-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

.

-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-

J\'. rf \'quot;/\'i .■ ^ gt; i-i , S3

JAVAANSCH-NEDERDtlTSCU

HANDWOOEDENBOEK

VAN

J. F. C. GERICKE en T. ROORDA,

Om «.lt;gt;\'• ! - „ \'\'

vermeerderd en verbeterd door

A. G. VREEDE,

Hooglecraar\' tc Leiden.

AMSTERDAM,

JOHANNES MÜLLER.

__1886.

BIBLIOTHEEK DEfTquot; RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.

-ocr page 10-

V

i

Gedrukt bij JOH. ENSCHEDÉ en ZONEN, te Jlaarlcm.

-ocr page 11-

VOORREDE.

Ruim vier jaiir geleden kwam de Uitgever mij berigten, dat van Geiucke-Hoouua\'s Woordenboek een herdruk noodig was, en dat liet aantal nog voorhanden exemplaren niet veel meer dan een jaar zou strekken. Deed mij het laatste niet veel genoegen, omdat\'er dus haast bij het werk was — en haast allerminst bij een arbeid als het bewerken van een Woordenboek gewensoht is, — dat er zich een aanleiding voordeed, om in het Woordenboek op te nemen, wat er in de laatste jaren op lexicologisch gebied geleverd was, kon ik niet anders dan toejuichen.

Aan stof\' tot verbetering en vermeerdering van het Woordenboek geen gebrek. Sints het verschijnen dor uitgave van 1875, gaf Meinsma aantoekeningen op zijn //Babadïanah Djawiquot;; Palmeii v. d. Bhoek een woordenlijst achter zijn //Kantjilquot; Beide lokten daardoor in de Bijdragen van het Koninklijk Instituut, nieuwe verklaringen van Javaansche woorden en uitdrukkingen uit; Meinsma en Raden Mas Ismangoen gaven woordenlijsten in diezelfde Bijdragen; Sollewijn Geli\'Ki: Vocubularia achter zijne Monographie over: //de Padieultuurquot;; de zendelingen Hoezoo, Kbeemek en Poensen vooral, belangrijke bijdragen in de Mededeelingen van het Zendelinggenootschap. Uitliet Supplement van Jansz besloot ik niet * over te nomen, ten einde te gemoet te komen aan do bezwaren der Uitgevers van dat werk; ja zelfs mij als regel te stellen, om het daaruit door Roorda en mij in de vorige editie opge-nomene, weg te laten.

Bovendien had ik een tal van aanteekeningen gemaakt bij het lozen van handschriften op de Leidsche Bibliotheek.

Ik toog ijlings aan het werk, doch zou ongetwijfeld van al die materie niet zooveel en zoo goed partij hebben kunnen trekken, zoo ik niet tegen het einde van 1882 (het tijd-

-ocr page 12-

IV

stip, waarop met liet drukken een aanvang werd gemaakt), een uitstekende liulp had gekregen. Mijn vriend Chahles te Mechelen liad de gelukkige gedachte, om mij in kenni-te brengen met den Heer J. L. Riiemrev , tolk voor de Javaansohe en Maleische talen ti\' Batavia, toen met verlof hier te lande, llooitn.v had, hij do bewerking der door hem uitgegeven Wajangverhalen, reeds gelegenheid, een ongemeene kennis van het Javaanach ii! dien heer te waarderen; ik besloot dus onmiddellijk te trachten mij zijne hulp bij do bewerking van hot woordenboek te verzekeren, eene hulp die ik, dank zij de onbekrompen medewerking van het Ministerie van Koloniën, gedurende 3 jaren, bijna tot aan de voltooijimr van dit werk, heli mogen genieten.

Bij de fijne nuancering, die in Javaansche woorden en uitdrukkingen heerscht, was do gelegenheid om iemand te raadplegen, die het Javaansch als zijn moedertaal verstaat, voonuij van onberekenbare waarde; daardoor gesteund heb ik menige beteekenis en verklaring, waaraan ik vroeger reeds twijfelde, thans durven afkeuren en door een andere vervangen.

Dat er kritiek noodig was bij het al of niet bestendigen van het oude kan o. a. uit het volgende blijken:

Om te beginnen met de ES.dj a Pirangon, het boek waaruit Eoorua. , en voor

zijne Grammatica, cn voor het Woordenboek zooveel geput hoeft. Voor twijfelachtige (ot

verkeerde) woorden of beteekenissen daaraan ontleend, verwijs ik, behalve naar de aantt. 011

de Grammatica, naar het Wdb. o. a. op de woorden; motVi bet. van den vorm en aflc ^ 1 6J

ding van cmrmi c)\\(bl. 22), — 5 9, j,; y uj \\ in ij tj ijj tij l. iin.wrjiigiQ,? — 26, asn «jrl naijl — 30, ■ op i ^BV. — 53, t:)i iij\\ i. pi. v. lm TL) l.\'l }njj zie op ij ) m N BV. — 64, j. l op 111 y \\ — 97, gt;7 mi ion op \'ƒ i ii i.j i.trj BV. — 167, rï» i u \\ bet. //keerquot; equot;. In strijd met liet taaleigen kunnen o. a. geacht worden de bet. van //bijeen

zamelenquot; op bl. 125; van .iSmrujp «tëgal bebouwenquot;, 129, enz. Dat deze beteekeniss»\'ti uit do Itadjü Pirangon afkomstig zijn, blijkt uit de Aanteekeningen van Roouda op zi n exemplaar van Gericke\'S Woordenboek. Ik hoop evenwel op dit voor mij, wat taal stijl betreft, wonderbaarlijke geschrift terug te komen, en wil het dus bij deze aanhaling\' i laten.

Ook de Kitab Toehpah heeft zijn contingent aan onjuistheden geleverd. Zoo is o. a. m^rj.vn gekomen aan de bet. van //bezittingquot;, — omign tji* i y s (waarschijnlijk inyrjvztw*.) aan de fig. bet. van //een schuld stoppenquot;, — w-rnrn ajn aan die van//wanneer men wilquot;,— lurj rufffDihrnjp aan de zeer verdachte bet. van //het verrottenquot; enz. enz.

Onbekendheid met het Madoereesch, heeft uit do door Eooiida uitgegeven Wajang-verhalen, bep. uit de lotgevallen van Pandji, als Javaansch doen opnemen het op bl. 353 voorkomende of xm^-rj\\ in de bet. van quot;zich haasten om hv. heen teterwijl het niets anders is dan \'t Madoereesche woord voor: //pas, toen pasquot; (Mal. J) ah roe),

dus «toen pas gingen zij uiteen, scheidden zij, of was liet feest afgeloopenquot;, ja zelfs een vorm (actief Madoereesch welke vorm nl. overeen

komt met het Javaansch rj?://;ij^r/v) die in hei Jav. moet zijn i.,?tiicjiji:n (in\'het Madoereesch n ni i i ^ /.i gt;j \'gt; gt; m j \\

Dat die verhalen onder invloed van liet Madoereesch zijn geschreven blijkt o. a. nog uit het gebruik van in plaats van ntsy-fly in de zamengesteldo uitdrukking wasnxïn i.?i\\ bl. 211; (Voor zeggen bv, de Madoereczen geregeld ei r nt Ty ^ \\ i

Javanen gebruiken in derg. gevallen wel untsy. bv. vnisyiinifjf\\ PL. 1, 204), uit «ü\'oti »ult; im/m/f (Mad. u ctn iu\'hit aoq) vool\' nnruqs op bl. 2*41; uit ry lil gt; (ot ook -Mud, .Tn.iTin) inden

-ocr page 13-

gt;

/in van (bl. 266); uit liet gebruik van xmuh (Mad. iji.i) waar men in gewoon Ja-

vaansch het hulpwoord ^iunirjiru^ zou gebruikenj zie bl. 289 , enz. enz.

Dat ook do taal van Poenvil Leliiml niet altijd te vertrouwen is, blijkt uit een Germanisme als K, 154 mimniQitiHnrj!k)n-iiQlt;S\\ «gemaakt van zwarte steenquot;, uit een gebruik van tj.vmiainm/i in plaats van nywrjuns 11). 42, enz. Waar dus inliet Woordenboek PL. als eenige autoriteit wordt aangehaald, zij men op zijne hoede.

Eveneens hoeft Winter., door zich de vrijheid te veroorloven van woorden elliptisch te gebruiken, aanleiding gegeven tot beteekenissen als bv. van voor «geheel onder

worpenquot;, „nergens in opstandquot; in Adji Saka. Dergelijke heb ik bij deze uitgave gerust durven schrajjpen; andere, met opgave van de plaats, van een W. voorzien, totteeken, dat gegronde twijfel omtrent de juistheid bestaat, daar geen andere autoriteitje staaft.

En dat niet al het nieuwe voetstoots kon worden overgenomen, spreekt van zelf, als men het Javaansch een weinig nader bekijkt van werkjes, zooals bv. de «Beschrijving van Bataviaquot;, (waaruit de door Meinsma en Eaden Mas Ismangoen gegeven woordenlijsten werden geput). Evenzeer als bij de overigens zeer gewaardeerde bijdragen van het Zendeling Genootschap, en die van Sollewijn Gelpke, is er rekening moeten gehouden worden met de herkomst. Dikwijls hoeft de dialectische herkomst tot niet opneming, menigmaal tot opneming geleid , doch onder verantwoordelijkheid van de auteurs.

Doch vooral met wat als kw. staat opgegeven, zij men voorzigtig. De voornaamste controle was vergelijking met het Kawi Woordenboek van Winter. Nauwgezette lectuur en stelselmatig aanteekenen, met opgave van plaatsen , moet hier nog veel verbetering en vermeerdering aanbrengen.

Met dat al vlei ik mij, dat in het algemeen in deze bewerking van het Woordenboek niet weinig verbeterd is. Dat er belangrijk veel nieuws is bijgevoegd, kan hieruit blijken , dat niettegenstaande er veel bekort, en om plaats te winnen, veel dat overbodig scheen, geschrapt is, (o. a. het bloot vermelden van spreekwoorden zonder die te verklaren; (de verklaring der meeste is te vinden in Winter\'s J. Z. He deel, uitgegeven door S. Keijzer.), deze uitgave de vorige met ruim 150 bladzijden overtreft. Doch met die vermeerdering, is ook de gelegenheid om fouten te begaan, grooter geworden, en dat er dus nu daarin weer veel te verbeteren valt, — ik zal de laatste, zijn om het te ontkennen.

De eenheid van vorm heeft er zeker niet op gewonnen, al ware het alleen tengevolge van het onvermijdelijk verschil in redactie tusschen deze en de vorige uitgave.

In het algemeen is er aan de inrigting niet veel veranderd. Wat dus in de Voorrede van den voorgaanden druk op bladzijde V gezegd is aangaande volgorde enz., blijft ook voor deze uitgave gelden. ,

Daaraan zou alleen kunnen worden toegevoegd, dat werkwoorden die met ri of aanvangen, en op die letters niet voorkomen, te vinden zijn op grondwoorden, die met ,vgt; of in\\ beginnen, en dat, ter besparing van plaats, bij grondwoorden gevormd met den voorslag tn of (ijh\\ niet steeds naar do wortelwoorden is verwezen.

Ter loops zij gezegd, dat om dezelfde roden, dialectische verschillen in het gebruik der eindmedeklinkers im en rm , m en asn , mi en nn slechts bij uitzondering zijn vermeld.

Achter de Bijvoegsels en Verbeteringen op dit Woordenboek, heb ik eenige Aanteeke-ningen op do Javaansche Graramatca van lloorda toegevoegd , meenende dat die mogelijk langs dezen weg eenig nut kunnen hebben, althans in handen komen van het meerendeel dergenen, die do Javaansche taal beoefenen.

-ocr page 14-

VI

Alvorens te eindigen, heb ik nog melding to maken van de welwillendheid der Heeren Mr. W. 15. Eeugsma en Chaules te Meohelen , aan wie ik de beteekeilis van enkelo woorden te danken heb. Tevens hel) ik gebruik gemaakt van eenige aanteekeningen op het Woordenboek, mij welwillend verstrekt door den heer J. A. van den Broek, leetor te Delft. Do heer dr. T. Jentink, directeur van het Museum voor Natuurlijke Historie heeft aanspraak op mijn dank, voor de opgave van verscheidene wetenschappelijke namen der Oost-Indische fauna.

In het bijzonder evenwel moet hulde worden gebragt aan de medewerking van Keen, die een schat van aanteekeningen te mijner beschikking heeft gesteld, en mij steeds met de grootste bereidwilligheid van consideratie en advies diende. Ook aan Pijnappel ben ik menige nuttige wenk en raad verschuldigd.

Eindelijk — dat ik bij dezen arbeid de onmisbare hulp van Ehemuev heb mogen genieten, is een gevolg van de gunstige beschikking der Ministers van Koloniën, de Brauw, van Bloemen Waanders en Sprenger van Ev k , terwijl ik daarbij steeds het krachtig intermediair van den Secretaris-Generaal Mr. II. van der Wijck heli mogen ondervinden.

Leiden, Maart 1886. A. C. YliEEDE.

-ocr page 15-

VERKORTINGEN.

A.

heieckent Abiasa, nitg. door Humme.

bezitt. beteekent

bezittelijk.

iiant.

// aanteekeniug.

B. J. \' »

Brata-Joeda.

ubs.

// absoluut.

B. K. of b. Kad. «

bCisa Kadaton.

acc.

» accidenteel.

bi of blz. quot;

bladzijde.

aid.

\'/ aldaar.

B. M.

Bramartani, Jav. courant.

alg.. of algcm.

\'/ algemeen.

Boe. quot;

Boestam, ww.

Among T.

quot;^ Among Tani.

B. P.\'o/B. Padj.

Babad Padjang, Soera-

and.

quot; anderen.

.

karta, Voorneman, 1871.

Ar. of Arab.

• . \'/ Arabisch.

•b. r. i, ii.

Babad Padjadjaran, Soera-

art.

\'/ artikel.

karta, Voorueman, 1870.

A. S.

v Adji-Saka.

Br. of 3. Br.

Javaanschc Brieven.

» of Asm.

S. \'/ Asmara S.oepi , ms.

vdBr. quot;

J. A. van den Broek,

13.

•gt; Bandoeng, ms.

lector te Delft.

!kb.

quot; Babad.

b. S.

Baron Sakendër.

Bab. Mat.

quot; Babad Mataram Soera-

B. T. Dj.

Babad Tanah Djawi, uiig.

.

karta, Voorueman.

dtoor Meinsma.

Bat.

quot; Batavia.

bv. uf bijv. quot;

bij voorbeeld.

Bat. Geu.v. K.eu W. Bataviaasch Genootschap

BV.

Bijvoegsels en Verbete

viiu Kunsten en Weten

ringen.

• »

schappen.

B. v. B.

Beschrijving v. Batavia-,

BB.

quot; Bajan Boedimau, ms.

door Raden AkjoSastho-

ben.

■gt; beneden of benaming.

Daumo.

benam.

quot; benaming.

bijn.

bijnaam.

bep.

■\' bepaald.

cans. •\'

causatief.

Beschr.

» Beschrijving.

Ch. of Chin. quot;

Chinccsch.

bet.

» beteekent «ƒ beteekenis.

coll.

collectief.

-ocr page 16-

vi i r

C. P. bet eekent

C. I\'oensen. \'

iems. quot;

iemands.

C. S.

Coiikn Stuart.

imp. heleekent imperatief.

d.

do, dor, deu. .

i ul.

inlandscli, inlander.

deu. quot;

denominatief.

lui.

Inleiding.

dcrg. of drg.

dergelijke.

intr. of intrans. »

intransitief, ■

d. i. quot;

dat is.

iuz. quot;

inzonderheid.

dial. quot;

dialect of dialectisch. |

i. pl. v. »

in plaats van.

l)jo.

Djoharsah, ms.

Isk. 4 ^ quot;

Iskandar, ms.

1). N.

Duizend en cen Naclit,

J.

Jansz.

vertaling van Winter.

Jap.

Japansch.

D. W.

Damar Woelan, v. Dorp,

Jav. »

J avaansch.

Samarang 187:1. .

Jb. ■lt;

juïnroll.

Dam. Woe. ■lt;

Damar Woelan, ms.

J. L.

Javaausch Leesboek.

c. . ■\'

een.

J. N.

Joeda ^Negara.

eig.

cigontlijk.

Joes. quot;

A lub ijl Joesoef, ms.

eign. quot;

eigennaam.

Jungh. «

Jnngbiihn.

Eng. ■\'

Engelsch.

J. W.

Javaansche Wetten.

enz. \'/

en zoo voorts.

J. Z.

Javaausche Zamensprakcn

erg.

ergens.

van Winter.

Eur. quot;

Europee sch.

k. quot;

Krama.

fain. , quot;

familie.

K.

Kantjil, uitg. door Pal

lig.

ligiuirlijk.

mer v. D. Broek.

Fil. - \'

f11.kt.

ki). quot;

Kriimfi-Doesoen.

Fr. »

Fransch.

ki,

Kramp;ml-Inggil.

IVcq. ■/

freqnentatiel.

klanknab. » •

klanknabootsing.

G.

Gericke.

kn. quot;

Krama-gt;igoko. •

gebr. quot;

gebruikelijk.

kol. quot;

kolom.

gen.

genaamd of genoemd.

kv. •

Krama Pasisir.

gcw. •

gewoonlijk.

KU.

Kbeemer.

G. L. . v

Goerma Lëlaml v. Rhem-

Krit. quot;

Kritiek of Kritisch.

kev.

KT.

Kitab Toehpah.

Gr. of Gramm. »

Grammatica,

kw. quot;

Kawi.

grv. of grondv. »

grondvorm.

L.

Verzameling Lakon\'s,i.itg.

grw. of grondw. »

grondwoord.

door te Mechelen.

h. »

het.

1.

lees.

H.

Humme.

Lat.

Latijn of Latijusch.

herh. \' »

herhaald.

lett. quot;

letterlijk. .

hetz. »

hetzelfde.

lijd.

lijdende.-

Moll.

Hollandseh.

M.

Meinsma.

Hoogd. quot;

Hoogduitsch.

Mal. of Ml. quot;

Maleisch.

llorsf. »

Horsilold.

Md. of Mad. quot;

Madya.

ib. o/ ibid. »

ibidem.

Men. quot;

Me\'naq, ms.

id. quot;

idem.

Miq. quot;

mlquel..

i. d. »

in de.

Moe.

Moersada. ms.

jem. ■\'

iemand.

1 Moh. of Mohamm. quot;

Mohammedaanseh.

-ocr page 17-

IX \'

iiiv. of mcerv.

heteekeut meervoud.

| sc.

heleekent scilicct.

n. of Ng.

» Ngoko.

Sd. Soenrl.

« Socndaneesch.

N.

» Nawawi, ms.

SG.

» Padiekultmir, sol mwijn

um.

naam.

qelpke,

nnnmw.

» naamwoord.

Skr.

» Sanskriet.

nanl. of nl.

quot; n.amelijk. ■

Soel.

„ Soeloeq, ms.

nat.

\'natuurlijk.

somm.

» sommige.

0.

« onder.

spr. of sprcekw

spreekwoord.

obj,

» object of objectief.

spreekt.

spreektaal.

o. a.

« pnder«anderen.

Sri T.

„ Sri Tandjoeng, ms.

0j.

quot; Oost-Javn of Oost-Ja-

| subj.

„ subj ectief.

\' vaansoh.

snbst.

substantief.

ongcbr.

ongebruikelijk.

tl).

„ TiSmboeng Doesoen.

onjjcv.

« ongeveer.

te M.

te Meciiei,en.

P.

« Pandji Djilji LSiigkara en

Tj.

» Tjëutini, ms.

Angrèni. ms.

Tj. Al.

„ Sërat Aladiu, G. Kolfp

Palm. v. d. ii.

■■ Palmeu v. i). Brokk.

en Co. Bat. 1885.

ubs.

» passief.

Tj. SBngk. \'\'

« Tjandra Sëngkala.

•era.

persoon, persoonlijk.

tp.

,, Tëmboeng Pasisir.

\'erz.

» Perzisch.

tr.

./ transitief.

\'. J.

Partü Jognji, ms.

uitr.

» uitroep.

I\'.K.

Professor Kehn.

v.

vorm of van.

Pandji Koedan.?ua.wangsa.

v. d.

» va li de.

P. L.

quot; Reizen van Puerwa l.ëlana.\'

v. c.

van een.

pi.

quot; plant of plaats.

verb.

» verbastering of verbasterd.

P. M.

quot; Pandji Moertasmara , j»s.

verb, ii w.

« verbaal naamwoord.

poet.

» poëtisch.

verk.

» verkort of verkorting.

poët. B.

poëtische Babad, ms.-

vert.

» vertaalt, vertaling.

Port.

quot; Portugcesch.

vgl. of vrg.

» vergelijk.

Pr. of Prëg,

■\' Wajang Prëgiwo, uitg. door

vkl.

» verklaard.

WlI.kens.

v. M.

Over het Katoenverven,

r.

quot; regel.

v. Musschenbhoek bij e.

R.

quot; 1100ii da.

.

.T. Bmr.L 1878.

rccipr. ■

reciproque.

v. 0.

» van onder.

redupl.

quot; reduplicatie.

vlgg-

quot; volgende.

lib.

quot; ktlemred.

voc.

» vocatief.

R. I.

» Raden mas ismanqoen.

volg.

t

» volgens.

U. P. of H. Pir.

quot; Ramp;djii Pirnngon.

vr.

quot; vrouwelijk.

lis.

» Rëngganis ,.»m.

vrnw.

quot; voornaamwoord.

R. v. K.

» Regent van Koedoes.

W.

quot; C. F: VVintur Sr.

It. W.

» Ronggü Warsitfi.

waarsch.

quot; waarschijnlyk.

S.

» Supplement op Gebicke\'s

Waj. I en It.

« Wajangverhalen uitg. door

woordenboek v. Kooiiua-

het Bat.Gen., tk Meche-

Meinsma.

len , en Vreede.

-ocr page 18-

heteckcnt Wajang trawan, ms. „ Waugsallan. // West-Java of West-Ja-

viiauaoh.

» Wajang Palasara, enz. uitg. door Hoorni.v. . „ Wrtta Santjaja, Kern. „ Woordenboek der HH.

Waj. Ir. Wniig».

wj.

W, P.

W, S. WW.

\\v\\v.

z. a. zamenat. zelfst. Z. G.

beleekenl Winter cu Wilrens, ms. .lt; werkwoord. ■

t*

, « zooals.

» znmenstclling. // zelfstandig. // Mededeelingcu v. h. Zendeling Genootschap. // • zooveel als.


o

#

-ocr page 19-

BIJVOEGSELS en VERBETERINGEN.

regel. woord.

1() l. * lyt/nmt}qs At

2 \' voeg bij: vrij. iimri/f en f mm

U imniui^ kn. voltj.- inl, bijgeloof een me use h nul een hondenkop, die\'s nachts rondwaart , om het bloed van slapende menschen uit ie zuigen, Rii.

12 irj :i?j \\ nf. de daad van padisnijden verrigten met de nm^n v ut vrg. De

iw HjtiV hj bestaat uil den steel (\'/quot;/), \'««i plankje (i ;;»///,//»en hel daaraan bevestigd ijzer of mes {u vn^nj).

22 fitfiujs voeg hij : ook dial, f i tjtj j \\ weldra, Hh.

\'ivo. volg. Rh. is te Sa la, i. pi. v. iy i?j invhn/f in den zin van inhoud v. e. brief

gebruikelijk er # ^ -r»n tj 171/ i ry 8 i iitrjn/n ui \\ volg. Kh. ook vernederen, verguizen. •

iÜ\\o. 1.: %volg. K . ook wel m gt;f /. n ui ntifj

11 vo.achter \'/genistquot; voeg bij: HP. 07; WW. geven die bet. niet op.

voeg bij: Kirj h n w fn ki/j te vasl . bv. slapen.

l7vo. volg.m Kh. rnfj fi beginnen te kwijnen.

2v(j. runri ook (ie rigting van een plaats of van het kompas, bv. naar hei zuiden. IJ /. i i ipn \\ mikken, een geweer, kanon enz. rigten. — tn rnrri rj t.t:\\ een

obj. als boven rigten voor iem.

« en !•, de bet. v. i inmi h» ./ni.nrutjq* voetbank, voetstuk schrappen, (zie\'^ri i ook

quot;trappenquot; l. op een r.n rjji i.n/js staan.

17vo. gt;11a ij i mgt; i.n j\\ ook wel gebruik\' voor podagra; zie bij vi ^i/i\\

2vo. en openbaren? \\V. 1, 180.

15 riook iets drnkken, dat het op en neer gaat.

2) iiywtsnjjs voeg bij: (■quot;\' i n f H. vrg. /ƒ / n;rm ihn.p 24 tj} of rm 1 ii/j zva. Hh.

(ivo. voeg bij: een scheven mond hebben, Hh.

tvo^ in nii 111,1 1:11.11111^1 \\ (eig. stooten) plat. voor den bijslaap uitoefenen, vrg. 1 r.\'

7 \'r[\'/p ,n,.1

Z] voeg bij- t ^ rm 11 ij kn. n)JJ onverwacht komen opdagen ,-opzetten, ver-

-ocr page 20-

regel.

schijnen; te voorschijn komen v. glans op hei gelaat. Men. — ^rminjtjHn\\ caus., ook iets te voorschijn brengen.

28 eïg. r.t? of ^ ook alleen op- of toewerpen, y urn \\

acc. pass.

12vo. volg. Hh. de\' ware schrijfwijze.

4vo. achter: quot;woordenquot; voeg bij: ook alleen quot;in yedachleu Rh.

12 voeg bij: f itprt mjj of iuiém\\ zva. (ri(ém(crTjj\\ zie bij abti ipiiKi jw

12vo. ook zva. doof een kleine opening heen kijken.

2 ijiji gt;1 irw \\ voeg bij: of ij hji rj v:w f ; op volg. reg. schrap: quot;zie beneden

5 n i n i nn \\ zie im V}\\\\

1 (i

12 Tlquot;}is voh\' 0l) een gelijken, als een hoop aarde zich vertonen; zva.

20vo. bij \\ ti ui voeg bij: h» unj f\'vt ïnihis alsof je {of hij enz.) een vreemdeing was,

alsof je (of hij enz.) niet van de familie was, W. II. 568.

10 Voeg bij: of gt;f \'■» hn { TP. zva. m/ w gt;/ mi w/j of ?.» .m ^ irr» ^ \\ zie

ilViVliUI/j 11.

12 Sch rap: zie i v ïn \\\\

22 nm. v. een\' insect, dat achteruitgaat, en niet twee knijpers am den

kop, kuiltjes in zand of stof maakt; {ook wel nn gen.) Rh.

8vo. achter quot;achteruitgaan alsquot; /. R. (WP.). fi ftj of mj\\ mei of zonderbijge

voegd i, n ni {vrg. nog W. 1, r/fi, 215) ongeveer zva. \\rn w} *ni (in/j en nm n omgekeerd, daarentegen; ook wel ie veri. door eerder, liever; t ware hetei dat, soins ook als uitroep v. verwondering, dat iels anders afloopt dan wen gtiachi had; bv. te veri. door en nn per slot van rekening.

8vo. ^ yi ^Jl oof( zvn- I\'lf\'-nnw/j eindigen, afloopen van een vergadering als

de#mensehen zich terugtrekken.

8 tnrnh))^ ook wel strak (toornig «/brutaal) aankijken, Rh.

17 Voeg bij: op en neerwippen , van vrouwenborsten, W. J ,( 4, ,i

* Mfii-ntn hetz. van de stemmen v. zingende santrïs vy en neergaa, {prn.

(q, fn. Jf

r.n on ftun

(1.\'

M ij mi (Kiij of \'iriftiy)/j worden ook alqemeener tegen beide seksen gebruiK ■ bij li n uijjw

28 m 11ook üo.h met zijne vronw vermaken, B. T. IVj. 288.

Ifivo. /. 2. grondv. v. achterblijven, niet bijhouden, en enz. G.

19vo. iijrtin/j volg. Rh. ook. Sn la sch , bv. paarden stationneren.

4 ij rj ■intuin\' zva. of ^ t r\\ i ri v .7» 7 jj n lib.

18 Voeg bij: ij i v? KN. — 7,,?T/^^N ,n(,l waterweg- «/* aispoelen ; mt ^Hter

grond, een weg enz. gelijk maken.

28 achter: ■poet. heiz.quot; Voeg bij: HS.

20vo. imm {{i n\\ ook naar gissing, vermoedelijk.

l()vo. I. volg. O. middelaar, enz. .

2 stootende of wippende gang zooals van ecu galopperend paard.

() lees: op- en neer schudden.

22 00^ z\'cb redden; zich er nit redden; iets gedaan krijgen*

-ocr page 21-

in

regel.

1.4vo. ook zvci. ihitfnii iJts een zaal- afdoen.

(unofjcmzruji ook TP. zva. it/nrj ru?nn/j Rh.

15 ook zijn waar niet loslaten dan tegen den hoogsten prijs, Rh.

lavo. of gt;/iu zva. ,) i,gt; ^ctjnrjt, ij of 7) ./„n, rvijj^

l2vo. riffliyiji zva. mtnajyj v. e. vol gewigt, 6fj. 09.

22 ^/)rf,hti\\ volg. Rh. po\'ét. zva. -i t tf d-u i.J ■ lief voorbeeld

i\'n .jiy 7,o^ is ontleend aan de Adji Saka van Winter. De uitdrukking kom* Rh. vreemd voor; hij meent, dat het moet luiden. \' ƒ j)^u -17 mi unuirjin, \'tjaj) rj (U) w

20 n-nn^arn iuyj\\ lusschen twee haakjes te plaatsen.

\'5v0i V^1rusteloos, woelig, zie nS; — m iijirrrnw

^ • \'»• \'\' . (\\J

.18 quot;Tj rjnmiijIj£j \\ ben. v. d. gewone .« ri^\\ zie 1 i yyu n j^\\

15vo. Voeg bij; irn nn Zoo God wil! (li. T. Dj. 494: 1 n 111 ^ ■ 1 ,1 ni lt;).

2vo. Voeg bij: ,\'nrf.,mgt;\\ — h\'y.rrrix een werk hülf iifgedann laten liggen, (vrg. ihr irfintu) Rh.

4v().

9 voeg bij:

23vo. I i nrjpjt 22 - /. a/nnrrj ui} ^nnrn^ u njj \\

20 » zoo wordt ook genoemd de vechthaan, dien men de tegenpartij voorhoudt om

deze tot vechten nit te lokken.

15 quot; de bet. v. rj un tjetm kh^ is van G.

14\'/ voeg hij : n orn mi ~ i hu ihi^

4 quot; soms ook wel ie vertalen door-, anders; zie voorbeeld hij ijiyw lilquot; Voeg bij: (óncnii imj) — iliinui/i een obj. onder zich houden, Rh.

17quot; Voeg hij: inyn^nj iirniKn/} terughonden, aehterliondenquot;. —

rrmbij beetjes achterhouden.

H en zie hij u\\i f-^/j\\

llvo. htinrn iTifi is erg. onder wc^ ophonden en aangaan.

II Voeg hij: ifyirnm/j zva. u./a bedreven, GL. 85

u ) ) . . )

rn rfrrns m .n^ rn id j zie un n m i 11 rjnrn i in .1 pi Vj rrj een heel

nest eyeren, een uildr. voor -, de heele familie, liet licele geslacht tot den laatste toe geheel \' vernietigd, verdelgd; soms met bijvoeging van utihm JinSs ui

)

f t K7i y m gt; w

0 Cl , . •

^ i n ryni \\ vrg. nog ij tm nmi w

7 volg. WW. y» w ^ iiflj Wjj k. rnin gt;* nut/) Kt. zie nog hij liïnlsw

12 volg. Rli. onder bescherming van een voornaam persoon staan, daarvoor dienst

praesteren maar dan ook vrijgesteld zijn van heej\'endiensten, vrg. m ik bij

gt; o ... v en f i in ! i ii b\\) i / m\\N

9vo. volg. Rh. be hoor en hij gt;/ gt; i gt;/ iingt; de hef. v. »vrin of iiinnrns in dial v. Ban-

\' \' \' • ( y { ( y

joemas zva. ). v ;? nnw \' ^

1 ^ H? , nyfy ie voegen: /m\\ een snelle vaart hebben v. e. vaartuig, (Tj ) zva.

7 \'i\'\' ? qw Rh.

ICvo, Mifrm i,ii/j of.i.niinKti/j zie ïK-tii.nj

7 IVangs. — op Hj tj gt; I y n W. 1, 8(lfi.

lt; jmr/\\ voeg bij: in huis hokken. ** *.

■\'■gt; O

i urn i n , /;

(y \'

-ocr page 22-

regel.

9 voeg bij: am KN. o])- en iieêrguande beweging duur drukking van boven

O quot;quot; )

org. urn tj i:))!? awn en nri ^ rmi ibn/js

lüvo. Voeg bij-, (Li.vm\\ ook wig of keg om houl ie kloven, Hli.

IGvo. (ïji lifri \\ een ander zie bij ^

V lt;17^ itgjj lt;• \\ zie i.mqw •

lOvo. n/n thijp KN. vet, niagt.ig, WNV. raus; sterk van smaak, (Tj. Meu.). MitHjjjs bet. ook galig, ligt soheurcml can stoffen, Rh. en zie op cnii\\

18vo. f j pjnn voeg bij fig. o|) eeu pnul blijven v. e. pijnlijk gevoel. — l een

derg. pijnlijk gevoe.l hebben, (Tj.) Kh.

7vo. achter 11 $\\ voeg bij : on verg. i i tj i w hj/j\\ kn. geestverbijstenng,

i,ti lij0 plat i.ti }ij ij i n /1 t qs /iju versta u cl kwiji /ijn, W. Jl, 464.

Uivo. \'i ii tjyiit kn. — i.iti yrjgs in afwachting van een of ander onbewegelijk erg. zitten; te vergeefs erg. zitten te wachten , Hh. zie vi gt;ƒ \'li i -V» w voeg bij : i n yiti;uyn liard wegloopen zoonis bv. een paard met den staart in de hoogte-, zva.

2 /. zie bij » inrnj h})^

II van een hoofddoek die als een i n ij yn? hit/i 5 is opgofnaakt: hin njn \'l^jj ( uil j y o eg bij de plaats uit de Tj. {0 ijpj ijitJi? kvj] ) if ih i ? mi ibo na - ? tut .1.1 lt;rm \' n\' \'\'\'/ het vteeschige gedeelte van de nang ka vrucht was niet door

(i i» r i gesch eiden.

20 achter verkeerend tc voegen: ^ W.

14 I ?I yn III. n im 1U/J voeg bij: du lever van |duinivee met een blaauwrood balletje in den vorm van een pnntkogel, Hh.

IGvo. i n iin zie nog bij ^irniiw Cd ^ i\'

5 volg. Kh. ij i n ijyijzs ook zva. 11 n i i.n ihn j sehonderhlad.

H) d/iiij(loi?\\ kn. — i.iii i igt;\\ wartaal spreken, allerlei nonsens vertellen , Kh.

ik iiin iinjis kn. naam, v. e. kleine ronde riviermossel, {Zie i.n i^); ben. v. e. dubbeltje ,. van 10 cents (zie i i) •

fi i n i i.it .• I »;/ / n (\' IV

i i.n f i i

l\'Jvo. ij iit ii mi j voeg bij: ook meer bep. uit suapaehtigheid allerlei dingen vei

• die geheim moesten blijven, Hh.

1\'Ko. » kn. ook klanknab. van het geluid van krekels, Hh.

iJvo. \'iji iii. iji i /ijl S i voeg bij: iem. belasteren.

5 blameren, («.; dus zva. i.i i i 11. ijn 11 1 f m poet Bab. jt: ri ih^i . i ij i.ii\\ proza B. T. Dj. 687.

i vo. i ij^ i-Ji f i ihn — lü^di r.ithi] ben. van een horizontaal uitstaande hanestaart, .

11,473) Hh. vrg. iiiSt ingt;vgt;ii^\\

ovo. volg. Rh.\'ondergeschikte van de ti^ u] i ij u j i i/ quot;f I vrg. h tj ij h ijjj w 13 Achter it/iif i rn.m/j l. zie ben.

I5vo. ii\'iini\\ grondw. v. uinl^ ; nw 18 /, zva.

\'22 voeg bij : n i n m herh. v. im nv l4vo. stofgoud nl, in KT. en volg. (i.

-ocr page 23-

Kol. regel.

a 14vü. jyym kw. zv({. ri • ij t.u i\'i i:i j ij fit tin nn in.ui.Lii ^ kn. loshangen of

lobzitteii (losgaan is t\'iy. • .i ij ui).

a 2 voey hij\\ ook zich regelen naar, ij vu r^i i i n ? ui n (\\\\. II. 375) zonder fe

letten óf aoht te geven op omslundïyhedfn, personen en:..

7 ook zua. n;) hn;\\ niet het doel, met het oogmerk om: om ; cu In IV T. I)j.

517, met een Iniutznchtig doel iels of van iem. ie/s tniehten te verkrijgen. tii.rnsin tot lm / m m dienen voor, \\\\ . II, 305,

ivn n ui/j ook even als ip: hy e/i ij i i een van dr soort van.

u i i n hn/j zie ook op ij iti ij uj jt hup Qvo. /. verzengende Oostmonsson enz. en zie hij irnhnj\\

14vo. voey hij achter , quot;nithollenquot;: (Dam. Woe.).

8vo. *11 n ï] hn/j\\ kn. iaterj eetie: wee U! pas op!

5vo. o. dansend of trippelend rondgaan, een kring maken, vry. ;) gt;] ,n/j 10 voly. llh. eea peulvrucht\', als de orueht drooy is, rammelt die in, de schil.

\'j ii t ij f»t ij hu ji gt; tj gt; it i,h js gelijken op de fiym rj hn ij-n? nt rainme* len als die peulvrncli],

ly vullis volf/. Rh. kn. sehattenrijkdom : bezitting, xoo ook hij (i. VV W . ycven

alleen op de bet. van geld ///, als ku. van LOj /1 i.n^

5vo. / ivy ij ij rii \\ naar volgorde; geheel langs, de geheele lengte hr. o. een strand. 3vo. Voey bij-, ér tegen op zien, dit of dal te doen.

ó ily.i^.iii .a n i / ƒ zich goedsehiks, zonder slag ot\'stoot . vrijwillig ondenverpen (VV. 1,2). 17 fiuiuLi i\\ zieli aan het hoofd stellen van bv. r. troepen.

lOvo. uu ij i ii ni/j ook verk. ij i n inj en zva. ia ij 111j /y \' u j i i i ii\\ Hh.

iquot; o O gt; ... , . -gt; .) )

lo yi.hiii!Cii\\ iem. zijn zin geven: ook {oj : i hu n t.n iirijj) enz.

23 i.i^ \'ij i,i ji^ ij iljI i \\ ook het te rnilen voorwerp; een obj. in rnil geven voor een ander, IIP. 30.

(ivo. i n n uji kn. lakken of bladeren tot aanvulling in een dairt , llh.

I\' ^ quot; quot;\'//x rnijen : uitvallen van recren, van haren, enz. llh. zie ij in Mjisi s n ijs 15vo. tji nttf m m/j tf i u / ifm tj m . n? ij gt;» 2 n i/j zn n/ 1111 \\ naam van

een lekkernij, van rijst bereid, WW 20 in ijm] »1 ook rustverstoring.

17vo. staat ijihii t ij 1 Ivo. I/I zie o\'ok op de 1 1 \\

8 Lirnï nol het vloijeu, panijen, tronen, ij m m 111/ \' een lijne geslejieu struik-ruover, die een ander met moolje woorden van-zijn goed zoekt te berooven, W. 1,(17.

1 /• O CJw o 51, t _.

lovo. in nfin n izz ij i n ij ii ijiin rf ■ i i\\ steile kant, ravijn?

2 ili oji \\ invreten, al die|gt;er worden van een wond.

24 .\\ji 1 n ij } h \'*i ijx71 • gt;i een wijd gevlochten pagër. i. n tf i n n ij i n \\ als znlk een pagër, e n ha ie opgesteld, W. II. 507.

^ 00^ hen., voor onze tientjes.

lOvo. ook wel iem. nit den zadel ligten , den voet ligten ; t-n een object niet ongestoord \'wiems. bezit laten , hef trachten te ontweldigen , onyeveer zva. i ri.i^hn^ B.T.Dj. 5] j. JO achter jonge luis , voey bij-. kleiner dan i. m \\\\

21 achter quot;fiy. uit dr uk king in te voeytn: {voly Hh. plat} voor, enz.

BI.

28

22vc 9 20

39

3(1

31

32

33

34

»\'i5 36

«8

\'M)

-ocr page 24-

regel.

18vo. üocy bij: doch zie lt;.-c W *11 (hiq op ia k \\\\

14vo. voirninp ions, maai nemen tiw. voor een graf gt; hem den dood vooi,öj)ellen of aanzeggen , W. II, 57

13 vry • iLiiMn^h ufj \\

14 zie iL/ij t,n

5 i n hn Kii iriaaji\' voor un gt;.}i n i. himriinijj\\ Tj. zamen den bijslaaj) uitoefenen. 13 /,n Mn ~?rhn mi Idelen verzinnen om li«;t een ot\' ander gedaan tekrygen,

meest in kwaden zin.

15 i. pl. v. quot;ofquot; adder urn ku l. volg. Kli. gehr. nyn (kh foil -ju h tt 2 iungt;nn ;kiji \'volg. Kli ook volhardend RP. 101.

i8vo. rihniu\\ volg. llh. ook plat voor den bijslaap uitoefenen^

0 zie ti Ki n t\'ii\\ HV.

\' \' lt; o

lOvo. vrg. KHitinihii en \'• u iun hii bij gt;hn hn\\\\

9 in dtt het. v. ingrediënt volg. Uh. gebr. i n ij il.u arinw

y Vo. inrjuiKin tjMi vo/g. Kh. ooglid, geleding; vrg. ij-m i/né^i ^,1

volg. 11. v. K. spreken de mannen v voor het gebed, de ad au hardop, daarna de karnat zachtjes , en de vrouwen alleen de karnat uit.

IHvo. /.: of volg. JR. van een barende vrouw.

I i vo. voeg bij achter: igojms KP. 97.

14vo. i n ie) i n i.i n hi/j RP. 103. intr. ronddraaijen \'Jvo. tuij^ i\'lt;f \\ {(tial.) zvn. n.trn iLi^ vdHr.

5vy. 2. \' liL(li behoort bij hi^ac^w 20v(). welligl Tl\', zva. iitm\'yt hn ~/n ij hii * v.

II vo. u i.n.ni of rtiiuihnji wordt beter geplaatst onder de i.ti\\ het is immers het Ar.

{aldus te verbeteren}, Jb.

3vo. /. h/j i.jdc^i.ni H.

7 * voeg bij: op hetzelfde punt, zoodat hij als het ware stil staat. t:i Ca(Lci/j of \'Lin-i

ui j ook sterk waaijend, stijf, pal staan van den wind.

]5vo. ij L/iu n tj i,ii/ L.i n i/f meer bep. geen uitwerking hebben van de zoodat de

visschen niet naar boven komen drijven, o. a. li. 181.

o ) o )

ovo. vrg. ilw ttlt; i i jh ik iUijj en

lOvo. fji (id on i ook opkomen, ontvlammen, bv. v. moed: ^ri.jj n mi ^ilis W. II, 335. .2vo. t:i icufifls0;rtj zich opstellen om tc vechten bv. van troepen.

21 Voeg bij: (Lii ki (Yii/j—tui an Jij nu (tryj nazetten, vervolgen.

19vo. het binnenste van de bamboe, nl. de bast van de schil ontdaan, Rh.

J8vo. achter onmiuusdmop/i 1. J. Br. ook «ji rn iCisfun ari/i of lücrn lusd/nim j\\ 7vo. hinden, nl. met twee knoopen.

ovo. iifn (L/i tfC p n Ki). (Sri T.) tin (ki htnui tun \\ in vollen ren, zich half dood loopen.

Cv)

9 li isjjj\\ volg. Rh. nl. met het hoofd vooruit en het ligchaam gebogen, zooals Birna wannneer hij amok maakt.

10 ij it\'i rj fait tj it i tj thii n uitsteken bv. v. d. tong. ik iw) trti (hn zie «k

. 17vo. of M-rt x^ utt hnjj een soort onharige padi, kleiner dan (i^rrin^

it^ri ruji Rh.

1 voeg bij: of w ij (untwjj en tj^ipn

-ocr page 25-

VII

131. Kol. cegel.

4S a 7 Voe(j bij {cry. bij wfjami ki ) en ij i n t t tq).

„ „ n quot; iHMtp in zamenst. zva. i ho. ii.ttsy (trto^\\ om uitlegging

verzoeken; in \\VP. 244\'; i i.i\'u i.u h?i\\ cour .i;i innmrl hn \\ (in hel Mrtdoereesch

• li (\' ,

X T ^ quot;gt; X\' lt;■gt;

f/ew. (EiijiLiifij^ n t y N ,v\'\' 7\',y/^y \'\' ^i\'/\'y ,;\')XN

/ ) O 1 1

;/ -/5» 15vo. Z»/;; (isiii\'^n-n rj hn u li ihiis een doodstijding brengen.

O \' )

« 1) 12 slaal vj hm Mus L. ijiun?mn ^

// 1 (ivo. tj ijm ifLti Hiyi aan HU. w^V/ bekend.

40 a l.\'ivo. /. en anders , of anders , enz.

50 a 18vo. /. overwegen.

,/ // 1 Ovo. KiiiuH(i5rj\\ j,ii i] tu i.i,] u/\\gerekend kunnen worden; men kun rekenen, dat.

« « 18yo. 1. geacUt worden, tj i urn ij ook onaangezien, al was hel slechts, \'t doet

er niet toe, al is o/ was het maar, VV. I, 09 (CP.)

„ b voeg in: un (hn liili\\ zie i-jI ti}ien imnniw

51 a 10 otter (Aonyx leptonyx).

« b 22vo. {vrt/. n ^n) — nr.)i ij kii met drilt iels doen.

52 a 2 in \\VP. 212. {dialecHsdi of door verwarring van de bel. van hel Mal.

lagi mei hel Jav. m rn) i. pl. v. Kir! ,u/j\\

52 # b 21 uikmoji,] volg. Hh. ook smakeloos, zouteloos.

53 b 8vo. oo^ trouw; en bij de uiu.hii/j zva. in iLi\\ toestemming.

54 a 12 acltler l-i ij iaè uifj Voeg bij: zie bij uimjw

\' b 12no. voeg in : vi^ ki —- ? zva. il/ii iii nn/j\' W. II, 27.

55 a I ook oorspronkelijke toestand o/gedaante, \\V. f, 111.

v b 12vo. wrang is volg Rh. i Liilhn\\ in de bel. ook van znnr, rinscli, welligtMal. (WW.

geven die bet. niel).

quot; quot; üvo. Voeg bij: tyilt;k) uj halfrijp bv. v. e. xx i y^ty.j uu^

56 a l quot;ook iiaji) khm/iquot; schrappen , en evenzoo volgg. regel ••ook ifti i i t.i jquot; // // 23 hinuj i^hi\\ kleur van hun on, met grauwe borst en bruine rug, Rh. • quot; y 1 \'ivo. quot;of urt ki li,jquot; schrappen en eveneens 8vo. »van daar welligt,quot; enz.

57 u 16vo. voeg bij: \'/*\' \' \'vf\' \'f\' \'N fr^(i\' ■ 11 ■ 515.

» quot; (ivo. iKinyij ilw zie bij Uj uiw

quot; b 15 voeg bij: eig. door een beweging te kennen geven , dat men tegenzin heeft. —

Y j.iu/n het gezigt afwenden , als blijk vin afkeer of tegenzin. 5(.) a 10 Voeg bij: (in i\'i \\ de jiersoou, die erg. geposteerd is om te zorgen, dat het wild

* niet ontsnapt. — »mV»m erg. een n n i\\i plaatsen t»/\'als ly/Wox de wacht houden oj).

59 a () l. een obj. vastbinden {jn VV. II, 520 wordl van Ar dj oena gezegd, in i n i rnui/j). quot; // 10 voeg bij: of öiiois — \'Kj i hi/iyt i\\ een li van koper., geto. met een spiraalvormige insnijding, in iegenslelling can njj\'tjitun^ n i\\ mei een schroef in een busje of moertje.

quot; . b lOvo. n/h uihn iji/j goudvisch, Carassius auratns.

60 a 21 Ij ui IJ(UI\'HI,H ^/n ifumn^ eig. bij den arm vatten en sleuren, Kh. quot; b 1 erg. v/n aznasiijf\\

quot; quot; 19vo iUn tui dsn ~/y^ rui (hi iij \\ volg. Rh. zva. fi/iinriah ms\'doch (i/nunuii ~/iiJJi(isn/j heeft de

opgeg. bel. van al wat dient tot behulp enz. {zie nog am ui lï/^ bij ukliijj).

61 a 2 voeg bij: 2. — iiumi/js in snellen telgang gaan (Men.)\'Rh.

-ocr page 26-

Tn\'o. ook iets gissen, raden.

lövo. voeg bij gonzen, sulzen bo. v. e. h?i iunn hi/j 2. linnhiah. van het loeijen o. d,

wind; .cid ben. t.j t ! t^ Liw vry. ouk /j j\'üj^

12vo. out\'*/ hij: iets overnemen hv. vuur de halve waarde, enz.

i/n tj im m ^ n ij iL,iim/j voltj. Hli. nuiipen. -— iim tj nit ihi , n ij n e/tv een

nabootser van aard en tj ijnn nï/j jof i ] ij tut ,hi . / ij nn iuiji\\ partijdig.

22v(). slaat nn ijttivu ii ij)111 \\ l. iiri ij ili t fun ij — inij 11 rt tj uli? ii tftii tj i,i gt; in

tjni^ WW. — van li ii] ij n 11 ih)/f spiegel, is het ki. iukiJJii lövo. (uy.ru luty een. yroote bijzonder ijevaa rlijke slanyensoort, een soort Boa, die

mmschen aanvalt-, Kh.

17 Voey bij : i j ij u rnijj in iii .v\'ij zva. i ti nn n nyn Asrj \\ K li.

I3vo. de bet. in iets berusten, toestenuuen is van (JR.; in de fuj. het. van slikken,

A.lji S. 259.

I y run lt;n.j zzi n il n j w (Ui ij r n irvi \\ zie ben.

22 ui ij tmi ij gt;li j i ii iKijj ziz li ij h n i »1 tu? \\ Kh.

9vo. t\'oor li ilhui illi ij r //(|J ook li iCru ijnni of li ili hijlh0; vry. noy (ki li of

IH) li t.l tJ) (iisil lèl (ICI LI ui, - hl! ili).

(CS ) o lt;0

10 is een zeer hariye soort, die bij aanrakiny ery jeukt, i.yui n.

rn ijj\\ \\V . I, 62; (ui^ ihii/i zie op \'Uj nLj \'M/f\'

i2vo. (Uii fiui (uy a Lj \\ een soort cottier, die tot aan den gordel hanyl, W. I, 23. 21 ij uii n ju rij i n/ ij ili t gt; doen uithuugen van darmen, VV. If, 870.

20vo. bij li ili hnn vry. ii Linniqw JUi.

1 9VO. (uil nru^ h n/j TP.--■\' lii \\ vry. tun (ljini^

12v(gt;. in A. 24. r.Miy y rn y tu m/de lendenen buigen.

Svo. • l u,, luntj in hn/j is het ki. ilj^w

18vo. f ^ uphiij voly. Kli. ook va. tjpj draaijing iu de maag krijgen , misselijk worden. 13 voly. lili. if lii ij n u i,ii/j van een wey, niet regt; niet de kortste {uiiin of ij i!) een omweg.

k) I ƒ • \' ^ O

ói bij i^njm mhn ju iu lu ij vry. uiriiLii/j —- ij li? hllhh ..n niiyitLhn ihi/j\\ om- en

omkeereu, zooals een smid een yloei}end ijzer.

18vo. luimuiui jiniLKul/) ook voorbode, heraut.

9vo. i. pt. van aniLiAxj^ yebr. t.y injj llh.

Ivo achter slokdarm invoeyen JH. achter slikt invoeyen K. , voly. WW. tui i :iaj_.Li ihijj

het binnenste van de keel; vry. (uiruunji nij ij\\\\ 0

() if ILrif if nuuyi — ^ i 11 tj n tmq hall\' ery. uitsteken v. e. \\im\\$ voorwerp , bv. v. e. kris uit dek y or del, ook wet iilt;Lii ^ n nuiif, buitengewoon lang en dun zijn, van een mensch , Hli. vry y urt ij m ilii/i \\

23vo. de door (i. opyey. bet. van weerlicht bij helder weer is voly. Kh. juister. 18vo. V.oey bij-, ^bet aanhoudend uitsteken der tong, Rh.

lOvo. boschhaan , nl. Gallus bunkiva.

17 nl. de F al co coerulescens, Horsf.

21 vo. iuii ili OJ. zva. /. n iu ili ihijj V vry. het Madoereesehe tun y /t/y ^i^ w

18vo. (uruiL^uui ook fiy. treurig, bedrukt (Tj.); vry. nm y 1112^1^

5 I H ILI I I ili/J I zie I.UILKLi tbnos

-ocr page 27-

IX

regel.

U \'\'l\') \'\'l1r)\'ir\'Jl \'* poh- lt;!«•quot;\' kromgebogei. luml yuij hel vlak waarmee- mrn wrijft of fijn ui unit ivat dikker tl a u tnnt het hu u \'l f d/). om ïjjimLël nt\' tjubé lijn te makeu i ook- i^ \'im \\ i/en.

l(VO. \' quot; fi i ij itj \\ bij enkele stukken, /u. Vfiu lircede t;n platte vocjl\'vvurjiell

voorat va» vleesch met vet doorregen, nel ah iiiiiü,Ki/j; vn/. luniajifi eau WAV.

llivu, .1,11 :)i IJl oohj. HU. fllXll I.hi//\'

Hvu. debet, zdo! is van R. (vrij. Ziim. \\\\ , II), vohj. lili. mmi- het seliijiit; vnj. n ui igt;ii ij LI bij hn 71 i.i /./yN

2vo. Voeijhiy. r w iLit\\ rijk v. e, vaiiyst, een visscherslerm , Hli. 8 iu dftuiijeu van een olieyer, vry. tuojtw

15 achter \'can de handen\' voeg bij: quot;om iets over te g-venquot;.

lOvo. /. IIP. 138.

\'Jvo. /. ij i::i c.i •

8vo. /.iel» iets verbeeldeu V P. L 1 , 53.

I\'.) i. pi. V. ij i ii i^Lj ij gt; .i nt ■. /. Ifm^ifiui,^ ZO. 1864, 250 volytj.-, zit nmj VVilken,

Aiiimi»me pg. 57, volyy.

7vo. ifum iliivii iiï\\ til. i.1 het ilwiivshout vóur ainu, ilea boom {i n i i t.i mi j) vuil een ploeg (DMiy t-10 of eg ( Iiy H Hl j) uan hetwelk ile trekbeesten gebonden worden, (\'i\'. :!\'S ri.L n i.n ij li t.ij zie evenwel bij i n ij hjhhiji en op j t .

19vo. I. ii i ii ij t_i zva, i. ii h\'njiii ij iui [teyeuover ! 111 li I n y;,; \\) vocatief /wager I (ivo. lUiyu ; omschreven door ninii.ij.y u \'/»« i/i i w — ui i.i.j — , „ i.uiij\\

{yohf. Horsl\'. is er eenuj onderscheid lasso/ien dese voyels, de eerste geeft hij o/i als Ardea javaniea, de tweede altt A. Sinensis), een bruine wntervoyel, kleine)\' dan de gt;1 ctné u)ihn/j Rli.

17 achter rijsluiesje voey bij {nnihjLnwjy

l(.)V(). i. J)/. ü. ij I ) i ij (LI ljj\\ /. ij m i rj (UI /y N\\

11 vry. bij (im uj ni\\ f ki.

U ijiiijMijhn^nijnjihiij I. pi. V. i.iiji.iiiiinij met-de vlakke hand slaan, W. 11,336.

1* vry. ook iji^thiijj HV en i^jf 11 ihiijj \\

16vo. voey bij achter \'bamboequot; ook luiuniu yen.

9vo. de bij 11 u a^/j opyeyeven bet. quot;ve^scllalkel^, \'is twijfelachtiy\\ :.ij berust op WP. 212. 5vlt;). Voey in: lii ij ~ukij beu. v. d. d t ({m m a of hef oe te eken.

(Ivo. Gulliiiula orïeiitulib , llorsf.

^ i- pf\' i\'- quot;Oiitkieluenquot; /. bioeijen v. yew nekt zaad.

20vo. voey in: *nLjjjngt;/j kvv. zva. n n ij n ~ i iisi/j

18 i:i amp; . ook zijn uHwstc best aan iets doen {vry. n\'.i quot;

20vo. vo/y. Kli. is de 1/11 ujj \\ een kleine boom met dorens en ijzerhard hont.

^\'l. d* aitroep ni.ty bij een- yeval van pijn terngyeven met : aauw ! i n uy • ook zva. tun i,j ? \\ zie i.j ^ w 11 Voey in : nn/j kn. een jonge ui luiihnqs

Ivo. overal verstrooid zijn, uit elkaar vliegen, v. veerea, v. losse haren, enz.

21 \' /\'-ƒlt;ƒ I het oog gevestigd houden op den wil van ...; volmaakt

bereid zijn om oj) te volgen den wil van . . .

8vo. Voey bij: i.itin]i^n K^ u k.

-ocr page 28-

regel.

5 Da woorden (uniuht iy en nj^ ihi/j te brengen op oorïtje kolom, — xmm m Jn

ui tj ij di i\'n mi/j zie bij ri unw 1 9 ^ hJ Hi j.1)1 I = *1 gt;j lij Ij ././

(Ivo. Vul(j. Rli. Lel. li i 11:* n hi i alleen bene [ilivnts voor roovcrs «/rfcry. iii hinderlaag, en komt de andere hel. Ine aan u n timmip

8 ij \' i if lïi\'* zi\'. ben. ,

« tnijvcS^ Mig. Rh. iels iillcen doen, iets ullecu bezitten;

i.j\\ Wnj. 1, 92. hij is de sclioonatc van allen: zva. i.n iij ij i i.u.-ui ij^sfij i-r\') A sie hij ij \'J uijls 1:5 ery. \' ï ij \'-quot;n Khj bij **

15 hiiicj iS\\ de éen , i- J \'ƒ \'.ƒ ■ de andere.

Mi ■K,iitS.iS,KiiS\\ O.) ieder alV.onderlijk, een vooreen,

ITvo. M Ij is/\\ eus. zal moeten zijn geld geven op veldvruchten, eiy. als die nog groen,

nog niet geel .siju (erg. im nMj)), en zoo:

l:ivo. van den eigenaar (boom- of) veldvrnohten verkoopen , verlmreu (til. als die nog aan

den boom of op liet veld zijn).

8vo. nl. Turdus viridis, Hors/, of Colnmba veruans

.\'ivo. geheel laten loopen, geheel vrijlaten (vrg. i itimiu^fii/ hin); ooi met opzet

of met een bepaald plan iets doen, Rli. vrg. ir-• n iiy\\

9 ilii is \'Hi/p enz. schrappen.

19 eeu Uoedaleeraar (i.i.nn i n iiyhj\\) (JR. een kluizenaar, WAV. {in Way. verh.; zie

Animisme, Wilkeu, (»1 Noot).

S * ) s • /

llvo. i n ij tcs \'of ijïi rj tK zie

8vo. I/ra IK:gt;\\ voeg hij: vooruit berekenen, voorspellen, L. 4(1,

4vo, zuo noemt een vrouw wel eens uit fcederheid haar man.

Voeg hij: «/hik hji^ zie \' \'j \'ij ^

8 wilde houd (Canis rutllaus). *

22vo. i\'ij \'-j 1quot;^ volg. Rh zva. i i *\'\' — \'\'/ l\'}i V \'! \'/\' l\'r^\' 01) makeI1*

ISvo. eig. van eten voor lief nemen wat er maar is; iem. onthalen zoo goed mogelijk;

vrg. W, II 397 9vo. I. Kramiï van r ii iumiij en in poëzg a iiit/ij^w 15 ,1^1^ (of t.iyiiki V) \'111,111.11/ = ynkt-nMiKti,! »ie y*./*

12v(i. Voeg hij-, zicb met moeite staande houden. nmuK ,mjj,i.i!tii(ijii iiii\\ B, de schouders neergedrukt hebbende als bezwaard door eeu lust, neergedrukt door een zwa-reu last, Rh.

9vo. achter goedkeuren l. kw, VV, welligt nva. goede reis wensehen ?

(4 ii tuaa Jfin.ur. als ge \'t goedvindt, i/iï 111 ... ojnxu^ zie ny

7 tj (i5ii i i ii Mj volg. Rh. TP. en iJifj (niet i-i ij iij ) K.

3\'\'lvo. i ij gt;1 lil li \'iy of i 1 ij i i-i u\'j] het geluid van een hert, zie i.ivjnnw

IGvo. t/lun ijiwimn^ — y i i ijrLu ijiilt;ii ~iitj twiKOfizva. i/it/n^i-cr^^nu».^ zie ij

11IE/I lYj (LU IHUJI

5 Voeg in: \'(unMAiu^ zie tf tui ujjj\\

33 xm nu i^jiiHyi glooijing, helling, Tj,

17vo, welligt heb ik ten onregtenaar n wj. bii , ii ^ii/j eengrondw. lt;ui\\^njj vooronder-

-ocr page 29-

regel.

stelJ, i\'n is ook deze herhalimj can t, n(iajiibhfj af(jeleid\\ zou ook (tniLW tbti ~in(L/n Lii/j can gt;hnlt;L\'ii(hiijj\\ WW.

iUvo. ftJYi itu (hHij\\ a?i li.i hnjj éc\'/i kaart uit. ile stokkaarten trekken.

5 voUj. Uh. is i ii LLi i ii j een groot aehepuet; vry. i 18 voey hij: vrg. u • n tt;

lövo. Turtlus varius of Ardea einuamomea , Morst\'.

Ivo. v. gronden zv a. l iiynajijii of a/nnn (v^yi y 1,11 w

2 /\'ü^ iy; A.iaAjjj^s zva. iLiijn 1 (i\'. Oi/. Z///^/-. «yty u (Hi w \'I j.

14 i h til ijj ui ij W. I , 82 , welligt m lzt 11:1111 f 11 stil, bedaard?

21 achter gt;/. RW. (w/* w J. Br. 130, slechte schrijfwijze 0. rjiuniitu nii/i\\ 2iHo. lroeg hij: dreigen ointcvallen, vooral 0. hooge voorwerpen als hoornen, huizen

en derg. Jig. v. me use hen en dieren.

lOvo. ^oeg hij: volg. Uh. ///lt;V beweging van hei iigchaam.

10 achter zich verkoelen, te plaatsen (1. — * .nnjuji itq z\\vak en bleek door ziekte.

Voeg in: n n ajhji.n j gehr. voor ij 1 hjai iiij

.ivo. ook naam v. d. residentie Prea ager Herent schappen; ea zie hen.

11 de uitroep n 111 u of 1 gt;1 111 (kort uitgesproken) van pijn. — {maar gerekt) van onverschilligheid\', och! och kom! Kh.

13 iL.ii ihi 1.1 bii f \\ een ziekte in het rijstgewas , waarhij de hUiren wit vj or den , Kii. l3vo. \'UWiVy riiHjiL/ruti mi n\\ W. 11 ,••1-78, eig. je zult geen plaats krijgen, d. i. geen plaats of gelegenheid vinden , om mijn slagen te ontwijken, of ook wel je zult je niet kunnen verroeren,, zva. f.i 1 i i.n ut 111 ij 1 nsw

8vt). f oeg in: in of ii ii(:ri\\ zva. amp; 1, t,) - Hh.

-3 «

1 17 \' ^ - O

J lt; v u f 1 h 11,1 zie. u hii/i

12vo. Voeg in: 1 \'n rj .tuin) ^ of tj 1 11 ïj ui ? zie ij iritx.1/]

(Wo Voeg hij: — een zamentrekkende beweging maken met den mond of

anus. — ii/ti/Ei(in ^ 11 tuiji die beweging, Rh.

•Jvo. i.n niajn ti(ini Liusik vraag verlof om te gaan sterven, va?i iemand, die op een gevaarlijke espeditie gaat en zijn leven veil heeft voor vorst of vaderland, o. a. W. I, 57.

8 1,11 tn iuji zie fjitiLi^

9 Wettigt ui qayn\'bi 11.1/1 een spotnaam door Nala Garèng aan Ardjoena gegeven. (W. II . 274) Rh.

23 /. droom, het voorwerp van den droom.

lOvo. m »ƒ (uil u , j n het lijkt wel.

8 ^ ri rti1 \\ volg. Rh. van een vogel naar beneden, lager en lager vliegen.

1 4 Volg. Rh. ij 111 rn rj t? ~ / np zva. rj run t n 1 m nn of ij mn ? n t m ».\\i maar dikwijls verhonden met ij 1 /11 ? m t l,{i Jï w

18

Volg. Rh. ,hiifji y.11 Jnr 1,-.1^,11/1 inir. siilijten, bersten, (W. II, 482); ook zca.

Ci t/i ^/1, ii Sn i i , / /. ii/i ?

■n, n —\'1

22vo Tringilla stricta, Horsf.

16vo. Nectarinia javauicu Horsf.

Ivo. lii ti ^j\\ 1111 zie aid. —• i_i^ ; i .j\\ kn. — snorrende of gon-

-ocr page 30-

vogol.

zende erg. omlieen vliegen; zich erg. op neerzetten, br. een bij u/i een bloem,

een vlieg op een wond, en dery. Kh.

.\'ivo. Voeg in: i )) ri ^n.n/j kn. sterk van tabak.

Ivo. nl. v. e. m tu »ƒ \'bh è 11 gt;hn/j\\

4 i. p/. v. 11 ti -jj, hu J l. i i

10 eig. iem. inpakken. — u - n,ii n ri 11 ~i hn/j (oo/1 i nj i i i,n . il^ li 1,11 j) in B. \'I\'. Dj. 479 eer iem. zoeken te winnen; ienis. gunst nfsmeeken , afbedelen.

r- ir • . ) ) gt; ) •gt;

i vo.. / oef/ m; i/i) ij fii iWfj l i if H ma/i ~ ii tjiu i m/j -i injj t / i i i/j ~— i ) lt;u ibvji i m uten/j Kli.

3 onder if* Hi \\ wordt ook verstaan eenige dagen voor liet hnwelijk of een dag voor

de lj ui li geen t\'eeatelijkheden geven.

(ivo. /. tl\'. (///. met kleinere kapitale letter).

Ivo. Voet/bij : i i .• i . j ki ^ tegen iem. /nik een poestend geluid maken ,^/\'./lt;/7 minachting.

/ • .quot;) .o ,quot;)

t, pt. V. I I / I I l l/f 1. LI f- l KjIJ\\

21 volg. (« de schenkels van een beest {deze volg. K li. / ru] i.i ).

Svo. .!/ƒ// ~ i■!li ^jinpii { n met witte voeren tusschen de zwarte in van hunestaarten. — /y ii i ni/j met witte ki\'nin opbniisehen, van een golf.

IGvo, i. pt. v. i n ij Li jjii hn/j I. \'i\'n ij f

14vo. .^v;.i ii ij \'hi t /j of w ij i i j,!i hfli hijj een hapje.

13vo. Voeg in: i ij li ] i,ii/j kn. niet Vast staan. bv. van een le kleine hoed op een groot hoofd-, hellend, over den rand uitsteken, bv. ran een bord over^ den rand van de tafel, Kh. bij WW.

I Ovu Kaeg in : t n 11 j lJ i.iq zie jj li j

12 lii if.i. r in/j 2. ook i n u m/j\\

14 Velg. Kh. gedurig aan de borst zuigen, vrg. ij m ij .u lgt;i,] bij- ij urn rj ili Hn/js — / ivffi \'.i ii te zuigen geven aan, ook bv. aan de borsten van een drooge min, om\' een kind br. zoet te houden.

•ivo. achter /.^ lt; voeg bij m : i i.n/^ hep. van wild, dat \'menschen te ruiken krijgt, en daarop de vlagt neemt, vrg. ihn i]m/j bij iLn^iimj KV.

.\'ii het art. lIi f i aan lij ii 11\\ vooraf laten-gaan.

( Cf. fl i co

23 i. pi. v. zya. zoo ; vrg. nog »; ƒ /\\

10vo. (rjiLLfi\\ ook het lijkt er op; het heeft er van alsof,

I 1 vo, li Ln?j\\ enz. ook zich verbreed en, hoe langer hoe breeder worden ■ewem/.v bv. een rivier, Kh.

21 iijijx bij het vechten van gemak\'s ook den bovensnavel van de tegenpartij inden bek nemen, zoodat deze den bek moet openlionden, vrg. imnvr^u n/j

Ovo. I. van weten kan ö/* weten wil.

2vo. i i\'Lyt !Ln ij ii i. \\ ook zva. 11 ij lh \\ iets geheel aan verantwoording over

laten ; vrg. ijti ij li itj\'ni l i ij un \\\\

lOvo. (Lm ili^tpj li anjj is de doek o/* sjerp als boven.

7vo. in huur\\ iem. al zijn begeerten voldoen.

3vo. volg. Rh. heet die kas if.i.ni ij hiu lh j maar is i/n !^ihj ki/j een ring, waaVop een diamant gezet is.

-ocr page 31-

mil,

i\'egul.

2Ivo. WW. schrappen\'gt; en op de volyy. reyel echter \'ZWcctquot; lezen: Tj. Men.

22 Voeg in : n/11 ^r)) nu \\ kn. zeehoofd, GL. SJi.

^ co \'

\'i3 Voeg in: kn. — ui q ojti (amp;) % \\ breed, uitgebreid.

22vo. Voeg in: t n }li/i zie ij x:iy m/j gt;

1 (ivo. uitroep: wel verbazend !

.\'ivo. Voet/ bij: ij hv tuttrotsclitiard.

.\'5 l\'oey bij: * gt; lt;*^quot;quot;/1 zich verheiïen ,• zieh trotseh aanstellen, in Banjo etnas ook

zich boos aanstellen. •

i5vo. Voeg bij: tj i n t h)i ~nj w ivn u-n/j roep hein (u/\' haar) asjeblieit I ij int i,n ~?iiU\'i\\ kom

je moest tocli; eilieve wees zoo goed! /u A. 51 zva. vjirjidtiïiihj\'ij) of

11 hj i; \\ welligt ,\'t is mogelijk.

(ivo Voeg in: iviyKi/j i/n ifj r i Hijj zva. ool% hv. een opening voor

rook of den wind van een blaasbalg.

i. pl. v. tntiiini? I. i ii iU t) ru/

Co \' crgt; \'

17 achter quot;solderenquot; /. JR. op den volgenden regel achter n i gt; te lezen-, n.

ihu /fji.ik of ihiiifjiix k. WW.

co • i\'co

l8vo. \' \' * \'Jl\'f\'ifli m/l rijk met plaatjes van edel nietaaj beleggen, zooals bv. do dol \\s. 5 volg. Veth, .lava 1, 435, liever: mn. v. een reeks geschriften.

voeg achter quot;oorlogquot; G. RW. een ander zie bij i,u u i/js BV.

II Voeg in : i/n l£jjl\'hl\'/l — r,léi } Jt\'quot;l ,n(U,\'8^e vrersj)reideii, zieh uitbreiden van een zwerm, llh.

1 n Po l hgt;\'I r iJ I \'■quot; 1

IR achter stormen op /. Tj.

lO * . . *

25vo. i\'h if£i::i ui/j\\ volg. Rh. ook k. v. inn\'iiitn\\

IK l, ,r.i ii.n iÈi\\\\

lOvo. \'Uviiim ni r i 1.1 ti i i j nijs men wil vnnr maken, en er komi zwam uil; s/tr. voor

men wil iem. ophitsen, wurm maken. ti»aar hij blijl\'t er koel onder, 1\'. 14. Ovo. — fiiiis als een bergrug zich vertoonen.

2 voeg in: in rn\\ poet. ziek, CS. i n ij ny\\ poel. zva. ui\'/ r-j een ontzagwekkende diepe ravijn, m tj nidin im \\ groot, verheven, indrukwekkend,

rgt; o gt;

zva. f 11 i liiji r zie nog bij gt;n ij -mw

10 achter in 1110111) l. WAN.; op dc volgende regel achter gevoelen /. volg. Rh.

een onrustigen slaap hebben, den slaap niet kunnen vatten, W . I, lquot;?, vrg.

)

11 in 1.11 , n ij 11 t 1.11 J

•) voeg bij -, vrg. ij 1 n ij 1.1 gt; t 1^

7vo. voeg in: 111 rij Di/j kn. zonder kris. — 11 n^ntj zonder kris uitgaan, erg. ie

gast komen; zie i.n iy uj tihj 3vo. voeg bij: ook baldadig.

21 voeg in: 111 ni; i) zich op een opene plaats, zich openlijk, voor ieders

oog vertoonen (W. 1, 108); fig. onbedektelijk, zich blootstellen, blootgeven. , 33 * voeg in: tii ni rtijj — \' 1 in open en bloot van een terrein \\ wijd open,

openstaan van een deur.

lüvo. ni voeg bij: zich du idyl ijk voor liet oog vertoom\'.1.

IDvo. .f,y in i ihiijS ook ydel Aan aard, v. e. die gaarne gevleid en geprezen wil worden.

-ocr page 32-

regel.

13vo. I. pl. v. nn\'nr.n l. rj^nx.nns zie de omschrijving in RP. 190.

12 Het nri. iwirn? te plaatsen na iitunarnw

13 t nr.viflt;un iTrifs welligt eig. het zadelvonnige juk , dat WW. vjcun noemen.

18 \\nr\\ i n \\ i v anji ook - (tm i; n »w (hn/j zie i ?» rr) w

IGvo. tisn.rnjs volg. Jb. v. Arab, y.vib.

15vo. volg. Rh. bei. v. rn.rnw

Svo. voeg bij: (lat tragev wordt, vertraagt.

y *

(.) % rjim? If ry? I.nj\\ kn. — if i i ? t) r.yy nti/j zz: gt;ƒ rni ?gt;\\

23vo. Poeg in: i/n r.n mjj kn. — f i r.r^ nj/j opvliegen, opstuiven, van stof, meel en kleine voorwerpen; ook opstijgen van rook. — mnrrj, u t ^rnmn/rvi^ de rook hv. v. e. eig aar uitblazen {zie (kl arri rujj); vrg. W. 11. 515.

() f n jvj) h }ifj i)i.ri hti/j\\ verkeerde spelling voor i v rrn ony — a i r.p mijjs

W. II, 400.

17 Voeg in: inr.r} rrtjj kn. — i.u.n ni/j van den mond y telken ^penstaan; zijn mond

niet kunnen honden.

9vo. ii.r.ri\\ Voeg bij: of tnirhw

(ivo. r.inhii\\ rooder maken nl. dan- iets anders \\ infr. hoe langer iioe rooder worden. 2vo. ?,» id n »o»\\ voeg hij: iets dat rood was, rooder maken.

8 nl. meer bep. van een vorst-pandita of vorsi-tapa.

19 i. pl v. ••roodcquot;\' l. •roodbruine of bruinequot; ook gt; ui gt;(iy» ,u u t nifj gen.

28vo. Voeg in: i n i^ti\\ kn. een soort braadspit {t j ijk in^\\ tj. WW.

19vo. ook zva. i iriiw

I5vo. Voeg in: i ri vi^ zie r.r^ — i ti ij r»; zie rjiiiw ] 8vo. X/n i^i {\\ zie ^?NS

tj 17i tj ip gt; kn . » n ij v.y gt; ij t n tj ir i gt; — tj m tj i,i gt; rj i ?i ij^ \\ met het hoofd achterover en den buik vooruit bv. te paard zitten. Uh.

9v(). r.j i,i ini/js ook van hujfels met de pnnten van de horens tegen elkaar vechten.

20 voeg bij: ook het geluid, van een kikvorsch , ij igt;h yj 11 u hh/j een liedje bij zeker kinderspel y W , II, 481 , Rh.

lOvo. Voeg in : rt mnf li ihijj kn. een dotje om een kind medicijnen in te geven , Rh. 3vo. i i ip 177 i-\'i t t ij hii\\ voeg bij i Tj.

n quot;gt;

7 j 77 in m/j kw. zva. unihinw

20 vo. in ij ii \\ .w \\ .quot;rz; ij i ii ij ri f ki/j tj ,f i rj i i Rh.

lAvo. achter op zij draaien, voeg bij (IM.) WW. volg. Rh. yjfirjrus scheel, krom,

verdraaid van een of ander.

l2vo. Voeg bij: volg. Rh. ,\'iii\'fiii.gt; bloedrood, ook \'van rood gloeijend vuur \\ jig.

van het gelaat blozend van gezondheid, rood van gramschap, enz.

2 kw. bet. van RW.

15vo. i.nrt in j zva. kii ;» nl. van wild te ruiken krijgen van lucht, die door den wind wordt meegevoerd, do lucht krijgen van menschen.

8 ij nu i i gt; vn rj iitrnjj een veehoeder.

11 ij i u ij lit (hi/j enz. het. van #1R.

9 nl. de Megalnrus palustris, Horsf.

2vo. /. een object omdraag mi [yrg. NV. 11, 432j.

-ocr page 33-

XV

regel.

13 ïiiviw iiiHTjj nl. do keunis om enz. RP. 34.

2()vo. in W. 1,3 KHirhtitif zzz 17i h n hti/j van hei aanheffen Man een (finding.

3 Voeg in: ijvnn n kn. fï un \\ zich met. afkeer verwijderen. — rit/ti \\ fig. zva. dj

h\\i\\ ontkennen. — iri tn) n zich met afkeer verwijderen van.

c . q/ . cis o . as ci . . a/-

0 ii/rjiHns -zzz \\ zie

3vo. uyN KN\' — a\'\']i \'3^N onderste boven halen; vechtenden, de een

den ander optillen.

17 voeg in : wi hv hn j kn. — ?ï lai/j\\ geiv. herh. in (\'c hoogte .zitten, BvB. 11,

31 , waar verkeerdelijk amp;Ï!twtmn Hh.

19 i/iynyuvij verkeerde spelling voov n\'/y 1.^11x1,] Rh.

3 volg. Rh. een groene vogel mei rooden kop (Bucco piiilippcnsia, Horsf) bijna gelijk aan onze card in aal vogel,

Ifivo. gaarne herh. rf hnrj ynj inu met het hoofd 0/ lijf d rat» ij en de zijn weer

zin toonen, enz.

4 rihtitmiji volg. Rh. k. v. uittvnyi^

14- de het. van gt; ) nn r) n» i ji ter plaatse in de Men. door Rh. veranderd in

strijdlustig door overmoed.

■ f . .1* O o.. o ,

1 ovo. zoo ook i t hv i.yi voor rihn^i j I M.

12vo. vrg. nog ».7^ 7.) y\\

19 voeg in: y 1 h tj kh n 1 j kn rj rrrj irti m/j tegen een steilte opgaan, fig. strijden,

• twisten van een kind tegen een oudere, CP. zie tf-r) tf tm rn/)\\ BV.

34vo. achter gebruikt l. BvB.

18vo. nl, met de punt van de schee maar even in den gordel steken.

lOvo. nl, zoo maar, zonder mi i rifi ruui/j dragen, dal het op en neer beweegt.

17 verbeter in: een soort sprinkhaan niet lange vlerken, zva. i\'lt;: ^ m ij -n rj i/ys \\\\

ovo. ook kroppen( dc bhrst opzetten van een gemak, die hrani wordt.

18vo. ^tnn:rt 1 ntn/t iems. kundigheden onderzoeken.

14vo. im/j bij iji.tiirtifj *

7 vrg. rj u\'n ij k\'h BV. %

13vo. en zie bij in nsty

17 erg. oA bij iem. zijn toevlugt zoeken.

8 vrg. m f j i i/j schrappen.

2vo. 7 if\' \' i\' gt; \'/f ook als interjectie: scheef!

3vo. zva. (ï*(Ki lt; schrappen.

7vo. ook ry lm/j aandringen , bu. met vragen, GL. 36. — fa gt; )mijj vci\'zadigd , geheel verkwikt door een of andere spijs. * !• n/nrns kn. — f t \\ geleidelijk, niet met schokken, bv. van hei teven tot den dood overgaan.

111 ir?\\ zie ri 1 w BV.

Voeg bij: 1 n tri \\ kw. zva. /1 ft \'» n kI int\\ kn. eig. afwijking, fig. van een belofte. — jr?\\ afwijken, ontwijken, enz. ook fig.

1^ ttttftps kn. zva. tttyt\' K)t 1:1 \\ rj iis7? ti i\\ van een gerucht-, zeker, stellig, Tj. en zie bij tj ti\'tw

17vo. t. iTjr.j t.tj) G. Voeg bij: tyititq zn ny ti nj kn. open; ook v. den wond en

A

-ocr page 34-

I\'ligol

onytv. tva. .1 y,» i ij wilt g«uit word!. .-óo W. II, 469 , i-S^J gt;.-i ^ r.i 1/ lt;14 -1 niot • veel hèteekenend van iems. woorden.

/ilt;\'3 voeg bij: geschikt bv. als vrouw, als teyeripariy, Adji Suku, 174, 27H.

arJvo. Voeg bij; voor het gebruik benoodigd, benoodigd. tjrn i .i.ilm ii ,« onnoodig, RP. 166. Jvo. vucff hij: «jj »m^rm\\ zie bij r.y i:inlt;

20vo. bij God zweren G.; werkelijk komt voor H F. 80: .•\'ƒ ty bij WW.

ontbreekt het, deze geven op: iCckamp;Iw 6vo. . voeg bij: ook fuj. zetel, bv. v. kracht of bekwaamheidy K. G, k 18 dikwijls te verf. door; hij zich hebben, in zich hebben, enz.

8vo. I. rjd/hoii uiijiy en zie un\'riahi gt;

J6vo. ait quot;en en ander opmaken, begrijpen, bv. wat iemand wil.

12vo. voeg bij: imnniun/j kn. plooi, ingesneden groef, zva. m .1/1 asnjj vrg. A rrt.hii/js 21 vo. voeg bij: i n m ru/j 2. k. v. im (fjitrij/j — r» rntjj\\ v. e bnntal voorzien. 20vo. achter Tegal, l.: R.

11 vo. \\n injj \\ voeg bij: in Kvv* zva\' iL,ihquot;ls \' \'c/^ quot;^1 ■{XN

IS voeg bij: zoo in Tj.; ook zva. i. n 11 u i/j bv. ki Krj irfri \\

18 voeg bij: rar.n m ht i\') i,h r)\\ zva. r ? m iTiit.phi\'t\\ \'r i in fin i v h) ta\\\\ zonder angst

of vrees, GL. 29.

8vo. voeg in: (O-n tnij zzr. i \'j 11 mij zie -gt;) ri i.n j lib.

20 voeg in: ^ir^ ry zm /jry ij^iw GL. 88.

18vo. ia i.-i u i\\ zva. i iibii f) f i\\ Kli.

\' cn

-gt; o

o ■ m V) j\\ zie i i ni^w

11 voeg bij: ook zaak of oorzaak (VV. 11 , 563), Rh. j n njnn W. 7, 79, geen consideratie gebruikenj zonder grondige reden, bv. boos worden.

I8vo. ook wel ui 111 m ? zoo in Waj. *

12 i ir^ uj? n ^ n tj hj?i telkens op nienw beginnen en niet afmaken, bv. een werk, 0 iy.ti yi\\ een zaak aanhangig laten.

lOvo. (tri rrn ern ifj\\ zie onder hij in

0 / ^

^ /. riy rj \\ vrg. mi i n

1 ook zva. ki of i*?w

20 voeg in: ly ^ v — j \'\'p -\'*lt;\'■ W. II, 580.

8 voeg bij: rjihtijrizv*

18 voeg bij-, evenwel, toch, W. I I , 70.

1.1 voeg bij: in o.). hiajt. i.n/j gen. 9

7 voqg in: kn. mank, als men onder het gaan de

voetzolen niet vlak en stevig op den grond zet, maar als op eijeren loopt, WW.

21 ui. de Mnscicapa banjoemas, llorsf.

10 voeg bij: of i. n in yii GL. 79.

18 voeg bij: eig. trekken aan den tengel om in te honden {stam rst hn/j).

9 eu 12 de btt. van irm yn i i\\ bij elkaar te voegen, 11 mi i. pi, v. 11iin i i m/j W.

II, 588, voorwerp van het opvangen of redden, Ib. 551, redding? vrg. i i

; ^ 552.

(aI

12vo. vrg. A. en vrg. \'i ^ iri i.n.j en 11 ip mijj\\

8vo. volg. Kli \'i\'n maal {Jol 100 kat\'i s toe) voor droog e waren, bv, koffie cu zoni\\ org. i rn gt;\\

-ocr page 35-

HI.

Kol. b

regcl 2

MS

J 49

149

1 50

] 50

15]

] 50

quot;

quot;

1 vo.

quot;

1)

10

quot;

quot;

13

154

b

9

] 55

a

21

130

a

9

b

14

157

a

9vo.

quot;

b

11

158

a

4

10

159

a

11

quot;

b

18

10(1

a

Iflvo.

quot;

quot;

ISvo

quot;

b

2

101

a

Uvo.

iKgt; i,n )ni\\

io.i

voeg bij: kranig van houding. _____ 7.. O

ij

■) cO

TY^r maar van \'«ngere voorwerpen, Rh.

de punten naar boven zijn gestrikt; vrg. gt;nui n.ym n J , O O \' \' CjJ

hn ntj ïj I,II js

\'I11/\']\'— \' quot;\'VyU\' **quot;quot;• gevoelign snaar aaiirooion , aoodat hij zich beleedigil (jeooell, beleedigen, ouk bcn\'spen , HIi.

lOvo. vaneen aan beiili\' einden naar boven gebogen, Tj.

12 voeg im ~ ij „ „ ijnm = ^ i.i ,.nir-

23yu. 2. uok veri. van in „n,.iï„Srjm— 1»/9 « 7 ^ zie bij

12vo. voeij bij: aaao-n* vaccineren.

voeg lij. 7 y\'\'\'\'\' (eld. ook ij t gt; ij .hi j) kn. ben. van tie jonge (zie tjivn ij ii ,i\\); ooi\' filt;j. vaneen nieuweling in een vak, Kli. 14 de Hemidactylus frenatns.

ISvo. vrg. nog rjaouij n it mi/is 2 iweg bij ■. twiststokcr.

0 voeg bij: ook ij -ni gt; il gen.

21 nl. de Tnrdus analis, Hmtf. v T. bimaoulatus, Hortf. 0-n i» T. onl.roce|ilialïis.

.\'!vo. voeg bij -. boo»; , zie rixjm u\'imi ni\\ CP.

24vo, volg. Rh., niet diepe inhakking, enz. bv. bij een boom alleen in de bast. 4 volg. Rh. beter hlm ~,iM/f ook mondstuk van een Hult.

Ivo. voeg bij\\ ook confronteren, collationeren.

Ivo. uil ij) 7} (W. II, 390) 0], de wijze van. Ib. 373, — —,Jlua *

O.,... Oquot; ai.., ............\'7 I »l.

volg. Rh. vymfs zóo werkelijk in Rs. ilTn ,u i; ^

l. vj rim ri qajn rj iqi\\

voeg in: ongev. zva. zie

voeg bij: het gehad dat gehoord wordt bij hel kappen in een pisaugstam.

voeg hij\', y ui ijmkn. ben. van een blaukwitte hnidzickte aan de handen en voeten, erger dan iuiihi een soort meUatschheid, Rh.

o.TtiJiiimianj voor nSI tu ^r.njaa, o. a. Adji Saka 170.

voeg bij; diep en steil.

i It.nji verkeerde schrijfwijze voor

ook grondvorm van op,^ het plotseling erg. gaan neerzitten van vogel,

zie

eig met kromme ellebogen voor het eten zitten, met het plan zich eens erg te goed ie doen.

voey in : i gt; n

V \'gt; — Ip.wii IIUII,

gesticht, aangelegd bv. een gehucht.

4vo. icm, „it zij,, hëkSlsehap werken, hem xüi den zadel

ligten.

-ocr page 36-

lil. Kol. regel.

Ij fl «.«i.-ij iujI — i.jj nitsprniten, opschieten. — ^jonge spruit, loot,

uitspruitsel.

„ 19vo. of urn. v. e. heestergewas met een vrucht, e»ï.

„ b Ivo. »rj hu *\'/ \'iV :llt;nJj enquot; schrappwi.

J (i3 b 33 voeg in: gt; ) ^ quot; ■] of ijt tlt;ii klnppertanden.

» » . 30vo i. p/. t;.: ooi

„ „ ]8vo. ^ m hij i.i }- if /J komt voor IIP. 181.

„ » livo. achter obj. den. /. .TH.

] {,;; 1 voeg in: dji ittiKi fiq — ; in ini Oi tij iets stevig in de vuist klemmen, B.

, 7vo. .inuiij .uyiji^y heimelijk mingenot plegen, 15. T. Dj. 487.

104 ii * Ovo. ijKDiiayij\' Rh. meent dat dit de ware spelling is voor ijMibiis zie r/noinwijj 3.

„ ,/ 4vo. voeg bij: voor goed uitgeinjmkt, M.

„ » Ivo. ook TP. mooi van snit van He eren.

165 ii 14 de Totanna javaniens, Uorsf.

160 b 10 (iSl.iïl.iuj ook wel sva. hiitoiip „ „ livo. I. mm ón

167 b 30 /. de neushoorn.

168 a 13 ongev. zva. iioij out tjtim niiq-.

„ b 19 volg. Rh. DJI IU hiinn,). telkens in de rede vallen , o/ongevraagd zich in het gesprek

mengen. — vitii iem. in de rede vallen.

14vo. irm n,gt; im/j\\ komt voor RP. 186, doch niet in de opgeg. bet., wel in die van quot;gelijken op Li i li ui)/i of als Qtui,-:y\\ VVW. kennentrouwens de bet. van \\ |

aamveudenquot; aan den vorm toe.

„ » llvo. ook zva. mi hni u t^ Hh.

]69 A Ovo. volg. Rh. ook een hert, dat voor het (Jerst horens krijgt, ui. niet getakt gewei,

oo/c u},jr yen\'

„ b 7vo. voelt;j in\\ rf lU iajj y \' nrj tuiicij)^

\\rj{) -J, G voeg in\' tjdJii tj lUiistyj — ^ i:m 2 ^ uj uiet don vinger 6?^. een streep maken.

bv. met balk of zwarte verw.

„ l4vo. Qhv^mhs eig. en dit verk. van ■ li

a 12 Voeg in: #0) 11 un/j\\ een kleine uilsoort.

„ // 17vo. voeg i7i\'. t- iij (m vjj thj^ tut (i )ji iui i» w ihj.^

b 11 voeg bij-, uiÜyi-iben. van een fatsoen van rm ivn \\V. I, 33. „ „ 23 de bet. quot;Spreken1\' te brengen op de volgende regel achter quot;/.ijn spraak .

„ „ 19vo. voeg bij-, aanspreken, toespreken.

„ „ l3vo. volg. Uh. Qtun^iito/) spreken bv. als menschelijke eigenschap.

173 a 9 i/ \'{-ji i n zie a lOvo. vrg. .7^\'y^

i, 3vlt;). — nl. Sus vittafus,

17;j n 15 klanknab. van het op eans den mond honden; stil! W. II, 550.

24vo _ ui Si gt; van een object vooruit bepaald zeggen, dat het zus of zoo worden

zal, of waartoe hei geschikt zul zijn; een object als het zijne beschouwen nog vóórdat men het in eigendom hoeft,

, » 30vo. f:ljAo)tiui S\\ erg. een gat maken, zich daarin ophouden.

-ocr page 37-

regel. lOvo 15

12v() 4v(),

1

Kol.

m.

173

174

9

Ovo.

S

i9vo,

5vo.

7

5vo. 7

12 2v().

15

23vo. 12vo.

I vo.

Svo.

II vo.

175 170

178

17!)

180

(gt;

13 7vo 16

25vo. 1 (JV(). 13vo. 5 lü

14vo. 15

181

182

njjiti Kti/js ook zonder winst of verlies ver koop en,

izttj gt;n voeg hij: ook onwelluidend, plat.

voeg in: r/ut*1 xr^t j \\ kn. uitspraak van de il als a, bv. koela voor koela.

volg. Rh. meestal regterzy; voeg bij: en met het gevest naar voren, vrg.

CJf

184

i^j} rj Md m/j voly. Rh. een r ij 8 turn mij e, een soort ook klanknah. van hei geluid van ven veest.

. voeg hij: i:mlt;uhnq naderen, RP. 168.

vo/g. Rh met of zon dor deksel; vrg. ccri ijipd mins a:n^ iijiunqs in rp. 13 cflipt, voor i /y ili l.ii .,y /1 gt;ƒ gt; lt; \\n

\'/ \'/quot; 7 j y 7 \'L\' ihn /J zzr. rj f}.D ij M tj ihii ij 1(Lu/j\\ Tj i » ij fji lh/j in Hanjoomas ook =

voeg bij: wdjiwnj kn. klam, vochtig.

P / gt; quot;)

(hj^ f i 7 (»j/ è h i/i ook zva. t-J) (ia K i J v.) ij iiji ?iij •

volg. lili. bijziende en 2. ver vooruitsteken van de onderlip onderkudk ; vrtj.

■\'lé\'i/r

^gt;0 quot;gt; -gt; A n quot;

n^) du(10) in mi in rin 111 A. ()i).

~t . j, r) . 1 .

voeg in: ui(VLj of 1.1 dij.% zie (ijioajiw

voeg bij-. 1:111. 11,11 j versnaperingen gebruiken. — » /r/ook viv, v. vdenTj. volg. Rh. met de vijf vingers iets opnemen; zie (ikie/ïkh^\\

voeg in: 1 irj fzitujjj — un tj {iè ru/j met de volle hand grijpen bv. in vrouwenborsten; vrg. ij (Ei in li/j art) if (tjii tuji^

r.ni fji\' ook j.mt van pas voor het doel, W. II, 482.

volg. Rh. eenigzins vlak liggende, een weinig hellend; gt;u n ui f 1 j \\ eer vlak dan hellend

volg. Rh. een groot soort overdekte praauw, groot er dan .lt; 1 iu 1 iihij^

of liever slaan op de ij um li i,ii/j\\

a-jji 1.1 Si uïiji \\\\ VV. zie cim r 1 r7 7. n j)

in Banjoemas zva. irun2n ojiihn ij ia geen hij/011 der vertrouwen stellen in een of ander.

een zelfde soort plant als on un n\'i (ui^ au^ ?

in Tj. van vrouwenborsten\', a)i oiyj herh.

... fn ^ ■) . v gt; . .) ■ ) .

voeu bi): (i 1 \'fi\\ lii D 1) 1 1.10) 1 zzz. \'.11 1 n .• 1? zie 1 in f uw ^ J co co co \'co \'co

achter quot;inhamquot; I. JR.

cfiiin cnyi volg. Rh. zva. (tci pj in/i zie ben,

voeg bij: Chavica oftieinarum, Miq. Nat. f am. der Piperaceae.

po\'ót. ? R. (VVP,).

voeg bij: 7nmum kd. komt voor in pl.

zie (iKrjmw

de Caprimulgus alllnis, llorsf. de 0iU)aci^ is de P. odargus javanensis. Horst\'.

ie ojIctiii h ti/] en r 1 r 1 .lii

O o .

9-7 (l I II IW

co

voeg hij: iji 101 anjj klappertanden , W. II, 563.

/. kneep nl. in het vleeseh.

c) quot;) ) quot;» ) o

voeg in: uji 7 li2 tii/j .1111^1.12111^ zva. (tJt 1.1 ili/j lih liju/j maar van groot ere zaken.

4 3

13

185 188

-ocr page 38-

]il. Kol. vcgcl.

]8(j I) 23vlt;). IJl Üi) ri\\ liet geluid i ! i/ri maken; ooi van hel geluid v. li. Iluitje van een • lt;

ó) r;i (HTJj of i. / ihn gt;) \' i MJj *

„ „ 18vo. i7otct de neus met den snavel pakken van vecJUende gimak\'s.

„ // 4vo. a» ïj) 2 ii i i è —~ tj niiw

a o volff. Horsf. is de a* .i■gt; Kn/jvn de Ardea en quot;naj-np A. purpurea.

I/ Hvo. achter iiKit\'i fni-jN /■ G.

I) 1 voeg bij: of afduwen, poii/. Tj.

m

193 194.

195

199

ano

Ovo. voeg in: i r\'l hl! i/rgt;) ijn j\\

188 b 11 voeg bij: 4. gestalte, taille, GL.

]s9 „ aivo. volg. Rh. interjectie: i\'cgts om keer!

190 a 14vo. volg. IUi. niiï. Kt. en istj isi| i.» j poiit.

„ i, 11 ajt utn kn. schelp of hoorn bv. van een slak, ook schaal van eijeren, Rh.

191 a 24vo. voeg inx rwVi:gt;gt;u^ vdor andeven te voorschijn komen, bv. uit

een vei menschen vooruitsteken, ho. oni gezien te wovden, KI». „ I) 11 volg. Rh. zonder bijgevoegd m» iHi \\

19vo. volg. Rh. een groen insect met groote holle buil-, dat veel in het gebergte wordt

aangetroffen.

„ „ 12vo. i. pi. V. vj ngt;71 rj aji. /. aow

1, 9 yri^iyrijM* ook een tweede voegen li ij, zich als tweede voegen hij,

3vo. — r) timn jtg. afstammeling, VV. 11, 545.

a Ovo. nnm ui,p komt voor UI\'. 25, bet. volg. Rh. familiariteit; ook TP. zva. «»•gt;.

ar» overtrek.

a 9 voeg bij: overvloed van levensmiddelen hebben, rijk, vruchtbaar v. e. land, IUi.

10 voeg in: oryiLij — ,*y.jviquot;n zva. vitf xm iels wel eens ondervonden of gedaan hebben, GL. 35.

198 a 22vo. r lin t.n fit \\ aan kleine reepjes gescheurd.

ii 2vo. voeg bij: hjIi:ni fuv/J of ^ruian^

b I3vo. voeg bij: niet taai.

a 9 voeg in: n ijl/j ti/l ~ ^ \' W uitval\'cl1 leScn quot;:quot;1- \' iem- eequot; sel\'i\'ohhering ge-

ven; zva. ! \' j

19vo. vo/g. Rh. altijd met suiker bestrooid.

204 a ;3vo. V \'(J in/l harnachcment met gouden of zilveren versierselen; volg. Rh. ook

een fatsoen van een inlands clt zadel.

200 a IS ook vorstelijke waardigheid.

;i 12 volg. Rh. lijden aan de pijn door het podagra veroorzaakt; het podagra heet

2()s

(t

14vo. voeg bij: ook rj-rM

15 en als tweede bet. dat gevoel toonen, erkennen, 15. \'1\'. Dj- l-J lOvo. i-7 xyJ) 00^ zva- mikjh m n en zva. ui) uji i, n lu n denkelijk, mogelijk, ongcveei,

naar het schijnt, W. I , 2.

;jvo. ac/iter: \'brief\' l. G; ei//, de zin, de bedoeling van icms. schrijven, enz. 7 beter: men kan niet van hem spreken of hij weet het of hooit het, vrg.

Adji Saka 173.

10 de Viverra rase, Horsf.

187

-ocr page 39-

XXI

regol.

21 voeg bij: iil. griezelig op het gevoel; hv. bij hel aanraken van een rasp en dertj. l.\'Wo. in den haak, zuiver\'spel (RP. 10, Oj welliyl de hel. van nauwkeurig enz. onl-

staan door misverstand van deze plnai\'s^.

13 - rM.7nn ..)(Y)iui)(lAjj^\\ een heilige omlieining doorbreken, heiligschennis plegen,

eehthreken, enz. de verder Adji Sa ka 174, en Z. II.

13 voeg hij-, om den hals en op de heupen.

12 volg. Rh zva. uit elkaar vallen; zie ook hij [tsy j\\

5 achter -, quot;pass.quot; I. WW. volg. L. 190. (in y ii.i ui. zie bij // ,j / u\\\\\\

13 voeg bij: of ninu^s

I Gvo. au oji n i ajifj met invallende schemering, omstreeks zes uur, GL. 20. 23 l. of wat dien naam hebben mag).

II vo. slaat nivi i n\\ l. m ajw

ici, (fr^

1 7vo ij i J in \' I \'iquot; 1 i/yjij ihn/f en zie (Jj\'j\'i\'/f

9vo. ij^iri nrj udiLiyi zva. ij) n ij lii hoq 15. T. Oj. legertrein.

lOvo. vrg ook nt tjrnw

I voeg in: — i ri lt; mi j---ij tn mi/j of

19 achter l. 0.

21 vo. I. a^iEiu.i f\\\\

18vo. voeg hij: friseh groen; vrg. \'i jiT mis dal abusieve lijk op hl. 490 slaaf.

19 over rajat, zie Veth, Java, 659.

4vo. de \'J\'ermes i\'atalis Juwjh.; \\cth geef/ op T. gilvus.

II volg. Kh. ecu gezellige zamenkomst en gekout ; gezellig zamen zitten te kouten; ook ij n?!} vnu man j GL. ]0.

20 tj ngt; if i nn£ i inji zva. if tiirj mi ; i ni/js GL. 10.

13vo, vrg. tui r/j f i^\\

live, n ilj tï tn i.ii j\\ telkens do oogen open en toe doen 9vo. if i oj/ i i/j volg. Rh. regt voldaan zijn.

12 voeg hij: met rnooije praatjes voor zich zoeken te winnen of zoeken to krijgen, l?h. lOvo. iuil.uji\' schijnt in 13. T. Dj. 100, gebruikt te worden in den zin van ui ivi iLgt;n,j

of act ibii j geheim

? voeg in x Mitiuin kn. 1. nm. van een kleine zeen ossel. 2. dauwdruppel. — ri r] o

n.i^\'i bedruppelend; in GL. GO met druppels.

3 ij ni rj ii \\ r7~ tiecrj n ^.u of ij is2 ij fi iw 5v(). voeg in: n/i f i ^zajjs ruig, digi begroeid van een terrein.

19vo *ifi?ï\\ een mengsel van gekorven paudanbldren en anderh soorten tvelrie-

kende bloemen en olie, Rh.

11 i. pl. v. 1111 m/i l. \'f i \' i gt;hi)/j\\

\' J( Cf I )( .i Jl

13 zie ook ihhon .* i/i\\

11 vo. nog niet vast op zijn beenen staan: van een herstellende zieke, aan de betere

hand zijn, Rh.

8vo. voeg bij: fhww 1G l. tvhcni-iJiw

5v(). ook bep. de bruidschat te hoog opgeven door de vrouw bij echt scheiding zie rn ijw 4vo. if rn rn i.h/j of ij »» rj r.n kiji zva. ijilt;niiiq\\\\

-ocr page 40-

regel.

17v(). (W. 11, 432) in glans wedijveren; (uuiir^u

van een schoonheid die alle plaats vordert, waar voor plaats te kort schiet {■Hini li ijl tn/j) om behoorlijk beschreven te worden, W. 11 , 427.

1 Ivo. achter \'/zijns weegs gaanquot; /. (Adji S.) Zie ge wijzigde verklaring op tui l(Jvo. in ini ihh rn: f ivmihir Ij.

) .

18 achter i/n tj rywh l. W. volg. Rh. eerder — \' \' 7 \'quot;n2 ^

0 voeg in \\ rynr/jimgt;\\ kn. — rj\'t) w % rjri yj vm familiaar, vrijpostig.

20 quot;op een afstandquot; tusschen twee haakjes te plaatsen.

Svo. de Bueeros rhinoceros, Hors/.

12 voeg bij: met zijn heele boeltje verhuizen, VV. 1, 117.

20 voeg bij: vrg. i^hymiq

7v(). In VV. 11, 505. n\'i un hiijj verkeerde schrijfwijze voor n ianui/j niet vrouw of la-

milie opbreken , vertrekken.

18vo vrg. ijiï /. ^ ^ i/j \\

Ovo. volg Rh. ook (Mnmn ui/j of i n

4\' voeg hij: ^rï hn t?.\'i mi krom en verdraaid (^geboren); zie .i-ymiu i^s

18 voeg in: rj ri tj hii n.i/j — rj i\'yi^üir.u/j zzr ij i.i tj hii u.i/j v. \'/ uh rj (wn CP. 26vo. rymM Srun^rnari^ zijn ware wensch, verlangen o/doel verbergen, door een ander voor te geven; dubbelhartig zijn; een tweeledig doel hebben, li. T. Dj. 50. 20 vo. achter: quot;kip\' l. dit volg. Rh. ^Yfw ij-hdi/Kh^ volg. Uh.de holte tussclien de ribben van een menseh ; van een kip, de holte tussclien het borstbeen on stuitbeen. — y ritr^iniis een holte vormen; hol zijn.

lOvo niij rii\\ volg. Rh. de stengel met de aar.

n 1 l ty O O . quot;

7vo. vrg. ook i i quot;i en ^ (rn foti/)\\ •

Cl I ^ 0

2 /. quot;ti tn Mrinjfs

4 wordt lolg. Rh. niet gezegd van doch wel van i^ti . i\\ of rnui iu\\

Cl

en ntj\'ti enz.

16 (u\\ 11cvY)i ij nu\'*\\ kn. plotseling te voorschijn komen van groote voorwerpen, GL. l-\'i.

20 de vorm kii ui ij m 2 i i ndij komt voor RP. 48.

9 zie daarentegen iinh] bij inifci w BV.

quot; quot;—\' ci

12vo. tj i.n r/ njrjnjs \\V. I, 37, deze hier; zva. vnuyini.n?

14 /. van het hart;

]? oud-passief, pooi. ilt;npj\'pjw/j Men 4 vrg. (iék rj (M \\\\

7 voeg bij: ook sirih presenteeren aan

7vo. voeg bij: ij itiiithj i^i ioitj.i:iif ioji van een mooi schitterend batïksel.

Gvo. en zóó dan ook: ij hm iJj i:i in/j als t ware konang s zien, bv. /en* gevolgp van een slag op dlt;? oog en.

if mi uj of ,■]*) citpj oji een konang gelijken. — iliibezaaid

met goiuien sterretjes, ais waren het konangs, W. II, 447.

14 uni ms volg. Rb. eig. een gespannen koord of lijn, ho. om beddingen te, maken.

13 mj) zie loiMr ook verguLie wajangpoppen , zva. „jinrnjs

17vlt;gt;. volg. IUi. uil i m. ongaljruikelijk, en pinken, pinkoogen, gew. hert. \'lt;111:1 M) ruw

14 — ioi i\'pii n.iij\\ Tragnlns Javamoas, het dwerghert.

-ocr page 41-

1

rt\'.M.Tn gt; zvci. njii iin fa\\ iem. naar zich toe toovereu.

i ) o

voef/ bij: ook groot van moedy tegenover tSn li i.i ~ n\' n tj rj \\ — \' \'y \'iV x ((e X.0 muur van de benieng dikker maken nl. dan de andere gedeelten, li. T. Dj. 251. — i tjiUti\\ ook jlg. verdubbelen? zie pi. bij ^usu Knuo/js

tj nn |i7 /ut gt; of ij Hfi ifi i i jij kii yi ilndramajoe) GL.

voeg in: — u (pj voor geld aan de hnizen goor i tan s voordragen bij

l. hol staan; met een bogt van een zeil, enz. voeg bij- ij ixrin rzn ij i tmw

iiuin^n (Yii \\ zva. nbn ini prj (ijii rhi { n W. II, -lö?.

t.. O n -o

voeg bij: nu am (Vj n i j zie mii vj, 11 i/j

ilt;iia^n\\ uajijj\\ jjnn.y\'n uiiy\'ns met gespannen verwaehting; vervelend lang ergens op wachten. rn yn gespannen zijn, bv. van een heel lang touxo \\ ook fig. Rh. WW. geven op-, iwyrj i.myn^ vervelend, verdrietig lang wachten. — r/.Vr^N zich vervelen, verdrietig; ongeduldig worden door het wachten.

van ui} ui\\ quot;spiegelquot; is Kf. u in \' i ii^rin/j en zie oolc i.n n i n m iu bij ini ni iu\\ HTj iois iViHij] is volg. Rh. het water waarin de vorst zijn handen o/* voeten heeft gewasschen, zva. n igt;n* ij r.m ook water , waarin borden zijn afgewasschen.

unij}\\ — i,7 ij)\\ regt op iem. aankomen, vooral van gehoornde dieren, zooa/s bv. een buffel.

de Turdus amoenus Ilorsf.

131

Kol.

regel.

245

1gt;

27

246

11

a

quot;

quot;

5vo.

h

31 vi\'.

■Ml

a

13

1)

:i

quot;

8

«

11 vo.

. 34H

h

19vo.

2B(I

n

,\'i

I)

7

»

quot;

31 vo.

261

a

:i

y

»

l-vo.

35a

a

16

»

18vo.

»

lJvo.

quot;

b

15

35;i \'

a

11

30

«

1)

31

264

a

18vo

.

quot;

li

1

li

3

366

a

31 vo.

b

33vo.

de tamboerijn, elders if: n.jrjy gen

) .

i w uii mi nn m: rjomvj r.nd rmij\\

19 vo. ij 1,112 ui i\'H/j zie vjnamp;i ijrindw *

9vo. igt; ii ui I* ii I. iifj zzi ui h ij un/j een heestergewas enz. Rh.

0 1:11 ij! di {volg. Rh. ook mi ij 11 hn/j) lii i\'ï ui vy f] s wordt gezegd vaneen haan, die van een mindere afkomst is, nl. bv. van een berg haan , tegenover een vechthaan van de Pasisir; of van een inlandsch paard tegenover een Arabisch , in L 185, it 111-li 11 m ihn \\ van minder gehalte?

1 quot;Japansche of inlandse hequot; schrappen.

9v(). HiidJi f i/j r.ri of mi rj uii Li/j rJi zn im 11 ij fin zie i i y^uw — r (vn ui 11 f%i 2 w

(0 )

Svo. mi iiji li \\ l met roode bloemen, ikkji iu \\ zie bi) iïji rn BV. co co ^ co

250

-ocr page 42-

XXIV

Hl. Kol. regel.

257 Ij 17 voey bij: i.n nm. oan een suoiV pla/Ll als du / / / / {\\ mei hndnc blaren

en id. lek here vmch.cn.

quot; ■gt; 7vü. i,)i n .• 1 i n u ) jo ij ij i,n\\ 111 het leven blijven als zijn bloedverwanten gestorven

zijn; vry. 15. T. Dj. 533.

258 quot; 15vo. voer/ bij: IPanys. m i i tj gt;11 jn f ~gt;i a/jy riinijs CS. 25Ü b 19 tjj Kii HTZ ac^ n 1,n ij,7jgt;W. I, 83.

260 b 3 /. n ^ lii/j en in/.11 ^ m/j ben. 0. de twee Engelen, die de dood en ondervragen.

201 a 1G voc(j bij: in vroajeren tijd ook door ouderen gedragen. 0 n-n eni \\ een gëiang in

den vorm van een drank niet ij n)^tr)(i.ini W. 1, 295.

201 a 3vo. vrg. i ) ili mi u- bij uu m * schrappen.

202 a 19 volg. JUi. gerinkel, gekletter ook bv. v. regendruppelsgt; W. I, 102. quot; b 3 r 1 in^mij\\ woeden, ru/.en, zie ook umiyx

quot; quot; 10 unni Kiifj of itn ip hiiys zzz ini^iss Rh.

203 b 13 voeg bij: ui^ i nvti^ fig. ook zva. hn hu 200 a (J staal uitstooten /. uitstorten.

quot; b 1 de bet. is van GR. in RP. 17, is eer een kistemaker bedoeld\\ WW. geven tsn igt; \'n

iKtinin.i/j niel op.

•gt; b ]2 l. afiini Kj .,•-/» jn/j of im 1.11 n 11 ^ !}lt;i/j\\ voeg hij: ti,gt;rn;ri alt;yt\\ een wijze van de

kris te dragen, bo. 0ini 111 h n u ,u ry {hnj\\ een zekere lüijze, W. IT, \'173.

208 a J1 voeg bij: en nitvloeijen, met een (jr)oicr straal dan ij i.nij ri igt;ii/i — 7,rj ;y ij

ij rit 1,11/1 zoo nitvloeijen. uitstroomen, Rh.

quot; b 23- i^n^iUi\\ vrg. 11 uiw i.n^.ó) ni hi/j\\ volg. Rh. open werk in kleedjes, enz. zva.

1 Mii i:m 1:1 1.1 r,\\

O (A

209 a quot; i. 11 (vi(ui nn/j z~ iui hi Liiq\\ toon, \\V. IT, 504: 0

270 a 18vo. voeg bij: zich het bovenlijf dekken met een sarong of een kleedje.

quot; quot; 17vo. i.ii t!lt;\\ — i 1 i.irhn ja i:lt;\\ dwangarbeider. — aPi kwuss zoo tlt;! werk gesteld wor

den, W. TT, 534,

271 a 23 voeg bij: yj iiuiiiun/j\\ een vogel, eenigzins gelijkende op de rjijinin/j\\ Rh.

271 b 25 ^ f 1 i?j \\ iem. beleefd aanspreken, beleefd behandelen, B. T. Dj. 230.

272 a 21vo (Li 1,11.1.1 ri Ki/js voeg hij: Insttnin, lusthof.

quot; b 10 volg. v.d.lir. verb, van een lloll. Jap. norimon.

273 a 19 ij i iy ij 11 ^i 1111 on /j \\ voeg hij : of groep.

» quot; lt;livo. voeg hij: tjui^i ijiti Jijj* kn klanknah. van het geluid als van hellen. — /1

if\'tii rj n Jjjji \\ zulk een geluid geven.

quot; b 5 volg. Rh. ini u\\ n. nn^n niy K.

quot; quot; 12 nl. hij de m ij 111 ij (.im\\ bij de ij rui if ili 2 mi/j\\ mei 12 ketels.

quot; quot; 18vo. voeg hij: of weerbare mannen; vrg. 13. T. Dj. 4.

274 a 22 vrg. rn ik 1:1 ilt;y]\\

quot; ■\' 4vo. voeg hij \\ ook gedurende het gevecht vechthanen bij de vlerken optillen en neerlaten.

275 a 23vo. ij 1 y i \'h ê\\ omhangen, of omspannen met een kleed, of iets derg. {ij iny i^v.hts

ongeveer zva au ij i inw vrg. ook ij 1,11 z 11 aquot;ii ? )\\\\

quot; b 21vo, min irm j volg. Rh. het graveel, i. pl. v. quot;Een ander enz.;quot; l.\\ ook Excessief

van nimiw

270 a 14 achter -dakpannenquot; l. WW.

-ocr page 43-

XXV

voey hij-, i.n niij.ij Mal. {Jao. m n 11,nij) i\\ .1 1 1 1 ij 1.ij droogt; uutwaren zou als brood, koetjes, W. 1, 35.

voeg bij: li ij ge u , piefen van de adem, \\V. I, 122.

/ ^ 0 I. I I I\' II J (Uil w

volg. Vcth Java I, Gil, vait hei Ar. yagiqah.

Strix rufescens, ïlorsf. volg. and. S. slropituns.

zie ook nog h n isti 1 j igt; nq v

zie nog bij rui) 11 kiji \\

eig. het iukiiiuj)cu bv. door koude, enz.

ook inir. inkrimpen, kleiner worden; zie i:ii.j i i^9i bij i^ipj / ij\\

tj inurj Kiin.iLansium clomesticnm , Nat. fam. der Melmceae, levert mooi gevlamd hout; de vruchten groeijen bij trossen zooals de druiven; zij zijn minder aangenaam van smaak dan de doekoe, Rh.

voeg bij: gt;1 inu ij tji/js interjectie, zva. eet wat aan! nl. tegen iem. die eenig-zins vloeibare spijzen eet, spijzen met saus, en derg.

»ƒ m \\ voeg bij: ook de wijze hoe. W. [, r/().

volg. Rh. is tv r/rtynul - 11} ifn jn 1^.1 vim i/j zie bij 1 r\'i uijj\\

lt;hiixci\\ volj. Rh. een eilintlervorinige porceleinen pot of eeu tonnetje van aarde werk zoo als om suiker te bewaren, enz.

ook ninfah/i/ ih i gen.

ijvnrii i.ya^ zva. ijuni n i tAdji Sakii.

voeg bij: ook strijdenquot;, redetwisten.

in AV. I, 5G. 1.11 tq i.n hi] ij r.n nnj iLgt;m .« / , ;\\n l. een grove stof.

de Homalopsis, M.

KiiKi f\'j \\ hetz. en yebruUcelijker dan iu f\'i \\ Rh.

voeg bij: ook kidoeng\'s zingen 15. \'V. Dj. 4G7.

de bet. unster van J. afkomstig schrappen.

of krielhaan of krielkip.

, o cv o w

0. lt;i. rnihnms van miihii voorzien.

ij 1.11 y hu iy van plaats verwisselen met hel volgende i.y .uihijs

1. bet. v, WW. volg. Rh. beteekviit i.n ui i.yjs de schoft, dus zva. irlt; iii ihiji 2.

i.riihiiiyi ook bijn. v. P am adé en naam van een panakawan van Koedara rangin, broeder van Dam ar IPoelan

nl. ben. van de saus van rjcnii of ij 1 1 ij rt hnp

it 11 i n 111is eig. de ivare naam v. rnni/vij of nn (uw. van een hoorn);

mt luiMjjjS wordt als Wangs, gebruikt.

h n if dsn mi nn j volg. PK. een levend boomblad.

voeg bij: een uilsoort, Strix Ketupu llorsf.

regul. 10

19

1 Uvo.

3vo

7vo.

()VO.

22vo. Jl\'Vü.

9vo. ISvo.

lil. Kol.

376 quot;

377 « 37s a

37\'J »

3S() ii

18 IJ

13vo. llvo.

5vo. 10 15

12v().

3

G

5vo. 5vo. Gvo. 3vo. Gvo.

9

14 1G

IGvo. 19 vo.

llvo.

381 11

383 a

3S3

284

387

1 1,11 rj Lin ij u 1 iy\\ kn. ben. van de jonge kara boonen , lili.

388

) ■gt; . . ■gt; .

unasn 1 zie iirn .* /v

volg. Rh. hartklopping. vrg. uvrrjani^s

7

14

-ocr page 44-

XXVI

BI. Kol. regel.

lOvo. voetj in: i.nrjMi rnj of uii t^vurn/i kn. klanknah. van het geluid met dü ui / it n \\ (fem-Kikt, — rn rjiLn ni)/j- mot do mn i n attudruklccn.

„ „ Svo. \'• y fji \' 7l \'inJ}s nm- van een dorp in Banjoemas aan den voet van de Slamat, waar

(joede sterke paarden gevonden worden.

289 a .19 voeg hij\', van troepen ww i.n ilt;vnnnmjj vormen of als een i.tmnDi rn/j zijn.

l;Jvo. .un«s?iM(m/f\\KTX. urn. van den engel, die de linkerzijde van den mensch bewaakt-, zie w\'*1 iamp;i (ht/Is een ander zie bij mi uw *

, s. ... o

290 a 13 voeg bij: {zie ook bij niiaj){ poet. zva.

„ ,/ 12 voeg bij: ook zva. nnvys vdBr.

v 17vo. voeg bij: zva. unvjjtK/)silii iHiq of im lüj\\ W. II, 481.

„ ]) 16vo. voeg in: kw. zva. r.ncrnjw {welligt uit hiiv j en n m

5vo. I. (iw(U\'Kti/j\\ KN — aanhoudend zacht wrijven, enz.

292 1) 2vo. voeg in: toi oji 11 lt;u) \\ kn. (Jas save--/.»; ij .t» ni ij ui 2 ^

293 ii 19 00* we\' nnutju-nj G. en 5 regels verder BtMtmj\' hier te tehrappe»., .ri.Knrrtjj

behoort onder xjn^xm^ — oohj. WW h n mmJis ruw. oubolccfd logon tem. zy 11.

O 1 rn;

// quot; 5vo. hu \'M (ha (biifj r~r nnwaiifoH/j ».)•

O -)

// b 12 ihnfhyamp;i (hii m i zn \'Ei nsn lt;i\\.t

-/ »/ 3vo. voeg bij: of ijM

294 a ö quot;ook wel hiii-ituijj Gquot; te veranderen in, hvmiu/j volg. G. poet. werk, daad,

hui irn/j kn. -kostwinning, e?iz. komt voor in KT.

b 2 volg. Rh. ook links galopperen, slecht w/1 ongedresseerd ƒ\'/ ook

van personen, die een lelijken gang hebben.

.) o -•

„ b * 16vo. voeg bij: w kh2 l» of vj initiutongeveer zva. aji hm 1.

29(1 11 \' 2 voey tij: -rj mi11) (J)\\ kn. de cerate (zwarte of groene) afgivug van een kind, Ith.

.v v u

„ a 14 voet] in: au 11 rn * irr tnyvrvinn^ li.

29G n 3vo. de felia javanensis, llorsf.

11 Ivo, volg. Rh. i,7i.un »1.1 • alleen in hnajgt;yu^j\'lt;ynj\\ Waj. zie echter ,) lir. n0 U)passim.

a 33 Zie\'S. 1 nd. T. L. en V, B, G, 146 , de inlandsche voorstelling van den regenboog Cl\'.

lOvo. de bet. van SG. *omt volg. Rh toe aan iui ij«tmj — is volg. hem

zva. 7^ihii frj ittfjini/j scliaal of dop van een vrucht, oo* geiaamte.

.Iir^a.bj gt;i icniHJi r:gt;anfj\\ meestal van (WiOTj.ni-f1 gemaakt , zie bij ijvii tj*~ti li 10 vo/g. Kh, neushoorntor, ) yil f. ji \' i WP. als de ui i,i t.nji van de jai óiitj^w

1 nma.ilétlimnJivj £i i(i^i\' o[) den daarvoor (n/. ooor^\'wt^) bepaalden dag, B,\'1\'. !)j.o39.

„ 7 i, // u i i^ iw \\ naam van een lidtoe dSdiitnit van Madioen.

li 9 oo* wel Tl\', voor arnni\'i of (móv^-rmap ploegvoor.

5vo. de omsehrijvini is van 11,; volg WW. worden (zeven, \\lh.) stuh mi\'wj (volg. WW. n!,i.,)zóo tegen hel lijk aan gelegd, dat het {op de regterzijde. met het aangezigl naar het westen komt te liggen.

\'n lOvo myut 3. besmeerd, worden met olie enz. m^uiOinp ■■ besinoord , bovnild. —

jli j c) !.l { een jonggeboren kind, dat nog vuil ia, opneinen , vevplegen.

4vo, voeg bij: fig. een lijk wasaehen, reinigen, kleedcn enz. zva. xw miiji lt; ttiii \\ n al ^jj nf,/ ïny kn. drijtriem of koord van een spinnewiel, dat de kloa ia beweging

brengt, Ith,

b 3 van een gemengde laeht of smaak irj*jngt;\'nuii ijigt;j)iipj\\ W. 1. 105.

298 399

300

301

303

-ocr page 45-

xxvn

zie y hj] i T

omgekruld, zooals bv. de hast van den boom. Kh.

ij tni paiusch niet witte strepen, zooals op de vrucht itjiirs

voeg bij: zva. nituivi/j 11 ik kering vun ilc bliksem; ooi\' y/.»/\'gt;» licht of verschijning van een voor worp voor een oogenblik. -- ny nn-nini/j een oogen-hlik , GL. 89.

TjiHindi ri HDiti i nn/j kollie met suiker gekookt, Kh.

— tjnm ook van spieren, slap; losgaan, opengaan van de plaat van een

dear 1 van de bast van een boom en derg.

vry. iHH Lr.iinw ook inwendige neiging \'ot het een of amler.

u Hjgj anji of cijixt^n] iüii tui j onyev. hetz. als ruihn^s DW. ^22.

iuii\'iruaj) JlhintiK ann vrij blijven van slecht volk.

\'j{\' \'7 \\ zva. van inijciw zie ver iel. ijiczz min / tjquot;is im ifi \\ op ij

n iamp;g.inw

i (i a.

hn n / tj) i/n een wapen van hoetas in den vorm van een zeis of halve maauf Kh. de yey bet. komt toe aan \'/ iflgt;iijftj)g(hJi^ (HP. 185); (ï yeeft op te leur stellen. vry. ook a/tj rit en r.t^ t i\\\\

in Ij. 160 voor leêge romp.

komt voor in KT.

km *\\ i\\ ook freq, van hti ili\\ zie op i/n iliw

r] um ij n uni /j of hh ij iii? *i in)/j naam van een melodiegt; W. I , 27.

ook zich vergissen; zie bij i^i tui hji y en i m a li tui /j \\

l. of i.nxyLj {beter zie rjw

voey in\\ ini tf li üijjj kn. een snelle beweging bv. van een uitye stok en tony; zie nj; r; ivm (lii/j

en zie bij gt;j rn gt; rj n i g w

In K. 32, 13 is het een koord, waaraan een strik gehangen wordt.

hij i^j i\'ii/j meer yebr. uitspraak dan i j ni hojj voly. Kh. schoon (niet vuil), glad (niet ruig).

achter dolen gt; voeg hij (Men.)

O

zva. t i ! i ^.n-j iin/js

ij hn f i ^i.ii/j W. volg. Kh. yrondiv. rjjLKfn^uii^ zie BV.

i. pi. v. quot;en \'lusteloosquot; l niet levendig van manieren, wijze van spreken, enz ini rj f j ^.i t unfj ook i lt; f i Y f»2 (Kjj (bnq yen.

o . o u at - *

hn n i ri hi/j zie LUdi i njj n V.

de twijfelachtiye het. van bijeenzamelen waarschijnlijk op yvond van KI\'. 125. h\'p^ fjHiifj^ kn. — (quot;••gebruikt) oj) een hoopje neerliggen van kléeren,

• eten, en derg. vrg. li f i tj i. n/j\\

i.hulli j voor hn u i ldq volg. Rh dial Sam.

d. i. de sa wan verdrijven, wegsehudden , door een tooverformulier, gebed of het geven van een feest bij wijze van offer, Rh.

de Seolopendra morsitans

volg. Rh. ook iets knutselen, vooral door druk met een kleiii hamertje te kloppen.

regel.

8

15vo. 12vo. 0

Kol.

7 18

8

Ivo. 21 vo. 7vo.

6 10 14 2i

l5vo. 18vo. 13vo.

8

19 8

10 5vo.

7 21

19vo. 17vo. 15vo. lOvo. 5vo 18vo. (i

14

15vo.

13 1

-ocr page 46-

XX\\ 111

vegcl. I(i

3vu. 8

Hl.

:U4

315 310

317

KDI. b

1 Gvd,

18vo,

18

\'30

318 ii

17

31

9vo.

10

17 vo,

8vo. 33 l\'Jvo J1 vo 20vo.

3 1 \'J li

3;J()

321

332

333

334

335

330

337

338

10

Ovu.

U

15

17vo

] liVO,

3vü. 10 ] 3vo 16vo 0 10

i/ tui ijicn rmi of I/ \'ty2 \'j\' \' ? J|j■\'\'\' /\' hi:v\' bamboe, vwer hfp. voor vogeltjes.

vol\'j. llorsf. 1\'. juvanensis.

/.i?!,». KN. Tl\', sva. J iKii/j interjectie-, dood! ■— ihlhiiridai) niet volwusaeii kunnen u\'oi\'dcn, zlc hij t. n i ji\'\\

i. ii n .i i ia/1 eax. te verplaatsen achter gt;. n gt; gt; i.i.p

f i .LII Lu \' i hij zva. L a j m ii ij Lj het seliijnt wel. /1 i,n )lt; n ij l / in:j ibiiihn vergis ik mij niet, dan is . . . AS.; de plaats in de K. is 18, 13.

I. W. 1 , 15.

jin .i l — i ii ii mi ) ] ^ een soort /.n u ■ zooals onze erwten

In de bet. van ongeloof komt i.u V;\\ voor in RP. o. a. 70; WW. geven die

bet, niet op.

voltj Kh. bcp. hij hel plotseling vernemen van een of andere tijding . van schrik,

van verwondering, enz.

/. ij / I .ij^ gt;ij zóo uiteen spatten, Tj.

) \' y. : ■)

i.n ^ 0/ on irn^Q^jjjs

nnrj (?.? ii quot;Ti i) m rji)^ of hu gt;1 inj yi tf in n i n j zie ij tij tj nw

zie ook (Vi

n hut )j uj) nn/j volff. Uh. ecu iiecrhaugendc borst. — vj rmj j.i iwj op euu \'//.n\'»/ gt;1 ui,n/j gelijken; uau de horst hangen vau een kind, ook er mee spelen.

gt;1 h n/ rj ,ƒ ƒ i uifj tj i,nt ri ijji i i i-hKi.i zie ij uui ij initnji,]

ij i.m tj ook met lange hangende ooren van een hond, {ortj. W. I , 97) Kh.

I. met 3 duiten. i . )

L. li II I j 1 ^ II Hl p

achter quot;gedragenquot; l. JU. volg. Rh. een soort klepper, als vogelverschrikker. — 7 \'V m,?\'quot;\'T 5l^s een \'I\'•quot;quot;l\'n\'*l)0\' (/etuid neven, vrg. ij f itrj iri i,nt]\\ bij rj ijit inifi GL. 15.

i.niu - ik i n of i nrj f\'i ^ Kli.

ook fig. doorslaan, doordraven, AV. I, 91.

voeg hij: o f am vf i m if »iifftcn rj ri w voeg bij : op zi tot/jgt;

voeg bij: of 1°/nJin een soort biologisch spel. #

de Cuculus fluvns llorsf. ook gen. i i.np in de wandeling Piel v. Vliet, JUi.

Colnmha acnea, llorsf.

loszitten bv. van een buikband, vrg. hh ij i i ijfioiw ook als de eikel geheel door de voorhuid gedekt is, llh.

ook /1 L/j ia of i\') nvi ii on/j gen.

volg, vdBr. offerm aal tijd.

nu ij i:lt; i mi/]n zie ij ? niijj gt;

°(j in: utuk kn. zva. tin ivticlihj.un het niet eens zijn.

11 vo. ilt; ii a/ij im i.\'ii brandhout, im om^ijtj^i oj^/j of 0.hii.iiiri]\\ naai/i vaneen heester , Eu-phorbio Tirnealli L., die een vergiftig, voor visschen bedwelmend, vocht bevat, AV. 1,7. 3vo. vrg. W. 1, 56.

14 een Amjmllaria soort, Veth.

(, ij ).ƒ i. u j \\ uo/\' zva. een

lt;ivo. voeg

33()

-ocr page 47-

XXIX

IU. Kol. vegcl.

331 Ij Svo. voeg bij: ook wordt daarmee geknikkerdgt; of wel de eene op de andere geslagen,

{/tiertoe dient de i. u // nr?y/ju/j) en gewed, welke de hardste is; /ij, wiens 71 ooi breekt, verliest het spel, dat genoemd wordt 1/m^/.//■/ow

332 ft 7 of verk. [ttuo 1.1 jj\\

H voeg bij: van blik.

1) \'■ o ! inq^ m m/j dial. iüh y in a u (m/j\\ Rh. vrg. iUi i^ /1 an/]\\

17 staat tHii hu tfin l. volg. Vcth. Java I, 040 , het Ar. i qdm.a t of voorbereiding tot het gebed in de moslfee, en zie BV. op n/nw inp

quot; quot; 22vo. ho :mmyiji voeg bij: (MrjurnzciJin of i ) gt;ƒ j ki.

333 . b 1 ook fig. iem. beschermen, Rh.

334 a 7 voeg in: ini tj ri2u)\\ td. —• ^ uji tj)\\

quot; quot; 13 vrg. (Udc^tji (Hi/j BV. en iv/(tcj, O) injj\\

l2vo. y \'•quot; ? 7 m - 1 - h n i T- ? ^1 (vi een schimpwoord, tegen iem. die m het een of ander te kort schiet, kort van begrip is, enz. (\'P.

b 4vo. voeg bij: hevige gemoedsbeweging; sidderen, beven.

a fat tu/i zie MHifi 1 n ij ook zvd. nni.i ^?ii )jj\\

330 a 8 en zie bij (Egt;imw 4i #

quot; 14vo. voeg in: üii ricnt zie iBinmw 10\\ To. zie (Eicrtis en /./? .lt;7 rnw 337 a 13 zva. iti -n \\ zich op het water laten drijven; vrg. un Tj.

20vo. \'\'\'i flm/j* 2. de gespikkelde veêren aan de borst van een gëmak. ^ 10 voeg bij: en zemelen, gab ah, roode rijst, enz.

IS voeg in: kn. — n W nij\\ met de horens in den grond woelen, of

tegen een boom of paal schuren; van een vrouw, die in hevigen toorn, met alles gooit, alles onderste boven gooit of breekt; Mlt;y / 7 //^\\\\\\. 11, 370;-m» 7 ; m ;^\\

I i vo. /. ^ » u i\\nm.v.e.zwabbervormig wapen, bestaande dit een kwast met knoopen, (Waj.) Kh. a 2 In Tj. 7.! 1 (lm\\ Dit of inn welligt de ware spelling.

18 j.\'i ti zie i^iij fis BV. bij 1,1^ t en v^n\\

31 /. ^ — /. ti 7 / ti 7/7,7 zie bij 1.77\'/ li \\ hiiili en tnihw ro co -«• \' (\'h

quot; lüvo. uH ris volg. Ril. ook zva. un uj ininnjj\\ rente.

17vo. voeg in: i.tj ri^ tp. zva. hiï tcj tLi/j\\ van den wind, GL. 75.

II vo. voeg bij: of panter, Felis pardns.

339 a I iïii fi^ iu liïhnji ~ : h ti ij iili2 \\ Wangs, op }/ f\'i2\\ W. I I, 550.

b 7 voeg bij: schrikbarend; en zoo ook 2 regels verder, i. pf. v. versehrikkelyk.

quot; 10 voeg bij: — 7 m V gt;/7 \'«V }n^ l^v^* ^1-

340 o id ^ • \'S 0 tw a 1^2 /. u tj nm 2 7:^ \\ zie ti/y iiri hjt^ n i nn

341 a 17vo. voeg in: igt; 11 r.nkiijj of tniirn uojj zz= i.nr;ii 1,11/j met de vlerken slaan, zie nog

ryo/l W. II, 473.

b 17vo. voeg bij: zie A. 58

b 13 De artikels Knrii nn/j en n i:y tu \\ omzetten.

]2vo. 1. tt t ii nntnji zie bij r.y i;iii,}i/j\\ schrappe?i.

a 12 volg. Rh. klein afgeschoten vertrekje, slaapkamertje in een Jav. huis. — »ƒ»»-»//

n irh2\\ daarin verblijven.

b IS volg. WW. i.niii\\ volg. Rh hn tpw

343

-ocr page 48-

regel.

22 — h Kj \\ dat geluid maken, a/s i eek en van vrees, IMi.

14vo. ook (tm iyiK zani ihi/j of vja*: 9iim lt;hiq gen.

14 vohj. Rh. de aan de pan 1lt; leven de korst (?/ liet aanzetsel van de dj en a ng; zie ^ivayKU^ en rjn-pi 2rj rrn 12 w

23 u n ïp Httft KI. van tunasnqw

17vo. in W. 11, 519 iïhi y] /. u on w nn c quot;i.rn

7vo. vo/f/. Ilorsf. Braehypteryx montana.

! „ O O-

16 vrg. ïTi ip unw •

20 itfn (t(rj\\ kn. — (C) ^ taj n gebogen langzaam voortgaan, zooals een ziele, enz. 12vo. voetj bij: Ininp ij\'UKiA.} (hn f\\ met de handen gestienieren, zwaaijen; one if/ van de

voelen, Tj. zie uirjtu)w (Wc. gaarne herh. nu ij ui iiJijoat kj w n/y of niet

den vinger, enz.

O 0

ó eig. (hw 11 n 1 njjj rujj -

7 irn ip ij O) 1,1 ij ivi tu/j of hy 1.1 vj njt »f»{ gt; (hijj \\

, . . . ) o O o

14 voeg m: jm vi n.in rn; mt (ip ru/js

7vo. de Tardus liaemorrlious, Ilorsf.

8 7.»ip (uiy iwn ip (iji/j W. II, 455. «

, . ) o O o

17 vo voeg in; ip ui». n/j zzi kh fon iff

lOvo. rni y ^ytnt/j kn. — zich erg. stil houden, nestehn; ook

bv. iem. stilletjes bij zich te huis honden.

14vo. voeg bij: gebog\'.n gaan.

9vo. voeg in: ihi ip /amp;) ie^ /. ti/j /naar van kleinere passen, pas voor pas,

langzaam voortgaan.

ö — in tj ifi 2 ij /.M ? \\ los van een verb eind, een huikcingel, een buikband, bindsel enz. 17vo. volg. Rh. heet m ót M n un rj ip hel voorportaal of de vestibule van de woning van een regent of voornamen inlander, waarin men door een soort hoofd- of eeve-poort komt.

1 fivo. t/nhtjuiu KN. klanknab van het geket\' of geblaf van een kleinen hond. — \'gt;/lt;ü

rj (uh \\ keffen, blaffen; fig. aanhoudend 0111 iets vragen, iets toeroepen, sj/r. un tj

, q o , O «o* _

rjg ijentu uiiun vj 11 ij kh mi m \'fi hn aai \\ /. 11 tj / j) 2 ij nil ? n :— vj

n mi 7) ini).

15vo. tj iih rihrii \\ 2. naam van een heester, enz.

12vo. zie iÈiiuii\\

14vo. hoi tf nfn2(Hj 10j zie tun tj tn 2 trnjj*

... O O ) o

12 voeg nog bij\\ tien voor an izr ajn(hp\\

2v(). I. rj ui2 if yiijN

10 zwart voor het oog, fig. van een groot leger, Rh.

2 in W. I, 41 lOjjah (ici (Hijj hetz.

10 voeg in: ia ui of rj ui ih\\ KN. naam van een boompad met twee lange poolen {zie vj im ij i:ni 2 tm/j)volg. inl. begrip is de urine schadelijk voor de oogen; de maanblindheid bij vee schrijft de inl. daaraan toe.

14 die houding heet ook .ik .iuikv w nl. de schouders achter uit en een weinig opgetrokken , zooals tegenwoordig voor (lames mooi gevonden wordt.

-ocr page 49-

XXXI

BI.

Kul.

regel.

üsa

a

24vo.

volg. Rh. ook met trotscliheid vt-rvnld, trotschheid.

b

4vo.

de Colnmba tigrina, Horsf.; 0ij}iui%\\ de Columba amboinensis?

854

1)

3

de Strix javanica, Horsf.

356

1) .

16

volg. Rh. i i of (lii/j\\ k.

350

b

10

voeg bij: uit pligt, pligtmatig.

357

a

1 vo.

Ortyges Luzoniensis, Jlorsf.

,,

b \'

4vo.

voeg bij; JR. volg. Rh. een etenskast; dispens.

n

quot;

2vo.

voeg bij: fia tp zva. im um w •

358

11

13

lOvo.

Rh. wil deze spreekwijze omschrijven met ten allen tijde, fi? yY) eajin kn. andere ben. van de 1.^ inw

360

a

19

4vo.

zóo in RP. 187.

do y (ia ki )f nagemetamorphoseerd , Rb.

;U)1 a 1 5vo. tp. ooi\' zv a. ^n/\\ uitroep: %\\s \'t mogelijk! och kom!

« b 9 volg. Rh. nl. een wijze van koereu van een tortelduif gt; als /ij wil beginnen te ;\'i iij \\

0-niivii\\ nog weer een wijze, nl. zacht (W. 11, 487).

// « 9 voeg hij: ook de U1]J\\ hanteren, RP. 163.

« 19vo. nl. mannelijke personen; de if dotij axièini j\' lant/l met een sleep over de ft) oei\'

heen, {de geringere man houdt het bovenlijf naait).

1 O 0

\'/ quot; lüvo. vrg. (if:nt \\

JJf)2 a 8 achter \'/zitquot; voeg bij, WW. dit volg. Rh. zie (Ujimrn^

-/ quot; 22vo. in V alg. stijf of strak staan of liggen.

368 a M-vo. voeg bij: het platte land, vdBr.

// b 21vo. nog in leven zijn, ook wel ,i/n Rh.

304 a 9 nl. met de riem van de wal afstooten, ook terugdrukken niet de hand, \\V. 1,110.

365 a 12 voeg in: :icitU}rri\\ kw. zva. tvi ut\\\\

O • ■) . )

quot; Hvo. voeg m: rn wi/j zie tj) m p

■\' b 12 i. pl. v. (in(l\\a\\ l. (Wdvtw

quot; quot; 7vo. i. pl. v. if. t fj iui \\ l. ioi n (Llt;) \\\\

quot; quot; 2vo. voeg bij: mi ijiim lurj nn met zijn diensten te koop loopen, overgedienstig.

30(5 a ] 1 vo. voeg bij: {waarschijnlijk door CS. niet juist verstaan , de uitdr. liS. .17i n l-/

)oilj\\ nl. een blik werpen, de aandacht vestigen op).

COJ U

307 a 17 de bet. v. G. past vrijwel in po\'èl. Babad: m ■ ti m i.iui rf n^i 2 jr:m a

\'\' quot; 22 voeg bij: i i \'^rvj hniejuhiji —van denzeU\'den vader. 1 u unn^ij\\ - van verschillende vaders , maav van dezelfde moeder.

quot; 13vo. voeg bij: achter quot;ander\' R. tot (Kiaxrwj^ maken, B. T. Dj. 42

5 voeg bij: nonnLa xnj zva. aa tutia B. T. Dj. 400.

, r .•) lO

J5 vrg. njtiui una-j) \\

17 voeg bij: un dn zich stilletjes wegmaken; vrg. asijj bij Rh. voeg in : tin id iu (Uijj zva. hj n,i n 1 asnjj\\

0 imr:wnuK?\\ ook alle vrouwen gebniiken ; niet kiesch op den bijslaap.

c-*

() hii J!ij\\ kn. naam van een groene duif met roode bek, borst en poolen.

18 ook een onbewerkt stnk bont

1 5vo. achter 111 rj ifji2 (hij l. zie bij ij (lvi i !}n/j\\

5vo. voeg bij: lt;uiprvj. of ui ij i jdojj ook fig. oogmerk.

308

:«19 a 16

-ocr page 50-

i,7? hi ri?\\ ei ff. ieder zijn eigen weg gaon.

13v(). luin nn ~va. mut rii] W. 11, 538.

(i - \' (n \'

18 voor quot;rijstquot; l. quot;pa(li\\

5 regels verder, l. (in n tKhi/j nu u i tj *.i on/)\\

lOvo. I. voltj. WW., ook enkel Lriïw

a 2 (LCjj ij ui (hnji KW. zn » Tj. Al. 30.

„ „ 20 v o. voeg in: int ? v kn. — tui\'it\'flf\'j an/j van een kind dreinerig, door dat de

moeder of min weer zwanger wordt en het zog niet meer deugt (ophoudt ?) JMi. „ b 33 achter eement /. GR.

„ „ 18vo. voeg in: ac^^injni zie op ui \'nw

„ „ 13vo. voeg hij: (iciu)\\ een geit.

870 a 5 zie ixdiiw

„ . „ 1() — it /ƒ? m ij^ van /ui nï voorzien, W. 1, 80. (inniqam^ van bloed voorzien).

Kii ixi ni i i !ilt;i/j vleeseliig van hanepooten, en daardoor «wwtraag, niet vlug van gang; ook van een paard, W. II, 473.

b 14 voeg hij: ook inxc^ij v.yiw „ „ 20 iW v.ii mij of .iar.ii m inq JR. uii n in/j 1. of anr.nmi/i mazelen. 2 zzz dn ici

iv») o\'rtyj|A zie aid.

•f // llvo. \'p (isiji/ quot;iKn/J*

1577 a 13 ook do bloem zelf.

„ „ 15vo. voeg in: ti i ci 2 rj w ? n »ƒ nn ? if (ih ? ^

,/ « 14vo. pi. uit BS.

/, ,// 7vo. vrg. rj ru

„ „ (ivo. nl. gew. inde Kraton-, i. pi. v.: quot;aan een maagdquot; l. als of golyle een maagd.

„ b 14vo. achter twee l. R.

7V0. voeg hij: ook vooruitstekende lippen hebben. — mn ijrtp2 ijnf met vooruit

stekende lippen staan kijken, enz. {ook tj i.o ij vi? 1

a 18vo. ook wel verk. van ifjimitni, kom! welaan! VV. 11, 550.

-gt; quot;) o . O o

;}7ü a 30 ihim ii f inni 11 i/j zie iMiyn iu/j

„ a Ivo. de Cueulus orientalis, llorsf.

„ 1) 10 nn tsn rj vi i \'Hifj volg. Rh.\'zm nn w \\ aard.

;j80 b IGvo. ook erkentelijk zijn voor (eig. ellipt. voor laten zien of tooncn dankbaarheid)\', li.

T. Dj. 47\'»); vrg. vjwamp;ihjiSis

;jtSl a Ivo. voeg bij: r mil isij ijj\\ eig. misstooten, fig. liet mis hebben.

, O ■) nv

382 a 1 mi ry r.jyj zzz mi mn hj myj Ij.

„ b 33 aiïuimi/) ook familiebetrekking. 13. T. Dj. 539.

« /, 2t) voeg hij: ook aan den gang zijn.

384, b 8vo. stafionspaard, nl. huurpaard van het eene station naar het andere; deze werden

vroeger in heerendienst geleverd, isr^ nii m ■Jiiny iji een hcerenpaard. ^\'V \' aiiicion/j een bediende paard.

385 a 3\'gt; voeg hij: ook bewijzen, li. T. Dj. 489.

b 8 zie i:lt; i iii\\ en lt;Miii\\\\

XXXI I

BI.

Kol.

regel.

7a

n

19

73

a

18

874 I. 374.

-ocr page 51-

regel.

4 voey bij: ihii irm \\ of 0tup Hollnndsche muziek; oo/c ^ w hn /j \\

14vo. kn. eeu stut tegen een deur bij gebreke van een slut of grendel.

7 (ichtei //goud gewigt voeg hij: dit vohj. l{li, ojiorntE/ijji.) en zie kioutw

s / o o quot; ^ ^

12vo. \'157^ .. . asr^ oo/c mz njnihti . .. (uu \\ hv.: n^) \\m 1,11 a u ij h ii 2 in n vn a.vi aft) ^

uw(LXJifaOj,lib-22vo. mi Engraulis soort, Vetb.

iy , - . } O -|-

7V0. ihn tun Tt q\\ GL.

8 ^ quot;f 0l)stel(e» Wiwa\', Kh.

J5 ook sva. i.jjmrj im.. de stnmvader zijn vim.

4vo. rfc Totanus allliiis, llorsf.

19vo. in 0011 proces betrekken, -wikkelen, Rit,

2Ivo. i. jtl. v. ibinn^in^s l. Lumyrnw

Svo. voeg hij: dcjonge vruchten worden als snjoer hij de rijs/ gegeten.

r O O , ■) ) quot;

.) asi^mn liiijj — arj itiii utijj beven, tva. i y i; in w

17 UP. 85.

9 voer, bij: of eenmaal in liet jaar bewerken; voor de tweede maal heet ivnuw

\'\'L

of gt; mnj(in 2 ctnji)\\ At

20 gebr. t li tun \\ni mn 00^ \\

17 flg, vilcli\'. voor een ongerepte mangit, W. II, 510.

lOvo. voeg in: 17stj»^.om n^Kiy i) i\'n i id/i^ opening /jv. nis door een pad in een hosch , GL. •

kn. naam van een soort landsnij), sgn dikkop, {zie ,1;^ )ƒ 1 ;i amj) GTi. 4. 14 de het. van: quot;Op een hep. pers. enz.quot; waarschijnlijk alleen r/egrond op de zéér verdachte plaats in IIP. 13 mjiu) 1 iiiimnii iviihHjj\\

12 in de het. van verrekijker waarschijnlijk Mal.

8 de Ostrea imbricata.

13 vrg. Mifop 3.

7vo. volg. Rh. een aardvrucht, die aan het strand groeit.

21 voeg bij: ook in \'s hemels naam! in vredesnaam! \\V. 1 , II.

Mvo. nl. een overslaand buis.

24vo. mn iw.ufgt;anjp ben. van een fatsoen van een vierkant huis met dubbeld dak.

llvo. iyi W. f, 141, heorscliap))ij.

(ivo. nl naar beneden gekromd.

17 achter Tj. I. :

\'Jvo. voeg bij: het opgeven, zva. tm fcns

35vo. volg. llh. is ,ui^\\ tp. kn. en i.,nquot;i.-iip ki. hei bet. de tanden afbeitelen, at-

slijpen, afvijlen. «

21 achter aanleggen, voeg bij WW. G. in VVP. takken nf loof af hakken. 13 volg. Uh. meer hep. van boeta\'s of beesten.

üvo. lutiiniLiln^.s s/ihst. den.; inearnatic, Adji Sakn 2(13.

19vo. inv (of ij tj:il) i:tt Ajii (ujj\\ de jn bewaring gever, tegenover i. h ■rn i.y ,1^1 ru , 1 m ƒ de in

bewaring nemer, UP. 59.

4vo. voeg bij: WW. dit woord aan Kb. onbekend.

Ivo. ^.15rj vnjj — — 0aJiMagjj^iu]\\ geheel zijn doel bereiken.

-ocr page 52-

l\'Ugül,

1 oo/\' tea eiiule tos, volkmueu.

]0vo. I. pnardcstal of brug.

S achter t- tl\'11

17 i. pi. V. vijl on Ij l. isr^ \'i,| i^/j \\

(ivo. arjiigj.isii m\\ tegenover gt;f*jnut\\ zie UP. 63, en bij iik.uiw 1 {unMiiutl«v)(Litgt;\'ia.frinigt;i^i\\ staan van het mannelijk lid.

4 léiïhittmaJijjs KN. zicli goeilhoudcn, met volhnrding pijn verdragen v. e. lij-\'

dende, Rh.

21 vo. I. voordeel.

ITvo. .i-Lj i.u i/; m fjÏÏ\' quot; \'! 11 j\'*

(Ivo. achter n «iii ? nu \\ l. K.

Ovo. voeg bij: een huls.

1 :S J)e bet. duidelijk (goed) zien of hooren berust op misverstand van HP. 24.

\'.(vo, aiu ili gt; 1 n i.iri (dial ook fhmLvv.itfj mq) niiar den naam van het kind genoemd

zooals bv. 11 h\'gt;i vader van Sidin.

13 voeg in: ihïit] itnrjirfriis ■—■ iJtf iutgt;}r.!jtt — P. gt;/uii;\\\\

20vo. I. 2. uitstekende punt iu zee; enz. •

Tfivo. voeg in: kn. schittercn, flikkeren van een zwaard; ook tLiniu/j

2 voeg bij: ook %em. daarmee werpen; vrg. ri mi. i\\

• 23 voeg in: ij z ij ihfs kn. zm y gt;f 112\\ hol. — \'\'^ V fi12 rj^nS liol, - hol

klinkend, weergalmend, van de stem, Tj.

5vo. volg. llh. van lange voorwerpen, bengelen, slingeren bv. van een tabel die te lang is.; ook ■ n 1,12 rü y [■ 1 ? w i^

10 Volg. llli. (isur^^r.}i2BV.

21 voeg in: j (li hnjj qji n^ (ij\\ ,(^JjN ü 1 mi hvji als de nitstekende nam beneden gebogen tnit v. d. nin hji ili hv// bv. van de nithangende tong van een hond; of zóo uitsteken van de onderlip.

5vo. beter: de hoofd- o/pen wortel van een boom, die verticaal in den grond dringt. 22vo. ^ zva. y iri^i y ik2 n 1/j of iKTLithriJi van krissen.

7vo. voeg in: isïm/;j -» mj^\\ kn. drinkbak van een-paard, Rh.

19vo. m yjijr.m kn. klanknab. van het met een slag neervallen, Ivh.

20 Wangs, ihflirvr.v mi hi zzz (én AV. IT, 428.

8 voeg in: aïn i?.ïmi 1.1/j zzz nsiïmi(ui/j^ opgehelderd van het weder, Hh.

11 in WP. 210, (L^uvrjnjinn

25vo. aiïiuis kn. padiveld op hooge gronden, waarop gamp;gamp; verbouwd wor.lt, Rh.

12 ook zva. imviithnjjs historisch gedenkteeken of kenteeken.

11 l. Aiïn.

2r)VO. voeg bij: -r u zva. (viirj mi 2 inj — (£11 ajiw Sïoi.vijiunxi — luhij (niiftnin],

vyiLriMi/i plaats van al wat in de natuur groeit, AV. I, 00, d. i. overal? 8 voeg bij: dun worden , verminderen van een hoeveelheid ammunitie, B. T. Dj. 2j)2.

OO •

1 1 vo. voeg in : ij /1 u ij m \\ ijri 1 n yl» tf nji -

2vo. voeg in: 1 n 1^1 itnjj cïu^mijj^ het daar beschreven werktuig, en~.

10vo# i n ?J) gt; ivtci }ii\\ eerbiedig opziende, als het ware een bevel met het gezigt oj)Vrtngun.

-ocr page 53-

WW

regel. •

10 -/bedijkte \' en eveneens iwee regels verder de vcrwijziiuj naar antjtji 2 !gt;lt;iq \\ 15 zoo maar, enz. (R.) naar aanleldiny van Adji Sak a, ITt, ry t:i /y \\ doc/i

volg. MXx. zva. (ia vu ik ut in s brutaal weg er op ingaan .. iets verrigten.

18vo. ij (vs 2 inj, \\ (zoo te lezen en niet. mi ipii ij ixg ijj\\ zie aant. R. op KT. 70), juist halen bij; juist voldoende of toereikende zijn voor; juist afgepakt.

3V0. I. itti ni\\

18vo. (15ï^(ia^\\ (jehr. voor rj hniaji^w 15vo. de Sterna minuta , Hors/quot;.

12vo. voeg bij: (ti(biïasyi/i^\',b?i(hc^(ui^\\ de een voor, de ander; na, kort na elkaar

sterven; ook wel imiiin hnnjiijn

^ en corj clt;h \'

llvo. (bufamp;h ooh\' zva. (Unrnjthn^ hv. i n v jigt;}i .1 ywij eig, tenigkeevend jaar.

11 voeg bij: overeenkomen {vrg. ^ bv. van eene hoedanigheid, die goed bij eene andere komt, daarmêe overcénkonit, zie W. I, Gli.

Gvo. ook elkaar ontmoeten,. \\V. 1. 40, en een ,veld met iuivjw

13 van werk solide, degelijk, duurzaam, GL. 80.

23vo. flsK.amp;ifwnN vo/g. Rh. tin.

15 Tl»? Vwlialen van Sastrfl-tama.

7vo. de bel. v. «recepiëren, outlialenquot; , zeer verdacht, het komt zoo voor in PL. II , 143. 9vo. (uii nsit f.) -JjO aangetast, getroffen worden bv. door een ziekte, G-L. 1.

]8 voeg in: f i f?twy\\ kn. op een hoop uitgestort, zoodat er niets over of

achterblijft, viel bijgev. n.nhn^ {in Bv H. II, 70 irp

9vo. aj) v}^(isy w Jin gawah\'s, die hooger liggen dan de andere, en het eerst water ontvangen, SG.

16vo.ro/y. Rh. onderste gedeelte van den stam, digt bij den wortel 12vo. I. (binj r^w

37 voeg bij: oj igt;n i tf ni inr/j middel om wakker te blijven; vrg. ,ijt vu tj int hh/js

IGvo. nm ik hm ryt\\ (W. I, 109), houd u niet onkundig; u moest het weten!

llvo. voeg bij: ook onberekenbaar van een Iwegrootheid, hoogte enz.

2 a m ik thi lai ? im nri^/j \\ vergis je n let i n mij! (A. 59) IMi. wel/lgt zva. 1 n 1* ld f ygt; •

, 7vo. Barbus tambra.

8 kn. sehoottouw, Rl». liet touw tussehen twee wageupaarden, die te

veel uit elkaar loopen. — \'ls sehoottouw vast aantrekken, stijCtrekken ;

W. II, 478 {vrg. Mal. staande want, kabeltouw, enz.).

7 — iLn rrM-Jw/j doorloopend gat, Rh.

12vo. mn m w)/) kn. zva. Rh.

(O \' co

9vo. voeg bij: /y lt;gt;(,,, (^e 0,nVel,\'\'ekeud Voeht afgeeft, Rh.

14 ook Tl», zva. nj) \'nn/n hn \\ zoon van Tbgbg, Rh. ,

Gvo. (Hi tï of in ri ui i:i\\ tem. verwaarloozen, verlaten, bv. zi)n vrouw, zonder ers ^ co .

te scheiden.

20vo. achter uitdrukken, /. 11.

Ivo. voeg bij: ^ 1112 y r.)i t ii^n a /n na i lï 111 hy \\ het wikken en wegeij staat aan mij, B. T. Dj. 571.

Gvo. volg. Rh. plat voor nvi ■gt; w mi Li ij ^2(m/j\\ tegen iets stuiten; tegenstand ondervinden; li ijinii}\\ Jig. hinderpaal.

C*

-ocr page 54-

XXXVI

BI. Kol. regel.

447 a 11 (Qasncms een tjat-alel, Tj. Al. 38.

„ „ 31vo. ij ini/quot;] rn^ ook hen. van een vjtël in dien vorm , zie ij ml rjarin-\'U//

„ „ IBvo. (in(rn^iim\\ verslaafd makend, lust opwekkond, VV. II, 503, Rh.

447 ij 14vo. ®)) «sW rm •gt;) igt;njj ook te paard rondrijden; ook van het jiaard zelf, rondloopen ,

ronddraven , RP, 2S\'.

44g j, 3()vo. (uti m irtmi rim^ r) v)iamm?i\\ wat moet men van dit menseli deuken , Adji Sakn, 110.

„ „ 9vo. v. e. kleedje pas van het afgesneden ; van daar nieuw, enz.

„ l, 4 liooge grond maar lager dan «iimw

449 „ 17 In jil. v. iiJiry,\\ Ki). I. ki. zie BV.

450 a 2 i anjl\'. een ander zie op ilt;ii\\ BV.

„ \' „ quot; 14 fiy. neerkomen op.

1, 19 een bed enz. uitkloppen.

451 a 14 hiiyj ir}}? hinyn u ij een vuistslag.

„ a (ivo. itsn.vniwi/t? komt voor UP. 30.

i, i voeg bij: ach en weel roepen, ook zich beklagen, W. I, Ii4.

452 n 12 Rh. kent in deze bet. xaarym.p

1, 14 voey bij: K\\. klanknab. van het geluid van de kikvorsch, die ook daarnaar gen.

wordt ajjijfl»

,, 21 vo. fjositis ook verpligie belasting, die de gasten van hun minst in het kaartspel

aa-,i den gastheer moeten opbrengen ter gemoetkoming in de onkosten voor ontvangst enz.; het geld wordt in een schotel gelegd, Rh.

454 a ITvo. voeg in: ijastitmv KN. het wijfje van de ^7j(isn\\ BV.

. lOvo. \'lioiii gt;1 inilt;Kir.;iyh\\ Albedo melanoptera. 0ii;^«sngt; Aieedo leuooeephala, Hors/.

455 b IGvo. nshiHti (irnjj ook,- irC ) (bh nn (Hijj\\

45G I, 5 wat ziltig WW. R., llh. vert. de nasmaak is zout.

14vo. achter quot;beschouwd wordtquot; voeg bij: nl. daar, waar de oQiPimj is, is ook vohg^ Jav. bijgeloof een spook.

45^ ft Ifi voor geboortefecsi geefl Uh. nog op wirhi 1%minjj kn. (isH vnvif tnjjs ki. van

voorname personen.

„ „ 24vo. I. (ui (Hijj\\

b 3vo. zva. (umi%\\ pal staan, standhouden; zich te weer stellen, W. I, 109.

40n a 3 «cniéucfttnjj)-. getroffen door een slag, die regt aankomt, tegenover igt;!v$-rï*

4(,)] b 15vo. volg. llh. ah cms kn. /ivjj e/i lt; k.

462 i, 0 voeg bij:\' lt;i..n is ook dikwijls te vert. met «tot aanquot; bv. van water dat staat tot

aan, bv. de knie; tot aan de horst. iMiwinjn enz.-, zoo zegt men ook

van een zoon, die lij zijn vader blijft om zijn vader tot diens dood te kunnen verzorgen.

4Q4 a g ook zuiveren bv. door den doop, door de besnijdenis, enz. llh.

„ 17vo. zva. tj mi 1!\'\'0 KIgt;* 43 0lt;e) dc rykdom is

. gaarne bij liem.

405 a 19 volg. Rh. de een voor, do ander na , zooals bv. de pirkoeioeCs slaan-, tegelijk is

ilw ir^nsn ^r.r^v

46C a 13 . ook de snavel van zijn tegenpartij van op zij pakken van vechtende ghnaks-, vrg.

O O/ , O (Cl \'f t % \\ (l^ni (Hjjj N n^\'li kh \'f \'l/js

-ocr page 55-

xxxvu

voeg bij: achter djijvn ; en berust dit (jrondicoordwel op een schrijffoid in UP. 59 ,

o O f» O

ty i t rjjyjjj \\ voor u i rj i j i.j \\\\

Mal. kn. een naam aan Europescho jongens en jongelingen gegeven,

jonge heer.

liet vocht er van is zeer jeukend (rnani irht/j\\). Van een hysterische vrouw heet het clan i yiy oj) rj m n \\ *

kn. interjectie voor het eensklaps weggaan, wegvliegen enz.

Gallinula Javanica, Ilorsf.

O o x

a.) m \\ kn. zva. ij} \\ iiiiUii iiAji enz.

i. pi. v. afslaan l. afstaan.

ook ben. van hef deel van het padiyewas, dat de eigenaar krijgt, in tegenstelling van 1777 n u) 2 tn/js SG.

voeg in: X? ^ -r) iin/j zie bij nh^ti tu on y WW.

voeg bij: VVP. 349 eu l. in het Madoereesch vj an iu ij m rj m tm ^

Colloeallia esenlcnta.

aJ\'Thisi)/! of a?) t) asiy^s volg. llh. lijn, streep, voeg bij draad van vleesch; ook ongev. zva. oJrp - aclitig, bv. n.vimni\\ groen met een gele tint, Kh voeg bij: q/* opsnuiven, RP. 120.

I. buitengaan der ij 00/c wel (Lni^-n^v j?i\\ gen. \'

l. voorzien worden.

ook verzorgen.

voeg bij: meestal met twee daken en op zij een staande driehoekige wand.

voeg bij: quot;gt;7rj\\m 1 a^jj k. zz: of enz. zie bij

ook zva. rj ,hrtji\\

(k^ 7^ {ut ^ ij iTi ij o n nm. van een zeer gevaarlijke adder) zwart met roode staart en kop, Kh.

(ui^i oojjs gelukkig in de vangst, zie 0^ w volg. Kh. cm ij lo t \\\\

poët. nl. volg. AVW. li.

t w rcj irn/j tot h n j maken, ken nis tnalcen niet.

ilJwiHjttvjl ~ tot nu*vji\\ ®n\'ia\' \'lquot;. a\'» ^ \'\'i? »• familiaar. volg. llh. van jongens én meisjes; en zva. n.i^w {niet rilquot;*) volg. Rh. een teer deel van liet ligchaaiii.

/. volg. WW. ook kn. naam van de Itlipzwaluw.

quot;:i tiïiii gt;i iji 1 a iquot;i quot; i (GL. 82); \'9 avonds tussclien licht en donker; de tijd waaron de booze geesten beginnen rond te waren. quot;

achter uitbarst,/. WK.

voeg in; \'/\'■\'?\'/if.i1 \\ kn. een soort inHvisch, Kh.

voeg in: I-1 yii\\ kn. het uahootsen van de gamëlan met de mond, een aardigheid die de Madoeresen goed verstaan, Rh.

2 zie op den stam i \'i i n j \\

Ivo. de Cieonia Icncoeeiihala, Horsf.

Ivo.

C

Bi.

Kol.

regel.

406

b

5

407

a

1

). 11/// vi \\ zie gt; \'i fiw

ICvo. 15vo. 13vo 18 20vo 13 I vo.

| 408 | 409 | 470

Cvo. Bvo. 18

b b b

a a b b

471

473 47ii

474

475

470

478

479

481

■ , O 7 tquot;) ■

I. pi. V. fr-IIHIS t. :/.lillH\\

\' CJ C,J

19vo. 13

llvo.

as

t 17vo 4vo.

15 8vo. 1G lü

8 1

IGvo.

7vo.

17

15vo.

3vo.

3

3

13

480

489

-ocr page 56-

XXXV III

lil. Kol. regel.

489 1) KW o. voiuj bij: of zva. rj mi l rn y 2 w

^yo ji 13vo. n i lt;ei ni ij au z \\ verkeevd geplaatst.

492 a 6vo. (ui lt;rn tn/j \\ ook hm. van een waterleiding, die na ar, een saw ah loopt. j.)Li j0

o^i i i { rj (Ki f »ƒ quot;gt;1 ïtföi anjj ^

„ b 21 Edolius fovtificatus, Ilorsf.

„ „ 17vo. GP. geeft er deze omschrijving van: li^a.? J] i ij^i? }ii gt;(btïiilt;n{tj,i v\\

„ „ IGvo. kn. klanlcnah. van hei geluid bij het afrukken van gras door gra-

Cv •

■ zende beesteny roef! — i:nurt^(b)},j\\ gras zoo afrukken, grazen\'; vrg.

n ■-gt;

en {cn^oii

493 b 21 voeg bij: ojmit en aoitjrirtw

494 ji lOvo. ?.? li nn/j voeg bij: ook gelukkig op tie jagt, visclivangöt, tegenover L

enz.; vrg. r;i) ^ xti (Hi/j\\

49(,) b 8vo. bij drie daken heeft men eerst de j.i hn nj ii\\ vervolgens de rjerm ijm en dan

de Muu\'nms Rh.

497 . a 10 o.ok vjel eens te vert. door «tegenquot; zie pl. Waj. op aiiww

498 b 10 zonder tanden nl. van Je geboorte af; volg. JU. oo/c zonder horens lt;/i/

volg. Rh.

499 a 9 ook zva. \\ hindernis gevoelen; een onaangenaam, griezelig gevoel hebben

van het een of ander, zie RP. 83 en L. 180 n-jhn i-imu „ 18vo. voeg bij: K\'v. zva. unnji;?}

,/ b 9vo. Museicapa Javanica , Jlorsf.

500 \' h- ü volg. Rh zich gekrenkt\', beleedigd gevoelen.

501 a 7 voeg in: .Uwaji/j ~ iïm Hniujj\\ vruchten om rijp te worden onder de aarde

begraven, Rh.

503 a 2 bij het met kracht in den grond steken van iets, of het kappen van boomen,

wordt om onheilen of booze geesten af te Keren, do formule uitgesproken-,

na., rgt; ■

17,1 tit) /.»//ƒ ^imcm4(un ik(Ljhoir^iomi tj-uiw

.504 a ft ^ ïrn/j ook hen, van een haarkronkel bij de flank van paarden) Rh.

1, 2] vuey bij: vohj. .Ui, v. Ptrj. , koopman.

505 a Svo. .i jiiMit I I rn 11 ~ .i.vnii/ tii\\ IPnnys. up tjtLit\\ W. U, .478. 5()ft ;l !9v(). ts- m)} v puf;/. M. voorgalerij ; ou/c ecu soort IiellebaartJiers of lijfwachten van

den Vorst.

t, 1) lövo. zie bij cn !-j\\in^

509 a \'1 l. KP. (met (jrootere htpU.) 23, en i. pl. v. .wnay l. i.i • jquot; ^ voey «oy bij: R!»,. Ï18, ieaft i mj i.n-gt;lt;gt; j\'] i n tnj\\ WW. geven op ^ ti^if i-n gt;njj\\ „ 1) III oo/c in \\V. 11, 341.

8X1 b ■ 16 1 11 l^ri.lil.litilljf ItJIfin Il l.f.l UIIJj Jlh.

„ b 2lvo. ivi i ij i irnj ook gesclionnl van kleêren, llli.

\' 1 ()\\ (i. i // r :ic\' ra ifip\\

5X4 b 3 nfi i inan ) ohj. ilen.^ Imnr, luiuriirijs, belasting.

- . a . o*

515 b .14 voeg m: zu! quot;

5X6 b 21vo, njimnriinri.tjiiLii Hi- in A. 17, ctat wil zeggen -nog mooijer dan mooiquot; ironisch

^ i\' 1 n i )

voor erg gemeen, li li. {volg. Rh. IT. :.va. quot;Iioovaanligquot;) vrg. Ib. de woorden .rmi.iiai

ii.m^ van Senlanoo dówa gcbrnikl, «hoe goed of braaf\' voor »hoe gemeenquot; (A, 47).

-ocr page 57-

xx xix

lil. Kol. regel.

l) 7vo. .gt;r; ui n ook zva. wjcm doorscliijneuc!, zoo dat de lucht tu zien is tusschen dc hoornen y W. II, 480.

^20 a 3 iwy c/ aan een vlieger.

// . „ 23vo. zie ook iSiii\\ bij lt;ru II.

„ 1) ]lvo. i:m lt;ruhii im\\ eeu obj. cry. tiusclion plaatsen.

524 a lOvo. volg. llors/. P. galgulus.

,/ 2vo. flvj njrrrh\\ ~ hjaunin Kh.

(/ ,/ ü voor , hetf of ander in de plaats geven , Kh.

„ b 15vo. achter quot;wordtquot; /. WAV. vohj. Kh. iin in,j\\

52G a 15 Mn rj dm w ru urrj schrappen.

„ „ 15vo, zoo vert. 11. Bij nader inzien komt het toch wenschehjk voor «te bet. van

i nnimji iu den hoogsten graad, schrikkelijk dikwijls ter versteyking van hth Lr ut ij uil de vorige editie te behouden \\ en dan te vertalen: . (un hij k] rhi n /,un/j\\ ik heb schrikkelijken dorst; z\'oo kan dan d.i n.itui i n of nri K^iit n i,)) ini best bet. volstrekt niet, ongeveer hetz. a/s tm bi gt;jvii ~7id rr)\\ ouniogelijk.

tiuu.j n i hii.p ter plaatse nl verlicht door het weerkaatste licht van den waterspiegel.

tj i.i n i hn/j nl. oneig. voor onwillig.

I. UP. 122.

.) ]tj rui.unrj iLii,1 u/jzij hel ook langzaam, al doende of voortgaande (komt ten werk toch af).

:Knj t.m mj kn. woedend, razend van een wild zwijn, Rh.

volg. J1). Perz. quot;a kind of broad clothquot;.

voeg in: ■ (h) ii nv (in/js scheepsterm: zuidenwind.

in li. T. Dj. 000 u jti ):m f\\\\

voeg in: i.nu.ii/j nz; irn.nu/i doch van kleinere voorwerpen, iniiini.u^ erg. tusschen in vastgeraakt, GL 58.

neergezonken nl. van velen.

). )

(f.iiu\\ dat gevoel, of iets, dalt; zulk gevoel le weeg brengt, — herh. of i ïji.kiitviji^ «lat gevoel hebben.

20vo. rm i i iai lt;gt; i n hn\\ zie bij ai] ïcihii{\\

Kh.

voeg bij: nl. in vloeibare zaken als water en derg. elders hii ri r^.im w/J

i2vo. rolg. .11). v. l quot;to blamequot; L. quot;denigrerquot; D.

ook zva. ri i h of r.n rjyiiê n i/j bij verk. ook nj ry ^

Turdus chalybeus , llorsf..

rni yj rn[i^\\ zva. t i ijlt;rLi[iii^\\ zie iLnj iri ioi\\\\

volg.Aih. en het vocht (water met borax) waarmee goud gezuiverd wordt.

voeg bij: iIki\\ of i lui\\

15vo. i. i iiJtivi.j zva nOi tJiAsnj^ of i:i asiifiJi/j bv. van waterstand: i i \'i i ij ih ? nin Kh. 7.; /«fc\'n irn n ij^ van waterstand: zoodat dc knie onder water niet te jfien is, als maat.

quot;■

b

19

b

llvo.

5^8

a

12 i

»

8vo.

■■

b

. 8

10

»

M

»

SJ3

530

a

1 \'Jvo.

531

a

15

582

a

12

20vo.

\'fequot; ï:-

b

15vo.

533

a

7

«

12vu.

quot;

1)

19vo.

534

b

20

535

a

13

537

a

2

538

a

15

quot;

1 5vo.

■\'

3vo.

-ocr page 58-

voeg in: ril Hjimnjj zva. o-fflosn/l \'quot;lquot;] ïfw

^ • ut o

0^1 (uiitni^/i ook zva. \'V)asnaj/jj\\ J j. (Kt cwijnsn ^ 12 tyrtihhti^ tot aai» de n (uizrj

(Tj WtllHtlJIS

volg. Rh. fci(uru\\ poët. —- MVf oji y ru\\ kn.

n^aji(Lvi\\ ook zva. (Fjj ni q \\ W. I, 74.

(tamp; (EjMtïJifli (m^ (W, I, 25), vo/f/. CP. cciic verzameling van geneeskrachtige

ingrediënten, c/iö de vrouwen gehruikeii bij cene zekere soort van ai.} ryi tw o iisri i i/j

o O o n

ihiloi h}i j (iry f. i \\ zzz w (iJi.?.? ^ rj (ia a i \\ Rh.

I. zich gereed maken of houden.

Deze bel. v. G. voly. Rh. op de horens nemen; voly. WW. met de horens in de hoogte werpen.

zoo PL. II. 82.

iaJ y

voly. Jb. iJsLi (verhetcr in loco Jju/\'-I. aj)(um\\ Tardus llavirostris.

O / » rm O O

\' V0 ZVfl. (Kt Uj iTj) \\\\

r.t^y tyFy us gelijken op de iej (f j nh {voly. Rh. een onderaardsch, geheimzinnig gewelf in een oude tam an ie T)jocjd) zva. geheimzinnig, liuiehelachtig. Deze verII. schijnt althans in 15. T. Dj. 150, heter te passen dan die van Winter , Zamenspraken II.

hierheen ie verplaatsen ij t in\\ van 490, a, 12vo.

voeg bij: een cirkel maken, in een cirkel loopen.

711

i nj i

O

voeg in: .v? - ?\\ kn. — bij tem. aangaan; iem. praaijen om mee te

ocy

gaan, GL. 03, vrg. (khuw

O • \') O

vni n h ruj^\\ iem. den mond stoppen met geld, djKK/jw ^ geld tot

omkooping.

(K^ i i ?ï(ca(Hifi plaats waar de wajangs gerangeerd worden, W. 1,1, Rh. achter otj (tnji\\ l. WW. R.

(M friii i.7 r.y iii injj een grabbelpartij bij gelegenheid van Chïn. f eesten) {zgn. Ijo ku). I. een object iji de vlugt opnemen»

rjoj) i i tnj (hij*

Cquot;) ... o

voeg in: (i.i if yj ut (hi j zzz (ut^irj utoo/j bij i r^i i w

8

lOvo.

SO 2

mi )]w (/a tnt (Ht

(UtO

voeg bij: met vergiftige stekels.

:i.i^\\ volg: Rh. ben. in het alg. van ziekten na de kraam, meestal uitwendige, als huidziekte, Oogziekte, en deeg.

RvK. geeft omtrent sëmbong (/. sémbong?) dit op: i)e vrouwelijke beambten aan de hoven dragen een mannelijke sik ëp pan over de sembong van hare dodot; de sembong is het uiteinde van de dodót en wordt als borst- en buik-, band gebruikt. Over die sembong wordteen lange sjerp van paarsche zijde omgeslagen met twee van achteren afhangende einden, die tot aan dc knieën ongeveer Reiken. Deze soort van sjerp wordt hoekocp gcheetcn.

2. de lange veeren van de gëniak beneden de vlerken,* achter de dijen, Rh.

voeg bij: IIP. 8*5.

m.

Kol.

regel.

538

b

15vo.

quot;

»

lOvo.

53\'J

b

lOvo.

540

a

14

quot;

b

31

4vo.

541

b

13vo.

543

u

5vo.

543

b

4 .

5 44

b

4

545

b

33

548

u

0

quot;

b

5

b

lOvo.

550

ii

. 8

»

b

10

551

u

33

553

u

31vo.

554

b

15

\'555

b

7

quot;

quot;

18vo.

550

a

31

557

b

3

558

b

31

559

iv

10

. „

b

y

500

b

3

-ocr page 59-

djgt;1 cnnnsnjj kn. d\'-lrj rniias»inwendige steek lt;;ƒ jirik, bv. in de maag; oolc iktjnrtiiam ijqntasnji? CP. vrg. i\' gt;\')/taniisrijj\\

Pert Jb.

O

voeg in: (^. 1, 30) CP. geef/- als verld. v. -ui t;) 0\\ op: ^al de toe

stel benoodigd voor het koken van rijst enz. met de rijst er iaquot;; in hel Madoer. \'leslaat een woord helgeen opgegeven loordl te zijn; een

ih ] iHfj van aarde.

t/ i nyi luj/ km. overal aan flarden; vrg. t/rnnuiii nSoiy. Uli.

volg, Kh. iK)opxji/f w iuiji\',

voeg bij: I\'l i n u^ of gt;\'.i in o^i/) de schoone.

,Q» n o .

VOty O ij : (un ik (K i it u ni \\ ie t mi di) |j if hut hj w

(}.i vi,17/7eif/. leeuw met manen, mannelijke leeuw.

voeg bij: 9ok vriendelijk , voorkomend van vrouwen; zie ij n BV.

O O O Cquot;) Z\' -trr s

ikv hi m w iamp;i y (Ut \\ lrant/s. op tj (in y ,17; w irja.iut\\ volg. JXh. zva. i.tt htiw

voeg bij: nitilt;tytQ\\ naam van den patih van Praboe Koeroepati ie Ny as tinei, uiasit Mtijj0 bang van aard.

vo/g. Uli. zva. oj^ ap loiji doch iets zachter.

$lt;rj utt(Ktt^j kn. — (i^nrjinit uttji met kracht achterover 0/ op zij buigen.

zóo in RP. 28, rjx.m tin .7n,j0 niet onvriendelijk, niet onaardig tegenover kinderen.

1 n s\' o /\' j o / rt /

1. pi. v. f 1 r:t van HJII in \\ l. iri van (un in w

\'1,

voeg bij: ook de kosten van een of ander bestrijden of dekken met, B. T. Dj. 518. volg. Rh. gehr. anjj\\ en da71 volgende op ij rtzym uttji als klanknah.

Q f\'nj virj .ut iLit als de bloem van de wcwejan, nt. ligt blaauw, de kleur der oog en van de ghnak, vrg. f t istt ij iini 111\\\\

— in RP. 00, in overvloed en weelde leven.

i. J)l. V, ij ili 2 OJt \\ l. ij gt;1:12 IJ) w •

«Si tf tp 2 nnji zie ook cctj r.y xw/j II.

fotrj cyi 2 nj\\ zie ook xrtt :f^\\\\

voeg in: rii?iutij kn. spitsvondigheid, haarzifterij, — iuj?i,i,iij haarzii\'ten, aanmerking maken op kleinigheden. — iï.iPittfls - op iems. woorden, Tj.

achter BS. voeg bij: Adji Saka, 270.

7 O , c)

1. pt. v. ajfrjni^axtji l. tut7j\'-n2Qn/j\\

Rhinoceros sundaicus. Hors/.

... a voeg bij: /Et iamp;t mti \\

(TV* o \'/ iLt iisti in \\

rgt;

quot; if. 1 asti iHVt ~Jti rj toi \\ j a\' o . (y o

L. pi. V. tut HSII \\ I. lot (1511 \\

a/s toedcelen komt het voor RP. 195.

M us setifer, Ilorsf.

— iQi?i(tnjj\\ als dewringin bladeren, d. i. klein en spits toeloopend van oogen, Tj. van de ooren van een paard, of ook een weinig toegeknepen vati de oogen, van een die slaap heeft.

4vo. achter: r]n^-hztot l. *

regel.

3vo.

22vo. 9

ül. Kul. 503 a

5M 50S

2vo.

4 21

18vo.

19

15vo.

0 10 18

13 8

aOyo. 18 15 Ivo. 15vo.

4vo. 17vo. ■18 25

12vo.

20vo.

2vo.

lavo.

1 •7

13

22

Svo.

16vo.

19vo.

Bfil)

570

571

illil 574 570)

577

578 582

5,S3

585

586

587

590 51)1

5\'ja

593 5cJo 597

-ocr page 60-

9 voeg in: nyniihu/f zm uiinmjj\\ BV.

llvo. I.: uitroep o!

13 i. pi. v. 1.) ni 1. M(ui\\ en voeg hij-, euu zauk, waarmee men voorzig-

tig moet zijn.

14vo. i\' pl.-v. i^n iW iici. I. aiwin titis volg. Jlh. iüidcïiih) ook de schenkels van ecu heest) {zie (tm iEi Si w/j bij turi m Siju/j^; iiwrj ant i bi na itci ij in \\ traag in het gaan. — voeg bij: itidijdh\\ bij dieven bv. paarden het springgewrieht afsnijden.

22 voeg bij: of hij is begonnen ziek te worden, enz.

17vo. voeg bij: zwarte (keisteen); zie bij cmrhs 4vo. cans, ook mild weggeven, B. T. Dj. 512: 0ijn mi w

18 volg. lih. tQihn cis ook een huik geven of maken aan, bv. een pop {de bet. v. van een lading voorzien is van WW.). •

21 vo. itjit is zie cry i j sc/irapnen, ; een boom niet breede bladen waarvan hel hout

Ck CJ Oh

zachter is (tan greenen hout.

8 in de bel. v. n i ki \\ Tj. Al. 25.

12vo. volg. Uh. zie (Ut^ uiw

•17 t. toenemen.

1 volg. Veth, Java, I. bl. 432, ook in deze bet. van het Ar. waii, vriend, enz.

12 achter: quot;onherroepelijkquot; 1. AVP. 211 , li.

21 vo. voeg bij: (ijiniq of rn iu i \\ voor stuk, stuks van lange smalle platte voorwerpen, als sabels, krissen enz.

l\'lvo. (ui.ru^cuncki^\\ voeg bij: obj. den.; bij lemmers., bv geteld of vencocht; lt;ui

v/iijt itCi tu f i n vnjj — ook zva. rm i^ Uh.

10 komt voor RP. 140 en ib. 178.

19 ook liJh rum deerniswaardig.

19vo. verbeter: ilj ö tuui/p

iovo. ■\'•\'.\'yi\'J.v quot;ir

Ivo. n n\'i 11 \'1 \'Lii/j* Stenocoris varicornis, Burm.

20vo. Peleeanns philippensis, Hursf.

fi Faleo poiidicerianns.

7 voeg bij: en witte kop e.t borst.

3vo. Lutra leptonyx, JIursf.

20vo. voeg bij: nl. van een, die zich als igt;ii het stilzwijgen heeft opgelegd. 23vo. volg. Uh. .tjltiï rn/j zzz vn.rnrnfls 19 rf i lA\\ ongehuwd leven, Uh.

lövo. zie ben.

18 ook onvorschiliig vvelk uf wal; iedere soort maar, welke ook; niet uit

(jezocht, niet uitgelezen, W. I, 7ü.

1 i. pL v n ut cru \\ l. i] niè rn\\

15vo. *)ncrrt\\ GL. 51.

Ovo. iL^irn n\\ volg. Uh. zva.

13 voeg bij: stijf, niet luchtig gebakken.

5 tut id ri^ li tui tj verzamelplaats vooral van watery (rij. •52*

19vo. in HP. 103, wonder, wondermagtige grootte? zva. ugt; n.cn c*

-ocr page 61-

XLIIt

. voey in: t.nnij 2. 1$V.

isn u) },y(in(ta/j\\ kn. zich vervelen door te hing stiuvi. t;/wachten, GL. 74-.

achter .lt;S Si asn/j I. U.

voeg bij: elkaar heimelijk consignes geven, W. I, 70.

ooeg bij: tu tu tu\\ interjectie om karbouwen te roepen.

M i;/] tviun (LjIji\\ den natunrlijkcn dood sterven, (niet geslagt) van dieren, te M.

ook de dwarslatten van ecu bambgezen vlechtwerk (meestal ti gt;gt;?) die in de

galen der djëneng^ gaan, zva. de schering van een weefgetouw.

liirundo fuciphaga, Horsf.

ij tui ij trtri zzz h tlè rj ï.inw

ook erg buigzaam.

Hystrix fasciculata.

/. itjitud tja^tj\\ streep of vlek. — tj ijarn il bevlekken, beklaJden, vrg. tf

•v\')dviDs 1JV- .

iu *u ^ viooijer woord voor / ƒ / volg. CP. N. van i.rt,ii\\

l r j \\ op de iVi arnnm tnji moet in btl. gelijk zijn aan ij m tj m\'/; iM tj \\ en dit is een Wangs, op ij tü tji^\'ti tj ict ti nti vtdojp W. I, 113.

Fel is tigris o/ F. regalis.

. O o , o o

■i. pl. v. ,1. ti\'j u *» mji \\

vo/g. 11. tut.ip in z am enge stelde uitdr. zva, rti^ui.tp liever aldus: in zamen-gesl. uitdrukkingen: het bedrijf uitoefenen van bv. nt ht^in crii\\ fig.

tu Kti\\ bedrog plegen.

tu tu tj intt ui/j ook zva. ru yjt.n 2 tn/j rtiijut0. door romaneske handelingen stof geven voor een roman, PM.

, o O . o O\'

l. pl. V. (LD tft) \\ 1. lU h li W ,

ivniiH bij G. voorspoed, geluk; magt, aanzien, (;óo wel ligt W. II, 85).

\'quot; biJ Le^s atulcrs voegen, er bij komen, (li. J. XXVII, ü, 4, CS.),

aldaar wettigt sterk aandringen, er óp aanhouden, iem. vervolgen fig. bv. met goede woorden om over te halen, enz.

iUt ij ia (hj \\ ook ik ben tot je dienst, of ik sta jc\' (zonder of iets derg.),

Adji Saka, 279.

ij tu tj j. volg. lih. iets weeks, iels papperigs, ook ijtu ij [iir^ of ijtutj

Y ®IJ\\ vrff. gt;1 bij \'

\'jj\'7 7 \'/ mondeling.

Vespertilio pictus, Horsf.

i. pl. v. y ty hj) gt; l. itr^tj tiw

volg. Horsf, lliverra musanga.

t\\ i tj t iMtijjs Stirunda esculenta , Horsf.

(RP. 182) ook WW. op 7 ^N

volg. and. e^en fabelachtig beest van reusachtige gestalte.

voeg in: (nt rj ói 2) — rjtu rjutii.t inj}\\ weergalmen, GL. 59, Rh., wettigt beter geschreven vj. rj tue tj i n rn anjj zie bij 7.1^\' t 7 11 *v\' \'^^ ■

;u iu ; 1 tt uyi \\ méégaande, ligt tevreden te stellen.

achter medicijn 1. G. of vergif innemen, K. mvv/. medic, innem. G.

regel. lOvo 7vo. 14 Ifivo 4

• :ivo. Ovo.

IS)

(gt;

4vo. Ovo.

21 vo.

11 vo. lOvo.

12vo.

22 Ivo.

Kol.

a a b

b

a a

b a a b a

a 1)

131.

C30 {)33

084 ()3ü 037

03S

040

041 044

0 45

041) 052 054

15

21 . lOvo. 13vo,

055

856 057

Ivo.

058

001 002

004

005 000

23vo.

31 vo. 8vo. 22vo. 14 0 11 4vo.

Ovo, 20vo,

oos

-ocr page 62-

quot;M / vn \\ Brachycera, Veth.

voeg bij: // spiraalsgewijs om iets heen geslingerd, zooals een slinger-

geicas of een touw om een boom: spiraalsgewijs gedraaid\'lt;?ƒ gevormd bv. vaneen jwot van een tafel {vrg. 0f 0111 Zlc^1

spiraalsgewijs slingeren; iets spiraalsgewijze omklemd houden, JH. 673 b Ivo. het woordelijke, het tekstwoord uit den Koran, tegenover — (tn irii m irvi tj

tjmi\\ de iru(ijliïviji uitspreken, llh.

682 a 11 voeg bij: iwq zie ^ \\sr)^\\ Nemocera, Veth.

quot; quot; 23vo. I. rj (uin anjjs

683 b 8vo. voeg in: ii5o ^ 1. zva. rjn.iBV. 2. //er//, papperig dik.

vjirukn. — rj jr) iiji^ lui of onverschillig op den grond zitten of liggen van velen, Rh. zie ijuiiizi

686 u 5vo. (ijjj n jK) oneiy. voor Adji Saka, 132.

// b 3 in DNV. 384, 9 rm ^

Ci] 11 N ongeveer zva. nl. niet vermengd, niet onder

den grooten hoop, d. i. bijzonder uitstekendV

687 b 6 (Lii.yn^ï\\ rnet de werpen? RP. 163.

C/fo c/ro 1

// • \'/ 14 volg. llh. ook van de eene boom op de andere overspringen.

quot; quot; 5vo. oo/r tivu. van een plant, Tj.

688 a G ook van een weg, zva. (irni^j\\ regt, zonder omwegen.

quot; b 21 voeg bij: toen pas.

691 a 21vo. verb. v. al g o dj a, Ml. Port. algoz) tp.

692 b 8vo. ongev. zvce. urnjook voor zijn vaderland, enz. zich opofferen.

663 b 18vo. ijiu^rn^rnji kn. — y i.i breed uitgestrekt, bv. van een terrein\', breed

uitgespreid zijn.

694 b Gvo. i. pi. v. l. ru^Jj\\\\

quot; quot; 1 Svo. /rij htl\\ enz. schrappen.

v \'/ 14vo. ook wel algemeen er voor een donkere huidkleur bv. van een metis ch / en igt;t. Tj. ■

M. althans Wangs, mi tin ru inï rjiirj tLi\\ — nj^r\\yiii?u izz (iJi*rrn\\\\ 697 b 3 werkelijk geeft G. ook op ^ n.tz un zva. rtrii of mi.u *51 ijt/niquot;niu^(in\\ zeldzaam, schaarsch enz.

quot; quot; 20 fjwhiiq zie ook bij ijji m }™JI^ BV.

699 a 12vo. volg. llh. ligt blaanw, hemelsblauw.

701 b 7 te verplaatsen naar: 702, a, 5.

702 a 5 hier te plaatsen: rj tliimiw

\'/ b 14vo. de h\'icïii\\ wordt volg. llh. ook wel gebruikt om gasten te ontvangen of te logeren, Rh.

705 b 14 vrg. iamp;u/n (^jj^

709 a 16vo. voeg i/i: oji ^ ty tj (mi ói \\ kn. een kruid waarvan de bladeren gestoofd gegeten

worden, llh. loeüiyt pinagawong, Ilydrocotyle asiatica L. Nat. fam. der Um-

belliferae, Fil.

O

711 a 22vo. I. lui xrm ihvji of itiwri htijp

715 b 12vo. ({.1 errn \\ zie ook ben.

CJ )n

717 * a 14vo. njiirrninyf ook een week. cUcrrn n» i j .iriji een week daarna.

719 b 14vo. bij oj^^nnw

XLlf

BI.

Kol.

regel.

669

a

21

670

a

9

-ocr page 63-

regel.

bvo. I. of afhalen , (BS.) R.

\',) in Tj. .Tjiiiï njinit /rff. {gfiv. iq ry en y w; gt; gt;/(hi) i \\ niet (jelr.).

10 ru\\ ij rm rj asn \\ rj rnn rj ,wi \\ firj. lioven audovcii uitsteken, Tj.

3vo. van golven zich verheffen ? (oneiff.).

, , . O

5 L lur^ibns nm w

S iuijryrti ttiiji\\ kn. — .• m^rm» opgezwollen (vry, iijimi gt;lt;quot;l)\\, tma0

borst, borststuk van (jevogelte, {7,. 214) S. vrg. niui ijmrni n i.n)nnriiz i,it,)\\ In

, \' \' (amp;J \' (. / \' (i.) v-/\'

W. Z. welligt een verf. voor gevulde (eenden) borst met farci.

*\'4 voeg hij: verbroken van een familie- oj vriendsohapshand, IV T Dj. 537. 22 Carbo javanicus, Horsf.

4vo. voeg hij: ook (fj(Qnrtj\\ iem. een bepaalde order geven.

O

18 (Hn!uni\\ zie 14i regels verder,

9 met uw (uinrinsnwwjiK J5. T. Dj. 408, wordt volg. Rh. bedoeld ntn n/i •») aij

(U)Mjj\\ door ongeluk getroffen , e?i deze het. geeft ook G. op.

13 iuirn(uirr}\\ zie ook hen. BV.

4vo. ajii]rr)/(HT/j\\ B. T. Dj. 514, oo^ tweeledig; (weeslaelitig; dubbelhartig.

14vo. y ti/tii ? \\ ook fig. ongepast, B. T. Dj. 460. .

2 voeg hij: en buitendien, B, T. Dj. 479, zva. nm tij) rj /ui tj ujw 4 volg. Rh. kunstig verdichtsel,quot; kunstgreep.

2vo. /. 2. — (ïjInitoi/i\\ kn.,door het water enz.

3 /.2. — foi to (Kiiji\\ ongeveer enz.

11 l. iMalaceeusis; volg. Horsf. Columba Bantamensis.

7vo. voeg hij : ook rrnrj hinj tniw

17 oSlnrnwiui hits particuliere landerijen, in tegenstelling van Gom. landen. —

fultnis als een vrij man leven, onafhankelijk zijn.— w tw tni Mn rj iwn \\ iem. vrij maken, in vrijheid stellen; een slaaf vrijlaten; iem. of iets buiten dienst stellen; vrij stellen van diensten. — (ui tma int\\ vrijheid.

24 (vniMi^hn ^n^hn/js gelijken op de djëroek poeroet, nl. gerimpeld, gefronsd van het voorhoofd, (^xm

19 volg. Diss, van Jonker y . Oud Jav. wetboek enz. (Brill 1885) Aant. op Art. 53, k. v. [Cu^(iJiin\\

20vo. [(u^(virr)\\ volg. CP. zva. {(L^^-n nsvjj\\ VV. 1, 109.

21 vo. quot;in schijnquot; schrappen.

12 in voegen: ojiquot;gt;iom\\ kn. een stellaadje, meestal van bamboe, om iets te droogen.

11 voeg in: zn (uiuru/js 2 i. pi. v. l.

0 i. pl. v. a.i rn \\ l. (L/^criiw

K .O 1 C )

o voeg m: (li if mi ^ rjemt mi j zn ivi tj cm 11] cni t twq \\

13 nXijcriirjeni\\ kn. — Strjcrhrjarhs een drieste houding aannemen.

12 volg. Rh. ook ben. van een klein klierachtig gezwel aan de borst van een meisje.—

zoo zwellen. — niï7}y onjjgt; ben. van een levensperiode van een

meisjegt; wier borst begint te zwellen, zich te ontwikkelen.

lOvo. voeg in: [tu^an (uijj — zva. maar van groot ere tanden, hv.

-ocr page 64-

l.vP

regel.

ti. e. paard, v. e tijyer, enz.-, ook v. 1)ovaujj1 s of aiulure puntige voorwerpen boven Jen grond uitsteken [pok ita im Ivo. m\'iyrn voeg bij: ook snoeijeu van de overtollige takken bij indigoheesters-,

elders lt; ^ r?ri ?. ? ^ of rm .■?-1 w Jl li.

3 volg. Rh. de vlakke liaml oj) liet hoofd leggen; fi(j iem. beheerseheu, RP. GO.

llvo. achter tu nuihii n i/j 1. RP. 176.

9vo. Tringilla puiictularia, Ilorsf.

8vo. zie wtjcnitw

18 hji u} }. t)/j o f. irniiarmj zie op nn .in ioi^N

8 ILI.1^ imn/]\\(lgt;e/.er tut i.y »i m/f) naam v. een plant, een parasiet-, vrg. tfiiiviay ui inj)\\ Uh. 21 tj i\'.ua.i .\\j\\ GR. volg. WW. en llh. rjéuTiJiun m asnjj nl de \'mooiste tijd om te \'planten.

;ivo. nxn-nr) ,.1, L 181. — be/eejde term voor: ik wil niet; o/ik

bedank er voor; vry. (ir^hit iagti/jy ik weet met.

20vo. „IriasniiKH-nrj.i.H van een of ander zeggen, dat liet zeven is; een offer geven als hoven voor zijn vrouw.

. , O j O

8 z pi. v. (vgt;u t \\ l. f j, 1,114 w

]()vo. Colurnba risoria, Ilorsf. de 0rmiïj\\ C. bitorquata.

4 of het klokken v. e. klokhen.

18 l. (U O.

3 vrt/. ^ rjruw

5 i. pl. v. ü t in nm 7 l. fa rnt a$ \\.

\' (jt, \'K ott \',5\' .

lOvo. ffjï m i?)- de bruid en bruigom bedienen.

8 achter woelig /. WW. •

12 i. pl. v. kn. I. kw.

8 /. kn. — v

7vo, de woorden aii ru wi) e» te verplaatsen n. ,Wlt;/,/oA b 23, volg.

33 ook voor een stuk, e\'en van bloemen, tjümpaka , ens. 15. T. Dj. 404, twee regels verder, ook de rijpe kolHeboonen tnssclicn de onrijpn éen voor éeu uit een troa plukken, llvo. voeg in: kn,, — \'rj|

6vo. ook amp;*»■ waarmeê men zich rolg. Bh. de weukbraauwen besmeert, om liefde

op te wekken.

18 voeg in: -rj Ij7 zie 7 \'\' 7 \\\'3A

2]vo. 0r,ii ij)\\ 0nirlr/i: Pieus tristis , P. bengalensis, Ilorsf.

22vo. vrg. \' 7 \'j \'yN bij lutlikw

15vo. hierte breagen ojihjij van 789, a, 10.

15vo. fijn drukken, dat liet een knal geeft. — denquot;

0,j ,u!ri :uunlp zóo met de baud fijn gedrukte \'/«quot;•«r

19 Porphyria indieus , Ilorsf.

22 voeg in: kn. ben. van een figuur in hel (\'hm. kaartspel.

20vo. eie bij iijiiiiy\\ i ii\'iïji\'ti«

2vo. i. pl. v, l. fff rj i -i ^ w

2 verbeter: Qntm/) of f^iviimj kn. — of rfyt.ivwp verbaasd zijn,

het eerste met een weinig opkijken gepaard, het tueede met de kin naar den hals

Kol.

1)1.

755

756

700

701

702 703

705

700

707

708 770 771) 783

783

784

785

780

787

788 791

1gt; 1)

793

-ocr page 65-

XliVII

BI, Kol. rngcl.

getrukken, gepaard met den uitroep, wa of wè, WW. — zie ook bij vpctMijs 79,1 b ;ivo. gt;1 LI ijUj^hihp KN. — gt;1 M gt;1 , plat ofte pletter sllian ; ])lat beuken be. vtoi

een hamboe tot^y i gt; ^

a 20vo. imiumi(iQi(m/i^ pass. ook versperring ontmoeten.

y()4 b lOvo. luiiLMOJtfl gebr, voor hh luv )p Rh.

807 b 20 achter \'/hoofdquot; voeg bij\' (en voorname inlanders, Rh.).

808 b 15 l\' volg. Rh. k. v. iïaivi nu) j\\

„ h 10 i. pi. v. quot;sawahsquot; l. padi.

809 a 12vo. voeg hij-.\' ook ;v} yrm gt;ƒ rtn en irn tjnrrid tywi? ini/js (\'t\\ij cmsij rnn hii/js en \\jn

O\'

810

825

,0 u -■ O có • G) O l ovo. oji up cr/i} \\ zie k i up w

quot; quot; JOvo. voeg bij: achter ••marktprijsquot; ook tvi ijipt

81^ b 8 (ijt ^nsn/i\' ook een vogelgt; een sóórt koekoek , GL. C7.

814 a 2 volg. Rh. uijip zzz (Uip vi waar in mindere mate.

quot; quot; 13 cu Hps is van JR. de ifti tij lip \\ Portnnns pelagieus.

810 b 5vo volg. Rh. tui hn (V)aaq de ware spelling voor aji tfïi iuihn/j\\

818 b Ifivo, voeg in: (urja^?^ kn. — iem. zaelitkens berispen, GTi. 7.

820 a 10 achter quot;lachen\'* voeg bij: RP. 35.

quot; quot; 18vo. de bet. quot;i^ts om mee te gooijenquot; is van GR.

822 a 18 Deze restrictie later door Rh. terug genomen.

823 a Ivo. (i/nrmirrin\\ volg. Rh. poet. -zva. nr^ioiainx;}

quot; b 22 a^cynd/nifus kn. planken besehot in een inlandseh graf om het instorten van aarde te voorkomen, {Madoer. hetz,\\

a 1 voeg bij: en zie

quot; 17vO. i. pi. V. (IJI IJIIFI/I l.

b 1 voeg in: vymrj \'gt;» zz: V ik rh n en zie rf tut rj ii w 18vo. i. pi, v. ac} }nt9\\ l. nnni} ? nn

820

840

b *14vo./, verder\\

832 b

a 1 volg. Rh. ook rfn(um/js

quot; 0 quot; quot; zoo wegschuilen, GL. 41.

3vo. in oj. zva. fi-i n n hoi ij n

^ 6vo. voeg in : r\\M\\quot;— of rm n .im/j0 znidwestenwind.

QO Q

^ «ivo. voor rjncnrjtf.iin.i/f zie ooi: ijnpr}(fini^\\

li • oquot; W . 4 . .

o I voeg in: nyttiiu^ kn. maar even aanraken bv. van een voeging % een weinig af-

n

nemen; vrg. ^ifiiiu/j\\

51 3 hier achter moet volgen: de bij in opgegeven het. v. e. soort cosmetiek, enz.

11 \'7 wrjmifs perdix Javaniea, Horsf. •

^ 14vo. volg. Rh. bep. zulk een houding van een klein ventje, dat zich daardoor he-

spot lelijk maakt.

!l 16vo. in RP. 101, ajidiaoijs volg. Rh. ongev. zva. i n m» bedaard, niet zennwachfi^ in

het vechten, van hanen, {aldaar ook i j n ki j zzz ving van beweging,

ook een term bij het hanengevecht).

22vo. voeg \'in: rj ut? y tni\\ zva.

15vo. zie overheen verschil tusschen /tj in ïjnjit nn/j en wm* Wilken, Animisme 6 ! Noot.

841

-ocr page 66-

XI,VIII

Hl.

Kol.

regel.

843

h

34

voeg in :

849

a

5

voeg bij

h

23

ook wel

heul van het Vujchanm.

8vo. i. pi- v. urn igniHVJI I- imr.m ^njj^

i. pi. v. ik i-i j l.

volg. Ilorsf. I\'ttlco iclitjautus.

5 voeg bij: of nt^hh\'nw

l;3vo. achter quot;gezegdequot; voeg hij-, lonk of glimlftcli, H. T. i)j. 45». IBvo. volg. Uorsf. de Soiurus lexlieimultü.

Uvo. de volg. Uorsf. Pastor griseus.

;i OK itli int JT^ Ij n ^ ^ volff. Uorsf. ( oeriug) l\'ustor djnli». i. pi. v. W. Jr. /. W. Ir.

li T lij. 489. iK/rpmtnjj gehuwd zijn , huwen.

889

891

897 a 900

910 913 a

O

ik quot;^\'\'1 ) eequot; eetbare, lekkere soort.

O

nk iPii itn iq = ikxhw GL. 30.

„oeffin: kn. _ . m r/\'Üf im- 1)cscllquot;ami1 mttkon door

spot\'met hem te drijven, o/lafheid te verwijten, GL. 79.

33 tum-mrjrmiiy-i\'iz of \'in/tji.nf^ iilotseling verschijnen, te voor.sehijn komen

van (jrooie voonoerpen, Rh.

13vo. voeg hij-. 4. interjectie om een hond aan ie hitsen. quot;\' \'11\' V quot;quot;x ecn •aansporen, aanhitsen, Rh.

b aivo. i. m^.o»^V1s2quot;P m op de volgenie regel

„ )) 7vo. tmiHQdaKuu^nn im -?ni^ -quot;i fi1 i n-\'quot;

Joedil was voor Semarnng al liecl mooi, BT. Hj. quot;Su.

890 h 8 voeg lij: irtelig.

11 i. pl. v. «verlc. v.quot; I. de nog lij.

•1 4 voeg in: nnlh fijn en schel, een soort metalen klank, GL. 67.

1, 13 voeg in: r/rnm,^ van een ^ WP. quot;iet goed, achteloos, opgemaakt of

maar losjes vastgeknoopt, schrijffout voor ■gt;]gt;\'■»quot;/(fö* \'

902 h 15vo. voeg bij: hen zijn van.

004 a 13 volg. Jh. Ar. , //amnlette.quot;

905 b\' 35 voeg in: dial. zva. {zie lunrjucj) en i.

907 h 15 volg. Uorsf. ICulahcs religiosa.

90S b 10 - hen. van een tciju van de hoofddoek te dragen, nl. met een

punt, GL. 86.

)) 3 volg. Uli. ben van de koning in het schaakspel.

19 voegen : (*!*», m»*amp;) *!**quot;}quot;$\' **quot; quot;quot;quot;

nl. mei een knoop op den hftaTWt\'ong,

llivo, Oevvus rnssn.

vry. i-?r j. o

853

a

8vo.

853

a

20 i

855

h

11

850

h

5

858

h

13vo.

8(11

a

15vo.

■■

3vo.

a

h

• 3

■/

16

806

b

O gt;

r*i c-i

871

b

13vo

873

n

5

875

i

Ifivo.

876

l)

14

886

h

16

888

b

8

-ocr page 67-

XL IX

Kol. regel-a 13 oohj. llorsf. Triugillu manjar.

\\) 5 - Muller de Monitor bivittatus.

. p \' ■ o d 11 ooeg m: \'i i i/ynihiij :ie ijyiii iiii/j\\

1) U t/e Felis tigvis, Muller.

a

1 de 1\'avo javaniciis , Hors/..

b 21 if,i\'n(Ui«sn/l o/tt-il mi — (uj i i luny GR h 2 KI\'. 107.

17 njiiuni^ n^\\ Jr. master, head, olitef.

a

b

16 (Ei foilvolf/. Jb. van Ar. verzamelplaats.

b 19 m(eiji\\ volg. Jb. Ar. aan wien vergiffenis geschonken is.

a 4 weig. voor zooveel als het oog zien kan; in het oog vallend,

a • 7vo. lees andere verkl. op r.nzi.tvjjs

« Ovo. /. iets.

b 6vo. I. RP. 113.

b 3vo. Anas arenata of A. Javauica, llorsf.

a 8vo. I. (tm ï rru ut co

a 23vo. volg. Rh. als boedjang (bediende) dienen.

a IGvo. voeg in:

a 5 ook (tr^rmu}\\ GL. 44.

a 17 lees: {iveUigt de gamelan, die bij vjirrt im ij th)(hn/j\\ heschrevtn is)\\ de verklaring

van Rh. wordt bevestigd doyr P. L. Tï, 30: ^ cm?(kirjdiicm iLi gt;L)y\\ a 18vo. voeg in: KN aangeslibde grond, die droog geworden, zeer geschikt is ter

bebouwing, GL. 63.

a 25vo. ook een wijl in den bek houden, bv. een sprinkhaan door een ghnak, Rh.

b ]7vo. nl. dwars over het weefgetouw, Rh.

a 2vo. ^ goer ami, Osfromenus olfax.

a 16 : paard,

n 6 ^cmi ij li/j?\\ \'B. T. Dj. 513 , ongeveer zvd. w ivi ifym/j\\

a 3 om cm (Ui iifnmi iw rj (in overgeërfd van zijn moeder, B. T. Dj. 489. b 9vo. dezelfde als goewo? Ardea nycticorax, llorsf.

a 20 077quot;n\\ branding? GL. 84.

11 4 i. p/, v. enj \\ 1. njw

17 de Tringilla oryzivora, Horsf. lt;r^ ü7 uijhii \\ de Parus atriceps.

^ Ivo. ern yj ut i hm (mt/} ^ ook fig. in aanraking zijn met, in betrekking staan tot een ander, b 8 (mih .ui anji\\ ook hep. van een beploegd veldy dat bestemd is om een of ander

op te planlen, Rh.

^ 19 bep. van blanke vrouwenborsten y Rh.

a 16 volg. Horsf. de Numenins phacopus.

13vo. vo^ in i mi«^\\ bemorst, vuil door vuile voetsporen, GL. 56.

^ 10 voeg bij: en het voorwerp van bespotting, Rh.

a 13vo. voeg in: cmamp;tjy gekruld of getwijnd gouddraad, lovertjes? (Tj.) Rh. a 3vo. voeg bij: vallen, sneuvelen, B. T. Dj. 530.

b 6vo. voeg bij: RP. 102.

a 7 voeg bij: toevoegen (in deze bet. ook if.i ijyiêin v.

])

a

-ocr page 68-

voeg in-, kn. - door schrik meegevoerd worden. van

schrik meê loopen, G L. 77.

volg Ilorsf. de Gallinula lugnbris.

tti cnitj t\'i!^ KP.

voeg bij-. -üniCTiTKKi/r GL. 09 in ontelbare menigte.

i;niijmirafra javanica.

volg. Horf. S Galliuago.

ac/i/er m

voeg in: geregeld, in orde, GL. 52.

volg. Ilorsf. de Ursus malajanus.

voeg bij-, am tj khm KN. ook naam van een boom met een dikke bast. die de beste soort levert (de hij Fil. opgegeven hakkor, Hhizophora conjugata.L.?).

ui : gt; mn tfjjijLi iri -i V (KP\' l i()) quot;quot;ri\'J-

voeg bij: (H- T. Dj. -iGS) geld uitgeven, spende\'ren.

achter KT. voeg hij: RP- S3, 59, 107. . .

1099 a 19vo. voeg in: GIquot; *\'

\\ivo. voeg in:

H05\' n 7 voeg bij-, ook wel $f.£ns zie hij ymw

1117 a aüvo. Crooodilus biporeatus. a ^

vl33 ^ 10 caus, GL, 81. {vrg. ML boeAek; van vise/,, gew. amMvry).

n-;j4 i, 19vo. ook fig. catieen jongen , Adji Saka, 73.

1150 • a ^o. voeg in:

1167 b • 7 avui§T™fr zva. A. 22.

1102 a 4vo. (Tj.) snel bv. wegloopen, Rh.

1163 a Ovo. mi So \\ fjKnia* GL. 44.

1104 Ij 7vo. l. t/Kitfunn zie vjnihrfitaiw

131.

Kol.

regel.

1045

a

12

b

5

10\'47

b

Uvo,

1048

a

lOvo.

1053

a

19

1054

b

8

1058

\' b

19

1059

a

12

1062

b

31

1064

a

20vo.

1065

b

13

1074

a

12

1084

a

2

1092

a

7

b

21

-ocr page 69-

AANTEEKENINGEN

OF Dtó

BEKNOPTE JAYAANSCHE GRAMMATICA

v si ii J J Oquot; O ü Tgt;

§ !)a. 1°. Hier worde bijgevoegd, dat van velo grondwoorden die met een m aanvangen, nevens den daarmee overeenkomenden /wAwoorduvorm, ook eon wwAwoordsvorm wordt aangetroffen,, die zou doen denken, dat nevens liet met een tm , ook een met. een « of .u beginnend grondwoord bestond; zoo bv. nevens tn^\\ van

: \'ittj.tyrmjis — nevens ? n *17tï if\' rquot;// vfl11 \' quot; quot;/** \'ij\'l0\'nl7N vrii een ongebruikelijk frtw |quot;\'i ƒ ot — nevens t n V IJ i.p^ ^ ».n gt; ti j\\ van r(n }ngt; \'• ƒ,\' gt;ƒ\' \'/ / II/^ enz.

2°. Hierbij .zij opgemerkt, dat volgens Rh. in sommige dialecten van Java, (o. a. in Banjoemas), ook al begint de tweede lettergreep met een w of j.i , liet werkwoord toch met kle nu gevormd wordt (dus evenals in het Madoereeseh); zoo j iu id uij (mi i i injj) in plaats [Van i.\'MJM£r^N 11.1^(1^ i, pl, v. ^i)(grwd. n.jii.ps t.h^■, {■ m\\ i. pl. v. i.^rï^\'ri (grwd. \'i j^\\ enz,

3°. yüetj bij: Begint het grondwoord met een n, dan wordt het werkwoord, ook wel povormd als of de voorslag ^ .aan de ia voorafging; zoo in plfiats van .pinx van

tciKis zie L. 33Ü.

§ 07. Hl. 78. Rh, heeft bezwaar tegen de beteekenis van i hi\'i^^ n ^p naar een Pa-Wnygnhan gaan-, ook WW. geven deze beteekenis niet op, die ik in de aanteekeningen van R. door geen enkele plaats gestaard Vind (zie ook de aanmerking van Rh. op do beteekenis van mm in Wdb. op lUiifiMx evenwel geven ook WW. op: in dienst naar een stranddistrict reizen, en W. schijnt het in die beteekenis te gebruiken, Z. I, 85).

§ 97. bl. 77. froeff hij; lietcekent hot grondwoord een hoedanigheid of gesteldheid, dan heeft hot werkwoord ook wel een intransitieve beteekenis, hv. zich verdunnen,

dun worden van m dun, zoo in B. T. Dj. 253, van een hoeveelheid ammunitie, slinken,

verminderen, (Zie verder over den ftw/\'woordsvorm hieronder bij do telwoorden).

-ocr page 70-

LH

Dezelfde beteekenis Iieeft ook het tr au si lief vim eenige dier grondwoorden, Lv. a

.nni\\ zich verbreeden, breeder worden van imiuun breed. Deze l)eteckenis dus dient wel in ene/ \'0

§ 100 te worden vermeld.

Verder zou ik uit de eerste editie van Eoorda\'s Grammatica willen behouden, wat op bl. 1H in de noot vermeld staat omtrent het verschil in beteekenis tusschen het transi-tiej en causatief \\\'tu\\ dergelijke grondwoorden; van hetzelfde rjiLn»™ breedn\\. beteekent 07)gi lys een object breeder waken (dan een ander), en Knf^uneen object breeder maken (dan het was), zie BV. op nmr.hw

§ 98. In het algemeen dient nog opgemerkt te worden, dat dikwijls het transitief in een zekere Ijcteekenis alleen in het p as si ef wordt gebruikt, terwijl de actieve vorm in die beteekenis niet gebruikelijk is. Zoo zegt men wel mnmw ftn «9rhidji J!\\ men heefi medelijden met NN. maar niet n n i.yïi ni.r i Jl iI.lh ik heb medelijden met NN.

Zie nog over dezen vorm en over het causatief hieronder bij de tehooorden, en evenzoo aldaar over dien van het accidenteel transitief passief (§ 119).

.j 125. Voey bij: Ook in nieuwere poëzij komt het oud-passie f door voorvoeging van in voor; zoo in Tjëntini m r.ir^

Bij 133, 2°. schijnt het niet ondienstig (gelijk in de eerste editie van Koorda\'s Grammatica § 204) met meer nadruk te doen uitkomen, dat het objectief denominatie f in den zin van ons tegenwoordig deelwoord veelvuldig voorkomt, schomme

lend, (iCTjuTi al krmpeude, sPar^eHl^ enz-

9°. Verg. nog een andere beteekenis van het objectief denominatief bij dc telwoorden. 10°. Hierbij verdient nog vermelding een uitdrukking als met elkander

wedijveren, wie het lanyst is. T

§ 140, 4°. De aan toegekende beteekenis van -nwat te zogen isquot; berust,

voor zoover ik in de aantt. van Koorda kan nagaan, alleen op 111*. 23:

meent evenwel dat dit veeleer bestaat uit .uih.jd-j en Dan zou de door G. aan

toegekende bet. van \'\'/zogquot; juist zijn. Als tizidgelingquot; komt voor in Adji Saka

bl. 10; WW. geven op in^\\

Bl. 111. Hier dient nog bijgevoegd de vorm l? met het aanhecht set imanji, bv. itlnn SvniHyi als Kriima van mtmajaji begeerte, verlangen; zie bij TI, waar men

tevens kan zien, dat do vorm met Cgt; //niet wezentlijkquot; van dien met m //in beteekenis verschilt.quot;

§145. Het voor voegs el ikiw Zie de eenigzins gewijzigde verklaring van dit voorvoegsel op het artikel w in het woordenboek; voeg nog by uitdrukkingen als als maat van waterstand: tol dot navel toe; enz. zie BV. op

§ 150 (bl. 115, 8vo), volg. Eh. zegt men toch, niet alleen ^»,-»^^^l,,x ^milt; ij.vii f rjOJt) maar ook : Hfi mi f nti rj tnt J tj un \\

§ 157. In afwijking van dezen regel treft men bij WW. aan .vnnm.lt;$lt;vnunj) (grondwoord alsof het grondwoord\' vniunasyi ware j welligt as zoo ook onregel

matig gevormd van flt;\'naijvnjj en heb ik het dus verkeerd onder een grondwootd .j n t?ƒ vnj gebragt.

§ 175. Bezwaarlijk schijnt het, met hetgeen hier omtrent de beteekenis van den Jimief gezegd wordt, alle gevallen waarin die vorm voorkomt, te verklaren.

Wanneer bv. in B. T. Dj. bl. 50, gezegd wordt van een mooi krisgevest:

dan is de meest eenvoudige opvatting , dat die woorden beteekenen;

-ocr page 71-

LUI

I „geschikt, dat die yedragen worde ot om gedragen te worden door de Vorsten\'\' oorder dan \\ als die gedragen werd, of iets derg. Nog minder is cr sprake van willekeurige onderis telling of inwilliging of toelating in zinnen als deze: B. T. Dj. 15, tm ik mi a,n hjan | Deze woorden laten wel geen andere vertaling toe dan: Ki Djaka

| verzocht, dat hij gehragt werd of om gehragt te. wordefi naar het wond. Zoo ook 1b. 168 : ^

1,.SJi\'j^Ofc}*0^^x eenmaal of volkomen regt, dat hij hem opvolge

als vorst, of hij heeft eenmaal of volkomen het regt qui hem als vorst op te volgen. Op dezelfde wijze, 1)1. 165: \'.ii .ij )ƒ ru iij/n y ,n ij tii\' het geschiktst om op i(\' volgcit of ook bl. 1U4: P hiij\'ri{ hÏT^iyniioivy til\'riïnivyyiu^Pyiu{aiiiai?ijnp daar gij de oudste zljt, sta ik u toe, I dat gij W eerst kiest of geef ik u verlof om het eerst te kiezen. In al die gevallen is de

z\'rii. jusaiefvwïïi (met of zonder voorafgaand als Conjunctief te -verklaren.

Zoo is tin (KP. 25), zij was hang om het le zeggen, slechts een andere

■ uitdrukking voor x-ntjactansr^iun^s, letterlijk het zullende zeggen, was zij hang, oi zij was I hang o m het te zeggen.

Ware het daarom niet boter geweest, dat Roorda den ons bekenden term Conjunctief

■ hadde behouden, liever dan aan dezen vorm dien van Jussief (bevelende wijs) te geven?

■ met den eerste kunnen alle gevallen waarin deze vorm gebruikt wordt, worden verklaard; 1 met den laatste slechts die, waar van een bevel of iets derg. sprake is. Die vorm toch komt leven goed voor achter woorden, die een geschiktheid uitdrukken om te, of hot doel heoogen, I dat (met of zonder voorafgaand a^ivinus opdat), of het middel te kennen geven om te, de vrees of 1 hoop, dat of om tej als achter die, welke het verzoek, dat of om te, het hevel, dat enz. 1 beteekenen, ook dan, wanneer een van die categorien niet door een bepaald woord is uitgedrukt, a doch de bedoeling zich uit het verband van den zin laat Opmaken. Zoo kan ook de Jussief

■ verklaard worden, door een bevel nl. als bv. tnu }j i :i i h m 11 in m tiii ] uj j rj im? j? tji n i] in

m\\ je moest \'een boek hrengen hij NN. te beschouwen als een elliptische uitdrukking voor md 1 lufj^ of enz. {ik wil of ik -beveel), dat je een boek brengt, enz.

Tot den Conjunctief beliooren dan verder ook de door Roorda genoemde gevallen

■ eener willekeurige onderstelling of wel inwilliging of toelating, die kunnen

■ omschreven worden met de Woorden: stel, dat; ingeval, dat; laat het zijn, dat; al ware 9 het, dat; em,

^ 1(J3. Do werkwoordsvorm van een telwoord beteekent ook nog iets anders; bv. 8 mnp enz. van niii tit\\ enz. beteekenen drie tegen een wedden; zeven tegen een wed-

I den, enz.

