-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

J

-ocr page 4-
-ocr page 5-

//

Mil II fflllMMI 1111IC

MIDDELEEUWEN.

TNLETDINU TOT DE STUDTR DKR UTKECHTSCIIE RECTITSHRONNRN

Mr. S. MULLER F/.

Archivaris van Utrecht.

/

■va.ir ji ƒ lTlt laaoy

S GRAVENHAGE,

M A R TIN U S N TJ T T O F F 1885.

n

-ocr page 6-
-ocr page 7-

V O O R R E D E

Weinig heb ik bij de uitgave van dit werk te zeggen. Met liet schrijven daarvan heb ik slechts bedoeld ecne inleiding te geven, die het recht verstand der vroeger uitgcgevene rechtsbronnen zal kunnen vergemakkelijken: de zeer abnormale UtrcLiitschc rechtsinstellingen kunnen uit de lectuur der rechtsbronnen alleen niet duidelijk worden, en het verband der boeken zou dus zonder inleiding den lezer duister gebleven zijn. Gedurende verscheidene jaren heb ik, steeds met dit doel voor oogen, alles, wat mij over dit onderwerp bij mijn dagelijkschen arbeid in de Utrechtsche archieven en bij mijn druk verkeer met de ter perse gelegde rechtsbronnen voorkwam, aangetcekend; opzettelijke onderzoekingen over bepaalde onderwerpen stelde ik echter slechts daar in, waar ik bepaalde reden had iets bizonder belangrijks te vermoeden (b. v. in het Raads dage-lijksch boek van 1477, de bewaarde Diversoria der bisschoppen enz.). Toen ik zoodoende eindelijk den draad tot ontwarring van het kluwen gevonden had en de gemaakte aanteeke-ningen rangschikte, bleek het mij, dat ik stof bijeenhad voor wat men eene rechtsgeschiedenis van Utrecht zou kunnen j oemen. Toch heb ik die niet geschreven noch willen schrijven : daartoe ware noodig g-jweest het doorlezen der zeer omvangrijke Raads dagelijksche boeken en Buurspraakboeken (voor het raadsrecht), en (voor het schepenrecht) eene zeer aandachtige studie der enkele oude, in het stads-archief bewaard geblevene schepenregisters met een veel meer in détails

-ocr page 8-

IV

afdalend gebruik der in het tweede deel dozer Rechtsbronnen gedrukte schepenboeken. i Iet scheen mij niet doelmatig, de publicatie dezer inleiding ter wille der volledigheid nog een tiental jaren te verdagen: nu ik de Utrechtsche rechtsontwikkeling in hoofdtrekken geschetst heb, moge oen ander de geheele rechtsgeschiedenis na eene volledige studie van alle bronnen schrijven. Hem zal het nu gemakkelijker vallen, niet te verdrinken in den oceaan van meestal kleine, op zich zelf onbelangrijke aanwijzingen, waaruit hij dit groote gebouw zal moeten optrekken en waaruit ik deze bijdrage daartoe ook grootendeels samengesteld heb.

Niemand meer dan ik zelf kan doordrongen zijn van do bewustheid, dat ik op vele punten van mijn boek wellicht zal blijken niet volkomen juiste resultaten te hebben medegedeeld. Het kan nauwelijks anders bij een onderzoek als dit: overal toch moest ik hierbij geheel ongebaande wegen bewandelen, behalve in het vierde hoofdstuk, waar de weg-beroider slechts stof tot bestrijding leverde. Doch al heb ik denkelijk in vele gevallen misgetast, in hoofdzaak hoop ik voor goed de lijnen vastgesteld te hebben eener rechtsontwikkeling, die, geheel abnormaal en afwijkend van het tot nu toe Vu,n de Nederlandsche steden bekende, wellicht daardoor bij eigenaardige moeielijkheden voor den schrijver ook een geheel bizonder belang voor den lezer aanbiedt.

S. M.

-ocr page 9-

INHOUD.

INLEIDING.

Doel van het boek. Waarom worden juist deze Utrechtsche rechtsboeken uitgegeven? p. i. — Zij verschillen in naam. p. 2, — in inhoud, p. 3, — in doel. p. 3. — De drie Utrechtsche rechten, p. 5. — Het raadsrecht, product van usurpatie en strijd tegen den landsheer, p. 6.

HOOFDSTUK I.

Oorspronkelijke toestand van bestuur en rechtsbe-deeling te Utrecht.

§ I. DE OUDSTE RECHTERS.

Oorsprong van \'s bisschops wereldlijke macht.- p. 9. — De graaf van Utrecht, p. 11. — De burggraaf, p. 12. — Schout en schepenen, p. 14.

§ 2. OPKOMST VAN DEN RAAD.

Oorsprong van den raad. p. 17. — Dé; „juratiquot;. p. 18. —gildenbrieven van 1304 en 1341. p. 21. — De oudermannen der gilden, p. 22. — De oudraad. p. 23. — De burgemeesters, p. 24. — Tijdelijke veranderingen van den bestuursvorm, p. 26.

§ 3. OUDSTE BEVOEGDHEDEN VAN DEN RAAD.

Kenmerken van een autonoom stadsbestuur in de middeleeuwen, p. 27. — De stad Utrecht bezit in 1300 gemeentelijke zelfstandigheid , doch geene heerlijke rechten, p. 28. — Ontwikkeling der stad sedert het begin der 14^ eeuw. p. 30.

-ocr page 10-

vr

HOOFDSTUK II.

Ontwikkeling van het raadsrecht.

§ I. liEGIN VAN DEN STRIJD MET DEN BISSCHOP.

Strijd van de stad met de bisschoppen Jan Van Nassau en Jan Van Zirik. p. 32. — Breuk met bisschop Willem Van Mechelen. p. 34. — Klachten van bisschop Guy Van Avesnes. p. 37. — Verder verloop van den strijd in de 14« eeuw. p. 38.

§ 2. INBREUKEN Ol\' DE RECHTEN VAN DEN SCHOUT.

Uitsluiting van den schout uit den raad. p. 40. — Toezicht van den raad op den schout, p. 42. — Besnoeiing zijner inkomsten, p. 43. — Beperking zijner macht als hoofd der schepenbank, p. 44. — De sche-penburgemeester als plaatsvervanger van den schout, p. 45.

\'5 3. DE STADSVREDE VAN 13OO EN ZIJNE GEVOLGEN.

De vredekeur van 1300. p. 46. — De burgervrede, p. 48. — De stads-vrede. p. 49. — Vrijwillige submissie de rechtsgrond der bevoegdheid van het vredegerecht, p. 50. — De stadsvrede eene usurpatie van \'s bisschops recht. p. 52. — Uitbreiding der werking van den stadsvrede. p. 54. — Het zich „verwilcoerenquot;. p. 57. — Rechtsgevolgen daarvan, p. 58. — De door het vredegerecht opgelegde strat belet de straf door den heer niet. p. 60. — Concurrentie tusschen raad en schepenbank, p. 61.

§ 4. KEUREN EN BREUKEN,

Verdeeling der misdrijven op het platte land en in de stad Utrecht, p. 64. — De rechtspraak van keuren behoort aan den raad. p. 65. — Er is verschil tusschen keuren en breuken, p. 68. — Definitie van keuren, p. 69. — Definitie van breuken, p. 72. — Verschil tusschen beiden ook in berechting en straf, p 74. -— Beteekenis van het woord „breukquot; op het platte land. p. 77. — Vervloeiing van de beteekenis der woorden „keurquot; en „breukquot;, p. 78.

§ 5. UITBREIDING DER CRIMINEELE RECHTSPRAAK VAN DEN RAAD.

Betoog, dat het Liber albus het rechten van breuken door den raad nog niet kent. p. 79. —- De raad matigt zich crimineele rechtspraak aan ten koste van den officiaal. p. 81, — en van den schout, p. 83. — Bedreiging van breuken bij overtreding der vechtkeuren. p. 84, — en van andere keuren, p. 87.

§ 6. OORSPRONG DER RECHTSPRAAK VAN DEN RAAD IN CIVILE ZAKEN.

De civile rechtspraak van den raad ontstaan uit dwang tot het erkennen van den raad als arbiter, p. 88. — Toelichting daarvan door

-ocr page 11-

, vn

voorbeelden uit de raadsboeken. p. 89. — Rechtspraak van den raad in bepaalde categoriën van civile zaken. p. 91.

§ 7. de libelmeesters.

Geestelijk rechtsgebied van den bisschop: de vicaris en de officiaal. p. 92. — Usurpatien van het geestelijke gerecht, p. 93. — Verzet van de landsheeren daartegen, p. 96. — De remissie libelli ad consulaturn. p. 98. — De libelmeesters: hun ontstaan, p. ioo. — Overschrijding hunner oorspronkelijke bevoegdheid, p. 102.

§ 8. verder verloop en einde van den strijd met den bisschol\'.

Klachten van bisschop Frederik Van Blankenheim. p. 107. — Klacht van bisschop Rudolf Van Diepholt. p. 11 o. — Usurpatiën van bisschop David Van Bourgondiö. p. 112. — Afschaffing der vijven, p. 113. — Reactie na den dood van Karei den Stoute, p. 116. — Geschil met den bisschop over het beCecligen der schepenen, p. 117. — Inneming der stad door Maximiliaan. p. 121. — Reorganisatie van het stadsbe-^ stuur door Karei V. p. 123.

HOOFDSTUK III.

Omvang van het raadsrecht

/ § i. bevoegdheid van den raad in crimineele zaken.

Betoog, dat de raad bevoegd was, de door hem bij keuren vastgestelde straffen zelf toe te passen, p. 126. — Bevoegdheid, aan den raad toegekend door Karei V. p. 127. — Ontduiking der sijzen, p. 128. — Valsche maat en slechte levensmiddelen, p. 12S. — Vecht-keuren en andere keurzaken. p. 129. — Rechtspraak over geweld, de type van het eigenlijke raadsrecht. p. 130. — Lijsten van door den raad berechte misdrijven, p. 132. — In het algemeen behoorden alle crimineele zaken tot \'s raads rechtsgebied, p. 134.

§ 2. bevoegdheid van den raad bij de civile rechtspraak.

De raad rechter „van scade ende van scoutquot;, p. 135. — De raad in concurrentie met de schepenbank bij executie wegens geldschuld, p. 137, — en wegens banbrieven. p. 138. — Verhouding van den raad tegenover andere civile zaken. p. 140.

§ 3. vrijwillige rechtspraak.

„Wilkoerenquot; als schulderkenningen voor den raad. p. 141. — Hare vervanging door willige condemnation, p. 145. — De „loftequot; als verbintenis om iets te geven of te doen. p. 146, — als borgtocht, p. 148, — in crimineele zaken. p. 151. — De drie vormen der lofte. p. 152. —

-ocr page 12-

VIII

Eigenaardige vorm der lofte te Utrecht, p. 156. Andere gevallen van vrijwillige rechtspraak door den raad. p. 157-

§ 4. RECHTSPRAAK VAN RAAD GUI) EN NIEUW.

Bevoegdheid van den oudraad in het algemeen, p. 159. — Zijne bevoegdheid bij de rechtspraak volgens de uitspraak van 1379. p. 161. — Zware misdrijven, p. 162.— „Onredelicheyt in de rechtspraak, p. 163. Optreden van den oudraad als hoogste instantie in lechte. p. 165. Ontstaan en vorm der rechtspraak van den oudraad. p. 166.

HOOFDSTUK IV.

De rechtspleging voor den raad.

§ I. DE CRIMINEELE PROCEDURE IN HET ALGEMEEN.

Vervolging op klacht of zonder klacht, p. 168.— Preventieve gevangenis of borgstelling, p. 169. -- Commissiën van onderzoek, p. 170,— Bewijs, p. 170. — Wat deed de raad, wanneer hij omtrent het vonnis onzeker was? p. 172. — Onbepaaldheid der bedreigde straffen, p. 173.

g 2. DE KEURMEESTERS.

De keurmeesters der vechtkeuren en hun werkkring, p. 174. — Het „uutgaenquot; der zaak. p. 175. — Het „aenbrengenquot; der zaak. p. 176.— Het raadsvonnis. p. 177. — Het „inmanenquot; der keuren, p. 180. — Straf en loon der keurmeesters, p. 181. — Wijze van aanstelling, p. 182. — Het verkoopen der vechtkeuren. p. 183. — „Gesetten van den rade .

p. 185. — Andere keuren, door de keurmeesters der vechtkeuren berecht.

p. 187. — Afzonderlijke keurmeesters voor het toezicht op vervalsching van levensmiddelen en industrieele producten, p. 189. — De procedure daarbij, p. 190. — Veranderde beteekenis van den naam keurmeesters, p. 193.

§ 3. DE BUSMEESTERS.

De busmeesters executeurs der door den raad opgelegde geldboeten, p. 196. — „Verseten bodequot;, p. 198. — „Wilkoerenquot;. p. 199.—Wijze van executie, p. 200. — Executie bij wanbetaling en ontduiking van sijs. p. 201. — Bewijs daarvan, p. 203. — Loon der busmeesters,. p. 204. — De busmeesters als „bygeschicten van den radequot; ook in andere gevallen, p. 205. — Instelling van het ambt. p. 207. — Naamsoor-sprong. p. 209. — Vervanging der busmeesters door de stadsknapen, p. 209, — en door de busmeesters van de sijzen, p. 211.

§ 4. DE VIJVEN.

De vijven sporen de misdaden op en leiden hel voorloopige onderzoek. p. 212. — Procedure daarbij, p. 213. — Toezicht op de nachtwaak. p. 215, — en op slechte huizen, p. 215. — Loon der vijven.

-ocr page 13-

IX

p. 217. — Oorsprong van het ambt. p. 218. — Keuze tier vijven, p. 219. — Verandering door bisschop David, p. 220.

§ 5. DE WOEKERMEESÏERS.

Bestraffing van woeker, p. 222, — van voorkoop, p. 222, —en van overspel, p. 223. — Procedure, p. 223. — Oorsprong van liet ambt. 1). 224. — Geschiedenis, p. 225. — Verhouding tot de woekermeesters der oudermannen, p. 227.

§ 6. STRAFFEN DOOR DEN RAAD OPGELEGD.

Lijsten der straffen, p. 229. - Doodvonnissen door de schepenbank uitgesproken: de raad jury. p. 230. — Subsidiaire straffen, p. 234. — Elementen der straf: correxy. p. 234. — Beteringe: aan rechter en aan partij, materiëele en immatericele. p. 236. — Cumulatie van de verschillende elementen, p. 237. — Executie der strafvonnissen, p. 240.

§ 7. CIVILE RECHTSPRAAK.

De civile rechtspraak van den raad niet aan vaste vormen gebonden. p. 241. — De begijnmeester. p. 242.

HOOFDSTUK V.

Oudermansrecht en schepenrecht.

§ I. HET OUDERMANSRECHT.

Rechtspraak der oudermannen van een gild over de leden betreffende beroepszaken, p. 246. — Overgang dier rechtspraak op het college der gezamenlijke oudermannen, p. 247. — Toezicht der oudermannen op de stedelijke rechtspraak. („Wanrechtingequot;.) p. 249. Rechtspraak over de „vijf puntenquot;, p. 250. — Omvang daarvan, p. 251. — De breuken der oudermannen, p. 253. — Procedure voor de oudermannen, p. 254.— De busmeesters der oudermannen, p. 256. —• De woekermeesters der oudermannen, p. 258. — De kameraar der gemeene gilden, p. 258.— Oorsprong dezer rechtspraak, p. 259. — Veranderde inrichting daarvan : het oude-raadsrecht. p. 261. — Afschaffing, p. 262.

§ 2. HET SCHEPENRECHT.

Omvang van het schepenrecht, p. 263. — „Erfnisse ende besterfnissequot;. p. 265. — „Ruymingequot;. p. 265. — „Getuychnissequot;. p. 266.

§ 3. SCHEPENKENNIS.

Het „kennenquot; der schepenen, p. 267. — Mondeling en „uit het registerquot;, p. 269. — Schepenbrieven, p. 270. — Duur van hunne geldigheid. p. 270. — Vorm der schepenbrieven, p 271. — Hunne werking in rechte, p. 272. — Rechtskracht van onderhandsche stukken.

-ocr page 14-

X

p. 274,— van notarieele akten en officiaalsbrieven. p. 276. — Soorten van schepenbrieven, p. 277. — „Makenquot;, p. 277, — „loften .p. 278, „plechtenquot;, p. 279. — Verschil tusschen plechten en loften. p. 281. — De schepenbank berecht alle zaken betreffende „Erb und Eigenquot;, p. 283.

§ 4. crimineele rechtspraak der schepenbank.

Doodvonnissen door de schepenbank gewezen, p. 284. —De breuken der schepenen, p. 285. — Verschillende gevallen, p. 286. — Beschouwing van deze werkzaamheid der schepenbank als eene usurpatie op het terrein van den raad. p. 289.

§ 5. verhouding der schepenbank tot den raad.

Schepenen missen alle wetgevende macht. p. 291. — Toezicht van den raad op de schepenbank, p. 291. - Optreden van den raad tegenover de schepenbank in het belang der „redelicheytquot;. p. 292.

HOOFDSTUK VI.

Gebied van het Utrechtsche recht.

g i. territoriale uitbreiding vax het utrechtsche recht. —

de stadsvrijhkin.

Protectoraat der stad over het terrein „binnen der milequot;, p. 297.— Verbanningen buiten dit gebied, p. 299. — Dagvaarding der bewoners voor raad en oudermannen, p. 300. — Crimineele rechtspraak van den raad over de bewoners der buitengerechten, p. 301. — Verhouding dier bewoners tot de schepenbank, p. 302. — De dagelijksche gerechten der stad verkeeren tegenover raad en schepenbank in geheel dezelfde positie als de buitengerechten, p. 305. — Recapitulatie, p. 307.— Het stedelijk rechtsgebied tot de nauwkeurig begrensde stadsvrijheid beperkt. p. 309.

§ 2. rechtspraak over burgers en niet-burgers.

duitenburgers.

Wie zijn burgers? p. 310. — Buitenburgers, p. 310. - De „onclcr-satenquot;. p. 313. — De inwoners, p. 313. — Geestelijken en edellieden, p.\' 313. — Competentie der schepenbank tegenover de verschillende c:tfegoriOn van personen, p 314 —Competentie van den raad. p. 315.— Usurpatie van rechtspraak over ondersaten en gasten, p. 318. — Recapitulatie. p. 320.

§ 3. invloed op het recht van andere steden. hofvaart.

Overdracht van stadsrecht op andere steden: hofvaart, p. 321. De hofvaart naar l trecht eene vrijwillige daad. p. 324-Utrechtsche stadsrecht subsidiair recht in andere Stichtsche steden.

-ocr page 15-

XI

p. ^25. — Overeenkomst van het Utrechtsche recht met het recht dier andere steden, p. 327. - Overeenkomst met de rechtsontwikkeling te Amersfoort, p. 329.

HOOFDSTUK Vil.

De Utrechtsche rechtsboeken.

lt;5 I. INHOUD EN TOEPASSING DER RECHTSBOEKEN IN HET ALGEMEEN,

„Der stat rechtquot;, p. 333. - De keuren, p. 334. — „Weisthümerquot;. p. 337. Bevestiging der keuren door den bisschop, p. 339, — en door eiken nieuw-optredenden raad. p. 340. — Vaststelling van keurboeken. p. 342. — Hunne toepassing bij de rechtspraak van den raad. p. 343. Strafvonnissen zonder voorafgaande keur. p. 344. — De bronnen voor de rechtspraak der schepenbank, p. 346 , — de raadsbesluiten, p. 347 , — de rechtsgewoonten, p. 349. — Het vinden van het vonnis door schepenen, p, 350.

s 2. LI BKR ALBUS.

De oudste codificatie van het Utrechtsche stadrecht, p. 353. — Samenstelling van het Liber albus. p. 355. — Vaststelling daarvan voor eeuwig, p. 356. — Verandering daarvan zonder medeweten der gilden verboden, p. 357. — Latere bijvoegingen in het boek. p. 358. — Gebruik van het Liber albus. p. 359. — Naam. p. 361. — Handschriften en uitgaven, p. 362.

§ 3. LIBER HIRSUfUS MINOR.

Het register van raad oud en nieuw. p. 363. — Samenstelling van het Liber hirsutus minor. p. 364.— Kracht daarvan in rechte, p. 365.— Gebruik van het boek. p. 367. — Naam en handschriften, p. 368.

fcj 4. T ROEDE BOECK. \'

Vaststelling van het Roede boeck. p. 368. — Bronnen, p. 369. —

Systematische rangschikking der keuren, p. 370. — Scheiding van

raadsrecht en schepenrecht, p. 370. Verbindende kracht van het

boek. p. 371. Gebruik, p. 373. — Naam en handschriften, p. 373.

^ 5. DIE ROESE.

Het boek bestaat uit drie deelen. p. 374. —- Het eerste deel: samenstelling. p. 374, bron. p. 375, doel. p. 37Ó, — vervolg, p. 377. — Het tweede deel: samenstelling, p. 378. — Het derde deel: samenstelling en bron. p. 379. ■— Doel van het bock. p. 380. — Gebruik. p. 382. — Naam en handschriften, p. 383. —• Is er uit Die roese ooit een nieuw wetboek voor den raad samengesteld? p. 383. — Het register van Gerard Then Brynck en zijne bronnen, p. 385.

-ocr page 16-

XII

S 6. DER SCEPENE BOKCK.

Doel van de inschrijving der vonnissen van oude en nieuwe schepenen in dit boek. p. 389. — De in het register opgenomene raadsbesluiten. p. 390. — Was het registreeren daarvan noodzakelijk om ze voor de schepenbank verbindend te maken? p. 391. — De besluiten der schepenen, p. 392. „Die manyere van den vordel.quot; p. 393. — Geschiedenis dezer costume, p. 394. — Vervolg van het Scepeneboeck. P* 397- — Naam en handschrift, p. 397.

§ 7. DAT SCEPENRECHÏ EN DE BEIDE lORTINGEN OPT SCEPENRECHT.

De oudste codificatien van het schepenrecht: Der scepen rechte ende ordinanci en de Cortinge van 1403. p. 399. — Bronnen van het Scepenrecht. p. 399. — Redactie der rechtsgewoonten, p. 401. — Vaststelling van het rechtsboek door de gilden, p. 402. — Doel. p. 402. — Publicatie, p. 403. Naam. p. 403. — De Cortinge van 1508. p. 404. — Handschriften, p. 404.

S 8. DE ORDONNANTIËN VAN KAKEL V.

Voorloopige ordonnantie van den graaf Van Hoogstraten, p. 405. — Ampliatie daarvan, p. 406. — Ordinantie opt scepenenrecht. p. 407.—■ Bevelen tot het opschrijven der rechtsgewoonten, p. 408.— Hetregee-ringsreglement van 1550. p. 409. — Pogingen ter wijziging daarvan, p. 410. — De Previlegien ende statuten, p. 411. — De Costumen ende usantiën. p. 412. — Hunne geldigheid in rechte, p. 413. -— Handschriften, p. 414.

§ 9. DAT STICHTSCHE LANTRECHT.

De handschriften van het Lantrecht en hunne herkomst, p. 414. — Aard en bronnen van het Lantrecht. p. 418. — Tijd en plaats der samenstelling, p. 418. — Gebruik van het Lantrecht. p. 420.

BESLUIT.

Overzicht van den ontwikkelingsgang van het Utrechtsche recht. p. 422. — Bespreking der vraag: waarom zijn juist de thans uitgegevene rechtsboeken in de verzameling opgenomen? p. 423.

-ocr page 17-

I N L E i I) J N (j.

In eeno bijeenkomst mot eenige ledcn van het bestuur der Vereeniging tot uitgave der bronnen van het oude vader-landsche recht, werd aan de bewerkers der uittegeven rechtsbronnen opgedragen hot leveren van goede teksten in eenen voor het gebruik gemakkelijken vorm, waarbij de varianten der handschriften in noten opgegeven zoudfen worden. Als inleiding behoorden daarbij twee vragen beantwoord te worden: i. Wat zijn de uitgegevene rechtsboeken? 2. Waarom z.ijn juist deze en geene andere voor de uitgave gekozen? Ik zal in de volgende bladen eene poging doen om op deze vragen voor de door mij uitgegevene Utrechtsche rechtsboeken een voldoend antwoord te geven. Mijne schuld is het niet, zoo daartoe eene historische inleiding van eenigen omvang noodig is.

Oppervlakkig beschouwd schijnt het niet moeielijk den aard der Utrechtsche rechtsboeken te bepalen, en do reden op te geven, waarom ik juist deze voor de uitgave koos. Het zijn „keurboeken,quot; en juist daarom gaf ik ze uit: immers het verlangen der Vereeniging was, dat eene uitgave zou voorbereid worden van do Utrechtsche „keurboeken.quot; Doch is het wel zoo zeker, dat het keurboeken zijn? Wat is eigenlijk een „keurboekquot;. Het Utrechtsche stads-archief bezat vroeger een „koerboeck;quot; wat vond men daarin? Het bevatte niets anders dan de namen van allo personen, die „in koerèn geslotenquot; (d. i, tot boeten veroordeeld) waren, on diende om de

1

-ocr page 18-

2

recidivisten aan te wijzen, die verzwaring van straf kregen. \') Andere keurboeken noemt geen bericht als bestanddeelen van het Utrechtsche stads-archief, en natuurlijk: nu de lijst der misdadigers keurboek heette, kon men bezwaarlijk het stedelijk wetboek zoo doopen. Had deze reden niet bestaan, wellicht had men dan ook het Liber albus en het Roede boeck met dezen naam aangeduid. Eeidcn toch bevatten volgens den aanhef „korenquot;, en zonder het spraakgebruik geweld aan te doen zouden wij derhalve ook deze beide boeken keurboeken kunnen noemen. Verder zouden wij echter niet kunnen gaan: het Liber hirsutus kan zoo niet heeten, want het bevat tal van bepalingen, die geene „keurenquot; zijn; ook in Die Roese vindt men vele dergelijke, en in het geheele tweede deel dezer verzameling komen slechts bij uitzondering „keuren voor. Een middeleeuwsch Utrechtschman zou vreemd opgezien hebben, wanneer gij de in het tweede deel uitgegevene wetsbepalingen „keurenquot; genoemd hadt.

Doch wellicht acht men deze onderscheiding spitsvondig? Inderdaad, het valt niet te betwijfelen, dat het verlies van het echte Utrechtsche „koerboeckquot; onze Vereeniging weinig deert; immers het kan hare bedoeling niet geweest zijn, deze dorre naamlijst uit te geven! Onder een „keurboekquot; meent men tegenwoordig iets anders te mogen verstaan. Ik gelool niet geheel mis te tasten, wanneer ik stel, dat men met een „keurboekquot; bedoelt: eene verzameling: van wetsbepalingen, door quot;het stedelijk bestuur uit de bestaande stedelijke verordeningen uitgekozen, die (na meer of minder geredigeerd te zijn) op officieele wijze vastgesteld en afgekondigd is als het stedelijk wetboek. Ik wil daarlaten, in hoeverre deze definitie mij juist schijnt: zij geeft, meen ik, vrij wel het algemeene gevoelen terug. Doch had ik deze omschrijving tot richtsnoer genomen, dan ware het mij zeer zeker nog minder mogelijk geweest, eene eenigszins volledige uitgave der bronnen van het Utrechtsche stadsrecht tot stand te brengen. Immers aan de m deze definitie gestelde eischen beantwoordt geen enkele der uitgegevene boeken geheel. Met eenige restricties kunnen het Liber albus, het Roede boeck en het Scepenrecht daaronder

i) liet boek, ingesteld in 1478 (Van de Water, Placaatboek. III. p. 256 8 4). was in 1550 nog in gebruik. (R. v. U. 11 p. 396 § 7-)

-ocr page 19-

3

begrepen worden; doch al het overig-e valt zeer bepaald buiten het door onze definitie omschreven terrein. Zou ik dus naar Utrechtsche „keurboekenquot; zoeken, dan beloofde dit onderzoek, hoe ook aangevat, geen uitlokkend resultaat. Onder deze vlag kan althans de nu door mij in zee gezondene lading niet varen.

Zou het wellicht mogelijk geweest zijn, om zonder acht te slaan op de namen der verschillende rechtsboeken en op de wijze, waarop ze tot stand gekomen zijn, in hunnen inhoud een criterium te vinden, wat in deze verzameling moest opgenomen worden, wat niet? Bezwaarlijk! immers reeds toen ik de verschillende rechtsboeken oppervlakkig doorliep, openbaarde zich een allertreffendst verschil van inhoud. Aan ieder, die de hier uitgegevene collectie bestudeert, zal dit verschil in het oog vallen: er is inderdaad tusschen de boeken, waaruit ze samengesteld is , weinig- verband. Vooral tusschen het eerste en het tweede deel gaapt eene wijde klove, en hoewel de rangschikking chronologisch is, kan men in het eerste deel nauwelijks eenige aanduidingen vinden, die zouden doen vermoeden, dat het tweede dadelijk volgen zou. Doch de geheele inhoud van dat tweede deel is vreemd. De hoogleeraar De Geer merkte bij de uitgave van het Amersfoortsche „scepen-boeckquot; \') op, dat „het niet bevat wat wij gewoonlijk in stadsregten aantreffenwij kunnen deze verklaring met meer nadruk nog herhalen, wanneer wij de bepalingen van de nauwverwante Utrechtsche schepenrechten doorlezen.

Oordeelt men dus volgens den inhoud der in deze verzameling vereenigdc stukken, dan schijnt de verzamelaar het verwijt van willekeur niet te kunnen ontgaan. Kan dan wellicht het doel, waartoe deze rechtsboeken moesten dienen, hem geleid hebben tot de keuze van juist deze geschriften ? Zijnde boeken, hoe verschillend van naam, op hoe verschillende wijze bijeengebracht, hoe uiteenloopend van inhoud ook, toch evenals de rechtsverzamelingen van andere steden wetboeken, volgens welke de schepenbank recht sprak? Het staat te betwijfelen; immers het doel, waarvoor deze rechtsboeken bestemd waren, blijkt bij de doorlezing niet duidelijk. Stelt het tweede deel ons in kennis met eene procedure, die ook

i) N. bijdr. v. rechtsgol. en wetgev. N. R. IV p. 236.

-ocr page 20-

elders gevolgd werd, in het eerste ontmoeten ons somtijds, juist waar dit onderwerp besproken wordt, de ongchoordste zaken. Er is in verschillende bepalingen onzer rechtsboeken iets onsamenhangends; sommige artikelen schijnen zelfs tegen andere te strijden. Zoo lezen wij op tal van plaatsen \'), dat schout en schepenen rechten over oen mcnsch „aen ziin lijf, dat zij „sitten over den bloedequot;,— dat zij ontboden worden op het stadhuis, „als men van den bloede spreken sell! Deze bepalingen bevatten niets vreemds, zij behandelen de welbekende crimineele rechtspraak der schepenbank. Doch wat betcekent het dan, wanneer wij elders lezen, dat de raad „recht over moordenaars 1) ? Wij kunnen toch niet twijfelen, of moordenaars werden in de middeneeuwen „aent lijf of „aen den bloede gestraft, en ten overvloede zegt het Liber albus zelf het ons ;!).

Hoe zijn dan deze plaatsen met elkander te rijmen ? —Hetzelfde

verschijnsel doet zich elders voor: herhaaldelijk worden bepalingen gemaakt over de executie van plechten en loftcn, wanneer zij voor schepenen „gheseïetquot; zijn \') ; de conclusie ligt dus voor de hand, dat ook elders dan voor do schepenbank schuldbekentenissen gepasseerd konden worden, vooral wanneei wij opmerken, dat de naast de plechten genoemde „loftenquot; te Amersfoort voor den raad „ghescieddenquot; r\'). Onze aandacht valt nu op tal van plaatsen in het eerste deel, waar gesproken wordt van het „ontbiedenquot; van aangeklaagden „voer den raet, van „beteren bi den rade,quot; van „rechten van den raet tot sinen goetduncken,quot; van het „vinden ter waerheytquot; door den raad enz. Is het aannemelijk, dat boeken, waarin dergelijke bepalingen schering cn inslag zijn, bestemd waren als wetboeken voor de rechtspraak der schepenen? Immers neen\' Toch waren daartoe het „Scepenrechtquot;, de „Ordinantie opc scepenenrechtquot; en de andere stukken van het tweede deel, blijkens hunne titels, zonder eenigen twijfel bestemd. En de groote overeenkomst van tal van artikelen in Liber albus en Koode boeck met sommige bepalingen in het tweede deel maken

1

Roese. CCLI. 1. — Zie ook: L. A. XXX. 2,3, CXXII. 2.

-ocr page 21-

5

het van den anderen kant volkomen zeker, dat de laatste aan de eerste ontleend zijn, terwijl ook herhaaldelijk blijkens het Scepeneboeck door schout en schepenen recht gedaan werd op artikelen van het Liber albus.

De duisternis wordt tastbaar. Wij kunnen niet twijfelen: in de uitgegevene boeken hebben wij stedelijke wetboeken te zien; doch het karakter, het doel, het verband der verschillende boeken kunnen wij zelfs niet gissen. En voordat ons dit alles duidelijk is geworden, kunnen wij onmogelijk beoor-deelen, of deze boeken te zamen eene behoorlijke verzameling van „rechtsbronnen de* stad Utrechtquot; vormen.

Laat ons allereerst beproeven, of eene vergelijking met andere verzamelingen eenig licht kan geven. Wij herinneren ons, dat het Amersfoortsche rechtsboek \') naast het „scepen-boickquot; ook een „raidtboickquot; bevat, en dit feit geeft na het bovenstaande reeds dadelijk te denken. Te Amersfoort vinden wij dus wellicht ccnzelfden toestand, en duidelijker dan te Utrecht blijkt het daar: behalve een wetboek voor de schepenbank bezat men een wetboek voor den raad. En wanneer wij aan die twee rechtsboeken denken, valt het ons plotseling in, hoe Karei V verklaarde 1), dat er te Utrecht van ouds 2„drie manieren van rechten gehouden werden, te weten: raedtrecht, scepencnrecht ende oudermansrecht.quot; Geen twijfel dus meer: de schepenbank was te Utrecht niet de stedelijke rechtbank; er Avaren daar drie stedelijke rechtbanken!

Het licht begint reeds te komen. Mogen wij ons ook aanvankelijk over zoo vreemde inrichting verbazen , het feit is onloochenbaar. Vóór alles dringt zich nu de vraag aan ons op : wat is dit zonderlinge, in Nederland onbekende „raadsrechtdat in het Liber albus, ja in het geheele eerste deel dezer verzameling zoo talrijke sporen heeft nagelaten? Te Amersfoort behandelde hot „raidtboickquot; slechts één onderwerp: het spreekt „van loften.quot; Dit boek (slechts 28 artikelen gToot) geeft ons derhalve van den omvang- van het Amersfoortsche raadsrecht noch een indrukwekkend noch een klaar denkbeeld: voor Utrecht heldert het niets op. Niet veel meer hoop geeft het ons, wanneer wij vernemen, hoe Karei V zelf aan de Utrechtsche

1

R. v. U. II. p. 348.

2

Uitgegeven; N. bijdr. v. rechtsgel. en wetg. N. R. IV. p. 236, 544.

-ocr page 22-

6

rechtsbcdeeling verwijt, dat /.ij „dc justicit; diverschelick, confuselick ende sonder goede ordene administreerde Hoe zullen ivij den draad vinden, waar keizer Karei, de tijdgenoot en de vorst, moeielijkheden zag?

Doch niet te spoedig gewanhoopt! Vestigen wij onze aandacht op eene bepaling van het Liber albus van 1379 1)gt; die meermalen in de hier uitgegevene rechtsboeken herhaald wordt, en waarbij het stedelijk bestuur beveelt, „alle zaken, die ten rechte horen, ten rechte te wizen.quot; Het artikel, in het licht onzer zooeven g\'edane ontdekking beschouwd, leert ons, dat elk der drie stedelijke rechtbanken een bepaald afgebakend gebied bezat; doch tevens, dat op dat gebied meermalen door concurreerende machten inbreuk gemaakt werd; bepaaldelijk blijkt het uit de voorafgaande artikelen, dat het de raad was, die zich daaraan schuldig maakte. Eene andere bepaling van het Liber albus ■•), ouder dan de voorgaande (ze is van 1346), wordt ons nu ook duidelijker; het is die, waarin de doodstraf bedreigd wordt bij gewelddadig verzet tegen besluiten van den raad in zaken, „die den rade ghe-boerden te berechten na der ghewoente der stat van Utrecht 2).quot; Derhalve: het kwam voor, dat men zich tegen de jurisdictie van den raad verzette, en deze jurisdictie wortelde in de „ghewoente.quot;

Kunnen dc geschiedschrijvers ons nu wellicht eonig licht geven over den vorm, waarin zich dit verzet voordeed ? Slaan wij den historiograaph der Utrechtsche bisschoppen , onzen onwaardeerbaren Bcka en zijne continuatoren op. Op het zooeven genoemde jaar 1346 boekt hij de volgende mededeeling: „In denselven jaer vocht bisscop Jan op Sinte Cecilien dach tUtrecht op die Plaetse tegen die Gunterlingen, dien hi verwon ende veixlreef uter stadt, ende dier was omtrent seshondert r\').quot; Over de „onruste ende vergaderinghcdie aanleiding gaf tot de bovengemelde bepaling in het Liber albus van 1379, lezen wij: „Quaedam

/

1

m bi \\v

ta

S v n

t t t c

1

L. A. CXXII. 6.

2

De vereeniging van dit artikel tnet de bepalingen van ,L. 11. I i en XXVIII. i in R. b. XIA\'II, zou trouwens bijna doen vermoeden, dat liet hier eerder verzet tegen raadsbesluiten dan tegen raadsvonnissen gold. (cf. ook L. A. CXIV. pr.)

-ocr page 23-

mala scditio eodem anno accidit in civitate. I\'rajectcnsi. Nam burgcnses civitatis praedictac, a longis temporibus usque in hodiernum diem bipertiti, inveteratam contra se invicem susci-tavcrunt seditionem, in qua una partium, Gunterling(i) vul-garitcr nuncupata, ab earum adversa parte, Lichtenbergenses vulgariter nuncupata, armata manu fugitiva a civitate praefata repulsa et proscripta est 1).quot;

Thans gaat ons een licht op. De partijschappen van Lichtenbergers en Gunterlingon, die hare wortels in de twisten tusschen Lichtenbergers en Frcsingen, hare uitloopers in die tusschen Lichtenbergers en Lochorsten hadden, verontrustten de stad Utrecht eeuwenlang. Wij bezitten in de aangehaalde hoofdstukken van het Liber albus *) thans een kostbaar hulpmiddel om den aard dezer aan de Hoeken en Kabeljauwen nauwverwante partijen, die ons tot nu toe slechts als namen in onbepaalde trekken voor den geest stonden, eenigszins nauwkeurig te leeren kennen. Wij mogen nu aannemen, dat beperking van de rechterlijke bevoegdheid van de schepenbank een der leuzen was, waaronder men streed. En al zijn wij niet blind voor het feit, dat familieveeten als deze dikwijlsin den loop der eeuwen van aard veranderen en hare leuzen wisselen, de onderstelling is thans niet al te gewaagd, dat wij in de drie Utrechtsche rechtbanken een product voor ons zien van een eeuwenlangen strijd.

Nog éene belangrijke bizonderheid mogen wij daarbij niet uit het oog verliezen: het bestaan der drie rechtbanken strekte volgens Karei V „tot achterdeel van hem ende syne hoocheyt *).quot; Wat reeds vooraf te vermoeden was, blijkt dus de waarheid: het resultaat van den strijd strekte tot nadeel van den landsheer, de strijd werd derhalve allerwaarschijnlijkst tegen hem en zijne rechten gevoerd. Zelfs de aanleiding van het verzet kunnen wij met waarschijnlijkheid gissen, wanneer wij opmerken, dat in hetzelfde jaar 1379, waarin de Lichtenbergers met zooveel kracht voor het raadsrecht in de bres sprongen, eene „overdrachtquot; gemaakt werd tegen het verkoopen van het schoutambt door den bisschop 2).

1

Beka, Chronica, p. 127.

2

L. H. LXXXIII.

-ocr page 24-

8

Thans zijn wij een goed eind gevorderd. Wij kunnen nu gissen, wat liet doel geweest is van de Utrechtsclie l^urgerij, die wij zoo hardnekkig en zonder ophouden in strijd vinden met haren bisschoppelijken landsheer. Zal het mogelijk zijn, deze gissing te bewijzen ? De kroniekschrijvers geven ons niets meer: zij leveren ons slechts naakte, veelal onbegrijpelijke feiten; zij verhalen ons van gevechten, maar bekommeren zich niet om de leuzen, het „hoequot; en het „waarom. Het bisschoppelijke archief zou ons volledige inlichtingen kunnen verschaffen, doch het is in dc stormen der eeuwen zoo goed als geheel ondergegaan. Het stadsarchief bergt nauwelijks een enkel charter, dat ons het karakter van den strijd tusschen bisschop en burgerij duidelijk maakt. Doch, dank zij onzen rechtsboeken, desniettegenstaande kunnen wij de geschiedenis der stad Utrecht, die gisteren eerst met 1402 1) aanving, heden eene geheele eeuw eerder doen beginnen. De „geschiedenis? Aeen, nog niet. Moest ik eene geschiedenis der Utrechtsche rechtsontwikkeling in de i4c eeuw schrijven, ik zou huiverig mijne pen neerleggen; uog is de oogst daartoe te schraal. Doch bij het licht, door onze rechtsboeken ontstoken, is het voor hem, die in en met dc Utrechtsche archieven leeft, toch mogelijk, bijna dagelijks kleine, doch kostbare aanwijzingen te ontdekken, die bij het ontbreken van bijna alle oorkonden, waardoor de hoofdtrekken der schilderij dadelijk zouden zijn aangegeven, materiaal in overvloed leveren tot het lijn voor lijn ontwerpen eener schets, die ons de wording der Utrechtsche rechtsinstellingen zal duidelijk maken. Wat ik aanvankelijk giste, kan ik thans met volkomene zekerheid als waar verkondigen. Ik ga thans het bewijs daarvan leveren: mijn ecnige bezwaar is de overvloed van argumenten.

1

Met dat jaar, waarmede de ons bewaarde raadsnotulen beginnen, opent ook Bunnan zijne bekende Utrechtsclie jaarboeken.

-ocr page 25-

HOOFDSTUK

Oorspronkelijke toestand van bestuur en reehtsbe-deeling te Utrecht.

§ I. DE OUDSTE RECHTERS.

Dc giftbrief van Karei Martel, waarbij aan den Friesehen aartsbisschop het castrum Trajectum met zijne „adjacentia vel appenditiaquot; werd geschonken \'), verschafte dien kerkvoogd vasten voet op de plaats, die de zetel zijner dioecese zou worden. Dit grondbezit heeft denkelijk medegewerkt om den bisschop van Utrecht te verheffen tot den „dominusquot; der handelsplaats, die in dc ioe en de iie eeuw aan de westzijde van dat castrum allengs ontstond. Naar het schijnt hebben toch aanzienlijke terreinen juist in dit oudste gedeelte der stad aan den bisschop behoord, ja wellicht is het gehecle stadsgebied oorspronkelijk door hem in leen uitgegeven \'1).

I.

1

Ik beroep mij ten bewijze van deze stelling niet zoozeer op het feit, d it enkele oude huizen in de stad bewijsbaar leengoederen van den bisschop waren (V. d. Monde, Beschr. d. straten en stegen. I p. 45 Noot 3), als wel vooral op de merkwaardige bizonder-heid , dnt bij de overdracht van alle steenen huizen in de stad aan den schout een paar handschoenen werd geschonken (Scepenrecht. VIII. 8. — Cost. 1550. XXIX. 1 in fine); handschoenen nu waren van ouds een der vormen , waarin een heergewaad bij overgang van leenen werd voldaan. De reden , waarom deze formaliteit alleen bij overdracht van stccnen huizen vervuld werd , is niet moeielijk te gissen. Gelijk bekend is , golden in de oud-Duitsche steden voor steenen huizen in vele opzichten andere rechtsregelen dan voor houten. (Steenen huizen vererfden ook op eene bizondere manier evenals leengoederen; zij vererfden als „oudervequot;, evenals de leenen „vorderlick ende heerlick.quot; Zie £L. A. III. 20, XXVI. 1. — R. v. U. II p. 116, 126/7. — Cost. 1570 art. 56. — De reden hiervan was echter denkelijk gelegen in de Germaansche begrippen omtrent het gemeenschappelijk eigendom der familie aan onroerend goed: houten huizen toch gol-

-ocr page 26-

IO

Ook de persoonlijke stand van de bewoners der jeugdige stad heeft zeker invloed geoefend op het feit, dat zij den. bisschop als hun „genadigen heerquot; erkenden. Voor een zeer belangrijk deel toch schijnen zij uit ministerialen van den bisschop bestaan te hebben. De Utrechtenaars waren eeuwenlang trotsch op hunne hoedanigheid van dienstmannen van St. Maarten \'), en het blijkt dan ook uit oude oorkonden, dat met den naam „ministerialesquot; somtijds de bewoners dei-stad Utrecht worden aangeduid ^).

Doch het meest heeft zeker de langzame usurpatie van den rechtsban door den overste der kerk er toe bijgedragen om hem als heer der stad te doen erkennen. Den grond tot deze aanmatiging legde het charter van keizer Hendrik II van 1003 , waarbij hij aan de Utrechtsche kerk het privilege g\'af: „ut nullus servus aut liber praelibatae ecclesiae coram ullo praeside

den ais roerend goed. Zie R. v. U. 11 p. 127.) Dit onderscheid had zijnen grond niet in het materiaal, doch in de geschiedenis der huizen. Over het algemeen waren de steenen huizen (wel te verstaan de oude , groote) de oudste *, zij waren met de daaraan verbondene „hofstedenquot; de woningen der geslachten, die bij het ontstaan der steden groote perceelen van den toen nog weinig kostbaren grond hadden verkregen. Later , bij het toenemen der bevolking, gaven deze oude bewoners gedeelten hunner landerijen in de stad in erfpacht of tegen eene grondrente over aan de nieuwe aankomelingen , die daarop kleine houten woningen of kamers bouwden. (Dezen verkregen dus geen eigendom en behoorden dan ook niet tot de erfgezetene burgerij , evenmin als de kotters in de marken. Men vergelijke over deze verhoudingen: Pauli, Lübeck. Zustande. I p. 44 vlg.). Zoo ontstonden uit de afzonderlijk liggende hofsteden allengs straten. Het is derhalve waarschijnlijk , dat de steenen huizen met hunne erven oorspronkelijk een belangrijk gedeelte der stad , ja wellicht nagenoeg het geheel gebied daarvan besloegen. Het betalen van een heergewaad juist van deze uitgestrekte perceelen aan \'s bisschops vertegenwoordiger schijnt op den kerkvorst als den oorspronkelijken leenheer van dit uitgestrekte terrein te wijzen. (Dit geldt bepaaldelijk van de westelijke helft der stad , waar de groote steenen huizen nagenoeg uitsluitend voorkwamen; voor de oostelijke helft behoeft het oorspronkelijke eigendomsrecht van den bisschop geen betoog; bisschop B^rnulf stichtte en doteerde er toch de St. Pieterskerk, de St. Janskerk en de St. Paulus-abdij met groote perceelen land.)

1) Zie de herhaalde verzekeringen, reeds uit de 14e eeuw, dat de bürgers van Utrecht St. Maartens dienstmannen zijn. (R.b. LX. 1 a. — Scepenrecht. XIII. 1. — Costumen van 1570. art. 41.)

2) Toen bisschop Jan Van Nassau in 1273 het droit d\'aubaine afschafte, verklaarde hij, dat hij den maatregel genomen had „de consilio prelatorum et ecclesiarum ministeri-aliumque ecclesiae Traiectensis,quot; terwijl het charter bezegeld werd door den bisschop, de vijf kapittelen, den abt van St. Paulus en de stad Utrecht. De uitspraak van scheidsrechters in een geschil tusschen het kapittel van St. Marie en de stad Utrecht weid in 1196 bezworen door Deken en kapittel van St. Marie, verscheidene ^ministeriales en eenige schcpcncn en raden. (Matthaeus, De jure gladii. p. 3^3*) Ook verdient het o: merking , dat de stad Utrecht later den derden stand in het Sticht vormde, terwijl u drie standen van het bisdom vroeger waren: geestelijken, leenmannen en dienstmannen

-ocr page 27-

1 I

aut judicc nostro ad causas audicndas ant treda exigenda coactus veniat, sed coram advocate ipsius ecclesiae tiniantur Door dit charter werd de rechtspraak van den keizerlijken rechter, den gouwgraaf, die door dc oudere immuniteits-privileges reeds buiten de kerkelijke territoriën gesloten was, ook daarbuiten beperkt: do bisschoppelijke voogd kwam thans voor de „homines ecclesiaequot; ook buiten het kerkelijke grondgebied in zijne plaats. Het is niet te verwonderen, dat zich van toen af te Utrecht dezelfde ontwikkelingsgang voordoet als elders. Dc graaf schijnt ook hier als voogd in \'s bisschops dienst getreden te zijn \'1), ten einde zijne macht onder dezen vorm te behouden. Het blijkt niet, dat deze betrekking tot den bisschop lang geduurd heeft; maar hoe dit zij, het weder uittreden uit den dienstmansstand heeft den graaf van Utrecht zeker even weinig gebaat als het intreden gedaan had. Wij vinden van zijne macht binnen de stad Utrecht geen spoor, en toen de laatste graaf van Utrecht in 1220 2) zijne rechten op graafschap en „rumingequot; te Utrecht voor de luttele som van 200 ponden aan den bisschop verkocht, moest hij erkennen, dat het waren „jura, que nobis adscripsimus vel de jure habuimusquot;: zeer zeker dus geen schijn van macht meer.

Hoe deed de bisschop den rcchtsban, dien hij aldus rechtens aan zich gebracht had, nadat hij hem gewis reeds lang feitelijk bezeten had, uitoefenen ? Het was de gewoonte der Duitsche bisschoppen , in hunne steden den bloedban met het voorzitterschap in de drie jaarlijksche placita legitima, waar de belangrijkste zaken verhandeld werden, optedragen aan eenen stadsvoogd, de lagere rechtspraak aan eenen schout. Dikwijls ook komt in de plaats van don voogd een burggraaf vo.or, in wien men

1

Dc Geer, Bijdr. v. gesch. en oudh. p. 94 vlg.

2

Niet 1224, zooals De Geer (De burg Trecht. p. 151) verkeerdelijk verljetert: de datum is „M.CC.XX. quarto Ydus Martii.quot; (12 Maart 1220.) — Do overdracht staat denkelijk in verband met het charter van keizer Frederik II dd. VI Kal. Maii (26 April) 1220 (hij Heda , Hist. p. 194, 195), waarbij hij aan de bisschoppen belooft: „Item inhibemus ad imitationem avi nostri felicis memoriae Imperatoris Frederici, ne quis officialium nostrorum in eivitatibus eorundem principum jurisdictionem aliquam sive in theloneis, sive in monetis, seu aliis ofliciis quibuscunque sibi vendicet, nisi per octo dies ante curiam nostram ibidem publicc indictam et per oeto dies post cam finitam , nee etiam per eos-dem dies in aliquo excedere praesumant jurisdictionem principis et consuetudines civitatis.quot;

-ocr page 28-

1 2

den ouden keizerlijken rechter, die in den dienstmansstand getreden is, meent te herkennen. Geen van deze beide hoogere rechters schijnt echter voor Utrecht aangewezen te kunnen worden. Wel wordt herhaaldelijk een „advocatus episcopi\' in de oorkonden genoemd, doch steeds onder getuigen van den aanzienlijksten rang, zoodat men wel niet twijfelen mag, of hier worden de „Schirmvögtequot; der Utrechtsche kerk, niet de stadsvoogden van Utrecht, die men onder de dienstmannen zoeken zou, bedoeld; van de rechterlijke werkzaamheid dier heeren is dan ook nog geen enkel bewijs gevonden. De in hot privilege van keizer Hendrik II genoemde „advocatus ecclesiaequot; is wel degelijk de stadsvoogd; doch de zoogenaamde „Ottonische Privilegiën,quot; waartoe dit stuk behoort, bevatten allen bijna letterlijk hetzelfde: uit de vermelding van den advocatus in dit charter kan men dan ook niet met vol-komene zekerheid opmaken, dat er te Utrecht een ambtenaar van dezen naam bestaan heeft of ten gevolge van dit privilegie aangesteld is.

Veel meer dan de advocatus komt in de Utrechtsche oorkonden voor de Ijurggraaf, „castellanusquot; of „praefectus.quot; Wij vinden hem bijna geregeld onder de dienstmannen der Utrechtsche kerk, en werkelijk ook met eenigen rechtsdwang bekleed. Men meende dan ook in vroegeren tijd in hem den ouden keizerlijken graaf te herkennen \') en dus den toestand te Utrecht met dien in andere bisschopssteden in overeenstem-

i) Matthaeus , De jure gladii. p. 380. — Van de Water, Placaatboek. III. p. 63. — Nog onlangs is dit op nieuw beproefd door B. J. L. De Geer (De opkomst der steden in Nederland, in; N. bijdr. v. rechtsgel. N. R. X p. 15), die de moeielijkheld wil oplossen door den burggraaf en den kastelein als verschillende personen te beschouwen, in strijd met het elders althans gewone spraakgebruik. (Te Nijmegen schijnt evenwel dit onderscheid inderdaad bestaan te hebben: in de 13e eeuw komen daar vlg. V. d. Bergh, Nijm. bij-zonderh. p. 8 burggraaf en kastelein naast elkander voor.) Het komt mij voor, dat het verschil met mijne voorstelling slechts een verschil in woorden is: in beide worden de giaaf en de kastelein onderscheiden. Wil men niet den kastelein , maar den graaf den titel van burggraaf geven, ik heb daar niet tegen, doch de oorkonden bewijzen dit niet. Dat dc Utrechtsche graaf Hemic Van Cuyk „burggraviusquot; zou genoemd worden (De Geer 1. c. p. 14 N. 1) is slechts eene door niets bewezene gissing van Van den Bergh (Oorkondenb. I p. 117); daarentegen wordt, vlg. De Geer zeiven (I.e. p. 16), de kastelein Gerlacus „comes genoemd. Over de hoofdzaak, de vraag of het latere burggravenambt afgeleid is van den comes of van den castellanus, zijn wij het eens: wanneer de burggraaf koninklijke rechten bezeten heeft, moet hij die verkregen hebben door latere opdracht van den bisschop na den aankoop van het gravenambt; de vraag , of hij toen tegelijk den naam burggraaf kreeg of dien reeds vroeger bezat, schijnt mij van niet veel belang.

-ocr page 29-

13

ming- te kunnen brengen. Twee omstandigheden pleiten sterk voor deze gissing: zekere Gerlacus komt in 1172 voor als graaf van Utrecht („comesquot;), in 1178 als burggraaf(„castellanusquot;) \'), en terwijl onder de graven van Utrecht een Theodericus De Upgoye voorkomt, vinden wij later onder de burggraven Ghys-bert Utengoye. Nog meer: de „ruminge in Trajectoquot;, die in 1220 aan Albert Van Cuyk, den graaf van Utrecht, behoorde, wordt in 1255 door den burggraaf in den burg Trecht geoefend -). Toch valt er aan identiteit der beide bedieningen niet te denken: de comes en de castellanus komen steeds in verschillende rangen onder de getuigen der bisschoppelijke oorkonden voor, tweemaal zelfs (in 1126 en 1127) vinden wij in éen charter Theodericus comes en Arnoldus praefectus genoemd De geheele werkkring van den burggraaf te Utrecht doet denken aan de positie, die zijne ambtgenooten ook elders, o. a. te Straatsburg \'\'), innamen, namelijk die van eenon „herrschaftlichenquot; beambte. Zijn rechtsgebied beperkte zich tot den ouden, door Karei Martel aan de Utrechtsche kerk geschonken burg, en wel juist tot de smalle westelijke strook daarvan, die aan den bisschop verbleven was nadat hij met de „duo monasteriaquot; der oude charters, de kapittelen ten Dom en Oudmunster, het gemeenschappelijke kerkegoed gedeeld had. De burggraaf zat daar te recht met twee „con-sualesquot;, inde daar waarschijnlijk voor \'s bisschops tafelgoederen den cijns r\'), en was met de zorg voor het onderhoud der vestingwerken belast quot;); bovendien was hij dienstman \'). Alles bewij-

1) Matthaeus, Dc jure glaclii. p. 380.

2) R. v. U. II p. 101. — Dit feit is zeer opmerkelijk: in eene Kelilsche oorkonde van 1197 toch werd het ruimingsrecht in eenen adem met de drie plaeita legitima genoemd , die zeer bepaald tot het gebied van den hoogsten rechter behoorden. (Von Maureri Gesch. der Stadteverf. III p. 391 Noot 8.)

3) Heda, Historia. p. 156. — Van Mieris, Charterboek. I p. 88.— De vergelijking van beide stukken bewijst ook, dat de „praefectusquot; en de „castellanusquot; dezelfde personen zijn. — Zie ook: De Geer, Het oude Trecht. p. 164 N. 2: „testibus Roberto comité , castcl-lano Franconc.quot; (1026 of 1050.)

4) Von Maurer, Gesch. der Stadteverf. III p. 400, 401. — Zie ook: Krusc , Verfas-sungsgesch. v. Strassb. p. 16.

5) Matthaeus, De jure gladii. p. 391, 2. De cijnsen onder de Zoutmarkt komen nog in de latere rekeningen der Domeinen voor.

6) Zelfs buiten den burg, getuige dc fundatiesteen van den Smeetoren van t 145 : „factum est hoc opus a prefecto Alfero.quot; Alfer komt trouwens in andere stukken van dien tijd als schout voor.

7) Zie o. a. Van Mieris, Charterb. I p. 88. (1127.) - Vreemd genoeg komt hij in 1178

-ocr page 30-

14

zen, dat wij hier met geenen vertegenwoordiger van het publiek gezag te doen hebben. Ook het ruimingsrecht oefende hij, zoover wij weten, alleen binnen de burgmuren uit \'); dezelfde beperking geldt voor de vaste goederen, die in zijne terechtzittingen werden overgedragen 2). Wij mogen hierbij evenwel niet uit het oog verliezen, dat de burggraaf een ambtenaar was, die door zijne positie voorbestemd was, om door de aanvallen der naijverige stedelijke rechtbanken langzamerhand vele zijner bevoegdheden te verliezen; de burggraaf te Utrecht maakte ten dezen geene uitzondering, en zal in de iie eeuw zeker vrij wat machtiger geweest zijn dan in de 13°. Voor de latere eeuwen kunnen wij den achteruitgang zijner macht nog constateeren: het ruimingsrecht op den burg, dat hij zooals wij zagen in 1255 bezat, was hem reeds in 1419 door de schepenbank afhandig gemaakt3), en in hetzelfde jaar had deze het zoover weten te brengen, dat men de goederen, voor \'s burggraven gerecht overgedragen , op nieuw overdroeg voor schout en schepenen \'). Zoo loste zich de burg en zijn afzonderlijk bestuur langzamerhand in de stad op en de macht van den burggraaf werd allengs „eene titulaire digniteyt ende ydele ecrentitel.quot;

Er blijft dus voor de rechtsbedeeling te Utrecht slechts een ambtenaar over: de schout. Oorspronkelijk een ambtenaar van den gouwgraaf tot het invorderen van boeten, later voorzitter in de minder plechtige gebodene dingen , wordt de schout overal alras tot een ambtenaar van den bisschop vernederd, en komt steeds als een der bisschoppelijke dienstmannen voor. Te Utrecht treedt hij dadelijk op in het oudste charter der stad van 1122; in hetzelfde stuk worden ook de schepenen voor het eerst genoemd r\'J. Geen twijfel alzoo: de schepenbank

onder de laici nobiles voor; Matthaeus , De jure gladii. p. 380. Maar deze plaats is vol tegenstrijdigheden: de hier genoemde burggraaf Gerlacus komt in 1172 als comes voor, en in dit stuk staat hij naast Henrieus De Knok , die van elders als graaf van Utrecht bekend is en hier geen titel draagt.

1) R. v. U. II p. 101.

2) Matthaeus, De jure gladii. p. 388, 391.

3) R. v. U. II p. 127 jeto. II p. 101.

4) Matthaeus, De jure gladii. p. 388, 391. Iets dergelijks kwam voor te Keulen, waar de voor de Burgerichte overgedragene erven nogmaals werden getransporteerd voor het grafelijk gericht. (Von Maurcr, Gesch. der Sttidteverf. II p. B35.)

5) „Sub judicio illorum , qui publice juraverunt justam judicii dare sententiam, id est scabinorum.quot;

-ocr page 31-

jbestond in dat jaar. Over hare bevoegdheid valt in zoo vroegen tijd moeielijk te oordeelen. In ieder geval heeft de schepenbank als lagere rechtbank gefungeerd en bezat zij de civiele rechtspraak in haren vollen omvang: in 1294 en 1304 vernemen wij, dat zij recht deed „van scade ende van scoutquot; \'), en reeds in 1230 hooren wij schout en schepenen den plechtigen „vredebanquot; uitspreken bij de overdracht van onroerend goed

Doch bezat de schepenbank ook het hoog-e gerecht? of, zoo dit niet het geval was, wie was dan bezitter van den bloedban? De burggraaf en de stadsvoogd schijnen als voorzitters van eene hoogere rechtbank niet in aanmerking te kunnen komen; maar het is niet onmogelijk, dat deze betrekking waargenomen werd door den rechter van het district, waarin Utrecht lag. Eene dergelijke regeling, waarbij de hoogere rechtspraak in eene stad overgelaten werd aan den rechter van het district, waarin de stad lag, is niet ongewoon Wij vinden eenige aanleiding tot het vermoeden , dat dit ook te Utrecht het geval was, in het feit, dat nog op het laatst der middeleeuwen de maarschalk, de bisschoppelijke rechter voor het platte land, gewoon was de door hem gevangene misdadigers terecht te stellen voor schepenen van Utrecht1). De maarschalk had derhalve destijds nog in

1

Charter van 1364 (bij V. d. Water, Plaeaatb. ill p, 277); „Voert\'en zei die bisscop ghenen persoen vaen ende ontliven noch nyemant van zynre weghen .... is hi weerlick persoen so sel ment doen binnen Utrecht , binnen Amersfoerde , binnen Renen , binnen den Gheyne of binnen Vredelant bi denghenen , die daer terechte ghezworen zijn ende mit rechte daerover oerdelen zeilen.quot; — Charter van 1371 : „Mede zo zijnt vorwarde, dat die maerscalc voerseyt ghene hoghe rechte doen en zal, dat aen live ofte aen lit gaet, dan binnen Utrecht, Renen, Vredelant enten Gheyne.quot; — Charter van 1394: De stad Amersfoort heeft „gheen bevvynt int antasten , vangen ende quytlaten ende richten over lude, dan dat die scepen die oerdel wysden als die maerscalck terechte sat.quot; (Afschr. in Coll. Booth, B 101, 116, 117. Prov. arch.) — Raadsdag. boek Domed, na Transl. Mart. 1481 : „Auut d«\'n nywen Raide ende B. uut den ouden Raide zyn geschiet van die scepenen recht te houden , als die maerschalck pleecht te rechten.quot; — De schout hield dan ook geen rechtdag als de maarschalk te Utrecht rechttequot; (R. v. U. II p. 299), zeker wel omdat de schepenen dan daarbij moesten zijn. — Volgens Matthaeus, De jure gladii. p. 380 was de maarschalk de opvolger van den bisschoppelijkcn voogd, dien wij elders als hoogsten rechter in de steden aantreffen. — Eene dergelijke regeling vindt men in de Overijsselsche steden. (De Geer, Opkomst der steden, in: N. bijdr. v. rechtsgel. N. R. X p. 389.)

-ocr page 32-

14

zen, dat wij hier met geencn vertegenwoordiger van het pu- i Destc bliek gezag te doen hebben. Ook het ruimingsrecht oefende hij, zoover wij weten, alleen binnen de burgmuren uit \'); de- k zelfde beperking geldt voor de vaste goederen, die in zijne terechtzittingen werden overgedragen 2). Wij mogen hierbij vern evenwel niet uit het oog verliezen, dat de burggraaf een en r ambtenaar was, die door zijne positie voorbestemd was, om „vre door de aanvallen der naijverige stedelijke rechtbanken lang-- D zamerhand vele zijner bevoegdheden te verliezen; de burg- Izoo graaf te Utrecht maakte ten dezen geene uitzondering, en zal in de iie eeuw zeker vrij wat machtiger geweest zijn dan in de 13°. Voor de latere eeuwen kunnen wij den achteruitgang zijner macht nog constateeren; het ruimingsrecht op den burg, dat hij zooals wij zagen in 1255 bezat, was hem reeds in 1419 door de schepenbank afhandig gemaakt , Jhoc en in hetzelfde jaar had deze het zoover weten te brengen, dat men de goederen, voor \'s burggraven gerecht overgedragen , op nieuw overdroeg voor schout en schepenen 4). Zoo loste zich de burg en zijn afzonderlijk bestuur langzamerhand in de stad op en de macht van den burggraaf werd allengs „eene titulaire digniteyt ende ydele ecrentitel.quot;

Er blijft dus voor de rechtsbedeeling te Utrecht slechts één ambtenaar over; de schout. Oorspronkelijk een ambtenaar van den gouwgraaf tot het invorderen van boeten, later voorzitter in de minder plechtige gebodene dingen , wordt de schout overal alras tot een ambtenaar van den bisschop vernederd, en komt steeds als een der bisschoppelijke dienstmannen voor. Te Utrecht treedt hij dadelijk op in het oudste charter der stad van 1122; in hetzelfde stuk worden ook de schepenen voor het eerst genoemd B). Geen twijfel alzoo: de schepenbank

onder de laiei nobiles voor: Matthaeus , De jure gladii. p. 380. Maar deze plaats is vol tegenstrijdigheden; de hier genoemde burggraaf Gerlacus komt in 1172 als comes voor, en in dit stuk staat hij naast Henricus De Kuck , die van elders als graaf van Utrecht bekend is en hier geen titel draagt.

1) R. v. U. II p. 101.

2) Matthaeus, De jure gladii. p. 388, 391.

3) R. v. U. II p. 127 jeto. II p. 101.

4) Matthaeus, De jure gladii. p. 388, 391. Iets dergelijks kwam voor te Keulen, waar de voor de Burgerichte overgedragene erven nogmaals werden getransporteerd voor het grafelijk gericht. (Von Maurer, Gesch. der Stfidteverf. II p. 835.)

5) „Sub judicio illorum , qui pnblice juraverunt justam judieii dare sententiam, id est scabinorum.quot;

-ocr page 33-

pu- bestond in dat jaar. Over hare bevoegdheid valt in zoo ide vroegen tijd moeielijk te oordeelen. In ieder geval heeft de de- Schepenbank als lagere rechtbank gefungeerd en bezat zij de jne civiele rechtspraak in haren vollen omvang: in 1294 en 1304 bij vernemen wij, dat zij recht deed „van scade ende van scoutquot; \'), en en reeds in 1230 hooren wij schout en schepenen den plechtigen gt;m „vredebanquot; uitspreken bij de overdracht van onroerend goed g- Doch bezat de schepenbank ook het hooge gerecht? of, g- zoo dit niet het geval was, wie was dan bezitter van don ^n ^bloedban ? De burggraaf en de stadsvoogd schijnen als voorin -zitters van eene hoogere rechtbank niet in aanmerking te r- kunnen komen; maar het is niet onmogelijk, dat deze be-gt;p trekking waargenomen werd door den rechter van het district, tn waarin Utrecht lag, Eene dergelijke regeling, waarbij de ), hoogere rechtspraak in eene stad overgelaten werd aan den

;rechter van het district, waarin de stad lag, is niet onge-- Iwoon 1). Wij vinden eenige aanleiding tot het vermoeden ,

0 dat dit ook te Utrecht het geval was, in het feit, dat nog

1 i op het laatst der middeleeuwen de maarschalk, de bisschop-s pelijke rechter voor het platte land, gewoon was do door

hem gevangene misdadigers terecht te stellen voor schepenen 1 van Utrecht De maarschalk had derhalve destijds nog in

1

Von Maurer , Gesch. der Stadteverf. III p. 428. Vgl. ook I p. 446,7. — Zie ook ; Blok , Eene Hollandsche stad in de middeleeuwen, p. 218 vlg.

-ocr page 34-

/

verecnigingquot; met de schepenen van Utrecht rcchtsprtitik ovei zaken, die aan lijf en lid gingen, en wel in het geheelc

district om Utrecht.

Doch hoe dit zij, de eenheid van het stadsgerecht met de rechtbank van het omliggende district is, zoo zij ooit bestaan heeft, in ieder geval opgeheven door het privilegium de non evocando, waarbij de Roomsch-koning Willem van Holland in \'1252 aan de Utrechtsche burgers het recht gaf: „ut nullus princeps, marcbio, dux, comes vel nobilis, ecclesiastica vel saecularis persona aliquem ipsorum civium vel in civitate ipsa manentium extra muros civitatis eiusdem, nisi imperator vel rex super his, quae ad judicium saeculare spectant dun-taxat, possit ad judicium evocare, citare seu etiam coram ali-quo convenire, cum parati existant, coram cpiscopo Trajectensi, eorum domino, vel judice, qui pro tempore fuerit deputatus ab ipso in civitate Trajectensi praedicta, exhibere cuique justiciae complementum Door dit privilegie werd Utrecht geëxi-meerd uit het recbtsdistrict, dat haar omringde; de stad werd ccne immuniteit, eene eenheid op zich zelve 1). De burgers waren zich wel bewust van het gewicht van dit charter, dat hun het eerst een eigene stedelijke rechtbank schonk; immers „coninc Willams briefquot; statvt in sommige stedelijke cartularia als de stadbrief vooraan op de eereplaats, en in de bevestiging van alle stedelijke privilegiën door bisschop (Tuy Van Avesnes (1305) ;i) wordt dit charter uitdrukkelijk genoemd. Of intusschen de hooggeschatte voorrechtsbrief ook in de praktijk dadelijk veel invloed gehad heeft, schijnt zoo zeker niet. In 1266 toch verklaarde het Utrechtsche stadsbestuur, dat, zoo een hunner burgers „ad jus suum capitalequot; beklaagd werd, en hij bereid was te verschijnen , doch geen vrijgeleide van den bisschop kon krijgen, zij dezen burger in hunne stad zouden houden Blijkbaar werd het derhalve mogelijk geacht , dat de bisschop een burger buiten de stad zou in rechte roepen. Niet anders spreekt de gildenbrief van 1304, die het geval voorziet, dat een burger „ten hoechsten rechte

1

Vgl. Von Maurcr, Gesch. dor Stadleverf. III p. 385.

-ocr page 35-

\'7

tusschen Node en Bodegraven (d. i. in het Nedersticht) beklaagd werd; de stad zou in dat geval eene raadscommissie met hem medezenden om hem aan zijn recht te helpen \').

§ 2. OPKOMST VAN DEN RAAD.

Behalve de rechtspraak hadden schout en schepenen in vele steden van ouds nog eene andere functie; het bestuur der stad. Ook te Utrecht was het denkelijk aldus. Doch zoover onze berichten reiken, was deze zorg niet aan hen alleen toevertrouwd. Nadat wij in 1122 schout en schepenen aangetroffen hebben, vinden wij in het Utrechtsche stads-archief slechts twee of drie charters van de 12de eeuw, die over dit onderwerp geen licht verspreiden, en daarna zien wij in een charter van 1196 naast de schepenen andere bestuurders verschijnen: de raden. Ik zeg „bestuurders,quot; maar het is waarschijnlijk , dat zij, dien naam nauwelijks verdienen. In vele steden is de raad ontstaan als een aanzetsel aan het schepencollege -), dat in zaken van belang adviseerend, wellicht medebesturend optrad, doch zonder eenige zelfstandigheid. Te Utrecht schijnt het niet anders geweest te zijn. In 1196 zien wij de „con-sules civitatisquot; (12 in getal) als getuigen optreden naast do „scabiniquot;, te zamen als vertegenwoordigers der „civesquot; *). In 1230 spreken de „consulesquot; mot schout en schepenen den vredeban uit en zijn zij dus in de rechtspraak betrokken, hoewel liet vonnis door schepenen alleen gewezen wordt en zij alleen met den schout aan het slot genoemd, worden ^). Een geschil tusschen het kapittel van St. Marie en de stad wordt in 1231 geschikt door eene overeenkomst, waarbij de schout,, de schepenen en de „consules civitatisquot; (9 in getal) „ex parte totius civitatisquot; optreden •■■■). De raden zijn hier dus niet bestuurders tegenover de rechtsprekende schepenen, doch personen, die, in bestuur en rechtspraak beiden, de schepenen bijstaan „in arduis ne-gotiisquot; (zooals het Straatsburgsche stadsrecht in een analoog

1) Van de Water, Placaatb. Ill p. 67. — Ook de keur L. A. XXXTX. 1 (en wellicht nog die van Rocse. CCXI. 1 dd. 1438) is tegen inbreuken op het privilegium de non evoeando gericht.

2) Heusler , Urspr. der Stadtverfassung. p. 197, 198,

3) Matthaeus, De jure gladii. p. 382.

4) Matthaeus, De jure gladii. p. 386.

5) Matthaeus, Do jure gladii. p. 384.

-ocr page 36-

18

geval zegt \')). Hun aantal wisselt: zij vormen dus nog geen georganiseerd college, doch worden denkelijk voor elk geval uit de voornaamste burgers door de schepenen aangewezen 1), Ook nadat de raad langzamerhand een vast lichaam is geworden , blijft de toestand in hoofdzaak zoo: wij vinden do „consulesquot; (sedert 1266 „consiliariiquot;) nooit alleen, steeds naast en met de schepenen genoemd. Schepenen en raden vormden de geheele middeleeuwen door samen den raad; het da-gelijksch bestuur heeft wellicht nog- lang bij de schepenen alleen berust 2), ja soms heeft het zelfs den schijn, alsof men de schepenen als de eigenlijke bestuurders 3), de raden als bijzitters beschouwt.

Ziet men elders deze raden zich soms langzamerhand ontwikkelen uit de in vele charters optredende „ghemeente,quot; te Utrecht, waar de raden reeds zoo vroeg voorkomen, is het tegenovergestelde het geval. Eerst in 1233 4) vinden wij naast de bovenvermelde vertegenwoordigers dor stad nog andere personen vermeld. Ze heeten in dat jaar en nog in 1251 „jurati,quot; doch reeds in 1254 en sedert voortdurend (het laatst in 1302) wordt in hunne plaats genoemd de „universitas civitatis,quot; „universitas Traiectensis,quot; „universi cives,quot; „civos,quot; de „ghemeentequot;, de „ghe-mene stat,quot; de „ghehele ghementequot;, „alle burgers.quot; Het spreekt van zelf, dat daarmede niet alle inwoners der stad bedoeld kunnen zijn, doch alleen de poorters, grootburgers, of hoe men hen noemen wil. Gewoonlijk wil men dan ook in deze „ghemeente,quot; die in bijna alle steden voorkomt, de in de stad geërfde burgerij

1

Men vindt zulk ecnen toestand duidelijk aangegeven in het charter van Middeiburg van 1254 (V. d. Bergh , Oorkondenb. v. Moll. I p. 314) : „So wat zo seepenen van Middelburg ende portres , die sire toe 71 emeu, maken bi ghemanden ede ter pórt nutsehepe , dat in die chore niet ne staed , dat moet bliven ghestade.quot;

2

Wellicht vormden de schepenen vroeger den „Engen raadquot; , het dagelijksch bestuur, de „elven.quot; (Zie p. 25 Noot 7.)

3

Het verdient opmerking, dat de schepenen telkens meer op den voorgrond treden, zoodra de landsheer meer macht krijgt en de oude toestanden tracht te herstellen. Zoo in 1491 bij de instelling van den Erfraad door bisschop David van Bourgondiö (Van de Water, Utr. placaatb. III p. 89), — zoo na 1528 bij de reorganisatie van het stedelijk bestuur door Karei V. Beide malen treden de schepenen als het eigenlijke handelende bestuur op.

4

üe „cuncti civesquot;, in een charter van 1198 voorkomende (De Geer, Het oude Trecht. p. 169 Noot 1), mogen niet mederekenen: immers zij komen voor in eenen brief, aan „indices, scabini et cuncti cives Traiectensesquot; gericht door „judices, scabini et universi cives Colonienses.quot; Denkelijk was men te Keulen in 1198 wel niet precies op de hoogte der Utrcchtsche toestanden.

-ocr page 37-

19

zien, het personeel, waaruit ook het stadsbestuur gekozen werd, de „honestiores civesquot; van het Utrechtsche charter van 112 2, Wellicht is het echter juister, de Utrechtsche „juratsquot; te beschouwen als de leden van het koopmansgild, dat blijkens de charters van 1233 en 1251 te Utrecht, in nauw verband tot het stedelijk bestuur stond. Deze nauwe betrekking immers maakt het waarschijnlijk, dat destijds ook daar do in vele handelssteden voorkomende verschuiving had plaats gehad, waardoor de geërfden uit hunne uitsluitende rechten door de rijken, de kooplieden, verdrongen waren \'). De naam „juratiquot; -) wijst op de leden cencr corporatie, en het blijkt, dat de „fratres hansequot; door een eed, dien het stedelijk bestuur „juramentum nostrumquot; noemt, verbonden waren :i). Is deze gissing juist, dan is het ook volkomen natuurlijk, dat wij, zoodra het democratische element de overwinning behaalt en, zooals te verwachten was, het aristocratische, bevoorrechte koopmansgild doet vallen \'\'), op de plaats der „juratiquot; en der „ghemeentequot; de „oudermanni confraternitatum civitatisquot; zien verschijnen ([267) r\'), die, na de reactie verdwenen, bij den triomf der

1) Op een zeer merkwaardig charter (van iryi), dat allerduidelijkst maakt, hoe deze verschuiving heeft plaatsgehad, vestigde onlangs de aandacht R. Hoeniger in zijn belangrijk opstel: Der Ursprung der Kölner Stadtverfassung, in : Westd. Zeitschr. II. p. 242. Zie voor Belgiö: Van der Kindcre, Le siècle des Artevelde. p. 63. — Warnkönig, Mist. admin. de Gand. p. 99.

2) Ook in de Belgische steden komen in dezen tijd „jurésquot; voor; zij worden echter met | onze raden vereenzelvigd. (Van der Kindcre, Le siècle des Artevelde. p. 73.) De in Friesland voorkomende „gezworenenquot; en „gemeene meentequot; (Telting, Oud-Friesch stadr.

p. 69, 173) zijn van veel lateien tijd en kunnen dus niet ter vergelijking dienen.

3) Zie de bovenbedoelde charters van 1233 cn 1251, gedrukt bij: De Geer, Het oude Trecht. p. 178 Noot 3, 181 Noot 1.

4) „De mene coep (Van de Water drukt verkeerdelijk loep) van allen onsen borgheren die zei wesen alse hi haertoe comen is,quot; zegt de gildenbrief van 1304, d. i. het recht om te koopen en te verkoopen, vroeger het privilegie der leden van het koopmansgild, blijft aan alle burgers verzekerd. De „mene coepquot; is de „gracia emendi et vendendi\' , „que vulgariter dicitur inningequot; , der Noordduitschc charters. (Nitzsch , Niederd. Kauf-gilden , in: Monatsber. d. Preuss. Akad. Jan. 1879. p. 15—17.) — Opmerking verdient het ook, dat er een Hamburger Hansekantoor te Utrecht gevestigd was vóór 1270. (Masse, Schlesw. Stadtr. p. 59.)

5) De inval der Kennemers en hunne belegering van Utrecht wordt gewoonlijk gesteld op 1268. (Burman, Utr. jaarb. Voorr. —Vgl. MS. van Dr. C. Booth B. 104 op het Prov. Arch.) Het jaartal is echter 1267 blijkens dit charter, waar de oudermannen der gilden reeds in het stadsbestuur voorkomen. Met is niet vroeger dan 1267, want een charter van 1266, waarin geheel hetzelfde bepaald wordt, noemt nog het oude bestuur; ook stierf bisschop Hendrik van Vianden eerst in 1267, cn Beka verhaalt, dat het oproer onder bisschop Jan van Nassau vooiviel.

-ocr page 38-

20

g-ildon in 1304 op nieuw optreden en nu voor goed. Volkomen natuurlijk, zeg ik, want zij waren nu de vertegenwoordigers der „ghemeente,quot; die voortaan niet meer tot de oude poorters beperkt, maar ook tot de leden der handwerksgilden uitgebreid was.

Het doel van deze gildenbeweging, zóó krachtig, dat de oudermannen reeds dadelijk in 1267 een paar jaren de macht in handen houden en in 1304 bij den tweeden aanloop voor goed overwinnen, wordt ons niet gemeld. Beka zegt alleen, dat men het gemunt had op de „nobiles communitatem aggra-vantes,quot; en dat dan ook de „tribunitie dignitatis illusires viri et nobilesquot; uit de stad gebannen werden \'). Doch wij kunnen ons zonder moeite voorstellen, wat de grieven geweest zijn, ze zijn overal en altijd dezelfden: overmatige weelde der rijken 1), geweld tegen de handwerkslieden en hunne dochters, knoeierijen met de stedelijke finantiën, onrechtvaardige rechtspraak enz. Men zocht deze kwalen in den regel te verbeteren door eene veranderingquot; van het stedelijk bestuur; ook te Utrecht geschiedde het aldus. Hoe het bestuur voor 1304 ingericht was, kunnen wij slechts in algemeone trekken nagaan. Wij behoeven niet te twijfelen, of de bestuurders bleven ook hier, zooals overal in steden onder het aristocratische regime, levenslang in functie; coöptatie is waarschijnlijk daarbij gebruikelijk geweest 2). Voor het gewichtigste bestuurscollege, do schepenbank, is het te bewijzen, dat de leden voor hun leven gekozen werden: de schepenlijsten, die in schepenbrieven van 1277—1303 voorkomen, leeren ons 3): 1quot;. dat er hoogstens 12

1

Zie de bepaling tegen de weelde bij begrafenissen in den gildenbrief van 1304. — Vooral op Belgische toestanden schijnt hier gelet to moeten worden. Hoewel de ont-wikkeliftgsgeschiedenis der stad Utrecht geheel eene afspiegeling van die der Duitsche bisschopssteden is , schijnt toch bepaaldelijk bij de democratische stroomingen, die over het geheel in Duitschland eerst later groote kracht krijgen , Vlaamsche invloed onmiskenbaar. In 1303 had te Yperen een geweldige gildenopstand plaats, de overwinning der gilden te Brugge werd in dc keure van 1304 erkend, de revolutie te Utrecht had plaats in 1304 kort na den Vlaamschen inval. Ook het oproer der Gunterlingen in 1379 en 1380 valt samen met de gildenbeweging te Gent onder Philips Van Artevelde.

2

Althans door den bisschop werd het stedelijk bestuur blijkbaar niet meer aangesteld: immers de gildenbrief van 1304 werd door de gilden opgelegd aan schepenen en raad, niet aan den bisschop, die hem eerst het volgende jaar bevestigde.

3

Zie daarover zeer uitvoerig de collectie HSS. van Dr. C. Booth in het Prov. Arch. B 104. Booth heeft zich de moeite gegeven , tal van schepenlijsten te verzamelen , en bepaaldelijk uit eene zeer volledige verzameling over dc opgegevene jaren merkwaardige resultaten getrokken, die ik hier overneem , doch natuurlijk niet in detail toelichten kan; liet afdrukken der schepenlijsten ware daartoe noodig.

-ocr page 39-

2 I

schepenen waren. 2quot;. dat dezelfde personen jaren achtereen voorkomen. 30. dat de openvallende plaatsen steeds aangevuld werden met personen, tot denzelfden kring van namen behoorende. 4quot;. dat die aanvullingen niet jaarlijks plaats hadden, doch slechts wanneer het getal der schepenen belangrijk was verminderd \').

Aan dien toestand werd in 1304 een einde gemaakt -), doch op waarlijk gematigde wijze. Hot beginsel van onafzetbaarheid der schepenen bleef gehandhaafd :i) en de fungeerende zeven schepenen mochten zelfs aanblijven; ter aanvulling van openvallende plaatsen in het twaalftal zouden nieuwe schepenen benoemd worden niet door coöptatie, maar bij jaar-lijksche keuze door den raad; leden der oude aanzienlijke geslachten bleven voor de schepenbank verkiesbaar, zelfs als zij geene leden van gilden werden; met het stadsbestuur mochten de schepenen zich echter niet inlaten dan indien zij daartoe uitgenoodigd werden. Over de raadskeuze blijkt alleen, \'\'-dat dit lichaam bestond uit 24 leden, gekozen door de oudermannen dor gilden.

Een geheel ander karakter vertoont het stedelijk bestuur in

1) Zoo komen b. v. in 1281—1284 slechts 6 schepenen voor, en er schijnen in 1285 slechts 3 nieuwe bijgevoegd te zijn.

2) Zie den gildenbrief gedrukt bij: Van de Water, Utr. placaatb. III p. 67. Wellicht is het wat sterk, wanneer Van Riemsdijk (Gesch. v. de kerspelkerk van St. Jacob, p. 198) dezen brief noemt „de grondwet, waarnaar de stad Utrecht tot aan het einde der middeleeuwen werd bestuurd.quot; Het is waar, dat do gildenbrief van 1341 verwijst naar „die oude ghildebrief,quot; doch in hoofdzaak werden toch de bepalingen van den jongsten brief de regels, waarnaar het stadsbestuur werd ingericht; deze brief alleen werd ook in het Liber albus opgenomen.

3) De gewone opinie is, dat reeds in 1304 de jaarlijksche aftreding van het stedelijk bestuur is aangenomen. Ik geloof echter ten onrechte. De gildenbrief zegt : „dat die scepene van Utrecht, die nu scepene zijn, scepene zeilen bliven tot horen liven, of zi willen; ente raet die zei voert scepene kiesen van jaer tot jaer.quot; Reeds dadelijk is het vreemd, dat de schepenbank derhalve zou bestaan half uit onafzetbare, half uit jaarlijks aftredende leden. Maar wat zegt de bevestigingsbrief van bisschop Guy van 1305? (V. d. Water, Utr. placaatb. III p. 68.) „Voirt sel die raet van der stat secpene kiesen van\'jaer te jaer, da er se gebreken, alse ter stat orbaer is.quot; Mij dunkt, dit kan niet anders beteekenen dan dat plaatsen , door overlijden openvallende, zullen worden aangevuld. De bedoeling schijnt dus geweest te zijn: afschaffing der coöptatie, en \\oox^\\jaarlijksche aanvulling der opene plaatsen, niet ongeregeld naar het goedvinden der heeren. De tekst van den gildenbrief is daarmede ook zeer goed te vereenigen. Ook de schepenlijsten bij Van de Water (Utr. placaatb. HI p. 146), die echter om verschillende redenen met omzichtigheid gebruikt moeten worden , bewijzen niet daartegen. Slechts blijkt daaruit, dat men eene destijds ook elders zeer gewone jaarlijksche omwisseling der fungeerende leden heeft aangenomen: om het andere jaar komen dezelfde namen terug.

-ocr page 40-

22

den gildenbrief van 1341 \'), hoewel die zich als eene aanvulling van den vroegeren voordoet. Wanneer de verandering heeft plaats gevonden, weten wij niet, doch wij vinden een geheel ander, veel grooter bcstuurs-personeel: de brief is uitgevaardigd door do schepenen, de raden en de oudermannen der gilden met den oudraad.

Het grootste verschil met den ouden toestand is dit: de oudermannen hebben zich toegang\' verschaft tot den raad. Namen zij reeds in 1304 tegenover schepenen en raden eene oppermachtige houding aan, zij hebben thans als hunne gelijken op het stadhuis plaats genomen 1). Uit het huishoudelijk reglement van den raad zien wij echter, dat zij een afzonderlijk lichaam vormen, dat door de twee overste oudermannen, die in den gildenbrief van 1341 ook voor het eerst voorkomen, samengeroepen wordt. In overeenstemming daarmede vinden wij dan ook zoowel voor als na 1341 raadsbesluiten, die zonder hunne medewerking genomen zijn, en het Raads dagelijkschboek kent nog in de 15® eeuw zittingen met en zonder de oudermannen. Hunne positie wordt wellicht juist geteekend door de in Die Roese voorkomende hoofdstukken CCXLVHI en CCLVH 2), die een „slitingequot; (vonnis) van schepenen en raden (van 1446) bevatten, later „gesterektquot; door eene „overdrachtquot; (besluit) van schepenen, raden en oudermannen. Het spraakgebruik noemde dan ook somtijds nog na 1341 „die mene raet ende oudermannequot; naast elkander 3).

Een ander opmerkelijk feit is het, dat de schepenen, door de democratische beweging in 1304 uit den raad gedrongen, in

1

Zoo wordt in 1364 besloten (V. d. Water, Utr. plaeaatb. III p. 70), dat niemand „in den raet gecoren sel worden voor soepen , raet, overste ouderman ofte ouderman.quot; De oudermannen waren dus wel degelijk leden van den raad.

2

Ik zeg „wellichtquot;, want, naar het schijnt, had in 1446 de democratie weder korten tijd de overhand. Althans het cartularium A van het Regulieren-klooster (Arch. v. h. Geref. Burgerweeshuis) zegt achter den index: „Hcc intimata steterunt ante Hasenberch tempore, quo communitas parvo tempore regnabat anno 1446. (Volgt de overdracht van St. Servaesdach 1446 : Roese. CCLV.) Hcc postea cassata sunt.quot;

3

R, v. U. I p. 397. (1355.) — De mene raet is de gehecle raad (V. d. Water, Plaeaatb. III p. 77 2e kolom), mene ghilden quot; alle gilden , ghemene oudermanne = alle oudermannen. De „mene raetquot; omvatte in het aangehaalde voorbeeld blijkbaar, als meestal, ook de schepenen als leden van den raad; anders echter in den gildenbrief van 1304: „scepene ente mene raet,quot; denkelijk omdat de schepenen toen niet in den raad zitting hadden.

-ocr page 41-

1341 daarin weder opgenomen zijn. Dit was reeds in 1308 het geval blijkens den in het Scepeneboeck afgcdrukten brief van dat jaar \'), en het bleef aldus tot in de i8e eeuw toe. De keuze der schepenen geschiedde na 1341 evemils in 1304 ^ door den raad, die zelf (voor als na 1341) gekozen werd door de oudermannen der gilden.

Doch wat was de oudraad, die in den gildenbrief van 1341 voor het eerst optreedt? Onder den „ouden raetquot; verstond men te Utrecht de raadsleden , die in het jaar, voorafgaande aan het loopende, zitting gehad hadden. Zij worden in bepaalde gewichtige gevallen, vooral bij het nemen van maatregelen van blijvend belang (zooals het maken van verordeningen), opgeroepen om met den raad van het loopende jaar, den „nyen raetquot;, besluiten te nemen. De ontwikkeling der toestanden had reeds spoedig na 1304 den levensduur van het lidmaatschap der schepenbank (en, zoo dit niet reeds in 1304 heeft plaats gehad, ook van den raad) doen vervallen. Treft men in de regeeringslijsten van de eerste jaren der i4e eeuw nog voortdurend dezelfde namen aan, spoedig komt dciarin verandering en het feit doet zich voor, dat men in de evene jaren nooit dezelfde namen vindt, die in de onevene (en dan zéér geregeld) voorkomen. Een bewijs, dat de jaarlijksche wisseling der leden is begonnen 1). Van dit oogen-blik dagteekent waarschijnlijk het optreden van den oudraad.

1

Men kan met het aannemen eener jaarlijksche verkiezing van nieuwe raadsleden in de middeneeuwen nauwelijks voorzichtig genoeg zijn, wanneer men ziet , dat b.v. te Lubeck (ondanks de jaarlijksche aftreding, ondanks het kiescollege en ondanks hel voorkomen van een oudraad) de raadsleden eigenlijk nooit aftraden en alleen jaarlijks van den oudraad naar den zittenden overgingen en van den zitten den naar den oudraad. (Vgl. Pauli, Lubec-kische Zustilnde. p. 84, 87.) Dit kwam in Duitsche steden algemeen voor, zelfs nog in de vorige eeuw. (Zie het 1. c. medegedeelde over Weimar, — en: Frensdorff, Dortmunder Statuten, p. LVIII.) Te Utrecht schijnt dit in het begin, der 14« eeuw ook het gebruik geweest te zijn; zoo was b. v. Jan De Wale schepen in 1324, 1326, 1328, 1330, 1332, 1334 en natuurlijk in de tusschenliggende jaren oudschepen. (HSS. van C. Booth, Prov. arch. B 104.— Zie ook de schepenlijsten bij: Van de Water, Utr. Placaatb. III p. 146, die echter niet altijd schijnt gedacht te hebben aan het feit, dat de raadskeur midden in het jaar viel.) Opvallend is het ook, dat de gildenbrief van 1341 bepaalde, dat de vier oversten en de kameraars eerst om de 4 jaar herkiesbaar waren. — Bijna zou men nog verder willen gaan, wanneer men in het Raadsdagelijksch boek van O. L. V. avond te Lichtmis 1477 leest: „Heeft Eerst Van Drakenborch der stadt raetscap opgescyt ende is raet geworden mijns heeren van Utrecht.quot; Eerst Van Drakenborch nu was in 1477 volstrekt geen lid van den raad, wel in 1461, 1463, 1465, 1467, 1469, 1471 , 1473 en I475 • zoodat hij volgens de gewone beschouwing nu eerst weder verkiesbaar was. De offieiöele regeeringslijsten geven voor eene gissing als bedoeld wordt echter niet genoeg grond.

-ocr page 42-

24

Nog twee belangrijke elementen in het stedelijk bestuur, van welke wij tot nu toe niet spraken, ontmoeten wij in den gildenbrief van 1341; de burgemeesters en de kameraars. Deze laatsten, de twee personen, die met het beheer der stedelijke geldmiddelen belast waren en uit den raad gekozen werden, komen hier werkelijk voor het eerst voor. Anders is het met de burgemeesters. Zij worden reeds in 1315 onder hun eigen naam („magistri civiumquot;) genoemd in een brief van de vijf kapittelen aan de stad Utrecht \'). Doch hun bestaan is nog veel vroeger bewijsbaar. Reeds in den gildenbrief vim 1304 wordt bepaald: „De scepene zeilen kiezen eenen ouderman van der stat uten rade, ente raet zei kiezen enen ouderman uten scepene; ente ouderman van de scepene zei zitten bi den raet dat jaer uut.quot; Volkomen op dezelfde wijze werden de ge-hecle middeleeuwen door de Utrechtsche burgemeesters gekozen, de eerste of schepenburgemeester door den raad uit de schepenen, de tweede of raadsburgemeester door de schepenen uit den raad: geen twijfel derhalve, of de burgemeesters worden hier bedoeld. Doch met deze ontdekking in de gedachte kunnen wij hun spoor nog veel vroeg-er vinden. Een charter van 1266 zegt, dat de stad hare burgers, die voor den bisschop ten hoogsten rechte waren aangesproken, zou beschermen, „si maior pars scabinorum et consulum, qui elect! ab onder-via/mis civitatis cum eo destinantur, hoe fuerint protestati -).quot; Deze „oudermanni civitatisquot;, die eene commissie uit schepenen en raden benoemen, wie kunnen dit anders zijn dan de „oudermannen van der stat,quot; die in 1304 „bi den raet zitten dat jaer uut?quot; En zijn dan de „duo aldermanni,quot; die in het boven aangehaalde charter van 1233 ^ voorkomen als degenen, die onderzoeken moeten, wie den tegen het verbod van het stedelijk bestuur gekochten Rijnwijn drinken, niet wellicht ook dezelfde twee „oudermannen Vein der stat?quot; De opmerking voert als van zelf tot de gissing, of wij wellicht den oorsprong der

1) Charter van 10 Jan. 1315, afgeschreven in: Memoriale Tylmanni. f. XLU vs. (S tads-arch.)

2) Charter van 1266 in het Stads-arehicf. Dat de plaats verklaard moet worden als in den tekst is geschied (niet, zooals wel eens geschied is, als een bewijs, dat de raad reeds destijds door de oudermannen der gilden gekozen werd), blijkt ten overvloede uit den gildenbrief van 1304, waar hetzelfde bepaald wordt. Geheel op dezelfde wijze\' kiezen trouwens in de keuren van den vrede van 1300 (L. A. XC11. 5) „die oudermannequot; de vijven.

3) Gedrukt bij: De Geer, Het oude Trecht. p. 181 Noot t.

-ocr page 43-

25

Utrechtsche burgemeesters mogen zoeken in de oudermannen van het koopmansgild, die in vele steden zitting hadden in het stedelijk bestuur \')? Hun oude naam zou het doen vermoeden cn ook hunne oude bevoegdheid; immers wij zien hen nog in 1340 belast met het „houdenquot; van „tghewichte ente elne enten reep ente mate 1)quot;, derhalve met het toezicht op maat en gewicht, en wij weten, dat de „hansaquot; (het recht tot het gebruik der waag ^)) uitsluitend bij het koopmansgild berustte.

Doch hoe dit zij, de oudermannen-burgemeesters stonden blijkens hunne bevoegdheid om raadscommissiën te benoemen, reeds in 1266 aan bet hoofd van den raad. Nog zeer lang duurde het evenwel, voordat \'wij hen officieel als zoodanig zien erkennen. Eerst in 1315 noemt de bovengemelde brief van de vijf kapittelen 2), hen vóór de „scabini et consulesquot;; een brief, uitgegaan van „borghermeester, scepene ende die mene raetquot; (de latere gewone formule) vond ik eerst in 1329 3). Doch toen was ook hun triomf voltooid : reeds een jaar vroeger had bisschop Jan Van Diest de twee burgemeesters en de ^ twee overste oudermannen tot le(len van zijnen raad benoemd r\') en dus deze vier personen (de latere „vier oversten der statquot;) officieel als de vertegenwoordigers der burgerij erkend 4).

Uit deze elementen bleef het stedelijk bestuur te Utrecht bestaan tot 1528 toe. Slechts tweemaal werd tijdelijk eene geheel andere regeling ingevoerd. In 1455 werd na eene

1

L. A. XXVII. 1.

2

Zie hiervoor p. 24 Noot 1.

3

Charter van Woensd. na St. Mart. Scuddecorfsdaeh 1329. (Stads-arch.)

4

Het dagelijksch bestuur berustte echter doorgaans niet bij hen: daartoe diende de zoogenaamde „enge raad.quot; Deze bestond sedert 1489 uit de acht oversten (V. d. Water, Place. III p. 89 § 7), sedert 1492 uit de twaalf schepenen, (I. c. III p. 90 § 2,) (In 1442 werd de enge raad tijdelijk afgeschaft. I. c. III p. 72.) Hoe werd dit lichaam vroeger samengesteld? Uit eene ordonnantie van 1462 (1. c. Ill p. 87 pr.) blijkt , dat hij bestond

/.uit de 4 nieuwe en 4 oude oversten der stad cn elf raadsleden. Denkelijk slaat derhalve op den engen raad de keur L. H. XLIV. 1 (1372): „men mach kiezen ende zetten lude uten ouden rade ende uten riywen elve te loesen.quot; Is dit juist, dan werden de leden door hunne medeleden gekozen uit raad oud en nieuw. Het getal elf doel vermoeden , dat het dagelijksch bestuur vroeger berust heeft bij de schepenen (elf personen met den schepen-burgemeester).

-ocr page 44-

2 6

democratische revolutie, aangestookt door de Hoekschen, bepaald, dat de leden van elk hoofdgild voortaan éen schepen, twee raden en twee oudermannen zouden kiezen. Schepenen en oudermannen zouden niet meer in den raad komen. Ook de oudraad werd afgeschaft. De burgemeesters zouden alle drie maanden uit en door den raad worden gekozen. Alle macht dus bij den raad, direct door de gildebroeders gekozen1).— Eene verandering in tegenovergestelden zin had plaats in 1491 onder pressie van bisschop David Van Bourgondië. Toen werd een „erfraadquot; ingesteld. De raad bestond uit 12 schepenen en 24 raden, voor hun leven benoemd. De politieke macht der oudermannen ging over op 40 „meentemannen,quot; door en uit de gilden gekozen. Deze meentemannen, eveneens voor hun leven aangesteld, vervulden de raadsvacatures en namen de stadsrekeningen op, doch kwamen niet in den raad dan in gewichtige gevallen en g-eroepen, als wanneer zij nog maar alleen mochten luisteren om daarna de gilden te raadplegen. De schepenen vormden den „engen raadquot; (het dage-lijksch bestuur), waren om beurten twee maanden van elk jaar burgemeesters en stelden de ambtenaren aan \'2). Ik noteer deze afwijkingen,. omdat ze belangrijk zijn op zich zelven; doch beide malen hebben de ongewone toestanden slechts ruim een jaar bestaan en keerde men daarna tot de oude vormen terug.

§ 3. OUDSTE BEVOEGDHEDEN VAN DEN RAAD.

Wij hebben thans den raad, het orgaan van het stedelijk zelfbestuur, en zijne hoofden zien optreden. De vraag naar den omvang van dat zelfbestuur is echter nog onbeantwoord. Toch is deze van het grootste belang. Terecht is er op gewezen :1), dat de quaestie, hoe men er toe gekomen is eenige burgers als bestuurders der stad aan te wijzen, van betrekkelijk gering belang- is, zoolang dat bestuur zich nog beperkt tot het beheer der stedelijke eigendommen en eenig toezicht 0£ het marktverkeer, onderwerpen, die bijna overal het uitgangspunt van \'s raads werkkring zijn geweest. In vele steden

1

Van de Water, Ulr. placaatb. III p. 80.

2

Van de Water, Ulr. placaatb. III p. 89 (en de aanvulling van 1492. 1. e. p. 90).

-ocr page 45-

27

e heeft do raad het niet veel verder gebracht, en de geschiedenis ti van zulk een lichaam kan ons dan nauwelijks eenig belang inboezemen. Doch elders heeft do stedelijke raad zich weten k tc verheffen tot een zelfstandig lichaam, eene macht in den e lande, met tal van attributiën zelfs, die van ouds aan den e vorst toekwamen en alleen bij de hoogste staatsmacht tehuis behooren. De vraag, of de stadsraad ontstaan is uit het bestuur der marken of uit den bisschoppelijkcn raad, heeft dan ^ ; zeker haar geschiedkundig belang, doch hetzij de raden oorspronkelijk markebestuurders of vorstelijke raden geweest zijn, 3 z aan geen dezer qualiteiten kunnen zij zoo indrukwekkende ,, bevoegdheden ontleend hebben, zij moeten die van elders verkregen hebben en de gewichtige vraag is: vanwaar? en hoe?

) t -——---

1 Wij zullen trachten deze vragen te beantwoorden. Doch laat

| ons thans vooraf nagaan, hoe verre de Utrechtsche mag\'istraat, , die zooals men weet op den bovcnaangeduiden weg vèr voort-| geschreden is, het gebracht had, toen het privilegium de non evocando het bestaan der stad als immuniteit in 1252 bevestigde. . Wanneer wij vragen, welke kenmerken in de middeleeuwen \' als die van een autonoom stadsbestuur golden, dan kunnen wij antwoorden met de woorden van twee der allereerste Duitsche steden: Straatsburg en Spiers \'). Het Straatsburgscho stadrecht zegt, dat de „urbis gubernatioquot; bestaat in vier punten: hoog gerecht, laag gerecht, tol cn muntrecht -); de magistraat van Spiers verklaarde in 1480, dat hij het opperbestuur der stad had en als zoodanig geleide verleende, den ban bezat, verbonden maakte en vrede gebood :!). Volgens gezaghebbende schrijvers kan er verder geen sprake zijn van volkomene onafhankelijkheid eener stad, zoolang een landheer recht had op diensten („servitiaquot;) en huldiging; het bezit van marktrecht en belastingsrecht worden als kenmerken eener zelfstandige stad genoemd \'); anderen weder leggen het meeste gewicht op vrije magistraatskeuze, de bevoegdheid om verordeningen

1) De stad Utrecht zelve noemde (L. A. pr. § 6) in 1340 als de vier „punten.quot; waarmede men steden „hieltquot;: „weghe,quot; „waterghanghe„vredequot; cn „gherechtequot;. De twee eerste kenmerken betreffen het toezicht en den schouw over de wegen en wateren binnen stadsgebied, een heerlijk recht. (Zie: G. de Vries, in: Versl. en meded. der Vereen, v. oudvaderl. recht. V p. 291.)

2) Heusler, Urspr, der Stadtverf. p. 226.

3) Von Maurer, Gesch. der Stadtverf. III p. 478.

4) Von Maurer, Gesch. der Stadtverf. III p. 385, 449—464.

-ocr page 46-

28

tc maken, het houden van een leg\'er en aandeel aan het landsbestuur \').

Wij kunnen van bijna elk dezer punten jiagaan, hoe verre de stad Utrecht in de laatste helft der 13° eeuw gevorderd was. Wat het gerecht betreft, wij zag-en reeds, dat het zich geheel bevond in handen van bisschoppelijke ambtenaren: het lage gerecht berustte bij den schout, het hooge bij den schout of bij den ambtenaar, die later maarschalk zou heeten. Het recht tot tolheffing te Utrecht heeft altijd berust bij den bisschop, die het nog in 1528 aan den keizer overdroeg 1). Muntrecht bezat de bisschop te Utrecht reeds van ouds, en de stad heeft wel in de i5e eeuw pogingen aangewend om eenig zelfstandig muntrecht te verkrijgen, maar is daarin slechts zéér onvolkomen geslaagd \'■gt;). In de latere middeleeuwen heeft do stad zich het recht om geleide te verleenen aangematigd, doch in de 13° eeuw is daarvan nog geen spoor; van het met het geleiderecht samenhangende recht om te verbannen vinden wij echter reeds spoedig, nadat in de 14° eeuw onze bronnen milder beginnen te vloeien, voorbeelden. Den ban, het recht om te gebieden en te verbieden en straf tegen overtreders te bedreigen, bezat de stad Utrecht zeker; trouwens geen eigenlijk bestuur is zonder dit recht denkbaar. Het meest in het oogvallende uitvloeisel van het bezit van den ban is de bevoegdheid om verordeningen te maken, en wij vinden van deze wetgevende

1

Aan den wil om dit tolrecht voor zich tc verkrijgen heeft het trouwens de stad Utrecht niet ontbroken; bisschop Frederik Van Blankenheim klaagde, dat hij „seer verkort wert in sinen tolle bynnen der stat.quot; (Divers. Fred, de BI. primum. f. 82 vlg. Prov. arch.)

-ocr page 47-

29

werkzaamheid van den raad het oudste voorbeeld in het boven aangehaalde charter van 1233, dat zich zelf reeds een „statutumquot; noemt. Verbonden, door Utrecht met andere steden gesloten, komen in lateren tijd herhaaldelijk voor; merkwaardig is het echter, dat reeds in 1274 de stad met graaf Floris V van Holland een verbond sloot \'). Over het vrede bieden, bepaaldelijk over den stadsvrede van 1300, zullen wij later uitvoerig spreken. De huldiging der bisschoppen door de stad had waarschijnlijk sedert bisschop Guy Van Avesnes (1305) geregeld plaats 1); in het doen van „servitia althans in den belangrijksten daarvan, den krijgsdienst, verkregen de Utrechtsche burgers reeds in 1256 eene belangrijke concessie van bisschop Hendrik Van Vianden, die verklaarde, „quod nee de jure nee de aliqua conauetudine tenentur imitari aliquem episcopum ulterius quam ad muros civitatis eorum, nisi hoc facere voluerint de bona voluntate eorum :i)quot;. Markt-recht bezat Utrecht reeds in 112 7 van ouds blijkens een charter van dat jaar \'\'\'), terwijl reeds in 1233 en 1260 „precariae sive exactionesquot; vermeld worden, die de burgers ten behoeve der stadskas („honera civitafisquot;) betaalden Over de vrije magistraatskeuze en de bevoegdheid om verordeningen te makon spraken wij reeds boven. Een stedelijk legertje („de waakquot;) komt voor in den gildenbrief van 1341, terwijl de schutters reeds in 1346 deelnamen aan de belegering van het slot Wulven n). Aan het landsbestuur eindelijk kreeg de stad Utrecht direct aandeel, toen, zooals boven vermeld is, bisschop Jan Van Diest in 1328 de „vier overstenquot; in zijnen raad opnam.

1

In dat jaar vinden wij namelijk voor het eerst de bevestiging der stads-privilegiön door den bissehop ; natuurlijk kan echter de daarmede gewoonlijk gepaard gaande huldiging veel ouder zijn.

-ocr page 48-

Vatten wij het bovengezegde te zamen, dan blijkt ons de kring der bevoegdheden van het Utrechtsche stadsbestuur in 1252 nog vrij nauw. De magistraat werd (denkelijk reeds toen) aangesteld zonder medewerking van den bisschop; hij had het recht verordeningen te maken en belastingen te heften; de stiid bezat marktrecht, en hare verplichtingen tegenover den bisschop waren door het privilegie van bisschop Hendrik Van Vianden eenigszins verlicht. Kortom, gemeentelijke zelfstandigheid is aan de stad niet te ontzeggen; doch er is nog niets, dat aan eene vrije rijksstad doet denken. Utrecht was bepaaldelijk eene bisschopsstad; de inwoners heoten steeds de „fideles dilectiquot; van den bisschop \'). Allengs was zelfs de band met het rijk losge-maakt. Nog keizer Hendrik V (die evenals de andere keizers uit het Frankische huis herhaaldelijk te Utrecht vertoefde) had tegen den hem vijandigen bisschop Godebald in 1122 van de burgers een eed kunnen vorderen: „ut Trajectensem episcopa-tum omni exclusa occasione contra omncs mortales in nostra fidelitate nobis retineantterwijl hij aan de bevestiging hunner privilegiën de voorwaarde verbond, „ut unanimes nostre insis-tant Melitati \'1).quot; Sedert was de macht des bisschops zéér toegenomen, doch de keizers Frederik 1 en Frederik 11 hadden Utrecht in 1184 en 1220 nog met voorrechten begiftigd, en Roomsch-koning Willem had den burgers zelfs vier charters geschonken. De Néderlandsche herkomst van dezen laatsten vorst zal tot deze mildheid het hare bijgedragen hebben, en de plotselinge overvloed van keizersbricven werd dan ook voor Utrecht gevolgd door eene periode van 130 jaar, waarin geen enkel gunstbewijs de burgers herinnerde, dat de keizer hunner nog als onderdanen gedacht. Plotseling kwam er toen verandering. Keizer Wenceslaus verleende Utrecht drie brieven : hij bevestigde de voorrechten der stad, schonk haar een belangrijk recht betreffende het schoutambt (waarover later)

1

Het beeld van den bisschop als heer van de stad komt dan ook voor op haar zegel (het eerst in 1288), terwijl het tegenzegel St. Maarten vertoont (sedert 1266). Er is hierin een bepaalde teruggang merkbaar: het oude zegel toch vertoonde een burg. Des te opmerkelijker is dit, wanneer men overweegt, dat Utrecht opvallend vroeg, reeds in 1196, een eigen zegel bezat, terwijl dit in eene groote handelsstad als Worms eerst in 1198 voorkomt. (Arnold, Geseh. der D. Freist. I p. 305, die het stadszegel „das Symbol der vollendctcn stadtischcn Entwicklungquot; noemt. Ook te Worms en Mainz bleek de toename van de bisschoppelijke macht uit de zegels.)

-ocr page 49-

I

I

3\'

delen sprak van de burgers (1381) als „nostri et imperii sacri quot; in fideles dilectiquot;, —■ termen, die anders uitsluitend voor de zeven en) I zoogenaamde „Freistadtequot;, de eersten des rijks, gebruikt wor-het \\ den \'). Overweegt men deze plotselinge wending van den tad Duitschen keizer, dan verkrijgt men de overtuiging, dat er in iop ; de 130 jaren, die sedert het laatste keizers-privilegie veren loopen waren, eene groote verandering in de positie der stad is gt;quot; Utrecht moet gekomen zijn. En inderdaad is dit het geval, an ; Toen wij zooeven de door de stad langzamerhand veroverde ne I rechten opsomden, was het herhaaldelijk noodig op latere jaren in ( dan ons uitgangspunt (1252) te wijzen, en moest het ons wel e- treffen, dat de eerste helft der i-i^0 eeuw telkens voorkomt rs I als het tijdstip, waarop het een of ander recht der stad het d \'! eerst vermeld wordt. Het eerste verbond komt voorin 1274; e de stadsvrede dagteekent van 1300; kort daarna treft men 1- bannelingen aan; in 1328 neemt de stad deel aan het lands-a bestuur, en in 1341 en 1346 komt een stedelijke legermacht r voor. Er kan dus niet getwijfeld worden: in de eerste helft der i4de eeuw schreed de stad Utrecht mot groote stappen ■i voorwaarts. En inderdaad, de zaken waren op het keerpunt I gekomen, dat niet meer de gemeentelijke zelfstandigheid, doch het verkrijgen van heerlijke rechten het doel der stad werd. Noodwendig moest zij op dezen weg\' den bisschop haren heer ontmoeten, aan wiens geziig zij zich zeker niet zonder langen hardnekkigen strijd zou kunnen ontworstelen.

1) Arnold, Gesch. der Deutschen Freistadte. II p. 420, 423. — Uoomscli-koningWillem had dc Utrechtenaars „dilecti fideles nostriquot; genoemd.

-ocr page 50-

HOOFDSTUK II. Ontwikkeling van het raadsrecht.

§ I. HEGIN VAN DEN STRIJD MET DEN BISSCHOP.

Nog voordat do 13e eeuw ten einde was, kwam het tot eene uitbarsting- tusschen den bisschop en zijne stad. Het langdurige zwakke bestuur van bisschop Jan Van Nassau (1267 —1287) schijnt het stoute optreden van den raad tegen zijnen heer in de hand gewerkt te hebben. Reeds in 1274 had de stad een verbond met graaf F)oris V van Holland gesloten \'), dat wel niet tegen den bisschop gericht was, doch hem zeker onaangenaam moet geweest zijn. Spoedig daarop schijnt de strijd uitgebroken te zijn, immers in 1276 verzoende de bisschop zich met zijne stad „pro statu civitatis nostre ac terre nostre Trajectensis, plus nimis jamdudum turbato, ad pacem et in melius reformandoquot;; hij beloofde den burgers, „quod astabimus ipsis, et ipsos ut dilectos et fideles cives nostros juvabimus et confortabimus ac promovebimus in omnibus eorum juribus et causis, ubicumque et quandocumque indiguerint auxilio consilio et favore, salvis nobis exnunc et inantea juribus et libertatibus nostris 1).quot; Doch deze zoen baatte weinig: eerlang barstte de strijd op nieuw uit, en thans ging het erger toe. Wij vernemen van „guerrae et excessusquot;, door de stad tegen den bisschop bedreven, waarbij doodslag, roof, brandstichting en verbanning tegen de vrienden en helpers des bisschops waren

1

Charter v. ernst. B. Maur. et soc. 1276. (St. arch.)

-ocr page 51-

33

I voorgekomen, terwijl deze van zijn kant eenigc vrienden van de stad verbannen schijnt te hebben. Over de bij deze gelegenheid voorgevallen bloedige tooneelen werd in 1278 opnieuw een zoen gesloten, waarbij de bisschop alle misdrijven kwijtschold en beloofde de bannelingen weder te zullen opnemen \').

Reeds weinige maanden later (5 September 1278) sloot de stad een tweede verbond met graaf Floris V van Holland, waarbij zij wel „dat recht ende die rente van den biscoop horen herequot; voorbehield, maar toch beloofde, dat de burgers de stad voor den graaf en zijne nakomelingen openhouden en \'s graven candidaat voor den bisschopszetel steeds steunen zouden. De graaf zou hen daarentegen beschermen „gelike onsen egenen portren ende onsen egenen lieden van onsen landequot;, terwijl schuldvorderingen der Utrechtenaren onder zekere voorwaarden in Holland executabel verklaard werden Een verbond dus, dat niet onduidelijk scheen aan te duiden, dat de stad er aan dacht, zich onder Hollandsche suprematie te stellen.

Intusschcn vernemen wij van verdere geschillen tusschen de stad en bisschop Jan Van Nassau niets meer. Zijn opvolger Jan Van Zirik echter beklaagde zich weder over tal van zaken, die de stad Utrecht zich aangematigd had. Naar het schijnt kwam het ook ditmaal tot een openlijken strijd, ten minste de stad moest 600 ponden ten zoen betalen. Uit de scheidsrechterlijke uitspraak, door graaf Floris V van Holland tusschen beide partijen in 1294 (des Manendaghes voer Sinte Symon ende Juden dach) gedaan, kan men opmaken, waarover de strijd geloopen had. Het eerste punt betrof de vraag, of \'s bisschops maarschalk het recht had eenen vredelooze binnen de stad te doen vangen. De stad eischte derhalve voor zich immuniteit; doch de uitspraak bepaalde, dat de maarschalk het betwiste recht bezat; zelfs moesten de schepenen hem de behulpzame hand daarbij bieden. Dan volgt de bekende quaestie over het recht van den bisschop om wijn te tappen. „Voertquot;, zoo gaat de graaf voort, „soe dunket ons redelike wesen, dat die stat op hem zeiven ende op huer goet aszijs setten moghen, en si dat sake dat die bisscop metter ghemeenre

1) Charter v. VIIl Id. Apr. 1278. (St. arch.)

2) V. (1. Bcrgli, Oorkondenb. v. Holland. II p. 158.

-ocr page 52-

34

ecclcsie ende metten goeden luden van den lande terechtc gheproeven can, dat sine niet ten rechte en hebben ghehat ende met rechte niet sculdich en siin te hebben, en si bi den bisscop.quot; Hier was het derhalve de bisschop, die den strijd begon; immers wij zagen, dat de stad reeds in 1233 accijnserldie hief, en ook in 1251 en 1260 was dit het geval \'). Toch kanldier ons \'s bisschops eisch niet bevreemden: accijnsen waren in de|teglt; 13° eeuw eene nieuwigheid; de toestemming van den vorstl ma; werd tot het heffen daarvan in den regel vereischt en meestal uit\\ slechts voor een bepaalden tijd verleend 1); oneenigheden over die dit recht openden dan ook meestal de vijandelijkheden tusschen Flf vorst en stad. Eindelijk het belangrijkste punt: het gerecht, rite „Voert,quot; zoo luidt het, „van scade ende van scoude ende soe cai watten waerliken rechte toebehoert, dat en zal die bisscop ine ende siin officiael hem niet onderwinden metter gheesterliker de hant, noch die scoute ende die scepen van der stat en zullen de niet hem onderwinden van den gheesteliken rechte, dat den F1 bisscop toebehoert.quot; In het algemeen komt den bisschop het te heerlijke recht der rechtspraak te Utrecht toe: „hierenthenden k\' dunket ons dat recht, dat die bisscop in sire stat toet Utrecht ti rechte alse een heer sculdich es te rechten.quot; 2) e

Bisschop Jan had niet veel genoegen van zijn Utrechtsch | e bisdom beleefd: spoedig na deze uitspraak werd hij naar den r zetel van ïoul verplaatst. Doch zijn opvolger, de krijgshaftige Willem Berthout van Mechelen, was de man niet om den strijd, door zijnen voorganger aangebonden, te staken; immers niet alleen was hij een onversaagd krijgsman, doch men verhaalt van hem, dat hij „juris divini humanique consultissimusquot; was quot;), dat hij „omnia ad juris rigorem examinabatquot; en dat hij de rechten van zijn stoel met kracht tegen de weerspannige leenmannen verdedigde. Zoo iemand, dan moest derhalve deze bisschop den strijd wagen. Maar vergeefs! de bisschop dolf het onderspit en werd door den Utrechtschen burgemeester

een van^ zeg^ gen

1

V. d. Kindere, Le siècle des Artevelde. p. 230. — Bisschop Jan Van Nassau zcli verleende in 1283 het recht daartoe aan Zwolle. (De Geer, Opkomst der steden, in: N. bijdr. v. rechtsgel. N. R. X p. 383.)

2

V. d. Bergh, Oorkondenb. v. Holland. 11 p. 407.

-ocr page 53-

35

een jaar lang op zijn huis Lichtenberch binnen Utrecht gevangen gehouden. Bevrijd, toog hij naar Rome, volgens het zeggen, om zijne waardigheid in \'s pausen handen neêr te leggen\'). Doch wel waarschijnlijk waren het andere bedoelingen, die hem daarheen voerden \'2): immers niet alleen kwam er van kanjdien afstand niets, maar er waren ook andere redenen, die zijne i del tegenwoordigheid tc Rome noodig maakten: de Utrechtsche orsti magistraat had zich over hem bij den paus beklaagd (i 298). De :Stal uitvoerige oorkonde, die dit appèl inhoudt, bevat twee grieven, gt;vor die zich geheel aansluiten aan het behandelde in het charter van hen Floris V. Gij, eerwaarde vader! dus klaagde de stad, „aucto-c\'1t. ritatem sculteto vestro dicte civitatis a vobis prestitam absque soc causa rationabili et minus juste nitimini revocare, ut per hoe -0P incolis ibidem et civibus de se inviceni conquerentibus justicia ^er dencgetur, quod potest graviter tolerari.quot; Rechtsweigering \'en derhalve, die wellicht reeds aanleiding gegeven had aan graaf \'cn Floris, bisschop Jan Van Zirik te vermanen, om „in sire stat lct te rechten alse een heer sculdich es te rechten.quot; Doch de en klacht vervolgt: „Preterea ex abrupte cives predicte civita-tis et incolas moneri fecistis sub pena excommunicacionis et demandastis, ne collectam assvjs vulgariter nuncupatam exsolverent, ac scabinos et consules ne eandem exigerent vel recipercnt ab eisdem, cum tarnen ipsa assy\'s de communi con-fe ji sensu ipsorum concivium instituta de mercaturis coram de 11 consuetudine inveterata, et hactenus observata pacifice et quiete est collecta, de qua opera publica, fossata videlicet et muri ad eandem civitatem muniendam, construi, platee confici et refici, et alia opera communia et necessaria et expense civitatis fieri consueverunt, ipsis scabinis, consulibus, civibus et incolis non citatis, non confessis de aliquo vicio circa dictam assisiam perpetrate, nee legitime convictis, juris ordine, qui in talibus secundum jura et doctores est observandus, in omnibus et per omnia pretermisso *).quot; Het was derhalve bisschop Jan Van Zirik, zooals te verwachten was, niet gelukt, te „ghe-proeven, dat sine niet ten rechte en hebben ghehat ende met

t) Beka, Chronica, p. ioi.

2) Zijn opvolger betaalde ook 1400 ponden, door bisschop Willem aan den pauselijken stoel verschuldigd. (Beka, Chronica, p. 109.) Men betaalde in die dagen aan de Curie in den regel voor andere zaken dan voor het nederleggen van hooge kerkambten.

3) Charter in het Stads-archief.

3cht( ehat ■ den: strijd nsci|

-ocr page 54-

34

ecclesie ende metten goeden luden van den lande terechte gheproeven can, dat sine niet ten rechte en hebben ghehat, ende met rechte niet sculdich en siin te hebben, en si bi den bisscop.quot; Hier was het derhalve de bisschop, die den strijd begon; immers wij zagen, dat de stad reeds in 1233 accijnsen hief, en ook in 1251 en 1260 was dit het geval \'). Toch kan ons \'s bisschops eisch niet bevreemden; accijnsen waren in de 13e eeuw eene nieuwigheid; de toestemming van den vorst werd tot het heffen daarvan in den regel vereischt en meestal slechts voor een bepaalden tijd verleend oneenigheden over dit recht openden dan ook meestal de vijandelijkheden tusschen vorst en stad. Eindelijk het belangrijkste punt: het gerecht. „Voert,quot; zoo luidt het, „van scade ende van scoude ende soe watten waerliken rechte toebehoort, dat en zal die bisscop ende siin officiael hem niet onderwinden metter gheesterliker hant, noch die scoute ende die sccpen van der stat en zullen niet hem onderwinden van den gheesteliken rechte, dcit den bisscop toebehoert.quot; In het algemeen komt den bisschop het heerhjke recht der rechtspraak te Utrecht toe: „hierenthenden dunket ons dat recht, dat die bisscop in sirc stat toet Utrecht rechte alse een heer sculdich es te rechten.quot; 1)

Bisschop Jan had niet veel genoegen van zijn Utrechtsch bisdom beleefd: spoedig na deze uitspraak werd hij naar den zetel van ïoul verplaatst. Doch zijn opvolger, de krijgshaftige Willem Berthout van Mechclen, was de man niet om den strijd, door zijnen voorganger aangebonden , te staken; immers niet alleen was hij een onversaagd krijgsman, doch men verhaalt viin hem, dat hij „juris divini humanique consultissimusquot; was quot;), dat hij „omnia ad juris rigorem examinabatquot; en dat hij de rechten van zijn stool met kracht tegen de weerspannige leenmannen verdedigde. Zoo iemand, dan moest derhalve deze bisschop den strijd wagen. Maar vergeefs! de bisschop dolf het onderspit en werd door den Utrechtschen burgemeester

1

V. d. Bergh, Oorkondenb. v. Holland. IJ p. 407.

-ocr page 55-

35

een jaar lang op zijn huis Lichtenberch binnen Utrecht gevangen gehouden. Bevrijd, toog hij naar Rome, volgens het zeggen, om zijne waardigheid in \'s pausen handen neer te leg-g-en \'). Doch wel waarschijnlijk waren het andere bedoelingen, die hem daarheen voerden 1): immers niet alleen kwam er van dien afstand niets, maar er waren ook andere redenen, die zijne tegenwoordigheid te Rome noodig maakten; de Utrechtsche magistraat had zich over hem bij den paus beklaagd (i 298). De uitvoerige oorkonde, die dit appèl inhoudt, bevat twee grieven, die zich geheel aansluiten aan het behandelde in het charter van Floris V. Gij, eerwaarde vader! dus klaagde de stad, „aucto-ritatem sculteto vestro dicte civitatis a vobis prestitam absque causa rationabili et minus juste nitimini revo^ire, ut per hoe incolis ibidem et civibus de se invicem conquerentibus justicia denegetur, quod potest graviter tolerari.quot; Rechtsweigering derlmlve, die wellicht reeds aanleiding gegeven had aan graaf Floris, bisschop Jan Van Zirik te vermanen, om „in sire stat te rechtcn alse een heer sculdich es te rechten.quot; Doch de klacht vervolgt: „Preterea ex abrupto cives predicte civitatis et incolas moneri fecistis sub pena excommunicacionis et demandastis, ne collectam ass/j\'s vulgariter nuncupatam exsolverent, ac scabinos et consules ne eandem exigerent vel reciperent ab eisdem, cum tarnen ipsa assy\'s de communi consensu ipsorum concivium instituta de mercaturis eorum de consuetudine inveterata et hactenus observata pacifice et quiete est collecta, de qua opera publica, fossata videlicet et muri ad eandem civitatem muniendam, construi, platee confici et refici, et alia opera communia et necessaria et expense civitatis fieri consueverunt, ipsis scabinis, consulibus, civibus et incolis non citatis, non confessis de aliquo vicio circa dictam assisiam perpetrato, nee legitime convictis, juris ordine, qui in talibus secundum jura et doctores est observandus, in omnibus et per omnia pretermisso Het was derhalve bisschop Jan Van Zirik, zooals te verwachten was, niet gelukt, te „ghe-proeven, dat sine niet ten rechte en hebben ghehat ende met

1

Zijn opvolger betaalde ook 1400 ponden, door bisschop Willem aan den pauselijken stoel verschuldigd. (Beka, Chronica, p. 109.) Men betaalde in die dagen aan de Curie in den regel voor andere zaken dan voor het nederleggen van hooge kerkambten.

-ocr page 56-

36

rechte niet sculdich en siin te hebben, en si bi den bisscop

De acte van appèl werd door de stad toevertrouwd aan Rudolf Scerpsvert, kanunnik van St. Marie, die daarmede naar Rome toog en naar het schijnt een goed resultaat verkreeg. Immers toen hij in 1300 terugkwam, droeg hij een pauselijken brief bij zich, dien \'s bisschops vrienden liefst niet in het bezit der stad Utrecht wenschten te zien. De stad Amersfoort liet den kanunnik oplichten en weigerde, niettegenstaande de tusschenkomst van den aartsbisschop van Keulen, die met den ban dreigde, haren gevangene anders dan op bevel van bisschop Willem uit te leveren, ja de burgers verjaagden de zaakgelastigden van den aartsbisschop uit de stad.

Ook bisschop Willem keerde terug; hij besloot thans geweld te gebruiken en verzamelde dadelijk in Overijssel een leger om zijne wederspannigo stad te belegeren 1). De raad was ondertusschen verder gegaan op den ingeslagen weg: terwijl de bisschop nog afwezig was, had hij een in zijne gevolgen allergewichtigst besluit genomen door de afkondiging van de „coeren van den vredequot; (1300 op Aire (roeds heylighen avont), waarover ik later uitvoerig spreken zal. Spoedig daarna werd de strijd beslist: de aanval van bisschop Willem werd afgeslagen en hij sneuvelde op de Hoogewoerd bij Utrecht in een gevecht tegen de met de Lichtenbergers vereenigde Hollanders. (1301 IV Nonas Julii.)

Zijn opvolger Guy Van Avesnes werd door den invloed der overwinnende Hollanders op den bisschopszetel g-eplaatst. Maar toch zal hij de machtige Lichtenbergsche factie, die zijnen voorganger zooveel leeds berokkend had, wellicht niet zonder weerzin hebben gadegeslagen. Althans toen de inval der Vlamingen de democratische omwenteling te Utrecht had in het leven geroepen (1304), die wel de Fresingen — de tegenpartij der Lichtenbergers — aan het bestuur bracht, doch tevens door den invloed van het volk de onbeperkte heer-schappij van het patriciaat brak, haastte bisschop Guy zich, uit zijne Vlaamsche gevangenschap ontslagen, de in zijne afwezigheid door de oproerlingen bedongene voorwaarden goed te keuren (1305) *).

1

Heda, Historia. p. 227.

-ocr page 57-

37

Doch zoo hij van het nieuwe bestuur meer concessies en meer onderdanigheid verwachtte dan van het oude, bedroog hij zich. Hoe lang het duurde, blijkt niet; doch zeker is het, dat bisschop Guy (of zijn opvolger Frederik Van Zirik) langzamerhand tegen de stad eene lange reeks van grieven opzamelde. Laat ons hooren, wat hij in de daarover opgestelde memorie te klagen heeft1): „In den ersten dat si doetsclaghe sonen, de ghevallen binnen hoerre stat, daer si den bischop niet aene bekennen \'2). Item dat si diefve corrigieren ende ghelt anenemen, daer si den here niet ane bekennen. Item dat si openbare valscher corrigieren ende ghelt anenemen buten der herlikehede. Item dat si verboden hebben, dat men niemant sijn maechghelt ofpanden en moet binnen hoere stat, dat men veerre brenghen moet dan voer horen scoute ende voer horen scepenen, ende daer mach hi met sire eenre bant een onscout doen, dat onrecht es, ende want dat lantrecht es, dat den sinen maghe billic betughen souden Item dat si verboden hebben, dat men ghene ordele heropen en moet in der heren gherechte, de in der stat g\'heleghen sijn dan voer hem. Item dat si gherechten, die buten hoeren muren legghen, aen hem trecken, daer si gbeen recht aen en hebben, noch dat binnen hoerre vriheyde oc niet en es. Item van weghe ende waterghanghe 3), die buten hoerre stat legghen, dat si hem dierre bewinden the berechten, dat hem niet to en bchoert.

1

Het vel perkament, dat de minuut dezer klacht bevat, werd ontdekt in een deel met aanteekeningen van Dr. C. Booth betreffende de reehten van den bisschop, doch behoorde volgens vorm en schrift bij eene groote collectie minuten van oorkonden der bisschoppen Guy en Frederik, waarmede het nu hereenigd is. De eene helft dezer minuten is gebonden in een perkamenten band van lateren tijd, wellicht door Booth, die eenige aanteekeningen daarin schreef en het geheele deel in zijne aanteekeningen citeert als „Registrum Guidonis.\' Het werd onlangs op eene publieke veiling voor de Utrechtsche rijks-archieven aangekocht. De andere helft, eene collectie losse minuten , eveneens van Booth afkomstig, werd door Mr. J. A. Grothe onlangs aan dezelfde archieven geschonken. — Het hier afgedrukte stuk draagt geenerlei opschrift, doch uit den inhoud blijkt voldoende, dat het eene klacht over de stad Utrecht bevat.

2

cf. L. A. III. 29.

3

Deze klacht bewijst, dat de stad met voorbedachten rade naar het bezit van algeheele zelfstandigheid streefde; immers de vier punten, waarin volgens het Liber albus (Inl. §6) het bestuur eener stad bestaat, zijn: „weghe, waterganghe, vrede ende qherechte.quot; (De stad gaf hare aanspraak ten dezen niet op: in de regeeringslijsten van 1402 en volgende jaren vinden wij raadsleden benoemd „tot allen weghen ende diepen, die ter statwaerts gaen.quot;) — Wij zullen zien, dat ook tegen de beide andere punten de aanval gericht werd.

-ocr page 58-

Item van sijnre grute, dat lude in sijnrc stat cruyt bi pen-nincwarde vercopen ghelike den gruter. Item van alrehande broke, die buten hoer stat ghevallen, de si aen hem trecken ende berechten, dat der herlicheyde toebehoert. Item dat si lude hoer stat verdriven onde des lants van Utrechte buten den here, dat si bi rechte niet doen en moghen. Item dat si hoeren scoute daerto brenghen, dat hi alle dincghen na horen wille berechten moet, est den here lief of leet.quot; Men ziet het, de grieven waren er met de verandering van bestuur niet op verminderd! Vooral de strijd over het gerecht treedt meer en meer op den voorgrond. Wij zullen in de volgende bladen gelegenheid hebben, meer dan een punt van \'s bisschops memorie van grieven nader toe te lichten.

Ook bisschop Jan Van Diest lag met zijne stad Utrecht overhoop. Waarover hij zich bezwaard heeft, is ons niet overgeleverd; doch alweder waren het o. a. klachten over \'s bisschops „gerecht.quot; In den zoen tusschen den bisschop en de stad (Woensckvch na Sinte Martiins Scuddecorfsdach 1329) lezen wij: „Voert dat wy borghermeester, scepen ende raed zeilen van onser stat weghen onsen here den bisscop voldoen ende verrechten van alder claghen, daer wy hem in veronrechten of veronrecht hebben, die bi op ons te secghen hevet van sinen goede ende zinen gherecht binnen Utrecht, by zecghen ende goetdunken der ecclesie van Utrecht, der welgheboerre lude ende onser buisghenoeten van den ghestichte, behouden onsen here den bisscop siinre heerlicheyt ende siins rechts ende onser stat recht ende vriheyt in allen pointenquot; \').

Zoo ging het de geheele 14® eeuw voort. Wij zagen boven , dat bij het door bisschop Jan Van Arkel gedempte oproer der Gunterlingen (1346) denkelijk dergelijke quaestiën in het spel waren. Bisschop Jan Van Vernenburch moest aan de stad in 1366 betreffende de vervanging van den afwezigen schout een allergewichtigst privilegie gunnen, waarover ik later spreken zal. In 1377 schijnt bisschop Arnold Van Hoorn vruchteloos beproefd te hebben, de crimineele rechtspraak aan zich te trekken 1). Twee jaren later besloot de raad, den schout niet te erkennen, wanneer het bleek, dat de bisschop

1

L. H. LXXVI, 1.

-ocr page 59-

.39

hem het schoutambt verkocht had \'). En in hetzelfde jaar werd er door bisschop Floris Van Wevelichoven met de acht oversten een breedvoerig arbitraal vonnis gewezen over de uitoefening der rechtspraak, waaruit o. a. blijkt, dat de raad zich de bevoegdheden van schout en schepenen had aangematigd 1). Ongelukkig is ons uit dezen tijd tot het begin der 15® eeuw toe geen enkel uitvoerig stuk overgebleven, waarin de overtredingen van het stedelijk bestuur zijn opgesomd. Doch de rechtsboeken laten niet den minsten twijfel, dat de strijd voortduurde: de raadsbesluiten betreffende de rechtspraak, die bij nauwkeurige beschouwing indirect tegen den bisschop gericht blijken, komen daarin telkens voor. En dat de bisschop op den duur terrein verloor, dat leeren ons niet alleen de in de bovengenoemde oudste klaagschriften steeds vermeerderde grieven; doch ook het tafereel, dat de rechtsboeken ons van den veranderden toestand van het gerecht te Utrecht in de 14e eeuw ophangen, geeft den indruk, dat de rechten van den lieer meer en meer verminderden en dat de stad Utrecht, niet tevreden met de verovering harer gemeentelijke autonomie, allengs streefde naar het bezit van heerlijke rechten en politieleen invloed.

Doch het wordt tijd, dat wij den gang van zaken eenigszins meer in details bespreken. Veel, waarover de bisschop klaagt, kan slechts geheel duidelijk zijn, wanneer men weet, waaraan de stad zich eigenlijk had schuldig gemaakt. Wij verlaten dus de chronologische behandeling- en zullen nu meer van nabij de middelen beschouwen, die het stadsbestuur aangreep om \'s bisschops rechtsmacht te ondermijnen.

§ 2. INBREUKEN OP DE RECHTEN VAN DEN SCHOUT.

De eerste aanvallen van de stad waren, zooals zich verwachten laat, gericht op den schout, den vertegenwoordiger van den bisschop bij de rechtspraak. Wij zagen reeds boven, dat men zich beklaagde over rechtsweigering door den bisschop; naar het schijnt liet ook de rechtspraak zelve te wenschen over, en zelfs maatregelen tegen kwade praktijken van den schout komen voor 2). Doch dit alles moge de grieven der Utrechtsche

1

l. a. cxxn.

