiken fluisteren

Bij iedren tocht zijn faam,

Hij hield de schaal van \'t recht en brak der zwakke kluistren

En eerde Go des naam;

De golven aan de kust van Afrika, zij werpen

Den golven der woestijn Den roem des konings toe, die \'t zwaard des helden scherpen

En martelaar kon zijn;

Hoor, \'t dondert; „Taillebourg!quot; — aan der Charente boorden j)

Weêrklinkt het zegelied.

Den heldenarm ter eer, die uit der Vaadren oorden

Den vreemdeling verstiet.

De schoonste kroon der aard, die vonkelt om zijn slapen

Is duister bij den glans Van \'t kleinood in zijn hand, gewonnen door zijn wapen: Des Heeren lijdenskrans.

Herkent gij hem. Parijs? — Ja, uwe boden naadren

In \'t heerlijk martelkleed.

Reeds week de vlam terug voor \'t bloed, dat uit hun aadren

Uw steenen blozen deed;

Zij naadren, — hoort ge \'t wel? — Dat is de psalm der tranen.

Der rouwe jubellied;

Der martelaren zang beheerscht de wilde orkanen;

Zij stormen langer niet;

1) De slag van Taillebourg tusschen Hendrik UI van Engeland en Lodewijk den heilige: 1242,

-ocr page 144-

134

Een andre toon weêrklinkt dan \'t loeien der vernieling, En \'t galmend klokgebrom;

Bidt nu, in vlucht op vlucht, met stijgende bezieling: „Kom, vorst des kruises, kom!quot;

Rijk groent het eereloof, van d\' oorlogsstam gebroken Door heldenmoed en kracht;

Blij blinkt de bloemenkrans, in \'t licht der weelde ontloken. Met volle kleurenpracht;

De frissche olyventak, den schedel omgestrengeld Bij streelend harpgeluid;

De malsche myrthenvlecht, met bloesemsneeuw gemengeld In \'t blonde haar der bruid.

Maar bloem en blad verwelkt, de ruwe dagen komen. De kronen vallen neêr

Van \'t diep vernederd hoofd: wat d\' aarde werd ontnomen Dat vordert de aarde weêr.

Eén krone bloeit altijd en tart de wintertochten,

Besproeid met hemeldauw:

Dat is de doornenkroon, door de Englen Gods gevlochten Van liefde en van berouw!

-ocr page 145-
-ocr page 146-
-ocr page 147-

V

-ocr page 148-
-ocr page 149-