§ 195. Voeg hij: Het transitief der telwoorden beteekent: iets doen met een getal

■ van personen zoo groot als door het telwoord wordt uitgèdrukt: ^ ,m ij nju^ (van rj ui? ^ Macht] iets met zijn achten terriff te», bepaaldelijk ook iemand met zijn achten aanvallen, en

rfe achtste zijn bij zeven ter completering tot een achttal, (zoo beteekent ook »3 Tiay — vim Sm

■ hoeveel ? _ iets met hoeteel personen terriff ten?). Van sómmige telwoorden heeft deze vorm nog J een andere beteekenis; bv. v. honderd, arm .ki J3\\ voor iemand, d. i. iemand ter eere

of tot heil den honderdsten dag vieren of op den honderdsten dag een ojferhande doen , (Deze bet. was opgegeven in § 138 der oude editie).

Het causatief der telwoorden beteekent: van een ander getal zeggen, dat het zooveel is, als door het grondwoord waarvan die vorm is afgeleid, wordt uitgedrukt, hv.

(van honderd) hel honderd noemen, als het bv. maar tachtig is,

(^io oude editie ^ 153); ook wel bv. van aïnnt drie: aorjiwimti voor drie lellen, als

-ocr page 72-

het vier is; buitendien geven WW. de beteekenis op: tegenover zijn enkelen inzet een drie-

ouitdiyen. laten zeilen.

Hot accidenteel transitief passief vim een telwoord wordt gebruikt van een getal, waarbij de door dat telwoord uitgedrukte hoeveelheid toevallig ot bij vergissing is liijgekomcn , bv. van ^lt;gt; 11 w negen, als bij hot getal van acht

bij veryissiny een negende U bijgelconien. liet betoekent volg. W V\\. ook zich vergissen door negen te tellen, bv. in plaats van acht5 een negen krijgen in hot kaartspel (zie oude editio § 170). .

Hot 0 hj eet ï e ƒ d e n 0 m i n at ie ƒ van telwoorden hooft nog eene andore boteekenis dan de bij §133, 9° opgegevene, nl. ntnifn-itun/i of .hvn^ijninhnjj boteckont ook wel zijn drieën.

Deze beteekenis heeft ook hot telwoord g er e dupliceer d bv . n^xnrf^t.isnÉnny viet hun drieën op reis gaan.

§ 197. Aangenomen, dat de uitdrukking voor twee buffels

en een kalf juist is, (ik vind alleen in Jav. Br. n0 200:

zoo kan die toch moeijolijk vergeleken worden mot uitdrukkingen als derde halve gulden voor twee en een halve gulden en dorg. Men kan ze m. i. alleen beschouwen uls elliptisch voor: ijum (ij it n ij \'*) t)v,ri quot; / \'rt] rj (.\'»(twee\') buffels, de derde een kalj, d. i. twee buffels en een kalf

§ 198. Do aanwijzende voornaamwoorden iu tj inu en rj m \'ly worden ook

gebruikt evenals in hot goyal sub. c. vermeld j zie ifi Wdb. op hot artikel «7

rjtaiirfaQi\\ waar men verbeterequot; i. pl. v. //Gramm. 51, 198, Cquot;, namp;ramm. \\ 198, (kleine) c (eursijf).

§ 199. 2°. Hier kan worden bijgevoegd, ^rj.vi dial. zva. ySijui*. zoo in Abiasa.

3° Wolligt boter: vragend voornaamwoord van hoeveelheid, bv. in zamengestelde benamingen van hoeveelheid: 11 ■ n gt;n i\'j * hoeve el dagen? hoeveel voel/ ook op zich zeil staande dikwijls te vertalen door hoeveel? bv. ^ \\ ho ev e el schepen? Doch, vragende naar een zekere mailt of uitgebreidheid, dikwijls niet anders dan hoe of ?oathv. lumMivirjiys hoe lang Is het? ;j5Ï r)icj ijy^ hoe lang is hij oi zij? \' quot;7v hoe breed is het, enz. ,,5! irn 1:1 j ij in \\ h\'Oe o\'l wat is hij blij,

§ 227. Wat R. hier omtrent het gebruik van wnrj-ni en tmiuj zegt, zou ik zoo algemeen niet durven onderschrijven. In de beteekenis toch van tut ol aan . achter //zoggenquot; viud ik het wol in EP. en horliaaldolijk, ja in die van \'itegenquot; of t/opquot; bv. driftig tegen , boos 07/, (zie voorbeelden in IIP. 13, 19, \'17, 41 enz.); en achter //aanbieden ook in die van aan in iiV. bl. 44, hoewel slochts op een paar plaatsen, en in oen onkelen brief; maar do vraag rijst of dat gebruik niet dialectisch is, zoo niet- oeu navolging van hot in brabbel-maleisch aldus voorkomende sama.

Zooveel althans is zeker, dat hot Javaansch van de RP. alles behalve zuiver is 011 de WP. dialectisch (zio daarover 0. a. in de Voorrode), en dan nog wordt het in bovonvormclde beteekenis in WP. alleen aan do grappenmakers Sëmar en zijn zoons in don mond gelogd j WW. geven die beteekenis niet op.

§ 233. Bij hetgeen door li. omtrent hot gebruik van in do Kitab

Toehpah gezegd is (//luit wordt ook wel gebruikt in dezelfde beteekenis als /m^quot;) en omtrent dat van rjduMi in § 234 (//zoo is het minder goed te keuren, als het ook gebruikt wordt, om in den hoofdzin van een ondorstellenden volzin

-ocr page 73-

l.V

uit te drukken, wat in een genoemd geval dan liet g e v u 1 isquot;), komt het

mij wenscliolijk voor, scherper te doen uitkomen, dat do taal van de Kitab Toeh-

pah over het geheel, verre ,van zuiver is, zie o, a. do Aantt. bij oi-m nm nü\\

enz. en dat dus het aangehaald gebruik van aMtsnivis on 7/dttnn\\ het eerste onder invloed van welke taal? (volg. li., doch op wiens gezag?, welligt Oost-Javaansoh),

het tweede blijkbaar overeenkopistig liet spraakgebruik van het Maleisehe ma/ea, bepaald afkeuring verdient.

-ocr page 74-
-ocr page 75-

nm\\

fn\\ kW. zva. rjiuns och! ach! ei! RW. zva. rjiun (UIT) \\ (Uil w W.

/h \\ k\\v. zva. vli 4 n ivri \\ n.i w W. kn. 1. zie iim tv w

,00 -}

2. zva. vj (un \\ ov. lt;i/n if asn 2 urn ru/j tj itgt;}i 2 im irujj en

ivhqs een jammer klagt, ach! (uhru^w zie op

in/iqw

yn\\ KW. zva. (unoii^ groot; en uitr. zva. (voj.% ofcutj asnjl^ ,L^i7^\\ zva. RW. zva. runorijs nj

071N W.

kw. zva. (uj.^ W.kn uitr. vmi bevreemding, hc! wel! vjtuncuhdMs he ja! — ook zva. y \\ hoor ! of 0! voor een vocatief ^bv. vj xmamp;i iri q\\ o Allah! och Allah! een uitroep van afkeu

ring.

j(um\\ of v)\\ kw. zva. tjuws W.kn. uitroep-, o! KW. zva. lt;ijj. gt;\\(un \\ vjhjh 4\\\\ Kn. uitroep :

ach!

) t jii^\\ KW. zva. (mi ihj)jj \\moji^ (102(kajj\\\\ VV. zva.

tjdjnj hei! ui (ia \\ geheim; ajniti^ zva. (On (Vi tia \\

geheimhouden. RVV. kn. toeroep: zva. ifr/n{\\

fuh^\\ of r.iiqs kn. uitroep van afkeuring of om

iemand stil te doen houden : sus ! hei!

kw. zva. iLi^w

irji/n^w nn. toeroep: hoor; hei! 0! ook ho! hou!

im/un KW. uitroep: aha!

(un(3jA\\ Bautamsch ~ Jav. ij(un\\ RL

vjdii rjiun\\ kn. benaming van het tweede jaar van

een fFindoe.

(vikimis kw. zva. iun ij tin \\

^ll ^ KW\' ZVa\' (j ^N ^ 00^ t,JÏJiNN (Ur^Vun\\ zie hij miojr^iut(HyjW

z^e ?7^N \' ^ szva Q-n $ w

S

iun ij uil 2 \\

(un ijnuii2\\ naar terpentijn smakende. WW

run 4 i.ti \\ kw. zva. x n ^•

Ciamp;djniciij\\ of un hu (lajj\\ ook wel majii tuij \\ (Ar. a Had, eéu, eerste) kn. Zondag, de eerste dag-van een week; ook voor week. bv. nji(un(h\'tiauj\\ drie weken.

ivn (iii iLgt;njj ? WP. 100, 4 v. o.

quot;lt? (L/ÏJ^ HillJI \\ kw. zva. HU tj (UI 2? \\ en (IJÏI Ij (l/ïl 2 hl IJ! \\ kn. een boom met de wortel uit de grond rukken. G.

zie ben.

00/ . 00/

iun p (üh (in \\ zie am nsn (lii w .

• Isi

(vtis\'n lt;{jiji\\ Ar. i li r dm, kn. onthonding.

(iK\\ de onthouding van den bedevaartganger door geen genaaide kleéren en geen sandalen te dragen, zich niet te parfumeren, enz.

hYT^ ~ zie ajrlhüAs

(Lm ^(un(iJiji of (L,nnjyji(ijijj\\ k\\\\. WWrnjjjiJij^ W.njirj )llt;ijn(Kyj\\ kn. versiering of opsiering ven het aan-gezigt, vooral van het voorhoofd; smeersel dat daartoe dient, blanketsel; versiersel o/*sierraad van een olifant bij staatsie; ook van een gebouw o/van een land. (uirjtuiioji^ of (ucuii^tuno^s het aange-i^igt opsieren, zich blanketten ; zicl^ mooi maken, Rh. — (£jilt;rj(Lii(iJi Ja. of (Lirjn/nnSi (L. 236, 2 v.o. ajti noi ij (un a^i (Hyj) opsieren enz. meer bep. een bruid, iamp;i orjajiiihj} ^ern rt^ poët. onthalzen. — ijl tj (un aji ^ (Hijj^ opgesierd, van het aangezigt; poet. spiegel, zva. 1L1 (t9i ij rui2\'Mi/f\\ in proza, fig. een spiegel, toonbeeld • of voorbeeld. — (£-; 1.71 ki^ hi/j\\ als een toonbeeld, schoon- edel gevormd, van het aangezigt of hoofd; hier ook te brengen het hij (Ti /7(uii uz (innv opgegevene u i ij i/n i.i inp^ V geen \\V W. spellen f i ij njn w -1-7 00^ \\ P — (ui e i rj x.n (Kji ^7

1


-ocr page 76-

(LH am (k/jji \\

mn an \\

gereedschap tot opsiering van het aangezigt. tim (tm iKyi\\ kw. zva.

n/nvj(uniW/is 1. kn. goed gevuld, niet (rn(rnjj of ami:?} \\ van vruchten, zooals koffie, kcmirinoten en de padi. 2. k. , zie mnnSw

ijti{ikianjj\\ Ar. iHsan, weldaad, gunst. G.

lt;rgt; o

vn(Viliviiun tu^ kw. zva. runi\\ w

/im (vii Ar. bot, stomp, bekrompen van verstand, laf in zijn spreken. G. (misschien verbastering van het Ar. djdhil),

(vn q (rvi of % (ti.i \\ Ar. Pers. volk, familie van iemand; kn. tot iets behooreud; door oefening in iets thuis of bedreven iyrg. (vnrivjaujj). Zoo in za-menstellingen als (hij ivi (ui rn erfgenaam, bloedverwant; (iaq(ru(^ion\\ hemeling; vvkkh.iji\\ kawi-geleerde; nvt mii mn (vi)j^\\ schriftgeleerde; (im^ nivn eni li\\ godgeleerde; ttu ,hii oji uitlegkundige, uitlegger, van den Koran; jAjirvavn (ia (utjj\\ selierpregter; ^ ^ avi ij mi iemand die

de opbrengsten van zijn onderdanen ontvangt.

a . o . o

(vn (vr^ vu (ivi \\ oj atA ij (vn i i li ttï n zte ur^ ru i u w

vn(vpji\\ kw. zva. (vnaj)

(ima^jjOJtjis zie (vnr)xjiiwjis

(tjij^\\ kw. zva. n/noaji(eajlw *m (vr^xiriji kn. beschutting tegen zon of regen, schutdak; {in deze het. ook (vri ajr^ vm ^riaji^ r.n/j); lommer; beschut. — xn(ur^(cnj^\\ ergens beschutting zoeken, onder een schutdak of in de schaduw staan of gaan staan of schuilen ; fig. bescherming zoeken. Zoo ook (l:iaji^vn^inaji^vnijjs — vn(ur^wi\\ beschutten , beschaduwen, beschermen; bescherming zoeken bij. — vn am iirn^ rj (hm \\ een object onder een schutdak of in de schaduw brengen of plaatsen; ouder bescherming stellen. — i/n(xjy^(im -juui^nrr) beschutsel tegen zon of regen, ook zva. (CKu^vrnjjs — (utxn(Lmx^(Hij^\\ beschermer. Vrg. \'rimn dAj mi/j (ini(uti\\ kn. een grooten dorst hebben. WW.

ov . ok

ijti (uii \\ zie an m w

(unijun\\ kn. vreemd, zonderling; wat als eeuwonder (en als niet wel gebeurlijk) te beschouwen is. — mij(uii m ijdiiis iets als zoodanig beschouwen—tui (un ij (uii (in (hi j\\ vreemdsoortig, 0(un nh \\ wordt de

Keloet genoemd in Tj.

CO )

un (uii vn - n n KW. zva. gt;»1 a i tj noi \\\\

O O O

(uil (hi \\ n., ijdJin !^i(hi^\\ rjx/ri (j^(Hijj\\ md., ij (Uiii^n (hi/I^ k., vj\'Vi(jQfoiji^ uk., ergens zijn, aanwezig zijn, zich bevinden; bestaan; aan, in, bij, onder iets of iemand zijn; onder iemands bestuur of berusting zijn; ook een uitdrukking van verwondering over iets wat bestaat of plaats vindt: Zie me daar eens aan! daar heb je me! Ook bij verkorting aos in vjuntTKHis er is niet, en (uri(U(Hi\\ is het ooit gebeurd dat? ijdnidm cm (hi\\ gewoonlijk ijvnu^ (hi\\ geschreven, er is in het geheel niet. Zoo ook wel ij (un t\'n mi (hkhi (hiw ojii an (un (ui \\ of (un Hjj(mi oji\\ wat is er, om welke reden, uit welke

aanleiding? (uti (muii (hi\\ waar komt het voor, dat?

O ^ 1

(uii kj ij\\ n., k. , de aanwezig

heid er van, dat iemand of iets er is. \'viuii(H^rj^s

ui ij (ui ? (^i vj v^ cHijj\\ al wat er is, zooveel er is,

i .. o O ci

zoo velen er zijn. (ui(vn (un /y ij(hj\\ (ui iviij ui2

vj(HiJ)s ^11 ^\\jzÜn van* — (isrimivj(ia ij(hj.\\ n.,

/. O Qv

vj (ui 2 ft/i ij (tri ij (Kj\\ of rj uu^rfjdn (Hj\\ gew. ij (ui? ij

ofvnitlt;iap^ k.,

of ij ui ê ij (Hi (^i anjj md., een voegwoord om een nieuwe volzin met een vorige te verbinden, meestal door het voegwoord nu , of in een tegen* stelling door maar, te vertalen {het Lat. autem, het Fr. or); dient ook om aan een woord of bestanddeel in een zin een bijzonderen nadruk te geven, bv. tj ui 2 ij op ij kj (uii icn \\ vj un 2 nim w

Ik geloof het niet. Zie verder Gravm. § 203 en 264. — (ui(Hj(Kj\\ n., ijm2^1^ tjnci

O o O o 1..

md., 7j vi2^vkj\\ k. , bijwonen. — mkj m

ij kii \\ ij vj 2 hh Diaken dat er is of

bestaat, doen plaatshebben of ontstaan, voortbrengen; een belofte vervuiler. — 101 xm(Hi(Hiij\\ iHiuj.iJMföi ij (Hi/j\\ het bestaan in de werkelijkheid; gesteldheid, toestand of staat, vervulliwg van een belofte.

(unK^\\ kw. zva. (ic^(rn\\(i/n(viasn/f W. zie (K^w kn. een woordje tot aanduiding van een persoon of zaak, waarvan mén niet terstond op den naam kan komen, of waarvan men den naam als onverschillig of kieschheidshalve maar niet noemen wil;

bv. xsr^ ui (Hi^jn (K^\\ de Heer.....ja hoe heet hij ook ?

of de HeerN. Op de vraag, wat zoek je ? kan iemand antwoorden: un (fh j un (kj\\ ja, dat kan ik juist niet bepaald zeggen. — viij!Ki2pj\\ iem. of iets het een


-ocr page 77-

ijtunpp

(Uïl 7} Ihf) i \\

of ander doen, wat men bv. moeijelijk bij den waren naam kan noemen. — (lii (ui \\ zva.

HIT) MlOJn CU) ^

kw. zva. itJXKma/jW

(ur^^\\ I. K\\v. zva. yinny w\\ cm ifj^ %\\\\ kn. afval van pi\\di. Rh. II* — ^ (h^\\ waterleidingen, greppels en derg. van water voorzien, kunstmatig irrigeeren. — ^ i\'j? (ho/j\\\\ water dat

aldus naar de velden wordt geleid, in tegenst. van

o cy

ijani kw. zva.

q\\Kj\\ kn. ; aitiujs padi snijden, de rijst op het veld snijden. — \\ rijst gaan snijden;

rijstsnijden, nl. door den eigenaar der sawaJi, SG. fass. (hm(bnrf(^,cmji\\ en anyp^ijnw — (lii rj mes of sikkeltje, waarmee de rijst gesneden wordt; dient ook om de meisjes te besnijden, zie mnjjj^ \\ CP. — it) vj luti tig s daarmee rijstsnijden. — cuirjiaim/j rijstoogst; rijstoogst hebben, de rijst oogsten.

imn^\\ kw. zva. axi n.itnyiw

kw. zva. iun»ni\\ — (fAiy

O o o - 0--)

(UKEirjihns zva. (w (im vm \\ of oj) iui vj mi 2 \\\\

(unmj\\ kn. gebrek, gebrekkig, door het ver

lies van een oog of van beide oogen, blind {geiv. W) fb) i/ïi in \\); nalatigheid; verzuim; onedel, laag, gemeen {Skr. hïna, gebrekkig, onedel), it) cm run de vrouwelijke sehaamdeelen, de moeder-mond. — min achten, te min achten voor

iets; verdenken, wantrouwen. — (éiiHjht) ^nrj.)w\\ de schuld van iets geven aan. — mioj!) hj ini^\\ nalatigheid , verzuim; ecu verzuim begaan, nalatig Mijven.

^ o 00

kw. zva. (un(Hï)\\ {Ml. id.), en zva. tjoh)2rj

^KmihyrjtHKutw

Kw\' zva- a/rjjVj ^ ^N (Hijj en a,) nr.)

vsvwjiuis zie ben.

Mlcp Kw\' zva\' voorheen, am

iiikh vi vi(U)^(Hj\\ of iel)dl)vï)ruj xjr^(Hj\\ kn. zooals altijd te voren.

^i- J[jx n., of cijr^(hgjj\\ kw., (uniut

quot;Ql {ook wel (uyaivu/i) K.; geluid, klank; het luiden, d. i. de inhoud, van een brief, wik00) ,r\\\'llt;n%(iman~n^iHj\\ niet te veel praats! —

FV^Jls en \' ^ (pok wel \'r\'l im ijj) ,

r£/?7J UT} N zva. (tj! Ij H}) 2 S

luiden, geluid geven, zich laten hooren; gelost worden of afgaan {va9i een geweer of geschut). — iemand naar een geluid doen hooren, iets dicteren. — ^ uitmaken\',

uitschelden. — uv ^^m)\\ ^xn lumi anj^s

doen of laten iuiden , geluid doen geven ; een klok luiden; met een zweep klappen; geschut lossen; oplezen , bv. een brief; een air spelen 0;; een instrument. )cr) yj tuj 10) mi \\ ht^ o irui Mj fn wi,h n th)j\\ allerlei uitdrukkingen bezigen omtrent, uitmaken. — rl0/ ^ ^cfc) N,\' (un vj rucmjj^ k., met een telwoord er vóór ^ schot van een vuurwapen; ook een hoeveelheid schoten kruid, ixjr^ tf icj hi ^ ij ,iy iuyj 1 ^ b) iuthnjj\\ geluiden die iemand maakt; klanken, die men voortbrengt; ergens gebezigde woorden of uitdrukkingen (beschouwd naar de klanken of hoe ze luiden , als men ze leest of noemt.). — cur^ Qtui jr^ ifn )i) on/f (Vrg. Mal. h 0 e nj i - b oen j ia n , muziekinstrumenten); klokken, schellen. M. — (L/Myjjj aj) njij tti ir^)iiajj\\ de inhoud van een brief, (u) (ur^ gt;1 hj hi gt;j hj onut oj)^ 1Q.1 uti (ryi (hijj\\ het uitmaken van iemand door hem een lelijke naam te geven.

rjn/DiHjs en kw. uitgelezen, kostbaar, van

hooge waarde. nuKtjOAiujs kn. kostbaarheid, schat. — t^cuiiHjïi (ij)(Hj\\ kn. uitgelezen, kostbaarheden.

lt;yj iijï) 2 (Hj n en ij \'Uï) 2 ij ),j 7j an ~ji) 2 )f Hj Dojj \\ andere uitspraak of spelling voor ^ en 7 ^ ^

oj cun tj oij \\ in de spreektaal in plaats van rj iej) rj

vy

o

(ur)H^^\\ kw. zva.

(unrjihjfs kn. vreemd, zonderling; aardig. — (cirj ij hj^x/ïi )jlt;Hj^(vi)\\ zich vreemd of zonderling voordoen. — in )j \'){j?(Ln) ij\'H))\\ vreemd of zonderling maken, voor vreemd, zonderling of aardig houden. — o/i) oj uj { dj)) ij i j gt; ojt) oajj \\ iets vreemds of zonderlings.

o?))thc^^\\ kn. uitstel, bv. van betaling; langer tijd die voor iets gegeven wordt, bv. om zich te bedenken {Ar. J)). — (f;]ihjfn?»\\ uitstel geven aan. —

op) oij j (i/n oj hï) \\ uitstellen.

■) o . ) O

tur) »y 01) dJj \\ zie 0 )) 0,j \\\\


-ocr page 78-

o

(l/tl iht uil lu \\

CT

4

a/n iH^Hnjis

ojh iHjun (vil \\ ook wel y alsof de eerste lettergreep het voorvoegsel mn was, (tnindii of ihIluui^ kn. onregt, onregtmatige belmudeliug (/S^r. a ^ ja). — itotiujiLoittu\\ ook wel un(ujcjilid\\ ou-regtmatig, wreed, beleedigend. — iHitijn(vvt\\ en utihjiun(lvi\\ ouregt plegen, onregtmatig behandelen , kwellen, mishandelen, geweld plegen; ook

, Ci O O quot;gt;

voor vermoorden. (ia aa cun nxi aci (hit ihj ojh ilvi \\ en

O O O O .

inniHj.lt;Hj(un(ui\\ pass. (Hia/ïULvtihjs onregt aandoen, onderdrukken.— (LncLn m unius onregtmatige, wreede behandeling.

(im ij kj2 fhojj\\ zie rj ,ism mijjw iuri ^(^21^7^(^.2 an/j kn. benaming van een klasse van beambten in dienst van den Vorst y die niet tot dienstreizen en (Eiiijiihjïnian,\'!) verpligl zijn. Tot deze klasse behoorvn de priesters, de schrijvers en de

ambachtslieden van den Vorst.

. ,.. rt

(kjr^ vj \'uj ao -jtji ij mijl zie bij a/rj iuj w

O . O

aji^(Hj(Ni hii\\ zie (ur^ii^naiHti w

tuni^^i\\ of (LinijjCKi tuicnis knv. naam van den God der slangen , den Vorst der draken a^

•fjosn i.ari genoemd (Skr. Anant abo g a).

s

S

(mi rf tij \\ zie tj (ut w (un^i^is zie tj 0^2 \\\\ (

i/rttHj kn. beangst, beangstheid. — iniHj.rn\\ om of voor iets beangst zijn. — itluj dyn (in rn \\ angstverwekkend. — uinj^ri ij hii\\ beangst maken. — lt;un (Hjx\'m (H^quot;yi (Hiji\\ met angst vervuld.

(L\'nkqs kn., ook (MMajyi k. , regte rigting naar iets

dCY )

toe. — tiacjs kn. , ook ii^i tutw/j k., 111 een

regte rigting, aanhouden, aankomen of aanloopen

o cy

op. — (èjhhj\\ poet. regtuitgaan, regtdoorgaan. — (üi(hj.^ kn. de rigting waarin iets loopt. — Qnj \'-tirj iHtlS 1171ni Wi (Hl/j of ^(LA M ^.fHli (Hyj\\ iets in een regte rigting naar iets toe doen loopen of aanhouden op {bv. een piek). (Hn^-n f^i iht/j pass.

— (irri!Hj\\ zie beneden.

O o/ . cv tun iïj \\ zie an w

a 00

nrj (tm(Hjquot;n\\ kw. zva. i^snjii thiiMijj^

iLfti(HjiHii/i (verk. en in zamenst. ook (Hi-Hn/j), kn.,

ki., kind, in betrekking tot de ouders;

jong van een beest, ook jonge spruit van een

plant. Ook neven en nichten worden door ooms en

tantes , en jongeren door ouderen uit genegenheid,

zoo wel genoemd, (unuj v zoon; rm hj i^ii

nrjoxn (Hi/js dochter; tuj fj tui i/n lt;Hj Hv/j ^ een kind hebben, bevallen zijn. (irjrj tui (va ihj ara ^rn (Kjj^ \\ eeu jonggeboren kind hebben, in de kraam zijn. aai nrjnji(Uiaaij Hiijj\\ die hem of haar tot kind heeft, de vader of moeder. Als ouders vijf kinderen hebben, die allen zonen zijn, worden deze genoemd: ajnny ooi nrrn(U) \\ CP. rn ik (Lijvorstenzoon, fci(tc^ n of (ly as^foiax^nis de prins (vorstenzoon) van Madura. iuiaim (ty Chineesch of Japausoh porseleinen bord , waarschijnlijk om de figuren die er op staan. (imacjfcu -miHjiHuji een

kind of kinderen , een jong of jongen , hebben , kinderen baren of gewinnen. — een

jong krijgen, jongen werpen; plat voor baren van een vrouw. aJi (La (hj Hnj^s van dezelfde teelt; plat voor van dezelfde moeder. Hii (E,ialt;j voorttelen, zich voortplanten, aaiihja^itjzieh zeer vermenigvuldigen. — (Cj ay iemand

kind noemen, oji\'ti (ui die door den Vorst

kind genoemd worden, ojiaanhoudend kind genoemd worden, rnaK oji alt;^ (hi^\\ hetz. als ik (ijj asus maar sierlijker.—(Cimu\\ kinderen geveu aan zijn vrouw, in staat om kinderen te verwekken, van een man; iets nabootsen, d?»(Hl hu ^/naij ^fi \\ N., fori (hj jajin k. , als rente betalen aan. — lt;ciihj aai ij (ilt;n \\ een kind verwekken bij een vrouw; n., aim (ui hu :Hi/j k., geld op rente uitzetten. Zoo ook in ihj a, 11 -jii ajj an^ ij n uw — (un ihj aai an/j^ ergens geteeld . van een beest; iets in het klein, nagemaakt, namaaksel {bv. ay a\'c^ im ay un aoj^ een bergje, heuvel; a-a (vn m (lu ihj afl^(Hi/j\\ een kleine zee, zeeboezem; (mipj 1(11 (hiquot;gt;»(Kojjn namaaksel van een kris; a^n aj_j a^ij qn ala \\ een afschrift; ayii a^ ifli ij (hurjap.htfian/js laadje van een artsenijkistje; OjJi iij hii aj m ^a 2 nrj rnri anjj de, zakj es in een vj oji 2 ij aj r n) arijj \\ (un an rni ar^jj en un (hj alt;ii ihj

Ov •

ook (ui\'n^(Hijj\\ poët. een pop {unay yjjjhftaj}\\ ivo* ren pop); n., (ui(uiaa/i k. rente {vlg. (uydiif i/n (hnji en (r.r^ an 4 (uti (hijj). — Hquot; wo\'

ning van een Vorstenzoon, Prinsenhof. niaKaoi (uj ^ast^aajjs het gewaad en de insigniën van een Vorstenzoon (\' u ik (Uj ) — d hl} vj M2 HJ hij arijj\\ N., hiirjaji i.j HfljHyi k. , neef of nicht in betrekking tot een oom o/quot;tante (neven, nièce); ook iun ay iai frj aji2 Hj hii (hijj\\ n ui hi hii/i\\ en ajiau Hf? zie ben

ii

OJ^ HJ i


-ocr page 79-

rgt;

IJ}] Uj (UI HH n

rJiéjwj!

5

ifriftjquot;quot;/! °f kn. walgen , misselijk worden

(trg. quot;\'ll\'jx\'lH en ^

walgen, op het punt zijn vim over te geven, —

ani.iMiverbitterd, verbitterd op iem.

O On ■, , O O O

zjjn g. — fj Vlm walgen. — artikjtm

tfjfy\'. of walgend, walging

veroorzaken aan. — énm kv \\ of n^ tfj itnii

nuns doen walgen; walglijk maken.

kw. zva. aj) rjmviiv} (hiijj\\ veel omhaal maken , veel praats maken. — (bn hjini kn. veel omhaal en omslag, allerlei formaliteiten. Imvj^iutyis zie

Wj hv ^ toijj n. , tj tin (hi \\ k. , aangenaam van smaak, lekker, ooiï van een geur, en van alles wat aangenaam aandoet; van het hart gerust, op zijn gemak, gemakkelijk, bv. zitten, raadzaam voor de gerustheid. (kd rj lui tui rj \\ oji rj un nj) ifj (hafl \\ heel op zijn gemak. —rjanrinrj wn rj icnjj rj r.] wijitmthDs zijn gemak honden; op zijn gemak iets doen, bv. iets aanzien; het hart rustig zoeken te maken, zoeken te troosten. — ij vnnxj :t(ij \\ ij ij? gji (hj \\ gerustheid geven aan; tevreden stellen; het aangenaam of gemakkelijk maken aan. — toi tj i mihj in) m/js tnirjam verversehiug, G. — ^ n uj un ij vm \\ tj i i (hJiKti ~jïi hu MJ!n lekker maken ; gerust maken, vertroosten. — ^ (vn ij h n uj im nnji \\ iji n floi lt;r^ osi I wnjwqs op zijn gemak. — 7 !f ,l j zich gemakkelijk maken. G. — i,n rjajn^ hni K7j ij(Lii aji ihj (hnji \\ uitermate lekker. — jj tnt rj oji

c) \'\'^Jl 00^ we^ ^7/}ni V4 }nlJlx N•\' 11V uquot;:iJ1 N k., aangenaam of gemakkelijk voor het licha-

m el ijk gevoel; aangenaam of gemakkelijk om te hanteren; lekker van de slaap; verligting, beterschap, van een ziekte; van het hart gerust, tw ^ i.nrj (u nj /HTijj \\ ik hen niet wel, ik

voel mij ongesteld, utnj njihj u de aan genaamste wijze van reizen, un tj tui i j r \'n iu v ; nyj» de aannemelijkste raad. tun w ï, n rj w i,jvj uti \\ ijÏ wi]rj uti wiujiut (inji\\ op zijn doode gemak. — 11 y m uti \\ irm rj unaji ijj \\ iemands lichaam veraangenamen; verkwikken; verkwikkend. — r» ^ rj u uj j.-mrf i,n \\ rm t] i, n ui un -n i, n iui p iemands lichaam aangenaam maken, maken dat iemand liet lichamelijk aangenaam heeft, een ziekte verligten;

iemands hart geruststellen. — un ^ iUi^ hQ^uyfs gemakkelijkheid. — i.nrjtui^ hniui/i* (un rjim(ui uj i^i\\ nittermate lekker , bv. slapen.

iijyiHjun un * ook nsy ujw i.ns kw. het spreken hij zich zeif. — irj kj (in un\\ k i., ie ? ifj (ia i. n \\ k w.,

hij zich zelf spreken (vry. bij ^ un i k! uiy^).

DO O O DO OO O

1,71 }ij iLh J I 7) (Up! S (LI Uj lUnjIquot; UI Ifjj^ .1 nfl lt; (U!

Tjiijun j en lt;iji ij hgji\'isn/j\\ kn. drukking met de

vlakke hand, duim, vingers of voet. — bi uj lunjj \\ quot;) 1 quot;)0 , , j rgt; o O c)

\' ^ 11,1 \'-y we^ *\' uj ^cf cJ

(injjin B.) : ^jSpl l uH1 \' ^ \'Ipj im/jen (ti rj uj/j ilh/j drukken , drukken op of tegen, indrukken, vastdrukken, toedrukken. / afpersen; bv. betaling

van een schuld; drukkend , zwaar, van bevelen. —

O O Vquot;) n Q

1*1 Kj un ij it n \\ i:i tui j lt;r7^ ij mis L1^J 7/ h,t N enz- gt;

drukken , neerdrukken , indrukken met; drukken

voor. Qpj hjrii (un \\ ook iemand tot iets persen ,

met dwang noodzaken.^,

o . o

i ?» u i (iJiji \\ zie (UI KIJ)\\

un (uj mji \\ zie nnaj) ^

ünijajtjjs kn., kwijning van het hart door droefheid of verdriet. — wuj!)jjjj\\ hetz.; verdriet; kwijnen van verdriet of hartzeer; treuren; wegkwijnen, (verslagen, ontmoedigd, als oogenblikkelijke aandoening, door schrik enz. kw. zich heimelijk wegmaken ? vkl. un tui rr un m ari/j \\ in /. ij ■ruji CS. bij W. ook zva. ui ij f-i -»n). —($;tij(tJ

Kj/f\\ verdriet aandoen. — i:rujKiiJi\\ kwijnen

t • , , O O O O o ,.

van verdriet, treuren om. i My flv?.-i*\\ diepe

droefheid, kwijning veroorzakend, bv. van een tijding. — f.i üjiki ijun\\ doen kwijnen of treuren. Vrg hiijajij^w un rj (tg 2 ii iji \\ kn. vurjwifdns hardbekkig, v. e.

paard, WW.

uniuj iuijj kw. geplozen bast van de kokosboom; kn. prop op de lading van een geweer — f » kj in \\ van een prop voorzien. — ui kj ii^it^uns een object tot prop bezigen; van een prop voorzien

unuj iii\\ kw. zva. rnins {Skr. anal a, een naam van Agni of vuur); ook eig. van een Poenggawa van Vorst Soegriwa.

un uj 111 kw. zva. i n uj wijj (Skr. anila): ook

eign. van een hofgróote van Vorst Soegriwa. unuj ui k i \\ kw. zva. un ui ui iui


-ocr page 80-

quot;ïnffjitn/l

6

TT

o O o (?) o (T quot;) o £)

tuniHj N., (Kneus k. ; iiniHjajiji n. , lt;i7maji\\ k ,

.trm^\'Tïs Ki., overnachten, vernachten. —

lt;uJn\\ (émiutaPis overnachten, bij, te, op enz. —

(i3 ijy iu^iv] Kti \\ iTin iM (ij) Jni cmji \\ doen of laten

overnachten. — oji lPi !hj njt ^ ? anjj, oji (üt (in (hnjjs

plaats waar men overnacht.

nyn lij \'Tj (Md (inji\\ zie y (ui z anjiw

o o • O o (Utl (hj (LD (Kj \\ Zie (LW (HJ w

(vil (ujij (ld z (ia n van de vrouw van Nardda.

(t/)t(Uj(Mjj kn. vlechtsel; vlechtwerk; breidsel, breid-werk; in zamensi. (hi (amp;i^\\ z. a. nri t^docmjjs enz.; ook evenals kh (Uj (£j aojj gt; en de inslag

of lat der bamboe met welke gevlochten wordt; heizelfde als (ui nn nnjj bij weefsels , dat evenwel ook voor bnmboe-vlechtwerk gebruikt wordt. — (Lng^o^N vlechten, zooals bamboe % breiden, zoo-ah een kous of net \\ fig. 0(Sy\\.i}\\ bij zich zelf overleggen, Palm. v. d. B. — xd(uj y nn \\ vlechten of breiden voor; te vlechten of te breiden geven. — (tm (Hj iQ iHi/j of (L/i) (h£j (Fji (hj (hi /j ook (Hl (amp;1^j anj* gevlochten; vlechtwerk.

(unihj(M/j\\ KW. zva. wwim/iw

(Lm *1 (Hj (hjjjj\\ (un iji*üt MJI zie fj (toi (Evjiw (unij (hi2 (u

won/I

\')f(lamp; (Lil

zie (Lm oqw (Hi/jw

diKUj (Ei tj d» an ff KW. zva.

im (hj, lïiyj\\ kn. bezinking van water om helder te

worden. /iJpjiijryis bezinken. — iin(^^njj\\ inbonden , weêrhonden, bv. zijn gramschap {eig. laten bezinken); een geheim opkroppen , zich inbonden — erlt;Jens indoen om te laten

bozinken. — iiiin i.riiinois laten bezinken.

ei co \'

(Lm ui urnji\\ kn. Inik , waarmee een deur of venster

gesloten wordt, deurvleugel, gesloten.—

digt, toe. — 1°/{jiV.rijjs digt doen, toe doen. —

t?i(in:i?ii\\ toe doen of sluiten voor...., zoodat C7 co

men er niet in of door kan. — oji tij 1^11*01 \\ digt maken of toedoen; de gordijnen neerlaten; laten toedoen; toedoen voor, ten behoeve van. — aun pjiiiii SnMjiVHtnji. wat tot sluiting dient, zooals het portier van een rijtuig.

a.uafjs voor (LmiHjjuh\\ {ana ing). wj.

am rj oh \\ voor (uil (Hi(dfi \\ {a?ia ing) in poëzie.

Cquot;) Q„ (IJ) (Hj \\

WW.

Lij Hij Of Ij (Lfll è(Hj

KW. zva. tuniuajjjjs zie verder (hïw

kvv. 1. zva. {ij^^dm dsn (Hijjy

droefheid. droefheid over of naar een vrouw.

2. zva. iiMiit*: asrijis ruchtbaarheid, vermaardheid. ajiji(Hjmijl(Hjs een gerucht, dat zich overal, naar alle kanten verbreidt, zva (u(ui ^khiji opspraak. — nj(Lm9ih(j7j(im g (Hj\\ naam van een dn a}m\\ — (Hii(uyMj\\ of n 11*1 (un9(hts vermaard, be-rucht. iHii(ur^d^(ijr^^\\ of ihii ijd/m ^ al

om vermaard. — rj acn 2 (Hjazi (hijj of ilt;y nij im nnjj kn. betrapt; bekend, betrapt raken.

O

(U7^ (Hj\\ KW. zva. dJI^ (Hjdnw

frjdjii2d{j\\ zie .\\jr^iHj\\\\

■if(Lm2(Hj\\ kn., ook (ïo in poëzie gt; groot verlangen om een geliefd voorwerp weer te zien, zva. (HriÉia-njjs ook zich verlustigen in het aanschouwen van een geliefd voorwerp. — kw. zva. im dn

(hijj^ — rjdmgd(j \'jdyiu^an(Hyjs kn. zich overgeven aan de vreugde van het wederzien , en van weerskanten betuigen , hoe men naar elkander verlangd heeft.

ij run tj ijj n in de spreektaal zva. (Lm(HiSii\\ ZG.

1876, 2.

O • ( jr Ok

nyrj (Hj 1.1 \\ zie (uriyqw vrg. hji^ (ij y

djnii!Hi2\\ of beter (unrfnins kn. totebel, groot kruisnet met staak en katrol. Vrg.

(i/r^ rj r:in \\ zie ij (un 2 rj irm w

vj (un dij(utn \\ {ook wel (ur^ ij ijjn geschreven} kn., ojii cm(isn/j\\ KL, snoer of krans van geregen bloemen. — dj(o2vf i7/n\\ (ihnriiaiiijfs bloemen rijgen, een krans vlechten. — rjojnz ij irfnrjan 2 ij^ H)jj\\ snoer van bloemen, bloemkrans; ook snoer van juwelen.

lijn ij i:»i kn. verglaasd , van aardewerk; verglaasde aarden pot of kruik.

(un wn j \\ kn. het {meer heimel\\jkP) streven

enz. — »?/ izrn ? \\ iets bedoelen, naar streven, zijdelings teregtwijzen of een waarschuwing geven, bedreigen.

un mn (Hi \\ KW. zva. m ; w

(h s

(tm rtn\\ kn. de Antjur-, oepas- of vergift-boom. — (CMmyrjN zva. (Lncnicrfls bedreigen met iets dat men uitgestoken houdt, den arm, stok of lans \\ en dreigende iets uitsteken naar. Een ander zie ben.

(un nn \\ kn. pin of spil, waaraan iets draait, ooiï

CY cgt; CV CV . .

zva. djnd:niLnd:m\\ Jili. — (un.t:)n(Lmi:ni\\ teeken

ci Oh oir oi

of merk van iets dat afgeperkt of afgebakend wordt.


-ocr page 81-

cunvfATmtM n/jy

7

.1 m rrm \\ Otgt;f

_ Ci-t?\\ van een pin of spil voorzien;

now n nv(un met een merk of teeken

gji ycw- (ji*

afbakenen of afperken.

kw. zva. iun(i^\\ verbrijzeld; kn. lijm {een „„\'der zie Mj ^). amjjns lijmen. --fix lijmen mei, ook iets lijmen. Kinnmn rni-n* verlakken, foppen.

»n cm tj ^ «Ti \\ te lijmen

geven; lijmen voor.

kw. sva. lyitjhiimm/is kn. zva.

r.r-v r, rv n rv n

quot;(Y ctCY o CY o CV Cy o

iMicm* ni rinini rtn \'n\\ zua. \' i iin i n r^ni \'gt;) \\\\

het oog hebben , loeren op. — rm (ün 61- ^ vw-ninii het voorwerp waarop men het oog heeft.

Oi ul --

Cl-

o ry

WW. Zie nog bij vrg. mnivn

kn. het iu de hoogte schieten of spuiten van

( ij*

water; opflikkering, bv. van een lamp; fig. luister. — hoogte opschieten of sp\\ii-ten van water; opflikkeren, licht verspreiden, van steeneh die door de vulkaan worden opgeworpen; schitterend, luisterrijk. — (ui mii cu riy igii ^ naar

alle kanten een glans of licht verspreiden.

/ • iquot; S

Vxm 1 r(,% \\ zze V qrvirji^mw

kn. uitvoerigheid, langdradigheid. — ijl~)?rjiriri\\ langdradig, ook langzaam, v. gang. rj/Liitjirlris lang neerhangen van rijst ar en door de lengte en zwaarte, ook zva. rj iidtj rm \\ bij rj^mrjrrns tr. en caus. iets langdradig maken, WW.

kn. het vooruit gestoken, geveld worden v. e. lans en derg. ij r.it if ijri t^n\\ een lans vellen tegen; opbieden tegen; ook satvaïfs irrigeren.

i\\jïj irrri t) on \\ kw. zva. ajiomw

O ? Q O/O O/O .ii.

KN. ; (Uiii:in nn l i:m i,)t/j\\ in kleine hoeveelheden (bij kleine beetjes) of op een karige wijze, iets doen of geven. 11.1. zie WP. ^ KN• uitspatting, bv. van bloed of wa

ter. — tzjOjrn nsn/j\\ uitspatten. — K^i.m (i^r\\ be-spatten.

Xj71}VV_ h,]JJ^ kn. platte vierkante seliotel van gevlochten bamboe, om bv. offerspijzen op te leggen , of iets, zooals visch, op te drogen of te roken (vrg. \'I ^ n ij rw uiij^). mi irjciJt? /.»; /j een soort antj a k. l h11 ^3^ eign. van een Boeta.

m\'lOh h!lH KN- \' ptrap van een stoep, sport van een ladder (stijging en rijzing van de waarde van muntspecie of agio WW.); nm rm u n -jiut?»

alles wat tot een trap dient of om de voeten op te zetten; voetbank ; voetstuk; voor trap of sport gebruiken; trappen. — kmtÏjm.h^n betreden, bv\'. een grondgebied (stijgen van waarde, zooals ^o-

ven. WAV.).—r.) ihn mi \\ of i i nn met den voet

7 Oh- quot;K J (,i

of voeten staan of gaan staan op; betreden.

o o o o o

vol iTiii Kij inji en iio (ui hij \\ pasv. — iquot;i trw ten ~Ji)

iwi iPn \\ iets onder de voeten zetten, onderschui-

oi- quot;V,

ven, onderplaatsen {wvjn n de waarde y

als hoven verhoogen. — un i% yjj (tnji\\ opgeld of agio. WW.).

(unijiTfni Kvjjs kn. ii7i ij ini rm2 een

wachtplaats op de sawah\'s zonder dak , SG. beter

am rj ijw z rrn/j \\ P

O / 0 V

(im(irrn ini/j kw. zva. ( m rniiu^\\ if iamp;iiLis) ijunt

O . )

— i/n 1171 Kn ^ ti

Ch

r^ii il,hjj en lt;yj Qj) 2 m rn

O / / O

irni {pok (tji itn ^m i.fii.hii/js schuchter) kn.

achterdochtig, schuchtern. — iniinini/j zie ben.

Cm izrn ntijj kn. betiteling van fatsoenlijke Ma le ij er s,

Maleijer {ook een Boeginees, WW.). Zie ook bij a

/i li i:ni igt; ii/)\\

01

djt^ iiri kiiji of kn. kleine boor, fret of

quot;) o

els. — itn niiiïn of iini i\'ii.rn\\ iets daarmee bo-

* b 01 J 0 (Jh (ril

ren. nn mi irni ^»»\\ boren.

ê ê Oh lt;rn

jj in ^ iriri hii^i kn. een kleine nm rnriunjfs rjiuii rj i ing ifiijjs kn. 1. het ergens op zitten, van alles wat vliegt. 2. (vliegende, deze meer hep. 0.üi(iji v) jicht. — gt;ƒ f i if r.iii2 irn/j\\ {ook v. e.grondw. ij ui 7jipri2 unjj\\ v. e. boom waarin een persoon gaat zitten, wordt gezegd ui y ^ rj iui 2 mi/j) ergens op zitten of zitten gaan, van alles ivat vliegt\\ ergens in zitten. In Tj. wordt het gebruikt van een fluitspeler, die bijzonder goed zijn vingers op de ronde openingen van de fluit zet.

ij tTiri 2 un raken , van een pijl; fig.

raak geschoten. — ij an ij nti 2 tnij op of in iets zitten. — rj(un iji^n2uiian/j telkens zittend, vau een vogel of pijl. — ^ 1771 j rirt2 i^^/j\\ de jicht hebben, de jicht. — mrj i:in2 ^(hiji\\ plaats waarop een vliegend beest zit.

ij ayti2 ij iriri h hji^ kn. het geschild worden , van vruchten. ijm2rjirw }Pii\\ schillen, afschillen; fig. ontmaskeren P — tj 1112 ij 1:111 Hij(Kifj\\ geschild; afgeschilde schil.


-ocr page 82-

n

,i n ij nn t n i ^/n tj rminu im/js

O :) o

i/n iir/w /.« ^rn rjtt \\ (h n

8

O O ^

njruTfri ihii ~jn irfv ^ kw. zva. tjdJi 2111 ij i n i tf n 12 iibvji\\ heen en weer springen, kn. uit vrengdo allerlei

bewegingen maken.

0 O

lun rj irtn i injj s zva. am ^artrnasu^

tr)(undciyr}(in/i\\ kn. ; ti (ii zum (ui \\ misleiden, teleur-

1 Oh U! * I amp; f-

stellen. G. vermoedelijk hetz. als rj rn ? rm \\

vn wn asn/js iti 2 ïtjti is7ï ~jï)(irrn ivrnjj\\ kn. heen en

weer slingeren.

ilw ir)n kn. een soort grove sits {door Maleijers

gewoonlijk soerati genaamd?) WW. Vrg. « «snw

(nn (FJt (LLi (zva. chi ibiojvi ?) 0in Ti. hco ^ co \'

tun^rnm(uii^\\ kn. eeti jonge to eloet.

njhrjijrn2ivmjj\\ kn. liet op en neergaan, bv. van een sc/iip, het op en neerwippen van een vlonder. — iwoy irmi op en neer wippen j zich in allerlei bogten wenden {ook (tnyarmiiLo/js wippen op, doen wippen. L ).

ajïjjiirrn asn^/j\\ spelfout voor rjumt r.w ihnjj\\

njr^ ijm (unjj\\ kn. de top v. d. t o e mpëng, Aiew men uit bijgeloof afsnijdt en in de keuken laat liggen, WW.

n •*gt; ^

rm — vrj vn ibnjjs zva. ij r:) i irm

mi -jii r^ti iiuyj ^ hv. een gevallen vijand hij H hoofd haar.

(Yftun2iririnsnji\\ kn. ontsnappen, liet ontwijken o/out-duiken. — rj iti ?ittti iemand of iets ontsnappen , ontwijken , ontduiken \\ iemand ontgaan , van wat hij behoeft \\ aan iemand zich onttrekken, die behoefte heeft aan zijn zorg of verzorging.

xm 17M7 (iS\\) \\ KW. zva. ilSTJ /UON KtiUUiW (J*l II [\'

nn ^yj\\ kk. schuins opgaande grond of weg; kn. het streven naar hooger. — r:irmw/j kn. eenig-zins schuins opgaan; naar iets hoogers streven. y .i 7? ij,rm(Mjj\\ kn. scheefheid, scheef. — tj n jf on (Kri/j\\ scheef, ook een scheven mond of scheef gezigt trekken, zva. rjiu ^ r:w t w/j — tj (ii if vnri Mjf* scheef maken, trekken of vouwen.

rjiiwri ipn2(M^\\ — oj if irj irir) 2 gt; )/j\\ en rj mi ij mu h i/j\\ zva. vj(unrjirtiioj)/j\\ enz. tf in ^ een scheven mond trekken, rj i-nrjinr)2oji J*\\ een scheven mond trekken tegen. —

scheef maken, trekken o/vouwen. WW.

(LDijm n ijjs kn. naam v. d. bloem v. waterplanten, wier bladen loemboe he et en; zie op WW.

, 7? irm rw^N kn. ben. v. vogelverschrikkers op de sa-xvahs, die door het stroomende water bewogen worden. SG. 0fi:n 11 \\ nm. v. e. vogeltje, CP.; am rm iu ,7» irm rti/j of (ui r:m u i ~/}t i:m ru/j\\ wippend, van den gang van iemand. (un rm (hajj \\ een vogelnet, dat met een koord aangetrokken en toegeslagen wordt.

) O C)

XJii ij irm2 ti l ^ n tf rm2 ari (i\'tt tj arm2 ru ^rtt y unt

tri (Hi/j \\ zva. ajti rj ajiri 2 erti aj nrt 2 WW.

ojrji rin au/js kn. het geworpen, opgeworpen o/toegeworpen worden, bv. van een steen, ook het loshangend gedeelte van een sjerp , zooals van een danseres, die daarmee werpt. arj irttt t^i \\ toewerpen aan. — ot^ iin tri tj ntt\\ een object ergens naar toe werpen. Kèrta Wijoga liep zoo snel naar zij u doel Htt ojtn axi ajr^ arm rri .jt^ ariri (trj aPtt (hp tj ini \\ Waj. I, 68, 3, v. o. j uitwerpen; wer

pen met (werpen in; bv. een aas in zee\\ Joes. Jozef in de put.—ajt^arm tj^i an^ of am rm irtt ^t^ i-nt iets dat men opwerpt, daar men mee

werpt.

(ima:m rLi\\ zie xm ut vu \\ en tKnm w Ol

lt;rj(im2virijjajt\\ kn. opwerpen en weer opvangen, vooral van een lans. t] ajt 2azm/j jji art\\ toewerpen aan.

Ojtt rm luji of trvajmaj^/j kn. ; (c? vm asij^ of an rm

ojt/i^ aanhouden, regt afgaan op, bejagen.

; ) .... O

wi rm ajiqs zie bij am a^tn am/j \\

O :S .

a nt rm aji/j \\ zie bij cun trtti ajijj \\

aPn ajw \\ kn. tusschen de twee voorste vingers nemen of pakken {vrg. aiïi artrt (Ujj ), (éiaiii ili Jltny in de neus knijpen, a^t rin (vi u tf inis aan elkander sluiten, tegen elkander drukken, bv. de

handen.

if am ijttt ajïjj \\ kn.; rj (Eiiarm ajijj\\ [of rj n rw aji/j) verachtend of afkeurend, met vooruitgestoken lippen grimlachen. — tj an /:/]»aji 3\\ op die wijze grimlachen tegen, uitlachen, ai a-.irm oji ,0/\\ den mond zamentrekken, grijnzen, zich verontwaardigen. G.

ctm ap\\i iEa/j\\ kw. zva. rjiuid ruw

o a O t (unarm ri ju tin (fin en att rm m ^11 arm ai a \\ kn. : n Oh oh- Oh ( l J(

a o no , .

nn } t t tn it ia en n tm ifi ^m rm uns dreiKen; Oh (t I ct (Jh- 1 6

iemand bedreigen met woorden a.Ji ar.i tan r t nn f i/j of na rt i^tn *1 Jtj tjn ifjt/j bedreiging. Vrg. a n (f\'i \\ en iLv ern rtyj (i/n tjran 2 cm/js kw. zva. amfi^ of tjaj) i i},ti/j\\ RVV.—


-ocr page 83-

gt;11 m gt;i \')n \\

9

_[Ln ,j ijh icm~m nn v unjl KN. 1. steun, steimsel,

schraag. 3. lomp, boersch , onbeleefd. — rin,rm?

z\'c\') l01quot;!\' gedragen, onbeleefd zijn. Cr. — am Ij yn g m-titj.irii) / -rj\') itn/j; buijen hebben, van iemand die grillig of niet regt bij zijn zinnen is.

(unfyanyi^ \'ie hij \'tf\' *quot;!)•

dm lih(ünji of (ini ïr/ri cLnjj en (i^ hniirnji\\ kn. het met de punt ergens in zitten of ingestoken zijn; plaatsing, aanstelling of installatie van een Dorpshoofd (jjrondw. (Si^njjs vrg. isjbrw w/js en im ihn (LOjj \\)

— i7i(c!jii™/j of tv. ffn vm/jy ergens met de punt in zittenj ergens staan of geplaatst zijn in een post;

— vn nfn of (tn lt;firi arn \\ ergens een object met de punt insteken; Iets vaststellen, voor vast en

beslist houden, beslissen. — i i.i:wr:n nnn (inlij

Oh- co \' a

tui^irjiKns of (hi ini rrnvjuii\\ een object steken of planten in ; plaatsen; aanstellen of installeren in een post.

O CL 7 •• O O O

ivnyncirnjp zie bij (irn rrjrnr.n^ — tfji t in r.iijj \\ zie

hen.

(i/nuri\\ kn.; n/n*rmrun(in{hn/j\\ aanloop, die men neemt om ergens over te springen. — immii r/n(i3\\ een aanloop nemen op; fig. het oog hebben op.

tun rijns kn. naam van een kinderspel? verder in de spreekwijs (uan^ihtyi0^ zich beijveren om de eerste te zijn in het klimmen. WW. Vrg. ^(rijw 11/11 ffl.\' de wenkbrauwen ophalen, zich

boos vertoonen. G. Zie bij hlir\'ww

oG) , . 61

1/1)1 KN: het mikken door langs iets heen te

zien. — ii?irni\\ mikken door langs iets heen te

zien; mikken of aanleggen op; gluipende zieu

naar. Rh. — iJ?» fin jti an/i\\ mikkende. -— nntrlm o (F) , .

lt;vnrnn7iihn/j\\ het middelste gedeelta van den boog,

waarlangs de schutter ziet om te mikken. WW.

Vrg. 0% rni \\\\

n a.

KN- een rond stokje bij het weven in gebruik. WW.

KN. jong van een pauw.

kn, scheefheid, sehuiusche rigting. n 7\'quot; 7 ^\\ mquot;1 meer schuinsch van rig-*ln9 gt; {ook de naam van een plant, WW. de Ki e-* er a minor gt; Miq. een heester, of de Gyna-dropsis p entaphy lla, dc. een zaadplant). —

oq (Ei tj .ir/n \\ {of rj r:i .i:m \\) ook rj n vj rut ê \\ scheef,

schuinsch. — ^ tui rjirm\\ scheef, vati eengezigt. —

iui rj i:m 2 \\ zie beneden j ook ij urn rj irVri n ^ fi rj

ri irjn \\ en n \'fJi n r)n t w lt; et I \' Cl

rj(Uti2 y irrn\\ kn. zva. y cm ? tj irm w y iti? met zijn

tweeën of drieën iemand dragen, die de armen om den hals van een hunner slaat, terwijl zijn beenen door den ander of anderen worden vastgehouden. WW.

zva.

y \'i 11 2 Ij i:nt 2 ^ ti), zva. Ij IJl 2 Ij rL12 li tljjs

/

(iyr^ (Hl n

Qv

ït?/ 7.7 \\ kw- zva. ui nnf i, 11 ft a it?/ iq yi i^tj (bui 2icfn\\

TT

borsten v.

vrouw. B. J. kw. Krit. XXX1I1,

13, CS.

(un (Hj rn om \\ zie ^ n nni \\\\

(tm un Htiji\\ kw. zva. tjdjn m nn/jw

(uil nniurtji^ kw. zva. ifzar^w G.

o o

(ly^ (Hl 1, n ni \\ kw. zva. Kti \'ti h u ni\\\\

i c) o 0

(i/niHi\\ kw. 1. zva. gt;rj(hj)2 tjwasyjj^ en 1 :tiajianij\\ 4.

dronken. G. {Skr. anda, blind). Vrg. tjojnz

ariw

(Lil (fn \\ kw. zva. tiiuïi op ?\\\\

S- \' S-~

o Cquot;) ov

(tri (Hi \\ kw. zva, (ijïkhiw

I.

1 iw \\

Q / o

un n.U12\\ kw. zva. Ul/l-riw

CiKHis N., njji pi \\ k.md., vragend vrnw. van plaats: welke plaats? ook van personen en zaken: welkeP als men vraagt naar welke van twee, drie of meer

{ook hoe? WS. 117). Zoo ook lil/ti ari \\ of huw

o . quot;) O. o o O

(Hl \\ en 111 lill 1 h (Hl w (Lil U! (Lil (Hl \\ Lj (Hl Ij ui i /fn in/js

Waar bestaat......? Wie heeft ooit gehoord van.... ?

■i/n (h! a i] aPi (tui \\ li ,in 11 in (lui \\ welke het ook wezen

^ f) s- J £-

quot;) o - ) o qv o .1 /y

mag. in in (hi \\ of ki (hi \\ en (Lmu^on waar r Zoo

ook wel (i 11 in en (ui un zonder voorzetsel. S11 ïi

C-~ 0

o ) o Q- rt a , » 3.. c ) o

(Hl (LH (Hl \\ (I II LI (Hl LI (KI \\ Waai* ook. 11 (IJ)2(l^n LI (Hl \\

fC- f\' S- I ^ \'

tun (ho \\ 1.—2. zva. (ui iii \\ duis-

1 (Hl LI ....

l\' ll

diii (Vhi (un i j hi * iemand van wat plaats? waarvandaan? Zoo ook wel zonder nnjiz of avntviw iii ja\\Kn. Indisch {vrg. (i?iinrrrj\\); kw. schrift in goud gesneden, ijvidwons een Indiër, een Indiaan, (üh

(hip(uii !hn\\ Indiën. G.

et\' Ou

rjdjn (Hi n kw. zva. rt/^ n gt; w Vrg. rj un in ?

Vj (Uil t (Hl \\ kw. i. zva ternis. {Skr. a n da).

3. wind. G.

ijdw in gt;\\ ij in-icin enij f 12 mi ii i/js (U(Hiq\\ verschillend, onmoge-

(un in p kw.

C-

Vrg.

7\'quot; y ^


-ocr page 84-

10

lijk. G. iE/1 (Hi j kn. , f/ew. frjMtpfs uitr. Wat zal het zijuP Hoe zou of moet het wel wezen! Hoe moet men zich deuken! voor Hoe kan men zich deuken! —ij *1 (K)?n/nig \\ f.i cm gt;(un ij tg. lt;tii \\ rjiamp;i tm{(unen w (tuis ook (amp;)thn j

hetzelfde.

KW. zva. tidii uts afkeerig.

(un ij an $ \\ ook ^axi%\\ {ndeh) uitroep: ei! zooals in Ei

wat? ei zoo? WP.

Tjunopkn. schoon, fraai, mooi, van gedaante of gestalte, bevallig van aanzien , hv. van een gebouw {vrg. tj fijn pi \\) (unaAJj^rjdm (ha schoon en bevallig, van een vrouw.

(un ty(ipt(hi/j\\ (un ^(hptiHijjs zie tj(ui?(hijI\\

mn (Hi tun \\ KW. zva. nj^ irvtizq ju w ni \\\\ run ^ \\ KW. zva. nji (hi^s iQihi \\ rj thn fits w (Skr.

ma da 7i Ui wolk).

iiyn m uj \\ naam van het koebeest waarop Ood Goeroe rijdt {Skr. Nan di, vr. N andini, naam van den stier van Siwa).

njti((Hj \\KW. j (un(an {of tun \'in) (ui (i3i \\cun in0W W.,zva.

n\' t s quot; \'P... cv

(i7ï tj tint i % (i/n Tj H)i {of fin trui) tui (lgt;ii w zie bij tun p i \\\\ am (hi \\ KW. een verfrisschende wind; TJ. Sënk. vyf. rj(Lm((hp\\ I. KW. zva. eign. van God

ludra {Skr. Indr a). vhiz hu\\ of0(i\':rj^nji(Hi\\ Éndra\'s verblijf of wereld, Éndra\'s hemel {Skr. In-dralóka). 0iw(ut\\ kw. zva. {eti tim nii

(tnjj\\ G.) ook naam van een wapentuig, en naam van een paard van Ardjoena {Skr. regenboog, eig. Iudra\'s boog). 0lt;Hhirvt\\ naam van een berg, waarop Ardjoena als kluizenaar geleefd heeft {Skr. Indra-kilagt; naam van een fabelachtige berg). 0(iji\'~n naam van een wapentuig. 0(KJiasn\\ bijnaam van Ardjoena; 0^/ru\\ een met bovennatuurlijk vermogen begaafd vorstelijk beambte; zulk een die in de Wajang ver halen door zijn Vorst gezonden wordt, om iets uit een vreemd hof te stelen, of een prinses te schaken \\ ook naam van een he-melsch wapentuig {Skr. indr a dj dia, goochelarij). (L\'t IJ 17) (u) lift itU \\ hetZ. (LI tj ((Hl (M OJt \'Tl N kw. bedrog. 0 ti n/\\ waarschijnlijk verbastering van het Skr. indr anil a i saffier\', rj o (ihi ttjiru *51 tt i3 gelijk donkerkleurige saffier, vanhoojdhaar.— ■Hn ij (un (hj Mjjj\\ ook ij(H-n(an an^\\ het paleis of het hof van God Éndra.

II. ^ HjI(op\\ zva. ^n/n 2 tistijj\\ —rj fEJ}(apt^\\

/ O O /

en rj an [(Hi/hj\\ zva. rj tin i xrm (i^trw — trj nn [thn dnjjs kn. weg, te zoek, van iets waarvan het iemand ontgaan is , waar het is of gebleven is.

rj (un 2 ((hi n kw. overal, in menigte. ^ tun z (an (u nsti \\ zeer, uitermate, rj mm (an .?j) ^ \\ of mi (tni iS) hj\\ zie

— rj(Ei2((Hi\\ 1. {zva. aL^(fj}^\\ üjjcmqs W.) zeer, uitermate; velen, verscheiden; ver, verwijderd. rj(Fjit(ancn^(^\\ zeer bedreven, met vele knn-digheden begaafd. — 2. spoor , overblijfsel j plaats G. {vrg. 7^^).

iunaX\\ kw. zie (unanw kn. een balk, die de nok-

O

balk {^(BtdridLn) stut en op de dwarsbalk {(La w (u ainji of mirvini) rust,

(y ^iii

(Ln^(H)\\ kw. zva. (i:r^(V}\\ holrond.— jo\'ti«nt^nkn. het oog van een bloedzweer; het middelpunt

van iets; in een kring, in de rondte. Vrg.

CY

(IT^rHlW

kn. het achteruitgaan , teruggang, terugtred, te-rugtogt; het aftreden van een post. *jï^ an njr^ yn \\ ecu trekboor, boor met een trekriem; naam van een klein vliegend insect, en van een soort van zeekrab mei knijpers {een soort groote spin. G.). — ^ N ac\'1quot; terwaarts; zich verwijderen uit iemands tegenwoordigheid ; terugtrekken, terugwijken; aftreden van een post; afzien of aflaten van iets-, van de linker-naar de regterhand schrijven. (E^anifi^ il» ai i007^ achteruit en omgekeerd, bv. vallen; fig. achteruittreden en het omgekeerde zeggen. (E^ an tni (tin zva. nn (via rj an ij an \\ even als, £)ƒ terugtreden als. — iemand uit een betrekking ontslaan. —

^ 2? 1 ^ N a^wennen* quot;quot; a?^rn\'-n\\ voor iemand teruggaan of terugwijken;

iets achteruitgaande treffen of tegen iets aanraken ; van iets afzien of aflaten.

iemand doen achteruitgaan of terugtrekken ; achteruit brengen ; van iets af brengen; iets afraden; ieU uitstellen. — a^awyr^an r) nnjis een ontslagene. ajr^ ipi-iiajjièi \\ een ontslagen Dëmang, — f j w nanjis daarentegen, van iets da.t achteruitgaat en erger wordt. (fjj^m^aAjis even als, of achteruitgaan als. — tfonidtpi kn. fig. wijken. aj) 7 ir\';i rj an)ian \\ asn((Hi^tEJ) a^jjj\\ mijne drift

week enz. Tj.; KI. en nn2(HyniWjj kn. zie bij o

(ij}j(ruq\\\\

07), an ni ijHtis


-ocr page 85-

(U)! (in iruji \\

v\')

(l/gt;» (}lt;) \'gt;»N

11

}wr}\\ gie iSitHyn*

ICmmiJI\' KN8l)ruw, /jG\' 1868\' b1, 317, J

rf(un((£*W zie rform^jw ptuCynMjf hat eiland Onrust

eiyn\'van een z00n van ïïusa-mQcka {Skr.

Indradjit).

immi/] kn. ernstige o/toornige uitdrukking van het gelaat of van de oog en ; die uitdrukking hebben. ((fuhtJi \\); een ernstig of deftig gezigt. — nTiwwi Mjamjl een ernstig of deftig gezigt zetten, bv. (Ki (Hi n5rt0\\ — \'i-i tp 7 wn \\ de uitdrukking van het gelaat ernstig maken, een ernstig of deftig gezigt zetten.

zie xy yvjjs i pi (Hti\\ zie (iciiHnw

ta?iHv\\ Ki. wat door een hoog aanzienlijke gezegd vfoYÜi {poët., gew. ajixnaptKns Vrg. ook

vrnw. vau den 2den pers.-, zie hij aPi Kuw —

. S o o ^

.un\\ (/)j) iili \'i^\'j \\ en nsTjj dsr^ \\ n. , (Uioji jfffJHi/]x en \' i ™\'

k.) zeggen, spreken. — w(iplt;MtiiHj\\ zeggen tot,

toespreken. Snxnop(hti(rnjj pass.; verkort mpjnn

geroepen, ontboden worden , last ontvangen

om iets ie doen {hooger dan un mi (htji) : ook

m(hiiwaojj of (un(in(in^n(Kifjs met een ander

spreken of praten. ( tjJ(yj) /y (hnjj k .). — m ap un

r} \'HD\\ {urn rj Hti 2 (hi/j n. , (Lu rj inn orijf K.) iemand

iets gelasten of laten doen. i//j (in an nn ,kii ^ uii \\

pass. {iHrirj(^i(Hyi\\gew.iicl rj(hu i nnj n.)j verkort in

amp; P O

^ihvhti^ii ijdoï\\ (IjW ui Hi)(Hu -jï)vj.hu\\ en (ui hii h^ rji.ns indikak-aké), dikwijls als redewoord na een woord dat last geven beteekentyzva. om; ook wel actief last geven.—m cli op iai\\iemands zeggen, wat iemand zegt, iemands woord of woorden. — (fji ici (ip mi inj \\ zva. i i w un (hjw /Ei iin im (hii hu ~jn ij unquot; spreken 0f zeggen omtrent, over o/van. — ^ w(m un\\ of w(H)hii\\ al wat U zegt! zooals U beveelt! — lt;cm

^ Q O

tpMi^si.iap Kii zeggen tot of op.

(uni(£ifnti\\ Kw. zva. ii ii;/vi vn\\n Men. Zie ^

\'V ^ 2 W(H1I T» \\

1

]P(b^Jjs kn. buiging, inbuiging, door drukking of zwaarte van een last, zoolang de drukking duurt.— t/iopiisiijj\\ buigen onder een drukking of last. veerkrachtig, elastisch, Rh. —kian^ ij hu \\ doeu Wigen.

71 tl /!l\'7/N Kwzua- mi fit*\' f fu N. vertrouwen, geloof.

gew. (ui vi op lt;un ip n i -jn in ru/j \\ kn. de persoon op wien men vertrouwt of zich verlaat, toeverlaat. — (ui(k}jviji\\ n. (volg. Rh. kn.) (ijI(lii($\\ {of njiivii vj(ia2(k^/j) k. vertrouwen, gelooven. —- mi £p rujj\\ te vertrouwen j vertrouwbaarheid, crediet. Zie verder op mi jp iru/jw i.y m zich voor

doen als geloovend of vertrouwen hebbende. — i-n (ip \\ vertrouwen op. — iui ip ii^irj mi\\ of /7 mvu^ij ini\\ kn. zijn vertrouwen stellen op. (tion •iu ^ion iu ij hiis het een of ander hebben, daar men op vertrouwt. — i^vm iu n. ligtgeloovig; ligt vertrouwend, vrg. ir^ rj cm 2 — iji (ui m ru/j of (ia un op ouji \\ vertrouwen, geloof; lui un m ilijj \\ ook vertrouwde. — ui {of (Ln)mi on inimjj« kn. een bewijs of onderpand van vertrouwen; gijzelaar.

i/n yn iu/i\\ kw. zva. on/jw kn. naam van een kruip-gewas of slingerplant, en van een kinderspel. —

moniLi ~jïi(hi iu/i\\ nab.rommeu v. e. gong , WW.

C^ii Cl)

brommen? v. zingende santrVs, 0. a. verhonden

. C) c*

met cm (tui o(iijj\\

un (Hi rijiji\\ zie hij un m iuijj\\

uniptMJI\\kw. zva. uniHp het stil zijn, het zwijgen j kn, stolling, het stollen o/dik worden flfoor Rh., gew. oma^rjixjjj\\ uim^outj^\\ kw. stil zijn.— (i?i m lu^/j \\ kn. doen stollen of dik worden; tü. koken , een pot of theeketel koken , amfioen koken.— ijinioprLiji k. en KI. zie bij un gt; riyi\\ on\\ en ij myiri niopjjW

ur^ on ruji\\ of uifE^ mou/j kn. het uitpuilen bv. der oog en of van het rauwe vleesch eener wond. WW.

O O

ornm ui un KW. zva. ui 1amp;1 m onow

(Ij s .

O quot;y jy ■ 00

un op (tui \\ Holt. Inuie, m ij on vn ili on m itu v Nederlandsch Indië.

dwon layisKW., /o ti \\ KI. bedwelming, dronkenschap.—

O

uim zijl en ojj n\\ bedwelmd, dronken; zeeziek. trj (Ui 2 if an 2 (Lu (fp if^iji \\ een liefhebber van sterke drank uim ^op ifo^s zich als een dronkaard bonded. is ook kn. in den zin van woedend in een gevecht, en in spreekwijzen als (U^-y^cninsn^s

bloeddronken, en oytin(uinidCKUis een dronkaard.

O \' o - o o o -gt; o

— ui p? ^ of ui (hi £i \\ en (8^ ijn 12 ihjs rj 112

iemand dronken of bedwelmd maken, bedwelmend of dronken makend. — mi (iJirf -mon/j kw. vermoeid, afgemat. G. — uiop^oonji^Kx. dronkaard. i/ii (Hi *j onjj\\ vatbaar voor bedwelming. — urim


-ocr page 86-

(L/n (Hl tl (L I i (Hl \\

(/Ij \'

(isnUqs

C ■) O , O O C ■)

i -ju ih i \'ïj! an^/j OJ tui £ j (tp gj nnj) en ajl rj ni ? tuj iHyj

of inet anderen zich ver

maken door zich dronken te drinken, een dron-kenmanspartij.

(un ita Ti (Ei i an n KW. zva. nm trm ire mi i w

^ I ^ amp;i l ~ l

o O o

(un thn mi in \\ KW. zva. fai oo» w

(un (hp \\ zie tui w II.

(unrjiHid kn. Eene sierplant bek. tot de fam. der Asp ar ag ine a e waarvan de jonge bladeren gekookt bij de rijst worden gegeten en de wortels bij diarrhoea en dysenterie aangewend. 1M1. 0hh nn fW7N naam van een kluizenaarsverblijf van Baga-wan Sidik-watjdna. 0(ij)(in nji ^khiji naam van een priester in de Manik-maja.

ijii an - KN. aanhoudendheid, tuii v. i (uh w 11 m \\ voor al-

^ o G) ^

tijd. — (liiüis voortdurend , bestendig, aanhoudend,

niet bij tusschenpoozen. yn^ii i ti S(ki\\ niet bestendig , intermitterend. — fil jp n ij .nn \\ doen voortduren, bestendigen. — (im (jpw wjj\\ macjj^s levend water. SG. — wjfiintrjhj\\ aanhoudendheid, bestendigheid. (M tlw iirjop den duur, aanhoudend , altoos (Lmoh\\ KW. zva. (iJiSï\\ niet herkennen.

(Utl KI (Uil

(O)

(Hi \\ wj. uitroep zva. irn om (mi (iaji (r v/or^N Sd. moeder).

(ur^(Hi\\ kn.; \'VYj in(iJi^(hh roepen om te komen, in een onbepaalden zin. — kn., oo^ï/ryn ki., roe

pen, ontbieden, uitnoodigen om te komen. — (i^(Hiir.i\\ mv. van (mn\\ im r.i anjj of ij hti i apaTKHi^s geroepenen, uitgenoodigden. ^^np 1:1 rj rjiuiis roepen voor; ergons bijroepen. — aji \\^cih\\ het roepen.

ojnrn (hi\\ KW.zva. rj (Bi cmw (ookzva. cut

(un(^\\ 1. zie miw 2. kw. zva. nj) noi^w

n o ,

rt7w^q\\n., (unrj^iga-jiji k.] 11 (in w ij ttfii (Ki/j^ wachten , in den zin van een tijd lang wachten tot dat men iets doet; op of naar iets wachten; iets te wachten hebben, (it? \\ en im^\\in de spreektaal ook m

a 0.0 .0

oji \\ un (hui \\ hu (kji ■ en gew. oj tun z 0.1 \\ n. , i-tï y w/j

en un rj^ii ^jji. k. , zoodat (ïoo lang durend, zoo ver,

zoo zeer, tot dat), tot....toe, tot aan toe. an föj (mi

(ui\\ 11 rj m 2 k 1 ~ni ij (m i w/j aanhoudend wachten ;

zitten of staan te wachten : op hopen. Ookver-

keerde uitspraak voor r;i asti (uit i?n \\ en 1:111 nsii 2 tui ^11

o - O rt trj (isii2(hJ)ji\\—cm ij x of 1:1 rj 1 en \'

(M-3\\ of Qrj (m2(KJiJl^ wachten, wachten op j afwachten. — o ^ (^ un ~jii irj un \\ lui rj ^fi ddJi ^A-un (ui/js wachten op of met. — i/n q$1^lh2JJN 1111 ^KI2 .7x7_tA(KT^\\het wachten op elkander. — unwjjN (un Y^jj^^^Ngeduldig, lankmoedig. —(ua7i^\\ (Li 177 (fëiihet wachten. — (iji(m(in(uriföi\\ (u (m (Tj hij w ~jn tj (fjij (k^/j\\ iemand o/iets, daar men op wacht of naar verlangt. — n (vi wrj föi (hn/i\\ jong getrouwden, bruidegom of bruid.

de bruidegom, dji m ij$1 cpi rjim thnjj de bruid. In zamenst. met verkorting dient tmvj (^1 tui/j tot betiteling van jonggetrouwden als ze nog geen kinderen hebben, in (£.1 ij\'uiwff voor den man, en mi2 iffirji^n (hn,j voor de vrouw. \'riijiian^vj^Mijis titel van een achterkleindochter van den Vorst. m i7i vj jmiHi--I ni \\ de allereerste sneé van een padioogst, ee7i klein getal aren, die tot twee popjes, met hoofd, armen en be enen zadmgevlochten, bij het opstapelen van de padi ergens onder in de loemboeng tot een djimat neêrgelegd worden. {in^ijHti0 een dubbele kr ang k eng ; zoo ook lt;rii *11,7) 2 anji0 M. — (ui anrj igi nQcui^ een als bruid opgeschikte pop; bruid en bruidegommetje spelen. — (Bi (mija^i(u^ Yj Hii\\ iemand bruid of bruidegom maken.

fl/7?(^nkn. een booze geest, spook; ook het mannetje van een soort van stinkmuizen {TjUoeroet), dat in het donker naar vuur gelijkt, (tmeen huisduivel, dm (ui\\ een boschduivel. i/n^m (i/r^i.hiijf\\ een zeeduivel. — m^un(^)\\ te lang

wachten.

O O O

(unkw. zva. x/n ifflQiun/jw

(uh ij^s kw. zva. gluren. — x?i^lt;^\\ be

gluren, bespieden.— tui rfi \'j bespieder, spion. G. {vrg. St^ajiji bij (unt^uujf).

{onto) kn. kameel {Sd. hetz.. Mal. oenta, Skr. o est ra. Prakr. oêtha). tui un ^ ^i \\ voor

struisvogel. — ,iyrlitii ci/if/ \'Hyis 0P ^ameelen ^equot; zeten.

lt;l^ (H-i\\ kn. , ui\\ ki. tand. (Utj tun 2ajni \\ sport van een ladder., ook ben. voor de afzonderlijke vruchten van de (us cn^ \\ SG. — (urj ij (^12 (hifj\\ tanden van een zaag , en iets dergelijks, (vijrj(^12ui rj jp 2 (injj\\ afdruksel van de tanden.

(rjd/ni^p^ kn. Hauw of brak va7i putwater; po\'èt. het


-ocr page 87-

13

17?»

vast er op rekenen.—rjcaiijmiiajiiiftgs kn. vaster op rekenen, de het. van vlammen op, een onoverwinnelijke begeerte voeden naar, door J. opgegeven, is wel toepasselijk op K. 2, 32; 9, 8, zie ook bij \\ — (un wihj,thnj)\\ zamen

afspreken. WW. (ook mi (hijj\\ Waj.II, 62,

3, v. o. zva.) rj ihn langzaam aan. Rh.—

ff lij (Uit 2 jf/l (LQ \' f )\\ KW. zva. S/cr.

anta hp o er a), tf n/n t lt;f{i if mn?cm\\ zie bij ii/nihj c^iw ifCLiizveelkleurig, bont; een uit driehoekjes van verschillende kleuren zamen-gesteld buis; naam van een buis door Batara Éndra aan Ardjoena geschonken , dat deze in staal stelde om te kunnen vliegen, y urn i (gi dji ik \\ en rfcuti2tfratf(kieigenn. van twee zonen van JFrëkodara.

am KW. zva. (fo foi(hiihamp;w kn. zie

nm {\\ KW. zva. (Lm ili q\\\\

o o . O o

i/n kn.; spinnen. — spln-

o . , no

nen. — hji au ^ \\ spinster. — ivn tfp ■gt; un % (un

het gesponnene.

(tv zie bij (i/nnsh\\ II.

wtföi (mjf\\ zie tfdjvi^w

mftjitn/is KW. zva. id ijlw

vn w tuizie bij u m ■~r]\\\\

KN.; (i-Ti (hajj \\ w.i. ergens zetten , plaat-

sen, posteren, (inurim(K)j\\ passie/.

O O \' n

V föiyyiN KN •» \'/ ^ fff1 w/i naam van een

soort van gebak van geraspte kokosnoot met suiker in balletjes van meel.

,9, O

eei1 edelgesteente van een donkeren

kn. diamant {Sd. Ml. hetz. Vrg. cmtnis).

«5/

glans.

z*e bij (utkhiw V ^ N z^e bij isn (Hi ^

1111 Kw- zva- Iamp;kww

~/nftQwl(Hijf\\ zie ijdmc^nw zva. iwföiiunföi vntHi/jw WW.

kn. hefboom, dommekracht (steenen beer?). — me^ eeu hefboom of dommekracht op

heffen, onderstutten.

7^\'^ KN- afteekening, scliets; ook fiche of iets dergelijks bij liet spel tot inzet, om na afloop van het spel verrekend te worden. — \'/ U1{W^ schetsen.—

schetsen, en iets tot inzet bij een spel

gebruiken.

if(un2Mj\\Ky/. zva. kn. gelijkenis van iets naar

hetgeen het lijken moet. rjd/mni \\ die ge

lijkenis niet hebben, er niet naar lijken. — ^ii(n2

O

KW. zva. un (ii/) ^iw — Tjuni^y^i in)

Mijl\\ kn. gerucht, ruchtbaarheid, opspraak. WW.

ufijfos KW. lang, lengte, bv. van de armen. —

V o ca/ o a/

c» n nz ^i tfji (ut! jjff \\ zva. (F^ru t j tu(injf \\

zie (vri /fti \\ ll/^^ c\'u h n%\' en de plaats tui L. op

(Lmfoi\\ (ci(tfrrt\\ aan iets meer lengte reven;

co ^

iets langer maken. — yi • n ^\\ iets verlengen; rekken.

cv ty,

ajn (jfi \\ KW. zva. ar.t i nw

nj)tiyf(pi\\ wj. kn. rustig, ongestoord, bedaard (vrg. i n iihsh). (L7ivf (jfi\'*ivf hh ^ met rust laten, rustig laten begaan. — iiy» if (gi n r/ ijfi^fi anjj \\ langzaam

aan, zva. rjitvi 2 if mi 2 /y inyj gt; Kh.

o / o / • S

iw(m\\ (ti ftfi \\ zie if (i/n (j/i w

kn. schudding , in een horizontale rigting rond-geschud worden op een wan.— 17?^1 -ti v rijst zoo op een wan rondschudden.

KW. zva. rj un nsiw KX.fig. onafgebroken stroom of toestrooming, bv. van g er eg ten en geschenken. — (Sfips onafgebroken voortstroomen of toestroomen; toevloeijeu , bij gedeelten toekomen , van pacht, wanneer de pachter vooruit heeft betaald, en wegens die vooruitbetaling, telkens een gedeelte

pacht minder betaalt.

mee weggevoerd worden , vlotten , drijven, afdrijven; een vlot. G. — £1 ftQ éi yn \\ aanhoudend blijven smeulen of vlammen, van een klem vuur. G. van lampen; v. e. gr ooien brand, die nog niet geheel

. oa/oa^ o aS o as

is mtgeaooja, zie op hjh ^ n 11 r/ / w —ti n jji (t n (hi \\

hetz. G.; van den buik, xoat wij noemen roeren of rammelen van honger. aauhomlend

doen toestroomen aan; doen toekomen aan. — (Ln/ftiT) if uu \\ ee7t object aanhoudend doen toekomen .

(ur^ (^r\\ KW. het vlammen van vuur; ki. zie bij !hiji\\ — KW- brandend heet; zoo van

vurig verlangen. K. 31, 28.

11 u 11 mi \\ door het water 1 (bi

CY CY

KW. zva. art^ (Hiw

nji^^\\ kn. het omgedraaid of gekreukeld zijn. ^

tiftis kreukelen, bv. van een touw\\ kreukelend.


-ocr page 88-

17) ijq n quot;t.fy

14

slingorsgewijs. — \'Ffltfin (lquot;quot;gt;

omdrimijen, omwringen , 6v. de hals; in elkander

, Q/ - O Q/quot; Cl CV O

uraaijeu. — 0f fhC^ rL\'®?N eu ^ 7, /

ftn\\ in elkander gedraaid of gewrongen, ia hiji(jfl (u^ truifigs zich in allerlei bogten wringen, allerlei krampachtige bewegingen maken. — wnijagi* of (Bi 7U^\\ £irutljff\\ in elkander draaijen of

wringen. — iL^irvt^ni(mjis in elkander gedraaid

o S o a/\'

ot gewrongen; en zva. fuytLi^ni^ahiihiW

tj(un (jq\\ of KW. het weggaan. — rjiEityi^ of

a S , ^

^ïi^\\ zva. (n^xn\\ weggaan, heengaan.

hetz.

in) cgi rri\\ kw. zva. (un (ó)(tni aj)nn n., (un aSla^\\ ook wel (uilcgi u*oj^/j\\ K., tusschenruimte, afstand tus-schen het een en het ander \\ tnsschentijd, een zekere tijd, die iets duurt of naar gedachten duren moest {Skr. ant ar a gt; tusschenruimte, afstand, verschil); ook teeken, blijk (vrg. tm foHms); en zva. (?) ihn m \\ £}lt;671 fji ihjjji\\ vermoedelijke gissing, ongeveer ; bepaalde maat, die men houden moet. (un iföi -nQi drie dagen daarna, rjuntmnjti

lt;^irr)(K^^(Ui\\ niet lang daarna. asn

ni\\ en (igt;n\\ po\'ót. hetz. (tSim~snftQni\\ genoeg tusschentijd! lang genoeg tijd gegeven. Shw (un ftffnn (ook (Kmoj)(uii eenige tijd lang ;

ook \'ij)(un wm\\ naar gissing. — wn istt ffflquot;*! \\ ant (una^oSi(KJifj\\ zva. iunlbl(vgt;urr)\\ vermoedelijk op te maken uit iets. — artjfjioj!m J*. een

tusschenruimte stellen voor; een tusschentijd bepalen voor; beteekenen of als vermoedelijk doen verwachten. — ii;/ rj nm \\ ht) rul (tj?

tni (hnjjs een tusschentijd (bv. van een maand) stellen voor, en zoolang wachten; een tijd lang wachten om den uitslag van iets te zien. — (iji^nrn\\ kn. zva. am^jriw (uioajicui^nimrv^s dag en nacht. n., tufrntui(t-jj/js k., middelaar tot

verzoening. (ut atn-n tegelijk, gezamentlijk; iemands gelijke van leeftijd.

(un ijfhi tj\'Ti?nkn. Port. en t eirOy geheel. Zoo ook (ku en (tJ)(imrjnugeheelenal.

Qv

kw- zva- Mn hiijw ijfun kn. een vest hehoorende hij de krijgs-

kleeding. W W. een vrouwenkamizool of lijfje. lun tffl nrgt; nn of tjnymföi\'n tm kw. liet uitspansel (Skr. antarixa of ant aria\'a).

(tm(tv)\\ kw. zva. (un ij)(unió)w (tmijfftnnjiK.ii. houding, gedrag, G.,— (h^icm^he-vclen, last geven; aan het werk zetten. {0rrntm\\ J. Z. II. n0. 2, 4 v. o. vkl. ■rj ai m ; iun f?) yntiaw) zva. ivm f) crti^/j \\ Rh.

kudden bv. v. h. lig oh aam of leden v. h. ligchaam. om rj lt;rnjj\\ geschud, schudden , stootend, schommelen, op en neergaan, zva. ifrhii2^^(rr)jj\\ maar in minder graad. r.) am)rjh))\\ doen schudden, in een stootende beweging doen komen.

rjiu))?^)^)^ sterke schudding, dat het dreunt, schok. — V8terk schudden, in een schokkende beweging brengen. — \'rilt;K}19($?)nZyis sterk geschud worden , zoodat het dreunt, geschokt worden, schokken. — ^ \'/ \\ sterk doen

schudden, of schokken.

(imIQMnjj\\ I. kw. en (in )0) ^ un/jsK., zie bij ij xm ? ij )j ))jiq\\\\ — II. k. zie bij (uy ruqw III. kn ; an lt;$flt;Ht)/j\\ slaperig, dodderig, dommelig van slaap zijn o/ worden; dutten, knikkebollen v. slaperig-heid , Rh. {vrg. (im arrr)

ftpo™Jj\\ in de spreektaal en in poëzie ook oJnij

Q O . „ O

V$}\'2 ^HJI 11/11 en \' \'bquot;quot;L/,g^N K*gt;

ten einde, op, uit, af, bv. nigebrand; van het hart: ten einde raad, moedeloos {vrg.tjnsm(ni/j\\).— trrj (Hi ru(Mjf\\ tot het uiterste ko

men , zoodat er niets meer over is; het tot het

uiterste brengen; zoo volkomen mogelijk. — dn tj

O l! o O 0

rjgew. KnnJiojin., (hivxj)(khk. atma-

ken ; (hai)ui(M Jas kn. afmaken, voor ter dood brengen. iwn(tmrjiiQvm(hiji^ in dien toestand geraken, dat alles op ©ƒ weg is. —(ti rj ftovwvf \\ cmrhi ^A-fo)(mjj\\ geheel opmaken, bv. door uit te drinken; alles wegmaken: het hart radeloos of moedeloos maken; uitputten, bv. zijn geest. — tjw to) Sn rj fin olt;n arijj \\ din o u a. ) oajj wordt gezegd van iemand die alles verloren heeft, bv. door het spel, roof of brand, of die alles uitgeput heeft.

r}(unWl\'H^Jls rjtnigrj )LI

0j7) w ui) \\ ook to el Md (ui) \\ kw. zva. njnuis on\'Fjitht)^ {Skr. antaka, de Dood); ook flauwte, bezwij-

CY

ming. G. — (iai(^(Hn\\ zva. nnri ri of \'m

(Y

(1\'J1(FJ1 -/INN


-ocr page 89-

tun ifëj hti ^t)^hn/i\\

16

tunffliwKW. zva. (Mmiq$nm? telkens afgebroken van iems. gang, ook wel iinnsntm~jH SiiHHjjs — (c? föi inn ~/n /fn tftij] s KW. lang op iels wachten (verlangend wachten), op sterven liggen, zieltogen. G. — f i 8ifii hu lt;ni zua. in w

}ni W nnjj\\

ni(un 2 fti wn n \\ Kw. zva. Mrt v.t ri m w ook n im i m I t-* \' \' \'

KN-» w ninyi KI. een veest, een wind. S) un 5/1 on/j ^ kn. zeker vliegend insekt, ontstaan uit de worm van de kapas. WW — (C?

O

Hfyvujl en iJiniwji

(Kn (un

O O Cquot;) o

rts»/y\\ ihii^15)1,1 oj (toiojiM(vgt;nji\\ en iKtiwiixrnjjx

onwillekeurig een wind laten.

KW. heen en weer slingeren; flikkeren. kn. het vleesch van den nijer. WW.

lt;viiftp(M/l\\ kn. het aan wal komen, landing; n., ook wel

» O

(uniKO/j ( nlas). zva. ik/t fm a-ijj in den zin van zoo p.as,

zoo even. — kn. in V alg. komen of te

rugkomen van waar iemand of iets tijdelijk, en niet voor goed, geweest is; van een sc/iip aan wal komen of gaan: uit hel waler gaan {in deze het. ook ^njmnJi^s Pr. 104, 3 v. o.); van het werk naar huis gaan; er uit zijn, gered, geborgen zijn; fig. van een meisjey gehuwd, uitgehuwelijkt zijn; ook zva. het Fransche venir de; zoo pas, zoo even. — (bt.wojiji^ iets uit het water halen, aan wal brengen; binnen halen , bv. van linnen dat te droog en hangt; padi uit de zon in de schaduw brengen, SG. een\'pot of ketel van \'t vuur zetten; opruimen; iemand ergens uit redden {in deze het. ook iffföi (Kj? Jil\\) een meisje uithuwelijken. — r.?tm een zaak ten einde brengen, afdoen, volvoeren ; ook mv. van — tbftatKilt;h\'n\\ iels aan wal brengen of zetten. — (i/n ^ mtjj\\ plaats waar iemand of een vaartuig aan wal komt, landingsplaats. — lt;iji iki en (tn wrmajjjjs naamw. van iQwaji j en iamp;n wajijfs •— //\'/,{nfö] wjj\\ zie heneden.

O O .

en (Li^^viMJ!n zie nm o^iniw kn. langzaam, (en duidelijk WW.) bv. spreken of in het rijstblok slaan. — ,in ^ rii ij hu \\ quot;tets langzaam maken of doen, — ti n tfn uji ~jii if/i ili w/j langzaam gedaan.

)u/i\\ kn. de bamboe, die midden ondereen

CS.

wind lozen.

bank loopt, onderlaag van een rustbank of ledikant ; een stuk hout of bamboe, tegen iets aangebonden, om het steviger te maken. —

o . . • O

rMN iets van een un ij tuj^ voorzien. Zie i n tf

(bn w ru/i kn. veerkracht; een bamboezen veer in een vogelknip; de vogelknip zelf; een medehelper om iets te erlangen; ook lokker, lokaas. G. — ^ of wfcQiruji\\ trillen v. d. stem; veerkrachtig zijn, meegeven. Ivi^^ ruy\\ veêren. mh

een veêrende, met de beweging van het hoofd trillende, haarnaald.

O

un 7 ftfjz \'rL77 VKW. zva. ijcrn\'^arni 11^ — r.iTfföid riJJj {ook iwrf ru/j?) kn. stijf op zijn eisch of bod blijven staan, bij handel of ruiling. — xiiijo^ni

O

stijf tegen elkander op zijn eiscli

en bod blijven staan.

(urfj{$ quot;d-V KN- \'ie^ worden. — ui mi trvijj\\ slik

ken , inslikken, opslikken {vrg. bij

II). rj nmiLyi\\ acc. pass.\\ zie ook ben. — uj ^ iemand iets te slikken geven {mui/r^ann*! iets dat men doorgeslikt heeft, G.)

kn. zameugekronkeld , ineengerold. — «y tfti iu/j\\ zamenkronkelen, inéén rollen. — (mfóiiiu/js zameugekronkeld, enz. liggen; zich ^.schuilhouden. — tl/ij jfg it li -jy^ \':(fj t i^i lt;hn/j\\ zamengewikkeld ; ineengerold.

,1Jrli$n,J\' KN- l)akj0 {vrg. — \'/$

t?.i in bosjes of pakjes binden. — njt^^ ti^ hij^s in bosjes of pakjes gebonden ; bosje, pakje.

nyt^n tu/js kn. jong arènblad ; ZG. 1882, 137.

rj run 2 ty fli iuji \\ kn. de bloem van de kal 0 ewi h, in vorm aan den staart v. e. aap gelijk en soms als 0 ep et gebruikt. WW. — rjamtj f|p tiyjs langzaam achter iem. gaan, slenteren, G. zoo in

zie ihii ftui v\\

P.M.

Q

(i/n ifëf mjikh . standvastigheid, getrouwheid, trouw: zelfsvertrouwen {van dsn (iji/j\\). tE^i^idJt/js standvastig of getrouw zijn of blijven ; vast op iets staan of staan blijven. — cm fat \'Uijj\\ iemands vast en laatste besluit afvragen; met kracht doorzetten. (0(£j\\ den strijd beslissen. WW ?) — ihii fói luyj\\ vast, onverzettelijk (zie ook bij (tn i-tyj).— 11 ui ui Si \\ vast bij iets {bv. een vroegere verklaring)


-ocr page 90-

10

blijven ; zich trouw betoonen. iw tun ijfjm--I (htjj of hfti fip tui (hüji \\ getrouwheid, standvastigheid. — tun ftgaji ^i(ni/j\\ standvastig, getrouw vau aard.

kn. de angel van een bij, s oor pioen,

enz. (wwcuijjs met de angel stekeu.

(L/i ^ mv.

O O • T.. O

(i/n jfo zie bij mn fói r2l/l^

njh ftp (ui/jKn. korst, aanbaksel of aanzetsel in een pot of pau.— (iPtftQtu/js 1. een korst krijgen. 2. door eeu gat kijken; iemand begluren; naar iets luiste-

Tr. O O O O O O

ren. Vrg. n/nij ^i \\ — m} njt a^lt;ujj en ïci moji Sim tui/j\\ bij herhaling, aanhoudend, telkens, gluren.

(urjifntL/t/j^ KW. zva. curj(amp;tnsrijis wat met iets anders vergeleken kan worden als er aan nabij komend, en lv ingeleide; kn. iemand vergezellen. G. ook zva. Mjj^Krjj^ kn. — ^iij Kti\\ 1. op een af

stand volgen of achterna gaan; 2. zva.

ij hh\\ {ook (Cj^Qojijis) bezorgen, zorgen dat iets of iemand behouden komt waar hij of het wezen moet; fig. iemand, door hem ter dood te brengen, bezorgen waar hij weuscht te komen,

nrj ki} (ut (ht) tj ■KJ.\'1!zich zelf van kant maken. — tui-tiiftonjt(Hi/j\\ op denzelfden afstand met een ander blijven in het loopen; op gelijke hoogte met een ander staan, hv. in kunde.— \\lrj(ginjyj\\ KW. zie bij iu}jj(f^(u)jj\\ kn. het voor een gedeelte ergens uitsteken {vrg. (LOjWM/i). — voor een gedeelte ergens uitsteken of te voorschijn komen. — (un iui irj (hii \\ iels doen uitsteken.

nm KW. zva. ij (Cmfflyj\' RW- zva- t1quot;10] itfl7™/!*

KW. zva. (unazifs {voor (tmtonmn(v*\\ of

czJl ^

(U)i (uii (un vyjj \\); uitgeput, krachteloos, gevoelloos. Gr.

nm^arn/i kn.

ijyi cni crnjj\\ zwaar klinken.

dreunend luiden , zooals geweervuur, de gamelan en derg.

«iT^ ^oTTyT \'^/ WiVilWf ^yi^ KN* gt; toos, ver

gramd, Rh.

rnrun? Ijfff Z(Yryin — ijvntij ftiz^cm o\'iyj\\ kn.

een wrok met zich omdragen ? zie J. vrg. ij(um

ij crw ? ij wi ~jii 2 ya/y i

a o

(unföiams zie asnamw

(un kn . zwaar, vooral van iHs dat op de hand gewogen wordt, en van een val of hamerslag {v.

„v O o .

kussens m Ij. x.n ^itu^ncfri im ^ (Ljjj tui ij w \\ of is bedoeld .mi (fti iu .ju föi (hn^/j\\ zie ben.); eeu zwaar gevoel in het hoofd en van de oogleden door slaperigheid. — .m^d.iyj ook cci^iajijj ? zwaar dreunend luiden v. d. stem\\ of (tit^icirnjj makeu dat iets zwaar neerkomt, bv. een klap of hamerslag. (i7i azn ~sn tt\'i np \\ een zware vuistslag geven.

P. L. I. 53,

hu ftpvm/j \\ zwaar v. e. hamerslag.

3 v. o, ook wel un (fei (uijj\\ op zijn achterste val-

V.) o

len. r:iiHi i?n\\ of idifjvi\'i ^ ergens iets zwaars co ^ co

op neer werpen of laten vallen, (bitoarns ook ergens ie^s opzetten, zooals een pot op een komfoor. Zoo

1:1 iin in ti (Kii \\ iets neer

ook wel dn (ui Si w

laten ploffen; iets zwaars op iets neerwerpen of neer laten vallen. iQ^mi^ijuns iets ergens opzetten.— (unkw. zva. volg. WW. r.»

itfivui/l0 de hoofdkussens, die op het bed v. e. welgestelden Javaan op elkander gestapeld toi pronkstuk liggen, wi i:n ^ (ook «3»^

rm (injj ? op elkaar drukken v. e. hoop sieenen , met dreunend geluid ? ijuni (amp;i(~j^iilt;njjij(un ei \\ -yu^J} \'j-kn. gaten in fa k e do k\'s waardoor het water wegzinkt. SG.

r\'?/ t^j v.nij\\ zie

dm \'fëi^-rijj kn. het in menigte uitkomen ofte voorschiju komen, bv. van een uitrukkend leger yfig. opwelling van drift. — voorschijn

komen, rj inièc^r.rijj^ KW. gezien worden ; zigtbaar, verneembaar, bekend. G. zva. Skiji(u^ WW.— mj ftpwi ctnjj\\ kn. een te voorschijn komende menigte. (um^is kn. — (cifëi\\ ten s try de uitdagen tegen een bepaalden tijd. mi (win fibazi elkander zoo uitdagen , WW.

(un^\\ kn. stil, rustig, weinig beweging maken; ingetogen.

iim (ip\\kn.; a/ii föïturi oorring, klein versiersel in . , a-

de ooren; zie rj an ? tj a in ru/j \\ — ij un ? (un ^

heen en weer gesmeten of gezeuld, een speelbal zijn van iets {vrg. ^ broeder o(

zusterloos, van een kind \\ ij un i fthw föj! \\ heen en weer slingeren inir.; quot;de wortels van de w aio e lm waaraan zij .zich vasthieldquot;: cm ij ifti^rj uui i ui injj\\ ■—» Tj iti ? r^idTi ^ art ij (un \\ heen en weer slingeren, zeulen ; met iets heen en weer slaan.


-ocr page 91-

. 1 3.

quot;jquot;w:

n

— nie (i/nrj^tivp luijfjf)^KN. bos, meestal van boomtakkeu en hout {vrg. Mjjföi \'ujl)- — jjfï é) \\ iets iu bossen binden. — (kv^n liet in een bos geboudene, een bos; in bossen; ook benaming van een wijze van te drogen zetten van de padi.

ivn(Hi\\ KN. geluk, fortuin, lot; gelukkig {vrg. r.n (tn\\).

quot; O o ^

n Mn ion Bataviaseli geluk, spreekwoordelijke

uitdrukking voor buiteugemeene voorspoed. — km fortuin, voordeel, geluk, voorspoed; voordeel krijgen, profiteren. — \'7 door liet

lot bedeeld worden met voor- of tegenspoed {in deze laatste bet. Men. 0i.n tjinn2illi\\) gew.in (junstigen zin: begunstigd worden, voorspoed (van geluk beroofd. WW.!).

KN. een half uitgekomen pisangbloemknop, ook in gebruik hij het tellen van maïsaren bo. ik (til itJi \'rj om 2 11 t \\ — ij tE/i 2 irj \\ uitbotten van een pisang of djagoeng bloemknop en derg. zich als zulk eeu knop (lang ea puntig) voordoen. ijumifyu n ({{is zie bij tunjfyw

KN. het erg. uit- af- tusselien of onderuit- getrokken zijn. — KN,

iets erg. uit- enz. trekken, zooals een zwaard of dolk uit de schede, een ring van den vinger, ij hiiê (i^jl ace. pass. (tn belasting heffen in

natura; een gedeelte als belasting heffen van. — vy Kji ^ iuyi gt; obj. den. ook zva. (u iu f (un emfl uitgelezen, uitgezocht; in natura geheven belasting; tolhuis.

o

im (Hi(M it \\ KW. zva. (i:r^r.iy (w{w

vn mi aj) ui) ni\\ kw. zva. (un (QoSia/ w co

lt;yn(H) \\ KW. zva. (umriart hi/i\\\\

Cd Ob S--/«

vn \\ of beter (un ijcirn \\ kw. zva. rj(v,n 2 oj) \\ en tj

if V)2f)j)\\\\ KN. (bij W.kw.) zie hij ri(im2r)minw

\' ■gt;

KN. vermindering, verzachting, bedaring, verligting, ophouding; verzuim; uitstel {vrg. (nn \'i\'ftfj2 en wiyn hujis). — t)lt;nn\\ verminderen ,

afnemen, bedaren, ophouden, zich stilhouden.—

O o /I ;) o . -■ ..

^xJ cj\\ 0 f l\'Y*! \'9v vei\',ni,lderen, matigen,

minder doen; (rrn ia\\ ook uitstel geven aan.—

O

GJ h1) J,) 7 H11 \\ ^oei1 verminderen; verzuimen , verwaarloozen; uitstel geven tot.

O

wrjorms zie 2.

o \'L

Lv y\'}^ (0/ rj.\\jn rtn\\ WW.) kn. duiken of zich op

zijde, voor of achterwaarts buigen, om iets te

ontduiken of te ontwijken. — SmtDHis ontduiken

C\\.) Cj

of ontwijken.

«yn(gr^\\KN. Indisch, Hindoesch {zie ook im ^a\\). ij \'J)2

(uncr/n\\ een Hindoe. it,ii instjii un \\ Hindoestan. 6vc CJ CxJl

o

(vnn/ns KW. zva. Mnoni en ajnnmw —(Ci (rrii KW.

ê C\\) h CJ 6 (J ft U)

zva. N en an f kn. een object in de

hoogte werpen en weer opvangen, zooais o. a. de stier deed met Raden Djaka, Bab. T. Dj. 72, 0, een vogel aan een \' touw laten vliegen en weer naar zich toehalen; een vlieger oplaten. — x/ijtyrian/j^ K w. zva. lU) ITfT) (U) (Hl/jW IJ)^ (111) (Hl (Yl *1 \\ KN? wat men in de hoogte werpt, laat opgaan en dan weer opvangt of terugtrekt; bv. een vogel op de kruk ; de met gaatjes voorziene riem waarmee de buikgordel en derg. worden aangehaald. WW. — nj)iLT^arrn()njj\\ een vogelkruk, Tj. — ayïjlanrn (k^ioiji\\ weinig van een ander verschillend, bijna op dezelfde hoogte staande, in kracht of bekwaamheid\\ ook rangorde van hooger e?i lager

(vrg. M^mutjcnns bij .vtj.rrn). —

...........QSl LL .

oj un ij din r)(un2(rrn\\ kn. ladder.

\' (xl

ri (rrn un oji un

q t O 1

weinig verschillen van ____hd ei•gt;i iiidxi

a . a . ca. (m an mi \\ (D ui ; ihii ty erin ajy (ijj ini.....un n j n n

ihh xy lit^nj enz. Men.; bet. v. \'/overtreffenquot; G. dus zeer verdacht.

Mjjtun kn. iets dat bij herhaling in de hoogte geworpen en weer opgevangen wordt, een kaatsbal; ook loten, door een steen of iets anders op te werpen en het lot toe te wijzen aan hem, die den steen heeft opgevangen; ook door het uittrekken van stroohalmen iemand, die van een misdaad beschuldigd is, waarvan geen bewijs bestaat, schuldig of onschuldig verklaren, naarmate hij een lange of korte halm heeft uitgetrokken, — een wijze van loten, die oudtijds in gebruik was, en nog wel, naar men zegt, in de désa s wordt aangetroffen, ur^ ^ tuiLjjj\\ een bal daar kinderen mee spelen, een kaatsbal. ,l/^

(nn uriiijn \\ bijna gelijk staande in hoogte, lengte, Cvl (I Ctl

dikte of ouderdom meteen ander {vrg. ui^ututn^aj^ H^/j bij urj^(tin)■ — (U^af))\\ zva. i^jmil \\ en loten.— ijd^n ni) ^.i) ij hii\\ iets verloten.

kw. zva. urn7idi\\\\

i li (H^ \\ een bamboe ladder van één stijl, maarvan de sporten aan heide kanten uitsteken, ook 0lt;wnjt genoemd. 07j) ij 1(12een


2

-ocr page 92-

(uncrrniHi mi hi/)\\

(a) (X) I

IS

Y i (tl n \\

gewone ladder van hout of hamhoe van twee stijlen. 0(ut I / 7) ^(t [Ki/)\\een dubbele ladder, die zonder andere steun kan staan, (bifehutr benaming vaneen slecht teek en in het haar van een paard. -— (ci(nni^\\ ergens een ladder tegen aanzetten (op een ladder klimmen. G.). — d/n enn an ~/nmn ^ lang golvend hoofdhaar.

ij tui) i \'/yy \\ of (in ijcrin \\ {ook wel G.) kn.

voorbeeld, gelijkenis, {vrg. OjI :Fj1 \\). ijiLiu ijiy}} ^(Lni ijcnii\\ hete. {ook een lekkernij van meel aan hallen gebakken. WW.) tunrjmnen ij vu i ij ^imi^ im 2 )jarn iuj \\ bij voorbeeld, bij gelijkenis.

— cm tin nntn ^ KW. zva. ion narrn w G.

\' Cx) ^ \' Cd

zmcmi^s KW. zva. luntfMi nederig; de minste zijn,

de nederlaag lijden ; kn. afstammen, van een woord.

(i/iurtn{(ijnnrinjs op een nederige wijze. WW. — C\\l C\\J

tHi)(ïfii? \\ de minste, nederig worden (te onder ge-

Cv.\'

bragt, liet verliezen, vooral in regten. WW.). —

an art ii q tun \\ nederig zijn jegens, onderdoen voor,

de minste zijn. timajn j /un anj^\\ voor een ander

bukken of onderdoen. — (cinrn^(unlt;ii(nii\\ nederig

maken, de minste doen zijn; van een woord doen

afstammen, afleiden. — (un(rrn arn ? (un (Hi.i\\ CJ \' Cx\' ^ ul

afgeleid woord.

O /• quot;gt; 0 O j. \'quot;) O .

(unarn ?\\oj tunorii ?\\KN.; (i;)lt;gt;in s ofiKicmi? ^ iemand van CaJ \' Ca.) C\\J C\\J

een plaats verdringen en zijn plaats innemen; ee7i

\'plaats innemen door verdringing of verdrijving.

(hu (uii arn of hu oun arn ? \\ pass. mn arn ? \\ verdron-CxJ ^ J CJ w Cl\' ^

gen worden door iemand of iets anders, (unarn s\\

o o ncy

en mianu \\ KW. zva. ihvi ojio-jiw CaI

ajtla^ji ^N KN\'\' \' / TV ^N P^u^^ei1» zooa^s vruchten; inzamelen; van of uit een boom halen {yry. (ki np tKiijj\\ 0\'£/? ftl?^ bruidspaar (of de jonggehuwden) afhalen om bij ouders y familie of vrienden te worden ontvangen? zie echter Winter Zam. I, 17, 3v.o.

(ll C 7 \' N mv\' — lL/rl Y\'l 1(un geplukte, pluk. — (ui (tyaiij % \\ po\'ót. zva. (cjarm ^ n\\

(uiia/nnnain^ Een heester, waarvan de bast als

Cx.: a i

touw wordt gebezigd) de Grewia oblongifolia BI.., Nat. fam. der Tiliaeeae.

vajri narnriim iiani\\KN. een bamboesoort?

o ) ^

(uiictrii (wjj^ kn. as of spil van een wiel.

ij (un ai n (hi/i \\ KW. zva. \'ni rui w

O s

ij lt;i ii tnrrn hiq kw. zva. ^ (iliiuuii^ en ihi\\ oj rj nulii i.\'ns tussehenruimte; kn. verligting, verpozing of rust van werkzaamhedon; tusschenureu, vrije tijd. — rj w ?gr; im,]\\ kw. troosten, opbeuren, bemoedigen. G.

(un lt;I/ii hi ~jii(7/n (hijIn zie bij ij (Uii 2ani w iUiicnii * of oj (un vj aan \\kn. omstandig verhaal — i:i

arn of rj .ki y afn ^ omstandig verhalen.

1 X .

(un nmi* zie Tidji\\\\

lyCxJ \'

(unatn \\ kn. het bestendig op dezelfde plaats blijven.— c?/\\ ^stendig ergens blijven zitten, zich sehuil houden; niet uitgaan, altoos in hnis of in de kamer blijven; op dezelfde plek met iets werkzaam blijven.

na (lil n ani \\ zie (un am w 1 1 Cx) Ca)

(un ij ani 2 uujj \\ zie ijdci 2 /lt; n

r

(uii ani bukking, gebukt. —tQarn un/i\\ {of i\'n

U) Cx) — \'

anrn nnjj* WP. 134, 5 v. o.) bukken; ook zakken, neerslaan, bv. van rijst, die in een pot gekookt wordt.

f lam iiiiain hii/i aanhoudend bukken. — .fwrrn hu \\

CxJ U Cx\' -J* ^ CaJ

bukken of zich buigen voor.— hi a^in ^ i( kii « ook

iQarin hhrjiini\\ een obj. doen bukken of buigen;

zijn lichaam neerbuigen.

Mio^rijiHiijis (in Foc. verk. ^nv/j) KN- «en jong

meisje, juffer {vrg. (Lni ij ^p uujj bij tj iJiyiy i\'HHjj).

xmn^hii ^i(rir^(hiyj\\ {volg. Rh. (unarn lt;hii ^/ncnn

aoi/j) lokaas of eenig ander middel om tam plnim-

gedierte te lokken. Zie cm(yrjaoi

dril ij ani (hojj of oj (un ijairnanijjsü.y (un airn (uijj \\ k., laag;

nederig; laagland, (uti u\'iiüii nain hii/i\\ (un(M(uiiarin • CxJ l—\'* Cx)

(ui/j\\ zie bij (una.iw ijkh ijani huij\\ ten onder gebracht, overwonnen. — xn tj n ij itni ij mi \\ of rj m ij ani wjrj nm \\ iets laag maken, lager maken. Vrg. ij» rj arf ii Hiijj of rjtici rjarrijnHV/j en ij (uirjain (hujjw

o

(unarpi\'ini/j \\ zie ^^a^n Krijj\\

(uh ctfn inrijj \\ kn. ; dj aan ,i?n a?ri i, njj \\ zachtjes eij langzaam naderen. — (éi d^n iiai ~j?i aan ^ iemand zachtjes en langzaam naderen.

cuyarrii hnjju., (imarn(hvjj k. , stijging, rijzing, verhooging, toeneming, vordering. — ^(rmiw/js atiarn (hiifj\\ stijgen, rijzen, hooger komen, toenemen, vorderen; ook het (hij of zij) zal {of zon) maar {eig. komt het hoog), bv.: \'/Gij moet hem niet tegenspreken , ^ nntn mi ki u i iki (i i^ hij zou maar hoe langer hoe driftiger worden^ertn mi hj (EJjarn mj ij (ui iu/j\\ het zal met eiken dag moeijelijker worden* — lvy\'j x warrn iflj^ hooger komen


-ocr page 93-

19

.quot;) :quot;)

n. ihiin 111

UI \'

met; verhoogeu of vergrooten. — ijmn nn ij Kn\\ iwmn hi^ün tni/jy\' verhoogeu, vergrooten, te hoog opgeven , of opgeven van. — ^(kw. zva.

iKniMi/jw) ook nn0 VVaj. 1, 2G2, ll.imcrnt nv(Hi/j\\

C/» C\\_j quot;i, gt;—■\'

verhooging, opslag, u^ctrnhn^n^yn {of ajij

nrn Mf) KN., ook wel luh mi wi .Shcnn /.» an/i K.,

CtJ ^ vu

trap, optrap, stoep; (graad. G.) — ^h^\'f

itiarni Kn mi,is zva. \'FjIarm(hun in den zin van op zijn

cü - - \'1 C\\.)

hoogst of het zal maar.

lio^t van een schaaf; de schaduw

h CsJl

achter of onder het donkere gedeelte van een lichtend voorwerp, hv. de slagschaduw van een lamp; naam van een zeevisch, die de Javanen gedroogd bij zich dragen, als een toovermïddel om wilde paarden te temmen; een van bamboe gevlochten schutdak, waaronder zich personen bevinden, om bij het spietsen van een tijger hem te porren als hij in het midden van den kring bliji\'t en niet op de lansen wil iuloopen; naam. r. e. muziekwijs. —

nnj uvjj\\ al bukkende langzaam naderen {vrg. bij

O o o o

i/ntw hnji en i n nn unjj). — rjnrrjmd jij tnj uv\\

al bukkende langzaam naderen tot.

• O

ij tun tj o »y zie (Uit vj lt;ïili hnjj \\

ijcuii i tjir»li i ij (Hu dvfatn?miiji VjCGii ijnin ? ij xu 2

iicrrnthii/ii Poet. zijn gramschap of droefheid op-\' C\\J *

kroppen. WW.

e!\'/KNquot;» mo^^er \'gt; ^er Boedisteu.

O O O O » • , 1 1

mi un (mi ij KN.; ivunn ii,iijj\\ een object op de heup dragen ; ook fig, een straf dragen, ondergaan, K., 2,2, Palm v. d. B.

(ui^arrn -b^KN., ^nrn asri^n^n asii/js iemand iets verwijten. — nji aijnrpt nmarrn (uïijj\\ verwijting. ^rurniojijiy ook wel aoi (Ki/j (ndas), n., \'m h ^ n k. • u i KI., h oofd , kop. tiii rj (ui 2 na 1/n lt;trn ik jj óf iun tj (vii m i^ijj\\ een groot soort van bijen, hommel. zie kiinriii(ij}jj\\\\

ij (un rj am irijjj \\ k w. achter iemand gaan, een bediende,

zva. ui iiPi% w KN. een soort van én tok. WW. rjvnifjynz iijjis KN. ij (im ij aim ij n ; ^jn ij ir/y 2n^jJls 1-naam v. e. gtintfing. 2. een soort spaansche vlieg. WW. (un(nii (uyi\\ zie hij (untiarn iw,] en iukiiw

p n n i \'V quot;

^ — dJi i i -yn w u/js zva. a v ^ m (hn/j ?

lt;un^fiyj\\Ka. volharding, vast hes\\mt. ini (u (unnin kw. zeer volhardend; zeer hard loopen. G. — *^/1 aan maag^0lte (borst?) ergens

hv. in de modder ingezakt; met iem, of iets ingenomen. WW. — ii:miiii£i\\ volharden in, blijven

C\\J u

bij; standvastig voorstaan; zich met de borst (iy» iinuFinn/j) werpen op hv een wapen, om zich te

doorhoren. B. J. VUT, 5, 10; 10, 0. kw. aid.

o O o » O no • /

(uil (hi an (f-:gt;i (in/i verlet, n in i, n .un (Hi i CS.. iets, co —lt; v co \' \'

waarvan men beticht wordti maar op zich nemen. (uiam ri nji (hii\\ de dood maar op zich nemen, zich

(aJ O

aan de dood onderwerpen. — cunnni (Eji (hij^s de borst van viervoetige dieren, ook wel van een viensch {vrg. (ijkijis).

(hiiemi (Eiij KN., uinnt (EjI/js zich in dc grond be-* graven, zich verschuilen, verbergen {volg. Rh. in deze het. luuini ui/j ■ zie bij ii (uli f ijj); een wrok hebben tegen; vertwijfelen. G. — (udani n^iuiin op elkander verbitterd zijn. frj(I/u?aiiirj(Ej12.uii\\ benaming van een mannelijk bediende in de kraton in vroeger tijd.

(unani (Bt (hi\\ kn. ; ui am iamp;i (hi \\ verwijten , iemand ver-

UI l UI J

wijtingen doen-— m i i ani ui (hi \\ verwijting.

ii(uii2(iiii ri(i.o(H7i\\ kn. een slecht teekeu vaneen paard

\' UI ^ 1

nl. een haarbles boven aan de voorpoot. WW. (lh (nil aii/j of i n (tni aiiji kn. , vj un ^7.?w^ki., het stilhouden van iemand die gaat. (ui un un arri afy nQ rui i(y. benaming van het rustteeken j {anders hu iisii/i). — uiaui rrijjKN., ij un ui ituiq KI., stil houden, staan blijven. — un ani naijj \\ staande honden; aanhouden {goederen in bewaring houden) niet willen laten gaan, aanstaan om te blijven vertoeven ; weerhouden; zwanger zijn van een vrouw in de eerste maanden {een ben. ontleend aan het op houden der menstruatie). ihiuininrn^ ij hii pi Tu/js tot stilstaan komen, tegengehouden, gestuit worden; staan blijven, ophouden, stil houden, rj un ?

mn qti (ui(Htiani an.i\\ onophoudelijk, un im ari ui ^un

Cy C\\J jy

(Hi/j\\ zie hij (uiiiei^iw mi ani cm tHijj\\ ook zvh. tj

/■»1 v O O \' quot;) O

ij mi2 (Ki m (HTJj^ T.P. (Ivh.) — uiamafl\\ ij m pi tri\\

stilstaan voor of \\)\\\\: i :i ii] i au -w am ari \\ iemand \' J UI UI (ngt;

ophouden in iets dat hij verrigt; (bij schrift de

un (im an -jruini gebruiken. WW.) — undni an

n UJ UI 1 h \' UI

(inicm/is iets waartegen men stuit; dwarsboom ,

sluitboom; rustteeken in het schrift. — i iiain

J UI

an Jniini (rn/j\\ vuiligheid op (?ƒ bezinksel van vloei-^stoffen , kaam , drab, hef, droesem ; ook een middel om een ziekte tegen te gaan. — r vaman ^ai\'iiji

a*


-ocr page 94-

20

O Q

oj}} (n n cmji \\

d . (unctm ^

ot] elkander blijven stilstaau. n^rt cun r^w

OO • L)

(un cun cmji\\ zie bij (i/mnnrm^N

tun rjcrrn rmyyKN. iets dat tot een koek plat gedrukt is, zooals trasi. djoewadah, gëtoek, enz. (un rj arni (rn ~ n ornji. dj o ew ad a h. iinvj (un cm Ju tj mn

fm^\\ tot een koek plat drukken. WW.

rirt t)nrrn 2 niijiN., ti^ii au an/jK., ei, eijereu j kuit van vise//; krop vafi kool; het harde gedeelte van de gambir. —

(tivjcrnunrrtjis (mcniQnjjs een ei of eijereu leggen.

O

(bi rj af n ê ernji kn. dik worden, stollen, gestold.

o o a/ ct o CY , ! .

itn^ani ern \\ kw. zva. iui mh \\ ion /-1 \\ e7i 0^1 föi w kn. nout-

werker, timmerman,schrijnwerker.— nrrt rjernkj\\

a a/ o a o o

zva. tamp;iiHn •» \\ overwegen, en (HininqtLti^ aau-

Cd

voeren.

Ojiicnns kn. ; wt(rrniLW(rnt\\ een doodvlekje o/* klein

C\\J (il Cif

zwart puisje in \'t aangezigt, GR. een zwart vlekje op de huid dal als hei zich in *t aangezigt op de behoorlijke plaats bevindt als een teeken van schoonheid beschouwd wordt; llh. (Fr. mouche)

ft/n^kn.; (iTiaprp ongebruikt liggen {ook in voor-

. gt; ^

raad, 111 reserve). — iamp;ierrrj\\ kw. zva. kn.

benaming van ongewapende pradjoerits} die

de wacht honden bij de kamandoengan-poort.

kn. overkompleet, overtollig, in reserve. G. — o

,C7 (irrj m ij hn ^

oir) «Ti n van voorraad voorzien. -CJt

wegleggen, in voorraad houden.

tun rtfn 11

wat men weglegt om te bewaren; voorraad; reserve. — ttji ernj w (Hijj of am (rjrj in onjj \\ naam van de tweede \'poort van de Siting gil naar het binnenste van de Kraton.

nm 7)(ïïti i kn. (i.// ï)djii 1 il/}i ti con i \\ kn. naam van i (a) \' UI 1 CxJ

een muziekwijs.

nm(rrn\\ of .ij» (nda7ig)) oj. een uitroep: toch ! of

ei lieve! W.P. volg. Rh. welligt eene dialeclische

schrijfwijze voor ilci\\ soms ie vertalen door: en

dan , en vervolgens ?

(hnn(Yrni\\ kn. : ti nnhii\\ water m voorraad liou-\' (a) ( CJ

den, bewaren ; iets laten waar \'t is, niet wegdoen

en niet gebruiken, in voorraad laten, laten wachten, opschorten, uitstellen. iunrn^0ii7n\\ van water of regen zwangere wolken. — r ?nrri 2 iPi \\

n Cli

erg. water in doen om te bewaren. — ii:i tjarri 2 (C)

Q

\\ voor een ander hetz.

CxJ

alles waar men water in bewaart; r.n(un^ ^ het zoo bewaarde water. WW.

imatn \\ of 11 iviKr\'ni \\ kw. kn. by iemand een bezoek

Ci.\' (aJ

afleggen, G. {volg. Rli. ij in gt;^0^119\\) tjunci^ kn.

vrouw, dochter of vrouwelijke bediende van een

Pandita : non. (L/itainiuti(im\\ of ii\\jnn)ii ncuncnus CxJ Cxi J ( Cx) \' Cxi

lierhaaldelijk bezoeken afleggen. — of

vi (ciarrriccis dikwijls bezoeken. G.

Cd

o c ^ a on ,

(L/n nrrii \\ n ., iHii u ^1 (hi^k. , (bii il,ii {tun (m/j \\ k i., de

doek, die een vrouw bij haar maandstonden gebruikt.

(l;i(r/ti\\ kn. niet iu

CyJl

o * cy o

(unnriij\\ kw. zva. hjicm

\'s lauds dienst of bij een ander dienstbaar zijn; ambteloos als burger leven; volg. te M. op eeu anders grond wonen zonder te deelen in de daarop rustende lasten.— ir;gt;a\\n i?i ergens ambteloos of als

Ca\'v

burger gaan leven. — Oji vicrtij een ambteloos man, een burger.

ojt^rtn kn. algemeen bevel of verordening; algemeen bevel geven. iJi^}^n u^(yn\\ proclamatie, publicatie; proclameren, eeu proclamatie houden. —irutujinji^

(rrn\\ of / u (lvi ijii urn (un n\'ni\\ algemeen bevelschrift,

cj J VU) ê CxJ 0

schriftelijke publicatie, armayt^a^ri\\ een proclamatie uitvaardigen aan, VVP. 124, 2, v. 0. — rj hm o)/)\\Kw, overal bekend; vermaard. Sii(H^n^h)j

(vjrn overal bekend gemaakt.— /7 u/i i?i\\ kn. aan

CaJ b 1 CJ

velen algemeen bevel geven, aan het algemeen bekend maken.— ^(iin iii een bevel algemeen bekend maken; proclameren, kroonprins.

a/t^yn \\ kn. opstapeling, ophooping. un aa (ui

(tj^r.)) ur} ah^ \\ dus ook zva. (L^mrrj\\ bergland? — \' / VJl 1J)iaÜlN 0Ps^al)e^el1 gt; ophoopenj zicli ophoo-pen, opgehoopt. — tuil(i/ijxji^gt;yijdn(hi/j\\ stapel, hoop.

o ,

n i/n nni \\ zie (urKrinw

1 CxJ. CaJ

rj unrtj(rrn2\\ kn. iets dat over de schouder gedragen

wordt, en bepaald een degenkoppel, en pijlkoker;

zie ook hij nun erin\\\\

\' CJ

(un (Hi \\ beter (unxam \\ kn. ; ui um \\ bespringen, ineen onkuische beteekenis {een ander zie bij (nm:ni\\). un r.m\\ kn. puist op het hoofd.

iiun 2 i.m \\ kn.; 11*1121:11171.1/112 im op de handen staan met de beenen omhoog; een naam van een dwergachtige Boet li, aan wien een roode vlek, die men soms aan het lichaam krijgt, toegeschreven wordt, met de meening, dat die Boeta daar iemand


-ocr page 95-

O

(lh cm iisnjj \\

21

rj I 7i?

gelikt heeft. ijwtiwrjiiiiMvrns op flc handen loopen met de beenen omlioog; ook een aanloop nemen om te springen , Rh.

nafmtniims kn. nitstekend, boven anderennitmnn-

I \' CFquot;-

tend, voortreffelijk. —rjtvm*1 iwi(hj\\ overtreffen, ook in het bieden, overbieden.

rj.\\jnxgn ^ of rj tun vj on ? ^ \\N.plat woord voor trli w w

vn irjrnzie o^chtjiw rt (ï

i:n\' m w

/ 0 v O () 1

{vrg. (Lii ij (gis), (uirnn gluren;

o Q (Li HTidrrn

ergens door gluren, begluren.

iHjiui/j\\ iets om mee of door te gluren.

Wn (to J/i ^ Mjj! n naam van een medicinale \'plant,

iLii wn \\ kn. een tot teeken dienende lange staak; baken, zooals hij ii landmeten {vrg. iiinri\\ cunw

en (Lirin\\). — (mrfitt\\ in de hoogte opgestoken

(?gt;

staan, van lange staken.

— n-nrpris kw. voor, in tegenwoordigheid van.— (ut(i7iittt» (ook (i^ilti \\) de eerste, voorste,

voorhoede van een leger; voorposten (— (lawxji

O Qv o . ..So

njjl en (uian (U (ui ihnji).— ((?)) indgn ■ gt;) n

aan de spits gaan. — a-n,irgi nirjtnt \\ vooruit doen gaan, aan de spits stellen.

lt;r/^?7mKN. vrij, los, ongebonden, niet eng gesloten {vrg. (ur^aj)\\). — (i^i:rp\\ los laten gaan, niet binden; iemands begeerten toegeven. — of t.T^tcmnmxipnrinnjis los, niet gebonden. bv.een gevangene transporteren,

xrn(vxn^\\ zie

0 C)

nm(Vjpnniji\\ zva. (un u^^ni^ vj wn itth i.iyjs KW. en

kn. zich ligt laten bepraten, ligt tot iets bewogen

of overgehaald worden. — (ui^nnot^ zva. te?

TW

\'t/?\'2y vWy?N KI\' ^ en rj(Lm i ïj ir^w

2. iisrji^lutthijji\\ zie [thl u) \\ 3. KN.; rSi h^JI^ nftar 6611 hoogere plaats zich verplaatsen of opschuiven {of- gebragt v. d. am ZG. 1876 , 22) zoo bijv. in een vaartuig van lij naar loevert gaan; overzij liggen v. e. zeilend vaartuig; verder gaan opzeilen van een ankerend vaartuig; in de keel opkomen van den inhoud v. d. maag of winden zva. (fj^ ij (Kti ? unfj\\ — lt;ülv^\'l^Vr}\'}n)S hoogerop leggen , opschuiven , naar boven doen komen, enz.

M}i7W(isnji\\ iEii7niihn/j\\ KW. zva. tuylt;r)i?\\

Volg. W. zva. tut rm ta/j\\ iei xprt hji rnp api zva. ijy^ nrti %(i\'/r^ nm gt;tun injjgt;

(unamp;itisnjjs n., (iii(Uj\\ k., kalk, gebluschtc schulp-kalk, die bij de sirih gebruikt wordt, als ook tot

witten en stucadoren. — rn i m .iï, \\ r.i n ii.i i in \\

lt;?gt; quot;t. ( (J

iets y bv. een sirihblad, met kalk bestrijken. — (ui tj tui2 on/i\\ een potje voer kalk in een Sirih-doos {zie nrn {(rr^trn (in/j bij (rii^r^nmji). rjamirj?nsujiKN. verlenging, van ijzer, dat gesmeed wordt; voortzetting, van de gang van iemand die op weg is-, het langer inhalen van de adem. irjtindtjmn?fhii^ iets langer maken, bv.\' ijzer door smeden ; zijn gang voortzetten; de adem lang inhalen; de huur tijd verlengen. — rjutit ijiirpt rt^riwij!\\ een afstand van ongeveer vier palen, die een drager van een last aflegt, en waarna hij dan een poosje rust, om vervolgens de togt voort te zetten.

x.nvw ruji of Ar. indjil. Evangelie.

iiaitisni™ i% nhet Evangelie, het nieuwe Testament.

(uyrrn ru/js kn, ; 1^11 rhi/js halen, van vogels, die de bouwstoffen halen voor hun nest; ook van iemand die geld van huis gaat halen, om zijn spel te kunnen voortzetten\', een obj. halen, om het erg. te brengen, (cj rrp n i ^iiifw™ (hn/j - of j ^ r^ri u i ~jti met een volle teug de adem inhalen , zooals iemand die op de fluit speelt, tusschen-beiden doet-, en diep zuchten. Zoo ook (iT^i-rnrw (ukm/j of i\\jr^\\7rn iLjuicKiji {dat ook wel als K. of KI. beschouwd wordt).

en (im i^n au.

Z\'ëT

zva. ojiiFifs {Skr.

O

KW.

a /n iin (txi n

an dj a li). — (tn inn rui \\ zva. hntamp;i^w — tui (rn

co

a * O T) rgt;

rnnrLis of (ui w ini n in\\ zva. (Ui iri im un w

(Lii iTinijrj u^d cru/} kn. van een hoogte afspringen

{vrg. (Lnfiifjaiminmjl). — nninnfirjif^z(^\\ ergens

van neerspringen op.

O - O

/ƒ xn rm (uiji \\ zie ij uil (Tri n tujj w

a o

tun rm ik (Li \\ K w. zva. n n dn n ui mi w

tin rm iri/i\\ KW. zva. i i n

Q

tun r.rr l)

(Ei^anp

fjrïicEJijj\\ — ij mi?i:miti/js met het hoofd of aan-gezigt tegen {of bijna aan) den grond.

tun rj rm t nrriji^ kn. 1. zva. ti 71 T:rr^/j rjti^z cmfjy 2. ontspannen, van een viool-, 3. ingestort, van een dak; 4. ergens op uitloopen of uitkomen, van een weg of

itm/iw zie a nae:ifj1/i\\


-ocr page 96-

water, ook van iemand die een wei/ yaat en ergens uitkomt; 5. sterker en sneller gespeeld worden, van de muziek na een Dj auto er an, terwijl onder deze zacht en langzaam gespeeld wordt.

in rjtt (rn nn/ns kw. zva. iMa-

cn

(imernitu uj \\ kw. zva. (Li khihiw vn rms kn. : (uiiiitniLv t \'ni\\ latwerk voor slinger-planten of leiboomeu e9i derg. — 17x:mnjnthp ui van znlk latwerk voorzien.

(imtripn kn. het ingaan of inzitten van iets ergens in, zooals van een pen in een gat; zich met een zaak inlaten {vrg. bij cun 0-^110^). — (f.irni er ingaan of inzitten; v. d. zon ondergaan ; er in-- dringen, hv. van een vocht, dat vlekken maakt, in een kleed; op bovennatuurlijke wijze in het lichaam vun een ander persoon dringen of gaan j intreden, d. i. aanvangen , van een biduur; intreden in een betrekking, bv. v. vriend\\ intreden in een godsdienst, d. i. een godsdienst omhelzen; poèt. zva. M gt; inbrengen in,

indrijven in 0/\'insteken in. — izicëpirji rf Mn^ een object inbrengen, indrijven of insteken. — xm aim (in irni xn on^\\ (ook niet herh.) zva. tvn $1 ihtxtti iin/]\\ wat in elkaar te zetten is, voege? zie (wn rj imtKjs hij nji)xci in elkander gezet, zamenge-voegd, zamenvoegiug, bv. van twee planken door middel van pinnen of klampen. — ƒ ƒ ivium \\ het ingaan, intrede, aanvang, in dezelfde beteekenis-sen als (Eirm\\ ook het binnenste (vrg. (ui ^(hv/j bij lunajj imjj).— iei lt;171. iemand met iets innerlijks begaven of bezielen, xni ajiSih nn ihii)\\ begaafd, bezield, met iets. — o (urn an rj nw \\ iemand doen intreden, inleiden in een betrekking. (ui vm cu) on^/j\\ een in een betrekking ge-installeerde.

(L^rjrris kn. — (amp;ypn\\ met een kop er op, overvol , boven den rand uitsteken, v. d. inhoud v. e. maat, vat, enz.; dit behoort welligt bij x/tj

quot;V l-

Qv

xj x/n t in \\ rj tun x:ni \\\\ zie xjxjux jtKnjjw

. o quot; Qv .

x rt xnm /. n m li xajj\\ kw. ai ) (amp;i - /^ x/n im rj nrn (uw {tj

xj cry du $ w (i/h x-m kw. zva. on yr) w njtji x£j^\\ zie bij xx^xfj\\ II.

xm (hjji\\ x/nxnn\\ kw. zva. xjd (hi\\

xii hjji iltrjs

a n xpji itgt;njj\\

kw. zva.

x x Kn Xbnji\\

XJlipj.MJlS

x/n xgjj ifjt \\

kw. zva.

(Uil rj IHJ. (MJIW

xji) IHJ/j \\

zie

1:111 \\ 11.

XJtt (Kjjji ••

zie

n:n^ w

(lil (rnjj \\

zie

x:n x:r^ w

zie

bij MJjMj

\\ 11.

quot;quot;•m

kw.

zva. iiTixui^w n.

, xj ii/n ern xtijj \\

nieuw ; versch j nieuw van iets dat iemand nog vreemd is \\ nieuw aangekomen , en nog vreemd op een plaats, van een mensch; pas kortelings geboren, van een kind. xo) d]xg^j\\ n., xji lt;ï-i xq/j\\ k., met al wat nieuw is, en alleen zoo lang het nieuw

is, ingenomen zijn, van nieuwigheden houden.

^ ss.,. Sa

xmxfjj^ en x.i} (h^^xjh nieuwelings.— (Wxqjj\'Ds

kn., iets nieuws voor het eerst dragen of gebruiken. xrtiluyi^gt;1 (mjj1 voor het eerst, bv. iets of iemand zien; iemand vreemd, ongewoon. — xn x^jjXjH ihijjrr) n iets nieuws of vreemds hebbend of

, O ,

invoerend.

xr? (Hjjj m xj xrn \\ ij x :i eni xi^ ihn xiij\\ nieuw maken, vernieuwen. — xjn -xi xnjj of xjii xfj ij xjii aqjj - n onjj gt; xjn (rn xi/i xn/j 0/ ij un mi tj xj iLiJiion trixnji nieuw gemaakt, bv. van schuld\\ versch gevangen, bv. van visch\\ nieuw gekregen; als nieuweling. — (ui wxfj/jxjn vernieuwing; het geld {gewoonlijk een half jaar pacht), dat, wanneer een dorpshoofd door zijn zoon wordt opgevolgd, door deze aan den L oerah-tabon betaald wordt; ook het geld dat een dorpshoofd schenkt aan een nieuw over hem gesteld hoofd. xmxn/i^ kn Ken bosjepadi zoo groot als ongeveer omspannen wordt door duim en middelste vinger, — \'L7/,$gt;P(^ tot zulke bosjes binden, SG.

™llt;cM zva\' \'p1 N c^1^e^lon^• — ^r\'nës\'

gewijs toeloopen, WW. v. wielen drr.aijen. — (iy xf^jj-\'H hn iifi/p laten draaijen, M. x/i^ Qj^ xi xsjjp de ronde openingen v. e. fluit, waarop men mei de vingers de tonen maakt, Tj.

(ut^xgj^ kn. — \' / h)^lN maar regt doorloopen zonder

zich aan hel een of ander te storen, Rh. ^(unixycKjjjts waarschijnlijk zva. a/ii zoo K. 8, 27 , zonder de regels der beleefdheid in acht te nemen, van daar volgem Palm v. d. B. niet bang, brutaal.

aji]arjjjnsiifl\\ kw. zva. xjmixus

W.) — r.) xgjjmuj!\\ zva. xx ^ xbnji en xj (in tj xu

xm \'fyl XJI \\ 11.

cq


-ocr page 97-

.1 71

rj mi w n fon -Jti (igjj foiyi ^ KN. wegslepend, v. muziek, WW. gezang, iems. stem, van tonen in 7 algemeen. — w w (Kjjjas^ poët. wegslepen, verrukken, wiQjjfon ivijj\\ (ook «TKHj^asn (b?;\\) N., k. .9/?r. zich van

het leven ontdoen, zich van kant maken, door zich te laten uithongeren, of ook op andere wijze.

lJlHhjVM/j\\ Zie 0J)(I5H^\\\\

n VV quot; O O O O • O O

ajn ifpj nsiyi^ amp; MJJI \'üiyj en .I-I (tsrij \\ zie i n (uj gt; i^/j \\

en cun tkjjjv zie kim/jw Miihjj ivjl\' P — itUvhjxm

P. J. volg. Rh. welligt schrijffout voor cm inn

luiikjijiu/j KN. koud, zooals marmer of metaal\\ kil, van water en wat vochtig en koud is: flauw, smakeloos.

trj (uti ^ igi rmji \\ kn. — \'/ \' v- fonggengs

liet ligchaam achterover gebogen een rondedans uitvoeren. Tj.

(xjiiiHjjjs I. KW. zva. (i/n fniw kn. droog, van ge-bluschie kalk , als die tot medicijn gebruikt wordt; ook naam van een boom, waarvan de wortels tot medicijn dienen. — IT. {grondw. vhn) n/tKhjjj^ n., un niiuji k., het bieden.— inahjjs n. , ;»:i

K., bieden, dingen; op of voor iets bieden; irm

O • . o , . - o .

lt;eilt;w7^N imp., im tv (Kjjjs (ia au (ig^ \\ of (icixin \\

pass. njiiKKj^ het bieden; bod. —

^xnnnjj nyrtaSliJi tegen een ander

dingen, loven en bieden ; en wat men voor iets

biedt. — urn (igj^im i:t ^njj\\ de koude pis hebben,

WW.

o

ui ij \\ N. wj. zva. x/nmy en tj rnn ? \\ zva. an

ifnjp voornaamwoord van de eerste persoon.

p KW. zva. ^1 ^ij/j of i/rj^ tujjj(tJij

agjji;iopq • het punt op de kruin van het hoofd,

waar het haar zicli scheidt; zie r.r^n ~jii^ / vj hiqw

een dergelijke scheiding in het haar van paarden

{verg. / rip *).

o o

tut)(trjjKN. ; cm ^(EAji poët. en 0J. zva. rjtmtj

\'7g?\\ drinken; anders alleen van wijn en sterke

drank, ij» xrrt iii?^ iiijj\\ gastreren. — ^ tj^ Mal.

en oj. drinkvn. il te drinken geven

aan. — iS »lt;^7»\\ iets te drinken geven. — o

drank, van wijn en sterke drank.

uti (hi fyi n 23

o ,.00

f 1 hj £.j (hi/j\' oj . fietz. 1 \'it (Hi f» ^11 Hj, v t hi/j \\ verschillende soorten van dranken; ook zva. 1 //?éo

O O (f. 1 in v i \'tn/js Jln.

a ij iHi nq\\ kn. naam v. e. slak, die gebruikt wordt

bij het bereiden v. reukwerk. WW.

au in/Et finji\' of ci n if (hii :i.tanjj\\ eigenn. van den neef,

en em v. d. hofgrooten v. Soegriwa, den Koning

der apen , ook Bajoe Soeta en Uama- daja-pati

genoemd {Skr. Ha n 0 emdn.).

(un n~ttjj KW. zva. an n uk w

rjojttlt;rm \\ kn. ; \'/ in i^]x a\'r eu voorkomen aannemen als van iemand anders, bv. van een aan-* zienlijk persoon. gt;j (inatri rj umd^n \\ nabootsen, radoen ; zich door houding enz. het voorkomen en air geven van iemand of iets. kh ij i iKyn iji/n (rnj\\ zoo gemaakt, dat het de vorm of gedaante

heeft van iets anders. — vtuitcrrrts ook wel im \' (d

(ïiii nagebootst voorkomen als van iemand anders-, Cü lt;•.

ook de aanleg, bv. van een tuin ; inrigting va7i

een machinerie, ij h ii nn ij h tilt;y n\\ of innyn ini

rrrnx het voorkomen en air hebben van een ander,

zooals van een prins.

ijdjti ^ \\ kn. naam v. een soort lansen.

tjdjn i ijlt;nn i {gt; kn. — rj 111 ijajjji j ^istt i ija^rj * s\' \\ een

vrouw of kind knuffelen , mokkelen. L. 88, Noot.

177rjiyijiiii ijtrjjji\\ kn. naam van een spijs. WW.

(uncytj\\ kn. het met een kleine straal in een min of

meer loodregte rigting stralen of neèrstroomen van

water, zooals van de pannen van een dak. —

(V

iEi(r/ij\\ op die wijze neèrstroomen; stralen, stralen schieten, van een glans (yrg. II.).

^ / TT

uti (rui \\ zie hiv 11.

(oA el

ifmcrm\\ kn. liet geluid dat vele insecten door het trillen van de vleugels veroorzaken {vrg. 111 gt;7 ihviji). — ii wjij\\ zulk een geluid maken. (i!m ij yj 177x.ti irnrjern ^ninn ; fig. snel, met snelle beweging van de beenen, voorttrippelen; en zva. o /

(Litlt;7777\\ kn.; in 1 rn\\ snel zonder om te zien voort-

- ya/

loopen {vrg. (un ami \\).

,7j77 jnj Hiijj kn. het knikken met het hoofd, als teeken van toestemming. — itnnji.ii/js {irtn^ihv/J^ zva. tiiHym.j\' K. 3, J}2) met het hoofd knikken. — 17(ïiii ifli \\ iemand toeknikken. un-ncirti ui ui

liiijjs freq. fiet hoofd schudden v. verbazing? liï


-ocr page 98-

I\'nfylUfjs

24

I li tj cnn mhji *

Mii-ncrrn mins Men. — (imcnr) un rrm un/1 \\ zie

(d\'l Cdj\'b Cm

bij (im (rnj taiji -njquot; rj crpj iftiji zva. het Hollandse he adjunct. TP. te M.

(i/tnicyrjg uti/js kn. I. het bekleedsel van de jonge pisang, bamboe en pinang {zie nji j en ut u^i WW.; 2. de metalen plaat onder aan de kolf van een geweer. 3. de leeren band, dien de boogschutters om den linkerarm onder den elleboog hebben. 4. vingerhoed. WW. 5. ook hen. van het kouter, SG. zie burj iK (Hi(*\\§. zva. x/n(Ei ^2nnj^\\ in Tj. v. e. boom: 0m tin ^(rpji tsnjjs

stijf tegen iels aan zitten, platte uitdrukking voor de coïtus uitoefenen. — w \'lyU? N tegen iets een lt;ijn ijyrj t Htijj aan zetten.

ftjr)rrrymijl\\ kn. de toestand van iets, dat men Iaat liggen of staan , zonder er iets aan te doen , bv.

van werkzaamheden, zie ook hij o Jmn —

0 O • ~~-

1 lyrj un ^nam iruji\\ in zulk een toestand verkee-

rend j ook ledig, van een plek, die niet bebouwd

wordt y of daar geen hoornen of huizen op staan. —

Vrg. ■- jdJ) rrn /jg

(üii )?niH})/j\\ kn. kleintje; kleine uitwas aan aard-(fj

vruchten, ook de kleine knollen, het\'kriel, rondom een aardvrucht; en uitwas bij of aan een vinger of teen {vrg. i?crpj kiiji\\ w uuru/j). — (Qn?n(HHjjW iiSlniiunjj0\\ K. 1, 14, een kleine dreumes. — tt/nhyi ^jiierm n pink , kleine vinger.

(Linj yij2(hv/jx kn. ; ïjiirja^rj2mi een groot

hoofd op een klein lichaam, een soort van dwerg. Zie irn rmj/iiji^\\\\

(i?n(rmtoj^\\ kn. 1. een staljongen, die het geringste werk verrigt; een gemeen mensch j 2. dik , vet, zwaarlijvig, of

zich vet mesten.

lt;gt;j^rrrnun/f\\ kn. schnim, sooals van wa/er, bier {vrg.

1/1 l\' \'l^ )\' — \'l\'quot;l \' schuimen, {een ander zie bij

rj im rj(i^rj 2 Kn/j of ij iei rj yn 2 kn. een soort van

groote eend. WW. zie xjii rj/rrri2 om (iiirrtrj ünji^ — rrr/]/ (i,n/j n kn. terughouden {de stem inhouden? Q a^rj iisii Men. vrg. vy

lutjiiQ Hitjis — Kr^t^rj.v,Tnjf\\ KN. geheimhouden, verbergen (eiy. iets ery. van achterhouden), verzwij-gen j een yeluid half inhouden, afbreken, m j? quot;Hlf 0/ 01 aohterlioudeiid.

.rniiyn iu/j \' kn. ieu. der dijkjes , aau weerszijden der wegen. CP.

O o 1 • o , ■

(unirm iu/j\\ kn. , ])ukji!, zva. l y en pakje

of kleinigheid (bijv, eenden en kippen als san-

g 0 e), die men op reis aan de wagen hangt, ot

bij de last van de lastdragers voegt. — \'Óil

nfij rht/j\\ in een pakje gewikkeld zorgvuldig bij

zich dragen. — als Until hangen aan;

/ • • m» Cquot;) O

zoo bijv. Ij. ^ yli )n -ju tui mn iu nn/j y rr» rj r»

O 0 lm ^1 ibn kh fj *

ivhcyn n.yj of (uhc^tiiJt Siiytj rujj\\ kn. korrelig gekookt, met fijne klontertjes, bv. sago ; wnjpj ivi/j ook naam van een gebak van rijstmeel gemaakt, aii rnmuifis SG. hetz. als aj)

Sir. fietz. als nji^ ?

\' O, O quot; L» . „

nji ^crpj ru/is njna^rj iu^ijcrnj(meer 01

min groote) haarwrong, eenvoudiger opgemaakt

dan de kondé. T. n. P 319, 6 v. 0. R. I. \'

^lt;rjrn/rl^\\ kn. de zamengewrongen punt van

een doek , die men een kind in de mond steekt,

om die open te houden , als men liet medicijn wil

ingeven ; ook een plat woord voor de borsten van

een vrouw, vfn/n 2 //(yn )j 2 ijn^rj ?lAjj\\ kn. de

greep v. h. spinnewiel, WW. ^ 112 rjarrj ru/j\\ de

mond van een kind met de zamengewrongen punt

van een doek openhouden; PL. 30, 1 v. 0. kan

het bet. v. vrouwen: de borsten bloot hebben

hangen; eig. er bij hangen , v. d. borsten ? vrg.

rj (m2^crm

^ d/n ij (Tfrj 2 rmji en ij foi 2 nTijjkn. een soort van

bergeend. Vrg. rj i/n rj rrpj 2 am/j\\

mi (rpj \\ kn... rij star en, die niet gt;7 ? yi im (zie op gt;ƒ xn i rj i\\in \\ maar gestrekt regtop staan. — Vrg. nj(yn\\ — \'f7apj uncylj\\ uitgestrekt, bv. de armen.

17 Cvquot;)

rrg. tjidrnw

n7iri)n\\ o^ u n ami \\ kn. pop van een rups.

O (?) Ct G) . ï G) !

un art) KN.i/mm) i/ncrnj \\ zwoel; warme, drukk. lucht. G.

(un t ill \\ zie i n crni \\\\

Ml Ui

7 n rj yn KM. ligt le dragen-, ligt, gemakkelijk, van werk-, ligt, verligt, draaglijk, van pijn en alles wat iemand drukt-, ligt, niet zwaar, maar fijn of hoog, van een geluid-, ligt van oor en, voor ligt-geloovig ; ligt te bewegen, van het hart. iun rj in

rq


-ocr page 99-

ij in rj yn i \\

25

Tj 111 Ij 10) \\

..... » Qv O

ij o/MN ligte wijn. i}! ii tjlt;ynr\'n (i/i f.i w^i\\ voorge-meenzaam {yoly. llh. wolbespraaktheid). — r) rn rj V N ^eman^ verligten. — ijaji rj ct^rj ui rj uii\\iets ligter maken, verligtcn. — Vry. lt;un crn injjs

V■ 11 y\'\'Vj KN\' riJ8tlel)e^ quot;Z\'117?XN

vn tfj, \\ ^NN

(un vi KW. ifdJid r.nw

ami^ms KW. ut ww

,17) )?) (TT) N KW. /137) ^ 77 ) J/O))) lt;? N\\

/Énffv^\\ KN. de lengte van het tweede lid van den dnim

tot aan den top. WW., als maal gebruikt ciji0\\

ook een jongensspel, helegeringspel, Rh.

amuix K\\v. zva. 0n j w h co

ivnaSs KN.; t/ynj) lyyui^ een wen of der gelijk

blijvend, verhard vleesehge/wel.

o »

77)JfK^\\ KW. ZVa. 7)7 /^7 ^\\N ^(L7)70)\\ zie bij (im tin ur^jj \\

rji/n ij(tj)\\ KN. naam van een kleine ronde mossel.— ti (Ui ij tui ij (un tui \\ vrees zoeken aan te jagen of kwellen, door grootspraak j met gebaren uitjouwen.

am ui { n Atjih, mi ry\'X: in het noorden van Sumatra.

iii /ƒ70) m KN. ie?70) ^ 7C7) ^ ^ ^ vermorsen, verdoen,

doorbrengen, G.

^7/))2^7vi)^N KN. Tjim ijij) f \\ kwelen of piepen van

een oog el gt; G. snappen, zooals een papegaai, ook

jig., babbelen.

a

un (ui ms Kw, zva. (iti (k/i ; w

O O O 3v

mn (Ut m \\ kw. zva. (L^(Lgt;n^\\ .hu % lh i i isn \\\\

iTiit.Tis KN. zuur, in azijn gelegde vruehten. —

/ o „ Sa . y

(i7i oo) *77 \\ of ui inn nis zie ben.

/ ( è

\'un^om KW. zva. irrr^.iiipw

/17) 70) N 0/rj (lwvj(iji \\ KN. bij kleine gedeelten, in hot klein; i/ntj)n ook een soort van fuik vanbamboe.— ^ fo) yjfuw bij kleine gedeelten hier en daar vallen of gevallen; een weinig gestrooid of gestort. — ^vnrjnjt een weinig laten vallen of strooijen. — fj n ij70) 11 \\ mv., en iets hier en daar bestrooijen. — 7 xn ij )0) m mi/i of /. n ij un ij ui ii (nji \\ het hier en daar gestrooid geraakte. — (ui Sit iPn/uis of iji Sh »n7 7S)70)\\ overal bij kleine gedeelten verstrooid.— II rj(i/m 7.i) i 7) 7j) \\ vermorst, verkwist. verstrooid ; ook minachtende benaming van iemands kroost. — toitui mitijis bij kleine gedeelten gestort raken 0f geraakt; vermorst. — ij i.n iji t\'ii ui \\ iets bij kleine gedeelten storten of strooijen; vermorsen.

. o qx 7J 1,7) Vj 1 \'1 \\ Zie lim 70) SN

(uii,70)n\\ (uiuw

/ a\' . j.. a o/

ij d m i ui n/n 70) \\ öy 7 /)) 7 7 n\\

17) 70) hiiji KN. j in to) 7^ tegenaan slaan, komen o/ stroomen; eenplaats of ruimte beslaan, .7/ bedekken. (Loiiuitfnjjs KN.; (bi(tJiifli\\ zieh meester maken van een anders goed. Z. 2. i-i iji uyi ^ mi\\ iets beproeven , bv. of de buffels geregeld voor den ploeg loopen, zie uimijj\\ uiijimijj^ S.G.

i riïji nrijj\\ km. liet geluid dat door insecten met de vleugels gemaakt wordt; ook het geluid van een* hagedis (vrg. (knaji uiiji\\). — vn ui ilt;tijj\\ zulk ten geluid maken, voortdurend spreken, babbelen. 7 7) n 70) dni 7 \\ zie rj ut mi/j

(un 701 kiiji \\ waarschijnlijk grondwoord van ini ut \'■ tyj \\

O O

n 70) iniji\\ vrg. Lii ia iniji 7.7) (KJjj Kii/i \\ KN.; »7) mi ,7) (u^ vei^0^8e^ waarmee men iemand verleidt.— uku^ih Stiaj^inij^s iemand verlokken , verleiden, om iets te doen.

(liy i ntijfs KN. wrijving — i:yjt nii,j\\ wrijven , de

oog en, en lijnwaad bij het wasschen.

un 11 ioijin KN.; rySiw/js vergen wat iemand ver-pligt is.

7^x/n 270) 70)/j\\ zie ij hm ui khj^w

O . O .

7 7) 70) 7 \\yi \\ Zie t 11 71 /) \\N

mnui wi/js zie i/r^ n i asiyj IT. en rj un ? rui q \\\\

iUii iJt riA/i of 7/)^ ut n i Jiyfji n i/j KN. spelende betasting, zachte knijping of schudding bv. van een kind of hond. — 7^ 70? )L7^\\ gew. ^ iji m ^ryji ii\'i/j\\ zoo betasten enz., knuffelen, en zie ij um ij iiij 2 * Vrg. ur^uiKn^s uijl (Ujj mi/j \\ zie (Ujj ii.ijj\\

(imij) 7L) of t 11 itw ui\\ kw. zva. ti^i^\\ (Skr. atjala,

een berg, eig. onbeweeglijk). Zoo ook wel verkeerd

i

70) 7 L7 \\ en 17)70)7L)\\\\

77)) ƒ, j /£7^ N ^ lllCUJ^ iM/l \\

o a n rt a . J 00

7 )) )0) Ul/js KN.; 777 70) 77 ^ ) v tets prOCVCU. Vrg. (IJl Ut (U/jS

(unihJt ut/) KN. wat door de menschen over iemand of iets

gesproken of gepraat wordt; gepraat {vrg. üiuui il^).

t i^uji ui ~n^iji (uijj\\ blaam. — ar^ui ujjj\\ spreken,

praten; vermelden. 7^ .ut ui 70» ui/j bij dezen

of genen van iets praten, v^ ui m ui ui Si\\ iem.

met woorden beleedigen , honen, Rh.— vjj ut (uji \\

po\'èt. zva. li iJi :ijiji\\ ij 1012 ui uyjs vermeld, ver-


-ocr page 100-

20

- V i n \\

o

» n è Jt iu •

meld worden; liet onderwerp worden van het gesprek van de mensehen; vermaard, da ir de menschen van spreken. kiuuui ^ spreken

van of over ; uitspreken, /oi w ?.» o -; ^ n/; \\ in opspraak brengen, blameren. — rj uiukji iu (tnjj\\ met een ander of niet elkander praten; wat van iemand gepraat wordt, gewoonlijk in een slechten zin , opspraak, uu 2i in if iui jci (ui ~.t inj^\\ van wien de mensehen niet meer praten, de verscheidene, de overledene. 1.7 ij mijji iu injj kn. , i // f i ili i n in nu Ki. zamen met elkander

CO /C-

j) raten.

O (quot;) o

(l/n (ij) lui \\ kw. zv%. kii ij) (u\\\\

njn i j iyi^ hij verkorting ^ en n/nkn.

bleek van kleur, vooral wegens ongesteldheid, itntxj) ityjin kn. 1. vaste voorstelling van iets.— Qiji itnjjs zich iets vast voorstellen. — (liQuji (tAjjs vaste voorstelling. 2. kn. de kopen in een boog voor liet koord. — rr*jrtj gt; van kepen voorzien. — (ui (bi tui rj ktjj het werktuig waarmee men kepen maakt. WW. 3. kn. wat men bij een koopwaar doet o/daaronder mengt, om de hoeveelheid o/ het gewigt te vermeerderen. tiniiji Mjjs bij een koopwaar iets derg. doen. —x/n ui ij M//n op die wijze vervalscht, zwaarder gemaakt, vermeerderd. WW.

(i7i(tsi\\ kn. stijfheid, het overeind staan van de manlijkheid (vrg. i/ii(hit\\ en initoiiï}). — ow\\ stijf worden, overeind staan.

kn. horizontale uitstrekking, bv. van den arm {vrg. (uikijIs). iui i\':j\\ zich horizontaal uitstrekken. — £■?(hj^\\ regtstreeks onder een hoofd staan, zonder tusschenkomst van een ander aan een hoofd verantwoordelijk zijn. — itickji i i\\ toesteken aan; uitsteken tegen. (i:i(K^ r:trj un in een horizontale rigting uitstrekken of uitsteken, of uitgestrekt houden; een gemagtigde voor zich aanstellen. — /I/n (ijjj 11 (Hijj \\ gemagtigde, agent.

(un iLj)\\ kn . naam van een kleine riviervisch; ben. v.d. bloemknop der padi, hoofd v. e. gehucht in de desa, SG. x/rj^ $i/n fj) lemmet, pit van een lamp ; een lont. — iy i% i/iyji i?i\\ van een lamppit voorzien.

. O

zie

/ /

mn\\ kw. zva. r.iiuijs rjmw

CV

luw toeroep bij het besturen v. buffels: links! links af!

lt;17^ kw. zva. (uiyn^iijijiw

gt;1 ijii kw. 1. zva. (L7n (Hjjj en (E/y^jjiHii \\ {dit niet hij W.) {Ml. ajar, water). 0(Lgt;ii(i»lt; zoet water, drinkwater.

O O • O O^QOOOO

I.iius lui^asnjis xn^ws ^

ben. van edelgesteenten. 0^r»j(3k^KN. sterk water.

do i i mi/j0^ op sterk water gezet worden. M. — nia v

. s / cl\'

nn m \\ zie i n in (ijisoji i( vu •gt;gt; (ilt;i^ zva. iu (hu mn an/j gt;

rr / / SS\' gt;

11. ii (i/n \\ if m x (in »ƒ (d \\ ij (Ei \\ en foi rj a n \\ zva. w fins wachten rjafn a^i aa/js imp.; vjojii (hii\\

wacht toch! ojii ij in a/n \\ kw. vkl. aui nn rj ^ g

S ^ Ct amp; Ö

aJijl\\ — \'ƒ ^7! ni\\ zva. \' \'r/ ^ ^ M ^ \'•»

kw. naar iets wachten. — tuirj m ni (uyj en

• S . /

OjI if i j ^ m m (Hi/j zie op ij o Ij aztw

ij vn 2\\ kw. zva. /. iinrn hnjj gt; bevreesd, schuw (kn . een tegenzin in iets hebben. G.).

ajnii 1. n. toeroep i kom aan! toe maar! {vrg. f-i m \\ bij oji quot;ti \\ IV). 2. kw. zva. ivi ui {\\ ain uj en (im(hjji\\ {dit laatste ontbreekt bij W.) — ojh tkun\'ns kn. opene vlakte, onbebouwd, onontgonnen veld, heide, wildernis.

( .quot;) o

un m\\ kw. zva. im (kji unji^

\'7t\\ kw. zva. tuntijiDlt;iijj\\ \'7i,im {dit niet bij W.). en aSans {Skr. hari, de zon, de maan. Vrg. rn\\ en vn i ii\\). imapm0 benaming van Batara Endra en van Batara Wisnoe. 0fBt(iSi\\ bijnaam van Krësna als incarnatie van Wisnoe. {Skr. Hari-mürtiy in de vorm van Hari, d.i.van Wisnoe). 0rj rvii mi \\ en 0xrn oi an ^ zva. vicm^ de hemel {zva. ijojnCtp a] iwt i* n\\ en rj un (on azr^ ui an n ). 0an a.ci ii/i q v zie anasi (ii7 (Ln^ayn-ns kn. de nageboorte ; de jongste v. tweelingen wordt gezegd daaruit ontstaan te zijn.

xm \\ kw. zva. (hn im^w

(t/n ifiis kw. zva. ay .vm rj aoi g\\\\ kn. laag , vlak en open, van land. ccnirri\\ laag, vlak en open land, in tegenoverstelling van berg en woud. Zoo ook (uim i0 tegenover m ij) gt; rr^a^\\ SG. Een ander zie beneden.

O ^

am nnii\\ kw. zva. i, n iFjtw \' co

(17) n\\ kn. gebarsten van khnirinoten hij het spel; verwaarloosd van vechthanen. WW. zie bij (fm nis

(ltl of of 7^\\ 1. kw. zva. (ui7fj_fs (ui an\\ naam van een wapen van Wisnoe. —2.(Lmrr^\\ po\'èt. misnoegd, verstoord ; zva. ,rrjJ}s 00^ zva


-ocr page 101-

rj i m ni

O

,1 II \'f }\\

27

tui\' 7 n ^ ^ het eekenis van mismoedig, bedroefd.

-gt; s , ii/quot; o ( quot;)

vl) 1. ook i n njjj\\ en (Lii .1 ui \\ kw. zva. i n ijfl w/j

dat daarvan dus een oude vorm is {Sir. hi ra). 2.

i \'i»^ n. aanhechtsel voor het bezittelijk vnxo. van

de derde en tweede persoon, nevens a?r~n {zie

de Gr.)

(iSj-m 1. K\\v. zva. ij i.nt ijtHji^ Zoo ook a/ti n aui\\

on a a ct n o ct .. a

(unnihi^ tvnni i.r^s a n n i.njj efi r/ii^ii hir ( iyms

en (QinisK.). 2. kn. ; V-ï m aansporen of sterk

dringen om iets te doen. 3, tuii ris kn. jaloerseh-

heid , benijdlng en afgunst uit ontevredenheid wegens

bevoorregting van een ander. — iTj\'rl {ook aytmi)

en ij U\'Tis jaloerscli en afgunstig zijn. it] »7»?» \'»» n

zich over een ander beklagen. — olij mihj\\ en

ij f ) ij n hj\\ iemand benijden. — cun tj r-n daj^s op

een ander jaloersch of afgunstig zijn. — la^ij u

ijquot;quot;n(hi/j\\ zich jaloersch en nijdig toonen. T

(minis kW. zvu. njjaji \\ los {vrq. (unrj ^i^); kn. uit

elkander verspreid naar alle kanten , van vlugten-

den; verspreid wegvliegen, van vogels, (ur^rnhjinn

StciMjiijj (hnjjx wispelturig. — n\\

M.) zich verspreiden naar alle kanten. ^ mcur^m \\

ongev. zva. Qvj tli\\ uitspreiden, bv. ajon\\ — ,?/»

\'ricuijiris en iüt^rnayrj 11 \\ (ook niet herh.) kn. een

liedje uit het hoofd zingen, een deuntje zingen,

neuriën ? zingen zonder bepaalde wijs of woorden;

te M. — (u^\'nan een liedje toezingen j

met een liedje opbeuren. — un nan ^ri\'-n (m/js

liedje, deuntje.

mijrjn\\ kw. zva. ayyniwkh. rj gt;i\\ of ij.i inrjiis

het los hangen van het hoofdhaar, i icui^m

stofgoud. {jijni\\ loszitten ö/1 losgaan bv. v. e.

kapsel; zich uitzetten door rekking of pletting.

iamp;liynMjjjs Kw. wordt verkl. door (ici .vi ijryw

of rj (in 2rj ti \\ het haar los laten hangen. —

^yi^i(inon/is iets dat los van elkander hangt;

met loshangend haar. rjvm ij\'T) du ui^\\ bijaren ,

v. d. ajï^.n,i\\ SG. j stengel, waarvan de vruchten

in een tros hangen, WW. de bloemtros v. d. aren?

/G. 1882, 135; een begonnen netwerk voor een

vischnet. ij (in 2 ij mn^an ^mt rj \'ikhi^ loshangend,

van het haar. (ui ij nu ij-n \\ het los laten hangen

(loshangend haar , een loshangende haarvlecht. G.).

vj i/n \\ kw . zva. ij w ? ij i.u ibyjj w CS. leidt rjajiii^s

in ii{i^\\ af van 7 Ar. chair, goed, geluk.

li (lh 2 n {ora), in poëzie en in hiel Mang koenég ara sche

bk. Ij(imn-1\\ n. , y ffl2\'l limjk., Ij 111 2 /bh QOJJ k.md. niet, neen {vrg. ijinn^i nujj); ook vragenderwijs achter een gezegde: niet? is \'tnietr Zoo ook ij t ui t» \\ ij v.n 2 ,igt;?/ tm \\ Zeg, is \'t niet V i.\'n ij am 2 n ij un 2 n \\ (lii ihi ij (i:ri è ibii if (H12 ibii dnjj\\ wat i n \'t geheel niet is, wat nergens naar lijkt, wat ongehoord

is; allerlei malle of ongerijmde dingei., allerlei

O O

nonsens, c/ï 11 ij un ~jiimiija^j * aji 1 1 ij(ivr? 1 npj

(in/j\\ ten stelligsten niet! \'t is er ver vandaan!

) ) o

ij un ê t nj 1 n 2rrirj!Hj,Mj 1:112 ibnij iui r ilii 1^ ddjj op geenerlei wijze, stellig niet; ook tenminsten toch*

ZOO ook 1.1 Ij 1.71 211^ UI} 2 11 Ij hj -■ (KI rj ril 2 1 11 fj UI2

(LnfhJ iwyp en ij r:ti2ihn ijj i.^ tin.. nir^\\ tenminstei. alleen. un ik un ij rj? ii\\ a i f 1 r} 11quot; Wij^ het moet volstrekt! rj n/n ? n i tun \\ ij r.n 2 un ity \\ een uit -drukking vóór een zin, waar in men een bevreemding, of iets dat bevreemden moet, te kennen geeft, en die men dan veelal door Waarom toch ! of Hoe vreemd ! vertalen kan, maar die eigentlijk bet eek ent; liet kan niet zijn! Zoo ook ij i nirn u rj i,n2ij(^2ui\\ ij i:ri 2 un uudi un i.j quot; eig.: liet kan zoo niet zijn !

bet is niet te denken; dat het zoo is! ija/iiinuun

gt; . j .. o

iiiijn\\ n in i un nn ij in 2 11 ^fi\\ zie bij un (Ui w —

nhii/j {grondvorm of verkorting van ij i n 2 n unjj

n. mi)., ijuiu.LiKHi^ k. , trouwens, immers {eig.

is \'t niet? of zou \'t niet?); bv. Kryim^i iarriu?^

\'iiu ifj ij iu((iq(i:^ enz. Trouwens ik gruw (o/* zou

ik niet gruwen?) als ik hoor cm. rj 112 n i?j\\

un ij i uuniHj.* n e c n zeggen of antwoorden op.—

ij ui 211 im ~ii ij kii \\ un ij uu ihnin /. vaii wis

zeggen dat liet niet zoo is; een obj. als van weinig

waarde beschouwen, minachten, Rh.

ij 1112 fis kn. naam van een dik en lang soort van

bamboe met doorns, Schyzostachiuin Durio Rupr.

. \' O ; O v \'

{vrg. 1 n n ^ bij rii\\).

ij (1/112 ij nis zie a/ij ij uw

un m ^ \\ kw. zva. ij (un 111 ni\\ (Li (Ujjj w i. n. , un mi q \\ k.; bedoeling; doel; plan {vrg. (unini%\\ i. en i\'nmi;). — ui n j ook wel 1 rnq ?\\ azi kh ? \\ bedoelen, beoogen; staan naar; het gemunt hebben op ; het toeleggen op (1r; ^\\ zie ook bij x\'n i.i^ j\\). 1:1 -n ^un ui \\ 1:11, n ^ i j !ig.ui (»:) uiu; - ƒ ^ un AVP.) wat beduidt het? wat is er aan gelegen ? wat komt het er op aan? t 1 gt;);un n^ \\ 11 i,n ;i\'n hnss v.\'ich


-ocr page 102-

rj u i} i rj q \\

28

tonleggeiT op; iels er naar inrigten, het er op aanleggen. — (?7j T) ^ nytt \\ ti\'i toiiwn ook poet. fci a.i { hji! \\ streven naar, het gemunt hebben op.

o » . o

t7) •quot;n ^ uit ni ^ n/n \\ lt;171 jo) j nm mi % ,111 \\ zeer streven naar. — iBtwrtqs het oog hebben op

wat van een ander is trachten te kapen ; zich willen toeëigenen. — nJ(Cmxv%\\ oogmerk, bedoeling. — run rt; luri !hi/i\\ kn. het voorwerp daar naar gestreefd wordt; roofgoed; de weerbare manschappen-, die in tijd van nood gewapend (ieder niet de wapens, die hij heeft) worden opgeroepen , om als i:n ni te dienen, de landweer; ook roei de werkbare manschappen, die opgeroepen worden tot eenig werk {yrg. iimtiui II. kn.

vijgeboom, n(ou^0\\ vijg.

nm \'~y\\ j \\ kw. zvrt fui^r^n^s en z.f jy m \\ {grondv. \'n vry. iun\'-n\\). (wviqiuti nkn. tot bedaren zoeken te brengen, zoeken te troosten of te bevredigen , vooral met goede woorden.— n yi xim • n j tun\\ sussen. G. — tuiw-n^ vertroosting, opbeuring, oo/c de vrouw, die de bruid naar de bruidskamer geleidt, en vervolgens ook den bruidegom noodigt daarheen te gaan.

a/ti •i-jfs kn. ; i w % djti -r^ ^ \\ iets zeggen , óm iemand te waarschuwen, — irtnyqim (WW.) gem. r:i ) am-reemis (vmi-rirjvis ki.) iem. aanspreken om opheldering of rekenschap te vragen van zijn gedrag, bedoeling enz.) eig.: vragen wie hij is ivrg. Mi ? \\ (it? -n{am rj trn)\\ wat hij wil, enz.; J.W. 63, r. 7; R.P. 87, r. 15; van daar iem. over zijn gedrag onderhouden, berispen ; zva.

Q

ujI )j

tmtj^n^ kn. gekruide klappermelk. WW.

(vnrjnii^ kw. zva. vy jttjm/jw

00 00 0000

kw. zva. i/nquot;r»^\\ kn. iets

zachtjes en langzaam verrigten. — it! iemand

tot iets overhalen, zva. uiivi

( ci l J*

ii njj nj ^ n kn. schuim van de mond of hek {yrg. cun (rnjwnji). — schuimen (ook v. e. rivier),

schuimbekken, ij j it-ti (hijj\\ beekjes ge

vormd door het van de bergen afstroomende regenwater, te M.; volg. III. ook zva. nw ^ Jït

Tj TLl (HljJ \\

rj rm -rj; of nm tyra kn. verontrust, beangst, angstige bekommering.

\'in 1 yj\'ti KW. schudding, beweging. G. Vrg.rjnm

tj quot;quot;n ^ \\N

tun quot;ti (Utji rj \\ zie \'ti lt;» /t^ w

xii ry^L7ini\\ zie Ti ii 71 11 N\\

tiyrj iijiji\\ zie bij tku^t^w

O Q- t .•

dfiivj 11 qim\\ zie bij nynqw

o . o

(lit ni 111 (lui . zie \'ti un (lit w

(LVTi(in/j\\ n., niiHi^ poet., (UI(JhJl\\ of bi(M\\ k.; naam; met name, genaamd: heeten; ook kn. namelijk of trouwens {en voorwaar WS. 58.) Vrg. (in r i\\ nri nn v5/?\\ en ïk—- (tof-nnn/js kn. genaamd naar het eerste kind of naar de woonplaats. — (wniHj\\ (fji(L^(n^\\ (.binasiinjs als van !Kiuii\\ L. 816, fi v. o.) noemen; bepaald noemen, (zeggen , wat of hoe) ; beweren (het zoo noemen, terwijl een ander het anders noemt); deze of die na.am*geveu aan, dus of zoo benoemen, voor als zoodanig beschouwen, rf tui ijiaSiv^tituj\\ 0 é w a noemt men nu eenmaal, d. i. 13 e w a is een gebruikelijke benaming, (ufi gt; 1 ti pass. poët. — (i7i Ti in ^ni ti hjJ gt; een naam o/namen geven aan, d. i. scheldnamen geven, no mi Tian ~/n Ti on/j\\ pass. poët. v. een volwassen man, die bij zijn jongesnaam wordt genoemd , geen als vernederend beschouwd wordt.

(unij n (hi/j\\ kn. de Arenboom, de Arenga Saecharifera, een soort van Palmboom. — 7/quot;n7*Iri£9\'^N ar^nquot;

plek, ZG. 1882, 135.

o . o o

tun rjTKinfis zie (un rnw

(utj, ij (hi ^ ^ k n . bijdragen, hulp toebrengen; bv. met geld, of het deelen in werkzaamheden , deelnemen bv. in vreugde of droefheid. 0\\j^(i^\\ zie op 0(inTi(i£\\ met de vingers bijdragen, van iemand die niet anders bijdraagt tot een feest, dan zijn vingers, om mee te eten. — bijdragen,

een bijdrage geven tot; deelnemen in. — urj^Tj 1^ (Kin\\ gezamentlijk bijdragen ; bijdrage ; wat bijgedragen wordt; deelgenoot, compagnon. vftunTi(m/j\\ zie rjwitiiejjj\\

rjd/n (u) (ki ^ kw. ik, mij, wij, ons. G.

rjumrjTi (m/js zie ityyrfTiw

d/n rn (hjn kw. zva. nnitias (Skr. harina, een hert.) (unT)(Hj\\ eign. van een Wida-dari.

un nj (t{j\\ kw. zva. (h^rj (iiirj (in \\ (Srk. ar oena, een naam van de zon).


-ocr page 103-

H JI \'YJ T) MH/jS

29

gt;1 (vn 2 ni tn -

zie bij luncmw (fj frjfl TJ^WI (igt;H Wtl \\ ILV/. IjCCSt, óCötdl. G.

(uii hi \'Vi \\ en verbasterd if i n onaj)\\ kw. de oceaun , de

/ - /\' zee {Sir. a r n a w a). — lt;r) vn on ui \\ of w y w oo (U) \\

naar de zee gelijken; zeewaarts gaan.

(L7»f»j»NKW., (uiojt \\ kn. steeueu of metalen beeld {Skr. a rijd, voorwerp van vereering, een beeld).—cun(ïoi ivi an\\KW. zva. (una {verbastering of schrijffout,). (Lrn(hi)tHi\\ kw. eerbiedbewijzing, huldebetooning {S/cr.

artjand). iiniKnons zijn hulde betoonen. (lvw \'t? wï\\ kw. zva. niiun(üij^\\ het aangezigt wasschen {Skr. dtj ara ana, het spoelen van de mond, als men \'s morgens opstaat en voor godsdienstige handelingen.).

(L^j tj kw. zva. ij (EO cni \\ volgens de Dasa-nama een

lang uitgestrekte wolk.

o o

^(Uiamp;i^nkw. zva. oum^w

a \' ■) •-gt; . . \' ^

^JJOI^.KW. zva. OTiHNH/js iLihnsLiix-npnibn/jw

(i.7i ja) \\ kw. de zon {S/cr. a r k a).xh]j^(un uu \\ de Zonnegod. (ur}rti(H£/j\\ I. kn. statelijke begeleiding, stoet of optogt, hv. hij een bruiloft. ccmow^ in staatsie begeleiden, van de optogt waarbij de bruidegom naar het huis van de bruid, en beide later naar het huis van de ouders van den bruidegom begeleid worden. — mi n ihti ~jti m ow (ht/i^ in een stoet achter elkander. — Mwni htijis begeleiding in staatsie.

II. N., L n/iJKMji k., arak, een sterke drank van de stroop of de meiassen van suiker en këtan bereid.

O O quot;)

(Lvnia^KVf. zva. wn Miw tri n)i,n KN.

overal vertellen. — w ni hii ~ni m ini \\ overal ver-

quot;{K

tellen aan. — irf (i:i t -n u n ~ii m iijj \\ uiteenspreiden (met de vingers of een stokje, Rh.) omhalen, door elkander gooyen, {dit volg. Rh. /ƒ c/ i^r^Oiii ~jïi xrr^ mji)

vnij\'nitwji\'Kvi. eva.

(til T) ih tiji (kw. zva. iost^ tk) en (tj iuii gt; » ^r»^\\KN. droog. d. i. heeseh, schor van stem; droog, opgedroogd, uitgedroogd, vari inkt. (ti\'nilt;iij^\\ droogte van het wéér; un aïii mi ti- \\ oostmoesson met groote droogte.

inrn /^N kn. een schel, schril (fijn en trillend Rh.) of k rij schend geluid, zooals hv. sommige insecten

quot;) Ck/\'

met de vleugels maken, {scheller dan üii n^n \\) o. a. de krekel of ook de vn ini gt; geloei van den storm, ook het geluid dat olifanten maken , het kryschen van Boeta\'s, ook krijgsgeschrei v. troepen. Vrg. omtj -r} n)i/j\\ (*ou ifji-3o^)ji\\ naam v. e. hatiksel WW.) — ni i{njj\\ poët. il^ iajji en i n iv^ hhjj\\ dat geluid maken; joottf. hinniken. — (U(tini hnjj of (hi[ijigt;hnji\\ gek rij sch, poet. gehinnik.

mi rj rri inijj\\ kn. het geluid van het scheuren van iets hards of van het snel strijken of veegen over iets hards: hv. met een bezem, rits ! {vrg. cün nr) oiiijl)\' ofii(vuljjiivj n kiiji\\ een luciferhoutje.

(LOj • n hnji\\ kn. de uitvaardiging van een bevel j wacht-briefje of wachtlijst, die door de afgeloste wacht aan de nieuwe gegeven wordt. — ^niHiijj eil (C^ni mi^miHiijis wegjagen. — v^nuun bevel geven; en tnv. v. • nonij\\ ojr^mmet ijoji2\\ of andere benaming van een persoon, iemand om weggejaagd te worClen, iemand van het laagste gemeen, een schobbejak. — ojio^ iii^ injjs of (ui ii ofji (Hijj \\ naam van de tweede poort aan de noordkant van de Kraton: waarmee men op de Aio en-aio en komt, en van de plaats daarbij , waar de wachtlijsten worden afgegeven. Ook is lui o^ii ifi^on/j de naam van een gebouw aan de oostkant van de Aloen-aloen, waar de tijgers in gereedheid worden gehouden voor een tijgeren buffelgevecht.

(ui^ IJl ifnji\\ kw. zva. r^ hii tisiijjw KN. — otjoji imj^\\ den vinger in iets steken, met den vinger in iets peuteren; G. iets uitpeuteren, een gat iu den grond boren, zooals aardwormen, krekels, enz. doen, Rh. — o:yuioai\\ uitsteken, bv. de oogen meteen kris, met een puntig voorwerp uitboren of uithollen. Rh. Vrg. ij ion ij n ofnjj\\ of ooitoy n i hnjjw uiyriOinj^\\ kn. een ijzeren werktuig van de krisscheê-makers met een scherpe omgebogene punt, om er mee uit te hollen.

4

oj}^ ij Hnjj\\ kn. zva. en

rjiuniiOitijiy zie it/hnoinjp irj on quot;T^ ofnjin KW. zva. ojojinj miz ifujiw ij ojïi if n ifiiji\\ kn. met uitgespreide vlerkzn op zijde treden en trippelen, van een haan, die treden of vechten wil; fig. van iemand die gelegenheid zoekt om met zijn vijand tot dadelijkheden te komen. — vj (iTivj ii ofriji\\ om een paar vechtende hanen heen zitten en ze tot dapperheid aanzetten ; een vijand omsingelen, insluiten {een ander zie bij


-ocr page 104-

I n ij rm /. iijjy

o o

inn an y \\

30

tj h)} rn nny). — rj (ui y \'~n inns een hen, of een vijand, op bovengenoemde wijze naderen. ijiuiiri\'yiïnmjis zva. rj ajti xn^/j ? — trjfoiyïi?

l»et ligchaam draaijen , zooals bij het tan-dakken ?

am trj-yi — vf nw i ij \'n ifti inyj ^ kn, prul, öv. v. werk, WW.

(ï.7?2 tj r)2 kn. ; frjx/m rytit tjmi ~jh(trriij\\

naam van de bloem van zeker onkruid Codonopsis Javanica. Miq. ook zva. tj tun mi „juz ij viji2

■nn/f\\ schimp.

dj)) ij n ha\\ en u) )gt;T) HD\\ aanhechtsel, poet. zva.

n o nm r)) \\ (hf) i\') \\\\

TV*

u))■gt;)ihnx KW zva. aj) t)

o)iv))2 })),)) ^ )) \'ti )lt;))//\\ zie n.iri)hH/i

nu n ),)) m) ) )\\ k\\v. zva.

V

(unlt;io\\ kw. ook wel o naon en (un0$jj\\ zva. omoui ij) ihn/i en (irn (Cn asnjj (Skr. ar da, toegenomen, vol); 2. zva. a i )())\\ inhalig, vrekkig ; 3. hartstochte-fijk , vurig ? ook giftig ? (Skr. h dr d a liefde).

Wang saltan: iun lu iu \'d .10 — nu lm aS) vu (to \\ zva.

o ) ^ /

Sicn (W (üujiw (Mi can n u tui \\ voor r./» i .n ld am

(io\\\\ — 0 ijOJi 2 (w - benaming van een slagorde in

de .Brata-joeda (Skr. ar da tj an dr a , halve

maan).

,L» )f ILI (U) \\

)j) iD io) \\ zie ut ji.i huw ■

O ; ■) rt . c quot;) o

(u) (ic) It li \\ Zie (ui (ic) ) li w

zie u) tj n.i (L/iw

So. rt

(ut) do \\ zie (i/ti (tctw

/ ^

I tt tj (UI \\ KW. zva. (E^ Uil w

am iu \\ Holt. order; kn. zva. oji aslt;\\ toelating, vergunning (meestal tot een kwade daad, WW.). (vnntiicjj en tj» n ij tinijs kw. zva. tj (ni tj\'riaxyj of ij ui ij t)a.c)/j\\ — d quot;Manji tj ui tj\'ti (inji\\ kn. slepen, yew. fiy., bv. in het graf slepen; menschen wegslepen; menschen pressen om dienst te verrig-tenj een bediende van een ander voor een tijd leenen en tot eenig werk gebruiken. — ui -naps en tj any tiiui\\ mv. — ^mi tj nxajj\\ onwillekeurig weggesleept. — a/iinop tojj en tjan ijmcui gepreste menschen; een geleende bediende; weggesleept, van iemand die door een kortstondige

ziekte of een epidemie wordt weggerukt.

O

ojhTt(lüjj\\ kW. zva. /tj^iin \\ en oj^-t^axi^

ï ^ quot;) O

(ld vj\' ut 2 ,icji \\ zva. un 11 axijj \\ e7i ajr^ ^ \\ — d.j ij

nrjniKuts v, h. water, afnemen, ailoopen, ebben.

Vrg. ^

tm nauji\\ kn. geleide, in poëzie. an -tiaxi^\\ aehter zich meêvoeren, een gevangene opbrengen; leiden oi geleiden tot iemand; aan het hoofd van een stoet deze achter zich meevoeren; aanvoeren,yaw

, rt o ct

troepen, uu xm tmcij en ij un quot;tt an y pass. — u)

ajintanji\\ geleider; leider, aanvoerder; voorgespannen beest om een voertuig te trekken, gespan.

o o O

ryi foil a rn oji a :i t t (ia oji \'tui uti ut .u)/j\\ een wagen met

vierspan.

ajij(io^n kw. zva. cu^axis en het zich terugtrekken uit het aardsche leven en opvaren ten hemel (zva.

i.)i(UK}iu)ChcniiR\\ Vrg. ■, i^

kn. zva. ij fji2tlni2xajj\\

oy a/n rj d \'WJI^ zie mi n gt;w/l

ajn axi q \\ verbastering van het schildwachtswoord

Werda ? Zoo i nt oji ui^ act 4 w cl n (in \\ zie oji no no n\\

acuijjcuyi. kn. Holt. o r d o n n a n s. — ivy tcuy rj an/js van de ordonnansen. Zoo ten izi ~ji \\\\

un tuu) mi.12 (Ar. , wil), als eigenschap van

God, willen.

a^niin(hti\\ zon. Radja Pir.

cy c o

a n axi ut \\ kw. zva. (amp;iw\\\\

/ /. CY a ) foil (iet iiu \\ of a ii ito (tu \\ kw. zva. a n fon \\ en hji ^ i.n

(in/i of (Kj^aji^\\ {Skr. hredaja, het hart, gemoed , zetel van het gevoel; kennis).

(un fon \\ zie

aytJifo^

am fott \\ n. , arnrj foDédj)^^ k., meening, beteekenis , begrip (Skr. aria), ajn (Si rj ;.y \\ am tj fon è rj tui ^. o f tun rj fott 2 (i^i JU. ojj dfijj\\ dat wil zeggen. — ui fon

/ c) r, cy o Cr ct /■

en (Bi dn fon \\ oj ai fon en amp;i iui fon \\ n., a::i tj fot)2

/ r cy cy

(U1 fj \\ (hil au tj fo)i 2 (KVJI OJ (UI Ij foil ê 3J1j1 \\ UjI (UI Ij foil i

tuin\\ k. verstaan, begrijpen. — Volg. WW. bet. het trans, hetzelfde, het wordt vooral in het Passief

cy cy gt;

gebruikt. — ui rj asn un ^/n tj un \\ aTi ij a.n 2 (Ui ^A-ut) (h(ij^\\ te verstaan geven, verklaren. — oji an fott \\ oji unrj fon 2 (ui/j\\ verstand , begrip. — oji ai nrj un iuijj\\ (ui ui tf (Utii(u/i^uui/jx verstandsvermogens.

(unasïj^ kw. zva. (tmnx/^cmw

avtifoai/j\\ kn. grasmes, groot krom mes of sikkel. ajn fon ajt een groot soort van kapmes. — ui quot;?\' Mn/P gras (jflagah, alang-alang enz. met een arit CP.) snijden. — uininsn/j met een grasmes snijden. — au quot;n afin nq xn \\ gras snyden voor.— oji.u) asn/j^ grassnijder. — iui ïi nfonjjs het snij-


-ocr page 105-

1 It HJI IbH/]

31

deu van gras. — iuiici gt;} ,1^11 anij\\ grasveld, waar men gewoon is gras to gaan snijden.

t/nnnhit/i 0/Iijpiivjjp KW. zva. iHiini rrnjj\\ stil blijven staan j zva. untamirrria in zijn loop of gang

(aJ

gestuit of belemmerd worden; of unwijwnruji* en zva. (khiJinsujp stroef. — (utia/ï^cLiij^ of c;

stroef, met moeite o/tegenzin, schoorvoetend. Zie iVy ttU hn/iw urn (zacht, langzaam,G.). lijvninai^s KN. ; ie* ahnjj of iSf(l^JIs vastbinden aait of met. — r.»\\ een ohj. binden, vastbinden. Men. Sn — lt;» r7^ innrj!hn\\ een object vastbinden met.

ojnniityi KN. scheur, spleet, reep, in de lengte afge-scheurd of afgesleten gedeelte, van bamboe of iets dergelijks, hjii iKn/j of vil gt; i iLgt;n/j\\ eeu reep.— cwi)i^u\\ iets scheuren, afscheuren, splijten. — j-rniisj^N bamboe y enz. splijten , vaneen sclieuren, om ze dunner te maken, door het wegnemen v. d. binnemijde, CP. d/nna^apgespleten, doorgescheurd; te splijten; reep; aan reepen.

iLirnmvjjs KN. verminderen door bezuiniging. — lt;i?i

rnibiijj\\ iets verminderen door bezuiniging. iuijninsiiji\\ KN. 1. pees, ader; 2. de naaktheid; de

schaamdeelen {Ar.

-\'jy

£,). 3. KN, losgaan intr.,

twijueu van touw. nn •quot;n «57^ \\ touw twijnen, WW. 3. naam van een heelkruid, zie Fil. oerat-sija?

^ KN. — (ü^ r] ihnji\\ padi met geheele aren

uitzetten in liet zaadbed, SG. — (nl. de

kweekbeddingP) bezaaijen met rijst iu de halmen GR.; volg. WW. de (op de kweekbedding) rijp geworden padi uittrekken en in bosjes binden om verplant te worden. — de padi, als

zij daarvoor den geschikten leeftijd bereikt heeft; ook eijertjes in de baarmoeder. WW. rijstveld dat nog niet beplant is; eijeren voordat zij gelegd zijn; een zwangere vrouw. G.ii.

T h^JIs KN• volgorde; naar de volgorde of in bekoorlijke volgorde; zameuhang, ö/goed zamenhau-gend, van een zin of van de woorden van een zin ; langs iets, bv. het strand, voortgaan; langs {vrg. l ïll *1 i0f bet) volgende iu een

reeks. 2. kn. am an\\ 01 ,cyii ui \\ ki., het door zachte

J kLjc

drukking met de vingers gewreven worden, hij pijn m de leden of in de buik ; hij hoofdpijn ook de slapen en de nek.— ^ l.m^\\kn. 1. naar de volgorde verhalen, opzeggen of opschrijven (lunanyii asn iUji\\ alles naar de volgorde, van woord tot woord); langs iets voortgaan unij^asii

iFjI- wi spr.); uit de zameuhang van de zin opmaken; metalen draad trekken. 2 kn. ivn ni.hi\\ of t v [(rr^(Ki\\K\\., iemands lichaam of een deel er van met zachte drukking van de vingers wrijven. Zoo ook ast 1 ~jï^\\ (7. /^ (ibijjj\\ pass. G.). — ajy volgreeks, bv. van geslachten, rui 071 -n \\ 0j\'quot; ecn om metaal

draad te trekken.

iiy?^rj-yiihu/j^ nm. v. e. witte aardworm, ter grootte,

v. e. duim; vrg. (uil iejI tLyj\\ KI. fjiL7ïnihn/jsKN. njwrf nuuiins voor een oogenblik leenen (nl. met de kwade bedoeling om niet terug te geven, Rh.) — ^ j.i ri \\ v. e. oogenblik te leen geven aan. —ij viiri d lt;1^1 hi/j\\ ohj. den. WW.

KN.; tj r.td ij n ? ij ibn ~jn ? 7i ■gt;) 2 11 ij \\

verkwisten.

^LTjirj^N KW. zva. nt^^dinjfW

tun nsn (hi n KW. zva. ii nitmw

/ CV

(IJ)} (hil • gt; gt; \\ K W. zva. Y lÜH 2 UJI (IJl fyl w

/0 S* o o 00*

(lv (mi (hu ^ KW.; iriihiiHHs zva. .i in mi \\ en f I WH 1 II

7 \'Ei

i7)(bii\\ zich voorstellen, denken; en bij zich zelf spreken.

!LV tl\'gt;tl(Hllryi\\ KW

x o O

va. (vu (hu \\\\

vu n?riH^i irvijjs Holt. artikel; ook zva. [MaSiiai nu^ BB.

cuii ilgt;ii (bii\\ KW. zva. i j crii \\ en benaming van de zangwijze Dangdang-goela.

X o

/ƒ ,1 n (bii mi \\ KW. zva. ajij ia chi/iw

OJIJI\'

li

IfjW

CY

(Uil ij ibu 2 (i^i fi\\ iUi y (bn 2 (i. i j enz.

i/ii asii (Ui Hiji KW. zva. iuna^am f mn cinji\\

uii (uii nvi s KW. zva. (ei j \\ ? Mal. har tal, Skr. h a r i -

tala, geel operment, vrg. ook mii miuiu/j^ * (til tbii n i \\ KW. zva. cui^iuianj^s—vj iamp;i

O O Cl

aJyjl\'n iUi \\ (V^a^i . n iui ij (Lin i ojiji \\

S

tun iyt.\\ KW. zva. (un ui en zie (lii oji (uijjs

Sa. o tun iv#, n zie (ui(i.i\\\\

mi ij va \\ zie (lw rjjjw a/li ^ri (kiji\\ I. KN.— \'rin^i ^rri(KJi lH.(Hijj\\ lusteloos; zich te lusteloos gevoelen om dit of dat te doen. 0inniUi^\\ lusteloos tot betalen, van iemand, die de kwaal heeft van niet graag te betalen.


-ocr page 106-

32

o

I n n K ifj

rt o

i v n iKj/i \\

II. (utrniajji of wnojijis Ar. troon, um tj ihi lun t) aJiji of itï? /ƒ / u o ni aj}ji \\ de troonzaal va7i Allah.

III. kw. en ki. zie un èiw

cq.

(im •») nkw. zva. :un ij iut (k\\jj en rt nirj m q\\\\ hena-ming van een klasse van hoofden in ü. Java, die eenige desa s onder zich hebben, eii in rang tusschen het onder districtshoofd en dorpshoofd in staan. ZG. 1881, 11. Vrg. en grondvorm in

rcn yy^ 1. kn. behoorlijk, waardig; waardig zijn, verdienen, ^xmz n unn^cKJi^ niet waardig zijn, niet verdienen; ook ongeveer hetzelfde

als tu ihvt hufj\\ Rh. — 2. de stank van bloed. — t? Y^kw. bloed. 3. kw. zva. vm orjjj ifli anjj en n?» iu Kj im tfjjjjs ? kn. de stroom van de zee.

tun kn. het binnenste gedeelte van de pisang-

stam. — fijn geweven, van zijden

stof.

d n ij rf) cK/j/j\\ verbastering van a r r e s t. — hl ij n o^i^\\ iemand in arrest zetten of houden. — hn ijm tj} cm fis ctrrest, verzekerde bewaring. — cui rj n a-Ji huis van arrest, gevangenis.

(uri »».m^kn. uit één stuk met iets, dat anders uit een ander stuk bestaat. — i uit één stuk

vervaardigen ; uit één stuk gemaakt; massief; zva, (Knus tevens, te gelijk; tegelijk met iets, dat men verrigt, of met een functie die men heeft, ook iets anders waarnemen; een land, waarover men loer (Ui is, ook te gelijk zelf, in plaats van door een b 6 k ë 1, besturen ; uit de schotel eten , zonder op zijn bord te scheppen; water door de keel gieten, zonder glas of beker drinken, rjun een woord dat met een andere uitgang hetzelfde beteekent als het woord waarvan het gevormd is , zoo als bv. (MiiJiamp;i/j van (klt;i(iji\\\\ n (K-yj of

*1 nnnittji ~amp;.onji een woord dat in twree beteeke-nissen genomen kan worden {zooala tjnjnnjruè een aangestoken en een niet aangestoken fakkel, en i7in ?) antwoo rden en betalen beteekenen kan), en dat gebruikt wordt om iemand te foppen of te bedotten; verder ook naar de letter, letterlijk genomen; bv. hji tri tj ffi^n iu) si antwoord naar de letter. th hnf icMyj0 een raadsel waarbij men alleen de laatste lettergrepen

van de woorden op geeft; bv. ij iu ij nu

CY

voor ij ij) ij tu ij \'Li êrj erm ^ i:m jp — ^ f,j

n-i kjtji door het gebruik van zulk een dubbelzinnig woord foppen of bedotten, op eigen gezag handelen, G.

i/»in Mjj kn. snee, afgesneden plak, lap of schijf {vrg. rjiun qmitjjji). an rn mjjs in plakken, lappen of schijven snijden; ergens een lap afsnijden of uitsnijden; ook kruiden en grassen afsnijden. SG. ij un yi bij ongeluk gesneden worden, li \'n, zie ben. S n iiji ^A-rj un \\ voor iemand een snee of plak snijden of afsnijden. — wy\\cuigesneden, aan plakken gesneden; een afgesneden stuk. xm rïfm^kn. een scheplepel van een klapperdop met een lange houten steel. — met een

iroes scheppen.

Q Cr

lyrh Mjjs kw. zva. mii tüii \\ en nmi^w ij i/n i \'nh t^ kij n., ittïiiisri(Himjik., onwijs, van iemand die naar geen rede luistert. — :m ji^ kn. buikzuiverend middel; een purgeermiddel ge-bruiken. — KNreëe^ei1 gt; ordenen;

ontwarren, ontpluizen. G. — n iji^ de buik zuiveren; buikzuiverend, purgerend. — \\ kn•» \'ti j ij iis/) 2 lt;tw (ïyi^n ki., stoelgang of buikloop hebben (buikloop. G. volg. WW. tu0) ij niw Jrt.\\ buikzuiverend.

vf un ri \'ri(ijjji\\ kn. afgesneden stuk vati vlakke lichamen

C! Q

{vrg. LTi n.hJiji en vjw ij-^wn). — lynajij^s snijden, afsnijden, bv. van\'papier of linnen; een kleed snijden, naar het fatsoen knippen {vrg. i n ïJxji {); fig. van iets een stuk afnemen of ecu gedeelte afhouden. — ij w ij • n ui -b* y kii . met iels snijden of afsnijden. — ij Ln ij-riiUisihijj\\ afgesneden stuk , afgehouden gedeelte.

O O O O , III

vn yi m -ju »i y ui ^ een soort wormen aan bloedzuigers gelijk, die zich op waterachtige plaatsen ophouden. WW.

(unv* m\\ kw. zva. hjj un en x.r^ i;i {\\ {Skr. har sa n a, genoegen, pleizier; genoeglijk, pleizierig, van har sa, genoegen, lust, pleizier). — tiyiHiios feestvieren (G. voor inmna\\ pleizier maken?).—

(M lykiHis zie beneden.

SS / .v

in rijji\\ t ri gt;1 ws en t n m uji\\kw. zva. rij n gt;\\ {Ka-

wi-vormen vau Skr. harsa; zie bij lii vji ia).—


-ocr page 107-

quot;ar

i^ntunixnojn en ixn«Jn iA i.iJiitaj)\\zva.

t.u «ijl

KW. sua. njn/njjiLyj (Sir. irshijd,

nijd, ijverzuchtig).

iu1iv*iik\\ kw. ïw«. ilmmunuimtuiuji\\\\

/ /

rtgt;n ^ (L/w igMNN

(unlt;un\\ zie bij n^ut^w

^(ü}w/j\\ kw. 2:^.

M) t) /u/ (KTy^ \\ KW. zva. rj /Ei cm \\ wolk; een eign. va 71 den jong sten zoon van Ar dj oen a {Samp;r. Irdwdn).

H-.ïl ityvh T) iUI cKÏ/^X iJ7M (lt;UJ\\\\

(u^nnLDiHi/j^ oudere naam van een landschap in het oostelijk gedeelte van Java, misschien het tegenwoordige BI o r a.

ij ij» tj (Ui wfj\' ook rr) ui (hi/j^ eigenn. van den persoon, die vóór het aangaan van de Brata-joeda geofferd is. ti(un\'Y)V)an\\ eigenn. van een Wida-dari; en van den olifant, daar Batara Eudra op rijdt (Skr.

Érdwa n a, Indra\'s olifant).

o O

kw. zva. aj) ieji ~Ji lt;ht^v hu li a^i ibi asrijj

O O ( quot;) - \' 3v O

rjMi\'y),v) hu\\kw. zva. tun tvn,10 ijdJ) gt;. 0/^ t)^(un au (Hyjs (onweêr ? Skr. ér dwati, bliksem); ook eigenn. van de vrouw van Bald -déwa, een dochter van Salja.

unrtmjjjs kn. verhindering, beletsel, ongeval, ver-hindering als reden v. e. verzuim of iets derg. ?— (trï-n tl^x kn. aangezien, dewijl. G. Vrg. ajtnuru^ [Ar. (yajC\' accident, geval; wat in de weg komt).

vjdjm tjtiudaSs kn. verb, van ho r o l 0g i e.

mi tut 1. n. lt;l/hÉ?nk. , ftynii^sKi. voor , in

Öv J, Qv (?) gt;. (?) Q.

(un a^i hj} mi/j of 177 (ia hjiji \\ d/ii 9.71 \\ of 17} ik \\ en am (c! w of (i:i Lyk\\ voor, vooraan, vooruit; hier voren; te voren, vroeger; ook n/n (ut (u/j^ ilwakn in het gé-zigt, onder de oogen, in zamenstelling als (undniuii {zie (lynd^), en nxirj nji uii ~/ri (u tu^ in het gezigt, onder de oogen {van den eigenaar), weggenomen worden {vrg. i/ftdj) (ui/^. (ci (ut (u Jli nni \\ un ik(lj^ui) ook wel enkel (ckuoji/j of cci^\\ aanstaande, eerstkomende {maand bv.) Sri iui(Sasiy (E^ zva. (vri (tncrrgt; ni(isri tisnjj\\ op de hoofdplaats als leenbezitter onderhoorig iV. (n^m^cc)(ik\\ de loerah vóór, de loerah van de wacht aan de Régol. — wnj) ^rn !$\\ titel van de vroim van een Mas-nga-beri. — -T) rj (ia (hi ~jn \\ zie nirjcui (hnjj \\rj tiTi 2 t)

II. \\/ti (u (L^/js 33

lkria\\(\\aJls vroeÈ?er of voorheen. — wajiajtji {gew. irj(tv iuijj) n., k. met hei aangezigt gerigt

naar. — (i7i (ui (ui 1 \\ staan of zitten voor o/met het aangezigt gerigt naar, llh. — nri dji (ii^ifrj ini \\ iiTi tiK ii7) dai iinji v een object met het front toekeeren naar; met het front gekeerd zijn of staan naar, vdór zich, in het gezigt, hebben; kort vóór iets zijn, digt toe zijn aan. — nji) (u (u ^tn d/i cm ~,i cmj^s (LiiS(uii(iKxn(Hyjs tegenover een ander, o/* tegenover elkander. — 971 nj) aj) iin j w$xn (inji\\ de plaats of rnimte vóór iets, bv. vóór de deur; ook 013*\\ of Sh(iniyt.\\ vóór, in de tegenwoordigheid* van iemand. (Li (in (ui ui/js n. xj) cm ê: \\ k. . xt 971 m\\ kw. voorste, eerste, voornaamste; voorganger; aanvoerder van troepen. — (tw dji xn (u iL/i/js

(kii (u t7t $\\ voorbarig. — (Fji xti xi n. , ifji xn

ro / l)

(ik\\ k. , (bi aj) lyi \\ kw., naar voren. — aw oji xj)

(ui(uZi(win\\ te veel naar voren, te ver vooraan.

(Ki oji xn xj) aj) -j) cKifj (Ki xj} aj) ik x:i \\ in praesentie

van iemand. — xm tui xjiji \\ x:n(§\\ zie beneden.

II. xm (ut njij^y n. , xjii\\ md., xmrjdjw k.,

/ / cy j,

x/n kw., (hii ivja ikvtvas of (tn^ajis ki., voorhebben, willen; ook, en dan xmik\\ k. , be-geeren , verlangen; willen hebben, x/v oji xjj ,b7/ \\ op sterven liggen. [Het kawi xrnxAs beteekent lust, pleizier in iets hebben , en van daar iets wenschen of willen {zie bij (un lyi ui); de het eekenis van vóór

heeft het gekregen door het gebruik als kr am a

1 G) G)

voor (l/n XJ) (u)jt \\ J. - (171 (IJl (U) ^ïl (W XAJjS (171 IK (Uil uc \\

verwachten, hopen; verlangen naar. — mi(uxjijj\\ n. ihiioks k..; ihti i-a\\ ki., wil, begeerte, verlangen, bedoeling, ook met lust, vlijtig in het leer en; en geneigd tot iets. (kii Xj) ij ui ^irj «jj ij rui \\ (KnScc? Lj (Ki ?i xtigi nit eigen beweging, vrijwillig. (kn xj} rjxjt^is ook kh (Lnrjaji (kijj\\ kh xa

* cy s i

frjx7ii(Ki/i oj wnrjxm (ht/i\\ en (Kn (urj aj} ^i ij(Hj\\ ihii (u ijxm wi vj X\'i tj uj \\ n. , Kn iQij X7i \\ mn.;

hu dè: xn (Hi/jn laat het maar wezen ! laat hem {of haar) maar! (kn (ik iti aj (ffi^ ixi (Ljiif: ^ \\ laat het maar wezen , dat ik sterf.\' laat mij maar sterven! kh iji vj oji i (ki -ju (ui \\ of kii (ui ijxrn hi ~jn (uis n., om $

xn (u^ (ki-^fkj oji \\ k. ; met wat bedoeling ? waarom P

G) ^ * O

— x.in aw (ut (uiji\\ (itinikiiaxs xrin kii of i.in kii

(ui xi/j enz., eig. w wn xi (ui/j {al wat gewild wordt)

zeggen, zich geheel schikken naar, iemand alles


8

-ocr page 108-

34

rgt;

(un T) (Lnji \\

toegeveu. — tqkii nji ojijjs utuoi^^ iemand zijn wil geven, toegevend, inschikkelijk zijn. G. — iKtiuajiSi\\ an mihj\\ een object willen

hebben, aannemen, niet afwijzen (aatun oji oji n

pass.); een object begeeren of verlangen (tw kii tu

o v (TO O

aji^. i\\ pass.) — (trt cut Oji vj (Hii \\ m te» u:i xn (tnjj ^

(TX

wnwun^mirjiHTis een object begeeren, wenschen ,

ry

verlangen, van iemand iets verlangen, xnrm ij itrn wordt ook gebruikt als ki. van (un ijiH7i2(Hi/j\\

r Cquot;) ^

ik n il/i cu ~.i iHi/i oj h n rat ivi (ui -»ao/p en hi)

11:1 iHyj of /.?/ h}i\'té:nrtihnjj begeerte, wat verlangd wordt, mi (ui (u *1 uj\\ uit eigen verkiezing. — (uitui)$\\ begeerte, verlangen; iets verlangen, zin in iets hebben. — (SianniKs volg. Rh. zva. r.it) (h\'n(S\\ — (.ii uil $ et \\ een verlangen hebben tot of naar, zin hebben in. P.L. — oji un m m ^(hi/js tu wi S tn mi js begeerte, verlangen; wat begeerd of verlangd wordt. — a^i (ui (ui (uj)\\ aJ(i:i ({k(un(uk\\ verwachting; hoop.

un ni (ujj ^ kn. vaak hebben, slaperig zijn {vrg.cun^ III.) — w-n (ui Si\\ slaperig maken. — un rrl(ui ^infi/fs slaperig worden, door de slaap overmeesterd worden, wegens gebrek aan slaap.

(uitlu/i \\ ook wel (i2i ny;irnji\\ KW. zva. .(ui xnr^ (isiyj \\

O o

}m (uj s en ^ ^ JNN ^\'\' \' \'n ^ zva. cl^

O . O

171 \\ en (un asr^ q cun hu w — wr^aji/i kn.

visch vangen in een rj (u -i z onjj \\ fiy. bemagtigen,

onder zijn magt brengen. — ii?t t^iu Si\\ mv.

!U7j ^ti (ui/js zie ^ri cunji^

.uij Ti (laji \\ n., (7nojj\\\' k. , leven; het leven; in wezen of in stand zijn of blijven; tieren, niet sterven, van iets dat geplant is, aan (niet uit, niet uitgedoofd) zijn , van vuur ; (en (hg^ur^ ni tuiji \\ ij «tn t (in cm(iJin levend water, bronwater, ijtuizcunnriajiJ?i jo^ \\ (uii .in (n i (iJi dj^ ay un \\ de levende, hierop de wereld levende en met elkander levende menschen.

« 7 Qv O Ov . O • o-

Zoo ook (ui i n (ur^ \' n (ujj \\ ojii mi hji rn (hji \\ en iuri i i (uiyriiui/js (ufi iui cm oji \\ de levenden, de menschen. (ui hiia/ri to (L^\\ de dood on het leven van iemand, voor iets waar iemands dood of leven aan hangt. — (it^ tj (Lisij. 11 (uiij\\ (un (rri(ïti ih/i\\ een land ontginnen; ondersteunen in behoeftige omstandigheden. — ii ui ~ji\\ (un rm (ki ié! s het leven schenken , in • het leven laten ; volg. Rh. ook van alles wat dient om het leven van menschen , dieren en planten te onderhouden zooals: lucht, licht, water , enz. —

o /. i O .

iinicur^\'ii (ui -i (Hyi oj rjiHiii\'n (ui ^ i anjj^ (liiinni i

an (ni/j\\ in het leven gehouden; het leven waarin

men behouden blijft. — ^ quot;n (ui ^i ij mi\\ un (rn i\'i

i:i h h (ia/j^ een doode levend maken ; maken dat iets

weer tot stand komt. — (ur^-noji arijjof cur^ni

(ui ^\'vi (Ui au (iJ) i7i (inji \\ levend, bv. vangen

of begraven; van planten, gemakkelijk in \'tleven

te houden, goed van zelf tieren. — uivyiiui^

o » O ■ - O .

gew. (ui ivjj \'i i oji ui cm (Kil tui anjj of (ui cru w

ui (Hyj wat in het leven houdt of tot levensonderhoud dient, levensmiddel, bestaan, kostwinning; middel om het leven te behouden of te redden; en levenswijze. Zoo wordt ook een halfvolwassen kip genoemd, die tot de offerhanden van een Ting k\'éb -f eest behoort, um (tgjj ui ^r?) gt;ui on^ levendmakend water, levenswater.

T O ^ O O . / j.J

.uiyijuijis 1. kw. zva. 071 ton iUi\\ {dit on-

breekt bij W.) en ui(isri (unj ? kn. wat gelijk staat met de waarde of moeite van iets, en deze vergoedt; vergoeding, ijtumri0 niets lijkende op (VV.S. 173), niet te denken? — (ur^ (ui Jij (uij^ \\ bij ruiling, afwisseling, beurtelings. — a.y (uij^\\ verruilen. G. — iji.m^iuij^\\ zva. un ili i^\\ verkeerd j in de war, van iemand die een verkeerde voorstelling heeft. ^ kh ? ni of 1^ zva-(ui isn Hrfjjs en meer bepaald in overeenstemming met iets anders, accorderend, van iems. berekening met die van een ander. — ^ ^ ui Ji\\ in ruil geven voor. — (üy r^aji ^irj nn\\ een object in ruil geven of verruilen voor. y tui zt^oji ^.,1 ij Kn \\ {van if iicm ii uijj) ^ich vergissen of bedriegen, bv. van het gezigt. — (ui^t^cli ~i(rnjj of iuy ui.ji^ ui ^) anjj\\ wat in ruil gegeven wordt; ruiling; met elkander ruilen, door ruilhandel.

II. ^ un2\'ri ij ?!imuii ni (uji\\ volg. R. geen rede verstaan; wettigt is (ur^ mji ook 7 Ar.

h o er o ef, letter, en dus de zin : ergens geen letter, geen jota van weten of begrijpen.

vjun ijn (uijj\\ kn. bang, bevreesd.— ifiui ij n ui Si\\ bang of bevreesd zijn voor. — rf ui nmaji ^.i ri icii\\ bang of bevreesd maken; zich er bang of bevreesd otn miiken.

\'^3\' l *s KW\'

un li ui (Kijf \\ Holt. h a r p u i s.


-ocr page 109-

dm n J t,]

35

(IjII I J) \\

vnin\\ en i/n(i^jj\\ zie i/ma\\

/

xm IK N zie (LI \'tK w rt/n wc\\ ^ M tesw

/ ^ s o

njtniKin^ kw. lyniKs (i/n pi (ia w

ook wel I. eigenn. van den derden

zoon van Pantfoe; en naam van een berg in het oostelijk gedeelte van Java ook Kawi-lenaming van de quot;Ré dj au-hoorn {Skr. Ardjoena) 0\'SI (iai \\ of 0(M ,1/3^ \\ eigenn. van den Vorst van Mahispati. — II. kw. water dat zich in de holte van rotsen verzameld, volgens de .Dasa-

|

•#

am if\\ (tfj ^ zie hij ijiikw

/ o

am ik tv?n — ti/i kw. zva. (uiikk^s (ui wr^ asii^ zie verder (wikimw

kw. zva. mojj f m w

S

!

om (lui of am Tjji en am^nthis hij verkorting n].u.i\\ kw. zva. en nnsn\\ titel van een jongeren

broeder van den Vorst {vrg. wns). Tegenwoordig wordt dit woord algemeen gebrnikt vóór de eigennamen van Pangerans en van hun zonen {Skr. a rj a en d rja , achtenswaardig, achtbaar , iemand van een goede familie, iemand van de derde kaste. In het Javaansch schijnen \'unx,it\\ het SansJcr. ar ja, en (tm r) ,ti/? \\ zva. (unrri\\ of mm?) \\ met elkander verward te zijn.)rn ^ ici po oji ni iui \\ of ii ij na m ^ (hu is de titel van een achterkleinzoon van den Vorst, indien hem niet de titel van Pang er an verleend wordt. Dezelfde titel voert de oudste zoon van een dochter van den Vorst, die met een onedele gehuwd is , terwijl haar overige zonen • n gt;ƒ ffj axi genoemd worden.—^ (lu ihi/js

de woning van een Riamp;.

a . s

tun ni av) \\ zie ojvdvtw

mi \'n (EI/J \\ zie ilt;)} t)

Mj-nius kw. zva. njj(W\\\\

ij nu 2 rj T) di/} ,u) /j \\ zie op (ui^rjmw

/ am (id

kw. zva. ifj) asr^ im fffjonjj\\w

iwtwN naam v. d. 5en dag v. e. paring keil an ZG. 1879. 247, o.

KN•\' iyamp;2Jls P0^\'gt; geurig , welriekend , aangenaam en zacht van geur (vrg. u) .i^\\); lieflijk van stem en toon van spreken. (U)nrun eAj^\\ de schoonen. — een vrouw lief kozen, zoete

woorden geven, ni ^ u/j\\ pass. — .-li ^ bijj\\ aün m tv) qs kn. gebroken takken, halmen, bladen, gras enz., om, met modder gemengd, water af te dammen of een breuk in een dam te stoppen j (oo/c gebroken wapens. G.).

O O O O O O ...

(un •gt;» kn. ; (ut) \'ii n rt/js naam van een kleine groen e bloem. — r3 ^3 t.i Sd *gt;? /j^ als i r i m - i r i m. rjim m ook wel rjo/r) (Hifj\\ kn. verbaasd, verbaasd van verwondering; zich verbazen {Ar. ; vrg. crr^ fBj (hi/j). rjinn^js zicli verba/en over. (Hi) ijMiT) ook wel in verbazing. )o) yj un^i fjiuyis ten hoogsten verbaasd. — verbazend. — ^iti* n g» ij on) \\ doen verbazen; als verbazend beschouwen ; ook, en gew. rj iti n) rj ei ~/n ni ^j ij «gt; ver-bazing wekkend. — ojirj(m\'n(Eyj\\ wonder, wonderbaar. — njt vj (Ln T) rj fi ^ni ni /e^ n verbazi ng ; wonder. — oj) rj oji ni anjj \\ wonderbaar, wonderwerk.

vj uii (u (Li/j kw. zva. oo? ij (iyj ? i.vjj en ij om ? (U) f )/j\\\\

O

rjimz (ut (FJtjjs kw zva. t)j)(U) f\\\\

O D /. O . O .

(utt ni (Et n (ut) tl gt;1 it? \\ of om \'i) rj ht i \\ ook n rj è m kw. zva. if taj) (Hi/js (Ml. h a rim au; zameng. uit\' het Skr. hari, leeuw, en rj riè\\ kw, tijger). an) r)(fj)\\ kn. maat, in de muziek en bij het dansen.

Zie ook fj) ii (U) w cuni) hit )j um FJt asttji ofirnfjt(in)jj\\ kn. eerbied, respect; eerbied; eer bewijzen; salueren (Ar. dk.-cj^)- fott rj .cm iijt^ fot asttjjs eerbiedige groete. — (1^ ei i)?n \\ iemand eerbiedigen, respecteren; iemand eer bewijzen, eerbied betoonen. om.ut^(Etaft)chnjj\\ geëerbiedigd; vereering; respect, eerbiedige groete.— lUtajr^ Et (istuj of njt tgt;ïi (FJt (ttTtjjs eerbewijs, (uto^ i^i an (Lt)jjs eerbiedig antwoord. — (ut iirn^t

(tn/l^ eerbetooning, eerbiedige groete; plegtigheden tot eerbetooning.

am -quot;n ei \\ eigenn. van een Boeta-vorst van Pringga-

dani {Skr. Hi dim b d).

(utt Ti \\ eigenn. van de zuster van Arimba, de vrouw van Wrëko-dara {Skr. Hidimh d).

O % o

am n ij (Ejt 2 \\ zie (ut) 11 (EJt w

(urt cms kw. 1. zie bij (utnmw 3. zva. oij (k^\\ {vrg.

(uti\\ir^\\ Skr. agra, spits, kop; en aga, berg).