2

Zie: Roese. LXXIX. 3,

-ocr page 60-

burgers verscherpt hebben, toch was het ongetwijfeld niet alleen oorzaak, dat men \'s bisschops schout kennelijk meer en meer achteruit zette; men haatte in hem niet in de eerste plaats den slechten rechter, doch vooral den ambtenaar, die zich krachtens zijne aanstelling gezag aanmatigde niet in de stad doch over de stad. Zoodra de verhouding tot den bisschop eenigszins gespannen werd, kon het natuurlijk den magistraat niet dan uiterst hinderlijk zijn, dat de vertegenwoordiger van den vijand in haar midden zetelde, en nog wel zetelde met pretensiën van gezag \'). Zeker was het maken van verordeningen zonder de goedkeuring van den schout aanvankelijk ongeoorloofd geweest , en nog langen tijd werd in de door de stad uitgevaardigde stukken altijd de schout in de eerste plaats genoemd. Aan dezen toestand moest voor alles een eind gemaakt worden. Allengs vinden wij dan ook bewijzen, dat de invloed van den schout vermindert. Reeds vrij vroeg (1254 \'\')) treffen wij enkele charters aan, waar hij niet onder de vertegenwoordigers der stad vermeld wordt, aanvankelijk trouwens uitsluitend daar, waar het onderwerpen gold van stedelijk bestuur of betreffende den strijd met den bisschop \'A). De overwinning- der democratische partij werkte deze neiging

1) De verdrijving van den schout uit den raad was gewoonlijk het begin van de onderwerping van het gerecht aan de stad. (Arnold, Gesch. der Freistadte, I p. 281.) Karei V had dan ook na de overdracht der temporaliteit niets haastigers te doen dan den schout weder in den raad te brengen, (R. v. U. 11 p. 306 § 4.) Wil men zien, wat het voor de zelfstandigheid eener stad beteekende, dat de schout in den raad zat, men hoore, hoe het te Wtirzburg toeging, waar de bisschop in 1400 het zoover gekregen had, dat de schout weder in den raad kwam. Toen in 1431 de raad eenmaal bijeengekomen was zonder den schout, om te beraadslagen over hare houding tegen den bisschop, kwam de schout dadelijk in de vergadering en dreigde de raadsleden te zullen onthoofden , wanneer zij dit weder waagden. „Solche Rede,quot; zegt de kroniekschrijver, „verdross die vom Rathe gar übel, doch Hessen sie es dazumal beruhen und gingen wieder heim.quot; (Gramich, Verfassung von Würzburg. p. 18 Noot 5.)

2) Charter van bisschop Hendrik Van Vianden, waarbij aan de stad vergund wordt in den oorlog huizen buiten den stadsmuur af te breken.

3) Na het bovengenoemde charter van 1254 volgt het eerst het charter van 1255 , afgedrukt: R. v. U. 11 p. 100. Dan (behalve de in den tekst vermelde) vier charters van 1298, 1300, 1304 en 1307, uitgevaardigd gedurende of als gevolg van den strijd van de stad met den bisschop, — daarna drie charters van 1302 en 1307, betrekking hebbende op de bevoegdheid der stad om in oorlogstijd gebouwen, die haar niet toebe-hooren, af te breken, — eindelijk nog een charter van 1308 over de rechten van de stad en het kapittel van St. Marie op de thinsheerlijkheid van den Omloop. Over dit laatste onderwerp hadden trouwens reeds in 1196 schepenenen raden zonder medewerking van den schout eene overeenkomst gesloten; doch in een ander stuk over hetzelfde onderwerp van 1231 treedt de schout op. (De charters allen in het Stads-archief.)

-ocr page 61-

41

ongetwijfeld in de hand. Zien wij toch nogquot; in 1266 door de magistraat met medewerking van den schout een besluit nemen over de bescherming, aan de burgers bij aanklachten ten hoogsten rechte te verleenen, in 1267, toen de gilden tijdelijk overwonnen hadden, werd hetzelfde besluit herhaald, doch zonder dat wij den schout in het stuk vermeld vinden \'). En dit was geenszins toevallig: in den gildenbrief van 1304 is wederom van den schout geen sprake. Toen was de uitzetting-van den schout uit den raad dan ook nagenoeg eene beklonken A zaak. Immers in nauw verband met dit feit staat natuurlijk de opkomst der burgemeesters: eerst wanneer de schout als voorzitter van den raad aftreedt, heeft het optreden der burgemeesters reden van bestaan. Welnu, boven bleek het ons, dat de aanwezigheid dezer ambtenaren te Utrecht in 1266 is aan te wijzen; daarmede stemt overeen, dat des schouten aandeel aan het stedelijk bestuur in de tweede helft der 13e eeuw allengs schijnt te verminderen, en wanneer wij de burgemeesters in officiëele stukken als de hoofden van schepenen en raad vermeld vinden (1315, 1329), mag het zeker heeten, dat de schout als zoodanig definitief is afgetreden. Dat hij toen tegelijk zijn zittingsrecht in den raad verloor, is wel niet absoluut zeker, maar toch uiterst waarschijnlijk: de vertegen- a woordiger van den landsheer kon zich moeielijk met eene tweede plaats vergenoegen. Hoe dit zij, in 1340 was de schout zeker g-eheel uit den raad verdrongen, want het Liber albus bepaalt 1), dat, wanneer de schout een „bootscappequot; te doen heeft in den raad, hij onmiddellijk na het volvoeren zijner opdracht de raadzaal weder verlaten zal. Dat deze bepaling allengs de kracht eener onveranderlijke gewoonte verkreeg, blijkt wel uit het feit, dat de raad in 1450, toen bisschop Rudolph Van Dicpholt „in volle cracht binnen Utrecht wasquot; 2), besloot den door hem tot schout aangestelden oudburgemeester Grauwert nog slechts voor één jaar zitting in den raad te vergunnen, wanneer hij na dien tijd het schoutambt

1

2} L. A. LXXI. 1. Toch is datzelfde Liber albus (en nog het Roede boeck van 1389) uitgevaardigd op naam van schout, schepenen, raden en oudermannen; evenzoo de vrede keur van 1300, waarin toch reeds de burgemeesters de raadscommissiën benoemen. Ik kan deze anomalie niet verklaren.

2

Coll. HSS. van C. Booth. (Prov. arch.) B ioi.

-ocr page 62-

behield \'). Ja zóo sterk was de tegenzin tegen elke inmenging van den landsheer in stadszaken, dat men , naar wij zagen 1), zelfs poogde (1304) de schepenen, de vertegenwoordigers zei ven der burgerij, uit den raad te weren, — zonder twijfel omdat zij geacht werden wegens hun aan den landsheer gezworenen eed niet geheel vrij te zijn!

De zelfstandigheid der stad in hare eigene zaken was door de verdrijving van den schout uit den raad bekrachtigd. De rechtspraak werd evenwel nog niet gerekend, tot de zaken der stad te behooren: op dit gebied troonde de schout nog als onbeperkt heerscher. Doch niet voor langen tijd! Allengs begon de raad, als oppermachtige binnen de stad, zich aan te matigen ook op de rechtspraak eenig toezicht uit te oefenen. Hij stelde ordonnantiën vast betreffende het doen van den zuiveringseed, de overdracht van onroerende goederen, het ruimingsrecht, erfscheiding, erfrecht, en zelfs over de emolumenten, door schepenen te eischen, den tijd hunner bediening en de wijze, waarop zij hunne registers zouden houden *). Het kan niet betwijfeld worden, of de schepenbank was aan deze voorschriften bij hare rechtspraak gebonden.

Ook op de handelingen van den schout zeiven begon de raad eenig toezicht te oefenen. Wanneer de schout zijn plicht verzuimde, voorzag de raad daarin men ontzag zich niet straf te bedreigen tegen overtredingen van \'s raads bevelen door den schout r\'); ja het is in latere dagen zelfs voorgekomen, dat men hem wegens een geschil met de schepenen over hunne wederzijdsche competentie gevangen zette r\').

Een ander middel om den schout te noodzaken tot eene goede, met de belangen der burgerij niet strijdige rechtspraak , was de weigering om hem als zoodanig te erkennen, wanneer hij niet aan zekere voorwaarden voldeed. Het was een stout, doch tevens zeer doeltreffend middel: de raad greep

1

Zie boven p. 21.

-ocr page 63-

43

het aan. J n dc eerste plaats valt ons oog- up eene voorwaarde, die reeds in 1364 een „out haercomenquot; heet: de schout moest steeds een geboren burger van Utrecht zijn \'). De raad verkreeg daardoor niet alleen zekeren waarborg, dat de schout voor stadsbelangen niet onverschillig zou zijn, maar tevens een gemakkelijk middel om hem gedwee te maken: immers men kon zich zoodoende ieder oogenblik van een lastigen schout ontslaan door hom te ontburgeren.

Een krachtige waarborg voor goede rechtspraak, doch ook een moedige greep bij een algemeen heerschend misbruik, vinden wij in den eisch, dat dc schout vóór de aanvaarding zijner bediening zou zweren, dat hij zijn ambt niet van den bisschop gekocht had -). Doch het krachtigst trad de raad op in 1410, toen hij drie artikelen vaststelde, die des schouten macht beperkten en allen op eene aanstaande geleidelijke verdrijving van den schout van het hem toekomende terrein wezen. Als vierde artikel voegde de raad aan dit drietal de bepaling toe, dat men geen schout zou aannemen, tenzij hij beloofde zich aan deze regelen te houden 1).

Dat den dus onttroonden en aan banden gelcgden machthebber door den hem slechtgezinden raad menige kwelling-zou aangedaan worden, — dat hij zich menige besnoeiing zijner bevoegdheden zou moeten laten welgevallen, was te verwachten. Niet het minst had de stad het op de financiëele voordeelen, die dc schout uit zijn ambt trok, voorzien. Herhaaldelijk vernemen wij van maatregelen, die de stedelijke kas ten nadeele van den schout moesten stijven, van klachten door den bisschop daarover aangeheven. Zoo gold het in 1393 des schouten recht op de openvallende erfenissen van vreemden 2), — korten tijd later zijn aandeel aan gestolen en gevonden goed rgt;), en meer dan eens klaagde later de bisschop, dat den schout het den heer toekomende Y-, in de vechtkeuren niet werd uitgekeerd 0).

1

R. b. XXVIII. 10. — Vgl. ook: Roese. LXXIX. 2.

2

Roese. LXXIX. 4. De bepaling werd herhaald in 1447: Roese. CCLXIII. 1.

-ocr page 64-

44

Hebben deze aanvallen, die den schout en derhalve ook den bisschop in do beurs tastten, gewis bij de strijdende partijen niet zóó licht gewogen als het ons — wien het voornamelijk om de groote belangen, die in het spel waren, te doen is — wel eens schijnen wil, veel bedenkelijker was toch eene beweging van geheel anderen aard, omdat zij dreigde in het vervolg de positie van den schout geheel te ondermijnen. Er openbaarde zich namelijk een streven om den schout, die nu uitsluitend tot de schepenbank beperkt was, ook van daar geheel te verdrijven \'). Dit streven is reeds merkbaar in de steeds herhaalde verordeningen, waarbij den schout bevolen wordt de rechtszaal te verlaten. wanneer de schepenen zich „beradenquot; willen over het hun gevraagde oordeel \'1) en wanneer de schepenen „die ordelen slyten,quot; Zeker een zonderlinge eisch tegenover den ambtenaar, die dan toch eigenlijk de rechter was bij uitnemendheid! De bisschop beklaagde zich dan ook daarover :i); maar liet daarover gesloten compromis (1413) \') gaf hem wel in den vorm gelijk, doch veranderde in den grond der zaak niets: men gaf toe, dat de schout in de rechtszaal zou blijven, doch de schepenen zouden haar in de bovenvermelde gevallen verlaten en verder alleen in de schepenkamer vergaderen, zoodat de schout toch allen invloed op de te vellen vonnissen zou missen!

Ernstiger nog waren de bepalingen, die de vervanging van den schout in bepaalde gevallen ten doel hadden. Als precedent scheen het bedenkelijk, dat de raad in 141 o bepaalde, dat het schoutambt telkens, wanneer de schout niet tijdig ter terechtzitting verscheen, door den oudsten aanwezigen schepen zou waargenomen worden •\'■); doch toen deze bepaling in 1413 gewijzigd werd in dien zin, dat de schout zelf vooraf den plaat s v ervan ge nd e n schepen zou benoemen quot;), kon er geen

1

L. A. LXX. 1. — R. b. LIX. 28. XXVIII. 7.

-ocr page 65-

45

principiëel bezwaar tegen bestaan. Gevaarlijker was uit haren aard de concurrentie van een ander lid der schepenbank, den schcpenburgemeester. Reeds op zich zelf was het een veel-zeggend feit, dat, terwijl de bisschop in den schout het hoofd der schepenbank aanwees, de raad zich aanmatigde zelf een ander hoofd te benoemen. De positie van den schepenburgemeester (de „Schöffenmeisterquot;) maakte hem tot den mededinger van den schout, en evenals in sommige Duitsche steden \') zien wij dan ook dezen magistraatspersoon er te Utrecht naar streven, langzamerhand de plaats van den schout in te nomen. Nog in den loop der i4e eeuw werd dit streven aanvankelijk met goed gevolg bekroond: twee privilegiën, in 1366 en 1381 door bisschop Jan Van Vernenburg en door den Roomsch-koning Wenceslaus aan de stad Utrecht verleend, hadden de vervanging van den schout door zijnen mededinger ten doel. Bisschop jan gaf den schepenburgemeester het recht om als schout op te treden en de schepenen in den eed te nemen, wanneer het schoutambt eene maand lang onbezet was gebleven -): een voorrecht, zeker wel niet vrijwillig geschonken, daar het den bisschop het middel ontnam om zijne wederspannige onderdanen door het stilstaan der rechtspraak tot gehoorzaamheid te dwingen, zooals de kerk dat door het staken van den kerkdienst deed. Gewichtiger nog was het privilegie van Wenceslaus: immers hij verleende den schepenburgemeester (of den oudsten schepen) het recht om het schoutambt waar te nemen, zoodra de bisschoppelijke schout door het overlijden van zijnen heer moest aftreden :1). Gewichtig, zeg ik, was dit recht, en wel in dubbelen zin: immers niet alleen kon het den weg banen tot de definitieve vervanging van den schout door den schepenburgemeester, maar ook de band van de stad Utrecht met het Rijk werd nauwer toegehaald door de be-

Woensdach na Martini 1479 de keur van 1410 hernieuwd. De schepenen schijnen echter door ondervinding geleerd te hebben, dat zulk eene waarneming van des schouten recht niet zonder gevaar was, althans de raad voegde er bij; wanneer de voorzittende schepen daarom „enige last, verdriet, hinder ofte scade van yemants, hy waere wie hy waere, (lees; van den bisschop!) lede ofte daerom cost doen moste,quot; dat dan „de stadt dairvan hoir hoeftheere wezen ende zylude daerinne voerstaen ende daervan ontheffen ende ontlasten zou opter stadt cost.quot; (Buurspraakb. I. c.) Na de translatie der temporaliteit werd de regeling van T4r3 weder ingevoerd. (R. v. U. II p. 311 § 20.)

1) Ook te Deventer, doch eerst in 1578. (Van Vloten, Deventer, p. 97, 107.)

2) Charter van Saterdach na Zinte Margrietendach 1366, in: Copiboec B. fol. 80 vs. (S tads-arch ief.)

3) Charter van 15 Maart r38i , in : Copiboec B fol. 155 vs. (Stads-archief.)

-ocr page 66-

46

paling-, dat de schepenburgcmeester en de schepenen moesten zweren \'), het Heilige Roomsche Rijk en het Gesticht van Utrecht houd en trouw te zijn, terwijl de schepcnburgemeester dan genoemd werd „scoute tUtrecht vans Roomschcn Coninx wegheri\'. De stad Utrecht maakte zich den wenk ten nutte: eerlang (1410) bepaalde zij, dat de schcpenburgemeester ook den fungeerenden schout zou vervang\'en, wanneer deze in bepaalde gevallen zijn plicht verzuimde \'1).

Waarlijk het was geen toeval, dat in de i5e eeuw de oude gewoonte, om den schout een zwaard na te dragen „van des keysers wegen van Romen ende in die eer des bysscopsquot; in onbruik geraakte :1): het zwaard toch was van ouds het symbool van den rechtsdwang, en het begon twijfelachtig te worden, of de schout daarvan de bezitter was!

§ 3. DE STADSVREDE VAN 13OO EN ZIJNE GEVOLGEN,

Men schreef 1300. De partijschappen der Lichtenbergers en Fresingen woedden te Utrecht met zeldzame hevigheid: straatgevechten waren aan de orde van den dag, moorden, zelfs van de aanzienlijkste burgers, niet zeldzaam. Bisschop Willem lag met zijne stad overhoop en was geheel onmachtig om daarbinnen zijn gezag te handhaven; bovendien, hij vertoefde thans aan het pauselijk hof te Rome, en er was dus voorloopig van hem geen handelend optreden te wachten. Wilde de magistraat een einde maken aan de schandelijke tooneelen en orde en rust handhaven, dan moest hij zich zelf helpen. Hij deed dit op eene wijze, die destijds niet ongewoon was: op Allerheiligenavond werd een besluit genomen „op dieghene, die vrede breken, hoe men dat rechten ende uutgaen zei \'\'),quot; —• een besluit, dat wegens het buitengewone belang der zaak met het groote stadszegel voorzien werd, doch dat in zijne gevolgen zeker nog veel gewichtiger was,

1

R. b. XXVIII. 9.

-ocr page 67-

47

dan de raadsleden zeiven kunnen vermoed hebben. Het luidde aldus: „Al dengenen, de desen brief sien solen of horen lesen , dowi verstaen scoute, soepen ente raet der stat van Utrecht, dat wi dese korc, de hir bescrevcn staen, gemaket hebben bi gemenen rade dor tbeston wille. Groent iman dat vrede gebroken si, so solen de oudermannen nemen hem viven uter stat raet, de vive solen darof de wareit ondervinden binnen acht dagen van den dage, dat si darto genomen sijn, ende brengent weder in den raet, ofte vrede gebroken si ende we dat gedaen hebbe, mogen si shors overeendragen; mer en mogen si niet overeendragen, wat de meeste pertie van den viven vorgenoemt vortbrengt, dat sel stade wesen; so we dit van desen vijf mannen niet doen en woude, den sel men houden vor denselven, de den vrede brac. Vort tiet de raet van der stat des yman, dat hi dar mede was met rade of mit dade, dar vrede gebroken si, so sel degene, de men des betiet, sveren mit vijr gucden mannen, de de raet van der stat darto nemt, dat hi onsculdich is raets ende daets, dat de vrede gebroken was; hirmede is hi quijt. Waer enich man, de enen vrede brake, waer dat hi doet bleve, dar hine ane brake, ckit soude men rechten an sinen hals, deet gedaen hadde;hoe dat hine anders brake, dat hine stiete ofte sloge ofte wonde, dat genghe an sine bant dengenen, de dat dede. Waer ooc iman, de den andren jaghede ende hine weder stiete noch en sloge, endi hi daerof bedragen worden, dat binnen vrede gesciet ware, de verboerde V lib. Waer enich man, de men eyscede van tuech te done ende de niet sveren en woude noch tughen alse hi sculdich waer te done, de verboerde sulken kore, alse degenen verboren soude, den hi betugen soude, ofte hi bedragen worde. Opdat dit stade ende vaste blive , so heb-wi scoute, scepen ente raet vorgenoemt onser stat segel an desen brief gedaen. Dit geschiede in den jaren ons Heren dusent drehondert op Aire Goets Heilegen avont

Op het eerste gezicht ziet dit besluit cr onschuldig genoeg uit. Toch sprak ik van de vèr strekkende gevolgen daarvan. Wat beteekende het, wat bedoelde men er mede?

Elke immuniteit had haren afzonderlijken vrede. Voor de

i) Met origineele stuk met het stadszegel berust nog in het Stads-archief. De keur is nagenoeg onveranderd overgenomen: L. A, XCIJ. 5, 6, 9, 10, rr. De slotwoorden van art. 11: „Dit is bestreven ende besegheitquot; wijzen op den origineelen stadbrief.

-ocr page 68-

48

steden was hot bezit daarvan noodigor nog dan voor elk ander geëximecrd terrein; ja het Straatsburgsche stadsrecht zegt, dat do steden gesticht zijn, opdat ieder altijd vrede hebben zou \'). Ook te Utrecht was zulk een vrede van ouds bekend. Driemaal \'s ja\'ars (op Dertiendach, Beloken Paschen en St. Lambert) werd van het stadhuis afgekondigd: „Den vrede van onsen borgheren verlengt men voert tot Sinte Lamberts daghe (of een der beide andere termijnen) toe naestco-mende ende dien dach al, in allen manieren alst haertue ghe-comen is.quot; Deze drie termijnen schijnen samengehangen te hebben met de oude „tria placita legitimaquot;, de plechtige terechtzittingen, waar de vaste goederen werden overgedragen, waar alle vrijen moesten verschijnen, en waar daarom tevens de besluiten genomen of afgekondigd werden, die de medewerking der gemeente vereischten en daarom later „buursprakenquot; 1) heetten. Nog tot het einde der middeleeuwen toe werd het geheele rechtsleven te Utrecht door deze drie dagen als het ware in tijdvakken verdeeld. De schout met de nieuwe schepenen ging dan „om beyden bruggen ende dede gracy na ouder gewoen-ten,quot; — de lijst der in den afgeloopen termijn gerechtelijk overgedragene erven werd uitgehangen, — de keuren, die slechts tijdelijk van kracht waren, werden opnieuw afgekondigd ^), — ook de vrede werd dan telkens vernieuwd. Deze „vrede van onsen borgherenquot; was denkelijk de oude markt-vrede, die. van ouds aan de personen der kooplieden eigen, later over alle burgers, die binnen „der stat vredecrucenquot; woonden\'2), was uitgebreid; evenals de markt vrede was het dus een door den koning verleende vrede 3). De afkondiging daarvan had geone bizondere rechtsgevolgen en bestendigde

1

Vgl. Donandt, Brem. Civilproc., in; Brein. Jahrb. V p. 40. — Frensdorff, Das Liïb. Recht nach s. iilt. Ponnen, p. 81.

2

Willekueren v. Amersfoort. XLV. (NT. bijdr. v. reehtsgel. N. R. IV p. 366.)

3

Von Maurer 1. c. III p. 151. (cf. Arnold, 1. c. I p. 63, 64.) — Heusler (Urspr. der Stadtverf. p. 224 Noot 1)ontkent, dat de stadsvrede iets „specifisch Verschiedenesquot; van den bestendigen koningsvrede in de steden was, en verklaart de verzwaring van den zuiveringseed in het Regensburgsche privilegie tijdens de „pax jurataquot; voor een gevolg van de opheffing van den „Fehderechtszustand.quot; Ten onrechte: geheel hetzelfde onderscheid vindt men in L. A. XCII 6 vergeleken met L. A. III 26, waarde normale toestand beschreven wordt onder den naam van „vrede van onsen borgeren.quot;

-ocr page 69-

49

alleen tien bestaancien rechtstoestand. Misdrijven maakten daarop inbreuk, doch waren daarom geene vredebreuken in den specialen zin, dien men gewoonlijk aan dat woord hecht: de breuk van een bepaalden exceptioneelen vredestoestand. Zij werden dan ook te Utrecht niet als zoodanig beschouwd \').

Van dezen algemeenen vrede is wel te onderscheiden de vrede, die in onze vredekeur van [300 wordt bedoeld. Hij werd steeds (in onderscheiding van den „vrede van onsen borgerenquot;) genoemd „der stat vredequot; \'■\') en duurde slechts zes weken, terwijl hij driemaal kon vernieuwd worden, in het geheel dus 24 weken. Deze vrede betrof (althans oorspronkelijk) niet alle burgers, maar slechts de bij een doodslag of vechterij betrokkene partijen; hij was geen koningsvrede, maar (zooals de naam reeds aanduidt) een stadvrede. Eene zeer eigenaardige instelling, die (volgens de treffende vergelijking van Heusler) het meest overeenkomt met het afkondigen van den staat van beleg :i).

Ziehier hoe deze vrede gelegd werd. Wanneer een straatgevecht ontstond, begaven de schout of een der raadsleden (later \'\') kon elke burger, die wilde, dit doen) zich derwaarts en „eyschten vrede.quot; Bijna altijd werd dan de vrede door den aanvaller „gheghevenquot; (en door den aangevallene „weder gheghevenquot; !\')) en wel „mit hande ende mit mondequot; fi) d. i. beëedigd, waarna hij afgekondigd werd „mitter clockenquot; 1). I fet gevolg was, dat er tusschen de strijdende partijen voor den tijd, dat de vrede duurde, een wapenstilstand bestond, die wel meestal (de stadvrede duurde bijna een half jaar) voor goed een einde aan de veete zal gemaakt hebben. Natuurlijk kwam het wel voor. dat de vrede „ghebrokenquot; werd door eene nieuwe uitbarsting der vijandelijkheden; tegen zulke feiten waren echter (en dit is het juist, wat aan den staat van beleg doet denken) veel strengere straffen dan

1

Naar het schijnt evenwel niet altijd; bisschop Hendrik Van Beyeren maakt in 1528 melding van het leggen van vreden (er staat onjuist „vedenquot;) mitter kloeken ofte. anders, in aire manieren die rait onser stadt van Utrecht sulex te doen pleecht.quot; (V. d. Water, IMakaath. Ill p. 93.)

-ocr page 70-

5 o

gewoonlijk bedreigd, terwijl ook een ander dan het gewone college met de rechtspraak belast was. De vrede was een j/Wvrede; natuurlijk mocht het dus heeten, dat ook de raad, het hoofd der stad, met de handhaving daarvan belast was \'), niet schout en schepenen, die in den» eed van den heer stonden en dus logisch alleen te maken hadden met den gewonen vrede „onser borgeren,quot; die, zooals wij zagen, waarschijnlijk een door den koning verleende vrede was.

Wij vinden nu in de vredekeur de wijze, waarop de raad bij de rechtspraak over vredebraak te werk ging, beschreven: de burgemeesters wezen vijf raadsleden aan om de zaak te onderzoeken, en na eene week werd volgens hun rapport dooiden raad vonnis gewezen. Wat de straffen betreft, bij vergelijking van de bepalingen der vredekeur (L. A. XCII. 9, 10) met die van de gewone keuren (L. A. III) zal men overal eene verscherping der boeten, en vooral vervanging van boeten door lijfstraffen vinden; de zuiveringseed was bemoeielijkt (cf. L. A. XCII. 6 met L. A. III. 26), en (wat niet het minst gewichtig was) de raad oordeelde over vredebraak ook zonder aanklacht van de beleedigde partij -).

Ziedaar dus een krachtig middel tot beperking van het recht van vecte: spoedig recht, streng recht en zeker recht. Doch al had eene dergelijke regeling zeer zeker haar onbetwistbaar nut, zij leverde een ernstig- bezwaar. Boven zeide ik, dat het natuurlijk was, dat de sfadvrede gehandhaafd werd door den raad; doch daarom juist was het afkondigen van het besluit eene bedenkelijke zaak. 11 ad de raad het recht zulk een besluit te nemen? Zou hij de inrichting kunnen handhaven tegenover de partijen, die het behoud van het veetereoht wensch-ten? En met welk recht kon de magistraat de exceptioneele bepalingen bij vredebraak toepassen? Het komt mij voor, dat de magistraat de zwakheid der positie zelf wel gevoeld heeft; doch tevens, dat zijn recht om vredebraak te straffen een goeden grond had.

Het Liber albus bevat wel het bevel om, wanneer vrede geëischt wordt, dien te „gheven sonder wedersegghenquot; :\'): |

1) cf. ook: Heusler, Urspr. der Stadtverf. p. 181.— Von Maurer, Gesch. der Stadlverf. III p. 415, 6, (over Basel.) — Heusler. 1. c. p. 199. (over Metz.) — Warnkönig , Hist, de Gand. p. 129. (over Gent.)

2) L. A. XCII. 6,7.

3) L. A. XCII. 3.

JL

-ocr page 71-

5i

doch het schijnt, dat men zich niettemin onmachtig voelde den vrede op te leggen. De vrede werd driemaal g-eëischt, en de magistraat strafte de overtreding van dit bevel als van elk ander zijner bevelen met eene boete: de weigerachtige verbeurde telkens 5 .f \'). Bleef men echter weigerachtig, dan viel er niet veel aan te doen: de vrede werd dan afgekondigd voor „den andrenquot;, „dies begherenquot; 2); doch te ontkennen viel het bezwaarlijk, dat de zaak dan mislukt was, daar de wei-gerende partij zijne vrijheid van handelen behield :!). Wanneer

1) Met opleggen van deze boete was een gewone keur: ook het gerecht van het dorp Lopik had (1469) deze bevoegdheid; eerst hel rechten over de vredebraak was eene speciale bevoegdheid van den bisschop, die men moest schromen zicli aan te matigen. (Stat. v. Lopik, in; Versl. en mededeel, der Vereen, v. oudvad. recht. IV p. 269.)

2) L. A. III. 29, XCII. 4, cf. XCII. 12 („onse borghere .... sollen gheven 5 IC tot eiker tijd alse si den vrede weygheren of sellen kyesen voer elke 5 ft een jaer ende 42 daghe nut der stat te wesen e/trfe anders nyetquot;), 16, LXII. 2. ■—De „Friedenseinungquot; van 1304 {zie hierna p. 52 Noot 2) zegt wel, dat schepenen, raad en oudermannen „enen alinggen vrede genomen hebben,quot; docli niet dan nadat de twistende partijen „ghelooftquot; iiadden den vrede te houden. Dat het „vredeghevenquot; oorspronkelijk eene vrijwillige daad was, blijkt ook duidelijk uit het vonnis van bisschop Jan (1346) in L. A. CXV. 1: den beschuldigden wordt daar ten laste gelegd, dat zij „vechtende gheworden siin boven enen vrede, de bi koers selves wille ende goetdonken ghemaect ende gheboden wart te houden mitter stat clockc , also alse der stat recht is ende van ouds woenlic ghevveest heeft ende noch is enen vrede te ghebieden in der stat van Utrecht.quot; — Een analoge toestand schijnt bestaan te hebben te Weesp, waar men evenals te Utrecht driemaal 5 W bij vrede-weigering betaalde; doch daarna, zoo luidt het privilegie van 1355, „sal dat gerechte denghenen helpen ende starken, die des vreden begeert.quot; (v. Mieris, Charterb. II p. 849,) Dat deze wijze van zich uit te drukken niet iets toevalligs is, blijkt uit het Naardensche privilegie van denzel/den dag (1. c. p. 848), waar duidelijk gezegd wordt, dat de weigerachtige driemaal 3 VC verbeurde en bij de vierde weigering zijn lijf. Juist zoo te Lopik: bij de vierde weigering werd de vrede „geboden te houdenquot; of „genomen.quot; (Versl. en mededeel, der Vereen, v. oudvad. recht. IV. p. 269.) — Ook de niet bij het gevecht betrokkene toeschouwers, die weigerden te vertrekken , werden te Utrecht aanvankelijk alleen met driemaal 5 \'iC gestraft (L. A. III. 22); eerst in 1365 ging men verder en besloot de raad, bij voortdurende weigering „hoer lude daertoe te zetten, die dat uutgaen zeilen.quot; (d. i. de schuldigen crimineel terecht te stellen.) (L. A. XCVIII. 2.)

3) Eerst lange jaren later schijnt men te Utrecht tot het opleggen van den vrede overgegaan te zijn. De rechtsboeken zwijgen daarover, doch een vonnis van Dinxdach voer Zinte Johansdach te Middezomer 1389 bewijst het feit. De vorm is eigenaardig en geheel in overeenstemming met het toenmalige Utrechtsche gebruik, waarover later: de „koerquot; is verzwaard door bijvoeging van een „broek.quot; Het vonnis (te vinden Buur-spraakboek 1. c.) luidt aldus: „Want A onsen rade enen vrede enewerven, andcrwerven ende derdewerven gheweygert heeft ende hem den vrede voer zinen voeten gheleyt wart ende gheboden wart te houden van der stat weghen, daer hi al nyet of en hielt, ende woude darenboven vechten mit enen ghetoghen messe, daeraen heeft hi verboert aen der vredeweygheringhe XV if , ende voer zine broeken heeft hi gheleghen in den toorn , ende is hier ghecomen in hemde ende in broeke ter kloeken ende zal den rade bidden verghifnisse ende gheven der stat te beteringe voer zinen broeken XXXV gt;;» steens tot dien XV \'1? voerscrevcn.quot; Eene veroordeeling wegens vredeweigering reeds van 1357 (met verbanning van een jaar) vindt men; Reg.Th. 1 f, t3 vs. Het vredeweigerenduurde

-ocr page 72-

52

de twistenden gewillig- waren en „vrede yhavendan was het geheel anders gesteld. Het heeft reeds vroeger de aandacht getrokken \'), dat bezworeno vreden („paces jurataequot;), als de hier bedoelde, meestal ingesteld zijn bij overeenkomst tusschen de strijdende partijen; zij worden daarom ook dikwijls „Friedenseinungenquot; genoemd. Tc Utrecht geschiedde dit, zooals wij zagen, niet aldus 2), doch eenvoudig bij raadsbesluit. Toch ontbrak ook daar het contractueele element niet: men was vrij den vrede te weigeren, doch hij, die „vrede ghafquot; en den vrede bezwoer, onderwierp zich daarmede aan de bepalingen van den stadvrede en aan de jurisdictie van den raad, den handhaver daarvan ■quot;•). Deze exceptioneele jurisdictie vond dus in de onderwerping van partijen haren rechtsgrond, en de zware straffen van vredebraak worden alleszins gerechtvaardigd door een bijkomend element van het misdrijf: den meineed.

Kon derhalve de raad zich tegenover de burgerij ten volle verantwoorden, moeielijker scheen de zaak te zullen zijn tegenover den bisschop, den heer der stad. Het kon niet geloochend worden, dat de raad zich op Allerheiligenavond 1300 quot;\') schul-

cchter voort; nog op Vrijdach na Egidii 1488 leest men in het Register van aenspraken voor den raad: „Die Raet contra Merten Cuper van dat hy genen vrede geven en wonde. Bygescict do vive.quot;

1) Heusler, Urspr. der Stadtverf. p. 224. — Zoepfl, Deutsche Reehtsgesch. [I p. 323.

2) „Friedenseinungenquot; waren daar echter niet onbekend: in 1304 (des anderen dages na Sinte Marcusdach ewangelist) sloten de Lichtenbergers en Fresingen er eene over den moord van vijf hunner hoofden: schepenen, raad en oudermannen maakten daarvan eene plechtige oorkonde op. Dit stuk bedreigt tegen vredebraak de doodstraf; bij ontsnapping is de misdadiger vredeloos en zijn zijne goederen verbeurd, (cf. I.. A. XCII. 5 i. f. , 9.)

3) Karakteristiek is in dit opzicht een raadsbesluit van Woensd. voor St. Pouwelsd. 1404. De raad besloot toen, „dat men A. niet meer drucken en zei (dus eene pressie op den weigerachtige was al wat men vermocht!), dat hy B. enighen vrede olte bestant ghevcn zei tonden den vrede, daer sy nu in staeu mit maleanderen , tot dier tijt toe dat B, aire zaken klaerlikcn gebleven is, die hy heeft teghens A. , an den rade van der stat.quot; (Dus onderwerping aan \'s raads uitspraak was het doel van het vredegeven!) — Heusler (1. c. p. 224) leidt uit dit contractueele karakter van den vrede alleen af, dat de bedoeling was, straffelooze misdrijven strafbaar te stellen. Dit kan echter het eenige doel niet geweest zijn; immers verscheidene der bedoelde misdrijven waren reeds strafbaar. Zie wat hij zelf mededeelt over Worms (1. c. p. 226) cn vgl. L. A. XCIt. 9, 10 met L. A. Hl.

4) Oppervlakkig bezien kan hot schijnen, dat het besluit alleen eene regeling dei-procedure bevatte bij den reeds vroeger bekenden stadvrede, doeh dit is het geval niet. Immers de artikelen, die het vredebieden zelf beschrijven (L. A. XCII. 1—4) en die, als de instelling van den stadvrede , volgens deze gissing , ouder zouden moeten zijn dan do vredekeur van 1300, die de procedure na het vredegeven beschreef, zijn dit blijkbaar niet; art. 1,3,4 noemen toch de oudermannen der gilden, die eerst in T304 in den raad kwamen. Men moet het er dus voor houden, dat men later, bij de samenstelling van het T.ibor albus , toen hot hoofdstuk over don vrode werd ineengezet, dezo artikelen

-ocr page 73-

dig\' yemaakt had aan aanmatiging van don rechtsban, en do magistraat was zich zoozeer bewust, dat hij daarmede een greep gedaan had in \'s bisschops rechten, dat hij, toen in 1395 een stedelijk privilegieboek werd samengesteld, aan de vrede-keur eene plaats daarin inruimde: het was een privilegie, dat men niet verkregen, doch genomen had. Doch al spoedig bleek het, dat ook van den bisschop geen krachtig verzet te wachten was: hij bevestigde de stad wel niet in het aangematigde recht, doch schijnt er toch in berust te hebben, dat zij het behield. Immers in den voorrechtsbrief van 1305 \') nam hij eene bepaling op, geheel in den g^ecst van de vrede-keur, waarbij de compositie-som en het maaggeld bij doodslag van den eenen burger op den anderen werden afgeschaft. Bisschop Guy volgde zoodoende het voorbeeld van velen zijner ambtgenooten, die, onmachtig zeiven den vrede in hunne steden te handhaven, het wel moesten aanzien, dat anderen dit deden -). En dan had toch ook de zaak voor hem minder bezwaar dan voor vele andere bisschoppen: zijn schout maakte met de in zijnen eed staande schepenen deel uit van den raad, en de crimineele jurisdictie werd dus eigenlijk niet aan de schepenbank onttrokken, al werd deze door de toevoeging van verschillende nieuwe leden uitgebreid. Wel hoopte de stad al dadelijk, dat het mettertijd gelukken zou den schout buiten te sluiten. Reeds de „Friedenseinungquot; van 1304 ■-•) bevat de veelbetcekenende woorden: „wi (d. i. schepenen, raden en oudermannen) loven, waer yeman, de den vrede brake, dat wi darto helpen sellen enten rechter sterken sellen, dat hi dat rechten sel alse hier vorscreven staet; ende wacr dat ons des rechters omhrake mit wille of mil onwille, dat wi dan rechten souden bi ons sehenquot; Doch de bisschop had toch eerst recht van klagen, toen inderdaad den schout de toegang tot den raad ontzegd werd, en daarmede het rechten in crimineele zaken buiten hem om een feit werd. Wij zagen, dat dit reeds weinige jaren na 1300 schijnt te hebben plaats ge-

duidelijkheidshalve vooraan gevoegd heeft. Het groote belang, dat men blijkbaar aan de keur van 1300 hechtte, kan ook bezwaarlijk verklaard worden, wanneer alleen de procedure daarin op nieuw geregeld was.

1) Van de Water, Utr. Place. Ill p. 68.

2) Hensier , Urspr. der Stadtverf. p. 225. ,

3) Zie hiervoor p. 52 Noot 2.

-ocr page 74-

54

luid \'). En werkelijk klaagde de bisschop toen ook. Of op wat anders kunnen de klachten slaan over het straffen van dieven en „valscherquot;, over het zoenen van doodslagen, over het uitspreken van banvonnissen „buten den herewaarvan wij in de boven \'1) afgedrukte memorie van grieven van bisschop Guy lezen? Voorzeker, er was toen op het recht van den bisschop inbreuk gemaakt. Maar den gewichtigsten stap durfde de raad ook toen toch niet te doen: wij hooren geene klachten over het uitspreken van doodvonnissen „buten den here.quot; Ook later waagde de raad het niet, zich halsrecht aan te matigen: nu en dan schijnt hij wel eens een doodvonnis te hebben uitgesproken in tijden, wanneer de stad zich sterk tegenover den bisschop gevoelde, doch in den regel geschiedde dit niet. Hoe men zich behielp. wanneer een doodvonnis noodig was, zullen wij later zien.

De afkondiging van den stadvrede was slechts het begin van de ontwikkeling; langzamerhand ging men verder. De stadvrede, een gevolg van het „vredeghevenquot;, was uit den aard der zaak tot de vredegevenden zeiven beperkt. Op verschillende wijzen werd nu echter de werking van dien vrede uitgebreid. In het Tiber albus (1340) vinden wij reeds vast gesteld, dat niet alleen de vechtenden zeiven, doch ook hunne „maghe ende hulperenquot; aan den stadvrede gebonden waren ). Nog vóór 1385 2) ging men verder en bepaalde, dat in geval van doodslag de kring nog ruimer getrokken moest worden: niet alleen de magen en medehelpers der vredegevenden, doch „al onse borgheren ende al deghenen. de in der stat ende in der stat vriheden woenaftich siinquot;, dus alle burgers en inwoners, werden onder den gelegden vrede begrepen quot;\').

1

Hiervoor p. 37.

2

Wellicht reeds veel vroeger: hot oudste Buurspraakboek (van 1385) bevat echter de keur reeds.

-ocr page 75-

55

Ook in een ander opzicht werd het beginsel, dat men zelf „vrede ghevenquot; moest, losgelaten. Reeds het Liber albus noemt hot geval, dat men eonen delinquent niot vinden kan en derhalve den vrede „condight tot sinen huysquot;; ook dan was hij volgens deze bepaling (van 1340) aan den vrede gebonden \'). In 1398 vinden wij eene nog grootere afwijking van het beginsel: een vrede, die van kracht is zelfs voordat hij geboden is. Een groot bezwaar was het natuurlijk, dat er steeds ecnige tijd moest verloopen, eer rle schout of de raadsleden van een gepleegden doodslag kennis kregen en konden „gaen om enen vredequot;; voordat zij aankwamen, konden de betrekkingen van den vermoorde reeds tot represailles zijn overgegaan. Op Dortiendach 1398 liet nu de raad met de gewone viermaandelijksche publicatiën „ter clocken condighenquot; een besluit, dat in de morgenspraak der gilden vooraf was goedgekeurd. Het luidde aldus; „Waert dat van descr tijd voert enich vechtelic ofte dootslach ghcviele binnen der stat ofte binnen der stat vriheden, daer en zei nyemant ghene wrake om doen opte onsculdighe maghe binnen enen atmael daerna, dat is te verstaen XXIIII uren. Ende waert dat yemant dit verbrake, dat zoudmen rechten alse voer enen vredebrakequot; 2).

Ziedaar dus voor bepaalde gevallen misdrijven, zonder voorafgaand vredegeven , met vredebraak gelijkgesteld. Ook met betrekking tot den duur van den vrede matigde de raad zich allengs meer aan. Reeds vóór 1385 3) bepaalde hij, dat, wanneer wegens doodslag vrede gelogd was, die vrede niet meer als vroeger zes weken duren zou, doch tot aan den eerstvolgenden der drie viermaandsche termijnen. Dit besluit, ieder jaar driemaal met de gewone afkondigingen afgelezen, verlengde dus den gelegden vrede telkens weder voor den volgenden termijn. Eerlang werd deze maatregel ook uitgebreid tot stadvreden, die wegens mindere misdrijven (verwonding, vechterij, twist) gelegd waren: op

borgheren ende van al clcnghcncn, de in der stat ende in der stat vriheden woenaftich siin t dtterende tot Sinte Lambertsdaghe toe naestcoinende ende dien dach al, in allen manieren alst haertoe gheeomen is.quot;

1) L. A. XCII. 14. Het artikel komt in de vredekeur van 1300 nog niet voor.

2) Buurspraakboek. Dertienav. 1399. Dertienav. 1406 enz. - De keur is (zonder opgave van het jaartal) geboekt in L. M. CVI. 2.

3) Zie het besluit , afgedrukt hiervoor p. 54 Noot 5.

-ocr page 76-

56

DinscUigquot; na Paasclidag 1405 werd bij do gewone publication eenc tweede bijvoeging\' afgelezen van den volgenden inhoud: „Die rade van der stat out ende nywe ziin eendrachtelic overdraghen, dat idle statvreden van onsen borgheren \'), die tot haertoe te dueren plaghen zes weken lanc, voertmeer dueren zeilen van dier tijt, dat zi genomen werden, totter naester clocken toe, als men den vrede van onsen borgheren ende van den dootslaghen \'-) te verlangen ende te vernywen pleeeht. Dat is te versteen: so wat statvreden men nu of hierna voert maken zei, die zeilen dueren tot Zinte Lambrechts dage toe naestcomende ende dien dach al. Ende wat statvrede men maect van Zinte Lambrechts dage of daerna voert, die zeilen dueren totten heylighen XIII daghe toe ende dien dach al. Ende wat statvreden men maect van den heylighen Dertiendage of daerna voert, die zeilen dueren totten Sonnendage toe te Beloken Paesschen ende dien dach al. Ende also voert zonder arch ^).quot; Tegelijk met de gewone verlengingen van den burgervrede werd voortaan ook deze keur driemaal \'s jaars van het stadhuis afgekondigd. De bedoeling is duidelijk. De stadvrede zou niet meer eenen bepaalden duur hebben en dan eindigen, doch voortduren totdat de gewone vrede „van den borgherenquot; vernieuwd werd en •verder stilzwijgend met dien vrede verlengd morden telkens voor vier maanden. Beide vreden werden dus samengesmolten en de stadvrede zou eeuwig duren Daarmede werd dus opgeheven een artikel van het Liber al bus (XCII.13), dat nog in 1389 in het Roede boeck mede overgenomen was, en dat eene juist tegenovergestelde beslissing had gegeven. Wanneer de stadvrede, zoo heet het daar, over een gevecht afgekondigd, is afgeloopen, dan is een tweede gevecht, naar aanleiding van den eersten twist ontstaan, geen vredebraak, ook al is na den afloop van den stadvrede de vrede „van den borgherenquot; vernieuwd. Duidelijker kon men het niet zeg-

1) De woorden „van onsen borgherenquot; zijn in de afkondigingen der latere jaren vervallen , natuurlijk om verwarring met den later genoemden „vrede van onsen borgherenquot; te voorkomen.

2) Zie do bepaling, afgedrukt hiervoor p, 5/| Noot 5.

3) Buurspraakboek 1. e. — De latere afkondigingen zeggen duidelijker: „Ende also voirt ommegaende van tijde te tijde.quot;

4) „Eeuwigquot; of althans minstens het jaar uit; dit blijkt niet volkomen duidelijk. Voor de ook elders voorkomende beperking tot een jaar zou een reden bestaan : de klacht wegens doodslag verjaarde in jaar en dag. (Mathijssen , Rechtsb. v. Den Briel. p 243.)

-ocr page 77-

57

gen, dat beide vreden geheel van elkander onafhankelijke zaken waren, Sedert 1405 was dit nu echter anders; burgervrede en stadvrede waren voortaan één.

Zou was derhalve aan het woeden der partijschappen voor goed een krachtige hinderpaal in den weg gezet. Doch de stadvrede kon alleen dienen om de wraak van magen of partijgenooten der vermoorden, of wel van de beleedigde personen zclvcn te verhinderen. En hoe dikwijls gebeurde het, dat men den doodslag of het gevecht, die aanleiding hadden gegeven tot het vrede eischen, lang te voren had zien aankomen! Hoe dikwijls vernam men in die woelige tijden kwade geruchten over onrustige geesten onder de burgerij, of over onverlaten, die niets goeds bedoelende van buiten ingekomen waren! Do raad was dan echter machteloos, en do schepenbank, die denkelijk alleen de ergste misdrijven zonder aanklacht vervolgen mocht \'), was natuurlijk nog minder in staat hulp te bieden. In zulke go vallen werd een rechtsmiddel aangegrepen, dat met het vredebieden ten nauwste verwant was; men liet den kwaadwillige „hem verwilcoeren op siin liif,quot; — een instituut in het Engelscho recht nog heden bekend onder den naam van „to bind to keep the pcace.quot; De procedure was zeer eenvoudig: de raad liet eenvoudig- den persoon, van wicn men reden had iets kwaads te vreezen, „wilcoerenquot; (d. i. goedkeuren, beloven, op zich nemen 1)), dat hij de bedoelde „qUade feytenquot; niet doen zou „op siin liifquot; of „op siin hant, op de culc, op uter stat te wesen, op siin goet, op siin dyenst, bi eenre penenquot; of „by zwaerre correxij sraets :i).quot; Do verdachte had zich dan „verwilcoert.quot; De „wilcoer geschiedde „aen handen

1

In dezen zin komt „willeeoerenquot; nog voor: R. v. U. II p. 435. (Karei V „willecoert ende approbeertquot; eenige reehtsusantiën.)— Vgl. ook: Donandt, Brem. Civilproeess, in: Brem. Jahrb. V p. 54.

-ocr page 78-

•sraetsquot;, dus bij cede of handtastiny; zij kon gescliieden „in brievenquot; (een vorm, die moer bindend schijnt geweest te zijn dan de andere) en „buten brieven Ecnc species van het genus „hem verwilcoerenquot; was het doen van „oervede \'1)quot;: de belofte om op iemand geene wraak te nemen wegens eenig feit, —eene instelling, die met hot „vrede ghevenquot; nog meer overeenkomt.

Het rechtsmiddel van het zich „ verwilcoeren hoe eenvoudig ook, had in vele opzichten een groot nut. Zeer zeker had hot op den kwaadwillige een bedarenden invloed, dat hij zich als het ware onder het toezicht der hoog-e politie geplaatst wist en het dreigende zwaard der gerechtigheid steeds op zich gericht zag. Het zich „verwilcoerenquot; had echter nog twee rechtsgevolgen, die voor ons onderwerp van meer dadelijk belang zijn. In dc eerste plaats verschafte het dc gelegenheid, misdrijven strafbaar te stellen, die het gemeene recht straffeloos liet, of dc straffen te verzwaren, waar die van het gewoonterecht geheel onvoldoende waren; b. v.: „A. ende B. sellen beyden wilcoeren, waert dat zij tenigher tijt onstantelicke saken bedreven, dat men dat rechten sel an hoer lijff Bepaaldelijk schijnt men dit middel dikwijls aangewend te hebben , wanneer men in geval van recidive de straf wilde verzwaren: den misdadiger werd dan o. a. als straf opgelegd te „wilcoerenquot;: „waert dat hi van deser tiid voort ummermeer opten raet van der stat sprake ofte den rade misdede in woerden ofte in werken, dat hi dan z-iin liif verboert heeft, also verre alst die raet ter waerheyt

strengere band geweest te zijn, wanneer men den persoon niet vertrouwde: b. v. Raads dag. bock 1402 fol. XI: A. en 15. beloven beiden voor dezelfde zaak „beteringhe te doen bi den rade van der statquot; aan C. op 20 oude schilden boete; A. „wilcoertquot; dit alleen, doch B. stelt eenen borg.

1) Raads dag. boek Woensd. op St. Ponc. av. 1473, — Woensd. voor Mich. 1474.

2) Soms schijnen zelfs de woorden „oervedequot; en „wilcoerquot; verwisseld te worden. Zoo schijnt in Rocse. CXXX1X. 2, waar van „oervedich zijnquot; sprake is, „hem verwilcoert hebbenquot; bedoeld te zijn; en in een raadsvonnis van Woensd. voor Mich. 1474 wordt ecnc oervede duidelijk „wilcoerquot; genoemd, (cf. Zoepfi , Deutsche Rechtsgesch. III. p. 436/7 en aid. Noot 82.)

3) De „wilcoerquot; heette ook „lofte,quot; geheel a!s de civile wilkoer, waarover later. Zie: Roese. CXCVI. pr. , — CCLIX. t. — Raads dag. boek. Woensd. na Jaersd. 1404: drie broeders „loveden ende wilcoerdenquot; geene „onstantelike dingenquot; te doen noch „wrake te doen ofte vede te houden. Knde dit hebben zij liiflio ten hcyligen gezworen ende oervede up gedaen an sraets hant.quot; De handeling heet daar dan verder een „lofte, wilcoer ende oervede.quot;

4) V. d. Lith, Gesch. v. h. krankzinnigengesticht te Utrecht, p. 166.

-ocr page 79-

59

vonde Die du/,c verklaring aflegden, konden zich later, wanneer zij niettegenstaande hunne „wilcoerquot; dc bewuste „onstante-licke sakenquot; gedaan hadden, niet beklagen, zoo zij het vonnis ontvingen: „want A. tiegens zijne wilkoor, die hij aen sraets handen na den gherechten ende gewoenten van onser stadt op zijn lijf gedaen heeft, onstantelyeke saken bedreven heeft, daerom zei men hem als enen onser stadtrecht-breker ende geweider den schout leveren ende die scepenen sollen recht wysen Het deed er derhalve niet toe, of het gemeene recht het feit strafbaar stelde en hoe het dit deed: de man had „g-ewilcoertquot;, dat men hem voor het feit zou rechten aan zijn lijf; door het bedrijven der handeling verbrak hij nu „der stadt rexht *).quot;

En niet alleen erkende men door te „wilcoerenquot; de strafbaarheid van het feit, men nam ook genoegen met den rechter, die de straf toepassen zou Eene „wilcoerquot; toch

1) Reg. Th. 2. fol. 57 r. — Deze exceptioneele verzwaring der straf voor een bepaald misdrijf kon bij wangedrag nog verscherpt worden: de raad „overdroechquot; dan wel uitdrukkelijk daarbij , dat „waert dat hi dese wilcoer ummermeer verbrake, dat inent rechten zei an ziin liifm. a. vv. dat men hem geene gratie schenken zou. (Reg. Th. 2. fol. 57 r.) Maakte de delinquent zich daarentegen verdienstelijk, dan werd hem „de wilcoer vergheven,quot; m. a. w. hij zou , ingeval hij weder het bedoelde misdrijf pleegde, niet langer als recidivist beschouwd en dus volgens het gewone recht gestraft worden. (Reg. Th. 2. fol. 70 r.)

2) Deze formule komt voor als doodvonnis van een „verwilcoerdenquot; misdadiger in het Raads dag. boek van Manend, na Andree 1477. De wilcoer was ditmaal gedaan „aen handen des gher echts.quot; Hetzelfde komt ook elders voor: eenmaal zelfs (Reg. Th. 1. fol. 4 vs.) verwilkoert zich een misdadiger de eerste maal voor den raad, de tweede maal wegens herhaling van hctulfde misdrijf voor het gerecht. De reden hiervan is mij duister. Eenmaal vond ik eene verwilkoering voor schout en schepenen (Reg. Th. 1. fol. 5), doch in een geval, waarin de schout speciaal betrokken was.

3) Zoo wordt dan ook in eene memorie van den raad van Trier het „wilkurenquot; tweemaal met het „ertcylen mit scheffen-urteylquot; gelijkgesteld. (Schoop, Verfassungsgesch. v. Trier, p. 161.) Analoog de verklaring: R. v. U. II p. 26, waar een contract tusschen de stad Utrecht en het kapittel van St. Marie genoemd wordt: „dat recht, dat de heren van St. M. ende die stat v. U. ghcmacct hebbenquot;; dus: een contract maakt recht. — Dc overeenkomst van naam tusschen deze „wilcoerenquot; en de stedelijke „willekuerenquot; (keuren) is dan ook wellicht niet toevallig. Door het „verwilcoerenquot; ontstond werkelijk eene keur voor dit speciale geval. Wanneer A. „wilcoerdequot;: „waert dat hy bedraghen worde van poytierscap, dat men dat rechten sonde an siin liif,quot; dan had dit voor A. geheel hetzelfde rechtsgevolg, alsof er eene keur gemaakt was: „De raet out ende nye hebben overdraghen: waert dat yemant bedraghen worde van poytierscap, dat men dat rechten soude an siin liif.quot; De wilcoeren staan dan ock in register Th. 2 met de stedelijke keuren dooreen gemengd. Dezelfde gelijkstelling vindt men in een raadsbesluit van Woensd. na Brixii 1403: A. „wilkoerde ende die raet overdroech opten selven,quot; dat bij een jaar gevangen zou zijn ; het klinkt alsof dc raad van de uitvoering zijner „overdrachtquot; zonder de „wilkoerquot; niet al te zeker was!

4) In overeenstemming daarmede droeg dan ook het vonnis het karakter eener arbitrale

-ocr page 80-

6o

fundeerde jurisdictie. Als bewijs voer ik aan de privilegiën, aan Naarden en Weesp door hertog Willem V verleend, waarin verboden wordt de burgers „te besetten noch te becom-meren in den lande, anders dan in onsen vryen steden , het en ivaer saecke, dat sy hun verwillekeurden voor rechtere off voor wittachtige luydcn, of dat sy met verscher misdaet begrepen worden Dienovereenkomstig verklaarde dan ook in 1405 Hughe Van Loenrcsloet voor de Utrechtsche schepenbank , dat hij niet verplicht was te Utrecht terecht te staan, „Avant hy gheen borgher tUtrecht en is, noch hem niet verwü-coort en heeft van dcser ausprake rechts te plegheu en zoo bepaalde de raad van Utrecht in 1451, dat de busmeesters van den raad „van ghenen wilcoern rechten en zouden dan die by den raide gheschiet waren 3).quot;

In hoofdzaak vinden wij derhalve bij het „vorwilcoerenquot; dezelfde elementen terug, die wij bij het „vrede ghevenquot; opmerkten. Het instituut is dan ook zeer kort na den stad vrede ontstaan: de oudste verwilkoering, die wij vermeld vinden, dagteekent van 1322 4), en er gaan daaraan in het register nog andere vooraf, die geenen datum dragen doch waarschijnlijk ouder zijn. liet kan nauwelijks betwijfeld worden, dat ook dit rechtsmiddel krachtig heeft bijgedragen tot het vestigen van \'s raads erimineele rechtspraak.

Toch was zoodoende do zaak nog geenszins beklonken. Wij zag-en, dat zoowel het vredegeven als het verwilkoe-ren berustten op de vrijwillige onderwerping der betrokkene partijen aan de jurisdictie van den raad. Dit was inder-

uitspraak: het heet dikwijls „een zegghen.quot; Analoog L. A. CXIV pr.: de burgers hebben „gheloeft ende ghewileoert onso segghen hierof te houden.quot;

1) Van Mieris, Charterb. II p. 848. — Het privilegie voor Weesp (1. c. p. 849) geeft denzelfden volzin. — Van daar ook het rechten van den raad „van wilkoeren aen sraidts bant gedaen.quot; (V. d. Water, Place. III p. 88.)

2) R. v, U. II p. 115. — Zie ook: Schoop, Verfassungsgesch. v. Trier, p. 127: het stadsgerecht zal niet rechten over de dienaars van het Domkapittel, „es en were dan saeke, das .... sy sich selbes mit friwillen under dat gezuche der stede scheffen ergeben het tent.quot;

3) R. v. U. I p. 379. Het is waar, dat hier sprake is van civile wilcocren (waarover later); maar ik zie niet, dat het onderscheid tusschen civile en erimineele zaken destijds principieel was: het Naardensche privilegie noemt ook civile en erimineele „besettinghequot; in éenen adem. Zie ook het in Noot 1 i. f. afgedrukte citaat.

4) Reg. Th. 1 fol. 5 vs.— Met misdrijf was „wighelingh ende toverie, ende waersegghen ende witighen, de si te handen toech.quot;

-ocr page 81-

61

daad zeer fraai overlegd; maar met een dergelijk contract tusschen rechter en delinquent hadden natuurlijk derden niets te maken, en do heer evenmin als zijn vertegenwoordiger de schout, die met don bloedban beleend was, behoefden zich in het allerminst daaraan te storen. Niets belette den schout om den doodslager, nadat hij zijne straf wegens vredebraak had ondergaan, bij het lijf te vatten en wegens doodslag nogmaals terecht te stellen voor de schepenbank. Bepaaldelijk kon hij van hem nog eischen de boetegelden, die hij ter zake van zijn misdrijf aan den heer verbeurd had. De oude „Frio-denscinungenquot; bevatten dan ook somtijds de bepaling: „mit disem einunge ist enhein recht abgetan noch abgelassen, das von alter har komen ist und unsers horrn des bischofs oder der richtern recht ist.quot; \') Te Utrecht maakte men dit voor-behoud niet; maar dat eene dergelijke, ons vreemd klinkende toepassing van het bis in idem daar in het algemeen niet onmogelijk geacht werd, bewijst nog1 eene keur van 1377 2), waarbij bepaald wordt, dat een buitenman, die te Utrecht eenen anderen buitenman doodt of verlamt, door den raad arbitrair gestraft zal worden „behoudelike onsen here van Utrecht alle ziins rechts,quot; namelijk om den ongelukkigen buitenman opnieuw te beboeten of te straffen. En een buitenman, die eenen burger van Utrecht doodsloeg, was in hetzelfde geval blijkens twee andere keuren : hij werd uit de stad gebannen op verbeurte van zijn leven, en moest bovendien de straf ondergaan, die hij voor \'s bisschops „landrechtquot; verbeuren zou.

Zoo waren er dus twee concurreerende strafrechters in de stad: de schepenbank en de raad \'). Dat kon op den duur zoo niet blijven: de een of de ander moest wijken. Men meent; niet, dat de schepenbank dadelijk bereid zal zijn geweest, hare plaats te ruimen. Wel was haar récht in de vredekeur niet uitdrukkelijk voorbehouden, wel zal zij denkelijk de

1

Einung v. Basel, gerit, bij: Heuslcr, Urspr. der Stadtverf. p. 225. — Vgl. over dergelijke cumulatie van straffen bij vredegerechten; Von Maurer, Gescli. der Stiidtevcrf. I. p. 438. (Vooral de Richtebr. v. Zurich; „Mit diesen XX Marken ist der stat gebiisset ane die buosse, die er dein gericht und dien klegern schuldig ist.quot;)

2

L. II. LXVII. 1.

-ocr page 82-

02

wegens vrcdobraak veroordeelden niet nogmaals terechtgesteld hebben, daar hare leden als raadsleden tot die veroordeeling hadden medegewerkt; doch geheel iets anders was het, hare rechtspraak geheel over te geven ook in gevallen, waarin van vredebraak geen sprake was en waar dus hare mededingster elk voorwendsel miste om als strafrechter op te treden.

De raad moest derhalve, wilde hij terrein winnen, aanvallend optreden. En hij deed dit. Als eersten stap kunnen wij vermelden het straffen dergenen, die weigerden „vrede te ghevenquot;, — een dwang dus om zich aan \'s raads uitspraak te onderwerpen, die de vrijwillige submissie verving. Het eerste voorbeeld daarvan vonden wij in 1357 \'). Dat ook het „ver-wilcoerenquot; geenc vrijwillige zaak was of althans bleef, kan reeds blijken uit het feit, dat de verplichting daartoe bij tal van vonnissen werd uitgesproken 1). Zoodoende was men reeds vèr gevorderd: in bepaalde gevallen legde de raad zijne rechtspraak aan de burgers op. Doch er is meer: overal waar de stad vrede wordt ingevoerd, is dit het sein tot eene langzame doch zekere verandering van het strafrecht en de strafrechtspleging; overal is het streven merkbaar om den stad vrede gedurig te verlengen en den kring der te berechten misdrijven steeds meer uit te breiden :,). Van dit streven tot uitbreiding in beide richtingen vinden wij ook te Utrecht de sporen. Wij vernamen reeds, dat de raad in 1405 den stouten maatregel nam om den stadvrede eeuwig te verklaren f\'); en reeds bisschop Guy hoorden wij klagen, dat de raad dieven en valscher (dus niet alleen vredebrekers) „corrigierde buten der herlikehede r\').quot;

Evenwel, daarmede was nog niet alles gewonnen. De stadvrede mocht eeuwig duren, steeds moest aan de berechting van het breken daarvan het „vrede ghevenquot;, de onderwerping aan \'s raads jurisdictie voorafgaan. En wat de „gecorrigierde dieven ende valscherquot; betreft, wij vinden reeds in het oudste register der stad quot;). (waarin de vroegste datum 1315 is) zoovele

1

Zie hiervoor p. 57 Noot 3,

-ocr page 83-

t\'3

„wilcoerenquot; wegens diefstal, tooverij, kwaadspreken, dobbelarij, „poytierscapquot; (hoererij), „quade herberghe,quot; „abreyscapquot; (koppelarij) en andere „quade feytendie met vredebraak niets te maken hebben, dat het wel niet zal kunnen bewezen worden, dat ook de door don bisschop bedoelde dieven ende valscherquot; zich niet „verwilcoertquot; hadden , voor den raad terecht te staan.

Op zich zelf is het onwaarschijnlijk, dat de raad reeds na enkele jaren zijne crimineele rechtspraak vast genoeg gevestigd zal geacht hebben om het hulpmiddel, dat hem zoover gebracht had (de vrijwillige submissie der partijen), los te laten, In de rechtsboeken komen dan ook bepalingen, die op eene zelfstandige rechtspraak van den raad wijzen, eerst veel later voor. Om deze bepalingen en de geschiedenis barer ontwikkeling goed te begrijpen, moeten wij vooraf de mid-deleeuwsche rechtspraak in criminalibus eenigszins nader beschouwen.

§ 4. KEUREN EN BREUKEN.

Wij bezitten voor de kennis van den oorspronkelijken toestand dor crimineele rechtspraak te Utrecht eene zeer vertrouwbare aanwijzing in de hierbij \') afgedrukte plaats uit het Liber camerae van den Dom. Dit extract leert ons den toestand kennen, zooals hij was op het platte land ten tijde van de samenstelling van het Liber camerae, in het midden der 140 eeuw. Het is natuurlijk niet geheel zeker, dat dit beeld overeenkomt met de instellingen, die eene halve eeuw vroeger in de stad Utrecht bestonden; doch men mag het toch hoogstwaarschijnlijk noemen, dat \'s bisschops vertegenwoordiger in de stad, de schout, destijds dezelfde bevoegdheden had als de bisschop zelf in het „landrecht.quot; Immers liet recht te Utrecht kan oorspronkelijk niet van dat der omliggende streek verschild hebben, en al is het ontegenzeggelijk, dat het stadrecht langzamerhand van het recht van het platte land afweek, die afwijking zal voor het strafrecht allerwaarschijnlijkst eerst begonnen zijn juist tengevolge van

0 R. v. U. II p. 109 Moot t.— Vgl. daarmede: L. II. XC1I. 2, - Rooso. CXXVII. 1, 2.

-ocr page 84-

64

de invoering van den stadvrede in 11300; vóór dien tijd zal dat verschil denkelijk niet zeer groot geweest zijn.

Wat leert ons nu het extract uit het Liber camerae? De bisschop sprak recht volgons do uitspraak zijner dienstmannen, met wie hij terecht zat in het zoogenaamde „landrecht.quot; De misdrijven werden verdeeld in twee categoriën: zware („ondadenquot;) en minder zware. De eerste categorie werd door den bisschop berecht ex officio, de tweede alleen op klacht der beleedigdc partij, tenzij de misdadiger een persoon van lagen stand („husmanquot;) was. Het begrip van „ondaetquot; is van elders bekend \'): het omvat alle misdrijven, waardoor de landvrede gebroken werd en die derhalve in een welgeordenden staat niet konden geduld worden. De lijst der onder dit begrip vallende delicten is niet met juistheid vast te stellen; men bezit verschillende opsommingen, die allen in de hoofdzaak overeenkomen zonder echter geheel gelijk te zijn. Onze bron noemt als zoodanig: diefstal, roof, vredebraak, verkrachting, schaking, aanmatiging van gezag (usurpatie dominii), onwettige gevangenhouding, brandstichting en kerkroof. Naar het schijnt is het dezelfde categorie van misdrijven, die het Liber albus 1) noemt als strafbaar aan lijf en lid: diefstal, moord, brandstichting, manslag, roof, munt ver valsching, verspieden en muntsnoeien. De tweede categorie van het Liber camerae omvatte de misdrijven, waarbij volgens de toenmalige begrippen niet de staat, doch vooral de benadeelde persoon en zijne bloedverwanten belang hadden, en die daarom min of meer als civile zaken behandeld, alleen op verlangen der benadeelden vervolgd werden. Als voorbeelden noemt het boek alleen: eenvoudige manslag en vechterij. Alleen wat betreft manslag schijnt er dus bepaalde strijd tusschen het Liber camerae en het Liber albus: het landrecht brengt dit misdrijf in de tweede, het stadrecht in de eerste categorie. Doch juist hier schijnt ook het stadrecht (zeker ten gevolge der vredekeur van 1300) gewijzigd te zijn door bisschop Guy, die in 1305 bepaalde: „wat borgher tUtrecht enen andoren

1

L. A. pr. § 7.

-ocr page 85-

6 5

borgher doot sloeghe, werde hy ghegrepen, dat geen goot voor zyn lyf te bieden en sel wesen Ntiar het mij voorkomt, werd door dit privilegie doodslag in geval van betrapping op beeter daad overgebracht tot de categorie der ondadon; immers het is van elders bekend -), dat bij ondaad compositie ongeoorloofd was 1).

Doch ook op een ander punt zal het Utrechtsche stadrecht ongetwijfeld reeds voor 1300 van het Stichtsche landrecht zijn afgeweken. De allergeringste misdrijven, die met geldboeten werden gestraft, werden in het landrecht gewis niet behandeld: het Liber camerae vermeldt ze niet, en ook van elders weten wij \'\'), dat dergelijke zaken overal als civile beschouwd en voor de lagere rechtbanken behandeld werden. Ten platten lande zal dit geschied zijn door de schepenbanken der dorpen; ook te Utrecht kim dit het geval geweest zijn, cn aangezien daar ook do eigenlijke misdaden (althans sinds het privilegium de non evocando van 1252) voor de schepenbank behandeld werden, zou dus deze voor alle strafzaken te gelijk competent zijn geweest. Doch denkelijk heeft de schepenbank zulk eene uitgebreide bevoegdheid nooit bezeten, cn heeft zij de lichtste misdrijven reeds verloren, voordat het bovenbedoelde privilegie haar de berechting der zwaardere toevertrouwde.

Wanneer eene stad van haren heer het recht verkreeg keuren te maken, was daarin van zelf opgesloten het recht om de overtreding dier keuren te straffen. Het recht om keuren te maken was het recht, om zekere feiten te verbieden op verbeurte van zekere boete, en juist dit gebieden en verbieden met strafbedreiging tegen de overtreders is het, wat

1

Het landrecht volgde later denzelfden weg: het charter van keizer Karei TV dd. 16 Augustus 1349 gaf den bisschop het recht, om „de homicidiis quibuslibet justitiam facere expeditam, etiamsi parentes aut consanguinei occisorum occisi injuriam prosequi negligant quot; (Heda , Historia. p. 250), — en wij zagen reeds, dat juist de ondaden door den bisschop ex officio vervolgd werden. (Het Liber camerae moet dus ouder zijn dan 1349).

-ocr page 86-

66

men gewoonlijk rechtsban noemt. Het kan derhalve bezwaarlijk ontkend worden, dat met het recht om keuren te maken aan de stad door haren heer werd opgedragen zekere (zij het ook de allerlaagste) rechtsban, men moge dien ban dan (mot Von Maurer) bevoegdheid tot handhaving van den marke-vrede \') of (met Frensdorff) van den Godsvrede 1), of (volgens eene Keulsche oorkonde 2)) bannum communitatis noemen Practisch belang had trouwens de overdracht van dezen ban gewoonlijk niet; immers de steden, die het privilegie om keuren te maken kregen, verkeerden nog in hot eerste stadium van ontwikkeling: schout en schepenen bezorgden zoowel de rechtspraak als het stedelijk bestuur, en de rechtsban werd dus gegeven aan oen college, dat dien reeds bezat. Wanneer evenwel rechtspraak en bestuur zich scheidden, en de tweede bevoegdheid, waaronder het maken van keuren behoorde, aan den raad overging, was het logisch, dat de bovenbedoelde lag\'ere rechtsban, het oordeelen over de over-tredingen der keuren, mede aan dit college ten doel viel. Ik durf niet zeggen, in hoeverre dit in sommige jongere steden ook werkelijk geschied is; voor de oudere, waar reeds zeer vroeg — volgons sommigen B) van don aanvang af een raad voorkomt, is het nog voel mociolijker den ontwikkelingsgang na te gaan; do moesten hebben nooit een afzonderlijk privilegie gekregen, waarbij haar hot recht van keuren te maken is verleend, on over do oudste procedure bij overtreding van keuren zijn slechts spaarzame berichten tot ons gekomen. Toch weten wij van enkele zéér oude steden, dat daar werkelijk do raad, die ongetwijfeld de keuren maakte, ook de overtreders daarvan strafte. Zulks was het geval to Dortmund {\'\'j

1

Frensdorff, Dortmunder Statuten, p. LIV.

2

Von Maurer, Gescli. der Stadteverf. JI p. 835.

-ocr page 87-

b7

en te Lubeck. In de laatste stad werd het recht daartoe zoo duidelijk mogelijk reeds in 1188 aan den raad verleend door keizer Frederik I met de woorden: „omnia civitatis decreta (kore) consules judicabuntquot; \'), en in overeenstemming daarmede bevatten dan ook reeds de oudste rechtsboeken der stad de bepaling*: „a\\ den wilkore, den de ratman settct, den mogen unde scholen de ratman richtenquot; of „so wi dat tobreket dat di ratman settet, dat scholen de ratman richten 2).quot;

Wanneer wij derhalve het bewijs vinden, dat reeds in 1233 te Utrecht eene keur werd uitgevaardigd niet door de schepenbank, doch door den raad , dan mogen wij het op grond van het voorgaande waarschijnlijk achten, dat destijds ook reeds het recht om de overtreders dier keur te straffen bij den raad berust zal hebben Dat de raad dit recht althans voor 1300 bezeten heeft, kan nauwelijks betwijfeld worden, wanneer wij ons herinneren, dat dit college in dat jaar nog zooveel verder ging door zelfs de berechting der zwaarste misdrijven aan zich te trekken. Een vrij sterk argument hiervoor vinden wij bovendien in het oudste register der stad (samengesteld omstreeks 1342), waar wij reeds op een der eerste bladzijden (ad 1336) gewag gemaakt vinden van het bestaan van twee keurmeesters, en wel ids een vrij ontwikkeld rechtsinstituut; immers reeds destijds werd, evenals later, het ambt door twee personen bekleed en ging het per maand onder de raadsleden om.

Kan dus het bestaan eener crimineele rechtspraak van den raad in keurzaken, bij gebrek aan bronnen, eerst sedert 1336 positief bewezen worden, het mag allerwaarschijnlijkst heeten, dat die rechtspraak wel eene eeuw ouder is. Houdt men dit in het oog, dan zal men bevinden, dat de schepenbank in 1300, toen de raad de rechtspraak over vredebraak aan zich trok, deerlijk in de engte moet zijn gedreven: van twee zijden te gelijk, van onderen en van boven, begon de raad de bevoegd-

steden, die het invloedrijke Soester recht bezaten. De door den raad te Dortmund opgelegde boete heette „des stades kor.quot;

1) Lübeckisches Urkundenbueh. I. p. 10.

2) Frensdorff, Das Lüb. keeht naeh s. iilt. Fonnen. p. 60 , 61.

3) Zie hiervoor p. 29.

4) De rechtspraak wegens overtreding van keuren was zoozeer een bepaald attribuut-van den raad, dat de schepenbank bij hare rechtspraak in gelijke gevallen toch liet woord „keurquot; niet gebruikte. (Zio hierna p. 70 Noot 6.)

-ocr page 88-

68

heid der schopcnen in criminalibus te besnoeien. Het was te voorzien, dat het dus in het nauw gedrevene college allengs terrein zou verliezen. En werkelijk geschiedde dit; eerlang zien wij den raad een verderen stap doen; hij recht voortaan van „koeren en de broekenquot;.

Wat zijn keuren? wat zijn breuken? Ik geloof, dat men vrij algemeen van oordeel is, dat de twee woorden synonym zijn, en voordat ik derhalve ga mededeel en, wat het verschil tusschen beiden is, zal ik dienen te bewijzen, dat er (althans in het Utrechtsche stadrecht) verschil bestaat.

Ik zal mij, om dit bewijs te leveren, niet beroepen op de tallooze plaatsen, waar „koerenquot; en „broekenquot; in de Utrechtsche rechtsbronnen naast elkander voorkomen \'): het antwoord toch zou dan gegeven kunnen worden, dat men in die gevallen te doen heeft met eene in de middeleeuwen inderdaad niet ongewone tautologie. Doch er zijn verscheidene plaatsen in de rechtsboeken, die zeer bepaald bewijzen, dat men onder „koeren\' en „broekenquot; twee geheel verschillende zaken verstond. Men zie b. v. Liber hirsutus minor LXXXVIII. 1, waar bepaald wordt, dat degene, die een ander gewond heeft, voordat hij uit de gevangenis ontslagen wordt, aan de volgende drie vereischten voldoen zal: in. hij zal de stad „voldoen van zinen koeren,quot; 2quot;. „beteringe doenquot; aan dengene, dien hij „broekich ghevvorden is,quot; 3\'1. zekerheid stellen aan de stad „van zinen broeken.quot; Men leze de keur Roese CCV: twee personen, die gevochten hebben, zullen de „vechtkoerenquot; betalen , terwijl de „aenvechterquot; bovendien aan de stad eene steenboete zal voldoen „te beteringe voer zijn brueken.quot; De tengevolge dezer bepaling betaalde „koerenquot; zullen vervallen aan dengene, die de vechtkeuren koopt, de „broekenquot; echter komen in stadskas; de „koermeysterquot; brengt dan ook die „bruekigequot; aan bij „den raide gesett tot brueken.quot; Verder een raadsbesluit van Donredach na Dertiendach 1522 \'l), waarin sprake is van „een broeck dair een koer in was gelegen.quot; Ein-

1

Zie b. v. Van de Water, Placc. Ill p. 87: „by zulken koeren, broeken ende verboeren als die punten inhouden.quot; — Rekening van de „restanden van den broecken , steen ende koeren , die gesleten syn by den scepenen van den jair 1475.quot; (Stads-arch.) — L. A. CXXir. 1: „men zei ghene koeren noehte broeken hogher rechten dan der stat boeke inhouden, maar die raet mach die broeken verlichten.quot;-— k.b. II* 1. vergeleken met § 2 en 3 derzelfde keur.

-ocr page 89-

óg

ddijk Roese CCXX1I. 2, waaruit blijkt, dat de „bruekenquot; cn „kuercnquot; „verschyncnquot; in verschillende „ampten,quot; d. i. door verschillende ambtenaren berecht worden.

Mij dunkt, dit is bewijs genoeg\'. Thans volgt de moeie-1 ijker vraag: wat is eene keur, wat eene breuk?

Onder „koerenquot; verstond men te Utrecht wetsbepalingen, door den magistraat gemaakt en afgekondigd, bepaaldelijk zulke wetsbepalingen, die een gebod of verbod inhielden op verbeurte van eene zekere straf, meestal eene geldboete. Wel vindt men in het Liber albus cn het Roede boeck, die beiden volgens de opschriften „korenquot; behelzen, enkele bepalingen, die dit strafrechtelijke element niet bevatten (men zie b. v. L. A. III. 20, VIII. 1); doch het zijn groote uitzonderingen, die meer het karakter dragen van een zoogenaamd „Weisthum,quot; van het opteekenen eener rechtsgewoonte, dan van een eigenlijke keur \'). Eene strafbepaling werd geacht een zoo noodzakelijk bestanddeel eener koer te zijn, dat langzamerhand de strafbepaling zelve den naam „koerquot; verkreeg 1).

Met een „koerquot; bedoelde men dus de straf, gesteld op ongehoorzaamheid aan een gebod of verbod van den raad. De koer was als het ware de stok (het oude symbool van het gezag), waarmede de magistraat zich deed eerbiedigen; zij was geenszins het zwaard der gerechtigheid, dat aan den rechter behoorde, Het duidelijkst blijkt deze eigenaardige beteekenis van „koerquot; uit een privilegie van Bunschoten van 1384, waarbij de bisschop overweegt, „dat die goede lude onser stat van Bunscoten die stat nyet in vreden noch in rusten houden en moeghen, si en moeten koeren ende wil-corcn hebben, daer si die borghers mede dwing hen Onze rechtsboeken zijn hiermede in overeenstemming: de Utrechtsche keuren werden „gheset om ghemac ende vrede te houden binnen der stat

De straf, die tegen de ongehoorzamen aan \'s raads bevelen bedreigd werd, was bijna altijd eene geldboete :\'). Enkele

1

Zie b. v. Roese. CLXIII, waar eerst de nieuwingevoerde nering van het brouwen gereglementeerd wordt, en daarna „die koren die dairop staenquot; worden vastgesteld. -Van daar, dat men kon „koeren van koeren verboeren.quot; (L. H. LXIII. 8.)

-ocr page 90-

malen werden er ook andere straffen vastgesteld: zoo spreekt Roese (\'X V. 4 van „de koeren die op ghclt slaen,quot; hetgeen natuurlijk de conclusie wettigt, dat er ook koeren zijn, „die iiyct op ghelt staenquot;. Bepaaldelijk worden er „koerenquot; vermeld, die bestaan in steenboeten \'), — een vorm van straf, die gewoonlijk bij de „broekenquot; behoort. Naar het schijnt heeft echter in deze gevallen geene gewone ongehoorzaamheid aan den raad de straf uitgelokt: althans in hot oudste vooi-beeld van zulk ecne koer (L. H. XC. 1) wordt gezegd, dat de bedreigde steenboeten betaald moeten worden ,,te beteringhequot;, - een woord, dat almede bij de „broekenquot; tehuis behoort \'2). Bij uitzondering wordt zelfs met „koerquot; bedoeld het geheele complex van straffen, bij eene keur bedreigd 3); in dien zin worden zelfs de straffen op misdaad, manslag en vredebraak \'\'), ja straffen, die aan lijf en lid gaan s), soms ,,koerenquot; genoemd. Doch dit is niet de gewone, eigenlijke beteekenis van het woord „koerquot;, dat slechts zelden anders dan in den zin van geldboete gebruikt wordt quot;).

De „koerquot; wordt soms ook wel .,penequot; genoemd; men bedoelde met deze definitie dan geheel hetzelfde als met

wordt gestraft met verlies van ambaeht of burgerschap en 50 ff, terwijl degene, die dezelfde overtreding heimelijk begaat, verbeurt „dubbelden koer eudc alse voirseyt isquot;.

Dus de geldboete van 50 ff was de keur; het verlies van ambacht en burgerschap heette zoo niet.

1) Roese. LVII. 1 , LXXV. 1.

2) Meer voorbeelden vindt men: Roese. LVII. 1, LXXV. 1, LXXXVIII. 1. — Ze zijn echter allen van nagenoeg denzelfden tijd (1392 , 1393 en 1395); wellicht dwong toen de bizonder slechte toestand der stadsmuren , om van den regel af te wijken en ook „koerenquot; in steenen te doen betalen.

3) L. A. XCII. 11. — Roese. LI. 3. 4, - LXIII. 7, 10, 11, 12, — LXIV. 1.

4) L. A. III. 13, IX. 3.

5) L. A. LX II. 1.

6) Geheel analoog met „koerquot; is het woord „banquot;. „Bannusquot; heette de boete, betaald voor de overtreding van eene koninklijke verordening [niet van het volksrecht) of voor de ongehoorzaamheid aan het gebod of verbod van den rechter. (Zoepll, Deutsche Rechts-gesch. III p. 383.) Geheel hetzelfde dus voor het landrecht als de „koerenquot; voor het stadrecht. De tweede soort van ban (analoog met de „koeren van versmadenisse srechtsquot;, waarover later) komt in onze rechtsbronnen herhaaldelijk voor (het duidelijkst: R. v. U. II p. 232 § 3). geheel in denzelfden zin bij het schepenrecht als de „koerenquot; bij het raads recht. (Zie ook; L. A. III 18, IX 4.) De tegenstelling van koeren en broeken beantwoordt dus voor het stadrecht aan de oude onderscheiding van „bannusquot; en „fredum.quot; Het „fredumquot; {yxcdsibrcnk, evenzoo breuken) heette later „boete.quot; (Zoepll. 1. c. p. 382.) En ook in onze rechtsbronnen „verschijnenquot; den schout nog „banne ende boelen.quot; (Roese. CXLII. 5. — Sch. XIV. 37. — Over het onderscheid tusschen beiden zie: Roese

CXLII. 7.)

-ocr page 91-

7i

„koerquot; \'). liet woord „penequot; omvatte echter meer dan „koerquot;; liet werd ook gebruikt voor zaken, waarop hot woord „koerquot; om de een of andere reden minder goed paste, al was het gronddenkbeeld steeds hetzelfde. Zoo wordt ontburgering, verbanning en andere straffen, op de overtreding van een raadsbesluit gesteld, soms eene „penequot; genoemd 1), denkelijk omdat men onder „koerquot; bij voorkeur geldboeten verstond. Zoo heet ook „penequot; de boete, die staat op het niet aein-nemen van een arbitraal vonnis :1), op het niet nakomen eener gerechtelijk gedane betalingsbeiofte \'\'), op eene verwilkoering voor den raad. Natuurlijk kon ook hier van eene eigenlijke „koerquot; geen sprake zijn, want de straf had hior niet zijn ontstaan te danken aan ongehoorzaamheid aan een gebod van den raad, doch aan eene vrijwillig opgenomene verplichting r\').

In éen opzicht heb ik de definitie van „koerquot; te eng genomen. In onze rechtsbronnen komt alleen de ongehoorzaamheid aan bevelen van den raad of van de oudermannen voor; doch elk genootschap had het recht, aan zijne leden dergelijke bevelen te geven en tegen de overtreding daarvan straf te bedreigen. Zulke straffen heeten dan ook volkomen consequent „koerquot; of „penequot; 0).

Thans de „broeken.quot; Geheel anders is het beeld, dat wij ons uit de Utrechtsche rechtsbronnen van deze strafwaardige handelingen moeten vormen. Het verschil met de „koerenquot;

1

L. A. XCVIII. 5, — C. 1, — CXIV. 1. (Zelfs „pene ende koer als der stal boee houl.quot;) — L. H. XL. 2. (verbeurdverklaring.)

-ocr page 92-

7-\'

kuint lid duidelijkst uit iu do keur Roede bocck XXX l.i : „van denghenen, die yemant huysdc ofte hoefde, die van coereu ofte van broeken uter stat ware.quot; Iemand, zoo heet het daar, die oenen banneling wegens „coerenquot; herbergt, verbeurt i ic; doch de huisvesting van eencn banneling wegens „quaetheytquot; (elders „quaet feytquot;) komt iemand op niet minder dan 5 te staan. De conclusie ligt dus voor de hand: een „broekquot; was een zwaarder vergrijp dan een „koerquot; \'). Maéir de plaats leert ons meer: zij bewijst, dat het begrip van „broekenquot; identiek is met „quade feyten.quot; En inderdaad vinden wij deze opvatting, wanneer wij eenmaal den sleutel bezitten, op tal van plaatsen bevestigd \'1). De woorden „broekichquot; en „mis-dadichquot; worden herhaaldelijk als woorden van denzelfden zin gebruikt :i). Wij vinden, dat zware misdrijven, geweld ^ en doodslag r\'), „broekenquot; genoemd worden. Handelingen, Wciar-door de wettelijke gang van zaken wordt in gevaar gebracht (gewapend verzet tegen gerechtsdienaars n), inbreuk op de rechten van het stadsbestuur 2), spotten met de waardigheid van den raad a), beleedigingen van ambtenaren in functie quot;)), zijn allen mede „broekenquot;. In overeenstemming daarmede gebruiken de Utrcchtsche rechtsbronnen bij „broekenquot; gewoonlijk het woord „verbrekenquot; (nam. den vrede, de rechtsorde, van

1

Zie ook: Van de Water, Place. III p. 248 : „den rade bij te brengen alle quade daden .... ende die broeckigc corrigieren.quot;

2

R. v. U. II p. 240/1. (inbreuk op het recht van vangen.)

-ocr page 93-

73

daar het woord broeko of breuk), terwijl de overtreder van keuren meestal yezegd wordt „versumichquot; te zijn.

Schijnt dit nog niet overtuigend genoeg om het misdadig karakter der „broekenquot; te bewijzen, er zijn voorbeelden genoeg aan te geven, dat eene gewone „koerquot; door een bijkomend misdadig element tot een „broekquot; verheven wordt; zulke elementen zijn meestal: meineed \'), bedrog \'1), recidive :\'), en bij vechterij: verlamming of doodslag, de twee verzwarende omstandigheden, die aan „een vechteliequot; in de Utrechtsche rechtsboeken steeds een crimineel karakter geven \'). Ook bij de broeken wordt de ongehoorzaamheid („overhorichquot;) soms als rechtsgrond der straf genoemd; maar het is eene ongehoorzaamheid onder verzwarende omstandigheden: ongehoorzaamheid bij oproer \'\') of ongehoorzaamheid aan (of eigenlijk verzet tegen) het door de rechterlijke autoriteit gelegxle beslag fi). Het gevolg- is dan ook, dat er bij de broeken bijna altijd, hetzij bij de straf hetzij afzonderlijk, bepaald wordt, dat de schuldige bij klokluiding in hemd en broek voor den raad verschijnen en vergiffenis vragen zal 2); een ander gevolg is, dat de vaste term voor do uitgesprokene straf is „betering e voir zyne broeken ö).quot; „Beteringequot; is schadevergoeding: wat wordt „gebetert?quot; Wij vinden het antwoord in de rechtsboeken zeiven: men „betert den rade hare smaethcyt

Ten slotte nog een afdoend bewijs, dat onder „broekenquot; bepaaldelijk misdaden1quot;), geene politie-overtredingen verstaan

1

L. H. LXIV. i. Roese. CXXXVU. 4, CCLXXIV. 11, ■ CCLXXXIir. 8.

2

Nog iets sterker: L. A. CXIV. 4.

-ocr page 94-

74

worden. Gelijk bekend is, bestonden er in en om tie stad Utrecht verscheidene zoogenaamde dagelijksche gerechten, d. w. rechtbanken, tot wier competentie alleen de lagere rechtspraak, niet de berechting van misdaden behoorde. Is dus mijne definitie van „koerenquot; en „broekenquot; juist, dan moeten deze gerechten rechtspraak gehad hebben van „koerenniet van „broeken.quot; Welnu, dit is juist het geval. Wij zullen straks zien, dat steenboeten de eigenaardige vorm van boeten zijn, die op „broekenquot; werden toegepast. En in een raadsbesluit van 1435 vinden wij beslist, dat de dagelijksche gerechten als van ouds de veehtkeuren zullen mogen innen, die in hun gerecht verbeurd worden; de steenboeten echter „zal die stat alleen hebben natuurlijk als bezitster van het hooge

gerecht 2).

Het groote onderscheid, dat tusschen „koerenquot; en „broekenquot; bestond, bleek ook in de verschillende wijzen van rechtspraak en in de verschillende straffen, die bij beide categoriën van misdrijven in gebruik waren. Wij zullen straks zien, dat voor éen misdrijf zoowel koeren als broeken verbeurd konden worden; de raad bepaalde nu, dat in zulke gevallen de keurmeesters, die de keuren berechtten, do „bruekigequot; moesten aanbrengen aan „den raidc(n) gesett tot brueken :l)quot; Er was

Hij vervalt dan in twee soorten van boeten, die op veehterij en die op vredeweigering, en wordt tot zekerheid van de betaling daarvan gevangen gezet. Ten einde nn de beide soorten van boeten, die beiden „koerenquot; zijn, te onderscheiden, wordt de boete op het meest misdadige bedrijf „broekequot; genoemd.

1) Roese. CCIII. 1. — Men zal tegen mijne redeneering wellicht aanvoeren, dat hier toch blijkt, dat de bedoelde gerechten vonnissen wezen, waarbij steenboeten werden uitgesproken. Dit bezwaar geldt echter niet; want het zal straks blijken, dat voor één misdrijf soms zoowel keuren als steenboeten verbeurd werden, zoodat het niet wel mogelijk was de rechtspraak hier te splitsen. Dit zal aanleiding gegeven hebben tot het misbruik, dat de bedoelde gerechten ook de steenboeten, waarop zij geen recht hadden, inden.

2) Deze uiteenzetting van het onderscheid tusschen „koerenquot; en „broekenquot; komt geheel overeen met de definitie, die ik na het stellen daarvan vond in het glossarium van Frensdorff, Dortmunder Statuten: ^kor — Willkiir, Statut, auch die statutarische Strafe; broke — Rechtsverletzung, Strafe für die Rechtsvcrletzung; broekaftich — straffallig; beteren (sc. den broke) - für die Rechtsverletzung bïissen.quot; — Toch was de terminologie te Dortmund niet geheel dezelfde .als te Utrecht; immers op p. 114 van het aangehaalde werk (§ 22) lees ik, dat men iemand iets gebood „by eynen bruyke;quot; overtreders van het gebod waren verplicht „den broke to beterende.quot; Te Utrecht noemde men deze boete zeer bepaald een „koer.quot; De op de vorige bladzijde genoemde aanrandingen van het gezag van den magistraat werden daarentegen te Dortmund bestraft met „des stades hogheste kor.quot; (1. c. p. LXV, LXVI.)

3) Roese. CCV. 6. — Vgl. ook ; Roese. CLV. 3.

-ocr page 95-

75

derhalve voor de „broekenquot; eene afzonderlijke rechtspraak, die niet door do met de behandeling der „koerenquot; belaste personen mocht geoefend worden. Wie de personen waren, aan wie de berechting der „broekenquot; was opgedragen, blijkt ons uit een raadsvonnis van 1451 \'), waarbij iemand veroordeeld werd „uyt aenbrengen van de vivequot;, „voir zyne broeke tot bctering-c te geven 5000 steens 1).quot; Het was derhalve, zooals zich verwachten liet, het bekende college der vijven, aan wie de crimineelc rechtspraak was opgedragen, dio ook de „broekenquot; behandelden. Een nieuw bewijs voor hun crimineel karakter!

Ook de straffen voor de „broekenquot; waren andere dan de op „koerenquot; gestelde. In het algemeen verdient het opmerking, dat de straffen voor „broekenquot; meestal onbepaald en aan het goeddunken dos rechters waren overgelaten. Bij de „koerenquot; was dit nooit het geval de straf was daar altijd bepaald; het gold hier handelingen, die eerst door eene stedelijke wetsbepaling strafbaar werden gemaakt, en die wetsbepaling was steeds van eene bepaalde strafbedreiging vergezeld. Anders was het met de „broekenquot;: telkens komt de bepaling voor, dat de raad zulk een feit „scherpelicquot; of „zwaerlike rechtenquot; zal of zoo „dats hem een ander hoet,quot; — dat men „dat beteren zal tots raets ghoetdunckenquot; of „nadien dat men broekich ghevonden waer,quot; — dat „die stat die broeke hout aen hoer verclaringhequot; enz. Somtijds werd alleen een minimum door de rechtsboeken vastgesteld, waaronder de rechter niet gaan mocht Een en ander was het natuurlijk gevolg van het feit, dat de „broekenquot; hunne strafbaarheid niet, behoefden Ie ontleenon aan eene bepaalde wetsbepaling; immers het kon voorkomen, dat „broekenquot;, gestraft werden, „daer der stat boeke nyet of en houden r\').quot;

1

Zie ook: Raads dag. boek. Donred. na Dnrlicnd. 1522: „want die oude. vive een broeek hebben laiten dedingen enz.quot;

-ocr page 96-

7^

Overigens waren de slraffen, die op „broekenquot; werden toegepast, zeer verschillend, van de zwaarste af tot de lichtste toe: er waren zoowel broeken, „die ant lijf gingen \'),quot; als die „op geit te verboeren bescreven stonden 1).quot; Over deze geldboeten nog een enkel woord. Zij werden altijd uitgesproken in één bepaalden vorm: die van steenboeten. Met eene steenboete bedoelde men het opleggen van de levering- van steenen tot onderhoud der stadswal, eene levering, die trouwens gewoonlijk volgens tarief kon afgekocht worden. Dat deze vorm van boete speciaal aan de „broekenquot; eigen was, blijkt o. a. uit eene keur van 1444 2), waarin bepaald wordt, dat men, ten einde de muren te herstellen, „alle brueken tot makinge van roedetaill van mueren daerin sliten zal,quot; (d. i. dus: men zal de boeten voortaan niet meer bij 1000 of meer steenen, maar bij de roede muurvlak taxeeren) „elc na groet-heyt zynre broeken, gely\'c men tot haertoe acn steen gesleten heeftquot;; voor 1444 schijnen dus de boeten bij alle „broekenquot; in steenboeten bestaan te hebben. Niet ten onrechte verwijst onze keur naar de oude gewoonte; want reeds in 1390 was er sprake van „broekighen, die men op steen zet der stat te gheven,quot; en de bepalingen in de rechtsboeken, waar broeken met steenboeten gestraft worden, zijn ontelbaar.

Reeds uit het voorafgaande kan het blijken, dat hot woord „broek,quot; evenals het woord „koerquot;, zoowel het misdrijf als de daartegen bedreigde straf aanduidt r\'). Men verstond onder „broekenquot; in dezen zin bepaaldelijk de boetegelden, die „ter bcteringequot; van het misdrijf in plaats van of nevens de eigenlijke straf werden betaald.

1

Van de Water , Place. III p. 85. (art. 55.)

2

Roese. CCXL. 11.

-ocr page 97-

77

Over het geheel is de beteekenis van het woord „broekenquot; te Utrecht dezelfde als op het platte land van het Sticht. Wij kunnen als hulpmiddel voor het bepalen der beteekenis, die het woord „broekquot; op het platte land had, gebruiken twee hoofdstukken in onze rechtsboeken: een raadsbesluit en een verdrag tusschen bisschop en stad \'). Uit deze plaatsen zien wij, dat bij het landrecht „misdaetquot; en „broekequot; niet identiek waren; onder misdaden verstond men daar de zwaarste misdrijven \'1), de vroeger genoemde „openbare ondaden De tweede categorie vormen dan de „broekenquot;, die in het landrecht „gerechtquot; (gestraft) worden of „gebetertquot; (d. i. met „bruekenquot; geboet en gezoend), als wanneer alk; verdere aanklacht („aenticht endc ansprakequot;; natuurlijk verviel. De laagste categorie van misdrijven, de „koerenquot;, komt uit den aard der zaak in het landrecht niet voor; deze delicten behoorden voor do lagere rechtbanken \'\'), en konden bovendien op hot platte land den naam „koerenquot; niet dragen, daar het recht om keuren te maken alleen aan de besturen der grootere plaatsen toekwam.

De verdeelingquot; der misdrijven komt dus op het platte land in het Sticht geheel overeen met hetgeen ons bekend is over de in hot middeleeuwsche Duitschland algemeen aangenomener\'). Ook daar kende men reeds toen, evenals in het Sticht, de nog heden bestaande onderscheiding der misdrijven in misdaden, wanbedrijven en politie-overtredingen. Het eenige verschil met het Utrechtsche stadrecht (;) bestaat in de veranderde

1

L. H. XCII en Roese. CXXVII. Vgl. ook de „declaraciequot; der drie Staten bij: Van de Water, Place. III p. 277 N0. II 5 i. f. („andere broeeken.quot;)

-ocr page 98-

beteekenis van liet woord „broekquot;, waardoor men elders gewoonlijk nog iets anders aanduidt: de lichtste misdrijven, die in de steden „koerenquot; heeten \'). Dit onderscheid is wel is waar slechts een verschil in woorden; doch het is van groot belang-, het te kennen, omdat men zonder die kennis gevaar loopt, de Utrechtsche rechtsboeken telkens verkeerd te verstaan.

Ten slotte moet ik nog opmerken, dat de te Utrecht oorspronkelijk zéér bepaalde beteekenis der woorden „broekenquot; e.i „koerenquot; later, toen beide soorten van misdrijven een ge-ruimen tijd door den raad berecht waren, en dus het onderscheid tusschen beiden minder in het oog vallend was geworden, allengs begon te verloopen. In stukken uit de 15° eeuw treft men (en dit juist maakt het onderzoek naar de oorspronkelijke beteekenis zoo moeiclijk) de beide woorden dikwijls dooreen of verkeerd gebruikt aan, en sedert Karei V, wiens regeling in vele opzichten juist de eigenaardigheden van het Utrechtsche stadrecht te niet deed, heeft de onderscheiding geheel geen zin meer. Sedert is van het onderscheid alleen een spoor overgebleven in het gebruik der tautologie „breuken endc keuren,quot; die nog in de i7lt;; eeuw, toen men do woorden niet meer verstond, telkens voorkomt \'2).

LXVIII, XLVI, in: N. bijdr. v. rechtsgel. N. R. IV p. 373,367.) De toestand schijnt met dien te Utrecht overeen te komen. Zeker was dit het geval te Hasselt in Overijssel, waar men „kuerenquot; had, „weerby yemende geboden weer,quot; „kuerbairen woerdenquot; en andere „klierenquot;, die met acht dagen subsidiaire gevangenisstraf geboet werden. terwijl de „broekenquot; „mit rechte verlorenquot; werden en bij vlucht met inbeslagneming der goederen geboet werden. (Stadsr. v. Hasselt, p. 64, 65.) Ook elders vindt men in stadsrechten de tegenstelling „broekenquot; en „koeren.quot; Zoo heet het stadrecht van Sneek: „Statuta urbis Snecae, bevattende die ordonnantiën der rechtskoren ende broken van der stadtquot; (Telting, Oudfr. stadr. p. 17), — dat van Goor: „Dit synt de wylkoer ende broeke der stad van Goer.quot; Of de beteekenis dier woorden daar dezelfde was als te Utrecht, is mij onbekend.

1) Ook in Holland was dit het geval. (Zie: J. Mathijsen, Rechtsboek v. Den Briel. p. 89: „tsheren broken, als van vechtelic.quot;) — Bakhuizen v. d. Brink (Piscatio. p. 76) definiöert breuken als „wanbedrijvenquot;; volkomen juist: immers de zwaarste misdrijven heeten eigenlijk „ondaden.quot; (Vgl. ook: V. d. Water, Place. III p. 277 N0. II 5 ?. : ^andere broecken.quot;)

2) b. v. R. v. U. II p. 313 art. 31. („boeten ende breucken roerende kueren van der stadt.quot;) — 1. c. II p. 395 art. 1, 2, 3 en 4 wordt dezelfde geldstraf beurtelings keur boete en brueeke genoemd. — 1. c. II p. 374 art. 2. („boeten, brueeken of peynen.quot;) — 1. c. II p. 358 art. 2, 366 art. 21, waar de keur op het niet-verschijnen voor het gerecht beurtelings „boetequot; en „peynequot; heet. — Zie ook b. v. de Ordonn. op den Deputaten-schouw dd. 28 Mei 1598 art. 32 (V. d. Water, Place. II p. 203): „keuren ende breucken.quot; „Koerenquot; heetten later ook wel „boeten,quot; b. v. Grim. sent. boek 6 Nov. 1550: „vechtboetquot; en „vechtkore.quot; (Trouwens reeds in 1414: Roese. CXXXII1. 1, 10, 12, 16 heeten de koeren „boeten.quot;)

-ocr page 99-

79

§ 5\' UITBREIDING DER CRIMINEELE RECHTSPRAAK VAN DEN RAAI).

Na bovenstaande uitvoerige uiteenzetting* zal hetgeen ik verder over deze zaak te zeggen heb voor don lezer geene verrassing meer bevatten. Boven \') zeide ik, dat de raad allerwaarschijnlijkst reeds lang voor 1300 rechtte van „koerenquot;, en sedert 1300 van alle „broekenquot;, die het gevolg waren van vredebraak. Het ligt voor de hand te vermoeden, dat de raad eenmaal de lacune tusschen beide competentiën zou trachten aan te vullen en aan de schepenbank ook do berechting van de „broekenquot;, die zonder voorafgaand vredogeven of verwil-koeren gepleegd werden, zou ontnemen. Werkelijk is dit geschied; er rest ons thans nog slechts te onderzoeken, wanneer de raad dezen gewichtigen stap deed. Het spreekt wel van zelf, dat hiervoor geen bepaald jaar kan aangegeven worden; dergelijke usurpatiën hebben niet op eenmaal plaats, doch langzamerhand. Maar toch kunnen wij den tijd uit onze rechtsboeken met groote waarschijnlijkheid on vrij nauwkeurig bepalen.

Ik zeide boven \'-) te meenen, dat bisschop Guy Van Avesnes, die klaagde over het straffen van diefstal en valschheid door den raad „buten der herlikehedequot;, daarmede waarschijnlijk misdrijven bedoelde, lt;lio door eene voorafgaande verwilkoe-ring tot \'s raads competentie gebracht waren. Ik bewees de mogelijkheid daarvan door er op te wijzen, dat wilkoeren voor deze en andere misdrijven herhaaldelijk in het oudste stedelijke register (waarin do oudste datum 1315 is) voorkomen. Doch mijn hoofdgrond voor deze bewering was hot feit, dat het berechten van „broekenquot; door den raad in het l.iber albus (dat van 1340 dagteekent) nog onbekend is. In het g-eheclo boek (de later ingeschrevene gedeelten, die tot 1379 gaan, niet medegerekend) komt het woord „broekquot; zelfs nog-nauwelijks voor. Ik herinner mij slechts vier plaatsen, waar dit het geval is, en (wat zéér merkwaardig is) de eerste daarvan (L. A. XXXVI. 1) belast dc schepenbank met de berechting van de „broeken.quot; De tweede plaats (L. A. LXI. 1) draagt

1) Zie hiervoor p. 67.

2) Zie hiervoor p. 63.

-ocr page 100-

8 o

werkelijk de bepaling van de grootheid der „beteringequot; aan de „statquot; (d. i. den raad) op; doch dit kan ons bezwaarlijk verwonderen: immers het geldt hier een geval, dat iemand „broekichquot; is tegen de stad zelve: de stad was hier dus partij, en het is niet al te vreemd, dat zij zelve bij „segghenquot; (eene arbitrale uitspraak) bepaalt, op welke voorwaarden zij haren burger weder in genade wil aannemen. De beide andere vermeldingen van „broekenquot; komen voor in de later bijgevoegde artikelen der vredekeur van 1300. (L. A. XCII. 15, 17.) Wij zagen boven \') reeds, dat in het laatste dezer gevallen „broekquot; schijnt te staan voor „koerquot;; het andere artikel is echter de bezwaarlijkste der vier plaatsen. Het geval wordt daar behandeld, dat een magistraats-persoon bij het vredebieden door een der wederspannigen gewond wordt; „vint do raet ter waer-lieytquot;, dat dit zonder opzet geschied is, dan „hout de stat de broeke aen hoer verclaringhequot;; de raad bepaalt hier dus uitdrukkelijk de grootte der boete („broekquot;). Ik weet deze anomalie slechts op twee wijzen te verklaren: in de eerste plaats wordt er niet gezegd, dat de vrede geweigerd is, zoodat hot geval van vredebraak kan bedoeld zijn, wanneer de raad natuurlijk competent was; in de tweede plaats geldt het ook hier een geval, waarin de stad zelve in den persoon van haar raadslid beleedigde partij was en waar zij derhalve zeker recht had, de voorwaarden van den zoen te bepalen.

Komt het woord „broekquot; derhalve in het Libcr albus niet voor in zoo duidelijk verband, dat men recht heeft, daaruit te besluiten tot het berechten van „broekenquot; als zoodanig (niet als vredebraak) door den raad, er zijn enkele plaatsen in het rechtsboek, waar, zonder dat het woord ,,broekquot; genoemd wordt, van het straffen van misdrijven door den raad wordt gesproken op eene wijze, die aan het feit geen twijfel laat. Het zijn de artikelen: 1-iber albus. Hl. 34 en XXX. 1—4. Ik geloof echter, dat wij ook hier bepalingen voor ons hebben, die op vredebraak zien en waar derhalve de raad als rechter krachtens den stadvrede optrad. Het eerste geval stelt eene keur van 5 ® op het weigeren van bijstand, „wanneer de borghermeysters ende de overste oudermanne aenspreken scepene of raetmanne oft oudermanne mede te gaen om enen

1) Zie hiervoor p. 73 Nrool 10

-ocr page 101-

«I

misdadighen man te vaenquot; Het vangen der misdadigers was te Utrecht steeds hot werk van de stadsknapen; bij ecne eenigszins uitgebreide crimineele jurisdictie konden do vier oversten zich dan ook natuurlijk niet met zulk werk belasten. Gold het echter hier een geval van vredebraak, dan schijnt hun optreden, bijgestaan door een of meer raadsleden, zeer gepast; immers het vredebieden was juist aan deze zelfde personen opgedragen. Niet anders schijnt het gelegen met het tweede geval. (L. A. XXX.) De artikelen bepalen zeer duidelijk, dat bij doodslag op een burger door een medeburger rfr raad de zaak zal onderzoeken, en dat zoowel de hoofdschuldige als de mededaders zullen veroordeeld worden ter dood of (bij ontvluchting) tot eeuwige ballingschap. Dat ook hier het geval van vredebraak bedoeld is, wordt zeer waarschijnlijk, wanneer men overweegt, dat deze bepalingen overgenomen zijn uit het privilegie van bisschop Guy van 1305 \'), dat, knrt na de vredekeur uitgevaardigd, deze implicite bevestigde.

In 1340 schijnt derhalve do raad hot nog niet tot eono zelfstandige jurisdictie in criminalibus g-ebracht te hebben. Doch kort daarna deed hij den beslissondon stap. Het heeft allen schijn, of de raad geaarzeld heeft. Immers voordat hij deze directe inbreuk op do rechten van den schout waagde, deed hij eonen zijstap. Toen do raad in 1363 besloot, om tegen eene categorie van „broekighenquot;, wier misdrijf met vredebraak niets te maken had, de doodstraf te bedreigen, was dit niet eene inbreuk op den rechtsban van den schout, maar op dien van den officiaal.

De officiaal, de door don bisschop aangestelde rechter van do geestelijke rechtbank (of Hof, Curia Traiectensis) had behalve zijne andore bevoegdheden ook zekere rechtspraak in strafzaken. Tot deze zaken behoorden alle overtredingen op hol gebied, dat volgens do heerschendo rechtsbegrippen tot hot geestelijke recht behoorden 1). In de eerste plaats allo zaken,

1

Natuurlijk ook alle overtredingen van geestelijken. Reeds in 1323 stond bisschop Jan Van Diest aan graaf Willem fll van Henegouwen-Hol In ml ton, dat zijne baljuwen en schouten in Holland en Zeeland de misdadige geestelijkon zouden vangen en aan do offlcinlon uitleveren. (Van Mieris, Charter!). II p. 321.)

-ocr page 102-

82

die het huwelijk betroffen; het huwelijk was een sacrament, eene zuiver kerkelijke instelling; derhalve moest overspel, bigamie enz. als overtreding van een kerkelijk voorschrift door den geestelijken rechter gestraft worden. In de tweede plaats woeker; het nemen van rente was door de Katholieke kerk verboden: woekeraars waren dus strafbaar voor het geestelijke gerecht. Ook mishandeling van geestelijken werd, begrijpelijk genoeg, door de kerk strafbaar gesteld. Eindelijk nog een misdrijf, dat volgens onze begrippen nauwelijks een misdrijf is, en zeer zeker geen kerkelijk misdrijf: „voercoopquot;, d. i. koop met gebruikmaking van voordcelen, waarvan anderen uitgesloten zijn \'), bepaaldelijk opkoopen van waren op de markt door détailhandelaars, voordat de burgerij in de gelegenheid geweest is, zelve haren voorraad tot eigen gebruik in te slaan1).

Voorzeker was cr in het berechten van deze onderwerpen door eene geestelijke rechtbank veel, wat vooral de bestuurders eener handelsstad tot het inbreuk maken op des officiaals rechtspraak kon verleiden. Streng\'e handhaving van het renteverbod was in die plaatsen volstrekt ondoenlijk; de „voercoop viel geheel onder de van ouds aan den raad behoorende markt-politie, en ook vergrijpen tegen de zeden werden in de meeste steden door de keuren verboden. De officiaal was geen persoon, dien het stedelijk bestuur van Utrecht bizonder ontzag: men toonde dit in 1368 door het besluit over de remissio libelli, waarover later. En zoo kan het ons dus niet bevreemden, dat de raad in 1363 een omvangrijk besluit nam, waarbij tegen kwaadwillige verlating, bigamie en het „aensterken van trouwequot; (beweren van een geheim huwelijk met iemand) verbanning, doodstraf en geldboete bedreigd werd ^). Eenmaal zoover gekomen, ging men verder: in 1370 volgde eene keur ),

1

De hier genoemde vier misdrijven komen gezamenlijk als behoorende tot het geestelijke gereeht o. a. voor in de klacht van bisschop Fred. v. Blankenheim, in; Divers. 1\'rid. de BI. prim. fr. 82 vlg. (Prov. arch.)

-ocr page 103-

«3

die woeker en handelszaken, v/aarbij in bedekten vorm rentebetaling bedongen werd, met verlies van het uitgezette kapitaal strafte. De „voercoopquot;, die reeds door het Liber albus \') in bepaalde gevallen strafbaar gesteld was, werd in 1391 1) verboden bij eene keur, die den voorkoop van allerlei wildbraad in alle bizonderheden verbood en strafbaar stelde met verbanning, geldboete en verlies van het recht om te verkoopen. Eindelijk volg\'de in 1399 eene keur, die tegen overspel verbanning en gevangenisstraf bedreigde :t).

Zoo was dus nagenoeg het geheele strafrechtelijke gebied van den officiaal veroverd \'\'\'). De aanmatiging bleef wel niet onopgemerkt, maar de raad handhaafde toch zijne keuren. En reeds voordat het tot klachten daarover gekomen was, werd ook eene inbreuk op de bevoegdheid van den schout gedaan door eene keur, die (1365) verbanning en geldboete bedreigde tegen omkooping r\'). Dit misdrijf had met vredebraak niets te maken en viel ongetwijfeld onder dé jurisdictie van den schout; de raad erkende dit zelf door de behandeling van de overtredingen dezer keur aan de vijven op te dragen, terwijl voor de berechting der zoo even genoemde misdrijven speciale commissiën waren ingesteld.

Nu ging het met groote schreden voorwaarts: het Liber hirsutus minor bevat keuren van 1366, 1371, 1373, 1377, 1378, 1382 en 1387 (in welke laatste de stadsknapen, in tegenstelling mot Liber albus III 34, optreden als „vanghersquot; der misdadigers); — het Liber albus eene keur van 1379 (die zelfs uitvoerige bepalingen maakt over de competentie van den raad in zake „broekenquot;); Die Roese keuren van\' 1369, 1371, 1391, 1393 en later; — tRoede boeck eindelijk eene van 1381, eene ongedagteekende en nog eene van 1413, die des ,,raets bruekenquot; zoozeer eene vaste bron van inkomsten voor de stad rekent, dat zij ze onder „der stat goedenquot; opneemt (l).

1

Roese, LI.

-ocr page 104-

«4

[k meen op grond van al het voorgaande te mogen besluiten, dat de berechting van misdrijven („broekenquot;) door den raad zonder voorafgaand vredegeven of verwilkoeren waarschijnlijk dagteekent van de jaren 1360-1370 \'), — dat het sedert 1363 (13Ó5) bewijsbaar zeker is, —- en dat vóór 1400 die jurisdictie geheel gevestigd was.

Voordat ik van de berechting dor „broekenquot; door den raad afstap, wensch ik nog één punt toe te lichten, zoowel omdat het eene nieuwe usurpatie van den raad bevat, als omdat het een arg\'ument tegen mijne boven ontwikkelde stellingen over het begrip van „koerenquot; en „broeken\' schijnt te leveren: ik bedoel de bedreiging van „broekenquot; tegen de overtreders van „koeren.quot;

De middeleeuwsche strafrechtspleging bracht (althans te Utrecht) mede, dat de straf voor eene misdaad in den regel tweeledig was Men onderging de straf, die voor het misdrijf uitgesproken was („correxyquot;) en betaalde bovendien eene boete „ter beteringe voir zijn broeken.quot; Deze boete bestond geregeld in het aan de stad leveren van eenige duizenden steenen voor de stadsmuren. Alleen bij de doodstraf was de geldboete uitgesloten.

Deze eigenaardige regeling gaf, nadat de berechting van „broekenquot; door den raad eenmaal gevestigd was, aanleiding-tot het nemen van een maatregel, die zeer dienstig was om de stedelijke inkomsten te vermeerderen, doch de tot dusverre te Utrecht geldende rechtsbegrippen op bedenkelijke wijze

zien, dat in 1372 de schepenbank nog nu en dan zonder s raads tussehenkomst in crim\'inalibus oordeelde. L. H. XLV. 1 bepaalt, dat men eenen door de schepenbank veroordeelden „ondadighen manquot; geene gratie zal geven. Deze keur is R.b. XXII. 1 onder één hoofdstuk gebracht met de nagenoeg gelijktijdige van L. A. CXX1I. 6, waarbij inbreuken van den raad op de jurisdictie der schepenbank werden verboden. Het was derhalve de raad, die de gewraakte gratie verleende. Nu is het ondenkbaar, dat de raad dit zou gedaan hebben , wanneer het doodvonnis der schepenbank geveld was na verwijzing der zaak aan haar door den raad. (Zie daarover hierna; Hoofdst, IV § 6.) Wij \' hebben dus hier te denken aan gevallen, dat de schepenbank de berechting van „ondaetquot; aan zich had gehouden, terwijl de raad dan (wellicht om hieraan een einde te maken) den veroordeelden gratie verleende.

1) Daarmede stemt overeen, dat wij nog in 1346 (L. A. CXVIII. i) en 1379 (L. A. CXXII) vernemen van verzet tegen het raadsreeht. Vgl. ook L. A. XLVI. t , dat straf bedreigt tegen personen, „de hem enigherhande stneken onderdaden, do dien raed van der sint bestaen te berechten.quot;

2) Privil. ende stat. S? t pr. (R. v. U. II p. 433*)

-ocr page 105-

«5

verkrachtte. De raad overwoog naar het schijnt, dat verschillende handelingen, waartegen „koerenquot; bedreigd waren („politie-overtredingenquot; zouden wij thans zeg-gen), van dien aard waren, dat men zonder bezwaar de straf eenigszins verzwaren kon. En inderdaad, de opmerking had allen grond. Eene mid-deleeuwsche vechterij (de type eener Utrechtsche „koerquot;, waarop de toepassing van den bovenbedoelden maatregel vóór alles van belang was) was werkelijk een feit, dat de grens van misdaad naderde, zoo niet overschreed. Bedenkt men, dat onder „vechtelicquot; begrepen was het toebrengen van wonden, die „naghels lang ende knoekels diepquot; waren , het ten bloede toe slaan met vuisten, het gewapend dringen in huizen enz., en dat alleen verlamming of doodslag een dergelijk feit tot misdaad verhief, dan is er alle reden, om den magistraat toe te stemmen, dat eene geldboete van een paar pond voor zulk een bedrijf te lichte straf was. Doch de raad deed niet wat men had mogen verwachten. Aanvankelijk bedreigde hij nevens de boete eene straf; later verzwaarde hij de boete, en wel op eene wijze, die juridisch niet te verdedigen schijnt: niet de „koerquot; werd verhoogd, maar eene „broekquot; werd aan de „koerquot; toogevoeg\'d.

Het eerste geval van dien aard komt reeds voor in 1366, toen de raad de oude boete van 1 ïf op het klimmen over don stadsmuur cf het varen over den stadshoom \') veranderde in 10 W (in hemd en broek voor de klok te brengen, de gewone straf bij „broekenquot;), en bovendien verbanning bedreigde van een jaar, terwijl recidive arbitrair gestraft zou worden -). Aanvankelijk bleef dit geval geïsoleerd, doch in 13-80 nam men een besluit van veel verdere strekking: het bedreigen van „broekenquot; bij de vechtkoercn, —- een maatregel, die eene bron van rijke inkomsten voor de stad beloofde te zullen zijn: immers vechterij kwam dagelijks voor. Wij vinden de hiertoe betrekkelijke keur in het Liber hirsutus minor. (LXXXVJII.)

1) L. A. LIV. 1.

2) L. A. C.i. Van denzelfden aard schijnt ook de bepaling van het vorige jaar (ïBós) tegen de burgers, die weigeren naar huis te gaan „alst ghevreet ware.quot; Op dit feit zette L. A. Ill 22 drie koeren van 5 \'if; L. A. XCVIII. 2 bepaalde ecliter, dat de r.iad bovendien „hoer lude daertoe zetten zei, die dat uutgaen zeilen.quot; Wat dit beteekent, blijkt duidelijk uit L. A. XCIl. 5. — Geheel analoog is ook de bepaling van hetSeepen-vecht, die tegen onrechtmatige pandwering behalve de boeten bedreigt 5000 steenen, te verdeden tusschen de schepenen en de gilden. (R. v. U. II p. 236 15.)

-ocr page 106-

86

Op slaan, mes trekken en dergelijke vergrijpen werd behalve de koeren van het Liber albus gevangenisstraf van acht dagen gezet; bij verwonding groeide de gevangenisstraf aan tot ecne maand en moest de schuldige bovendien, behalve de „koerenquot;, „broekenquot; betalen, wier bedrag niet bepaald wordt. Eenigszins anders vinden wij hetzelfde denkbeeld uitgewerkt in ecne keur van 1435 \'), waar bepaald wordt, dat de vechtkeurcn op hun vroeger bedrag zullen blijven staan, doch dat de „aenvechterquot; daarenboven 5000 steenen zal geven „te beteringe voer zijn brueken.quot; Bij vechterij in de nabijheid van het stadhuis worden zoowel de „koerenquot; als deze „broekenquot; verdubbeld, en werd de „aenvechterquot; bovendien met gevangenis gestraft, natuurlijk om het oproerig karakter zijner daad. De meerdere strafbaarheid van den aanrander wordt hier dus bepaald als rechtsgrond aangegeven voor het bedreigen van „broeken.quot; Deze regeling is de „nywe maniere van den vechtkoeren 1)quot;; de keur zelf heet de „nye vechtkoeren :l)quot; of de „nywe koeren ende broiken op die vechtkoeren namen, die duidelijk bewijzen, dat

deze wijze van strafbaarstelling der bekeurde zaken iets vreemds en tot dusverre onbekends was. Eerst van dien tijd dagtee-kenen dan ook de bijvoegingen in de rechtsboeken, dat idle

1

Roese. XLVIII. 1. — Zoo heetten de keuren (wetsbepalingen); de boeten heetten „die vechtkoeren mitten steen.quot; (V. d. Water, Place. III p. 87 art. 9.)

-ocr page 107-

«7

inwoners der stad gehouden zijn aan de „koeren ende broeken

De invoering van „broekenquot; bij de vechtkcuren was de gewichtigste stap op dezen juridisch onlogischen weg; doch hij bleef niet de eenige. Nog in veel latere tijden vinden wij telkens dergelijke bepalingen voor andere overtredingen gquot;e-maakt. Zoo worden de keuren van Liber albus LXXXIX. 8, 10 (op het handelen van visschers voor gezamenlijke rekening) omstreeks 1401 verdubbeld, terwijl bovendien tegen de overtreders der verbodsbepalingen gevangenisstraf van acht dagen en blootshoofds vergiffenis bidden werd geëischt 1). In 1414 geschiedde hetzelfde in de keur op de „draperye :1),quot; waar verzet tegen de vinders, die het laken wilden „bezien,quot; gestraft wordt met 10 of 3 « en „beteringe bi den radequot; (in een geval bovendien met verbod om een jaar lang het bedrijf te oefenen). Nog in 1454 wordt den stadskameraar verboden deel aan de accijnsen te hebben, op straffe van eene „koerquot; van 50 oude schilden en „beteringe van die broke tot des raets goet-duncken quot;).quot;

Eerst uit deze uiteenzetting laat het zich verklaren, hoe men kon zeggen, dat iemand „broikaftich wert in koeren of andersr\'),quot; — eene uitdrukking, die op het eerste gezicht eene contradictio in terminis schijnt te bevatten.

Met behoeft geen betoog, dat het insmokkelen dezer „broekenquot; bij het raadsrecht eene nieuwe inbreuk was op de rechten des bisschops. De raad was zich daarvan wel bewust. Immers de keur van 1380, die het eerst de „broekenquot; bij de vecht-keuren invoerde, is in het Roede boeck in één hoofdstuk ver-

1

Roese. CXV. 1.

-ocr page 108-

88

eonigd \') met die, waarbij de vechtkemen toegepast werden op vechterij van twee buitenlieden in de stad, mede cene usurpatie, waarover de bisschop klaagde als ecne inbreuk op zijn recht.

§ 6. OORSPRONG DER RECHTSPRAAK VAN DEN RAAD IN CIVILE ZAKEN.

Wij hebben thans de ontwikkeling van \'s raads crimineele rechtspraak gadegeslagen, en gezien, dat deze jurisdictie in den loop der 14° eeuw zich geheel gevestigd had. Doch dit was niet alles: ook in andere opzichten werd de bevoegdheid /- der schepenbank door den raad belangrijk besnoeid. Wij hooren op liet einde der 14° en in het begin der 15° eeuw de bisschoppen herhaaldelijk klagen, dat de raadsleden „meniger-hande zaken te berechten aennemen, die ten rechte horenquot;; bepaaldelijk wordt daarbij vermeld het berechten „van schaede ende van schoutquot; (d. i. van de personeele rechtsvorderingen), dat in den gildenbrief van 1304 tot de bevoegdheid der schepenbank gebracht was \'1). Wij vernemen deze klacht het eerst in 1379 ^), toen cr besloten werd, „dat men alle zaken, die ten rechte horen, ten rechte wizen zei, ende dat die raet hem dier nyet en bewiinden zei,quot; — eene bepaling, die in dien tijd (ook blijkens de voorafgaande artikelen) niet meer op de crimineele Zeiken kon slaan. Bisschop Frederik Van Blankenheim herhaalde de klacht \'\'), en later komen hierop betrekkelijke bepalingen nog dikwijls voor. Het middel, dat de raad gebruikte om zich ook deze rechtspraak te verzekeren, was hoogst eenvoudig en in den grond niet verschillend van de wijze, waarop zij de crimineele jurisdictie veroverd had: de klachten betreffen allen het „dwingen tot enen gheblive acn den rade fl).quot;

1

Van de Water, Place. Ill p. 68.

-ocr page 109-

8y

Reeds in de oudste Raads dagelijksche boeken treffen wij verscheidene raaien korte aanteekeningen aan van dezen inhoud: „A ende B ziins au den rade ghebleven van enz.quot;, d. w. z.; A en B hebben de beslissing van hun geschil (dat blijkens de uitspraak civile zaken betrof) aan den raad als arbiter opgedragen \'). Over de redenen van zulk eene handeling kunnen wij slechts gissingen maken: het kan zijn, dat men bepaald hechtte aan de uitspraak van den raad, mogelijk is het ook, dat men boven de aan strenge regelen ge-bondene rechtspraak der schepenbank de voorkeur gaf aan een arbitrage, die meer gelegenheid bood om naar billijkheid en naar omstandigheden te oordeelen \'2). Hoe dit zij, het feit staat vast, dat het optreden van den raad als arbiter in civile zaken niet zeldzaam was. De behandeling der opge-dragene zaak door dit college was hoogst eenvoudig: de raad

1) Ook in crimineele zakon „bleefquot; men soms de zaken aan den raad. Zie b. v. het Raads dag. boek van 1446: Manend, na Galli. „A. ansprakere ende B., angesprokene sijns gebleven an den rade van den gewelde , dat 13, aen A. gedaen sonde hebben enz.quot; — Vrid. in erast. Cone. Marie; „A. anspreker ende B. angesprokene sijns gebleven an den rade van dieverien merende.quot; — Vrid. in erast. Geertr.: „A. anspreker ende B. angesprokene sijn hoere zaken gebleven an den rade van gewelde, dat B. hem gedaen sonde hebbenquot; enz. enz. — Toen in 1462 besloten was, „dat men van deser tijt voirt nyemant dwingen sel tot eenighen ghebliven voir den raidequot; (Van de Water, Plaee. Ill p. 87), „verclaerdequot; men dit in 1464 aldus: „dat men in saken van sraits bewijnde wesende, nyemant eniehs ghebliifs vergen en selquot;. (1. e. III p. 88.) De „saken van sraits bewijnde,quot; allen crimineele zaken, worden daarna opgesomd. De bedoeling is waarsehijnlijk, dat men niemand dwingen zou om de zaak te schikken („dedinghenquot;), zooals dikwijls door tusschenkomst van den rechter geschiedde. Zie over de zeer uitgebreide arbitrale rechtspraak door de gerechten in criminalibus; Zoepü, Deutsche Rechtsgesch. III. p. 436.

2) Een andere vorm van zulk een „ghebliifquot; vinden wij in het Raads dag. bock van Donderd. na Petri ad vine. 1407: A. en B. komen voor den raad „ende belieden, loefden ende wilkoerden te houden ende te voldoen al alsule gescheit ende seggen als C. D. ende E. (also dat aen hem drien bi eenre penen gebleven ende bcloeft was) gheseyt hebben tusschen den pertien voerseyt. Alse een cedele in fransijn gescreven , besegeit mitsegelen der drier seggers voirseyt (alse sy voer onsen ract bekenden), inhout ende begrepen heeft, die voer onsen rade gelesen wart, sprekende van woerde te woerde alse hierna bescreven staet.quot; (Volgt het vonnis.) Hier deden dus partikulieren de uitspraak; met de inschrijving in het raadsboek schijnt niet anders bedoeld te kunnen zijn dan dat de raad voor de uitvoering van het vonnis zou waken en gevolgelijk ook de boete bij overtreding zou innen. — Verder nog gaat een raadsbesluit van Woensd. na Lebuini 1462111 een dergelijk geval. A. en B. hadden een geschil over den koop van het huis Capenborch „gheblevenquot; aan vier „zeegers,quot; die „tgheblijfquot; hadden „aengenomen,quot; doch later „twydrachtichquot; waren geworden. De raad „sleetquot; nu, dat de zeggers de uitspraak binnen 14 dagen „uutzecgenquot; of de zaak „uut* hoeren \'handen zettenquot; zouden , of gevangen zouden gaan tot i\\} het eens waren, op boete van 1 daags. ^Endc binnen deser tijt,quot; vervolgde het vonnis, „zcl men- voer den scepencn ghene rechtvar der ing laten qheschicn van den huze voerseyt, daervan tgheblijf rucrt,quot;

-ocr page 110-

CjO

„sctte daertoequot; of „schicte daerbyquot; twee zijner leden, die de zaak onderzochten en hunne uitspraak weder „aenbrachtenquot; aan den raad, die ze met zijn gezag bekrachtigde \').

Wij kunnen in het Raads dagelijksche boek de sporen van deze gewoonte niet vroeger vervolg-en dan tot 1402, omdat de oudere raadsboeken verloren zijn. Doch onze rechtsboeken komen ons hier weder te hulp en bewijzen, dat de zaak veel ouder is: reeds in eene keur, die dadelijk in het Liber albus opgenomen werd en dus minstens van 1340 dagteekent (LXXXIIL 7), vinden wij bepaald, dat geschillen tusschen den sijsmeyster en de belastingschuldigen zouden „gheblevonquot; worden aan den raad. En deze zelfde keur doet ons vermoeden, dat zelfs in 1340 het „bliven an den raetquot; eene oude gewoonte was; immers het gebruik was toen reeds in een misbruik ontaard: het „blivenquot; was niet meer eene vrijwillige daad.

Zoolang partijen bij onderlinge overeenkomst hunne zaken aan den raad ter beslissing opdroegen, had de zaak niets bevreemdends, en bisschop noch schout kon er eenige gegronde aanmerking op maken. Doch langzamerhand veranderde de toestand. Reeds dadelijk mocht het bedenkelijk heeten, dat de zaken aan den raad werden opgedragen „bi eenre penen.quot; Zeker, het was wenschelijk, dat er op het niet nakomen van het gewezene vonnis eene straf gesteld werd; maar wanneer men overweegt, dat, terwijl partijen zich verbonden, „des raets seggen te houden bi een peen van XX oude scildenquot; \'1), er soms voor de betaling dier „peenquot; borgen aan den raad gesteld werden, en dat derhalve deze geldboeten bepaaldelijk door den raad geïnd werden *), dan gevoelt men, dat de grens tusschen zulk eene arbitrage en gewone rechtspraak bijna onmerkbaar wordt. En er was meer en erger. Men leest van personen, die voor den raad „lovenquot;, eene zaak te zullen ,,bliven bi den rade van der statquot; \'); verder dat A en B elk „bi II oude scildequot;

1

Raads dag. boek. Vridaeh na Zinte Gheerdendaeh 1404.\'(fol. LXXIV.)

-ocr page 111-

9i

zich voor den raad verbonden hebben, „malcandren te voldoen bi den rade van der statquot; \'). Een en ander wekt reeds hot vermoeden , dat deze personen niet geheel uit eigene beweging de hulp van den raad hebben ingeroepen. Doch dit behoeft geen vermoeden te blijven: men vindt aangeteekend, dat de raad „overdraechtdat A en B hun geschil „bliven zeilen an den rade,quot; nog- wel „in brieven ofte buten brievenquot; -); derhalve: de raad besloot, beval, dat partijen hem als arbiter erkennen, en van die erkenning zelfs eene acte opmaken moesten. Natuurlijk was dit geen bevel, dat men kon in den wind slaan, en het kan ons dus niet meer verwonderen, wanneer wij bij eene andere dergelijke „overdrachtquot; geboekt vinden, dat men, „waert dat hijs nyet doen en woudequot;, beslag zou leggen op het door den ongehoorzame uit de stad naar elders te verzenden g\'oed, „ter tijt toe dat hijs blijft also voerscreven is Ziedaar dus de usurpatie voltooid: het „dwingen tot enen gheblive,quot; waarover de bisschoppen klagen, is een feit.

Tot nog toe behandelde ik echter slechts geïsoleerde gevallen. Zij komen op bijna elke bladzijde der oudste Raads dagelijksche boeken voor. Doch hoe talrijk ook, uit den aard der zaak werd den bisschop veel meer nadeel toegebracht, wanneer het geheelo catcgoriën van zaken gold. En dergelijke categoriën zijn aan te wijzen. Boven sprak ik reeds van de twisten tusschen sijsmeyster en belastingschuldigen. Het geval heeft eenige verontschuldiging in het feit, dat het hier een huishoudelijk belang der stad gold: de stad Utrecht heeft altijd het recht, om in belastingzaken te oordeelcn, voor zich geëischt. Ernstiger was het geval, waarvan eene keur van omstreeks 1381 spreekt \'\'). De raad besloot toen, dat wereldlijke personen, die sedert jaar en dag (na 1390 sedert zes weken) door den officiaal in den ban gedaan waren wegens gerechtelijk erkende schuld of wegens niet-verschijning voor zijn rechterstoel, door partij voor den raad gedaagd zouden kunnen worden. De raad zou dan een termijn noemen, waar-

1) Raads dag. bock. 1402. fol. XV.

2) Raads dag. bock. Manend, na Zinte Pouwels dach 1403. (fol. XVII.)

3) Raads dag. bock. Donred. na Zintc Ponciaensd. 1403. (fol. XV vs.) — Blijkens dc later gevolgde uitspraak gold het hier bepaaldelijk eene civile zaak tusschen eenen vader en zijnen zoon.

4) L. H. LXXXIX. 1. — cf. L. H. LXXXIX. 2, CIII. 1.

-ocr page 112-

binnen de gebannene betalen moest; deed hij dit niet, dan werd hij gevangen gezet (of bij afwezigheid verbannen), totdat hij aan het „segghenquot; (d. i. het arbitrale vonnis) van den raad voldaan had.

Hoe bedenkelijk ook in beginsel, de bisschop zal wellicht niet te hard geklaagd hebben over eene aanmatiging, die in het belang van de rechtszekerheid de vonnissen van zijnen officiaal met een grooter gezag bekleedde. Doch des te meer reden tot ontevredenheid had hij, waar de raad tegen de rechtspraak van dienzelfden officiaal optrad en dezen ambtenaar een der hoofdbronnen zijner inkomsten dreigde te ontnemen, Het feit, waarop ik doel, was de instelling der libel-meesters. Ten einde den werkkring dezer ambtenaren goed te begrijpen, is het evenwel noodig, een en ander over de rechtspraak van den officiaal te doen voorafgaan.

ij 7. DE LIHELMEESTERS.

Behalve de wereldlijke jurisdictie, die de bisschoppen als landsheeren oefenden, bezaten zij als hoofden hunner dioecesen nog een rechtsgebied, dat van niet minder belang was: het geestelijke. De handhaving van dit recht vertrouwden zij toe aan twee ambtenaren: den vicaris-generaal en den officiaal. De eerste rekende tot zijn gebied alle zaken van vrijwillige rechtspraak, dispensation en relaxatiën van het gemeene recht, herstel van de gebreken der geboorte, wegneming- van beletselen van huwelijken door bloedverwantschap enz. ^ Den officiaal daarentegen was de eigenlijke rechtspraak toevertrouwd, en wel in geschillen tusschen geestelijken onderling of tusschen geestelijken en wereldlijken, en in alle processen over onderwerpen, die volgens het kanonieke recht tot het geestelijk rechtsgebied behoorden 1), zooals beneficiën, tienden , huwelijken, ge-

1

Zie opsommingen der bij het geestelijke gerecht beboerende zaken, bij: Van de Water, Place. III p. 965. — Klacht v bisschop Fred. v. BI., in; Divers. Frid. pr. fol. 82 vlg. (Prov. arch.) — Klacht v. bissch. Rud. v. D., in: Divers. Rod. prim. fol. CXXXII vlg. (Prov. arch.) — Graaf Willem III van Henegouwen-Holland noemde in 1328 alleen „hiiwelicks-saken,quot; „testamenten, des men niet gelyen wonde,quot; en kwetsing van eenen geestelijke, als de zaken, die eene dagvaarding buiten het gerechtsdistrict wettigden. (Matthaeus, Analeeta. III p. 793.)

-ocr page 113-

U3

boorten, woeker, testamenten1), echtscheiding\', overspel enz.