X o

utt mi \\ zie (ut crti \\\\

s

in n in,\':\\ — t i \'}i tn ~ gt;i\'n iij- met de handen het vuil byéén rapen (ou verwijderen), dat door den

a*


-ocr page 110-

«a o a

80 iLmnrm^

ploeg of patjoel is losgeraakt. S(t. — vn nn nrr^itn/js het gras of onkruid, dat door liet wieden, iiloegen , of door den patjoel is losgeraakt, Rh.

tun-ncrn/j^ KN. een zeef van bamboe gemaakt {vrg. ju ï j ï hnji en wr!); ook een werktuig om visch ie vangen; schej), schepfuik, {ctit werktuig heet volg. Kh. lil 7 rn gt; i. n j ) — r ] ■ n dii/j \\ daarmee vissehen. — a-n\'n m\\ daarmeê zeven, iquot;-n m ij

. , .. O O

ij }:ii\\ zie bij mimimjs

1. KN.; en afnjf\\ van

ouderdom sterven, van beesten en gewassen. — 2. lut^mnrryi en muiyn iinj/s wj. zva.

itnjl en Kj ij \'fquot;

am-n km. al wat dient of geschikt is om aan

te hoogen of gaten te vullen, zooals van een weg. Jïj.n^rtn^ volg. WW. en J. ook of r\'i iunj) \\ - en dit ook eva. dempen, bv. (M rji quot;quot;/P aanaarden, op-, aanhoogen of

opvullen. — nj Wi \\ iets ophoogen of dempen, iets door ophooging overdekken met iets, zooals met aarde, |ji iQiuiW f \\ een dijk maken van

lijken, mruxm fiü- ^001\' de massa vijanden

overvleugeld worden, t/ i/ii? ^ T^jdoor ophooging overdekt raken. — wat aangehoogd is, het aangehoogde, als het werk van iemand.

y xmi m rrriji\\ KN. schudding, beweging, opschudding; onrust; in beweging , onrust, of opschudding zijn of komen (vrg. ij nm-ytrrnj^). rrj i:i ? dj ij hu in beweging, opschudding of onrust brengen,

iiynntrm kw. zva. kn. zie hij lut^zaw

o C quot;)

rjMldT)(YD\\ kw. zva. {öj^ernvijj^w runonitjctxni\\ zie (ui rrjiy truidw n/n nir.y)fjs zie vn^ivrnjjs

tvrt ivi r.iyj^ kn. stukje, sneedje, bv, na c?n ajiim ui nnjj*

O rgt;

run -nr:ty\\ kw. zva. ,i/i^ ili uijf \\ tjlt;un ■ n\\ en xmcmj

Volg. J. Z. II. 56. Volg. W. zva. ivlrrrnw kn.

c~y

ongeveer zva. rjiunw^is zweem, gelijkenis, gelijken M(uti\'vi irn/js zweemende, lijkend, het schijnt wel. — iM-n cn/j^ zweemen, nabij komen in gelijkenis. Sn wat er min of meer naar gelijkt. — imrrliirr}jj\\ nabootsen, ten naasten bij volgen. — it] \'rj i:r) J/n \'gt;gt; «Trj \\ min ot meer nabijkomen in gelijkenis of overeenkomst. — (uhniirn cHi/j\\ wat nagebootst is, nabootsing; ook iets on-

Jrryiryis

gemerkt zoeken te ^oen. i/n ij in? -.w thnjj-,

spr. acht geven op de gelegenheid om iets ongemerkt te kunnen doen.

o o

unri^:irnji\\ zie t/n (t.

ti rmji gt; m (ui^ en ^ s KN * » ^oor

elkander menging, of bestrooijiug van iets niet iets anders, zooals van bloemen, of een spijs, h n 17 iiyj^ *71 oji rii iuji of t/rj im ~jy^ quot;» »irn^ \\ verschillende soorten van bloemen met fijn gesneden pandan-bladeu dooreengemengd. •— ^ m ajtjj \\

J, O

rnxnyi of (urr^ni vm/is mengen. — ccyrnui i.| ri (ip^\\ of amn\'iéns mengen , vermengen of be-strooijen met; ook indoopen of bevlekken. lU^n^vm/j ook wel zva. iXJiyi^Ln^ WS. 173, 2 v. o. kn. vlam, of xyyKTK

(lofls wat gebruikt wordt om een vuur te doen vlammen, bv. spaanders, u\\ een kris-

soort; een soort oorkrabben. — ^vlammen. — (C7 ij fcr» rj!H)i n iets doen vlammen. (un un kn. storing, verhindering, overlast van

iemand die op weg is, van een voorbijganger, of

fy 0

van buren, vn ctnu/n n^dm\'rp naam van een wetboek tegen verstoring van de goede verstandhouding van de Soerakartasche en Djokjokarla-sche vorstendommen. — lt; storen, ver

hinderen, overlast aandoen.

O . (P)

tuns kw. zva. cmajis opiamp;i\\\\

,i/^\\ kw. zva. (un\\

rj (un \\ kw. zva. xsr^ w Jin

nm h\\ n., njïiüirj/j\\ k., wijd van elkander, niet dicht aaneen, zooals van tralies of vlechtwerk ; schaarsch, zeldzaam, zelden {grondv. \'Vi). x~in \\ zoo wiid van elkander als het vlechtwerk van een mand, d. i. digt aan elkander, van wonden, (in-ris of (in n kn. doorzigtig. — ci -h(un h upi\\ (ct .iS)(M ^/niuIitJi ~Si\\ schaarsch beginnen te worden. 17) rr) (ci tj nn \\ tui oji -b* #. n (hi/js wijd uiteen maken. — --h--r)x:i(htjj of tutifc^iLnvtyi\\ kn. wat doorzigtig is; doorzigtige stof, zooals gaas, floers. — ij (r\\jtrr)\\ n. , (lii u} i^)jiv k. , door schaarsclite hoog

in prijs, duur. iii4rnmcmini/j^ (uikuiri^iji\\ duurte

-gt; ci

van levensmiddelen, - hebben. — ^ n an\\ ivn iets verbieden. — uwri in nnjj^ (im xji (tJi wat verboden is, verboden goed; verbod. — m iht quot;Vï éi \\ il\'i (ci lji(k/i jl\\ duur betalen.


-ocr page 111-

37

(tmM\\ KN. (doovc) kool, houtskool, (un (uSrnmnjn ivoorzwart, itrniw^0 ebbeuhout, (i.ikuis en ojjitkiji (uiiaj naam van een riviervisch, ccn (li\\ tot kool

s s

worden. WW. ajicm (U(im cut \\ iets tot liet maken van houtskool, ij(yii20\\ balken voor houts

kool , benaming van een schatting in bouwstoffen.

iLwrfx KN., bedaard, rustig, {vry. wrif). (unnï

(in*r)N zva. (l/i0\\ Wraj. I. 277, 11. wcumnh

naam van een \'plant. — (cinia/n\'ria^s {ook niet Jierh. zie L. 203, 9.) iemand tot bedaren zoeken te brengen, troosten. — ivn-%artwtim\\ tot bedaren brengen; zijn adem tot bedaren brengen, adem scheppen. — (u (w tun •%\\ wat tot bedaren brengt, troost.

imrr^\\ KW. zva. — cun ort^ zva.

KN. te gelijk, zva. (kjïggt;\\ tegelijk te doen hebben. (iwr^xn^j (ui(ia u i ijjoa^/j\\

te gelijk te doen hebben.

o » OG)

(un ajt\\ N.; ffO) ï \\ K. ,

s

Sd. hiding}. — céinjis iZth iii\\ zwarten, zwart maken. — (miuidi ij im \\ i~rn lt;u im nrt an ft \\ maken

i vrjj^

O (?)

QD (M an w/i

dat iets zwart wordt. — lurtiutiv

s V^/I v_/l

onbeplant. w {of % )0 zwarte , d. i onbe-plante grond, van het rijstveld na den oogst, ijlèiinj)0 de tijd van \'t jaar, wanneer de velden onbeplant zijn.

-ri \\ kn. 1. kant, opstaande zijde; helling berg; het op zijn kant staan van iets {vrg. rjtjnrj rj^ri). 2. geleide. 3. het vierde gedeelte van een bouw. — (é!ni\\ hellen, schuins afloopen , afhellen; dalen, lager zijn, van de prijs; overhellen, overhangen, op zijde hellen; op zijde liggend, op de zijde; fig. overhellen , overneigen , van het hart; ook zva. cv) (unaSibjyj niet juist, bv. van

de verklaring van een woord; onzuiver, van het spreken van een taal. isr^ i?irjj overhellend,

d. i. loopend, cursief schrift, itm i?i isi$1 \\ overhellend Kawi, dat geen zuiver Kawi is} maar toch ook geen Djarwa. benaming van de cijfer

letter ó. ni ifi quot;$} \\ over en weer hellen lt;?ƒ op zijde liggen. cur^Sni\\ zva. (iirtmqs zich schikken naar, o. a. Waj. i, 417, 2. — ccn^ris kn., mnij KI-gt; begeleiden, vergezellen, tot eerbewijs of staatsie; ook, vooral in poëzie, zich

veel werk

zwart {vrg. i?n£i Ml. hit aii

voegen naar iemands verlangen, zich vereenigen met iemands meening {vrg. vlrtp en nnniq).

y-k j O Qv Qv Qv /• Ov O Ow )

Ook (L/nrniijim\\ of r i nun-yi en (immn nanr) J (J \' 1

ftjrnirnji\\ begeleiden, in een onbepaald en zin. tlt;n te) nixjii nh de stoet. — jprwrM (WP. 213, 3 v. o. begeleid, vergezelu worden. —

a Ox.

(cJ ni (i n \\ vergezellen. — tun •ri (in rj kh \\ (t/n nrrn rj a q

171 »/ XTit^ }{t1\\

rj m thm rj }ni \\ begeleiden. m •»nm rj uti \\ ook een persoon of goederen begeleiden, om te waken voor o nt vlug ting of ontvreemding; {ook iU\'rïtmij ku) op zijn kant ö/zijde leggen of zetten, aan zijn zijde hebben. — (M -ri\' m n arn \\ doen af hellen; de prijs doen dalen; schuinsch of hellend houden; een woord verdraaijen. (m /J in n ihni \\ pass. — félrtl \'rf«Sn zijdelings doelen of zinspelen op; zijdelings op het oog hebben , met de bedoeling dat die persoon iets hooren of vernemen zal. /ui (Si i£i éi \\

OOO O* O O Qv 1 •• 1

of (ia (ui (u n an \\ pass. (unn (in (m/js bezijden, de naaste plnats bezijden iemand of iets. iuhlt;uri (mrjrfj\\ aan zijn zijde. ooi. (Jietz.voor (KjI(ijïi ni i-i d-nj)\\ een zijde R.) Waarschijnlijk zva. (uinSSjts In het Mad. ook wel ry nji cm rj n -ii \\ vrg. de plaats. WP. 228,10v. 0. — (u urrïan00^\\ zijdelingsehe aanduiding of zinspeling. — oji 17? n gevolg; ook zaken , die een aanzienlijk persoon worden achterna gedragen of achteraan komen, 0 ij nt; ?. 7 u \\ (EA (Ui^ajicni nsu tu iu WP. 243,

11; wat nevens een pacht nog daarbij als toe-laag moet worden opgebracht. — ff miri tui 11 \\ naar een kant of zijde heen. am rj oji n i rj tui asii naar de oostkant gelegen.\'ndo /ary ^fin?

op eenige afstand ter zijden, bv. gaan zitten.

ojIi -rp kn., (Otjihn ki. de neus (kw. en Ml.

Skr. g r dn (t). — am wanji\\ zva. éi ■ ^ uioQ/js zie aid.

ayi^ni\\ kn. garnaal (kw. en Val. cut^ah ; vrg. ajn rj rjazn^ en iu rjarm(Hi/j). 0mihii\\ een kreeft. 0uiiryi\\ een groot soort van kreeft. 0i/ri(VL^l\\ benaming van een bijzonder soort van oorkrabben. — ojr^^hajij *rnKW. zva. am ojia.n^ hji\\\\ an (in/j\\Klf.

de duiker {een vogel); ook een wijze van tandakkeu op de wijs pëtoeng woeloeng, Rh.

iiyr^njis kn. diepte, van een wond of zweer gt; air^ oji cur^aji het zwart van de oogen {vrg. ajr^rr)lt;ur^\'-h en (unaji)\', ook zwart zien, stuursch; volg.


-ocr page 112-

38 (in^ TÏ \\

Rh. ooamp; een insect, dut zich in de mauggavrucht nestelt.

(uyri kn. ; lE\'jj\\ naam van een soort kleine muggen, lt;amp;! quot;yi (a^ $) \\ knorrig, misnoegd, uit zijn humeur. Zoo ook lEj rh •?)(iji^ni ■. knorren op of over.

(ur^ -ti v kw. zva. sloop. kn. ongevulde zak

voor een kussen; liet houten ligchaam v. d. kën-d a n g en de rand v. d. t ë r b a n g. n. in de spreektaal zva. 11^n\'i \\ {vrg. overdekte geut of waterleiding; (twee reijen troepen op een afstand van elkander G.)— z^e ïwijttm CH^UIS n]i^7N bedekken; iemand, bv. een gevangene, tusschen gewapeuden begeleiden. — (ui ot^ nr^\\ of oji benaming van pieken , die een voornaam Javaan nagedragen worden, wanneer hij in staatsie uitgaat.

ci . . . , .

rjdjïi t)n kW. zva. .vi d*ijnm \'rj y unnis kn. het

driehoekig vlechtwerk dat aan de beide zijden van trj ( v-j2 rj (hu 2 ui jnjj en ten hji hji njj huizen , met de punt aan de nok reikt en met de onderzijde aan de \'Ui (ti tui CP. — ij li rri \\ KW. zva iPn a5i onjj»— ij wrh if nm ni\\ kn. , (jff?ui(fji(EJjjj ki. iemand te

schande maken, door bespotting ten toon stel-

•« ^ o q rgt; .

len. — i);C7 quot;gt;7 ijdjTi ui\\ zva. foi ili\'ii\\

ij tuil yï \\ kn. beschroomd, bang, bevreesd; voor een persoon, dien men respecteren, ontzien moet. (bn im rj un ij mi nr\\ zonder schroom, zonder ontzag. K. 4, 48. — ij (ui ntrn bevreesd zijn voor, respecteren, ontzien, ijioi (hnjj of ^iijrn^n (cl(htjj pass. — (ui n mini\\ respect, ontzag, ontzag hebben. W.

.mi y \'^i \\ of ij M rj quot;T) \\ en rj i/ii ij -h if (Uil ij n \\ of y (ui *1 \'Vi ijiuirj ryi\\ l. kn. de afhelling of af hellende oever of kant van een rivier of ravijn; {vrg. uirri); y (ui \'7 rr iquot; 0f 7 ^ 7 n%* 7 m gt;N een ondergeschikte van een hoofdgoenoeng. — ij ei ij rn ij uii rj -rj \\ steil zijn, van berghellingen. —ij tui ij ^i \\ schuins alloopen; overhangen, overhellen; zich op zijde van ecu berg bevinden.

II. t) tun ij--risij (tri tj n een muziekaal geluid ge-

7 gs O o /7 . , O vO

ven, ov. iu(uitho\'ti {Jietz. als ojimrjni ^njj) ntn(Ul un

j, a/ o o n , ocV\'

oj nuajjthpn\'i agjj Ks. \\n en ook nu cm

m (fëi\\\\ \\\\ W. geeft op ij lt;cï ij -yi rj w nj -r» n naam eener

ghiding.

a*

ij un * m \\

Ov

ij (umnis kw. zva. rj run 2 thJiqw

tjfun 2^ nt 2 ^ kn. ; vjtun2 ij quot;h2vj(un inj •ri i\\ een soort van

krekel; het geluid daarvan.

Q- ... Qv rgt;

[Ut^iUii\\ poet. voor (im {o^(Hij w

Qv

un (o an ij \\ kw. zva. rj un ij n^n w un ij^YKCirj n) \\ kn. klein van gestalte. ww. »ƒ un 2 (»77 ni\\ zie bij tunniw

(ur^ n tvy nsn (mjj\\ de O r a n g - 0 e t a n g ? K. 19,3, ook in tegenstelling v. e. gezeten mensch, die een vaste woonplaats heeft, een boschmensch, woudbewoner P ün unjjn zie iiin mijj\\ tun un/j ^ Holl. haak, haakje aan de kraag v. e. buis; een oogje heet aci rj^i

quot;kw c:p-

O-

un un \\ kw. zva. tun un w

a . T

un uij \\ (Cï uij \\ en *71 vj un 2 uj \\ zie uy \\ 1.

o 00 a

un tun \\ tun un en cun n n \\ zie un w

tuiynpN.\', (u^uipn., ui un\\K., een kwart reaal, een

dertiendehalf uipK. zie bij oSI un iujj). ook zva.

cuh us* bij het tellen v. boontjes e. drg. O.P. —

rj un 1 nnjjs der tiendehal ven. .t/^ tjuni ijj iji rj \\

guinjes.

00 / / o 00

ij tun un n kw. zva. tuin^^ een, en tui zva. uiajivzs

een: vereenigd, zamen. {Skr. ék d). 0{iuit(Lvi\\ en

o ^ 1 . 1 o o

tui (tu^(tui \\ zva. un an tui ~/n asn\\ eensgezind, tirn tyr*

00 .

en tui un tyi \\ zva. luy rn tu tui uijj of uy m /11 un

tui(ui/j\\ eens willens, gelijkgezind. — iji:hun\\ tot

één brengen, 0~ui,ui\\ eenvormig maken. — rjasi

iuniuj.s zva. (invj (ujs iets alleen doen. 0(Cj tujjj\\

alleen bieden of dingen, zonder anderen daartoe de

gelegenheid te geven. \'

un ij un {\\ zie nrj un ^ w

O 7 . O O - . O ...

(ui^ un j ook iuy nn q \\ kn.; uj un { of ^1,(71 •;x poet. tui tiTjj i?ii 4 \\ k. aandringen, sterk aandringen, om een ander weg of achteruit te dring en, ook om iets te verkrijgen, tj un 2 aïh j \\ of rj tun 1 iun q \\ pass. te verdringen, of van zijn plaats te verkrijgen, en zoo ook fig., un nn/j0 onwrikbaar. — am iuh % tun tujj ini{\\ tegen elkander aandringen.

ij tun 2 ij un j \\ zie nrj u n j w cunun wjj\\ zie bij tuy\\ I.

tun rj un tmjj zie ij un 2 tinjj *

un ij i.mnn/js zie njuiutmjjs en bij tuip I.

tuiyj un2 iHyi\\ zie (uy uyw (Uij un N zi# ^ hn quot;gt;7 n\\


-ocr page 113-

}f I n gt;1 loi g ■

39

1 \'n I .uil \\

zva. hi on (vn toi\' kn. naam van een insect, dat tot teycngif

ion dienen. WW.

Ml MM Ar. y*.] , na, achter; latei\' {vrg. iun rj ioi n muf), wr ifj) tn ~m itn \\ later tijden; Je toekomende cenwc t-1 V1\'\'\' Jgt;1\' quot;s het is al in het laatste der dagen (de laatste eeuw), lun run i,\'ii -r) ij iwjj\\ latei\' in de toekomst. — ir.) iïn ni rj uv \\ later doen, o/tot later versehuiven.

mi ra min. het ontloken zijn van iloetnen (vrff. £ii(m\\ entihn). imhii\\ ontluiken, opengaan, van bloemknoppen; {ook zwellen, dik worden, v. d.

penis. Tj.)

O /

Qm] v klokken

lim hipKn. geklok, van een hen.

-r?\\ klokkende tot zich roepen.

£r))yum\\ jonge luis.

(ut)mi \\ — (ciitni\\ cgt;aj)M\\ de beenen wijd uit een

CY CV .

zetten, zva. wkii un % of (ainhinfns Men. Rh.

o CY o CY o CV , , j j

(in] i. n \\ kn. ; nm (Hi) (tyii h n \\ de kraag van een Javaanscne

i • * j o CY o CY o ■,

hus of vest. — ii;ntnt(un Hums van een kraag

voorzien; vrff. rj (nAianj^\\ op uj rr^w

sculptuur, snijwerk, door uitsnijding of graveren in hout of metaal. — figuren in hout of metaal snijden; graveren; beeldhouwen, thi K») \\ een Jig. vit druk king voor: de vader, vrg.

J i -ry jy , CV j, Q/ OS

t tr. I aut e u r. — ixjï^ om rgt;\'» oryj Of k n (uij am rn(Hijj\\ snijwerk, graveersel, beeldhouwwerk, nm )?n

\'quot;)Ty

^ Mijl n., ru tj mn li j .in^n k., ifc ^ rri ^n/j^ K. of ki.,

O CY ^ ■ Q/

lt;ut(La\\ Ki. gevest van een kris. — tjdjit uti^nnn/^s

lichaamsbouw, figuur van een mensch.

(vy i ii \\ kn. maat iets; liet meten; afgemeten; iemands toegemeten lot. ajr^uiis of inj n. mv. i7i de spreektaal alleen, slechts, maar (m f^k.).

kn. naar evenredigheid, met inachtneming van dé maat van iets. rjdJu.Ky ^ ^ iemand van weinig be-teekeuis?, vrg. bet. van K:ii\'rj(Lm\\—nieten, afmeten, (zie ook bij i.yi.rp. tü^in^cur^in^ naar evenredigheid doen , met iets de maat van iets anders in acht nemen. — iL^iini\'~n\\ afmeten, bepalen. — Wat tot meten gebruikt wordt; maatstaf, meetroede; middelmatig. ^ ihn\\ het landmeten.

v1/n 1,11 \\ kn. de voeten binnenwaarts gedraaid WW. ^\'tnrj ïo?\\ kn. — vjun rf wni\\ ingenomen zijn met, lelust zijn op. WW.

rj njn rj urn \\ Ml. staart.

(iamp;.nnrri\\ nminmis ar) }lt;n quot;n\\ C—.voi \\ he-

s c-- C-

naming van de klinkletters rm \\ enz.

dm ui) quot;n \\ kav. zva. asnasu\\ en f.j \\ kn. {verkort v.n\'~n\\), ook wel (i/ywifëialt;yj\\K., uitdrukking, die men bezigt; de stijl van een opstel; zin, volzin; ook zva. (uy imms bv. in (ur^ unnir^ti ïilofprijzing; lofgezang.

slordig, achteloos van kïeedipg. WW. ^«./ï»unj gew. rj (tit ttt/jofiw /u/j\\ Jr. iqr dr, kn. verklaring of belijdenis omtrent een zaak in regten.

(un {htijKn/j kw. zva. n rj tamp;i w

7,t^\\kn. — elkaar gedoken; mei

krommen rug, te M.

een gevlochten mand, een vuilnis-

mand.

(un ij uti rn .i,n/j\\ Jr. , kn. het toekomende leven,

het leven hier namaals, in tegenoverstelling van

TT ^

a.ci(mj)\\ quot;rg. mn un \\\\

V-r

ie i) uth irvw

un n^jj\\V

gt; , nr^ rujj \\ ijam .n \\

(lil [ut^ O} } tj \\ kw. zva. (VI I\' ll -iaw

i/n f i/j\\ KW. zva. mi orjy^w

rj (uil ij of oytun rjhia^ftii/isKX. — rjojnrj

0f s een uitdruk

king voor een kleine afstand, zie rj(ljii tj an/j\\

vntij^sgew. lun iw^niriji^ Jr. i , nader, naaste;

kn. naverwanten , naaste bloedverwanten.

oY\' .... o

(un (Kti un ij tui mi/j zie bij (Lil un n i/js

(un (Hii \'i\' H/Js kn. klanknabootsend woord van het geluid

]ij\\, lift,, hft! bij het lachen \\ en van het geschuifel

of geblaas van slangen {vrg. uv hli i. njj). —ca hii

iioi/js dat geluid maken; met dat geluid lachen,

schateren j schuifelen. — (ui in mi nnjjs geschater;

geschuifel.

lun (hii ;i^\\KN. agaat.

dm uii irrijis kn. klanknabootsend woord van het geluid hi, lii, hi! — ^ii?nilt;nj^\\ met dat geluid lachen {vrg. (un un inyj en ijuv yyun iin/j).

iiy^(ui^(uiijj\\ zie bij .uiy\'tps

rj (un ij /. // i.njix kn. klanknabootsend woord van het geluid hè, hè, hè! {vrg. nyn inuunjj en uruun uii/j). — rjazt if i.nunji^ met dat geluid lachen.


-ocr page 114-

40 (un ri nTi (Kil foiyi \\

(unij khrm(isnjj\\ Ar. ^CVq^ . waarheid, de 2de trap vau godsdienstige ontwikkeling, waartoe zicli een mohammedaan verheft. Zie asn ri -r»

na) (isnji \\

(tmiün(LOjis zie (3^i(unxaj^\\

aSihnnmji^ 1. KW. zva. tbiivus hand, koord, en mil cm(biijj\\ zamenstel, opstel, gedicht; 2. KN., dn vj\\\\ KI. hoofddoek, zoaals de Javanen die drayen voor

een tulhand {Ptrs. gt; tulband; vrg. (w i-mm/js

(P) o O v o O r -) O

ajr^\'tjj \\ en tut m tu/j). —(Lnunnsn/j of ibi n tai ihiyj

KW. zva. mi cm iv,iijj\\ een werk zamenstellen, opstellen; dichten; ooyt binden, zamenbinden. loinjhitfn

nsn/jsKN. zva. nai ^ irgt;ig an v geboeid, gekneveld. —

c» O o O o ^ y o . j

(Ut hïi it,n ^jn h n dsn n kn., wi nn tyin ki. iemand een

^ Oio

hoofddoek omdoen. — (ttn mi ani onjj of un thi «i/j

ün zich een hoofddoek omdoen; een

hoofddoek om hebben.

(uil viji isujj\\ KN. de voorhuid. «5» ij cm z uii ^ unjj \\ onbesneden. 2. — tm\\ nemen, wegnemen, zich toeëigenen; vrg. (ui i. yasn/jw

ij un fm dnyi \\ ongehr. {eig. zva. uh (isiyj ?). rj hji uo

O

nsii/jsKW. vijftig.—vj i:in iai (trnjis elk of ieder vijftig. r^curi mi bij vijftigen. — lUirj^ ioi .bnji^ een ambtenaar van een rang beneden een (ui

lij q\\ Zie hij rjiun v^w

un lt;137j m\\ zva. un asn m\\ G. (S/cr, ék at dna t aandachtig, op één punt zijn volle opmerkzaamheid rigtende).

O/^quot; . , Q Ct S i J i amp; S

irn ifëJMJiN oo/c wel un {un -wi \\ verbasterd (lh n en

iQi hïi itvi \\ Ar. KN. vrije wil v. iemand, die zich

niet door hartstogten laat verleiden. Palm v. d. B.

kiezen , bedenken , bezinnen; een middel verzinnen,

ot/t zich of iemand te helpen (Ar.

(éi ig^Lut rn \\ een middel verzinnen tegen of op.—

aPiTjjw\\ laten kiezen; voor iemand iets

er op verzinnen j iets als middel aanwenden of

besteden tot iets.

(unnoiJXs en \'ncunimi Jaskw. zva. rt/i «57/n oog ; het ge-

zigt {Skr. axi. oog, ixa, zien).— nnwnJi.s en

Ci . O jt O

riiUiun-yi^ zien. — mj un mi _y*\\ of un ij un mi

o /. n

en hïi un-si.\\ of if un un ^i\\zva. unrj asn2 (io/j\\ — lyij

O - O n /•

(Ui(un _b».\\ 0/ uij 7 \'f \'un zien. — (ui un (un ^\\ of (ui ij (ui (un het zien, het gezigt.

(un inKMjjs KW. zva. lunvjasiiïM/i en iin uiiWKN. 1. dik, niet waterig; zoo ook stijf, niet uiiQijijj\\ hv.

i n un (ui \\

v. gekookte rijst, Rh. 2. vlug van leden en beweging. WW. volg Bh. eig.: stevig van leden. (im un .ui\\ of un ui \\ kw. zva. un oji (un ui \\ en nui uti (un/j {Skr. dkdsja, de aether, lucht, dampkring, van k d sj a . schijnen. Een ander iuum v zie heneden). iUi un (ui \\ de zeven hemelen. !uh (un un a^i \\ in den hemel. — nii undJis naar den hemel.

iun un ^.ruuin/i \\ zie (un un rj \\\\

tun^A.\'n kn. , ook wel ,un un (uyj en k.,

een letter van het Alphabet; de letteren (^r. axara). (u^ tzïjj flv.7 !jh (un (un ^A.ryi \\ volleerd in deletteren. n(un {of rj ifn2)unkw. zva. ajiM^mnw (un un\\K.W. zva. un (Ul ni \\ vergiffenis {Skr. xamd). — ui un (Ui \\ zva. cm u^\'n\\ — (ui nci un ^a. (Eji \\ zva.

(Ul Ul (L^ TIW

(lw ij uj) q \\ zie 7j mi { n\\

■uh (Ni Jh(loi (uifi\\ kw. een afkeer van iets hebben. uiuunn.ijis kn. overleg, beleid, vernuft, schrandere vond , list, vernuftig middel; schrander, listig ; schranderheid; gezond verstand {Ar. tun

un if ir^ miiS^rjoAJi\\ hoe legt men dat aan P wat middel is daarop? un un rui i m \\ goochelarij, itï iun iui sn un rujis met overleg, schranderheid of list zijn best doen, het er op toeleggen. — (uiun rujj\\ schrander zijn. (ui un tui~jn fun\\ iets met list of overleg behandelen. — .ui lai\'n^i\\ helisten, door een list verstrikken; ergens iets op uitvinden; list gebruiken tot, met list zoeken te krijgen, «un otm ~jn un i^jis met listige middelen zoeken te verkrijgen.

uni?nnif^\\ kn. verstandig, van een kind, dat toont reeds een goed oordeel te hebben; meerderjarig . huwbaar, van een meisje (Ar. . un iun rLï\'rjf m

cYYij^s verbasterd un un im tj rui irriji \\ meerderjarig, meerderjarigheid, van een jonge y hij de Javanen, volgens het Moh. regt, met vijftien jaar {Ar.

sJU (Jilc)-

O O . ,

unin^ru/fs kn. uiur^iu/j iemand voor min

houden, met minachting behandelen ; de baas

spelen.

O

un un 2 ru j \\ zie ij un z ru/j \\

uii un rufl\\ kn. windsel garen, (uiun un rmeen windsel. — il i.n n^jj winden, opwinden, ophas-pelen; opgeheven in de hand ronddraaijen, bv. een wapentuig, of persoon , vóór dat men hem.


-ocr page 115-

41

O cisr^ hu

b a n t i n g\' t; een lans drillen; een zaak verdraaijen. 0iv.t)rrt\\ of 0(i:n.i\'ni(K)fHTji\\ voor door verdraaijing bedrieglijk redeneren. — (Sli mi ru ijii kii ri* hll try wji\\ of (ui (W ifn tri^i anjj\\ iets om op te winden; een haspel.

(un fnitiip KW. zva. onam/j worstelen; ki. haarwrong; zie bij rmvry\\ 11. een krol, 0tuiwi een mooije ronde krul, Rh. volt/. CS. öatikselvoor een (vnïniiuiyiirtjjjs kn. liet haar in een wrong opmaken, WW. het haar om de hand winden, hij een vechtpartij gt; zie lt;uijirj\\ — xyawin^ n uns een zaak verdraaijen {yrg. m un TUjjs bij tuliunrujj).

KW. zva. Ar. zva. ii£ ww/j

WW.

irjojnrj uii ru/js 1. KN. wangunstig. WW. 2. rj un rjimi ijiujnr^Kii.ruj^s kn. kort en eenigzins dik v. gestalte, WW.

nj(L7iitjimi(ruiji\\ kn. met de schouders tegen elkander stooten ; gespierd, sterk. — rj iu)2rjasmrv)jj\\ iemand met de schouder stooten; sterk zijn. — y

Tj IU)11 ÏJ }()) l fj TLt -Jï) 2 ïj Kil 2 TL/ quot; ZVtt. Tj d/n Z ïj (Uil Z

.mjis

ij un i rj IflHHiijj\\ KN. ; tj un z rj frn ij tni ^rii z TJ wi hu/j \\

naam van een Sétan; zie bij i,h irn unjis am untm ~jri ifn irrijj\\ klanknabootsing van het ver-wrikken van ledematen, zooals bij het tandak ken zie en) dei tb ?

rj (im mi irutvt (hv \\ kw. zva. njtav iSiw

a , . ...

lununajiji of ij njn wwjj\\ Ar. kn. zuiver, rem, zuiverheid , reinheid, opregte gezindheid , van het hart, als het aan niets anders denkt of geen bijoogmerken heeft {Ar. ook zva. rj r.nz tn (Hi^tu ruw miEi^w/j0 tot rust gekomen; ergens m berusten , er niet meer aan denken. — aP) uyidjij^s eeu zuiver oogmerk hebben. — (Syn m ^arj Kï] \\ zuiver maken, zuiver te voorschijn brengen; zyn hart zuiver houden, geen bijoogmerken voeden, alleen zuivere bedoelingen hebben; uit zijn gedachten zetten , volledige afstand doen van.

(W Whiijcun iu/js zie w kh rtunt n.i^

(iyntoiiijiji\\ kn. wat men van een cigaar oi\' pijp in de mond neemt om te trekken, of ajlvn fw (u miji\\ mondstuk v. e. fait. dzi uri (u^ aan een cigaar of pijp trekken ; volg. Rh. bepaald een cigaar met het brandend eind in den mond nemen en zoo aanblazen , de wijze nt. waarop bedienden voor hunne meesters cigaren aansteken.

kn. 1. reukwerk; 2. een buikband van galon of zijde, bij de dienstkleeding over de gordel gedragen.— met reukwerk berooken of

met bloemen bestrooijen of met iets anders ? zoo in Rs. i u ip if (Hi ij (ie) (ui hi^ oji jy^ojI (Mjj \\ ook iets als wierook branden. CS. {een ander zie bij iirr^ (ui/j\\) ■— (iïJj uy (ui Si\\ hetz. — (ui(ur^hij (u) (nyj of (uidrj i.r^ (ui^i(Hifj\\ een mand die bij het berooken van kleêren gebruikt wordt.

^r\' gt; oogen, de oogen.

(uh.jen(uiamjjs Ar. hiikajat, verhaal, ge

schiedenis.

(urlj ,rrlj ^yj 0f rlt;7lj ^JIN • kn. het (Moham-

medaansche) regt; het geregt, vooral het priesterlijk geregt; gerigt, vonnis, straf.

het geregt van de Soerambi. 0nhunKyjs doodvonnis. — straffen. — ^ \' ^equot; rogten, vonnissen; ook achten, voor iets houden.— (urh uïji j£j (Hyi n de straf die een gevonnisde ondergaat. — (ur^ icrj^ Ti ^ (^e i\'ogten, de regts-bepalingen.— (iji rim/j\\ vonnis, straf. 0im an !hi^\\ lijfstraf. — (ij) ay m ?^\\ strafplaats. ajr^ uij iM j \\ zie firj mi {w

(i/riinj(isiijj of hvijjjAr. i^i^y kn. wijsheid;

wonderkracht van een talisman of geneesmiddel, ij d/n z nn (v:ryi\\ — rj (un z mi ij (un ~/ri 2 (hu irnjj\\ bladschede van rëmboeloeng en aren.

. \' CJv

(Lii(U}i\\ kw. zva. en ivn unw

tunuus kn. dor, droog; verdorren, verflenzen {vrg. omquot; n). — ai Htnvnvj hïis iets droog maken, droogen.

(lvicr^ zie uyw

kn. klanknabootsend woord van het lang en helder geluid van een tortelduif, in tegenstelling van iiyr^Hiyni/js dof geluid. — ay hi^ \\ zulk een geluid maken of daarnaar gelijken.

(uil (ici \\ kw. zva. (Liiinnriji en KN. voor

val, gebeurtenis , iets wat plaats heeft {Ml. a da,

. CJ». O . i

zva. uil an \\ vrg. (ini ici\\). (tn axi tuj Obii (in lt;amp;: lt;ui \\ regel of beginsel om te handelen voor den Javaan in zeden en gewoonten. — (un (in(lti (ia \\ het (uit oude gedichten ontleende) gezang van den Wajangver-


-ocr page 116-

llT

42

tooner, als hij een pop op het tooncel brengt; oo/c zva. (k/i(in\\ stengel, bv. lti .w liim uj ij^ iq föyiijjh Among. T. 1871 , 62, 5 v. o. — (O zei (lti no \\ overeind staan, van het hoofdhaar en de oogharen; en zicli Loos maken, razend boos worden. Zoo ook fin ajt (ia (trn zn \\ — it i ukiq (ijniia\\ poët. hfitz,mm rpj kw. in orde brengen; kn, iets voordoen , liet eerst beginnen; wj. zich laten gelegen zijn aan. — (im wnn/j\\ kw. zva. (vi ui asnji en ifl ui iTii w Zie ook bij r.n ui nnjj en

mi\\ i. kw. kn., ook wel rj uri ia\\ (ook ijiimjjjn kw.) , uitmuntend, buitengemeen ; fraai ; schoon {zva. (Wj.Ói^ en (Qiti?ihm^\\ Skr. ddi, uitmuntend, de of liet eerste, en adi . opper-m s telling en) j ook naam van de tweede Windoe. (tmxn ujnmh[js de eerste, of het schoonste, der aarde, betiteling van de vorstelijke residenties te Soerakarta en Djokjakarta. quot;IcJ-^ trotsch op zijn bekwaamheid. 0 ,^N trotsch op zijn grootheid, hoogmoed. 0(rn\\ trots op zijn lichaamskracht of gezondheid. 0ini\\ kw. zva. iviii(Kj)iKi\\ {Skr. adi /cdr a f oppergezag, (u (isn in uu m \\ kn. benaming van een bijzonder fatsoen van, zadelblad. 0wiam\\ kw. zva. iuinjjs gevecht, en slagveld. (i/ti ui lui (un \\ of im ia lui ,tii\\ oudste Wijze {uit (untui en lui .ih \\ zie aid.) hiernaar wordt genoemd een tijdvak van de oude mytiscJie geschiedenis van Java. un iia (Ui un \\ n. opperregent, opperlanuvoogd {Skr. a dip at ï). {Oj^axi u ibti \\ of (oj^ (W (Ui i^jjj \\ kw. de adelijken, de adel; wordt verkl. door tui rn uy l ? rn \\\\ ri rj (ia ui ,i?i iui ui \\ titel van den Rijksbestierder (Grootvizier) te Soerakarta en Djokjakarta. (ui n l:i m :in ~/n 10 (ui iui \\ een meer v ors tel ij k e titel, die aan Prinsen van hoog aanzien verleend, en ook gevoerd wordt door de regerende F rins en Mangkoe-nagara en

Fakoe-alam. 0titel van den Kroon-

quot;gt; o o o . ,

prins. — (un mi (un ki \\ zva. ru^ ui; in % \\ en zicJi

veel laten voorstaan; trotsch, hoogmoedig. —

(in .l?i i/il ixi \\ kn., ook wel (Cl Tj UI l :U) „II Ij ICI l ilJIJI\\ k. ,

hetz. en zva. iun xh un \\ versieren. — ij ia nu ~jji

ij Kii \\ zva. (uy rr^ rijirjifiiw Een ander zie bij tj tia \\

t quot;»

1. — niiiui (u if (i5ruinji\\ n., luin^uiinji^i ii .hiidnjfs k., het hof of liet gebied van een Pangeran-adipati, inzonderheid van den Kroonprins. ^ mia?^ en 0(ui\') ij uil ij ia\\ van hier af te beginnen. — ei (hii in\\ kw. tot eerste, tot voorganger hebbende.

Mi

TT

II. zva. (lhurn \\

C-

(uii (lc^ \\ n ., (uni r.n .iajj\\ k., tegenover iets of iemand anders; gevecht, strijd, twist; ingrediënt bij andere ingrediënten in een mengsel bv. van reukwerk of kruiderijen, en daar de sirih meégemengd wordt. bijmengsel {i ^(ui(L,ii^A.(unxc^rj^\\ W.I. 35, 3). mi (Uh i jn^hii^ met de punten tegen elkander, (uiku^ (i/n(ut(uifj\\ n.; un un an ik \\ k. met het front, tegenover elkander. 0(iiAt iun {het middelpunt raken. (un xrj t i izin \\ een wijze van den hoofddoek ie dragen. — urn in un \\ n/n un (hn ^n un (Hijj een gevecht als schouwspel, zooals een tijger- of buffelgevecht. — liir^\\ of ui(irjj\\ en (uutm(injj\\ tegenover een ander plaatsen om te laten vechten; tegen elkander laten vechten , strijden , kampen of pleiten ; aanhitsen , opstoken om te strijden ; met een ander {bv. met een meisje) in kennis brengen.

ij ni2\\ hanen laten vechten; hanegevecht. 0iJi /3■ n •gt; kömiri-noten om een weddenscliap tegen elkander slaan. 0un nj)q {of un axi cm un (ht/J^), zijn krachten tegen elkander meten. 0ihii trij un ij tjnid\\ iemandy met wien men een geschil heeft) tegenover een derde stellen. — ait(tc^un(tx^\\ (uiurn un -jn urn tegen elkander opstoken of aanhitsen ;

tot zijn vermaak of schouwspel laten vechten;

, o O o

ook zva. un uj d/n ir^w in rj ia? u(j\\ unum uj\\

iets betwisten aan; als ingrediënt in een mengsel

doen; zamenvoegen , verbinden. — ui ij dm an ju

ij ia i /y n ui un an ^n urn ijj \\ aanhitsen , opstoken ;

partijen tegen elkander verhoören. — un tjiini .injj\\

s~\\

(Lniun(LOiHijj\\ wat men laat vechten , ook zamen vechten om iets, bv. ult;)jnmt0\\ een vechthaan; ook fig. een voorvechter, Rh — unijnxnan^nij \'ij (ixid an fj\\ un un im ~/n un Kjin/j\\ een tijgergevecht; un .i :n (in ~jn un anjj K. voeg of voegen, bv. van een kist\', kn. toebereid beslag of deeg, om iets van te bakken ; ook benaming van een bijzonder soort van beslag. uiuiic^s ui ui un unjj gt; subst. den: ook pleidooi en pleitbezorger. — ui urtnx^uii^ ui ui I\'m m ^n (trn injj \\ opstokerij, twiststokerij. — ui an rj (in2 nnjj \\ ui ui un tuj (injj \\ strijdperk , vecht-plaats; waar men beesten laat vechten; pleitzaal,


-ocr page 117-

43

O

Y (im iU i \\

O O (L71(U}\\

balie- êw BagUen een vertrekje waarin men eau jonge eeu nacht laat slapen met een dansmeid, die dan rapporteren moet of hij al huwbaar is. — ^ lt;u MiSitoijs twist, geschil, krakeel; rede, redenatie, een redeneren, twist oƒ geschil hebben, cui

O - ^ O

TicLi icj^ of tum tui enDojj een

regtsgeding of proces hebben met een ander, een proces voeren. (uiiUjajini {of tunl) njizr^s (ukQi

{of (ui fi) (uikn (HJjl\\ reciproque vorm. —

... /. o Do

ithin\\ twisten om of over.—jurf nmiei:crn^\\

betwisten, bestrijden, tegenspreken, weerleggen, zicli verantwoorden. — rj axii un ^ kh \\ lt;tir:n (Kj.Qhhtji^ over iets , bv. onderhandelen,

onderhandelen voor. (ui i^u}Z(hi^\\ n., mi cn^ anjjs k. iets om over te twisten of te redeneren, in (t^(ut tj (ia 2 cm/i \\ ^ in lo iu tvrn nj (Hyj\\ dit is niet om over te praten, dat is geen raison ; {uirj ij iaiwji of (0)(u tjcLmMi/jyW.) regtsgeding, met een ander of met elkander geschil voeren ; verder onderhandeling , met een ander of met elkander onderhandelen; iemand om mee te kunnen onderhandelen ; ook iUDiiim(hnjj\\ kn. hoek van twee tegen elkander komende lijnen of zijden, öv. van de oogen of lippen, de binnenhoek van een huis, dé puntv. e. kleed; zva. ij ivu 1amp;2 jw/jw — ibi rj (in 2 ihi\\ de

hoeken v. sawahs beploegen ? SG.

■ 00 ... 00 I (tv (Uj n zie bij i\\jr) ,ict orjjj \\

I 0 O

IrtTWiujvKN., h//^nKI., spog, speeksel; spuwen {vrg.

(i/ntfip. mi\\ kn. een achtste van een bouw. w

() O j. •• o

lt;h ii ij (Kn 2 gt; li n «O) ? ^ ij mil \\ voor een spotprijs, nm (in

iuri\\ óf (icjj i:n \\ en verbasterd (rriiU^ rood spog,

sirih-speeksel. spuwen. oJn amp;n(ic^ i:n \\ met

sirih-speeksel bespuwen.

(UI 7) IXI f KJ \\ UI Ij flO) 2 J

bespuwen. — wi an uh \\ met sirih-speeksel bespuwen, ook daarmee iets rood maken.— (uajii {of lt;ut iu) ij ui 2 anji iu h n ij jjj 2 4 .wi np/j \\ kwispeldoor. l^dONKw. water, G. {Skr. 0 eda, vry. cuiyicuiftt \\)\\ en zva. aj^mw kn. in de spreektaal zva. aj^(ia\\ zich naakt uitkleeden. iur^(ui • r) (m\\ ook wel 071N kn. benaming van een soort van gebatikt.— i^.iod/jjnon kn. naar iets raden {Skr. oéha); en zich matigenj inhouden; matig. — :ujantui^(ia\\ matigen. — matigheid. — tnjjs zie

heneden.

{misschien hetz. als (ur^(uln) kn. ta\\ zva.

iUiiHti~iA\\ sterk op iets aandringen, dringend vragen of verzoeken, met iets volhouden ?— tun ir^ ei (Ui (isY^ q \\ iem. naar het leven staan, CS.— luiontins subsi. den. ook volharding bij iets; aanhoudende zorg voor iets.

o . a t

77 njit (k\\ \\ zie iun tin gt; 1.

quot;)

d/nnci^nKW. zva. u» fj^tuw o

(uii iia zie iun (ia j \\

/ƒ (uiuuifs 1. kw. kn. verschil, onderscheid; iets anders {vrg. tj un(iaen rj.un uis); 2. tj un ia of (i?ii ui j Ar. \'i d cl a h, kn . uitstel van drie maanden en tien dagen, die een van haar man gescheiden vrouw moet wachten, vóórdat zij hertrouwen mag. — rj ut iUi gt;(un ijitm\\ onderscheiden; en een huwelijk tot mi drie maanden en tien dagen uitstellen ; ook wel iets anders zoo lang uitstellen en het uithouden , zva. (d Hj ? iun 1,11 w

O , O

ia uil iiij \\ zie w hj \\\\ ^

(Uil \'Ui ui uj \\ kn. de slagaders aan weerszijden van den hals. WW.

(LH.uiihtjs 1. Ar. kn. ile aankondiging van het

uur van een gebed; het begin van een gebed. — 2. kw. zie bij un ui\\ en uicuijjs iciaxiinx kn. het uur van een gebed aankondigen {vrg. ui itlt;- ijjw een ander zie bij un xci \\ en ui an/j).

(uti ij icn (in/js zie bij (unices en ij im iajjs (uii lt;ut inji\\ kn. drukking of persing bij ontlasting , of van een barende vrouw {vrg. aji^ vi(vgt;iijj\\).— kniri (mjj\\ drukken, persen.

O quot;gt;

(uniWanjj\\ kw. zva. on thiw

(uliiUi(ifijj of urma kn. toestemming, vergunning, verlof, agreatie, van een hoog er geplaatste {Ar. i d 11); ook zva. tui i^n n \\ en iui ij ui i ^\\ zegenende goedkeuringj zegen.

ii/i^in :in^\\ N., a^njj^ en gew. us ui ^ n K., te: rj (Ui2%\\ poet., regen; regenen. — (uil iin un ^Jij. (un onjj \\ iKus (uiq\\ in de regen gaan staan voor pleizier of om een regenbad te nemen; in deze het. volg. Rh. cuii ui ^ iUfJ\\x maar (ui^ aa an ui .ilt;i /j regen -achtig v. h. weder. irjxci hjs (uin m Vjjiuti \\ un T.ni ui q un \\ regenen op, beregenen, ook v.e. regen v. pijlen. ij2(uiiuj(Hi/j\\ i.n 1«.t j% un anjj\\ fin ii*siui{(un(irijj\\ beregend, door de regen overvallen of nat geworden; in de regen bv. op weg zijn. — (Wtui iii\'»! Kn \\ (un i m ui {(un tini (injj\\ doen of laten


-ocr page 118-

lil

rri$h[ihj)/j\\

44

TV\'T

regenen, met iets, Iv. met bloemen, regenen. «:ï ?i» m (ui Hjrj kh \\ in de regen zetten of laten staan. — (in :m (iet uj iin^j\\ naam van een corps pradjoerits in de Kraton te Soerakarta. mil zie aj^dCYMi^

ij \\\'niici (hn^ poet. ij £gt;i ,ut lt;k7^\\kn. gek, zot, krankzinnig {vrff. ij im in ifn iji^ injj\\ oude gek. ijnjn

Ki ij an ~jn .?u \\ bij tnsschenpoozen krankzinnig. — rq (K)tin (hn/j\\ zich opzettelijk als gek of krankzinnig gedragen. — gt;7»??iavfj\\ iemand gek, verzot, verliefd maken. rj uh xo igt;j tm/j\\ verzot. — gt;ƒ 177 (icnin ij tj toi \\ voor een gek houden q/1 voor gek verklaren. •— ^ run (in ij w onj}\' een weinig gekrenkt

v. geestvermogens, Rh.j een troep hansworsten in de bruiloftsstoet van een bloedverwant van den Vorst.

- ci/r^ (ia \'Uj \\ ook (uï^ (in x/ti n k w. en Bantamsch) zva. (V) (Ki en n:i gt; \\ (vry. uyyun (Hjjjs). (in tto

en KI. zva. m; ojh \\ en iyujKuyw (ur^ciaKW. zva. ij\\yn?u\\ aan iets denken, zicli

herinneren {vrg. (uiyiaiHj.\\).

00 / 0 o

(uv ixy gew. .vmii^KW., (uilt;in\\ k. , zva. r/^ ^\\

berg {Skr. adrï). ut on Ju^ \\ zie bij (uithnw (óh iU)\\ kn. omtrek; en met eetwaren bij de .huizen rondgaan om die te verkoopen. — \'uLi\\ rondloopen , lanterfanten. — !ipKio^n\\ omringen, omgeven; iets omwandelen, omrijden, omloopen, omtrekken, ook bep. om een huis of saw ah met wierook, ter

bezwering der booze geesten, SG. ihvcld {ij ini\\ of

o» CY oCy j, aCY o

(tit)) (iaTi pass. — (iniet n ^ ut)\\ of 1;;(ia 11/n

CY

iici\'iirjr{v\\ rondleiden, rondloopen of rondstappen met.— (uncui-n (mji\\ rondreizend of rondtrekkend persoon (vrg. iur^ irri (Ln (m/js en rj tui m \\); bij de huizen rondgevent goed; omloop, kreits; in llêm-

bang heeten de sawah\'s in gemeen bezit

O\'

m T) (Hin \\

(uïj^irjjs kn. 1. twist om gelijk te willen hebben. — ?m(inn kw. redetwisten, woordewisselen. G. — vn,

liil

axjit/ rj*lt;11 \\ kn. een laten disputeren. — ajrj^ met een ander ö/met elkander disputeren of kibbelen. 2. n7i ilj\\ zijn hoofd helpen

in den sawah-arbeid. SG.

O (?)

(LijiUinris kw. zva. •D) un \\ {Skr. 0 e da r a), ook xa n eu (inni\\ {Skr. dard, de uterus, moederschoot). Een ander ui rr) \\ en hji t) \\ zie beneden. •— cea vy tui \'ti \\ zva. rfiihyi\\ zwanger, zwanger worden ; ook \\ naam van een corps pradjoerits van den Vorst te Soerakarta. vjxuïj wni\\ of(i ^(iani\\zie beneden.

ii

arn toi-iV quot;f rquot;\'%r:lfl\'y Ar- • ei\'jn-van Ile\'

noch in de koran en hij de Mohammedanen, d/r^{o^qji\\ of (Ut^[AQaiti(ui\\kw. zva. nsncci(tjyjs (hiiéi

(Mjl en (ui lij i?i w/j\\ Vrg. ^ nji 2 ym ioq(Kji \\ fumc^oJifKKin (ui\\ naam van een tooverformulier om ||

zich onzigtbaar te maken {Skr. adr ë sjjasddana. B .

middel om zich onzigtbaar te maken. pk).

verkeerde spelling voor ij x/m (thn.wp I

o OO

mn (ui T) (iamp;\\ kw. zva. nut iti (U^ ni ani tj dJi \\

(ijij (u^(rnji \\ kn. worstelen door elkander heen en weer |i

te trekken. — ivntu^cm -ji^ ^orj zoo met elk- I

ander worstelen, worsteling. Vrg. (tn(u^myjs

rjxyiii i^ix^icriyi\\ kn. 1. zware draf. 3. ee7i soort H

boor. WW.

(utku^s kn. drang, sterke aandrang; dringend of sterk 8 verlangen; ihv eiquot;ajn mi \\ sterke aandrang van het I hart: {ook voor nieuwsgierigheid. G.). — (iwiu^ 1 sterke aandrang of sterk verlangen gevoelen. (un(uiHiiji kn. hoogmoedig, trotsch {misschien het- I zelfde woord als (uiaw/j in de Voluntaüef). tSi fe {of in)(ui volstrekt gelijk willen hebben.— ^

dn tui utijj\\ zich trotscli gedragen, willekeurig hande-

O • ■

len.—vn (ui un \\ hoogmoedig, trotscli beliandelen.

W. I. 202, 10.

o an - o O „„ o

i/rj (iauw/j (un(in ilt;rijj of n/ma ern^/js kn. ; ■

enz., met de voet (of poot W.P. 362, 6 v. 0.) I

op iets treden of trappen; vertrappen. xpKuiinyS I

iuiyj\\ iets, zooals een geplant boompje, met de amp;

voet vasttrappen. ij un (in .hn/j\\ enz. bij ongeluk ge- ■

. , ci O ^ o „I

trapt worden, ki(ui im\\ mv. — ^ (u(ui unji\\ k\\v. ffii

zva. (uiicyn^ kn. 1. met de voeten op iets treden;

8. cuuui unji n of irti ia un/j \\ een pi on in het schaak-

, , , O o o o ,

spel {Ar. £(jjM ün (bi *1 (Li tui unqs een soort van

këmiri-noten, die men om een weddenschap op

elkander ligt en dan met een hamertje er op slaat.—

cla(Qi^fjjuijj\\ volg. Rh. ook K. v. uii (Sniw ojuit

(ui(uiiHnji\\ een gemeen mensch. ojkui un Stiam

(tfljjhüjjs iemand van het laagste gemeen. — tliw

(uiij^\\ op iets trappen. iun (u(ui uiijjs pass. — m

(S(Ui uwjl\\ een trap met de voet.

(urjwun kw. zva. (üri(ujjj\\ volgens de Dasa-n\'avna

water dat zich in een kom bevindt (5£r. o* )

I

hr

■ d/n iu) i

ge

W(

IT

■ 7,.7

mt

\' \'ii

din

. \' j ■

v\\

11

st

d\'


-ocr page 119-

tem iui tai ■ gt; I *

46

y i

zie bij lunnhw

n.^noMiui^fsK., naar gissing, op | het oog, ongeveer. (^rg. utmniis). — iKi(ui,nii-n\\ «yiwinniviMJI^ ten naasten bij met het gezigt | schatteu of oj) het oog bepalen. ■ zie iWj na gt;ni rn \\\\

mLni3(Lnij\\KN. sterke draaijiug, zooals vaneen tol. Üiuhuy^ eterk draaijen of roaddrauijen 1 (to p gieren, van een sterke wind. G-. (Vrg. ié* axxtaj) M(un(Uiiwj)\\^- het waaijeu van de wind.—^tiuiiajj\\ | waaijeu. —gaan waaijeu, opsteken, {vrg

■ iQiQiuyi^). — «Sao ifïxbewaaijen, Waj. I, 75 , 6

I curj}\'iclaxyi^ 00^ we^ lLnllcl

rooken; ook wat gerookt wordt, tabak? i7i lis. cunritim nufi w foi) tlrj uiiz(L^iicjj(uijj\\ rooktabak {grondv. lt;i^ (ia/j\\).— iquot;!(tc^da/jsaji a-ji (M/j\\ iets rooken. — ic^tul\\ te rooken geven aan. — tai\\

(wij !k/) mi) \\ iets te rooken geven, laten i rooken. — an/js wat gerookt wordt, de

j tabak. — vni (ui imjj gt; of üi (Uj ui thnjj \\ k n ., uiiun of tu n afi/j\\ ki. amfioenpijp.

H ijmn i ij iici idcij) of if (Lm 2 rj (in i tuiyj \\ kn. het ergens uit-[ komen, uitsteken , uithangen van iets, zooals van een uitstekende pin. ijcun 2 ^ xa 2 (Sii thn ili oji/js het uitstooten van de adem. —y w 2 rj tim aa/j of if w 2 vjiw2 nsrijj\\ uitkomen , uitsteken, zooals van de klauwen van een tijger; uitschieten, zooals van de tanden, ook v. een hoorn; ook uitschieten, zoodat ieta langer wordt.

id^itodon kw. zva. (fJi mi \\ {Skr. oedadi).

■ (LVMihijjjs ook wel mi (ia (L,njj\\ kn. gewoonte, gebruik;

oud gebruik; tot gewoonte hebben, gewoon zijn; gewoonlijk, in zwang {Ar. i\'jlx)- I;quot; to tj gewoonlijk. iyndo(btvni\'iai2cmn\\ gebruikelijke gewoonte, doorgaand gebruik. — (uiaa itfli uryis gewoonte , gebruik.

\'utjl\'ulltbyis z™ lt;urli\'ulla£JI^

fjn/n2rj(ia2 \\ zie rj run? rj xm axins o

1/« «o \\ kw. zva. (K^ rj tn n \\ {Skr ddit g a).

ook 0iü!-iuipi\\ kn. venkel, Foeniculum vulgare, Grtu. Nat. fam. der Umbelliferae. 0uj}ihj\\ Illicium Anisatum. L. Nat. fam. der Magnoliaceae, steranijs. • anijs , Pimpinella Anisium

• vn ia oj) dn (v; 0/7^N volg. C.F. een grassoort. Fil. geejt op: Gomphrena globosa.

Q Li irt tui

n o

(Urï(M(MJj\\ ki.,

I

1

L. Nat. fam. der Amarantaceae, sierplant, (uij (Ui tui \\ eign. van een Patih van Dwarawati.

cun an (ui (Lhi q \\ kn. stijl van een brief, en de vorm van het hoofd van een brief. Waarschijnlijk het Ar. a dab ij a CtMii))- frff. iuh w 1?) lil { \\\\

tuil tui ili/j kn. ; .iyn mi iii ~/n(ui tij/p de eerste, voorste zijn in het gaan; een kleine boom, de Croton Tig-lium, fam. Euphorbiaoeae; het hout, de bladeren en zaden worden gebruikt om visschen te bedwelmen ; de wortel wordt tegen waterzucht aangewend, terwijl de zaden en olie sterk drastisch werk en; ook zva.: (i/n(uim10 iij(ki/j\\ (W. II, 38, 6 (Lmaci m ~\'H(ui (iuji) naam van een verdicht of fabelachtig beest, naar men zegt een soort van olifant. •— (i7i (in A \\ zie muin tu^w (i/iKw ru/js ook wel i:ilt;ui n.yj kn. regtvaardig, regt-vaardigheid ; regt {Ar. ; vrg. (inj —

1 O , . O

tiTKui(tii\\ beregten. 1,11 lt;1/11 axi 11^ in/js pass., en

regtvaardigheid. — ojickkui ru iityjs regtspraak,

regterlijke uitspraak; geregt, gerigt; regtbank.

(un (Ui iujj \\ it/ii (ui iii ^wxci ru/js zie bij (Ui (ui t u/j \\

O quot; • ; .. O d/ii (ui 111 ff \\ zie bij (üt isn \\\\

d/rj^(ia irvy \\ kk. , uit de grond opborrelen {vrg. (Ukui (iii/j bij (ui(isr^\\). — lt;Ej(ui nyj\\ opwellen, van vuiligheid, uitbreken v. zweet. 0 i?i^ i:i ij tj aan de oppervlakte v. h. water komen van bedwelmde visschen; opstijgen van rook. — lt;10 opwellen, van een gedachte.—if un 2 (ui nj^Nuaar buiten komen, te voorschijn komen; zich bewegen ; de gewenschte uitkomst hebben , slagen , uitgedreven, door een vijand\', ingenomen, van een vesting, rjhjh2nitj ij irmtui n i/j\\ geen uitwerking hebben, van een medicijn; impotent, van een man. — (ui^axi 11^ wel, bronader.

iji^dc^ m ti^i vyj\\ {ijïj ic^(ii^i (hiji\\ Rh.) volg. C.P.

een grassoort.

uil (ui^Eijjs zie hij na r^^jijfW urn (ui cii^ \\ zie (uii na (iTnflw

(ijh(ui (Ui/f kn. ooghaar, de haartjes van de oogleden.

(mi (ia (U Jh (Cn (ui/j\\ de pennen van het vischtnig

(uh(iji\\ en de deurtjes van de dJ^cu^w

ifdjii(ia (ui/j\\ kn. een wonder, iets wonderbaars, G.

{vrg if din .ui (irnjf \\).

un ujjf\\ zie tuntiKiw

00 . o 1

un (Ui ifc /Lyf zie dn i^ iuij^\\


-ocr page 120-

n n

7 m da crn /j \\

46

nm in ibui \\

of trn r -

n^ii (Ui (tui \\ kw. zva. (ij)

110 rm 1!ïai N KN gt;

statuur en stand

O

nmj^s

nmjs

7 fni/j\\

......n

er werd een godsdienstoefe-

(KH(m\'r)\\ (Skr. oedaja. verheffing, opkomst , opgang van de zon en planeten, en de oosterberg , waarachter de zon opgaat, o èdda ja, die o/* dat drinkt, azjaouus zva. en Li

mi\'~n\\ vrg. kciulis G.

lt;uri^H(m\\ oo/c wel a^n^ansKW. zva. ani tFirtnjj\\{Skr. o e dy dn a , tuin , vorstelijk park.), ajr^ u)/j cm l» an\\ naam van een tuin.

(uri lati vi (isii/i\\ Ar. fa)s2tgt; leiding op de regte weg

van God door zijn openbaring. Vrg. «Sinci n.n (tet nxt lE/t/js eign. A d a m.

rn (ijii .iawji kn. het half ontloken zijn van een bloem. — ri riiadi^ huif ontloken zijn ; oo/c uithangen v. d. endeldarm, te M.; ooi\' zacht in den bek door dressuur, v. paarden, Tj. Rh.

(unan tl (Ei%\\ kn. vlot, zonder haperen of stooten

spreken een taal.

(lmmniji^kn. het staan, opstaan; opstand, hoogte, van een voorwerp\', oprigting ; stichting van iets; het opkomen op het tooneel van een nieuw personage hij een Wajangv er looning. 0(iJ) irn^\\0 0 it ui cr an nis technische benamingen voor cle opvolgende tooneelen v. d. wajang. Z.G. 1872,245, 2, v. o. vlgg.; aanrigting van een feest; ii w \\

ki.) aanstelling, verheffing, van een ambtenaar

7 O nrgt; . :quot;) O

{grondv. nxicnins vrg. (lcioxi nmn). tun in om-jnxn

(ryifin (Lifj^ (staat het op, dan valt het op zijn achterste) benaming van een kind van die ouderdom, dat het leert op zijn beentjes te staan-, ook un tci ui -/n (ia iri/j \\ een stijl, standerd; de middelstijl van een tralievenster ; en benaming van een zeker schrijf te eken.— w (üi crnjj kü ., ae^kv^ ki. een stand of waardigheid bekleeden, gezag voeren, regeren , bv. als Regent of Vorst; optreden of

Dj. 53. an Fi(ui m/i^ een wijze van bamboe-vlech-

O 1 7 O quot;) ^gt; cquot;) (?) o

ten. — in (ui rrn ~ oo/c n (ui cni n kn. , i n i:iiihii:i\\K\\. ui lt;yii lt;?gt;C7

assisteren bij, bv. een bruiloft, bijwonen; staan over, het opzigt of gezag voeren; tj/jwi^ ki. ergens iets oprigten, op iets, op een grond: iets

O Qquot; G) Ov 7 \'ff? ~\'n \'rn

ning op Vrijdag ingesteld te Pëngging. B.T.

^Kiyi\\ a^u^\\ 7i,7 rfv» M ^\\

zich opwerpen, bv. als

tityf ry\\ staan , gaan staan , opstaan , zich in stand houden, ingesteld worden ? ri dn cm (eji ui ? i.

{of gestalte) van iemand. ga m (uinrnjis opstellen, daarstellen, tot stand brengen; en van een pak kleeren

voorzien.

O O • O

a n (ui cni fj \\ zie b ij n/n nxi enifi \\

o O . o

un zei mi/J \\ zie un (ici hhjj \\

(itf.axKv.njj of (utidn (uufs Ar. a dab of d dab, beschaafdheid , zeden; beschaafde manieren hebben. 77(un(iai:riji\\ Ar. kn. zich verwonderen, WW. ook (uil ui irnjj \\ ui tui rr» ia un \\ verbazing wekkend ?

(un (ui iim \\ zie mn ten «is»» w cq, ai

rgt; » o . (?) O

(un in ui (in \\ kw. zva. a^ui.i ui/jw

(un (ia ui itui ^ kn. het hoofd van een Javaansche brief

{Ar. , beden, wenschen, of verbastering van

^ \\

nmcuKUi ijiii j).

n

(im iLgt;n/j\\ kw. zva. (vm in ainjjw

(urj^ (mijl\' kw. zva. (Li tin en (til iti ui hindernis, verhindering, beletsel; kn. een uitroep {vrg. cuip).—

ar^uïj^njjsKN. zva. iukf.^s betreden; volg. AV.

O o o O

zva. (ui (Cl un/j \\ en rj (ci (rt.i mi mi onjj — quot; l

i o O o .o O Ov o

(lii \\ zva. d j in it n \\ (amp;utLuvn\\ en iutuiii7i\\ op tets ast, \'■lt;, 1

treden of trappen; verhinderen, beletcen, dwars-boomen. volg. W. zva. (ïinp ini. zie ook uiuy asnjj\\ ben.

un un \\ kw. wordt verklaard door in^ uj\\ en is waarschijnlijk het vervolgens, nu volgt. pk. kn. uncui0 ecu bastaard van een koe en een banden g. WW. aschgraauw v. d. hoornen, neus en voeten van vee. CP.

(un uiin 1. kn. het zachte hart of merg van sommiye boomen; en n., lihj^s k. {uyidih.c7

(in rijn Kirtj m ij mi \\ doen staan , zetten , oprigten, everei nd zetten , opzetten. an .ui ini an Ji nn rj m zich zetten tot nadenken? Men.; aanregten, aan. stellen , installeren, nm(un ar^-q mi\\ of (winwiiA ij un\\ pass. — (tm (in rmanjjs staande, o het veld staande, rijst, (lw nxi ciii w ^(hijis ook\\)-uicmmi (hi/i\\ staande, al staande, doen; plegtige aan-stelling, installatie, van een ambtenaar. — (ua (ihamji^ oprigting, daarstelling,uitrusting; (de kleê-ren voor een reis in gereedheid brengen. G.) een 1 stel of pak kleeren; ook zva. LKiuj\\ de schering, latten in bamboe-vlechtwerk, v)(im m0 of vi(miu (W(ui(rïyi\\ nm. v. bamboe vlechtwerk voor lt;Qirj(ui

nT, o o o n

Lgt; r. (in (in rni ~~ i rn axi

stichten. — (i:

n O

O

-ocr page 121-

47

it ^

II. in ten \\

rgt;

1 7Ï (IS// \\

de muis van de hand; 0a°mide binnenzijde v. d. voet. WW.) or»/r/7\\ki , hart, gemoed; (Oö/fc moed) flö/: de zetel van het vorstand of denkvermogen; en de lever {Sh\\ man ah, hart, gemoed, verstand), (ur in zijn hart, in zijn binnenste, bij zich zelf, bv. spreken, rjium ijiufiunM} hart verwerven, in de guns^ komen, bij iemand, (in nfl» ^ vu gt;*/ ny \\ het gaat hem ter harte. ^7/ jkmnel vn ihii ramp;pN., oji(uijiaz^

ij ti -iciw (hn/]\\ ki., {dit volg. Rh. K. en 0(ia(g uf\\^i-) laat het je {of U) niet verontrusten ! trek het je niet aan! neem het aiet kwalijk, wees er niet boos om; bet. utj ihh \\ dan welligt

ook gevoeligheid, kwaadheid. \'^Jls althans

. ,^ o o

wtl) zie bij rj un i ryn \\ op cur^ hnw — o ten un asi}\\

n., k., oplettend, op zijn

hoede, voorzigtig; oplettend, op zijn hoede zijn;

met oplettendheid doen, attent zijn op, er zorg

T o o o

voordragen, (uittw osiklhi (lh\\ pass, an rj mii ihj mn iKj\\ iem. moed inspreken. Men.— (uitn(i?i)(un (i?n\\ m .n tj au) d dj) ~jh asn i ajyj\\ oplettendheid, behoedzaamheid, zorgvuldigheid. — an rj ten n. , ihihj{\\k., ertmu^nki., in zamenstellingen als, a,u rj Kiii (Hi ^}i ij ten (htji\\ ikgt;; (Kn i.j O wrevelig van gemoed, ongeduldig, en (hj^in^/nrjten iinjj\\ (mligt geraakt. — (unijasu on ^ii rj ten (7rm\\kn., het binnenste van de bamboe; en n., k.i itji (Kj { uil (Hip k., n^mivu % i/ii !hrijj\\ kl, aard, geaardheid, va7i iemand.

II. ten ten \\ kw. zva. iv^ »3 ^ n uitermate, bijzonder, over-, zooals in overgroot {Skr. ah), in zavièn-stellingen ook teii \\ zooals in mi teii ur» i. i an \\ 0f ibiixTriMin {zie rni i. )m\\). :uii .ujjj ook wel mi(bnten i^i\\ of (uii iföj(lh jfn\\ en iei teiiun t^i \\ of mmjjibovenmatig, zeer {Skr. atyanta). (un (hii (un ibli bil iQ(hnj}\\ kn. wat zou het iets be-zonders zijn! wat zou het een ding wezen ! indien enz. (uiteii\\ (Uiiyitmajjjjs stevig, goed vast,

iets binden. — aji .is?/n en iilii iui i?ii\\N. , ajirjnsnt ojyi {ook wel (ui ij/^iia.i^) en /lt;h ui ij pn ?(iJi pK. [ook hoi (ulieszva, a/n (üii ^ kw. bv. ijd nzni (ui ten {of vjun in (u ten (iu\\ WS. 92), niet bijzonder, niet al te. ijtunz-iKui teii \\ of q un t ten m ij ten i w/jsook niet bijzonder veel. oji rjni i.u (lui ten?un\\ zeer vast slapen, in een diepe slaap liggen. —

(ft n (ui teii (Ui teii {ook wel n iji teii (lii MVJ ? Rs.)\\ \'üii teivf ten2xi -7riten2(i-j)fj\\ uitermate, zeer, sterk — (li(ujjjj\\ kw. zie ben.

(i/hlt;157/nkw. zva. trui ijiq\\ zeer; (menseh. G.).

O O O O O

un ten \\ en run ij ten n k w. zva. m i, n w

O O

(utitei^s kw. ml. zva. i/n iniw o

(ur^ ten \\ k\\v . zva. /1 \'ftfij *

O Qv tt- o

ten \\ KW. zva. iji .ui n worm. rrg. ij um ? ten w

(It^i-^nkn. een nieuweling-lastdrager. — zon

der om te zien regt toe loopen , moedig of dviftig voortgaan, zonder op gevaren of beletselen acht te geven.

• o

iUÏ^ rj Lil gt; Zie teil HL) w

O O ; O

i) un i // kw. zva. n j u) ? \\ hui u\' trn ^ \'Kr,/J \'ni 1/1N

ij un i y

Tquot;s

^(unrjten\\ kn. ijnrjn.iis een weinig uitsteken v. d.

tong, of uitpuilen v. d. oogeu. WW.

i o

IJ XjH 2 tell \\ KW. zva. MII WW

(Htun ? dsr/ KW. naam van een zeedier (aardworm, regenworm. G. Vrg. (uynvis).

(un 2i) ten 2 \\ 1. een borstlap, kleeding stuk van een kind, dat met banden om de hals en buik

wordt vastgemaakt.

( quot;) o

(un ten j \\ KW. zva. arii oji iHiin\\

ajnauiqs zie oji ten q w

ij a i) asn gt; \\ kw. zva. i nay j.w volgens de Dasa-nama het water of vocht, dat zich in vruchten bevindt.

• O T

(un rj asn ar)j)\\ zie am ten \\ 1.

(»7^ iSjnKN, naam v. e. lekkernij, (uni0 een soort

onharige padi, zva. (uin]cn^ ynrvijj am uil \\ kn. geleide, voor de zekerheid of veiligheid;

cy o

kw. begeleiden. {De grondvorm is teiiw Vrg. (un ■3-h). nmtenintens kn. geleider, noemt men een kogel, die men op een geiveer laadt, om een groote kogel, die men er op wil passen, des noods er wéér uit ie kunnen schieten. Zoo noemt men ook het op zich zelf niets beteekenend voorvoegsel ams of een ander voorvoegsel, daar men geen heteekenis aan hecht. — it?«s^/\\ begeleiden, uitgeleide doen; brengen o/* bezorgen. £-// aj) a-nj\\ imp. — an teii nr)\\ meegeven aan om te bezorgen; brengen of bezorgen aan. — r,i lii am u-!n fi \\ bij het beproeven van een nieuwe kogel een ajn \'Ilii ojii teri v aanwenden. — tei (Mi \'r/ ri un\\ een object ergens bezorgen. Siians imp.


-ocr page 122-

48 tun ivnj^

I. kn. , wrjvntMjis en wat

een meerdere aangeboden, gezegd of te kennen gegeven wordt, aanbod , voorstel, adres, petitie , verklaring, mededeeling, opgaat\', verslag; in za-menstelling met de benaming van een voorwerp dat aangeboden wordty zva. (m^rri\\ bv.

am hj t:i ^(Vrg. hj) ij i/n i \\). cluï 13^ nj) oji ri.i tti \\ mijn eerbiedig antwoord —1 m 15^ vn itrj geschenk, waarmee iemand bij zijn meerdere komt; geschenken aanbieden; ten geschenk aanbieden. —

ifj vgn hiiji\\ zeggen, spreken , tot een meerdere. — (un i/n of (Kn isn en rj uti ? irtri irn/j gt; aangeboden, geadresseerd, ingediend, aangegeven, ter kennis gebracht; het aangeboden worden; geadresseerd aan, in opschriften van brieven. — ie?vgt;yi-n\\

im) ri am2 :k) art wi tfli \\ aanbieden adresseren .

f f) cn, gt;k

meededen, voorstellen aan of ter beschikking stellen van j nitnoodigen, inviteren 1:1 n tjr^^ans kennis geven, irrn(utjryui\\ iem. aandienen. Mn tun .^\'-n wji of ud hsy^ t) anjj. pass.; ook een uitnoodiging, en een uitnoodiging aannemen, op een uitnoodiging komen. ,i,}i ook een

ellipt. uitdr. voor 0tut iijiQjarn\\ of 0n i ik bied U mijn groete aan. — iin(vn isr^nden

een en ander nitnoodigen, gasten inviteren. —

S

(Cl isï^ m rj un \\ nn rj (un z i/ji -yt ij then \\ (Uj irtn ini^ rj nn \\

een object aanbieden, voorstellen, voordragen , indienen , ter beschikking stellen ; iemand aandienen; zich wenden of adresseren tot een meerdere voor of over. hy ili 171 hyni w mi iijt ik vraag

eerbiedig verschooning. — wat aan

geboden, voorgesteld, gezegd, verklaard, meegedeeld, berigt of ingediend wordt; djin 0,11 ^m^ti een adres, berigt, enz. — tuisr^nKtnjj, verklaring, meedeeling, opgaaf, verslag, adres.

II. wj. Sd. Ml. kn.; regelen, in orde

brengen, arrangeren. — ajn isr^ n tHi/^\\ en iui iwasn rri regeling, arrangement.

(unrjuuKK. kalm, bedaard; zachtmoedig (yr^. (imij *!lt;$) — (ciorilt;hirr]\\ en vnrj iwriri hit\\ kalm maken, kalmeren.

(un ij (hit 2 \\ kn. naam van een kinderspel y bestaande in het gooijen met steenen naar een op zijn eind gezette baksteen, met het doel om die te raken en om te gooijen.

(lyrji (hu \\

c.y cy

(iJYj^dsn\\ kw. zva. (i/yap * kn. ronde schijf, plak, koek;

rond gesneden blad. amp;i nsn0\\ knoopsgat (zie (uritbn

ihiiasn\\ een holle beitel. — tot

een ronde schijf maken. — (i7iasnni\\ mv.\\ en

spijzen op rondgeknipte bladen schikken. — ^

its/?niiinjj\\ aan ronde schijven. — (UjObiis zie ben.

^/\\KN. een kramer in koper- en ijzerwerk eu

andere snuisterden; daarin op de markt winkelen.

lt;11 tun rj ihii ty ajn 11 (bins naam van een soort van hout-

wormpje. — yitm7^ (b/lt; ni onjj\\ kraam of winkeltje

van snuisterijen. Vrg. \'tfii lt;ip K}i(Kijj\\

cy

lt;ijturnibii\\ Kvr. kn. zva. vjhjiii tui m/j en 07^^ ^ opschudding, tumult, geraas, getier.— ij an i aw m ij uri \\ zva. ij (i7i t (ut arj^ ij mi w ajtj^ ilii n n kw. zva. (i/ri ij/li 2 \\ {Skr. 0 et t ara); ook eign. v. d. derden zoon v. d. Vorst v. Wiratiï. 0:iiirni\'~n\\ of enkel (ui^asnm . naam v. d. woonplaats van Batara Wisnoe {volg. WW. ojyi iwmi

(l/LI dfl \\).

o o t on

tun(hiii. kw. zva. (kijj\\ en (Uibn

1.n/j\\ 2. ki. van asn(Ei\\ luis. (Liiliiiutiku(hii/jsilx. knoopsgat. — (iïibii iun Sn aSi Kii/js opkweekeu , opvoeden.— (urt .hii injjmjjs obj. den.; ook zva. (Bim

a rt -gt;000 ii*

un (hn — (ut m tbn mi -ju ,lii (intn opkweeking,

opvoeding.

(uniunafn/j of (ut^asii(unjjs kn. de heröens, het brein

{vrg. ij (ui2rj tui2).

a an

(urj (un unjj\\ kw. ; hit hn rJiy tun unjjgt;. zva. (uij m km

(hi/i\\ laag, gemeen.

ijiun2vj (hii un/j^Kiï. gierst (wr^r. (u^ uiaj^ bn/j).

(un•i5n(biyj\\ kn. of 0hn^ de Javaansche benaming

van de ij(iri2rri^ Tj. Rh.

rj t/n 2 ij Mn2 asnjj kn. pees, spier, zenuw , en slagader;

pezen, spieren hebben; gespierd zijn; gespierdheid

v. d. hals door dikwijls te hebben gevochten, die

bezitten, (Rh.), den ouderdom {beter de kracht?)

hebben om te vechten, (WW.) v. e. klophaan ge-

/-■) ft

zegd. rj un 2 ij a.n2 hii (k/1 \\ pezen van ,(?ƒ als, ijzer. ■u^rjnsn ibn(iui\\ een slingerplant gt; Plukenetia cornicu-lata. Pers. het jonge kruiden de vruchten worden gt; in stoom gekookt, bij de rijst gegeten; de laatste hebben een zoetachtig en smaak.

(untenajiij\\Y^. duidelijk, bv. zien; het is duidelijk, het spreekt van zelf, van iets dat uit zich zelf dnidelyk is in te zien, ook bekrachtigd, door eeu


-ocr page 123-

xjtiKnquot;Jip

n O t il 1:1\'

49

duidelijk toeken of blijk viiu liooger gezag j van een persoon, üulk ceu bekrachtiging hebben, volg. Bh. ook hard schel weêrklinkend, v. e. geluid. (De grondv. is zie nsn asn (Mjj \\ en verg.

èw Vj n ). (un nsn (iJ/j {of 0tisn h ) nn Uj. gt; gt;f tun \\ met bekrachtiging en op last van.... iuhanmnrjm n. ; Sn an asti (UiHyi\\ k., met het oo^op, wat aangaat, voor. — anasiKtJ^s navraag of onderzoek doen, of iets bekrachtigd is. — anaamp;ioji^a rjièois omtrent iets navraag of onderzoek doen, of het bekrachtigd is, voor iets bekrachtiging vragen.

II. M/. boven, njn tun asri (kq an (hi/j\\ boven de wind, cl. i. in \'t westen.

j imKN. 1. aie 2. honderdtal {Sd. Ml.

rato es). (Kiany.i/j^ een honderdtal, honderd.^ nsf^irjdj) ajtasr^aj} ^4(tj^iHTji\\ de honderd, het honderd. — anri a:r^ ajtjj \\ elk hon derd. .ctt? asn o5} KjN ecu offerhande voor een overledene op de honderdste dag na zijn overlijden. — xnnasr^aj) J*.\\ honderd man zetten aan, met honderd personen verrigten; op de honderdste dag na zijn overlijden een offerhande doen voor. ami (isriihJi lt;H7i\\ iets honderd noemen, voor honderd honden. —amasr^tK-i^aihi^ honderden, bij de honderd, bij honderden. — ai een ambtenaar van een rang beneden

een zie vfnjnfujw

i o •

| (un tj mi) i Kyj \\ zie 11 ihti 2 \\ en amasits 1.

m w/j \\ zie bij tj un 2 \\ iinjasn \\ kw. zva. oji ik .ui \\ tui cm i^amz agt;n\\\\

Sh. utsdhety krachtsinspanning, poging, j (imni)}iu)\\ yew. (ijr^asii «jmn. , ti/tj ani oji\\ K , voegwoord om het volgende met het voorafgaande te verhinden als iets anders: en anders, af anders , of, of wel, als ook, en ook, ook , en Ml. y), Skr. ai6, en ook; aia-iody üi-yOeta-wd, of). In de spreektaal zegt men ook wel asnivtw | i vnsrj in\\ kw. zva. trui (uïw | zva. tb) (isii noi (M/j \\ zie o mi ni \\\\

| ^flswrw^NKN. geele, op zwavel gelijkende kleiaarde, die tot verwstof gebruikt wordt, en waarvan men \'le boreh (een blanketsel) maakt.— mtun n/ijis van oog en als a tal van kleur ? vrg. tLwn nsn nu \\\\ met atal verwen , geel maken. ; KN. gehard; onvermoeid in het loopen,

leunen ol draven, van een paard; ongevoelig voor beleedigingen. — an nsn nri y un \\ een paard yyaXxnxCi maken.

tuiinw iuji vn., nrnaynH K., (Ln in \\ KI., de ciitoris. i/3^ nPn QiJJj\' KN., nr^ nPn n ifj\\ kleinigheden stelen op de markt of uit een kraam of winkel. — arj n£ii in\\ zoo iets ontstelen aan.

titun y tun 2 ij fri rj nsn i tuj \\ rn zwaar, moeijelijk gaan hetzij door zwaarlijvigheid of tengevolge v. e. zwaren last. quot;WW.

a/n tun nnjj kw. zva. n.ln njijj\\ houten dakpannen; KN. dek voor daken van huizen , te Soerakarta van stroo van Alang-alang , elders van Nip ah-bladen; ook een daarmee gedekt dak. rjn n ? rti a:i m an an nj am am ani an/js niet zoolang dat het een dak van Alang-alang verteert, d. i. geen jaar daarna.—in nsn i L\'7 /j \\ atëp maken; volg. Rh. an ttn nn een huis met atëp dekken.

amvj nsn2 anjj\\ ook 20el njnnjnsn2n n^\\ kn. tfjxrris KI. oprisping : oprispen, boeren. — any mn 2 oji ij un \\ de lucht, die men oprispt, iemand aanademen.

C )

am nsr^ ^ zie n:r^ int/j \\

n et , , 00

nj)j tun au nsn\\ ook wel ij am 2 tun an nsu \\ een naam van

Jiatara-Goeroe {uit Skr. huti, offer, en pati, heer).

nm nsijjj n KW. zva. n/n ani \\ hart, gemoed, enz.

. o i\' 1

am tt^i ^ zie a/n run \\ i 1.

1!^ O O * • • ^ T TT

am n-,n au iisn \\ zva. a/n an am agt;n \\ bij a n tisn n J. en 11.

o ,quot;)

am (uii KW. zva. 1 m ui \\ nn^i anjj am (H^ anijj en nsn

ttn % \\ en tu^ tut mi \\ {Skr. dtmd) ziel, leven, zoon.

Vrq.am fan un \\ en amnumK). 0nSnji\\ levensziel

CJ ü

{Skr. dj \'iw dt m d). — if i njn tun \\ zva. bi mi an ann\\

am tisti \'tnjj^ kn. het zakelijke van hetgeen men gelezen heeft, in het geheugen hebben. — an tun ^nrjiuns het zakelijke van hetgeen men leest, in liet geheugen brengen of trachten te houden.

am dsn .fnjj\\ Ml. zwart, tuinsy nnt tun nn/j\\ N., ojnji auiam dsn fnfjWL., een fijne zwarte steen , die als toetssteen gebruikt wordt.

am thi\\ KN. ook wel nnj^ tun tv} \\ k. , best, voortreffelijk , volmaakt, deugdzaam, deugdelijk {Skr. 0 ett a-m a). an^nsn iin ij nj\\ njr^ n-)iy(En^a^(m^\\ het best, liet wenschelijkst; bovenal. — rj hm 2 tun (amp;)\\ hetz.— f 1 twn tEi ttoi -jn (hoi s deugdzaam maken, tot volkomenheid brengen, volmaken, unnyt^untamp;innjjs inn a/n a.n y tamp;t an^\\ of ij nnu nsn m nn qs het best,


-ocr page 124-

50 i/rj Mn if. I \\

volmuukthoid; deugd ; deugdzaam j wat boven dc

gewone bruidschat door de ouders aau «lc bruid

wordt meègegeveu. ik» usn (Egt;i rj ^ n voor alles,

vooral. — ajïjtisii^iBigcrns het hoofd; de hals of

keel {zamengesteld uit iisn foi \\ en if dhidcrn \\

Skr. o cltam dnggdy het hoofd).

o

nsn \'f-i \\ zie ii// ie i w

nm n K w. zva. inn iu)\\ en iui nui {Sh\'. dtma ka gt;

doch alleen in zamens telling en van dtmdt

(trtnisn its v kw. zva. d {Skr. dt vi a dja).

a/yasttrj (èi2erns zie bij iurj^asu (Bj}\\\\

i/wrtiï/ori^v kn. aansporing. — r.ii^n omj^\\ ook wel in

(uncrnjis aansporen, aanmoedigen, ook en veelal

herh.: opwekken of aanzetten tot.

(irn^ \\ zie ti^ kiijj \\

n m ij ihni (Lnyj \\ zie (im rj tisu 2 tui /j \\

vn(bniLmjj\\ Ar. t** %1 it\\. bevestiging, bewijs.

.1/« ihn ihii \\ heter nm (in nu \\ kw. vreeslijk , sehrikver-C(l ai •\'

wekkend ; geweldig, verbazend (Skr. adh-o eta). — MU i^n ihn \\ ook tj hu i b/y .b/i \\ het zelfde.

o amp; \' n « • \',.. n amp;

im tisn \\\\ J i it.// .n rf ih ti \\ zie bij w thii \\\\

o . o..

(Lm (M) \\ kw. zva. (Uil (Kil n\\

(uil 151^ \\ poët. \'ij(un iisyj\' n. , ij mn foil \\K., telling, rekening, berekening; if i/n asr^ \\ in poëzie getal. • (un rj nn \\ naar zijn telling of rekening; ook Jig. rjdJiuni {of ij inn ihii nfi/j) ij(uii (i*ii \'rj (un(tiïjj • niet tellen of rekenen; niets ontzien. — i i.ini \\ rjiinas 11 ^ tellen, rekenen; iets tellen, optellen, berekenen (over-wg en W.S. 131.). \\ lt;0ahi \\ liet een

of ander uitrekenen. rjiUinni Kii uiinsïj^ niet geteld of gerekend, niet in aanmerking genomen worden, en zoo dan ook rj mi ,b/; \'/uithoofdequot; ri tun tins verder: in tel komen, geacht woren, rjiumiy nrfMnasns niets geven om, bv. den dood. Rh. iidi ij (un (tin am (tui \\ zva. tjajii asn igt; y ruw nm ij tun (tin \\ waaraan men meer of min met ongerustheid of bezorgdheid denkt. — aPi.tsn iét \\ ij jt? ibh r??; n berekenen of optellen. — (uii isr^ gt;:i an/j\\ ijojinhn cci (hnjjs rekening, optelling, getal; te tellen, te rekenen, te berekenen, nsn an ui3 talloos , onberekenbaar. (iui (Lui0 een rekening. — 1^1 a% (V.i (i-njj\\ Tj (i n tin rrj un nsn an (Hin\\ het rekenen, de rekenkunst; verrekening, afrekening; met een ander of met elkander rekenen of afrekenen. — 171 nsnayii\'Un 11 nyf iji/nu\'n ijiun iui 1 jon/j\\deun, ka-uij tin \\

rig. — iui i7i (isi^\\ (ui ij i7i ;V. \\ het tellen, enz., rekening, oordeel; berekening, overleg. — n 11} tiiy of ijlt;ui(ifri\\n., rj(uitin\\K. , berekening, uitrekening. — rj amp;1 tin\\ n., (EjI tin ^ k., iets berekenen.

» o .0 t o

— orj ei tin iTi \\ /j (FjI tin (i7i \\ mv. ; ook rj (Ei tin (171 \\ kn

door uitrekening waarzeggen; door berekening waarzeggen aan; door berekening een waarzegging doen omtrent. — ajitir^dn nrijj of ij (ui tir^ (ui (in^j\\ n., Y (ui tin iui (WJI \\ k ., rekenschap, rekening en verantwoording. tin (in ^,1 (uitii^ (171 zva. tin m o (uii isn r:i (hiij - ook ij (ui tin (ct an^ kn. waarzegging, door berekening.

.uïj (b\'/y \\n., (hi (£A iflUKin k., schuld in geld of voor verbruikleen ; en ojr^ tin \\ n., tiin ^Jtinjjs 0(tu^bn\\ of 0(un tin\\ k., geldschuld hebben, schuld in geld of voor verbruikleen maken, schuldig zijn, geld leenen. (ixliui^m pass. 0(ui tin \\ doodschuldig , de dood verdiend hebben, door iemand het leven benomen te hebben. 0(unrn (uijf\\ zijn leven aan iemand verschuldigd wezen, kh0\\ de schuldenaar. iUi^ tin aji^ tin \\ a m i^\'fjtiii/i^ bij den een of ander geld te leen vragen. — nsn (éi\\ vnn gij \'Sn \\ geld te leen geven aan; ook geld leenen van.— lUitjHiis arm waftufni anji\\ geld te leen geven, geld leenen voor. — (ur^ dhi a-i anjj\\ kn. iemand die gewoon is op crediet te koopen ; een schuldemaker. — ij (uu tin n kn. schuldvordering; ook ijajii tin \\ of un ij (ui 2 tin n schuldeischer, de schuldeischer. tuil ui ij (ui 2 tin \\ of tun tui (uittil i\\ een schuldvordering hebben, ajn tin (un (ui ij tui 2 iihi \\ of uij tin (un tuti/y tisii\\ ook zoel ij (ui 2 tin tun tui ij (ui 2 tin \\ of tj tui 2 tiii (un (li

nm tin n., fcji ? 1 tin -5 in f i tiii/i n k., schuld en schuld-

(t cq. rjai J(

vordering, de een den ander debiteren en crediteren,

debet en credit. — ij \'M 2 tin it? ij ani1 kn. , ook rm

/j tiiffi ïlt;n an/j K., geld of iets in verbruikleen geven;

borgen. — urn ij (Ui 2 tin til an/is

verschuldigd, verpligt, onder een schuld of ver-

pligting gebracht; verpligting. mi aj (ui 2 tin ar.i an

n] (uiji zijn leven verschuldigd zijn aan.

o .

rj tin tin \\ ij i n (isYjj \\ zie 1 1111^ v*

y un 2 yj tin kn.: ij tin 2 tj tin ij 1112 yj tin naam van een insect.

(i-j1(ijij\\ kw. een woordje zonder beledcenis g. {skr.

d s, een uitroep , o!).

1 o o • »00«

tun hi ij^ K\\\\. zva. rj hn gt;f ui iiJi/j v 111 t uw zie bij 1 ut.i in/jquot;


-ocr page 125-

r

61

i^ ^kw- -va- \'u ^. {/iocs !) kn. een toeroep om stilte ie gebieden, st! ook tegen vechtenden houd op!

7/ k w. hij as voor ah ij as {hjh rj vn cm/j ).

pa hi jas

zva. zijpeling. — n^tEiz

a^\\ doorzijpelen, van een aardewpot of lekke ton. nyn OJ) KW. zva. rj niz w \\ (ki^ iui(K/1 ajt\\ook u)rjiiatru^ (Hips en zva. nntut^p in de hoogste mate, ten zeerste, ook: uiterste grens toppunt, en windstreek, WS. 90.

(i/w0v|\\n., w2w/j\\k. , houd (Skr. sj tv d; en oJ

tm ij u)?(HTjj\\ is een verb, krama-vorm van i-i nu n i \\ KW. houd). 0(iyr^!l^fi\'hljJls een soort spin.0urnn-KKiiQs een wilde hond {vrg. bij wi ik ernjj). 0;i:niHjp een otter. — (1.77\\ gelijk een hond; een hond

noemen. — njnijoji iji2(uij^\\ een nachtvogel, die een keffend geluid maakt, Rh.

of flv-mkn. rusten. — a^(rj(Hi2\\ ofiui ti!k/t2\\ gaan rusten, rust nemen. 0(K7rusten om adem te scheppen. Zoo ook a^ rjnjn (1/11^7.) 2 dm fJ\'hoi hi jj \\ — (ï~» rj (K/i 2 nn ^/r) rj nlt;n \\ een objeet laten rusten. 0cunindoyj\\ zich rust geven, gaau uitrusten. wat uitblazen. (unirj(Kn2lt;hj

rjikwanjis telkens wat uitrustende, op zijn gemak? bv. varen.

(vni}j)\\Ky/. eenig {Ml. asd: vrg. fM).

iij)\\ de eenige Heer, de Heer die één en alles

is, zva. (Ml. Toe an jang asd).

00 o ...

n/n tij) \\ kn . 11 (un (K/i \\ kw., wat ergens in is, inhoud;

pit, kern, van een vrucht; ook de knol vansom-mige planten; tot inhoud hehhen, inhouden ; inhoudende , met.... er in ; ook v. iemand, die vervuld is v. lessen en vermaningen v. e. panclita: zin hebben, niet zinledig zijn {Sd. ësi). itnivm wn Sn fu H7T) (Hjjj \\ vol met water, nmcm ^iivriwy zonder iets er in, leeg. ck/ïtuh(k?jvj(poët. rjui wrjiHj.) al wat er in is. tm w ivm ihj\\ garen-pit, d. i, het klosje daar het gareu omgewonden is. —

lt;*Jïjri ej)(k3\\ of ij ici i5j \\ po \'ót. inhouden, bevatten. — O o . , .

nrjKifnj^ indoen in; vullen, aanvullen , invullen; inschenken; een geweer \\amp;dei\\. in ^ika tm Jri ijm vullen. — mi uh iffK.! {injf\\ ajiasn0\\ noemt men het oog, als de oogappel met een witachtig vlies is overtrokken. ZG. 1806, 78. — xzinwunjiiu

11 un \\ iets ergens indoen en er meê vullen; een geweer laden met. — gevuld, opgevuld; de lading van een vuurwapen. d/ir^ abiu ri hoi (ui tui JiioytKii jnjj\\ opgezette beesten. — imrjK i an Jii rrj rui (Hiji\\ ook wel ij ^ m Sn rj tiJi (Hi/j\\ wat ergens in is; bevolking va71 een land, van de zee (d. i. de vissehen), van het woud {de dieren), inboedel van een huis; vulsel van iets. — iuiïva3\\ inhoud, volheid.

(uriajj\\ ook rj tun\'ijj\\kw . zva. (uitHi^s pijl {Skr. is 0 e). — of tijilt;ijitK/js zva. (fji(Kj%n met een pijl

schieten.

am ij(i-.n2\\ KN. de darmen van een beest (yry. a^ijja^).

aj)^ (KQ \\ KW. (KA (t./i ^ w

^ I • O O r\\ O

rj un nj) \\ kw. I. zie a/n oji Z. zva. (uni/vtw — lt;rja/n \'Kj

O 00,,,. o

7j tun (ij) \\ zva. (KjI hui tui itvi \\ ellendig. — am ij am ^

ijojnaS\'\' {ook trj iun 0°rj (tm w \\ K. 11, 26.) kw. en

kn zva. go»ri/wdtw \\ mishandeld worden. ^ wn

O O n i • o O O

(Kii rj im aji \\ elienuig. mii rui tj un (K/i tuj tui tun\\ een

ellendige dood.

o

ij om tK^ \\ zie a/n aj^ w

rn am 2 ij tui \\ boontje, pitje bv. uit katjang, e. derg. CP.

ojam2ay(K/i2\\ kn. onbeuscliheid, knorrigheid {vrg. ajani vj(K/)2^ en \'Ti(ui2rjm?). ijm2rja^n\\ knorrig zijn vooral van iemand, die tegen zijn zin genoodzaakt is iets te doen; grauwen; knorrig toespreken.

ajn \'i-ji f \\ of (unnjiq kn. het geslepen worden, bv. vnn een vies {am (iji . zie bij ikji^\\ en een ander un ojij zie beneden). a-itui^ ofaÏKKjqs wetten, scherpen, slijpen, aanzetten; met slechte raad opstoken , kwaad leeren; ook spijzen in orde schikken op een schotel, bv. voor een offer of bruiloft. — (ckkj! ^ajri\\ mv.. en met water schoonmaken, om-vegen of afwasschen , bv. borden, kelken , enz. ^— am aji % am ifiji\\ een schotel met rijst en toespijzen, waaruit velen bijplegtige gelegenheden tegelijk eten.

ajn kji of un K/I j \\ zie ajnaji?\\ beneden.

un tuj ? \\ zie (ui TJj.^

a/naJi q\\ zie (K/iqw — iti(kjiq\\ zie beneden.

am m ^ \\ in poëzie ook .i5i ^ \\ in de spreektaal ook x?n

00 o , o - O

ij (ut q \\ om ie? j en a/n na^ ^ n., asnam^a.q\\ of asn

»oï-3^\\K., asn(M^\\md. , nog, nog steeds, voortdurend ; nog aanwezig zijn , nog bestaan, nog leven; bij vergelijking nog meer. am iiS4 ajti aj (in gt;ru/j\\ nog


-ocr page 126-

52

O /quot;

1/1} w 2 \\

O

(t/n oji s n

.. t.i o o o - O o

moeijelijker. — «gt;in., ihv^o.^ of f} un {\\

K., hetzelf de. ■ - (éi n?v ? urn ij ,n n \\ ti:/ rj tyj); un rj noi \\ o j% o o quot;gt;

(CJ 11\'IK J (LH Ij Ml \\ of (UI (Kj) { (l/fl Ij (HU \\ N. , (Hl KH -^{(111

ifw (Hiq of (bi tm ,5 ^ (uu hu (hiij\' K., doen voortduren, laten blijveu, aanblijven o ƒ overblijven, overlaten.

o

O

o

(i/no^i^s (WtK^qojns zie (U)(k^^\\\\

.i/r^ aji ^ \\ zie oj^ m { w (L/i^ (Ki (un \\ KW. zva. (Utj (hn uh \\\\

a/n(m(hi/i\\. zont van smaak , ziltig, brak j gezouten; pekel {vrg. (uh (U) iw/j0 ook haring. —.t;

qj)(hi^\\ ingezonten, ingepekeld; van beesten , aan een steen likken of in de grond pikken, om ziltig voedsel te zoeken. — oaCian/j^ inzouten, inpekelen; van heesten .zva. (Bi i/3onjj\\ — tun a?}:ujCHij^\\ ingezouten of iu te zouten, (un(£)(hi~jhu^i(h^irnjf\\ gezouten spijzen.

(un ijiKji aojjs kn. iuti tj(KU(Hi ^arjo-jii nnji \\ zie op un (iji \\\\ (un ij (HijjsKH., fu / ) (ui j Ki. {maar ook wel als kravia) beschaamd, bedeesd, blode, bleu; zich schamen; schaamte (v;^. ijd/nnis lolrn\\ en iiwaJitirnjj), 11} tKi (hi»al] onji\\ bleu of bedeesd. — uti il hi (hij]\\ ijjinquot;/(£i({jiji\\ beschaamd zoeken te maken,

bespotten.— (t?iaJiiijj\\ zich schamen voor.

o o o o o gt; a* , V o , , . , (i^i (iji on ~jii (ui \' iji jlkki M \\ beschamend, schandelijk, smadelijk.— HntmbJiiHj injj ihii Fumanjjs beschaming, beschaamdheid, schande die iemand overkomt. — jjiaJi hj /ƒ wi \\ ui m rj im \\ beschaamd maken , onteeren. u fldSjiHi iiaS\'Hj »ƒ do) \\ beschamend, onteerend. — uu i5i iif^nafj iPuui f i anjj\\ bescliaamd

van aard, blode, bleu, zedig; schaamte, bloheid.

o . o o

a/n (rj (ui dfyi \\ zie (tv a.n w

(ijn(uiHi\\ ook (uii(ujiaa\\ en ojkhiwn. zva. (uil ij nu 2 lt;Myj^ (Ci rj a 11 i !H^ (Hyj en (èi rj rn t.vi^ ( Skr. dsan a, plaats, verblijf; zitplaats), (ki(uian\\ een zitplaats; zich ergens bevinden, — Een ander (uian zie hen. iur^ (ui an \\ K\\\\. zva. dj^rui (Hi\\

(un^(^(Hi^engew.(Llrjinj (hnjjsKN. Maandag(^/r

— / i if Hj uj (Hiji \\ touruooi, dat kier en daar op Maandag gehouden wordt; ook wel in \'t algemeen

touruooi.

v o

^\'(hpiyu KW. zva. ^ uy oji Si mi lt;ri^ w Skr, u s n i s a. (im ui u i n KW. zva. tj (un m iuiji \\ hii tui nJ,/1y ■ (Skr.

d sj tj a rj a, wonder).

iuikuis kn. I. de tijd van het gebed om half vier nademiddag. iwuhtjj iji\\ii., imuiivii cm n i/f\\ k., om drie uur namiddags. (Ar. ojii (ui(tni rj(rrn

{of rj (iji ij cm) Hiijj) n. , (vu (K i (i \'h (rui (ui/j\' k ., om vier uur (elders om half vijf SG.) namiddags.

o S . s un \'Yj ;ui i \\ zie rj (UI d W

(uil ui \\ I. JIoll. huzaar. — II. kn. kwast; en smeersel, van alles wat met een kwast gestreken wordt. —.

(Ujj(ui,-fi\\ besmeren o/bestrijken--(tyiKnitj

rj (hu n besmeren met.

a/ * . QS

(uïj^(ui\\ Kw. zva. (i:r^n^\\ nuirricm/i\\ dT^uu of (u^(ui\\ kn. vervolgen, achterna zitten, verjagen (vry.

Tquot;) V

a/n ui ip en 11 (ui Hiijj).

(utj^(u^\\ Ar. j.SS£ T een tiende gedeelte. — ^\\ of (iT^\\ een tiende gedeelte van zijn vordering voor proceskosten betalen. — (uiiur^aij^y dat door den winner te betalen tiende gedeelte, ook wel ojii^ a^l (i^ xrtl \\\\

ajniu^n\\ KW. zva. ar.r^mi \\ rjaci ui\\ (Skr. afvallige

hemeling, titan); ook wel verward met (u^nw

iuijiu^ hii/jn zie oji^ i.^crrijj^

o

(t/n(ui T) fóiijin zie (urm^njjs un nyi\\ zie ajiKüsuuijs

a/n (Uj^(Ei \\ ook wel (iyn^^(ui KW. zva. oji n^n oji alt;ij^\\ verblijf van een kluizenaar hermitage, kluis (Skr. d sj r a m a ). m ^i^ia \\ voor (vn a/n iuw ajy erryj of amnj^ /o^\\KN. in drukke beweging, in rep en roer. — r,^ ^ of veel be

weging maken. — ur^uy in ^(u^cr^ anj^\\ veel drukte en beweging.

a/n (i^i-.nji\\ KW. zva. i^arn n\\

o o o rgt;

a/n :ui\\ KW. zva. am rrt(i/n\\\\

a/n ojj^ innji \\ KW.; (amp;i (Uj HJijj \\ (Ui (i ^ (HVjj \\

zva. (ut (mi \\eti

ai ij am 2 iy\\ intreden , ingaan , om er in te blijven; zich met iets inlaten (All. hetz.; vrg. am ëui \\ een nevenvorm, zooals ajam anm van \'tj a/n (Uj^ htiji \\ Vrg. \'yin.^.Hn f^. — (ui (Uj (Hiifi \\ zva. Oji urn \\\\

vh(Mihitjis kn. zachte wrijving {vrg. a/i^(M nnjj en 1^ (UKHnn). — aiï(uiiHnji\\ iets zachtjes wrijven. — ui tien J?/ ui (Htijj \\ hetz., en polijsten, glad wrijven. a/i^(uiof (uiji(ÏJi ifnji\\kn. wrijving, hot vegen, zooah met gomelastiek op papier, om iets uit te vegen {vrg. (i/tiuiihnji en a/r^(i?i unj^. a/i^ua i.iyj of (uijdJi myi gt; een lang cilindervormig stuk hout, dat bij liet weefgereedschap behoort, i/y uum ^ïi lt;riyj\\ een lap of leur om mee te vegen. — ano\\jiHii/j\\ wrijven, vegen , uitvegen.

O \' 1:^ ui m ^(ui vnjjs


-ocr page 127-

(Utiiïvujls

53

I II I I ■ rl \\

•1\'i,

ie/s met ecu lap vegen.

het wrijven, het gewreven o/1 geimlijst

^ 1.. .. / o o O

worden, polijstmg (vrp. (iynwtw/j en ojyajinnyi

en 1] umrjwwj). — wrijven, glad

wrijven, poetsen, polijsten; steen slijpen.

(tynojjiunjlsKH. dakrib, dakspar {Sd. hetz., Ml. roe-

soek, rib, de ribben), (inihayr^nj^ urijis naam van

een soort van\'pisang, (urj^orrn(in^ajj ur^/j\\ zie (Uï^cyrrjw

rjcunM\'HTt/j^rw- zva. ttm iytnyi2iHT}jj\\ betamelijk.

irjMKu mipK^. zva. (unw Qmyi aamborstig {Ml.

hetz.; schor, heescli. G.).

ijttmn. , tJMi r.w \\ k. , ^ itjï ijn \\ wj., vroeg,

vroegte, ochend, de morgen, die gerei\'end zoordt te

duren tot ongeveer half tien-, \'s morgens (waarsch.

eig. hetz. als runojjlt;Kn/j\\ en dus de ingang van den

dag), (bh (Uïjj rj dm ihJj nrij} \\ u) (uy rj tun \\ van morgen.

(UirjiHiinj^irnji {eig. voor rj (hh -/n ^)

dezen geheelen ochend. rj i/n (k^ rj

(Ljj den volgenden morgen. den volgenden dag.

rj(untj ^ den daarop volgenden dag.

arnifjvr^x/nojj.rj ,Kt) 27^ t) naam van een bloem ,

de nachtschoone. — riaTinjj nryj m r/n \\ zva.

o. ..

rj iM ajj, ïwji \\ }j aj) r:m w trj w (Ut \\ rj o rrm i :i \\

rj (inv. j rj un \\

iets, bv. zijn komst, vervroegen

Ov O

ij it? r.m in uv (Hiji \\ het ochend of vroeg noemen, iets \'s ochends doen plaatshebben. — rj om ojj

/ƒjmivm\'iin (hi/i\\ te vroeg in den morgen. — \'rj(kl]iK^unji\\ ook wel rj r:noj^rj wi -jtinnjj n. ,

cjv C)„

7 w vrn \\ en gew. t] (cn r.w tj ï it i:nt \\ K., morgen. rj ajiojj ij K)i oj^ nnji of rj rn njj^ ij un ojj tq mi *lt;»/) of rjn.ioj^ mi 3ï tj fun wiji\\ n., )j i n tph tj tun rrm i ïi un ij i\'ii i:m \\ k. , morgen ochend vroeg, rj r:v ik^rj ijwi *11(1^1 nn/irjunn^rj in) -/nnj^ hiimorgen, min of meer vroeg, wat vroeg in den ochend. rj ij i.-n \\ zva. rj i.fin^ rj itfijEii tf uj { w — ttmj tK/jaj^ ki^\\ poet. zva. rj(Kj)o^ inijj\\ — Hnjj en rjim iimszie ben.

vj tun 2 nh Knji v kn . beweging, zieh bewegen; bewogen worden, van het hart. rj(unda5j»rj^iunih!i {ifjIihi^ om m? ) wat er in het hart omgaat, wat iemand ^ij zich zelf denkt of zegt {vrg. bij a/r^injcui u)i).— *1 amp;i i w unji poët. zva. ij turn rn s\\\\ ij.mwun^ivj rj i^2pj(un (bh \\ hij zich zelf donken of spreken.— ^ midojj nnji\\ {rj un zorjn.i Knns v. e. bed, waarvan de dekens enz. zijn omgewoeld, in de war liggen) bewogen, aan het wankelen gebracht. — rj mtCi

Ow o :m

Kirrj un \\ in beweging brengen; de aandacht gaande maken j indachtig maken of herinneren aan. — rj indw un ~7iti?iMnjj door heen en weer te bewegen omwroeten of omwoelen, dooreen- of her- en derwaarts gooijen, in de war brengen of doorsnuffelen.

Mn tfo/y i iv KW. zva. (iJi gt; (lvi \\ ij w 2 rj 112 (uijj) w xrn(i^iunfj\\ Ar. eign. Izaiik.

(ui^(Ki(in\\ of ij (un 2 Ki (tci \\ kw. zva. ij(vm2if^ {bkr. au-

.. . O O

s a d a). — ito uj. \\ zva. an m rj \\\\

(untr i\\ ki. zie asn .*.»onfj\\ kn. el, de lengte van de elleboog tot aan de top van de middelste vinger, ten vierde van een vadem {Skr. h a sta; vrg, lt;ni o^jj)-

oli-

. OO

— tm feo zie bij asn gt; lan/j en aoi nn autjis

0,0 o

tun tra \\ ook tun \\9t.\\ en gt;ri/n i\'A\\ k\\v. zva. anaz:?^ Cu \' (U

fant {Skr. has 11). Een ander riojn m zie hen

\' CaJ

o o

in ri cj tri w

o o

tun a-1 n zie a/11 raw

^ C

n o

lt;unfo^\\ oji n (ra

b7J

cur^ ra\\kw, ; unayy ua \\ zva. unuaa^njj\\ vermeld, enz.

O .O^)

ai tun a. i \\ zie m iyt w

I quot;K 6J

ijajnfoi)\\ 1. b.k. het zij zoo ! het moet geschieden ! een uitdrukking, waarmeé een ontvangen bevel gehuldigd en eerbiedige gehoorzaamheid betuigd wordt {Skr. as toe, Lat. esto) 2. rftun en a.i ij rm 1.?■ (ij 1.1 ^ 7 \\ poët.) k. van arm l,ii . n. werkelijk; blijkbaar in de werkelijkheid; werkelijk waar {Skr. 20 as t oe, iets werkelijks). 8. k. zva. (uiaj(uia2Wjj\\K. van (i3(ia\\ werkelijk plaatshebben, doorgaan, van iets dat plaats zou hebben. 4 hartelijk toegenegen {Hoogd. hold, 7\'gt;. afiectionné). m ajr} ^ y fcii tia rjiujsH,, werkelijk ,

eigentlijk. ^ tLi^\\KW zva. in rn hulde bewijzen.

V KN- huldigen, rj an ^ oji (ia hulde bewijzen aan de voeten van een voornaam persoon.

rlir? Ihr uquot; \\ eel\'^cdigen, met eerbiedige gehoorzaamheid volbrengen of uitvoeren; met eerbiedig geloof aannemen. — tri rj ri^i\\ hartelijke of gunstige toegenegenheid (Fr. affection) ; zegening door de gunstige toegenegenheid en goede wenschen of voorbede van een hooggeplaatst persoon {zva. 11 aj ui 2 an ifv tjj ^ v Vrg. tun a?i \\ bij ani ia nnjj)\'

(untuiiisnji^ een vruchtboom. C.V.\',

tj un2a3 1 n/j kn. een peulvrucht, een soort rn^1 am ri uijj\\

un h i an \\ ook gt;. 1 a n ui \\ of tra tui \\ KW. zva. aji K ■ n nsn


-ocr page 128-

54

C) C) i/n iKi(h

cmji of (LiajivjniciM cHifj\\ begraafplaats, grafstede (Skr. d si dn ei) verblijf, audiëntiezaal, v\\\\ si d na, plaats, Mal. a si dn a , vorstelijke woning).

(ui \\ voor (mi iun (Ko mi w o o

tun w (hi \\ KW. zva. tun jmiru/i\\\\

O

\'t/w^^NKW* zva- wivnobm en eni oikekhi/js wapentuig, wapen j scherp {Skr. as tra, wapentuig, zwaard; boog, enz.). [(vn^(Ei d/n of

— tuni(j-..^ii~j clu} iktji\\ kn. de berekening bij het aangaan van een huwelijk. G. volg. C.S. zva. wijMz ij(K}2 rj(iéïi zie L. 82, 2.

O O O o

kw. zva. lt;rj(ijn^\\ zie

00^ we^ !• kw.j

o . ■quot;gt; o

vj (vniyüj \\ kw. en kn. zva. (IjH xr/n an \\ en xn

lt;rj(ut(^\\ zijn goedkeuring schenken aan, enz.

o

\'^amp;PNKW. ZVa\'

O

(un(w kï) \\ kw. zva. ij hiiz itjjw

9ew- lvVlt$i!!5\'liyi Ar- KN-

^ cxS

het wondervermogen of wonderdaad van een un lt;ui \\

{vrg. (E^tnj tx tvgt;nfj)

a

am fe^iunsKW. zva. (lvi (u/jw

o . ) a (un^(isn\\ zie (MisnasDW

o -./ . o. .-. /

ir») (m ui \\ zie tvn fat nu ? \\\\

s s in,

nsn (fe^tui ru q \\ voluit astagapürla/i, God vergeef mij! als uitroep ook in verbinding met

O O (If^ .177) TLI (Utl W

Q

tun (fefitiJi\\ kw. zva. irrï ^-i ut/jw

(i:ri(wk(i-m/j\\ Ar. kn. 1. verhooring; verhooring erlangen , van de gebeden of bevelen van een heilige, die het zoover gebracht heeft, dat wat hij bidt of wat hij beveelt, ook werkelijk geschiedt (Jr. i 5 ^ a-djdb, het verdienen, maar verward, naar het schijnt, met i stidj db at, verhooring). 2. volgens G. wonder {Ar. isti dj db, zich verwonderen).

o /\' . o S

aiti (KI (i/ut\\ zie nu (ut) lu \\\\

S 151, s «£,

iimikqjea/js KV/. zva. (Uï^nsi) iviw Sier. dstdm, het zij zoo , laten we het daarbij blijven.

rjiun^jEiAr. kn. mogelijk, mogelijkheid.

o . . o

(un M cni iuj.\\ zie cm

nquot;/ - o ,lt;0 . oX

(itt) £.//od of am y) eni iui \\ en verb, tun ^ im \\ en toll (rh iui n Ar. kn. om vergeving bidden, door uit te roepen; God vergeve! {Ar. .IaaAa*»))\'

O O • 7 .. o

(un (K/j (lh ryi ? \\ zie n u t/ am mw o

am w tun rT) \\ kw. zva. (Utn^w

\\-) o n o / o

amoj) (MjjsKVf. zva. dJi ^ \\ (un (u)^tonu) \'VLI (K/1 ^rt) (KI { \\\\

(fmtKiw/j af 1. kn. gesis, gesuis, van het

geluid van den adem en van de wind; 2. ki. van

xnjjiir^xnji\\urm rj*rgt; mvjj(van (Qrjniimyj) en van ij ui

un2 un/j\\ — (QiïJ(Kvji en /27X7^;^ suizen; door

de tanden sissen, door het intrekken en uitblazen

van de adem. (Q(fJ(Kn/j\\ ook geruiseh maken door i

snel rond te draaijen bij den dans cm |

Tj. Rh. (bi(kn(M/j\\ ook sissen, van de slangen.

dm itJ K,)/f S e t h, eign. van een zoon van Adam.

(lm vst (kjin\\ kn. luchtigheid j gelucht, verlucht. — iitjikI

(uuis laten luchten j zich verkoelen door frissclie

luclit te gaan scheppen; de slagtanden ontblooten

of laten zien; het veld ruimen, de ruimte zoeken,

de vlugt nemen. het een of ander

luchten; het zich wat luchtig maken. Zoo ook rgt; a a a o

(Cl (KI (KJ) -Jll (KJ) (K I -Jl) (O) (Uil fj \\ - rj un (K/I (K/)

aangewaaid, aangeblazen worden; lucht scheppen;

ontbloot, zoo in Tj. (U) (uxwjw-niuj Lj tuijj£1 (fpj

O o O Ou o » o

d^i (Uj. rj djpj fon^ (Uitiaq om aj) ipn \\ 101 (Ujjj nsn a/i ^

(ui(TL)q\\\\ en fig. verlaten, alleen gelaten worden,

door zijn volk in een gevecht.

(i/y^m^skn., ax ^i(üi iuijj\\ ki. darm ; de darmen {vrg.

w) rjoji?); {ook voor navelstreng. WW.), oajoj^ik)^

band, lint, schuifband om digt te trekken.

— (^(K/^oji/js de darmen uit het lijf halen.

(un ui \\ kw. zva. iamp;nniuyi en mi o (uijj ^ Tj. Sengk.

zeven {Skr. asjwa, een paard, en wegens de

zeven paarden van den Zonnegod.) luntKirj iamp;i(Ln\\ zie

•rjiBKiow (un(K!) dsn kji \\ naam van een zoon van Droena

{Skr. Asjwati dm d); en van een olifant van

den Vorst vanMalawa-pati. —mn^^if.i\\zieben.

ys

ij(unz(Kji (uyi v v

(uiiijj\\kw. zva. (ui)rmw

CY

kw. ZVa. (EJlton

(un K i (Hi\\K\\y. zie (un 0^1 cui w

O

(un Kjf uji.r^ f^ eign. van een zoon van Koemba-karnh ; in de Rama, en van een stuk geschut op de Alucn- j aio en van de Kraton te So er ak art a {Skr. Nikoem- \\ ba. am(Kj is dus waarschijnlijk een titel, zva. Kr^iuis).

(uil ikj rn\\ kw. heer, vorst (Skr isjwara). ah am I gt;1 \\ een naam van Batara Goeroe. (Slt;ïj[iu^m\'w \\ vorstelijke pandita, een Vorst die pandit a gewor- j

den is.

o

zie mi m iru/j \\


-ocr page 129-

w rh)jj\\

O

,17?) 1.7

55

ook wel «AifM^NKN. wortel, oorsprong, afkomst, afstamming; afkomstig een plaats of gedacht: of van iets {Ar. , asl). unaji^

M^nirvi^ (de wortel van het geval) het cijfer, dat aanwijst in hoeveel deelen een nalatenschap verdeeld moet worden , oohzva. nmor) mits. —(unly)\\ of ^lynlïQm^ hetz. volgens een andere uitspraak van hetzelfde Aral, woord; zóó he ei en in Rëm-lang geërfde sawah\'s. — (ltiwrrivjnm \\ iets he-schonwen als ergens van afkomstig {zie ook bij ijiumiprLi %).

(unoStvyj of iHvaSiru^KX. inkomst, opbrengst, voordeel, nut, winst {Ar. 0«/»ïwaartoe dient het? — m/M mA(K)voordeel zoeken of bejagen. — m voordeel geven; voordeelig, nuttig. wiMirffw/j\\ bevoordeeld; inkomsten, voordeeltjes. — (ui/ti {of mt w) itijinn/j\\ njioS) ,n^jis inkomsten, voordeden; een voordeeltje.

v\'v ruji\\ hier en daar wat opschommelen, ophalen, of wat te verdienen vinden. Vrg. un ,i?i rujj \\

Mjnj^rujj K\'S. 1. oorsprong, afkomst, afkomstig; van een woord afgeleid, zie (i/najt tunw ook een verhaal. — njj fu\\ iets vertellen, verhalen aan. WW.; in een gesprek liet woord opvatten en op zijn beurt iets zeggen. — ii^i.yn tj mis over iets in een gesprek het woord opvatten of iets in het midden brengen.

^ in kW. zva. irn in \\ ur) ip gt; en i n ij

rj ? .7) t ik/iji w Wang saltan. fél rj i n rj oi ^ uj, mij ; n n

\'tnjl^ ~ am ij njn 2 ijijj \\\\

O o

(unojiiw)\\ zie (tm (ki

iüjhj) i?i\\ Ar, oesa Ui t ik zal bidden; begin van een formuliergebed, uia-j) \\ formuliergebeden-

lezen , hv. van de priesters hij een hegraaf nis. l V n,:f^/lK -d\'\'- 00fc wel rui j^iji\\kn. het Isla

misme, de Mohammedaansche godsdienst; Muzelman zijn. Mohammedaan worden. —rirj Hn\\

quot;.O 1

ook wel vmiijiMuzelman maken, tot de Mohammedaansche godsdienst bekeeren.

Qv j o o o n

MnutunnsKVf. zva. arr^/h^w volgens de Dasa-nama

de top van een berg {zamengest. uit lt;uti n.i \\ zva O

en nmi \\ of volgens pk. verbastering van bet Skr. sj r en gg a, bergtop).

iwwuji zva. x/ni.um/jw ZG. 1882 , 204.

iiyn (Qtv)/j\\ KW. Mal., zva. i.i js mi aa ?u £i (iJijj\\

Ml. V^ftAW) jiilt;r , stoomboot.

o O li. - / O : ) v o O

un i j njyi KU. het zuigen {vrg. qji j i ui/i). — un ^hi^jj

of P.) {iQuyi \\ ook wel iwaJ irnjj - zirgen , aan iets

zuigen, lurken; inzuigen, opslurpen; ruiken, trlaji

ut Si) \'f.Q (vijj fig. polsen, zoeken uittevorscheu.

utjrKnuji KW. veeg, streek, veeglap, vi uy ccn

veeg, een streek, om een gering verschil aan te

duiden hij het toetsen, en in V algemeen een

ziertje, ut ui/j\\ lap, dweil,

(nyj of n.i (ijutn cur^Mcli of w a i -n

.^N Ki. handdoek, zakdoek. — uj w (t/)^\\ strijken

over, wrijven, vegen. — art r-; ui ~jn 1.1 u\\ji \\ wat

afvegen , wisschen , streden. — ili -7nafvegen;

nitwisschen ; bestrijken of inwrijven met. ui un ut

tut Si \\ poët. ui Kt (ut - ; rj tm n afvegen met. ut

nrt ui utji \\ (welligt elliptisch voor0 nivj ii^?) (unz

ui0\\ wat dient om den nasmaak v. h. eten te ver-to

A,

drijven ? een uitdrukking voor dessert, sigaren en

derg. te M. in Tj. ook zonder ijumui\\

Q O7.. » c)

uty i (Uixrj 7.7 (ut ij ini^ zie bij uij i i,ir»^ x

un hj/j\\ Kw. zva. Skr. hdsija, belagcheiyk-

heid, spot, sciierts.

o O o

uit (ijij \\ KW. zva. u n i i w

* o

rj un i rjji nKW. zva. in ut un/j w o

un ujji { KW. zva. gt; y i tm/jw

O

^t^^nKW. zva. (i/n ^ iKtAJ^m^ un lt;amp;t

o

(l/ttUJJjsKVf. zva. 17^U)^\\ UlttJUt^ I1lesuj\\ utuM^Ki. van lt;hnM\\ naam, voornamelijk voor de naam of namen van God {Ar. . coll. meerv.

van » naam.)

\' O

un ui \\ 7) i/n zie t 11F4 \\\\

i-t i uuts van tamarinde

O

\'1\\ 7J Uit Zie II 1 ^ V un ui f t/j km. zuur, rinsch, wrang; tamarinde, njtt Tti un (i.fi utj]\\ Rinsclie wijn. 7. ?;^° tamarinde-bloesem , ligt oranje va7i kleur. Zoo van een zekére kleur van een kat.

voorzien. — un i.urjui/j\\ iets dat een wrange smaak heeft; een bitter lijder.,, wederwaardigheid; het slagtoffer van iets ; de tussohenruimte tusschen de vingers (ivwirt^rnfJutaryt^ naam van een

O

kost. 7 77 7.?ut,//»7. inji\\ niet voldoende quot;iiitgc-211111^1\'\' van gro7id. vSG.

0f kn jaargetijde, saizoen, het

jaargetijde voor iets (Sd. hetz. Vrg. Ml. woe sim).


-ocr page 130-

c)

lt;rj OjH iL^\\

5G

rj (ut) (Li ook tj am kn. glimlach, vriendelijke

lach; grimlach. — 7^(amp;i(kJ(Enjj\\ ook ijwwfoifj-glimlachen; grimlachen, meesmuilen, rjxnnJlgn vriendelijk toelachen ; glimlachen om , uii spot of tot schim]}; grijnzen, toegrijnzen.

d/najjiamp;i\\ ook ojïiamp;iskw. zva. nmihli(Hyjs droefheid. — ii/nojj (hi bedroefd.

a.rn gjj inn nyj \\ of ivm (él; lt^ n cigcnn. I s m a ë 1 {Ar.

(un (ui \\ KW. zva. tt/i mi (isnji \\ vogelknip.

(U)i(iyjni\\ ajiwns of (ti\'uim? 1. eiyn. van een Déwa, naam van Karna-déwa, den god der liefde {Skr. Smara); 2. zva. (ui 1$\\ en aiitKitM/jgt; min, liefde, mingenot, wellust; belust. 3. zva. (urii\\

en ; ck)^ gevecht, oorlog {Skr. s a m a r a). (un

a o x o o q , , ,

cm (Ei \\ of (un ix een toovergebed om

een vrouw in de verbeelding mingenot met zich te

doen hebben. 0(La(hn? of 0iki(tn\\ naam van een

dichtmaat en zangwijze {Skr. samdr ddana,

propitiatio. pk.). — (C7 w m\\ met iets ingenomen

Cl gt;quot;) ) O C).,

zijn. — (vn:Ki\'-n(H^\\ zva. (how Sjw (lii ar,}(Ki\'-n

pass.; kn. of ki. op imöiwr/verliefd zijn. aahn Q *

PaSS\' loK^jj-nitn/js kn. of KI. zva. tqtun (ia ajjanjf en (ó^ah\\ verliefd, wellustig, wulpsch. (unw criijj\\KVf. zva. \\ zoeken. — ott^nkn.

nalezen, een nalezing houden. — njnMcmw^ nagelezen; nalezing, wat nog te lezen is.

d/r^ aJ crnjj \\ zie (ur^ w (hvjj \\

(ur^ojjamj^s^. — iKrvjiarpjj zva. (EjImz WW.;

welligt zva. ^ zie ij (un iaji mqw

rjdjnd w 2 011/j \\ —rj 1711 ij (ka 2,m/j w ~ y 1712 tj w 2 w P. J. irj(un2(Kj^cniji\\ KW. zva. volgorde, loop.

(un(Mi~njj\\ of (unaj)(uijiskk. 1. betamelijk; het betaamt ; natuurlijk, van een natuurlijke dood. 2. schrobbing. — ook ojjnrijj en rj (iri2

(ü(irriji\\ schrobben; hard schuren, ook bv. de tanden , een lijk over den grond schuren, slepen, van daar welligt fig. (hioj)(u/j\\ enz.? zie (hhoji

(UJJ*

o 00 000

(unMnrtyisKli. a-.) oj) am -jn aj) (irnjj \\ a:n(M am *jh(Kji am \\

o 00 rgt;o

os? (ka «rn y aai \\ an (ki am na am rj in gt;; \\ zva. aai (Kji na/j \\

na a o oji o-ji (hi ~jii o. 1 (Hiji \\ enz.

aïïimteiijis ar. kn. de overdragtelijke beteekenis van

een woord, oji (ha (iqi rj aai \\ een fig. bet. aan een

woord geven. WW.

a/n a^yi.\\ kw. zva. tyouau^ \\ {Skr. asta, acht), \'na 11^ ook wel a/n \'fcaari ay ^ naam van een juwelen toover-beker {aj^ i ^ ^a ijjaaijj), ook in de Manik-maja vermeld. 0aa (Bis en 0oji an \\ benamingen van twee

goede te ekens in het haar van een paard, da-n

00 .

asnji (iL^at^s en lamasn \\ namen van twee (je-

schriften van Djoegoel-moeda.

o . o

am ayi\\ zie amnaw

Cd quot;K

o

a/n ri\\ zie a am iyi\\\\

Cd f Cd

a o j. o o o - o

S5N ^1/11 Tlf en 1/11 0* \'V\'L/n^NKW-

«o?a^\\ (Kiiiyjj\\ en rri(i-jj\\ voorstelling, gedaclite, gevoelen, wensch {Skr. isti, wensch, begeerte).— ama^an^ikn. nadenken; naar het zich laat denken en aanzien. — ijaji^ of iq m (kj\\ zva. ami aji\\ zich voorstellen, denkeu, wenschen; op iets zinnen, over iets nadenken, aairjama^.\\ of

11 aait/i\\ overdacht, overwogen; een vast voor-

\' Cd

nemen o/besluit; ook gezien worden, zigtbaar.— (ui lt;rj (ci ^ of (ui ij cm gedachte, gepeins, overleg en wensch.

^ ^ cquot;)

rj a/ri aw\\ ot aai kw. zva. ui (Ui rij (hj aa/j (t. en rj 1 v

(amp;i!ji\\ WW. voorkomen, schijn, gelijkenis {Mr.

tjestdy manier van doen, gebaren, pk.), zu.

O lt;quot;gt; 117 cquot;) ^

na (ujji \\ luinos VV. zva. n. i (e^ of na (k/i asii \\ waarmee het verbonden is Waj. II, 65, 9.

a .on o

rna/n i9i\\ zie am lyn en ajii mnn lt; Cd Cd \'K

am ra ui \\ verkeerde schrijfwijze voor am gt;mjvi \\ zie

am (Kp oji \\\\

ojh na \\ kw. a7i(Ei\\

co

ajn(Ki\\ — a.fr^ Xj a/ij ki \\ k n . dat waarmee men hij het hakken de heete pan besmeert, om het kleven van het gebak aan de pan te voorkomen. — cki a/r^ (fa ra v met a/r^ faa/ij ia besmeren. WW.

amtKi\\N.; tS(kJï\\ buikloop hebben. a?in~a\\ kakken, zijn behoefte doen {van menschen (iaitj (Lai2au\\ au i ij^a^i (Hi/j of *1 am 2 if am 2 iigi (hi/j \\ van beesten aai £ i a^ui (rxajj\\ k.). — aa (ki a:l \\ kakken of zij» behoefte doen op. — aa na an riam \\ van achteren ontlasten. — (tm(KjÏojtiMannn/j buikloop, diarrhee. am (K/\'i a^ftr} (iPn % \\ bloeddiarrhee, de roode loop hebben. — ani n aji na \\ bevuild, zich bevuilen. ajijojjv kn. ; ayaj^\\ naar een andere plaats dragen of vervoeren, ajr^nj^aa^^\\ of n^ n/i^n\'/j \\ goederen naar een andere plaats dragen of vervoeren. —

a i j

n;^(tj^ ra\\ mv. (Ui (ij^aa(hnjj\\ iets om te vei-


-ocr page 131-

.V)) ut

57

voeren, 2. een burrie en der gel ij keil.

O . / t

d/n tv)\' rw. ihnnis iim utmw 1.

kn. lucht, luchtruim; de lucht, atmospkeer, het

klimaat plaats, (uidhtun (V)\\ het licht van

de lucht, het daglicht. II. kn. begeerte, lust,

drift {Ar. cun w (hhui begeerten en

driften, of driften en hartstogteu. vyMcunws

zie KJ^iinw — III. i/n u) of uri \\ eign. Eva

(Ar.

i/j),u\\kw. zva. lunia^ (Sd. riet, bamboeriet). zva.

O

trui (Ui {w

(un(uj\\ kw. zie (Uj.* kn. asch; ook grao.dvan hloed-verwantschap, bu.: «in leeftijd zijt gij ouder, maar (un(cjjrfig.isr^iu)lunhi^\\ in bloedverwantschap ben ik ouderquot;, tun (in nn ~jï) (uj \\ aschregen , xoaarvaneen Kr. ikiciqrur.n (i5nji\\ en een desa naam, C.P., en stofregen, motregen. nrr) ah mh i^ctrn (hm ~jn mi \\ een soort van pisang. nm nj^ajn aj^\\ kw. dienstdoen, onderdanig zijn ? G. zie tun oj^ ./^kn. lastig vallen, met ecu huwelijksaanzoek of dienstaanbieding. — njir^ajiz (W7^\\stookplaats , haard, oven , keuken , kombuis. — iirnm(U^\\ of rtv\\n., itYi) rui\'m (ün/j k. , asch-kleur, grauw, grijs, vaal. \\ is ook de naam

van den 26sten zoon van Watoe-goenoeng en van de 2Ssto Woekoe,

(ünrjiutMW. het wuiven met de hand tot wenk om te naderen. — iui^(L)}\\ met de hand wuivende wenken, tot zich wenken. — wrj u) dm rj uu \\ wuiven of wenken met bv. de linkerhand, aji m rn \\ het wuiven . wenken; wenk. — rjiuis of /.y t / rj,/»\\ zich bewegen, van de hand gezegd. — (ii ^ ui\\ de hand of handen bewegen.

ft O O quot;gt; (quot;gt; o

m ui(vrt ui \\ tegen iem. met den mond een

scheef of grijnzend gezigt trekken uit scherts of

om iem. te bespotten. (e\\(ui\\ zulk een gezigt

trekken, Rh.

1. zie (ui\\ III. — 2. kw. hoe ook, welke ook. G. tjnrmfuian/js onbepaald, onzeker. G. 3. kw. zva. fui )unstijjw 4. uinmtui\\ {ml. oeway) een soort van aap, hylobotes leuciscus.

Mj un zie lt;S\\\\

aj)li (u^rj(ui(un.Y^aji\\ een uitroep van ver

wondering ?

KN- tegenzin, afkeer; een tegenzin o/afkeer hebben tegen of van t ingenomen tegen.0/^107/^n in krama ook 0r^(u\\evenwel, uogtans, iu-

tusschen (^r, éwam, zoo). 0i£i ij nin rj i,jg\\ (0im

-J \\ j? o ^ o 1 O

fan Ki\\ poet.) oj m if(ii\'i2ij(Hji\\N., (E/t ijdnu asn

O (T) O -jtr y O ) C ^ O

(Hijj of thJirj (f-Ji? (gi anji Ma., itji un un cmqs (U)

c ) o a o o

(El fyl (Hl/j \\ (U) l-jj (HJ. «H N 0/ gt;1 (U) Ij lfj_ ik l Uj Uj Kil \\ K.,

niettegenstaande dat, desniettemin. — ij (i,* tui (ui \\ een afkeer of atschuw hebben van; afkeer inboezemen, tegenstaan, lelijk staan. — ^(ud(uianjj\\ afkeerig, stuursch. — ri tm tui kh ri mi \\ afkeerig maken; afkeer verwekkend, hatelijk. — lu.rfnn iui rj an -ai iui on/j voorwerp van afkeer of afschuw; een afkeer of afschuw verwekkend tooneel. — jjrjiiwlt;t))\\ gew. ij 1^1 iuiij ny ui \\ met eeuige tegenzin; onverschillig, koel. — onverschillig zijn, geen behagen in iets scheppen. — rjay iui !Hj \\ met tegenzin of onverschilligheid behandelen. tyj(ijn(u^j\\ kn. duizendtal. (rjagt;ji(u^\\ duizend, ij\'-hi ij(ini(U^\\ n., (Hn ruq iyx/n (Oi^K., twee duizend. ^ ó)

wordt de bevolking genoemd in onderscheiding van de h 0 ofd e n en a mbt en a r e n. — i.m rr^(ui2(Q,\\ voor iemand op den duizendsten dag na zijn overlijden een offerande doen. — ijtuiivuuid on^ duizenden, bij duizenden {zie ook bij irji/n rj uid). — mi ijuj \'Uj\\ een ambtenaar van een rang beneden een kliwon, en daarop volgen telkens een rang lager (ui^nnsnajijj y mi rjMjMii nbiyi, iui (hj iLi ij ui\\ of (i-i iji Tj (Ui De benamingen van deze rangen naar getallen schijnen alleen een hoog er en lager rang te beteekenen. 7icimlt;rj\'Uiz (of vj j.71 rj ui2 mi/jy ks. klassn, kategorie; daartoe behoorend. tji/n DiaHjyj .uizam nx-u iemand van de klasse der slechte meuscheu. rj (in^ (ui2 inn

riinis rangschikken ouder een klasse.

o

uil (Uj,4 \\ kw. zva. inn ui ~~i j uti w

O (. quot;) quot;) o

(un (ui lt;gt; \\ kw. zva. urnu) hh/jk ui ilkkji ii\\

V 4

lt;L/no?\\KW. zva.

ajï^uj?\\KN. 1. zie uj^ 2. ^^?N roepen, hard roepen, toeroepen; kw. nnun^s zva. (ui asn kiijj en uj\'ii huji schreeuwen, uitroepen, geweld maken. J)e grondvorm is dus ui^ ui^

urjijun^s zie rj un^w rj tun tut zie irj un è ui q w ij un 1U1 j \\ zie rj dm xji { w

trjitKUifsN., if un (bi(in/f\\K., vj 1/11 ui f \\ uw., moeijelijk, bezwaarlijk, ongemakkelijk; m oei j el ij kb ei d, moeite,


-ocr page 132-

Tj I n ? ut { \\

68

dti (U) an\\

Oi

a -lUt!t^\\ Of

O

KN. ,

uiutih

\'3

zwarigheid j bezwaar ; drukte j het druk hebben , bezwaar hebben {vrg. mn \'tj ki \'MJj)- tjun ut^rjiun

aji q \\ het zich moeijelijk maken, zich generen, Rh.

O O

rj un vn aj^$\\ 7j tun u) vj tin iti icjj veel drukte hebben. gew., even als cir^ tj u) cm ij ut \\ van iemand

die een groot feest geeft. Zoo ooi\' yj i/n ijj gt; ij ni

O O

(Vj ? (un ■7-nji en gt;j t/n aj) rj ,ict .?» ut ui :ut ^ — tj i n j rrj (iJtt oju \\ vj (in (Ut lt;tj na ~nt £i tajj \\ op de een of andere wijze moeijelijk maken of moeijelijk zoeken te maken; zwarigheden maken. — rj cj^tijit\\ rjojt \'QiWn bemoeijelijken , bezwaar of moeijelijk-lieid veroorzaken aan. tht(iarjimaji^ajit\\ waardoor iemand bemueijelijkt wordt, waar iemand bezwaar in vindt, vj dm ajj^^yn (hnjj^N., tj i,ii .i i ut nn^ k. , ■rj int ht q t/n anji kw., bemoeijelijkt, verlegen, in moeijelijkheid, in verlegenlieid. vf (vnijtynajjj? ani \\ tf ( (bt tj (iet ^\'n (Q(in \\ iemand eenige moeijelijkheid veroorzaken, hinderlijk zijn. — ijki .ijiqdm ij •rj kn n tj (ei $(ip ïtu (HTjjs als een zwarigheid beschouwen, zwarigheid vinden in. — ij mt ^{\\ en rj iilt;ti rj ut ? ^ \\ poet. zva. rj n/n ^ w — ajt rj tot j \\ n., (uty i. tt hi(in/f\\K., moeijelijkheid, zwarigheid, bezwaar, hindernis , verlegenheid, ijcurtdj^^ojtr^ tnt (Uj.^ bezwaar of moeijelijkheid. —n ij mi i^ xjtt \\ ieji rj irn at (W \\ iemand het moeijelijk maken, lastig vallen.

frjtun i (ut ^ s N. ij (uil tut q\\K., veranderd; afwijkend j verschoven, verzet, van zijn plaats; krankzinnig; verbijsterd van het verstand {Fr, aliéné); van streek, in verwarring; veranderen, afwijken {vrg. tin/ttz mi ^). n/ndn hit rj i/ti 2 ut j \\ er scheelt wat aan. if rm z ni rj (urn lUtj tm (Vit \\ onveranderd, als, zva. zoo als.

O O

7 ƒ m i .u» gt; (un \\ rj 1:1 (Ut j d/n \\ veranderen; vermaken, verstellen, verbeteren, Itv. een huis of pen. ny iTtz utqii(uti? iut {iyri eenige verandering brengen in. — ifdym ut q un y njn ut s (in tnyjs obj. den., een verandering die gemaakt wordt, ij uit z ut ^ tj ij un i ut ? (un onji \\ rj (un ut ? ij (un ut gt; r n (in /j ohj. den., verandering in het algemeen. — (ut ij d/n 2 ut anjj \\ (ui^nu utiin/j\\ zinneloosheid, verstandsverbijstering, gekheid, waanzin {wordt verklaard door tiunaci

ij i/n z ij ut q \\ kn. kwijl. — ij (etz ij ui {\\ kwijlen. G.

am ut(hnjj\\ i. n. , (M(wi\\ k., het midden van den dag, i?i tegenstelling van den morgen

en den avond, de voor- en namiddag, van ongeveer half tien morgens tot half vier *s na-middags\\ over dag {vrg. (uuhjs en ^(g). (unvi an ^/it ui anji \\ (m (ivt (M iii/i \\ laat op den dag — o gt;ut in \\ iets meer op het midden van den dag doen. — t.n ui (njtnj)\\ (int (tJt (ili/t rn (injl\\ teveel op het midden van den dag. — II. kw. zva aom anjj \\ — (Ei d/n ut anji {ook iamp;i tut anjj \\ zie Waj. I, 4oo , 5 , (ie^\'f t (tn ni) zva. foirjcni ups (in ihn q w tuit ut (hi/j\\ — iquot;) ut inji \\ een kleeding stuk, sirih dooi enz. achter een aanzienlijke dragen en ter zijner beschikking houden. Zie verder op urn ui anjj\\m ^ (injj in deze het. en ut .ut uKhfpin/j hehooren dus hier ?

n/n(L^(hnjj\\R\\v.: un (Uj^ on -jn (U^ (tn/j ^ kw., (LTtw^an

(injj\\K^., mist, nevel; nevelachtig, onduidelijk hv.

o a O c» o amp; ei « m

zien. r11 (LiKi^t (i nij ut (^iTt (tli\\ or. i. — rn tj

an ~ii (Ujonjj \\ zva. iui ojiirvt \\ Rh. B. P. I, 20. {vrg.

Cl

(i:y Kijj\\ un (Li - i Kit ~.m ei hmji , tut f ^ int/j en ai ayunji).

i m ij (Ut z anjj \\ zie un iut \\s

urt rj ut .7/7^\\ kn . gevogelte; alleen in ui lt;L?n myf0 kippen

en gevogelte, pluimvee, misschien een verk. van

o o O -i -i

ajj ut tj ut hifj \\ van ut ut \\ vleugel.

n/r^ ut(injj\\ I. kn. grijs haar, grijsheid ;grijsaard (yrf

nsiyui). — turj ut (iïj anjj grijze haren, of grijs haar,

hebben. gt;11 ^^ Z00 ^anS duren dat

men een grijze kruin krijgt. II. kw. zva. ijvm

iriri (isnji — ij imz ut anjjs zie a/11 ut \\ 2. — rj mi

Oir

(utjnjjj-ifyj kw. zva. \'i.^ w rj un (ut (injj \\ zie ij un ut w n/n (Ut hu kw. zva. a/inat w

un dj! an \\ kw. zva. nJffiw

a o o cquot;)

(t/n ut ui ni (im \\ kw. zva. (tm n/n ihtt (Eajj »

X SS 7

d/n ut n kn. ; (un ut un ut \\ naam van een boom, waarvan de bladen fijn gesneden en met opium gemengi tot tiké bereid worden, WW. volg. Filet: Ficus septica Rumph. nat. fam der artocarpeae, hel mellcsa[ zeer giftig en bijtend, dit en de bladeren worden tegen hardnekkige huidziekten aangeweni — een ander is de Ficus allutacea, een slingerplant. Het melksap wordt in de ooren gedruppeld tegen hoofdpijn, volg. J. Z II een soort van kleine

(Ei ut hj\\ kw. zva.ij m

-ocr page 133-

a

I n 1:1 Jm^\\

59

I }1 t \'l ■

boom, die weinig schaduw geeft (vrr/. t/n 1:11). /hm^kw. zva. il.71 \'iviun fti\\ scherm dekmantel; kn. een touw; alles wat dient om ds naaktheid te bedekken; een schortje; een aan het lichaam gehouden touw of band tot onderscheidingsteeken. —

jTiSnKN. bedekken, beschermen. — t~t Qrn \\ iets

CY

vastbinden; van een dm o) voorzien bv. een plaats, om

G)Cy

den toegang te beletten\'y ook zva. iKiiun \\ Rh.

CV O Qv CJv t

m ivn iui m \\ KW. zva. ui i li mi t u an w

yn^o\\KN. iets, dat ergens slepend of slingerend

aan neerhangt, bv. een touw, lint, enz. — mrj(U)s

//1 /\' o z\'

zoo neerhangen. — 11 ut m^ v. e. tun rf l» voorzien, Rh. Vrg. rj(U)\\ rjdm rj u)\\ ij uii rj ui \\ ij im

rjiviw

S . /

(un.vis zie uiw

ry (y

(unöi\\ rgt;/.u)\\KN., het draaien, bv. van een tolid. zva. Scrpi irn^ de ring onder aan het gevest van een kris; een ringetje van kokosblad gemaakt in \'t gaatje van de oorlel, om het open te houden. — ben. voor de spiraalvormige gedaante va?i sommige slakkehorentjes, in Tj. nm óji \'rï.cri uh nri \\\\ —

ry . ^

tEj^ uis draaijen, zich aanhoudend op een plaats

omdraaijen, rondom vol hangen, bv. van trossen vruchten aan een kokosboom.

(V K li. o/\' o/

(tyjj ci\\ KW. zva. lt;tj tui ij j^i ^ \\ geknakt. — iTj ui ijn ui \\

kn. knakken, ten halve breken, een knak geven; volg. Rh. ten halve gescheurd zijn, er zoo bijhangen, bv. een oor, vrg. njiiïji en unitfiw

/ . S zie ujjW

/ . /

a^rjruis zie rj,uiw

ijdmij.ui\\ kn. 1. ijnrf uis iets, dat slepend of

slingerend neerhangt, in de hand hebben, llh. 2.—

7 ^ 7 ü\' ^ Lquot; \'/ ^ ^ ruchtbaar maken , wal geheim

gehouden moest worden. G.

zie ij(cn?asnji\\

lt;untöiiHiiji\\ {bij verkorting lt;uiik^)kn., (innui ^nkn.

of k. (m \'trm n^ iijt -n\\ (M iu n of (M\'ri\\ ki. ,

lichaam, lijf {Ar. b a dan , Skr. sjartra); ook

liet lijf van een kleed\\ persoon, xm ui ij uijnqtiji

fjuis zijn eigen persoon; ook hij zelf, zich zelf,

lt;un uirj zijn persoon, zich. im uïi kd n i m aji rj

7 w ,lw an Jj (Lu ^ w/js uit U zelf, d. i. uit

Uw eigen middelen, op Uw eigen kosten. niia?i\'ri\\

beleefd vrnw. van de tweede pers. in Madya voor o

uiiiiiw-r) m rjiy ook voor de Qe pers. in de lis.

{vrg. het madoereesche vnw. 2^ pers. vm uy^\\Jav. (un \'uirj\'ini^\\) (un ui nu jjy \\ liei scheepshol ? scheepsromp, llh. :u7i ui mi het scheepsvolk,

en schuitevoerder, tui i/tj, i, y ^i ^ inijj\\ lijfstraffe. un ui un ~7i ui Hriji\\ ook gelijkend, even als; de vertegenwoordiger van iemand; zich alleen het bovenlijf wasschen; invatting, lijstwerk; lemmer, umvi mji — bij de beschrijving v. e. monster: 0ii£?rfj\\ w rn i ru (Ui injjs met een menschelijk ligchaam enz. ojila\'irri\'~n\\ zich in of aan het lichaam be\\ inden. — nn n-i quot;n n\\ bekleed met eenig gezag; ook niet fig. v. kleeding stukken: zelf gedragen worden door den Vorst. — (ui(Ui im \\ vm Prniii^ of inn iLiiets in eigen persoon doen of ver-rigten; erg. zelf in betrokken zijn; zelf ageren; ook iemand als plaatsbekleeder vertegenwoordigen. w ui ïouijl yi \\ zelf in den strijd gaan, vaneen Vorst, cm ui nri iu) iw\\ een ligchaam geven aan een beeld. nrr^ mi ili ijxo rn ~ii ui mi ~/ti ui

rrj ki \'r? gt; Waj. I, 24, l v. o. — kti ui belast zijn met iets. in ui hii ^ti ui ufurj un \\ iemand tot bespotting door een lelijke vergelijking de een of andere lichaamsgestalte toeschrijven. — un ui im ^/n ut inwnjjs iets lichamelijks, eenig lichaamsdeel. — ut ui i(ti^\\ lichamelijke gestalte; plaatsbekleeder, vertegenwoordiger , gcmagtigdc. rj uuitli \'Ui m ui ilt;xi 7,10? een man van een vrouwelijke gestalte, ui ui ui un tuis een lelijk (o/* boos) wezen. — lt;u ui ifrjtin/j^ m wyi-nihnjjs lichaamsbouw, gcheele ligchaam,Rs., geheele lichamelijke gestalte en postuur {ook ojirfi ~n najj); de geheele lichamelijke gestalte hebben van iemand, un «5 kw. f i in ui un/j om zich heen uitstrekken. ij xniiuimi ^nKui ini/js regts en links om zich heen (slaan) ook0\\ Dam. Woe.

uh ui iniji^ n. , rutiFJiji\\K , visch en alle waterdieren die gegeten worden {bv. mosselen), en wlaesch {vrg. (in lt;rfi). uh ui i^i) mj. ui/j schapevleesch. — in ui mi Sh

oji Hnj^ een visch gelijkend (P). m lUiunJiii n in

o 00

ui un ~Jti ui h nji\\ spr. m ui un -ju ui ini in^

ru ^n Tnjjs gcregten van visch 0/*vleesch;

toespijs bij de rijst; nagemaakte visch of vlcesch; een visclije, als speelgoed.

iiyy ui nnjj KW. zva. aj^ui un^ gescheurd; kn. geschorst; verlaten, verwaarloosd, niet op zijn tijd


-ocr page 134-

60

gehoudea, öv. van een markt {org. ^ ut

hij lt;u)\\ III). — if miè l» unjj\\ afgescheurd, uitgescheurd, zoodat er een goed stuk af of uit is, zva. rj it)t hnjj \\ (Kjiunrj ft^/i0 hij heefteen groot gat iu zijn been. — aniOt i^rjuns of rjx~ii tu) im rj hit \\ verwaarloozeu , bv. zijn geregelde werk\' zaamheden; een pasar niet houden; geen onderhoud meer besteden aan. — q(hm t iut tm (hnji\\ uitgescheurd, zoodat er een gat, holligheid of geul in is.

o o o o o

ut tfyyjMiH., cur^ ut irn ut tnijj or ut tat ij ut

de vinger er op zetten, er aan roeren, bv. om iets

te onderzoeken, erg. in peuteren, hv. in zand, uit

verlegenheid wat te doen. Prg. (hjitvtturtjj en o

(Ot htt/js njtj (i:j u n/j \\ zie

ajr^ tj ut (HVji kn., tjt^ ij gt;ut Krt tf lt;ut tut/j of tf ut nti ~jr^ (tj.uxhm/js het gesnater van een eend, snateren als een eend (/ƒ ook een hikkend geluid

maken, v. misselijkheid.

nstjl tf f :t 2 intft n zie rj ut i twji \\

oy run rj (ui Httji — rj arj ut tf tot ~jrt if (U) h njj \\ kn. verscheuren , A 24s, b. m if x.11 if ut tf tlt;tt ~tt tf ut iHv/Jfctji (intt \\\\ Vrg. aj^rf (ut(HnjfW (Uit (ut (LOjf of arn ut (iet -Jtt ut iiajf \\ kn. een voorgeven , voorwendsel; voorgeven, voorwenden; veinzen, huichelen. — c? (Ut(iarf mi \\ iets voorgeven q/quot;voorwenden omtrent; iets tot voorwendsel gebruiken. — njj utiw(Kt/f^ voorwendsel, voorgeven; een voorwendsel gebruiken. 0(uii ttt m/j voorwending van zedigheid , gehuichelde vroomheid , schijnheiligheid. gt;urt (VJf.(Lctjf\\ ook wel a/n (Vjjfonjj kn. ; (Eji(atnnjf\\ verstuiven, wegstuiven of wegvliegen; er uitvliegen, zoodat het verspreid en verstrooit raakt. — aztaj^ (utjf\\ in het wilde of in het blinde nemen of pakken, in het wilde steken. VVaj. II, 120, 9 v. o. xndjicLoaji^ajjs her- en derwaarts doen stuiven, verstrooijen; zijn geld of goed verkwisten. — (tat(Uf(injf\\ inéénloopen, zamenloopeu, zich vereenigen. (EKUjxct Yf tai^ doen verstuiven enz.

luit (Ufjiicjf \\ zva. (uti r:t^ (isnjfw W VV. (ét dJjasnjf \\ kn. met drift aanvallen, er stout op los gaan {vrg. xnuj anjf). (in (ui(^iJi(isiyi\\ in het wild om zich. heen slaan, G. tvn ut ^ ^(Wjf \\ ajl ut iify (Uf itv/f \\ in blinde woede om zich slaan, doldriftig er op los. K. eu

luij utiW/f\\KN. 1. druk, druk en ijverig bezig. 2. het

zachtjes met de hand strijken, streelen , knijpen o/

O O O

knuffelen. — ^ (ut (iajf of ut aa ^ ut(iajj\\ zachtjes

met de hand wrijven, streelen, knijpen ö/knuffelen;

ook verknoeijen en in de war brengen.

O

tf (tu (Ut lajj \\ zie tf uit .uf, j w njntutibnjfy zie hij xnyut (nntjfs (u)] Uj (httjf \\ zie (utt uf. (injf \\

(urttf .ut üttjf kn. duurzaam, onverslijtelijk , voort-durend, onverganklijk. 0tuyy]lt;ijji blijven voort, leven. — vrt rf ut urt ~jn if ut (unjf lang doen duren, het er lang mee doen, zuinig zijn op.

(utt ut MHjf^ kn. ; cut ut itgt;tijf\\ een vrouw of meisje ken ; dubbelzinnige toespelingen houden met een vrouw, met of zonder bijbedoelingen , 11. v. K. — (17) utmv. cuhtutiifQan/js geschaakte.

ijh(ut iittjf \\ kn. zuinig, spaarzaam door zuinig gebruik;

, ... o o o o ,

bezuiniging. — ut utfoii ^ti ut teiyj-- bezuinigen , erg.

zuinig op zijn, bij kleine beetjes van gebruiken, Tj.

o a

\'UtiiJ^ uiijf im (inttuf^amp;njf\\

(urt ut isnjf\\ kw. zva. tfimtJt {vrg. tmnjtastyf); nu. zva.

o o on

dit (Ui hijf en cat an anjf urt ut asn ~ni ut lunjf en utt an mi ^ti \'Ut istijf \\ al wat dient tot behulp om iets voor een tijd vast te zetten of bijéén te houden, een steun, klamp, band enz. {pok fig. iefnand op wien men steunt.) — ^ ei mm ~jt^ ut (i^rs en anwastt-fn (ut afèt \\ van zulk een middel voorzien; steunen, beschermen. oji iin (Ut nsrijf\\ zie ben.

uijj iJt hiyi\\ zva. ajtjutiixtjf\\ 1. K. 7, 20. 2. koord oj

touw, v. e. tol, Rh.

o . o

ur^ ut iLiijf\\ zie (UKhitjfs

(i/r^ rf ;ui istyf \\ zie (un ifut (biijfs

iUt^ tf (ut 2 nstyj \\ zie tf lt;ut2nsrijf\\

o

tun utM/f\\K. zie (utt (igjj\\ (un\'rt inrijj itnun en d/ttn^ o

ti n ut (K/j ihn/f ^ zie (un\'ii\\

O

(Ut \'it irt (tft[f \\

(Un ut (tjtjf\\ zie (Ut7 ui t-Jji n (un uKtJtjfs ook wel (ui t^tjf of (urt (UtaJijfs kn. weifelend,

wankelend, weifelmoedig, huiverig; aarzelen; ook

1 K do Q naam van de 5 d/t rthiiiriJiaojj\\ (ur^utajt.jy^hji

(hJtjf\\ ut (ut jrjjiUt (Mjf of ut (Kt (Kijf \\ weifelmoedig,

twijfelmoedig, voortdurend huiverig.

o . o

(Ut (tJtjf \\ zie (Ut (tJtjf \\

(uiQ UjjM/f zie (Vf^w/f gt;

(utj if utt tJtjf \\ zie tf (utz(tJtjf \\.


-ocr page 135-

tjinrnji\\

()]

vnxunm-* dr. axowal, kn. eerste, aanvang, de vroege morgen, ochtend; de tegenwoordige tijd, thans. t/iio»t^NKN., \'T) Lquot;\'\'\'Ll-/quot;^Nheün en woêrwig-geleu va» itts Héns dat los zit, zooals een losse tand (vrg. lun uiirw/j) j nm. v. e. batiksel. uniiiviirujl^W- uti Ijujhiu ^nrjiLntMjs ongeveer zva. na ijmI/ \'Li\'ru/j^ mompelen, niet ernstig uitspreken 6v. een gebed. Tj.

l?i oirlmn — dsl QDU ~Ji) hi kn. maam t). e.

lekkernij, WW.

jb7j vi.iu/p ook wel \'Vi au ij of ifjn ui rrvijj* kn. los, niet vastgehouden; los raken; bevrijd zijn van iets-, gescheiden van. — ^(Uirj«in los laten; ver-Sn. een gevaar.

fjnQniji^ ziejnQniji^ zie

a „o o

jniviHu/j\\ of ojt^iuinji .rjivirujjs kn. «aam t). e.

geest, WW.

» rjiun het gevoel van mee

warigheid, deernis, jammer, het gevoel van genegenheid voor een persoon, zoodat men bejammert , dat hij dit of dat zon moeten derven, of dat hem liet oen of auder ontbreekt; jammer, te bejammeren, bejammering. kw. tj dm ibgt;i eva.

a ,

iis» (w? ~. i oD gt;j (V}\\ — \'tj i \'-ii ■*-gt;gt; iH t/j of rj iv}/ziihn/j\\ bejammeren of beklagen; sparen, ontzien, ongaarne willen missen , uit genegenheid of gehechtheid. Zoo ook ij in isi ij ori (Hl/jw ij irri ^ ikn rj qn -jii it^i

zich zelf niet ontzien. —

ij(unMitaimjj\\ van aard zeer gehecht aan \'t geen men lieeft, zoodat men er niet gaarne van scheidt.

Ilj 1\') I öl 7LI ~:7I fj] \\ zie OJII itJt itU/j\\lj 1\') I öl 7LI ~:7I fj] \\ zie OJII itJt itU/j\\

univitjitviiusKW. zva. rjiBiitmiwiits G. (Skr. aw a-epa, aanmatiging, overmoed. Vrg. icitjiruiui).

IMigpKW.MigpKW. zva. xmvns lutt.vny*

imvicmjj kn. verbeelding , voorstelling die men zich van iets vormt. — m ui nmjj\\ naar zijne verbeelding, quot;aar de voorstelling, die men zich uit het hoofd van iets vormt, iets vervaardigen; op de gis, in het wilde, zonder dool schieten, schermen; een verwarde taal spreken; oppervlakkig iets doen. — \'?i 1:i rrVi \'}pj1 0f * quot; 1:1 rri -quot;i quot;;l ff},} iHi/lx naar de verbeelding uit het hoofd gemaakt , naar gissing, op gis, gedaan of verzonnen.

, o

en kn, zva. 17/7 kundig, bekwaam

{vrg. ftji oij/j). (un rut ern ^nïnji vi 1Ï1 1,7 7 tm/js kunstig

van maaksel. — d » \\kn. zich bekwaam

ern I

zoeken te maken in.

(IjV (lti kn. ; (Lm ojj,mi (Vj (YYtj^\\ naam van een lekkernij. — (ei njj cmj^ \\ verlastering van irnjj in het spr. ccnaj^om voor (in iru jji w

(Uijl (öi ernjj\\ KW. zva. «O)ly 0u w njr^ tut cm/j vf a j düt

(Yyijj\\ naam van een aardvrucht.

7j (un iQnmjj\\ kn. {weinig gebruikelijk ?) zva. if ,un .bi WW.

1 m aj^(vwji\\ azt (Vjojnjj^ zva. (ini ajr^r.njj enz.

nm u; carijj uitwaseming, uitdamping, bv. van den grond.

(un (tj) \\ kw. zva. y ist m) w ctm o vn ó) \\ kn. het luchtruim, de wolkenhemel (vrg. miihji\\\\ en ui); ook onbegrensd, ij) cm ni tun qji (un nj) \\ de onbegrensde oceaan {of zee en lucht). 1:1 i)t\\ in de lucht zweven. (1.71 dj)cun i3in zich in de hoogte verheffen. — (un(i3)it/i)iV)(tianjj\\ duizelig worden, door van een hoogte naar heneden te zien of bij de gedachte aan een verren afstand of een zwaar werk, er tegen opzien.

G) G) o o. o , G) n

(ui) (L» \\ (i n iU) rn \\ zva. a :i 1 u dn \\ b v. (k j (Ijü (U i) (in cj

Tj.

ojt)ijl\\KW. zva. ie;oijj,kn.\\n(élaj^\\ zva. vu(ó^ K. 11,33; o

vrg. (un(uidnjjw (ur^(V)\\ zie aj)w ó)(U)j ó)\\ kw. {bij W. niet herh.) verder zva. nm \'ri (Lgt;i iy w— ^ d))aj)\\ zva. (ü)cu)\\ en (U) (l d \\

(iji^ (LH •• kw. zva. cmwiw iê)(unz»\\ klanknab. geluid dat hij snel ronddraaijen gehoord wordtgt; bv. v. e.

d til tl/t G} G}

•hu an) m onjj\\ IvJi. Men. (Lyu)\\ zva. (t^ iniw (ijr^ u) n kw. zva. r#jgt; w

(Uï^dj^s kw. ; cLii t\'j \\ zva. ledig en eenzaam.

(ini /i3»(i7^fi^NKN van de ledige ruimte voor de schepping van de wereld.

(unrjfLits zie v) (ó) 2 \\\\

V1

rj (in) dj) \\ gew. kn. ieder, elk, in uitdruk

kingen als dj) (ui \'if \'112 tj (i/n (in \\ ieder de helft. Si mj aj(un dj) \\ ieder drie. (ht) ?l; j (i/nlt;V)\\ ieder twee. ^ ))run 10 n ij 1.1 (U) iiT) \\ iem. te hulp komen, toegeven. dj (17) (ói dj (in (ti) an \\ iem. in alles te wille zijn, G. in L. 220, 1, hetz. als dj t oji azi \\\\ —

poët., Tjoj)? (i))\\KX., zva. vj(untü}\\ b v. (Qnjun i^tj no-,) 2 lt;u) \\ ieder do helft. — ty m2 hj»ijoj) 2 dj) \\ ieder


-ocr page 136-

I m ui iTJjj \\

62

iyyj \\

atzonderlijk, één voor ccn. — rj m)i u) m unjj\\ in

verschillende rigtingen.

njn ru) a rrj^ i\'^ \\ zie x/r^ ^ w

ixjy^ njjj^\\Kw. een glans verspreiden. G.

am rins 1. kw. zva. kt? ru ^ \\ en iprg. (vn

vuq); 3. N., i/nri urnihnjf\\K.. f slecht, gemeen, van

geringe waarde of hoedanigheid, kwaad; lelijk.

y u) i (vn rut un m\\ een gering persoon , Lakon; ook

zonder ijujizs Tj. bi nn xjj /rv) uj ^uii\\ ^ ? tg o

rj tj) 2 on ^c^Trr^ rrrn \\ — vn nn ui rui\\ a rj u) i (hi jnrj u}2lt;Kiji\\ kwaad spreken van, een slechten naam geven aan; slecht bejegenen. — mtvitys wrj uti kwaad doen aan; bederven (zie ook hij

(KH 71/1). - 171 t IJl Hll Jll Tj Uil \\ 131 ff UI ? /. V IHTJI \\

slecht noemen, in het ongelijk stellen, verongelijken , minachten , schenden , lasteren ; lelijk maken. - \'L/tl ILI (Hl I LI HIJS l/n Ij UI l (Hl jn Ij ui t ilt;g

(Hyi\\ van slechte hoedanigheid, van de slechtste of lelijkste soort. — .iS i/h rfi n N., (u i/nrj ^jh ht^s k. , het kwaad; eenig kwaad. — Sun njiin\\ S njn ij t)ii uj \\ zva. (vn iiji h^\\ kwaad aandoen.

O o i O O Jf C)

un tui\\ ort., mn iui un wi \\ N., i^ ij iui \\ of iji(hjj rj ui \\ en 7j iLirj ui (hi/i of i:y.ij rui rj m in/j\\ K., im rli J? hïi \\ Ki., een ring aan den vinger, vingerring. — unj ij ili hi „in ij iui ijJ,\\iemcuid een ring om den vinger doen.

un rxj^\\ KN. een rijststamper {vrg. tui w^). 0ij rm n\\ naam van een strijdknods. un iviunn ii^\\ naam van een thans onbekend wapentuig, waarschijnlijk een soort van knods of strijdkolf.

iun ij ruit \\ TD. KN. zva. i. ii ij (ui i icj. i^i [Hjjs N., im rj (ui ^

i/n iu\\kw. zva x/n ij f-yj\\ un iui un m^inkn. lof , goedkeuring, applaus; prijs, roem, ook de roem, ce-lebriteit bv. v. zijn land, geroemd, vermaard. — ri ruhn iui\\ iemand loven, prijzen, roemen. —

(lh un rui f/n rui\\ de lof.

a * -}

un iui\\ of ij un /ui\\kw. zva. rj un ui\\ en i/n iui zva.

a . -)

(ui tui iji f en fjJj hr^w — un run yew. un ili

nm ili KN. iets dat door de ouden tot naleving is voorgeschreven, en dat men beschouwt als iets, wat men niet straffeloos overtreden kan ; heilig gebod of verbod; heilige pligt; o/bezondigiug; ook naam van een \'plant {het wordt verklaard door

s , cy „ . o i

(ui^,\\ en ui .nw Zoo zegt men un ili un ruitj i.j

ij ói 2 nr^ h^ o f I n ru uri ru x/r^ tk tj m ij öi 2 ui \\ en gew. enkel nni nn uii rui en dit als uitroep v. ver* ontwaardiging: \'t is zonde! i^uru i/h ruu^ uj u\\ wat ecu bezondiging!

un ru\\ I. KN., impj.inyj\\Kn., het vloeijen, het vlieten, de loop of stroom van het water of van een vocht; op het water drijven. — Si ru\\ (étijinyi* zie ook bij uii^,isiijj\\ vloeijen, vlieten, stroomen, afvloeij en ; drijven; ergens uit vloeijen o/uitloopen. \'Ui mii rrij iu\\ vloeibaar. — tj un ru\\ door den stroom van het water meegedreven worden, wegdrijven, verdrinken; drijven, vlieten. — 7jan iui\\ zich met den stroom van een rivier laten meedrijven. — unij ili h^s iets, een land, bevloeijen , onder water zetten ; een afleiding aan het water geven. — a rj ru nn ij im water doen loopen o/* adeideu; doen drijven. — tj mrj iuihti ^mrj htis van ij mi

ru\\op het water met den stroom laten voortdrijven.

a . o - ijti Ij ru (hij! \\ ui ui q \\ zva. (ui ui { Ij (ui 2 Yj ■ n 2 J5|)

(Hyj^ S Gr. —un ij 1 u an Sri rj 1 u (hi/i \\ kleine geul om het

water te laten afloopen, of die door atroomend

water zelf gevormd wordt.

II. c? ru\\ KN. vlieden, de wijk nemen naar een veiliger plaats. — ijj ij ru h^\\ (naar iets of tot iemand voor de veiligheid vlieden) , de wijk nemen naar. — un rj ru im rj im \\ met iets of iemand wegvlieden, de wijk nemen; een object door dc vlugt in veiligheid brengen.— ui in ij iu(m/j^ wijkplaats, toevlugt.

OO /. ^ O O 1#

III. i/n iu\\ of d/n iLKunrui\\KN. vergoeding; schadevergoeding; vergoed {vrg. ru r^s (m.ni en (üri Qi ui vnij iuinj,* vergoeding geven aan, schadeloos stellen; iemand iets vergoeden. dat men van hem overneemt — i?i ij ru nn ~jn ij hii\\ iem. met iets schadeloosstellen. — ijii (iui schadevergoeding, schadeloosstelling.

xni iv^^ KN. speeksel, slijm, vooral van dieren {vrg.

a o x \' v o /. o

(un icjj. en 1 n vjj ) \'Ui tn un lUj \\ of ilt; n rj w 2 iui - n »t|

00 o

spr. zva. unrj (Ui 2 ^n/j^ — mi 11^ un zva. 11

(S ru^ \\\\ ook een soort boschgeesten ? — Si ru^s 0]

ij iEJI /10 \\ N., (Ui njjj \\ kw. ; Tjj iisn/i {van iiy lunjj) ^

k. , i/n ij rrn ij n hn/jsKi., meedoen , meegaan ; mee;

behooren bij, behooren of staan onder ; in dienst

zijn bij ; zich inlaten met; zich voegen naar {vrg.

7 •• v o o

1 m n gt;\\ bij uun gt;). tai 1 ui ui ru^ ^ ,i^ uj nm/J^


-ocr page 137-

a

iijr} n.)\\

ct

unrftuis

M\'IWT

gaan met; dienen bij. wnrjiwnonsKK. {van ijlirj tjituiiHi/j) met iemand meedoen als maat in een

spel; iemands partij nemen, liet op iemands hand

o O

houden. — (C» i^u ii ia)

mi ij (tin rj mijf Mi \\ mee doen gaan met een ander i iemand meegeven aan iemand; in dienst stellen hij. o ^ kn. iemands partij

opnemen, iemand vervangen, in een spel; beschouwen als meegedaan te hebben, voor mede-pligtig houden of verklaren; iemand er mee in doen deelen, het mee doen ondervinden, er mee onder begrijpen, ntivhijinytiiut) er mee in

betrokken worden, ij n/n i nn a?) rj onn% (hii Jmrj wi2 ^ irjiHv\\ enz. geenerlei deel nemen aan een zaak. — iS» tj .lumn^Kn. iemands maat in het spel; maats ziju met een ander. — ri/?ï ij m2 ^on/j\\ meegaande, volgzaam, van aard.

KN., dJ?\'

partijdig.

jii tj iiL) 2\\ KN. — iuh ij m i 2 (uti rj nu i \\ een houding hij het iQi inn jsi \\ bestaande in het voorovergebogen naar beneden zien, Rh. aPi ij iiu2\\ in een spiegel zien. 0ajn ijteii2xliJt\\ zich in het water spiegelen, G.; aandachtig bezien van kabaliatische figuren, om daaruit iets op te maken, P.J. — im iéi n wi 2

spiegel.

CY

^\'»u\\n., iu} iU) \\ k. , slang, TJ. Sëngk. 8. viun t trui\\ kw. zva. (ui (EJimantjis omkronkeling, van een slang, ajr^ itidani \\ zie ben. cunriji(m ern vorm v. e. tj 0 endo eq.cur^ tuxjï^ ru\\ kn. de ruggestreng.

als eeu slang doen. ^ tu(ixirri\\ zie (wr^ tl; (Ui \\ ben. — a/r^ n /1 w iu inyi of ij uil 2 nu ij an 2 mi [mjj \\ kctle , gladde rupsen, die geen haar hebben; en liet aandeel van de gesneden padi, dat den eigenaar van het veld toekomt, voordat het in bossen gebonden wordt. ^ ixi ? it? man ^ (tui(hnjj\\ een gebed om slangen te bezweren.

(0/ Ij lik 2 cm) 7 U IHl ~Ji^ li U (Hljj of 1j(un2 \'1Xj] 7 ^ 1 \'u W/J {(Eft tj KI 2 tui ij (Hl ~Jïi 2 ru (Hijj poet.) een vleezigc hals, daar plooijen als kringen om loopen j wat voor een schoonheid gehouden wordt.

zich op eonigo wijze met iu/s inkten, — irf mi7Vj\\ kn. ouwillekeiu\'ig meêgevoerd worden; meêgesleept, door verleiding vervoerd en uan ietu overgegeven.

iwi tjcYrt) rrn h ii \\ mee-

O

l//I rj iiiJi 2 (m nud iïjtHyis KN., dj?*1 u)rf tï /j ef (wnjr^ nti(utf ty\\ KI.,

iiji^ tus 1. zie ru^iLiw 2. kn. zva. ui^ iyiigt;njj\\ kneding, doorkneding, doorwerking, door drukken en knijpen. — ru» bij herhaling kneden; ook zva. dn

(iK (^r^ — ^ ij n i ilt;j\\ iets doorkneden en doorwerken ; ook op allerlei wijze kauwen, scheuren en knoeijen , zooals een wild zwijn zijn prooi doet. — (urj 7j ru no jy^ ij a u ihi/j \\ een soort gebak ?

njr^mj^s 1. kw. zva. urivrn^t/j cm\'ii(Hijj\\

kn. naam van het boven teeken voor de vocaal i, en van de andere boventeekens , zooals a ^ tu ilvi\\ het boventeeken Lajar. tjrj rvj im /u\\ zva. av^ ni q cni vjam iot/j en nji rn (ut ui i een hoofd van de zendelingen of boden van den\' Vorst, en een voorvechter. — tjr^mjyunn.^ opperste, hoofd. (M ^Qijr^itij^ur^itijjjS distrikts-waferhoofd, die het bestuur heeft over de waterleidingen en over de verdeeling en leiding van het water. — lijn tj tLnnnji of iUtyi iU2 (tn ~yt^7j tut (tny hoofdeiieinde.— (uttcr^ a Lp hoofdpriester van een distrikt of regent schap, ook benaming van de nok- of hoofdbalk van een Javaansch huis. Rh.. Een ander rj ru2 nnj) zie beneden, iui (vr^ nj^ utt ur^ Fjjj of ajt (vy n/^ l Iim (uyj\\ de hoofdpriester bij een moskee. (Eji oji ^ vuj \\ de opperpriester te Soerakarta en te Djokjokarta. (ut vr^ nvm of w niJjj1711 \'HJI^ de aanlegger en eigenaar van een afdamming, en het geld dat hem betaald wordt voor het genot van het water.— lêidy tj n.i2ii^\\\\ pengocloe zijn van of over een zeker gebied. — (ut iüi tj au 2 (Hijj\\ het gebied van den Mas-Pangoeloe.

II. kn. (het strottenhoofd of de keel ? Vrg. (tL^) — (ü^inj^\\ iets doorslikken, inslikken, ƒ//. iemand (op)slikken; in iets berusten, toestemmen {vrg.

adem halen. — rjihh2nup doorgeslikt raken, bij ongeluk doorgeslikt worden; ongehinderd door de keel gaan, gewillig gaande; kunnen slikken, door de keel kunnen krijgen; geen been of zwarigheid in iets vinden; onbarmhartig, tj un i m rj mi2 rui \\ iets niet over zich kunnen verkrijgen; niet onmeê-doogend. iuii ilt; y x/n 1.y tj i/n 2 n ij u 112nuj\\ dat kan ik niet van mij verkrijgen; dat stuit mij tegen de borst, ijii 112 tj rui2(Hijj\\ onmccdoogcnd van aard , hardvochtig.

ij (mi ru \\ kw. zva. rjun uiw


-ocr page 138-

ri vn tj ii i\\

64

\'ij un i u % \\

rj nm rj m \\ zie rjwrj irvi nnyj \\

rjarn t itu\\ kw. zva. n

rjajn tj\'tui\\ Roll. kn. el, olie (vrg. (unfaj). wrj am irjiru)2\\ ecu el. — vjtunvjnA? w/j bij ellen, bij de el.

•gt; (UT) TLI % \\ 1. kw. ZVU. 671 Mil TLJI ^ {VVQ. (Utl

vu); 2. n., kii rj (int (Knj^ k. , zva. ihtklmw nmn,!^ ;i3nu{\\ zie iMrfiruqw — nsnrufs zie heneden.

O . O

(L/n rui q \\ zze itnw luri tui ^ n zie rj (tm z rui q w

Ci S t

(ur^nvt, xw^Krijj\\K.. , fi^imiit^is [van dy^^ojKl., thuiskomst, terugkeer of terugreis naar huis. — cuii irui {(ur^ n.i ^ \\ kn. remuneratie in geschenken (ge-tvoonlij/c in y er eg ten, kippen, eenden enz. he staande) voor het leeneu van Gamélans, voor genoten geneeskundige hulp, of voor andere bewezen diensten. — lt;e^ iuiq\\ (Bi tj^/iriiji en rj inin^n\\ naar huis gaan ; terugkeeren naar liuis; terugkomen o/j een vorig standpunt\', van iets bekomen, weer bijkomen (van een ongesteldheid) 13.M. ; hersteld worden in een vorige betrekking; gerestitueerd worden aan den vorigen bezitter, ru % \\ verscheiden, naar de andere wereld gaan. 0!uh un ^tjtuii(un \\ D.W. (Zj tuiq £jt ni \'n {tui iri j \\ terugkeeren tot Gods barmhartigheid, een uit het Arabisch vertaalde uitdrukking voor het sterven van een Muzelman. — (i^ ruisiijti (i7j ^ hii \\ terugkomen of terugkeeren tot of naar ; weer in zijn vorige betrekking treden; een vorige vrouw weer terugnemen,

1% \\ kn. , ook wel een remu

neratie geven of zenden in geschenken voor bewezen diensten.— nnnut ^(unrjuns iiti ^yn^foi (mji\\ rjrm in^nrj uti\\ weer thuis brengen of terug bezorgen ; restitueren; in een vorige betrekking herstellen. iijiyui gt;(uti in weer thuiskomend van tamme beesten, die vanzelfs weer

thuiskomen, m ik iru ^ tuiq (im (mjj\\ zie bij lun ik

/ . . o /

lUJjW Ij HO) 2 !tn \'11 iHljj IS kn. in lEJ) 0511 Ij .1(112 1(1 Tl

(Hijl\\ na de bevalling overlijden, (uyiuijtun tui % (un (Hij! r niifljim ^ isn wjJn met elkander weer thuiskomen ; weer bij elkander komen, van gescheiden, maar weêr verzoende, echtgenooten. iuq\\ zie ben. ajY^ iijj^ % \\ zva. ujjiu^ ^ \\ bamboesoort. C.P.

nv^ % tun (hnji 1. nni, v. a. plant met langwerpige bladeren, vaak als medicijn gebruikt. 2. plaats waar groeit, C.P.

rjnmituiqs zie bij tj^n^w vjdmihui^\\ af a/nin/iq•gt;kn. zich bezig houden met, werk maken van, beoefenen ; de bijzondere wijze of kunst van vechten aan een vechthaan eigen, Kh. rj uii 2 ru) $ vu r,?) w anfj\\ zich oefenen in bekwaamheid of kundigheden, oyimzvuifoiicnifoiafij] de wapenen hanteren, ij a/n 2 rui % kh foj ^•Knrm/j of ^ rfun 2 ru 4 \'tjj ihQ£\\ zich bezighouden met de genietingen van een aangenaam leven, rj run 2 irui % tsn (Kjj 1amp;1 ^»0 Mins de volmaaktheid beoefenen; zich door heilige oefeningen tot den staat van volmaaktheid zoeken te verheffen, gt;ƒ (un 2 rui % (ki rfi m \\ werk van bet lichaam maken, zich opschikken. — rj mi 2 irti {ij rj un 2 (tut j \\ kn. , ook wel (ur^ dji ru (ui iruji \\ k., eten klaar maken, eten koken.— rj i2iuq\\ of 17^1 u^\\ kn, ook wel ij O2(}ji 1 uji of (Ujj(kji\'rujiv k., zich bezighouden met j (oj n 1 ^(unaAJ^szva. \'t bovenstaande rj un 2 7ui % w rfi -ii \\ zich bezighouden met wat haar schoonheid kan verhoogenP Bab. T. Dj. .276, 11. den grond bearbeiden ; eten klaar maken 0/koken. rn tuiq im cm rri\\ zich bezighouden met het rijk, d. i. met staatszaken. 11 n 2 vu ? ui luiaji t) gt; een redevoering houden, ij ui 2 fu % dui fji \\ zich vriendelijk toonen. — rj m 2 tui ? un vj un \\ eten klaar maken of koken voor. — ij un 2 ru f 11 r/n ? vu {un (hijjWW., ook wel (uy ui ru -n^aji rx^t rnjj k., kooksel, klaar gemaakte spijzen, geregten. — ui ij 1^12 vu^\\ iu (iyvuf\\ uiu^vjivuijis subst. den. {ook een kok.

G.). rjrjiz ru q \\ en vjuiz ru % \\ zie ben.

o

vj un 2 ru % zie ij vrn 2 rj ru q w

vj un 2 rj ru q \\ ook wel ij un 2 vut ^ \\ in de spreekt, ook

a

, i/n(U) iuiji en uiun ^irn^\\ k. , wat verkregen wordt; iets verkrijgen, bekomen , behalen . magtig worden; het winnen, de baas zijn; iets kunnen verkrijgen, kunnen vinden, wat men zoekt; voor een tijdsbepaling: den tijd, dat iets geduurd heeft of geleden is, dikwijls niet te vertalen: bv. rj 1112 rj ru f ij vn n urn 0uii (ti/jun ur^nnjjx hij is drie jaar gehuwd, soms te vert. door : quot;gedurendequot;. Bab. T. Dj 8 , ^ m un (kji vut vut ? un ayt^ iinj\\ W.S.; iet* gedaan krijgen , afkrijgen; doel treffenslagen met iets te doen / iemand of iets treffen, bv. met schieten; opbrengen, van een land dat bebouwd wordt; ter belooning voor, dank zij:


-ocr page 139-

a/n rnj) asr^ \\

65

/n i-Sti t.rj iu)%\\

xn VjtUKjn ^KI an «f) 7J liy ini un tit) .tnjj\\ n/n w

,/l/ \'/ MM7^ quot; u ^JJ}N door (Jw zegei15 hV woorden, die een verbinding hei eekenen , zva. ons aan, aan vast; hij woordengt; die huwen he-teekenen, zva. met; tp. zva. lïrmig. {Jav. Mal. I o li h of hol é). Ook is rj am ? ij rut ? (in de spreekt.

ook vjdu^) en Snv^oniztHif^ poêt. en in deftig

. ~ G)

proza, n., (unoJtirw/js en meer gew. dm ij art anjj

of vH rfimanj K., een hulpwoord om van een g e zeg de een naamw oo r d ie vormen {zie de Gr). gt;jam 2 rj ru ? rti rj ut n ivn w iu fi 11 ujj slagen. \'ijiAidrtjiu%mtJi(hti\\ doodeu krijgen, d. i. in een gevecht er in slagen , eenige vijanden, te doen sneuvelen. 0,Kquot;rtlJl:lJlj%,aïl/i\' zich een schuld op de bals halen ; vjtum tj njif rj run m »tj rj m? cmjj \\ hij deed het voor de grap, het was een grap van hem ; 0a/n ibn toegenegenheid verwerven. hjI im toi rj }jasm(hj}jj\\ nieuws bekomen, wat nieuws opdoen. ij iiu (Q \'Jn m tri tun in mi n an.rn 1X1 aw \\ indien liet plaats had te Soerakarta. ojirjajngrf nuqojamiTj ifjviqs of 0lt;rj(un\\ zooveel (o/weinig) als men gedaan kan krijgen, als men verkrijgt, zoooveel doenlijk, zoo goed als mogelijk. — 11 ti/mrjdvijrj ijamirj ivim nj) vujj\\ wat iemand die ergens naar toe geweest is of van elders komt, vandaar mee brengt, vooral tot een geschenk. — ^ e» njrut {im rj mi \\ «iï oj) ru ?lt;»; onjj \\ iemand iets doen verkrijgen , bezorgen; vast hechten aan j in het huwelijk verbinden met {een ander zie hij vn ajiaviji). — ij itm 2 rj iru q (im (mjj\\ nln c^J) iua anjj\\ gelukkig iu het verkrijgen van hetgeen men zoekt of weuscht, bv. van een gelukkig jager. rj rjii 2 rj iwi ? rj miTjiu ?(im rnjj\\ am aj) rt/i Jn oji rnjj\\ wat iemand verkrijgt of van iets krijgt; opbrengst, rj rjomim0 niet kunnen opdoen. — rj lt;1712 )j vviqrjtum rjiruqii/n\\ (amp; w ru Jn (M afy \\ van elders komende meebrengen voor. — vjcoiirjtwt^irjd/ntriiru^amrj rjikv\\riidj)()}ji Jh w witw wjjseen ohject ergens vandaan komende meebrengen. — nrj tut2 rrijsKW. zva. vjmzijirvtqs W. het verkrijgen; hij die verkrijgt; ontvangen. G. «5»» )j (ra ^120?^^ onnoodig, onnut, vergeefs, doelloos, luymjonnjtjj0 tunn ik behoef het niet meer te zeggen. — rj(En2 i?ji^\\ kw. zva. rjim2ijiti/if\\ cn (uni?yns)yj\\ijlt;ijtrji(ji2rjiwi?\\ ook wel (Ut rj lUTi 2 r?Ji q \\ of itjtrj icmrj , ny?

unwy^/j en gew. (ijl iigt;i wrrnjjs k. , wat te verkrijgen of te behalen is , nut, voordeel, baat, strekking; nut, enz. hebben, resultaat, uitslag bv. v. e. onderzoek.-, middel om te erlangen; als middel om te erlangen, om; de zin, dien woorden door hun zamenhang opleveren ; een voldoende zin geven; (jnanjjj is ook, even als a\'/n oj) 3 ujj, kram a van rjimi ijru^\\ ook in den zin van aan , aan vast. rjun2\'n0\\ niet van nut, niet deugende, B.T. i)j. 614. a-Ji ojirj fnv2 ij ru% (ut rj (kv 2 tj vu) j rct uii \\ zoo goed en zoo kwaad als je kunt. Lakon. tamp;irj mi 2 rj tui qs vj utt voor -

deel aanbrengen. — (FJtrj mt 2 tj tui q tijtt \\ of (FjI rj mt 2

00 * o o o i .

(tui ? itjn \\ a i mi \'.ui rut \\ en im tnt (f n^nt ^ baten, aan

het doel beantwoorden, voordeel geven, voordeel hebben. — (e/i tj utt 2 tj rut % mti tj tai \\ enz.. iemand iets doen verwerven ; iets zoeken te verwerven voor {hv. door voorspraak); doen gelukken, klaar doen krijgen , op een voordeelige wijze aanleggen, voorspoedig maken; den zin van een figuurlijke uitdrukking overeenbrengen met hetgeen, waaraan het beeld ontleent is. — (tn rj tzi2rj tui(tM imjjs zie hen. (ut djt (t-n rij rjtjj zie onder tntij rut2 — jj oj) tj tj mt 2 vj rut q \\ (tj utt M(tnijj\\/oovecX als te verkrijgen is. — t ttt rj tm 2 rj rut 0 ujn rj (Utt \\ genoegen nemen in. (uii rui * Jij t up naam van een herg in het Padjadja-

ransche.

(uit vut nnjj \\ zie om t ut w

utt ruj^ oajj kn . 1. groote golf. baar {vrg. rj un 2 m mnjj).

2. uit ru^anjjs en gew. (urtruj^m ^mnj^cuijj ook a/y arnumnji(utjj\\ het gerucht, waarin iemand staat; iemands naam en faam {in een ongunstigen zin).

3. (uti (Wj^m ^tri^(utjj\\ groot vierkant plein voor de woning van vorsten en regenten, maliebaan.

(unrjitui2(mjj {grondv. 1^11/12cm/j)\\ kn. langzaam, zacht. (un (fj rui 2 (ut ^jrt rj rut 2 (rnjj \\ langzam aan! zacht wat! — (t7i rj rut 2 uj rj mt \\ langzaam laten doen; zacht doen. (utt rj rut 2 m ~jii rj rui iry nnjj of tj(rui2 rj[^t2(tlt;j (utjj\\ langzaam, zachtjes, van iets dat langzaam gedaan wordt, langzaam aan, langzamerhand. —

O O o a o 1

tut tj tt 12 tut ~\'it tj rui2(h[j\\ of ij trt 2 rj (ui 2 (uj \\ langzaam

doen; langzaam gaan; vertragen.

(hn^onjj kw. zva. ayt^ ni :ruijj\\

rgt; . o o T o . r»

ftm tj m rnjj\\ zie t/n tri % J. — r/rt tj rrKtn onjj\\ zie nni

ruis III.


-ocr page 140-

66 ii/nrj at/it (H)/j\\

amp; . o

lt;un ij nut 2 anjizie ivn iij^ w

ayj^ ru anjj \\ zie cur^ ti.i w

(ur^iri/^cmqs {volg. K. Kw* !• ^

.7i7ï\\ onderdaan, nederige dienaar; oo/r als pers. en bezitt. vrnw. van de ee* . t e persoon: ik, mij, mijn. 2. {verk. v. j(hiji\\ of (i/n

slaaf hebbende, meester zijn) ook nim/n Uw Majesteit of Uw Hoogheid, ook als vrnw. van de tweede pers. zooals anders a^i (u im anii:i, en als bezitt. vrnw. (inn^\'U^ —^ (tn/i\\ zva. ii 7 ftjj thiw ihjjf een benaming van Bat ara

Goeroe, fni vm (/5? p 0 de gunsteling van Batiira Goeroe.

n o

— ar^ni/i\'.Hjs zva. ri (Uittu

zva. ooi n aj 11^1 njj anjj zvU. njnm^nvi (Hijj\\ de Heer; ook als vrnw. van de tweede pers. gt; zooals iijij rnj^

(i/tyi vu? nnjj\' J.. zie bij — 2. kn. stem, het

gelnid van do stem , of dat met de keel gemaakt wordt {misschien van njj\\ II. Vrg. ^ni). Zie ook bij ihn ij mi unjj en rjajtd ijwiw 3. am rj vi vi i ? nn du? (hn^ naam v. e. lekkernij, van kei an en kokosnoot. WW.

ijn/mrnton/js zie ook zva. H olland, Hol

lands oh.

rninis 7.ie (i^fruwnw

nmiilj)\\kw. en kn. 1. volgorde, loop, bv. van een verhaal of gesprek; naar de volgorde, geleidelijk {vrg. ayyTjiunji). 2. cun/u\\ en gew. annnis een touw of koord, dat een beest (of gevangene los, nl. zoo, dat het niet wordt vastgehouden of nergens aan vastgezet is, Rh.) om de hals heeft; nm it li \\ iemand noodzaken om te blijven G. — art 7 u n evn beest of een gevangene een tnt rvt omdoen , met ecu itatitvt om bij zich hebben , of laten loopen; fig. 0(u(int\'tis een zaak op de lange baan schuiven, 0u5tt ihït ij urnzijn vrouw onverzorgd laten, laten loopen. (int nat rus pass.

rt/n^.\\KN. — (iit(c^\'-rtctnjis rij, van wat m rijen geplant is, Tj.

(utt riut \\ Kw. 1. zva. x^nrt (tutjes in proza alleen in gebruik van ecu stuk, een snee, dèntfèng. — (tjtt ?it nnnjjs zie aStniw volg. C.P. eene afleiding voor water. 2. gemis, ontbering , verzuim. li.W. — nnt Pu (ut (tnjj \\ kn . van groote honger ziek zijn, van honger versmachten.

(utKrujs

utt tu^\\ ongebr.; thans gebr. cmriujW nrtt(njj\\ {de Allordawon J. Atriplex littoralis. L. Nat. fam. der Ghenopodeae ?) een plant y die vooral op het strand groeit en waarvan de bladeren alt groente worden gegeten gt; Rh. — art tui \\ in volgorde, geregeld, verhalen, (utt^tnu^s in gc. regelde volgorde achter elkander gaan, B. v. B. II, 92, 7. — (i7t(tu^\'-fts opvolgen, naleven, in. achtuemen. — (urt(n^m(tn^\\ een spoor, gemaakt door buffels, een slang of menschen, die er langt zijn gegaan ; ook fig. een pad , dat men bewandelt; een volgreeks van opvolgende geslachten of afstam-melingen; velen die achter elkander gaan ; (oo£ een getrouwde vrouw. Verklaard door ojjjn itvt/j G.)

(uhvuts kn. 1. liet uit het water opspringen van een visch; het op zijde springen, bv. van een paard. (St tLi\\ uit het water opspringen ; op zijde springen {een ander zie bij out n t)\\ volg. llli, alleen dit laatste nl. van paarden, herten, en derg.; opspringen van visschen, heet (utjrrt tri (wit awjj^ zie hij dj(t.mrjvut(uii/i\\ 2. kn. nijver, vindingrijk, vooral in ecu of anderen tak van nijverheid? WW.

(t/rt kn. kwijl; zever {Ml. Hoer; vrg. luh rt^\\ en (iyh(irj\\). — (utkwijlen; saliveren , watertanden. — (iTt (u^ y] \\ bek wijlen. — alt;iit(uj.ut art^ zie Z 11, 3e ged. 414. — ut een ziekte der slijmvliezen bij kippen, kalkoenen, enz. Rh.

(tyrtvCts I. kn. een waaijer, bv. om het vuur aan le waaijen, aan één zijde van een steel als een vlag gehecht {vrg. nnt (irrt asnji en ij utt (iJtv.Q/j). ti?ini •y] {iemand of iets waaijen) , bewaaijen , met een waaijer wind maken.

II. kn. het afvaren of afzakken een vaartuig met de stroom van een rivier {vr/. tm ui)\', ook benedenlaudcn tegenover amizi(tntfls bovenlanden. (tjutjtt ?ht tjrrt\\ beneden- stroomaf- waarts.— ui njt \\ afvaren, een rivier afzakken. — (uhtuin een rivier afvaren of afzakken. — (ut?urnirji}(n\\ iets doen afdrijven , van het water gezegd. — quot; iiuun iitm \\ laten afzakken, afvoeren.

III. kn. de toon, zuivere of onzuivere toon, van een muziekinstrument.

n?it7jitLi\\ naam van een sierplant, de Celosia crisiata L. fam. Amarantaceae. Het kruid wordt als groente


-ocr page 141-

vj urn \\

67

(L/niwi\\

l: dg bloemen tegen diarrhoea en hlen-nonhoea.

L,uxKN.; naaigaren (vrg. iknitj).—

Ir- quot;Ti \'quot; \'quot;}

ergens ecu draad in doen of steken.

hj^KN. rups; worm, wormpje, made ivr//. amiL^. Xi\\ en »J)mi); ook stnks, alleen van pisangs. n\\ naam van een soort van ruige rups.

quot;lm

(uy tyhtuh} oop naam .van een lange kale rups-, andere soort en van rupsen? cm ^ \\ 0i3« nsi) g? v

_^ zich krommen als een rups. ^ nj iuij\\

I inet de kop tusschen de voorpooten steigeren, of doorslaan of hollen, van een paard. —

i de ringen aan de loop of de lade van een geweer, waarin de laadstok gestoken wordt; ook naam van een lekkernij {pok njy ^Tj.) —

Til?9 ^lonime vinëei\'8 maken, bestelen, iets ontvreemden, n^^ay^^ -nseeti geweer van ringen voor laadstok voorzien. —

mvjuon een geweer met ringen voor de laadstok laten voorzien. — ^ vj.iu cmji\\ wormstekig.

schroef, knrketrekker. Zoo ook (ur^vuajr^ vu {vrg. Mjj\'y). — ^mn schroeven, draaijen, in- of uit-schroeven of -draaijen.

jw.^KN. 1. het rekken, bv. van een touw {vrg. rj rjiL/mrjirui); 2. achter elkander gaan; op een mallen weg heet het: {curj nj^ asn ^ ? Kn tu %) ajrj-njj-wlt;£(ïj(Qrei i^^njj\\ zij gingen een voor één achter elkander als mieren. Tj. — Vrg. rjnjn rnjj\\ 2. zaaijen, poten , in den grond leggen, door het zaad in voorafgemaakte gaten te strooijen,

o X s s • v

m(utjnj^\\ pass. ^(rv^x/r^rn^s l. een riem, die door middel van een gesp verlengd of verkort kan worden; stijgbengelriemj 2. ook tj rCtd rjum tj rjtvr een hoos, waterhoos. — rekken ,

zich uitrekken, in het lang uitgerekt, van wol om gesponnen te worden; voortgang hehhen, van een regtszaak of pleidooi. w \\ rekken , uitrekken; vieren of laten vieren, hu. een touw of iets met een touw; garen afwinden ; een regtszaak voortgang doen hebben; ook overplanten; bv. van katjang en dj ago eng. cc^rujijr^n^s bij herhaling knijpen en trekken. — ij kii z of N rui in v- gemoed worden om met genoegen iets te geven 0f toe te staan. — d/ri ^ in \\ bijstaan met levensonderhoud; ook een akker bezaagen , bepoten. — ,hi} \\ en (Ej ujj n ^ un \\ doen rekken ; een regtszaak voortgang laten hebben.—ctjij /

gezaaid, gepoot; het gezaaide; afgewonden garen.

in groot getal achter elkander loopen, dezelfde rigting naar een plaats nemen; krielen, wemelen, van mieren en van mensa hen. {zoo her h.

if i~) /lirj(uri rnjj\\ Men.) Vrg. (tm rijs en nyntnjjw tj(t/n Tf (it/i n kn. 1. rj tFjt rj lt;nj} \\ druipen, afdruipen. 2.

rolletje gekorven tabak, Rh.

r] ifmni rCi^ kn. het geheel uitkomen of uithangen van een oog nit het hoofd door een slag of val {vrg. ij (i/n 2 tf nvi2). — vjiErnrjirus geheel uitkomen of uithangen, van een oog.

nmniirivuz\\KN. het ergens uithangen, zooals een snottebel uit de neus {vrg. rj un 2 rj nu); ook naam van een zeevisch. rj ifji2 ij fCi2 \\ uithangen;

ook zva. rekken, langer woeden; languit-

of opschieten, van een jong pisangblad. — rj m2 rf nji2n zva. ^ rekken, uitrekken; ook draad trekken; vrg.

(L/na^m)ji\\KVf. zva. (Liünnu/jW

(un ru unji \\ k w. ojy) (in ru tw t l/ unjj of w in iru }oi lt;ru hoy)\\ op klagende ^toon {volg. Rh. luid) zingen, zoo van biddende santris in Tj. ^ tvjjjajn (ia ^ iru hu wi hnjj\\ G. heeft ^(ruun/js op klagende

toon zingen, volg. Rh. de hoogste toou doen hooren.

• O

fun ijiwiziUH/j\\ zie nm i^ri.12

urn tnjj^ nnji of hufj \\ KN. bogt en bogtig, van het lemmer van een kris of piek. — buigen.

G. bogtig, met een bogt, bv. tin w na/j0 {tegenover (loituqgamp;iSi) een omweg, Rh. intr. huigen, zóó in Gala-Gala, v. groote hoornen 0£?/£/7\\— £l nlJjjr^J}s iets énigen, van lange voorwerpen; fig. van het hart; ook een halstarrig mensch buigen; i (u tl(Wj^ iHvjjs toegenegenheid.

overhalen. WW,

— cui ün (iui(hrnj^\\ zie heneden.

itnrjru ut^/i of vj wI. kn. het openhouden van de oogen. — open zijn, zich openen,

openblijven, van de oogen; de oogen open hebben of houden, wakker zijn, wakker blijven.

O (unj

de

7/L;fj//N waken bij. — (Qrjovutni^nijiuv oogen openen; iemand de oogen openen. — Q}y tj njnm rj rij} ^^ of vj rurj uy ^\\met elkander opzitten, de nacht wakende doorbrengen.

5*


-ocr page 142-

(.)

tun ri mj) i (hyiji^

68

rftun (ru

IT. KW. zva. en ojokjiwkn. de tijd

der bevalling van een vrouw. G.

(unrj(TV)zinyi {grondv. »rgt;7^)\\KN. geroep; geroep

van de menschen over iemand of iets {vrg. (knrhi wi/j). ook ij (ru 2 hiijj \\ aj) tin ru U) )j 2 {H]JIN overeenkomstig den roep die van hem uitgaat. — run y itu 2 kii/j\\ roepen, iets roepen, zooals h r a n d! een dief! — fi m 2 of urj £7 ^ nvt 2 (HTijjs poet. aan het schreeuwen zijn. — mv y rti2 vermaard. — m ^ n.i2 fn-n ij nu \\ of (t) rj nu2 wrri ht) \\ omtrent iemand of iets het een of ander {bv. een dief!) roepen; en zoo waarschuwen; uitroepen, uitventen, «i» ^ ^/72wj\\ pass. (ón onjt (Hn /j\\ ongehr.; w n gt; tm Jiit ru (Kn/j \\ kn. bloot, met niets begroeid, van een vlakte of plein \\ onbewolkt, van den hemel.

OO OO quot;gt;0 .7 ijl

(untrLi igt;o?/^\\KN.; lt;un vwhv ~/ntuvlt;gt;yi\\ zn de spreektaal ook (uii op (hu Jri (i?i iets om mee te kittelen.—

OO O lt;quot;gt; gt;.0 0 Dl) 1 -i., 1

nn tult;Hii mrumijj 0/1:1 up-jukittelen.— (ut ar)/ruden Sr) ru 101^\\ enz. kitteling, het kittelen.

nwoy ru2 iHiyi\\ K\\\\. zva. (ur^ nsnjj {vrg. vjdoiwfHii/j).

o , O o

■rj(tm2niun rj n 12 imjisiï., rjiim2iU) (Hl ^nry iu2lt;7niji^

k. , niet betamelijk ; niet voegen, niet passen, ook

CV . o ..

kn. zva. ast) hutiow rji/m\'ri nooit. •

kn. dwarling, wieling, roudwoeling, van stofy rook , water, enz.; ook het in de lucht blijven van een geur. — warleu, dwarlen, rond-

woelen. (11/n m),^ helz.Or.). — draai

kolk, maalstroom; wervelwind; eti zva. fj^rrr^/j\\ o

zie op )j)^ ru Ktiji hjt^nuwiyj\\ 1. kn. ; ?urwi? 1 uiyj\\ iets, zooals een houtje, om ergens aan te raken, te morrelen, of iets te onderzoeken. 2. (un lurrnj^s KI. zie bij ij (ld (i5)i tui/j \\ — ny ir?i h )i jy^ iix i unjj \\ met den vinger of met iets anders huw iets wrijven {ook ^r^un ^ morrelen, roeren of peuteren; ook fig. aan iets morrelen.

nyYjfnjiMv/isKW. vlugt 0/rijzing in de hoogte.

mi^Aihi(Eyi\\ het eerst groeten. — rnn^mjtKit irvKEAJi\'* B. P. TI, 57.— aji^ri^m^n^(rv^r(r)jj\\ een sein, zooals door een los schot in de lucht, ook naam van een Gïnding. — ^71^007^ opvliegen, in de hoogte vliegen of rijzen; ook bv. v.d.stcm; opstijgen v. e. oprisping. — opligten,

opheffen , verheffon. — l:f \'n4/)flfJI )\',)s in de hoogte doen gaan, rijzen of opvliegen ; een vlieger op. laten. — ,ir|rj pj hi) ~j)) y kï) am rcJ tu cut^ ij 101 \\ een geweer in de lucht afschieten.

O

y (un itu kt)/j KVf. zva. rj un du\\ (Knrm en ojtuni-n or)n£j,ti:.ïfjwkn. tegenzin, afkeer; afkeerig, een tegenzin hebben, versmaden; vooral van den tegen, zin van een jonggetrouwde of verloofde vrouw tegen, haar man of verloofde. — ^ tun vu rj un A waarschuwen, vjixnnu(H^tHijj^ zva. njj mincj rj r.i )u h))rj )m\\ afkeerig maken ; waarschuwen om van iets terug te houden.

rin/n ijiturni/jsx. in de spreektaal zva. mnrr-is AVU. y) (un tj 1 u 2 raifj T. kn. wonderbaar, wonderbaarlijk. -mi ij (un lt;rj 1 u 2 tnj (ui/j \\ wonder.

IT. kn. het in zijn geheel zigtbaar zijn vanieh.

1 0

— rj (E/)rj (iu2rmjj^ geheel zigtbaar zijn {vrg. n m

C) i.. O o O ,

rhn[j en / dj iU21, t)/j\\ oij ,ui rt) udfj en (ui rj n 12 uij).

ijdiliijru? tni/j\\ KN., rj/un 2 rj tv) 2 ijiurt ~m2 rj iru2 in)^

schimp, smaad {vrg ij(ifn2\'rj^n2 nn/j).— rjitmrjnu

rj mi -jr)2 ijr\\j)2iKiijj\\ schimpen op, smaden.

lt;rj mn 2 ru in) ~/))iïu m)jjs KN. rj 2 ru irtj rei thiyj* P.l.

II, 89, borrelen. —• r/0712 ru nt) ru r njj^ i

heen en weer schudden. Vrg, rj m 2 ru mi ?iï\\\\

tun ru(Lajj\\K^. 1. het uitkomen, ontkiemen. 2. ook wel

HJ11 ru tugt;i)/j\\ poet zva. om ru (in/J — rm r u xci jnni

rn/js voorloopige kennisgeving; ook de persoon die

daarmee belast is; en in V algem. een, die voor-

uitgezonden is. — fj) ru (injj\\ 1. zva. rj f.i 1 y 1

(is))jj\\ uitsteken. %. po\'èt. zva. (amp;^rvt(iafj\\ vlammen,

ontvlammen; ook fig., bv. van drift {vrg. mh»

rfijj\\ iamp;injtanji of foi(^.rojj\\ KW. zie ben.) tEirtiiu^

of (bi ru) w liefde of genegenheid doen out-

vlammen , liefde wekkend. Zoo ook Ti n ruroA^

— i.c) n/t ax) ^/)) ru(ic)jj\\ een uitgebreide glans [oj geur) verspreiden.

rmrudojjs een klein stuk sawah, Asm. S. ftw rj(io/j^ kn. het geslikt worden , door de keel gaa» o f glijden , van kleine hoeveelheden. —

r^i(ix)jj\\ middel om iets mee door te slikken; ooi bij kleine hoeveelheden slikken. — fn rj(ici/j\\ Wj

kleine hoeveelheden inslikken , zooals het sp of pillen \\ zijn woord intrekken. — inj

om iets mee door te slikken : en de slokdarm. (ui i?)r.j_rc)D{i/j\\ de plaats in de keel waar men slikt.


-ocr page 143-

O C\\

xjti n l ui/} \\

Uvivitvifr^\'do 1)0cloelil^ van eequot; quot;quot; 0frede-

Liumf-KN. glans, scliiju van vuur. gloed (vrij. vn rvtmji). — vlammen, een gloed ver

spreiden.

\'ie rjiuntiiruoaiji^

hnvm^^ of anjtiiyup Ar. kn. voorzegging, voorspelling. (Men houdt het voor een verbastering van Jiï) de wetenschap van liet nabij-

zijnde).

„„udoinKN. een rondzwerver. — iti-iDio-nx ngoelandara) ii^iu»nii\\ of irvn(mj-n\\ omzwerven, zonder een vast verblijf te luiuden (eiy. gelijk ecu slang of duif doen. Dat «J)j n.1 na n in werkelijk (jehruik is , schijnt onzeker te wezen). Zie ook uï^ tus

n.tuwmKW. berg, hoogland, gebergte.

//jm.biij 1. zie 1,7) n.iiiajj\\ 3. zva. ui iLiiuijji of

het Ar. , dwaling, vergissing.

o o

/ntU(iayi\\ zie iiJi,tMiniijj\\

:niuibiij\\KW. zva. iiJaviw zie ook irhiiLiijjW

iv. _ o

yi) (th) (isnjï\\ kav. zva. iia asn^pKN., nvt (in f \\ kw.

en KI., de tong [vrg. iui tuihnjj en vj ruw cmji);

ook vluj)j eu (wntLinji^wkn. weerlicht bij helder

weer. G. njlutumn^ de tong v. hout in eene

leiding, ter verdeeling v. h. water. S.G. w) tj) mifl

{of ajijruf^jji) irudj) f \\ tong, een soort van zee-

visc/i. (un ifLi (isu (uvi\\ naam van een hoorn, met dorens. fo

— omirumi Jtiitvt.isnfls een heester, ioaarvan de bladeren geneeskrachtige eigenschappen bezUien, de lidah boeaja, Aloë barbadensis. Mill., Nat. fam. der Liliaceaej puntfranje, franje die als spitse tongen gewerkt is.- — iél\'Wi .iqi\\ van eeu tong voorzien.

^ „ O O O . ,r o

? (unnuw — (E/tnzrasttn\\ ook K. v. (Li

a Vivian

r Ï.P.

w^njhhiiji of (Uj(nnfówjj\\kw. i. zva. (iciivj.w —

«n^KN. gelaat, de uitdrukking van het gelaat; een wenk met het gelaat, een lonk (vrg.\'nn/!i).

\'£| ru ihnji kw. zva. n/n pi ili iQrs kn.

dus of zoo aanzien, een {vriendelijk of onvriendelijk) gezigt zetten tegen. en (Zj iu ^ \\ ook k. zva. (tm(ujuiir?i\\ zien; bekijken; overzien. - of i j ru asnlt;ili(tyivj \'• n\\ een oog houden op,, of van tijd tot tijd toezien. — zva. ij (Lit ru ti^ti de uitdrukkingen

ii. (urjitw(igt;nji\\ 09

v. iems. gelaat, teM. — rj (uiirviawHyjx iemands uitzigt, uiterlijk, uiterlijk voorkomen , hv. in tegen\' stelling v. aznaxi \\ het uitzigt van een plaatsy of dat men op een plaats heeft: een vrij uitzigt hebben.

ii. iivi asnji\\ kw. zva. rj wn rj n i — nyr^ ihi (lmn i nwjjn kn., (L/)^(Kn thi/l K-» zoeken, in een onhepaalden zin. luya-j) ïn(in \\ de kost zoeken. — (i~j ili a^r\\ kn., ny rii • u \\ poët., ,iy (iji t?ik., zoeken naar, zoeken {lt;jew. vu y cmz y tLii?)i\\^., (ei a.i rj ^(102(ui J^\\K. Een ander uj n gt;zie bij I. en beneden).

(ui^(Kj foijji\\kn. doorgekneed , door kneding door elkander gemengd {vrg. ajr^nu); aan elkander vastgeklemd, van met elkander worstelende strijders, {in deze bet. oolc (i/rj i j ihii ^ /j en dit ook v. planten , die door of aan elkaar zijn gegroeid. \'— a rgt;l 3volg. \\V W. naam. v. e. ge-neeskruid; bij Filet iiyi^n^ani/j^ Maontia rugosa 131. Nat. fam. der Urtieaeeae; een heester. — «rj au(L,njl\\ kneden, door elkander kneden. — \',73j!^ mi^rj^tqi wji* buikpijn; buikpijn hebben.quot;

(lyjjj )jDu .Lnjj\\ kn. ; djvj(tv) zich uitrekken, van luiheid of vermoeidheid; log; liet lichaam rekken of wringen van pijn; trekken, kromgetrokken, zooals van houtwerk. (hmirj nuoq a^n rj ru pass.

vjm ij irviasnji of r^tL/nrj m.?(ia/j\\ en (isn^ ru s KN. het uitsteken van de tong. — rj(eduiasnji enz., uitsteken, van de tong gezegd. — rjiw rjtrui {of pi) rj rrn\\ ook frj an ijiruaw rj hoi ? (k) de tong uitsteken.

(iTW au(tjjji\\n., (vi m k., woud, bosch , elke met hout-, struik- of rietgewas wild begroeide plaats, wildernis {Skr. wana). (un ui w ~jn rvi o-jiji en aJiasn (L»(hi\\ boschhoen en boschhaan. — w nu aj) r)(Hii\\ als een woud of wildernis beschouwen of achten ; iem. naar de wildernis verbannen , B.P. II, 75. (imtruaj)ckiji\\ wild, in het

wild levend, bv. een wild paard, een wild mensch, d. i. een wilde, ook v. iem., die naar de wildernis verbannen is. B.P. 11. (un nuckji ~jn iru(M imjjs tn uyKUijiUj najjx naar eeu woud gelijkend. — (ui (v.i tli (ij) ~amp;i (hyj naam van zeker beambte. n ., tui uiihj wji \\ k .woudstreek. ^ »3» a0 woudbewoner.


-ocr page 144-

ajn (OA (hJ)ji \\

70

d/nrtviuj}ji\\ KW. \'rjiumtTfii(biyi^ KW., (i/nw\\K.l.}

wenkbrauw, de wenkbrauwen.

fijn (niet grof en ruw), glad ffepolijst, elegant; beschaafd, manieren; zacht van aard\', liet aetherisch of geestelijk bestanddeel van den mensch {vry. TUjo-j)^ en rj vmici (^/1° aetherisch wezen, zooals een (iamp;onjjs {Zoo ook ma^iEAji0 G.). (ik -n wjj0 een fijn en gedresseerd paard (geen lompe knol). Mjnrjncm0 een timmerman, die fijn werk maakt, een schrijnwerker. (unmem0 goedschiks, bv. zich onderwerpen, zonder dat er geweld behoeft gebruikt te worden. — annxjajijis iets lijn, op een fijne of zachte wijze, doen. — nnnu^ikitj(uii\\ fijn maken, glad schuren, polijsten ; den geest beschaven.

trapping, aanhoudende trapping. nyh a^(hji Jli irjfu.-jj\\ een der ïlus\' soorten, beschreven bij Filet, heh. tot de fam. der Aroïdcae, waaronder er zijn met eerbare knol of wortel. — hti (of aanhoudend trappen,

vertrappen, zoo bv. zaaipadi om de vruchten v. d. assen te scheiden. SG. — (hm a^(Kij^\\ getrapt of vertrapt raken. — zva.

O O

OJtj^ tV) ihJlJI \\ N.,(L^ tui OJ) .TL) Q-Jl/jMi.y Uil (Wl (i.J) -Jti HU (IJl/j

K., voorwendsel. — winji^rui.ijij^\\ ciPiirmoji Jti rui iets voorgeven. — (U^rviaJi^ zie beneden.

bekleedsel, overtrekj omslag; couvert van een brief; lijkkleed; en kleur van de het haar of de veéren, van viervoetige dieren en vogels; ook de huidkleur v. e. mensch. (urji^w^ een kussensloop. — aTj^ojiv. e. (ut^nj ndJls vool,zieil« — ^A.rjdni \\ bekleeden of

overtrekken met.

frjtuti Roll. KN. els.

(un (rvin^ gt; KW. zva. (UKE^i-nj^s ajti fii^ (ui (hiji\\ Ml. h aloe dn, de voorsteven van een

(Uil 1\\J1 (Dl *71 (IJ1JI \\ zva. (tui (UI T) (KJ1JI \\ zie (t ui N\\

miauidJio\\KW. zva. [(u^(unni\\ storm, orkaan; (ook

plotseling verschijnen, komen opdagen. G.).

o

(un (tuinijijis KW. zva. (un(^ni\\ vliojiastyiw

volg. P.K. dralen, verzuimen.

(un (lu^ruyjs Ar. kn. zva. (itf.qauis in iets bedreven. sun (ru^ hui Sn (hji vnji \\ Ar. ^ , bedreven in

de zaken van het geloof. %jriru^^vu ^ashcci(mj^\\

bedreven in het waarzeggen door berekening. cuij txjjjs KW. zva.

(£A~(ru % \\ Ar. xU)» kn. God. (j-jkyxji ^ inn ivn rui \\ o/

un (isn o rui \\ God de allerhoogste.

un iiui^i\\ kw. zva. (irr^\'-h\\ ru^.un unjjs (uii^

G.) (hi)(i-Ji (laji\\ {fi^^i (u\\ kv (ui axiji en (ui((i(^\\ 6.) te min, ongenoegzaam, te kort, niet vol, falen, verzuimen, onwetend (Skr. alpa, klein, gering, min), tun (rui^ji(Lci(vvi\\ iemand die weinig voorspoed heeft, dien alles tegenloopt, een ongeluksvogel (Skr. alpo d aj a, van al pa en o ed aj a,\\m-

spoed. pk). — (iniru^i\\ (zie ook ben.) zva. m»

O , o

(H7j rn (Lil (HTJI \\ Hf 11 HU^ un N ^ ^ ^ N (flO) :(Uj\\

un ijhji2\\ G.) en r^rjui\\ gebrek hebben, niet vul gedaan, schade lijden, vergeten.

uii n i (uijj\\KW. zva. cunrj (amp;i(Hriji\\ nemen, (unruiajun rui ui /j\\KN. een roofvogel, een gier of de Beu-gaalsehe valk. — otl/ïm^nkn. poët. nemen; in proza gewoonlijk alleen maar in eenige spreekwijzen : 0\'rf un 2 (uif\\ voor rjun2 ui%\\ iets doen; zie bij rjum ui uiru ijui27j(u^2\\ of enkel(irtriA(j/j\\ de weduwe van iemand tot vrouw nemen ; mm rjnji^ zie bij irjaoiiW utircj.ruui/j\\Kyv. pass. (Biru (u/j \\ zva. unrj(amp;hrrnji\\ nemen; halen ; schaken. — urn rui (ijijj\\KW. 1. door een booze geest weggenomen; ook in \'t alg. weggenomen, K. 9. 7. ingehaald v. veldvruchten. B.M. ui tuit mi rui uijj wordt gezegd van iemand, die omgekomen is op een plaats, die voor een verblijf van booze geesten gehouden wordt. 2. door een booze geest bezeten, van iemand die van zulk een plaats krankzinnig of ook maar met een ijlende koorts terugkomt.— (i7i (tui ui Si \\ ook (ea m rui ui-ji \\ poët. wegnemen,

rooven. uiruutStaSui het hart stelen, bekoren.

O C) /. o

- (171 (Wl (Ul^l (trn (HIJIS (E/Itru (Uj (HTJI OJ (Ul^(ElltVI(i^

iiryjs zva. (itiny (E/i (tsnrjrni \\ laten wegnemen; nemen, plukken , halen voor. — unruM rut ui elkanders vrouwen , posten en bedieningen, nemen, schaking. — ut ui rui ui —? tni/j \\ (ook wel uitgespr. uiru ui^i (hyjs te M.) een door booze geesten bewoonde plaats, waar de bezoekers omkomen of bezeten worden ; ook de booze geesten zelve (wegneming, ontvoering, schaking. G.).

unazj.a.n/j\\ ook wel un kw. zva. un\\bJi\\ fraai,

bevallig, ook v. d. stem.


-ocr page 145-

\'W

71

ta innvijl^ ^r. alip gt; naam van de eerste letter van het Ar. alphabet, en van het eerste jaar van een Wincloe. om iu ^n rui iui-^i (ify/- het Ar. alphabetJ het Abc., ile eerste begiuaeleu vau eeu kuust of wetenschap.

kn.; iminjMJI\' in \'t o.lg. dingon doen of zeggen, die voor onheilsiieUend worden gehouden; krassen, van een raaf; huilen, van een hond; kwaad voorspellen , omdat het gekras van een raaf of hel gehuil van een hond als een kivaad voorteeken beschouwd wordt; v. e. hond huilen tegen; verwenschcn, onheil toebidden.

ongebr. zva.

kn. zva. onderdnwen, in \'t water,

enz. wegmoiTelen , verdonkeremanen, en wordt ye-segd van iemand die toevertrouwd goed zoek maakt. — ll0i5 mniuquot; evuu llauquot;,

branden, op \'t uitgaan zijn, bv. van een lampe-pltje, dat te kort uitsteekt, zoodat het in de olie verdrinkt.

\\ I. KW. zva. i:»yj IA:i.)en minjlt;uiuw

kn. eenigzins bevreesd; vrees.

II. kw. zva. lunión W. kn. wegdoen, wegwerpen. G. (Ut^irviiuiji\\ ook bij verk. m en i ai li -.1^ n i :iJij iets om iets af te vegen, veeg-lap, stofdoek; stoffer; ook iun wixj)~mnj)ajij^\\ eeu leêren\'lap op den koj) vau een timmermansbyl.— cjilihj) iets door vegeu verwijderen, afvegen, cjn,» (ut J ju) rui fui (ujf * eeu hindernis uit de weg ruimen.

III. kw.; it^iruiu^\\ zva. asuu) in\\ VV. begluren, bespieden, 6. — ii:^ 7) /1-1 U I iijjj- KN\'. pinkoogen, of, wanneer men naar iets ziet, de hand boven bet gezigt houden , om de lichtstralen af te breken; heimelijk het oog houden op.

O rt

| ï m 7^ l; \\ zie ajt nji ha \\\\

fwitjiu Port. alfer es, oen vaaudrik ,

sous-luitenant.

a

j\' quot; ju :lj hrijj• jr. kn. eeu voorteeken, eeu teekeu uit liet eeu of ander natuurverschijnsel, dat beschouwd wordt voortgebracht te zijn door bovennatuurlij keu invloed vau hem, voor wieu liet als eeu teekeu beschouwd wordt. (Men houdt het voor het Ar.

dat mij evenwel in die beteekenis van elders onbekend is R.).

(un(tuiilv)(hjiji\\ Holl. alias, iemands bijuuam. ^ (uii of (uii itu\\ slechte schrijfwijze voor tj .1.. _ . enz. Zie aid.

(un nvt (Mjj of cci Ar} gt; de wereld, en eeuw;

kn. tijd, tijdperk, w(tut(£.1 (kjj^ de tegenwoordige eeuwe. ic/ u t (ti de toekomende eeuwe. cui

iinr^(un ilieign. van een van den Saltan van Djokjokarta onafhan k olijk en Prins in het Djokjo-kartasche. — icurugs iets beleven of ondervinden; ook zva. tij) tj un 2 (S.\\ doen, in: wel eens gedaan hebben. — hjh itli 1amp;1 ~jn trx.i ^ t najj^ wat tot deze wereld, de tijd, behoort; tijdelijk; wereldsch. lt;iyn^^\\kw. zva. lj kn. lof, prijs , aanbeveling.

— loven, prijzen, roemen, aanbevelen.

— (untupi^jinijis loftuitingen. — lof, lofspraak — (in anjp het voorwerp van lofspraak; lof.

un jut n kn. , 1. Ar. geleerd, geleerde. — 2.

Ar. , zachtzinnig, zedig, vroom; vergeving.

— oj! A 0 n met zachtheid verrigten ; vergeven, verschoonen. — (ui ru pi (ïnjj\\ —{un ui ii,nji)ui o\'i0(un

een uitdrukking voor //eerbiedige groetequot; ? 0. a. Waj. II, 18, 7.

(LTïffi^.t^vKN. verwelkt; verflenst; bleek, verbleekt; verwelken {vrg. (tmrjiruiz(Uijj en unt^uijj hij un (Vh\'Mjj).

un(^iEji^\\ kw. zva. aJi^yj\\ mrj(in rui\\\\

£n7j(ru2(EJji\\Kii. treurig, bedrnkt, van het gelaat

{vrg. (uniri^iMji en nn (uhnuKMjjsKU. het been, dat het hoofd met de ruggestreng verbindt, het nekbeen, de atlas.

O 1

utjj iu(M/jsK. zie unnji unj^s

utj(uj,(Erijj\\kn. zwaar; brommend, van geluid, een diepe, zware stem hebben, tegenover (Knj\\

Rh. — (iT^cv^iQs gew. herh. iemand te gast, tot een gastmaal, noodigen. — ^irj1 VIAN

genoodigde. om te inviteren. Tj.

ut^ ru (ti\\ of (O) ru (Bi \\ kn., ook wel ur^ ru ui \\ of .tu«3\\K. , Ar. -sulc. een geleerde, doctor, voor-uamelijk een God-en Rechtsgeleerde; zeer bedreven zijn.

i,7i t^jjj\\kw. zva. (vn ili\\ y iin u t\\ v\\

O O /• O /f -

d/niruOAji\\ (uitiUt^ ili i.u\\ of iju/nz u t ui\\ ofajutjajuè (ru ilui \\ Ar. 5U!^) {/iet coll: meerv. van zoa.

»7/ nxjis


-ocr page 146-

O

.1/71 irvi (El (Hl[js

72

cun (tu\\

a/n tru ie t (tn/j of au iru th) (Hi/js met voorwetenschap begaafd (vrg. tun ru(E^ m/j\\).

(un au (htjj of (LnrLi(E^.rnjj\\ Jr. \'a l im o e n , vrc-

tonde , alwetend, als eigenschap van Ood.

ti/tt lt;tu err^fj P\\ kn.—7) (in 2 ou cm ~/n (ru rm^\\ kn. iemand of iets heen en weer wentelen, omen omrollen ofkeeren.

1. kn. fijn gewreven {pf gestampt, G.) (hJiQjw^i^crryis samlfel van fijngewreven lombok. — (ur^^am ^(^(rrij^s een werktuig (of stamper Gr.) om iets fijn te wrijven. — ^in

wrijven of malen, verw of medicijn op een steen wrijven. 2. tvrjiyrnq\\ tun mi^ rn rr^ w/j\\

walgen, misselijk zijn. hetz. zva.

3\' 00^ zva\'

(ur^\'U.)crti/i^ KN. behoorlijke verzorging. —

de noodige zorg dragen voor.

rjcumcrlicmjisKVf. liet met de hand herhaaldelijk betasten of bevoelen.

(1% rui cm nij (mji KW. zva. tj un m ^ tun onjj \\

cun tuQvmji\\ kw. zva. cun /fj tucvni\\\\

(un (i^.^nj^\\ zie a/n^cui^s

o X O quot;gt;

(un rhivrnji\\kw. zva. vj(EittHiiruiji^ (k/uvukjiuiw

cun luj^ ccnji n KN. j (uti iu^ vn ~Jn nruj^ lunjj \\ de proef nemen,

beginnen.— ccin^iun ^n/n^a^s den bruidegom en

de bruid een weinig van de wenkbrauwen, en van

de haren in de nek en aan het voorhoofd afscheren,

een gebruik in den avond voor den trouwdag.

cun lYXJtKznji^ KN. een enkele. G.

cunttu)\\ 1. kw. zva. rT^(hJUHnj^\\ bedorven, verwoest; (kruipen. G.). 2. kn. dwars, overdwars j de breedte van iets (vrg. cur^ap^).tun trucun (rusw., dm vn cin/j^K.y een soort van lang rietgewas, dat tot het dekken van huizen gebruikt wordt; Imp er at a arundinaceae Cyrill., fam. Gramineae; een daarmee gedekt dak. m cui iftjjun tui (un (rui\\ een uitdrukking voor het gebied van een Goenoeng {vrg. (unaviHjcmji). camp;icrui\\ overdwars, dwars over de breedte van iets liggen {zie ook lager hier ben.). (Ejitwinsncin^\\ niet geheel dwars, ook uitgedrukt door chn cm m cia \\ Rh. — (ciriis ergens dwars over heen gaan. — (tn iru (él\\ ook azi rui P N., (ui $w \\ k. , iemand of iets dwars in de weg komen j dwars-boomen; in de weg staan, verhinderen. tegenhouden. un nut (in (hijj\\ ace. pass., en kn., hindernis; (zie ook bij un rui\\ en (Qi (^n). mn )i i (ut (mjjs kw. zva. w(h))iih a-n (Hi/jw d/n rVitun ruan onji\\ beletsel , hinderpaal. — anruianijuns in de weg leggen; overdwars leggen ; dwars {bv. in de hek] nemen. — (Eiru)an ij un\\ overdwars doen liggea of gaan. — (ui an ru an (mjjs alang-alangvelden. n ui rut\\ dwarsboom, dwarshout; sluitboom, zooah van een stal, deur of venster, m an ru \\ fig. hiu-derpaal, wat in de weg gelegd wordt om te hinderen en te beletten, arr^ man rii \\ een leuningstoel. —

(amp;!7u\\N., camp;t(êi\\K., met een boom sluiten, dwars* co

boomen, in de weg staan, tegengaan, hinderlijk zijn; zich verzetten. i)?/(uauf\\ door een hindernis belet worden; in Soerabaja zva. a.a\\ (uuwidi ill \\ een hinderende Wali, d. i. een Wali die zijn

toestemming niet geven wil tot een huwelijk, m

c o jj O ^ o (P) o ,

rui an \\ oj .ei foi itu an \\ en foi w an \\ ergens een boom

op maken tot versperring; dwarsboomen, verhinderen, tegenhouden. — (ui rit an anjj of(ui0\\ ajtS an (mji of (ui0s verhindering, beletsel; met een boom gesloten. — kti vt an tui \\ aarzelen, twijfelen, uitstellen.

o* , ,

cun rut \\ kw. zva. ^ rut rj injj en (utt t^^(i{ij^\\ kn. üc

leuning van een brug; (scherm; festoen.G.) —am out (un (rus schutsel, scherm, behangsel; iets tot beschutsel hebben, zoodat men niet gezien kan worden; fg. tot schutsel of dekmantel gebruiken. liu^iun ini^irt ?uiayn nquot;i\\ een handeling die tot dekmantel strekt, om te waken dat men geen erg zal hebben in iets, dat men gepleegd heeft. — o au\\ zie ben.— an ruts oj. wegschuilen, door zich achter iemand of iets te verschuilen. — ar: /u ui\\ gew. an ru a/n fPu an \\ bedekken, verbergen, een be-rigt geheim houden; beschutten, beschermen, behangen; als nader regthebbend erfgenaam een ander bloedverwant, die anders ook regt zou hebben, bij de verdeeling van een nalatenschap uitsluiten, (tm rüanrjitys of ,uti ru i7t ij hj,om\\ een uitroep van verwondering bij een ontdekking: zoo! — am iu an hn/j of ajn wtiun ifut iTt (Hi/j\\ iels tot schutsel of bedekking voor het oog hebben, zoodat men er achter verscholen is. (un (fut an volg. Rh. ook T.P. een van heerendienst vrijgestelde die een plaatsvervanger gesteld of schadeloosstelling gegeven heeft.

a%rlnN., .iSxtj)jujj\\n.. weg, verdwenen, verloren;


-ocr page 147-

73

O. / n n / \\

gedelgd, uitgcwischtj wegraken, verdwijnen, verloren gaan. mal» taaawfis «ich wegmaken, zich verschuilen of ontzigtbaar maken.— i^Aruliiii\\ wegmaken, verduisteren; iets, /w. tijd, laten verloren gaan; trachten weg te redeneren. — éi rit ,a\\ (tSiMi iUN verliezen j ontwijken, zieh aan iemands uavorscliing onttrekken, ij mi ( int 17 a/n \\ of,niii?n) equot; V\' quot;v of aw(utt)iuia}^iHyi\\

iels kwijt raken of kwyt zijn; een verlies lijden. ik» lu?) «Imïi kn. de staat der afgescheidenheid. k f i \'\'11:1 {\'n;i^ andere wereld, 10 ^/01 mi ruKtmip de dag des doods. — (SnUimrj,un \\ i:gt; w i^ihiiiHi/p weg maken, doen verdwijnen, nit

de weg ruimen; uit het oog verliezen ; als verloren

0.0. a o

beschouwen. — uiinua/n 111,171 anjjs ï 7|.?oi n i^n

rniwiwjl\'\' wat men ergens aan waagt en vooruit

als verloren beschouwt. Zoo hv. gt;rn n ) dn.)} 11/ Sji

1.1 it} -li /.:i 1^1 }{):p ik waag het er aan. — 1./ i l

,iin iuéiiKDru/j\\ het zich weg maken; middel om

zich weg te maken.

Imitumcn. I. gieting, over-, in- of uitgieting met

voorzigtigbeid. — it-nuV iets zoo gieten, enz.

rT a Ov qv a- o av o

11. vry, n i nl\\ n.i 111 \\ cn lit n ]■ — j n ui ir;

njv oplettend, van iemand die goed toe-of rondkijkt. — 11 uquot;)\\ kijken, turen; ooi een soort gevest van een kris. fj Pi) rn fjj i?)\\ bekijken, bc-zigtigen.

I u K\\v. zva. -f 1 i\' n \\ eu ij rm rj nj \'m iii t.n \'ünkw. zva. a^ r.ti f j !:n \\ en 11 o quot;nw kn. eva, rondzoeken. — ,ijgt;j ill in «njj\\ een ronJlooper, iemand die dikwijls van plaats of beer verwisselt; rondloopen, zwerven.

i \'ugt;ilt;cj.\\)Lyf.zva. mnrjunt \\ menigvuldig, van eengroote menigte; kn. worstelen; het vechten of plukharen van vrouwen: vrg. tin (Ci (üi (hnjj\\ un ï y ( IJ r\'j ■ door elkander gemengde bloemen,zva. nyr^ni mi (ujj\\

steeds bij elkander zijn. —-het haar v. eene daar men meé vecht om de baud winden, worstelen, plukharen of vechten, van vrouwen; {iemand om het lijf pakken om hem neer te gooijen. G. v. golven, die van alle kanten iem. omgeven en om hot ligchaam pakken Tj.). — 0f ^ rond of door

elkander loepen van velen , in verwarring zijn; 710 rondom verspreiden van geur, stank of wasem.

Rh. — ijij r:i nri j\\ met een ander of elk

ander worstelen, vechten of plukharen , van vrouwen ; een worstelstrijd, van strijders in een gevecht; menigvuldig, in een fig. zin; hv. itxmij ijiKH^i0 haar aanvalligheden zijn menigvuldig. WW.

• quot;)

lt;l^7w\\KN. een groote soort van \'paling {org.

?u(i/y tti \\ wringeu, draaijen bv. de hielen. Tj. vrg. 71 un2riquot;i\\

(untv^\\kn. 1. zie 2 het treurig of klagend

slepen van de stem. — lang maken, rekken;

zich lang rekken . van een klagend slepende stem klagen; (overgeven; overreiken. G.). — /ij\\ over-, toe-, aangereikt; overreiking, overhandiging; uitgestrekt, van de handen {om iets aan te nemen WR.); met uitgestrekte handen (ontvangen WR.) — tiij(njj(S\\ aan-, over-,toereiken , overhandigen, overleveren aan. — hhs de stem rekken,

lang slepende maken; een object aan-, toe-, overreiken, overgeven, overleveren. —

mtjJ\\ de een aan de ander overhandigen.

rj i/n ifij\\n. . rjun dn n/j en rj un f j (isijjp K.,met bewustzijn voor den geest hebben, gedachtig o/indachtig zijn o/worden; denken aan; gedenken, zich herinneren; bedachtzaam zijnj tot bewustzijn komen uit een flauwte , zie y /ia tot inkeer komen. 11. P. {vrg. (tii ivn astyj en w intimjj)

irjunrus aandacht! geef acht! bij een aanzegging. gt;1 un iriï n un n/ \\ pas op ! zeggen , waarschuwen , R. P. rjitniimojtun amp;!\\ bewusteloos zijn; van zich zelf vallen. — rj ie? ïurj un Pu\\ tj»:/ fn ij asn -j» l.) iibiiji v ^ un if/j ij ui 1 ^//j tisn/js iets zich voor den geest zoeken te brengen ; moeite doen om zich iets te herinneren, zicli bezinnen ; zijn gedachten gevestigd houden op; om iets zicli bemoeijen. — vm ij un ti unjj \\ k. voorbedachtelijk. — vj i n ?u ui \\ ij (O i.rbin ^ m \'eq un aan iets denken, iets zich herinneren, iets zich verbeelden, ij (Kn iPüuKmjjs rj un 1:1 tj un E£ \\ gedachtig worden ,

zich herinneren, va?i iemand) dien iets in de gedachten komt of valt. tun rjxm \'ft? (V) anjj\\ tcn ijun in aw (inji \\ tu)t tj mi\'E^nvtjui/js gedachten, herinnering, geheugen, bewustzijn; geweten; bezonnenheid , tegenwoordigheid van geest; iemands geests-gesteldheid. — m Pu m ij 1. gt;1 \\ ij m xn i^jjun


-ocr page 148-

ff) li/tl è it ui \\

74

1/11 (U! \\

■iy(wieja^un(ht/i\\ indachtig maken aan, op een gedachte brengen, herinneren; waarschuwen; waar-sehnwen voor. — rja/nrvt ij un tin tiojj \\

ook gedachten, donk vermogen, nadenken, ^ goed van geheugenj bezonnen, bezonnenheid. — (un itli rj lun ?u ui onj) \\ (un iamp;i rj am ^/n (tl(i9i(tnjjs i^tun^lt;^05»wat men bezinnen, door zich te bedenken, zich herinneren kan.

3» C)

— Mtj n7titL/i \\ (uit) c; ui051)/}\\ (ui r) (U)tamp;idsn/)\\ aaii-

V1

(I5nji

i u) lamp;l (15)1^\\

denken, gedachtenis; waarschuwing. 0(U) iu m(amp;)\\ welmeenende waarschuwing. —(u ^(w wirfci/nPus

V Cquot;) O

(u) rrj (O an rj (un ^/n ar,) (biifl \\ (u) rj u) 7^ ihn -Jt) (unjj\\

wat tot aandenken of gedachtenis dient; een waarschuwing. — (U) rj iU) ?l) ui t}lt;yj \\ (U) gt;1 u) (tri iigi onji \\ gedachtenis, iets dat tot herinnering dient; ook zva. trj (U) (Ejj (isg onji\\ zie hier ben. — itn wasn/jx rj (U) ?li \\ (Tj (ui 1) (UHjjx een waarschuwing; waarschuwende raad; voorspellend of waarschuwend teeken; aanzegging, aanschrijving. 77(im lU1 % eene klasse vamp;n ngelmoe\'s. oJni 1^) tj 00 it) (iwjj \\ schriftelijke opteekening; inscriptie.— ij (amp;) ft) un \\ rj (Ui iQ(i^r\\ (yjoej) (E^a^s een waarschuwend teeken geven, voorspellen ; mi pji o^irs kn. , ook rj w .8 wr* k. , iets noteren, tot herinnering. — rf (ui ^ (tyi^nkn. memorie, nota, register.

aji\'^irj (i5)) (in agi iinjjs schriftelijke herinneringen, memoriaal; een memorie. — (uirj(Ui Pu\\ (uiy(ui (utdnyfs waarschuwing.

vjtum i?ü\\Kn. het draaijen van een vlieger in de lucht. rr^ixziiinji\\ draaijen, van een vlieger, van het hoofd, hv. \'fi(LvinfltiKq0\\\\Ji(/. malen, gaan malen, door zich te veel in diepzinnige zaken te verdiepen. rjtamp;iirijtturiifus zich heen en weer bewegen, woelen, van pijn, ook van pleizier. Men. ijdjmtj tu \\ — rj (um 2 (rj ivi oj um i ij ri/) \\ een rups of wurm, die zich in de stammen van hoornen of

planten ophoudt, een a ma.

n O

.ly^ »l/7(UÏ\\KW. zva. (ui (1511 w

o. . j.. O i^(um (ruiam (ru\\ zie bij aj) (rx^ iry w

ajr^ lui/j \\ Holt. hoofd; -yj.\\ Hoofddjaksa. M.

o O / o

o^cun (LA/j^ KW.; rj unaj)^Ji\\ zva. irnium nw

(uii(L/)\\ bij ver/c. (u\\N., (LjiHj,aji\\K. (ül^jdJis en yew.

(Ki (ui \\ Md., (U^ (Uj (ui \\ of (u uj iui\\ b. Kad., vragend

vrnw. van zaken: wat ? ook vraag woord vóór

een gezegde of zin ; in complexe vragen of? verder

wat, wat ook. ^ om 2 rj (ui iun (u) lt;vi gjj (tr; onjj \\ lieb jc al gegeten. — (uruu)rjiujs iv^ ic^dJi^u^ oriji\\ wat er van ? iv?» oni 1amp;1 lt;m ~jh cu i^a^is is dit goud of spins, bek P iun (u (ün tut tui Kt) tufu^s w^t je zuit willen. tj (uti 2 t) ajn (U) \\ (tjiiitt 2 iuii mi -j^Kj.(iJ)\\ Het is nietsI Het is niets bijzonders; er steekt geen kwaad in. tj^gTuui (uiiun (L/)\\ het maakt niets uit. (uykl/im) (ui\\ (ij^u^(u) u^k^(U)\\ wat ook, wat het zijn mag, het een of ander, bij Vil.apapa karbouw, een heester, Conyza ludica, BI. Nat. fam. der Compositae; de bladen worden als groenten gegeten ; en hebben overigens geneeskrachtige eigenschappen. tj ót a rj (uti t -^i (un (ui um \\ iemand die niets doet, in den zin van iemand die niets kwaads doet. (rjiuiizm ... (uti xDxm (U)\\ in het geheel niets, nic-

T quot;1 OO O OO

menaal. unt kdum (ut\\ ^ \'• VU^(hj,(ui\\ oa ueti hi ihi\\ (wat is dit?) zegt men, als men iets toont of zien laat, voor zie, hier is het! zie hier! ook wel (urt tm(unaj)ny (uitj(hj,\\ kijk, zoo ziet het er uit! of kijk , hoe vindt je het ? (un tjumtun (U)\\ daar is hot! kijk, daar is het! um (ui zie bij (E/trjiK^^ w

um (ui rj ,10 ij hj \\ zie bij tj ui tj — .uti ut m {c/ew. rjcm ii^iivi) N., itj^iujajKun^K., (tn ui(im\\ Md., waarom? hoe komt het zoo? wat scheelt er aan ? — asi (ui\\ ^ a/i n aïitHj, (ui \\ wat doen ? bv. ri uti i tj ui (uti an m (ui \\ wat is voor je te doen P d. i. wat heb je hier te doen? w(ui(uti\\ wat moet het? waarom P rj um 2 n ut (ut um \\ ^ v.ti 2 iwi ^11/11N ook wel tf um 2 (hu (hiaji am \\ het maakt niets uit, er steekt geen kw\'aad in. i£jI(hj.oji\\ in de spreekt, zva. (u^ ty (ut \\ (Ui (ui Hj \\ wat geven aan? wat maken aan? — (hyi (ut onjjMi., o^iojicm ^h^ojis of rj om uni uq ih^(ui\\k., wanneer ? van iets dat g e-b eurd is of g eb e u r en zal. rjan t^ oji nnjjs wanneer? rj oirt mIi (hj. hu oji rojj \\ op welke dag? rj (ut 2 (t^v ooi oji ostji \\ wat tijd of saisoen? — un ui ooi ~jti tj (hti \\ iE^ h^oji (hv -jtt (fai Hijj \\ wat doen ? wat doen aan P wat doen met P oxi nn (ut tm ^mvj iai\\pass.

bv. 071 OJI OJ) Kïl -Jtl rj 1(1) \\ (EJ^ OC^OJ) ini^ Hj (UI iUtl J!)

oiii(Hi/l\\ wat of wat ook doen aan ? met ontkenning% niets, o/niemendal, doen aan. — nojiojts en lt;bi

oji \\ zie ben.

o t O o „

ojtn oji\\ 1. KW. zva. ihi ons doch; vuur. (n|

(H^ojh (ul\\ Ml. N., ojtoxtojn (ui\\K. vuurspuwende berg.

— om ouKUTt (ui\\K^. zich bij een vuur warmen; ook


-ocr page 149-

li l tl ^ t.l {

75

:L\'/I (LQ \\

een kleine hoorn de Avioenuia oflicinalis, L. en A all)», U- ^et hout alleen geschikt voor brandhout ; de zaden worden gekookt en geroost, vooral op Celebes, gegeten; bij Filet noy andere soorten. ^rj (LH imjl^ it/i-n 17 m 0/ tui-r, nrj m luyj • vuurplaats; komfoor, vuurtest, fornuis, smelt-fornuis (vrg. vnrfttpis en mi

O O

II. kW. zva. wi iu)(ia/j\\ kn. , gew. tun hjkuti (u\\ zva. (luniutun^niui«n/l en GR.) \'/\'7 \'ï1 \'■ V quot;quot;

veinzen, huichelen, geveinsdheid j

v 0

kwnuswijs {vry. ^nnvirj-rKV)). (im (uinrj mm ni\\ willen en niet willen, lusteloos , hall\' doen, wat hv. bevolen is. llh. {volg. llli. (un (Scun (ui^(uri2rr)) veinzen iets niet te weten, te kunnen, te hebben, enz. (un nul mi (u iamp;i A \\ zich dood houden. — mnrjaji w) ji} ïjMwiii\\ geveinsdheid, huichelarij j kwans-wjs. G.

m (i^ \\ en tuirjiuz (HT/j\\ zie hij iun érn asnjj^ aji rjiuii — (uiasitjj^s nin. v. e. boom.

I mntj M * KW. zva. ojt cnis schntting. — wrf ajnHj,\\ gew. (cnri ivttin~Jttij (uiwj.s beschutten , bedekken, beschermen. — (hiirj tui iuiji\\ zva. (hïi nj?aj) (htjj\\ bedekt. (Vhisiiwrj (U(hiji\\ verblind, niet duidelijk ziende,—zien. AV W. ci nsn(hii rj tui(iij\\iets onduidelijk zien, K. 3, 17, Palm v. d. B.

O O .O O

itm iiji \\ zie (uikm ~~,i\\

mi tf(u\\ kn. schoonbroeder of schoonzuster. — (C? n (u \\ iemand zoo noemen, (unounrj ui\\ tot xninrjeu genomen worden.

(ut^MsKYf. zva. lt;rr^(hj)(iSi\\ kn. korrel of korrels gekookte rijst {vrg. itvumji). uk cniaji^ (u)\\ of ^m^cijij) illi0\\ ben. van twee paar dansers; gewoonlijk jongens van 10—14 jaar {zoo gen. omdat zij geen bezoldiging ontvangen, maar van de over ge schot ene brokken leven).

(uïi 2 hj) \\ zie bij ^(untr^ ajt o

tun tun \\ zva. o^nK.T.

C) C) /»0000 oo

Mi(ijiq\\ of (uniuiq(ij)i (ui%\\ zva. iui nji%w

zva. ijtumajifs K.T.

^(W^nkn. de bladschede van den Pinang-boom. Men maakt er hakjes van, of gebruikt het ook om iets in te wikkelen. iuj (ut igt;\\ als nyr^ vn q \\ nl. bol, v. e. dikken, vooruitstekenden huik B.

ijwaji^ zie rjd/m (uq\\\\

zelfzuchtig, inhalig; afgunstig, van

iemand die een ander niet gunt, dat hem zelf van geen md is; zelfzucht.

tfti/m (U}f\\W., trj tun (ui ^ k. , loon, fooi. Bh. rt (un 2 nji % ij (un 2 tui q\\ een belooning uitloven. —(ui ^(ur}\\ ii (tri (u q(iïïi\\ ij xm 2 (ui % geven aan , beioonen met.

— ijcau ui tcunrjun\\ ij iTi cui^(utkhii (uijj\\ voor ijutMuiq doen of maken, voor loon uitbesteden.

— ij un 2 ui q (un (Hi/j\\ tjun ui % mi öNT^xwat als rj un i tui 4 voor iets gegeven wordt of moet worden j maakloon.

unaj^unnis of unu^ivirn\\K\\w. zva. lt;t,ri (zijun (Hf/js un (ui(HTji\\ ook (ui(Hijj en (f.iui iijijjskw. zva. asyj\\ èn; trouwens, dewijl, want; na een voorwaardelijken voorzin, in den nazin te vertalen door «danquot;; na een concessieven door //tochquot; {zie ook ui wfj ben.). —(i/n uuia-ai ui ih^/j\\ kn. het plankje, waaraan het ijzer van een rijstmesje bevestigd is; ook de penbalk v. e. egge, en het dwarshout, dat de

einden der latten v. e. béntjaq verbindt. S.G.

o . Ct o

unrj ui (tnji \\ zie un (Ei ^i w

(rjuniiiui2 (Hijj\\K\\y. zva. riTiTj aji2 nsnjjW

O o O\'

rj un 2 (U) (hnji\\ kw. zva. un oji \\ ij arn 2 un w

ijun 2 rj ui (hijs kn. zorgvuldig, zorgend cu bemoeijend, {grondv. irjun2 ij ui\\ Vrg. axi qnj (ui ij un 2*111} rj (1/112ij ui (hn/i\\ onbezorgd , onverschillig. — ij ui 2 ij ij (iiij cm ^12 ij (ui iw/js zorgdragend voor, het toezigt houden over. — ij(hji2ijiuiiy\\ zorgen of zorgdragen voor, zich bemoeijen met, zich gelegen laten liggen aan. — nun21^(1^ (injj\\ verzorgd. — vjcumirj ui(Hi(Hijj\\ bemoeiziek van aard. — ij(uyrj ij (u(ijvi(hj.\\ in Banjoemas zva. vj (ci2 ij ui(^\\ {van \'ij un 2rj ui ii vi anjj. zva. ij un 2 ij ui wj])-un (ujj ^(HT/j\\ zie un iu^ uw

ui^u/i (hi^ui (irijj\\ naam v. e. batiks el.

o .

un ui (i/n \\ kw. zva. (kaojiamp;i ww

U) hco I

uyuiwtiskh., ook wel (ui^ iui(i-ji (jji an/j\\,, teekens

van onderscheiding, insigniën, die den Vorst en

Javaansche edelen en grooten voor en na gedragen

worden ; rijkssieraden; statie {Skr. oepatj dra,

bediening, bv. van betel).

un ui 1J1 tui \\ — un ui

a/ 3* ct\'

un ui \\ kw. zva. ui un \\\\

rjunnrjuns T.P. zva. (unijui2\\ zie bij ij ui2\\ ook kn. erg vermoeid van de voeten, zoodat men niet dan met moeite voort kan. — rj uivj ui2 \\ met


-ocr page 150-

O O (Ui) (Ui uriji^

76

tj (i/n 9 rj tui 2 \\

moeite voortschaiTelen van een vermoeid mensch, en van een vogel, die niet goed meer vliegen kan. — y u u ijnjid zie hen. — tui ij m y :u z. subst. den. vrg. hj) r ] i ^ w ijum tjaju\\YiK. aan \'t spit gebraden vleescli vo/y. llh. of gevogelte met vulsel van kruide

rijen en kokosmelk. — y imr) (uiz\\ vleesch aan het spit braden. — ?. y rs? a gt;ƒ o ? \\ o/ j. y 2 \'V ifiui2\\ van een kip, geschikt om er 6pór van te maken, wat ouder dan een umèimis zie (utafnw (un ijji \\ ook wel m ilj \\ eti aj) \'r? \\ n. , t/n i ^

iïojj « t Ij ftQJHi/j en m ij il^K. vergiffenis , verschooning; pardon, genade (Sd. //apo era, Ml. am poe ti). iiw tuj fiQMi/j of vn of un ij

fin (ui tj (E/t -ï .Lu \'K7^\\ pardon ! excuus ! voor ik weet het niet. — cci ij m \\ of ,nrt ij m \\ en aj of (iiiia i iels vergeven aan, ver

giffenis schenken aan, verschoonen. af}i/n ij \\ en (ut m ij m \\ pass. urn ajj rn Sii m i j m \\ elkander vergeven. — a/i i?; u jjni\\ m oji aj vergiffenis.

tj (ijt) i u njj\\ kn. \', y an t 101 i («-J n door geroep , geschreeuw of geklap vogels wegjagen; tot spoed en voortgang in het werk aanzetten; zoo trachten te wekken; {xoaarsch. ij iti 2 ij i^i f

te schrijven, van twi wiittjj).

CY o*

(urjl (ut Hti n) \\ Ho 11. verklaring.

o \' o O

(un (U£ nm/j \\ zie cuii (ui anyj \\

(un (u (unjjn kn. j dj (u^ (Lu ~jr^ nnyj \\ vervolgen, achternazitten, öv. een vlinder om die te vangen, en zooals een hond een hert vervolgt.

(uri (ui (ui (ril \\ KW. zva. (ui cni w !) s s

tuv (ui iini/j\\ iun(w^0\\ welligt de appa appa besaar van Filet.

(un KN. (un (Liuujj \\ vuns, zweetlucht, bokke-

lucht; daarnaar stinken; (un ui (Ynjj hetz. als (uii (Eil tl CYY)J^\\ 2. Rh.

cun dj} \'HV/fn kn. keurig, kiesch , kieskeurig, keurig net in orde, mooi; keurigheid , kieschheid , kieskeurigheid. — (i7i(uiiiflr\\ keurig zijn op; ook keurig maken, Tj.P— un (uiwcia^ keurig of kiesch van aard.

• T T

(un rj (ui aaiji \\ zie rj iui iiwji \\ en un (iji\\ 11.

(uh (U kiiji^ kn. ; turi ui im Sn tui i. iijfs een golvende beweging van liet water. — a?iuiniiji\\ in het water plassen. GR. volg. Rh. v. h. water, bewegen.

golvend zich bewegen. ii?i (ui un Sn ui freq. im ui hnjj x kn. welligt de uiiuis de Intsia Amboi. nensis Thouars, Nat. fam der Papilionaceae, het hout is een uitmuntend brandhout. Fil. unu^ ktt^nkn. overhaling, beprating, van iemandtoi iets.(i3u^ iuiIjI\\ overhalen, bepraten, bij de cultuur: zaadbed maken in het klein, SG. — cimij litj tiojp plantje v. e. zaadbed, Rh.

nrj (lh ij ui nnji \\ kn . een smalle ceintuur of gordel met een gesp, die over de (ijiutikyij^ gedragen wordt, en tot de oorlogskleeding behoort; dikwijls voorzien v. e. voering, die tot zak dient, waarin reizigers en kooplieden hun geld dragen, ijun tj tinrj ij kii ij ui n njj^ de handpalm. — ij iti rj ui ^ iemand) of een saboek, van een èpèk voorzien.

ti un ij ui 2 iwjl\\ kn. een sirih-kistje, behoorende tot de onderscheidingsteekenen van den Kroonprins en de hoofdambtenaren tot een Panèküt toe. rjunzui Kv/jsKN. naam van een gebak, een soort van groote dunne koekjes. — ijm2m unj^\\ opak maken , van iets opak maken.

rjumrj ui 2 nnj^ v kn. elk vochtig middel, dat ter verkoeling op een of ander ziek deel v. h. ligchaam gelegd wordt of dient om het te betten, compres.— rj ei 1 rj uiaw 2ij ui2 ini\\ van een o p 0 k ó p 0 k voorzien of daarmee betten. WW.

uij ui don \\ kw. zva. iliurn ,m ^khijjw un ui Kn (in/j \\ kw. zva. ij iui cm \\\\

(uy ui mi r) \\ kw. zva. ui ui ail m/j\\ a ry un x:n^ 1 :ri w — (ijuiunms zva. cm\\ mooi maken, Waj. I,

186, 3 v. 0.

O o . O o (ut^ (ui(ifns zie ur^ ui asn\\\\

cur^ ui icn unjj en dj ui un tistijj zie hij ^ ui un (unjj \\ utj ui un -5 gt; of iuï^ ui .un -s\\ kw. zva. (ijiTj^ of uij. Kj.

. O O v

(trïN \\vrg. ur^cuuun^ en unicn-üi\\\\).

iuy ui un ^ \\ kw. zva. isj ui nai -yï \\ (uit misverstand van het Skr. ayexa, acht (slaan), pk). — (l^ui uii-* (u^\\ zva. ruyuiicn-amp;i(uj\\ onderzoeken, met oplettendheid nagaan.

(ur^uixcisKW. zva. ij cm 21^^(101^ \\ {vrg.

ij oei insrj. ui ie] \\ pass. — (1/1^ ui rj m 2 tw/j\\ k. zie bij rj (rn 2 Tj i li unjj en ujuiajiiw (ui^ui(ax^tvi\\ en uj ui ui \\ kw. zva. un (rt^ ui ij un ^

n

en un rri ili ui cr^rj f ^


-ocr page 151-

n/r^ (Ui ii m 9 CM/} N

77

n /j en (ur^ m mji w Qn

L y \'\'T n*\' ^ ^0011 en ^a^en ivan ^ ^7^!})-

__. (tntuiwiQirw/l^ iets doen, zva. \'f/i (hj £ mi \\ o5

* ^ O

M) 11N ^ quot;IN ^ (vyMnoamp;i ru/j pass.

I i7j7j (ljn kav. mntuMJl^ Willen, «cj^x

zva. (SfiwiuMjf^ v(5(5r. viaj} n.^ voov, in

tegenwoordigheid. — tninfMjj^ —

zva. tm iu (ut ~oi m (Ujjs i (17gt;?/i3(isgt;m\\kn. werktuig hij het weven,

en van de elfde maand van het Mohammedaanse he

o 7 a a

jaar, ^ o do ^ \\ genoemd, tui n ajn (li astijj \\

een padistengel ingesloten door twee loten; mi ivt

de zijloten schieten uit. uil cui tun -jn

(ülibn/f\\ iets waar tusschen in zich iemand of iets

. , o o o . o

bevindt {vrg. mi (u MH/j en tui tvi — o c*-i isu/j

en (ei (unsn (utasnji\' van beide zijden tusschen

zich in hebben, zich aan weerskanten plaatsen

van, of zoo iets plaatsen, leggen of zetten. (Hniuntu

^nns}i^(Hyjs om het derde jaar. Als hv. iemand

kinderen uiUrouwl in de jaren Alip en Djimawal,

wordt dit tn) un ojJ (un (ur^ tuiq genoemd, omdat

het jaar Éhé tusschen die heide jaren in komt,

en dit wordt voor onheilspellend gehouden. — (xn

(Utyi(Hijj\\ tusschen in besloten. — tu w tu Miyi\\

wat van weerszijden iemand of iets tusschen zich

heeft; op de regter- en linlierzijde van iemand

gaan; het sluithout van den wever, dat hij voor

de buik heeft. — (Eipuiasitns /Qquot;n ajt isnji\\ of

[jjiutbnji^ in digt aaneengesloten rijen omgeven,

van beide kanten insluiten, (vrg. ^tuasn/j hij aji

a \\

(UllWJj).

un ij (u thiyi \\ KW. zva. j \\ (U) ij ia 2 w w ui .hnjjs kn. ; H 7I nji (hit Jrt (ui ihnjj een verbod of ge-ood, op welks overtreding een vloek gelegd is; vloek, vervloeking. — aïnmiuh Jh(ugt;ifti\\ met vervloeking verbieden of gebieden; vervloeken.

^ C) o . .

iWM (15^/1 en ti/n (L^HïrjjMiN. haartje aan de vingers

of boven aan de aar van rijst. (iJiam (ia astyj \\ een

hertje, een heel weinigje {vrg. ti/hwihojj).

o o

iw (ld kn. naam van een medicinale plant.

t/Jj mi astiji\\ kn. j «730 (ui (bn ^ (ut asttji liet koord of de

klap van een zweep; zie nog hij (uitfni (unjj^ MjMrtsTj^MCN. alles wat tot lont dient om iets aan te steken, hijzonder een dg aar of pijp. (un (u ni\'1) \\ een lont met zwavel besmeerd.

»ƒ mi ? gt;i ri ) in

(lyjjj kn.; lUfjj ly nart.utr^\'Uj \'isrjjx vroeg op den dag,

vroeg in den ochend (vrg. uj (u^ (hnjj en i/i^ ^ (ha ~/ri (Ejjdn/i).— ^(u^ (int-Jij.ijj astt^ in den vroegen morgen in een huis sluipen om te stelen.

(ui (hit \\ zie (t jj (ui (hrt w

C) o (S o * quot;) ,. ,

(uyiuiihit\\ n/r^ajt ntt \\ of mij (tjt (hyjj \\ kw. verpligte opbrengst, cijns, schatting, en zva. ajtajtojt\\ geschenk {Sir. oetpatti, opbrengst).

ajn amp;ji kn. zwak, teer, broos, magteloos, onbekwaam , krachteloos , onschadelijk; ongelukkig in al wat men doet of onderneemt; ongelukkig, van een dag {vrg. (hJi rn); ijdel va7i een \'poging, nietig, van een middel; ligtwegend, van een unster of weeg stok; zwakheid , teerheid, magteloosheid, enz.; bezwijken, overlijden, (un Lt tja./i^amp;\\ op zijn minst. (un aJi o-ji ^nt èüti) (Kt ^i\\ op zijn allerminst. — an Q (Ki-ïaiitm\\ magteloos maken; de magt of invloed van iemand of iets verzwakken of benadeelen; zwak of magteloos achten; vernederen, beneden zijn stand en rang behandelen. — mn(un £1 (ki ^i. (injis zwakheid, broosheid; ongeluk door zwakheid of gebrek aan hulp; tegenspoed; zwakheid uit gebrek aan zelfbeheersching. — (uklti (ui lt;K\'iartji\\ middel om de magt of werking van iemand of iets te verzwakken of te verijdelen ; zwakke plaats waar Iemand doodelijk getroffen kan worden.

(uit Ljj (tJtji n kw, zva. (htt ru en d/j? cm «sh^nkn. 1. leidsel, teugel, toom; bedrog. 2. schraal, dun, van heenen of handen door ziekte; schraal van rijstgewas; ook naam van een soort van hamhoe. 0(ui nnnnrn

crl cj

Miyi of ^^r^(ru^\\ en ikt(m\\de teugels die men in handen houdt, daar men een paard mee bestuurt. 0(trn ^»(i5»^NKN., 0(utSït\\K., de staartriem. 0(ij» a-Jt \\ de borstriem, tntwiufi0 door opligting verschalkt of bedrogen worden. — iCM-^w^vkw. zva. (mij rjiui(j\\ en itinm kn. {erg. iemand met de teil-gel leiden , waar men hem hebben wil ?) verschalken. — aniu^aji^ de teugels aandoen, optoomen ; bedriegen door opligterij. Zoo gew. an (ki ^nt (Kji \\ opligterij. — mn (u^ oji ^ni (u oji (ht/j \\ bedrog, op -ligting; bedrieglijk handelen.

(un (ui kn . 1. vergift, eigent lijk plantaardig vergift, maar ook wel zva. ajti^ts venijn {vrg. ook (hJjwijj); naam v. twee hoornen die het beruchte Indische pijlvergift leveren, de 0an1jar, de Antiaris


-ocr page 152-

(Ui irunm \\

78

toxicaria Lescli. Nat fam. der Artocarpeae en de 0 tieute, Strychoros Tieute Lesch., Nat fam. der Loganiaceae. 2. Soil, oppasser, d. i. met distinctive te ekens voorziene bode of bediende van een resident, assistent-res., havenmeester, enz. tE/iazi an ~jr^ (ut (hj)ji (irn cu tEJi nsiis spr. voor liefde tot den dood. — tujj nj) aj) Ja.\\ vergiftigen.

o o

ajrji tut (ka föi \\ KW. zva. (fj^^ rjinjis azi ni % tun

(ur^ mi of cuï^ oj}(itii \\ JIoll. officier.

n/n tut \'ri \\ en (lti (ui ~iA\'ri\\KVf. zva. (Sinxnwri \\{S/rr.

ap s ar d).

ayy mi (Kii n an \\ KW. zva. om r:w *gt;1 ihnjj\\

. o

nsri (ui (M hu \\ KW. zva. nrj (i:i lt;i:i a

y-rfiKir\'

(fa

ro 1

an n-j) q

(unojiqw

cur^ (ui dJ^ uw \\ kw . : 17^ (ui iiTn \\ zva. olï^ im (cn^ (im \\ zie

oj] .1711 \\\\

ll

d/n (üi ruijjMi.. rt/n \'tui itiiji\\K., in \'t geheugen hebben, nit het hoofd , van buiten kennen {Ar. Uq en — (ïoï.t3/ii^\\kn. uit het hoofd opzeggen; herhalen, op nieuw zeggen. — an tui n^i ij om \\ nsi (utrM ioifMyjs ook herh. van buiten leeren; van buiten, uit het hoofd, opzeggen. — tuii tui ii^i an/j s wat uit het hoofd wordt opgezegd o. a. door den dalang Waj. I, 4, 5 ; gemakkelijk uit het hoofd leeren, Rh.

tim ij tui iijijj\\ Holl. appèl, zva. appel lezen.

n ■ o

tun *1 tui è ti viji \\ zie tf tui ^ ,ru/j en tun tl ifji 2 trhi/j \\

o o rgt; o o o -t i ..

tun tui tuiji\' kn. ; tun tui rui „m tui n^jjs bij beetjes bijeengaren, van kleinigheden of dingen van geen of weinig waarde.

tijïi cu vuijj \\ verk. tuiru^ KN. droog vuil op de huid, op een wond of zweer; roof, schilfers, etterkorst; gedroogd vuil in de neus (vrg. vf turnrjaji rui/j).

ofj (un zrf tui twji \\ kn . het afgesneden of ingekort zijn van de ham van een haan. — rja^izijxji rui \\ een haan de kam afsnijden, iem. de neus afsnijden? — rj(un2rj tuirjrui ~jn2rj tuiti^ityn/j\\ zonder kam, met afgesneden kam; en naam van zekeren watervogel (veld- of boschhoen; patrijs, G.); volg. Rh. een watervogel met roode kam, ook wel «e/ï jg \\ geheet en.

nmMumjjs tin ti?i nnjj of t{?i n^ unjis met korte passen, vlug loopen, K. T, 15. P. v. d. Ji.

quot;T T

a/tl cui(i./ian\\ KW. zva. n:ri xn ?\\\\

a/ïj^ (ui nj! (f-ji \\ Kw. zva. (un /Tjnj mi un -jn ij oni \\

tuy tui ilitirri \\ KW. zva. (tu^ rui gi w am (ül(U)jj\\ kia?i(uiji\\ goederen, die nu en dan versche lucht behoeven, daarvan afgesloten houden? WW. volg. SG. ontkiemen ? ?

a/rj^ tui tui (um \\ k w. de zamentrekking in poëzie van een medeklinker met een anderen medeklinker, dan een

ni \\ nut \\ tui of ha/I n door weglating van een Pfyrë/;

, . O ^ o O o

ov. iui\\ voor tuiaji \\ aji^ft.\\ voor (ukkiw Ca)

asiji (uuiKtuis kn. middel van bestaan {Skr. oepa dji wd, levensmiddel). — iukiStuis een middel van bestaan zoeken, rj tui ? tui ui rm rj tui \\ een ambachtsman. — tui oTj tui uk fu) \\ kostwinning, ambacht. (uiku^ djuijj\\ kw. vuur {Dajaksch en Madoereesch heiz). r^tun (^j^\\ YJVf. zva. rjajnaJ^^

fl^\\KW. zva. tun rj run tHii/jW (ur^cm (l\\ji\\ verk. cm avunkw. zva. cmrjcun ams cuirjim iHii cici/j en curj. cuin?i\\ {Skr. o e p dj d); opsporen, zoeken {vrg. cuijcuitui), nsnrjtamp;itirn/j0 een list gebruiken. tEii(cej^%0 op een list bedacht zijn. ctuiii?i\\ geheime list. — tui rui\\ kn. (c^ cuirj tim ck/i/j k.), opsporen , zoeken te krijgen of te vinden, oploopen. tisn dn ^7 {voor cu^ ?) tui clvi\\ geen middel weten, radeloos, P.J. — cit^ tui ilvi icii ^mrj mi \\ opzoeken of opsporen voor. — cm cc^ cui ilvi \\ opsporing , efiz. nm cLjjj^tKijjs kn. onbereide opium, amfioen, heilsap

(jlt;r. frg. « m mnj).

ij iun 2 iujjj K»jy^\\ kn. geroep, gerucht; ruchtbaar maken {vrg. vnrjru2,Hnn\\) volg. Rh. zva. rj cm rj cm\\ geraas , getier. — rj clti? myi ~cn? rjjjarnjj\\ door geroep of geschreeuw opjagen. — ny tiTi? luj/j luidruchtig oproepen om op te staan, ook de bevolking tót het verrigten van werkzaamheden. — ij cizi 2 rjji thflj ij mi \\ een gerucht verspreiden omtrent. ijtun2rj tujjjg ,un/i\\ zva. rj cun ij cui 2 nvjj enz. WW. (un tui tEJi/j* kn. een soort van koek, pannekoek van rijstmeel. — tui (Ui tnijjs zulk een koek bakken ; ook met de vuist in \'t gezigt slaan. G. volg. Rh. als cun iui tamp;ijj\\ gerezen , gezwollen, een buil hebben, tengevolge hv. v. e. slag of stoot. cutccicüiQ ciojis koekepan.

cuï^ cut tsnn N., tur^cut iSt \\K., {verk. tut tamp;i en cut ) gelijkenis , vergelijking, voorbeeld; gelijk, als {S/fr. o e p amd). cut^ n n f t rj itj \\ cur^ cut tS icj ij^ cHijj\\ gesteld dat, ingeval, rm lli tun tui tui tjiq^ gelijkenvijS) even als. w a/y cut nis cut i (ut (Si^ bij voorbeeld;


-ocr page 153-

O

run (ui tr njj \\

a/rKiot q \\

ingeval, al hot dergeHjke. nmrui

(uww^^MMV\'S^ met volkomcne Kdijkhei\'l.

geheel gelijk. — (craji (fJiMW., ook wet o^mmsk. , geen eerbied hebben voor, zva. (un wyiunw-mv) T/„„v en (Stu-r)*}»™* — ^ (U (IJl (rn^ ^ (u, rf w

een gelijkenis of beeld geven ; gelijkstaan met.

\'\' O

_ r.iMd i wi ~\'ni)wi\\ rui ^ iamp;i (kt)-fli ioi «2^ \\ vergelijken bij, gelijk beschouwen als; gelijk doen , eveneens doen.

hu Smj^va. (un (ra St.my) — «n^lomjf of fn aj!(rrijj\\ vochtig inpakken, ineenrollen of opleggen, bv. tabak, om te maken, dat de reuk en kracht sterteer wordt, K.

L,^ 1. — ya.i? njiiu)i njï\\ v. regts n. links zich begeven, waggelen? 2. ook zva. njn/ei\\ (ailuïaPts

een jachtterm de wacht houden bij een jachtterrein.

■O O (?) G) -t G) o*

ii v (L/) \\ KN. zva. fel (Ei i en üv. mn oji an mi

ijnj) of cui (êïernrj tv) \\ a\'niëi \\ hard aan iets

werken, zoo hard mogelijk werken , loopen , enz.

— (utiSf-nM^an/js (lat waaraan men hard, met

veel moeite en ijver werkt of moet werken ; van

daar schoon , buitengewoon fraai; ook moeijelijk.

WW. zie ook

jrt\'/j ij^ \\ naam van een gr ooien hoorn, y waarvan hei hout door scheepmakers gebruikt wordt voor pennen; zie ook (LjjN

|rt?j Snkn. een klein houten of bamboezen brugje met

aarde overdekt, hv. boven een duiker, Rh. |rty?ïf?j)\\KW. zva. (Lm(m\\ {vrg. nmm) en unirU\\\\

of ver k. (?jj nkn. , (tmaSiHiiji of (LmijwtoijjsTi?., rr)iAn\\ Ki., jongere broeder of zuster; en zoo noemi bij de Javanen de man zijn vrouw. En wanneer Javanen elkander, bekend of onbekend, aanspreken , dan betitelen zij elkander naar het verschil

m jaren mei \'unnoi \\ of lumiiamp;iiiHH en inn

O 0

w of (biirjiw/Hii stid/ijw Onder de aanzienlijken

betitelt men zijn jongeren broeder met (un(in (Eji(Kin

of (in iFji ojtji en zijn jongere zuster y als ook de man

zijn vrouw , met (undjl (ini if^w

|i//)rtA|\\ zie (uv(u}j.^\\

zie (unax^qs

^N zva\' ^ N — ttquot;! ^ hoi i \\ zva. rj ny ny \\ Uh. (Tj.)

|\'\'/1/)»Mlfl,T)\\KW.; Vf (11) 2 Of (IJ) \\ zva. {jr/j (YHS (t/H (tljni (KI/J en

(undj)qsKVf. zva. orj(un^\\ nu)%\\ am(tiyi\\

ajt) a^ %\\ of (U^ ^\\ ook wel amvjamx of lt;rjaji?* en am rt^\\KN. ach! helaas! ook wel een uitdrukking van tederheid en liefdesmart. an aai {\\ ach en wee roepen, weeklagen. — ajt an aj).{\\ weeklagt. * am TjO-yj) q \\ KN.; an ij n.lt;n { oj/i ij aai \\ een paard i n de tel doen gaan. — amija.n ^am (H)^ of ajnrjajt aaa anjj\\

in de tel gaan {vrg. nmajam aji).

O o O o O o ,, ..

am (ijtq\\ — ana.j) j amaji q \\ weeklagen r

a rgt;

amaci am an\\ KW. zva. am quot;\'1 an w

li a ba

C)

am (1^1 anji \\ zie ajij fuy tnji \\

ayï^(ic)(hn/i of dmax^ao^ verk. \\ KN., dbiiajtiHnjj\\

KI., het naar heneden gaan, afdalen, afklimmen, afstijgen; nederdaling , daling; afladiug, ontscheping {vrg. a^h ao/l). ama^ an J# a£li \\ KN. een offerhande voor een kind, dat 7 maanden oud is, zoogenaamd omdat men een kind eerst op dien ouderdom met de voeten op den grond mag zetten, ajij ij acj \\ op zijn minst; vrg. ajaji ijmnifaaiw — aja^an^ wajj an/j* {ook wel (hiOjöi anjj\\ G.) N.; aiua.j} (Hnjj en asrjjWan hnjj^ KI, naar beneden gaan, afdalen, afklimmen, afstijgen, dalen; afkomen, naar beneden komen; afgeladen, ontscheept. — af am ? ajj, cmji^ gezakt, neergezakt. — aj ay ifj s wao ini \\ iets afgaan of afklimmen; neergaan of afklimmen langs, tot, naar; naar beneden gaan of komen om; afstijgen uit ontzag voor; iets naar beneden laten voor; aTjijaoizajj helpen of bijstaan in het verrigten van werkzaamheden {zie bij — ay (ij^ uj ij aw \\ of an ajj ifj arj mn \\ naar beneden brengen, neerlaten , laten zakken ; afladen , ontschepen; naar heneden komen met; van een prijs laten vallen; een vaartuig van het strand in het water afbrengen of aflaten. — am (i^,an jrj^uj aojj of d^nrnag an^ iets daar men mee naar beneden gaat, afgang, neergang; een4 afkomeling van hoog er streken {wel te verstaan rfaj}20); ook afgaande, neerdalende linie.

(Ln^(un\\ of /LJjfioiN KN. los , ontbonden; losgaan, ontbonden raken; loslating {vrg. ajt^anjw aj^nj}irujj\\ (Uhan \\ en ajtj^ (vr-). nj^aoi ïfn ayi\\ alles toelaten, vj(iji \\ de gevouwen handen of armen losmaken, los laten

hangen, Waj. I, 212, 4. 0am(K^\\ {hv. uitdenioe-

ii o O \\ s c\\ / a r

stand van qj) an (un (U/j) — (lji t) \\ an aj) \'~n \\ of

iui a.oi • n n losmaken, losdraaijen , los tornen , out-


-ocr page 154-

ricun ^(Ln 9 \\

80

binden; een vlag ontrollen.

\'rjdjn /^nj)?\\KN. pappig» niet hard, van vleesch.

njt] ijt (Hwjjs ongebr. (vrg. (tJdJi MiTjj).— mnav in^jHijj kn., en aojnkw., digt bij de hand,

voor de hand liggend.

o • o

ajn (in ikvji \\ zte mn dj) w

inidyunjjsKH.; o::gt;mjji\\ mengen, dv. zandgrond

met klei, meiseik alk met zand (mesten , bemesten.

G.). — (vna^jrr^rj.nvs iets ergens onder mengen, o

ajn rj (t.j) iHiijj \\ zie mn no) w

nynnji KN. nnjjs zva. nrjtun rnnjj\\\\ WW.

a/tjfi.j} innfj\\ kn. opvaart, het opvaren naar boven {Jiei tegenovergestelde van i?n u i), ar^ajll^Jj voor (vu rj (iclintyj\\ de bovenkant van een rivier, (U)(in^aj}rjihQT\\ hooger de rivier op. njr^nj)iungeld stroo-jen voor de armen of te grabbel, gewoonlijk tot vervulling van een gelofte. luazr^Mn^^iiSiHïijj\\ om gestrooid geld grabbelen. — een rivier

opvaren. — w(tJt urn -jï^voJani \\ geld strooijen voor bv, de armen. — ^ jo/n een vaartuig de

rivier opbrengen, oproeijen. — (E^tunarnrjiHiis met een vaartuig een stroom opvaren. — (un(iSliuvji {of (iS (iw/j) (ur^aSnn nnji gestrooid, te strooijen, geld dat gestrooid wordt.

vj ijri 2 (Ui (urtji verk. (in ihv^ v TP. zva. ^ njrt iniw (i/nwrjtm\\ (undo injjjs zie

Mjflamp;?rt5w^NKN. een vrouwengordel, een band om de tapih om den middel te honden; een luijerbandje, (een touwtje of bandje om het middel, Z.G. 1870, 285), van een klein kind ; ook een soort sjerp of lange strook wit linnen of roode zijde , die de vrouwen, die aan liet hof in dienst zijn, om den middel dragen en naar voren laten neerhangen.

De oedët van prinsessen is van gele zijde en wordt

o o .

/Ei ctri) (il) mi \'gt; t genoemd.

6J

rjnjti? rjnj) KN.; vj ccn2^(i^tasn ijdn uit

halen.

(i/t^vj!oj)(7o?(fj)ji\\ kn. een kruipend insect, dat zich in den grond ophoudt. WW. — (tv ij) w jn dj) \\ opdringen, erg. tusschendringen, erg. op aandringen; ook fig. zva. oi)tit?(m/j nyndj^ an/iy nj (U^ ru/i J. zva. rj undf nj) ij cun

ij ij)\\ zie (rjajnif u)\\ 2. Tj. — 2. zva. wrjCfouij lt;rjdj)gnvt/I (l)ij W. djïjdjinjtji) uithangen van de darmen.

d/rigt;ij)diAjj\\Yi^. het zich ontrafelen van een touw, hei zich ontvouwen, uit de vouwen gaan (vr^.

— i):.jdj)dx}^\\ een touw losdraaijen of spouwen; ontrafelen; ontvouwen , openvouwen , ontrollen, ij dj) n.i-Jïjdj) rhijj\\ openbaar maken. — dyr^dj) wp losgedraaid of gespouwen touw; rafel, pluksel.-tj Kmd.j) (rv) ~/t)dj) dXJiji•gt; iets open-halen en -scheuren;

iets, dat ergens in is, er uit-halen en -scheuren,

o . o

cur^dj) iruji\\ zie (r^djnzdj) diJij^\\

dytj ay njji \\ KW. zva. dm 17 ^ * nw/l ^

rjojntdj) wi/js 1. KW. zva. ijdmirj rui2.

dijjji of d/rjdj) )ij)ji\\ po\'èt. en N. zva. (uncnim

eenigzins te voelen ofte merken, iets noemenswaard

zijn. — n^dj)ry\\ (in Men. vaak ayenn fy^iets

noemenswaards aandoen 0/ letten ; volg. Rh. dil

..,00 o

wtjls zva. (fj)(L\\j)(U))tuj\\ en wrj(un2 rj rv)^ajn\\

ayniiïdu^tSdu/j\'KK. onevenredig kort, bv. van een

lang persoon, die korte armen heeft, WW. dn) dJi dji/j n n ., (utuiKs k. ; front, bv. van een beeld oj /mis; kn. iets daar men het oog van den geest op gevestigd houdt; het gevestigd honden var. het oog van den geest op iets; het te dienst staan {yrg. am (u djifj). — (ia(ij) (utji N., , met het aange*

zigt of front ergens naar .toe gerigt; kn. het oog van den geest gevestigd houden op j ook een volwassen kip. (amp;)(Qaj) 3h oj) asn\\ bereid zijn oin tc sterven. —(Wdj) aj)jj\\ kn. voor zich hebben; staan of zitten voor; vóór een meerdere verschijnen, zitten of staan, tot bediening, om hem tc dienst te staan (yrg. wnun/i). qtidj) (u \\ tegenwoordig zijn bij, om toe te zien , op te passen oj te bedienen. — (0(iJ) axS(tri thm

met het front ergens naar toe zetten of plaatsen. (u dj) dj) 11 on) \\ kn. zetten, plaatsen of houden voor; voor het oog van den geest houden ; te dienst staan, als heer erkennen. — (un (in (u ~ii (in m ^ dnjjs wat iemand voor zich heeft. N. (un S a $u

(hnjj\\K. tegenover elkander zijn; vrg. bij

O 7.. o O

— (u itd ^Khnjjs zie bij dnid.j) (Lnj^\\

ddiaJ) (ujjs 1. KW. zva. ah cm (Lnjj\\ 2. N. djj dj)ajyjoj oj^ d.d (U) (U)ji\\K., weten, kennen, begrijpen ; begrip, dat iemand van iets heeft, dfajnfr) ajii (ïï) (Ld^\\ ooi\' van niets willen weten, (w ij) (u S)dj) (ujjsKV/.zva. njn dj) (u)i -U) n\\ (itJ) (ij (u ^i) dj) of aj) £d dj) (U^jfo men kan het rekenen als, liet is zoogoed


-ocr page 155-

njnn^idjijjs

81

(unTjaJi

werpen

zamen. — nrj r^ iBiitci zich doen gehoorzamen,

O ) /• Cquot;) C)

Q _ (Mtin (UI - 7 M in (U iUi n 0/ n.-rrj tamp;i (U tui ^ J n

bennen. __ rj initiinji KN. zich onderwerpen aan,

1 O O

als hoofd erkennen en gehoorzamen, axi un w ajj \\

O Q Cl *

pass,_ (üihj} (ui ^i rjtnn\'* wd iui (Ui ^i(h)t (hi/j of (urn

(}n/j\\ doen kennen aan, bekendmaken met. — ij ii7i(iJi (ui -ï onderwerpen en tot gehoorzaamheid brengen. — ui ■ukicihjij of lUi ij iTi (ie!mi} poet. zva. (ui cj mi (Ujjs (meening. G.). — Minwltui ^ichn/j\\ degeen , dien men als zijn hoofd erkent, BB. en waarsch. ook te lezen in pl. v. (ui(i7i(ii)(u ^KKij}^ B.T. Dj. 650, 3 v. o. ui ij iiui iiii~iMi/j\\ middel {zooals een talisman of ioover-gebecl) om aan zich onderworpen te maken. |Mia^(uiij\\ Mal. leven (6V/. imn^ajyjs vrff.ajyniMfl). — (uiéi(Uj.(uijjgt; het leven; levend maken, leven gevend.

| (iy^^7j)2fW)\\KW. zva. ujnni[hcnjjw (un ndji mi anfj \\ zie n/n rq (i.ji s w

j (imdjuui/jxti., (unoj^MjisK., koud, koel, verkoelend,

frisch, verkwikkend; een koele plaats; bekoelen.

luridj) iamp;i (hu rj uj \\ verfrischt, opgelucht, van hart,

gerustgesteld, amaJi^iasti \\ Tj. volt/. Rh. watig-

sallan op: azn it/ui (uijj — ajn(iïn (tjji of a/ij \'fJ (iet

vip poët. koud zijnde. (Uioji t£i\\ (ckijioji Si\\ ver-CJ tJ

koelen; /iet hart opluchten, geruststellen; koortsig makend. — a::i(iJi (urj hiis aw (Ui .hh unjj \\ koud

maken, doen verkoelen.

Q 0

(twee dagen) gaans, (un (hu (fji ~sn(Qw iK^/j

O

(un(inn (^/i (kiji\\ KN. zva. ulrns in den regtsierm iruvjmmrj 0QdOi\'wec nachten

^ quot; (h» (FA ihCin Of (IJl (FjI

U iJ\' UI

j£j wi-^ui -Jiiw (ui (injj of (i^ (ui ^ (ui ~ji (mjj \\ koud (gelaten, gemaakt of gebruikt) ; iets dat koud is geworden of gemaakt. — miklji iüjwjp mi

te koud. juni ini(ijufj(Hi/i {(rn\'tlqajia^(uijj\\

KI.) de koorts hebben {vrg. cuiwojicijin). — nji ui

O o .

(iJUFJi^/n/u, (FJiji \\ (uiici(K^(u ^ïi(h^ajiji\\ middel om af

te koelen.

m (r^JIx KN- — \'»\'■gt; (icn (rn *jn (ioi cnin \\ zva. (ti (rrn tl ?/ zie op a/nmiui{rij\\ bloot, open v. e. veld, fig. zich blootgeven in een gevecht, Rh. — (in rni\'Vquot;x zva\' idtiJi ijun n zie bij imijs cm/j \\

ills... — «Saiu^sKN. als hoofd erkennen en gehoorzamen; ook zva. t\':i \'m geloof heehten nall. - r/imMiM/j\\ gehoorzaamd; en zich onderaan en als hoofd erkennen en gehoor-

(L/ntydJ} cm ij \\ KN. volg. Rh. met de horens vechten, oolc wel elkander heen en terug duwen zooals hv. herten wel in den bronstijd doen, van daar wettigt bronstig, geneigd tot paren. WW.

xni tin (F.ijjs KN. met lusten zijn, van een zwangere vrouw. — (iPmn (FJijj^ oo/c (i jikiji cfji/js vooi Ao eevste keer zwanger zijn.

^(untiai\\ ij uiaxy.(tjji of (ujajijFiji^ KN. koel, tan een

plaats, waar lommer of schaduw is.

O O

fi/ruij} irryi kn. zva. (un (yn unjj\\ het verzuim of verzuimd worden, bv. van iemands werk. in (in cm ^.71 (ui crri/j\\ onverzorgd liggen; niet opgeborgen zijn, niet versterkt zijn, onbebouwd, onbewoond zijn van een plaats. (uiaji ^riams ouverrigt of onverzorgd laten; zijn wacht of dienst verzuimen, (tyn/iJi cm js kn. omroering; iets waarmee men iets omroert {vrg. (Uï^ rm kii/j). (ur^aji cm -jr^aïi cnyjs een voorouder of afstammeling in het zesde geslacht, het kind van een (uilyniw an(ïïi ernjj\\ omroeren. ^(unrj ij) crnjjsK^. zva. ij cm rjaji 7^am?\'7^,U7 cmjjskn. los, uit zijn verband raken, crjan? tj (un ot7 vj 101 \\ door schudding uit zijn verband rukken, zooals stoelen, tafels en derg. — ijamimjaji nrflon/js een soort kleine praauwen tot communicatie, WW.

rt O ,

(unui n k w. zva. (hj) (fj)oji/j en ifjdj)(unjj\\ (kn. opweg

tegenkomen. G.). a/r^iFiajis zie ben. xn(ih\\

iemand afwachten, waar hij voorbij moet; zich

ergens plaatsen om iemand of iets af te wachten ,

op iets staan te wachten; de grondv. is ajiw —

(un (icn a::t (htji \\ zie bij dJi ui anjj \\ vrg. un iui \\\\ an dji

(unaji^ op weg staan afwachten, op de loer staan;

wachtende naar iets uitzien, op iets zitten wachten.

— (Kti(ij}\\ zie ben. an thans in den weg treden,

om tegen te gaan, te beletten voort te gaan of

iets ten uitvoer te brengen. — tui anah (ckki/js eeri*

plaats waar men zich posteert om iets af te wachten,

zooals om rijst op te koop en van de mens c hen,

die er wet rijst voorbij komen, of van roovers om

voorbijgangers te plunderen.

a./ïi (i.ji \\ kw. zva. riaamp;2(iji\\\\

rty7ï^Gji\\KN. rust hebben van bezigheden of van iets daar men hinder van had; verligting, beterschap {vrg. a.Ji an nnirjclji aji wj ij jji \\ opgekoeld. — (fjiuijis minder, beter, ligter, matig, redelijk zijn

6


-ocr page 156-

IV, (unn£\\

83

(i/n (tj) \\

iunnj)\\KVf. zva. zy rhw

o » . j,, o •.

ti/n/iy\\ zie bij (i/n

cur^ahs zie bij a/rj^rii\\\\

(L^^?vKN. 1. een doek, die als nn mijj om het hoofd gedaan wordt; td. Itrama van \\?n *w bquot;Jls2. zva. \'»?? ^\\begrijpen. — begrijpen, verstaan. rj (tm ijgt; n zie ^ run hji w

tii/nvjact n kn. — rj an rjah \\ zich in liet openbaar vertoonen ; ook wel nn ij asn ? fn rj urn % \\ geheel zigtbaar, CS. (ti tjiji )j ntjij) gt; als afstandsmaat, welke?). — n (et lt;r) dh (in n im \\ aan het publiek vertoonen , J.Z. II; 3e geel. 424.

(i/nófs \\ i. n. , ^ (EnrUjjO-nji k. , fïygt;ï f i ~~^lt;iff of ijti f i -Jjj (hi ij \\ Md., redewoord voor de verbiedende wijze van spreken {vrg. d/n (l\\,i \\); bv. n/n ik ui (ia \\ wees niet bang! ij hn ? rj uin/nis: tjnidijnm ?\\ je moet niet liegen! rj (lu tui ei -jj.wj.fai im ? \\ als het niet ver af wa.9. ojniusan (in (hn/i\\ doe het vooreerst niet! nog niet! en enkel (uii ik \\ zacht wat! (un ik /kï im niJi \\ (hJi uj ik an Jylcm ^i \\ laat staan een rivier! al was het een zee.

II. kn.; (i7i(ikif]\\ de vrijheid geven, toelaten, iets te doen. vrg. ajcm(iz:\\ njiverlof, vergunning, vrijheid om iets te doen; vrg. \\ i/n(iK\\ i. kw. zva. quot;n kyi \\ (Prakrit, Hindi, een titel, zva. lieer, fk.); Tj. Sênk. één. cm-iun ik\\ de Vorst.

II. kn. toovergebed, tooverformnlier of toover-sprenk, die de kracht heeft, om. iets teweeg te brengen, dat alleen door bovennatuurlijke magt teweeg gebracht kan worden ; bv. x/n (ik(fjto3 (u (ui/j\\ zie -ki (ui (ui/i\\ 0ik dus ben, v. hoeken met tooverformulieren. B. v. 15. II, 77, 2, 4, R.I. — (in ik \\ r.i rjdjm dJUj\\ gebeden of uit de Koran lezen, van priesters; van anderen, leeren of zich oefenen door lezen, bv. op de priesterschool; iets bv. het Arabisch , leeren , zich in iets oefenen door lezen, 17100hk\\ naar school gaan. — nirj ik 101 ^rn rj Kii \\ (i7i ij .un t oji ^,1 ti n (in ^ voor iemand gebeden of uit de Koran lezen, of de priesters laten lezen. — oji 171 ijik(inj^\\ djKvnrjmn 2(ui(injj\\ leerplaats, school.

III. n. , (un \'rjn.712(mjin k., waarde of prijs van iets; van waarde, kostbaar; waard zijn. — 11 ik a/11 ik n k n., ook 10el (i7i ij lm 2 a i ^/n ij 1 m ? (i-ijj \\ k ., iets hoog schatten , in hooge waarde houden. — a n rj uk rj \\ ir» 1^11/112 n Jiï \\ een waarde toekennen aan , taxeren ; achten of eeren; achten of op prijs stellen. — wivjikw/f\\KN. gewaardeerd, geacht, geëerd ; iemands achting, geacht worden, aanzien.— oji i7iik\\ (ui(civjd/mojtjjs waarde, van waarde; van waarde zijn.

IV. un (ik \\ gew. 1I11 ik\\v^., ook wel u\'nrjvni (iJi/j\\K., bedevaartganger, pelgrim; iemand die de bedevaart naar Mekka doet o/gedaan heeft,

tiii ik n te r bedevaart gaan. (iji rj (in an mi ? 111 lk\\ zva. iu 1:1 ijföi (Hi ni ihn/j^ omdat de bruidegom vóór den priester de Mohammedaansche geloofsbelijdem moet opzeggen of lezen, even als een bedevaartganger te Mekka. un ik \\ Hadji gaan worden; ook ter bedevaart gaan.

(uiiik\\W. , nu ik^ k. , het voorwaarts gaan, avanceren,

voorwaarts trekken , rukken of treden. — ir} \\^\\

(?)

,fjiiK\\ voorwaarts, naar voren; voorwaarts gaan, vooruitkomen , avanceren , vorderen ; voorwaarts trekken, rukken of treden; naderen door vooruit of voorwaarts te gaan ; opzetten, opkomen, van de zee bij vloed; voorgezet of gepresenteerd worden; vroeger plaats hebben; van de regter- naar de linkerhand schrijven. —vn lyiKt 171 !iK i?i\\ voorwaarts gaan tot of op; door voorwaarts to gaan naderen tot; ook zijn eigen bod of inzetverLoogen Rh. in rj 1K21JJ tfiKz i(j \\ tegen een anders bod of inzet hooger opbieden of opzetten. — kii ri ifci lyjyj i ^iinjjs dat bod of die inzet, Rh. — rnrjiKi un ~ ii rj irn \\ (i7i ik i i k n an/j^ voorwaarts doen of laten gaan of komen, vooruit of voorwaarts brengen, schuiven , enz.; doen vorderen , bevorderen ; voorbrengen ; voorzetten ; vroeger doen plaats

amp;

hebben, vervroegen. — rt? 11 ik2 mi -jurj mi ii7i im (in^\\ doen naderen, nader brengen. —mi (ei rj ik 2 Mijl \\ te veel vooruit; vrijpostig, vermetel, ook in H spreken. — jj un (i^\\ (ui ik n keg, wigge om te kloven, iui tfjj(UKtn^ Né (ui i^(h/litn (üi o-njj\\K., vierkant, vierhoek, vierzijdig, vierkantig.

(tij \\ iui (if^ tni cm \\ driehoek, driehoekig. — (EUf^ met een wig werken, hout kloven, splitsen. MMi (uimi/j naar vier kanten; iets naar ö/* van vier kanten, of in het vierkant, doen, zooals ht. meten, aanrukken, (ia(uiiiKajiam/j^ pass.

1/11 ik n KN. een enkel (vrg. /5 lt;(?); stuks,


-ocr page 157-

UT) rj Mï 9 \\

88

ij a/ti \\

t/niK\\ twee stuks; / // /\\ /\'n (--? \' 11\\ laat het Óen enkele wezen, maar één enkele, imiwv één; zie

hieronder. — ,

alleen «oo rfa\' iemand iets alleen doet; één voor ée\'n, ieder voor zelf alleen; en zoo ook (nntjiK

één tegen één

vechten. — n?i ijiiKitnjj\\ ié» nxn wnrii * iets aWeen

a o ei o o o

(|oen _ w ïj ikifji(lvi wlt;yti\\ mv. (uft iamp;i 1:1 rj v\\

undo(FJi(fri\\ zij moeten ieder een afzonderlijken ^ \' quot;) ) .00 00

weg gaan. »•quot; quot; quot; 7 0 ? 7 ^ ^ w «squot;

dij u ik ui \\ Djaja heeft die vijf personen alleen gevat.

_hm ij ik ut SntjiK pi ieder afzonderlijk , van

, o n O . ^ O

velen gezegd. — jjOJtnamp;Mi.y w nsncm myj of oji

.tin ttn («yvk., ^ cm ■ruji of tu ?,«jj lt;tti ii ifrf.,

één. (mik? As\\één voor één. quot;nSiji-p lt;le (ö/- het)

aooo.1 // li 000

andere, a^t teso-i \\ ieder een er van. i-jtwifsct jKLz \\

ieder afzonderlijk, een voor één.— chi(£\\ rnn asncrtiiru/i of rmitCynm tu/j\\ iederéén, w tot één maken, ieder afzonderlijk, artrj(ikooi11 tj jonop één plaats brengen.*— n ijiuk^ (m.iS\\ zie hen.

k., groen, ah kleur v. iem. die slecht geslapen heeft, dus zva. flets of iets denj. P.M. zie op ook geelgroen, een

kleur die ontstaat door het besmeren der donkere ligchaamskleur met de gele rj nztt ? rj nt ^ \\ zooals hij bruid en bruidegom , welke kleur door de Javanen voor schoon gehouden wordt; sommige voorname inlanders hehhen die van nature; het groene. ri y) ik2* J?tik \'fjijj\\ groen verwen\'; ook geld opnemen op veldvruchten. — w ti ik(tm 11 \\ iïi\'Kifjhtt groen maken, een groene kleur geven; groen doen worden ; groen laten verwen ;

ook geld schieten op veldvrncliten. Zie ook oj)

P o o O

t\'UX7ti(ij/)\\ —.rmij iKttun (hn/j\\ (uti iKiiJt(Hijj\\ mondeling , in tegenoverstelling van schriftelijk; betaling van eeu schuld in veldvruchten ; en KL van wat een brief inhoudt, (yj w: 2 ci/n 10fj (verk. van (ut0) naam v. e. groene duif; ook tot (i~! utijjw

Vtf\\p4 r ^ Ct OO O

jmi. (E/t Kj ut) ^/tt rj\'ik 2 \\ aj} .11,1 ajtjj — hj (Lit tj ik 2 ti/tt WJI en djt xjtt 1-: ir) n-njj ki. hetzelfde.

I^ \'^nkn. toegeving, het toegegeven worden. — rcitecN wts dat iemand wil en doet, maar toelaten , toegeven , niet tegenhouden of beteugelen.

l^fc^KN. het getoetst worden; toetsteen. — !i7tm\\ VOUd, toetsen. WW.

djtt \\ kn.; ij i hiK \\ nabootsen , G, (Kitajpjj r^ w voor kw. of ^nc^? n^rj Ktt\\

zva. God Roeda in persoon? CS. ylr. ,

spellen. — tut ij (tn uk: \\ subst. den.; ook voorstelling? Rh. Men.

/i/mtfr^NKN. /m\'tK { n met hoog water op land geraken

van visschen. WW.

00 o . o o

(IJlt IK % \\ d /tt tj dK f \\ Zie 1 fït (tJt J \\\\

d/tidK ctnj^s — drt xkiij \\ opstoken, aanzetten tot kwaad,

J. zie n/rt(iK\\ II.

d/tiHoll. a dj u n k t. INI.

a/tt\'YjdKi ttrtji \\ k w. zva.. bi n/^ dmj^ \\

o .00

djn rj dK (tajj \\ zie d/tt dK w

o

d/rj ik (tn -- zva. d/t^ (U)ji art\\\\ zie (utdKtH^w d/rjdK Kj\\ (tJt iKdjj^ sf (QdK i?j \\ kn. belooning, die men geeft voor niet-lichaamlijken arbeid, zooals aan een leermeester, waarzegger of arts. — ik tj jy ttj\\ zulk een belooning geven aan.

(utttKMW. onderrigt, oefening, dressuur; een Boeda-leeraarj een partje va?i sommige vruchten, zooals van een chinaasappel. drr^ -ïtutidK\\ onbeschaafd, ongemanierd, onbeleefd. dmdKd.jttdK \\ zich oefenen owe iets te leer en. — atiuks iemand iets leereu door oefening; een paard aan de allonge laten loopen om het te dresseren een visoh, die bijt, niet dadelijk ophalen; maar hem laten rondzwemmen om hem moe te maken zoodat hij bij het ophalen niet ontsnapt; ook iemand leereu door kastijden, zoo als ook wij zeggen-, ik zal je leereu. — d-.tdK (uti dk \\ iemand oefenen , exerceren. — d/t uk ni (tt un \\ laten leereu. iziuK^nridnt cut n?ti\\ met de dood strat-fen. — a/n(iknt(Hyj\\ geoefend, gedresseerd; aan partjes. — oji dn dk ni (tn^/j\\ wat te leeren is; een

• kunst of wetenschap, de woning van eeu Boedaleeraar.

O ^ C)

(Uil dK \\ kn: , (Ui tK H tj tat \\ zva. (ITj^ dK W ty?» ifCNKN: oprekening, uitrekening, uitrekenend, nauw * alles uitrekenend. djridKd%dK\\ oprekenen, uitrekenen. — d?idK\\ iets uitrekenen, afzonderlijk bereke-

o ci/ o aS . . _ .

neu. — (uti dk (un ak \'~n (hi /j \\ verrekening, vereflening.

a a\'\' o aS a as\' o et/ — ij (ut uk \\ zva. (utuikw — iFJidK\\ zva. d :l ik \\\\ -

djt ik ^khnjj^ verrekening, afrekening.

n/r^iK\\ verk. v^r \\ kn. , wat geuit, gezegd of gesproken wordt; uitgesproken woord of woorden, uitgesproken gelofte {yrg. oof-na.i) ; [ook zva. a/rjdK^ zie dKW G.). (tJt ct/tjdK ct/t^ tK \'f jj\\ je moogt zeggen wat


6*

-ocr page 158-

84 iun N

je wilt! — iK ijms en i^rr^y^nN\'» lsrJj 7^\' 7

o ) o ,

ij i.j \\ MD., (vi / i ij) fel fKj vj m/jK. naar men zegt;

men zegt. — i^ai^is iets zeggen tegen.

ylt;:rt]\\ zich in beleedigende woorden uitlaten, be-

leedigende woorden toevoegen aan. — ;jy^ r~n (hij^\\

spreekplaats, spreekgestoelte. — j^nkn.,

ijthJ) 2 ix \\ KW. zva. (in^ \'ik \\ {vrg, (ui ^). — vj amp;ii ult; \\

^ r.in z ik \\ en rj nn 2 ire \\ zeggen , spreken ; rj tamp;u \\

ook naam van een medicinaal kruid, anders

ij cm 2 ij ti \'n 2(u^pj\\ genoemd; de zuurachtige bladeren

van de Antidesma Bnnias Sprg. {bij filet Hoenie)?

/ O / O

n(Hi2 i£:ni \\ KW. zva. a.iukn 1 w

cy . cy

nji^ /K \\ zie itlt; \\\\

(urjj(iPj\\kn, ligging in de lengte; de lengte van iets {vrg. (lhnii), rij. — in de lengte, over

langs; in de lengte uitgestrekt; in de lengte ergens naar toe gerigt zijn of liggen; regtnit, regt door, regt voor de vuist; regtvaardig; gelukkig zijn in het spel; ook zva. ïnmi i.iyi^ nan/j {zie ben.;) zoo in Tj. — ij mi 2(i^^ regt, billijk; ongelukkig zijn in het spel of in een onderneming; en zoo ook

n y n s / , .

in 11 en crri\' 7 r}\'\'quot;2 ,f^N net

lichaam zoo lang\' als het is , liet gehcele lichaam. — van een winst {in het spel, Rh.) of goede verkoop een geschenk geven aan. — a^ae^nn^iins \'Ej(iKt)7^tun\\ iets, bv. een tafel, in de lengte, overlang, zetten; iets in de lengte doen voortgaan; uitrekken, uitstrekken; voortzetten. — .i/^ (tk nanjjs geschenk, dat iemand geeft van zijn

winst of een voordeelige verkoop.

o • O i ■un j \\ zie ui ia \\\\

Ar. kn. I. de vlngt van Moham

med van Mekka naar Medina in het jaar 622 van onze jaartelling , het begin van de Mohammedaan-sche jaartelling, die daarnaar Hedjra {ook wel Hegira geschreven) genoemd wordt. 2. rekening , berekening, zva. xm^w —tellen, rekenen, berekenen.—o Wq \\ hetz. {zie ook ben.). Br. loon\'

tj (ini2 71(1^2 ish/j\\ KN.; tj i 12ij ix2rj(Hii ^112 ii(ix2 hli \\ opstoken , ophitsen, aanhitsen. — oji ij 112111x2 n ijkh ^ii2ii(ix2101 q opstoking, ophitsing,

(1^(1^(10/1 \\ zie (un ix dbiyi \\ zie lin ax asn/js

Y111 ij ix 1 ii^\\ kn. in de spreektaal zva.*! 1 11 vy 1, n jj \\V \\V.

rjdjn uk (isiyjs

ij (un 2 ix oshji \\ zie ij i. \'n 2 ix ihn/j am Lxjvn ■L(yj\\ Ar. oordeel, de beslissin»

van een regtsgeleerde.

lt;ur^^iru\\ ook (ui^i^ ii i geschreven, kw. zva. (177)^ n dj) j hu \\ en dJioj) \\ {Skr. 0 e dj dj walal helder schijnend, vlammend, enz., met het voor:. o et van djwala; zie wc ru). — oj

\'l7}) cifl n ,N ZVa \' rrl *^ivipj\\NN

(Lu ix iuj] 1. Ar. kn. oorsprong , af komst {Ar.

adjl, oorzaak, verward met » lynojnij,

omdat er de beteekenis van (f^ jli aan gehecht wierd). 2. vastgestelde termijn, het door God bepaalde levenseinde, uiteinde, stervensuur (Ar. lM a dj a l). 3. eeuwigheid {Ar. \\, a zal), (un k ^ (amp;i rLin afkomst en oorsprong van iemand, ^ (ix (ih/jjE^ ili /.ƒ Lu (H^ ^ \\ een inboorling van het land, een landskind, hji (E/i -jj, mi ui (un x/n ax i lijj \\ tot zijn levenseinde gekomen, overleden. — (unixiujjen (lt ix n i/j\\ overlijden. — (un xx ili/j {of ojixx iuj) (i/r^ iliqx/ti (in/j\\ of 0 l^ n i / xmasiflKN. ook wél (iak n.i .11 ^itfi (hn^\\ k., tot zijn oorsprong, daar het van daan gekomen is, terugkeeren, zooals m echtgenooten, die gescheiden zijn, en zich later weer met elkander in het huwelijk verbinden; van een bediende, die in een dienst, waaruit hij gegaan is, weer terugkomt; en van verloren goed, dat terugkomt.

xjii ij ix 2 iLjj {of rj i m 2 rj 1X2 rLlfl \\ G.) N., rLH^r.) nop k., ruil, wat in ruil voor iets anders gegeven

wordt; ruilen. — r» ij ix 2 ij^i n {rj 112 if 1x21^1 \\ G.)

c o . n

rx ri^ ) i\\ in ruil geven voor. — 0.71x^x^21^1 rjhih

(ij rn 2 ij ix 211.1 ij ia) \\ G.) li m vn ilt;n xnq\\ verruilen

tegen.

xmxx rL^\\KW. zva. xji xu^x-.njjw quot;gt;

ri Lil 2 rjxx 21 Lijj\\ zie i/nxj 1x2

rf x/n tj ix x ) gt;ji \\ ij xjii If xx m irijj \\ ongeveer zva. d) t (iji xx v Rli.

x/n ix xjijin K vv. zva. (u m (u (ui (u xji/j \\ kn. verlangen of wensch ten aanzien van een ander, gew. in et* slechten zin. t.i xx xjijin verlangen naar. — 11 un xx oji ^1 (hi/i \\ een verlangen; het voorwerp vao iemands verlangen of wensehen.

\'y? c*ïï 11\' Z \'le XJ\'l O \'U NX

ti. 11 xe^ n^ kn. het iu orde gebracht worden van

dat in de war is of van een geschil. — 1


-ocr page 159-

quot;Tiquot;2jr

o O t/r» itfc

85

I „nirm hi^ i» «i,(lc brengen , vercircnon ; oo/c

^ , , o o O

\'t Uar opmaken , voorts nog i.tj i.y cn

C.S.

Wnngsallan; ajt lu.t.it nu

quot;Si

liAiw \'i\' uquot;*!\'*1*

fiiiRcmjpKS. oi) de jagt gaan om wild op te sporen ; \\(ook op iets treden. G.). lt;un a^vn us cmfl of vnojj i viiKmp oo/c ïj. een wilde hond,

[jakhals; ook luna^dm — «as crn/j- wild,

ho. herten, gaan opsporen. tueaehen

I in planten, zoools diarak tussohen katjang en djatjoeng of widjhi tusschen gaga. SG. i kgrondv. Qrm^\\kn. vast, zieli gelijkblijvend; l vastheid, bestendigheid; staau blyven {vrg. 00 vnji). ti «Jij\' of enkel zoolang

als ik leef, al mijn leven; in Men. ajitKrm (ook MiÊ\'igi quot;b) hun geheele leven.—

vast zijn voor, iv. van een arbeider of

oQjTj)gt; vast, bestendig en geregeld doen, blijven bij of aan. — HjhiKornjt^ 1. kn. vast, onveranderlijk, onbeweeglijk; pal stand blijven houden. 3. N., 1-7 7J 1/ti t K., paelit, vast bepaalde pachtsehat, pachtpenningen of belasting; pacht betalen. (m axi iii igt;iij\\ de vaste instandhouding (handhaving) van liet .O

leverancier.

regt. Miuisrtm^N zooveel als een heele pachtsehat.

n.irjajnt 1.1 Ji\\\\ pachten. — ibi

o

\'*WVquot;\'n «»iji/a tM ju ilt;}i M/f- verpachten; een persoon op een vaste schatting zetten , zooals een ilienslpUgiige om ontslagen te zijn van dienst-pligten. ha 1. kn. zva. yj i.n? ^ i\'»f. i:i

;}n f pronkbed; en de stapel kussens daarop. 3. N., mij(l\'d i dj] jfi MTjj \\ k. waarvoor pacht opgebracht wordt, pachtlanden. — ii.i l i njiwijium

pachting; verpachting. — iuiamp;iiii orijn/j\\ ugt;wrj,vniMjji.iHijj\\ pachtopbrengende landen of hoofden.

f quot;ongehr.; tv\'t^cnijj\\kn. het voetstuk o/7 de standerd van een Javaansche lamp,®f«. \'juti rjiimcmji (org. a^xji.nvjj)•, oo/c ia opstaande 1\'cn v. e. egge waaraan zich de werkman vasthoudt, SG. en die bestuurt, OP..

^ O

sterk op zijn stuk staan ,, van zijn gevoelen niet afwijken. G. vrg. cun^omj^s (ur^ut^at)jj ongehr.; xn^ ie^nrtixe^aiiji KN. onverwachts, onaangemeld of zonder iets te zoggen of rede te geven , (onbesuisd, in haast K. , 1 , 22) , zoo maar regelregt aankomen 7net iels te doen {vrg.

/gt; quot;gt; o on

tj tun lt;iK mjji oj i n irlt; rj n ry i-ï d\'i ik

cmji trippelend gaan, zooals lastdragers doen.

AVW. rnwietmyjs op een drafje loopen?

tun (if? (irr^/j\\ — n :i ik mnjj \\ zva. an i.lt; (ur/j\\ G. Zie

r~\\

fitn ir: oo/c zva. ma\'j) (ljiji\\ Dam. Woe. 06, 8. (uti ik.iquot;.tiji\\kn. I. de woorden, waarmee bij liet sluiten van een koop, als ook bij dat van een huwelijk, de verkooper verklaart iets te willen verkoopen {bij een huwelijk de Wali), gelijk ni/j de woorden

beteekent, waarmee de kooper de koop aanneemt (Ar. wi (ik *rn xrrj, ujji de wederzijdsche

toestemming bij een koopcontract; ook toestem-

o . . -i o

ming. — an r.i rnvrj h)i\\ voor een meisje de tun ik

i nji uitspreken , een meisje in het huwelijk laten

verbinden ; een huwelijk laten sluiten.

II. verbazend, zva. (ijii rn\\ (Ar. l . vor-

i • v O O rt a

bazmg). aj}(imiiK r.n^n(iKci.nj)\\ zva. uj) i n i na/n

nmw — tin ik am Sn\'ik (itii \\ doen verbazen.

o. ro

lt;177^ kn. {Ar. l ^ //zelfbewonderingquot; M.)

bedoeling, inzonderheid de bedoeling of het voorwerp van een oiFcrhande. n/r^a^ini m \\ laatdunkend, verwaten, — (hii \\ de bedoeling van een

offerhande mecdeelen aan den priester, opdat deze er zijn zegen over uitspreke.

(uniksKX. iets daar men uit eet, een bord ü/\'bak; iets, hv. een blad, tot bord gebruiken, n/nikut i jji n i^\\ zoo maar uit de mirtj iu/i eten, Kr. o./}!i/)}\'ik (isidka:) i\'i ik\\ fig. voor onderalle omstandigheden? B. — rhikjp)\\ dial, zz: wnj) in PM.m ik dj) (Hijs een aandeel in de sawahs in gemeen bezit {Res. Madioen en Këdiri).

ut Ik \\ zie (im dj) hji^i \\ nmtin i/nae^s ook krama van (unriAJtw

kn. 1. uitstekende hoek, punt, uithoek, kaap. 2. schermen , volg. Rh. fnèt de handen of stokken. 8. naam van een soort van reebok. G. 4. iij^(iè^\\ of voe^ knie van iemand kussen,

door er met het aangezigt op neer te gaan leggen ((i7\'n^ i.nvj); een plegtig eerbewijs van kinderen aan ouders en van jongeren aan ouderen, liet wordt


-ocr page 160-

IJ (Uil 2 tj ik d N

86

IVII (LU \\

ook wel bewezen aan het voeteneinde van een graf. liet kussen van de voeten geeft een dieper eerlied te kennen, dan dat van de knieën, tutj (i^irLjiHj\\ de bajonet van een blaaspijp (vrg. ojj uitgestrekt, zoo lang als men is, op de rug liggen; (U^(ia? ijnm fonjj\\ zóó liggen met de dódót over zich heen getrokken. —

aOis iemand dc voet of knie kussen. — amonjj\\ 1. schermen met, met elkander. 2. plegtige voet-kussing.

(n(umr^(ikt\\ kn. — ?j|.177i rjnk2\\ volg. Rh. zva. (bi foi(Hi/j\\ doch de beenen bij elkaar j hij zijn de beenen van elkaar, regts en links van hem,

die draagt.

o c?) o • 0

(un ats (ci (Hi (Kn \\ zie w

(un (lm \\ KW. zva. iu ^ .kh mi us \\ {yrg. (lti mi ) en (ij) w \\ {zie (hu (in q). — andtisKH. meer doen dan men eigenlijk kan of mag j zva. hoogstens, CS. k\\v. te veel doen, zich te buiten gaan, de grens overschrijden, (w(tvin•ruajt\\ ten overvloede geruststellen, (t. (un (iu (im iLvi \\ volg. Rh. wat bezwaart , wat iemands krachten te boven gaat. — lt;m (Lunjn itii\\ met uiterste krachtsinspanning iets doen,

zich overspannen.

t C) o O O

(und/i/j^ 1. KW. zva. (Vrn(U) yn/js w m (hi iisnj) en (uti ik \\

{vrg. mpnjmi/LQ). (un(uu^m{(miuk ar^/j heil en zegen.

— II. kn. schoon , mooi, lief, vati een vrouw;

ook schoonheid? (yrg. mn njojtji); ook van de

Sirih en Pisang, als die er meer geel uitziet.

i^njizdjnMüjjS schooue! (im gt;7 irn ij v»2(tmoaj^\\ lief

meisj e ! nnjanon (uu^ \\ 0f rj tiet m ~/n (lAj \\ zie t» ^ O

vj (ixi (Hi/i \\ — h rji (E 1 oAJj \\ of k u (Ei ^ \\ vati een vrouw, die haar best doet om schoon te schijnen en op haar schoonheid zich laat voorstaan. — (eixdoaas of (ur^(Ej}(Ui^\\Yi\\f. in goede staat brengen. (Ejim(uu^ (i7t}cnjjj\\ ook 0mqd/nne:\\ (Waj. 1, 32, 2) 2^5 volkomen goedkeuren. — nwfjam (hi^kx. tot schoonheid. «5» ru(m ~jhij (imz (hi ~jri rj (hhi i (hijj\\ schoonheids-zalf.

(un rj lui \\ kw . uitroep zva. rj (un frjdjnw run ij diui 2 \\ (ui tf (bvi2\\ of (eji Tj aiui 2 \\ N. . (Mj (Dt (ui \\ vtrk. (ui ij!\\ k., m iQaiyi Mn.j rj iamp;i2 cm\\ KI., een toeroep tot aansporing om iets te doen, voornamelijk om iets meé te doen: kom! toe! komaan! welaan Uw de beleefde taal: als \'t U belieft! a/ii ^ lui 2 {of (ui 101 crnjj) (Ui (in \\ (M (i)i (Ui (of oji ij (èi 2 en 1) aj ^ laten wel — (wtjom2vy\\kn. proberen, beproeven, het wagen; proberen tegen, zich meten met, na. meten. — (unvjAMi (hi^ met elkander wedijveren, Rh. of tui rj (lii 2 (hiji\\ elkander tot iets opwekken of aansporen; elkander te hulp roepen, om iets zamen te doen.

0 r Oquot; 0 (?) O / A •

am (lins of (i/fi \\ N., fl7?;lt;rgt;T^\\K., mticrnq (of in ^ lettergreep cm ■gt; \\ ng g\\h) of (tin rjcmqs Md., zóó, alzóó; eveneens, insgelijks, ook; ook zoo, evenwel, toch; ja! goed zoo! zoo dan; ook vragendti wijs zóó ? in een Vocatief dikwijls ongeveer zu. 11 (un 4 \\ of een partikel voor den Vocatief di/cwijk

zonder speciale heteekenis ? (vrg. m m j en

a a a. o o (?) ■-) rgt; ,

(L/n ilin i/n (ht^ \\ (un cm ^(L^(hj.ihti\\ (un cm { (hi nij, \\ dezelfde , hetzelfde, als. rj (uti 2\'ri (uii (lu \\ is \'t niet zoo ? 11 (X11 Jri 1LL/1 \\ \'t is immers zoo ? rj cun 2 ri 11 (lvt\\ of 11 (un 2 ti : (lu\\ \'t is niet zoo , wel? tun ha ojji (lii (un \\ zou het toch zijn, dat enz.\'? (hviiiimi ojIji(i% (Luun\\ alsof het allezins zoo zijn moest, d. i. alsof het ernst was. nPn (Lunirm (Lrj^nhvini^ luii(lu(fjjnfuj(uyi\\ Rabingoelawal is \'t zelfde als Moeloed. ajit llilt;rj (un 2 quot;n — (uïi (in ij x/ii 211 \\ even-

i o o Ov qv O (?) o 0

mm ... als. — ic? uu rcj \\ an cm $ am \\ an (r.n; 111 op iets ja zeggen (Hoogd. bejahen), iets bevestigen, am LU \\ KW. zva. ^ a/n 2 (ui q w

0.0 quot;gt;

OJf^(LV^ \\ (£/l N KW. zva. (li ISTj (tlJ^ \\ (tl I ^ il^ I i \\

(VjjMJj (kw. ?) votg. G. KN

(uiiw oajJjajr^djv^\\ zie hen.

kj(uti2(Luy kw. zva. rii/n2icnjw

ijajiwrjaLUsKW. zva. iQchntMjjs

(un uu q \\ 1. kw., ook wel (un ilu \\ zva. (U)(i*i\\ {Skr.

ajah). 2. n. in de spreektaal voor (utau^ zoo

daarmee verhonden (ki (rn am lli j ui ilu % \\ — 1 /

c) o . ,..

kw. zva. hu a.u ui (ui w kn. zte bij (hikui\'W

(un lu ? ojii (hij!\\ ook wel an ojli f tun ihi^sKI. van ajiav rj tui a.u aaj! of oji tui ii ili (H^/j w ani 1 li ^ ojii ao rf H j een last of commissie van den Vorst.

am lli q \\ zva. ut (lui q \\ als uitroep zva. int i.\'li w (lyijl (Lu ^ \\N., (Miu (Vi/j\\K. {Ml. gare iri), zout, keukenzout (vrg. ojii a5i aojj). a^ lui q ajtiwtrt (ut \\zouten, zont doen in; (vn lu s a?n ui (hi^ j \\ of t j lli j a 11 iJff anti aji vB 111 óji /j \\ spr. voor itj cm iukui n \\ en ict« (vooral zijn eigen goed of kind) prijzen of oplie-melon. — ajr^ a u^Lii cHif^s w m (f/iiinjj\\ rente, intc-

zva. (i^t im 11, ajmii

0


-ocr page 161-

ll/n (IJUI \\

87

\'TT\'

rest {v;/. vgt;quot;gt;£Wl\'yi enKy^^oajf). — ^^ ^m/vnuuij\' naam van een Had, waarmei de m ad at lol lik é gemengd wordt, nl. v. d. Keus polycarp» Kosb. Nal. fam. der Artooarpeae, een heester.

ür^ Kii., KrynajijjxM., urion, pis.

- \'1 hmiLuanjl^K., aJ\'if hj KD., .15^

n-itMjjamp;i. j pissen, zijn water lozen, wateren j vati een beest ook Krdma» u-j) iPn un \\

een ziekte de steen. — lt;l/» \\kn., nynw J]\\

Ki., bepisson, bewateren. — hu tj(uiki/iumlü. bij ongeluk zijn water lozen. — ^nkn. de

pisblaas (de onderbuik. G. Vrg. hiiamp;iJji ).

. (Pin

yzva.(iynaA^(Hiji\\ voorts zva. nm(K^n\\ a-j)oji

iLiflW (LTjjjjan-Q/j\'W/Jn zva. ernnis M(Li

jihiwiHTji^KN. vallende ziekte , epilepsie.—(undvtm,

anjl of truT}0 aan de vallende ziekte lijden.

miiAJjonjj\\K\\)\'. zva. (tni lui ojiji of am jk {dat er de

krama-vorm van is). — (vu^^n^ zva. (\'»/)

(c.i (Li mji \\ — tn (1^1 (hi ~jn (iAJ) anji zva. cw oji (m *Ji)

/L/jibj^\\ —- alt;v(ui^anj^\\ zva. .mi m (ijijj\\ — ifji(üia tnjj\\

willen, begecren , verlangen. — i? :i ha^, i?i \\ zva.

o O

(c;iu(u^i\\ — xjinA^iUj nu zva. an •vi oji-n,

I

7jhv\\ — iunnju^^jm/j\\ (tfntik\'niasnu titel van de oudste gemalin van den Sultan van Madoera. 11 (Wl^afijis zva. dn oji tui ^ 1 anjj\\ — am oaj^an ~jn(Ui^ vn M M ~ju M iui di t/p iui nn (Wj. ijj onjj\' Ki. tegenwoordigheid, ijh dji i :gt; d/vjijj ii /y \\hooger (U M(ui/i(hnji\\ zie beneden.

1 :i \'Wjj ihljj \\ KN. i-T; (i/ii (Hj. (hnji \\

(uti au,

KI. dan (uh ui lyirj ;y \\

r^mzanj^s zie (irnrjOAJitw

f • » .. o

mi hlkhtjis zie hij am m w

0 1.

mi(WjanjisKVf, zva. ij cm2a:in w

schommelen, een kind wiegen.

Kw. zva. ,i:ii.Hiai^(i^/j\\ schommel, wieg.

an^naAjj^iioji of een schommel;

schommelen, (ui (Hij^of aji oa^ uy anji\\(pujoenuu),

ecu schommel; en wiegend of wiegen , zich op en

neer wiegend of wiegen, zooals van een boomtak.

zva. ook a^iajt^aA^oajj of

WMjOAjjiftH^w oji(u}j(uvjcmjj\\ KN. een stoel suiker-

rwt, zva. of aai ij^ ■ n an/jw aJia/naA^an^p of

(hJ}iU)Jjlt;lJvj,jt^.s zva. (U);ui\\ (Kj) mi rj im { aj vn w

\'yO^ oji dj) i^Hvrjj Qji ajy (lAj iKiji \\ of an a:^0 spr. liet

met elkander houden, zamenspannen. tLaia:rj0\\

00k benaming van een bijzonder fatsoen

ojï^ (UL^ an -Jij (1/1^ anjj \\ :lt;

rj i.vid £jj(HTji\\ beschermer. — ay oa^ an jy^ aAJ^ arijj\\ KN. nauwkeurig daarstellen of zamenstellen, — iujaAj^i?j\\ goederen bijeenbrengen; een volk of een plaats beschermen; ook zva. ojnrj^aT^q van een Boepati, van wien anders tutmsrj gebruikt wordt.

(miaunkw. zva. (unföimw S

a njjj \\ kw .zva. a n w

tuii aii n KN.; ci a i n op een zekere wijze padi drooien, door de gr00te bossen in kleine te verdeelen, om die te spoediger te doen droog en; een ander,

zie ben.

CV

cun du \\ KN. ecu gemagtigde om voor iemand hetopzigt

CV

te houden; de ronde maken. — anihvi\\ liet opzigt hebben over, iets nagaan; ook onbeweeglijk staan of staan blijven.

(uyjj ii)ijl\\KVf. zva. ajuau^anj^s

(un au ilt;nji\' N. in de spreektaal zva. au Luuuj^ WW. KN. j (Ci au hn^/j \\ zeven, ziften, doorziften. (vrg. ajn ti aii/j en wn). an ,1 vi uti \\ zitten. •— lun au am ^ai au am anjj^ naam van een gending. — am oji du am in/j \\ een zeef.

ajii if(buhiijj\\ {plat voor, Rh.) zva. o/n a.u\\\\

(undu uiiji\\ zie aj i/m au .hiijjs

(mi avi aniji\\ {beier aji^ i u crnji zie aid.) KN.roering of veging in het rond. — ijtj a.u amjj\\ over iets y zooals ongekookte rijst hij het ivasschen, of zijn hoofdhaar gt; met de hand overal roeren; bijeen vegen met de hand. — tEj^uamjjs zie beneden.

Tj(Uil 2 lli(tmjj\\ 1. of (Utj LLi amjj\\ KN.; aj eni aLi amjf of (Ci(LU0(n/j\\ een wild of een r00ver nazitten, opjagen , opsporen. Zoo ook ri o * d.u y nfn ~ni 2 ojii am/j\\ 2. ^ ijii 2 au amjj \\ zm oji ti ci (hnjjs ZG. 1882, 139. welligt dialectische spelling voor a/n lli hu/j ?

aj a/112^1 oju 2 (Uiijj \\ ook rj ilt;ai 2 aj au 2 mijl \\ KN, rijden, paren, van visschen. — y in2 y lliziim^ een wijfje achternazitten om te paren, van visschen; achternazitten; achterna loopen en lastig vallen met aanhoudend om iets te vragen, h ivh* y ?lt;tï-y»»? ajOjLizarri (Hjjj\\ elkaar nazitten v. visschen.

1 ainaq t

cq, Ij

a/n (wiam \\ Ar. , in nni aai k

J.xaj \' u «liencn wij en roo-

pen wij aan om hulp. Koran, Soer. I, 4.

mn (lli iw/j v zva. (ha (llklojjs — a lu ap rrj ku \\ zva. ann

iUI

van krissen.

xw. zva. tui oil


-ocr page 162-

\'Ij (uil è ij lui d i uji\\

urn i v) (utji

88

iun (u/iiuyjMix. slijmerig, kleverig {grondv. ilvklci/js

O O v

vrg. (lm (tui 0x1/1).

O O

i/n (lAJj j^klv^^n ^/iid/L^ixi/j zva. a i ij llid(io ~jii

ij iuui ? (inji\\ zie bij ?ƒ (uyi2(io^\\

(vil ^ (lui z doji \\ (i?i ij lui ^ (tp ^ lii 2 (icijj \\ frcq. Zie ij h ui 2

™Jlsy

njnjïid ij(uui2clci/i\\ kn. wortel, in de lengte groeyende wortel, van planten; ook lioutachtige, bladerlooze, stengel van slingerplanten {org. ni ij mi jlt^) j wortelen , wortel hebben 0/ krijgen, an rj im 2 n ilih 2 (uijj\\ zes wortelingen, cl. i. zes gewassen , voor zes jaar, in pachtbrieven, rj azi 2 n mui 2 düji \\ ingeworteld , wortel schieten j ook fig. erg. als vast-geworteld, zijn vaste woonplaats hebben; erg. gevestigd zijn; Rh. — gt;ƒ a/n 2 ij 1 li 2 rj ,ici ~/ii 2 ij lui 2 wortels, stengels van slingerplanten, als geneesmiddelen.

(un aw (hn^ i. kn. een vers van den Koran ; een god-lijke openbaring; een openbaring door ingeving. II. kn. glooijing , van den grond. III. kw. zva. nji dmj en (hu (ut (lh/js ifi ilui dnyj\\ schuinseh op-loopen, bv. van een weg, glooijend, schuin staan

v. e. paal. un (Cm asrijj of tïJ (m aw (um/j ook itn

o O »

(lui(^ji\\kw. zva. (vi(ti(irnw xn(uuiihn ~jiiïlui

(Ish^nkn. telkens weifelen in zijn besluit en niet tot de uitvoering komen. — iin lui 11^1 \\ de hand (0/ iets dat men in de hand heeft) uitstrekken naar; op nieuw beginnen, hervatten. (unvL^asii/jMiii. (v.iajij^(L,iijj\\ naar zich toe halen, tot zich halen; ook zva. hji (vuj, kh/j {zie bij hokvu^uvji) (un (uiijiihji \\ r/iv. azicuiijjani ^(uujjixsnjis wegslepend v. muziek, Rh.; vrg. lund/v^(111(1^^11^ lt;iyyjaAijj nwjj^ kw. zva. (un^ iüii/j\\

ij (un 2 ij (lui 2 anyi n kn. met een mi rj un 2 asiyj \\ lijn, dun afsnijden, bv. bamboe en derg. •— ij (un 2 ij lli 2 rj vj (1511^12*1 (lm 2 obj. den. Rh.

«g^\\KW. zva. (uirj(un(MjjW

(uh lli (ijiji\\kw . zva. tui ij (un n^ijiw

O o ) O

(lAjjj (ui Kyi \\ kw. zva. (un (ui asii il/i

nyti \\ of (i/n (uujji v ook liji \\ of iLjjj \\ kw . zva. d/n des \\

{vrg. iuikuvi).

(un iui rijijj\\ kn. kriejoelcn, zoo als een menigte kronkelende wormen, en een menigte door elkander woelende mensehen. — ^ lli / li lui njjj\\ zva. ivy (IJi iliji ? in Tj. 0(i^(hj^ \\ a/i^ lui of ajrj lui 11 i ^LLi i^nHyjs gekriejoel; door elkander krie. joelen.

ti(un 2 \'ij OM 211.1^ kn. een werktuig van bamboe om

visch te vangen, kleine fuik {vrg. njoji2vjaj?2). un lui (unjj kw. zva. ijwimw kn. een trek- of sleep, net. — ut? (lui (iaji kn. een voornaam persoon omgeven ; met een (un lui oji/j visscheu , leeg visschen; leêgstroopen door al voortgaande alles weg te nemen. vi azi lui lnj^ \\ de stoet van een aanzieulijk persoon.

(un .1 li (uiji quot;• kn. naar allo zijden, onbestemd bv.v. iems. blik, Rh. zoo in P.M. lh (in av ij tuicun rl

lui (uiji \\

Ln^ati^(LJiji\\ {ook wel (Ln^aAJ^irnjj) gew.

lU/jsKN. een drankje, geneesdrank {vrg. (ijlij hui tinijj). i.jdjüjjdjifjs slurpen, slurpende drinken; een drankje innemen {vrg. aji(rjni2 (niijj).— ijhiu (Wj^xjijjs ace. pass. promiscue met ij(xri2ifti.ru^\\ ook zva. mi rj-n js hn i7ri(oi{\\ ? Men en Tj. — iirjOAJ^dji 3\\ iemand een drankje ingeven.—^(ti| (u ^.irj Kn \\ iets tot geneesdrank maken of gebruiken, ofte drinken geven. — iji ^1 (htjj of

(u^(ia^(u ^/Kinjjs wat iemand tot genezing, versterking of verfrissching drinkt.

1 /) n

(uii iajjj uci \\ kw. zva. .un (kji imijjw

ij vu (lAjjj (uijj\\ zie (rjcun(uui(criji\\

ojii lujjj \\ zie l U lu) w

Cl O

tun lui iijyjs zie la (u.11 amjjs — (un lui ^ji lui iea/j li ui pi lui ibifj \\ kn. iem. dreigen; een ander zie ben.— iun lui lui(ui/j\\ nm. v. e. grassoort, C.P. — am lui (ei ~jn lui .f.i(nijj\\ waterhoen, Rh.

(uii lli tuin kn. koel, van iets vochtigs; kalm, tevreden {vrg. (lui (Btji en i/nnjLumuijj); ook in de zon gedroogd vleesch {volg. Rh. onjuist; dit heet ijaji ijlt;i)ii\\) en geconfijte; {volg. Rh. gepekelde en gesuikerde, in de zon gedroogde) hertelever. — (i:-jlli (tin\\ zich kalm, tevreden, gelaten gevoelen. (ci tui (ui ^11 lui (fji ^rn tui kli/j\\ zich bekoelen , verfris-schcn. 0iLn mi \\ zich tevredenstellen, troosten; het gemoed aangenaam stemmen.— (ci lui (ei ^1 lui zoeken te kalmeren. — lndxn^ji ij(hii\\ tot bedaren brengen , laten bekoelen of uitrusten , in een kalme, aangename stemming brengenr0(iy?j ulioijjs zich rust geven , het zich aangenaam en gemakkelijk maken. — oji 1:1 lui iui ^ri lui (uyj\\ een middel


-ocr page 163-

O

vj fijn i (in fm^\\

89

l/tl (III

waardoor iemand bekoeld of tevreden gesteld wordt.

w biJ

imvj imtAj^ooh wel vnvjitm2 iamp;yj\\kn. koel door lommer of schaduw; lommerrijk; bescherming {vry. (UtUivuji^ -ritrjiLVidiM/} en (miMjunjj). — Kn^ tiJiz iEJijj\\ ook wel (S ^cLiAZiMji^ zich iu de schaduw of ouder een dak plaatsen; zich ouder bescherming stellen; beschaduwen, beschermen.— (irjymt£j\\ {ook wel wojvj^) beschaduwen, beschutten, beschermen. tmridvid of hv ii\'LUi ijfflifirm/js beschaduwd enz. mi rj m 2 [Qm/j \\ iw rj m i Annjj of imte veel beschut of bedekt staan, gebrek aan licht eu lucht hebben, van planten.— bescherming, beschermer.

in/hrj iu2 izijl n zie (EAjj \\

lam(ivt(imjj\\¥LH. ongehr.; (tm (im mi illd rrr^/j\\ demoei-jelijkheid van een handeling vooruitzien, zva. (bl ernqw —(un (tv) cm -jn (tin (rn im/js in de onaangename gemoedsgesteldheid zijn van tegen een groote

moeijelijkheid op te zien.

O T/ ^ O

MinucrrtjjsKVf. zva. lt;rt^ (i/u^(im^\\ rry. (mi m cmjjs

ii/!}nrryj\\ kn. — (Ei (W^ rrj ilv^ (rnjj\\ ook tj amp;i g m rnj (i/uj frn^\\ heen en weer bewegen, waggelen, zie rj rn z (iiicni/jw

, O

[ Miri(ll12(Yïl/l\\KH.

O O O .

- (is) rj i u 2 cm ~jh ij (iu 2 g^jsjong gras

en uitspruitsels met de hand* wieden, geschiedt in overvloed van water en gaat het eigenlijk wieden vooraf, S.G.

O * o

tuti lucrn/jsKN. ook du cm ~iu (un cmjj snel, van den gang. — cLi(iunrn\\ om iets snel gaan. — u] ttu

den gang versnellen.

o O O O

imuicrnjj {of (im(bU(mjj\\ Gr.) kn. gelijk van beweging; eenparig, overeenstemmend, van gedachten

of gevoelen {vrg. rn ,lu vrtq en (unkucmji). — (i5gt;

. ) o o quot;

(iu(rn^jhm(yiiji\\ zwaar beladen, £gt;ƒ zwoegen onder eeu last, W.

ll/tl Ll,cnyi\\ I. zie \'tj(un2 (lu cmjjs 2. het onder \\j)yiu mvji itrj ivi hïiji opg eg ev ene behoort hier; volg. Rh. en deugt die schrijfwijze van GR. en WW. niet) de ware is (i/r^iu nyj rj iu rn^ voeg nog

bij: vj Cu ern !amp;! (lij (hi/i \\ Sri T. ongeveer zva. ui

On

zva. vnfyw

yvni.uKrn/jof ij,i,ni ij ili? 111,7 kn. soliuddiug; schud-dend zich bewegen (vtyj. r n i tn ti^). — ij 11 /

Lu cnyi of of (ui 2 ij om 2 cm ^ schuddei. , tr. ij im 2 (Lu (Yji Lu cmji \\ heen en weer schudden, waggelen, bv. van een huis, dat dreigt om te vallen.

ny (i,ti2 (Lu crrijj of (uy (Lu (rrT^N kn. in beweging door ontsteltenis , ontsteld {vrg. nrjiLnitOjUcmji). — ^ nlu rm^\\ Tj. zva. (Ej (Lu (Hii/j \\ zie aid. — y 1.12 .lu (rn/j\\ iemand ontstellen. — ui 2 lli ^ mi \\ iemand ontsteld maken , menschen in rep en roer brengen. if tun 2 if lu 2 err^/j \\ zie ij (1.112 m cm fj \\

(un (LL7 (Lrnjf \\ kn. — ie? iLu c?/ \\ tusscheu de padi of gaga enkele hooge grassen uittrekken, SG. zie x/nn.u

(UJf\\

(^(LLji-mjfs Ar. l . eign. Job. — a/n (llj^ lui ~jli

LL^vwn/l^ kn. bedwelmd zijn van den slaap j ook grondw. van au ly rnyj ? zva. (Ui njnxinjfs de koelte zoeken, zich verkoelen; vrg. ijivn lljinyj iijli (lu r:ri/j\\ ongehr.; .? 7/ tiu r:n ~iïi n u iuijj of lli ^ viuhij\\kx. onrustig, verlegen , heen en weer loopen. (LynLLirmjjsKN. krieuweling. — ^ lli r» ^krieuwelen.

— (lli(Lmji\\ iets, vooral het hoofd, krieuwelen, erge jeukte hebbon. un7f lli urn/i iiy^ lli rv/j\\ Tj.

ojt^ LLj xm /j \\ zie llj (Lji^j

if (un Li^ (Luij-j {ook wel tj un (uiq en nqaJKLLi^ LTnjj \\ kn. zva. (Lfn (L-^ L7njf\\ tegen zon of regen beschut, van een plaats; en bedekte lucht, de tijd van den

namiddag, als de zon naar het westen neigt, om-

r is 0 3quot; ^

schreven in K. ui i.ni ij(».) ll^ nnjj \\ r.n(KJU-n iliciji

o • rn» /

(rn Lip en tn ij. UI L]lli ij llj unjj\\

\\ ook wel .uj^\\ en lt;lw\\k\\v. zva. rj (ia (ui \\ en ^ Uihn/jw kn. God, voorn, als titel van een Godheid {zie ook iiii bij iun (Lu), (uyjj cuj \\ God Goeroe. iJQjj li (un 1 (i/ïj^ \\ God de Allerhoogste.— ijyjj (ihjjj \\ 0/ (lli lu \\ ook wel lli (tm (lu \\ een God of Godin; godgelijke, godlijke; ook tot lofspraak van iemand, die het tot het hoogste gebracht heeft; van een vrouw , zva. ons Engel. — (amp;)(uyjj\\Kyv.i zva. (K/j niinn/js — aai nhjjj (in iUi/j\\ gew. lcli (lu a:i (mjfs kn. verblijf van een \\ ook verblijf van een geest; ook td. voor de woonplaats van zijn vaderen.

— (ui un (lli ui (mjj n een plaats, waar eeu (Hii om lii ihfijj\\ zich bevindt. — lu (lli \\ als een geest bestaan. — (un uilu(ili\\ door de werking vaneen Sétau gestorven en als een geest rondwaren. — ((L^ lli in ilciji\\ een geest van het vrouwelijk geslacht.

d/n ii.Li \\ kn. — it/ti llklti i\\i i:i(in/f\\ v. stengels die ver-


-ocr page 164-

cur^Mjis

90

tun (tui \\

ilonzcu of waarvan de vrucht niet tot rijpheid kumt; achterblijven in ontwikkeling dor loten van padi, katjang, enz. Bene ziekte voorkomende als men plant ijium tj )u m/i^ S.G.

(unihLi\\kn. poët. rondgaan, omzwerven {vry. ajr^ tu).

— le/i uji\\ zva it\'ii I n \\ rondgaan; dolen, dwalen. — ci:iiLLia?i\\ om een ptaats heengaan, omgeven, m iuji(uii (Lu C7 \\ overal rondgaan. — un r i anjj\\ omzwerven j dolen.

(utiiXi\\ kn. de lellen onder de tong. WW. of aA/n een uitroep van afkeer: ach! och ! bah! {een ander (Cu\\ zie hij (ur^iwi\\ I. KW. zva. (isr^tny en II. kw.^«.

kn. 1. overal, op alle plaatsen; 2. heet, van een lieet gevoel; een prikkeling over het geheele lichaam, wat voor een ziekte doet vreezen; arnni^(un.Lui\\ ongedurig, onrustig; van ongerustheid of ongesteldheid niet stil kunnen blijven, het ergens niet kunnen uithouden. — padi (rijst in de halm) koopen of opkoopen. Zie iLn \'* — in cvii tii \\ van iemand padi koopen,

(i:^ om iC7 ij un \\ padi verkoopen. — xn^ lli uji (hnjj\\ opgekocht; fig. ergens opgedaan.

quot;N.j iejtLu\\ zva. tE^(êr)\\ in de rondte draai-jen , in een kring zich bewegen; duizelig zijn. —

(Slis duizeligheid in liet hoofd; en ki. van hoofdpijn. — ^ lu in \\ zva. vy liri w \\\\ —(l^iSj t i (hij^\\ verwarring; verward door elkander.

(L/jjj hij \\ ongebr.; (Ui^ vuajrjcCij\' kn. zijn goederen oppakken en naar elders verhuizen ; met zijn goederen heen en weer trekken. — ajyah {of w

(Hyjs aan het oppakken zijn om naar elders te verhuizen.

quot;T

n^d/n iLU \\ KI. van an ujs en inn /. »/ \\N.

nrj (L7i aJiy . kn . topzwaar; zwaar in het hoofd, zoodat men dreigt te zullen vallen ; draaijeu, nu eens zoo, dan eens anders.

nhjji tun \\ KW. zva. iamp;i un

(unvrrn^Ky/. zva. iui aJt.unjjw

/ s-

(i/n(nrq\\ KW. zva. un té^w

(un ij .mi \\ KW. zva. tin tj jp ? M/j \\\\

O . O

(ifn^rn(M/i\\ zie (hjiaji/)\\ \'i, ^.\'1 _ Y

o

njnijum k\\v . zva. ri ij im ~. i w

amxin KW. zva. kin aij

O quot;)

(uti ijji kw. zva. ll\\ cii

x/n ..v;^nK.

/

\'ö

a/i/js de plaats v. beraadslaging. WW. hëm! oj\\ h m m! een Uitdrukking van misnoegen over ieh dat een ander zegt, of dat iemand zelf voor de^ I geest komt, of dat hij ziet.

(inj ztji\\ KW. zva. ij un % {vrg. un lEOjj), un ao^ (tjijj v mj 1

en V^

vj(um (mji\\ kw. zva. ^ un f {vrg. mi ejtji), ij] ik\\ cn n | u^\\ {Skr. 6 m, de heilige syllabegt; daar de Indisch j Brahmanen hun gebeden meê aanvangen; tjuiu). — ui ij un i (H)/^\\ bidplaats.

un li \\ kw. zva. uivjiwkn. , un iu \\ kd. , alles wat aan 1 de veldgewassen nadeel toebrengt, zooals muizen, sprinkhanen en andere insecten, meeldauw, enz.-, fig. dief of belager, w un foi (wms die duivedief; fig. ook ziekte, gebrek, bv. un (amp;i rj an vu rj au (injjx L, ajn \'amp;jj \\ KW. zva. ij nndrj aji \\\\ n. un up gew. iij\\ hezitt. vrnw. van de tweede persoon j in Jianjoe-mas ook zva. ifiwm in de tweede pers. van hel subjectief passief, bv. cm .ui \\ zva. -q un 2 eni ojiw — un uja/n KW. zva. a/n an ~/n —11

(tji \\ kw. verlangen, begeeren. (itj ^ ajn ^ \\ zeer verlangen. G.

ajn aj (Ei \\kn. het ijlen, zooals in een koorts. — « ^ iu\\

ijlen, ijlen van; raaskallen, wartaal spreken {vrij.

O Q».

gt;1 un 2 ifjji \\ en (in u^ui). — un rj ui alt;n ^n rj mi \\ van iets of iemand ijlen.

aJii ui \\ kn. ; in ui i n ui\\ voor iemand of iets alle zorg en oplettendheid hebben, iets als een kostbaar kleinood beschouwen en behandelen {vrg. uii li). ajn ui \\ kn. ; ui ui un ui \\ iets zorgvuldig bewaren en cr voor zorgen, dat er niets aankomt, en zva. aj (U m rj an ~/n(EJi (htji (zie hij ajam z .iJi aiajj\\ en vrg. a n iu). (un (Li kw. zva. af ui cm {Skr. hima, koud; vorst; sneeuw), aai ui un o \\ een dunne, lijne, ligtc wolk; volgens de Dasa-nama een dunne wolk, die de maan bedekt; ook kn. benaming van een soort van gebatikt, un ui tyi am \\KW. zva. ajn ui \\ volgens de Dasa-nama een wolk die op het water drijft; ook naam van een land, ook ui i iajii ui asn ani of on cm m a!n ui uti ui ftji asn \\ Ardjoena wiwaha, P. v. d. B. (kw. (ui ui un ui t an un tin erti ni \\ residentie of berg van den reuzenvorst Niwata Kawatja.) xm ui mi uj rri \\ zva. ij ui cm \\ volgens de Dasa-nama een wolk die een kring om de zon maakt {van het Skr. khapoera, luchtverheveling. pk.); ook naam


-ocr page 165-

\'I t n l gt;1 i t ^1

91

lur^ioi*

van een land, n/h at izi ilu \\ een fljue, nauwelijks zigtbave wolk. ivli (of ra) iLicftingt;\\ naam van een plaats, waar vorstelijke graven zijn.

a/t^ns I. kW. zva. lOntnw 3. eign. van de gemalin van Batara Goeroe (S/cr. O e m lt;?).

Ar. sva. ciuXf (Ar. (oemt), mijn moe

der ; moeder !)

^a/mE/^KN. week van vruchten, niet door rijpheid, maar door lang bewaren, knijping , en derg. — y, lichaam ook: slap, afgemat. WW. jn/nijenKW. zva.

11111161 ^\\KW. zva. M IKII\\ ui iviqs zva. ra «i!{\\ ra « ^ \\

KitMHttp raramp;i^Mi\'f.»^ zva. raei

) o ■gt; : i o . i o

nn\'y i.h»2|» rati»jfj m un^\\ iB)rara

VV. elders xzkeji iea zva. mi aji^i^dn^ (isii en (Ejicat^ivn^w volg. G. ajuzifs snakken. (C?ha}(Lm(Ej)^\\ naar iets snakken, dorsten, zeer begecrig naar iets zijn.

[ (uhiai^ (uniEJi^\\ rjajiKEJi^s zie ya/miBiqw a/tj ij iFj! ? ^ \\ kw. zva. tjam 2.irm ihtyjw irjn/n ook wel curj^ iamp;i ^ \\ N., 1. tjcutniji %\\K. . ge-wend; aan iets gewend zijn of worden ; gewend, van een h ais dier of mak heest; gewend aan een handenarbeid. 2. {crr^nji/i \\ K., (io ki. ,

woning, woonplaats; huis; ergens wonen, een woning hebben, woonachtig {Sd. imah ; Ml. roe-in ah). nm^am^din een woning hebben, wonen. irj ni (Si voor tuit rj ani 2 (E/i%\\ thuis, lijïnn rj ti» rj ijMMiFjifs de bewoner of bewoners van het huis; dc huisheer , de huisvrouw. — rj cun 2 (Bt ^ vj mi t tamp;i % \\ N., vjiun iEf) wani tail f \\ of ayr» u {tun gt;i i ^ n K., gevestigd, gehuisvest zijn, in den zin van een eigen

* huishouding hebben, getrouwd zijn. — tj»»2 itA^

o . o o o ,

n n/n an ,rj \\ ergens wonen, be

wonen; woning of huisvesting geven aan, zooals

de man verpligt is aan zijn vrouw, (un (ia 11 a/n 2

o .

zijn woonplaats. — (cmc/^aywnnmN N.,

zich gewennen aan; «ich bekwamen in; een heest wennen. (Cm(or^tLV) miiuii

m/j\\ (mityngt;1 io)\\ iemand ergens laten wonen. \' 7 rA 2 llj\' 4 \'/ajri 1 \'FJl l}rnN 7 o an q ij tun (fJi j vn nn laten trouwen; uithuwelijken.—rrjiun / iejI j lt;vn(Hi/i\\ \')j[vit0\\ iu dorpen of steden wonende menschen tegenover rrj (ói 2(i/ii tu an^ v. dieren tam, tegenover wild. -om\\rru(LLi(hiji^ nagebootst huis; huifje als kinderspeelgoed. — (ui 2 (f-i j (un (hojj\\ N., rj tui ie/I q (un nnjj of (ui ^i.iiiinji\\K., woonstede, omheinde plaats daar een Imis op staat. — // vi(ki2 lt;li ^n. , ^fM (ba k. , zva. ij (irn 211 uk 2 \\ iemands echtgenoot, man of vrouw; huisvrouw. 1/(ui2(hJi71 (ki2ai^\\ een man met zijn vrouw. —njtKutamp;i ^ajn tinjjs ^ ui (ui q (LTKmjjs getrouwde lieden, echtelieden. — (u/irjn. 12 (Ejifojii (Hy}\\ met elkander getrouwd zijn.

\'ij djii 2 ij (f-ji ^ \\ kn. {in Banjoemas) berisping, verwijt. —rj ui2 if tui q njh \\ streng berispen, een schrobberin g

geven aan , Rh.

o 00

cun (E i q (un \\ KW. zva. kj.oj^ uj n rv^ 4 l n \\

lt;un VJ (BI 2 q (un \\ KW. ZVa. (1X^1^1^ w

(uit (EJi(un gt; \\ KW. zva. (ui w

anrjj iei q (lui \\ KW. zva. ./ n\\

(uiiKiji Ar. gt; amen / — (utS uj\\ op iets

amen zeggeu, iets beamen , toestemmen.

(Uil (Ej flVT^N (Uil \'E^ in ^ftl tEj (injl \\ - (UI (EJj^ (KI ^11 (E j dnjj \\

ki*. aanhoudend knorren en grommen. — ilkukeq an ~ni ihn/j\\K\\\\. zva. an an tru injj zie hij gt;un

O . Cl

(un rj ui (in js KW. zva. am m \\ en ij om 2 tj ru tni - 1

mi ij (ui urn ^n iiyjj ui ij ie 12 yii \\ TP. steeds , altoos {Jiet wordt verklaard door wirj iru2 nsn/j). 6Si iui(inji\\ Jr. , kn. geloof, het (godsdienstige)

geloof (zie ook óJHti ui/j). (taonntuii (Eianjs liet geloof aannemen. — a?inaïi/i\\ aan God of een \'propheet gelooven. — (C? ui iin \\ zie bij óJ# iEjI (Eijj v(i?i(EA(inrj(nii\\ tot het geloof bekeeren, geloovig volgen of gehoorzamen.

n/tj, (Ui anfjn KN. zva. inuuj uynjis een deel krijgen van iets {waarsch. verb, van (tcj^cm^ deel). — (v^ieji iemand wat meedeelen , er wat van geven. — /cj (EjI (hi ~jr^ (Ei nnjjs iemand verwijtingen doen , schelden. — (ui (Uj (Efi an(Ei anji\\ verwijting.

(ur^ nj an/fsKti. (ur^ \'E^ an hi/js vroeg inde morgen -schemering. voor zonsopgang {vrg. (im (E/i an ~jii a j an/j hij am /l^ anjjs en iji^ ^ kii -jy^ ani /j).

y ojii 1E1 an^/j\\ zie hij ij aiu bi m ifl\\

aj(un2(Efl(Hijj\\K.lx. td. zva. (hlnis drooge stoppels of

stroo van padi.

o . o

(un (Ei jfn Hti \\ zie un ui \\\\

o* a

a/ij (E 1 vj an \\ KW. gt;/ƒ nnj ms nr^nji ij a[j \\\\

(Y \' o . o gt;. CY j,

ijan 2 (Ei jri * 112 (Eif.un (injp a/n t i\\KVf. zva. (un\'ri^\\ [vrg. (un 11)- — iui(Ei\\ of


-ocr page 166-

lt;un*i^

. \'V

VU If/I\\

cv oo cy j j , i

d\'J \'tï \\ x ) rn j (U)i - r)q\\\\ — aji ir) i( i\\ suusl. den. óüju \\ Ar. jX*c) gt; Em i r gt; vorst.

(uii n ifji\\ kn. niet aan elkander gekleefd zijn Iv. v. korrels gekookte rijst die een nacht heeft overye-staan (liet spoedig verzuren van rijst, die gekookt

is. S.G.) vrg. nJniw

O CY n.. . . , , ,

urn iu\\ kn. zva. (li (ut \\ een ceintuur van metaal, vooral

door vrouwen gedragen.

tun Si \\ kn. naam van een plant, waarvan de Maden

tot zalf voor gezwollen heenen gehruikt worden.—

(rlv nkw. opschikken, versieren. G.; zva. iuncm

O . . fy mij * x i i

n.nrryyjs ani eni (lui\\ ?ƒ w (Ei W . kn. tot bedaren

brengen {vrg. (trnQi).

lt;l?j^\\kn. opgebeurd {vrg. ui tj en rjix ).

— opbeuren, vertroosten; volg. Rh. bep.

door iem. van treurige gedachten af te leiden, hem te verstrooien. Zoo ook w rt^rvh irj \\\\ volg. Rh. zich verstrooyen, zich door afleiding zoeken te troosten. — tviitI(e^\\ opbeuring, vertroosting. ajy ifj \\ ook iv el iujj kn. , dji/^ X\'i n k i., leeftijd, ouderdom , leven; een ouderdom hebben, oud zijn {Ar. \' oe mr). anm q ajyiamp;p naar het leven staan, oj!

reeds tot zijn jaren (tot meerderjarigheid) gekomen. — }lt;» (ijr^ (tj ^ri \\ iemands leven.

(^ vj ihii 2 n kw . zva. ojv fjlvi 2 \\\\ kn. misselijk, misselijk worden , zva. cun ihj tj t.) ? ajr^ rj m z rn \\

walglijk.

(i/ij 0f ^ ^ (yyikn. levendig; groot gedruiseh,

gejoel {vrg.

irj i/ri fji naam van een Widadari {Skr. h erna,

goud, en naam van een hemelnimf, zamengesteld met iui ihtj\\).

(tnj^ajjjjwjyf. zva. nnamiMp nazitten, vervolgen; kn. geraas van den wind ; gi\'oote luidruchtigheid, G. {vrg. njy^Hv/j).

am IIoll. a d m i r a a 1.

aytji (E^cYn/js zie ajy ieq ntyj \\

(l^(€JnKW. zva. ajiji }\'^ \\ (Qm q \\ Sri T. voor het geluid v. e. menigte vogels in een hosch; ook

TT

(ur^ u i n Kw. zva. ,/jern \\\\

zie ajy^w

ct a a

(un if i nni/js — ; un (En tWonjjMLV/. zva. (U) (Ui

o

i.) iiy ihijj \\ vrg. i7w ,l i (lw lEjiHvjisKK. een uitroep van iemand die wanhopig in dolle woede gaat moorden; een verwoede aanval. — (ii (Ej lutijj {verk. \'tywjj) verwoed aanvallen eu moorden gaan; verwoed en razend al wat voor. komt, vermoorden ; dol en razend van drift zijn.— (in(EjiiHiijjs een voorvechter, die in dolle woede zich in het gevecht stort, ifti iui (E^ hvjj^ naam van een zeker stuk geschut. ia ^ wnj^ \\ (Eji a;j iej of (éi rEi irn/js póót. zva.

xa\\ (Ejhhmji\\kn. Q ei t, n S}iiEj1(hiijj\\ zaelitjes aandrukken zooals de aQerrn of de rjHJiiïjs tegen het hoofd?;

li (Et \\ zie hen.

O O ^ nn O O i .. . ,

(ut) (Ei hiyj\\KU.; (ci a iiuri ~m iea imjj\\ zachtjes met de

hand of de toppen der vingers drukken, op het

hoofd tikken , zooals een kind dat men gelukkig

prijst {vrg. dm fcKHnjj rniytE/iMujj).

o a _ o

(urt (eji kn.; irgt; /Ej h u/j\\ dj} (L^ KtijjW

rgt; n o

(U)^ (EJI :H II L I h\'H j \\ kw. ZVa. 1.1^ iL£(hJ)

(lfi^ ri.niijjs (uj ku .\'^ (amp;} kiijp kn. de lippen zóó bewegen alsof men praat of eet, Rh.

lt;i/^ lt;£0 kn. grootspraak; een zaak vergrooten, snoeven , zwetsen. — beroemd; beroemdheid. — (üjj ejj ini\\ voorliegen , leugens vertellen, door de dingen te vergrooten. — ^ \'quot;N met grootspraak van iets zwetsen, iets leugenachtig vergrooten.

(L/rj vj (eji 2 ktijj \\ kn. rijzen, aanwassen, va7i het water;

de vloed van de zee.

d/n (eji(loji\\ Ar. {am at) vrouwelijke bediende,

maar in V Javaansch zva. kiku^vuw uw (EjKuivj. diji \\ verkort /? m li^ \\ heet en de priesters die de vorstelijke graven bewaken. Be opperstegt; de

sleutelbewaarder. voert altijd den naam var-, ».» ■••o O

. „1 ivn (FJI C

irituivj. EjI tui rn \\\\

(ijiji i i (ici/p kn. mommeling. (ur^ Qtui ^ tQof i.j n (in ^ij(eJ(loji\\ mommelen, de zamengeslotew lippen bewegen, van een kind om te zuigen, of van iemand die iets dat aan of om de tanden zit, er vandaan zoekt te krijgen, of van een tandelooze, die iels tracht te kauwen.

(un (Qihiijj kn. een dragt padi, nam: van 24 gedèng. cuii (E?i iisuji\\ verk. ^i fóijjfs kn. en Md., h^rvi ^ajj^ciojj^ ki. met permissie! met verlof! verlof vragen. — (ui (ejkn. verlof, om heen te gaan, thuis te mogen blijven, of voor e enige tijd vacantie te


-ocr page 167-

(iMamp;jnsnjj^

93

(LOJj rf .El 1^(1

hebben. (W (imn ruj mn ~ji tfji mij n • en ook enkel iuiamp;i unjj, verlof vragen ; verlof vragen om heen te gaan; afscheid nemen. — (Eitamp;ifys iemand verlof vragen en afscheid nemen van; oo/^ verlof geven aan, WW.

_ m\'timitnyj^ van ceu ander, of van elkander,

afscheid nemen ; zich versehoonen van iets te doen, met de volgende Jus sief.\\

ti^njsKN. het in den mond gehouden worden van iets.—• n r^ihtyis in den mond hebben of houden; den vinger in den mond steken; zuigen of lurken op. —rn tEj ihjry in den mond geven aan.— \'^\'SsV ifif of izj obj. den. W. I. 66, W.

11,284.

o \' ) o O ^ o

im lunsnji^ zva, i/n (ui (hiyj en nm een zeer

kleine hoeveelheid, uiterst weinig, zoo goed als

niets y Rh.

oo OO Orl . , O O

njn fjt (isnjj\\ \\ i n (ehl,uj^\\ zie bij tjii u) iüit/j\\\\

bnjjs 1. Ju. jiso), volk; gezindte ; ook voor slaaf. {iijij u ibïuiii gt;1^1 j \\ zva. Kti dj^ n i ujóji. s )

II. — Wïl (£/ï foil/IN KN. hill iamp;l thUJJ\\KD. ZVa. Kil { \\ — i}jr^ ei dsn v/j luininji \\ hetz,, vrg. (un ij

Vj l. /1 (bl iji \\

iw^uhtyjuw. zva. cunitiSl^(Hyj\\\\ kn. draaijing, duizeligheid. — lE^kuun^ draaijen, duizelen, duizelig worden. — *1 hh? tamp;t (isnji\\ aan het duizelen raken, zoo worden dat iemand het hoofd omloopt; verward, verbijsterd van zinnen worden. — x:i ti een object draaijen, slingeren om.

zva. Li tip \'iuji\\\\

\'rj(Lm\'6libvji\\ zie rjwi luw

mijl (Fji ,hj) \\ Rw. zva. foi ij thii (in\\

o O

itTi \'f:i hu ifijji\\ kw. zva. itlt;n n.hi iijjw h f \' \'hSIhquot; ouc^e benaming van het leesteeken Tjétjak.

vnamp;iw/js (Q(uyi eu ojr^rj Ejiajijj\\kn. vochtiu;.

iwienikjji\\ kn. onaangename reuk , stank; vischlucht;

stinken, .un it iiinji\\ fig. voor fUj? tui ij gt;un

de onaangenaamheden en lasten van een zaak. o

un iUamii\\ de ongeregeldheden van de hoofdplaats (o/ van het rijk).

zie (un iQoji^

ei9n\' van een Vorst in de Ambia.

*jrjj *] \'E17^JI zie vn iQojjji \\

Xf^ w i wjjs zie ij run ? i \'fi nS i.n/i «kw. zva i.j i n i^ w

iiji^ ij (EJi ij dj) kw. zva. (kj f i rvi nn/jw

(ijii famp;i ui Kiji n naam van een berg (Skr. h i m a io dn ,

het Himalnjagebergte. Vrg. njh eis).

cr (F) o

(un ei ui \\ kw. zva. rn 11 i i \\\\

ll co

O

n/n .ei ui m \\ k w. zva. an cni w

Ir*

O

un m \\ kw. zva. tiwlt;hjk(i;njj\\ zuur, wrang, r/n u vi nji ru \\

de vrucht van de Tamarinde {Skr. amla, zuur;

ami a J) h al a , de tamarinde vrucht).

tuhiamp;iru/jsKN. onbeschaamd, lomp, brutaal?

(utjl gt;\' 11t ij\\ kn, ; it i ru ji^ Q ttyjs uit ontevredenheid

knorren, murmureren, pruttelen; ook zva. uinrrn

b Ca)

dsn ^frrn un/jw lt;ei tut -Jij 11 tri\\ beknorren. ij un 2 rj (e i ruijj \\ kn. wan weiachtig.— ij un 2 vj ei rj i u ju i tj ftiiviji en rj dm ij (Elavil \\ wauwelen, knorren, pruttelen.

ui^amp;i iu^kw. zva. au iui %\\\\

ayij ramp;l ruj rn/i\\ kw. zva. n (Uj ru w

(un ei (hji/j \\ zie .d iu ui,j\\

a4,

uri Euiui (Ki !uni)\\kw. zva. ^ ten, 11 [)\\\\

((en ui ïïiKW. zva. (i/ncm.aiw (iu/ieki

1

n

ajrj^ iEjI i li mjj \\

un (En -jjs KW. zva. ij maj) of i: y ui asnjj \\ — a::i ei ^ o - o

tun(e/i~jjj\\ kit. zva. gt;j,uy ki(kj_\\ of :ei ijaji kiw un ij (en ^ji2\\ kn. roede kleiaarde van verschillende soorten; gebakken klei, die ook gegeten wordt* vooral door zwangere vrouwen. (EA^ (-naji) un ij ij (Eji 2 \\ naar gebakken klei {van een nieuwe pot) rieken (smaken). — ui ij(EA ^i2\\ dm po maken.— km ejirjieji 2\\ cils gebakken klei er uitziende, bijna rijp , van de Mangga, wanneer de bruine schil een roode tint krijgt.

un Eii ^i. ongehr.; un tamp;i nn/jsKN. het gebruik van iets, om er iets mee te doen, bv. van een mes om er meê te snijden, van een pen om er meé te • schrijven\', de aansteking, het aangaan, vaneen dg aar om die te rooken, de snee, bv. van een mes; de wijze of manier waarop men iets doet.4 (tm iEjI fin ^7/ :eji dojj-s wat men gebruikt om vuur aan den gang te krijgen, zooals spaanders, — St (ei^,1 dnjj\\ snijden, er in gaan, van een mes of

wapen, in brand gaan, aangaan , vuur vatten. —

Q • .o

«ei ieji ^i(hijj\\ zva. ei (ui ^ \\ en ieji i/i\\\\ un ieji ^ji un ju ij kh \\ gebruiken, bezigen, in het werk stellen; snijden, scheren met; een mes ergens op- of in-zetten , een cigaar aansteken. 0iwiewjionbeleefde uitdrukkingen bezigen.


-ocr page 168-

i n t i ~j) \\

c)

(un

94

(fjiKfji-^\\kh. tic hoofdknol of hoofdljol van een knol-of bolgewas, daar andere kleine om heen zitten ; een smidsbaas (een talrijk kroost hebben G); een titel van oude diehters en wapensmeden, w ojii (en een heele knol, bv. van gember of kurk erna. lt;un ojt-j^ihJojicun nsn\\ een hoofdpandita, om, wien andere Panditas als hun leermeester zich scharen. — (ür\\ tj ej) i (ui Zrn ij (Ei ~ji z ihnfl\\ medicinale wortelen (vrg. nyiim? ^(wiirfw ^2y(M2(W(HTji en £?/ I1)-

i/n ij (Ei ^ i \\ kn. ; (i\'m ij (ed tut) ij (EjI \\ liet doorzijpen van vochtigheid uit een onrijpe kokosnoot. G. of ay (ui0\\ volg. Rh. olie verkregen door droging in de zon van geraspte kokosnoot vermengd met

fijn gestooten vrg. Tfnjiw

O O 7 oo-oo.oo v

am (ei ^ / n ongeur.: m (Eji ^ i \\ of n iui\\N. (iei ut; ojin kw.),

r.n^ ojiuy n k., droomen;ê^droomen. iin iej Si w (ea \\

droomen of zoo iets. vj aoi foi Si \\ of rj iim oji \\ n., mi

ojjnjinfj sK., gedroomd; in een droom verschenen. —

O o O

(in rj (eji ^HHii rjinn \\ «;./ rj oji ihw -jhotjiuh » n. , (C? ij

O „r O n

Ij iEA (Uil ~/ll IHil (hljj 0f l^j njl \'IQ U tlJn u ,

iets droomen van. — hjii rj iEjI (injj of ajii ijnji (Hi[j\\ N., njj (iji \'ilt;j \\ k. , (K) (ijj \\ of (kj njthj n kw. , droom {Skr. s w ap n a i slaap en droom) — (ui i:irj (amp;i (Hi/jN.y (K^aji(g.(Hiji\\K., het gedroomde, wat iemand gedroomd heeft. — (ijii ij iei , ? ui Sn ij ; i ~~i(k^ (hn/j^ (üi(ilt;j(t^)n/i\\ van iets droomen, dat men gezien heeft of dat men wenscht of begeert. — (eiSkeaSis kn. in den droom spreken. — (EJi Sivj (eji ^i(i^\\N. y a:rr^ (u iin ijl \\K., in den droom verschijnen aan; droomende spreken tot, in den droom openbaren. njii (e.i , ij kn. een korte bezem, gew. van padistelen , om bij het rijststampen de rijstkorrels , die om liet gat van het blok verstrooid zijn, er weer mee in te

Q Cl r, O

vegen. — i heji^kv/. zva. i:i ieji ~. j.(hfiji\\ (t.—■ an ijw ^i2(Hj\\ de rijstkorrels in liet rijstblok in vegen. (un ii (Ei (ijijj\\ zva. (uri rj (Eii uiifj\\ G.

(un eji —i^ n 1. ofd Ti (Ei S\\ kn. tegenhouding; {vrg. (un (EA Siasiin). rn(Eji^i^\\ tegenhouden, tegengaan, tegenwerken, beletten, verhinderen. — (tr?(Ejiq (ijii\\ iets beletten aan. 2. vlak v. land, tegenover

bergachtig; zacht hellend, zacht glooijend. — (tui (E.! .ui q (i/n vlakte, tuii nji ihii \\ bergvlakte, plateau.

(un (ei £?^ \\ zva. tun (eji ^./i q w

(un (ei in poëzie ook uutj n . »2^\\kn. geducht of krachtig wekend, van een middel; met bovennatuurlijke magt begaafd ? bv.v. e. Pandiia ; venijnig, boosaardig; ongelukkig, rampzalig (vrg. /jj \\ en (ei (m ). (un (eji % (un ihnji of nm (ei ~j^ m (Hi/j \\ storm; gedruisch van een volksmenigte; een verlamde toestand waarin iemand door een magti^e werking van iemand of iets gebracht wordt; geraaktheid of beroerte, waarmee iemand tot straf door eeu bovennatuurlijke magt geslagen wordt.

djii (ei ^ nkn, dl (Eji-j^p\\ mollig, goed in het vleesch van dieren gezegd; ongeveer zva. r.n wicuis\\ vun menschen, te M. vrg. lt;un (amp;i-jjnoi/is am (eji w? ? \\KW. zva. (ur^(ik(un ruw(e i .uiqnji^(eji ^i{\\

iemand met woorden beleedigen, beschimpen.

ti um ij (Eji ^ij\\ zva. (L/n(amp;i^i?s — (U if o n rj (ei . ,i ui

(Hijjs vlakte, zachte helling, Tj.

iun (Ei ^.(hi/j 1. Md. zie nnuiKW 2. Ml. zva. (lh ajj^

N. , (un i^nn (Hi/j\\K..

tuil (eji ~i zie (un ie* ~ji\\\\

c~) ) 1 • •

cun (fn ii (htji kn. zva. aji^\'uns het bestendig blijven in een besloten plaats. — i i ei Sun/j stilstaande van water dat anders stroomt, SG. en rn iej ~.i mn

bestendig ergens blijven of zich blijven ophouden.

O Tin • 0

(uii (Ei ^(hijs Md. zie (un \\ en (UKiJi/js

O • O

un rj (e i1 ? rnjl^ zie un (en -jj\\\\

n quot;) j, n a

(un (En -i (Hi/j\\ of ij (i/n En ^i an/)\\kw. zva. an)mw

:/h (Eikw. zva. unjj\\ bijéén, bij elkander

, O . O

{vrg. uikei-ji). tin iEn~ji(hijj\\ zva. an \'/ rjnm \\\\ vn (En j w ~jn (ïuaJijjs v. e. die boos is, de wenkbrauwen bij elkaar brengen, fronsen, rnn^) an Sri (En~Ji(Hijj\\ zva. (tri (EjI -Jj.nnyj^ (En~jjvqi ijgt;un^

Si En-^ iJj ^ kn. , aa an s KW., bijeen brengen, bv. troepen ; verzamelen , bv. knndigheden ; toe één gelieel bij elkander brengen , bv. verschillende

landen tot één rijk.

o o o

am rj (En -^i (Hi/j\\ zie iuh (En ~./i\\\\

o n

(^ .• I ^\'i(Hyj\\ KW. zva. (Vgt;nnin?w

iun (EjI S \\ kw. zva. (ui (Hjjj ei \\ en ij rui tj (Ei iH tijj\\ — (in (En Si ^ snel strijken of vliegen langs; regtuit bij den grond langs keilen; vrg. mn (en Si\\ v. w iei (ril iin iinw \'i\\ rakelings voorbijschietende bliksem.

— (un(enSinnMins een zetel van een vorstelijk persoon , doch minder in rang dan de rji ieji van

den Vorst {Ml. h a m p ar an ^ sprei, tapijt).

(y

(im fi^is 1. kn. liet verminderen of afnemen, van


-ocr page 169-

^ njn ri (Bi Si \\

98

IW /amp;) —? V

CY

een vuur en vnn drift. Zie ook bij asn rf.J 3,— raiamp;iS^ sllian llu\'t ecn zwareu hamev, mokeren, C P pridi i» de loembocng brengen, door er de

schoven in te smijten, S.G. strijkelings aanraken ;

/

vrg.

|iï)^?JN poet. zva. (ukckfa ^s liet onderweg ergens aangaan, kn. — onderweg aangaan, aan

gieren; een plaats aandoen. — onder

weg aankomen o/aanlanden, ^warn orruv) lt;^\\ er-gens stilhouden en aangaan. — o tm een

plaats onderweg aandoen; aangaan bij; onderweg aangaan om, onderweg afhalen,) crni mi ei ; -n an Ij wordt gezegd van iemand, bij wien iemand stilhoudt en inkeert; iemand, die vervolgd wordt, aan zijn huis ontvangen en hem een schuilplaats \' vcrleenen. — i,)i ttnys als op eens van den

! duivel bezeten. — ca (amp;i \'titrjihv \\ onderweg aangaan met; een object in \'t voorbijgaan brengen of aanreiken; een voorbijganger nitnoodigen om aan te leggen ; iemand onder weg aanhouden. — (mi if.i^ii(hijj\\ ecu plaats daar men veel aangaat, aanlegplaats, uitspanning. — (w ihn/j\\ van

iemand die gaarne onderweg ergens aanloopt.

. Q /\' O O cquot;) ^

| n n am iamp;i ir,i. j} \\ kw. zva. (in vu \\ (ni (t.i ru w

.o (.y cv -i ^ /

[ kn. zva. verzwakt, langzaam m

zijn vlngt van een vermoeide vogel; fig. slap , traag van iem. in zijn werk. WW.

1 riii ?)\\kn. tri v. d. buik dun worden. WW.

O O

11 Ij (BI 2 (Uil y

| iiirjin ^i? \\ kn. barsten, WW.

gloren v. smeulend vuur \\ smoken, Rh.

, n O\' CY

(ivi\'f i^i\\kw. zva. lt;rjtun iti ^i\\\\

o /

w ti j\\ kn. kromme, met de knieën binnenwaarts gebogen beenen hebben.— (uiajrt (fji^a\\ hetz.; krom-

been, sehraukelb^5n; een scheldwoord.

CY

.gt;nkn. cenige gelijkheid of overeenkomst,

CY CY

zweem, vjvikeji ^ir^nis ajiwn/n foi ^ i ini(wi\\ en ui

CY

midjiijmn (ea-^i \\ naar het lijkt, naar het wel schijnt, t schijnt wel alsof. — lt;ri o f i Gïn er eenigzins naar lijkeu, naar zweemen. —rjn(bi Ji\\ gelijk doen, als voorbeeld volgen; toepassen op, vergelijken. (tni Tjfun (Bi 3^ vergeleken, te oordeelen naar de gelijkenis. ^ tui (fji 1?; n rmi (eh iji\\ vergelijken met; nadoen, nabootsen. — rjasiamp;iStrri\\ lijkeu naar, 0p. ^ vi (fji ij uil (fj) ITt) \\ meer of min lijken naar. ijnm(ea zva. if (un(bi 2i - hv. (kji

CY CY x L ,

(f] (un (Ei -yi ,ui (in w — (uirj (Ui (T in liet opmaken

uit hetgeen iets lijkt; — (uiy(tn ei(Hifj\\ wat

uit hetgeen iets lijkt op te maken is.

rjun7^o^?\\kn. afdak tegen een huis aan, gaanderij

vóór, of ook achter een huis-, als die rondom het

huis loopt, heet het (F.iutw ook de vlakke rand

om een tja ping. (het benedenste gedeelte. ^

rjw\'is beneden, naar beneden. G.).

O O r O |

(in(Ei-ï ^\\ (ut (Ei ^iof oji f gt; diypKN. gal van een

beest; bitter (Ml. h avipedo e of amp e do e. Vrg.

(tn^ajuwi). — tui (Ei t i thy hetz. G. —u^ieji Ji ruy

wakende droomen en praten {vrg. an). ij(ivdrn0\\

erg. in de verste verte niet aan deuken; ook wel

11 (1/112 a i UI (E l ~~1 W

iui (EJi (^ i(hoi/i\\ schuimen, intr.

O-C/f...........

v. eiwit, door klopping; ook van zweet, bij paarden die hard geloop en hebben, Rh.

(tm(bi{-j^doijj^ kn. —(Q(Ej1 i^ani^ iets splijten, WW.

CY\' a

Tjtun (E.ii^(Hii/i\\Kii. ecu soort van iüii rm \\ waarmee men bij \'de huizon rondgaat spelen; daarop spelen. — vj an ieji {^(hii \\ aceompagneren met de

dj (UT! (E\'l f Kll/j \\

O o - ■-gt; ...

(uil (Egt;i {^jastiji of ^(unjj ( mp r ^ /) kn. naam. van een

kleine vogel {een soort van musch. G.) zoo groot ongeveer als de kanarie, Rh. 0r.niii\\ of 0if(iJid ui\\ een roodachtige ëmprit. aJi f \\ een witte ëmprit. 0rm df! 7i i/j ^ naam v. e. kleine donkergrauwe vogel, met een krommen bek, zoo genaamd, omdat hij zich aan de bloemen pleegt te hangen, ten einde er de honig uit te zuigen, Rh. 0dm dm rui \\ eign. van één van de negen Dj aw at a\'s in de Manik-maja. 0d v(Hjans of {.u^Qijdm\\ benaming van een (Vn rui \\ wamneer telkens één of tweeman voortreedt en den vijand aanvalt.

(i/iirj (Efi^ (uii/j\\ poet. het gebrul van een olifant. — (ï-nij (EA[^(isri/j\\KTl. brullen van een olifant. — (ui ui ifiEi^(i5ri/j\\ het brullen van een olifant ; het geschetter van een trompet; poet. voor gehinnik van paarden.

un (fji dniji\\ kw. zva. (ijldCj. (im/jw — (i/ti (Ei ^.i ini ^ni (Ei-^idsnji\\ dikke nevel in de bergen; vrg. (utkej^ (ui ~/n (E^ — (EjI -ui (Ei (hv -ju (EJi ui (hnijj\\ als (un (EJi ^7dm -jn (Eji^.i lui^/j\\ W. II, 20, 6.

(unrj (Ei ^ i2dnifj\\ kn. regtopstaand schut of luik om de korte zijden v. e. .Tav. dak te sluiten; vrg. /. n ij ik asijj v


-ocr page 170-

96 njn lEJi

cun lt;f.i ^ yhinj^s ook wel nj^ urifj (7npoek)y kn. zacht, zooals een kussen; malsch, zooals van vleesch ; murf, mollig, poezelig; v. e. zwakken vijand heet het t/ri(rmij ckd^a0 tkn ifji iemands hart

verraurvcn. — iï? o un \\ zacht maken; als

zacht beschouwen.

(urirrj (fji -~ji (toijj\\ (invj f i Htijj ~ ti ij aj) ihni/js zie hij tj (ui ihiyj\\ kn. iets van een ander voor zich vragen, iets afbedelen, WW. vleijen , aanhalen, zich in iemands gunst dringen. — (tn n(ea~ji uii S?»ri iu ui ikvjI^ flikflooijen , Rh. ( tji rj w un Sw ij iamp;i ini\\ door vleijen vermurwen, C.S.) zich toeëigencn, usurperen ?

(i/n rj (amp;i t 2 uH/jslüiri kn. zich dwingen

om een veest te laten, G.;, een veest laten in of op.

tur^iFJi-Ui(Kii\\kn. voetstuk, steeuen neut ondereen \'pilaar of post; fig. ophemeling {vrg. dsnm^i unjj en rj x/m ii[arry).— ^ itn Kiyj\\ een voetstuk onderleggen, onderzetten; ophemelen ,*prijzen, oo/c om te vleijen. — ajivyM u)iunjj\\ ophemeling. rttwo^ooï^xkn. hoop, zooals van zand en andere fijne dingen, ook van boonen in het béng kat-spel. {vrg. asrj ^ en ^^

i}(i)~jyi ifjibij hoopen, hoopsgewijze. —^ (Ui ophoopen, opstapelen. ^ ^mi ^ o ^

itnyjs bij hoopen op elkander stapelen, opeenstapelen ; bij hoopen op elkander; overladen met

weldaden. (un (Eji ui(injj\\ een hoop.

__O

ÏJ im ifji UHJJS lot i}rnji\\

quot;)

tj un 9. ifji \\ kw. zva. m rm

^ TJ

nsn (fJt -gt;1 un ~.m ied nz »ƒ un quot;gt;» L-.r.

(fjr) ^jï) iti —^ n nm\' v\' e\' voöe^\'

(un(E/i.^i(uyj\\ kn. opgang, opgaande schuinte van een grond of weg. —■ a-namp;i ^kixuis opgaan, opwaarts gaan, van een weg , of van iemand die een oploo-pende weg opgaat; opgaan, van een luchtbal; iemand een opstopper of oorveeg geven.

am aj) ? tuil/j\\ x/n (Efi —i (ta/j — «e? (E/i .isdj\\ rakelings treffen. Men. Vrg. n/n(E/iu) en ojigji-uiw njn (ea L* (isnjjy kn. , £1 omn ki. , ook wel als k., stopping,

inhouding; ook naam van een hoorn, die alleen tot

quot; . O •

brandhout dient, (tm (eji ^ i asn izi n iets om

mee te stoppen of te stelpen. — (vnw tjtnsii^ (\'li

nt n iets , zooals tranen, lachen, hoesten) inhou-flyri (fji ^Ji(vmji\\

den , bedwingen ; ook den adem inhouden {zonder dat quot;ademquot; wordt uitgedrukt ? Men. (ticnidoi^ urj,(ki^un(H^/jv — (ut(Tji u!ib.i^/i\\ stopping, stelpiu^ stremming. — (bi(amp;i ^(unjjs iets, zooals een bloeding , diarrhoe of den stroom van het water, stoppen , stelpen , stremmen ; ophouden met vloeijen.-(Tji (Eji t/lafti ij (un \\ maken dat iets gestopt of gestelpt wordt, of ophoudt met vloeijen.

Q c

n/n (E/i \'Uj^dni/j\\ kn. zva. a»i m \\

(ur^ifji £7 KN. het verborgen zijn. —

verborgen houden; geheim houden, verzwijgen.-

(iTjj n x verbergen , versteken, wegstoppen,

verschuilen, geheim houden; smokkelen. — irj

(ei (isn (Kiji zich verbergen of verschuilen ; ooi

v. d. zon achter de wolken.

(un rj (Ei ? mm ij kn. —- inrj (E/i ~^i 2 ^njj * trekken aan

een sigaar of pijp , Rh.

rj am 771E1 ui asnji gt; kn. een kleine soort van kreeft, ww.

: )

(ur^ u ^1 asnur^ ieji ^1 ihiijjs KW. zva. mi(irm (un ei ^i(hJiji\\ kn. het vaste overblijfsel van iets waarvan de waterdeelen uitgeperst zijn, of dat afgetrokken of uitgekookt is , zooals van uitgeperst suikerriet , koffiedik en theebladen.

(un (ui -jj Kijj\\ Ml. uitgewischt, gedelgd. — cji m

Ml. , 1U (El U^dJIJIsKW\'. zva. (EJI (Üll \\ - Off IEI U^UJ\\

ook zva. (eji rj asn nj -• P. J. kn. zva. (E/i namp;i \'n nm \\ den dood zoeken , zich zelf het leven benemen, k

door onthouding van voedsel {vrg. (in (n^ \\ hij ni

. o rt

(Wl). - ij) (El U^(Kj1 kw. zva. (El l\'l 1,1) :tlt;J \\\\

(t/n \'En kn. ; iei ieji.ui iLn (E/i 1 (uij^\\ zwoegen, sterk

op- en neergaan, van boezem of huik; hijgen, van

den adem, en van iemand die huiten adem is. -

o O o t , Ov o 1

ihn (Ei »7 (iJf (Ei ukui^ netz. (ui lt;hii uw (ui (ei ~ i(i Ji/j\\ ai-

gemeen gehijg. Vrg. (w iai (iJijfs

ijn ei ujj(iJiji\\ un ij (eji -.1 ? ojijj kn. gepoest {vrg. xr\'l ^

uil/j). — (i::i (eji ^/jd^i/js of (ki lj (iJ)jj\\ poestcn.—

iïïhiM-Jjjiuji of un(ij(iji/j\\ gepoest, geblaas; ooi

naam van een visch. i, n ieji -ui (ki e i ^ ijijj \\ poesten,

ook van te veel eten. mii if (eji ui 2 (iji v KN. 0^|

wim/i T,P. zva. gt;1 (lm?^ th2 tn 7.1^ (ijijj\\ yiin-ij

injj \'K)ji \\ of (ia nu (fff^ d^iji \\ schoorsteen, zooah

hij de suikerfabrieken. — (ün (En W-

poester, zva. (ur^ irn^ anjj en óji ij ieji ilyw

(uri (eji ~Ji (Ki^ \\ kn. blaas van een buffel of rund, waan*

men gewoonlijk de olie aan de markt brengt; ccl1


-ocr page 171-

i n y 11 hu I

97

I /I If/I - I HUJI

garnalefuik; in de spreektaal afgedaan, afbetauld, e. schuld (vrg. —

clfciSW ingekrompen ; inkrimpen. — étvi SI Mjl* iemand mollen, heimelijk van kant maken. — ,a.fiiSli-Jiquot;lgt;s een schuld afdoen, o/ afgedaan rekenen.

iLiKti -) lU/^KN. mj van paarden, rood solum-

mol, WW.«)«. w. e. grijzen tor (ter grootte v. e. i. ^ ®i( iiJijj)die uit hel masker v. e.iui^ ij m asnj^v oor komt. III. miibi iirw/^ KN. — olt;£ii?lt;ri^\\eigens aankleven, Rh. vniBiSinLy/^ ariivi0 jioèl. zva. (tJi iuw — htiiEiiJj »u^\\KN. oen Vorst of vorstelijk persoon iets vooruit- of na-dragen, 0/ voor znlk een persoon in de hand honden, voorn, rijkssierraden en staatsie-

Hukken. mki 013 n.icm ([.1 ihn/j\\ wapendrager. —

o i amp; O o

nmtui lt;ni/j\\ een zalf. ^il» Mn ~^roi w ~ji tx,yj\\ een

zak geld. — cm w Siify \\ iets iu een zak doen. — am (bi $(Ti^ anji\\ wat een Vorst of vorstelijk persoon vooruit- of na-gedragen wordt. — w m Si (rnjj\\ in zakken; bij zakken; ooA de schenkels va7i een beest (vrg. (M t* Si rufl). urn tamp;i Si ir^i mi ^ lt;ui \\ zak met geld, zakken geld. — (uitin w Situ/i\\ het dragen van. — iuniEJi~Ji rw nn/j w ook fig. het voeren v. e. bewind, het uitoefenen v. e. magt, M. mm0 een beambte daarmee belast. vnrjibi^irvijjsKif. naam van een soort van hamboe. (t/n(bi~j\\ 1MJI\\ KN. een geregt van gebraden en in blokken gehakt vleesch. — tw ifjihli foi ^it\\^Myi in klonters gestold, van bloed; als klonters of iets derg. v. hoopen insecten.

h\\j\\ji \\ ook wel nq(U)2 (lu/j en (tni ij lt;ui 2 rhi\\ kn. het zachte, zoetachtige, vleezige gedeelte van een jonge kokosnoot by de steel {vrg. vj Mg rjcrmi j); de bladknop aan den kruin van den nrèn, ook cui^ Kr. i/h tj.vi ^uvui -3(^^(1^9iKnjjs of tj (uit ru Si ijiHj.ij(iJi2 Hnji\\ een \'m p o 1 om door te hakken ; spr. voor iets dat zonder moeite uit te voeren is.

Mjjtamp;i j}(ruji\\KVf% rand, zoom. — oji ^1 t?/i\\ een

zoom maken. G.

1}vni)j(amp;i^A9irvyi\\ — lt;1^(012^1^1^11(11^ natte vochtige grond, G. in het bed wateren. — ij vu if ff ^1^12(rui\\ het bed, de luijers, enz. nat wateren.

O Q

^^fji trui ^nrf (amp;i ^ji 2 ^ oajj \\ WW. of rjOJi 2 tjru ^J12 Vf zva ikrjizi^/12 ri^w oj^r^ OJI(urirj CEJI 2 (rujj \\ rgt;ög, dien men aan den duim draagt.

ujnrj 1amp;1 ^12ilt;nfi\\KU. wat aan iets anders vastgehecht wordt tot stevigheid of om er aan vast te zitten of te hangen; een stuk bamboe dat tot stevigheid in het midden aan een draagstok gehecht wordt; ook een tegen den stengel aanzittende djagoengaar. (ui(fji0 Ti», een lamp, die tegen een muur of paal gehangen wordt {vrg. nj imi rj vt ^2 iilt;nj\\ en ij uw (tj (i^i i u nji cm (vijl rj irn 2 (Hnjj \\ ^ (rn (Faq rj ir^i 2 nrijj) — mi rj is» ^ i rtfii/j of tj (ui iti yi 2 tnijj \\ zich met armen en beenen, of met de poten, ergens aan vt^st klemmen; ergens aan vastgehecht zitten of hangen. — cm rf dji^jd^iTj uil \\ iets ergens tegenaan hechten, hangen , of spijkeren.

O OO

(un oei j/i htijj^ kn. ; (ün ti yi mi (FjI f,i H7i^\\ een opene

O \' O

rrj fji /. n -jn ihn y.i utij^s een opene

kale vlakte vormen; als een opene kale vlakte.

(im(Ui(ta^/igt;kn. een kleine aarden pot, kleiner dan

O n

(Hiiarjm imji^

£/n rj tui j-i (im/j \\ kn. stuk in de vorm\'Van een koek of koekje, van iets dat in koeken of koekjes ge-gevormd is {vrg. (Ori (Uijf rj irn rmjj). lasnw Slaji0

CV n

een koek trèsi; ook katern \'papier. ,hii nsn Os/i een katern papier. — (Qi rj (li n Sti rj ka ri wijl^ een in platte koekjes gedrukt, in een pisang-bldd gewikkeld en Jjoo geroosterd gebak. Zoo ook

O

tun rj dji 7;» am

O O

(unnrj^i^ (Hi) if t i ^7 (ir^(L.j(i^\\\\

(Hij^\\nm. v. e. wijze van dakbedekking met ü \\ i\\ w $• a 1 a 11 g, C.P. xjti ij (En mh Sti ij w ri (kïicki^s iu koekjes. mt(unvui(unjjs koekjes chocolaad.

itTirj tui; kntj(ui^.12(nnjj\\ ietsin den mond stoppen ;• den mond vullen {vrg. wrj iu2onyi). — iunrft^i ^i j^nanjis mondvol. (K10 een mond vol. (ui^m kw. zva. ()hlt;u^\\ mollig, kn. waterbel

.{vrg. a/ij(£ytji^(inyj), — ^llJ1 schuimen,

vol schuim staan; ook mollig.

7ƒ un ij (Ui -7 2 }(nj]\\ zie bij (un ij (ui ^ 2 !uii^\\ .

ij (un ■rj (Ui (i^2JI \\ kn . ecn kort, zwaarlijvig mensch. WW.

(uh tui \\ KN. (éi uji j^i\\ kijken door een gat y bv, door een venster, in een diepte inkijken.

,®\'3

Ov

(1J1JJ \\ (UI

0

ajrj ui n zva. (hJjj (ui

(LWYj (UI UKLXJI Cmjl\\KW. ZVa. (UI d^l 7J1JJ\\ (HlldOl

CiclS 1 .. (m\\ en o^^nnkn. zva. oji\'tuis een bijzit van een

voornaam persoon {en zoo ook on oji un 11 (ui ~ji(uui

(kt^) ; ook onvolkomen uitspraak voor (uirjfoi ~.j)

kale vlakte.


7

-ocr page 172-

98

O

mi yj ramp;ï \\

Lvtoap z. a. in den mond van een kind, dat niet goed praat; tp. zva. n^iny\\ een gehucht, dat tot een grooter dorp behoort.

tun rFji^jjj tnTjjs — (in iern. v. alle kanten

omsingelen en bestormen? vrg. ifv ii/ri (Et ~)ji \'Kffjlv kn. zijde van een dak. Over verschillende soorten zie Z.G. 1876, 24.

(vn iKi-JljsKü. een lekkernij van katjang-tjina of ka-(jtHé met suiker, (frtthum /Bt^jj\\ naam van een soort van pisang, anders -n ik oji ju nr? v ft/n (EjIi kn. 1. aamborstig; dampig, van een / aamborstigheid, kuchen, kuch {yrg. (8 (él); — am (Ei f?om „n w Qc^miqs kortademig. 2. sterk, sterkte, van tabak.

d/ïjj r.i Zi arijiv KN.; a/r^iEi Qnm (F.i f?^01,t en

dik van gestalte, Rh.

lt;t/nmi~ji\\Kyf. zva. rj ini ijtyn en tJi ui(mjj {yrg. crn kn. ligt, niet zwaar, van tabak; zwak, zonder genoegzame kracht en klem , van hevelen ; flauw, laf, van smaak; flauwe smaak (zie ook vji f\'i J?). n ai-Ji in\\ en an amp;i Jnini^Hn\\ ligt of zwak, ligter of zwakker maken. — ivkiti m J? ayn (Ei Ji iinarijjs middel om zwak te maken ofte verzwakken. Zoo (unat:0.

(un !FJi 3i \\ kw . zva. iKnnw poet. zva. i n ei i7i anjj \\ Vrg. am (Ti — (iTï .£/? ®i \\ 0 ij {ii^i ^ hsii rut \\ zich verschuilen in de aarde. — \\ i iamp;i ^ïoti kn. dekken, beschutten, beschermen ; iemand oppassen, bv. in ongesteldheid. Zie hij am vï. — oji t; ®ïn/n n iV i?i \\ links en regts beschutten, zooals een lijfwacht.

(eji-fVan a i m \\ zich zelf beveiligen. — vn ei 3ï viarijl of a/n f i^ii/n u^.i ei anji of cuiuti 11 ^i aji (Hi/I\\ waarachter men zich bedekt houdt; schut; schutting; zich verschuilen achter.

ajn o -J^aKN. poët. schutting, gelijk om ei ?ïw — i:i ei \\ zich onder een menigte verschuilen. — an (EiJ^ans po\'ót. zva. azKamp;i Sfans in -proza alleen fig. — am ei -jj, m (htjj of un (ei -j^ajii ei an anjj \\pobt. zva. asii tEi ?ïan mjj\\ in proza fig. een middel om zich bedekt te houden; iemand of iets waarachter men zich verschuilt, iemand of iets gebruiken of noemen om zich zelf te dekken; tot voorwendsel

nemen, G)

de proza Bah. niet fig. w j^a^umj^

tfv»fl/T\\Bab. Tan. Dj. 37, 8.

O Qv

un ei ^Inkn. een lekkernij van half rijpe, omtrent derdehalf maand oude, en dan zoete padi, dit l over het vimr gewarmd of zacht geroosterd, en dan door stampen ontbolsterd wordt. 0(im periode van padi groei, nl. de vrucht, in de laf jet 1 besloten, is geschikt om er ë m p i n g van te maken.

0nrjïïjs de vrucht is rijp. SG.---f i eji \\ (M(ei?\\\\

of am (Q ei ?i \\ lialf rijp , van de padi, als die ge-schikt is om er émping van te maken; ij ei ?)\\ ook ë m p i n g maken; iets bij voorbaat V(5ór zijn tijd genieten; vooruit, bij voorbaat, als voorschot, vragen, nemen of krijgen. — a:t(Ei?ï(S\\ een voorschot geven aan. — (qi eji3ïan voorgeschoten ; voorschot.

O

an ii(Ei -. in

de borst. -

imai ei J?\\kn. het zuigen van een kind aan een vreemaan een vreemde borst zuigen.

ana (Ei.3\\ of aii (M \\ de bamboezen of houten duiker

die de vakken v. e. rijstveld verbindt, SG. ajr^(FjiSl\\ in i^mi0 of verk. cni0\\ en verb. (T^0\\ er maar half (niet geheel) genoegen in nemen; cok nu eens vriendelijk , dan weer stug; of nu eens

goedgeefscli dan weer karig, van nn(ni\\ en vn

G) £) G)

(Ei -7n zva. (uytEi jf en (hj^E-i^iw

rj un ei Sd. groote gegraven vijver.

rj am tij lt;ei Ji \\ . zva. .yn/t/iJiw

ij am ij m Ji2\\ kn. , ► ^ asïjj (htijj en m ajr^ a^njj ^ k i. , tan

deloos, zonder tanden, van volwasschen menschen,

die hunne tanden verloren hebben {vrg. u^ajKhnjjx

ij OjI t if a m i u/1 en n ei _ï a^Jj).

Ci s o

ajij ei ic) \\KW. zva. ojTI un najri(rfi\\ (hJ^e/ilukkijj^ ojnij Ejjj^Miü. onbeduidend, alledaagsch, WW.

rjn/nny ejji ^nkn. van weinig waarde v. dingen, die of te algemeen, of verdrongen zijn door andere tan betere hoedanigheid, W W. zie am rj iejji j iLnj) V^A kw\' zva\' wanji ? W. volg. Rh. v. regen en witid am(Vb^airna^ (o. a. in P.J.) ruischeii en suizen. z\'ie ben.

ajn ÈjjjWiyf. zva. (L7)vuurrood, v. lamplicht;

ook algemeen verspreid.

ayy irjji s K\\v., ajy (ejjjj\\ of (ui^ ej \\ kn. , gonzen , zooals van een menigte muziekinstrumenten, {die iegelijk geslagen worden), en van een menigte door elkander sprekende menschen; gewag maken. -zva. ^(ui2(^jj\\

ajajn2ejji\\ en ij(uuEjjj\\ kn. raaskallen, als een


-ocr page 173-

un è? iMji \\

99

(im M\\ co

dronkeman praten {vrff. rnlt;f u\\ en iuiiS\'MJI KN- st\'\'\' vaquot; \'\'\'mnquot;d ^\'e wei\'1\'!! in gezel-sch»!) praat i ingetogen.

-.ie tij

Ar. , ook wel verb, óijflii , kn. voorganger in de godsdienst j de priester die de gemeente voorgaat in liet gebed. — of

en aïï fjt un Jli \'£1 de gemeente voorgaan in het gebed. — tut iSiamp;iiHTjj of aji iji,brhjigt;ajj\\ Je plaats waar de Imam in de moskee staat en waarheen de Mohammedanen zich rigten bij het,

algemeen verspreid, van een gerucht, algemeen gerncht (Ar. gt; \'ie^ algemeen , al

gemeenheid). — ook wel alge

meen vertellen ; ook iets van een ander meékrijgen door er meê het genot van te hebben (vrg. Sn.Bt S tuji) i en deelnemen aan het gebed van den priester door het Amen van de gemeenteleden. — ^ tj giijiMis van iemand of iets algemeen vertellen; iets overal vertellen af ruchtbaar maken.

mi tn (hamba) kw. Ml. zva. ntnxj^iwn dienaar, kn. voornmw. ie pers., tot een godheid sprekende.

O ■

(un M \\ zie un iamp;i w to f • I

17) hi\\ ongebr.; «ngisN., in de spreekt, eva. flt;n \'j

«1 m\\ in den zin van mei; en; in vergelijkingen

vergeleken met, als, dan. — kd ijihriinjj\\ ook lt;un

vjihtawfl en utt ij t t trtijj\\ hetz. — miSi\\zie heneden. ^ n o

.m^n. {i n Ji\\ kw. iSd.), K., reuk o/geur

van iets {vrg. rjamiiH)*). itjiivn^s of (^t^\\ van dezelfde renk of geur. — ^i \\ rieken,

een reuk van zich geven; ook rieken in den zin van een bedorven lucht van zich geven; naar iets riekeu; verdacht zijn V (ons er is een luchtje aan) Ö.P. 69 .; fig. naar iets zweemen; ook iets ruiken, de lucht van iets hebben of krijgen, iets merken? !\'■ 0!unSmjj\\ naar de lucht riekeu; verschaald, verslagen; kn. korst. G. 0j^hinrnj^\\ eeuigzins verwant, een verre verwante zijn. Zoo ook 0ï,^ TL) yI \'?n\\ spr. .tl fotiugt;iiii!i\\ spr. aandoening van liefde

CQ,

gevoelen, voor een man of voor een vrouw; aandoenlijk , vati een verhaal, dat een aandoenlijke herinnering opwekt. — mi\\ te ruiken krijgen, lucht krijgen van. — o^)s i i j^iv^yj\\ ruiken aan im uojji). ~ i i tj ! ^i i.j\\ stinken j

de lucht, of een luchtje, van iets geven aan, door

er even meê in aanraking te brengen. /gt;lt; unitiosii

tut^ h ii Hi^(Hjjj\\ nooit de lucht van water krijgen,

van iemand die zich nooit waschl of baadt, of

van iets dat nooit gewasschen wordt; v. e. tapa,

die geen voedsel gebruikt: if un)\' n ii:ii i.i^ nu ij t i *

rui ..li u \\ zoo ooi un in m i.i i .m ?!\', iui Q h0xl/n (I K I co s

\'\'a\'\'1quot;\' -quot;quot;Z

en rt/n ui ijii -.rui ; i fott i of )/)) t*! hil ~jn :ui tun jci /j\\ iets co co --- co co \'

dat te ruiken is; iets dat dient om een aangename

geur te verspreiden , zooals een ruiker.

O.

u \'-(gj *

iui i:i iïuiiii^ het zintuig de reuk.

iiyjiiti» I. ij un .uuw 2. naam van een boom. de co \' co

Azadirachta indica A. Juss. Nat. fam. der Melia-

ccae. De bast is bitter tonisch en wordt tegen

koortsen gebezigd. Vit de zaden wordt een vette

olie verkregen Oleum Margosae (Sir. n i m h «.).

un tui m ~.nr[ rn J!i iru do wenkbrauwen zijn als

bladen van de Imbi-hoom. Van hier Mxtn en

co

O

ij\'n2 }i)jj KI. van I n u t \' ij\\

i )£ \' zl1\' V2 7 ^M

Mi^nRN. — ,1.)«% halt\' rijp geplukte vruchten laten liggen om ze rijp te laten worden. — ajtirf

tj) ) i zva. rijp geworden.

s 1 \'o cv n

\'ii iuii \'f \'i \\ of un i i \\ en iui ) i\\ kw. zva. n un .t) _i\\ jijJ \' co \' co co \'

irrr)\\ (VI ip n n uu \\ ti,u\\ (Skr. wimba, beeld,

schaduw, schaduwbeeld) (uai^un^u. kn. geheel het

evenbeeld, volkomen gelijk, (qtim u^rjajinuuuu het

heeft gelijkenis met... — li ui UI \\ of (Si M \\ zva \' co ^ co

CY

ai M itjt \\ gelijken, evenaren. — n un (ui \\ zva. n

/-yS

O O

n w £-» w // (W iamp;i t/ (utt lt;fji \\ (ct iEji tun iEj! \\ zva. n (W ry\' CY Ca CO co

(U w? rj i m

iji/niJU^., IJl ULI. k. , breed, wijd , uitgebreid, ruim; breedte, uitgebreidheid, ruimte; ojuwi\\ ook heil, geluk, voorspoed.

o os o , \'coc/* \'t\'mi• gt;). breeder,

wijder, ruimer (dan iets anders), maken. — «tkbi

o / ,\') * o s\' O

j.n ^ï) ij un \\ (i.i LU ■ 11 un ,}iyj of irj .lu -n mi anjj en

(ui ui )x) -nirii tinjj\\ breed maken, verbreedeu, verwijden, uilbreiden. —- lii i.y injj uf t n gt; i.hi ^ u coc}\'^ met Ceu aHclel\' \'net elkander wedijveren of zien , wie ieis (bv. de borst) het breedste heeft. — ihnxjn Gjinaji of (. gt;i^ i ij jti j\\ en .Hitdjl uu ui \'ojj^ te breed.

)) un i li ui \\ grondv. van ii uu ti(/ i\\ ook wel wna.is \' \'co ( \' co ff \' co

KN., t^n un/jxKi. (Iriukcu ; iets, oj van tój .drill-


7*

-ocr page 174-

yi^^s

100

\\-ii n / lt;-lt;V

wie weet P aVr» g\' -fN N

Q

O

\\ KI. van ui

nr

ken. o) )j ,i7i 2 tj w (of ij um ij r£)\\ drinkwater.— rj wi riwMjs te drinken geven aan. —

y xn 2 ij w ui) tf mi \\ imi lt;un fa} hnjj\\ iels te drinken geven aan ; een beest drenken. ^ (urn rj iei if m rj w ihn/j\\ iji^ ivm Kti ^r^r» rn^ (rnjj\\ wat iemand drinkt, drank, wrj m ~jnt rj v w/lN met elkander

drinken, drinkpartij, — m }f 1^2*1 mmt/js huc^ rgn drinkbeker, koj) om uit te drinken,

drinkbakje, karaf. Een karaf, ge

naamd , in een gouden of zilveren kom, behoort tot de onder scheiding stee kenen van den Vorst, de prinsen en de hoogste ambtenaren.

d/jjj ^ KAtirn/i\\ KW. zva. orn irnji\\ {zva. y (E? ? \\ G.).

kn. zieden, koken; aan de kook zijn, zich opborrelend en golvend bewegen, van kokend water; beweging van een volksmenigte.

x/n (En ?s kn. het begaan, betreden worden, enz. un r i s cos e

(unwq\\ heerschend, van een ziekte, epidemisch.—

icig?^N iets, zooaïs een grond, weg, een rivier of

de lucht, begaan, betreden, bewandelen, bevaren,

{van visschen) bezwemmen j er over of door gaan;

fig. overkomen, overvallen, vj tmg\'ri ui rj 4 tin un

iuonjis geen kant of wal rooijen, van V geen

iemand zegt. — begaan, betreden worden;

fig. overvallen, bezocht worden; ondervinden. —

(hAtamp;i 7 \\ po\'ét. zva. lt;i7ï (Eii p w — (C? ei } (im n un \\ err ^ co cc\\s \'

een object laten of doen treden of loopen o/over.

— ivn iamp;i sun fji?t/n artn\\ zva. un tf/i? ld uen OV co^ ^ co^

algemeen heerschende ziekte; te begaan; een plaats

daar men dikwijls komt.

O 00 o

dm \'JE/i ;■ \\ k. van cm uj\\ en un un w ^CO C7 ^

(un^ \\ of {m b 0 e IC) N., ói kh m \\ of verk. un an\\ Md., *uh nji cui^\\ k. , (icjjtfnwrj\'amp;i ^.1 hiJirHiflH.1., een uitroep als uitdrukking van het gevoel van onzekerheid of onwetendheid: ik kan het niet zeggen ! \'t is niet met zekerheid te weten of te zeggen; O o

------TD. VOOr (UI KJ

vlt;:(Hyj\\ ook ingeval, iw (hn ofiiTt^^üri iets daar men niet van weet, hoe of wat; iets daar men niets van weten kan. rj 2 m vn \\ in zulk een hachelijken toestand, dat men niet weten kan, wat er gebeuren zal. — (tti^(uri\\

zeggen op, met Sn\'amp;tf beantwoorden. —

O O O

wm q tun 11 un \\ ijnpn zeggen omtrent. —(umvi^

CQ( f CQ, L(\\

ijni^un\'Hij^s er is niet van te zeggen, wat er

gebeurd zon zijn. — jfwgy of um vrg.

r» O o o

rfji ? \\ un fji ?\\ en ui n ? \\ KW. zva. u/,0,x cos co^ cqr l) fj\'

{een ander uigij zie ben.), ijïi^^sh., I. ui 0;\\

of \'éi(Tin un/j k. , toenemen in iets. 2 vh ^7 bïi^- k.,

toegift bij het koop en. (uh tfv? ? a-ji ^ ^ nn

met elke maand dikker worden, njh m tcuh w ?\\k.

Ccy cq gt; 1

(Qui{uiui{\\ k. toevoegsel; op de koop toe, daarenboven nog. — toenemen van zelfs vermeerderen. — o (£nq(uh nN., Q ui gt;(uii\\K., by- of toevoegen aan. , op de koop toegeven

aan. ivi (un (uh (bi(i?i\\ nog banger maken. —

00 .T

(EJi^^(un\\ zva. if-jj (U^:gt; imw

(ui^ zw bij kt^ w {w

iun (iJthn/fKN. singel, buikriem van een paard.— un iQrj ^pt rj a) n 2 \\ oversingel. — mt8^\\ eenpaard een singel omdoen, singelen; omwinden. — «mè? hjrj hii\\ een paard omsingelen met.

uniftEjMiji kn. een rustbank, breede bank om op te zitten en te slapen. — un ij (t^tm ~jn7 ^^ een baar, berrie {vrg. rjun2 riiunnnj^). (tm zie un^n\\ ook eign. v. het eiland

Amboina.

(fji (Hi.in KN. het {in een doek of sjerp) op zijde in

CO

de arm gedragen worden van een kind; iemaud aan wieu ile verzorging en oppassing van een kind wordt toevertrouwd; kindermeid j voogd, voogdes. (Aan jonggeboren prinsen worden elk twee of meer zulke ëmbans toegevoegd; insgelijks aan prinsessen, mannelijke en vrouwelijke. Zij worden onderscheiden in itm iEjImSs en i\'tt M uinhi \\). — a coquot;.» Cn^CW \'

een kind zóó dragen. 0rj Lf rj un {\\ nl, met de beenen van het kind schrijdelings, niet hij elkaar, vrg. ijimi rj ikiw zóó draagt ook een

bruidegom zijne bruid bij de iviiQiT^ iïjtVixnrjifj^ m/jx als een kind op de armen nemen of dragen (vrg, \' j) ij trnjj\\ r\'rn rj i ^ i ƒ

een bevel overbrengen. — voogd ziju aj

het toezigt hebben over; voor een onvermogende zorgdragen; pleiten voor; edelgesteenten — nm r.yij^.rnji. de plaats waar een kind, of iemand als een kind, tegen het lijf gedragen wordt; de kas, het goud of zilver, waarin edelgesteenten gezet worden. ook wel voor huwelijk?

L. 224.

01\' dc quot;l

-ocr page 175-

101

✓quot;

nil v l il it t 1 1 co

houden of dragen, fuj. voor met de

hoogste eerbied bejegenen, ontvangen of over-

O ,

brengen. —

0f fontanel, pleia/s waor de heide

helften van het voorhoofdsbeen door een naad vereenigd zijn; bij pasgeboren kinderen is die jtlaais week, maar vergroeit op tateren leeftijd en wordt hard. op de a-y^ in — \'u\'

SIV«i,|gt; eerbiedige ontvangst, huldiging van een last of bevel.

\'v^irr

den

derden dag. de dag na overmorgen.

iihiiiuimiui\\ na overmorgen; ook voor in lang

1 co f- ,)

nog niet. 7\'71 rj iin l/iirj ^ overmorgen of wat

later.

rnJi i^vKW. zvn. frl «n Hsnjw

n 11)?^in KN.; 7777jzich uitbreiden, yi i iifi ir} I \'CO \'CO \' co \'

ii 111/(11\\ zich al verder en verder uitbreiden;

\' CO

eindeloos, bv. van een verhaal, nji uti un 11 (vnz(/ei

\' cn

in^itiwi^KN. overmorgen.

-wi/wp^n wilde gedachtenloop.

s CC) CY (vn of (tin if i\\ kn. amber.

CD J CO

ui \\ geurig als amber; een ambergeur verspreiden ; zich verspreiden

van een aangename geur.

^ O s

1 n iEgt;\\ RW. zva. .cm v.n w ca

ivh\\kn. — iT)iamp;j\\ drassig, vochtig, WW. nat, co co

bv. door slijm , snot of zweet; volg. G. uitwasemen. Vrg. (im Q(}J}jj\\ dj)) (Q n.j/j\\\\

1. kn. eed of het beëedigd worden bij den

Koran in de moskee vóór de (Ei(Fji\\ (uri (ti oj) tui asn

co co (\'

de eed op den Koran tot bezwering er van. — orMN by\' den Koran beëedigeu o/laton zwe

ren. — Si /ij) \\ Ar. co

imbar, kn. de kansel of

predikstoel in een moskee. — ttn een

co

verhevene plaats voor de m imbar, waar iemand zit, die bij den Koran beëedigd wordt. 2. ook wel

K. V. dmrw\\ C.P. . dco

.0.0/ Q„Q/

l, rand of kant v.e. diepte y

een put, een ravijn. Rh. a^iSjiun Sfi\\ een zacht ^ co co

smeulend vuur, dat langzaam uitdooft, smeulen ook bv. v. e. grooten brandy die heeft uitgewoed:

m ^01 \' ^ 1™/J\\ \' i éi^éi** Ê?

^»n\\ zich langzaam aan iets wennen; iets nage-quot;oeg gelijk maken, zoo v. porties snoeperijen, die verdeeld worden. Tj.

^hco 00^ we^ KN- los, vrij {vrg i i/in ).—

n

Q,

OTjiM\\ iemand of iets los laten, los en vrij laten loopen, los laten hangen; iem. vrij laten begaan ; aan iets, bv. aan zijn drift of lust, den vrijen loop laten of de vrije teugels geven.

de beeneu of pooten den vrijen loop laten, hard loopen; zijn begaafdheden uit laten komen en lucht geven. — (uyiw\'-nw/js wat men los laat loopen; toomeloos ; een los , vrij en ongebonden leven leiden.

ruim, va7i een plaats; niet kortaf, (ruim) breed in het spreken; ruimte, ruime plaats; van de tijd, wat nog ver in \'t verschiet is ; ruimte van tijd, zoodat men zich niet behoeft te haasten, den tyd hebben tot iets. — iérrf\\\\ ruimte

geven of maken.

tun (Ti quot;gt; gt; n ook wel am iei tj n en dm /t-) ^ \\ k w. zva. (tn co f co co

(tj}(unlt;vi\\ (Skr. ambara, het luchtruim, de dampkring); KN. zie wnw — wwns (i9 0/ co v co

ifjair^\\ of liever in de lucht zweven;

en zva. ngt;) rn n/i nji ti on .

1 quot;-n nnji \\ tru^ ari rj \\j

^ (Lil tfll (LjI n) Ihj (H1JI of rv^ (Kï 15» (Hl -Jt W lUJJj \\

omzwerven. — (eklii wris boven alles uitmunten.

co

G. Zoo in (Kiom hinjn fi-n \\ (0tris irn quot;gt;i Rs. ?)

h\' co v \' \'

so j.. o

a/tlCOJiji\\ zie bij aj)nii}nnji\\

urnCtf i )jCM\\ een vergift. A.S.

co 1

(F.tfr co

y Q

m w ^ ^ -i 11 cm \\ mi) m- ) (k i .tli \\ izr^tu) {vrg. nm tQuiifj) en (vivjiuqs (kn. onbetamelijk, ongeoorloofd. G.). mii wrjnry ook wel zva, (KI IKJ IK (Hl/f\\ WW. (171 ihl^iHip K. 7 , 73 , ofuiKf.^ N., iviï if-^Ht^tL\'h (hi/j^ k. , een uitroep van verbazing: Is \'t mogelijk ? wat (of hoe). ..! (een ander zie \'bij £mrf iemmvji). — ifimmi/j\\ zva. iQ otKiru/i* Vj^fKiiji v. bloemen in menigte. — (in MiHtysKw. zva. nn rn\\ zich uitspreiden, m tf^im jamp;i nu /I \\ poët. zva. w J,Ji £ jh n/js ,l/t) r\'l \'h/f] uiiejiHiiji•- K. bij stapels en bij hoopen.— iji(ejlt;hi^ cc\\ }^\\ hoopen.

(tit kwniji (verk. urn (Hii/j \'m b el) kn. adem, geest; ademen , in de borst hebben, in een figuurl. zin in za menstelling en zooals ons wraak ademen en liefde ademen, om aan te duiden waar iemands borst als het ware vol van is, en dat hij in zijn wijze van doen uit en openbaart; zich verbeelden,

zich inbeelden, zich aanstellen als; bv. lunS.iii-ini \' co \'

•Hn (ii/iapi\\ hij verbeeldt zich Regent te zijn , of stelt zich zoo aan, Rh. ook zva- o 7 j?N


-ocr page 176-

102

(ur^

*1 zie

bij d/n ifa cm /j \\ — w ai kJim/js zva. lt;fn (M ? vn iji % \\

vrg. cun (ovenvegen, overleggen. G.).

im Qi^n (Hi/i\'. adem , ademtogt, ademhaling ; ademhalen. (KJ) 7m toijj0 kortademig, (biiyamnnijj0 buiten adem. — n/iiQuri(Hifls geaardheid, inborst (wat iemand ademt in een fig. zin), n/n0^0^°\\ zacht, beschaafd , beleefd van aard.

(tmrjzie bij (imww (im mh fj quot;v zie bij itm g ™ trtl 1N (fm wiHiyl\\Kn.; Srrwm Qt tot gruis maken

G. (vrg. (UKE/ntmn).

nrnr^Bum/js 1. zie bij 111 nlw 2. KN. liet geluid van het geblaat van geiten en schapen, tenrjwtnyis

blaten. — if/n rt w int igt;n n w itm ihi/i worstelen \'co \'co

van kinderen , om te zien , wie het eerst ëmbè q roept tot ie eken dat hij het gewonnen geeft. W W. volg. Rh. bokken- of rammengevecht; zoo vechten ; ook v)el voor aardigheid met de hoofden tegen elkaar bonsen gelijk Petroek en Nalagareng in de Wajang.

un )j/rj2 jrnji of (m bh q) KN., «5i(trj^\\Kl. 1.

een teerderder en edeler woord voor Sn ah \\ ofvni /lijf, n moeder, en dat eig. zva. lieve beteekent; en zoo spreekt een kind altijd zijn moeder aan. Ook de vrouwen van den tweeden rang van Javaansche grooten worden zóó genoemd. 2. een redewoord voor de desiderative wijze van spreken : ei lieve!

o/*je moest, of och, je moest. ..! het moest toch

, n o

wezen ! n/n rt n 9 tnv ^7»s n. , mn rj in tiurt ri _« \'co \'co li

(ui/j \\ K., ijn rf (ïji tno n (ui Md.y je moest

toch niet! het moest toch niet! In een onderstelling zva. mogt; bv. rj,rm 2ai Mogt hij schreijen; met volgende Jussief: Al mogt of al

moest; bv. rjainz^nt(VinAJ^^ajiinir^njtAl mogt hij 24 andere vrouwen bij mij nemen , enz. Zóó beteekent het dus zva. ofschoon,

alhoewel; en zoo ook am aai ^ en ojii f 1 iyr) anfj^ zonder volgende jussief, als ook avirfamp;it

asn/js naar het schijnt voor m m rj *12

O C) o /% 00

(r^armam ay aj) \\ n., rjvnid h n lt;hj hji\\ or rjatn ?arn ru% \\

k., \'t mogt welligt; ik vrees, 0/ik hoop, dat.—

O * O O O

ojnrjif urjaojs sf am forilt;Hn rjajj\\ zva. ajnrj

O o ,

Vro?^NN\'\' tlJ11 ^ W W quot;l CK!J}1K\' zlJn nioeder. — ini rj (iQ zim ^11 d/Vj \\ of rj a-mi mi oaj^ \\ ook am mt j» en fimaffl^s oudere zuster; ook tegen een onbekende vrouw zva. ons: jufvrouw, als deze ouder in leeftijd en daarbij van gelijken stand is. wn un ïjn rj ^ 7 2 mi /j of aai nn ij am i mi /j \\ Zieiz. Is de aangesprokene jonger en van gelijken stand:

(ixn(Ki\\ omdat? Rs. nv (Pakt) vm \\ besloten om,

co

het zijn moet, te sterven.

O if A n co

of ^ ^ 0f ay am 2 un ^ai

00 o O 0 • ,

act \\ (K/jrj am 2 am ^nn.o \\ of (ki 901 \\ zusje I

alt? irjtamp;nan^ (ut/j of am ? am -jnm \\ betiteling van vrouwen van geringe ambtenaren en van deftige burgervrouwen, rj am? om^aa (rri \\ de vrouw

1 1 O o » . ^O/

van den koopman, a/n rj v u a^rj(Uj \\ zva. a:ri ajia

de moeder van Mënir {zie am ah), (imtj ? gt;ojtj

717 7/7//\\ z^e !l fn $NN rj am 2 ayi ni \\ zie bij aii

TT n O

\'ri \\\\ 11. rj am 2 int asr^ im aa 0.1 rj asn on ^ \\ en a n

a)i}(j2 Gytjj^ namen van de vrouwen van den kroon-a^a^aji^a

T

-lyjjj w om /j n zie rj(ur?M

KN- 0P een hoop liggen [vrg. ajij^

iHV/f) ;

amp;1*01 V ZVl\'quot;

\'

ajt\'ri0 een soort padi.

an amp; ophoopen , opstapelen; een hoop,

velen, in menigte. n^(£wn ^i£wmji\\ bij hoopeu op elkander; iemand overladen, bv. met geschenken. — po\'ót. zva. a^ij^imjis — a.nj (hu ^YQI hoop, stapel.

rj ajn2 ook wel amifiam/jsKX. kleinere golf

of baar (vrg. am nj^ an^), vjiiitGjayam ~m2 fo£a{r)jj\\ golven , baren. — 77 ai 2 g) ffew- *} ^2 ^1] Mtm/js golven. — rjanu fa^am^ een golf tegen zich aankrijgen. — ^ tm i ir^rj 1^12awji\\ door d»; golven opgeheven, van een vaartuig.—rjai?waw\\ in golvende beweging brengen.

am if 1 };h k w. zva. aj) ai rui 9NN

co \' ^

O _ O

ajn if iri tn2\\ - anKEiri lt;un2\\\\

co \' co \'

ojii\'} 1 awfj • kw. zva. rj tm rj asii/jw kn. ai raaw^ naar zich toehalen , toetrekken een lijiiy Rh. opvolgen , den grond betreden. — amff uxm^ gevolgd, opgevolgd, G.

am ba am n zie am ja \\\\

co cci

amfoj^a5n/j\\KW. buiging, zwieping of trilling van iets dat veerkrachtig is (vrg. aj wa^). im wasii-ai fa a5njj\\ drilling van een lans, die geveld wordt; fig-

wikking en weging vóórdat men iets aanvangt. —

O

zwiepen, trillen, van iets dat veêr-

prins, vj am 2

aiirf f 12 am/j en ai a:ij \\ moeder noemen.


-ocr page 177-

.Q ,0.,

los

kraohtig igt;, zooals een lans , trillend of golvend van beweging: fig- quot;an een aangename, smaakvolle wijze van zingen of spelen. —

Q,r,ta)/)\\ iets, dat veérkrachtig is, iooah een

1 cin

hmhoeriel of hoog , buigen of spannen ; een lans

drillen, zoodat lüj trilt; v. pleizier zich een Hap

op de dijen geven en die doeu drillen. 0\'-f\'-p

Men. eeu geweer uitsteken of aanleggen; een

vracht aan een draagstok op en neêr zwiepen of

doen zwiepen, zooals om de zwaarte er van te

onderzoeken; iets , zooals een tak van een boom,

ticen en weêr zwiepen , om te beproeven , of die

iemand dragen kan; een zaak overwegen; voor

een ander pleiten. I M/.cn rt\'n lans dn\'l-

1 fn co

len; iets vooraf overwegen, 0/ het doenlijk of

raadzaam is. — ïm (Ejiaat on its zvajut i.i\'tjn in,]\\K.

CO s co

a

van M Kn rff

O O • 00

urn zie nnit^ riJjjs

kn. zacht, week, van dingen die met een schil of vlies overtrokken zijn en vocht in. zich bevatten. — zacht of week worden;

ook week v. d. grond.

o o .0

mm hi (isïi i) \\ zie (in) (f. i ? w co quot;V

rj \\} rj kn. ; ny (uivf wivnryjs iemand \\\\\\ een zaak betrekken, medopligtig verklaren.

een zaak betrokken raken —^ am tj (t i^ rj hu ^11 ^ o tie in een zaak betrokken, medepligtig verklaarden. — oj) ijnn het medepligtig

verklaren; (een medepligtige; medepligtigheid; G.). jjis^nkn. jonge uitspruitsels van rotan , die gegeten worden \\ jonge bladen van den arenboom en m^).

snuiven of ruiken ; aan iets snuiven of ruiken, van een beest {vrg. /:?^;). — iets besuuiven of beruiken.

OO

^^nkn. vochtig, van water doortrokken, vochtigheid, van den ^rrowrf; drassig (yry. tun vn nyyj en ^coVl/l en \'r,\',0,?)■ — vochtig zijn,

van iets daar het water doortrekt, zooals een aarden pot.

en tp. tree van een trap of ladder

{Sd. h am b al)) kn. maal, keer {vrg. quot;n ft ^).

o* {quot;)

(^er^c ^eer \'gt; quot;1 drie

maal. — r» f gt; rus iets herhalen.— n/n MrvKHins co co **, —\'

lets om op te treden , bv. bij het klimmen, wfi njt~jri^7;ihtji\\ trap, stoep; en herhaaldelijk. mi wiujj\\K\\\\\'. Ml.; zva. n/nrpjui/jihnj^ en

ci itj (Ei(Hv/js poef. iemand tot kind, schoonzoon, of gemalin, nemen; ook wegnemen , van zijn plaats nemen. — \' \' J^\'jV wePnenien\' — ramtêj

ru iïvijjp verwijten, verwenschen , zva.x^onon (Ln ^^ariï rtsri^ en tj int rj wiê rjihn 2y ituiitot/j\\ iu P0^\' zva\' M KinM ru/j? Men.

(un ffvj tn/)\\ kn. hulp, bijstand in oorlog (vrg. xrn

t ï^,/ njjj\\ te hulp komen, deelnemen , in oorlog, (i/rt (Fhiuji\\kn. — (Qicwu/j\\ op en neergaan v. drassig en grond, ook wel van een buig z amen bamboe of rottan draagstok\', vrg. (fmnsnjj\\ a/w i7ii^\\ kn. , i ri kiasnjj\\K\'D., moeras , drasland (vrg. m] rwry). inn zakken in een

moeras en derg.

nm ruiiy k\\\\\'. zva. nmwwkn. vergelding, belooning (vrg. ihti afwisseling; een last

ontvangen en die aan een ander overdragen; weder-

iT o O * o O

vergelding. 1.11 \'tj ttoi(hi\\ oj h/hn^i(ujiunhnnK\\v.,

O O s C* 0 „.

(un r.) wi ^,1 w winn \\ of cun (Eit tuiui- i xncHi iiU ki. , co J co ^

Ci O O r 0 O C )

it\'ll foi i^j fcj) (hOJI Of vilteMU ^1 m (KJ) 17/1 //N k.,

redewisselen, zamen spreken. n?r) (fw u di vj) ni \\ met een ander redeneren.

aj^iamp;riujlsKii. door het verhuren van vaartuigen ot lastdieren zich verbinden om iets te vervoeren ; (transportloon, passagegeld. G.) ^ gt; \\loou-

dienend verhuurder van vervoermiddelen ; vrachtschipper. i^c rr) !hf)/j0\\ vrachtpaard. — njji vaar Uiig en of lastdieren huren. — de

cur^ 1^1 ïnj! n betalen aan. — ^ .ry chiji \\ vrach t,

passagegeld, vrg. gt;is)i ié) .ai (Hi/j bij (hu Fj) \\

O o* . o a.. p (quot;) o

njr}jro\'^NKN. , )riKL, suot- * 1 KifiyyMfyflfoii^

.of mitiPiiqi/t)tüii i/j)bloed- en slijmdiarrhpehebben.

kn. het oprijzen , opstijgen, opvliegen ; opwelling, opborreling; wel, bron ; hoofd , dorpshoofd en hoofd van pradjoerits; ook zva. aj)^(rfn ajij^ ^ nuqgt; W. — ^ 1^1 nn -jy^ (F i^) njj \\ een lange smalle strook katoen langs de lengte van een stok of bamboe spits eindigende als een wimpel. — ^11 ^

hoogte rijzen, stijgen, opstijgen, opvliegen. lt;amp;i \'ïH l\'V aHn^l0U^e11^ hijgen of rijzen. — i^miz (ff iu/i\\ in de hoogte geworpen; in de hoogte; in aanzien komen; opgevijzeld worden. — \'L^\'tcY^Ui opborrelen.G. — \'ri\'V\'?lt;H x ^008^c wel\'l)tgt;n,


-ocr page 178-

iVxmV^rup

104

omhoog doen stijgen of vliegen.

een kleinigheid, een pakje, doosje enzt die bij een zwaardere last gevoegd wordt, een bijvoegsel bij een grootere last, WW. ook de punten aan de voorstukken v. e. buis. CP.

i/n 2 ^ ^111.1 fj• KN. troep ; bv. vjiutiiTj ifw y] £i ihnjj\\

wat een troep ! ook het zaaijen van veel korrels

of het overplanten van veel bibit in één gat, SGr.

am iamp;t r) iru 2 \\ of ï/n (Et 11 rut z \\ KN., dm fi -ik \\ KD., (/om co \' ^ cn \' co ^

van een zekeren hoorn, die men in het water afkookt, om rood te verwen, liet bezinksel, nni(uh

lijnfoivj(tlii\\ verk. tuntamp;iTirLig\\ ook wel asnwi) co 1 co \' pco \'

tj iti/t t \\ {anders ip: cirri) een bruine hars of lak, om aardewerk of ijzer te verlakken , tot verw bij liet batikken, ook om le lijmen, en hij koperslagers om te solderen, kh(lA/j(un ^^ ru2 (nw lt;! i rf n i 2 \\ of (^ccfl ? ^ een fraa^ lt;J v vl am d hout, daar krisseheden en sirihkistjes van gemaakt worden, waarsch. van de cassia glauca L, Nat. fam. der Papilionaceae, Fil. — t!(8f tS\\ met ömbalo verwen.

o ■ 7 •• o

tjojr} 2 ifjT^ trh) ~jn (njijj \\ zie . bij cl/ii ^ irujj \\ mi (f^ im(iw/i\\KX. inzakken , instorten ; ingezakt (vr//. (irj? urnjl en (in (Enjiamp;ffMfi). — -.. -Q

doen inzakken of inzinken.

o O »

(vn itjjjtipp kw. zva. ifji (igjjiu)(imj*\\ (n/ntnw

(ijr^ /Ei ^/ifi^nvjjsKN. -, ^ opborrelen, opbob-

belen, opkomen, rijzen, van beslag, kokend water,

enz., zva.

iy»kn. zra. (imrj (M^ ihriijj\\ maar wat dikker en breeder {vrg.\\^uE^r^ix^2(fAj^ rjar^i am^ een platte koek. ie? tfjijj rja^i ern £?) rj (rjnr^crrips met de vlakke hand op iets kloppen, ie^s plat- o/quot; gelijkslaan, zamendrukken, dzr

Ui (fjiji rj ,ir|7 nrpt (hnjj of (tri v/j

a- i ni m ij (ia nnji ty irp 2

O

of tamarindemoes. -

C^)

vjtiff (rti ^1 (amp;ifl (Tfltnyi ^ in platte koeken. 11/n iM/jritcnz cryi/js N. zva. (f/n ij flrj? (rnjj\\ nog

dikker en breeder, (kj) am (fjij^ rjarp 2 ern/j\\ een groot, dik en breed stuk of pak lijnwaad. — wimjj rf rj(lyp 2 rmji dikke stukken v. h. een of ander leggen-, smeren op? A.S.

Qv

cmj! \\m (Cl am au/jw bij groote stukken.

n/n 11^1*111^12\\KW. inzakken, bv. van den grond, een brug of zoldering, zoodat er een gat of kuil in

komt. {Vrg. óxtyj tjirp2).

cifii(F^(txji\\ Ar. anbijd, propheteu {mv. van wj-n)).

aai (i5i) (i7ii ^11 (?5i nu \\ naam van een werk in dicht. co

maat, dat de legenden van de Fr op het en behelst, un^jj^sKVf. zva. (C7gn\\

(uii ^ij^ kn. uit elkander, in stukken gaan, bv. van

een vlot 0/ schip of bloem; v. d. grond, SG. ^00

/ O /

ook fiun (gjjjw

(unrjièilj2\\ zie (Lmvj (wjjj2 w

(LmWji \'Knji\\ of im(hniji\\ ook (imii^jjdnijj ? kn.; amp;2j1 gelijktijdig een aanval doen; gelijk in de maat van bewegingen, bv. bij H roeijen\\ de vleugels of armen tegelijk uitslaan, bv. hij \'/ vliegen of zmemmeti, bij het tandakken. (irt.i.ijj ieiji\\ 1. doorwaden. 2. gezamentlijk iets verrigten. G. bv. een aanval. te zamen aans-

stormen op. {Vrg. £3]}*™ ^\'quot;coj

tiai (hn/j^ fladderen, klapwieken, de beide armen of beenen op en neer of heen en weer slaan. ^Lmt \'Yj^:-ij^2 uiijj^ kn. rist, bos , van bij de steelen of einden bij vlkadr gebonden voorwerpen, zooals een rist uijen en een bos aren van dj ago eng, volg Rh. in Banjoemas ook voor: tandakpartij (vrg. ij (uil 2 rj f\'iji \\ en 1^0112^ (Ei /j 2 rj am 2 rf (fjiji y

(Yj dm -jii 2 rj igjj 2 lt;KHji \\ rist aan rist, veel bossen bij elkaftr. — 2 rj 111jj 2 kiiji \\ bij de steelen of

einden aan een bos binden. — 7(C7* ^

iets bossen, aan bossen of ritsen binden.

kn. tegelijk, gezamentlijk.— (rui (uirj^jis po \'èt. hetz. Tj. vrg. am aji w rj (un 2 rj iLLji? n kn. zva. rj 1112 ij £gji2 Kiijj\\ {vrg. vj an21\\

ViflJI2)\' V l/n2 }l\'êoj/1 )l\'i n2Vs wordt gezeul van alles wat als in kwasten of franjes bij elkaar zit of gebonden is ; met iets als kwasten of franje omhangen zijn of worden; ben. v. e. vogelverschrikker beslaande uit het bovenste gedeelte van een bamboestengel met de takken, waaraan

lappen gehangen worden, SG. — vjW2ij

o

zva. ^ (l\'n*\'rJ—vj (Ln2lt;rj fri/i? (w\\ zva. ij rj (in 2 rj ^iji 2 iQi \\ en m et iemand gemeene zaak maken door hem aan te hangen. ^\'-12 ij(^1^2rj 11/112 ij f\'j jf 11 \\ met iets als kwasten of franjes behangen.

(imkjiam/i en ui Li (Yiio\\KN. het stilstaan, niet stroo-

co —\' co -J\'

men, van water d^i ar» wat de stroom

co co


-ocr page 179-

105

,\'■)

,1/W itA (T77,7\\ co - \'

lEillE^cmjj of tl iQ h\'Ujl \\

van uot ........... - có quot; ro

stilstaan, niet stroomen, van water, als de loop belet wordt\', de loop van water beletten door op-stopping of door van de andere zij opdringend water; ook niet gewoon te verliezen , onoverwinnelijk, hv. van een gïmak,

moerassig {vrg.

tiiiiiThtjj en quot;niun). moerassige

grond.

kn. nat, met water vermengd {vrg. im

cc\' no \\ o p o o . 11

rm/[ cn (unfoifMJj)\' nm^cm jn^nm/js natte toespijs bij de rijst.

iei(w/j\'KN, grootspraak, gezwets, snoevery, snor-kcrij; zwetsen, snoeven; pochen.

snoeversbaas, grootspreker.

de wacht honden op een plaats, om den

co

toegang te beletten; omringen, omsingelen, rond om heen insluiten; rijst mot de noodigc toespijs op een schotel van gevlochten bamboe (ajn i^n (irnjj) of op een mi /ei q \\ voor een aantal daarom zittende personen. — tun ij^vi anqs een omsingelde plaats; een schotel met rijst en toespijs voor drie of vier personen; offer, offerhande {vrg. tisti/j

... co o ro (?) o c;quot;) w

bij mi ik ihiijj\\ ij ui tn a.i \\ {iquot;i (eh mtt iejI an \\ urn (eji itj (injj \\

, G) (?) o O (?) 0 0 CO0 iüi(Ei\\ lEt (Ei ui\\ im rui (Eji cühhi/i en (ui iamp;ianaa,^ k. CO CO CO co

zie bij (unirLtw

i^ng) KN.; (Lwnrtk^NKi., zoen, kus (door met de

punt van de neus iemand aan te raken als om te

beruiken) vrg. a/ii iej \\ en i.j ojij ; am quot;ikki^ ooi\'

KW. zva. yri rj oji giw/j aanraking, en ajr^w^kkifi

zva. run cm rj oji ? mij . aji g? \\ an ^i (kojj \\ ( a i aoi

\'quot;M/j KW.) zoenen, kussen; ook zva. an^ian\\

ruiken aan; M. de voeten kussen

{vrg. ajija^). — an^an\\ ruiken aan, iemand

zoenen. — a-.i m rj lun \\ an m .ui un ^ te zoenen

geven, laten zoenen. — ajianiamp;i\\ het zoenen;

cci

zoen. — ajKwnfui -a/w^nri. van oji anw lijniei\\ ongehr. anlt;èinkw. ontluiken, zie iniah\\\\

•ï O- \' ) Q O r0

ima^\\KN.; ivn \'fnwi (EJ \\ de nageboorte {vrg. ani f]am

O r) Qv

^). luiirwajri aJajn aj\\ de navelstreng.

\'^\'rn^Kw. zva. ii^/ïrrn \\ en ani ah w verk. rrti \\ KN. in

co

zatnenstellingen, als arn ij ui asii de oostkant,

oostelijk; a^ninr^-qriAi, ain rtianjsK., de

westkant, westelijk; ook naam van een landschap

op de westkust van Sumatra ; ri am am an rrn ni tin \' (\'l

het water belet.

rj iUi asn an fj en ij lt;ei i irf ii an cm n i;n an^ Yj ax/i i anjj \\ de (vroegere) oostelijke en westelijke grenslanden van de vorstendommen van Soerakarta en Djokjakarta; vni ij (Kil iajiH22\\ aan gindsche kant, ginds. — ani ahfun \'Èi \\ k n . op eeliiken afstand van elkander,

CO CO i o J

parallel. — an ah aPi \\ omgeven, volgen om hem te

beschermen (vra. an ah (ItjnKW.). — an (Bi ani a^f an \\ x ^ co co co

o » o j, n o ooo o »

zva. mi ai an \\ of an rri icn ~jn rn a-.n w — am (eji an an/i\\ CO • co co - \'

parallel met een ander staan, am ah am ah an ann\\ L CO CO \'-\'l

gelijkheid in rang.

am ei kw. zva. a/n an Si \\ {madoer. a.jt ^ \\)kn. ;

anji a i \\ k w, zva. wnts ll\\Vr. a/i^ am/j \\ rrn anjj ajri^ \\ quot;WW. — fi^(Enan\\ iem. zijn ontevredenheid te kennen geven door een donkeren, toornigen blik. Zie nog L. 31, te M. een ander hij ^ mi è ah \\

y ani li ièu\\ aarden aquaduc, ook wel de weg of de dijk, die de eigenlijke waterleiding begrenst. S G. Mad. weg, groote weg.

èi

aai (èi\\ met iets dreigen te slaan {vrg.**(un om onin). W.P.

(Ut) iu , zie (Ej^ w am ann/n \\ ki. zie vjacit a\\.i anjj\\ (Sn-fjis een klanknabootsend woord van den klank van een bündé. mi an ah \\ freq. an asïi0 veel geluid, dat zich te zamen van alle kanten laat

hooren, meestal van\'de gamHan.

n »

am an v kw. zva. ij an cm w

o G) O)

ojii an \\ zie rj am (En n\\

am an s kn.; am lêïam (t7\\ iets dat men iemand telkens laat zien om hem te plagen of zijn lust op t*e wekken. — an a ïani a ï\\ iemand plagen of iemands lust opwekken door hem gedurig iets te laten zien; iemand \\oVkvw . aanmoedigen, bepraten.

a ij ah ^ kav. zva. a:^a^ \\

am ah \\ zie a.nj /Èjjj w

(Z) . o CO C i ^

rj om (Éi \\ of am an \\kw. zva. (Ka an j \\ en j s (Biay ani

.Uk gt; Sh an cm avi — y un an \\ iemand verdriet

veroorzaken; iemand in verlegenheid brengen. ^ rjmi an an anfls zva. miajoji qa/n anjj en rjmiaj^^ am anp in onaangename omstandigheden ver-keeren; ook ki. v. zich vergissen, Rh.

aj am ? ij ah z \\ kn. sprookje , vertelseltje; kout. — ^ (c? i ti^i i \\ kouten over onbeduidende zaken. — ^ vm n(Èi?un\\ iemand een sprookje, een leugen vertellen.— (rj am ianojiiriam ?rj ah ? (in mtjI^ zamen kouten, met elkander keuvelen over onbeduidende zaken.


-ocr page 180-

106

O ^ i/n cm \\ \\

y verk. ^tjvkw. zva. i^iut (n)^fn n^J)s ^ ) en MWMajtji of

iijicm7j\'iji\\ (Skr. agray top, spits; eerste, voornaamste. Vrg. (Lmmi). tui(m^\\ zva. l^i^ kjij^s ■im ctr^iuj ungt;\\ of 1/11 m^/^r/ti ia \\ de top van een berg.

(UHfrnMtN. het vooruitgestoken zijn van iels, zooals

de nand of een wapentuig, om er mee te dreigen.

s s * CV CY ,

mn rrn x/n mi \\ of un nm cun (tn \\ een zeker zeewier ,

de Sphaerococens lichenoides Ag, var tennis. Nat.

fam.. der Floridae Gr., waarmee gelijen gemaakt

worden. — a7tmi\\ iels voor zich uitsteken om er

mee te dreigen ; iets met iets anders wrijven; twee

stukken hout tegen elkander wrijven om vuur te

maken. — a.) rrt crn n iets wat dient om door

wrijving vuur te maken.