Zoo was de oorspronkelijke toestand. Doch langzamerhand verkreeg het rechtsgebied van den officiaal belangrijke vermeerderingen ten koste van de wereldlijke rechtspraak. Reeds graaf Floris V van Holland verklaarde in zijne scheidsrechterlijke uitspraak van 1294 tusschen den bisschop van Utrecht en zijne stad; „Voert van scade ende van scoude ende soe watten waerliken rechte toebehoort, dat en zal die bisscop ende siin officiael hem niet onderwinden metter gheesterliker hant, noch die scoute ende die scepen van der stat en zullen niet hem onderwinden van den gheesteliken rechte, dat den bisscop toebehoort 2).quot; Reeds destijds was dus do grenslijn tusschen wereldlijk en geestelijk recht van weerszijden overschreden. Op dien weg ging men steeds voort :V). Bepaaldelijk de personcele rechtsvorderingen, de zoogenaamde klachten „van scade ende van scoutquot;, werden hoe langer hoe meer aangebracht voor „des officiaels tafel van Utrechtquot; quot;) (d. i. voor den officiaal van den bisschop) en voor den officiaal van den Domproost, tot wiens archidiaconaat de stad Utrecht behoorde r\').

Het blijkt in het minst niet, dat de officiaal ten dezen eenigen dwang heeft geoefend: partijen schijnen vrijwillig en bij onderling goedvinden de geestelijke rechtbank gekozen

1

„Testamentquot; nam. eene uiterste wilsbeschikking, opgemaakt voor eenen notaris of priester, dus voor eenen ambtenaar van liet geestelijk gerecht. Deze bevoegdheid van de geestelijke reehtbank was dus eenvoudig een uitvloeisel van\' de eompetentie harer ambtenaren met betrekking tot de jurisdietio voluntaria; was de uiterste wilsbeschikking voor het gerecht gepasseerd („makequot;) , dan was het gerecht competent bij de daaruit voortvloeiende geschillen. Wellicht was ook dit eene usurpatie van het wereldlijke gerecht: in 1282 was er te Lübeck geschil tusschen beide machten over de bevoegdheid om testamenten te maken (Pauli, Lub. Zust. II p. 31}, en te Augsburg concurreerde het stadsgerecht reeds in 1276 met het geestelijke in quaestiün over testamenten. (Dahn , Erb- u. Fam. Recht v. Augsb. p. 26, 27.)

2

Charter in het Stads-archief.

-ocr page 114-

y4

te hebben \'). Naar de redenen dezer voorkeur behoeven wij niet te gissen; de eerste was, dat de rechtspraak van den officiaal kort en goedkoop was -), de andere, waarop tot heden, zoover ik weet, niet gelet is, geeft ons de geestelijkheid zelve op, als zij klaagt, dat sedert het verbod van geestelijke rechtspraak in wereldlijke zaken „de goede luyden om alle kleyne zaken, schulden ende koopmanschappen moeten loopen rechten, vervolgen ende pleyten voor diversche dagelykse gerechten in alle dorpenquot; :i). Dit was inderdaad een bezwaar: het adagium „actor sequitur forum reiquot; noodzaakte de lieden hunne pachters en andere schuldenaars ten platten lande voor de dorpsgerechten aan te spreken; de officiaal, wiens rechtsgebied zich uitstrekte „binnen ende buyten der stad ende het geheele land van Utrechtquot; \'\'), kon de onwillige huislieden eenvoudig voor zich dagen. Een groot gemak voor de Utrechtsche burgers!

Om al deze redenen nam het misbruik steeds grootere verhoudingen aan. Schout en schepenen zaten nog steeds, evenals in 1304 ■\'\'), wekelijks eenen dag terecht „van scadc ende van scoudequot; (i), doch de officiaal deed niet minder: hij sprak driemaal \'s weeks recht 1). Zoo talrijk waren de voor

1

Van de Water, Placc. III p. 951. (Men vindt op deze plaats eene verordening van bisschop Philips Van Bourgondiff voor de „curia Traiectensisquot; d. i. de rechlbank van den officiaal. .Met is onbegrijpelijk, hoe de geleerde Van de Water dit stuk heeft kunnen houden voor eene manier van procedeeren in het „landrechtquot; of wereldlijk gerecht van

S den bisschop; de inhoud laat aan duidelijkheid niets le wenschen over.)

-ocr page 115-

95

zijne rechtbank gevoerde processen wegens geldschuld, dat de raad van Utrecht, hoewel zeker niet zeer gunstig tegen de usurpatiën van den geestelijken rechter gestemd, het in het belang der rechtszekerheid geraden achtte, tot de executie der in het geestelijke gerecht gewezene vonnissen mede te werken. De officiaal toch kon niet anders dan tegen dc wederspannigen de eenige straf, die hem ten dienste stond, uitspreken: excommunicatie. Het getal burgers, die wegens geldschulden in den ban stonden, schijnt nu zoo groot geweest te zijn, dat dc raad besloot, hen door gevangenisstraf tot betaling te dwingen \'). Allengs leerde het stadsbestuur dan ook berusten in het misbruik: in 1413 beloofde het „den officiael geen verbot off hynder te doen doen, hy cn mach enen ygcliken recht doen, dies van hem geert, alst van oudts gewoenliken heeft geweest 1).quot; Geenerlei restrictiën dus meer in de bevoegdheid van den officiaal: al wat partijen voor hem brachten, mocht hij voortaan berechten, en nog wel „als van oudts.quot; Geen wonder dan ook, dat de geestelijkheid in 1536 verklaren kon: „dat de officialen hierenboven plagen kennisse te nemen van alle andere (d. i. niet geestelijke) saacken endc schulden, ook tusschen weereltlyke jegens weereltlykc personen

Erger misbruik nog was de zoogenaamde „inhibicie,quot; een brief, waarbij een geestelijke rechter naar het schijnt altijd een rechter buiten de stad •\') verklaarde, dat de brenger

1

Roese. CXXV1. 4. — Blijkens een brief van Utrecht, aan Keulen dd. 4 Dec. 1520 was toen zelfs eene zaak betreffende „erfnisse ende besterffenissequot; voor den officiaal aanhangig gemaakt. (Brievenb. der stad Utrecht. Stads-arch.)

-ocr page 116-

y6

van het stuk zich onder zijne rechtspraak had gesteld \'), krachtens welke verklaring hij de zaak aan zich trok 2); natuurlijk ging daarmede gepaard het woord „inhibitiequot; geeft het aan een verbod aan andere rechters, om zich met de zaak te bemoeien. Op deze wijze kon de bisschop van Utrecht, konden zelfs buitenlandsche prelaten, ja de paus de burgers voor zich dagen.

Het laat zich hooren, dat de wereldlijke landsheeren en de machtige steden op den duur zulk een toestand niet konden verdragen. Op vele plaatsen vinden wij dan ook gedurende do 14° eeuw bewijzen van krachtig verzet. Tn Frankrijk verbond Philippe Ie Bel, burgers wegens wereldlijke zaken voor do geestelijke rechtbanken te dagen ■quot;■). Reeds kort daarna (1316) vinden wij een charter van graaf Willem III van Henegouwen-Holland, waarbij verboden wordt, dat de lieden uit het baljuwschap van Delfland en Schieland „van schuit ende van andere saken, die den weerliken rechte toebehorenquot; terecht zullen staan voor den officiaal; do brengers van do daagbrieven worden met gevangenisstraf bedreigd \'\'). Bisschop Jan Van Diest moest in 1323 aan denzelfden graaf beloven, dat hij „noch sine officiale noch provisor noch déken noch niemant van sinen wegen niemant uto sinen lande dagen,

III p. 793 Noot, in verband mei Van Riemsdijk\'s verhaal 1. c. Ook V. d. Water, Place. III p. 966 art. XXV. — Denkelijk slaat op dergelijke „inhibitionquot; de klacht der stad Trier (1351), dat hare burgers „geladen sint von den dompherren mit Romischcn bricvoi uszwendig der stad.quot; (Schoop , Verfassungsgesch. v. Trier, p. 161.)

1) Bij wijze van uitzondering berustte do raad soms in dergelijke onregelmatigheden : „des Vrydages altera Bonifacii 1494quot; „heeft die raet gegunt ende geconsenteert meyster Claes Raet doctoer (raadsdoctor? of doctor C. Raet? denkelijk het eerste), alsdnt hy binnen der stadt van Utrecht woenen zeil als een doctoer ende hoechgeleert clerck, tbc vvetene dat by waeckvry ende dienstvry sitten ende wesen zeil, ende zyn eygen persoen ende zyne goede onder tzveerlycke recht niet staen en sellen; dnn heeft yemant op zyn persoen oft zyn goct yet the seggen, mach hem daervoer mitten geestelyken rechte bespreken.quot; (Raads dag. boek 1. e.) — Wellicht slaat op iets dergelijks het „eligere alium secularem dominum quam comitcm,quot; door de Middelburgsche keur van 1217 gestraft. (V. d. Bergh , Oorkondenb. I p. 152.)

2) Van der Kindere, Siècle des Artevelde. p. 314. Vgl. de voorbeelden, aangehaald bij; Diericx, Mémoire s. 1. lois des Gantois. I p. 92, 93. (Noten.) — Naar het schijnt is dit eene speciale beteekenis van het woord inhibitio. Van Espen (Jus eccles. II p. 366) noemt „inhibitioquot; het verbod van den rechter, op wien geappelleerd is, aan den judex a quo, om hangende het geding in appel zijn vonnis ten uitvoer te leggen of anders iets in do zaak te doen. In denzelfden zin komt het in het wereldlijke gerecht voor, bij; Vnn de Water, Place. II p. 948.

3) V. d. Kindere, Siècle des Artevelde. p. 316.

4) Charter bij; Van Mieris, Charterb. II p. 317.

-ocr page 117-

97

noch plaiten (sonde) ommc wairliko scout noch om wairlic goet.quot; \') Hertog Albrecht herhaalde het verbod om voor den officiaal terecht te gaan in verschillende Hollandsche steden •\').

De Utrechtsche magistraat, het hoofd eener bisschopsstad, die tallooze geestelijken van allen rang en stand in zich bevatte, kon het zoover niet brengen 1): hij moest dulden wat niet te keeren viel. Maar toch, hij nam zijne maatregelen, om althans aan de ergste aanmatigingen het hoofd te bieden. Tcg-en de „inhibitiënquot; trad hij krachtig op. In 1362 bracht hij het zoover, dat bisschop Jan Van Arkel beloofde, de burgers „mit ghenen geestelicken rechte te daghen noch aan te spreken buten der stat van Utrecht, also verre alse zi voer onsen officiael terechte staen willen, ten quame mit enen beroepe toe *).quot; Drie jaren later ging de magistraat verder en bedreigde allen, „die enighe inhibici impetreerden ofte brochten,quot; met ballingschap van tien jaren, — eene strafbedreiging, die in 1403 werd uitgebreid tot alle „processenquot;, behalve „ghemeen citacien, monicien ende excommunicacien,quot; d. z. de brieven van den officiaal van Utrecht En weder drie jaren later, in 1368, deed men een stouteren stap, die aan

1

Stoutmoediger was men te Amersfoort, waar men eenvoudig de daagbrieven van den officiaal niet toeliet. (Arbitr. uitspr. v. Will. v. Gelre tusschen bisschop Fred. v. Bi. en Amersfoort dd, 1394, in: Coll. HS. Booth. B 117. fol. 71 vlg. Prov. arch. — Vgl. R. v. U. II. p. 122.)

-ocr page 118-

98

de rechtspraak van den officiaal groote afbreuk zou toebrengen. Kon het stedelijk bestuur niet beletten, dat de officiaal recht deed in wereldlijke zaken, door partijen vrijwillig „in der consistorienquot; \') aangebracht, het zou althans zorgen, dat niemand gedwongen werd voor hem terecht te staan. Dit doel bereikte de raad door de instelling der libelmeesters.

Wie waren dc libelmeesters? Wij zullen het den raad zelf doen verhalen met de woorden, waarmede hij den aard der instelling beschrijft in een brief aan den raad van Keulen van 4 December 1520 „Wy hebben alhier bynnen onser stadt,quot; zoo luidt zijn verhaal, „een statuyt, wilkoer oft ple-bisyt, dat onse voirvaders ende wij boven hondert ende twee ende vijftich jaeren onverbreclicken geuseert ende gebruyet hebben, alse soe wanneer onse borgore off ondersaten deen den anderen citeren doen voer den gcestlicken richter, dat alsdan die verweerder eyschen ende nemen mach een libel off die aensprake in scrift, ende brengen dat voir onser stadt raide, om aldair geeynt te werden, om gheen appellatie voirder te geschieden. Ende dat libel soe voer onsen raide gelevert ende den aenlegger dairaff geadvertcert wesende, soe behoert hy zyn process voer den gcestlicken richter te laeten liggen, ende bliven die saicke oick an onsen raide. Ende en woude hijs nyet aen hem bliven, soe soude hij uuter stat wesen ende bynnen eenre mijlen na der stadt nyet kommen, ter tijt toe dat hy die saicke aen den rait van der stadt gebleven waer.quot; Wanneer de raad spreekt van een statuut, dat in 1520 reeds 152 en meer jaren oud was, bedoelt hij blijkbaar dc keur Liber albus CXXI, die van 1368 dagteekent. Deze verordening licht de zaak nog eenigszins nader toe. De verweerder, zoo heet het daarin, moet, wanneer hij van dit rechtsmiddel gebruik maken wil, binnen veertien dagen, nadat hem door den klager een libel voor den officiaal is overgegeven, dat libel aan den raad toonen, en borgstellen, zijne partij volgens \'s raads uitspraak te zullen voldoen. Is dit geschied, dan zal de raad den klager dwingen, zijne zaak evenzeer aan zijne arbitrale uitspraak te „bliven.quot; Is de termijn van veer-

1) „Consistorium curiae Traicctensis.quot; /00 heette de rechtbank van den oflieinnl. Kern in deze eeuw afgebrokene poort naast den Domtoren droeg nog dit opschrift,

2) Brievenboek der stnd l\'treehl. 1 c. (Stads-nrch.)

-ocr page 119-

yy

tien dagen verloopen zonder dat het libel vertoond is, dan trekt de raad zich de zaak niet meer aan \'j.

De zaak schijnt nu duidelijk genoeg-. Wat is echter een „libelquot;? Hoe kwam de verweerder er toe, een „libelquot; van den officiaal te eischen, terwijl het van elders blijkt, dat de klager integendeel begint hem een „libelquot; tc geven? Een „libellusquot; is een verzoekschrift; welk verzoekschrift wordt hier bedoeld? Reeds dadelijk kunnen wij opmerken, dat zulk een libellus niet alleen in de naar den raad vcrwezene zaken voorkwam, doch ook in andere processen, en wel als een door den advocaat onderteekend en door den procureur des eischers overgegeven stuk 1). In de bovenaangehaalde missive vein den raad van Utrecht hooren wij het bedoelde „libelquot; defmiëeren als „die aensprake in scrift,quot; elders als „dat eysche,quot; op ecne derde plaats 2) als „dio weet.quot; Een en ander maakt het nagenoegquot; zeker, dat wij onder het „libel,quot; waarvan hier sprake is, hebben te verstaan het request van den eischer aan den officiaal, waarbij hij hem verzoekt rechtsingang tegen zijne wederpartij te verleenen. En die zekerheid kan volkomen worden: immers wij bezitten nog\' zulk een request aan den officiaal van den Domproost, dat in dorso genoemd wordt „libel.quot; •quot;)

De gang van zaken is nu geheel duidelijk. Het verzoek om rechtsingang wordt door den gedaagde, wanneer hij niet verkiest voor den officiaal terecht te staan, van hem afgeëischt en overgegeven aan den raad, die dan den ge-vraagden rechtsingang verleent en den eischer voor zijnen rechterstoel daagt quot;). Ook de verdere loop der procedure blijkt

1

Van de Water, Placc. II p. 952. (art. VIII, IX.)

2

Protocol v. d. notaris Fl. Tzwijnnen. II. fol. 109. (Stads-arch.)

-ocr page 120-

IOO

uit de berichten, die wij daarvan overhebben, duidelijk. De raad stelde het proces in handen eener commissie van twee leden uit zijn midden („bygeschictenquot;). Deze hoorde de getuigen van weerszijden op eene lijst van vraagpunten („interrogatoriaquot;), door partij overgegeven; zij won verder (denkelijk toch wel alleen wanneer dit noodig was) het advies van rechtsgeleerden in, en deed van hare bevindingen rapport acin den raad, die het vonnis wees. („ende die sellent den raide aenbrengen om te oynden.quot; \'))

Doch nog altijd vernamen wij niets omtrent de „libel-meestersquot;, wier optreden ik aankondigde. De reden is, dat zij onder dien naam eerst in lateren tijd voorkomen. Naarmate het aantal zaken, die van den officiaal aan den raad kwamen, toenam, oordeelde men het blijkbaar wenschelijk, in plaats van de telkens benoemde commissiën -) vaste ambtenaren aan te stellen; dit waren de „banmeysters ,quot; later steeds „libel-meystersquot; genoemd. Wanneer deze aanstelling het eerst plaats had, kunnen wij vrij nauwkeurig nagaan. Het juiste jaar kennen wij niet; immers wanneer de Utrechtsche regeeringslijsten aanvangen (1402) vinden wij daarin wel geene „banmeystersquot; genoemd, doch het ambt staat toch pro memorie onder de jaarlijks bezette ambten vermeld, — een bewijs, dat het vroeger bestaan heeft. Zoo gaat het drie jaren voort; in 1405—1407 worden de banmeesters geheel niet meer in de regeeringslijsten vermeld. In 1408 en 1409 vinden wij voor het eerst twee personen „totten banne of libellequot; aangesteld;

1) Raads dag. boek. Manend, na Odulphi 1529. — cf. R. b. XLII 2. — Doleantie van I53^\' (V\' Water, Place. II p. 965.) — Zooals uit de laatste plaats blijkt, schijnen commissarissen de zaak soms zeiven afgedaan te hebben. Dit was echter eene uitzondering : zie V. d. Water, Place. III p. 244 Nu. V. (De raad slijt, „dat die zake al geheel voor den libelmeysters ten rechte bliven zal.quot;)

2) Daar de raadsboeken vóór 1402 verloren zijn. blijkt het niet bepaald, dat de zaken reeds vóór de aanstelling der libelmeesters commissoriaal gemaakt werden. Het kan echter niet betwijfeld worden, dat dit het geval was; immers het was de vaste manier van rechtspreken door den raad, reeds in de 14 eeuw. (Zie reeds de vredekeur van 1300 en de rechtsboeken passim.)

3) Van de Water, Place. III p. 243 is met dien naam verlegen en brengt hem in verband met de banbrieven. Ten onrechte m. i., daar deze brieven eenvoudig zonder vorm van proces beëedigd en daarna geëxecuteerd werden. De naam schijnt mij toe zijn oorsprong te hebben in het feit, dat de „banmeystersquot; zaken berechtten, die gewoonlijk (als zij niet geremitteerd werden) met den ban gestraft werden; immers de officiaal strafte slechts daarmede.

4) Zie de regeeringslijsten bij: V. d. Water, Place. III p. 110 vlg.

-ocr page 121-

I O t

doch in 1409 besloot de raad in eene keur, die blijkbaar eene concessie aan den bisschop bevat \'], de „banmeystersquot; voor-loopigquot; niet meer te bonoemsn. Twee jaren blijft dan hot ambt onbezet: in 1412 vinden wij weder twee „banmeysters.quot; Onmiddellijk klaagde de bisschop toen, als over eene nieuwigheid, dat er waren „gesott twe libellmeister, die die partyen schatten, ende teren acn don Plaets op der partyen cost, daer sy toe gesett syn.quot; 1) De klacht baatte blijkbaar niet: hoewel de stad in 1413 beloofde, „den officiael geen verbot off hijnder te doen doen, hy en mach enen ygoliken recht doen, dies van hem geertquot; , bl even de banmeesters tot 1415 bestaan. In 1416 stond het ambt open; toen het in 1417 weder bezet was, klaagde de bisschop opnieuw, dat „die raet twe sette, die sy libellemeisters heeten.quot; De raad antwoordde, dat men dit reeds sedert oude tijden gewoon was geweest \'); doch in 1418 en 1419 vinden wij toch geene libelmeesters. Tn 1420 treden zij weder op, en sedert vinden wij hen gedurig in de raadsnotulen vermeld r\'). Wij mogen uit een en ander veilig de conclusie trekken, dat de libelmeesters omstreeks 1400 voor het eerst als vaste raadscommissie zijn aangesteld en dat hun bestaan sedert 1420 verzekerd was.

De raad had dus ook in deze Zciak weder de overwinning behaald. In 1368, toen het eerst tot het aannemen der bij libel aangebrachte klachten besloten schijnt te zijn, voelde de raad zich nog zoo zwak, dat de aanbrenger vooraf moest „verborghen aen des raets hant, dat hi den aenclagher voldoen zoudequot; zoo „alse die raet vonde,quot; m. a. w. men was niet zeker, dat zelfs de partij, die \'s raads beslissing inriep, zich aan die beslissing zou onderwerpen, on men voelde zich niet in staat hem daartoe te dwingen. Ook de wederpartij kon men niet direct noodzaken, de beslissing der zaak aan den raad over te laten; doch men kon weigeren dergelijke ongehoorzame burgers in de stad te dulden. Men deed dit, en het middel werkte

1

Klacht v. bissch. Fred. v. Bl. (dd. 1412), in: Divers. Frid de Bl. pr. fol. 82 vlg. (Prov. arch.) Het „teren op dor partyen cost acn den Plaetsquot; heeft blijkbaar betrekking op de „take wijns,quot; die de libelmeesters vlg. Roese. CLXXXIIF. 1 van partijen kregen. De stadsvvijnkelder was aan de Plaats gelegen.

-ocr page 122-

I O.?

zóu krachtig, dat de bisschop eerlang moest klagen over (kvai/g, den burgers aangedaan, opdat zij hunne zaken aan den raad „bleven.quot; De geestelijkheid moest hot opgeven en erkende formeel het recht van den raad \'). Slechts op éen punt schijnt er verschil tusschen partijen bestaan te hebben: de geestelijkheid beweerde, dat de bevoegdheid van den raad alleen groote zaken (boven 10 a 12 Beyersche guldens) betrof, terwijl de stedelijke rechtsbronnen van eene dergelijke restrictie geene melding maken \'1).

Weldra voelde zich dan ook de raad sterk genoeg om verder te gaan, Hij had lires geschoten en vasten grond veroverd op het gebied van den officiaal. Zijne bevoegdheid was op dit punt echter uit den aard der zaak zóo slecht omschreven, dat het bijna niet anders kon, of er zou eerlang strijd ontstaan tusschen hem en den officiaal over de g-renzen hunner wederzijdsche rechten. Reeds in 1412 klaagde de bisschop dan ook over misbruiken, die (wanneer de verwijten gegrond zijn) zonder eenigen twijfel van overtreding der competentie van den raad getuigenis gaven. Mag men toch den bisschop gelooven, dan daagde de raad door middel van libellen niet alleen burgers, doch ook gasten, ja geestelijken, „die in der stat ende buten der stat woenenquot;, voor zijnen rechterstoel, en ontzag hij zich niet op deze wijze zelfs te rechten van „echt-schap ende testament ende echte man ende wijff te scheiden

1

Do reden van deze beperking was, dat in zaken onder 10 Beyersche guldens geen libel overgegeven, doch mondeling geprocedeerd werd. (Instr. v. bissch. Philips 1. c. art. 12 /./.) De „remissio libelli ad consulatumquot; was dus dan onmogelijk. Reeds bisschop Fred. v. Pgt;1. klaagde in 1412 er over, dat de raad ook in zaken, die „soe cleyn en sijn, dat die officiael wijst, dat men simplick in der saken voertvaren sail ende gheen libel gheven,quot; partijen dwong de uitspraak „aen hem te bliven.quot; (Klacht v. bissch. Fr. v. BI., in: Divers. Frid. de BI. pr. fol. 82. Prov. arch.) - Eene andere beperking, die door de geestelijkheid schijnt ingevoerd te zijn, bestond daarin, dat, als de zaak door de libelmeesters niet binnen zes weken of een anderen door den officiaal bepaalden tijd was afgedaan, de eischer de klacht aan den officiaal mocht terugbrengen. (Instr. v. bissch. Phil. v. Bourg., bij: Van do Water, Placc. III. p. 952 art. 13/. ƒ. — Doleantie der geestel., bij: Van dc Water, Place. Ill p.. 965 art. 9.) — Of het om deze of om andere redenen geweest is, blijkt niet; doch zeker is het, dat ook de raad nu en dan over inbreuken van den officiaal op zijn rechtsgebied klaagde: Vrijdag na Francisei 1462 werden vier raadsleden „gheschict van den raide out ende nywe, om te helpen ordinieren die ghebreke, die onse borgere hebben in die consistory ende die the reformierenquot;. (Raads dag. boek l. e.)

-ocr page 123-

105

cnde anders g\'ecstclike saken, daer nycmant off kennen en mach dan geestcliken recht.quot; Later (1417) betroffen de klachten andere onrogelmatigheden: de gedaagden maakten volgen» den bisschop de zaak dikwijls nog aanhangig voor den raad, nadat het getuigenverhoor reeds voor den officiaal had plaatsgehad, of zelfs nadat deze het vonnis had uitgesproken. Op deze wijze werd de „retnissio libelliquot; een middel voor de gedaagden , om, wanneer de zaak hun tegenliep, hun geluk nogmaals op andere wijze voor oenen anderen rechter te beproeven \'); ja de raad zou zoodoende feitelijk eene tweede instantie in appèl van de vonnissen des officiaals geworden zijn 2).

Natuurlijk hadden dergelijke aanmatigingen aanvankelijk niet in \'s raads bedoeling gelegen: rechtspraak in zaken, behoorcnde tot de uitsluitende competentie van het geestelijke gerecht, zou hij niet hebben durven eischen s). Doch met dat al schijnt er voor \'s bisschops klachten wel eenige grond bestaan te hebben. Daarvoor pleit niet alleen de hernieuwde eisch van bisschop Rudolf Van Diepholt, dat raad en oudermannen niet „verbiedenquot; zouden, wanneer „saken, die van hoirs selfs natucren beboeren te staen tot kenninge ende slitinge des geesteliken gerechts,quot; aldaar aangebracht werden \'\'), niet alleen de last van bisschop Philips Van Bourgondië aan zijnen officiaal.

(l3^3)\' Het verlaten van den man door de vrouw werd volgens deze keur niet gestraft, wanneer „si zulke redene bewisen can, dat den rade van der stat dunct dat si bi Hiker binnen bliven sel dan buten varen.quot; Een vonnis volgens deze keur vindt men nog in het Buurspraakboek op Donredaeh na Marei 1475. „Want A by B ho.eren eebten man niet komen ende bliven en wil, noch gene rcdelike saken te kennen gegeven en heeft, wairom zy des niet sculdich en waer te doen, dairom verbiet men hoer onse stat enz.quot; Wegens „redelike sakenquot; moeht men derhalve te Utrecht in 1475 de echtelijke woning verlaten. Ziedaar dus de scheiding van tafel en bed in de middeneeuwen erkend!

1) Vgl. ook: Roese. CLXXXIII. 1.

2) Klachten v. bisschop Fred. v. BI., in: Divers. Fred, de BI. pr. fol. 82, — en: Divers. Frid. de BI. sec. fol. 259 vs. Prov. arch.

3) Toen bisschop Rudolf Van Diepholt dan ook over het berechten van geestelijke zaken door den raad klaagde, antwoordde de stad dadelijk, dat zij „tevreden was,quot; dat dit voortaan niet meer zou geschieden, behoudens de gevallen van L. A. XCIII, CXXf en Roese. XIII, CLXXVJI. (Divers. Rod. pr. fol. CCXXXIV. Prov. arch.) Dat de libel-meestérs lot het eind van hun bestaan toe in hoofdzaak wereldlijke zaken berecht hebben , blijkt ook wel uit het feit, dat zij juist sedert 1530, toen art. 25 der Instructie van het Mof verbood, „actiën personeel, die bedragen tot merkelyke somme van penningen,quot; elders aanhangig te maken dan bij het Hof of voor het lage gerecht der woonplaats van den beklaagde, niet meer voorkomen. (Van de Water, Place. II p. 965 art. 13, 15, — UI p. 244.)

4) Klacht v. bissch. Rud. v. D., in: Divers. Rod. pr. fol. CCXXXII. (Prov. arch.)

-ocr page 124-

icq

om alleen clan de „reraissio libelli ad consulatumquot; tue te laten, „si ambae partes, videlicet actor et reus, fuerint de jurisdictionc consulatus civitatiy Trajectensis, et causa fuerit mere prophana et inter prophanas mere secularisquot; \'); — doch ook het door beide partijen erkende feit, dat de libelmeesters de zaak praepareerden met advies der „meysters ende yuristen van rechtquot; -) of „by voorraad der geleerden :1).quot; Immers waartoe zou deze voorlichting- der Romanisten, of waarschijnlijker der canonisten, die nergens elders in de oude Utrechtsche rechtsbronnen vermeld worden, den libelmeesters gediend hebben bij eenvoudige personeelc rechtsvorderingen „van scade ende van scout?quot; De exceptioneele hulp wijst op het voorkomen van exceptioneele zaken, met wier behandeling de raadsleden niet vertrouwd waren, waarschijnlijk wel quaesties uit het kanonieke recht ^).

Doch men stelle zich de zaak ook weder niet te erg voor. De raad zal bij voorkomende gelegenheden niet te nauw toegezien hebben, — nu en dan zal er wel eens rechtgesproken zijn van zaken, die tot de competentie van den geestelijken rechter behoorden; doch het was zeker \'s raads streven niet, alle zaken, die aangebracht werden, om het even welke, aan te nemen en daardoor de rechtspraak nog meer te verwarren. Men meene niet, dat officiaal en raad altijd tegenover elkander stonden als twee vijandige machten, die over en weder elkaar zoovele processen trachtten afhandig te maken als zij konden. De bewijzen van het tegendeel zijn voorhanden. Ik noemde boven 1) reeds de raadsbesluiten over personen, clie in den ban stonden wegens „scade ende scout,quot;

1

Zie hiervoor p. 90, 91.

-ocr page 125-

105

waar dc raad den officiaal bijstond zelfs in zaken, die eigenlijk niet voor de geestelijke rechtbank behoorden. Doch ik kan op nog sterkere voorbeelden wijzen. Op O. L. V. avond te Lichtmisse 1462 beklaagde iemand zijne partij voor den raad „van testamente.quot; De raad wees vonnis: „want die zake van testamente is ende gheestelyck, ende buten des raits bewinde is, daerom zei A. B. daervan bespreken voer die consistory off hy will \').quot; Derhalve: verwijzing van geestelijke zaken naar den officiaal. — Maandag na Severini 1479 sprak een geestelijke den andoren voor den raad aan met een libel: de raad wees ,,die zake terechte daer zy van rechts wegen beboeren, zoe zy beyde priesters zijn Dus; terugzending van processen tusschen geestelijken naar het geestelijke gerecht. Nog sterker: Vrijdag na Judica 1484 bracht eene vrouw een libel aan den raad tegen Mr. Henric Van Alcmaer. De raad sleet, dat Mr. Henric „niet gehouden sal wesen voir den raet terecht te staen, also hy een uytheems man is Alzoo: de raad wil zich door middel van dc „remissio libelliquot; zelfs in wereldlijke Zeiken geene rechtspraak aanmatigen over personen, die geene burgers zijn. En zelfs het „dwingen tot enen gheblivequot; was geen vaste regel: Vrijdag- na St. Antonii [499 besloot de raad op verzoek van Gysbert Van Dorschen, hem het libel, dat hij don raad had overgegeven tegen heer Zweder Van Montfoort, „weder te geven ende hem der zaken te verdragen quot;).quot;

1) Raads dag. bock. I. c. - - Evenzoo Woensdag na Mauricii 1477: de raad verwijst eene zaak tegen de kerkmeesters van Asperen „voer dat gheestelike recht.quot; Kerkmeesters waren wereldlijke personen. - Zie ook het vonnis van 1449 bij: Van de Water, Place. III p. 244 Nü. VIII. — Doch zie daarentegen, bij Van de Water, Place. III p. 245 N0. XI, een vonnis van den raad van 1468 in eene cjuaestie over een testament, bij libel aangebracht. Ook wees de raad ïn dezelfde zaak over een testament, die in 1462 naar de consistorie verwezen werd, in datzelfde jaar twee vonnissen. (Woensd. na Invocavit en Woensd. na St. Lucas.) De reden daarvan is niet duidelijk.

2) Raads dag. bock 1. c. — Zie echter: Raads dag. boek Maand, na Agn. 1498: „A ende B zijn gescict ten cysch van C, ruerende dat hy besproken wert in der consistory van den heeren van Oudemunster, ende dat hem libel geweygert wort.quot;

3) Raads dag. boek 1. c.

4) Raads dag. boek 1. c. — Ook de raad vond op zijne beurt soms medewerking bij bet geestelijke gerecht: in 1529 had een eischer voor den officiaal, wiens libel door partij voor den raad getrokken was, door appèl op verschillende hoogere geestelijke rechtbanken dit zoeken te ontduiken: de deken van Mechelen wees eindelijk vonnis, dat partijen voor den raad van Utrecht terecht zouden gaan. (Raads dag. boek, Saterd. na Sunte Sym, Jud. dach 1529.)

-ocr page 126-

i o6

Nog op een ander punt concurreerde de niad zoowel met do schepenbank als met de consistorie: hij rechtte „van wil-coeren, die by den raide gheschiet zijn Deze rechtspraak is een g-evolg van de competentie des raads op het gebied der vrijwillige rechtspraak. Over deze competentie is echter, zoover mij gebleken is, nooit door den bisschop geklaagd; ja het is zelfs niet boven allen twijfel verheven, of de raad hiermede op het gebied van de schepenbank, dan wel deze omgekeerd op dat van den raad inbreuk maakte. Het onderwerp is derhalve in dit hoofdstuk niet op zijne plaats: wij zullen het later bespreken, waar eene poging zal gewaagd worden om den omvang van het raadsrecht vast te stellen.

§ 8. VERDER VERLOOP EN EINDE VAN DEN STRIJD MET DEN BISSCHOP.

Wij hebben thans oen vrij duidelijk beeld van het ontstaan en de wording van \'s raads rechtspraak in crimineele en civile zaken verkregen. Terwijl in het jaar 1300 de grond voor het verkrijgen der crimineele jurisdictie gelegd werd, bleek het ons, dat het den raad reeds lang voor het einde der eeuw gelukt was, nagenoeg- dit geheele gebied te veroveren. De pogingen tot het verkrijgen van een civiel rechtsgebied, eerst na het midden der 14° eeuw waar te nemen, leidden, zooals wij zagen, reeds kort na 1400 tot de onbetwiste rechtspraak van den raad in talrijke processen over „scade ende scout.quot; Het wordt thans tijd, dat wij den draad van ons verhaal weder opvatten, en eenige mededeelingen doen over de houding, door de bisschoppen tegenover deze usurpatiën aangenomen.

Uit de geheele 14° eeuw, die toch voor de geschiedenis van het raadsrecht beslissend was, is ons (na de boven \'-) medegedeelde klacht van bisschop Guy) gcene enkele memorie van grieven, door den bisschop naar aanleiding van de aanmatigingen van het stedelijk bestuur gesteld, bekend geworden. Het verlies van het bisschoppelijke archief heeft aan dit gemis echter denkelijk meer schuld dan de toegevendheid der kerkvorsten. Hoe dit zij, naar het schijnt was het bisschop Kloris

1) Roese. CCLXXVI. 3.

2) Zie hiervoor p 37.

-ocr page 127-

107

Van Wevclichoven (1J79 1393) g\'elukt, den raad binnen de eenmaal ingenomene stelling te houden; althans zijn opvolger bisschop Fredcrik Van Blankenhcim wees op het begin zijner regeering als op het tijdstip, waarop de stad zich nieuwe inbreuken op de landsheerlijke macht had veroorloofd. En inderdaad, wij vinden in onze rechtsbronnen eene keur van 1393 „opt scoutambochtquot; \'), die stouter dan vroeger tegen den vertegenwoordiger des bisschops optreedt; en zij werd eenige jaren later (1410) gevolgd door eene tweede verordening over hetzelfde onderwerp 1), die eenige nieuwe bepalingen in denzelfden geest als die van 1393 maakte.

Hoofdzakelijk over deze beide stedelijke wetten klaagde de bisschop, doch ook over andere inbreuken op zijn gezag. Van meer dan een geschil tusschen bisschop Frederik en de stad zijn ons berichten overgebleven. Niet onwaarschijnlijk zijn reeds de beide in Die Roese opgenomene verordeningen vtm r398 over de buitenburgers en de vechtkeuren het gevolg van eene klacht des bisschops; immers door beide wordt eene regeling gemaakt in den zin, zooals hij dat bij zijne latere vertoogen verlangde. Met meer zekerheid kunnen wij dit aannemen van een raadsbesluit van 1409 , waarin den bisschop niet alleen „syn rechtquot; wordt voorbehouden bij de in 1403 vastgestelde „cortingequot; van het schepenrecht ■\'•), doch ook eene zeer belangrijke concessie wordt gedaan In de afschaffing der „banmeysters.quot; (libelmeesters.) De eerste memorie van grieven van bisschop Frederik, die wij bezitten, draagt geen datum, doch dagteekent blijkbaar van het jaar 1412 quot;). In dit uitvoerige stuk vinden wij eene lange lijst van klachten vermeld. Hot heft aan met talrijke bezwaren over de inbreuken op de rechtspraak van den officiaal (in die dagen de question brülante tusschen de partijen): in de eerste plaats de instelling der libelmeesters en de dwang aan den eischer, om zich aan

1

R. 1). XXVIII. 7 io.

-ocr page 128-

io8

de rechtspraak van den raad te onderwerpen, wanneer tie gedaagde het libel bracht; dan tal van misbruiken bij deze „remissio libolliquot;: de uitbreiding daarvan ook tot kleine zaken, — tot processen, waarin geestelijken of buitenlieden betrokken waren, of over zaken, tot het geestelijke rechtsgebied behoo-rende, — en tot quaestiën, waarin de officiaal reeds vonnis g\'ewezen had; eindelijk, de instelling der woekermeesters en hunne rechtspraak over woeker, overspel, voorkoop en mishandeling van geestelijken. Na den officiaal treedt de maarschalk op met zijne klachten over het dagen van personen van buiten de stad voor den rechterstoel des raads. Daarna volgt de schout, die eene lange lijst van bezwaren aanbrengt over de bovenvermelde wetten van 1393 en 1410 „opt scout-ambochtquot;. Ook over do crimineele rechtspraak van den raad klaagt deze ambtenaar; doch hij erkent cleze rechtspraak zelve reeds als een voldongen feit, en maakt alleen bezwaar tegen enkele ongeoorloofde uitbreidingen daarvan: het beboeten van buitenlieden bij vechterij met burgers, het gevang\'onnemen dezer niet tot \'s raads onderdanen behoorende personen, hot pijnigen van gevangenen buiten medewerking van den schout (den bezitter van den bloedban), het straffen van „lichte wyvenquot; (het uitsluitend rechtsgebied van den schout) en het doen van dagvaardingen voor de schepenbank door de stadsknapen in plaats van door den schoutenbode. Eindelijk verklaart de schout het rechten „van scade ende van scoutquot; door den raad voor eene inbreuk ook op zijne bevoegdheden. Het slot van het stuk vormt eene zeer nadrukkelijke klacht van den bisschop over het aannemen van vele buitenburgers, een misbruik, dat ik later zal behandelen \').

Was de reeks van grieven lang, de zoen, die 3 April 1413 daarover getroffen werd, sprak slechts van de hoofdpunten 1). Hij begint met de laatste grief, het aannemen van buitenburgers; den bisschop wordt volkomene voldoening gegeven door de bepaling, dat alle buitenburgers, die voor 1 Mei 1414 niet binnen Utrecht gevestigd zullen zijn, hun burgerschap verloren hebben en „totten lantrecht staenquot; zullen. Over

1

Zie dezen zoen: Roese. CXXV1.

-ocr page 129-

1 ug

het geestelijk recht zal de status quo van 1393 gehandhaafd worden. Bij afwezigheid van den schout zal hij zelf eenen plaatsvervanger aanwijzen, en niet hij, maar de schepenen zullen de zittingszaal verlaten, wanneer zij afzonderlijk wen-schen tc beraadslagen.

Inderdaad had dus de bisschop bij deze schikking terrein gewonnen. Doch het bleek alras, dat de overwinning niet blijvend was. Wanneer wij bisschop Frederik weder als klager zien optreden, in 1417 \'), hooren wij toch in hoofdzaak dezelfde grieven als vijf jaren vroeger: de dwang tot het onderwerpen van zaken aan de libelmeesters, ook tegenover geestelijken en landlieden, en in zaken, waarin het getuigenverhoor reeds voor den officiaal heeft plaatsgehad, de rechtspraak der woekermecsters, — de inbreuken op het rechtsgebied der maarschalken door het aannemen van buitenburgers en door het gevangen nemen van personen buiten de stad. Enkele nieuwe klachten komen daarbij: het niet-uitkeeren van hot den bisschop toekomende \'/3 der vechtkeuren, — het

verbod der inhibiciën, het begraven van personen, die in den ban staan, — en het inbreuk maken op de rechtspraak der vijf kapittelen binnen hun rechtsgebied 1).

Een verdrag over dit geschil is ons niet bewaard; wellicht is er nooit een gesloten, althans het antwoord van den raad op \'s bisschops klachten gaf daartoe weinig hoop. Cty verreweg de meeste punten ontkent de stad eenvoudig, dat zij reden tot klachten gegeven heeft; op verscheidene andere bepaalt zij zich tot de mededeeling, „dat sy van ouder ge-woenten voer ons genedichs hoeren tyden van Utrecht dat alsoe gebruyet ende haergebracht hebben.quot; Éénmaal (in zake de buitenburg-ers) verklaart de stad, „dat sy die noet daerynne dringetquot;, te handelen zooals zij doet. Slechts op éen punt (de uitkeering van \'/^ dor vechtkeuren) belooft de raad bepaaldelijk, den bisschop voldoening te zullen geven

1

De memorie zelve schijnt verloren , doch de inhoud is opgenomen in het hierna te vermelden antwoord van den raad.

-ocr page 130-

I IO

Zoo was dus bisschop Frederik Van Blankenheim weinig gevorderd \'). Do onrustige regeering van zijnen opvolger Rudolf Van Diepholt (1423 —1455) was bij uitstek ongeschikt om de bisschoppelijke rechten te handhaven. Door de stad Utrecht krachtig gesteund in den strijd met zijne mededingers, kon hij bezwaarlijk het stadsbestuur, dat hij zoo noodig had, ontstemmen door klachten over zijne aanmatigingen. En toen hij zijn gezag gevestigd zag, brak al spoedig een twist met dezen-zelfden magistraat uit, die zoo hoog liep, dat de bisschop de wijk moest nemen naar Amersfoort. Van daar keerde hij in 1449 met Bourgondische hulp terug en vermeesterde de stad Utrecht bij overrompeling. Toen was voor hem de tijd gekomen om eischen te stellen, en denkelijk moeten wij dan ook in dat jaar 1) de klacht over de wederrechtelijke aanmatigingen van het stedelijk bestuur stellen, die ons bewaard gebleven is *). Daarvóór spreekt ook de ootmoedige toon van het antwoord der stad, die telkens „hocpi, dat ons heren genade ons in onsen ouden haircomen berusten zei laten, gclyck andere Stichtsche steden,quot; eene bede, die in den mond der onverzettelijke raadsleden wondervreemd klinkt!

De bisschop begint zijne klacht met een overzicht van den toestand der crimineele rechtspleging te Utrecht ten tijde van zijnen voorganger. Terecht knoopte hij aan dat uitgangspunt zijn betoog vast; immers de bevestiging door hem (in 1433) van „alle hoir oude haircomen, die zy (de burgers) by onsen voirvaderen tyden ende by hoire ouder tiden haergebracht hebben tot dezen dage toequot;, had aan alle recriminatiën tegen den toestand, dien hij gevonden en aanvaard had, rechtens een einde gemaakt. Het is dan ook alleen over misbruiken,

1

Wellicht nog een paar jaar later: het verdient toch opmerking, dat de keur Roest;. CCLXXVI van 1451 de bevoegdheid van den raad besnoeit en bepaaldelijk „alle zaken, die ten rechte hoerenweder „ten rechte wyst.quot;

-ocr page 131-

I 11

waartegen reeds bisschop Frederik geprotesteerd had of die na diens dood waren ingeslopen, dat wij bisschop Rudolf hoorcn klagen: het „rechten acn den blodequot; en het geven van geleide zonder tusschenkomst van den schout, — het niet meer uitkceren aan den schout van van de vechtkeuren \') en \'/j van goederen, die gestolen, gevonden of „aperquot; -) waren, -liet rechten door raad en oudermannen „van scade ende van scoutvan geestelijke zaken en over buitenlieden, — eindelijk het aannemen van buitenburgers.

Wij gaven boven reeds te kennen, dat bisschop Rudolf over het algemeen op zijne klachten goed bescheid kreeg. Over de meeste eischen verklaarde de raad zich „des tevreden mot uitzondering alleen van gevallen, die de rechtspraak over de burgers van Utrecht en hunne goederen betroffen, en van eenige in het antwoord van den raad aangehaalde artikelen uit „der stat boekenquot; :i) en uit een vroeger met den bisschop gesloten verdrag.

Doch do overwinning van bisschop Rudolf was van korten duur. Het was reeds eene groote vernedering voor hem, die als candidaat van de Lichtenbergers en van de meestal Hoekschgezinde stad Utrecht gekozen was, dat hij alleen door hulp van den Bourgondischen hertog, den steun dor Kabeljauwen, in zijne hoofdstad was teruggebracht. Erger was het, dat hij ook met dien steun het veld niet behouden kon. Toen in 1455 de groote gilden-revolutie, aangestookt door den Domproost Gysbert Van Brederode, uitbrak, liet de bisschop den moed zinken en overwoog- zelfs een plan, om het bisdom aan hertog Philips over to dragen. Alleen de dood belette hem, zijn loopbaan zoo schandelijk te eindigen \').

Zijn opvolger, de bekwame David Van Bourgondië, die

1) Het besluit daartoe was genomen in 1430: zie Roese. CLVIII. 11. („myn heere noch die sellout van des heren wegen .... en sonde niet hebben.quot;) Wij hoorden intusschen reeds bissehop Frederick Van Blankenheim over hetzelfde onderwerp klagen.

2) Wellicht goederen, aan het pondgeld (recht van exue) onderhevig? Dit recht was juist afgeschaft in 1447 bij de keur Roese. CCLXI1I. 1 : wellicht slaat daarop de klacht. Bij Verdam , Middelned. woordenb. 1 p. 435 komt „aper guetquot; in eene dergelijke beteekenis voor, doch onverklaard.

3) Het zijn: L. A. III. 2—11, 14, 15 , 23 , — XVII. 2, — XCIII. 1 5, — CXXI. t. -Roese. XIII. 1- 3, CLXXVII. t, CCXX. 1. — Bovendien wordt nog eene keur over het oudermansrecht aangehaald, die ik in de rechtsbronnen niet terugvond, en verscheidene malen het „oude haircomen.quot;

4) Heda, Historia. p. 288.

-ocr page 132-

I 1 2

weldra zijn mededinger den Domproost overwon, toonde zich geenszins geneigd, het spel spoedig op te geven. 13e verrassing van Utrecht door bisschop Rudolf in St. Blasiusnacht van het jaar 1449 wordt door oude schrijvers \') „d\'eerste Bur-goensche overhering-quot; genoemd; doch de intocht van David aan de zijde van zijnen gevreesden vader in Augustus 1456 \'1) mocht met recht de tweede Bourgondische „overheringquot; genoemd worden. Bisschop Dtivid was een echte loot van den Bourgondischen stam, vervuld met plannen, om do staatsinrichting van de eeuwenoude misbruiken te zuiveren en V nieuwe instellingen te grondvesten. Het ontbrak hem niet aan den moed en de volharding om zijn werk door te zetten, noch aan den daartoe noodigen steun, dien hij aanvankelijk in zijnen vader, later in zijnen halfbroeder Karei den Stoute vond. Van hem waren niet als van zijne voorgangers langde memoriën van grieven te verwachten: „maluit timeri quam amariquot;, schrijft Hcda, en hij ontzag zich dan ook niet handelend op te treden, al zou dan ook van hem getuigd worden: „populi erga ipsum affectio elanguit 2).quot;

Hoe bisschop David het aangelegd heeft, blijkt niet in bizon-derheden; doch zeker is het, dat hij voordat twintig jaren na zijn optreden verloopen waren, een goed eind gevorderd was. „Designabat Trajecti quos volebat pro magistratu,quot; bericht JI eda \'\'), en hij heeft gelijk, want toen de raad in latere jaren nieuwe schepenen koos, verklaarden „die ghemeyne raide,quot; dat zij daarmede „weder acnnamen onse oude gewoonten ende heerkomen •\'■).quot; Vrij beschikkende over de stemmen der raadsleden, kon de bisschop verder gaan: ook in de rechtspraak werd eene groote verandering gebracht. Ik zwijg van de instelling van den Raad „van der schive,quot; het hof van appèl, dat ook in het oog van don Utrechtschen stedelijken raad een doorn was 0); de stedelijke rechtspraak zelve werd

1

Heda, Historia. p. 292/3.

2

Heda, Historia. p. 293

-ocr page 133-

ii3

gewijzigd. Thans was er geen twist over do vraag, of deze of g\'ene meer dan gewone aanmatiging van den raad al dan niet „een oud heercomenquot; mocht heeten: de stad moest eeuwenoude, met veel strijd verkregene rechten prijsgeven, ja het voornaamste van allen, de crimincele rechtspraak zelve ging verloren.

De omwenteling, die tot deze overwinning van den bisschop leidde, schijnt plaats gehad te hebben omstreeks AVoensdag na St. Victor (12 October) 1474. Met dezen datum houden do raadsnotulen op, en als zij met St. Blasiusdag (3 Februari) 1475 weder beginnen, vernemen wij niet, wat intusschen heeft plaats gehad; doch de hoofdambtenaren van het raads-recht, de vijven, zijn verdwenen \'). Inderdaad: „ontrent vier maendequot; voor hot einde van het dienstjaar 1474, dus in hot begin van October, blijken er vier personen, onder wie de schout zich bevond, opgetreden te zijn , die „uut be vele mijns heren van Utrecht dyenst deden als die vivo plaghen to doen \'J).quot; Het volgende jaar werden vier andere personen (waaronder weder de schout) door den bisschop aangesteld quot;\'), en op Asschelwoonsdach (6 Maart) 1476 word van het schepenhuis in tegenwoordigheid van den raad afgelezen ceno „uutspraeke van mijns gnedigen heren wegenquot;, waarbij bisschop David verklaarde, dat hij „om ruste ende vrede in zijnre Geneden stat van Utrecht tonderhouden, endo opdat die goide ende ontsculdige gheëert, gevryet ende bo-scermpt, ende die misdadige ende quade gecorrigiort moigon werdenquot;, weder vier personen „ghedeputiort ende goordiniertquot; had, „die men noemen zall mijns heeron dienre.quot; Do werkkring dier commissie werd daarna uitvoerig omschreven: al hare werkzaamheden waren nauwkeurig dezelfde „als die vive plaghen te doenquot;, met het gewichtige onderscheid, dat de

Conversio Pauli 1476 een in hel ongelijk gestelde weigerde borg te stellen, dat hij zich aan het vonnis zou onderwerpen, en op den Raad van den bisschop appelleerde, „hebben die schout ende scepenen hem een luttel tyts in absencien van beyden parthyen beraden.quot; Doch het eind was toch , dat men do stedelijke voorrechten handhaafde en den weigerende gevangen hield.

1) Kenmerkend is het, dat het zooveel jongere en meer aangevochtene ambt der libel-meesters behouden bleef. De Bourgondiër, hoewel zelf kerkvorst, zal voor de usurpation van het geestelijke gerecht, dat de rechtspraak mede hielp in verwarring brengen, niet veel sympathie gehad hebben!

2) Raads dag. boek. Woensd. na Sym. en Jude 1476.

3) Raads dag. boek 1. c.

8

-ocr page 134-

/

ii4

vieren de misdadigers niet moesten terechtstellen voor den raad, maar voor „zijnre Genaden scout ende scepenen van Utrecht.quot; De schout was ditmaal geen lid der commissie, doch deze was aan zijne bevelen gebonden. Verzet tegen de vieren werd gestraft met verlies van lijf en goed; weigering om in geval van nood hulp aan hen te verleenen met strenge straf „na gclegentheit der zaken \').quot;

Reeds spoedig na hare instelling blijkt de nieuwe commissie in functie getreden te zijn: op Vrydag na Andree (2 December) 1474 werd naast het Raads dagelijksch bock, dat van ouds de raadsvonnissen bevatte, een ander register aangelegd, „daerin men scriven zei alle slitingen ende overdrachten tusschen parthyen ende anders, dacr broeken aen hangenen dit reg\'ister werd „begonnen voer den schout ende scepenen tUfrecht in der scepenen cameren.quot; Met do rechtspraak was ook een deel der voordeden daarvan verloren gegaan: „alle broiken, die die scepenen in der tyt sliten zeilen, zeilen wezen dat dardendeel tot myns heren behoif van Utrecht ende die twee dele totter stadt behoiff 1).quot;

Uit dit alles blijkt overtuigend, wat er geschied is: de rechtspraak „van broekenquot;, de crimineele jurisdictie, is bij do schepenbank teruggekeerd. De inhoud van het register bevestigt deze conclusie volkomen; want wij lezen daarin vonnissen over geheel dergelijke zaken, als wij vroeger in het Raads dagelijkschc bock opgeteekend vonden: moord, verkrachting, diefstal, braak, geweld, terughouden van eens anders goed, laster, valsch getuigenis, bedrog, kwaadwillige verlating, weigering om zijne vrouw in huis te nemen enz. Schout en schepenen „wyzenquot; doodvonnissen, veroordeelen tot de kaak, gecseling, verbanning, gevangenis, geld- en steenboeten, schadevergoeding, vergiffenis vragen, oervede doen; zij sluiten transactiën over breuken en keuren enz. Ook het rechten over vredebraak, van ouds het onbetwiste rechtsgebied van den raad, is aan de schepenbank gekomen \'\'l;

1

Zie dit een en ander op het titelblad van liet bedoelde register (loopende over 1474—1477) in het Stads-archief.

-ocr page 135-

11.5

schout en schepenen laten personen zich „verwilcoerenquot; op hun lijf of „by zwaerre correxy tottes gherechts goetdoncken Nog meer! Er wordt soms vonnis gewezen van keuren (vechterij, verwonding, mishandeling, huiszoeking, het dragen van messen, ontduiking der lakenkeuren, „aensterken van trouwe,quot; houden van dobbelschool of ondeugdelijke herberg, scheldwoorden -)), zoodat zelfs deze lagere crimineele rechtspraak niet meer het uitsluitend domein van den raad schijnt te zijn.

Wel was dc overwinning niet volkomen. Zooals bij eene plotselinge reactie tegen eeuwenoude gewoonten te verwachten was, treft men vele anomaliën aan. Het Raads dagelijksche boek bevat, als vroeger, vonnissen, en wel nu en dan in zaken van geheel denzelfden aard als tegelijkertijd door de schepenbank berecht worden \'). Civile „wilkoerenquot; worden nogquot; voor beide colleges gedaan met machtigingen (procuration) is hot niet anders •\'\'•). Doch de eerste stap is gezet, de traditie is gebroken; het valt niet te betwijfelen: als de nieuwe toestand tijd heeft om zich te bevestigen, zal dc bisschop zijne zaak gewonnen en het raadsrecht voor goed vernietigd hebben.

1) Zie het bedoelde register passim.

2) Vlg. het bedoelde register op Vryd. na Jubilate 1475\'. A heeft 13 geslagen, omdat B aan A „horen man hoer tonbruyek gemaictquot; heeft. Het vonnis luidt: A verbeurt „voer hoeren koerenquot; (de veehtkeuren) 5000 steenen en 4 ff; B zal evenveel geven „ter bcteringequot;. (voor haar misdrijf; omdat zij A „daertoe brochte dat zy hoer sloech.\' ) Manend, na Viti 1475: vonnis tegen H, die „voer broeken ende koeren beelaicht endc besproken was voer den schout ende seepenen ende voer den koermeysteren.quot;

3) Een sterksprekend voorbeeld is het volgende. Willem Houtappel, die geen burger was, had eenen anderen niet-burger vermoord. Op verzoek van den bisschop wordt hij alsnog burger gemaakt (!) en „doet na borgerrechte(d. i. geeft zich gevangen tot hij berg gesteld heeft.) Dit komt voor in het Raads dag. boek (Maend. na Reminiscere 1475); in het bedoelde schepenregister (Maend. na Ambr. 1475) leest men nu: W. Tl. heeft gevangen gezeten en borggesteld voor de betering aan. partij en de betaling zijner breuken. De schepenbank „slijtquot; nu, dat hij vergiffenis zal vragen aan het gerecht en 25000 steenen zal betalen. — Daarentegen vindt men in het Raads dag. boek (Woensd. na Letare 1475) ecn geheel dergelijk geval. Jan Van Coesveld heeft wegens moord op een niet-burger gevangen gezeten. Dc raad „slijtquot; nu, dat hij zal borgstellen voor betering en broeken , vergiffenis vragen aan den raad en 20000 steenen betalen. — Vreemd is ook het volgende vonnis. (Schepenb. Vryd. na Marg. 1475): A wordt door schepenen eeuwig uit de stad gebannen wegens „ontamelike woirden tieghens tverbot van den raide.quot; Dus de raad verbood, doch schepenen straften de overtreding van het verbod!

4) Zie b. v. Raads dag. boek. Woensd. na Laet, 1475, en: Schepenb. Maend. na Invoc. I475\' (Beide malen betalingsbeloften van eenige oude schilden aan het kapittel van St. Marie.)

5) Het stellen van mombers over weeskinderen bleef bij den raad. (Vryd. na Ponciani 1476: vonnis, dat iemand zal rekening doen aan de mombers van een weeskind, „van den raide gheordineert na den rechte ende gewoonten der stat.quot;\')

-ocr page 136-

11 ()

Maar dit is het geval niet geweest: op Dinsdag na Remi-niscere (4 Maart) 1477, eindigt hot register plotseling on het is sedert niet meer vervolgd. En geen wonder! cr was intusschen iets geschied, dat het zoo g-oed aangevatte plan plotseling deed mislukken.

Den 5 Januari 1477 sneuvelde hertog Karei do Stoute bij Nancy. Zijne jeugdige dochter Maria erfde al zijne hertogdommen en graafschappen; maar met deze bezittingen verkreeg zij niet haars vaders macht. Allerwege begon de reactie tegen de Bourgondische centralisatie. Te Utrecht niet minder dan in Maria\'s eigene landen: onmiddellijk bleek het, dat de stad haren „gonadigen heerequot; niet meer ontzag dan zijne voorgangers, doch dat zij slechts gebogen had voor de ijzeren vuist van zijnen broeder Karei. Aanvankelijk geloofde men niet aan \'s hertogs dood \'); maar nauwelijks was de blijde tijding zekerheid geworden, of de raad van Utrecht begon het verzet.

Men deed dit op de allereenvoudigste wijze. Op Dinsdag na Quasimodo (volgens het raadsboek 23 April) 1477 staat in het resolutieboek aangeteekend: „Heeft die rait van der stadt eens deels van hoeren ouden rechten ende heerkomen weder aenge-nomen, ende die oversten in der tijt hebben die vive geset na der ouder gewoonten.quot; Op de lijst der ambtenaren in het Raads dagelijksch boek werden de vijven bijgeschreven: het raadsrecht was herleefd \'1). Weldra werd het verzet tegen den bisschop algemeen in het Sticht: „Sonnendach op St. Pancrasdachquot; (lees: voor St. Pancrasdach, d. i. 11 Mei) heeft de raad „belieft ende geconsonteert te schicken by mynen heere van Utrecht mitter ecclesien ende ridderscap, van gebreken, tusschen mynen heere ende der ecclesien, ridderscap ende onser stadt wezende, ruerende van onsen privilegiën, rechten ende ouden heerkomen ■\'v).quot; Op Vrijdag voor Pinxteren (23 Mei) leest men eene derde aanteekening in het raadsboek „Die ghemeyne raide, aennemende weder onse oude gewoen-ten ende heerkomen, hebben gekoeren Peter van 7.u\\cn voer

1

Ook de quaestie van liet hof van appèl (de raad van der scliive) kwam dadelijk ter sprake: Maandag na Petri en Panli (30 Juni) 1477 verbood de raad, „dat niemant van den borgeren ende ondersaten tot Wijek en reyse op myns heren rechtdach by zwaerc eorreexy tottes raits goitduncken.quot; (Raads dag. boek. 1. e.)

-ocr page 137-

117

enen soepen in die stede van Henric van Nyvelt zaliger gedachten. Ende Peter voerseyt heeft terstont zynen eedt gcdaen in tiegenwoerdicheyt van den raide na der ouder gewoenten.quot; Eene vierde aanteekening volgt op Vrijdag na de Octave van het H. Sacrament (13 Juni) 1477: „Hebben die raide out ende nye weder aengenomen hoere oude heerkomen van der kyesinge scepenen, raide ende oudermans, die n:i der ouder ghewoenten niet gekoeren en zyn.quot; En dan volgt het verhaal , hoe de vier oversten, die allen volgens de oude rechten onbevoegd waren tot hun ambt, afgezet werden, en hoe / de raad, thans op wettige wijze samengesteld, twaalf nieuwe schepenen koos, die dadelijk den eed aan de stad deden \'), Ook de magistraatsbestelling was heroverd.

Bisschop David schijnt tot dusverre lijdelijk toegezien te hebben. Thans echter deed zich eene moeielijkheid voor: de nieuwe schepenen moesten ook door den bisschop beëedigd worden. De raad schuwde den strijd niet: den iiclcn Juni gaf hij den bisschop eenvoudig kennis van het gebeurde met een beroep op de oude rechten der stad, „Alzoe uwe forstelike Gnaden,quot; dus luidt de brief, „ons alle onse brieve, diet ghe-meyn rueren, privilegiën, rechten, wilkoeren ende koeren, die wy hebben of verkregen hebben van keyseren, van Roem-schen koningen ende van bisscoppen tUtrecht, uwer Gnaden voirvaderen, zoe wy zy geweest hebben, ende alle onse oude heerkomen, die wy by uwer Gnaden voirvaderen ende by onser ouder tijden haertoe gebracht hebben, gheconfirmiert, vast ende stade geloift hebben te houden zonder enige woder-woerde ofte werken mit goden trouwen, gelyck dat claerliken blyct in uwer Gnaden bezegelden brieve, ons daervan gegeven, na den innehouden der copiën, in dezen onsen beslotenen brief gheleyt, welke onse rechten ende oude heerkomen etc. ene wyle tyts herwerts niet onderhouden en zyn noch hoeren voirtgang gehadt en hebben moigen, als kenliken ende open-baer is, soe ist, gnedige lieve heere, dat wy om alles besten wille ende zonderlingen om ruste ende vrede alhyr onder den

1) Het moet erkend worden , dat men daarbij met zeer veel gematigdheid te werk ging. Drie der afgezette oversten toch werden respectivelijk tot raadsleden en tot schepenen benoemd, en 10 der 12 schepenen werden herkozen. Alleen éen der schepenen en de schepenburgemeester, die „van mynen here van Utrecht scepenen-borgermeyster gezetquot; cn tegelijk \'s bisschops raad geweest was (cf. Roese. CCXVJ), werden uitgezonderd.

-ocr page 138-

i i 8

gumeyncn volke tc moigen onderhouden, die voerseyde ousc rechten, oude heerkomen etc. weder aengenomen ende aen-getast hebben, dyer weder te gebruken als wy voir dezer tyde geplogen hebben te doen, ende uut crachte ende ver-moigen van dien onsen rait, scepenen ende overste gekoeren ende gheordiniert. Ende wanttan diezelve scepenen uwer Gnaden ghenen eedt gedaen en hebben na behocren, ende wy alhyr niemant en weten, dien zylude van uwer Gnaden wogen hoiren geboirlike eede doen moigen, dairom dat scepe-nenrecht nederleyt ende niet en mach ghehouden werden, waerby wy ende dat getneyne volck, beyde gheestelick ende weerlick, alzoe wel die van buten of van binnen dezer uwer gnaden stat zyn, zeer behindert, beschedicht ende ver-aftert zyn ende hoe langer zoe meer behindert, beschedicht ende veraftert zullen werden, indyen uwe Gnaden zulex niet en verhueden, bidden hyrom, zoe wy oitmoidelycste ende dyenstelycxste konnon ende moigen, uwe forstelike Gnaden, dattet denzelven believen wil, die voerseyde scepenen alhyr tc doen eeden ende recht te laten g-lieschien na onsen rechten ende ouden heerkomen voerscreven, int twelck ons ende den ghemeynen volke zeer danclike, dycnstelike ende oerberlike doen zullen uwe Gnaden.quot; \') Het antwoord van den bisschop liet zich niet wachten: reeds „opten XIIIlen dach in Junio ontfenghen die raide oudt ende nywe antwoerde van mynen heere van Utrecht merende van den scepenen te eeden.quot; De inhoud van dit schrijven was echter niet zeer bevredigend; de bisschop beweerde, „dat die oversten ende scepenen te voeren niet in verminringe der rechten, privilegiën ofte anders, mor by gemeynen believe ende consent gestalt waeren daarmede denkelijk zinspelende op een raadsbesluit, dat hij in gelukkiger tijden had weten te verkrijgen.

De raad antwoordde niet dadelijk, maar benoemde eene commissie ,,om over te zien onse rechten ende oude heer-komen, merende van den sceponen te eeden.quot; Twee nieuwe besluiten, die eerlang genomen werden, bewezen, dat de reactie onderwijl niet stil zat. Saterdag na Translatie Martini (5 Juli) besloot men, dat de „tabbarden weder ofquot; zouden

1) Brievenboek der stad Utrecht ad 11 Juni 1477. (Stads-arehief.)

2) Raads dag. boek. Saterd. na Odulfi 1477.

3) Antw. v. d. raad dd. 22 Juli 1477, in het Brievenboek. (Stads-areh.)

-ocr page 139-

T IQ

zijn en dat de vier oversten als voorheen zilveren kovels /ouden dragen „in die eere van dor stadtquot; \'), en Saterdag-na Sacramenti (7 Juni) nam men een gewichtiger besluit: ,,Die raide out ende nywe (syn) overgecomen, dat die schive (het door bisschop David ingestelde hof van appèl) of wezen zall.quot; Ondertusschen „lach het scepcnrecht nederquot; (d. i. er werd geen schepenrecht gehouden), omdat er geene wettige oordeelvinders waren. Op Sonnendach na Arnolfi (20 Juli) besloot dan ook de raad, „dat men noch eens scriven zei mynen genedigen heer van Utrecht merende van den scepenenrechte.quot; Deze brief (van 22 Juli) was minder kalm gesteld dan de vorige: men stelde den bisschop een ultimatum. ,,Wy begeren uwen Gnaden dyenstelike te weten, ende int welnemen van uwen Gnaden ende zonder storing-c van dien,quot; dus heette het, „dat wy niet en weten noch ons kenliken is enigen consent ofte believinge na onsen rechten ende gewoenten daertoe (d. i. tot de onwettige magistraatsverkiezing) gedaen te hebben; mer hebben dat moeten gehengen ende lyden, als uwe Gnaden beth weten dan wy gescrieven konnen. Doch, gnedige lieve heere, dat overgestelt; want wy niet en begeren dan alle tgoent te doen uwen forsteliken Gnaden, dat goede ondersaten hoeren rechten lantsheere schul-dich zijn te doen, meer ende niet min, ende oick onse rechten ende oude heerkomen, g\'elyck clie ons van uwen Gnaden geconfermiert zyn als voerscreven staedt, gheerne onderhouden ende achtervolgen zouden, om rust ende vrede onder den ghemeynen volke alhyr te moigen staende houden. Soe ist dat wy noch anderwerve, zoe wy alre-oitmoidelycste ende dyenstelycste konnen ende moigen, bidden uwe forstelike moigentheyden, dattet denzelvcn gheweerdigen ende believen wil, die scepenen alhyr te doen eeden ende recht te laten geschien na onsen rechten ende ouden heerkomen. Want, gnedige lieve heere, indien dat alzoe niet gheschien en soude moigen, dos wy doch aen uwen goeclortierenheyden ende gnaden niet en vermeiden, alsdan zuilewij zonder twyvel

1) Ook Karei V verbood dadelijk liet dragen dier kovels (roode kragen met zilveren bellen). (Hortensius , Secess. eiv. p. 180.) Hortensius brengt deze zeer zeker ten onrechte met de gewaande „Romana libertasquot; der stad in verband; doch „libertatis insigniaquot; schijnen de kovels blijkens het in den tekst vermelde wèl geweest te zijn. Er zijn er, die beweren dat bellen zinnebeelden van hooge heerlijkheid zijn.

-ocr page 140-

I 20

yenoidicht oude bedwongen werden zulken rait ende voersien dairop te hebben, l)y alzoe dat die scepencn gheëedt ende recht gehouden moigen werden, als dat na onsen rechten, privilegiën ende ouden heerkomen dan geboeren zal, twelck ons alsdan niet verkieren noch onvruntlich afnemen en willen die voerseyde uwe forstelike Gnaden Een paar dagen wachtte men op antwoord; daarna deed men wat reeds het besluit van 14 Juni deed voorzien. Des Donredages na Arnulfi (24 Juli) 1477 „hebben rait out ende nywe overdragen, dat onse scepenborgermeyster die scepenen eeden zei ende recht houden, na den innehouden van onsen privilegiën, ons gegeven van bisscop Jan van Vyrneborch.quot;

De raad bleef hiermede geheel op het wettige terrein: bisschop Jan Van Vernenburg toch had (1366) den schepenburgemeester dit recht gegeven, wanneer een maand lang het schoutambt niet door den bisschop bezet was of de schepenen niet in den eed genomen waren -). De sellout nu, Gerrit Van den Rijn, word wel eerst 28 Juli (dus twee dagen na het besluit van den raad) met zeven andere personen „versocht uut der stad te bliven voor een tyde om alles besten wille doch de schepenen waren sedert 13 Juni, dus langer dan eene maand geleden, door den raad benoemd en nog steeds niet beëedigd. Inderdaad was dus aanwezig het door het privilegie voorziene geval, dat door toedoen van den bisschop de schepenbank eene maand lang niet. behoorlijk bezet was. De bisschop begreep dan ook, dat de raad denkelijk ook zonder zijne medewerking wel op den ingeslagen weg zou voortgaan. Zoodoende kon een bedenkelijk precedent gesteld worden, en het zou te bezien staan, of de schout ooit weder zijne oude plaats zou innemen. Er viel niet te kiezen: de bisschop boog het hoofd. Op Woensdach na St. Pantaleon (30 Juli) heeft de raad de „dedinge ende tractaetequot; tusschen den bisschop en de drie staten „merende die onderhoudinge van den lantrechte, privilegiën, rechten, gewoenten ende ouden heerkomen,quot; „belieft ende aengenomenquot;, en dadelijk daarop trad de schepen-

1) Brief v. cl. raad dd. 22 Juli 1477 in het Brievenboek der stad. (Stads-arch.)

2) Zie hiervoor p. 45.

3) Van de Water, Place. Ill p. 215. — Op 24 Juli vindt men in het Raads dag. boek aangeteekend, dat de gilden gaarne zouden zien, dat acht raden van den bisschop verbannen werden.

-ocr page 141-

I 2 I

burgemeester, iui enkele dagen in functie geweest to zijn, als schout weder :if, waarna de nieuwe schout Jan Van Kunesse den eed aan den raad deed en de door den raad volgens de oude gewoonte gekozene nieuwe schepenen in \'s bisschops eed nam \').

De stad had dus overwonnen. Doch niet voor goed! lienige jaren lang had zij vrij «oei. Aartshertog Maximiliaan, Maria\'s echtgenoot, had aanvankelijk de handen vol, om in zijne eigene landen het verloren terrein te heroveren, en bisschop David heeft deze jaren zeker niet onder de aangenaamste van zijn leven geteld. Maar zoodra de aartshertog vermocht, kwam hij zijnen bloedverwant te hulp. Drie jaren lang was de stad Utrecht toen met den Oostenrijker in open oorlog, de stad werd belegerd en op 21 April 1483 deed bisschop David daar zijnen zegevierenden intocht, gesteund door Maximiliaan, zooals hij eenmaal door hertog Philips den (foede op den bisschopszetel was geplaatst. Toen was het natuurlijk uit met de herwonnen vrijheid der stad. Maximiliaan en de bisschop veranderden voor ditmaal met toestemming der gemeente den magistraat -); deze koos op zijne beurt de A oudermannen der gilden, die niet langer deel van het stedelijk bestuur uitmaakten. Wel werd dit laatste veranderd: de gilden herkregen reeds in het volgende jaar de vrije keus hunner oudermannen, die weder op het stadhuis werden toegelaten; doch de benoeming van de vier oversten, van schepenen en van raden bleef van 1484 tot 1486 bij den bisschop met de vier aftredende oversten berusten. In 1487 poogde men een erfraad (vroedschap) in te voeren, doch reeds den volgenden dag verscheen de stadhouder van Holland van we ge Maximiliaan op het stadhuis en legde eene lijst van nieuwe raden over, die door den raad „belieftquot; werd :i). In t4gi gelukte de instelling van den erfraad beter dan de eerste maal; doch na. twee jaren reeds werd die „doer voernemen van den gilden ende van de gemeentequot; \'\') en volgens sommigen

1) Raads dag. boek. Woensd. na St. Pantaleon 1477. — Van de Water, Placc. UI p. 215.

2) Volgens een vonnis van den Grooten Raad van Mechelen van 1509 (Bijclr. en meded. v. h. Hist. gen. VI p. 451) werd het traetaat op vele punten, bepaaldelijk in het niet „ver-nyeuwen van de wetquot; (d. i. de magistraat) te Utreeht, geschonden. Do stad /.011 zelfs het traetaat niet hebben bezegeld.

3) Aant. v. Dr. C. Booth. (Coll. US. v. Booth. 13 92. Prov. arch.)

4) Van de Water, Placc. Ill p. 89, 91.

-ocr page 142-

„auctoritate episcopiquot; \') weder afgeschaft. Sedert schijnt de raad weder gekozen te zijn „na ouder gewoentenquot;: bisschop David was „nimio senio confractusquot; en kindsch geworden -).

Hoe het ondertusschen met het raadsrecht gegaan is, blijkt niet. Doch zoover als bisschop David hot in zijne goede dagen gebracht had, kwam het zeker niet weder: zelfs Maximiliaan schijnt dit niet gewaagd te hobben. Davids opvolger Frederik Van Baden moest het beleven (1503), dat de raad den schout bij vonnis deed gevangen zetten wegens een geschil, dat hij met schepenen had „berorende unse schultampt ende omme trecht in eren te holden,quot; dus zeker over de rechten van zijn ambt 1). Bisschop Frederik beleefde van zijn bisdom zoo weinig genoegen, dat ook hij weder aan abdicatie dacht \'\'). Het was de tijd van den strijd der Oostenrijkers met Karei van Gelder, en het bisdom, ingesloten tusschen de erflanden der beide mededingers, werd voortdurend in den twist betrokken. Ook de volgende bisschop, de admiraal Philips Van Bourgondië, ondervond dit. Hij was zoo verre van de macht, die zijn broeder David vroeger bezeten had, dat hij eenmaal (1520) den raad „heeft doen begheren, dat hy in synre Genaden heerlicheyt nyet tasten en soude, gelyck syn Genade in der stadt bcwynt doen en woude En sedert zijn dood (1525) ging het van kwaad tot erger Bisschop Hendrik Van Beyeren heeft gedurende zijn driejarig bestuur geen rustig oogenblik gekend. De stad Utrecht, steeds in verstandhouding mot don Gelderschen hertog, was in gedurig verzet; Overijssel werd door de Gelderschen afgeloopen; de Oostenrijkers intrigeerden tegen den bisschop, en eerlang was deze het spel moede. In 1528 volvoerde hij, wat reeds zoovelen zijner voorgangers beproefd hadden: hij deed afstand, en met \'s pausen goedkeuring werd het wereldlijk gezag over het geheele bisdom aan Karei V overgedragen.

Toon was de stedelijke zelfstandigheid voor goed gebroken. Met één slag vernietigde keizer Karei het ingewikkelde

1

Zie hiervoor p. 42 Noot 6.

-ocr page 143-

\'23

samenstel van rechten en gewoonten, dat de Utrechtsche magistraat in den loop van twee en een halve eeuw moeitevol opgetrokken had en waarachter hij zich tegen zijnen heer had verschanst. Reeds in hetzelfde jaar, waarin de keizer het gezag in handen had gekregen, werd door zijnen stadhouder, den graaf Van Hoochstraten, een voorloopig regeerings-reglement afgekondigd, dat een g-chccl nieuwen toestand schiep.

Allereerst werden de onrustige gilden tot gewone bedrijfs-corporatiën verlaagd. Geene oudermannen in den raad, geene leden van gilden dan neringdoenden, geene vergaderingen^ van gilden zonder verlof van de overheid en buiten tegenwoordigheid van eenen regeeringscommissaris \'). — Dan werd de zelfstandigheid van den raad besnoeid. Do magistraat werd door den keizer benoemd. Dc schout had zitting\' in den raad. Het dagelijksch bestuur berustte feitelijk bij don schout, de burgemeesters en de schepenen. De raad had zich alleen in te laten met zaken, die „policien, neringen ende welvaert der stadtquot; betroffen. Hij geeft geen geleide en opent geene brieven van vreemde vorsten zonder den stadhouder — Eindelijk gold hot de rechtspraak van raad en oudermannen. De vijven zijn afgeschaft, de keurmeesters stilzwijgend ter A zijde gesteld. De libelmeesters blijven behouden; doch zij worden gekozen uit de schepenen en moeten hunne zaken bij het gerecht aanbrengen :l). De geheele rechtspraak in haar vollen omvang behoort aan de schepenbank. Dc schout vangt misdadigers, stelt ze terecht en executeert d,e vonnissen; alle boeten behooren den schout r\').

Van de „drie rechtenquot; der stad Utrecht bleef dus niets

1) Ordonn. v. 1528 (R. v. U. II p. 305) art. 2, 3.

2) Ord. v. 1528/30 (R. v. U. II p. 305) art. 4, 14, 30, 33. — Vgl. Ord. 1550. I. 24.

3) Sedert 1530 komen de libelmeesters evenwel niet meer voor. (Van de Water, i\'laee. III p. 244.) Natuurlijk! want de instruetie voor het Hof van Utrecht van dat jaar (1. e. II p. 957) had bij art. 25 verboden, „actiën personeel, die bedragen tot merkelike somme van penningen,quot; elders aanhangig te maken dan voor het Hof óf voor hel lage gerecht, waar de gedaagde woonachtig was. Wij weten, dat de remissio libelli juist alleen in zaken, die groote geldsommen betroffen , geoorloofd was. Er was dus daarvoor sedert 1530 geene aanleiding meer.

4) Bij art. 31 der Ordonnantie van 1530 werd echter van boeten uit misbruiken in de accijnsen , politie van de stad en keuren de helft aan de stad toegewezen.

5) Ord. 1528 (R. v. U. II p. 305) art. 5, 6, 8, 10.

-ocr page 144-

«I

124

over \'): het .schepenrecht luid alles geabsorbeerd. Slechts eene herinnering aan de vroegere toestanden bleef bestaan in de overgangsbepalingen , voor de rechtspraak vastgesteld. De ordonnantiën spraken nog van „sraeds recht opt raedthuys by den scepenen gehouden -)quot; en wezen den Maandag en Woensdag aan uitsluitend voor de berechting door schepenen ten stadhuize „van alle criminelen ende anderen zaicken, die men aldair (ten stadhuize, dus voor den raad) van outs gewoon 1 iele is te berechten,quot; terwijl het oude schepenrecht gehouden werd des Dinsdags en Donderdags, nadat daags te voren eene terechtzitting ten stadhuize den gewonen „omme-ganckquot; voor de panding vervangen had \'\'). Het oudermans-recht werd aanvankelijk tweemaal \'s weeks voor drie schepenen gehouden, later voor schout en schepenen r\'). De raad ver-g\'aderde alle Woensdagen quot;). Sedert de definitive ordonnantie van 1550 waren echter ook deze ongelijkmatigheden, die alleen historisch belang hadden, verdwenen 7), en kende men slechts twee bijeenkomsten: de raadsvergadering op Maandag, den rechtdag op Dinsdag.

Dit waren de hoofdtrekken der regeling. Daarbij kwamen echter verschillende bepalingen over details, die ons van weinig belang schijnen, doch die den Utrechtenaar, als herinneringen aan den eeuwenouden strijd met den bisschop over deze onderwerpen, pijnlijk moesten aandoen. Alle twijfelachtige punten waren in het nadeel der stad beslist, en zelfs rechten, die door een eeuwenoud bezit onaantastbaar schenen, waren verbeurd verklaard. Zoo werd het vredebieden (onder

-ocr page 145-

125

een andoren naam) aan clan schout opg-edrag\'on \'); de schout zou een vasten substituut aanstellen en bij ontstentenis 7xlJ eenen plaatsvervanger benoemen, altijd uit do burgemeesters of schepenen -); de schout mocht bij het beraad der schepenen tegenwoordig zijn :i). Alles bepalingen, die bewijzen, dat de stadhouder bij het opstellen zijner provisioneele ordonnantie bijgestaan is door personen, die het terrein goed kenden en hem op de punten, waar gevaar voor het landsbestuur dreigde, opmerkzaam maakten.

Zóó durfde keizer Karei reeds dadelijk optreden tegen de stad, die geen der bisschoppen op den duur had kunnen bedwingen. De Utrechtenaars verzetten zich niet tegen de voorloopige ordonnantiën op bestuur en rechtspraak van 1530 en 1532. Zij hielden zich stil, toen het definitive uitvoerige regeerings-reglement van 1550 den toestand voor meer dan twee eeuwen bestendigde. Wat zou hun protest ook gebaat hebben? De allereerste bepaling, die de graaf Van Hooch-straten had laten afkondigen, luidde: „Eerst die lieutenant van den stadthouder zal die bewaernisse ende toesicht hebben van den stadtsloetelen, poorten ende toernen, tregiment van ruyteren ende knechten, ende van als, dat daertoe dienen sail\'1).quot; Zoo waren de burgers in de banden van den heerscher: een opstand was tegenover de macht zijner wereldmonarcbie ondenkbaar. Dat begrepen ook de Utrechtenaars: terecht staat bij de aanstelling van een nieuw stedelijk bestuur dooiden stadhouder in het notulenboek van den raad aangeteekend:

,,Dic mes, stock , wapen noch duvel en ontsaeghen ,

Die hebben nochtans tgesichte van den keyscr verdraeghen r\').quot;

1

Ord. 1530. art. 23.

-ocr page 146-

HOOFDSTUK III. Omvang van het raadsrecht.

§ I. BEVOEGDHEID VAN DEN RAAD IN CRIMINEELE ZAKEN.

Uit het in het vorige hoofdstuk gogevene overzicht van de ontwikkeling van het raadsrecht bleek ons reeds, dat de crimi-ncele rechtspraak daarvan verreweg het belangrijkste onderdeel uitmaakte. Deze gevolgtrekking wordt volkomen bevestigd door do lijsten van de zaken , die tot \'s raads competentie behoorden. Doch voordat wij deze behandelen, moeten wij onze aandacht wijden aan het minst belangrijke onderdeel der crimi-neele rechtspraak, dat zonder twijfel de kern is geweest, waaruit het raadsrecht zich ontwikkeld heeft: de rechtspraak over delicten, waartegen bij keuren of raadsbesluiten boeten bedreigd waren. Eene definitie van \'s raads bevoegdheid bij deze overtredingen is bij het stilzwijgen der bronnen moeielijk, omdat die bevoegdheid uit den aard der zaak niet streng begrensd was.

Wij vernamen boven, dat reeds een handvest van keizer Frederik I voor Lübeck de bepaling bevatte; „omnia civitatis decreta (kore) consules judicabunt.quot; De Utrechtsche rechtsboeken bevatten eene zoo duidelijke bepaling niet; doch in het Scepeneboeck, (Uit nagenoeg dezelfde kracht bezat als de wetboeken, lezen wij in eene dingtaal, die door het daarop gevolgde schepenvonnis bekrachtigd werd, de stellige bewering: „wil hem yemant mit composicien of overdrachten van don rade verantwoorden of behelpen, dat is hy sculdich

-ocr page 147-

Ï27

te soeken voor don rade Te Utreclit gold dus, althans in civilibus, hetzelfde beginsel als te Lübeck: de raad heeft te zorgen, dat de door hem vastgestelde wetten en verordeningen uitgevoerd worden. Trouwens dit spreekt eigenlijk van zelf: stond eenmaal het recht, om keuren te maken, vast, dan scheen het natuurlijk, dat wie het recht had straf te bedreigen , ook het recht had de straf toe te passen; zonder deze laatste bevoegdheid ware het eerste recht nutteloos geweest. Wanneer dit beginsel eenmaal erkend was, dan had de raad het natuurlijk in zijne macht, door het maken van nieuwe keuren zijn rechtsgebied voortdurend uit te breiden. Werkelijk deed hij dat (o. a. door liet straffen van woeker, overspel enz.), en langzamerhand was dan ook het geheele raadsrecht in zijn vollen omvang onder de rechtspraak „van keurenquot; begrepen \'1). Doch het Utrechtsche spraakgebruik vatte het woord raadsrecht in meer beperkten zin op: wij moeten dus don kring der daarnaast bestaande rechtspraak „ van keurenquot; nauwer trekken. Wellicht vinden wij daarbij een goeden wegwijzer in don latercn toestand, geschapen door Karei V, die wel geheel met do historische ontwikkeling brak, doch (zooals wij zagen) niet dadelijk bij machte was, eeno geheel nieuwe regeling door te drijven, waardoor alle oude afscheidingen vervielen. Wij merken dan op, dat do keizer tot het speciale terrein van den raad bracht do zaken „concernerende die; policien, neringen off incommen van der stadt :i).quot; En do berechting van quaestiën, die met deze onderwerpen in verband stonden, zou volgens \'s keizers voorschriften op eeno bizondere wijze plaats hebben; dergelijke zaken worden behandeld met dwarsnachtrecht d. i. op korten termijn (als zij/\'3. niet te boven gingen), terwijl de burgemeesters conclusie namen en de helft dor boeten aan de stad verviel. De bedoelde zaken worden gedofiniëerd als: „commondo vuut mis-bruuck (of „fraudenquot;) gobosicht in den excijsen off ander stadts-goodon ende incommenquot;, „ruerendo ambachtsneeringc en „roerende policien van der stadt ende kuoren van dien;quot; allen te zamen worden begrepen onder don term „saken daorup

1

Keitel ijk schijnt het zoo ook te Dortmund gegaan lo zijn. (FrensdorfF, Dortin. Statuten. p. LXVIII.)

-ocr page 148-

I 28

bij den rade eenigc penen genrdonneert zijn Wij herinneren daarbij aan eene bepaalde categorie van zaken , dio Karei V eveneens, door het eeuwenoude gebruik gedwongen, in een afzonderlijk hoofdstuk van zijn regeeringsreglement \'1) beschreef en waarvoor de schout dan ook nog na 1550 een afzonderlijk register aanlegde*): de „vechtkeurenquot; of boeten op straatgevechten.

Van de competentie des raads bij al deze onderwerpen vinden wij reeds in het oudste rechtsboek, bet Liber albus, de duidelijke bewijzen. Over het „misbruuck gebesicht in den excijsenquot;, bepaalt het , dat bij wanbetaling van den wijnsijs de nalatige, op klacht van den „sijsmeysterquot;, eiken dag een pond boete zal betalen. Wol zegt de tekst niet bepaald, dat hierbij de raad als rechter optreden zal, doch de geheele inhoud der keur schijnt dit te onderstellen quot;); liet verdient echter opmerking , dat de raad zich nng van twee schepenen voor het inmanen der boeten moet bedienen. Het Liber hirsutus minor (1374) breidt deze bevoegdheid van den raad zeer uit door hem de reclit-spraak toe te kennen bij ontduiking van don molensijs, wantsijs, merssijs, zeesijs en grawerkersijs n); de bottersijs en houtsijs volgden in 1376 2); van den bieraccijns wordt eerst in 13132 hetzelfde gezegd quot;), doch hij maakte denkelijk reeds vroeger geene uitzondering. Quaesties , door den sijsmeester bij den raad aangebracht, komen dan ook in het Raads dagelijksche boek tallooze malen voor, en de stad Utrecht heeft steeds beweerd, dat dergelijke zaken tot hare uitsluitende competentie behoorden.

De berechting van zaken „merende ambachtsneeringequot; behoorde almede tot de oudste bevoegdheden van den raad. De rechtspraak over maat en gewicht, marktpolitie en toezicht op de levensmiddelen vormen bijna overal liet uitsluitende domein van den raad. Te Utrecht was het niet an-

1

R. v. U. II p. 310 § 17 , 313 § 31, 377 § 17.

2

Roese. XXI. t , 2.

-ocr page 149-

I 2g

ders. Reeds het I.ibcr albus bepaalde, dat „tghewichte ente elnc ente reep ente matequot; onder de burgemeesters zouden berusten \'); het bedreigde straf tegen degenen, die te kleine baksteenen vormden *), en strafte de zoutkoopcrs, die zich niet aan de uitspraak der makelaars van het zout hielden •quot;■), Omstreeks 1390 werd eene regeling van de waag gemaakt, waarbij verschillende keuren bedreigd werden, die zeer waarschijnlijk op klacht van de waagmeesters door den raad berecht werden 1). Ook tegen het verkoopen van waren boven dooide stad vastgestelde prijzen werd straf bedreigd r\'), en de geheele materie van den „voercoopquot; behoort tot dit onderwerp n). De besluiten, waarbij de raad straf bedreigt tegen het verkoopen van slechte waren, bepaaldelijk van slechte levensmiddelen, zijn in onze rechtsboeken talloos: ik noem slechts die op den wijn, hot brood, de kalk en de wol 2).

Eindelijk de „boeten ende breucken roerende policicn van der stadt ende kueren van dienquot;. Onder dezen algemeenen term is natuurlijk veel begrepen: elke ongehoorzaamheid aan een bevel van den raad betreffende „policicnquot;, dat onder bedreiging eener keur was uitgevaardigd. Het begrip valt nagenoeg samen met de „saken daerup by den rade eenige penen geordonneert zijn.quot; Eene definitie is natuurlijk niet te geven. De voornaamste afdeeling daarvan, de vechtkeuren („cocren van den vechtelicquot;), vullen een afzonderlijk hoofdstuk, zoowel in het Liber albus als in het Roede boeck 3). Aan de competentie des raads met betrekking tot deze keuren kan

1

L. H. XCVIII. 18. — Het bedrag der keuren is half voor de stad (L. II. XCVIII. 17), de weegmeesters „verwarenquot; ook de wijnkeuren (L. li. C. 2) en de raad „eorrigiertquot; zelfs de wegers. (L. II. XCVIII. 18.)

2

L. A. IV. (cf. L. li. XCVI.) — L. A. LXXIII. (cf. L. li. LI.) — L. A. LXXVIII. 1. ~ I- M. CX. — Roese. XXV.

3

L. A. III. — R. 1). IV. — Kerst in het Roede boeck zijn echter in dat hoofdstuk do eigenlijke vechtkeuren behoorlijk van de andere gescheiden.

-ocr page 150-

1

niet getwijfeld worden. De vechtkeuren bedreigen straf tegen het slaan, stooten, steken, verwonden of ruw aanvatten, met of zonder wapenen; ook in het water werpen („wapeldrengenquot;) en gewapend binnentreden van een huis („huyssoekinghe,quot; verbreking van den huisvrede) was strafbaar; wonden werden eerst gestraft, als zij „naghelslang ende knockelsdyepquot; waren \'). Naast de „vechtcoerenquot; bestonden nog verschillende andere: de „coeren van den wine,quot; de „dobbelcoeren,quot; de „coeren van den vredequot; enz. Steeds is daarbij rechtsgrond der strafbedreiging: ongehoorzaamheid aan het bevel van den raad. Eene bizondere, uit den aard der zaak zeer omvangrijke, categorie vormden de „koeren van versmadenisse srechts.quot; Onder dezen term verstond men de koeren, waarbij de raad of de oudermannen iemand voor zich boden -). De rechtsgrond is weder dezelfde; maar deze koeren verschillen daarin van de andere, dat zij niet bij een voorafgaand raadsbesluit bedreigd werden. Overigens zijn van denzelfden aard de boeten, op het niet-verschijnen ter raadsvergadering gesteld ^).

Zoover over de rechtspraak van den raad van keuren, liet was noodig, ze te behandelen, waar het gojd den omvang van het raadsrecht vast te stellen. Doch onze bronnen beschouwen deze jurisdictie niet als het eigenlijke raadsrecht: in de definities daarvan zoekt men de rechtspraak van keuren te vergeefs. Wellicht scheen het niet noodig ze te vermelden, wanneer men het terrein van raad en schepenbank scherp wilde begrenzen, daar de laatste er niet aan dacht, den raad deze aloude en weinig belangrijke bevoegdheid te betwisten. Vooraan in de definities staat dan ook do eigenlijke crimi-neele rechtspraak van den raad, en als de type der zaken, die tot \'s raads bevoegdheid behooren, geldt steeds de rechtspraak „van ghewelt

Wat is „geweldquot; in den zin der middeleeuwsche Utrechtsche rechtsboeken ? Wij vinden het antwoord op twee plaatsen,

1) L. A. III passim, — Bedoeld is de rechtspraak „über Blau und Blutquot; of, zooals eene aanteekening op den omslag van het Register van aanspraken voor den raad van 1492 zegt: „blaeuwen of blonden sen blosen, qui percutitur ad blaveitatem,quot;

2) R. b. II* 2,3. — Roese. L, Lil.

3) L. A. I. 1, 2. L. H. CV. 1.

4) „Iiem die raet en sell hem geenrehande saken onderwynden dan tgewelt te corrigieren. (Gildenbr. v. 1455, bij\'. Van de Water, Place. (II p. 83 art. XXIII )

-ocr page 151-

13\'

die eenstemmig twee strafbare feiten noemen, waaraan men ten dezen te denken heeft. Het zijn: iwegvoering van goed „boven pandinge ende besettinged. i. niettegenstaande er van rechtswege beslag op gelegd is. 2quot;. weigering van den pachter om het gepachte land te verlaten, nadat zijn tijd verstreken is, of verhindering op andere wijze van liet gebruik van het land door den landheer \'). Beide gevallen worden als zeer ernstig beschouwd: op beide stond de doodstraf. Doch dit neemt niet weg, dat deze twee zaken bezwaarlijk als typen beschouwd kunnen worden van de jurisdictie des raads. En inderdaad, het begrip van „geweldquot; was ruimer: wij vinden elders in onze rechtsbronnen nog verschillende andere zaken als „geweldquot; gequalificeerd, zooals: buiten- en binnen-braak met of zonder diefstal \'1), wegvoering van tienden door den tiendplichtige zonder waarschuwing- van den tiendheffer aantasting van goed vanwege bisschop of maarschalk in strijd met het landrecht \'\'), verhindering in het waarnemen van een ambt r\'), en waarschijnlijk ook het verbreken van zegels door den boedelharder quot;). Wij mogen dus aannemen, dat als „geweldquot; beschouwd werd: het plegen van feitelijkheden (bijna had ik geschreven: gewelddadigheden), waardoor inbreuk gemaakt wordt op eens anders recht.

Dat juist deze categorie van zaken uitdrukkelijk aan de berechting van den raad was voorbehouden, kan ons niet verwonderen. Immers juist bij het plegen van „geweldquot; bestond oorspronkelijk ipso facto (zelfs zonder voorafgaanden veetebrief) het recht van veete \'), en wij zagen vroeger, dat juist de afschaffing van het recht van veete het motief was tot het optreden van den raad als rechtsprekend college. Daartoe was de stadvredc ingesteld; daarom bepaalde reeds het Liber albus 11), dat de stad (d. i. de raad) den burger, tegen wien geweld gepleegd was en die zich aan do beslissing

1

Ordonnantiën op de rcgceringskeur van 1462 (art. 12, 13) en 1464 (art. 1). (Van de Water, Place. III p. 86, 88.)

-ocr page 152-

132

van den raad wilde onderwerpen (d. i. zoen wilde nemen „bi den radequot;), beschermen zou. En het verdient opmerking, dat reeds dit laatste artikel bepaaldelijk de bevoegdheid van den raad in criminalibus (die toen nog in wording was) met dit woord „gheweltquot; schijnt te willen aanduiden; immers onmiddellijk daaraan vooraf gaat een artikel, dat eigen richting verbiedt in eene andere zaak, die als de type van de bevoegdheid der schepenbank gold: de zaken „van scoude ende van scade Aan don anderen kant is het ook niet vreemd, dat zich uit het rechten van den raad „van gheweltquot; eene crimineele rechtspraak, zelfs over de zwaarste zaken, ont-wikkeld heeft; want juist die zwaarste zaken, de „ondaden worden soms door het woord „visquot; aangeduid 1).

De crimineele rechtspraak van den raad wordt in gelijktijdige stukken nog gcdefiniëerd als het „slyten (vonnis wijzen) van quade dadenquot; en het „corrigeren (straffen) van broeckige:i).quot; Trouwens deze bepalingen geven ons niet veel licht: reeds vroeger zagen wij, dat de woorden „quade dadenquot; en „broeckonquot; synonym zijn en in het algemeen misdaden aanduiden. Veel verder komen wij met eene omschrijving van \'s raads bevoegdheid, die voorkomt in een raadsbesluit van 1464 quot;); wij vinden daar genoemd, behalve de ons reeds bekende „geweltelyke sakenquot;: diefstal, moord, „ondaftenquot;, „ontamelycke dingen, woirden ofte wereken r\')quot;, valschheid, „onser stadt saken 0)quot;, „wilkoeren aen sraidts hant gedaenquot; (het ons reeds bekende „hem verwilcoeren op siin liifenz.quot;2)) en „onsedicheit, onhoesche wanderinge ende diergelycken.quot; (overspel, hoererij enz.)

Ik weet deze authentieke lijst niet beter toe te lichten en zoo noodig aan te vullen dan door eene opsomming te geven van vele door den raad berechte crimineele zaken uit de eerste en de laatste periode van het raadsrecht. Zij zijn ont-

1

Zoepfl, Deutsche Rechtsgesch. III. p. 411 Noot 9. — Dc Costumen van 1550 noemen dan ook de „erachtenquot; (geweld) en „overdadenquot; (ondaad) in een hoofdstuk. (R. v. U. II p. 402.)

2

Hieronder zijn ook begrepen de civile wilkoeren , waarover later.

-ocr page 153-

Icend aan twee onwraakbare bronnen: het register van zaken, die aan lijf en lid g\'aan, over 1315- 1403 en het register van aanspraken voor den raad over 1482 -1488.

Het oudste der beide registers bevat, onder meer, vonnissen wegens: moord, verwonding, kindermoord, mishandeling, schaking, geweld, „truwanterij,quot; „piinlicheyt,quot; brandstichting, diefstal, inbraak, het stelen van een kind, het helen van gestolen goed, valschheid, meineed, valsche getuigenis, valsche munt, vervalsching van goud, valsch spel, vervalsching van bezegelde brieven, bezegeling van valsche brieven, bigamie, overspel, kwaadwillige verlating-, verbreking van trouwbeloften, het te vondeling leggen van een kind, hoererij, „onhoesche wande-ringe,quot; koppelarij, houden van kwade herberg, bordeelhouden, tooverij, waarzeggerij, afpersing, bedrog, wanbetaling van een koopprijs, laster, beleediging. schelden, vloeken, straatschenderij, rumoer bij nacht, vechterij met wanbetaling der boete, vredebraak, dragen van scherpe wapenen, „morel-linghequot;, „tessinghequot;, het spelen van verbodene spelen, „dwaes-liken warnieren,quot; versperring van een watergang, het schrapen van laken met schraapijzers, verraad, oproer, samenspanning van handwerksgezellen, opruiing tot verzet, ongehoorzaamheid aan den raad, kwaadspreken van den raad, advies tot terugroeping van ballingen, het niet-dienen van de stad bij een beleg, het dienstnemen bij vreemde heeren, „verbodinghequot; in don oorlog, beschuldiging van den burgemeester van logen, het gaan uit de stad bij nacht, bedreiging van ambtenaren, verbreking van ban, ong-eoorloofde handelingen bij de raads-keur, het laten ontsnappen van gevangenen, verbreking van marktgeleide, het lezen eener inhibitie, slecht beheer van stadsgelden enz.

Het andere register bevat (behalve over dergelijke zaken als de bovengenoemde) aanklachten wegens: bedreiging, beleediging, verbreking van afsluiting, diefstal met geweld, beschadiging van een huis, omkooping tot meineed, eedbreuk, verontreiniging der gracht, het gewelddadigquot; aantasten van goed vóór de overdracht daarvan, wegvoering van tienden, vervreemding van goed uit eenen boedel, onbehoorlijke redenen tegen den raad, oneerlijke woorden over den Roomsch-koning, het niet-komen na opontbod door den burgemeester, onrechtmatige aanklacht voor het geestelijke gerecht, het aanspreken van een medeburger voor het gerecht van Kampen, geld-

-ocr page 154-

134

wisselen door onbcëedigde personen, ontduiking van den bieraccijns enz. \')

Verreweg de meeste der hier genoemde misdrijven zijn in de categoriën, door de ordonnantie van 1464 gesteld, te brengen; enkele vallen daaronder evenwel niet. Bovendien zou het niet moeielijk zijn, de lijst der misdrijven uit het Raads dagelijksche bock nog belangrijk te vermeerderen, en zonder twijfel zouden vele dier misdrijven niet juist in het kader van 1464 passen. En natuurlijk! volkomen juiste definities zoeke men in middeleeuwsche rechtsbronnen niet, vooral niet over toestanden, zoo onzeker als die der Utrechtsche rechtsbedeeling, het product eener langzame usurpatie. De raad zelf was soms onzeker over zijne bevoegdheid: op Manendach na Andree 1477 werd voor den raad een eisch aangebracht door twee broeders vf.n eenen vermoorde tegen de weduwe van den moordenaar over de betaling der zoengelden: „die rait heeft daertoe ghe-schickt, of deze zake van des raits heivynde is, A ende B.quot;

Doch men moge over speciale gevallen getwijfeld hebben, over het algemeen was het geenszins onzeker, dat de raad competent was in alle crimineele zaken. Dit is zóó waar, dat het crimineele rechtsgebied zelfs in 1455 eenvoudig beschreven werd als „die saken den rade aandragendequot; 1). Een nog sterker bewijs, dat de raad dit gebied volstrekt als het zijne beschouwde, levert het volgende feit. Wanneer een misdadiger tot het ontvangen van zijn doodvonnis voor de schepenbank moest terechtgesteld worden, werd hij niet naar het schepenhuis gebracht; doch de schepenen, die „over den blode sittenquot; moesten, werden integendeel „op het buys geeyschtquot;, d. i. naar het stadhuis, den zetel van den raad, ontboden ^). Ja zelfs „der scepenen brueckenquot; (kleine misdrijven , in den loep van processen voor schepenen gepleegd) werden niet g-eheel aan de berechting der schepenbank overgelaten: gingen zij X w te boven, dan werden zij „verdaecht voir den rade

1

Gildenbrief v. 1455 art- 22- (Van de Water, Place. Ill p. 83.)

-ocr page 155-

1,55

ij 2. BEVOEGDHEID VAN DEN RAAD BIJ DE CIVILE RECHTSPRAAK.

De criminecle rechtspraak was zeer zeker de hoofclbezighoid van den raad als rechtsprekend college. Doch het blijkt uit de Ordinantie opt scepenenrecht \'), dat men „van outs gewoenlick was optcn stadthuyse criminele endc andere zaicken te berechten.quot; Welke waren die „andere zaickenquot;? Het antwoord op deze vraag is verre van gemakkelijk, want de raad heeft wel een geduchte bres geschoten in de bevoegdheden der schepenbank in civile zaken, maar hij heeft den schout toch niet van dit terrein kunnen verdrijven: meer dan het crimineele rechtsgebied van den raad vertoont dus het civile een slecht aaneensluitend geheel. De raad heeft aan dezen hoek een groot stuk, aan een anderen een kleiner gedeelte van de bevoegdheden dor schepenbank veroverd, naarmate hij gelukkiger was in den aanval; doch bijna nergens heeft hij het verder kunnen breng\'en dan tot eene concurrentie van bevoegdheden: op sommige punten is zelfs de aanval niet gewaagd of definitief afgeslag-en.

In de eerste plaats komt hier in aanmerking eene dor beide hoofdcategoriën van zaken, die van ouds tot de bevoegdheid \\\\ der schepenbank behoorden; de rechtspraak „van scade ende \\\' van scoutquot;. Wij zagen boven 1), dat de raad denkelijk reeds geruimon tijd vóór 1340 de berechting van dergelijke zaken verkregen had en derhalve daarin met de schepenbank concurreerde. Het getal dezer zaken schijnt allengs toegenomen en langzamerhand zeer groot geworden te zijn; althans in 1379 lezen wij in eene arbitrale uitspraak van den bisschop en de acht oversten, dat voortaan „alle zaken, die tonrechte horen, ten rechte gewezenquot; zullen worden, en dat „die raet licm dier nyet bewiinden en zeiquot; 2), —bewoordingen, die zoozeer overeenkomen met de later over deze aangelegenheid gebruikte, dat men wellicht aannemen mag-, dat ze bepaaldelijk op de berechting „van scade endc van scoutquot; betrekking hebben. Later, in de memorie van grieven van bisschop

1

Zie hiervoor p. 90.

2

L. A. CXXII. 6.

-ocr page 156-

136

Frederik Viin Blankcnheim, die wij tot het jaar 1412 brachten, vinden wij dezelfde zaak duidelijker behandeld: „Item,quot; zoo klaagt de bisschop, „so nemen die rait ende oudennans menniger-hande punten aèn te berechten, die ten recht hoeren, daer mijns heeren recht vele in vermynret wort, als van schaede ende van schout te berechtenquot; \'). Naar het schijnt heeft de raad het misbruik toen eenigszins tegengegaan; althans bisschop Rudolf Van Diepholt beweerde in zijne klacht aan den magistraat, die wij meenden van omstreeks 1450 te mogen dagteekenen, dat ten tijde van zijnen voorganger de toestand beter was. Doch thans, zegt de bisschop, „biet die ene den anderen dagelix voir den raet off oudermans van schade off van schulde. Dit en geboirt niet alsoe, ende sy sullen ten rechte gaen totten geesteliken off weerliken rechte.quot; De raad verklaarde er in te berusten, „dat men niet en biede noch geen zaken aen en neme voer den rade off voir den oudermans van scade off van sculde, mer die te recht te wisenquot;, met voorbehoud van de zaken tot den kring van het oudermansrecht behoorende 1). En inderdaad treft men een raadsbesluit van 1451 aan (wellicht een gevolg dezer belofte), waarin het bevel om „alle zaken, die ten rechte hoeren, te rechte te wysenquot; herhaald wordt Nogmaals bepaalt de gildenbrief van 1455, dat de raad „hem geenrehande saken onderwynden en zeiquot;, behalve de correctie van geweld en „onredelicheyt in den rechten en verder het verkoopen en „uutrechtenquot; der accijnsen \'■).

Dit alles bewijst wel, dat het rechten „van scade ende van scoutquot; door den raad een bedenkelijken omvang had aangenomen. Van de andere zijde is het merkwaardig, dat (zoover ik mij herinner) geen enkel besluit in de rechtsboeken daarover eenige opzettelijke bepaling maakt, een bewijs, naar het mij voorkomt, dat die rechtspraak zich nooit tot eene welgevestigde, wettige jurisdictie verheven, doch steeds het karakter eener arbitrale rechtspraak gedragen heeft. Toch is het ons mogelijk , in de raadsboeken de sporen van het misbruik te vinden; wij moeten daartoe echter niet de Raads dagelijksche

1

Klacht v. bissch. Rud. v. D., in: Divers. Rod. de D. pr. fol. CCXXX1I. (Prov. arch.)

-ocr page 157-

13 7

boeken ter hand nemen, doch de Buurspmakboeken ofpubli-catieboeken \').

De executie door de schepenbank bij wanbetaling van geldschuld was de gewone, van elders bekende-). Als panding onmogelijk was, omdat de veroordeelde geen goed binnen Utrecht bezat, en als de schuldenaar na dagvaarding onmachtig of onwillig was, goed aan te wijzen, dan wees men den schuld-cischer „te panden aen sijn lijffquot;, en na acht dagen werd de debiteur bij klokgelui ontburgerd en daarna door den schepenbode (bij verzet door de stads lage knapen) op eigene kosten (of bij onvermogen op water en brood, door den schuld-oischer te betalen) gevangen gezet totdat hij betaald had. Vluchtte hij uit de stad, dan werd hij bij klokgelui voor den-zelfden termijn verbannen *). De raad verleende dus aan de schepenbank zijne medewerking: iquot;. bij het ontburgeren van den debiteur, 2°. bij het gevangennemen, als hij onwillig was, 3°. bij het verbannen; in het kort overal, waar de civile executie door eene crimineele vervangen werd.

In de Buurspraakboeken vinden wij nu echter een anderen vorm van executie beschreven, die van den aanvang af een nict-civiel karakter draagt en waarbij de debiteur dadelijk met boete wordt bedreigd, indien hij niet betaalt. De bewuste inschrijvingen luiden aldus: iquot;. „Die raet laet weten A, dat hy voldoet B bynnen VIII daigen naestkomende by X ft.quot; 2°. „Want A geboden is geweest mitter clocken, te voldoen B by X ie, ende nyet voldaen en heeft, soe laet men

1) Men vindt dergelijke aanteekeningen alleen in de laatste deelen (de aangehaalde voorbeelden zijn zelfs allen ontleend aan het Buurspraakboek van 1529, zoodat het gebruik zelfs na de overdracht der temporaliteit schijnt voortgezet te zijn); doch de zaak schijnt oud, al werd van de geboden niet altijd aanteekening gehouden. Zoo leest men in het Buurspraakboek van 1436 (Dinsd. na Ponciani): „Want A, B ende C mit allen boden vervolget ende verwonnen siin van D\'s wegen , van sulken gelde als D voer hein gegouden heeft, dat sy niet gedaen en hebben, daerom gebiet hem die raet, dat sy noch binnen achte dagen betalen ende voldoen D voerscreven, off dat sy opter poirten gaen ende daer niet of en gaen eer D betaelt is, elx by L ff.quot; Mogelijk blijft het echter, dat hier alleen bedoeld wordt executie van een voor de schepenbank gevoerd proces, zooals hoven beschreven werd.

2) ef. Nortier, Burg. proces te Leiden, p. 85.

3) Zie deze procedure uitvoerigquot; beschreven: R. v. U. II p. 238 § 26. Degenen, die zoodoende gebannen werden , heetten te zijn „uutgheluut van scade ofte van scoude,quot; - - hun was „de stat verboden van scoude.quot; (Roese. LXXI. 1 , LXVII. 1.) In het Buurspraakboek vindt men dikwijls lijsten: „Dese verbiet men de slat van scoude, de mitten scepene vervoleht siin.quot; (b. v. reeds dadelijk 1. c. Woensd. na St. Marcus Evang. 1385.)

-ocr page 158-

138

hem woten, dat hy noch voldoe bynnen VIII dagen naest-komende by XX a.quot; 30. „Want A contra B etc. bij XX « etc., ende nyet etc., noch etc. bij L w.quot; 40. „Want A contra B etc. by L ffl etc., ende nyct etc., noch etc. by syn borgerscap.quot; 5°. „AVant A contra B etc. by syn borgerscap etc., ende nyot etc., soe is hy ontborgert; noch etc., off men sel hem die stadt verbieden.quot; 6quot;. „Want A mit allen geboden vervolcht is mitter clocken, te voldoen B, ende nyet voldaen en heeft, soe wort hem nu dese stat ende stat vryheyt verboden.quot; \') Do gang van zaken is duidelijk: don debiteur wordt driemaal op achtereenvolgende termijnen bevolen te betalen op steeds klimmende geldboeten (10, 20 en 50 pond); daarna wordt hij bedreigd met verlies van zijn burgerschap, eindelijk met verbanning. Beide procedures leiden dus ten slotte tot hetzelfde resultaat: ontburgering en verbanning; doch terwijl de eene aanvangt met het civile rechtsmiddel, de panding, neemt do raad dadelijk bet voor zijne rechtspleging karakteristieke middel ter hand: het „bieden bi eenre penen.quot;

Daar de rechtsboeken over deze executie geen woord bevatten, is het waarschijnlijk, dat de raad in dit opzicht slechts nu en dan misbruik heeft gemaakt van zijne bevoegdheid om te „bieden.quot; In één geval heeft hij echter bij plechtig besluit de executie in zaken „van scade ende van scoutquot; aan zich getrokken, namelijk waar het zaken gold, waarover banbrieven door den officiaal uitgevaardigd waren. Reeds boven \'1) werd dit onderwerp kortelijk behandeld. Wanneer in een proces over „scade of scoutquot; voor de geestelijke rechtbank, do eischor eenen brief van den officiaal kon toonen, waarin de gedaagde zijne schuld erkend had, of wanneer de gedaagde niet te recht verscheen. deed de officiaal hem in den ban. Het geval kon zich nu echter voordoen, dat de gebannene zich geheel niet daaraan stoorde. Reeds keizer Fredorik 11 had dit geval voorzien en onder andere gunstbewijzen aan do geestelijke rijksvorsten in 1220 do verklaring gegeven: „Quia gladius materialis constitutus est in subsidium gladii spiritualis excommunicationum, si cxcommunicatos in eo ultra sex sopti-manas porstitisse nobis constiterit, nostra proscriptio subso-

1

Zie hiervoor p. 91.

-ocr page 159-

139

quatur, non rcvocanda nisi prius excommunicatio revocetur liet was dus niot vreemd, dat de raad van Utrecht omstreeks 1381 bepaalde, dat wanneer iemand jaar en dag wegens schuld in den ban gestaan had, zijne tegenpartij de banbrieven kon toonen aan den raad, die dan don gebannene voor zich dagen en een betalingstermijn bepalen zou. Was de schuld op den gezetten dag niot betaald, dan zou de raad den schuldenaar door gevangenis (of bij ontvluchting door verbanning) daartoe noodzaken \'1). Deze bepaling werd herhaald in 1390, 1392 en 1393 :i).

De schepenbank van hare zijde schijnt deze zaak weder behartigd te hebben op do wijze, die met hare bevoegdheden overeenkwam. In 1409 werd haar recht daartoe door den raad erkend. Men bepaalde toen, dat, als iemand drie maanden in den ban geweest was wegens schuld, zijne partij hem voor schepenen kon doen bieden. Stond de gedaagde wegens niet-verschijning voor den officiaal in den ban, dan kon hij, wanneer hij voor schepenen kwam, nog uitstel krijgen volgens hunne bepaling; verscheen hij niet, dan deed do klager zijn eed, dat zijne schuldvordering rechtvaardig was. Stond de gedaagde in den ban wegens gerechtelijk erkende schuld, dan was zulk een eed niet eens noodig. In alle gevallen werd do schuld verklaard door panding executabel te zijn als eene gewone, voor schepenen erkende schuld 2). Deze bepaling werd nagenoeg onveranderd opgenomen in het Scepen-recht van 1456 •r\').

Het resultaat was derhalve, dat de klager de keus had. Hij kon zijne tegenpartij door aanklacht voor den raad tot betaling dwingen met gevangenisstraf, door aanklacht voor do schepenbank met uitpanding quot;). Beide collegos concur-

1

L. H. LXXXIX. 1.

2

Roese. CXL. 1—4.

-ocr page 160-

Ho

reerden dus ton dezen, ieder met de hem eiyene middelen1).

In een geval concurreerde de schepenbank niet met den raad in zaken „van scade ende van scoutquot;, namelijk wanneer er romissio libel]i van den officiaal plaats had. De toedracht dezer zaak is boven -) uitvoerig beschreven; het schijnt dus onnoodig, er hier op terug te komen.

Veel gunstiger was echter de positie der schepenbank met betrekking tot het andere hoofddeel harer bemoeiingen; de zaken „van erfnisse ende besterfnisse.quot; Op dit geheele gebied bleef zij bijna onbeperkt meester, en zoo de raad nu en dan zich eene enkele aanmatiging veroorloofd heeft, schijnt dat steeds tijdelijk geweest te zijn: zelfs op de punten, waar de raad eene overwinning behaalde, werd hij spoedig weder teruggedrongen.

Wij vernamen boven ;i) uit den eigen mond van don raad, dat or in 1520 door remissio libelli een proces wegens „erfnisse ende besterffenissequot; bij hem aanhangig gemaakt was. Zeker eene allerbelangrijkste mededeeling en een onwraakbaar getuigenis! En toch meen ik, dat wij hieruit niet de gevolgtrekking mogen maken, dat de raad gewoon was dergelijke zaken te berechten. Immers de wijze, waarop dit proces voor den raad gekomen was, was exceptioneel: wij weten, dat ook bij de zaken „van scade ende van scoutquot; de raad door middel van de remissio libelli uitgestrekter bevoegdheden had dan in andere gevallen. In geen geval kan het getal der op deze wijze aangebrachte zaken groot geweest zijn, daar de rechtspraak van den officiaal in wereldlijke zaken zich bijna uitsluitend beperkte tot processen „van scade ende van scout.quot; In de raadsboeken zijn mij dan ook slechts twee

raad; het kan echter zijn, dat daarmede de keur van L. A. LXXXI. i bedoeld wordt, hoewel die eigenlijk niet van „correctiequot; spreekt.

1) Het valt echter niet te ontkennen, dat de schepenbank bij de procedure wegens banbrieven denkelijk zéér in het voordeel was; immers niet alleen zijn er in het Stadsarchief nog twee lijvige „banboeckenquot; (cf. Roese. CCXVI1I. 6) over 1449—1456 en 1501--1527 aanwezig, die uitsluitend de behandeling van dergelijke zaken voor de schepenbank betreffen; maar de geestelijkheid zelve noemde deze wijze van procedeeren („per invocationem brachii secularisquot;) de gebruikelijke. (V. cl. Water, Place. II p. 965 art. 12.) Karei V bestendigde natuurlijk ook alleen het laatste rechtsmiddel, door deze bevoegdheid der schepenbank in 1534 op het Hof over te dragen. (V. d. Water, Place. II p. 1158 en p. 966.)

2) Zie hiervoor p. 98 vlg.

3) Zie hiervoor p. 98. — Zie een tweede, geheel dergelijk voorbeeld, eveneens bij libel aangebracht: Raads dag. bock. Saterd. na Sunte Symon Judendach 1529.

-ocr page 161-

i4i

gevallen bekend geworden, waarin de raad „van erfnisse ende besterfnissequot; recht deed. Zwaarder dan deze geïsoleerde feiten weegt dan ook bij mij een raadsvonnis van Vrydach na Valen-tini 1468 \') in een proces „van erfnisse ende besterfnisse,quot; waarbij beslist werd: „dat beyde partyen daervan terechte gaen zeilen daar zy behoeren ende winnen wanen.quot; Analoog is een vonnis van Saterdach voer Lichtmisse 1478 \'*), waarbij de raad, op het toppunt zijner macht en in volle reactie tegen den bisschop, partijen in eene zaak, waarin „ruminge gebodenquot; was, beveelt: „hebben sy yet op malcanderen te zecgen, dairvan moigen zy malcanderen bespreken mit recht (d. i. voor de schepenbank), daer zy winnen wanen.quot;

Alle quaesties over vaste goederen binnen Utrecht behoorden voor de schepenbank: dit is de vaste regel. Zelfs bepaalde de raad in 1367 in een geschil over een servituut, waarin de raad eene arbitrale uitspraak gedaan had, dat partijen, wanneer „hore enich opten andren anders yet te zegghen hadde, mit rechte sprekenquot; d. i. hun recht voor de schepenbank zoeken zouden *). Dus niettegenstaande de zaak bij compromis aan den raad was opgedragen, scheen hij slechts noode uitspraak te doen en de verdere behandeling der zaak liefst aan de schepenbank over te laten!

Erfscheiding (binnen drie voet) behoort eveneens volgens het Libcr albus tot de bevoegdheid der schepenbank ^). Wel bepaalde de raad, dat geschillen daarover door hem zouden beslist worden r\'); doch de handhaving van het vonnis werd weder aan de schepenbank aanbevolen. En. zelfs deze kleine aanmatiging kon de raad niet volhouden: kort na 1390 is de beslissing der bedoelde geschillen mede aan de schepenbank toevertrouwd quot;).

§ 3. VRIJWILLIGE RECHTSPRAAK.

De boven 1) vermelde lijst van zaken, „die van \'s raidts bewyndequot; zijn, noemt onder anderen ook: „wilkoeren aen

1

Zie hiervoor p. 132.

-ocr page 162-

142

\'s raits hant gedacn.quot; Ik heb verklaard, dat daarmede bedoeld werd de rechtspraak in criminalibus over personen, die zich hadden „venvilkoertquot; op hun lijf. Doch deze verklaring schijnt toch niet in allen dcele op de aangeduide zaken te passen. Immers wij lezen in een raadsbesluit van 1451 \'), „d£it men voertaen alle zaken, die ten rechte hoeren , te rechte zal wysen, be-

houdeliken..... dat die bussemeysters van den raide van

den wilcoern rechten zeilen, die by den raide gheschiet zynquot;. Wij weten reeds, dat de „zaken, die ten rechte hoerenquot;, civile zaken zijn ; bezwaarlijk kan derhalve het rechten over personen, die zich „venvilkoertquot; hebben op hun lijf, geacht worden eene uitzondering te maken op den in dit besluit gestelden regel. Er moet hier iets anders bedoeld worden.

In eene overdracht van den raad van 1462 n) vinden wij eene nagenoeg gelijkluidende bepaling- als in de keur van 1451. „Die twee overste statknapenquot;, heet het daar, „sellen uytpanden alle wilkoren, die geschiet z}\'!! voir den rade ende voir den oudermansquot;. „Rechtenquot; schijnt dus in de keur van 1451 synonym met „uytpandenquot;; de term wisselt ir sommige plaatsen dan ook af met „uutrechtenquot;, d. i. teneinde toe rechten, de rechtsvordering ten einde brengen, en wel door executie, panding. Slaan wij thans het Raads dagelijksch boek op , dan vinden wij bijna op elke bladzijde vermeld, dat iemand „wilkoertquot;, een of ander te doen, en wel in g\'evallen, die met crimineele rechtspraak niets te maken hebben. De gewone formule luidt aldus: „A wilkoerde B VIII oude scilde te betalen, die ene helfte Odulfi ende dandere helfte Bosin-chemer marct of binnen VIII daghen nae eiken termync onbegrepen, alle dage by V ponden Een andere, duidelijker

1) Roese. CCLXXVI.

• 2) Zie hiervoor p. 88, 135.

3) Van clc Water, Placc. III p. 87. (art. 7.)

4) Zie b. v. Raads dag. boek. Vryd. na Miserie. Dom. 1464. - Ook te Leiden was de instelling bekend: ze had daar plaats in het poortding. (Nortier, Burgerl. proces binnen Leiden, p. 44.) Nortier neemt aan, dat een wilkoer altijd een gevolg was van eene gerechtelijke aanmaning tot betaling; ik geloof dit echter niet, hoewel het /eker dikwijls het geval zal geweest zijn. De wilkoeren behooren tot de vrijwillige jurisdictie (zie o. a. de straks aan te halen plaats: Cost. 1550. XXIX. 1); is de wilkoer het gevolg van een proces, dan staat dit er bij vermeld. (Raads dag. boek. Vrid. na Zinte Phil, ende Zinte Jac. daeh 1404: „Overdroegen die rade van der stat up A, dat hy B betalen zei enz. /2nde dit zei hy wilcoren te doen.\' — Raads dag. boek. Wocnsd. na Oculi 1477: „A heeft ghewilkoert ende gheloeft als tusschen A ende H ghesleten is geweest by den raide.quot;) Nortier beweert ook (1. c. p. 43), dat wilkoer eed was. Dit sehijnt

-ocr page 163-

\'43

vorm voor dezelfde zaak: „ A lovede ende wilcoorde, dat hy betalen zei tusschen dit ende Beloken Paesschen naestcomende B. XI g. Waert dat hy des niet en dede, zo verboerde hy een peen van V gulden tot behoef sraets van der stat, ende die pene zouden hem die busmeysters van den rade uytpanden, ende nochtan zoude hy B betalen ende voldoen alze voirseyt is De toedracht der zaak is volkomen duidelijk. A „wilkoertquot;, d. i. stemt toe, neemt op zich, op bepaalde termijnen aan B eene zekere som te betalen ; komt hij zijne belofte niet na, dan verklaart hij zich bereid, voor eiken dag, dat hij te laat betaalt, eene boete aan de stad uit te koeren. Wij kunnen nauwelijks twijfelen, of dergelijke „wilkoerenquot; worden in de boven aangehaalde plaatsen bedoeld: alles toch komt goed uit. Er is hier quaestie van geldschuld, dus de zaak „hoert ten rechteen de verbeurde vijf ponden zijn blijkbaar de „penequot;, die door de ambtenaren van den raad uitgepand wordt.

Vreemd is het niet, dat deze verbintenissen te zamen met het „hem verwilkoeren op siin liifquot; onder den éénen naam „wilkoerenquot; begrepen worden ; want inderdaad, hoe verschillend ons de beide rechtshandelingen schijnen , voor het mid-deleeuwsche rechtsbewustzijn, dat geen onderscheid maakte tusschen strafrecht en civielrecht, waren ze geheel identiek: in beide gevallen verbond de persoon, die de wilkoer deed, zich tot iets op zekere straf, die hier in het verbeuren van zijn leven, daar in het verbeuren eener geldsom bestond. Het kan ons derhalve niet verwonderen, dat wij ook deze civile verbintenissen aantreffen onder de handelingen, die voor den raad geschiedden: beide soorten van „wilkoerenquot; maakten inbreuk op de rechten der schepenbank , beide zijn blijkbaar ook op dezelfde wijze tot „sraets bewyndequot; gebracht -). Inderdaad; ook de civile wilkoeren stonden per se ter berechting van het college, waarvoor zij geschiedden *). Ja, zij werden soms zelfs gedaan met geen ander doel dan om dat college voor het berechten competent te maken, zooals blijkt uit eene aan-

althans voor Utrecht niet juist; men vindt toch vcrmekl „wilcoeren ten heylighen gezworenquot; (Raads dag. boek. Woensd. na Jaersd. 1404), waaruit blijkt, dat men ook onbeöedigde wilkoeren kende; naar het schijnt geschiedden ze dikwijls bij handtasting.

1) Raads dag. boek. Vryd. na O. L. V. Conc. 1403.

2) Vgl. over een en ander; hiervoor p. 52, 89.

3) De willige condemnatie, die de wilkoer verving, fundeerde evenals deze jurisdictie. (Zie; Morula, Man. v. proced. p. 168 Noot, cf. p. 169/70.)

-ocr page 164-

144

teokoningquot; in het raadsboek van Vrydaoh na Misericordia Domini 1464: ,,A wilkoerde B XLVI1 oude scilt te betalen op zulken daghen als die ghorechtsbrief van Lopick, dien B heeft, innehout, alle dage by vyff ponden De schuldeischer had dus reeds oenen gerechtsbrief van Lopik, die hem recht gaf aldaar op den bepaalden dag de schuld in te vorderen; de herhaling der schuldbekentenis door A kan derhalve alleen gediend hebben, om zijnen schuldeischer de gelegenheid te geven, ook binnen Utrecht te doen panden door de ambtenaren van den raad 1). Trouwens de regel, dat de raad recht deed van de voor hem gepasseerde wilkoeren was in overeenstemming met het rechtsbegrip, waarmede wij reeds vroeger kennis maakten, dat alleen de raad de besluiten behoorde te handhaven, die hij genomen had; met zulke besluiten moesten zeer zeker de rechtshandelingen, waarbij gedelegeerden van den raad als de getuigen optraden, gelijkgesteld worden: de schuldenaar had zich tegenover den raad verbonden zijne verplichtingen na te komen, aan den raad derhalve de taak hem daartoe te houden

Over de wijze, waarop deze wilkoeren „gheschiedden,quot; behoeven wij niet in twijfel te zijn. Zij werden „gedaenquot; voor twee raadsleden en den stadsklerk (na 1528 natuurlijk voor twee schepenen en den schepenklerk), die ze in „der stat boeckquot; schreef Brieven werden ten bewijze van de schulderkenning niet afgegeven ,!); doch de klerk gaf den stadsknapen latei-authentieke extracten uit het boek, waarmede dezen de penen zonder eenige bemoeiing der schepenbank bij parate executie uitpandden 2).

1

cf. Stichtsch landrecht. XXIII. 22. (R. v. U. 11 p. 430.)— Vgl. ook: Nortier, Burgcrl. proces te Leiden, p. 19. („onvcrwillecoert.quot;)

2

V. d. Water, Place. III p. 88. art. 7. — Cost. 1550. XV. 2. (R. v. U. II p. 371.) — Vgl. Burman , Utr. jaarb. I. Voorbericht p. 28. — Zeer duidelijk wordt dit gezegd: Ordonn. v. Lopik v. 1469 § 8. (Versl. en mededeel, der Vereen, v. oudvad. recht. IV. p. 267): „Waert yemant, die willecoerde voer den schout ende twee gesworen, als die dacli

-ocr page 165-

14,5

Eene bizonderheid trekt in het citaat, dat ons over den vorm der wilkoeren inlicht, onze aandacht: do handelingen worden daar „willecueren ofte acten van cöndempnatiequot; genoemd. Inderdaad heet nog- in het begin der 17° eeuw het register, waarin dergelijke acten werden geboekt, „willecoerbocck,quot; later (1607) „willige condemnatieboeck.quot; Ziehier hoe en waarom de wilkoeren door willige condemnatiën schijnen vervangen te zijn. Toen geregelder toestanden voor de rechtspleging geschapen waren \') , begon men in te zien, dat hot fundeeren van jurisdictie bij wilkoeren eene eigenmachtige daad was van partikulioren, die niet kon geduld worden. Men begreep, dat dit niets anders was dan „collatie van jurisdictie, die private persoonen niet en is toegelatenquot; 2), en dat het noodig was, de eischen te stellen: 1dat het college of de persoon, aan wiens uitspraak men zich onderwierp, reeds rechtsmacht bezat :!), 2quot;. dat de submissie niet geschiedde ton nadeele van den persoon of hot college, wien oorspronkelijk de rechtsmacht toekwam, doch uitsluitend ten nadeele van den renunciant, die een recht of privilegie prijsgaf \'\'), 3quot;. dat de onderwerping aan een vreemden rechter niet uitging van den partikulier alleen, doch geschiedde onder medewerking van „alsulken persoone, die magt haddo yemand te condemneren r\').quot; Om aan dit laatste vereischte te voldoen, werd een andere vorm ingevoerd : voortaan geene submissie aan de executie van een gekozen college, maar eene vrijwillige erkenning eener schuld mot daarop gegronde veroor-dcoling tot betaling door den rechter. Evonzoo met de parate executie: wilde men zich die verzekeren, dan geene onderlinge afspraken der contractanten, doch alweder veroordooling tot parate executie door eenen rechter (i). Do submissie aan eenen vreemden rechter en de parate executie steunden dan niet

omgecomen waer mach die clager terslont comen ende doen panden .... mit den schout ende dat meeste deel van den gesworen voerseyt.quot; (De gezworenen waren dus hier de. getuigen, die de acte bewezen, geene rechters, zooals Nottier wil.)— Vgl. ook: Raidtboick v. Amersfoort, art. XX , waar gezegd wordt, dat de borgen met betrekking tot de executie, „als sy hem verwilkuert hebben-\', in denzelfden rechtstoestand zijn , alsof zij „vervolgd waren als recht is.quot; (N. bijdr. v. rechtsgel. en wetgev. N. R. IV. p. 551.)

t) Eene willige condeinnalie staat reeds in 1558 in hel register opgeteekend.

2) Morula, Man. v. proced. p. 170.

3) Morula, 1. c. p. 170.

4) Morula, 1. c. p. 169.

5) Morula , 1. c. p. 673.

6) /olfs do parate oxecutio mei sohepenlmoven kwam in onbruik („Inslrumonlon, hoe

10

-ocr page 166-

146

meer op den partikulieren wil, doch op het rechterlijk bevel-de rechter, voor wien de willige condemnatie gepasseerd was, had de bevoegdheid, dit schijnvonnis tegen den nalatigen contractant ten uitvoer te loggen \').

Naast de wilkoeren komen in de Raads dagelijksche boeken aanteekeningen voor, waarin vermeld staat, dat iemand „loeftquot; een of ander te doen. Zij herinneren ons aan een ander contract, de „loftequot; (in Duitsche rechtsbronnen „das Lovedequot; 2)), waaraan het Amersfoortsche rechtsboek, met het Utrechtsche zoo nauw verwant, eene geheele afdecling wijdt, en wel juist de afdeeling, die „dat raidtboeckquot; heet. Het schijnt dus de moeite waard te onderzoeken, wat dit contract is.

„Loven,quot; „ghelovenquot; is beloven; eene „loftequot; is dus eene belofte om iets te doen of te geven. Wij vinden liet woord op tal van plaatsen in dien zin gebruikt. Men sla slechts onze rechtsboeken en de Raads dagelijksche boeken op. Iemand, die eenige stadsgoederen koopt (d. i. pacht), moet borgstellen, om op den dag te betalen „alse hijt looftquot; de door den

raad toegelaten wisselaar moet „lofte endo wisse doenquot;, zijne cliënten te betalen \'), de knechts van den stadssteenbakker

danige die ook syn, en definieren of eyndigen de saake niet, maar proberen alleen, en hebben ook doordien geene parate executie, ten ware sulks gcstipnleert enz.quot; Merula, Man. v. proced. p. 512, 673. — Vgl. echter; Wassenaer, Pract. judic. p. 418); schepenkennissen worden gel ij kg esteld met het geval, dat iemand „op syn eygen beken voor de vierschare is gecondemneert.quot; (Wassenaer 1. c. p. 403.) — Reeds onder het oude régime achtte men medewerking van de rechtbank voor het verkrijgen van parate executie noodig: „brieven onder des schuldenaers hant ofte segel en geven gheen realisatie mitter dact, hoewel die brieven sulex inhouden; dan als dieselve gerechtlick angebrocht zijn, soe zijn die reöell.quot; (Cost. v. 1570. art. 11.) Vgl. ook de merkwaardige verklaringen (pro et con.ra) over de quaestie, of de medewerking van schepenen in eenen brief voldoende was om daarmede een punt van het schepenrecht te „brekenquot; : R. v. U. II p. 169, 175, 182.

1) Zoo komen zelfs condemnatiën door het Hof voor in huurceelen, waarbij dan partijen hunne goederen en personen den Hove subject maken, dus de schuld execu.abel maken door het Hof op hunne personen en goederen. Ik kan dit beding niet anders verklaren dan als eene renunciatie in algemeene termen aan alle privilegia fori; en inderdaad komt het ook herhaaldelijk voor in gevallen, wanneer de vrijwillig gecondemneerdr niet onder het ressort van de condemneerende rechtbank woont, afstand doet van het SC. Velleianum enz. (Vgl. Merula, Man. v. proced. p. 169; „Het is een yegelik toegelaten, te rcnuncieren het privilegie van gerigtsdwank ende jurisdictie te prorogeren, als het privilegium eygentlik ingevoerd is tot faveur van den renunciant.\' )

2) Pauli , Lüb. Zustande. I p. 197 86. Frensdorff, Dortm. Statuten, p. 122, r42. (Nto. 58. T44.)

3) L. A. XVI. r.

4) Roesc. (\'X. 2.

-ocr page 167-

147

moeten „lovenquot; „voer den oversten out ende nyvvequot;, volgens hunne instructie te handelen — „A geloefde in goeden trouwen ende tastede an handen des scepenborgermeisters, alse dat hi tusschen dit ende Sunte Johans dage te Midde-somer naestcomende B betaelen ende wael vernuegen sail van der seult enz.quot; 1); — „A lovede, dat hy betalen zei tusschen dit ende Beloken Paesschen naestcomende B XI gulden :I),quot; Zulk eene „loftequot; in extenso luidde aldus; „Ic A belie ende kenne, dat ic voir my ende voir mynen erfnamen geloeft hebbe ende sculdich bin B VIII pont des jaers erflike renten. Ende ic gelove mede aen handen B, alse dat ick hom in desen renten uut minen goede vestig\'en sell, dat hy des vaste ende seker sy Met zulk eene verklaring kan niets anders bedoeld worden dan eene plechtige belofte bij handtasting ■ of onder eede, om eene of andere zaak te volbrengen r\')) in de meeste gevallen bepaaldelijk om eene geldsom te betalen \';j. Onder het begrip „loftequot; vallen dus alle verbintenissen van\\ verschillenden aardquot;), ontstaan door de belofte van den schul-i denaar om iets te geven of te doen. Toch hecht Liber hirsu-tus minor 1.XXXIX. i een nog ruimeren zin aan het woord, wanneer het zelfs elke verplichting tot betaling, die op iemand rust, hetzij die uit eene belofte of uit eene daad voortspruit, eene „loftequot; of „gheloftequot; noemt. Immers iemand staat in den ban „van verploghere scout (d. i. wegens erkende schuld) ofte van versmadenisse des rechts (d. i. wegens niet-verschijning op dagvaarding voor de schepenbank) ofte van andren lof-ten de verplichting tot betaling van boete,\' ontstaan door een verleend verstek, is dus volgens deze wetsbepaling eene „lofte.quot;

Doch hoewel het woord „loftequot; in onze rechtsbronnen in zoo algemeenen zin voorkomt, in den regel wordt daar eene

1

•2) Raacls dag. boek. Manend, na Ocnli 1446.

-ocr page 168-

148

bepaalde categorie van „loftenquot; bedoeld, waarvan wij nog niet spraken. Wanneer wij nauwkeurig toezien, dan valt ons oog-op een verschijnsel, dcit op het eerste gezicht vreemd schijnt. In het Amersfoortsche „raidtboeckquot;, dat geheel „van loftenquot; handelt, vindon wij van het begin tot het einde gesproken over „sacwoudenquot; (hoofdschuldenaars) en „borgenquot;. Een Amers-foortsch raadsregister uit de eerste helft der 15° eeuw \') is daarmede in overeenstemming: A erkent zijne schuld aan B, „borgen C ende D; ende E heeft D geloeft scadeloes te houden van der loften vorgenoemtquot;; eene dergelijke schulderkenning ; „borgen A (en vele anderen), mit vorwerden dat elc borge mit VIII gulden qwijt wesen mach. Ende R heeft A geloeft scadeloes te houden van der loft vorgenoemtquot;. Te Utrecht is het niet anders: Liber albus. CXXI. 2 : de „borghequot; hoeft „ghelooftquot;; — Liber hirsutus minor, LXXXIII. 1 : „mit loften van borchtochten belastenquot;. En eveneens op het platte land: Landrecht. XI. 2: de „borgequot; heeft „gelooftquot; -).

„Lovenquot; is dus niet alleen beloven , maar ook zich borgstellen :l). Is dit een toevallig verloopen van de beteekenis van het woord? Geenszins, hetzelfde verschijnsel doet zich voor in ver verwijderde gewesten: het Stralsundsche stadboek , dat nog ouder is dan onze rechtsbronnen, gebruikt omgekeerd „ lidejubercquot; voor „promitterequot; \'\'), — eene nog vreemdere verwarring, die duidelijk bewijst, hoezeer men daar loven en zich borgstellen voor gelijkbeduidend hield. Hoe zonderling deze verwarring ons moge voorkomen, zij vindt hare verklaring in de gebruiken van den handel. „Cocp

1) Schepen-arch. v. Amersf., in: Prov. arch. v. Utrecht.

2) Dit alles neemt niet weg, dat de woorden „lovenquot; en „borgstellenquot; ook dikwjls naast elkaar voorkomen als twee verschillende vormen van zekerheidstelling, b. v. bij „besettinghe.quot; (V. d. Water, Place. Ill p. 311 ad 1481 § 8, 1482 § 8. — cf. R. v. U. II. p. 275 § 3.) „Loltequot; is dan opgevat in de beperkte beteekenis van eene plechtige belofte bij handtasting of in judicio, die de borgstelling vervangt, wanneer deze onmogelijk is.

3) Eene derde beteekenis van „lovenquot; vindt men in het Raads dag. boek op Dinxd. na Lamberti 1446: Raad oud en nieuw hebben de rekening van den kameraar „geloeft ende belieftquot;, d. i. goedgekeurd en vastgesteld. Nagenoeg dezelfde beteekenis heef: het „lovenquot; van een contract voor den raad: het is het (gewoonlijk „lyenquot; genoemde) erkennen van een vroeger aangeganen schuld in judicio. Eene dergelijke „loftequot; verschilde natuurlijk eigenlijk niet van de gewone gerechtelijke bctalingsbclofte: alleen de vorm was eene andere, daar men in den gerechtsbrief het buitengerechtelijk geslotene contract opnam.

4) Höhlbaum, Das Rigische Schuldbuch, in: Hans. Geschichtsblatter. 1874. p. 189/190. -Strals. Stadtb. p. 79: „A et B fidejussernnt vel promiserunt pro 26 mrc., que pert\'nent pueris domine Yden, quousque avunculus ipsorum puerorum vencrit, qui tunc disponcl de eisdem.quot; (Vlg. vriendelijke mededeeling van Dr. Höhlbaum te Keulen.)

-ocr page 169-

1 IQ

um reet geltquot; was in die dagen, toen het crediet \') nog onbekend was, regel; kon iemand niet contant betalen, dan werd hij geacht zijn vermogen te boven gegaan te zijn; de prae-sumtie was dus in zijn nadeel en hij moest zéér goede zekerheid voor de betaling stellen. Zeer dikwijls nam men daarom zijne toevlucht tot een contract, dat don schuldeischer groote zekerheid verschafte. De schuldenaar trad met zijnen schuldeischer voor raad of gerecht, en beloofde voor twee leden van die colleges (als de officiëele getuigden), zijne schuld op den bepaalden tijd te zullen betalen; met hem verbonden zich een of meer personen tot de voldoening daarvan, niet als borgen doch als hoofdschuldenaren („sacwoudequot;): de schuldeischer had dan verscheidene schuldenaars voor éenon gekregen, die hij allen dadelijk om betaling kon aanspreken 1). Een andere, nog meer van het gewone gebruik afwijkende vorm van zekerheidstelling bestond daarin, dat een borg zich alleen voor de betaling der schuld verbond, terwijl de eigenlijke schuldenaar daartoe niet gehouden was

Komen dergelijke verbintenissen te Utrecht voor? Bij het ant-woord moet ééne restrictie gemaakt worden; solidaire verbintenissen waren in het middcleeuwsche Utrecht verboden Doch overigens vindt men van borgstellingen, als de boven beschrevene, voorbeelden genoeg. Ik wil er slechts drie afschrijven: „A ende B zyn hoerre zaken gebleven an den rade van eenre loften ruerende, die sy gedaen hebben voor C r\')quot; ; „A van 111 jaer renten, elx jaers XXVI sc. Ende dit ghelt heeft B ghe-loeft te betalen als een coman tot Sunte Jans te Midsomer „A wilkoerde by trouwen, eren ende zekerheyden, alze: waert zake, dat hy B C ende D voergenoemt (de „loftenquot; van B en

1

Pauli, Lübeckische Zustande im 14\'quot; Jahrh. I p. 123. - Van der Kindere, Siècle des Artevelde. p. 217.

-ocr page 170-

150

C, en van D voor twee schulden van A gaan vooraf ) niet en vryede van den wilkoeren voerseyt, voer hem gedaen, ende zy daer enigen scaden by leden, dat hy dan enz In één

dezer gevallen schijnt de hoofdschuldenaar eerst aangesproken te moeten worden; in cle beide andere zijn het echter de borgen, die zich verbinden, terwijl de schuldenaar vrij is. Ook verbintenissen met en nevens den schuldenaar zijn derhalve gewis voorgekomen, hoewel zij wegens het verbod van solidariteit den schuldeischer minder zekerheid gaven dein het laatstbedoelde contract, en daarom te Utrecht wellicht minder geliefd waren. Yolkomene zekerheid is over dit punt niet te krijgen; uit de korte van deze verbintenissen gemaakte aanteekeningen blijkt in den regel niet, hoe de onderlinge verhouding der lovenden is.

Kwam het derhalve dagelijks voor, dat iemand zich voor een ander bij eene „loftequot; borgstelde, dan kan het ons niet bevreemden, dat men onder „lovenquot; langzamerhand verstond, „zich borgstellenquot; ; men „loeft voer yemantquot; beteekent: men stelt zich voor hem borg. Wij kunnen dus onze omschrijving van de „loftequot; als een contract, waarbij iemand zich verplicht, om iets te doen of te geven, en wel meestal om eene bepaalde geldsom te betalen, handhaven. Doch naar gelang deze belofte gedaan wordt door den hoofdschuldenaar zeiven of door eenen borg voor hem, vervalt de „loftequot; in twee soorten: betalingsbelofte en borgtocht.

Uitgaande van het contract, welks bestaan wij in Duitsch-land constateerden, beschouwden wij de „loftequot; als een handelscontract. En inderdaad, er zijn bewijzen, dat dit ook te Utrecht het geval was. Reeds boven vernamen wij, dat iemand in 1395 „loefde te betalen als een covianquot;. En wij vinden deze „loften, die houden als een comanquot; terug op eenige plaatsen in onze rechtsbronnen -\'), waaruit wij tevens leeren, dat de bedoeling van het beding was, in overeenstemming met de gewoonte in handelszaken, de termijnen van rechtspleging te verkorten. Ook op andere plaatsen noemen de rechtsboeken ,doften off vorwaerdequot; als eene soort van „comenscapquot; ^), en éénmaal „lof-ten ofte vorwaerdenquot; als een contract bij vennootschappen \'). Be-

1) Raads dag. boek. Vryd. na Miserie. Dom. 1464.

2) R. v. U. I p. 402 § 6.

3) Cortinge opt scepenreehl. § 21. (R. v. U. II p. 300.)

4) L. H. XCVI. 17.

-ocr page 171-

15 I

wijs genoeg, dat de „loftequot; eene handelsovereenkomst was.

Doch van den anderen kant vinden wij in de Utrechtsche bronnon op tal van plaatsen ploftenquot; vermeld, waaraan dit karakter van schuldbekentenis en koopmanschap geheel vreemd is. Laat ons zien, hoe het daarmede gelegen is. In de Raads dagelijksche boeken lezen wij herhaaldelijk, dat iemand veroordeeld wordt te „wilkoeren, loven ende zweeren aen handen des raets ende goide witaftige borgen te setten aen handen des raetsquot;, een of ander feit niet te bedrijven op doodstraf of (bij ontvluchting) op eene hooge geldboete \'). Elders leest men: „A heeft gelooft des raets slitinge te wachten, off hem yet ofgesleten worde van dor saken enz \'1).quot; Bisschop Frodorik Van Blankonheim maakt in eene klacht aan den raad ook melding van een dergelijk geval: de maarschalk had oene vrouw gevangen genomen, die hij „in lofften hadde onder een poen van C older schilden •■\').quot; In al deze voorbeelden is er natuurlijk geen sprake van geldschuld. Doch wij behoeven naar den zin der woorden niet te raden: bedoeld wordt ver-wilkoering op lijf of boete, eene rechtshandeling, waarmede wij reeds vroeger kennis maakten.

Met deze categorie van „loftenquot; is ten nauwste verwant eene andere soort, waarvan ik drie voorbeelden noemen wil; ,,A heeft geloift voer B, den dootslach aon C gheschiet te zuenen by den raidc van der stat, tot wat tyde die vrunde des doden zoene by den raidc nemen willen 2);quot; — A „die geloift had voor koeren voor B,quot; die „in koeren gesletenquot; was, wordt verklaard „quyt van der loftenquot; te zijn, omdat het blijkt, dat B vóór het vonnis reeds overleden was r\'); — ,,A belyet ende bokent, dat hy voertyts geloift gehadt heoft aen handen des scepenenborgermeysters tottor stadt behoiff voer B, voer zulke koeren ende broiken als hy verboort mach hebben ende daer hy by den gherechte broikaftich inne gevonden zei werden tetter sommen toe van L rt B).quot; In al deze gevallen wordt eenvoudig borgstelling bedoeld, dat oen schuldige zich aan de

1

Raads dag. bock. Manend, na Ass. Marie 1446.

2

Raads dag. boek. Saterd. na Bel. Paeschen 1463.

-ocr page 172-

15-2

rochtspraak van don raad zal onderwerpen, liet uitgesprokene vonnis zal nakomen \'); de borgstelling g-eschiedt „aen handen sraetsquot; , omdat het natuurlijk de raad was, die bij de nakoming der „loftequot; belang had -j. Al deze „loftenquot; zijn een integreerend bestanddeel van \'s raads crimineele rechtspraak, die burgers tegen borgstelling in de meeste gevallen op vrije voeten liet :i).

Wij vinden hier dus de beide soorten van „loften,quot; die wij reeds vroeger ontmoetten (betalingsbelofte en borgstelling), op het gebied der crimineele rechtspleging- terug, en wij kunnen dit beschouwen als het bewijs, dat onze definitie juist was. Met deze crimineele „loftenquot; hebben wij ons hier overigens niet verder bezig- te houden, daar wij thans de vrijwillige jurisdictie behandelen.

Nu wij den inhoud van het contract, dat „loftequot; genoemd wordt, kennen, rijst dadelijk de vraag: welke was de vorm, waarin het gesloten werd? Onze rechtsbronnen stellen ons niet in staat, hier een voldoend antwoord te geven : slechts verspreid treffen wij enkele bepalingen over dit onderwerp aan. Doch het met de Utrechtsche rechtsbepalingen zoo nauw verwante Amersfoortsche rechtsboek geeft ons de gelegenheid, na te gaan, welke vorm daar bij het loven van „loftonquot; in acht genomen werd: immers het „raidtboeckquot;, dat „van loftenquot; handelt\'\'), levert een in bizonderheden uitgewerkt beeld van de wijze, waarop dit contract te Amersfoort tot stand kwam.

Men kende te Amersfoort drie vormen van „loften.quot; De eerste was de buitengerechtelijke: de gewone betalingsbelofte of borgtocht, waarvan eene onderhandsche akte was opgemaakt. Wenschto de schuldeischer betaling der schuld, dan deed hij den „sacwoutquot; en de borgen door de stadsknapen bieden voor

-ocr page 173-

den raad. De gedaagden moesten daar „Hen ofl nyet lienquot; (d. i. de schuld erkennen of ontkennen) \'). In het eerste geval (en ook wanneer zij niet verschenen) waren zij „vellich gewonnenquot; 1); „liedenquot; zij echter niet, dan moesten zij nog voor de schepenbank „onscout doenquot; (d. i. een eed doen, dat zij niet schuldig waren). De schuldenaar, die eene lofte „belietquot; had, moest binnen veertien dagen betalen. Wanneer hij in gebreke bleef, liet de schuldeischor „teykenenquot; op het stadhuis en werd het goed van den schuldenaar of, bij onstentenis daarvan, dat Vein de borgen, na „geroepenquot; te zijn in de kerk en op de straat, door een raadslid „dairto gesetquot; verkocht voor de schuld :l). Was er niet genoeg geld, dan werd de schuldenaar „uytgeluutquot; (d. i. verbannen).

De tweede vorm van lofte kwam tot stand, wanneer de borgen „loven an der stat hant off in der stat registerquot;; in de gevolgen stond deze gelijk met de derde vorm, de lofte bij „scepenbrievequot;. Wij kennen ze beidon reeds: de lofte „in der stat registerquot; werd gewis gedaan voor twee raadslieden en in het stedelijk register \') aangeteekend; de andere soort was eene lofte, waarvan „voir den gerichtquot; of „voir die banckquot; (nam. voor schout en schepenen) een gerechtsbrief was opgemaakt. Tegen beide soorten mocht men „hem nyet werenquot;

1

Hetzelfde gold ook te Utrecht; „wat een man liet in tegenwoordicheit des gherechts, daer en mach hy na niet teghens seggiien.quot; (R. v. U, II p. 209.)

-ocr page 174-

\'54

(d. i. tegenbewijs was uitgesloten), tenzij door betaling te-bewijzen. Zonder twijfel kon men deze loften bij wanbetaling dan ook onmiddellijk door panding executeeren; immers het „lienquot; was onnoodig, wanneer do schuldenaar reeds dadelijk voor de officiëele getuigen „gelietquot; had, en het „vellieh winnenquot; der schuldenaren ware doelloos geweest, daar deze toch geene gt;,onscout doenquot; mochten. Met deze gevolgen van de gerechtelijke erkenning der schuld stemden overeen de bepalingen omtrent de verplichting der borgen \'). Wanneer een borg, die eene buitengerechtelijke lofte had „geloeftquot;, stierf „eer Ity van der lofte int recht geliet hadde ende vellieh gewonnen wairquot;, dan namen de andere borgen zijn aandeel over; stierf hij „velliehquot;, dan ging- zijne verplichting op zijne erfgenamen over. Had echter de overledene borg „geloeft in brievenquot;, dan waren zijne erfgenamen steeds verbonden \'1). Het is dus blijkbaar niet de lofte zelve, die verbindt, maar het „lienquot; in rechten 2); de buitengerechtelijke lofte legt den schuldenaar slechts de verplichting op om te „lienquot;, het „lienquot; daarentegen verplicht hem tot betaling.

Nu wij eene heldere voorstelling van de vormen der lofte gekregen hebben, valt het ons gemakkelijker, om wat wij daarover in de Utrechtsche rechtsbronnen verspreid vinden te verstaan. De eerste soort, de buitengerechtelijke lofte, was te Utrecht natuurlijk niet onbekend; men vindt er eene afgedrukt in Der scepene boeck \'\'). Onze bronnen behelzen over deze soort van loften weinig; de procedure daarover had als

1

Stichtsch landrecht. XI. 2. (R. v. U. II p. 418,)—Het Amersfoortsche rechtsboek \',egt dit niet uitdrukkelijk; maar het volgt uit het voorafgaande en past zoo goed in het systeem van dit rechtsboek, dat de bepalingen daarvan het artikel van het Landrecht verklaren.

2

Men biedt dan ook iemand „voir recht ende laet hem belyen tottes gerechts seggen , om synre schulden te sekercr tc wescn.quot; (V. d. Water, Place. III p. 311 § 6.) — Evenzoo „beliedequot; men soms „vorwaardequot; (overeenkomsten) voor den raad, om het bewijs bij latere geschillen gemakkelijk te maken: „A ende B sijn wijff sijn gecomen voerden scepene ende den rade opten raethuse, ende hebben aldaer mit horen vrien moetwille elc den anderen belict sulcke vorvvarde als in der cedelen (lees : als die cedele), die sij voer den rade brochten, begrepen heeft, ende gewilcoert in aire manieren als diesclve cedell inhout, die hierna bescreven staet.quot; (Raads dag. boek. Manend, na Maur. 1445.)

-ocr page 175-

155

van gewone „scade endc scoutquot; voor de schepenbank plaats \'). Inderdaad werd dan ook de zooeven vermelde Utrcchtsche lofte op de ons reeds bekende wijze „betyetquot; voor de schepenbank. —- De derde soort, do lofte in schepenbrieven, schijnt tc Utrecht zeer algemeen geweest te zijn; deze lofton worden telkens tc gelijk met de plechten genoemd als dc meest voorkomende soort van schepenbrieven -). Men kon deze loften door panding executcercn; pandwering („uutdoenquot;) was ook te Utrecht alleen mogelijk door betaling\' tc bewijzen met „scepenquytanciënquot; of gerechtelijke kwijtschelding x).

Doch de tweede soort, de „lofte in der stat registerquot; of „an der stat hantquot;, schijnt te Utrecht niet bekend te zijn Vreemd verschijnsel zeker! Een vorm van verbintenis, die in het verre Duitschland en in hot naburige en nauwverwante Amersfoort zeer gewoon is, zou te Utrecht niet voorkomen? Ter verklaring van het verbazingwekkende feit schrijf ik twee plaatsen uit het Raads dagelijksche bock af: ,,A lovede ende wilcoorde, dat hy betalen zei tusschen dit ende Beloken Paesschen naestcomende B XI g. Waert dat hy des niet en dede, zo verboorde hy een peen van V g. tot behoef sraets van der stat r\').quot; „A ende B wilkoorden C VIII oude scilde tc betalen, die ene helftc Odulfi ende dandere helfto Bosin-chemer marct of binnen VIII daghen nae eiken termyne onbegrepen, alle dage by V ponden. D wilkoerde E X oude scilde te betalen ut proximum supra. E wilkoerde by trouwen eren ende zekerheyden, alze: waert zake, dat hy A, B ende D voergenoemt (dezelfde personen, boven als A, B en D aangeduid) niet en vryede van den wilkoeren voerseyt, voer hem gedaen, ende zy daer enigen scaden by leden, dat hy dan terstont hyr binnencomen endc bliven zal ter tyt toe zy ghevryct zyn endc voldaen van hoeren scade, den zy geleden hadden Ik geloof, dat deze plaatsen alles ophelderen. Het eerste contract is eene „wilkoerquot; in optima forma; toch wordt

1) V. cl. Water, Placc. Ill p. 312 ^ 7.

2) Zie o. a. L. Tl. XLVIII. 7. R. v. U. F p. 402 ^6,7,13. — Scepenrecht. II ?? 11, 17.

3) Scepenrecht. II. 9.

4) Wel vinden wij vermeld (Scepenrecht. 11 ?i 20), dat loften geschreven worden „in «ter sccpcn boeck doch dit heeft betrekking op \'dc voorloopige aanteekening van den klerk in zijn boek, volgens welke hij later den schepenbrief opmaakte.

5) Raads dag. boek. Vryd. na O. L. V. Conc. 1403.

6) Raads dag. boek. Vryd. na Miserie. Dom. 1464.

-ocr page 176-

156

er g\'ezegd, dat de schuldenaar „lovedequot;. Omgekeerd behelst de tweede aanteekcning eene zelfstandige betalingsbelofte van een of meer borgen voor een schuldenaar (een vorm van borgstelling dus, waarop de naam „loftequot; met meer zekerheid dan op eene gewone borgstelling kan toegepast worden); toch zegt do plaats, dat de borgen „wilkoerenquot;. De conclusie kan niet uitblijven: eene „loftequot; en een „wilkoerquot; zijn in het Utrechtsche recht hetzelfde. Wij vinden de bevestiging van deze conclusie in het voortdurend samenkoppelen dor woorden „lovenquot; en „wilcoerenquot; op tal van plaatsen in onze rechtsboeken \'), als vreesde men, dat de minder gewone vorm „wilcoerenquot; alleen , zonder de bijvoeging van het meer bekende „lovenquot;, niet duidelijk genoeg zijn zou.

In één opzicht verschillen echter de Utrechtsche „wilkoerenquot; van dn elders vnorkomende „loften in der stat register.quot; Er werd te Utrecht altijd „gewilkoertquot; „bi eenre penenquot;, en deze bijvoeging schijnt tot het wezen der „wilkoerenquot; behoord te hebben. Bij de Amersfoortsche „loftenquot; wordt deze vorm echter niet vermeld; zij is althans voor het tot stand komen van het contract in geen geval noodig. De Utrechtsche „loftenquot; nu nemen deze eigenaar-digheid van de „wilkoerenquot; over, en wijken dus in dit opzicht van de elders voorkomende af -). Vraagt men naar de reden, waarom te Utrecht de schuldbekentenissen met bijgevoegde poenale sanctie zoo geliefd waren ? zóó algemeen, dat men ze voor den raad zelfs alleen in dezen vorm hoort afleggen? Het komt mij voor, dat dit verschijnsel zijne verklaring vindt in de Utrechtsche rechtsontwikkeling-. Herinneren wij ons, dat het raadsrecht zijn oorsprong vond in arbitrage, in het vrijwillig aanbrengen van zaken door partijen bij den raad. De raad miste derhalve, althans aanvankelijk, een executiemiddel: hij kon de uitvoering van het gewezene vonnis niet verzekeren, daar het de schepenbank was, die rechtte „van scade ende scout.quot; Werd nu evenwel bij de betalingsbelofte een beding gevoegd van zekere boete, te verbeuren ten voordeele van den raad voor eiken dag, dat de

1) Zie b. v. L. A. CXX. 2. L. A. CX1V pr. — Scepeneboeck. XCI. (R. v. U. II. p. 217.) Zie ook: Rauds dag. boek. Woensd. na Jaersd. 1404, waar een wilkoer heet; „wilcocr oervede ende lofte.quot;

2) Reeds in liet oudste Raads dag. boek (1402) komen tal van wilkoeren met borgtochten voor. Omgekeerd vindt men ook „loftenquot; met „penenquot; vermeld, (o. a. Roesr. CX. 2. — Divers. Frid. de BI. see. fol. 259 vs.: „lovede bi der penen voerseyt aen des raeds hande.quot; — Zie ook de hierboven afgedrukte loften v. Vryd. na O. L. V. Cone. 1403

n v. Vrid. na Jud. 1446.)

-ocr page 177-

57

schuldenaar niet betaalde, dan kon de raad den schuldcischer helpen. Den debiteur direct dwingen tot betaling vermocht hij niet; maar de crimineele jurisdictie was zijn domein, en door het beding eener „penequot; was de zaak op dit terrein overgebracht. De raad liet eenvoudig dagelijks de aan hem vcr-vallene boete, evenals andere boeten en „koerenquot;, door zijne ambtenaren invorderen, en de schuldenaar was dan natuurlijk wel zoo wijs, eerlang do schuld af te doen. Te Amersfoort vindt men deze eigenaardige procedure niet: de raad deed, zooals wij zagen, de schuld ^elf bij civile executie invorderen; doch te Utrecht bleef men aan het oude gebruik vasthouden , ook nadat de bevoegdheid van den raad was uitgebreid \'). Speelden hier de financiëele voordeelen , die de raad dusdoende verkreeg, cene rol? of waagde de Utrechtsche raad het niet, eene nieuwe, directe inbreuk op de bevoegdheid der schepenbank te doen ? Ik durf dit niet beslissen, en herinner alleen, dat de Amersfoortsche raad ook in andere opzichten zich grootere inbreuken op het domein der schepenbank veroorloofde dan de Utrechtsche.

De bemoeiing met do wilkoeren of loften leverde den raad een « zeer ruim arbeidsveld; doch het was ook nagenoeg alles, wat hij op het gebied der vrijwillige jurisdictie vermocht. Met de rechtspraak over onroerend goed was de geheele vrijwillige rechtspraak, die daarop betrekking had, aan de schepenbank gebleven: overdracht van onroerend goed had alleen daar plaats. En ook over slechts enkele andere onderwerpen van vrijwillige rechtspraak bezat de raad eenige bevoegdheden van weinig gewicht. Zoo komen reeds in het oudste Raads dagelijksche boek procuratiën voor, en ook in de latere vindt men die \'1). Deze bevoegdheid van den raad werd door Karei V aanvankelijk geëerbiedigd: hij bepaalde, dat „alle macht-briefven, procuration off certificacien, dairaff dat men ge-bruueken sal buuten der stadtquot;, zouden gepasseerd worden tor plaatse, waar men zulks gewoon was -2); en werkelijk

1

b. v. Raads dag. boek. Domed. O. L. V. Ass. 1477: „A heeft gemachticht B ende G, zijn recht te vervolgen voer den raide tegen I). 1. e. Donred. na Visit. Marie 1477: 11A heeft ghemaehticht 13 in allen zijnen zaken.quot;

2

Wij zagen reeds, dat de raad dan ook in 1451 wel toegaf, dat „alle zaken, die ten rechte hoeren, ten rechte gewesenquot; zouden worden; doch daarvan bepaaldelijk het „rechten van wilcoeren , die by den raide gheschiet warenquot;, uitzonderde. (Roese. CCLXXVI. 1,3.)

-ocr page 178-

\'5«

vinden wij dan ook vermeld, dat nog in 1535 voor den raad „willich rechtquot; gehouden werd \'). Doch hot regceringsregle-ment van 1550 schafte dit af, en bepaalde, dat dergelijke akten alleen voor de schepenbank behoorden

Ook in momboirzaken had de raad zekere bevoegdheden. Reeds in het Liber albus vindt men vermeld, dat de voogd, indien het geëischt werd, zekerheid zou stellen bij den raad voor de behoorlijke waarneming der voogdij op straffe van 5 pond; doch reeds kort na 1390 werd deze bevoegdheid naar de schepenbank overgebracht \'). In het Scepenrccht (1456) blijkt do raad op nieuw een stap voorwaarts gedaan to hebben: er stiiat bepaald, dat de voogden rekening zullen doen voor twee leden van den raad, en dat bij gebreke daarvan de raad zelf een anderen voogd zal aanstellen ook de goederen der kinderen werden toen opgeschreven in een boek, door den raad daartoe aangelegd Het benoemen van voogden dooide ouders en hot vergoeden dor schade, door hun wanbeheer aan hunne pupillen toegebracht, geschiedde echter ten overstaan van de schepenbank quot;). Natuurlijk worden alle bevoegdheden van den raad in deze materie door Karei V dadelijk weder naar de schepenbank overgebracht \').

Andere bewijzen van \'s raads werkzaamheid op het gebied der vrijwillige rechtspraak zijn mij niet voorgekomen. Vreemd mag dit waarlijk heeten: de stad Utrecht, die in hare rechtsontwikkeling zoovele punten van overeenkomst vertoont met hare Duitsche zusters, was hier zeer ten achteren. De vrijwillige rechtspraak behoorde in tal van Duitsche steden geheel aan den raad; hier en daar was zelfs naast de rechtspraak liet behandelen dezer zaken \'s raads voornaamste bezigheid !l). Ja de raad van de zooveel minder machtige stad Amersfoort had in dit opzicht veel uitgebreider bevoegdheid dan de Utrechtsche. Daar toch vond men eene vaste raadscommissie, de vijven, voor wie men rechtsgeldig „wilkuerenquot;, „giftenquot; (overdracht van goed)

j) Vin de Water, Placcaatb. 111 p. 338.

2) Cost. v. 1550. I. § 22.

3) L. A. VII. 2. (cf. Noot 5 en 6.)

4) Scepcnr. XII § 1—4. (R. v. U. II p. 270/1.)

5) Scepenr. XII ^ to /. ƒ. (R. v. U. II p. 274.)

6) Scepenr. XII 85, 7.

7) Ord. 1530. 47. Ord. 1532. XVI § 1.

8) Pauli, Liibeckiscbe Znsliinde. I p. 124.

-ocr page 179-

159

en „makenquot; (testamenten) kon passeeren op dagen, wanneer er geen recht gehouden werd \'); deze vijven traden ook als de officiöele getuigen op: zij „kendenquot; in processen -).

§ 4. RECHTSPRAAK VAN RAAD OUD EN NIEUW.

Behalve de in de vorige paragraphen behandelde zaken, die ter competentie van den raad stonden, kende men te Utrecht nog eene categorie van „zaken, die out raet ende nywe te berechten hebben :i).quot; Wat hebben wij daaronder te verstaan ?

In het eerste hoofdstuk deelde ik mede, dat de afge-tredene raadsleden gedurende het eerstvolgende jaar den oudraad vormden, en onder dien naam in sommige gevallen met den nieuwen of zittenden raad vergaderden. Wij vinden dit gebruik bij tal van steden in alle Duitsche streken terug \'); de personen, die den ouden raad en den nieuwen raad vormden, wisselden gewoonlijk jaar om jaar af; in sommige steden was dit zelfs rechtens het geval. In welke gevallen de plechtige gecombineerde raadszittingen van „raet out ende nywequot; r\') gehouden werden, is gewoonlijk niet nauwkeurig bepaald (;); ook te Utrecht is dit het geval niet.

Zien wij toch in onze rechtsbronnen naar bepalingen omtrent den werkkring van „raet out ende nywequot; om, dan vinden wij aanvankelijk geene bepaalde aanwijzingen. I l et Liber albus zegt \') in zeer algemeone termen, dat de vier oversten den oudraad zullen „biedenquot;, „also dicke alst hem nutte donct ende der stat oorbaer wesenquot;. De eed der. raadsleden, die ruim eene eeuw jonger is dan deze bepaling 1), leert ons. dat

1

R. v. U. I p, 391 Nquot;. XII. t. (Zie de vermelding daarin van de keur v. Koese. CCLXXI (M. 1449.)

-ocr page 180-

160

het onderscheid in bevoegdheid tusschen ouden raad en nieuwen raad daarin bestond, dat de eerste zich niet bezighield met het „voirraden den armen gelijc den rijckenquot; cn met het „betalen van der stadt schout De laatste bevoegdheid omvat blijkbaar het finantiëelc beheer; de eerste is zoo duidelijk niet: de bijvoeging, dat men de rijken bij het „voirradenquot; niet be-voordeelen zal, doet echter vermoeden, dat hierbij aan de rechtspraak gedacht moet worden.

Gaan wij verder meer in het bizonder de gevallen na, waarin van een handelend optreden van den oudraad melding gemaakt wordt, dan bevinden wij, dat die bijna altijd betreffen het maken van ordonnantiën. Dergelijke bepalingen werden „gemaictquot; of „geraemptquot; (d. i. ontworpen) door schepenen, raden en oudermannen (d, i, den nieuwen raad), en daarna „belieftquot; (d, i. goedgekeurd, bevestigd) of „overdragenquot; (d, i, vastgesteld, besloten) door „raet out ende nye1)quot;; anders uitgedrukt: de nieuwe raad „raemdequot; de ordonnantiën „op verbeteren oude raet ende nywe \')quot;■ Enkele gewichtige gevallen worden verder nu cn dan vermeld als te behooren tot de competentie („tot de ordinancio ende bescheidenheitquot;, zegt Roese. CLXXXI pr,) van „raet out ende nywequot;, zooals: het geven van „vrihedequot; aan gilden (behalve in bepaalde gevallen) 2), het geven van machtiging aan don nieuwen raad tot het „voerstaenquot; van eenen burger op stadskosten r\') enz. In het algemeen schijnt de verhouding tusschen ouden en nieuwen raad juist geteekend door twee raadsbesluiten in onze rechtsbronnen, die beiden vermelden, dat de nieuwe raad bepaalde ambtenaars benoemen zou, totdat „raet out ende nywequot; „eens anders (of „eens betersquot;) te raed;\' werden De „raet out ende nywequot; heeft dus de beslissing

1

Roese. CCXXXVII pr.

2

L. A. LXXXVI. 1.

-ocr page 181-

i6I

over het bestaan van een ambt; de nieuwe voert dit besluit uit door de benoeming der ambtenaren. Toetsen wij dit resultaat aan den inhoud van het register van besluiten van „raet out ende nywequot;, dat ons bewaard gebleven is in het Liber hirsutus minor \'), dan vinden wij daarin de bevestiging onzer conclusie, dat het maken van verordeningen de hoofdwerkzaamheid van het gecombineerde college was 1).

Xaast deze verordeningen treffen wij in dit register eenige a vonnissen aan ^), Het gelukt ons niet, daarin eenig criterium te ontdekken, waaruit wij zouden kunnen afleiden, welke onderwerpen ter berechting van „raet out ende nywe\'\' stonden. En juist hierom is het ons te doen. Wij moeten ons dus elders heenwenden. Een zeer welkomen leiddraad geeft ons het laatste hoofdstuk van het Liber albus (CXXII) in de hand. I let bevat eene arbitrale uitspraak van den bisschop en de acht oversten der stad over de verschillen tusschen de i twee partijen in de stad, die geleid hadden tot het oproer \' van Sonnendach voer Zinte Margrieten dach 1379 \'). Uit den inhoud dezer uitspraak schijnt te blijken, dat een der partijen 0. a. ontevreden was over de wijze, waarop de raad rechtsprak, bepaaldelijk over de groote strengheid der vonnissen, die do veelvuldige usurpation van den raad te meer hinderlijk maakte. Het vonnis tracht nu aan die bezwaren te gemoet te komen door de bevoegdheid van den raad als rechtsprekend college te besnoeien, zoowel met betrekking tot het getal der te berechten misdrijven als tot do zwaarte der toe te passen straffen.

Ziehier wat er bepaald wordt: 1quot;. De raad,heeft bij de recht-

11

1

Ook te Dortmund was dit het geval. (Frensdorff, Dortm. Statuten, p. LVIII.) Fenigs-zins vreemd is de vermelding in Roese. CLXXXI pr., dat „alle punten van den vleysch te slaen , te versijsen ende te vercopen, hoe ende wair, ende die koren dairopquot; tot de competentie van raad oud en nieuw behooren; het klinkt alsof niet alle ordonnantiën tot die competentie stonden. Men vindt in Die Roese verscheidene besluiten van den nieuwen raad alleen opgenomen (o. a. CLXXXVII—CXC, CXCVill, CC, CCI, CCXLVIII , CCLXXV1II), doch het zijn nooit bepaalde ordonnantiën.

-ocr page 182-

162

spraak „van koerenquot; zich strict te houden aan de bedreigde straf; bij „broekenquot; mag hij wol verzachtende omstandigheden aannemen, doch niet hoven de bepaalde straf gaan. 2quot;. Zijn de straffen voor „broekenquot; niet in de rechtsboeken bepaald, dan mag de nieuwe raad alleen lichte straffen toepassen, boeten opleggen tot zeker bedrag en de zoengelden aan partij bepalen; overigens doet „raet out ende nywequot; recht \'). 30. Misdrijven, gepleegd vóórdat de nieuwe raad optrad, worden eveneens door „raet out ende nywequot; gestraft. 40. Zaken, die tot de competentie der schepenbank behooren, worden daarheen verwezen; geschieden er bij de rechtspraak door schepenen „on-reckelike dinghequot;, dan zal „raet out ende nywequot; die „uutgaen ende berechten.quot; De rechtspraak van „raet out ende nywe\' ( wordt hier derhalve omschreven als de jurisdictie over: 1zware misdrijven, waartegen de rechtsboeken geene straf bedreigen. 20. misdrijven, gepleegd in den tijd, voordat de nieuwe raad , ^ zitting had, en 3quot;. onredelijke rechtspraak door schepenen.

iquot;. Zware misdrijven, waartegen geen hef aaide straf bedreigd is. — De bevoegdheid van „raet out ende nywequot; wordt hier bepaald door de zwaarte niet van het misdrijf, maar van de; straf. De medewerking toch van den oudraad wordt vereischt; voor het opleggen van boeten boven 10.000 steenen (bij doodslag boven de 50.000 steenen -)) en verder voor het uitspreken van verbanning, het meineedig verkondigen, het uitzetten uit raad of gild, ontburgering, het doen „verwilcoron opsiinliifquot; en het opleggen van bedevaarten verder dan Aken of Aardenburg. Deze bepaling werd in hoofdzaak bevestigd in 1413, toen men bepaalde, dat alleen „raet out ende nywequot; burgers ontburgeren of uit raad en gild zetten mochten ■quot;•). Uitgezonderd

1) Algemeencr nog te Nijmegen: het „aldc koerboeckquot; (Inventaris. N0. 16), zegt (fol. 57): „Voirt alle andere broeken ende mysdaden, die hier gevallen, dair hiervoir nyet aff geschreven en staet, sal men corrigieren tot guetduneken burgermeistere, scepenen (inde sraitz ende der meister e van Sen ter Cl ais gilde.quot; Het St. Nicolaasgild fungeerde daar ongeveer als de breede raad elders.

2) Geheel analoog is de bepaling van Seepenrecht. XIV. 14, dat de schepenen straffen mogen opleggen tot X toe.

3) Nog in 1526 was de toestand zoo; op Saterdach na Oculi „sleten die raide out ende nye opt behagen van den gemeynen gilden, dat A e. a. sellen ewelick uuten raide vvesen ende bliven, ende dat se oick bedevaert reysen sellen te Roemen , ende als zy hoer bedevaert gedaen sellen hebben, soe sellen se bliven een mijl van der stat ende scicken betoen (nam. bewijs, dat zij te Rome geweest zijn), aen den rait out ende nye, die dan die macht sel hebben hem weder in te slyten. Ende ingesleten wesende sellen zij be-hoerlicke oervede doen. Rnde sellen uuter stnt reysen lussehen dit rnde morgen avont.

-ocr page 183-

16^

werden toen drie gevallen: iquot;. Wanneer iemand, voor den raad g-eboden, niet verscheen, en derhalve volgens do oude gewoonte door don (nieuwen) raad verbannen („mitter clocken vervolchtquot;) mocht worden. 2n. Wanneer de misdrijven door leden van den nieuwen raad gepleegd waren \'). 3quot;. Wanneer oen burger, die geen raadslid was, „overdade of onstantelike sakenquot; bedreef, „dat den rade verdocht (d. i. to erg voorkwam.)

2\'1. Misdrijven, gepleegd voordat de nieuwe raad afgetreden was. — Voor deze misdrijven werd in 1441 ook de nieuwe raad competent verklaard , omdat de oude bepaling omkooping der ambtenaren schijnt bevorderd te hebben :1).

3°. Onredelijke rechtspraak door schepenen. — Wat men onder „onreckelike dinghequot; (of, zooals het Roede boeck zegt: „onro-delike dinghenquot;5)) in de rechtspraak te verstaan hoeft, is niot geheel zoker. Wel blijkt het, dat de bedoeling was. aan „niet out ende nywequot; toezicht te geven op do rechtspraak der schepenbank, ten einde te voorkomen, dat zij verkeerde uitspraken deed; in welke gevallen dat toezicht uitgeoefend kon worden, is echter zoo zeker niet. Ik heb slechts enkele voor-hooiden gevonden, dat do raad oud en nieuw van deze bevoegdheid gebruik maakte. Het meest sprekende geval is het volgende: in 1478 had iemand voor de schepenbank „rumingo gebodenquot; met een schepenbrief, hoewel de raad vroeger had beslist. dat die brief niet meer van kracht zou zijn; desniettegenstaande was hij „geeygent van dor heerlicheyt wegenquot;, cl. i. door schout en schepenen. „Raet out ende nyequot; „sletenquot; nu, dat deze „eygenscapquot; „van geenre weerdenquot; zijn zou; hadden partijen „yet op malcanderen te zecgen, dairvan moigen zy malcanderen bespreken mit recht daer zy winnen wanen r\').quot;

(Volgens nog conigo dergelijke vonnissen.) Ende allo dit voirseyde hebben die gemeen gilden belieft ende geconsenteert op sunt Jans kerchoff op datum voerseyt.quot; (Raads dag. boek 1. c.) De bevestiging door de gilden had in dit geval denkelijk plaats, omdat hot misdrijf tegen de stad geploegd was (zie; V. d. Water, Place. Ill p. 90 ad 1492^1): bet was, naar het schijnt, eenc Geldersche samenzwering.

t) Zie nog: Van de Water, Place. Ill p. 90 (1491): Schepenen, raden of meenteman-ncn , „die enige misbrukinge doenquot;, „stacn tot sraets correctie.quot;

2) Roesc. CL. De exceptie sub N0. 3 [ecne latere bijvoeging, dus wellicht reactie) maakt de geheele bepaling vrij wel krachteloos, want waar was de grens? wanneer was een „overdaetquot; zoo verschrikkelijk, dat zij den raad te erg\' voorkwam?

3) Roese. CCXX1I. 2.

4) R. v. U. I p. 67 Noot 2. — cf. Gildenbr. v. 1455 nrt. 23. (V. d. Water, Place. Ill P- 83-) „Onreckelikquot; is dus ~ „ on redelik.quot;

5) Raads dng. boek. Saterd. voer Lichtm. 1.178.

-ocr page 184-

64

Later \') zal ik dit vonnis on de andore hier bedoelde plaatsen uitvoerig bespreken: het zal dan blijken, dat bedoeld schijnen te worden gevallen, waarin de rechtspraak der schepenen, die het strenge formeele recht toepasten, aanleiding gaf tot onbillijkheid („onredelicheytquot;), en waarin derhalve raad oud en nieuw zich voorbehrelden, in hoogste instantie voor speciale zaken de summa injuria van hot summum jus weg te nemen door vonnis te wijzen naar redelijkheid, — eene werkzaamheid, geheel in overeenstemming met het optreden van den raad als arbiter in civile zaken, en met de wijze, waarop hij ook de crimineele rechtspraak verkregen had \'*). Wij kunnen deze „onreckelike dinghenquot; nog iets nader bepalen door de opmerking, dat daartoe zeer zeker niet gebracht werd het geval van „wan-rechtingequot;; want dezelfde gildenbrief van 1455, die de „onreckelike dinghe in den gherechtequot; tot de bevoegdheid van den raad brengt (§ 23), draagt de correctie van „wanrechtingequot; aan de oudermannen op (§ 48) :i). Onder „wanrechtingequot; verstaat de brief het geval, „of scepen onde rade nyet en deden in den rechte of hoeren bevele, dat zy sculdich waren te doenquot;, • plichtverzuim derhalve, naar het schijnt, nalatigheid in het plegen van bestuurshandelingen of in de rechtspraak, hetzij dan „datter wille in gebesicht wair ofte nyetquot; d. i. met of zonder opzet.

Behalve in deze drie vaste categoriën rechtte de „raet out ende nywequot; nog in sommige speciale gevallen, waarin de rechtsboeken hem de jurisdictie hadden opgedragen. Van dien aard is de berechting van misdrijven, door ambtenaren of door personen, „tot enighe zaken ghesetquot;, in do uitoefening hunner functiën gepleegd \'), — verder van ongehoorzaamheid aan de vier oversten in geval van een oploop in do stad R), — en van alle misdrijven, die gepleegd waren bij het bovenvermelde oproer van 1379

-ocr page 185-

Uit al het bovenstaande blijkt, dat de rechtspraak van „raet out ende nywequot; in het algemeen de gewichtigste zaken omvatte, in overeenstemming met de positie, die dit college ook in administrative quaestiën tegenover den nieuwen raad innam. Daarmede in harmonie is het feit, dat wij nu en dan den „raet out ende nywequot; als eene soort van hoogere instantie werkzaam zien. Hoever deze bevoegdheid van het college zich uitstrekte, blijkt niet met juistheid; doch dat het die bezat, schijnt niet te loochenen. In het Raads dagelijksche boek van 1478 vinden wij vermeld, dat „scepene rade ende oudermanne (d. i. de nieuwe raad) die zake tusschen A ende B, roerende van scepenenbrieven, .... in den raide out ende nywe ghetoigen hebben \').quot; En hetzelfde register teekent in 1462 bij een vonnis van den nieuwen raad aan: „Deze slitinge worde belieft (d. i. goedgekeurd) by den ouden raide des Vrydages na Alrezielen dach 1).quot; Denkelijk moeten wij op dezelfde wijze verklaren eene in het Scepeneboeck •quot;) vermelde „slitingequot; (vonnis) van „raet out ende nywequot;, waarbij werd uitgemaakt, dat het huis Ten Hert „in den verbande was2).quot; Waarschijnlijk hebben wij hier te denken aan „saken, die den rade te zwaer waren te berechtenquot;, — eene ciitegorie, die door den gildenbrief van 1455 (waarbij de oudraad afg\'e-schaft en het zwaartepunt van het bestuur naar de gilden overgebracht werd) ter berechting van de oudermannen gebracht werd 3). Hoe dit zij, het is wellicht niet toevallig, dat in alle aangehaalde gevallen gehandeld wordt van civile zaken, terwijl overigens bij de rechtspraak van „raet out ende nywequot; steeds sprake was van „broekenquot;, d. i. van j crimineele zaken

1

Raads dag. boek. Woensd. na St. Lucas 1462.

2

Raads dag. boek. Manend, na Agn. 1478.

3

Van de Water, Placc. III p. 83 (art. 30). — Raads dag. boek Vryd. na O. L. V. Assumpcio 1456; „Want die overste out ende nye in voirtyden (d. i. vóór den gildenbrief van 1455) die sake niet wys werden en konden, merende van der slitinge tusschen A

ende B...... oec en hebben die gilden des niet wys konnen werden enz.quot; — Geheel

analoog is de bepaling van L. H. XXV. 1 voor het schepenrecht.

-ocr page 186-

I Ót)

Ziedaar wat mij van den omvang dor rechtspraak van „raet out cnde nyvvcquot; bekend geworden is. Enkele opmerkingen over de geschiedenis en den vorm dier rechtspraak vinden hier wellicht de geschiktste plaats. In de eerste plaats verdient de vraag besproken te worden , hoe en wanneer de ,,raet out ende nywequot; als rechtbank is opgetreden, Met zekerheid is dit niet te bepalen; doch waarschijnlijk is het geschied niet lang, voordat de bovenvermelde arbitrale uitspraak van den bisschop in [,579 de bevoegdheid van „raet out ende nywequot; regelde. Wij zagen vroeger, dat het raadsrecht zich in 1379 nog nauwelijks goed gevestigd had, eene conclusie, waarvan wij de bevestiging mogen zien in het verzet tegen het raadsrecht, waarvan wij in 1346 en 1379 vernemen — en het instellen eener hoogere instantie heeft toch wel alleen eenigen zin, wanneer de lagere behoorlijk in werking getreden en algemeen erkend is. Vóór 1379 vond ik dan ook de rechtspraak van ,,raet out ende nywequot; slechts tweemaal duidelijk vermeld, en wel op eene wijze, die mijne conclusie bevestigt. Immers het blijkt uit de eerste dezer plaatsen, dat de oudraad in 136^ nog niet deelnam aan het voorafgaande onderzoek van het te berechten misdrijf tenzij het zaken van weinig belang gold) en alleen tot het wijzen van het vonnis mocht medewerken \'1). Het tweede mij bekende voorbeeld dagteekent eerst van 1378, één jaar voor de arbitrale uitspraak. Eenmaal gevestigd, heeft echter de jurisdictie van „raet out ende nywequot; vaste wortels geschoten: hoewel tweemalen afgeschaft 2), tengevolge der beide groote revolutiën van 1455 en 1491 , die den oud-raad ophieven, is zij telkens herleefd; nog twee jaren voor den val der stedelijke autonomie wordt zij vermeld

1

L. H. V. 1.

2

Van de Water, Place. JU p. 83 § 23. — 1. c. lil p. 90 g 1. (1492.) (Zie hiervóór p. 26.) - Oppervlakkig beschouwd schijnt in het laatst aangehaalde artikel eene omschrijving van de bevoegdheid van „raet out ende nywequot; te lezen te staan, nam. „alle zaken, die den lande, stat ofte gilden niet en merenquot;; doch de bedoeling is, dat in die gevallende meentemannen niet door den raad behoeven opgeroepen te worden, (cf. 1. c. 11! p. 89 § 4, p. 83 § 29.)

-ocr page 187-

167

De wijze van rechtspraak door den „raet out ende nywequot; was eigenaardig. De gezamenlijke leden van het college schijnen eene commissie benoemd te hebben, om de aanhangige zaak te onderzoeken en daarover rapport uit te brengen \'); het vonnis werd echter niet door het volle college gewezen. In de arbitrale uitspraak van 1379 werd bepaald: „Alk-zaken, die out raet ende nywe berechten zullen van broeken, dat sellen dieghene, die nu overste ziin out ende nywe, te zamen berechten tusschen hier ende Onser Vrouwen daghe te Lichtmisse naestcomende. Ende dan zei men zetten vier mannen van eiker zide (d. i. uit elk der beide bij het oproer betrokkene partijen), die dat naeste jaer alle zeiken berechten zullen, die de raet out ende nywe te berechten hebben van broeken -).quot; Deze laatste bepaling - een uitvloeisel van den hevigen partijstrijd schijnt slechts tijdelijk van kracht geweest te zijn: wij vinden „die achte, die dat jaer lang alle zaken berechten zullen, die out raet ende nywe te berechten hebbenquot;, zooals te verwachten was, vermeld in het volgende jaar 1380 :\'). Na dien tijd schijnt men teruggekeerd te zijn tot den vorm, die in 1379 en wellicht reeds vroeger bestond, en de rechtspraak aan de acht oversten oud en nieuw (d. i. aan de beide burgemeesters en de beide overste oudermannen van het loopende jaar met die van het vorige) opgedragen te hebben: nog kort voor 1456 vinden wij althans deze delegatie van de functiën van ,,raet out ende nywequot; vermeld \'). Aanleidingquot; daartoe kan gegeven hebben het groote getal leden (156 personen), waaruit het college bestond.

1) L. H. V. 1. De bedoeling van dit artikel schijnt te zijn, dat de oudraden ook in deze zaken, hoewel zij tot de competentie van den nieuwen raad alleen behooren, aan het onderzoek mogen deelnemen , wanneer zij tegenwoordig zijn.

2) Onuitgegeven slot van de arbitrale uitspraak van 1379, in register Th. 2 fol. 80 vs. (Stads-arch.)

3) L. H. I,XXXIV. 1.

4) Raads dag. boek. Viyd. na O. L. V. Assumpcio 1456; „Want die overste out ende nye in voirtyden die sake niet wys werden en konden enz.quot;

-ocr page 188-

HOOFDSTUK IV. De rechtspleging voor den raad.

S I. DE CRI.MINEELK PROCEDURE IN HET ALGEMEEN.

Wij vinden over hot onderwerp, dat wij thans gaan behandelen . slechts hier en daar enkele verspreide bepalingen in onze rechtsboeken. Ook van elders is niet genoeg materiaal bijeenverzameld, om ons in de gelegenheid te stellen, eer eenigszins voldoend antwoord te geven op de vele vragen, die zich hierbij voordoen. Voornamelijk op de crimineele rechtspraak moet onze aandacht gevestigd zijn; over de civile, waarbij \'s raads bevoegdheid veel minder uitgebreid was, zijn natuurlijk slechts enkele gegevens te vinden.

De strafzaken werden in den regel aanhangig gemaakt door de klacht van den benadeelde. De aanwezigheid eener klacht wordt in onze rechtsboeken gewoonlijk ondersteld \'), ja, wanneer de raad in de vredekeur bepaalt, dat vredebraak door den raad vervolgd zal worden, wanneer hij daarvan .,verneemtquot;, wordt er uitdrukkelijk als iets bizonders bijgevoegd: „allene dat hem nyemant des en becroende

1) cf. L. A. III. 17, — XCJI. 5, 8. — Roese. CXLIV. 2. -- Van de Water, 1\'lacc. III p. 310. (besl. v. 1460.) — 1. c. III p. 87. (ordonn. v. 1462. art. 11, 12 , 13.) — „A ansprekcr ende B angesproken sijns gebleven an den rade van gewelde, van dieverien enz.quot; (Raads dag. boek. Manend, na Galli, Vrid. in ernst. Cone. Mar., Vrid. inerast. Geertr. 1446, en passim.) — Te Wijk bij Duurstede gold de regel: „Niemant en ean off en sail penen verboeren, of die heren en mogen sij niet eyssehen, daer gheen elaeger en is.quot; (Keurb. v. Wijk b/D., in: Coll. Booth. B 123 fol. 27. Prov. areh.)

2) L. A. XCII. 7.

-ocr page 189-

16g

Of cr vaste categoriën bestonden van misdrijven, die alleen op klacht, — van andere, die ook ex officio vervolgd konden worden, blijkt niet met volkomene zekerheid. In het Sticht gold de regel: „ondadenquot; worden vervolgxl ex officio 1 ook zonder klacht; de andere, lichtere misdrijven alleen op klacht van den benadeelde /elven Hoogstwaarschijnlijk was het gebruik ook in de stad Utrecht aldus. Immers in de keur Roese. CCLI. i wordt gezegd, dat een complot tot het plegen van geweld tegen burgers, zoodra men het „verneemtquot;, „onser stat zake wezenquot; zal, - eene uitdrukking, die wel niet tinders beteekenen kan, dan dat de stad (d. i. de raad) de zaak vervolgen zal, zoodra zij er kennis van krijgt, ook zonder klacht; de keur voegt er daarna bij; „ende dat men dat rechten zall als men eyn ondaet schuldich is te rechtenquot;. M. a. w. dus: „rechten van ondaetquot; is synonym met vervolgen 1 zonder klacht \'*). Bij overtreding van keuren werd echter geene j klacht noodig geacht: de benadeelde was daarbij gewoonlijk het stedelijk bestuur zelf.

Preventieve gevangenis was te Utrecht niet onbekend. Iemand, die „onseedicheyt bedrevenquot; had, werd „gevangenquot;, hetzij hij burger of geen burger was. In het laatste geval leverde men hem aan den schout over, of, wanneer de schout hem zelf gevangen genomen had („als hem daeraen twyveltquot;), gaf deze aan de vier oversten van de reden daarvan kennis 3): want „die vengnisse over uutheemse hide is des schouten , ende oeck van outs gewoente heeft g-eweest \'V\' Was echter de gevangene een burger, dan leverde men hem „der stat d. i. aan den raad, en hij had het privilegie, dat hij tegen borgtocht weder op vrije voeten gesteld kon worden. Van dit voorrecht waren verstoken de bedrijvers van zeer zware

x) R. v. U. II p. 409 Noot 1, — II p. 418. (Landr. XII. i, 2.)

2) Wellicht wordt hetzelfde bedoeld in eene aanteekening in het Raads dag. boek v. Vryd. na Egidii 1477: „A contra den rait, van dat hy gezeyt zoude hebben op die Plaets: „Egmont hoghen moit! God geve u allen Sunte Jans ovele!quot; A ontkende die aensprake.quot;

3) Roese. LXXIX. 1. Dat hier alleen buitenlieden bedoeld worden, blijkt uit de klachten van de bisschoppen Fred. v. Blankenheim en Rud. v. Diepholt. (Divers. Frid. de BI. pr .fol. 82 vlg. Divers. Rod. de D. pr. fol. CCXXX1I, CCXXX1V.) Beide bisschoppen maken alleen op dit recht ten aanzien van buitenlieden aanspraak. In 1340 „vingenquot; de vier oversten reeds (L. A. Ill 34), in 1367 ook de schout nog. (L. H. XXII. 2.)

4) Klacht v. bissch. Fred. v. BI., in: Divers. Frid. de BI. pr. fol. 82 vlg. (Prov. arch.)

5) L. H. XCVII. 1.

-ocr page 190-

misdrijven („opsettcn, moerdadelike Sciken ende ondaden, ende die na onser stat wilcoren tlyf verboert hebbenquot;) en op heeter daad betrapte dieven („dieven die men dryvende ende dragende vyntquot;) 1).

Wanneer eenmaal door gevangenis of borgstelling- de zekerheid verkregen was, dat de beschuldigde zou „rechts plegen na der stat rechtenquot;, dan werd de zaak door den raad gewoonlijk in handen g-estekl eener commissie, die „de waer-heyt daerof ondervindenquot; en daarna de zaak „weder in den raet brengenquot; moest. Herinnert men zich, dat de raad bestond uit 78 personen (raad oud en nieuw uit 156 personen), dan begrijpt men gemakkelijk, dat een dergelijk commissoriaal onderzoek ook bij de eenvoudige crimineele procedure dier dagen volstrekt noodig was. Gewoonlijk werd eene der vaste commissiën door den raad „bygeschictquot;, somtijds ook eenige speciaal benoemde raadsleden -).

De misdrijven, die de raad ex officio berechten mocht, (bepaaldelijk die, waardoor een raadsbevel overtreden was,) werden opgespoord door de daartoe aangestelde vaste raads-commissiën, die de schuldigen dan vervolgden en de zaak daarna den raad „aenbrochtenquot; of „bybrochten.quot; Deze commissiën moesten de zaak „uutgaenquot; (d. i. onderzoeken) en rapport doen van hare bevinding; doch in geen geval mochten zij verder gaan en de beschuldigden in vrijheid stellen of met hen „dedingenquot; (d. i. een compromis sluiten). Inzonderheid hot laatste wordt herhaaldelijk verboden; het schijnt derhalve dikwijls voorg\'ekomen te zijn 2), natuurlijk wegens de daaraan verbondene financiëele voordeelen.

Over de wijze, waarop de verschillende raadscommissiën het bewijs der waarheid van het ten laste gelegde feit moesten trachten te verkrijgen, zijn vele bepalingen gemaakt. In het algemeen gold de regel, dat de aanklager zijne klacht moest bewijzen. Deze eisch werd zeer streng gehandhaafd: er was zelfs bepaald, dat de aanklager bij het niet leveren van het

1

Gildenbrief v. 1455. (V. d. Water, Placc. III p. 83.)

2

Zie o. a. de eeden: R. v. U. I p. 388, 393. (VII, XVIII, XIX.) — ef. ook: Roese. LI. 7. — Van de Water, Placc. III p. 256. (sub II § 1.)

-ocr page 191-

171

bewijs dezelfde straf zou ondergaan, die de beschuldigde zou geleden hebben, als hij veroordeeld was. In de taal van dc 14° eeuw drukte men dit aldus uit: „hi (de aanklager) scl also vele verboren alse hi wil winnenquot;, of in crimineele zaken: „hi sel syn lyf daertegens settenquot; of „dair mit den lyve by-blyven

Bij het leveren van het bewijs kwam natuurlijk betrapping-op heeter daad in aanmerking -); vorder bekentenis, zelfs door middel van pijniging Doch het voornaamste middel was bewijs door (natuurlijk beëedigde) getuigen. Bij keuren gold als regel, dat, „als ment proeven mach mit tween reckeliken (latere lezing: redeliken) ludenquot;, de beklaagde veroordeeld werd \'\'). Op weigering van getuigenis stond dezelfde straf als op het misdrijf, dat bewezen moest worden ■\'\'), op valsche getuigenis de dubbele strafCi). Was het bewijs niet te leveren („vont men gheen bedrach daerofquot;), dan „stont die voorganger (beklaagde) ter onscoutquot;, d. i. hij werd tot den zuiveringseed toeg\'elaten 1). Bij verbreking van den stadvrede werd een zuivering-seed vereischt door den beklaagde met vier mannen, door den raad aan te wijzen quot;); liet getal van vijf was denkelijk gekozen, omdat de vijven (volgens het aan de bepaling voorafgaande artikel) als aanklagers schijnen opgetreden te zijn. Bleek de zuiveringseed later valsch, dan werd de straf op het misdrijf verzwaard !\').

Doch hoe dan ook, de „ghesetten ten zakenquot; moesten in

1

L. A. III. 12, 26. — Volgens het Landrecht (XII. 1) was dit in geval van aanklacht niet het geval, denkelijk omdat de aanklager dan zelf het bewijs moest leveren en anders de straf leed; de beklaagde was dus denkelijk zonder eed vrij. Met stadsrecht is op dit punt niet duidelijk.

-ocr page 192-

ieder geval „die zaken wijs werdenquot;, d. i. tot eene conclusie komen en binnen een bepaalden tijd rapport aan den raad doen, opdat de zaak geëindigd werd. Werd de gestelde termijn overschreden of het vonnis onbehoorlijk uitgesteld, dan werden de gedelegeerden door lijfsdwang \'), soms zelfs door boete -), genoodzaakt uitspraak te doen.

Wanneer de zaak aldus „uutgegaenquot; en het rapport aan den raad gedaan was, wees deze het vonnis („slitingequot;). Als rechters traden op de gezamenlijke raadsleden, d. i. dus de | i 2 schepenen, 24 raadsleden en 42 oudermannen quot;). Zij konden zich daarbij doen voorlichten door „clerckenquot;, „geleerdenquot;, „meysters van den rechtenquot; of „meysters ende yuristen van rechtquot;; doch naar het schijnt werden deze adviezen („voirraet,quot; „ondervindingequot;), die bepaaldelijk in de (civile) processen, die door de geestelijke rechtbank gerenvoyeerd werden, schijnen voorgekomen te zijn, gewoonlijk door de commissarissen bij het voorafgaand onderzoek ingewonnen en „den rade bigebrocht om hem na te rechten Y\'- Met dat al kwam het voor, dat de raad „de sake niet wys werden en konquot;. Wij hebben reeds boven •\'■) gezien, dat de raad dan waarschijnlijk „die zake in den raide out ende nywe toichquot;, en dat hij volgens den gildenbrief van 1455 quot;) verplicht was, ze met een „voirraem\'

1) „Overdroegen schepenen, rade ende oudermannen, dat die zecgslude tusschen A ende B hoer zeegen uulzecgen /.ellen tusschen dit ende Sunte Jacobsdach naistkomende, of daerenthenden op die poerte gaen ende dairop bliven ter tyt toe zy hoer zeegen uutgezegt zeilen hebben.quot; (Raads dag. boek. Manend, nae Petri et Pauü 1477.) — Misbruiken in de uitoefening van de functiön der commission werden door „raet out ende nyequot; gestraft. (L. H. LXXXI. 4.)

2) Roese. CCXXVUI. 1.

3) De klacht van de stad Utrecht over het hof van appèl van bisschop David spreekt van: „beroepinge die gescieden van den scepenen of van den rade of van den oudermans of van scepen raet ende ouderrnans tsamen.quot; (Matthaeus , Analecta. 111 p. 807.) Men zou daaruit opmaken, dat, evenals de schepenen en de oudermannen een afzonderlijk rechtsprekend college vormden, ook de eigenlijk gezegde raadsleden dit deden, in tegenstelling van de rechtspraak van den „menen raetquot;, bestaande uit schepenen , raden en oudermannen. Van elders is mij daarvan echter niets bekend.

4) H. XII. 1. („die raet vant bi horen clercken ende bi anders ghoeden clercken\', vlg. de noot door twee geleerden Will. Van der VVeyde en Nyc. Vonc.) — Raads dag. boek. Woensd. na Inv. S. Crucis 1476; vonnis gewezen „uut raide ende goetduncken der meysters van den rechten.quot; — Matthaeus, Jus gladii. p. 509: „by voirraet der geleerden.quot; — R.b. XLU. 2: „Ende dat uut te gaen ende te ondervragen onder de meysters ende yuristen van recht, wes recht is, ende die onderviindinge der yuristen den rade bi te brengen, der si hem na rechten mogen.quot;

5) Zie hiervoor p. 165.

6) Van de Water, Place, lil p. 83.

-ocr page 193-

\'73

(concept-vonnis) door do oudermannen aan do gilden „in die gemeen morgensprakequot; te doen voorleggen \'). Doch wat deed men, wanneer deze talrijke vergadering, die voor eene rechtbank zeker niet uitermate geschikt was, evenzoo „des niet eens werden en kon?quot; De oplossing geeft ons een raadsbesluit van Vrydach na Onser Vrouwen dach Assumpcioquot; 1456: „Want die overste out ende nye in voertyden (d. i. vóór den gildenbrief van 1455) die sake niet wys werden en konden, merende van der slitinge tusschen A ende B, ende dairomme dat lieten lcg-gen; oec en hebben die gilden des niet wys konnen werden; ende want dan die raet teser tyt dese sake oec niet wys werden en kan, zoo is die raet overcomen, dat dese sake ende slitinge liggende bliven sell ter tyt toe die raet, die nu is off namails comen sell, eendrachtelic des wys wartquot;. Zeer eenvoudig inderdaad !

In de toepassing der straf was aan den raad zeer veel ruimte gelaten -). Dikwijls lezen wij, dat de raad iets „rechten zei na horen ghoetdunckenquot;, of dat iets verboden wordt „by cor-rexy tottes raits goetdunckenquot; , elders dat de raad iets „scerpelikenquot; 1) of „zwaerlikenquot; f\') rechten zal, eene enkele maal, dat de raad een misdrijf, onder bepaalde omstandigheden gepleegd, iemand „voel zwaerliker ofnemen wil (of „vele zwaer-liker rechten wilquot;) dan op een ander tijt Dit ging zelfs

zóóver, dat men, juist omgekeerd als thans, somtijds een minimum vaststelde van de straf, en den raad de bevoegdheid gaf, „de correctie te vermeren na groetheyt dor misdaet tot horen guetduncken Wel wordt eenmaal van een maximum

1

Roese. XXXIV. 3, — CXXX. 2.

-ocr page 194-

\'74

g-esproken \'), maar dat maximum betrof niet de straf, die opgelegd kon worden, maar de bevoegdheid van den nieuwen raad , om ze zonder den oudraad toe te passen.

Zooveel over de rechtspraak van den raad in het algemeen. Wellicht is hier en daar in de rechtsboeken over dit onderwerp nog een en ander aangeteekend; doch voor het doel, dat wij ons voorstellen, is het bovenstaande voldoende. Van meer belang is het daarvoor, in bizonderheden te onderzoeken, wat de werkkring was van de bovenbedoelde com-missiën, de „amptlude van den raide gesettquot;. Wij vernemen uit de rechtsboeken zeiven, dat „alle brueken ende kueren ver-schynen in de ampten-) van den bussemeysteren van den raide, woekermeysteren, koermeysteren ofte den viven Achtereenvolgens zullen wij dus elk dezer „amptenquot; behandelen.

§ 2. de keurmeesters.

De geleerde Van de Water 1) achtte den werkkring dei-keurmeesters „van geen aanbelangquot; genoeg, om zich voorde bestudeering daarvan veel moeite te geven; aanvankelijk was hij zelfs „van voornemen, om niets daarvan te reppenquot;. Gelukkig is hij later „van gedachten verandertquot;, doch blijkbaa-heeft hij het onderwerp toch niet zeer ter harte genomen. Ten onrechte, naar liet mij schijnt. Immers wanneer wij de mid-deleeuwsche procedure wenschen te leeren kennen, mogen wij, om haar goed te begrijpen, het lagere rechtsgebied evenmin verwaarloozen als het hooge: de beginselen, die bij de regeling der procedure golden, zullen toch niet minder duidelijk uit de bestudeering der lagere rechtspraak blijken dan waar het misdrijven geldt, waartegen zware straffen bedreigd zijn. Voor ons echter , die de Utrechtsche rechtsboeken wenschen te begrijpen, heeft juist de lagere rechtspraak (quot;en bizonder groot belang, want verreweg het grootste deel van deze boeken heeft daarop betrekking.

Onder „de koermeystersquot; verstond men te Utrecht in de eerste plaats de „koermeystersquot; van de „vechtkoerenquot;. Hunne

1

v. cl. water, placc. ill p. 254.

-ocr page 195-

betrekking was van gewicht en werd dan ook voor aanzienlijk gehouden. Uit onze rechtsbronnen kunnen wij ons van hunnen werkkring een duidelijk beeld vormen.

In het algemeen wordt do bevoegdheid der koermeysters omschreven ids hot „uutgaen ende aenbrengen van koeren \').quot; Het proces tegen de verdachten van „vechtelicquot; werd bo-gonnon, wanneer de koermeysters „weten of vernemenquot; konden, dat er gevochten was, oiquot; wanneer hun dit „aengebrochtquot; werd -). In het algemeen dus ook zonder klacht, hoewel het ge^al van aangifte niet uitgesloten was ^). De keurmeesters kondon de verdachten dadelijk doen gevangen zetten door de stadsdienaars, tenzij do delinquenten volgens het oordeel van keurmeesters en schutmeester rijk genoeg waren, om de keuren te betalen, of daarvoor borgstellen Wilden Bij vechterij voor het stadhuis, waaraan men een oproerig- karakter toeschreef, moest de verdachte altijd gevangen gezet worden r\').

Was de verdachte in hechtenis of had hij borggesteld, dan gingen de koermeysters over tot het „uutgaenquot; of „onderviin-denquot; der waarheid: het onderzoek naar de schuld der verdachten. In het algemeen werd voor do veroordeeling gevorderd, dat het bewijs geleverd was door de verklaringen van twee getuigen r\'). De beoordeeling\' van de geloofwaardigheid der getuigen stond aan do keurmeesters 7); alleen was bepaald , dat het personen zijn moesten, die verklaren konden, „dat sijt hoerden ende zaghen ende nyet van ander lude segghen 1)quot;. De getuigen werden beëedigd; op valsche getuigenis stond do dubbele straf, die op het misdrijf was gezet !\'). Getuigen-

1

Vgl. Raads dag. bock. Sonnend. na Lichtmis en Saterd. na Paeschd. 1454\'. herbergiers moeten alle vechtpartijen in hunne herbergen aan de keurmeesters aanbrengen; doen zij het niet , dan gelden zij de keur eu de aanvecht er ook. Zie ook; Roese. CCV. 5.

-ocr page 196-

bewijs was vaste regel, doch ook ander bewijs werd toegelaten. Immers de rechtsbronnen spreken zeer in het algemeen van „al alsulck bewys ende bescheyt als die koermeysters vynden elders van „bewizinghe of bedrach op eene andere plaats zelfs van ,.die tuyge ende bewys „Vonde men geen bedrachquot;, dan moest de beklaagde „sweren siin onscout d. i. zijne onschuld door een eed staven. Een valsche eed werd zwaar gestraft; bij eene vervolging wegens nachtelijke verwonding werd de meineedige in dit geval veroordeeld als een moordenaar r\'). „

Was het onderzoek afgeloopen, dan moesten de koermeysters de zaak „aenbrengenquot; of „bybrengenquot; aan den raad fi). Wèl uitdrukkelijk werd hun ingescherpt, dat zij niet met cle schuldigen „componieren noch dedingen noch quytscheldenquot; mochten „dan by openbairen wille ende consent van den raide 1)quot;. Het herhaalde bevel om de zaken aan te brengen, het strenge verbod van compositie doet evenwel het vermoeden rijzen, dat overtredingen voorgekomen zullen zijn. Wij vinden de bevestiging van dit vermoeden in de bepaling van Die Roese. CCXXT1. 2, dat de raad ook in gevallen, die vóór zijnen tijd zijn voorgekomen, mag vonnis wijzen, „niet wederstaende enige dedinge offte overdrachte, die die koer-hair mitten amptluden gemaict mochte hebben buten den gemeynen raidequot;, „wantquot;, zoo wordt er bijgevoegd, „zij daer-mede niet quyt wesen en sellen in eniger wijsquot;. Gevallen, dat de keurmeesters de zaken zeiven door een vonnis of eene transactie afmaakten, waren dus niet zeldzaam. De vraag rijst, of het misbruik ook zulk een buitengewoon grooten omvang kan aangenomen hebben, dat het nagenoeg regel geworden was; immers wij vinden bepaald, dat „de coremeysters van der statquot; sommige keuren „berechten sellen alse zede ende woente is 0)quot;. En, wat zeer opmerkelijk is: in de Raads dagelijksche boeken vinden wij geen enkel vonnis wegens

1

Van de Water, Placc. 111 p. 256 Sj 1.

-ocr page 197-

\'77

„vechtelicquot; op aanbrengen der keurmeesters gewezen. Laat ons trachten deze quaestie uit te maken door het raadplegen van eenige in het stadsarchief berustende registers, getiteld „Vecht-koerenquot;, die dagteekenen van 1477 en de volgende jaren.

Op het eerste gezicht schijnen deze losse quaterns niet veel te beloven: ze zijn nagenoeg onleesbaar, met sterke verkortingen, blijkbaar haastig geschreven; veel is doorgeschrapt en de registers zeiven zijn verwaarloosd. Wanneer evenwel ons oog eenmaal aan dezen vorm gewend is, gelukt het ons allengs een en ander te ontcyferen, en wij ontdekken dan, dat de quaterns verschillende inscriptiën bevatten, die wij tot do volgende t3rpen kunnen terugbrengen:

„Anno MCCCCLXXVII die leste III \') maande.

A ende B coermeystersquot;.

„A contra B.quot;

„A contra B.

C tugede dat (enz.)quot;

„B. V m. st.

Van A ende B.

C tugede dat (enz.)

D tugede dat (enz.)quot;

„A A V iquot;. st. Till «.

B B IIII «.

B lyede syn mes weder uutgehadt te hebben by nachte 2) contra B, so hy eerst tmess toech ende hem gesteken hadde.

Item C tugede dat (enz.)

Item D tugede dat (enz.)quot;

„A A Vnl. st. II B B II «.

A versac contra B ende B versac oec.

C tugede dat (volgt het verhaal eener vechtpartij). D tugede dat (volgt een dergelijk verhaal). E tugede dat (als boven).quot;

T) Er slaat „1111 maendequot;, doch dit is een exceptioneel geval wegens bizondere redenen: elk register loopt gewoonlijk over 3 maanden.

2) L. A. lil. 9: „Alle coeren siin bi nachte ghedubbelt.\' Van daar ook de koer van 4 1k. in het vorige voorbeeld 2

1*2

\'fi type. 2« type.

3e type-

aenbr.

4\'- type.

aenbr.

5U type. aenbr.

-ocr page 198-

■ 78

Aan den oppervlakkigcn beschouwer geven deze raadselachtige aanteekeningen niet veel licht, en wanneer ze bij aandachtige studie eenigszins begrijpelijk worden, schijnen ze te bewijzen, dat inderdaad de keurmeesters zeiven de zaken afdeden; immers de vonnissen staan hier bij dc behandeling i der zaken aangeteekend. Doch bij nader inzien blijkt deze conclusie onjuist. Ziehier hoe de aanteekeningen te verklaren zijn. De registers loopen elk over een kwartaal, omdat destijds de keurmeesters om de drie maanden wisselden; aan het hoofd vindt men derhalve de namen der keurmeesters van dit „syzoenquot;. Dan volgen de zaken, die onderzocht worden. Vooraf schreven blijkbaar de keurmeesters de namen der vechtenden (A en B) in hunne registers. De eerste type vertegenwoordigt het geval, dat men geene getuigen heeft kunnen vinden: de zaak werd dus niet verder vervolgd (denkelijk door een zuivcringseed van den beklaagde geëindigd) en er viel niets meer op te teekenen. In de tweede type heeft men blijkbaar slechts één getuige opgespoord: voor het bewijs was dit volgens het Liber albus IX. i onvoldoende; ook hier dus geene verdere inscriptiën. In de overige gevallen vindt men het bewijs door de verklaringen van twee of meer getuigen geleverd. Daarbij wordt aangeteekend, wat de beklaagden zeiven verklaard hebben. Regel is het, dat beide partijen „versakenquot; (ontkennen); wel komt het herhaaldelijk voor, dat een der partijen „lyetquot; (erkent) gevochten te hebben; doch steeds voegt hij dan daaraan toe , dat zijne tegenpartij het gevecht begonnen had door hem te wonden. Wanneer aldus het bewijs van het vechten geleverd is, staat op den kant van het boek aangeteekend „aenbr.quot;, wat wij wel zonder aarzelen mogen verklaren ills „aenbrengen,quot; nam. aan den raad \' ). Blijkbaar is op dat „aen-brengenquot; een raadsvonnis gevolgd, waarbij beide partijen tot een „koerquot; veroordeeld worden, terwijl de ,,aenvechterquot; nog

i) Dit „aenbrengenquot; geschiedde bij vele zaken le gelijk op ongeregelde lijden, meestal lang nadat de kbermeysters afgetreden waren. Het register van gesletene „koerenquot; van 1474 (Februari—Februari) noemt in het kwartaal alleen den datum 7 September, — in het 2«\' 6 October en 13 Februari, 2 Maart 1475, -- in het 3° 13 October en 2 Januari, 17 Augustus 1475, ~ in het 4«\' 7, 31 Maart, 19 Mei, 17 Augustus en 2 Januari 1475. Het register van 1477 noemt: i0 kw. 18 September en 12 November, — 2(- kw. 14 October, 12, 20 November, — 3° kw. 14, 23 Januari, 19 Februari 1478, • 4«\' kw. 8, 9 April, 11 Juni, 13 Augustus 1478. (Dc 8 April 1478 was bepaaldelijk „dat yerste aenbrengenquot; in liet 4lt;■ kwartaal, dat begon met November 1477!)

-ocr page 199-

\'79

bovendien volgens Roosc CCV. 2 „te beteringe voer zijn bruekenquot; 5000 steenen betalen moet. In enkele gevallen wordt alleen do steenboete uitgesproken ; de roden waarom blijkt niet. Het vonnis wordt door de koermeysters bijdc uitspraak van het vonnis boven de instructie der zaak aangeteekend, terwijl het niet in de raadsboeken opgenomen is \'); alleen de koermeysters toch hadden, zooals aanstonds blijken zal, deze aanteekening noodig. Dat deze verklaring der plaatsen juist is, blijkt uit cene andere inscriptie in hetzelfde register; boven de instructie was daar geene plaats meer op den rand van het bock, en het vonnis is daarom bij uitzondering onder de instructie geschreven met de aanwijzing „aldus ist gesletenquot;; „slitingequot; nu was de vaste term voor een raadsvonnis.

De raad hechtte er terecht aan, zelf het vonnis te wijzen, ten einde den koermeysters niet te veel macht te geven en knevelarij te voorkomen. Doch uit den aard der zaak kon dit vonnis zelf niet veel waarborgen leveren: de raad was een veel te groot lichaam, de zaken waren veel te talrijk, om een onderzoek door den raad mogelijk te maken: zonder twijfel hebben derhalve de raadsleden steeds onmiddellijk „gesletenquot; conform het rapport van de koermeysters, dat twee hun geloofwaardig voorkomende getuigen verklaard hadden: „ A en Pgt; hebben gevochten en A is de aenvechterquot;. Wij vinden dan ook inderdaad gezegd, dat de koermeysters „alle koeren, die zy den raide aenbrengen, inwinnen zeilen waarbij derhalve de mogelijkheid van eene vrijspraak door den raad na het aanbrengen niet eens wordt aangenomen. Ook elders wordt het vonnis eenvoudig niet vermeld :i); doch na de bovenstaande uiteenzetting- kan het niet twijfelachtig zijn, dat desniettemin het vonnis steeds door den raad uitgesproken werd.

Wij zagen reeds boven, dat dit vonnis altijd eene veroordeeling tot geldboete bevatte, doch dat de veroordeelde steeds de bevoegdheid had, om in plaats van de betaling der boete jaar en dag gevangen te gaan zitten of de stad gedurende

1) Roesc. CCXXII. 2, 4 spreekt wel van het „serivenquot; van de koeren, die „gesletenquot; zijn, „in der stat boick,quot; doch denkelijk wordt daarmede het boek der keurmeesters zeiven bedoeld, waarvan zij jaarlijks duplikaat in handen van den klerk moesten leveren. (!• e. § 2.) . (Analoog de lijst der veroordeelden van L. II. LXXV. 2.) Dit boek wordt in 1478 „dat koerboeekquot; genaamd. (V. d. Water, Plaee. lil p. 256 § 4.)

2) Roese. CCXL. ro.

3) V. d. Water, IMaee. lil p. 74 5^ 12.

-ocr page 200-

I 80

dien tijd te verlaten \'). Dubbele boete werd opgelegd voor vechterij bij nacht \'1) of voor het stadhuis :l). Zooals wij in de aangehaalde voorbeelden reeds konden opmerken, werd bij hetzelfde vonnis, waarin de koer werd opgelegd, de veroordeeling tot de broeke uitgesproken quot;).

Wanneer de behandeling der zaak, het „berechtenquot;, afge-loopen was, dan volgde de tweede verplichting van de keurmeesters; het „ophoerenquot; der keuren Maandelijks moesten de keurmeesters de veroordeelden, van wier namen zij eene lijst hadden opgemaakt, voor zich „verdaghenquot; in de volle raadszitting op het stadhuis „voer der stat kistenquot;, en daar de koeren ,,opter kiste e)quot; ontvangen in het bijzijn van den schout als vertegenwoordiger des bisschops 2). Dit heette het ,,in-manenquot; der koeren. Werden de koeren niet betaald, dan pandde men ze naar het schijnt uit ö), doch het blijkt niet, door wie dit geschiedde 3). Wilde of kon een veroordeelde niet betalen of borgstellen voor de betaling binnen veertien

1

L. A. III. 9.

2

L. A. II. 1 , — XCVIII. 1,2. — Roese. CIV. 1. — Klacht v. bisschop Fred. v. FM., in; Divers. Frid. sec. fol. 259 vs. — L. H. LUI. 2, - LVII. 9. — cf. L. H. XC. 3.

3

Roese. LXVI. 3 bepaalt, dat „die koermeysters van den vechtkoerenquot; zekere andere koeren zullen „uutpanden denghenen diet verboeren.quot; Doch in 1445 werd over de vecht-keuren zeiven gezegd, dat de koermeysters ze moesten „inwinnenquot; (= inmanen) „of die lude verwonnen leverenquot; aan den schutmcester, die de koeren „opboerdequot; (d. i. incasseerde). (Roese. CCXL. 9, 10.) Iemand is blijkens L. A. IX. 1 „verwonnenquot;, wanneer zijne schuld overtuigend gebleken was. De uitdrukking „verwonnen leverenquot; kan dus niet anders beteekenen, dan dat de koermeysters de namen der veroordeelden, die op de kiste niet betaald hadden, aan den schutmcester moesten geven om ze (door panding) te doen executeeren.

-ocr page 201-

I 8 I

dagen na het vonnis, dan werd hij sedert 1478 voor het schepenhuis gegeeseld en voor vijf jaar uit de stad gebannen; bij verzet werd hij eeuwig verbannen \'). Overleed hij voor de betaling, dan ging de verplichting daartoe, naar het schijnt, niet op de erfgenamen over \'1). De keurmeesters deden van de opbrengst der keuren rekening aan raad oud en nieuw

Opdat ook de straffen, die den veroordeelde behalve de geldboete opgelegd waren, niet onuitgevoerd zouden blijven, was den keurmeesters de verplichting opgelegd, eene lijst van de bekeurden aan den raad over te geven 2), met aanwijzing van de personen, die nog wegens hunne vechterij eene (subsidiaire) gevangenis moesten ondergaan r\'); bovendien moesten zij de verbeurde steenboeten opgeven, opdat ze voor de stad ingevorderd zouden kunnen worden 0).

Waren de keurmeesters nalatig in het vervullen van een dor hun opgelegde plichten, dan waren er strengde straffen tegen hen vastg\'esteld. In 1478 werd in het algemeen „correctie na gelegentheyt der sakenquot; bedreigd \'). Op het verzuim van het „inmanenquot; der keuren stond verlies van het lidmaatschap van den raad voor twee jaar 0), verbeurte van het loon n) of ook (bij andere keuren) eene boete overeenkomende met het bedreig der koer Verzuim van aangifte der lijsten van

1

De kameraar verklaarde in 1477, dat hij vele koeren, die hij „geboirt gerekentquot; had, niet ontvangen had, „so der veel geruumpt en de doet syn.quot; (Restande v. koeren als de camerair weder overlevert. 1477. Stads-arch.)

2

L. H. LXXV. 2. — Roese. CCXXII. 2.

-ocr page 202-

i a 2

degenen, die moesten gevangen zitten uf broeken betalen, werd gestraft met huisarrest en een koer van 10 ,c per dag en met eene boete van 10.000 steenen

Daartegenover stond, dat het loon van de koermeysters voor hunne moeite ook betrekkelijk hoog was. In 1398 ontvingen zij \'/, van alle betaalde vechtkeuren ; later, in 1441, werd dit tot \'/« beperkt *), waarbij in 1478 1/0 der verbeurde steenboeten gevoegd werd De aanbrenger werd in sommige gevallen met \'/r, van ^let bedrag der keur beloond f\'); de stadsdienaars kregen voor het gevangennemen van eenen verdachte 1 u, door den veroordeelde te betalen boven het bedrag der koer fi); ook de oudermannen der gilden genoten 1 \'u \'), doch het blijkt niet waarvoor. De stad ontving oorspronkelijk dor vechtkeuren, terwijl den bisschop evenveel werd uitgekeerd quot;). In 1430 werd den bisschop zijn aandeel ontnomen quot;); later werd het hem echter teruggegeven quot;\').

Nu wij eene duidelijke voorstelling van den werkkring der keurmeesters hebben, schijnt het zaak de geschiedenis van het ambt na te gaan. Wij vinden de koermeysters het eerst vermeld in 1336, op eene der eerste bladzijden van het oudste ons bewaarde register van den raad, waar wij lezen: „Dit ghesciede in der maent, doe Johan Denemerke ende Valke coeremoesters waren 1Wij leeren uit deze aanteekening, dat de koermeysters reeds in 1336 bekend waren; doch deze wetenschap geeft niet veel nieuws, immers het Liber albus, dat slechts een paar jaren jonger is (1340), kent de keurmeesters goed1\'2), en wij kunnen uit andere gegevens (zooals wij

1

Roese. XXIX. i, — CCV. 6.

2

Roese. CIV. 1.

-ocr page 203-

zagen1)) opmaken, dat het ambt denkelijk veel onderis. Belangrijker is het bericht, omdat het ons zegt, dat er reeds in 1336 twee keurmeesters waren en dat het ambt ook toen maandelijks wisselde. Wij vinden dezelfde organisatie terug in 1377, 1384 en 1398 \'•2), en van 1402 tot 1435 toe treffen wij in de regee-ringslijsten gereg-eld twee keurmeesters voor elke maand aan. Sedert 1436 treden keurmeesters voor een kwartaal op, die met de maandelijksche afwisselen tot 1448; na dit jaar komen geene keurmeesters per maand meer voor.

Er is geen reden om te twijfelen, dat het ambt reeds in de 14® eeuw op de wijze bezet werd, die in 1449 eene „oude gewoontequot; heet ^). Wat intusschen deze „oude gewoontequot; was, blijkt niet op geheel afdoende wijze. Zeker is het, dat de koermeysters, die behoorden tot „des raets ampten, daer men rade toe (te) setten pleecht benoemd werden uit den raad en wel onmiddellijk nadat de raad gekozen was; niet zoo vast staat het, wie hen kozen, doch allerwaarschijnlijkst geschiedde dit door de vier oversten (de twee burgemeesters en de twee overste oudermannen r\')).

In den loop der 15° eeuw werd deze oorspronkelijke organisatie van het ambt der keurmeesters herhaaldelijk veranderd onder den druk der financiëele moeielijkheden, waarin de stad verkeerde. De voornaamste verandering was het „verkoopen

meester kende. (L. A. III. i, — XfJII. i.) Dit schijnt echter eene schrijffout: zie L A. I. 9, — LXII. 2 , 3.

1) Zie hiervoor p. 67.

2) L. H. LXXV. 2. — Roese. XXIX. i, — C1V. 1.

3) V. d. Water, Placc. Ill p. 73 § 3. (De keurmeesters worden daar niet genoemd, omdat het ambt toen tijdelijk afgeschaft was; steeds komt het overigens met de andere hier opgesomde ambten voor.)

4) Van de Water, Placc. III p. 82 8.

5) Roese. CVIII. 2 (1399); naar analogie van art, 1 , waar de overste oudermannen alleen hunne busmeesters aanstellen, moeten de vier oversten de busmeesters van den raad benoemd hebben. Ook do vijven werden in 1464 „na der ghewoentequot; gekozen door de vier oversten. (V. d. Water, Placc. III p. 88 8 4, cf. p. 87 ^5.) De keurmeesters komen steeds naast vijven en busmeesters onder de stadsambten voor. In 1455 werd onder den indruk der democratische revolutie de keuze tijdelijk overgebracht bij vijf door het lot aangewezene raadsleden. (V. d. Water, 1. c. III p. 82 ^ 8.) De maatregel is te begrijpen als reactie tegen de macht der oversten , niet wanneer de geheele raad vroeger gekozen had. In 1491 , toen de schepenen de plaats der oversten innamen , stelden zij do ambtenaars aan. (Van de Water, 1. c. III. p. 90 10.) De quaestid zou uitgemaakt worden door L. H. XCVI. 21 („so wanneer rZ/V nye koermeysters settenquot;), wanneer het ontwijfelbaar zeker was , dat daar de keurmeesters van de vechtkeuren bedoeld worden . (Zie hierna p. 187 Noot 5. — cf. ook L. II. C. 2.)

-ocr page 204-

18 I

der vechtkeuren. Wij vinden daarvan het eerst melding- ye-maakt in een voorslag van den raad aan de gilden „om der stat schoude te vervallenquot; van 1430 \'). De keuren werden daarbij verdubbeld, en om het loon der betrokkene ambtenaars te besparen, wenschte men de inrichting te vereenvoudigen door de opbrengst der keuren, volgens een destijds zeer gewoon systeem, aan den meestbiedende te verpachten -), De maatregel zou voor zes jaren worden ingevoerd, doch schijnt niet doorgegaan te zijn. Wel blijkt het, dat in 1436 de vechtkeuren verkocht werden *), doch reeds in 1438 was men daarop weder teruggekomen In 1462 ging echter het plan voor goed door; de vechtkeuren werden „opgeset ende vercochtquot;, ditmaal met de steenboeten r\'), die in 1436 uitgezonderd waren quot;). Dit duurde tot het „derde sysoenquot; van 1477 (de vechtkeuren werden verkocht voor een kwartaal of „sysoenquot;), dat „teerste sysoen was dat onvercoft bleeff

1) Roesc. CLVIII. n.

2) Althans in de regeeringslijsten blijven voortdurend tot 1435 de 24 koermeysters voorkomen.

3) Roese. CCV. 3, 6.

4) De regeeringslijsten noemen in 1438 voor het eerst naast de gewone keurmeesters twee gesetten van den rade; wanneer beide betrekkingen vervuld zijn, is er voor koopers van vechtkeuren geene plaats.— Dit is trouwens nagenoeg de eenige zekere conclusie, die men uit deze lijsten trekken kan. Van de Water (Place. III p. 254) achtte het de „pijn niet waardigquot;, om de regeeringslijsten in de raads dagelijksche boeken voor dit doel te excerpeeren. Ik heb dien „verdrietigen weg teruggeloopen,quot; doch zonder succes! De lijsten zijn, wat de ambtenaars betreft, zóó slordig gehouden, dat er niet veel uit op te maken is: wilde men toch gelooven, wat ze bevatten, nauwelijks zou hel ambt en het getal der keurmeesters twee jaren achtereen geheel onveranderd gebleven zijn , en dat is zelfs te Utrecht onaannemelijk. Doch er bestaat eene andere, nog grootere moeielijkheid bij het gebruik der lijsten: de oude maandelijksche ambtenaars voor de berechting der vechtkeuren heeten „koermeysters,quot; de koopers der keuren worden soms „koermeystersquot; genoemd, en de naam der twee hun „bygeschictequot; raadsleden is „koermeysters.quot; Mag men ook aannemen , dat de koopers der keuren niet onder de ambtenaars zullen voorkomen, het is onmogelijk de twee andere categoriön uit elkaar te houden, vooral omdat men uit de bepaling van 1449 (V. d. Water, Place. III p. 74 § 12) ziet, dat ook de twee ,,byge-schictenquot; soms, evenals de oude keurmeesters, bij de maand werden benoemd. — Bovendien is het uiterst moeielijk, om overeenstemming tusschen de rechtsboeken en de lijsten te vinden. Slechts daarin komen beide bronnen overeen, dat er sedert 1449 geene keurmeesters, sedert 1462 geene „gesetten van den radequot; meer waren, (omdat volgens de ordonnantiën de kameraars sedert het eerste jaar de keurmeesters, sedert het tweede de „gesettenquot; vervingen, cf. V. d. Water, Place. Ill p. 74, 87), en dat sedert 1478 weder keurmeesters (per kwartaal) optreden. Beide bronnen stemmen ook hierin overeen , dat /.ij over de geschiedenis der keurmeesters na 1478 niets zekers meer mededeelen.

5) V. d. Water, Place. III p. 87 § 4, 9.

6) Roese. CCV. 3.

7) Register „van restande van koerenquot;. 1477. (Stads-archief.)

-ocr page 205-

i85

Met het jaar 1478 werd do oude organisatie hersteld \'); men achtte dit echter eene gevaarlijke proef, want de mogelijkheid , dat eenc verkooping op den duur „oirberliker ende profytelikerquot; zou blijken, werd reeds in de ordonnantie zelve ondersteld 1).

Het verkoopen der vechtkeuren maakte eene andere inrichting der procedure noodig; men kon natuurlijk den eersten besten speculant, die de opbrengst der vechtkeuren voor drie maanden pachtte, niet een gedeelte der stedelijke rechtspraak, zij het ook de lagere, toevertrouwen. Ook geschiedde dit niet: wel heeten de koopers soms „koermeystersquot;, doch zij hadden geenszins denzelfden werkkring als de oude beambten van dien naam s). In 1436 blijkt het reeds, dat er leden van den raad waren aangewezen, die nagenoeg de plaats der oude keurmeesters vervulden en dan ook werkelijk soms zoo heetten ^). De kooper der keuren moest (op 10.000 steenen boete) alle weken in de volle raadszitting de verdachten aan deze personen opgeven; ongetwijfeld werd de zaak dan door hen behandeld. Na het vonnis van den raad waren zij het weder, die den kameraar de lijst der tot steenboeten veroordeelden ter inmaningquot; overgaven. Als loon voor hunne bemoeiingen genoten deze „gesetten tot bruekenquot; V,,, van de steenboeten; bij plichtverzuim werden zij meineedig gehouden en voor een jaar uit den raad gezet. — Nauwkeuriger wordt ons de organisatie van 1462 beschreven. De kooper der keuren moest de verdachten „mit hoeren bewysen ende be-scheyden, dat zy daervan hebbenquot;, voor den tweeden en derden

1

1. c. § 2, 3.

-ocr page 206-

186

kameraar doen bieden; de kameraars onderzochten de zaak en brachten die aan bij den raad, om het vonnis te wijzen; de uitpanding van keuren en breuken geschiedde door de twee overste stadsdienaars \') met de „koermeysters \'1),quot; d. i. de koopers der vcchtkeuren. Het loon der kameraars bedroeg 52 lt;iC \'s jaars, dat der dienaars 5 st. voor elke panding

Eene geheel afwijkende regeling, doch in de oude vormen, vinden wij in 1449 vermeld Men trachtte toen tot besparing- te komen op eene andere wijze: de keurmeesters werden opgeheven , doch de vechtkeuren werden niet verkocht. De werkzaamheden der keurmeesters waren verdeeld tusschen den „leegenquot; kameraar2) en twee raadsleden, die hem maandelijks „bygeschictquot; werden quot;). De kameraar, die blijkbaar de vechterijen vervolgde, hoorde „die tuyge ende bewysquot; ten overstaan der beide „geschictenquot;, en de zaak werd daarna op de gewone wijze „den rade bygebrachtquot;. De kameraar maande de keuren in; waren zij binnen zes weken niet betaald, dan pandde hij ze uit. Als loon genoot hij met de „geschictenquot; 3/r, keuren.

1

V. d. Water, Place. III p. 87 «5 9 leest: „milten borgemeysterenquot;; het Raads dagelijksch boek leest echter , zooals te verwachten was; „milten koermeysteren.quot; De knapen waren het, die de panding deden, want zij kregen „van eiken persoen dien sy panden V se.quot; De keurmeesters waren er slechts bij, omdat zij, als de pachters der keuren , de opbrengst kregen, evenals in art. 10 de kameraars bij de panding der breuken tegenwoordig waren.

2

Beteekent „leegquot; hier „laagquot; of „ledig?quot; Het blijkt niet zeker. Tegenover „overste cameraerquot; (Roese, CCLXXI. 1) zou men verwachten „laagquot;; doch de tweede kameiaar wordt herhaaldelijk (Roese. CCXXII. 1. — Raads dag. boek. Manend, na Agnetis 1441) „die ledige cameraerquot; genoemd. En toch heet juist deze kameraar in de ordonnantio op het stadsbestuur van 5 Aug. 1532 art. 1 de „camerair van den sackquot;, tegenover zijn ambtgenoot, den „camerair van der penne.quot;

3

Sedert Woensdach na Oeuli 1477 door een der vier „leghe dyenres,quot; die bij het kwartaal omwisselden.

-ocr page 207-

IS;

Doze regeling\' schijnt geduurd te hebben, totdat in 1462 do vechtkeuren weder verkocht werden

Wij hebben thans een beeld van de hoofdwerkzaamheid der keurmeesters. Doch men meene niet, dat daarmede alles gezegd is. De rechtsbronnen noemen deze ambtenaars herhaaldelijk „koermeysters van den vechtkooron doch naast de berechting der zoo belangrijke vechtkeuren was hun nog de behandeling van tal van andere kourzaken opgedragen. Ik noem daaronder de berechting, reeds in 13-10, van dc vredekeuren, verbeurd in twisten tusschen Utrechtsche burgers en bewoners van de Weerd a) (en waarschijnlijk dus ook wol van de andere vredekeuren van Liber albus XCII. 4 \'\')), van de wijnkeuren in 1374 en 1388 \'\'\'), — van de keuren, verbeurd door personen, die den schepenen het gebod om paarden te houden hielpen ontduiken, in 1392 , — van die

op den voorkoop van varkens in 1393 1) ..... en van die op

omkooping van kiezers bij de raadskeur in 1443 u). Denkelijk zijn er meer dergelijke te vinden.

Dat bij de behandeling van al deze keuren steeds dezelfde procedure gevolgd werd als bij dc vechtkeuren, is op zich zelf waarschijnlijk, daar de bepaling, dat alle keuren bewezen worden door het getuigenis van twee geloofwaardige personen !\'), zeer algemeen luidt. Maar zeker is het toch niet. De termen, waarin onze rechtsboeken den keurmeesters de behandeling der zaken opdragen, luiden zeer verschillend. Slechts éénmaal (waar het de keuren tegen omkooping bij de raadskeuze geldt) wordt, evenals bij de vechtkeuren , gesproken van „ aenbrengen ende uutgaenquot;; een andermaal (bij de vredekeuren van de Weerd) worden de daarmede denkelijk gelijkstaande termen „berechten ende opboerenquot; gebruikt. Overigens is er in het

1

\'/) Roese. LXXV, 1.

-ocr page 208-

i 88

alyemeen sprake van „verwarenquot;. Onder „verwarenquot; is (blijkens Liber hirsutus XCVI § 21 vergeleken met § 17 en 20) begrepen: i0. het „ophoeren \')quot; en dus wellicht ook het „uutpanden \'1)quot;, 20. het „onderzoec doenquot;. Doch dit „onderzoecquot; schijnt bij sommige keuren (b.v. bij de wijnkeuren) alleen bestaan te hebben in het maandelijks afnemen van een zuiveringseed van de verdachten ^), — eene procedure derhalve, veel eenvoudiger dan die wij bij de vechtkeuren hebben leeren kennen. Dat er eene verschillende procedure bij vele dezer keuren gevolgd werd, blijkt ook wellicht uit het verschil in het bedrag der cian de keurmeesters bij elk daarvan toegekende loonen; immers dit bedraagt nu eens Ya 1 V3 gt; soms Va der verbeurde keur.

Men meene thans echter niet, dat uit de berechting van keuren over zoo verschillende onderwerpen door de keurmeesters van de vechtkeuren volgt, dat hun het „verwarenquot; van alle stadskeuren in het algemeen was toevertrouwd \'\'). Verre van daar: evenals hun, wanneer zij in functie traden, de behandeling der vechtkeuren werd opgedragen, evenzoo werd hun dan „zonderlinge bevolen bi horen edequot;, dat zij ook deze en die met name aangewezene keuren zouden „verwarenquot; r\'). Wanneer men de uitvoering eener nieuwe keur aan deze ambtenaren wilde opdragen, werd er dan ook bepaaldelijk in het besluit zelf bijgevoegd : „ende dese coeren sellen berechten (of: verwaren, aenbrengen ende uutgacn, ophoeren enz.) die koer-meysters van den vechtkoeren ghelike den vechtkoeren (1)quot;. Natuurlijk volgt daaruit, dat de berechting van alzulke keuren, waarin eene dergelijke bepaling ontbreekt, niet aan de keurmeesters der vechtkeuren, doch aan andere ambtenaren was opgedragen. Inderdaad blijkt dit het geval geweest te zijn:

1

Roese. LXVI. 3. Zie echter: Roese. LUI. 1, waar het „uutpandenquot; van het „verwarenquot; wordt afgescheiden.

-ocr page 209-

i89

men vindt voor deze zaken in de rechtsboeken op tal van plaatsen verschillende titularissen aangewezen; ja het is er verre van, dat de keurmeesters van do vechtkeuren, al heeten ze soms „die coremeysters van der statquot; bij uitnemendheid, de eenige keurmeesters waren, die de Utrechtsche stedelijke administratie kende.

Welke koermeysters worden hier bedoeld? welke waren hunne werkzaamheden? In de eerste plaats valt onze aandacht op de „ludcquot; van den raad, die in 1365 „gesetquot; werden, om cene bepaalde soort van vredekeuren „uut te gaenquot; en daarna in de raadszitting te innen \'), — verder op de „vier manne uten radequot;, die reeds in 1340 1) schijnen aangewezen te zijn, om „die dobbelcorenquot; „te verwaren :,) ende tfolc te bekoeren bi horen ede

Blijkt het in deze gevallen niet duidelijk, waarom men deze taak niet aan de keurmeesters der vechtkeuren heeft opgedragen, er is eene andere groote categorie van keuren, wier berechting uit den aard der zaak beter aan speciale ambtenaren toevertrouwd was: ik bedoel de keuren, die het stedelijk toezicht op hot leveren van goede levensmiddelen en goede\' industriëele producten regelden. Van cuds was dit onderworp den raad zeer ter harte gegaan : reeds in het Libor albus treffen wij eenige bepalingen aan, die toonen, dat do raad het toezicht over deze zaak niet uitsluitend wenschte over te laten aan de oudermannen der gilden, tot wier werkkring het eigenlijk behoorde. Langzamerhand breidde dit stedelijke toezicht zich uit: in Die roese vinden wij geheele ordonnantiën met tal van artikelen, aan dit onderwerp gewijd. Het toezicht betrof bepaaldelijk het onderzoek naar het ge-^ halte van brood, wijn, bier, goudsmidswerk en laken, m. a. w. de eerste levensbehoeften en die industriëele producten, dio door hunne innerlijke waarde of door de groote hoeveelheid

1

L. A. XCI. 5. („dieghene dc van der stat weghen quamen, de dinghe te besien.quot;)

-ocr page 210-

I go

van het geleverde fabrikaat een bizonder scherp toezicht wenschelijk maakten. Tegen het leveren van slechte waren werden natuurlijk door den raad geldboeten bedreigd, en aan de ambtenaren, die het toezicht oefenden, werd de toepassing dezer strafbepalingen opgedragen, Deze ambtenaren droegen verschillende namen: bij het brood en het bier waren het do „weghemeysters —■ bij den wijn wordt in hot algemeen gesproken van „vier gesette mannen van den rade 1)quot;, elders van „vivequot; (een schepen , de twee keurmeesters en de twee weegmeesters) — bij hot goudsmidswerk noemt de keur „geswo-renquot;, ook wel „vynres — bij do lakenweverij de waardijns en de zegelaars r\'), —■ bij den lakenverkoop komen weder zoor algemeen „gesettequot; voor 0). De algemeene naam dezer categorie van ambtenaars schijnt geweest te zijn „vynders \')quot; \\ in hunne hier bedoelde qualiteit heeton ze dikwijls ook „coermeysters

Hoe oefenden nu deze personen het hun aanbevolene toezicht uit? heeft hunne werkzaamheid overeenkomst met de wijze, waarop de keurmeesters van de vechtkeuren do straffen op vechterij toepasten ? In het algemeen ja; doch do aard der hier besprokene bepalingen maakte eenige wijziging in de berechting noodig. Wij zagen boven, dat het ambt der keurmeesters van de vechtkeuren bestond in het „vait-gaenquot;, het „aenbrengenquot; en het „inmanen.quot; Thans willen wij

1

L. H. XCVI. 22.

-ocr page 211-

191

nagaan, hoc elk dezer verplichtingen door de hier bedoelde ambtenaren vervuld werd.

In het „uutgaenquot; lag het grootste verschil tusschen de beide soorten van „cocrmeystersquot;. In hot algemeen was het onderzoek hier zeer vereenvoudigd. Ecne ordonnantie (die op de „draperyequot; of de lakenbereiding \')) spreekt gedurig van „betu-gen off bevyndenquot;, en neemt derhalve blijkbaar aan, dat de waardijns bevoegd en gewoon waren, op de manier van de keurmeesters der vechtkeuren , door de verklaringen van twee getuigen de overtredingen te doen bewijzen. Ten einde dit onderzoek te vergemakkelijken, beveelt eene andere keur 1) den fabrikanten, om zekere moeielijk te constatceren werkzaamheden niet te verrichten dan in tegenwoordigheid van twee getuigen. Doch naast het woord „betugenquot; lezen wij het woord „bevynden ,quot; — een bewijs, dat getuigenbewijs niet de eenige manier was, waarop deze „coermeystersquot; de gewenschte zekerheid verkregen: persoonlijk onderzoek schijnt dikwijls (en blijkens den tekst van sommige artikelen in vele gevallen uitsluitend) de weg geweest te zijn, waarlangs men de fabrikanten op slechte bereiding of vervalsching betrapte. Dit persoonlijke onderzoek geschiedde door de daarmede belaste ambtenaars natuurlijk op verschillende manieren, die door het karakter dor overtreding zelve aangewezen werden ; vele keuren bevelen den opzieners, „om te gaenquot;, te „besoekenquot;, te „besien ^quot;(somtijds werden hun daartoe de gefabriceerde artikelen gebracht \'\')); nu en dan wordt ook gesproken van een zuiveringseed, door de ambtenaars verscheidene malen \'s j aars aan de fabrikanten af te nemen r\'). In dit laatste geval schijnt het er dus voor gehouden te moeten worden, dat de regel: „daer men gheen bedrach of en vint, daer mach (die voergang\'er) mit eenre hant siin onscout (of) doen, ende daermede is hi quijt (i)quot;, toegepast werd.

1

Roese. CXXXV. 9.

-ocr page 212-

Bij het „omgfaenquot; on „besienquot; werd daarentegen welbeschouwd eenvoudig in gewijzigden vorm een andere rechtsregel gevolgd: „alle der stat koeren zei men verwinnen mit tween reckeliken luden, dat svjt zaghen 1)quot;. De keurmeesters gingen om en bezagen liet fabrikaat; evenals de getuigen waren zij beëedigd (bij het aanvaarden hunner bediening, van daar telkens de naam „gesworenenquot;), en zij gaven later getuigenis van hunne bevinding, waardoor dan de overtreding geacht werd bewezen te zijn \'2). Deze procedure was inderdaad zooals men die in de middeleeuwen, toen het „kennenquot; van schepenen en raadsleden nene zoo breede plaats in de procedure innam, verwachten kon; zij kwam ook geheel overeen met het hedendaagsche gebruik. Immers de handeling is volkomen identiek met het opmaken van proces-verbaal door de tegenwoordige gerechtsdienaars; wil men bewijs van die identiteit, dan kan men die vinden in den naam der handeling, die in onze rechtsboeken ,,becoerenquot; heet ^), thans nog in de volkstaal „bekeuren.quot;

Waren de gezworenen, evenals de keurmeesters der vec\'ht-keuren, verplicht, do zaken „aen te brengenquot; bij den raad ? ot stond hot „becoerenquot; met een vonnis gelijk? Het tegendeel wordt gewoonlijk niet gezegd: den tekst der rechtsboeken lezende, zou men meenen, dat de zaak met het „becoerenquot; afgedaan was; in den regel volgt onmiddellijk daarop de bepaling, wie de verbeurde keuren „hebbenquot; zullen. Slechts éénmaal wordt in een dergelijk geval (bij eene keur op het verkoopen van laken \'\')) bepaald, dat alleen wanneer „die raet van der stat tor waerheyt vontquot;, dat de beklaagde schuldig was, de keur verbeurd zou zijn. Toch acht ik het ontwijfelbaar, dat het raadsvonnis steeds noodzakelijk was: het moge eene formaliteit geweest zijn, die daarom zelden in do rechtsboeken vermeld wordt, nauwelijks denkbaar is het, dat men ze zal verzuimd hebben. Ik vind eene bevestiging van dit gevoelen in de woorden eener keur over eene analoge zaak rgt;), die be-

1

L. A. IX. I.

2

Reeds L. A. IV. 1 spreekt van liet „begrijpenquot; (betrappen) van iemand met slechte maat. Die betrapping levert bewijs van het misdrijf.

-ocr page 213-

193

paalt, dat „die vlinders (Roese LXIII, 14 leest: „die twe vlindersquot;), die daertoe ghezet warden, ghene koeren nemen zeilen dan bi den ghemenen rade; namen zijt buten den rade, dat woude de raet zwaerliken aen hem rechten.quot;

Over het „inmanenquot; dezer keuren vinden wij geene speciale bei^alingen. Gewoonlijk heet het zeer algemeen, dat de gezworenen do geldboeten zullen „ofnemen \')quot;, ,,nemen 2)quot;, „hebben slechts éénmaal wordt er gezegd, dat zij ze zullen „uutpanden 4)quot;. Als loon genoten zij voor de berech-i ting der keuren gewoonlijk de helft der bootegelden quot;).

AVij vernamen boven n), dat de hier bedoelde ambtenaren meermalen „koermeystersquot; genoemd werden. En toch, de hoofdwerkzaamheid der eigenlijke keurmeesters, het „uutgaenquot;, was bij hun ambt tot een minimum gereduceerd. Thans kunnen wij verder gaan en over eene wederom verschillende soort van „koermeystersquot; spreken, bij wie het „uutgaenquot; geheel vervallen is. In het Buurspraakboek lezen wij op St. Blasius-dach 1475 een verbod, om lange messen te dragen of „met verdecten aensichtequot; te gaan; hiervan, dus zegt de keur, zullen „koermeystersquot; wezen alle raden oud en nieuw en alle stadsdienaars hoog en laag. Dat men bedoeld heeft, al deze personen te belasten met de préparatoire rechtspraak, het hooren van getuigen enz., is niet aan te nemen; mogelijk , hoewel niet zeer waarschijnlijk is het, dat liet „becoeren bi horen edequot;, waarvan boven sprake was, bedoeld is: immers al deze personen waren beëedigd. Doch wij lezen in eene andere keur 7), dat „die afterwakersquot; (de nachtwacht) hen , die \'s nachts gloeiende asch uit hunne huizen brengen, „becoerenquot; zullen.\' Hier wordt het reeds moeielijker, dit woord in den bovenbedoelden zin op te vatten; want het blijkt niet, dat de nachtwacht beëedigd was. Nog erger is het bij een raadsbesluit van Saterdach nae Paesch-

(denkelijk niet „ghezworenquot;), die de zaken aanbrengen bij do oudermannen (die denkelijk „die Inge hoerenquot;); eerst daarna volgt hier het raadsvonnis.

1) L. H. XCVI. 22.

2) L. H. LIV. 8.

3) Roese. CII. 2, — CXX. 1 , — CXXXIII. 50, — CXXXVI. 9, 17.

4) Roese. CXXXV. 13.

5) Wijn: L. H. XCVI. 17 , 21 , — C. 2. — Lakenverkoop; L. H. Cl, 1. — Roese. LXXVII. 3. — Waag: L. H. XCVIII. 17. — Ook verbeurdverklaring der slechte waren ten behoeve der gezworenen kwam voor. (Rooso. LXXXVII. 2.)

6) Zie hiervoor p. 190.

7) Roese. CCXXIV. 9.

\\\\\\

-ocr page 214-

\'94

dach 1454 \') tegen het inwerpen van de ramen der Buurkerk: „ende hierquot;, zoo luidt het, „sal Herman Van Colen die doet-g-raver coermeyster off wesenquot;. Geheel onaannemelijk is hot, dat de raad aan eenen door kerkmeesters gekozen lagen ambtenaar, voor wiens eerlijkheid men niet de minste waarborgen had en die niet in den eed der stad stond, liet opmaken van proces-verbaal zal hebben willen toevertrouwen , eene bevoegdheid, die met het „kennenquot; van schepenen gelijkstond. Nog sterker zegt eene andere keur 1), tegen het hekelen van vlas bij kaarslicht: „ende hierof sellen koermeysters wesen alle onser stat dienres hoghe ende leghe ende alle dieghene, die in den hnerfen gheseten syn, dair enich van den voirseyden punten verbroeken woirde Inderdaad, hier

wordt het ongeloofelijk! alle buren, ook de slechtst befaamde, zouden zulk eene belangrijke bevoegdheid hebben! Toch gaat een raadsbesluit van Vrydach na St. Valentijnsdach 1426 \'\') nog verder: de raad verklaart op begeerte der gilden, dat, wanneer iemand den accyns ontduikt, „daervan alle onser stadt horgere ende onder sat en koermeysters wezen ende die helft van der broeck na slyting sraets hebben sellenquot;. Derhalve : alle burgers mogen bekeuren! Doch de kroon spant een besluit van Den dach na Onser Vrouwen dacli 1476, waarbij de raad verbiedt op do straten te kolven, op verbeurte van 1 pond, „dair een ygeliek koermeister off wesen zeilquot;. I Fier is men zoover gegaan als maar eenigszins mogelijk was. Ik meen dan ook geen tegenspraak te moeten vreezen, wanneer ik aanneem, dat de werkkring dezer koermeysters eene andere was dan die der tot nog toe behandelde ambtenaren.

Waarin die werkzaamheid wèl bestond, is met zekerheid niet te zeggen; doch ik meen eene gissing te mogen maken, die mij zeer waarschijnlijk voorkomt. De meeste dezer keuren dagteekenen uit een lateren tijd dan onze rechtsbronnen, eenen tijd, toen het verpachten van de opbrengst der vecht-

1

R. v. U. I p. 405. Nü. IV. 2. Er staat „borgcrmcystcrswat onverstaanbaar is: de nmcndatic in „koermeystersquot; is , in verband met de in den tekst aangehaalde plaatsen, zeker.

-ocr page 215-

195

keuren ecne vrij vaste gewoonte was geworden. Boven \') zagen wij, dat de pachter dezer keuren ook somtijds met don naam van „koermeysterquot; wordt aangeduid, hoewel zijne werkzaamheid eenvoudig toestond in het opgeven der verdachten met de getuigen a charge aan de met het onderzoek dezer overtredingen belaste raadscommissie. Toen deze organisatie lange jaren geduurd had, moest zich langzamerhand hot begrip, dat het volk aan het ambt eens keurmeesters hechtte, vervormen, en het is dus zeer begrijpelijk, wanneer wij later met den naam „koermeystersquot; aangeduid vinden personen, die waarschijnlijk niets anders te doen hadden dan do schuldigen aan den raad aan te brengen en daarvoor na het vonnis zekere belooning als premie in ontvangst te nemen 1).

§ 3. DE IIUSMEESTERS.

In zijn terecht beroemd Placaatboek noemt Van de Water het :l) „vry duister en soo licht niet om te seggen, wat voor dienst tot het ampt van de busmeesters behoort hebbequot;. Mn inderdaad, hij heeft geen ongelijk, als hij erkent, dat hij „op dese stoffe vry schaarsquot; is. Doch minder grif zal men hem moeten toestemmen, dat „de oude boeken deser stadquot; hem geen „bescheydquot; kunnen geven. Had de ijverige geleerde niet (in deze materie als bijna overal elders) de in het eerste deel dezer verzameling uitgegevene rechtsboeken (die hem blijkens enkele extracten niet onbekend waren) systematisch verwaarloosd, hij had gewis bevonden, dat deze hem ook hier minstens evenveel „bescheydquot; hadden kunnen geven als al hetgeen hij met zooveel zorg uit de raads dagelijksche boeken heeft bijeenverzameld. Wij zullen dan ook, op doze boeken steunende, dankbaar gebruik maken van het door hem gegeven verlof „om dit stuk klaarder uyt te halenquot;.

De bevoegdheid der busmeesters wordt nauwkeurig omschreven in twee raadsbesluiten van 1431 en 1462, beiden

1

Analogie: Roese. CCV. 5. — In hot Bmirspraakbock van 1454 lezen wij op denzelfden dag, dat de doodgraver aldus tot „koermeysterquot; wordt nangostcld, eene keur, die den her-borgiers beveelt, alle vechtpartijen in hunne huizen „der stat coermeysters by te brengen.quot; ilet verband zou doen denken, dat dus ook de doodgraver alleen bijbrengen moest; doch het is dan vreemd, dat die herbergiers geenszins „coermeystersquot; heeten.

-ocr page 216-

i gó

aan Van de Water bekend \'). Het eerste zegt, dat „die busse-meysters van den raide rechten zeilen van allen kueren ende broiken, die die rait slytquot;, en „van allen wilcoeren, die by den raide gheschiet zynquot;. Hot tweede beslfiit, dat in art. 4 de busmeesters afschaft, bepaalt, wie de vroeger door hen waargenomene functiën voortaan zullen vervullen: wederom worden daar genoemd „alle wilkoren, die gheschien veilden rade 2)quot;, — „alle verseten bodequot;, — en „alle andere :l) broiken, die die rait slyt totter stat behoefquot;. Wat heeft men onder deze omschrijvingen te verstaan?

Het kan twijfelachtig zijn (en het verband, waarin de bepaling voorkomt, vermeerdert dien twijfel), wat de keur van 1451 verstaat onder „rechtenquot;. Die twijfel wordt echter reeds dadelijk opgeheven door de bepalingen van 1462, waar in plaats van „rechtenquot; hot woord „uytpandenquot; gebruikt wordt. Evenals elders staat dus hier „rechtenquot; voor „uutrechtonquot;, een woord, dat ook in § 2 der keur van 1451 gebruikt wordt. Do bedoeling- is thans aanstonds duidelijk: de busmeesters waren de ambtenaars, die de geldboeten (hetzij koeren of broeken), waiirtoe de raad de schuldigen veroordeelde, bij wanbetaling door panding inden. Wij vinden deze opvatting door andere plaatsen bevestigd. Zoo lezen wij in het Buurspraakboek jaarlijks \'\') eene publicatie, dat allen, „die fandc hebben onder den busmeisters van den rad-\' of van den oudermans, die pande losonon binnen XIIII dagen naestcomende, of daerentendons sel men die pande vercopen ende dairof nemen alzulke kueren als zy voir gepant siinquot;. En op tal van plaatsen ■r\') vinden wij gezegd, dat de busmeesters de koeren zullen „uutpandenquot;, een enkele maal „uutrechtenquot; of ,,halenquot;; het loon, hun toegelegd, wordt bepaaldelijk gegeven „voer hoer uutpandenquot;, „omdat zy dat uutpanden zeilenquot;, zoodat het met zekerheid blijkt, dat zij met de zaak niets anders te doen hadden dan juist alleen zorg te dragen voor de executie.

Vraagt men, welke boeten door de busmeesters geïnd werden,

t) V. d. Water, Placc. Ill p. 258 Nquot;. II. (Roese. CCLXXVI), — p. 87 § 6, 7, 8, 10, cf. p. 88 § 5—7.

2) „ende voir den oudermansquot;, voegt het besluit er bij, doeli dit betreft de busmeesters van de oudermannen.

3) „andere,quot; nam, behalve „die veehtkoeren mitten steen,quot; in het vorige artikel behandeld.

4) Zie o. a. Dinsd. na Poneiani 1436, — Donred. na Conv. Pauli 1454.

5) Zie de plaatsen , aangehaald p. 197 Noot 2 9.

-ocr page 217-

\'97

dan geeft uns ecu raadsbesluit van 1449 een zeer algemeen antwoord: er werd toen bepaald, dat men „alle brei;eken ende keurenquot; zes weken na het vonnis zou „uytpanden sonder verdraehquot;, wanneer ze dan niet betaald waren \'). Uit den aard der zaak vormden de pandingen wegens koeren verreweg de meerderheid: wij vinden over dit deel van der busmeesters werkzaamheid tal van bepalingen. Het besluit van 1451 spreekt in het algemeen van „alle koerenquot;; doch desniettemin vinden wij herhaaldelijk in de rechtsboeken de behandeling van sommige keuren speciaal aan de busmeesters opgedragen. Zoo poging tot omkooping der gezworenen op de vischmarkt -), inbreuk op het monopolie der erfhuismeesters :l), verzuim van de waak door een raadslid 1), misbruiken bij den verkoop van zout \'•), verontreiniging van do straat door de vleeschhouwersquot;), nemen van te hoog loon door de molenaars 2), dienstweigering door de wijndragers 0), ontduiking van het monopolie der waag quot;). De bewoordingen, waarin op deze plaatsen van het uitpanden der koeren door de busmeesters gesproken wordt, zijn niet zoo stellig, dat daaruit a contrarie kan opgemaakt worden, dat het uitpanden van de overige keuren aan andere ambtenaars zou zijn toevertrouwd 3). En het besluit van 1451, dat (terwijl het nog wel eene beperking van het ambt der busmeesters bevat) zeer algemeen alle keuren hun ter uitpanding toevertrouwt, schijnt zoodanige conclusie dan ook uit tc sluiten. Slechts op

1

V. cl. Water, Placc. III p. 74 § 13, p. 87 § 10. — Dc panding wordt in beide gevallen aan den kameraar opgedragen; doch beide keuren bevatten eene exeeptioneele regeling: in het laatste geval waren de busmeesters zelfs afgeschaft.

2

Roese. CLXXXIX. 3.

3

Uitpanding door anderen komt dan ook slechts zeer zeiden voor: L. A. 1. 3, de raadsleden, die niet ten rade verschijnen, door de vier oversten, — Roese. XCVI1I. 1, de „koerbare ghezellen van den hantboghequot; door de hoofdlieden der schutterij. Doch dit waren zuiver huishoudelijke zaken; ook de gilden en broederschappen konden zulke keuren bedreigen. (Zie de keur Roese. XCVIII. 1 zelf, waar de busmeesters van den raad bij „pantweringhequot; de hoofdlieden der schutterij tc hulp komen.) Een belangrijker geval is dat van L. H. XLVIII. 1—4, waar de oudermannen der gilden reeds in 1373 bij plichtverzuini der schepenen hun de keuren „uutpandenquot; en daarvoor de helft van het bedrag genieten.

-ocr page 218-

uj8

één punt kan eenig\'o twijfel bestaan: was liet uitpanden der vechtkeuren ook aan de busmeesters toevertrouwd? Uit het besluit van 1451 schijnt het opgemaakt te mogen worden; doch de behandeling dezer keuren stond zoo geheel op zich zelve, was zoo geheel aan de „koernieystersquot; alleen toevertrouwd, dat het vermoeden, geoorloofd schijnt, dat ook de executie der wanbetalers door deze ambtenaars geschiedde \'); daarentegen geeft de bepaling van Die roese CCXL. 10, die hun opdraagt de wanbetalers „verwonnen te leverenquot; aan den schutmeester, grond voor het tegenovergestelde gevoelen 1). De quaestie schijnt niet op te lossen: zeker is het alleen, dat, wanneer het niet de koernieysters waren, die de vechtkeuren uitpandden, deze taak gewis aan de busmeesters was opgedragen.

Meer zekerheid hebben wij over eenc andere, eigenaardige soort van keuren, de bovengenoemde „verseten bodequot;, ook wel de „koeren van versmadenisse des rechtsquot; genaamd :i). Eene andere plaats noemt ze „die koren, daer die lude bij geboden werden ende versumich inne werden door deze woorden wordt ons haar aard reeds duidelijk: het zijn de boeten, waarin iemand vervalt, die, voor den raad of de oudermannen te recht geboden, niet verschijnt. De wijze van invordering daarvan wordt beschreven door twee raadsbesluiten van 1390 en 1391 \'). De stadsknapen waren belast met het „biedenquot; der beklaagden (binnen de stad doden het de „hoghe knapenquot; of „der stal doerwaerdersquot;; buiten de stad de „leghe knapenquot; of „der sUit dienresquot;) en genoten daarvoor V,, plak als „biedegheltquot; (buiten de stadsvrijheid meer, volgens den afstand), te betalen door de veroordeelde partij. Zij bevalen de gedaagden te verschijnen op verbeurte van 5 schellingen; in speciale gevallen kon de raad de te verbeuren boete verhoogen door iemand „bi hogheren koeren te biedenquot;. De gedaagde morst verschijnen tusschen 8 en g uur \'s morgens, en aan „der stat

1

De eed der keurmeesters (K. v. U. 1 p. 388) spreekt van „uutpandenquot; niet.

-ocr page 219-

199

doerwaerdersquot; van zijne tegenwoordigheid kennisgaven. Verscheen hij niet, dan „teykendenquot; hem de deurwaarders, en gaven de namen der niet-verschenen personen „in scriftequot; \') aan de busmeesters, die dan met dit bewijs de 5 schellingen uitpandden en den gedaagde „voert boden bi enen hogheren koerquot;, gewoonlijk 10 schellingen. De tweede maal ging het evenzoo: de koer bedroeg dan 1 pond. Verscheen men driemaal niet, dan was men „vellich 1)quot;. Deze keuren werden denkelijk vroeger geheel door de busmeesters genoten. Sedert 1413 kregen zij echter alleen de keuren onder 2 oude schilden ■■\'), en de ordonnantie „optcn sparenquot; van 1449 kende hun alleen de boete voor het eerste „verseten botquot; (destijds op één „botkenquot; g-esteld) met het „teykengeltquot; toe; bij volgende „versetene bodequot; of wanneer de raad „bi enen hogheren koer ghebodenquot; had, kregen de busmeesters en de kameraar, die hierop toezicht hield, slechts \'/, van cle keuren \'\').

Eindelijk de „wilkoren, die gheschien voir den radequot;. De beteekenis daarvan kan ons niet duister zijn. Het zijn de schuldbekentenissen, voor den raad gepasseerd en in het stadboek ingeschreven, waarbij eene „penequot; voor het geval van wanbetaling bepaald was. Wij zagen boven r\'), dat die pene, wanneer zij verviel, van stadswege uitgepand werd; thans vernemen wij, dat die uitpanding geschiedde door de busmeesters. Wil men duidelijker bewijs, het is te vinden in het Raads dagelijksche boek van Vrydach na O. L. V. Concepcio 1403, waar men de volgende wilkoer leest: A „lovede ende wilcoerdequot;, dat hij voor Paschen aan B elf gulden betalen zal. „Waert dat hy des niet en dede, zo verboerde hy een

1

Verg. de geheel overeenkomende procedure bij het oudermansrecht: V. d. Water, IMacc. Ill p. 313 ^ 10 , — bij het schepenrecht: R. v. U. II p. 232 , 329 , 358. ef. L. A. III. 18.

-ocr page 220-

2 OO

peen van 5 gulden tut behoef sraets; ende die pene zouden hem die busmeysters van den rade uytpanden, ende nochtan zoude hy B betalen ende voldoen alze voirseyt isquot;.

De panding geschiedde, zooals wij vroeger zagen, met een extract uit het stadsboek; de behandeling was dus geheel analoog met die der „verseten bodequot;. Mogen wij uit deze gelijkheid van behandeling eene conclusie trekken voor de handelwijze bij de andere keuren en breuken, dan ligt het vermoeden voor de hand, dat de busmeesters ook daartoe extracten uit „der stat bneckquot; kregen „onder der clercken handenquot;. Deze extracten zouden dan (.in tegenstelling der , verseten bodequot; en der „penenquot; van de „wilkorenquot;, die zonder vonnis alleen door het door stadsambtenaren geconstateerde feit der niet-verschijning of niet-betaling verbeurd werden) bevat moeten hebben het vonnis, waarbij de breuk of keur werd toegepast. Inderdaad zijn er dergelijke extracten uit de raadsboeken, die alleen een door den stadsklerk onderteekend vonnis met den datum bevatten, in het stads-archief te vinder,; denkelijk hebben deze voor de panding gediend \').

Wij zijn thans aan het einde gekomen van de boven medegedeelde lijsten van de bevoegdheden der busmeesters. Doch in de keur van 145 1 -) trekt nog eene bepaling onze aandacht, die wij tot nog toe niet besproken hebben. Er wordt daar gezegd in art. 1 en 3, dat de busmeesters zullen „rechtenquot; van de bij raadsvonnis uitgesprokene geldboeten en van wil-koeren voor den raad gepasseerd; doch het daartusschen geplaatste artikel 2 luidt aldus: „Voert zeilen die koermeysters u utrechten den zijsmeysteren ende allen anderen, die enich guet tiegens der stat copen, tghene hem aen ymant daervan ontbreken mach.quot; Deze bepaling is vreemd: van den eenen kant is het zonderling, dat gesproken wordt van de bevoegdheid der koermeysters midden tusschen die der busmeysters, terwijl

1) Dc vraag kan rijzen, hoe het verder met cle panden ging. Werden zij, wanneer ze niet gelost werden, door dc busmeesters verkocht? Waarschijnlijk niet. Immers nog in 1484, toen er bij het ouderaadsrecht (oudermansrecht) twee pandverkoopers werden aangesteld , had de verkoop plaats „by den rechtquot; (d. i. door de schepenbank) of door „die gescickte van den raide als die pandevercopers.quot; (V. d. Water, Placc. III p. 313 H 9 13. De pandverkoopers worden in de regeeringslijsten vermeld in 1484, 1485, 1491, 1492 en 1501.) Waarschijnlijk was men bij het raadsrecht niet stouter , en had dus ook daar de verkoop der panden, althans vóór 1484, plaats door de schepenbank.

2) Roese. CCLXXV1.

-ocr page 221-

201

het uok overigens verwondering baart, de keurmeesters hier bezig te zien op een geheel vreemd terrein en nog wel met panding, waarvan wij bij hunne gewone werkzaamheden geenerlei melding gemaakt vonden, liet Raads dagelijksche boek van 1451, waaraan de keur ontleend is, heldert de zaak op: in plaats van de „koermeystersquot; worden daar de „busmeystersquot; genoemd \'). Gaan wij nu nogmaals de bovengemelde ordonnantie van 1462 na, waarir de werkzaamheden der busmeesters aan andere personen worden overgedragen, dan vinden wij ook werkelijk onmiddellijk naast de andere artikelen er een -), dat cenige personen aanwijst, „die den sijsmeysteren pandinghc doen sellen van der stat sijsen op dieghene , daer zy gebreck aan hebbenquot;. Geen twijfel dus: ook deze categorie van pandingen behoorde tot den werkkring der busmeesters. Laat ons de talrijke berichten , die onze rechtsboeken ons ook over dit onderwerp weder leveren, verzamelen en in hun verband verklaren.

De stad Utrecht hief van ouds „sijsquot; (accijns): reeds in 1233 wordt de wijnsijs vermeld ^). De sijs werd betaald van de van elders ingevoerde handelsartikelen, wanneer die te Utrecht (buiten de Zaterdagsche markt \'\')) en détail verkocht werden: van den wijn, wanneer de kraan in het vat gestoken werd r\'), vim het vleesch, als het op de vleeschbanken te koop gesteld werd R), — van het koren, wanneer het door de bakkers naar den molen gezonden werd \'), — van den visch bij den afslag quot;) enz. Artikelen, te Utrecht vervaardigd, betaalden bij uitvoer ook eenigen sijs, terwijl de ingevoerde artikelen bij wederuitvoer vrij waren zoowel van in- als van uitgaande rechten quot;). De voordeelen, die de stad uit de sijzen verkreeg, werden verpacht bij de maand, bij het kwartaal of bij het jaar. De pachter („sijsmeysterquot;) zorgde zelf voor de inning van den sijs, doch de magistraat moest hem natuurlijk bij wanbetaling der

1) Ook een ander gelijktijdig afschrift dezer keur achter in het Banboeek der stad heeft deze lezing, die dus gewis juist is. Uit het vervolg zal echter blijken, dat ook de lezing van Die roese verklaarbaar en ie verdedigen is. (Zie hierna p. 205 Noot 2.)

2) V. d. Water, Place. Ill p. 87 art. 6.

3) Zie hiervoor p. 29 Noot 5.

4) L. II. LXV. 4.

5) L. A. LXXXIII. 9, 10.

6) Roese. CLXXXI. 3.

7) Roese. CXXXVII.

8) Roese. CLIII. 22, 24.

9) Roese. CLIII. 19, 26, 28 /. f.

-ocr page 222-

202

belastingschuldigen de hand leenen. Ook ontduiking van de sijzen behoorde voorkomen te worden; de sijsmeyster moest daartegen gewaarborgd zijn, maar bovendien , het stedelijk bestuur kon bezwaarlijk deze zaak, hoewel men ze als eene zuiver privaatrechtelijke aangelegenheid behandelde, geheel overlaten aan de willekeur van den eersten besten speculant. De stad zelve had er belang bij, dat de sijs niet ontdoken werd, al was dit belang niet van financieelen aard: zij wenschte, dat de stedelijke verordeningen nageleefd werden, en zij duldde dan ook zelfs niet, dat de sijsmeysters, ten einde de voor hen lastige procedures en executies der wanbetalers te voorkomen, een accoord met hen sloten en de zaak zóó afmaakten. In drie gevallen trad de stad derhalve tusschen beiden: bij wanbetaling van den sijs, bij ontduiking daarvan, en bij transacties tusschen sijsmeyster en belastingschuldigen. De behandeling der hierbij voorkomende geschillen, bepaaldelijk de invorderingder boeten door panding, was het. die aan de busmeesters opgedragen was. Het is onnoodig, den loop der procedures voor eiken sijs afzonderlijk na te gaan: over het geheel ging men overal op dezelfde wijze te werk.

Bij wanbetaling van den sijs „croendequot; de sijsmeyster aarden raad; deze wees vonnis en veroordeelde den wanbetaler tot eene geldboete \'). Het vonnis werd geëxecuteerd door de busmeesters, die echter, evenals bij de wilkoeren, niet pandden voor de onbetaalde schuld zelf, maar alleen voor de door de wanbetaling verbeurde boete: door dagelijksche uitpanding dezer boete dwong men den schuldige indirect tot betaling zijner schuld aan den sijsmeyster -).

Veel moeielijker was uit den aard der zaak de procedure bij ontduiking van den sijs. De ordonnantiën over eiken sijs leveren een ingewikkeld samenstel van bepalingen tegen dit misdrijf. Sommige goederen mochten niet opgeslagen worden dan in tegenwoordigheid van den sijsmeyster \')■, andere moesten op bepaalde plaatsen te koop gesteld worden \'\'); eenige

1) L. A. LXXXÜI, i.

2) Evenzoo deed men bij wanbetaling van den koopprijs der sijzen: niet de koopprijs, maar de boete werd uitgepand. (Roese. CCLXX1. 2—4.)

3) L. H. LXV. 1, — CIX. 1. — Roese. XXI. 1,2,-— CCXXXV1. 1 , — CCLXV. 9—11 , 13, — CCLXXIV. 3, — CCLXXXII1. 1,3. — ef. Roese. XX. 2—4, — CC. 1, — CCII. 5.

4) L. II. LXI1. 4. — Roese. CLXXX1. 3,4, 7. ef. CCLXI1. 1.

-ocr page 223-

203

werden niet voor den détail verkoop gereedgemaakt dan op een bewijs van den sijsmeyster \'); nog andere werden hein getoond -), sommige door hem geïnspecteerd en opgeschreven a). Nu en dan ging de sijsmeyster rond tor controle , om zich te vergewissen, dat de voorhanden voorraad van sommige artikelen nog overeenkwam met hetgeen daaromtrent door hem aangeteekend was, na aftrek van de hoeveelheid, die hem sedert als verkocht was opgegeven \'\'); een ander middel van controle was het afnemen van den zuiveringseed door den sijsmeyster van alle personen, „daer hem aen twivekle •\'■)quot;, of zij hem alles aangegeven hadden. Vond de sijsmeyster op de eene of andere wijze, dat iemand zich aan ontduiking had schuldig gemaakt, dan bracht hij dit misdrijf aan bij den raad quot;).

Ook de plicht tot het leveren van het bewijs der overtreding rustte op den sijsmeyster1;. De bewijsmiddelen waren dezelfde, die ons reeds van vroeger bekend zijn: het getuigenbewijs en de zuiveringseed. Tot het leveren van het getuigenbewijs werd de sijsmeyster blijkbaar op zijne omgangen steeds vergezeld door de twee busmeesters die als raadsleden beëedigd waren. In sommige gevallen werd de zaak omgekeerd en nam men aan, dat de handelaars schuldig waren aan ontduiking, wanneer zij hunne onschuld niet door twee getuigen konden bewijzen. Om deze reden was het den verkoopers, wanneer de sijsmeyster niet bij de hand was, verboden, zekere handelingen te verrichten buiten tegenwoordigheid van twee getuigen of van een raadslid!\').

1

Roese. LXIV. 2. — CLV. 1, 2.