CV O CY s\'

i/n cm \\ un cm un mi \\ zie n/n nm w

un Tn \\ kw. zva. 11 (tui \\ overhelling, overhellen-de stand. — wms met het hoofd door den elleboog ondersteund liggen. WW. volg: Rh. voor-overliggen, hellend , nl. het bovenlijf door een of ander ondersteund. — (üi^nm nitsns een ohj. zoo leggen Tj. — un rrn \'n anji v ? helling; zie utmiw unqmm\\ ook ij mit\'* kx. zwaar, schor, van de stern.

(unnrts zie wnmw

a . o nyn cm \\ zie (rut mi w

hwrjcms zie rjcmw

(77t\\kn. rib, ribben. nwnri üliuii.iJtjjs de korte rib. (ur^nrris verk. fygt;i\\N., doch ook wel in Kr am a nmcrti {ook wel iH^cm) k. , ook, insgelijks; ook zoo, toch; wel, wel is waar; dezelfde, hetzelfde (Sd. ogé, Ml. dj o eg a; vrg innvi). tiyr^nm i cm\\ al evenwel; ook naam van een nmnrrnw uw cm vil 11 tiw ri (aJ \' \'

rjitfjiiyr^rms hier op dezelfde plaats mi urn nu gt; n^jmtnmr^aata^^ dezelfde als. ajid^ajt^rn^ oji iMa/ycfh^ eveneens; eenerlei, om het even.

O

zie nyymiw

ij 1111 on \\ kw. zva. a/rj rm\\ y un tim j \\

o

un mi ^ \\ k w. zva. foi ij (kji 1.1 w mn mi % a/n mi % \\ zva. mn \'n s i\\yn ^ n en un/ncm^mnm^s zva. u) i» rij ij) thjw — nynrm [\'isnfrnji^KN. gretig, met gretigheid; gretig zijn 0/ worden.

iri y cm2^ \\kn. — fnii m)?f\\ uithollen met de hand;

vrg. ymrj nmrj rrt? rj mt%\\\\

a . O o m any \\ zie mitijw

ivim^\\ verk. rr^ \\ kw. zva. iJ^ tui wiJJx

CX____ 1- ^____.9.«\'

een aanhoudend zwaar eu dof geluid.

iOn mi \\ kn. i. zva. i v un \\ ontluiking van een bloem; 2. opening of ontsluiting van iets, dat met een gesloten bloem vergeleken kan worden, zooals van een zonnescherm , en van de hand door uitspreiding van de vingers. Iklmi^ ontluiken; zich ontsluiten; open, zooals van een zonnescherm. — (t) mw 0nsititinojp de handen uitspreiden, Tj. — tfn mi--n tj tm \\ iets doen ontluiken; openen; de handen uitbreiden.

i/n ijnrmn n rj mi ? n

o / *C\\ /

un mi \\ zie bij ui mi w

O CV /, O Q/ O QS J ,

cun cm \\ of uncmunmi\' kn. rug va7i een berg gt; berg-mg {vrg. cnicm), Rh.

cy

ur^mi kn. iets daar iets aan vastgehouden wordt; steun; anker; steun, toeverlaat, aanvoerder in

cy CY

den strijdi grond, grondregel, ur^cmurj^cm\' paal, waaraan men iets bindt; steun in een fig. zin, iemand die een ander tot steun dient, toeverlaat;

anders m^ gt; of ui (in n~n un qs ruaMa/ryrns proces-verbanl van een aanklagt {1/rym myrti uty) en van de verklaring van den aangeklaagde {ur^ mi vjj7^ hnjj) bij de Tradata. — uym\\ iemand of iets ergens aan vast binden; iemand vast, in arrest zetten, gevangen houden. — de verklaringen van aanklager en beklaagde schriftelijk opteekenen. —

a.tijnmi\\ het geld dat voor een njtdlt uti rm\\ be-

11 , cy CY CY

taald wordt. — ij^nrris zva. uycmw — uiutjan

•gt;i.rr^\\ de plaats waar de verklaringen van procesvoerende personen en getuigen opgeteekend wordeu.

cy cy j, cy

ui 1mi ti iiaji \\ 1^ crn ti (rnjj of tjun cm ti an;; \\ steun , steunsel.

tunuiuj \\ naam van Sëtadjid in zijn jeugd (Skr.

Oeg raséna).

vj un y u^Jls KW- gt; y ^ 71 y -Jgt;gt; r) zva\'

un rvt vi ~jn n gt;(rnjjs y un? \'nui y cmtui^ van slechte hoedanigheid, niet te vertrouwen, kn. klanknabootsing voor het geluid v. zagen , schuren, enz. — y rj y~7ry zagen, schuren, vrg.

Rh.

,i/tjm^trt/j kn. niet vlot, stroef, met horten en stoeten , v. d. gang v. e. praauw, het uittrekken v. e. sabel uit de schede en derg. WW. 111 kn. {vrg. rm órp; 11 riy 11 rj un\\ iels, dat

en benaming van een ui na

cy


-ocr page 181-

rrj(un rj cmz u)ji\\

TOT

r^.iyw^r^N

lang en zwaar is, ergens op of tegen laten rusten. ^ • N RN. stelten ; naam van een soort van boe-man of bijtebauw, daar men kinderen hang mee maakt, en ivaarvau men roei zegt, dat hij op één heen loopt, ici^nmgrjiminr^s op stelten gaan. — ^irjaw (ynww/j\\ op hooge beenen, bi. ergens tiaar toe gaan , GG.

kn. gedachte, meening, gissing. — xinm ^njjs meenen, denken, het er voor houden {zie ook uwmitryj.) wam 7/n ^cmnyijjs zich onwel gevoelen.

nu ijmi i zie bij lt;rucrn\\\\

tja/mwHV/i of waggelen, wiggelen,

niet vast staan of zitten, zooals van losse tanden

of van een tafel met losse poten {vrg.

rjcm un/j) ij (lh? cmun ~\'n cm heen en weer

waggelen. — rj (fd? cm rmim^ intr. heen en

weer waggelen , Tj. — rj in t nm w un 9 m

wi/j\\ en fj itï ? in ikïi •jn td ilt; n ^ {en dit dial.

voor rj (ei gt; cnuw) cfh innji ?y een obj. heen en

weer schudden, bv. een deur. ni n/n ? lt;r»i ctrn rfn 1 \'C,

en rjium cm tu -Jt) nm tuji\\ hetz. am rj ,i ? rj rj nsn ~/ni cm rv) cm ru/j\\ een waggelende vlonder, en meer bepaald de waggelende brug, die de schimmen van de afgestorvenen over moeten om in den hemel te komen.

\'rjn/rnrjamKiijisKTS. zva. vjojïi ?. ori unjj\\ waggelen, roo-als een tol, die weldra zal vallen, en van iemand diepermantig loopend het lijf heen en wéér beweegt, ^witin/j of (l^(rnrt5))^n kn. ; a/r^ ern ia -/rj mi (U)ij\\ een

waterwormpje daar de mug uit voortkomt.

n/ncm kw. zva. njjasr^ (t

in (m (uwongebr.; vrg. nm cm tvrnjj ; tci eni nsn Jh mi «n^KN. zich verbijten van kwaadheid; woedende haat. — (uw cm an} Jtt mi nm/js het hebben of toedragen van een woedende haat of wrok.

(y^cni(ün/js zie lUYjcm(tnjjs

^ ongebr. i vrg. m^nrrjdm/j en eni rm nsn/j ^^wt^arr^asnji en nr^ctr^nsn Jr^nr^asii^ ook ifj ^ tisrijiKW. zva. (él om iisr» J!) m nsn^ ook zich verbijten van erge pijn; kermen (het wordt verklaard door (o avn im % rj nm rj o/ ? ttt m fni ot» nm

f tna/js f ] cm ^ amp;}} cru ? \\ en (fji cmi cm rrm nmn). zie 1 C\\) U CxJ

ook op (i err^ nstijj \\

?/vn tjermnsvjj\\ zva, rj \\ injnm9in de uitdrukking rj tun wj ihv/J0 voor heel lekker, ontleend aan de beweging bij coïtus, Rh. zie rjiw ^or»? n hp njnyn ^nrm(tJiji\\ rj (incrj cmt tj (f.irj cmt t-ifj TTT.

rjn.mrj nn?(M/j enz. (Fnnmirjtjjs zich om-draaijen, zich omwenden, Rh.

ijnjncïTi^KX.; duidelijk, geheel onbedekt

voor \'t gezigt. Zoo nnirjnsnirj^cr^w n/ncmru/j^Kyf. zva. artrjci^nw kn. grof van korrel; grof, ruw; lomp weg, van wijze van handelen

{vrg. (Kj arn rvtjis wiojis (kykmojiji en (uxiJinrnjf).

e R. O o W

njn nmrij) ^t)n^nj)ji^ grot en njn. nm cm vvi tn nsiyj\\

met grof geweld en bedektelijk. — nrtnriruji^ grof

maken; ruwe middelen (geweld) gebruiken tegen.

n.Tinn nin\\ kn. garen of draad van de bastvezels van

de jonge papalis van de Gëbang-palm , loaarvan

touw en grof doek gemaakt wordt; ook een

werktuig, waarmee de kapas gezuiverd wordt.

n v rrim ongebr. — njji zva. n/}i ii tm/f bv.

in A. 43, 10, zich verbeelden, zich hduden als of.

O C)

cun -r^ rvt ^m m^ irLi/j\\K w. zva. rmnmnjj, nmjj \\ mn rjerm nnns {ook zva. nm nsn G.) kn. heldhaftig, manhaftig; en naam van een günding.

n.mtfmi?7Uji\\ ongebr. zie rj cmin i/j en gt;li )f cm2 ruji (HnirjcnidiruhpKX. belet, verhinderd worden, door dat er iets in de weg komt. — nn gt;7 cm? njgt; of nn ij cm? nn nj nm ? ru n iets in de weg staan; hinderlijk; ook iem. door een vraag in de war brengen , verstrikken.

ijncrnnjifi Vin. ergens tegen stooten of stuiten, van de bénd\'a in het béng kat-spel. — nnni^r?) of in m^ m 1:n rijstuiten o/tegenhouden in zijn loop of vaart; met den voet stooten.— firtgvf^trjmi\\ doen stooten tegen.

ivn\'yti n/t/i* kn. het pronken van een pauw of kalkoen; ook wel voor rj ik rif nm nm/j\\ gebruikt. — nn arinvi^ pronken en pronkend en zwierend heen ^ en weer treden , van een pauw of kalkoen ; de afgepaste bewegingen maken , die bij het tandakken behooren.

cm nn p ongebr.; n/r^ nu n nn kn. dwaas

of bespottelijk, en onwelvoeglijk of baldadig, in kleeding en manieren ; en zva. hansworst, hofnar, A.S. ook driftig van aard; kort van stof, Rh. {vrg. njicmnv^j en do^nm nnjj).

Sd. m i jy^ m ru,^ KX. gewricht van


-ocr page 182-

tun (tii F)\\

ijtun cm

de handen en voeten {vrg. mn (\\p nn ip ini mtji

O o .

en cm

o o

^ i/noD-n^Mtw. zva. arnnnunw

— ij (wij crmnru,^ links en regts

draaijen v. d billen onder het gaan. — rinjiicm

rj rLi ~jh rj rrng fLijj\\ v. badenden. — ^ iti nrt ij rfj y mi 2

irvip heen en weer draaijen, bv. v. d. duim, links

en regts overgaan , bv. v. dikte, het dragen v. e.

zware last, kreupelheid, enz.

tyn/tid rj (rrituji\\Kii. zich bewegen; beweging, v. kop,

poot, hand, staart, enz. {nl. in horizontale rig-

ting, Kh.) heen en weer draaijing. — rj cEitrjon

rujl en rj (?:;? rj mi nyj\\ zich zoo bewegen, beweging

maken, bv. van een slang. — ij\\lt;hnyrimi(ru^fj of

tm rj ni i yj mi 11.1 fj \\ frcq. (u iSn hi) rj\'m rj mi m/j \\

overol beweging, bv. in het water, waarin door

vischjes of ander gedierte bewegingen gemaakt

worden. — in rj^ri t ijnm rujj of 1^2 rjmi rx^s

een kronkelende beweging maken.

o

^ \\gt;111 nm n.! mi zie rj tun ? mi ur^/js

S - Ci \'

t v nm s zie cm trijt \\\\

o

rj iitg cm unji en rj mn 2 cry hh ^7gt; cry unjj \\ zie rj .vn 2 nm.unjj\\

rj(un2 tj ortrt\\ K.ii. het bijna geheel uit den gordel uitsteken vati een kris. rj (tj) i ij cm \\ ook wel rj ièi i ij mi alleen met de punt in den gordel gestoken, zoodat hij er bijna geheel uitsteekt, van een kris; een kris bijna geheel nit den gordel gehaald hebben om hem te laten zien. — rj xn 2 rj nnrt \\ ook rj au rj rj nm \\ zich vertoonen.

vn ij irm lt;M/j\\K\\\\. eindigen , ophouden, asr)tuj ij mi2 (u/j^ niet ophouden , onophoudelijk. G. tun fqrjmi2 tui Sis hetz. ook asn ij pi rj ^2 ui Sis D.W. (v. e. grondw. ij om 2 (V^/js itm rf-m 2 (ujj)

mn mjj! \\ zie ij rm w

hjii ry^^n kw. zva. aji rj\'m \\ (Skr. ddj njd.). —

an mrjj^\\ of rn nrnjj\\ zva. (fJi am am (FAjjs 1. kn. zie mi njjs 2. ki. zie ajnrj om2 s\\ a/rj^mi e^nKN. iets dat men voor vast houdt; vast vertrouwen, geloof; iets daar men vast op vertrouwen kan {vrg. ajr^ m). ayr^mi^jtun lt;htt\\ wat iemand bij zich zelf vastgesteld heeft , vast besluit. — itycrn^] {ook wel ayj m M/j) vast vertrouwen op, er op aan kunnen; zich er aan honden.

rj ajn 2 nm foi/js KW. overleg, a 11 rj un 2 nri iryj- overleggen (het wordt verklaard door ru iai amxm anjj) G. dm mi (En \\ N. , a/n cm f£isK. (verk. mi^ cm (éi) gods. dienst, religie (Skr. d g am a, overlevering , overgeleverde leer), od/e/inkw. zie ben. am cm tzi üSiaji (t^lj\\ de Mohammedaansche godsdienst, wujnsn mitEt\\ regelaar of handhaver, van de godsdienst, één van de titels van den Vorst van Soerakarta. (uncmcimjjs^, dreiging, fig. voor de houding van iemand, die het doet voorkomen , alsof hij iets wil doen {vrg. mn nti (fjjj en am lèi). a/11 cm mn mi miji\\ dreiging. — an cm mi ~ii cm mijjs dreigen, met gebaren of met een stok of wapen. — itïwi crfos bedreigen, dreigèn met een wapen of gebaren\', dreigen, op het punt staan, om iets te doen.

^ •„ O

uncm\\K. zie mirjictw ajnorr^s zie mj-\\ en ammjn\\

(lw ij mi 2 \\ zie ij cm 2 \\\\

(urjjcms kn. bij een voornemen blijven, volharden (y;;./, nm (Cjtjj). G.

fl/7/^ KN\' Zva\' ^cc) \'6*1 ^ ^N toegeving. — \'7/ toegeven aan , den vrijen teugel vieren, bv. aan zijn gevoel; toegeven, bv. een kind; zijn zin geven, zijn gang laten gaan. — rj im2 rr^s toegegeven. — (lyjjj07^ inanjj\\ 1. bedorven; vertroeteld, van een kind, dat alles toegegeven of toegelaten wordt. 2. gew. cm an n-njj \\ zva. rj am 2 ij act 2 s on-uoozel. van kinderlijke onnoozelheid, beter a/ij ij cm2 (in iHijj {(ijyrjcfni).

a/tj rj rn 2 \\ KW. zva. rj i-:n2 ij(i.Ji2\\ {zie m^ an an/j 2. bij

a ri am/js kw. zva. iL/najnntyjs

•ij(un en\\ kw. zva. ra fis onduidelijk, van het dm

{verbastering van cmani airijj)

ajnccnsK\'ü. zva. \'^jrr)s ^^N i-t rjni^ij\\ geluid; uitgesproken woord of woorden; bevel, commando. nm (ut ajn am (EA \\ wat zeg je daar ? am can a /j 11 anjjs esn krijgsgeschrei aanheffen. — bevel. G.).

— (inamihj\\ commanderen, ook wel zooals veehoeders hel vee toeroepen en bevel geven regis of links enz. te gaan; iemand liet commando tot iets geven. — am vm am tnjj \\ commando, bevel.

am ani \\ kw. zva. a/n\'hn ii, aj) hïi \\ {Skr. abhi,

over, overmatig , super.)

ajhani\\vgt;tf. een uitroep van verwondering: hoe veel!


-ocr page 183-

tun i quot; j *

O

I a in \\

J09

hoe groot I hoezeer ! wat! hoe ! vnamwiiviaji S\'iuf niLi-n- hoe dikwijls wel! Zoo ooi mmcittm iv. wat zal hij boos wezen!

wk-mKi. lie Hj rl\'%*\'quot;.\'JA equot;

Mrt.iTmKN. garnaal {vry. ojj^ h en ojt rp-tnan/)). ,vlnrn\\ Jr. • geschenken (vrff. (i/num?). it^ rm

■HM IE) -JN geschenken tot veramp;napering; ijeichenken, in kippen, kapoenen, eenden of andere kleinigheden beslaande, die op de GarHtgs door de op de dorpen wonende Ngoelamas voor den Vorst, of door anderen aan den Loerah-taion , gebracht worden vntmfs ongebr.; .iyn ™ kn. 1. toestel, tuig,

voorn, wecftoestel. quot;bi1/hjnnjj (of weefgetouw. 2,, Javaansch zadel (vrg.

tuajitni/j en ivi jtti { vnnrn f

.m)\\KN. ri fl \'M\\ KI., ook Krtiwwj\\ of t i lquot;) :IJI nj\\ Kl. of KW., ojizadelen ; iemand toetakelen , een pak slag geven, ijd ï.n gt; \'tn/j\\ verk. i:n ? i/n buuwstoffen , 6v. voor een huis of brug ; gereedschap , bv. keukengereedschap ; ook spelfout voor O 3-

vntm.im.yijj\\ y ~ n i n r n {171 n/ J\' m ge

reedheid zijn.

ijdjnwi \\ kn. gezouten drooge garnalen. ï.j ^ /ij gt; ij

tj ■t\'i q xfti tv/j \\ naam van een sambH.

nyniL-^\\kn. opgezwollen; zwellen, opzwellen. — c» un i.r^ $ int ■. beginnen op te zwellen.— m v i.t)rfurgt;\\ doen zwellen. — x/ni^hnrKi^ aan gezwollenheid lijden, i/n r.i^ j vn r:f^ ^ :On .m/j \\ zuchtig, waterzuchtig.

i quot; nj^ Ar. , een gift, een geschenk urj^ i n ). i]vnimq\\ zie ri i/ni i:ii{\\\\

i/Lvim^N., ifiunvnf\\K., zieh bewegen, zich verroeren, los zitten, van een tand; Ml. 0J. kn. veraudereuj Tj. Sink. zes. y in rn r/ tn s i.u* \\ onbeweeglijk. gt;.i // y i n am {t \'n f/ art j i\'^.i11 q i u zy gingen anders (in een andere orde) zitten. — \'ƒ ut r.nlt;\\ poet. zva. tjimixm^ (ook weifelen, twijfelen; twijfelachtig. G.). rj iEii 2 .un q tj tj!Eii.\'Kj)iKnjj\\ zich heen en weer bewegen, bv. van de handen, — rjanixm % (uh \\ rj an mn % vm \\ iemand door schudding hinderlijk zijn. — ^ vm un j am ij nn \\ rj (ei xm q (un tin \\ in beweging brengen ; storen. \'rj*mccn{7j(im2nu ^tunrj un \\ rj xn im gt; rj xm urn j iun hiKhnjjs een obj. aanhoudend bewegen. —

rjtunxni^mn(mjj\\ beweging, schudding.

i/w i7n tui/j \\ K w. zva. (ic) tuar^p (iji^errr) ~nierin noi aojjn (un tuii (hnji\\ 1. kn. in de spreektaal zva. (mviiihi^

2. k. zie bij (un taw iLTi tj (cm i (Hi/j \\ kn. een vleesehspijs van draadsgewijs van ééngetrokken en gebraden vlcesch. h/itfurn? (,\'f.i ij (un (K/i) (Lii tj am i wijl buffels, die door de Wadana s geleverd moeten worden voor de offerhanden van den Vorst op de groote feesten, (tu \\n^(im ij(r.n2(Hijj\\ geld om zulk een buffel te koopen.

— (im rj arn 2 m ïj xm 2 aaj\\ allerhande vleeöch-spijzen.

rjun2(irri(hnjj Q] Rijnl. roede, S.G.

iun.xrns Ar. ibnoe, zoon.

(iyri[i7r^\\ of rjojn mJttj kn. vervallen, van een regtsvor-dering wegens het niet verschijnen van den aanklager {Ar. s)jj), vrijstelling, kwijtschelding. Vrg. ripirns). hlulii0 de acte van vrijstelling, die tot bewijs hiervan aan den aangeklaagde gegeven wordt. •«.

^.lyn^iTrjs zva. ^(hJ^vu/fs bv.

v. d. hoofddoek v. e. die dronken in slaap is gevallen. Tj.

(unii\'ri\\Kv/. zva. (utemerfos bedreigen; kn. de eerste dreigende aanloop met opgezette vlerken van vechtende hanen j ook naam van een boom {vrg. untvi).

— dj) am n zó6 er op aan \\Qo\\iQn, van kemphanen \\ snoeven. — ivrKun^iim hetz. als (C) ern quot;yi eni \\ dreigend uitgestoken houden bv. een kris; borgen, bij een weddenschap of het spel; vervliegen, geur en kracht verliezen , van reukwerk , verschaald ; ook fig. v. h. ligchaam verzwakt. — Kn xm \\ van iets daar de beste geur of kracht af is, zooals kokosmelk van de tweede pers, ook fig. v. h. ligchaam vermoeid van het tandakken, en van iem. die niet in de beste reuk staat; een ander zie ben.

— (ijtxnirn\\ en (ijl i.i vni quot;n m y n zie ben.

CY

un ui? n kn. zwak, zwak worden, van iets dat in zijn vaart verzwakt; krachteloos v. e. verordening\\ slap, slap gaan, bv. van handel. xjiOn^s verzwakken, verslappen. — unarnrn7^ow\\ iets verzwakken , zyn kracht ontnemon.

(unvmsKX. een chinesche piek; een breed slagzwaard

met een houten steel. G.

^ ry o s . s (un .im\\ .un (in^\\ zie (lt^w

(ur^ irn\\KN. het nazitten, naloopen —


-ocr page 184-

urn ^ojT^iu/i iM/js

110

cy

iemand naloopen, vervolgen, achternazitten.

s

ij lun ij ten \\

ij (Ll tj i .H \\

arm KW. zva. imnjiw

goederen transporteren ;

vertalen. G. tj vnrf .crmi ij hii\\ ten verkoop uitstallen, ten toon spreiden, bv. boeken: vry. ij tun rj \'rf(irn\\ C.S.

iifc/H^icrmKN. een werktuig, om stofgoud, edele metalen of edelgesteenten, uit een rivier te halen, ook om water uit een kuil te scheppen; en een schep om het suikersap van de eene pan in de andere over te scheppen. — rj mtnAims met zulk

een werktuig werken of scheppen ; goud wasschen

O o v X a

{vry. iLumttKtin). irjin een rivier

met zulk een werktuig werken, ij ami a.m rjojn ij

ij urn i ry) \\ een offerhande geven hij gelegenheid dat

een vrouw voor de eerste maal in de tweede maand

7j (XjII rj 171) 2 rti

V

van haar zwangerschap is.

wat met een wmn tj im z geschept of gezocht wordt. -.j aj} 2twtyajn rri anjj \\ iemand die in het goudzoeken bedreven is. — lt;L/y ij vn ij i.n 2 anjj \\

plaats waar men goud zoekt of goud wasclit.

/ .Sa/

(til 2iCD\\ KW. zva. )jin 2 ij xm 2w rj(un2(im iijn im\\ zva.

wrjnutjrYuvgt;7ijj\\ straal, bliksemstraal; kn. bena-naming van een soort van pap , van een batiks el en van een kémbangan. 0tun /li ojiui \\ storm en onweer; ook wel zich heen en weer bewegen. Had-deren {ontleend aan het zich heen en weêr bewegen der bliksemflitsen) v. zeilen, A.S. — ijccit (en iun Sn \\ hetz. van vaandels wapperen, Dam. Woe. — ^njcitccn^ 7j.Kti2(un\\ tj(toiixmtiijdJiizx.n

jlKïlt7j(l

([niij \\ KN.

zva. ij xn 2 ij tvn 2 \\ t) ihfti 2 t) (i:n 2 \\ enz

7juiig ijx:n2. kn. flambouw , fakkel, (m7jtuivjxm2ij ijxniiij tis groot van fakkel, een uitdrukking tot lof van een land, xo aar van de bet eekenis misschien is, dat daar nauwkeurig onderzoek gedaan wordt in regtszaken. 7jcum7j.i:n2(tri*9»quot;\\ verb, van H 0 0 ge Regering. — ij xm rjxmd\\ een fakkel gebruiken. — ij iTiiijxrnin met een fakkel bijlichten , met fakkels zoeken of opsporen j fig. een duistere zaak toelichten; nauwkeurig onderzoek doen naar. — 0(üixnij ^Myj^ bruid en bruidegom in de nacht van hun huwelijk met fakkellicht in hun slaapvertrek een bezoek brengen; een bijgeloovigepleg-tigheid bij de Javanen {anders ijiu2 i^j).

n

verkwistend {vrg. (un^yi^njj).

ij\\x^^\\ verkwisten, verdoen. £1 ij^xrn^^Lnrj1 het een na het ander verkwisten, doorbrengen; weelderig, overdadig. /?rj[X^i(uixa\\ een geheim verraden, verklikken. — (ui inrj\\xmq\\ verkwisting. Ar. , eign. Abraham.

ij (mi ij rij^\\ KN. — ij xn ij (^(Hiyjs in Tj. volg. Rh. verkeerd voor 7j xnTj xn^ibti/js zie echter ij

O O

Tjn/n2 xn^Kii ^tiXn^Ktijjs KN.; ij x:i2{Xn^ifn -Jti

iets in de war brengen , verwoesten, bederven, door alles overhoop en door elkander te gooijen. (i/ti ixrr^(iiiijj\\ zie xm xmw

xm Xitijj\\ kn. j (Ci xp^ nsn ~m xprj^ xmjj en ij xn 2 ij ^xny ij Tjihii ~7i2 ijix7t^2iüiijj\\ doorbrengen , verkwisten, verspillen , weelderig, overdadig {vrg. xiirjixn^q). 7j xm 2rj [xny iUmjj\\ zic bij xm xyj thiijjw (uh :v.n*11 Miyj of xti utii isri^ kn. overdragtelijke, figuurlijke beteekenis; (uitlegging, verklaring. G.) ook zva. (M!urj(uilt;amp;t\\ bij voorbeeld, Rh. auiisn ^4 ic\' lt;*£/1° overdragtelijke uitdrukking, zinspreuk. — ii?ixnin(^ii\\ figuurlijk iets te kennen geven aan. — c)xmna^xj hii\\ een flguurlijke uitdrukking bezigen van.

r)xm ■rj {im^x,njj\\KX. klanknab. voor scheuren it;. lijnwaad rits ! ook v. h. onophoudelijk praten of kletsen; vrg. iSij xn^^njjs van daar ijx:i7j• 7j iui ~m ij[xni^iüriji\\ zva. icrr^ ij .ui w miijj\\ en zva. x,i (Vj^xmxjjj\\ ruchtbaar maken , in opspraak brengen.

xmx:n(uji\\Kii. het overal zoeken, opsporen en ver-

ry

volgen {vrg. xn^nm). — ^ iemand of iets

overal zoeken, opsporen en vervolgen om te vragf.n. rj xm 2 ij ixn^2 7ijijj\\KN. beuzelpraat, sprookjes. — rj ai ij 11:112iruji beuzelpraat honden, sprookjes verteilen

. I O v f

\\vrg. ivii(friijxni rji^^ vujj). — Tjx:iiijrj^ iemand beuzelpraat o/*sprookjes vertellen. —\'tya/n? Tj i\\ji nnjj of ij xm 2 7j ij iru ~jh 2 rj lxm^2 ti^j }njj\\

beuzelpraat, sprookjes; elkander sprookjes vertellen.

3 O /

xm xm n \\ k w. zva. hji ix^ui \\ léj(hvnn

xm N ongebr.; xn ^xm^cm ~jh\\xn^(nijj\\ of0ijviii

(amp;i^\\ kn. rommel van allerlei gemeen huisraad.

0 xn rj (vn liijj \\ rommel van keukengereedschap,

^^ot^nkn. druk bezig van velen, zva. 1%

7jxm ij^Y^crYijj\\ Kü. — rj ui ij(X^cm/j\\ in korte draf loopen van een paard\\ vrg, Tj iun 7jiio^(rrijj\\


-ocr page 185-

()

ijycmn/js

lil

gt;1 \'ui t ij * lioog,

zwaar draven V. e. paard. — II. ly^nrynrft

WjP al wat, hetzij wegens mindere hoeilanigheid, lictzij wegens verouderden staat niet behoeft ontzien te worden; wat tot dagelijksch gebruik dient.

_ ij i n\' riy\\ dagelijksch gebruiken, niet

ontzien.

Imi^uv/i kn. zie hij au(cr^xr^s v. e.

grondw. slam (cr^iyj vrg.i\'i^rr^nnjfx

mul v. il- grond (volg. te M. aytiKt^ wnj)\\ gebluschte, rulle kalk; v. d. if-i mul). — x:t het

goed van een ander zich toeëigeuen ; iemand zijn eigendom onregtmatig of bedrieglijk onthouden. •—■ vnianiffjOQij toegeëigend goed.

i/rf fn vnjj en tjeun.Qt ook an i n KW. zva

j i n iii vol (vrg. nm ^ncmj^s). — wfm en rj i.i in \\ poef. geheel vullen of vol maken , vervullen. wtï y 1.71 irn nnj] of ij Kn .r.n nn onq geheel gevuld of vervuld, overal vol, van een plaats, die geheel van mensclun of iels anders gevuld is. -■ tn }nihij of rj in C-.n hij wjj1\' volheid, menigte, j iQ.im^NKN. omroering(tJry. tur^iidi lt;rrjj);

lui^ièrinvjj ook in drukke beweging door elkander loopeu. — of ^ir»trnjj omroeren, zoo

staat (in Men.) de valsche God, Oemar maia toe om het verblijf der hemelnimfen door elkaar te halen

(en er uit te zoeken), roeren door er in oin te

O

roereu. — •t\'^r.nyvjjs water dut in bewegiug is , dat bewogen wordt. — drukke be

weging van door elkander loopeude• menschen; (ook algemeen bekend zijn. G.)

rjttn tii htiji\\ zie fijj (i?niürinniji *1 tw ij i.n unji x zie ij tun if x.n ^rnj \\

WKjps of volgens de gewone uitspraak iun(iS\\ (lv ^/j/N Kw.) KI. van a-.w .t5^\\N., ^ r» izm \\ K., dienaar, dienstknecht, onderdaan (Ar. Pers. t^Ac)- wxmw gt;1MJjW^t[]ruji\\ Uw dienaar de stalknecht, Mijnheers stalknecht, t/n w} tut (cj,ieajj\\ zie — wvp\\ dienen, onderdaan zijn; dienen bij. — wrja^iHn^nkjiHtis tot dienaar maken, in dienst iiemeu of houden, (un Kn nmrj

kn. I.

hiiunifi^7^

Kn ij ut) Sri un Sm iamp;i\\ je trouw in de dienst van

isi(ü)irn\\ het dienen; dienst; dienstbaar

roiju Vader, w mïttm

quot;W/js wegens mijn schroom, daar ik in dienst

ben.

heid.— (u w q(tjti(HT/js slavernij.

nynifm itajj^ kn. omwinding, omwikkeling, omzwachteling van iels, zooals een gordel; ook slim , geslepen, geslepenhoid {Hoogd. Gewantheit. Vrg. cii im gt;(iiïi (tcyi en ^ irn it?# u\\ ^ Si m/j \\ zwach -

tel, verband. — ^ wi na -jtj, c^ti (to/js omwinden, omzwachtelen. — (lïviiui\\ of (üjamp;nxciyl\\ omwinden, omwikkelen, omzwachtelen met iets ; een wond verbinden. — i^uii\\ of (t^èrt

(ixi -/rj, iim (ui ij un \\ een obj. winden om, omwinden o/omwikkelen met; tot omwinding, zwachtel of verband gebruiken.

i^iuiji of ^i^ihnjpKVf. zva. (uirjr-»it(Yjxrm\\ en

Tl^ 6611

kluizenaar van minderen rang. n:^ x:r^(ui ~n^ nrr^(w/j\\ onbeschoft handelen; spr. van een onbeschofte y die met het krieken van den dag iets komt stelen,

of iets vragen, of ook als gast komt.

O o -o

«.\'// xm ui (iTrifj of ca im (ui urn/js en iuii un w of (cinm

m % \\ Ar. , kn. godsdienst, godsvereering,

door de waarneming van de godsdienstpligten.

(kAxm(uji\\ Pers. dhdast gt; de plegtige door de Mo-

hammedaansche godsdienst voorgeschrevene was-

sching voor de verrigting van het gebed; het water,

waarmee men zich waseht vóór liet gebed (vrg.

II.).

o

(un .vjijj \\ zie un iirj» w

(uhiUnMnjj\\KX. druk, druk in beweging, druk bezig,

met ijver in de weer,

Q n

tuy i.n (bnjp zva. (ut^umui^s

zie uV\'fW

qcunx.n ibnji - kn. verbaasd, getroffen ; verbazing; on t-zachlijk {Ar. heibat, vrees, ontzag Het wordt verklaard door ns^ vy ijj un ui \\ vrg. vjun ni Ej/j) ; ook omdraayen, zich wenden, bij het tandakken. li^ij (trn xin fónj! \\ (tiaar het schijnt) een kampstrijd, waarbij men door vlugge wendingen slagen ontwijkt en den vijand onverwacht slagen toebrengt: zwenkgevecht. — rjtcucnofri^ in verbazing zetten; zich verbazen over. — ij vivn oj asn ~m (im (tyrs ontzag of verbazing wekkend

O ^

ij (Uil d im N.; dyji ;in xji \\— rj xjii i x:n ilgt;ii rjn v:ii tiwjj \\

o

zie ly urn un aayjs ij un 2 x3i unji \\ KN. zva. un Maïïi lunjj (grondv. un iw/f), met een arm of been zwaaijen om iets af te slaan.


-ocr page 186-

•rjn/ni rj .wi iibn/js

m

ti njtwrjiüïi i u/j \\

— ij ? (irh isnji \\ roerig, van iemand die steeds op de been en in de weer is {voly. Rh. al ziju mogelijke best doen, bo. om de overwinning te behalen, ook) om de kost te winnen (vrg. tj w z mi nsnj) en iwn iijnr-n — »ƒ ieji z xm turj im \\ regts

eu links om zich heen zwaaijen. —rj wi un asn ^sn .17?» (unjl^ zwaaijen, zwenken. — tjazii rm asn -rt iiti \'ISI VKi1 N reë^s 611 links om zich heen zwaaijen met, een object heen eu weer slingeren. \'rjdfmnyenKW zva. (Qru\\ {beter roering, verroering.) — ijtEidtj rm (isnjj \\ KN, zich roeren of wenden, bv. links of regts. — 77irjittitisnjj\\ open ruim ; waar men zich roeren kan ; zich roeren 0/ verroeren ; kwispelen, van een staart; zich roeren eu in de weer zijn om zijn levensonderhoud te zoeken {vrg. ij (tjiivm lt;vn/j). al het mogelijke inspannen om een zaak goed te volbrengen. tun li??) -vi \\ KW. zva. ieji rjiuw (S/cr. abhi wdda, groot)

hjU rj m (U) ni \\ eign. van een hoofd van Sarwanti-poera. ija/mri^ndsKN. ligtekooi, slet, straathoer {vrg. rjtrvid en ;i7?2^«rj»?\\ de kost zoe

ken door een ontuchtig leven, in ontucht leven.

w^\\KN. het uitbarsten en opstijgen in een laaije vlam, van vuur, zooals wanneer er olie in gegoten wordt; het in menigte te voorschijn komen, opvliegen, opstijgen of opwellen, bv. van stof, van water of van bloed. — ^ unau/js in een laaije vlam uitbarsten en opstijgen , van een vuur; in menigte te voorschijn komen, opvliegen, opwellen, uitbreken , opschieten; uitbarsten , ontvlammen , bv. van buskruid; ook een witte staart van een beest van een andere kleur, en met witte veêren in de staart van een haan.1:11 rxAjj\\uithalen, uittrekken; gedurig meer te voorschijn brengen; ook touw draaijeu, gesponnen garen, door klossen zamen draaijeu. — (t^tiTntr^rrjttnis te voorschijn brengen, vertoonen bv. bewijzen van bovennatuurlijke kracht. (r\\^ het aldus zamen-gedraaide; ook het werktuig waarmee touw gedraaid wordt; ook wel de plaats, waar. te M. de klossen of het toestel, waarmee dit geschiedt, Rh.

opvulsel, aanvulsel v. e. haarwrong.— (tyièri ruyi \\ een haarwrong opvullen met neteldoek of mousseline.

rj(un2r.it kw. zva. tjiunvjnmim/i\\ wending. —

if iuïi 2 ij ii:r) (w/j\\ kn. de kruk van zeker soort vau

boor; fig. zva. hjï) cei voorwendsel, iets

dat men tot voorwendsel gebruikt, (rvt cut aaj

knik met vier wieken , om iets rond te draaijeu.

lurtnjjjkn. een model dat plat is, een patroon

bv. v. papier. — Si tun irnjj \\ iets naar een model

maken, WW. ook zva. itIern/j\\

ij (un rj nm niijj \\ kn. kleine vierkante schotel, bak 01\'

bord, van gevlochten bamboe , waar de gekookte

rijst op gedaan wordt om koud te worden, of ook

wel om van te eten (vrg. clii ilui .hn/j en un rjrj \'twjj)-,

ook tun if irn nnjj of rj0.11 tj\\ een los

vloertje van gevlochten bamboe, bv. in een maize-

val, daar het lokaas op gelegd wordt.

(i7nvnjjtjl\\ Ar. . , eigu. van den duivel. Satan.

O gt; ** *

itgt;n irj) rrii^\\KN. het geheel openstaiui, ho. vau een deur of venster. — Sijn lt;rn^\\ geliecl openstaan;

ruimte, unrtasni

geheel open, van een

ni\'trijp geheel open en bloot te zien zijn. — « ™ ïrfi \'l quot;n N vv\'j(\' oponzotten 0/laten staan. L-n \\ kn. of n. , a/r^ rrn ani k., tijdsbepaling, \'je-paling van een zekere tijd waarop iets zal plaats hebben ; belofte of beloven , van op een bepaalde tijd te zullen komen ; ooi wel belofte van iets te zullen doen ; uitstel van iets , of uitstel van ic\'i vragen; tot een bepaalde tyd, met belofte om het dan te zullen doen j geregtelijke aanzegging tegen een bepaalde tijd {vri/. lij), i./^ i n l it 1 :i aanzegging om op een bepaalde tijd voor de rechtbank te komen om tegen elkander verhoord te worden. 1;^ i,n iu y in 11^\\ aanzegging, dat ecu eischcr in een zaak, die met drie zitdagen niet verschenen is, van zijn eiscli vervallen verklaard zal wezen, indien hij met nog drie zitdagen niet voor de rechtbank verschijnt. (Q\'n nsn^ir^ión mM

lt;rrii\\ schriftelijke aanzegging van boete, indien de

Ci/

gedaagde op de bepaalde tijd niet verschenen is. — «niLTjorn een tijd bepalen, afspreken 0/he-loven. — in i.n hj \\ r.j un rj crnijj \\ iemand ecu tijd bepalen; een bepaald uitstel geven aan. — «jiiivri itw wjis onderlinge afspraak; elkander beloven.

quot;\'l \'ci?^ KN\' 80\'l\'^el\'\'nB (vr9- quot;^l \'^l1

schitteren.


-ocr page 187-

zin iryji HV^/j ^

,viir]iui:t.r. zie léhiuviMw

,im,t7riiamp;i®»\'gt;KW. «»«. .ui iiji .tril \'

.^igyjxKN, bij drommen (w^. i^). luiy^tiJ^^ bij dromineu en troepen. — ^rommeu

zich verzamelen.

(iM.ijicrn/j * KN. geheel vol en (uhtóti

KVJl). G.

y rrr^N oo^ wel ri(unrj(tm Hiiji\\KX. zadelklep,

kleppen of schilden aan weerskanten van een Ja-vuausch zadel, die alleen een illi en bnude-

tjom mag hebben. — njiiivjrcneen zadel van zulke kleppen voorzien. — lt;rj wirj rw afö ij joi \\ van zulke kleppen laten voorzien. — rjivn ij in w^n/j of Tj \\jn rj tm ij cm ^n) ijxm cm m/j van zadelkleppen voorzien, met zadelkleppen.

(lii in i\'Hjjn KN. iemands adem of azem ; de wind of uitgeperste lucht van een blaasbalg {vrg. cuï^asn cnji).

— miüh\\ ietsy zooals een spiegel, beademen; iemand iets aanblazen, ennam vm(irn^ wji of iwncan r.n^ door het voorbijschieten van iets, zooals van den bliksem of van een kanonschot, aangedaan worden, zoodat men als het tvare door de lucht er van getroffen wordt.

KN. geblaas, zooals van een blaasbalg {vrg. m r.ti r.njj en (Crt MfLrr^r?» \\ wind met een blaasbalg maken; met een blaasbalg aanblazen. — ^ blazen of wind maken met.

— \'K)ji\\ blaasbalg; tot blaasbalg bezigen.

— miSw ^i^xrn^cmfjs met een blaasbalg gemaakte wind.

(trnvns grondv. ithnn, , k. , rood of rood

bruin, nmtrnasr^ un donker rood. ls: m chi xin \\ lieht bruin paard, ctvnjji^/na^ns roode rijst, een slechter soort van rijst, im up ^w\\rood Samarangsch gebatikt, v!a5i (Lm nfn \\ gloeijeud, rood gloeijend ,

ijzer. — r.i i:n \\ rood maken, rood verwen. —

O . )

(CitrwN rood verwen met /. y ty {of ojtthii WW.),

opnieuw rood verwen met; vrg. ï.n ijip n.i/j\\ nrt)

pass. — »77 uii(éi\\ rooder maken, ui ihi Si ij

rood en blauw worden, spr. van iemand

die in groote verlegenheid alle mogelijke moeite

doet. — ei ifgt;; ui rjuns ut jHyj \\ rood

maken, maken, dat iets rood wordt; rood noemen.

i n Dihnj^s iu \'t rood, wordt door de santri s

iL\'n arij. 118

een ongodsdienstig mensch genoemd, die zijn godsdienstpligten niet waarneemt {misschien van de roode of bonte kleeding en de roode lippen van V betel kauwen), in tegenoverstelling van ij ói2 i ^ (l?ii s ilii (hi/j , zooals de santri s zich zelf noemen, zie a^n liri int (htji — jj iihinhi of i:ri gt;m \\KW. zva. (un i\'i}\\ en titel van een zoon of leerling van een priester of kluizenaar\', kn. benaming van een ziekte in H rijstgewas {een ander zie bij (Uiixrii). dji ^ri im if-^\\ op de wijze van Bambangs. — 1,1 Mncr^iKuii(Uin bijnaam van Srikandi, nadat zij in een man herschapen was. i ii t\'i ij uuhn w^nKN. het morgenrood, un uuuniuunnji\\ schoon van ligchaams-kleur (ligt bruin, Kh.). .ündhi {of un (unjtj (ui ^niiu^ {yijj\\ spr. voor de uitgestrektste magt va7i een ambtenaar, zooals de Rijksbestierder, ariinoi^0 met de uitgestrektste magt bekleed zijn. — (un un ui (hijs rood gemaakt; rood gebatikte stof; op nieuw rood geverwd ; naam van eêh roode vogel, die zich op de rijstvelden ophoudt; ook naam van een zeevisch. ij (un 2 m 0 volg. te JM. tegenover 0(L^ ihii ? (un gt;i^ji (santri\'s , uiterlijk-godsdienstigen) geen heilig boontje, een heertje.

(un (utj\\ (Ui (iTr^ \\ zva. (un ^ ui ^ w ijri i:n \\ {grondv. irn Y KW. zva. i/n cm cm j\\ kn. toezegging , belofte, tot belooning. trn tin\\ hetz. in een onbepaalden zin {zie ook i/» un). — ui iins en ,i m ui di - iemand iets tot belooning toezeggen , be-loven. — usi un un un \\ KW. zva. ui cm cm -jti cm kn. allerlei toezeggingen doen aan, zva. dna^ahw

— ti urn unnri (un \\ een obj. tot belooning toezeggen.

^ a* o Q. _ quot;) -

(un i:7ï\\T.I). — ui (un \\ -(Lpi ij unurqciiituijis of ij ik?

cm (ia/j\' in Tj. passim.

•(un(amp;n\\KH. omtrek, omloop, rondte in den omtrek. un un iijrj iun \\ ronddraaijen en rondloopen , rechtszaak , waarin het niet tot een beslissing komt^

— \'EQ:iïn\\ draaijen , in de rondte draaijen; rondgaan , rondloopen, in de rondte gaan; omgaan, omheengaan , omheendraaijen; een omweg maken; in de rondte j draaijen , omwegen maken , Jig. voor geen bepaald uitsluitsel geven en uit vlugten zoeken.

— uni unn in de rondte gedraaid; in de rondte gevoerd worden; er van draaijen, duizelig worden.

— (i7^ irii (uiji un \\ door draaijen en geen bepaald uitsluitsel te geven om den tuin zoeken te leiden ;

8


-ocr page 188-

%

uil i un lt;ijn lt;1771 n

114

quot;TT

een rechtszaak sleepeude houden door niet tot een beslissing te komen. — fty vti i?j\\ omgaan, omloo-pen , omtrekken , omrijden, een toer maken om ; omringen. — r» itm nu aj) rq ihh \\ rondvoeren, toeren met. — (ui^ (W (htjj » om iets rondloopeud; rondloopend, rondtrekkend, reizend, rondzwervend.

o cy

(ij)0\\ één rondte, ééns in het rond ? {vrg. utkio^i (Hyi en 0^,11 u(hi), ayi^ in) isi^ iïti w (hi/j* om iets al rondloopend ; om elkander heendraaijen. — ^ gt; ?n een kring, gevormde kring, cirkel, of

hn(hi^un\\ in de rondte, een kring, van alle kanten , omgeven qf omringd.

lt;L^(tr^\\KN.; toegeven aan, niet tegengaan

en begunstigen; medepligtig door begunstiging of protectie. ^ (; vh rj an (w \\ zich overgeven aan de slaap.

rj run ly irhi \\ rj a/n ij tiin rj (trn rj nin \\ de windvang voor de iPn r.n -r» iui^ op de sawalrs , SG.

?}(i/»i2 ?^lt;trn\\KN. zwengel, schroeveslentel, draaislinger; wiek van een windmolen. — voor loon

batikken of naaijen. — ri vmifarn azis aan batiksters betaling geven. rj(um q(irn (in zva. \\

en loon voor het batikken.

Tjnm 2ij(i-ri? \\ 1. kn. zich verbranden (vrff. ijtumvn). (KnanAtj(un 2 ij.i:n «?n n. , un iiïlt; rj njn 2 ij nm ? • k., brandhout. — 2. N., «7n^\\K., het branden van een vuur {Skr. h-a sm a, asch). — tjan2 rjaing\\ a/n in

brand steken, branden, verbranden ; bakken, van steenen. mi 2 un :Cni n in brand ge

raken. r^djmihi^0 brand, een huis in brand, xm

\'Yj föi unz rj ning \\ geheel verbranden , afbranden. —

. o .) a r

i}j m z ij am 2 11 \\ n/n N \' • mv- v- 7J kquot;\'? r/17^

2. om iemand of iets, bv. onder branden;

iemand iets, J)V. zijn huis, in brand steken. 7^1 ur] ?

*! icm xn (Kifls \'un (i.n ij (ij) !Hyi\\ door brand lijden,

brand krijgen 0/ hebben ; ook van een plaats waar

brand komt. — vj tui2vjaïm an if nm \\ i/n

iïnchnjj\\ 1. een oi;\'. branden, verbranden, in brand

steken voor. 2. {van rjMngtjtiim) in brand doen

raken, brand veroorzaken, doen branden, doen

verbranden. 3. iemand iets laten branden 0ƒ bakken.

— un 2 tj un i an iw/j of vn 2 tj xin 2frj(uti2 rj tin i r.t

Itrijj SN., if: n u n rj iki nnjj \\ K. wat te b ran den of tc

bakken is; een brand, die plaats heeft; brand, fo;.

in een bosch; fiet verbrande; afgebrande plaats.—

O r O

hji rj r:i 2 rj i n 2 ir» i}n/j\\ aji i rtj m tni/j of lui (Lrrj ui /.y

en)n\\ plaats om iets te branden of te bakken, ^00-

als een /mZ/tbranderij , ^ö^ó\'bakkerij. (ui rj uu

ijx:n 2 xn iHyi \\ brandstapel.

rj (un 2 xin x. n i-fi * slingeren, heen en weer slingeren;

slinger van een klok; zwengel van bamboe om

vogels te schrikken; en een kettingkogel.— ^xjn2

xinx/nxrh(Cïikij\\ slingeren, zwaaijen bij het tan-

dakken.

o

xjï^ xin rrn \\ zie am x.n xm w

; xjn xpx/n xp^ de kleine lokjes aan de slapen , die niet meé opgestreken kunnen worden. — (E\'inp\\ of ui xp m xp 1. hetz.; 2. it/i np\\ zva. cun wjjlcuYj^ agjj.171 (Hiji\\ haarkvulling , kringsgewijs gegroeid haar , zooals bij paarden aan het voorhoofd, de borst, de nek en de heupen. Bij paarden wordt zulk een isjtap voor een goed of slecht te eken gehouden.

x?n xp\\ kn. de schijn of het voorkomen van iemand van iets te bedoelen. — x?) ipx?nxp\\ op iemand of iets een oog slaan of geslagen hebben, een geheim verlangen naar iets hebben.

xjii x^i n kn. gehaast, gehaast zijn, druk in beweging,

in de weer zijn uit bezorgdheid, WW.

xmxp s kn. druk bezig zijn met iets en in beweging bij het verrigten van een werkzaamheid zonder zijn plaats te verlaten zooals hij het fijn wrijven v. h. een of ander enz. Vrg. xjti m \\ WW.

ij xm 2 ri xp ij xjn 2 rj xp \\ kN. naam v. e. kwaden geest : ook een soort krekel. WW. ook naam v. e. vogel, xix 11 rj xp 2 \\ kn. in de spreektaal zva. x~ri tui\\ kunnen, in staat zijn.

x-ii xp hnjj\\ kn. ; xjiixp 1, n ^n r^i nnjj\\ iets dat tot afsluiting of omheining dient, om voor beschadiging te behoeden; afsluiten, digtmaken, belemmeren. xm xp icnji ongehr.; x-i xp nn ~rri xPnunjj \\ kn. een laak verzinnen, uitdenken, verdichten (o//^/y^rbijéén-denken, en eig. zamen met elkander verbinden), r » xp m ti ~fn xp kw (ui \\ woorden verzinnen (bijééndenken), maar wat verzinnen of bedenken.—lunxp un^nxp de gewrichten of verbindingen van de leden van het lichaam {of de kraakbeenige bindsels in de gewrichten; vrg. niiuxguui/i en xjiyrnnu

(til 7Vf/J\\).

f n ut it gt;1 /j\\ zie (un u ^njj\\


-ocr page 189-

O

tur)i^lt;Knji\\

115

tf (un i op ihnj \\

ei0\' zva\' 1clanlena1)\' woord

voor het geluid van de onderlinge aanraking van twee harde lichamen; vanhier zva. i n Lj \\ aan elkander zich aansluiten; fig. zich weêi met elkander vereenigen en op een vriendschappelijken voet komen, van personen tusschen wie verwijdering heeft plaats gehad (vrg. (ui.in im/j en m ^ gt;*quot;/})■

_ lunhjMnjj^ vriendschappelijk omgaan, in een

goede verhouding staan, met iemand. — ^ i.«^\\ hete. aan of in elkander passen en sluiten , C.P. — u*! rj uTi \\ personen weer in een goede verhouding met elkander brengen; bemiddelen , koppelen, onderhandelen, ^ ij hugt;

door zijn bemiddeling een huwelijksverbindtenis zoeken tot stand te brengen. — r) /.»gt; if un \\ op een vriendschappelijken voet brengen.

(un tip urtjj en m up unjj\\ in de spreektaal zva. (k i tip ip

eCÏ o ^) o .00 .

hiijj\\ü. {liHUt Hnji of (ut h n ui *n)/jsK.; zie np tip HV/j)

weinig, een weinig, ecu beetje, een kleinigheid.

00 00 . j ,.. o o o

i n ip 1.11 - n rp /. nf^ \\ zie ook bij tun rvt ttoijp tui untic^

ij tui tfj) ip tip 1, nji ij \'i\'i dtuhtip hiiji \\ gij li ebt een drop -peltje, twee droppeltjes; d. i. gij bezit een klein stuivertje, of wel een goed stuivertje. 2. kn. rusteloos, gedurig in beweging zijn. WW. — ijtitip mi Sn tip un u-njj \\ hetz.

tuli ij ip? un^ gew. nSir) ipt wnjjnn. in de spreektaal

10 //

zva. thJiiiK \\ een.

ayfj ip ilt;iijj\\KN. druk bezig zijn met iets en toch niet verder komen, sukkelen, treuzelen. AVW.

p unji \\ kn. iets daar men iets mee aanraakt; een wapen om mee te schermen; met een wapen in de hand schermen; volg. Rh. vooral met een piek {grondv.iip hnj^\\ vrg. wyj), (ur^ tip tunop unjj\\ iets daar men iets bij herhaling even mee aanraakt of peutert; iets aanraken. — iiytiptHnjj\\ iets met den vinger of iets anders even aanraken; tegen een wapen bij het schermen slaan. tL^ip nn ^np khj\\ bij herhaling aanraken, peuteren; op eenig-erlei wijze aanroeren of komen. — im 1:1 tip unjj\\ een vuurschop. ^xm ni0 een klein kapmes (Tj.), Rh.

zva. (ur^fEjjtKi^

ij tun ij tip 2 kvji \\ kn. het plat, de platte of vlakke zijde, van iets. — ^ foi ijip?(hvji\\ vlak of plat van iets, dat aan één kant minder bol is , zooals van een plat aangezigt. ija/n ij tip ? ijtiai -jutj tip?ttoyj\\ een soort Spaansche vlieg, te M. in de spreekt, zva. tun tui am ail n k wans wijs , enz., ook ergens voor spelen , hv. voor paard; volg. R. ook zva. wi tuiaxi tui (uyj^ iemand iets wijs maken, foppen.

^ tun i tip unjj^ kn.; ijam i rp ij un -ju 2 ip noyj \\ een stok, dien men gebruikt om ergens bij te komen , daar

men anders niet bij kan.--ij uittiprj un ~jn? n^t tunjj\\

ergens zoo met een stok aankomen of raken, rj tvn 2 i]tip2lt;rj .un ^T) tij apt tun/js met een stok naar iets voelen , G.

ritiyti? iplt;unjj\\KX. zwak, vermoeid in de leden of gewrichten , knikken. Vrg. ij tun 2 tip tunjj \\ — ^/? dp iai ij un\\ vermoeijend , zoodat het de leden doet knikken ; bv. 0ff5i uii lujj van een lange voetreis, tf nm 2 y\\ tip un/j en ijtvn? tip iuh -ju tip u njj \\ 1 os (niet vast) zittend, zoodat het heen en weer wiggeit, hv. van een losse tand. n^a^inpthm ^aptunj^y wiggelen. tj tun 2 ij tip 2 tunjj \\ zie rjtun? itp un/j w ij iyn 2 tj up ? lt;n luri ai 2 r^ti^i? unjj \\ het geluid, dat de dni ij mi tunjj maakt. tui^ ^ (hnjj^ ongehr.; ti^ ^ tvjij n kn, de gesneden padi, nadat ze gedroogd is, van de bladen, die nog aan de halmen zitten ontdoen {zie tfji rj tim nsnji\\ en 1:11 7/ Ojiasnjf)— lUTj y of ajt^ y asr, ^ ^

die afgetrokken \'bladen, anders tinrirfjiihn^

o .00 - o

turj tip ongebr.; iiyy up ui ^ ui (ui^trnjj of tip tK/i ~ji^

uptu,i^i (ui/j\\ minnekozerij , bijslaap.

(^vj np kn. een soort van sprinkhanen. WW,

rj tun ij (ip (Mjj een plat woord voor tunoji\\ bekwaam,

kundig.

iuh tip vvi/j^ kn. in de spreekt, zva. tip tip tti/js kruimelig,

deun , karig. — un tip n 1 Sn tip ifi^ tuijj\\ de huig {vrg.

O cgt; .

WfflVUJl).

n/ï^ép r^nkn. — (urjj tip tui -jï^ tip fMJi \\ kn. kort, van kleine dingen, hv. van vingers; bijkans ten einde zijn. ,

cui^np f iji en cijr^ip u ^jtip } iji\\k$. bol, van het aangezigt.

ti/ntipw 1.1 ip (iTi ip \\kn. uitgestrekt op den rug liggen. Vrg. i:nip\\ grondw. op ^ vrg. wtyn \\ enz.

3« Qv Qw av . .

tun ip \\ kn. un ip un tip \\ — un (ui un tip tui ij un \\ iets een weinig boven, nl. niet te digt op het vuur houden, bv. uit vrees voor aanbranden y Rh. volg. G. ui ip un tip \\ eteu op het vuur warmen. un ^ \\ kn. het in een horizontale rigting uitgestrekt

8*


-ocr page 190-

1 ] 6 (ün itp \\

of uitgestoken zijn van iets. ilt? ^\\ zich zoo uitstrekken u/ uitgestrekt zijn. — cj ^ dn\\ zoo uitstrekken of uitsteken tegen. — ^ ^ /. ^ \\ mi object zoo uitstrekken o/ uitsteken. — jr»Vn %s 0f ^3 ^1N fre(luen^a^ef\' lU1 \'•quot; \'tyx overal regt uitgestoken.

C~) Qv O Q \' ^ Q. , . ,

(un np nKN. j (iJti tip (un up \\ uit liefde of gehechtheid alle zorg voor iemand of iets dragen; iets zorgvuldig

bewaren.

O

(im ij ip ^ zie aj) i/\'YJj

(uhnfisKH. donker gekleurd, van de huid, als die door de zon verbrand is, en van vruchten, die,

als ze rij}) zijn, een donkere kleur hebben {yry.

o . .

am (ui).

s \'

ij (un q up \\ kn. schermen met de armen, met den eenen houwen of steken en met den anderen pareren. WW. {zie echter (ur^dt^^) volg. Rh. bep. schermen met de kris.

(vn\\KVf. zva.

G) .. i. . . (?) Q- O Qv

(un\\ een uitroephei wat! (uiKunam^ zva.\')j(un(L/n

cm? o ja ! (ëniun\\ wel! wel I

Sn \\ (vork. \'ng) kn. aan wij z end voorzetsel van

\'plaats, en verder voor bepalingen van tijd en van

voorwerpen {personen of zaken), tot aanduiding

van verbinding met een voorafgaand woord; ook

wel zva. «£jj rr^ ^ \\ %. a an h e cht s el tot verbinding

van een naamwoord met een volgend naamwoord

als bepaling, een zamentrekking van rjunajfi\\

maar ook in Kr am a in plaats van Sh (lq (Hi 3rt\\ en

dan ook wel verkeerd in Kr am a voor ojJ) (U aajj \\

O quot;) Ou O Zie de Grammatica, im(uii iu~jh t»n de Bëkël

van Béramp;. run (HiShrfium (M^\\ te huis. (unoa ^ixm

(Lii thuis, iin^ ru ihi ojhajirtj (ti ojli (mjj \\ Ik

spreek totU. /.;; xk ëi (Cu njj de bedoeling

van het antwoord, of zijn bedoeling met het

antwoord,

^/lVinkw. ongeveer zva. Mtvnis buiten, open lucht;

ook uitroep: rjnhi2nmiru rf tun\\ W, I, 215.

yivties zva. ijdmnEij^s zva. vjd/n^ ? of (unojj.^ W. «yïidsxkw. zva. èi ^ rL/i\\ uitspreiden; kn. rijst koelen, door die op een horde van bamboe uit te spreiden en met een waaijer te bekoelen {grondv. hjti)., it] (C7nKW. zva. (i/ri ash G. koel, koud. — (uhiii (hi^\\ een horde of schotel van bamboe , daar de heete ryst op gekoeld wordt. — d?) (lvkhjj^s als een

(vn \\

(un (Wï (hnj)\\ v. d. groote oor en v. e. olifant; de rijst op een wn hiianji laten koelen.—tunvj in ihryj of (un ij i;i anji^ vj) lt;m0 \'M bereide rijst, Rh.

(mi (tn\\ zie bij nhcps

Q • O (un (Ui zie bij mmw

a (gt;) . o CY v o

tun (ci \\ kw. zva. iUi^r.n \\ {vrg. \'i/n i i \\). — run (ui oojj\\

zva. ui (qid-jijj of\'üi iti wji en ibnrr/tn kn. een haspel om een streng garen in een kluw of op een klos te winden, garen winder; ook jaloersch , nijdig, afgunstig; (zich schuil houden, zijn pligt ontduiken. G.). (tgt;ri oa un m inijj\\ kw. zonder weêrgd. — éi (ui(^ benijden. — iéi (unu^rrjinn \\ jaloersch zijn om.

(uil (ir^ \\ ongehr.; un(üj\\ kn., ook wel aPica^K., beesten of menschen onderhouden of er op na houden (pok bv. een baard) haar of nagels, lang laten groeijen (voedsel verstrekken tot loon van verstrekten arbeid . S.G. zie bij iui riajii crn/j ) — (éirj (lti9(Hj.\\ onderhouden; ergens heesten houden. — (éirjiuu mi^nrf hiis tot onderhoud gaven of besteden; onderhouden met iets, — voor iemand. —• (én ij rj cui2iiaji\\ het onderhoud, wat tot onderhoud dient of strekt, van menschen of beesten, (én nam (ui Sn (rj (ui 2 iinjis wat of wie door iemand onderhouden of er op nagehouden wordt, uh ij tuiz jn Surj (nu on ^Yi(irijj\\ paarden houden of er op na houden. (^(untj .in d \\kn. — \'fj (ui ifj 112 \\ het hoofd of aangezigt wenden of draaijen; ook schuins of scheef bij zicli (bij den neus) neerzien; van iem. die teleurgesteld is; en een afkeer hebben va7i iets {vrg. vjamiiam Mjj-) — rj anrj azi$(hj,\\ om iem. of iets het hoofd op zij draaijen.

rt-/w(ci^\\kn.; m (ui^(un iui^ of m i.if wwgioeijen van begeerte of verlangen (rj tui«d?? ^ ^ iamp;i vuur

(Tj.), en ij (Uit ui ? (FjI (S q \\ van begeerte? Men.) {yry. MKCi (Eskui). tui (ui un het gioeijen van vuur, en fig. van begeerte. (ejkui iui^ gioeijen, van kolen, v. e. hanekam, van V gelaat door zonnehitte, W. ; .ui (in ? un (ui j van moed of geestdrift blaken; zoo ook amp;ituiC.S. frisch rood v. \'t wasschen. Tj.

un ui {\\ het beteugeld, bedwongen, ingehouden worden ; het met mate gedaan worden v. iets. ijnjm \'ri(uriui%\\ niet met mate. — beteugelen,

enz. inhouden; zie verder op ui{w


-ocr page 191-

xjn ij (ti ihiJi^

117

i m li

i7i (O ^ \\ zie bij amanw

o O o . ,

vninnnji^K-yt- zva\' — (UiinrHTjjs zie ben.

njnitninpKy/. zva. (tSlgt;yi\\\\ vn rrtm .m KN. het

zinnen, gepeins; de (vijf) zinnen. iult;rui dji 5n(un

xi on jn öwfj1 scherpzinnig. — o rn cm in (ht^\\

peinzen , zinnen, nadenken over j met de gedachte

vervuld zijn aan. t.i an /Qmi rn (m/j^poët. Jieiz.—

X-* r-v

w niHj io) jnjj\\ nadenken over. n unrnanjj\\ bezield zijn met een reikhalzend of smartelijk verlangen, om iemand of iets, waaraan men gehecht is en altijd denkt, weer te zien {vrg. ijrmtiuj). an iYin (Ki flt;j) mi rn (hi^\\ hij het weerzien het zielsverlangen , dat men gehad heeft, geheel verdrijven, door steeds bij het geliefde voorwerp te vertoeven, rj 157? 2« hm (n anjj\\ spr. geneesmiddel voor zulk een verlangen naar een afwezige, bestaande uit iets dat deze tot aandenken achterlaat. — rn kn (iaji\\ het verlangen voelen om een geliefd voorwerp terug te zien.

iy/» verk. de lucht, de vloeistof

die gevoeld wordt in den wind; de luchtstroom, de wind {vrg. timrn(Hi/i), t/n ui ihn -jn rn (Kin\\ de lucht; ook benaming van verschillende batiksels. htirmn/nnnaan\\ een overwaaijende tijding, een los gerucht, mj^ run rn (hnq of nu (W^ (vn rn on -jd in anjj\\ naam van een medicinale \'plant uit het plantenrijk, de Leukosyke alba Z. amp;M. ? Nat. fam. der Urticaceae. -n ik rm w (hi ,/w TT? .hiji\\ een naam van de Uatoe-kidoel. — rn i7i on -jtï 07) on/j (ook niet herh.) van iemand of iets hier en daar een overgewaaide tijding zoeken te vernemen. — rn i-inj . bewaaijen , waaijen tegen. — om onoyon^ bewaaid raken , door den wind of togt aangewaaid worden; in de spreekt, ook voor ziek , ongesteld. — rn on on Jri rn ojij un \\ iets in de lucht zetten, in de lucht droogen. — rm ino{j on/js een benaming van het beheer {rjm?) van de Goenongs: het beheer over de lucht; omdat de Goenoengs geen lander ij en hebben {vrg. bij ojnruirm rin).

lm \'1 Vl/f\' K^v • gt; 11/11 ^ ^ ^ \'l\'h ^7N 0f \'quot;I,r) -w \'irli \',n/Js

O . O ^

zva. om ru onojj \\ om rj nmrj \\ $,} \\ en oj o onjj \\

hi de Wajang zegt bv. een nn i^yjon xrn^ tot Ardjoe-

\' n * av na : im tjrtn (Lninn/n nr^ on /wj(ir^njt (Vi^ rnom op

now (listig, valsch G.). lin w oin ^ri or^ on ,/n naam ^an een gebouw op de Siting gil van

de Kraton te Soerakarta.

(un rj on onj \\ zie o m rj rn ? on/j \\

(ljii rj rn? onjj {grondv. gt;1 on 2 on/j) N., rm rj rn an/js K., iets in het oog houden j vee hoeden of weiden ; iets in acht nemen. iiPirm rj im onjj^ (in iw ij rn2 onfj of (in ij in?onjfs pass. rm ij im rj^ng w- spr. de tijd, de geschikte tijd voor iets, in hel oog houden of in acht nemen. rvtny-ntiynTfiuiian/jsKN. naam van een kleine, niet vergiftige slang, daar de jongens , die het vee hoeden, veel meê spelen. — oy ontri om onjj^ oj on i n on/j^ ais veehoeder dienen. — rnrjomiQ s rnrj rno^\\ iets beweiden. — (uirj ojontonjjs Ojitionon/j\\ een veehoeder voor loon; een herdersknaap, vjinidoj) gt; {of0 iii(rii)(hi njirjom on/l\\ benaming van een jonge, die zoo groot is, dat hij het vee kan hoeden , een jonge van een jaar of twaalf. ïmorrt iuoji ij mionj^\\ een trens-gebit, watertrens.— ojioj imtujon^ (unjmononis weideplaats, weide. — ui in rj onjj of (vi on rjeen t onjj^ enz., oppassing, bv. op kinderen; oppasser,

bv. op vee.

o . o

onn m on/j^ zie rm on w

OO 1 • i •• quot;gt; n O

(uninanj^\\ j. zie bij rm ui on/js z. kw. zva. ün ojiu

on yn/j\' zie n on 1?) on/j beneden.

o . o

o.m if in 2 onjj \\ zie -om or^ w

S

ojti in\\ kw. zva. ouojioj)^\\

omor^\\ poet. ot^\\ in de spreekt, ook oynr^onyjsü., n^djjjSK. , en r^rm • kw. , liever , eerder ,

veeleer; het is beter, het is verkieslijker, kw. 00A: zva. ory/nss voortreffelijk {vrg. o^ionp en on om omq). — un o7^\\ en o^onpKW zva. onrnqrms of

oTjjirr^on^\\ overtreffen, uitmunten boven, ourr^i/r^s

o \' o . 6) 00 » , , zva. otnrytnjw omoe? (tn rn ou i^oyns de hoog verhevene Propheet. — on] ojt^ \\ veeleer.

0%rn KN. wending, omwending, zwenking, omkeer; het draaijen van den wind {vrg. rit m). ojh^yi -ri

iK niiin/j^ de omkeeringen (veranderingen), die de

o o

wereld ondergaat (of een rijk: om on nn toj^ ik \\) — (EO rn \\ draaijen, bv. van den wind \\ zich wenden, zich omwenden, bv. naar het zuiden, links of regts; een wending of keer nemen, van een zaak; omschuiven , om gaan staan, omloopen. w on (én on \\ heen en weer schuiven , van de ééne zijde of kant naar de andere draaijen. — inrn\\ iets omdraaijen, omwenden ; de kris van den\'rug op zijde schuiven


-ocr page 192-

i\'n ij 1711 iKii/j \\

118

{org. «imn9 rjdps bij riwtvjnp} i een zaak ecu andere keer of wending geven. — vj uiixns verdraaid , verwrikt, verstuikt j verstuikt raken {vrg. rjfKmaji ru/f) 0een verkeerde gedachte , voorstelling hebben bv. omtrent de ligging eener plaats, W. II, 281, 12 v. o. — m L?\'r)n zich omdraaijen voor; een obj. omdraaijen voor, de kris op zij schuiven {iemand de pas afsnijden. G. een vijand omtrekken? Rh). — iamp;l iirn\\ een obj. omdraaijen. — viiari nrj uns omdraaijen voor, een andere wending doen nemenj bestieren (in beweging brengen, G.). y i:i it?nirji}m\\ verdraaien, doen verwrikken. — ijajt om het goed en kwaad te onderscheiden. Men zegt van een klein kind. ^ ij?j r/n rj tui r;i -gt; » anjj \\ het weet nog geen goed van kwaad te onderscheiden {eig. naar het schijnt: liet weet nog niet wat keer of wending iets , dat het doet, zal nemen); de kromming, die de eerste ploegvoor in de

hoeken van een kedok maakt, SG.

z\' na SS

«l^onKW. zva. (L)}D)iLgt;n/i\\ w (urj^iin rr)onjjmi

(Knanjj0 een tijger die niet vermoeid uit den strijd met een karbouw gekomen is. Zie cunljjiv kn. te broeijen zitten, van een kip; blijven zitten, zooals van een kogel in een deel van het lichaam of van iets dat ergens tegen aan gesmeten is ; in huis of in de kamer blijven zitten; laat opkomen, van de maan na laatste kwartier. — zitten te broeijen op. — (cilt;cjgj\\

uitbroeden, er op zitten om uit te broeijen. — oti\\ eijeren laten uitbroeden. — (tnam

a^amp;iiytHns of tin tv}gj rj am \\ passief. G) 1 - G) 1

(L71 Ij IHïl 2 ^ Zie (BI ffj (Hïl 2 W

tj(ummi\\ of np(hïi\\kn. getalmerk, cijfer, nommer {Skr. angka), (uiicunnotui\'VA.\\ of irja/n2ioioji en (ïjx/mun nsn(ur^(Kifis jaartal, rjojii 2ihti ivitw: ilii \\ bijnaam van Abimanjoe. —110712iHn\\ poët. zva. 07i(uu { (uiti f) of iamp;Ohtiw H71 innciij \\ iets nom-meren.

tunm^daijfs zie ojiik^^ — (undrj^irm ^jrid^dni/i of ici 1:1 met inspanning naar iets zien,

dat zich op een grooteu afstand bevindt {vrg.

\\ 0 (Ur^tlTKhtiyj). (LTIfCjIHn ~ma7j(tfff\\ zva. (17^ (171IK11 ilquot;1

(ws het oog houden op {een term hij de padicul-

tuur i enkele aren zijn ontloken; de aren der (ui ni

ijxjiuchJi zijn allen zigtbaar, S.G.)

lt;lii tj 112 mijjsKN. het afnemen of zakken van water

of vocht in een rivier of vat; gezakt, geminderd;

eb. — (tm0712not(mji\\ afloop, eb, voor poos. (m

(un ij i7i 2 ini rn/i Of M rj (i7i2 isn :Hiji\\ een poos.

o )

tun 071 k iijj \\ KW. zva. rj tuii cm 101 /j w (uh(ui imfl\\ \'i?i tai ii7i Hiijj\\ een muzikaal geluid gev^n , v. zingenden, v. e. viool, enz. Tj.

kn. het links en regts zien; het gluren

. o .00

{vrg. ili (iTji kiijj en ,1 171 arn/j). if i an tnt toijj \\

links en regts met het hoofd draaijen en in de

rondte zien.— (Scc^ unj^s met vooruitgestrekthoofd

zien naar, kijken of gluren door of over ; kijken

of omzien naar.

(ur^ i7i kn. het zien naar iets , dat zich op eenigen

afstand bevindt, 0/door iets heen zien. — tyf 11

hup naar of door iets heen zien of kijken. —

tir^a:;itrn^iuinPtrs naar iets van tijd tot tijd zien,

om er het oog op te houden. — (ui vj, U7i n

iets waar men naar ziet.

_ o o

tj (i/n rj 071 ui ij! - (ini 971 iHnji \\

(un icn {\\ zie (i/iirri^\\ en 0/11 I. ook zva. i/ndni

iisï^n — 171 hii % lt;rn (Ui\\ zva. otiuw nsfl ui \\ tot gemalin verheffen ? Oost-Jav. ? althans in het Madoer. komt (uil uni. pi. v. (un itnasnji in enkele het. voor.

t • » O

(umin^^s 1. kw. zva. tun riqs en un (rn (uijj\\ — in ki^ kn. , (i7i (Kn ^ \\k. of ki. zva. (i7i rrri (tnjj of 11 iKi^\\ beschouwen, aannemen o/erkennen , bv. als kind, gemalin , vriend of bediende.

II. kn. trotsch, hoogmoedig {vrg. (thi(iantiji\\ (KTfi (bi (i^tHi/js crr^ (hj ij (ui \\ en (FJ^ (in

ijdnis zich verhoovaardigen op; trotsch maken.—

(ui 111 in^q\\ hoogmoed, trotsch, trotschheid.

. o • ^ v

zie (ur^ (Kn % w

n )

d/n (i7i(Hïi -jïi uj iKiijj\\kw. zva. w uj ai r.j w

quot;) • 7 •• • )

(im kii KT/jsK. zie hij irn\\\\ kw. zva. kii.iaiw —xnam (Hi/j kh. zva, i7i iea ti asnjis inhouden, tegenhouden. (urKKtiihtjj\\kh. een lederen tasch, WW.

cy

(cu lt;k7i\\kn. wat niet betreden of aangeraakt mag worden ; heilig ontoegankelijk, vooral van\\ een plaats waar het gevaarlijk is te komen, omdat die on-de steld wordt een verblijf van booze geesten te

zijn , en van een persoon, die niet voor ieder toe-

cy . cy

gankelijk of genaakbaar is (vrg. hjkicïi). — ui /.»/


-ocr page 193-

i n \'i:gt;gt; i . n (\'i

. er

ii/r^\'Kii\\

119

rn\\ iets verbieden, van iets terughouden. — mi iw ti nnjj • iets dat me» niet naderen mag.

im - kn. een rups , die nog in de pop zit; ecu rups

l

of worm in riet of hout.

,,\'m mj\\ of i j \'^N., êtunsv.., her, met den rug of het achterste gedeelte ergens naar toe gekeerd zijn ; het wenden vau den rug, zich omdraaijen omweg tc gaan j vertrek van iemand, ooi: van een brief

met een hode; ijj «p fo\'ét. achter,

, S d . s

of istj.bii~ynp zva. 15^ tirnw ï i.y i.rp N.,

na mijn vertrek ; oolc na mijn verscheiden, na mijn

dood. — ®j(;7pKN. 1. met den rug naar voren,

achterstevoor; ieis den rug toekeerou, een afkeer

van iets hebben ; terugtreden, zich terugtrekken,

aun eeu bepaalde voorwaarde onttrekken; loocho-

(P)Cy

nen, ontkennen. 3. ie/ihii\\ki. weggaan, vandaan gaan. — aoiiV^ irr^s iniMini achter den mg, achter den rug gekomen ; gepasseerd ; verleden ; ook poet. vertrokken. — n\\KN.,

. o pcy t .

\'nIlni \' \'amp;itHiirn\\ den rug toekeeren aan. —

rji}w\\Kü. achterstevoor zetten; achter zich hebben, bv. van een /ruis, dat een vlakte achter zich heeft; den rug toegekeerd hebben naar; fig. iemand miskennen, voorbij gaan. «/j im ixiniiw!hiji\\ verbergen, geheim houden. —

kn. ruggelings tegen elkander; van elkander gaan, als men van elkander scheidende zich in verschillende rigtingen verwijdert. — ^^^NKN* wa^ Inei1 achter heeft, de

achterzijde van een gebouw; ook ia rmquot;n(hn/j en

G)Cy a a\' * O Cr O .

(i/t KnnKmjjMLl. van nu mi \\ of m yrt\\ rug. iji 11

^ CKP)Cy . / . J

,nl yi m iu un\'-n k. , zva. irt^ lt;1)1^ trn

rriiHijj\\ van elkander gaan. wi l» njj trr^ ni uijj^

achterdeur, rjim? 11 %ij^ mini achterhuis, een

huis achter het hoofdgebouw.

(tnnioini KW, zva. f. ni lb ^

iTiiirrï^x (Fjiiiiinjf\\ in tu

o . X O

iTjs r.i) (vm{gt; (njiajjj\\ hj tlt;n \\ en ion n it,iijj\\

in K. eigenwijs, domdriest (Skr. ahang kdr ay

inbeelding, zelfgevoel) volg. WW. (un(uiiwn\\

zva. ; ] ij iji\\ hooghartig. — njti im 11 un \'n\\

zva. (Fjj^rin^f^riJixnjjs en (iji isninijj\\

lt;Ojiiai*r)\\KW. zva. nfjcirnxn^ {Skr. ongkdra^ de

heilige lettergreep Om. pk ). Zie ook bij ^ilt;nni\\

(i/n( ^7j jagt;^KN. op iemand liggen , G.; en naam. van

een ktein soort van ikWW. —

\'Hrijl\\ volg. Rh. op eeu hoogte staan, zitten, liggen , zoo dan ook wel blijven zitten Iv op zijn \'paard als de hormat tegenover een aanzienlijke gebiedt af te stijgen; in deze het. ook irïimjhu 3ii

aw[vs)£ifnjf\\KN. een hansworstje waarvan men met touwtjes de armen en becnen kan op en neer bewegen , te M.; ergens zitten zonder iets uit te voeren, (eig. als ecu cvnKujyni^y met opgetrokken armen en beenen, te M.) zooals een aap in een boom; een klein wachthuisje aan de grens vaneen stad of wijk ; de wachter daar ; ook naam van een zekere ghioling. — i\'.i ^ icnjj en m ^ mi uij (Hiijjn zitten op een hoogte zonder iets uit te voeren. — (ih Jti[u)^utiji\\ hetzelfde \\ freq. tui fèïi nji iri

apen in de hoornen.

njr^ jcjyni^Kü. — in een krom gebogen

houding zitten, loopen, enz. Rh. (Tj.). (ur^m^nsiijisKii. inkrimping, inkorting, bekorting,vermindering, — (éjj hrijj ingekrompen, bekort. — (ujl verkorten , bekorten , inkorten , vermin

deren ; de pit van een astraallamp verkorten door hem neêr te draaijen; 0x.n kin niet voluit vertellen r

(uiimymi^KN. ,niet vlot gaan, bv. v. e. verroest slot y

van iems. gang, Rh.

iun(Myir^\\KN. — n erg. opspringen (Tj.),

Rh.

t/ajn)/ U^rrn/J KN. — yaij w}rrn/i\\ op een korte draf loopen, zooals bv. koelies doen, die zware yrachteu dragen. — \'/ i\'n \'j TJJj\'* quot;•i0 een afstand dien men zoo loopende afleggen kan, dus een betrekkelijk korte afstand, Rh.

rjujiw)] ,}tyi irrijl^k.n. — ij sva. ij rh

ij i^ij \\ maar minder kort, hooger van draf.— gt;/ óty gt;1 m Ju ? gt;/ ^ irryjs door zulk een draf in stootende , hotsende beweging brengen, Rh. een kleine fjiftlihw WW.

i?i) 1.^KN.; (t/i jrtjN met een knie regt omhoog zitten. ri \\ onfatsoenlijk zitten, zittende de beenen laten hangen , G.

£/7 ;.ii \\KX. naam aan een zwarten vogel, een soort van kleine krani [vr/j. tn rn )iquot;/) i ook naam van een klein zeevisehje. — fm un ir» èn urn krassen.


-ocr page 194-

120

(P) o

lt;1-7) Kt)

O.

1 71 (KW

(?) cl i?) 0 (?) O

(tm int iuv/1 \\ rt-ï iun itrnjj \\ lt;iy»7 cru iun fj

lt;iQm^(KT)^\\kn. naam van een vogel t zoo genaamd naar het geluid3 dat hij maakt, ajr^ a^tun im naam van een zeer dikke witgrijze worm, van een vinger lang of langer, met een harde sehildach-tige bast y die zich met het merg van de klapper-hoornen voedt of zich in huffeldrek ophoudt, en, na verpopt te zijn, in een groote zwarte tor verandert. Sh in^iHti/j^ liet lichaam drukken, kneden; volg. Rh. bij de nek pakken en krom gebogen tegen den grond drukken. — art ^ uv/j gekromd neer liggen , ook wel van een slapende, fig. slapen Rh.

a\'/tym notjj\\Ky/. zva. nj^nxtw vy mt ntt/j* KW te kort doen, in ty wt ^wt if.i \\ te kort doen in beleefdheid jegens iemand. ajt rj urt^ htt tt \\ beleediging. Trg. t^ctjrti utt Ktti^\\

(uy tiïj.wn/jsKü. een hijzonder gekoer van een tortelduif, verschillend van luy r\'y of myvnp rji/n tj ntt imp kn. naam ü. e. vogel. — vjiTirfHrt tjnat

rrjKit tmjiv met moeite zijn doel bereiken, Rh. ^(Cm tf mi2 ur^/i kn. draaijing met het lijf of hoofd, zooals kinderen wel doen, als zij met tegenzin iets moeten doen; het tegenstribbelen of zwarigheden maken van iemand, die tegen zijn zin iets gelast wordt te doen ; slinger , bogt, hv. in een slingerrand; gebogen haal of trek van een letter, ook naam v. e. gtinding. {Vrg. ij(i 11 rjKtt2(wjj en rfiunrjitotdcnyi). — iijt rj a tt 2 im/j ^ met het lijf of hoofd draaijen , zijn weerzin toonen, zwarigheden maken.

tj(uni\'YjKttmtiji^ kn. een draagbaar. WW. — ?ƒ a-t2rj ■yjiHrtarn/j heen en weer schudden, zoo als een staak in den grond* of boom, om die er uit te trekken.

— nq rf .i 2 im trrt Jtt Ktt Kttjj\' freq. Rh. — (U Yiahi rf uriKn^ een kleine nijptang, bij het behandelen der tanden in gebruik. Z.G. 1881, 204.

2 ^kïi 2(hmj^\\ zie tj(uti2^(U}iicrnj^\\

o. (Tquot;)

(urtKnaJi/j^KN. het afgaan, afwijking, door geheele of gedeeltelijke intrekking of terugtrekking, van hetgeen iemand vroeger gezegd heeft {vrg. Snvr^dttj).

— er van afgaan, door intrekken of

terugtrekken; afwijken van zijn pligt. ij r.n 2 tim ,ki

C) O

Kn(utji\\ ongeveer zva. t^nmzasttrjki 2vnq\\ van

daar zva. dsn (istt njij^\\hv. v. e. straf. B.Tan. üj. — r/ \\m tuln van wat men eenmaal gezegd heeft afquot; wijken, of het intrekken. — (ëiKit iw rjKtt \\ doen intrekken.

(dnitdjiLn/jsKa.; aziKi^daj^s iets bekrimpen, bekrom-pener , nauwer maken {vrg. Sn uttanjj en (SnKnaJtjj).

(urjj w(tnji kn. het opgewekt, opgewakkerd, weer levendig worden van iets. (ÈjKmct/js opwakkeren, weer opkomen, weer levendig worden, am f]rjtHj.if\'jJ tm tajjs zijn huidwormpjes plagen hem weer. — ayiht)opwakkeren, weêr ophèlen.— Kn^utrjtint\\ op doen wakkeren, weêr op doen komen.

(rjd\'n tj umictji of rjimoyKnifónji^Kïiy; rj wtj imz(ictji of 11 b/tiiKmaFttp zich door een beweging van het lichaam onwillig toonen {vrg. q(untj im2 w/])- ^ w ^1 tmi tj utrj imiiiajis zich door draaijen en keeren afkeerig toonen. tjèiKityj^tjamiao^ het lichaam draaijen en keeren om iets te ontwijken.

im hn(i5iijj\\KVf. zva. (unr^naè^ en lur^aotrvtjj of lètmt (isn/jsKn. vertrek, het vertrekken, .un kj tm Ju Kn nsnjjsKl. een opgenomen, aangenomen kind. — iamp;t Kn bvjfsKW. vertrekken. — itï kii iisrijj\\ iets beginnen te worden, waar men dit zegt van iets . dat reeds tot een merkbare hoogte komt, hv. r.tKn^n^t\\ oud beginnen te worden, liti kh om . 1 tun \\ donker beginnen te worden ; po\'ét. naar iets streven {vrg.

v - O A c .

v t htt ? ) ; \'»t; /. n (^n ru % \\ weer aanvangen. ».»tm hit kus het anker ligten, P.L. ki. van op-

ligten, optillen ; verheffen tot een hooger rang of titel. 0Kn(iv)\\ werk opnemen, hij de hand nemen, werken, arbeiden. — Kn Kn ^Tiy^xKN. in staat zijn tot iets, de noodige krachten er toe hebben. Vrg. urn tm a njjs — /r; tm a^) \\ vertrekken naar, er op afreizen. — r\'; nn ijn ri tm n laten of doen vert\'^ek-ken. — (un nn wat men laat vertrekken of

afzendt; keer van vertrek; tot vertrek , hv. (in tj y (ttiziKjK^/j0 plaats van vertrek, (vanwaar men gewoon is te vertrekken); ook ophaalstok , hv. van een klein kruisnet; ki. door verheffing geworden, hv. dxi tj r.t \'ti ki Jn nm n^tKi/j een Pangeran (niet door geboorte, maar) door verheffing luyiKJi nnJn Kthimmp kn. met elkander vertrekken; een verzending, die gedaan wordt\\ ki. verheffing, benoeming tot hooger rang, promotie. — njirtKn (isn/j KW. de eerste blandar heneden het hoofdge-


-ocr page 195-

tun

hindte van een Jav. huis, dt) blandar. van de Miujrnu/I^K.. het verheffen, verheffing. — n (Ci iwdsn/j^\' I\'aHg gt; klasse, verdieping, afdeeling; en naam van een scheidteeken y tp. wj, zva. u\'.i mi(isiyjs vertrekken, en vn nn isnjjgt; vertrek. 01i5!

hn/P ze^ 171671 voor 8e^,)or^e- 0 \'J^}ni ^ (ton voor de dood, en 0 aji kn w voor de middelbare leeftijd. — vi(Hn (isnjj of m rni (uiin\\ rangschikken, naar zijn rang of klasse verdoelen, klftssificeren , naar de verschillende rangen plaatsen, de rang iemand inachtnemen —

stel van dingen, die hij elkander hehooren {yrg. dj) n tic} rnjj \\ rti rm rr^ iHyj en n i:m unjj).

q cy

(L\'ïi }iV(MjjK kw. zva. idmiyw }i r,n w i. n hj^/js zva.

zich voorbereiden tot bv. den oorlog,

Men ? Rh. kn. tot een hoogen rang verheffen.—

naar hoogheid streven, G.

/lV»een puntige haak, waarmee een olifant

aangedreven en bestuurd wordt {Prdkrït-uitspraak

van het Skr. angkoesja.) — een

olifant met zulk een haak aandrijven of slaan. — » o

mv.

n/nkn# nog; achter naamwoorden, die een telwoord of het voorvoegsel i.) voor zich hebben; bv. (üh(w(ifj (\\jntHn t ijj\\ nog drie dagen. Vrg.

(P) O 6-\') O L;quot;) o / 111 7 . , )

im n Kn^jjifnOsi/js volq. Ith. hetz. als in

^ O o O o (P) o amp; a

(FJ) -1 (Mjin mi tr i . i /7 f.ï ^ ) ijiji \\ (un Mn i i -ju itn

w^aiHijjs naam van een insect.

o o. rt qv lt ) )

un }lt;u (iJijj \\ zva. U) t. n o-ji^\\ hji / ; /, n ki thn

(uh urjji inkrimping, vernauwing, van iets dat

van binnen hol is, zooals een hoed of wand {vrg. w — (2i:}(ï^ o.yi \\ inkrimpen, zich ver

nauwen ; zich zamenkrimpen, de oor en intrekken, terugtrekken, in den nek leggen, zooals een paard, dat hijten wil of op hol slaat, Rh.; nauw toe-loopend, van iets dat bv. van boven nauwer is dan onder, iij) inrïi;y!Ki/j\\ een kippeborst; ook fig. in zijn schulp kruipen.

rjimt rj hn2M/j\\ Holt. onkosten.

» o » O . O

(vn un rv)jj\\ — (un mi rvi ^wim naam v. e.

roof vogel, die gezegd wordt op veldmuizen te

azen, WW.

»*gt;» ioj m ^\\ — wi ky u i Jn lujj kn. het middelste

«yyxnrujis

gedeelte v. e. wip of balans , waar die door een pen met den standerd vereenigd is. 2. het haam v. d. ploeg, WW.

o

/.»; rt/i^xKN. zva. ajr^unirxji^ en . o

nntuji\' zva. (in.uni\\jjj\\

(unuhitu/j KX. een spaak of hefboom om iets op te ligten {vrg. a/iimi iuji en ijarm ixjijj).— vyPn njjjs iets met een spaak of hefboom opligtea.

(un ui) i/t/fy?nKN. het zijn van iets boven tets anders {vrg. injj en iijijuyiiyj). — {iets)

houden boven; zich verheffen boven; bo^en iets zijn, zoodat men het onder zich heeft; gaan boven ; overtreffen, trj /.y n.i tf mil ij u)\\ jou te boven gaande, meer dan jij. tfnxhyn^ ii^;hnji\\ onder iets, dat men boven het hoofd heeft, zitten of liggen; met geschenken overhoopt. rj und komen

onder ; onderdoen voor , overtroffen worden, a/y ny n i 3hj/jj hij ili Hijj^ de één den ander overtreffen. rjvnri urn tujjsKK. een gebogen arm; iets daar iets mee omgedraaid wordt j (kromme) kruk van een boor; een omweg. l/\'\'i gt;/ un i n-n/j \\ fig. omwegen die men tegen elkander gebruikt.

yrt-Vï? y ;.w 7U^\\KN. loswerking, loswrikking of op-wrikking met een spaak van iets, dat in den grond vast *zit, zooals een steen of boomwortel. tf i\'i* ij un gt;1 n i Jru ^ hn n lij met een spaak loswerken, loswrikken of opwrikken.

tjeunz rj ly^is kn. ij i/i* ij uy gt;\\ v. d. kris ver uit den gordel steken, zoodat hij bij de minste beweging op en neer wipt. — i^ v.iry^un^s de kris zoo

dragen, Rh.

. o . . o

run /||/ unji\\ zie mn\\ur^hn

n/ii rf i,n/j\\KN. hinken, op één been springend zich voortbewegen, {volg. Rh. rjahrj uy^n/j^— fi tj t.n (un [nvj km hn/j\\ een kindje op de armen op en neer bewegen. 4

rjojnr gt;i wnt kn. ; /ƒ iri? /ƒ /./;? nnjj een obj. hevig

121

■ ■ • !

1

i 4.

M ,

;!

1

\' I

1

Jwm

ij

i

lij

i I

I

I

schudden, vrg. ijt/n2vjcrn/js (On /.quot;»/ v kn. naam van een muziekinstrument, bestaande uit een raam, waarin e enige verschillende aan het boveneinde schuins afgesneden pijpen van bamboe, met losse stokjes daarin, nevens elkander staan, en die, als zij bewogen worden, een schel geluid geven {vrg. wnn). batik set

CP,

yr

voor een i\'ni.nlt;i gt;r


-ocr page 196-

- P

111 UHdTtlJlS

122

l\'/fl

n/n het bekleedsel, hetblad o/de sohil vaw

een knop of jong uitspruitsel, of van de pit in sommige vruchten; het knopje dat in de vorm van eenige blaadjes op sommige vruehten zit, zooals op de manggis {org. 1% i ryt v/j).

(i/n tm (Lnjjs kn. het gesloten zijn van iets door zamen-slniting, zooals van een bloem oj zonnescherm {vrg. (unnr^iiJiji en (uh i,n jij). — di (uijj \\ zicli sluiten, zich zamensluiten. — fïi r^iv) rjhii\\ iets, zooals een zonnescherm, sluiten, zamensluiten , hv. de beide vlakke handen.

x/n hti ii/i Ju i.ti naam van een kost of lekkernij. WW\'.

(vn un (Li ^ti idi ui ^ / tryi \\ een van bamboe gevloeli-ten luik, klep luik. CP. zie nynhtitvnyi^ en aw tun rnjj \\

tun (ten (ui -/? anjj \\ of x/ti nn im (hijj\\ Tj. een vogel, (uri uti ifjtfj • kn. sluiting, digtsluiting, bv. van den mond oj een schaar {vrg. riï ift^tut/j en Sn ïiiKamp;yj). — ihiimihjiji zich sluiten, zich digtsluiten, digtge-sloten zijn; den mond digt doen o/* digt houden. — rthun in den mond vangen 0/ krijgen , door die digt te doen; zich voor of

. • i • o.»

achter iem. digtsluiten. trn i/ii nti vj anji\\ besloten

raken door iets dat zich digtsluit.

(SniHV crpjf\\ Km. zva. rj (un tj hut tntn\\ Tj.

qv . o- qv

d/n tgt;\'t^(vnij\\ kn. — /t/ i.tjj(rtj )\'r^lt;r^JIy zva. t^ittty^ttf rj errt Jtt rj uti ? erryj n Tj. zie tj 111 tj un ? (rrtJl ^ /lt;» kn. van een lang voorwerp met het eene einde ergens in vastzitten. — ^ ?rgt;7omj\\ aan zulk een voorwerp hv. een spijker schudden of morrelen, WW.

lt;tj itm tj (t(ti icrtijjs K N.; rj un u ti rj cm Ju utt ê (t ti/j \\ al schommelend gaan, zoo als een gans of ziv aarlij vig mensch {vrg. rj vn rj uttè tm/j). of kind dat nog niet goed loopen kan.

71 (un? tjkïiz cYtiji kn. het door zwelling zich uitzetten of half openzwellen, hv. van een bloem; jlg. liet zwellen, hooghartig worden, van het hart, wanneer het door loftuiting gestreeld wordt. — t^tui vfumcrryi^ ook wel rj 1012 tj tmt Htifl zwellen, zich uitzetten, va7i een bloem; fig. hooghartig worden , zich gestreeld gevoelen. — tq r.n t^ utn yyij\\ ook wel rj i h? tj undiuiiji v op de huik liggende zich met armpjes en beentjes van den grond opheffen, om kruipende voort te komen, benaming van een kind van vier maanden; iemand ophemelen; een werk met inspanning verrigten, zijn krachten inspannen, hv. om iets op te lig ten. — rjKntyuridrm^iHtix doen zwellen en zich uitzetten, tj 1:11 tj tfni un -jtt rj utt \\ zie bij ty nn 2 cntj^ \\ — iL\'trj tfïu q taii rmjj\\ ver hoovaardigi n g.

(ut) int 1777a \\ ongehr.; (ijti 7. m xm Jn mi xtijj \\ kn. luik, klapluik; de beide zijden onder de borst of korte ribben; het middelrif; en naam van ziekte of pijn onder de horst die de ademhaling pijnlijk maakt; ook naam van een medicinale plant, de Gentian a quadrifaria Nat. fam. der Gentiancae; ook de Lightfootia gracilis, Miq. Nat. fam. der Campa-nulaceae.

(un (Km kn. het zich openen door van elkander te gaan, zooals van de vleugels en van gelederen ; het gapen, zooals van voegen van timmerwerk {vrg. (ijr^tam tiji). lt;ë!(trnzich openen, gapen. (fi,tlt;ii trrjm7/c77^N telkens als het ware willen bersten , van het hoofd van iemand die een berstende hoofdpijn heeft.

ay^Kti rtiji^KH. opening, het opengaan, va?* iets dat met een deksel gesloten is {vrg. f/n un wyj}- — (i^ titi irrtji in (ir^uti irn(Kj)\\ van taaisoort veranderen. — tjj nn \\rn\\ van iets het deksel opligten ; iets, dat gesloten of toegemaakt is, openen j een sluijer opligten.

d/ï^ jV?m777^\\ kn. stoving, door verwarming, met behulp van vuur en toedekking. — o (tfiinrn^s iets

stoven, nh un rrnJri fmiriyis op de buik of op het

. * O

gezigt liggen van smart of droefheid {vrg, [uh(trn vn/j). lt;m(tfnrsn\\ op iets, bv. op een kussen, met het aangezigt liggen; geweekte zaaipadi in aarden potten doen, overdekt met pisangbladeren om te ontkiemen {Qlüinjtn ?). SG.

(un nit \\ kn. de heldere weergalmende klank van een

bekken {vrg. it/r^ th^). — 111 nh\\ helder klinken.

CP) • »

dn (tlt;n \\ (unih7i\\ zie tlt;n\\\\

!uh (itn \\ kn. touw of zeel, waarmee iemand in krom gebogen houding handen en voeten bij elkander gebonden worden; en een werktuig van bamboe om visch te vangen. — ut t,7^\\ iemand krom gebogen de handen en voeten bij elkander binden; gevogelte de poten, of de poten en vlerken , bij


-ocr page 197-

tim i j tn

123

am iïlt;rt \\

elkander binden.

amirii\\ 71712N

j.^inkn. de zware weergalmende klank,

l \' (

een (jong; en een hijzonder gekoer, van een tortel {yrg. (Cv hH en nhj uv/j ). —^7rw\\ zwaar klin-keu; koeren. Een ander zie hij qjcijnijMn^ kn. ^aflijn keffen, G.

kn. j tji/n2 ui) ^nm\\ op een hoogte zitten en de been en (over de diepte?) laten hangen. {Volg. F alm v. d. B. rjw? hiirfwi hh\\ heen en weer slingeren met de beenen (als men zit), jl(j. v. h. harty bevreesd? K. 8, 26; welligt dus v. h. hart geslingerd, bewogen). — ^.ihdnns overhellen, overhangen, over een rivier ; de zee enz.y in het ahj. over een diepte, hv. v. een gebouw dat aan den kant van een water gelegen is, zoodat men het nitzigt er op heeft.

(L//7»/ fir» \\ zie f) (Ki \\ I.

(Lil Y flO K)1 \\ KW. ZVa. (UI (CJ (Hl HIIN (un in (mjf (grondv. inasriji) kn. lanw, tnsschen heet en kond; tnssehen slap en sterk in v. e. oplossing om te verven, vM. lö, 6? lauwwarm, warmpjesj gerust, voor moeilijkheden bewaard; ernstig, met gepaste strengheid, van hevelen\\ ruim, van gewicht. aJi ij \'yi (Lti hui ^ii 177 ihijjj \\ rnim een reaal we-gen. — (in opwarming van iets; ook naam van een zeer klein witachtig insect, dat \'papier en lijnwaad verslindt, een soort van boekworm, papier- en kleeremijt (yrg ivi in Lii/j). —

tn\'isiiJI^ min of meer lauwwarm, wat lauw. — ti iQiets door middel van vuur lauwwarm maken; eten wat opwarmen. (ia i/n in iii/j of ao in rn tiiiw\\ afvegen van zweet? A.

pass.

2, 9. — ixsn i . ti ui (ui -ia rui ik ij ui n o njj an ,i, n u ~ i

o* / O O o Cl ; ) \' , ,

ii) ij(i.izrj.w .i/n it? ccn rj (hi)i i n mi r:i i n/j■■ tl. —

irntbttfnTjinis iets, dat koud of heet is, lauw of lauwwarm doen worden; verwarmen. — un in (üii^(8(^(hijI\\ lauw, lauwwarm, bv. gebruikt.

nyii ij vudsn/j KH. terugkomen, weer beginnen o/opkomen , van een ziekte, kwaal of gebrek. — tn on rj »772(b7i .triga££jHyj\\ telkens terugkomend, pe-

riodiseh; bij buijen.

O O • /.. )

n/n li (hnji \\ zie bij (im n mi i/j \\

)

(ui) (tn toiij^\\ KW. zva. tjMr)(hi ibiijj\\ Vrg. (imwasnjjs

0 quot;) a ï

W) (Wasn/i\\ kn. vrg. (uil ii asn/i en rj i\'ii ri (isn/j —

(?)

i?i v:i iiQi \\ iets met attentie bekijken. — iiiSa^n (rj inn \\ kn. naar iemand of iets met attentie kijken; op Iemand of iets het oog vestigen of gevestigd houden.

ijï) (u^ iw/jskn. onrustige beweging en uitdrukking van het gelaat, wanneer men in grams;hap ontstoken is. — ii(ü^(bi)ji\\ gew. w^kokend van gramschap. — nia^isii/is frequentative vorm, woedend, onbesuisd; onbezonnen. — ujtiaiivu^ni »7/ ijï un/j \\ en uii n i j i n ihi/j\\ uitzinnig, woedend

van gramschap, zoodat men om niets meer geeft.

il • /•• 3quot;

rj (un in tonjjs zie bij rji n iu\\\\

ij (ui) 2 ij ii 2 toiijis kn. het met een pan got of ander soort van mes gesneden, besneden of gefatsoeneerd worden {grondv. tjii2asiijj\\ vrg. My 112 nsii/j). }j i/77 2 ij 112 ij iisn 2 vj (i77 2 ivgt;iyjN met een mes snij-den, besnijden o f fatsoeneren. — ij n 2 ij 112 n iets met een mes besnijden, o ƒ fatsoeneren tot iets. ij xjd 2 ij ai 2 toti injj\\ iets dat zoo gesneden wordt.

dJn (hj) \\ of ij 11/1)2 ij) \\ K\\\\ zva. m mj!) in/j {Skr. hang

sa. Sound as ch (ut) 1) J KW. het halen van water aan een put, bron of rivier. — ina.p water halen of gaan putten • fg. kundigheden zoeken op te doen hij iemand. —-vi(1.11 \\ iets gaan putten. — (U) r\'nij oj) 2 on/j plaats waar men water gaat putten ; iets om mee te putten (un ij ik) ? \\ zie ur) ij dj) 2

(uno^\\ kn, ; (ü^oji^ ergens zijn toevlugt q/*een schuilplaats zoeken. (u^aJ)ciji^ t] (u)ij\\ een toevlugt voor zijn leven zoeken, zijn toevlugt nemen tot. (c^cü (ui 1) onjj of iilili - naar elders vlugten om zijn levensonderhoud te vinden. — ah ij 0^1 m \\ zijn toevlugt zoeken tot 0/bij. — ^ ij lt;11 ixn ^1 ij un\\ een schuilplaats zoeken voor; door de vlugt in veiligheid zoeken te brengen; met iets (^e vlugt nemen om het te redden. — tm riij i iui/js toe-vlugtsoord , schuilplaats ; toevlugt.

iji/n 2oj)n KW. 1. zva. (U)ioj)\\ 2. zva. funap ijw iurn ij 1/1121 een padïsoort, die altijd het eerst aren schiot en slecht gevulde of vooze vruchten geeft. SG. —• n 1*12.1.) ij(un2 0j)\\ kn. vlammen van lust of begeerte, naar iets dorsten. (xnaFi ij 112 wij tut) 2 u\')\\ zinnelijke lust. — (ui rj ui 2 w tj w) 2oj) \\ groote begeerlijkheid.


-ocr page 198-

\\jyi du.yi^

124

fun hiq\\

(urtdiMji^ 1. kw. zvtt. rj rt2rj(tjj?\\ en (im rmnrni\\\\ — 2. kn. weifelen, wankelen, van moedgt; dieniet zonder alle vrees is; — i/n iti/m ,/rgt; .:? i^yin kn. een ziektegt; die hoornen aantast en Jmnne bladeren doet verdroegen. WAV.

xn fJi/j kn. roet; zwarte aanslag, bv. aan een pot, van een lamp. ui met roet besmeren ;

vrg. WKyjiji (tjn iri i.jji kn. aandoenlijk, aandoenlijkheid, bv. van een verhaal of lied. {volg. Rh. melodiëen v. e. zangwijze of muziek). f aandoen

lijk maken.

.la ) o , quot;) o -li. «j. •

n-ii vniJiji kn.; ii ri minachten, uit min

achting plagen of verdriet aandoen.

.vn n kn. naam van een gr ooien boom, de Glnta Benghas, L., Nat. fam. der Anacardiaceae, levert een fijn, fraai rood meubelhout en goede hars voor vernis.

lur^iTi.KjjjsKVf. zva. mip?\\ reuk, geur; kn. het ten toon gespreid worden, \\wioo\\\\\\\\\\£, bv. van iemands kundigheden; het voorkomen van iemand.— ir^ itï .^kw. zva. itï^i\\ of kn. vertoonen,

doen blijken, bv. moed. i:i k» gt;^\\kn. met

de neus snuiven om de reuk van iets te onderscheiden. — ^ ilt;ni lidjjji kw. zva. huyji\\ met de neus waar te nemen, te ruiken en zva. nm iJtrsr^\\ of ut) ijtisnt(Hiji\\ — rj it]2 itïnj}\\ zva. x:j, i:iw/j\\ — Lj itï a i iets, zooals zijn kundigheden , laten zien of ten toon spreiden voor. — ir^ 1:1 (kv ^#.ij ri hu\\kn. iets, zooals zijn kundigheden, laten zien, doen blijken of ten toon spreiden, ij i7i? 171 t l ^A. n nn \\ kw. een geur verspreiden. ^i/n^rt^-m^nkn.; ij inrj itï wjs in iets snijden {vrg. ij lm rj i7i i v/l)- hv rjinrj ui Kyj en rj hnrj t n i.-i/j\\ pass.

ij i/ii rj r.i i ij)n\\ kn. scheef gezet, geplaatst, hangen, gewend of getrokken {bv. van het aangezigt. Vrg. rj iuh rj irm). — ij tji ij n ? wjf \\ scheef, bv. iets knippen. — rj i:i7j ini^?^\\ iets scheet maken, bv. iels scheef snijden o/* zagen. — rj ili rj iitaJijis scheef, bv. een hoek, en van een scheef gezigt. — tï rj ij itï i \\ zva. ij tui rj mi (kiijj \\ en de oogen scheef wenden, scheef kijken, of een scheef gezigt trekken {vrg. rj n rj 1712).— rj rj 171 ^ n hetz., en ook een vaartuig scheef, in een schuinsche rig-ting, wenden. — ij 11^1 rj imrjn i ri ij ini.ui^ gedurig een scheef gezigt trekken of scheef kijken. d/nm1. zie ijitki^w 2. kn. ; (untfJ^ o/(un(Li%\\ xjïi(iJjjj^kw. zva. lunite^s {vrg. fi/n Qnmjj). — uti ui 9 kn. ; *ji£ji% of ook ah (Kt ahaJ}^

en (Hinii?n kw. , aanrukken , voorwaarts gaan, vooruittreden, tegen iemand {een ander (èi(ui^ zie hij

. o O o

(ijkui^). n/niKj.ui^\\kvv. zva. nji i^-n hi/i^ — xvtK/if

(ilt;Jri\\ kn. oprukken tegen, aanrukken op. — ut? (ui $ ijïi rjHn\\ troepen laten aanrukken o/* oprukken. luriKjQtHiji {in Bantam en Tjeribon i/tiujinjj oj.; rj rj r/n\'i^.Hi/i), verk. (u^cmj^^. zva. un hi^\\ hi^\\ of tnnrji^ vrnw. van de eerste persoon, in BagMen en wj., als ook in oj. , in de spreektaal in gebruik, in de vorstenlanden alleen door den Vorst in hoftaal. irr^ ?wjj dojj\' kn. zich als een voornaam persoon voordoen; ingebeeld, hoovaardig {vrg. rr^ fi rjui).

(i/ii (ut (in \\ zie (ui (hi w

i/n(iji\\ 1. zie tun i\'i\\ II. 2. — r:i.iJi\\ dagelijks dragen , afdragen. AS. — (unumianjjs zva. rj nji?. - ^ o

ij r)2(ipiHi/i\\ vrg. rui ui \\ 6.

n/n \\ kn. het sterk hijgen van den adem {vrg. (U ij \'Yjcm2ui/jj)-y vernieuwde betaling van pacht aaneen nieuwen dorps-bëkSI, die in de plaats gekomen is van een overleden of afgezetten btkM, aan wien de pacht reeds vooruit betaald was. 171 ifp op nieuw pacht betalen, u^\\ sterk hijgen,

van den adem van iemand\' die buiten adem is , bv. door overmatige inspanning CS.

(uhHjin kn. het van zijn plaats verschoven of opgescho-

... Qv O v 0« CY OvCY ven zijn van iets {vrg. cunuiapji). (utkukltkuis

naam van een soort van zeeslak of horentje. —-

ei c y* 1 *

iamp;ïun\\ van zijn plaats opschuiven; zich van zijn

plaats verwijderen, ergens vandaan gaan; fg. van zijn gevoelen afgaan. — n nn ui\\ verschoven, van zijn plaats verwijderd; ki. uit zijn rijk verdreven, gevlugt, vlugten {nn (1^1 (in^\\^. imn^(i^\\ k.). — 1%r?\\ van zijn plaats opschuiven voor. — iStoJi t)rj mi\\ van zijn plaats doen verschuivan o/* opschuiven ; maken dat iemand van zijn gevoelen of

voornemen afgaat.

CY CV ■)0\'

(ijr^ui\\kn. — (é^\'ui\\ zva. ifjiui\\ draaijen, zooals een

tol; in de rondte draaijen, zooals hij rjai.irjiuji

v. e. tandakkende wordt gezegd \\ (tsiinnrnrj


-ocr page 199-

i

a. O

l/ll iK\'t I :gt;l/j \\

120

quot;T

,i} n tfjiMchït iï\'y)cm/)\\ öak fig. zva. fji 11$\\ allerlei

quot; ry CY

uitvlugten zoekeu. ajr^(K)(èjM\\ geheel rond bv. v.

e, vogelkooi of volière.

(ur^i.n 1. zie 2. — m\\ KN. een kuil rnukeu

v. Insecten, die zich in den grond ophouden, WW.

■\'Yr ^

zie

luh(fJ(Hl)JI\\ — iSfi (M (YtlJjS

(On 0f \'rfMrhn\\ {verkorting van (untjCKU

nu) naam van een boom met welriekende bloemen (Skr. asjoka). Een ander tj2 uit\\ zie ben.

o ■) Q. CY Q« o o. y

ivnMtuyj^ zva. unww — iamp;Kuxia/iquot; zva. iamp;idjiw (uyu\'ixijjs KN. sterke, aanhoudende aandrang met vragen of verzoeken. a^oJtui/i sterk aanhouden en aandringen 7net vragen of verzoeken; iemand lastig vallen met vragen.

. O -O

ivya.ia5v/j\\ zva. (Oï^wdojj\\

njnmiiiwjj 1. KN. zie xma^iruj^s 2. K. zie ifiymr/ tjtHJiqW

n/nnj^tujjs zie bij hj)n.j aujj\\

iurj(Kj)iujj\\ KN. — c^iK\'hrvtjjs opschuiven, opdringen tegen iem. die zit of ligt, zooals bv. een kind in den slaap tegen zijn moeder aan, of o;« een open-gekomen plaatsje in te nemen.

(un ij Ki H i/j Holl. hengsel, un ij w ru eyj \\ een hengsel dat opeen duim draait, ij iun ifitJi een scharnier met gebogen bladen, knier.^(l/h^

ty}ujj \\ een platte scharnier.

3* C i a« O i M / o O

a/jiMnj)^ KN.; fyj)ajifls wegduiken (vrg. njn

O o v

(L^\\ (Ki irvj rui (uiij en ajiru^ajifl).

Qv ) Qv O • o C)

mi (KJi luijj \\ u n tji (uiji \\ zte n/n u) tuijj •

. O . . O oj) (Uji\\ zte ayyojt

vm(hjjj\\KW. zva. t/ynup (un (Kji qw

zie (lJtlfKJl

■ O .O • O

ïf(uti(hj)iu)ji\\ (uutj) (jji^ zie ffj(un(M

tvti(tJi(rnji\\KX. het voorwaarts trekken, oprukken, ^ aanrukken, zva. (ünoj)^\\ en tuti(Liq\\ maar van een menigte te zamen. uioJ) crryi\\ voorwaarts trekken, oprukken, aanrukken, verder voortgaan. tui cm cmji \\ (fa0 verzadigd zijn, (Tj.) Rh. — ui oJ o^j^/ktïn volk voorwaarts laten marcheren ()ƒ aanrukken.

A^moti^nkN. gesnik {vrg. m Knjj)• —fouuv :rnji\\

o. no. n «ii

m

gew. (U) 7.7 (rij u)rm/j\\ snikken.

un (K/t i.

zie (un (hj) xrnji \\

a- :quot;) . o o

tun oj) irtijj \\ zie (un n^i tLnjj \\

riiuun/j\\ ongebr.; /ƒ uuio-Jtanji ^ kn. voorover met het aangezigt op den grond vallen. — /ƒ ah t lt;k/ (utyi voorover met het aangezigt op den grond {iüy (ui /ui .-ji^ uj mijl\\ zoo vallen op iem.) gaan vallen of zich werpen. — (uiKur^ur^nn ook wel (ujj ïJiVi -xrjihm \\ en uj tkj un met het aan

gezigt op den grond doen vallen.

O

vj (un d (Ki (vmji\\ zie (un (kv (unjj \\

tun (K-t \\ KN. kieuw, kieuwen. — i\'i ki. een visch grijpen ot\' vasthouden door den duim in de kieuw te steken, ui Kiihin\'i\\ inhalig; naar zich toe halen, wat iemand niet toekomt; het onderste uit üe kan willen hebben.

tun \\ zie w

o . a- . . o .

un ui\\ of iun u)\\ ui\\ (unijajins en ij i u\\ Kw.vrnw.

zva. (un igt;n\\ ilt;n n en (ixiidi/js

(unij ifn2\\Ka. vuurtest, komfoor, {vrg. un (Ui nnjj en

~) / C\\ t \\

iui n rj iui iHi/j bij iun (Ui \\ 1.).^,

(unrjcinru/js verk. tj uuiu/jkn. bezwaarlijk, moeilijk, ongemaklijk, lastig {vrg. rju n ? )• — ^(Vgt;1 ,rLl ijr urujjs bezwaren maken, niet gemaklijk zich laten vinden ; iets moeilijk of ongemaklijk maken , bemoeilijken. — ut?rj ui riïiemand het moeilijk maken, bemoeilijken, (nn ij tn iu m/js moeite hebben; moeite, die iemand heeft of ondervindt; de moeite doen om iets te verrigten.

iun un vuiji\\ — itTi i:i tuijj ^ iem. hij den nek houdend

het hoofd neerdrukken —(ri un unru*\\ het hoofd I

door iets zwaars op den nek neergedrukt krijgen. (ï^m;»7l^\\kn. het uitsteken van iets, zoodat het gedeeltelijk zigtbaar is; het half ontbloot zijn (vrg.

Q

(Uïjj Ui (Ui^(C^(UIJI\\ Ij (Ui 2 Tj U^Y) 2 rU/J en (Ui (Ujj

rhi/j); curjj(Uiirujin K. zie bij (ui^ uj. — (tr? ilt^nKN. ergens uitsteken, zoodat het voor een gedeelte zigtbaar is; zich half ontblooten; een uitstekende punt. — lt;u^ uiityJr\'lMil\\ iets doen uitsteken, half

ontblooten; laten zien , laten blijken.

O . o

(ur^ xn ru/j \\ K. zie (ur^ uj \\\\

(urjj ii-7) ruiji\\ KN. of KW.; (Ejj iUi rhijj\\ zva. u r\'ii uji/j\\ (vrg.

a

(Uïjj ITi iUJI (TjJj UI 7L2JI). ^ (in 7L7^\\KN. Spf. VOOr

aarzelen.

(un iui ^ K w. zva. ru m w Vrg. (un ur^q v

O 7r n O

u/n rj gt; \\ KW. zva. uj k^ w vrg. ui iu { nn

„ r»

untm{\\ of un tj |v;^\\KW. zva. un i^\\ en un ui ?\\\\


-ocr page 200-

(un rj mi 2 \\

126

.i7»ï?^(17ï2^\\kn. ergens gt; hv. aan het hoofd, zich ziek voelen, pijn hebben of lijden, nxtihirjw? of (ia ij ? ^ \\ pass. (ui ^ \\ klagen over, Rh. fi% in \\ kn. nalating vaneen belofte, door die niet na te komen (fry. itHi n i en \'M (i;?). — nalatig

zijn, door niet na te komen.

O

(un\'triaj)/j\\ zie ^ ijt wjj \\

(un ook wel i/n |.i^\\KN. zich stil weg be

geven, stil heen gaan, zonder afscheid te nemen, wegsluipen; zicli aan een kampstrijd onttrekken door zich nit de weg te maken. — imif (vtaj) JJi*

zie rj nj)(Kiji\\

C) ^ n

iuï) |.7 (i/yj\\kvi. zva. (iji tm un/j\\ (t.

(un :fyi (l/ï^n kn. intrekking, zooals van de uitgestoken tong in den mond\' {vrg. (Sn Miujj). — (Si (fri (Ujj \\ ook wel (éliïntvnijis zva. i?.ïiïJiU/1 \\ — i!n lt;£■gt; nji/j ^ iets, zooals de uitgestoken tong in den mond, intrekken.

am (i:t (LA/J \\ KN. gaping van den opengesperd en mond {vrg. (vu tj m i (LOjj en nn (ui/j). w i i tu/j \\ gapen of azi(LTi (ui ~ ) tf hmn den mond of bek wijd openzetten of opensperren — (?j) nvt in (ijiji\\ zie hen. (un ij (ai 2 (Ljiji of mn ij i )g rjjy^\\ kn. den mond wijd openzetten ; geenwen {vrg. njn i.iiui ^ hn iu(hti tui(hjjj en dj}tj )Li2 ij(ir)g(ijiji\\ Ml. m engo ew ap) ; ook iemand toesnauwen.

tunii~i(ujjj\\KJi, over iets heen zien, iemand over het hoofd zien j zicli boven anderen verheffen of laten hooren {vrg. njrj ry fO tijyj\\ een uithoek,

kaap, G. {vrg. rjojtd ijnjmguuji en mr^oèj). \\Jn (S iia/i \\ kn . het uitkomen, uitsteken van kleine dingen, als zij even te zien zijn hv. v. tanden. — (Ujjs voor den dag komen v. sterren, v. d. zon. kn. het met een gedeelte uitsteken of komen uitkijken van iets, het uitgestokon zijn van het hoofd door een opening; {vrg. nm ra (iji/j\\ n/r^ ^ (ui/j en (L/)^ (i7i \'Uiij). ifj^^idjtjjs met het hoofd ergens uitkomen of uit komen kijken; ook van nagels die hoven de vingertoppen uitsteken; voor den dag komen van de maan; ook fig. uitkomen, voor den dag komen, van iemands verstand. (Cm ijtij) \\ zie rj un 2 ij\'rrn w (U)i (ji ifji/jsuw. zva. iti Kyif.ijjw

d/n ern \\ zie ij nji) 2 (rti \\\\

\' * ~ó . t . a

v/i.i n\\ uw. zva. an^ww un mi in tn ^ kn. specerijen, kruiderijen , geneeskruiden {vrg. ajlmini).

a/li ij Tn ? \\ N., (un ij m K., nyn cm (E/tjj\\Ki., gebruik ; dragt; wat iemand gewoon is te gebruiken of te dragen. De grondvorm is uii ijcm2\\ iun ijmi\\ of in één lettergreep ij cm2 (ny g 6) rj mi (nggé), en is in wj. in gehruik in den zin van tot gebruik van , of van tot, waar spraak is van een gehruik tot of van dienen tot iets. — (17) ij cm 2 \\ ah ij cm \\ w (iri tfnjj\\ { li nm (FJijj\\ KW.) gebruiken, bezigen, gebruik maken van j een kleed dragen, aandoen, aantrekken (vrg. i

zich kleedeu; een naam voeren; ook (ci ij mi2\\n., ii:i ij min gew. . iz/t tu)\\K., z a. V Hoogduitsche brau ï.\'ien : ij (in tj (u^ xh rj (m2\\ waartoe behoeft, wai.i.)e is het noodig, dat men ? verder voor met, mea-o, tevens; voor een zinsneê met dat. rj\\jn2 rgt;) rn ij mi2 rj i :ii 2 aïii rn (tj} \\ \'t behoeft niet, enz.\', niet met, niet daarbij; zonder. (i?iijnijcm2\\ tui

(un rj cm 2 \\ of (ui ij cm 2 \\ (ia (iji ij on \\ {d ip oen n g g e)

. . * \' \\ O

pass. i.irj mi2 un ij mi 2\\ c» rj mi un ij cm \\ (C? cm (E/j^

m tjUj\\ zich aankleeden ; gekleed zijn. — (Hntj

ijcm2\\ inirj tru hn cm iamp;i/js in gebruik komen of

zijn; in gebruik; te gebruiken, bruikbaar; het te

gebruiken of benoodigd zijn; benoodigd. futtutij

ij mi 2 \\ al gebruikt of gedragen. — ui ij mi ? /y \\

it? ij cm (wj. \\ (U)mitfj\\ iemand iets, hv. oorkrahhen,

te dragen geven ; iemand of iets iets aandoen, n:;;

o . c o O

ij cm 2 m ~ii ij rn 2 an \\ (ctrjmi (tn ~/ii ijmi(Hj.\\ (Ui mi

(Eii ~jn cm rr \\ aankleeden. — ui rj cm 2 im -jn rj (hn • enz., een ohj. te dragen of te gebruiken geven ; iets iemand aantrekken of aandoen ; een ohj: gebruiken tot; ook {van ren ij mi 2) als bruikbaar beschouwen. — (un ijcrm (hi/j\\ (un rj mi dnjj\\ wat om te gebruiken of te dragen, hv. gekocht wordt; goed om gebruikt of gedragen te worden, deugdzaam. — rm ij cm 2 m Ju ij(mi2 onfjs enz. wat door iemand {hv. door een mantri) gedragen wordt. dragt van iemand; ook (ui iin cWi iuï on/jnKI., het te maken gebruik van iets. — (uur.trjcmts enz., het gebruiken enz. miwrjmi?\\N., ook gedrag? W. II, 281, 3 v. 0, (L// (uncuijj0. oji lirij lt;m\\K., r/n cm thjjj en imamp;ncfji ^ri(m^y}njjK.i., iemands kleed, klee-ren, gewaad (wapen, dat men bij zich draagt de kris? zoo ook volg. meded. in Palemhang Ml. pakejan voor quot;wapenquot;) gewaad dat iemand voegt,


-ocr page 201-

co

tun rj rn \\

12T

dragt voor iemand. ijilt;ih\'rjnii?\\X., wait ijnms k.,

gekleed, bv. in lompen-, aangekleed, goed gekleed,

o . quot;)

verkleed. — m a i»/ tt» ? \\ w gt;ƒ mi ^ n aau-

kleeden o/ verkleeden ; een gewaad geven aan. — Mdmoi) njl of (fibiji (rrifcijj\\KX. acte van investituur of bekleeding met een post en het beheer over landerijen van een Vorst of Groote; pachtbrief. iu(lui iu ihi/i lt;m tjijj\\ hetz.

iyti ijcm\\ mi \'m z \\ zie bij (unvfcmiw Sn cru \\ zie riojncrnw

Sn (r/j v kn. duivelsdrek, asa foetida {Skr. hing go e).

i^rrrnrftóiKun^ris wijnruit.

rjiun cm\\ of tuiicni kw. 1. zva. (Ui iïi ihn/j en rf i\'ntnSlw 2. zva. i/yiuif.i {eig. hetzelfde woord als rjcun

/. Q- T quot;gt;

— (Ki ij (Lil cni \\ of (i^/ (uil cn)\\ kn. 1. zva. nymidaJi^ of wrifóitaji/js 2. zva. (ijl (urj oji (Li \\ gelijk, als; en bijaldien , ingeval, m rjcun ctn r i n0i un u i q v geheel gelijk als.

n lün t cm n of (vu on \\ kw. zva. ojii hji kjijj ^ en (Vi \\ (Skr. ang g a,lichaam; lid; hulpmiddel); kn., wj., een verb. v. (M(iii\\ of rj(kit mi\\ njn tii (icjjjs (un cmtjtH^s of tun cni iijj mj lt;kt^\\ k w. zva. n^xji ij /_y \\ iiy^ d/i ifji ij nj w ij (un 2 cm tui n \\ kn. benaming van een wapendrager van den Vorst, ijit/n? cmn i eign.

van een zoon van Br\'am\'a-kündali. rjdr?z m\\ zva. o

ui hiiji en (i7iiOi(iffV\\

n\'/nanq\\ en n/iicmq KVf. zva. (vnitoiq {unni?) en

igt;H icnq \\\\ ijn crri j \\ ook zva. (uncmiutjj en (uyrc^^w

£) ■» ~,r, . o u n om .gt; n Md. zie (un iim w

Qv

wi ctn j \\ k. zie ajrj^ cm jw

a .o

on ^ n k. zie (un LU w

wimi^\\n., tuhcmq\\K.f het opklimmen , opgaan ; klimming , stijging, bv. van het water of van den prijs-, het hooger in toon worden, op hooger toon geslagen worden, van de gamêlan ; opschuring, het door middel van een ladder in de loemboeng gebracht worden, van de padi; steilte van een trap {vrg. (uncnrrianiji). — if^cm igt;\\ (bïcm {\\ opklimmen, stijgen, hooger worden, opgaan, optrekken, ieqcmq A(ij) n aan land stijgen, landen, cm j ilii lt;amp; \\ als bedevaartganger opgaan, ter bedevaart gaan. \'fiar»^«yn(i^Nopklimmert tot Adjar (leeraar). cm q ilvckyii ajl \\ de trappen opgaan naar de Soerambi, voor de priesterlijke rechtbank komen , van een regtszaak. — ijim^\\?n\\ ii m q uii \\ beklimmen;

opklimmen bij «/langs; klimmen naar... toe; optrekken tegen; ergens iets opbrengen, zooals water op een akker; aan een man zich tot een

huwelijk aanbieden, van een vrouw; en in dezen

... o » • o..

zm ook (17^ cm j (i/n (YYt s xjh w — i.j cm uns cui

cm fii/n i.n (hi/j\\ doen opklimmen, doen rijzen in toon v. e. ghpding ; doen stijgen ; ieis ergens opbrengen ; padi in de schuur brengen; van een geweer den haan overhalen; bij een erfverdeeling een even getal porties met één verhoogen. — cuir

o- Ov

cm ? (urj cm % mn tw cm ft n lt;m lt;• i/n in/j opgang in de hoogte, trap naar boven, iets daar men bij opgaan of opklimmen kan; opgaande linie; bevordering , promotie , Rh.; het wasschen van het hoofdhaar in het begin van de vasten. — (uicm* (un(Hijj\\ zie ben.

(lyij crr^ f \\ ongebr,; (urj^ am ? x/n ^ \\ kn. de meerdere of mindere hoogte van de waarde van dingen van dezelfde soort; liet onderseheiden gebruik van woorden en uitdrukkingen naar het verschil van rang en stand {vrg. d/n cm j \\ zva. run cm (U/f). — \'^i Crrll ^van iemand die op zijn rang of eer staat; wat goed staat, goed staan. 2. (èj^?s n., ei cm ^ k., met opzigt tot, betreffende, aangaande; watgt; betreft; wat aangaat {in het spraakgebruik zva. het Fr. quant a); bij God zweren; zva. iu.i5r^lt;hii/j\\ begrijpelijk, in harmonie met, geschikt; waardig zijn enz. ij lh ? m n p Sn un cmcEirjini^ niet overeenkomstig de godsdienst. (E^crt^(un\\ of vjoah (j^err^^djns betrof het, indien het betrof, wanneer men een vergelijking of beeldspraak aan iets ontleent; bv. quot;De Eloboom is, ijii.li^ar^tunajij ijnjid * luklckhnjjs indien het een mensch betrof (van een mensch gesproken) trotsch.quot; (unlt;rj(m(i}n\'ricr))\\Kn. een soort waterkrekel, WW. njn ij cm? nnjj\\ of in één lettergreep cm? anjj ( w()gori} n. , oün ijcmcHi/j of vj cm anjj (nggèn) k. , \'lyrjnoj (i(i/l en cui^mr/jj.mji\\ of ori uifj en rg^lt;HT^\\KW., plaats, plek, de plaats waar iemand zich ophoudt; ook (Sn ij cm d (hnjjMi., (t\'n rj cm (uijj of rn rj cm jnjj\\ k. hulpwoord om van een gezegde een n a a m-woord ie vormen, even als rjcum ijiruqMi., asn (K/i \'iLiJIN K. (zie de Grï). cdh itiap iJiiLn rj cnitoy/iijiun iLn \\ waar hij ook gevonden wordt, (ki i n ij cm i de/ ij emi arijj\\ op alle plantsen . onverschillig waar.—


-ocr page 202-

128

(èii^nm (ynjjs iu tjmi iw/js ergens zijn plaats, zitplaats of verblijfplaats hebben q/quot; houden; zich ergens plaatsen; zich ergens ophouden; gestationeerd zijn, van troepen; ergens zitten, blijven zitten, vastzitten, hv. van pijn ergens in het lichaam; gevestigd , hv. van een vaste betrekking. (S) iYn k» (Uj ofii 2 uiji een reeds gevestigd (rijp)

0 O /O o o

xn ij ( (Kt tui aui

0 r:gt; n cm i

w h u (U ij crmihj anj] \\ ikh (u \'i/ cm (Hj

y cm ihj

bepalen of een bepaling stellen.

herbergen V fig. in zijn hart een plaats geven aan ; welligt onder invloed van het M ado er. waar in quot;l \'l\'cfco^1 voor^om^ den zin van goederen bij zich hebben.) êi aj am (m.\\ of ivh rj cm iwj\\ een plaats bezetten, ergens zich neêrzetteu of vestigen; iets, bv. een huis, bewonen; ergens zich bevinden, un vj on i (Hj (injj\\n., iHihutj/rxum/i^ kv/.

jTcj^

\'hu ij on tij k. , wordt gezegd van een plaats waar , en van een persoon, bij wie zich iets bevindt. KiitjanmiHj ii iu\\ slecht volk bij zich in huis hebben, kïi vj cm i(hj t^i ilji n tynjj heldenmoed in het lijf hebben. — ^amtnjj ij ihcii\\ téiij ctn i,n (Hyj\\ iets ergens plaatsen of zetten, zoo als een vogel in een kooi hji rj cm \'i (Uj cinj^ \\ ajivj ortiHj de plaats waar iemand of iets zich bevindt. — lt;£/ ijnndiK,

è iUJ N lE I / ƒ cm (WJ N

of wrjem

(hi/i\\ bezet, betrokken, bewoond, of te bezetten,

enz. —, ièa rj cm 2 uj rj hu \\ im ij m ifj urt rnjj \\ iemand

ergens plaatsen, zetten , doen of laten wonen.

am ( r7j\\ KW. zva. ^hiHiiqw . )

i/nvj {cmd \\ zie miiTj mw

(uiicm\\Kti. koppel van een op zijde gedragen kris of zijgeweer. — nhcms 1. een zijgeweer of kris aan een koppel dragen of daarin steken {yrg. cm \\ hij (h^\'ricm). 2. geld leenen of te leen vragen zonder pand.

(uncm\\KN. paal die dient om iets vast te zetten; bepaling, vaststelling , wetsbepaling, wet, verzekering.

. . CY j. . cy » O-\' / * o * CY

vvi(Lui(IjVcm \\ oj lt;n/)ilutuficmlt;i/ncm\\ \\oJ nu rn

% (y

xm rn n w/f) schriftelijke wetsbepalingen, wetboek.

l cy » cy s . cy n .

(tv am\\ en un cm tj -» »\\ of nm nu tji ftis

cy )

maar, mits. d\'/n cmain iicinis elke buffel, /ƒ mn t cyi

cy . . . cy a

iun cmrj {vi2 niet iedereen. — ivji cm n\\ voor iets

. cy •

iun cmniihnjis

cy cy

gemaakte bepaling, K. 9 , 9. (un cm tun m ni (hijj\\ gemaakte wetsbepalingen. — nj) 011 rri an/j of iiJtui cni

verstand.

W. P. 260

(Ki j n wat dient om iets te bepalen of vast te

^ a* . CY stellen, im m ïm n ihi^ voor vast bepaald. — m

(thcmnnihnjjs vaststelling, bepaling; voorbeeld; gewoonte , gebruik , wijze.

lw m^MvN. l.wijn (Pers. uiihn Jn nj\\wijnstok.

crfcutifcunrris wijndruif. 2. ledigheid, het niets te doen hebben, (un ^(ün r^rjnis bij ledigheid, als men leeg zit of niets te doen heeft. — ahcrr^ niets te doen hebben, ledig zitten of ledig loopen; buiten dienst zijn; zonder werk; geen dienst doen, fig. voor ongebruikt liggen. (U^cut (ó)crr^\\ een ongetrouwde weduwnaar, (un cru (j-j cn^ \\ slechter is \'t ledig te zitten , een spreekmanier voor tijdverdrijf of tot tijdverdrijf. — cunnny \'uu0 iemand, die aan geen vaste werkzaamheden gebonden is en vrij over zijn tijd beschikken kan j een lediglooper. — ajiaTtcmnKHi^ tijdverdrijf, tijdkorting.

tun *1 cm \\ aJn rj cru \\ of in één lettergreep nj cm (ng gè r) KN. een woord dat in plaats van rj np i ij ru of un 11 i-rn gebruikt wordt gt; wanneer men een kind of jongere liefkozend of vriendelijk toespreekt-. lieve kind ! mijn lieve kind! En zóó noemt ook wel een man zijn jonge vrouw.

tun (rn \\ I. KW. weggaan, heengaan; vertrekken, G.

Vvg. a ih cm \\ 2. kn. zva. ayajnemw (ur^ eni \\ kn, ; \'ujj eni \\ iets, zooals de zamengepakte korst van den grond) los- opwerken, los-o/oppeute-ren ; iemand aanvuren , aanporren. Wilk. in Waj. Prëg. 4,2, vat het op in den zin v. cur^ cfr^ \\ iem. in alles toegeven.

ijajit nis ook ijojn ern\\ en iSii cm\\ kn. lustig, opgeruimd. — (ci cm*1 cun cm \\ zich verlustigd.. rhicmtjnKW. zva. ajtiru(Ki\\ Dinsdag(Skr. anggdr a, naam van de planeet Mars.) iia run cm m un aSi {verk. mrriih 11 ,v5J^) kn. een Dinsdag-kliwon, die voor een heiligen dag gehouden wordt, zoodat een maand, waarin zulk een dag niet voorkomt, voor een ongeluksmaand gehouden wordt. (ijn{iT^^\\KN. i ajn ^^(im onbeduidend van geen

belang. G.

(un cm pi ifjjin Kw. zva. (lh (nTgi u mnjiw (uti[crr^iUïij^s — aanhouden, vast

houden , beletten om weg te gaan.

nJn rf i(rri^hii/f\\ 1. naam van Orchideëen, parasieten en andere. Fil Tj. 0 » j ilkhiji komt bij Fil. niet


-ocr page 203-

rj UT) 2 u -Jtt [arn mijl\\

voor. naam v. o. batiks el. 3. de korf voor de opening iu leiding om het water niet te snel te doen stroomen, S.G.

ntum (vriMi een donderend, bulderend

~ O

geluid geven? verb, met nn (rnjj\\ Tj. elc/. iun rj „1 ry tnyis Vrg. (rnnrj-m^^

bluf {vry. vncrrtiMjj en (m^yj). — iin [ tr^ n bluffen.

ijn KN. waarschijnlijk zva. tj -n

tuitiu Jn{nrr^ajji^ een reaal zilver, een reaal van dertig wangs, een Spaansche mat.

(WJuf VilJn KN- ^11 ^ el ö eh, de E u-

gel s oh e n.

Mt i\'} rnji cm Jn^am/j rogchelen. Men.

t » . . p Ct O

tun Vn \\ — « » rry zva. r:i ^ \\ r iti w ^ ut /. n tj mn i rnjj \\

cy o o o cis

tui cm asn urn ij lt;ni tij i m ^ n ili ihji ihn ij no i p

lun wjj Tj.

(lVï^önkn. De Sponia Velutina Planch.,\' Nat. fam. der Celtideae. Be wortel, bast en bladeren een specifiek middel tegen vallende ziekte ? Fil.

^iuni tj \'ty^i gt; KN. zva. ophemeling. —

^rty\\ ophemelen, prijzen, voorn, om te vleijen of te verleiden. wrj £12 rji^ry \\ ophemeling.

Miil tnid hiyj\\ (Vin(Hijj0\\ zzz nsn^ri 0112 Mjjs P.J.

dunheid, vooral van iets dat hier of daar dun gemaakt of geworden is. —

ook wel tamp;ihw Hnjj \\ 7.66 dun worden, zijn of gemaakt zijn als boven; bv. v. e. poot die hier of daar dunner is gedraaid dan op andere plaatsen\',

volg. WW. ook dun van middel {vrg. (Uiuh). —

(•-quot;) o . .,,

i:i (Y)i /. iiji^ vermageren, uitteren. G. (bi nmiHrt

(rn nryjs volg. Rh. mager zijn, mager blijven. —

\'ii cm y tm \\ maken dat een obj. ergens dun

wordt. — wi cm •uti anj)\\ of (üi cm utijjv het dunne

gedeelte v. e. object. — uri m un $1 m ini Mijj\\

naam van een vliegend insect. Sncny nu !fm(m

tn kijj\\ lijden aan magerheid.

(?) ^ (?) £)

un vj cm 2 ii iijj\\ KN.; un ij cm ^ gt;. n , ƒ» /ƒ mt rj ini m/j \\ andere ben. voor aj) tui t) (isrin\\ nïn if cm2mi tj

CO

rj (m 2 fam (Hyi \\ zva. foil rj m 2 Knjj \\

Pquot; quot;gt; .

lyncm im/js zie ijcun-cm hvj^s

* O C)

quot;fiunnm nrijjsKH.; (uh.m fnjf KW., staaiule zwemmen

(vrg. ;^i5ï).

\'tj (un tj cm i (hvji \\ T29

yj (i/ti ij cm 2 \'wn ^ n kn . wending, di\'3 iemand neemt onder het gaan {org. y run ij igt;ii2ihn/j). — ij mij (m2 Kn/j\\ zich wenden , een hoek omslaan, een wending nemen, ook van een weg; afdwalen, zich afwenden van iets; van iets, zooals van afwijken.

»ƒ ifji cm rj Mj if cm è hnjj^ (in Ah. ook ij nln lt;rn ij h n Sn ijcmnHnjj) links en regts, van dt eéne naar de andere zijde, zich wenden, wijken of afwijken. — rj i7irj cm2asfl ij un \\ iets wenden j aan iets een andere wending geven; iemand op een dwaalweg brengen, doen afdwalen. — ijnjnvi cm2 oo/j {of ntun ij cmè rj un Sn tj cm i ini inyj) wending , bogt , hoek, van een weg of stroom, im ruihfyj0 een zijweg.

lt;yj(tin 2 ij cm 2 Kn^sKN. het merg uit de arenboom, aren-sago, die, na gezuiverd te zijn, ojiivnrj\'niiojj genoemd wordt.

71 (un 2 cm un Jn rj cm unjj \\ kn. het wrijven en drukken van een kind om het lenig tAe maken en spoedig te doen groeijen. fig. de padiplant links en regts aandrukken om ze spoedig te doen ontwikkelen. ook afwisselend toe- en afvoeren v. water S.G.

(un cm un n \\ of rjeun 2 cm un \'n \\ zie ojj, ij nj 2 ern u n n nn

w cntasnjjsKl.^ van rj(un2\'rj.i~ni\\Kli. gedicht, opstel, werk {van letterarbeid); verdicht, verzonnen, bv. van een verhaal {vrg, ^.1 un). — camp;cmibnjjs ki. van ij itm rj nn w kn. iets zamenstellen, opstellen , dichten ; iets in zijn binnenste prenten. un(mcmasnjj\\ de opsteller, de auteur, aih rii ibn Sr) cmMnjj\\ iets verzinnen, bedenken. — (Cm cm am (ui fj of (un cm igt;n Sn cm 1^1 uyj het zamengestelde o/quot; opgestelde; verdichtsel, verzinsel. —ojikicmihn/j\\ subst. den. of dichter, schrijver, opsteller.

(uh cm nst)jj\\ kn. het heimelijk de vlugt nemen , heimelijke ontvlugting. — iamp;ïcm (vgt;njj\\ heimelijk zich wegmaken, wegloopen, ontvlugten. — aS cm aw \\ iemand heimelijk ontvlugten; iets ontduikeu ; volg. G. tot iemand vlugten. un (uh cm iisn uyj van iemand wien iemand heimelijk ontvlugt is, en volg. G. die een vlugteling bij zich ontvangt. —êi\'cmn^tj •nun\\ heimelijk doen ontvlugten, heimelijk ontvoeren, schaken. — iuncmii^f(uyi\\ iemand die ligt geneigd is om zich heimelijk weg te maken. ojhm un 3ncm fén(ujjj vlugteling, en de plaats

9


-ocr page 204-

a/n ail\\

130

waar een vlugteling zich ophoudt.

(uncn^nsHjis zie nyr^orr^asttj^\\

ivncrr)(U)jj\\KW. zva. itoiaA^\\ en lt;mlt;rn\\kn. i/» bluf {vrg. nmajt^). to} rrit0 een sprinkhaan met zeer dun lijf en lange, dunne pot en. (hiitiï0 een band of streng garen, die een zwangere vrouw, om den middel gedaan en gedurig stijver aangetrokken wordt, om ie maken , dat .de nageboorte niet lang achterblijve, Rh. — ocm(kaji\\ bluffen; bluffend tarten.

lunijcrn^ eign. van een Bagawan.

ajyci^tHi/jsKVf. zie bij (iw^dmKHijjs tihi (rnrujj\\Kyf. zva. (in onbezwaard, geen bezwaar hebben, bereid zijn om iets te doen; kn. ligt, niet zwaar, gemakkelijk; ligt geladen, nog wel iets meer kunnen laden, van een voer- of vaartuig {vrg. nrjajnr^yv). — w cm.fyi rj hyi\\ iets verligten.

iuti cmrvyjsKW.; (un (n^ Jn cmvujjs wat iets, zooals water in een goot y in zijn loop belemmert; hout tot het aanleggen of ophoogen van een dam; ook nat hout, of iets anders, dat onder het brandhout gelegd wordt bij het aanleggen vau een vuur op een vlakke plaats. — i/n mi irvt (HT/j\\ de dam in een nevenwaterleiding, SG.

Qv

\\jr\\ (yïi rwji \\ zie rj (vn cm rujj \\

O* O \' s

d/n cmru^vK. zie ^

(imcrnvu/isKii. (ook wel luyarn tu/)\\K.) elk, alle, vöór tijdsbepalingen, in 0(tnih^\\ eiken (lag, alle dagen. WW. zie rj d/n cm ru/j n

«vt/j Kü. boven anderen uitsteken, overwinnen; overwinning (vrg. (i^ cm truj^ en —

bovenuitsteken, hoog. — i}7jcn^i}ijijj\\ over anderen heenzien; overwinnen.— ^^Vi\'^ iets overtreffen, (hv(ur^orr^ cri^i\\ overwinning. — (u^crr^t^KTjiKTts doen overwinnen, opvijzelen, verheffen, als uitstekend roemen, (v^err^ tu^err^tq^y

zich verheffen of beroemen op. — itv)-jy^cn^ elkander trachten te overwinnen.

rj(un amiru/i of ci/h muru^s 1. k.; zie — 2.

kn. spoedig, haastig , schielijk, gezwind , rasch , snel, links {vrg. cm nu fcyjs niun asn/j emunnv hnjj) nfj(On o7) tiT; ij ttwi(U)^n tot spoed van \'t verhaal, om kort te gaan. rjtisïincnirjirhn op zijn kortst {eig. als het spoedig is). ^i/n cm tj tu Sn gt;n /u/j\\ wat haastig, in zijn wijze van doen; ook volg. Rh. met korte tusschenpoozen, bv. op reis gaan. ^/f\'/orrru^NKW. met spoed geschieden. — rjKhcm rur/WiKN. iets bespoedigen, spoed o/haastdoeu maken. — tun cm ru ~rii cm vm (Hi/j- met spoed; die spoed moet maken, van een stielbode; daar spoed mee gemaakt moet worden, bv. van een brief. n}nnrn\\Kii. het hoog uitsteken, van iets y zooals een huis op een hoogte, zoodat men het In zijn geheel zien kan; het hoog boven het water uitsteken van een vaartuig. ahcr^\\ hoog uitsteken. Zie rjaym ij cms

(ünrfcmisKN. hol worden v. d. bovenbuik door het afzakken v. d. vrucht in de laatste tijd der zwangerschap\'y of un rjnf)rè\\ doorbuigen v. d. knieën bij het tan dakken; volg. WW. ook vermindereu door invloed v. lucht en vocht, bv. van zout en derg. {welligt als dit in een pot of iets derg. plaats heeft y en een holte gevormd wordt ?) vrg.

lun cm(Ujj\\Kli. beschouwing, hoe iemand of iets door iemand beschouwd wordt; behandeling of bejegening (naar zulk een beschouwing). — ó mi iemand beschouwen, bv. als een broeder, of als een slecht mensch; erkennen, bv. als Vorst; aannemen, bv. als vriend; op de één of andere wijze behandelen; iets, zooals een gezegde, betuiging , verklaring, lessen of vermaning , aannemen; ge-looven , vertrouwen. — cun ar» \\ in aanzien, geacht; vertrouwd; van invloed. — ahem ajt ^irj nrjiuns iets doen beschouwen als iets, iets doen houden voor iets; achting doen verwerven.

Mirj cnii M/jsKVf. (ophouden, rusten), ihn tn ~\'h rj cm z niet ophouden, niet rusten, zva. asnMiQnm nsnji^ onafgebroken, onophoudelijk, ook wel (isn^n (uitdnem^ nrm onjjs Men. (Lgt;n ^ ij cm a iui Si\\ Rs. asn (K» tj tcj ? dji - j (Hiji \\ Tj.

d/n cm [Oj^ lu \\ KW. zva. tu\\ ajt u i an to/j\\

(ur^ rnjjj iKi/j of rj ihi z N zie w) rj cm i anjj \\

ijn cm \\ ongebr.; nm cm tun nrn \\ kn. zachtjes, bv. van een druk of hamerslag ; ook naam van een waterspin y en van een batiksel. — ah cmlt;iin artis iets zachtjes, met een ligte hand doen, losjes houden, niet zwaar drukken.

run \'gt;nx KW. zva. vn ut mn rü\'iw

t O


-ocr page 205-

njn cny \\

a

131

of \'ryyw

\'n\\ kw. zva. (ia nr

^/i

wi in\\kn., in poëzie ook rm rr^ en (y)^\\ steeds, bestendig, gestadig, aanhoudend {vrg. en ^ Jyjy — iamp;i r/jj \\ hetz., en aanhoudend voortgaan; aanhoudend door koeren, van tortels; ook een meisje, dat tot bijzit van den Vorst bestemd is en in de kraton opgeleid wordt. Zie gt;\'rp zva. tyfnfnw ($ichi\\ zie cniw

urn iij(i:ri/j\\Ksy. (Lmamdrnj^w iE^^i(irnj\\ — xnajr^

^ zie tun tf gt;r.u (Uijf

it/ttitiitnjj kn. open. Rh.

qv • 3-

HJ!) Hl \\ zie (Hl (mw o O »

funijxi2^ zie njft .r.j w (L^dlj v zie Tj turn vhw

(urj ij ia) 2 ? — to? nrjj rj tr}) 2 \\ v. paautoen een geluid

iej »\\ zva. wrj nsitiiHijjs — rj wirh\\ of avails

O . . o

zva. (unijpr^w rn in(hijj\\ zva. an(H^ac}(hi^\\

— (urjahazt(Hijj of (ua^ahan(hiji\\ zva. njirj

(^2(Hj_(hi/i ook naam van een dist rikt.

f/n (c^ fi xij \\ KW. zva. dJ(un :ïn rut (U/f\\

ép\\ - 7j(M2(U1\\ of

maken.

Wel! ik heb immers gelijk! on cvn rj nu: mi da hji nnanjis Wel, mijn zoon! hoe is het P oü/fc ~ nu % ^ VVaj. II. 50, 9 v. o. vrg. 64, 8 v. o. — 2. kw. zva. (énmi (has (t^ ^ Kn en rn r^an (^JJj^ —3. verk.

van ^00 2 hi j \\ vooral als Vocatief.

o o

on q \\kw. zva. (L/n Hj^s

«rry of lun (Yrrj ? Ar. gt; ei9n- N o a ch.

n on q\\ kn. een toeroepy die men veelal door toch

quot;) o •

vertalen kan-, bv. iiïti d/^if lvi ij on q \\ Hoe is het

toch? rj ^(u^oj^orn(th/i(bi/i in^rffui\'rionGeef dat

boek toch hier! rium^nnon^s zva. 0^(1012niasris

VV. II. 158. liet dient ook [als voorvoegsel) om

de passive Imperatief te vormen; bv. 77 on ? rj

itf ojj u n ~jïi ij mi \\ zva. njij rj /y oni Jfr] Kj \\\\ Men zegt

ook mvjonvoor zie toch! Vrg. oeneden

rj on % (un rj om \\ zie rj (ui rj ofj.?\\\\

m j (dn \\ verkeerde epelling voor onnjrïw)

(D (?)

on un onjfKw. zva.ifjiijoni2ij^2\\onojn on^\\ zva. lE/i ij

rj om rj ijj \\ beide zva. odidri arnjj oj om on rLojj W.

in Jav. poezy zva. voorts; genoeg er van (m^on)

kn. zie nsnivn onjjs

on (uil onjj\\ kw. vervolgeus, daarna (waarschijnlijk zva.

onojnonjj). Zie ook out un on/j\\

a . O

on ojn onjjs zie on ojn onjj en onunon^

on(ur^onjiWiVi. zva. (ibnojr^onjj\\ Zoo ook als k. in

Tagal.

mn kw. zva. itji uit an\\ wem errt/j zie verder hij

(un m s\\

im\\ zie bij on tjj\\ en ii/n w In Banjoe-mas in de spreektaal zva. rj h u 2 in de tweede persoon van het Subjectief Passief \\ hv. in anusrv^.un^ zva.

rjMn2(istrta(Hriji\\

* • o o o

r ^ en ^ ^NKW- zva- u) j en (Uj.

s

•u^w (unnys zva. tnijj en (Kavnmw (^J^N

de edele prins. nPn liua v een buitengemeen

menseh. de voornaamste personen , de

hooge adel. — lt;».» inn zva. ^lt;o^(uhgt; of /.y o

*1002 kn. uitroep : he!

^cy

1. kn. een uitroep: wel! (m/y un ny \\

ihc^ vijl on/j* zie a/r^ ^tnjj \\

O ^ o

ij on2(vn on/jsKyf. zva. om cm \\ ^»\\ om oru^ oji j om

onjjs kn. naam van een vogel, die op vruchten

aast.

/ . s

on oji^ \\ zie iji oji^ w » o

I 0X1

(-

O o

onojnoxt\\ zie (hJKunonjjs

oniUijomjj\\ zie ojioji^owjis

O

onoyrjosn^ kw. zva. (hJiooi\\

on (Uïi t-Jijj Ar. kn. ongelukkige, onheilspellende dag {Ar. gt; ongelukkig gesternte, ongelukkig

voorteekeu , ongeluk); ook geen werk hebban, niets te doen hebben, onojii oji Slum (ui \\ de dag van het overlijden van iemands vader, on om w 3ïoji oji \\ ongelukkige dagen in zekere maanden, waarop

eenig propheet een onheil overkomen is.

o . o

on (un (Kil (hiiji \\ zie oji oxo (Kji (bn^ \\

o

on ojojn 2oji zie 0^1 rj 0jii20jjyi\\

o a a . a

on (un OjW \\ en on ojn ojvi (pj, \\ zie un ojj om ojui \\\\

onominyj Ar. l plaatswaaruemer, vertegeu-


9*

-ocr page 206-

rj na i rjtuji ojij^ \\

132

woordiger {org. ui h n ru/j). ilh nn ihi un rrnjj ^ kn . een priester op een dorp, die, tevens ChaJcim zijnde, de bevoegdheid heeft, om meisjes of vrouwen , die geen Wali hebben, in het huwelijk te verbinden. — een opbrengst aan

zulk een priester, waarvan deze wéér de helft aan den Mas-Pangoeloe voor de verleende bevoegdheid moet opbrengen.

Qv .

iHinms zte (hi lt;ciw

lt;K7lt;hT^\\KW. zamentr. van i}n(un(Hi/j\\ zva. (*SI crri amj^\\ o

IH11HIJI\\ kw. zva. ili \\

tjani [hnjj en xmvjanj^s zie tj(üh2 anjj\\

000/0 (W7(ki\\KW. zva. quot;tiKtijj\\ tLuw n i/js wans quot;nuns

zie bij vn anw 00-00 O

iHithn^ oj .w/y\\kn., itm ia£{\\Vi., ij uïi (Lin \\ k 1., grootmoeder ; vn tn ook tot betiteling, om een oude vrouw aan te spreken; in po\'ezie en als ki. ook voor meisje. Verder is on fn\\ en gew. (hn\\ een voorzetsel vóór eigennamen of benamingen van fatsoenlijke vrouwen, zooals un :h ?i \\ of un \\ voor die van

j o . 00

mannen; bv. ui Kfojj ^ (in 21 ) \\ rj (Kji ie/i y i/rt hj^ an

[n^l ^ ij (lo 2 w cm (tn tymc^rjs of w anrtj \\ de

weduwe; (tn^ms het meisje, an de prin-

o quot; o O o

ses. ani^iiurtji voor anfL/nrj(hwaw/j\\ :ui ei(i-j)/j\\

betiteling van een vrouw door haar man. cm ïy

O o - o o o 17

un \\ 0/ an uj \\ naam van een vliegende

spin. finihj(E^\\ of antj jy je grootmoeder, ar! rj^ ijzijn grootmoeder, an rj^a^n^s en an ij 1^ am vj afj \\ zijn scheldwoorden. — an i?j an ons een besje. — riiHjay\\ tbi w %\\ y 11 llj \\ iemand grootmoeder noemen. — Hr^ éia^s een nufje 0/nuffig, van een meisje of jonge vrouw, aa ?/ an/j \\

een oud vrouwtje worden. Zie amani\\

o O cquot;)

tvn \\ KW. zva. an tzajj\\ arm m an/js

1

an2*1 an2 \\KW. zva. (£1 anions in (K?^\\KW. zva. cunnrn^ns

fl/ï£^\\KN. etter j etteren. Vrg. aSusti^w rjama^^ Port. nonn a, jonge jufvrouw, ben.

v. e. jong meisje van Europeesche afkomst, M.

z\' ^

ay an

^ ^

^ an 2 tyj 2 \\ zie ay aji 2 w a{i ajj/MjjKN. ananas. —

\'ïjaijiMfi\\ een ananas gelijkend.

00 .0

ui i j aj)i^\\ zie nsn(Mjj\\

yan rjanaji/jskn. spraakzaam eu lieftallig, van een

zie )) oj) \\\\

O

nan an (kd a

vrouw.

irjan2tja^2ajij\\ of riant ^ i.jkn. een schuilpluatJ zoeken, eig. tegen de hitte van de zon in de scha-1

duw gaan schuilen, va?i beesten {vrg. (ima/r^ i.iyj

00 ... o \\ I

en an acj bij i n aJi/j ). — ajt rjiye ij Uj 2 (U ^1 uij 1

of (ui ij tn 2 ?! m 2 irji an/j n een schuilplaats.

on . o ro quot;

an uj ^ \\ zie an /tajj \\

ij an rj (uj ifj anjj gt; if an 2^ ijj 2 anj • zie if an 2 (f-ajj \\ an^sKü. onjuist, onnauwkeurig; niet stipt nagekomen, niet juist uitgekomen, niet juist gevolgd. \'ijanio^ (hjt n kn. bol van voorhoofd.

an rm lt;j\\ KW. zva. ij tta vj n 12 i. njj

an ah \\ beter an vfii \\ zie noi r:m w Oh Cl 01

an i7w n kn. bleek , W VV.

01

O Q„ . O Ov

an xin \\ zie aoi i:m w

01- Oh

an nu an \\ kw. zva. ah (nis an an s kw. zva. ij aniri thii (KAjj\\

an anihiijj^ kw. zva. miajj Kiijj\\

alt;jj hi ktj^nkn. zoo zwak van gezigt, dat men de voorwerpen slechts als schaduwen ziet.— njt asiï(u 1^ uv/l of Rh. vry. ,Q tegl

men van een plaats waar veel kleine hoogten bijéén zijn. PL. II. 145, 5 v. 0. Zie verder oji ^ani/is ben.

an op \\ kw. zva. ot^ ijku^

o

an an n kw. zva. moAi^s

00 00

anan\\kw. zva. (ejixci gt;s £-

o 000

an an an \\ kw. zva. an (h i tn au \\

o co

11 an 2 ap % \\ kw. zva. an oji oji \\

}arm

0*

11 ai 111:111 ss

w- \' \' 01 CY . O an an \\ zie w an n\\ /C- ^

ij anCapsKVf. zva. asr^ (Sdr. nidrdgt; slaap).

an an mi ti \\ zie oji an un 11 s

Olj 01) ^

an (hpj!s kw. zva. 1^aji (ta/js .1^g? n ^ ij» 2 ij w2\\\\

o o

an apji^KW. zva. lijojt^w

00 - 00 . o a / cr „

an an.wis of vnajjim asn \\ kw. zva. ana^aji q s [bkr.

anindita, onberispelijk, van nindita, beris-

pelijk).

O . O

an {M zie aj) trnw

ty ayasn/fsKN. meegaan 0/meegaan reizen met iemand door zich bij hem te voegen {grondw. a^nsiijjs) — (t^a^ isns meegaan £gt;ƒ mee gaan reizen met. am ar^ tifli an/js pass. — a^ hyifjitjims iemand of iets met de eeri of andere gelegenheid mee doen gaan of mee geven; voor iemand passage nemen of be-


-ocr page 207-

\'TfW

133

u; . ;\\KW. (Ui

ul](h3fjl\\ÜAs zie

/ O

j^7) -n \\

quot;•\'n

^ an i ij iui2 crrifj\\

ie 11 oji 211 ui 2 (in

\'ZV

zorgen om ineê tu gaun. —wie o/wut meegaat 0/ meereist. ■— Oir^ an i^n ar^/j \\ iemand of iets om mee te reizen. — m liet méé

K. van \'K) n t\\ zie

zie ijihinihifls

*PJI en zva têinm hnji en i.jhjj^ \\ uw. wa.

o/ ■Kw\' iets duidelijk inzien, goed begrijpen.

»/)OTit)i\\\\KW. »«. rjimihitp !Wjj\\

n • / o , ~)

tut ^rLi(Mrr)\\ zie ook (Hi(vtq\\

O O*. O O

^(^7»\\KW. thn(rrrt\\ cr*j.(La\\ en ,uin(mi \\ (kö

a (1711 S

CJ

kn. tfö» zekere geurige rijstsoort, 11 li. arttrrm M(rni\\\\

aa xiii MJ. N »/ ^ ^ i^r) \\

7* O Ov

(Hiirrn\\ zva. (hjiap\\

\\ o O

lt;W7 on o \\ en on i~in w nn (hi/i s zte .f i rm w

lt;?gt; lt;?gt; ^

o . o .

o/? i^n i:i ii mh \\ zie m iin ^

lt;5gt; \'

(Hl (Hl iMJI\\ KW, zva. (tsï tHJif ljj\\

zie uj

O

(Hl Hl \\ KW. zva. (Cl \'KI \\

O .

(Hl (Hl \\ KW. zva. (UI Ij (1 LI (UI J \\

q« o rgt;

^(W7\\KW. ^^05. W(WilU\\

^^\\kn. lokaas j lokken (vr^. i^ytj\\ n^mij).

an (ui f \\ zie (ui (ui j \\\\

zie

ijamvjiuuqs zie najtdvjiKmjw

irj iHi2\'(H})(ih,\\ zie rj (ui 2 foyji \\

iW7(IO) \'n\\KW. Ml föl\\

•Hi iisj) /ai/j \\ zie (ui aji i, hji \\

~) O ^ - O D

IHI(U) HIIJI\\ Zie (IJl 0J1 (IflIJI \\

lyw zie

Ij (Hll lj(IJ12 Hnjjs zie tj (IJl 2 Vj lij) 2 di fl/j\\ tsjj »ƒ ui n )i ij tun \\ zie iiji \\\\

tui tui iUijj \\ zie mi (ui (icij}\\

O

(Hltui(Kj dm .ui n KW. m\'ricin ri\\

^ ^ . o o

IH1(IJ)IU/I\\ zie (IJldJI

quot;f \'i \'h^ zie liJ

rj Ml Ij hJI IUji^ ~le f jOj) Ij (hj) i11jIJI\\

\'7 w tij (Win uji \\ zie ij oji 2 ij oji «lt;/ l/^\\ quot;1 ,J\' Mjj N (/Oï \\

wiji(uiji^ zie qjiji^

WQJI (Ujj zle wtlJlM/ls

gaan , ene.

O

1quot;

(hi (ui ii:rijj \\ — (HiajiMjj van (Ui (ui tuijj \\

cm (iji \\ zie aJujiw

CY

(m\\ (His of (HisYiyi. zva. miii\\ 0f lji hihji\\ {Skr.

1 CV /

nrë; {vrg. mih). (h^ojis (hi (ui\\ of (hkuis zva.

mtsrjs {Skr. nrepa) •— 0^(Uinsïi\\ waji(b?i\\ of

(Hi oji ibï! \\ zva. ri (isYjj \\ {S/cr. n r ep at i, vrg. an rn

oji ivgt;ii \\ en [(H^ (L/i nsri \\ bij chi ti).

X

CH1\\ Zie Hl w

CY . 1

CH1\\ Zie (H^W

aS , , ï o/ o . quot;» ,/)

(Hi\\ ook wel .1 /;^\\KW. zva. (un itvi \\ mui nr^/j ïisn

(tLio-Jijj en ihn (hi - r- als Tj. Sengk. nul {Skr.ni r,

of voor andere letters nis, een voorvoegsel, dat

uit, zonder beteekent; en zóo komt het ook voor

in eenige JLawiwoorden en eigennamen. Vrg. an

. a/ o/ oS a/\'

dJi/j) — (un .his zva. (uil an (Hi \\ van (ui an w lurunj ij

vjiuii^s of (in dj (Uiiyi\\ benaming van een veertigtal pradjoerits van den Soesoehoenan. n/ii xtyi lt;un ihj (Ui (Hii\'ri (of (hi (Ui H 11\'n) benaming van een ander dergelijk veertigtal (ó\'/rr. nirwikara, zonder verandering van vorm, uniform). — (hhhi^i (hfijj^ verdwijning. — ti h^^ti iw (hi^ doen verdwijnen.

{HjjS Ar. , licht, glans.

ij (hi \\ zie ij (ui \\\\

/ . ^

dj (Hl 2 \\ zie tj (UI 2 \\

(Hi 11 \\ kw. man, mannelijk (Skr. w « ;•«, menseh, man vrg. onj. (Hirri(un(Lu\\ of (Hi\'ii Lvjjjs zva. nasr^ of vorst {van chih\\ en (un(lvin Skr. drjja, heer, meester). lt;hi ij \'n (ch) \\ of (HiijtuCws hetz. {Skr. nar en dra, van wns en 7jt.m(tHi). chi h (hi ihii \\ hetz. {van un rii en an bn). an gt;1 (ia cui \\ hetz. {nar d dip a, van nar a en a dip a, heer, meester). dn ij\' gt; 1 (hi rn of (Hi 11 (Hj »1 hetz. {Skr. n a resj-

lo ara, van na ra en i sjw ar a, bestierder), dn

■» . .o - o

\'ykhuuis zie bij cuituriMin 11 (uni,ii\\ of uHicuiihnsen

(H111 (ui hetz., of zva. ch^ iui ib?i \\ {Skr. na ra-

pat i, van nar a en pat i, heer). — dn^iuKhiis

een persoon, die onmiddellijk onder de bevelen

van den Vorst staat {van (Hi^i\\ en Skr. witta

verworven, verkregen bezitting, eigendom). lt;Mlt;bn0

land dat regtstreeks onder de bevelen van den

Vorst staat, vorstelijk domein, hin.uilai^\\ chih


-ocr page 208-

(Kt \'H uii * \'£-js

184

ajvKHi\\ hijnamen van Wisnoe {Skr. Narawyd-ghra, en Ndrdyana). (mniuiojis of (hn^ny

Q*

ny tuig(uisKW. zva. [iKr^^cuii en naam vaneen

hoek, dat het verhaal van de gèdaantrverwisseling van Dèwi Tjandra - kir ana behelst.

1. KW. vrouw, vrouwelijk {Skr. ndrit vr. van nara; zie (Hin). 2. n. zie turt^w tui rur nsi) \\ bijnaam van Dewi Koenti.

on n zie nj) \'rj \\

(Hl H KW. zva. Vj 1X1*1 IblKMflS

(fni^\\KW. vervolgen, achternaloopeu. zva. xjii

CV

itti\'1\'(hrn quot;2/7N

^ (W7 Ti \\ KW. zva. rj (üh i nu w

(ui 2 *11 \\ zie Tj ifjn 2 ni w

o . . o.

lt;yj (hi »nn kn. papegaai {vrg. rujn).

(hi t) ^ \\ KW. zva. t7tnrr}f\\\\ 2 zie aj)niq\\ en uti n . o o

(Hin^t KW. (un Li^n^ rn\\ irm dji ajijj\\

OS * , .

zva. (i7i rj ru \\ (urirj i:ni rfn\\ -ti ^ (^ié1

(hi ii ^(unnkw. .silt;?

(mniiMKW^myf. brassen, smullen. Men vindt ook

O O

/l/ïï (»0) \'L77 7^ iU) 7ƒ X/n (hJl \\ 7y 1.7 fJO) 7ƒ /1/7» (/J) (Hl (VI11

ij itJi (Kn n (Hi ii tj (hjt i oji Tj (un mi hij iisnuw

art ii(UQij\\ kw. .hutj (uidJi (isii (tajjs

o/ . a/

(HliHl\\ Zie W(H1\\\\

(Hi ii m \\ zie njtiKHiw Oh (ni

on tjh ((tp quot;• zie

O

«hi^ï^^inkw. (hit (hi ^ i m (hiiji\\ {Skr. niran-

tara, zonder tusschenruimte, onafgebroken).

o o » O O

(Hl H N toquot; Ml (Ut! lt;y^(Hlt-^l (IK ^

ih1 l^irpiqs kn. 77/77 ^ N WW.

\'ri rj nifn z \\ xri^ ^(tpitjyrjiw

(hi ii ui \\ kw. 1.^«. weegschaal, balans («S^r.

ndrdtjiy eeu goudschaal, fijne balans). 2. pijl, pijlen («Stër. ndrdtja, pijl, ijzeren pijl), artnajt (imrv^ een heir van pijlen (iVKH^q hii o ist^ ij(urt vj y \'Vt 2 ihftjj). (Hi ii (Vi (^ q \\ aanhoudend met pijlen schieten ; ook benaming van een soort van pijlen. O • O

(hl ti/itJtaJiJls (hi rj n2 y (ui ? (Mji\\ zie (i-jl (l^/l (Ut aJij^\\ (ijl y ij 11l7j!hjt2 (tjtji\\

O * O • /)

(tnoj) tu/j of (Hi (u ijnti:ijj\\ zie (ij^ui (rujj\\

O/ O O / r. f •

(Hi n Lu \\ KVf. zva. y(i:ri2(bnw(isri(£i\'ruji\\ {Skr. ni-

raya hel).

(hi n (lAjji\\ zie bij mi uw

(Hi\'ii(Hrt\\ kn. de hel {Skr. nar a ka). (Hi h (Hn am (ia \\

de hel der Boedisten.

(hi n rj (hh t (k/i \\ kw . zva. (hh oaji (b7i iiê: (üh i t (Hl itj \'H 2 (IOJ \\ Zie (hl Ij 112

(hi ii (ui \\ eign. van een Djawata, anders Kaneka-poetra genaamdy de bode van Batara Goeroe {Skr. Ndrada. Het wordt verklaard door ij (ui o »ht hth

(LU (Hljj).

(HiiitinnKW. zva. (uinrnii^ni/iw {Skr. Nzrada, regenwolk.

an ii{ini(ei\\ zie bij ojii^w

O • O

(Hii~Kunjj\\ zie ajinnsnjjs

Ij (Hl 211 (KI/) \\ KW. zva.

aïiiKK\'iqs zie (tjiuwqw

(Hl \'tl (kj] h ^ (Hl tj 11(k/)11 zie Hj (Hl uw

O • .. CTO

(H^ (K.t (LJ1JI \\ Zie bij (KJt(Kl (Ul^\\

(hi i t ij m 2 fyi \\ eig. van een prins van Manda-raka ,

later Vorst (tJttnjjjjW

- o . »

(Hl l-t (VI C^\\KVi. zva. (ILKHJHip

a\' o i,. os

(hi (vi (Hit n zie bij (Hi w

(hl h \'vi (Uit \\ of (hl h gt;v} (üll % \\ kw. zva. (t^cut (hijjs (1/11 (hit art Zi mi (u,nji\\ {Skr. a9iaw ar at a , oi\\o\\)-houdelijk).

Q/ O

dn tj (vi t^\\ zie bij ori w

(hi it (ó^\\ zie ajiikvjjw

a a

(lt;WJrt/I\\KW. zva. 7,777 (ui (lfljjN

art (vis zie bij lt;mw

an tvis zie bij (h^w

l/O» •

dn f (L// nt \\ zie [cu^rmw

(m ii (ui (Ui \\ kw. zva. (Hit rjiici vi ihtt (t-njj ^

[(h^ (Ut (un \\ zie bij rui uw

a cy a / a ■ j

(H^ (ut (hit \\ lt;tn(ui(hii\\ en an cm (hit zie bij lt;wj\\\\

(Kt $ i(inn KW. rivier. {Skr. Narmadd, naam eener rivier.

Oil o

(K^fo! V) (TUI \\ KW. ZVa. i(E4gt;(UI.HJ\\ 7^7 (Ut ^ (^t \\

O/

(Kt a i rui \\ zie ain nut w n

(Kin(ei?tun\\ zie (utn(Ui?w

D • O

(Kt (U cmji gt; zie (Ki (ui (m/j\\

(Kinrm\\ of tun(Kjj ii(m\\ en (K^ rKnjjjsKW. 1. onkwetsbaar {van (K^\\ en nam). 2. nederig {waarschijnlijk voor ij (Ht 2 n crn Skr. an o er dg a genegenheid. — (Kit(K^nom(Kijj\\ onkwetsbaarheid.

o/ c)

(Kt cm (Hi \\ KW. zva. (htt (Kt ^. t (ut ri t ^

Si 1777(Hi\\KW. zva, (hitii\\ (Skr. Nirwdna, ver-

dooving, verlossing uit het wereldsch lijden).

oS q . aS a

(inun zie aniun qui w


-ocr page 209-

(hnrj hiutnjjs

1Ö5

\'Hl ncridfz \\

Zil! (■13,K*

SnKn iim \\ of tri\'Vn(fQ\\ eign. van den Patih van Wi-rata in de Brata-joeda, en van een Vorst van Hoesa-Jiaron; ook mam van een corpspradjoerits van den Soesoehoenan (S/cr. nirbit a, onbevreesil).

of ,1^11:^ l»ainfl\\ ook wel Ar.

kn. prophetische luister u/ glans, zva. ;iji{ tu 1.11 ij 1:11 (Li iiyj\' {Ar. jJJ) jji)-mvryiviibnjj\\ zie ityaxjivijw otIubUWn zie bij icrxvviw M-nnpnriJI^ (In riup Knj)\\

xH/P zie ap-nap vnflx ip yl nfi i, gt;^ ^ up ^ unjj\\

• O . O .

^Aj\\ a/jl 2i6\' MT)\\ IKOllJIW

t\'r ^ quot;it

^(N-i^TiMtN. op zijUc gaau , of aan ile kant van de weggaan (yry. qanrjuhs bij ij t\'ti ij ).\'/ /■ 1 y^ rj mi ij \'rt \\ slingeren in het gaau.

. Ov • f.. O .

^^LjODN öi} wr}\\\\

m (It? n aj) (ui \\ bij im iVi \\\\

s s quot; s

.O . O

c? \\ kw. . (Lfll X£U -tj \\\\

iKiitmjjs zie xjn(in.Hri^\\

O Cquot;) oquot;

(mnnji\\ zva. cijn hj. hnjj *

a o

^ KMyy \\ KW. (L^ bll^ N .Lil Lil \\ iUI Ij IQi ihjljj \\

O • ^

iKjjHnjjWiYf. zva. tsiivihiyf\\ zie nr^ uiiutijjs

ijtnimjis zie ihrj Hj iiti/^

ij (hn i uvji \\ zie ij (ioi \'f pj* H^JIN

!hn hunKw., (un(iniHn\\ of .üniHj. uii\\Kl. van

nagel va7i een vinger, klauw (Air. na ka); ook

verkorting van kii uiuh\\KW. goud

{Skr, kanaka), ijojid 1^)11 /.»/ in kii\\ de vijf nagels

wordt in het hijzonder gezegd van de nagels van

Wre ko dar a, waarmeê hij altoos doodlijke wonden

toebrac/it.

a

(Hl HinKV/. ZVa. dj

m-quot;quot;quot;

kw.

huwen, trouwen {Ar. nikdH; vry. jhi^ ih . Een ander (fn hii { zie bij asti hii j) an aai j iyn ij h ii \\ of (Hi Hji 4 curi n (hu \\ iemand doen of laten trouwen, uithuwen, in den echt vereenigen. — an mi 4 cun wjj of cm hm 4 (un an/is met een ander of met elkander trouwen. — (Uï ^ h n j \\ of u njtHv j \\ het trouwen, de voltrekking van een huwelijk; huwelijksvoorwaarde.

anri Mii2anjj\\KVf. zva. iirn ij mi t iHi/p

an af 11 \\ ben. v. h. feest oj) den 10den der maand

Besar. WW. ook zva. ititi ini \\ v. aj} hii\\

onani\\ nm. v. e. der engelen, die de dooden ondervragen. WW.

. z\'

an Kn \\ zie np mp

an ini \\ (ui\'Hj hii\\ zie aid.

/ . /

rjanij h 11 \\ zie ij op ij n n \\

an ïnrr^anjj\\ ben. v. d. engely die bij WW. als alt;i

hii wordt opgegeven.

/ . s !H^ ilt; 11 iLii \\ zie (ui hu (b»i w

fHJjiHII (LIJt\\ Zie (Hj^ I

an ij hu tan \\ of ah i) mi ?(U» n kn. een bevelhebber van

een schip, een koopman , die zelf met een schip

meevaart, zeehandelaar {Pers.

O O • O

ij an hii (hnjjs (ui ijan ini zie ij h 11 inlijf \\

(Hl HU I Lijj \\ KN. loos, valsch, stout J baldadig, WW.

o - \'O o O ^ • O o

anani^\\ of cm hii ja\\ en an^ Hii ^ hj.\\ zie (Hilt;Hn ^iw

a ■ o

annuals zie (h/tairi 1 n\\

an hu ~amp;ilt;Hj. Hnji\\ zie (i^i(Hj. Hrij\\

an mi rui \\ of ah in^ rir eign. van den vierden zoon van Pandoe {Skr. N a k 0 e la).

■f\'VW quot;i\'l \'W quot;\'zie WTW \'W *ie quot;Wl

Ar. . kn. genot, geneugte, delice, verkwikking ; verkwikkend, délieieus. — ilt;,gt;j 1^1 -genot 0/ verkwikking gevend. — i.uih^ k ij \\

verkwikkend, zalig genot; zalig.

kijA/nkw. zva. 1

X . /

I h II LUI \\ Zie (UI HII LU N\\


ij w ilt;n \\ of (un ij ly .kw\\ kw. versehillend, velerlei (S/t. 71 ai k a en anéka). tj (Ki hu ui ari \\ en ij ao un ij ij in do) \\ of uii oj ijj hii rj im ■gt;. n \\ zva. (umn njian \\ van verschillende kleuren, veelkleurig, velerlei (Tj.) — iiyiij(i^m)\\ velerlei, veelkleurig.

tHinï)q\\ of (hi irnAr. kn. het trouwen, de plegtige voltrekking van een huwelijk vóór den priester;

animsKW. zva. (Uiaoi (g^an/f (Skr. ndda, geluid).

kmo \\kw. 1. zva. hii n i rivier {Skr, nadï) aJam

\'ii\\ 2. zva. x:naAJj\\ ader {Skr. nddï). 3. zva.

(iv^ uiq\\ voortreffelijk, uitmuntend {vrg. (uuan\\ en

■iianaxl). 4. tuin. G. 5. zva. iu%\\

an in^KW. zva. mniki?w ft co^

a / rt

an m \\ kw. zva. iJii tj (Ui i anjjs (Ui 1:m ani ui ,lii ijï iki/I^

muuutAjjs


-ocr page 210-

o

H (Hl (IQ gt;

136

(Hl Ihn \\

zva. ajtnitutis vreemd, zouderliug {vrg.

0\\

(Hixa).

o . o

(Hi{(u^\\ zie (KD^finw

(Hi (in \\ KN. gelofte (Ar. ^tyij. Vrg. un aji^iru/j). arjtj (U) (Hi(ia\\ een gelofte hebben, onder een gelofte zijn.

(tnwni iHiws een gelofte vervullen of betalen. —

lUiHjax^n (tp/j\\ plaats waar men gewoon is een gelofte te doen, zooals het graf van een heilige; iets dat men plegtig beloofd heeft, een gelofte.

c^cy\' a cy

(Hiiia\\KV/. zva. (ti(ia\\

rr^(trji\\ Ar. KN. verhinderingj vrg. (uri ^ \\

o o

(Hl HUJjS KW. zva. (C7 tj ;U) Z lij \\

(Hi(ifjiHii n \\ KW. zva. (un 1^11 -n (éi\\ {grondw. Skr.

sdd hu k d r a).

a a . . o

(hi (ia (hjjjj \\ kw. zva. hij i:i \\

(Hi (ui ^ i (in \\ kw. zva. icï (Cm ini \\ t-nrt in ? w

o • o co

Zie MWJjW O » . O

(Hl lUJJj \\ k vv. zva. i ri iHïj I i \\

(Tj (Hl (UJJj \\ kw. zva. Ij IJl (ril \\\\

(hi iicjfj (hij of (h.n ik (Hiji \\ en gew. n^i \'Hj (U^/j mjj ofdJuj ujjl (Hi/j of djijj(us (Hi/j en ook wel oSi kj ».-c (Hijj^ kn., iKiMj ^(umiiJi/jsKD.y ofschoon, hoewel, alhoewel, hoezeer , al is het ook; ook* (ki(hjik(uj \\ al ware het ook. ui (W (frji q \\ Ar. , berouw. (uiiHj {of (un rri) aa

(Uitamp;if\\ de jongste dag, de dag van het jongste gerigt.

(H^ (ui (EjI (Ej1 q \\ zie nyiQ an (amp;! (Ei q \\

t^fi \\ zie (hiiw

(Hidhiis 1. KW. zva. tisri s Vorst; als Tj. Sünglc. één {Skr. ndihcC}. 2. kn. zie asn (hu w micrrn tijji \\ de Vorst.

(Hl Tj (1511 \\ kw. ZVa. (El (Hll (Hl W a

(hi iiiii \\ KW. zva. inn rj c? /m (hiqn (hiihii\\KV/. regeling, bestiering; de wetenschap van goed bestuur, zoowel van eigen zeden en gedrag,

als van onderdanen der Vorsten en grooten {Skr.

* . K ■ ct a o a

mil); KN. zie asn unw (hi ilii an cninis naam van

een hoek. (H/ ibii ki zedekundig , een zedeknndig

werk (Skr. ni ii sj ds tr a). ori ii?n, \\ naam van

den ITêdana-djeksa te Djokjokarta; ook naam van

een hoek. oji (hj iPn \\ of kn. zie hen.

o . Cl ^ ^ O O

(ViiHjasim i^s zva. (Hl (isii (kj)

.H^ (Uil \\kw. zva. 17j, 057^ (K\'l J#.\\ (it) \'tï

O c ) X

(hi asnqsKy/. zva. (vr^\'i^s

a , O O

(Hi asri(Hiji\\KVf. zva. im quot;n Hnjj\\

o o o»

(hl (1511 (hl /js kw. zva. (tui tl \\\\ (Hiihii\\ 1. kw. zva. (runsiiw 2. kn. zie asti iuiiw —(li

/ ^

fHj (1511 tl (HIJI \\ k w. zva. (UI (ril,JSllT}(HJJI\\

O . O

(hi i^isn \\ zie (ui

rj (in k w., soms ook wel in proza, zva. ^

oog {Skr. nét ra). (KJirjHjia5i^\\ een oogenblik; aji ini(ui rj K. met of in een oogenblik.

•hi asn (tui \\ zie mi rvi w

(fa.

(hi (i5n j) ^ \\kn. het mannelijk zaad {Ar. Ül:; gt; druj), druppel).

(hi (mjji of (hnasyjj kw. zva. (uijiiia5iijj\\ gelaat, en ru tÏ\\ blik. Vrg. (Hiiiwjjw

O y, , O

(hi (hjjji of ^(Hquot;»/by^\\KW. i. zva\' «is» ^ ^ (yin (uilj)en ni lt;rn\\ {Skr. nityay onafgebroken, bestendig, eeuwig ; en naitga, bestendigheid, eeuwigheid). 2.

zva. an (15111

• MJJj of

(MwjMyjj of (i^\'irj(Hjit^ji\\ een oogenblik; en zva. (ui (hj anj j (Kji \\ aanhoudend, gedurig, gestadig, altoos ; en alle, alles.

IHl iUJJJj (K) \\ ook to el lf (Hl (MJJj (KjI nKW. zva. (15II (Hl f I Oil Miip gedurig, aanhoudend, onafgebroken (Mr. w i-ty a sj ah, van nit y a; zie (hiihjjjj), ojirnj Mjjj(hi\\

aanhoudend, gedurig, bestendig, altoos.

o

IJ (Hl \'UJJj (UI \\ Zie (Hl (UJJj tui w

a a

(hi (ujjj (amp;i \\ k w. zva. (f-^ vnjj \\ Zoo m (tji i/ii an isyjj oe/i w

(hi(kj/i\\ gew. (un(intiJjJi^ kn. vast, bepaald; vaststelling, bepaling, (in dm (Hi i^ijj \\ onbepaald, zonder bepaald doel. — (ti(Hi(Mji\\ iets vaststellen, bepalen, bestemmen ; van iemand iets bepalen of vaststellen.

(hi (i.\'i (ui \\ en an (iji ui \\ zie heneden.

«L, «si.

(m?(M^\\kw. zva. (hi\\\\ (un(tnd^/i^ verdwijnen ; weggaan ; als Tj. Sengk. nul.

KW. zva. (ü^drr^nj^fi en (un ij ((Hi a ^ jji/j \\ zie

ook op KN- 0f \'iwiHio^jiji naam van de inktvisch.

IHl (KI \\ kw. zva. (Wl 11 ibll (HIJj \\ Ij (UI (UI \\\\

O , quot;quot; D

(Hi(iJ}\\KVf. en Ml. zva. a ianw

dnn.jp zva. (fnaji^s volgens de gewone uitspraak.

(Hj I I \\ (KJj (KI \\ H^ (K) \\ Of Kj (KJjj \\ kw. ZVa. (Lj Ij gt;1 UI l \\

eiland; kn. alleen in namen van eilanden, bv. !H^ (ki (oi \\ het eiland Java, en h^(kihii t^tvi rinjj (het boven water drijvend eiland) naam van een

eiland aan de zuidkust van Java.

a a

(hjj(Ki \\ kw. zva. Ki an iui hii w

zie (ij^q.jw

y)

(Hi n^jjw un (Hj (mjji \\ zva. isj ru nm/js

an i i gt; \\ zie bij iJii oji j w


-ocr page 211-

137

O quot;) m ki

O

Ml (KI { \\

lie hij

zie o5m?v

zie (KjaJi^w

w \'gt; }nJl™Jls

m noJiCHyi^KW- zva. (k\\j\\

n O O O .c,. .....

,m,tij\\kw. 2-^«. «srj^n {b/cr. nisj tj aj a, zekerheid, gewisheid).

s OCY a a\' s . S ïCY a

(hnoj}\\ ifn uj) - (to I ) n tj cm tj ojj \\ zie ckjiws oj) aji \\ /

ci/ S tui \\ tj \\\\

OTwn»^\\ verk. iKi-riiuj of Jr. ,

kn. Cliristen , Christelijk {eig. Nazareër\' ö/ N a-

. . o - . o

z a r e n e r). ^ ut 2 w^ hj \\ of rj 1»^ ecu

Christen, — (um ni rj (kj nn iemand Christen

maken, doopen.

So- s

.}{^(ij^rri\\ Zie

(tn(K/7M)tjj\\ zie (hJi (Kij ihfvji^

lHJjaJ(,u™/ls Zie

ctaaStKn\\VJN. zva. nm ^\\ {Skr. ndsikd neus).

tn tj (M t (mi \\ Ar. , opregte, ernstige bekeering;

zich opregt en ernstig bekeeren.

m oji nu \\ k w. zva. (vt *1 lt;r l / ini/j (S/cr. n i s j d k ar a).

o . n

(Hl J-1 KI) ~J)1 Ij IHH\\ Zie (KI OJi N\\

a ■gt;

(wi^^inKW. zva. iHiirj(nn 4 ijayii\\\\ (K}tin(jK)rr)\\ zva.

(K) )lt;gt;) tj 17Ï) J Ijfl/f l \\ en O ) (E/l C77 rh \\\\

O n O c) o . quot;) .quot;) O

K / \\^j \\ U) (K I (yn \\ Zie (KV (K ) HU/j (KA 11 U I) fj \\

000 . O O

(Hio.i ims zie (Kiaji iHnjj\\ o O

(Hl (KhïLl \\ KW. zva. (1511 H) (171 lU) (niiU)/j\\ (hl) (Hl - 1 KI (IJl

(iaji \\ fiv^jj) \\ en (UQij \'/51 rj (Ki (Ki \\ (Skr. n i $ k a I a , ongedeeld, ondeelbaar, één en ondeelbaar, ook een naam van Brahma).

tj (Hi vj (KV nsnji \\ zie tj cki ij qji itnijj \\

(Hi(Ktihli\\KN. nauwkeurig, oplettend, duidelijk, klaar; waar, opregt {van an(i,ifj en iüÏkihi).— (Hicfciijasii mi^iiijnm\\ iets in een helder licht stellen, met

juistheid verrigten.

K7\'\\ z^e

ij (ui i rj (Ki) ? (*£ti tj (un \\ zie rj (kji z mijj \\

(HKK^djiwLw. zich onthouden, vasten, boete doen {van hi i^ijj en nsti m ? Skr. m an ast dp a, kwelling

des geestes. pk.).

o ,

Hi^^vn/js Ar. kn. verhoord.

o

H)ikj\\ Kw. zva.

zie (Hiojtw o 0

w^Jituiiiisiiji\\.iiy/, zva. njj^iLi rinHtij^\\

■i

O - )

(kiöJiiriJi^\\ nn(i i rhiij\\ zie quot; li\'Kilt;rujj\\ (ijkk/i

\'W quot;TfW

(Hiojt^j^s Ar. i o ^ s , de helft.

(Hl OJj. (Ul/j N KW. zva Hl(Ujj (UJj \\ IL^ O t l { \\\\

DO o -O O ci n

~ ~ - -----««««««». Zl0 tl n lK) (LAJj (IJl (I-. I (Uljj

■* m

V

(HI IK1 (UIJI \\ Hl (KI (LJIJj (Hji o.^ dJlJj \\

(K/),(l-

i ) j\' 1. zie (h^ kiw z. zva. h^ (k^ \\ va (Hl M mi/j \' (Hl (Li (YYlJj\\ \'riyj\'\' Vj lt;Hl t /(K\'l? IlljjS zie

(1.1 (KI cmjj \\ (hl I\'?I (riyjs (Kf^(Kf cmjj Ij KI 2 rj(K12 YYI^fj •.

o o o . a o (hi (Ki arjr^ \\ zie (Ki n./i (mjj \\

hi (Ki im /} \\ Ar. l , deel, lot.

(hioj) vni/j\\kn. een tiende gedeelte van do opbrengst aan den priester geven {Ar. l , een hoeveelheid

vee of goed, waarvan tienden betaald moeten worden.

(hi(ki i.n\\ zie iKiiK) i.n/js co

(in iyk\\ kn. vorm; en kant van iets, dat kantig is {vrg. rj hiyi). (in^dbi) mHijj\\ handvormig, in de vorm van een hand, an tyirj ui2(ri^\\ achtkantig.

iS\\ elke kant van liet

■)

van

(I. I Hl l-H hi II Hl ~ll Lil 1:111 h II-ta.

OJ-y ll Ct V

{achtkantig) hekwerk. — HnHjigt;t.\\ gevormd; kantig gemaakt, hu i\\j ryrti ^i\\ gevormd als een

ster. hu Kj ^ / ij ui 2 gt; achtkantig gemaakt.

■) -) quot;) 00

hi i\' i \\ kw. zva. (Hi(U)ii\\ vrg. lun ptw

(U dJ( J 6J

m 11. kn. laag ; schandelijk , beueden iemands fatsoen

Cs.)

of waardigheid; schamel, arm, ellendig {Skr. ka-nis ta y kleinste, minste. — hd laagheid,

schandelijkheid.

gt; // Q ui (CjHi/j en (Kiiamp;iw rit), ui en

iian vu kw. zva.

1 Cjü

II (L/ri (KI w , ^ CU

^ föj i^!JI kn. laag, gemeen; gierig, karig {vrg- «o»

0 \\

V irv!j])-

an rZ.vi/jsKW. zva. a?i

an igt;i mi \\ naam van een onbekend boschwlld.

Cd

(HiiVi\\kw. 1. zva. (utdn\\ negen {Skr. n aw a). I.zva. (ia ij rm2 rj \'ri2 \\ schitterend, an ui oj ny edelgesteente {Skr. nawaratwna, naam van de negen kostbaarste edelgesteeusten , de parel, robijn , topaas , diamant, smaragd, enz). \\k (ui asn an ui (Ki ast \\ of ae: ui hii an uia. i ri \\ anders tez ui iisn un dJki ui2 \\ de negen hoofdgoden , zoodat (kji w alleen tot verklaring aan an ui schijnt toegevoegd te zijn. art •ui (Ki u:i \\ ook zva. un (ui un (ó) \\\\ Zoo ook in nm un j (un hj (ui(Ki m n de negen openingen (van het lichaam) , die toegestopt worden , om den geest van

\'Vf

) )


-ocr page 212-

hl n.ijs

n

Hl . O! x

138

al het eindige af te trekken en alleen op het

oneindige te bepalen,

o

na u) \\ kw. zva. mi m cyi anji\\

(Ki\'UinKW. zva. if(Mi uitm/j\\ {zie m ui)*

Ov O G » /1quot;! T \\ ^

m rut nu \\ ihi ij ui Kii ij, uj \\ (1\'.J.) zva. lt;igt;ii ui \'jjj \\

o

(Ki iui q \\ zie ui f w o O

lt;Hi(uif\\KW. zva. (fyimi\\ (i^(m\\ en ^it?2 ifi

IJ IFJI2 (ip w

■ryifnys zie

O

(Ki (Ui (^ \\ KW. zva. (un ui w

X . /

an rü^ \\ zie oji (Uji

O . quot;)

tin ui m rj (tm ikji \\ en an ui nirj ui q-ji \\ zie im m yj nn uji \\\\

\' S a /quot;

(HJjIU) (ISllMLYf. zva. it,l(K^(ij^\\

Cl . O

(ni ui uii n kw. zva. tfjiuji ui \\

an (ui lt;1571 n KW. zva. (u ah lt;ri mi \\ {Skr. niwdt a , beschut, veilig), an ui mii ikïi utaoi \\ verb. ^ an ui ,isn am flo)\' en verkort an ui ibn ^ eign. van een Boet a-vorst van Ngima-hima-taka {Skr. Niw dt a k a w at j a;

van niwdt a en kav: atj a gt; harnas).

o o O\' o

an umj/nKW, zva. (amp;i(riirri\\\\

an (Uidhi\\ of Oi^iunrtr KI. van tti lli \\ brief, bevelschrift, acte van aanstelling, schriftelijke bepalingen , van den Vorst, an (Ui ili ^axi lt;tsn \\ schriftelijke bepalingen van den Vorst voor de regtbank PradMa.

O O CU

a^ ui rvi ij mi(in\\ kw . zva. as^ i u npi cm w

zie

an iU):uiiji\\ zie w ui arnji \\

an njjjS zie (hJi/u^w aniwjji\\ zva. itvixjau/js

an vli\\ kw. 1. zva. ajnaPn {Shr. ndla; buis, slagader, pols). 2. verk. van lunayauiw an au mi if\'tis eign. van een zoon van Sémar.

an tu\\kw. blauw , donkerblauw, blauwzwart j een donker blauwe wolk; amathist of saltierj vrg. mihj au\\ kn. of n., (wahcciw/j of aji ip (u an^ k., indigo {vrg. ij ihugt;iuj^s Skr. n\'ila. blauw, donkerblauw , blauwzwart, saltier , indigo); ook verk. van (Lii ijjaviw 0ij kyi 2 onprj een naam van Batara Goeroe {Skr. Nilakanta gt; blauwhals, mi van Sixoa). een door den wind voort

gedreven regenwolk, zva. tamp;i mi aPi ilv iét anjj of i/n oji an ivn arn n Ki/j^ ook naam van een goed ieeken in het haar van een paard. 0(Kj^(uian\\ eign. van een zoon van Djanaka. 0gt;iji ilhi \\ eign. van een dochter van Djanaka. an iu\\ zie ook bij aJiruw

Ki au f n zie (Uiaiaj 1.

o on

an au? \\ kw. zva. ojii u aualt; na\\ ojii ihi rn w ^ CO ^ (O)

O \'

h^iu^kw. zva. ojii axi tu iujj\\ tU(Hi\\ ar^ m iu/j\\

vrg. am iLi

O amp; \' ,.j O an lUftun \\ zie bij ajja^qw

O r» . O

an(^.^ajn\\ zie (Miin.% w

O o - O aniru/Kj,^ zie (uiauw

an ij au (hi \\ zie bij anmw

jana\'hiskn. consideratie, overweging; oordeel; de om-staudigheden of toedragt van een zaak; iets coim-dereren, beschouwen, overwegen beschou

wing , betrachting, overweging, consideratie), ani rri {(^(Uihiyi of obr^/Hj)0 gebrek aan oordcel, bekrompen van verstand, (crjj^r^^ of {^Wihvji) an .u/y-MN gekrenkt van verstand; verbijsterd, radeloos. iisiian~,i0\\ zouder consideratie, zonder omstandigheden , d. i. zonder rede te geven, mi u Jj hu an aviajri aa^ \\ gemakkelijk heeft het die dat overweegt; voor dat laat zich begrijpen, dat laat zich

hooren. 0w (hii \\ uit overweging van, uithoofde

o yquot; n • z. -• g

van, wegens, anat^-yis zie bij an(nj^rnm — an

m//t)i?(K4 iets in zijn byzonderheden verhalen

of uiteenzetten. — inipjiu ~n anjj\\ de V-oedragt

van een zaak.

anauii\'ri\\ of an(tlq-ai\\RN. van geachte, aanzienlijke

afkomst {Ar. van^y]^). rj (ui ? an it i0\\

iemand van aanzien en geachte afkomst, anax^ni

7j(H^(iJiui mi\\ van een geachte koopmansfamilie.

an au \'~n kw. verhaal. G.

aniUiHn\\ 1. zie hsiiiuhiiw 2. kn. toen, op het uur of oogenblik dat («S/tr. ndlikd, stond, Indisch uur van 24 minuten, pk.), aaau hnayaij\\N., ana?.i hii hj uj (Uiji k., hetz. fcjiay auamw terstond, oogen-blikkelijk ; in \'t eerste oogenblik, ojii 0jjj ajj hii ••

op dat oogenblik. (viiiji0\\ op hetzelfde oogenblik.

o . j .. o

ui aLi^Hi^tEj)\\ zie bij wrviw

ofjitvi oj} ^ ^ zie (hJi au ajjqw

/ O \'

anauaji\\ kw. zva. (un uaua.iw co

o ckS . a an ax/i (ki s zie a-ji ilkmw

O S • 7.quot; O

anrjruiiK\\ zie bij aji au w o

arjj ihjji\\ zie isr^ auw

an au OjW \\ zie (K/i ax/i (lxji w

o . o

aniuj.(ujj\\ zie (ui(^.(E^\\ •

•m

\\ enz. zie uw


-ocr page 213-

.I

quot;n I I \'-lyP

139

TT^r

KjiajiiMjpKvi. zva. «ita^asyi^ zie Hj o^famp;iJiw

wtLiiuiijl* zie iKiiruasiijis mi rru ö «sn \\ zie bij (tn-fiw

O •

(Ki (Ui (hn

O

J . Q a-«i/ici(io\\KW. aimviarm iliw

O

Ml ajl\\ 971 (Kt UI \\\\

an (UI \\ 7/7 (Kj (U) ^ 2-

O u \'-S*

(tnM\\¥^\\y. zva. (iy)iihncrn\\ (Uikhi ~~i t/n if (m anjjs

no • On [}n (ui\\ zie ihjiojiw

a ■ o (hiiui^ zie m tui {w

aniu^ kn. het N ip a h-hlad y dat in eenige gewesten tot het dekken van huizen gebruikt wordt {zie (un Qi lu/j), en waarvan met wat tabak er in een ci* gaar gemaakt wordt {8kr, nipa, de Kadamba-boom),

O O c » O ) c

lt;W7\\KW. «va. (ru^lilp my M tl7^\\

Sm~j}(Hnjj-s {Skr. niputia, knap, slim, behendig).

\\ KW. «Va. (^7 (ITÏ^ \\ «it\' ^.»w

iHjnji u^iu(Hijj\\ een in \'t wild groeijende plant, ZG.

1866 , 285, de Cynoglossum micrantum, JJesf.,

Nat. fam. der BorragineaeP {bij Filet oepan-bepan).

iw rj \\ verbastering van iu rj ( iiy \\ M e v r o u \\v.

wiüz\\ Ar. iüij, (nafakah) kn. uitgaven, uitgaven

voor levensonderhoud j bepaaldelijk het onderhoud,

dat de man volgens het Mohammedaausche regt

verpligt is zijn vrouw te geven, rqcrm ^tuiiulj \\

o •

zva. vjmidri ru un ~ji (in onji \\ — w m 1 w \'7 wN ï^et of vau zyn geld uitgaven doen , geld uitgeven. \'W7ifeJN 0f ^MN Ar. kn. cijfers om de overeenkomst van week- en pasar-dagen met den eersten dag van het jaar en van de maand aan te duiden en zekere berekeningen te vinden; ongeveer zva. onze Zondagsletter {Ar. \\ , blazing, uitblazing j bezwering, betoovering). Zie verder cp (uihjiw

O quot;7

quot;^j^nkw. zva. ij dm Ojijt onjj \\

\'fjl zie tut (u^ (isn^N

„o j, o

^ 0J Zie OJ^dJl OblIS

!^^nKW\' zva. (êicniqs cunajirvf^s (Hi(^j^\\ w ,

m tui riA.\\ of (kiM^As en volgens de gewone uitspraak

O

mn^Kü., (1^1X71 \\k.i. , drift, gramschap, boosheid,

toorn; driftig, boos, vergramd, toornig; driftig,

boos, toornig worden {Ar, w nji ^

iemand driftig maken. — mi n(ui J#t(hj\\ (uvtHiuti o 1 • •

driftig zijn tegen of boos zijn op , bekijven.— driftigheid, vergramdheid. ut HKKjTjjs kn. vosklcurig van een paard. 2. zva. am

\' hartstogt {Ar. ój , w apha s, adem , en lust of hartstogt.) G.

(Hl (UI MJj \\ Zie (Wl (UK)J}/}\\

O O O O

(hi (ui (mji\\ K^v. zva. (un (ui tw/f \\ (bn cut (Kt/j\\

(hnajKMji Ar. kn. gt; bloedvloeijing na de be

valling. (un(icj(i^i (i/in-Jijj\\ het baden van een vrouw veertig dagen na haar bevalling.

rfwd (uuiu/js De Opuntia Cochinillifera Mill., Nat. fam. der Cacteae, een heester , die voor de cochenille kuituur wordt aangekweekt.

(Hl (Ut n KW. zva. (Hi nq rrti 2 h tijj\\

O o

^(g^\\KW. zva. njj^ opw

O .... O

(Hiiin iamp;i/js zie bij (umnfoiji (Hi(iïn\\ zie i.i.iJw

q« . )

fHi(u^\\KW. zva. fi n^ u ^11:1 hn w/]\\

(H1(IK\\ Zie (f-\'KUJJjW

o o . . •■gt; O (hi i lt; \\ zie onder un ik w

/kja^nKW. zva. (un(t^af^crnji^ y ^7?*k^kn. naavi van een rooden bloem. G. volg, WW. de mal. kém-bang poe koel amp at.

rj(Hi riie\\\\ zie vj /■ i ij uk w

If (Hl 2 IK s zie 1^ IK \\N

tj (Ht 2 If IK 2 zie tj lt;?J) 2 Ij IK 2 sw

(Hi ik nyis zie hi (ujji nnjj \\

rgt; . o Hl I j \'IK HJ \\ Zie (IJ) IK W

O . O

fHjjJjlK tHJ\\ Zie a^lKW

O

(H^ IK iHIHJ\\ Zie (K^\'IK HlNN

S\' . /

Vj Hl l IK \\ Zie Ij (IJl 2\'IK W OIJ iUy IK W

(huikAr. \' KN- onrein, onreinheid, van

alles wat volgens de Mohammedaanse he godsdienst verontreinigt; ook zva. .hmijris drek (yrg. (ui an (uyj en hu cr) (ui/j).

H^ae^wji Ar. kn. weerspannigheid van een vrouw

tegen haai\' man ; van een vrouw, het huis zonder voorkennis van den man wegens huislijk ongenoegen verlaten (yn/. iJj ^riHrijj).

an ik ui/j Ar. nadjm , ster {vrg. ujitfjj).— 4.^^.uijj gesternte, sterren. (i^niH^(if^amp;jijj\\ en ook enkel fH^a^jiui/js sterrewichelaar, astroloog. — tui H^ne^ iui(Hi/j\\ sterrewichelarij.

zie bij (Hl\'IK\'EIJS r amp; amp;

0f niiii\\Vi\\\\. zva. lt;rj(in)2 ijihjis en (ui ijHinrj rj!H^2\\ {Vrg. um\\ en lOJj\'HTJj)-(g^\\ zie (i7nj\\

(Hi(in\\ en herh. kw. zva. iuy rumiijjs (ur^riiy\\ (ui


-ocr page 214-

ui ni\\

140

\'1 gt;n

aji tj a id (hnji en y^njiw tui (til ui (u\\ \\ zva, :ui ki i.i n (golaatsvorm), nm lótun(L)}\\ en a^cmw lui iu uidti

(uiui\\ dc aarde (vrff. Majiajians eu im ajian).

o . o

nn lu \\ zie )£ii \\ en (Kt li? \\

t£Ws zie

a o r» . o

tui (Lbi ^ \\ en an ld $ ui) \\ zie (ki lu (bii/i \\

(igjl ui/j\\K\\v. zva. irm n -tai iu^/js eti ij :lli nyj\\ Vrg. (ui Luuns ook tui Lil uii\\ k\\v. zva. oji ii?i fl{uyj\\ ajuin (ui (uiji \\ i\'j mi ui \\ ui tui ui \\ en oji (u^ »^ KNde acht VVüdauas , die de raadslieden zijn van den Rijksbestierder {Skr. ndj aha gt; geleider, leidsman, hoofd, bevelhebber, en het middelste juweel van een halssierraad), an m if un r.r^ t )i an \\ de grootsten der aarde, an mi mh ij pj taj^tLii lli uh ijmnjs de hoofdambtenaren. an lui mi (uj^ un (W^ het puikjuweel der schoonen. an (lli unlujj.ni asnji\\ de grootste der wereld, een betiteling van Mohammed.

ei

Oil Lil uil \\ zee an Lil un \\\\

(Ujji (isiijj\\K\\\\. zva. i*i un asnji\\ zie aoiunj^s o

an OAJji itgt;nji \\ an (vul l(iu zie tui oa^ bnjj \\

an LLUbnji\\ ook an(lliq\\KN. voornemen, plan; het voornemen of plan hebben (Ar. ilj).— (uioajki^s ook an(lli^(uri\\ zich iets voornemen, het plan vormen tot. un i^ (tui (un^anjj\\ ook igt; n u^ lu ^ a \'ii anjj\\ gevormd plan , voornemen j aanslag.

o

an (uu iistj \\ zie nn tibii w

ei * G\')

an XjU *10; n k\\v. zva. aut cm \\\\

o . o

an oju m aniji \\ zie (uji uu a^j asnjj \\

iujjl slu \\ kw. zva. (lui rjthg^ja^jj\\ a.iajanun {Skr. ny-

dya) de regel, de ware manier, methode).

o - o

an (uu (uu \\ zie a/n ay un (uu w

(ujji (Lajj \\ KW. zva. ij an tj/JN

o o ... an uu cm \\ KW, zva. (in cm \\ KN., an iuu mi \\ poet. een

gamélan-speler. — an uui cm un v/j n tun \\ een gamelan laten bespelen door iemand; voor een ander op de garnëlan spelen.

anrj tLuicmj^\\ zie bij ij lui? (r(DJ^s\'s

an (uu am \\ zie ui tu i :n/i\\ ca -J\'

an(CJïi (M/i\\ kw. r-va. tn uij (ejid\\

an (LOJ! \\ an ifA \'U asyj \\ zie a n tuj, :ujj \\

o___/. n

an itjji of un (uj *jjj \\ en als bepaling achter een zelfst. naamwoord, aam.(tajj\\kn. zes. uïan ieojj\\ de (o/ het) zesde, zesmaal, an (l^ai.ta^iji\\ zestien, ant^nnp zes-

. . .. o o ii o n o

en-twintig. — ki(ui iLojj\\ elk zes. — iiuiuuiuij rj i\'i\\ elk zestieudeluilf dubbeltje. — .htvuiiEjtjj\\ de zesde (bij vijf andere), i,n iij-u Jil m \\ zesde-half djoeug. — voor ecu vrouw. die voor

de eerste maal in de zesde maand vau haar zwangerschap is, een offerhande doen. G. u gt; i of gt; { zesde gedeelte.

r^imzie i/am

rrjtmjjji of tjti gt;1 i.j i uji ■ ooi n/n ly«iJai^vN., i/m ifji/f of lyn i/pl ook :i/ti K. Jong; vau

vruc/iten nog niet volwassen of rijp; van een kooksel nog niet goed doorgekookt; van kleuren licht; van (jouel van slecht allooi; van een dak steil af-hellend; vry. isit vt\\ — Sij Ilt;jén

jonger maken, verjongen; een kleur lig-ter maken; ook de stoelen van gewassen, die aan stoelen groeijeu, als deze te oud geworden zijn, uit elkander nemen en de enkele stammen afzonderlijk en dieper planten. — i/n rf gt;ij t Kijjn am jonkheid, jeugd. — I/ antrj hj2£,jiuij *1 mi \'IpJ jcgJigj oan iemand die in zijn

jonge jaren is, die betrekkelijk jong genoemd wordt. — mj (Ht^nkn. , ook wel nu rj i(j n

ao^K. het gebied van den kroonprins,

xi-/(Ui li (\'f fj \' j? gt; en benaming van een corps uitgelezene jonge pradjoerits of poortwachters in de Kraton te iSoerakaria. j. ii I/ UI i ii-7 -1 ij ij .mi inns benaming can beambten in dienst van

den Kroonprins. — :nnrj hti ij iw/l^ quot;quot; \'j

, ■ 1 1 Cl

te jong. — i.ti t) ij Uj i £-1 ^/n rj l itjlj^\\ irr^ ,È) irj hj

-i i Jii ij Ui iL.^ zich jeugdig zoeken voor te doen.

/.. cquot;) G)

an /£/? \\K. zie bij us ijjw

an mnKD. zie bij ik \'ujw k. zie bij un mij \\

an uj anji\\ zie (UJiuj anjjs

;u^ui(ui\\KW. zva. atnjjw

o o O .

anuiftQ\\ kw. zva. un^ ^lanjj^

()

Wj, ij LUtnn \\ kw. zva. un uvrj (m om un lt;h7^o^\\kn. de Cynomatra caulillora of C. ramiflora L. Nat. fam. der Papilionaceae, een fraaije boom met platroude zuurzoete vruchten.

an (Lij an ui gt;

kw. zva.

/

/

an ui \\ zie

(I^Jl UI w

S

/

an (ta \\ zie

(K/I (E^ W

0

an \\ kw.

zva. rj

(injr

an iej! (un an \\ kw. zva. aj ui 2 tj yi i un/j\\

gt; . \' i^ (P)

an ui un ~jn un anjjs zie un (amp;i \\ en an ui \\ Otj ik iuj,\\\\


-ocr page 215-

ih1 (e/l (kt (ki \\

141

Krquot;N

If UUl zie

Iffl I 1 1 \'I ^

OT-^\'.y 4\'gt;\' quot;

,., M. I 1quot;/ zie hij V)tonIIBgt; ~i\\\\

iHi f i^ naam o, e. wilden boom, WW. welligt de Homftlouema rubescens Kuuth. Nat. fam der Aroï-dcae, waarvan de stam, de stengels en bladeren in afkooksels uitwendig gebruikt worden tegen vermoeidheid der ledematen; vrg. B. T. L. V. 1879, 245, M.

w f.i -Jjjpj\' eign. van een Boeta, anders Kala-sreng-(ji genoemd.

(hi i!i i^jn zie bij (i/n (E/i

o X o /\'

UI itl_i\'l \\ Zie M M

/ O

.. O

(hl k i - 1 lt

(hi (t) -Jji m u ti -ju mi chnji \\ zie k) w :ki w

O O zie (KjJ (EjI ~ i (isrtjjs

(Hl itl wl \\ Zie (Ui (LI -? w Qv • Q-

(H£ (hl —/I \\ Zie (U^ (hl UI \\\\

(kimj\\ zie (ïJiusw

av co^

O S • O (hi n zie o-ji

(Hl (• I I \\ Zie (KH (fl (El w

to co

(Hl £1 :Ht\\J^\\ zie (U! gfï/KtIJI \\

O .,..00

(Hiti m i.njjs zie oij an (ki w

O o - O uiïj)(ui lii \\ zie aJi(amp;i(ia\\\\ co a co

an «t dsn fj \\ zie (M ifi nsmji \\

n(\\ ^ n

(Hl ^ Zie 0 IJ (Hl (EjIJIS

\'.hi \\ KW, zva. rj (Lm (U^\\\\ (kiihj /i^\\ zva. ij 11 /u^w Een

ander zie bij (istt tèi w J co

(Kt (èi \\ zie fctt iamp;is en oji (èt w

Qv » . j .. .

(KI (UI \\ (Hl (è^ Zie OlJ

(Kinn\\kn. draak, gïoote slang; ook naam van Ont\'a-hoga, en benaming van een soort van kanon {Skr. ndga, een slang, ook naam van wezens, die de gedaante hebben van een slang met een mensche-lijk aangezigt). 0(i/nof 0ctK\\ lt;KiricniCKi\\ 0quot;n en 0(liSii\\ de Slangenvorst. 0cmi(j\\ eign. van een dochter van Onta-boga. 0wryi\\w., 0(iji Hfy^ K., 0{L^(K4 0;l^ (hJi Jj (hti \\ 0 lt;f,?\\ en wy(K£2 (Mjj\\K.\\y. naam van een heester niet schoo-ne gele bloemen, die tot insmering van het lichaam en tot geneesmiddel gebruikt worden, de Acacia Parnesiana Wild. Nat. f am. der Mirnoseae; ook naam v. e. boom, de Musea ferrea. Nat. fam. der C/lusiaecae, levert een zeer harde houtsoort, de geurige bloemen worden in zalven en smeersels gemengd (Skr, Ndg ap o e s p a, ook Ndg a, Ké~ sjara en Ndgakésjara genoemd); ook naam van een lekkernij van pisang met meel en suiker \'171 een blad gereedgemaakt. 0(ut ki\\ naam vaneen mythologisch wapentuig {Ndgapdsja, een wapen van Waroena). 0.i.i ((^\\ naam van een drake figuur boven aan het lemmer van zeker fatsoen van krissen, en naam van dat fatsoen. \' en 0 y i^vrm(Ki\\ namen van twee Kawische zangwijzen. 0dsn xnr^cKi/^\\ naam van een fabelachtige, onzigt-bare draak, die op de aarde zijn verblijf houdt, en met de staart aan de navel van de aarde vast zit, en die zich alle drie maanden naar een eendere hemelstreek wendt. Als men bij zijn wandelingen of togten regtstreeks tegen die rig ting in gaat, of bij het spel tegen die rig ting in zit, is dit gevaarlijk of brengt het ongeluk teweeg {in deie bet. ook wel ihi cm lo uj \\ Rh). — ent en tan ^ figuren van draken of drakekoppen tot versiering. (Kjj (thn zie bij ajij ern \\\\

an yn injj \\ zie bij (hi cm \\\\

an an cm I) \\ zie bij (un tj ctrti i ernjj \\

o o . o o ui tj cm (Ki \\ zie (ui (Yti w

O -Do an \'Yry of (Ki[cm\\ zie incmniw

, . ) o ^ O o

an cm n \\ of an cm *gt;7 n N., ihi cm t» \\ of .Hicmrgt;i\\K.,

an m^\\ of an arr^\\ po\'èt., plaats waar een Vorst

zich met zijn volk gevestigd heeft, en zóó l.voor

het gehetle vorstendom, land of rijk ; 2. voor het

binnenste hoofddistrikt, meer bepaald

in cm m \\ (ki an an to n genoemd; 3. voor

de hoofdplaats, de residentie van den Vorst; ook

4. voor de hoofdplaats van een regentschap {Skr.

nag ara, m., nagari,f., stad). \\jn nr» m (^f\'^f

cm n \\ \'s Vorsten ambtenaren op de hoofdplaats.

o o ! .

— mi Kjcm r~tinn. , (ui ijj cmnisK. y plaats waar een

zetel van bestuur gevestigd is, hoofdplaats.

O S O t

an cm rri \\ kw. zva. 1:1 im ~gt;i hu (ki/J^

O o

h.^ crr^Mii ^ kw. zva. in erri \\ im ai^ ui j i/rt injj en (ia ojI

ni \\ of cm ?rw -n in/j n kn. , zegen, heil, voorspoed

{Skr. anoegraha, gunst, zegen. Beware vorm

van het woord is dus (un (^(nrr^ajn^y — mii^ nrr^

t,rian/j\\ het genot van zegen, heil of voorspoed.

ancnltLJjf\\ Holt. nagel, groote pen of bout.

o O .0 O

anrmcmq\\ zie an cm cm^

o . . » O hi nrn v zie bij nsnavtw


-ocr page 216-

™J-

142

rj (Hi iznjjs zie o^iiunj^\\

Ci Q-

cm nm \\ KW. zva. iw tuj . m ao \\

:l

I. Ar. i (jS gt; KN- propheet. II. kw. zva. (Uj, iw ïviji en itm lt;cn% 1Q1 art? \\ (Skr. ndbiy navel, naaf en middelpunt). — Ktuhi^rjxni (Hijf of un^ryun (WKHi/js het ambt of de waardigheid van een propheet.

^ • O ^

zie (Koxmw

ari zie (M vrrys

an fi7ïi \\ zie n-jt d-rn w _ /C-

O o •. f ^ 0

(h)nmasnjj\\ zze bij tJinnnsn/j\\

ifn i:r^ asvjj \\ zie bij tisryj \\

• o

(Hi rgi wjj- KW. zva. fji rj lt;n gws en («j^ xr) v o

(HiimthJi^ri ^ KW. iurjisr^ ui ^

fHjj (UI ^ \\ ^ \\\\

r;n \'1.11 (fo \\ KW. ^yö!. (m lt;i5»gt; dj) lt;Hn uifj\\

a o

^ t: # (w ^ n !h^ k\'! hiiji \\ ^(hrrj ip h iyi \\ rj ui 2 tj ip 2 (hv/j \\

O

Zie lp khjin ^ ^ \\ ^ up ? \'ktj^ \\

^ - rj up tuji \\ rj (hi 2 ij (ip 2 tiyi\' zie tj np ij np tu/j \\ rj tip ? Tinpiiruji^

(hi\\w.j. voor (hi un\\ en dit voor uw (hi urïw Zie ook

iHU(Hj\\ 2.

cm\\ of (urtiH^^n., rjihvlm wjf n K., stilte, stilheid, het stilzwijgen; rust. {Ben ander in zie bij ^ 1/11 g ni). — lt;^\\KW., (£i^\\H., rj (hu iui rufl\\K., zich stilhouden, zwijgen; stil houden, ophouden; stil

i

(Hl

{vry. (ei hi tuji en ij ieji (in tvijj bij cim hi tijjj). ut (hridQi^s dJifisHVj ilt;tiiijpirw/j\\ stil, stilzwijgend van aard. tjumTidjt^iki^s zonder ophouden. —in ^(iSnkn. 1. tot zwijgen brengen, den mond stoppen. 2 n., rj in(ki 11^\\ k., stil houden, ophouden met. ^HjidiiJiéi\\Kii. iemand, bv. een kind, zoeken of trachten te stillen of stil te houden. — }lt;n(tm^vi !Hijj\\ toestand van stil zijn, stilstand, Tj., Rh. — ti i£j_tin rj mi \\ ij :iii(Hi iri hti(Hi/j\\ doen zwijgen, tot zwijgen brengen; iemand stil laten zitten of loopen, niet toespreken, zich niet met hem. bemoeijeu; iets stil laten zitten, liggen of rusten; stil laten begaan; van of over iets zwijgen; iets niet voort laten gaan, staken, schorsen, stremmen, inuns of (HiiïniHjs pass, imp., gewone uitdrukking in verhalen bij het verlaten van een onderwerp: zwijgen we van! genoeg van! Zoo ook in poëzie (i/jjr.i ,h^\\ en in^ het laatste misschien voor dat (daarvan) gezwegen !

cï. , c»v „ 3. /, c ^ O Clu .