-ocr page 224-

204

Wanneer het den sijsmeysters wenschelijker vourkwum, much-ten zij het bewijs leveren, in plaats van door getuigen, daardoor dat zij aan de verdachten den zuiveringseed afnamen \'). Deze eed werd intusschen niet afgenomen door de sijsmeysters, die geenerlei rechterlijke bevoegdheid hadden, maar door de busmeesters

Was de zaak op de eene of andere wijze „bewezenquot;, dan „vont de raet ter waerheytquot;, dat de beklaagde schuldig was en wees vonnis („sleetquot;)quot;\'). De executie geschiedde dan weder door uitpan-ding\' der uitgesprokene geldboeten door de busmeesters \'\'j.

Onderhandsche schikking tusschen sijsmeyster en belastingschuldige behoort tot eene andere categorie der rechtspraak: het was eene misdaad, eene broek, en werd als zoodanig veel zwaarder gestraft dan de zooeven behandelde overtredingen. De zuiveringseed, die men den sijsmeyster zei ven hiervoor afnam, werd gedaan voor den raad een enkele maal bij speciale delegatie voor de busmeesters quot;), die ook do boeten uitpandden\'

De geïnde booten werden gewoonlijk gelijkelijk verdeeld tusschen den sijsmeyster en de stad quot;); van het aandeel der stad kregen de busmeesters veelal de helft ids loon voor hunne bemoeiingen !1); somtijds ontvingen de sijsmeyster, de stad en tic busmeesters elk van de keur ,0). Ook andere verdeelin-gen kwamen voor 1\'). Toen bezuiniging meer en meer noodig

1

Roese. LXIV. 4, — CLIII. 36, — CCLXV. 16. — De keus van het bewijsmiddel stond bepaaldelijk aan den sijsmeyster: zij hadden „horen kore, dat te bewysen of on-schout dairof te nemen.quot; (Roese. CLIII. 36.)

-ocr page 225-

2 05

werd, bepaalde men het loon der busmeesters veelal op i ffi voor elke panding \').

Vatten wij samen wat ons over de werkzaamheid der bus-meesters met betrekking- tot de sijzen gebleken is, dan komen wij tot de conclusie, dat hun werkkring volkomen gelijk was aan die van de „gesette van den radequot;, die den koopers van de vechtkeuren „bygeschictquot; werden, om het onderzoek naar de overtredingen te leiden. In beide gevallen moesten de pachters van sijzen en keuren het bewijs leveren; doch daar het niet aanging, zulk eene gewichtige taak, een deel der staatszorg, geheel aan partikulieren toe te vertrouwen, wees de raad twee van zijne leden aan om het toezicht te houden , om als het ware het publiekrechtelijke deel van het aan den pachter overgedane stadsambt waar te nemen. Het eenige onderscheid was, dat de „bygeschictequot; raadsleden bij de vechtkeuren de getuigen hoorden, terwijl zij bij de sijzen (evenals de keurmeesters bij de vervalsching van waren) mede rondgingen en de overtredingen hielpen constateeren. Ook de naam. wijst de gelijkheid van beide betrekkingen aan: de busmeesters hceten evenals de bovenbedoelde ambtenaren niet alleen soms „gesette van den rade 1)quot;, maar zelfs enkele malen „koermeysters

Wij hebben thans een volledig overzicht van de werkzaamheden, die het ambt der busmeesters medebracht. Herinneren wij ons echter, hoe de keur Roese CCXXII (§ 2) zegt, dal alle breuken en keuren door den raad op „aenbrengenquot; van de „amptlude gesett van den raidequot; „gesletenquot; worden. Onder deze „amptludequot; worden „de bussemeysterën van den raidequot; met name genoemd, zoodat men moet aannemen, dat ook zij keuren of breuken „den raide aenbrengenquot;. Tot nog- toe bleek ons daarvan niets: hoe derhalve deze uitdrukking te verklaren? Tn de eerste plaats meen ik het er voor te mogen houden, dat onder dit „aenbrengenquot; begrepen zijn de klachten wegens ontduiking van de sijzen. Wel wordt de verplichting tot het aanbrengen

1

Roese. LXIV. 2; 4 jeto.

-ocr page 226-

2o6

daarvan herhaaldelijk aan den sijsmeyster opgedragen \'); maar overweegt men, dat het bewijs in deze zaken steeds geleverd werd voor do busmeesters, dan is het zeer begrijpelijk, dat hot „aenbrengenquot; meestal zal overgelaten zijn aan deze ambtenaren , die in het proces de hoofdrol moesten spelen. In een geheel analoog geval wordt evenzoo gehandeld: het aanbrengen der vechtkeuren, van ouds de eerste plicht der keurmeesters, wordt bij verpachting der vechtkeuren opgedragen aan de „by-geschictenquot; van den raad -), wier werkkring wij als geheel overeenkomende met dien der busmeesters leerden kennen.

Doch behalve deze verplichting, die aan hun ambt min of meer verbonden was, schijnen den busmeesters nu en dan buitengewone werkzaamheden opgedragen te zijn. Immers wanneer wij het „register van aenspraken voor den raadquot;, dat ons over 1482- 1492 bewaard is, raadplegen, dan vinden wij, dat in tal van zaken, die bij den raad aangebracht worden, de busmeesters worden „bygeschictquot;, m. a. w. dat hun in vele gevallen wordt opgedragen de zaak voorloopig te onderzoeken, om ze daarna met hun advies weder ter beslissing in den raad te brengen. Dezo zaken betreffen wel is waar herhaaldelijk de sijzen (ontduiking der sijzen, opslaan van goederen zonder de gezworene dragers of meters, accordeeren met den sijsmeyster buiten den raad, enz. ^)), maar toch ook dikwijls andere onderwerpen: wanbetaling van geldschulden, huurpenningen, koopsommen of borgtochten, weigering van levering van gekochte landerijen, teruggave van geleende of gedeponeerde voorwerpen; nu en dan komen zelfs gevallen voor, die een crimineel karakter dragen: uitdragen van goederen uit een huis „boven den rechtequot; (d. i. niettegenstaande panding of bezetting), afhouwen van eens anders boomen, halen van goederen uit iemands woning tegen zijn wil, „geweltquot; opeen stuk land, aanspreken van burgers voor gerechten buiten de stad, zelfs mishandeling en vechterij \'\'). Wat de reden is, dat deze categ\'orie van zaken, die, zooals wij zien zullen, tot de bevoegdheid der vijven behoorde, ditmaal bij uitzon-

1) Zie hiervoor p. 203 Noot 6.

2) V. d. Water, Place. III p. 87 ^ 9.

3) Het verdient opmerking, dat destijds evenwel ook in die gevallen soms andere commissarissen worden benoemd.

4) Ik merk op, zonder het feit te kunnen verklaren, dat die zaken mot hel jaar 1485 plotseling nanmerkelijk in getal verminderen , j.» bijna verdwijnen.

-ocr page 227-

207

dering aan do busmeesters werd opgedragen, kan ik zelfs niet gissen; voor het toevertrouwen der talrijke acties ex contractu aan deze commissie schijnt mij echter eene aanleiding te bestaan. Wij zagen boven \' ), dat bij don raad reeds in de 14e eeuw vele civile zaken aangebracht werden, en dat de herhaalde besluiten, om deze „ten rechte te wysenquot;, hot misbruik niet keerden. Herinneren wij ons, dat bij de laatste dier besluiten (dat van 1451 1)) drie categoriën van zaken worden uitgezonderd, die juist allen tot de bevoegdheid der busmeesters behoorden, dan kan het niet vreemd schijnen, dat ook de behandeling der zaken, die in 1451 wèl naar de schepenbank verwezen worden, vroeger aan de busmeesters werd opgedragen :i). Trouwens geen wonder, want, zooals wij aanstonds zien zullen, was de geheele werkzaamheid dezer ambtenaren eene inbreuk op de bevoegdheden der schepenbank.

Thans nog een en ander over de geschiedenis van liet ambt. De busmeesters worden het eerst vermeld in 11 ^), waar de „verseten bodequot; worden toegekend aan „twe manne van den rade, die de raet ofte de oudermans daertoe zeilen zettenquot;, liet feit, dat die „mannequot; hier nog niet met een eigen naam worden aangeduid, geeft aanleiding tot het vermoeden , dat zij destijds nog zeer onlangs waren ingesteld; ja de woorden „zeilen zettenquot; maken het waarschijnlijk, dat deze keur tevens het besluit tot hunne aanstelling bevat. Doch wie, kan men vragen, had de raad dan vóór 1391 met het uitpanden der „verseten bodequot; belast? Ik antwoord met de wedervraag: is het zoo zeker, dat deze keuren voor 1391 van wege den raad uitgepand werden? Wij zagen boven, dat de crimineele jurisdictie van den raad zich langzamerhand gevestigd heeft door het vrijwillig aanbrengen der zaken door partijen; van de civile rechtspraak konden wij mot de stukken bewijzen, dat het „blivenquot; der zaken aan den raad aanleiding gegeven heeft tot eene min of meer vaste gewoonte; met de vrijwillige jurisdictie is het niet anders gesteld. Reeds merkten

1

Roese. CCLXXVI.

-ocr page 228-

2o8

wij op, dat het lange jaren geduurd heeft, eer de raad zonder uitdrukkelijke submissie van partijen als rechter durfde optreden. Houden wij dit in het nog, dan valt het niet tc loochenen, dat het „biedenquot; voor den raad onder bepaling van eene boete op de niet-verschijning, - dat het executeeren van de bij het aangaan eener civile „wilkoerquot; bedongene boete ten voordeele der stad, een gewichtige stap was, die de raad eerst aarzelend kan gewaagd hebben. Niet door de arbitrale rechtspraak zelve, eerst door hot executeeren dergenen, die zich niet daaraan onderwierpen, matigde toch de raad zich publiekrechtelijke bevoegdheden aan, die hem niet toekwamen. Panding behoorde zeer bepaald tot de bevoegdheid van den schout \'): nog in het Scepenrecht van 1456 wordt de panding in het tweede hoofdstuk uitvoerig besproken: „die schout gaet pandenquot; is daar (§ iq) de regel 1). En de raad erkende dit recht uitdrukkelijk: de bovenaangehaalde keur van 1451 quot;) bepaalt, dat „alle zaken, die ten rechte hoeren, te rechte ge-wesenquot; zullen worden, behalve dat de busmeesters zullen panden („uutrechtenquot;, executceren) in de aangehaalde gevallen. Scheen het oppervlakkig bezien vreemd, dat men bij de concessie, dat de raad niet meer zou rechtspreken in civile zaken eene uitzondering maakte voor de executie van keuren (executi^ dus in correctioneele zaken), de zaak wordt volkomen duidelijk, wanneer men zich herinnert, dat die executie plaats had door panding, en dat de panding evenals de civile rechtspraak behoorde tot de bevoegdheid van den schout. Het artikel moet bij gevolg aldus verstaan worden: men zal geen inbreuk meer maken op de bevoegdheden der schepenbank, behalve in zooverre, dat de raad zich voorbehoudt, in bepaalde gevallen zelf te doen panden. Duidelijker kon men het wol niet uitdrukken: panding „hoert ten rechtequot;, is eene bevoegdheid der schepenbank. — Merkt men verder op, dat in het Liber albus het „uutrechten van tghene den zijsmeyster aen jnnant ontbrakquot; nog plaats heeft, wel niet door den schout, maar toch door twee loden dor schepenbank en dat het nog in 1451 noodig

1

of. Roese. XII. t.

-ocr page 229-

2 09

blijkt, dat dc raad zich tegenover den bisschop \') de bevoeg-d-heid om door bnsmeesters te doen panden reserveert, dan is het zeker niet onwaarschijnlijk, dat hij zich niet vóór 1391 aan dc aanmatiging- van dit recht gewaagd heeft.

Reeds weinige dagen nadat wij de busmeesters het eerst zagen optreden, ontmoeten wij hen — en wel dadelijk als panders — onder hun eigenen naam, „des raets bussemeysters 2).quot; Wat beteekent die naam „busmeestersquot;? Van de Water acht dit „gansch onsekerquot;. Hij „heeft geen grond te denkenquot;, dat zij dus heetten „wegens den ontfang van eenige keurenquot;, omdat zij dit met de kameraars en andere ambtenaren gemeen hadden. Volkomen juist, al verdient het opmerking, dat de „busmeystersquot; van de oudermannen in 1484 vervangen werden door eenen „cameraer— dc vaste titel van eenen ambtenaar, met de ontvangst van gelden belast. Wanneer het mij geoorloofd is, zal ik mij, stouter dan Van de Water, aan „andere gissingen overgevenquot;. De „bodonquot; der verschillende gilden, die de door de gildebroeders verbeurde boeten inmaanden, en naar het schijnt ook de schepenbode, die de ,,verseten bodequot; voor de schepenbank uitpandde, — droegen op den mouw of op de borst een zilveren insigne, het kenteeken hunner waardigheid en hot bewijs, dat zij het recht hadden als panders op te treden. Dit insigne heette nog in de 18° eeuw de „bodenbus r\')quot;. Is het niet waarschijnlijk, dat de panders van den raad een dergelijk insigne gedragen en daaraan hunnen naam ontleend zullen hebben?

Dc busmeesters komen als ambtenaren, jaarlijks door de vier oversten uit den raad gekozen 0), in de regeeringslijst van het oudstbewaarde Raads dagclijksche- boek van 1402 reeds voor, en verschijnen geregeld op de lijsten tot 1461 toe. Dan verdwijnen zij. En geen wonder: op Vrydach na Pauli

1^ Vergl. hiervoor p. 208.

2) Roesc. LUI. r. — Tn 1392 echter weder als „twe manne uten rade out ende nywo, die daertoe ghezet siin ende ghezet sullen werden.quot; (Roese. LXVI. 3.)

3) V. d. Water, Place. 111 p. 257.

4) V. d. Water, Place. III p. 313 N 14.

5) Een bode van den raad te Lübeck verklaarde in 1485, dat hij „von demo rade myt der bussen vor eynen geswornen boden vorlent war.quot; (Pauli, Lüb. Ziist. 11 p. 84.)

geleerde uitgever voegt daaraan toe: „Die Relehnung mit dein Amte gescbah also hier wie in andern Stiidten mittelst Uebergabe einer Bücbse.quot; — Zie ook; Verdam, Mid-(lelned. woordenb. i. v. basse sub 5.

6) V. d. Water, Place. III p. 71 (1399), 73 § 3, 82 ^ 8.

1 I

-ocr page 230-

Conversio 1462 had de raad besloten, dat „die bussemeysters van den raide ende van den oudermans afwesen sollen Wat men inet de verandering bedoelde, blijkt niet; doch daar tegelijk mot do busmeesters alle andere organen van het raads-recht afgeschaft werden, kan de bewoging niet speciaal tegen hen gericht geweest zijn. Het besluit word genomen onder medewerking van den Domproost Gysbrecht Van Brederode, den hardnekkigen tegenstander van den Bourgondischen invloed en dus onder 1 Toeksche pressie; bedenkt men, dat de Hoekschen ook in 1455 samenwerkten met de gilden, dan is de gissing wellicht niet gewaagd, dat de bedoeling was de macht van don raad te fnuiken en, evenals in 1455 (doch langs andoren weg), den gilden moer invloed te verschaffen, lloe dit zij, op het raadsrecht zelf had men het niet gemunt; want hoewel de ambtenaren afgeschaft werden, vertrouwde men aan hunne plaatsvervangers personen van minder gezag of voor kortoren tijd gekozen dezelfde bevoegdheden toe, die aan de vroegere dignitarissen waren opgedragen. In de plaats van de busmeesters traden de twee overste stadsknapen, elders „doerwaerdersquot; genaamd 1), op, die onder toezicht der kameraars belast werden met het uitpanden der wilkoeren, der verseten bode en der door den raad gesletene broeken :I).

Het uitpanden van den onbetaalden sijs werd echter den stads-

1

Dit was eene nieuwigheid. De stadsknapen, wier ambt overigens geheel analoog was met dat van den schepenbode (ef. Roese. L. 1—3 en Seepenreeht. II. 3. — Van de Water, Placc. Ill p. 92: „onser stad geswoeren doerweerders ende dienresquot; — „der scepenen geswoeren bodenquot;), pandden niet. lir waren twee soorten van stadsknapen*, de twee overste of hoghe knapen, ook „doerweerdersquot; genaamd, en de vier leghe knapen, meer speciaal als „dyenresquot; aangeduid. De overste knapen dagvaardden de binnen de stad wonende beklaagden (Roese. L. i , 2) en fungeerden overigens als kamerbewaarders van den raad. (Roese. II. 4, LIL 1.) De leege knapen (laag of ledig? Dit blijkt niet: de tijdgenooten zeiven waren het niet eens. Zij heeten „hoge ende leege knapen.quot; Roese. CXLI. 6, CLIX. 8, CCXL. 8 en CCXL1IL 8, — „laghe knapenquot;. Roese. L. 3,— doch „ledige knapenquot; en „ledige dienairsquot;. Roese. CLIX. 12 en Rek. der dom. v. U.r. 1529) dagvaardden de beklaagden buiten den stadsmuur (Roese, L. 3, Lil. 2), deden bood-schappen en brachten brieven buiten de stad (Roese. LIL 3) en namen wederspannigen gevangen. (R. v. U. 11 p. 239. Roese. LVII. 1. — V. d. Water, Placc. III p. 256) Dit laatste mocht daarentegen de schepenbode , die wel pandde, niet doen, tenzij de aan-getastte goedwillig medeging (Roese. CCXLIV. 5): immers de „vangenissequot; was „der stat. (R. v. U. II p. 239.)

-ocr page 231-

21 I

knapen niet toevertrouwd: wij zagen boven, dat daaraan meer belangrijke bevoegdheden verbonden waren, die men niet gevoegelijk aan de stadsboden kon toevertrouwen. Voor deze werkzaamheden werden dan ook twee nieuwe ambtenaars ingesteld, met dezelfde bevoegdheden als de busmeesters ten dezen gehad hadden \'); raadsleden als zij, maar, in overeenstemming met den geest der ordonnantie, niet voor een jaar doch slechts voor drie maanden benoemd 1). Deze ambtenaars, die sedert dien tijd tot 1492 toe geregeld *) in de regeerings-lijsten voorkomen, heeten daar aanvankelijk „totter sijsmeysters pandinge 2)quot;, later „sijsmeysters bijgeschictquot; of „totten sijsenquot;, doch meestal „busmeysters van den sijsenquot; of „busmeysters totter stat goedequot;, op het laatst Aveder eenvoudig „busmeystersquot; of ,,busmeysters van den radequot;.

Met het jaar 1493 treden de twee voor een jaar aangestelde busmeesters van den raad weder op ■\'■) en komen met enkele uitzonderingen tot 1528 jaarlijks voor. Zij vervielen door art. 19 der Ordonnantie opto administracie van der justicie van 153° waarbij bepaald werd: „dat alle executiën van vonnissen, slytinghen, breucken ende andere sullen voortan ge-daen worden duer bevel van den schout off sijn substituytquot;.

1

1. c. § 6.

2

Evenals de „bygescliictenquot; bij de kcermeysters soms zei ven\'koer meysters heeten.

-ocr page 232-

§ 4^ DE VIJVEN.

Wij komen thans tot de behandeling van het gewichtigste ambt van het raadsrecht: dat der vijven. Onze rechtsboeken leveren daartoe veel minder stof dan voor de reeds behandelde ambten; doch gelukkig heeft Van de Water voor ons tal van vonnissen uit do raadsboeken bijeengezocht, die hom rijke stof leverden voor zijne belangrijke verhandeling over de vijven \'). In dat opstel zijn de hoofdpunten voldoende besproken , zoodat wij over het geheel volstaan kunnen met do daar verkregene resultaten over te nemen.

Het duidelijkst wordt de werkkring dor vijven uiteengezet in twee ordonnantiën van 1449 en 1462 2) en in de publicatie van Asschelwoensdach 1476, waarbij de bisschop de plaatsvervangers der vijven benoemt ^). Wij vernomen uit deze stukken, dat hun was toevertrouwd de behandeling der zaken, „daor der stat breuken aen hangefiquot;, of wel „alle. quade dadenquot;. Dezelfde bewoordingen, die wij reeds vroeger \'\') ontmoetten als de omschrijvingen van de zware misdrijven. Wanneer deze hun „aencomenquot; of zij zo „vernemenquot;, moeten de vijven die „den rade aenbrengenquot;, waarna de raad daarover „slijtquot; en „die broekige corrigeertquot;. De eed der vijven n) stemt daarmede geheel overeen. Tn verband met hot reeds vroeger over de werkzaamheid der raadscommissiën besprokene levert ons deze beschrijving een duidelijk beeld van het ambt der vijven. Hun was opgedragen het opsporen der misdaden en hot voorloopig onderzoek dor zaken, totdat zij bij den raad aanhangig gemaakt waren, of, zooals het elders heet, het „vangenquot; en het „terechtstellenquot; der misdadigers quot;). Hoe voldoden zij aan deze verplichtingen ?

Bij het opsporen dor misdrijven was gewis het belangrijkste hulpmiddel het aan de vijven opgedragene toezicht op de nachtwaak. Reeds daardoor kwamen tal van misdrijven tegen de veiligheid der burgerij van zelf tot hunne kennis; doch bovendien was het hun plicht „ondersoeck te doenquot; naar

t) V. d. Water, Placc. III p. 245 vlg.

2) V. d. Water, Place. III p. 75 art. 25—28, — p. 87 nrt. 5.

3) Zie hiervoor p. 113.

4) Zie hiervoor p. 72.

5) R. v. U. I p. 393 Nquot;. 18 , ui.

6) k. v. U II p. 306/7 s\' 5.

-ocr page 233-

degenen, die „eeniye ycwelden bedreven \')quot;• iül1 einde de misdadigers te „verdeckenquot; (d. i. betrappen) -), was het hun zelf geoorloofd, bordeelen, „stovenquot; en andere dergelijke lokalen ten allen tijde te betreden De „onsedigenquot;, die de vijven in de herbergen en bij nacht up de straat vonden, werden dan ook in de eerste plaats door hen terechtgesteld \'). Was het door het vinden van een lijk gebleken, dat er een misdrijf gepleegd was, dan waren het weder de vijven, die do behandeling der zaak voorbereidden door het schouwen van het lichaam r\'). Ook vervolging van misdaden op klacht kwam natuurlijk voor; maar naar het schijnt werd geklaagd niet bij de vijven, doch bij den raad, die dan de vijven „byschicte

Was de misdadiger door de vijven „opter daet bevonden1)quot;, dan mochten zij hem „aentasten ende leggenquot; (gevangen zetten 0)), behoudens zijne bevoegdheid zich te laten „verborgenquot;, „rechts te plegen na der stat rechtenquot;, en „te beteren na groot-heyt der misdaetHet onderzoek der zaak kon dan beginnen ; doch over de wijze, waarop dit gevoerd werd, zijn ons geene berichten overgebleven: getuigenbewijs zal ook hier wel eene hoofdrol gespeeld hebben, wanneer niet, zooals dikwijls, betrapping op heeterdaad had plaats gehad. Pijniging blijkt voorgekomen te zijn, doch niet door de vijven zeiven Het is niet aan te nemen, dat verhoor van den verdachte zeiven uitge-

1

Buurspraakb. Asschelwoensdach 1476.

-ocr page 234-

2I-|

sloten was, en het verbod om dezen „voir hem te bieden ofte doen bieden \')quot; zal wel betrekking hebben op het misbruik dat dc vijven de schuldigen dagvaardden en dan de zaak zeiven met hem afmaakten. Tegen dit misbruik werd herhaaldelijk gewaarschuwd -): het „verduystarenquot; van het misdrijf en het „laten dedingenquot; door dc vijven was ten strengste verboden. Zij moesten veeleer dc zaken „den rade bijbrengenquot; „tyerste die rait sitquot;, waarna dc raad „dairof sleetquot;, d. i. vonnis wees ;1). Wat wij vroeger \'\') opmerkten over het bloot formcele karakter van dit „aenbrengenquot; en „slitcnquot;, is bepaaldelijk ook op dc door dc vijven aangebrachte zaken van toepassing: immers dc raad was niet bevoegd, om van het advies der vijven af tewijken; ja wat meer zegt, wanneer dc vijven niet eenstemmig waren, moest de raad „volghen der meystcr partye ende dat scl stade wesen V\'.

Ook bij de executie van het vonnis hadden dc vijven soms eene rol te vervullen. Doodvonnissen werden uitgevoerd door den schout (l); dat de uitgesprokene geldboeten werden uitgepand door de busmecsters (volgens sommige, tijdelijk geldige ordonnantiën door de kameraars) is ons reeds bekend 7). Doch wanneer iemand veroordeeld werd tot het doen eener wilkoer, om geene verbodene zaken meer te zullen doen of tot het doen van oervedc, dan deed hij die wilkoer somtijds „an hande vanquot; dc vijven of eenigen van hen quot;). Een veroordeelde tot het openlijk vragen van vergiffenis aan de belcedigde partij deed zulks in tegenwoordigheid van de vijven a). I iet bedrag der civile schadevergoeding werd ook soms door den burgemeester van de vijven bepaald

Mandatur rerum capitalium judicibus (d. i. aan schout en schepenen. Zie hierna § 6), ut cx rea quaestionein habeant referantque.quot; Niet altijd echter was de raad zoo bescheiden: bisschop Fred. v. Blankenheim klaagde: „Item soo en sonde men nyemant pijnen, die schout en sonde daer van myns heeren wegen by wesen.quot; (Divers. Frid. de BI. pr. fol. 82 vlg.)

1) V. d. Water 1. c. p. 87 art. 5.

2) V. d. Water 1. c. p. 75 § 25. Eed der vijven: R. v. U. 1 p. 393. Nquot;. 18, 19.

3) V. d Water I. c. p. 248 spreekt van terechtstelling „voor den Raad of Schepenen.quot; Kene allerzonderlingste dwaling: terechtstelling voor schepenen zou aan het amb. alle bestaansreden ontnomen hebben !

4) Zie hiervoor p. 179.

5) L. A. XCII. s.

6) Zie hierna ^ 6.

7) Zie hiervoor p. 197.

8) V. d. Water 1. c. p. 249 Nquot;. 1. — Kanieraarsrek. 1523, fol. 4 vs.

9) V. d. Water 1. c. p. 248. (1522.)

10) V. d. Water l. c. p. 250 N0. 14.

-ocr page 235-

2 15

Nauw met hunne hoofcUverkzaamheid verbonden en denkelijk allengs daaruit voortgekomen waren sommige andere verplichtingen, den vijven opgelegd. In de eerste plaats bedoel ik het bovenvermelde toezicht op dc nachtwaak. Eene uitvoerige beschrijving van de wijze, waarop zij deze taak vervulden, levert ons eene ordonnantie van 1489\'). Alle nachten moesten twee van de vijven waken op het schepenhuis (Hasenberch); tusschen 9 en 11 uur in den avond en tegen den dageraad begaven zij zich, vergezeld van eenen stadsdienaar, naar dc Weerdpoort on gingen van daar elk eene helft van den stadsmuur in zijne geheele lengte om, ten einde zich te vergewissen, dat alle wakers op hunne posten waren; dc afwezigen werden door een stadsdienaar daags daarna op een schriftelijk bewijs van de vijven gepand voor eene boete -). Dit toezicht op dö\' nachtwaak was in bizonderheden geregeld, doch, naar het schijnt, was den vijven ook bij dag eenig opzicht over de straatpolitie opgedragen; immers bisschop David gelastte in 1476 den plaatsvervangers der vijven, „by dage ende sonderlinge by nacht die wege ende straten binnen der stat ende statvri-hcyt te visiteeren •\'\'), die misdadigen ende onsedigen, die sy opter daet Joevynden, te vangen, ende die goede eerbare ende die hoischelike wanderen te bescudden ende te bescermen nae hoeren vermoigen \')quot;• Een speciaal toezicht op dc stadspoorten werd den vijven bovendien in buitengewone omstandigheden opgedragen r\').

Uit dc bevoegdheid der vijven, om tot hot „vcrdeckenquot; van misdadigers ten allen tijde bordeelen, „stovenquot; en herbergen binnen te treden, ontwikkelde zich van zelf het toezicht, door hen op deze inrichtingen gehouden. Allen, die „oneerlyke herberge hieldenquot;, bepaaldelijk alle „ghemcyne ende lichte wivenquot;, moesten in achterbuurten bij den stadsmuur wonen. Dc vrouwen, die zich buiten deze plaatsen „in ghelagenquot; be-

1) V. d. Water 1. c. p. 251 Nquot;. 24.

2) V. d. Water 1. c. p. 250 N0. 9, — p. 252 N0. 29, 30. — Vgl. het raadsbesluit van I509 bij Van de Water 1. c. III p. 249. --- Zie overigens over het aandeel der vijven in de organisatie der nachtwaak : 1. e. p. 251 N0. 23.

3) Zie ook het besluit van Woensd. na Jacobi 1511, dat „dc borgemeyster van den viven hem zei mogen stereken ende versien mit hide, daer hy op staen mach , om ... . die stralen te veyligen.quot; (V. d. Water 1. c. p. 252 N0. 34.) V. d. Water, Place. III p. 87 Is 5; „die quade daden by dag he ende by nacht e geschiet.quot;

4) Buurspraakb. Asschelwoensdach 1476.

5) V. d. Water I. c. p. 251 N0. 25.

-ocr page 236-

2 if)

gciven otquot; na y uur \'s avonds buiten haar kwartier bevonden werden, konden door de vijven gepand worden aan „hoer overste cleetquot;; de waard of de waardin, „daer zij aldus bevonden werdenquot;, betaalde 2 pond boete. Tappers, die in fatsoenlijke buurten „oneerlyke herberge hielden, daer die gebuer nyet mede tevreden en warenquot;, pandden de vijven voor 5 pond \'). Ook het „bekoerenquot; wegens dobbelarij sehijnt aan de vijven opgedragen te zijn geweest -). In het algemeen moesten zij zorgdragen, dat ook in de „oneerbare steden ende plaetsenquot; geenc „quade wereken ende hantieringenquot; geschiedden 1).

Nog hadden de vijven „eenige macht om geleyde te geven Doch hoever die macht zich uitstrekte, is ons onbekend. En g-een wonder, want reeds in 1511 was men het daarover niet eens en benoemde de raad eene commissie, om te onderzoeken „wat geleyde die borgemeyster van de viven zei mogen geven2/\'. Niet onwaarschijnlijk is hot, dat het door de vijven verleende „geleydequot; betrekking had op personen, die wegens een misdrijf voortvluchtig- waren; het ,,geleidequot; beteekende dan alleen, dat de tijdelijk terugkeerende gedurende den tijd, dat het verlof duurde, door de vijven niet wegens dit bepaalde feit zou vervolgd worden \'■). Ik acht dit daarom waarschijnlijk, omdat het eigenlijke geleide tot 1528 verleend werd door den raad en de burgemeesters. Bisschop Rudolf Van Diepholt beweerde, dat „die stadt van Utrecht nyemant geen geleyde pleecht te geven dan bij guetduncken des schouten van der stadt, soe wanneer die hcere dair selven nyet tegenwoirdich is, ende soe pleecht die schoute mede te buersprake te gaen ende believen dat geleyde van des heeren wegen 3).quot; Het was

1

Bnurspraakb. Asschelwoensdach 1476.

2

V. d. Water 1. c. p. 252 Nquot;. 35.

3

Klacht v. bissch. Rud. v. D., in: Divers. Rod. pr. fol, CCXXXIf.

-ocr page 237-

217

dus eene quaestie tusschen den raad en den schout. Wel beloofde de stad in haar antwoord aan den bisschop het oude gebruik te horstellen; doch tot de translatie van de tempora-litoit toe blijken de burgemeesters dit recht geoefend te hebben, ook „in civile saicken

Voor al deze bemoeiingen genoten de vijven zeker loon, gedeeltelijk (zooals de bezoldiging der andere ambtenaren) uit emolumenten bestaande, doch bovendien (gewis wegens het gewicht hunner betrekking) uit eene vaste halfjaarlijkschc toelage van ioo pond voor ieder hunner 1). De emolumenten bestonden uit de helft der geïnde „broeken *)quot; en van de koeren voor liet verzuimen der waak , -— uit zekere inkomsten, die worden aangeduid als „dat verdeckenquot; of „overdeck 2)quot;, — en uit de confiscatie van „diefflic off geroeflt guetquot;, elders omschreven als „guet dat gestolen waer off dat aper wair off dat gevonden wairquot;, waarvan zij den schout somtijds de helft uitkeerden \'\'\'). In 1454 werd het loon tijdelijk bepaald op 300 pond per halfjaar, terwijl de broeken toen geheel aan de stad kwamen 3).

Zooveel over het ambt der vijven. Wil men dat meer in bizonderheden leeren kennen, dan verwijs ik naar de uitvoerige

1

Orclonnanliön van 1449 ^ 26, — 1465 § 2. — Raads dag. hoek. Woensd.. na Sym. ende Jude 1476. De ordonnantie van 1462 bepaalde voor ieder slechts 25 pond per kwartaal. (V. d. Water, Place. III p. 75, 252, 87.)

2

V. d. Water 1. c. III p. 75 ^ 25.

3

Naar het schijnt had de bisschop geen deel in de broeken. (Vgl. Roese. CXXXIV. 1.) In 1474, toen bisschop David het hoog gerecht weder aan zich getrokken had, genoot hij daar van, evenals steeds bij de koeren. (Reg. v. crimin. schcpenvonn. 1474—77 titel.)

-ocr page 238-

21 8

uiteenzetting van Van de Water Niet minder breed, doch vrij wat minder volledig- is deze over de geschiedenis van het ambt; liet is derhalve zaak, dit punt nog nader te bespreken. Gaan wij de bevoegdheden der vijven na, dan kan het ons niet ontgaan, dat deze in plaatsen, waar de rechtstoestanden meer normaal waren dan te Utrecht, bijna allen aan den schout toekwamen: het terechtstellen van misdadigers, het toezicht op de lichte vrouwen \'1), het geven van geleide, het aandeel van het gestolen g\'oed, het zijn allen onderwerpen, die bij dt;n schout thuis behooren en dus denkelijk ook te Utrecht van hem afkomstig zijn. Na het hierover in het tweede hoofdstük gezegde kunnen wij dan ook zonder aarzelen Van de Water gelijk geven, als hij zegt :!); „Vermits tusschcn den raad en den bisschop selden eenigheyd was, maar doorgaans zeer groote tweedracht, die des bisschops amptenaren gcvolgelyk moesten misgelden, zoo heeft men dese Vyven te voorschyn gebracht en aan deselve die macht en auctoriteyt gegeven, dewelke waarlyk den schout toequam: waardoor dan een middel uytgevonden was, hetwelk den schout zulk een aansienlyk deel van zyn ampt benam en hem niet al te veel gesag\' overlietquot;. De vijven waren de organen van het raadsrecht, die het aan den schout ontnomene hooge gerecht (met uitzondering van den bloedban \'\')) uitoefenden.

Doch wanneer zijn deze ambtenaars het eerst ingesteld Wij weten, dat do crimineele rechtspraak van den raad, waarvan de handhaving aan de vijven toevertrouwd was, ontstaan is uit den stadsvrede. Verschillende bevoegdheden van de vijven, bepaaldelijk de nachtwaak-\'\') en het geleidequot;), hangen bovendien ten nauwste mot het handhaven van dén stadsvrede samen. Men mag dus concludeercn: de vijven danken hun oorsprong

1

V. cl. Water, Placc. III p. 245 vlg.

-ocr page 239-

219

allerwaarschijnlijkst aan dien stadsvrede. Kn inderdaad, reeds dadelijk in het eerste artikel der vredekeur van 1300 \') leest men: „Groent yemant, dat vrede aen hem ghebroken is, so sel men daertoe nemen hem viven titer stat rade. de sellen daerof de waerheyt ondervinden in achte daghen ende brengent weder in den racd ofte vrede ghebroken si ende wiet ghedaen heeftquot;. In hoofdzaak dezelfde bevoegdheden, die de vijven later hadden. Geen twijfel derhalve, of wij hebben hier de instelling van het ambt -): de vijven zijn het vredegerecht der stad.

Natuurlijk was dit begin slechts weinig aanzienlijk: zooals men ziet, vormden deze vijven nog geene vaste raadscommissie , doch werden zij voor elk geval speciaal benoemd. Naarmate die gevallen toenamen, zal het wel langzamerhand gewoonte geworden zijn, steeds dezelfde personen voor deze werkzaamheid te kiezen, maar toch was nog in 1375 eene nieuwe aanwijzing van vijf raadsleden voor elk geval noodig ■-■). In 1402 eindelijk is dit anders geworden: in de regeeringslijst van het eerste Raads dagelijksche boek vinden wij de „vive totten quadien int voerjaerquot; en de „vive totten quadien int najaerquot; vermeld, cn de organisatie is dus voltooid.

De vijven werden dadelijk na de raads vernieuwing gekozen door de vier oversten der stad \'\') uit den raad r\'); hun ambt duurde een half jaar, zoodat elk jaar fl) tien vijven benoemd werden, waarvan de eene helft in het eerste halfjaar, de andere helft in het tweede moest optreden. Hun g\'etal wisselde af: soms waren er slechts vier, doch sedert 1422 meestal

1) l. a. xcir. 5.

2) Jn 1346 verklaarde dan ook bisschop Jan Van Arkcl, dat hij (in eene zaak, waarin hem de arbitrage door raad cn gilden was opgedragen,) „viif manne daertoe gheset ende gheödctquot; had, om wegens een doodslag „ene goede waerheyt utegaen ende die aene te brenghen .quot; Het vonnis werd toen gewezen uit overweging, „dat wi bi desen voorscreven viven A aen B\'s doot nyet bedraghen noch sculdich en vinden na suiker vonnc ende manieren alse der stat boec spreket.\'\' (L. A. CXIV. 2.)

3) L. H. LV. 1. — Zie ook: L. A. CXIV. 2. (1346.)

4) L. M. LV. 1. V. d. Water, Place. III p. 88 ^ 4. - In 1455 tijdelijk bij loting. (V. d. Water 1. c. III p. 82 § 8.)

5) V. d. Water, Placc. III p. 75 ^ 28, — p. 28 ^ 8. — Van de Water (1. c. III p. 246) beweert, dat blijkens de regeeringslijsten ook „borgers buyten den raadquot; verkozen werden; liij heeft denkelijk vergeten, dat ook de door hem in de lijsten niet opgenomene oudermannen leden van den raad waren.

6) In de regeeringslijsten vindt men uitzonderingen, doch denkelijk door onnauwkeurige aanteekening. (Van de Water, Placc» III p. 246.)

-ocr page 240-

2 10

zes vijven \'). Ken van hen, volgens de gewoonte een schepen -), was voorzitter, „borgeineyster van den vyvenquot;. Bij de ordonnantie van 1462, die alle ambten van het raadsrecht wijzigde, werd bepaald, dat er elk jaar door de vier oversten vier raadsleden (een schepen, een raad en twee oudermannen) voor een kwartaal „totten quadienquot; aangesteld zouden worden:1). Doch deze regeling duurde slechts twee jaren: sedert 1464 werden weder zes vijven voor een halfjaar op den ouden voet benoemd \').

Ernstiger was de verandering, door bisschop David Van Bourgondië aangebracht: in het najaar van 1474 werden de vijven geheel afgeschaft. Vier personen, „myns heeren dienrequot; genaamd, „deden uut bevele myns heren van Utrecht dyenst als die vive plaghen te doen r\')quot;. Het ambt dezer personen was blijkens hunne aanstelling geheel gelijk aan dat der vijven quot;), doch zij werden voor een geheel jaar benoemd door den bisschop, en moesten de door hen gevatte misdadigers terechtstellen voor schout en schepenen 1); als loon genoten zij elk 100 pond per jaar en 10 pond schadevergoeding voor de door hen be-taalde „absconsen ende lanternenquot;, te betalen Y, door de stad, \'/.t door den bisschop 2). Wij vernamen reeds boven0), dat deze ambtenaren -slechts tot 1477 in functie bleven; de vijven werden hersteld, en sedert vindt men in de regcerings-lijsten zonder eene uitzondering elk halfjaar zes vijven genoemd. Na do overdracht der temporaliteit werden de vijven natuurlijk dadelijk door Karei V afgeschaft bij art. 5 der ordonnantie van 1528 \'quot;): „die schout sal macht hebben als die burgmeesters van de viven tot noch toe gehadt hebben, wiens macht ende auctoriteyt cesseren sailquot;. „Novti judiciorum forma invectaquot;, zegt Hortensius, „quinqueviratus ad praetorem traductus 3)\'\'.

1

Buurspraakb. Asschelvvoensdach 1476.

2

Kaads dag. bock. Woensd. na Sym. ende Jud. 1476.

3

Hortensius, Res Ultrajectinac. p. 180.

-ocr page 241-

2 2 I

§ 5. DE WOEICERMEESTERS.

„Het is onzes weetens t\'eenemaal onzeker, wat hot \'vork der woekermeesters geweest zyquot;. Aldus Van de Water in zijn meermalen aangehaald werk \'). Niet zonder vrees van „in de duysternis mis te tastenquot;, gist hij, dat zij commissarissen van de bank van leening geweest zijn. Inderdaad, hij heeft misgetast! Toch schijnt het niet onmogelijk, de tastbare duisternis althans eenigszins te verlichten, hoe weinige berichten ons ook over het ambt der woekermeesters zijn overgebleven.

Reeds uit de door Van de Water 2) zei ven aangehaalde keur blijkt, dat de woekermeesters behoorden tot de „amptludequot;, die den raad overtredingen, waartegen broeken of koeren bedreigd waren, moesten „aenbrengenquot;. Vraagt men, welke overtredingen? Het ligt voor de hand te gissen, dat keuren tegen den woeker bedoeld zullen zijn. Wij vinden dergelijke keuren „van den woekenaersquot; alweder in onze rechtsboeken zeiven: Roese XIII. En inderdaad, in eene kantteekening worden daar de „woekermeystersquot; genoemd 3).

Derhalve zij berechtten do overtredingen van de woeker-keuren. Maar het schijnt vreemd, dat men voor deze keuren alleen bij uitzondering twoo ambtenaars aangesteld heeft: hunne werkzaamheid is dan gewis al zeer weinig omvangrijk geweest! Herinneren wij ons, dat de bisschoppen herhaaldelijk over het berechten van woeker door den raad geklaagd hebben, dan zullen wij wellicht uit hunne memoriën van grieven meer licht over ons onderwerp kunnen putten. Werkelijk vinden wij daar wat wij zoeken. Reeds aanstonds bisschop Frederik Van Blankenheim schrijft in zijne eerste klacht, die wij tot het jaar 1412 brachten, aldus: „Item kert die rait ende wil niet lyden, dat die officiael ende ander gheestelike rechtere, die van onsen here van Utrecht in der stat van Utrecht gesett syn te corrigieren dieghene, die myssdadich syn in saken, die alleen tot correction des geesteliken rechts hoeren, als woekenaers, oeverspoelres, voercoper» ende diegheen, die papen

t) V. cl. Water. Placc. III p. 257.

2) V. (1 Water, 1. c. Ill p. 256 Nn. 5. (Hot is Rooso. CCXX1I. 2.)

3) R. v. \\L I p. 93 Noot 2.

-ocr page 242-

222

off klercken slaen etc. Ende setten two uut hoeren raide daer(toe), die geheiten syn woekenneisters, die dese voerseydc woekenacrs ende voercopers corrigierenquot; \'). De tweede klacht van bisschop Frederik (1417) luidt niet anders: „Item wanneer een borger van Utrecht eenige excessen doet, die tot correction des geesteliken rechts alleen hoeren, alse woeker, overspel ende diergelijc, daer setten sy twe toe, die heiten woeker-meisters, die die woekenaers corrigieren, dat si mit Gode noch mit recht niet doen en mogen. Ende en willen oick niet lyden, dat die officiael off die provisocr dieghene corrigier, die die excessen gedaen hebben 2)quot;. Hoogstbelangrijke plaatsen, die het gewenschte licht over het ambt der woekermeesters ten volle voor ons doen schijnen! Wij kunnen bij dat licht onzen weg verder zoeken in de rechtsboeken, waar wij thans meer materiaal ontdekken kunnen.

quot;Wanneer wij opmerken, dat de bisschop als den werkkring dor woekermeesters noemt het berechten van woeker, voorkoop, overspel3; en mishandeling van geestelijken, dan zoeken wij althans over de drie eerste onderwerpen niet te vergeeis naar bepalingen in onze rechtsboeken. Keuren over woeker noemden wij reeds; zij dagteekenen van 1370 \'\'), en wij kunnen er bijvoegen eene nagenoeg gelijkluidende keur van 1375 \'\')■ Onder woeker verstond men, zooals bekend is, het nemen van interest voor het leenen van geld. In de bedoelde raadsbesluiten nu wordt dit misdrijf gestraft met verbeurdverklaring- van het geleende kapitaal. Vermomde woeker, door hot voorwenden van een koop zonder levering of door het ver-hoogen der geleende som in den schuldbrief, wordt evenzeer getroffen. De zoogenaamde rentckoop (waarbij geene teruggave van het geleende kapitaal bedongen is) wordt, evenals overal elders, ook te Utrecht toegelaten.

De voorkoop van spijzen wordt reeds in 1340 verboden \':) op de Ganzenmarkt en voor primetijd op de Zaterdagsclie

t) Klacht v. bissch. Fred. v. BI., in; Divers. Frid. de BI. pr. fol. 82 vlg.

2) Klacht v. bissch. Fred. v. BI. , in; Divers. Frid. de BI. sec. fol. 259 vs.

3) Deze drie misdrijven schijnen bijeen te behooren: ook elders (in 1491) worden zo samen genoemd. (Van de Water, Place. Ill p. 90 § 6.)

.|) Roese. XIIl. (Ook T,. 11. XL.)

5) L. H. LXVf. 4.

6) L. A. XVIII. 1, 2.

-ocr page 243-

2 23

weekmarkt; de straf is 5 schellingen. In 1391 werden speciale bepalingen gemaakt over don voorkoop van gevogelte \'). Het is den détailhandelaars verboden, deze handelswaar op de markt te koopen voordat de verkooper daarmede zekeren bepaalden tijd „ziin mael gehouden heeftquot;; buiten de stad mogen zij alleen koopen van dc personen, aan wie de vogels behocren, of op dc plaats, waar ze gevangen worden. De straf is £ pond en verbeurte van het recht om den bedoelden handel te drijven voor een jaar. Tegen ontduiking dezer bepalingen wordt dezelfde straf bedreigd. In 1392 werden geheel dergelijke bepalingen gemaakt over den vischhandel -).

Overspel werd in 1399 strafbaar gesteld :1); de man moest een jaar gevangen zitten, de vrouw werd een jaar verbannen; bij recidive werd de strtif verdubbeld. Deze keur werd opnieuw afgekondigd in 1417 \'\') en gewijzigd in 1437 r\').

Ziedaar derhalve den werkkring der woekermeesters. Hoe oefenden zij de hun opgelegde werkzaamheden uit? De opgenoemde keuren geven ons ook daarover eenige kostbare inlichtingen. Alle jaren, zoodra de magistraat gekozen was, ,,settequot; de raad (of volgens eene andere keur de twee overste oudermannen) twee oudermannen, om deze keuren te „verwarenquot; en „die broekige te vernemenquot;. Dit waren de woekermeesters; onder hen stonden (althans voor den voorkoop) twee „viindersquot;, die „daertoe ghezet wardenquot;. De woekermeesters „brachtenquot; de zaak „anquot; bij den raad; zonder \'s raads beslissing mochten zij „ghene koeren nemenquot;. Als loon genoten zij V, van de boete, volgens eene bepaling van 1413 echter nooit meer dan 2 oude schilden quot;). De gang der procedure is dus geheel analoog aan dien bij de reeds vroeger besprokene ambten. De „viindersquot;, die wij reeds bij de keuren op het vervaardigen van industriëele producten aantroffen, spoorden dc overtredingen op; de woekermeesters voerden het onderzoek; het resultaat daarvan werd door hen bij den raad aangebracht;

t) Roesc. LI. t—7.

2) Roesc. LXIIf. 14.

3) Roesc. CLXXV1I. t.

4) Roesc. CLXXV1I. t.

5) Raads dag. boek. Suntc Lucicndach 1437. Dc straf was toen eene boete van 25 pond voor elk der schuldigen en verbanning voor 5 jaar; voor raadsleden on stadsdienaars bovendien verlies van hun ambt voor een jaar. Bij recidive verbanning voor 10 jaar.

6) R. b. II* 1.

-ocr page 244-

2 24

het vonnis werd geveld door den raad; de uitpanding geschiedde denkelijk door de woekermeesters \').

De woekermeesters namen derhalve ecne positie in tusschen de vijven en de beambten van de lagere jurisdictie. Hunne taak was het berechten van de misdrijven, die de raad op den officiaal veroverd had, terwijl aan de vijven de behandeling was opgedragen der zaken, die tot het domein van den schout behoord hadden. In zooverre stonden dus vijven en woekermeesters op ééne lijn. Doch van den anderen kant naderden de woekermeesters meer tot de keurmeesters en busmeesters. In de eerste plaats waren de misdrijven, wier bestraffing hun was toevertrouwd, allen bij raadsverordeningen strafbaar gesteld; hunne werkzaamheden werden dus geheel bij de keuren geregeld \'2). En ook de wijze, waarop zij het onderzoek deden en het aanbrengen der zaken voorbereidden, herinnert geheel aan de bij de lagere rechtspraak gebruikelijke vormen. Daarmede stemt dan ook volkomen overeen het feit, dat het ambt der woekermeesters, zooals wij zien zullen, later tijdelijk werd toevertrouwd niet aan de vijven, maar aan de busmeesters.

Den oorsprong van hot ambt leeren wij kennen uit eene klacht van bisschop Rudolf Van Diepholt (c. 1450), die eischte, „dat men geen zaken van echtscappen, overspell, testamente, woeker off andere zaken, die van hoirs selfs natueren wegen behoren te staen tot kennynge ende slitinge des geestelicken rechts, ende gebrocht, begonnen of versocht wair(en) in den geestelicken recht, uten geestelicken rechte voir den raet trecken en zoude noch enich verbode doen, mer d^lt recht al-dair laten eynden De raad gaf aan den eisch des bisschops toe, doch zonderde uit eenige bij „wylcoren ende oude hair-comenquot; strafbaar gestelde misdrijven, wanneer die door de inwoners van stad en vrijheid gepleegd waren. Onder deze „wylcorenquot; treffen wij aan de woekerkeuren en die op het overspel \'\'); geen twijfel derhalve, of de raad heeft althans

t) Dit is waarschijnlijk, omdat in 1455 de busmeesters (de panders) de betrekking der woekermeesters overnamen, evenals reeds in 1437 het berechten van overspel. (Ziehierna.) -Zie ook R. b. 11*. 1 , waaruit blijkt , dat de woekermeesters de boeten inden.

2) De bij het vonnis bepaalde boeten heeten echter „brueken.quot; (R. b. II*. 1.)

3) Klacht v. bissch. Rud. v. D., in; Divers. Rod. de D. pr. fol. CCXXXIII.

4) Roese. XIII en CLXXVII.— Verder L. A. CXXI. 1 (libelmeesters) en XCIII (bigamie, kwaadwillige verlating enz.) De opsomming is echter volgens den raad niet volledig, („die eens deels hierna bescreven staenquot;, zegt het stuk.)

-ocr page 245-

225

de berechting van deze twee onderwerpen verkregfen op de ons reeds bekende wijze; door te „dwingen tot een ghebliif an den raetquot;.

Vraagt men, wanneer de woekermeesters voor de behandeling dezer zaken ingesteld zijn, dan kunnen wij dit vrij nauwkeurig bepalen. De raad beweerde in haar evengemeld antwoord aan bisschop Rudolf, dat de bedoelde „wilcorenquot; „van ouden haircomen ende ondachtelicken jaeren by tyden ons genedichs heren voirvaderen onverbreclik gehoudenquot; waren. De zaak was dus in 1450 zeer ond. Nog meer, aan bisschop Frederik Van Blankenheirn had de raad reeds in 1417 tegemoet gevoerd, „dat sy dat van ouder gewoenten lange voir ons heren tyden ende voel synre voervaderen also haergebracht ende gebruyet hadden van hoeren borgeren ende ondersaten \')quot;. Ook toen was derhalve do zaak niet nieuw meer. Lezen wij daarentegen de woekerkeuren van 1370, dan schijnt het te blijken, dat de woekermeesters toen nog niet bestonden; immers het „aenbrengenquot; der overtredingen wordt daarbij aan een iegelijk vrijgelaten tegen eene premie van \'/, der verbeurde geldsom 1). In het Roede boeck, dat in 1389 is samengesteld, vinden wij deze keur nog onveranderd. Doch op den kant staat daarbij aangeteekend, dat de premie van \'/, der verbeurde som zal genoten worden door de „wocker-meysters voir dat syt anbrengen sellen *)quot;: de vaste woekermeesters zijn dus daar in de plaats getreden van de „aenbren-gersquot;. Overwegen wij hierbij, dat het ambt der woekermeesters in 1417 reeds eene oude instelling genoemd wordt, dan mogen wij besluiten, dat zij niet lang na 1389 zullen zijn opgetreden.

Over de verdere geschiedenis van het ambt valt weinig mede te deelen. Wij kunnen hun voortdurend bestaan uit de regeeringslijsten niet bewijzen; immers slechts zeven maal (in 1446, 1447, 1451, 1452, 1453, 1491 en 1492) vinden wij daarin twee woekermeesters genoemd. Docb wachten wij ons, daaruit de conclusie te maken, dat zij alleen in deze jaren zijn aangesteld; want wij kunnen hunne aanwezigheid van

15

1

a) L. II. XL. 2.

-ocr page 246-

22b

elders in 1412 \'), 1413 -), 1417 3), 1441 4) en 1454 5) bewijzen. Van den anderen kant is het zeker, dat zij niet geregeld alle jaren zijn aangesteld. In 1437, bij de bovenaangehaalde keur teg\'en overspel, wordt de berechting van dit misdrijf aan de busmeesters opgedragen, terwijl het aanbrengen weder aan een iegelijk vrijstaat quot;); de woekermcesters waren derhalve in 1437 tijdelijk niet in functie, of de berechting van overspel was hun toen ontnomen.

Valt er in dit geval geene volkomene zekerheid over het bestaan der woekermeesters te verkrijgen, in 1455 werden zij zeer bepaald als afzonderlijke ambtenaren afgeschaft; immers de gildenbrief van dat jaar bepaalde in art. 37; „Item die busmeysters zijn, zeilen mede woekermeysters wesen \')quot;. De aanleiding tot dezen maatregel was denkelijk geen weerzin tegen het ambt of vrees voor den bisschop, doch eenvoudig eene overweging van praktischen aard. Wij zagen boven, dat twee oudermannen der gilden voor woekermeesters werden aangewezen quot;), en inderdaad zijn dan ook de woekermeesters, die ons uit de regeeringslijsten bekend zijn, allen oudermannen quot;). De gildenbrief van 1455 ontnam aan de oudermannen hunne politieke bevoegdheden en verbood hun verder ten rade te komen (art. 3 /. /.); men moest derhalve voor do woekermeesters voortaan andere personen aanwijzen, en natuurlijk was het, daartoe de busmeesters van den raad te bestemmen, die wij reeds in 1437 met de behandeling der klachten wegens overspel belast zagen.

r) Klacht v. bissch. Fred. v. BI., in: Divers. Frid. de BI. pr. fol. 82 vlg.

2) R. b. II. * 1.

3) Roese. CLXXVII. — Klacht v. bissch. Fred. v. 131., in: Divers. Frid. de Hl. sec. fol. 259 vs.

4) Roese. CCXXII. 2.

5) Gildenbrief v. 1455 art. 37, bij: Van de Water, Place. III p. 80.

6) Raads dag. boek. St. Lucien dach 1437. De regeling was iets nieuws, want „dit hebben die busmeisteren, die nu syn , geswoeren aldus te houden , te doen ende niet te verbreken. Ende desgelycx zullen alle busmeysteren van den rade alle jair doen terstont nae Onser Vrouwen Lichtmisse.quot; In 1477 behoorde de berechting van overspe. naar het schijnt aan de vijven, want de schutineesters-rekening van 1477 /egt: „opgeboirt

van den broecken van den overspuele.....dairoff gecort die tweedeell voir den vijven

enz.quot; Nog in het register van aanspraken voor den raad van 1490 worden do vijven viermaal „bygescict van overspul.quot;

7) Van de Water, Place. Ill p. 80.

8) Roese. LI. 7.

9) Behalve in 1491 en 1492 , toen (tijdens den erfraad) cle oudermannen niet in den raad zaten, en men dus geen ouderman tot een raadsambt kon aanstellen; ook de in dat jaar vermelde busmeester der oudermannen was lid van den „rade blivendequot; (rrfraad, vroedschap), geen ouderman.

-A

-ocr page 247-

De gildenbrief van 1455 was slechts gedurende eon jaar van kracht: reeds in 1456 werd do oude constitutie hersteld. Zijn daarmede de woekormeesters herleefd? Naar het schijnt is dit het geval geweest; immers tweemaal (in 1491 en 1492) worden zij later in de regeeringslijstcn vermeld. Wij be-hooren evenwel daarbij te bedenken, dat juist in die jaren het bestuur in exceptioneelen toestand verkeerde, zoodat eene besliste conclusie uit dit feit niet te trekken valt. Te voor-zichtiger moeten wij zijn, omdat in twee vonnissen, tusschen 1456 en 1491 over woeker en voorkoop gewezen \'), van de woekermeesters geene melding gemaakt wordt.

Ten slotte behoort hier nog eone vraag van belang bespro-kon te worden, die na het voorafgaande eenigszins vreemd zal klinken. Is het wol geheel zeker, dat do berechting van woeker on voorkoop tot het ambtsgebied van den raad behoorde? Wij moonden dit te mogen aannemen op grond van, naar het schijnt, onwederlegbare plaatsen. Doch daartegenover staat, dat wij don raad in 1484 hooren verklaren ^, dat „die oudermans plagen te berechten den voercoep :t) ende die wockery na onser stat boekenquot;. Een raadsvonnis van Manondach na Victoris 1477 scheldt eenen wisselaar kwijt „alle alzulke broken ende misdaden, als hy gebroict ende misdaen mach hebben .... ruerende van wokerye of anders aongaende zyne noringequot; behoudens „onser gemeynre oudenuanne sittinge, onlanex over heni gesletenquot;. Het zou gemakkelijk zijn, do moeielijk-heid op te lossen door te verklaren, dat de woeker na 1455 van het terrein van het raadsrecht was overgebracht naar dat van hot oudermansrecht. Doch dit zou niet alles ophelderen. Do correctioneele rechtspraak dor oudermannen in zaken van vermomden woeker wordt reeds in eene keur van 1400 uitdrukkelijk vermeld •r\'). En er is meer: wij zagen boven, dat de woekermeesters steeds oudermannen waren, en dat hunne keuze door ééne keur quot;) zelfs aan de twee overste ouder-

1) Raads dag. boeken. Manendach na Victoris 1477 en Manendach na Agathft 1490.

2) V. d. Water, Plaee. III p. 313 § 14.

3) Er staat „vercoep ook in hel Raads dagelijksche boek zelf; doeh het schijnt mij ontwijfelbaar, dat „voercoepquot; bedoeld wordt.

4) Raads dag. boek. 1. e.

5) Roese. CXI. 1—3.

6) Roese. LI. 7.

-ocr page 248-

228

mannen wordt opgedragen. Eene laatste aanwijzing: wij weten, dat \'/4 van verbeurde gelden bij woeker aan de vvookcr-moesters toeviel; wie kreeg de overige ■1/1 ? zij vloeiden „in die gemeen bus \')quot; d. i. de bus der gemecne gilden.

Met zekerheid kan ik deze tegenstrijdigheid der bronnen niet oplossen, liet aannemelijkst schijnt het mij, dat de raad en de oudermannen in dit g\'eval, zooals in vele andere opzichten , concurreerden. Eenigen steun ontvangt deze gissing door den eisch van bisschop Rudolf Van Diepholt in zijne bovenvermelde klacht, dat „die raet noch oudermans der stat van Utrecht nyet verbieden noch hynder sullen doenquot;, dat de ,,silken van woekerquot; enz., „die begunnen worden in geestliken rechtenquot;, aldaar „moegen geëyndet werden \'■2).quot; En het sluit volkomen daarmede, dat wij melding vinden gemaakt :l) van „woekermeysteren van den oudermansquot; naast do „busmcysteren van don oudermansquot;; immers wij zullen later zien, dat ook de busmeesters van raad en oudermans bij beide rechtscollegiën volkomen gelijke functiën uitoefenden \').

§ 6. STRAFFEN DOOR DEN RAAD OPGELEGD.

De straffen, die ter beschikking van den raad stonden, waren natuurlijk zeer verschillend; wij vinden in de vonnissen allerlei zaken aan de veroordeelden opgelegd, waarvan het moeielijk zou zijn eene volledige lijst te geven. Beter is het wellicht, nns uitgangspunt te nemen uit eene arbitrale uitspraak van den bisschop van 1379 r\'), waarin eene lijst der straffen, die de raad zal mogen toepassen, voorkomt. Wij vinden daar in do eerste plaats vermeld de geld- en steenboeten, daarna verbanning, „meenedich makenquot; (eerloosverklaring), uitzetting uit den raad, verlies van stemrecht in het gild, ontburgering, „verwil-

1

R. v. U. I p. 93 Noot 2.

2

Klacht v. bissch. Rud, v. D., in; Divers. Rod. de D. pr. fol. CCXXXII.

-ocr page 249-

229

coren op siin liif opleggen cener bedevaart. Een oudere en nog uitvoeriger bron is het register „van zaken cnde van wilkoeren, die aen liif of aen lit ghaen, ende van denghenen, die hondert jaer de stat verboden is \'1)quot;, dat omstreeks 1342 samengesteld schijnt te zijn en loopt tot 1403 toe. Het boek bevat geheel dezelfde straffen als de uitspraak van 1379 en bovendien gevangenisstraf ■\'\'), medeloopc n in eene processie, op de kaak staan, „scuppen In het oudste Raads dagelijksche boek (1402 1408) vinden wij alweder juist dezelfde straffen.

Tot onze verwondering missen wij in deze zeldzaam eenstemmige lijsten niet alleen de doodstraf, maar ook alle straffen, die aan lijf of lid gaan. Tot onze verwondering, want het bleek ons duidelijk2), dat de raad reeds sedert 1363 meer dan eens de doodstraf bedreigde en bepaaldelijk ook vonnis wees „van zaken, dest aen lijf of aen Htgaet 0)quot;. Hoe is deze tegenstrijdigheid te verklaren? Zonder twijfel uit de omstandigheid, dat de raad den bloedban miste en derhalve niet alleen de doodstraf maar zelfs lijfstraffen nog niet durfde uitspreken 3). Allengs maakte de raad zich echter van deze belemmering los: in latere jaren vinden wij herhaaldelijk von-

1

Ook dit geldt bepaald als eene straf. Bij eene wileoer van 1373 {Reg. Th. 2 fol. 70 r.) vond ik aangeteekend: „Deze wileoer is A vergheven bi out raet ende bi nywe int jaer van LXXV des Dinxdaghes na Angnetis.quot;

2

Zie boven p. 81 vlg.

3

Er kan voor de afwezigheid van lijf- en levensstraffen in de raadsboeken een andere reden bestaan hebben. Er bestond gecne aanleiding, de uitgesprokene lijf-of levensstraffen nog bizonder in de raadsregisters aan te teekenen; immers men schreef in die dagen bijna uitsluitend zaken op, die het van praktisch belang was zich later te herinneren. Zulke zaken waren vonnissen, waarbij verlies van rechten, langdurige verbanning of gevangenis uitgesproken was, ook verbintenissen om iets niet te doen („wilkoeren op siin liifquot;) enz.; daarom werd voor dergelijke vonnissen en wilkoeren een perkamenten register (Th. i en Th. 2) aangelegd. Ook schulderkenningen en dergelijke zaken behoorden aangeteekend te worden, al hadden ze slechts voorbijgaand belang; daarom werd voor deze zaken een „dagelijksch boekquot; op papier bestemd, dat niet lang behoefde bewaard te worden. Doch werd iemand tot eene lijf- of levensstraf veroordeeld, dan werd hij eenvoudig geëxecuteerd en daarmede was de zaak afgeloopen: niemand had er verder mede noodig. Het is mogelijk, dat dit de reden van het zwijgen onzer oudste bronnen over lijf- en levensstraffen is; doch waarschijnlijk is het niet.

-ocr page 250-

2 jO

nissen, waarbij gccseling\') of eene andere lijfstraf, barbaarsch volgens den geest der tijden (afkappen der hand -), in het water werpen3) enz.), wordt uitgesproken. Ja nog\'meer: zelfs veroordeelingen tot het zwaard (reeds in 1425quot;)), de galgr\') enden brandstapel quot;) komen dan voor, en naar het schijnt worden deze vonnissen zelfs van \'s raads wege geëxecuteerd 7). Doch met dat al blijft het uitspreken van levensstraffon door den raad eene groote uitzondering; in den regel schijnt hij zich zoover niet gewaagd te hebben. Hoe hielp men zich dan in zulke gevallen? hoe werd de doodstraf uitgesproken en toegepast?

Slaan wij het Raads dagelijksche boek op. Het is Vrydach na Beloken Paeschen 1494 8). Vier dieven worden voor den raad gebracht om hun vonnis te ontvangen. Allen zijn van buiten de stad afkomstig en dus van gelijke conditie. Voor de behandelingquot; van elk der vier zaken heeft de raad in de voorafgaande raadszitting van Woensdag eene commissie van vijf raadsleden benoemd. De vonnissen worden gewezen.

1) Zie b. v. Raads dag. boek. Woensd. .na Erixii 1-177, Vryd. na Invocavit 1498.

2) R. b. IX. 5.

3) Raads dag. boek. Vryd. na Bel. Paeschen 1494. („Men zei hem aen die krajn bynden om int water te vallen ende hy zei uter stat vvesen.quot;)

4) Ruurspraakb. Dinsd. na St. Sim. ende Jud. dach 1425.

5) Buurspraakb. Donred. na Conv. Pauli, St. Peters ende St. Paulus av., Saterd. na Allerh. 1456.

6) Raads dag. boek. Woensd. na Crue. Inv. 1462. (Eene toovenares zal „gerecht worden mitten brande aen hoeren live.quot;)

7) Buurspraakb. Donred. oct. Valent. 1526; de raad verbiedt den scherprechter te misdoen, „als die ract justicie over yemant dede.quot; — Dr. C. Booth schrijft in zijne aan-teekeningen (B 101 fol. 2. Prov. arch.) dan ook: „Voor de translatie wierdt den scherprechter by den raed der stadt aengenomen ende geöedt, alsoock noch na deselve,quot; en citeert daarbij voorbeelden van i486 , 1529, 1533 en 1542. (Zieechter: R. v. U. II p. 311 art. 21.) „Den raed,quot; dus gaat hij voort, „plachte den scherprechter, als hy ymandt ontlyven soude, het stadts-sweert in handen te geven, hetwelek te dien eynde in de raedcamer in een cas te hangen plach (gelyck oock noch heden binnen de raedcamer t\' Amersfoort tegenover de Burgemeesters), sulex noch by mynen tyde boven \'t portael, sedert het vertimmeren weehgenomen.quot; (Nam. in 1644, toen de nieuwe raadkamer gemaakt werd.)

8) Nergens vond ik zoo duidelijk de twee vormen van procedeeren bij hetzelfde misdrijf vereenigd als hier. \' Ware dit niet het geval geweest, ik had oudere voorbeelden kunnen aanvoeren: in het oudste Raads dagelijksche boek van i.j02—1408 vond ik echter geen enkel. — Toen de crimineele rechtspraak tusschen 1474 en 1477 tijdelijk weder geheel aan de schepenbank gekomen was, gebruikte deze soms dezelfde formule. (Zie het sententieboek uit dien tijd. Stads-arch.) Dit is evenwel geen bewijs, dat mijne uitlegging daarvan onjuist is. Eene verwijzing door de schepenbank naar die bank zelve is natuurlijk onzin; zij kan derhalve alleen verklaard worden uit het feit, dat deze vorm van doodvonnis in 1477 door het gebruik reeds zóó ingeworteld was, dat de schepenen in de veranderde toestanden zich daarvan aanvankelijk niet konden losmaken.

-ocr page 251-

2 3\'

lloc luiden ze? „Sloten scepenen, rade ende oudermanne, dat men Gerrit Janss. van Helloe wel geselen zei ende derna zei men hem aan die kraen bynden om int water te vallen ende hy zei uter stat wesen ende ene mile dervan bliven ewelyck op ziin lijft, ruerendc van dieveryenquot;. Het vonnis van den tweeden dief luidt geheel als het eerste. Nu het derde: „■Sleten scepenen, rade ende oudermanne, dat men Alfer Hubertss. van Vyanen gefroent (d. i. gevangen) als enen dief overleveren zei den scout, ende die scepenen zeilen recht wy-senquot;. Evenzoo voor den vierden dief. Vanwaar dit verschil ? Het is duidelijk: de twee laatsten krijgen eene andere straf dan de beide eersten. Dit is niets vreemds: de omstandigheden, waaronder de diefstal plaats had, kunnen daartoe aanleiding gegeven hebben. Doch waartoe deze geheel verschillende vorm ? waarom wordt do zaak ditmaal naar de schepenbank verwezen, terwijl do raad de beide eerste zaken zelf afdoet? Ik zal hot u zeggen: do raad was van oordeel, dat de twee laatste dieven de doodstraf verdiend hadden, en oordeelde zich onbevoegd, die uit te spreken; hij verwees dus do zaak naar het college, dat halsrecht had, en wel met de nadrukkelijke bijvoeging, dat mon hier te doen had met „enen dief Met andere woorden: hij gaf dor schepenbank te kennen, dat het feitelijk onderzoek was afgoloopen; daarmede had deze derhalve zich niet meer in te laten; zij had slechts de straf uit te spreken, die het Utrechtscho stadsrecht voor „enen diefquot; bestemde.

De raad vervulde dus hier geheel dezelfde function, die de jury tegenwoordig waarneemt; de rechtbank moest als thans hot vonnis wijzen. Doch zij was hierin niet vrij. De raad had haar reeds een duidclijken wenk gegeven; maar bovendien, het Liber albus en in latere jaren liet Scepenrocht hadden de rechtsgewoonte geregistreerd: „don dief de galghe Wanneer derhalve do schout den schepenen het oordeel vroeg,

1) Het bedreigen van de doodstraf door het verklaren van iemand „voor een diefquot; ol iets anders kwam to Utrecht meer voor. Zie b. v. Roese. XXVII. 6: „Die dat makede zoudmen houden voer enen valseher.quot; Buurspraakboek. Vryd. na Egidii 1474*. er zijn personen gewond; als de daders zich niet binnen acht dagen aangeven, „sel men dat rechten voir ondaet.quot; (m. a. w. als moord, „verholen dootslachquot;. Zie: Cost. 1550. XLIII. 1.

cf. Zoepil, Deutsche Rechtsgesch. III p. 418 Noot 43.) — Zie ook: L. A. III. 12: „dat men dat aen hem rechten zoude alse enen moord.quot; Vgl. Roese. CCLI.

2) L. A. pr. S 7. — Scepenrecht. I. 4.

-ocr page 252-

232

dan moest het antwoord zijn: „de galg!quot; Maar de schepenen hadden dan toch de vrijheid, verzachtende omstandigheden aan te nemen? Geenszins! In 1527 „sleetquot; de raad, dat men Michiel van Emerick den schout zou leveren ,,als enen moertbranderquot;; doch men scheen van oordeel, dat hij niet de zware straf, op dit misdrijf door het Scepenrecht \') gesteld („tratquot;, radbraken), verdiend had. Wat deed nu de raad ? Beval hij den misdadiger in de genade der schepenbank aan? Neen: „scepene, rade ende oudermanno hebben den scepenen die macht gegeven den voirseyden Michiel dat zweert te ghunnenquot; a)! Derhalve, men bepaalde nauwkeurig, hoever do schepenbank gaan mocht: cilleen eene verzachting van dot vorm der doodstraf wenschte de raad :i).

Was de schepenbank niet vrij in zijn vonnis, de schout was natuurlijk verplicht, het gewezene vonnis uit te voeren. Het kan ons dan ook inderdaad niet verwonderen, wanneer wij bisschop Guy in zijne memorie van grieven hooren klagen, „dat si (de raad) hoeren scouten daerto brenghen, dat hi alle dincghen na horen wille berechten moet, est den here lief of leet quot;)quot;! Zooals wij vroeger \'\') zagen, schijnt deze door den bisschop berispte aanmatiging van den raad wei-licht het gevolg van de woelige tijden, die men destijds be-

1) Scepenrecht. I. 4.

2) Zie geheel clenzelfden vorm van gratie te geven (iemand „dat swert geven unde des kerkhoves gunnenquot;, d. i. onthoofding met begrafenis in gewijde aarde) te Lubeek vermeld , bij : Pauli, Lüb. Zustiinde. II p. 80.

3) Dit is de oplossing van de op p. 4 besprokene quaestie, hoe de raad „rechtenquot; kan van moord, terwijl schepenen „van den bloede sitten.quot; Evenzoo ging het geestelijk gerecht te werk, wanneer het een doodvonnis noodig achtte. (Zie de beschrijving bij Beka: Matthaeus, Anal. Ill p. 290 Noot.) — Analoge toestanden vindt men in Duitsche steden, naar het schijnt liet meest met Utrecht overeenkomende te Basel, waar de mad „gar unredelichequot; zaken aan den voogd ter berechting toezond. (V. Maurer, Gesch. der Stadteverf. III p. 149.) Ook te Bamberg had iets geheel dergelijks plaats bij betrapping op heeter daad: de schepenen werden geroepen om van het feit kennis te nemen, en gaven later voor het Zentgericht getuigenis; de Richter sprak dan eenvoudig de strr.f uit en liet ze voltrekken. (Zoepfl, Deutsche Rechtsgesch. III p. 429, die ook aan de overeenkomst met de jury schijnt gedacht te hebben. — cf. ook; Zoepfl. 1. c. III. p. 412. —Zie verder: Von Maurer 1. c. III p. 411 , 549, 578 , 638. — Frensdorff, Dortm. Stat. p. LXV. — Heusler, Stadtverf. p. 181.) — Te Amersfoort ging men nog verder: bisschop David Van Bourgondiö klaagde, „dat die raet van Amersfoert recht acnt bloet buyten onsen schout ende scepenen, tsy myt hangen, raeden, myttcn zweerde oft anders als dat gelegen is, groetlike dragende tegen mijns heeren hoege heerlicheit, daerby dat schoutampt myt synen toebehoeren myt allen mijnen genadigen heere afhendich gemaect ende vervrempt weert.quot; (Klacht v. bissch. David, in: Divers. Davidis. fol. 79 vs. Prov. arch.)

4) Zie hiervoor p. 38.

5) Zie hiervoor p. 79.

-ocr page 253-

233

leefde \'), slechts van tijdelijken duur geweest te zijn. Maar toen anderhalve eeuw later bisschop Rudolf Van Diepholt cene beschrijving\' gaf van het uitspreken der doodstraf, zooals dat ten tijde van zijnen voorganger geschiedde, hing\' hij toch weder geheel hetzelfde tafereel op als bisschop (iuy had geschetst. „Men plecht te rechten aen den blode van onss genadichs heeren wegenquot;, dus luidde zijn verhaal; „item soe placht die schulte van der stat mitten scepenen dairover te rechten nae guetduncken des raifs, ende soe brenget men die luyde des avonts tot des schouten huys, dat g\'een horgere en zijn 1)quot;. Het was toen, naar het schijnt, zelfs eenc concessie, dat de raad zich „tevredenquot; verklaarde, dit oude gebruik te herstellen, „als mijn heere ziin regalia heeftquot; en als het „geen borgere en ziin :i)quot;. Inderdaad werd het gebruik weder ingevoerd: de gildenbrief van 1455 bepaalde: „die scepen en sellen hem geenrehande saken onderwynden, den rade andrag-ende (d. i. de crimineele procedure), dan alleen dat den bloede anruertquot; quot;) (dus alleen het wijzen van doodvonnissen). En wij zagen, dat nog in 1494 en 1527 volkomen dezelfde procedure in gebruik was ■r\').

1

Divers. Rod. de Dieph. pr. fol. CCXXXII. (Prov. arch.)

-ocr page 254-

234

Als regel mogen wij derhalve aannemen, dat de raad geene doodvonnissen uitsprak, ook al blijkt het uit de Raads dagelijksche boeken, dat op dezen regel somtijds uitzonderingen voorkwamen.

Vrijheidsstraffen waren te Utrecht zeer gewoon. Verbanning en „in den toern leggenquot; behoorden onder de meest geliefde straffen. Ook ;ds subsidiaire straf kwamen beiden voor: subsidiaire ballingschap was in het middeleeuwscho Utrecht niet minder bekend dan subsidiaire gevangenis. Het was een vaste regel, dat men bij veroordeeling- tot geldboeten wegens keuren de betaling kon voorkomen door jaar en dag (d. i. een jaar en zes weken) zich gevangen te geven of vrijwillig in ballingschap te blijven op eene mijl afstands van do stad \'). In zekeren zin bestond deze subsidiaire ballingschap voor burgers altijd, behalve bij de zwaarste straffen: immers zij bleven dan tegen borgstelling op vrije voeten en konden dus vluchten; het geval, dat een misdadiger „ontrumedequot; en daarom „mitter clocken verordeeltquot; werd, was dan ook zeer gewoon 1). Toch kan men dit geval geenszins als eene eigenlijke subsidiaire verbanning beschouwen: het was trouwbreuk, zich onttrekken aan de straf ^); de eigenlijke vrijwillige ballingschap was zelfs bij eenvoudigen manslag en bij vrede-braak uitgesloten \').

Voordat wij van de behandeling der door den raad opgelegde straffen afstappen, schijnt het wenschelijk, nog- een en ander op te merken omtrent de verschillende elementen, die een strafvonnis gewoonlijk bevatte.

Oorspronkelijk gaf elk misdrijf aan den benadeelde het recht om of den beleediger veete aan te zeggen óf zoen van hem te eischen; weigerde hij te zoenen, dan kon men hem aanklagen en volgde er straf. Op elk misdrijf (behalve bij de zwaarste, „ondadenquot;, die niet gezoend mochten worden)

1

Zie o. a. L. A. XXX. 1. L. H. IV. 1, LXXVI. 1.

-ocr page 255-

2 35

volgde dus üt\' straf óf zoen; in het laatste geval werd, \\v;in-neer de zoen door tusschenkomst van den rechter werd gesloten, eene boete betaald aan de beleedigde partij: de compositie, en aan den rechter: het fredum. Men vindt dezen ouden toestand te Utrecht nog terug bij de doodstraf, die alle geldstraffen uitsloot \'). Ook bij het misdrijf van valsche getuigenis -), dat (in geval van bekentenis vóór het vonnis) kon „gebetertquot; worden aan het gerecht en aan dc partij gt; alleen wanneer er niet gebeterd was, volgde er straf.

Doch in de meeste gevallen was de toestand zoo zuiver niet: in bijna alle vonnissen weg\'ens misdrijven, die niet met den dood gestraft werden :1), vinden wij de straf gectimuleerd met eene geldboete, meestal ook nog- met eene boete of ccne schadevergoeding aan partij. Deze beide elementen der straf worden met verschillende namen aangeduid: de straf heet „corroxyquot;, de boete „beteringe Wij vinden dezelfde tegenstelling reeds in 1156 in een charter van keizer Frederik I voor de stad Worms, waarin gezegd wordt, dat de schout met den raad de misdrijven „emendat et ulciscitur r\')quot;, eveneens in de klacht van bisschop Guy over het „corrigieren ende ghelt anenemen 0)quot; door den raad van Utrecht buiten den

1) R. v. U. 11 p. 433 ij 1. Van de Water, Place. III p. 83 art. 27, — III p. 310 Nquot;. XL. („ten wair oft ant lyf ginge.quot;) — Als reden van dit voorrecht der Utrechtsche burgers geeft een Stichtseh leenrecht (Versl. en meded. der Vereen, v. oudvaclerl. recht. IV. p. 239) op, dat „dat Sticht van Utrecht is een vry sticht:quot; het verbeurdverklaren van de goederen van veroordeelden schijnt dus daar als een heerlijk recht opgevat te worden. Hiermede overeenstemmend zegt Landrecht I. 2, dat „een Stiehtsman syn goot nyt mach verbueren dan by keuren,quot; dus volgens zijne eigengemaakte wetten. Doch geheel hetzelfde gebruik als te Utrecht vindt men in Amstelland en Gooiland (van ouds Stichtseh grondgebied) nog in 1387/8 (Van Mieris, Charterb. III p. 484) en te Amsterdam omstreeks 1300. (Seheltema, Oudste regten v. Amst. p. 7; in 1342 niet meer: 1. c. p. 19.) Ook te Gent: de burger verbeurde daar zijn leven of eene boete van hoogstens 60 ri?; alleen bij breuk van een verborgden vrede werden beide straffen gecumuleerd (Warnkönig, Mist. de Gand. p. 82, 83); doch er waren dan ook twee misdrijven : doodslag en vredebraak. — Ook de betering aan partij, de zoen, verviel bij doodstraf. (L. A. III. 17, XXX. 4.)

2) R. v. U. II p. 402. N0. XLI § 1.

3) Zelfs bij doodslag (op eenen niet-burger). De schuldige werd op klacht van de magen veroordeeld tot den dood (voor het landrecht) of tot betering aan stad en partij (voor den raad). Zonder klacht onderging hij geene zware straf, doch was toch niet geheel vrij: men koos zeer inconsequent eenen middelweg. Bij het landrecht n^ocst hij drie dagen in ballingschap gaan, bij het stadrecht zes weken gevangen zitten. (Landr. I. 1. L. H. XLIXv 1. Privil. ende stat. § 2.)

4) Bij de vermelding der „correctiequot; behoort het woord „mysdaetquot; (R. v. U. 11 p. 289 § 34); hij de „beteringequot; wordt altijd de „broekequot; vermeld.

5) Arnold, Verfass. gesch. d. Deutschen F reist. I p. 217.

6) Zie hiervoor p. 37.

-ocr page 256-

236

schout. De „correxyquot; (de „ultioquot; van Frederik ], het „corri-gierenquot; van bisschop Guy) schijnt volgens het woord de verbetering van den misdadiger („correxyquot;) of het wreken van het gepleegde onrecht („ultioquot;) bedoeld te hebben; bij de „beteringequot; („emendatiequot;, „proufitelicke amende oft reparatie\')quot;, van daar het „ghelt anenemenquot;) stelde men zich blijkbaar op een ander standpunt en eischte herstel der geledene schade.

Zooals wij reeds zagen, was de „beteringequot; tweeledig: aan den rechter en aan de partij. Den rechter „beterdequot; (vergoedde) men „sine smaetheyt 1)quot;; men herstelde de schade, die \'s rechters gezag door do inbreuk op het recht (of zooals men toen zeide; de breuk van den vrede) geleden had: uitdrukkelijk wordt altijd gezegd, dat de nevens de „correxyquot; uitgesprokene geldboete ■quot;\') ten doel had „beteringe van sinen broeken \'\')quot;■ Aan de tegenpartij „beterdequot; men natuurlijk in de eerste plaats de matcriëele schade, die hij geleden had; men betaalde ook wel „zynen oncostquot; rgt;) of het „meystergeltquot; van eenen gewonde quot;). Doch ook in gevallen, waarin geen op geld waardeerbaar nadeel geleden werd, komt het voor, dat een misdadiger veroordeeld wordt tot eene geldboete 2) aan partij: deze geldboete heet dan eene vergoeding „voer hoer smerte quot;)quot; of „voer zyne schaempte 3)quot;. — Geldboete was niet de eenige vorm van ,.beteringequot;, die te Utrecht in gebruik was; men kende naast deze materiëele vergoeding eene immateriëele. Zij bestond in eene „beteringequot; aan den rechter door het openlijk vragen van vergiffenis (bij erge gevallen in hemd en broek l(l)); aan

1

L. H. XIII. 4.

2

Enkele malen ook eene steenboete: Raads dag. boek. Saterd. na St. Marcusd. 1465.

3

Raads dag. boek. Saterd. voer Lichtm. 1478 (in een vonnis wegens laster). Een enkele maal wordt in een vonnis als eenige straf betering aan partij uitgesproken. «Raads dag. boek. Woensd. na Conv. Pauli 1478 , wegens het scheuren van iemands „hoekequot; van zijn lijf.) — De betering aan partij bleef achterwege , wanneer de zaak niet op klacht vervolgd werd: men werd dan alleen veroordeeld, te wilkoeren of borgen te stellen „te beteren ende te zuenen bi den rade , als hy des versocht zal werden.quot; De betering aan den rechter werd echter desniettemin uitgesproken. (Raads dag. boek. Vrid. na Remin. 1406. Woensd. na O. L. V. Ass. 1477.)

-ocr page 257-

de partij door het herroepen der beschuldiging, („lochen Dit is de „eerlicke oft honnorable emendequot; van het regeerlngs-reglement van 1550 1).

Deze verschillende elementen der straf werden nu op alle mogelijke wijzen gecombineerd. Wenscht men voorbeelden, dan kan ik er eenige noemen. Straf en betering aan den rechter vindt men b. v. in Die roese. CXXIV. 1 en CXXXIV. r, waar tegen het wegvoeren van „besetquot; goed wordt bedreigd: gevangenis, teruggave of vergoeding van het weggevoerde, vergiffenis vragen en cene boete van 10.000 steenen aan de stad, — in het Scepenrecht XIV. 34, dat tegen het geven van geld aan den bisschop voor het schoutambt bedreigt: correctie (zonder bepaling van de grootte der straf) en eene boete van 100.000 steenen, — en in vonnissen van 1402 :i) en 1478 die verschillende misdrijven respectivelijk straffen met; gevangenis, ontburgering, vergiffenis vragen en steenboete, — en met: eene wilkoer bij zwaardere correctie, vergiffenis vragen en steenboete. Betering aan gerecht en partij treft men eveneens in tal van gevallen aan: men zie o. a. de bovenaangehaalde gevallen van Liber hirsutus. XIIT. 4 en Roese. CXXXIV. 1, — een vonnis van 1465, dat oplegt: steenboeten van 10.000 stuks voor de stad, 5000 voor de partij — en een van 1478, dat aan stad en partij elk 5 re toewijst \';). Zelfs verschillende straffen voor hetzelfde misdrijf worden nu en dan samengevoegd: in een vonnis zien wij iemand gestraft wegens „ondeuchdclycke hantieringe by nachtquot; met veertien dagen gevangenis, op de kaak staan, geeseling, eeuwige verbanning en oervede; in een ander wordt tegen een dief vonnis gewezen van geeseling, eeuwige verbanning, eene bedevaart naar Rome, gevangenis totdat hij den be-

1

R. v. U. II p. 403 N0. XLVI § 2.

-ocr page 258-

238

stolene zijne schade vergoed heeft, en oervede Een ander voorbeeld: op Woensdach na Brixii 1403 werd iemand door den raad veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf; „endequot;, zoo luidt het vonnis verder, „waert dat men tot eniger tyt vonde, dat hy schout hadde aen dor dieften, daer hy of beruft heeft geweest, .... dat ment dan rechten zoude aen ziin liiff hoven descr sentencien voirseyt 1)quot;.

Doch de raadsvonnissen zouden eenvoudig geweest zijn, wanneer alleen correxy en beteringe daarin gecumuleerd waren. Maar behalve de geldboete ter beteringe vinden wij dikwijls in hetzelfde vonnis eene tweede geldboete, die een anderen rechtsgrond had, uitgesproken. Boven *) zette ik liet onderscheid uiteen tusschen de twee soorten van geldboeten: de „broekenquot; en de „koerenquot;. Ik wees er reeds daar op, dat deze twee soorten van straffen somtijds gecumuleerd werden. Het meest voorkomende geval was het daar vermelde: vechterij, waarbij behalve de gewone keur gevangenisstraf en steenboete teg-en den „ aen vechterquot; bedreigd werden\'). Er zijn echter meerdere, analoge gevallen, b. v. Roese. CXXXIII. 31, 35, waar aan de lakenwevers, die de waardijns uit hunne huizen weren of uitschelden, bevolen wordt, behalve de voldoening der keur, te „beteren bi den radequot;, - en eene keur van 1454 r\'), waarbij de kameraars, die deel hebben aan de pacht der accijnson, gestraft worden met eene keur en bovendien „beteringe dier broke tot des raets goetduncken Niet alleen de „beteringe van de broekenquot; aan het gerecht, ook „beteringequot; aan de partij wordt soms met de betaling eener keur vereenigd: wanneer er in de raadsvergadering met messen gevochten was, mochten de keurmeesters niet ten rade komen, voordat de aanvaller de keur betaald „ente laster ghebetertquot; had 2).

1

Register Th. 2. fol. 125 vs.

2

L. A. I. 10.

-ocr page 259-

-39

Eindelijk kan ook een voorbeeld gegeven worden van de combinatie eener straf met de betaling eener keur: wanneer iemand een ander, die oervede gedaan heeft aan de stad, aanvalt, wordt hij voor vijf jaar verbannen en betaalt de vechtkeur \').

Laat ons ten slotte als het ware de proef op de som maken en eenige raadsvönnissen onderzoeken, om te beproeven, of wij de verschillende elementen der straf thans kunnen herkennen. Een vonnis van Vridach na Remigii 1406; „Want A dootghe-slagen heeft B binnen onser stat, daerom heeft hy in der stat slot geleghen (correxy) ende sel comen ter clocken in hemde ende in broec ende sel den rade verghiffenisse bidden {imviatc-riëele betering aan de stad) ende hy sel der stat te beteringe

geven____steens (materïéele betering aan de stad). Voort sel hy

wilcoren dien dootslaeh te beteren ende te zuenen bi den rade van der stat, so wanneer des doden mage zuen hebben willen, bi den rade voirseyt (betering aan de partij). Borgen bi L scil-den (pene) C, D, E, F, G ende H.quot; — Een ander vonnis van Woensdach na Allerheyligen 1477: „Want A ende B malcan-deren voer den raide besproiken ghehadt hebben van zekeren trefliken zaken, die zy aen beyden zijden niet bewezen en hebben alze recht is, dairom hebben scepenen, raide ende ouder-manne ghesleten, dat beyde parthyen den raide ende malcande-ren vergifnisse bidden zeilen (betering aan stad en partij), ende wilkoeren malcanderen niet te misdoen noch doen misdoen in woerden noch in werken heymelick noch openbaer in eniger wijs, by zwaerre correxy tottes raits goetduncken (straf). Ende B zei geven A voer zynen oncost drie- Rynsche gulden {betering aan de partij) ende der stadt ter beteringe twee Rynsche gulden (betering aan de stad); ende A zei geven ter beteringe der stadt vier Rijnsche gulden (betering aan de stad). Ende dit ill te betalene binnen eenre maent naistkomende aen gelde, alle daghe by enen ponde (koer). Ende B ende A hebben gebeden ende gewilkoert als voerseyt staetquot;. — Een derde vonnis van Vrydach na Divisio Apostolorum 1477: „Want A ondadelyke ghesteken heeft B, dairom zei A den meyster betalen ende vernuegen, die B gemeystert heeft

1) Rocse. CXXXIX. 2. Zie ook het bovenvermelde geval van Roese. CXV. 1 gevangenisstraf en betaling der „koer.quot;

-ocr page 260-

240

(civile schadevergoeding aan dc partij), ende geven denzelven B voer zyne sniarte 8000 steens (betering aan dc partij). Ende daarmede zeilen diezelve personen van dezer zake ghezoent wezen, behoudeliken den koermeysteren hoere koeren (koer). Ende oick zei die voerseyde A den raide verg\'ifnisse bidden (immatericele betering aan de stad) ende geven der stadt ter beteringe 4000 steens (materiëele betering aan de stad) binnen 14 dagen, alle dage by 1 ff (koer)

De executie van raadsvonnissen geschiedde „mittnr clockenquot;. De stadsklok, banklok geheeten (zij hangt nog- steeds als in de middeleeuwen in den Buurtoren), werd gebruikt om de burgers samen te roepen, in de eerste plaats tot het hooren afkondigen van bevelen van den raad 1) en andere publicatiën, (Van daar heet het publicatieboek soms „luyboeckquot;.) De eigendomsoverdrachten van vaste goederen werden „ter clocken gheluutquot;; eerst door verjaring na zulk eene „beludinghe ter clockenquot; worden ze onaantastbaar :1). Ook de nieuwe burgers werden „ter clocken uutghekondicht de stadsvrede werd „ghecondicht mitter clocke r\')quot;. Evenzoo werden alle vonnissen onder klokgelui afgelezen; tegelijkertijd schijnt dan de executie daarvan voor de oogon van hot saamgestroomde volk plaatsgehad te hebben quot;). Van daar wordt gezegd, dat een omgekochte „dat ghenot ter clocken brenght 2)quot;, dat „broekenquot; (geldboeten) „ter kloeken worden gebracht l!)quot;, — dat veroordeelden komen blootshoofds en barrevoets (in ergere gevallen: in hemd

1

Roese. CXXVI. i.

2

L. A. XCVII. 2.

-ocr page 261-

241

en broek) „voer die cloeke — dat iemand „meyneedig ter klokke uytgeluyt wordt \'1)quot;. Doch nog- iets anders wordt bedoeld, wanneer gesproken wordt van iemand, die „uutgheluut of „mitter clocken vervolget 2)quot; is; de omschrijvingen worden alleen gebruikt van verbanning, de eerste gewoonlijk voor uitbanning „van scoudequot; (wegens onbetaalde geldschuld), die door betaling dadelijk werd opgeheven, de laatste voor ballingschap „van broekenquot; (wegens misdrijf), die werd uitgesproken gewoonlijk voor een bepaalden tijd 3), soms zelfs tot honderd jaren toe, of wel „ewelicquot; quot;).

§ 7. CIVILE RECHTSPRAAK,

Veel minder dan van do behandeling der crimineele zaken is ons over de procedure in civilibus voor den raad bekend. Trouwens dit ligt in den aard der zaak. De werkzaamheid van den raad op dit gebied heeft zich nooit tot eene bepaalde rechtspraak ontwikkeld: wanneer civile zaken bij den raad aanhangig gemaakt werden, schijnt dit steeds min of meer eene arbitrage gebleven te zijn. Aan bizondere vormen was derhalve de behandeling dezer zaken niet gebonden; vaste ambtenaars voor de voorbereiding daarvan zou men hier reeds a priori niet verwachten. Toch schijnt het wenschelijk, hier met een enkel woord samen te vatten, wat ons daaromtrent bekend werd. In hoofdzaak is wat wij vonden reeds elders besproken: eene korte herinnering kan dus volstaan.

1

Van de Water, Place. IIJ p. 74 art. 19.

2

L. A. XCVIII. 3. — L. H. LXXVI. 1. — Roesc. CL. 2, — Buurspraakb. Corsav. 1426; de raad waarschuwt alle bannelingen, dat zij niet dichter bij de stad komen „dan hem geset is mitter clocken.quot;

3

In l^et Raads dag. bock v. Dinsd. na Serv. 1498 vinden wij echter een vonnis, waarbij iemand voor drie jaren verbannen wordt, onder bijvoeging: „Dat nutwesen zei staen tot vermaninge des raits.quot;

-ocr page 262-

242

In de eerste plaats verdient hier vermelding hetgeen ik boven \') mededeelde omtrent het „byschickenquot; van de bus-meesters door den raad in civile zaken „van scade ende van scoutquot; (vooral in geval van wanbetaling- van verschuldigde geldsommen of verzuim van levering). Tal van dergelijke zaken zijn te vindon in het register van aanspraken voor den raad over 1482—1492, bepaaldelijk in de eerste drie jaren. Het behoeft nauwelijks herinnering, dat dit „byschickenquot; betrekking had op het voorbereiden der zaak voor de afdoening daarvan bij raadsvonnis.

Eene andere categorie van zaken, waarvoor zelfs eene vaste raadscommissie was aangesteld, waren de door de remissie libelli van het geestelijke gerecht bij den raad aanhangig gemaakte rechtsquaestiën. Wij weten, dat in deze gevallen de twee libelmeysters „bygeschictquot; werden, en dat daarna op hun rapport door den raad vonnis gewezen werd. Het onderwerp is vroeger reeds uitvoerig\' besproken -).

Doch de lijst is hiermede niet volledig. Een raadsvonnis van Vrydach na Mauricii 1477 doet ons vermoeden, dat er andere civile zaken voor ambtenaren van het raadsrecht werden behandeld, waarvan wij tot nog toe niets vernamen. Het luidt aldus: „Scepenen ende raide zyn overdraghen, dat zy bliven willen by der ordinancien, gemaict na den ouden heerkomen ende costumen van onser stadt by Jacob Van Ameronghen zaligher gedachten ende Jan Knyff ids baghijn-meysters, in den jaere LXXIII lestleden opten thienden dach in Decembri, tusschen den meysterssen van den Baghijnhove binnen onser stat aen de ene ende Haisgen Jan Splinterssoens dochter aen die andere zyde; ende confirmieren die ende willen zy in weerden houden. Ende hebben diezelve scepenen ende raide dairom gesleten; dat Haesgen voerseyt die recht-vorderinge, die zy begonnen heeft in der consistorien tiegens Jan Knyf ende Jan Van Veen voergenoemt als beghijnmeysters ende die meystersen van den Baghijnhove in der tijt, afstellen ende laten lecgen zeil, zonder enighe andere weder te be-ghinnen ende te vervolghen. Ende waert zake, dat zy des niet en dede, zoe wil hoer die rait dat alzoe afnemen dats

1) Zie hiervóór p. 206.

2) Zie hiervoor p. 98 vlg.

-ocr page 263-

243

hem een ander hueden zall, want die rait der stadt rechten ende oude heerkomen te achtervolgen ende te onderhouden denct; mer heeft Haesgen op die meysterssen off ymant anders voerseyt opten voerseyden hove yet te zecgen, die ■zal zy hcspyckcn voer den voerseyden hagh ymneysicr of voer onsen raide, als dat van outs ghewoenlick is gheweest ende behoert gedaen te wezen

Het begijnhof en de zoogenaamde begijnhuizen 2) — vrije vergaderingen van vrouwen uit den burgerstand ^), die leefden volgens den regel van Augustinus of in de derde orde van St. Franciscus — waren wereldlijke instellingen, en de raad heeft zijn recht om als zoodanig toezicht daarop te oefenen \'\') steeds tegen de geestelijkheid gehandhaafd. Een uitvloeisel van dat streven was gewis de aanstelling van een raadslid tot „be-ghiinmeyster •quot;■)quot;. Reeds in het oudste raads dagelijksche boek (1402) komt deze onder dc ambtenaars van den raad voor, en wij vinden hem (met enkele uitzonderingen) geregeld in de regeeringslijsten der raadsboeken tot de overdracht der temporaliteit in 1528. Omtrent zijne ambtsplichten zijn ons geene gegevens bewaard gebleven; doch het schijnt aannemelijk, dat hij zeker toezicht moest houden op het beheer van de goederen der begijnhuizen door hunne procuratoren quot;).

Uit het aangehaalde vonnis blijkt nu echter plotseling, dat de begijnmeyster bij de rechtspraak betrokken was. Hoewel het gewaagd is, uit eene enkele plaats stellige conclusiën te trekken, ligt het in den aard der zaak te vermoeden, dat de begijnmeyster juist zal ingesteld zijn wegens de twijfelachtige, meermalen aangevochtene positie der begijnhuizen. Dat de geestelijkheid de tegen deze instellingen en hare bewoners

r) Raads dag. boek. Vryd. na Maur. 1477.

2) Te Utrecht waren er negen: Roese. CCXXXVII1. r, 2 noemt er zeven: de twee later gestichte huizen zijn St. Maria Magdalena en St. Anna. (Arkel-convent.)

3) Alleen in St. Caecilia schijnen adellijke vrouwen gewoond te hebben.

4) Zie b. v. Rocse. CCLXXV1II. 1.

5) Het vonnis spreekt tweemaal van twee begijnmeysters; doch blijkens de regeeringslijsten is telkens de begijnmeyster van den oudraad en die van den nieuwen raad bedoeld.

6) Evenals twee raadsleden op het beheer van het aan het St. Catharyne-klooster (van de ridders van St. Jan) verbondene ziekenhuis. (Roese. XXXVIII. 1 ,2.) De „zieemeyster die tot 1430 toe geregeld naast den „beghiinmeysterquot; in de regeeringslijsten voorkomt, was een geheel ander ambtenaar. Ingesteld bij de keur L. A. CII. 1 , had hij (volgens deze keur en Roese. CV. 1) het bestuur over het Melatenhuis: hij administreerde dc goederen van het huis en besliste over hel opnemen van zieken.

-ocr page 264-

244

aanhangig gemaakte rechtszaken tot de competentie van den officiaal zal gebracht hebben, kan nauwelijks betwijfeld worden door hen, die zich herinneren, hoe het haar onafgebroken streven was, de begijnhuizen tot geestelijke stichtingen te maken. Wij weten ook uit het optreden der libelmeysters, dat de aanstelling van eenen raadsambtenaar voor de behandeling van zekere soort van rechtszaken niet alleen een zeer doeltreffend, maar ook het te Utrecht gewone middel was om te bewerken, dat de raad rechtsgebied verkreeg ten koste van den officiaal. Gaan wij verder na, dat dc rechterlijke werkzaamheid van den begijnmeyster in het vonnis wordt omschreven eils het „maken van ordinancien tusschen partyenquot; en wel „na den ouden heerkomen ende costumen van onser stadtquot;, dan schijnt daardoor aangeduid te worden, dat deze rechtspraak eenigszins het karakter van arbitrage droeg; eene „ordinanciequot; toch is nooit een vonnis, („slitingequot;.) Dan beroept het vonnis zich alleen op de „oude heerkomen ende costumenquot;, derhalve op gebruiken, geenszins op privilegiën of oude rechten \').

Alles schijnt derhalve te wijzen op eene usurpatie. Vraagt men naar de wijze, waarop men daartoe gekomen is, dan acht ik het zeer waarschijnlijk, dat ook hier weder arbitrage het begin geweest is, en dat wij in ons vonnis een nieuw voorbeeld zien van het „dwingen om die sake te bliven an den radequot;. Aan den raad, niet aan de schepenbank? Natuurlijk! Is toch de rechtspraak van den begijnmeyster op den officiaal veroverd, dan kunnen de hier bedoelde zaken niet aangebracht zijn voor de schepenbank, zooals anders te verwachten zou geweest zijn. Wij behoeven ons slechts de geschiedenis der libelmeysters te herinneren, om dit te begrijpen. De stad veroverde dit rechtsgebied: de verovering kwam daarom ten goede aan do stedelijke rechtbank, aan den raad, niet aan de schepenbank \'-)■

1) Aanleiding tol de usurpatie kan evenwel de bisschop zelf gegeven hebben. In een charier van 1323 in vig. b. Laur. (ongedrukt in het arch, der Oud R. C. Cler. te Utrecht) draagt de bisschop aan den prior der Predikheeren op, om de „molcstatores et injuriatores tam in rebus quam personisquot; (der begijnen, die zich bij den bisschop beklaagd hadden,) te „compescereden toegang tot het begijnhof aan verdachte personen te beletten, — en de kwaadwillige zusters , die zich niet verbeteren willen, van de gemeenschap uit te sluiten. Tegen de weerspannigen zou de prior den kerkban gebruiken, doch „ad hoe, si opus fuerit, invocetis auxilium consilium civitatis nostre Traiectensis, quibus in virtnte sancte obedientie districte precipimus, ut vobis prestent auxilium in premissis.quot;

2) Vreemd is liet dan echter, dat de bisschoppen in geen hunner klachten van deze usurpatie gewag maken,

-ocr page 265-

245

Uit het aangehaalde vonnis blijkt nog, dat men de begijnhuizen kon „besprekenquot; óf voor den begijnmeyster óf voor den raad zelf. Het komt mij voor, dat hier sprake zal zijn van het aanhangig maken der zaak: m. a. w. dat men de keuze had, de begijnen te bespreken voor den raad, die dan den begijnmeyster „byschictequot;, of dadelijk voor den begijnmeyster. In beide gevallen zal echter de begijnmeyster rapport gedaan hebben aan den raad, die het vonnis wees. Dat de begijnmeyster zelf recht gesproken zal hebben, geloof ik niet: nergens vinden wij hem als rechtsprekend ambtenaar naast den raad, de schepenbank en het oudermannen-college vermeld. Trouwens hoe zou dit mogelijk geweest zijn? de raad had dan met zijnen eigenen ambtenaar geconcurreerd! Neen, alleen wanneer men het vonnis verklaart zooals ik deed, is de regeling in overeenstemming met de bij andere raadscommissiën gebruikelijke procedure. De vijven b. v. werden óf door den raad „byge-schictquot; (nam. wanneer men bij den raad geklaagd had), óf zij namen zeiven de zaak ter hand (wanneer zij door betrapping of door klacht kennis van een misdrijf gekregen hadden). Voor de afdoening der zaak maakte het geen verschil, of men bij den raad of bij de vijven geklaagd had: in beide gevallen deden de vijven rapport aan den raad, die daarop het vonnis wees.\'

-ocr page 266-

HOOFDSTUK V. Oudermansrecht en schepenrecht.

§ I . HET OUDERMANSRECHT.

Wij hebben gezien, hoe het raadsrecht is ontstaan; omtrent omvang- en inrichting kunnen wij ons een althans redelijk nauwkeurig beeld vormen. Thans wordt het tijd , ons bezig te houden met de beide andere door Karei V vermelde „rechtenquot;: het oudermansrecht en het schepenrecht. Eene uitvoerige bespreking van het oudermansrecht is tot recht verstand der Utrechtsche rechtsboeken niet noodig, want het wordt daarin nauwelijks vermeld. Zeer gelukkig trouwens! Immers de bronnen voor de kennis van dit recht vloeien zéér schaarsch : denkelijk zijn zij allen vernietigd, nadat de bestuurders X\' der gilden in 1528 alle politieke bevoegdheden verloren hadden en daardoor langzamerhand afgedaald waren tot de kringen der werkbazen , die voor het behoud van oude oorkonden gewis weinig belangstelling gekoesterd zullen hebben. Evenmin als Van de Water \') „weten wijquot; thans nog „daarvan het klare bescheydquot;; maar wij kunnen ons toch in hoofdtrekken eene voorstelling van het oudermansrecht vormen.

Zooals bijna overal, hadden ook te Utrecht de oudermannen (elders dekens) der gilden eenig toezicht op de personen der gildebroeders en de door hen vervaardigde artikelen;

1) V. d. Water, Placc. III p. 258.

-ocr page 267-

met dit toezicht was eenige rechtspraak verbonden. Zonder twijfel was dit de oudste, oorspronkelijke bevoegdheid van de bestuurders der gilden \'). Vele berichten daarover zijn ons intusschen te Utrecht niet overgebleven; dit geheele onderwerp was eene zuiver huishoudelijke zaak, waarover in de stadsboeken niet of nauwelijks gesproken wordt. Intusschen vindt men reeds sporen daarvan in het Liber albus (1340), waar de bepaling 1) te lezen staat, dat bij overtreding van een verbod op het hebben van „veynoodscappequot; der vischkoopers de helft der boete zal zijn „tots ghilden behoefquot;, d. i. in de kas van het vischkoopers gild zal vloeien ; naar het schijnt2) werd het vonnis in dit geval gewezen door de oudermannen van het gild. Uitvoeriger inlichtingen over dit onderwerp geeft ons eene keur van omstreeks 1401 \'). De boete is daar verdubbeld en zij moet worden „ghebracht voer de oudermans opter stat huysquot;, terwijl hun „verghifnisse ghebedenquot; wordt: toen althans waren het dus gewis de oudermannen, die het vonnis wezen.

Doch is het wol zeker, dat hier sprake is van de oudermannen van het vischkoopersgild? Een ander artikel (§ 4) derzelfde keur stelt ons in staat, die vraag ontkennend te beantwoorden: de helft der boete wordt daarbij toegewezen aan „de ghemene oudermansquot;, d. i. de gezamenlijke oudermannen van alle gilden quot;•). Naar het schijnt is derhalve de rechtspraak overgegaan van de oudermannen van het betrokkene gild op de gezamenlijke oudermannen. Ook eene tweede verandering is ingevoerd: de wederhelft der boete, in 1340 voor de stad gereserveerd, komt thans ook aan de oudermannen, en wel aan degenen, „die ment beveelt ende daertoc ghezet wardenquot;. Over de bij deze rechtspraak gevolgde procedure werpt dit artikel en de beide volgende een helder licht: ook hier worden de zaken

1

L. A. LXXXIX. 8 , 10.

2

Toch was ook dit oorspronkelijk eene usurpatie op de rechten der schepenbank : de aartsbisschop van Trier klaagde in 1351: „Item en hindern und crenken sie uns unser gerichte geistliche und vverntliche, wan eyn iglich amptrnan (gildebroeder) elaget vor siner meister-schaft (de oudermannen van het gild), wez sie undereyn zu schaffen han , wening stucke uszgenomen, also daz sii vor unser gerichte nicht en komen. Ouch dun die meistere uns sunderlich unrecht, daz sie sich soliches gerichtes und geclegcs annemen. Ouch nemen sie die busze davon, daz unser gerichte angeit.quot; (Schoop, Verfass. gesch. v. Trier, p. 154.)

-ocr page 268-

248

aan twee leden der rechtsprekende verg\'adering „bevolenquot;, ten onderzoek toevertrouwd; ook hier „brenghenquot; deze hunne bevinding- „acnquot; bij het rechtsprekende college (weder „de mene oudermansquot;), die daarna „rechtenquot; d. i. vonnis wijzen. - Men meene evenwel niet, dat de geheele rechtspraak op dit gebied aan de gezamenlijke oudermannen der gilden is overgegaan. Er is hier sprake van markt- en straatpolitie; doch andere onderwerpen werden wel degelijk nog in 1395 door de beide oudermannen van het betrokkene gild alleen in eene morgenspraak berecht. Eene andere keur \') noemt ons onder die onderwerpen de beslissing van geschillen tusschen meesters en gezellen.

Veel kunnen wij over dit onderdeel der rechtspraak, voor zoover zij aan de gezamenlijke oudermannen was overgegaan, niet mededeelen; wij bezitten toch niet meer het register, waarin alle bescheiden daarover vereenigd schijnen geweest te zijn, en dat „der oudermanne boeckquot; heette 1). Trouwens het is niet deze afdecling van de rechtspraak der oudermannen, die bedoeld wordt, als er sprake is van het oudermansrecht: integendeel het „berechten van hoer gildenquot; volgens het oudermansboek wordt herhaaldelijk naast het „rechtenquot; der gemeenc oudermannen genoemd en uitdrukkelijk daarvan afgezonderd Wij moeten dus elders zoeken.

Eene geheel andere categorie van zaken wordt ons meer dan eens genoemd als behoorende tot de bevoegdheid der oudermannen: het zijn de „zaken, die den lande, stat ofte gilden rueren of daer die gilden in benoempt zijn Elders worden deze „zakenquot; beschreven als „grote saken, dat der stat ende lande van Utrecht gesien is tot oirlogen ofte lasten te comen r\')quot;: derhalve geene rechtszaken, doch politieke bemoeiingen. Toch niet uitsluitend! Uit de aangehaalde plaatsen blijkt, dat de gilden, vertegenwoordigd door de oudermannen, de hoogste instantie vormden bij de beslissing der gewich-

1

Roese. CLIII. 23. Het werd denkelijk bewaard „in der ouderman kiste, die in die Buerkere in de gervcamer staet.quot; (R. v. U. II p. 212.)

-ocr page 269-

-\'49

tigste quaestiën van het stedelijk bestuur. Daarom was hun ook zeker toezicht op de rechtspraak der stedelijke rechtbanken opgedrag-cn. Dat toezicht betrof bepaaldelijk het geval van „wanrechtingequot;, plichtverzuim der rechters, „of zv niet en deden in den rechten of hoeren bcvele dat zy sculdich waren te doenquot;. Drie voorbeelden vinden wij daarvan in onze rechtsboeken genoemd: i0. wanneer schout en schepenen eene ruiming niet binnen een bepaalden termijn executeerden \'). 2°. wanneer de rechtbanken in de stadsvrijheid verzuimden de processen, waarin men tot de panding aan het lijf van den aangeklaagde gevorderd was, ter beëindiging1) aan te brengen aan de schepenbank. 3quot;. wanneer een schepen, wien een vonnis „ondergegevenquot; was, het niet binnen zes weken bij de bank aanbracht :t). In de beide eerste gevallen (dagteeke-nende van 1373 en 1456) werd de boete of een gedeelte daarvan toegekend aan de „ghemene oudermansquot; of „ter gilden behoeffde oudermannen pandden die uit, de kameraar der gomeene gilden „boerde ze opquot;. Doch het bleef niet bij het innen der boeten alleen: het derde voorbeeld spreekt bepaald van „corrigierenquot; door „die oudermans mitten gemenen gilden tot hoirs selfs goetdunckenquot;, en de gildenbrief van 1455 2) vermeldt het „corrigierenquot; van schepenen en raden door do oudermannen op klacht van de benadeelde partij. Niet alleen de raad werd door de oudermannen bestraft; ook de schout, die zijn ambt gekocht had of verpachtte, werd wegens deze „mijsdaetquot; door de gilden „gecorrigiert 3)quot;. — Met de hier omschrevene bevoegdheid der oudermannen is nauw verwant hunne plicht om (op aanbrengen van den raad) recht te spreken in processen, „die den rade te zwaer waren te berechten R)quot;. Ook dan treden de oudermannen op als do hoogste instantie in rechten.

Hoe de gilden in het bezit van zulke zeldzaam gewichtige

1

R. v. U. II p. 241 § 28. — Vgl. ook: R. b. LIX. 28.

2

Van de Water, Placc. III p. 85 48, cf, ^ 54. Lijfstraf was blijkens het laatste artikel uitgesloten.

3

R. v. U. II p. 288, 289. (Scepenr. XIV § 32, 34.)

-ocr page 270-

25°

bcvoeg\'dheduu gekomen zijn, wordt wellicht verklaard door het feit, dat het straffen van de schepenen wegens vertraging in het aanbrengen der zaken en van den schout wegens het koopen of verpachten van zijn ambt, in 1456 aan de gilden opgedragen, eenige jaren vroeger (in 1410 en in 1379) tot de bevoegdheid van den raad behoorde \'). Naar het schijnt was derhalve dit optreden der gilden eene usurpatie ten koste van den raad. Wij mogen dan ook niet vergeten, dat de meeste daarvan aangehaalde voorbeelden dagteekenen van 1455, 1456 of later, en dat de bevoegdheden der gemeene gilden door den gildenbrief van 1455 waarschijnlijk merkelijk zullen zijn uitgebreid -).

Verplaatste ons de eerste categorie van zaken naar het gebied der laagste crimineele rechtspraak, bij het laatstbe-handelde onderwerp zijn wij juist in de allerhoogste spheren der jurisdictie aangekomen. Zonderlinge tegenstrijdigheid : éénzelfde college berecht beide onderwerpen! En welke rechtspraak is nu liet eigenlijke oudermansrecht? Ik kan antwoorden: geene van beiden. Geene der omschrevene jurisdictiën staat nevens raads- en schepenrecht: de eerste staat daaronder, de tweede daarboven. Zoo dikwijls dan ook het rechtsgebied der oudermannen bepaald wordt, vinden wij nevens het „berechten van de gildenquot; en nevens „der stet zakenquot; eene andere rechtspraak der oudermannen vermeld: het „berechten van hoeren vijf punten after opter ouderman huys ■7\'. Dit is het eigenlijke „oudermansrechtquot;, dat dikwijls naast raadsrecht en schepenrecht genoemd wordt: met het onderzoek daarvan moeten wij ons thans bezighouden.

Welke de „vijf puntenquot; waren, die de oudermannen berechtten , kan niet twijfelachtig zijn: herhaaldelijk wordt het ons gezegd. Zij betroffen de volgende onderwerpen: „huys-huere, verdient loon, vorwerden binnen jaers ende ses weecken ghemaickt, coep om ghereyt geit, ende verdreyden ghelagen De terminologie is op dit punt constant: immers wij vinden dezelfde woorden telkens gebruikt. Slechts éénmaal treffen wij

1) R. b. XXVIII. 9. - L. H. LXXXIII. i. Vgl. R. b. LIX. 28.

2) Slaat daarop wellicht de beperkende bepaling der Cortinge van 1508? (R. v. U. II p. 301 26.)

3) V. d. Water, Place. HI p. 89 4j 2. (1489.)

4) V. d. Water, Place. III p. 88 ^ 2. {1464.) — Vgl. 1. c. III p. 311 4 (1481), III p. 312 1 (1484).

-ocr page 271-

25\'

ecno andere omschrijving\'derzelfde zaken aan: in een extract uit een verloren „statboekquot;, bij \'s raads antwoord aan bisschop Rudolf Van Dicpholt overgelegd, lezen wij: „So wie den anderen aenspreket van scade ofte van scoude voir die oudermans, dair der oudermanne broken niet aen en hangen, dat zei men terecht wisen, sondcr diegene, die uuier Inde In u\'s c varen, off die den anderen aenspreket van verdient looi, ofte van voir-werden, ofte die om reet geit co-pen sonder enige dage dairvan te hebben, dat sel uien rechten na der ouder geivoenten, ende oec van dengenen, die den •mcerte mit zinen gelag e on tg hinge 1)quot;.

De meeste dezer onderwerpen zijn duidelijk genoeg. Huishuur (elders omschreven als „huyshuer binnen der stat ende stats-vrijheytquot;) en verdiend loon kunnen geen bezwaar geven. De beteekenis van „verdreyde ghelagenquot; wordt voldoende opgehelderd door de bijvoeging „van eten ende van drinckenquot;, die men op eene andere plaats vindt: blijkbaar is bedoeld wanbetaling- van het „gelagquot;, de bestelde en gebruikte spijs en drank in eene herberg („den weertequot;). Ook „coep om reet gheltquot; levert geene moeielijkheid: er is sprake van de actie wegens wanbetaling van a contant geleverde waren. Doch wat zijn „voirwaerden binnen jaers ende ses weken gemaecktquot;? Het woord „voerwerdenquot; komt herhaaldelijk in de Utrechtsche rechtsbronnen voor: eenmaal wordt er gesproken -) van „lofton ofte vorwaerdenquot;, die iemand met een ander heeft „te win of te verliezequot;, eene soort van „veynootscappequot;, — andermaal van het gebruiken van land „boven den jaertal der pachtinge ofte voerwerde, die men dairan haddequot;, een derde maal \') van eene belofte van vrijwaring „na seeckere vorwaerden, daervan gescreven ende gemaict wesendequot;. Het komt mij voor, dat wij uit deze plaatsen met beslistheid de gevolg-trekking mogen maken: „voerwerdenquot; is eenvoudig een contract r\'); bedoeld worden derhalve klachten wegens wanbetaling, spruitende uit contracten, op korten termijn gesloten 0).

1

Antw. v, d. raad aan bissch. Rud. v, D., in; Divers. Rod. pr. fol. CCXXXIV.

-ocr page 272-

-5~

Resumeercn wij, dan merken wij op, dat tot hot rcchts-gobied der oudermannen uitsluitend cicties wegens wanbetaling behoorden, processen, zooals men destijds zeide, „van scade ende van scoutquot;. Uit de vermelding der acties wegens huishuur en teerkosten, eenigszins ook uit die wegens verdiend loon, schijnt verder te volgen, dat hier alleen kleine zaken bedoeld zijn. Doch niet uitsluitend. Reeds de actie wegens verdiend loon wijst ons naar een ander gebied, en wel het voor de oudermannen der gilden eigenaardige: dat van den handel. Bedenkt men, dat het crediet in de middeleeuwen nog weinig ontwikkeld was, en dat daarom contante betaling regel was \'), dan zal men begrijpen, dat onder de acties wegens „coep om reet geitquot; bijna alle handelszaken gevallen moeten zijn. Ook de weinige quaestiën, die met onder deze omschrijving behoorden, zijn gewis toch grootendeels bij de oudermannen aangebracht: immers ook in alle acties ex contractu, op korten termijn gesloten („voerwerden binnen sjaersquot;), werd door hen vonnis gewezen.

Dit waren de „vijf puntenquot;, die in de tweede helft der i5e eeuw het vaste rechtsgebied der oudermannen vormden. Het blijkt, dat voortdurend pogingen aangewend zijn om dat gebied te vergrooten. Bisschop Frederik Van Blankenheim klaagde, „dat die rait endc oudermans mennigerhande punten te berechten aennemen, die ten recht hoeren, ids van schaede ende van schout te berechten \'1)quot;; zijn opvolger verklaarde, ,,dat men nyet en plach voer den raat off oudermans die ene den anderen te bieden van schade of van schulde, als men nu dagelix doet; dat en geboirt nyet alsoequot;, voegde hij er bij, „ende sy sullen ten rechte gaen totten geesteliken off weer-liken rechte . Hoe de oudermannen de gewraakte usurpatie ondernamen, kan voor ons nauwelijks twijfelachtig zijn, wanneer wij eenige jaren later het verbod lezen, om „yemant te dwinghen voir den oudermans tot eenighen ghebliven quot;)quot;. Doch hoe dit zij, de poging gelukte niet: steeds werden de oudermannen teruggedrongen naar hun oud rechtsgebied 2). Slechts enkele

1

Pauli, Lüb. Zustande. I p. 123.

2

Zie o. a. de Cortinge van 1508. (R. v. U. II p. 301 S 26.) Denkelijk was dus aan

-ocr page 273-

■253

malen vinden wij eenig-c weinig belangrijke toevoegingen tot de vijf sacramenteele punten vermeld: in 1484 de „ordinantie van den knapen ende meechden te houdenquot;, dus denkelijk rechtspraak in geschillen tusschen heeren en dienstboden — in 1508 klachten tegen de bewoners der stadsvrijheid wegens wanbetaling van pacht of andere schulden 2). Doch wellicht behooren zelfs deze gevallen onder de vroeger vermelde categoriën „van verdient loenquot; en „van vocrwerden bynnen jaersquot;.

Doch naast het gebied „van scade ende van scoutquot; waren de oudermannen nog op een ander terrein nu en dan werkzaam; dat der correctioneele rechtspraak. In 1400 en 14S4 vinden wij hen belast met het berechten van voorkoop en woeker3), en bisschop Rudolf Van Diepholt spreekt in zijne bovenvermelde klacht nog van „aenspraken van scade ofte van scoude, dair der oudermanne broken aen hangenquot;. Ook elders \'\') wordt gezegd, dat de oudermannen „van hoer brueken rechtenquot;. Blijkens eene latere verordening worden met deze misdrijven bedoeld „alle saken, die voir den (oudermans) geboren, daer breuken inne gelegen zijnquot;; derhalve misdrijven in de rechtszaal , gedurende of in het proces gepleegd quot;\'). Dergelijke feiten werden als eene beleediging van het rechterlijke college,

het jaar 1508 een tijd van usurpatie voorafgegaan. Van daar wellicht, dat het eenige vonnis en het eenige besluit, die ons van de oudermannen zijn overgebleven, beiden dagteekenende van 1503, in het boven geschetste kader weinig passen. Het vonnis luidt: „Anno XV^. ende drie den negenden in Meert. Sleten die overste ouderman milten gemeen oudermans in die sake, merende als van die twee bruggen , soe die gelegen syn die een voor aen die Weert opten Ouden Noort ende die ander opten Nyen Nooit, als dat alle die huysen , staende opten Ouden Noort ende opten Nyen Noort, geven sellen elx vyftien cromstert, daer zy op geseth zyn, tot reformatien ende costen van die twee bruggen , ende soe voortaen die houdende sellen wezen; soe wy dat ter waerheyt vuyt-gegaen hebben, dat zyt van ouden hercoemen gewoentelyck te samen plegen te doen maken ende te betalen, soe sellen sy dat nu oec voortaen samentlyck doen. (Onderteekend) Havekeren (?).quot; (Afschrift in kopijboek F. fol. 186. Stads-archief.) ..... Het besluit

luidt aldus; „Anno XVC ende drie den vyften dach in Meye. Overdroeehgen die oudermans, dat men voer den ouden scilt nyet meer betalen en sel dan XLV st. current. (Onderteekend) Hineken (?).quot; (Boeck van den uutdoenen. 1507—9. Stads-archief.)

1) V. d. Water, Place. Ill p. 313 ^ 14; het daarbij genoemde toezicht, dal de gilden geene boelen, hooger dan 5 schellingen, in hunne ordonnantiën bedreigen zonder de gemeene oudermans, behoort natuurlijk niet bij de rechtspraak te huis.

2) R. v. U. II p. 301 S 26. — cf. II p. 379. (XXI 1.)

3) Reeds in 1400 werd vermomde woeker door de oudermannen berecht: Roese. CXI. (Vgl. hiervoor p. 227.)

4) b. v. R. b. li-. 1. V. d. Water, Place. III p. 74 ^ 12, p. 91 § 5.

5) V. (I. Water, Place. Ill p. 313 g ifi.

-ocr page 274-

^54

waarvoor de civile zaak behandeld werd, beschouwd, en daarom door dit college zelf gestraft. Wij zullen dit onderwerp nader bespreken bij het schepenrecht, waar geheel hetzelfde verschijnsel voorkomt.

Eindelijk blijkt nog uit meer dan eene ordonnantie, dat de oudermannen ook bij de vrijwillige jurisdictie werkzaam waren, en dat o. a. ook voor hen „wilkoerenquot; (schulderkenningen) en procuraties gepasseerd werden \').

Vraagt men, hoe de procedure over de „vijf puntenquot; ingericht was, dan ligt het voor de hand te meencn, dat deze, evenals elders bij de handelsprocedure gebruikelijk was, een min of meer summier karakter zal vertoond hebben. Inderdaad, de zaken, die voor het oudermansrecht behooren, de „vijf puntenquot;, worden beschouwd als „kleyne sakenquot;, die Karei V beval, te Utrecht „zoo kort doenlyk af te doen Ook te Delft stonden juist deze zaken („huyshuyer ende lanthuyer binnen \'s jairs, prijs van gereede coomanscip binnen acht dagen, arbeytsloon, verteerde costen ende van steede goedenquot;) tot des eischers eed, d. i. de eischer werd bij pretensiën over deze onderwerpen op zijne met eede gesterkte verklaring geloofd en het proces was dus dadelijk met den eed geëindigd 1). Toch zou de conclusie, die men uit deze feiten over de procedure voor de oudermannen zou willen trekken, voorbarig zijn: reeds de opmerking is voldoende, dat men voor deze rechtbank procedeerde „by seven geboden \')quot;, terwijl voor den raad slechts driemaal geboden werd.

De berichten, die ons over de wijze, waarop het proces

1

Nortier , Burgerl. proces te Leiden, p. 67 , 73. — Ook het Burgemeesteren-gefricht te Nijmegen, ingesteld in 1567 tot het doen van snel en goedkoop recht, oordeelde o. a. „van verdiend loon , — huishuur, geleend geld, daarvan geen obligatie gegeven is ofte daarvan obligatie bekend dog geen profijt getrokken word, — vei teerde kosten, gehaalde eet- en drinkwaaren, ongeburgde schulden, daar men geen dag gegeven heeft.quot; (G. C. In de Betouvv, De ord. proced. cor. Neoinag. tribunal, p. 43.) — Zie ook de Statuten van I,( gt;pik, waar over pacht binnen \'s jaars en verdiend loon iets dergelijks bepaald wordt. (Versl. en meded. d. Vereen, v. oudvaderl. recht. IV. p. 266, 268. 555, 13.)

-ocr page 275-

255

voor de oudermannen g-evoerd werd, meer in bizonderheden inlichten, dagteekenen bijna allen uit eenen tijd, toen het oudermansrecht geheel hervormd was; eene conclusie over de oudere toestanden kan dus daaruit niet met volkomene zekerheid getrokken worden. Over het geheel vinden wij echter bij het oudermansrecht dezelfde procedure terug, die wij bij het raadsrecht leerden kennen.

De oudermannen zaten tweemaal \'s weeks te recht \') en wel op het oudermannenhuis in het achterste gedeelte van het oude stadhuis -). De klager begon met twee pond „opter kistenquot; te leggen ^), die hij verbeurde, als hij het proces verloor. Daarna werd de verweerder (oorspronkelijk, zooals wij reeds vernamen, zeven maal, sedert 1484 driemaal1)) „van sraets weghen \'•)quot; door „der stat doerwaerdersquot; of „der stat leghe knapen fi)quot; geboden, om voor de oudermannen te verschijnen, op zekere boete, die telkens bij niet-verschijning verhoogd werd. Kwam de gedaagde na alle geboden niet, dan was hij „vellichquot; en werd de eischer op zijn eed geloofd T); kwam hij en „belyde de aensprakequot;, d. i. erkende hij het geëischte schuldig te zijn, dan moest hij „voldoen by den gerechte 2)quot;. Wanneer de gedaagde echter den eisch weersprak, dan „scicktenquot; de oudermannen eenig-en „totter sakequot;, die „die tuge hoerenquot; en de zaak binnen veertien dagen weder „aen-brengenquot; moesten bij de oudermannen !)). Daarna „sletenquot; dezen het vonnis; de executie geschiedde door panding met een extract uit het door een der oudermannen (later door den klerk) gehoudene boek 1quot;). Panding h ad plaats, wanneer men acht dagen na de tweede aanzegging niet\' voldaan had; na nogmaals acht dagen werd het pand verkocht of door de

1

V. d. Water, Place. III p. 313 ^ 2.

2

V. d. Water, Placc. III p. 313 § 3 —7-

-ocr page 276-

256

schepenbank óf door do pandverkoopers der oudermannen \').

Behalve de bij de bovenbeschrevene procedure tepaskomende handelingen der oudermannen; „gohout doenquot; (afnemen van den decisoiren eed), „scickingenquot; (benoemen eener commissie) en „slitingenquot; (vonnis wijzen), geschiedden volgens onze bronnen voor het oudermansrecht nog „machtingenquot; en „wil-koeren Ook bij deze handelingen der vrijwillige jurisdictie vinden wij weder donzclfden gang van zaken als bij het raadsrecht. Zij hadden plaats in het openbaar op het oudermannenhuis in tegenwoordigheid van een oversten ouderman en twee oudermannen. Een lid van liet college, later de klerk, schreef ze in een boek, en gaf daaruit tegen betaling extracten, waarmede de wilkoeren werden uitgepand 1).

Als beambten van het oudermansrecht worden vermeld do busmeesters van de oudermannen, de woekermeesters van do oudermannen en de kameraar der gemeene gilden.

Over de busmeesters van do oudermannen zijn ons vrij wat berichten overgebleven; doch na hetgeen over de busmeesters van den raad is medegedeeld, is hot onnoodig veel over hen te zeggen. Dezelfde keur van 1391 \'\'), waarin wij het eerste spoor van de busmeesters van den raad vonden, noemt in éénen adem met hen de busmeesters van de oudermannen. Reeds in 1395 zien wij hen dan voor het eerst onder hun eigen naam optreden, en wel dadelijk als panders: zij staan de busmeesters van een der gilden, die de bevoegdheid tot panding gemist schijnen te hebben, daarin bij r\'). En ook verder is het altijd het „uutpandenquot;, dat als hunne bezigheid vermeld wordt: uitpanden van keuren bij den vischverkoop quot;), bij den houthandel 2), bij het geven van de rijding van het brood quot;j. Bepaaldelijk de beide hoofdwerkzaamheden der busmeesters van den raad waren ook gemeen aan hunne ambt-

1

V. d. Water, Placc. III p. 313 (1484 11. — 1487 ^1,2), p. 314 ^3,5.

2

Roese. CXCI. 2. Hier zijn liet zelfs de busmeesters van den raad 0/ van de oudermannen , die optreden.

-ocr page 277-

257

genooten bij het oudennansrccht: het uitpanden der „verseten bodequot;, die bij de rechtspraak der oudermannen „verseenenquot;, en van de „wilkoerenquot;, die voor oudermannen gepasseerd werden, geschiedde door de busmeesters \'). En de boven \'2) vermelde publicatie van den raad van 1454, die een ieder, „die pande (hadde) onder den busmeistersquot;, beval ze „te losenen binnen XTIII dagenquot; op straffe, dat men ze anders zou „ver-copen ende dairof nemen alzulke kueren als zy voir gepant siinquot;, — deze publicatie had evenzeer betrekking op de bus-meesters van de oudermannen als op die van den raad: beiden worden naast elkander genoemd. Ook uit andere keuren blijkt, dat do busmeesters verschillende geldboeten, die in het oudermansrecht ,,verseenenquot;, incasseerden.

De busmeesters der oudermannen namen derhalve in het oudermansrecht geheel dezelfde positie in als de busmeesters van den raad in het raadsrecht: zij waren de panders bij de rechtbank der oudermannen. Over hunne geschiedenis valt weinig mede te deelen. Denkelijk in 1391 ingesteld, werden zij reeds in 1399 jaarlijks door de overste oudermannen benoemd\'1). In de oudste Raads dagelijksche boeken (sedert 1402) komen zij geregeld voor tot 1453 Of zij toen tijdelijk afgeschaft zijn, blijkt niet; doch in 1460 en 1461 worden zij weder in de lijsten genoemd. De ordonnantie op het stedelijk bestuur van 1462 bepaalde (art. 4), dat zij „ofwesenquot; zouden 0), 011 sedert komt nog- slechts éénmaal, in 1491, een busmeester van de oudermannen in de regeeringslijsten voor 7). Toch blijkt uit eene andere ordonnantie, dat zij\' in 1483 nog in functie waren en in 1484 op nieuw werden afgeschaft 8). De panding ging toen over aan de stadsdienaars, terwijl het ver-koopen der panden aan twee nieuwe ambtenaars, de pand-verkoopers, schijnt opgedragen te zijn \'J).

1) V. d. Water, Placc. III. p. 87 S 7, 8, — p. 313. (14B4 10, 1487 ^ i.)

2) Zie hiervoor p. 196.

3) R. b. 11* 1. — Roese. CCXXII. 3.

4) Roese. CVIII. 1.

5) Slechts in 1411, 1434 en 1435 ontbreken zij, denkelijk bij toeval.

6) V. d. Water, Placc. III p. 87.

7) Evenwel onder exceptioneele toestanden: in 1491 was er een erfraad, die slechts een jaar bestond.

8) V. d. Water, Placc. Ill p. 313 ^ 9, 14.

9) V. d. Water, Placc. Ill p. 313 ij 9, 13.

n

-ocr page 278-

258

Minder valt er mede te deelen van de woekermeesters der oudermannen. Slechts éénmaal, in 1413, worden zij met name vermeld \'). Wellicht spreekt eene keur van 1391 \'■\') van hen, wanneer zij beveelt, dat de overste oudermannen jaarlijks twee I oudermannen zullen aanstellen tot het berechten van den „voer-coopquot;. Doch in 1399 waren de busmeesters de eenige door de overste oudermannen aangestelde ambtenaars en bestonden dus de woekermeesters der oudermannen niet. Reeds vroeger \'\') zeide ik, dat het niet met zekerheid blijkt, of de woekermeesters van do oudermannen met die van den raad geconcurreerd, dan wel hen langzamerhand verdrongen hebben. Hot eerste schijnt aannemelijker, omdat de woekermeesters van den raad in 1441 met groote duidelijkheid vermeld worden r\'), terwijl hunne ambtgenooten in [413 voorkomen G) en het berechten van woeker door de oudermannen in 1400 en 1484 zeker is 1). Doch in ieder geval kan het nauwelijks betwijfeld worden, dat de werkkring van de woekermeesters der oudermannen , evenals hunne bevoegdheden, niet noemenswaardig van die van hunne ambtgenooten bij het raadsrecht verschild zullen hebben.

De derde ambtenaar bij het ouderman srecht is de kameraar der geinecnc gilden. Enkele malen wordt deze genoemd in het Scepenrecht van 1456 1!) als de persoon, die de talrijke, door deze ordonnantie aan de gemeene gilden toegekende boeten door middel van „uutpandenquot; incasseert. Daar wij juist omstreeks dien tijd (1454) de busmeesters der oudermannen uit de regeeringslijsten zien verdwijnen, is het mogelijk, dat de nieuwe pander in de plaats der busmeesters is opgetreden. En deze gissing wint aan waarschijnlijkheid, wanneer wij den kameraar weder zien optreden in 1484 bij de afschaffing der busmeesters quot;); evenals deze door de overste oudermannen aangesteld, zijn hem dezelfde werkzaamheden opgedragen.

1

Roese. CXI. — V. d. Water, Place. III p. 313 sj 14.

-ocr page 279-

2.59

waarmede wij hem in 1413 bezig vonden \'); de ontvang\'st van eenig\'e breuken en keuren, waarvan hij aan de oudermannen rekening moest doen. Nog meer: met nadruk wordt in de ordonnantie van 1484 zelfs gezegd; „die overste oudermans sellen gene busmeysters setten: dat zei nu die earneraer wesen.quot; — Eéne zaak pleit echter tegen het identifieeeren van dezen plaatsvervanger der busmeesters van 1484 met zijnen naamgenoot van 1456; de laatste wordt bepaaldelijk „der gemeenre gilden camerairquot; genoemd, terwijl het door hem opgebeurde geld gestort wordt „in der gemeenre gilden bussequot;. De „gemeene gildenquot; nu worden, in tegenoverstelling van de oudermannen, gewoonlijk vermeld, wanneer er sprake is, niet van het gewone oudermansrecht (de vijf punten), maar van het toezicht op de rechtspraak van raad en schepenbank, de hoogste instantie in den staat. Juist in den tijd, toen het Scepenrecht gemaakt werd, trad dit toezicht bizonder sterk op den voorgrond, en het is dus aannemelijk, dat de „cameraer der gemeene gildenquot; de hierbij uitgesprokene boeten moest innen 1), terwijl de busmeesters alleen de boeten, die betrekking hadden op de „vijf puntenquot;, schijnen geëxecuteerd te hebben.

Ten slotte nog een en ander over de geschiedenis van het oudermansrecht. Do oorsprong dezer rechtspraak is duister. Denkt men aan het feit, dat de bisschoppen in hunne klachten steeds de rechtspraak van raad en oudermannen in éónen adem noemen, zich over beiden te gelijk bezwaren ^), — merkt men op, dat bij beiden dezelfde procedure werd gevolgd, dezelfde ambtenaars werkzaam waren, dan mag men het waarschijnlijk noemen, dat beide rechten vruchten waren van één boom, dat het optreden van beide rechtscolleges het gevolg-was van één streven: het gemeenschappelijk verzet tegen de rechtspraak van schout en schepenen.