(hi\\Kw. 1. zva. (un* Z. on\\ of (unujs en (ui(Hi\\ zuiver, rein, helder, louter, helder doorschijnend, kleurloos helder; ook zuiver van klank, zuiverheid, helderheid, louterheid; ook kn. van een gelouterd

hart en van een gebed met loutere aandacht {vrg,

} a.. OQv i„J! O Z\'K O x

111 lij), (iw lUtidjnthj {of ui iij) zva. (i~w (hj jnn lijw

Q Qv . o \' C) Q*

(hu \'fji dm (t/n uj \\ zva. hu (En (mi ui w — ün ?y an ij

rj nil \\ kn. helder maken, tot helderheid brengen, lou-

\' quot;dn quot;fquot;

.0 0« ^ teren. (£i(Uj(uii rj hu am nsn

liet hart, het gezigt (het zielsoog) of de gedachte louteren, van al het eindige aftrekken en alleen op het oneindige vestigen, om zich helder ziende te maken of gebedsver hooring te erlangen.

(H^\\ zie bij (H^w

ij (hi n poet. en tp. voor (Hl Ii/n \\ en dit voor x/n ihnrnïw

rj ah2\\ (nl. na- voor amp;namp;- en iug.) tp. zzz ijah^

o • 1 ..

(HlVj 1:12lt;HJ\\ Zie bij MdTJjW

. . Qv a. . »0 o.,

(Hi 101 \\ (hi ui \\ zie (HJimn \\ (ui i:iri w

01 Oh

O / Qv

(Hi \'17} \\ kw zva. a/11 tru m ciajj\\

O

o

(hl rn (ui irc \\kw. zva. vin am (Eji hi ^ CJ

ij (Hi2 ini sK^. naam van een grooten hoorn met goed meubelhout, en van de groöte, uit de stam en takken groeijende groote vrucht daarvan, Artocarpus integrifolia ? de Nangka. vj (hi 2 hn (ki ru inyj, ij (ih2 hu ur^ iirj, en rj ah d hu ij (hu rj rii \\ soorten van Nang-

ka\'s.

O

ij m 2 Hn (Ui rj (rui *

de zuurzak, de vracht van een uit West-indièn aangevoerde heester, anders ilt;nnu(b)rjlt;ri/ii(Hinn an (in Hnjj gt; kw. zva. ei Hn _y» w

Qv • O Qv

hi 101 % \\ zie (hi (hn» n en (hn (hn % \\\\

Qv O

(Hidfnan/jKW. zva. (eji im (Hnjj \\

(Hi ofj (Hn 2 (ici zie 00 rj (Hn 2 (Uiw

T

Anona muricota Bun.

hi irn (rui w

j r . . O (H^Hri iEi\\ zze bij ren (Efijj\\

ah \'hi \\ kn. naam van een heester {behoorende tot de Urticaceae), waarvan de bloemknoppei\', tot geneesmiddel gebruikt worden.

(ifjj(K/i\\ zie Kjj MW tHi(Kj) {\\ (Hi (k.1 ^ n zie bij nJnM^w

Qv O 1 . Qv .)

(hn ui iifli zie (K/i (ki asnji •

quot; h Cj r) N ou^e benaming van het leesteeken Tjëtjak (verb, van \'t Skr. ano eswdrd).

Qv . Qv

(Hl (KA llJlJj \\ Zie (K/1 (IJl (rutIj \\

(ia ifjj\\ v. (tiioji (Ejijj \\ zie k i (Ejijj \\

ih (rij s zie (iJi (1*1 w


-ocr page 217-

(13) (k/n (UY!QS

143

amp;

G) ^ o , (?)

KjrrnPN KW. tij int) \\ oy. tun tij

(?) o ,.

i hj

1 071 \\

(hj)\\ zie bij tjfrfnt r.rriw

o 0, o

-wjnkw. en oa. zva. wruw

(K^\\ de vuist met den duim uitgestoken, een af stands maat bij het planten van padi, overeenkomende met l/2 Rijnl. voet; zie lutinjttu/j en aïn ihyi ajiji \\ S.G. vrg. itn (Kaw w % \\ 1. kw. zva. en luccinsnjjs 2. N. in den

Vocatief, verk. v. irjHmdtu) f\\\\

vjtKn^nkw. zva. ny frrri rjrtiMVj\'j en imijxm?w

wam kw. zva. rmtrjands zie rja^qw

0.0 o warns zie ten»0)om\\n

w ij(un2 v kn. naam van een verfrisschende drank, die door de Chineezen uit de wartel van den ik bereid wordt.

quot;^quot;«vKW. zva. rrrirviw fj QJ) am \\ kw. zva. rjomjw ijwama/nkw. zva. ijivnvjau\\ u jlt;k|ow W7jivn2nj}ls Chin, naam van een theesoortgt; die de Javanen voor de beste houden, WAV.

of 7j)\'j.j\\ kn., somtijds, w(jqrmjisK., teeken, kenmerk , waaraan iets erkend wordt; liet zigtbaar

cwtMcrniïShvjthn^ wat Nag^ii is dat? Vrg. annrr^w

wyry^ 1- ^ (Morrow 2. imnrnqw ^a^^KW. «jj07^

motjmnKW. (uri ^^fhnjj^ gt;hcr}}?\\\\

(p) /• » . .

ohcrnrU \' ori(mtrvi\\ of (H) m-i rujj^ zie ru crn n.iw

135, N. Kr. verder op asnnfr^w

(hiÏtïs of (lwihj.Si\\ in de spreektaal ook (vnêi\\ en in poëzie ook Hti \\ kn. , rHilt;un\\ en mn luiï\\KVt\'., docli maar, echter, ii/n (r.i \\ in de spreektaal ook wel zva. ihv (r ï\\ in den zin van mn w ^ (icifrjfhjw

zie

mnjj^s zie

rj(Hii\'naJii(3\\ zie rfwtvfMts bij Mamv

r^n O n

ininu\'^Kyf. zva. tZinsmru/js

ijnhtwy zie TjMinnw

«. v. arenboom, G. yoty. Z. G. 1882,

(Ui^ KW. zva. itt(KJ)nis en njn^y^

of it» fly

of feitelijk bewijs van een gepleegde misdaad {Skr. tjihna, teeken , kenmerk. Een ander aSiiHjs zie ben}. — irfh^Hi of irfn ui\\ eon teeken o/* bewijs opleveren, ook zva. aotjthnw — ihh(i5)q(hn\\ /nvaS) itfjs (irncKpi?(Hj\\ of ihtiaJjjj(in\\ aün een teeken erkend of feitelijk bewezen worden. — (MoSqtms of

O O

dj^ajïfh^ zva. ajipww (WtunTP. zva. ^ tuiKnjj of un^aji hnj^\\ de gedroogde bladen van het gesneden suikerriet, die in de suikerfabriek en tot brandstof gebruikt worden. (vnnnynde grens te buiten gaan, de limite overschrijden , over de grens heen op een anders gebied komen j in een anders regten treden, ingrijpen in iets van een ander; iets van een ander wederregtelijk zich toeëigenen. irma/H ik» 3ri ojtTjanoj) (Hifj\\ zich over de grens van de niigarft heen tot over het désaland uitstrekken. — nnnamiHn rj hn\\ iets de grens laten overschrijden; voor iemand op het gebied of in de regten van een ander treden. Vrg. (wiamun/fs (hj^amornjjs zie aj^(ui(Krtj^\\

^ of rj(hj) ij ut 2 \\ KN. een schep met de hand in zaken , die uit korrels bestaan, als rijst, zand, enz. — zoo schep

pen. 77 iirm 77 am i h-ri rj nn \\ hetz. voor een ander; vrg. rj(wrf(MiiiH7)jj\\ , WW.

7^ (kj) i ij a/n 1 ikkn. een greep met de hand uit zaken, als hoven. — (r^xzrm zóó met een greep nemen of afnemen. — 77itrm t rja/n 11//Hti \\

hetz. voor een ander. Tj.

a

70J ijami (Knji\\ zie ajinjtwjj en rj ci/tt ? (kojj \\

alt;j)qiiii\\ ook wel toxlwxkn. glans, lichtglans, afstralende glans, luister {Skr. tjhdjd). en zva. (uy (rumuji (iJi tE/^Tj iuj(ut % (lvi \\ de uitdrukking van het gelaat. G.

toï 11$ \\ Kw. zva. (En w J) \\ (un têiia/n têtiw (htjj n rj70)2(ijr^\\kn. ben. v. d. paauw naar het geluid dat hij maakt. WW.

; O o

7O)0m zie (UiihJt (Hi\' ook zva. (ut (k^ojiw

70) 70 \\ kw. zva.

n

fï^TONKW. zva. (unto)7vijj\\

O O

(hjj^ m \\ KW. zva. a/n 70) rhijj \\ a/i 7^ crr^ iru/j \\ ») (KjUWW 70)7^7n^\\ of \\rrr)iujj(Hiji\\KN. naar voren gebogen, va»

de kin, zooals van oude menschen. WAV. ao^Ty\\KN. zva. 70)70)70^\\ gebrek, doch weinig in

-ocr page 218-

144

gebruik {org. ook (kji iru). — iimrj nj\\ iemand brekkig noemen, laken, smaden {yry. r.m rf ui pj \\ bij Mijan). Miiii-Jtir)iifj nnj!\\ ontdekt, bekend raken , dat iemand of iets een gebrek heeft. ^ji^nkn., ook wel Chineeseh. (Een ander

zie bij vj) {(to), rj (ó) \\ of enkel djJ nj \\ eenChinees. —(Lji(iS) (hnjj\\ deChineescliekampong.

of fl5(W^lt;K^(KTï^KN. naam van een boo-zen geest. R. ^oi ^ ^ ^ ^ xryj of w fifj w?ï

in Hen blinde, op de bof, een antwoord geven; wegens de duisternis of wegens zwakheid van gezigt langzaam gaan.

een soort vogelverschrikker, in den vorm van een aap , uit pisangblaren gesneden,

hangende aan een stok, SG.

O O o O dquot;)

(iï)ihniru/i\\ e7i ik» lytru/js zie

O o O

ihfrt hpi itvjji \\ en hu t u/j ^

7f «O) rj iyj 2 3u/j \\ KW. zva. h » ij (hjj^ wiAjjW

(Qij iy iu\\ of (ui rjihjitumnn. muil, pantoffel {Port.

chinell a\\ vrg. ^ en asn n j \\).

(hy ij ilh \\KS. benaming van een soort van pakschuit een platboomd vaartuig, van Chineeschen oorsprong {Ml. tjoenia).

kn. naam van een soort van beste sirihi die op groote feesten de gasten wordt aangeboden. Zoo gew. u ^ (K^rr^ joj)o^iu^\\ een takje

sirih, van 5 of 6 blaadjes. Vrg. njini).

kn, het zachtjes naar zich toe trekken {vrg. rj ijdJi Tjiuj). — iTtn zachtjes naar zich toe trekken. ühiwihjs verrekt, of te veel gerekt, van den arm of van een spier.

(hi! ij /y kn. een metalen kom om rijst of zout te meten. 77 «o) kn. het naar zich toe trekken {vrg. mlrijs nsti\'n inijl en lt;ifnrn7jgt;rrrt\\). — rj nn ijiijs trekker. of naar zich toe trekken j trekken aan; oproepen tot verpligte werkzaamheden; fig. leiden tot bv. armoede.

dj) vin (tsriji of kn. het kleed een weinig op

schorten of ophalen en onder de gordel vastmaken, om iets met meer vaardigheid te kunnen verrigteu;

vaardig, bereidvaardig {vrg. aStxim enwipn).

(A\' Oh\'

P

«o) km nu \\ kw. zva. rj mi ruq \\ rj un t ini {\\ ru

O ci c\\

(irrï^\\ (hni asjj (unjj (Kn uj) i.ti/jx ij nn aj^ ^am anjj en up

(ipnsnji\\ {Skr. trillend, schuddend, onvast, onbestendig; en de bliksem. Vrg.

) O (kj) rm \'fjiij\\

(fji\'tiin (MJIS kn. vergif voor wapens {vrg. rKK^m/j). — (Ni rm (tijj \\ wapentuig vergiftig maken. WW. ooly. Rh. wapens in het zuur (meestal limoensap) leggen om ze daarna bv. met lt;j» h m cmj*v te vergiftigen^ zie ieji ihti gt; bij iisn {; ook bloemen in olie leggen om ze welriekend te maken.

oj)rrw\\ of 1J1 dj) vkn. ; (Kixnri\\ of (thcKns iets, bv. een

Oh\' \' 6i

paard, aan iets, zooals een paal of boom, vastbinden. Ook fig. v. d. gunst van een aanzienlijke

■ Q». \' ■ 13 •

/0) ,vjr) ijj (hJiN passim tn ü. —ihï irtn iu

(ui rui \\ zva. (amp;iigt;n\\? fixeren. — ihn i in (ui \\ vast-

Ch ll C~ O*-

binden aan. — 0jj xrn (m (hnjj\\ het vastgebondene; iets waaraan iets vastgebonden wordt; een anker.

— (ui(tn!i~jnv het vastbinden; verbindtenis ; een

cj ei-

touw of baud , waarmee men een beest ergens aun vastbindt.

iu}iyri\\ en ajiirm rokn. vaardig, gereed, bereidvaardig , bij de hand {vrg. iji ym uti/j); (hu xzni ui na ij ook iets dat men gemakkelijk mee kan nemen.

.o* o / - . cu qv o » a cj

(hJi(hj}\\ zva. iHniuniw (uidJi (Ui (Ui(iJi\\ a.b.

(W) riri\\ of iJitKninkn. het kleed ophalen, om het niet nat of morsig te maken {Sd. dj in dj in g, Ml.

rr v o a- Qv

sm gsmg. quot;rg. hj) um lunjj). ihjiiiri rj cm é tu \\ naam

. . O j% O* CJ»

van een soort van vogel. — (Hi.urn or m(kji \\ zijn kleed ophalen; aan één zij opgetrokken, zoodat het niet gelijk hangt, van een kleed, ock de lippen optrekken, Waj. Ir. de wenkbraauwen, WW.

— (in i iri i?i \\ tegen iem. het kleed ophalen, bv.de tapih, uit minachting, zoodat het bloote achterste gezien wordt. Rh.

^flO)2^ tr^i?\\KN. de w\\jze waarop een lans met de punt vooruit gehouden of gedragen wordt, horizontaal, Rh. in horizontale rigting. ^ m ? rj irjr 2\\ een lans zoo houden of dragen. 0^ met de punt

een weinig naar boven. met de punt ecu

weinig naar beneden. WW. volg. Rh. in het alg. houden in horizontale rigting ; ook zich in horizontale rigting bevinden. — ijaon ij irjrig iji (nifj^ iets dat men op het oog heeft, bv. een huis om te koopen, een meisje om te trouwen.

dj) chn \\ kw. zva. (ui ui \\ en lt;kii tui luiw kn. het extract

Cl x

van iets , een olieachtige zelfstandigheid; extract van gekookte opium, dat, met een soort van fijn gekorven bladeren vermengd, uiirj nn genoemd wordt, un iui ui (hi\\ naam van een soort van ge-

ei ca


-ocr page 219-

KJ) ifÜ. I\' H/JS

(t™ Ji

145

(Ujj IhfJ \\

■.leeskracJitige olie. ui scherts voor

gekookte rijst. — ^ quot; V gt;£gt; uij ..wa. u iïnf gt;.n j .7^ in n KW. zva. ru y. ^ nn zie ly nn \\n zie

1 kn. ftfmaliug, beschrijving door vergelijkingen of figuurlijke, zinnebeeldige en verbloemde uitdrukkingen. 2. wCjp of zva. iu

n iviuTjjen ij m\\ als Tj. Stink. één. (Skr.tjan-dra, de maan), w .»\'7° negen maanden, quot;t\'iim tu\\ zie Mi\'inuw 01?quot; n gt;o eitju. van een dochter van een Vorst van Kédiri, de schoone gemalin can Pandji. 0 ui iui m tsn\\ cn 0.Q êi* namen van

twee Kawische zangwijzen.

o o o

tj) n. vaam v. e. ghitfing. 0 tfl t j un\\ of J ^ uu de hel der Boedisten , bestaande uit ziedend water. 0ijiiDi\\ naam van een heest, dat de gedaante van een kat heeft, in de Manik-maja; volg. Rh. een zwarte kat met vier witte pooten en witte borst. 0(m j.y\\ naam van een werk, dat aan A dji-sa ka toegeschreven wordt. — ^ jtt? i (in \\ afmalen door li-guurlljke beeldspraak of vergelijkingen. — tj)C)o i.yj of iJi wCtypMTjj beeldrijke beschrijving of af-maling.

^6^^\\kn. een ponjaard, die doqr priesters, santr\'isy enz. gedragen wordt. /.^\\met

een steken.

i tCjp \'-i of rj ij)d(in jj)\\KW. naam van een wapen in de vorm van een sikkel in de oude tijd; en van een slagorde in de vorm van de maan , als die drie of vier dagen oud is {Skr. tj au dra h ds a, een sabel j het zwaard van Ril wan a).

y tjiz ui utt\\ tijiia mis jwi in xnMiW. zva.

\' ) o quot;

iLn iui,njj\\ uj jjt}npihn\\ enz. zva.

t,, _

\' n Li \'*1 uUl\' (Skr. tj o d ak a * aanzettende , aan -

manende) zie ri ij) i .m i, n w a

$ Kw* zva. m ijt/n * i j ujj ■ w w ijflis K\\v. zva. xjn iJt j \\ vt £t inj^\\ {Skr. ij int d gt;

gedachte, zorg) ,/r)zoa. inDij\\\\ 7\'J\'17N Chin. Ml. staal, monster, model, proef,

voorbeeld {vrg. ijusuu. cn w\'f WJ iriq).

\'Jgt; iLV quot;JJIK zie \'Jgt;

o O . n r.

\'0\' v ZIC \'J\' {ui \\ e?i ui ij w

o quot; ^

,J) KW • \'Ï/H ^ N (iJi IJ I \'tl tU \\\\

lt;j) «ui t\'» ; j) ./j) f.»q Vrg.

loi ui I.iiw

te

\' KN\' mannolÜke bctlienilo of leerling van een

kluizenaar, ook v. o. dalang, \'/,(}. 1872, 307. — \' a^s t.i!lutlquot;ik o l!ln \'l\'euen 0/ zich voe

gen hij iemand : ook aanhoudend met do voeten stampen , van oen paard op stal.

ut.iniiti kw. kx. ongeluk, onheil, vloek, daar ie-

I i.li ij \' \' \'

\'J

mand door getroffen wordt {vrg. n .n en i?i mi

v\' J (U

A Q

1,11). hn\' j i n in hi litis getroffen doo;* een vloek of onheil. 11 m /\'n in i n \\ een ongelukkige kwaal, daar iemand mee bezoeht is. — //i/l/.i/./i..^ rampspoedigheid.

^ O o ; )

ij) ifj litr oJ 1 1 in 1,11 KW. zva ts » n i ui 1,111,11 inijj

ook verb. v. ijj ïrgt;.. gt;1 ?

dj) n 11 zie ui tri ij n n w

i v iyji K\\v. zva. fjj^ ini w

ui kn. de steenen , waar tusschen en onder oudtijds

de aseh van het verbrande lijk van een overledene

besteld wierd; een over de aseh van een overledene

gebouwd mausoleum of praalgraf; een steenen tem-cy\'

pel van de oude tijd. iJi tmiji iiui een steenen (\\J \'

tempel. — i in iiii\\ een plaats met steenen, met

CJ

een muur, afschutten; de overblijfselen van een overledene tusschen en onder steenen bestellen of in een tjandi bijzetten; (pok iets boven liet hoofd houden , met diepen eerbied ontvangen. G ?).

Tsjj Y^ \\m kn. naam van een gebloemde zijden stof.

o lt;n ...

f^ »m\\KW. zva. rui i^ ui; \\ en naam van een pijl

{Skr. tjoêdd, top, noofd, kuif, pluim, diadeem).

c\'?^\\ een edelgesteente, en een uitmuntende

pijl {Skr. tj 0 é d d m a n i, een kroouj uweel). xj^q j

mi hi ij edelgesteente; krijgsman ; bosehhaan ; ook

• (AJ cj

naam van een wapen.

ui nii ui KN., ii 1 nn /y n poet., sandelhout(.S\'/v. tj an-

dan a). 0ik ni\\ naam van een hout, dat tot de

medicinale specerijen behoort, ^ i-i n \\ naam van

een berg. ui isr^ iji yn y N., y m n.i iji nn!.j\\ k.,

naam van een zeer fijne witte steen; * ook voor

o ...

marmer, n 1111 .u lt; gt; nn ui en poet. n mnui inmi

^ 1 ^ (AJ CJ 1 1 CJ

hj.\\ ook wel 1 ui nn m \\ als marmer, zoo fijn cn effen.

iji nnuiiji kn. I. in zamenstelling zva. • m nn un^

Zoo in ui nn i.n iTii lui/isH.. ui nn K., vatten

CJ Ot- ^ Cx) Oh \'

en houden , spr. voor goed van iemand pakken en in beslag nemen (als onderpand houden) tot voldoening van een schuld of tot vergoeding van iets

anders. i?i iji nn i.n ini n i/i\\ pass., van den persoon Cu (A


10

-ocr page 220-

U) ^

toiens goed men in beslag neemt. 3. de of het naast volgende, liet vervolg van iets. — r/mnn vatten, aanvatten; grijpen, aangrijpen; pakken ; een dief of roovers aehterhaleu; iels vatten, begrijpen ; zich als vervolg aan het voorafgaande aansluiten; bijkomen; gelijken, het bij iets of iemand halen in het een of ander opzigt; een volgende tijd halen , bereiken ; iemand bijhouden in het gaan. ntt ui innatn fji ri^ iu uj,\\ met drie dagen. — then u)aii) gevat, in handen gevallen, aeli-terhaald of te achterhalen , gevat, begrepen ; aangetast door een ziekte. — rwrm» iwin onmid-delijk laten volgen op. — ijuui) uti ihn/j\\ achterhaalde, opgevatte; bevattelijk in het leer en. — iï?) 7 L7\'»/ y (Hiji \\ vrijpostig, zooals van iemand, die de lelijke gewoonte heef.i van alles met de hand aan te raken, of die een mder onbescheiden in de rede valt {vrg. h) ) ii im ) •

(Ki rrn KN. bosje, van sirihbladen aan takjes.

\\ z\'ja. (Wi nnn nn/j Rh. en n uu^/j \\ in iïji m ij mei eeu ander in aanraking komen, handgemeen worden, met d^ speer; en fig. met iemand in aanraking komen door middel van een ander. •Qnin uvji of mi/j n KN., ook wel v-j) n ihtip K.,

kort (vrg. iïn unrnryj\\ hiiq eu mij) —

ïïw nrn imj] \\ iets, zooals een verhaal, verkorten,

CJ

in korte woorden zeggen, korter maken, —

CO

O

thritöirfjh itfi x}jj\\ kort. (U) /) mti i

(M/j0 korte lans. — itjjjjnrn un^WiH., ook wel mihfjniruMH/jsK., de korte zijde van iets; de breedte va7i iets in tegenoverstelling van delengte.

Q n

w rjoyn unji en ijnj) ijlt;rin \'^nKN. zva. /i m tjcrinh njj

en ij un yanintijis laag, zooals een heining, huis, of iemands gestalte. \\m dC) tj vjj tyu n njj \\ zie l w iK^w^m7^\\KN. 1. wat op hot hoofd of in het haar gestoken wordt tot sierraad, bv. van een bloem of kam of haarnaald. ^u\'iwrL^j ■■ met gouden of zilveren versieringen in den vorm v. e. spiraalveer , zie ZG. 1877, 17. In Tj. nog een soort 0,hnyf éi iTïwrflN 2. gelijke afmeting; overeenstemmen, overeenkomen, met iets anders {vrg. ijtj)2 tj i\'nu). 3. poet. ontmoeting, ontmoeten , zamen treffen. Zoo ook /E\'i^lt;rnj HV/i\\ vrg.

iets op het hoofd steken; zamentreffen, elkander ontmoeten, treffen, raken. zva, nu

vjiKnrj cim?\'Uii/f

.b?/ ri \\ of Kt} tiji ^ en \\ door een pijl) Men. — 00^ aan*

komen op het lichaam., bv. v. e. pijl, llh.— an arm igt;h gt;/ iets op het hoofd steken; iets eon-

(aJS \'

fronteren met iets anders. — ^ int ge-

lukkig van aard in het vinden of treffen, bv.

van een jager.

rjCKnif rnt i hiiji\\ zie tj ki ijmu2 ui^/j\\

ij r/o) i ij \'tin t io}/j\\ in sommige dialecten zva. ^

hu \'iLi\\ i-Jin?!! Kil itu\\ ook wel i-j)auinm -jii )li\\ CxJ \'lt; Cd Cx)

KN. het avondrood, wanneer roode wolken zich vertoonen (verbastering van Skr. sandy dkdia, de sehemertijd, van sandy d, de schemering, \'s avonds of \'s morgens, en hitla, tijd), volg. Rh. (Ki ijnn ilt;htli of miijijjiuti tu\\ avondschemering. (KJ)(rni\\KN. tegenhouding. verhindering,

-tTtrtryn iamp;nji\\ in-,

iets om teiren te houden. -

tegen-, weerhouden ; verhinderen ; beteugelen, matigen {vrg. (Qmi unjj\\ Scvmuoji en w (amp;t q).— (Ki nyii ii^n injj \\ nu ij (ui iKj. hii enn hn tj ihj. \\ gemakke-lijk in te honden v. e. paard dat, hoewel in vollen ren, door het inhouden van de teugels op eens halt houdt, Rh ook knoop in een strop oi7 strik om te beletten, dat die doorschiet, WW.

flj?yjmnasnq\\ benam. v. e. vogeltje, ZG. 1S70, 292. iisiiji \\ KN. een klein vischtuig, een soort ij u ijki\\ geheime oorzaak , aanleiding. — n:)y nn hnjj met eeu n^arrn nsHjj visscheu , WW.

ijiennvvijiv KN. een jonge muis of rat, als die noy kaal en rood is. tj ini2 vJrj (*^2 ij yi2 cry i » irn rup spr. voor tot het uiterste toe. aoï (ytj ru -jdain\\ een uitdrukking voor een klein kind (nmaAi).

ij (ui ijain 2 tujj\\ KN. de klonters in de davët. mj /w» gt;ƒ ij^yiu ?i^i fjl^{i htjj ijimd ijn^tirviji Rh. — rj (£.1 rj (uil 2 rj ni rj (vrri 2 ruji \\ w og kaal zijn, van jonge vogels.

(Ki)crjrnni\\ of ajin^rn rusKH. heel gemeen; gemeen, vuil, scherp , barsch in het spreken ; gemeenheid , slechtheid {Skr. tj an d dia , naam van een zeer ge me ene , verachtelijke klasse).

0 -O

(tji ijorn itLt\\ zie (iK ijarni iliw

djnnn i^ Uji/jskw. zva. ojiainiviw

n » .

(iji(ni? (ui\\ KW. zva. isrjj tuioji\\ hj^ ion / ^ ?.?) waiiw

e- n

17100)2,11111)i.-i \'fi.di\\ of ti i )i:rin i:ii h\'iji\\ naam van

1 Lx) 1 J 1 (xJ

een too verformidier of wonderdadig wapen van


-ocr page 221-

\'Z\'!

117

Vorst Sa IJ a, dat allerlei verslindende monsters voortbracht {S/tr. Tjanda-lairawa, bijnaam van Siwa).

L i rni \\ KN. de voêron aan het onderste gedeelte van

UI

i de staart van een haan; ook zva. am lb w WW. volg. Hh. spleet, ook de twee langste veren v. e. hanestaart; of de twee punten bv. v. e. zwaluwstaart, van den staart v. sommige visschen, enz., die

als het ware een ajtorni vormen. — wncrrrj n?.i\\

iets afwachten , waar men denkt, dat iets passeren

zal, om het aan te houden. — ïrm0777amw de

armen uitspreiden als een vji nni \\ —• am am (i5)\\ Hi CxJ Cx)

! {well\'ujt met uitgespreide armen te werk gaan, met

s

het doel om een object op te vangen, ho. een Hj drenkeling, drijvend hout, enz. van daar zva.)

opvangen, fig. redden. Rh.

V i.iïwri\\ KN. iwain fni \\ plat voor voorouders.

I (a) (a

—■ ^(»VmKW. zva. -naj)Knjj\\

■ ij ij) z 7^ (ï\\ii 2 \\ KN. overeenstemming; -stemmen ;-stem-

mend, •komend {vrg. aj^trj^rwjjs 2. en

— ijvmiDjwms eenstemmig denken. — ynnt gt;ƒ

t)rijn2 (i?i\\ overeenstemmen met. — vt irm2vt (t)n 2 \' (^1 1 1 UI

^9 (ei rj un \\ in overeenstemming brengen; vergelijken met.

I 7I quot;IJ]N — .itÏ) aj nrrj \\ op hoogen, meesteraehtigen

5 toon spreken. — i*in ij crpj ajj\\ iem. zoo toespre-

J ken, AVW.

m gt;j)(nn\\iiN. krom, gebogen, zooals v. d. neus, rug , T enz. — ami anj \\ hetz. WW. Vrg. tunrnj nm/j\\ [ de naar boven uitstekende punt of sneb

aan de voor- en achter-steven van een schip ; een tweesnijdend mesje met een gebogen punt, ook (of quot;\'quot;\'quot;(\'quot;quot;Ifl) ultst(:\'(el1^. uitsteken gelyk een ao) \' en voty\' ::vaquot; \' wtpfoojj i^ts in het

gelieugen prenten of bewaren.

kromte van iets dat met de kop of pnnt naar beueden gebogen is; een stuk van een hoorn, daar men bloed mee uitzuigt of kopt. — rm\'Vo!li,0yi^ ^rom » quot;aar beneden gebogen ; met een tjantoek koppen. — (ïojoytjao/j\\ v. e. {voozc) padiaar, waarvan de vruchten niet regelmatig

naar eene rigtiug gestrekt zijn , SG.

O

jrn^MCN. een kleine rijstmaat, voor een kleine

wwanji rijst.

O n

t^^jfirn2 tniji\\Kii.; a.ui i^yiitamji\\ tegen aanstooten ; ^egengaan; fig. door onaangenaam woorden tot

zwijgen brengen.

2rjninj 2 uriji\\ KN. de pof v. d. iM itji -uj\\ de uitstekende plooi of pof van het staatsiekleed eener prinses of danseres van den vorst; haarpof aan weerszijden van ecu vrouwenkapsel. — (ïi mi 2 rj //arn2 uayj\\ poffig, poffig maken. V\\\\.

ujtyrj un \\ k.\\\\. ingebeeldheid. — rairn kd ^ ingebeeld, vermetel met iets te ondernemen, daar men niet bekwaam toe is.—- n.^ rA(tin i.t) an/fwvdt iemand vermetel, zonder genoegzame bekwaamheid, ondernomen heeft.

j)irrrj hii \\ ook wel aj) an mi ^ kw. zva. rj im 2 ij 1012 un/jw

0^1 inn im ij) ia \\ spr. voor verward geschreeuw.

n ■quot; o o

dj) 11 n atii \\ kw . zva. liJi.an ioiw ■— aj) anorn ini\\ zva.

Cu K \'3 CJ Cd

o

tint :i7)i 1 li ij am an fj \\

(ij) rj oaij t viji \\ k N. een haak, iets waar iets aangehaakt of aangehangen wordt; in de haak komen, va7i een geschil; in verstandhouding staan met (yrg. ij ut tjrnaj rujj en iu) iyjj 2 ai i/j) jij) \'j\'^j ni,j of uz n)j0 naam van een veldgewas, een soort van koren. 0(un.\\5r^\\ een voorstel of verzoek opdragen aan iemand, om het ie brengen waar het wezen moet. 0aji) uiyr) anjjs laten zeggen door iemand. »777?aji ^ cm (Ei \'/$1577 an een kind dat nergens thuis behoort. — iTip )j cijrrj ruji \\ gelijk een haak. — aj^/w aj(yrjjujj\\ aangehaakt zijn, ergens aan vast hangen , zich vast haken of aanhaken aan iets ; zich aanmelden bij liet hoofd onder wiens gebied of in wiens wijk men zich wil vestigen. — imaj) rjtyi) tujj\\ vastgehaakt raken, blijven haken, in \'t pugeluk raken, amao) Vyy y i \'i^lf nj)/}x ergens aan vast gehaakt raken of hangen blijven. — a m yarn (t?/i\\ aanhaken of vast hangen aan; aan iemand als zijn hoofd zicli aansluiten, zich onder hem stellen. 0a/u 7S7^ \\ aan iemand opdragen om aan een

ander te zeggen. — x id rji/n n 11) i,t)\\ aan een haak 1 Cd \'l. { i

hangen of met een haak ophangen of vast maken; iets opdragen aa?i iemand om te zeggen of in te dienen; iemand aanhaken of opdragen aan iemand als zijn hoofd, dat voor hem aansprakelijk is. — fjj) Y 7/n anjj\\ een haak; waar iets aan gehangen wordt; woningen, die aan elkander grenzen , wijk, buuui, gehucht. — (tnaj) alt;lHN ^100^ wijk

meester , onder wiens buurt of wijk men behoort, tot wien men in zijn belangen zich adresseren


10*

-ocr page 222-

148 .

w» trrn \\ (oJb

U) nn/ni n i/)\\ \' CU

moet, e» ilic voor de onder hem behoorenden

iiausprakolyk is. — nwni (rut\\ ïio\'èt, zva. vrm a amp; \'

VU \'\'Vs etl 11 ,J) 7 \'f/!j \'u\' 7 quot;17 N zva. i in )f irpj trt

rt KH w

ui ijiyn? \'tu/j\\K.N. een groote haak van hout of metaal {org. i t ij\'\\m iuj en cru ijlt;nni »i;y). — Sa)alt;n tjnmgt;.

gelinakt raken aan iets.— ikt)ij(yn?ihtj\\ de oogen , waarin (un unn (haken) (jaariy om iets

vast te maken, ZG. 1870, 381.

O • ■)

aj^ynru/js zie

7 /Oi 7 yn,/uji\\TP. wrjarnj.ruji.

n.Mtirnf n tfi\\ — ^ n imj) z nrn n tu 9 nri min- zva. mh

\' (d U{ 1 (lt;J f (A- Cd ^

tl uji2ani \') ou ^)2rrrif ni/)\\ WW. \' Cd \' Cd

ihj}lt;rm iu\\ of norseli , lomp , in zijn be-

Wl) J idb gt; i » j

scheid. — s:n] lt;nti tu ifj\\ norsch o/*lomp bejegenen of toespreken.

ijthj}? tfynd (M/j kn. een wilde plant op de

gelijkende, maar met dorens en ruige vruchten, ifj)ty-rj\\ KW. zva. n (ivi kn. , (fjj iisyicyrj\\ naam van een groote boschmier. — • ftJinrn imti^ bij-naam v. e. (yy^ li {hoerewaard ZG. 187 2), 225. tij)cy\\j n kN. zweer aan een nagel ot\'vingertop ; ock vijt. ihJi(y)i \\ kn. een .kleine WW. en een koperen

potje met een tuitje, dat hij het batikken gebruikt wordt.

icicrni kn. een kleine .#J^\\ Rh. Frg. w(ynw —

rninhis de vorm v. e. nji un hebben.

Cei iil

itj)warms gew. tnivjftp\\kn. een kinderspel net kleine \' Cu \'

steentjes of sawopitten.

(}oln)n\\KH. opwaarts gebogen. lt;M(i/M5)^0\\ schoenen

met opwaarts gebogene punten, ik rij twyns een

opwaarts gebogene, vooruitstekende kin. — i:m

nm n hetz.

V o

(KJ) (yn \\ «vöf. (wnpj tn))jj\\ v. d. billen, ^00/4 ^00

sterk, Tj.; gebogen t;. vingers of armen om lenigheid te toonen, WW. o.j. zva. ajntij)

asnj! ? ZG. 1877, 9. Vrg. i.ï) — i:m(rm\\ gelijk een ojtiyij \\ bv. v. d. opgewipte staart 0. e. vogel; v. Heer en, achter opwippen «/j lt;/o67* mi queue de Paris. — oj) amp;\'yn gt; (Rs.) voor )j 0 P

ii)i(in)x KN. gekrulde haarlokken aan de beide slapen

(C.\'fl

van het hoofd.

o-irrjcynskli. een iljue, schelle stem, een vronwestem.

(u)ihhrhj) (wtinhis een treluid van veel znlke stemmen ^ f (d

tegelijk.—(hj^ ii* rjcyijs met zulk een stem spreken, ooirri»!\\kn. verblinding, misleiding {vrg. oSl nup*).

O

r-irxrh) ^ verblinden, misleiden; e?i zva. •nn t/ luw Ut\' \'

nrji^ i\'ynof rj(hJ)?ryn \\ —ij t^iKyn i) of rj i:minnj i is

bv. tot herkenning steeken met houtskool of krijt

enz. erg. een streep op zetten, Rh.

ttf(hj)(y\\j\\kn. klanknab. v. h. geluid als bv. een pijl

een voorwerp treft: raak ! W W.

7(Wgt;\'7o^7?\\kn. zva. tj (tn) tj (yn i \\ rijstlepel, potlepel.

— r^ïcm ijnrnzs rijst met zulk een lepel scheppen

of opscheppen.

//aumKN. peperhuis van een blad of van pa-\' \' (u

pier. (Wj rj rt,i t tj cyrj t \\ een der eerste ontwikkelingsperioden van de djagoeng , als de vrucht door de hypocotiele as is opgeheven, S.G. — ^ t;/n?y ijarms een peperhuis maken; iets in een peperhuis doen; een peperhuis gelijkend.

lt;ïo»,w)n KW. zva. uj) m nuyinkn. ligt v\'atbaar voor een ongesteldheid. 0O)ooi(t/30lt;L/ï\\ spr. voor een ongelnk begaan, tc kort komen of schieten.

(KJ)dS) \\ kn. schraag zooals om een plank op te zagen. itSivjj\\kn. een soort van wilde Pisang (vrg. èntfStvSI),

en naam. van een kleinen vogel.

(kj)k){ KW. kerf; kn stuk; stuks; aantal; aantal bonws, zva. ihv lli \\ mi ij u) ij ui 2 \\ of (im \\ van een land. ij oji) 2 n^) un 11^(i:r^ qjij ckj) »J) ^ \\ niet in tel komen. (kj)w fi3\'y) aantal hoofden, aantal zielen, mannen, vrouwenen kindereu door elkander gerekend, (kj)(ij)qcl/)) aantal graten, voor aantal visschen , groote en kleine door elkander, )j(Eii7j(tu2\\ aantal nokbalken, voor aantal huizen en gebouwen, groot en klein met elkander, iwwf aantal rijstvelden, groote en kleine stukken met elkander, ou (iv) i^j)(kj) f n een lijst. — /m(K) {\\ in kleine stukjes snijden o/breken ; fijn snijden, fijn breken, fijn hakken; iets fijn- of door-knagen, van muizen; kerven , doorhakken , doordraven, bv. in zijn drift; ook telleu. — k^i(ij)oj)s\\ geteld; te tellen zijn, in aanmerking komen. — (Hiajt^am if Kii \\ van dingen of personen het aantal opnemen; ze tellen. — (yn/i\\ fijn gehakt, enz. —

iui(hj)(Kj)gt;%\\ geld bij de ontvangst van leveranties aan het hof, te betalen voor het opnemen van de geleverde hoeveelheid ; ook de hoeveelheid van de deelen van een geheel, van het aangezigt of van


-ocr page 223-

rfan \'/ 1\' tl }■\'

14«

het goheele lichaam.

Maiiquot; kn. 1. oon kleinegoudamidshamor , ZG. 1870. o o

202. 2. eva. Knmimji „yT,^ on ff air.; allerlei onvoegzame

praat, vnu mensc/ien die niet regt hij hun zinnen zijn, of die maar alles zeggen wat hun voor den mond komt, en de regels van de beleefdheid niet in acht nemen.

dj)o))quot;KN. elkander in de snavel pikken of tij ten, \'\' \'\' ■ * ■

van vechtende vogels; fig. zva. asn-r^\\ ofwrjrn Wilgt; kampen, vechten {org.

\',jgt;\\ kampstrijd van vechtenden-, volg. Rh. hep. v. h. elkander werpen met werpspiezen , steenen en derg., ook v. h. op elkander schieten,— m kampen , vechten ; ook de hek er in stoken, voor iemand, die door een ander heknord wordt, meê beknorren.

rinj)/ i/Mij hn. elkander pikken q/prikken , van vo-gels; de tong van een gesp (vrg. gt; i -ip \' j); een van onderen sehcfp stampertje om in een koker (wi i.i in\') sirih fijn te stampen; een priknaald , bij het batikken in gebruik (vrg. iuihji^ en nisi ij ik ? ?). — t] «rtitjiKm in iets prikken, of iets lioprikken; fijn stootcn, stegen, of los prikken

(vrg. (iri^irjis^).

o . O

lt;M70)(rp»\\K\\v. zva. CKi rj uiz wjj\'. gt;■ n

Ml. kn., imf/» n n. ook kn. (i?n -ru^nki,, do kinderpokken (m/. ,k3gt;, n en \'•quot;

?5??oN en 0\'i(K \' ^ benamingen van de pokken naar de grootte van de puisten. »/^\\ do na-

tnnrlijke pokken. de pokken-niantri, de

beambte, die van gonvernementswegen de koepokinenting uitoefent, anders 11 ffydJf \'p ^n/j^

O Q\' ^ ^ ^

•k)!)j}nkn. verloren gaan, van een gedeelte dat van iets vermist raakt; ook een spook, dat zich \'s nachts in de nabijheid van huizen laat hooren en de bewoners iets kwaads voorspelt.

1- KN. naam van een gebak van meel en suiker en in olie of boter gebakken. 2. kw. zva. gt;■ n o

amKifw

vj w) n kn. verstrooid, verspreid; vrg. ^ un ij ik» n

x- x . /

\'/\' \' gt;/\'J)zie y ir/j tjiijiw

ïo) 2 tj u) 2\\Kii. de snavel van een eend oi\'gans (m/.

V , }* 7^0gt; de uitstekende punt van de gevel van een huis; het onderste einde van een krisschee (anders ^irnï^mjsi,) j). — ./rrmijnj)? of ntmi ij\'i3u\\ met de snavel hijten of eten,

fjnot gt;) zie

•i\'inij inir kn. ]. proef, proefneming, heproeving; ook wel tot proef, waar v)ij eens zeggen (vrg. MiwiMvin en i-\'lt; tf- ru/i). 3. aard eigenaardigh nd, en in dezen zin ook wel ioi mj^\\ 3. poët. zva. h. j iijiujjj 4. weefgetouw. 5. zva. \':i iri^ l uff * a M Ji ir-i \' ii -^i \'* j ga het eens onderzoeken. — onoyinnp iets beproeven, proheren.

i i io) I.li j of uitji i\'^/j kn. stip, punt, en naam van een bekend schrijf teek en, ook a/tj nnifr! i:i nmq gt; /ckiji flrii^ ook kleine hagedis, die zich in dü huizen ophoudt, muur- of huis-hagedis (vrg. nva.-i rvijj). iS ikn wiip ook indrnksels met de nagel.«SWiV« )o tenjp met stippen, gespikkeld; ook eeu zeer klein hol steekheiteltje of gndsje. — of iinht niu ,

stippen, een stip maken, iwjaoi wn^\\ ook een iüdru];-

sel met de nagel maken; en met een gndsje steken;

O o O O o . i

— .KiuJi hn\\ en (m ui iai\\ mv.; ook rond en lijn

uitsteken of uitbeitelen.

no

wnjtitw/js kn. weinig, van iemand die weinig eet, slaapt of werkt {vrg. iPrrfi i-n/j); een soort kleine mier, zie opk op joj /, jy y (KJi tJi hiijs zie tj djititj)

kn. snavel of bek van een vogel (vrg. )i)\\ spits, voorste vooruitstekend gedeelte van iets {vrg. .1^ i.)ij); tuit van een ketel, kan uf kendi {vrg. i.rjajp-, het geld, dat op de speelba-. nen of in de speelhuizen de aanrigter van het s] cl van de winst ontvangt; ook het geld, dat bij liet schieten met pijl en bogg de kinders, die de pijlen oprapen, daarvoor krygen van den winner.

Qv Q Q». » Qv

yn rn^rn^l/j^ i:)i n OJ GJiOJihii ru f i ^1\' \\

tic spits van het leger, de voorhoede. ? of (ravebek) houweel om steenen meê

te kappen, breekijzer met een kromme spitse punt.

».»/ƒ v iets pikken, oppikken; het geld, dat (u^}j}i.ny genoemd wordt, van den winner nemen.

— rr^aj^ini\\ mv.; ook oprapen va71 pijlen bij het schieten met pijl en hoog. — ^7n//N wu^ gepikt of afgepikt wordt; wat te pikken, voer, voor vogels; draagstok van bamboe, aan beide einden puntig, om daaraan een bos padi te steken


-ocr page 224-

1U) itM/P

150

en te dragen. ^r. voor klikker

achterklapperj klikken, achterklappen. — tun^(kjj z. ben.

Yjihi\'Yj(t-ji ifHjjN kn. kerf of insnijding in een boom {zie ook bij rjaorjoc) nrnjj^ en vrg. nuq)-, ook

hen. v. d. jonge nangka vrucht, die als toespijs bij de rijst gegeten wordt, vrg. Rh.

een toespijs bij de rijst, nl. het binnenste vleescli-achtige gedeelte van buffelhuid in kleine stukken gesneden en in de zon gedroogd heet tvtvj ftpm(Ki/j\\ in een pan met zand gebakken en daarna in het water geweekt riwrjcKi Kiijj\\ vrg.

en 1Jlj n*yis WW. — rj an yqjiin een boom een kerf of insnijding maken. — i i tw

kerf, ondiepe snee; oo/c gezegd y. wien spoedig eenig werk verveelt, die naauwelijks een werk bij de hand heeft genomen, of hij krijgt er een tegenzin in, WW. wclligt eig. iem. die een ijwrjaa) nu i^ gelijkt, nl. die op dedingen niet diep ingaat, maar aan de oppervlakte blijft hangen? rfOJidajttHvjj of (kj^whw/is ook wel o j t. n itnifj ? Tj. kn. naam van een kleinen vogel met blauwe vee-ren. ij (Kn t fa) fui \\ of njjj i ) jiii gt;v) \\ naam van een vogel.

vj dj) i \'tj nj) 2 kn. het tegen iets anders aankomen, aansluiting, aaneensluiting {vrg. riwiniyj), — ^(hnd tf(Km.u(nji\\ tegen aankomen of aansluiten; vreten van een beest, zooals een hond {vrg. (ukh nlt;2Jl)- — ij\'im riiKJid ion , aankomen lt;gt;ƒ aansluiten tegen; gulzig van alles zich bedienen en eten.

— ^ am iilt;mihrn ijnm \\ iets ergens tegen aan doen komen ö/* sluiten. — ^ i^io) 2 int \\ de zameu-sluiting van twee zijden ; iets daar een hond van gevreten heeft. — ijuji2 tj ? u u gulzig. —

t ij Tgjji jnijs zie beneden.

w wia/j* kn. gebrek, lichaamsgebrek j wat te laken is, op iemand of iets te zeggen of aan te merken valt; zedelijk gebrek, font, onvolmaaktheid {vrg. oj) i:t (iaj\\ en liiv tfiij). iuia.i)(wjj\\ laken, bc-

rispen, bedillen, minachten. — póët,

hetz., en zva. ibiilo {van (ltkio ). —orta^i in \\ mv., en op iets wat te zeggen of aan te merken hebben. — oj)tui ax) thnji\\ dissel van een ploeg of kar.

— iL/j pyaj) nt w/j* een mismaakt lichaam. G. a.nayiOrf\\KN. aardig, grappig, kluchtig in het spreken, klucht; grappemaker, potsemaker; zva.

ook zva. grappig

of aardig zijn in het spreken, ook Men.

oji(tnalt;nvj(ui~~i0, benaming van een kind van ecu anderhalf jaar of wat ouder.

/ïo) (Kji kw. zva. ihJjj 1 gt;n tun/j^

kn. haai, haaivisch, ook zva. ojja-j^ax^/jw

o o O . o _ .

ruxnp \\ 11 m an^ \\ en rj tut ij mi \\ soorten

van haaijen. 0(rnij(roi de hamervisch, 0tulih\\

de zwaardvisch.

tjiKM rjcwi fot)/j\\ zie ^(1^)2 ihnjjs

nci)!}ci foiis KVf. zva. cm rt] /U),n

)

v /i^nkw. zva. fjji i.jnsn/j en asnObtirw.p ij ritij

C) /\'

\'ij it lil mi /j \\ a :ii r) oj) \\\\

(ij)o-j) •ili/j• kn.; tniaSitw)jf\\ van een schuld een gedeelte afdoen; een werk bij kleine gedeelten afdoen {vrg. af} ap n iq). anaS) avi alt;ii \\ met iets in mindering een schuld afbetalen. — aiafjiSt tLi/js afbetaling bij gedeelten. — (biojIoS ihiys zie ben.

(UiihJi ru^ \\ zie ui /l^ / u n\\

zie (ij^aujj\\

n (hi) kn. diepe inhakking of af hakking, 200-als met een bijl\', met zulk een inhaksel {vrg. fj 1:1 rj uji am/j ij ajivj uj) en (irr^ ij aoi ri i/j). — ij an tj ijtij)au/jsccn inhakking maken in, met een pëtM bewerken, er ecu spaander of spaanders afhakken iiaoii ij(iDZuvi/p kn.; \'f](inevjaj) ê hu/j\\ iets aau het einde van een stok hangende in de hand hebben of dragen ; een bos padi aan liet einde van een anij over liet schouder dragen yrjrimijajit aiji^ aanleggen, mikken, G.). — ajooi2^wtarjanp,\\ obj. den.

(?oi./o a\\,)\\ kw. zva. ru tuii/ijjw

«o»io)ajtjj\\ ook wel uw. indooping; indui

ken ; kn. goed uitgekomen, van wat iemand gezegd had; verhoord van een gebed\', goed werkend van een geneesmiddel\', scherp snijdend, doodelijk of vergiftig, van een wapen; van water, met de oevers, of ook mat iets anders, gelijk van hoogte staan {in deze bet. ook tin ajiarn 7 gt;) naam van een soort van zwaarden; ook naam van een soort van olie of water, daar men /iet haar of de baard\' meê inwrijft om het te doen groeijen: haarolie. — anaz) aij scherpsnijdend of vergiftig maken; met een t}lt;n aj) a^j vechten; het haar met an aji ojijj in-


-ocr page 225-

AO) tiJi t\'rijfy

DO

151

wrijven; ecu rivier wadend of zwemmend oversteken ■ /iel peillood in liet water laten om de diepte te jieilen.

mwiV^kn. metalen tuit van een Htmijt (vrg. nyiy nji/l); met zulk een tuit. — wiin van iets oen weinig inzuigen, drinken of proeven (vry. aniui

lufn en itnaSiu//); onderwijs genieten o/om onder-

\' ^ \') O

wijs verzoeken in een wetenschap. —

van een metalen beslag aan de tuit voorzien; een weiuigje (Int met de lippen van een vnelit geproefd wordt.

MjSiurKN. foil, proef, (vrg- Mfj). — aniiS

, , Oi quot;): 1

iujl\\ proeven, beproeven (vri/. nn »ji iLu/f en im o-1

n o o 00 o . .

(uji). — Miaj)(U) sva. (i■)qj) (L/i - / n proeven.

KN. fle tuit van een huani {vrg. wwnji/j)-, kus, zoen met den mond {vrg. wfff) —

\\ni de tuit van een waterkruik drinken; door een gaatje zuigende drinken oT uitdrinken; met de mond zoenen. — 0^^11,1 in^ iets waaruit men zuigen ol\' zuigende drinken kan.

1.110ai\')\\kN. steunen op, vertrouwen, zva. iMw iiiis Men.

iiijiumsKli. naam v. 0. vogel. WW.

^ jj) 1 rf njiirj tL/i ri(IjW 2 \\ KN. naam v. c. gending ook willekeurig, WW.

iJi w nrnji^ Kü. — rm 11 j) cni/j\\ lijn iiakken , Rh, vrg. IJ) ui q w

ij gt;o) ij ij) cmji\\ ook wel yj 11 rj kd im/j\\ KN.zva. rj iji ï rj iji t irn//N overeenstemmen, conform zijn. — ij on ij tji ny overeenstemmen met. — ^(hnrj iji cm rj im \\ iets in overeenstemming, conform, maken; collationeren.

■rj hui ij jo)? (ynjl\\K^• het steken o/* bezeeren van iels scherps, zooals van een doren, door aanraking of er tegen aan te stooten; overeenstemmend, passend, sluitend, op elkander slaande; juist, precies; ge-tijk van waarde, overeenstemmen; opwegen tegen; hd tegenovergestelde van ij yd rj ;ki j \\ {vrg. rj ui ij lt;!n 7 w)? i/wi hiyj). rj ar) è rf v. ) 1 mi/j gt; steken o/bezeeren door aanraking 0/ stooting,— \'I if iii\' ni\\ op iets sluiten, met iets strooken ,

overeenkomen. — rf om )f )j)i m if mi \\ steken 0/ bezeeren met; iets in overeenstemming brengen, doen sluiten, met iets anders; maken dat ingoed ; uitkomt, gelijkmaken, door hijvoeging of bijpassing. nffiJiirjfKmcirfltHyjs zanien overeenkomen, sluiten, strooken; tegen elkander opwegen.

(un (iJ) 1 rnji \\ zie (KJ) nj) ijijf \\

dj)(h)ornjf zie .ij}(U)(U),j onvQi-n,/} zachtjes rijzen v.

h. water , naderen tot den toestand van iJïjiriip

zie ook irJrinoi)/)\\

Cl

n-j) }0) \\ KN. aardworm, pier, en ingewandsworm; ook lintworm {vrg. astyirj); afgebroken gareu hij het spinnen of weven; vezel, aj) i m u ioni1\')^ een soort van fijne rotting.

lt;ij)f)j)\\ een interjectie bij het wegjagen v. honden,

voort! weg! WW. ook wel w mi f \\ Ilh.

(/j)nKN. eeht, onverbasterd, onverviilscht,onvermengd

{vrg. (Ij) rf -11 \\ en ivj\'rf ru an ff).

(gt;j^\\ of a nojp KN. het loo\'pen of gegoten worden van water met ecu straal uit een tuit of hals van cei; kleine kan {vrg. tf ii2). unajj\\ hot geluid van uit een tuit of nauwe hals gegoten water. —

gieten, plengen, tappen. — ajj.ni\\ begieten; gieten o/* scheuken in of op — fnojinirf ini\\ iets gieten in^ofoj) iets, hv. thee, schenken o/1 tappen. — ctjjnj^i) onif\\ met een ander of met elkander gieten; aanhoudend stroomen. — ffnmiims of (Ui^in \\ straal van uit iets loopend water. — (U orrp \\ mot cqu straal uitloopen of uitstroomen; fig. stralen, stralend schitteren. — cuirmm(Hijf\\ kleine waterval, val van water, zooals uit een goot; ook Ml. pijp of goot voor afstrooming van water. — (ijiniorin\\ uitstroomen, afstroomen; stralen werpen. of iji 2 \\ KN. het gegoten worden {vrg. ojy). iJitfwt^ zva. ricrjjss — i■])f ij)2\\ iets gleicw, zooals gesmolten lood. — i]rf:tj)2rr]\\ ergens in, hv. in een vorm, gieten.— )f.i\'j)2)fK)irr)on/j\\ gegoten. .ïoi\'dnkn. F. wijze, manier, mode, levenswijze, aangenomen gewoonte of gebruik hij een volk of geslacht. uinnu) rf n ujri\\ op zijn llollaudscli./:» •gt;)

op de wijze van, of als een m f y hv. dansen. 2. de taal o/* het taaleigen van een volk {Skr. dtjar a levenswijze, manieren; en vrg. uium)). 3. naam van een soort van koek, ecu kleine jr7? i\'nw on ;ni n f 1 t;; ibu un rf ia 1 1 f 1 11 ui\' »7 \\ of m rni \'gt;) (LI (Ut ijit)n sj))\'.: \'s lauds wijze, \'s lauds eer. — nnni\\ tjarakoek maken.; gehr. inim nins iets op de een\' of andere wijze, of in navolging d aarvan , doen of maken ; f.ii i in iu gebruik geraakt* gebruikelijk


-ocr page 226-

152 u) rn .

Rh, — (cm \'m m m \\ ellipt. voor 0(ir^ rj t?) rj y.n als zijn eigen behandelen door te gvoote familiariteit. — irm \'ti of ;i i«j) *gt;1 (uj {van (un wn) ook f i arm m wj \\ B. T. Dj. 281, 5; uitnoocligen, bv. om tcgaan zitten of binnen te komen om zijn naam te zeggen, AS.; ook bepaald uitnoodigen om binnen te komen. — gt;vmi t) 7, »j -jn ij Ki) \\ iets met opnoeming of opsomming voorstellen, voordragen of openleggen iets

voorzetten aan, N.

o

(iJ) T) N KW. zva. (tj, iL.1 IC) 2 \')JJI gt;1 0()) l 11 r) W

O. O

nj) ij. n KW. zva. nu. .),iiq\\\\ eign. v. e. jon

geren broeit er v. Soejoedana {Skr. Tj dro e tjitra).

( ■) Q O , _ C) o ,

(hj) \'i t KW. zva. (Vj. ci.n))/i\\ ook — jj) kn. haat.

(k) • fiD\'o ))\\ hatelijk. — ^ ^\'?0) ^x nie^ baat vervuld. — trnrj t) / y . haten, WW. kn. walgelijk. (Lia^) nnian/i^ stinkend vuil slik, zooals van

riolen of genten; een poel van stinkend slik.

r ■) CV

«O)rj ,7)\\KN. zva. oj) \\ en urj ij 111 nnji\\

o o

do» ^»\\ k w. zva. (iv^\')j ui) 2 mi w

S\'tJ kn. teeken, kentêeken, kenmerk j lichaomsge-hrek, waardoor bc. een paard geteekond is (in \'t alg. ook zva. jo(KJ)(ion^ Hh); opschrift op een opgeplakt of aangehangen briefje; (naam; kreupel. G.); — ii))7jn)(tj]\\ iemand in een ongunstigen zin noteren, slecht aauteekenen , schandmerken, kd 00) ^ nynm^ slecht aangetcekend staan. —

wat tot kenmerk strekt, titb)) tom (uii)?)\'f) onder-\' Ui

kcnniugstceken.

O (\'quot;) /

(K^gt;)nKW zva. lu i m \\ (igt;fni\\ i n ijirn)){ uw

o a . a

(tJ^l)\\ KW. zva. 1 1 l^\\ iU ,H1 00^ )M )lt;»/\\ KN.

scherp en puntig van steenen en van een steen-

achtigen grond; een scherp uitstekende punt van

(MMi rots of klip ; volg. Kb. ecu steile steen- of

rotsachtige afgrond.

y.ïo) y»)\\ 1. kw. zva. rj 1,11 ^ n\\ nui\'s en in) n

hi^im/j^ {vry. ij) 12 ^ n^. 2. kn. een soort van

kleine kakkerlak zonder vleugels {vrg. y ) i2)} 112 i

ih)i id .F) )^ in) bij ),niii ill. en )j.)0) )j ))/ƒ/))ƒ

Y M \\). — )i n\\ zva. ^ vo)^ ») 1. ü)? ^

^ ■» : .LJ y )J) quot; n t/o/iquot; )ƒ fj) ? Y \' \'? n V K^ V

^ /i\\ gemeen ineusch van een lagen stand.

»^ ./0) ^ - m ^ /ƒ /0) o w )j)d ij })\\ kn. gemeen , gering (Wy. ijjjir\'n ^ nj )j) if n\\ 1.). — [ityiki^)! n\\ zva, i.yj) 1 )f n\\ \'yjo)? ij\' 1)2 kn. groote kakkerlak (vry. ij) iij n\\ 2 ).

lt;?ƒ fly?)(tfo^\\KN. een scheur o/1 barst in aarde, werk, glas, porcelein Rh. vrg. mihi\\ van daar fig. door oneenigheid of tweedragt van een ander verwijderd of geseheiden; oneenig; oneenigheid verdeeldheid, verwijdering, tweedragtj verbreking\' van vriendschap. a r r^^v ryK))\\ oneenigheid ver- | oorzaken ; oneenig maken ; vrïendscJiap en eem- I gezindheid verstoren of verbreken.

./O) • n ^ \\ ongebr.; rj oo)2\'~n^ 00) rri^ zie b ij 00 n /unjj\\

nojiimqs ]. kw. gemeen, slecht, 7nensch (Skr. t ju-ra en tjaura, een dief, een gauwdief; vrg. n ifjajiirj\'y) en ^noj) {). 2. kn. openbaar, ruchtbaar. — ij (cm i \'H q uw ij n iets openbaar o/ruchtbaar maken. 3. berggleui, Rh. vrg.

oj^iaMiW\'. zva. (ii)tit^^ (uen Linuri of 1. gt;) un ij ihi) ? aaj) {Skr. tj 0 ê r n a , gruis, poeder); kn. naam van een boom. —zva. (U)) nw )f(Lgt;)l 2 Wj]).

rt

/ ) n) lt;?lt;) K\\\\. zva. xj) lui mi onjj\\ a m up w) H7i \\ (ijiyi)tj)^ .1 \'j luiasn/j en (oan^s (met goud versierd. G. Sir. r a tj and, versiering tot decoratie of tj h u r a n a het met iets inleggen.

.• 1 m(iTnizie m n nn .lt;) ^

ci 01

iJtr:!))\\ of 70)t)iziii\\ zie bij a^irhiw

O oi J ei J (ji-

O dv . O Q«. »|r yyj

70) ^7mi) ^ zie ihn\' n,) /)»\\ v\\ gt;\\ .

a (*•

ajj^)() ■ it \\ kw. zva. K) on w {Skr. tj d rnita, vergruisd , vermorseld, verpletterd).

. O

11 (Li ij lt;r} n \\ zie /O) ij yn w

Ki \'gt;)ihj) \\ k w. zva. .inlt;Hj, ui 11) n .f lt;i/n gemeene, geringe dënawa\'s.

70) ni70ï gt; \\ KW. zva. ).-* quot;) j \\ ook zva, ihn \'n 70) n zie bij\' n 170) {N\\

) ■gt; • »)70) 7.//^ v — /w) 1170) iKjjj \\ ongeveer zva. ki tj »)»ƒ/» ojj/js (Tj.) bij druppels neervallen.

/orn/ 77.^\\kn. babbelachtig, meestal van kinderen. WW. Vrg. 70) M 7.7 7x7^

| ):i i^(hJ^ K)jj\\KH. het gesis van aangestoken nat kruid; ook klanknab. v. h. geluid veroorzaakt door het laten van natte veesten, bij kleine druppels vallen. WW. — ^ 1 fi * sissen; aanhoudend natte

veesten laten.

70) rj 11 Yf 70) (K tij of Dl Ij 11 Y I \'7 ) j . {staVl »)7.)) 7 I p)

kn. het gesis van druppels water, vet enz. opeen gloeijend voorwerp — my nijjD Kip sissen ;/y. vlot, zonder haperen spreken uflezen. WW.

-ocr page 227-

thJ) rj ni 2 rj (tJ) 2 aJijj \\

153

,„^1 en nnivi\'mtjii.ittiMj* {stam tjwt

liet tajipelings vloeijcn , biggelen , druipen, van tranen eti van zweel, het tranen van de oogen hv. door rooit. — tiJiymrjajitM nn^ rjlasyt ij entji^fr/nsiun i Wj droppels

vloeijeu, biggelen, druipen.

njjnsi.nij of kn. het spoedig na elkander

uitkomen, zoouls van pisang, spruitjes die rondom den moederstam uit den grond opschieten. — wjaS .nin of aouiri\'ilnijjgt; in menigte voor den dag komen ; spoedig na elkander ter wereld komen, van hinderen van vruchtlare moeders; iu menigte, veel.

freq. v. tuttiJt tu/js er in dringen f. e.pun-tig voorwerp, l/v. een pijl in hel ligchaam. Men.

i n t j-

(ïogt;iti i i iu,]\' wiji )jiviiq sva. tun «jiiKt iijiij\\KN. jig.

fy, ■) i

beschuldiging. — beschuldigen. WW.

. n

^ zie iKn[2^nt^/j\\

y h kn. klanhnab. v. h. geluid dat een jong rijstdiefje maakt, ook van het uittellen van geld; naar dat geluid-. ij nrj ^ mi Gn^/j\\ een jong rijstdiefje j vrg. lt;m ip nn/]

«J» kn. hoorn van een wilden stier, waarin wa

ter gedaan wordt om de bek van een paard te wasschen. Zulke tjaraks hehooren tot de rijksinsigniën van den Soesoehoenan, het afkappen van takken en het vellen van enkele boo-men aan den omtrek van een stuk boscli, ten bewijze dat men het ter ontginning in bezit heeft genomeny SG. — xwy\\(in)n\\ dwingen om te drinken. — r.m -r) hij \\ mv., en de hek van een paard met liet water uit een tjarak wasschen.

wn irnjjs l. kav. sva. runMp linie, lijn, streep; kn. een schrijver of klerk. — rjik»2ni unn]\\ ook fjiij)i\'nqlt;K3)met veel strepen door elkander bekrabbeld. — i:ni\'rihiijj\\ een liju trekken, een streep maken, inifthjjni.nj en tji min) huveel strepen ergens op maken. — do *\' \'la \'ylyiv wijk waar de tjnriks wonen. — ui \' de werkplaats, het kantoor, van de

klerken, (m y \\ heet een bijgebouw in da kraton ten westen van de Srim eng anti, dat tol werkplaats voor de schrijvers van den Vorst dient. — t\'/ HjjTj mjMjj fiign. van een godheid, een bode van Batara Goeroe, die van alles, wat er gebeurt, aanteekening houdt.

II. po \'ét, ^ zva. vur^igzrjnifdxijis r.m

(yrrjn de overgeschoten spijzen geven aan. Tj. P

O

vrg. (hJ) mMnw (tJi \'rjj ifoj]^ kn. door elkander gemengd, van in een gevecht {in een mêléé) door elkander woelende strijders; in een gevecht handgemeen zijn of komen met een vijand; overheen schuivende raken, elkander kruisen , van de zwaarden van strijdenden-, ook zva. (unfrj(tji2\\ in de bet eekenis van nmaw en zitplaats aan de voor- of achtersiwvn. van een schuit (vrg. ook wnjwj). (ui i-j V00r

door elkander, zonder onderscheid te maken ofte kiezen. — vnii rrj,wjj\\ door elkander mengen; met elkander verwarren , geen onderscheid er tussehen maken; iets, rvat iemand niet toekomt, grissen; mee naar zich toe halen; iets, zooals geld, naar zich toe schrapen en oprapen; met den voet rakelings over iets heengaan, ijtmi?m-r^(Knjj\\ een letter in het lezen bij het voorgaande of volgende woord halen of voegen — rnrrf Hfjs mengen onder; grissen , grabbelen. — do -r^ nu \'Hijs mengsel. itj) vj mongebr.; hj] lu dj) iti.i ij nioveral met krassen of doorhalingen, van een schrift. Vrg. gt;ƒ

■f I iw i rj Tt lunjj\\

O • O

itJt\' n ihhv zie noi do hu^

i}Xt) cut hiiji1 kn. een schrapje; geschrapt, aangeschrapt, met een schrapje gemerkt; een schrapje, haaltje of streepje onder of door een letter, zooals de tui {Patjerek) en de (vrg. rjDcid ijni ku/j). — i./n (ui Khjj onder of door een letter een schrapje halen ; schrappen, uitschrappen.

ij} oju/j\\ kn. gegil, gillend of gierend geschreeuw (vrg.

( ) O O . ) O Cquot;) O *11 gt;

ihJi rf m ihiijj en iclt;ili:gt;). urn hirtihn^ gillen; /o)

ij ■gt;) Ku-ritmjis .gillen en schreeuwen; heide ook van

een klein kind: gieren, het uitgieren. — .uiliiki

(V) n hu p gegil of gegier aan alle kanten.

iiji ij Ti itU/j\' kn. schreiend gegil, of gegil Van smart

O o ■) ^ O ^ .

{vrg. (i.iTi ini j en i.-ttj hijJ. — k;) ij ti i n rjTi.un/js

gillen van smart..

aSiTiiinyi of it£Ti h)ijj\\KN. naam van een kinderspel

met kemirinoten. Er zijnvier soorten van:0tJii iii\\

o / o o . O

,iyi^i! i.hi/j\\ un*1 f i i gt; en ij uniiup

aSiT^ ini/i kw. zvst. ik tj diii l i Ki/js kn. afnemen van

bovendrijvende (nl. vooze) gabah , SG. vrg. iSl^j

iimjj IJ i.i rj Ti i KII.p


-ocr page 228-

154

(K) m HJI (El) -(Jh

aijntitels zie (hj^ijiMwjjn oö^ spelfout voor ijvj)?

nnarnjj.

t™// of (hJjjnhHtijjMiW. oorsmeer, hcc vuil in de

ooren; ook plat voor de ooren {vrg. njj /n).

a a os

(u^ r)(hr})^\\ kw. zva. asyj^lt;1 ijiojjjj\\ \\

-»ƒ «o)?rr)/»o^\\KN. het patroon van gestreept, geruit of gebloemd lijnwaad; fraaije nerf of bloem van gevlamd hout. Ook OJ. zva. ti(i% \\ aangezigt Rh. rj iJ) 2 tfrn!H7iji\\ kn. krasj doorhaling in schrift {vrg. «o) vfni Hiiji en wn (Knjj). ^gt;11112 krassen

maken; iets doorhalen; een afteekening maken bij het batikken. — yaj)2^gt;7 gt;. y tj ~n/ini/j\\ bekrast en bekrabbeld, beklad. — ij rmi rtrj kijjji n gt; nn p met krassen en gekrabbel bekladden.

fjwi tj-yiit ii/UKW. zva. rj^ii^nniiiKnijs iets daar men mee steekt of prikt; kn. lang, vayi ecu snavel, if KJ)? ij n2 mi Shvm ihti (Hi/j\\ een wrok hebben. — if riii2tirii inii/j\\ 0 gt;,/ o) j \\ doorhalen der afscheiding om sawahgrond van zijn buurman naar zich toe te hnlen ; fig. twisten over de grensscheiding van sawah\'s, SG. iets van een ander zich weder-regtelijk toecigenen {vrg. mn r^wi/jen imityn kh/j; ook met beide handen iets aanpakken, iets opnemen; (gi in vakken verdoelen. Gr.), in) thKnirj-r)!

bij eens anders goed of aandeel rakeu volg. Uh, zva. Ht) qs 0ajn r.r)0.1 zich beleedigd

gevoelen door iems. woorden.

iKD m in) \\ kw. zva. rj un 2 rj un 2 itn njjj (Sh. I j a r a k a, spion, heimelijke afgezant). 0(\\~.n w\\ naam van een Javaanseh werk, dat in alphaheiische orde de verklaring beval van onderscheidene benamingen van voorwerpen, ixj)t)lt;ut)iht/j\\ ecu boodschap; en benaming van het Javaansehe alphabet, naar het begin: .vu m hj) ni un w lt;)Q--n(in) \\ of in) \\ kn. een verkooper of verkoopster van kruiden en drogerijen; kruidenier ; drogist; drogerijen verkoopen {Pers. t ë rj dk i, van t $ r-j a k, tegengift; vrg. n\'11 iiuwarh). — ü-nrjut) (hn/j\\ kruiden, drogerijen; drogerijen verkoopen; ook naam van een hoon , v. d. Croton Figlium L., die een sterk purgeerende kracht heeft. — aj) ) ) n ij ui) fhn/j\\ drogisterij , kruidenierswinkel.

■gt; o

0o) rn in)\\ kw. zva. vjut) 2 rm \\ tjoji (ip\\ en ij n.)2 ij quot;gt;) 1

(ie) in i v gt;) —0C)\'77ooï,?r)^\\ het overschot van

het eten.

()J) T) IHJ) (Et -1^\\ KW. zva. 051) IJ \'11 IJ (lil) (KVJJ \\

y • Cquot;)

OJ^tJ Dfl) 2 (UljJI of 03) (IjITJ »lt;1)2 (ü))jj\\ ZlC 00) ÏJ i)lt;l)2 nS)IJ\\\\

\\kw. zva. dj) (u \'f.i iia oajj\\

i)j]as)yi\\ of n vwaw/jsKfi. een scheutje van vloeibare stoffen uit een tuit en dergelijke gegoten. — rhi i7v/7^\\ bij scheutjes niet gelijk vloeijend uit een tuit loopen, WW.

(flj^fls))^ of iim {(^ih))/j\\KN. het geluid van fijn spritsend

water of vocht (vrg. gt;j )j ij^nsiyi of dj})rj{iJ^as))jj\\ kn. het geluid van het spui-ten van water of waterachtige stof door een nauwe opening {vrg. i^asiyjx av/t/j en oj)^(r.w (ui)/j).— » ) ij \'!)-.T) hsd/js water uit den mond spuiten. — inj }j bespuiten, spuiten naar. — oj (tJ) gt;j (ni)

it-.)/weeke afgang hebben.

}j ^ y r.t)/j of un) ij^2asr)jj\\ zva. rj{»j)gt;asi)jj\\ maar 111 grooter hoeveelheid, h) rj ^2 a^J)\\ ij v )2 rj(rw 2 lt;1 n/j

zva. it) r.

7 \'quot;3 7\'1 \'i lt;%? x

pijp waardoor bij het zout maken het water loopt {of langwerpige klomp van lijn zout. WW.) 0n.))

(un(Hji 0 v) va) windhoos {vrg. )j

) O \'

oj) (iji iis)) kn . zva. kn q ild \\ en d-d ij on 2 aai o-njj^

00 7 O O O . .

1.1 r) iUn/j- ongebr.; oj) ^11^11 n iisv/js kn. smpperig ,

kruimelig, telkens bij kleine beetjes, koopen , uit-geven, betalen of ontvangen {vrg. 1^ t nfj).

— (louj) o-) ibn/j en im (L)iPt\'-n tiynjjs bij ongeluk een weinig dunne stof ontlasten.

het uitspuiten van water, dat zich verspreidt. — ^^ -n \\ uitspuitende zich verspreiden. — (uarmni asrnji — iu) fonin menigte met stralen uitspuiten; ook schitteren v. juweo-len, WW.

(i^i^ i i}/j of \')-j)\'rtjasn/j kn. stiukmuis, spitsmuis.— flvjj gt; ) ,t /) zva. )P)\'r) .iïriï .vnjj\\ en vergeefsche

moeite. — nwa^-r^ns))^ er geld bij inschieten, hh (u^■\'ti (i^noji ij (hnqn spr. voor en na er bij inschieten, verlies lijden , zva. ).)) i ) ti ili ) (u d/js — ud^ ij Ij))/j of i m n i nj nsï}^ als een stiukmuis doen; verlegen wegsluipen. — i 1 d inj rn in/js uit verlegenheid zoeken weg te sluipen (ergens op zittende zich bewegen, zonder met de voeten den grond te raken.G). .)0) ijT) «iquot;gt;))^\\ kn. ketel met een tuit om water te koken , theeketel. Zulk een gouden, zilveren of koperen ketel behoort tot de insignien van den Vorst en de


-ocr page 229-

CV

oj) ij(unj(uif ^

155

rjjjizrj\'n

Prinsen, en van de ambtenaren tot een Maniri toe.

uitspuiten van water, iu één dikke straal zoo uitspuiten, WW.

« ) »»(b» N of (üi\'ri (1371 \\N. , \'O -T^ 71W ^ Mf} of Iamp;1I lil I t.i,j\\ k., verhaal, vertelling, geschiedenis; verhalen, vertellen j beschrijving, bv. van een dier of plant; Ti», zva. /Oi5r^\\ of (E.1 asïj,\\ {Skr. tjarita); ook benaming van een fatsoen van krissen, 7jï,?j) v) Mil \\ oouji zich met vertellen bezig

wwr O 0 0

houden, quot; gt;gt;. — ; ihn \\ mi ^ i.w ? 7.7y^

verhaald o/ vermeld worden van iemand of iets;

te verhalen, te vermelden. — aniiniiibngt;hj\\ mini

nLinM Jl\\ verhalen of vertellen aan. — i

^ )

ui wt jii tj h li \\ l i» 77 »ƒ .7.1.? zojj ,^7 /. m n een verhaal doen; eVAv verhalen of vertellen aan iemand;

verhalen of vertelléu van ; beschrijven; iv. ook zva.

S r S . ) O

miihij quot;-n tf 7.7/ n oj (Cl ii5^ c rj i.)i\\ — i:i i mi iisn w/j\\

ki [f:yi i i-z*(tn/j\\ elkander vertellen. — ili a

ij tu i (Kt -V/ aaj!\\ zva. ui quot;-n rj nu k i/j \\

(fWj(K^\\KN, klanknabootsend woord voor het gekras

van een mes, WW.

■Mj.ojiojijj of .7^nkn. geheel ten eiiitle, op zijn, zoodat er niets overseliiet {vry. j u rj ^ kii^ en in tu/j).a:m tu -b* ioi \\ iets geheel opmaken; het er alles doorbrengen,

aJirniMjj\\ aap! als scheldnaam verb,

v. Joris? WW.

O

\' gt; n KW. zva. iiniwqw

0 ^ / L!l lt; 7 \' ■gt; 1N ongev. zva. vj ci rj ui y i n »ƒ ui w

wyviMuji of (üiniLiiini 7\\kn. hard, luid, spreken; ooA riiv.n^ schreeuwerig, hard , in het spreken , als een gewoonte of gebrek.

\'1 \'J) 7 U_|,// 0/ 7/ \' 7 \' \' \'^quot;7 6gt;/ 7J) tj n Ij Dl i ll.j - KN.

voel praten, veel praats hebben {vrg. [iijyui(Ki/j). \' \' *1Vkquot;7N quot;*c\' \'\' l 7liJl

t o /. quot;gt; a o

0f \'oj ■»/ .ui .ii j \\ kn. babbelen, snappen; te-

genkibbelen ; lastig door gebabbel of gesnap, bv.

een kind, dat alles toefen wily ecu vraagal. —

L ) O O

w 7^ \\ het zelfde.

o . 0

^ \' \'\' \' JJ\'/ N quot; jj \'Jgt; 7 \'5/ N

ƒ ^ii\'Tj ihiiit,ii^\\ zie tf i it ij im .L,iiji\\

» uyv kn. gevestigd, ergens een vaste voet hubben, WW. stam, (hu (ut /j \\ fioii:rin\\

51/, N KN. sandaal, muil, slof (Ml. tj drpo e. Tamil, se roep o e; vrg. y ijj n t).

7J» |

(iji ij (in oj (ut % \\ gew. i-? »7777 lt;rj (ut tj ut het gebukt gaan uit eerbied, in tegenwoordigheid van den Vorst.

ry

— (iTtti tj (ut \'ij (ut q n gebukt gaan , WW. o. a. PM. (KJ) rn iuu kn. een lekkernij best. uit dunne reepjes

-pisang in olie gebraden, (Tj.) WW.

ut i\'j \\ (tJt (Et~jj,\\ een soort (utuyij ? B. draagbaar, WW.

KirtviN of lui-gt;)(ut\\KW. groot, ruim; kn. een groote kris, die aan een koppel gedragen wordt; ook naam van een (rvttj hit dort ts behelzende een verhaal van de hemelvaart van de Pandawa s.

po) £ ut tj n kn . omslagtig, lastig, zva. ij m tj qji h ijj \\ W W. S S /•

70) uut \\ 70) 71Jfj \\ tt^t r^u vf (tJtrjnjfi\\KW. zva. crntjvif •Hitfj verbaasd, en uuiJili/j over iets verrukt, met iets ingenomen (Skr. d sj tj a r ó a . verbazend , wonder.). — (tJt uvt (trtfj of ut ujjj\\ hetz. — Ktt(ui iit\\ en mtiut i\\t(trtfj\\ verbaasd, verrukt, worden

of raken; groot behagen in iets krijgen.

o . o

«o» •gt;)ij \'iit2(iJtjï\\ zie not ^7 lUtlw

/ - cy *\'o

(K)) (Et \\ of (/oï fot n KW. zva. t.iyLi btt/j\\ ut (tj^ ut trtjj

en dj) 7Ï ;n {Skr. tj ar ma, huid, vel).— arn ui (Ut \\

a

zva. at itc^ ruj^ i i t w utijiuts of n (ut 7 f t \\kn. naam der kleine, geelachtige , plat ronde en geribde zuurzoete vrucht. oo) ^(tT^N KW. zva. (tJur^Hit/j en (tm ij uttw ook met elkander gemeenschap hebben , van man en vrouw, en goed met elkander harmoniëren, van jonggetrouwden {vrg. uti tsy iun /j).

70) Ut tll/j^ (Kgt;t Ut tnjj of 00) (Ut (f 7 (K7^\\KW. Ctl Ml. ZVU.

(ut 77) tj /i)? \'trtij\\ spiegel.

ijoo) rj T) ij iut ij up WW. utt ili tj lut ij unt P zie

bij (tm(rut III.

CV

0 0) U t f IN

CY ... : KY t t (ut iut \\ bij oo) tJt w

00) )) 01.) i» 7 0 71 N\\

spreken.

oo) ij -ni tj ut i \\

7 ) o 7 oo tj of UKU ! ui(t,j\\KN. vuil; onkuibch, m //6^

»in ij \\ een vuile taal voeren.

oo 7^ r7\') .*) ^) ? N 7 \' \' 7 ^

t,*-) \'•

o. mi tt ~ t\\ zie itJt.) -7 w

^ quot;gt; 0

ut tj tii ijin jjtds zie tjutd tjiui Snw o ƒ »7 (707 \\ KW. dolk , kris {Skr. tj h o e r ikd, een mes. Vrg. tiii •~nim,]). (i:m t! r))\\KN. met een dolk steken; een kris aan een koppel op de linker zijde dragen; ten oorlog uitgerust; gereed zijn tot een

gevecht {vrg. i\'tthit). i tt^\'n gt;tt t-t icut jiij \\ met

i •• quot;* s 0

een dogen op zij. — 7^ »i rn tnjj of tjyrti (inj^\\


-ocr page 230-

15()

O.

met een kris aan een koppel op de linker zijde, flj) n-mjjMiH. gemengd onder iets anders; vermenging, samenvoeging {yry. (Kni^ifn/js (uiiijitj}2\\

en iimij lïjiz). xnvnixmjis door elkander mengen, met elkander vermengen, zamenroeren. — armni (irn mengen onder. — iTmnjirtwjimn iets onder iets anders mengen. — (xn Tjari^o/js mengsel. t) ath /j v zie nyij m i^nji \\

rj ty rjtcms o/ ^i7r?2\\KN. /fef tegenoverge

stelde van uii tuiHti/js niet keurig, niet net, niet

kiesch, onzindelijk, vuilj niet keurig, onverschil-

CY

lig, in het gebruik van spijzen (vrg. ttJiwim,]).

ook een soort roedjak (Tj.) volg. Rh. met saguweer,

o CV

ooi (iJi yj in 2 :}n,j\\ au a i rjim 2 mfj of a i i]nm i anzie

(U ijx^man^s

iHTifl \\ ongehr.; rt-Ji vn iQino y of aji ^a^airi int an/]^

KW. bidplaats {vrg. irlicni); ook voor leerschool,

kweekschool.

CY

aj)ainimins zva. tj ; w iji\'.mw

{Uf i.ijj Kiijj^ kn. naam van een fijne zeevisch: de Indische elft, waarvan de ingezouten kuit van Mala ka komt en een voornaam handelsartikel is: eaviuar {Ml. teroeboek; vrg. tm^)

iiJi nt n wi 2 \\ zie i d

irjap 2

o • O o

aji aji up ru /j \\ zie 11 np riyj \\

(K^\\ tj kn. klanknabootsende woorden voor

het klinkend geluid: [i\\\\ bo. 0. e. sabely v.e. zilver geldstuk, rj v. e. schenkblad, WW. ici\'ri\\KN. de kleine takjes van bamboe of betel, daar de bladen aan groeijen ; ook wel dunne bamboe 0. a. geschikt om vaartuigen te boomen, in Tj. lt;k) fan0; een versiersel aan de staartriem van een paard, gelijk een krecftschaar; 0,i?^ 7m geplooide franje aan een Javaansche zadel; verdichtsel; i r *] j ■i,n0 a/nanup Soel. een verdicht verhaal? vertakking van een hoofdgeschiedenis, een geschiedenis die op zich zelf weêr een afzonderlijk verhaal uitmaakt, bv. de Pr\'êgiwa tegenover de geschiedenis der Pandawas. 0 iji.i(j\\ naam van een lekkernij \\ 0(YYi rn {\\ het verblijf van Jama-widoera; 0 crj •rp zva. a^i-ha:^-nw — ici-n nanjs aan takjes of trosjes ; naam van een corps pradjoerits in de kraton te Soerakarta. rvniani2an/j0 een afzonderlijk wajang-verhaal, in onderscheiding van gt; m y

C )ry ai mi 2 an its nn

rmisKW. zva. ij rurj-rts streep, smeer, gestreepte vlek (vrg. rj n rj t\'» 2\\ en rj i ) ? 7j quot;^i). — ij iji 2 \'~h a 1 en 1 »ni):)nï\\ met smeren en strepen; slordig, van schrift. — oji Sn 11 u i\'rn {ook irrn n in]) overal met strepen.

oo) \\ KW. zva. asn an Trnjjn asn m N vrg.)/t^n\\ (fj) (ias kn. het fonkelen van de oogen. — oj)^(0/\\ schitteren, stralen van een watervaly Tj. — m ahiuuis zva. dniCi^ — /amp;) a~)ii ala \\ fonkelen van de

S S ch S

oogen van een uil in het donker en van iemand

die gloeit van kwaadheid\\ ook strak aanzien, tu-Of*.

ren, GR. — (f,i a^ni nji a n \\ iem. met fonkelende O* s

oogen aanzien. WW.

gt;0) nr^ KN , diep van een hol of grot. (Tj.) Rh. ooJtqnKw. zva. (iji71 am\\ kn. voorloopigemcdedeeling.

ojnKi-hs voorloopig berigten. WW.

ft.» al\'}\\ KN, donker, somber, somberheid van het gelaat — een somber gelaat hebben. — a:ry ali iv\\ iem. somber, onvriendelijk aanzien; ver

dacht houden, WW. vrg. o-injiw

D S O o rn rr») \\ aji irpi nn ihnjj ^ KN.

O Qv

zva. mam

CxJ

Tquot; - C\\) (u ^

ontoegankelijk, bv. van een ravijn. WW.

7)oo)ton KW zva. aj}cm\\

^oo) ^t^^nkn. smet, vlek of vuile streep, die iemand in het aangezigt gestreken wordt {vrg. tjijuif^i). — ij 11 rh rjoo)Tj *quot;K) ? \\ met vegen en smetten. vj 171 ? •r)0 zonder smet of vlek. — 7j nn rj-V)? tji\\ bekladden of belasteren. — izlrj 7wrjr-ri2\\ gevlekt. , quot;) o o

yj 1 ) ? ■» n KW. zva. a07 w iji d-iij]\\

01 oo)? )ƒ *71 \\kn. vuile vlek of smet, op iets anders dan op het aangezigt {vrg. 710-1171^2).— ^ 11112 )y-h iri\\ en 1 m rj rlt;j^2 rjni ri\\ iets bemorsen, vuil maken. — aji \'nhf i tinji2rirri\\ overalmetvlekkeii,bemorst, vuil. ^oo)?^\'r)?\\ kn. 1. een toorts of ilambonw, gemaakt van een stuk bamboe of hout, met lappen van katoen omwonden en in olio gedoopt, zooals de hansworsten in de hand hebben bij het dansen van de zaliger essen {vrg. rj a/112 tf 1:112). 2. een trechter. — m ay irrn 2 ay *712 \\ heldere schijn; lichtstraal; maneschijn. 7jni20 twee maneschijnen, ttfee maanden. aji aïii0 overal helder schitteren. — Qrj rnn rj ti2\\ een helderlicht geven, helder stralen of schitteren ; helder schijnend; doorschijnend.

(^iv)^\\kn. de punten, puntjes of tanden van iets, zooals van een ruwen scherpen steen, van een zaag


-ocr page 231-

.rj vj in if \\

157

en van een hanekam.

gt;1 KN. snoepachtig, -lieid, WW.

[ IJ) tlJl yjN ^ \'/{\' ^

iU) nji h Ijj n ^ ^ ,r^NN

iJ,i\'gt;gt;ri Kn\\ of ;j) 7 n 7 («nKN. 1. een stok met twee of drie ijzeren piuiteu met wcÊrhaken;

een clger o/ aalspeer j een harpoen, a stekelig, hatelijk (babbelaehtig. 0.). — rjC:inrji\'ii\\ meteen tjrèngkèug steken ; fy. stekelig, hatelijk iloor woorden of daden.

I beschaamd.— r.in gt;! beschaamd

zijn. WW.

I bleek, ongedaan, van gelaat, zooals

van een schuldige, die van een misdaad overtuigd wordt. — verbleckcn, van/iet gelaat

ook zva.

I y ii^-cu-^nKN. een uit verlegenheid of schaamte gemaakte lach of grimlach {vrg. ajirj rizrjani Kij)^ en j). — .t.m

gemaakt lachen of grimlachen. I ; .unij-n / ij vigt; jjjj\\ de tanden

laten zien, grijnzen, zie iiji y 11:11 tj 1:1 i [ iJiniijctn^\\ zie iijnjanf*

ifjlvi *T) 17iïti ^ \\ KN. met veel takjes of uitstekende imn-ten; stekelig, vijandig, nijdig, van woorden en gezindheid (org. nnn ijcrn ;).

ipj/ui rj.!.! j\\kn. gegrijns ; gedwougene, gehuichelde glimlach (vrg utij gt;) i/t.i 7. gt;]). — Lir^j 1:1 tj 1:1 f \\ grijnzend; gedwongen, gehuicheld, glimlachen. \' ii\'ii/l KN. 1. de uitgestrektheid van plaats of tijd, waartoe iets zich uitstrekt; omvang; het laug uit-houden. 2. zva. lOhiJt ilt;iin\\ 3. verkorting van 7^7 11 — (Ö;m ioi\\ bestrijken, zich uitstrekken over (de ook bij ijii.Kt i.u^/j\\ en org. 11717011™). — ra \' \' \'iJT1]N wt* zicb doen uitstrekken, zoodat het

een grooter uitgestrektheid verkrijgt.

_ ) . _ i

1 1 nnjl\\ zie hij iWHv nun\\ ook als toeroep voor pak (jigt; lt;~yf

aan! w ,kgt;j tni^s als toeroep aan velen, quot;quot;yf\' veramp;\' wn tün^nnji in oo/c wel

• ^ C) £)

\'• n itj) tj N- \'o) ^ (hnjj \\ hJi iïf liji aiyj of hot ~jn )f {verk. van xm fJ» u ij ieji iwji) en ijliy

CV

\'Icü\'^HA iverh\' van en hnirjijn N.,

nn ix: ii;i ^ (k^nk. , luat het maar 1 laat het maar toe I laat hem {of haar of hen) maar begaan! ook voor opdat, om te maken dat maar... /51 »/7.«\'ia\\

\' COC7

hoezeer ook, al moge het zijn, (vrg. funi^xmihn/j\' en h h iu ij iu ^1 thi/j bij i n :U a. ij). — n/n 1111 \\ zie boven. II. \' \' u^9esT\'r0^en me^ zuchte i

en hoorbare k: tjek! tusschenwervsel om jonge hon-

, . , j n o quot;gt; oao

den te roepen , nerh. ki uh ~jn 1 nunjj /.»ihn ao)

Rh.

zie aid. bv.

(ui Hnnfïti \\ en O fx) cj

ui ilt;n/}\\ verk. van

van (hjjj bv. \'» tj -V\' ^ \'lt; quot; / P«T.

rj ut of ivn rj i unjj\\KN. uji0 een worp, van geld.

Vrg. 11 i i iütiji en rj /. u vj 1 1 kh,} \\

vf ut g tHiyjs 1. zie tj uj 2 wnjj \\ %. grondvorm van rj }j) ? ij thJ) ? igt; nji en ij 1.1 ? tj un ? \\ zie rf isi 2 rj K) ?. ?•\\

3. verk. van (üt vj /jj ? Knjj \\ in quot;V.rrMj /Uyix bwi. vtan een offer aan den eersten grondlegger der desa, ZG. 18G6, 30.

un \\ K\\v. zva. (Cn (rij ^

iJ./.n \\ naam van een spel met Chinesche kaarten , WW.; Waj. II. 143, 5.

o

fOUOMKW. ITU\'KJ.W

(hj^iuns zie fj hj) t nu ^njj n

rK| t/n \\ KN. zwarte en witte boouen bij een soort van damspel; dat damspel spelen. — kr/\\ (gt;ƒ ijkii\\ stikken, va» een met boomwol gevuld bekleedsel. (^rjKri tHiji\\ gestikt.

djj i.r^KW. zva. (i/r^ (ujj\\

(hjj ij mi \\ KW. iUhi^iw KN. 1. tol, impost, belas

ting (wy. 7^(17?)iLL?). 2. «eV (h^hnw •ij 1 1 ij h n 2 \\ of rj ui ij undihiiji KN. kromme, mismaakte arm, (vrg. yj ui ij unien ij üi iji^n^d). — rj.uivj if i,ii2 Vi(Hijj ij ui ij hii 2 Lgt;n ,7y^\\ met kromme annen, gemaakt loopen.

■ui un f n KN. jljn gesneden awrjumajy^ met geraspte

kokosnoot, als toespijs. WW.

ui ^k/j^nKN. di\'ooge hoest, zucht (vrg. ïirjinnf). i lij iin2 zie ui i:?!iHiiji\\ en vrg. hi ij mi j w (uj^ mi lt;gt; \\ interjectie om een schaap of geit weg te

jagen. *

0^1 j 1,11 KN. slechts, alleen, WW. ook zva. imij lt;rj numij^ ^I(Ei-^mijj0 en daarmee uit, daarmee liep liet af, RI.

11 ui ij u 11 {\\ KN. van onderen meer buitenwaarts of meer uitéén, dan van boven, zooals van pooten, stijlen en van de be enen van een menseh, v. do dot\' s (Tj.)

wijdbeenig, wijdbeens loopen. aSJ uii ij iu yj 1.11 q\\

\' f gt;

maaivoet, van een paard. — vj ui/rj imquii(Hyj\\


-ocr page 232-

\'y not ij ui)

y

tiJt (Kil \\

158

een ziekte in het rijstgewas, afsterven van den moedersteugel uit een padistoel, SG.

n iiifKm 1. KW. eva. rj nrj umw 2 KN. smakelijk, met veel lust, ifi hei eten. vry. vfitidvj

trj rui) ? ^ n en ij dj) ? rj ow ? ^ w

o • o

h)) ij Htj \\ zie no) Hnjj \\

o

0 Ij h )) DOJI \\ Zie 0^ HH w O • O

/ ) )j ny onjj zie vj»

; ) O o j» G) O O ••iii

1 ) xnij unji of ) ,)),)) uj u))jj\\K^. een weinig gekruld

of omgekruld, zooals van scheuten of topjes van

, , / O O O c) v )

•planten (vry. ) i tm vy ui)/j en » — itï

Sn)(hj nnjj\\ een weinig omkrullen {vry. ilm no ).j

omn\\ ben.).

i:ri, n on oo)fj of fn )a) irnjj \\ KN. omgekruld, meer als

0 \' ) o , v n O

1 ) ),)) ),J )lt;))/j {vry. (U 0^ )lt;))/)). - 0.1)) Ut) OJ

it)m ui) ry inyjn omkrullen, omkrullend.

L) on)cyrj\\ lt;gt;ƒ Qlt;)n)op\\KW. opwaarts gebogen, zooals

de staart van een schorpioen en van leenige ving-

. O o O

ers {vrg. ) j» /.»/ oy u n /j en / gt; /. m»).

/.V^nkn. naar beneden gebogen,

i.min^o^ns zich naar bene-

|| 1

vöw mi papegaai.

den buige7id; een kromme haak; om-ö/op-gekruld

(Vrg. Qhtn yrj \\ en o^on) K^ uvjj).

(P) o (TX o Ov ,K))^7j\\KW. «tm ittin lt;l)igt;u)\\ an ru(yn o \\

njqdd^o?)\\ 7joj)iojnj)i\\ en )$o^\\\\ kring, cirkel, omhaal; wiel, rad; een radpijl o/soort van werpschijf; zonnescherm; voorstelling, gedachte; ook naam van een lekend schrijfteeken, eign. van een Batara {Skr. tjakra). \\iij joyns naam van een slagorde van in een cirkel geschaarde troepen (Skr, tjalc rawjo e h a). 0gt; \\^ gt; i*j\' »n naam van

een hatiksel.0on) (F )\\ naam. van het paleis van .Ba-co

tara Kama-dj am. 0tj)uy)\\ zva. iamp;i )u:u)aj)jj {Skr. tjakrawdka): 0 tj)tisn\\ of0:V) h))\\ en ? //»lon^ oj) os)) \\ wereldbeheerscher, titel van zeer groote Vorsten {Skr. tjakrawart\'i, wereldbclieerscher, beheerscher van een tj a k r a of rijk, dat zicli uitstrekt van zee tot zee). 0.u) .m\\KW. zva. ou c7 nsvjjs {Skr. tj alcrawdl a y kring, horizon, omtrek). 0lt;cwlt;ij»\\KN. droom van hetgeen men gezien, gedaan of geleden heeft, un ki rn^ojn z»\\ spr. van zoo iets aan het droomen raken. — met

een radpijl schieten op (B. T. Dj. 8, 11); ee7i letter van hot schrijftceken tj akr a voorzien; den geheelen omvang bevatten; insluiten; en zva.

o.i) \\ of om on am \\ zich voorstellen, denken, be-C\'l

grijpen.

/.m.wnkn. klauw met nagels, zooals van een tijger vogel oj lap. ) ) )n) n oj) i)) )nyj\\N.} o oon)o/))do : ^ k. , benaming van een zeker batik set. u yu o,ij of» om )Oj)(FJtji\\ naam. van een soort van gras gt; m mX met de pooten in den grond klauwen of krabben,

om voedsel te zoeken; fig. zich oen bestaan zoeken

/ x S /\'

\\vrg. oj i ) ij ht) \\ en rj t o ?. ij om \\ ). — orm )n) \\ en rm

livo:))) im \\ met de klauwen krabben; klauwen, krabben. — r.)))on) n\\ iemand krabben; het //;ƒkrabben. — o m in) Drj on) \\ voor een ander in den grond krabben; voor iemand wat opkrabben, een bestaan zoeken. — in om n )nj}\\ krabsel, met de klauwen gemaakte krab, ecu erf, waarvan lt;le gronden als sawah bebouwd is, SG.

; M.^ .KN. kruidhoorn, misschien het lïoll. jagt-hoorn. onomononp krabben van een paard met de voorpooten, KT.

o?) ui)\\ kn. een kar of kruiwagen met één wiel; tp. zva. iuoj)ib?)\\ bnfTelkar. ook een soort van hark, — u)) \\ met zulk een hark werken.

i?) )h)\\KH. stijve kromme vingers hebben. — iu) )o ini rnor)jigt; naam van twee poorten, waardoor men van de Aloen-aloen in de Kedaton komt.

(hjjju)jj\\KN., tun)onjjsKi., het geschoren worden, en zich scheren {vrg. onyrn^ijj). osr^uh {of oe^ rj) scheerder, barbier. — x:rryo^\\ wwon iemand scheren. — oj) \'• y,N ^ o^yj\\ het scheren. ov)ó}ï0\\ scheermes. 05^ om (o/* d^T^)0 scheerder. — oj) uj^cr^ni(mjj\\ tuiamp;}r)itiJ)-utoojj^ wat voor het scheren dient, ook ruil)0 scheermes. ij) )ij)n)\\KH. krabber, kromme ijzeren h uik of stok

met ecu spijker om op te krabben {vrg. )Don)\\ ij

S / x s\'s.

oj 11 ? ij om i \\ en tj op rj u))). oj / 0 n ui) oj i o rj ud \\ met

de klauwen in den grond krabben. / ^ij inij rm spr.

zoeken te bekrabben , op de ecu of andere wijze do

kost zoeken.

ij i.m ij im \\ met een r)) -) r/ un krab-

^ o

ben; in den grond krabben. — ojorm tjon) -ri\\ in den grond of in een vuilnishoop krabben. rj)j)ojut)ê\\ KN. veel en lang eten. WW. zie ojiooj

oj un 2 q\\\\

rj 1 )i )j unsKü. zva. rjiorjrms en in \'t algemeen iets puntigs om er mee te klauwen , te harken of\\\\\\ den grond te wroeten. — tj r.m?rj uns meteen /ƒ/gt;?


r

-ocr page 233-

n

nj) tcv ihnyjs

J 59

nrjud gt;1 urns

kn. een groot gevorkte vuurpook, v kn. kort, niet lang; kort op handen(w^r.

/ ^»//1 liti/j). 0(un rïjtflj tmjj en 0ihr, tui gt;■ kortademig. 0u:n(ui\\ bekrompen van verstand, en korselig, kregel. 1 r/.»i om kort te gaan. — intnn

w)jj\\ iets kort maken, bekorten uu 1 ^ un un^s bekort, in korte woorden. — wtomm (hij]\\ op een korte wijze gedaan, kortom.

/1 mj wnj^s kn. liik {org. t \' ^ U^J}» ook doodsnik.— (ui t, 1 tot iKnjiN * 00\'lt; sterk oan rooktabak, W VV.

I ) ^(tni7rnjj\\Kü. tering; teringachtig. gt;u m ) ij hii de tering hebben.

i rijiHn2 KN. 1. een drankje, bestaande mi een afkooksel of aftreksel van kruiden , dat men als huismiddeltje tot genezing of voorbehoedmiddel geeft {org. (U^diyvijj en b rjerm Kfi \'toj). — i.m •/ ij um ifus iemand zulk een drankje ingeven. 2. de j holte onder de strot boven het borstbeen.

miijis »ƒ/ 12Tj\'htinnyi enrj 1 »2^KN.te min, te weinig; het te kort of te min {org. / tunKvj)). — ijiini aii\'Kï) ihwj\\ gebrek hebben aan.

Tj i:ii KninijjsKH., lt;?^7.»/\\kw., azijn {Skr. t joek r a ,

vrg. bfHiHnjj).

tj 111 lt;vj I, n kn. 1. zie (hJi nv i{vtjj\\ 2. Chineesch gezang, Ohineesche muziek.

II *0111 hu \\ kn. gekraai van een boschhaan {org. aai

O a /. n o \' , •n.yi^Kiifl en ^iHiiyjwi). irm hnrj^ns kraayen,

van een boschhaan.

1 1 h 11/j\\ zva. /. n crrij mi/j \\ VV VV.

i ^nmnn.hrijj of (#^1(7/kn. gescliatcr, schaterend gelach (vrg. rJim kti inyi\\ (im nm iw/j en mn

\\ quot;X

mivty hii hn/j). — 11 {of njjj) \'ilt;ii if 11 kji (ifi/j\\ schaterend; schateren van lachen. Zoo ook myr^njijj

i )inimiihiifj\\KN. het roet uit een opiumpijp.

quot;) rgt; o - a o )

i nHH hiiutiJi of (IJ^ HU Kil imjj\\KN. zoa. innii miiHnjis

met het geluid hi-hi! gelach met ingehouden stem

, . 0 o v ) o o - o

{org. ook n/n hu inijj). — ui un hii uij cmj^ of j j^hh

hliiniijni/j\\ zoo lachen; ginnegappen; giegelen.

00 -O O o

(hjjjim i.i) hii/js nn h u (Knji \\ zie 11 un (im mii/i \\ 1:1 mi

o

in n uiiji s

I ri imiQj h^JIs (Pf (wiifl^iunji Tj.) kn. naam van een vogel met roode veêren.

1:1 /.») n zie (fjidji Mnjjs vrg. rn imi (i n/j\\ fi\'Ji fi 11 ihii/jw /»/.7^i^\\KN. onvermoeid in het werk, met lust eten. Men. zoa. i~i 1,11 Mn/j {org. ilh i, n i iijj).

uuv ergens in wroeten of iets wegkrabben. ji.)è *1 w)in kn. poot of Idanw van een beest; plat voor voet {of hand Tj.) van een mensch {org. / \\

Lijnm\\ of Kiminmintwn ciyn. vciu eenpoorUoach-

ler vm het paleis van Balara, Ooeroe.

[ürfCotn^ klanknah, van hel geluid

van sommuje voijels , van apen, ook van hoest. — i rij (unit zulk een geluid maken als de ; i

r.n(intjf\\ Tj.

lier, tvotscli, van houding, vrtj. ilihci i.njl en ( M ho/j ■ VV. II. 119, lui.

gemeen woord voor aaugezigt, zooals

ons lakkc-s.

li } KN. klanknabootsend woord voor den slag

met ecu stuk bamboe of hout op een hard lig-chaani. — zulk een geluid geven. WW.

het gevoel vaneen prik met een naald j of doorn. — ï;^iKiunjj\\ zulk eeu gevoel hebben. WW.

/ hj.vrynijj\'. XN. klanknah. woord voor het geluid van liet springen van een veer, van een deurslot of van een geweer.

i 1 ij irnj \\ KN. hetz. als t 1 innyt.-n j doch tegen iets zachts \\ hel geluid v. h. uitrogchelen v. e. fluim j fluim. — ïirn Ij \\ ecu fluim nitrog-

cheleu; met of zonder ihiiu),hnjj\\ opium rooken , lis. sterk rooken.

O

i tiM»iunji\\Kn. een horde van bamboe om vuilnis weg to dragen {vrg. nytun iP) . hn^ iPii irn^ \\

van vrengde huppelen en springen. — luSni ivli i een algemeen gehnppel. \' 0f gekromd, gebogen,000-

als van ouderdom {vrg. —iirm 1 kjijoiji of

Ou , quot;

i:ni\\(Hx^.hv^\\ in een gekromde, gebogene lioilding zitten , van iemand die druk zit te werken of in geestelijke aandacht verdiept is.

^r:ni^{M^m)jj\\ met iets puntigs

rijten of schrammen ; krassen , van een schrijfpen.

O

\'HuT/ zich bij ongelnk rijten of scliram-

men, zooals aan een dorentak; in het papier blij- | ven haken en spatten van een pen.

ïj,-»2(KVgt;imjl\\ sawah\'s in erfelijk individueel bezit, KH. (Tégal)

\'\'mmj/nKW. zva. 1 )tur^i:} f,ri\\ {Skr. tjakrdhtva

-ocr page 234-

ij iJitTjifwtasnjfs

160

/J) ^ KYI i s

■fji rj 7. n 2 of ij uidij hm ihiiji^KN. beet; oo/c steek, van heesien , die wonden door steken met een angel van voren {yrg. .un i^ nji/j); gebeten; het beetpakken of aanpakken van een werk {org. dj}hu nsnjjs ilij if Mtit foiyi en —ann rj imi tisti/i of

rq i.mt if iniz bijten of steken; in of naar iets bijten; ook inbijten, invreten, zich er op of in vast zetten of maken; fig. aan iets gewend of verslaafd zijn, ook iemand met iets, dat hem irriteert , pikeren of verbitteren. — i,ni gt;u)j of rj iJtiy nmhet gebetene; beet; iets om te bijten , bv. voor een \'paard wat gras op het veld; elkander bijten , bijtende vechten, zooals de honden.

— (ui ujji rjwn2ihiiji of (U ij hj/i? tj unjj\\ het bijten, enz.; beet ook wat een beest in de bek heeft.

tbi Mn lun/j - kn. het gevoel van een steek of beet van

eeu klein insect, zooals een mier {vrg. jjtvium

o N no

ihtyi ero jj) rj im i thnjj). i.w ij un i y i /, n .htijj v gevoelig by ten of steken. — ivm.ivTïdsw^N steken, als een mier.— / j tënjj {pf ik» iui im ihnjj Men.) de pijn van een vinnige steek van een klein insect of van een vinnige kneep met scherpe nagels ; de prikkelende pijn van een gloeijende aschregen, Men. de pijn van eeu ontsteking op een kleine plaats. xnn^ini piquant ,• bijtend, scherp, stekend.

ri tj hii1 • klanknab. hap! — ij?y HUh1Hs een hap , 2. —W W. Qn y un .b»^\\ kleiachtig v. grond Rh. van daar welligt voor dc eerste keer omspitten, SG. Vrg. ij ? ui rj u n (hnjj \\

i\'ïtri inn unjisKTX. het steken of pijnlijk kloppen of branden van een wond y bloedvin of ergens inwendig {vrg. (IJl ij ilt;n2 tunjj en i ji irn ^iyj). i rij hn t un ij nn2Mn/is aanhoudend steken of pijnlijk kloppen.

— (Ui un of{uh) ui iui rj un 2 ib7M\\ overal steken, enz. iiiuiiihrifl en twunun/i^ kn. vlug, vaardig, behendig,

handig; het laatste vooral bij lichaamsbewegingen {vrg. fyShtu/i).

(KJjjioi (uiijl* kü. vork; bamboe-stokjes, die bij het bereiden van tiké als vorken gebruikt worden; spits, punt; de uitstekende punten of verlengstukken van de ribbon van eeu dak; eeu fijn breekyzertje; joöi#. een trasi-verkooper. — iuny iPn (hnjfs met een vork steken j ook voor met de horens stooten ö/opligten. Tj ui.uni ihii/js zie ij ui ijMiuw vj ui 2 ij un 2 im/jk zie i i ijfilt;n2nsn^\\

i n.n r,r^unji of iez u ?; isr^ iisn ^ KN. kreuk, kreukel, fronsel, rimpel, verkeerde plooi. —uw /. n i tnj of iun i m fni isn ,unji \\ gekreukeld, gefrouseld, gerimpeld ; een gefrouseld gezigt zetten.

y i un KW. zva. (ïji^ ui ilï [ fj \'Ui ui^jj ■ {Skr. ff als uh,

eig. geziclitsorgaan.)

ui mi {\\ KW. zva. iGniiJj j v i ) uri tuui\\ naam v. e. gending , WW.

■) o o n T

i i ij unt ui unji\\ ui rj un2 oi unji\\ en ui ij unz ui uu^ of ï ity um ui nnjj enz. kn. met holligheden, keepen o/sleuven {vrg. rj 1012 ui inyj). — urn ij u n 2 ui 1,11 j enz. iets uithollen , met keepen o/sleuVen niakcu.--

I ) ij umui Hiinnji enz., holte, keep, sleuf.

:quot;) o . co ■gt; K

iJi un ui\\ zie ui un uiw

uuun\\ en tp m» n kn. gekromd, gebukt, van ouder-* b \' t

dom: stokoud; doodrijp v. padi, de stengels droog \\

en gebroken, SG. {vrg. *5? u)j u) ir^ui uiy

zich geheel aan iets toewijden. —• rfln un\\ er

krom van worden.

ijuiun\\kn. klein en net, netjes; een net dingetje

{vrg. ui w unjj).

uiKJi /l^nKW. zva. unun iujj\\ wat voor iets bestemd

is, de stof waaruit iets gemaakt zal worden, jj» m;

■)uuniLi/i\\ ook un .un vui un ili/ikh de eerste co ^ co

ontginner van een grond; de eerste aanlegger of

stichter van een dorp of plaats; de voorouders. —

mn un iui un iui en m un wi un iui/i\\ een streek co co •-/»

ontginnen, een plaats aanleggen.

ui ifh v kn. een steiger voor metselaars gt; en pen of nagel om iets tegen te houden, bv. dat een plank, die geschaafd wordt, niet wegschiet, enz.;

ook eigenn. van een geringen Boeta (Waj.) —

na ei

irm un ij^i \\ v. e. ui Jlt;n ruji voorzien.

ui urji luiji \\ naam v. e. riviervisch, WW.

ui un lU/jMi. , iJmk., het gevat worden, ui un nj

II ui \\ zoo heet en in Tieribon dc gezamentlijke

aandeelhebbers der sawah\'s, ER. l urrn iin un ni^

U) ól*

zie ijiurn u n N., 1.111 (Lu \\ K., ui 11 \\

KL, iets vatten, aanvatten, in de hand of in handen nemen, houden of hebben; iets honden; een misdadiger vatten ; onder zijn beheer hebben. 1^11 fai 1 ui (m y iui (lvi (uyi\\ een betrekking 0/bediening bekleedcu. .i.ni un ify* .uniiUJJi\\ iutuii j-mv., en in handen of te houden geven aan ; vast-


-ocr page 235-

?y rj (HY) i rLyi \\

161

houden, tegenhouden. — i:?ri irh rftirj wi \\ Cmi m

tefs (loeu vatten 0f 8rijPe11; iels te

houden 0/ iu handen geven aan. — a^itocwiru/js njjQvt\\ wat zoo groot is, dat het gemakkelijk in de hand gevat wordt. — riun i^nnjj of 3Q iw n 1 anjj ^ en $ ëlw chnj) of iji m üin mj iets dat gevat of iu handen gehouden wordt; zich vasthouden aan; wat iemand onder zijn beheer heeft; een houdvast; handvatselj waarborg, onderpand; gijzelaar. ry ^ rri elkander bij de hand vatten, elkander de hand geven, ii tot iu ii 11 ty hyj\\ het zich laten vatten of aanvatten.

_ (uik^toiiiiJij^s nji ihjjj (S v (Ui an het vatten,

enz.; de houder, de vasthouder.

fhlamiwJ. zva. (Qrjkuof een hoestend geluid geven; vohj. llh. alleen van dieren , hep. van herten.

dSliiiiiiuji^ kn. I. uitgeloopen kokosnoot, jong uit de kern geschoten kokosboompje {vr(/. ajj i.ri iu/j en ij 11 irj h iitrt ji); de vleeschige in stukjes gesnedene inhoud van een kokosnoot, vi ui0 een kokosnoot, die gepoot wordt. — ajiitSiam irujjs kokosboomen planten, een kokostuin aanleggen. — .?7?ninntruji\\ een stukje kokospit snijdan. — rnnimii^s een kokospit aan stukjes snijden. — vj» un tijihn/j\\ stukjes kokospit; overgebleven stukjes van geraspte kokosnoot; afsehrapsel of overblijfsel van indigo-koek , Rh.

II. kramp in de spieren.— i?i un iu jnjj\\ kramp in de spieren hebben {vrg. ili ininsiifj).

III. het heupbeen, voornamelijk van viervoetige dieren.

Hn(ivtji^ kn. iets waarmee men iets uithaalt of \\\\\\i-peutert; stoker; ook zva. (unwivyj afkomstig uil ren plaats, (kjiiuijmiiru/j\\ sawah\'s die ontgonnen zijn door de voorvaders van den bezitter. {vrg. ip icnjf)- ^ tat wi ^ (io \\ zva. if tui 1 rj nrn 2 :hquot; ^^ ruji\\ van pas om nitgepen-

terd, uitgestoken te worden. — firm hiiiels uithalen, uitpeuteren, lospeuteren ; ook uitsteken met een \'puntig voorwerp, lossteken hv. een kokosnoot uit de lih if ip ? ihvjj Rh. ook zva. x/nwr.n ontginnen, stichten? RI. —ojiiifj^iainu(hijj^ iets om uit te halen. — te/i(hjjjinihifj\\ zva. urn iu tpji q(urrj(Hjjj fpn ru/js uithalen en uitpeuteren , als iemands bedrijf. — ^ hu ii^i ikiji % het uitge-stokene; en naam van een heestergewas en van de yrwtf/fctf Schmiedelia racemosa, L., iV«/.

fam. der Sapindaceae, de bladeren worden ge-hrjuikt tot hlauwverwen.

;.7^ ru^\\KN. jonge spruit, loot (^r^. ijdJiinrj Hnf. i\\j)ji\\ 00 .

\' \'fj en W aJli ,nl zva\' \'f\'j

irnnjnanji\\ gewassen, planten. G. \'l~ . / O

Ij IJl Ij Kil IIJJI•* KW. zva. tj I jl Vj Hll \\ I I Ij I I Ij :H II \\ e?i wi

O* O » O / / Ou O

asr^n\'itucrrnasiihïiiuityjjajicryi t lt;iy n IHJ 1

/07^n ook een bijzonder fatsoen van een piek; zva. ij (Ui ij up iHvjj\\ en met of zonder ij ói2 uitdr.

voor een klein, goed geproportioneerd mensch;

o

vrg. ijiJi Hii \\\\

ij izi 2 rjiirti 2 iivi/j\' kn. jonge spruit van medicinale wortels {vrg. (hj^i.^ iLi/j en hiioi iujj).

i i iff hii/j kn. schaarsch, schaarschte {vrg. 1Jiffi nnjj

(uii n en tu n). iu0 tijd van schaarschte. wifii\'Hiiji\\KN schaarsch, schaarschte van levensmiddelen {vrg. (ij) Hii nnjj); ooi\' het geluid van het spannen van den haan van een geweer: knik ! {vrg. i nij H^i niijj). (ui ij) lm inijj\\ tijd van schaarschte van levensmiddelen, hongersnood.

1 ? hii^ hu/j\\ kn. het knikken met het hoofd onder het dutten, van de ledematen door een ruk zooals bij het pidjHten tot ontspanning wel gedaan wordt; ook nm. v. e. vrucht t als medicijn voor kinderen tegen wormen y Rh. — hi ini nnjjknikkebollen iu)0\\ één knikkebol, als tijdmaat van dutten: Tj. HHijini\'Hiyj KN. het geluid hij hel breken van een stuk hout of hamboe: knak! {vrg. iQ im im/j en rj ijiju ijuy Hii^fj) of het knakken van de vingers om ze leenig te maken. — fin rj hii mijj de vingers knakken. Men.; zeer krom, bv. van een liniaal; ook onzamenhangend {rjxmd^asrjn^asnjj) van een zin y daar iets aan ontbreekt. — urn rj hii hij rj un \\ zva. (in igt;~r^ »0» ij hii\\\\ ïziij yp hii wjjs de plaatjes van eene niet massieve (üuhis ZG. 1877, 10.

ij 1 12 hii h ii.j of irri rnijj (^ZG. 1860, 285, de met de (iJKhJjruji voor het zaad gemaakte gaten) kn. ■ij iTim tfluyii \\ de voren tusschen de trn nj^tui/j\\ losmaken met de njKH^rujjs — 7j™i }i\\? de losgemaakte grond om de potelingen of stekken in te steken /G. 1870, 292.

rj mij rni tinyj ook ij un 2 ij hii nnjj en ij (ui2 ij hii rlt;iijj\\

11


-ocr page 236-

C\') O Qv WIK li (IJl \\\\

102

r

kn. knak, breuk; geknakt; knakken, breken, mna7\' zoodni het nog aanéén zit; fiy. van het hart {vrg. ihn KH.jy — inn?rj ny mi/^ iets knakken, door knakken breken. — rj rm?ij\\ mv. — ij wii\'e )( injrjhDK doen knakken.

tjiiz i.ii asufj^ Kur. chocolade; kakao ; zva. ij m ?

top asn/j volgens Ohinesche uitspraak.

i) htn KN. naa??! v. e. too ver for muiier om liefde te

ver wekken , WW.

mmj kn. een scherpe bogt in de rivier, waardoor bij bandjir altijd een plaatselijke overstrooming is, SG. /) m; «./!,ƒ nkn. omvatten; iets, hv. een ^oow, kunnen omvatten; fig. begrijpen {erg. 11 (ut/i). 0\')j mi ui !Kiji zie op y tui tu oji/js vni vni (Lnjis iets, wat iemand he duid wordt, begrijpen; wat iemand geleerd wordt, zich eigen maken. / ^ KN. greep, handvol {vrg. arncmitAji en it hti tuijj). — },7»j irn (Mji^ iets met de hand vatten, grijpen of in de hand sluiten; van iets een handvol nemen ; fig. iets zich eigen maken ; een voorstel aangrijpen. Dam. Woe.». »»11 (ui/js in iemands magt geraken; fig. zich eigen gemaakt. — 111,^ iu^ianji^ bevattelijk.

r?/gt; u (Lil/js zie (hj^èiiyui/j^

(L/^nN. , iS nu aji/jsK., toereikend , genoegzaam , genoeg; noodig, als voldoende; liet beuoodigde doen. (ujj\\ iemand, die goed ziju brood

heelt, CP. een bemiddeld man, Rh. (ur.r^mu :ujj\\ zich beijveren om het noodigste te doen; in het noodige het eerst (voor alles) trachten te voorzien. (uifjs steeds van het noodige ge

lt;i.7^ /i ïj HJ) fj \\ i:ni n u

lt;ujis

noegzaam voorzien zijn.

in iets genoegzaam voorzien. — dmy.nnji^is inn tm (ui Si \\ genoegzaam q/* toereikend zijn voor; ook in iets genoegzaam voorzien. inithJi oji ^ianjjs (un b) i:ii (u (hnfj\\ al het noodige liebben , goed zijn brood, hebben. — a:ir^ int iui y un \\ (hu mi u aïii truj^ maken dat iemand genoeg heeft; maken dat iemand aan iets genoeg heeft; iets genoeg noemen of achten , het voor lief nemen. — (Kj^nr^nji hhun (ui juist toereikend. — (uidfj^uij^mi^

mi yjjj i, o luijjx liet genoegzaam voorzien; iemand die een ander van het noodige voorziet; alverzorger.

? rj IUI ujinJi^

»/i^nkn. de boogsgewijze of gewelfde vorm zoo-

i i kil 7] (ui 11 i nji/jn

v) als de kap van een rijtuig of een zonnescherm. - j \\:m hii(iy \\ zulk een vorm liebben. — irm iJia^ | overwelven, overdekken, WW.

i iifliamp;s — vnn uiiamp;s iets met ééno hand dragen-1 fig. iets op zijn gemak doen; ook aan de hninl leiden , Men.

iivj i,ii 11(i.jii\\ k\'s. buiging, gebogen stand, bv. v. i arm, v. e. veer. — rmi^initjijii^ in een gebogen ! stand zijn. WW. vrg. i rtf nii^ afi2 vv izi0^(1(11^1^(1312 • kn. hol v. d. hand, hv. om iets te ontvangen. (iTiririihiitrjtièii\\ hol zijn, fig. bv.v.e, afgrond ; ook hol houden bv. de handen.

Cl Q .O

gt; i ii Mij injj i i ij awTj ilt;yj\\ zie i i un /j \\

Li ïiii ftp \\ zva. mi hj) (uifj ? ZG. 18G6, 05, 1, v. o. i i ^nKN. de vorm v. e. ojiaSl iuiji ZG. 1870, 403. ineengedoken door ziekte en derg., zwak, traag, joi icrj^ ip int inj Kj. mijj \\ Men. — ^

ineengedoken zijn, enz. v. menschen en dieren; vrg. luri niy mi^ \\

i i miap(hvjj\\ ongebr.; ïjiminp tnjjinkn. zadelblok; een houten zadel, gewooulijk met een lakensch

bekleedsel { ll\'IH (Vll tj (Uil (Uil J lt;UI1 (1711 ? ).

ii i.nap inyj\\kn. in zijn schulp gekropen, als men

zijn vrijmoedigheid verliest.

• .) o in mi ei mi /j \\ zie i i mi ip mi /j \\

li inj (ip mi/j of ut ii^ ip mifi {ook i^i tp myj \\ 15.T. Dj.) kn. een slag met de vuist ouder tegen de kin; publiekmaking. — rriri m^ up mi /j of tin (ifi iniji\\ iemand niet de vuist een slag onder tegeu de kin geven; iets publiek maken, mi i^ in^nfimi/j [öj^ ui\'i^Mi/i fig. zva. mi eni iüii myj ? M.

I i (uiji ip a, nfj of ii ini ip mjji n k n . omslagtigheid; lastig door veel omhaal of omslagtigheid. — i/i (uiiii^iinj

cl Qt- O (1 • j 7 J

ip unji\\ zva. oji thn (ult;riiji iui (bn/i\\ vin iets aai moeijelijk te doen of te maken is. — lt;in aui (tp itf^ ihiji^ kronkelgangen, van een huis, daar men mei moeite de weg in vindt, m^ up mi jnjj \\ de holte achter de hoef van een paard ; volg. Rh. het koot-gewricht.

II ij mi rj np ^ mi/j^ kn. komvormig , bv. van een tot een bakje gevouwen blad {vrg. in v) mi 2^ (^12 acnjj en w

if mi ijnpi). — inri ij 1,11 rj np 2 mj ij mi \\ iets zoo tot

O

een bakje maken. — (Li ij mi ij np 2 mi anjj\\ obj. den. ii ij mi 2 ij np 2 mi/j \\ ook in ij mi 2 ij (1712 \\ en gew. (hiij rj mi trj ip 2ini m/j\\ kn. de holte van de handpalm, als


-ocr page 237-

■ quot;) amp;

I t nn :ip!gt;J)Jf\\

men daarvan met naar boven gehouden vingen als I hei ware een bakje maakt, ki 11 rj kh 2 rj ip i\'. »»onj\\ \\ zooveel als men iu de holle handpalm houden kan.

I rA^^KN\' 5 \' ^ 0f o,ibe-

schaamd zijn in liet vragen , in alles zin hebben, ! bedelachtig.

I f hm ipitW K N. tong van een gesp {vrg. rj 1 uyi uj)-, I slaghoutje in een val, knip of strik.

i \\ 1 hii vi kn. — vin i.y dfi f iji\\ er stunrsch, norseh uitzien; vasthoudend, ongenegen zijn terug te geven, wat men geleend heeft, WW.

i ihii^\\ bedrog door zamenspanneu; vrg. (k/i \\ r]iSiap\\K\'S. — rminidi\\ tusschen twee vingers grijpen, honden , WW. vj]inilip gt; P.J. vati een dien men onafscheidelijk bij zich houdt.

i iii mui 9^12de buiging van de hand, bv. door den duim in de vuist te honden , als men bij het këtèng-spel een sawo-pit naar het kuiltje knipt; (de arm buigen om iets daarmee te omvatten, iu den arm sluiten. G. Vrg. hi rj ini ijnp 2 S11 mi 2 rj op 2 \\ zie Q rj hu 2 rj ip 2 .n njj \\

(KJimvkn. vasthoudend, karig, stijf, eigenzinnig

O O ^ V (P) O •

{vrg. i.yiuxnji en np tu/j). mrr^ nn \\ stijt weigeren. — vmjktjaPi\\ karig zijn jegens; iemand stijf iets weigeren.

of (hj^\'üiijiv.kn. plotseling. hij ging

plotseling weg, vrg. ui Miyj \\ ; j» ito iicyj of ui «g» v. iemands woorden onbedachtzaam; en daardoor veranderlijk, ook v. iems. verblijfy WW. \'1 KiidcyjMW. ben. v. d. vogel imo^yijnsY}^ WW. ^ (wnkw. zva. i j) jo) iW/j\\ (vh \\ {en aztuKJiw GR.)

— if mm ui \\ zva.

Mit^\'KN. falen, faleud; valsch , valschheid , bedrog, verraad, trouweloosheid; valsch. trouweloos, handelen {Skr. tj hi dr a y holligheid, opening; fout, gebrek; zwakke zijde). — vm^n po\'èt. valschheid, bedrog plegen, verraden; tersluips, bij overrompeling, aanvallen, wonden of vermoorden; opligt,en of ontvoeren. — valsch handelen, valsch behandelen; valschheid, bedrog, verraad, trouweloosheid plegen jegens j verraderlijk, bedrieglijk, niet te vertrouwen. —• ajt subst. den. ook sluipmoord.

«Ji (icyu) \\ Kw. zva. ru ^

quot;Jï\'UM.WNKW. zva. IJKUlW

ui V) .mi \\ l OS

ut mi \\ of ij dj) t (ia i,ii\\ zie itj^ m mi \\\\

- o r 0«

I ) iiinjf of mn 11 KW. zva. 1:11 ui i/i ~ 1 f i .i./» \\ oog

wenk ; of wel een wip; kn. i ihh/j - - i i hnj...

nu eens - -, dan weer ... — - (liii. » «sh «/?/ / » 1 m m n

\'bi, ... y

of I ) ^niun m/js bij afwisseling; vvankelend , niet vast, van geheugen; ook nu en dan, bij tusscheu-poozen , \'i\'j. — innnji of ü (Hjij hi)/i\\ meteen wip {opstaan of weggaan). fiKj/j t n^ met een wip opstaan. Vrg. iiji

II ui) /j of .r/i))j)ii,))fj kn. — iniimr^ een ander kind nu en dan de borst geven, van een vrouw, die ook tevens haar eigen kind zoogt {i^vj * vj\' van ijnj^). 1 i (LjUjj of itm y 1 ) ttf)),^ kn. 1. een worp of hoopje van vijf geldstukken {vrg. rj 1 imh/j). 2. zva. ij isnt irj ij)2\\ verzuimd, ten achteren. 3. {ook nui (v,)i) do Chinesche bruine gladhoutverw, en in H algemeen olieverw; met olie verwen {een woord van Chine-schen oorsprong). xn i^ uiasr^s met ijit^u^ verwen.

tj ij)2ih))ji\\ gew. ij 1 )\'2 )j ) )2(iigt;))/j\\KN. bek, muil, snuit, van een beest; ook plat voor bek, smoel, van een mensch. w)[ im %njnan/i0 te veel praats hebben.

jj) (ii»nkw. zva.

)j).i5iji kn. de maat, bv. van een kopje of lepel; rantsoen of bepaalde hoeveelheid van spijs en drank ; ook een prevelgebed tot genezing van een wond. — irm.is)^\\ van iets een bepaalde hoeveelheid vaststellen; tot genezing van een wond ecu prevelgebed doen. Zie ook is)) (isr^ w )j)vn\\ of èj))iih))2(Hi/i\\ een aandeel in de sawah\'s in gemeen bezit (Blitar , Kediri). — tiJ/^) gt;f lt;6/; t (H)/j\\ grond voor het genot der inkomsten als bezoldiging oudtijds aau een ambtenaar afgestaan, cy

op Madoera (V))~) tj n)i 2 iK)/j\\ E.ll.— hj) 1111 tj 15112 anjj zva. )J) isr^s maat, Rh.

)S) ,h)) \\ 1. kw. zva. (unthii\\ (Skr. tjitta, het hart als de zetel van het verstand beschouwd; ^vrg. il iu). 2. kn. sitn , gebloemd Chineesch lijnwaad.

fljjj Ml) \\ KW. zva. (K) r)N\\

aj^ i?)) n .KW. zva. isij jucij)\\ ij)^ 11 iu/j\\

O .

(u^ rj ii,)i \\ kw. zva. ■ ui li iiji en •fj) ») w

ui (hi) \\ zie rj ui ihujj \\ 3.

KW. zva. vjiud wiw

O O r\\

ij) nsn 4 \\ zva. dj) (in)\\

1 j) itgt;\')) 2 \'tnjjs (L/i 1 ) ij ,b)) 2 zie \'J» ^^


11*

-ocr page 238-

}{nsn\\

164

uiKW. zva. ^ aiivny tjio)tny iS)2w (Skr.

tj dtr a, spil, klos).

wiiasïj\'KW. teekcning, gedaante, figuur, schrift {Skr. tjitra). i^jfs schrijver. 0m//ulno^ nm.

v. e. baiiksel, 0iKiri\\ naam van een Ka wise 7/e

..o t» .

zangwijze. en 1 t \\ eujn. van

Déwofs{Skr. Tjitraraia en Tjitrdnggadd).

0^^n?(ib^\\ eign. van een Bat ara. 0r^ nji tifj \\ en

0(mtia eign. van zonen van Bat ara Éndra. 0.tJt

eign. van de vrouw van Ardjoena-sasra. —

o * n Cgt;\' o o

of cHi^any zva. ifjicm\\ en i^ n ra^/jw nu

spraakkunst, cui of

het teekenen of schrijven ; een schrijver.

ÜJ) \'Vil \\ KW. zva. Tf (UI 2 tj (UI 2 NN

(K)» mi \\ I. KW. zva. aji (Lgt;n 1 of (ui (u vier (Skr. ij aio er); kn. schaakspel, schaakspelen {Skr. tj a-toeranggd). (ui (ui w is^n schaak- of dam-bord. ijiyjiasrjs po\'ét. voor dobbelspel.

II. 1:1 «swnN. , /:) aa/jsK., praat, wat gepraat wordt; gepraat; in de spreekt, ook zva.

iiyj^jiKN of isr^ 15^ \\ eti »5) 11 tin n 1 /j \\ wat door iemand gezegd wordt, /eggen. 1 iisi^ajin] nti ^i.\\ gepraat en onderzoek, praten en navragen, om achter de waarheid te komen. — rrmlt;i5^\\ vin rjn !ia/)\\ praten van of over, poët. zva. 1 t itu\\ kwaad

spreken, tgjj isr^ \\ i~iri pjjj kwaadspreken

1.1 So O o

i7i net algemeen. — rnn quot;n \\ i:m meerv.;

in de spreektaal ook zva. litn ivi tj ui 2 uj en tS izi

an\\ toespreken; iemand iets toevoeren o/quot; toe-

/ O O ,

voegen. — inn.isr^T) tj nti\\ nn^(ï^un o^iJJ\\ praten

van of over; in de spreekt, zva. (liinnLiif ipinoi jn

rjmns iets door spreken uitdrukken, opzeg-

/ - ) X O

gen. — ui My\' ti (Hyi of 1 11 v isr^ n 1 (kt^n e?i 11 fin

ïnjj of w 1 1 .[nihj(ilt;2jj\\ gepraat; met een ander, of met elkander , praten; in de spreektaal ook spreken. — hji \\ dji (Hjjj (üi don \\ het kwaadspreken, achterklap.

(hj^iunini\\KW. zva. i^ajitnn/js

ui (uii asi^/j\\ — ici asri a^i (in/f\\ muizen, die de padi verwoesten. SG.

\' i \'t1

(uiiLyjjsKW. zva. \\\\

ijkm/j of (lm iji(kqjj\\ kn. beslist, beslecht, van een geschil; beslechting. — icivjim^chi/j of hn i 10.1 Jii ui w (hi/j\\ beslist, beslecht, een besliste zaak.— IIijlrm(M/js door-, afgesneden; afgedaan , beslist {vrg. rrirftinjifi). — tf i rm(ijiji\\ iets afsnijden, door-1 hakken; afdoen, beslissen. — (si irrn oji ^ ij Hnxi doorsnijden met. — m^ikkji ^Khnjjs beslissing. hi (ijijl\\Ka. door plotselinge koude aangegrepen, ^ooa/j 1 wanneer men met koud water hegoten wordt {vrn. \\ fiwjl) verfrischt, opgeluchte, h.hart, bevredigd zva. (i/n(iji (t/iji\\ Tj. dmiitui ~ui(hnjj\\ ongeveer hetz. 1 Ib. — (vfm(iJi/j\\ (tm(i^(ijijj\\ (kw. een aangenaam I gevoel bij de aanraking van iets, G.) k.v. een plot- 1 seling doordringend gevoel van koude, rinMj] of 1 (un mj jdJijjs koel en aangenaam, van de smaak van 1

jji.m 11 ^ ,70^ huiverig,

(hl/i^ _________

■■jf Cl

rillerig; zenuwachtig, door vrees.

i?i (ijijl of (un ij) (ui 11 \\ kn. een lange wandelstok met een ijzeren punt, die door de priesters gedragen wordt, priesterstaf; ook iSdyi^ een uitroep \\ foei! —ii ii?i(iji/j\\ zulk een staf gebruiken; iemand met zulk een staf steken.

dji(Ki/1 \\ ongehr.; tiinj(ijiji\\ een kissend geluid veroorzaken {vrg. y izuojiji). (amp;! (ioi iijiji en if i ^J^i^JI^ een kissend geluid , van iets dat in het vuur valt.

— (u^m^ het geluid van het in het vleesch dringen van een scherp werktuig. K.

7\' \'7^nKN- een klank, waarmee men het gesis nabootst van water, dat op heet ijzer druppelt [yry. ij 112 (ijiji en ij dsn ojyi)\', doorzijpen; kwijlen; en naam

J i. ) O O

van een vogel. — ( ^ w -y» \\ zva. vj ari rj ani oji ^i.\\ druppelen op. — ^ 11 rj (hi(ui ^tinn^ aanhoudend zijpen, druppelen.

rj 112 ui/i kn. klanknabootsend woord van het gesis hy het dompelen van een gloeijende kooi\', gloeijend ijzer of een brandend hout in water; of zva. in ^ ui 2 (ijiji {vrg. (Ujjlt;*Jgt;/i en vj 1 1 (uifl).

11 (ui ii 1 ) 2 (ui yj n k n. zameugestelde klanken waarmee men eene dadelijke vervulling {van wenschen bv.) of uitwerking {bv. van medicijnen) te kennen geeft, WW.

o „ a ei\' ,

uiiiji\\ of ui.uikw. zva. \\jy^uii\\ en (h/i(u^iaji {vrg.

dj^urn); kn. ribbetjes in de rand tot versiering.

— on on zulke ribbetjes maken, ook bloemwerk of andere figuren in edele metalen beitelen , Rh.

— ui ij oji (hnji\\ geribd van de rand, ook gebeiteld als boven bv. een rui ij rrrri 2 kiiji \\

fl^o\\KN. teleurgesteld; teleurstelling; teleurstelling ondervinden, {vrg. un tui ikhi^ bij m\\ en (u^

iets. run ri(M ^/1 an/1


-ocr page 239-

166

cl^x). — ki\'i viiiy\\ tolourstellon.

teleurgesteld.

cene v. d. wijze», wiarop een haan de .w/iKN wordt aangedaan, lij tj quot;Ji aau de achterleen, WW.

y.oi^KN. gruote «arden schotel, kom «/ pot.

O

\\ k\\v. ï-vü-

p\'l

!,ri.ijï^\\ JiV \' iquot;\'*

»/ quot;\'quot;VKW- »«quot;«• ^ en quot;VV

nhirj\'Li^KH. openbaar, bokcud. — ir^rm

(ïjtufi\\ openbaar maken, WW.

f#Nn ridn^onji^ rï^lt;t3MJjlt;wï^NKN. 0#» mi vogel ^

Tj. voly. Rh. het geluid wordt zoo de ^ genaamd.

} ) \\ of kn. lijuc witte stof,

mouselin.

O

,/cj o ktnkW. tuttinv^i rn ihiiqs

1J hi z i-i i \'i -ij w \\ kh. bemoeiziek, zich bemoeijeu met een

andermans zaken, WW.

,?o) \'ü) \\kn. kraclitelöos, zonder kracht 0/ uitwerking

/ / A

{vrg. lt;o» r.n . en nsn u)).

10 ui \\kn. aan de rand 0/ liet einde gebroken, in- 0/

uit-gcscheurd, bv. een naald aan het oog, een

our lel, f/e? bek van een visch door een vlschhaak

. qS q., a/\'v . .

(vrg. ojjivr, uj^ ij) ^ é-w iio »;gt;). —,umnj)\\ iets inscheuren. — im) i»ni)j tfn\\ iets doen inscheuren.

CV

(kjüm — wdjltu) zzz (9Jjj(u hyj\\

njiijivis en y onkn. dun, door veel waterdeelen te bevatten, 2;«« stroop; slap vrtw een

aftreksely ook //y. besluiteloos, onvast, ur^iK0 genover iVt^iies fitrhticyn n^artji Men.

tfwrjiuts zie

■TG cV éV .

kw. xrfrt. iur^hnnji^xv

en -r^ tfiitsn^p kn. naam van een bdtiksel,

dat alleen aan H hof gedragen mag worden [vrg.

o.

10.Cl).

Kt.vi kn. langwerpig, niet volkomen vierkant, ie/j dat gevouwen kan worden-, van een vervaarlijken mond Waj. 1, 887, 11 v. o.

o

K) u».^kn.n een schoteltje onder een kopje; Ki.m\' \'f gt;1 ^1.11 t.njis

»o.t^M/^KN. schep water met de holle hand. ^7 / ) (0/ Tj.)een schep met de holle

hand. — i.n jw iets met de holle hand scheppen ; met de toppen van de gekromde vingers slaan of drukken op.

T\'

ajjj viMnjj of thj^ Ln ihvji^ kn. 1. verslindend, overdadig, onmatig, in V gebruik van visch of vleesch; al te groot, van begeerlijkheid en van \'ütgaven; zeer be-geerig, bv. naar wetenschap. 2. stut, steun, schoor {vrg. xsr^ uixiiji en .k» (yiixnjj). uttj^s iets

stutten, schoren, ondersteunen , onderschragen. cij^ ui km^nkn. met de nagels van de vingers uitgekrabt, afgekrabt of afgeknepen {vrg. (u)^lt;u)0n)ji en (hj^ fii ru/j). — a;niiui.h(n/i\\ iets met de nagels uit- o/afkrabben of afknijpen. — io)twj ti^jhtjjs een klein met modder afgedamd vak van een sawah. WW. bij SG. 1^ ij! w/j \\ een e enigszins groot er heet ;V) im ht^/j \\

}j i.irjiVU hnjjww., 11 vnïHjjMii. zich het achterste wasschen na een ontlasting, van vrouwen, ook na een waterlozing, vj è ) ti.ui i unjj Of ió? )) liJJ (UI i •i\' Hjjquot;■ en 1:1 ui hnji of iji 11 viihrijj^ kn. vliegende over het water heen en weer strijken, zooals de sparrebouters. tj uiZiim \\ kn., x:m .o] /j/n ki.,

iemand, zooals een kind of zieke, liet achterste wasschen.

\'ïj i. )2 rj(ui unjin kn. een aarden schotel voor sambel.

Rh. {vrg. \'U if 1*112 igt;njj en tj 1.7112 ij i.n2).

tj 10 2 rj iui2wpKN. verminderd door afneming van ecu gedeelte of door korting of afhouding. —ij rm2 ^ tjlt;ui2 hii/j\\ iets afhouden, bv. van een te betalen som j van iets, zooals van iemands loon, een gedeelte , korten of inhouden.

1 1 .ui \'tci p kn. gebrek , leemte , iets dat af te keuren is {vrg. iiKKiojj). — vm ui ujs afkeuren, berispen; aanmerking maken op.

h l -Ul lüjj \\ - lUI UliW/jS

i:r($ihiijj\\ kn. 1. een stuk lijnwaad of iets anders, zooals afgeschilde boombast, dat Oosterlingen, als zij naakt gaan, om de lendenen slaan, Urwijl zij het einde daarvan tusschen de beenen door en van achteren in de gordel vaststeken, om zoo hun schaamdeelen te bedekken; ook een stuk linnen , dat op gelijke wijze door de vrouwen gedragen wordt, als zij de maandstonden hebben; ook de bdbëd ophalen en tusschen de beenen door van achteren vastmaken , zooals de\'mannen doen, als zij bv. willen klimmen, loopen of vechten. — 2. het bijten op


-ocr page 240-

flJ) Tj (IJ) t I JJI \\

JOG

rU^iUKhn^\\

dc onderlip {vry. am .hmsvji). — rmtiwnjj* ook (C»ihluw/j\\ op Uc onderlip bijten. — inn(Vi\\ en (i:i!i?i ii^i \\ tegen iemantf op dc onderlip bijten; (itih ibliiy] \\ iemand een ibttuij aandoen of het kleed tusschen de boenen doorhalen en van achteren vastmaken. — lt;i:ni iU) v de tufcschcn

de beeuen door ophalen en van achteren vastma-

, O s O \' )

keu. — m (ui ojm cmji oj v-J).10 iui nw aajj n een zoo opgehaald kleed; het kleed zoo opgehaald hebbend of dragend.

nj)ihiiji en è° tiitenjj kn. piepend geluid van som-mige kleine vogels-, ook van apen, K. 9, 8. {yrg. ajj rj (Di twjj)\' ihn it5} ihnj) en (Ujihj iui n^njj\\ dat geluid geven of maken, i5^\\ v. menschen, ihniHi/j0 niet piepen of kikken, L. 76, 1. nj/j .Vjasnji^ .u^ oiiiji - (ury ajj asiyj \\ 2. bij

^.üxim^skn. het geluid van een vogel, die aangepakt wordt of van pijn schreeuwt {vry.

ij ut(ibu ijlt;01 asuji\\ zoo schreeuwen, van een vogel.

— iui ibiï 11 ■ 1^ 11 iOi iamp;iiji v freq.

ij k 1 if.L» (bhji^ kn. onwillekeurig overgeslagen; ie/s overslaan, voorbijzieu.

dJ) (Uiii-i/jn kn., inTj(ui)zd^ïn of (i^iijnm ia^i/j\\ k. of ki., gereed, in gereedheid, lol de dienst of het gebruik van

iemand; of als toebereidsel voor iets {yrg. imiji

.no :) - )

(Lli). (iJ) IJ) (Ut \\ l.l\'l.)\'rj(ljl)2J^IJI Of M (Kt (Uil 2 (KJJI \\

toebereidselen maken; in gereedheid brengen. — (hjjiu-tJiMjjs (u^ urjtuiitMji of ify)(tj(Uilid^iji in gereedheid zijn, gereed staan. — x:wxji(hjiJk\\ ann

ij uina^i Jrl\\ in gereedheid brengen of houden voor.

o quot;) . .

— j7/n (Ui k) ij kii \\ nm y iL 111 si ih n wjj \\ iets

in gereedheid brengen, bereiden, toebereiden, gereed of klaar zetten of leggen ; in gereedheid doen brengen. — i i ui ik/siiki^ of iMjj).ui(M^(injj\\ ,/,»

tj XJÏ) l (KJ) WJI oj I J) 1) Vj (UI) i K I JOjj \\ (KjI gt;1 Ui) i (ïygt;

arijl of (Ki (Ki ijiun 2 .Ki si. .i-njj \\ obj. den. toebe-rcidijelen.

) i un if ui 1 \\ oftj^ ij ui? y ,ult;2 \\ kn. kneep niet de hand of nagels in de lippen {vrg. ,tS ui toiijj\\ ik ukiu/j e/t ki ij tp 1 (bnji). — .nn tf .ui i ij ui i \\ of (wn rj ui / rj 11 \'Ui2 \\ iemand in de lippen knijpen of krauwen. tij ,ukuimnji of (hJi ui (Ui (i(uji \\ en i.m .ui iui unjj of a:rij (ui iU)i){ tijj \\ kn. hard, forseh kjI\' barseh zijn in het spreken; snauwen, grauwen {vrg. (k^cïd ru/j).

ik ) ij.uiKN. beet of snauw van ter zijde of in il voorbijgaan, zooals van een hond of aap. 1 dji:, (){)) ij (ui tuiji\\ zie bij k ) rj ui (K hjj\\ nnn ij iui n 1^ met de hand even of ter loops aanraken, grijpen, nemen, llh. ongev. zva. moji(th)jf\\ een beet oj snauw geven aan; fg. iets in het voorbijgaan er- j geus verrigten; onbehoorlijk zich mee in ecu gesprek mengen ; en zijdelings iemand- mee in verdenking brengen.

n C) o O , , o O .1

1 i (U) i)uyj * KN.; (iui U) nuji\\ ook wel (un um ui met |

den duim en de geslotene vingers knijpen (vrg.oj |

o 00 \'quot;) .

,u) 11 Kiji \\ lclt; iui ibiyi en 1 » y ip 2 (inijj).

(Uj U)(iuijj\\KN. met den duim en voorste vinger uitgeknepen of afgehaald {yrg. uji iui en (U)2 (Kji(KJ^(ui(iujj\\ een brokje, {bv. brood). — ojh^ ui van iets zoo een brokje afnemen. — (citj.ui i£i\\ iels zoo brokkelen. —(un^ui ry^.u) iiKi r^ini \\ voor iemand iets brokkelen. — (hj^ui i^i (in/j of i ) a^.ui )u .)ajj\\ brokje, kruimeltje. — (ut,h)ït )rt^,ót /ujjs in vele kleine stukken verbrokkeld.

ojj^ )igt;ui2(iuijf\\ kn. greep met de volle hand in zachte voorwerpen {vrg. (k^ui iu/j). (uiaij ri (ui2.iuij^ zulk een greep, als een hoeveelheid; een dot. —

ij (U) d .iujjs zulk een greep doen. — (hoi gt;1 ui 2 (tli

bij of aan zulke grepen, bij dotten.

O O o

m u) rui \\ k:) (U) .ii i \\ KW. zva. ki q u) uujf - y,l01quot;/ilil 1

a n

ui dlj ■ KW. zva. icmut) iru utijjs

ui {of (kj^) (Ui(ix/jjwjln Chin, loodwit; zie verder op n^uuui^

lt; ) U) \\KN. kloof of spleet met van elkander wijkende punten aan het einde van een stok of bamboe; gc--kloofd gelijk een zwaluwstaart; ecu stok met ijzeren punten van onderen; de punten daarvan; dc ijzeren punten aan een boom, daar men een vaartuig mee voortstuwt; een neusknijper voor een jongen buffel; een verschillende, uiteenloopende rigting of koers; voorbeschikking, volg. Rh. ook zva. /quot;» »{n\\ .likjlt;gt;0 fig. dubbelhartig, twee of meer personen te gelijk, bv. om een zaak uitzenden; vnj. tuniinn\\ WW. — ui \\ als een 11 ui, schaarvormig bv. v. e. ui (m (ilt;n/j die tot steun dient.— lt;x:iti ui \\ van een tjawang voorzien, meteen / uu) voortstuwen een vaartuig, iets met een renvooi-teeken 1 uid dojj) op de kant van de bladzijde


-ocr page 241-

107

I I tj 1)1 \\

a

i I gt; I\' \\

lujsclu\'ijveii; ü\'ts bewerken met een bepmildo be-sleinming: vooruit bestemmoii, — vormen, bo. een I stuk hotd lot 1^1 t| on/Ix voorbeschikken {vri/. rm _ ,j Iui t.)«I* voor ietu bestemd; voorbeschikt; ecu renvooiteekcii voor iets dat op de kunt van du bladzijde bij te schrijven is. 0(cn,iji i,ri^ iots goeds beloven, c.iyi,isn\\ naar gedaciite dood zullen gaan, van een hoorn.

, — iiquot; rj.ói\\ vooruitsteken v. d. kin. WW.

« i i i^t-\'nKN. van de eéne kant naar do auderogetrokken; in tweestrijd. — ^ i:in rf ai\\ van dceene kant naar de andere trekken , Uoor meer dan één per-

vermagerd, afgevallen, van gelaat of

uitzigl.

(kyvmf cu ij !•!iuzikn. verhimlerd, teruggehouden, om aan zijn verlangen te woldouu, öv. (foor sc/iaam-te of vrees; niet bereikt, van een verlangen ; ook zva. !)^ ri\\ onvoldaan teleurgesteld, hi een verlangen. nn tj HjJj* L\'\' i\'N teleurstellen.

Ki iu/j of aj tujf\\ Holl. sjaal. B. v. B.

ujjl }uj of (tin (hJjjtu/j\\ zeldzaam i°i ^ /u/j\\ qew. (Kjj m/jsKU. los (niet vastgemaakt); losgaan;

ibUyjsKi.) een kleed uittrekken {vrg. aytyj) tujj\\ ivr^

/SS . O .

to\\ (n/^nj) en \\jia-jijj). (ur^aj^ u^nrjams

benaming van een kind na de 40 dagen, omdat

het dan niet meer gezwachteld wordt, ij x/n i m ajr^

zonder loslaten. — ^ tu/j\\

losgaan, loskomen, ontsnappen, .unu j ij r.ti11:»^

tfjjj w/. w»? ij ,c/ï .} n lt;/lt;? dat het vee naar de welde

g eb ragt en losgelaten wordt, \'s middags circa 3 uur.—

ajj n losmaken; q/loslateu ; oo/c (f-i iu M-üx

ki.) op Iemand een pijl afschieten. — ^^ \'V 7

\'/ \\ o/ mi\' loslaten, bv. een beest,

los laten loopen; laten prijs, er

voor geboden wordt. (Uiaj^ t^ pass. -

ifu/jMLU., ru^ im \\ KI., zich uitkleeden. —

Vi\'N rï\\ ,^nn\'^ uitkleeden.

\'\'^un 1. kw. zva. yf unt inien {Skr.

tj diay schudding, beweging. Vrg. iiuni /l/). Zoo

ook (Lvvnnitu\\ xfiiin ru\\ lunrmtu^ en.ui:mru\\ (A Oh 01 Oh

— 2. kw. verkeerd voor (un i i.mw —3. kw. zva. n . ■)

ni fji.vnw — 4. m zamenst. zva. {Skr.

tj hal a t sleclitheid, bedrog, streek), i) rt/1 /n tij s

N. blind, hetzij aan één oog, ol\' aan beide oogen.

-I

{vrg. i/ït tij \\ en iu i i h njj). rt ili t *«/) j \\ en gew t i rtiutn^rj j \\ spr. voor wanordentlijk , onbetamelijk, ongepast, j benaming van een bijzonder soort van ph\'koetoet. gt; i .p \\ naam van een doodelijk vergiftig water, ijtunui tji (hi\\ kw. zva. ili iu j 6t m w — irm rhi ut (in \\ ook wel rin n i ij ut un \\ kn., ook wel umitLi.ai }j(ind(Mjj\\ k., een verdacht voorkomen hebben; verdacht; vreemd, van iets waarvan men niet weet, waarvoor men het honden moet.

i ) ru\\ KW. zva. ui t» tj \\ iy^ v.n i^ijj ui chi\\\\

i\'ifrj itLii\\ kn. , 7i a am van zekere kleine zeevisschen,

waarvan trasi gemaakt wordt. WW.

m/i./vKN. ondeugd, slecht; gebrekkig, gebrek; versmading, smaad {vrg. i ) vu\\ 4., h) ^tia \\ ikiui (Mj]n i i ui iixyj \\ uv(Hj,\\ en i gt; ili ^ — uni n.i \\ iemand smaden, laken, berispen. — xhn ïuihn ^/nrj hii\\

iemand of iels als gebrekkig beschouwen.

o o ... a ci

iihlis poet. voor i i rvt niij^

(u^ ili\\kn. de hoorn van een rhfnoceros {Skr. tj o él lt;/, een kuif).

H i ) npuw. groote begeerte; sterk verlangen.—

i nfi ) np sterk verlangend.

rj i t vj ili \\ kn. ?iaam van zeker Europeesch geruit goed

WW. volg, Rh. een soort van geruite sits.

ijl tl iLlsKW.ZVa. tjiKU nw

ni iiiri/i\\ zie iii it.tu kiiw ook naam van een boom. WW.

itnrui uri/j\\Ka. iets dat in de maak, of\'m zijn wording, en bestemd is om iets te worden, zva. un it n Dtyis en iet ui ui iin^/j\\ ook zva. tj mi \'/J\'y ^quot; WW. 0lt;Ytuiiiji) ju\\ opgroeijen tot een sleclit mensch. 0iv?;(hji\\ op weg zijn om ecu knap mensch te worden. — L:nirj fLi2nj,\\ de grondstof bereiden voor; iets onder handen ofte bewerken nemen. — it tjiuzuj iinjj\\ grondstof voor iets, zooals hout of metaal\\ gietwerk. k

ij m iLi:Hyf\\ naam van een soort thee. (Tj.) WW. i t\'fLiart\\ of ^ »^^-/J/1^KN. een lange wijde broek of pantalon, waarvan de pijpen beneden met galon omboord zijn, en die tot de Jav. dienst kleeding behoort ; {vrg. \\^ i ui tLi/j). i i ili tri ui i:m ,Liuni \\ een korte broek tot iets over de knieën, die tot de oorlogskleeding behoort.

i irj ilh rj hj j\\ of /^\\KN., vlek (vry. ir»!^.


-ocr page 242-

i» Tj iThl 2 Vj MJ fón/JS

168

y w irj t ivm/js

ifitht). (u tibit Ki(tjnv)2 ij%\\ overal met vlekken, oo/c ongelijksoortig. — i^rtlt;rjiru2 r^(Uj^\\ bevlekken. lt;ïo) ij nuwtj Mj kn. praatje, gerucht. — a7iiirjiiLi2 snappen, praten van, kwaadspreken

van. WW.

(Knwirnr^ (unjj - w nuinpij avij}\\

\'gt;o»rri^^(s^NKN.

trvlnS}ss ww.

flsT) m.t arn tai anji \\ zie hij i »tnijj •0) irunrrrj asvjj of WW.

(k) ii jijirrn2 zie hi ij rutrj ipi iisiyj\\

a-j} n j (rni \\ KN. henaming van een wijze on de gonié-

V Cu

lan. i7mfivj(rtn\\ zich snaaksch aanstellen en

daarbij allerlei vrijheden veroorloven. — lonutarnt

11 GJ

O ihnji^ aulke snakerij. rj ij)2 n iw^tj n-.i (hijj\\ snaak, al te vnje snaak.

(ïoj ru^77lï/1^ \\ kn. onbedachtzaam spreken, zeggen wat maar voor den mond komt, (Men.) WAV. ook zva. (}Ji7lt;jiTUffhinj^7t^ (Dj.) zie bij tuti^rhp^ 70)irudJ) njiji\\KN. meening, bedoeling nl. kwade van

woorden of handelingen.

S o

7J) OTiJ) \\ KW. zva. (Hl mw

GJ

O / O

/j) n of /.7 ^.\\ kn. ontfutseling, door ongemerkt in iemands tegenwoordigheid iets ie \'pakken en weg te nemen {vrg. a.i rj ^.ry asn. iets ontfutselen. jJlt;rji}/L}2 KH. vuil, gemeen, slecht, valsch, trouweloos

{vrg. r) 7.7) 2 tf ru2).

X ... nCY Tr n /

rj 70) 2 ij vu 2 \\ KN. poet. zva. id ei \\ Vrg. n rj iru 2 \\

70)7ï^\'»\\ eign. van een Boeta.

ki71)^7 kn. naam van een zijden stof. WW.

c* f) O

IKDzie lt;:)•7)7i7)^\\

f iiD m kn. een vliegende hagedis met een halskwab (vrg. (iJii)) (ï)i 21/7) ^7? ^ (r»7 ? )^)/)) of)^ lt;U)1 tj \'tj cm 2 7lt;7)^ .uriniaj)j^\\ bij (rvfncu/i^ ook ongeveer zva. rj ri ij -77 /is))^ \\ t\'W ij in 2 \'rj m 2 asn /js R. P. 163.

^ \'Un/I^ zie bij (Kjj ^ in V ii\' r/rrquot;lsquot;^ gt; gt; gt;1 )ƒ *77 lt;ts»^\\KN. bliksemend licht, bliksemlicht, schitterende glans. 71(\'\'701 iiw^nn/ is))jj\\ bliksemstraal. )^ ^ 7 ^ r77 ^7)ajr^(hnj\\ zva. i gt; m

•viquot;f\'nr — of1 \'virr111™^

bliksemend schitteren. — V 7»i\' N 60ÖC^^*

ter zooals van den bliksem, 77 Z0Üquot;

lang als een bliksemstraal duurt, een kort oogen-blik.

onöeveer zv

tj k}2 ij *12 \'Lgt;n/i of iQrj iru 2 tjm 2 ihiijj\\ KN. het door de 1 lucht snorren, schieten mi ^

vogel gt; een vurigen streep beschrijvende door de lucht schieten als een bliksemflits, of verschic. tende ster. {of 11^2 ij^2(10/1 \\ Tj.) naam van een lekkernij. WW. — en éw77 ïlu

7jni2fo}ijj\\ zoo door de lucht snorren, schieten, | in de Waiang ook van op bovennatuurlijke wijn nederdalende goden, enz.

^quot;) Qv O 3« .

7. ) 7L/ n ) N 7 ,7)) 7L) *7) \\ )J) *77 W

0 o ck.

1 ) ru^rts

O O Qv (1^ 7) ) -77 N\\

C)

ïöxïi^tt\'nkn. naam van een muziekinstrumentgt; gelijk aan de Saron, WW. ook de driehoekige zijdaken aan weerszijden van een tj im ? n ^ (hi^\\

llh. vrg. (unij ifi ^12 utyjy

fj}#) (TLI Vj \'77 2 \\ 7J? )) 7)V) 2 ^ T\') \\ 7^ 70) )ƒ\'gt;)?\\ 7^ lt;72 ^ gt;7 W

70) 7t/ tnjjjs kn. met een ongepasten uitval in een gesprek tusschenbeiden komen. — nnirvi un\\ mi gesprek zód storen (vr^r. xfwvvuuj). 7.1) KN.; )j i:)2 ni m; ruKr^/j. een andere ben.

voor de w un iigiori/js gedurig heen en weer gaan; ergens heengaan en onmiddellijk terugkecren (e;r^. ijt7nttuxmlt;tiï\\ en asnrfnhiyjy nnLjiioi/j en t}) ijirLi2nttjj\\ 1. KW. {vrg.

fjaj) 9 itLiirnji) — 2. 70) verkorting van

i hv. ii/n (Li it i (tl^ unp — \'6. zoo heet

in O.J. ook hij, die de besnijdenis (circumcisie) verrigt, ZG. 1876; 29, vrg. rj n\'n 2 \\ ï/n y cV» 2 \\ t:\') i. K. zie r^lt;rfii h^njj en Qav urijjs 2. KN.

ook 1 \'^U^JI zwart poeder, daar de rand van de oogen en de wimpers mee bestreken worden. —

rm u 1 }fnji\\ daarmee zwart kleuren.

, ) ■ D o )

70)g^).))^\\ zie 1.1 iru.unjjs. Z. eti inin ntijs

ii ru KN\' — Mti i 1 vuMHjjs zich bedrogen vin

den, teleurgesteld worden; zich vergist hebben. 1\' 1 (nj u nji\\ gew. i 1 n j )ni/j\\KH. geroep, roepen,

aanhoudend toeroepen {vrg. im ihwncKU/p). —rw \'rLl tlt;Z!rfs iemand roepen o/toeroepen met luide stem (vrg. Vj. nh). iu het roepen, geroep.

(iJ)0 een roep ver. — ^ i iiri^ w^Kn^s door geroep of geluid geven zijn aanwezigheid ergens openbaren of te kennen geven.

70?vj 1}li )o)^ kn. de kop van liet mannelijk lid.— ml rjfrLi tfli rj kh\\ den i 1 rj n ii}lt;njj ontblooteu door de voorhuid terug te schuiven. — Mrm7ƒ77.7 wp de


-ocr page 243-

i j ij u t r ~

o

11 mun \\

169

oiitblooto toestand van den kop van het iiianuelijk lid • liet zich in zij» geheel vertoouen, bv. van de :oii; het aun het licht komen m» iets. —

ij rutrnjj in onthlooten toestand zijn van don kop van liet mannelijk lid; ƒlt;/. een gemeene uitdrukking voor lich in zijn geheel vertoouen, zich oiien-haren aan het licht komen j ook een frisch waas krijgen.

jiMipuw^KN. — i irj ruttjjf verk. van ijivi Tj.

wnmiijl N.. iïi til in Jïlt;-, klein, dun (van lange voorwerpen), ook laag van water tegenover in ij gering, onaanzienlijk. ^ ó a0 oen gering persoon; de geringe man. 0||^ ^ \\ rank of slank van gestalte. 0uiiiuÏiquot;/quot;a^ kleinmoedig, ontmoedigd.

.. .crnijna ijiHj.. op zijn minst.... op

o o o o o n

zijn meest, \'/oj tl;urn ruti/n ru fon -w ,m

kleintjes, kleine stukjes, PL. 11.91,2;««^^,^«.

, , o O O/

korrels, i t tru ^iHn \\ ongeveer zva. ju^\'Wdsnaj^asns — irmt?;lt;kiu\\ verkleinen. (Tj.) Rh. — rili jumhs ivn tihiJU iets verkleinen; volt/. Rh,; oo/t-klein worden. — Km vvi ihm tj mi \\ it# trü w un ihnjj ^ maken dnl iets klein wordt, iets verkleinen. — M Hjy tu (Knjjs (Licmriïiemand van de geringe klasse, de of het kleinste van een drietal personen of voorwerpen\'t de (o/het) grootste heet iCi ernrfaots de (o/het) middelste hji (Hj k) { w i}y, n?:iwji\\KN. naam van een vogelgt; ZG. 186fi , 68, liet wijfje van de naar het geluld ook

rjtmg irv)ihvjjs gen. Zie aid. ru Hnjj\\ met den vinger een beetje nemen van, bv. van eten, van daar ook zva. een proefje nemen van; na-vorsehende trachten te ontdekken, hv. een geheim, iem. polsen, om achter de waarheid te komen.

tj i i 2rhi i iKiijj \\ kn. een licht, alles wat men geWnikt, om licht te maken, bij of voor te lichten; lichtje, vlammetje, zwavelstok; witte punt aan destaart van een kat of hond; iemand, dien men vooruit zendt om zijn komst bekend te maken; zoo iemand vooruit zenden. Zoo ook i ?ij / »«»gt;ƒ n u iiH/js en voorlichten. rj im ijituirimin nzm AY. II. 250, w/. zelfs met een rjivtijnn? als ij i a tj.n ii Ko/j dus met een groot licht {zoekende, vindt ge ze niet), \'jrni? tj rtuinv/j in het oog stooten of steken. ^ vin tij timing belichten ü/bekijken met een licht; naar iets zoeken met een licht; zooals muggen, verdrijven. — ijmn2 ijtviiiW \'ijlt;quot;n\\ met iets in het oog stooten; ook meestal herh. geen geheim van iets maken, iets met opzet opentlyk doen.

jjjin.KMnnkn. ongeluk, onheil; ongelukkig {vrg. ivtl inm/n \\ en iuii t.-i w/l)- wi ^ }fn x ongeluk aanbrengen; ongeluk aanbrengend. — hnuluuiHnanjjs in het ongeluk raken; ongeluk waartoe iemand geraakt. — i~ni m ini rw ~jïi n nn \\ ongelukkig maken, in het ongeluk brengen of storten.

^n;vrw\\KN. oneerlijk, valsch, bedrieglijk, diefachtig; bedrieger; oneerlijkheid, valschheid, bedrog, dieverij; Skr. tj auri k d, dieverij. Vrg, ki tCi ^ anjj en i3\\aQ\\). — rr/r^ru mi uj\\ iemand oneerlijk,

bedrieglijk of valsch behandelen.

o o O /.

ijtM tLindi \\ e7i ij it 27U\\KW. zva. iin^dcis oj iKKn^

Hwjl {Renaming van een soort van pijlen. G.).

tj uiz iu mi tu^ HJj^ nm. van een vogeltje, zva.

KIIMftM/IS

/.?r?/^\\KN. een der pennen, waarmee de jjmoïjp

(uijj\\ aan het lichaam van de ploeg zit, SG. zie

o o (ts») (rrn ? n\\

Cx.1 s

o • o

I HILliII/j Zie I 1

iet r^ini uii/j\\KN. het geluld van den keel hij het inslikken van dranken. — i i ^ju?i ojj0 een

slok vrg. i inn nu ^

o . quot;) o

/ 1 1(11 (IStlJj Zie IC) Kil

S ii-j ip mijl\\ zie ill hij ui wujj s

gt;$■*»*?\'UI™# — wp-

rinr^ ip \'ie i91 ^ ip

z\'e

rmmi ip ! den mond stijt\'too-houden, Waj. II, 159; vrg. dn kii ifjjj ^ Rh. i j^ho^nKN. ; tvyjxijis iets, zooals zijn woord of belofte, intrekken,terugtrekken; een gift terugnemen. ij it rihuijs of rj i i njnsnji\\ ook iji na rt^fj rjmut vuns en rj kikiji tir^/j\' kn. gebrekkig spreken, brabbelen.

i t :n i (ütijjs ongebr.; lt;u irn lt;tu hiijj\\ kN. het ergens van af- of uit-springen, bv. van een bijl van dc steel, van visch van een plank of uit een mand {vrg. ry itiihiij). f i yti ti i teiijj\\ ergens van of uit weg springen. —ri iiji n i hjjy tegen iemand ergens van of uit aanspringen.


-ocr page 244-

170

1)

.)

zva. i.i(i^iicijis (K^iriji fiiii/i en aj) r.iri ni iwjj^ KN. sprung {vry. hint (unji en rj iJHrj tumsn/i).

sprong nemen, wegspringen. ^

een sprong. G.

rj n2 tuè ihtiji\\ en iu rj rnrérjtuig avyj\\ KN., sprong (vrt/. thTji(tviinti/j en iamp;i lt;gt;»,/)• \'f\' j? y n nrj aw? ^ winhrt^s springen, van beesten, zooals een kik-vorsch of visschen, van een mensch alleen in zittende of kruipende houding, m iinïnjirjipriirj rtit

O i •

asnji en oji tibii n ij n t tj ru ê nsr^/j \\ overal springen,

algemeen gespring, -»ƒ t 11 m rj ibTJirj heen

en weer springen. — *i.i:nid rj iutiiisnji en karj rtn?

vf iuiusnjj\\ een sprong doen, va?i beesten-, van

inenschen, zooals hoven, en met heide he enen hij

elkander; een sprong doen, hv. ïn een verhaal;

iets overspringen of overslaan; ook over een prijs

heengaan, meer kosten of opbrengen, dan bepaald

was. — tjuii u.i 9 al springende ; sprong,

die gemaakt wordt; tegen elkander springen om

.het verst met beide he enen hij elkander; wat iets

meer opbrengt, dan door den eigenaar bepaald

was, en het voordeel van een bakoel of hMantik

wordt.

fO)7U(b»n S/cr. tj al it a, sehndding,. beving. — ^

o /. o -gt;

K t tLnuns oj lUtt t u i iiitt \\ kw. zva. *lt;n tutett/j en ci

p btt^ (Skr. pratjalita, beweging, schudding).

KN\' quot;i^i\'^king voor het gevoel van konde,

als men in het koude water gaat. utt iji ij ^; ? i. /j

de konde is gevoelig. — vn rtnih.i/j of tyn nnji r i

doordringend of gevoelig koud.

plat voor het membrum virile, WW.

\'/ 7 ui i \\ ongehr.; tf ri ij ut ^ 7 rt ij tn i \\ ilraaijcn in

het spreken, telkens anders zeggen, onvertrouwbaar.

t t ij turjui^ KN. gegraven goot om water ie doen

afloopen; de opening van een Javaansche lamp,

waar de pit uitsteekt, WW.

CY

gt;0» »1^ ut\\KN. draaijende beweging, zooals van een draaikolk ; fig. draaijerij , bedriegelijke handeling. k » rj ru tj .tji KN. rand of lip hv. aan een plank die past in een gleuf van eene andere, om ze zamen

te voegen, als ij ui2.u^rj icticui/j\\

o -gt; . n

1,^ ut unji \\ 1^ .ui mi hi/js zie ^ ui utijj \\

tJtvjruiyfuti nnji\\K.n. kleine kuil in den grond {vrg.

Q

)

11!

Ijl ;ii\'

11 rhj h 11 /j\\ zie hij 1111^.urtjj\\

tztrj tu\'tj iuhtyj\\ herh. kn. beschaamd, verlegen.

of tzt lyyrpYJS. stil, zonder spreken, bv. weggaan. i^ihirjidoodstil, geheel in stilte,

een dolle, nooit den strijd opgevende krekel. — ut^tu t:t c^^\\ en (hawonjjlt; al gaande rond kijken zonder te spreken. — ^ni^ ih\\ stilletjes, zwijgend, heengaan £gt;ƒ komen, / 1 iLi/j\\ r) .m^nKN. het wegvliegen, snel voorbij

vliegen, hv. van een pijl, van vlug dansende rong-

„o o O

gengs. t u • n iut ~/ii (Hj_ tu hjijj \\ — iu ^ / (hn/j \\ kii ri

(ijt ^,1 anjj\\ —• (k)0 {ook m\'im rp (uij\\ Tj.) voor een

kort oogcnblik. — i.yiu iji M/f\\ snel wegvliegen,

voorbijvliegen. WW.

tj 1^12 iUjjMvN. het snel ingaan, verdwijnen in bv. van

een dief die wordt nagezet, in een huis.

) , quot;).■)/ O v .

1 il^.u/j\\ 1 KI. van ut ut n itj {vrg. n n^tL^ij). irntt $

ï;iiuj,iiji/j\\ KI. va?i rLtrri 101 dJiiHij- 2. kn. benaming van een witte duif met zwarte staart. — utt lAviij \\ met de pantin het water gedompeld en nat worden, GR. volg: Rh k. v. \\lt;m r j(ujj\\ {vrg. mii

vyvi/j bij 1 1 tUiU/j). lrin^iiji/j\\ Kl. van liki

^ ) )

lUjj \\ en 1 ) i^ ui 1 utfj van .01.ut n^i injj\\

i itiji ilji j of 1 KN. indooping {vrg. i 1^,1.1 j

7 ót einnjj en iR\'vjtrm); ook de harten in het eu ki nj ij/j\\ Zie ook ny .rt/j ben.); i:i ti^ i:tijj

i 1 nrt\'^ ël \\ kn. slinks.

wijze magtig worden. WW.

II liïiusKïi. een knip om gëmak\'s te vangen.— mi til iii\\ gëmak\'s in een knip vangen, WW.

1 1 ti/jj ti^ \\ kn. zonder bepaald doel, zonder iets te doen of te zeggen te hebben , ergens gaan of komen, n n/j njhjtiv^ 11 p spreken, redeneren, zoodat het kant noch wal raakt, Rh. K. 4, 1. —irmtljni hetzelfde, {vrg. irrn rjlt;11.12111112).

1 1 tj rui rj n i2 \\ en t t tj tut nu ij) tj ru2 tj n,/?\\ kn. door een malligheid zich bespottelijk maken; met eeu malle vraag, een zot antwoord of bespottelijk vertelsel voor den dag komen. — vim \'rj tru g rj n i i \\

/ cy

van de oog en, zva. na rj tot ru \\\\

,i;m (tgx \'Ï2 —\' tzmcgi(ói\\ WW. ziei^^w

kaartspel. tj 1 li2rj uji2iilt;n chijj\\ kleine kuilen |

in den grond ; in den grond gemaakt kuiltje.

) ) ci a CV

11 iijjJniaji\\KW. zva. ibttmttiui\\ en iimiinw

O o ) n Q

ïo) (ri^ \'Ut i.nji \\ kw. zva. wui tujj en rmidot .EAjj\\

(KDtJ tL2 IJ U

iirt tuï\\ op eene slinkschc 1

•BW

-ocr page 245-

volgen* 6. ook proef. — ecu onbe

tamelijke. ongepaste taal. — quot;quot;quot;\'1^ quot;f rhl „u.irnjl^ induopen, indompelen; iroocl soppan. — ingedompeld raken, door indompeling ill het water nat worden. — tónrru hji «q mv \\ of nriaurn ijkim indompelen en weêr ophalen;

(1 CD \'

zich in het water onderdompelen.

-» X • ^

ihiij ii njdJi) zie ijiiJirjM*

j.iMdniJl of KN. het aarden bakje daal

de olie in is, op een (tmae^ernvan een Javaanschen lamp.

klanknah. voor het schielijk weg-grijpen van iets. —diefachtig. WW. (?o/7L/cutlt;fcgt;quot;nkw. zva. lUt.runhianyi^/i\' een soort van sprinkhanen, die zich in de hoornen ophouden en \\s avonds en \'s nachts langdurig met de vlerken een schel geluid geven; ook benaming van de muziek Loka-nanta, die \'laturdags om vier uur namiddags op de gamelan gespeeld wierd bij het tour-nooispel {Skr. pr al apit a: treurige deun, geweeklaag. pk.). (t\\j (of (hu (til)0 spreekwijs voor uit een treuren, vervelend, langdurig, bv. jammeren of schelden.

ihjlrj u KN. bedrukt, treurig, van het gelaat {vrg.

O quot;) v

(titij n u iMji \\ iiJivjitLids (Lil ,ƒ. j (tJtjj en (vit il^ n.i/j); va?i het hart moedeloos, laf, lafhartig. n^L^t^vKN. — \\zm(iLi (Mji\\ iu het water duiken, zooals vogels, im aL/^ ^ ri| fre(l- WW. vrg.

^UJIS

O

O O

1 ) )) ) iLI gt; KW. zva. (hJjjnl£ (LIJj\\ - L l lLHj ,Ll (Hljjs N.

zva. i?)rjii£ijiHiji\\ eig. voldoende! laat het voldoende

o

wezen!

Ki n i ij maar op een eenvou

dige wijze, bv. gezelschap ontvangen.

ij K) ijiili ij \\ of ij i i tj n.i ij ij L:ni \\ KN. een

zeer kleine kakkerlak.

cy . nry \' \' tï n zie 70) lEJi \\n

}Z) *j wt ij iMi\\ of 70?ijnt ij iti i x KN, stout in het ontstelen of kapen van kleinigheden of de portie van een ander {vrg, 701 m li), — {iTtr) rj iLit tj (hi2 ni \\ iemand eon kleinigheid ontstelen, enz.

iEiiiii,j\\ {eïg. een freq. vorm, org. uiuhhji^ 7 7 lt;fi hnji ctj^ u mi/j) KN. beweging van de lippen door den mond een weinig te openen en te sluiten; geprevel. — tin lyLiMUj^ die beweging met de lippen maken, iets prevelen. —

LLL-^i^Ju^ .injj of Dirtj^ LiKjj(Hi^!j\\ binnensmonds prevelen.

lialJ(Lüjj of a \'iLu (Ejj^(isi)jj\\ KN. diefachtig, geneigd

tot stelen; diefachtigheid {vrg.

jjia^\'Ejjl \'Uujjs zva. oj» ^(üvjj\\ WW.

oj) wi(tl (S^a5iijj\\ zva. ojiSis (Men.) WW.

Linui of (ii il^ (ïj! i^s KN. het bekleedsel van

het bamboeriet, aan d« geledingen, vrg. asii(Ln

men maakt er toe do engs, pajoengs, enz. van Rh.

ook benaming van een oorsierraad in de oude tijd.

1 KN. naam van een soort van veelsnarigc

citer {vrg. (LJtanijj). • anniv^foiop de

tjalëmpoeng spelen. — i.7nil^li^lt;17]\\ gezang met

de tjalëmpoeng accompagneren.

. O

70» V) fi !t i d \\ zie a. ) ii id i w

O • O

70» (Wl Zu\' \' \' Wj. lt;M/j ^

\'n\' a?yj{\'ï\'\\\'l\\!l/l\' z™ bV ^

iL^fijr.iiaii^q\\ zie (tj^VLLtiji^ ben. v. een stuk saw ah iets groot er dan een L^utHojj\\

a ^ 1 *

ikl^x i^ gew. i iiv^n n i ia^ar/^ of 1^11:11 li a tpKN.

wartaal, onzin, dronkemanspraat.

Cquot;) a r) quot;gt; o

70) ji j ^ n N., l.\'i 11 föi ihnjj k. , tl.) .ni im \\ en (ui (o an (ti ll ^ KI., spreken; wat iemand spreekt, uit of zegt; hoe

ik\\

de Krama-vorm

O O (Hl iHIl IH1 \\

iemand spreekt, zijn spraak {vrg. hjiasr^n (Uij

en (Ui 70) ti \\ waarvan (vi 11 ^1 orijj

^ o O o

is). - \'17111 LL\'I Ij ip 2 \'Hj \\ (LI LI lff(l (HJ \\ (LI (Hl Wl IHJ

spreken tot; berispen. — tm ili ij op i shu ~jii ij hu \\ thJi 11 \'•quot; Mill \\ iemand doen spreken, laten spreken; voor ee7i ander spreken , de woorden zeggen van hetgeen een ander schrijven moet; iets, bv. een gevoel y in woorden uitdrukken, zijn gevoelen zeggen, zich uitlaten over ;lt;?lt;?« spreken, iu een taal spreken. — i^ili ij op2 an/j of 1 li i .7 li tj aft 2 iKijj \\ en iJi li ^) ihj (Hijj \\ gesprek dat gevoerd wordt; met een ander of met elkander

, quot;) o O

spreken. — ivi 1 1 rli ij up gt; (Hijj \\ iu ui 1 1 fyi hj cm/] gt;

gesprek; zanienspraak. «

1:1 (tvj^op\'Hi^/j KN. vratig, van een hond of kat; ook

van een mensch: vraat; ook voor een liefhebber

van andere vrouwen.

) ITj ILI »7 ilfl 2 \'Lilij of I I Ij 7LI ïj (Lpi 2 lt;hll/j\\KN. het zich

verspreken door het gebruik van een verkeerd woord;

ook non verkeerd geluid. / ? ij n 1 ip il-h ij ili ij 2 L^/j gt;

wanluidend. — hu 1 i ij n i n ip 2 l))^n zich verspreken.

) ) ij in tj ip i \\ ook hu ij n.iijitL2\\ b)) 7^ ij rp 2 \\ bu Kj, ij


-ocr page 246-

(?)

172

ffj a)/9 \\ en (isTi n.i tj (i/i 2 \\ kn . drek , mest, vooral van viervoetige dieren {yry. anta/tt).

vj thy tjupd \\ td. een zeer groote tor, die zich in buffeldrek ophoudt, anders (undjlcm iu/j\\

ifi}\\KN. (ciaajj\\ doordringend, de zenuwen prikkelend, zooals v. e. zweer, die rijp wordt en begint te steken. Vrg. (Uj \\

fit \\ kn. klan/cnab. voor het vallen van geld. wirijiMUVt. zva. ri ah \\ gereed, (irn apri \\ dubbel, en ic) tut \\ tweetandig, tweetand; kn. iemand die op de uitkijk geplaatst wordt, om bij een feest de aankomst van gasten aan te kondigen, initlis in gereedheid houden ; zieh gereed honden; toebereidselen. — ivi ict (ii i\\KN., ojii i i /x Ki)., iemand of een co J

troep mansehappen, die voornitgezonden wordt om op de bewegingen van den vijand acht te geven; voorpost; ook benaming van een soort van schepen {Ml. yïntj al ang). — ofloi.rlr op de uitkijk of op de voorpost staan. — (amp;)hji vU éi \\ meervoud, no ru^n kn. 1 plat voor hand. 2. bamboekoker ter bewaring van een of ander, bv. v. tabak , ook de bamboekokers waaruit de ^^ bestaat; en dan ook wel dat instrument zelf (Tj.) Rh.

zva. fj) u\\K. van (uhajis maar weinig in ge

bruik.

11 ) lt;rj t

\' : I! till

ij)(C^, ni (HTJIs K. van ij iorj ri.is en van

ifii rj jLi2\\ kn. verllensd, Üets, verbleekt, van het gelaat {vrg. to rj njgEijj).

O . O . O » . O . O .

nji rjiruts gew. n ij rui i ) 7^rL/2\\ of kidii kiijh us kn. starend, met wijd geopende oogen, om zich heen zien {vrg. i ) jli n^hnjj).

kn. een troep dieven , die in huis komen en rooven {zva. gt;ƒ dm tij ihhiiHnjj). iny i:j_\\ op die wijze rooven ; en het roet van de zuivere opium uit den kop van de pijp halen of peuteren, om er tike van te bereiden (vrg. n:i7^u ini \\ bij ojim hiiji). — (h^ ijivn injj obj. den. j ook geroof binnenshuis, y iifriysKW. zva. (k^.i^skn. yi ) il^ {of nu0) de bloem van de dadap; een gat in den grond om laron\'s te vangen. — yjxin n^ in een i j doen; larons zoo vangen.

rj ? :gt; rj •) \'li \\ KN. of N., r 17) fhnjj e?i i/nnin (l/).^ ) (iri^p K., wild zwijn, i irj iwri i i ij tu\\ uitroep zva. rf iv h i it?) oj nj 2 irri tu/j {Banjocmas) Ril. / i n tii fj (Lii 2 )j cmt (HTjjj\\ benaming van een wijze van dro-(rjiu)2irivut\\

gen van de padi, van een gending, en van een i batiksel. tjunivjaus als een wild varken; dol, verwoed. — ^wn ij rh it) \\ geld in de spaarpot 1 doen, opsparen. — iji itfrliaKHyis spaarpot;^! pissebed, een insect.

ij i it ij iln\\KU. heimelijke ontvreemding, diefstal; i« j zamenstélling zva. vjimiz ij /hiiw (o/|

irjr-.imnfjni.ii) iuvjapnvjjs uit de gis schieten, an- ! ders blijken te zijn dan men gedacht had. iSnmi ry ili dn de piek schuren, de plaatpootsen

0.tu heimelijk {vrg. (eii?u) — rji:n)i^

ij ilid\\ heimelijk ontvreemden ; heimelijk ontvoeren. 0niin^\\ heimelijk, steelsgewyze, iets gaau doen of zoeken te ontdekken. 0(im m \\ strikvragen doen. — vj viti? rjiuè tr}\\ mv.; en bestelen; na-deelig door ongemerkt verlies. — ij {of i ?ij io)irj ilii(in(hi/js) gestolen; liet gestolene; steelsgewijze. ijti tjdog nifj0 sluikhandel.

O O O - O

/ ) inluj(HV/jsKX. ; i ) nuii:i(ini u i(üj hiijj of ii-J) ri l(Cj (Hijl\\ zwijgend om zich heen zien {vrg. uS ijviit).

cy . cv G)cy

iz)(ój,(ioi\\ —«7)77\\ zva. inhioi\\ zich kronkcleu

bv. v. e. slang, WW.

)ogt; ?\\aun \\ kn. een\' draai, een zwenk, hv.v. iemand

die achterom een persoon of voorwerp loopt ten

o

einde niet gezien te worden. trnirviniis zulk een zwenk of listige draai nemen. i t tjj^jk^vnKN. met ecu wip ; ook naam van een om f/hnn i )iylidfnru^ut^Di\\ wippen en springen. — v.m n i\\*lt;i^(ilt;))ji\\ ergens op wippen, met ecu wip ergens op gaan springen of gaan zitten.

i iiiii hn^ii^,^ ongebr.; kn. vrijpostig

in zijn handeling en (vrg.) iru apn bij ui nrfn

i tui ijilu/j of i i rutviviyj RV, wijde notul, van een put of yrot; kanaal of uitwatering m( een rivier

naar de zee of naar satva/is (yry. lt;vn m ivifl oji vi

O \' s O

lui/f en Ki ijaui ijii\'itiviji). — onn/raiu^xgapeu,

een wijde ronde oiiening hebben, i I rij 1:1 ^Iilnj*

hebzuchtig, WW.

i in:tiiui^\\KN.in stilte, eenvoudig. — i»ji-i

in/j. op eenvoudige wijze, zonder ceremonie,WW.

CK

i) nj iijiji v kn. v. grolten gapen. ui oji,iiii i.)

i i i/ n it ij 111 iij of i 11/ ii ii if ii iim p KN. de opening vau den mond zooals bij liet geeuwen (vrff. hurj mi


-ocr page 247-

Q o

(KJ) (U^ T) N

(iJnji tut

173

(UJI fin rui a-n (Ut/j). zijn van den mond.

rnrtvf rvidvi \'i:}? (u /f\\ open

zie Lrtuun^

O

quot;quot;J1 quot;l

KVIJI of «I\' Im^nKN. stempel, oacliet; druk rfoor stempeling; mei een stempel gedrukt zegel (i/jjirf. «/ Beug. Ij itjia, stempel. druk. pk.). — iir? wi Ws stempelen, zegelen, drukken; brand-

O

merken, mviyni i ilij en «nuiit^N

O

(UI / »

O

mSi\\ bestempelen, bezegelen, drukken. — (t.\'u » (ui laten zegelen 0/ drukken j ieis te ze

gelen geven; met iets zegelen. — w aji (ui (hiji\\ van gedrukte patronen, JSuropeesch namaaksel van inlandsche avi zie (fnnrnjjs

a )| (iJi/p kn. uitroep, hij spelende kinderen in gebruik, in antwoord op de vraag, of een belofte welgemeend is, zva. Liiyls of (bnikilt;w/j\\ ook zva. ons: mijn! hv. door hem gebruikt die van een aantal zoekende personen iets het eerst ziel, Rh. — h] iemand of iets met dien als uitroep welgemeend toezeggen of belooven. — (w (htji\\ elkander met dien uitroep als welgemeend toezeggen.

tj /i-ji 2 (u/j \\ of !ün qj) i (L/t /jsKti. het gat, waarin zieh de wëloet ophoudt of dat door de gangsir gemaakt wordt. Zie ook irjuuarn/is

DiLt^KW.zva. lt;rti y errn rut \\ {Skr. tj dp a, een boog. Hei wordt ook verklaard door ajixrm nsii tut) (fj) nsr^ ar» \'pj\\ en door wtfanrjew).

KW. zva. breed, bol en stomp,

als de kop van een tijger.

11 ij(l/j\\kn. zeer moe of mat, van het lichaam of de leden; jig. van het hart {vrg. (Kiawqs en r^nj^).

^1|nKN\' een ^0Pje me^ een deksel voor welriekende olie of pomade. — (mr^\\ iets in een ^doen.

htjojtiimjix zie Mfipw

o d\' . ^ a/\'

t^(u\\ of nnto-jt fL/ï\\KN. naam van een lange peulvrucht , die gegeten en tot medicijn gebruikt wordt.

O O Of £ m O qS

WtojjM {of naam van de slingerplant,

die deze peulvrucht draagt {vrg. hiynprj nptuiojj).

zich te veel met het bestuur van de huishouding en de huislijke uitgaven van zijn vrouw bemoeijen, die al te nauw nagaan; karig.

quot;V\'^Iz/nkn. vlak, plat, ondiep (niet hol of bol. ^r9- tjiruoinsn), niet steil v. e. dak, vrg.

— t i nnxirj (ui eenigzins vlak.

(fJidj^ Ti \\ kn. de omheining van de woning van een dorpshoofd ; de ringmuur om hot binnenste van de Kraton , de woning van den Vorst; het nauwe onderste gedeelte van een graf, daar het lijk ligt, en dat dooi planken, die er hoven liggen , voor de aarde beschut wordt; het been van binnen in het ondereinde van een hoorn, waarmee die aan de kop vast zit; of v. e. hoef, Uh. ook \'Li kji -jj. n iibn^Ki. van orj vu 1 cutvj i cut ^urtjj\\ en bepaald de gouden of zilveren sirih-doos van den Vorst; die, in een glbdog geplaatst, tot de rijkssierraden behoort.

1] ij) lt;l/) rm K w. zva. iistt (tut (htfj\\

Ktvf^znstyi en een geluid als dat van

een spuit of van een steek dat het bloed er uitgudst. — .nir)\'ifiiijyiL,njj\\ zulk een geluid maken; tegen iemand dat geluid maken om z\\jn verachting te too-neu , zoo scheldende: (Mnxtifjtij(vrnjj Tj.; iets weeks , zooals week beslag , door stampen kneeden; plat voor een kind ter wereld brengen. ij!lOj^aiitflsKii. het spatten, bv. van water. (t?t(aj^lt;un [öutaiiijj en (iSrt{OJ^asriji\\ spatten. — irmku iqi\\ iemand of iets bespatten. — tctrt {fui)t1$^tfuri \\ itls doen spatten ; met iets spatten.

/0)(u^ayn/jsKN. naam v. e. kleinen vogel, WW.

1 o

(^(üt^nKN. ongeveer zva. tzt\\nj\\gt;tsttj^\\

\'tjttzvj^ijtiM^ ongehr.; rjxwtvj^cu^ivjijis zwaars»

baard of knevels.

\'/ogt; (i.^ n kn. overdekte zitplaats op den rug van een

olifant, of in een huis voor een hoog personage;

ook overdekte zitplaats of kamertje in een schuit.

aG)tutitot/j kn. digt bij, bij de hand, digt ophanden.

\'tQcut iïy (u r^rj (Kj.\\ zich ligt boos maken. — (Srtiut

(hJi\\ iets, bv. zijn dood, naderen; iemand iets

bij de hand (gereed) leggen. — Qrt (uttWV tot \\

iets bij de hand (gereed) leggen; iets ligt of ge-

reedelijk te weeg brengen. — (tit (utiyn(Hi/i\\ hij de

hand gelegd of gehouden; om bij de hand te

hebben.

?o/^\\KN. een doos of doosje van metaal of hout met deksel voor gambir of tabak. Zie hij (tn

o

ivm ui 1

O

htt 1 1 ui fat,

als een httuinm/}

zie heneden.

(KJidJimyisKU. de kop van een opiumpijp {(uttn-c^M (mjj).


-ocr page 248-

■ijwi\'rj (L/i 2 (unji \\

174

iït lt;ui /. n \\

hebben. — r.iri •

O

C) ct . il/l ihttjl).

(Ui (isnjj \\ D\'Ji rj iU) ihtiq \\

im(Qcu)dsrtji\\ in de klem geraken, in \'t nauw ge

7iV}...... iets ergens in

J) o . ,

t } (ui nw (hi/i\\ iets waar

\'

bracht worden.

of tusscheu klemmen. — (fSioji ngi mijj iets tusschen £gt;ƒ in geklemd wordt; klem, te nauwe doorgang.

1.0 flsw^N KN. (Ki (in 0gt; den geheelen dag. Prg. ^

(üt nsv/js

inj tui kn. {of i i rj naam vaneen kleine

soort van bamboe, bij arèn tappen in ge

bruik gt; ZCr. 1882, 135; volg. Rh. dienende om het dak van een te stutten, {vier of zes in ge

tal)— i:?n )fiui(isn/i^ persen of vormen; olie persen

, O o \' , O

{vrg. i-J) (ui mn/f en ij (ui rj nji (trnjj). — tot rj ui i^i im/j \\

iets om te persen ; een pers.

ia\'ïj(ui2ishJ!\\kn. losschieten, wegvliegen, hv. een mes

dat iem. uit de hand vliegt, WW.

kn. niet de behoorlijke lengte hebben, te

kort zijn; te kort schieten {vrg. (rjijidyj(amp;i[in\\ en

(itnmj). 0aji^tE^7j\'ri\\ kort van leven zijn, kort

leven; en zoo ook enkel kij m asnjis 0(ufi ru(i(n\\ de

reis niet kunnen volbrengen; vddr zijn tijd sterven.

0KYjj(Lnr)iHj,\\ klein, bekrompen van verstand. 0(uri

(uiiviipitu/is kleingeloovig, ongeloovig. — nrrjajl

ih)ijj\\ iets inkorten, öv. een verhaal of gesprek.

— (i:rr^ ut een opiumpijp vau zulk een kop voorzien ; en het vuil vau tike er uithalen {vry. r.nj \'\'j. üj quot;fty)-i ) (ut h n \\ zie ki pa -1 mil w

11 ij»\\ kn. voorstelling, verbeelding, gedachte, wenseh; plan , oogmerk (Siïr. tj it ta, zin , gedachte), aji 1°) yi rj Hjiixi.ia\\ al wat hij zich voorstelde, met de verbeelding schiep en wenschte , dat ontstond of geschiedde. f»jjth-n 1°) zie un w ij! tij \'fjMJO gedachte, g^tvinj)(un\\ of i0}tifl/öt iunti\\ naam van één van de paarden van Vorst Kresna {Skr. W a l dha ka), misschien zoo genoemd, omdat het door Krësna geschapen of te voorschijn geroepen wierd. — rS/i njv\\ zich voorstellen, verbeelden, denken , wenschen; overleggen j iets met de verbeelding zich voorstellen om het op bovennatuurlijke wijze te scheppen of te voorschyn te roepen. t)CüiiVgt;nj^\\ kn.; iTiii (ul iibiyis met de vingers knijpen,

knellen of drukken {org. ^lt;u,isttjj en oji (uaw/i). «v?ivl nsr^i * kn. ; .rr?n nJ nsnjj\\ klemmen, persen {org. }.i

O

Ki rj if i ^ i (ict/i

,)

0(»/^ ^ n c m mrjuni 2 uijfs en ook enkel r.iy iemands leven verkorten , een spoedig einde doen

lt;niuiiïi\\ iets korter maken.—.

f lhK

\' te kort schi^pn, te kort komen,

0ti;r^u}\\ geea raad meer weten. —ithj ui (iw ij maken dat iets te kort schiet of voor zijn tijd eindigt, Y i }? rj (L/iè iigt;n\\ zie ij (ini n asn^\\

ui UI ?liji\\ hetz. als u-ji ui \\ ZG. 1876, 408.

i ■) ij un tlijj\\kn. los gaan, van iets dat uitgetrokken wordt\\ van rotsen, door een aardbeving, \'l\'j-(fn/, ||| x^rj.r.mtujf). £771*1 ui2 njjj\\ losgaan, nit elk-1 ander gaan ; van een dam, een gat of opening

krijgen, zoodat het water er doordringt.

quot;gt; ; quot;)

ki tui iu \\ kw. zva. u^rj .lui2 cm \\ tun tiaw Ki ;iji htiy kn. naam van zekere diertjes , die ziclin \'W? de huid van honden en menschen {volg. llh.wm ^ hep. wilde varkens, varkensluis) vasthechten, zich dik van bloed zuigen en zoo met bloed gevulde

W

blaasjes maken.

tKJifyiKnji {of i:m tulnnjjs P.J.) kn. volkomen gelijken, en juist passen, zooals een ring aan een vinger, B

zva. ki fi\\ {vrg. vj ui ij(mji). — r.m zva.

£) o \'

xnn if\'i (iTi \\

ui kn. het geluid van een hap, als bv. een

hond- met de hek een vlieg vangt {vrg. uivj a^iihiiij). i i tj (i^i 2 KHJj\\KN. het happen of ophappen {vrg.

Ktijj en unvf lEi^i Hnji). — i.in rj m 2 unjj iets of iemand happen o/ophappen. — iTnivj (U2 0$^ mv. i ) (iji ilt;hjj\\ kn. het roosje dat met een schroefje aan

de (iJj ëiujj iir^ zit.

k\'i iij/| hiiji\\ kN.; ki ii^ un uiji\\ bij hoopen, hoopsgewijze.

£ji rj (i^i (hu\\ kn, klap met de vlakke ha\'id; een vliege-klap; ook wat geraden of vermoed kan worden, zva. ui[nrr^x\'u\\.itw ij (^Knnjj^ met de vlakke hand een klap geven ; vliegen vangen met een vliegeklap; mi raadsel raden; iemand vermoedelijk voor iets houden , zva. un or^tLLi w ikji ij (i^i?(wn/j\\ kn. beslag of oplegsel van metaal in de vorm van een roos, sterretje, kruisje, enz. tot versiersel ; ook kalfsoogen van gebakkeu eijeren {vrg.

0 O

ij (hri ij (en ^12 iriijj\\WJ.zva.frjiK}i2rj (i^i t wnjjs un .Lj| tin/j een soort batiksel, (B.) Rh. — (trn rj ui 2 K rijj\\ iets tot versiering opleggen , monteren, bv. met goud; kalfsoogen bakken. — urn if iji2 hli \\ iets niet ine-

G. Vrg.

-ocr page 249-

iSl M KVJJ N

C\' ) Qv ?J) .iyiN

175

talen beslag of oplegsels voorzien. —

opgelegd, gemonteerd. nunAjimaoj\' vlieger met gekleurde stukken papier beplakt, (üni^arrni 011/1° kalfsoogen van eijeren.

^jiwrifKN., aik\' 1,0»den kort,

van een kind; propaehtig, propje {ory. aJ

Mrtyyiï\'

n^/w»^\\KN. 1. iets dat uitgesneden wordt {vrg. tj 2. een wrat. — (crr^hv/js iets, hv. een oog, uitsnijden of uitsteken.

ongehr,; rjfij} naam van een

kleinen vogel {ook (i3i ijnjptw/i gen.) en van een heestergewas {bij Fil. tjiploekan? de Physalis angulata L. Nat. fam. der Solaueae, de wortel cn vruchtjes hebben geneeskrachtige eigenschappen).

KtipKH. los gaan, los gegaan, zoodat iets zich afscheidt of afvalt; uitvallen , bv. van een ingezetten steen uit een ring; (zich wegmaken, een plaats verlaten; verloren gaan, verdwijnen. G.). — ^ iTW i ^ a^i i uiiji \\ iets ergens uitnemen, uithaleu of afnemen ; een gedeelte afnemen, aftrekkeu of korten van een som geld \\ {ook uitvallen. G.). —los doeu gaan, zoodat het zich afscheidt of uitvalt.

i {uit te spreken tjëplies) klanknab. v.

h. knappen v. e. luis tusschen de nagels of de tanden, WW.

\'j) kn. hei geluid van het knappen van sommige vruchten, zooals druiven, als men die in den mond neemt en doorbijt. — een vracht

zoo knappen.

\' KN• — een slag met de

vlakke hand geven; vrg. wrj iiji en Mjjs 2. verbastering wmflesch, nl. een kelderflesch.

C)

11 \'/jftwjxKN. klank door een slag teweeggehragt als v. e. blaas die barst: knap! w jiJioJvj tijidjjjji spreken zonder dralen, zonder zich lang te be-deukeu, Rh. raak, ter snede, juist, v. e. voorspelling. M. — loria/i un \\ iets ronduit zeggen, Rh. — (}^(Qtf n^2(hj}/f\\ knappen, openbersten met een slag als boven.

o

een plat woord voor oog.

\'V0\' zva. (/O) (jji uiyi en (U) if]\\ volkomen

gelijken, en juist passen; in de rekenkunde geheel opgaan bv. v. e. deelsom als er geen rest is.

Z(t. 1876 , 26. — if.i juist passend,

juist overeenkomend; ook liks met de punt ergens ingaan, bv. v. e. pijl of mes. ij i m Jis op iets juist sluiten of passen; met iets juist overeenkomen ; volkomen passend.

\\ of /o?iamp;i \\ KN, het geluid van iets dat losgetrokken wordt. — trii Si \\ of(r?iiif !?ï\\ iets los-m, ^ »1.

trekken , zoodat het dai geluid maakt.

i jy (i^i ? \\ KN. beter ï i ij w y\'us een uitroep bij het ontstaan v. e. (jat, llh.—(hjiiSij (Ui2\\ van *1 hart, zva. (vnnm\\ vj irru tj tut zoo verbonden met dit laatste in Tj. Vrg. AVaj.

I , 299 , 2.

/ } tui n tui KN. ffn (ui vj hji g \\ met open mond staan, verstomd staan ; ook fig. van iem. die niet meer weet te zeggen of te handehn, Rh.

11 ij (ui tj (ui ^ \\ KN. — iJn tj (ui ij iui f \\ zich in eene min of meer horizontale stand of ligging bevinden. Vrg. tui tj tuiij tui q w i i rj (Ufti if iamp;i \\ {tjap-gomè) naam van een Chineesch

feest.

O O P O

»j» (uiiji uti^ of ,iji eh ij» mn/js KN. naam van een soort

van na tig k a, die weekachtig van vleesch is. Kivj (ui tj up \\ KN. h) tj iui tj ip iji tj tui ijip\\ onverschillig,

onachtzaam bv. werken.

ui(ui\\kn. lang en wijd van elkander vooruitstekend en aan de punten een weinig naar boven gebogen, van horens en knevels.; ook naam v. e. zangwijze, Waj. I, 237 , 6.

.*j)«7?\\KN. 1. beweging met de handen maken, om kwaadheid te toonen of zich gereed te maken tot vechten; en zoo ook (iJituiHti(Hi\\ 2. naam van een kinderspel. 8. naam van een lekkernij, een soort aphn. 4. genoegzaam; juist toereikend ; genoegzaam van iets, bv. van levensmiddelen, voorzien zijn (twee punten, die elkander bijkans raken. G.). /j»m\\kn. een groot rond hoofddeksel, in de vorm van een omgekeerden bak, gewoonlijk van hamhoe gevlochten, dat door dorpelingen en geringe Javanen tegen zon eu regen hoven op den hoofddoek gedragen wordt. — i/o) fifa.i (mjj\\ een tjaping

dragen of ophebben j met een tjaping op.

QG) Cl amp; „ • QO (?0) (ui \\ rirn iui \\ K. zte hji hii

(h^iui\\KN. naam v. e. visch en van een groente,\\S W.

Qv

/ »«j» \\ K w. zva. h u r.ni w


-ocr page 250-

GO ^ fl J» I N

176

i.ityam\'Hvjjy KN. zwak van gozigt, zoodat men *amp; avonds in de schemering niet goed zien kan, zooals veel oude menschen {vry, nu^).

of # en u) kti teii/j\\K., kort bij, digt bij,

va9i iets df\\ nabijheid {vrg. ki a/ri Kn/j i

niet ver

oüinj) ihiiji) ; d i vn (kvji\\N., töt (U innjj KN., e« i;? ili wij n K., vlak bij, naast. — quot;cm no nnqs r:m « j? nnjj \\ trtirr} hn/js of utiii .ïo;iisiyj\\ kort bij

! ! O o Q O O Q

komen, naderen. — irm(ijiiurj\\ vmtijtufis amiiu

o O o o O o

\\ iTmtc^nrn v 6\'« imi.h\'nlt;i^\\ mv., na

deren tot, lt;?r kort b\\j komen, zoodat liet er digt aan toe komt, — (èrnd^tnirjiims enz. nader doen komen, nader brengen , kort bij of nader zetten; iem.

doen komen of brengen in de nabijheid q/haaste omge-

, O O fquot;gt; O

ving van een ander. — orw iji «jj (kn mi/j\\ ihh ii:) »u ut)

(hn/jx riïnifji (lm (i^ ihnjjste kort bij, te nabij, te digt aan.

— ï ) dj) aj) vu (tot (Hiji\\ (K) nu wi \\ digt

bij een ander of elkander. — tuttgj^rvhu))^ loop

in de breedte van iets, vrg. njiniivvj^ M. Vrg. C)

(ui (i^(r/ïhutiji\\

zie bij fcidJi mijjs iP) h it/j of lt;tSl (uy KN. scheplepel, alles wat dient om vloeistoffen mee te scheppen {vrg. tj 11 yaj} 2 mijj).

— iTrn unjj of irm hniji gt; met een tjidoek scheppen; uit-, opscheppen. — .x~)n/un^rjnai\\ voor emand opscheppen.

rrj w ijiimwi/iMLU. scheptuig om visschcn in ondiepten

te vangen {vrg. npi nnjj en ij w rj

tforriiitHvjj). — 7^tj) ijdj)iityj)anjj\\ een schep, bij

scheppen, rnn o ^0 by herhaling sëmbah\'s maken.

fern itJ) ? (hJ0\\ één keer een sëmbah maken. ^ co* ) C) quot;) )

/ 1 fu^, Mnfj \\ KN. by^(b7i^\\ zva. \'i \') rjfïoi 2 ihii tj

rj iuï) i (vm/jn ZG. 1808, 312.

jj)?^fij)?(bw^\\KN. een soort van groote vleermuizen,

die op boomvruchten azen {vrg. auu)).

r?«Sflk^\\KN. gering, laag, het gemeene volk.

o

UKiJiiru/js rj(tJi(io)iru/i\\ zte

\\ KN. gereed, gereed zijn ; zich beschikbaar stellen {vrg. (Kniwt en oJiijaJit). (QiJi(ih\\ iets in gereedheid brengen, zich met iets gereed houden. — ^foinj)n beschikbaar zyn. — dTmahs vooruit bestemmen tot of voor iets {vrg. vm nj)); iets gereed hebben voor; iemand met iets wachten. — irmnj) af!\\ iets in gereedheid houden ten behoeve van; bestemmen voor. — tntiJKvn on/i of $ 11 tot vn (m/js bestemd iets , om iets te worden ; wat voor irnrtW beste is {vrg. dJ) (ij) tv; aojj).

i i iific)2KN. het bij elkander opengehouden wordeH

H

van beide handen om iets te ontvangen ; gereed zij;8|

om iemands hevelen te ontvangen ; iemands ram.l , . x O O O ! .

soen {vrg. loaci en (ismn {). nji(tgt;nlt;ilt;nj^ \\ kip nieti naar boven gekeerde veeren aan de krop en aaii de vleugels. — tui gereed staan om runt.

soen te ontvangen; wachten op iemands he velen. • 07» ijnj}2\\ de handen openhouden om iets te out vangen; zich gereed stellen om te ontvangen; een bepaald rantsoen of vast traktement verzoeken te ontvangen. — ecu bepaald rautsoeo

geven aan.

0 Qv O o~

1 ) io) \\ zzr !ié\\(i.j}\\\\

. Irï 2 IJ ? M fUn tj 1,7/11

/OJ lis \\ KW. zva. IK) fciw IJ 70) t VJ (lf\\ 2 IJ (Hl 2 Vj\'IK 2 % \\

1J US 2

:7j) (in \\ Kw. zva. (un ^7 quot;m zie jj) q (tii \\\\

zie boven.

.iji (wt tw \\ KN. heil, zegen; versterking, verkwikking door spijzen , (PM.) WW S hm \\ K w. zva. dn 1 \\ en ani a.u w/j {vrg. 1J) ui mi j en oo) •ll/) h)i). i70) .twpo) (tvi kn. dai tel en spottend vrolijkheid of luchthartigheid betoonen met gebaren en met woorden. —r.?n tw xPtu lt;lw n een vijand uitdagen met dartele, spottende vrolijkheid o/lnchthartigheid.

naam van een soort sterke drank, die door Chinezen uit Icetan gestookt wordt. )5)/h/ï/k))^kw. vreugdegejuich {vrq. n?i i tt). i i niijn

(v\\j)Dfnji\\ van vreugde juichen.

o / cquot;gt; O

i i (til do) \\KW. zva. om (cr^ 11 san/j\\ {zva. lt;amp;) a i »ƒM

fl^\\ G. Vrg. r)?)iLL)\\).

na • 7 •• o

K ) (LD (Wi/j\\ zie bij (hJi tnisnjjs

\'/o?/i/i^(is))^\\kn. smal; eng, naauw; het tegenoverge-

lil o o ,) ,

stelde van rjmn2 ^7ikni(unjj zva.

0(ui(ij)(en rj(h^\\ weinig verkeering hebben. 0nji iny (in rj au \\ zich weinig in de zameuleving laten zien. — 77?/gt;nAjjj.ii»rj Kn\\ smal of smaller maken, verengen.

(u^(Eijj\\ zie o/ï)(Ujj(fjjjj\\

70) thti\\ KW. zva. fa) mjjj inijj\\

70) (f.^ \\ KW. tien duizend millioen {Skr. tja m 0 é, een legerafdeeling, een legioen, bestaande uit 129 oh-


-ocr page 251-

O n

(fj) fin -r) jjijj \\

177

OJÏ fff\\

fantcn, even zooveel strijdkarren, 2187 ruiters,

en 3685 voetkueeliten). •KUwvj.s ava.

quot;\'Vu*

t,i? kn. wie of wat zijn achting, eerbied of ontzag vcvloven heeft. ongev. zva.

/fj) _ art inn ifji^én ongev. zva. r:m arjjj „i { Ks. — t in ia-I 1gt;J1gt; r/ ugt;i\\ acliting, eerbied enz. doeii verliezen.

, ^ ?N _ riiii/ v^KN. breedgerand v. d. onderlip, wat voor een schoonheid gehouden wordt.

„ ^ no rgt;ooo a a o o

of Kt a imp — (IJ) (amp;)?«) i i ii i.n tl

(im^\\KN. langzaam en weinig eten, treuzelen, in

het werk; mg. ikh i^Knjfs — i.iy2(f?i

mus treuzelen , K. I, 27, vohj. Palm v. d, B.

geklets, veel praats.

a

T|IE.)OTNKW. zva.

ie,i^\\kn. geheel zwart, frf, veeren, en beenderen van een kip, en van den huid van een neger. 07 .ü ï mi it) \\ een neger, een moor. saofrvnKW. «ii«. itiv mnBiw

— rgt;ni?j\\KN. vooruitsteken v. d. onderlip, ij ui ? {t ut \'f t \\ ij rm i f i irm Em onwelvoegelijke

woorden bezigen, WW.

\\r\\CY - •

ob)/£/?nkn, vuil, morsig , verontreinigd; gemeen, slecht;

een dief of steler van kleinigheden {prg. (ui 7ri(ui/j\\

oer o cy s er , *

en oj^uii). (i3)(aj. Fji\\ (0/ iK)ajtSi WW.) diefachtig; neiging tot stelen hebben van kleinigheden {vrg. (Q tjrut rj/amp;!?).

/ O

lt;Kj?|\\KW. (uciri(iajj\\

(h)kini\\K\\v. zva. waarschijnlijk verkeerde

vcrtalinj, en is het de naam van hei dier, iw //6\'^ ^ genoemd wot dt {zie hij i ji

wt)); anders, verbastering van het Skr. sara-m d, teef, pk.

iS^tinkn. vnlsch haar dat men in den haarwrong steekt om hem dikker te maken {en dan geheet en wrijm ? ZG. 1876, 418.); de staart van

een wilden stier aan een \\amp;ï\\s ; naam van een boom, die tot het geslacht van de pijn- of dennen-hoomen behoort, de Casuarisboom; naam van een soort van kip met lange, fijne, pluimachtigc veêren {Skr. ij am ara, naam vaneen beest, de bos gnimens of Tibetaansclie koe , met zeer lang haar en lange staart; en een lange borstel, geto. van | het staart haar van den hos gr aniens gemaakt.

om vliegen en andere insecten- ie verjagen).—o» van valsch haar voorzien.

plat voor het vrouwelijke schaamdeel, WW.

fj) iFyrta.yjs eigenn, v. e. panakawan van Ardjoena {Gala-gala).

o o o

11 thj) ïnyi \\ — ,?o) (Li ïnj ihijj \\ arm OjI urn thnjj \\ k N. ver-

o r» o

snapenng, snoeperijen j vrg. (Kntvnfamp;i nnj\\u) iuq en (tj) \\

id (fjj iKï^fjs KN. ; Wj^jj nnijj en ititi rr^ hip^

de lippen en kaken bewegende , kanwen bv. zooals tandelooze oude lieden doen.

(ü!^ ktt^nKN. w M int \'T» n een soort batiksel {B.)IU\\. kri iQ irnjj \\ lage stand van het water, zoodat de grond hier en daar nog te zien is. Rh. volg.

WW. zva. aJ) Li itJtfn tQ/Dnnji\\

O o C) o O o i i• , .

ui vi (iJi iEA (Hryi^ de lippen gedurig

bewegen, dikwijls snoepen, WW. vrg. rijl/amp;!f\\

enz.

aj) ijiEiitnyjsKtf. een pasgeboren\' lammetje, geitje of

bokje {vrg. fitiw^i).

o o o o . o o

(ij) (fj) am fj \\ — nn oj) ild trnjj \\ zie (iji (ei q \\

ci o a n

OJjj iE/l imjl - - OJ^ :IjI HO) 11 iUV fj \\ - KT) ^ (El U)^ Of)\\

fj) i£)anyj\\KV. touw of lijn om een vaartuig te trekken. — rnn £) (is))jj\\ een vaartuig voorttrekken. ■i\'j) (snnyjskn. oj)ui (rj) een siertje, een beetje, WW. h) fE^asr)jj\\Kii. gew. in) ij) (Ej (wyj \\ de lippen bewegen, zooals men doet bij het moeijelijk slikken of het

inhouden van het lachen. Zoo ook fa)(fj) ^ kjj(fj)(E^

-Of) ) ) on

iisnji of x n i ) f) in /j» ^ i md/j en i. n n f ^ iitf)

n

ilj) )] t ) 2 iDJJI \\ ZVa. ij i j) )j l )l ih))/j\\

rj ie) ijiEj12ibgt;))j)\\KN. een klanknabootsend woord voor het schielijk optillen of opligt en van iets met beide handen of armen : huup! — rj.i.m rj (amp;) i asr^ of iS )j vj K) tj /E) ? iisnji \\ met een huup optillen of opgetild worden. — rj) ) rj (Ej)i rj lt;1,11 rj dj)i (vm/j en rjtrmrj (E)d oj Dsnn yj (Ei 2 ook vj n (E) ij asn ij (E)^ n hier en

cy CY

daar vuil, van het aangezigt {vrg. n iei).

)ft)j)2 ij w2 (ivyj\\ KN. )jiiJ)tij (e)? rj dsn i ij ea ? iisnjj\\ tast toe! Rh. — y w.t. plat doorpakken,

of tasten naar.

7 \'1 7 U11N 7 \'\'0\' 7llj) n1 ? N 0f \' * 7 f i 7 n7? s KNmc^

een wip er opgesprongen. •— i) wn ij ff d \\ enz. met een wip op een ongezadeld paard of ander heest springen {vrg. nj i *» irn y f \'m uji


12

-ocr page 252-

178

c) a

Kn if t

O rt C) ^ n o

KT) ^ i iti/)/j\\KVf. zva. oD^ j rr^ t\'w -r \' ) ^ \'

n,i(HTj)\\ ij ni 2 ihii fan 0kn. een bete broods.— withJi

) O , O lquot;) c) o

til VU I I if l H 7^\\ ». » ) » (f / M-/

aanhoudend iets in den mond kauwen. — *7?ï:i im wi/is gedurig van tijd tot tijd wat eten of snoepen.

O

(K^i^frjrtuji^KW. zva.

^ ui e ij ei jli/js ij mn z ij ifji wi/jn KN. knorren , vry. i/y(

lïji ru/j en i] i m 2 rj n iru/j \\

ii (U\\ KN. juist of volkomen overeenstemmend «/gelijkend , juiste gelijkenis , bv. van een portret {vry. m njiinijj). (tin tip \\ juist op of in iets passen; juist of volkomen overeenstemmen met iets, dat nagebootst wordt; volkomen gelijken, vaneen portret ; nu ;y ï:y \'^i \\ volkomen rond. 0is7)» noji rj iriri ? •rj\'^his volle drie maanden, Waj. II. 07, Rh. — iii^ininjis of riri jjw!hi/j\\ op iets anders juist passen ; juist van pas van grootte voor iets-. fK^ipNKN. dóórdringend , van een gevoel {of smaak), dat verder en diep in do zenuwen doordringt; (w/* zva. hei geheele lichaam verkwikkend,

hv. van een frisse hen drank. yjiw ? a5i cKTiifi ht^ (L/ii,\'i^ \\ hei drong mij door hei geheele hoofd, hv. van het geluid van een zware klok digt hij de ooren. — n -q mi \\ oorverdoovend.

gS) (bi ^ i\\ KN. benaming van verschillende soorten on-

hamige padi; ook naam van een land.

SjiT^ amp;i ^/\\KN. eeii lam; ook een jong geitje of bokje {vrg. (kii7)lt;e,imvji).

(hJi Si \\ volg. \\\\\\\\.gebr, lt;wi ^ f ■gt; -» n kn een bepaalde hoeveelheid, die men denkt dat juist voor iets noodig zal wezen {vrg. (Kj^ ri~jj). - - r.ir^^iti .ipj\\ voor iets een juiste bepaalde hoeveelheid stellen ; iemand zijn genoegzaam deel geven of toemeten. —

1010^ijn i\\ zva. j i f hn/j\\ unai^ij

rj iea ^

(Kjidjijuist genoeg,juist toereikend, juist genoeg hebben , overvloed noch gebrek hebben. — T.ir^ ijtEi -li ujs iem. een voldoend onderhoud geven. — mKKnij ei (in/i\\ juist genoeg hebben, niet teveel en niet te weinig. — aj^rf f i in,j\\ juist genoeg, toereikend.

wï^ï^i^nkn. smaad, schimp; versmading (vrg. i i n i); ook te vlak liggend, ie weinig hellend, van een dak» iQiji ei ^^ \\smaad, .l? n i i f 7 ^\\ zie bij u rn \\

IV; j i tij fi.i^ (Dam. W oo.) gesmard, bevit worden!

0 , O O

— nn iEi -1 f uii \\ qf imi Kjjj .ei - ? ^ nm \\ smaden schimpen of vitten op. — i !; » im ^i^n/n an^ ge, smaad , gevit; op een ander of elkander smaden

i i \'Ei ^ j j \\mN. handgemeen {vrg. i i ^mnjj en ki i i \'Ei - y gt; (ijtni {of (uh .7^ • r] (hnjj of idïi iui) hand-gemeen worden in den strijd, w vi^/izShiSh

vleeschelijke gemeenschap hebben.