Waarom intusschen was aan de oudermannen juist het berechten van de „vijf puntenquot; opgedragen? waarom verkregen zij een rechtsgebied, dat zóó weinig-samenhangend, zóó weinig afgerond was? Heeft zich hunne rechtspraak ontwikkeld uit

1

Vgl. V. d. Water, Place. III p. 84 § 37.

-ocr page 280-

2 00

die van het oppermachtige koopmansgild, welks plaats de gilden innamen? of is zij het product der zich langzaam uitbreidende lagere jurisdictie van de overlieden der gilden? Het is niet met zekerheid te zeggen, doch het laatste is waarschijnlijk. Al schijnt toch eene instelling als het Utrechtsche oudermans-recht elders niet bekend, men vindt analogiën, die eenige aanwijzingen geven. In sommige steden was aan de overlieden der gilden zekere lagere rechtspraak voorbehouden, waarvan appèl op de stedelijke rechtbanken (schepenen of raden) was toegelaten. Deze rechtspraak bevatte soms elementen, met de „vijf puntenquot; van het oudermansrecht overeenkomende. Zoo spraken de gilden te Lüneburg in hunne morgenspraken recht o. a. over koop en verkoop, verdiend loon, huishuur, geldschulden, verzuim (van werkuren?) enz. \').

Van deze instellingen onderscheiden zich echter de Utrechtsche toestanden in twee opzichten: iquot;. te Utrecht wordt de rechtspraak niet geoefend door één gild of zijne overlieden, naar door de oudermannen der gezamenlijke gilden, 2quot;, deze rechtspraak is niet eene lagere, met appèl op de stedelijke rechtbank, doch integendeel eene jurisdictie, die zich geheel op gelijken voet met de stedelijke beweegt, zelfstandig is als deze, en zelfs hier en daar met haar concurreert. Al te zeer kunnen ons evenwel deze verschillen niet verbazen. Immers wij bespraken reeds 1) een voorbeeld, dat de rechtspraak der ge-meene oudermannen te Utrecht sedert het midden der 14e eeuw in de plaats van de jurisdictie der oudermannen van één gild bleek gekomen te zijn. En de machtige positie van het oudermansrecht is te Utrecht, waar de gilden meer dan twee eeuwen lang alle macht in handen gehad hebben, zeker natuurlijker dan zij overal elders zou geweest zijn.

Het ontstaan van het oudermansrecht blijft derhalve onzeker. Doch met beslistheid kunnen wij zeggen, dat het jonger moet zijn dan het raadsrecht. Zagen wij dit laatste reeds in 1300 1 door de vredekeur een gewichtigen stap doen, het oudermansrecht is eerst denkbaar sedert de gilden-revolutie van 1304; waarschijnlijk is het zelfs nog veel jonger, want eerst in den gildenbrief van 1341 treden de oudermannen als een

1

Zie hiervoor p. 247.

-ocr page 281-

26 1

vast georganiseerd zelfstandig lichaam onder de twee overste oudermannen op. Zeker is echter het oudermansrecht ouder dan 1391, toen wij tegelijk met de panders van het raads-recht reeds dergelijke ambtenaren (busmeestefs) voor het oudermansrecht zagen optreden.

Voor zoover wij weten bleef het oudermansrecht lange jaren onaangetast. Doch na de onderwerping der stad Utrecht door Maximiliaan in 1483 deden zich invloeden gelden, die de oude vormen dezer rechtspraak herhaaldelijk veranderden. Van waar deze invloeden kwamen, wat ze in beweging bracht, wat ze bedoelden, het blijft voor ons geheel onzeker; alleen kunnen wij gissen, dat er wel verband zal geweest zijn tusschen het herstel van bisschop David in 1483 en de ontzetting van de overlieden der onrustige gilden van hunne rechterlijke functien in 1484. Van dit laatste jaar toch (Woensdach na Oculi) dag-teekent de eerste wijziging \'): de rechtspraak over de „vijf puntenquot; bleef afzonderlijk bestaan, doch zij ging van de ge-meene oudermannen over op den oudraad, den aftredenden raad, onder leiding van de twee overste oudermannen van den nieuwen raad 1). Waarom juist aan dit zonderling samengestelde lichaam de berechting der „vijf puntenquot; opgedragen werd, weten wij niet.

Sedert deze verandering heette het oudermansrecht „des ouden raids recht Het bestond nog in dienzelfden vorm in 1487 2), doch in 1489 waren de oudermannen met hunne twee oversten weder in hunne rechtspraak hersteld 3). Reeds in 1491 nieuwe veranderingen: bij de oprichting van den erf-raad, die denkelijk onder pressie van bisschop David plaats had, kwam men op het oude denkbeeld terug, doch in ge-wijzigden vorm. Slechts vier leden van den oudraad zouden voortaan recht spreken van de „vijf puntenquot;, en wel onder

1

V. d. Water, Placc. III p. 312.

2

V. d. Water, Placc. III p. 313.

3

V. d. Water, Placc. III p. 89 § 2.

-ocr page 282-

202

leiding van do twee burgemeesters van den oudraad \'). In 1492 bestond deze regeling nog1); doch met don erfraad zal zij in 1493 :\') wel vervallen zijn.

Sedert dien tijd verliezen wij het oudermansreeht uit het oog. Gedurende het onrustige bestuur van bisschop Hendrik Van Beyeren schijnt er g-een oudermansreeht gehouden te zijn \'\'), en toen Karei V het gezag in handen had gekregen, schafte hij het allengs voor goed af. Aanvankelijk (1530) werd eene commissie van drie leden uit de schepenbank aangewezen , om tweemaal \'s weeks het oudermansreeht waar te nemen \'\'\'). De ordonnantie van 1532 deed een stap verder en droeg deze taak aan schout en schepenen op, die daartoe echter tweemaal \'s weeks afzonderlijk moesten zitting houden l!) en nog geheel de procedure volgden, zooals die bij het oudermansreeht (althans in de laatste tijden) gebruikelijk was geweest 2). Zoo bleef deze rechtspraak nog bestaan tot 1550 toe 3). Schout en schepenen berechtten de „vijf puntenquot; steeds afzonderlijk met „der oudermannen secretarisquot; en „der scadt doerweerders en de dienresquot;. Doch ook aan dezen abnormal en toestand kwam toen een einde: uit het definitieve regeerings-reglement is elk spoor van het oudermansreeht verdwenen.

1

V. d. Water, Placc. III p. 91 § 4 cf. 10. (geene zaken te „ontsliten,quot; die door den raad „afterquot; op het huis „gesletenquot; waren „tusschen partyen,quot; m. a. vv. het oudermansreeht is in eivilibus hoogste instantie.)

2

Zie de Instructie van „der oudermannen clereqquot; van 1536 (bij : Van de Water, Placc. III p. 258 vlg.), vergeleken met de instructie van dezen ambtenaar van 1487. (1. c. III p. 313. — De instructie, nagenoeg gelijkluidend met de latere, heet daar onjuist „ordonnantie op het ouden raedsrecht.quot;) — Zie ook: Buurspraakb. Woensd. voer Laur. 7 Aug. 1532: „mit alsulke geboden ende......mitten dienres, alst van outs gewoenlick is geweest.quot;

3

Eerst Woensdach 24 September 1550 werd G. Van der Voort, die vroeger „tsecretariscap van de oudermannen-gerechte tsynen lyve gecoftquot; had, afgekocht. (Raads dag. boek. i.e.)

-ocr page 283-

§ 2. HET SCHEPENRECHT.

Evenals over het oudcrmansrecht kunnen wij over het schepenrecht veel korter zijn dan bij de behandeling van het raadsreclit, doch om geheel tegenovergestelde redenen. Was het onnoodig, veel tot toelichting van het oudermansrecht te zeggen, omdat dit in onze rechtsbronnen bijna niet vermeld wordt, wanneer wij over het schepenrecht slechts weinig mededeelen, dan kunnen wij deze verontschuldiging niet gebruiken: immers meer dan de helft onzer rechtsbronnen is daaraan gewijd. Doch juist daarom schijnt ook hier, meer dan bij het raadsrecht, kortheid geoorloofd; want de procedure voor de schepenbank wordt in die bronnen zoo systematisch en over het geheel zoo helder uiteengezet, dat liet onderwerp nauwelijks eenige toelichting behoeft, — geheel anders dan bij het raadsrecht, waarover men slechts hier en daar (en nog wel veelal buiten de rechtsboeken) verspreide inlichtingen aantreft, Daarbij komt de gang van zaken bij het Utrechtsche schepenrecht in hoofdtrekken overeen met de reeds genoegzaam bekende rechtspraak van andere oude Nederlandsche rechtbanken , terwijl het raadsrecht in Nederland een zeldzaam, nagenoeg éénig verschijnsel is. - Over één punt behooren wij echter nauwkeurig ingelicht te worden: den omvang van de werkzaamheid der Utrechtsche schepenbank. Immers eerst door juiste kennis van de grenzen dier werkzaamheid kunnen wij het beeld, dat wij ons door de bespreking van raadsrecht en oudermansrecht van de Utrechtsche rechtspleging gevormd hebben, afronden en het geheele veld overzien. Begeven wij ons derhalve thans tot de beantwoording der vraag: over welke onderwerpen spraken schout en schepenen recht?

Minder gelukkig- dan bij raads- en oudermansrecht, kunnen wij bij het schepenrecht niet volstaan met de mededeeling eener lijst van zaken, door het stedelijk bestuur zelf vastgesteld. Doch wij bezitten andere hulpmiddelen. In de eerste plaats bericht ons een raadsbesluit van 1492 \'), dat de sche-penbank gewoon was, eiken Dinsdag recht te spreken „van scade ende van sculdenquot;, — eiken Donderdag „van erfenisse

1) V. cl. Water, Placc. III p. 314.

-ocr page 284-

ende besterfenissequot;. Neemt men in aanmerking, dat deze beide dagen (met uitzondering van den voor het gastrecht bestemden Zaterdag) do twee eenige zittingdagen van de schepenbank waren \'), dan blijkt het overtuigend, dat de beide genoemde categoriën do hoofdafdeelingen waren, waaruit hot schepenrecht bestond. Wat onder de twee definities verstaan werd, kan niet twijfelachtig zijn: de eerste omvatte alle vorderingen wegens geldschulden, de personeele rechtsvorderingen, — de andere de quaestiën van erfrecht -), die ook onder de in Der scepene boeck opgenomene en thans uitgegevene schepenvonnissen verrewegquot; de meerderheid vormen.

Er is thans over den werkkring der schepenbank eenig licht verspreid, doch onvoldoende; want niet alleen is de mede-gcdeelde omschrijving te vaag, maar wij kunnen uit het ons over het schepenrecht bekende afleiden, dat zij niet geheel volledigquot; is. Gelukkig bezitten wij uitvoeriger opgaven. In de onrustige jaren 1481 1483, ten tijde van den oorlog met Maximiliaan, schijnt er nagenoeg geen schepenrecht gehouden te zijn; tweemaal (1481 on 1482) gedurende den oorlog, éénmaal (1484) na den vrede maakte daarom de magistraat vrij uitvoerige ordonnantiën, om de rechtspraak van schout en schepenen op nieuw in gang te brengen , voor zoover de omstandig-heden dit toelieten. Deze drie ordonnantiën :;) dragen natuurlijk het karakter cener tijdelijke regeling; een groot gedeelte van den inhoud is gewijd aan bepalingen over de wijze, waarop de gedurende de staking der rechtspraak verjaarde rechtsvorderingen alsnog zullen kunnen ingesteld worden. Eenige onderwerpen worden zéér uitvoerig behandeld, ten einde wijzigingen in de procedure te brengen, — andere, waarbij niets op nieuw te regelen valt, vindt men nauwelijks genoemd, — sommige zijn wellicht stilzwijgend voorbijgegaan. Het heeft

1) K. v. U. ÏI p. 278. (Scepenrecht. XIV. i.)

2) De woorden „erfenisse ende besterfnissequot; bevatten eene tautologie: eene getuigenis betreffende iemands erfrecht heet „certificacy van erfnissen ende versterfnissen.quot; (Reg. v. proeur. I, fol. igo vs. Middeleeuwsch stads-arch.) Elders (De Geer, Bijdr. v. d. geseh. v. Utrecht, p. 379) komt „erfnissequot; voor in den zin van vast goed. (De overgang van beide beteekenissen zal wel gezocht moeten worden in het woord „ouderve,quot; een vast goed, dat bij erfenis verkregen was cn in de familie bleef. Zie: L. A. XXVI. 1. Van daar ons „huis cn erve.quot;) Ik durf evenwel niet aan tc nemen, dat onder de rechtspraak van schepenen „van erfnisse ende besterfnissequot; die over „Erb und Eigenquot; begrepen was.

3) Van de Water, Place, ill p, 310, 3T1, 312.

-ocr page 285-

265

bovendien den schijn, alsof enkele onderwerpen, die in deze ordonnantiën besproken worden, eerst daardoor tot de bevoegdheid dor schepenbank gebracht worden. Miiar met dat al, hoe onbetrouwbaar deze ordonnantiën ook als omschrijvingen van de bevoegdheid der schepenbank zijn, wij kunnen daaruit toch iets mot zekerheid opmaken: alle onderwerpen, die de raad beveelt, ,,na der ouder gewoenten\'\' te berechten, moeten ook vóór 1481 tot do bevoegdheid der schepenbank behoord hebben.

Een middel tot controle biedt ons bovendien het Scepen-recht. Op zich zelf geeft ons dit rechtsboek geene lijst van de zaken, die ter berechting van de schepenbank stonden; immers het stelt zich alleen ten doel, de procedure te regelen, terwijl het de onderwerpen, waarbij die toegepast wordt, als bekend aanneemt. Doch daar het boek toch hier en daar in het voorbijgaan die onderwerpen noemt, kan men er desniettegenstaande een en ander uit opmaken. Wanneer wij nu de beide bovenbedoelde bronnen (hot Scepenrecht van 1456 en de ordonnantiën van 1481 — 1484) vergelijken, dan kunnen wij niet alleen met zekerheid zeggen, dat de in beiden voorkomende onderwerpen tot het constante rechtsgebied der schepenbank behoord hebben; doch wij hebben ook een vrij zekeren waarborg, dat wij, de lijst dier onderwerpen overnemende , niets of althans niets belangrijks overgeslagen hebben. Welke zaken moeten wij nu volgens deze bronnen op onze lijst brengen?

In de eerste plaats recht de schepenbank „van erfnisse onde besterfnissequot;, — een onderwerp, door het Scepenrecht beschreven in den titel „van boedelrechtquot;. Het is ons reeds bekend: bedoeld worden quaestiën betreffende erfrecht en de vcrdeeling van erfenissen. Over de wijze, waarop boedels verdeeld worden, — over het aandeel, dat ieder toekomt, —-en over de bij de verdeeling in acht te nemen vormen, behelst het Scepenrecht tal van bepalingen.

Dan volgt een onderwerp, dat herhaaldelijk voorkomt en eveneens in het Scepenrecht uitvoerig geregeld is: „van ruy-mynge te bicden ende van tymmeringe te verbiedenquot;. Door deze omschrijvingen duidt hot rechtsboek aan: de rechtspraak in geschillen tusschen buren over het optrekken van nieuwe gebouwen, en de bevoegdheid der schepenbank om dengene, die daardoor zonder recht zijnen buurman lastig is (o. a. door

-ocr page 286-

266

op zijn grond te bouwen), te bevelen het huis af tc breken \'). Bij het recht om „ruminge te biedenquot; behoorde do bevoeg\'d-heid der schepenbank tot crfscheiding door „liintrcckingequot;

Verder spraken schepenen recht over erfpacht, huisrenten („erfrenthen ende lyfrenthen, die uit husen hofsteden ofte renten verschenen zynquot;) en huishuur Bij binnenjaarsche huishuur werd geprocedeerd met parate executie de schepenbank concurreerde hier met het oudermansrecht r\').

Volgens het Scepenrecht procedeerde men ook nog voor de schepenbank „van verbonden goedequot; (fideicommis) en over gemeenschap van goederen door huwelijk, huwelijksche voorwaarden en vruchtgebruik van den langstlevenden echtgenoot; doch deze onderwerpen behooren eigenlijk tot de gevolgen van de schepenkennis, waarover later. — Verder deden schepenen recht „van momberscapquot; (voogdij). Bij dit onderwerp waren hunne bevoegdheden echter zeer beperkt; het grootste gedeelte der werkzaamheden nam de raad op zich

Eindelijk vermelden de ordonnantiën van 1481 tot 1484 nog het rechten „van getuyehnissequot;. Het woord komt slechts enkele malen in dezen zin voor, zoodat het niet met zekerheid te verklaren is; vermoedelijk wordt daarmede echter bedoeld de rechtspraak in zaken, waarin de schepenbank „gekendquot; heeft, waarvan „schepenkennissenquot; zijn. De ordonnantie van 1481 toch zegt, dat men „geen recht doen en zei van sculden ofte loftenquot;, die vóór het oproer gemaakt zijn „in brieven of buten brieven, dan allene van getuichnisse 1)quot;. De zin dezer bepa-

1

V. d. Water, Placc. III p. 311 ^ 6. De interpunctie is daar (ook blijkens het Raads dagelijksche bock) verkeerd; achter „getuyehnissequot; moei een punt staan.

-ocr page 287-

267

ling is wellicht deze: de zaken, waarvan schepenbrieven zijn opgemaakt en die derhalve eenvoudig door executie ten einde gebracht kunnen worden, zal men mogen behandelen; de overigen, die een geding en dus meer tijd vereischen, zal men voorloopig gedurende den oorlog laten liggen, omdat het recht ongeregeld gehouden wordt en men niet iedereen helpen kan. Is deze verkjaring van het woord „getuyehnissequot; juist, dan is het niet vreemd, wanneer de ordonnantie van 1484 bepaalt, dat de schepenbank rechten zal „van erfnisse ende besterfnisse, van getuyehnisse ende of yema.nt te na getimmert waer bedoeld wordt dan de vrijwillige jurisdictie der schepenbank cn de daaruit voortspruitende executie -). Ook het Scepenrecht wijdt aan deze materie o. a. een geheel hoofdstuk, getiteld „van overgiftcn ende makenquot;. In het volgende hoofdstuk zal over dit onderwerp uitvoerig gesproken worden.

g 3. SCHEPENKENNIS.

Naast de bevoegdheden der schepenbank met betrekking tot de eigenlijke rechtspraak verdient haar werkkring op het gebied der zoogenaamde jurisdictio voluntaria eene afzonderlijke bespreking.

Wij kennen den regel, in het correctioneele recht te Utrecht geldende: „alle der stat koeren sel men verwinnen mit tween reckeliken luden, dat sijt hoerden ende zaghen ende nyet van ander lude segghen •1)quot;. Deze regel werd ook toegepast in het civile recht quot;), doch met eene belangrijke wijziging. Men wenschte daar bizondere waarborgen voor de „reckelicheytquot; dor getuigen; immers er was in een civiel proces niet de minste reden, om de verklaring van een ter goeder naam en faam staanden, onvcrdachten persoon minder geloofwaardig te achten

1

V. d. Water, Placc. III p. 312 ^ 1.

-ocr page 288-

268

dan die van twee anderen, die beweerden eene pretensie op hem te hebben. Terwijl in het crimineele recht dc verdachte eerst dan tot den zuiveringseed toegelaten werd, wanneer men geen „bedrachquot; kon vinden, was het derhalve den gedaagde in het civile proces steeds geoorloofd „onscout te doenquot;, ook tegen de verklaringen van twee getuigen in. Ja men ging zelfs zoover hem de bevoegdheid te geven, om zich door zijnen eed te zuiveren tegen elk door zijne wederpartij aangevoerd bewijsmiddel. Eerst Karei V bepaalde in 1530, „dat van nu voortan die verwerer niet toegelaten en sal worden zijn eedt off ontschult te doen, als die anleggere mit wittachtighe getuygen zijn meeninghe weet te proberen \')quot;.

Ongetwijfeld ging dit privilegie van de gedaagde; partij te ver. Doch er was tegen de overdrijving een correctief: zoodra men bizondere waarborgen had omtrent de geloofwaardigheid der getuigen, kon men den bovengenoemden regel van het crimineele recht zonder bezwaar ook hier toepassen 1). En zulke bizondere waarborgen meende men te vinden bij de leden van hot stedelijk bestuur, die, vc,n ouds gekozen uit de gegoede burgerij, als hare uitnemendste vertegenwoordigers mochten golden. Zij werden derhalve aangesteld ids de officiëele getuigen : aan hunne getuigenis werd eene bizondere kracht toegekend

De vorm, waarin deze getuigenis gegeven werd, was oorspronkelijk hoogst eenvoudig. Partijen komen voor het gerecht (hetzij voor de bank of „in der scepenen camerquot; \'\')) en leggen

1

Bij het mondeling kennen uit het register werd inderdaad sleehts het getuigenis van twee sehepenen vereiseht (R. v. U. II p. 51. — ef. V. d. Water, Place. III p. 88 ^ 7); bij schepenbrieven werd echter geöischt bezegeling (en dus getuigenis) door den schout on minstens vier schepenen. (L. A. XLI. 1.)

-ocr page 289-

zég

eene verklaring- af omtrent de tusschen hen geslotene overeenkomst. Wordt later de handeling in twijfel getrokken, dan treedt men weder voor de bank: wanneer schepenen dan „kennen \')quot; (ook wel „oircondenquot; of „huegenquot;, d. i. getuigenis afleggen omtrent de vroeger voor hen gedane verklaring van partijen), is de zaak uitgemaakt en wordt de schuld uitge-pand met een door den schepenklerk afgegeven authentiek extract uit het register. Voor hunne getuigenis krijgen schepenen een „huegenquot; of „oirconscap -)quot;.

Deze wijze van getuigen (treffend „levende oirkondequot; genoemd3)) had echter fuire bezwaren: men begreep terecht, dat ook deze uitnemende getuigen zich na verloop van tijd konden vergissen. ïe Utrecht en te Amersfoort (en denkelijk ook elders) was het daarom (althans in de latere middeleeuwen) ge-., bruikelijk geworden, dat de door partijen afgelegde verklaring door den klerk kortelijk „geteyckentquot; werd in het „registerquot; van schepenen, waaruit dezen dan later mondeling „kendenquot;. Ook dan nog bleef echter iets aan het geheugen der schepenen overgelaten, en in het algemeen schijnt men het ook niet doelmatig geacht te hebben, dat schepenen eene mondelinge getuigenis afgaven omtrent de voor hunne voorgangers afgelegde verklaringen. Daarom bepalen onze rechtsbronnen, dat „scepenen nyet langher kennen en sellen dan ses weken tends dien jare alsi ofgaen \'\')quot;, dus gedurende een jaar en zes weken. Wilde men derhalve na dien termijn zijnen schuldenaar aanspreken, dan kon men van de getuigenis

schaere ofte in de camere gedaen.quot; (De Stoppelaar, Inv. v. h. arch. v. Middelb. lnlt p. XXIII.) —Zie echter: L. A. LXXXIV. i.

1) „kennenquot; = „tuygen.quot; De keur L. A. XL1. i, die ook voorkomt (in andere bewoordingen) in het keurboek van Wijk bij Duurstede (Coll. HS. Booth. Prov, arch. B 122. fol. XIX) draagt daar het opschrift: „Woe lange die scepenen tuygen ende segelen sellen.quot;

2) Scepenrecht. V III.

3) V. d. Bergh, Oorkb. v. Holl. II p. 159.

4) L. A. XLI. 1. — L. H. CII. 1. — Scepenrecht. XIV. 7. — Te Amersfoort was de termijn 1 jaar, zoowel voor den raad als voor schepenen (hetzij in brieven of in het register). (Willekueren v. Am. N0. CXV , CCXIV , in: N. bijdr. v. rechtsgel. N. R. IV. P* 39°» 533-) Te Leiden slechts 6 of 12 weken. (Nortier, Burgerl. proc. p. 61.) — Dat de schepenen te Utrecht nog 6 weken 7ia hun aftreden mochten kennen en brieven bezegelen heeft zijne oorzaak in het feit, dat er zes weken na de keuze van nieuwe schepenen geen recht gehouden werd, zoodat de nieuwe schepenen eerst na dien tijd optraden. (Cortinge. 28, in: R. v. U. II p. 301.)

-ocr page 290-

270

van schepenen niet meer als bewijsmiddel gebruik maken \').

Men gebruikte dezen vorm van schepenkennis voor eenvoudige schuldbekentenissen, bepaaldelijk voor dezulken, „die houden; binnen XIIII daighen te betalen 1)quot;. Was de termijn van betaling bij de aftreding der oude schepenen nog niet afg-eloopen, of was het den schuldeischer onmogelijk geweest betaling\' te verkrijgen, dan kon men de kracht der gerechtelijke schulderkenning verlengen: de aanteekening daarvan in het register werd dan door de oude schepenen aan de nieuwe „aengebrochtquot; en in het nieuwe schepenregister overgeschreven Sedert 1532 kon dit alleen geschieden met goedvinden van beide partijen \'\'); vroegen* gebeurde het denkelijk na beëediging der schuld door den schuldeischer in tegenwoordigheid van den schuldenaar; althans zoo handelde men van ouds in dergelijke gevallen voor het oudermans-recht r\').

Wanneer het zaken betrof, die niet spoedig afliepen, was het gedurig overschrijven der akten natuurlijk lastig: men nam daarbij een ander hulpmiddel te baat. Er werden in zulke gevallen dadelijk brieven opgemaakt, waarin schout en schepenen getuigden, wat partijen zoo even voor hen verklaard hadden (i). Deze brieven hadden dezelfde kracht als de mondelinge verkkiring der schepenen, en zij behielden bovendien steeds hunne waarde 2).

Was de geldigheid van schepenbrieven met betrekking tot den tijd dan geheel onbeperkt? Als algemeene regel was dit inderdaad het geval. In het belang der zekerheid van den

1

R. v. U. II p. 302. V. d. Water, Place. III p. 312 J* 6.

2

L. A. XLI. i: „en si mit horen openebrieven, beseghelt....... mits scouten

seghel ende vier scepenseghelo.quot;

-ocr page 291-

cig\'endom was echter bepaald, dat men zijne met schepenbrieven gestaafde aanspraken op een huis, wanneer dit in andere handen overging, moest doen gelden binnen een jaar en zes weken nadat de eigendom was overgedragen: eerst na dien termijn was de „eygenscapquot;, na drie „beludingen mitter clockenquot;, definitief van kracht \'). Met schepenbrieven, die eene eenvoudige schuldvordering inhielden („rurende van scade off van scoutquot;, zeide men te Amersfoort a)), moest men denkelijk spreken binnen dezonzelfden termijn na den vervaldag der schuld. Dit was althans te Amersfoort en elders recht; te Utrecht deed de vraag- zich denkelijk zelden voor, omdat men aldaar niet gewoon was van zulke zaken schepenbrieven op te maken :1). Doch in geen geval maakten deze bepalingen eene uitzondering op den bovenbedoelden,, regel, dat schepenbrieven steeds van kracht bleven \'). De daarin vervatte getuigenis bleef ook zelfs dan na den fatalen termijn onaantastbaar r\'); alleen werd het instellen der actie aan dien termijn gebonden in het belang der publieke orde. Niet de brief verjaarde, maar de actie.

Hoe was de vorm, waarin men schepenbrieven opmaakte? Zij werden geschreven op groote vellen perkament en, zooals wij reeds vernamen, bezegeld. Het Liber albus schreef bezegeling met de zegels van den schout en minstens vier schepenen voor. Doch later schijnt daarnaast in gebruik gekomen te zijn bezegeling met het stadszegel, terwijl dan ook de brief, hoewel door schout en schepenen alleen afgegeven, werd g\'epasseerd op naam van den raad (burgemeesters, schepenen , raden en oudermannen (i)). Fn het eerste geval heette de brief een schepenbrief, in het tweede een stadbrief. Welk

1) Alleen afwezigen en kindoren hadden uitstel tot een jaar en zes weken na hunne terugkomst of meerderjarigheid, en de erfgenamen van stommen en krankzinnigen even lang na hun overlijden. (L. H. LXXIX. i—3. — R. v. U. II p. 249 § 3 , p. 274 ^ 11 , 12.) Was de schuld bij den verkoop van het huis nog niet opeisehbaar, dan moest men den schepenbrief „tonenquot; voor schepenen , die dan daarvan aanteekening hielden in hun register en desverlangd een transfixbrief afgaven. (L. H. LXXIX. 4. — R. v. U. II p. 246 *5 5.)

2) Willekueren v. Amersfoort. CCXIV. (N. bijdr. v. rechtsgel. N. R. IV. p. 533.) Ook te Leiden: Nortier, Burg. proces, p. 56.

3) Zie o. a. reeds: R. v. U. II p. 335 § 10.

s 4) Anders: Nortier, Burgerl. proces, p. 56, 57.

5) Vgl. ook ; R. v. U. II p. 333 2.

6) Zie een voorbeeld: R. v. U. II p. 198. In 1325 zegelden schout en schepenen alleen „van ons mrens raets wegen van onser statquot; met het stadszegel, zooals het be-

-ocr page 292-

272

onderscheid in rechtskracht tusschen beide soorten bestond, is niet recht duidelijk. Zeker is het, dat men vrij was den eenen of den anderen vorm te kiezen \'). Voor de stadbrieven betaalde men meer leges -); zonder twijfel waren dus aan het bezit daarvan bizondere voordeelen verbonden. Doch welke voordeden dit waren, blijkt niet; wellicht vreesde men, dat brieven, bezegeld door schout en schepenen, later gemakkelijker dan de stadbrieven valsch gescholden konden worden ^). Hoe dit zij, in de latere tijden waren de stadbrieven te Utrecht bijna uitsluitend in gebruik; wellicht sinds 1479, toen de raad op Woensdach na Andree den schepenklerk beval, „dat hy zal van den scepenenbrieve statbrieve maken Evenals stadbrieven kende men ook „statvidimussenquot;, d. z. vidimus-brieven met het stadszegel voorzien ■r\'). — Wat den vorm der bezegeling betreft, is het zeker, dat uithangende zegels gewoon waren; of men ook rechtsgeldig opgedrukte zegels kon gebruiken, werd betwijfeld, doch schepenen beslisten , dat het geoorloofd was quot;). —• Had een onderhandsch stuk, door een schepen als privaat persoon bezegeld, minder kracht dan een schepenbrief? mocht men daartegen den zuiveringseed doen? Schepenen beslisten van neen 7): de getuigenis van een schepen was onaantastbaar, in welken vorm ook afgelegd.

Welke kracht hadden schepenbrieven in rechten? Hunne geldigheid was beperkt tot „die banck, dair (de schuld) ver-ploogenquot; was 8): alleen voor die bank waren zij van kracht. Een noodzakelijk, logisch gevolg, aan hunne rechtskracht verbonden; immers deze berustte alleen op de omstandigheid, dat de personen, die het vonnis zouden moeten wijzen, hunne eigene getuigenis boven alle verdenking verheven achtten:

hoorde (alleen de raad toch, als vertegenwoordiger der stad, had dc beschikking over liet stadszegel), doch op hun eigenen naam. (R. v. U. If p. 52, ef. p. 54.)

1) ef. R. v. U. II p. 244—246, p. 258 ^4, p. 266 § 3, p. 334 § 2, p. 393 § 1.

2) R. v. U. II p. 259 Noot 1.

3) cf. R. v. U. II p. 438 ^ 22.

4) Raads dag. boek. 1. c.

5) Plecht- en procuratieboek. Dynsd. nae St. Servaes 1500; „A begeert een statvidimus uten statbrief mitten transfixbrieff.quot; — Zie een voorbeeld: R. v. U. II p. 140. De schepenen gaven zulk een vidimus op last van den raad. (R. v. U. II p. 212.)

6) R. v. U. II p. 63.

7) R. v. U. II. p. 20/21. — Evenzoo; Landrecht. IV. 1. (R. v. U. II p. 413.)

8) Landrecht. XXIII .^22, - cf. 11. 1.

-ocr page 293-

273

voor andere rechtbanken stond echter deze getuigenis natuurlijk gelijk met die van andere personen.

Tegenover dit nadeel stonden twee groote voordeden. Vooreerst hadden „gerechtlicke bekende schuldenquot; privilegie \'). Doch het grootste voordeel, aan de schepenkennis verbonden, was, dat zij den eischer parate executie verschafte. Daar de zaak door de getuigenis der schepenen bewezen geacht werd, was het niet geoorloofd, daartegen „onscout te doenquot;, d. i. de schuldenaar werd niet tot den zuiveringseod toegelaten \'-). Schepenbrieven of extracten uit het schepenregister maakten derhalve het proces overbodig: een schepenbrief stond in kracht met een vonnis gelijk. (Van daar dat men zeide, dat eene zaak „aent gerecht comt mit boden of mit scepenplechtenquot;, anders uitgedrukt: „mit gehoede ofte mit pandinghe 1)quot;.) Men kon dus met schepenbrieven dadelijk executeeren door panding. Pandwering tegen deze executie was niet geoorloofd, „ten sy mit scepen-quytancien off quytsceldingen, die in steden van recht gesciet waeren, dair die scult mede quytgescouden wair, off dat die scult opter plechten bescreven stonde, dat se be-taelt wair dus tenzij de schepenkennis door eene latere schepenkennis werd te niet gedaan. De executie had plaats door panding aan het goed van den schuldenaar r\'), en wel op den „ommeganck fi)quot;. Des Maandags en Woensdags ging de schout met minstens zeven schepenen ~) rond, eens door het bovengedeelte, eens door hot benedengedeelte der stad quot;),

1

R. v. U. II p. 339 5, II p. 248. — Evenzoo te Augsburg reeds in 1276: „mit briven oder mit gedinge.quot; (Daim, Erb mul Kam. Recht v. Augsb. p. 20.)

-ocr page 294-

274

„om enen ygeliken recht te doen, dies bogheerde De schout had zijne roede in de hand, waaraan degene, die panding begeerde, tastte. Het pand werd na de panding tweemaal „verbodenquot; en daarna den schuldeischer toegewezen („g\'heëy-gent men kon door bizondere bedingen de termijnen nog verkorten :!). Ook de „leveringequot; van de gepande goederen \'\') en het „uutrechtenquot; van ruminge r\') hadden op den omgang plaats. Werd echter de panding „uutgedaenquot;, d. i. deed men pandwering (i), dan werd daarover den volgenden dag (Dinsdag of Donderdag) op den rechtdag- gedong-en. In 1532 werd de omgang vervangen door oenen rechtdag, waarbij de schoutenroede van het stadhuis werd uitgestoken; den volgenden dagquot; was er dan als van ouds „open rechtdach 1)quot;.

Het gewicht van schepenbrieven blijkt het duidelijkst, wanneer wij eene vergelijking maken met de bewijskracht, in rechte aan onderhandsche stukken toegekend. Die stukken (omschreven als „opene zegcll ende brieffquot;, „hantscriftenquot;, „cedulenquot; en „coopmansbrievenquot; !l) ) waren inderdaad in het middeleeuwsche proces van zeur weinig gewicht. Zij golden door het geheele Sticht 0); doch de schuldenaar, die met zulk een stuk werd aangesproken, kon niet alleen op alle manieren bewijzen, dat de schuld reeds betaald was 2), maar ook den schuldeischer teleurstellen door eene eenvoudige verklaring onder ecde, dat hij niets schuldig was. Dit beginsel werd zóó consequent toegepast, dat eene beëedigde ontkenning der schuld volgens een vonnis van liet landrecht zelfs werd aangenomen tegenover eene door den schulde-

1

R. v. U. 11 p. 322 2. f,.

2

jo) R. v. U. II p, 294 3.

-ocr page 295-

275

naar zeiven geschrevene en bezegelde schuldbekentenis \').

Doch welke kracht had een brief, die eene verklaring inhield van derden over eene overeenkomst tusschen partijen, — een stuk derhalve, dat met eene getuigenis min of meer gelijk stond? Als een onderhandsch stuk zal zulk een brief gewis geen bewijs van de afgelegde getuigenis geleverd hebben en dus waardeloos geacht zijn Eene uitzondering werd soms gemaakt voor eene zekere categorie van brieven, opgemaakt door eene bepaalde soort van getuigen. De Utrechtsche rechtsboeken kennen als zoodanige bevoorrechte getuigen de „niaecs-mannenquot; of „hyliexmannenquot;. Daaronder verstond men pei--sonen, gewoonlijk\' twee vrienden van elke zijde, door wier tusschcnkomst huwclijksche voorwaarden gewoonlijk gesloten werden; deze personen maakten van de overeenkomst daarna een brief op, dien zij met hunne zegels bezegelden \'1J. De „maecsmannenquot; „kendenquot; (evenals de schepenen) over de bij het huwelijkscontract gemaakte voorwaarden; die kennis was (wederom evenals bij de schepenen) aan den termijn van een jaar en zes weken gebonden 2). Het getuigenis der maecsmannen had evenwel niet dezelfde kracht als de verklaring der schepenen: men „quam daermede aent gerechte niet dan mit geboode m, a. w. er moest over de zaak een proces gevoerd worden, waarin de brief als bewijsmiddel kon dienen, doch als een bewijs, dat voor tegenbewijs vatbaar was. Het Landrecht sluit echter den zuiveringseed van den schuldenaar van dit tegenbewijs uit Men kon ook hier weder (en het werd later regel) aan de getuigenis der „maecsmannenquot; absolute bewijskracht verschaffen door haar aan te brengen bij de schepenbank; de verklaring der maecsmannen.

1

Dit was zeer bepaald te Bremen het geval. Wanneer de getuigen overleden waren, misten deze brieven alle kracht; leefden zij, dan moesten zij op nieuw in judicio getuigen , en was de brief zelf dus toch waardeloos. (Donandt, Brem. Civil-proe., in; Brem. Jahrb. V p. 106.)

2

L. A. XLI. 2. — R. v. U. II p. 258 § 4. ~ Die fatale termijn schijnt ook voor de bezegelde brieven der maecsmannen gegolden te hebben. Het Landrecht (XXII. 1) kent daarnevens nog het mondelinge getuigen der maecsmannen; ook het stadsrecht in zijn oudsten vorm (L. A. XLI. 2), doch later niet meer.

-ocr page 296-

276

mits weder binnen jaar en dag- gedaan, werd daar als waar aangenomen, wanneer ze met eede gesterkt werd \'). Schepenen maakten dan van het contract een schepenbrief op 1), die natuurlijk onbeperkt gezag had :!). Met het „aenbren-genquot; der maecsmannen werd gelijk gesteld het „belyenquot; van het contract voor schepenen door de gehuwden zelven, mits weder gedaan binnen een jaar en zes weken na het huwelijk, en met eede gesterkt ^2).

Met onderhandsche stukken schijnen gelijk gestaan te hebben de „instrumentenquot;, brieven opgemaakt door de beambten van het geestelijke gerecht: de notarissen r\') en (bij testamenten in extremis) de pastoors. Zij golden voor de g\'eestelijke rechtbank natuurlijk eils authentieke bewijsmiddelen c); dat zij bij de schepenbank meer kracht hadden dan elke andere niet gerechtelijk opgemaakte akte, bleek mij niet, Voor bepaald waardeloos schijnt men ze gehouden te hebben, wanneer er eene beschikking over onroerend goed in opgenomen was Meer gezag werd toegekend aan de akten, opgemaakt voor den officiaal, den geestelijken rechter. Zij werden door de schepenbank erkend, voor zooverre de eischer ze met zijn eed bekrachtigde, en de schuldenaar kon daartegen dan geen zuiveringseed doen 3).

Uit den aard der zaak stonden de voor den officiaal gepasseerde akten in het oog der schepenbank gelijk met dc

1

In het landrecht werd een gerechtsbrief bij den brief der maecsmannen getransfixoercl. (Landr. XXII. 1.)

2

R. v. U. II p. 258 § 4.

3

R. v. U. II p. 238 § 25. — Het was een betwist punt: te Trier klaagde de aartsbisschop , dat het wereldlijke gerecht de klagers, die ofticiaalsbricvcn over de quacstieuse schulden bezaten, dwong, deze schulden met den eed en met getuigen nader te bewijzen, („und en mogen sic sich dan nicht behelfen, die zinse zu beheldene noch zu bewerne mit brieven, die unser official oder ander geistliche richtere besiegelt han, sie en haben dann brieve, besiegelt mit der stede ingesiegel, oder en halten die zinse, als die scheffen wisen, sclben /11 swerene mit navolgern.quot; Schoop, VVrfass. gesch. v. Trier, p. 153.)

-ocr page 297-

277

brieven, die voor andere schepenbanken verleden waren: mag men derhalve besluiten, dat ook deze met den supple-toiren eed bewijs voor de Utrechtsche bank leverden? of was de betrekkelijke bewijskracht, aan des nfficiaals brieven toegekend, een privilegie? liet laatste is mogelijk, omdat het drukke gebruik, van die brieven gemaakt, bijna niet toeliet ze geheel waardeloos te verklaren. Aannemelijker schijnt het echter, dat ook gerechtsbrieven van vreemde banken met den sup-pletoiren eed werden toegelaten \'); immers wij zagen, dat ook de brieven der maecsmannen een begin van bewijs leverden, dat op dezelfde wijze werd aangevuld.

Wij keeren thans tot de schepenbrieven terug. Van welke rechtshandelingen werden schepenbrieven opgemaakt? Do ordonnantie van Karei V van 1550 \'-) noemt als zoodanig op: „plechten, transporten van plechten, overgiften van huysingen ende erve, belijdinge van hijlicxe voerwaerdan, tijmmeringe ende diorgelijcken, loften, giften, maken, vertichten, lijftochtenquot;. Elders worden nog genoemd „opdrachtenquot;, „eygenscappenquot; en „voerwaerdenquot;. Het meest van allen komen voor schepenbrieven van „loften of plechtenquot;.

De meesten dezer woorden behoeven slechts eene verklaring met een enkel woord. Met „eygenscapquot; wordt aangeduid de gerechtelijke overdracht van den eigendom aan een onroerend goed na de panding (ongeveer wat men later een „decreet-briefquot; noemde); de vrijwillige overdracht in rechte van een onroerend goed krachtens eene overeenkomst wordt omschreven als „overg\'ifte van huysinge ende ervequot;, hetzelfde wat elders „giftequot; heet. „Opdrachtenquot; duiden eveneens akten aan, waarin men iemand eenig goed krachtens eene overeenkomst overdraagt, „vertichtenquot; wijzen op het afstand doen van goederen ten behoeve van een ander, wellicht meer bepaald krachtens een onbezwarenden titel. „Makenquot; of „makin-ghenquot; zijn in het algemeen akten, waarbij legaten, schenkingen bij uiterste wilsbeschikking gemaakt worden van daar

1) Daarvoor pleit ook, dal blijkens Seepenrccht. II 9 eene quittantie, gerechtelijk gepasseerd „in steden van rechtquot; (zonder nadere bepaling) geldig was, om daarmede panding met een schepenbrief „uut te doenquot;.

2) R. v. U. II p. 393 S 1. — cf. II p. 283 S 20.

3) R. v. U. II p. 212, — II p. 300 *5 23 , 24, II p. 338 § 4. - Landr. XIII. 3. — cf.

R. v. U. II p. 251 10. (Vgl. nog ons „vermaken.quot;) Zie een „makequot; afgedrukt: R. v. U.

-ocr page 298-

278

heet „makinghequot; ook meer speciaal eene bij uitersten wil vastgestelde bepaling- over het vererven van een huis \'), — een lideicominis, ook wel „verbantquot; genoemd -). Onder „lijftochtenquot; verstaat men bepaaldelijk die beschikkingen, waarbij echtgenooten elkander na hunnen dood het vruchtgebruik hunner goederen toekennen. De „belijdinge van hijlicxe voerwaerdenquot; bespraken wij zoo even; de uitdrukking „voer-waerdenquot; leerden wij reeds vroeger ■\') kennen als een al-gemeene term voor allerlei overeenkomsten. Schepenbrieven van „tijmmeringequot; kwamen mij niet voor; bedoeld schijnen te worden de akten, opgemaakt als bewijs, dat de verklaring-en der gezworenen, bij liet stichten van huizen op onbebouwde terreinen aan de belendende eigenaars geïnsinueerd, niet door dezen weersproken waren; de bewijzen dus, dat niemand zich later tegen zulk oenen bouw mocht verzetten \').

Doch thans de „1 oftenquot; of „plechtenquot;. Herhaaldelijk komen dezen in onze rechtsboeken voor als de typen van schepenbrieven ja zelfs in veel latere schepenvonnissen, tot het einde der i8u eeuw toe, vindt men gezegd, dat een schuldenaar „loftig en pligtigquot; is quot;). De „loftonquot; leerden wij vroeger kennen als verbintenissen tot voldoening aan eene verplichting- , meestal de betaling eener geldschuld, hetzij voor den lovende zeiven of voor een ander. Hebben wij in de „plechtenquot; een synonym der „loftenquot; te zien? Laat ons na-

II p. 201. — „Testamenlquot; heet eene uiterste wilsbeschikking, wanneer ze voor het geestelijke gerecht is gepasseerd. (Landr. XIII. i.) De bevoegdheid tot het passeeren van uiterste wilsbeschikkingen schijnt van ouds behoord te hebben bij de notarissen en de priesters, dus voor het geestelijke gerecht. (Zie hiervóór p. 93 Noot 1.) Te Lubeck bepaalde een scheidsrechterlijke uitspraak van een kardinaal-legaat tusschen bisschop en stad in 1282, dat het stadsgerecht in deze zaken uitsluitend competent was, wanneer onroerend goed vermaakt werd (tenzij er periculum in mora was); overigens concurreerden geestelijke en wereldlijke macht. (Pauli, Lüb. Zust. II p. 31.) Tc Utrecht schijnt de praktijk met die te Lubeck overeengekomen te zijn. (Zie hierna p. 282 , 283.)

1) Roese. LXXXVI. 1. — L. H. LXX1X. 5. (een huis, „dacr makinghe of is.quot;)

2) R. v. U. II p. 255: „van verbondon goede.quot;

3) Zie hiervoor p. 251.

4) Scepenrecht. X. 1. L f.

5) Zie b. v. L. H. XLV111. 7. - R. b. LIX. 49. — R. v. U. I p. 402 ^ 6, 7,

p. 403 S 13. — Scepenrecht. II. 17, — III. 3, IV. 7. (R. v. U. II p. 236, 244, 250.)— R. v. U. II p. 160.

6) Getuigenis van 26 Febr. 1573. Civ. proc.-stn. Stads-arch. („A heeft verclaert B lofticli noch plechtich te zijn. ) — Mem. v. antw. in een proces v. A. Van Royen c. G. Praalder 1797. (De gedaagde is den eischer „niet lofiig of pligtig.quot;)

-ocr page 299-

279

gaan, welke beteekenis onze rechtsbronnen aan het woord „plechtquot; toekennen.

Onder eene „plechtquot; verstaat men tegenwoordig eene hypotheek \'). Ook in het middeleeuwsche Utrecht kende men „plechten op husinghen ende hofsteden Doch uit den aard der zaak kwamen deze overeenkomsten destijds zelden voor •1). Wegens het kerkelijk verbod was het leenen van geld op interest niet algemeen in gebruik; in plaats daarvan gebruikte men een ander contract: den koop van renten uit huizen. En bij gewone schuldvorderingen, op termijn betaalbaar, was het verband van een vast goed destijds ook minder noodig, omdat men althans bij schulden, door schepenbrieven verzekerd, dadelijk executeeren kon en dus reeds een der voordeden van eene hypotheek bezat.

Toch worden de „plechten\'\' in de middeleeuwsche rechtsbronnen tallooze malen genoemd: or moet derhalve destijds eene ruimere beteekenis dan thans aan dit woord gehecht zijn. En inderdaad: wij vinden in onze rechtsbronnen tallooze malen „plechtenquot; vermeld en in extenso afgedrukt, waarin van g-een verband op een onroerend goed sprake is In het algemeen begreep men onder «plechtenquot; alle schulden, die voor het gerecht r\'j „verplegenquot; waren. Schuld „verplegenquot; is schuld in rechte erkennen; „verplogene scoutquot; is dus.

1

Naar het schijnt meer bepaald eene hypotheek voor de betaling der koopprijs van een huis in termijnen met rente, kustingbrief.

-ocr page 300-

2 8o

erkende (cn daardoor oxecutabcle) schuld \'), De eenvoudigste vorm eener „plechtquot; was aldus: „Allen dengdienen, die desen brief sullen sien off horen lesen, doen wy verstaen scoute ende scepene van N, dat voer ons quam int gfherechte A ende verplach B tachtich pont, te betalen tot Sunte Jans misse te Middesomer nu naestcomende Er bestonden editor verschillende andere soorten van „plechtenquot;, waaronder de zooeven genoemde rentckoop of „constitutie van rentenquot; zeer gewoon was. Het woord „plechtquot; heeft dan ook eene zeer uitgebreide beteekenis. Het overtuigendst blijkt dit uit de omschrijving, die het Scepeneboeck geeft van de keur: Koede boeck. LIX. 63, waar bepaald wordt, dat koopvrouwen tot 5 pond toe „verpleghen moghenquot;; het Scepeneboeck omschrijft dit door „scout makenquot;.

Wij vinden dus hier in den grond der zaak hetzelfde wat wij vroeger bij de wilcoeren opmerkten: „verwilcoerde scoutquot; is „verplogene scoutquot;. Is derhalve hot verschil tusschen beide zaken alleen gelegen in de toevallige omstandigheid, of men schuld erkende voor den raad („wilcoerenquot;) of voor do schepenbank („verplegenquot;)? Toch niet geheel. Wij vernamen, dat do wilkoeren alleen in het register van den raad aangeteekend en met extracten daarvan uitgepand werden, terwijl van plechten gewoonlijk gerechtsbrieven werden opgemaakt, waarmede men pandde. Het blijkt, dat dit onderscheid niet eene gewoonte was, waarvan men naar believen kon afwijken; doch een vorm, die aan elk der beide soorten van schulderkentenis bepaaldelijk eigen was. Immers nog de ordonnantie van Karei V \') onderscheidt de „willecuerenquot; (destijds reeds naar do schepenbank overgebracht) als „ action, die alloenlicken bij den secretarijs geregistreert wordenquot;, van „plechtenquot;, „daervan men brieven onder des stadts- ofte sce-penen-zegel expedieren salquot;. En ook de reden van dit onderscheid deelt ons dezelfde plaats mede: de „willecuerenquot; waren schulderkentcnissen „sonder constitutie van rentenquot;, terwijl de

1) Zie; Fruin, in Versl. cn mededeel, der Vereen, v. oudvad. recht. Ill p. 168 Noot i. cf. R. v. U. II p. 238 § 24, 25; „uutpanden ende voerlrcchten als vcrplogen seoui.quot;

2) Zie voorbeelden van zulke plocliten: Scepeneboeck. p. 4, 135, 143, 146. — Hene plecht niet lijfrente: Scepeneboeck. p. 48, — plechten niet beding van rente eti ajlosshig (in dien tijd zeldzaam om het kerkelijke woekerverbod): Scepeneboeck. p. 78, 186,

3) Scepeneboeck. p. 51.

4) Cost. v. 1550. XXIX. 1. (R. v. U. II p. 393,)

-ocr page 301-

281

„plechtenquot; daarentegen konden bevatten: „constitutie van renten, transporte van dien, overg-iftc van huysingen ende erve ofte belijdinge van hijlicxe voerwaerdenquot;. „Plechtenquot; waren dus in den regel contracten, die niet bestemd waren in zekeren bepaalden korten tijd af te loopen, en waarvan het derhalve wen-schelijk was akten op te maken. Herinneren wij ons echter daarbij, dat ook eenvoudige gerechtelijke schuldbekentenissen zonder rentebeding „plechtenquot; heetten, dan komen wij tot de conclusie, dat „plechtquot; de algcmeene naam was, „wilcoerquot; do benaming voor eene species van het genus „plechtquot;. Men kon Vein wilkoeren door het opmaken van eenen gerechtsbrief eene plecht maken; doch lang niet alle plechten konden in den vorm eener wilkoer gepasseerd worden Het is dus geenszins toevallig, wanneer men bij de bespreking der bevoegdheden van den raad nergens vermeld vindt, dat de raad recht „van plechtenquot;.

Heeft men echter onder „plechtenquot; en „loftenquot; hetzelfde te verstaan? Het schijnt zoo: immers op eene plaats in onze rechtsbronnen wordt van drie jonkvrouwen, die „in eenen statbrieff gheloeft hebben eene schout te betalenquot;, gezegd, dat zij „verploghcn hebben voor den scepene, te betalen die scout 1)quot;. Inderdaad is het dan ook moeiclijk, om een onderscheid op te geven, wanneer naast elkander genoemd worden „plechten voir den scepenen verplegenquot; en „loften voir den scepenen beledenquot;, indien „daer g-erechtsbrieven of zijn :i)quot;. Het kan zijn, dat het woord „belydenquot; dan (als meestal) gebruikt is voor het erkennen in rechte eener vroeger aangegane schuld. Het is mogelijk, dat men dan bij „loftenquot;, evenals bij wilkoeren, alleen heeft te denken aan schuldbekentenissen „sonder constitutie van rentenquot;. Misschien ook wordt „loftequot; dan opgevat in de beteekenis van borgtocht \'\'). Doch

1

R. v. U. II p. 15.

-ocr page 302-

282

met zekerheid kan in deze gevallen yeen kenmerkend verschil tusschen beide soorten van akten aangewezen worden.

Vergelijken wij echter in het algemeen do „plechtenquot;, ,,loftonquot; en „wilkoeronquot; onderling- volgens de thans \') verkregene resultaten , dan vinden wij tal van verschillen in den omvang der door de drie woorden aangeduide begrippen, i„ Loftequot; is zeer algemeen eene belofte om iets te doen of te geven. Zij is in dezen zin geheel hetzelfde als de „wilkoerquot;; doch het woord omvat daarentegen meer dan „plechtquot;, waaronder men alleen obli-gaties om iets te geven schijnt begrepen te hebben. 2°. „Loftequot; is soms ook de uit eene belofte spruitende verbintenis, ja zelfs de verbintenis uit eene daad voortkomende. Li dit geval omvat hot woord meer dan de „plechtenquot; en „wilkoerenquot;, die alleen eene verplichting, uit eene schuldbekentenis spruitende, aanduiden. 30. „Loftequot; beteekent dikwijls meer speciaal een borgtocht. Als zoodanig staat zij naast do „wilkoerquot;, die eene betalingsbelofte met penale sanctie is, doch valt onder het begrip „plechtquot;, in zooverre dit alle betalingsboloften omvat, en elke borgtocht (ook die in criminalibus) zich in eene betaling door den borg oplost. 4quot;. „Loftequot; is, wat den vonn betreft, eene betalingsbelofte, die op verschillende wijzen kan gedaan worden. In dit opzicht is hot begrip voel ruimer dan dat van „plechtquot; en „wilkoerquot;; immers beide woorden onder-stollen oono schulderkenning, in rechte gedaan, terwijl „loftonquot; buiten rechte „gelooftquot; en ook (later) in rechte „beledenquot; kunnen worden

Wij kunnen ons thans eene voorstelling maken van don omvang vain der schepenen werkkring: zij waren bevoogd over al de boven omschrevene onderwerpen gorochtsbrieven op te maken. Doch eene gewichtige vraag bleef nog onbeantwoord: waren schepenen de éénige bevoogden om gerochtsbrioven af te geven? Het Landrecht antwoordt op deze vraag als volgt :l); „Nyemandt on mach wochmaickcn met instrumento (d. i. met brieven van het geestelijke gerecht) enyge onrirerende goeden, als erffronten, landen ondo huysinge; wantquot;, zoo voog\'t heter (zeer naïf, en kenschetsend voor den tijd, die in hot bezit van do rechtsmacht slechts eene bron van inkomsten zag,) bij,

1) Vgl. ook hiervoor p. 146 -157.

2) „Sculden niet verplogen — geloften niet beleden.quot; (V. d. Water, Place. Ill p. 312 S 5, 7-)

3) pandrecht. XIII. 2.

-ocr page 303-

„want süü wair schout noch schcepenun noch bucrrecht vim geen behooff in veel saickcn, dair die hcerc mede vercort sonde weesenquot;. In de stad Utrecht zelf leefde dezelfde overtuiging: in het jaar 1425 hooren wij een procesvoerend burger in zijne dingtaal verklaren: „een borger en mach siin goet niet belasten dan voor den scepene van Utrecht mit plechten ofte loften Gerechtsbrieven betreffende onroerend goed

binnen Utrecht mochten derhalve alleen voor de schepenbank gepasseerd worden. Nemen wij in aanmerking, dat inderdaad nagenoeg alle wijzen van eigendomsverkrijging aan onroerend goed (koop, schenking, legaat, gerechtelijke inwijzing, erfenis) onder de onderwerpen genoemd worden, waarvan men schepenbrieven maakte of waarover schepenen recht deden, dan komen wij tot het resultaat, dat, ofschoon het nergens be-gt; paald schijnt, inderdaad de rechtspraak over „Erb und Eigenquot; geheel en uitsluitend bij de schepenbank thuis behoorde -).

Met de personeele rechtsvorderingen, de zaken „van scade ende van scoutquot;, was het anders gesteld. Wel behoorde de rechtspraak daarover reeds van ouds bij de schepenbank :!), — wel wordt ook nog in 1484 aan de schepenbank uitdrukkelijk de bevoegdheid toegekend, om te rechten van alle plechten, geloften en schulden, spruitende zoowel uit voor hen gepasseerde brieven en aanteekeningen in hun register, als uit onderhandsche geschriften of mondelinge overeenkomsten maar wij hoorden de bisschoppen toch herhaaldelijk klagen, dat raad en oudermannen de burgers voor zich boden „van scade ende van scoutquot;. Wanneer wij dan \'ook opmerken, dat dergelijke eenvoudige zaken meestal geschreven werden in en geëxecuteerd werden uit het „regysterquot;, wanneer wij ons herinneren, dat de „wilkoerenquot; (die wij zooeven \'\') als geheel gelijk

1) R. v. U. FI p. 160. — Vgl. den staclbricf, gedrukt R. v. U. 11 p. 75, waarin de verkooper van een huis, overgedragen voor den raad, „loeft ende wileoert daerof te vertien voor den seoute ende scepene te Utrecht, alse sy terechte sitten, ende te bellen in allen manieren alse voorscreven is, so wanneer dat hijs vermaent wert.quot; De overdracht voor den raad werd dus niet algemeen als geldig beschouwd.

2) Trouwens dit behoorde bij het hooge gerecht. (Heusler, Urspr. der Stadtverf. p. 135, 139, 182. — Von Maurer, Geseh. der Stadtevcrf. 111 p. 564. — Frensdotff, Dortm. Stat. p. LXV1.)

3) Zie den gildenbrief van 1304, bij: V. d. Water, Place. 111 p. 68. - Vgl. V. d. Water, Place. Ill p. 311, 312. (1481 § 5, 6. — 1482. 3, 4. 1484 5, 6, 7.)

4) V. d. Water, Place. Ill p. 312 S 5, 6, 7.

5) Zie hiervoor p. 281 Noot 1.

-ocr page 304-

2 8.1

aan de „plechten in het regysterquot; hebben leeren kennen) bij de rechtspraak van raad en oudermannen veelvuldig voorkwamen , — dan kan er geen twijfel bestaan, of in dit opzicht waren deze colleges voor de schepenbank concurrenten, die maar al te goed in hun streven slaagden.

§ 4. CRIMINEELE RECHTSPRAAK DER SCHEPENBANK.

Reeds bij de behandeling\' van het raadsrecht is ons gebleken, dat aan dc schepenbank zeker aandeel aan de crimineele rechtspraak was voorbehouden. Dat aandeel was evenwel in den loop der 14° eeuw uiterst g-ering geworden: het bepaalde zich tot het „rechten over (of „veroordelen vanquot;) ondadigho minschen van den borgheren, de hoer liif verboert hadden \').quot; Dc schepenen wezen dan vonnis („saten over den bloede 1)quot;); doch zij werden door den raad blijkbaar onwillig en op de meest vernederende wijze tot dc rechtspraak toegelaten. Wij zagen reeds boven a), dat het vonnis eigenlijk reeds vooraf door den raad was vastgesteld. Doch er was meer: de burgemeesters (niet de schout \'\')) bevelen schepenen, om op het raadh.üs (niet op het schepenhuis r\')) te komen; zij heeten dan te „comen ter stad rade en hunne werkzaamheid aldaar wordt voorgesteld als een zich bemoeien („onderwyndenquot;) met zaken

1

Gildenbr. v. 1455, bij: V. d. Water, Placc. IIJ p. 79 8 14.

-ocr page 305-

285

„den rade acndragende Bij dc executie der doodvonnissen moesten de schepenen met den schout tegenwoordig zijn \'2); bij de toepassing van lijfstraffen schijnt dit echter niet bepaald noodig geweest te zijn ^). Het Scepenrecht gaat dit deel van der schepenen werkzaamheid niet geheel voorbij: het neemt daarvan akte door aan het hoofd van het boek de rechtsgewoonten uit den aanhef van het Liber albus over te nemen, voorzoover die op doodslag en de verschillende soorten van doodstraffen betrekking hebben. Eene regeling van het onderwerp was overigens onnoodig, en het Scepenrecht zwijgt er dan ook verder over.

Ls hiermede de strafrechterlijke werkzaamheid der schepenbank afgehandeld? Niet geheel. Het is onbetwistbaar, dat de crimineele rechtspraak der schepenbank zich beperkte tot het Uitspreken van doodvonnissen, en toch wordt herhaaldelijk in onze rechtsbronnen gesproken van „der scepencn brueken,quot;! terwijl daarmede slechts geldboeten bedoeld kunnen zijn. Hetzelfde verschijnsel doet zich, zooals wij zagen voor bij het oudermansrecht; de bronnen ontbreken, om den aard dezer broeken nauwkeurig te onderzoeken. Daar het echter blijkt, dat de „bruekenquot; van schepenen en oudermannen van den zelfden aard waren r\'), zijn wij thans in de gelegenheid, om over den aard der „bruekenquot; van beide colleges eonig licht te verspreiden.

De belangrijkste plaats voor dc kennis van „der scepenen broekenquot; is een artikel van het Scepenrecht quot;), waaruit wij vernemen, dat schepenen alleen mogen „slytenquot; (de term, die ook voor \'s raads strafvonnissen in gebruik was) van „broeken, die voir hem geschienquot;. Eene zeer belangrijke mededeeling, die reeds dadelijk verklaart, waarom den schepenen een klein deel werd ingeruimd van de rechtspraak over „broekenquot;, die overigens geheel bij den raad berustte: het gold hier correctie van misdrijven, die in tegenwoordigheid van schepenen, bij hunne rechtspraak gepleegd werden. Eenige plaatsen in onze

r) Gilclenbr. v. 1455, bij: V. d. Water, Place. III p. 83 ^ 22.

2) L. H. XLVIII. 8. — Roese. LXVI. 2. R. v. U. II p. 288 § 30, 299 15.

3) R. v. U. II p. 299 ^ 15.

.;) \'/Ac. hiervoor p. 253.

5) Zie R.l). llquot;. r, waarheide soorten vnn „brueken telkens in (-\'ónen adem genoemd worden

6) R. v. U. II p. 282 14.

-ocr page 306-

2 86

rechtsbronnen stellen ons in staat, nog nader te bepalen, welke misdrijven tot „der scepenen broekenquot; gerekend werden.

In do eerste plaats moet hier genoemd worden onrechtmatige pandwering tegen schepenbrieven. Zooals boven \') gezegd is, mocht men panding met schepenbrieven alleen „uutdoenquot;, wanneer men met andere gerechtsbrieven of door eene aan-teekoning op den eersten brief zeiven kon bewijzen, dat de schuld betaald was. Bleef men nu, na pandwering gedaan te hebben, in g-ebreke dit bewijs te leveren, dan was men „boet-sculdichquot; en moest „der scepenen broeken geldenquot;. Werd het bewijs daarentegen geleverd, dan betaalde de eischer, die met betaalde brieven gepand had, de boete 1).

Een tweede geval is het geven eener onjuiste verklaringonder ecde over het bedrag eener schuldvordering, waarvoor men aan een gepand goed „geeygentquot; wordt ^).

Het derde geval betreft het „hem vermeten betalingè te bewysenquot; bij eischen wegens schuld, hetzij dan met of zonder onderhandschc brieven, terwijl dat bewijs achterwege blijft \'\')• Dat hier sprake kan zijn van het verliezen van een gewoon proces wegens geldschuld is nauwelijks denkbaar; immers hot tegenspreken van eenen eisch, zij het ook zonder voldoenden grond, verdiende geene straf. Naar het schijnt wordt hier echter bedoeld een ook elders niet onbekende vorm van procedeeren door het bieden van wedde en wederwedde \'); aan deze wed

1

R. v. U. If p. 294 § 2, — p. 372 ^ 2.

-ocr page 307-

287

ding\'schap was, blijkens de in deze zaken gewezene vonnissen, het beding verbonden, dat de partij, die het beloofde bewijs niet leverde, „zyn brueken dairomme gheldenquot; zou \'). Deze breuken werden betaald niet tot een vooraf bepaald bedragquot;, doch „ter scepenon slitingequot; \'■*), d. i. volgens beslissing van schepenen.

Een vierde geval betreft geheel iets anders. Blijkens hot Scepenrecht :!) bezat de schepenbank het recht, om toezicht te houden op de voor haar fungeerende „voersprakenquot; (advocaten); bij misbruikon, kwade praktijken, door dezen in de waarneming van hun ambt gepleegd, stond het don schepenen vrij, hen te „corrigierenquot; door hen „in broeken te slyten, tot sovoell toe als sy willen, na groetheit hoirre broeken, als die scepen dat caven sellenquot;.

Wij kunnen de vier boven behandelde gevallen brengen tot drie categoriën: 1verzet tegen of beleediging van de schepenbank in de uitoefening harer functiën. 2quot;. verbeurte eener door partijen zeiven aangenomene boete. (Analoog; de pene bij de wilkoeren voor den raad.) 3quot;. huishoudelijke bestraffing van het bij de procedures werkzame personeel. Onze rechtsbronnen geven ons ge ene meerdere gevallen op, waarin „der scepenen bruekenquot; werden uitgesproken. Doch de vonnissen, waarbij die „bruekenquot; werden opgelegd (en die ons in do Plecht- en procuratieboecken der schepenbank sedert 1500 bewaard zijn), noemen nogquot; verscheidene andere voorbeelden. Wij zullen deze voorbeelden nog eenigszins nader bespreken; allen

schepenen bedoelen, waarover dezen dan later „kennenquot; {getuigen) in het proces. (Zie; R. v. U. II p. 16, 17, —p. 43, 44, — p. 185, 187.) De eenige kenning, die ons bewaard bleef (R. v. U. II p. 139 -141), bevat dan ook gecnc dingtalen. - Overigens heeft „kenningquot; ook weder dikwijls de beteekenis van vonnis, beslissing. (R. v. U. II p. 280 .^8, -P- 325 ^ 4» — P- 332 § 26. — Zie ook; Raads dag. boek 31 Mei 1434: de raad beslist, dat partijen over een goed te Wiers „then rechte gaen sellen voer onsen genedigen heere van Utrecht ende sinen dingwaerderquot;; de raad zal echter het goed verhuren „ther tijd toe, dat dair een kenninge off gegaen is, wie dairoff in den besete gewijst worden sell. Ende so wie in den besete gekennet wertquot; zal de huur ontvangen. Van daar ook ons woord: iemand iets toekennen.\') Het onderscheid tusschen „oerdelquot; en „kenninghequot; blijkt niet. In ieder geval schijnt echter uit de in de Plechtboeckcn verzamelde vonnissen over „der scepenen bruekenquot; te blijken, dat het „vermeten te bewysenquot; (en dus ook casu quo de kenning) te Utrecht betrekkelijk zelden voorkwam.

1) Plecht- en procuratie-boecken. 1500 vlg. (Stads-arch.) De weinige vonnissen, waarbij de broeken worden uitgesproken, staan allen bijeen vóór in de boeken.

2) R. v. U. II p. 298 ?? 12.

3) R. v. U. II p. 2S7 Is 27,

-ocr page 308-

288

kunnen tot dc bovcMibedoelde rubrieken teruggebracht worden.

Verreweg het talrijkst komen de onder de eerste categorie vallende misdrijven voor. Herhaaldelijk zien wij straffen opgelegd wegens onbetamelijke gezegden in tegenwoordigheid van het gerecht; verder wegens vervreemding van besette goederen, — eischen eener geldsom voor de schepenbank, waarover de officiaal reeds vonnis gewezen had, — aanspreken van eenen schuldenaar met eene betaalde schuldbekentenis, — afhalen van een onder de schepenen berustenden brief, waarover een proces hangende was, onder voorgeven, dat men partij be-taald had, — graven naar de fundamenten van een buurman zonder toestemming van het gerecht, — aantasten eener erfenis zonder erfgenaam te zijn.

De tweede categorie levert mede verscheidene zaken, doch steeds geheel identiek met de boven gegevene beschrijving: belofte om bewijs te leveren onder bepaling eener boete.

Ook van de derde rubriek vinden wij een paar gevallen: omkooping van eenen „voerspraekquot;, om in eene zaak niet te dienen, — dingen „over oirdellquot; door den „voerspraekquot;, — afgifte van een vidimus door den schepenklerk zonder voorkennis van gerecht en partij.

Over de procedure, in deze zaken gevolgd, wordt ons niets medegedeeld; doch daar liet steeds misdrijven betrof, „die voir scepencn ghescieddenquot; en waar dc rechters dus reeds dadelijk volkomen op de hoogte der zaak waren, is het zeer waarschijnlijk, dat de schuldigen zonder eenigen vorm van proces staande de terechtzitting tot de boeten veroordeeld werden. De verbeurde „bruekenquot;. werden geïnd door eenen ambtenaar, die speciaal daartoe aangesteld schijnt te zijn, die ons althans nooit dan in verband met dit onderwerp genoemd wordt den „scepen-cameraerquot;, die de opbrengst denkelijk onder de leden der schepenbank verdeelde.

Nog ééne bizonderheid valt bij de behandeling dezer „bruekenquot; op te merken. Ik zeide reeds, dat met deze strafrechterlijke werkzaamheid de schepenbank het terrein betrad, dat in dc 15\'\' eeuw voor den raad gereserveerd was: het rechten van broeken. Het was niet te verwachten, dat de raad, die zóó noode den schepenen toestond, bij het wijzen van doodvon-

1) R.b. 11». 1

riccht en procuratieboecken v. 1500 \\ Ig.

-ocr page 309-

289

nissen eene formaliteit te vervullen, die zonder eenig- werkelijk belang was, hierin gewillig zou berusten. Inderdaad wordt deze gehcele rechtspraak dan ook behandeld als iets, waartoe de schepenbank eigenlijk gquot;cen recht had, en die ze alleen bij concessie van den raad oefende.

Een eerste bewijs van de juistheid dezer beschouwing vind ik in de beperkingen, die aan de schepenbank opgelegd werden met betrekking tot het bedrag der op te leggen boeten. In 1413 werd bepaald, dat het schepenen (en oudermannen) wel zou vrijstaan, over deze „bruekenquot; te rechten; de raad had echter dezelfde bevoegdheid. Het bedrag der boeten werd steeds aan de schepenen (en oudermannen) uitgekeerd voorzoover het minder bedroeg dan twee oude Fransche schilden; het meerdere moest echter aan den raad afgegeven worden en vloeide in de stadskas („der stat cameraers \')quot;). In 1456 ging men verder: het Scepenrecht bepaalde, dat schepenen rechten mochten „alle broeken, die voir hem geschienquot;, tot 10 pond toe; achtten zij die boete echter niet hoog genoeg voor den delinquent, dan moesten zij de zaak „verdagen voir den radequot;, die dan „dairoff slytenquot; zou. Het bedrag der boete verviel weder tot 10 pond toe aan schout en schepenen; de rest was voor den raad, d. i. de stad -). De berechting der zwaardere misdrijven vertrouwde de raad dus blijkbaar ook in deze gevallen niet aan de schepenbank toe. In de praktijk zien wij deze regeling bevestigd: de Raads dagelijksche boeken bevatten vonnissen wegens „onmanierlike sprake, tiegen den schout ende scepenen ghehantiert in hoeren ommegangequot;, — wegens rechtsweigering- aan schout en schepenen, — en wegens ongehoorzaamheid aan een schepenvonnis wegens het ruimen van een huis. De raad verwees de schuldigen, geheel als bij andere „broekenquot;, „ter beteringequot; in eene steenboete wegens „ongehoersaemheyt, gedaen den scepenen ende den gherechte ^)quot;. Tijdens de kortstondige usurpatie van bisschop David was deze rechtspraak natuurlijk geheel bij de schepenbank teruggekeerd: het register der schepenvonnissen van die

1) R.b. u*. t.

2) R. v. U. II p. 282 gt;S 14.

3) Raads dag. boek. Woensd. na Ass. i.jóa, Dinsd. na St, Pet. ad vine. 1477, — Maya vont 1477.

-ocr page 310-

2yo

dag\'en (1474—1477) bevat tal van vonnissen \'), waarbij personen geboden worden „tiegens don gherechtequot; (dus het gerecht is hier partij) wegens „onduechdelike woei\'de, die zy den gherechte gegeven hebbenquot;, wegens onrechtvaardige aanklacht voor de bank, ongehoorzaamheid aan het gerecht, weigering oin voor de bank te verschijnen, verzet tegen den „geweltmeysterquot; enz.

Een tweede bewijs, dat de schepenbank in deze gevallen niet geacht werd, vonnis te wijzen krachtens luuir eigen recht, schijnt gelegen te zijn in den vorm, waarin deze rechtspraak geoefend werd. De schepenbank, tot wier rechtsgebied vroeger de crimineele rechtspraak in haren geheelen omvang za.1 behoord hebben, nam toch bij deze vonnissen steeds haren toevlucht tot hetzelfde middel, dat de raad gebruikt had, toen zijne rechtspraak in criminalibus nog niet goed gevestigd was: vrijwillige submissie van partijen. Bij de weddenschappen, om op verbeurte eener boete iets te bewijzen, behoeft dit geen betoog: partijen werden slechts veroordeeld tot hetgene zij zei ven aangenomen hadden te doen, wanneer zij het beloofde bewijs niet leverden. Doch ook op de andere catcgoriën van „der scepenen bruekenquot; is hetzelfde van toepassing-: de vonnissen in de daaronder behoorende zaken bevatten allen do bepaling, dat de schuldige „wilcoirde den schepenen te beterenquot;, terwijl het bedrag der boete eerst later, na deze wil-kocr, daaronder geschreven werd 2). Derhalve ook hier deed de schuldige vooraf een „wilkoerquot;, waarbij hij zich aan het vonnis onderwierp; eerst daarna volgde de uitspraak daarvan door de schepenbank.

§ 5. VERHOUDING DER SCHEPENBANK TOT DEN RAAD.

Wenschen wij ten slotte een oordeel te vellen over de plaats, die de schepenbank, nadat het conflict met den raad beslecht was, innam, dan kunnen wij ons daarvan niet beter eene voorstolling maken dan door na te gaan, hoe hare verhouding tot hare mededingster was. In het algemeen kunnen wij na het besprokene reeds zeggen, dat de schepenbank wel is waar, wat do onderwerpen harer jurisdictie betreft, nemst

r) Schepenregister. Manend, en Vryd. na Lucie, Vryd. na Thome 1474 en elders. 2) Plecht ■ en procuralieboeck v. 1500 vlg.

-ocr page 311-

291

den raad stond, doch dat hare gfeheelo positie overigens eeno ondergeschikte was.

Het belangrijkste feit in dit opzicht was zeker wel, dat aan de schepenbank alle wetgevende macht ontnomen was: „die scepen en sellen geenrehande manieren van rechten mogen maken, dair sy na rechten sollen, ten sy bi den rade ende der gemeenre gilden consent De raad derhalve kon niet alleen vaststellen wat recht was, doch bovendien de procedure zelve regelen; schepenen moesten zich aan deze verordeningen onderwerpen, zij waren verplicht „des raets overdrachten vol-comelicken te houden Zeer sterk sprekend is in dit opzicht het feit, dat de instructie van den schepenbode werd vastgesteld door den raad, terwijl de benoemde titularis daarop niet alleen den eed deed (aan de schepenbank), doch boven-., dien op zware straffen „acn handen des raits van der stadtquot; moest beloven, de in hot stuk vervatte voorschriften te houden - Duidelijk spreekt uit deze bepalingen de overtuiging , dat de raad de opperste macht had in de stad, zelfs bij de rechtspraak. Reeds in de voorgaande bladen vestigde ik de aandacht op een raadsbesluit, waaruit dit denkbeeld in een nog sterker voorbeeld bleek: de raad vermat zich den schepenen tc verbieden, recht te doen in eene zaak, die vroeger door partijen aan arbiters was opgedragen \'\'), en dat nog wol terwijl het geschil liep over een huis in de stad en dus behoorde tot het aan de schepenen bepaaldelijk gereserveerde rechtsgebied. Niet alleen nam de raad hier dus de arbitrage in civile zaken tegenover de rechtspraak in bescherming , doch hij matigde zich gezag aan over do schepenen, machtigde hen, in een bepaald geval te handelen in strijd met hunnen eed aan den bisschop en met hunnen plicht, die hen bevalen, recht te doen tusschen partijen op klacht van eene van haar. Met zulke beschouwingen is het geheel in overeenstemming, dat de schepenbank, die vroeger „der stat

1) R. v. U. 11 p. 282 S 15.

2) R. v. U. I p. 388 Nquot;. V, — vgl. echter II p. 209: „Wil hem yemant mit overdrachten van den rade verantwoerden of behelpen, dat mogen sy soeken voor den rade, daer sy dat sculdich siin te soeken.quot;

3) Roese. CCXL1V.

4) Raads dag. boek. Woensd. na Leb. 1462: „Ende binnen dezer tyt zei men voer den scepenen ghene rechtvorderinge Uiten gheschien van den hn/e voerseyt, daervan tgheblijf ruert.quot; (Zie hiervoor p. 89 Noot 2.)

-ocr page 312-

2C)2

gherechtequot; heet, hiter dien naam verliest en „der scepen ghe-rechtequot; genoemd wordt \'): de vertegenwoordiger der „stadquot; is altijd de raad, terwijl de schepenbank niet meer als de stedelijke rechtbank bij uitnemendheid optreden mag. De schepenen stonden dan ook onder zeker toezicht van het opperste gezag: bij plichtverzuim betaalden zij „koerenquot;, zoowel aan den raad als aan de gemeene gilden

Doch niet alleen in het houden van de schepenen tot hunnen plicht uitte zich het toezicht van den raad op hunne rechtspraak. Een paar merkwaardige raadsbesluiten zullen bewijzen, dat de raad nu en dan inderdaad krachtig ingreep, waar hij meende, dat dit in het belang der rechtspraak noodig was, zelfs wanneer de schepenen volkomen hunnen plicht deden. Het optreden van den raad in deze gevallen herinnert aan dat van den praetor te Rome , die het onbuigzame overgeleverde recht in de praktijk wijzigde door om billijkheidsredenen („redelichcytquot;) de actie in bepaalde zaken te weigeren *).

Het eerste door mij bedoelde besluit van raad oud en nieuw vinden wij in onze rechtsboeken zeiven ^), Het is van 1394 en bepaalt, dat, wanneer een huis en hofstede binnen Utrecht fideicommissair (door eene „makinghequot;) verbonden was, de tijdelijke bezitter wel onbebouwde gedeelten van den tot de hofstede behoorenden grond, volgens de gewoonte dier dagen, tegen eenc grondrente in erfpacht mocht uitgeven, om ze met houten huizen te bebouwen. In de plaats van het perceeltje grond trad dan de grondrente in het hdeicommissaire „verbantquot;; de opstal echter vererfde en was verhandelbaar als ander goed volgens het gemeene recht. De raad past hier den ook elders voorkomenden rechtsregel toe, dat houten huizen („ghetymmertquot;) roerend goed waren r\'), en hij doet dit blijkbaar in het belang van het verkeer, dat natuurlijk te Utrecht evenals elders het versnipperen der g-roote perceelen van den bij de steenen huizen behoorenden grond, in kleine woonhuizen eischte, — een eisch , die wegens het veelvuldig voorkomen van fideicommissen

1) R. v. U. 1 p. 9 Noot 1.

2) L. A. XXI. 1. —- Roesc. LXVI. 2, 3. R. v. U. II p. 261 ^ t—4. — p. 280 § 9.

3) Vgl. het gezegde hiervoor p. 163.

4) Roese. LXXXVI. 1.

5) R. v. U. II p. 127.— Houten huizen waren geen „ouderve.quot; Vgl. hiermede: I.. A. XXVI. 1.

6) Zie het Scepen eb oeck passim.

-ocr page 313-

niet tot zijn recht komen kon. Aan het uitgevaardigde besluit voegde de raad echter eene bepaling toe, die merkwaardig is: men mocht de bedoelde erfpachts-contracten niet sluiten dan ten overstaan van den raad. Niets anders kan dit beteekenen dan dit: dc schepenbank zou volgens de bepalingen van het fideicommis naar streng recht de door den fideicommissairen bezitter geslotene pachtcontracten niet mogen erkennen ; verpachter en pachter moesten dus denkelijk bij aanspraak van de zijde der fideicommissaire erfgenamen „dat soeken voor den rade \')quot; en de raeid zou dan recht doen volgens de contracten, „die voir hem ghesciet warenquot;.

Een tweede geval vinden wij in het Raads dagelijksche boek van 1478 Lange jaren g^eledcn was een Utrechtsch burger overleden. Er was door de erfgenamen een „vertichtbriefquot;*1opgemaakt, ten bewijze, dat zij na boedelscheiding over en weder van hunne rechten „vertegenquot; hadden; naar het schijnt had evenwel de scheiding niet werkelijk plaatsgehad. De brief was in handen gekomen van een echtpaar, dat bij de zaak groot belang blijkt gehad te hebben, doch dat later van hare rechten had afstand gedaan door het vernietigen van den brief, naar het schijnt overtuigd, dat de akte slechts fictief was geweest. Eene dochter uit dit huwelijk, zekere A, schijnt nu echter — wellicht ter goeder trouw bewerende, dat de brief verloren of bij ongeluk vernietigd was, zooals in die dagen dikwijls voorkwam, — van de schepenbank een duplicaat verzocht en verkregen te hebben volgens de minuut in het schepenboek; en zij pandde nu daarmede „aen zekere husinge ende hofstede binnen der stadt, ende aen alle recht, dat B (de boedelharder) daeraen haddequot;. De zaak gelukte; A werd door de schepenbank aan het huis ,,gheëygentquot;. Ncituurlijk, want B kon de panding niet volgens het wettelijk voorschrift „uutdoen mit scepen-quytancien off quytsceldingen, die in steden van recht ghesciet warenquot;; noch „stonde opter plechten bescreven, dat die scult betaelt wair quot;).quot; A moest dus volgens het formeele recht in het gelijk gesteld worden. Toen kwam raad oud en nieuw tusschen beiden en beval krachtens zijn recht van toezicht op de schepenbank: „dat men A

1

R. v. U. II p. 209.

-ocr page 314-

2 94

tot ghenen tyden ghenen nywen vertichtbrief geven en sc:ll uut dor seepenen boick, want die rait ter waerheyt bevonden heeft, dat A\'s vader ende moeder die vertichtbrieve zelve gheschoert hebben by horen levenden livequot;. Reeds dit was oen vrij kras optreden van den raad teg\'en de schepenbank in het belang der „redelicheytquot;. Men overwoog, dat A\'s ouders blijkbaar hun recht hadden willen opgeven, en dat het dus — al had A , in het bezit van het duplicaat van den vernietigden brief, naar streng recht gelijk, — onbillijk was, haar in dat recht te handhaven. Zij werd dus in het ongelijk gesteld; blijkbaar werd de quaestieuse schepenbrief vernietigd. Vijf jaren verliepen; B bleef in het rustig bezit van zijn huis. Doch toen trad A. weder op: zij was eenmaal „gheëygentquot; aan het huis, en, al had zij B, „diet offg-eëygent was, in den ge-eyg\'enden goede; (laten) sitten ende dat goet gebruken ende den pacht off huer dairoff boeren, onbecroent van \'hoer), diet aengeëygent (was \') jquot;, daarmede was haar recht volgens het Scepenrecht niet vervallen. Zij verscheen dus opnieuw voor dc schepenbank en sprak B weder aan; zij heeft „ruminge geboden an der hu singe ende hofstede, ende die hoer laten leveren van der heerlicheyt wegen . . . na innehout der eygen-scapquot;. Alweder dus hetzelfde bezwaar: de raad had verboden, nieuwe schepenbrieven aan A te geven, en den eens g\'ege-venen gewis doen vernietigen; doch daarmede was dc zaak niet uit. A had eenmaal formeel recht gekregen door de „eygenscapquot;: dc schepenbank kou dus niet weigeren met die „eygenscapquot; te „ rumenquot;. Opnieuw kwam nu raad oud en nieuw tusschen beiden. Ditmaal was het college blijkbaar zeer met de zaak verlegen: was het vorige vonnis bijna twee jaar na de „eygenscapquot; geveld, thans verliepen er vijf volle jaren, eer de uitspraak volgde. Doch eindelijk nam de raad toch eene beslissing en wel in denzelfden geest als vroeger: hij „sleetquot;, „dat die eygenscappen ende zulke rechtvorderinge, voer ende na der slitinge (nam. het eerste raadsvonnis) gheschiet, van gheenre weerden wezen en zullen.quot; „Ende hebben zy (nam. partijen)quot;, dus gaat het vonnis voort, „op malcanderen yet te zecgene, dairvan moigen zy malcanderen bespreken mit rechte, daar zy winnen wanenquot;. Dus ook thans stapte de raad over

i) Scepenrecht. lil. i.

-ocr page 315-

liet formeele bezwaar hoen, en verklaarde daartoe do in alle vormen gedane „eygonscapquot; eenvoudig nietigquot;, omdat zij in easu met do billijkheid streed. Wilde A tegen B over do quaestieuse zaak opnieuw procedeeren , dat stond haar vrij; de raad verwees haar weder naar „don roehtequot;, de schepenbank. Doch dit geschiedde niet dan nadat B restitutio in integrum had verkregen: met do bedoelde „eygenscapquot; mocht A geen recht meer vorderen

Een derde niet minder ingrijpend besluit van raad oud en nieuw vinden wij in het Raads dagelijksch boek van 1481 -): „A uut den nywen raide ende B uut den ouden raide zyn geschiet van die scopenen-recht te houden, als die maerscalc plecht te rechten, ende van recht te houden des Saterdages van uutheymschen luden, eds die schout in der weke niet-\' ommegeg\'aen en li(;eftquot;. Ook hier weder komt de raad te gemoet aan twoo bezwaren. die de overgeleverde rechtsgewoonten aan eene gewenschte afdoening der zaken in den weg legden. Het eerste bezwaar is ons reeds bekend; de maarschalken waren gewoon, de door hen ten platten lande gevangene misdadigers voor schepenen in eene der steden van het .Sticht te recht te stellen 1). Werd de terechtzitting door de Utrechtsche. schepenen gehouden, dan kon er natuurlijk op dien dag geen schepenrecht gehouden worden. Het tweede bezwaar gold iets anders. Burgers van Utrecht mochten „uut-heomsche hidequot;, die geene burgers waren, door den schoutenknecht doen „besettenquot; (arresteeren) binnen de stad\'2). Was de „besettequot; persoon „vellichquot;, dan werd ..den aensproker gewesen te panden aen des besetten persoens goot bynnen Utrechtquot;. Dit geschiedde natuurlijk op den omgang. Daarna dood de „aensprokerquot; op de Zaterdagsche terechtzitting eon eed, „sijn scout recht te wesenquot;, en er werd „geëyg\'ont Wanneer nu schout en schepenen eene week lang verhinderd waren geweest ,.oin te gaenquot;, dan bleef ook de Zaterdagsche terechtzitting-

1

Zie hiervoor p. 15.

2

Vgl. hiermede het hierna p. 3gezegde over een vonnis der schepenbank van 1447. (Scepeneboeck. Nquot;. XC.)

-ocr page 316-

2y6

achterwege, en de „besettequot; buitenlieden leden schade. Aan beide belemmeringen trachtte nu de raad in 1481 te gemoet te komen, en hij deed dit op cene hoogst eigenaardige wijze. Hij beval niet aan de schepenen om in weerwil der besprokene bezwaren toch te recht te gaan zitten; doch hij nam een veel krasseren maatregel en benoemde eenvoudig vier leden uit zijn midden, om de tijdelijk ledigstaande plaatsen der schepenen in te nemen. Het schepenrecht werd derhalve voortaan in zulke gevallen door cene raadscommissie gehouden, en de rechtspraak „van besettingequot; onafhankelijk gemaakt van den wekelijkschen omgang, die er naar het strenge recht aan moest voorafgaan. Of de maatregel op den duur van kracht bleef, bleek mij niet; doch bij do Cortinge van 1508, die vele onderwerpen van hot schepenrecht opnieuw regelde en de procedure vereenvoudigde, werd althans een der beide bezwaren weggenomen. De Zaterdagsche rechtdag bleef ook toen van den omgang onafhankelijk; schepenen moesten alle Zaterdagen te recht zitten, al was er geen omgang geweest, en in overeenstemming daarmede werden de vormen van het „besettenquot; nog vereenvoudigd \').

1) k. v. u. 11. p. 298, 299. § 15, 19.

-ocr page 317-

HOOFDSTUK VI.

Gebied van het Utrechtsche recht.

§ I. TER KI TORI ALE UITHREIUING VAN HET UTRKCHTSCHE RECHT. DE STADSVRJjHEID.

Wij weten thans, over welke onderwerpen de drie Utrechtsche rechtbanken bevoegd waren recht te doen. Doch de vraag bleef nog onbesproken, hoever hare bevoegdheid zich uitstrekte met betrekking tot het grondgebied, waarover zij rechtsgebied bezaten, en tot de personen, over wie zij rechtspreken mochten. Met voordacht heb ik de beantwoording dezer vragen voor een afzonderlijk hoofdstuk bewaard, zoowel omdat zij gelijkelijk betrekking hebben op alle besprokene rechtbanken, als omdat zich daarbij verschillende quaestiën voordoen, die het best in onderling verband behandeld worden.

In het algemeen kan men zeggen, dat het grondgebied van het Utrechtsche stadsrecht begrensd werd door den stadsmuur en dat het van toepassing was op alle Utrechtsche burgers. Doch daartoe beperkte bet stadsrecht zich niet: in beide opzichten greep het om zich heen en breidde zich langzamerhand uit buiten zijne oorspronkelijke grenzen.

Het vroegste spoor, dat wij van usurpatiën in dezen zin vinden, is het protectoraat, dat de stad Utrecht oefende over het grondgebied, gelegen „binnen der milequot; rondom de stad. Reeds in 1262, bij een verbond met de stad Keulen, nam het stedelijk bestuur op zich, de Keulsche kooplieden te beschermen binnen de stad „vel infra (xeyne et Marsin,

-ocr page 318-

21)8

aut infra Marsin et Traiectum Het hier bedoelde gebied wordt in latere tijden anders omschreven: het heet ook ;,tus-schcn der Vaert ende Maersen -)quot; of wel „binnen den boom op die Vaert, binnen den boem tot Maersen, tot Zeyst, tot Gheyn Doch het is steeds hetzelfde terrein, dat zich aan allo zijden ongfevrecr even verre buiten do stad uitstrekt \') en daarom gewoonlijk aangeduid wordt als „binnen der mile van der stadt r\')quot;. De oudste omschrijving leert ons reeds, dat het de noodzakelijkheid om haren destijds levendigen handel te beschermen, was, die de stad dwong\', zich met dit toezicht te belasten; immers Het Gein en Maarsen waren de beide plaatsen van belang, die een schip, den gewonen handelsweg (uit de Lek door don Yssel en den in de 121-\' eeuw gegraven Vaartschen Rijn naar de Vecht) volgende, het laatst voor en het eerst na de stad Utrecht ontmoette. De latere vermelding van De Vaart (Vreeswijk) in plaats van Het Gein is natuurlijk; toen de Vaartsche Rijn in het laatst der 13° eeuw tot Vreeswijk ver-lengd werd, verplaatste zich de handelsbeweging van zelve uit Het Gein allengs daarheen.

Het verdient opmerking, dat, naar wij uit oone dor boven aangehaalde plaatsen mogen afleiden, de stad Utrecht den waterweg te Vreeswijk en Maarsen (vóór 1432) door oenen boom had laten afsluiten. Het doel, dat zij daarmede beoogde, is niet. moeielijk te raden; immers wij weten uit tal van plaatsen, dat zij aan haren plicht, om den handel binnen het bedoelde terrein te beschermen, het recht meende te mogen ontleenen, om inkomende rechten („sijsquot;) te heffen van alle aan hare burgers toebehoorende waren, die binnen de mijl kwamen quot;)• Het binnen deze grens gelegene gebied werd in dit opzicht geheel gelijk gesteld met do stad zelve, — een begin-

1

Charter v. vig. Omn. Sanctor. 1262. (Stads-arch.)

-ocr page 319-

sol, dat zóó consequent werd toegepast, dat b. v. do viscli, die „binnen der milequot; gevangen en in de stad gebracht werd, geen sijs betaalde \'), blijkbaar omdat men aannam, dat er geen invoer binnen het stedelijk gebied plaats had.

De plicht om het terrein, dat ,,binnen der mik;quot; lag, veilig te houden, zal de stad Utrecht denkelijk ook in de noodzakelijkheid gebracht hebben, om de aldaar gepleegde misdaden te straffen en om misdadigers buiten dit gebied te houden. Inderdaad lieten doodslagen, binnen do bedoelde grenzen gepleegd, de stad niet onverschillig. Reeds bisschop Guy klaagde, dat de stad „alrehande broke, die buten hoer stat ghevallen, aen hoer treckt ende berecht, dat der herlikeheyde toebehoort Waren de daders geene burgers, dan strafte de raad hen wel niet, maar hij verbood hun toch om binnen de stad te komen Ten einde de „milequot; van misdadigers te zuiveren, nam de raad bovendien een maatregel, die wel practisch, doch uit het oogpunt van recht bedenkelijk was; in hare banvonnissen laschte zij de bepaling in, dat de banneling niet komen mocht „binnen der mile \')quot;. Dit verbod was algemeen en gold voor allen, die misdrijven gepleegd hadden, zelfs voor niet-burgers: in 1364 bepaalde men, dat „yemant, die lijf of lit verboert hadde of die de stat verboden waer, een mile van der stat wezen zei, al waer daer ghene mile ghenoemt r\')quot;. Ook op de overtreders der stadskeuren was dezelfde bepaling toepasselijk: het Liber albus zegt; „De kyest uut der stat te varen van coeren, de en sel nyet naerre comen dan ene mile van der stat quot;)quot;. Hisschop (juy klaagde over dergelijke uitbreiding van het verbanningsrecht reeds in zijne vroeger vermelde memorie. „Itemquot;, zoo zegt hij, „dat si lude hoer stat verdriven ende des lant.s van. Utrecht buten den here, dat si bi rechte niet doen en moghen 1)quot;, en nog Karei V achtte het noodig in zijn regeeringsreglement te bepalen, „dat die van den gerechte nyet verder bannen en

1

Zie hiervoor p. 37. — Somtijds ging men nog verder \' op Corsavondt 1426 werd afgekondigd: „Die raat van der stat waernt alle diegene, die onse stat verboden is, dat sij binnen den palen, hetsy voel milen, luttel milen , een mile of anders naere onser stat niet en comen in eniger wijs, dan hem geset is mitter doeken.quot; (Buurspraakb. 1. e.)

-ocr page 320-

3 00

zullen dan vuyter stadt van Vuytrecht ende vryheit \\\'aii dien 1)quot;.

Nng zijn er tal van feiten, die bewijzen, dat de raad zich een zeker niet juist te omschrijven gezag-2) over de omgeving der stad „binnen der milequot; aanmatigde *); maar wellicht zal men meenen, dat dit gezag of recht van toezicht, in het belang van den handel opg-evat, zich toch wel nooit heeft uitgebreid tot datgene, waarom hot ons hier te doen is: het berechten der bewoners van dit gebied ? Die dit mocht beweren, zou zich verg-isson; de raad heeft zich de rechtspraak over deze personen bepaaldelijk en in duidelijke woorden aangematigd: op Donredach nae Meydach i4g6 zijn „out raet ende nye overcomen, dat men voertaen zei moegen bieden voer den raet ende oudermanne tot op die mile rontomme gaende der stat van Utrecht ■3)quot;. En hoewel deze aanmatiging hier als iets nieuws wordt voorgesteld, dagteekent zij denkelijk van veel oudere tijden; immers het is waarschijnlijk geen toeval, dat reeds in i.sgo bij het tarief voor het dagvaarden voor raad en oudermannen door de „laghe knapenquot; het hoogste bedrag was vastgesteld voor het bieden van personen, die op eene mijl afstands van de stad woonden 4).

Veel nauwer was de band, die de bewoners van een ander, kleiner terrein aan de stad Utrecht bond. Rondom den stadsmuur , voornamelijk voor elk der vier poorten, hadden zich langzamerhand groepen van landlieden neergezet. Deze lieden stonden onder hunne schouten en buurraden, die met do lagere rechtspraak belast waren, terwijl zij voor het hooge gerecht vroeger denkelijk onder den graaf van Utrecht behoorden.

1

K. v. U. II p. 357 g 5.

2

Vgl. over den zin van het „siin in der stat bescornienessequot;: L. A. CI1. i; he. sloot zeker toezicht in.

3

Er zijn meer sporen van het gezag der stad Utrecht „binnen der milequot; van de stad. /00 wees de raad in 1409 (Raads dag. boek. Vrid. na Judica 1409) vonnis tusschen eenige „bueren ende lantghenoten lipten Oostvcenquot; „van sulken kroen ende vervolch alse sy gedaen hebben voer onsen rade, dat die een den anderen te na greven in horen venen.quot; Zie ook: Roese. CCLIII. 1. In 1385 (Buurspr. boek. Woensd. na St. Marc. Ev. 1385) verbood de raad, boomen om te houwen „tot Oestbroec.quot; —- In 1432 (Roese. CXI) regelde de raad de wijze van verkoop van hout, met schepen „binnen zynre mijlen na der statquot; aangevoerd. -- Nieuwe bisschoppen werden door het platte land gehuldigd te

Zeist, „milliare ab Ultrajecto.....quia in urbibus nullum imperium nullumque jus

habebant praeter jus dicendi praetorem.quot; (Hortensius, Res Ultrajectinae. p. 17.)

4

Roese. L. 3, — LIL 2.

-ocr page 321-

30]

De buurten of dorpjes, door deze personen gevormd, schenen bestemd, om bij eene eventueele uitlegging- der stad Utrecht door haar verzwolgen te worden. IDe stad hoeft daartoe de gelegenheid steeds gemist; doch niettemin gedroeg zij zich bij voorbaat, alsof de annexatie reeds geschied was en de bewoners hare onderdanen waren.

Hoe en wanneer het proces zich ontwikkeld heeft, blijkt niet duidelijk; maar zeker is het, dat de stad Utrecht tegenover de bewoners dezer buurten niet alleen eene beschermende houding aannam (zooals zij dat in het algemeen deed tegenover alle personen, die „binnen der milequot; woonden), maar zeer bepaald haar rechtsgebied over hen uitstrekte. Dat de raad zich, toen hij eenmaal het hooge gerecht binnen de stad veroverd had, langzamerhand ook dat in de zeker van ouds met de stad onder éénen bloedban vereenigde gerechten aanmatigde, kan ons niet verwonderen. Ten tijde van het Liber albus (1340) had de raad het zoover nog- niet gebracht \'); doch later (zeker wel vóór 1435 -)) stonden de inwoners der buitengerechten in crimineele zaken voor den raad terecht, evenals de burgers der stad ^). 1 let vredebieden in de buitengerechten was den schout en buurraden slechts geoorloofd, als geen lid van den raad der stad tegenwoordig was \'). Vreemder schijnt liet, dat de inwoners ook in civilibus voor den raad en zelis voor de oudermannen te recht stonden !i). Wij weten over dit onderwerp te weinig, om de zaak goed te begrijpen; doch het verschijnsel is in overeenstemming met hot zooeven vermelde feit, dat men gewoon was voor raad en oudermannen te bieden „binnen der mile quot;)quot;.

1) L. A. LXII. 1. („uutgheset dat aen liif of aen lit gaet.quot;)

2) cf. Roese. CCIII. t.

3) R. v. U. II p. 379. (XXI. § 1.) - Correctioneele zaken schijnen de buurge-rechten nog in 1367 /.elven behandeld te hebben, evenwel met appèl op den raad. (L. H. XVII. 1.)

4) L. A. LXII. 2.

5) R. v. U. II p. 301 § 26 , - II p. 379. (XXI § 1.) — cf. Roese. L. 3. — Wellicht slaat daarop de klacht van bisschop Fred. v. Blankenheim van 1412 over „dat gebreck , dat mijn here aan der stat heefft als van den graseborgers.quot; (Klacht v. bissch. Fred. v. BI. , in; Divers. Frid. de BI. pr. fol. 82 vlg.) „Grasbürgerquot; zijn de bewoners der bnitenge-rechten. (Gcngler, Stadtrechts-alterth. p. 75.)

6) Zie hiervoor p. 300. Ken eigenaardig staaltje van het groote gezag, dat de raad in de buitengerechten oefende, levert ons het Raads dagelijksche boek van 1477 (Vryd. na Joh. ante port. Lat., Manend, na Bel. Pinxt., Manend, na Sacr.) De raad beval toen de buurraden in Tolsteeg, „recht te houden mit hoeren schout ende ouden

-ocr page 322-

302

In één opzicht was de verhouding van de stad tot de bewoners der bedoelde gerechten geheel verschillend van die, waarin de personen, die „binnen dor milequot; woonden, tot haar stonden. Bisschop (ruy klaagde in zijne meermalen vermelde memorie; „dat si gherechtcn , die buten hoerren muren legghen, aen hem trecken, daer si gheen recht aen en hebben, noch dat binnen hoerre vriheydc oc niet en es De klacht schijnt op iets anders en iets meer te duiden dan de gewone aanmatiging van rechtsgebied. En inderdaad: wij merken op, dat de stad bepaaldelijk de rechtbanken van de buurten buiten hare poorten aan zich onderwierp, hare eigene rechtspraak daarboven verhief. Duidelijk blijkt dit streven uit de geheel eigenaardige positie, die de schepenbank tegenover de bedoelde lagere rechtbanken innam. Dat de raad als vertegenwoordiger dor stad (van de oudermannon, die steeds gelijken tred met hot raadsrecht houden, g-eldt hetzelfde) zijn rechtsgebied zich vergrooten zag, zoodra de stad haar gebied uitbreidde, spreekt van zelf. Doch met de schepenbank was het niet alzoo: zij was niet meer „der stat gherechte maar eeno rechtbank met bepaald omschreven gebied. Of de stad haren invloed buiten de muren uitbreidde, was voor haar onverschillig : de inwoners dor gerechten buiten de stad hadden hunne eigene schouten, voor wie zij, zooals wij zagen, in civilibus „justiciabelquot; waren *). De schepenbank stond dus in rang goelijk mot deze rechtbanken, die in haren kring dezelfde plaats innamen \'\'), ongeveer dezelfde zaken berechtten als do schepenen binnen den stadsmuur. Zeer merkwaardig mag hot dus heeten, dat desniettegenstaande do Utrechtsche schepenbank in sommige opzichten boven haar blijkt gestaan te hebben. Er was appèl van do door de lage gerechten gewezene vonnissen op die bank quot;\'), en de door deze in appèl gewezene

clerck dyt verboeren van ro ft.quot; Zij weigerden echter, („hebbent versmaitt.quot;) De raad „sleetquot; nu, dat de „ongehoirsumc buerraden der stadt te beteringe geven\'\' zouden elk 5 hadden zij iets tegen hun klerk , „daervan zeilen zy hem bespreken mit reehte dair zy winnen wanen. Na herhaling van het bevel 0111 „recht te houden \'■ volgde dan ook de aanklacht van den klerk door de buurraden voor den raad.

1) Zie hiervoor p. 37.

2) R. v. U. I p. 9 Noot 1.

3) R. v. U. 11 p. 379. (XXI ^ 1.)

4) De schout der stad moest dan ook evenals die der buitengerechten zijne aanstelling aan den raad vertoonen. (R. v. U. 11 p. 289 ?i 35, 36.)

5) R. v. U. II p. 283. (Scepenr. XIV. 17.) Zie vele voorbeelden van vonnissen , in appèl

-ocr page 323-

Jlt;J3

vonnissen waren uitvoerbaar binnen het gebied der bedoelde gerechten. Nog meer: het Utrechtsche schepenrecht was het recht, volgens hetwelk ook daar de rechters rechtspraken, totdat in 1533 het recht van het platte land „by provisiequot; weder het hunne werd \').

Nog- in een ander opzicht waren de rechtbanken dor buitengerechten aan de Utrechtsche schepenbank onderworpen: zij mochten panden, doch hunne bevoegdheid ging niet zoover, dat zij den schuldenaar konden „panden aen sijn lijffquot; (d. i. gevangennemen); was de zaak zoover gekomen, dan moesten zij „dat aenbrengen voir den scoute ende scepen bynnen Utrechtquot;, die dan krachtens het door de buurraden gewezen vonnis den. schuldenaar door den schepenbode deden „aen-tasten Bij verzet van den schuldenaar was evenwel de, schepenbank op hare beurt onbevoegd: denkelijk oordeelde men, dat gevangenneming van een persoon met geweld eene crimi-neele zaak was, die het hooge gerecht aanging; althans de ambtenaren van den raad („der stat leghe dienresquot;) moesten tusschen beiden komen en den schuldige „leggen ende vangen :1),quot; hetzij hij zich bevond binnen den stadsmuur of „binnen der stat vryheitquot;.

Wat de vrijwillige rechtspraak betreft waren de gerechten buiten de poorten in eene eenigszins onzekere positie. Overdracht van vast goed, in deze gerechten gelegen , geschiedde voor schout en buurraden; doch de overdracht werd soms herhaald voor de Utrechtsche schepenbank. Zoo werd eene rente uit eene hofstede van het St. Aechten-gasthuis te Utrecht, gelegen „onder de liindrayers bi Utrechtquot; (d. i. buiten de Catharijne-poort), in 1350 door het gasthuis gevestig\'d „voer den scoute ende bueren in den gherechte van den Lintpade ende voert voer den scoute ende scepene tUtrecht int gherechtequot;. En toen het gasthuis in 1401 de rente afloste, „brochten scoute ende buere onder de liindrayers bi Utrecht anc mitten rechte, ahe zi sculdicti \'varen te doeii\\ aan de Utrechtsche schepenbank, dat de rente (krachtens machtiging van den rentheffer, om „den vryen

gewezen, in Der scepene boeek. Van de vonnissen in eorreetioneele zaken ging het appèl aan den raad (zie hiervoor p. 301 Noot 3), natuurlijk omdat dergelijke zaken ook binnen de stad lot \'s raads rechtsgebied behoorden.

1) V. d. Water, Place. III p. 338.

2) R. v. U. II p. 240 28.

3) Roese. CCXI,IV. 5.

-ocr page 324-

304

eyghendom daerof te geven in den gherechte, dtier die hofstede gheleghen isquot;) voor hunne bank aan het gasthuis was overgedragen , waarop dc gemachtigden van partijen voor de schepen-bank te Utrecht traden „ende belyeden, dat zi dese ghifte ende verticht voer den scoute ende bueren in den gherechte van den Liinpade ghedaen haddenquot;, zooals schout en buurraden verklaard hadden; daarop „ghaven ende verteghen si daerof mede in alle dierzelver manyeren tot scepenen antwoerde

Ook tegenover de schepenbank bevonden zich derhalve de bestuurders der gerechten buiten de poorten in eene min of meer afhankelijke positie. Er bleef evenwel een groot onderscheid bestaan tusschen hunne verhouding tegenover de schepenbank en tegenover den raad: de eerste kon nooit in eerste instantie direct kennis nemen van zaken tegen inwoners der bedoelde gerechten \'1), doch alleen op „aenbrengenquot; van het gerecht of bij appèl.

In volkomen dezelfde positie als de hierboven bedoelde g-e-rechten bevonden zich eenige andere lage rechtbanken, die binnen de stad zelve gelegen waren. Alen vond er te Utrecht verscheidene quot;): elk kapittel had zijn „dagelyx. gerecht\'\', de .St. Paulus-abdij had zijnen schout, dc burggraaf zat te/echt in zijn gerecht onder de Zoutmarkt, de thinsheerlijkheid van den Omloop was een afzonderlijk gebied enz. Gelukkiger dan bij de gerechten buiten de poorten zijn wij hier in staat om de oorspronkelijke bevoegdheden dezer rechtbanken met zekerheid aan te wijzen. Althans over ééne daarvan bezitten wij oen onwraakbaar getuigenis. Bisschop Jan Van Diest verklaarde in 1,330 quot;) op de plechtigste wijze ten behoeve van het kapittel van St. Pieter, „quod jurisdictio temporalis cotidiana, vulga-riter dicta daghelyx gherechte, sita (etc. volgt de omschrijving), pleno jure pertinet ad ecclesiam beati Petriquot;. „Per quam juris-dictionemquot;, dus gaat de bisschop voort, „per informationem universalis ecclesiae nostrae et fidelium nostrorum intelligimus

1

Eene uitzondering maakt het «geval (bedoeld; R. v. U. I p. 403 ** 13, cf. II p. 240 ^ 27), dat oen bewoner van een buitengerecht eenc plecht voor schepenen gepasseerd had; hij werd dan natuurlijk ook voor die bank aangesproken.

-ocr page 325-

305

omnem jurisdictioncm ct cohercitionem citra membn mutilatio-nem ef mortem homini inferendamquot;. Derhalve deze gerechten bezaten de civile rechtspraak \') en de crimincele, belitdve die „aan lijf en lidquot; ging-(dus de lagere strafzaken, die aan huid en haar gingen).

Reeds uit deze verklaring van bisschop Jan Van Diest cn het daaraan toegevoegde verbod aan den schout van Utrecht („en andere onderdanenquot;, staat er fatsoenshalve bij!) om liet kapittel in deze rechtspraak te verhinderen, blijkt, dat de strijd met de stad ook hier ontbrand was. En inderdaad, reeds in de klacht van bisschop Guy, die zeker nog iets ouder is, ontmoeten wij het verwijt: „Item dat si verboden hebben, dat men gheen ordele heropen en moet in der heren gherechte, de in der stat gheleghen sijn, dan voer hen.quot; Pin nog- in de tweede klacht van bisschop Frederik Van lUankenheim, die eene eeuw jonger is (1417 ^), heet het, „dat die stat den ecclesiën hoeren dagelixschen gerichten lange tijt onbruyck gemaect heefftquot;. Wel beweerde de raad toen, dat hij in dezen niets berispelijks gedaan had, maar hij erkende toch, zich met de zaak bemoeid te hebben: „omdat die raetsach grote verschal-kinge ende bedriechgenisse der hide, soe heeft die raet een overdracht daerop gemaect op hoeren borgeren ende onder-saten om grote nutschap des gemeensquot;.

Waarin deze overdrachtquot; bestaan heeft, is mij niet gebleken; doch de resultaten van \'s raads bemoeiing met de „daghelixe gherechten binnen Utrechtquot; zijn, duidelijk. Dat de raad de crimineele rechtspraak binnen deze gerechten verkreeg, blijkt voldoende uit een raadsbesluit van 1435\'\'), waarbij zelfs beslag gelegd wordt op de steenboeten, die verbeurd worden bij vonnissen, door deze rechtbanken zeiven gewezen wegens vechterij tusschen twee inwoners van het betrokkene gerecht. Sterker kan het wel niet gezegd worden, dat de bedoelde rechtbanken absoluut geen crimineel rechtsgebied meer bezaten: immers wij weten, dat do steenboeten bij hetzelfde vonnis als de vechtkeuren verbeurd werden1quot;\') en

20

1

Dit blijkt ook duidelijk uit : L. A. XCV. 5.

-ocr page 326-

306

dus wel door den lageren rechter moesten opgelegd worden.

Ook wat de civile rechtspraak betreft, vinden wij in deze gerechten volkomen denzelfden toestand als in de buiten-gerechten. In het begin der i4c eeuw matigde de stad zich, naar wij vernamen, aan , in appèl te rechten van de door de plaatselijke rechtbanken gewezene vonnissen \'), en in 1330 hoorden wij, dat den schout van Utrecht verboden wordt, zich te „intromitterequot; in do rechtspraak. — Dit alles is vrij onbepaald, doch in het Liber albus 1) (1340) lezen wij een besluit, dat zeer duidelijk is en zeker de civile rechtspraak betreft; de raad kent daarbij den schout van Utrecht het recht toe om , wanneer eenen burger door eenen schout in een dagelijksch gerecht ?\') binnen de stad „rechts geweyghertquot; wordt en de burger dat „claghede ende aenbrochtequot; bij schout en schepenen, in deze zaak recht te spreken; de raad belooft zelfs den schout en schepenen en den klagenden burger te zullen handhaven en „voer te staenquot;, wanneer iemand (lees: de ambachtsheer of de bisschop) hun deswege lastig valt.

Wat eindelijk de vrijwillige rechtspraak betreft, wij bezitten een brief van 1487 \'\'), waarin geheel op dezelfde wijze, ja met dezelfde woorden als die wij boven uit den brief betreffende het gerecht van het Lijnpad citeerden, een goed onder des burggraven gerecht onder de Zoutmarkt op „aen-brengenquot; van schout en thinsgenooten en op „belydingequot; van partijen wordt overgedragen voor de schepenbank. Een ander voorbeeld is ons bekend betreffende het dagelijksch gerecht van St. Pieter. Wij kennen daarvan een gerechtsbrief, houdende overdracht van een huis binnen den rechtsban g\'e-legen 2); schout en buren hadden dus in dit geval zoowel de bevoegdheid om te zitten over transporten van erven als de bekwaamheid om daarvan brieven op te maken fi). Maar toch

1

L. A. LXIV. i, bij vergissing herdrukt: R, v. U. 1 p. 404 Nn. 2.

2

Gedrukt: R. v. U. II p. 76. Zie verscheidene andere ongedrukte in het kapittelarchief van St. Pieter.

-ocr page 327-

307

treft ons ook bij dit voorbeeld de onzekere positie der lagere gerechten: het bedoelde huis werd aanvankelijk overgedragen voor den raad; de kooper beloofde daarbij deze overdracht tot meerdere zekerheid desgevorderd te hernieuwen voor de Utrechtsche schepenbank, en eerst later blijken partijen van gevoelen veranderd te zijn en aan de overdracht voor schout en buren van St. Pieter de voorkeur gegeven te hebben. Derhalve do dagelijksche gerechten misten het voorrecht, dat de Utrechtsche schepenbank bezat, namelijk dat men erf en eigen in hun gerechtsban alleen voor hen rechtsgeldig kon overdragen \').

Gaan wij de geheele ontwikkeling na, dan blijkt ons het volgende. De „vryheitquot; (immunitas) der stad Utrecht was oorspronkelijk beperkt tot het gebied binnen hare muren; bisschop Guy beweert in het begin der 14° eeuw, dat „die gherechten, die buten hoerren muren legghen, niet binnen hoerre vriheyde en siinquot;, en nog in het Liber albus (1340) wordt „der stat vry-f heytquot; (d. i. de eigenlijke stad) behoorlijk onderscheiden vanj „der stat bescermenessequot;. (d. i. de omgeving ■\')). Onder die „bescermehessequot; der stad behoorden blijkens hetzelfde rechtsboek o. a. de Weerd, het Lijnpad en Tolsteeg \'); waarschijnlijk werd daaronder echter ook begrepen het geheele gebied „binnen der milequot;, immers juist bescherming van de veiligheid des handels binnen dit g\'ebied was de band, die de stad Utrecht daarmede verbond. Tegen het laatst der 14° eeuw wordt nu echter de term „der stat vrihedequot; gebruikt voor een gebied buiten de stad. Men gevoelt, dat het verschil groot is: de immuniteit („vrihedequot;), oorspronkelijk alleen aan de stad zelve eigen, wordt nu uitgebreid over dit gebied, dat daardoor van zelf onder de stedelijke rechtbanken komt; immers juist het verleenen van immuniteit van de gewone rechters van het platte land was de oorsprong, de be-

held kunnen gemist hebben om gerechlsbrieven op le maken. In beide bovengemelde gevallen is althans sprake van een mondeling „aenbrengenquot; door de lagere reehtbanken.

1) Zie de opheffing van de gerechten der vijf kapittelen (en zeker ook wel van de St. Paulus-abdij); R. v. U. II p. 323 §2,3.

2) L. A. III. 19. Een vonnis van 1334 (Reg. Th. 1. fol. 4) zegt dan ook alleen: „ende Waer men vint binnen der stat vryhede (d. i. in de stad), dat men daerover rechten sonde.quot;

3) L. A. LX1I. 1. De band met de Weerd was echter nauwer dan die met de andere gerechten ; 1. c. 3.

4) 1. c. *5 1; „deghene, de in de Tollensteghe, in de Lynpade of anders in der slat bescermenesse woenen.quot;

-ocr page 328-

3O8

staansredcn dor stedelijke rechtbanken. Tot de „vrihede der statquot; buiten hare muren, onderscheiden van de eigenlijke stad, die wij het eerst in eene keur van 1365 of 1366 in het Liber albus \') („binnen der stat noch binnen der stat vrihedequot;) , daarna in eene keur van 1382 in het Liber hirsutus minor („die in der stat ofte in der stat vriheden woenaftich warequot; -)) en sedert herhaaldelijk •r) ontmoeten, behooren zonder tegenspraak de gerechten buiten de vier stadspoorten, laterals „de stads vrijheidquot; bij uitnemendheid bekend Bisschop Rudolf Van Diepholt erkende omstreeks 1450 op het toppunt zijner macht het recht der stad, om de inwoners van deze gerechten voor den raad terecht te stellen •\'). Doch naar het schijnt werd somtijds, althans in latere tijden, het geheele gebied „binnen der milequot; tot de stadsvrijheid gerekend. Wij weten toch, dat alle banvonnissen golden tot op eene mijl buiten de stad, zelfs al werd dit niet daarin vermeld0); en wanneer wij ons dit herinneren, kan het niet anders dan onze aandacht trekken, dat in 1498 de raad op éénen dag onmiddellijk onder elkander de vonnissen van twee dieven in het raadsboek liet inschrijven, waarvan do een verbannen werd „ewelyck uter stat ende s/af vryheytquot;, de ander „ewelyck uter stat endc een mile daervan 1)quot;. De conclusie schijnt te moeten luiden: de geheele „milequot; wordt hier als synonym met de stadsvrijheid beschouwd !i).

1

Raads dag. boek. Vryd. na Invoc. 1498.

-ocr page 329-

309

Het is niet te zeggen, waarheen deze pretensiën de stad Utrecht zouden gevoerd hebben, wanneer aan hare ontwikkeling geen hinderpaal in den weg ware gesteld. Doch Karei V maakte natuurlijk aan alle dergelijke aanmatigingen voor goed een einde. Het schepenrecht werd in 1533 voor de gerechten buiten de poorten vervangen door het opnieuw gecodificeerde landrecht \'). Wel werden in 1539 deze gerechten onder de jurisdictie der stad teruggebracht; doch eerst nadat de grenzen nauwkeurig bepaald waren, zoodat aan alle aanspraken op het terrein „binnen der milequot; een einde werd gemaakt \'1). Het regeeringsreglement van 1550 gaf aan die pretensiën den laatsten slag\' door zelfs het recht van bannen tot de in 1539 ingekorte stadsvrijheid te beperken ^). De keizer beroofde de stad echter niet van deze rechten zonder eenige compensatie; de schepenbank zou voortaan voor de bewoners van de „dagelyxe gerechtenquot; der kapittelen binnen de stad en van de lage rechtbanken buiten de poorten der stad eerste instantie zijn in concurrentie met de bestuurders dier gerechten zeiven 2). Langzamerhand heeft sedert dien tijd de stedelijke bank deze gerechtsbesturen tot zuiver administratieve lichamen verlaagd.

§ 2. RECHTSPRAAK OVER BURGERS EN NIET-DURGERS.

BUITENBURGERS.

Wij kennen nu het terrein, waarover het stadsrecht zich uitstrekte; doch daarmede is nog geenszins de vraag beantwoord, over welke personen, de stedelijke rechtbanken zich rechtsgebied toekenden. Wij behooren thans deze quaestie te onderzoeken. — De in de stad aanwezige personen werden verdeeld in: borgeren, ondersaten, inwoenres en gasten3). Ieder dezer vier categoriën bevond zich tegenover de stedelijke rechtbanken in eene eenigszins verschillende verhouding. Voordat wij een onderzoek omtrent deze verhouding instellen, moeten wij bepalen, welke personen tot elk der groepen behoorden.

1

Zie de uitspraak van Maria Van Hongarije , bij: V. d. Water, Placc. I p. 153.

2

R. v. U. II p. 323 S 2 - 3« — 379 ^ 1.

3

L. A. XLIII. 1. Do verdeeling blijkt uit het antwoord der stad op den eisch van bisschop Rudolf Van Diepholt, dat de schout mag laten „vangen dengenen, dair hem aen tvvivelt,quot; met uitzondering van „onse burgere, ondersaten oft* inwoenre.quot; (Antw. v. d. raad, in: Divers. Rod. d. D. pr. fol. CCXXXI1I.)

-ocr page 330-

3 »o

Burgers waren allen, die binnen de stad uit burgers geboren waren \') of het burgerrecht gekocht hadden ^). Men verloor het burgerrecht, of althans het tijdelijk genot daarvan, door vestiging buiten de stad :!) of door verbanning wegens onbetaalde schuld Dit gold voor de gewone burgers, die binnen den stadsmuur woonden; maar toch zou men zich vergissen, wanneer men meende, dat alle burgers inwoners der stad waren. Wij komen met deze opmerking tot de voor de goede verstandhouding met den bisschop zoo netelige quaestie der buitenburgers.

Wie de Utrechtsche rechtsboeken leest, krijgt den indruk, dat de raad er bizonder op gesteld was, dat alle burgers metter woon binnen de stad gevestigd waren. En inderdaad, hij had daarbij alle belang; immers de buiten wonenden deden niet den vollen dienst en droegen niet den vollen last. Herhaaldelijk wordt dan ook den burgers ingescherpt, dat zij zich binnen de stad moeten komen vestigen r\'); alleen voor de molenaars, die om hun bedrijf niet wel daar konden wonen, wordt, en nog wel onder zeker voorbehoud, eene uitzondering-gemaakt 0). Doch de belangen der geldkist verhinderden de stad Utrecht niet, om, wanneer de omstandigheden dit eischten, eene andere politiek te volgen: het blijkt onwedersprekelijk, dat zij althans in de eerste helft der 15° eeuw voortdurend buitenburgers in groeten getale aannam. De in de rechtsboeken zoo dikwijls herhaalde bevelen aan de buitenburgers, om binnen de muren te komen wonen, zijn dan ook te beschouwen als een terugkomen op dien weg, waartoe men wellicht niet zonder pressie van buiten overging.

De bewijzen van deze bewering vind ik in de herhaalde klachten der bisschoppen: in elke memorie van grieven neemt deze steen des aanstoots eene breede plaats in. Hoeren wij eerst bisschop Frederik Van Blankenheim in zijne eerste klacht (1412). „Itemquot;, zoo luidt het, „so is die rait van der stat nu bynnen jaers oeck overdragen, dat sy alle lantlude.

1) V. Riemsdijk , Gesch. der kerspelk. v. St. Jacob, p. 200. ef. Der scepene boeck. X, i.

2) L. A. XlII. 1.

3) L. A. XIII. i. L. H. IX. 1. — Roese. XXII. 2, — XLV. 2, — CCXXIX. 4.

4) L. H. LXXXIX. 2, — Roese. LXXI. I , ef. I.XVII. 1.

5) Roese. XXII. 2, - XLV. 2, — LXVII. 1, — Cl. 1, .....CXXVI. i, - CCXXIX. 5- 7.

6) Roese. CXCIX, CCXLI enz.

-ocr page 331-

3 1 I

die voer hem comen , borg-erschap vercopen, ende hebben daer occ rcnthe op gesett op elcken man, nochtans dat die lude buten Utrecht mit allen hoeren gesate wonende bliven. Ende dit is boven den recht ende boven der oudor gewoente, dat altoes van oudshaer comen is, want gheen borgher toe Utrecht wesen en sail, by en sail to Utrecht bynnen woenen mit wyve ende mit kijnder sondcr argclist En weder in 1417: „Item so verantwort die stat borgers, die buten sitten ende die anders nerghent terecht staen en willen dan voir der stat banckquot;. De raad antwoordde: „dat sy die noet daerinne dringet, dat sy hoer borgere alsoe verantwerden moten; om des groten onrechts wille, dat die maarschalken dagelix in den lande doen boven den lantbrief Ook bisschop Rudolf Van Diepholt eischt omstreeks 1450: „Ttem die stat, die en sel gene ondersaton myns heeren, geseten off woenaftich in den lande buten dei-stat ende stat-vryheyt, aennemen noch verantwoirden voir hoere borgere 2)quot;,

De stad beoogde met dezen, ook in vele Duitsche bisschopssteden maar al te gewonen, maatregel een tweeledig doel. In de eerste plaats nam zij in tijden van nood gaarne heeren en ridders van het platte land tot hare burgers aan, omdat dezen dan verplicht waren haar in den krijg bij te staan: het geven van burgerschap stond dan gelijk met een defensief verbond, en ging daarom in die g-evallen meestal vergezeld van eene overeenkomst, waarbij men het getal der door beide partijen bij eenen aanval van derden te zenden hulptroepen bepaalde. Dat het getal der dus aangenomene burgers niet gering was, mag men afleiden uit de woorden, waarmede bisschop Frederik zijne eerste klacht sluit. „Mit allen desen puntenquot;, zegt de bisschop, „soe is myn here ende syne ecclesie, die hem hierom mennichwerff ende tot vele tyden vervolget hebben, grotelic verkort, veronrecht ende bescheemt .... ende sunderlinge mit desen lesten pmite. Daer wert dat alinge lant mede verderfft, •want daer en blyfft nyemant in den lande, die macht Jieejjt een panser te houden, mynen here off sinen maersehale mede te volgen, o)n stands )ioet off tlant te bewaren als gewoentlie is

1

Klacht v. bissch. Frcd. v. BI., in: Divers. Frid. dc BI. pr. fol. 82 vlg.

2

Klacht v. bissch. Rud. v. D., in: Divers. Rod. de D. pr. fol. CCXXXII.

-ocr page 332-

312

Doch behalve dit voordeel verwachtte de stad van den maatregel een ander g-evolg, dat almede in de klachten der bisschoppen wordt aangeroerd: uitbreiding der stedelijke jurisdictie. In zijne tweede klacht legt de bisschop er juist nadruk op, dat deze buitenburgers „nerghent terecht staen en willen dan voir der stat banckquot;. En de stad ontkent dit niet, doch beweert eenvoudig, dat de slechte rechtsbedeeling ten platten lande haar wel dwingt, den buitenlieden door dit middel ter hulp te komen. Trouwens door verschillende plaatsen in onze rechtsboeken wordt het bewijs geleverd, dat de raad zich zulk een doel stelde. In het verdrag, door de stad met bisschop Frederik na zijne eerste klacht gesloten \'), wordt met nadruk bedongen, „dat alle die butenborgers staen zullen totten lantrecht, geliken anderen luden, die hem gelijck geboren ziin, uütgenoinen van dootslagenquot;. In 1441 wordt bepaald, dat de buitenburgers in het vervolg „zij ende hoer guede terechte staen ende gemeyne clockenslage volgen zeilen gelijck anderen hoeren bueren, boven ende beneden in denselven gerechte mit hem gesetenquot;, ja dat ook bij doodslagen de plegers zich niet (zooals in 1413 bepaald was) op hun stadrecht zouden kunnen beroepen, om zich daardoor aan de rechtspraak van het landrecht te onttrekken Voor misdrijven, gepleegd voor het nemen van dit besluit, durfde men blijkbaar den batenburgers hun verkregen recht niet ontnemen: zij zouden terechtstaan voor eene speciale commissie, bestaande uit „vriendenquot; van den bisschop en de acht oversten, „ten waere of zij liever tot laatrechte staen wouden, daer zeilen zij hoeren koer of hebbenquot;. En ook in een ander opzicht wilde de stad den buitenburgers hunne privilegiën niet ontnemen: wordt „enich van hem ofte hoer goede boven lantrecht van wegen des heren ofte zijns maerscalcs aengetastquot;, dien zal de stad „voer gewelde bescermen, alsoe lange als hy leeftquot; en hem „helpen tot lantrechte De belofte herinnert aan de

vroegere bewering der stad, dat de onrechtmatige handelingen der maarschalken haar tot het aannemen van buitenburgers

1) Roese. CXXV1. 2.

2) Roese. CCXX. i, 2. (Lees aldaar: „011 woende mil zijnre hoechster werenquot;: dc inlerpunetie is verkeerd.)

3) 1- c. § 3 , 5.

-ocr page 333-

3i3

gedwong\'en hadden: zij bereikte thans haar doel langs eenen anderen weg \').

Met de burgers werden in de meeste gevallen gelijkgesteld de „ondersatenquot; der stad, Met dezen term duidde men aan de bewoners der gerechten buiten dc vier poorten -), die het volle burgerrecht misten, omdat zij nier. voldeden aan de over het algemeen daarvoor gestelde voorwaarde: inwoning in de stad ■quot;).

Waren derhalve niet alle burgers of met burgers gelijk-gestelden inwoners der stad, omgekeerd waren lang niet alle inwoners burgers. Het lidmaatschap van een der 21 gilden was voor het burgerrecht noodig \'), doch tal van personen stonden buiten de gilden. Tot deze „inwoenresquot; ot „ingesetenquot; (ook wel „lude , die binnen onser stat woenachticlr siinquot;, „de onse borghere nyet en siinquot;, genoemd) behoorden: 1quot;. de dienstboden en ambachtsknechts, of althans velen van hen\'\'). 2quot;. vele armen, die het burgerrecht niet konden koopen c). 3quot;. vreemden, die zich in de stad gevestigd en daar zes weken gewoond hadden 1).

Twee groote groepen van personen verdienen nog afzonderlijke vermelding: dc geestelijken en de ridders. De geestelijken waren geene burgers quot;). Zij stonden zoowel in criminalibus als in civilibus terecht voor den officiaal; hunne bedienden hadden hetzelfde privilegie n). Of zij tot dc „ondersatenquot; dan wel tot de „inwoenresquot; gerekend werden, blijkt niet; het eerste is echter waarschijnlijker, daar zij zich van de „inwoenresquot; zoowel door hun hoogereh maatschappelijken rang als door hun voortdurend verblijf in de stad onderscheidden. Immuniteit van de stedelijke rechtbanken hadden

1

L. A. XLIII. 1.

-ocr page 334-

314

ook, zoowel in civilibus als in criminalibus, alle „rydderscapon bynnen der stadt van Utrecht woonende die naar het schijnt voor den bisschop in het landrecht te recht stonden \'1).

Nu het ons gebleken is, welke personen tot de verschillende in de stadboeken vermelde categoriën behoorden, kunnen wij een aanvang maken met de bespreking der vraag, in welke verhouding do stedelijke rechtbanken tot elk dezer categoriën stonden. Reeds dadelijk moet ten dezen een streng onderscheid gemaakt worden tusschen den raad en de schepenbank. Voor de schepenbank kon men civile acties instellen tegen de „borgeren endc ondersatenquot; van Utrecht x). Ook tegen „vreemde uutheemsche hide, die borgere noch ondersaten niet en sijn kon men dit doen, doch alleen door hunne personen of goederen binnen de stad te „besettenquot; (arresteeren).

Een punt van geschil was het, of de schepenbank door „besetquot; ook competent werd tegenover de zoogenaamde „welgeborenenquot;. Reeds in 1405 hooren wij eenen gedaagde voor do schepenbank beweren: „dat hi op siin goede recht alse een welghcboren Sinte Martins dienstman wel gaen mach van den rechte ende niet antwoorden en sel van der ansprake, want hi in den ghestichte van Utrecht tusschen Noede ende Bodegraven woent ende welgegoet is ■r\')quot;. Evenzoo twee anderen in 1412; „dat sy mit rechte op hoer gheboorte wel gaen moghen, want sy in den ghestichte van Utrecht tusschen Nu ede endc Bodegraven wonaftich siin endc ghegoet siin in den ghestichte voorscreven .... ende sy hem gheboorte vermeten /ia recht, ghewoente ende haercomen der banc ken; want

1

Landr. XXIII. 9. cf. R v. U. II p. 122. („want tot Amersforde gheen pander en rijt om ycmant voor onsen heer te bieden.quot;) De lands- en stads-rechtbanken bestonden dan ook uit geheel verschillend personeel. Zie: Matthaeus, De nobilitate p. 322 vlg. en tie klacht van bisschop Rudolf Van Diepholt: „Item soe en sullen geen burgeren van Utrecht die gene schiltboirtige lude en sijn nyet mede ter kenninge gaen up myns heren rechtdach noch stemme dairin hebben.quot; (Ki. v. bissch. Rud. in: Divers. Rod. d. D. pr. f. CCXXXII.)

-ocr page 335-

wie hem gheboorte vermet ende tusschen Nueclen ende Bodegraven wonaftich, ghetujmt ende ghetymmert siin, die moghen o[) hoor goede recht wel gaen Het Scepenrecht maakte aan deze quaestie een einde door de bepaling -), dat Utrecht-sche burgers en onderzaten „alle wellgeboren hide bynnen der sttidt ende stadt-vrihcyt hoir lijff ende goet besetten mogenquot;. Den „welgeborenenquot; zou voortaan „g\'heen vriheyt dairin te baten comen noch van den recht medegaen mogen; want een borger tUtrecht also well Sinte Mertijns dienstman is ende tottenselven recht staet als diegene, die hem der welboren-scap vermetenquot;.

Schout en schepen werden door de „besettinghequot; (uitgevoerd door den schoutenknecht op verzoek van den „besetterquot;) competent, om over de quaesties, waarover „besetquot; was, rechtte spreken. Was de persoon „besetquot;, dan moest hij borgstellen of „loven aen des dyenres hantquot;, terecht te zullen statin voor de bank; was het goed bezet, dan liet de schout den eigenaar een „wetequot; doen van de „besettinghequot;, opdat hij zich in rechte zou kunnen verantwoorden. Schepenen zaten voor deze zaken afzonderlijk des Saterdags terecht, (gastrecht.) Er werd, nadat de zaak was behandeld, gepand en geëigend op korten termijn („over dwarsnachtquot;); kon de in het ongelijk gestelde „besettequot; geen goed binnen Utrecht wijzen om daaraan te „rechtenquot;, dan werd hij gevangen gezet x).

Veel ingewikkelder waren de bepalingen, die over de rechtspraak van den raad van kracht waren. De burgers stonden in criminalibus altijd terecht voor den raad. Het was niet geoorloofd eenen burger elders te „bespreken \'\')quot;; de plaats.

1) R. v. U. II p. 122/3. \' Het vonnis besliste wel in beide gevallen, dat zij ongelijk hadden, doch daarvoor bestonden andere redenen.

2) R. v. U. II p. 274. (Scepenr. XIII. 1.)

3) Zie over dit alles: R, v. U. II p. 274 vlg. , p. 278 S 1 , p. 298 §15, — p 375 §3. — V. d. Water, Place. III p. 311/2. (1481 Si 8, — 1482 i-S 8 , 1484 § 8.)

4) L. A. XXXIX. 1. Roese. CCXI. 1. - Belangrijk is in dit opzicht een besluit van Raad oud en nieuw van Manendach na Cantate 1478 (Raads dag. boek. 1. c.)-„Want die raide out ende nywe ondervonden hebben , dattet der stadt rechten ende oude heerkomen gheweest hebben ende noch zyn , dat die maerscalken noch niemant anders onse borgere noch onderzaten niet te bezetten, te arrestieren, te vangene noch buten onser slat te besprekenc noch te beclagen en plagen noch en moigen, soe zijn die raide out ende nywe eendrachteliken overdragen , dat zij hoeren voerseyden rechten ende oude heerkomen van zaken den weerliken rechte aengaende voertaen houden ende gehouden hebben willen, zonder ghebreck daerinne te laten vallen. Behoudeliken oft zake waere,

-ocr page 336-

3 \'6

waar het misdrijf door hem gcplccgxl was, oefende ten dezen geen invloed, Weg\'ens vechterij tusschen burgers verbeurden beide partijen de vechtkeuren, om het even of het gevecht binnen de stad ot daarbuiten had plaats gehad \'). De stads-vrede was van toepassing- op twisten tusschen de burgers, ook al had de twist buiten de muren plaatsgehad -). Tochten, door burgers zonder verlof des raads ondernomen om iemand te schaden, waren strafbaar, al had het gepleegde misdrijf buiten de stad plaats in het algemeen schijnt do burger, die eenen doodslag gedaan had, strafbaar geweest te zijn voor den raad, al was het feit buiten de stad geschied

De „inwoenresquot; worden door eene keur van het Liber albus rgt;) in zooverre met burgers gelijkgesteld, dat zij aan alle verbodsbepalingen van den raad gehouden zijn en alle op de overtreding daarvan gestelde boeten evenals de burgers moeten betalen. Toen do raad later de berechting der broeken aan zich getrokken had, werd deze bepaling ook op deze misdrijven toegepast (i). Doch al legde het verblijf op stadsgrond den inwoners dezelfde plichten op als den burgers \'), het gaf hun niet dezelfde rechten. Zij genoten niet dezelfde bescherming als de burgers: doodslag op een van hén werd slechts gestraft met gevangenis van zes weken en eene geldboete 8),

dat die maerscalkun of ymant anders op onse borgere ofte onderzaten yet tc zcogen hadden, daervan zeilen zij die binnen onser stadt bespreken moigen , ende men zei hem binnen derzelver onser stat goet recht doen ende wedervaeren laten daer zij des begerende werden.quot; — Aan dit recht werd zoo streng de hand gehouden , dat in 1479 (Raads dag. boek Manend, na Severini) de schout van Utrecht zelf eenen burger besprak voor den raad, omdat die hem verhindering deed in de waarneming van liet door hem vc.n den Domproost gehoudene schoutambt van Cothen: de raad sleet, dat hij den klager wilde „houdenquot; in het schoutambt v. C. „ende hem dacrinne stiven ende stareken na beboeren tiegens A.quot;

1) L. A. III. 25. — R. b. IV. 25. — Sommige keuren waren echter uit hunnen aard alleen in de stad uitvoerbaar, b. v. het verbod om wapenen te dragen, dat alleen in de stad (en sedert L. A. LXII. 3 ook in de buitengerechten) toepasselijk was.

2) L. A. XCII. 12.

3) L. A. III. 33.

4) L. A. XXX. 1, 2.

5) L. A. XLIII. i. — Ook in andere koeren worden de „woenaehtighenquot; in dit opzicht algemeen met burgers gelijkgesteld; zie b. v. L. A. LXII. 3, LXIII. 1.

6) R. v. U. I p. 23 Noot 1. Bedoeld werden denkelijk meer speciaal de steenboeten bij de vechtkeuren; doch de term „broekenquot; is algemeen gesteld.

7) Dit blijkt ook uit Roesc. LXVII. 1 en LXXI. i* verbannen burgers evenals vreemden „pleghen enen ygheliken rechts buten der statquot; of „staen terechte ende pleghen rechts in den gherechte daer zi in woenenquot;, totdat zij weder in de stad komen. (cf. L. H. IX. 1.)

8) R. b. XVI. 2.

-ocr page 337-

317

terwijl doodslag van eenen burger het leven of eeuwige ballingschap kostte \'). Ook was de raad voor de inwoners niet het uitsluitende forum: werden zij elders „besprokenquot;, dan „stontquot; de raad hen niet „voerquot;, zooals de bürgers

Zeer verschillend was de positie van de „uutheemsche ludequot; of „gastenquot;. Zij waren van nog ongunstiger conditie dan de inwoners, die geene burgers waren. Zij verbeurden de keuren der stad evenals de burg\'ers en inwoners , en moesten zo nog wel dadelijk betalen, op gevaar af van anders gevangengezet te worden, totdat zij borg- voor de voldoening dei-boeten gesteld hadden Daarentegen hadden zij geheel geene aanspraak op bescherming: hadden zij nog geene zes weken in de stad gewoond, dan verbeurde men geene keuren door ze te mishandelen of te wonden1); werden zij vermoord,\'\' dan stonden zij met de inwoners, die geene burgers waren, gelijk (i). De stadsvrede was op hen niet toepasselijk: de burger, die vrede aan hen brak, verbeurde slechts de door het landrecht geëischte zachtere straf. De raad deed daarvan dan ook geen recht 2); ging hij daartoe bij gquot;unst toch over, dan moest de buitenman vooraf borgstellen voor zijne eventueel te verbeuren boeten 1!). Daartegenover staat, dat de raad zich ook geene rechtspraak wegens misdaad over hen schijnt aangematigd te hebben: een „lantmanquot;, die1 vrede brak, stond „ten lantrecht 3)quot;, een buitenman, die eenen burger vermoord had, werd eenvoudig verbannen IU). Slechts in één geval werd de „uutheemsche manquot; door den raad discretionair gestraft wegens moord of erge mishandeling („leemtequot;): wanneer hij daardoor den marktvrede gebroken had en ook dan nog werd de bestraffing van het misdrijf door „onsen here

1

L. A. XLIII. 1. cf. LXII. 1.

2

L. A. XCII. 7.

3

L. A. XCII. 7.

-ocr page 338-

318

van Utrechtquot;, zijnen eigenlijken rechter, voorbehouden. — Met de uitheemschen schijnen oorspronkelijk de ,,ondersatenquot;, de inwoners der buitengcrechten, gelijkgesteld geworden te zijn \'); volkomen terecht, immers zij woonden niet binnen de stad, en het stadsrecht was oorspronkelijk natuurlijk alleen voor de burgers, die allen het stadsgebied bewoonden, verbindend.

Langzamerhand werd echter de verhouding van den raad, zoowel tegenover de bewoners der buitengerechten als tegenover de gasten, veranderd. Naarmate de band met de buiten-gerechten nauwer werd toegehaald, werd het meer en meer onmogelijk, de bewoners daarvan geheel als vreemden te behandelen. Reeds eene keur van het Liber albus stelde hen in criminalibus nagenoeg- met burgers gelijk. Vechterij en andere lichte misdrijven, waartegen bij keuren straf bedreigxl was, waren volgens die keur even strafbaar, hetzij een burger of een inwoner van een buitcngerecht daarvan het slachtoffer was; omgekeerd maakte het geen verschil meer, of de dader burger van Utrecht of bewoner van een buitengerecht was. Ook als het misdrijf buiten de stad plaatshad, werd het even zwaar gestraft 1). Bij twisten tusschen burgers en bewoners der buitengerechten werd in de eerste plaats door den raad vrede geboden s). Processen wegens keuren, waarbij burgers en bewoners der buitengerechten betrokken waren, schijnen aangebracht te zijn door de keurmeesters (van den raad) bij de rechtbank van het buitengerecht van de vonnissen, door de schouten dier gerechten gewezen, was altijd appèl op den raad quot;). In zaken, „die aen liif of aen litquot; gingen, schijnt de raad in 1340 nog niet over bewoners der buiten-gerechten gevonnisd te hebben quot;); later was dit echter wel het geval en stonden de „ondersatenquot; geheel met de burgers gelijk 2).

Ook over „uutheemschenquot; matigde de stad zich langzamerhand rechtspraak aan. In de eerste plaats betrof dit degenen,

1

L. A, LXII. 1. — R. b. IV. 25. Zie ook: l„ A. LV1I. i.

2

R. v. r, II p. 379, (XXI. r.)

-ocr page 339-

die misdrijven gepleegd hadden binnen de stad of daarvan verdacht werden, („dair den scoute aen twyveltquot;.) liet recht om dezen „te laten vangenquot; was langen tijd een twistappel tusschen den schout (als bisschoppelijk rechter) en den raad. De bisschop beweerde, ,,dat die vengnisse syn was over uut-heemsche hide ende oeck van outs gewoente hadde geweest\')quot;. Men kwam ton slotte overeen, dat de schout do schuldigen zou laten vangen, onder gehoudenheid echter om daarvan onmiddellijk aan den raad kennis te geven \'1). Bij wien de rechtspraak in dergelijke gevallen behoorde, blijkt niet duidelijk. In oen ander govéil matigde zich de raad bepaaldelijk jurisdictie aan over uitheemschen, namelijk wanneer zij niet binnen de stad doch togen burgers een misdrijf (bepaaldelijk „geweltquot;) gepleegd hadden. Reeds in het Liber albus :!) was bepaald\',\' dat de stad de burgers in zulke gevallen „bescermenquot; zou, als zij zich aan de beslissing van den raad over den te treffen zoen wildon onderwerpen; in een verbond met bisschop Rudolf Van Diepholt werd dit nu „verdedinctquot; in dien zin, dat „die stat nyomant sell vangen off inbioden uut don lande, dan die hoiren borg\'eron, onderzaten ofte ing\'eseten gewelt doen het „bescermenquot;, „voerstaenquot; der burgers door de stad had zich dus uitgebreid tot het dwingen van de vreemde geweldenaars om zich voor den raad te recht te stellen en schadevergoeding te geven, te zoenen. De rechtspraak van don raad van koeren, in de stad door vreemden verbeurd, werd door bisschop Frederik Van Blankenheim bepaaldelijk erkend; doch de bisschop meende, dat de door de „lantludenquot; verbeurde boeten „hom mit recht toebehoerdenquot;, al had de raad het vonnis gewezen, en al „hadde oen borger daer mede geweest 2)quot;. Met blijkt niet, in hoeverre de raad hierin toegaf.

Twee gevallen derhalve, waarin de raad rechtsprak over

1

Klacht v. bissch. Rud. v. D., in Divers. Roel. de D. pr. fol. CCXXXU vlg. - cf. Rocse. LXXIX. r. Volgens eene aanteekening van Dr. C. Booth (Coll. MS. C. Booth. Prov. arch. B 101) had dit geschil alleen betrekking op delicten, strafbaar aan lijf en lid, ten platten lande buiten de jurisdictie der stad gepleegd; het blijkt evenwel niet, onder welk voorwendsel de raad zich dan rechtspraak zou hebben kunnen aanmatigen. — In de Duitsche sleden was het niet ongewoon, dat de schout alleen de crimineele rechtspraak over niet-burgers behouden had. (V. Maurer, Gesch. der Stiidteverf. III p. 140.)

2

L. A. XVII. 2.

-ocr page 340-

32o

uutheemsche ludequot;. Wij kunnen daarbij voegen het vroeger vermelde terechtstellen van personen, die den marktvrede braken, en van hen, die „binnen der milequot; woonden. Doch denkelijk heeft de raad zich daarbij niet bepaald: immers luide en zeer algemeen zijn de klachten der bisschoppen over het bieden van vreemdelingen voor den raad. Frederik Van Blankenheim klaagde, dat „sy die lude bieden voer den rait ende voer die oudermanne oeverall, waor sy in myns heeren lande sittenquot;, en zelfs dat „sy die lude aen-tasten overall in myns heeren lande Later verweet hij aan do stad, dat zij „die lantlude, die buten hoere vrieheit geseten synquot;, dwong hunne zaken aan de libelmeesters te „blivenquot; en „horen procuratoren verbode hoer recht te vorderen voir den officiael 1)quot;. Wel antwoordde de raad, dat hij „hem van den lantluden niet also en onderwondequot;, doch te oordeelen naar wat wij over deze zaak vroeger vernamen, heeft deze bewering weinig waarschijnlijkheid. Ook onder Frederiks opvolger blijkt de raad zijne usurpation niet gematigd te hebben: bisschop Rudolf Van Diepholt had weder reden te klagen, dat men „personen ende ondersaten myns heeren geostelic off weerlic, geseten off woenachtich buten der stat ende stat-vryheyt, trect, eyscht, biet off stelt terechte voir den raet off oudermans van Utrecht De stad beloofde ditmaal beterschap en zonderde (zooals boven gezegd is) alleen het geval uit, dat iemand eenen burger „geweltquot; deed; het blijkt evenwel niet, of zij hare belofte gestand heeft gedaan quot;).

Wanneer het geoorloofd is, uit deze niet zeer overvloedige gegevens eene conclusie te trekken, dan schijnt daaruit het volgende te blijken. Het verblijf op stadsgrond verplichtte tot het opvolgen van de bevelen des raads en derhalve tot de betaling van de op de overtreding daarvan gestelde boeten (koeren). Het gaf evenwel op zich zelf geene aanspraak op bescherming; vreemden waren rechteloos, en alleen na een oenigszins langdurig verblijf genoten zij eenigen bijstand.

1

Klacht v. bissch. Fred. v. BI., in: Divers. Frid. de BI. sec. fol. 259 vs.

-ocr page 341-

Allen, die buiten den stadsmuur woonden, werden als vreemden beschouwd; slechts om bizondere redenen liet de stad uitzonderingen op dezen regel toe. Naarmate de raad de buitengerechten onder de stadsvrijheid begon te begrijpen, hielden echter de inwoners daarvan natuurlijk op, vreemden te zijn, en worden nagenoeg geheel met de stadbewoners gelijkgesteld. De uitbreiding der rechtspraak tot personen, buiten de stadsvrijheid wonende, werd wel beoogd, doch hoeft nooit geheel haar beslag gekregen. Misdaden, op stadsgrond gepleegd, worden (althans aanvankelijk) gestraft door den rechter, onder wien de pleg-er behoorde: burgers uitsluitend door den raad, inwoners door den raad of een anderen rechter, vreemden door den vreemden rechter. Misdrijven buiten do stad werden dooiden raad berecht, wanneer zij door of op burgers gepleegd waren. In het algemeen was derhalve hot Utrechtsche stadsrecht nog als van ouds een recht, dat aan de personen eigen was en hen volgde ook buiten don stadsmuur \'); slechts de koeren golden voor allen, die op stadsgebied verblijf hielden.

§ 3. INVLOED OP HET RECHT VAN ANDERE STEDEN. — HOFVAART.

De beide voorgaande afdeelingon hebben ons geleerd, dat de stad Utrecht, niet tevreden met do vrij onafhankelijke positie, die zij zich veroverd had, op allerlei wijzen om zich hoon greep, om to trachten haar gebied te vergrooton. Ware het haar gelukt eene geheel vrije rijks.s7W te worden, waarschijnlijk zou zij dan langzamerhand ook een ri]ksland geworden zijn \'1). Doch ook nog langs andere, vreedzamer wegen breidde de stad haren invloed uit; en het gold hier niet, zooals in de tot nu toe besprokene gevallen, het platte land, doch bepaaldelijk de Stichtsche zustersteden.

Het was niet ongewoon, dat eene gemeente, waaraan stadsrechten verleend worden, in plaats van eenige bepaalde, mot name genoemde rechten of gespecificeerde statuten, zeer in het algemeen „het rechtquot; van eene andere, reeds lang be-

21

1

Zie over dergelijk streven der stad Worms: Arnold, Verfass. gesch. d. Deutsehen Freisliidle. passim. Ook Brussel annexeerde langzamerhand hare omgeving. (Van der Kindere , Siècle des Artevelde. p. 278.)

-ocr page 342-

staande stad verkreeg \'). Door zulk een maatregel ontstond er een zekere band tusschen hot moederrecht en het recht der nieuwe stad, die zich op verschillende wijzen deed gevoelen. Vooreerst werd het geheele recht der moederstad op de dochter overgedragen, Hoe dit geschiedde, leert ons een extract uit het stadboek van Hasselt (Overijssel), dat min of meer verward in den vorm, doch wat den inhoud betreft volkomen duidelijk — ons in een vidimus van den abt van Dickeninge van 1559 bewaard is \'1). Bisschop Hendrik Van Vianden had volgens dit stuk aan de burgers van Hasselt gegeven „alsulcke vriheit, recht ende machtquot; als Deventer, Kampen en Zwolle hadden. „Daeromquot;, zoo vervolgt het extract, — blijkbaar een charter van het Deventersche stadsbestuur naschrijvende „hebben wy scepen ende raet van Deventer gegeven in scrifte den burgers van Hasselt datselve recht ende gewoente der stede des Stichts van Utrecht, dat wy by ons hebt ende gehat hebben tot deser tijt van den yrsten rechte ende gewoente, updat wy overeen mogen dragen in rechte mit anderen steden des Stichts van Utrecht, na den gebode onses heren des bisscops van Utrecht ende na gewoente der stede des Stichts van Utrecht. Volgeden voert dacrna die quot;ivilkocrcnquot;. Derhalve: de raad van Deventer zond aan de stad Hasselt, op wie het recht hunner stad was overgedragen, afschrift van al de te Deventer vastgestelde keuren, die voortaan nu ook voor Hasselt van kracht zouden zijn.

Het lag voor de hand, dat de schepenen eener nieuwe stad, die nog weinig ervaring hadden, en die, wanneer de plaats niet tot grooten bloei kwam, grootendeels tot den boerenstand bleven behooren, dikwijls op duisterheden en bezwaren in de toepassing van het hun vreemde recht moesten stuiten. Zij namen dan uit den aard der zaak gewoonlijk hunne toevlucht tot de in het recht, dat nu ook het hunne was, doorknede schepenen der moederstad. Die hulp en voorlichting werden ingeroepen in de eerste plaats, wanneer het noodig bleek het oude recht door nieuwe keuren aan te vullen: men deed dan wel onderzoek bij naburige steden over de daar in

1

Orig. charter in het stads-areh. v. Hasselt.

-ocr page 343-

,v^

dergelijke gevallen gemaakte bepalingen \'). Doch vooral moesten zich deze moeielijkheden voordoen bij de toepassing der bestaande rechtsbepalingen en gewoonten op moeielijke rechtsvragen. Wanneer schepenen dan „des niet wys werden en kondenquot;, werd de quaestie meestal aan het gerecht der moederstad ter beslissing voorgelegd 1). Men noemde dit „ter hofvaart gaanquot;. Het recht om in dergelijke gevallen de beslissing te geven, — om, zooals men in Duitschland zeide, „Oberhofquot; van andere steden te zijn, word soms bij usurpatie en langdurig gebruik verkregen :i); doch dikwijls werd de verplichting daartoe ook aan eene nieuwe stad bij haar charter opgelegd. Zoo leest men in het privilegie van Naarden \'\'), dat „scepenen, als sy begrepen by haeren cede, dat sys niet vrnet en syn, dat sullen halen tot Amsterdamme of elders binnen onsen landequot;. Door de samenwerking van al deze omstandigheden kon natuurlijk het recht eener stad soms grooten invloed op dat eener andere hebben, en eene gelijkheid van wetsbepalingen kon daarvan het gevolg zijn, die op hot eerste gezicht verrassend en onverklaarbaar schijnt.

De invloed, door de Utrechtsche rechtsontwikkeling langs dezen weg op die barer zustersteden geoefend, was groot en beslissend; doch die invloed schijnt meer het onwillekeurig gevolg van de machtige positie der stad en van het overwicht, dat zij bezat, geweest te zijn, dan van bepaalde noodzakelijkheid volg\'ens de aan andere steden bij hare handvesten gegevene voorschriften. Het is zeker vreemd, en kan wellicht alleen verklaard worden uit den naijver der bisschoppen op hunne machtige hoofdstad \'), dat er slechts één enkel voorbeeld bekend is van uitdrukkelijke overdraging van het Utrechtsche recht op andere steden. Dit voorbeeld betreft trouwens de machtigste der Stichtschc steden na Utrecht zelf. In den stadbrief van Amersfoort, gegeven in 1251) door

1

Soms geschiedde dit o/gt; verzoek van een der partijen. (Zie het privil. v. Amstelland van 13878 bij; Van Mieris, Charter!). Hi p. 486.)

-ocr page 344-

324

bisschop Hendrik Van Vianden \'), lezen wij: „concedimus et donamus tale jus et talem bonam consuetudinem, qualem hac-tenus habuerunt, ct insupcr talem libertatem ct generale Jus cwitatense, quod vuig ar it er stadtsreghte nuncupatnr, qualem vel quale dinoscitur habere nostra civitas Trajectensisquot;. Ook de verplichting, om bij de Utrechtschc schepenen ter hofvaart te gaan, vinden wij slechts éénmaal uitdrukkelijk aan eeno stad opgelegd, namelijk aan Amsterdam bij het aan deze stad door haren toenmaligcn heer, den lateren Utrechtschcn bisschop Guy Van Avcsnes, in 1300 verleende privilegie \'1). Wij lezen daarin: „Wat vonnesse dat die scepenen wort g\'evraghct, sijn sijs niet wijs, so sullen si soeken tUtrecht of dacr sijs best wijs moghen worden binnen den Ghestichtequot;. En deze verplichting bond Amsterdam nog slechts enkele jaren, daar de stad spoedig onder Holland kwam en sedert 1342 naar Haarlem ter hofvaart toog.

Doch al bestond er geene verplichting om bij de Utrechtschc schepenen ter hofvaart te gaan, men deed dit veel en gaarne, en wol uit alle streken van het Nedersticht. De beide oudste ons bewaard geblevene registers van civile sententiën dor Utrechtschc schepenbank bevatten tal van vonnissen, die aldus beginnen: „In der saken, hangende voer den gerechte van N. ende by consultaciën aen den gerechte van Utrecht versocht (of „voer den gerechte van Utrecht by scepenen van

N innegebrocht by besloten dingtalenquot;).......die scepcne

van Utrecht, tbesceyt, by den gerechte van N by hoeren ede besloten ingebracht, doersien ende verstacn hebbende, wesen voer recht enz. \')quot;. Bezwaarlijk kan men hierin iets anders zien dan de feitelijke erkenning door de betrokkene gerechten van de stad Utrecht als hun „Oberhofquot;. In de bedoelde registers, beginnende met 1532, vindt men dergelijke vonnissen uit de steden Rhenen en Ysselstein Ii) (dat toch

1

Ter Gouw, Gesch. v. Amsterdam, f p. 281.

-ocr page 345-

rcuds king van het Sticht was afgescheurd), en uit de kleinere steden Eembrugge, Bunschoten en Vreeland (dat nog wel volgens zijn charter verplicht was, naar Deventer ter hofvaart te gaan), verder uit de gerechten van Houten en \'tGoy, Langerak, Ruwiel, Oudenrijn, Velthuysen, Breukelen, Dwars-dijk, Domproosdij (buiten Utrecht), Stcrkenborch, Westbroeck, Darthuysen, Oostveen, Zuylen, Nederlangbroeck, Abcoude, Nichtevecht, ïienhoven, Amerongen, Lopik, Kockengen en Nyepoort. Sommige dezer plaatsen worden herhaaldelijk vermeld. Na 1550 komen echter zulke vonnissen nagenoeg niet meer voor \').

Een ander, niet minder gewichtig bewijs, dat andere steden in het Sticht de stad Utrecht als hun „Oberhofquot; beschouwden, levert eene aanteekening van den geleerden 170 eeuwschen kenner der Utrechtsche oudheid Dr. Cornelis Booth. In zijne adversaria i) schrijft deze, onder aanhaling van verscheidene oude en nieuwe juristen, aldus: „Si statutum deficiat in libro statutorum Amisfurtiano vel alicuius civitatis minoris, recurri debet ad statutum civitatis Ultraiectinae, tarnquam civitatis dominantis rcspcctu aliarum civitatum. Et hoe adco verum est, ut licet statutum Amisfurtianum dicat, recurri deberi ad jus commune deficiente statuto, equidem intelligi debeat de jure civitatis dominantis, cum ilia sit g\'eneralis consuetudo et jus commune illius territorii *)quot;. Derhalve het Utrechtsche stadsrecht was subsidiair recht voor Amersfoort; het was daar van

voortaen reysende omme beraet of dingtalen van eenigc partyen om vonnis te wysen , sullen mogen trecken tot suleke plaetsen, daert hem by horen cede goedtduncken zal sulex vvys te mogen worden , soeverde sy voor all by denselve hoeren eede willen affirmeeren tselve nyt vroet off wys genoech te zyn.quot; (Reg. v. handvesten. Stads-arch. v. Montfoort.) Vóór 1540 was er dus eene bepaalde plaats ter hofvaart aangewezen, en waren schepenen niet vrij te gaan waar zij wilden. — Van Amersfoort zijn geene voorbeelden bekend, hoewel het bepaaldelijk het Utrechtsche stadsrecht had gekregen. Er was daarentegen hofvaart naar Amersfoort. (Willek, v. Am. CCXXII, in: N. Bijdr. v. rechtsgel. en wetg. N. R. IV. p. 540.)

1) In het schepen-archief van Utrecht berust echter nog eene afzonderlijke dunne lias, bevattende ecnige vonnissen in processen uit de jaren 1605—1612 , die volgens de woorden der vonnissen zeiven aan het gerecht van Utrecht zijn „overgebrochtquot; door de gerechten van Vrelandt, Vinckeveen, Abcoude (Staten-gcrecht en St. Pieters-gerecht) en Loenen Staten-gerecht, die de zaken „geïnstrucertquot; hadden. Het opschrift dier lias luidt: „Sententiën in saecken, die voor den gerechten van Abcoude ende Vreclandt syn geïnstrucert ende daerovcr advijs van dcselve gerechten is gehaelt.quot;

2) Coll. Handschr. v. C. Booth. D. 4. Prov. arch.

3) Geheel hetzelfde zegt Matthacus, De jure gladii p. 607, die trouwens deze aanteekening schijnt gekend te hebben.

-ocr page 346-

326

kracht voor zoover het Amcrsfoortsche rechtsboek geene speciale bepalingen over het quaestieuse punt bevatte. Merkwaardig is het, chit Booth hier getuig\'t, dat dit niet alleen te Amersfoort doch ook in de andere „civitates minoresquot; het geval was \'). Tot die „civitates minoresquot; schijnt ook behoord te hebben de stad Ysselstein, hoewel het land van Ysselstein een deel van Holland uitmaakte. Eene ordonnantie van het laatst der 16° eeuw verklaarde, dat aldaar recht gesproken werd volgens de costumen dor heerlijkheid en „anderdeels conforme die beschrevene ordinantiën ende rechten van onse nabuerenquot;, daar het statutair recht der stad zeer weinig- omvangrijk was. Tot die „nabuerenquot; moet waarschijnlijk in de eerste plaats de stad Utrecht gerekend worden; immers ook het Stichtsche landrecht gold te Ysselstein

liet is na het bovengezegde te verwachten, dat door den invloed van het Utrechtsche stadsrecht op dat van de andere Stichtsche steden ook overeenkomst tusschen deze rechten zal merkbaar zijn. Inderdaad is dit het geval. Hoewel natuurlijk eene speciale studie van het recht en de rechtsontwikkeling dezer steden noodig zou zijn, om hierover een eenigszins nauwkeurig en behoorlijk gemotiveerd oordeel te kunnen vellen, schijnt het alvast de moeite waard mede te deelen, wat over dit punt gebleken is.

In de eerste plaats is de overeenkomst treffend met de

1) Zie ook: V. d. Muelen, Cost, usant. pol. p. 456, die cenige schrijvers vóór dit gevoelen aanhaalt, doch niet bepaald beslist-

2) De overlevering bericht (zie: De Geer v. Oudegein, Bijdragen, p. 208) zeer bepaald, dat de Utrcchtschc stadskeuren voor de stad Ysselstein subsidiair recht waren. Dit geschiedt op grond eener inededeeling van Matthaeus (De jure gladii. p. 607/8), volgens wien dit op 29 October 1563 door Jan Henrickss. Blom cn 50 getuigen voor het gerecht van Ysselstein zou verklaard zijn. Ik heb de bedoelde plaats nageslagen in de onlangs van liet Ysselsteinsche archief door het Utrechtsche provinciale archief overgenomene registers. Zij luidt daar echter eenigszins anders. Ik zwijg er van, dat de datum 29 September 1563 is en dat het getal getuigen, die Blom vergezelden, slechts 18 bedraagt; doch de inhoud der getuigenis verschilt van het door Matthaeus medegedeelde. Op de vraag, door den drost van Ysselstein gesteld: „Item dat hun getuygen oeck wel kondich is ende van hoeren ouderen ende voorsaten altijt hebben horen scgghen, dat men in der stede ende lande van Iselsteyn, Benschop ende Polsbroeck in zaecke, dair die handtvesten nyet van cn melden off geen bcscreve ordinantie noch kentlieke oude usantie ende ge-vvoente van en zijn, dat men van oudts in zulcke geval altijt geplogen ende geuseert heefft ende noch userende zyn die oude Stichse rechten van Utrechtantwoordde Blom e. s.: „Seggen zy deposanten, dat het hunluyden kenlieken es ende wel hebben horen seggen van hoeren ouderen ende voorsaten, dat men in der stede ende landen van Ysselsteyn , Benschop ende Polsbrouck altijt plach te useren, als men nog dagheliex useert ende

-ocr page 347-

rechtsboeken vim Wijkbij Duurstede \'): tal van artikelen daarin komen nagenoegquot; woordelijk met de Utrechtsche rechtsbronnen overeen, ja geheelc hoofdstukken hebben vrij wel denzelfden inhoud als de daarmede overeenstemmende in de Utrechtsche boeken. Daar aan de burgers van Wijk bij hunnen stadbrief het Utrechtsche recht niet bepaaldelijk is overgedragen -), komt het mij voor, dat deze groote gelijkheid der beide rechtsboeken, die wel niet toevallig zal zijn, alleen verklaard kan worden uit eene vrijwillige „consultaciequot;, door die van Wijk te Utrecht gehaald. Van Rhenen zijn nog geene rechtsboeken bekend geworden; doch overweegt men, dat deze stad na Utrecht en Amersfoort van ouds de eenige Stichtsche stad van eenig belang was en dat haar stadbrief veel overeenkomt met die van Wijk bij Duurstede vertoont \'\'), dan is het wellicht niet gewaagd te voorspellen, dat men ook in de rechtsboeken van Rhenen eenmaal sporen van Utrechtschen invloed zal vinden. Doch het duidelijkst blijkt die invloed te Amersfoort. In den aanvang van dit werk r\') besprak ik den eenigszins vreemden inhoud van het ons bewaarde rechtsboek dier stad. Thans kan ons die indeeling niet meer raadselachtig zijn. Het boek is verdeeld in twee deelen: het eerste bevat „dat scepenboickquot;; het tweede, grootere, is gesplitst in twee onderafdeelingen: „der stadt wilkuerenquot; en „dat raidtboickquot;. Het spreekt van zelf, dat de systematiek naar middeleeuwschen trant gebrekkig is; doch in hoofdtrekken vinden wij in „dat scepenboickquot; hetzelfde onderwerp terug, dat het Utrechtsche „Scepenrechtquot; behandelt: de procedure voor de schepenbank. Evenzoo betreft

gebruyet ouwe Stichse rechten , encle dat in zaccken , dair die hantvesten nyet van en vermelden off dair men hier geen beschreven ordinantie van en heefft.quot; De turbe heeft dus blijkbaar niet het exeeptioneele belang, dat Matthaeus er aan toeschrijft. Onder de „oude Stichse rechten van Utrechtquot; heeft men zonder twijfel het Stichtsche landrecht te verstaan , en de bedoeling is dus blijkbaar te constateeren , dat niet het Hollandsche doch het Stichtsche landrecht in de (toen Hollandsche) stad Ysselstein gold , wanneer er geene speciale handvesten of keuren bestonden. Het bovenvermelde feit, dat de Ysselsteiners naar Utrecht ter hofvaart gingen, wordt er door verklaard; doch over de geldigheid van het Utrechtsche stadrecht te Ysselstein blijkt uit de verklaring niets.

1) Zie de drie keurboeken van W. in het Prov. arch, van Utrecht.

2) Zie den stadbrief van Wijk b/D., bij: Matthaeus, De jure gladii. p. 414.

3) In een charter van 1364 (Copiboek B. Stads-arch. fol. CXX1 vs.) worden als de Stichtsche steden genoemd: Utrecht, Amersfoort, Renen, Geyn en Vredelant.

4) Vgl. den boven aangehaalden stadbrief van Wijk b/D. met dien van Rhenen, bij; De Geer Bijdr. p. 381.

5) Zie hiervóór p. 3, 5.

-ocr page 348-

clc tweede afdeeling de procedure voor den raad, hot rtuids-recht; „dor stadt wilkuercnquot; hebben betrekking op de; crimineolc rechtspraak en behelzen de strafbepalingen, die daarbij toegepast werden, terwijl „dat raidtboickquot; de procedure voor den raad regelt „van loftcnquot;, m. a. \\v. de processen wegens „scadc ende scoutquot;, waarin de raad evenals te Utrecht met de schepenbank concurreerde.

Doch niet alleen het recht zelf der Stichtsche steden, zooals dat in de rechtsboeken overgeleverd is, vertoont groote overeenkomst met het Utrechtsche, ook de rechtsinstellingen schijnen, te oordeelen naar enkele gegevens, veelal dezelfden geweest te zijn. Zoo trekt het onze aandacht, dat er zoowel te Rhenen als te Ysselstein twee burgemeesters waren, die evenals de Utrechtsche den naam van schepenburg\'emeester en raadsburgoni nestor (te Rhenen „camelaerburgemeestorquot;) droegen \'); zoo is het zéér opmerkelijk, dat in den op verzoek der stad Utrecht verleenden stadbrief vim Bunschoten van 1384 \'1) bepaald is, dat niet de schout doch de stad (d. i. burgemeesters en schepenen) aan den bisschop over de ontvangst wegens verbeurde koeren zal rekening doen, en derhalve ook zij met de rechtspraak in deze zaken belast schijnt te zijn geweest; zoo vestigen wij de opmerkzaamheid op een besluit van het stedelijk bestuur van Wijk bij Duurstede van 1445 („soe wes dat die raet kent ende slyt, dat sel van weerden wescn ende blivenquot; quot;)), waaruit schijnt te blijken, dat ook daar de raadsleden „kendenquot; (d. i. rechtsquaesties onderzochten en £ds de officieele getuigen optraden) en „sletenquot;, (d. i. vonnis wezen.) Zelfs het Landrecht kent de concurrentie van raad en „gerechtquot; (d. i. schepenbank) en geeft den erfgenaam van een vast goed de keus, voor wien van beiden hij zijnen mede-erfgenamen „verstoringe doenquot; (d. i. hun aandeel in geld vergoeden) zal \'\'); nog meer, hetzelfde recht stelt het als eene eigenaardigheid der „grote stedenquot; (van het Sticht) in het

1

Charter v. 1384 in; Copiboek B. fol. 151. (Stads-arch. v. Utrecht.) — Vgi. het charter v. 1383, bij: Heda, Historia. p. 281.

-ocr page 349-

algemeen voor, dat daar „do raidt mombaers .set Doch het sprekendste getuigenis voor de overeenkomst van rechtsinstellingen in de Stichtsche steden levert eenc passage in het rechtsboek van Wijk bij Duurstede. „In allen, stedenquot;, zegt dit boek, „is recht van den scepen dat overste ende hoechste recht, want sy wysen ende staen over die bloode, dat en doet men niet voer den officiaell off voer den oudermans off raet ïe Wijk, en wellicht „in alle (Stichtsche) stedenquot;, schijnt er dus eene rechtspraak van schepenen „van den bloedequot; bestaan te hebben, en daarnaast eene rechtspraak niet alleen van don officiaal (het geestelijke gerecht), maar ook van don raad en van de oudermannen.

Doch ook in de rechtsontwikkeling, in den wegquot;, waarlangs men tot deze ongewone toestanden gekomen is, schijnt overeenkomst tusschen Utrecht en andere Stichtsche steden bestaan te hebben. Dit blijkt althans van de voornaamste stad: Amersfoort. Reeds uit het boven gegeveno overzicht van den inhoud van het Amersfoortsche rechtsboek blijkt, dat in hoofdtrekken de rechtspraak aldaar geregeld was evenals te Utrecht. Doch er is meer. Zeer merkwaardig is hetgeen Van Bemmel ons mededeelt omtrent het bestaan van „het officie van de vyvenquot; te Amersfoort met volkomen dezelfde bevoegdheden als het gelijknamige college te Utrecht bezat Reeds dit doet, in verband met het ons tegelijkertijd medegedeelde over de kibbelarijen tusschen raad en schout, vermoeden, dat ook de Amersfoortsche rechtsontwikkeling gelijk aan de Utrechtsche zal geweest zijn. Meer zekerheid daaromtrent geven ons twee bescheiden over geschillen van de bisschoppen Frederik Van Blankenheim en David Van Bour-gondië mot de stad Amersfoort \'). In beiden vinden wij dezelfde of derg-elijke klachten, cils in de lijsten van grieven der bisschoppen tegen de stad Utrecht voorkomen. Het eerste stuk behandelt het verbannen van misdadigers, de vermindering

1) Landr. XXI. i.

2) Keurboek v. Wijk b/D. fol. 26 vs. (Coll. Booth. B. 123. Prov. arch.)

3) Van Bemmel, Besehr. v. Amersfoort. II p. 460, 523.

4) Arbitrale uitspraak v. graaf Willem van Gelre tusschen den bisschop en Amersfoort dd. 1394, in afschrift: Coll. Booth. B 117. fol. 71 vlg. en (gedeeltelijk) bij: Matthaeus, De jure gladii. p. 607. — Klacht v. bissch. David v. Bourg., in: Divers. Dav. de Burg fol. 79 vs.

-ocr page 350-

van hot maagg\'eld (g\'eheel oj) den voet van het Liber hirsutus minor. XIII i), het „antasten ende richten over lude bi hem selvenquot; zonder den schout daarin te kennen, het opsluiten der misdadigers in do stadsgevangenis, het weigeren der brieven van den officiaal in wereldlijke zaken, en het „settcn van steen op koerenquot; zonder den bisschop daarvan zijn deel uit te koeren. Het tweede stuk klaagt o. a. over het „rechten van den raet over lijff oft anders buyten den schoutquot;, het onthouden aan den bisschop van zijn aandeel in de „broeken endc vechtkoeren,quot; de verhindering van de geestelijke rechtspraak, het gevangen-nomen en verbannen van personen door den raad „buyten den scoutquot;, en het gevangenzetten van eenen pander, „omdat hi uut was syncn dienst te verwaerenquot;. Ziehier eene lijst van overtredingen, die wij stuk voor stuk in de Utrechtsche rechtsgeschiedenis terugvinden, en die overtuigend bewijst, dat de stad Amersfoort niet alleen dezelfde, van andere steden afwijkende rechtsinstellingen bezat, die men te Utrecht vindt, doch dat zij die ook langs denzclfden weg voet voor voet op don bisschop veroverd had. In sommige opzichten schijnt Amersfoort zelf gelukkiger geweest te zijn dan hare machtiger zuster: wij vernamen zoooven, dat zij, stoutmoediger optredende dan Utrecht ooit gewaagd heeft, door haren raad liet „rechten over lyff buyten den schoutquot;; van elders blijkt ons, dat zij in een geheel ander opzicht mode boven verwachting is geslaagd: reeds in 1412 was het eene algemeen erkende zaak, „dat tot Amersforde gheen pander en rijt om yemant voor onsen heer te bieden, of gheen officiaels brieve en gaen om yemant te bieden of te dagen \')quot;, derhalve: geen inwoner van Amersfoort stond terecht voor landrecht of geestelijk recht 1). Twijfelt

1

Waarschijnlijk toch wel met uitzondering van de geestelijken. De usurpatie (of volgens de Amersfoorders het privilegie, al konden zij den voorrechtsbrief ook niet aanwijzen), had alleen betrekking op wereldlijke zaken: in het protocol van den notaris Kloris Tzwynnen (Stads-arch. v. Utr.) I p. 201 vindt men eene „Informatio brevis pro rectoribus opidi Amers-fordiensis,quot; waarin men het volgende leest: „quod cives etinhabitatores opidi Amersfordiensis

habent unum privilegium, concessum per pie memorie.....episcopum Traieetensem,

quod non possint aut debcant vocari ac trahi auctoritate ordinaria coram judicio ecclesiastico extra portas opidi predicti in causis quibuscumque prophanis, eivilibus, criminalibus, mixtis ac pecuniariis.quot;

-ocr page 351-

men soms, of er Uisschen do aspiratiën der beide steden verband heeft bestaan, dan kan dit met een bewijs gestaafd worden. In 1524 besloot de raad van Amersfoort, „dat die bur-gemeesteren mitten schepenen trecht houden sel{len) soc Inngc de hurgemeesteren tutrecht van der staf wegen dat rechten Derhalve: het verzet van Amersfoort tegen den bisschop en den schout zou ophouden zoodra de stad Utrecht toegaf.

1) Van Bemind , Beschr. v. Amersfoort. II p. 462.

-ocr page 352-

HOOFDSTUK VII. De Utrechtsehe rechtsboeken.

§ 1 . INHOUD EN TOEPASSING DER RECHTSBOEKEN IN HET ALGEMEEN.

Er blijft ons thans nog over, den inhoud en de verbindende kracht van het Utrechtsehe stadsrecht te bespreken. Wij zullen achtereenvolgens elk der rechtsboeken behandelen; doch vooraf behooren te gaan eenigo opmerkingen over de elementen, waaruit het stadsrecht bestond, en over de waarde van ieder dier elementen voor de rechtspraak.

Wanneer wij de brieven lezen, waarin de bisschoppen bij hun optreden de rechten der stad Utrecht bevestigen, dan trekt het onze aandacht, dat zij voor de omschrijving van dat recht verschillende termen gebruiken. Zij noemen gewoonlijk „alle horc previlegiën, brieven, recht, vriheden, wilcoren ende koeren, de zi hebben ofte vercreghen hebben, ende alle hoer oude haercomen, de zi haergebrocht hebben tot dezen dage toe \')quot;. Duidelijk vinden wij hier drie verschillende elementen aangeduid, die goed uit elkander gehouden behooren te werden.

In de eerste plaats de „previlegiën, brieven ende vrihedenquot;. Daarmede worden bedoeld de handvesten en voorrechtsbricven, die de stad van de keizers, later van de bisschoppen verkregen heeft. De schenker kon ze telkens slechts voor den duur van zijne eigene regeering vcrleenen; vandaar dat elke nieuwe

i) Bisschop Jan Van Arkel: R. v. U. I p. 399 , — bisschop Acrnt Van Hoern: Copibocc B. fol. 127 vs. (Stads-arch.), — bisschop Rudolf Van Dicpholt: Divers. Rod. de D. pr. fol. CCXXXIV.

-ocr page 353-

333

bisschop ze opnieuw moest bevestigen \'). Bizonder talrijk en gewichtigquot; waren deze rechtsbronnen te Utrecht niet: de stad was sterk genoeg om voor zich rechten te nemen, en hare heeren zullen daarom niet bizonder geneigd geweest zijn vrijwillig te schenken, waar cr kans bestond, dat men aan de schenking slechts kracht zou ontleenen om nog meer af te dwingen. Toch zijn de verleende voorrechten niet geheel zonder invloed gebleven op de ontwikkeling van het Utrechtsche stadsrecht: bij de behandeling van het Liber albus zullen wij daarvan een voonbceld vinden.

Veel meer belang quot;boezemen ons echter de overige elementen van het stadsrecht in; i0. het „rechtquot; en de „oude haercomenquot; en 2quot;. de „wilcoren ende koerenquot;. Wij zullen ze elk afzonderlijk bespreken.

Met „der stat rechtquot; bedoelt men de van ouder tot ouder overgeleverde rechtsgewoonten. Herhaaldelijk komt het woord in deze beteekenis voor in onze bronnen en de daarmede verwante rechtsboeken van andere steden 1). „Der stat rechtquot; is dus hetzelfde als de „oude haercomen, die zy by onsen voir-vaderen tyden ende by hoire ouder tiden haergebracht hebben tot dezen dage toe y, als „de ghewoenten van der statquot;. Deze „ghewoentenquot; waren onbeschreven en leefden in het rechtsbewustzijn der burgers. Bestond er twijfel, dan werd het bestaan der costume bewezen door eene turbe \'\'). Doch bijna nooit was er over den inhoud van het stadsrecht eenige onzekerheid: in contracten wordt eenvoudig in algemeene ^termen daarnaar verwezen, en in de bij processen overgelegde dingtalen is een beroep daarop steeds voldoende. Nog meer: tegenover de klachten van den bisschop over inbreuken pp zijne rechten beroept zich de stad Amersfoort geregeld eenvoudig op het feit, „dat der stat recht van Amersfoort alsoe gelegen is,quot; dat de raad bevoegd is te doen wat de bisschop als eene

1

Zie b. v. R. v. U. II p. 33, p. 43 („na den rechte ende ghewoenten van der statquot;) , p. 153. — Amersfoortsch rechtsboek, in: N. bijdr. v. rechtsgel. en wetgev. N.R. IV p. 240 , 243. (§ II, X.)

-ocr page 354-

334

aanmatiging beschouwt. Terwijl de stad Utrecht in dergelijke gevallen steeds artikelen uit „der stat boekenquot; aanhaalt ten bewijze van haar recht, wordt de bewering der Amers-foorders gewoonlijk niet minder afdoende gerekend; slechts een enkele maal luidt het bescheid: „dat dat maechgelt (waarover quaestie was) staen sel als dat lantrecht is, sy en breken dat mit recht r),quot; m. a. w. tenzij zij door getuigen bewijzen, dat inderdaad het stadsrecht in dit opzicht van ouds van het landrecht afweek. Behoudens dit bewijs is dan ook het beroep op „der stat rechtquot; niet minder afdoend dan dat op „der stat boekenquot;; immers elke nieuwe bisschop bevestigde nevens de privilegiën en keuren ook de „oude haercomensquot; der stad.

Geheel verschillend van „der stat rechtquot; zijn de „wilcoerenquot;. Reeds op de eerste bladzijde onzer rechtsbronnen wordt dit verschil geteekend in de spreuk: „Lande ende steden in den rike hout men bi rechte; mair wilcoer leyt men op bi menen rade -)quot;. En bisschop Guy verklaarde in een speciaal daartoe uitgevaardigden brief van Axhtendach na Pasken 1310, dat hij een duel (een „camp, die A ende B aenghenomen hebtquot; en „die ghevochten wartquot;) „nyet en hout voer recht ofte woentc van onser stat ofte van den lande van Utrecht, maor als voer enen wilkoer, behouden hore stat recht ende hoer vryheyt x)quot;. Derhalve: er is verschil in de beteekenis dor woorden recht en wilkoer, — verschil ook in de wijze, waarop beiden tot stand komen. Doch ook verschil in de rechtskracht: wij merkten vroeger \'1) reeds op, dat, terwijl het recht aan den persoon gebonden schijnt cn dezen volgt, waar hij ook gaat r\'), de „koerenquot; een territoriaal karakter hebben en allen zonder onderscheid binden, die op het stadsgebied

1

Uitspr. v. hert. Willem van Gelder van 1394. (Afschrift in: Coll. Booth. 13 117. p. 71 vlg.)

-ocr page 355-

aanwezigquot; zijn1). Wat zijn dan nu de „wilcoeren ende koeren ?quot;

„Wilcoerenquot; en „koerenquot; zijn volkomen hetzelfde 2). Het Liber albus bevat volgens den aanhef „korenquot;; toch wordt oen der artikelen (LXI. i) door bisschop Jan Van Arkel in 1346 „een willccoorquot; genoemd Ook elders doet zich hetzelfde voor: de keuren der stad Lubcck heeten „wilkore Wat zijn „wilcoerenquot;? Wij zagen reeds vroeger, wat het werkwoord „wilcoerenquot; beteekent: nog Karei V „willecoert, approbeert, ratifficeert ende confirmeertquot; eenige oude voorrechten der stad Utrecht r\'). De keizer, die meende voor de onder de Bourgondische tradition verfranschte ambtenaren dier dagen een Hollandsch woord door drie vreemde te moeten vertolken, doet ons hier een goeden dienst: het blijkt uit deze plaats duidelijk, dat „wilcoerenquot; is: goedvinden, bevestigen. In dien zin komt het woord „wilcoerquot; ook elders voor: in dorso van den privilegiebrief van keizer Hendrik V van 112 2 over de plaats, waar de markten te Utrecht voortaan gehouden zullen worden 0), staat met eene overoude hand aangeteekend, dat „dit sol staen toter coeplude wilcoerquot;, d. i. de kooplieden zullen markt mogen houden waar zij goedvinden. Vandaar heet een „wilcoerquot; ook hetgeen goedgevonden wordt, het besluit, placitum: de gildenbrief van 1341 heet „der ghilden wilcoer \')quot;, elders herhaaldelijk „der stat wilcoer quot;)quot; of „der stat cocr En zoo worden dan ook „der stat wilcoren, overdrachten ende slitingenquot; in éénen adem genoemd1H). Over het doel, waarmede

1

L. A. XLIII. 1. — L. H. LXVI1. i. — cf. echter: R. b. IV. 25.

2

„Wilkoren,quot; naast „koerenquot; genoemd, schijnen intussehen soms iets anders te nipeten beteekenen; zoo R. v. U. I p. 399: bevestiging der „privilegiën, wilkoren, vryhedequot;, en daarna van „koeren ende recht.quot; „Wilkorenquot; schijnt hier een andere term voor een keizerlijken privilegiebrief, een handvest. En inderdaad, dit kan zeer goed zijn: evenzeer als de raad en de gilden „wilcoeren,quot; en als nog Karei V „willecoertquot; (zie hierna) kunnen ook de keizers en bisschoppen gezegd worden te „wilcoeren,\' een besluit te nemen, nam. om een privilegie te verleenen. (Zie evenzoo de bevestiging van „alsulcke breve, recht, vryheidc ende vvilkoerquot;, die de burgers van Hasselt hebben gekregen van de bisschoppen. Invent, arch. Hasselt, passim.)

-ocr page 356-

de stad (d. i. de raad) deze soort van besluiten nam, kan bij ons geen twijfel bestaan: wij zagen reeds vroeger \'), dat „koeren ende wilcorenquot; dienden, „om die stat in vreden ende in rusten te houdenquot;, „om ghemac ende vrede te houden binnen der statquot;, „om die borghers daermede te dwinghen \'1)quot;.

Nu we weten, wat het woord „wilcoerquot; beteekent, hoe de „wilcoerenquot; tot stand kwamen en waartoe ze dienden, kan hot niet moeielijk zijn te concludeeren, waf zij waren. Keuren („wilcoerenquot;) zijn besluiten van don raad, waarbij in het belang der publieke orde iets geboden of verboden wordt onder bedreiging van eene daarbij aangegevene straf. Zoowel de overtredingen , die verboden, als de straffen, die bedreigd worden, zijn natuurlijk beperkt door de bevoegdheid van den raad ten dezen: de overtredingen betreffen derhalve gewoonlijk de plaatselijke politie de straffen zijn doorgaans geldboeten. Eene „koerquot; is dus in den regel eene politie-verordening, een „koerbaerquot; misdrijf eene politie-overtreding, eene „koerquot; (straf) ook de bij eene politie-verordening bedreigde boete.

Inderdaad komt met deze definitie de inhoud van de ons bekende Nederlandsche keurboeken zeer goed overeen. Wij vinden daar nagenoeg uitsluitend strafbepalingen, en wel in gevallen, die de stedelijke huishouding, de straatpolitie, het toezicht op de nijverheid, het marktwezen en dergelijke onderwerpen betreffen: het keurboek is het stedelijk politie-regle-ment 2). Ook de oudste Utrechtsche rechtsboeken bevatten in hoofdzaak niet anders. Maar toch vinden wij daar reeds aanstonds bepalingen, die van een anderen aard zijn. De bepalingen, waarop ik het oog heb, betreffen zoowel het strafrecht als het civile recht.

Wij lezen in den gildenbrief van 1455, dat een burger „na onser stat wilcoren tlijf verboerenquot; kan r\'). Er bestonden dus destijds keuren, waarbij do doodstraf bedreigd werd, en die

1

Duidelijk blijkt dit doel ook uit het feit, d it eene keur soms gemaakt wordt op eene klacht, ter beslissing van een geschil. Zie een voorbeeld daarvan : Roese. CCX pr.

2

De gewone voorstelling (ook te vinden bij: Nortier, Burg. proces, p. 5, 6), alsof de keuren slechts variation waren , op den door het stadsrecht gevormden achtergrond geteekend, is dus niet volkomen juist.

-ocr page 357-

337

dus wel niet togen cene zuivere politie-overtreding gericht zullen geweest zijn. Inderdaad vinden wij zulke bepalingen in het Liber albus \') en in het Roede boeck \'-), die toch volgens de opschriften „korenquot; bevatten. Hoe dit te verklaren? Wij weten, dat de met den dood gestrafte misdrijven (doodslag, braak enz.) in de Utrechtsche rechtstaal geene „koerenquot;, maar „broekenquot; genoemd werden. Ook werden de eigenlijke misdaden van ouds berecht volgens de „ghewoente *)quot;; de veroordeeling der misdadigers had plaats volgens het „recht, waarbi men lande ende steden houtquot;, land en stadrecht, dus onbeschreven recht.

De bedoelde bepalingen behooron dan ook eigenlijk in oen „keurboekquot; niet te huis, en de Utrechtsche rechtsboeken mogen dus strikt genomen geene „keurboekenquot; heeten. Hoe het intusschen tot de opneming van de straffen der genoemde misdrijven in de rechtsboeken der stad Utrecht gekomen is, weten wij reeds: naarmate de strafrechterlijke bevoegdheid van de stad (d. i, van den raad) zich uitbreidde, gaf zij daarvan blijk door hét bedreigen van straf tegen verschillende door haar thans berechte misdaden. Reeds in do later bijgevoegde hoofdstukke]! van het Liber albus wordt dan ook te kennen gegeven, dat „der stat boekequot; strafbepalingen „houden van broeken \'\')quot;, hoewel tevens blijkt, dat nog verscheidene „broekenquot; eenvoudig volgens de gewoonte berecht werden r\').

Van geheel anderen aard zijn de bepalingen in onze rechtsbronnen, die het civile recht betreffen. Zij betreden zonder twijfel het gebied van „der stat rechtquot; en schijnen dus geheel niet thuis te behooren in onze rechtsboeken, die de „Statutar-gesetzgebungquot; der stad (de „statuytenquot;, zooals Karei V in tegenoverstelling van „nae rechtequot; zegtquot;)) bevatten. Inderdaad hebben dergelijke bepalingen (die ook in andere steden enkele malen in de keurboeken voorkomen 1) en in Duitschland „Weis-

1

cf. No^lier, Burgerl. proces, p. 5.

-ocr page 358-

33»

thümerquot; genoemd worden) een anderen oorsprong dan de keuren. Zij danken haar ontstaan niet aan het recht van den raad om politietoezicht in de stad te houden; veeleer zijn zij te beschouwen als uitvloeisels van het feit, dat de leden der schepenbank (te Utrecht en in vele Duitsche steden ook de leden van den raad) fungeerden als de officiëele getuigen. Als vertegenwoordigers der burgerij, de dragers der rechtsovertuiging, gaven dezen somtijds eene officiëele verklaring af (volgens het toenmalige spraakgebruik „kendenquot; zij) omtrent een of ander punt, waarover de rechtsovertuiging onzeker was geworden, en bevestigden zoodoende door aanteekening in het stadboek het „oude haercomenquot;. Een voorbeeld van zulk een optreden van den raad levert ons Libcr hirsutus minor. VI. i. De raad „overdroechquot; daarbij, dat hij eene gewoonte „voertaen voer hoer oude haercomen houden wilquot;; als reden voor dit besluit wordt niet aangehaald de vrijheid cn de macht van het stadsbestuur, om over deze zaak eene regeling te maken, doch uitsluitend de overweging, „dattet hoer oude haercomen is \')quot;.

Doch de raad bepaalde zich niet tot zulke codificaties van het oude gewoonterecht: wanneer de rechtsovertuiging der burgerij zich over een punt langzamerhand gewijzigd had, zoodeit het nieuwe rechtsbewustzijn met het „oude haercomenquot; in strijd gekomen was, dan codificeerde de raad ook deze afwijkende rechtsgewoonte en verhief haar door deze aanteekening tot een deel van „der stat rechtquot;. Wij vinden een voorbeeld van dezen gang van zaken in het Liber albus VIL 3 , waar bepaald wordt, dat de moeder voogdes zal zijn. Over de toepasselijkheid van dit artikel ontstond reeds omstreeks 1360 een proces voor de Utrechtsche schepenbank -). Een buitenman eischte als oudste bloedverwant van vaderszijde een kind van de moeder op, omdat hij „recht gheboren voechtquot; van het kind was. De moeder, burgeres van Utrecht, weigerde het kind af te geven, omdat haar man burg-er was geworden en dus het artikel uit het Liber albus toepasselijk was:, waartegen de eischer aanvoerde, dat het kind, geboren vóórdat

1) cf. R. v. IJ. II p. 288 § 32, waar deze bepaling aldus is overgenomen: „ Want et een out haercomen geweest is van langen tyden .... so hebben raet ende gilden overdragen , dat si dat tot ewigen dagen voir recht houden willen.quot; Evenzoo Liber albus. XCIV. i: rfoantct een out haercomen ghewecst heeft.....zo is die raet ovequot;draghen.quot;

2) Scepeneboeck. X. i.

-ocr page 359-

,uy

de vader burger werd, geen burger was en dus „der stat rechtquot; niet toepasselijk was. De vraag was derhalve, of het stadrecht dan wel het landrecht voor het kind gold: het landrecht bepaalde blijkbaar, dat de „geboren mombaerquot; voogd zou zijn \'); hot stadrecht, steunende op Liber albus VII. 3, wees als zoodanig de moeder aan. Inderdaad schijnt dus door de vaststelling van dit artikel de rechtsovertuiging der burgerij, in den loop der eeuwen van die van het platte land afgeweken, bekrachtigd te zijn.

Ik zeide zoocven, dat de op deze wijze tot stand gekomene rechtsbepalingen een ander karakter droegen dan de eigenlijke „keurenquot; en in de „keurboekenquot; niet te huis behoorden. Het stedelijk bestuur van Utrecht zelfheeft dit reeds in de 14c eeuw ingezien. Toen men in i38q een nieuw stedelijk wetboek (het Roede boeck) vaststelde, dat voor het eerst in systematische orde was gebracht, trok hot dadelijk de aandacht, dat de bovenbedoelde bepalingen niet bij de keuren behoorden : men lichtte ze uit het verband, en bracht ze met andere verwante artikelen bijeen in een afzonderlijk boek, „der scopen rr.chfc endo ordinanciquot; genoemd -). Naarmate de raad zich nu meer en meer op dit terrein bogaf, groeide uit deze kern een ander afzonderlijk wetboek, dat geene „koerenquot; meer bevatte, doch nagenoeg uitsluitend de codificatie van „der stat rechtquot; was: „dat Scepenrechtquot; van 1456.

Met de vaststelling eener keur door den raad was zij nog niet voor goed verbindend: de keuren behoefden evenals dc „ghewoentenquot; do bevestiging van den bisschop. In kleinere steden, die afhankelijk waren van den heer, werden de keuren gemaakt door het stedelijk bestuur „bi ons of bi onsen nacomclingenquot; (zooals de bisschop in 1384 aan de Bunschotenaars zeide :1)) of althans „by consent endo guetduncken ons off onss richtersquot; (zooals te

t) Inderdaad kent nog hot Landrecht XXI. i (R. v. U. 11 p. 425) in de eerste plaats de „gebooren mombaers, als die naeste magen van de zweertsyde enz.quot; Eerst een later artikel (§ 5) noemt aan het einde de voogdij der moeder, en het heeft allen schijn, of dit artikel later bijgevoegd is; twee handschriften (II. en J.) lezen op de bedoelde plaats; „dio moeder blyft mombaer tUtrechtquot;, hetgeen ook betoren zin geeft tegenover het volgende : „ende oec die vader al Sticht doer.quot;

2) R.b. LIX.

3) Privil. v. Bunschoten dd Manend, na Derliend. 1384, in: Copiboee H. fol. CLI. (Stads-areh.)

-ocr page 360-

34°

Rhenen in 1403 \')). Te Utrecht werden de keuren gemaakt door den raad, en schijnt hot voldoende geweest te zijn, dat iedere nieuwe bisschop in het algemeen aan de stad hare „koerenquot; bevestigde. Door deze plechtige handeling erkende de bisschop de tot dien dag gemaakte keuren, die daardoor natuurlijk voor hem dezelfde verbindende kracht krcg-en, alsof ze (zooals in de Hollandsche steden dikwijls het geval was) bij handvest aan de stad verleend waren. Het laat zich hierdoor volkomen begrijpen, dat de bisschoppen bij klachten over usurpaties der stad Utrecht zich steeds beriepen op het feit, dat de „gebreke hem meer dan sinen voervaderen ye geschietquot; waren \'-), nam. dat de inbreuken op \'s bisschops recht hadden plaatsgehad sedert den dood zijns voorgangers-, immers wanneer zij van vroegeren tijd dagteekenden, dan moest de bisschop geacht worden ze bij zijnen huldigingseed bevestigd te hebben. Evenzeer blijkt het hieruit, waarom de stad steeds meende met eene aanhaling uit het stadboek te kunnen volstaan ten bewijze, dat de bisschop ongelijk had, waarom zij, in het algemeen schuld bekennende, toch beweren kon, recht te hebben om eene uitzondering te maken voor de gevallen, bedoeld in de over dit onderwerp handelende artikelen der stadboeken. De bisschop toch had de stadboeken in het algemeen bevestigd; hij had dus alle daarin bevatte bepalingen, ook al waren die oorspronkelijk aanmatigingen geweest, als rechten der stad erkend.

Nog in een ander opzicht behoefden de keuren bevestiging. Evenals de bisschoppen en vorsten slechts handvesten en privilegiën verleenden voor den duur hunner regecring, zoo had de raad slechts de bevoegdheid keuren te maken voor den tijd.

1) Stadbrief v. Rhenen v. 1403, in: Divers. Frid. de Blanek. pr. fol. XCVII. — In de Hollandsche steden , die allen „goede stedenquot; waren , weiden dan ook de oudste stadskeuren in de voorrechtsbrieven der graven zei ven opgenomen. Daarbij verleenden de graven echter als gunst: „wat soe scepenen visieren by den rade des baljuwcst dat zal alsoe ghestade wesen alsof het ware ghesereven in deser chore ende vrijheytquot; (V. d. Bergh, Oorkondenb. I p. 248); dit is dus reeds de tweede trap van ontwikkeling der stads-vrijheid. Eene schrede verder nog ging de keur van Middelburg van 1254: „So wat zo schepenen van Middelburg ende portres, die sire toenemen, maken .... ter port nut-schepe.^dat in die chore niet ne staed, dat moet bliven ghestade.quot; (V. d. Bergh, Oorkondenb. I p. 314.) Hier is de medewerking van den landsheer ook indirect uitgesloten : de bevestiging der keuren door den heer bleef wel formeel noodig, doch vr ging hier vooraf.

2) Klacht van bissch. Fred. v. Blankenheim, in: Divers. Frid. de BI. pr. fol, 82 vlg.

-ocr page 361-

dat zijn bestuur duurde. De keuren waren slechts één jaar van kracht, en, evenals elke nieuwe bisschop de door zijnen voorganger verleende privilegiën bevestigde, zoo liet elke nieuwe raad bij zijn optreden \') afkondigen: „Die raet van der stadt gebiet te houden alle onser stadt kueren in allen manieren als hairtoe gecomen is \'1)quot;. — Sommige keuren golden zelfs nog korteren tijd. Wij vinden bij enkele bepalingen uitdrukkelijk vermeld, dat zij „zeilen dueren zolange alst die raet out ende nye verlenghet :1)quot;, — of „tot wederzegghen des raets out ende nywe, of te verlenghen van termine tot terminen also langhe ende also dicke alse zi willen ■ - of dat men „dit alle jaer mitten vrede driewerve ter clocken kondigen zei r\')quot;. Inderdaad vindt men dan ook in de publicatiebneken der stad op de drie jaarlijksche termijnen quot;) telkens afgekondigd: „Die nye vecht-kueren, die kueren van den dobbelen ende bickelen ende overdrachte van den overspuele verlengt men ende vernyet men voirt tot Sinte Lamberts dach toe 2)quot;. De hier genoemde „kuerenquot; zijn juist de drie bovenbedoelde, waarbij de beperkte duur in de rechtsboeken staat aangeteekend. De reden van deze exceptioneele regeling blijkt niet; Avellicht kunnen hierover de opmerkingen cenig licht geven, dat ze allen kort na elkander werden uitgevaardigd (1380, 1382 en 1399), en dat twee daarvan eene inbreuk op \'s bisschops rechten bevatten. Zeer zeker was de reden voor den beperkten duur niet, dat ze bestemd waren om slechts in eene voorbijgaande behoefte te voorzien, want de jaarlijksche vernieuwingen komen nog tot aan den ondergang der stedelijke autonomie in 1528 voor.

De keuren werden te Utrecht „ghekondichtquot; of „ghelezenquot; „ter clockenquot; (d. i. bij klokluiding afgekondigd): zonder dergelijke publicatie waren ze natuurlijk niet voor de burgerij verbindend, zelfs al waren ze in de stadboeken opgenomen l!).

1

Buurspraakboek jaarlijks na Lichtmis. — Eene hernieuwing eener keur ipsis verbis „om die te sterekenquot; vindt men: Roese. CCLVII. (cf. CCXLVII1. 1.)

2

Buurspraakboek. passim.

-ocr page 362-

Een enkele maal liet de raad bij uitzondering cene keur, die het marktverkeer betrof, bovendien „crigierenquot; (d. i. door den omroeper afroepen) „opter marcten ende overal anderswaer in der statquot;.

liet valt in het oog-, dat aan eene dergelijke regeling var. de wetgevende bevoegdheid des raads tal van bezwaren voor de rechtszekerheid verbonden waren. Alleen de afgekondigde raadsbesluiten waren voor de burgers van kracht, de afgekondigde besluiten golden slechts hoogstens één jaar, en het jaarlijksche „vernywenquot; van „alle kuerenquot; in het algemeen liet de vraag onbeslist; welke keuren nog van kracht waren, — eene moeielijkheid, na verloop van een paar eeuwen waarlijk niet gering te tellen! Om aan deze bezwaren te gemoet te komen, kwam men er al vroeg toe boeken aan te leggen, waarin de bestaande keuren verzameld waren; men noemde die in het algemeen „der stat boekequot;.

Moe men daarbij te werk ging-, leert het merkwaardige charter van 1401 over het Dordrechtsche keurboek van dat jaar, waarin het stedelijk bestuur verklaart, dat het, aangezien het oude boek, waarin de keuren opgeschreven waren, „seer ghecancelleert, doerscrapt ende te niet ghcdaen wasquot;, „die oude kueren besien, gheëxamineert ende wel bedacht hebben, ende daer uutghetoghen alsulke goede kueren, ende vele andere nuwe kueren daer mede toe gheordineert na onsen besten wetentheyt, daer wi alle mede gheregeert ende be-wacrt moghen wesen van des si inhouden ende begripen; welke kueren, beyde oude ende nyeuwe, wi hebben doen bescriven bi hande onser ghezworen clercken Ongeveer op dezelfde wijze handelde men te Utrecht in 1456: de raad „overdroechquot;, dat de in het rechtsboek opgenomene „punten ende rechtenquot; „recht wesenquot; zouden, „so wy die uut onsen ouden boeken van rechten getogen ende genomen hebbenquot;. Doch bovendien deed men in dit geval nog iets meer, en „ordineerde, sloot eendrachtelic ende overdroech bi der wijsheyt ende vroetscap van der stadt ende den gemenen gildenquot; nog verscheidene andere „puntenquot;, die aan het gewoonterecht

Zutphen; daarentegen was het stadboek, „dat men jaerli.v condichdequot; (het register der keuren) natuurlijk „gheen raet.quot; (Rechtsbr. v. Zutphen. p. XVI Noot i.) — Vgl. ook: R. v. U. II p. 209.

1) Fruin, Oudste rechten v. Dordr. I p. i.

-ocr page 363-

343

ontleend waren en thans voor het eerst gecodificeerd werden; blijkens den inhoud van het rechtsboek maakten deze artikelen zelfs verreweg het grootste deel daarvan uit \'). En nog bepaalde men zich hier bij het oude overgeleverde recht: een voorbeeld van eene nog meer ingrijpende handelwijze van het stedelijk bestuur tegenover het stadrecht vindt men te Kampen (1541), waar de raad den secretaris een „repertorium dede schryven uut der stadt Gulden boeck (het keurboek) ende anderen registeren, endc accorderen mit de leges van den key-serlycken rechten \'1).quot;

De onzekerheid, welke bepalingen nog geldig waren, was door de afkondiging van een stadboek grootendeels weggenomen; doch ook aan de andere opgesomde bezwaren kwam men, althans te Utrecht, bij de vaststelling der rechtsboeken tegemoet. De in de boeken opgenomene keuren werden aan de goedkeuring der gilden (de hoogste instantie) onderworpen en daarna „ghecondicht mitter clockequot; om fc duren „ ewalike of „tot ewigen dagen 2)quot;. Terwijl eene gewone keur duurde „tot sraets wederzegghenquot;, zouden de in het stadboek opgenomene „wedergheboden warden nummermere r\')quot;; de raad verbond zich, „daer niet tegens te seggen noch te doen noch te laten ghescien in geenre wijs Ook voor de publiciteit van de keuren vond men in 1456 een ander middel dan de niet zeer practische afkondiging: een der drie exemplaren van „dat Scepenrechtquot; lag „in der kerken tot Buerkerc, omdat alle borgeren ende ondersaten off die des behoeven dat zien ende overlesen mogen, om en ygclic hem dairna te rechten 3)quot;.

Welke kracht hadden de stadboeken? in hoeverre was men verplicht, zich bij de rechtspraak daaraan te houden? waren zij bestemd, de toepasselijkheid van „der stat rechtquot; te vervangen? Ook hier weder moet men onderscheiden tusschen de rechtspraak van raad en schepenbank.

1

Bibliogr. adversaria. IV. p. 277.

2

R. v. U. II p. 230.

3

R. v. ü. II p. 230.

-ocr page 364-

De raad was natuurlijk gehouden aan do door hum zclven vastgestelde bepalingen: hij „corrigeerde die broeckige naar inhoud hairer ouder boecken Voor zoover „der stat boeke van cnigiie broeken nyet en hielden \'J)quot; (d. i. wanneer de rechtsboeken eene .misdaad niet uitdrukkelijk strafbaar stelden ^)), volgde de raad de rechtsgewoonten, waarvan er eenigen vóór in het Liber albus gecodificeerd waren Reeds vroeger bleek het ons, dat in zulke gevallen raad oud en nieuw met het vonnis wijzen belast waren r\').— Bij \'s raads rechtspraak over politic-overtredingen dienden weder in de eerste plaats de in de stadboeken opgenomene keuren als leiddraad; doch daarbij schijnt men ook acht te hebben moeten slaan op andere bij klokluiding afgekondigde keuren, die, om welke reden d^ln ook, niet in het stadboek waren opgenomen quot;).

Doch hoe, wanneer eene voor de publieke orde en rust bedenkelijke handeling niet bij eene keur verboden was ? Het met de Utrechtschc rechtsboeken nauwverwante keurboek van Wijk bij Duurstede beantwoordt deze vraag zeer juist aldus: „Die peen moet beliefft, gemaect ende overgegeven wescn voer scout ende scepen, sal men yement in der penen wyesen 1)quot;. Derhalve: geen keur geene strafbaarheid. Dit thans algemeen aangenomene rechtsbeginsel scheen echter in de middeleeuwen geenszins zoo eenvoudig: in de Zutphensche rechtsboeken was bepaald (1387): „Wat zaken dat onbecoert sijn of daer die kore niet af gescreven en staen, die moghen die scepenen na oer en mecsfer rcdclicJicyt to allen tijden becoren, wanneer sie wyllen, ende den kore inwynnen gelyck off het gescreven core were, hetsi van worden ofte van daden 2)quot;.

1

Keurboek v. Wijk b/D. (US. Prov. arch. Coll. Rootli B 123. fol. 26 vs.)

2

Rechtsbr. v. Zutphen. p. 38 § 132.

-ocr page 365-

345

Dc Utrcchtsche rechtsboeken bespreken de hier bedoelde quaestie niet in het bizonder. Doch wij kunnen uit sommige gegevens opmaken, dat ook daar eene voorafgaande algerneene strafbepaling niet altijd geëischt werd. Wanneer dc raad eene of andere handeling verkeerd achtte, dan verbood hij die dikwijls niet bij keur en dus in het algemeen; maar hij deed den persoon, die de handeling gepleegd had, eenvoudig aanzeggen , zich daarvan in het vervolg te onthouden. Was hij dan ongehoorzaam, dan heette hij „boven sraets verbotquot; gehandeld te hebben en was. strafbaar; een analoge gang van zaken dus als bij het „ verwilcoeren op siin liifquot;. Wij vinden van zulk eene handelwijze van den raad dikwijls voorbeelden vermeld. Zoo b. v. in het Raads dagelijksche bock van 1477 twee vonnissen tegen personen, die „boven des raits verbotquot; met de ballingen gesproken hadden \'); elders benoeming eener raadscommissie „totten broken, die de wantsnytiers ghebroict moigen hebben tieghens tverbot van den raide merende van den uutheymschen verbodenen lakenen Vooral wanneer men voor recidivisten de bij eene keur bepaalde straf verhoogen wilde, was deze wijze van handelen gewoon. Zoo leest men in het Raads dagelijksche bock van 1-178 een vonnis van den volgenden inhoud: „Want deze nabescreven personen mit mal-canderen in overspuel bevonden zijn, daerom zeilen zij na onser stadt rechten elcx ter beteringe gheven XXV tf. Ende waert zake, dat zij after deze tyt meer over malcandcrs dorpelc quamen ende die raet dat ter waerheyt bevonde, zoe zeilen zy vijff jaer lang uut der stadt wezen ende ene mile van der stadt bliven op hoere liven ■r)quot;. Bij één der schuldigen is bij de boete de bepaling gevoegd: „Ende en scheyde hy terstont niet van der mcecht, zoe zei hy een jaer uut der stadt raide wezenquot;. Duidelijk wordt hier onderscheid gemaakt tusschcn de bij algemeene bepaling („der stadt rechtenquot;) vastgestelde „broekequot; voor eene misdaad en de wegens bizondere omstandigheden daaraan bij speciaal raadsverbod toegevoegde verzwaring.

Uit zulk een raadsverbod voor enkele gevallen groeide echter somtijds langzamerhand eene keur. Ook daarvan bieden onze rechtsboeken ons een sprekend voorbeeld. Omstreeks 1355

1) Raads dag. bock. Manend, na Elyzab. en Wocnsd. na Kathcr. 1477.

2) 1. c Don red. na Margar. 1477.

3) 1. e. Don red. na Conv. Pauli 1478.

-ocr page 366-

346

had Aernt Proyt den hoppen sijs ontdoken door bier te voeren niet door de stad maar daaromheen. De raad had hem verboden dit weder te doen; desniettegenstaande werd hij nogmaals betrapt. De raad overwoog- nu eenvoudig: A. P. heeft hoppenbier „buten om die stat ghevoert, dat Jieiu verboden tvasquot;, en strafte hem met gevangenis en het vragen van vergiffenis „ter clockequot;. Het misdrijf stond dus niet bekeurd: het eenvoudige raadsverbod was rechtsgrond der straf. Thans werd echter hieraan een einde gemaakt: bij het vonnis besloot de raad tegelijk te doen „kundighenquot;: „enich man, diet meer dede, dat hi ene maent legghcn zoude in den toern ende eten water ende broet \')quot;. Terwijl vroeg\'er dus alleen Aernt Proyt strafbaar was, zouden nu voortaan allen, die de handeling pleegden, dit zijn; doch de overtreding dezer keur werd zelfs minder kwaadwillig geacht dan die van „sraets verbotquot; alleen; immers het vragen van vergiffenis werd in de keur niet opgelegd.

Hoe de raad bij zijne rechtspraak deze verschillende rechtsbepalingen in praktijk bracht, hoe hij te werk ging bij twijfel omtrent den zin en de toepasselijkheid van een artikel, bij strijd tusschen de bepalingen van verschillende keuren, hebben wij reeds boven gezien -).

Voel ingewikkelder dan de verschillende bronnen van het raadsrecht zijn de bepalingen over de rechtsbronnen, die de schepenbank bij hare rechtspraak moest toepassen, en over de wijze, waarop dit geschieden moest. .Schepenen hadden geene wetgevende macht: het Scepenrecht zegt: „Die sccpen en sellen geenrehande manieren van rechten mogen maken, noch geen saken onder hem overdragen, den recht off den gilden aenroerende, dair sy na rechten sollen, tensy bi den rade ende der gemnenre gilden consentquot;; stelden zij toch wetsbepalingen vast, dan „sell dat van geenre weerden wesen, ende sy en sellen dair nyet na rechten

In de eerste plaats was de schepenbank bij hare rechtspraak gebonden aan „des raets overdrachtenquot;: schepenen deden bij

1) R. v. U. I p. 397.

2) Zie hiervoor p. 172, 173.

3) R. v. U. II p. 282, 283 ^ 15. -- Wel vinden wij R. v. (J. II p. 53 een „ovcrdrachte dor meei)re seepenc out ende nywequot; aangehaald in eene dingtaal, maar die overdracht was aan het Liber albus (XXXVIII. 1) ontleend.

-ocr page 367-

.347

hun optreden den eed deze „volcomelicken te houden Zij rechtten dan ook van ouds „uut boeken ende bescreven rechten, die voir den scepen, raden, oudermans ofte gilden overdragen ende geschietquot; waren -). Herhaaldelijk vinden wij in de ons bewaarde dingtalen voor de schepenbank raadsbesluiten aangehaald en daarop vonnis gewezen :i). En toen in 1456 de raad met do gilden een nieuw rechtsboek samenstelde, werd uitdrukkelijk besloten, „dat die scout ende scepene van der stadt daerna rechten, oirdel geven ende wysen sellen

Slechts ééne plaats in onze rechtsboeken kan eenigen twijfel bij ons opwekken, of de schepenbank inderdaad altijd aan de bij klokluiding afgekondigde besluiten van den raad g\'ebonden was ■\'■•). In 1447 liet de stads „cyrgijnquot; (chirurgijn) van Utrecht eenen poorter van Amsterdam te Utrecht besetten voor een onbetaaldcn lijfrentebrief der stad Amsterdam van 1445, en stelde hem te recht voor de Utrechtsche schepenbank. De besette deed in zijne dingtaal eene zwakke poging om te beweren , dat hij voor de schulden zijner stad niet aansprakelijk was, doch, wel bewust dat het algemeene gebruik hem in dit opzicht ongelijk gaf, grondde hij zich voornamelijk op een Utrechtsch raadsbesluit van 1422, waarbij de raad zijne burgers waarschuwde geene lijfrenten van vreemde steden te koopen, omdat „die raet daer niemant hier binnen onser stat ofte stat-vriheit om beset hebben en wil, noch daer gheen recht of gedaen hebben en wilquot;. De eischer beweerde echter, dat „al waert dattet out raet ende nywe overdragen hadden ende dattet ter clocken uutgheluut was, so en mochtet hem

niet te baten comen;.....wil hem yemant mit composiciën

of overdrachten van den rade verantwoorden of behelpen, dat mogen sy soeken voor den rade, daer sy dat sculdich siin te soekenquot;. En de schepenbank stelde den besetter in het gelijk:

1) R. v. U. I p. 388. — Zie de overdrachten van raad en gilden in het Liber albus, die uitsluitend over het schepenrecht handelen, (b. v. VII, VIII, LXXXIV, XCV.)

2) R. v. ü. II p. 230. — R. v. U. II p. 183 zegt, dat schepenen gehouden waren aan „vves die raet out ende nye overdraecht.quot; Moet men daaruit afleiden , dat de besluiten van den nieuwen raad alleen voor hen niet bindend waren? Denkelijk niet; de nieuwe raad alleen maakte echter zelden ordonnantiën; deed hij het, dan hadden zij dezelfde kracht als die van raad oud en nieuw, (L, A. LXXXVII1. i.)

3) Zie b. v. R. v. U. II p. 7, 47. Beide malen worden de aangehaalde besluiten in het vonnis genoemd.

4) R. v. ü. II p. 229, — p. 283 ^ 19. (ef. ook p. 281 ^ 10: „off in der scepen bocke.quot;)

5) Zie R. v. U. II p. 209—211.

-ocr page 368-

348

niettegenstaande de raad hot besctten van poorters van vreemde steden voor schulden dier steden verboden had, „kendequot; de schepenbank het beset van waarde.

Inderdaad geloof ik toch niet, dat de schepenbank bedoeld heeft te beweren, dat zij aan de „composiciën ende overdrachten van den radequot; niet gebonden was. Zij wist wel beter! Doch twee omstandigheden waren in het nadeel van den beseften Amsterdammer. Vooreerst had de stad Amsterdam in den questieusen lijfrentebrief bepaaldelijk verklaard, dat „sy ende hore porters hem niet behelpen sellen mogen tegen desen (brief) mit enigen overdrachten der goeder stat van Utrecht uf composiciën, die tusschen derselvcr stat van Utrecht ende der stede van Amstelrcdam gemaect siinquot;. De schepenbank kon dus met haar vonnis bedoelen, dat de gedaagde zelf (of de stad Amsterdam, wat in casu hetzelfde was) afstand gedaan had van de exceptie, waarop hij zich beriep (op welken afstand reeds de besotter onder aanhaling van dezelfde woorden blijkbaar g-ezinspeeld had), en dat derhalve deze exceptie (de overdracht van den raad) hier niet in aanmerking kon komen. De raad zelf moest weten, of hij niettegenstaande deze omstandigheid zijn besluit wilde handhaven; de raad moest aim de uitvoering daarvan de hand houden. — In de tweede plaats had de besettc de onvoorzichtigheid gehad, „der segele enter brieve ter scepene antwoerde te lydenquot;, d. i. den brief in judicio te erkennen. Wij weten nu, dat bij processen over „scade ende scoutquot; de beklaagde moest „lyen of missaekenquot;; had hij eenmaal in judicio „gelietquot;, dan was hij „vellichquot;. Het vonnis kon derhalve nog een anderen zin hebben: naar strikt formeel recht is de zaak uitgemaakt, er is geene aanleiding meer voor een verder proces, en het beroep op het bedoelde raadsbesluit komt te laat, nu het proces voor de schepenbank is afgeloopen („want hijs voer der lydinghe niet te baten comen en heeftquot;); de raad, aan de strenge rechtsvormen niet gebonden, mag toezien, of hij ten dezen nog iets voor den besette doen kan volgens zijne ,,overdrachtquot; \').

Na de ordonnantiën van den raad komen bij de rechtspraak van schepenen in aanmerking de rechtsgewoonten, onbe-

i) Inderdaad komt hot mij waarschijnlijk voor, dat dit de zin van het vonnis is, in verband met het op p. 293, 294 gezegde.

-ocr page 369-

1M9

schreven levende in het rechtsbewustzijn der oordeelwijzers, „der stat rechtquot;. In den eed, door den schout bij den aanvang zijner bediening gedaan, komt de belofte voor „recht te doen na rechte ende ghewocnte van der stat En in de aan schepenen overgegevene dingtalen vinden wij telkens beroepen op de „costumen, ghewoenten, haercomen ende recht van der stat Naast deze onbeschrevene costumen kwamen de rechtsgewoonten in aanmerking, die reeds eene uitdrukkingquot; gevonden hadden in de rechtspraktijk: het recht, nedergelegd in de uitspraken der schepenbank zelve; schepenen waren verplicht in twijfelachtige gevallen „des oirdels wijs te worden na ondervijndinge in der scepen boeke 1)quot;.

Met dat al was de toepassing van de gewoonten uit den aard der zaak eenigszins onzeker. Blijkbaar ontstonden, er moeielijkheden, en in 1456 „bekennedenquot; dan ook de raad en de gilden te Utrecht, „dat een ygelike stat ende alle goede steden sculdich waren te hebben goede bescreven overdrachten ende rechtveerdige rechten, om een ygelic daerna te rechten men ging over tot eene omvangrijke codificatie van het gewoonterecht, die ons (aangevuld met de over de rechtspraak der schepenbank vroeger genomene raadsbesluiten) bewaard is in „dat Scepenrechtquot;. Of de schepenen ook na de invoering van dit wetboek bevoegd bleven, onbeschrevene rechtsgewoonten toe te passen, blijkt niet met zekerheid; doch het is waarschijnlijk, daar nog Karei V in 1550 uitdrukkelijk moest verbieden, „te introduceren, allegueren oft poseren andere costumen, ordonnanciën, usantiën of maniere van procederen der stede ende vryheit (van Utrecht) dan degene, geïnsereertquot; in het door hem afgekondigde regeerings-regle-ment. Eerst toen w erden „alle costumen, usantiën, obser-vanciën ende manieren van proccdercn, discreperende van dese ordonnancie, geaboliert, af ende te nyeutc gedaen r\')quot;.

Naast „der stat rechtquot; schijnen ook de rechtsgewoonten

1

R. v. U. II p. 281 to. Zie meer hierover: hierna 6.

-ocr page 370-

350

van het land in aanmerking gekomen te zijn. Het Scepen-recht verwijst althans eenmaal naar „dat recht ende die gewoonten der stadt ende des gestichfs van Utrecht Wij zullen hierna (§ 7) een paar plaatsen aanhalen, waar bepalingen uit het Landrecht in het Scepenrocht gecodificeerd schijnen te zijn. Sterker bewijs levert § 2 der Previlegien ende statuten, waaruit blijkt, dat de gewoonte van het platte land \'1), dat de doodslager drie dagen uit het land ging en daarna, behoudens de aanspraak der verwanten, niet verder strafbaar was, ook in de stad Utrecht gold.

Bij de toepassing van al deze rechtsbronnen waren schepenen echter gebonden aan de dingtalen van partijen; „sce-penen siin sculdich recht te wijsen tusschen twicr manne tael, aensprake ende antwoorde, ende anders niet Het Scepen-recht bevestigde deze gewoonte, en beval schepenen „oirdelen te wysen na inhout van den scepenboeck, also verre als/ hem aengedinct ivert tusschen twyer man taell *)quot;• Be schepenen mochten dus alleen die statuten en die rechtsgewoonten bij hunne vonnissen in aanmerking nemen, waarnaar de geding-voerende partijen in hunne schrifturen verwezen hadden; de ons bewaarde dingtalen halen dan ook geregeld de bepalingen aan, die men wenschte toegepast te zien \'•).

Het ligt in den aard der zaak, dat schepenen bij zoo verschillende en aanvankelijk zoo onvolkomen overgeleverde rechtsbronnen dikwijls het spoor bijster moesten zijn, te meer daar zij zeiven geene rechtsgeleerden waren, terwijl de „voer-sprakenquot; (advocaten) blijkens do door hen gestelde dingtalen in de kunst der chicane reeds een hoogen trap van volmaking bereikt hadden quot;). Wat hadden schepenen in dergelijke ge-

1

Zie Stichtsch lantrecht. I § 1. (R. v. U. II p. 409.) — Zie ook: Previl. ende stat. § 8 = Landr. I. 3.

-ocr page 371-

35\'

vallen te doen? De weg werd hun in de rechtsboeken zeiven voorgeschreven. De schout „vroegquot;, nadat het proces gevoerd was, den schepenen „een oordelquot;. Schepenen konden zich clan „beradenquot; in „der sccpene earnerquot;, waar de schout niet binnentreden mocht \'). Doch gewoonlijk werd het vinden van het oordeel aan een der schepenen opgedragen („ondergegevenquot;), die het dan „onderhadde hij moest dan later „sententiam dictarequot;, terwijl alle andere schepenen moesten „approbare sententiam Dit laatste, het opmaken van het besluit door schepenen, werd „slitenquot; genoemd; het geschiedde mede in „der scepene camer waarna het „wysenquot; (uitspreken) van het oordeel weder in de schepenbank, dus in het openbaar, volgde •quot;•).

Het was den schepen, wien het oordeel „ondergegevenquot; was, geoorloofd bij zijne overwegingen de meening te vragen van de „wysen ende vroedenquot; of van „die wijsheyt 0)quot;, waarmede waarschijnlijk oude in de rechtsgewoonten welervarene burgers bedoeld worden. Daarnaast mochten zij echter het advies inwinnen van eene andere categorie van personen: de „meysters van rechten T)quot;, de op de universiteiten gepromoveerde doctoren. De bepaling (die reeds in 1456 voorkomt) is merkwaardig, omdat zij bewijst, dat men toen het Romeinsche recht reeds ids subsidiair recht van toepassing achtte quot;).

De schepen was verplicht zijn advies binnen zes weken aan zijne collega\'s mede te deelen; hij kon zelfs door opsluiting daartoe genoodzaakt worden !\'). Achtten de andere schepenen

eene fatsoenlijke vereeniging weigerde hen onder hare leden op te nemen, hen mrt de handwerkslieden op eene lijn stellende. (Statuut der Kleine kalende-broederschap te Utrecht dd. 1415, in: Bijdr. er. ineded. v. h. Mist. Gen. VIII. p. 133: „dat wi onze provende tot gheenre tijd nyemant gheven en zeilen, die voersprake is of die in de concistorye dient of die ambocht mit zin en handen doet of die dient om ghelt of openbaer woekenaer is enz.quot;)

1) Roese. CXXVI. 7. — Vroeger bleven schepenen in de schepenbank zitten en moest de schout zich verwijderen. (R.b. XXVIII. 7. —- En weder: Scepenrecht. XIV. 3.)

2) Zie b. v. R. v. U. II p. 281 § 10.

3) Matthaeus, De jure gladii. p. 387.

4) R.b. XXVIII. 7 juncto LIX. 28.

5) R. v. IJ. II p. 279 § 5.

6) R. v. U. II p. 279 ^ 6 , 281 10.

7) R. v. U. II p. 279 ^ 6, 281 ^ to. — Na 1550 vervangen door de „consultacie van zekere geleerden.quot; (R. v. IJ. II p. 368 .N 6. — cf. p. 314 ^ 35.)

8) Aan het kanonieke recht schijnt toch hier wel niet gedaciit te mogen worden. — Uitdrukkelijk werd het Romeinsche recht subsidinir toepasselijk verklaard door Karei V in 1550. (R. v. U. II p. 404.)

9) R. v. U. II p. 281 S 10.

-ocr page 372-

35 1

evenwel de door hem aangevoerde motieven niet voldoende om hun vonnis te motiveeren, dan mochten zij de hulp inroepen van hunne afyetredene collega\'s van het vorige jaar: in vereenigde zitting van „scepene out ende nyequot; werd dan het vonnis gewezen \'). Sloegen de schepenen echter dezen weg niet in, dan konden ook zij door opsluiting gedwongen worden het vonnis te „utenquot;. Wanneer dit middel niet gebaat had voordat de regeeringsverandering op O. L. V. Lichtmis voorviel, dan mochten zij na betaling eener boete de zaken „mit sulken brieven, betoen ende ondervyndinge, als sy dairof haddenquot; „aenbrengenquot; aan de nieuw optredende schepenen, die dan binnen veertien dagen het vonnis moesten wijzen 2).

Maken wij thans als het ware de proef op de som en toetsen wij hetgene wij omtrent de bronnen van het Utrechtsche recht uit de verspreide geg-evens afgeleid hebben aan hetgeen in andere Stichtsche steden gebruikelijk was. De vergelijking bekrachtigt ons resultaat. Het rechtsboek van Wijk bij Duurstede zegt : „Daer zijn vier manieren of wegen, daer men nae hoert ende sculdich is in steden te wisen ende te ordelen. In den yersten nae willecueren derselver stadt, die moet seeker staan. Ten anderen nae die oude gewonten, die men daer hanttiert ende gebruyekt. Ten derden nae den landtrecht, daer gheen willecoeren off oude gewonten en sijn. Ten vierden ckier geen willecoeren en zyn off gewonten, noich landtrechten of en syn, so is men schuldich te volghen die sentencie van den juristenquot;. Derhalve volkomen dezelfde rechtsbronnen, die wij ook te Utrecht vonden. Niet veel anders was het te Ysselstein: volgens eene ordonnantie van het einde der i6u eeuw \'2) werd aldaar, „alsoo by die hantvesten der vrye heerlicheyt seer weynige ordinantiën, keuren, politiën ende statuten bevonden werden, de justitie in vele saecken geadministreert eensdeels by oude onbeschrevene usantiën ende costuymen, in derzelve vrye heerlicheyt altijts geobserveert, anderdeels conforme die beschrevene ordinantiën ende rechten van onze nabuerenquot;. De laatste rechtsbron, die aan de hof-

1

R. v. U. 11 p. 280 9—11.

2

R. v. U. II p. 282 ^ 12, 13. — Dezelfde bepaling voor den oiidrand in een analoog geval bij de rechtspraak van den mad: L. A. CXXI1. 2.

-ocr page 373-

353

vaart doet denken, is iets nieuws: het was natuurlijk niet to denken, dat men er uit zou putten in eene groote stad als Utrecht, zelve eene hoofdstad van rechten.

Wij willen thans de verkregene resultaten meer in bizondorheden uitwerken, terwijl wij den inhoud en de geschiedenis van elk dor Utrcchtsche rechtsboeken gaan besproken.

§ 2. LIBER ALI3US.

Hot Liber albus is het oudste Utrechtsche rechtsboek, dat wij bezitten. Doch hot is niet de oudste codificatie van het Utrechtsche recht, althans niet de oorspronkelijke vorm dier codificatie. Wanneer men er hot eerst toe overgegaan is, uit verspreide gegevens een stadboek samen te stellen, weten wij niet; doch zeker geschiedde dit vóór 1340, toen die oudste redactie werd „verclaert ende verscfeven \')quot;, d. i. door „claringquot; (interpretatie of betere redactie van sommige artikelen) veranderd en daarna goheel overgeschreven. Hoe do eerste redactie van hot Utrechtsche recht er uitzag en wat zij bevatte , kunnen wij niet moer mot zekerheid zeggen; maar toch is het mogelijk een en ander daarover mede te dealen.

De kern van het geheele wetboek schijnt hot hoofdstuk Liber albus III: „Dit sijn de mene coeronquot;. Ik maak dit op, niet alleen uit het opschrift van dit hoofdstuk, waaruit men moet opmaken, dat dit alle (do „menequot; of „ghemenequot; \'■\')) keuren der stad bevatte, maar ook uit don inhoud. I lot hoofdstuk behelst namelijk een bont samenstel van bepalingen over de meest verschillende onderwerpen; hunne vereeniging in éene rubriek kan alleen verklaard worden uit het feit, dat deze rubriek oorspronkelijk do eenige was. Het schijnt zelfs nog mogelijk, de wording van het hoofdstuk na te gaan. De artikelen 1 —15 betreffen allen de „coeren van den vechtolicquot;; dan volgen twee artikelen over doodslag, en daarna drie andere over verschillende onderwerpen. Met art. 21 begint dan plotseling eene nieuwe serie van keuren over „vechtelicquot;, die (met uitzondering van art. 24) doorgaat tot het einde van hot hoofdstuk. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat deze serie later bijge-

t) r. v. U, i p. 68.

2) Zie R. I). IV, waar or cchlor is bijgovoogd „ghomnnr roeren van deti nerhtrl/rwat toon dnn ook juister was.

-ocr page 374-

354

voegd is, en dit vermoeden ontvangt grooten steun door de omstandigheid, dat in de klacht van bisschop Guy \') gedoeld schijnt te worden op de artikelen Libor albus. 111. 26 en 2g. die derhalve ten tijde van deze klacht zeker nog nieuw waren. Denkelijk zijn de oudste keuren (art. 1—20) in een cedel beschreven voor het raadhuis uitgehangen, en de jongere daar later onderaan bijgevoegd; deze vermeerderde cedel kan dan onveranderd in de oudste redactie van de stadskeuren overgenomen zijn. Deze gang van zaken zou bovendien natuurlijk zijn: het rechten over „Blau und Blutquot; is in vele plaatsen eene der oudste bevoegdheden van den raad -), en vandaar heeten te Utrecht de „vechtkeurenquot; dikwijls de „coerenquot; bij uitnemendheid.

Zéér waarschijnlijk zijn ook reeds vóór 1340 in het stadboek opgenomen geworden alle bestanddeelen van het 1 .iber albus, die wij kunnen nagaan dat ouder zijn dan dit jaar. Wij vinden dergelijke uit oudere bescheiden overgonomene stukken reeds in hoofdstuk XXX, dat grootendeels ontleend is aan het privilegie van bisschop Guy van 1305 :l), evenals XXXIX. en XLIX. 2 aan den gildenbrief van 1304 \'\'). Hoofdstuk XCII, die coeren van den vredequot;, is in hoofdzaak (art. 5,6,9 11) letterlijk overgenomen uit de „bescrevene ende besegheldequot; (zooals art. 11 zegt.) vredekeur van 1300, die wij boven r\') afgedrukt en uitvoerig besproken hebben. Ook hoofdstuk CXI „van der tolle tot Gheervlietquot; is ontleend eian een ouder stuk: de tollijst vein graaf Willem III van Henegouwen Holland van St. Thomas-dach 1316 ^). In het laatste gedeelte van het Liber albus, dat eene lijst van verschillende rechten der stad, overeenkomsten betreffende stadsgoederen, aanteekeningen over gebruiken enz. bevat, treft men weder eenige elementen aan, die van ouderen datum zijn dan 1340. Ik bedoel de hoofdstukken Liber albus. C1V, CVIII en CXIH, die (zooals zij zeiven zeggen) respec-tivelijk van de jaren 1318, 1337 en \'332 dagteekenen. Deze geheele, in een rechtsboek niet thuisbehoorende afdeeling (Liber albus. Cl -CXIII) stond denkelijk in het oudste rechtsboek pro memorie achterin op de schutbladen geschreven. -—

r) Zie hiervóór p. 37.

2) cf. Frensdorff, Dortm. Statuten, p. LIV.

3) Gedrukt bij: Van de Water, Place. III p. 68.

4) Gedrukt bij: Van de Water, Place, lil p. 67.

5) Zie hiervóór p. 47.

6) Orii?. in het Stads-arehief

-ocr page 375-

355

Of het oudste Utrechtsche stadboek nog veel meer dan het bovenstaande bevat heeft, weten wij niet; doeh het is /.éér waarschijnlijk. Immers dit stadboek werd in 1340 alleen „verclaertquot;, — ecne uitdrukking, die wijst op eene nieuwe redactie, niet op het samenstellen van een geheel ander boek. En dat die nieuwe redactie veel meer behelsde dan wij boven opsomden, kunnen wij met volkomene zekerheid zeggen, want zij is ons bewaard gebleven in het Liber albus zelf.

De inhoud van het Liber albus is, zooals wij dat bij de oudste codificatiën kunnen verwachten, zeer vreemd. Wij vinden er een bont allerlei: naast de keuren, die reeds verreweg de overhand hebben, treffen wij aan zoogenaamde „Weisthümerquot;, opteekeningen van rechtsgewoonten, spreuken, ordonnantiën van gilden, tollijsten en broodtarieven enz.

Ook de wijze, waarop dit ongelijksoortige materiaal verwerkt is, getuigt van groote onbedrevenheid in do kunst van wetgeven. Men heeft de oorkonden geëxcerpeerd, dc rechtsgewoonten eenigszins geredigeerd; maar overigens is alles in den oorspronkelijken vorm gebleven. Zelfs de bovenbesprokene af-deeling, die (zooals ik meende te mogen aannemen) op de schutbladen van het oudste rechtsboek geschreven was, heeft men geheel, zooals ze luidde, bij het „verscryvenquot; in het nieuwe boek overgenomen. Eenige artikelen van het boek zijn „verclaertquot;; doch hoever zich deze „verclaringequot; heeft uitgestrekt, blijkt niet. Toch schijnt men er naar gestreefd te hebben, eenige orde in het nieuwe rechtsboek te brengen, en hoewel het gebrekkige systeem, dat men zich voorstelde te volgen, voor onze, aan betere modellen verwende, aandacht verborgen blijft, kan het nauwelijks twijfelachtig zijn, dat men zekere rubrieken vastgesteld heeft; immers telkens treft men in het boek onbe-schrevene bladzijden of gedeelten van bladzijden aan, die blijkbaar dienen moesten om niet bijeen behoorende afdeelingen te scheiden, en bestemd waren, om de over hetzelfde onderwerp later te maken bepalingen op te nemen

Nadat alle noodige wijzigingen in het oude boek waren aangebracht , werd het nieuwe rechtsboek door raad oud en nieuw

1) Deze witte bladen komen voor; vó6r I (i blz.), na I (ó\'^ bh.), na 11 (\'A blz.),naII (\'A blz.), na V. i (% blz.), na XLIX (1% blz.), naLXXU (1 blz,), na LXXXV11I (8 blz.), na LXXX1X (2 blz.), na XCI (i blz.), na XCII (1 blz.), na XCV (\'A blz.), naC(2blz.), na CXVl (1 blz.) en na t\'XXII (2 blz,).

-ocr page 376-

356

(met den schout) vastgesteld en bij klokluiding afgelezen, onder bepaling, dat de daarin vervatte keuren — in tegenstelling met de gewone, jaarlijks vervallende zouden „gehouden warden ewelikequot;, terwijl de raad zelf zich verbond ze „nummermere weder te bieden De bevoegdheid tot een dergelijk ingrijpen in de bevoegdheden van hunne opvolgers kunnen de raadsleden alleen ontleend hebben aan het feit, dat het boek (naar het schijnt thans voor het eerst) vooraf was „ghelesen in den menen ghilden ^1)quot;. Wij weten, dat de raad op zich zelf slechts voor één jaar kon „biedenquot;, de „coren te houdenquot;. Dc gilden hadden echter eene hoogere macht dan de raad: schepenen, raad en bisschop hadden zich in 1304 en 1305 verbonden, de door de gilden te maken „wilcoerenquot; en „brievenquot; te „stcdighen, stereken, setten ende vorderenquot; quot;). Wellicht hebben de gilden aan dit besluit den moed ontleend tot het nemen van den bovenbedoelden exceptioneelen maatregel. Aanleiding daartoe kunnen zij gevonden hebben in de bizonder onrustige tijden, die de Utrechtsche burgerij destijds, na den dood van den zwakken bisschop Jan Van Diest2), doorleefde, on die eenige meerdere rechtszekerheid zeer gewenscht maakten.

Het nieuwe rechtsboek werd reeds spoedig herhaaldelijk vermeerderd. Waarschijnlijk zijn nog in het jaar 1340 zelf of in het volgende de keuren LXXVI—LXXIX daarin geschreven •r\'). Op „Sinto Angnyeten avontquot; (20 Januari) 1341 volgde eene bijvoeging van veel meer belang door de opneming van den gildenbrief van 1341, die gedurende de geheele middeleeuwen de norm blcof, waarnaar het stedelijk bestuur gekozen werd. Eene geheele serie toevoegselen werd nog in datzelfde jaar „des ander daghes na Kersdachquot; 1342 (d. i. 26 December 1341 quot;)) ingeschreven: van dien dag dateeren (vol-

1

R. v. ü. 1 p. 68.

2

Zie eene uitvoerige schets daarvan in de inleiding van de uitgave van het Liber albus door prof. De Geer, in; N. bijdr. v. rechtsgel. en wetgev. N. R. I p. 200 vlg.

-ocr page 377-

357

guns do bijschriften zeiven) dc bepalingen Liber albus. VIL i/gt;, LXXXIl, LXXXIV, en denkelijk ook wel de met dc laatste in ééne rubriek vereenigde en gedeeltelijk samenhangende nommers LXXXI, LXXXIII en LXXXV.

Tegelijk met deze laatste verordeningen stelden de gilden (26 December 1341) echter een ander besluit vast, dat, hoewel gcene keur, alleszins verdiende in het nieuwe rechtsboek opgenomen te worden. Do bepaling, dat de in het boek opgenomeno keuren „ewelikequot; zouden duren, kon aanleiding tot misbruik geven en had wellicht reeds geleid tot eigenmachtige handelingen van dc zijde van den raad, die aan sommige door hem vastgestelde „korenquot; door inschrijving in het wetboek een langen duur wenschte te verzekeren. Om daartegen te waken besloten de gilden, „dat men in der stat boeken nyet scriven\'en sel noch uutdoen en sel, tensi bi den ouden rade ende bi den nywen ende bi ghemeenre morgensprakc van allen glulden \')quot;. Door dit besluit der gilden verkreeg het rechtsboek eene nieuwe, exceptioneele beteekenis. De raad was voortaan niet bij machte, er iets in te veranderen: alleen de geheele burgerij, in volksvergadering bijeengekomen, mocht er iets bijvoegen of eene bepaling afschaffen. Liet Liber albus werd door dit besluit als het ware de grondwet der stad Utrecht, waaraan latere wetten niet derogeeren konden, de onveranderlijke norm, die bleef, terwijl de daarin niet opgenomene keuren wisselden. Inderdaad is dit ook zoo door den raad dor stad begrepen: wanneer hij een besluit nam over een in het Liber albus reeds geregeld onderwerp. werd er dikwijls uitdrukkelijk bijgevoegd: „behoudelic ummer der stat boec in alle ziinre machte te bliven „behoudelic des dat ander cleder

gaen zullen alse der stat boec hout als ware men be

vreesd, dat\' do burgerij hot nieuwe raadsbesluit voor ccno inbreuk op het onaantastbare wetboek zou houden. Wilde men aan een besluit van den raad een cxceptioneelen waarborg geven, dan werd het door de gilden bevestigd, en men

1) R. v. IJ. I p. 68. — Geheel dezelfde bepaling te Dordrecht in 1401. (Kruin , Oudste reehten v. Dordr. 1 p. 2.) — Het Liber albus is echter geenszins een register van alle besluiten der gilden: /.ie L. M. LVI, LVII twee besluiten der gilden van 1374, die niet in hét Liber albus zijn opgenomen, hoewel daarin nog voorkomt een stuk van 1379.

2) L. H. XLII1. 4.

3) R. v. U. 1 p. 399 Noot 1.

-ocr page 378-

358

teckende in het raiidsreyister aan: „dit .sel staen in den drie boken \')quot; (d. i. het IJber albus), waarna het besluit in het rechtsboek overgenomen werd. Aan slechts twee raadsbesluiten uit het liber hirsutus minor is deze eer te beurt gevallen: de hoofdstukken L en LXXX van het Liber albus -). Met het „uutdoenquot; (doorhalen) van hoofdstukken in het bock ging men oven scrupuleus te werk: het tarief van de brood-rijding (Liber albus LXXI1I) werd in 1374 door een nieuw tarief (Liber hirsutus minor LI) vervangen; toch werd het oude in het Liber albus niet doorgehaald, hoewel het zeer zeker de bedoeling van raad oud en nieuw was, dat het nieuwe (naar het schijnt niet door de gilden bevestigde) tarief in dc plaats van het oude gebruikt zou worden, en ook inderdaad (blijkens dc overneming daarvan in het Roede boeck) gebruikt is. Nog sterker: de keur Liber albus VII ia werd in 1341 door de gilden zeiven afgeschaft en vervangen door eene nieuwe redactie („verclaertquot;); toch werd de oude niet doorgehaald, maar de nieuwe eenvoudig daarnaast geschreven •1). Ja de raad ging in 1368 nog verder en nam een besluit, waarbij zelfs tegen een voorstel in den raad tot verandering van een punt in het Liber albus verlies van de verkiesbaarheid tot lid van den raad voor twee jaar bedreigd werd verzet tegen het IJber albus werd dus als verzet tegen de constitutie, als oproer, beschouwd.

De weinige hoofdstukken, die, nadat het Liber albus in 1341 aldus gesanctioneerd was, daarin geschreven werden, bevestigen grootendeels deze conclusiën. Deze inscriptiën zijn tweeledig. In de eerste plaats vindt men daaronder eene serie besluiten van raad oud en nieuw, die later door de gilden goedgekeurd zijn r\'), over 1344—1368. (Liber albus. LXXXVI—1 .XXXVIII, XCIII-C, CXXI.) Daarnaast leest men enkele andere hoofdstukken (CXIV ~CXX, CXXII),

1

R. v. U. I p. 48 Noot 1.

-ocr page 379-

359

grootendecls arbitrale uitspraken, door den bisschop in opdracht van raad en gilden gedaan, en allen betrekking hebbende op twee groote oproeren tegen het stedelijk bestuur in 1346 en 1379. Hoewel de tot de eerste serie behoorende stukken bijna allen het karakter van wetten misten en nagenoeg alleen strafvonnissen tegen de onderliggende partij bevatten, wist de raad blijkbaar het hooge en blijvende belang dezer vonnissen over personen, die een verzet tegen de constitutie hadden beproefd \'), niet beter te doen uitkomen en te sanctioneeren dan door te bepalen, „dat men die setten soude in der stat boec 1)quot;. — In 1379 was men in de kunst van wetgeven verder gevorderd. De raad zag in, dat het vreemd was, in het stedelijk wetboek dergelijke abnormale stukken op te nemen, en hoewel de uitspraak des bisschops ook ditmaal bepalingen van voorbijgaand belang bevatte, nam men die thans niet in het Liber albus op. Behalve de negen in hoofdstuk CXXII van het Liber albus opgenomene artikelen quot;), las men in \'s bisschops uitspraak nog zeven andere; deze vindt men in het rechtsboek niet, maar in een ander stedelijk register waarin de besluiten van raad oud en nieuw zijn opgenomen, en wel met de volgende inleiding: „Int jaer van LXXIX des Saterdaghes na Zinte Margrieten dach zegheden onse lieve here van Utrecht

ende die achte overste een zegghen.....welc scgghen be-

screven staet in der stat boeken, dier dro alleens ziin, uutghe-nomen zulke punten alse hiermi bescreven staen, alse zi oec terzolver tüd zegheden, de men oec houden zei, in allen manieren alse hierna bescreven staetquot;. De artikelen bevatten overgangsbepalingen tot de regeling, die door het in het Liber albus opgenomene gedeelte der uitspraak werd vastgesteld, beslissingen over de straf tier oproerigen enz.

Het Liber albus behoorde blijkbaar tot „des raits oude boeckenquot;, „naar inhoudequot; waarvan „die rait die broeckige corri-gierde immers een exemplaar daarvan lag\' „daghelix voer den raet opter stat huys quot;)quot;, natuurlijk om ook „daghelixquot;

1

L. A. CXV. 5. — Zij werden echter in 1389 in het Roede boeck niet mede overgenomen.

-ocr page 380-

36O

gebruikt tc worden. Hoelangquot; het boek als zoodanigquot; dienst deed, blijkt niet duidelijk. Een besluit van 1398, opgenomen in Die roese \'), verwijst nog daarnaar. In 1449 werd het Liber albus nog in de gewichtigste gevallen g-ebruikt: toen het gold tegenover de klachten van bisschop Rudolf Van Diepholt het bewijs te leveren, dat de stad van ouds zekere rechtsinstellingen had bezeten, nam men de daarop betrekkelijke artikelen (blijkens de redactie daarvan) niet over uit het jongere Roede boeck, waarin ze ook voorkwamen, doch bepaaldelijk uit het Liber albus 1). Ook in 1455 schijnt het Liber albus nog gebruikt te zijn; immers op Donredach na Bartholomei 1477 verklaarde Loef Van Jutfaes in den raad, dat „een van den drien boken by der gemeynten tyden in zyns vaders huus gebrocht was •2)quot;, Door de uitdrukking „by der gemeynten tydenquot; wordt blijkbaar een tijdstip bedoeld, toen de gilden de macht in handen hadden, en het ligt voor de hand, daarbij aan het gildenoproer van 1455 te denken, toen het stedelijk bestuur een jaar lang op democratischen voet was ingericht \'). liet door de gilden goedgekeurde Scepenrecht van 1456 verklaarde in de inleiding r\'), dat met de publicatie daarvan de „boeken, die voirtyts voir den sce-pen, raden , oudermans ofte gilden overdragen off geschietquot; waren, „gedoet ende te nyet gedacnquot; waren. Het is ondenkbaar, dat hiermede het Liber albus bedoeld wordt quot;), dan alleen voor zoover het zaken behandelt, die ook in het Scepenrecht besproken worden; over het geheel toch raakt de inhoud van het eene rechtsboek dien van het andere niet. Maar toch werd voor de samenstelling van het Scepenrecht niet het Liber albus, maar het Roede boeck gebruikt T), zoodat men destijds aan het laatste boek althans geen minder gezag dan aan het eerste schijnt te hebben toegekend. Dat het Liber albus nog in 1477 gold, schijnt te biijken

1

Anlw. v. cl. raad op de klachten v. bissch. Rud. v. D., in: Divers. Rod. de D. prim. fol. CCXXXIV vs., CCXXXV.

2

Rocse. CIV. 1.

-ocr page 381-

361

uit hol feit, dat Loof Van Jutfaos in dat jaar hot door zijnen vader bewaarde exemplaar van het bock weder „op die kiste brochte — en tevens hieruit, dat het later1) te vermelden, van 1478 dagteekenende register van Gherard Then Brynck gedeeltelijk aan dit bock ontleend is. Een besluit tot afschaffing van het Liber albus vond ik niet: mogelijk is het van kracht gebleven, totdat Karei V in 1529 de stedelijke autonomie geheel ophief.

De naam „l.ibcr albusquot;, dien het boek in deze uitgave draagt, staat met eene hand van de 17c eeuw op den band geschreven, doch het is de oorspronkelijke niet. Kort na de samenstelling noemde men hot „der stat boecquot;, - een naam, die voorkomt reeds in 1346 ook in 1359 \'), 1384 r\') en zelfs nog in 1423 quot;). Later, toen liet getal van „der stat boekenquot; vermeerderde, heette het boek in onderscheiding van andere registers „der stat boeken , dier dre alleens ziinquot;, naar bet getal der daarvan bestaande exemplaren. Dezen naam vindt men in 1398 2) en 1400 3), terwijl ook de uitdrukking „do drie bokenquot; (na 1373 4)) en de omschrijving „dat boock dor dryo alleens syn ondo overdraeghen syn by den racde out ende nywe ende ghemeenre morghenspraeke van allen gildenquot; in liet laatst der i5e eeuw voorkomen quot;\'). Deze namen zijn de oorspronkelijke; eerst in de laatste helft dor 15« eeuw komt de benaming „dat witte boeckquot; naar de kleur van den omslag op, en allengs wordt de vertaling daarvan „Liber albusquot; algemeen 5\').

1

Zie hierna ,^5 5.

2

Roese. CIV. 1.

3

Roese. CXV. 1.

4

R. v. U. I p. 48 Noot 1.

5

Kaads dag. bock. Donrcd. na Harthol. 1477.

-ocr page 382-

,^62

Zooals uit het bovenstaande reeds blijkt, bestonden er oorspronkelijk van het Liber albus drie gelijkluidende exemplaren; het boek zelf verklaart: „deser boeke siin drye al eens sprekende Een dezer exemplaren lag- in „der stat kistequot; en was dus onder bewaring van den raad; het tweede, geborgen „in der oudermanne kistequot;, berustte onder de gilden; het derde, dat „daghelix voer den raet opter stat buysquot; lag, diende voor de rechtspraak. Het doel dezer afschriften was blijkbaar om vervalsching van het boek te controleeren. Nog in 1477 waren deze drie exemplaren allen voorhanden; immers toen werd „een van den drien witte bokenquot;, dat verloren geraakt was, aan den raad teruggebracht 1). Thans is slechts één exemplaar in het stads-archief over dat op perkament geschreven en bij de van 1340 dagteekenende hoofdstukken met gekleurde initialen versierd is. Een tweede in het archief berustend exemplaar, met eene hand van het midden der 17« eeuw op papier geschreven, is eenvoudig eene kopie van het eerste, en heeft dus geene waarde; het dankt zijn ontstaan aan eene vroedschapsresolutie van 1649 2).

Het Liber albus werd in een zéér kort en onvoldoend uittreksel in 1729 uitgegeven in het Groot placaatboek van Utrecht van Van de Water, III p. 278- 282 r\'); het geheele boek vond in 1875 eenen uitgever in den hoogleeraar Mr. B. J. L. baron De Geer van Jutphaas, die het deed afdrukken in de Nieuwe bijdragen voor rechtsgeleerdheid en wetgeving. Nieuwe reeks deel I p. 1 gg vlg., terwijl het thans opnieuw het licht ziet. De beide laatste uitgaven (en hoogstwaarschijnlijk , ook die van Van de Water) zijn gedaan volgens het eenige nog overige origineel.

1

R. v. U. [ p. 68.

2

Vroedsch. resol. 22 October 1649; „Den Secretaris is gelast d\'oude boecken van stadts statuten ende privilegiën, genaemt Liber Hirsutus, Liber Albus, Liber Rosarum ende wat diergelyeke meer is, in stadts-secretarye te doen copieren met een moderne handt, ende de originele boecken voerseyt te leggen in archivis by stadts oude brieven.quot;

-ocr page 383-

36,3

§ .-i- I.lliHR HtRSUrilS MINOR.

Wij zagen boven \'), dat sedert den tijd, dat het Liber albus als het ware tot grondwet der stad verheven werd (1341), tot 1368 toe slechts twaalf besluiten door raad cn gilden genomen werden , die in het wetboek opgenomen zijn. Het is niet aannemelijk, dat daaronder alle verordeningen begrepen zouden zijn , die in deze 27 jaren getuigenis gegeven hebben van de wetgevende bevoegdheid van het Utrechtsche stadsbestuur. Wij kunnen dan ook aantoonen, dat dit niet het geval is. In denzelfden tijd, dat het Liber albus definitief vastgesteld werd, legde de raad een ander register aan, „daer men nyet in scriven en sel dan van zaken ende van wilkoere, die an liif of aen lit ghaen, ende van denghonen, die hondert jare de stat verboden is ■!)quot;. De geregelde inschrijvingen in dit register beginnen met 1342; vooraan heeft men zonder orde eenige oudere aantee-keningen verzameld (de oudste gedagteekende is van 1315), die destijds nog van praktisch belang schenen te zijn. (vonnissen van nog levende bannelingen enz.) Men vindt in dit nog bestaande register, zooals het opschrift reeds aanduidt, crimineele vonnissen, vooral banvonnissen en aanteekeningen van personen, die „hem op hoer liif verwilcoertquot; hebben ^), over het geheel straffen, die lang voortdurende gevolgen hadden, cn waarover het dus van belang was nauwkeurige aanteekeningen te bezitten, die niet licht konden verloren gaan. Behalve deze vonnissen bevat het register in zijne jongere gedeelten echter ook andere raadsbesluiten van blijvend belang: keuren. Er werden van het boek twee gelijkluidende exemplaren gemaakt, die beiden (onder den zonderlingen naam van 0 1 en 0 2) bewaard zijn: het eene werd geborgen „in der ouder-manne kistequot;, het andere lag „daghelix voer den raet op der stat huysquot;; een der exemplaren, denkelijk wel het eerste \'\'), eindigt met 1374, terwijl hot andere tot 1403 doorloopt.

1) Zie hiervóór p. 358.

2) Het zijn de in deze rechtsbronnen als Th. 1 en Th. 2 geciteerde registers. De aangehaalde woorden zijn aan het opschrift daarvan ontleend.

3) Daarom is het register dan ook op perkament geschreven. Minder belangrijke zaken zullen in die dagen niet opgeteekend zijn , daar de strafvonnissen met de executie hun praktisch belang schenen te verliezen, of wellicht in „des raets daghelix boeckquot; (op papier), waarvan nog het oudstbewaarde deel (van 1402) grootendeels slechts aanteekeningen van weinig belang bevat.

.}) Sedert de verzameling tier keuren in het Liber hirsutus minor had toch het boek

-ocr page 384-

36 t

Het is niet moeielijk , den waren aard van dit register te bepalen. Wij vernamen vroeger \'), dait men „ghenen borgher de stat verbiedenquot; mocht, „nochte verwilcoren op siin liifquot; „ten zi bi out raet ende nywequot;; wij weten ook, dat het maken van verordeningen grootendeels aan raad oud en nieuw was opgedragen. Het register bevat dus de besluiten (of althans de belangrijkste besluiten) van raad oud en nieuw 2). Uit het feit, da,t men twee exemplaren vervaardigde, blijkt eensdeels, dat men aan het register eene exceptioneele waarde toekende: daarom werd een exemplaar onder bewaring der gilden gesteld; andersdeels dat het bij de rechtspraak gebruikt werd: daarom lag het „daghelix voer den raetquot;.

De verordeningen, die sedert de vaststelling van het Liber albus door raad oud en nieuw gemaakt zijn, vindt men dus in het bovenbedoelde register ^). Doch het lag in den as.rd der zaak, dat eene dergelijke wijze van codificatie inden loop der jaren zou blijken hare bezwaren te hebben; immers de enkele verordeningen stonden in het register als verdwaald tusschen tal van vonnissen. Inderdaad gevoelde de raad dit bezwaar, en in 1374 4) besloot hij de verspreide keuren uit het register te doen verzamelen in een nieuw boek. Dit boek is het Liber hirsutus minor, waarin blijkens het opschrift geschreven werden „alle die punten, die oud raet ende nywe overeenghedraghon ziin ende noch overeendraghen zullenquot;. Men nam in dit nieuwe boek uit het oudere ■\'•) over de verordeningen , doch ook eenige vonnissen, waaraan de raad door de bijvoeging der woorden „desgheliix zei men doen enen ygheliken borg\'her, hi zi arm of riic, na onser stat rechte, diet also vervolghetof „ende desgheliix zei men doen enen

zijn bizonder belang verloren, en scheen dus eene controle van de gilden (die blijkens den gelijksoortigen maatregel voor het Liber albus speciaal op de rechtsboeken betrekking had) overbodig.

1) Zie hiervóór p. 162.

2) Althans sedert 1379 (L. A. CXXII. 4); het is niet zeker, of deze zaken ook vroeger uitsluitend tot de bevoegdheid van raad oud en nieuw behoorden. (Zie hiervóór p. 166.)

3) Evenwel niet alle: zie Roese. XII, XV, XXII, XXXII, XXXIV, XXXVII, XXXVIII, XXXIX over 1369—1388, dus nog vóór de samenstelling van het Roede boeck.

4) Alleen de besluiten L. H. I—XLIX (1373) zijn uit het oudere register overgenomen; het nieuwe boek is echter blijkbaar tot L. M. LI incluis (1374) tegelijk geschreven, waarna eene halve witte bladzijde volgt. De bladwijzer loopt tot L. H. Lil incluis (1374) en is eerst met eene hand van de ^ eeuw vervolgd. — Sedert de samenstelling van het Liber hirsutus (1374) is Th. 1 niet meer vervolgd.

5) Dal /.ij bepaaldelijk daaruit werden overgenomen , blijkt uit: R. v. U. 1 p. 93 Noot 4.

6) L. H. XX. 1.

-ocr page 385-

365

ygholikon borgher \')quot; eene algemeene strekkingquot; had gegeven. Aanteekcningen of gedeelten van aanteekeningen, die alleen een voorbijgaand belang hadden, liet men weg -).

Het Liber hirsutus minor begint met 1361 , en inderdaad vindt men alle sedert dat jaar in het oude register vervatte verordeningen daarin terug; de zéér enkele oudere over 1355—1359 schijnen over het hoofd gezien te zijn ^). Het boek loopt in chronologische orde geregeld door tot 1392, terwijl nog zeer enkele jongere besluiten tot 1425 toe achteraan ingeschreven zijn. Wij zullen later \') zien, waarom juist omstreeks 1392 de draad werd afgebroken; reeds hier vinde dc; mededeeling eene plaats, dat de jongere besluiten van raad oud en nieuw niet verloren zijn, doch opgenomen in de nog voorhandene Raads dagelijksche boeken tusschen de notulen der zittingen \' van den nieuwen raad. Deze omstandigheid verklaart het feit, dat het register 0 2, waarin men ook na de opstelling van het Liber hirsutus de vonnissen van raad oud en nieuw bleef opnemen, sedert 1403 niet meer vervolgd is. Sedert 1374 schreef men de besluiten van raad oud en nieuw in het Liber hirsutus minor, de vonnissen in 0 2 ; doch te beginnen met 1402 vindt men alle besluiten van den raad (den ouden zoowel als den nieuwen) in het Raads dagelijksche boek vereenigd. Het is dus wel niet toevallig, dat de thans nog aanwezige serie dezer boeken juist met dat jaar aanvangt.

Het Liber hirsutus minor is dus geen wetboek, maar een- 1 voudig het register van besluiten („overdrachtenquot;) van raad oud en nieuw. De inhoud van het boek is met deze conclusie in overeenstemming. Voorin staan eenige gebeden. denkelijk in elke raadszitting voor de opening der beraadslagingen door de leden opgezegd, zooals in latere tijden het gebed werd voorgelezen. In het boek zelf vindt men, naast de eigenlijke keuren, reglementen op de belastingen, hervormingen van dc

t) L. H. XXI. 1.

2) Zio voorbeelden, hoe hierbij gehandeld werd: R. v. U. 1 p. 81 Noot 2, p. 89 Noot 2.— Evenwel zijn nog verseheidene gewone vonnissen mede ingeslopen, waarom blijkt niet. (Zie b. v. L. H. VIII. XIX, XXVI, XXXVI , XXXVIl, XLII.) Ook andere beslissingen en aanteekeningen. (L. H. XII, XXXIII, XXXIV.) In het Roede boeck zijn deze, zooals liet behoort, niet mede overgenomen. (Zie ook L. H. XI, een „Weisthum ,quot; dat terecht wèl is overgenomen.)

3) Zie deze besluiten volgens Th. r (waar ze ook voorkomen) met een paar, die allocn daar te vinden zijn, afgedrukt; R. v. U. I p. 397- 400.

.|) /ie hierna p. 368, vgl. p. 377.

-ocr page 386-

366

stedelijke huishouding, instructiën van stedelijke ambtenaars enz. Was het boek dan voor de rechtspraak van geen belang ? had het geen gezag in rechten? Het antwoord op deze vragen moet ontkennend luiden: het boek als geheel had met de rechtspraak niets te maken. Doch de groote meerderheid der daarin opgenomene stukken was wel degelijk voor de rechtspraak van het hoogste gewicht. Wij weten, dat de besluiten van den raad, nadat zij bij de afkondiging „gheboden waren te houden \')quot;, verbindend waren voor de gansche burgerij, — dat zoowel de raad zelf als de schepenen gehouden waren, zich bij de rechtspraak daarnaar te richten. Een groot deel der in het Liber hirsutus minor opgenomene besluiten nu is zonder twijfel „mitter clocken ghecundichtquot;. Enkelen zeggen dit zelvon 1); bij anderen spreekt dit van zelf, omdat ze zonder afkondiging hun doel zouden gemist hebben :1). Sommige hoofdstukken daarentegen zijn zeer zeker niet afgelezen: zij waren voor do burgerij van geen belang en zijn alleen pro memorie in het boek opgeteekend \'). Het Liber hirsutus minor bevat derhalve slechts voor oen deel stedelijke wetten ; het draagt dus uit zijnen aard een geheel ander karakter dan het Liber albus.— Hadden echter althans do afgekondigde wetten, die in het bock opgenomen waren, dezelfde kracht als de in het oudere wetboek opgenomene besluiten ? In geenen deele. Evenals de besluiten van den raad golden ook die van raad oud en nieuw slechts voor één jaar rquot;) en moesten door den nieuw optredendon raad telkens vernieuwd worden. Het voorstellen van veranderingen in het Liber hirsutus minor of in „overdrachtenquot; van raad oud en nieuw was dan ook natuurlijk niet strafbaar gesteld quot;), zooals met de in het Liber albus op-genomene het geval was; integendeel, raad oud en nieuw konden

1

Zie b. v. L. H. IX , XIII, LXVI.

-ocr page 387-

36?

ieder oogonblik op de vroeger genomene besluiten terugkomen \'). Het l-iber hirsutus minor zelf erkende herhaaldelijk het grootere gezag van hot Liber albus als de bron van liet stadsrecht, die door latere besluiten van raad oud en nieuw, ook al waren zo in het Liber hirsutus minor opgenomen of „ter clocken ghecundichtquot;, niet veranderd kon worden. Vandaar de herhaalde bijvoegingen in de keuren van het Liber hirsutus minor: „behoudelic ummer der stat boec in alle ziinre machte te bliven 1)quot;, vandaar de kantteekening bij eene daarin voorkomende keur: „dit sel staen in den drie boken

Er kan bij een boek, samengesteld als het Liber hirsutus minor, geen sprake zijn van verbindende kracht; wellicht is het echter van eenig belang na te gaan, hoelang het in gebruik geweest is Wij zagen, dat in 1425 na eene tusschenpoosquot;van jaren nog eenige besluiten in het boek werden ingeschreven \'); ook in 1423 werd er nog eene aanteekening in gemaakt Spoedig daarna schijnt echter het boek voor de dagclijksche behoeften niet meer gebruikt te zijn: citaten uit het stadrecht, die als verdediging tegen de klachten van bisschop Rudolf Van Diepholt (omstreeks 1450) door den raad werden overgeschreven, zijn blijkens de redactie niet aan het Liber hirsutus minor (XL), maar aan Die roese (XIII) ontleendquot;). Toch zijn er nog sporen van een veel later gebruik van het book te vinden: in de [6ü eeuw, ja tot omstreeks [630 toe schijnt men het soms nageslagen te hebben \'). En natuurlijk: het Liber hirsutus minor kon als geheel niet afgeschaft worden; het is dus nooit vervangen en bleef steeds eenig praktisch belang behouden voor de raadsbesluiten, die alleen daarin voorkwamen.

De op den omslag geschrevene naam Liber hirsutus minor (of, zooals het in den bladwijzer luidt, „dat cleyn ruch boeckquot;) is niet de oorspronkelijke: in onze rechtsbronnen wordt het

1

Zie b. v. 1.. H. XLIII. 4.

-ocr page 388-

368

eenvoudig aangehaald als „sraets boec, daer dio punten in bescreven staen, die de raet nut ende nywe te overdraghen pleecht — of „dat boec van den overdrachten van oud raet ende nywe 1)quot;. Reeds eene hand van de eerste helft der 15° eeuw voor in Die roese noemde het echter naar den (thans geheel afgesletenen) omslag van behaard leder: „Liber irrusutus minorquot;, waarboven eene hand van het begin der 16° schreef:

Liber hirsutus minor.quot;

Van het Liber hirsutus minor heeft slechts één exemplaar bestaan, dat nog in hetstads-archiefberust: het is met verschillende handen op perkament geschreven. Een afschrift uit de 17U eeuw op papier, mede in het stads-archief bewaard, dankt zijn ontstaan aan de boven \') aangehaalde vroedschaps-resolutie van 1649. Het boek wordt thans voor het eerst uitgegeven volgens het oorspronkelijke exemplaar.

§ 4, \'t roede hoeck.

Het Liber hirsutus minor was geen wetboek, maar een register van raadsbesluiten, waarvan eenige bij de rechtspraak verbindend waren. Naarmate het getal dier verbindende besluiten in den loop der jaren toenam, werd het voor de rechtsprekende colleges allengs weder moeielijk, zich daarin den weg\' te zoeken. Bijschrijven der voor de rechtspraak belangrijke besluiten in het Liber albus was ondoenlijk, omdat de gilden dit verboden hadden en ook omdat het getal der novellen veel te groot was. De raad besloot derhalve een nieuw rechtsboek samen te stellen; wij bezitten dit nog in het Roede boeck. Wanneer dit boek werd gemaakt, kunnen wij vrij nauwkeurig bepalen: de jongste dadelijk daarin opgenomene keur dagteekent van Vrijdag na St. Remeys dag (2 October) 1388 de oudste keur, die (blijkens het schrift) later, na de samenstelling van het boek, daarin geschreven werd, is van St. Victors dag (10 October) 1390 \'\'): tusschen deze beide dagen is dus het boek geredigeerd.

Uit welke bestanddeelen werd het Roede boeck samengesteld? Ook dit kunnen wij met juistheid opgeven, daar wij alle bronnen nog bezitten. In de eerste plaats werden nagenoeg

1

Register Th. 2. fol. 23 vs. (R. v. U. I p. 72 Noot r.)

-ocr page 389-

369

alle keuren uit het I .iber albus opgenomen \'). Daarnaast en daartusschen plaatste men nu die raadsbesluiten uit het Liber hirsutus minor, die voor de rechtspraak van belang waren. De hoofdinhoud van het Roede boeck is dus spoedig aange-i wezen: in hoofdzaak was het niet anders dan eene nieuwe redactie, waarin het l iber albus met verreweg het grootste deel van het Liber hirsutus minor tot een nieuw geheel was samengesmolten.

Naast deze hoofdbestanddeelen vinden wij echter enkele vreemde elementen -), allen aan eene derde oude bron ontleend. Wij vinden dezen bijeen aan het einde van hot Roede boeck. In de eerste plaats treffen wij daar aan eenige artikelen, die door eene witte bladzijde van het voorafgaande gescheiden zijn 1): do nommers Roede boeck. LIX 57 63. Zij komen quot;in Liber albus noch Liber hirsutus minor voor; doch wij vinden ze gezamenlijk in een ander rechtsboek, dat eveneens ouder is dan het Roede boeck. Ik bedoel het in het tweede deel dezer Rechtsbronnen afgedrukte Scepeneboeck, waarin deze bepalingen (allen overdrachten der schepenen) vóór 137j \'\') werden ingeschreven. Na de genoemde artikelen vinden wij in het Roede boeck drie andere (LIX 64 66), aan het Liber albus ontleend, doch reeds vroeger elders in het Roede boeck zelf opgenomen. En dan volgt, weder door eene witte bladzijde van het voor-afgaande gescheiden, een geheel hoofdstuk (Roede boeck. LX), dat weder aan Der scepene boeck (XXIII 2) ontleend is en daarin tusschen 1369 en 1373 werd opgenomen: „die manyere van den vordcelquot;. Wij zullen over deze hoofdstukken van hot Roede boeck in bizonderheden treden, wanneer wij straks het rechtsboek, waaruit zij daarin overgenomen zijn, behandelen \'■).

1

Dergelijke witte bladzijden komen ook voor achter R. b. LIX. 35 en LIX. 42,

-ocr page 390-

37°

Ziehier dus het materiaal, waaruit het Roede boeck is samengesteld. Hoe ging men bij het samenvoegen daarvan tot een nieuw geheel te werk ? Men handelde daarbij op eene wijze, die bewees, dat men sedert 1340 in de kunst van wetgeven merkwaardig snel was vooruitgegaan. De in het l.iber albus nagenoeg zonder orde of althans hoogst gebrekkig opeengehoopte stof werd, niettegenstaande zij door de toevoeg-selen uit het I ,iber hirsutus minor in omvang bijna verdubbeld was, in groepen verdeeld en onder hoofden vereenigd op eene wijze, die ons inderdaad in de gelegenheid stelt een behoorlijk overzicht van liet Utrechtsche stadrecht te nemen. AVel vindt men nog verschillende rubrieken, waarin slechts het toevallig voorkomen van een woord de samenvoeging der artikelen bepaald hoeft, wel is er nog voel onbeholpens in de opvolging der onderwerpen; maar over het geheel kunnen wij tevreden zijn. Vooraf gaat een hoofdstuk over de bevoegdheden van het college, dat rechtspreken moest: den raad; dan volgt hot huishoudelijk reglement van dit college; daarna, in drie hoofdstukken samengevoegd, al wat de vechtkeuren betreft enz.

Doch van een veel grooteren vooruitgang in het systemati-soeren geeft een ander, merkwaardig feit getuigenis. Wij weten, dat de schepenbank evenals de raad bij hare rechtspraak aan het Liber albus gebonden was. In dit wetboek vinden wij dan ook inderdaad naast en tusschen de besluiten, die op het raadsrecht betrekking hebben, verschillende artikelen verspreid, die het schepenrecht betreffen. In het Liber hirsutus minor, dat chronologisch geordend is, kon men natuurlijk niet verwachten, dat deze misstand verbeterd zou zijn. Den samenstellers van het Roede boeck is het nu echter in het oog gevallen, dat zulk eene regeling onbehoorlijk was, en dat voor de thans geheel van het meer en meer ontwikkelde raadsrecht afgescheidene rechtspraak der schepenbank ook een afzonderlijk wetboek paste. Als product van deze overtuiging vinden wij dan ook in het Roede boeck twee wetboeken. Het eerste, diit verreweg het grootste deel van het boek beslaat, betreft het raadsrecht; het tweede boek, „der scepen rechte ende ordinanciquot; genaamd \'), behandelt het schepen-

1) K. b. IJX , LX. In de Cortinge van 1403 heet dit gedeelte afzonderlijk „der soepen c boeek.quot; (R. v. Iquot;. I p. .\\o2 3 5. Bedoeld wordt R. 1). MX. 49.)

-ocr page 391-

37 1

recht \'). De beide boeken zijn g-eheel van elkander afgescheiden door verscheidene onbeschrovene bladzijden. Sterker nog spreekt het feit, dat sommige bepalingen uit hot Liber albus, die zoowel op het raadsrecht als op het schepenrecht betrekking hebben, tweemalen in het Roede boeck voorkomen, éénmaal in het eerste deel, nogmaals in het schepenrecht -). Blijkbaar waren dus de beide boeken bestemd, om elk op zich zelf gebruikt en toegepast te worden.

Wat was echter het gebruik, dat men zich voorstelde van het Roede boeck te maken ? welke was de verbindende kracht, die het als rechtsboek had in vergelijking met de oudere boeken? In het algemeen behoorde het Roede boeck zeer zeker tot de „oude boeckenquot;, naar welker „inhoutquot; de raad „die broekige corrigeerde *)quot;. En evenzoo waren de schepenen bij hunne rechtspraak zeer zeker aan het nieuw vastgestelde schepenrecht gebonden. Immers hot boek was volgons het opschrift vastgesteld door „scoute, scepene, raet ende ghemene oudermans van den ouden rade ende van den nywenquot;: naar allen schijn had men dus mot de samenstelling daarvan de bedoeling, het Liber albus en hot Liber hirsutus minor (voor zoover dit toepasselijk was) bij de rechtspraak te vervangen. Had hot evenwel dezelfde verbindende kracht als bet Tiber albus? In geenen deele. Aan het slot van hot Koede boeck ontbreekt de gewichtige mededeeling, dat het was „ghelesen in den menen ghildenquot;, en hoewel aan het hoofd van het boek verklaard wordt, dat de daarin bevatte „koerenquot; „ewoliken gehouden ende nummermeer weder gheboden zeilen wardenquot;, blijkt het toch niet, dat raad en gilden prijs gesteld hebben op het controleeren van vervalschingen door het bewaren van duplika-ten , zooals dat bij het Liber albus het geval was. Ook een besluit der gilden, gelijk aan do gewichtige „overdrachtquot; van 1341, dat men in het Liber albus niets zou mogen schrijven of doorhalen zonder verlof der gilden, ontbreekt voor het Roede boeck; en

1

r) „Der stacll ende der scepen rechtquot; worden dan ook in het Seeponrecht onderscheiden. (K. v. U. 11 p. 266.) Dezelfde indeeling vindt men in het Amersfoortsche rechtsboek. (Zie hiervóór p. 327 , 328.)