/•\' s n S

11 \'Et KW. zva. i n ij \'Eig\\ asii e i — ^ n en ij i 11 njcxww

KN. gemengd (vrg. i i ei en i irj ^O- Am

ti\',ii/j0\\ gemengde kalk, kalk met sëtjang of koem

en klapper water gemengd, om bij de sirih gebruik

te worden. 0r:n cenige onder elkander gemengde soorten van bloemen, .»?)tuix-i . jain tui \\ olie uil verschillende bloemen gedistilleerd. — zva. vhjiEunis mengen ouder , vermengen met,

— min ei gemengd mot iets, dat eronder of bij gedaan is.

i i .f i Si n ani/j^ oj i rri iisri/j\\ KN. naam v.e.boom^W, iiiEi ^ij:n{isii/j\\ KN. steel of stokje, gewoonlijk van hoorn, aan de wajangpoppen, om ze in de pisang-stam vóór het scherm vast te steken, e7t aan dt handen, om die te bewegen; zie i.i(i j ^\\ Rh.—

vin in n een wajangpop van tjëmpoerits

1 ) ■gt;

voorzien. — rnn lt;ei -jI ni asii ij mi \\ een wajang pep van tjëmpoerits laten voorzien.

ri f1 KN- ccn \'n de vorm van oen kroon gevlochten deksel over een lijk; en een kroon van woud op den jop van een berg; ook naam van oen berg aan hel Lawoe-gebergte; een harpoen mei drie of meer punten {vrg. i i iei-/lïl\'i). ook zva. n

\'ny

rj inij KN. ontoereikend, niet genoeg; niet 1

genoeg geschikt of bekwaam {vrg. (kjjm tuuy en iisii rij); o.r. benaming van een soort van kleine prauwen.

i i ei mi \\ of i in.\'t mi \\ KN. 7iaam van een boom mei tulpvormige, welriekende, witte of gele, bloemen {Skr. tj a mp a k a). ui i^ ft lt;» » i n \\ topaas.

O • rn» n O

i i e i. i i(i/f\\K\\y. zva. \'Eigt;ifji tiwjj^ m Ij. winity oj

I ilSII/j\\

i\' iiei . i(ia/j\\KN. zva. iQij ip i\' ii/j 1. zie uS) ei ~

rj (E i . i O

.771 iirnjj

i irj f i . im/j\\ inn tj ei . hui j

rj biiicni /j of i H rj isnl i\'ii /j N i t\'»

n f f

.i.rhriquot;0. WW.

0 ci Ü

1 i iu \'im/j \\ w


-ocr page 253-

1 IMp

nQfc

179

O

i;y 7,7 ^ gt; ut vj s

zva. i i n t-n /

atn ijasnitrnjl

KN- «f«. nmfvittys an

auu)\\ te M. volg. Bh. «Jm-iiwj) em. ^/^«sii^nKN. scheldwoord, lcelijkert! ooi liwnj nnjjs tegen een wellustig oud toijf. Tj. /f) ^ KN. onevenredig dik van buik , tww ook van voorwerpen, ïincrmuyi {vrlt;j.

£?(amp;in|). — hetzelfde.

;. ; \\ KN. rond en vooruitstekend, de buik {yry.

lt;cm (E\'i -»\\ heiz

i ]/u Si en \' »

dikbuik, kort, dik en rondaclitig met een dnnne steel of lials. — / gt; ieji^.u (}njj\\ lelijke dikbuik , als scheldwoord; oj. benaming van een groot soort van djoekoeng of kano.

j n tj zie rfi *

i].f). i n i\\KN. naam van een stak hout gt; waar mee de

Balawj onder de vertooning van tijd tot tijd op

O

de klaphoutjes (jVm lymj) slaat, die aan de buitenzijde van de wajang kist hangen; ook i in . i iit/is of iwif.\'i naam van een rijk {Skr.

PantjdI a y of P a n ij dl a-r aj// a). — .r nnnt mis met de ujiiui slaan op de ii{ri(iijrunjj\\

Waj. II, 10, .\'i v. o.

\' V \'f1 - \'7

O

i. i ri n i i\\ zie t) n r

[thiiM i^n^\\KN. — abri iM-jf afsnaauwen. WW.

O C) • )

ii ) f i zie i } (U ^; inijs

iïi it) of i ) ifj :irn/j\\ KN. kort

en dik van figuur of van vorm, als een hvji {vrg. i i ook ongeveer hetz. als Li

n} — r^n \'hiTti }wji\\ een kleine vooruitstekende buik hebben, (Men.) Rh. een dikken buik hebben ten gevolge van veel eten. Tj.

de jonge vrucht van de tamarinde. trmiLi spijzen met jonge tamarinde

mengen; de ut evenaren, bv. iinKuirj

Vall fiO- i8!»\'-) iemand het verzuren, o/, zoo-als wij zeggen , verbitteren; en iemandgt; die reeds boos is, nog erger verbitteren.

o©?J\\ zva. ajtf£}\\ Tj.

een ladder met gaten, bestaande uit

e\'e\'n bamboe. ZG. 1882, 139.

O .

v W jjisKN. laf, flauw, smakeloos; waar zout o/krui-derijen aan ontbreken; ook fig. flauw, onbehaaglijk (wy.

0 fquot;) a* . OOv

1 1 IF. ) jJI \\ l~ttl !f l yl \\ Zie I 1 (Ijl w

i i ^JjnKN. het geluid van geplcf in het water {vrg.

iio ij); ook naam van een lekkernij van pisang of katél\'d. i.m itji n\'i \\ zieli in het water ploffen of plompen , in het water gaan, te water gaan; fg. zich ergens inploffeu of inplompen, zich overgeven aan iets, zooals het dobbelspel, ook pisang bakken, tjëmploeng maken, dnn i w in het water vallen, ook in een diepte neervallen. — a^\'fi ti Jy diep getroffen of ter neergeploft, van het hart. R. — r.m n^yls in water, of iets daar water of vocht in is, iets ploffen gooijen of doen, in het water springen om, nl. mei ren doel.

n hii\\ iets in het water of een vocht, of ook in een. diepte, ploffen, gooijen of doen.

11 rj u yit\\ Rh. ongebr. ii ij a\'/i i \\ zie aid.

a-iji KN. een klein niet*doorloopend gat {vrg.rjm tj (Fi fit). — ditj * i ^i ^ diep en nauw toeloopen , van een gaatje-, diep zijn, v. e. wond. njiihinui

(J) A\' # fiS

\'Yiquot; / yi \\ overal niet zulke gaatjes. — il/kkjiic} ^is of uji uj yf i ^i\\ ben. v. e. belasting, bestaande in vier strengen garen en vier dubbeltjes per djoeng, door de dorpshoofden op te brengen aan de leenbezitters ten behoeve v. d. Vorst; in de dorpen een belasting op de deuren, van twintig cent voor elke deur.

(Kiji fjin kn. een van zelfs afgevallen kokosnoot met een gat, door badjiuga doorknaagd; en een doodshoofd, schedel, bekkeneel (vrg. (kji fi ^s en yim

vquot;

)ji i?oi(tl yi?\\kn. doorloopend gaatje, zooals in een plank of oude kous: zulk een gaatje hebben (vrg. aji r i fi). (ui foiïiJ)vj\'rid ij (f.i y^i ? \\ overal met gaatjes. — ooi ij ijl 2 tj (hl Ji 2 (iri injj met zulke gaatjes doorboord.

ïi iFji~jjji?ï\\ een harpoen of korte spies met een puntige weerhaak {vrg. fiiu ^ j\'n). * O • O O

/ 1 (F:1 - J (IJl IHVJj ^ Zie (IJl (UI (IJl ilCIIJI \\

QiSt (Si \\ kn.; (ui (éi iejkïji S (S\\ de lippen gedurig tot lachen plooijen. —thniamp;i(u\\ zich tot lachen plooi-jen, van de lippen.

i\\i rj ifjItj ifi \\ kn. naam van een wilden boom.-WW.

ii if i i{ i hti/j\\ kn. lii Fi (F^\'j^ (Qif i i\'iifj klanknab. voor het druk ergens komen, of aanloopen, in minachtenden zin, v. iemand wien men kwade bedoe-

12*


-ocr page 254-

180

ihi (t\'t \\ co

Vingen toeschrijft.

foj /sHii/jn wrj cfjivj (Bi }{tijj\\ kn. plat voor het vrouwelijke schaamdeel, AVW.

i:i HHjikn. ifi f! (amp;t(tfn (Eft iHv/j \\ in het donker ,

of door zwakheid van gezift, rondtasten, WW. 10» n KW. zva. (infaitsn/j\\

f»Sgï\\kw. zva. Soi

(KTjjif y KW. zva. ih\'tjj m kx. mak, tam, vanbeesten; fig. van een mensch. getrouw, handelbaar, m van iemand die veel hij iemand aan huis komt {vrg.

en .Hr^rjhet haar op de grooto teenen {vrg. en zva. n»

ihi un v) Mijl \\ lijfknecht, — .rin een beest

temmen, mak maken. — ^ ^ /f.j ? (hnjj \\ ten|^(\\ar , als een mak beest doen. — ^ tj iew.

als een panakawan dienen.

zie

KW. en kn. de bijslaap; de bijslaap uitocfonen (Skr. tjoe vi ha n a, zoen, gezoen. Vrg. iu /fj\\).

71

nen in den zin van beslapen.

.m j i \\ KW. zva. \'t\') r i ^iw co

{vrg. Ki tZfj.). — rm ti vfiamp;u^s iets mengen, zamenvereenigono/aanmengen met iets anders, wtwrj/EM\'-r}(Hi/j\\ gemengd raken ; veroenigd raken met iets anders. — r » tftjnn w/j\\ mengsel, aanmengsel; gemengd van ras of soort, in tegenoverstelling van nsn rj n.i anjj \\ ook zamougesteld, van een woord. — iuiE£t\\

vermenging; zamenvereoniging; zamenstelling.

) o o . c\') o r» o o

\'hi dm/j\\ zie til it* ~ iniiwjw ni-niiV/j een soort

gestreept goed. WW.

Tji \'■gt;lt;hi/j\\Kw Jf/.jaloersch, ijverzuchtig; jalocrsch-heid {vrg. r.nii,!) .i./i ajt ^ gt; (hn/j).

of itiii0\\ kn. naam van een plant, waarvan de vruchten ij i n ? ïrm \\ evenals tamarinde gehruil\'t worden om spijzen te bereiden; de bloemen worden gebruikt als (running en sajoer {lymmrjajn). Rh.

dJi tfjj\'hv/js zie

ij)^.ini/j\\ zie tut Kiyi \\ ook dialect, voor yj w ij

Rh.

\'co S o

r/ (rut n

1. kw. zva. ui)ifr\'itru/j\\ 2. td. lt;hj) fhtvt/j

. ) n o

hvihi hi^ t} i/js zva.

tj »d j i-ri t n KN.; ij irmi ?

rj) ? n verstom\'I van

verwondering {vrg. rj na ij an?), hetz. als rj i.s? ^

dj) thji \\ kW. zva. if miirjaa(rri/j\\

ihj) zie bij wrüw - r.in op zijn hocdd

zijn voor dieven.

*nt hi (Èii \\ zie aid,

CO

Ou C)

i}Jt tf-.i \\ kw. zva. nn(Ft\\\\

co co

IJl IF)\\ kw. zuur: kn. (htlt;M\\ co co

) • 1 » /■ Q » c)

j /»j /gt;j?\\KN. himitif igt;\\ of tniKi} n(tji9\\ zva. in)tl

\'co \'co \'co cc\\

■ ) i.Ov I » if •! w co

gt;ƒ do» rj naam van een Chineesch feest.

id gt;} iiPi \\ of 11 ik i rPi v K N.; kit ifM\\ KI., karwats (Tamil

s a m vi a f i of s a mat ti ) een PrdkrH-vorm va»

het Skr. tjarmajasjti. pk. Vrg. n/ta^dnij),

— iin 11 r?i \\ (tct\'rts met de karwats slaan.-cq

l i ij ipim ~ n n hii\\ iets bezigen als karwats.

) ( O ) a . ■» . . ) . x

n.fi\\ im f i \\ k. van i n ivi \\ ii (iji\\ {vrg. wij)).

) (Pi o

t j) r 111 mijj\\ k. van i li ii Jt vi nn/j en van tuin

ook benaming van den pasardag 1/égi.

iji \\ kn, metalen kom zonder voetstuk.

m»\'»^m\\KN. het jong van een kat, een jonge kat (yn/.

isïm ti). WW. van een t?u ih\\ N.

iJrj \\ en •tjiii ih\'i\\ kn. babbelachtig, praatzuchtig.

— iTi iïi ij h i f \\ i./ rj ui}. (ii \\ babbe len, sprookjes

vertellen. — \'hi ly tj ii2\\ wartaal. ^lÈio^vjitih

{of inn ry ij hi f \\ Tj.) van den hak op den tak

springen ? wartaal spreken.

Ij H.Ti gt; if\'t n zie (hTI tj 7 7 f w

rj hii t ij tfi 2 kn. bevlekt, hv. door olie of inkt, ook

een zwarte vlek , een moedervlek hebben.

h^ki i t^\\ verb. v. hin{ V J)W. 22.

ut ctiiji of hi m,j\\ kn. klanknabootsend woord voor het pakken of aanpakken, voor vlug en knap

handig aanpakken; bv. n iij/jnitii.i ofnawnrn un/jiimi/fs fltiks pakt hij, of pakt hy het aan.

( )

m i... Oh

houden. WAV.

uirn-i(ytianji\\ dc handen niet thuis kunnen

7tK1} Vl/I ngrondw. van )j iitjij) als uitroep conform ! ook voor quite! by het spel of na verrekening van een schuld.

ijihj) i nru/js ongeveer hetz. als )ji-i nn^^

ihj) mi \\ zie ij (hi i )j miiw

)j hj) 2 rj cnii\\ en gt;hv rm\\ kw. zvti. i\'.}) ui ^ctjjs beest; kn. (rf(Kntlt;rflt;mi\\ dom, domkop {vrg. ij)t\'i\'ij)-ij dj) t ui) ut ijhj) i Yj cm z \\ zoo dom als een beest. ii rnf\\kn. ongeoorloofd, waarvan men zich onthou-


-ocr page 255-

j crr^

181

deu mooti onthouding; verbod; beletting, verbin-iloringi zich onthouden vim -ieit, hv. van wijn of van slapen uf eten (vrg. i.ïrn mj)). i h iw?\\ zieli onthouden, matig zijn. — r:mc,ngt;\\ van iets zich onthouden; iets, hv. eten en drinken , onthouden aan iemand, iels beletten, tegengaan.

benauwd, beklemd, op de borstj benauwd , beklemd, van de ademhaling.

,, ijrmirf-t*. arm, behoeftig, WW,

ajm Ti), kn. vast, wat vast staat j ungotwijfeld

gt; ) ) ) iï o, .

(vrg. tjrirrn\'. dmiigt;u iiJiy\\ ii.ii cn tu^i); oox een

afperking in \'t water om visch te vangeu vóór een

riviermonding of inham (/;;•lt;/. —

r.in wrrt\\ iels tot steviglioid van ifts voorzien, om

het vast te doen staan; ergens een tjtigér zetten.

xnncrnminiKns oj) iets vast rekenen of staat

maken.

Öam .L^ /tj\\ en I la y\\KN. geplol\' of geploinp van iets zwaars, dal in hei water valt, of van opgestuwde neervallende -(jolven {vrg. anr^p

/ O . X : ■) /* r~) X ; ■) en i — r:in \\ tv))rm \\ en i.m

o^n zicli plomj) in liet water laten vallen, mii i

crn\\ enz. onvoorziens in het water plompen. —

rm enz. in //et water zich, of iels plomptMi,

laten vallen of werpen, zich in het water werpen

om, nl. met eea- doel. — ihn uo\\ iets of

iemand plompen, smijten of ^ooijeii in het water.

/ . /

n.^ ni\\ zie (te^anw

oj i} ornKN.vast er in, ükseh er in, vastgezet, stevig

geplant; ükseh ©ƒ goed raak {vrg. i. urn),

cy

ij ii(tn\\ zeker van zijn zaak, vangst o/winst; niet kunnen missen.

•ij Mg »ƒ (/Vin kn. voor de tijd padi planten. —

tj(fn\\ rijstveld vóór de tijd beplanten, of vóór de oogsttijd snijden. — rj t ) i ij mi -r» ctn^« hetvoOr de tijd geplante, of vóór de oogsttijd gesnedene. gt; ) rj(crr^iHjirjurr^iniyj\\ kn. het kraaijen van een hoseh-haan. Kr.

wi kn. stut, steun, stijl, stuuk of paal om iels te steunen of in de hoogte op ie honden {vrg. \'ViMnf). (jj) 077 ^njjj q \\ plat voor hoofd. r»«r» rr)\\ een vlaggestok. .w cminn een

kruis. ;j) rm,kn Jn ij 111ttnyj\\ middel om de oogeu open te houden en wakker te blijven. — i.mcin m^\\ onderstutten; Jig. iemand ondersteunen; als

een stut. 0^ tu\\ hijzonder fatsoen van een kris-scheê. — nu min?!\', mv., en iets stutten, onder-stutten, vaststutten. ,

lt;/ j?(tr^kh/I\\kn, 1. domoor G. WW. {vrg. ij i.i* rjim). 2. de hik {vrg. hiitwunjj). 3. naam van een hoorn , V)aarvan de vrucht tot \'medicija voor vrouwen gebruikt wordt. 4. {uitgesproken met zachte oe en duidelijke k) het geluid van de keel hij het inslikken van drank, ook i.i ^itjj; en zoo ook i ) riem 9 mi/J {met duidelijke k); en dit ook voor plof! {vrg. i J rnjnri/j). }lt;^/}* dat geluid

geven bij het slikken, ook zva. ayeck-

sel inslikken; fig. erge trek hebben in; vrg. ii\\ (Joes.) Uh — iJoiit^m/i (r,l0f i 1 ij .rit i mt(hyj\\ slok, teug. 5. ligtgeraakt, Rh. O

vrg. (ij^ nil (isii/j\\

li gt;1 m khji^ klanknah. van iets dat valt: plof, op

eens, eensklaps, WW. volg. Rh. kortademig.

) . ... lquot;)

uiDj rm Hrijj\\ zie bij i i yfj miq \\

n i zie 0.^ rni tnji \\

ij iji rj cm miji \\ - - (in rj n i ij m} mijj \\ een zekere periode

in den groei der blaadjes van de padi, SG.

rl )n ihii/jK\\.; itn ui zich in de weg stellen,

om iemand, af te wachten of tegen te gaan; iemand

ergens tegemoet treden. — rtticmasn\\ iemand zich

in de weg stellen om hem de weg af te snijden ;

tegengaan, — honden.

\\ hj mil (unjj\\KX. stuk gebroken of afgesneden, bv. van

een touw {org. (üivjio) i tunjj). lifn rj mi i ihnjj\\

stuk breken of afsnijden. — téin ij imn?n\\ u a

If (IJl i nsv w

ciiin-,n^ kN. geraakt, van iemand die zich geraakt

of beleedigd gevoelt, oji of 0iifn ij nsn

o o o » \'tgt; O o

(hi/j\\ N.; f i iy k., cm tLi;\\ ook miimi

KL. ligt geraakt, volg, Rh. (hj^cfon^tHi^mirinsitorijj enz. kort van stof, driftig.

ij i n gt;1 rm/(ïh/j\\ kn. nm. v. e. n.i^^\\ vant bamboe

pet o eng van één geleding , ZG. 1882, 135.

i r moLJt .rr}jf\\ ixniiJi (iii/j\\KX. stuiten; in zijn voortgang belemmerd worden. — ihii versteld staan. WAV. vrg. ik rmfij)ern/js iji i^(tiiiiLtn\\ ij ik ij om (KICK\'S, plat zva. mi irvi \\ ? WW.

l i (rij eni/p KN. het geluid van iets {zooals een steen) dat in het water valt i plof {vrg. \'hicrnuvjjs 4).


-ocr page 256-

182

O

a j) rj cni crnjj \\

(fntj on kn. moede v, 7i. hart, verdrietig. quot;NVW. (U^cri) otiji^ ook wel of ae^cm nr^rjKfi. ten

einde, afgebrokQji of afgeknot.—(mijoncni/j\\ ieis, zooals een verhaal, eindigen of afbreken; een to eg afsluiten.

Jj} vn^fj of (Q(uji \' KW. het geluid voor het steken in een week voorwerp, zooals een pisang stam , zva.

ook steken blijven, uitscheiden. «Tï^N het herhaald geluid van een menigte, pijlen bv.y die ergens, zooals in den grond, met de punten in steken en blijven zitten. — nmirtmr.iiq of (utivj}ri (uji en (tmrfni tvnyj\\ zie hoven. — ihni.nj nzrtj)^ en urnij) (vju of dm fLi (uijj \\ zieleneden.

rj i\') t xrnj ZZZ ^ i t ? (u^/j \\

flj) (1777 \\ KW. ZVa. (L/l iï\\J) \\\\

flji7^rn\\KN. lange Spaansehe peper (Skr. t jaw ja en

tj a iv j d. Vrg. gt;ƒ nvi ? ^ ? 4 ^ ^

(xjaj)). — a/r^murjvns naam van een soort van

kleine slang. 2. wit van kipped rek, ZG. 1870, 292. o

(tj^trti\\ (KJixni\\ zie ij(i.i2itniw

O o . .

^ flj) 2 ii7r,\'n KN., ij (ui och gt; KI)., (hJ^ii:n \\ poet.;

frjwziin)nwjj Ml., proef, beproeving; oo/^tot proef, Wrtar eens zeggen {vrg. iiflt; u^itn/j en / ;u.) ï.»^); tp. voor zoo, als, indien. ywidTnoi Kievnis proberen. ^ flo) ? 177? no /in)!} \\ had ik het eens meegenomen (zoo ik liet meegenomen had), dan enz.— (n 1:777217)7\\ proberen , beproeven; passen, toet sen, op de proef stellen. — tj o?/ ? im ilt;n ^nt n x n \\ met o/ van «Wj de proef nemen op iets, of om er iets mee te doen. aa/j . om te proberen,

iets dat dient om iets te toetsen of te beproeven , of om er de proef op te nemen; ook de pen daar men netten mee breidt, y 1121777 .1021.11 an/j proefstuk. — (ut rjnmm asi/j middel om te beproeven.— CV

(ut 777j) ? 17)7 (ttfj (HTjj Ml. en oj. heizelfde.

(htaTrtx-ti/js zie a i v:iiijj\\

(tjt ittTnkn. magteloos , onvermogend, om iets, dat men wenseht, uit te rigten; magteloosheid, onvermogen {vry. )- ) ut). 1 t xm n?ti mta tfj zegt men van iemand

dien het tegenloopt.

O / • O /

(707 (177^ \\ IJtntjW

o s o y o » i • i

aO)(177^nKN. ; (t iiury-tianji en iht^nt^utan^ rondom zich

heen slaan en plassen, zooals lij het laden. Vrg.

Q / O S .IK 1.77 \\tlt; (Cl^ \\

rn^iunjjs kn. vuil, smerig van den grond.

ook van den mond, of lippeh, die hij het spreh

vol spog of speeksel zijn.

o . o

(«77^117 N Zie (If^ 1777^ 117 \\\\

0 . . , o X

(tJi^jdn (tnjjs zie bij 1

7071777 007 /j \\ een nachtvogel, die * s avonds en\'s

op een paal of boomstronk zittende, onophonde\\è.

het geluid ^ttj^ laat hoor en en daarom ook u

itwji gonoemd wordt, t\'iigt;titj11 arn70710tl

voor hij steekt telkens den mond erin.

70)177^707^ 1. kn. hot overblijfsel van de widjen, ali

de olie er uitgeperst is, dat door de Javanen gi.

get en wordt. 2. Ml. Pers. zweep. Zie 1.711 i.nj n 1 (1

7 7 1777 0.77^ TP. ZW. (bil IU JOJflS •— 177)) 17)) 707^\\ 2fa

(in (ut nat j en ari(itti ihvjjs ook wel voor 7.^ lii 177^io)ynkn. naam van een insect: de katjaiiglui8( tvw soor^ van platluis, die de katjang verwoeii

/ \\ O quot;)

(vr^. i 11 ij h ii/i). — !ƒ)) ) ifcijjUnjjs zie mi ui i j hiij

a . O

(7- 7177^ )lt;77^ 7 ) Ia)^ 707^\\

(tyiit i.i.pKN. jnist gelijk, bo.van grootte, juist overeenkomen, rekeningen. — int^ idioten (}.|

177]

\' W O

ajiKnr^amlj\\ ii,it (h^ri^ uu/j zva. mh aJi ut (toijjs

Oquot; O .\'■)

177) 7(770^1.^ HH/j ZVa. lillOJ^ Ut 1(IIJj\\

/ƒ772 1777 7. 77^ \\ rj lil 177) N\\

7 ) 17)^ il-ll/j x IK 177^, 1577 fj \\

1 laTt^itit/js Mal vuile, onknisclie tual spreken.

ij i i ij ,1777 f ili/j \\ kn. dwergachtig; dwerg. — )j t i.in

iu ihiqs als een dwerg, Iv. loop en; de dwergen, als een soort mismaakte menschen; ook woonplaats van dwergen.

r I if \'■)) of lt;ie? ij ivo s \\ kn. flauw, gew. in een figuurlijke het eekenis; ook onbevallig {vrg. ih/iSi). if t urj iT7/2 tj ilii kn. ezelsdom {waarschijnlijk voor iji t ffj 17)? 2 /7 (ut 2 \\ en verkort in zemen stelling voor

77 7 7 2 gt;1 \'1112 rj 1777 2 )ƒ quot;^

i l ij utn(ilt;yj of iLi ilvjuflti(injjs volg. llh. ook )-/»ƒ //177• 2(tn(j enz. kn. in liet water staande met belde handen op liet water kletsend verschillende geluiden maken {vrg. gt; 1 t ij gt; i (uijj en i i vij i t thi/j).

quot;) o

7 I 7^77 )i 11 /J N 1777) 7;|7 \'7/77^ \\ 7 7 )^1777i)0)^\\ 17)77 /ƒ 7,7)

/ iijn:]iiuv/i of i i ifiunndijjWiïi. slag £)ƒ klap met de vlakke hand, i i rju^n i.n ij i:iiiilt;ii/j\\ aanhoudend met

O

7.77 (M

de vlakke hand slaan. 11177777 ilt;iirji7|7 Ktt tj asiijj^ zoo muggen vangen; spr. •— (iimrjaw (hiijj\\ met de vlakke hand slaan; iemand met de vlakke hand een


-ocr page 257-

,9,? v.j,l im/l-

183

slug geven, -.m ./1,1quot;.quot;./ V ooA ocu

fooi vragen , iy 0/ , en het spel.

- quot; \'l.\'/\'ö?\' elkander met de vlakke hand

slaan i quot;/ \'ceu ,ooi

jy X-oo/), ïcrfowp oj hel spel.

liet in den grond /.itteiide einde van

iets, if- quot;/ Plant lt;»ii

puntig hout, daar men gaten ineê maakt om ka-tjang, dj arak, ens. te poten, \'een liuis.

waarvan de jmlen in den grond, c« niel opneulen staan. — i nui i.yi i.njjs met het einde in den grond zitten; e» afvallen, enn boottvrnc/ilen (ori/. m rmav/js iiamijiorynn^ en uit de hoogte

op den grond vallen, (:óo van (Hfren: Tj ) mi \'ets quot;iet het einde in den grond steken, zetten »ƒ iilanten; de rijstslmnper {tjntw) insteken, in de rijst om die te siampen. 3\'fff *»#■**. \'quot;quot;t?\' f\'U- gemeen; zie ook ^; i (,1

IHVJjS

i.jlt; kn. ecu kleine lleseh, een flacon voor reukwerk ; óok een priem ovt een (jat ergens in te steken of iets vast te steken {erg. ^ i — met een priem een gat steken; met een priem vast steken. — (Lnj ^ti hij\\ meervond.

uii/j\\ kn. algeuomeii, van iemands apanaye rijstveld en , zoodat hij minder heeft dan vroeger; ook koepok-inenting, zoa. (tjii\\pturiji\\ — Kiiiir^i i,r^/j\\ vftn iemands velden wat aruemen; de pitten uit 1 de tamarinde halen of uitpeilen; woorden uit e(!n

brief of boek ontleencn, aanhalen of overnemen ; , o o

ook vaccineren. — n.n^cy h^js mv., en eenige {plantjes hv.} uit eei» aantal uitkiezen, uitkippen; iets kleins uitpeilen, uithalen ; (verplanten, verplaatsen; gelijkelijk verdeeleu. G.).

V7j\'Klt;^NKN* dom, domoor, botterik {yry. -iunj iifiijj\\ ^07^N en ij i intynm).

gt;1 i-iriuutijj^ KN, planten in de modder, en dus in 7

bijzonder padi, SG.

O o

flj)Kfnifuimvjivkn, vaal, bleek, van öa/iksel; Hauw, zonder uitdrukking, van een gelaat\\ eenvoudig; zonder versiering, van het meublement van een

huis; zonder boomen, van een veld.

O s-\\

i-i) ijr.ndrjnli2(ïojjinKN. ; ïjinrjd-.mrj nit iw y ir.iifrj iLit

een mooi, mollig gezicht, met grooteoogen, van een vrouw.

tu^ i:y iJijj gt; kn. prik, steek; priempje om mee te prikken ot\' te steken (yry. ij hi i ij r.y2:i;t/j). — (i.niKy hjus prikken, prikken of steken in, een prik geven {org. ij hu ij i i s j); ook auerlaten {vrg. vnii — i.ni i^i (w -n rj hn\\ prikken of steken

met.

ij ijif ij i.yiiKi/j\\kn. priem, naald of iets dergelijks, om mee te steken of ecu gat te maken {volg. Rli. het zoo gemaakte nl. doorloopende gat vrg. rji n mly*) {vrg. j jj an gt; j— i] irni27(

iji.niii^ met een ij iji / ij i:n2tM/i stoken in, doorsteken.-— /ƒ mti i (ijn i cut ij (nn \\ steken met. / mjinnkn. i:iniiii\\ liet huis stil verlaten. WW.

i /rij n klunknah. zva. i rn ^iw in i.iji \\ plat voor

kind. (Men.) WW . en ij tJiw i:iif\\ gt;1 Ki /ƒ zva. if i i ij ihii\'\\

ij uitj ijV» i\\kn, pulletje, porceleinen Ueschje, voor reukwerk; ook een kleine drinkbeker, vo/y. Rh. zva. \'ij wtoj ryiajijj\\

/?lt;.»» ijj^ kn. — xrint:ii i.y \\ ziteh uitstrekken van de armen bij liet zwemmen, WW. zie tb im enz. (K^^ i.iii\\ zva. dj^rii een ilacon voor reukwerk,

\'/Ai 1877, 20.

iji t ij i*ii i?\\kn. een jonge kikvorseh, die het staartje nog heeft, maar nog geen poten {vrg. (u^nniujf).

s o C)

/ ) tp \\K w. zva. [i-^ yn ru/js

i:i ij i.if\\ kn. ; ij)rj9.1 i i^i ij vii wegens zwakheid van gezigt {of wegens den duister, B. J. XXIX, 14, CS.) rondtasten, en overal tegenaan stooten. / i li\\kn. 1. goed duidelijk, goed hoorbaar, verstaanbaar o/1 leesbaar {vrg. lh ij l n n i\\ en frn7y^);be-\' paalde aanduiding ; ook van een bepaalde voorzegging. — innps bepaald aanduiden of aanwijzen; van iemand iets bepaald zeggen. — i.iii vi kh ~/n ij niiii \\ goed duidelijk maken, goed en nauwkeurig opnemen.

il ii ci i \\ kn. blind, van de sparrehonters ^die door de kinderen blind gemaakt worden door een deukje in de oog en te geven, om er meé te spelen, half blind zoodat men bijna niet meer zien kan, of

blind aan een oog, van een mensch {vrg.

o o ) » ct ,

iimijj en tuiuinojj). — itn ij np i \\ een sparrebou-

ter blind maken; fig. iemand de oogen verblinden,

blinddoeken, verschalken.

rf i ) (i7t \\ ln. een vrouwelijke bediende aan het hof (»SM


-ocr page 258-

WtyIHV/IS

184

ij hj)dnp\\

ijêti, een vrouwelijke bediende). — ytmntyn als tjèti aan het hof dienen.

het voorste gedeelte van de böbëd als gordel om den middel geslagen, zooals dikwerf huf ■ fel drijvers gekleed zijn en knapen, als zij aan 7 tverk zijn. lt;ini tifn ijiiaz aft \\ of h\':h :i:n aa ij x \'IS

ook de wijze van kleeding van de pand-kawans en van de santana in hun kinderjaren, als ook van elk jongeling y wanneer hij in de Kraton komt, met het bovenlijf bloot en loshangend haar met kammen {Hindi ij old, klein, jong, vrg. rii in w tii\\ bij (U) iii.i). — rjaj}? li zoo gekleedj zoo gedragen, va7i het kleed.

ij tui d ti np n kn.; /ƒ (vnn t tj up \\ een kris, of ook een zwaard aan de regter- of linkerzij , en meer naar voren, in den gordel dragen, zoodat men hem gemakkelijk uit kan trekken. Zóo mag men niet over de aio en-aio en gaan, en zóo is het ook ongepast in het openbaar te verschijnen. — ^i ij np (hi/j op die wijze gedragen, van een kris; ook de kris zdf, Ji. T. Dj. 86, G v. o.

rj(wtirjafiz\\ (of Iftmiiijip2\\ K. 16, 35.) kn. onbekwaam, van iemand die ongeschikt is tot iets, dat hij te doen heeft; gebrekkig van een lichaamsdeel tot het noodig gebruik; in verlegenheid, als men niet heeft wat men noodzakelijk hebben moet. — inajidvjnpg(m/js om zieh te behelpen, tot behulp, bij gebrek van beter.

iQn/risKiï. stijf bv. van de vingers.

O .

«o) np rr^rj \\ kn. onbehoorlijk zitten, bv. met de boenen

wijd van elkaar, WW.

(iQ(^j nrffp i i ^ \\kn. /?^(rh^ .17» (injj\\ in verlegenheid zijn, magteloos, bv. door het gemis van de noodige middelen om iets te doen , WW.

ik tfp kn. r:in i~p stil zitten zonder te spreken in gezelschap, WW.

(ui (ipkn. 1. zva. (in af i K}ijj\\ Bh. 2. naam van een riviervisch, die op ka kap gelijkt. 8. ladder bij het arèntappen in gebruik, ZG. 1882, 135. 4. een toestel aan den rand der bosschen, dat een binnendringend varken op het lijf valt, SG. 5. een soort van groote vlieg, paardevlieg, karbonwc-vlieg; een vloo {ook een uitslag op de huid, G.) nrjijii0 een brutale, vrijpostige, vent. (inna^ilyniq\\ als een paardevlieg; vrijpostig, brutaal; ook zva.

tiw lt;i:hi (Y)i i ru/j \\ GU.

(iJityini^KX. — (iTni yjihiyis gereed zijn, bij dehaii liggen. — (i-niia;) wi^iuiis gereed houden, bij J hand leggen. WW.

v.» tjnpn^s in zamenstelling, anders ■»/#; y p H onverwachts bijten , een beet of snauw geven, van een hond {vrg. i ivj (ui iu^), vj» *1 np wnoy vi onveiwaehts bijten en een snauw geven, fiy iemand die een ander gaarne een snauw geeft.

/ »ijnp? hn,j^ kn. lasch , uitgekeept einde van een balk om het met een ander te verbinden ; een metalcii plaat voor aan de tui inï van de vrouwen; een dergelijke plaat van een diender {vrg. Ki^iyi (uij). * t.m ij up* lynqs zamenlasschen; ook iets, zooals een vlieg, vangen, door met de opene hand er naar te strijken en die dan op het juiste oogenblik U sluiten {vrg. ini.vni iu/j en (amp;}ihiiajijj).— (Cirnjyt

Kt) n iini\\ iels in een lasch doen sluiten en verbin-iiif, f

den met iels anders. — \' } \'f W2 quot;f,*{ het zamcii* gelaschte, verband.

i i ip:im/j\\KX. het gehemelte in den mond; ook liet zacht gehemelte in den gorgel {ijTrnri marrKin)).(i:)riopaan het gehemelte kleven; lang aan

het gehemelte blijven, van een erg bittere smaak.

0 o .„,11 O o - o

1 inpniijl KN. lt;le heup. — nuqji upnm/j of (nni iii

ontdekt worden, bv. van een misdadiger.

■) q . * . .

— r:m np tt ij n, n \\ iets, zooals een misdaad, aan den dag brengen; een vuur aanwakkeren, opstoken.

i i ij tip n iijj n zie j) ij up i.iiji \\

ji?\\ap niyjsKH. vorm; en het voorhoofd van een paard; Ml. drukken . stempelen, zegelen, wactnpnai/j^ gelijk van vorm. tiw^^twnpihrnj)\\Mi. zegelkantüur.

— azinnp(Hiijp iets vormen; iets vormen in ecu vorm , zooals baksleenen ; in een vorm gieten, zooals kogels, juist nabootsen; iets, wat door een ander gezegd is, juist teruggevenj Ml zva. rn i

drukken, stempelen, zegelen, /isr^ nni i:m ip ftii/l^ een steenbakker. — i?)npihm(ki/js 1. vorm, waarin iets gevormd of gegoten wordt. 2. kw. een wrat. — (ui ifjij ip steenbakkerij; Ml. druk

pers.

(hj^iptKiijl kn. een enkele keer, ^00^/5 een dag, verzuimd, ook {of dj^ihii hii/js) befi. v. e. districtshoofd in WJ. lih. — (cujap(hiijis iets, zooals het vasten een enkele keer verzuimen of nalaten.


-ocr page 259-

185

O

n-n ijipdnnyi\'*

O

id r.i tcnfls

zi hn,j\\KX\' iets daar men iets mee raakt, om liet weg te schuiven, naar zieli toe te halen of uit te

peuteren (pty. MfV\'W equot; \'wl —

I imp met iets, zooals een stok, wegschuiven, cm. I/ n/:iphn/] of \'IfWMiyj kn. niet «liep; ooi\' van f een wond en van Iemands verstand, van een niet B diep in den grond geschoten penworld van een loom {tegenover illt; ij-m) VV. IT, 01, 9; ondiepte.

tij i ) ijiLit troffel, metselaarstroffel; ooi schep

of ach up voor allerlei gehruik, voorn, voor hef toedienen van de rijst aan de werklieden; ook hoosvat {vrg. en ijimdif nnnjj). — \'/y iels met een ijnjt scheppen.

— iirnnjnpihfls iemand zijn portie geven. — iemands bepaalde portie.

injDJtt\'rjtipiKHjJ\'* zie gji ioi hnjDJtt\'rjtipiKHjJ\'* zie gji ioi h

ui yi kn. ; a:iii iïp \\ met losse steken een weinig digtnaaijen; in het geheugen prenten, ontlion-den ; iets begrijpen. — int li lt;hn \\ aanteekenen , opteekenen. — iidicr^ti(hijj\\ aanteekening; nota; u inAi0 notitie-boek oj -boekje. — (L,n nn/j^

zakboekje.

(»j) ijnsttji kn. een nijptang; ook een nijptangetje om het haar van de baard uit te trekken, \'hi.?j) i.j ibii/j\\ zich het haar van de baard met een tangetje uittrekken. — i.m ^ iels met een nijptang of tangetje uittrekken.

tijLjuwfj\\ kn. //et geluid tjel oei: geknik, zooals wanneer men de gewrichten van de vingers laai hukken. — ^/^\\dat geluid geven of maken.

— ihn i^ihojjx met de hand het bovenste gedeelte van een halm van het onderste op het veld aftrekken, zoadat hei dat geluid maakt \\ één vinger of

de gezamentlijke vingers doen knikken. — \'i.m o \'

mv. ook pudi snijden al loopende over de

galëijgans, In zwaar bevolkte s \'reken heeft ieder daartoe het regt, mits niet stilstaande en niet van de galéngan afgainde, nl. in streken waar niet bestaat (zie bij i^rr^Jjjj\\\\)

klap of klappend geluid, dat men maakt met de duim en middelste vinger; oo/i\'vasthoudend, niet geneigd om te geven

— zoo klappen. — iQt y np ii^j\\ mv., en tegen iemand of een beest zoo met duim en vinger klappen. — i unj ip ^inrj ku ^ met iets, bv. met vingeren duim, zulk een klappend geluid maken. i ) i kn. kneep met de diiini en de knokkel van de gebogene voorste vinger {vrq. a?) (biaruij) \\ ook naam van een uit ketan bereide lekkernij, van een taaije rekbare substantie. — ximi/ipf knijpen, als boven.

//J tp i-ojjN kn. — ■\'r to?) tptenjj\\ trotseh, hoogmoedig. W W. — ii^iiSltift (i.njj\\ wegspatton. Vrg. farvmni ,i nij bij tu nn • n iLH/j (B.) Ril.

nS) Lj hit/j kn. slaperig, zwaar van de oogleden, WW. t J ip i.n/jn kn. iets, waarmee men iets opwipt eit voort-gooit of wegsmijt; ook koepokinenting, ingeënt worden; zich laten inenten {vrg. ijihj) en i.n/j). .n^n rij li de niantri voor de koepokinenting. — d.nj ip nui/js iets mot een stok of iets dergelijks opligtcn en voortgooijen of wegsmijten; een bediende wegjagen; ook de koepokken inenten. /i/y ip i.n vj hu \\ iels bezigen, om iets op te wip-jien en weg te smijten; ook Aèen laten inenten, y vj) i] 1.1\'Hiikn. het uitkomen, uitdringen of uitloo-pen vau iets weeks uit een opening, zooals etter uit een op ene zweer volg. Rh. liever uitspuiten van dikke vloeibare stof, doch ook wel van water bv. geperst uit een blaas {vrg. rjaj) nnpdiunjj). iinm 11° plat voor if tunènidn }li\\ niet bestand of in staat. (tJi»/ rirjup (L^\\ een periode van de padigroeiy als de vruchten melkachtig van inhoud zijn, SG. — ijirm ij ip ihnji en ei (U) ij up (isiyj n uitloopcn enz. van iets weeks; zich ontlasten, van een zweer; ook plat voor ontlasting, afgang hebben.

rjojiiri ipd asiiip volg. Rh. verkeerde uitspraak voor 11 iij) i ij np 2 iisii/j — ©i rj (ui ij up ? mii fj \\ ook plat voor sterven, K.

ij mi i vj ip znsiijjs ij vmn ? rj l i i nw/j en ceh ijdJit ij vp ? (isn/j \\ zva. rjdjiijnp(bii/j enz., maar in grootgr massa. (Ui y (ui 2 ij up 2 (isojj\\ ook uit de hand slibberen of zich wringen, van een visch of iets dergelijks. (Ki np (iJiji \\ kn. ij (ui 2 ip i^jj0 spraakzaam van een vrouw

die aardig en veel praat. WW.

(iJi i^ w^KN. oTin i~£üJijj\\ er bedroefd uitzien. WW. (Knrjip(iJi/j\\KN. (iQ(ip{KAjj0\\ zonder haperen, i?i het

spreken. WW.

quot;fV™/!\' zie


-ocr page 260-

C)

noi tf ri ? ^ n

18G

a.l 7U^\\

verminderd, afgenomen. — nunp n^/j een klein gedeelte afnemen van, ihitcui(ip}Lyj\\ verminderd, door dat er een klein gedeelte afgenomen is; oo/c uit een troep, hv. alleen gevangen raken. WW.

tb} up tii/j kn /dan hi ah. voor liet afnemen, afplukken van iets hards; het afbijten door een visch van

het aas van een hoek; gierig, vrekkig {vrg% in

quot;gt; ) quot;gt; O co O

r* iu/j ,f.iaci r iijj a^iKn\\ en wrjnp

Mvfl)\' — o/jaf!itujjs afnemen, afplukken, als hoven , hv. van de korst van een zweer. — r/oj oji iMJj\' mimi0 freq. afpulken als hoven. PJ.

npirvyi of (i^iyniu/i kn. einde, slot, hv. vaneen verhaal\', ten einde, uit; ten einde loopend; ten slotte {vrg. (On // (it^aoi iu/j en tul hu w üt thijj).

i:ïïilipiiJiji\\ den mond houden, zwijgen.

;m ^ ^\\kn. — ajni Kj vp steeds te huis zitten, niet uitgaan.

ii.:)iipnpniijiMiU. afgeschrikt; in zijn schulp kruipen temjevohje van dreigementen en derg. A\\W .

\'I I KJ lill/j\\ kn. i My ifj \'/ƒgt;? ^ ^ uiijisof Villi I.J I.J I, H/j\\ een ziekelijk zwak voorkomen hebben, WW,

lt;Q rq np ij op nwq \\ k N. 1. naam van een vogel, anders aS ini (ift) (in/j\\ 2. naam van een slingerplant en de hl a den daarvan, waarvan de vrucht anders uu iji (li\\ genoemd wordt.

\'7 H

\\ zie iii.jiuij^

iji np ap \\ KN. i i ifp i^l i.i !inj\\ in verlegenheid zijn, bv. door gebrek aan reisgeld van iemand die op reis wil of moet en derg. Vrg. artn w i rei\' kn. rijstmandje, van onderen nauw toeloopend met vierkanten houten voet, waarin de rijst wordt opgehragt en rondgediend.

nj) \\ grondvorm van i/ri / » n en nm i »i i w

Ou

kis zie 71IIJ)\\\\

zie iKiKhj^w

ifii\\ of (ijh Chin. kn. het uitgeperste suikersap, om er suiker van te koken {vrg: ifdsiivjnsn^/ijj en n?i nu).

lei an \\ KW. zva. rj .ru t ij ifji ■?. iuiiji\\

^ iji2 rjrm\\ vj nsmij r.m\\ en rj asm ij ivj^nkn. onnoozel; onnoozel of met stomme verwondering staan te kijken (vrg. rj (iji 2 ij r:}? \\ a?) ari kv/j en ij ik? lEyj if trjrnriz).

(hi vj is) e q \\ fiji ij ê ij mi ^ \\ meestal herh. ■iJ ij

aji ij cm i ij oti ? q \\ kn. lagchen zonder reden, gc^B rig lagchen, WW.

ijl lij 171 ^ \\ KN. Tl). ZVa. ^ flit ^ i*W l\'ll/j of If niiijiy^Ê

mi x.i iHtijis 2. ij inn^ ild p \\ zva. t)^|P

• n

ij i n i.i j \\ zie (ijj ui (ci j \\\\

iji (tJ^ zie (iji rin Miyj\\

i\'i(iJi/rvtji\\KX. — (ijitui /M(i(ijj\\ wat men voorgeeft, voorwendsel, uitvlngt, WW.

. . . o.. o. . . a. Ou ctv

i kuis (ijuun (ijiiij}\\ zie i ir:iii n igt;iiii\\ iiji(iiii\\\\ (l (A Cl

(iji j/n kn. in postuur staan, met het hoofd achterover; hv. van een kindof paard, om medicijn in gogo ven te worden j een muilband. vm 1:1 \\ een kind oj paard met geweld iets in den mond steken of gie-ten, door het hoofd achterover te honden. — \\:iyi Si n ij ihii \\ iets zoo i ngieten. Tj.

dj! ri•. kn. plat voor ili\'ip ook zva. ijkviw Uh.

1:1111:1 met opgewipte punt van de neus.

\\:.y

l i Hl \\ KN.

i;m2^»)\\ argwaan hebben tegen, niet

vertrouwen.

1 1 ij ri kn. het geschreeuw van een kind; ook van

sommige woudvogels, herten en andere beesten {vrg.

) x ( ) . n s O s\' 14

/ui ij i 1 \\ en (iji ij ui Knfj). tui ij (ci lui rj (ei \\ uat geschreeuw maken, zoo schreeuwen.

i l r)\\ kn. kleine snuit van een beest, zooals een schaap kidang of kantjil; volg. Hh. meer hep. de punt

van de snuit, en dan 00^ puntig (zoo-. B. nySiij

o oa\' v . ciS s .

ij 1:11 1 (ui 11\\) {vrg. 9-Jji 11 \\ en rjiiji2rjnn?).

a\' a\' ..

ojjj 1 n\\ kn. zva. ij.uiiij Tjuw lun^nn \\ een snuit

maken door de neus op te trekken en de bovenlip naar boven om te buigen, met of zonder bijgevoegd u i ij (fj gt;ƒ ij \\ ook wel van vogels de bovensnavel zóó optrekken enz. en dan soms bijgevoegd

quot;tvi w:

njjl ty kn. snuit, als gemeen woord voor de neus van

een mensch (vrg. ijui2 ij nm).

rj ui ij x i \\ kn ; (Li ij .17))) ij r.i \\ of ij i:in rj m \\ onverwacht te voorschijn komen; ongenoodigd ergens verschij

nen. 2. zva.

s\'

Ij (IJl 2 Ij ui N —

s

ij Ki ij cru zzzz \'ijoes ijrmw

SS /

Ij I I 2 rj (UI Ij IIJI ? Ij (17) ZIT /rj (IJl 2 Oj (i:i 2 quot;J

(Yj 112rj (in 2 \\ L. 103, 8.

ofjiui2rj 1U12\\ kn. groote snuit van een heest, zooals een varken, rund of paard (vrg. lt;1$ xn\\ 0^^ en ijiHn2rjiuii2 ojhj)\', ook plat voor mond. rji )2rjii2 \' rjdJiirjxii2\\ een keel opzetten; huilen met het


-ocr page 261-

e)

ii jt y ^ nf\\

187

i. i l i

hoofd «chterovcr, van een kind. —

eig. als een snuit, voor opgezwollen van bovcn-

I

«bi avii/j\' kn. naam van een grooten vogel met lange I hals, die zich voornamelijk in Je rijstvelden ov-hotuli; ook naam van een lange dunne soort van wit

Si af? i.iijvKN. , r.m x?i wj^iariigt;^\\ rank, tenger, meestal van vrouwen gezegd (org. y^i ujl).

ai.y nTi^\'KN. iemand die ergens geplaatst is om iets vau verre gade tc slaan; cu zva. (Ln hj tuini/js verspieder; ook klein wachtluiis aan een binnenweg te M.). zich ergens posteren om iets nit de verte gade te slaan ; spionneren ; achterhoede; ook zich laten hooren , om

te kennen te geven waar men is {vrg. bij iiivj

(ï \\

h)!,] en i-t).

.a ?lj kn. een jonge aap (101*1 i njj). — im ,kI^\\ zva. 1 njirynnys ook benaming een kind van omtrent vier maanden, omdat het dan schreeuwt als een jonge aap.

in if i:tiimjj\\KH. gehuil, geschreeuw, van een kind (zie

, 1 •\' i O ) ; quot;)

ook bij i.nijdoiis en vrg. »;»). d ij 1 1 htrrj i.t

huilen, va?i een kind. xhn ijmHn^ huilen, van een kind, als het gevallen is. i m j ij ij r.) quot;tip een kind aan \'t huilen brengen, bv.door het te plagen. — ^ u q (iri uujj\\ huilen, hv. als men geplaagd wordt (een zacht huilend, kwelend, geluid. G.).

■ quot;OM./f.M^\\kn. verwonderd opkijken, of staan of zitten te kijken.

■ (j\' / ?, ^nKN- — i./y gt;y zva. i:ni 11 r:^ khjj v zie

/S» .»;» vj {Hnj \\

I gt;/ gt; 1 ? »ƒ 1:12 Mijl \\ k n . smal, van wit katoen (if uè n), ter breedte van een el of vier span; {Org. nol

flj)»lt;M^\\KW. zva. en voorbarig, van iemand

die komt of handelt, voor dat hij geroepen ol\'bevolen is (vrg. un tulxji (^(U/f). — ^w^nkn. Züa\' en voorbarig. ; i iamp;iolt;n 101 zva.

Uquot;Fllc}\\\'irluy bet er sterk op gezet hebben. /\'/

\'\'quot; ^1 Cn / ook zva. tk hii j \\ en tfj f i

ui) gt; \\\\

ft

ti het met uitgestrekte armen van zich al\'-houdeu; fiy, het oneens zijn; vrg. aaaju\\ — ifin

van zicli afhouden als boven % fiy. tegengaan, weerstreven.

w n }(n^nkn. kruidnagel; klaver, in het kaartspel. 11 fl-3)7f ■Hit 4 \\ kn. gespleten, van ; gebroken er bij

hangen , bv. van een tak van een boom , in twee armen zich scheiden, van den stam van eenhoorn. — ij rinrj mi een deel van een geheel afsnijden.

7\' \' \'v^y 0f ^^N. ondeugend meestal van kinderen. WW.

un \\ kn. kopje, kommetje, bekertje {vrg. lutj i.ut (Hn/j).

rlm/\\kn. 1. uitgebreid, een groote ruimte beslaan;

ruim, wat wijd van elkander, bv. zitten. 2. bar,

onvruchtbaar , van den grond; aj)(ui?0\\ magere

sawahs, SG. zva. nu r:in.i.tns (i -1

ï\'i ilnnkn. jonge, nog niet rijpe, kokosnoot {(/rooter dan i.n i*n/j\\ maar jonger dan ia cni (^njj).— i:m hn\\ de wasdom van een ^) hii hebbou, van een kokosnoot. — {ei(f. zva. nog niet rijp of

volwassen) een kind boven de zes jaar.

.1.. nx . as

1 1 ii n \\TP. zva. ii j) nnw

rtJiuH\'ii^ of i iilt;))n\\Kw. naam van een poortwachter aan het paleis van Bat ara- Goeroe, ook i0i

ci.. r rju

iilt;n 11 rn )i i\\ en ) 1 i.n vi/i i n n ) 1 n (Li n of h^) hu

n i n id \\m i \') (i-ii \\ (W. J. 25, Ji.) i7i B. 1 ;?/i mr i)0\\

gel ij k Tjin gka ra , enz.

n\'jjl in^j \\ zie 7^ / quot;)/ kmmn ook zva. N zva\' ll:ifj

(Men.)

j||«ói ; \\ zie iji\'))t

of a\'y i^j \\ KN., ij n poet., on-

eeuig. — tj r it )^s v)) in/j\\ of ujijnj)* 1,^ 1 d

)nj^\\ oneeniglicid, oneenighcid hebben.

Qv . O

(kd \\jjji )lt; ii/)\\ zie oj) npj i-d/j^

ftn^),))/!\\}\\S. de sneb van een schuit of kano; ook het boven uitstekende hoofd van de achtersteven. fj) u))\'r)h))/j\\KX. door braden, of ook \\\\\\ dp zon, gedroogde rijst {Uj) ïd). Zo» )lt;)) \'rMJIn zulke gedroogde rijst, gemengd met gesmolten Jav.suiker. — ijn 101 ihr^fj\\ gekookte rijst zoo drogen.

fïj» rj hDt rj n hHjI^kn.; 1 iiirj xn1■ n/j\\ vuil met een houtje of iets dergelijks in o/op scheppen (^;y. /ƒ 1,1) trj nuhjj).

ojt ^Hn\'fj)\\KW. en kn. zva. ijm ê iu ij pi\' )Liio/j en flt;))ojjj )n) ihn/j\\ het zich verlustigen of vermaken.


-ocr page 262-

1 IJ till?(Hl^/J

. O (W) }i n (u

188

vooral met wamleleu {Sir. ij any h r a m d, het roudkuijeren). — n zich verlustigen of

verniuken, hv. met wandelen of visschen \\ ook met een vrouwy zva. • i:mzieli

verlustigen of vermaken met. — (Uihi^yno/j plaats om zich te verinaken, bv. met de jagt; wandelplaats; en zva. \'/.-? /lt;y i i ^ \\ slaapkamer.

(gt; ;j hv lu iamp;iji of ihn uii iu lijjn kn. het met de klauwen of nagels vasthouden. — r:hi hii oji ryjs iets met de klauwen of nagels vasthouden of pakken.

raadsel; en een raadsel ot\' raadsels opgeven. — r.in iemand een raadsel op

geven.

thj) Kvot^ij frjw hiym/jWiN. verhinderd, gestuit, opgehouden.

waterpokken (wy. aj) hi).

kn. naam van een wilden hoorn met veel dorens , leelijk van aanzien, maar die schoone, roode bloemen draagt; ook benaming van een soort met rood gebatikt lijnwaad.

het gevoel, dat men heeft, als men met een naald of scherpe fijne doren geprikt wordt; ook oneenig, oneensgezind, van menschen die zich geraakt of gekrenkt voelen. i\'r het gevoel liebhen van met ecu naald enz. geprikt te worden»

ffo»w^\\KW. niet genoeg ©ƒ gebrek liebhen; ontberen ontbering; ook te kort «/niet groot of lang genoeg zijn, van een kleed {org. £ tony). —

w/j gebrek hebben, bv. aan voedsel-, gebrek of ontbering lijden.

thj) y {(tn^2 \\ kn. kromme beenen hebben {vrg. vj io) rjofm) •, ook ben. v. e. fatsoen van krissen.

oj) j,\'h \'yi n kn, 1 zie tfjl n mn i rj t\') 2 \\\\ 2. de bloemen van den So-boom, die met de jonge bladen of met de vruchten {(Eji wnj vnii)gegeten worden als groente.

iu}i}mnn\\kn. — rwiinnp krimpen, zich krom te zameu trekken, WW. van kou: (tm u)rjtw*. »30Tj.)

(tSi rj !Kn t rj -ï)2 \\ ook wel njtuni rri \\ kn. het voorkomen of zich voordoen op het oog, wat grootte betreft; zva. (^7j(m2ijni2\\ Kn rjihw2^^2071 oryi^ naar gissing op het oog; ook een bus, band of ring; en zva. (iJ} rj du)2 anjjs bv. een klomp leem, waaruit

een vat gevormd zal worden; ook schets van ie» dat te maken is.

w y h}i2.Kti/j\\KX, 1. harde schaal of dop van notenH kastanjes en derg., notedop ; ook wel voor eijer.l dop; ook voor het huisje v. e. slak. ^ mj? /ƒ i. tirj iu2\\ Tj. 2. afzetter van een boon», nam. een tak of loot y die men afzetten wil, aarde te omwinden, totdat hij daarin wortel maakt heeft. (r. volg. WW. tj)ij.u m voorbeeld, model {vrg. lum \\ tui w/j ^

ij (Ui z iHji). qj)*! )i)]2\'htj ()n\'r)\\ een volkplanting.-r!w n hn2 1. een tak van een hoorn afzetten,, 2, iets nadoen, nabootsen , door iemand of iels af U zien of een voorbeeld te volgen {vrg. ij ah y /.«lt;? (è% ij uu2 Ktiq kn. strijkstok v. d. (inurn r.njj\\ zva.

\'tj HH 2 Ij (K)2 HU/1 Z(T. 1872, Ü7.

oi\'to) htu 1. zva. aó) ij hti2 2. gemaakt,

gekunsteld, opgesmukt; ook gevarieerde wijze waarop ecu dichtmaat gezongen {of een muziekinstrument bespeeld llh.) wordt. — rj iTtny HH2 K)iij in zang of spel een variatie maken , en zva. m

nj) KHW/j^ kw. zva. /.//11.

7\'

ynuys

iijiMii(t,rijj\\Kti. dartel, levendig, behaagziek, inspreken en manieren, v. vrouwen; naam v. e. gen-ding, WW.

\'/j) 1.1^Tj o 9 \\ Chin. kn. geconlijté ^ gt;10012 \\ — rm

11,1 j ij uitjangkoewch maken, WW.

rtoi /1\'^iih htijinKN. \'ui?.h0 vol gaatjes, oneffen, niet glad, WW.

itjltKn/i^ kn. — (hi i,y ix vn lojjs klein bijvakje

op een rijstveld ter afdamming, WW. Frg. (Uj u o

ij iij)2 KN. i.m fjiH)) tj lt;ui2 Knji\\ van ter zijde slaan of werpen ; fig. aan een zaak een au*

dere wending geven.

(i) G) , ) (• ) gt;

;7j) !ƒ },n 2 i:i \'i-»tj ilt; n 2 ut uvj en »0» rj u u 2.0 ». u j\\

óquot;)

c quot;)

zie iuiirj.hn2 01 hnjj^ enz. / / ij htn kn. nm.

v. e. groote soort van kakkerlakken, WW.

(ïo) tj xn 21^(0)2 hiijP kn. hol, diep liggend v. d.oogen, WW. — iihrjmti2 rj u)9unjj\\ uithollen ; fig. erg. iets afnemen, iets verminderen, Rh. — rinwit

O

■tj (ui 2 arfi artji zva. »J) ij uti 2 di Miwajj \\ zie aid. ?utt gt;iJt\\ of ui tPnlt;U)\\ kn. ; fin tw Sï\\ iets kort bij den rand nemen of houden ; iets bij verkorting noemen


-ocr page 263-

t \'l rj MO lót \\

189

of zeggen —

: ;bij verkorting; verkort; verkorting, abbreviatie.

$.7k»«VkH. — op zijde vliegen,WW.

équot;) kn. _ ™i 1/vm een weinig vooruit zitten

W / »{ \' \'

Mo/stann om beter gezien te worden.

iii/j\\Kti. al wat dient om nis een haak iets,

H looals een vensterluik , tegen te honden of vast te

■ zetten; ook fuj. zva. a.it n mi (vnj. i\'i u» nnj | en i moiMMi\'.)) — \'quot;\'quot; 7 bakende tegen-i honden, blijven haken; teruggc-| honden , verhinderd, belet worden.

Bi\'j. ii KN, 1. al wat, zooals em ntnt, steun,

■ slaak of spaak, dient om iets vast te zetten, ïu«-

■ als een deur om die open, of ook wel di(jt, te

■ houden {yrg. i \'i\'/ hii/nif). 3. een roede, lenyle-jM maat van twaalf Rijnlandsche voeten ; ook l y n\' i

ii\'n/n i-y i.\'u r i l\'ii ii i/^eeu landmeter.-—■ gt;ni I\'lln i/j\\ f 1. met een tjëngkal vastzetten , stutten ;onte-

■JS vreden zijn , zich onvoldaan gevoelen door onbe-

M

mi vredii/de drift of harlsloijt, sva. niynr.j rn \\ 2.

(?)

9 meteen roede meten, opmeten.—arm tw trijirf mi \\ tot tjëngkal doen dienen of bezigen. — iKi im/ (mjjs de inliond vim een opmeting met de roede in \'t vierkant.

^j\'ij)2ijnnithi/j\\KS. iets dat men tot uitgraven bezigt, kleiner dan ijahz ïj mv nu/js — ^ irtn ? ij i.n /m \\ ie/s

uitgraven met een hi/j\\

o. . ... co

o» )ot n gt;\\ zte bij i ) tm ni\\\\

Wj; kn. ; 1. r\'m tni weêrpijn in den arm

onder den oksel hebben: vra. nji!i:ni\\ — ajiitnrhn . c-^ n,

Mjl^ de wade van den arm onder de armbolte {vry. i.i iitnit utiji en ijunrrjmi(Hrifj). 2. —rniitn} kn. ongezeggelijk, moeijelijk te regeren,WW. kn. i~m hoi jw/j \\ blijven waar men is; bij dat waar men aan bezig is, volhouden, WW. (thiufyfnjjs of / ?»ƒ»;,kn. — fiii ttjV KHji of vrn *{l\\h1i/ls I«ct hoofd knikken en terugtrekken bij het tandak ken. (Tj.) 1{ h. Vry. i.u i »vo/ nx-ibijdji i »tnijj en

benaming van ecu (jVndiny. —

onder de armen dragen. — hirji».«itm MJI wat voor de hand ligt; het eerste, het beste.

ken ,

dat niet voorzigiuj genoeg gedragen wordt; fig. zva. (hj^utw

tiinw lm/I en /m mi kn. hoog gelegen en van beneden zigtbaar, zooals een huls op een heuvel, r i try luiyi \\ naam v. e. zecvisch, en zie nq Pirj z \\ kn. de wade of knieoksel {vrg. i

(Ktfj). Zoo ook lij} Krri to)2 kn/j\\

Ylt;i3) K|j amfjs KN. ^ irrtuun hn/j\\ ook wel vn) wi itrnjjs schrijdelings met de beencn op een paard of rijbeest gaan zitten ; op een rijbeest springen of stijgen {vrg. rj i i ,itri?).

tj tji.-yê un/)\\iiii. verminderd, te min {vrg. ikiij tfiHnts en iy, rq nrn ? iin )i) \\ en een houten hamer, bij smeden van gongs in gebruik. — irtmrj(tfnj nn/js verminderen, afnemen, aftrekken; iets versnellen , sneller doen; eti een strikvraag doen , door een strikvraag vangen of verschalken {vrg. i ) ij vy i i i tnjj). nnrj iHjjji tjtot ? n verschalking door een strikvraag.

ihi) litgt;1 tl i i.\'w^n kn. iin hti n i t.Hjjs iemand een bits antwoord geven, bits afwijzen of afsnauwen.

ncn(tij ffwjj\\kn. een stuk bamboe, waaraan iemand de beide armen op den rug vastgebonden worden , om hem te boeijen. — ffn un tii hii/js /1 ij am ii / j^mnkn. zich snel of schielijk omdraaijen.

rj i \'i t ij i. n ui nm/j\\ zva. ïioj mi nu Jnyjs

(O.) o .( quot;)lt;-) r 6) Cl rgt; CP)

i i i.n trvi iun/j\\ (k^ hu itti i ii/j of (ki nctt m i nsn/j\\ KN.; ir/n

i. ii nii n/j of u \'ni i n ni(isiijj\\ iets langs, bv. een kapmes of grasmes f of ook een kris, in of tnsschcn den gordel steken of hebben. — rniiiiiitua^ntjiim\\ iets ergens in den gordel steken. — / ?/Jh tu aw or^/j

of) l uti gt;?i a ai inyjs in den gordel gestoken ^/gedragen.

. ) o . ro.\') quot;gt;

n i a n/js zte i t hiim inm/js

itóiints i\'ihna\'ir of ; mom7/\\KN. CC li dwarshout of »i n J

lat, waarop bv. een vogelkooi boven op een paal rust. — rmiuri \\ (iTin hv iru\\ of r?n hti do eene hand in de zij zetten {vrg. ($rnanirulurij])*

i \'i hn of ruj KN. — aiiidai of r))i yftwfs lang

lot vervelens toe wachten.

i\'i ^\'gt;/n?nKN. een leeren band niet zakjes er aan , om kleinigheden in Ie bewaren.— a-mijiunts iets lenigs, zooals een lange zak of een stuk lijnwaady over den schouder dragen , zoodat liet over het schouderblad neerhangt. Zie ook ivhyw

\\ kn. schel gekliuk {vrg. i en rm ).


1

zwikken , zich verzwik

een pees verstuiken, vooral van oen kind,

-ocr page 264-

*quot;) i

quot;VT^1

(?) .

190

— scliel klinken, klinkklnng.

/\'» kVjn kn. een minder schel geklink dan vj) hy \\ de klank van de angkloeng (vr//. oofc liet

reikhalzend 0/ smachtend verlangen, va?i een wachtende {vrff, (t i eu tj} hn).— ^ u n een dof geklank geven; en reikhalzend 0/ smachtend verlangen. — / m.\'h in (Hi/j of (ijjihv iffj i i ni/j\\ smachten van verlangen, van een wachtende.

nrj »/jïnkn. —

zonderling.

Hn?\' KN. verminderd, te min, va7i hetgeen Intje-/10aden of gekort wordt {vry. ^ rit ij i,»? i.n/j en (Li rjun* if tut). — rmij nyi\\ iets aftrekken, korten , afhouden {bv. van iels dat betaald of geleverd wordt {vrg. i hj t\\ 1/). — /j?y ini? r»

obj. den.; ook korting.

m

,\'kti i (KVi \\ kn - galop van een paard. —^ vm ? i?n n galopperen . — vj izm f wi ,i7i )f un gt; een paard laten galopperen , in galop zetten. — ^ /oj?n w any of w

ojh-jï ï (17) aaji\\in galop,galopperend, in galop rijden.

. O . \' G) • . .

(uiiKnirus (iJi uniLis sic (kd un\\\\

oSt ihïi amp; \\ kn. ganw klaar met de handen om te slaan.

(?) » (?) .

wrjumrjiruits zva. wn ?\\ 6\';i utiji\\ —

0 ■ ^ ^ \'

.1???)^ftn)* tj ju2\\zva. / m rj ny 1 \\en tf \\ nnrj fw? mtji\\ ook door een strikvraag te weten komen, B. T. Dj. 54, 1. — ni* zva. (knrj Htit

ri onjj\\ en om te verstrikken {vrg. ijrw? rj uy un/i). (hn f yw f/ kh\' gt;1 rugt; mi}njj\\ een strikvraag.

o*

ajt lojtijijjs ongeveer zva.

1. zie o\'T^ht^r.iifj\\ 2. wj. zva. K/^rm rj w ?^(hn)f (Lii\\ Tl), zva. ik-}) rm j WW.

«O) tfV»» lE/jji\\ kn., tSYj^i^rji iojji\\ ki. de mond (vrg. rj ili0.} ayi).

(êlilt;ti nyiwm. het gevoel van zich te prikken, of te steken, bv. aan een doren. — ui) tm mi^\\ steken, prikken.

itJiihncriyj\\ het met stootende, ongelijke beweging loopen, zooals iemand wiens ééne been korter is dan het andere. un aojVh rt^i (uij \\ zoo voortstrompelen.

^aoi^ooiótt^nkn. een stuk hamboe als stut om bv.

een klap of deksel open te houden, WW. frjnóizvjuDZ cviij^\\ kn. stut, steun; bemiddelaar v. e. huwelijk, zoo wordt nam. de persoon (man of vrouw) genoemd, die door de ouders van een

ftj}ytfp\\KN. — rniyvfps van do gewoonte rtl\\vijkcn,

11\'; li

I

f

III

il

jongeling tot de ouders van een meisje gozonijJ^Ê wordt, om dit voor hun zoon ten hu weiijl; 1,1 vragen. — nrr^j^ iets stutten

dersteunen. — v. e gt;ƒ lt; jgt;^

(ryi/j voorzien; voor een jongeling een meisje lil de ouders ten huwelijk gaan vragen.

\' 0f ,nl ILÜJI \' een ,l,quot;8je ëe^o\'»v|j(| {of dak op 4 stijlen, ZG. 1870, 27) boven een graf ïi). een hut, een huis 0/onderdak. — n^njiny n^ ecu aj^urjjV.nfjs plaatsen boven.

?j» »?»/nkn. gedragen of te dragen aan de necrhangeiult hand. — r:m nti\\ aan de neerhangende hand dragei of zoo dragende , meenemen of aanbrengen ; jfy, van iets maar de helft of een gedeelte nemen ol gebruiken, bv. maar één lettergreep van een tien-lettergrepig woord. — /ó» un n (hnn\\ obj. den.; zooveel men aan de hand met zich dragen kan ; ooi; maar half, niet geheel.

W\'fw\\KN. span met de voorste vinger en duim (vry. 1 iw rLiiuifl). — rm hhi :t?i\\ iets bespannen, bij de 1 span meten (een ander zie bij diïifthi).

iin\\ kn. klank als die van een këmpoel of kleiuej gong (vrg. iJi ifn). — klinken als een 1

këmpoel. — iui ihniui njf iap overal van alle kanten geklank als van këmpoels.

iivj in) \\ kn. ecu jank, jankende schreeuw, van ecu kleinen jongen houd (vrg. tj rrn i \\ en rj lt;?/»; ij irn n h)/j). w rj un i ij ilt;t) \\ aanhoudend janken, W\\Y.

volg. Rh. blaffen.

\'Ïji kn. een jank, jankende schreeuw, van een

grooten hond {vrg. it^noai). volg. Rh. geblaf, c iVc nhi ? of ij rrn 2 ij nhi 2 w ij dj) 2 tj an) \\ of (riirf}(n\\KN. verzuimd, nagelaten, van Iets dat anders geregeld in acht genomen wordt.— tj iTin211 kïi \\ iemand minder gever, of toedeelen dan gewoonlijk of dan de maat is; het rantsoen verminderen; schraal meten, van de maat inhouden o/ korten.—ri irimvjosn w \\ iets verzuimen o/* nalaten. rj (hu 21:1 ii itjj of (ui ï7i ii\'nien ij dJi.? m ij asn 2 cci \'iw/jof (ijjl (in (im (f77 (isrijj\\ buiten uitsteken en te voorschijn komen , bv. vati iets dat in den g rond zit of in \'t water ligt. — \'ij(i7m2(m(isn/j v. e. sabel buiten den gordel, Tj.

nrj a-ai 2 ij (d 2 asnjj \\ zva. tjtuie föt asnjj \\ rj 1:1112 rj ui 2 tiw/j enz. zie ij (iji t tj dTi 2 asnjj \\

■ straft I noem


-ocr page 265-

O o

KDdTI

191

rj KJ)

i. of ^ 1,0 Mquot;1-

3. M filing — o/gt;i

zich vcrtoonen, zich laten zien, WW.

^ / ■* \' i r» Oamp;G\' \' O®\' vv ui.

— njidJtPi\'f^ijj zva. (tnihnm zie wnnw Rh.

--énrnrjiniMJI een inlanduch lioofd

■ straffen de wijze, die anders amfarjup^i ge-I noemd wordt. Zie — i nnrm r) kio^js I iem. beschaamd , verlegen maken. — aji^nr^

B beschaamd, verlogen zijn.

«ie r) ik gt;. tj n WL-AtrjmMJl of ritJirj^ltlJt/jMiS.-,

■ vj n gt;1).^ of f] OJI rfilm rj Mrjt-Il ajljf \\ WW.

p Rh. njD^ nrjit irqm-rjji bevuild met roet of iui-

der zwart (vr^flun KiM/f). Vrg. bij if i t ij td .v.n^

n

\\ kW. zva. (i Tifn^M/js en zva. a^iiyw B^^nKN. , (otjonki. do nek (S/cr. gr \'iwd. Vry. mi tj r;i i

j5(ru^\\KN. zeer nijdig w/1 afgunstig, erf/er dan ik nmiruji^ \'— rnin(rvu\\ nijdig bejegenen, opnemen of beantwoorden. — ihi wiét n(i kijis elkander benijden, afgunstig zijn; elkander nijdig bejegenen. i^7i gew. iün:w(t7^(n/i/j\\ het boven het water of den grond te voorschijn komen , zooals van een visch, duiker of konijn {org. ij uv? n r:}gt; u ijj). — kiivn^m/js opduiken, boven het water of den grond te voorschijn komen ; fig. zich laten zien , van iemand, die men in lang niet heeft gezien. ^lt;»012^0^ tl^nkn. uitsteken of uitkomen steken, dal het le zien is {vrg. jj). — iï i rj rm gt;tj

iji it ruji of (h rj ijitrj wt ruji\\ zva. ./m m r.^ ji/,ƒ x maar van grooler of dikker voorwerpen. — i~in gt; vj iv?iru ij kh \\ iets ergens doen of laten uitsteken, ynj)irj;»:»2arnjj\\kN; iemand flic voor oen ander iets gaat nithooren of heimelijk vernemen. — yj tinr V 117; uquot;/l \\ nithooren j iets uitvissclien, bedek tol ijk naar iets vernemen.

aikn. de gaping van een open bek, muil of snavel {vrg. i/oj in im/j en ajinjri m/])-

tin in (ut ^irj }(t) \\ een beest, of kind y doen gapen , dea bek of mond doen openen. — mi.-/.ui-» hen. v. figuren op de breed staande streep van

een saroeng batiq, ZG. 1876, :m, 897.

)

\'^(W^nkn. het open doen van den mond bij gebrek aan adem , zooals door vermoe jenis (vrg. t-i (Cï M/j). wmnji imujis aanhoudend bij herhaling den

mond op ndoen uit gebrek aan adem.

tf aj) nj fyits zva. \'rf .ij) gt; )f tn Jj gt; \\\\

ï i m \\ K w. zva. tvt n» j-i\\ ^ h) ivtq\\

(h) )i )))\\ (Unn. benaming van de laatste, luidruchtigste dagen van het (\'hinesche nieuwjaarsfeest, a

rjoo) f on \\ KW. zva. i n vu ru\\\\

fWifm^KN. 1. een grootc houten vork met tweetanden ; zulk ecu vork met weerhaken oi.i er dieven of weerspanuigen mee te vangen , bij de politiewachten in gebruik. 2. het kind van een achterkleinkind. iw iniKi mi j \\ overgrootvaders vader. — irjucrnjs iemand met een tjanggah vangen of treffen; iets tusschen een spleet doen.

(Wi rn gt;\\KN. word! gezegd van iemand die de gewoonte heeft van iemand uit scherts of plaagzucht aan te pakken, te knijpen of te slaan. — j V» ^ mi * ti)\\ uit scherts knijpen of slaan om te plagen.— itj) T))fnrrtp\\ met veel takken of uitstekende punten {vrg. dj)tj\'-h nom%); ook diefachtig, geneigd om iets weg te pakken.

vin-j)* m y n KN.; im nij)?. mi s\\ in staat zijn om iets te doen; tot iets in* staat, voor iets bekwaam zijn;

een vijand\' aandurven. Vrg. irti(nu\\

(O lt; V )(gt;).v

n mm KW. zva. (is)) ï)in kn. t ii.i tn\\ aanhoudend bespotten, beleedigen, uittarten, Rh.

rjiKi tj ni\\ zie tj k ij mi \\\\

i i ij m)^ hij itsij ? \\ een vliegend insect, zoo genoemd naar het geluid rêt-uong, dat het maakt. Vrg.

lï) tj quot;gt; ) \\N

)i(Yr) ni\\ KN. naam v. e. spel met sawopitten, WW. i i rj mi tj rh \\ of u) ui u inyi\\ kn. naam van een lekkernij bestaande uit katjang roedji en meel, WW. rjihi)gt;ij vn/ xvji^ zva. \'/\'*lt;* n-quot;/) zie W.P. 100, 3 v. o. en volg. I?li. daar te lezen, n unrn uiam ij 11) tj IJl ? rj mi ? ini/j ?

irï ijrm? ni \\ of iji rirj mi gt; nquot;/ \\ andere ben. voor de

vogel i )Kniw(Hi j Tj. i

uii r KN. stijf, van de nek; verwonderd staan, met verwondering staren; ook hardnekkig ; standvastig bij zijn voornemen blijven.

\\j)(cl\\ kn. gevoelig, zeer gevoelig, bv. van de buik; kleinzeerig; ligt geraakt; weekhartig; ligt schreijend, van een kind; ligt vatbaar voor iets, bv. 0(t\'r) (kt

O . O 3..

K3)tl)quot;)\\ zva. (U) IJIW


-ocr page 266-

trj tJ) n aJf \\

192

irf ij) tj i ; \\ wJ. zva. dj)rj ww

O

r^j) in an ii^yj\\kn. het uitstrekken van den hals om iets van naderbij te zien (yr^. — km iti ot^

tmjl^ den hals uitgestrekt houden; volg. Rh. verlegen staan kijken. Vry. (ij) ie) uti\\ iSt a?Kcn(iiti/j\\K^. schuehteren de oogen links en regts wenden, en haast niet durven omzien {vrg. itc) it»ai h njj en net \'rl ijj jj)ails of Kit\\ kn. het geluid van de

paauw. — y (iviZN üni rj ih è \\ dat geluid

maken.

*■gt;}x KW. 1. verkorting van rui^is of riijinis zva. 7j(ur/ z tei\\\\ ook zva. (tmw 2. verkorting van v5!ti\\ gij , en voorvoegsel vóór namen. Zie hv. n aa u^ijj\\\\

lt;l/ïnKW. zva. onvrmsnw s

a T t o n

oin 1. KW. verkorting van vn \'n \\ zva. f nut \\ na i,p

en rri(iij\\\\ als voorzetsel zva. aj)\\ en nï\\ ofidhw

ook zva. N «aar. \'n im ilh n zva. ao ^ nji tvi lt;i5j^ w

zva\' {^y prinses. Dikwijls overtollig,

zonder eenige het. hv. in a*nnj (ia(ifj,asti\\ volmaakt

hetz. als iK/jan if^asnw elders i. ) (uia^ cma^rvt ij^\\

rn /*.\'? M(lAJj fJi }lt;i quot;^n \\ o. a. in poët. Bah. totiru of

o o n

•7*j{ii tuiHj.ii j anjj\\ zva. a. i tnt tu\\ en a.t nnirvi

.i j nn/j al den tyddat. zva. o^inj^ rjo. )

n C) o o

en nojt iF/t ~ ^ tij i h it-nji \\ zva. o. 11.1 ;■ t itn i j (tnj^

O CT) C*) r I J

rrt(t-j)(ijt\\ zva. tuti nvt tuw of heter zva. wif t^jt

C) (?) o an ^t.act (i:t t ^ (Hi/j \\

TT O , ) O . -gt; . sy

11. Tts gew. mtnt KN. n\\ en i\'^\'r\' ofttyr)\\ KW, doorn, stekel, en graat van vlsch. itwrtajt enn ^Npandan-doonis. lt;Qcrtti kuj*0 , ring onder om het gevest van een kris met scherpe puntjes. — (ér?\'tm als een doorn, als doorns; piekerig, van schrift. n/rt rjn hjji^ nagemaakte doorns (^r^. if-hrjcmnsttji). — (tnt a/tt vj ntin/j \\ doornachtig, tot doorns gemaakt. — tai rr? tjrrt nj ort^ te piekerig, van schrift. lt;i t ri tj ytitn/j\\ plaats waar veel doorns groeijen.

n^s zie (Uttni\\\\

irj^igs en ê\\ poet..gew. rj ti ii tj thtt

tup wi gew. fiintnttvt^K,, vóór een naamwoord\'

in benamingen van .één hoeveelheid, rj hi\\ $ 9lt;rt iu^\\ k. , twee (vrg. yutt). tf \'uti ij

o * O / /«O BtBgfF

mn n.n tnt tu f {of mt wt rt t {) twee personen,

(istt (tjr^Tn/js (t, t} 7U j nstt(ur^ rtr^fj\\ twee jaar. ^ V)?l,H ntfi % \\ tm iiu{iut w\\ twintig, rj^znr^^art^ tw^Rl deelen, twee derden. rjtuz tjmt cutw (trnj\\ tffetl tegelijk, allebeide. ^niz(tutwaalf. — ij (^a\\ poët. zva. y

\'f7? itu% \\ elk twee. — vf iirti tj\'rt ? i^,\\ trj /L/^0nBP nfet zijn tweeën verrigten ; met zijn tweeën tcgelijli8 aanvallen op. — notrjnizrjnizonji\\ (tnityyittpv

ito/js en wtnt*1\'mtjquot;n2(mjj of (mrjitfntij

... o\'

poet. zva. (t.i uittynz ij tcj% n. , (tjt(tntnuitvt

zie bij mtttymw — utt ij tut (tnji of j, l ^

o o

rj ruttj\'-rtitQ(uyi N., tnt tnt truj(un (Htj^\\K., bij vergissing twee, in plaats van een, krijgen o/geven. — wrj \\ n. , (fjttwf . k. , in twee rigtingei gaan ; een tweeledige of dubbele strekking hcbleD; de aandacht op twee verschillende voorwerpen rig-ten of gevestigd hebben. — tntri\'iits en njtvtvn

zie heneden.

- . o o

\'ti of tnt n^\\K. zie (tnasttqw

n j a o a o o

\'iiqn grondvorm van (utfn^s (utmi^s en it-n?

o o

(tU \'Tl { \\\\

/. O T 3quot;

ri ~n^\\ of njtt rjni1. KW. en kn. zva. {aj^aitt kn. bestier, regeling, verordening, schikking; beschikking, raad; wat onder het bestuur of beheer staat .van iemand, zooals van de overheid en hei goenoengshestuur in het désaland en van een. he-

velhehher. (tJi tyni q (uit mt tnji\\ geheel naar mijn ver-

, . □„ o

ordening. (t.i tj n^ttjrt dit art nutt \\ zva. (ut {n/^asn tlt;n\\

tun (in tj thi 2 tj tnt 2 (tnji\\ — ^ \'ii % rj (tri \\ gew. (K t tjii^

ij tn n N. , y n ? (ïn\\ of itt *1 n % Sï\' gew. (Kt tjn^

Si\\ ook wel (t.ii rrj n (3ft en (M\'rj *11 % (Sn (1^ (Htjj^,

(sn (i5i (tyrj itfsïs li k. . naardien, aangezien , daar; poët. ook wel ivtt ijn % D.W. 489. — 0f

(t,vtj(r^%\\ bestieren, onder z\\jn beheer hebben; het beheer hebben over; regelen, beschikken, m it m % \\ onder het bestuur van.. . En zoo ook w tj ru tj it % vi — tj yf.t st m tj i. tt\\oj\' (fntfjuqnjtttjww het bestier hebben of voeren over. Zoo ook tjtfl

fjn tnt\\\\ -— tjn utt (tojj schikking, regeling, door iemand, tj ii tj n fn/tt (tnji of tj ti.trjDl (t/rttnfi 0f \'j711\') 1M lH1l} ^ hetgeen, of degcen die onder iemands beheer staat; onderhoorigbeid,


-ocr page 267-

n f a/n nj (ui ;hiji \\

193

»ƒ »»

uderhoorige. — Zoo ook \'u 7 ^ifunwjj*.

11 KN. grondvorm van 7 quot; \'/ rgt; * vf\'/lu\'/ *

■en MV quot;r ouk in Sllhruik voor lliet

neer hevig zijn, hv. van ziekte of pijn ; als uitoef ook gerust! gij kuuter gerust op aan! Laken. I Ar kn. geest; volt/. /Cr. 1865, 366,

Ar. .üil) de geest vau God,

Mgijn er ij eesten in den mensch (ik,/ a^viiSij-n nii) leen iijnaam van Nabi-Ngisa. — quot;/ riijunppAr. , geestelijk.

quot;11. kw. zva. (vnn-njlN en quot; \'»/

»«• «fivd/l\'

jiji iinx 0/ quot; KN., j.\'kiootn of iuiiuiim\\Kl. auu-

■ gezigt; ook het vlak , de vlakke zijde van iets,

■ zuuals van een papier; van een sarong, di; breede

■ streep niet naar elkander toeloopeude punten , die I van achteren gedragen wordt. ■gt;) lt;i?n lt;amp;j \\ je bakkes,

O

H gemeene uitdrukking. tun(Kj.\\ aan iets

I eeu vlakke zijde geven ; aan een djarit voor een 1 sarong de n uh teekenen. — mrj lii mj of -r» 1 nrjiymhij de vlakke zijde van iets. — tui -ri\'ij 1.7? iin/j ui n )jui) hi(tnji (ui(uttici(hnjj de vorm vau het aangezigt, voorkomen.

yi\\ I. KW. zva. iu ^ rui Myj\\ (?). n n tur ti ojr^ \\ en verbasterd naam van een Titan, die [

van tijd tot tijd de zon en maan zoekt te ver- | slinden, en zóo de oorzaak ïs van de eclipsen. {Skr. \\ Kdla R a h o e tijd, waarop eeu eclips moet vallen).

II. n kn. naam van een boom en de vrucht daarvan, Dracontomelon mangiferum, BI. Nat. fam. der Auacardiaeeae; van het hoiit worden kano\'s gemaakt, {vrg. ninjt.runmjj).

r\' gt; ^ Mi \\ kn. toeroep: komaan! welaan! het zij zoo!

o . n n ? n n \\ zie n uii fy w

iyr)izie bij I.

^ tun (Hi {\\ kw . zva (kkhj^w

**?mimyi\\ zie yinm(hjw

n ? (urj hr^ \\ kw. alarm, oproer.

kw., m? 1/1)ajin\\}n.. ti^cunS\\K.y heil, wel-

/,1JU» welvaart of geluk, voorspoed, daar niets aan

ontbreekt; welvarend, voorspoedig; edel, goed of

deugdzaam, zonder eenig gebrek (yrg. winjilt;Q(urijj\\

nynlt;us\\ onder (uhk\\ en (unaAJjs I.). ni^vnusSj

edelmoedigheid, n^(un(Wj^ihinnjj\\k. ge-

lukkig als bijwoord. i.n -n ^vv ik itoj). heil,

n i ? 1 m OA/ji \\ zie rt q n , n w

00 a o.

ti un (hnjj rj im ui

o a

nid/n (HiJisKW. zva. unni w) (Hi/j\\

}} \'*1 en quot;quot; \'7s

?/ \' ? 7 n zle bij IJ 4 n\\

o - o a u w /

n d/n /y n Of •gt;) ^ n n ihj\\ getü. \' n ^ \\ N., m am ^

gew. -n ,in na^ \\ K., dag in tegenoverstelling van

nacht, -rï Kj i)i 17] \\ - ri (j{i(Hi\'rup dag en uacht. tiï

(in \\ zie ru föi 11. — mi rn un uj anjj \\ gew.

a o O o O

mi -n ijj mij)\\ en i, n ni tun rpi ihj aajj\\ gew. u n ti c^i

(hjihi/j^ door den dag overvallen worden, oji^iu

(flinri(i/niijihi/j\\ de maan bij dag.

(rjrri? (Ki\\ zie bij ij-ri^w

11 iur^ zie auj ajt^ w

nix/nTj\\ of (Lnimmr^-ris en (uiimcuii 7^\\kn. in verwarring, ordeloos, bv. van vlug t end e troepen j en, zooals ook (LCKuiyi^ orde- en wette- of regeringloosheid, anarchie.

r^j un ti n of un r^ un »i \\ kn. groote beroering of onstuimigheid, bv. van de zee; onstuimig, van een geschreeuw, dat ver gehoord kan worden; fig. groote beroering of onstuimigheid van het gemoed. t) un unjj \\ kw . zva. (UKE^tm/js riuii hnjjn of niiyi^ h-n uiq kn. trek, haal met de hand. — ,lt;nJI^ naa1, z^0^1 toetrekken, toe

halen, WW. vrg. nuijnjiji\\ gt; ^(WJ.

rj n 11 am * unjjy kn. schep met de hand in alles, wat uit korrels bestaat, als rijst, kofieboonen enz. — rj[(i^rj(un2tniji\\ zoo scheppen, WW.

Cl o . O ni un (ia \\ zie n lun (tui w

tinstj^(Uin kw. zva. (IJj(uiqn\\

n a m ij m nnjj \\ zie n rj tw (Hifj \\

00 .0

ni un an onjj\\ zie quot;n un uui \\ ^

rri un (ujjj i-njj \\ zie rn rj ilci ^uijj \\

o a

niun (un/i \\ kw. zva. asn ujiajin\\ ,di 11 (un(hUj\\ ojuhu us

o ^

ui ui^tonji u:n ijci^TJ dsii^\\ asn n » ) ij a/n ? (Ki/j\\

rgt; n

tiamaai/i\\kw. ^xzva. ij 1:11 ij i i? tifjiw

ti q fu) \\ zie r n (Ki n\\ m ? (ui iejI trui \\ zie ti ,? y; (f. i a ui

TiTjajiun.i^ zie tkuiw

on rnuniujjj\\ zie ikiji III.

m un tui iunjj of Tumi ru hnjfMitf. sober, matig, door

welzijn, welvaart of geluk, daar niets aan ontbreekt.

ni q n/n ij na ihi/j * en n j u n (UJij m/j\\ zie Ti ij ana-njjy

amp; - /

ni ? (Uil IK \\ zie »I P /un :irlt; w

O rt

zie aota/n nnjjs

o o

en k n n / (uii (hi/) \\ zie lt;iji (im (hij^ \\

o .)


13

-ocr page 268-

194

onthouding of ingetogenheid\\ het sober hebben , door schrale kost ie krijgen; soberheid, matigheid ingetogenheid {Ar. gt; oefening in onthouding

eu ingetogenheid).

gt; gt; hjiji kn. I. zooveel als in de beide holle handpalmen genomen of bevat kan worden. 2. kn., /j \'ijij? hijj\\ki. , gewassehen , van het aanqezigt; en zich het aangezigt wassehen , vegen of afvegen; en zoo ook (ut i O./)Jyimnmnji/i\\ een schep

rijst met beide holle handpalmen, n of iU

t) n/nxji ^rn \'T) ?\\ liet aangezigt met bloed bevlekt. — iets, hv. zand, de beide holle han

den vol nemen, ryiy^nji ^tiut [of n^ iïu) de voeten van iemand tnsschen de beide handpalmen vatten , poet, voor cxh^ini ^ gt; of i ii akw — »v» \'V) Si \\ mo., en , het aangezigt of de wangen met beide handen w;vssehen; oo/J-, fi.n^hV) KI. iemand het aangezigt wassehen.

r . i xm lt;L\'i -1 ti i ti \\\\ ii5ii

Tquot; \' v

r.i ihiji\\ de beide handpalmen over het aangezigt strijken, zooals de priesters doen na het hidden. ni(unajm\\ zva. nqn/im/i/iw

■ n ii/11 tu \\ of »] i i i m \\ ook hjii r) (i/)} 111 \\ kn. en veelal

O Cl J, O Q quot;gt;0-0

m (uii (ui \\ oj li un iici nyi\\ en un ^i (im (Ui \\ of ui n (uii(ia in/j\\K., het offerfeest na het einde van de vasten in de maanden Ramëlan en Bësar; ïVAs op dat feest offeren (Jr. I tUc\\ of met het artikel 1 gt;1^ £[). \'de schapen die geofferd worden na het einde van de vasten op den tienden van de twaalfde maand, misschien verbasterd door verwarring met hel Mal. a r i-r aj a, feestdag. Vrg. ni iu); over »; ltï lui (hjuurwi/j en 0 i. y ui ihii/j\\ zie ZG. 1866, 34.

r^j\'

•mn (Fi/jKN. gunst, zegen, Jr.

m% /Bi(hn/j\\ Ar. - KN- barmhartig, genadig,

van Ood.

■~ii % (UKijjx zva. Tiqtamp;tanji {Ar. JL«s3^)\'

li^,f,i(isiijj\\ Ar. kn. genade, barmhartigheid,

van Ood. lt;Fji ili { ufi ni; /»ti^i i^i j \\ terugkeeren tot de genade van God, een Arabisch-Mohammedaan-sche uitdrukking voor overlijden.

t) /mi .itïï^\\ kn. lustig, niet afkeerig van iets {het tegenovergestelde van vjuvui), wel genegen, niet ongenegen j wel lust in iets hebben, met. lust iets doen (Ar. l . gretigheid. Vrg. — ij

tui.in mi/js genegenheid en welwillendheid betoenen; met lust iets doen of zicli voordoen te doen. — hu gt;) i iiiiuia^ toegenegendheid, welwillendheid.

— !iiuin:rir)hii\\ maken dat men lust in ietamp; 1 J co \'

heeft, door zijn afkeer tegen te .gaan.

\'ri(Kin\\ zie rwTKhnns

ijn? (Hijl^ KW. zva. ij in? ijiJi blad, loof. ;ƒ •un hi) -hij de bladvormige uiteinden van een lang. werpig schild (Men.) en i n riï / »^\\ wenkbrauw {voor if .LJiditrijH zie (in ii wi2 (hin en nqnuiic^i\\ Vrg. ooi-rf Hiiin). — ii\'ni i^rim m/j KW. zva. rjcm2tjisi?\\ kn. nog niet geheel ontwikkelde bladen, die onmid-dellijk uit den wortel van een boom spruiten, G. volg. Rh. jonge aren- of klapperbladen tot een soort vau bouquet gemaakt, bzj bruiloften in gebruik\\ ook bladfestoen, decoratie met groen. — vjya^ynijs als een blad.

, - O Qv .

11 Ki n k w. I. zva. ui\' y ui (ui fj of (hii rn s n/n tui iu^ 11 (Hi/js strijdperk , de plaats waar gestreden wordt (S/rr. ra na, tumult, strijd, gevecht). ritthnrii:Ki\\ of n ui nu m\\ ook quot;nohnms of n-iijtHU nni\\ slagveld {Skr. r an dugg ana).

II. effen, vlak. un lt;Hj iisii n a/j\\ kn. geplaveid.

III. ZVa. U) I) (Li12 (Hi/i\\ G.

IV. zie (ui n m w

•gt;7/gt;o\\kw. zva. r.n (hjjiskn. een meer {knauKYYi) in\'t gebergte, door bergen omringd.

Cl Cl

H hp KW. zva. 11 / h^ \\

ij -*12 (in\\Kv/. zva. ii\'iidim/js

tui tij \\ of (ui ui hj kn. 1. voldaan, tevreden, vergenoegd; tevredenheid, vergenoegdheid. 2. verkorting van i7^(Hi\\\\ (Uju ti (ui aji(Hj.\\ vergenoegd en tevreden; genoegen en tevredenheid. — un Mi/j\\ genoegen hebben, van iemand dien iets genoegen doet.

o . o

m Kj \\ zie a un (in w

ton KW. zva. ui ij hu ^^w Vrg. n^hj^w m li \\ (un kinni

7 \'71 N Kzva\' \'^7\'1:71\'11N 11/11 f\\11711 ngt; v 111 N 1\'/ ^ gt;l8i en ^ l(\\ rll/l KNquot; voor ^oon er8ens l)a(^ gaan snijden en daar blijven totdat de oogst afge-

loopen is {vrg. hi^ ). muvi j iin.tq\\K.yf. zva. un

o .

(ui im (i/i/j \\\\

o

7»\'\'y KW. zva. iJi ij ici 2 ilt;yi en zva. if (1-12^(1^2 (vyjj^ edelgesteente.

TjlJ? kn. gebroken, beschadigd, bedorven; bedroefd {Skr. roegna, gebroken, beschadigd, Skr. Kara ena, jammerlijk, droevig; karoend deernis. Vrg. lyHi). — beschadigen; bederven;


-ocr page 269-

rf1™^

195

bedroeven.

M^wn^KW. 2»«. quot;fpi*

MMtoip \'Jem- klein en fraai,

««/« »«» bloemen, loof, snij- en lof-werk of sierraden (vrg. luix^mi/) en r]^.nnjj).

lu hjiijjj-\' kn. aanhoudend door vrucht gevend, ra» een vritc/ilhoom; aanhoudend door inkomend, van inkomsten van een land; luiuhoudend door en geregeld werk krijgen, om daarvan te kunnen leven.

■ trekken

o a*

O Q. n ij

O Ct* ■ 3-

voor 11 flt; fjy zie tui wquot; \'A

• M \' I I II

fJ ( i

inyiijt(rr)\\ zie tiiui\\ I.

■urm kn. — i n m ■■ wachten op, verlangend uit-

(i

zien naar, WW.

n rm \\ KW. zva. ij ni rjtut % \\ 3.

(Ui7/r)NKN. — d.» mi \\ schetsen; \\uriiii:ij)ium/i\\ s f l 1J (Jh \' -SI

ieders werk afbakenen.

o ^

or.mNKW. zva. ny asnitu(uyi ivinin \\ njj,iu(vv)w

t.t/i\\ kn. uitvoerigheid (van rj i v ? rjriu zie ook ^

rj-ti 2 ij rm). lymij r.iii rj *gt;7 2 ^ n in veel snoeren

neerhangen, ^nj i jn lt; de bijzonderheden, die

een verhaal uitvoerig onsierlijker maken.— /ƒ(.rrj?

uitvoerig; uitvoerig zijn, i» het spreken of

verhalen. rj^m ij cjiKHiji^ uitvoerig verhaald;

een versierd verhaal. (uirjnêi^iTin tui^ zva. fijiij

tj-nni vrri \\\\

rnis\\KW. en iu^^ i n lIi Ki/j {vrff. .11

i.Vi nn): zie ook -nuipw

Cl quot; ï

•r)i7rn .^n of n Kt hiskw. zva. hji m \\ ir^ivn^en tj i-i ilt; D \\ (Skr. r at j an a of r a tj a n d, het in orde brengen, schikken, compositie, pk.), kn. kwelling, • storing van de rust van het gemoed; aanvechting, verzoeking; zva. ij -nuaj)\\ of M ij mrut {vrff. Skr. w antj a na, misleiding. Vry. m m en tj un i.n). i^ t.m/His kw. zva. t / ; ilt;iiw

en n kn m im\\KN. de rust van het i (A (i (ji

gemoed storen; iemand aanvechten.

liet aanvechten, aauvcchter.

\'lsl \'^i7 W7N Z^e lt;yii iritHi\\\\

s (A f ,r-

-T)i:tnhiyj kn. een stellaire, waarop bij de Gjlmfclan een ijnmtijjs hmifiHjgs of fmmihtnji geplaatst wordt, m kiliij^ari rmiKnji\\ een heel stel gu-mëlan. — •cwrjihii ^yn itn \\ KVf. water dat door «en goot loopt, volgens de Dasa-nama. iii.ni quot;i! hyis stellages bij de gkmëlan.

tL/n:ni hii/i\\kh. — ondej\' velen verdee-

s f \'l (r* Oh \'

len , Tj.

ni(ijn}iiniji\\ kn. speciaal, bijzonderheid; specificatie.

— ivvr/y»myin specificeren, WW. Vrg. uuirms n o

(KJ) h n.J\\

V \'\' 7 j~jn Nlt;!1// KN• ^tt^en rijzen voor brandhout (vrff. ntuiKijjj). i. n rf ■ nij i m im.\'/j^ klein brandhout, sprokkelhout, takkebos ./ irijiyrimi/js klein brandhout kappen. — »ƒ gt;» £») gekapt of gesprokkeld klein brandhout.

/• ^ rn tpri nu \\ oj (ijii.////.//.kw. zva. hjiij mn (Uj ? \\ en {oj^%

(iw nPn (ho/j\\ ook zva. ni.m ms aanvechting (Skr.

ran dj a k a , wat aandoening of hartstogt verwekt).

— \\^Yi,nr}^ moeijelijkheid veroorzaken; ontrusten, kwellen; (in verlegenheid zijn, zich ongerust maken. G.).

(Vi (i:rn mi \\ zie gt;»xin /. // n\\

s (* 01

rjni ij i.ni tiajjsKTS. omslag, omslagtig.

• n rjti(Kojj\\ kn. ; t^ vjm i i/j\\ een tak of takken af-

slaan, atsnoeijen (vrff. foi oji i^t

$n iyi t.// i^ijj). — mv.

•turiri lut/i\\ 1. zie n i.in (ui/j\\ 2. gt;i r.m ajijj of n i.m i:ii/j\\ kn. — \' 3 V7\' \'dJIx \' y\'iji i:ri/j\\ slijpen , wetten, ook bestormen bv. een vesting. oji cc^iujïi r.)i w/j\\ een grove slijpsteen.

ijl rni f ijj\\KW. zva. kn. beprikt; met kleine

gaatjes, scheurtjes of borstjes; getatoueerd. — (Lj r.m mj\\ iets beprikken ; ergens kleine gaatjes in prikken; een prikkelend gevoel hebben, op de tong-

of op den huid. » ; / /// hi ^irni (tjin tatoueren.

1 igt; (* s (A ^

• ii urn \'HTJIn kn.; iiwn ni/j\\ iets vlugtig, in ruwe

trekken, alleen in de hoofdtrekken, maken of ontwerpen ; van iets maar een overslag maken ; iets oppervlakkig, globaal berekenen, bij benadering bepalen, — -n nti ri^ injjs obj. den.; oppervlakkige, globale berekening, opgaaf bij benadering.

O- o S Ov Cl.

ii i m m in 11 ii un \\ zva. (in inn -n i ji quot;n nsii w ( l ™ry 0%

iji rr^i (Ynjj of ïi riii in/jKW. ongeregeld van gang v. e. paard.

ij n irm mjj of ij »»ij i.in ? KN. mank gaan van vermoeidheid.

cv » j/\'

d rm \\ K w. zva. KTj /. n\\\\ — i j i :m \\ KN. zva. u // w

en iets in zijn gedachten projecteren; het geraamte

van iets gereed maken. — iyFjir:m\\ gereed zijn

voor iets dat in gedachten geprojecteerd of beraamd


13*

-ocr page 270-

WJ

7^;

196

is. — rhirn i:twat voor iets, dat geprojecteerd is, in gereedheid gebragt is; een geraamte, bv. van een dak ; de genoteerde voorwerpen voor een te schrijven stuk.

xa tjn \\ kn. geheel klaar; geheel hersteld, van een zieke of kraamvrouw ; ook eenigzins wijd uitéén geplaatst. — rj jv/rj \\ wijd uitéén plaatsen, vii xji

n firm \\\\ Ch

ipii\\ wijd uitéén raken, K. 11, 19; vrg.

(ui (ui rm vji (htji moeijelijk , ongeregeld

gaan v. e. troep menschen, bv. op een naauwen weg.

Q.i\'ni of (uirhti KN. vluff ter been, Rh.

C l J s Cl 0

o . o . rgt; . .

■m:ni\\KN. tui t ia:ni w mij) of ioi n trm i.i w/js door

Oh s Oh UI J oh W

beschaamdheid of verlegenheid een onvasten gang hebben., Rh.

ti ?.u» \\ KN. ri xbrt tj (cni o f r. x \'m -nx.m \\ op weg on-

ö Oh ü oh 0 oti J t c t t Oh 1

af scheidelijk van elkander zijn, steeds zamen gaan. yry. \' IJ rjó-~ WW.

I. K. van en van vjni.utw II. KN.

nageboorte, zva. (uti -ï](un • f] w zie .un ij\'t) (hfi /j \\

iutH^mi/js gew. (ui•!lt;n ~ui(hc^ i,tiji\\kN. gekruld, ^oo-als van lokken {vrg. aji \'hjmi/j en ii un tisnjj (Mt^:ini ~i een zacht ge

sprek en vertrouwelijk onderhond onder wclerzijdsch knikken met het hoofd.

m (hn s KW. zva. [oj^ (E-? J? w a o

•gt;j w \\ kw. zva. iKi^(U)aj}\\\\

zva.

\'fj (hp? \\ naam v. e. ghiding , WW.

O O O

kw. zva. cm nsn (ioiji\\

yj(ki(Fjjjjs Ml. r$n da m, ingedoopt, indoopen.

(uimi\\KN. (i7gt;S) oud, versleten van touwwerken

s P£-

linnengoed, WW.

rr)^\\ KN. een mondtromp , een instrumentje van ijzer of van arèn-Aout, of ook van hamhoe, dat tusschen de tanden gehouden wordt. [S^Sris op een n hï\\ blazen o/spelen.

gt;1 ti \'jj .ui \\ KN. de bladen van de (muji iS r^ WW. een mandje om de aren-suiker in te doen die uit de \'fiiSlhii/js komt, Kr.

\\ 1. KN. naam van een kleine vrucht gt; die een hittere smaak heeft en door de \'Javanen met sam-h\'êl hij de rijst gegeten wordt; rrn?ƒili/j of 0(L7nitu\\ een groote soort v. ranti, pomme d\'amour genaamd, door de Ma legers tamaté geheet en. 2.

aji.rni KN

s Ch

Ct Cl * O Cl „

KW., (Uitluis Of (Uinirj (flii(Mjj of ^

il^rf(Kijj\\K. t toestel, toerusting; tnig, werktuig;!

de boeijen ; middel om iets te vangen; val; list,

listige vond; ook van verf gt; als middel om haar \\

zwart te verwen, en zoo iemand te verschalken,

W. I. 186 , 3 v. o.; ook iets , zooals een gebouw, \'

dat ergens toe dient; volg. Rh. «tw. gewoonte,

bv. [i\\^ ij? \'l (t\\\'ii ^ het is zijn gewoonte f \\

om te stelen. naam van een klein

soort geiten. n^(e.i ^\\ (Uirj i^ri QJijj\\ goed toegerust; goed uitgerust, geëquipeerd; zich toerusten ; en iets, bv. een schip, toerusten. — «3 ili ti y (MJl ^ hetz., en op een listige wijze vangen of verstrikken. — Q1/

zva. iikhtl^is Men.; met het noo-

dige toerusten, uitrusten, equiperen. — (umi

o j. . *

föuiLi injj of (u ni rj m(im (Hi/i zie asii o \\

n-i rfftosKN. ketting, keten. — ketenen, inde

ketting slaan, aan de ketting leggen. —ojiw

ui(Hi/j\\ kettingganger; en de plaats waar de ket-

tinggangers zich bevinden; zie ook hij dsnv

.-gt; o ct o 3quot; o..

•quot;o if(^\\K\\\\. zva. iui cyrj iitï,isr^ mi \\\\

V^Vfö!2^ 0f 7( 3\'7^2nKN- zwa^ » mos iu ^ee*

nen van ouderdom of van vermoeidheid, WW. Vrg. tini nnsmw 7jnid(^\\Kyf. zva. {tikr. rata, sterk met iets

geoccupeerd). — ^^«^nkn. met harteleed of weemoed denken aan het verledene of een overledene. — weemoedige herdenking. — un n föi ihn/j-. kw. zva. (hti kn. met weemoedige gedachten vervuld worden bij het terugdenken aan het verledene; met weemoed herdacht worden, m; n föWfl wji\\ aanhoudend met weemoedige gedachten vervuld worden.

O

(uiiHi(isiyi\\KVt. zva. (imlUi^xTn/js

nji \\ zie »7 % \\ 1.

• o

mr a o

^ ni $1 ■?N en (,g föi ?N kermen, met hooger toon van stem, dan [rna^^\\ ook om iets kermen of huilen, aanhoudend lastig aandringen om iets te erlangen; kermend. — cut i riigj gt; \\ gekerm. — (Ui (Sn lm ^f] frn q \\ algemeen gekerm.

\\ I. n., (ui(fQj\\K., afvallen, neervallen, van iets dat los gaat of zich los laat; ontvallen, bv. van een boek uit de hand; afgevallen, bv. van een vrucht van een boom; fig. gaande worden,


-ocr page 271-

-quot;lez.öT

197

niWquot;d4\'

iv.va» iemands medelijden(vrg. rj-m —

1\'%rquot;0^alea^iem., eva. geschonken worden v. d. yunst of medelijden v. e. aan-zienlijke.— quot;eêrvallen oj).

__ij Kir* iets laten vallen uit de hand;

een tand verliezen, en doen verliezen; tranen storten j een ongeboren vrucht afdrijven; een zwangere vrouw de vrucht afdrijven; yunst of medelijden gaande maken of zich verwerven.

«jnrjmimnnjiinryi^ de talak verleeneu aan een vrouw, die dat verlaagt. — iu^

Mnanj)-. wat afvalt, het afgevallene, afvalsel j ligt afvallend van aard, brokkelig.

II. kn.j kermen, met lager toon van

stem dan {^$1* — ^ x ge^el\'m-

•tufë) (mjj^ zie vj ■» 12 (KJ w — lang verward

kruipgewas, of zoo iets met de handen af- ou uittrekken, ruwweg schoonmakcu. tm ni ftgnsijjN (Uyj o

rj rj x zie oj) vj ni \\

verkorting van

iem. onderweg opwachten.

o O . o

zie nsunrnw

waal\'aai1 men zich bij het gaan vasthoudt j zich onder het gaan ergens aan vasthouden , WW.

o rt o n o o , , . ...

•r»^/Kiï^\\KN. j 70 klein en lijn, van

bladen (in een regte lijn. G.).

zva. iji -nnnji\\ ook gebelgd , zva. nc^

nn\\ KI. van en a\\(Q(tfjj\\ —

a

zva. tunihn(Knnaw

(si a

^ een vlaggetje aan een lans.

V^* 7\'tex* UÏ!AS —\' V^*IftR* h\'yis me^ 8ewe^^ a^quot; rukken, bv. blaren of vruchten, rijp en onrijp

v. e. boom; de haren uitrukken , met geweld iets afnemen, ontrukken.

71 r\'s \'7 ni 2 f{£ \'K w v ^ \'K w iru \'yni NX

*ie

KN.digt inéén, goed aanéén gesloten, zooals van een weefsel en een pagür. —

iets digt inéén maken. — ^tniN inéén Joen sluiten.

r}jWf ^l/fv 00k wel, vooral in poëzie , kn.

harmoniëren , harmoniërend, accorderend ; fig. in harmonie , eensgezind j verzoend ; overeenstemmend, overeenkomend , sluitend , passend {vrg.

grondvorm (tsrj^isnj^). — doen har

moniëren; eensgezind maken, verzoenen.

KN. at, afgehakt, afgesneden, afgebroken, afgeknapt {vrg. yi rni — ^3s a^hak-ken, afsnijden , in eens breken of doorbreken. — (viföiii-.ujnns iets in eens doorbreken; in eens afhakken van j doen afknappen. — oji 11 WW (hi/j of (H^\\ afdoening, bv. van een

koop. — v73$?\'M N ie^s zooa^s een koop of een regtszaak, afdoen {vrg. i.i \\ en u r.m wjj

bij iJiiKyj).

zie

O \' (Pi

M tfjt U-Jljj \\ zva. (U N\\

Vn) V Ofi KN- geregeld in de bijzonderheden op elkander volgen, in goede volgorde; oo/r goed In de bijzonderheden overeenstemmend met iets anders.

ni /jfi itJtji kn. regel, orde ; gerangschikt (vr^.

en m^.uq). rijen, op rijen of re-

gels. — [^m(ujj\\ in groote menigte.

7^^r zie \'rn

7 ^ 7 fö\' ^ 671 ^11 0611 aaiieeugesloten

rij geschaard {vrg. en it[l ul[/}x)-

•»j (K7,t^\\KN.; ie^s nrrangeren, vooraf re

gelen , ordenen ; aan personen vooraf ieder een bepaalde taak opdragen ; iemand vooraf voor iets dresseren o/\'oefenen {vrg. ^ 0f iLji ■ yi j olt;yiN het gearrangeerde, vooraf geregelde.

n$l\'r!yi^ KN* aai^l0adend ,* druk en le

vendig van liet geluid v. d. gamêlan, van kanonschoten gt; enz.

rtji^oTT^xKN. — \';ifö^r!2/ls ^evig schokken, stooten of schudden. — mh ivi crrtji ^ ace. pass., vandaar kwijnend van gewassen; ook ongev. zva. \'lt;quot; £*4 ^Rh.

KN. — (ijj^oTT^NKN. digt, bv. van het dikke loof van een boom; dik, zooals van een

rookwolk ; druk, aanhoudend , bv. van een gesprek.

O • O O

zie 3 foil nm/i^ ^

t^^o^nKN. sterke o/vele beweging o/schudding; veel beweging of opschudding in een land-, zeer bewogen, ontrust, in hel gemoed. — {^^nrryjszich ontrusten , den moed laten zinken; ontrusten.

7 n* 7 \'$*(rnJls KN\' a*\'\' u^quot; gt; ueêrgevallen; af-, uit-, neervallen, van vele voorwerpen {vrg. en

O ct

ij ni? ij rryaftijf). —

ïems. medelijden opwekken, gaande maken, Vrg.


-ocr page 272-

188

---^ (.rj? )f uiirrt^ af-, uit-, neêrvalleu

enz. mv. ; oo/c op iets neervallen. — 7(3*

,i, n \\ zva. ^ fój?17quot; r/quot;N van de vrucht van een zwangere vrouw.

•yt ima:n/j\\KN. in een rij achter elkander (vry. gt;gt; c^i iiAjj en */ \'i vf ffi m/j)- — gt;gt; {;y (fn \\ gt; t fQ en

Hl/I\' 0f 111 eel1

rij achter elkander gaan of zicli bewegen.

tfp \\ kn . een fijn gevlocliten mandje,^, voor werkmandje of vruchtmandje. — C\'J\'\\ilN zva. w t ijj fiy. overleggen, maar in een kwaden zin.

rgt; ÊlN KN*» 7 0\'1 $ n föjjN ttai1 Höi\'den j gescheurd, zoodat de lappen er bij hangen; fy. geheel verarmd, geruïneerd. —(.r^^Ngeruïneerd, geheel verarmd zijn. gt;^^nkn. een soort arenboom, met groote donkerbruine bloem, Kr.

•l/i^nKN. een ligte berst of scheur {die niet door en

door gaat); van het hart, bedroefd, hartzeer heb-

i oO Qv o

ben. nj) h i ^im ij ia t m igj i;»cm n i ^ neemt u

het niet kwalijk ! tweedragt, tweespalt {vrg.

Mtnihtijj). ij ion ■ nüx um. van een poort hoven

aan de trappen ten zuiden van de Siting gil in

vroeger tijd.

ij n zva. \'» ) alleen in wi ayi föji\\ hier en daar gescheurd, met veel scheuren (vrg. ^ni*föi^^ en (trimi j).

\'n^j\\KN. digt achter o/ na elkander; kort op elkan-der volgen (vr#. rj ti ij^). en

op de hielen gevolgd door een, ander ; onafscheidelijk bij elkander, onafscheidelijk aan elkander gehecht of verkleefd. — ij tty, \'1 \'\'n\'l 0J :li\'

digt achter o/na elkander; digt bij elkander zich honden; onafscheidelijk bij elkander zyn.

KN\' \'n een l\'\'j llausti achter 0/ vói5r elkander; en een rist of snoer (fry. (\'n njioti ). n/ \'quot; gt;]$/quot;j n ij in een ry naast 0/achter elkander gaan. Zie lt;i/h /.ij BV. 1 \'/ ^x bena-mtng van de letter cmtw \'/ quot; 7/ ^ ïj spr. nauw aan elkander gehecht.—\'/\'JV |}ffN rflgen, aan een snoer rijgen (»gt;-(/. n/ icii ijirin).—

geregen zijn, op een rij, voor elkander. — »/

.o ■ ,

*1 l lsmv-gt; en aai1 quot;Jg»11-—7\'\'\':l\'HliP obj. den.; waaraan geregen wordt; bij risten of snoeren ; in een r^j achter elkander.

17 T) (£7* RW. ZVa.

jn \\ heter TïrmnKW. 2^«. en lt;y)i j a k,s

C\\) Ct\'

gebloemd fluweel; en naam van een fraai herle* beest met gevlekte huid. (nsr^ibT^njiji).

narmsKW. de katoenboom, daar de kapoek aan groeit. Eriodendrum anfractuosum DC. Nat. fam. der Sterculiaceae. 0i/nouiMjjMi., 0.jjgt;an\\K., de wilde katoenboom, Salmalia Malabarica S en K.

O O ^ u /

\'Hyj\'Hj \\N., üsrjtHj. k., een Randoe-

soort, waarvan het hout tot krisscheden gebruikt wordt.

rn\'tiiiN KW. fjiarnw

^ ( \\) (a I

1

rri cn 11 \\ KW. zva. mil ^ » n\\

(iji ij (rr 11 \\ KN. belemmerd, opgehouden; geen voort-gang hebben. — cj ij arm ihii ^ii ij ihii \\ belemmeren, enz.

O Ov o

»)lt;»i//nKW. zva. ricrmdnii \\ wa. nicirn\\ en zva. (J lt; J CaJI

O

lil) 17/

irj n iiorm i\\K.u. traag en sukkelend voortgaan, maar langzaam vorderen (yrg. ijTwriyii \\ \'-narpi thii/] en Lu ij iLirjcnni). ij t jrrjnrni ij^n/n i\\ telkens stil staan onder het gaan. — ^ ook

wel ij-nrfyiitiHjcin/js sukkelend, nu.ar langzaam vorderend ; teuteren, tenterend.

\'gt;7rmo/rj\\kn. I. een weduwe met kindereu, ö ƒ die een kind gehad heeft; een van den man gescheidene vrouw {Skr. r an d d). 0ii ilt; u iu\\ naam vaneen batiks el, en een lekkernij. (Tj.)\'— 0(K/}fiivu\\ of 011 in naam van een gestreept lijnwaad, ook ifjcrn iu\\ ben. van bijzondere soorten van een ghiding. Hn ntrrnimji^ weduwstaat; de woning van een weduwe. — nar/7 fig. eene krisscheê zonder kris. WW.

IJ. (rondci) Holt. ronde, de rondgaande nachtwacht; de ronde doen. (ui rj tmyris het de ronde doen, VV. II, 41, 7 v. o. — iuirjrri2ryn(hnjj of gt;1 uijycyn iin^ wachthuis van de ronde.

ij m ijcyii \\ kn.talmend, talmend voortgaan, niet voortmaken (vrg. iyn^iuiii\\ en -n mifon/j)-, oo/; klontjes meel met eenige andere ingrediënten in water gekookt; deze lekkernij heet ook «mum/0. ^ •gt; / ylt;/;//1 (hij x zie if Y)tijcyn 1 w ijquot;ni if nii2ihn^\\ zie bij

-Ti trhnn^KN. langzaam (niet vlug), bv. gaan of

Ca)

schrijven; ook naam van een ghiding. — quot;

quot;fprj kh\\ iets langzaam o/langzamer doen gaan.


-ocr page 273-

1Ü9

_ purnhHti Mil\', on ecu langzame wijze gedaan.

(V J\'

,.7quot;!,^)vftyj\'Uiquot;1 111N llüu Ifiigzuani ook.

n tii) 1, ii/)gt;KN. ouveüig , ware (.WJ jtlaals daar het niet

\' 6v\'/

veilig is (fry. m «). — langzaam en

vuetje voor voetje naderen tor. een object; volg. Kh. bep. een stuk wild bedekt en ongemerkt naderen, (zie ook o.a. B. T. Dj. 3911, 11 een vijand) (vrg, quot;mrnvnj)).

-nmntsu/j of KN. langzaam vorderen of

voortgaan, door uitstel of vertraging; talmen; getalm {vrg. (ïf\'ri2^anfn). — (wwiaw/j of ,3»^ H5njl\\ Wugzaam voortgang maken. — (,3^y ^5N vertragen, Men. — %quot;*] hquot;s 0f

\' \'$1*] wn \\ iets langzaam of langzamer doen voortgaan.

ijmvjcyiji(bi/y^NKN. j 7^37 ^7schrammen, door schrammen kwetsen , zooals van doornsgt; die ergens langs gaan; fig. iemand valsch behandelen, belasteren, zijn gemoed kwetsen. — ,kri tj nrfmnihnjj of y{^tfinnihi}ji\\ geschramd raken. 11 n tjiyn ii^n (tn/j\\ obj. den.

nath iuwncnh \\ WW.

r.j d\' ^

iijiarrns of v] ibi2oj) ojierin \\ KN. de westmoeson , de re-

^ Cxi J 1 s 6J

geutijd, in een eng er en zin de zevende, achtste en negende mangsa, in een ruimeren zin van de vijfde tot en met de tiende. -— «jj uin m an^ \\ de wijze waarop de westmoeson heerscht of zich gevoelen laat, hv. zeer nat of bijzonder droog, in het natte jaargetijde geteeld {org. wituiawihijj). r!(rnj\\KW. zva. v)amt mcnnj\\ (een wolk die door

den wind voortgedreven wordt. G.).

nrniKVf. zva. (ihi^vpi\\ {vrg. nini). — ^ \\ KN. zva. tjiamaiijj of fr^iru tyncm^s stil honden, ophouden , bv. van schepen, die ergens ankeren, n \\ KW. zva. vj ccn 2 t\'j \\

V zva. tyrtt yu/iN uitvoerigheid. ïj

tji nis KN. slank en welgemaakt.

u unu \\K.y/. zva. (L^aj^s A^r m gt;n KN. met de voeten of poten trappen o/stampen; driftig, voortvarend; Ti», zva. .1^1.111 hnjjs ^\'S^nkn. — j \\ steigeren van een paard,

van vreugde opspringen, van een mensch. ^

of /\'■lt;\'?•

zie (n/jiiim h njjs ™\'^xKW- °Minn/n

titim (t i/jsKü. ; (ryern (lujj \\ van iets het eéne stuk voor, het andere na, afsnijden, vooral van een prooi, waarvan ieder een stuk neemt; volg. \\\\ W. naakt uitkleeden, zva. m ^ 1:^1 ? t/ —

riarni Aji (hojj of n i.in iu .1 )jj\\ een beest, dat een mensch gewond of gedood heeft en tot voldoening aan de bloedwraak geslacht en onder de bloedverwanten verdeeld wordt; ook van een beest, dat om onheil te verhoeden ergens afgemaaktgt; geslacht en onder de menschen verdeeld wordt.

mmu/j Ar. r adj m; / M.m lt;•/^nkn. lt;gt;w«^/stee-

a o.

nigen. — n .irm / ^//1 nitf ^/1 hi m : .1,1 .li i^njj \\

of ..f! 11 i.ni Ejiurt h 1 tuil iL/i .isij ij gt; 1 a nnji ^ schertsende

verwenschingen, van een man door een vrouib.

gt;ilhi\\KN. een ledikant. Rh.

n L:ni\\ frequentative vorm van ■tjiii mw un gt;hi:m 1.1 ari j bezeten door een boozen geest \\ ook woedend

driftig, zoodat iemand wel bezeten lijkt. Vrg. /.»;

o. ... ).

ui i in 11 ik ij] bij ^ 11 uw w

n lt; ?/*) \\ KN. pak mand, om 0$ den rag gedragen te worden, of, een groot er soort, bij tweeën op een lastpaard.

^ v.mnKN.; (^ini\\ aanrennen tegen, er op instormen {vrg. Hi^ i m .uy m); fig. ook dingen of staan naar Iets dat bezet is, bv. een post, dien iemand bekleedtdoor onderkruiping; (van een ver afgelegen plaats koopgoederen op de markt brengen. G.). — jjt Lm u: ij iiii\\ een paard of zijn volk tegen of op iemand of iets aan laten rennen.

r^j hjji kw. zva. 1:1111 ii^i/j \\ verkorting van mi

uu1. bros, van iets dat gemakkelijk met de

tanden vermaald wordt {vrg. oji iig^ en ui (Njjj hnjj).

2. helder, van de stem.

ha(hpu \\KN. broos, van iets dat ligt breekt, zooals

een fijn porceleinen kopje; van edelgesteenten, met

berstjes van binnen; in gruis, tot gruis {vrg. ui

é

iHjj^s en

gew. 1 Ij ty\'j 4 1 ]j -JJj lt; ongeveer hetz. als u Hjjjq\\ maar niet zoo lijn verbrijzeld, tot gruis, gewreven, bv. van roedjak. — /.;/ iN slordig en overhaast van werken, bij de padicultuur. SG. il/ï uijji mijj % li (Kpi I, iijj kn. gekneusd, zooals een riet; ook door wrijving of kneuzing vergruisd of tot gruis gemalen {vrg. tui Hjjjj). — ^s


-ocr page 274-

200

door kneuzen vergruizen.

benaming van een oorversiersel, dat in het midden eengrooten steen heeft (lt;ui nti/i) en twee rijen kleinere er om heen {turn nixriji).

gew. m hjjjivi ihhjjaji/jxKii. prachtig, heel fraai, van iets fijns of dat fijn gewerkt is; ook schitterend, fraai gliusterend, zooals dauwdroppels. m (HjjjiJijj\' ook naam van een genting.

rr) upj x zie (ijt (hj i^

W \\ K W. zva. •tot llfU^(UU^ th tJI yiartcrrt^ en ^iwini(Ht\\ zie niitrt\\ I.

ivt tJt \\ zie rutt (tot w s

i^oo!\\KW. zva. iKttikw kn. wild, niet mak, onhandelbaar, van een rij- of trekbeest (yrg. wtaSastt/j en •-nuTtw/j) y boersch, ongemanierd, van een mensch.

ryt (tJt j \\ ook TtKjfrt^ en {tet^ttjtf of wrtttJi jwiN. vochtig, nat, drassig, moerassig, van den grond

/ Q O O o v

{vrg. (L/n iamp;utjtjis iud onjj en tj n ij 11 j \\ 2.). n

flo)^ of ntirtn^s tp. moerassig strand, doorgaans

met kreupelbosch begroeid.

\'iittj)^\\kn. in fijne straaltjes neêrdruppelen, van water ; in fijne straaltjes regenen, {vrg. ntjlttrnjj en

a a .

inri^iFjttMJl).

t^joi^nkw. zva. lUtjnjitwyi* KN. gemeen, van een ge-meene klasse ot soort {vrg. rtt^td nq).

T^fk^NKN. zva. t|(Iüt,w7j^n ook wel met suiker bestrooid, fLfjj(kj^s geschikt om vaquot; te maken, zóo Waj. I. 188 an (Kt i^0\\

quot;r}/^ «o» ^\\kn. I. gemeen, van geringe waarde o/gering aanzien {vrg. quot;yiitJtq). 2. nat, van den grond vloer of bodem {vrg. spraakzaam, ge

meenzaam.

kn. vergift, om iemand te vergeven {vrg. (utjdKMjj en ut i i). (htji\\ iemand vergeven.

(f^ nTj(hJt2 (yt/j\\ kn. gemeen, rjdirt tet^t0 het gemeene volk, WW. (Tj.).

ti (tJ) itn \\ zie rt (um an w

C/b

miut tmjisKW. 1. alle gelijk, overal gelijk, zoodat er in grootte, hoogte, hoeveelheid, gedaante, enz. geen onderscheid is {vrg. (btntasrt). 2. zie (iJt hnjj\\ -n (ut tffl (tot iHnji \\ overal gelijk verspreid, van water;

, ct Q , O O -

ook zva. -riajt ^nutjt — (iL^(hJt (tnt/I of i ^Ktjt alle gelijk zijn, overal gelijk zijn; alle gelijk, bv. bedeeld: overal gelijk, even hoog, bv. onder

water gezet.

-ytdJt htt/j of nidot Mtiji \\ kn. maden inden bnik , of ook 1 in de oogen (vrg. njr^ ry nJt om iistyj \\ ry Pt \\ en m).

111 t wttji\'\' kn. gereed bij elkander in afgepaste hoe-1 veelheden, van drooge ingrediënten voor een memj. 1 sel; ben. v. het bosje padi, dat men onder het I

snijden in de hand houdt; 4 of 5 TttJtMttJi vormen

O ;) . O K O . ^ O

een (tgt;ti utt (enj^ en 4 ot 5 itstt hw r£^\\ een (utt lt;m

— (vn t jiiintjjs iets toebereiden met juist afgepaste hoeveelheden van ingrediënten; oo£ afgepast, gelijkmatig , en van alles wat bv. weten of kénnen [vry.

nt tHtiji)} ook een onregelmatige telgang hebben van een paard, Rh. — het in afge

paste hoeveelheden toebereide.

kn. alles bij elkander, niet stuk voor stuk; ook de uitstekende houten aan weerszijden van eeu vaartuig, daar de bamboezen vleugels (^gt;.2») op rusten; en de punten of uiteinden van het kruis van een kruisnet. — verschillende

dingen alle bij elkander nemen, bv. om ze ivey te-dragen. — (yjt\\ een vaartuig \\amp;n

i voorzien. — n^ t^trtjis alle bij elkander genomen; een hoop van allerlei bij elkander; een geheel geslacht ; iets van dezelfde hoop, van \'t zelfde mengsel of hetzelfde geslacht.

n il tat/j\\KK. 1 de verschillende benoodigdheden «ww iemand {bv. voor zijn ambacht) of tot iets {bv. tot het bouwen of zamenstellen van iets; vrg. m?» tlt;ttj^\\ Z. het geruisch van een zachten regen{vrg. n tjij en \'riaont^jj^. 3. het slot van een geweer. (ophalen, optrekken. G.). 4. kn. arènvorm, Kr.

— n t?t lyy t?t tsttjis het aanhoudend geruisch vau een zachten regen ; aanhoudend zacht regenen. —

gt;1/1 ten (nijj\\ bijzonder stuk van de verschillende benoodigdheden ; de bijzondere instrumenten , die tot een gamëlan behooren. — (ut i^tJi een stel van gereedschappen ; ook benaming van één van de keukenbedienden bij een voornaam in-landsch hoofd. a h ry t tni mq\\ keuken bij een voornaam inlaudsch hoofd.

■gt;^/)m^\\kn. gekrabbeld, krabbelig, van schrift. MfKjj kn. opgeheven, ontbonden, bv. van een corps pradjoerits; weggenomen, van iets dat door verbinding bestond; ook van iems. moed of kracht.


-ocr page 275-

201

rniuppj0 Men. fig. opgeheven, uit de weg ge-ruimd, van moeijelijkhedeu {org. ti wi osn//). — i iels ontbinden , wegnemen , opheffen j

losmaken, lostornen (Men.).

lyji ibii^ (of TJ IR Iisnj)\\ G.) SN. los uit elkander liggend of genomen, bv. van een uurwerk of kast (vry. -tjiKiutji en uinsn^ ook

Ki. van ihiijj.ieis

uit elkander nemen; een tent opbreken ; een kleed uittrekken; een sluijer voor het gelaat wegdoen.

_ i i meervoud\', onpaar den afspannen van

een rijtuig. aj nj i) vy] van het lijf vallen , van een kleed. — itsrj^ snbst. den. kw.

verderf, verwoesting.

r; I -\'.ij pKW. zva. n j ta) laji

prikkelen op de tong, scherp in den mond; vrg. m ran u^ \\

■noiitns kw. zva. iMnnjnw •j) r/\\ zie na n\\\\

n rlvKW. zva. x/tiigt;S\\zie aan \'r volg.W.S. 126, KI.

TI Vj

■ri\\ zie n.i ii f .1 11 w

ff ut rj n i \\ zie itvi\'-ns

n-ri^\\ ojim^s (ijt iu]q\\ zie n.rnqw

a a • o o

zie ituiiqs

zva. ■rjjK*.Kujj\\

zie \'rLl\'rllt;* \'llf ook zva. t|t| — «k T., 4. R.l.

gt;yi mqs zie vv^ tjm2qw

rj ti ij ti zie rj rui if m jw — tj n rf m i n ui^ zie

bij ri-ii^w quot;n adans zie rtwnw Dtj -yiènnji^ zie ru rf-yit lyyjn irf rirj-ti ihn^\\ zie rj itui rj -n arrj \\

rfwiaijj.KV. zva. -yi in] \'ürjjj\\

^ ihn rnHtijjs

n ihvjiMu ivi iivijis kw. zva. 111 tj rui (hn/j\\lt;iJlt;1^11 anyj\\

quot;gt;» mojiojijis nni(hj)^\\ ni t^Jj^ zie ru t)

. o rgt;

ihrnthjjjj-s ihj/j \\

lrTKw- *quot;quot;■ ■quot;fWf

lUiyiiutjls zie aj iu a-rijj en na iuiji \\

^ a • O quot;gt;

tl nnojj-. Zie iutiot^. •

\'I gt;1 ij ti .ui orijj \\ zie bij ij nqw

zie quot; \'(y// \'r!f\'

■gt;i.iy^\\KW. zva. wtrf ri\\ zie ni:ntiigt;\\\\

/ ,

\'\' \'i-ljjlt;y2AN 00^ n \'Jj [2JI\'Kw- zva. rj 111 ij t}iin/j\\

\'n-ns gt; iiJi iji (FjIji \\ zie 1L/1 tijj \\

lt;~v) ri r nj!n M ii/i irnji \\ nnjj Mvm/js

0« CJf

\'~ti\'f)\\ kw. ifumrliw

ti-71 nkw. cr?71

»2».»

O . gt; quot;) D

tl .KH/J\\ Zie til T) Kil/jS

-r^iHiijjsKW. verwoesting, verdelging. GR.

hii/j KN. tp. ^«^röw^omkrabben, om de wortels.

die er inzitten, er uit te halen {vrg. nn iynnjj).

O

r/ ^N zvct\' quot; ^ 7 \'\'\'\' quot;\'ZN

- O z\'

^ nid hijjj of ud^hzui)^ kw. (bn u^\\

c r /. o

un vj u) i \\ T^ .h n ihvjj en N 0/ \'tsn \'f* aanval. Het schijnt eig. een klanknabootsend lóoord te zijn voor het geluid van het elkander van weêrs-kanten op het lijf vallen van strijders. Zoo ook 11 11 ijlijji i(n^\\ of rj dz Hn ut)jj en bn iamp;i gt;)l h 11,1 \\ rf n i mi -w) ah) ojj ifncici} \\ Men. — ij 1^2 hiijj of (unrjnil,] zva. (Hi m-jin aanvallen, een ge-zamentlijken aanval doe»,; ook gezamentlijk , tegelijk , iets doen. -lt?/^(^2ioi^n kn. stremmen, suiker, die gekookt wordt, als die\'geheel gaar is en gereed om afgegoten te worden, anders (vn ij

VÖ\'W

iii,n\\ 1. zie h 11 ifiiw 2. naam van een slingerplant, waarvan de bladen, even als die van iUamp;i^ini (Ki/j tot hei gladsehuren van houtwerk dienen.

(ijirj un \\ ook (Lji injjj\\ en vi ij hntsKW. zva. dirj kn \\

m\'

11 1 Vj 1

Mil 2 NN d/l l^lj\\ 00k ZVa. I. J tHl HIlW

(ui ij i,ti ?\\ zie dji rj u n w

O O

O 00 / • (TO \'■» Cf .

iimi\\KW. zva. un 111,11 {zie luimis en vrg. ri un)\', n. , m Banjoe-mas, BagHen en inden Oosthoek, een vriendelijk vrnw. van de tweede persoon {vrg.

(ia kv). — (t/j u »7 n k . zie 1,11 (ui \\\\

ci n

ii h 11 kw. vrnw. van de eerste persoon {vrg. n im).

n o

— i.ir^iiii\\K. zie u 11 (iaw

o o

n/.i^NKW. zva. [a:ynj\\K.. Zie kiichiv

-gt; s

ij tiK11 \\KVf. zva. rxjiQJijj\\ un\'ti(hnji en

nun tti 2i \\ {Skr.lékhd en rékhd, schrift, teeke-ning , afbeelding) ; ook, volgens G., rekenen, tellen, optellen ; kn. wat men ergens op uitvindt; de wijze waarop men iets aanlegt, in het werk stelt of prac-tiseert; plan, overleg; kunstgreep, list, listige vond {Skr. rêkhd, misleiding, bedrog. Vrg. n (iiKui/i en (uti un njn). — ijtiiiiiij num in alles

TITir;H/)\\ ^6* /L/ \'MTTI/JN (J7

r amp;


-ocr page 276-

n T) mi h l

202

r11

do schijn van iets aannemen {Hooytl. sïch so ye-biihren). — y ^ hu\\ iets practiseren, iets ergens op uitvinden ; iets zoo maken , dat liet de gedaante heeft van het een of ander. — ^ [A^ uh.kh rj n Nn\\ voor iets de geschikte maatregels nemen.— ^ rr) .hn \'Hi/i of iui gt;1 »gt; nti omj \\ gepractiseerd ; verzinsel j verdicht; met list verzonnen, listig beraamd. (ui y \'gt;7 Kii ^ i)nj) v iets gewerkt in de gedaante van een griffioen, (un mi^m t ,ui )f riHii(Hiji\\ benaming van de Aksara s met drie Tjitjaks. ij n :ini \\ kn. klein en welgemaakt, WW.

7/ n2inn\\ Roll, een rok.

(u un of (ijl hu ^ nkw. zva. lili (k) •hnjjs stevig, van lichaamsbouw; kn. sterk toenemen o/zich uitbreiden in aantal; ook veel uitleveren; zich uitspreiden of uitbreiden bv. v. d. vingers i Tj.

)

— miajitii^ zva. iiniaji i.yq\\ zie i.n i.y j\\ Ü.W. jw lu i.r^tuii (mji\\ brommend, klagend, morrend , Tj.

hnj\\kn. onvrij, bv. van de ligging van een huis te digt aan de weg; gegeneerd , gehinderd, door eenig bezwaar teruggehouden j gegeneerdheid; be- i zwaar, dat iemand terughoudt.—un \\ | iemand generen , belemmeren , terughouden. n^iii^\\KN. een bidkleed, lange sluijer, waarin de : MohAnmedaansche vrouwen, en ook wel oude mannen te huis, het gebed doen {Ar. roekoe het maken van de buigingen van het lichaam bij het gebed ; dus wel eig. iui it» rj mi t in^ q \\ Vrg. un \'UiJJj)-(ijl jfn ij n/n 2 (ijiji \\ zie oji hiimw

\'nriN KN\' \'n (^er minuegt; i\'1 Vl\'e(iegt; eensgezind; het in der minne mei iemand kunnen vinden of schikken {vrg. lunsr^cbiyj en ^ jfXj\'Uiiq). 2. Ar. roek 7it de noodzakelijke godsdienstpligten van den Mohammedaan , de belijdenis , de reinigingen, de dagelijksche gebeden, de vasten, de mzikhmiiji en de bedevaart. Km m vreedzaam en

eensgezind van weerskanten, ij mi1vreedzaam. — menschen met elkander verzoenen, maken dat zij in der minne met elkander leven. — ^ \'ifjnnjj of u ij liiitin inji^ vreedzaam , tot minnelijke schikking of verzoening geneigd; in vrede en eensgezindheid met een ander leven ; het in der minne met een ander schikken; een onderhandsche schikking of overeenkomst aangaan met een ander ; onderhandsch, bv. ver-koopen. (u ij Kr^nn^ een minnelijke schikking. ook de beslechting van een zaak door de uitspraak (het arbitrage) van den vrederegter {den reyicr ter eerster of ter tweeder instantie; den Goc- \\ no eng in de désa of den Wadand op de hoofd plaats), zoodat de zaak niet voor de regtbank komt, indien beide partijen er in berusten. Vol

fi

ledig wordt zulk een beslechting genoemd gt;.h t,

on o ili^jjjul ifl -jllllxi ili ^ l l.l^ ihi^ i urj - t/ \'fj

j.yi^ menschen, die geschil hebben, door bemiddeling of bemiddelende uitspraak verzoenen; een zaak beslechten door uitspraak van den vrederegter. — (i5/ ■ Kijtf^iHiji\\ het in der minne schikken of bijleggen met een ander; bijlegging.

ij 111. a it iji zie tyn uu w

)

. )

lt;rjtiihtianji\\ Holl. reken. — van iets

rekening houden, iets in rekening brengen, er bij rekenen of tellen.

ook wel nftlajs Holl. rekening; ook voor een nota met cijfers en optelling.

ajiun i[j\\ de beweging van twee personen, die hand in hand tegenover elkander staande elkafir naar zich toe trekken. III. volg. llh. een uitroei), trek I

lt;L/i /ormKN. benaming van het schrijfteeken (u\\ anders Pa-tjërek {zie bij imrn).

■»i hji (hijl KW. zva. ii ij iui (htji\\ zie ») ^

-riCuyi* ((HJJJI iUiji^K. W. zva. iamp;i ijii ij on \\ .i!ln\\

:i7ri tiri gt;i\\ n rj tici tin ^ \\ najjj (Uil w

j./^kw^nKN. , Ar. roekoe\', het maken van de buigingen bij het gebed {vrg. ki^ q en m,ri ui ihii/j)\', ook zva. tj Kij q w

ct o%. :) y ) ^

ij\'tit ij kn2Mnji\\ N., .n ijmsK., (i^)jj Of (ijri(kiojijinkl.,

stroocigaar, cigaartje van in een blad, zooals van maïs, gewikkelde tabak {van het Holl. rooken. Vrg.

[MMYji). - Tj Vj (Hll 2 hVJI il?l iföl\\ ZUlk CCU ci-

gaartje rollen of maken.

naojiiaji of n hi^ huji KN. — [X^uiyisn^

doordringend van de koude; van koude verkleumen. *

T) ini\\ of (Ui ioi \\ ook wel iui(isn\\KW. zva. (untchs rood {Skr. raktd)-, gt;» ^ (u \\ of tui mii ivi\\ vuurrood.

ri inU KN. zva. rnnFnhnji^ gereed, in orde ingerigt.


-ocr page 277-

IJ HU iisnjj n

)

mnn

203

uitgerust {vrg. (uasn). — 15^\'^N gereed maken , in gereedheid of in orde brengen; zicli uitrus-

j.elJlt;_ dJiV Wi \'^P ineervoud\\ eniemancluitmsteu.

^ \' , ) O ^ o

gt;».n \'bii,p KW. (IJ) nw/js uil (Li\'ru/j imucj il^

nrnninsiijj ^iM^ïsiï^KN. digt aan elkander;elkander digt op het lijf,» strijdenden op een slagveld; nauw verbonden, nauw verkleefd (?ƒgehecht door genegenheid of vriendschap {vrg. inuLu^ } gt; dJihnjl Ti unnsriji itn fni nnjf en ijiun rj un nsii/j)-— digt bij malkander zijn; dage-

lijksehe omgangj nauw verkleefd zijn, gemeenzaam, vertrouwelijk. — ^ku iistyj of ^yiïii iiw n zicli nauw aansluiten of hechten aan; blijven liefhebben; oo/c ( r.y\\ii(isriji\\ geheelenal plat of hol staan , van de buik door uithongering; en i^iJiay]\\Kl. van onnjlirvis de buik smeeren met een smeersel van kruiden {zie arijj). (hj uii (isiij^\\ nauw

aan iemand verbonden, met wion iemand gemeenzaam omgaat. — wi tïn thii/]\\ gekleefd, aan-, vastgekleefd; geheelenal plat of hol, van de buik door uithongering. — am { lyidi ^n/j als gemeenzaam 0/ nauw met iemand verbonden zich voordoen en gedragen in den omgang. — j~iini h 11 \\ met elkander tot goede vrienden vereenigen; nauw aan zich verbinden door gemeenzamen omgang; doen vast kleven. — \'*1 %\'lH1J) got-\'Je vriend, goede vriendenj van dien aard, dat men gemakkelijk gemeenzaam met hem wordt. ki. van hiinjnip een buiksmeersel van kruiden.

n iin(hn/j \\ kn. gereed, in orde, ingerigt; inrigting, toestel; de wijze waarop een spel gespeeld, wordt; paar, span, koppel, bv. van laarzen, paarden en pistolen; voegen van iets bij iets anders tot een paar; in orde brengen of gereed maken {vrg. ij

,Q quot;gt; ) o k o

%,S MdJI ILII \\ en OjKh\'l). iUI l.l U H H hlHi \\

de verdeeling en geheele inrigting v. e. woning, CP. — (n\\^(i(n mn/j\\ gereed maken; in orde brengen of inrigten; twee dingen aaneeukoppelen ; toe-bereidsels maken, zich gereed maken, tot iets. — ^uhiiffis in gereedheid brengen voor; toebereidselen maken tot; voorbereiden , een wagen inspanden, paarden voorspannen; (pok een weg versperren. G.). — \' iiifii ii^ii ij /i a \\ tot een paai1 of span te zamen voegen met; trekbeesten inspannen. — *1 \'L™JI^ gereed, in orde zijn. — n u 11 1^1 hoji\\ aaneengekoppeld; wat bij iets anders behoort tot een paar of span. hz ncyi iiun^iiKi^ paarden die te zamen een span uitmaken; en rijtuigpaarden {in onderscheiding van rijpaarden en vrachtpaar-den), en zóoook enkel n iw ^i im/f Ook m kt] ^ anjj of oji ridoi .ioj bij paren of spannen.

(Ui i, 11 ihii/j \\ zie iilt; 11 (ia 901 (hvji \\

n nn kn. snel, vlug; rasch, gezwind, gauw, spoedig, tluks (vrg. nsrin:rt luti/j lt;ïri iu .~yj en rjnm nm ili/j). n Mn mi Sn (ki 1 lis vlug van overweging, gevat. — ,»j /.n(i^n ij hu\\ snel of sneller doen gaan, vlug of vlugger doen. — ntw \'WW,] of n n nn iifli thfi ij \\ met spoed, met versnelde schreden; om het snelst met een ander of met elkander wedijveren; Zoo ook ri hiiu^hn Kjnni/]\\ — nar n nn W hJJI vlugheid, als begaafdheid.

noi\'ühjj\\kn, te lijf, lijf aan lijf, met borst tegen borst aan elkaar geklemd, bij omhelzing {vrg iimiiunjj). ^ uimsii/js te lijve gaan; zich nauw aan elkander aansluiten , van vrienden.

iLi igt;li Lu i*ii/js kn. geknitter, knitteren, bv. van haar of een blad, als het brandt \\ en het geluid van linnen of hard papier, dat gescheurd wordt {vrg.

- ) - ) V

f.J lill lt;hll Kil li).

(WKiiit 11 i.ii^kh. klanknabootsend woord. krak, krik! en zulk ten geluid geven, kvakvw, bv. van het houtwerk van een huis bij een aardbeving, of van een boom die in een storm scheurt of omwaait.

(UK?! tiJiKii/j\\ kn. geknitter als bv. van brandend haar, WW.

(u ini isy iiijjjsKN. klanknabootsing van het geluid bij het afrukken van drooge blaren, WW.

(iyi li lm \'ij (hu kn/j \\ kn. geknitter als bv. van brandend stroo.

11 iai oji x zie bij 11 /jy w

niKn-at\\ hji\'if 11 KW. zva. (ki^ki^s tamp;cms en .is^ tip\\ kn. beveiliging, bescherming, bewaking, zorg voor de veiligheid en het ongedeerd iu goeden staat blijven van iemand of iets {Skr. raxa). •gt;» kh D imzie bij ihhiibeveiligen, beschermen, behoeden, bewaken, ^nn^nf tf üi 1 uij ui \\ zorg dragen voor de eer en goeden naam van zijn ouders. — t/.j nn^ /y \\ toezigt houden op. — ij.\'n.n^i\\ tot bescherming 0/bewaking zijn; toezigt houden op; waken of zorgen


-ocr page 278-

Tl Utl \'i \\

204

voor. — -üi\\ voor a/n n ti hti ^/iw —

(U / ^ h ii ^ (injjs plaats tot bescherming of bewaking.

quot;niHii\\KW. zva. itj \\ il^ cur^ (Skr. iks ha ^ zien.)

-r^ kh-tagt; KW. zva. riiji uuji ^n (Skr, roéksh a,

ruig, ruw, grof, verslonst).

ni,iïl1^J( KN\' gulzig; eeu niet keurig liefhebber van

vrouwen {vry. (tn au^np hi^/j en nn iht (uijj). yj yiirjkï)2n-jijj\\kn. mu i%0\\ klei met veel /and, SG. (ij) kh k in., lurhnrj tun ? ujyj K., moeij el ij k , zwaar , lastig, drukkend; een zwaar werk; een zwaar lijden, van een ziekte; bezwaarlijk op te brengen, hv. van pacht-, ruw, op een ruwe wijze {Skr. ka r-kasjay hard, ruw, moeijelijk. pk. Vry. a/n n m thijl en ijcvnijjt). i^kh ki nn ij hu \\ moeijelijk vallen, van een werk.

rri ftni hii n tui ku^un\\ kw. , beschermer, toeverlaflt

{Skr. raxaka). nirjni0, zva. hji(hi(unuiihnjj\\ nn m) zie ^i hïi \\

*gt;1 irrt ~ia.(ka \\ (U) u it ij) \\ n dJi un \\ of n aai kïi \\ ook wel y i .mi -y* tj un kw. en kN. zva, htï^ ttsii gt; een mannelijke titan {Skr. rdxasa).— iuuti ^jio?i\\ (u(hit aS\\ of YirLi!hm^S.\\ een vrouwelijke raksasa {Skr. rdxasi); ook wel in poëzie om het rijm voor quot;n itm -y» w

o rgt; .

(i// uil Ki \\ ri arn ~7i (k i n (ui ilt;ii -iy» (iji \\ zie \' gt; i mi j.h ki \\

■quot;n iffi \\ kw . zva. iji ij kï! i \\

kw. zva. \'yiTjdo(uiji\\

rj\'riihh truji\\ Ar. kn. lage lessenaar of bankje voor

het lezen van de Koran of andere boekeu.

-n h^H^Kyf.zva. mfmis zie inriiths G. zva. aji ijwiw

(iji fojjji s zie tui ij hu w

zva. rirjaxi ihijjs

KNvan uitgeworpen zaad,

vSG. zie ^

(iji injji na \\ zie Kyjj an w

ökw. zva. -rjijjjw ook wel quot;nrnj o. a. Tj. en

Waj. voor ij -n .ttw

Ktj\\ en iKTj\\kw. zva. uniamp;iaj^jj {Skr. roekmd). rjjini -nfon eign. van een zoon van Vorst Salja {Skr. R o e kmar ata). —vergulden, met goud opleggen. — i^rjkijj\\ verguld.

-ri im kn. naam van een kleinen in het wild groei-jenden hoom met doorns, van blad eenigzins op onze hag e doorn gelijkend; en naam van de vrucht daar-1 van, die tot medicijn gebruikt wordt, de Flacour-tia Jangomas Gmei ? Nat. favi. der Bixaceae.

\' \'

li

ei9n\' üan één van de vrouwen vanKrhnA {Skr. Ro ekmini).

■~n mi op \\ of (li h h ip kw. zva.

{Skr. k ark ata, kreeft). 0.uiasn\\ eign. van een | dochter van Palasara, geboren uit een anj^iiAjj.^ •r) un a:i h,ijji of \'Ui h u ivn tiaujj \\ Ar. ra ky at, buiging 1 van het lichaam bij het doen van het gebed (yrg. 1TN en ry.-^ .uj).

n^cl^jj of n (imjj \\ IIoll. raad, zooals in Raad van I

Indië, ook voor Residentieraad.

\'~niLo\\ ook wel (unia\\N., yirn\\K., yian \\ en ki rm\\ kü. , eenigzins , wat, eeu weinig, of zva. de uitgang -ach tig («S^r. ar day half; een deel), aj

■ \'jcytïnTP. hetz. rïi(in\'ri(in\\ er is iets van aan. -n (in quot;mavj vm gt;vi q \\ er loopt een streepje bij hem door. In denzelfden zin zegt men mn (hitkui ij

vy*

a

m na n zie n (in *

(Li(ici\\ 1. n. zie mow 2. kw. onstuimig; ongeduldig. — lupins of vndei\\KV/. en kn. onstuimig voortwoeden , van een vuur.

(u ui \\ k, , van ^ zie aid.

zie rj\'iiidnw ,

rj n u (ui \\ of ij (to \\ kn. geweld; met geweld (iS/b*. bedwang; roedda, onderdrukt, pk.), rj m\'■ (in (üimi -bis zva. ui n iu mi -b», geweld o/gewelddadigheid plegen. — ij (ia \\ of ^ an \\ geweld gebruiken; ontweldigen; verkrachten {vrg. rj^iw hjs n/11 rmnu(uijj\\ en [^(En^ojri). ij(a^t(uitjn-it(ui\\ iets met geweld aanvangen. — (uirjr:y (ui \\ geweldenarij- geweldenaar. ■Yj(ia^\\ ook wel ^ s kn. verward, get rouble er d , van gedachten ; van het hart of gemoed, in een niet kalme, onrustige stemming{yrg.

O

miui (Hyj\\ zie riMiiw

n ij m (hi/j\\ ook wel nam tj (ui anjj of * i q (un (rj iui (hijj en in poëzie lklti (igjj (injj of - u q hjikujjj

(KT^\\ bij verkorting ij lt;ui rnjj en (igji mtjj^ kn. titel van personen van vorstelijke afkomst {waarschijnlijk van gt;ï^\\ en voortreffelyk.) \'rirjan^i dji/j gt; titel van de zonen van den Vorst en van een Pang er an in hnn kinderjaren. *i ij titel der echte zonen van den Vorstin hunkin-

O o a. | \\ Of 1, ll hl $


-ocr page 279-

m iitim ihtyi*

205

\'W

derjaren, \'ndhiv of

Hiel van kleinzonen van den Vorst, die mei hun meerderjarigheid niet tot Pangerans verheven zijn. /; /) uj mi \'m m \\ o f n 710 w N achter

kleinzonen van den Vorst, Tang er ans

verheven zijn. t j^o^i ^i(i?rp\\ titel van de zo -11 en van een m \'f \' \' quot; w (^^Nv ^ ^

titel van de zonen van een 09 ^ tui jpj (k?~ji i:m \\ en van de zonen van een zoolang zij

minder]arig zijn. gt; / ij nci un (ia^ \\ 0/ n rjtia hjdfip titel van de echte dochters van den Vorst, ook van zijn onechte dochters , kleindochters en achterkleindochters , nadat zij gehuwd zijn. gt; i n m m ik 0/ ij (ic 1 tHr$\\ titel van deze dochters , enz., vóórdat zij gehuwd zijn. rj lt;ui ^ rj w nnjj\\ titel van de dochters van een 11 tj to ^rj w ^ i irm v. »1 ij rtjKtn)\\ 0/ nrfiia.ry n\\ titel van een ongehuwde dochter van een tiifoo 0^7)n ijxci ui niw \\ eeretitel door den Vorst geschonken aan personen, die een militaire betrekking of bediening

aan hef hof hekleeden, ntrjua cm ~jri ita hji \\ of

o o ■ ,.. o

tj ici ui m im \\ zte bij n.w ilci w nnrj (ia cm ~jnau ihu/js

de Radens van mindere rang.— ».»» nij de woning van een Raden. — utt n tuin cm -jiirj 1 u 2 uijis de woning van een Raden-ajoe.

■\'» tjdoiaoj^\\ KW. zva. njit rjnn q G. (vrg. (iJiiictfhnjj).— irirjiicuan/iMLN. toenemen, in aantal; zich vermenigvuldigen , zich uitbreiden; toenemen, ifi hevigheid, bv. v. drift.

(uiict tnj]\\Kw. zva. vnacidxi toenemen {vrg. »»?ƒ ax\\2 nyj). kn. naam van een boom. ij xm 1 »»tvi (in .injj \\ titel van een vrouwelijke bediende van den Vorst tot het dragen van Vorstenstaatsie binnen de dalëm. m (to lm \\ of ui do (U) \\ KW. en k, zva. lu k. van \'U}K\'yi {Skr. rïddadana, overvloedige njkdom, veel geld. pk.). — ^ k. \'/.va.

een naam van Bat ara Goeroe, ook i^ijj ^ {Skr. Roedra, naam van Siwa en van een incarnatie van Siwa). 2. zie rj m{iic^\\\\ ^ ^ \\ of rjtnji 2 \\ ook tv el twj \\ of nj in \\ K w. zva. crniuuti/j en tyiinonjjs woedend, vergramd

{bkr. r au dr a, vreeslijk, vergramd ; gramschap), o

101 vj\'rig zie beneden.

^ do \\ of (rxjj tö ■\'rt \\ KW. zva. èrnih))? {Skr. roedira, bloed).

ri/ifi zie \' gt; ) (ia iisjjjj w

a o o o / 0/

fjj (to asn \\ en usyjjWiW. zva (Cygt; ld (lgt;)) hiq {Skr.

r 0 edit a, geween); ook zva. irn jo w ^ ie) (b)) na ij of dj) iU) ivili nyjs n. , ij (lo tf (btiiMji of iu (lorjibHda^jjsK.., smart, kwelling, harteleed, droefheid {waarschijnlijk van r^(Lci\\ Skr. roedda, gepijnigd; gekweld, en (i/r)ii?))\\ Vrg. (lw a?»

O y, o

pk.). — (ie) tv,)) ihnji of in^u) d\'H) ()i,/j en ^

asn ? 0/ w an rj (h)) i ajtji\\ zich bedroefd maken; smart, harteleed hebben; bedroefd. —[jin (in tuii thj hd \\ enz., het hart van iemand kwellen, leed doen; over iets zich kwellen.

o

ojixovj (isi)2(hji^\\ Tj no »ƒ th))2 tJjjj\\ zie ax) lt;is« iKijj\\

ninï) de Zon {vafi ii t) lt;w iLyjj met het voor

voegsel tis PK.); ook DydO (uyjj of rr)

(ia zva\' (tiquot;N {van ito of ia

ditya en daity a. pk.).

■gt; . o

^ 1°\'n Zie ^ loquot;l\'quot;NN

^i(ujjj\\ zie n(U$jj\\\\

cupjs zie (U)(ia \\ bij mj

\'Tjl ,UJJI \\ KW. zva. tu )• t) _b9.\\ rru IJ fonjl \\

\'ti ujji (to/J n zie rn ij to onjj \\

^ (ia D ili \\ of ij ~t)2(ia u /Li\\KW. een pisangblad; ook naam van een struikgeivas met welriekende bladen, rithr^s 1. KW. heel, heel het rond, van de werelden van een land {vrg. ik amxaji en (0^(131 (hi).%. zie •r) (U)jj\\ us cm (hiyi of n^cnida/js heel de wereld , heel het wereldrond, ri (tm (ut \\ en n •?

n) \\ heel Java. (un ia iujrY) nsrtjj^ zie bij (untuiw . O

(UI (ISHjf \\ Zie OJT) M (ti» ^ V TJ^NKN. -

pass. (utnjasn/j^ Lakon.

TïflsriN ï. KW. en kn. rijtuig, wagen, inzonderheid oorlogswagen of strydkar {Skr. raia. Vrg. »lt;i)tj rjni(is)i\\). II. \'txisï/nN. , ntia (Hi/jsK., gelijk, eflfen, vlak; vlakte, vlakke grond (Waj. Pr. 20), geregeld , goed of wel geregeld , in regelmatige orde; ook zva. tb)t)ah)) overal gelijk, allen gelijk of evenveel. — la^iisDs i^a?)gelijk, effen of vlak maken; een land in welgeregelde orde brengen of herstellen. — ^ nst) h n -jh ij oen \\ [rn n?) (Uj den injj \\ {po \'ét. iBA ^) (ia (Hi ihnjj) maken dat een paard gelijk, niet hoog draaft, Tj. maken dat iets effen en overal gelijk is; overal gelijk verspreiden; algemeen bekend maken. — mamp;,)) wjjs \'gt;)xa oo/js

O • c)

/ n tj asn /j \\ zie ajnT^asnjjs


-ocr page 280-

fj gt;1 2 Ij lVgt;tl?\\

o

Hihll \\

200

geëffende, gebaande weg; de groote weg.

ni ,t57lt; \\ Kw. zva. (ÏD! filt;n s en -ntwiqw oo/-trotseh, hoogmoedig (Sh\\ ardti, vijand, pk.).

it nsv^s kn. Vorst of Vorstin ; Tj. Séngk één {vrg. doi tisr^ \\ en ithi i$n hsyj \\ de V orstin. i\'n amp; ni uttj^

(imcm\\ de Grootvorstin, titel van de Vorstinne-moeder. nisr^(un rui fciijj of titel,

die door den Vorst uit bijzondere gunst verleend kan worden aan zijn oudste onechte dochter, nadat zij gehuwd is. — Vorst noemen, als Vorst

erkennen; en, zich Vorst maken van een land , een land als Vorst beheerschen gaan. riihn iny n (isr^N algemeen als Vorst erkend worden. — (\'3^/ lt;isïï?.\'iyn over iets als Vorst regeren; zich als een Vorst voordoen, vorstelijk. —mi ti ij mi* mj of tayi Mm (hiji\\ in po\'tzie, ook /. »gt; »» het

rijk of de woning van een Vorst; vorstendom; hof-zetel {org. un (ut vj asn é (htji bij funnsr^). — nijim ihn/j of (ui n ij (hii i mi/j\\ poët. rri h ji ^ zich het gezag van een Vorst geven, zich als Vorst opwerpen. — mrjmi 2Vorst spelen, een kinderspel, (ui dsn \\ KW. 1. het mannelijk zaad rata, wel

lust. Vrg, lt;~najt\\ en (ui^.*). 2. zie (Ui k»»\'

(u (isli N. j (ui tj (hi 12 (iJi /j^k, . 1. gereed, van al het noo-digc voorzien zijn {gewone uitspraak van n ^) 2. in de spreektaal zva. un ifii \\ en un ijfomaJijj)-— (i^(isri\\ uyijdsn2M/js in orde brengen, gereed maken. — u^vj om(hj\\ i:it^ tun gt;ojivan al het noodige voorzien ; de noodige zorg dragen voor; ook zva. bedienen.

(ui.tsn\\ 1. kw. bitter van smaak. 2. kn. gebrek aan orde in een land; gebrekkig in het handhaven van de orde, van de regering. 3. Tj. Shigk. zes {Skr r \'é t o e, jaargetijde , van de zes jaargetijden van het Indische jaar. pk.).

tj • n asn \\ zie un ijgt; nsn w r^ n ijihn\\ y rj nmw rjrriiinsn2\\KH. zwak, zwakheid, door ouderdom, of

ziekelijkheid. Vrg. ij n i rj 2 w ij^n(unsKW. zva. omtniunjj en kn 01 (ui\\\\ {vrg. rj rf-ritxa^.

\'ij2(hji\\kn. brood {Hind. hetz.)~ — ij 1 iy un\\hvooA maken, brood bakken. — (ui 11 niïrj(hum/j of rj tj uy ij(hn(uijj\\ de vorm waarin brood gebakkei wordt, en bakoven; ook u n flS0 en iui ijuit ui/j

WW.

Ij 112 Ij Ihll2\\ ^ZZ Ij Ul^2 Ij (lil! 2 \\ WW.

} 1 (éh q \\ en ntbii \\ ook na^jjjs eign. van de vro^ van Batara Karna-djaja , en kw. de maan {Sh Rati, Rati h).

»jj mii s\\ of ij f 12 un {\\ kw. zva. a ^ :i 1 % w (groote droef, heid. G. Vrg. n io ^).

\'(uy\\ (uinsy\\ kw. zva. rj m2rj 1^12tisyjj\\ juweel, het edelste van iets, puik; en pnnse?

ook titel van vrouwen van hoogen rang {Ski. r a tn a , juweel, het voortreffelijkste in zijn soort) (ui mij iui! na \\ puikjuweel, iui uij iiJi 1:1 ok ^ naam van een tooneelstuk. iui un ik ui \\ naam van een Ka-wische zatigwijze.

ij ri 2 un ht/j^ ook tv el ij 2 kn anjj \\ Ml. een rotting, wandelstok {vrg. iu r.m iu (rnjj).

of II 1\'StyKVl. zva. hl.i°\\ of ,i:gt;).iquot;\\ en n| ,isn\\ (Skr. rtilri, nacht); kn. slijk, doch weimj

in gebruik (vrg. i^rjdpzunj)

rt cy —

11 «1 nii^i kw. zva. r.11 IQ en tui ixi .isiiMjf U,™ hilyjN gew. fijn gebloemd;

van gebatikte stof en sits.

lUidsiiMM zva. mi Mil . quot;i\\ en naam van een Wiidm. 11 \'y KN. wierook; verschillende welriekende stoffen, waaronder bo. benzoin (•• i\'ny ƒ m./) poeder door elkander gemengd. — ir^nsnajij) ke. wlerooken ; vrg. ir^ mi w

O

ii /1 rj un 2 ojiji ^ zie iui iun n\\

iui asn iui s zie bij ti igi w }i zie nibhfw ook zva. -iihs^nn

KW. zva. hi il) .ijij:

•n.till (LU^KW. zva. .win cinj)-.

zie bij nisi^w riiisn-E^NKW. zva. flimM/l m9-n LU lil Ij of m»s}iicniHij\\ Ar. kn. bij beurtenen met referin\'s in een gezelschap godsdienstige ge-zangen zingen.

iiiuw nKN. zva. !.I (êii. doch in proza weinig in (ji-bruit. — iets gaai\' maken. — namp;a

IUIIj of IJl -n Kil ril IIlt;IJ\\ gare, door koken klaargemaakte spijzen of lekkernijen.

J » O* . / ^ * \\

gt;ilt;b»»NKW. zva. un un {vrg. nKKt).

nnshlt;m\\ \'TTrfiiiiiirms of n toil irnKW. zva. i.in/quot;

ton (Skr. r at dn g ga. een wiel; iets van een rijtuig)-

rï ; ) ^ cgt;tt

(l/ï kij\\ of (1771 fl/i^NKW. zva. iui(ui miUi/i en ui ia*

kn. een onaangenaam gevoel, waardoor de ziel diep


-ocr page 281-

207

en meer of min pijnlijk wordt nangcdnan {ook m ïj )i eequot; Ji6!1 roerende gewaarwording; diep medelijden, mmiijj of mmvuiligheid, locals van sand, stof en alles, wat bij aanraking een onaamjenaam gevoel veroorzaakt, ook naam van een vogel, die tot hel geslacht van de zwaluwen behoort. — i ook wel

imifi I.),] en een pijnlijk gevoel hebben;

0 y ,i

zich diep aangedaan of geroerd gevoelen ; diep medelijden hebben, knarsen, zooals brood, daar zand in is; steken, zeer doen, van de oog en; vuil, door ruwe stof. ^N het podagra of chiragra hebben; podagra of chiragra. — (tri(ujk)Ji\\ of diep roerend, ijslijk. bv. van een ver-

r v haal.

^ i.i Ij \\ (jrondvorm van (uri \'ft (Mjj en ~n n of ui n !hyj\\ ook wel in poëzie voor au nw/js kn.

ook wel (ijd ni(hjjjjn het regte touw of koord boven en onder aan een vogel- of vischnet.

(U/j\\ Holl. r o o 8 ; zva. ij ut tj \'• 1 quot;lt;t) nn0

O O riv

M Ij.

lquot;) )

I nw/j en tj Myj\\ zva. tun tj tiw/j en u n ij

tf *hk)/i ook nrjiK^.i.yj klanknah. van snijden y \\m ij\'»gt;\\ nji yiiKiji\\ Tj.

fuiaj)/! of ijii ty m1. kn. lid, zooals van een vinger en van riet hij de padi: de knoopen, SG. de hoofdzaak, het hoofdonderwerp, bv. van een regtszaak of brief. 2. k. verkorting van n rj mi} z i~ i gt;1 een lid. — ti ij maji/js iets

lid voor lid afsnijden ; een zaak kort en bondig atdoen. — ^ ma^i^khi^k. van rfswatmKD. van Qw — D i ij fly? 2 o. ) ihojj \\ lid van een lichaamsdeel, zooals van een duim of vinger; knokkel, knokkels; geleed. — en md. in de

spreektaal verk. van \\nji rjtun 2\\ en dit van ui gt;1 tunio.iji\\ bv. 7)(Oj^zfoyuw

\\ KW. zva. !ucmi\\ to)^tui2 wjj\\ tur^ tu fj\\ un gt;ƒ 7 ^ 2\'MJI W W gt;f f l 2 Ml/I *1)(IJ) ?\\N N. \' n Ij (LH 2 (Kyi\\ K. I. gevoel; smaak; het zintuig de smaak; m/mnkn. de foelie van kwik van een spiegel; poët. het man- ! nelijk zand , zva. mt 11\\ {Skr. r asa, gevoel, smaak; kwik, en mannelyk zaad; Tj. Sëngk. zes; en »»

\'^\\KN. glpS. G.). (1777 (HJJj,■ gt; )OJ) N., ^ nsn 2 tLVI \'71 (KJ) \\ K.

kwik, kwikzilver, y 1;) u^j n^hj)\\ ^ an nrrjtun? de wetenschap van het sperma, d. i. de wetenschap om met een vrouw in de verte gemeenschap te kunnen hebben. lt;i.i- gt;7 v.i \\ of en o ngelijkelijk , ü/gelijkmatig, zoo-

dat twee of meer het gelijk gevoelen; (0^ »; 1.1 \\ aj^-ti\'rjtun2(Mjj* in denzelfden trant) ook naar evenredigheid, zoo als hij een omslag naar evenredigheid van ieders vermogen. Zoo ook i-ïn ntK/is

L) n .)

rineyi7j(U)i2(hJjf\\ en /gt; n 7 7 »7 t):i\\ 1.11 i^ju gt;1 tj r/n 2 tK)^ \\

luaoiaimMy gezamentlijk als compagnons, nw t)tKy)\\ nrjtL/ii2j ^t^n?ih,}\\ zich bedenken, eer men iets aanvangt; bedenkelijk, twijfelachtig, of het zoo zijn zal {met volgend ^ hm ihnjj en Jussief). — 7^ ,\'£/? 7.} \\ gew. ^ ij}%)2 (Ki ij h 1 rj iun 2gevoelen , gevoel of besef van iets hebben , zich bewust zijn. Zoo ook 1 n (j^ qj) \\ u n tu ij (un e tt^jj\\ in de spreektaal. rj a i (Kji ti^ im nni \\ het geweten. t)(Kv ij (amp;i2(Ki \\ zie bij tui117 1.1 \\ hier ben. tvrr^aPi n ij (èi 2(uin achterhoudendheid. — zich ge

voelen , bv. zich gevoelen j voelen,

beseffen ; smaken; iets bezinnen, over iets zinnen, peinzen of nazinnen ; over iets zijn gedachten laten gaan; aan o/over iets denken, ij (un 2 ri un uj (iel n(ut\\ niet te beseffen. — i.imrui^ of ^(un(Ki\\ en iiiii »7 ij(un2ii^ijj of hn^ij 1112 Kyjs voelen, iets voelen j aangedaan worden, van het hart; ook KI. van Ij»-^iKj\\ de barensweeën krijgen, ijturu rn .iiiy(Kfi\\ gevoelloos; niet te voelen, niet te bemerken, niet te proeven. — iMu^MthnjjsJS., voij ij i/n2(i^ijj\\K., zich ergens aangenaam of wel gevoelen, ergens naar zijn zin zijn, met genoegen wonen, kunnen aarden; ook de bewustheid hart. —- (7^ (ui h 11 ~jn rj un \\ tj njn 2 (k) ja tun (hi /j gt; iets proeven, hoe het smaakt; Jig. iets ondervinden; gevoel hebben van; nadenken over; ietsowev-wegen; zich een denkbeeld maken van. — (ui 11 (kis (ui^^ij(um(kn/j\\ in de spreektaal ook {(u^a-jis lt;(u^rjtLn211 fj\\ gevoelen, meening; voorgevoel; n n^i(u(ii^ki en \'ri(KJin^ij(èi2^)\\ gegeneerd zijn tegenover elkander, achterhoudend, niet vertrouwelijk zijn; achterhoudendheid in den omgang. — II. gepraat, spraak van iets {Skr. rdsa, klank, woord), geluid , het luiden , de inhoud van iems. ivoor den of van een brief zva. tunthjw tuj ifyi(U)\\ redekavelen of praten, zamen van gedachten wisselen, over eenig onderwerp. —


-ocr page 282-

n quot;M \\

tf

i .üj^n \' y (un i (h/i n van iemand spreken , vooral ten nadeele van iemand; het gemunt hebben op ; van een meisje spreken , met het doel om het ten huwelijk te vragen; rjiundriHritQ^Mj.

er kan niet. van gekikt worden, voor onmiddellijk, voordat er een woord van gerept wordt. — T7,\'Mw/j of ojiniajiihnji\\ ook wel tuit) tKV .rn iHijf \\ en n ijtundM -^w/j of rui r) 7^ ctm 2 vji ~ii iho/js gesprek of onderhoud met iemand; met een ander of met elkander praten , een discours voeren; wat van iemand gepraat of gemompeld wordt, gepraat, gemompel; (pok (tnojkhij^ kn. neuriën. G.). ikq n-)aji\\ en aSirn(hJ)\\ zie heneden. • III. n(U)\\ rr}faji\\ nn/nftjji en poët.

zva. (UKuts geheim.

nnj(hi\\kn. de civetkat {vrg. rjti.j)rjmen ^ ii/ims en iKiaj)\\ zva. (ui unui naar de

s ^ S lgt;

gewone uitspraak.

(U(mnkn. een heilige, nam. een geheiligde, déwa ge-

wordene Pandita (Skr. rVsi)-, ook wel un iyi\\\\ hmnKN. iets onuitstaanbaar of onverdraaglijk vinden, een afkeer hebben van iets dat iemand tegenstaat , hindert, lastig valt of onaangenaam is (vrg. Tj (lh (ij)). — »2^^ m Kti ^/n ij tin \\ onuitstaanbaar lastig

\'fj \'H2(ut\\ kn. krachtig, sterk; kracht, sterkte {vrg. i.y (Ut luvji en ój) ihg] gt;); met geweld, bv. iets vorderen; tegenstand bieden {vrg. rj lin2om)•, vermogend, bemiddeld {vrg. — rf [a^iajhuj \\ iemand kracht geven, krachtigen bijstand verleenen; tegen iemand magt (geweld) gebruiken, mi ij *)?m(hi/j- de kracht, krachten, waarmee iemand begaafd is. — ijm\'W ~jn■)]kti\\ sterk, sterk maken, versterken. mojjfWiyf. zva. rvi\'nn\\

ajiwq\\ zie

rjjfl^NN., (ui(K/)?\\k., wanordelijk , onordelijk , ongeregeld; onveilig door verstoring van de maatschappelijke orde-y niet proper (?ƒ net, onzindelijk; in opstand, van een land; geen orde houden, bv. in het spreken, alles door elkander haspelen; ook onkuisch, van iemands taal\\ onzedelijk, onwettig, van handelingen; slecht van gedachten, voornemens K. 21, 23; niet geregeld gaan, bv. over straat y of van een schip op zee; wanorde, ongeregeldheid, onordelijkheid, onveiligheid, onzindelijkheid {vrg. lurryijj^ (Ui tui n;\\ troebeli

ongeregeldheden, onlusten in een land. — ^\'1 11 ?i \\ cj ui j 1 /11 \\ ook aj^gt;ii7i\\ en »vj (Ui 11 jii iets in de war of in wanorde brengen; storen,^ ongeregeldheden te veroorzaken; ergens wanorde, ongeregeldheid of onlusten stichten ; de rust ofordt verstoren; een plaats onveilig, of ook onzindelijk maken; ergens stropen. — cu\'r^^.fcuri.lui (ui q i/n iHiji\\ ongeregeldheid.

71 n 2 IJ (M 2 zie tj gt;1 ? Yj (IJl 2 uit O O

(ui(Kjj\\ kw. zva. ») i ) Hij (inji\\

rriojt(mji\\ zie riojiw (ui (i.fi -lajijjs zie iuimji^

frequentative vorm van (unaj^Ku^ v oj^ mi ~jii in thnjj \\ naam van een medicinaal mos.— ifl ti,,JJj kiJJI en Kiyj * indringen, doordringen, bv. merg en been-y goed werkend, bv. van een ye-neesmiddel\\ ingang vinden, bv. van lessen, njtuj ktiji ook zva. -n lt;f i h n htiji of r^i^nhi nsn/js—ig d.si ihtiji\\ zich indringen, bv. bij iemand in zijn vriendschap en zva. [Kü kh ^pjjs iemand te lijf gaan; ki. een gewaad aantrekken {vrg. anew tij bij iun iftrm). — v3quot;^ \'^a.N en \' H1/l K\'

bij hiji ii/i(£Aw {^(ijj Kn \\ maken dat ieh in iets anders indringt of het doordringt.

(L/i Vs; laiji \\ zie (ui h njj \\

(ui(kiiKnjj\' kn. rommelig, boelig, vol rommel. —i\\ (M(iS\\ ergens een rommel maken ; (öö£ een slechte daad verrigteu. G.).

(ui (Kn uiyi \\ kn. zuiver, rein, schoon, onbesmet, ou-schuldig, vlekkeloos, heilig; proper, net en zindelijk; nauwkeurig, bv. nazien, zoodat niets overgeslagen wordt; schoon leeg, schoen afgedaan {vry.

O OOO ;\') O \\ „,,1

i.r^ TJi^s i j kis ni(K/i(yï^ en (ril (L^fjair^aJi^

unjj\\ schoon koopen, d. i. zoo koopen, dat men schoon afbetaalt, cu WKKKn/js zich reinigen, miliegraven reinigen. — cjo51 \\ iets schoonmaken, reinigen, zuiveren, heiligen; êmawrfzuiveren door een eed. (ui(K) Kunlt;ij^\\ proper, zindelijk

van aard. w oji (i3 hn iHi/j {of :ui ki kji tinjj Tj.)

_ o ..... o

-- irnoji ? i/n (Ki/i zie oil in^uipw

tJ \' 1.

o

n a-Ji dsriji \\ zie tj k i miiji \\

(ui Hiyi\\n. , *1 ki(uriji\\ k. , (ui .ki Hnjj ki)., bedolven, beschadigd, geschonden, kapot; verwoest, ineen verslechterden toestand , van een land, in tegenover\'


-ocr page 283-

\'yiztjoJit wyi \\

Sielüny van eenbloeijenden welvarend;en van hel lichaam, als de gezondheid verwoest of ondermijnd is: fa vau /,et hart, iii een bedroefden toestand gebracht; bederven, bedorven, besohadigd, ge-schondeu worden ; bederf, verwoesting, verslechterde toestand; ook wel verkeerde spelling voor Tjujiamfts

_ ^ j „njj\\ i ilt;»ij\\ iets bederven, besclmdi-

gen , schenden, verwoesten, vernielen j een desaland bederven, door vrnohtboomen , of ook , te veel of ie jont] bamboeriet, te kappen, of door de bevol-kintj te zwaar te drukken , zoodat die verlooft; ten onder brengen, ten vul brongen; hei hart bedroeven. Zoo ook \'(\'i^en — (Sja-Jitgj- mv. —

i.n-ri Kt hti inji^ verderf, verwoesting, verslechterde

O )

toestand. —

maken, datiefs bedorven, beschadigd o/quot;geschonden wordt; het bederf, verderf o/de beschadiging van iets tewoeg brengen; hel hart in een bedroefden toestand brengen. — ij m agJ/E/i iht^i benaming van een kind van 4 of 5 jaar. lien j o ng e behoudt die benaming nog een paar jaar langer. iinu if i.irun/j of versleten door ou

derdom of veel gebruik; vervallen , eadnque (vrg. nydjitnijj). ijmij ij)t ini itojj■ iets dat end on

versleten of vervallen is.

O O ■) o

•ti KumsKVi. zva. uj^ ui .gt; \\ oj^ ins vy

[tij ifjijj\\ en benaming van de keurbenden van een

Vorst {Skr. ras i ka, gevoelvol, hartstochtelyk ;

smaakvol; ook paard of olifant). — inunnm hh thn/js

kn. wordt verklaard door arn nrr^ (hnj\\ mioj^

/ J (ld i\\aji\\ (ut lujitea/j en \'kt ^ ihi \\\\ Het betee♦

kent groot genot, en reinheid van het lichaam

door heilige wasschingen.

a O Ov

(tyi^nkw. zva. (twriw t)Jinii ^ \\ -n (Qnai Jil\\ zie rri (nv ^

O

^Khrt\\ zie (fjt(Hii ^AJhnw

n o

■ï| (K/I ihll fj \\ Zie QJ) (tut/I \\

^ ^ • 7 O r

zie bij -m I.

1 ^N Tj.

quot;n oj) (is» iru \\ zie itgt;n in/i w

(injj\\ zie o-jijj\\

(ui (ka ^2 (ij) [fjjjj of .ui :i-ji Sn (Ui \'Kiïjj ^ zie (Ui (Mjj \\ •»j(\'ui±a!iji^\\ Jioll. rustdag.

Kw. zva. t) (uiw

t» L I da\\ 209

nLj(ia\\ of n l.1 ^ w.) naam van het schrijf te eken i tot aanduiding van lange a CS. aan het einde van een vers, dat op een amp; uitgaat.

t)tu/j* -Ar. r a so ê l. gezant. ■ gt;»/fy ? \\ de Godsgezant, d. i. Mohammed. Zoo ookninik^ia/i iiyi\\ — n i hii^\\ een offer voor Mohammed.

— ( \'3^ 4} ten offer aanbieden , offeren eig. aan Mohammed. (Tj.).

(ui(K^n,i\\ zie bij (uitrij^w — 17^^ tvi\\ klagen, bv. over pij?i, gebrek of zwaar werk.

-najftu^ Ar. , boodschap, bode o/brief; ook

kn. grond, oorzaak; dewijl, omdat, wegens.

(ui(k 1 (ui/jsKfi. groot behagen scheppen of vinden in, ingenomen zijn mei ; beliaaglijk , aangenaamheid ; ingenomenheid va7i het hart. — ,1;;) 7-7 tui groot behagen scheppen in, ingenomen zijn met. mhoji i j (ui ~ i iirijj\\ ingenomenheid. — ^ oji _,? y uni \\ een aangenamen indruk geven of maken , behagen; veraangenamen; behaaglijk, aangenaam, innemend.

— ^(f-jifiJ(uijf\\ behagen scheppen in, ingenomen zijn met; ook a i ha u.i iui/j of 1^1 nuyjs indringen, intrekken, zooals van een vocht in iets, dat er van doortrokken wordt; door intrekking opgenomen worden in iets {vrg. mv

(ui (Ki ^1 .uii \\ 1. kn. bevallig, aangenaam; gepast; welgemaakt van vrouwelijke gestalte {vrg. nJwmi \\ aji isnasn/j en (ui ui aai ^ 1 \\\\ Het schijnt een zamen-stelling te zijn van 11 ki iuijj en un luii \\ in den zin

i ) in . r\\ l quot;) o

van 1:^1 oji un tun (un). %. kw. zva. aai fokkijj (^dies Jovis. Skr. brehtaspati, de planeet Jupiter. — (ur^oji (uii(nj\\ bevallig, innemend.

\'OJiihJi rf (ui hi /j \\ m (Ki ij an nn/j of tut (rnjj \\ Holl.

Resident. ^•gt;7 ^7 y ij» ^ of uiir^madi r^ aoi fle woning van den Resilient, het residentiehuis. — (ui ij 1 (iSi ij (ui (u^ (Hjjj \\ residentie, door

een Resident bestuurd gewest.

O Q (?) \'. 7 .. o T n (iJi (ito \\ zte bij mn 1.

dj}(ui(Lu\\kn. hulp; helper; helpen, {waarschijnlijk verbastering van (iij^ujiw Vrg. anyrri^\'. mcisyïiwi).— (E£(iJ}(LM\\ om hulp vragen, te hulp roepen, zva. inn (lj (ini/i \\ — (ui a^\'i ilvi (iri/js verk. oji (\\aji ooji \\ in oji ij ui ij t)(inijj j de menschen, meest desagenooten, die bij het oprigten van een huis verzocht worden te helpen, G.P.

r^(Ki ui \\ kw . geheim, geheimenis {verbastering van

14


-ocr page 284-

210 njKhfis

iKLfn (hjji of Vrg. \'y)nj) III).

ajto5)\\kw. en kn. door schoonheid ö/sierlijkheid be-

- O

korend of genot veroorzakend; ki. fKjjgiffON mingenot. van i^Skr. rasj-

m iy straal, glans). — ^Wcjcf^ versieren; enKi.

van (mntri(Kt\\ ihni in mingenot ver-

tco s \'C ,-y\'

eenigd , of mingenot smakend.— 0f V

Lgt;

iUI 71 OJt Uil}\' zva. (IJ) (IA (K \'1 w

s ( O UI S (J

•gt;7«5 .kn. naam van een bloem.

U

o no

\'gt;i iijj *gt;1 n KW ■ ryïl ni(U)/]\\

CJ

O O O O Q» . ) O) ,v

■ gt;» O-j) ■gt;» 7./ n KW. njn(hjt 7iinji(hn\\\\

u a 11-

(fji■?m\\KN. welriekende gom van een hoorn.

Liquidambar Altingiana BI., Nat. fam. der Ha-

mamelideae, waarvan ook het hout welriekend is,

en van een daarvan bereid reukwerk. ryi joji thi ru\\

poet. hetz., en naam van een berg gt; ook njnhttun

nj \\ genaamd.

(ui (ücrnji kn een soort vogelkooi. —

daarmeê vogels vangen, WAV.

r)VJicmn\\ kn. net, proper, zindelijk,

woning en een stad {vrg. \'yiiSntijj en

Ti (hJi KN. opstuivende drift. (i?n lu^nrrtj rju. ) crn/)\\

in opstuivende drift weggejaagd worden. —\'SJ^1

(ï)i/j\\ van een vogel of ander beest, wild opvliegen

of rondspringen, om nit zijn kooi te geraken ; van

het hart, ongeduldig.

(h) crnji kn. zva. luiï.imt^ WW.

o

m(K/^(Hijj\\ KW. zva. h n ivj^ u) m thnjj^

m^KW. zva. (EjiKT^nps vrg. (.^3\'gJNN

o o C~)

\'iyk \\KW. zva. (unauoJi/j

rr] (M \\ K w. zva. (uïiiïn {vrg. asn ).

ii ttrj(k^2\\ of n5) »^,\'M2\\kn. zwak v. ouderdom of

door ziekte ; bouwvallig; ook zwak van geest, WAV.

\'jnKW. zva. ti\'ridw O \'

iD . ^ T T

\\ zie t) \\ i 1.

O

^gxKW. zva. (yjt)Z\\ ^(hi^w

n (ui n N.) TiflSxK., een diepte waar het water staan blijft (al is het soms ook opgedroogd); plas, poel, ondiep meertje {V7\'g. asmtvicm). tui mi ti .ui ^ naam van de stijlen van een pandapd of huis, die in 7 vierkant om de vier MiHiiar^ ^ staan \\ volg. C.P. of n^dfr^TKui\\ de 4 hiaten hoekstijlen waar de ifli (K) op rust. — (i7^on ((u^ttii\\ naam van een regentschap op Java. — Ti,ui(nijf\\ tiorj(vicmfi\\ kleine ramp;wft of groote vijver ; ook een plaats waar

T! ruw

veel rawa\'s bij elkander zijn.

•gt;» ,t?i\\ 1. k. , zie tiuiw 2. KW. de zon (Skr. r a Mi 3. Ar. overlevering , verhaal; verhalen (Jr. geschiedverhalen. Vrg. ^iivi(iii(bii/j).

T)ajys KW. morsig, vuil; kwaad, slecht, ijicrrrn(u\\i

oii i, ^ iLidj^K. rijst met geraspte kokosnoot toebereid

?) ij (U) \\ KN. naam van een wilde klimplant, de Mn. euna prurita Hk., Nat. fam. der Papilionaceae\' met, harige vrucht pitten of boenen , waarvan di haartjes prikkeling of jeuking veroorzaken. Ttrj Tj ui (ii nj} (hi /j \\ naam van een groot er soort vat zulke boeneny die gestreept zijn. (Lm^quot;nvj(ui\\l(. naming van een aan den invloed van een boom geest toegeschrevene ziekte, waarhij het lichum met gevoel van benauwdheid opzwelt en vol ml scherpe prikkelende puistjes komt. ajirrniT)^m of enkel rn rj ui \\ troshoeken, een reeks van visch hoeken aan een touw op e enig en afstand van elkander , tot 100 en meer toe. — «r» ijw-n ^n\\ franjes, kwasten of uitknipsel aau den rand tot versiering; in zulke franjes of in snoeren neerhangen ; ook bv. v. slingerplanten in derg. VVaj. II. 224; uitrafelen; ook een rafeltje, voor een klein overschot (vrg. tkukivi). ^^(ui of irynij gt;1 (ui met de haren van de rawéboon bestrooijen, AS.

o

TI(UI\\ Zie T) (UI (LUI .

rj Ti (ui v KN. j ijTi iui ij Ti iui\\ of r](Ui Ti ui\\ de schijn of het voorkomen aannemen van iets te zijn, bv.

van een vroom man of van krankzinnig te zijn

/ o o.

{vrg. (un (ui(un tui).

O o O T-r O Ct o

Ti ij (uiv KI. van ( (i7i (igt;ii (js / rg. n ui ?\\\\ — hij ti

- o .) ■ 7.. cgt; Q

(Kifj of Tirj (Ui (iy(HTji\\ zie bij r.i ^

rj Ti 2 (Vi ^ kn. wijd en breed; ook groot v. gestalte. Men.; v. kleeding roijaal, rijk, Rh ; omslagtig , met veel omhaal, op een groote schaal; uitvoerig, un een verhaal; zeer uitgebreid of zamengesteld; (öo^ het zaad of de pitten van de Sëlasih-bloem. G.). (Ki (ui (isi/i ij Ti 2 (ui \\ van ho(; langer hoe groeier omvang worden, van een zaak. — iets omslagtig, uitvoerig, op een uitgebreide schaal, doen of maken. — y (Ui am ~fnrj (hu\\ iets op een groote, of grooter, schaal aanleggen; zijn zaken uitbreiden. — kii iith uithi/js te wijd en breed, te omslagtig, enz. tj-th(uinnjj herh. op een groote schaal aangelegd bv. v. e. huwelijksfeest,\'i].


-ocr page 285-

nruj^s

211

Cj^ViV. nva. (icn/Vjt (k. van (uhivm); miihh\\ an (isntamp;rwn Zie .hitunw

en Kl. van

n

L fj^N tui ü)j\\KVf. zva. lui im j w R üImKW., rj^i y ^;^KN. ; f -r) ^ ^ bij

| beetjes alloopeu of uitloopen , van water; bij het aangezigt of lijf ueêrloopen, van het zweet {yry. I «r) lt;rj iUi). — 7\'quot; ij O) i mi (hn/j of tf r»vj a) (tit (hi/j \\

hetz.; poet. ifjiniiu)oaji(Hin\\ Wat. ], 69.

L ,1; ^ \\ of tsn ui s \\ kn. naam van de achtste maand van het Mohammedaansche jaar , anders ckji am tkjj genoemd, waarin de Javanen de graven van hun ouders en voorouders schoonmaken, en offerhanden doen tot hun gedachtenis en voor de rust van hun zielen {Ar. nyvi^djiion^ offerhande

in de maand Koewah; zulk een offerhande doen. ■gt;ƒ rj ui^\\kn. verkwistend. — ^ rjlui j\\ verkwisten,

verspillen, vermorsen, WW.

ij^j.u/^nkn. wat iemand bemoeijelijkt of tot een lastig of hinderend bezwaar is; daardoor in moeijelijk-heid verkeeren. — ijin^ui^ojiis iemand tot een

lastig oj hinderend bezwaar zijn.

o o

\\oj tiii(Ui^\\ zie ti uiq\\

)i(uim/i\\ zie »i\'Ui\\ en ijawnnjinnjj\\ ook naam v. e. hoorn, van welks hout de gambang wordt gemaakt, van mindere hoedanigheid dan m nh uïi \\ Rh.

■ \' n gt;ƒo iHi/j zie yuuiw

\'iijui iiajji kn. naam van zekere vteeschsoep. WW. I tj nofj zie bij nol 17» /i/yj \\

tj \'f) UI (HTJj\\ zva. Ij Wil 2 Ij /{JIJ Ihj.hfl/j - tj gt;1.UI lij (Hl/J\\

vatbaar om rj ^i uim/js te worden.

i \'iuichi\\ eign. van een Boeta-vorst van Ngalüngka, bijgenaamd Dasa-moeka (Skr. li dw ana}.

1gt;iui :hi\\gt;iui :hi\\ KW. zva, rfmimii I. w V quot; 7 tJI 1 v KW va uil vj np :hnjj of ctri tjWfhJijj\\ cI cl\'^Ul zta- ^n rj n ihiji\\ zie ij tu ij tihj)^ ^ (J ,ni \\ KW. (S^IHÏIS

— betasten klauwen, krabben; Tj. en W. II, 40) 00/c wederregtelijk zich iets toeëige-nen, WW. vri/. irtyiviw

| KJIUI M)^\\KW. zva. i m tiuy li\'l !_} t~] l.!j\\

I

mjl J .vtp

_ o

storing, stoornis, rustverstoring, vrede-vei storing, t/oor velen. — huji \\ iemand sto-

requot;\' ln zijn werk, zijn rust of vrede storen.

li

^ ui htlfj\\ hz yfutj iui kiiji\\ W W.

tj (Oj hn/j\\KN., \'i} e^aiK\'el\' gebaald

of getrokken , bv. v. e. kapsel of weefsel. —^ ^ iuiijj en (j^» (Ujjthfji (u^ imj}\\ uit elkander halen. 7 n ij uiê im/jsKti. ruig, veel haar op het lijf hebben. — 7 \'^3 V \'i;gt; 2 N ^ara^8 me^ haren bezet, ^oo-als bv. de wortels v. d. Waringinboom, {yrg. n Tj iri^ Ij ui 2 hoi /j W W.

ritui hii\'n\\kw. zva. rj gt;:i ij i.1 w Skr. r a tvi k a r a, zonnestraal.

ij tit uKKnfjKnnji of ijnii ui hi^rf/uifHiij\\Ktf. aan stukken en flarden, gescheurd (vrg. n nj^ hiijj en 7

7 rwj 2 ui % w

»gt;tujdd/jvKW. in het blinde pakken, wat maar het eerst voor de hand komt; volg. Rh. ookongev. zva. r^bituiji (freq. vorm van am (V^nojj). — iu^aj^(vijj\\ kn. hetz. 0(ij^ r, 11 hiiji^ gras met de hand uitrukken. Tj. nihmnjj of nui hiyj ook {ifi^uuisnji\\K^. verward, gehinderd, gestoord, van iemand of het hart van iemand, die het hoofd vof\'heeft, zoo dat hij met moeite geregeld denken kan; ook zva. nininn\\ hinderlijk, lastig {vrg. nj u]axijj nitulenijj en rj

rm (icijj\\)

o . o

gt; 1 ajji deijj \\ zie * 1 djji ihn/j ^

11 fuilt;inj kn. verward, in elkander geward; ingewikkeld , moeijelijk te ontwarren; fg. van het hart, versuft, zva. nnnïi\\ als iemand het hoofd omloopt; en in verwarring, van een land {vrg. -r^v.iinajj). nj uiiui ^ifêi\\ geheel versuft en verslagen, van het hart. {.uj.ulii?i\\ verwarren, in de war brengen. \\ujuiiuixjn asus iemand het hoofd doen omloopen. n^ uinxijjsKW. vuil door onkruid, struikgewas, afgevallen blaren, enz. WW.

ijnrjuii iuiji\\KH. 7 ^77 ui 2 7 (ifj tj tui 2 dajj \\ niet schoon

geschoren of geplukt. — Vrg. dji njiasnjjs ij r) .ui ij (ir| 7 (ui 2 anjj \\ zva. tj gt;i ui 7 i^ti 7 ui 2 nsiijj ^ r^L?i ni\\KVf. zva. n^iviiiaciji of \'i^ iji (Wjjs i

gt; 1 ui \'üiiji n KN. iets liggen hebben, o/bewaard honden , dat men niet weg doet ( tyui dsnjj en (tamp;^ui asujj \\ hetz. G. Vrg. w *1 iïtin j). ontzien, sparen {bv. den vijand B.T. XL1, 5, 6), zorgdragen voor iets, dat het niet verloren ga, bv. een kleinood. ■ n ui tisii^; \\ tranen in de oogen hebben j met tranen in de oogen. volg, Rh. evenwel bet. nuubiiji of ui hui hnj ook afvegen, schoonmaken met bezem of lap,

14*


-ocr page 286-

•n uxhvji^

a

(J)

212

en TKunrnjs dc tranen afvegen, afdvoogeu; de opgegeven het. komt toe aan h zie mi i$\\\\

m t) hji nsrji\\ (u tl aji tisHjj\\ iets in voorraad houden, opbergen, opleggen. gt;» l» ^ u) zva. gt; u w ihy (Eji(t,vji\\ Hauw, van een ver geluid; onzeker, van een gerucht. — zie bij —

1^3° i(8^\\ iP0^- %\') zva\' of mv.

iets bewaren of bewaard houden , iets in voorraad nemen, of om het te bewaren, ook een losgeraakt kleed ophouden of vasthechten (BJ. IV. 7) — .

plaats om iets bewaard te houden, bv.een kist of kast.

n él asnj^\\ kn.; gt;ƒ iu2 ij ru hft \'51 zeer kleine (fijne) Spaansche peper; capsicum fastigiatum BI. Nat. farm. der Solaneae, ook rj ivi2 ^ w?npi m ^en itLitTj m ^ w) lt;ii/) Hi/j genoemd. — u! tisn/j \\

fijn, bv. van vlecht\' of snijwerk; iets fijn maken

o ^ \\ 0

{vrg. njiviaaiji en cutwasnji). — (lanilt;ui

iets dat fijn gewerkt is. — tnj u/ iiyj (hij^\\ praeludi-

um, zacht voorspel, bij muziek \\ ook bij de Wajang:

O G* n 0

crnrrrn ^ n tu iütyj\\ i~n n i. »

nJi asnji\\ naam van een kleine pandapa op de

pagelaran, waar de ? orst zit, wanneer hij zich op

Maandag of Donderdag, of bij tournooispelen en

tijgergevechten, aan zijn onderdanen vertoont.

^i^ uiastijl^ benaming van een variatie

van de zangwijze Sinovi.

aO o O oO

m Cu nbiyi en i ui lunfj \\ zie ui .la/j n

^ridjjjiunjj of ufljjaokn. verwoed, woedend, in blinde

woede, onstuimig; kw. zva. {vrg. ook

iwtaj^).

^lUKisnjjMLU. verlost, bevrijd, verlossing, van een straf van God; onttooverd, onttoovering, van een betoovering, waardoor men in een wanschapige gestalte gebracht is {vrg. ru^(vi). om ij asiij^s een graf graven voor een lijk {vrg. ^ufasiijj),— i^fvi(i5rijj\\ iemand verlossen, bevrijden, van een straf of betoovering; onttooveren; voor iets, dat onheilspellend isy een offerhande doen o/*de Wajang laten spelen, om onheil af te weren; de ziel van het lichaam bevrijden door de dood; een vijand verdelgen ook zva. iiirj,L,iiiuj\\ W. II, fgt;9; zich een graf zoeken in een krater, van vogels, volg ens het volksgeloof. uiibii/f\\ verlossing, be-vryding. — ovi^ ui plaats waar de vogels

komen om er te sterven.

nyuitunji kn. klein en tijn , van bladen {vrg. tkJ 2 weerhaak. — iiji nsnji\\ fijn, fijn bewerkt zooals een spinneweb ; ook fig. bo., fijn van geeti vernuftig.

ij-71 ui tj Vj]rj ui t oïiiji kn. zva. {ar^(ki c/.| w

O % * 7/* ^

t^iui isii\\KW. zva. iru ),i£ (tijihjw vrg. uimnj\\

O

»I (UI (IJ)/j k w. zva. ui (KJ! (IJl

•t) (t» ki/j kw. zva. rj rni rj imjj\\ kwast, franje; i; o o aS

i(u ili-jtj.^uiuji\\n kh hu asnn tig? litt^ki. van n^j ijiwzdJij]n knevel, knevels, kn. de neêrhangeude wortels van den waringin-boom; de neêrhangeude veer en om den hals va?i een haan\\ fijn gekorven bladen, om met opium vermengd te worden\\ de kelkbladen van een bloem of rank. n (Uia^uiM^ kw. zva. iLKvujw kn. aan Harden gescheurd, — ui Ki/j\\ kerven , kleinhakken , scheuren; ah franjes er aanhangen, bv. van de fijne wortels, dit van den waringin-boom neerhangen ; ook de knevels laten groeyen, knevels dragen. — J3wV/i

met franje omhangen.

m gew. fïw uithiï/j kn. het aanhoudend ge-

druisch van een zachte regen {vrg. ^riiPinrij). — i^aji(kjijI\\ aanhoudend en zacht., van den regen { r^ t n dJiji hetz.).

o o lt;-gt; O

ui i^JInKN.; uiKi/j\\ zva. [ii^iUi.koji\\

rj\'nrj uiiM/j\\ kn. een lap katoen, daar men de gekookte opium door laat loopen of doordrukt, om die te zuiveren {vrg. ij — gt;ƒ u^rj (ui dJijj^ opium

door zulk een lap zuiveren ; ook van iemand notitie nemen, hem aanhooren, zich aan hem storen; ook

zva. tun rj Chi ij ui (ui/j Tj.

o . 7.. o T

nidj^a^s zie bij ns \\.

tui ui \\ kw. zva. (KI i~u \\

rfi ui iLijl of rj ti tj .uiiuiji\\ kn. lastig door omslagtig-heid en veel noodelooze zwarigheden te maken; lastig van een zaak, daai\' veel kleinigheden bij iu acht te nemen zijn.

(ui ik \\ kw. zva. rn ern w

t) iui iti/i \\ kw. zva. quot;nrj ui nrj ui \\\\

O o

ui (lui \\ kw. zva. thJi n (hu w

ij n tj ui LLi (injjs zie trj n rj ui qw

ui i vi asriji\\ ook verb, rtji n lli tunjj \\ Ar. amp;j)jj ovel\'

levering, verhaal; ook voor een oude voorzegging

{vrg. n ui). un ui n liuuii/j^ een voorzegging doeu


-ocr page 287-

a O mtviniiji

K. 8, 33.

JJanjI of V shinny!-K\\y. ava. tèSruj)\' quot; „ys mM-itti\'quot;\'*™- ~vquot;- — -3\'-\'

n, of iemand hinderlijk zijn, plagen,

sooaU van vliegen op het lijf, die een buffel kwellen.

^cwjp KN.

n.viivfctflyiuiirrnjis in de war, verward, mn ruige haren, cmjfs een poedelhond;

zie

ajicwjj \\ kn. niet meer hecht en stevig in elkander, bouwvallig. — een Oe^oww afbreken.—

quot;/0 ^N K N • 5 *?llJ} ^ 7 0 Vyis 00kn} 01V} 7 \'J\'

ordeloos o/ ongekamd, het haar; ordeloos om het lijf hangen , van kleêren\\ met ordeloos

loshangend of ongekamd haar.

O o O

i zie t) ?jj rm/j\\

kn. — Tini2nj)\'~niV)\\ zwaar beschadigd,^» mei alen voorwerpen, met zware scharden, doorgevreten o/ ingescheurd; oo/^ getand, zooals een zaay.

roÓN KW. vry.

tÜ^nKN. afgesloten, omsloten. — afslui

ten , omsluiten, pendapa.

o . o

•quot;nflj^KW. «t;«. \'rj dj^nni^

^ »j öj gt; lt;?ƒ t) ? 0/ ^ n. , \'n irm \\ K., maat, makker , ■ medgezel, genoot, vrt» itfdter die met iemand iets meedoet; ook voor helper en bediende, lt;?»yoortegenpartij in een gevecht, zva. (zie

, . I .. ^ O . (y)

ook rj r) i~f n \\ bij im \\ en vrg. nncrm). (Wa-Ji % hu tu^rjn rm \\ partij en tegenpartij in een geveeht. fjquot;n\'Ui ijii77?2 ui ^ N., ij**0 rv?\' wirj\' n\\K., een kind of kinderen te verzorgen of tot zijn last hebben. rjniTfn 11) tjrr}\\ ook K. van een kind

baren, in de kraam komen van een kind.•/ƒ^ rj n ut\\ of m ut ti\'m u)s en rj »1 t in ij m^ns persoonlijk in het een en ander meehelpen, n vt\\ Mijnitrms persoonlijk een ander meehelpen. [vrg. ibr^17tj). ijnjt\\ \\ een

ander mee gaan helpen. — rjlti \\ tj /\'» i^n VOme^ iewand als maat of makker iets doen, iemand meehelpen, tot iets meehelpen, of iemand ergens toe meehelpen , hv. met hidden of vasten, of met aanhoudend hard loopen, om spoedig ergens te komen. — y n órr:i injj of xjttj

Vj T) Ti (V) \\ 213

ijnj fj) fi;;(hnjj\\ enz. zamen ais makkers; een ander meehelpen ; ^ m iyn tui luyj ook kd. van rjn-rnrjax 2 \\ — lYj^Ej^tu) of fj? ij\\kn. tot iets mee behulpzaam zijn ; een makker of bediende nemen, tel tj pass. ij 177 (hn/js zie ben.

rj ti /rj iL))\' km.; vj tvr^rj tói \\ of 17^ rj o rj ói n iets aan weerskanten vasthouden en trekken; met «V/jsleuren ; fig. iemand aftrekken, afleiden, misleiden. rj Ti a i5j \\ zie ij rn tui w rjmz ui an \\ KW. zva. ten rj iui n 1 w rj rri i irujj \\ Holt. rol, politierol, de xoMnj eenregt-

bank. — iri Tj Ti 2 ru/j\\ een op de rol brengen.

o . o

rrirLi\\ zie iruruw

ri m i quot;jp Ar. sbo* gt; het zuigen van een kind aan de , . C gt; ) s o

borst van een vrouw. 1 1(1^11 ^1.nut 1 hiijj\\ zoogbroeder of zoogzuster.

Ti nit rviiHTijis of ij •112 iri j \\ Holl. rollaag.

o X . o . . o /

Tj tgt;2 til tojj v {ij \'gt;gt;i en 1 ui /.»1) zie m /.\\

o o

T^nuajy/js zie ij \'*12 ii i kiji\\

(Yj t) 2 (tui (IJ1JI \\ zie bij ^^gt;12 V\\ A*

1^112ru(ij}jj\\ ook wel ij tunjifj \\Holl. r011 ez en.rj ivnt ivi (i^ijjs appèl houden; met de boeken vergelijken , natellen.

O O ■ ) »

\'Tl JLI \\ kw. zva. OJJ Iamp;l TIJI \\\\

Tinji/jMiW. zva. m iu/j in den zin van nrnjj\\

(IJl UI fj Of iï (vi ui/j\\KW. zva. iff (Tri/I enij ult;2(rriji\\KN. een klanknabootsend woord voor een plotseling stil worden van een gedruisch, en het plotseling verdwijnen van zon- of maanlicht ook uitgaan van lamplicht en derg. Rh.); ook zva. ivlajiiviji poët. zva. iisijj rm W. II, lil en 366. il/j .l; tus-

schen licht en donker, na zonsondergang {vrg. (kji

O O v

(vijj en hji (ui Mn -7 tvi teiyj).

ijrri2ivijj^ zie ij\'Yi2 im/^s 2.

rntvi\\ zie irunviw

TivpKU. bedaard, bv. van drift {vrg ti vj^en (u (vi). — ^vj \\ gew. iU^Ti uj \\ iemand door woorden of redenen tot bedaren brengen, of zoeken te

brengen; ook tot iemand zich wenden om eeuige

. o o

gunst. — ^jr^oa/jNWJ. zva. if 1:12 if mmjw

ivt(viv kn. ; gew. i^(vi(vi\\ goede woorden ge

ven ; iemand trachten te bevredigen, tot zachtheid of in(!ilelijden te bewegen {vrg. iM\'V£ivi\\

poët. zva. (it^iviw ui vi \\ of ivi (Vi ui kn. zang (vrg. m \'/«ffw/l en quot;


-ocr page 288-

214

r

(uj). — uf een lied zingen, iets

uit het lioofd zingen. — (inr)(uionjj of iVinjir^cui (hi^\\ lied, gezang, liedje; wat uit het hoofd gezongen wordt; een lied zingen to (ijl \\ kn. schets, ontwerp, bv. van een te houwen huh {vrg. 71 quot;h n^h)\'t de helft van een geheel couplet van een tung7nil^ij)w ook een zin of zinsnede;

en het verband tusschen twee gedeelten van een

o o O O- » 0 ^ x

zm. ni iu t u cvr^ (Hj m (ki \'ti iisri ~ n t. n .ti vi ojt tint \\ cle

vorm en de maat van dichtstukken.

touji \\KW. zva. vijand {Skr. r ipoe.).

■r^ iVi^N., , -r^aji^KV.y de door het gezigt te

onderscheidene hoedanigheid van een voorwerp, gedaante, uiterlijk (uiterlijk voorkomen of aanzien) vorm; kleur; soort; Tj. Sengk. één (Skr.roêpa, en org. (V)ihis en tut). rn rj ut tj il/i \\ ecu figuur of vorm maken, (lkvo^ ijii^n^\\ in de vorm van geld, cl. i. aan geld. nuLi ult; rrhHijj\\ aan paarden. liet wordt ook gebruikt waar wij een {nl. een van de soort van) gebruiken en dan het subst. met accent uitspreken, bo. v. e. armoedig huis: naji (im iy Mon/i een a m b è n {of wat dien naam hebben mag was er niet (l)jo).ny?/ n^nji ij un 11:1 ij tui hj \\ Ik ben de man, die het je leveren zal. mik tjlóiêx/niu Dat is me een stil meusch !

a// ^ ij(un i tj 11 (vi \\ God heeft geen gedaante, is 011-zigtbaar. of iunrtjtLi\\ het wezen hebben,

aanwezig zijn, er zijn, bv. 13. T. Dj. 45. vjiuitui «*JI of tui ao (i7riji\\ ook wel iui (ic) nnjj \\ een zeer schoone gedaante, zva. mi un (tj) q mi a^ — (Kt -rj cui \\ kn. van dezelfde gedaante , kleur of soort. (ui tj. (ui ij (Hj. \\ N., (ui 01 /w ujj, (Uj (Hiji n alle, ieder, wie of wat het ook zij , alle zonder onderscheid. — nyiji ij (iji\\ (61 (m (ui on \\ van verschillende kleuren soorten. \'M tj iui rj oji 7f(ijj\\ allerlei, allerhande.

o - / Li O

— inn tj oji pj \\ oj KN. , or? -tj ij iu ajj \\

kd. iets geheel gelijken ; met iels gelijk staan of

overeenkomen; geheel overeenkomstig. — {^3 (ui

CY O \' O

Hll ~fn (Tj un \\ liLQ Tj Hl (Kil ~JII H tl drijj \\ [J^ Vf (L/l H11 ~\'ll HOI

maken dat iets de gedaante of vorm heeft, die het hebben moet; iets construeren; ook maken dat iets, bv. dat verlangd wordt, er is, het leveren of bezorgen. — im tj oji na^s ui ui if ihi irnjj \\ (ui tj ij oji (hiij \\ iets dat zich aan het gezigt voordoet, een voorwerp van het gezigt, een gedaante.

ifiiiuis of \'Yj Thiyi \\ kn. de /\'-klank , benaming j de schrijf tee keus, die de klank r beteekenti \\ zooals de Tjakra {Skr. r ép h a).

ij Ti tj (ui 2 \\ of TjTitrjfcJi ^i2\\KN. zwak, ziekelijk, afge.|

mat; arm, behoeftig, WW. Vrg. tkuj^w ti (ui KW. zva. (ui rus (?) kn. afgevallen takken 1 struiken of bladen, anictez^xjiaxitfncui^s spr. rdJ ecm groot e en mag lig e, die een gering man lijm trappen {onderdrukken) kan.

Ti(ui{\\K\\\\. zva. lïnijnjifw

Ti (ui^\\ kn. aan iets gewoon geworden, bv. aan vroq opstaan ; voor goed van de borst af, van een kïni, dat niet meer aan de borst denkt; voor goed genezen of hersteld. WW. volg. Rh. ongev. :u. Ti(ti J/j\\ v. e. werk kant en klaar.

Ti (Uj y n 1. kn. afgemat, zoo als van een vermoeyendi reis; een pijnlijk gevoel hebben, zooals van ontvange* slagen; gezwollen beenen, blaren aan de voeten;fi een smeersel, zva. tjvm2vjazn 1 niijj\\ ook Kl. van (isn (ui rujj \\ zva. Ti(H7i (hn(Hi/j\\ 2. kw. bedaard geworden , van drift tot bedaren gebracht {vrg. •■mi) het toevoegen van fijngestampt# kümiri bij de lëgèn om het overkoken te voorkomen, Kr.; :ilt; Ti (ui jw (un(urjTi ilj { {of Ti ij ui2q), benaminj van een soort van suikerriet. (a^tuj^s kn. met rapoeh smeeren; kw. iemand tot bedaren brengen. — Ti i j j (un dnjj \\ een soort smeersel tot genezing van vermoeijenis ; (m (ui ^ lujqam (M/j\\

Tirj iui2 zie bij ti ijj j w

ti oji KN. ]. alles in overvloed hebben , in overv

\'loed

leven {Jr. r ip h h). 2. het ingedriënt (ke

miri of pitten v. djarak tjina) dat dient bij ^ (uj s (aren suiker koker ij) Kr.

Ti ujqsKN. verzwakt door ouderdom van een mensch -,

het zwaar, moeijelijk hebben.

ij ti tj (ui q \\ kn. zacht hellend, van den grond; zachte helling; fig eenvoudig, bo. van levenswijze; laag, van een pagür of muur. tj ij (ui 4(un rj 1. ti\\den (/rond zacht hellend, beter begangbaar maken. tjTii tj tui ? .m kn. versperring van een passage met bam-boetakken, doorns of struiken over een pager oj achter een huis; barricade; omschutting van ecu plantsoen met struiken , doorns, enz.; takken cn struiken tot stevigheid in ecu aarden dam; gebarricadeerd zijn (vrg. ij f i a-ji i^hi^q \\ en \'ri mi^)-


-ocr page 289-

■nTj (UI MTJI ^

215

iiy/ IU \'ünjj\\

Irj gt;l/i gt;MJJS kn« afvul van gras, dat een beest heeft

\\laten vallen of liggen, en dal niet meer deugt.

O

1^1/1«?^ zie xaiuiw Iiu-jiiU//* quot;ie tuiivy\\

1. «lt;•\' 4y 2. Ar.

oi kn. aanklagt van een vrouw tegen haar mau i \'

[ over huwelijkszaken bij deu priester.

njtuutyi^ zie mj^i

gt; tui uvjiv kn. ; quot;quot; [U^Jlv ^ tUyis naderen, op het [ lijf komen, uu .un^ pass. Vrg. luui huji\\

I van u iui wij \\ 2 cui wijj \\ ook zva. ^ -t» -i ^ \\ ](uiHVjj\\ zie

iAw^nKN. ajt(uiikvji en ^lt;ui tfyiuMttjis sprokkelen, ürt» kleine sprokkels {vrg. y quot; V (hvMJi\'yi(enklein sprokkelhout. —k^\\ sprokkelen, G. Een ander zie bij (Mniü Inlt;?ƒ 7^ .uio/^NKN., oo/t wel iihjiK., nauw, smal, eng, bekrompen j in het nauw; kort, ineengedrongen , beknopt; nabij , kort op handen ;

kort aangebonden, opvliegend, van iemands aard

. o O O o v

{vrg. iu asnjj \\ (K/kkv ihv/j *» iamp;i najj en ^ oji h njj).

— enz. nauw o/* nauwer maken, nauw

insluiten, in het nauw brengen. — iju ,uKnjj\\

in \'t nauw gebracht j den vijand digt op het lijl\'

hebben.

1 ^(M \'A\' ^ ^ \'1,7^x

ohj, den.; ook fig. zva. in L. 84

kort afdoen.

^ {volg. Kh. gebr. ^ ■ r) z rj izi ihoijj) KiN.

teer, tenger, niet zwaar of sterk van lichaamsbouw ; zwak, niet stevig.

(^quot;nz^nmuu^s zie tj m rf foi,nn/j\\^quot;nz^nmuu^s zie tj m rf foi,nn/j\\

M N11 \\ zie Yj lt/1 i}lt; tl w

^(umihvjis zie bij • ij iui w

M iin (laji of nyvi atni~njj\\ sic bij ij iviw

_ O » O •

I \'n^Ü[•h,, N Kw - zva. (uii cm (hn/j {Skr. lipt a, gesmeerd, lipi. schrift, pk.). — (^lt;u\\ zva. w am (bnjj\\ ui ihiijj \\ kn. digt, goed digt, digt aaneengevoegd of aaneengewerkt, zooals van voegen of naden, timmerwerk en weefsel; digt gesloten, hv. van de oogen ; nauw aaneengesloten ; fig. van een geheim, dat niet te ontdekken is {vrg. ri.uriibnjj). — (urbnjjs digt aansluiten , nauw zamenvoegen ; zich nauw aansluiten aan. Zoo ook t?rn iu (Lgt;h/j\\ —^tji aansluiten, digter of nauwer maken; dig-ter aansluiten aan; volg. Rh. ook digt maken, bv.

een gat, scheur, opening , enz. , rui a doen aansluiten; een deur digt doen; digt opeen plaatsen of duwen; een ver bindt enis, zooals van vriendschap, nauw of nauwer maken. (Ui (unsn/jwuyf. zva. ij irmvf gt;ili2\\ i. n iu-jj i Uj^ . W. In VVaj. I, 11, iui (uubn ^ i /y n n tJi heeft het meer bep. de bet. van \'t Mal. kawan, makker, kameraad,\'t Jav. \'Yj mi 2 viri \\ {vrg. hu iui tw/jKW. zva. uu cipi) — djj iui i^i njj \\ in Lak. zva. m u rin ui i ^ als makkers bij elkaar; gezamentlijk; vrg. (ui ,i,i ui Minben. iui (Uiisnji i kn. ; iui üi Lii ^ i (Li i n/j\\ de schemering, mor-gen- of avond-schemering {vrg. ui iui (Uiji en iUi

if jltbll ^1 iEjI •Uljj)

(ui(Uihnji\\Kii. geheim, heimelijk, verborgen; weggestopt; bedekt, geheimzinnig {vrg. tjiuitut :iPii en (ici t]ibnjj). .i^iuii$r\\ voor iemand :ets geiieim of verborgen houden.

(Ui ïj iui i .bi^ji kn. lloll. r a p p o r t, anders ili (u^ w — ,l^ ij iui d (i^rinjj \\ rapport, dat gedaan wordt, ook bij elkander komen of vergaderd zijn tot het behandelen van zaken {vrg. (u (Ui mtijj) ; {en een gezantschap van meer dan een persoon. G.). — \'7 ^1 (i£i hii \\ van iets rapport doen of indienen; (ook tot een vergadering oproepen. G.) —.ui (U y (Ui (i^i (Hyj\\ vergaderplaats tot het behandelen van zaken, n (Ui /ï^\\ kn. verborgen; voor het oog verborgen, aan het oog onttrokken {vrg. (ui iu ibii/j) ; ook nauw, eng, bv. van een straat {vrg. ^ ui uujj (rui mi unjj en crii iui asriji); ook zva. tj mi iüuiaji\\ Kr.

ij mi iuii.Lnjj\\ kn. belemmerd, bemoeijelijkt, bezwaard, zooals door de lasten van den ouderdom, van bagage en nasleep, en \' n het onderhoud van een groot gezin; ook door gebreken zwak, verzwakt; moeijelijk voort kunnen komen; niet in staat om zich zelf te helpen; onder een zware last bezwijken; bezwaar ; overlast. — u ij iuitgt;vgt;ii/j\\ nasleep , belemmerende nasleep. — ij belemmering , bezwaar of last veroorzaken aan; tot overlast zijn. nu y \'i tj (ui2 iWi iHij- \\ in een toestand komen of gekomen, dat men bezwaard of belemmerd is, of zich zelf niet helpen kan; in nood of verlegenheid. — ij n )j (UI i Uil :HI/J of (UI ij ri rj (UI è iiyi nasleep van vrouwen en bagage; trein van een leger. tuunjjj kn. het geluid van een water- of zeepbel, als die breekt. Vrg. liiyuiijjjs


-ocr page 290-

216

gt;/iLj\\K\\v zva. urn viaityj^

ti t rn ijj\\ zie n /\' - \'l \'j]

.ijiij (ui lt;/ivi of ryi iui ij u^kn. liet gebukt guan van iemand (vrg. i gt;i \'nn Hu/j). xr^tj hji ^ vgt;^\\ gebukt, in een gebukte houding (nl. met doorgebogen knieën en uitgestrekte armen Rh), gaan; naar den grond gebogen; in een heel nederige houding voor iemand verschijnen; kruipen, vleijen.

iiji tj ,us ijHjIï^xkn., neerhangen, naar

beneden gebogen zijn van een boomtak, WW.

t» it/iitw ■ KW. zva. gt;1 i\'ii \'ƒ \'i1 volgens anderen zva. *-gt;

ihi/i \\ (L/i msKH. zva. il^kj^iu tj uyi U) te M

ropij (Indische munt), gulden (Hind, roépij a h. pk. Skr. r o épj a en ra u pj a , zilver). Mm J i j bn een gulden zilver, zva. ij witu{vj-nt n.)(Ki)\\ een gulden van twaalf dubbeltjes, d. i. van 130 duiten. — (hnjj\\ bij guldens.