-ocr page 392-

37 1

dat dit gceno toevallige omstandigheid is, blijkt uit het feit, dat, terwijl in het Liber albus geene enkele doorhaling voorkomt, het Roede boeck tal van verbeteringen bevat, meerendeels van te weinig belang om hot denkbeeld aannemelijk te maken. dat voor elk daarvan een besluit van alle gildon genomen zou zijn 2). Wat alles schijnt af te doen: het blijkt niet, dat het Roede boeck in zijn geheel afgekondigd is 2). — Tegenover de burgerij had liet boek, als geheel, dus geene kracht, — olke bepaling daarvan bleef dezelfde verbindbaarheid behouden, die zij vroeger had; alleen voor de praktijk der rechtspraak was de vereeniging daarvan in een niouw register gemakkelijk, inderdaad is dan ook het Liber albus, hoewel nagenoeg geheel in het Roede boeck ovoi-gcnomon, niot vernietigd. Ja het blijkt, dat juist in de eerste jaren na de vaststelling van het Roede boeck, toen de onderlinge verhouding der beide boeken nog versch in ieders geheugen moest liggen, het Liber albus nog nu en dan gebruikt en aangehaald is; bepaaldelijk is dit bewijsbaar in 1398 :!) en 1400 3). Het is dus zeker, dat het Roede bocck een ander, minder officiëel karakter had dan het Liber albus. Naar het mij voorkomt, had dan ook raad oud en nieuw de bevoegdheid, naar zijn believen veranderingen in het boek te maken niettegenstaande het hoofd daarvan (wellicht eenvoudigquot; letterlijk uit het Liber albus overgenomen) verklaart, dat de daarin vervatte keuren „nummermeer wedergheboden wardenquot; zouden.

Naarmate de wijze van vaststelling van het Roede boeck langzamerhand meer in vergetelheid geraakte, schijnt het echter, als voor het gebruik gemakkelijker, hot Liber albus allengs verdrongen te hebben quot;). Men vindt in hot Roede boeck tal van verbeteringen, meestal met handen uit do eerste helft der 1 5e eeuw 4), en er zijn bewijzen, dat het boek gedurende moer

1

Zie vooral R. b. XLII. 2, XI,IV. 3, die niet eens besluiten, doch aanwijzingen voor tien stadsklerk bevatten.

2

Het wordt namelijk in liet Buurspraakboek van 1388 1390 niet vermeld.

3

R. v. U. I p. 229 Noot 1.

4

O. a. nog 1451. (R. b. LUI. 1-3.) — Het verdient ook opmerking, dat sedert de samenstelling van het R. b. in het L. A. niets, in het L. II. slechts enkele keuren meer ingeschreven zijn.

-ocr page 393-

373

dan eene eeuw na de samenstelling veelvuldig-gebruikt werd, en wel (voor de latere jaren althans) bij de plechtigste gelegenheden. Zoo lezen wij, dat in 1492 en 1497 na de installatie van den raad op het stadhuis „na der gewoentenquot; gelezen werd „des raets huysrechten mitter ordinantie onde verelaringe van den rade, staende voor int rode boeck En in 1490, 1502 en zelfs nog in 1528 werden den schout van Utrecht bij zijne installatie „de poincten, int roode boeck beschreven fol. 42 ende 43 , beroerende het schoutampt voorgele-senquot;, waarna hij „den eedt als schout daerop gedaenquot; heeft 1). Het Roede boeck heeft derhalve in de latere middeleeuwen tot de onderwerping der stad Utrecht door Karei V toe als het officiëele stadboek gefungeerd. Deze conclusie geldt echter alleen van de eerste helft; het tweede boek, „der scepen rechte ende ordinanciquot;, werd, zooals wij zien zullen, in 1403 dooide eerste Cortinge opt scepenrecht gewijzigd2) en in 1456 door het Scepenrecht „gedoet ende te nyet gedaen

De naam Roede boeck, dien het boek draagt, staat op hot schutblad geschreven. Deze naam komt, zooals wij zagen, reeds in officiëele stukken uit de late middeleeuwen voor. Een register voorin Die roese uit de eerste helft der 1 s3\' eeuw noemt het boek „Liber ruber magnusquot;; eene hand uit het begin der i6e schreef daarboven „Liber rubeusquot;, hetgeen ook voorkomt in een ander register op de vier rechtsboeken, van de hand van den stadsklerk Tylman Momfelen. Eene kant-teekening bij het bovenvermelde register in Die roese duidt het bovendien aan als „dat boeck mitten veterquot;, waaruit schijnt te blijken, dat het Roede boeck vroeger aan een keten bevestigd was, en dus voor het publiek ter inzage gelegen moet hebben. De oude roode band vertoont echter geene sporen van een keten meer 4).

Het oorspronkelijke exemplaar van hot Roede boeck is

1

V. d. Water, I\'lacc. III p. 216. — Raads dag. boek. 17 Fcbr. 1528.

2

Zie R. v. U. II p. 402 § 5.

3

Raads dag. boek. Manend, na O. L. V. Nalivitas 1492 en 1497.

4

R. v. U. II p. 47, 51 wordt tweemaal „der stat boeequot; aangehaald, terwijl het Liber albus niet bedoeld kan zijn, daar de aangehaalde plaatsen daarin niet voorkomen. Zij worden beiden gevonden in Der scepene boeck, dat echter nooit „der stat boeckquot; genoemd wordt noch genoemd worden kan. Do ééne der aangehaalde keuren komt voor in het Liber hirsutus minor. In geen geval is het Roede boeck (samengesteld in 1389) bedoeld, daar de aanhalingen dagteekenen van 1380 en 1383.

-ocr page 394-

374

bewaard gebleven, gesehreven op papier en nog gevat in den roodlederen band, die het zijnen naam gaf\'. Een afschrift uit de i y1-\' eeuw, mede in het stads-archief berustende, dankt denkelijk zijn ontstaan aan de meergemelde vroedschapsresolutie van 1649 \'). Het boek wordt thans naar het origineel voor de eerste maal uitgegeven.

§ 5- DIE ROUSE.

\'J ot 1389 hebben wij den voortgang der codificatie van het Utrechtsche stadsrecht stap voor stap kunnen volgen. De latere ontwikkeling is zoo duidelijk niet. Wij bezitten voor deze periode van meer dan eene eeuw slechts één boek, dat nog wel alleen over de eerste helft daarvan loopt: het „boeck geheten die Roesequot;.

Die Roese levert op verre na niet zulk een goed samenhangend, bevattelijk geheel als de drie oudere boeken. De inhoud is zeer gemengd, en het is niet geheel duidelijk, waarom men sommige zaken wel, andere niet daarin opgeteekend heeft. Ook in de bewerking merkt men een groot onderscheid tus-schen verschillende gedeelten van het boek op. En geen wonder: immers bij nauwkeurige beschouwing- blijkt het uit drie deelen te bestaan, die op zeer verschillende tijden vervaardigd werden.

Het boek is begonnen op het laatst der 14° eeuw en met dezelfde hand (of twee verschillende, zéér gelijke handen, die door elkaar loopen), doch niet op denzelfden tijd vervolgd tot 1400 toe. Het in het begin geplaatste register eindigt met Roese CXVHI en bevat daarna slechts enkele ongeregelde notities. Ook in het boek zelf volgen onmiddellijk na dit hoofdstuk verschillende aanteekeningen, zooals men die dikwijls op de achterste schutbladen van handschriften vindt. Op dit punt schijnt dus het werk gestaakt tc zijn, en wij hebben in de hoofdstukken Roese I—CXV het oudste gedeelte van het boek voor ons. Laat ons nagaan, wat wij over de samenstelling van dit deel kunnen te weten komen.

De hand, die de» oudste afdeeling van Die roese schreef, komt

1)^ Zie hiervóór p. 362 Noot 4. Alleen liet Roede boeck wordt echter in de resolutie niet genoemd. Ook is dit boek niet met dezelfde hand als de drie andere geschreven , en afzonderlijk ingebonden, terwijl de andere in éenen band vereeni^d zijn. Ken tweede afschrift uit dien tijd vindt men in de Coll. MS. v. C. Booth. B 98. (Prov. arch.)

2) Roese CXV1 en CXVI1 zijn later ingeschreven en dan ook in het register niet ur-meld; CXVHI staat op een kleiner, los ingevoegd blad; met Roese CXV eindigde dus het eigenlijke boek.

-ocr page 395-

375

ook in het Liber hirsutus minor voor, en wel omstreeks 1380. Wanneer heeft deze hand dit oudste deel van Die roesc samen-g^csteld? De oudste inschrijving dagteekent van 1369 (de hoofdstukken I—IX over 1361 1366 zijn later door dezelfde hand bijgevoegd \')), en de hoofdstukken loopen verder in chronologische orde geregeld door tot 1392 toe. (X LXIII.) Ook het register is met dezelfde hand blijkbaar achtereenvolgens geschreven tot hoofdstuk LXIII toe, terwijl dan na eone halve witte bladzijde eene latere hand het vervolg geleverd heeft. Achter hoofdstuk LXIII schijnt men dus eene pauze te moeten aannemen. Hoofdstuk LXII (blijkens het register van het Raads dagelijksch boek voorin Die roese een der laatste raadsbesluiten van 1392) werd later in deze afdeeling bijgeschreven en kwam ook in het oude register van Die rocse niet voor: op Woensdach na St. Maarten in den winter (13 November) 1392 was derhalve deze afdeeling voltooid.

Uit welke bron heeft men deze keuren overgenomen? Wij vinden het antwoord op deze vraag in Die roese zelve. Voorin dit boek heeft men eene korte inhoudsopgave der (thans verlorene) Raads dagelijksche boeken van 1387 vlg. geschreven 1). Wij treffen daarin nagenoeg alle keuren sedert Roesc XXXV (1387) aan in dezelfde orde als zij in Die roese voorkomen. Mist men een enkele maal in deze inhoudsopgave eene keur (b. v. Roese XLI), dan is dit wel eens juist eene, die later in Die roese werd bijgeschreven; ontbreekt er omgekeerd een nommer van de inhoudsopgave in Die roese, dan

1

„Tabula gestorum per consules civitatis anno domini 1374 in libris coditianis.quot; Met cijfer 1374 is met latere inkt overgeschreven; wellicht was het vroeger 1378 (in het oude schrift zijn 4 en 8 nagenoeg gelijk) voor ^87; het volgende jaar is 1389 en de dan volgende jaren 1390 (aanvankelijk weder geschreven 1309: de Arabische cyfers waren nog vreemd in 1390!). 1391 enz. zijn telkens opgegeven, zoodal zéér zeker 1387 of 1388 bedoeld wordt.

-ocr page 396-

betreft die bijna altijd een onderwerp, dat blijkbaar van voorbijgaand belang was (b.v. in 1389 een besluit „van der momberscap over Ghisebert van Rnweelquot;) en dus de overname in Die roese niet verdiende. Dat men juist uit het Raads dagelijksch boek deze besluiten overnam, kunnen wij, al zijn de origi-neelo raadsboeken verloren, bewijzen \') uit de omstandigheid, dat Roese LV1J en LV1II nogmaals voorkomen onder LXVIII en LXIX. Blijkens de inhoudsopgave der Raads dag\'elijksche boeken was de volgorde der bepalingen daarin aldus: Roese LVI, 1.XV1, LXV1I, LVII LX, LXIII, LXIV, LXII enz. Men nam nu aanvankelijk in Die roese over: Roese LVI—LX, LXI (niet in de inhoudsopgave der raadsboeken voorkomende) en LXIII, en eindigde toen voorloopig het boek. Later bleek het, dat men eenige belangrijke besluiten had overgeslagen: men vervolgde dus na LXIII1) met LXIV, LXV (herhaling van LXf), LXVI en LXVII. Achter deze laatste besluiten volgden in het raadsboek onmiddellijk Roese LVII en LVIII, en men nam ze daardoor bii versfissinef nogmaals over onder LXVIII en LXIX.

Wat bedoelde men met het aanloggen van dit uittreksel uit het Raads dagelijksehe boek? Voor hen, die met de inrichting van dit boek bekend zijn, kan het antwoord niet twijfelachtig zijn: het gemakkelijke gebruik ^). De oudstbe-waarde raadsboeken heeten wel eens „de dagelicse lapquot; d. i. het kladboek, en de inhoud beantwoordt aan dien titel. De boeken zijn zeer ongeregeld gehouden, dikwijls zonder opgave van datums, en bevatten in de eerste plaats tal van\'korte aanteekeningen van voor den raad gedane „wilkoerenquot;, verder hoofdzakelijk raadsvonnissen in crimineele zaken, en eerst in de laatste plaats, tusschen deze verspreid, enkele raadsbesluiten , waaronder nu en dan keuren. Natuurlijk werd het na verloop van eenige jaren wenschelijk, deze bepalingen de eenigen van blijvend practisch belang in het boek bijeen te verzamelen. De „lapquot; zelf kon dan zonder schade vernietigd worden, meende men; en inderdaad waren reeds in het begin der 15° eeuw, toen de stadsklerk Henricus Pauli (in

1

Althans zeker niet uit hel Liber hirsutus minor: zie R. v. U. I p. 93 Noot 4.

-ocr page 397-

377

functie gekomen in i 403) de registers op de Raads dagclijksche boeken voorin Die roese schreef, de boeken over 1369—1387 blijkbaar verloren geraakt; de opvolgenden over 1388 1401, toen nog aanwezig \'), zijn thans mede niet meer in het archief voorhanden.

Het werk, dat in 1392 voltooid schijnt te zijn, werd sedert geregeld vervolgd tot 1400 toe (Koese LXIV—CXV). Denkelijk werden de besluiten van deze jaren dadelijk in het boek ingeschreven; althans het komt hier meer dan vroeger voor, dat besluiten overgenomen werden, die niet in het register op het Raads dagelijksche boek vermeld staan, en de orde was ook soms anders dan de daar aangenomene. Met het jaar 1400 werd het boek afgesloten \'1). Waarom? Wellicht omdat omstreeks dien tijd (zooals wij boven p. 365 zagen) het afzonderlijke register der besluiten viin raad oud en nieuw opgeheven werd, terwijl men de serie vervolgde in het Raads dagelijksche boek; dit laatste register, voortaan minder dan vroeger als een „lapquot; beschouwd, scheen daardoor voor het bewaren van belangrijke raadsbesluiten minder ongeschikt te zullen worden :1). Doch hoe dit zij, men schreef sedert dien tijd niet meer geregeld in Die roese; trouwens het boek was nagenoeg-vol. Op de achterste bladen schreef de stadsklerk Henricus Pauli later eenige aanteekeningen van verschillenden aard, zooals die meermalen op schutbladen voorkomen: enkele keuren en andere raadsbesluiten over 1404—1410 (Roese CXX, CXXII—CXXIV \'\')), een tractaat met den bisschop van 1413 (Roese CXXV1, CXXV1I) en een extract uit het statutenboek van den Dom (Roese CXXXII). Een los achterin het boek liggend kleiner blad papier r\') bevatte van andere

1

Althans vóór 1403, want Roese VIII. 2 (vlg. Burman, Utr. jaarb. II p. 48 van dat jaar) werd later daarin gesehreven.

-ocr page 398-

378

hand twee oudere ordonnantiën van den raad op den stads-steenovpn en op de zoutkoopers (Roese CXVIII, CXIX \')).

Het tweede, jongere gedeelte van Die roese (CXXXIII — CLXXXI), loopende over 1414—1434, draagt een geheel ander karakter en heeft ook blijkbaar eene andere herkomst als het eerste deel. Het bevat eenige omvangrijke ordonnantiën, door den raad over verschillende onderwerpen gemaakt, allen geschreven met eenzelfde hand, doch blijkbaar op verschillende quaterns papier en in verschillende tijden. Roese CXXXIII, CXXXV CX XXVIII bevatten regelingen van de draperye (lakenbereiding), de brouwerij, de wollenweverij en den molensijs , allen op afzonderlijke quaterns geschreven; op de achterzijden daarvan schreef Henricus Pauli weder Roese CXXX1V en CXXXIX benevens eene aanteekening uit het formulierboek •!). Op een ander quatern vindt men daarna bijeen Roese CXL—CXLII over de rechtspraak der schepenbank; achteraan voegde de stadsklerk Tylman Momfelen later Roese CXLII F. Een volgend quatern geeft Roese CXLIV—CXLVI te lezen , handelende over maatregelen om de stedelijke finantiën te herstellen; Roese CXLVII, later op de achterzijde geschreven, is weder van Henricus Pauli\'s hand. Een afzonderlijk quatern, geheel door de hand van dezen klerk gevuld, bevat de vonnissen, in 1413 gewezen tegen de Lichtenbergsche partij op eenen tijd, dat hare tegenpartij tijdelijk aan het roer was, en de maatregelen, bij die gelegenheid door het stedelijk bestuur genomen (Roese CXLVHI CLII). Roese CLIII behelst een reglement op het verkoopen der stadssijzen van 1423, — CLVIII en CLIX op een afzonderlijk quatern eene uitvoerige regeling van de stedelijke finantiën van 1424, vastgesteld met medewerking der gilden; op een los blad, verkeerdelijk midden in hoofdstuk CLVIII gebonden, leest men verschillende bepalingen over den inbrouwensijs (Roese CLIV CLV1), waarachter later weder eene andere hand den eed van den hoppensijs (Roese CLVII) schreef. Roese CLX -C1.XV1 be-hooren weder bij elkaar: zij bevatten eene serie ordonnantiën van 1431 1433 over de accijnsen (molcnsijs, hoppensijs, wijnsijs, inbrouwensijs :1), botersijs en zeesijs) en verder over

r De andere hier voorkomende keuren (Roese. CXVI, CXVII, CXXI, CXXV f CXXVIII—CXXXI) over 1402—1410 zijn later door Tylman op de witte bladen geschreven. 2 Afgedrukt: R. v. U. I p. 255 Nool 1.

3) Later ingeschreven: het is een duplicaat van Roese. CLIV,

-ocr page 399-

379

de neringen van de „nieuwequot; brouwerij on de goudsmederij. Een laatste quatern, blijkbaar vroeger los achter in het boek g-elegd, bevatte van dezelfde hand, die deze laatste serie ordonnantiën schreef, nog de reglementen over do vleesch-houwerij van 1433 (Roesc CLXXIX—CLXXXI).

Al deze afzonderlijke quaterns, die naar het schijnt een soort van bijlagen bij de Raads dagelijksche boeken vormden (althans niet al deze ordonnantiën komen in deze boeken voor \'), denkelijk omdat zij te lijvig waren) en die vroeger waarschijnlijk los achterin do oude Roese van 1400 lagen werden tusschen 1434 en 1440 :i) daarbij ingebonden. Het laatste blad draagt nog de sporen, dat het oorspronkelijk achterin het boek stond, en Henricus Pauli toekende volgens zijne gewoonte daarop weder eenige zaken aan, die met de overige daarin behandelde niets te maken hebben \'\').

In dezen toestand is Die roese weder lange jaren gebleven. Eerst de stadsklerk Tylman Momfelon van Ussolaer, aangesteld in 5460, die tusschen 1472 en 1478 het stads-archiet regelde en in 1485 of i486 overleed, heeft (denkelijk wel in den tijd, dat hij zich met het archief bezig hield \'), ) Die roese met de derde en laatste afdeoling (CLXXXII—CCLXXXIII) verrijkt. Hij liet daartoe blijkbaar tal van witte bladen achteraan het boek binden, en plaatste toen op de ledig geble-vene gedeelten van bladen in het oude boek eene nalezing uit de Raads dagelijksche boeken quot;), die hij op de nieuwe

1) Zoo b.v. niet: Roesc. CXL—CXL11, CXLIV, CXLV, die toch zeer belangrijk zijn.

2) Dit blijkt uit het feit, da; eenigen daarvan achter het oude register voorin Die roese met latere hand zijn bijgeschreven, doch in cenc andere volgorde clan die, waarin zij nn in het boek gebonden zijn. Met blad, waarop Roesc CI,II staat, was blijkbaar langen tijd het buitenste; het is aan de hoeken afgesleten. Roese CXLIII stond in 1465 „after in die Rozequot;. (Zie hierna p. 382 Noot 4.) Met is trouwens mogelijk, dat Tyl-mannus de volgorde later bij het verbinden veranderd heeft.

3) Tusschen 1434 en 1440, want de stadsklerk Henricus Pauli, die op de opene bladen nog aanteekeningen maakte, werd in 1440 door Hermannus Van der Meer vervangen. Henricus schreef nog bij Roese CXXIV de verwijzing „Uit staet nae verclaert overt XI blatquot; naar Roese CXXXIV, dat inderdaad nog op het 11«\' blad daarna staat.

4) Zie R. v. U. I p. 305 Noot 2. De oudste der achterin het boek geschrevene eeden (XII—XVI) zijn mede van dezelfde hand als de vele losse quaterns, doch dagteekenen blijkens de vermelding in XII van de ordonnantie „op den sparenquot; (gedrukt bij: V. d. Water, Placc. III p. 72 en gedeeltelijk Roesc CCLXXI) van m 1449.

5) Althans na 1465, want in dat jaar stond Roese CXLIII nog „after in die Roze.quot; (Zie hierna p. 382 Noot 4.)

6) Niet aan de raadsboeken ontleend zijn de door Tylman geschrevene aanteekeningen Roese C en CXLIII: zij zijn ook blijkens het schrift veel vroeger dan de andere keuren door hem daarin geplaatst. (Vóór 1465: /ie hierna p. 382 Noot 4.)

-ocr page 400-

380

bladen vervolgde. Blijkbaar begon ook hij weder met het raadsboek, dat reeds in den tijd, toen het register op do raadsbocken voor in Die roese gemaakt werd, het oudste was: dat van 1388. Hij ontleende daaraan thans Roese LXXVI, doch vond in de volgende boeken tot 1400 blijkbaar niets gt; dat de moeite van het overnemen waard was, dan de keuren Roese LXXXIV. 2 (1394), CVII (1398) en CXIV (1400). Met Roese CXVI begint nu eene nieuwe serie raadsbesluiten, sedert 1402 vrij geregeld doorloopende. Blijkbaar bemerkte Tylman, dat met dat jaar het excerpeeren der raads-boeken gestaakt was, en hij beijverde zich daarom, deze leemte aan te vullen. Aan dezen arbeid danken wij de opneming van Roese CXVI, CXVII, CXXI, CXXV, CXXVIII CXXXI (1402—1410), Roese CLXVII—CLXXVITI (1410—1418),-en (op de nieuw bijgebondene bladen) Roese CLXXXII— CCLXXXIII (1434—1434). De lacune tusschen 1418 en 1434 kan ontstaan zijn door de omstandigheid, dat Tylman wellicht aanvankelijk eerst het vervolg sedert het laatstgeboekte raadsbesluit (van 1434) heeft bijeengebracht en de nalezing over de vroegere jaren slechts heeft kunnen voortzetten voorzoover er op de oudere bladen plaats overig was.

Tylman voltooide zijn werk niet: in de laatst opgenomene verordening (van 1454) is hij blijven steken middenin een volzin, die blijkens het schrift eerst in de laatste helft der 16° eeuw afgemaakt werd. Natuurlijk was het toen echter geen tijd meer om het boek te vervolgen, en het uittreksel uit de Raads dagelijksche boeken bleef dus onvolledig. — De eeden achter in het boek zijn allen geschreven met handen van het midden der 15° eeuw. De latere, die herhaaldelijk den gildenbrief van 1455 vermelden, dagteekenen blijkbaar van dat jaar; immers de brief bleef slechts één jaar van kracht.

Welk criterium stelde men zich bij het excerpeeren der Raads dagelijksche boeken? Het is mij niet gelukt, eene leidende gedachte in het boek aan te treffen: naast eigenlijke keuren \') vindt men vonnissen 1), zoogenaamde Weisthiimer :;), zelfs tractaten met den bisschop \'\'), en vooral in grooten

1

b. v. Roese. CCXLVIII. CCL1II, CCLVI, CCLVII.

-ocr page 401-

getale verordoningfcn over de accijnsen en over het toezicht op de nijverheid. Het foit, dat de registers der raadsboeken voorin Die roese en dit boek zelf doorgaans geheel dezelfde verordeningen bevatten, terwijl beiden blijkbaar zelfstandige uittreksels zijn, pleit er echter voor, dat de samensteller van het oudste gedeelte der Roese over het geheel eene goede keus gedaan en al het belangrijke uit de raadsboeken overgenomen heeft. - Ook de klerk Tylman Momfelen schijnt zijne taak met veel zorg uitgevoerd te hebben. Hij, die eerst na 1465 zich aan het werk zette en tot 1434 (1388) terugging, heeft natuurlijk de oude boeken in het raads-archief vooraf met zorg moeten bestudeeren. Inderdaad blijkt hij dit gedaan te hebben. Van de Ordonnantie op den sparen van i44g \') heeft hij (Roese CC 1 -XXI) slechts de artikelen 4- 8 overgenomen, blijkbaar omdat hij de andere niet belangrijk genoeg meer achtte. Bij zijn onderzoek heeft hij niet alleen het Raads dagelijksche boek geraadpleegd, ook liet Buurspraakboek sloeg hij na, en het uit beiden geputte materiaal heeft hij, na het in chronologische orde gebracht te hebben, eenigszins geredigeerd. Een bewijs hierviin levert ons de keur Roese CCLXXX. In het Buurspraakboek van 1452 -) vond Tylman eene keur tegen het vertoeven van lichte vrouwen buiten hare buurten; in het Raads dagelijksche boek van hetzelfde jaar quot;) eene andere over hetzelfde onderwerp, doch van anderen datum. Tylman bracht deze beide keuren bij elkaar en vereenigde ze in Die roese CCLXXX onder, één hoofd, zooals het behoorde; doch hij droeg zorg, den verschillenden oorsprong van beide artikelen in den aanhef te vermelden \').

Reeds uit het voorgaande blijkt, dat wij in Die roese niet een eigenlijk rechtsboek, veelmin een wetboek hebben te zien. Zelfs schijnt men bij het verzamelen meer met administrative belangen dan met het nut der rechtspraak te rade gegaan te zijn: getuige het onevenredig groote deel van het boek, dat met verordeningen over sijzen en nijverheids-politic is gevuld. Wij zagen ook reeds, dat niet alle in het boek opgenomene raadsbesluiten afgekondigd zijn, en dat dus een

1) Van de Water, IMacc. III p. 72.

2) Buurspraakb. 1452. fol. 169 vs.

3) Raads dag. boek 1452. fol. 69 vs.

4) Alleen bij art. 1 stnat „ter clocken uiitghekondichl.quot;

-ocr page 402-

3^2

deel daarvan voor de burgerij niet verbindend, bij de rechtspraak niet toepasselijk geweest kan zijn. Van bekrachtiging van het bock door de gilden geen spoor, zelfs niet van vaststelling van het geheel door den raad. Zonder eenigen twijfel moesten dan ook de in het bock opgenomene besluiten jaarlijks opnieuw bekrachtigd worden en kon de raad oud en nieuw ze telkens veranderen. — Was er ten dezen nog onderscheid tusschen de verschillende gedeelten van het boek? waren de ordonnantiën van den ouden en nieuwen raad, die de latere deelen bevatten, meer onherroepelijk dan de besluiten van den nieuwen alleen, die in de oudste afdeeling voorkomen ? Neen, want reeds in Liber albus LXXXVIIL i was bepaald: „wat die ene raet van der stat dede voer tbeste, dat die ander raet, die daerna quamc, des nyet wederdoen en soude, ton si bi oud raet ende bi nywe.quot; De besluiten van den nieuwen raad konden dus alleen door raad oud en nieuw herroepen worden \') ; voor de besluiten van raad oud en nieuw zeiven is geen andere regel gesteld.

Het herroepen van raadsbesluiten schijnt echter weinig voorgekomen te zijn; althans men vindt in Die roese nagenoeg geene doorhalingen, en het boek bleef zooals het was lange jaren in gebruik. Wij vinden daarvan talrijke sporen. Reeds omstreeks 1450 werd het boek in ecne zaak van het hoogste gewicht gebruikt: toen het gold tegenover bisschop Rudolf Van Diepholt te bewijzen, dat de raad van ouds over woekeraars gerecht had, ontleende men de daarop bestaande keur van 1370 niet aan het Liber hirsutus minor XL of aan het Roede boeck XXIX, doch aan Die roese XIII-). Hoewel de in het boek geschrevene raadsbesluiten met het jaar 1454 eindigen, blijkt men er ook later wel in geschreven te hebben; althans de eeden achter in het boek vermelden den gildenbrief van 1455 ids eene recente gebeurtenis x) en dagteekenen dus van na 1454. Meer dan tien jaren later werd het boek weder als een officieel register gebruikt: de kameraars deden in 1465 den eed „als after in die Roze mit Tylmannus\' hant ghescreven staet Ook in 1491 en in 1510 blijken er nog verande-

1) J)it gold nog in 1450, toen het „van outs gewoenlicquot; was. (V. d. Water , Place. III p. 77.)

2) Zie R. v. U. 1 p. 93 Noot 4. Vgl. hiervóór p. 367.

3) Zie R. v. U. I p. 387, 388. (NT0. HI, VI.)

-l) Kaads dng. bock. Vryd. na Valentini 1465. — Hcdoeld is Roese, CXLIII.

-ocr page 403-

3«3

ringen in liet boek gemaakt te zijn, die bewijzen, dat het destijds bij de eedsafleggingen der raadsleden gebruikt werd \'). En in hetzelfde jaar 1510 bevestigde de raad „eene oude slytinge ende overdrachtequot;, die geschreven stond „int boeck van der Roese Het boek heeft dus allerwaarschijnlijkst dienst gedaan tot den val der stedelijke autonomie in 1528 toe, en werd door het stadsbestuur als eene officiëele bron van recht beschouwd en aangehaald.

Zooals uit de aangehaalde citaten blijkt, stond het boek reeds in de middeleeuwen bekend onder den naam van Die roese, dien het aan eene op het schutblad geteekende ge-styliseerde roos dankt. Éénmaal schijnt het als „der stat boeckquot; aangehaald te worden n).

Het origineele exemplaar, met verschillende handen op papier geschreven, berust nog in het stads-archief. Een aldaar mede bewaard afschrift uit de 17® eeuw werd vervaardigd volgens de bovenvermelde vroedschaps-resolutie van 1649Behoudens enkele extracten, in het derde deel van Van de Waters Plac-caatboek verspreid, wordt het boek thans voor de eerste maal uitgegeven volgens het origineele exemplaar.

Eéne vraag behoort hier ten slotte nog besproken te worden. Is er na de samenstelling van Die roese daaruit en uit de oudere rechtsboeken nooit eene nieuwe, thans verlorene redactie van het raadsrecht gemaakt? Heeft men in dit opzicht nooit het voorbeeld gevolgd, voor het raadsrecht in 1389 door de vaststelling van het Roede boeck gegeven en voor het schepenrecht juist in den tijd, waaruit de laatste inschrijvingen in Die roese dagteekenen, nagevolgd? Moet wellicht het vervolgen en aanvullen van Die roese door den klerk Tylman Momfelen niet juist als voorbereiding voor zulk eene nieuwe redactie beschouwd worden? en is misschien het boek sedert dien tijd niet vervolgd, omdat het daardoor vervangen was?

Er zijn inderdaad verscheidene feiten, die op het maken van

1) R. v. U. I p. 391 Noot 2, 4,

2) Raads dag. boek. Woensd. post Miserie. Dom. 1510. (zonder datum afgedrukt bij: Van de Water, Place. III p. 252.)

3) R. v. U, I p. 247 Noot 1.— In het register voorin het boek zelf heet het „die Roze,quot; — in liet afzonderlijke register op de vier reehtsboeken van de hand van den stadsklerk Tylman Momfelen: „Libor rosequot; of „Lihor dietus die Roeze.quot;

4) /.ie hiervóór p. 362 Noot 4.

-ocr page 404-

384

zulk eene nieuwe redactie wijzen. Bij tal van artikelen van het Liber hirsutus minor staan met eene oude hand op den kant aangeteekend de letters „se.quot; (soepen) „r.quot; (raet) „scoutquot;, of eenige vaste, telkens terug-koerende teekens. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat deze aanduidingen gebruikt zijn bij de reductie van een „raetboeckquot; en een „scepenboeckquot; in den trant van het Amersfoortsche rechtsboek \'). Nog meer: op eenige plaatsen van het Liber hirsutus minor vindt men met eene oude hand kantteekoningcn als deze: „dit sel men bi den andren siissen zettenquot;, „dit sel stacn bi den anderen torfquot;, „dit sel men scriven bi den andren hudsiis -)quot;, — en dezelfde hand maakte zulke opmerkingen ook in het oudere register 0 2, als: „bi den hopponsiisquot;, „dit sel men bi den marsiis zetten also veer alster nyet en staet liet kan niet anders, of men stelde deze notities met het doel, om alle bepalingen omtrent do verschillende sijzen in eene nieuwe redactie te vereenigen. Wat alles schijnt af te doen: in de afdoeling van het Roede boeek, die aan het raadsrecht gewijd is, en waaruit, voor zoover wij weten, nooit een ander reehtsboek gecompileerd werd, ontmoeten wij talrijke kantteekeningen van gelijken aard, als; „voir bi een ander punt te zettenquot;, „nota meer op te scrivenquot;, „nota om meer hieraf te viindenquot;, „dit sol men al scrivenquot;, „dese punten sol men dus scrivenquot;, „verelarenquot;, „dit punt is vorclaertquot;, „dit staet int nye recht verclaertquot; enz \'). Alen kan hieruit bijna niets anders opmaken dan dat er een „nye rechtquot;, een nieuw rechtsboek, bestaan heeft, waarin verscheidene artikelen uit het Roede boeck in gewijzigde redactie opgenomen waren.

Doch van den anderen kant schijnt het toch niet aannemelijk, dat er ooit zulk eene nieuwe redactie van het raadsrecht bestaan heeft. Het is reeds zeer vreemd, dat juist deze jongste en volledigste vorm van dit recht zou verloren zijn, terwijl de oudere, daardoor buiten gebruik gestelde alleen bewaard

1) Voor de samenstelling van het Roede boeck kunnen deze aanteekeningen niet gediend hebben; immers zij komen nog voor bij: L. H. CI1. i, welks inhoud later in R. b. J,IX. 29 is bijgeschreven, enz. De jongste bepaling, waarbij ze te vinden zijn, dagteekent van 1403. (L. H. CVII. 1.) — Dezelfde hand maakte nog dergelijke knm-teekeningen bij Roese. CXL—CXL1I. ^409.)

2) L. H. XVI. 1 , — LX 11. 10, - LXX1V. 1 enz.

3) Th. 2. fol, 15 vs., 41 vs.

4) R. b. IV. 18, 19, 23, — XVIII. t, - XXII. 2, XXX. r , — XXXII. 3, -XXXVIII. 1 , - IJX. 33.

-ocr page 405-

3*5

gebleven zouden zijn. Maar er is meer: nergens vinden wij ook maar met één woord dit nieuwe rechtsboek, dat dan toch dagelijks gebruikt had moeten worden, vermeld. Een handschrift op het stads-archief uit het einde der is1\' eeuw, dat uitvoerige registers op de stadsboeken bevat1), noemt (behalve de Raads dagelijksche boeken) alleen de vier hier uitgegevene. Voorin Die roese vinden wij dergelijke registers uit de i s1\' eeuw op de voornaamste boeken in het stads-archief: wederom worden (behalve het Raads dagelijksche bock en een verloren boek van weinig belang -)) alleen onze vier boeken genoemd. Ook schijnt het Scepenrecht blijkens de inleiding op zich zelf compleet; er is geen spoor, dat daarbij (evenals bij het Amers-foortsche „scepeneboickquot;) een „raidtboickquot; behoord heeft. Eindelijk - en dit schijnt mij de hoofdzaak — wij vinden de overtuigendste bewijzen, dat met name het Roede boeck en Die roese tot op den val van de zelfstandigheid der stad Utrecht door don raad zelf zijn gebruikt en aangehaald, terwijl noch het officiëele karakter noch de volledigheid dezer boeken zulk een gebruik met voorbijgaan van nieuwere redactiën scheen te eischen. Het is inderdaad niet aan te nemen, dat de raad in de bedoelde ernstige gevallen het „verclaerde nye recht zou over het hoofd gezien hebben, wanneer dit, zooals verwacht mocht worden, hot geheele Roede boeck mot de belangrijkste besluiten uit Die roese tot een gemakkelijk te overzien geheel had vereenigd.

Intusschcn, ik acht het gewaagd in dit opzicht eene stellige uitspraak te doen: de quaestie blijft onbeslist. In deze omstandigheden is het belangrijk, oen en ander mede te deelen omtrent eene compilatie, waarin het Utrechtsche stadsrecht in eene ons van elders niet bekende redactie voorkomt: het in deze rechtsbronnen als 1 IS. A. geciteerde register. Dit hand-

25

1

Tabula principalium punctorum in libris (latere hand: „cDtidianorum aoluumquot;) civitatis Traiectensis contontorum juxta ordinem literarum alphabeti.quot; Het is van de hand van den stadsklerk Tylman Momfelen.

-ocr page 406-

386

schrift, voor eonige jaren ontdekt in het archief van het oude Hof van Gelderland en thans naar de Utrechtsche rijksarchieven overgebracht1), bevat zeer verschillende bestand doelen. Het is blijkbaar afkomstig van zekeren Gerard Then Brynck, die in de in het boek opgenomene formulieren als „clericus Traiec-tensis, publicus sacra imperiali auctoritate notariusquot; of ook als „imperiali auctoritate notarius, clericus ac venerabilis curie archidiaconi Trajectensis cursor juratusquot; herhaaldelijk genoemd wordt, en die achter in het boek eenige aanteekeningen over de geboorte zijner kinderen over 1472 1479 maakte 2). Deze Gerard Then Brynck is ook van elders bekend als een persoon van gewicht: de leenregisters der St. Paulus-abdij noemen hem in 1496 (10 April) als „secretarius domini metuendissimi Traiectensis : hij was dus secretaris van bisschop David Van Bourgondië. Eene verzameling bescheiden betreffende het Utrechtsche recht van zóó bevoegde hand schijnt wel eenige aandacht te verdienen. Wat bevat het register?

In de eerste plaats vindt men er wat het memoriaal van oenen notaris gewoonlijk bevat: tal van formulieren van idlerlei gerechtelijke akten, ontleend aan de rechtspraktijk voor den officiaal,— verder eene lijst van geestelijke beneficiën in het Sticht, statuten der Curia Trajectensis van 1488, — een „liber de processu judicisquot; en een „forma processus habendi in arduis et prophanisquot; en .,in parvis causis secundum stilum curie Trajectensisquot;, en eene lijst der „reysequot; voor het beteekenen der akten van het geestelijke gerecht. Doch daarnaast en daar-tusschen is men verrast een en ander aan te treffen, dat op de rechtspraak van den officiaal geene betrekking heeft; verscheidene formulieren van akten, voor de Utrechtsche schepenbank gepasseerd, en bovendien eene groote verzameling Utrechtsche stadskeuren , die Then Brynck noodig kan gehad hebben, omdat hij wellicht, als vele zijner ambtgenooten, tevens werkzaam was als „voersprakequot; (advocaat) voor de schepenbank. Voor ons heeft deze collectie keuren haar bizonder belang. Niet om haren inhoud, want zij bevat geen enkele keur, die wij

1

Een en ander door de bemoeiingen van Jhr. Mr. Th. Van Riemsdijk.

2

De aanteekening van 1479 is later ingeschreven; denkelijk werd het boek dus aangelegd kort na 1477, toen hel voorlaatste kind geboren werd.

-ocr page 407-

.38?

niet in de door ons gedrukte rechtsboeken aantreffen alleen zijn ons hier van twee in de rechtsboeken opgenomene ordonnantiën eenige supplementaire artikelen bewaard, dio daar niet voorkomen 1). Doch do verzameling moot ons belang inboezemen wegens den vorm, waarin zij ons werd overgeleverd. Wij vinden hier verzameld raadsbesluiten uit al de vier ons bekende rechtsboeken, maar in andere orde en beter gesystematiseerd dan zelfs hot Roede boeck ze ons geeft. Het schepenrecht is hier, evenals daar, reeds van het raadsrecht afgescheiden; de in het Roede boeck uit Der scepene boeck overgenomene artikelen (ook „die manyere van den vordeelquot;) vindt men ook hier. Doch op menig punt zijn artikelen over hetzelfde onderwerp vereenigd, die in het Roede boeck gescheiden waren ; ook is hier dikwijls de volgorde verbeterd, die daar minder logisch was enz. Maar de compilator heeft zich niet tevreden gesteld met het systematiseeren van het Roede boeck: men treft bij hem bepalingen aan, die niet daar, maar wèl in Die roese voorkomen ^). De vorm zelf, waarin hij de artikelen geeft, verschilt van die, waarin wij ze in onze rechtsboeken lozen. En die verschillen schijnen niet eenvoudig te danken aan het gebruik van verlorene afschriften der ons bekende boeken, maar bepaaldelijk aan de keuze van den schrijver. Immers deze hoeft niet uitsluitend uit één onzer rechtsboeken geput: beurtelings raadpleegde hij ze allen. Alleen zoo is het te verklaren, dat de tekst van door hem opgenomene plaatsen uit het Libcr albus, die ook in het Roede boeck voorkomen, nu eens dien van het Libcr al-bus2) nadert, dan weder de lezing van het Roede boeck volgtr*).

Is derhalve het vermoeden niet gewettigd, dat wij hier voor ons hebben een afschrift of een uittreksel van dat „verclaerde nyc rechtquot;, dat wij tot nu toe te vergeefs zochten ? Er schijnt inderdaad reden voor dit vermoeden , doch het is toch onjuist. Op p. 41 van het handschrift zegt de schrijver, dat een artikel staat „int boeck der drye alleens zyn ende overdraeghen syn by den

1

Zie deze afgedrukt: R. v. U. 1 p. 404 , 405 sub N0. I en IV.

2

Zie b. v.; R. v. IJ. I p. 7 Noot 10, 8 Noot 3.

-ocr page 408-

,i88

raede out ende nywe ende ghemeenre morghcnspraeke van allen gilden (nam. Liber albus), ende datself punt staet oeck int Roede boockquot;. I let blijkt dus, dat de schrijver (of althans de bron, waaruit hij zijne verzameling keuren heeft overgeschreven) werkelijk direct uit het l.iber albus en het Roede boeck heeft geput. Ook het Liber hirsutus minor heeft hij denkelijk gebruikt; al zijne excerpten uit dit boek zijn correct, terwijl die uit het I ,iber albus allen zeer slordig zijn: aan eene overneming dier citaten uit I .iber hirsutus minor door het kanaal van het Roede boeck valt dus niet te denken. Ook Die roese heeft hij blijkens de daaraan ontleende keuren gekend. Wij bezitten dus in het handschrift van Gerard Then Brynck eene compilatie uit onze vier stadboeken, geredigeerd in eenen vorm, die beter is dan de door de oude boeken zeiven overgeleverde, eene compilatie derhalve, die voor het gebruik gemakkelijk, doch voor de wetenschap zonder waarde is. — Ook wat den tekst der keuren betreft is de verzameling zonder belang; immers die tekst wemelt van fouten, ergerlijke fouten, die soms bewijzen, dat de afschrijver den zin van wat hij copieerde niet begreep\'j, en die het vermoeden wettigen, dat hij niet de man was, die de keuren in het bovenbedoelde systematische verband bracht, maar slechts een latere copiïst, die het werk van eenen bekwamen jurist uit de 15° eeuw afschreef. Dat deze jurist zijne verzameling maakte op last of ten behoeve van het Utrechtsche stadsbestuur, blijkt uit geene enkele aanwijzing: er is derhalve niet de minste reden, om haar een officieel karakter toe te kennen.

§ 6. DER SCEPENK BOECK.

Slechts twee jaren nadat de codificatie van het raadsrecht plotseling ophoudt, treedt het schepenrecht als een goed ontwikkeld, behoorlijk geordend recht te voorschijn (1456). Het kan bij den eersten aanblik schijnen, dat dit recht geheel gewapend tor wereld gekomen is; doch bij nader inzien blijkt ook hier eene langzame voorbereiding voorafgegaan te zijn. Deze ontwikkeling knoopt zich, evenals die van het raadsrecht, vast aan het Liber albus.

Eenige jaren na de vaststelling van het liber albus (waarschijnlijk tusschen 1341 en 135O begonnen de schepenen een nieuw register aan te leggen. Aanleiding daartoe gaf een

1) Zie 1). v. hiervoor p. 194 Noot 2.

-ocr page 409-

389

besluit van raad oud en nieuw, „dat men alle oirdelcn, die die scopene stadighen, daer men doude scepene by roept, sei lt; scrivcn in der scepene boeck mit horc dingtale, also idse ghevallen De zin van dit besluit is duidelijk, liet is ons reeds bekend, dat de schepenen, ingeval zij het oordeel niet „wijs werdenquot; konden, daarover het advies van de schepenen van het vorige jaar mochten inwinnen. De volgens deze adviezen gewezene vonnissen moest men dan nu volgens dit besluit in een afzonderlijk register inschrijven. Dat ook de dingtalen mode opgenomen werden -), was natuurlijk; immers het vonnis bestond gewoonlijk in eene eenvoudige bevestiging van de door eene der beide partijen aangevoerde argumenten, die op zich zelve onverstaanbaar zou geweest zijn.

De maatregel getuigde van bizondere zorg voor het be\'Waren dezer vonnissen; immers gewone vonnissen werden nog na 1389 alleen dan opgeschreven, wanneer eene der partijen dit begeerde \'). Waartoe deze bizondere zorg? Ook voor de raads-vonnissen, die door raad oud en nieuw gewezen waren, legde men kort na de vaststelling van het Liber albus een afzonderlijk register aan \'\'). Dit diende uitsluitend voor praktische doeleinden: men mocht niet vergeten, dat deze of gene banneling nooit weder in de stad komen mocht; dat A ofB zich op lijfstraf verbonden had, deze of die daad niet te doen enz. Een dergelijk doel kan men zich echter bij het aanleggen van het nieuwe schepenregister niet voorgesteld hebben. Hot ligt voor de hand aan te nemen, dat men daarvan een ander, een wetenschappelijk nut verwacht heeft, — dat men de beslissingen , die door de oude en nieuwe schepenen na rijp beraad in dergelijke exceptioneel moeielijke gevallen genomen waren, wenschte te bewaren, teneinde ze bij voorkomende g\'eleg\'en-heden te kunnen raadplegen.

Het kan nauwelijks betwijfeld worden, dat het register, als „Der scepene boeckquot; bekend, met dit doel is begonnen. Althans hot werd daartoe gebruikt, blijkens eene plaats in het Scepenrecht (XJV. 10), die zegt, dat de schepen, die

1) I,. II. XXV. r. Blijkens de volgorde der besluilun zou dit tol 1367 moeten gebracht worden; volgens Der scepene boeck zou het echter ouder dan 1351 moeten zijn.

2) Vlg. R. I). LIX. 34 ook „mit brieve ende betoen.quot; De overgelegde schepenbrieven zijn dan ook in de latere vonnissen geregeld mede opgenomen.

3) R. b. LIX. 35. — Zie voor het landrecht; Stichtsch lantr. XXÏI1. 10.

4) Zie hiervóór p. 363, 364.

-ocr page 410-

39°

het oordoel „ouderluiddcquot;, dat „vindenquot; zou o. a. „na onder-vijndingfe, dat hy in der sccpen bocke ondervonden hadde Was echter het raadplegen van Der scepene boeck voor schepenen verplichtend? waren zij aan de hierin opgenomene beslissingen ook voor het vervolg gebonden ? Deze vraag is veel moeielijker: wel werden vonnissen van vroegere schepenen („vooroerdel, die de scepene voortijts ghewijst hebbenquot;,; tegenover hunne navolgers soms als bewijzen aangehaald -)) doch het blijft de vraag, of schepenen verplicht waren zich daarnaar te regelen. Gelukkig antwoordt Der scepene boeck zelf ons, dat dit inderdaad het geval was. Bij het eerste vonnis — toon de inschrijving nog iets nieuws was en het doel daarvan dus twijfelachtig kon zijn - legden schepenen de verklaring af: „Ende dit wil men voortan voor recht ghe-houden hebben Dit besluit, in Der scepene boeck ingc-schreven, stempelde het gewezene vonnis derhalve als een recht der stad, een norm voor de latere schepenen om zich naar te richten.

Doch behalve de vonnissen van schepenen oud en nieuw, die bijna liet geheele Scepeneboeck vullen, vinden wij daarin nog eenige andere inscriptiën, die wij ons verwonderen in dit boek aan te treffen. Het zijn verschillende besluiten, door raad oud en nieuw genomen met betrekking tot het schepenrecht. Aan het begin van het boek schreef men (na het besluit, dat aanleiding had gegeven tot het aanleggen van het boek en dat als hoofd daarvan dienen moest) reeds dadelijk alle artikelen uit het l-iber albus in \'), die op het schepenrecht betrekking hebben •\'•). Daarna volgen twee andere artikelen (VII. 2, 3) en later (XXIll. 1 XXIV. 1, 2) weder drie, wier herkomst onzeker is, doch die, te oordeelen naar eene uitdrukking in XXIV. 2 („item nu gheeft die raet. toequot;), ook door den raad vastgesteld schijnen te zijn. Onmiddellijk daarop volgt (XXIV. 3 XXVII. 3) de geheele keur l-iber

1) R. v. U. II p. 281.

2) Zie b. v. R. v. U. II p. 103, 147. - Ook te Leiden leverden de kenningboeken volledig bewijs, evenzeer als seiiepenbrievcn. (Xortier, Bijdr. burg. proces, p. 6, 8. — Zie ook; BlOk, Lridsche rechtsbronnen, p. ri2, 28r: „gelijc dat kennijncboic inhout, twelc is gelijc scepenbrief van Leyden.quot;)

3) R. v. U. II p. 5.

4) Geheel in dezelfde orde :ils ze in L. A. staan: ze zijn dus gewis daaraan ontleend,

5) Scepeneboeck. I- VII 1.

-ocr page 411-

39

hirsutus minor Xl.Vlli van 1373, — later (XXXI, XXXIII, XXXIV) vindt men de keuren Liber hirsutus minor LX X IX en Liber albas XCV van 1378, — voorts (LIX-—LXII) nog cene geheele van elders niet bekende ordonnantie op het schepenrecht van 1403, —• en eindelijk (LXXXI- LXXXIII) de besluiten Roese CXL CXLII van 1409 \').

Is de overneming van al deze artikelen in het boek op het eerste gezicht eenigszins bevreemdend, nu wij bevonden hebben, dat de daarin ingeschrevene vonnissen bestemd waren als recht te gelden, moet die verwondering ophouden. Integendeel bevestigt het opnemen dezer keuren onze zooeven genomene conclusie • waren de vonnissen richtsnoer bij de rechtspraak, dan was het natuurlijk, dat men de keuren uit het stadboek, die voor hetzelfde doel dienen moesten, daarbij inschreef. Het overschrijven was voor het gemak der schepenbank zonder twijfel noodig; wij weten immers, waar de drie exemplaren van het Liber albus berustten, en dat er voor het gebruik der schepenbank geen bestemd was. Met het Liber hirsutus minor was het niet anders gesteld: het eenige daarvan bestaande exemplaar berustte natuurlijk onder den raad op het stadhuis. De schepenbank, die op het schepenhuis zetelde (dat toen niet als later naast het stadhuis stond), had dus voor haar gebruik extracten uit die boeken noodig. Het vermoeden is geuit -), dat men zelfs nog sterker spreken mocht, en dat wellicht de schepenen eerst ten gevolge van de inschrijving der raadsbesluiten in hun register verplicht waren, deze bij hunne rechtspraak toe te passen. De opmerking schijnt juist; immers Der Scepene boeck zelf zegt; ,.so wes die raet out ende nye overdraecht e-nde men in den scepcnebuec scrijft, dat moet ste-dicheit hebben ende voor recht houden In overeenstem

ming daarmede wordt dan ook bij de in de processen aangehaalde raadsbesluiten uitdrukkelijk deze inschrijving vermeld („na overdrachte des raets out ende nye ende na inhoict des scepenbuecs \')quot;, ook wel eenvoudig; „als der scepene boec

1) Deze besluilcn worden als een „veins statnlmn anni 1409quot; aangeluiald bij: Matlliaens , I\'aroom. Belgar. p. 127.

2) Door De (Jeer in zijne uitgave van een paar vonnissen nil het boek. (N. bijdr, v, reehtsgel. en wetgev. N.R. 1 p. 606.)

3) R. v. U. 11 p. 183.

4) R. v. U. 11 p. r8r.

-ocr page 412-

392

inhuut Inderdaad wordt in do dingtalen, die in Der

scopone boeck opgenomen zijn, slechts driemaal -) een raadsbesluit aangehaald, dat niet in dat boek staat ingeschreven, en de partijen, die dit aanvoeren, worden telkens door het vonnis in het ongelijk gesteld, terwijl in oen dezer processen de niet-toepasselijkheid van het aangehaalde besluit bepaaldelijk een middel van verdediging der tegenpartij uitmaakt Naar het schijnt had dus werkelijk het overnemen van een raadsbesluit \') in Der scepene boeck invloed op de toepasselijkheid daarvan voor de rechtspraak der schepenen r\'). Doch van den anderen kant vatte men dit niet zoo op, alsof de schepenbank het registreeren van raadsbesluiten naar believen weigeren kon. Schepenen hadden gezworen „des raets overdrachten volcomc-licken te houden was dus de inschrijving daarvan in hun register eene voor de toepasselijkheid daarvan noodige vorm, dan waren zij gewis verplicht die formaliteit te vervullen 1).

Behalve de besluiten van raad oud en nieuw vinden wij in Der scepene boeck nog- een paar „overdrachtenquot; van schepenen oud en nieuw van 1355 en 1364 2). Wij weten, dat de schepenen volgens het Scepenrecht „geenrehande manieren van rechten mochten maken, noch geen saken onder hem overdragen, den recht off den gilden aenroerende, dair sy na rechten sellenquot;, tenzij mot toestemming van raad en gilden !)). Uit de bovenaangehaalde besluiten der schepenen schijnt nu

1

Eenige aanleiding tot twijfel geeft het feit, dat het verbod van solidariteit der borgen (L. H. LXVI. 3) niet in Der scepene boeck werd ingeschreven, terwijl het, in beide deden van het Roede boeck overgenomen , in de tweede afdeeling (Der secpen recht) l iter werd doorgeschrapt. Hebben dus schepenen in dit geval geweigerd dit raadsbesluit te registreeren en het beginsel niet willen toepassen? Inderdaad is de solidariteit later regel.

2

Der scepene boeck. IX. 1 , XII. r , 2. Wellicht behooren hiertoe ook de besluiten VII. 2.3, XXIII. 1 , XXIV. 1 , 2.

-ocr page 413-

393

te blijken, dat dit verbod in 1456 nieuw was en vóór dien tijd niet gold. Ook is dit niet vreemd: door het vaststellen en inschrijven der schepenvonnissen, „die men voortan voor recht ghehouden hebben wildequot;, „overdroeghenquot; de schepenen oud en nieuw feitelijk reeds „saken, dair sy na rechten soudenquot;; niets was dus natuurlijker, dan dat men daarbij nu en dan besluiten der oude cm nieuwe schepenen inschreef, die een norm voor de rechtspraak vaststelden en alleen daarin van de vonnissen verschilden, dat zij niet naar aanleiding van dingtalen van partijen waren genomen. Dat schepenen met deze inschrijving inderdaad bedoelden een regel voor de rechtspraak te stellen, kan niet betwijfeld worden: het eerste besluit (IX. 1) is vergezeld van de volgende overweging: „Omdat hier voormaels van dusdanighen zaken tot Utrecht mysselike dihghen ghevallen siin ende noch veel onraets off vallen mochten, ende om ghemcen oirbaer, so hebben die g hem een scepene oud ende nywe dit in der scepene boeck doen setten, ende siin des een-drachtelike overdragen, dat voor een goet ghemeen recht vastende stade te houden \')quot;. Wij mogen dus hier dezelfde conclusie trekken als zooeven, en wel met meer zekerheid en zonder eenige restrictie: door de inschrijving der besluiten van schepenen oud en nieuw in Der scepene boeck werden die tot een „ghemeen rechtquot; gemaakt, dat „vast ende sUide ghehoudenquot; moest worden.

Ons blijft thans nog ééne plaats van Der scepene boeck te behandelen, die weder geheel verschilt van alle tot nu toe besprokene: het is XXII i. 2, „die manyere van den vordeelquot;. Wij willen onderzoeken, wat dit geheel vreemde bestanddeel van ons boek is en van waar men het ontleend heeft.

11et hoofdstuk „van den vordeelquot; komt niet alleen in de Utrechtsche rechtsboeken voor; wij vinden het nagenoeg in alle Stichtsche rechtsbronnen terug. De rechtsboeken van Amersfoort -) en Wijk bij Duurstede quot;•), de registers van handvesten van Ysselstein en Montfoort \'), ja zelfs het hier afgedrukte Stichtsche landrecht r\') kennen niet alleen dezelfde regeling van het „vordeelquot;, maar hebben allen bepaaldelijk

1) K. v. U. II p. 6.

2) Van Rootsclaar, Amersfoorl. I p. 271, II p. 317,

3) Keurb. v. Wijk b/D. (MS. Prov. arch.)

4) HSS. in do archieven van Ysselstein en Montfoort.

5) R. v. U. II |). 420 vlg.

-ocr page 414-

394

dïzclfde codiJicaHc daarvan opgenomen; lt;h; verschilpunten bc-tniffen allenn enkele woorden. Wij hebben hier dus te doen met eene in het Sticht algemeen verbreide rechtsusantie \'), die wij hier in Der scepene boeck het eerst (omstreeks 1370) gecodificeerd vinden. Is zij uit Der scepene boeck in de overige Stichtsche rechtsbronnen overgenomen? Het is niet waarschijnlijk -): aannemelijker schijnt het, dat deze bronnen gezamenlijk het stuk ontleend hebben aan één oudere bron, die algemeen gold. Dat deze oudere bron het Stichtsche landrecht zou zijn, is niet te denken; immers dat is denkelijk veel jonger. Wanneer wij een andere bron zoeken, dan is er wel in de eerste plaats te denken aan het dienstrecht, het recht der bisschoppelijke dienstmannen van Utrecht. Het hoofdstuk toch schijnt zelf naar die bron te verwijzen, daar het alleen den „Zinte Martijns dienstmanquot; tot het nemen van „vordeelquot; gerechtigd acht.

Al hetgeen ons van elders omtrent de natuur van het „vordeelquot; bekend is, bevestigt deze conclusie. Overal wordt „vordelyck goetquot; met heerlijk, goed gelijkgesteld \'). In een brief van de 15c eeuw, waarbij de bisschop van Utrecht eenen dienstman aanneemt, wordt gezegd, dat hij hem „ontfangt tot onsen ende onse gestichten dienstman , alsoe verre als hi vry is; ende hebben hemquot;, dus gaat het stuk voort, „dairop gegeven alle recht, vriheyt ende vordel te hebben ende te gebruyeken als andere onse ende onss gestichten dienstluden plegenquot;r\'). Dr. C. Booth zegt in zijne aanteekeningen quot;) in voce Mimstcrialcs:

1) Het voordcel was ook te Deventer bekent! (Van Vloten, Deventer, p. 71), en buiten de grenzen van ons vaderland o. a. te Quedlinburg (Homeyer, Stadtburch v. Qutdl. |). 52) en Augsburg. (Dahn, Erb- u. Kam. recht v. Augsb. p. 27.) Ook daar schijnt dit recht aan dienstmannen eigen geweest te zijn: in beide steden heet het ook „bergewadequot;, en te Augsburg gold het alleen voor den zoon op de wapenen zijns vaders, („daz erbent die sune voruz.quot;) Naar het schijnt was iets dergelijks ook te Nijmegen het geval. (In de Betouw, De ord. proced. coram Ncomag. tribunal, p. 83 Noot p.\\ „arma inprimis et quae militares in expeditiones parata habebant.quot;)

2) Voor Montfoort en Ysselstein is dit althans zeker niet het geval. Te Montfoort was bet in het rechtsboek overgenomen „vuyt die vordelcedulle der stede ende lande van Montfoort— te Ysselstein uit eene „vordelcedulle staende geschreven in de bamveste ende ordonnantie van Ysselstein , berustende onder den gerechte aldaer.quot;

3) R. b. LIX. 1\\

4) Ordonn. v. 1532. XV. 19. Landr. IX. 1 , XIV. i.XXJII. 19. —Costumen v. 1570. art. 56, cf. art. 76, 77. (k. v. U. II p. 341, 415, 420, 429, 442, 444.) Ordonn. op den 4olt;gt;\' penning van 1735. art. r. („item van thienden , kooyen , visserijen , svvaandriften , heerlijkheden ende andere vorder lij ke goederen , van wat natuur die zouden mogen zijn.quot;)

5) „Copie litere ministerialitatisquot;, in een formulierboek der 15e eeuw. (Prov. arch. N0. 25,

6) MS. B 58. (Coll. Booth. Prov. arch.)

-ocr page 415-

395

„Jus precipui, vulg\'o plebi liis regionibu.s ignoratuin (ut neque Durdrechti), patritiis familüs Noviomagi (acque ac Trajecti) observatumquot;. Merkwaardige mededecling voorzeker! ITet recht van „vordeelquot; is dus bekend te Utrecht, waar tusschen minis-terialiteit en burgerrecht van ouds een nauw verband schijnt bestaan te hebben \'), en in de oude rijksstad Nijmegen , waar rijksdienstmannen in grooten getale gevestigd schijnen te zijn geweest. Het recht was verder bepaald eigen aan de voorname geslachten, dagteekent dus denkelijk uit den tijd, toen het burgerrecht nog tot dezen beperkt was, — den tijd vóórdat de handwerksgilden de macht in handen gekregen hadden. Men zou wellicht kunnen meenen, dat deze laatste conclusie weerlegd wordt door de omstandigheid, dat de „manyere van den vordeelquot; bewijsbaar eerst tusschen i\'^óg en 1373 in een Utrechtsch rechtsboek werd opgenomen ^)? Doch dit is het geval niet: reeds vóór die opneming (in 1364) behoorde de costume van „voordelquot; tot „der stat rechte van Utrecht quot;).quot;

Wellicht is de omstandigheid, dat het nemen van „vordeelquot; alleen bij de voorname geslachten in gebruik was, oorzaak geweest, dat men eerst aarzelend en langzamerhand de costume als een integreerend bestanddeel vim het stadsrecht heeft ge-rccipiëerd. De wijze, waarop Der scepeno boeck het hoofdstuk opneemt, doet denken aan een syllogisme, waarmede de toepasselijkheid der regeling van het „vordeelquot; op Utrechtsche burgers moet bewezen worden. De gewone, meer algemeene redactie der costume luidt: „Een dienstman des heeren off/. Sinte Mertcns dienstman , die noemen tot hooren voordel enz.r\')quot;; het Scepeneboeck knoopt nu aan dezen maior een minor vast en redeneert aldus voort: „een borger tlltrecht is Zinte Martijns dienstmanquot;, waarop de conclusie volgt: „ende die neemt tot zinen vordeel enz liet Roede boeck (1389)

1) Zie hiervoor p. 10 Noot 2.

2) cf. G. C. In de Betouw, De orcl. proeed. coram Neoinag. tribunal, p. 83. — \'I f Nijmegen bestond echter het „vordellquot; alleen in „dut overste beste kleet, dat der man ofte vrouwe heeftquot; volgens eene consultatie, gehaald bij de schepenen van Aken. (11S. Stads-arch. v. Nijmegen. N0. 15. fol. 78.) Volgens een raadsbesluit van 1612 (1. c fol. 82) erfde het voordeel te Nijmegen „op den naesten ende outsten in den bloede,van mans ende vrouwen respective daer synde,quot; dus evenals heerlijke goederen.

3) Scepeneboeck XXII dagteekent van 1369, XXIV van 1373. De „manyere van den vordeelquot; is XXlil.

4} R. v. U. II p. 23 cf. p. 21.

5) Landrecht. XV. r.

6) R. b. L1X. 1».

-ocr page 416-

31)6

noemt dan ook „die manyere van den vordeelquot; wel als deel van „der stadt recht van Utrechtquot; op; doch daarmede constateert het alleen, wat roods vóór de inschrijving dor costume in de rechtsboeken het geval was \'), en vorder gaat het niet. De samensteller van het rechtsboek wist zeer goed, dat dit hoofdstuk een anderen oorsprong had dan de overige: het werd daarom niet op de plaats, waar het behoorde, in hot boek ingelascht. maar bleef naar het eind van het bock verbannen, waar het eene afzonderlijke, door eenigc witte bladen van de overige hoofdstukken afgescheidene, plaats innam. In het Scepenrecht (1456) vinden wij het hoofdstuk op geheel dezelfde wijze geboekt: ook toen nog kende men dus den oorsprong daarvan2). Eerst bijna eene eeuw later, in 1532, was men de geschiedenis van „die manyere van den vordeelquot; blijkbaar vergoten , en werd het stuk definitief in hoofdstuk XV der Ordonnantie (art. 20 27) bij het stadsrecht ingelijfd. Van daar ging het in het rogeeringsreglemont van 1550 (XXIV) over. Sedert dien tijd had men het spoor geheel verloren; het stedelijk bestuur verwees in 1570, waar er van het „vordelquot; sprake was 3), eenvoudig naar ,,d\'ordonnantiequot; (d. i. het regeerings-reglement), en het Hof van Utrecht sprak zelfs in 1581 zeer verkeerd van een „statutum municipale huius civitatis Traiec-tensis, loquens de praecipuis. sou, ut vulgo loquimur, vor-delycke goederen quot;)quot;.

Zooveel over het materiaal, in Der scepene boeck opgenomen. Over de wijze, hoe het boek werd samengesteld, valt niet veel op te merken. Nadat het excerpt uit het Liber albus opgenomen was, vervolgde men het register door daarin, naar gelang de vonnissen gewezen, do besluiten genomen werden, afschriften daarvan op te nemen. Dit geschiedde in chronologische volgorde r,j: vandaar dat afwisselend vonnissen en besluiten

1

Zie; K. v. U. II p. 23.

2

Er is dus geen reden voor de verbazing van Van de Water, die (Place. Ill p. 309) zegt, dat hij „dezen tytel aehter in het oude afschrift (van het Scepenrecht) zoo geschreven gevonden heeft, alsof die tot de Ordonnantie niet behoordequot; en dat hij „op het register van de rubricquen en paragraphen in hei voorsz. oude afschrift niet gevonden wordt.quot; Zijne conclusie, dat „deselve op zyn plaats vergeten zynde, naderhand achteraan geschreven is,quot; blijkt echter, hoewel zij op de Ordonnantie van 1532 en 1550 steunde, onjuist.

3

R. quot;V. U. II p. 440 S 30.

-ocr page 417-

397

voorkomen. Het register eincligfde waarschijnlijk niet met 1454: de opstelling- in 1436 van het Scepenrecht behoefde do verdere codificatie van het g-ewoonterecht niet te beletten. Nog- in het midden der 171\' eeuw berustte er „in de secretarye vant gerechtquot; een „oud schepenen-dingtaelboeck, in parchomyn geschrevenquot;, waarin tian het einde o. a. opgenomen was de in deze Rechtsbronnen afgedrukte Cortinge opt scepenrecht van 1508 \'). Een handschrift derhalve, welks inhoud volkomen beantwoordde aan dien van Der scepene boeck, waarin nevens tal van dingtalen met vonnissen ook verschillende raadsbesluiten, o. a. de Cortinge opt scepenrecht van 1403, is opgenomen: een handschrift verder, op perkament geschreven en dus, evenals Der scepene boeck, een stuk van blijvend belang, niet een eenvoudig register van vonnissen. Dit register, dat de vonnissen van schepenen oud en nieuw over 1456—1508 zal bevat hebben ■2), is thans verloren.

Ons register noemt zich zei ven herhaaldelijk *) „Dor scepene boeckquot;. Ofschoon wel bewust, dat dit slechts een algomeene naam is, die op alle door schepenen gchoudone registers past (en dan ook zelfs van het geldhoudersboek gebruikt wordt\'\')), heb ik dezen titel overgenomen, omdat ik het book nergens onder een anderen vermeld vond; tot verwarring kan hij thans moeielijk aanleiding geven, daar andere registers van dien naam verloren zijn.

Verloren is ook het originoele handschrift van ons boek, dat evenals het zooeven genoemde vervolg daarvan wel op perkament zal geschreven zijn geweest. Het stads-archief bezit slechts een afschrift uit de 15° eeuw, afkomstig uit de collectie handschriften van Dr. C. Booth, en dat voor de samenstelling van hot Scepenrecht kan gediend hebben. Een afschrift, geen uittreksel, zootils blijkt uit de woorden „in denselven jaro

1

Aantcekening v. Dr. C. Booth. (Coll. IIS. Booth. B 94. Prov. arch.)

2

Uit Scepenrecht. XIV. 13 (R. v U. II p. 282) zou men wellicht kunnen opmaken , dat sedert 1456 alleen die vonnissen van schepenen oud en nieuw werden ingeschreven, waarvan een der partijen dit „begheerde.quot; Naar het schijnt is dit artikel echter onjuist geredigeerd door eene verwarring met de vonnissen der nieuwe schepenen. (R. b. LIX. 35.) Immers daar schepenen dat „oirdel nyet wysen \' mochten, tenzij het in het register ingeschreven was, moet dit wol met ii/Zt1 vonnissen het geval geweest zijn. (Zie eene betere redactie; R. b. LIX. 34.)

-ocr page 418-

39«

waarmede vele oordeelen aanvangen, — en uit de verwijzingen ,,hiervoer in dat naaste oirdeel „int vorste ordel van deser sake \'1)quot;, die herhaaldelijk voorkomen. Dit handschrift is zeer slordig en bevat tallooze fouten, die, voor zoover dit met zekerheid doenlijk was, in deze uitgave verbeterd zijn. Het handschrift heeft bovendien eene ongerijmde afdeeling in hoofdstukken ingevoerd, die soms de bijeenbehoorende artikelen eener ordonnantie in verscheidene stukken verdeeld heeft ^); het scheen mij echter niet noodig, deze indeeling te veranderen , daar zij nergens eenige onduidelijkheid veroorzaakt en de vonnissen nooit in tweeën splitst \').

De uitgave van het boek geschiedt hier vnor de eerste maal volgens het eenige bekende handschrift; drie vonnissen daaruit (N0. I,XX, LXXV en LXXXIV) zijn reeds in 187,5 uit dezelfde bron openbaar gemaakt door Mr. B. J. L. baron De Geer van Jutphaas, in de Nieuwe bijdragen voor rechtsgeleerdheid en wetgeving. Nieuwe reeks T p. 588.

§ 7. DAT SCKPKN RECHT EN l)F. BUIDE CORTINGKN OPT SCEPENRECHT.

Het schepenrecht werd ontwikkeld zoowel door „gewohn-heitsrechtlicho Uebungquot; als door „Gerichtsgebrauch ■•)quot;. Der scepene boeck werkte daartoe in beide opzichten mede: verschillende punten van ,,der stat recht ende ghewoentenquot; werden in de dingtalen aangehaald en zoodoende door inschrijving in het register geconstateerd en bevestigd, terwijl de vonnissen zeiven aanleiding gaven, dat het recht ontwikkeld en gewijzigd werd. Ook het statutair recht vond in het boek eene plaats. Aanvankelijk had dit nagenoeg alleen zoogenaamde Weisthümer geleverd, waarin eveneens het bestaande gewoonterecht geconstateerd werd. Later vinden wij deze echter mi-genoeg niet meer, doch daarentegen eenige vrij omvangrijke door den raad vastgestelde ordonnantiën op het schepenrechtu).

Zoo ontwikkelde zich het schepenrecht gedurende meer dan

1

R. v. U. II p. 166, 169.

-ocr page 419-

399

eene oouw. Doch niet goheol werd het al dien tijd aan zich zeiven overgelaten. In [381) deed dc raad eene poging om te constateeren, hoever men op dezen wog gevorderd was, dooide samenstelling van Der acepen rechte ende ordinanci, een boek van 66 (6q) artikelen, dat achter het Roede boeck gevoegd werd, en blijkbaar bestemd was om de procedure voor dc schepenbank te regelen \'). Reeds daarin werd van Der scepene boeck gebruik gemaakt door het overnemen aan het einde van zeven artikelen daaruit en van „die manyere van den vordeelquot;.

Eene schrede verder deed de raad in 1403 door de vaststelling cener ordonnantie, waardoor men hoopte de in Der scepen rechte van 1389 omschrevene, omslachtige procedure voor dc schepenbank eenigszins te „cortenquot; (verkorten) -), en die wij daarom in navolging van de latere ordonnantie van 1308 eene „Cortinge opt scepenrechtquot; kunnen noemen.

Eindelijk, in 1436, achtte men het gewenscht, opnieuw een overzicht te nemen van liet geheele schepenrecht, zooals dit thans in de verschillende bronnen verspreid was. Doch bovendien overwoog men, hoe lastig het op den duur bleek , dat het gewoonterecht onbeschreven was: men „bekende, dat een ygelikc stat ende alle goede steden sculdich sijn te hebben goede bcscrcvcn overdrachten ende rechtveerdige rechten, om een ygelic daerna te rechten :1)quot;. Ook de behoefte aan een „cort onvertogen rechtquot; trad opnieuw op den voorgrond. Het resultaat was, dat in het jaar 1436 een nieuw wetboek werd afgekondigd: Dat scepenrecht.

Hoe was men bij de samenstelling van dit wetboek te werk gegaan? Wij behoeven hier geene gissingen te wagen of conclusion te trekken: het boek zelf zegt het ons in dc voorrede. De raad verklaarde vooreerst, dat hij de in het boek vervatte „punten ende rechten uut onsen ouden boeken van rechten getogen ende genomenquot; had. De vraag, die zich dus dadelijk hierbij voordoet, is: uit welke boeken hoeft men deze „puntenquot; overgenomen? In dc eerste plaats natuurlijk uit Der scepen rechte ende ordinanci (de tweede afdeeling van het Roede boeck), die de eenige toen bestaande volledige codificatie

1) Zie: R. v. U. I p. 402 5.

2) Zie den aanhef dor Cort in go (R. v. U. I p. 400) on R. v. U. I p. 402 ^ 5.

3) R. v. L\'. II p. 229.

-ocr page 420-

400

van het schepenrecht was; dit boek werd natuurlijk, behoudens de noodzakelijke wijzigingen, geheel overgenomen. Niet anders ging het met de Cortinge opt scepenrecht van 1403, die eveneens nagenoeg geheel in het nieuwe rechtsboek overging. Ook Der scepene boeck werd bestudeerd, en de studie van de daarin vervatte casuistiek was gewis van invloed op de detailleering der artikelen van het nieuwe rechtsboek \'). Het ligt niet op onzen weg, in bizonderheden te onderzoeken, welke punten van Dat scepenrecht onder den drang dier overwegingen anders luiden dan de artikelen der oude rechtsboeken , - welke passages uit Der scepene boeck in het nieuwe rechtsboek voor het eerst zijn ingevoegd ■1). Wij kunnen bewijzen, dat Der scepene boeck gebruikt is, reeds alleen door de aandacht te vestigen op twee besluiten in dit boek, die vóór dien tijd in geen rechtsboek overgenomen waren en die wij het eerst terugvinden in het Scepenrecht; het is de zooeven genoemde Cortinge opt scepenrecht van 1403 en een besluit van schepenen oud en nieuw van 1355 \'), dat stellig nergens elders geboekt was dan juist in Der scepene boeck.

Heeft men ook de andere oude rechtsboeken, i.iber albus, Liber hirsutus minor en Die roese, gebruikt? Van de beide eerste is dit minder waarschijnlijk, daar ze reeds bijna zeventig jaren vroeger in het Roede boeck geheel waren verwerkt. Uit de varianten r\') kan men dan ook bewijzen, dat de plaatsen, die in Liber albus en Roede boeck beiden voorkomen, aan dit laatste boek ontleend zijn. Anders is het met Die roese: ofschoon de op het schepenrecht betrekking hebbende raadsbesluiten over het geheel in Der scepene boeck waren overge-

1

1} Op dezelfde wijze werd in het einde der 14« eeuw te Würzburg eene eodifieatie van het stadsrecht uit de oude vonnissen van den Oberrath samengesteld, waarnaar sedert recht gesproken werd. (Grainich, Verfass. v. Würzburg. p. 28.)

-ocr page 421-

40i

nomen, vindt men toch enkele besluiten, die niet daar doch alleen in Die roese voorkomen, in het nieuwe wetboek: voor de samenstelling- daarvan heeft men derhalve ook Die roese geraadpleegd \').

Doch behalve de aan al deze bronnen ontleende artikelen vinden wij nog tal van andere , die wij in geen ouder rechtsboek terugvinden. Vanwaar zijn deze gekomen? Herinneren wij ons de verklaring van den raad, dat hij vooral „goede heser even rechtenquot; wenschte te bezitten. Wanneer wij, door deze bekentenis opmerkzaam gemaakt, vernemen 1), dat het boek „bi der wijsheyt ende vroetscap der stadt geordineertquot; was, welke „wysen ende vroedenquot; gewoonlijk te hulp geroepen werden waar het recht onzeker was \'), dan zijn wij geneigd te besluiten, dat deze artikelen het product zijn vanquot; eene codificatie van „der stat recht ende ghewoentenquot; op groote schaal. Eene bevestiging van dit vermoeden vinden wij in eenige artikelen van het Scepenrecht, die wij in onze oudere stedelijke rechtsbronnen nergens ontmoeten, maar die wij terugvinden in de codificatie van de rechtsgewoonten van hot platte land: het Stichtsche landrecht \'\').

Hoe ging men bij de redactie van het Scepenrecht te werk ? op welke wijze werd hot vastgesteld ? In een register van commissiën, door den raad benoemd, vinden wij op het jaar 1456 er eene vermeld „totter scepenrechtequot;; leden dier commissie waren de schepen Willam Van Snellenberch, de eerste burgemeester Jan Van Oudewater, en twee mannen uit de burgerij: Jan Van Lichtenberch en Jan Deell \'•). Daar „gescicten totter scepen rechtequot; in andere jaren niet voorkomen, meen ik, dat wij hier te doen hebben met de commissie, belast met het redigeeren van het Scepenrecht. Deze mannen dan hebben denkelijk de oude boeken geëxcerpeerd, de costumen „bi der wijsheit ende vroetscapquot; verzameld, het materiaal „geordineertquot;, en het dus verkregen geheel aan \'s raads goedkeuring onderworpen. Nadat het door dezen „gesloten ende overdragenquot;

1

R. v. U. II p. 229.

-ocr page 422-

4ü2

was, werd het aan de gilden voorgelegd, die het in een „gemeen morgensprakequot; (d. i. eene algemeene volksvergadering) goedkeurden en vaststelden.

Voor het eerst sedert de samenstelling van het Liber albus had men dus thans weder een wetboek, tot welks vaststelling de gilden medegewerkt hadden. Deze formaliteit had ook thans dezelfde gevolgen als in 1341 : raad en gilden „gheloefden voir ons ende alle onsc nacomelingen elc den anderen, die

(punten) vast ende stade ende onverbrekelie te houden......

ende die tot cwigcn dagen voir recht te houden sonder verbreken , ende daer niet tegens te seggen noch te doen noch te laten ghescien in gheenre wijsquot;. Evenmin als bij het Liber albus was het derhalve geoorloofd, in dit boek iets te veranderen. Zelfs de bevoegdheid tot het maken van bijvoegselen werd uitsluitend aan de gilden voorbehouden: alleen „sulke punten ende overdrachten, als hierna bi den gemenen gilden overdragen mogen worden ende men in desen boeck bescriven sell, dese punten ende overdrachten niet tegendragende, (souden) in alle hore volcomenre machten ende van weerden bliven Voor de verbindbaarheid dier bijvoegselen was het derhalve noodig, dat zij; 1ft. niet streden met het Scepenrecht, 2door de gc-meene gilden vastgesteld werden, 30. bij het Scepenrecht ingeschreven werden. Het is niet te verwonderen, dat in eene stad als Utrecht, waar het democratische element tot zoovele woelingen en oproeren aanleiding gaf, de weg om tot eene verandering der wetten te komen niet te gemakkelijk gemaakt werd; doch in dit geval schijnt men toch het doel voorbijgestreefd te hebben: in het ons bewaarde exemplaar van het Scepenrecht staat althans ge ene enkele bijvoeging ingeschreven.

Omtrent de verbindbaarheid van het nieuwe wetboek kan geen twijfel bestaan: in de voorrede zegt het ons zelf, „dat die scout ende scepene van der stadt daerna rechten, oirdel geven ende wysen sellen van allen saken, die voir hen ten recht comen sellen ^1)quot;. Het nieuwe boek was derhalve be-paaldelijk het wetboek voor de rechtspraak der schepenbank; bij de vaststelling daarvan werden dan ook de „boeken off

1

R. v. II. II p. 229. — cf. Scepenrecht. XIV. 6, 19. — De voorrede voegt er bij: „daer dese tegenvvoirdige punten ende overdrachten off begrepen hebben.quot; In andere gevallen moesten schepenen dus maar „na hoeren vyff sinnenquot; oordeelen, zooals het in den eed van den schout heet. (Coll. MS. Booth. R 117. fol. 39. Prov. arch.)

-ocr page 423-

403

bcscreven rechten, die voirtijts voir den scepen, raden, ouder-mans ofte gilden overdragen off geschiet waren, all te samen gedoet ende te nyet gedaen Onder deze afschaffing kunnen natuurlijk niet begrepen zijn do oude wetboeken van het raadsrecht, die gansch andere onderwerpen behandelden, maar alleen die van het schepenrecht; Der scepen recht ende ordinanci (in het Roede boeck) en Der scepene boeck met de daarin vervatte Cortinge opt sceponrecht van 1403.

Voor de publicatie van het nieuwe wetboek sloeg men oenen anderen weg in dan vroeger: het blijkt niet, dat het „ter clocken ghekundichtquot; is. Doch men maakte daarvan, wederom evenals van het Liber albus, drie afschriften, „van woirde te woerde alleens sprekendequot;. Een daarvan werd „besloten in der stadt kistequot; en diende om vervalschingen of onwettige bijvoegingen in de andere exemplaren te controleeren. Het tweede diende voor de rechtspraak: het lag „in der scepen camerquot;, en „der scepen clerck sel het tot allen rechtdage mede ter scepen banc dragen, omdat die schout ende scepen dairna rechten sellenquot;. Het derde eindelijk was voor hot publiek bestemd: het lag „in der kerken tot Ruerkerc, omdat alle bor-geren ende ondersaten off die des behoeven dat zien ende overlescn mogen, om en ygelic hom dairna te rechten -)quot;.

Welken naam het Sceponrecht in de middeleeuwen gedragen heeft, blijkt niet met zekerheid: de tweede Cortinge opt sceponrecht noemt hot (§ 2) mot een algemeenen term „der scepenon boeck ^)quot;, evenals het analoge boek te Amersfoort „sceponboickquot; heot. Een „keurboekquot; kan het allerminst heeten, want het bevat geene enkele keur. Beter is de naam „Costu-men ende usantiënquot;, dien Van de Water er aan geeft; doch hij is toch niet geheel juist, daar het boek, naar wij zagen, niet alleen costumen doch ook statutair recht bevat; bovendien schijnt de naam te modern. Dr. C. Booth noemde het „Liber furvusquot; naar do zwarte kleur van den band \'\'), doch deze naam kwam mij in oude stukken niet voor. Het meest passend scheen mij de naam „Scopenrechtquot;, die voorkomt bij de benoeming der bovenbedoelde raadscommissie van 1456: het

1) R. v. U. II p. 230.

2) R. v. U. II p. 230.

3) R. v. U. II p. 294.

4) Achter op den omslag van het afschrift van het Scopenrecht in liet Prov, archief. (Coll. Booth. B 100.)

-ocr page 424-

404

boek toch bevat inderdaad het schepenrecht, grootendeels samengesteld uit vroeger onbeschrevene rechtsgewoonten, en aangevuld door het langzamerhand ontwikkelde statutair recht. Deze titel is ook in overeenstemming met die van de voorloopster van dit wetboek, het tweede deel van het Roede boeck, dat „Der scepen rechte ende ordinanciquot; heet.

Het Scepenrecht bleef in gebruik totdat het in 1532 door de Ordinantie opt scepenenrecht vervangen werd \'). Doch niet onveranderd. Hoewel men geene bijvoegselen of veranderingen in het boek blijkt opgenomen te hebben, leidde de steeds voortdurende behoefte aan „cort onvertogen rechtquot; in 1508 tot de samenstelling eener „ordinancie, verclaringe ende cortinge opt scepenrecht.quot; Deze ordonnantie, die naast het Scepenrecht van kracht was en voor de niet „verclaerdequot; punten (die „in hoere machten blevenquot;) dan ook daarnaar verwees \'1), werd zonderling genoeg niet vastgesteld op de wijze, door het Scepenrecht voorgeschreven: raad oud en nieuw kondigden eenvoudig af, dat zij „dese puncten vast, stede ende onver-breclyck gehouden hebben wildenquot;. De mogelijkheid eener „veranderingequot; van de ordonnantie werd dan ook aan het slot voorzien, — niet zonder eenige vrees, dat een latere raad het geheele stuk onwettig zou oordeelen ■\'1). Deze vrees bleek echter ongegrond: de ordonnantie bleef in werking tot 1532 toe\'\'). Zij stond bekend als „Die cortinghequot; „up scepenenrecht r\')quot;.

De drie in dit hoofdstuk behandelde stukken zijn allen uitgegeven volgens handschriften van het stads-archief. De Cortinge van 1403 fi) is overgenomen uit Der scepene boeck, waar zij te lezen staat onder LIX — LXII; een tweede, slechter afschrift, voorkomende in het register van Gerard Then Brynck, is daarmede vergeleken, terwijl het daar bij ge-

1

De ordonnantie van 1530 liet alle verordeningen behalve de Cortinge van 1508 slechts voorloopig bestaan. (R. v. U. II p. 316.) Met Scepenrecht is echter gewis in gebruik gebleven tot 1532*, immers de Ordinantie opt scepenenrecht van dat jaar werd geheel uit net Scepenrecht en de Cortinge samengesteld. Op de schutbladen van het origineele Scepenrecht vindt men dan ook door de schepenklerken tal van spreuken geschreven, meestal uit de eerste helft der 16e eeuw, die o. a. vele klachten over de veranderde toestanden sedert de translatie der temporaliteit bevatten.

-ocr page 425-

405

voegde supplement van 1409 hier mede overgenomen is \'). Het stuk is vroeger nooit gedrukt, denkelijk omdat het in Die roese niet voorkomt. — Het Scepenrecht is gedrukt volgens het eenig overgeblevene exemplaar, op perkament geschreven en blijkbaar een der drie origineelen \'1j. Een afschrift daarvan uit de 17° eeuw berust in de Utrechtsche rijksarchieven Het boek werd reeds vroeger uitgegeven volgens hetzelfde origineel, „met de hand op parkement geschreven en ter Secretarye deser Stad berustendequot;, door Van de Water in zijn Groot Placaatboek van Utrecht (1729) III p. 291 vlg. Van de Cortinge van 1508 is het authentieke afschrift in het „oude schepenen dingtaelboeck in parchemynquot; \'\') verloren; het is dus gedrukt volgens het afschrift in het Raads dagelijksche boek van 1508. Ook dit stuk was reeds vroeger gedrukt door Van de Water in zijn Groot Placaatboek van Utrecht III p. 314, denkelijk volg-ens dezelfde bron.

§ 8. DK ORDONNANTIËN VAN KAREI, V.

Zoover was de Utrechtsche rechtsontwikkeling gevorderd, toen Karei V met zijne machtige hand ingreep, en al wat deze rechtstoestanden ongewoons hadden, vernietigde. Wij betreden thans een einder tijdperk in de geschiedenis van het Utrechtsche stadrecht: den tijd, toen het recht beheerscht werd niet door besluiten van het autonome stadsbestuur zelf, maar door de ordonnantiën der elders zetelende hooge regeering. Het ligt in den aard der zaak, dat\'het recht in dien tijd, veel meer dan vroeger aan invloeden van buiten blootgesteld, tal van vreemde elementen opnemen moest.

„Corts na der aencompste (van den keizer) aen de heerlicheyt van der stadtquot; Utrecht, d. i. nog in hetzelfde jaar 1528, vaardigde de stadhouder-generaal graaf Van Hoogstraten eene voorloopige ordonnantie uit, „onder beliefftequot; (d. i. op het behagen, behoudens nadere goedkeuring) van den keizer, waarbij hij in 16 artikelen het geheele bestuur der stad wijzigde en

1

Gewis dat uit de stads-kist: het is althans veel te goed bewaard voor een exemplaar, dat % eener eeuw dagelijks bij de rechtspraak gebruikt werd of (nog erger!) voor het publiek ten gebruike lag.

-ocr page 426-

4O6

alle veroveringen, door dat bestuur in den loop der eeuwen op de bisschoppen gemaakt, teniet deed \'). Dit stuk, inderhaast opgesteld, gaf echter slechts in groote trekken de verandering van het bestuur aan; natuurlijk moesten op tal van punten quaestiën ontstaan, vragen onbeantwoord blijven, zoodat nadere voorziening dringend noodig werd. De stadhouder vroeg over deze zaak het advies van den schout, de burgemeesteren, „eenighe scepenen ende andere van den notabilsten van der stadtquot;, en stelde in overleg met het Hof van Holland eene am-pliatie op, die verscheidene onderwerpen nader regelde. Verreweg de meeste der artikelen waren ditméial gewijd aan eene omschrijving van de bevoegdheden van den schout, wiens positie door de veranderde omstandigheden aanmerkelijk gewijzigd en oneindig belangrijker werd dan tot nog toe het geval was geweest ; ook over de procedure werden thans eenige bepalingen gemaakt. Dit concept werd aan den keizer (d. i. aan de gouvernante Maria Van Hongarije) gezonden, die zoowel de oude als de nieuwe artikelen thans definitief vaststelde. (23 Maart \'53° \'quot;)•) ~~ gcheele „Ordonnancie opte administracie van der justicie ende van der polliciequot;, zooals het stuk zich zeiven noemde 1), werd quot;.^octobcr\' 2536 opnieuw onveranderd vastgesteld en afgekondigd, om welke reden blijkt niet \').

Over de rechtsbedeeling, bepaaldelijk de ingewikkelde civile rechtspraak, waren bij deze ordonnantie genoegzaam geene bepalingen gemaakt. Reeds de samenstellers zeiven zagen het bezwaar hiervan in, en verklaarden daarom, dat de oude ordonnantiën r\') — met name de Cortinge van 1508 — toe-passelijk zouden blijven, voorzoover daaraan door de nieuwe ordonnantie niet gederogeerd werd. Doch slechts voorloopig: aan schout, burgemeesters en schepenen werd bovendien opgedragen, alle ordonnantiën, die „tot verscheyden tijden gemaect waren, soewel up scepenrecht van Utrecht als andersquot;, „int

1

R. v. U. II p. 306. — Zie ook in dorso van een afschrift in een gelijktijdig register van het Stads-archief. (Midd. areh. N0.

2

R. v. U. II p. 306—309.

-ocr page 427-

407

langhe te duersien ende rijpelijck mit eenigen van den ouden dairaf te communicerenquot;. Een extract uit deze stukken zou, vermeerderd met eenige nieuwe door hen ontworpene artikelen, binnen zes maanden aan Stadhouder en Hof ingeleverd en met hun advies opgezonden worden naar de gouvernante Maria, die dan daaruit eene definitieve ordonnantie zou doen samenstellen \'). Als resultaat hunner bemoeiingen zonden inderdaad schout, burgemeesters en gerecht bij het Hof in „zeeckere puncten ende articulen, die zy geconcipiëert hadden, om daernaer voertaen te houden scepenrechtquot;; bij dit concept was gevoegd „die cortinghe voortijts daerup gemaictquot; (d. i. de Cortinge van 1508^ die in 1530 voorloopig gecontinueerd was. Zij verzochten, dat de keizer deze beide stukken zou vaststellen, „om hemluyden daernae int administreren van justicie te reguleercn \'1)quot;. Hoewel het bedoelde concept ons niet bekend is, blijkt uit het later gearresteerde stuk, dat het gerecht zich de zaak niet al te moeielijk gemaakt heeft en in hoofdzaak het Scepenrecht zelf als concept heeft ingezonden. Natuurlijk werd dit toen „by gecommitteerdequot; van wege het Hof nog „rypelick duersienquot;, en daarna „int lange gecommuniceert met den schoudt, eenighe van den gerechte ende outste practisynen van der stadtquot;. Het resultaat van alles was de Ordinantie opt scepenen-recht 2)quot;, in hoofdzaak bestaande uit het Scepenrecht en de Cortinge, samengesmolten en volgens de in 1530 vastgestelde veranderingen in het bestuur gewijzigd. Den 31 Juli 1532 werd dit stuk donr Stadhouder en Hof vastgesteld, echter weder „by provisie ende ter tijt toe by de Keyserlycke Majes-teyt anders daerinne voirsien zal worden Nadat het nieuwe stadsbestuur 5 Augustus daaraanvolgende geïnstalleerd was, „werden in scrifte overgelevert die Ordinantie vant scepenrecht mit sommige andere puncten, die bevolen werden mit die voerordonnantie, eertijts oick van Keyserlycke Majesteyts wegen der stadt van Utrecht verleentr\'), openbairlick opt raet-huyse gelesen te worden, alst naderhant soe gesciet is G)quot;.

1

R. V. U. II p. 321.

2

Zoo heet het stuk in dorso van het afschrift in een gelijktijdig register van het Stads-arehief (Midd. arch. N0. 12*) en in het Raads dag. boek ad 5 Aug. 1532.

-ocr page 428-

4O8

liet valt in het oog, dat men dusdoende afweek van den in 1530 afgebakenden weg; immers toen was \'■.dadelijk eene definitieve ordonnantie in het vooruitzicht gesteld. Geen wonder echter, dat men bij nader inzien zich tot eene provi-sioneele regeling beperkt heeft: reeds twee jaren waren verloopen sedert het plan ontworpen was, en wanneer wij het definitieve stuk van 1550 inzien, dat zoo oneindig meer van de ordonnantie van 1532 verschilt dan deze op hare beurt van de oude stedelijke rechtsboeken, dan begrijpen wij, dat er voor dc vaststelling zooveel tijd moest verloopen, dat in afwachting daarvan eene tijdelijke voorziening dringend noodig was. Maar bovendien, er bestonden meer redenen tot ukstel; er was in het plan van den keizer sedert 1530 eene wijziging gekomen. Den 7 October 1531 had hij doen bevelen, dat „die costuymen van allen onsen landen van herwaerts over sullen gereduceert ende in geschrifte gestelt worden bij den officieren ende wethouderen van allen den steden van onsen voorseydcn landen, ende .... ons overgebracht ende gepresen-teert worden \')quot;. De bedoeling was, dat de gouvernante Maria die verschillende costumen zou „doen visiteren ende behoorlick examinerenquot;, en ze daarna met advies der provin-ciale hoven zou samenvatten in ordonnantiën, die (waren ze tot stand gekomen) zeker wel op eene min of meer gelijke leest zouden geschoeid geweest zijn; zoodoende hoopte de keizer „te voirsien totter ongeregeltheyt, procederende uuyter diver-siteyt ende contrarieteyt van den costumen ende gewoenten, ende den inconvenienten daeruuyt commende \'1)quot;.

Het doel, dat men zich nu voorstelde, was natuurlijk oneindig grootscher, maar ook ontzettend veel moeielijker te verwezenlijken dan het oude. Intusschen, het stedelijk bestuur van Utrecht voldeed opnieuw aan de gegevene opdracht en zond bij de hooge regeering in „een quoyer, inhoudende die ordeno, stijl ende maniere van procederen, mitsgaders andere usantiën, polliciën ende costumen der stede •v), naer denwelcken zy scul-dich souden wesen hemluyden te regulerenquot;. Na ingewonnen A advies van het Hof van Utrecht en den Secreten Raad werd

1

R. v. U. II p. 347, 348.

-ocr page 429-

409

daaruit na lange jaren de lijvige ordonnantie samengesteld, die, 5 Juli 1550 gearresteerd en 30 September afgekondigd \'), het regeeringsreglement der stad Utrecht bevatte.

De ordonnantie behandelt in do eerste plaats (hfdst. I—IV) de inrichting van stedelijk bestuur en gerecht, geheel volgens de ordonnantie van 1530 en het eerste hoofdstuk van die van 1532, en regelt verder de bevoegdheden der bij het gerecht werkzame personen (voirspraken, boden, secretaris). Daarna (hfdst. V-—XX) wordt de procedure, hoofdzakelijk in civile zaken, besproken. De volgende afdeeling (hfdst. XXI-XXVII, XXX, XXXI) omvat de „costumenquot;: huwelijksgemeenschap , boedelrecht, erfrecht, vruchtgebruik, fidei-commis, rechtsbetrekkingen tusschen buren; terwijl twee tusschen de andere geplaatste hoofdstukken (XXVIII, XXIX) de vrijwillige rechtspraak (de schepenbrieven) behandelen. Geheel nieuw is het slot der ordonnantie, het crimineel recht bevattende, waarvan de eerste afdeeling (hfdst. XXXII) de politie-overtredingen („die vechtkuerenquot;), de tweede (hfdst. XXXIII—XLVI) de zware misdrijven bespreekt.

Voor de laatste afdeelingen vond men in de oude rechtsboeken weinig materiaal: slechts enkele artikelen daarvan blijken dan ook aan Utrechtsche bronnen ontleend te zijn -). Doch ook in de overige afdeelingen schijnt betrekkelijk weinig acht op het oude Utrechtsche recht geslagen te zijn; wel zijn tal van artikelen aan de ordonnantie van 1532 ontleend of gewijzigd daaruit overgenomen, doch liet zijn veelal juist bepalingen, die daarin voor het eerst \'voorkomen en in de echte Utrechtsche bronnen ontbreken. En wat de nieuw ingeleverde costumen betreft, het valt moeielijk hier met beslistheid te spreken, daar wij het „quoyerquot; niet kennen; doch reeds den juristen der 170 eeuw viel eene zeer verdachte, soms woordelijke overeenkomst van het regeeringsreglement met de „leges Mechliniensesquot; in het oog *). Ook in andere opzichten brak de ordonnantie geheel met oude traditiën: 1alle onbeschrevene

1) Buurspraakb. Dynsd. den lesten Sept. 1550: „Op huyden is die geheele nyeuwe ordonnantie van deser stadt ende scepenen-gerechte gepublieeert. Ende die voirseyde ordonnantie gepublieeert zijnde is dit nabesereven gepublieeert.quot; Volgen de overgangsbepalingen , gedrukt bij; Van de Water, Place. lil p. 364.

2) I), v. XXXII. 1 (L. A. III. 15), XXXII. 6 (Roese. CCV. 3. — L. A. III. 9), XL. 1 (Priv. en stat. 1), XL. 2 (L. A. XXX. 3), XL. 3. (Priv. en stat. 1.)

3) Rodenburg, De jure conjugum. p. 10 N0. XV.

-ocr page 430-

41 o

rechtsgewoonten werden „g-eéiboliert ende te nyeute g\'edaenquot;: den reehtsbedienden werd verboden die „te introduceren , alle-gueren oft poseren 2n. in de plaats daarvan werd het „gescreven rechtquot;, het Romeinsche recht, als subsidiair recht ingevoerd -). 30. de rechtstermen, die aan de procedure volgens het Germaansche recht herinnerden, werden afgeschaft *).

De ordonnantie van 1550 was bestemd , om als „eeimich edict, costumen, usantiën ende manicre van procederenquot; te blijven gelden; veranderingen of bijvoegingen mochten alleen door de hooge regeering worden gemaakt. En inderdaad, hoewel het reglement niet „eeuwichquot; van duur is geweest, het heeft de Oostenrijksche heerschappij zelve lang overleefd en de lijnen aangegeven, waarin het Utrechtsche rechtsleven zich twee en een halve eeuw lang bewogen heeft. Verbazend zeker, wanneer wij bedenken, dat de stad liet blijken, hoe de dwang, haar door het reglement opgelegd, — de vreemde elementen, daardoor in hare rechtspraktijk ingevoerd, haar hinderlijk waren. Zij leverde daarvan het bewijs, door dadelijk na het afschudden van het Spaansche juk op herstel harer privilegiën aan to dringen; zij toonde, dat het haar daarmede ernst was, door den ijver, waarmede zij aanhield. In het jaar 1597 leverde het stedelijk bestuur zelfs bij de Staten in „seecker cohier, inhoudende die articu-len, daermede zij haer laten beduncken dat die gebreecken ende duysterheden (in het regeeringsreglement) geremediëert sullen wordenquot;, met verzoek, dat „de Staten souden believen \'t selve te visiteren ende approberen ^)quot;. Inderdaad werden de Staten daarop beschreven, en van 2 26 Augustus 1597 werd het geheele lijvige stuk in de vergadering gelezen en hier en daar gewijzigd. Doch de zaak kreeg haar beslag toch niet: de beslissing bleef uit. Op aandringen der stad :\') werd afdoening tegen de .Statenvergadering van November 1600 nog eens op den beschrijvingsbrief geplaatst G); doch naar het schijnt kon men het niet eens worden: zeker is het althans,

1) R. v. U. II p. 404.

2) R. v. U. II p. 404.

3) R. v. U. II p. 368.

4) Beschrijvingsbrief der Staten del. 14 Juni 1597. — Een exemplaar der doorliet stedelijk bestuur herziene ordonnantie, waarbij op den kant het resultaat der beraadslagingen is aangeteekend, berust: Prov. arch. (Coll. Acad. Bibl. Nquot;. 18.)

5) Raads dag. boek. 25 Febr. 1600. — Reg. v. beschr. der Staten ad 27 Febr. 1600.

6) Beschrijvingsbr. der Staten dd. 4 Nov. 1600.

-ocr page 431-

4ii

dat de „nyeuvve ordonnantiequot; nooit „geapprobeertquot; is \'). Hoewel in vele punten door latere verordeningen gewijzigd, bleef de ordonnantie van 1550 tot de revolutie van het eind dor vorige eeuw van kracht, en eerst de algemeene wetboeken voor het koninkrijk Holland hebben haar bepaald afgeschaft 1).

Wij vernamen, dat Karei V alle costumen, die niet in zijne ordonnantie gecodificeerd waren, afschafte. Doch met één pennestreek vernietigt men niet hetgeen zich eeuwenlang in de hoofden eener burgerij door onafgebrokene traditie heeft ontwikkeld; nog minder gelukt het, die traditie dadelijk te doen vervangen door iets, dat aan die burgerij volkomen vreemd is, — een product van andere landen en andere beginselen, welks inhoud zelfs gedeeltelijk onaangenaam is voor hen, die het moeten gebruiken. Het blijkt dan ook, dat de Oostenrijksche regeering in dit opzicht hare plannen niet heeft kunnen doorzetten. Te Utrecht vinden wij de bewijzen, dat zij zelfs tweemalen heeft medegewerkt, om de codificatie der oude, door haar afgeschafte costumen te bevorderen.

Het stuk, dat van deze concessiën het eerste bewijs geeft, dagteekent reeds van het eerste jaar der Oostenrijksche heerschappij (31 Maart 1529): het zijn de „Previlegiën ende statuten A van der stadt van Utrecht 2).quot; Eene korte ordonnantie met zeer bonten inhoud Omtrent de aanleiding tot de vaststelling daarvan kan ik niets mededeelen, dan hetgeen het stuk zelf ons verhaalt. Volgens de inleiding zou het stedelijk bestuur den stadhouder eenige oude privilegiën, raadsbesluiten en rechts-gewoonten in geschrifte hebben \'aangeboden, met verzoek die thans te willen bevestigen „off anders tc voersienquot;. De stadhouder zou het stuk door het Hof hebben doen „visiterenquot; en, na „communicatiën mit den suppliantenquot;, in de plaats daarvan een ander concept hebben opgesteld, dat aan dc gouvernante ter goedkeuring opgezonden en door haar met advies van Secreten Raad en Raad van Financiën namens den keizer vastgesteld werd Deze toedracht van zaken is niet al te

1

Zie: P. J. De Bye, Register op de Costumen. p. VI.

2

De naam is ontleend aan het stuk zelf. (R. v. U. II p. 433.)

-ocr page 432-

412

waarschijnlijk: het stedelijk bestuur zal lichtelijk hebben kunnen voorzien, dat in de plaats van zijn concept een ander zou gesteld worden, dat met de oude gebruiken niet te best overeenkwam, en het zal dus wel niet zoo naïf geweest zijn , zonder pressie van buiten deze nieuwe afwijking van het bestaande uit te lokken. Hoe het zij , de korte ordonnantie is voor ons eene welkome aanwinst: zij maakte een begin met de codificatie der rechtsgewoonten , van het recht zelf, dat in de keizerlijke ordonnantiën evenmin als in de oude stedelijke tot zijn recht kwam.

Op veel grootere schaal werd dit werk onder Kareis zoon Philips voortgezet. De „Costumen ende usantiën die daarvan voor Utrecht getuigenis geven, zijn het resultaat van een alge-meenen maatregel, in 1569 voor alle Nederlandsche gewesten door den hertog van Alva, in aansluiting aan de hierboven 1) vermelde bevelen van Karei V van 1531 en 1540 ^), genomen, en die de codificatie van het gewoonterecht in één algemeen wetboek ten doel had. De hertog beval het Hof van Utrecht: bij schrijven van 25 October 1569, om „terstont ende zonder vertreck te scryven aen de officiers, wethouders ende anderen van uwen resorte, dient behoren zei, . . . lastende ende bevelende wel ernstelicken denghenen, die heure costuymen alsnoch 113\'et overgesonden en hebben, dat sy binnen drie maenden naestcommende deselve seynden in uwe handen, wel ende behoirlycken by geschrifte gestelt, op pene dat degeene, die deshal ven in gebreecke soude wesen, vant effect van heure costuymen gepriveert sullen worden ende bovendien arbitralick gestraft ende gecorrigeert 2)quot;. De Utrechtsche magistraat voldeed aan dezen last, haar door het Hof overgebracht, alweder bereidwillig en met groote nauwgezetheid: terwijl vele steden zich van de zaak afmaakten, bevatte het door Utrecht op ,5 Februari 1570 aan het Hof ingeleverde stuk niet minder dan 90 artikelen r\'), die 31 januari door den raad waren goedge-

1

Zie hiervoor p. 408.

2

4 Zie een afschrift van den brief; Copyboeck F. fol. 268 vlg. (Stads-arch.), — een afdruk bij: V. d. Water, Place. 1 p. 425.

-ocr page 433-

4i3

keurd \'). En nog verontschuldigde men zich, dat men alleen „overleverde een sommiere ende corte remonstrantie van cos-tumen, die in gebruyck staen ende by memorie ende getuych-nisse van menschenquot;, terwijl men bij langere tijdsruimte „daervan breder ende rypelicker geschreven zoude hebben 1)\' Ook in een ander opzicht toonde de raad zich bereid, om tot het groote doel van Philips mede te werken; op enkele punten veroorloofde hij zich wenken te geven omtrent wenschelijke verandering-en in de costumen 2).

De onrustige tijden, die weldra volgden, waren oorzaak, dat het weidsche plan niet uitgevoerd werd. Maar de ingeleverde „costumen ende usantiën-\' van Utrecht werden bekend, en vormden langzamerhand eene rechtsbron, die voel gebruikt werd en waarop men zich in rechte gaarne beriep. Dit ging zoover , dat men aan de verzameling, hoewel ze nooit vastgesteld was, verbindende kracht toekende en ze zonder verder bewijs bij extract in de processen begon over te leggen, blijkbaar in aanmerking nemende, dat de daarin vervatte rechtsusantiën volgens het oude gebruik door de leden van den raad als onwraakbare getuigen „van waerden gekentquot; waren. Doch het stedelijk bestuur zelf verklaarde zich daartegen: men was er aan ontwend, andere rechtsbronnen als verbindend te erkennen , dan die door den souverein uitdrukkelijk waren gesanctioneerd. Op 25 September 1592 verklaarde derhalve de raad: „dat zij het geschrift van der costumen ende usantiën houden voor een project ofte ontwerp, daernae men de costumen heeft be-g\'eert gedresseert ofte geconfirmeert te worden, sonder dat eenyge confirmatie oft decrctement daerop gevolcht is, sulex dat men op hetselve geschrift geen recht doen en mach, ten zij de costumen, aldaer gestelt, vorder geprobeert worden3).quot; Gedeputeerde Staten bekrachtigden deze verklaring den volgenden dag T\').

De vijf stukken, in dit hoofdstuk besproken, zijn allen uitgegeven volgens handschriften van het stads-archief: de ordonnantiën van 1530 en 1550 volgens de origineelen, op perkament

1

R. v. U. II p. 446. - De bij privilegie of tractaal verkregene rechten werden uitdrukkelijk uitgezonderd en niet onder de ingeleverde costumen opgenomen.

2

Zie art. 14\'», 224».

3

Copyboeck F. fol. 281. (Stads-arch.)

4

Raads dag. hoek. 31 Jan. 1570.

-ocr page 434-

414

met uithangende zegels, — die vein 1532 en de Previlegiën ende statuten, waarvan de oorspronkelijke exemplaren verloren zijn, volgens gelijktijdige afschriften , door de stads-secretarissen gewaarmerkt \'), — de Costumen endc usantiën van 1570 eindelijk volgens een door den in 1570 fungeerenden stads-secre-taris G. Van der Voort geschreven stuk-), dat blijkens eenige daarin gemaakte veranderingen het origineel schijnt van het aan het Hof afgegevene exemplaar. — De vijf stukken werden allen reeds vroeger uitgegeven door Van de Water in zijn Groot placaatboek van Utrecht. HI p. 317, 319, 323, 339, 321 en 364. De ordonnantie van 1550 beleefde bovendien sedert 1550 herhaaldelijk afzonderlijke uitgaven, waaronder die met noten van Mr. W. Van der Muelen (Utrecht. 1709) eene eerste plaats bekleedt. Ook de Costumen ende usantiën van 1570 zijn in 1718 van stadswege afzonderlijk uitgegeven,

§ y. DAT STICHTSCHE LANTRECHT.

Toen Mr. J. A. Fruin mij voor drie jaren het handschrift van het Stichtsche landrecht toonde, dat later door hem aan de Utrechtsche rijksarchieven geschonken is, moest ik verklaren , dat mij de inhoud geheel onbekend was. Deskundigen, die ik om inlichting vroeg, waren niet gelukkiger: niemand had ooit een gedrukt of geschreven exemplaar gezien, niemand had er ooit van vernomen. Thans ken ik van dit recht niet minder dan vijf handschriften, die zijne algemeene verspreiding en zijn grooten invloed bewijzen. Voordat ik den inhoud van het Lantrecht ga bespreken, schijnt het wen-schelijk , iets over deze handschriften te zeggen.

Handschrift W., ongetwijfeld het oudste, komt voor in het zoogenaamde Poirterboeck van Wijk bij Duurstede, waarvan het origineel op perkament (nog omstreeks 1850 berustende onder Mr. E. H. baron Van Ittersum te Wijk) verloren is, doch dat overgenomen is in een afschrift op papier, door Mr. P. Bondam in 1782 gemaakt en thans in de Utrechtsche rijksarchieven bewaard 1). Het rechtsboek dagteekent uit het

1

Inventaris v. h. Prov. arch. Nn. 723. p. tt8 vlg.

-ocr page 435-

415

begin der i6e eeuw \'); het landrecht is daarin opgenomen in een afzonderlijk hoofdstuk, dat tot opschrift heeft: „Dese nabescreven punten syn gemeen rechten, die men dagelix bruyetquot;. Deze redactie van het landrecht is de kortste, die ons bewaard is; de hoofdstukken I, X i—5, XI, XII, XXI 6, XXIII en XXIV ontbreken, dus o. a. al wat op het crimineele recht betrekking heeft, met het begin en het slot van het recht. De orde der artikelen is in deze redactie anders dan in de thans gepubliceerde.

Handschrift J , dat evenals het volgende handschrift de meest volledige redactie van het Lantrecht bevat, is opgenomen in een codex van het rijke archief der Oud Roomsch-Katholieke gemeente in den Driehoek te Utrecht. Het is geschreven op papier met verschillende handen, waarvan de oudste uit het begin der 16° eeuw schijnt te dagteekenen, en het bevat verschillende dijk-, leen- en landrechten uit het Nedersticht. Het boek wordt geopend (p. 1 — ig) met eene verzameling stukken over het waterschap de Langevliet (het handvest van 1385 met de ampliatie van 1410, daarna met latere hand zeven brieven betreffende dit waterschap over 1422—1455, en met eene nog latere drie andere over 1469 —1485). Dan volgt (p. 22 - 31) een Geldersch tinsrecht (gedrukt bij: Schrassert, Codex Gelro-Zutphanicus. Stucken en documenten p. 511 en 513 vlg.); daarna (p. 33— 55) ons Lantrecht (tot XXIII 27 met één nieuw artikel) met den Stichtschen landbrief van 1375, het ook elders hierbij voorkomende extract uit het Liber ca-merae en een bul van paus Johannes XXHI van 1411(?) tegen degenen, die geestelijk goed in bezit houden. Dezelfde hand, die de oudste bijvoegingen schreef bij de afdeeling over de Langevliet, voegde op de thans volgende bladen van ons handschrift het handvest van den Lekdijk Bovendams van 1323, vier handvesten van hot waterschap Bijleveld over 1413 en volgende jaren, een uitvoerig, van elders niet bekend Stichtsch leenrecht (door mij uitgegeven in de Verslagen en mededeelingen dezer vereeniging. IV p. 232), een stuk „van waterrecht ende zande te bevaerenquot; (eene Geldersche rechtsgewoonte van denzelfden aard, doch veel uitvoeriger dan die, gedrukt bij: Schrassert, Codex Gelro-Zutphanicus.

1) Het bevat nog eene aanteekening van 1504, naar het schijnt (volgens eene aan-teekening van Bondam op het schutblad) niet later daaringesehreven.

-ocr page 436-

4i6

p. 481; wat den inhoud betreft overeenkomende met de aldaar p. 479 gedrukte verklaring van 1516) en een handvest met eenige aanteekeningen betreffende den Lekdijk Benedendams van 1454. Eene hand van het begin der 17° eeuw schreef eindelijk achteraan hot boek den schouwbrief van den Rijndijk van 1606 met eene ampliatie van 1614. — Het handschrift, dat op den band den naam „Hyndersteynquot; draagt, schijnt blijkens den inhoud samengesteld te zijn in het zuiden of westen van het Nedersticht.

Handschrift H, mot het vorige ten nauwste verwant, vindt men in een handschrift van het gemeente-archief van Hasselt \'). Het is geschreven op papier door ééne hand van het begin der 16C eeuw1), die aan de twee zijden tegelijk begon. Van de eene zijde lezende, vindt men aanteekeningen wegens de ontvangst „vant hondekoerenquot; in 1535 en „die seell vant hondecoren tot Rarreveltquot; van 1536; — daarna het „protccoll tot Hamersfelt. Copy 2)quot;, bevattende gerechtsbrieven van Leusden en Hamers-velt (1536—1538), van Bloemendaler eng (1537) en van Duyst en De Haer (1537—1539), allen gepasseerd voor den schout jan Lubbertss. Aan de andere zijde leest men ons „Lantrechtquot; (in den volledigsten vorm) met den landbrief van 1375 en een „verdedyngequot; van 1467 over de „onderholdinge des lantbreeffquot; tusschen den bisschop en de drie Staten van het Nedersticht, — daarna het zoogenaamde „lege lantrechtquot; van 1530 (gedrukt in Van de Waters Placaatboek. II p. 1176 vlg.), — verder afschriften van „de lantbreeff van de Duystquot; van 1492 (in een vidimus van 1534) en van een brief van bisschop Rudolf over de Duystwetering van 1437, — en eindelijk verscheidene gerechtsbrieven van Leusden en Hamersvelt (1537 —353y)gt; van Duyst en De Haer (1538, 1539). van Leusden „ende op Vranc-kenhoeffquot; (1539), van Amersfoort (1539) en van het Hooge-land, weder allen gepasseerd voor den schout Jan Lubbertss., behalve die van Amersfoort en Hoogeland, die getuigenissen (afgelegd ten verzoeke van den rentmeester van het St. Brigit-ten-klooster te Soest) bevatten over den verkoop van boomen op

1

Alleen het doorgeschrapte stuk (zie Noot 3) is van eene andere hand.

2

Zoo dit inderdaad eene „copyquot; is, dan is het in ieder geval eene gelijktijdige, want een der brieven is doorgeschrapt, omdat „de prynsepael, daer dit nut gescreven is, was te onrecht gescreven ende is wederom verscreven als hierna volget.quot;

3

Gedrukte inventaris van het archief. N0. l.

-ocr page 437-

4i7

Den Birckt door het gasthuis op het Spui tc Amersfoort. — Het handschrift, zonder twijfel het gerechtsboek van den schout Jan Lubbertss. en wellicht door hem zei ven geschreven , blijkt derhalve ontstaan te zijn op het platte land in de buurt van Amersfoort.

Handschrift B, een onvolledig afschrift, wordt gevonden in een codex der Academische bibliotheek tc Utrecht \'). Het is op papier zeer slecht geschreven door eene hand van de eerste helft der 16e eeuw, en bevat verschillende land-, leen- en tinsrechten, meestal van de Veluwe. Vooraan vinden wij ons Lantrecht (tot XIX 5), met hot zoogenaamde „lage landrechtquot; (gedrukt bij Van de Water, Groot Placaatboek. II p. 1176) en een Stichtsch leenrecht (door mij uitgegeven in de Verslagen en mededeelingen dezer vereeniging. Nquot;. II p. 62 vlg.). Dan volgen afschriften van verschillende stukken: de reformatie van het Zutphensche landrecht van 15 15 (gedrukt: Geldersch Placaatboeck. II App. p. 145), een verbond der (reldersche steden met „de ruteren ende knechttenquot; (1418), de confirmatie van „onsse lantrechttenquot; door hertog Arnold van Gelder (1424), vier brieven van hertog Karei van Gelder (1520—1532), een oordeel te Barneveld gewezen in 1539,0011 gerechtsbrief van den drost van de Veluwe betreffende het goed Scaffeler onder Barneveld (1496) en „dat recht van eygen luydenquot; (van de abdis van Elten). Met eene andere hand werd daarna in het boek geschreven een Geldersch tinsrecht (gedrukt bij; Schrassert, Codex Gelro-Zutphanicus. Stucken en documenten, p. 512 vlg-.) en twee fragmenten (gedrukt; Geldersch Placaatboeck. Ip. 148 en aid. App, I p. 216); weder eene andere hand schreef daarbij extracten uit het klaarboek van den Engelanderholt, en op de laatste bladzijde vindt men een besluit van den landdag van Veluwe over het pandings-recht der schouten (1579). De inhoud van het handschrift wijst naar de Veluwe, bepaaldelijk naar de omstreken van Barneveld, op de grenzen van het Sticht g\'elegen.

Handschrift F eindelijk, afkomstig van Van Alkemade en Van der Schelling en door Mr. J. A. Kruin aan de Utrechtsche rijksarchieven geschonken, is bepaald het jong-ste. Het bevat alleen het Lantrecht, hier eindigende met hetzelfde artikel als in handschrift j., doch in details van de daar gevolgde lezing

r) Aev. metl. Script, hist. Nquot;. 3. p. 27.

-ocr page 438-

4i8

dikwijls verschillende. Het is een handschrift van slechts eenige bladen, op papier geschreven in het midden der i6u eeuw; het schrift is net, doch de spelling slordig.

Beschouwen wij thans het Lantrecht zelf. Wat leert het ons omtrent zijne samenstelling, over den tijd en de plaats, waar het ontstaan is?

Het Lantrecht is eene codificatie van gewoonterecht, door partikulieren gemaakt: dit blijkt uit de herhaalde vermelding „die sommige meynenquot;, „die sommige setten waarbij de compilator dan eenmaal partijkiest met de verklaring „mair ten is nyt wair \'1)quot;. Het is langzamerhand vermeerderd; het Wijksche Poirterboeck schijnt den oudsten vorm te bewaren, die naderhand anders geredigeerd werd ^). Latere bijvoegingen vindt men in tal van artikelen 2), ja geheele artikelen zijn later ingelascht. Tot die artikelen behooren gewis de hoofdstukken I en XII, die, in tegenstelling met de rest van het stuk, het strafrecht behandelen; verder X i—5, XI en XXI 6, die allen in handschrift W nog ontbreken r\'). Aan het slot heeft men blijkbaar in verschillende handschriften losse aan-teekeningcn van costumen bijgevoegd (i), die later onder een algemeen hoofd „van alrehande saickenquot; samengevat zijn. Deze toevoegselen loopen bij j. en F. tot XXIII. 27 \'), terwijl alleen H. nog eenige verdere artikelen heeft. Voor een groot gedeelte zijn deze losse aanteekeningen ontleend aan de rechtspraktijk , bepaaldelijk aan vonnissen, gewezen door den bisschop in zijne terechtzittingen met ridderen en knapen, die het „landrechtquot; heetten.

Oud is de codificatie gewis niet. Het is zeker geen toeval, dat alle ons bekende handschriften van de eerste helft der 16e eeuw dagteekenen. In het Lantrecht zelf komen slechts

1

De compilator gebruikte daarbij ook andere bestanddeelen , b. v. „die manyere van den vordeelaan het Stichtsche dienstreeht ontleend (zie hiervoor p. 393 vlg.) en in hand-sehrift W nog afzonderlijk geplaatst. Hij gebruikte eene slordige redactie daarvan; Landr. XIV. 3, 4 zeggen hetzelfde als Landr. XVII. 1, XVIII. 2.

2

Zie de varianten in de noten , passim.

-ocr page 439-

419

twee bepaalde tijdsopgaven voor. In de latere bijvoegingen \') wordt het jaar 1516 genoemd; het landrecht zelf moet dus ouder zijn. Van de annexatie der (raasbecksche leenen (in 1459) wordt in dezelfde bijvoegselen als iets, dat niet lang geleden geschied is, gesproken, hetgeen ons naar iets oudere tijden terugvoert 2). De beste tijdsbepaling leveren wellicht de in het stuk genoemde muntsoorten. De oudste redactie (handschrift W; noemt de munten ongelukkig niet, doch de latere vorm geeft eenige aanwijzingen. De handschriften H. en B. spreken van „ecclesie-scilde waarvoor het latere handschrift F. schrijft: „ecclesie uudc schilde, als syn goude Vranckrijcxe schildenquot;, elders: „dat is anderhalve gouden guldenquot;. Bovendien noemen H. B. en F. allen *): „Philippus-stuvers, dair men nu 1stuver current voor neemptquot;. De tweede redactie van het Lantrecht werd dus gemaakt vóórdat de gouden Fransche schilden en goudguldens de „ecclesie-scildequot; verdrongen hadden 5), doch nadat de Philips-stuivers in waarde verminderd waren

De plaats, waar het Lantrecht ontstaan is, kan niet met nauwkeurigheid bepaald worden. Dat wij hier een recht van het platte land van het Nedersticht voor ons hebben, kan niet betwijfeld worden. Dit zegt ons het opschrift; dit bewijst ook de vermelding van het „cappittelquot;, de „ecclesiënquot;, de „lant-breeffquot; (van 1375), het „Sticht aen desen syde der IJsselen 7)quot;. In het recht zelf wordt herhaaldelijk gesproken van de steden Utrecht en Amersfoort en van eenige omliggende groote steden als Nijmegen en Tiel, eenmaal van Deventer en Kampen, de

ï) Landr. XXIV. ï.

2) Wellicht bewijst Landr. XXIIl. 25, dat spreekt van het „beroepen van oordel op die dorpen,quot; dat deze latere bijvoegingen (Hfdst. XXIIi) dagteekenen van na het zoogenaamde „lage landrechtquot; van 23 Maart 1530. (V. d. Water, Place. 11 p. 1178.)

3) Landr. X. 4, XXI11. 3. Ook HS. J. heeft denkelijk deze lezing: ik verzuimde dit te verifiöeren, toen dit HS. binnen mijn bereik was.

4) Landr. II. 2, 4.

5) Vlg. V. d. Chijs, Munten v. Utrecht, is er slechts één Stichtsch schild bekend, en wel van bisschop Floris Van Wevelichoven (1379—1393); dit kan bezwaarlijk bedoeld worden. In eene door hem medegedeelde valuatie wordt echter genoemd een Davids schild , zeker een door bisschop David Van Bourgondië geslagen schild, dat verloren schijnt.

6) De Philippus-stuvers (stuivers van Philips den Goede van Bourgondiö) golden volgens de officiöele valuation bij V. d. Chijs in 1488 2,/i stuiver current, in 1491 2 st. curr., in 1492 en 1493 golden zij 13% en 15 wit. (Munten v. Utr. p. 357, 363, 367, 371.) De koers schommelde dus omstreeks 1500 zéér.

7) Landr. XXIII. 28—31.

-ocr page 440-

steden van het Oversticht, terwijl in de bijvoegselen het dorp Schalkwijk genoemd wordt \').

Over het doel, waarmede ons Lantrecht werd aangelegd, kunnen wij met vrij veel zekerheid eenige conclusiën maken. Het had natuurlijk als partikuliere codificatie geenerlei verbindende kracht; maar het kan desniettemin veelvuldig gebruikt en toegepast zijn. In do eerste plaats in het zoogenaamde „landrechtquot; van den bisschop. Dit landrecht werd door den bisschop gehouden overal in het Sticht waar hij wilde; als oordeelvinders traden de ridders, knapen, mannen en dienstmannen op, als aanklagers de maarschalken (bij de zware misdrijven) of verwanten -); ook civile vonnissen werden daar gewezen en gerechtsbrieven gepasseerd quot;), evenals voor de stadsgerechten. Deze rechtbank, wier rechtspraak zeer gebrekkigquot; geweest schijnt te zijn 1), ging te niet na dc oprichting van het Hof van Utrecht in 1530 0). — Behalve in het landrecht werd onze codificatie gewis g-ebruikt „op die dorpen \')quot; in de lagere gerechten. Van dit gebruik vinden wij sporen in onze handschriften, die, uit verschillende oorden afstammende, grond geven voor dc conclusie, dat ons recht in gebruik is geweest van de Geldersche grens tot in het zuiden van het Sticht. Wij vinden zelfs in onze handschriften het bewijs, dat deze codificatie op sommige plaatsen bij de rechtspraak geregeld geraadpleegd werd; het is opgenomen in het gerechts-register van Hamersveld en omliggende dorpen, en het werd zelfs „dagelix gebruyetquot; in de stad Wijk bij Duurstede.

Bij de uitgave van het Stichtsche lantrecht, die hier voor de eerste maal plaats heeft, legde ik handschrift F. ten grondslag, en teekende de varianten der andere handschriften

1

Zie eene uit Derige beschrijving der misbruiken bij: Heda, I listeria, p. 292, 293.

-ocr page 441-

in de noten aan. Deze handelwijze behoeft nog eenige rechtvaardiging: immers handschrift F. is hot jongste der ons bekende, en bovendien gemaakt naar een slordig gespeld voorbeeld. Doch ieder der andere handschriften had als leiddraad zijne bezwaren. W. is verreweg het minst volledige en was op dit punt ook niet geheel betrouwbaar; immers het was we) onwaarschijnlijk, maar toch denkbaar, dat het bestuur van Wijk bij Duurstede den tekst van het recht voor de opneming daarvan in het stadboek eenigszins gewijzigd had. B. kon niet in aanmerking komen: de tekst is nog slordiger dan die van F. en bovendien onvolledig. Het gebruik van H. had veel aanbevelenswaardigs: de tekst is redelijk goed, en het recht komt daarin voor in zijn volledigsten vorm; doch het handschrift is bevlekt en verbleekt, op tal van plaatsen geheel onleesbaar. FEad ik dit aan de uitgave ten grondslag gelegd, dan zou ik den tekst derhalve uit F. telkens hebben moeten aanvullen; eene grooto ongelijkmatigheid vain spelling, diep ik meende te moeten vermijden, zou hiervan het gevolg geweest zijn. J. eindelijk zou ik, als verreweg het beste en volledigste handschrift, zéér zeker bij de uitgave gevolgd hebben, wanneer ik het tijdig gekend had; doch het kwam mij eerst ter hand, nadat deze Rechtsbronnen afgedrukt waren, en mij bleef dus alleen over, de belangrijkste varianten daaruit in een „Bijvoegselquot; \') te vermelden.

i) R. v. U. II p. 447.

-ocr page 442-

B E S L UIT.

Stellen wij thans, aan het einde van ons onderzoek, nogmaals de vragen, die wij aan het begin deden en wier oplossing ons toen zoo moeielijk scheen; wat zijn de hierbij uitgegevene rechtsboeken? waarom worden juist deze uitgegeven? Het antwoord kan nu zeer eenvoudig zijn.

Wij hebben gezien, dat de rechtspraak van den raad, geboren uit oppositie tegen den bisschop en zijnen schout, zich allengs, vooral in criminalibus, een gebied veroverde ten koste van de schepenbank, — dat deze ontwikkeling, vooral duidelijk sedert de vredekeur van 1300, hare officiëele bevestiging vond in de verdeeling van het rechtsboek van 1389 in twee wetboeken , die, geheel van elkander afgescheiden, raadsrecht en schepenrecht als twee afzonderlijke , naast elkaar staande rechten bevatten. Het antwoord op de twee vragen moet dus luiden: de in het eerste deel dezer rechtsbronnen uitgegevene boeken zijn de rechtsboeken, die de wetsbepalingen bevatten, toegepast bij de rechtspraak van den raad, - de in het tweede deel voorkomende boeken zijn de wetboeken voor de rechtspraak der schepenbank.

Met het antwoord op de vraag: wat de rechtsboeken zijn ? is tevens in hoofdzaak reeds medegedeeld, ivaarom ze werden uitgegeven. Toch zou men over de reden der opneming van enkele boeken nog vragen kunnen doen, die hier kortelijk beantwoord moeten worden.

Waarom werd het Liber hirsutus minor opgenomen, dat geen wetboek, doch een register van raadsbesluiten is? Omdat het wenschelijk scheen, het Utrechtsche recht in zijn oudst-bekenden vorm mede te deelen. Het verdiende daarom de voor-

-ocr page 443-

423

keur, niet bij het Roede boeck te blijven staan\', maar de bronnen zeiven te geven, waaraan dit ontleend was, ook al liep men daardoor gevaar een en ander mede af te drukken, dat voor het recht minder belangrijk was. — Behoorde men volgens dit beginsel niet verder te gaan , en het register 0 i en 2 , de bron van het Liber hirsutus minor, eerst uit te geven? Ik geloof het niet: dit register bevat behalve de in het Liber hirsutus minor overgenomene raadsbesluiten nagenoeg niets belangrijks, en dc bedoelde raadsbesluiten zijn in het oudere boek opgeteekend in denzelfden vorm en in dezelfde orde als in het nieuwe, zoodat men door kennismaking met het eerste niets winnen zou.

Waarom werd dan echter het Roede boeck niet weggelaten , dat behalve de uit Liber albus en Liber hirsutus minor overgenomene keuren slechts een paar nieuwe bevat, die onder de Verspreide keuren hadden kunnen afgedrukt worden ? Het afdrukken van het Roede boeck (of althans van het geraamte daarvtui met verwijzingen naar de oudere boeken) scheen belangrijk, omdat het de eenige systematische redactie van het Utrechtsche recht bevat, — de eenige vorm, die de gelegenheid geeft een gemakkelijk en vrij volledig overzicht van het raadsrecht te bekomen \'). Het is belangrijk te weten, hoe tijdg-enooten zich het systeem van het Utrechtsche recht dachten.

Waarom werd Die roese opgenomen, dat eene verzameling raadsbesluiten bevat, die voor een zeer groot deel op het recht geene betrekking hebben ?\' Die roese is de eenige verzameling, waarin raadsbesluiten na 1389 zijn opgenomen; het is eene compilatie, door de in het Utrechtsche recht doorknede tijdgenooten samengebracht, door hen zeiven (evenals het Liber hirsutus minor) onder de Utrechtsche rechtsboeken gerangschikt. Het afdrukken dezer officiëele verzameling verdiende dus m. i. de voorkeur boven eene poging, om zelf uit Raads dagelijksche boeken en Buurspraakboeken de voor

1) Inderdaad acht ik liet jammer, dat de hoogleeraar De Geer als proeve van de Utrechtsche rechtsboeken in de Nieuwe bijdragen voor rechtsgeleerdheid en wetgeving het Liber albus heeft doen afdrukken. Het Roede boeck ware daartoe als aangewezen. Zelfs betreur ik het, dat ik door het beginsel, om de rechtsbronnen in hunne oudste redactie te geven , genoodzaakt werd, het Roede boeck te doen drukken in eenen vorm , die-het voor het verkrijgen van een overzicht onbruikbaar maakt: hel Roede boeck toch is het beste compendium van het Utrechtsche recht.

-ocr page 444-

424

het recht belangrijke bepalingen bijeen te zoeken, —- eene poging, die de kans liet, dat men daaronder een en ander zou opnemen, dat de beter onderrichte tijdgenoot hier minder gepast zou geoordeeld hebben. -— Verdiende echter het afdrukken eener dergelijke compilatie naast de uitgegevene wetboeken geene ernstige overweging? Inderdaad heb ik daaraan gedacht, vooral om de voor het raadsrecht bestaande lacune over 1454—1528 aan te vullen. Doch, daargelaten de van de uitvoering van dit plan te verwachten groote vertraging dezer geheele publictitie \'), het scheen mij niet gepast, bij de oude, door het stadsbestuur zelf gemaakte en geijkte verzamelingen eene nieuwe zonder eenige authenticiteit op te nemen. Eene afzonderlijke uitgave der belangrijkste raadsbesluiten uit beide seriën verdient echter aanbeveling; ik hoop ze later nog eens te kunnen geven.

Waarom is Der scepene boeck opgenomen, dat eene verzameling vonnissen, maar geen wetboek is? Reeds bij de behandeling van dit boek zotte ik uiteen, dait deze verzameling, hoewel geen eigenlijk wetboek, in zooverre het nagenoeg geen statutair recht bevat, toch niet alleen als bron van latere wetboeken in het door deze publicatie gestelde kader behoort: nog meer past het daarin . omdat het bepaaldelijk ook, naast het bij het Roede boeck gevoegde Scepenrecht, als leiddraad voor de rechtspraak der schepenen gediend heeft.

Waarom werden de ordonnantiën van Karei V opgenomen, die tot eene geheel nieuwe rechtsontwikkeling den stoot gaven, en die het eigenlijke Utrechtsche recht minder ontwikkeld dan wel besnoeid en veranderd hebben? Het scheen mij niet geoorloofd deze rechtsboeken weg te laten. Immers zij behooren mede tot de reeds in 1550 door het regeerings-reglement afgeslotene periode, — een tijdvak van ontwikkeling, dat derhalve nog geheel in do middeleeuwen valt. Is het niet te ontkennen, dat deze ontwikkeling zich beweegt in eene richting, vreemd aan de tot dusver door het Utrechtsche recht gevolgde, van den anderen kant is het onwedersprekelijk, dat toch een en ander uit de oude Utrechtsche rechtsboeken

1) Er zijn 20 cleelen Raads dagelijksche boeken en 19 deelen Buurspraakboeken van vóór 1528 bewaard; uit beide seriën heeft Die roese geput, beide hadden dus nauwkeurig doorgezien en geëxcerpeerd moeten worden: een arbeid, die gewis vele jaren zou gevorderd hebben.

-ocr page 445-

425

tot zelfs in het rcgecringsreglcment van 1550 is opgenomen en daardoor zijnen invloed geoefend heeft tot ver in den modernen tijd. De gelegenheid bood zich hier, door vergelijking aan te wijzen, welke deze elementen zijn. Doch bovendien scheen het uit een historisch oogpunt wenschelijk, om, nadat in de oudste rechtsboeken was aangetoond, hoe raadsrecht en schepenrecht uit elkander gegaan waren, in de nieuwere te doen zien, hoe eene voortgaande ontwikkeling onder nieuwe invloeden de gescheidene deelen hereenigd heeft, — eene hereeniging, die evenmin als de scheiding plotseling plaats had, maar eerst langzaam door verschillende ordonnantiën werd tot stand gebracht, — eene hereeniging dus, die hare geschiedenis heeft evenals de scheiding. Deze overwegingen deden ook het bezwaar licht tellen, dat de rechtsbronnen, die jonger dan 1450 zijn, allen reeds uitgegeven zijn in Van de Water\'s groot werk. Deze uitgave, uit een taalkundig oogpunt gruwelijk, mag naar de eischen en gewoonten der 18° eeuw zeer goed heeten: niet om de gebreken dezer uitgïive was dus de herdruk der bedoelde stukken noodig. Doch wilde ik het doel bereiken, dat ik zooeven als rechtvaardiging van de opneming\' van Karei V\'s ordonnantiën aangaf, dan moest bij elk artikel aangewezen worden, of het aan de oude Utrechtsche rechtsbronnen ontleend was, en zoo ja, waar de oudere wetsbepaling te vinden was. De vernieuwde uitgave dezer ordonnantiën — die bovendien op deze wijze weinig plaats vorderde — was daartoe bepaald noodzakelijk.

Waarom eindelijk werd het Stichtsche lantrecht opgenomen, dat bij de rechtspraak der Utrechtsche schepenbank misschien nooit gebruikt is? Er is tusschen tal van plaatsen van dit Lantrecht en van het Utrechtsche stadsrecht, zooals te verwachten was, eene treffende overeenkomst \'). Over het geheel hebben beide rechten denzelfden inhoud; waar het Lantrecht van het recht der stad Utrecht afwijkt, wordt dit veelal uitdrukkelijk vermeld 1). Ook al blijkt het dus niet, dat dit Lantrecht door de Utrechtsche schepenbank toegepast werd,

1

Zie b. v. Landr. XXI. 5, XXIII. 26, 27. (De lezing „blyft momber tUtrcchtquot; is gewis juist: zie R. v. U. II p. 447.)

-ocr page 446-

426

zooals dat te Wijk bij Duurstede het geval was, toch is het voor de kennis van het Utrechtsehe stadsrecht niet zonder belang; men vindt daarin tal van gebruiken opgeteekend, beginselen uitgesproken, die gewis ook in de stad golden. Wij kennen de rechtsgewoonten der stad Utrecht slechts uit twee zeer late en niet volledige aanteekeningen; het Lantrecht levert ons derhalve cene zeer welkome aanvulling, die met omzichtigheid gebruikt moet worden, doch dan ook dikwijls belangrijke inlichtingen geeft daar, waar andere bronnen ons onbevredigd laten.

//

-ocr page 447-
-ocr page 448-
-ocr page 449-