«Ti (ui lt;ni uii/js zie (kh rj cm ^quot;h \\\\ en zva. iU foi ^ i du

quot;Ut

-nlt;^Kii. plaag, kwelling; kwelling van een boozen

geest. — en kwellen, plagen, sar-

) . . ^ quot;N

ren {vrg. xnt jfj ^ ,it» /lt; n \\ vn om ort^ \\ mi l.ii ui ).

T^noïNKW. zva. amiruiHnjj {vrg. ^^i). — iu nyaj) \\ zva. (uofY)an/iMnn\\

zva. iHirr)(uji {vrg. en rj

kn. rad, wiel, zooals van een rijtuig {Port. roda. Vrg. (rjij w mi/j en *[Wt)\'

KN.schoudermanl \\groote omslagdoek, shawl, overjas. — ( het lichaam met zulk een

kleed bedekken; zulk een kleed aanhebben; vrg. rjTit tjdOiis

tj t) 2 rj(iot t \\ kn. zva.\'fl tj not i w iLjt) m ij nn 9 \\ eeu?p»2^ rjihd omdoen, bv. Vj\\ een saroeug gebruiken als nnt2)jih2\\vrg. ook ^iJ»?\\Rh. j het dek

ken van uitgebragte plantjes, ccr^ un unij^s eerste periode van groei van tabak, SG.

txi^nkn. Vorst, koning r ddj d. Vorst, vorstelijk. Vrg. oivn): Tj. Séngk. één; en benaming van een soort van Pisangs, waarvan verschillende

ondersoorten, nm. mxinyfois rn^irpinitv^ »»

. quot;) o o _ .

vs ,isn(urjjiHyi\\ n 1« l» m rt\\ n ik un ajj^ \\ n ixmyns

n IK (fj^ ^ ^ wji \\ 1) IK tj tiet tj hn nij,

o .

»1 iik try asrjj \\ n i^ rj(tj)(tj^\\ niiKa/n rv^ (tnjj en tj .^2*1 ILII2\\\\ ook ni.lK\\K\\\\. zva. quot;tl UK fW t(U iik(Mamcunorr^s de gvoote Oppervorst, de aller, grootste Koning, titel van den Koning der Nederlanden. 11 IK .l| i^\\ kn., tl IK Ml) IHJ l.U \\ \'tï :IK(IJ^ Ki j

en ti iki-ji uinkw., Vorstenzoon, Koningszoon, d

Vorstendochter, Prinses. 11 ik

schatten. n ik tj oji ihj gt; zie tj (un rij w n uk t i iy, ■) -

ilK (IJÏI lEl 7 LIfj Of 11 IK (UT! (El \'ï LIJj \\ Cn H dK tj \'UI Ui) j

•ihiK ia ij r.ti nn/j of n ik (in rj r.ti \\ regtstenn vour

goed, goederen, bezit of eigendom; nuk(Uhby

regtsterm voor verwonding; hik(Ljiihv {of uu

ihh) n., m iK (ui\'iK^K., regtsterm voor manslag.!

t)(iKmi(LLii\\ vee, bezitting aan vee. \'tKiKibum^

naam van een grassoort als geneesmiddel gebruxkiX

t) ik (ui hi \\ eeue kleine tortelduif met gele staart, |

WW. ook ben. van een goed teek en in het -

van een paard. 11 iik ij tutj ru \\ naam vanen

padisoort. n ik (3 wi 01 \\ naam van een plant. -»

ik (ui ah tj mi \\ lijfsieraden. hdk .uidci \\ hemelblauw,

azuur {Pers. ldzoew er di. pk.). niK.li\\ dt

venusziekte. ni(iK (Ujcyn^Miyjs alg. benaming voor1

heftlngen voor den Vorst of voor het land; ooi

voor onteigening, hhk f.i iu\\ eign. van een hoek,

en naam van een vaartuig van den Vorst, nu

eti 111\\ naam van een klein gewas en de vrucM

daarvan, die als geneesmiddel gebruikt wordt. -

(x^hks een Vorst gelijken, als Vorst erkennen o o

\'tl ly IK tf ik (IJj (my zva. IJl ili^

iJiiui \\ naar hemelsblauw gelijken; aan iets die kleur t geven. — ij (bi ik \\ zich als een Vorst voordoen of | gedragen. 0lt;l^ iüi^\\ ben. van de leeftijd van omstreeks elf jaar, van een jonge;01^ [gt;hh\\ hetz. van een meisje. 0y-niKs hen. van een kind van deu Vorst van twee jaar en wat onder. — im 11 ikm j iui/j^ gew. i.ti hik (ki/j\\ vorstelijk; vorstelijke 1 dentie; ook hoofdplaats, hoofddésa, zva. dnnm^ — ; v^ ik \\ zie ben.

(viuk \\ of i/77 ik \\ kn. zva. »i s im ik \\ of t i 1 (ijv lytyjf ^ be-stendige welvaart, bloei; ongestoorde duur; heil, geluk; wel slagen; kw. zva. \\fn(L/uj\\ iji \'y ui i:](Hyj\\ i n hj y en (U^njjiqui {Skr. r ë dj a en j ar dj a , vaststaan; verkrijgen, winnen). ttiiKyr1 kw. zva. it J i?i; ui ki . 1 in \\ {waarschijnlijk voor \\gt;


-ocr page 291-

nsimn van »» de beteekenis vaaamtiA^ of

en tsm 0/ ^ ^ «

,l/m^\\ van verschillende -plaatsen op Java.

s s /

— luntundGMJl^W. zva. nn-r^un^(m/i\\

(ifj\\ en (tiïgxKW. en ni^tunajuj (S/cr.

rëdjoe, regtheid; opregtheid). — \\ of w

■ip:\\ zie heneden.

/0. ■gt;

(wexKW. itenw

tf?\\KN, tralies, tralie-0/rasterwerk (van opstaande spijlen) j palisadering j spijl (vr^/. ni i^crr^^ muSs en nvfu\\). urn Ki ik \\ naam Dan een soort van hoonen. — getralied, met tralies, hu

njdêimasns met tralies van gemetselde steenen. iclt; ? - KW. groote begeerte, verlangen, zucht, zva. (u tj dn wikj yyi en tun (Ej 101 (hnjj {Skr. r a dj a //) j ook zva. i i (i5n ruiiJ)ji\\KN. de strepen of lijnen in de handpalmen; geheimzinnige strepen en figuren op een talisman van hout, rottan of metaal; en een talisman met zulke strepen {vrg. fi^ n lün/i).

— iijkq.hn if i{\\ zie hij nnitamp;iqwq\\ strepen ü/lijnen ergens op maken of insnijden o/inkrassen.

(jew. irc^\\KN. gereten, bv. van een Heed, gereten, vaneengereten, door wonden; geheel verscheurd, bv. door een kaaiman. 1 ^ zie hij irm j w J m tj ik s - rfiu? niruqw

Iryi2vjVk^\\kn. berekening, opmaking van do rekening, oo/c hen. van een muziekinstrument, eenig-zins gelijkende op een Turksc/ie schel, \'AG. 1872, 99. -- een berekening maken, de re

kening of balans opmaken.

Y^??\\kn. vijzel om de voortandelooze

oude rnenseheu fijn te stampen, van metaal,ivoor of eenig hard hout gemaakt, in den vorm van een kokertje. Rh.

HjI \'krj i/tiè(Kjt^\\ zie dj)iifc7\\\\

o

Ml. kn. vlijtig, ijverig, naarstig, werkzaam

{vrg. (Lit I.ti r» \\ ^ern iuj en kn .ru rj iisu mt/j).--1lt;n

-nytiujanjis ijver, werkzaamheid.

een heester, de Paratropia Seandens Miq. Nat. fam. der Araliaeeae; het sap heeft geneeskrachtige (dg ens c happen.

lllK h\'K w • zva. (ui ryr) rj 7 jj n en tut Sn mi w zie rn i^iHjw

iu iK utyi \\ 217

quot;) O

i\\A \\rlt; kn. — riyiK im/js ongev. zva. (5^ k) ilt; nji\\ en

verwoesten; verbrijzelen, fig. van het hart vermurwen. — hj) iW /01 ohj den. 0(cm iru tui;j» ^ \\

scherven van breekbare waar.

00 00

ni tfs Hn/j\\ zva.

niiiamp;iHnjlsKX. benaming vaneen lekkernij van onrijpe of halfrijpe vruchten, aan stukjes gesneden of gestampt en met samhU klaar gemaakt of gegeten.

nf: itfn iwji\\ roedjak van fofoiQvk ^ ennaam van een batiksel. ^ ik y ta) -^1 rj a^rj \\ benaming van een ander soort van roedjak, en van een ander batiksel. n ik ^ u)(Mjf voor i^\\kun viau^ Tj. -rj (ik irti mt\\ roedjak van woeni-vruehten; en van allerlei, van de sa sr ah an gezegd, wanneer dit uit alles bestaat, wat daarbij eigentlijk aangeboden be-hoort te worden, zooals een buffel, een haan, een kokosplantje, enz., wat plaats heeft gt; wanneer de bruid het oudste of het jongste kind is \\ ook benaming van een batiksel. ilt;tyj\\ roedjak maken; van iets roedjak maken. ^ ^ 1^11 ijj\\ van alles zich aanschaffen i de heele boel verkoopen. — ^ (Fjjj iKMtijl of utt/j geschikt om er roedjak

van te maken, van vruchten. —{^iKh?i\\ oj.zva.

1 O ■ z )

nn rti hj \\ zie bij (httov^s — - t j ik uii tHtjj \\ waarvan roedjak gemaakt wordt.

\'-rjiiKhtijsKX. overeenkomen, overeenstemmen, accorderen, liet eens zijn ot worden; goed bij elkander passen ; overeenstemmend , in harmonie ; overeenkomst, overeenstemming (vrg. rj m tjniiiey —

a.n\\ met iemand in gevoelen zich vereenigen; in iets toestemmen, iets goedkeuren {vrg. ^ tyiki iii). Kit^tf Kti\\ doen overeenstemmen, doen harmoniëren, overeenstemmen, overeenbrengen. ut iK hv\\ of rftiiKwi\\ Ar. (rizq), kn. wat tot levensonderhoud dient, levensmiddelen, dagelijksch brood. — tiK rj levensmiddelen aanbrengend, als een zegen\', het dagelijksch brood gevend. \'Ttn^ibit/i* kn. een als netwerk geknoopte beurs. — vyi^^tijl een gt; 1 tunmaken; aan een iunfj irelijk, die door zijn rekbaarheid heeJ veel kan bevatten; fig, (irr^lt;lo0 inhalig, hebzuchtig, Rh. nn^t^iuvt nut ij \\ netwerk van metalen draad, gevlochten draad van metaal. — iets in de beurs doen; iets van netwerk voorzien.

■tti:lt;iit j en rj quot;quot;na tj i iinjj 0 f tj niftyiiKt ilgt;iijj\\KW. be-


-ocr page 292-

rj rn ? *1 ik- ê iicijj \\

218

m u^cmjis

schadigd, onbruikbaar, door het uit eikaudor raken, zuoals een vogel/co ai, mand of wagen {vry. 1jjgt;) ,hyj)-lt;tj \'T) 2 \'Yj 2 \\ zie

O a 0

T7 firc KW. zva. (Hi nm m aji) cmw

ik (Litjjj\\ zie r^aj)

TiliSrtST^Nkn. gescheurd, iu repen gescheurdj geheel versleten, bv vein ^«35,/^. verscheurd, van het hart, door hartverscheurend leed. — [jw ihnj \\ iets in repen scheuren; bloemen in stukjes scheuren; het hart verscheuren, breken, sterk aandoen, hij het zien van de mootje natuur. Tj.

irj -tid if ielt; i ihnjjs zie n ies (ici/j\\

•-n iK lïnKW. zva.

dji i% dJi \\ N., dji ik (ut) z k., een hard gememjd meiaal {naar men zegt, een mengsel van iJi iamp;i gt; (m ■ n \\ tin, met m ix^cm)-, ajia-j)\\ naam van een boom, die bloemen draagt en op moerassige gronden groeit {Skr. radj as y tin; r d dj as a, van tin, en rijk aan stuifmeel, pk). — xnuza.» \\ als rëdjasa; poet.

onbuigzaam, ongehoorzaam zijn.

) o

\'ri.igCNKW. zva. iHicmniw O

(ui ik o ij N eign. van een zoon van Batdra

Éndra.

CY i •

^r) ius dj) ax) \\ zie bij riiiamp;w

mux (Wtjjs Ar. ri dj dly coll. mv. van r adj oei, man, mannen; {ook n oj.) w. een zeker piepend

geluid, op het geluid van een soort van ii/cvor-schen gelijkend, dat zich in de nanacht of tegen de morgenstond, als het dood stil is, hoor en laat en dat men houdt voor het geschreeuw van afgestorvene geestelijken of {volgens anderen) van de afgestorvene kinderen. Als men het naderen wil, wijkt het gedurig al verder weg.

Q

dji ik (viji \\ zie tfc irnjj \\

niigjjs of ^^NKW. zva. (hn nini (S/cr. rddjya, een rijk, van rn:iamp;).

L/ ^ J\\KW. zva. (kj) (IJl »gt;V

ni i.c (til \\ KW. zva. (Hn rut (in iui h

ni les ij (lui t m \\ k W. zva. (bi ut (ilt;j) % w quot;n is oude Kawi-vorm van m/cw mdtt (fjijihjiw zie bij (us iamp;i ihiijj\\

Txi^r cYYtjj^ i^ifs- r»)^\\ kn. zwaar lekken. — ni .iclt; erneen plaats waar een zware lek is.

T).i^(*rï^\\KN. stok o t\'boomtak vaneen ruwe omheining; ecu daarvan gemaakte omheining j naam rj een paarde/deur, mat of vaal geel met vier zwarte beenen. naam van enl

gewest, thans Madja-kërta, en van een soort A

enjjj^ een omheining vasH

i;yiKrrr^\\ van een •TJifCruil

streepte stof. ■

radjëg maken.

voorzien.

oi^itït^nkn.; i^^m/js schrikken, sterker dan uI

Tj au (trnjj v — ■-»gt; ^ (hnji^ zva. mi ij nrn n^wij schrikachtig.

dji (us (rnji kn. ; (u .ult; ern -/i m/j * kronkelen, veis plooijen maken. — i^tuscmjj\\ met zijn velen eryem op aanvallen, bv. op spijzen; met drift zich ergeoi in begeven , bv. in een boschje , om wild op It jagen {vrg. ijnvii unjj); ook iemand niet uil

laten spreken of aan het woord laten komen, gedurig in de rede vallen, het hem niet gewonnen | willen geven {vrg. cniiuituscmjj).

f)(ult;cnijj\\ KN. moeijelijk gaan, een weinig mank gaan | door een ongemak aan den voet, vrg. -finjujcm^ ! en ij tj ij lu t (tiyi \\ WW.

n^ius kn. ; criijj^ ook^ üzernjjs met geweld iets doen ; iemand dwingen , noodzaken; iemani vasthouden , om hem tegen wil en dank iets te doeu, bv. om hem iets in te geven {vrg. fatcun^a\\ Mim ■Lu ibiyi en dJii ai^ iis lii); ook zonder model ot patroon batikken of teekenen. — r) (amp;i ^cmjj\\ m vi m tk \\ en xjh ult; rfl (mfl obj. den.\\b\\i

boven gebatikt of geteekend.

rtj mij (its 2 (rn/i ongeveer hetz. als nii^ m/j maar w

sterkere mate.

^naGccnjl of (ULus r.r)jj\\ gew. (U ik (U/j\\ naajn van de zevende maand van het Mohanimedaanschejmt {Ar. r adja b).

\'r)fi£\\KW. zva. l» Oh^Hjia (ia (amp;} Men. KN,

qcj.ikn kerven, bv tabak; atm smalle reepjes of dunne stukjes snijden. — rudxï(u{of (vi\\Q (ik ui (injj) kerfmes.

\'nok kn. ; rriaè^wnn/i^ zeekrab {vrg. tiii (uffis)-

.. . 3-

rnirj us\\ m poezie voor m^a/nw iukuss kn. : (UiS\\ elkander betwisten , ontrukken; met zijn tweeën of meer vasthouden, bv. een kind, dat niet wil innemen, of een beest dat geslagi moet worden {vrg. cc^ik i?i\\ vasthouden,

niet willen loslaten. — tuiuï i:i(injj\\ obj. den, m


-ocr page 293-

O

quot;tl LU

Qv

iUldK\\ S

219

elkander trekken, sleuren; met elkander om iets twisten.

^nKW. zva.

^nKN.j zva\' \'^N 0/bv. hij

een vechtpartij.

ti ijik n kn. rots in \'een ravijn; 6\'« benaming van een batik set.

•7) igt;r^2\\KN.; het eens zijn, van

hetzelfde gevoelen , omtrent iets. — ij ik? w \\ iets billijken, goedkeuren; iemand zijn goedkeuring schenken, iemands zaak billijken , het met hem houden {vrij. (ja ^ en ^\'^71^17?). ^ Ar. radj\' i, herroepelijk, van een mi ju mi/j, waarna de man nog tot zijn vrouw terug kan keer en.

1 au \\ KW. zva. crn tf cm \\ en w — ni illi h illi \\

gew. MnTKWfnajvi \\KX. veel moeite en tegenspoed ondervinden of daarmee te worstelen hebben. /lt; n n t (lil t) hl y KW. zva. luy (k^ loj ik^ \\\\

O . O O ... O

itLM\\Kl. zie tun(idi en (ivklii bij .luw j (lu v KW. zva. Syuij^ \\ io^ihh \\ dry ihj s 1. zie am (lli w 2. kn. laatdunkend, van Iemand die zich heel wat dunkt te wezen en veel vertooning maakt {Ar.

, ostentatie, het vertooning maken van hetgeen men niet is. Vrg. (Kjitj i?) gt;). 3. licht, helder

{Ar. gt; licht, glans?).

10 o n

rnvfïLLiis en nir^cLimni ijuizs oo/c ytidvj imtrj gt;gt;? \'tj iim?nkn. riant, frisch , helder , va?i het groen van boomen en velden. v^\'mnr^aMi ij tn ij illi2\\ ook van een vrouw, die er bevallig en keurig net uitziet. vj iii ij lu2 \\ zie nr» n(lu 2\\\\

•quot;n (lu j \\ kn. , met ikhj zamengesteld, ik n j m lli % \\ plundering. — (un (lli j \\ rooven, plunderen, buit maken. — «7»\\a^(Lvt q njli \\ mv. — »1 i-u ^ afn ann\\ het geroofde of geplunderde; roof, buit. ^•gt;gt;ii.u^•?ƒ-r) gt;ƒ^\\kn. slordig, onfatsoenlijk, bv. van houding en kleeding {vrg. ij » / (lli ij (frn rj illi ? Kv/j en ij ti g nLi fy m (lli s ).

^ ^2.111 (lli^\\k^. ruw, onbescheiden, onfatsoenlijk, onbetamelijk {vrg. ij(lli^ lvi24).

^iilli ihij\\ ny tfj) u i tnjj en (htru .tvi (hi/js zie (/ji iijii tinjj^ zie (ta ij (LU2 in^

i^aAj^htyjs alles voor de vuist wegnemen, G. Volg. WW. ^(w^njjs mv\' Tj-*1 (LLI HIIJI\\ KN. , AK trj HL 12 r/r^ of leC Il i \\ KI., iluim, slijm uit de borst; h lli hu kwijl, K. 9, 1.

een lluim of fluimen ophalen. — (£71 lli ^ \\ met fluimen bespuwen, bekwalsteren.

rn£liikttjj. kn. vergruisd, verbrijzeld {vrg. hji Liiuiijj).

— {iS^dvi Hnjjs iets in de vuist aan stukken drukken, vergruizen o/verbrijzelen.— ^a^itiji un^zieben.

irj nrf llig gefrommeld, uit zijn fatsoen ge

raakt , ho. van een hoed {vrg, ij rixii quot;ijTi tiiLiu^).

rji w tj^112 uiiji^ met de handen naar zich toe halen, Rh. — ij ^lli ij 1^1 ij lli 2 geheel uit zijn fatsoen, vol kreuken en deuken ; bouwvallig.

ni(iaj^ lcikn. ; (i^(iaj^ iiu/j\\ iets vermeesteren, met ge • weid zich toeëigenen, overweldigen. Zie .i/n

— itn^tbL^dcyjs vermeesterd. — (ui[(c^(vu^ui^ vermeestering, het met geweld zich toeëigenen. — ti

oajm)i}njj\\ het vermeesterde; ook slingerplanten.

00 00 .0

n illi (ia \\ en ti (lvi (ia wj) zie ni cun (lli s*

m (lli (bii/jskx. het gezin of huisgezin, dat iemand te onderhouden heeft; i?i het*\'bijzonder iemands huisvrouw {Ar. ra\'ïjat, kudde, en vandaar onderdanen, volk).— /jit/ash^ iemand onderhouden, de kost geven. — lli h^i mj^ \\ in gehuwden staat leven, als man en vrouw; oj. ook zva. tuLifonjj^ de huisvrouw van iemand.— ui^Linhnfls zie hen.

m lu\\kw. zva. G.

O

ti .ijj(m/j* tjim^ikt^nKW. zva, tj n t tjTi (Kijj\\

ti(i\'An\\kn. wemelen, kriejoelen v. menschen, vrg.

O

a/r^iLU

ij n lu iu/i\\ kn. reaal, Spaansche mat, Spaansche rijksdaalders, ook tïani(bnjj\\ genoemd. De waarde van de reaal is bij de Javanen verschillend en door verschillende benamingen onderscheiden: réal p a dj ë g van 30, ré al k\'êb 6 van 21, réal sapi en réal dj ar an van 27, réal par én-t ah en réal pari van 25, r é al hato e van

24, en réal mantja-negard van^ 60 wang.

o . . ■gt;

rj ti (lli ili ^rn icry^(iji/j\\ zie lun N — \'/ 11 LU

.n^iiiri^/j\\ bij realen, in realen.— (uiij r j lli itu (hijj \\

of ij il^hi iiti(Hijj\\ geldwisselaar, geldwisselaarster.

o . t

tl (lli ili telljjs Zie tt ;un n rbnjjs.

ti illi (ui\\kn. witte mier {vrg. [ Ui mMji en tLuj^ru \\n.0\'

a u mijl\\ gew. i] tu ». j 11 i li/j\\ kn. schoon, fraai, W W. n lu kn. zva. n i illi (uijj\\ zacht van blik met hall


-ocr page 294-

O » gt;) IU\\

a

» ) ij LU Z (EjIJ) \\

220

gesloten oogen {org. (uw .m/j). Zoo ook n ïu iibt n/js (few. van de maan, wanneer die door een nevelachtige lucht schijnt.

\'yioi iLUd iej/i en \'n? rj ill;a n kn. lommerrijk door het digte loof van boomen met laag neerhangende takken; freq. vorm van (vn rj ihu z iamp;)jj of am ij 1.1.11 Mfj\\ — Y(tij? /ƒ; ij (iMè lommerrijk zijn. — n rj (til t r) (Hiji en tj tut een

vrolijk gezelschap van wel onthaalde gasten ; een braspartij ; zamen een gezelschap uitmaken voor een feest.

O

ifni2yaAji2,riji\\ zie gt; ) ^ (Li)2

•T?(Lti (mjjx kn. eenparig, eenstemmig, eensgezind {freq. vorm van tim iiu cmji). (Lv) oiyj \\ gelijken tred houden; eenstemmig handelen.

rnilv^lt;TriTjinkn. moeijelijk gaan, onvast loopen, bv. v. ouderdom of ziekte \\ ook kreupel loopen v. e. paard; Rh. sloffend van iemand die van ouderdom met moeite hij het gaan de voeten van den grond kan krijgen, nï SLM otj (lAjj, nriyi ^ sloffen , van ouderdom of ziekte (vrg. rj rt}(Lu tj uit ernjj).

frj^iriaAJttcni/i^KH. waggelen, waggelend gaan, vdw vermoeijenis; ook een paard of paarden van gevlochten bamboe, waarmee een soort van tournooi vertoond wordt, en waarop hansworsten, die het tusschen de beenen houden, bij een bruiloftsoptogt voorop rijden. — ?ƒ ni (lli ij rm rj id 2 (rnjj\\ waggelen, niet vast op zijn beenen staan {vrg. fliLLi (nilt;iAJj(rn^). njniz Liumi^ volg. Rh. mi beweging,

van boomtakken , struiken enz., lv. door den wind, door een of ander dier, enz. ui mi/j zich bewegen als hoven. — y {toy ilii (in^/j\\ mv.

kn. los in de lucht zwieren of fladderen, van een hos of bundel dunne of slappe voorwerpen; een bundel los neerhangende einden van de alang-alang van een dak. -n .lm loshangend

in de lucht zwaaijen ; ongeordend loshangend haar; met ongeordend loshangend haar {vrg. ^ »»).— ^(ATjiLii r^N met ongeordend loshangend haar, der hoofddoek, zijn of loopen. (lt!) unijn)(lvi.unjj\\ v. Boetas.

-hm^nkn. naam van een lang, fijn en zacht rietgewas {vrg. dm (tun n ii/i). gt;)(lAJj--nahjj\\ er mooi dun en fijn uitzien. — als rajoeng; langen dun,

spichtig , van dun en lang opgeschoten plantsoen, en van lange fijne vingers. Zoo ook — naAjjjW (injl\\ plaats waar de rajoeng in menigtt groeit, rajoengbosch.

r]a/m\\ zzz ij \' (Li/i \\ o. l.? Tj.

n » .

ni av)z\\ zie (iciri ii/tiz (Hijj\\

zie iil^ha^w

vj\'y)(lïi\\h. in BagMen en Kddoe {volg. Rh. op di grenzen van Tegal en Banjoernas; komt ook von in Bah. Bal.; in Tj. gebruikt het ion. uit Ban. gil in Pasoeroean, o. i.) voornaamwoord vani\\ eerste persoon, zva. (lticimw ij t) ijuus gew. rj ij ih ? if ni rj (lli z \\ of ij m lli »p 1 7i (iaji i \\ kn • gedurig van de eene plaats naar de andere gaan; telkens een andere plaats nemen , k | met zijn koopgoederen op de markt; gedurig vay de eene plaats naar de andere verdragen; telkens 1 zijn huisraad verdragen en verhuizen. — *ƒ n ijm cun im /j \\ veel te sjouwen hebbenen daardoor met moeite vorderen en maar langzaam kunnen voortgaan, nihin\\ Holl. raam.

(Uiiyj of itmMiuijjWiif. het gesloten of digt zijn van

de oogen, zooals van een slapende, (utt-i

half gesloten, van de oogen; sluimeren, in

een ligten slaap zijn. — tui tu of

ten; uitrusten; rust genieten {vrg. (imrjo^i en v

\'tjjjw/j)-, van het hart, tot rust gekomen, bevriji

van angst of kommer , rustig, bedaard; ook rusten,

voor stilstaan om te bezinken. — i~\\ (ia w r) » sdoen

s CJ \'

of laten rusten. Rs. — t i (u gesloten, digt, van de oogen; met gesloten oogen ; de oogen digt hebben of houden , de oogen luiken cf digt doen;van slaperigheid in slaap vallen. am (t^^ oj

(amp;iK\\\\. zva. asrjjli](ui^n^onAinnjjn onrustig slapen, telkens wakker worden, een liaze-slaap doen. iu iu\'^ ti] hiyj\\ spr. voor onrustig, ongerust, van het hart. — (un lUKEQ/js poët., mm /ej^nkn. tevreden, vergenoegd; nog

niet voldaan zijn , nog niet genoeg hebben, óv. van iets moois te zien, of te bezitten; met iets tevreden zijn, het vergunnen. hviuim/j\\ zie her*. —

w mi ifi ~jn (uw \\ gerust of tevreden stellen, of

s S CJ

zoeken te stellen, bevredigen; paaijen met iets. -(S(U(£j tjihlt;n\\ de oogen sluiten of digt doen.— (ui m (vi(eyjs berusting, tevredenheid. — m wm iamp;i (ut ijji geruststelling, bevrediging; middel


-ocr page 295-

221

/7V

Tfc^ ramp;gt;\\

om iemand gelaten te doen zijn of te doen be-rusten.

/t,MN 1. ly?» nj u /j ^ 3. Bur op. ruift, een sterke drank. 3. of ^ Ar. ^, Grieksch.

anmm ijifi/j\' Griekenland; het Byzantijnsche (nu Turksche) rijk; Constantinopel.

,IEj1 \\ ]. Ki. va7i vtinjn of xni(Li unfls 2. eign. van een zoon van Vorst Dasa-rata, een incarnatie van Wünoe,Vwj heldendaden bezongen worden in hei naar hem genoemde heldendicht (Unfistel of \'n iu 71 do (U) \\ ook gt; i m i» us (ut \\ Hh. (S/cr. lid ma en lid m dj ana), ~n iu wis of gt;gt; im en n

iu ja\\ Uw Vader., /e/i it/rno^\' zie t

ffjido tivi (u (isn \\ bijnaam van Hanoman. (unw-Jinr) (Eiurn i?} \\ of namp;ji (ia\\ naam van een wapensmid uit de oude tijd.

k£/ïnKN. naam van een heester Bochmeria uivea Gaud. Nat. fam. der ürticaceae. Van de vezels wordt bindgaren en grof naaigaren gemaald, zooals bij ons van de hennip.

i }j\\K\\y. zva. (irrtslagtoffer. — \'ntj(li?(hi/j\\ kn. een vrouw of kind, daar de roovers bij eon hnisroof zieli meester van maken, om zich een veilige aftogt te verzekeren; een persoon, die door velen geslagen of omgebracht wordt; een vrouw , die door meer dan een man in ontucht beslapen wordt; iets zooals een boomstam, daar men bij het zwemmen of in nood zich boven water mee houdt, xj)i Ta2 7j / ilgt;i/ \\ de speren gebruiken als middel om zich boven water te houden. D. W. 90.

Y zva. (ej q(uvn 7naar door meer

dan éen man; ook zva. (LiiTwa-ns van een geest: in iemand varen, zoodat deze door dien geest bezeten wordt.

tiïjlt;fji\\kn. , quot;ng^xkw., lustig, levendig, luidruchtig vrolijk, druk; lustigheid,levendigheid,luidruchtigheid; lustig, levendig, luidruchtig zijn, pret hebben. kw. ook nacht {Skr. r a mja, pleizierig, vermakelijk; en ramjd, de nacht). — [^\\r^(ti kii vrolijk maken. — -nrjamp;jtiHi/j op een vrolijke wijze, feestelijk. (v) ni (eji onji en gt; gt; tyrjMiHi/js vrolijkheid, pret; vrolijk gezelschap ; met elkander vrolijk zijn. — njt n rj ,u (uu plaats van vrolijkheid, waar het druk en levendig is; een vrolyk gezelschap.

(L/t i€Jt \\ kn. overvloedig, royaal, mild va7i een 07it-Ziaal, WW.

(ui \\ kn. , ilh (ubeginnen te rijpen of geel te worden, van padigewas en boomvruchten\', in de

spreektaal ook zva. l\'f j, zoo waarschijnlijk in\'V].

g) _ - ) o g) j (?) qv

(ijl (e/j (ui l i \\ - (1^1 (hij (ui ihll \\ 711. (ui (f/j (ui it,1 (Cl (ui ij

o

Ij (Cl (Kil W

0 O (fui \\ KW. zva. i.in rj mil ijj w

a o

^ amp; i \\ kw. zva. ij tun |^\\\\

T^rtE^xKW. zva. niiLf^ivgt;iiji\\

ij *-*) .ei\\ki. , vj quot;yii (en \\ ku. , van hoofdhaar

(vrg. ni Ktiw Skr. r om a, haar). — on ook wel poët. bij het haar grijpen o/* trekken.

Tjl 112 (E,i\\ zie yr ri cE/is

(eju\\ zva. ^ m \\ volgens ee7i volmondige uitspraak.

quot;n (fa q \\ kn. ; n een vrouw in ontucht beslapen.

{vrg, bij ntfjj).

(ui f^i % \\ kn. streelend , verleidelijk (vrg. ifji hjnjijj). —

(ü£(sj of (C^ (Ui (Fi ^ \\ streeien , met gqede woorden

iemand bevredigen; een vrouw sixeoivn of lief kozen.

— (ui(i?±lt;£iq\\ streeling.

. o

■ tjj1 { \\ Of tj^li tt.1 gt;\\ïi. , tj\'tl (BI k. - (^1» (fji {(Uil \\

enz. een ruimte of opening maken of laten voor iets. — \'tyamp;iqnjiKHi/js enz. die ruimte of opening. 4 ■11FjI 2 j \\ zie Ifmi^ II.

nij (fjI^ n kn. van weiuig belang , onbeduidend , beuzelachtig {het tegenovergestelde va7i (u^orui). (uirjn 11 (FjI ^ \\ beuzeling; iets dat weinig waarde heeft; bagatel ; snuisterijen. — y ^ 7 Kquot;N beuzelen;

\' iets voor een beuzeling houden.

. 7 .. o o

(fj^ (ur^ (hnji s zie bij dJi (un (hnjj \\

^ (fj!ij(un2(Kyi\\ zie bij mojiw

* i gt;1 (Fji mij] \\ zie bij u 7j (FJI w

11 rj (fjii (hyi\\ zie bij -ikfaw

1 . O O

(ui (E/i (uyi \\ zie dut (t l (inji \\

n^(fi(Kijj\\viv/. komen, komst zva. asn huw \'n (bi — (lui ifi \\ Sri T.

(ui (fji (fj1/i \\ zie (ui itljf \\

H (FJ! MllJI \\ zie bij quot;IKF IW

(ui(Fiitiijjnkn. — (uiS}^hnjj\\ kleinigheden, snuiste- .

rijen, snoeperijen, Rh.

(Ut (tj hujfs (Ijl lil nnji of lU verbrijzeld, ver

broken. m li oot sehlpbreuk lyden , van een


-ocr page 296-

T^N

vaartuig; gebrekkig worden, van een mensch of

beest door veel ztoaren arbeid; Vrg. tu)

o O

tEfi ^iiKnji en — /cj (amp;f urji \\ (Fji vwjj

of ^ kji\\ iets verbrijzelen. — ^ iSi \\ mv.;

de boel in stukken slaan. — 7f (kv \\ enz. maken o/veroorzaken , dat iets verbrijzeld wordt. — (u enz. iets dat verbrijzeld is; grnis ; puinhoop; wrak van een schip. — (ui (it^ rf^ Hiyi enz. verbrijzeling.

O . O O

gt;gt;iFjj(hiyi\\ freq. vorm van zva. am

kn. , en (£\\tryilt;amp;i\'Knji\\ iemand tot iets

overhalen, 0/zoeken over te halen; bepraten.

(ui (tji anj! of (ui ik/i kn. het met de vingers van de geheele hand, als met een klauw, gegrepen of in iets gegrepen, en dan fijn geknepen of gekneed worden {vrg. (tSiQru/js k^rjapzas^ en (un^nsuji). (ui tiii(un ^ i Qiis/mnkn. onduidelijk , flaauw, iets zien of zich herinneren, WW. vrg. riramp;insii^ — r.-j (ktiWji\\ iets \'/.60 knijpen o/*kneden; fig. het hart toeknijpen vn kjï ki m (htjj\\ de handen wringen. (hjj^ (lojj of n (amp;I fi5ïï^\\ kn. afgeloopen, geheel geëindigd of afgedaan ; va?i een werk of werkzaamheden {org. quot;t) o ~ji).

o ■ \'7 ..

quot;n (f.i (ic\\ \\ zie bij n (E)}\\\\

•r)«^flsw^\\KN. de draden of vezels van de pisangbast, van ananasbladeren , en van een spinueweb. Rh. vrg. rui (Ui (tmjf v

C^rtSI^X

zie H\'tj}(injj\\

. ) O

(ui (t/t (ml/j \\ Zie (ui (Ui (wji \\

tui(Ejiosïiji^ku. lijn, van kunstig fijn werk; fig. lijn, lijntjes, listig {vrg. gt;) ut \'isnjj \\ (un nru^

en ^(uilunjj^ fijn, met kunst ver

vaardigd (Tj.)j met fijne list te werk gaan, in tegenstelling van x:icm ili/js

o

11E/1 asnji \\ zie ir.i nsu fj \\

o 00

■\' 1 (Kjnsn^\\ KW. zva. zva.

-7^^rti.»yy\\kn., ook wel o^kisw^v k. , bezorgd, verzorgd, bezorging, van het noodige, of zoodat iets goed bewaard of veilig is. — fn anTjjs L,iyj\\ iets verzorgen, voor het onderhoud van iets de noodige zorg dragen. — 1amp;1 ^(amp;i \\ verzorgen, onderhouden, zorg voor het onderhoud dragen ; zorgvuldig bewaren, zoodat men er zorg voor draagt; bewaren, behoudeu, 7iiet weg doen;

222

Tl ifj K

den boezem bedekt houden ; een vrouw verzorgen, 1

voor tot vrouw nemen {vrg. [tu^\'ui a^j).

n O Cquot;) o ■■ [

\'i 1 (c/i(^jjj\\.kw. zva. (ui(t\'i(uiji (Ui ijazn/j igt;n » /kn, j n? / \'

door elkander gemengd bv. rijst met sajoer a

sir na

V\'

ic\\ ie

\',nl

(ui (f.

(e ti

(iJ:mQ mm /iju vi

Ti. — , i7iki(Ki/)^ al wat voorkomt kaan wende ver. 0(U)il

iisSI

slinden, ook van gulzig eienden Tj., vernielen. weêrs

zva. (uq^ihtijj (ij.). leiden

rj nrj (Ei (uij^ if rn ?. tj /FjI \\ k n. — ^ (ui z rj tamp;i 11^1 door

O m*

(Waj. II. 177) 0/ tjiamp;iim(Tj.) zva. i/^ij gt;gt; f i

)j notitie nemen van iem., zie hij \'tj-ri r, 0/ 01

rgt;

ij

nlt;ifjin.yi\\ Ar. ramal, kn. de kunst, 0111 doovmid- \' StSm vlees:

del van in zand {rami), of ook wel op papier, ge- of h\'

trokkene lijnen en daarop gezette punten, iemands en lt;J

toekomstige lotgevallen te berekenen en te voorspel. \' 1

len; en een waarzegger, die genoemde kunst nitoefent. n

ifjtilijj\\KN. praatziek; lastig door aanhoudend ge- |

zanik. — Pi iiij\\ aanhoudend praten, zaniken,

zeuren, Rh. twistgierig , twistziek, G.

n .iJ III in/j\\ Ar. gt; kn. de negende maand van

het Mohammedaansehe jaar, anders n.,

o

IK1J.U itiyf\' k.

TIY\'amp;I-\'I of ^innjj KN. versnapering, o/ira.

.thi..)1 \\ in \' ^ twtiijihi \\ zie I\'niw

ui ,t i ~ ) \\ 1 :i! i ) 1:1 1.1! 1 - i zvü. i i i( 1\' e?i~. .11!!.]

s jj ,1 gt; s s

kw. zva. \'n w uii/iKN. wn «ji/bi haastig.

midji kn. gekneusd, met bersten en scheuren; eig |

^ l\'

gekwetst verpletterd door kneuzing en kwetsing {ook (ui n vrg. (ui (eh ~iitsn/j en tui (ui (Ej! ~jjj\\ erg kuenzen, kwetsen, te pletter slaan, verpletteren . - (Ui n iZJI ~JIÏ(HIJI of (UI (IJl )f (UI -12 (H7^\\

elkander te pletter slaan; moorddadig vechten;

moorddadig, van een gevecht.— (ui iuvj famp;i ?anjl^

poet. voor slagveld,

\'ti^iJïnkn. teer, fiju van iets, dat lijn bewerkt is,

bv. glas, WW. vrg. -nramp;i^Xw TifE/i-JnKN. JIoll. rompj e, verouderd woord voor veui.

/ui ~jj.\\ kn. struiken of takken om een passage te versperren {vrg. ifrm ij (uit gt;). — ij ij (En^jnanj^

een plaats of vak in het water, waar takken of struiken (meestal drooge) digt op elkaar zijn geplaatst en als \'t ware bosehjes vormen om er de visschen in ie lokken. Na e enig en tijd wordt die •plaats met bamhoeroosters {ajiimoi of ilkuh) afgezet en de daartusschen besloten visch, nadat de


-ocr page 297-

283

V\'

{Men en struiken verwijderd zijn, met schepnetten gevangen. Bh.

„ïo-nKN.; of mot

zijn velen op de hand dragen of ondersteunen (Tj.

I iemand met zijn tweeën of meer aan

■ weerszijden bij do armen vasthouden, om hem te

■ i,.;,],,,, of te ondersteunen in liet gaan, met velen JH

quot; door geldelijke bijdragen tot stand brengen. — of iu \'i.tji ^ zoo vastgehouden

of ondersteund.

i hi^ KN. een \'j er egt van jljn gehakt of gestampt vteeseh of visch, in een blad gekookt, in halletjes of in spietjes aan een bamboezen dji aji asiyj gehecht en gebraden, (m iv! itsn /f- i-a ? \\ zie bij nmulihti^

r \'I lEI ? N gva\' \'V \'f l - j ^

In !Fj1 (mn\\ zie ij tn iei w »I TJ (FJ1 - 7 (HTJJ N zie ■gt;/ rj fEI ^ J nn 111*1 ^12 zie (u iamp;t -j^w j tj if. i f onfj \\ zie n j ifi -jjw

(U 17.1 ^rn\\ zie a/n tui w

en hji iu ^i nnjj of tui m Z i omjjs kn. gelijk op een rei; gelijk van tred of in den stap; tegelijk in gesloten gelederen aanvallen ; regelmatig, regelmatigheid ; fuj. van gelijke meening, zonder verschil van gevoelen. — ir^iu iurr)^ vnn gelijke meening zijn.

\'n rj ibi nn/j ofij ui kn. de kleeding van de Gnmboeh\'sj cok benaming van een dans {en van een zangwijze\', G.). mi (fji ^ gt; a /n rj iei ^i mv/js he-naming van de kleeding der boogschutters van den Vorst, die {(L^nf^r) ^A\'^X genoemd worden, nam. met korte broeken en een tot over de dijen opgestroopte do dot, met een van achteren een weinig naar de linkerzijde hangende slip. —nirf f i ^ i un ff \'ei ini/j en ( itj ij /Eji un /j of n ij iei . / \\ iemand aanhalen , zooals een kind een moeder; iemands vriendschap weer zoeken na oneenigheid.

\' gt; I IEJI t (HHJIS zie HTj (EjI ^12 (Dljj \\

-i(kv^\\kh. ongeveer zva. iui ie^i wijj\\ verbrijzeld {vrg. M ^itji^i hiijj\\ verbrijzelen, ver-

mi/j\\poët. zva.

trappen , kapot maken. -

iu iLi Zi trnji \\ zie m ieji ^ i unjj \\

gt;1 \'Eji -jjj uvjj v kn. een niet geordende hoop , zooals van puin of steetien: dnbbeld van bloemen, in tegenstelling van Tj iintffiy enkel; (vrg. (uyiamp;i^jKiijj en

gt;) fel (E l ~ l

vr

(is^ (ei iei ^ krijj\\ iets op een hoop

brengen of stapelen. — tj i i ^hii anjis hoopen ; bij hoopen; oo/c lagen , zooals van steenkool, rj n2 (Eji _? (Ktifjn KW. zva. rjn~n cm irj gt; ) f rj iEi ^ 19 im/j of tf * mj (ui 2 ilt;ti/j K.n. een hnt, ^oo-als van houthakkers in een boseh, ook wel voor ni KY^am^ gebruikt. — \'/1 iE\'I~ji2 aayi\\ iets op% een ruwe wijze met liet een of ander digtmaken. n (ei ^ i dm \\ kn.; [0^(ei ^i ion zva. .rnn tfti wis ofwtui itj \\\\ (ijl (Ei ^,1 (un \\ zie ie i i mi w

n^cEfi—mnis of \'ij iui Kn\\ ook (ui ei^i ion KW. zva. oil (im?\\ (ui (ïit \\ en un^ Eij^s kn. dichterlijke inkleeding, versiering o/\'beschrijving^/r.j-o lignur; redekunstige figuur; dichterlijke beschrijving en versiering; een drama, dramatisch gedicht).— ^ ■ea ^i kn \\ enz. kw. zva. (u^crrk KN. dichterlijk inkleeden of beschrijven; een gedicht in verzen maken, in dichtmaat zamenstellen , dichten {vrg rn mi asny). — /i (ea ^ i kii (ki/j\\ gedicht, dichtwerk. mui ^?iir)^\\KN. in orde gesotikt. lui^n(Ui ^i(ia/j\\ ge-regten in orde stellen, opdisschen. — [^(Eji^imj^s schotels met eten in orde stellen of schikken op een tafel of mat of op den grond, iiyn(eji^jiaxij^\\ opdisschen. — [tr^fEi ^i lt;ui\\ mv. — n ea -1 (in iinjj \\ opgedischte en in orde geplaatste geregten, voor-namelijk vleeschgeregten, anders »i ei ^i ut ki Sri ui un JtKUiKn (kijj\\ ook een groote schotel met vakjes, waarin zich allerlei soorten van toespijs en sam-bél bevinden, om bij rijst gegeten te worden.

ri (ui ^i(iaji\\ ook wel »i ea ti uty \\ kn. ; ^ ei Zi ,iaji\\ (fijn hakken, fijn snijden; afknabbelen; G) gew. • Jlg. met iets te doen geen onderscheid maken, niets overslaan; van alles te gelijk doen. \'fi\'Kj.iui Cinsnj^ zonder onderscheid, alles of allen te gelijk (Men.) — m (Eji tinW(Ki/j\\ van alles dooreen, ongesorteerd. •n (ui Si (inji^ ook ti (Ei Suhn^KX. nabij, digt bij, in het gezigt; nauw , spannend, bv. van een pantalon; nabijheid. — i ir^mi J]aajis op een behoedzame wijze nabij komen; een vijand op het lijf komen, aantasten ; een schip enteren ; in het nauw brengen; alles voor de vuist wegnemen, alles uitplunderen. (Lil tea Ja iici/j of tui (ea Ji (isnfj\\ kn. beschadigd; gewond ;

ook fig. van het hart.

O • O

rri iea ^.i asn/is zie ») ieji ^i (ici/j.

■ii ei ^i asn/)2 zie ruui ^i

r)t iEii

-ocr page 298-

224 mm n!gt;njj\\

ajuamp;t ~3 (vmjis zie oji u ^(iaj\\ ook zva. iijinji bnjj\\

IEjI -Jjj (UHJIN K. zie Mil IhlJI \\

11^)1 rj (£/i sU (istyi\\ zva. ij

tkamp;i-jiim^sKN. al de melktanden verloren of gewisseld hebben, van een paard (vrg. iiajiitjumiivi/i).

— iKrijj\\ een boom of heg, of de takken van een boom, besnoeijeu, gelijk scheren of in het fatsoen snoeijen (vrg. ; de uitstekende hoeken of verhevenheden van iets afnemen; iemand iets met geweld afnemen , zooals goederen, die verbeurd verklaard worden, wapens, enz. ; atzetten, afpersen. — \'\' \'■\' tnv. ; een boom al de vruchten, rijp en groen, afplukken; ook fig. uit den weg ruimen, bv. moeijelijkheden, K. 22, 9.

Q )

T) ^(Kl/j KW. zva. (VU IL)IIJj\\

T) ieji IILI/J\\ KW. zva. \'1^ i?i iiijiji\\ vrg. (hji SIirujjslu Tj if i lt;m (ei J? /lï -ju ni t l iuji \\ kn. afgebroken of uitgebroken , van iets dat door afbreking van een stuk beschadigd is; ook van een uitgebroken of uitgeslagen tand-, ook naam van een soort gele bamboe. — (ti. ] n ij ergens een stuk uitslaan; iemand een tand of de tanden uit den mond slaan.

O ■gt;

«Ti tj (Ei ~~i ru/j \\ zie m (eh ^ilt;iu/j\\

\'rï ie) \' gt; rl\' \'ll/J of \'/ quot; \'}\' • zva.

• riifji irvrij- als het af- of -uitgebrokenè klein is.

— \'1 \'3 7quot; - \' \',VX iquot;*3 aftrekken o/quot; afstroopen, zooals kleine drooge takjes en de bladen van het suikerriet.

Tt iat~Siru^\\kn. moeijelijk te begaan , 200«^ mj/i«J-helige weg of een ruwe ravijn; fig. van het hart, slecht gehumeurd.

a o

■tj \'n n r_ï ^ 11 )-ljj \\ zte 1 j !- gt; ~ i ^

vj-mr/iamp;i rf /hl ~m zie bij

vjiEi ^iiruji\\

lt;vi 1amp;1 Li iu\\Kti. de maag van pluimgedierte, Rh.

O . O

:t i t,). I \\ zie wi Zt njw

naam van een boom met harde

ruwe bladen, die gebruikt worden vooral om hout

glad te schuren. aaiEi) uhtuiajys met zulke

bladen glad schuren.

nttfneêrhangende tros bladen, oj-rti ij (Ei-jjjt 4 ijTt itj .tt qs in trossen neerhangen. — als 7/ quot;\'\'/\'\' ~Jjj* \\x neêr-

hangen v. mt tjiHlt lEnjj** haarlokjes. W. II. 112. ajt (fA (but .uvjp — ihu min ofmeevho-

OjI lt;1 ? ï —7 ? gt;1 Lil t U.J \\

rizontaal breed uitstaande takken hebben , Weed I lommerrijk, v. e. boom.

tui rj (Bi ~Jgt; l rj iw/l l iHnj \\ KN. — quot;j\'ï\'V

zich in ecu groep weelderig vereenigeu van i{g.9 deren, bloemen , planten en derg.

lui 1amp;1 iQi 101^ \\ KN. —- fuiun/j als \'t »lt;r« «H

elkaar gedrukt v. d. ledematen , door een cim.H last, zware vermoeijenissen, ziekte enz. (Tj.) !![, B {vrg. HjKMtni/j Fr. brisé).

•tl 7j iEjI ^nniijf ook wel n i/M~iliNii/f\\KN.;

(ni//\\ met zijn velen aanvallen, gew. met iiiekcnljj of ook wel met andere wapenen, om af te maktiH (vrg. -nal.icrn/j en iiivry/rjiijuinrijj). — rfdji-n^dfiJI (tiolg. Rh. ook wel een stuk leêr, waarop een aantal met pieken gt- \'S wapende krijgslieden afgebeeld zijn, en dat eti 1 leger moet voorstellen, bij de Wajangvertooninj, :a Kn lt;i 1 arn/j0\\ een bepaald soort van lansen lij \'I H rampokken van tijgers in gebruik.

(ui isi Sa lt;rpj zie -rt ili ~yi •nvfl\\

^ttit\'t -1 ni/j* KN.; met zijn velen va

kant maken of vermoorden (vrg. ^yj at *•» anfr % ■iiiamp;i3f\\KX. net cn bevallig doo? dunheid, tengci- , heid en slankheid, van leden of deelen van kl ^ lichaam j «lun, schraal van vorm; egaal geslepen, bv. van een mes; correct, zonder fouten , van en boek of opstel. —( iVt.) ?ï in ij mi \\ iets net maVeoi een boek of opstel corrigeren, van fouten zuivo- j ren. — thamp;i o \\ net gemaakt.

tt j/.^xkn. af, afgedaan, afgemaakt, afgeloopen; !)(• slist (vrg. \'^\\ iets afdoen, af

maken , ten einde brengen; eer, zaak beslissen. - ; ei «tl 1:1 tjirn\\ maken dat iets alkomt ■, een zaal laten afdoen o/beslissen. — gehed

af, bv. afgebrand; om aftedoen. — un-ritet^njl beslissing, vonnis, regterlijke uitspraak, m (Mti rjihi j 1 w

~j^\\ kn. voor een gedeelte af, zva. ijajit y I

bv. van de pootjes van een krekel (vrg. Ij •gt;!! *•\' I ■ij t) tj fvï i v KW. zva. m.öiisKN. — ij ~-u

(B.) moeijelijk ter been, kreupel gaan. Frg. \'I111

\'Ij föt ^UIHTJj bij IjTllj (UHW

vjntiE,! JnKN. gedeeltelijk af, van de tanden, iquot;quot; ■iets dat getand is ; ook gedeeltelijk uitgevallen (• iems, tanden j met schaarden , zoodat het gelao\'


-ocr page 299-

rï\'M-? \'77 r ip\\

225

- n e i ik \\

ia (!»y. TJ ^ -^) i r.ïïAvKW. quot;f*

tg^N rit T,*!*»*

A ^ kn. wat rusten , om to bekoelen of van vor-Bmoeijoms te bekomen; benisten, gelaten, tevreden

■ zijn (waarschijnlijlc van het Skr. ram ja, aange-jHnaam; nacht. Vrg. mmquot;,/ t\'« •J^)-

H f,xuMrf\\ zU\'

myjj^ aew. \'1 KN- 8c,iemcren. schemerend,

gt;§ piet duidelijk zigtbaar , schemeraehtig (wy, quot;ji m ); piet duidelijk zigtbaar , schemeraehtig (wy, quot;ji m ); ook naam van een (jïniing.

rlsKW. zva.

T j Kw. «frt. vi i?^ quot;|rL\' \':5r — 3§^KW- ver-wen, kleuren, kn. opsporen if. verloren goederen.

■ W, II, 113 (wellujt v. «Jit rin «y. op ue Inclit

■ af naspeuren, Eli). — nwelriekend?;

■ baitaard van een v.mj.yn en een tamme koe, Tj.

(ii ? )\\kw. zva. Myrjw

1Cï a Cl

inri n\\Kw. zva. (ka 11\\ en ihji(in uw 11 r j gt;i n* en \\ \' cn d \' c n

I \' i01^0 ^a^en 0f krijgen. — iji i-^rj

I ^ n kn. ecu onderstel, onderluag; wat onder iets

■ anders gelegd of gezet wordt; en benaming van

■ landerijen van den Vorst en van den Kroonprins, B die pacht opbrengen in producten , zooals vruch-

■ ten, gras, olie, suiker, enz. cm *j) li rj ij benaming i van vrouwen van den tweeden rang van den Vorst

■ en van voorname personen, die buitenshuis wonen.

Bi o /

o) } ] \\ kw. zva. a.i\'i iw

H

WSl.1 amp; Cquot;) o i O

■T\'/pKW. zva. v.7\'E/ï -ï/WTy^N - N ZVa\'

o ci ( ) , ,

| tm/js — quot;3 V/(\'?^\\KN- \'3/^ !«vccn i met tooverformnlieren en gebeden.

ocy

m*)/* kw. zva. wmiw gt;ti m\\kn. vaneen ziekte

Den. t(-(l

I hersteld, maar nog niet. geheel bij krachten zijn : v\' reconvalescent (vrg. hjiw)

m

•\'quot;^nKN., gt;» m KI) , gew. /l/t» ^ een beverig, koortsachtig gevoel hebben over liet geheele lichaam.

8quot;\'\'/o ^ KWquot;zva\' 1 \'ia irrL\'l\'™ KyiN111 *]uquot;? ,ay]quot; M }i 11

i a j } i gt;1 js KN.keer {vrg.i n } rn.)^).^

1 /(\' ■ rgt; lt;quot;N keer op keer, herhaalde malen, ij\'-hfn I avN ^vvce ^ceren, bv. van het schieten van al de I hoogschatters , die gezamentlijk op hun beurt naar het wit schieten. — ^ r?» \\ iets herhalen; een 8awah-veld, dat éénmaal geploegd is , eggen om het dan voor de tweede keer te ploegen. —rr) Fif

(untm/js keer, herhaalde maal.

^//cv \'\'\\KN\' ^roo8cr\\icn \' specerijen, vrg. Mal. rëmpa i- ; Jav. i\'n cm i/n eni Rh.

of ri gt;gt; mkn. bladen of kruiden plukken , zooals voor sajoer of tof veevoeder ; ook in ontucht leven , van een ongetrouwde vrouw. — n coc? \'V ni c \\}-} gepinkte o/tot plukken

geschikte bladen of kruiden. — xiniirvijj {htjj of !3cnc}(t^S plaats waar men zulke bladen of kruiden vindt; naam van een dorp op Java, vroeger een rijkszetel.

m b(HTjj\\KX. traag, langzaam, van gang, voortgang en van den geest\', vertraging; langzaam vorderen {vrg. isn n mq).

o

(ij) r i ui/t KW. zva. n n mi \\ i n nn im \\\\

s c(l jl _)co c~

(u eign. van een Boeta.

rgt; \'(fo \'^\\KN- hei binnenste gedeelte van een buffel-of koe-huid , dat gedroogd en gebraden als toespijs bij de rijst gegeten wordt; ben. v. d. bijwortels van padi, die gcdeeltelijj* in den grond, gedeeltelijk in het water zijn. SG. Vrg. \'jn^ i^ nn/j volg. Rh. ook in V alg. bij wortels van hoornen en planten die niet verticaal in den grond dringen, zooals bv. v. d, waring in.

■rj f j nn j kn. zva. n\'^ (to^wuil, met onkruid begroeid.

ij\'Tit {) i.}t/j of n^rrini/j\\ Ml. kn. verbroken; zooals een dam door een watervloed; afgebroken, zooals een gebouw {vrg. ittj/). — i:n r^lt;v^ verbreken ; afbreken , slechten.

(l;mj.//\\kn. — 171 y) uii \\ bladrijk, Tj.

^ co pco J

yi yrin/l\\kx. ; 157»qti^ i,ujj\\ benaming van het

vlakke overstekende dak {eig. een vereeniging van

Mv^iibii ctiiij of daken) van een lange loods, zooals

van de PagHaran. — ij i i i i asn rj\\ gew.

ifjnifiin/l of (,3N kruipende klimmen,

langs- of neer klimmen, f»(\'isn y^ isrn^ (of

klimplant 0/ slingerplant 15)^ oo^r schuins

afloopon , afklimmen. G.) — 1 rrjw kruipende

opklimmen bij. — (w waflirj/inis iets bij iets laten

opklimmen. — m m uw no/1 of cut ihhmii ann\\ iets 1 CO J s co b\'

waarbij of waarlangs opgeklommen of gekropen wordt; kruipende langs iets, daar men zich aan vasthoudt, voortgaan , bv. langs de leuning van een vlonder; ook fig. van iets zich bedienen tot hulp om iets, dat men wenscht, te bereiken.


15

-ocr page 300-

22Ö

M ifj) (lil \\ s CO

oji (lt(bn/j\\

^ CO ^

n.üx.njis%gt;{iHirKyi. sva.^^s t)^yvjnjjwin., y/ m if.i kd , /yrj^nKi., haar van het hoofd , hoolVlhaar (m\'^ Oü/t de schil van een

rijstkorrel , en het vleeseh van een buffel aan de henp. Volg. SG. de stamper der padiplant. 0.iklt;rn \\ de haren van de maïs. 0\'j/rgt;lt;rjrnjj•-de vezels van den Arenboom, daar touw van ye-maakt wordt; zie (i(^ unjj een

spr. voor fijn als rag. oj)0 ivhijj h ^ ^ku^\\ een spr. voor een allergeringste. — suiker tot

dikke taaije stroop gekookt. — a^quot;

gestampte bolster van de padi, kaf, pel (w««r-schijnlijk verkorting van tu n^.^ unji ^ waarvan dan n een nog verdere verkorting is). —

een beeld v. haren voorzien , W. I, 24. j£jiiLflnmji\\ naam van een boom, Nephelium lappeeimn, L. Nat. fam der Sapindaeeae; de

vrucht heeft een harige schil.

- O • o

(iv/freq. vorm van un m iL^//n K »^ 11\'

O O . quot;) O

■ / / kn. i9i (kj - nt££\'igt;njj\\ paar, man en vrouw,

met zijn (mijn o/ uw) vrouw, (wiou0 ik en mijn

o O /quot; ...

vrouw zamen. lt;kh rLuiujfyt(ui\\ zamen met ziju gemalin. {Vrg. ihii\'rj nt rjmdariji bij tym). — njrn ii^n tuiji \\ paarsgewijs, van man en vrouw, of ook van twee personen , die als een paar beschouwd

worden; ook wel w*) nsn/i \\ zoo: 0in om.i li lu co

ltd 3h ihii cki ten w bij tweeën.

rr9- r^vtv

WAV.

V T\' 7 eUZ\' zva\' nco N WW.

(ui zijpelen, doorzijpelen, lekken, lek; (wy.

ii^un i^ en ij\'yi ij iLinJi/i). (u ihwji honig

zeem, Jlg. voor iemand van edele o/* hooggeachte afkomst; ook zva. of fiij^(^\\ bv. oji

Qn Mi ibpiL^iU/i\\ — lekkende afvloeijen,

neervloeijeu (fry. S^cdrKMjj).

n

nji zva. (uwthJijis

^MfM/jsKX. •, een boomstam ruw tot een

balk bchakken.

lt;iyni ij izitijtji kn. vloeijen , van de oogen , ^oor mi

verouderde oogziekte \\ leepoog {vrg. (uè^thji/j). .r,V kn . veel en digt op elkaar v.e. menigte

mens c hen t WW. oo£ vruchten , Rh.

«Ti ^ j 11,7 kn. de maan i./ \\ waarschijnlijk

voor \'ri t.niLilt;hnjj\\ vrg.

(utM(tins of i) ri.Liis Mal. kn. een soort vuuuver ^ cn ^ (i co

dekte roeischuit, o r em b aa i; (kw. broeder G.) iui j^ijn kn. ; (ui£jji j (ui jjmjjt \\ fladderen , golvend ziek bewegen, zooals van wijde lieêren in den wind {vrg. ^en M

\\ de golvende op- en neer-beweging vau de vlerken van een vliegende vogel en van de armen bij het tandak ken. (u ui^ rjjj j \\ overal lladderend, van wijde losse kleéren. cn \'

(t^n i n aanhoudend fladderen, of zich in de lucht op en neer bewegen.

w zie vquot;^jivu)ooi rfM\'w,jexo-

of (Ui i n ^i (EA^iu^ijjs golvend zich bewegeu ü( fladderen, van lange lokken, manen, franjes, en drijvende planten \\ golvend, zooals de manen vau de leeuw {vrg. m^ un mjji en rj ili (uijiiajJi(h,nji. kn. tiaam van een wilden boom met door elkander groeijende takken, en van de bloem daarvan. —15^ \\ verward door elkander gegroeid (ui ii^lli (hnji kn. naam v. e. zeevisch, WW. -r»tfV)\\KN. — /e»omzwerven, ronddolen, war-taal spreken , — schrijven, WW.

(ui ifVnKN. naam van een aan de kant van water s

groeijende grassoort, waarvan da halm met de bloem gebruikt wordt om de krekels bij het vechten te kittelen en aan te porren (vrg. (ui tf j j). tu harig, van kleine dingen ; (kw. loshuu-gend haar. G. Vrg. (u gt; 00^ weifelen,

wankelen. — harig, met lijn loof begroeid.

wpjjp gew. (Uil^jJh d-d f \'jjjjN kn. digt of vol van blad of loof; vrg. ojiiMvv^s en (ui li ƒ - — weel

derig , frisch uitgewassen, weelderig staan, van planten.

(u kn. ; \\ weelderig uitgroeien met digt

en neêrhangend loof, van boomen {vrg. (ukii). ir,f} i of ij \'** 7^/^nKN.; ^enz. loshangen,

los over liet gezigt hangen, bv. van eenige low haren {vrg. (uiiéjip.

ojin., (ui (f-^crnji k., raad , voorslag, voorstel, overleg, oordeel, meeuingj raad geven; raadplegen; ook met een voorstel instemmen , het go-raden achten o/ goedvinden im0 van hetzelfde oordeel, eens vau meening, eenstemmig. —

^eraa^a8e11» overleggeo,


-ocr page 301-

227

boraoadslagcn, vau gedachten wisselen over; een voorstel doen. -

eeu raad geveujzgu oordeel zegge» uau; aan iets zijn goedkeuring hechten, er in toestemmen; beraadslagen, overleggen, oordeelen. y-i/na-..»,-»m

li iet met zijn goedkeuring. —en a51iu .ucwji* gt;va. «Ji^nrnji en ,mj en iï.u^\'rnp sva. en

^ - quot;i\'WWW 0f quot;\'V\'

mz- Kquot; met ecquot;

ander ot met elkander raadplegen, overleggen, beraadslagen , elkanders gevoelen meêdeelen. — i.1

i cm \\ a i (M nrn w llt;rn

zva. rij.

iiji ! i \'In \\ itA ^

( Cq/n) s Cc)lt;rrt

,1,1i(771 nmi\\ foiM f t nmuii(in/i\\ iels te beraad-s cc^rii I s co\'quot;1 ^

slagen of te overwegen hebben of geven. PidicrrifsW. zva. uSi vt an/ n \\ vorm; kn. voorvorm

Qn Ui 1 lt;-\'!

van een woord\', stuk, stuks van met seist e enen. i:n mii oji rricmjjgt; een baksteen. — ^ iij (Yiyj\\ zva. imi up vormen, in een vorm maken ; een woord vormen. — rMco^ kw. .;ogt; ^ (i^\\ ohj, den. en de vorm zelf.

(Kim\') wolg, Rh. kn. van garen of rottan

co co J

gemaakt net- of open vlechtwerk. -- [v^^zva. w of hirti iu^ (Tj.)j ooX\'op het water laten drijven; 0tó?^aT»?\\ eeu vechthaan bv. om hem sterk te maken; 0ik utyiiij^s krekels orn ze mak te maken en geschikt om te vechten, ij n^m iiihin ^(unaan0 legen velen wedden. vol ff. Rh. ook vlechten

bv. netten of zittingen van stoelen, enz.— iU iSn

\' coN en }\'1 n in l;i a£/lN z*c\' HU coNN oa^nKN. z;«w mi gewest op Java. —

riet, zooals suikerriet, snydcn o/ kappen.

en ij Tittij foil \\ kn. een groote ronde mand,

(jrooter dan een iiJa^un^s en het laatste grooter

en hooger dan het eerste.

7?oxKN\' ^11\' ^N Je kleinste soort

van spijkertjes met kopjes, ook m ur^ ^ genoemd.

ti^micüus zie (ut£!\\\\

\' \'co s co

itji(tj) \\kn. naam v. e. zeevisch, WW.

r^)

(iJiri\\K\\\\

• ^£7fgn \\

[fhiding. — ötui :m\\kh. halfdonker, schemerend, (/oor gebrek aan licht; duister, beneveld , bv. van het gezigt; door de wolken bedekt, de maan \\ schemerig, schemering, V aanbreken van den dag {vrg. en rrp£i).

en njl(utiw kn. naam een een

a* civ 3« ,

(u (m\\ kn. ; \'u f i iui im\\ goed vooruit gaan , va?i een zieke; beginnen vooruit te gaan met zijn zaken; hij padi, (goed beginnen te rijpen?) als er gele aren gelijkelijk over het geheele veld komen. SG. {vrg. en y ^ /ƒrrn).

\'tJ/^mkw. minnepijn; smoorlijk verliefd; (zwak van gezigt, zwak van geheugen. G.), j.\'iyinijts zie bij wnw \'tivj ifjit \\kw. zie bij n^n rniu\\\\ kn. een kleed , daar men zich bij wijze van eeu mantel meê dekt ofiu hult; mantel {vrg. ir\\^jj); to/y. Rli. zva. irj

ij 2 ijdh 2 of fr^(umi^aj) 2 \\ maar met lij acre stof

, O . O y. O O o . o .

bv. -t) ij lij t (iji a i of (I j| gt;i (rm n\\ n vi ,tji 2\'»i gt;1 \'l i 2 s in een • m ^ iti * gehuld. — ^^rjihits (o/* \'j li ilji2\\ Tj.) een ^ y tï\'i2 omhebben.

7^ /ƒ tamp;l 2 (KJ) ^ zie \'l I (Ij) W

(Ucrnjj KX. klanknabootsend woord voor een plotseling hard geluid, dat schudding of drenuiug veroorzaakt, zooals door een harde ruk, stoot, schudding, ploffende val, enz.; roef! krak! pof! bons\' {vrg. rj(un t iu crryi en ^ni nrnjj). hji cm -jiamjjn met herhaalde rukken ; bij herhaling dreunen, schokken, ploffen, bonzen. rn cru yn/j^ bonzen en dreunen, frn^ n kw. zva. (ur^ {\\ aj) ij) ,1, iiji \\ ^ i m \\ en ii ,k; iUiijl {vrg. (unTyj) me^ gedreun of ge-

plof instorten, van een berg {vrg. (\'^^lt;rny).— (ut) lyYii/jsKN, zie boven.

tj ti crryj\\ kn.; ^ rti ij r^i ern on/j volg. Rh. klanknah. van het door jeukte zich aanhoudend krabben, van daar onrustig, veel beweging maken, van iemand, die niet stil kan zitten; beweging en oploop , groote zamenloop van meuschen. G. rj\'ti2crriji of ivn i^m nyj\\KN. schudding. — 7(3\' ernjj of iL) ijnMcrryis iets, zooals ioow, schudden, om er iets te doen afvallen. — ijrm ifq^t beven, va?i de koorts. — vj n 2 if cqy cmjj

0f \'717i™y cr^2Ax z^e bij 70/111 y\\^2 ^/ji-

rn cm \\ ook {althans om het rijm) ncmKW. zva, iui

i

(ui%\\ kw. en kn. zva. (vnx)U\\ ook kn, luijermaud.

\'i cm »gt; cm n kn. gelyk, alsof. - n errt (uïnj^on^s zva.

o.. /\'

ivn iUi,/j^ ojj iiciJi\\ (unrjMj.g n cm n zva. «si ^ (w 2n^

ij un iun cu) ui iji^ cm \\ zelfmoord, ? n

{of ij urn 2 dl?/ (Ui/)) vj \'in iamp;i \'ïlt;ym\\ L. G9, 10. vjcvm

•n nanricnis zich zelf niet sparen of ontzien. iu

o o o

(hu ncm\\N., (U(L,trricm\\K., zie oij luamw ncm hii nui - zva. vn ui icn ,; een schoone leest


15*

-ocr page 302-

yy) »1 mii

\'tl cru \\

) -»v . . n .

en zva. iui im - n gt;■) irti » »t, ti }j gt;10 an crn (U,j\\ (ecu

bevallig voorkomen; uiterlijk, voor het oog. G.). ■»1 (ïiiivn in\\ naam van oetipisanysocrl. — irr^cni\\ in {V^nrrntJjjiyy {of ojq/hv^) kn. zich tot ecu geestelijk wezen inuken, door liet doodeu van het vleescli zich van het stoffelijk lichaam ontdoen. ^ (rtiininiims op een gemeenzamen voet zijn met. — .ivj^noriN optooijen 0/ optakelen. — aai rn on inyj\\ tot een lichaam gevormd. 0(*jj aji /y n in den droom verschijnen. — n tm/wot» getooid, Iraai gekleed; los, niet stijf, in zijn lichaamsbewegingen en voorkomen. lt;5]mcrn\\ zie ben.

rn,ingt; 1. KW. zie nians ook zva. (imiM\\ 2. K. zie

Hq

•}} ui w Ü. kn. gist. — van gist voor

zien.

\\ Fransch ragout.

■»»/ƒ rrm\\ KW. zva. v)\\ -7} kn. belemmering,

beletsel; belemmerd, verhinderd {Ml. rayoe, verward, in de war). — verhinderen,

belemmeren.

(u frn\\N., iL/i cm^ k. , (un cm \\ kw. , prijs, wat iets kost; kosten {S/cr. ar ff a). ti/nan^K. zva. i.Tt luicrn^ — een prijs stellen «ƒzetten op, bepalen wat het kosten moet. — (ui tui cm nu^ ivi iLirjmian/}\\ prijs, die te betalen is; marktprijs,

prijs in den handel.

o

lUnns zie \'Vi cm \\ en rn tui w s s

«l/iwjnKN. stil, niet spraakzaam; stemmig, ernstig, van voorkomen; ook naam van een rottingsoort met korte geledingen, daar zweepen en wandelstokken van gemaakt worden.

clji ij cm \\ kn . een lang rond hout, dat bij het weefgetouw behoort.

■) . :iv . a/ .

tym\\ zva. ii/icm\\ mcm\\ nyms icri.ui iüiis ook van

een plaats zva. cnnumsn^ Rh.

V NKN- ; ajermstoren, iemand storen

in iels {vrg. im cir^ ).

»ƒ\'»»y mnkn. een soort tunthi j\\ van de bladrib-ben van de aren gevlochten, waarop de suiker wordt gedroogd. Kr.

n^nmi\\KW. zva. .iwns (S/cr. roga ziekte). •»)lt;»»»^nkn.; ncm^ncm^s onbescheiden; gulzig,

happig, begeerig {vrg. i^rr^aïiwanjj).

1 O -gt;000 rt a (1 Cl

\'»1 cm ^ n KN.; •nlt;m{ncrnf\\ zva. cvi cm 4 tui cm

\'iimijsKN. strompelen, mocijelijk gaan en telkens dreigen te vallen, van ouderdom {vrg. af am^), oi\'nirjcmi^KX. gebrekkig in het gaan; met zwakke, kromme beenen, zoodat men moeijclijk gaan kan {vrg. nai^).

rj \'i n r^rtiii ^ n KN. het insteken van de hand, om iets te voelen , te krijgen of ergens uit te halen. — »ƒ ij[jni2 ijoiidergens de hand insteken of ondersteken, om iets te grijpen of er uit te halen; iels zoo ergens uithalen j jig. iem. polzen, uithooren. y 1 enj \\ KW. zva. vj (w t rj mi ? ^ w

ntrjtm unji^KU. naam van een slingerplant, daar een

soort van gom-elastiek uit vloeit.

iui rnmi ihjji \\ Holt. regen t, ben. van een inlandsch hoofd van een afdeeling.

rn .Kijigt; kn. vernuftig, schrander in het uitvinden 0/

bedenken; ree; uitvinding, maatregel {vrg. iamp;nn

o ^ . o )

/jn i/i iföi\\ 1 n ii 11 tu/j en gt;iihn). — (1:^cm cm^

iets uitvinden, uitdenken, practiseren, beramen. ij riem an/j £// ^ »» »n n kn. horde van gevlochten bamboe, om tabak te droogen , AVW. ^ ?ah(rj yicrii\\

een rj iKèaji van gevlochten bamboe. Tj.

(ï) .) o- .

»1 cm in\\ KW. zva. ctjj^tui ku ;(Ki ,1.1 ^jhij tvii ui y lt;int

a?Js

iui an 1:111 \\ kn. — .11 mu in\\ zich voordoen als iets ^ (h i5 (t

groots, van een, die een dappere trolsche houding aanneemt. W. 11. 40, Tj. van wortels en takken die den weg versperren.

oji m^iK^ hii^ tvi myii^mi/j of r j ac^ icuqs KN. zirh als een hoop of heuvel vertoonen, in de verte opdoemen , van een groot voorwerp, Uh. vrg. aji an

tXY Hll/j\\

nctycmjis = ^cmjis

nqycrri/jWia. huiverig, bevreesd, zie mi^rJ^ riijj\\ rj nimi^\\ of \'*1 otjcrnji^ kn. geheel bedorven, vervallen, zie m^ {crr^cmji\\

1^1 w zie rjiVyi*

gt;1 ti ij mj mi (Hi ij zie vj ii cnyj \\

ajniirj^riycYnj^ of tj^cfp^icmji\\ zie ij mem riniijcmanijj\\KS. — ij ^i :yi cm ini/f^ een bleek en mager voorkomen hebben, WW. tvelligl hoekig, schraal, zoo dat men de ribben kan tellen. — ri n ijlt;n\'i ij lyj^Tj tmitujjn getand van een zaag; met dorens als bv. de bladeren van de pandaneri, Rli. ij\'Yin uiijjskn. lomp groot, van de gestalte of postuur van een mensch of beest.


-ocr page 303-

:bl rjcniV) thU 9 \\

229

-rimiM/i ■= ^nmiw^

njicriiiut/]* KN. vuil, morsig; vuil, gemeen, van het hart. aAaJ\\cmmjj\\ het vuil, vuiligheid, uitvaagsel („rg. iJa)- Kiifiirui oneerlijk verkregen

goed, vuil gewin. — ti:irfn(w\\ /t\'/j vuil maken, bemorsen , bezoedelen.

tKrnimJ!nKW. zva. cm njt»/ n aoi^lt;W7\\ KN. bladevloos, ontbladerd, kaal, van een boom ; een dood en uitgedroogd vergiftig beest, zooals een adder, \'pad of rups, dat, als men er met de bloote voeten op trapt, een gevaarlijke zwelling veroorzaakt; boom zonder bladen; geraamte, skelet {vrg. w/j \\

rn cm c; (hajj en xni linivn cmf).

- m rm m/]n zva. rn mi kijj \\ van boomen. Men. ij-n bladerloos, gelijk mnmn^s van

wapenen, uitgevreten door roest en ouderdom. \'}i(rrj ui(isn\\ eign. van de moeder van Rama-déwa

{Skr. Rag oewati? pk.).

o .

Zie L^cm ru/js

■ nrjlt;m2li)ij en nitjcrmrujisKii. in de spreektaal

zva. Tïfq.M vallen {vrg. ij n tj mi in/j).

o

^ gt;llt;n}2 tu/j\\ zie, nirj md iu/js

gt;ƒ»»»ƒ (m n KN. afvallen, uitvallen, ontvallen, loslaten , van iets dat ergens aan kleeft, onder oftus-schen zit. (Vrg. tj rtytj om rvyj \\ -quot;n tj rni ? n.ifj en ^ 7^ cm vu ij lai \\ doen afvallen, enz. ij n cm ? KN. overdekte, aan den weg of straat uitkomende buitenpoort in de omheining van aanzienlijke en gegoede Javanen (vrg. rj mi ? n). ij0 of icti de poortier. — i// ij m ij cm / tu in^ de plaats en omtrek van de buitenpoort. — ^

n tJ! zie ben.

ij nèrjerm tliji\\tl), kn. zva. gt;ƒ cm? n iij of nj gt; {vrg. ri{crr^2rjcriiiirLyj).vj nj cm2 tri ij nn ^ zva. (SptyfvnijHiiw gt;irrr^ rjiv)i\\ ha erntj mts of (i/n ern^ vu?\\ voos{vrg. njiij)).

n T . n

(iji(rn Mji\\ i. kw. zie ajicni (u^ 2. kn. zeer ingeno men met, veel belang stellen in. — njii cm ajiq belangstellend. — v gt;) (ui chi (ijl/js zie beneden.

iu mi it; mi jjnKN. ; tiJi /11\'uQ m zva. rn ik cm infj\\ gekrakeel, gekibbel; niet een ander of met elkander krakelen of kibbelen.

. o c*7)

s; yniij)\\ kn. uitroep bij het tillen van een zwaren last: luinp! — rj m iu zwaar zijn bij bet optillen of dragen van lasten.

(u ff cmrj rug\\ kn. — ^ cm rj n\'ui \\ zwaar hangen van lasten.

oi(Tgt;7 (F)^\\kn. \'ti cm zva. oji wcni/j en lui

Rh-

rn :r}j(Ei/j\\K^. een soort van vogelnet, slagnet; het touw , daar de bamboezen dakribben mee vastgebon-■ den worden. — T^N ine^ 150,1 van

gen; de dakribben vastbinden; onder elkaar spreken van in kwaden zin; morren ever. vrg. nicrmtjiji

quot;) ) :) 0 , , iui cm f »yj \\ k w. zva. rn cm imji en hji i \\ kn. een bank-

sehroef, veertangetje om de sla ave er van een geweerslot te pakken en er uit te halen,, Rh.— i^ctn iets in een (Ui ;m ;n/j\\ geklemd houden , vast of bij zieh honden , om het te behouden ; iemand onder de duim en tueht houden ; ook zva.

(i*ilt;hiï\\ en kw. en wj. zva. (ün cm cm foi/j\\

C) M O lO (Pt . f O

(ui ern Ti \\ en r.]nrhili\\ zva. oii^if-a \\ en un err^ f i w

•»gt; ctiin kN. — i^iFjcrhs en erh \\ met zijn velen toeschieten om iets te verrigten ; met ijver werkzaam zijn, va7i velen. — \'ncmcr.i(Hi/j geraamte, zooals van een te houwen huis of rijtuig, van een te maken vlieger, ook van een heest {vrg. t»cm dj)Ij en nrnrrhxn on/i). 0(iKrr}(hn/j\\ het geraamte van een paard.

lui crn\\ kn . volkrijk, van een plaats of oord\', wel bezet, vol mensehen, van een vergaderplaats of gezelschap; rijk, van een huis, waar alles fraai en in overvloed is; ook rijk, van een onthaal, cu) ^ kn. — r.» n weelderig opschieten, van boo-

men en planten. WW.

o » o

0107^ . kw. zva. m rn^^w

ij ni cm \\ zie nrj -t»cm :ki fj \\

\'tj rr) rj erh1 KN.; rj *quot;n rjnrnijni ij erh \\ weer op de been komen, van een nog niet geheel herstelde zieke

{vrg. en (utSïtuamp;ï).

6) ) o .

oj).ii))/j\\K\\y. zva. M itis r^emws foil pi\\

\'ijTinrti/j of itw ij *quot;n 2 irti/ƒ \\ kn. I. het wassen of rijzen

van het water; de vloed tegenover 2. tj^u

i-m/j of ij nt ij)fj een kip met eenigzins omgekrulde

veeren, ongev. zva. i n (ld /f ] rumi/j? van padiblaren

zoo omgekruld, te weelderig, SG. {i u )j^i2 i:i)/j\\

zva. im i jii \\ watervloed. G.). rj \'rgt;2 rj r.n .sigdm/j^

eb en vloed. G. utirj \\:y i.n/j zva. (ijri rirm^n*

ook zva. mi ij i:t?iii)/j {zie bij ij ^tg mi/j). — fjirj


-ocr page 304-

u i im ? \\ •gt; \'

230

rn .un \\

rj rr) i trn \\ of tj i overstroomen; f/ew. alleen

flg. voor overvloedig zijn, van geschenken of wel-daden ; iemand overladen , van overvloedige weldaden; door ziju overvloed of groote menigte tlt;j boven gaan. overstroomd, overstelpt worden door de menigte van vijanden; moeten onderdoen voor de verklaringen van velen.

TifiTTiN KW. zva. ii.n r:) m \\ en ? Q rLyf\\ (bekwaam, kundig, bedreven. G.).

rgt; z\' (^y

mxm kn. , crrtiuisook wel nm ut ki., vrouw (gemalin)

o - o

van een man; oj tunni.im\\ een vrouw ne

men, trouwen; het trouwen (vrg. ijnmzrjixz ^ (iaji tfnt/j\\ irf (ui ? in % en x * i n Skr. grtha , mv. een vrouw). wtitirns {yianthifj0 BB.,) hu miiVf\\ getrouwd worden, tot vrouw (o/gemalin) genomen worden. — (ir^ irr» ifj^ kn. , n\'n mi een meisje of vrouw trouwen. — rr) un uti rj ij it-nt mi ij i.ii \\ jtoèt. L. 288.) een jon

geling een vrouw doen nemen, uithuwelijken, laten trouwen, hem een vrouw bezorgen. — wncmis kn. het trouwen; het huwelijk, de voltrekking van een huwelijk.

t) \\kw. zva. Ar. rabboe, heer. -yi ^

n tiiiinsnivi n iirvi\\ ; Jgt;!

lieer der hemelen en der aarde.

(li rt}\\kn. geheim, verborgen; geheimzinnig;«tijl .vjii/j\\ w rj un fjj n voor iemand iets geheim of verborgen houden ; zva. «2 .hn\\\\

tiji rj rnt\\ Ar. arbo\'d, naam van den vierden dag

van de week; Woensdag.

\'fi.irtt \\ I. Ar. ribd, de vermeerdering, die bij koop en verkoop van zekere zaken volgens het Moham-medaansche regt niet plaats mag hebben; woeker; woeker drijven. 2. kw. zva. iviojiajjs en itrn rjiea rvi uit iHifj (vrg. quot;n un).

itm \\ of n ^ rrïn kn. geschenk om iemands gunst te winnen of hem om te koopen {vrg. i n ki r[fjj) zulk een geschenk geven. — geschenken

geven, door geschenken omkoopen. im eni ifj \\ meer opgeven dan een verlies of geledene schade bedraagt, teveel opgeven, vergrooten. — (^y r.n door geschenken omkoopen. — ^r.n rnijtnj ■nn ~rn ij utn iels te hoog opgeven. •

rj^nzirrts zva. rn\\s

m.vn^sKV/. zva. tj un? »;; kn. n un % quot;-tiam ? \\ lomp, onbehouden of iyr.n^\\ lomp zijn, WW.

ajti.n zie i^iiir^^

•r^d^^vn., k., neer-, om-, omver-, invallen,

instorten; van een dorpshoofd ontslagen ; vrg. do rtm bij tin na\\\\ [vrg. en iw irn).—rrj{\\

rn »777 ^ \\ noervallen, als de jt er soon zelf als de oorzaak van het vallen gedacht wordt; het laten neerkomen op een ander.— ivr^ ^ am\\ t/n * neervallen of neerstorten op; overstelpen met. nn i:r^ ftiyn m nn -^\\ overstort worden door getuigen, zoodat men een zaak verliezen moet {vrg. icnrj-ni«777 K7,ƒ bij rjniz trnjj). — irr^qnjnrj un\\ irj 1777 ^ (t n / n an^fj\\ iets doen omvallen o/instorten; omverhalen, omverwerpen, ook fig. maken, dat iem. ontslagen wordt; 0jni ri(vrm\\ buffels slagten. ij n:r^ ^ (i:rjj gt; im ij ftm \\ iemand, die stijf opzijn stuk blijft staan, trachten over te halen om er van af te zien. — -r^ xm jn/j de (het) neer-om enz. gevallene; geneigd tot, ligt om- enz. vallen , zwak; meegaande, naam van een Lakon, de val v. h. rijk van Ngastina (Br. J.) — // v.n en im (ijt7777^\\ zie beneden.

(ui tj r/7 2 tvi^nKN. naam van een klein soort van riviergarnalen waarvan trasigemaakt wordt {vrg. ao^ n).

n O r

—707 (uirj »7r) ? 10JI • ki (i/; tj .7777 i an ijs ui tj nu tanji OJ \'in

aji tj rn 2 (in/j\\ naam van de residentie Tjeribon. (ui rm quot;Ti \\ kw. zva. cuij to w tui tm im \\ naam van

een tijdvak in de oude geschiedenis van Java. quot;ntrriKnji^ ook tiniir^707^\\kn. wat onder aarde gemengd wordt om die vruchtbaarder te maken of geschikt voor een of ander plantsoen, zooals klei, zand, kalk of mest\', mest; tuinaarde, hu

mus. {vrg. ij77772 rjip? trrnjj en (IJl rj ru rjap i) ; ook wat onder iets gemengd wordt, om het te parfumeren . /1 ?/ \'f i^ ij rm ? -n nn/js geparfumeerde tabak. — [tr^rvr^tnijis iets parfumeren. — tu^rr^iw/j ^l ^Hnjj en tr i r.r^ uiijj {ook wel gespeld tr i rj rjm2i^mi/j\\ Sri. T.), een aangename geur in het rond verspreiden, rondom lekker rieken. — (rnitfj\\ aarde prepareren, bemesten.

ti 171^ mi/js 1. kn. gelijk, evengclijk. 2. Ar. roeboe

zva. tr. 1 tut Ti tiji ihn tinj^\\ een vierde gedeelte.

- o )quot;)

Tirri\\ Of ii 1 rn • KW. zva. tr w m na \\ uirimns i*ilt; £- J ^ f - f -

n i/j en ht^ ir^w ry\\m\\ o/lt;17^7777 \\KN. meer en meer toenemen , meer en meer overvloedig worden


-ocr page 305-

r\'riT

2« I

o/in overvloed «nuwezig zijn; (ouk gelieel vul ma-ken; geheel bedekken. amp;.)•

B., M gt;n zie n lt;ygt;*

B {frt\'J- vünquot; mquot; *■\'

■ k . ïii niocijelijkheden gewikkeld; omuingeiianmlic-■ Jem inocijelijklicden, hindernis, last, verdriet; ! verwarring; hinderlijk, lastig, moeijclijk; verdrie-i tig, verward, verlegen. «27

H last, verdriet, onaangenaamheid, w t.i^xrnwj-liet hindert, ergert mij. — Q.ffiaps

I iemand lust of moeijelijkheid veroorzaken, verdriet aan doen, hindernissen in de weg leggen; het

iemand onaangenaam maken; iemand kwellen,

O Q O

ergeren, un ^arn ip tn/jn inininiKU) no/js in inocijelijklicden gewikkeld zijn; verlegenheid; netelig, Vfin een zaak.

O

r) »ƒ rn iia \\KS. zva. im nn/js

• n gt;:?} hnji .0/ n ij im tw/js — ? rn -kij tj im nsnjj of mi/i\\ in lappen en gescheurd,

berooid, van Heer en , fiy. berooid , geruïneerd ; liecl slecht staan, van iemands regtszaalc,

hji it.i^ \\N., (uiani (isïï/jn K., om strijd, 0111 het zeerst, om strijd doen, wedijveren ; iets een ander betwisten; om iets zich beijveren; ontweldigd, van iets dal betwist wordt {freq. vorm van cun arr^ is}i/j\\ zie f.r^ i.u^). (u trr^nm iti onjj^ om liet zeerst zich beijveren de eerste te zijn. (lji rtgj ai njuj of ni rn i tnhj om het zeerst zich beijveren de voorste

, lt;\\: n\'y o oer v i* ia

te zijn. tvm w/j K. lo . 10,

of (ijistrijden (twisten of kibbelen) om gelijk te hebben, 17^157»zich beijveren 0111 op weg te komen; ieder zijns weegs gaan. a^}(or^asn.jrj.niajiji\\ zijn best doen om het leven er af tc brengen, (tn irr^ lt;1^ ^ \\ als \'t er 0111 houdt, meer, d. i. of misschien wel wat meer: iji mi om ^7 benrtelings op de maat w or» ioijj (li.) Rh. (u(cn(7S77 ^7 aj)gt; zich beijveren om eeu plaats te zoeken. — (tzjiti^asnjj\\ .rn.iiriasvjjs iets ontweldigen, ontrukken , met geweld wegnemen ; met ijver iets tot zich halen; uit een brand, roof of oveistrooming zoeken tc redden, overweldigen vr\'J • rr^ uw/I \\ t:r^ (hi) „w» mi «fc t] («ƒ iK/ï in t/ijui) poët. gewapenderhand overmeesteren, of verdedigen. — (pf \'iricitt^^\\ B. ivriy

:::::: P0^\' zva- i3a:Y/j(iPyis

— a,]in/j oj fi/7 nj}(i:Y^wuïnij en iii nrninij of (ui u i i gt;\' ifl) no/jx lietgeen men om strijd zich meester tracht te maken; om iets magtig te worden, twisten, vechten of grabbelen; een ander, ^malkander , iets trachten te ontweldigen; een grabbel-partij, inzonderheid bij een Chineesch feest {tj i-01c 0), waarbij spijzen en lekkernijen op een stellage geplaatst en op een gegeven te eken te grabbel gegeven worden. — ivt n ni an/j of (uifj\\ en (ui (ijt im (ini nnjj of im 7777 \\i\\ voorwerp van betwisting; iets dat nog betwist wordt, verschilpunt; twistappel. — (la(Uj (iaof w Itjr.rjjiivvyji/is poët. door oen overmagt overweldigd worden.

t)(vrinstyi KN. verwoed, onstuimig, van den wind\\ van het hart, erg verlegen {vrg. n(V^asti/j); tvti «77 pn asnfj\\ in poëzie ook enkel fl\\ een stormwind, orkaan. — 182.7quot;\'n ^ w,vl

of verlegen maken.

7^ ni tj in iisti^ \\ KN. morsen door telkens wat te laten vallen. — »ƒ rj nti iets morsen, op den

grond laten vallen ; ook in ecu berooiden staat ver-keeren. — fj ^1 ^ im Hfphet gemorste; afval van spijzen, overschot.

ij m 11777 yo 177) rn/j\\ of «j \'Y) 2 im ipi rj rn istyj zie n o 4 ^

1777 i\'H/j of nijrun.iyjs

__O . * ij i

M 7777 lis»; \\ — (LI .1777 137) N 177) ,1511 \\\\ KI.

T7 1777 .7-7 N Of 1 ) 1777 7. )^ KW. ZVa. K) gt;jgt;lli V) tj

tj ai è lt;7) en (K/i cm dis {Sir. r abas a, geweldj onstuimigheid).— 1777 )7r) (K/) \\ en ^(Zi iwk i \\ geweld plegen; verwoesten; overweldigen, overmannen.

(Tj 11 i tl •\'1777 2 17T)/j \\ zie bij yj \'r)i il777

,)_-) d) ./;) KN. zva. ).7 i7y) ij)w )^ f ) ia . )).\')) iU)\\ benaming

van een tijdvak in de oude geschiedenis van Java.

o o

t7 )7^7.15)7^\\ KW. n r.rjj (isnjj\\

dj} urn 7 li ij of Hjfrmitxi/j lloll. proces-verbaal. CP. 4

. O

7^ 1777 OM v KAV. 7K \\\\

ij ui ry) Livi \\ kw. zva. (fi ij gt;nn d\\ en (m i^aii/js ki . waar verkiezing, als U \'t verkiest, als \'t IJ belieft.

O ,-)

\'7^ .17)) iLLi /v KW. zva. aj) rj (ia t nn/j en nvniw

ij\' tu ij ?n Kn. metalen ringen tot sieraad aan ecu Javaansch zadel {vrg. tj i n i tj r j ji \\ en tj m 2 rj titi ik0\\ grafsteen met ingebeiteld bloemwerk, nn

tl0 (m tviKt)i(ni/)\\ kristallen lichtkroon.

hit bi lt;Jyf


-ocr page 306-

233

r

^(cnam/jsKX. cuduque, verzwakt, door ouderdom of uilputting; afgeleefd; meestal van hanen, maar ook van een mcnsch.

(rnihj.^ zie bij r^xmw lt;iji iHii.Hjj kn. vedel, Javaausche viool met twee koperen suareu {Pers. j ri.na:^^ op de vedel spelen. — (Wi^r.naityis de vioolspeler. \\V. Ir.

. CY zie ibnirnnmw

»t i n \\ K w. zva. iu ilh \\ en lt;lii uv/f^ KN. /fy. van hel hart: verlegen, geen licht zien, geen raad weten.

— mi n iiin li iinji \\ verlegenheid.

1l^ll kn. in een kring of troep bij elkander om iels heen staan of zitten. — en in

een kring of troep om iets ö/*heen komen, gaan staan of zitten , of ook vliegen {van vogels).

— bij andereu in een kring zich voegen ; bij een hoop mensehen, die bij elkander zitten , plaats nemen ; ook zva,

iitjjd ernjj of nitji tin \\ liet voorwerp v.

\\ W. 1 , 225. bij troepen in een kring bij elkander.

51)

gt;*^ nxl.UUS Ar. gjj ,

vierde maand van hel Mo hammedaansche jaar.

J-?2\'1 , kn. naam van

de derde maand van het Mohammedaansche jaar, gewoonlijk (Fji nin iu^ genoemd.

tgt; (i£\\ kw. zva, (im crri (uiji\\

•Vni^w. zva. (vh of (un■ n ^ kn. naam van een zeer klein, bijna onziytbaar, wormpje, waaraan een voeteuvel wordt toegeschreven van mensehen, die dagelijks in de modder staan. — (unrh\\ en \'»Vn r.ianji\\ zie mnmw — \'gt;gt;^\\ oj i.n ui

ook .li ii quot;T) *t) \\ \\V. I, 100, naam van een soort van groote roode miereu {vrg.

•n\\ jenken v. d. huid, als of de mieren er over kruipen; bijna rijp v. vruchten gt; bv. klappernoten, enz.; v. suikersap, bijna genoeg gekookt. — .k»; - vi v» ui anji opengewerkt; zie \'Vi •gt;» au nny bij un ni \\ vrg. {iisi^ inn \\

an \\ K N.; ili (ui \\ of (uuv.i\\ en ida\'i indrukwekkend,

S S s quot; S ^

van voorkomen, aanzien of gelaat; ook van een schoon en prachtig gebouw {vrg. tui S tenji.)

dunne

kn. naam van ae

ij quot;nKw. zva. i ii f i J; of (un ij n kn. lat.

lat, daar de dakpannen (sirappen) aan vastgemaakt worden.— /^u kw. een opstel. — y-Vï/^V of ^ kn. schets op het papier, opstel, klad,

model, voorbeeld, plan , afteekening, bo, van een brief, batiksel, bouwwerk , of aanleg ; zulk een schets maken. — ^ ni ii?i \\ of \'/

voor iets een schets maken; iets schetsen, ontwerpen. — ri\'nirj\'ruui(uyi of ij\'n ^ l^a:icioj^\\ iets tot model, schots, klad , enz.

n n\'i 2 \\ of (uii ri -iii \\ J. n. , zie bij n n ^ w 2\' kn. gat, hol of liolte in den grond, of in rotsen, klippen of steenen in liet water, daar zich bv. muizen

of visschen, krokodillen, schildpadden, kikvorschen,

(V) O •

enz,, m ophouden {vrg. ij iii\\ en iLj ui). tbi^ ti?n in zulk een hol of gat zich ophouden. het

zelfde: maar in het spreekw. (im ij t iui v.; tuj /. n

anjj is het waarschijnlijk een zamentre/cking van , , ,

lt;t\'ii iji^kuiiw — ij-riê ijquot;^i2un(i-njj\\ opene ruimte, bv. tusschen nevens elkander liggende dwarsbalken. rn tiTjjn kw. zva. au ult; (hijj\\m (Li\'n \\ kn. huiverig, besluiteloos , door eenig bang gevoel; zva. oukki^h ihji tmi nvtj iMi ij ili ook naam. van een gending {vrg. (U(L\'jw De grondvorm van beide is (umt j).— \\ een bang voorgevoel hebben, ^y na ^ \\ iemand in gedachten vergezellen ; iemand in iiet oog honden; uitzien naar. {ook (Kj\\ VV. I, 118.) /.n ili nii;i\\ weemoedige herinnering; weemoedig naar iemand omzien.

ivi ui \\ KW. zva. ■ ^ nr^ \\ (Yj mi i vo) (uiji \\

iu iüj \\ kn. , iui ri of nn rjji \\ kw. , verstoord, misnoegd, gramstorig; en zva. d^idci mismoedig {vrg. (un »ƒ). — op iemand verstoord o/misnoegd

zijn ; iemand zijn misnoegen toone.i, berispen. — xj! ij ui i (Hiji of (U (ui ij (ui ? verstoord op elkander. nivisKyf. zva. tifjonw -y]wi]:ui\\ behoedzaam, in \'t onzekere, weifelend, huiverig {vrg. nhm), tui oiun zich voor iemand in acht nemen ; belioed-

zaam uit vrees of achterdocht. — d.i nun en iui

tr w

.ui(in\\ zich behoedzaam wachten voor; iemand op

ecu afstand houden, niet te veel vertrouwen.

o . quot;gt; O ^ e

\\ N. , (UI (UI \\ K. , (UI (UI (UI iünjl V K ü. , (UI iLLI UI \\ OJ

ajjji u*\\ k\\,, het gehoord worden door iemand; ook te hooren zijn, zva. i,nri^i^ enz, {iuului^i^ of (i jjj U\'i\\ is een Kawi-vorm van iui i i). — \\ ii\'Huis u iJi ui i.njjs en ruLLi ui\\ hooren , door hut


-ocr page 307-

O

TXCÏf \\

gehoor waarnemen; volg. Rh. ookfuj. luisteren naar.

— .«««is Hniuwiivyi- hooren , door

\' s , , , het gehoor gewaar worden; vatbaar om gehoord

te worden; te hooren krijgen, hooren kunnen. —

■nM-MN poët. zva. üan.lNs - Saj,

k n o , (D. o ) o

xquot;(fass.gew. (pass.gew.

iu!.hjpjiugt;M%V) te \'\'ooreu t5evon aan\' doen hooren

aan, mededeelen aan. ^ 1/»-■\'\'ytm7

zijne stem aan iem. doen hooren. (unm^lt;ut

iin i iiiPi ciasiiv mij is ecu tijding meêgedeeld. —

11 1 o . , 1 o T O

^.^1 j , j l h tl ~JH Ij iH tl N (liil lt;1^/ \'t«7 lUH frflJj \\ Iful (IJ) ./ quot;

(i(yi wi iu mi ~fn ïj imi \\ aauhooreu 5 hooren naar; ook fuj. luisteren naar ; iets (hoorende) vernemen; ook iels doen of laten hooren. ik» 11 nj 112

h n -/n ij hii\\ iw \\H)j ij 1:12 k n -/u ij (Kn \\ — (n (tJ (ui dn

O ,, , o . o O

h 11 ini/j\\ li.) ih 11 mi tui l i \'•quot; ihtj]^ en ih 11 oji (iji 11.1 (i^n ij

ij hti {mi ihmci iL;i a^ij Hii \\ li.) pass. ryj (Ui KHi^of

o . o O -gt;

t^tj 1.1 i uj .hjji\\ itji oji iui(mjj\\ iU(iji witfijjhi/i\\ en iu

:lu cianji goed of seherp van gehoor; volt/. Rh.

ut»/- gehoorzaam, gewillig, (ui ti rj iui zanj^\\n. , Q 3

lumnnji of (ui iUi (ui iiTi (mjjs een voorwerp van het

. O o . O o o O

gehoor. — -^ ij uutuj iHi/j \\ (ui tui ui orifl \\ (Ui iji tui u^n

j^iui ugt;LLi ija(hj(Hijj\\ een geluid in zijn verbeelding

iu liet oor hebben, zich verbeelden te hooren. (Ui

o . o O o

vj j \'i\'l n (Ui (Ui (ui \\ oji (Ui (ui (ui nsnji \\ en (ui tu iiai ui. \\

het hooren; liet gehoor, het vermogen om te hooren.— luii^dj iCi 2 Mijl of {Ü^ij ui 2 (Hi/i \\ het gehoor;

een gerucht. — \'mi [jlj ij ui 2 onjj \\ Lniunuiiun^ of

O o . ) o O , ,

u n 1 ui 1 :i nnjj en lt;/. u (ui hji an iuii ii-njj \\ te hooren zij 11;

iels (bij toeval) hooren of te hooren krijgen;

iemand ter ooren komen of gekomen. — lt;w tui nu

iJ\'t}t2AsKwsvaquot; quot;\'\'hIUN 001\'•

\'\' 1 m^ n kn. doorn of scherpe punt zooals aan het gewone Jav. paardenbil. (hikitii ilrn iui; \\ een bit

(xJ

met n (ui j w ook en meestal herh. va7i veel groot scherpe tanden, zooals die van krokodillen en tijgers. tui net gun rti ui j •t i (ui Rs.

(ui ui S \\ kw. ZVa. \'Y^ mjj \\\\

dji ui j \\ kw. zva. (uiyj^jfiïjs en iuiiui(ui\\\\ —iu ii?i j iui \'».»^\\kn. smeekend , vati de stern; smeekend klagen n ij hj Sri T.) of bedelen. — u^cui ^of 1 j hji i,7\'lt;N g^an smeeken bij; smeeken, smeekend bidden ö/*

zoeken over tehalen, o/tot bedaren zoeken te brengen.

r c\\ o no a a

n ii.is\\ y, ,1;,; lt; 111; ^ n kn. klein of fijn en puntig van doiens en bladeren, zooals hv. hel blad van de

Pandan doeri, WW.

^(uij\\ en i^d?ij iy?i.gt; kn. fijn, rank en fraai, van gestalte; inzonderheid van een fijn gevormde neus; van het hart fijngevoelig. — 1,7yun(Ujrjtb 11 (in^/j\\ fijngevoelig van aard, teerhartig.

vj\' gt;12 ij (ui ^ \\ kn. onrustig, in rustelooze beweging, meestal van zittende menschen; ook van een paard, dat niet stil wil slaan en aanhoudend trappelt of andere bewegingen maakt (vrg. gt;1 1112 ij n;). in Men. tegenover (üh \'ij (hi -/112 aSi m iijj \\ v. een , die biddend geknield is; in B. v. een vrouw die zich niet wil

laten bekennen.

o o

\'tl (ui(h1jj\\kw. ZVa. uil

\'*1 1 1 (hin kw. zva. thii 7i (tl \\ njidji (ui/j en (un cirntui lui/jw

D 1 y ^ ^

(un m; -y*\' n 11 tnijj of mi mi ~.?iajiui lui/j kn. naam

van een krijgsdans, die door vier mannen, ieder

met een schild in de hand wordt uitgevoerd; ook

is HiUianji de naam van een soort van gebak. —

iu^i?i(hiji\\ rangin bakken; en ^(Uianjj of 1; uPi

aaj^s zich zacht en aangenaam op een afstand laten

hooren van muziek of gezang; aanhoudend zacht

waaijen , van den wind; {ook iemand opeen afstand

volgen. G-.).

(ui ukhi/j\\k\\\\ . zva. (umoiej^s bevallig.

(u{(ui (Hijj\\KW. zva. u^ w

-nuiarifi kw. zva.

quot;e bij

ij Tiui(hijisKH.; rj{Uif inanjj zacht huilen of kermen,

van een kind {vrg. (u^tyis).

n 1 .

tïilïtïnkw. zva. .ui-nw

ii\'w — \'WW hij quot;quot;iw

\'n {uigt;\\ zie bij rïi\\\\

oji ui\\ zie (Ciw s ^ N

O O- o O O O,. O O

\'n \\ kn.; ^ [U^ \\ en ui [(U^ gt;» \' m zva. cui tij un n 4 \\ en 1L/11 ruit^hnjjs kw. aanwijzen, teregtwij-

zen. G.).

ip k\\\\. minnepijn. — ilt;n ^ ui (ui/j of un t^^ ui iHi/js en /. n (uj^ ui (rnjj \\ kn. verliefd, door liefde verteerd, worden of zijn; ook naam van een berg in de nabijheid van Ngoengaran.

tj ti^ • n \\ of ij \'tl gt;1 (n zie (tj rri\\\\

ij\'tl 2 uhtj rri 2 \\ zva. tj tun 2 ij \'n 2 ij un 2 ijquot; gt;1 i ^

tl 1.1 inji of \'n(uinnjj\\ zie bij iuii nw

- ti »lt;»/ \\ k vv. zva. ij un 2 a i j \\ u n (iJi tj tun 2 (hi/j \\

• h hl 1 • kn.— met tuli doeq de bamboe ^


-ocr page 308-

n\'t tj iuïi \\

234.

(Ut Ij

nti/j aan elkaar vastbinden.— quot;-ft ij }lt;n(mj^obj. den.

\'h rj (yai tp. ki). van rrt rfli (i njj in de heteeketvs van

, O c

span \\ bv. tv) \'tj am -kioji n\'t rj nmw

hji un \\ k k. geschcurd , gebarsten, gespleten, zooals van

een berg, een muur en harde lichamen; fig. van

hei harl, waarin de rust verbroken is; en vaneen

rijk, verdeeldheid, daardoor te gronde gaan (vry.

G) n \\

(tii^ts (Lia:i(isttji en n-m rjnnt(unjj). —

scheuren enz.; verdeeldheid maken. — (tri tm tot -jtt

tr

ti(Hv\\ doen splijten, enz.

tj -rt ? tm \\ verkorting van rj i i^2,tnt w t] th(ttjt\\K.w. n] t?t tfua^t tnt ^ aanhoudend stenen, jammeren, klagen. — [^t?t.tlt;rtjj\\ stenen; enz.; op een klagenden toon afbedelen, WW. zacht geluid, zachte stem, G. Vrg. (utrn^s rrt rya ^ \\\\ -7^ m(trnjj\\ of rjm* w tm/jMW. onthutst, bedremmeld; niet weten , wat iets beteekent of wat men doen moet; aarzelen. Zoo ook yy vmnt w Hit q enz.

nt rutt j v kn. barricade, afsluiting van een weg om de passage te beletten {vrg. rj nu rj (ui %) •, barrière of tolboom aan de grenzen van de hoofdplaats {w tj ij ^?(^(hinmni^; de grensscheiding of grenslinie van de hoofdplaats.

(ut tot q \\ zie (ut Htt j w

(ut q \\ kn. houding , f/ïV me9i jegens anderen aanneemt ; beschouwing van zich zelf, bv. als een Prins {vrg. tun art (uiji). — xpjt:r^\\ iemand dus of zoo , bv. goed of slecht, behandelen; ook iets houden, behouden of behandelen en beschouwen als zijn eigendom.— lët ta^^ \\ behandelen of beschouwen, als de houding, die men tegenover iemand of iets aanneemt. m wijze van behandelen.

niiït) ^ n kn. teer, zwak, zooals van een meubelstuk; teer, van gestel; van het hart, teerhartig, kleinmoedig , kleingeestig.

n\') ij tm? intji\\K.N. naam van een wilden vogel met een groot en snavel, tvaarop een knobbel zit, de llhiuocerosvogel, Tj. — rj mt i utijj\\ lang en dun van taille, met een groot hoofd. —■ n\'i tjuttz mjWjp het gevest van een lamëng, dat op de snavel van een ntrjuitt Kryt gelijkt. WW.

(t\'jt tnt kn. gew. njt /.n htt St tnttnrtji slank, tenger, van vrouwen, van mannen gezégd: een zwak, ziekelijk voorkomen hebben; vrg. n^ njt tot (Uiny.vjis nt tftjj i\'HJI^ kn. tynywr

gebukt gaan, bv. onder een last. WW. volg. Rh.

ï liëë011 J 00^ slapen, vrg. iïtt mj

G) 1

nnji en arti tm nti^

(ijt tf tnt ti ttji quot;f Vr/ utt kn. moeite, veel werk. (tjni 7nttoijj\\KH.: ty t.rtnttnt/j stijf, zoodat men moeite heeft om te gaan, zooals van het lang zitten , of na een ziekte, tj nt tm y tn^ tm tnt^\\ met moeite gaan door stijfheid.

nj tn^ i(tt/j\\ gew. trr^ tfjt tn^ tm^ kn. met gebogen mg moeijelijk voortgaan, door zwakte, pijn, ouderdom of een zware last.

nttmanjj kn. op de loop gaan; weggeloop en, ongeveer zva. (9jnrti (urt/j \\ {tbj^itm act^ iets wegslepen, wegvoeren , meeslepen, ^tfh tnt (Kt pass,; ook fig van het hart, en, van een herstellende zieke, door de een of andere oorzaak weer erger worden.

nt in^ict y kn.; w/j goederen, die zich ergens

bevinden , bijeengrijpeu of bijeenpakken en meöne-men, de boel wegpakken of weghalen; in L. 130 en Men. ook van personen; {vrg. ~~

tn^ !w\\ hetz.

(tt fi n net/j \\ zie nj tn^ act /j \\

Q*

nt tj tlt;ti?(iajj zie t^nt rjtm\\

n^ tm(La/)\\Kiï. ontworteld, met de wortels uit den groml gerukt en omgevallen, van een boom; verhuizen, van een mensch; ter neergeslagen, van hei hart. tn^(triyv of xjt i- n «io^nkn. (ligt begroeid met onkruid, ruigte of struiken; digttegen elkander, van heesters-, moeijelijk om doorheen te gaan; ook digi van vlechtwerk; en fig. gesloten , niet opregt; ingewikkeld, ondoorgrondelijk; van het hart, (K. 4, 4.7; Tj.) verward, in moeijelijkheid nytj, irjinjj of cut (ui int (inq\\ (hoog) onkruid j/ruigte, daar een grond digt mee begroeid is; daarmee begroeid. Vjnirjtmt ui/IMLN.; tj nt tm rj thny tm 9 (iO/j\\ zva. tj n rrt tj ttjrj yrt t ntt ij\\ van een tondakkende, Tj. of rrttmtytjutt2(wjj^ wrevelig, knorrig; ook schoorvoetend , dralend uit weerzin en om er zich af te maken.

nt rj totastt/j\\KU rietslag, geeseling. — [r^tj totasojj^

i / . a c o/\\

geesclen {vrg. xrttt i p t ti (tm ii // ttttjj en w tni).

(ut tj tot klanknab. van het piepen van een draagstok. tot (t\'jtrj tmgt;hnjj dat geluid geven, njitun0 (Tj.) Rh.

nt t.tt t-njjMiN.; twee of meer een weinig


-ocr page 309-

7jri\'} r^unt ru^\\

Q. O ■m

235

van elkander verwijderde dingen bijoonvatten door ,1e armen of een touv/ er omheen te slaan ; met beide armen omvatten {vrg. en (3^

■llnhaysKN. digt ino\'e\'ngepakt. compres, beknopt, niet groot van volume, iraodat het gemakkelijk in te pakken is; beknopt, zonder zwier of omhaal, van een verhaal; eenvoudig, zonder zwier, van Heeding of tooi-, eenvoudig, van tuig-age van een schip-, eenvoudig, zonder pretensie, van iemands gemoed ;

sluipmoord, en het omkomen van iemand, met «ien men korte wetten gemaakt heeft;

dien men maar kortweg afgemaakt heeft, in plaats

. o O a. O

van hem gevangen te nemen. ajiMn/njfj een

aangifte bij de regtbank met beklag over zulk een 11 jw] \'u ini! j\\ fin ^ iets digt ineéupak-

ken, zoodat het weinig ruimte beslaat {ouk 1 n 11 ^, UT. 215); iets beknopt, eenvoudig, zonder zwier of omhaal, doen of maken; iemand door sluipmoord ombrengen. — [7j \\n] 1J \\ iets vereenvoudigen ; iemand, die in hechtenis genomen moest worden, maar kortweg afmaken. — ijun 1 :■! ij 1.11 \\ iets beknopt, klein van volume, maken; iets kortaf maken, verkorten. - \'/,rii i -i O

w/l of (u ri un(tJt vt(Hi/j- op cc» beknopte wijze of

zonder omhaal gedaan of gezegd; in korte woorden.

O». O Qv \' quot;)

.ii-ri uti0.1 of i nnjfyi.iiinKi^Athnqs kortom.

Qv Cquot;) .

zva. n, a. 1 tj\\ — 13 ,{rl 137\' 1,1

eeu krimpen; de armen digt tegen het lijf sluiten, Tj. elders, van een tandakkende; 0 mi ihi 1«^ korte, naauwe passen maken.

\'\'\'l quot;JJl KN\'\' omvatting met beide

armen, omarming, omhelzing. — mVjgt;111 iTjijj; Q m(!f lieide armen omvatten, omarmen, omhelzen (vrg. \' ri — 13\' 7 W ^ mv- — \' \'l \'h\' quot;l/V\' wa\' iemand met beide armen omvatten kan. quot; j ?tj iu ;}^. met de armen om elkander geslagen; elkander omhelzen. — om\' vatting met beide armen, n nm ^ m

\'s zoo dik als ik met beide armen omvatten kan.

\'i yioi (uyXKN. — mi 11 ijj\\ naai- zich toe halen, iets, dat hoog ligt eu moeijelijk te bereiken het onbereikbare trachten te verkrijgen Kh. quot; KN- zva. ongelukkig, ongunstig,

quot;Tl

o - „ ov O

rj rnit rinmw

gedoken houden; iets frommelen, in elkander kreukelen ; gekromd en inééngedoken liggen, bv. van een hond. rfni^rïaïti m/j^ in elkander gekronkeld raken, gekreukeld; in elkander gezoi.ken neervallen; (ver-lamming van leden. G ). —r n tu nnjj\\ bij elkander gekromd liggen; een rol van opgerold goed.— nji ni i, n v^i ihiij\\ een tijdvak van zes dagen tot berekening van de ongunstige dagen.

\'Ji rj lai d n 1/j\\ KN. bogt. ry^irj niii r^n^i\'/i iai2 (njj^s met veel bogten, WW.

•*gt;\') un mji \\ KN. dubbel, dubbeld; twee over, op, bij o/* na elkander, mi rj kh t nn/i0 ^ieh dubbeld vertoonen, zoodat men twee voor één ziet. tcr^an0 dubbelhartig. — iels dubbeld maken, doen of nemen; 0amfyilt;vt\\ twee werkzaamheden q/* funeties bij elkander nemen.

ren, iets met iets anders overtrekken; bij een woord een ander bijvoegen tot nadere bepaling. 0i^jjlt;ioN dubbelhartig zijn jegens verdubbeld; voering ; ru/5° een onderkleed.

nmiun0 dubbelhartig.

.O . O O • O ^ m*

— (r^Kii nJi-Ji\\ nz ^mn ir»?\\ Ij.

im n an KW. zva. ^iriJiir i^ i?i \\

tui rj uil ernjj ^ zie m 7 ^

quot;n H7i itn /j - KN. overtrek; kap, al wat dient om iets tegen den regen of zonnehitte te beschutten. — c. quot;Vi Kn^njjs voorzien WW.

ril, trim \\ v. cn

(3 ... _

KM,irn^\\KN. {J^J ^n^Jj^ voorover, bv. met liet aan-gezigt op den grond of iets anders gaan liggen of liggen, (ipi un(irnjj\\ ace. pass. zoo komen te liggen,

te vallen. — riS,/V/jirri\\ voorover met het aange-

^\'D co

zigt liggen op, bv. op iemands voeten, als bewijs van hulde\\ zich met de borst werpen op, ook fig.

zva. a-nmniis

cj O

.0 .0

— \' \' h li ;i \'ii ri mi \\ caus. — rij.M ro \' li

. C) n o , . , .

(jy 1,11 irn n zva. n rnn \\ \\ tot liet

-l CO KtV

laatste toe blijven bv. hij een werk of een feest.

Vrg. x/r^ h ri rnnj en /. ^ lt;i/ï \\

^ xrnJ\\ of 35 kn, donker, van een pad,

dat door overhangende gewassen overgroeid is {vrg.

ij tit ij i.iiti 11/J en -r^urjiKi/j).

ij -hi rj i,iu riiji\\ kn. zva. (vnji^ maar door groo-

een term hij het berekenen van gelukkige en ongelukkige dagen {vrg. ti tan). Er zijn vijf rinkels:

n . o o

r).ij)i\\ wrjiisn i \\ ILI intjj\\

00

ie ) iq mi ff \\ i/n vi (klt;rt ij

(irynina^ iemand in elkander

. O o 7;/

mi lui ^i\\ een kleed voe-

. O

T)(1(11 (UI . ) (tfl/JS


-ocr page 310-

•ynujiLn^

23ö

tere hoornen, bv. van een husch, donker, door üvcrlieenhangeudc takken eu gebladerte digt bedekt

{vrlt;j. -ij /. uH/j) — 7 vy? V tm 1 *Z!JIx •\'17 32 V gt;%u 2 i:n/j\\ poët. overdekkend neerhangen, zooals van takken van den waringin-boom en van over den mond hangende knevels.

•»Vilt;i;\\KN. het onderstel van een rijtuiy •, afluit, rolpaard , van een kanon; van een zadel, als het stevig op zijn kleppen staat.— 11 iéina)\\ en iu n \\ zva. uit (ri^ uh op handen en voeten kruipen o/ staan. — m iliihh\\ (urf)0 padi-stoelen van de oude bibit, zoodat de moederstengel afsterft en de stoel uit de loten is gevormd, SG. — c]n

iels van een onderstel enz, voorzien; een onderstel onder iels plaatsen; goed op al zijn poten staan , van een heest. — nt uit ui(m^ met een onderstel; in de vorm van een onderstel.

•gt;ï i,ij kn. naam van een Sëkaten-muziek. — j i, y

it en quot;gt; slank of rank, van postuur.

oji KN.; tu hn au hii \\ moeijelijk , als het ware kruipende , gaan; van een pas herstelde ziekey of ten gevolge van een ziekte of val {vrg.

a* , C)v o q« o., , .

\'»»/lt;»/ kn. zva. op de teonen

loopen {n jieiftiSumtoiijj).

itj\'ïn tj h\'n?\\ kn. liet stuitbeen; de stuit va7i een gebraden kip.

\'ij\' tl \'ïj v) (tu^\\KN.; iyr) ^ iiri ij (irj ij i en tj \' ■gt; iiajl\' klein, maar kregel, van postuur en houding, (ur.iihv/i kn. berst, scheur, spleet; van het hart, gekrenkt, beleedigd {vrg. tu

en LiTji^n — it j cj iunjj \\ splijten; een in-

snede of doorsnede maken.

(u i runjj kn. freq. vorm van mi^ mot, de mot, bv. iu kleéren door lang liggen; ook benaming van

een huiduitslag van kinderen. Men zegt htiihj oj) itn

- o n , o

ii njj oj (U) iui in mi . ) i. / ihn/j\\ en ook it/i (i:i \\

als iels door de mot verteerd is, wanneer men geen

mot zien kan.

(iji \'in \'bitjj n kn. 7iaam van een soort van kleine vliegjes, oranje, of zwartachtig van kleur, die op vruchten, gistende stoffen, mest en dergelijke azen. dji k\'iKW. zva. iK ini • n ihhjj gerimpeld, gefronsd. — tfv/ iu Lj lunji\\ het voorhoofd fronzen. — u i (i.i \'isy\\ liet voorhoofd fronzen tegen, stunrseli, met gefronsd voorhoofd aankijken, m ^ 1:^1.1 u,i/j\\

oji(L7kN. in grooten getale, een drom (Men.) —

(u (u itt (uji \\ gitzwart. Rli.

■~n r.io^ijj kn. wild. (vrg. hu iiS! nsiijj); vurig, van een paard\', ook van een mensch : snel van beraad. — (■c^ ui ik) ij h 11 \\ een beest, daar men jagt up maakt, wild maken; een paard prikkelen om het vurig tc maken. — \'uii \'Pi (uiui^1 (Hijjgt; wildheid.

uia^ijj KW. zva. aJl\'r^w ij\' 11 ijiUiö^ijj\\kn. in rijen zitten of staan, zooals de

toeschouwers bij een schouwspel, WW.

trj rn ij uit j^)jj\\kn. — ijij uiiQJijj\\ zich oindraaijeu, met den rug üaar iemand toe als blijk van afkeer. WW.

nyPi ,Lnjj of i^iPnuiuj kn. gevaarlijk, van een plaats daar iemand gevaar loopt, dat hem een ongeluk wedervaart {vrg. au (ui (briji en n/n ihii ); uy lPi 11J ii.n^ een gevaarlijk karakter. —M \'^^^poët. moei-jelijk maken ; verderf aanbrenger..

Ov o o. *gt; o - Q. o

^1 wlt;iii^(hi/j\\ iaji^o.1 arijj i^ui^ihJi ili(injj of .uyui /0

lt;wt^nKN. de zaadballen, teelballen, testiculi {vrg. ij ijihiu ijm^jd iu/j).

rri oji cmjj of nrj k) 2 (hajj \\ Roll, rant so en. — [jy J \\ of ^ 11 (Kju uj \\ iemand rantsoeneren, rantsoen toeleggen of uitkeeren.

-liah n kn. bestorming; naam van een zangwijze, en van een batik set. — aanvliegen op, aan

stormen op, bv. om iets te grijpen, meester tc worden enz. met geweld aanvallen op bv. eten; bestormen hv. een burgt, een vesting; naar ieli grijpen; (met de handen tegea iets opklimmen (J.) — (Li \\ po\'èt. hetz., ook van de in de hoogte stijgende 11. {welligt verward met wiui\'i ^ ■ryuiiKi zie bij 1^ui)— tui hïï.i, 11 n\'iui n van alle kanten bestormen. — i\'i(uianjj\\ zva. ^ii^a-iui (Hijj gulzig. — (ui i^iinui \\ bestorming.

ijui\\ i^/jmnkn. heet v. d. huid, het heel warm hebben; branden van Inst e.i hartstogt. — yquot; (ii\\ v. d. zon op zijn heetst, d. i. op den middag

O O r,,.

Diiuji.j\'tiiLii \\ Ij.

pass.

!) nK w\' ZVa\' \'l \'\' \'£jj \' \'V x en Z\'ie bij tvn icji (Ui ^ ^ (Vgt;n (hnjj \\ voor ■ n (t,n anjj \\ verkorting van het Mal ij iun i n mil l 1, tiiijj \\ naam van een groote soort apen.

■» (j; \'Tl/L-

(CJ a^Ajj \\ zie ( gt;d\\ r:i (hJi/) \\

T


-ocr page 311-

■ li lt;m f \\

2 «7

»1.1 .■gt;» «{quot;f n/!T

n I /ju^KW. zva. \'K li» in^ even mei de koppen hoven waier komen.

niiffi-ntvyjsKii. veel, in menigte nis visschen, krokodillen.

mnji/j of i lyn (Li/j\\KX. met veel spitse punten uitsteken , zooals een rij Tricsche ruiters of pieken en veel doorn; in Men. v. slagtanden, K, van koppen van krokodillen, hoven het water. ï^.l^nkw. zva.

j tin 1^1^ zie bij ^?w fjipij\' zie (iJt\'tT^w en zva. ijr.^w kvj cr)! \\ KW. zva. Mï)trn nnjjs i j n.i tjjj

aw M\' irhi n.i iJ) ini/)\\KT$., \'yicm\\KVf.i versierd ; ver-co

siersel; kw. ook verf (Skr. rangga, kleur, verf, enz.; ook tooneel). — aramis ook w (uinm\\ en (i^oniujs versieren; decoreren; luister aan ie/s geven ö/bijzetten, opluisteren door pracht of staatsie, fig. een plaats opluisteren, door die te bewonen ; door luister eer aandoen ; sierlijk beschrijven. — (iim)lajj of MMnrnmjjs versiersel, sierraad, decoratie, looi; wat tot opluistering dient; dat wat bij de Wajangvertooning door den Dalang zonder begeleiding van muziek gesproken wordt, hep. lof toezwaaijend aan de wajangpop, die vertoond wordt, Rh. {vrg. ikmm/j). — het

versieren enz.; tooisel. —aji (la (la nrn an qs versiersel , opschik. G.

i . O - t O

yiJt(rn\\ of (ia d/tcru\\ KN. weifelmoedig; twijfelmoedig-heid, zva. (i/niv) 1.1.1 \\

0

■) o

) nu n KW. zva. %

n

] mi l rj O) ? nvjj rtj m \\ rj irr; ? i.n fri

huiverig, schucliteren, om iets te doen [vrg. ti 171). — (lu^ au \\ zie heneden.

rtnmsKW. achterdochtig, wantrouwend. — riMicrrt

r\' o o . . _

*j rr}i\\ en wij (nis zie heneden.

rgt;l rn N 0f *1\'/ \'rn \\ — a/yni of \\ j nri i w

lquot;V \'J?; zva. (uiiiJtws crnrjirms

/ \'»»? m\\KN. hoofd; een titel van rang, minder dan | quot;7 i nji n\\ die door sommige démangs en andere dorpshoofden gevoerd wordt, als ook door staatsie-bedienden van groote prinsen ; ook benaming van een hijzonder soort van pieken of hellebaarden.

r0

L3,IVgt;) \'Üy? 7 ^benaming van een corps helle-b.i.udicis van 100 rangga s aan het hof van Mangloe neyara hij feestelijke gelegenheden. gt;/ rj\'-m rrn i ^ ) mi \\ en ij m ? cm u) vi ,ibi) ■■ namen van batiksels. — un ^icm onjj\\ de woning of het gebied van een lUnggft.

•-ffcni{\\Kw. zva. (rrjjm»^NKN, zwaar getakt v. horens, zwaar getakte hoorens hebben, een hert; ook

van hoornen zonder bladen.

T^m^KN.; iyt] onq \\ de hand naar iets uitstrekken en het grijpen {vrg. rjmij). — ^li^if rn^ u i) uij^s of icn gt;1 )ii iu(inji\\ de handen uitstrekken om iets te grijpen.

rTrjernJ OJ. KN. ingesloten, van alle kanten door

den vijand omsingeld,

ti \'ti rj lt;711 q \\ KN. zva. rn art { fig, v. h. gemoeH dubbelhartig, WW.

ri\'ni ui gt;\\kx. groot en zwaar van gestalde, WW.

ZOO P. I. ; /ƒ ni? mi gt; ij \'hz (rn gt;

o.. .

n rn % i n anjj KW. zva. mi nin w

i\'} mi 2 :Kyin KN., \'li nrni iHyi\\Kï)., een wachthuisje op palen in de rijstvelden {vrg. 00^ oeu

vliering tot bergplaats in een Javaansch huis. — y miz ifj\\ ergens zulk een wachthuisje oprigten; in zulk een wachthuisje verblijf nemen. — -n y rj mi t ly ihiji een in een boom geplaatst wachthuisje, bij de jagt.

(ui rniHj ii/j KN. ben. v.e. batiks el; ook eign. van een

prinses , de heldin v. h. gedicht Rhigganis.

tiji mfüjs KN. naam v. e. lekkernij, WW.

«Ti iij thn }iH/j\\ zie dl m^ a^in^p

t o . r»

(ut ni inijj- zva. iu) mi ifti/js

%. O .O • r J

n cm KN. — i) fm mi (Ht/j\\ tim. v. e. m net wild groeijende plant, de Aërva sanguinolenta BI.

Nat. fam. der Amarantaceae P bij Fil. rangetan.

. O , .O O ,

ojtmiMtiji KN. zva. hamiiia/i en (ummet^s ook ccw

ligte schram hebben, vati hout of rotting; fig, in

de war, ingewikkeld , van een zaak en van het hart.

(Ci rn nsrhj^ KW. zva. iJ .tm\'HiiJi\\ iisieji(hvjjs — nni tu

nn ^ n (n i

(tij iisrijj\\ zva. lum i nn lui/js (t. — KN. ciT^myhijjj^ rukken , trekken , uit den grond rukken bv. gras z. a. grazende heesten.

\'rimi iVnjjs 1. K. van itnaXi N., tooneelpop . wajangpop (zie (un\'n) 2. k. van dni y i lui ui publieke danseres {zie ivn n rhiijiJi /.Ujj). Ji. kn. een benaming van de reaal of spaanschc mat, naar de poppetjes die er op staan , door sommigen ook wel als k. van rj-n iu n i/j gebruikt; ook kapje of kroon-


-ocr page 312-

n G) »(t;# \\

238

t» lt;m

lijst op een muur. — [o^mi (biyj* K., it^i ilv) \\N., de wajang vertooueu. — \'rïmiiwMyjs 1. k., ivnujiiui . een wujangvertooiiing; een wajangvertoo-ning geven. 2. 20#. jennenanj^ zie ijquot;*gt;»2 ^

^(m \\ 3. kn. bij realen. — ^ïwt^nKN. de

plaats daar de wajang vertoond wordt, tussohen het hoofdgebouw en de pandapa aan een Ja-vaansch huis.

Tjcr/^isr^N «yrt. rj y}»! crn i fon/j\\

zva\'

•tl rrï y cm i nsnji \\ KN.; ^ ^ y rrn lasnji^ of \'h tj am d vj oj.yjvjcrm(btt/i\\ suizebollen, slingeren , iemand die slaap heeft; (aanhoudend door staan eten , van een grasetend beest. J.U. verward met ?)

ij\'gt; t ij and \\ suizebollend zitten te slapen.

— (cj h}CK^\\ overhalen, bepraten , verleiden, WW.

ajtvjcmikn. ; il/lt; hijgen , bui

ten adem ziju {vry. i/nti^y — iu tj 0112^1 hijgend, van den adem. (hu (u ij mi z w miji \\ hijgend worden , van den adem.

(~) ^ OO

ajicrnajijj of iu om (Ui/js KW. zva. (U)arn^ai/j of ; j» ilt; n

. so quot; r O ^ O O ,

iru^N — j.^tnujiji of a^miojt/js zva. i.m..

djjmj(ikj^\\ zva. (Ukn. — (uvj . zva.

uji dn \\ kn. vaneeugeweken , een voeg of van hetgeen aan elkander gehecht was; tixmi \'n ivi(hi\\ zonder opening v. e. kooi. K, 3 , 74, van elkander verwijderd, niet meer nauw aan elkander gehecht, va ti vrienden; zva. tm mi w v. iemand die zijn kruiselings gevouwen beenen (a5l /u) van een scheidt wordt gezegd: w ju ij hj. oji mi \\ — ah cm 07/ ij tj un \\ vaneen doen wijken; tusschen vrienden verwijdering doen ontstaan. — (tn (u mi itn ihtjjs reet. njti^ ern i \\ kn. (u ij om9 oji ijern 2 \\ haastig, druk in de

weer, ijverig bezig? WW.

01 t\') tj (rr»i n KN. ij •*gt; tj mi 2 if t\') rj ern è \\ of n ij iivj m12 waggelend, met moeite gaan, van ïema7id die zwaarlijvig is of een z war en last draagt.

mi\\tp. danseres, publieke dansmeid. —^ *12 nj arn (chhi/i\\ een ronggèng of ronggèng\'s laten dansen, WW. dansen als een ronggèng van spelende kinderen, Rh.

(L/i;SnKW. zva, ijiftm w (u/j en ij ki;2^niijj\\ oji (Ö/l/i^tnkn. neuriën, zacht zingen. — iets

neuriën. — ia iji (ui éi\\ voor iemand, zooals

G)

een kind, iets neuriën. — ajia^iËis geneurie. •.Önkn. bedrukt, zwaarmoedig, bekommerd, verlegen, van het hart. — iUiTj nn \\ het hart he-drukt maken , enz.

ni\\ I. •un\\ mi\\ en (K»i\\KW., (iw nu ■■ xat hip en x.n

o , o

n, n \\ ook nn ij un \\ gt;ny yj tui \\ en mh ij om \\ n. , geto.

,, n . n 00

alleen dj^uttioi\\ soms ook (Ljtuj.Mïj\' en (i^ i.j iai

no 00 , ,

k , tn mi \\ mil in \\ en ^r/a/nmi)., vormen van hel

a a n w ij zend voornaamwoord, waarvan die met den klinker a het verwijderde, dat men niet zien kan of heel ver af is, bei eek ent (gene, gind-sche, daar ginds), die met oe het op e enig en afstand zich bevindende, dat men met de oogen of met den vinger aanwijzen kan (die, dat, die daar, dat daar), en die met i het digi bij zijnde, dal men in de hand heeft of met de hand aanraken kan (deze, dit; deze hier, dit hier); terwijl men in Kr am a die onderscheiding gewoonlijk niet uitdrukt. — In Ngo/co gebruikt men .nu ifdii \\ kïi ij hji en tuli 11 ihhi. gewoonlijk alleen van zinnelijke voorwerpen , die men voor oogen heeft. — (xnrjiunti n u en verk. mi 71 n.i2\\ (kd\'lo) kijk daar ginds ! fw?) ij /L/^^ e?i verk. aai ij ilh \\ kijk hier! (un unvn w (ruiiiis daar ligt een brief, ijj, ^ naiaci ihli \\ daar komt hij aan. i/n dm i/Ji ifli \\ uy id njj ifj n 11 gt; zcijt men voor ik, als men het oog heeft op zijn toestand of gesteldheid ; en rjthmrjiLihxjii (i^i ij iamp;j lui (Ki x voor jij of U , als men

doelt op iemands hoedanigheid of w ij ze van zijn, doen of spreken\\ ook voor: hoe heb il het met je? hoe kan je zoo wezen of spreken ? i\\ ij .mi 2 ij ui hfi^ ij iDi \\ jij daar! (un gt;v) \'j |1-L\'N ^l)quot; persoon hier. — tim ut^ \\ 0f .mi(un \\ n., h» n

of tun Ml) (U^hjHIl\\K. , Of li I) IHl m^ \\ M1)., WÜf-

den ook als aanwijzende voegwoorden gebruikt: zoo dan, uu dan; zoo, dan nu. — «mmi

!mi\\N. , (Ki uj mi k. , aui ifjmi \\MD., of met weer

, j Ov o o o Q*

nadruk i ju m iuii tun \\ nm (m iuj tmi« en (mi ojj ilt;j •\'*quot;

nu , tegenwoordig. (K) mi rj ivu \\ op dit oogenblik.

O O O 0 ,!

ityfi hn Lu \\ (K1 rij. hn (un \\ zva. rj .i-w aii -mtun mi \\\'/


-ocr page 313-

239

IHV\\

MiL^ay w»* ook zva. iiji •otQ Wjis Sf. w en

_ , iy ia,. in de volkstaal zva. ly ihj ioi \\ en (ki

lU\'hj\'h\'n SVa. 0.J1 \'L^IUjhlIW

II. verkorting in de spreektaal van kuvti\\ 1. in de bet eekenis van riJ im of ij m iimi\\ om do onbepaald h ei U van een hoeveelheid te kennen te geven. 2. als uitroep van verwondering over iets dat gebeurt, en dan gewoonlijk uitgesproken als ko o/koij, en dan ook wel rjmm ,HHJI geschreven: kijk! y r\'ilt;ni ryrjtj-y : mi kijk, hij wil niet hier komen! wat scheelt hem, dut hij niet hier wil komen!

III. zva, ij hitt\\ Subj. Passief. W.S. 104, Noot. Vrg. iLnhnh

O T • • T ^ ^

i (nn \\ zie o ij h ii \\ 1., gt;hU:hn\\ cn i^jjjiun (Kij \\ 1. zie (Hii\\ I.

hechtsel, om hel J)ezit lelijk vrnw. uit te drukken % anders iijn im\\ U., nrj k. en md . , tunnjj. /usKi., vrnw. van de eerste -persoon; ik, mij j wij, ons. — furtiiop ook dikwijls als aanhechtsel, wanneer het naamwoord het aanhechtsel cunaan heeft. — tn^\\ als Tj. Shigk. eéu. {Skr. aarde; en een). — !üi nn\\N., n u-njj of ci hh jnjj\\ K. zeggen : «het is het mijnequot;, of zeggen : «ik heb het gedaanquot; ; zich iets toeö^eneu of aanmatigen ; van zich iets bekennen, betuigen , beweren q/voorgeven ; zich uitgeven voor iemand of iets; iemand voor den zijnen , hv. voor zijn kind of zijn vader, erkennen. — l:) \'• \'h mi i. y \\ c» h n an Sai aQj of x\'n int im Jit » onjj \\ zich uitgeven voor iemand of iets-, van zich iets voorgeven j zich het een of ander toeëigeuen. — a rj nm 2^ iLf .h n hj\\ of iets bekennen,

erkennen, iets betuigen, verklaren, beweren; op iets aauspraak maken; iemand iets tóekennen. — u i kh ^n rj ixn n (Cj iets toekennen

aan iemand; iets verklaren of betuigen omtrent. ■ vn 7i un 2 (mji (tni u v uj anjj of cun ini kj ihiji \\ bij wijze van voorgeven, kwanssuis. tun y nu2an ij un 2 ihji\\ (unHi ti on ~n un otijj of iun tni (hi Jn ii n w/J^

voor liet zijne erkendj toegeëigend goed\\ erkend, aangenomen, kind. suhst. den. AVP. 131.

f 7/^»i\\Kw. zva. vj(hvyihjw

V uu2 uitgesproken als ko of oj umiunji en ook wel zo geschreven, alleen in het subjectief passief, anders ^ un ? run N., , (uittni \\

2. zie hu 2n\\ — 3. rt/5

md. , jij, jou, of je; U; gij of u. In Banjoe-mas is n iin 2\' met een zachte ó, ko, ook in gebruik voor ij hui tj iUt \\ en als verkorting van lutj hn 2 \\ vjitni2 ijnoi2\\ kn. de platte taal, die door den meerdere tot den mindere en door kinderen en het volk onder elkander gesproken wordt. — 7; (c; 2 rf hrns de platte taal spreken; in de platte taal toespreken, {Fransch tutoyer, Iloogd. dutzen).

O - o

hn ^ \\kw. zva. asr^ (L-i mi itwjj of iu h^\\ eniri if u n 2 uj \\ ( j .

^ kw.) ; un ifi j \\h. {pok np q \\ kw.) , hoevcellieid, aantal, menigte (Skr. kat ah, veel, excessieO- rjimi^\'rj(un\\ het aantal; ten*getale; en als het veel is , op zijn meest. un j rjun % oj t/n \\ op zijn allermeest. ^ un j ij \'(/ƒ \\ het vele of

weinige {d. i. de hoeveelheid) er van. n-n un q y frj un \\ un tip % aPn t ^ nnj^ \\ de gausche menigte , alle {vrg. unrjiirn q). 0.1 lt;Yj un % tj un q ij (un \\ alles en alles; in alles en alles; in alle geval. — (unun^\\N•, ij(un2i^ un f * md. , ihn ip \' K. in menigte, veel, talrijk. un {of k/) tun tj un j \\ of un un rt un q (un tj tot ^ \\ de velen , de grootere menigte, in tegenstelling van één of weinigen, d. i. de anderen, de overigen ,

het algemeen, ti/n tj uit qrj un\\ ook wel zva. trjun q tj

o - O o

(tj xjn w — un rj un ^ iun \\ of :vn tj wn j (tit \\ ^ xn 2 ij un 4

ajii\\ en un 1^1 {(un\\ veel geven aan; met velen (met

overmagt) aanvallen; overladen met werk; aan een

werk meer menschcn zetten; vermenigvuldigen.

Zoo ook iti (in tj un q aJn \\ bt r.i tip j tun \\ iets veel ma

of

ci t) un ? a/n n un

ken , vermenigvuldigen.

iji tj un f ii/n ij /. n \\ rj t j 2 tj un { n/ii tj un \\ en ic? tip { (un,hniHijj\\ maken dat iets veel wordt, iets doen toenemen, vermeerderen; iets veel, in groote hoeveelheid, doen. — un tj un^cun cHijj of untj unnu

injj of un tj uil j mi uyi \\ rj hu 2 tj un 4 (un uijj of tj

j, O O

tj hm ij mi (Lhi uijj oj ij un 2 rj mi { l 11 ui/j \\ en u n un

up j iLti (in/j\\ te veel.— tui )j unq (un Slt;ijjnkn. plaats

waar veel menschen zijn, verzameling, kring of

gezelschap van menschen, publieke plaats.

^\\kw. zva. (i*iaji\\

mi \\ k w. zva. cun rj un j \\

O O O Q

u n ciyn \\ Kw. zva. uj t,n\\ t^i cm cnijj\\

uncui^\\KN. stijf, gedwongen {in tegenstelling van los en bevallig); hard (niet toegevend), stroef, onwelluidend ; lomp, ongeschikt unut^).


-ocr page 314-

ut) rj \\m 2 /ï^v

240

nj (HU ,1

ui) rj i/n \\ zz: rjirn^ll/n N ^NN

vDHJiimf . Ml. kleedje. .Tav. o?iu\'m\\K.

CCY o (TX

iu)nnm i/nanjis zva. ojiunw

tri gt;. m i r n m/jof ij im ? in in/j avj. 6\'w oj. in» ? rj V) \\\\

Zoo oolc somtijds in poëzie en IPajang ver halen.

mi 11) zie i ii mi w

O . O

tm i n tnj ki ^ \\ zie nm ijj ^

m/ I /I /viKW. overtroffen worden (y«w » ?»injj kw. ,

amp;{t. antya, laatste, uiterste; minder, laag).

7.. o .

un^un yj) ry oy r n ruw

nm(iw\\ Holt. kar, voor vervoer van de post, ook

wel voor personen, meestal met tent.

/ CY

irri i ir KN. tijd hebuen {vrg. ijwir-n).

Hvir^inyj^ zva. tj in) ij uit }lt;njj\\ Ook een (jehdd waarmee men bv. in een bosch te kennen (jeeft, waar men zich bevindt, llh.

un r) rn nnjjquot; KN. im ij rn im rj i r» ini^fj of rj mi ? ,i n ini ïji inni/j klanknab. van het geluid van schreeuwen van apen, van zeer jonge kinderen, vrg. ij

0 O ^ KT! ? m ^ z.

jtii iw nu \\KW. zva. (tiri i?iMJis r n n u tqni.nw {Skr.

koeh aka, schelm).

(hurviunji^ KW. zva. dw \\ (rr^. ü//. «ë 0 yo/^. Rh. seliakel, schalm. — hu ih injj^ geschakeld bv. van een ketting, vrg: cmrv kn. zamen vcreenigd of verhonden ; maats zijn met elkander, zamenspannen met iemand. Zoo ook ki i.n i n rsn^ — (tri tm asrijj\\ menschen tot een maatschap of hondgenootschap zamen vereenigen. — Htit n rji in^ tezamen verbonden, bv. van steenen in een muur; en fig. — £1 m v igi hi^ vcreeniging van menschen tot een doel.

dm ni/m K., mi rj un Hii/i ^ N., onderscheid, verschil ; verschillen; aanmerkelijk verschillen, bv. in grootte, leeftijd, waarde of voortreffelijkheid; anders en heter {vrg. ^ ook mi ijium ruji^Kn. gedistingueerd, uitstekend, zeer voortreffelijk; zich boven anderen onderscheiden, ri w rjdo un rj im iy] 11 injjs het onderscheid is niet te zeggen; het komt in geen vergelijking, w ifj i^gt;j imi ij mjs lieel wat verschillen. — itj nr/ii? ihiiq i:i )jui hhj) onderscheid maken. iw ig ifint xvyj\\ ini h^ \'/ # » n onderscheiden, zich onderscheiden, in onderscheiding; van en boven anderen-, ook xn gt; j ^ ,177? .i^\\ kn. gedistingueerd, uitstekend, buitengemeen. — fry .n Ijt/m unji^ in^ ri ^ iji hu^ een merkelijk verschil vertoonen, merkelijk uitsteken boven iets anders, irn wrji/m tui { en nog merkelijk meer. — inrja/m \'sm »77 vjui hh\\ zich boven anderen

onderscheiden door meer te doen; hooger bod doen; O

hooger loon bieden, nn hd rj rmz iflJtHijj\\ het boven anderen onderscheiden zijn, bv. in rang. —

rji n 2 i i) uti inji\\ (cirjiji im ij 101 \\ iemand of iels boven anderen stellen. — hmrjx/iur^iir^^ overtroffen worden; zva. nti h^uijw mi r Ti 2 Hfi/j HoII. kous. nn ij 7/111 mjj \\ K. zie a/n m IV.

mi{ tJi\\ Ar. \'iyp, kn. kollic {vrg. »ƒ».»)?lt;?./). uiafji^

l}}\\ koflleboom. rj ui na nn ui \\ (gezette) koffie. (nni7^ ui in/j kw. zva. mi voor

r7iHi/i van ur^ :gt; 1/11 n zva gt;77^7^ ru^

mi mjijj of hyi rj(rn? iu/j Ar. KN.het

zeggen, wat gezegd wordt; verbaal, overlevering; ejn uitgesproken gelofte; een gelofte doen (wy. m iw). — oi7i\\ iemand, o/voor of om iemand of iets , een gelofte doen. — m mirT^ rrimjj^ een gedane gelofte; ook een plaats , daar men om haar heiligheid gewoon is een gelofte te volbrengen, f/oor er te komen offeren, geld te strooijen of iets te. koop en,

mi yj 7 n nyj* kn. hti ij 171 tn rj rn n i/j moeijelijk of

gebrekkig kaanwen door slecht gebit. WW\'.

irrj) 1 /rjiijjj KW. zva. ! rry ijjjjs

ijmi ij im iu/j\\KS. vermoeid, door lang in dezelfde houding te blijven , hetzij zittende, staande of iets in de hand houdende, WW. Volg. Rh. ijipijriu htjjs

mi i /rji /1; \\ zie mi tjj inw mi 117711\\ 1177mij\' zie bij nh 11 iw (nn 11 f 77 ? 7/1 /jn kN. het met iets kunnen doen of stellen, er mee voldaan of tevreden zijn. — Hnij i iu (ijl - 7 m/i^ ligt te voldoen of tevreden te stellen. gt;17 112 Ti mi gt;i \\jnt\'Ui~~-i Hi/j niet te voldoen, onverzadel ijk.

s

miX 71 UI N KW. ZVa. 7 II 71(7/11 \\

\' Cu

mi ijjjj i i-ti in/j^KW. zva. 71^ \'f j j v\\

mi 711 in ri 1 injj KW. zva. igt;ri ij ui tri mjj hii mi m/j zie mi(un(FJiji\\

hyi i/r^ riji ofijHiizrijj Ar. ^3 , kaum, volk; ioi ^ ^xkn., mrmi r i/jsk\\). , een priester, een ge*


-ocr page 315-

iHtl 111 \\

241

Uit (Hl \\

meen priester, in onderscheiding oan een priester

van hooger rang. — quot;quot;quot;fiy\'IV of

MiniMj fjiHTJH lt;u.nii vn nw/)\\ plaats waar ééu of meer priesters wonen ; priesterwijk.

hiilt;vii\\K\\v. zvu. miimri!KUigt;nji^

ni h\')i ij uil ? n nm ij }lt;)! tj :LLii\\\\

f.ns in poiizie voor .i.iiuiw

J a J

tj ihij 2 \\ KW. zva. /ui®in\\

mnw/ kw. zva. \'fquot;i«\'gt; ^ i \'J, i-\'h • vnoow vrg. miw

^ Cl Cl

zva. Lj^hnw vrg. in uw n ij on ^ \\ k w. zva. Ar. koen of k on y er zij!

het zij er! t. y tti } y ioj of /. »j uj ui t. ^ wq gt; het zij er, en liet is er ^, woorden uil

den Koran).

o 0

il 1 k. zie TjKnKhnjj^ J. K\\v. zva. hn(ui^\\ en

een voorzetsel vóór eigennamen van vrouwen of meisjes.; ook met het voorvoegsel aft en vóór vPnj yuiunjfs

Y , *1 uu wjjsK., vn ifhni un rj un

iin^K., 11 o?i toi uii ^11 rjmi\\KI., iemand zeggen dat liij iets iloeu moet! iemand iets gelasten of laten doen; in de spreektaal ïirj muinjj en i.i ij uiinnys hetz. fifï ij kii t !hi,p N., (i?i 1 ^ 1/ tffl (in^\\ k., ook y ui h i^

O O ...

ilhinm/js hiivj\'t^t(hnji en poet.,

Sn tv/ u) kii inn ~ii ij hu \\ en verkort 1:1 tui •/. 11 hu ^

O - O

h kh \\ n/n op h ii ini ^ kii of iui i, n kii rj kii \\ k I., pass. oj kii* KjtKi\'p pass. imp. — Na een woord, dat een last of hevel of iets dergelijks bet eek ent, wordt het actief of passief als redewoord zoo gebruikt, dat men het veelal door om kan vertalen. Zoo ook in de spreektaal de grondvorm vj kii 2 kiji en y h 11 tnjj\\ en zva. tui .y hm ya/j en ao i j vj tffi iKi/p in last hebben, moeten. Ook yKiai(kiji\\ zva. y inu Pass- wi il\'hji(hijj\\ kii gt;1 uj nnji en hjh w kii kii ^ii y mn \\ wordt ook als actief gebruikt voor last geven. — irn ï^jsikt^nkw. zva. (Lin]iKt)? n-njj\\ kiiiy kii i mji en ij l:iirj kii ? \\ N., yikh y kii w/l en rj i5i y h u (htji x k ., (Mji \\ k 1., gelasten ,

zenden met een last, iemand zenden met een last, om een boodschap zenden of sturen, uitzenden om iets te doen, afvaardigen. — \\N., y

\'1^.1 tj h iikj\\k., tin tfvi nj^i \\ k 1., om iemand zenden, iemand ontbieden. — y ki? ^ kii ?ikti ~ni ij kii \\ q nh i] kiiinri uii met iets iemand zenden naar lemand. ^ t) f ^ tni f ^ nn., ^kii ij kn kj (ki/i\\ k. , dji^.isr^(KJ) ^gt;1 ook wel 1.^ tisr^(ki(W)^\\ki., bode , zendeling, afgezant; een bode uitzenden; iemand als bode uitzenden. — (ui kh?anji\\n., oji n kunaji\\

k. , nu tui ri.i tifi/)\\ KI., last vrtw iemand, vooral door

co -,l

middel van een bode of brief, of aan iemand, dien men ontboden heeft; wat iemand een ander zegt, dat hij moet gaan doen, of wat iemand weten laat door een bode of brief.

II. o. J. zva. »ƒ ku i gt;1 .ui \\ Vrg. y mi ?tun

o »

ikh (ki KW. zva. kunrn kuiLgt;ujj\\ l. ku. zie ku kii

c» • ^ o n

(Kl\\\\ Z. Ml). Zie (Ullil\'W O. ku (ki sH. , {1:iku\\K. ,

O

ginds, gindsehe; y ku i ij kj2\\N. , {^^ki^2\\K. , duur, aldaar; en y iini ^(kts n. , (ijk^mk. , hier, alhier; drie vormen van het a a nw ij z end vo 0 r n a a m-

w 0 or d van plaat s, die even zoo onderschei-

. .. 1 lt;quot;gt; o 00,.

den zijn, als t/nnus 111 Kn\\ en x/uku {zie .ku\\

I): in Ngoko veelal, in Krama zeer dikwijls, met het voorzetsel afii er vóór; en ook van per-s on en en zaken, {even als du ui \\ en 1^ ik) ), vooral hi vergelijkingen: gene, die, deze.

\\cj 1 \\ ook voor of daaromstreeks ; hv. y

^ im(ui•ku .1 y (itïi 2*1^112 \'kjiN Woensdag of daaromstreeks. In de spreektaal ook wel ^ ku 211 ikj 2 \\ en itj ku *1 \\ voor y (ku 2y (kj2 \\ en êiyiuii iikjw (^fKii \\ en ^.iPu \\ zijn verkortingen van

Q„ O OO OO

(imriikii\\ enz., van \'i 1 ku\\ \'ri 1,1^\\ en \'n(ku\\ en dit met het Kawi-voor zetsel rn van kii \\ a. 11 \\ en ikii ). ut dSTjij mi 2 y kj 2 \\ die steen {of steenen) daar. (dn kii (ki (vu ji k 11 y kj gt; ook wel ku kj y mi y .kj \\ en {qikii iS^wi \\ ginds en hier, elders zoowel als hier. ^niiiS^iai ui\\ waar het ook wezen mag, overal. (dn k 11 an ia (in \\ (m ku ^ k u \\ ginds en elders, overal. :ki ku(i/h (ku(kukii (ki\\ van alle oorden, (vui^ku(kj

\'ipj^ (§ ll ^\'v ^ van 111 y11 gt; mihi kin

iliKj2y(Kj\\ ^ki^uj ooji^ gij van nw kant. ij in 1 yikj2\\ spreektaal zva. i$ii kiuijkji (VV. I, 30) Rh. (ti kii ki \\ .u y iki) 2y (kj2x i£iy ku zie ben.,

o o 00... Y 1

en k u \\ (vj klj \\ (dj ku N otj {rjj (kl\\ 11.

kii y kj i \\ zie (k11 w

, quot;) O o -i o* t ,00.

kukj\\N., (k u (kj \\ poet., y kii cci \\ ook wel ku ii.i n K.,

rnuk ; geraakt, getroffen, bereikt zijn of worden; in de magt 0/ handen geraken; in het spel, verliezen; te raken, te troffen, te bereiken; vatbaar voor iets; onderhevig aan iets; mogelijk, mogelijk


10

-ocr page 316-

irji/miMjiy

240

frj (nil rj i

rj u t) rj t m\\ zm rj irn % ij x/n \\ van rj un f \\\\

t/h (un un i \\ Ml. kleedje. .Tav. ik n ?!] i /n \\ k .

ncyquot; n cy

/.!) n i ifn x/n üfTji \\ zva. un w

t,m r n m/jof ij irm uimi/j^ wj. cn OJ. zva. ijnnu rj v)w Zoo ook somtijds in poëzie en Wajangver halen.

tnii/ii zie n 7?ihnw

o . o

ttnin zie unnj^

iHtiin Wji\\K\\\\. overtroffen worden {van iji kw. ,

S/ir. aniya, laatste, uiterste; minder, laag).

. 7 .. o »

lt;k» ^ (im Ki) tu inji \\ zie bij un /1 / \\\\

iHHiLTts lloll. kar, yoor vervoer van de post, ook

wel voor personen, meestal met tent.

s cy

/WTii/jjj kn. tijd licbben {vry. tjni)n™).

un 17^ zva. rj un }j tu? ilt;njj\\ Ook een geluid waarmee men hv. in een bosch te kennen geeft, waar men zich bevindt, Rh.

un rj un unjj KN. tm tjun ten rj 17) un j of ^ )ni ? x/n un rj i/n iniji klanknah. van het geluid van schreeuwen van apen, van zeer jonge kinderen, vrg. 11 rj un? »yi^ 2.

ut^un \\KW. zva. irnitfaj^s un nn .tyriunw (gt;Skr. , ko e h aka, schelm).

lun i v nsnji^ kw. zva. ikd i\'i \\ (vrg. Ml. kait) volg. Rh. schakel, schalm. — un un geschakeld

bv. van een ketting, vrg. rni i n unjj kn. zamen vereenigd of verbonden ; maats zijn met elkander, zamen spannen met iemand. Zoo ook oj) un un asn — (vn unmnji^ menschien tot een maatschap of hond-genootschap zamen vereenigen. — imunv^nnjis

tezamen verhonden, bv. van steenen in een muur;

s O o

en fig. — ui r i m (iQ) ui/j\\ verccniging van men-

schcn tot een doel.

/un ntum ijnjjs k., rj tn i r^/j n., onderscheid, verschil; verschillen; aanmerkelijk verschillen, bv. in grootte, leeftijd, waarde of voortreffelijkheid; anders en beter (vrg. nimmy, ook )ni ij un i unjj\\ KN. gedistingueerd, uitstekend, zeer voortreffelijk; zieli boven anderen onderscheiden, rj in•rj tin un um u i het onderscheid is niet te zeggen; het komt in gec» vurgclijking. m heel

wat verschillen. — an rj um foiiq m tj ij) unjj oti-derschoid maken, ioi uj tj i musnj^s ini uj y ».» ondersclioiden, zich onderscheiden-, in onderscliei-ding; van en hoven anderen-, ook ini i j rjum lt;isnji\\ kn. gedistingueerd, uitstekend, buitengemeen. — try iF.i tj urn ? \'isn/js rt rj ij) un^ een merkelijk verschil vertoonen, merkelijk uitsteken boven iets anders, ui^ hjurji/m i^n tu ^ en nog merkelijk meer. — irurjam r-m nrjun gt;|Tn zich boven anderen onderscheiden door meer te doen; hooger bod doen; hooger /00« bieden, fm un rj x/n2 /j^ het boven anderen onderscheiden zijn, bv. in rang. — (tr»yj rj x. nd lt;1511 un ^njjs xtitjuji uniy im\\ iemand of iets boven anderen stellen. — un rj i/nixwiui/j\' overtroffen worden; zva. un n^uiiw un tj x/n ? uo/j Holl. kous. un tj un t uijj \\ K. zie x v £ IV.

un{ U)\\ Ar. \'iy(p gt; kn. koffie (vrg. ij tin?, ui). \'Wtffif

iiu koflieboom. tj uiiia xrn j ui\\ (gezette) koffie. xsn 1^1 ui injj kw. zva. un t/t^aj^u ivoor unx/ijgt;

xjn k^/j van xm :gt;(i/n\\ zva x n^ (hjj^ ri^/j \\

mi t ^ rvi/j of un tj un ? ttjjj Ar. ^J^3gt; u KN- bet zeggen, wat gezegd wordt; verbaal, overlevering; ejn uitgesproken gelofte; een gelofte doen (vr//. ui xci). — vnamti^s iemand, of voor of om iemand of iets , een gelofte doen. — ui uii un ri^iunjj\\ een gedane gelofte; ook een plaats, daar men om haar heiligheid gewoon is een gelofte te volbrengen, door er te komen offeren, geld te strooijen of iets te koop en,

un tj un 11 y kn. un tj i/n rn tj 1 n 11 i/j moeijelijk of

gebrekkig kaanwen door slécht gebit. WW.

tenx^ ti ifj KW. zva. f 1 uj iJijj\\

rjun tj\\m vuflsKH. vermoeid, door lang in dezelfde bonding te blijven , hetzij zittende, staande of ie(s in de hand houdende, WW. Volg. Rh. nip ij1quot;? llljjs

nnx/r^n is zie uil xjj^ tijw

... n .

un tlx 11 ruxniui/j zie bij un ttiw

un tj 111 ? uifj^ kn. het met iets knnnen doen of stellen, er mee voldaan of tevreden zijn. — unxji n? xj ^i m/j^ ligt te voldoen of tevreden te stellen. tj x iwn un ij un ? ui-Ji ui/j niet te voldoen, onver-zadel ijk.

inn n ui n kw. zva. x 11 tjnrrn \\

un ixjjj i i ^lt;1 xnrj\\K\\\\. zva.

o

xni 111 1 ix rilxnjj KW. zva. un tj tn 111 uijj-

o \' .

un 1 11 f-ijj zie unx/ij^ r7jj\\

un \\jï^ ïJijj of rj urn njj* Ar. ^5 , kan m , volk ; un TcUI \\ kn. , ininm M/jsKü., een priester, een ge-


-ocr page 317-

UI) (Ut! \\

U\\

Htl (Hl \\

meen priester, iu onderscheiding van een priester

a .

van hoog er rang. — iwijijtjan/js hu un^injj^ of (ui tni(u)jg !hijj\\ (Lil nu i Vwj!\\ plaats waar éeu of meer priesters wonen ; priesterwijk.

k )\\ ivii \\ k w. zva. orn ap.\'rj (ku (HT/f\\

IJ }, H Ij Uit 2 \\ \'SIZ \'l gt;lt;» \'/ MI 2 w /,y\\ in poëzie voor tinicjw Oi hl] 2 \\ KW. zva. lUlfbllw

» O

hunnjjKW. zva. im hiuhi\\ unanw vrg. miw

n o a

k»j(H7^\\KW. zva. Lj ilt;j hii \\\\ vrg. run w

Kij KW. zva. Snnj^iHiji* Ar. koen of kon, er zij!

het zij er! /. n m tw u y hij of i. y ij m i. y ihi/j *

het zij er, en liet is er ^ * ivoorden uit

den Koran).

• • o o

ilt,}iwjj\\ 1 K. zie rj mi i (Hi/i \\ 6. ww. zva. ui (ui s \\ en

een voorzetsel vóór eigennamen van vrouwen of

meisjes; ook met het voorvoegsel va en vóór inij

Vnquot;W

ij uu 2 kt^nn. , *1 mi mtjjsk. , tyri ij h u 2 nnji\\ N., (un rj hu an^\\ k., l i (hi hu un rj hh\\KI. , iemand zeggen dat hij iets doen moet! iemand iets gelasten lt;?ƒ laten doen; in de spreektaal i.rtj hu t injj en ii ij mi on^\\ hetz. (ia ij hh 2 (hi^ N., (i?i i j ij iff an/jMi., ook ij ui tv;^

O \' O ...

ij hii2 in/j\\ HiiorjiQi aoji en fourjiH^cui,^ poet. ^

Sn i:i i?i hu (hm ~ii ii hu \\ en verkort v:i (hi hu hu ^/n rj o * a

Ij hu \\ (uptm hu hu *11 Ij hu of ll(l hu hll *fu Ij hu \\ KI.,

pass. ij hu2 lij (hi fjs pass. imp. — Na. een woord, dat een last of hevel of iets dergelijks bet eekent, wordt het actief of passief als redewoord zoo ge-bruikty dat men het veelal door om kan vertalen. Zoo ook in de spreektaal de grondvorm rj hu 2 anjj en ij hu (hiji\\ en zva. (u\\ rj hu 2 mt/J en tuï tj tj c^n Mjyj \\ in lust hebben, moeten. Ook ty nnt(htji\\ zva. trj2 N Het pass. hii ij^2(hyj\\ hii ijhjHijj en aju (hi hu hu vj hu \\ wordt ook als actief gebruikt voor last geven. — ij (E12 (HTjj\\KW. zva. clu y^Hui Hijj\\ Ij hu 2 Ij hu 2 Hlfl en Ij r:i 2 \'Yj hu 2 (Hl/js N., Ij hu Ij hu onjj en rj ij hu hijj \\ k., ^ is^ inijj \\ k 1., gelasten , zenden met een last, iemand zenden met een last, om een boodschap zenden of sturen, uitzenden om iets te doen, afvaardigen. — rj\'i\':i2rjHU2iHj\\ii. f ij \'jviij liUiijsK., Hi /r yj n k I., om iemand zenden, iemand ontbieden. — ijaji 2 rj hu 2mi ~jurj hu \\ ij rh \'*j k\'ihii ^ru hii (hi,i\\ met iets iemand zenden naar iemand. — ^ 2ij hu2hj an/isn., rj hu ij h u hj(hi/j\\ k., (i/jjj i,r^ (Hji -ïi mijl\\ ook wel lj asr^(hi ^khi^ki., bode , zendeling, afgezant; een bode uitzenden; iemand als bode uitzenden. — lt;l/iij hu2(iojj\\N., oji nhuaajj\\ K., ihii iEjT^(txji (htjjs KI., la.it van iemand gt; vooral door middel van een bode of brief y of aan iemand, dien men ontboden heeft; wat iemand een ander zegt, dat hij moet gaan doen, of wat iemand weten laat door een bode of brief.

II. o. J. zva. ij hu 2 rj (Li \\ Vrg. ij mi 2 iun

(hl ]\\

o n . »

HU (Hl KW. zva. HU \'11 J \\ T) HII (tgt;lljj\\ l. KN. Zie HU (HU

Cl • O O ^

(Hl\\\\ 55. Ml). Zie (UU \'fl 1W O. HU Hf n N. , \' 1:1 HII\\K. ,

tty \\ \\Jgt;

ginds, gindsehe; ij hu 2 ij hj2\\x. , [1:^1.1^2 \\K., daar,

aldaar j en ij hu ijHi^a., (ij #lt;*7; \\ k. , hier, alhier j

drie vormen van het a a n w ij z end vo o r n a a m -

woord van plaats, die even zoo onderschei-

, .. gt; lt;quot;gt; o 00..

den zijn, als tmnus 1 u ht^s en nuhu {zte hu \\

I): in Ngoko veelal, in Krama zeer dikwijls, met het voorzetsel Sjii er vóór; en ook van per-s 0 n en en zaken , {even als iii pi\\ en i j hi) , vooral in vergelijkingen: gene, die, deze. rj hu 2 ij iij 2 \\ ook voor of daaromstreeks ; bv. ij

ijimnj^Hn ^rrjx-.u2rjHU2ij\'iij2\\ Woensdag of daaromstreeks. In de spreektaal ook wel ij hu 2 ij iilt;i2 \\

e „O (?)

en ij i. u i j hj \\ voor n 1 ij hu 2 rj hj 2 \\ en (t i rj hti ij hj w

({^hu\\ nt^Hi^ \\ en ^ifli \\ zijn verkortingen van

o* n 00 00

am rgt; gt; hu \\ enz., van1 hu \\ \'n ny \\ en \'hhiis en

dit met het Kawi-voorzetsel •»! van nn\\ Hip en

hii). ui isrj ij hu 2rjHi2\\ die steen {of steenen) daar.

(vil hu an (L/iï rj ii 11 ij hj gt; ook wel hu hj rj hu ij hj \\ en

(r!jHu i^Hii \\ ginds en hier, elders zoowel als hier.

^hii^hii ui\\ waar het ook wezen mag, overal.

(du h 11 an m hi \\ hu 0 hu \\ ginds en elders, overal.

h) hu mi hu hi h 11 hi\\ van alle oorden. (Sri ij hu ijihj

\'j^J^ (^H^uHjijan^ ik van mijn kant; Snijum

on .. .

ijHj2rj(Hj\\ g\\| van uw kant. ijm2

ij hj 2 \\ spreektaal zva. r 1 ij hu 2 ij hj 2 (W. I, 30)

Rh. (hi hu hi \\ dirj hu 2 rjHj 2 /hi ij hu ^QJJ^ %ie ben.,

en [OE^hus y [tr^Hiis bij II.

hu ij hj 2 n zie hu (rrti w

iquot;) . O O ... Q« , , O Q..

hu(hj\\u.t huhj\\ poet., ij hu ui \\ oo k wel hu (l;i\\k. , raak ; geraakt, getroffen, bereikt zijn of wordenj in de magt of handen geraken; in het spel, verliezen; te raken, te treffen, te bereiken; vatbaar voor iets ; onderhevig aan iets; mogelijk, mogelijk

1G


-ocr page 318-

242

O o ilt;)i inj\\

O ci/

quot;quot;ftT

zijn ; kunnen {bij een passie f) \\ mugen; liet kan, het mag; raken, treffen {yry. ij ion lit), ï.wijjKunj uny enz. in vcrwantseliap geraakt, verwant zijn.

a/n z quot;-n i, n uj \\ tj utidit n ij (jn r ï\\ niet te raken j onhandelbaar, van iemandgt; met wicn niets aan te vanyen is; ook nevens ijr.nt ihn nn^cm ic^p niet willen, öv. 0h))^ o. a. AV.P. 216. ;ƒ im? n hu in ij um n\\ het kan niet anders; het is onvermijdelijk. ii i.jif/ïia/ii (ui \\ of nnun i i (ui\\S., ij nu

rï i j (hj iui\\ k. , hoe komt het zoo? wat scheelt er aan V

, o

zva. iiutjlt;711 y ry \\ en i j hj n/ii uw — ii;i in\'iijMi., ) o , ) o ... CJ.. quot;gt;

t:i tf en iLI 11 Ii\'iyn.j* poot., ij ni i:i i:i\\K.,

iemand of iets raken of treffen, imiiiipi .rn/]\\ geraakt , getroffen , oo/c van het hart : beet genomen. — iXA iij /. n -ai ij hii \\ rj n rï n un injj\\ iets doe»» raken of bereiken; iem. treffen met, bv. een belasting L. 157, een tooverrniddel, Men.; maken dat iemand iets magtig wordt; iets mogelijk maken, veroorloven. — cui uii uj \\ iu iai uj \\ .kw. zva. tui »ƒ ij u n z IJ .n ; gt;\\

) O . , quot;)

(ilt;iiiuj\\ zie -uii i.j w

^ ^ O ) ■) O

ndi tjpj kw. zva hiitHjw — iui iji.js zva. i:i y/ i.j ^

ci G)

en (Kiic^i w

a

nn hj \\ zte hty \' j w

mi\'KjsN., tfii i\'j nk., oud, zooals- van een huls ojgeboomte; yew. alleen van de tijd; de oude tijd ; oudtijds {vry. lt;i.r^ uj\\ en u^ijj). /.^/y wan

ouds her. — \' \'t f els voordoen

als iemand van den ouden tijd. hij uj flt;n ilt;j\\ van

oude tijden her.

o ■gt; -) o 1

ten ujgt; — ij nuhj ij i n ij ^ zva. ij u nj ij ijl /y \\ ij.

zie bij if lt;ijii rnj w

rj h ii fly \\ zie (nn nn w

ij nm rj(n]i\\ zie iUiiMiw

cv

un m im \\ kw. zva. njjafiw

s:-

n )

nn ijnji gt;\\KVf. zva. tm tisn j \\ .nyiu\\ 7^N

O . O

nn injam lu \\ zie (un uj un li,i w

nn njunjisKw. Mal. regts, de regter zijde, zva. .ui i 1 nnjjskii. stuurboord, stunrboordszyde. — (ui uj aojj \\ regts gaan , houden of wenden. — lui m i.j isijj\\ zva. luinjiininjjs iemand die regts gaat; een regtgeloo-vige; een M uzelman.

fnn nj arijj\\K.\\v. zva. iibii,isri\\ wond; gewond.

(hrrjj:Hl(^2As verkorting van nr^ rLin^jjj(hnjj\\

im «o wji \\ voor wi un ^ gt; Ml. i k a n N o e 71 f naam van een fabelachtige visch.

/. 11 lij - lloll. knie r, scharnier {vrg. ij umrj n n ? ui^).

rquot;) ei/\'

tf n n ij n ) 111 /.y \\ zte ij un lt;rj w n ijj \\

1.y uj kn. kurkema, kurkemawortel, Cureunia longa, Nat. f am. der Zingibcraceae. a ji \' y iij \\ een soort van mangga.

i.n uj ~n kn. kanarieboom, kanarienoot, daar olie van gemaakt wordt, Canarium commune L., Nat. f am. der Burseraceae. — unnj ij -n alt;i/j\\ een gouden of zilveren doosje in de vorm van een kanarienoot voor reukwerk, dat vrouwen aan de punt van haar

zakdoek knoopen.

o s\' n . o

u 11 uj ui 11 \\ zie nn »/ vi ivn\\

(7 (U (d

1. gt;1 uj (Ut \\ zie u ^ \'Uj (ui \\n

(loinj nn/j\' iMnnnjntyj\\ —7 luinnons W. li, 187. un ij i.y un/j\\ 1 in de spreektaal zva. nn ujw 2. Iloll.

knecht, vooral ook voor palfrenier.

ij 1:11 ij uj unjj en i ?»ƒ nn rjuj un/j N., in de spreektaal,

even als ij un ij uj zva. lt;11 ij un ij ly w tjnm ijnji nn/j en kt ijumtj ujz nn^ ook Liijnmij

ijipihii/j n. , in de spreektaal, evenals ij 101 zij

(0 o

ij nj gt; \\ zva 1} 1 rj nni gt;j u_j? w —• u 1 *j un? ij up.? nn*\\

w.un ifjjn dinges.

iiiinjuii\\ of unnjnns 1. zie aann \\\\ 2. kw zva. m

d. i rj\\ naam van een tuin in de Brata-joeda. Wang-

saltan : (tAj ui i, n nj un \\ zva. uy ih^ /,7/ jy ui^ \\ wijst

op de zangwijze ajiuij\\\\

u 11 ij i.j ix n \\ Iloll. k n i k ke r. {vrg. nn rj ni (ki/j).

1.11 rj uj 1. n i j ,^1^ bijnaam van llêsi Navada, zoon van

11 gang Tj at oer-kanna ka (vier-nagelige). Hij wordt

door God Goeroe oudere broeder genaamd.

o ) ) .... O

iun uj un ifi zie Oif un.n^w

nn /y nsnjj\\ kn. witte arak, vroeger vjel knijp genoemd, irn ij in \'üojjn kn, het zacht piepend; met een zacht gesnor afgewisseld, geluid van een gömuk, als zij op het zien van haar tegenpartij kwaad wordt; zulk een geluid geven.

i?ii uj asn % \\ zie bij nsn ihn {w

1,7/1 y rj ik 2 injj \\ zie bij tvny w

nh uj mjj\\K\\\\. zva. un tj ici unjj zie K. 7, 137 ^

I, 197.

un ij uj uyj \\ kw. zva. un gt;j ip nn rjiici? rnjj kn. levendig en spraakzaam, van een meisje of vrouw ; behaagziek ; wulpsch.

O

t) un uj0^)/) kw. zva. t.r^ui ri i/j\\ thi i ) H7i)/)\\ f] / i ri 1

tjun hjMfj

}r \'t/yr


-ocr page 319-

itnt rj \' y ? quot;i \\

243

en Ml \'iw/l\'

„11 rf irj ? ui \\ zie ii i ii \'ig t l \'I w

hinjtyiivn -vquot;\'- li hi tj i/ii \\ volgens een volmondige uitspraak.

vii ipi ii i;igt;kn. dik uitgeperst sap van kokosnoot,

O

dikke kokosmelk, aVw

f:ii l{, mjjv lloll. k n a ii p, vwe;;* m* gueridon , lichtstander of klein tafeltje om iets op te zetten. }(^ujiu\\ en verbasterd (ui^kw. zva. im ip\\

dood lichaam, lijk (skr. koeiiapa, stinkend; een kreng, een lijk).

am onjj\\ zie, bij a/n

huitnumim^ eïgn. van een boet a van het vrouwelijk

(je slacht.

) - j .. o i.ii i.j i t/js zie bij nn

n (quot;) . ... rgt;

ilt;)}ity(rrtiiqi}fyi\\ zie bij tmttfjcmniw

mi /.y ni ti\\ 1. KW. naam van eea groot en gelen bloem gt; onze zonnebloem Nymphaea stel lata Wild. nat. f am. lt;/«• Nymph aeaceae(Prrt/^^5ff//tf uitspraak en verbastering van het skr. ka r nikdr a. pk.). 2. kn., \\lt;n ijjrni[fwfijinkd.. een ronde, zwarte muts ani ij) met smalle strepen van geslagen goud of gouden passement, die bij plegiige gelegenheden door den vorst y prins mangkoe- nag ara en den liijks-be stier der gedragen wordt, en ook door eiken bruidegom gedragen mag worden op den avond van zijn trouwdag. kh ifjdi i t an/js in staatsiegewaad mot de kanigamp;ra op.

i, h i.j ij r.n anji en n uj rj i n 11 / an/jquot; zie bij jn.»:?»w »riMy\\KW. zva. ,rniln\\ bv. /.»/ /y ^ , de ring {vrg.

quot;Jlty)\'* 00^ \'^gezant, ambassadeur.

^ • i o o.. ( ) . { ^

loipj \\ 1. wj. voor li ii hjiun w ik» rfj m (m \\ voor u n ij

mtuiw 2. een jongesnaam.

(quot;) cj..

itntf ifjs pout, en i7i de spreektaal voor uo ijani \\ oj.

in de spreektaal zva. inajjw im ij pji\\ kn. naam van een instrument, dat bij de gamhan behoort. 0ii:n ij ih) i rr? anj^« een soort fni ij V^?x z*e 1^72, 109. — de könong

slaan.-?i\\ met de kënong accompagneren; jig. iemands rede als liet ware accompagneren met telkens ja! wel zoo! of iets dergelijks te zeggen, otn zijn goedkeuring te kannen te geven of dat het hem bevalt.

ff)) lij\\kn. , m )j lt;\\n onjjwi]., (hi) on on/js kd., de met gambir, pinang en kalk toebereide sirih, om gekauwd te worden, met een pruimpje tabak er bij,

dat tusschen de lippen en tanden gehouden wordt

. ) .O o . o .

{vrg. gt;, o ij jij j f). i )i ru; i, n /.j tin gt; ^ w/j* spreekwijze

voor onderling verschil. Cl*. — diimiij

7\'iq a[laN sirih kauwen. vrg. (f.tii3t\\ bij

ij) \\\\ — in (uj in \\ enz., veel sirih kanwen, veel van sirih honden. — ifl) ijj m anq of (iji ipii vy iui onjj en m art rj an ijj oq/f^ m \'f ^ nmanjj of (ut ij o)2(urt ani (Tj.) Ki. sirihdoos {zie bij cm [ i5gt; hj \\ naii rj (^n onjj \\ liet si-

rih-kanwen. o^)tui i?)ajj\\ de tijd , lie met het kauwen van een sirih-prnim heengaat; zoolang als het kanwen van een sirih-prnim duurt {een kwartier of wat langer).

7.71 ly \\ zie ay un i uj w

\'co . g)

arrjj hj \\ zie bij ihi\\

Ov fquot;) , Q. a.. Q Cquot;)

N-» \'/K., geel. 1.7^ Kja.insn tjciiiuuk

ij uj (hjapii cm anjj\\ door van een ei. ij (ri?oji i, ij \'hj\\ ij in zaji ij hj \\ de gele mangsa\'s, d. i. de tijd zoolang de veldvruchten op het land staan, (hu )j i n tin^ gt;) i n hj\\ titel van een vrouwelijke bediende in de kraton tot het dragen van vorsten staatsie.

h ij hj\\ benaming van een publiek huis te batavia. \\ het is mij geel en groen

voor gt; de oogen , zegt ar dj oen a vermoeid van den

strijd. w. i, 09. h^ijhijhj zva. ij i.m rj rn f t w

o o* r a-

bii n iji\\ Jj. — ini (ej hj\\ of ihijj^7y \\ naam van

een boom met kleine welriekende bloemen en geel hout, Kamoening japan, Murraya exotica L. nat. fam. der Aurantiaceae. — tn^ hj ntonfl^kn., uk rj )j lij in anjj n KI)., geel koper. w nr^ (hjan onjj \\ gele d. i. beplante, grond, van het rijstveld, zoolang het gewas er op staat. ook is m^hja n anj^ de naam van den tienden zoon van watoe-goenoeng, en van de twaalfde woekoe\\ ook ben. van een af deeling in de residentie cheribon.

ajinid ujs ook wel ao^hj\\kn. een vuurvlieg, eeti in het donker lichtgevende vlieg, iets kleiner dan een honingbij; )j ht) i ij am z iy sïiei asn \\ de vonken die uit het oog vliegen bij een slag of stoot, a-a ij mi gt; uj ij hii? zoo groot als vuurvliegen,

am nh ij am ? afj \\ of am a.h rj im 2 ij am 2 hj \\ de blinkenden {d. i. alleen de rijken) als broeders en vrienden erkennen en behandelen; tafelvrienden. imafjvis of im afj ans kn. naam van een hoogen boom

n*


-ocr page 320-

t.n i:/n j \\

244

Cauauga odoraia 11. t\'s. en Th. iW/Y fsm. der Auonaceae; van cle bloemen wordt een welriekende olie ijemaakl. of ium? ujj(rrrjc]mi,-)\\

ij en. CP.

è.niuiKnanjjs zie bij (urt^w

C ) o / , , . -gt; o n o

hu i.j ui \\ Kis. kancel, anders iamp;i hj w ci wji gt; lj» lii i,j

r.t kaneelboom. Vrg. ».»»dJij iei h\\ n

#. u ihj rj h u tj i.j\\ zie bij un cm w

^ itn N lt;iyï| w

■y K7ï?ffo«7»/K^\\KN. i// wyjj* KW- zva. (Kjiijs zie

bij lt;1/30 hj \\\\

O* • 7 •• ^

/lt;7/ itij (in lli \\ öï; ii » uj a /n tt? w

ihu(hi\\ beter /.»lt; »:/»»n kw. nitM n of m/ïw rA « \' f o ^ clt;l

hnrm\\kn. ontwerp, schets, ^y. ie bouwen

huis {vrij. ^i\'ryii-V»), — (tir.iri\\ iets schetsen; vooraf ontwerpen en regelen.

hnnins Chin. kn. stroop van met water gesmoltene en gekookte Javaansche suiker; suikerstroop; cyrt.

\'1 7^

t.yr.tns of ij i,m nn n {kontjn) kn. sleep , de slip van een ilodot, rfoor ^ prinsen om de krisscheêgewonden wordt, maar sleep wordt nagedragen. Dit mag ook een bruidegom op zijn trouwdag gedaan worden, {Een ander vj toi t i:m {kantja) zie ben.)

/.//irm\\KN. slot; slentêl; op alot; ook naam vaneen (i (Jh l

medicinale wortel kaempferia rotunda, L. {Skr. koentjikdy sleutel. Vrg. (tnnrm\\ en n?

lt;ni/i). sleutelbewaarder, poortier. —

iv^.i7tn\\ sluiten, opsluiten. — ay tj r.m i?j \\ mv., en voor iemand iets wegsluiten.

i^ihin rïmKN. kameraad, genoot, deelgenoot, ambtgenoot , collega; en zoo worden ook genoemd de ondergeschikten van een hoofd of chef t die hem in de waarneming van zijn bediening behulpzaam zijn {vrg. ij\'n iji) ; als Vocatief ook verkort tww {Zie ook bij urj^ rm). 0tf(iaa.i\\ dorpsgenooten. J rti ij ui\\ of 0\\:m m jis/j ij (Ut \\ medearbeider. 0quot;\'1^ lt;amp;* cm ij uis ambtgenoot.— kh irtn cnyj\\ it, ti mt r.m \'^JJ^ kameraadschap; met een ander of elkander kameraad zijn. — ani ictriihjnnjj\\ zamen als kameraden. tj h h? tj i.iii \\KN.; ij de manen van een paard

vlechten. — tj itm ? /ƒ r iii ncyj of ih li y tai i rj r.m nafj \\ met gevlochten manen.

i.»rrm^\\KN. tot ecu paar c»/* span bij elkander passen of voegen ; overeenstemmen of hanuoniêreu met. — /.7/i:ms(Litocyj\\ overeenstemmend; van hetzelfde corps mot iemand.

OO O O O O -ji i i.

hiryn j \\ KN., nu un ; htrutn ^ \\ van een edel geslacht

bv. van paarden ; in Tj. van vrouwen) edel, schoon

o.. . o

i/n hn waAJitLw \\\\

h}i r:m m\\ of ï. nr:m an \\ kw. en ki. zva. goud

{Skr. k dut j a n a). nn5ri0\\ naam van één van

de gemalinnen van den Vorst, vooral de oudste,

ouder dan een ander, die \'m^ifyUM/j genoemd

wordt. iihnziLi»nin0\\ kolak van ka tea, om de

gele kleur.

/ . /

iHiiwris zie ),n i:in\\\\

O*quot;

imrin \\ kn. heldere vlam o/helder licht van een lamp of

kaars, ku lid ^^ ajn ^ n i:m ij gt;» \\ helder als

het

daglicht. Ks. /.n irni i\\uimi \\ helder branden, vlammen o/ lichten. — t,ni.nt\'nnqs helder brandeml, vlammend of liclitend. — aai cu^ vm \\ clihhIkhij

t inn overal helder branden.

r. 6 .

hii rin n kn. naam van een medicinalen wortel, (oj^cutf^ r.m \\ een nog niet huwbaar meisje van omtrent 12 of 113 jaar {vrg. bij oj^crftj). uvxgn\\ een nog niet meerderjarige jonge; doch volgens anderen ecu jonge die zijn vroeg overleden vader niet gekend heeft, tj mii ctohums een kleine gong, anders j iLijj genoemd. htyf ii:in\\ nog niet geheel volwassen of rijp zijn; een kömiri uoot, waarvan «le

schil nog niet hard is.

o O\' /. o Oquot; *11 u

hu i.in \\ of t}lt;nw\\ kn. pinkend, van een oog, waarvan

het bovenlid zwakker is, dan het andere, en namp;ér-

hangt, zoodat hei oog maar half open is; pinken

pinkoogen, om scherper te zien of te mikken {vrg.

0 Cgt;/ ,

1 71

üb

cut r:m quot;77 rj (ut) één oog half

toe knijpen.

rj Hit t i/yn \\ kw. zva. iKtj tJt w kn. watergeus slingerend uit- of bij neerhangt; slip van een tulband ; ook bij de wangen neerhangende soempings. —

ij ntttji.nis zoo neerhangen, vrg: ij ttjiiif tin \\ bij

/ o .

tj cijtt ? ij irtrt w — rrj ut / rj i.m ms voorzien van een

SO / O*. Ct L

tj tctt i tj .urn \\ htttjcu^i ij rrtr) n ki ^/n tut ihtt tut cic^ \\ mei een strik van rozerood lint.

o /quot; / ...

t,t^ uftt\'tt\\.kw. en kn. zva. cfjtnj^cu^ ei

tj ,tlt;ii ? vermaard, {van Skr. o e tj tj dra,

uitspraak, hoorbaarmaking). n rrt rj nr, 2 ^tnt unrfttf

tj i._j • kn. wijd (heinde en ver) vermaard. — /. // ^


-ocr page 321-

o/ ^

linns helzdlfdc.

h n (tin \\ KN. — i.n uOvn kletteren van zwaarden

(jb h c^\'

Bab. T. l)j. .fj i.tn \\ van water (Tj).

uti(nn\\ dc iimiVV* quot;quot;h- f\'ei oMetler van

Cl

wapenen. Vry. lii(r!n\\\\

hii rm ilii/j \' KN. mi in n/i i gt; 0\\ ecu paar aan elkau-

iler gebonden kokosnoten. (IP.

.nil iithuiy KN. met iloor vermocijcnis of door ecu on-rjesteld/wid verzwakte knieën of heupen wat kreupel gniiu. yrtj. \'(gt; II rj rm iisiijj\\

iiU*irm*agt;ji\\KS. sterk over één zijde mank loopen j

Vry. ook mi i] i i ibnj)\\

hn ij rmi ihujj plat voor ithiLi^ (Tj.) Kil.

f, n i IJi nij *K N. gazel, eiin zeer klein hcrtebecstjc, soo ijroot als een /uias, rj \'n\' r] lil lai rin it 1^1 \\ naam

• O quot;) I • 1

va?i een gcdichl. nri W/p van schrik

trillend blijven staan. WW. van schrik trillen? L. 220.

hti mjj\'j\'N KN* — /.ti(£)in,!rj^\\ kletteren, van

afdruipend watery Tj. vrg. r/n\\ bij uuriri\\

, ) 1(ï / o* ) , gt;

hununis zva. ihnir.tnw kr/ iliiih ui \\ zvn. i.n (* (jh l) Cl ll

lt; V Qk

/f iL\'if\' ^

O • O .O * 1 i * i i

h n i lujj tj v j» ? KN.; /. iimijj rj Ki i tm irwjj tj / gt; ? n blinkend

en spiegelend van oppervlakte, spiegelglad. \'•■gt; o o

hin inn i/]. nu i ni nu/i\\ ztc mi i:in (L\'i/j\\

( l j( o*t \' J\' (i (

o o o

in^i.in ,i i/i en hu iiii i.\'ijj \' KN., ihiinri iVi/j\\ poef .; za-

inengeslutcn, zamengevonwen , bv. van de bladen van een bloem en van de vlakke handen bij het maken van een süinbak; een nog niet ontloken bloem, bloemknop, bloesemknop; onbesneden, een nog niet besneden kind {vr(/. i n irm iw/j mi myj \'•yy i/j en betrokken, van iemands

gelaat door bekommering of vrees. — art izni iiJijj\\ zamenvonwon; zich sluiten; de handen zanienvou-wen. — K^rm (i..i ^ i rj i(ii\\ voor iemand de handen vouwen ; met de handen een teeken van eerbied ma-Ken. (\\:i iiii (u ^i ij Kii \\ zie bij ti/n rni iijijj\\ \' quot;V/\' kn* grendel, schnif, schnifknip; klink; klink-sel, klinkseltje {metalen pen, xoaarmeó iets vastgeklonken wordt); knoop van een kleed {zva. tvm /y h\'l/j)\'y digtgemaakt, gegrendeld, digtgeknoopt; ook d\'gfgeklemd, krampachtig gesloten, bv. van den mond (m/. uni~]ji rrn 7i^ \\ KN., ini xincur^ ini lt;tviij\\

Ki)., haarspeld; ook benaming van hetgeen door de ouders aan een dochter ten huwelijk gegeven

fni .irrn \\ 245

(h-

wordt als er wapens bij zijn. uii yn T-ïri ini i iqy de mondklem, i n mii lt; Kn i m \\ een soort beitel. —

S ütr

amp;:irtn\\ met een mir\'ms grendelen, toeknoopen. — .1:1 iiji ri \\ mv., en iemand de deur grendelen, om cr hem buiten of binnen te houden ; op iets met een klinkseltje vastmaken. — 11 iin in rj i,ii\\ iets door toeknoopen digtmaken. — nn iin n ki^ van een grendel voorzien, met een grendel, met knoopen. — (iai imiin n wjjs besluit, bepaling, bv. van het Gouvernement (vry. ioi ini inanjj). Hinin \\ KN. gespannen, strak, aan beide einden vastgebonden {vrg. iairiri). ^iiiii\\ een touw spannen ; gespannen aan beide einden aan iets vastbinden. — ii rin tPi \\ mv., en aan iets een touw (i

spannen, om het te trekken. — ai ii^ihni aji riii \\ een menigte van touwen door elkander gespannen. ihii i:m \\ KN. strak, stijf en strak, stijf aangetrokken, stijf gespannen; stijf, stevig, bv. van den wind; vast en stevig, zocditt alles goed vast is; lijnregt, bv. van een weg i regt toe regt aan; stijf door, tww een ging {vrg. Lihiiniw De grondvorm is ii). kii

.r^n ij ui \\ vlak, in een regtelijn, vóór o/tcgenover

• . , ) 0 amp; L i - • na.)

iets. hu iin ij n in,hii\\ vaste overtuiging, in ifiiiq

rm n een stevige (liksche) kogel. ♦ spr.

landlieden, die geen pacht betalen, maar verpligt zijn tot werkzaamheden en om in oorlogstijd uit te trekken.— iti f m ii \\ iets stijver of strakker aanhalen; een regte lijn trekken; lijnregt doorgaan; op iets stijf en strak staan blijven. — w tin i iij rjinis iets stijf aanhalen (^aanzetten; een gang stijf doorzetten, stijf doorloopen. — »,« rm n !gt;lt;2J}S het vast bepaalde of vastgestelde, vast besluit. un ii\'ri n KN. ; {iv^ ui hi rm n een meisje van omtrent acht of negen jaar; jonger dan 11 an^(Y^n\\\\ inirjlirinKN. tegen gereed geld, a contant, koopen. Jnri ij rii\\ naam v. e. ghiding, Wj. II , 86.— ii iji iti \\ iets voor gereed geld koopen, contant betalen ; een zaak onmiddelijk afdoen, no \'i^ (in tjiin\\ ook fig. dadelijk betaald gezet, R.I. — nni ij iiri m ernjj^ gereed geld, contant, terstond met gereed geld betaalde koopprijs y of vooruitbetaald, van pacht of loon, iets dat voor gereed geld gekocht is ; een zaak die onmiddellijk wordt afgedaan. icn ipii \\ KN. spai g of optrekking van de toenkbrau-ioen , tot uitdrukking van welgevallen of het geven


-ocr page 322-

240

m ti

t (1

Cquot;)

van lonken (x n ^ ujgt; iiy/^ ru tuiyi). vrouwen of

. . O O o . n- o

meisjes, x u tnjan un r.m x i un nx uh)qseen

schertsende uitdrukking: doorsttek mij metjelievo

blikken! — x\'l.iim\\ of i] rmxl x:)tx \\ de wenkhrau-

ci J ch (t

wen optrekken of bij herhaling optrekken ; lonken geven.

o

i.}^x.in\\ xj xn i r//»v KW. zva. rj vj} 2 i:n \\ xi x:^ lt;xgt;nji\\ ihxx

O O O li »,1 . fquot;) o

lii i xxx \\ zva. (xji n,j »•/ \\ r.M. iu lui xm in \\ zva.im iu x i ê Ct ClGJ tl CA OU

hj\\ Men. lutitjj x:iix i?:)[(s^iixjis vaste overtuiging, Tj. — na hrjxrw \\ volg. Rh. zva. (i?i zie bij

(n^ ij\\ Rh.

t;y xpn n kn. een kuif vóór op het hoofd. Zulk een kuif wordt door de Javaanse he meisjes gedurende haar kindsche jaren gedragen en kort gehouden terwijl het overige hoofdhaar heel kort afgeknipt is {vrg.

ijT). 2 70) ^ a?i i3{0\\ Men. een kind dat nog de vmihi) draagt, dut nog op dien leeftijd is.

(uiii yiiw het plegtig afknippen van eenige haren, ter lengte van een duim ongeveer, op het hoofd van de bruid, waar zij vroeger de kuif gedragen heeft; ook wel bij de besnijdenis van een meisje, nihi^ r/V» n ben. v. e. plat ^ in* t midden verheven, rond {bol) koekje Javaansche suiker gt; waarvan een pak van 10 stuks o i xm ruji of dj} 1:77 ^ axn t ruji \\ genoemd iüordt, C.P.

i^xm ^iriri\\ kn. metalen ketel, met een wijde opening en holle bodem, om bv. tjajiicrn in te koken.

kn. snoer of dun koord, zooals een hengelsnoer of het koord van een vlieger, misschien het Holt. snoer. — (sckv n\\ v. e. fhn ^voorzien. Men.

r.y \\ KW. zva. tin iu ik ivgt;xi 00- . o» o

uti fli itnji\\ zie of 11 mi

(h y yn \\ 7^ (hi) ^ Zl(i

sn/j^

h a [on \\ rx [on \\ 77 nn 1 (on \\ nm. v. e. wilden boom W W. /c- v t-, 1 c-

ixjiqw

o

un w* i \\ KW. zva. Oiiicrrn ru\\N . ui

tj Hn (m on ff \\ zie b ij rj n/n {hi \\ I. en II.

if hi)(ofl/t 17^ KW. zva. hi) va\\ nsh an lu/j (L/icnxiwi^s Hi)(Hitu/j\\ I. zie bij ijii opoiyj^ 2. kn. dik, zooals van een dikke plank of laag , dik of zwaar bewolkte lucht; sterk , van gezette koffie^ in tegenstelling van $1 o?io^jijj (dun); stevig , duurzaam. — (Bi 0:1 pi ixjjjs poet. zich verdikken. — 1.7 on ix^) hh \\ iets dik of dikker maken. — hd .hi rx^)on/j^ k. van ixJrjmi)t owjj\\ metalen cvertrek van een krisschee.

Hiionix)/j\\ kn. li in \\ k 1., moedig, kloek, dapjjer , heldhaftig; vrijmoedig ; durven, durven wagen {vrg. (Ui uj \\ en 7.7)^/.) — 0 Jon if.) if .ui) \\ iemand moedig maken (een ander zie bij un on xx ;y). — \'hdihiixi (Hi/p moedig of ondernemend van aard. — om xt,t on ix.)onfp dapperheid, heldliaftiglieid.

oquot; o o • # •• o co

nyoni (hiiuji\\ van (i/)) on \'t7^\\ zie bij (uii(i)i)(riijf\\ otx\\ en ij iDifi) iH)-j\\

hd (hi oil \\ en verb, ilihj ou\\ku. Holt. kandelaar.

O \' )

miui uiiHi^aw. zva. ifiHji.iw

ij h i) 2 oh .ui onjj \\ zie bij 1173^ on \\\\

o . ... o ^

hd ftp \\ zie bij lunflpw

. ^ , (y

h i) l. poët. KI. zie ihd mtuiw 2. zie B.V. op

HD tfi^ KW. zva. im rj un \\ om ti w /.ij ^\\ of ij xni2on \\ {konta) kn. naam van een wapentuig in den ouden tijd; en van een pijl, door God Goeroe aan Vorst Karna geschonken (Skr. koenta, een speer, een lans.

rjiHiiiifftQi kn. jonge kloewaknoot, WW.

C)

,hi1 !fll ch1jj \\ zie ), n NN hd Holt. e a n t i n e, M.

hu (fn 3nji \\ zie ihd\'dw

o O . o

Hl) fin !Hl/j \\ Zie H)) n) w

no

ij hh 2 (hi onjj \\ zie 7u ui \\ en xj om irj i iw ~ie hii

ncr

\\ en hd ld gt;gt; K\\v. zva. oniij amp;)\\ (ia do \\ (ud tkioxx\\ en (ijr^ ii)(ia/j\\ (een soort van pijl. G.). hhc^i hi) ^

en om ild om lxx ook om \'d cm hd iin \\ Men. {vrij.

X . lgt;i\\\'

iuiifö)\\) zva. Tj wiii^il)iU)jj\\ — lt;17\'ftf)\\ zva. anxj

. \' ncy /

oj ie ) \\ un on .ui \\ ? ^ 1 uaxi j en h^ f o^ omjj \\ a n ^7 a ox

✓ , O o/ O Q/\' f .. o

zva. irjyL).u)^iL)iu)jj\\ {vrg. xnföuun^ bij xxx

%[)■ — quot;iuis

u) ernjj gt; N., om fö^i) (h) ~jh^ n k. , een ander de kracht van zijn hand of arm toonen, door stooten, duvveu, enz. nilfë^riifrn(Lnj\\KX. zonder wapentuig, alleen met de armen of vuisten vechten.

(Hiiij Roll, kantoor, bureau, zooals hel

Residentiekantoor of kantoor van plaatselijk bestuur , het postkantoor , vendukantoor , enz.; ook een schrijf kistje. aj) om xj cm/j ^ de plaats of het huis, daar een kantoor gehouden wordt; bureau.

ij om oji ^ KW. weggaan, op reis gaan, vertrekken, van

s

ojo/ii ynw

,:v o a/

ifhxions zie iu))föi\\\\


-ocr page 323-

■■/ioquot;ffi.rv}jj

217

lt;n ii 11 gt;

f,11 j,j-rn z!0 vu vu-riw

7 W,Kquot;? KN- ^ gd\'quot;quot;!\'1! üt vernomen

worden; evernl bekcinl. 3. Hall. kon tra kt; overeenkomst in forma.

KM. «gt;«. xmtjuns of -rjingt;KJif U)tigt;ryj\\ .O

iquot;quot;ld?i\'rnp \'ie ajn rj^gtarnjis

\'/\'/quot;-quot;quot;(IQVIV

KN.; q i-ntiilft s ,ler_ 011 \'lerwanrta gevoerd worden , zooals een schip dat (jecn stuur heeft, of een zwemmer in de onstuimige golven; rusteloos heen eu weêrloopen {vrij. Tjeund^iun ihT). h)).Inin\'itn tiimi \\ naam nan een hoseh.

\\m |(i un \\ zie i/n

ini (hi mi en iH) in \\ of lt;rj ku K w. zva. aot

Htijj (S/ïr. k e t a Ie a en -ki. pk.), en zva, n.i ah w

O

\' quot; zie quot;ü i n Ut,\\

t) hnt jn ibny \\ KN te kort sehieteu , tegen een ander

niet op kunnen {vrg. rjaimr^nw/j en wtnin),

u n ij ihft i w/j \\ zie bij uti \\n

ij i.ii m\\ kN. op den wal, het strand o/een droogte geraken of stoeten j geheel ten einde {waarschijnlijk voor /.n L/n jri van ü)i Prg. nmyn ijjjj).

— 7 r\' lisi■\' V quot;quot; N 0l) ^eu wa^gt; \'1(;^ strand of een droogte doen geraken; iets geheel van kant of ten einde brengen.

h ii (fa (V)(iji/j\\ zie hu ten n w

nn (hn lu/j KN. het hangen aan iets, bv. aan een draad, zva. imn^rj (mpw flQ riA/j\\ aan iets hangen, 0iy/gt; itïï ruil \\ fuj. in het hart gedragen worden.

inii] W KN. een smal stuk katoen van ongeveer 4J el, genoeg voor een borst kleedje 2.

— 7 (t^JI\\ ,ie^ spel de boon op-gooijen, om te zien wie het eerst spelen zal ? WW.

« . a \'IV

ai ij lug(u^Hit HU ij w n/i in/j\\ Tj.

hit ^ ru/j \\kn. 1. een vergiftige pad, een soort van pad, met gespikkelde huid (vrg. Hvairjvjy). — ini lai %n rhi nnj \\ een soort van halssnoer, WW. bestaande uit figuurtjes in de vorm van \'hii jo ru/j Tj. Rh? 2, verbastering van het lloll. ketel {vrg. ij nn ij (fhii).

\' \'t z\'ie rl ,nn WinJifls

V hn Vr^//N TI)- zie 7 ^ i tvtjjy

kn. door een slag of stoot op een afstand neer komen vallen , WW. volg. Rh. weggeslingerd. (AS.) — if ntffltuij hii\\ iemand of iets op een afstand neer doen vallen; volg. Rh. door een slag of stoot weg-, van zich afslingeren.

ij Hiu\'innijj of i.y tin ni^ kn. een soort van reiger, een witte vogel met langen hals en hooge be en en K

die zich in de rijstvelden ophoudt.

O • / •• O )

7(11 Jff m/J zie bij i/n jmiui j en im %n i:ii.j\\

7l huifö}a^Jls zva\' \'I u,niiï l)itp zu\' bij im({n rii,]^

o . ... o quot; w 1 \'

hn llf/ 1 ™ 1s zie o y i ti fin ivnijj \\

O . O

HU If^fj K VV. zva. I, IIH1\\ Zie (IjII\'^IW ZIC (Hi^,

ij i,n 2 ilt;j i^ijj \\ zie bij

hd art} \\ of verbasterd htirj inji\\ eïgn. van een l)ê-wata of lie si; aan wien als eersten acteur het verhaal van de Wiwahd wordt toegeschreven {Sir. Kan aw a) i ook van een Vorst van Mëndang-ka-molan. en van een Vaudita, den vader van Dèwi

Aloe pi.

o s o

H H (Hl itJt (UI \\ kw. zva. Yl (1.12 1.711 Dl HI \\\\

\' ( i

O o quot;) ) O o

HiiHj \'Ujj \'im Hj^nij** ld ij.Hji n.ifjs zva. hn ilt;jjj i},i,j

amajj^ufj enz.

hii hi kn. een kleine houten knods, daar men mee op twee op elkander gelegde këniiri-noten slaat; een dergelijke houten knods bij het Icétjik-spel; het bovenste van de rijst, die in een pan gekookt wordt, het. zoogenaamde vel; het afsehraapsel van overge-schoteue pap of van de op een i(?i lli oaj^ overgeblevene rijst. — x?i h^iu^ met een Huit^iru/j slaan.

(Hii (Hl (ViJl^KVf. zva. im .ir^s Hiicrn cnKKi/js

(h11 ihin beter hiierrn\\ zie mi mu rrnw

Cr) (aJ i CJ

Hiicnn n KN. een van ij r i ijcnni touw of iets dergelijks gevlochten, zak, zakje, tasch ö/buidel {yrg. iniiij ijcy\'ijf). Ook is \'inmny gew. hu ami \\ de eign. van een gemalin van Ardjoena, een dochter van Vorst Droepdda. hu ani uh ui \\ naam van een too-neelstuk.

i

hucriii N., hj(hifjsk.. een waterkaraf van fijn aardewerk met een nauwen hals en een tuit. {Skr. koendé, pot, kruik), hu a fit [U^a^in.i\\ een bijnaam van Ardjoena. verb, van Ködi Wrëhadnala, v d. T.

hu y\'P^hnkn. slap, los, niet strak aangehaald; slap, slapjes, in den handel {vrg. (un ru ); Jlg- flauw of traag ; slap, Hauw vorderen , bij het zeilen bij den wind. iiij.yiy slap of Hauw te werk gaan.


-ocr page 324-

Q a ■Hn(rrn 2 \\

CO \'

248

,nl7n.

verflauwen, verslappen; 4e». van halfdionstpligti-gen, als pasijchuwdcn, oudere lieden, ER.— i mj ij!riiitilt;j\\ losser, slapper, flauwer, trager worden, maken, iels minder straf of met minder drang lot spoed behandelen, er niet sterk op aandringen. — •vnjnniiimi ~in ijnoi iels loslaten, niet stijf vasthouden, maar laten slippen; iets losser enz. maken, bv. een riem, iels verzachten, temperen.

kw. zva. ijivii\'yij \\ ivrrjijttuj

(■Mv. iot\'wrfrt , pot, kruik, een ronde waterbassin).

nnnrn * kn. potlebakker van fijn aardewerk, zooals een P (V

O n , ) 1

nninif\\ (vrij. cn xnvjnm/i bij

(aJ Ci \' V_J \'\' *

(irji ™ \\ potten bakken. — tui )j(rw pottebakkerij ; pottebuk kers wijk.

rj uHrjnnii kn. naam van een kost van geraspte kokosnoot y gewoonlijk met kleine garnalen bereid. — j. y (Ei }f nrnj ? n of u n tj m tj y n ^ \\ benaming van de kokosnoot, als hij jnist geschikt is om er kendo van te maken, als hij reeds een harde pit begint ie krijgen, onder dan de ixum-xi^ 2. de zoogen. vliegende hond, een vleermuizensoort grooter dan de wnirvn Rh.

riiniicipis of tunnrtis en iïn n joii nrn\\ of nu tm tm\\ \' CxJ J (a) 1 Cd (J

-• , ) - . d 1. kw, zva. (YUijihnnis Of^mi tujj mi lds rj nu

V coJl* quot;HA Cn ,J} ^ hl\'s ^ ^r\' ^ ^* amp; a » gt;

afdeeling, stuk van een werk). 2. kn. ,

vertelling, verhaal; een verhaal doen {yrg. acinn •vu \\ en rj uu ?^ ^y w * wn rj munrn overal vertellen. (hu ijmnamis vertellen. — r) ui^errn \\ ver-1 Ca) I (J

tellen, en zva. ilv nri quot;n \\ anririiiiis vertellen ( J (a) a

aan. — vnann iai ~ii rjuns iets vertellen aan iemand,

vertellen van. — Mrnnuinfi er van houden om ~)

iets te vertellen, ihti hrnnrntici,] elkaar iets vertel-

Ca.) ^

len; zamen over het een of ander praten, vrg.

O O

ij iniirriri\\ kw. zva. iji rLyj\\ ^ nn i^rijj^s hu rj

7j (KiJ 2 uryi \\

rjmiirj(mi\\ Ml. kn. kapsel, haarwrong, opgerold en

op het hoold vastgemaakt, zooals het kapsel van

Earopesche en Chinesche vrouwen; het haar zoo

dragen {vrg. nrifii^).

nm errn ? \\ zie bij mn rrm ? \\n CxJ \' j Ca) lt;

n • , o

nii(rin?\\ zie bn (incrmtw Ca) 5 J Cv) ^

orfTj f \\ kn., ininrrij^iun an/js un y i^ui aoji of .mi ij

vjiyn t vi injjs {in Tj. 00^) overmeesterd;

overstelpt, onder iets, zooals kommer, gehukt gaan.

: ) -gt; • t • • 0 KiKimss zie bn in trnsw CJ Cxi*

yn•gt;\\ 1. KW. verdreven, verbannen, gebannen. 2. kn. in den modder oi\' het slik gevallen en bemorst. {Het wordt verklaard door liuucns nithi q im

Ml/J\' (YT^ ttJ lLI \\ en iflltlAMIIJl).

yj hu i tjcrni lt;• \\ kn. een breuk, liesbreuk, gebroken, een

breuk hebben. Volg. Rh. bej). balzakbreuk.

h li nrn tt) \\ k n. offerfeest, irroote tui iji hu gt; \\ of ai di (i^n

CaJI s j ,1^ ,r)(

(Hijj {Pers. SXÏ» con groote tafel; een linnen of leeren tafelkleed). — lt;incrnj Yi\\ op zulk een feestmaal gaan. — iai mij rjni w/j te zamen zulk een feestmaal houden.

hii yij ipKN. naam van een wilde plant, WW. bij

Fit. Kandoeroe, nm. van een hooge palm. h 11 (y n (mi imji xn y i^ ^ m onjj \\ D VV. 15. inirjcyn ij-rij kn. slordig, flodderig va?i ee?i kleeding stuk dat niet goed aan het lijf zit. — nn n •rjmri ij-njs niet goed om het lijf zitten, flodderen, WW.

D ) . quot;)

1,11 »11 ri uiiji \\ zie hu (irij n iijj \\

uii trij y^ h njj of im mii iiJi nnji\' kn. met opgezette vrê-ren ineengedoken, van een zieke vogel.— inniijnj Hii/j\\ bi *y n iji uvji \\ met opgezette veeren ineengedoken zitten; niet fleurig er uitzien, van het gelaat. HiKiTtj n-j niet fleurig, kwakkelend, pipscli,

bv. van kippen, ook van menschen.

)

O ,

mi tjrrni rj -n irnjj\\ — tci ijnrpi rfn nrijj\\ enz. zva. tj

ijnmr^-n nnjj\\ rj in rj^yi.htiji\\ enz.

liirrrn -Yuun/j kn. zeel, koord of touw, om paarden le leiden, een gevangene te vleugelen, enz., minder dik dan (lji ny, {vrg. nsinwi^).

un tyij ui (htjj \\ kn . benaming van een rang of betrekking in den ouden tijd, zooals bv. ri \'-h lam \\ of m a

Ij H7II f (Uil sn

f riryn(hvjj\\ 1. un. neergeslagen, neergedrukt, de lust en moed verloren hebben, van gemaks, die niet meer vechten, of tortels, die niet meer koeren willen; getemd of gedwee, van een wild beest, ook van een baldadigen en moedwillig en jonge {vrg. 1 it \'Yni hvjj en Hinmis). 2. Ml. , een vrouw

daar men minnehandel mee heeft, ontuchtige {vrg. Yj imdh (Cl(Hijj). — t:niyhihiiyj hu\\ maken, dat een vogel lust en moed verliest.


-ocr page 325-

rj uil vjyvf ?lt;lt;^N

}ni (rrn üJTjjs

O

n Hntjoirfnrijj\\ zie hij Mitjoinutijjs

^ )\' s\' .Q.o.Qr„

,ji(rry lt;»lt; N —— \'H H \'*P ^

kn • nij \\ Zie ^ \'■ NN

hnnviiiui/i [ook itniytivn/l Kh.) m MnmKiy/Miti. een louw om daaraan visschcn door de kieuwen, of ooA gevogelte of vruchten , aan een rist te rij-güili — v:iam ii^n\\ {ook iJ.Kn/i niï\\ Jlh.) en mi rrrniiw^ iels, zooals visschcn, aan een touw rijgen.

(x)

Vnmtl list!^n KN., (T/ij lt;hnj \\ MD.; itinrnj nw/j en t) ci

cyn vtiji^ iets in of onder een kleedingstuk verhor-gen bij zich hebben , dragen of steken , hv. in den gordel of in den zak; fit/, iets heimelijk voeden 0/ koesteren; iets in het schild voeren; leis geheim houden. — incrn^i^U iemand iets in den gordel of zak, of onder zijn kleed, te dragen geven. — r.»

\',l ^en gordel, enz. te dragen geven aan iemand. — \'Hu ernj \'iwjktjj • wat dient om iets bij zich te steken, zooals huiszak of gordel {vry. un rjcyni w an/j); een kind in den moederschoot, wat door een vrouw onder het hart gedragen wordt; wat iemand in het schild voert; zijn innerlijke, niet blijkbare, aard of inborst; verborgen slechte eigenschap hv. v. e. paard. Rh. htumi itni/p kn. afgebroken, gestoord, interruptie (vrg. (L/i ij 7.J11 isijj). — hi nrrn nui/js afbreken, enz. niet aanhoudend voortzetten; zich zelf van liet leven berooven , door vergif, door zich te verhangen of te verdrinken, of in een afgrond ie springen {yrg.

cj a^rc^cugt; voor 00,1

wijl er mee ophouden, aan iets een einde maken.

kn. een strook of band, dien de vrouyven

om het lijf dragen, om er de in a/V)» van voren

UI

en van achteren aan vast te maken-, een bandje of koordje om het l\\jf van een kind, om ziekte af te weren, een streep van een andere kleur rond om het lijf van een beest; een rondom loopende ader in het hout; een richel of randje rondom iets heen; iets nis een band om den middel hebben; ook de kring, die door het geboomte om een berg gevormd wordt daar waar op eenigen afstand van den kruin de vegetatie ophoudt (Tj.) Rh. ciJiunrt/iq0\\ een hoop gekookte rijst (j^ *11]) waarom men een streep met roei of curcuma maakt en die tot offerspijs dient, WW. in Tj. komt voor: blauw gekleurde rijst met een roode nwirii iisn/i\\ — iwom (\\i GJ itwrjmis iets als een këndit aandoen.

wat als laicrin asu^ gebruikt wordt, W.

I. 370.

wTyni^i kn. in het water grond raken, aan den grond, op een bank of droogte blijven vastzitten, van een vaartuig {vrg. tjam anajiji). ook fuj. zva. gevaar; i»\'i?j0s K. 3,20 geen gevaar duchten ook hiimilihi^jInpi)\\ Tb. 7, 93. — r.inrn 7 111

O rn* ► lt;quot;gt;

mi w zva. iiriJs li. iIkti mi inani t) ^*1 iisi/i\\

Cv) co- J l cJ ai \'Jl

eld. r i yii»\'■ w — r inrriij.i^lt;1 ij un\\ op droog of op een bunk zetten of laten loopen. — iifiinnii fci^itan/j\\ bank, droogte of ondiepte.

hiiiriij 1 1 (hn^ nm rjcrny\'inii/i/j\\ zie mi(irrj f w

iiii(irii.7i i/jWiii. ongel, gestold vet of smeer {vrg. un yfj^): ook naam v. e. wilden hoorn, een Cor-diacea? en van een gewest, ni ruann0 smeerkaars, Chineschc kaars.

iiiKrw 11 mnKN. een kleine ronde aarden of metalen pot

( a I

daar rijst in gekookt wordt, met nauwer opening dan de hijdJin iw kiurrn (riji\\iï., lt;kii(rpiajjj.n-ijj k., breidel, bit, gebit, van een paard, ook hen. van de strik waarmee het juk, aan liet trekhout van de ploeg vastzit, SG. 0rn(inq\\ zie n m jw 0(kj)(lü\\ naam van een berg, waarop llanoman als kluizenaar geleefd

heeft. hinrrn 7u\\ inrrrnuji ningt; breidelen. aTi

J Cd Cxi v

1, ti nin viï ia ,1,11/1« Wangs, zva. ia (Lil iLj (ki of 1,11 icj njni/ii 11 ci^iji^ een toespeling op t n i j ^ ƒrj

iisii/j\\ daar tuii d/t ook bedrog heteekeni. — L]

-gt; (1 . o C) 0 ,

nniiirii ni\\ iKmifi i n is een iKnorn n i aandoen.

cj 1 a ut h (A)

h ii nni riji \\ kn. glazemaker of sparrebonter, een vliegend insect met vier netvormige vleugels {vrg. aw

.17/77).

O )

Kn wij ixjI \\ K W. zva. mini rrrnrii/j\\ (I\'m rj imi/t^i, 11 r^js

\'i~ni«/I asiyi en (ui ij/iji? wn/j\\ {Skr. k0 endala, oorring; bracelet, veter, baud), nmnrri lt;ruvsnam \\ en verh. in^i in in/I /oj(7/77 \\ bijnaam van Karna , naar de (kn i~i \\ die hij draagt {Skr. koe nd ala-ka r n a. Karna met zijn {van de Zon ontvangene beroemde) oorsierraden {koen da la), waardoor hij onoverwinnelijk 20as, zoolang hij die bezat. i\'K.).

iunaQi rf lil? of u i am tj tli? KN. bogt als van een slap koord, holligheid, vermindering, verslnpping, verilaauwing; daling van toon in de muziek. —. riarn ij n 1 ^ $ain ij/rlit\\ met een bogt loopen.

C1 o

iHIKIIII

(V


-ocr page 326-

250

ook ho. van een strand (Tj ); doorgebogen zijn, hv. van een door zwaarte doorgebogen plank \\ doorzakken bo. van den grond (Men.): hol of bol staan , van een zeil door den wind, {org. );

verminderen, verflaauwen bo. van moed\\ in toon dalen, Tj.

unlt;nii \'MJI^ zie bij tun^fj \'MJjN ^ wiw ii ii (Uii lli }^i aaji \\ kn. naam van een wilden boom, waarvan de bladen tot medicijn dienen, Piliostig-ma aeiduin, Batli. Nat. fam: der Papilionaeeae. nthnii arrtji\\ zie bij tun nn ern^\\

mimn arn \\ KN., ih D\'nn ci?i\\ kd. , een langwerpig vierkant kitstje. Zulk een van lontarbladen vervaardigd kistje, met een volledig stel dienst-, oorlogs- en dagelijksche kleeding stukken daarin, door twee personen in een glodog gedragen , behoort tot de onderscheidingsteekenen van den Vorst, den Kroonprins , de prinsen , die een geheel vergalden pajoeng hebben, den Rijksbestierder en de acht Najaklts. \'hnain \\ kn. , hok, kraal of stal voor beesten, zooals

koeijen - buffels, schapen, kippen en eenden {org. O . - • V

»(/j y rrrj on/j en nn ). —

(cmim in liet hok gaan. trmz/j cjaj»»\\ iemandwuw CO ■ ö Cü Ui

alle kanten als in een hok insluiten , in het nauw brengen. G. — tuirnn ii?i \\ af- 0/ opsluiten iu een hok 0/ kraal; ook fig. zich eigen maken v. kundigheden , Tj. iPi itti (rut (éi iu /0) Kiin rondom afgesloten met traliewerk. — luinin i i ij ui^beesten hokken, iu het hok of iu de kraal drijven of zetten. utirrrn (hij]\\ zva. (rnihiww/j meer bep. in een slechten zin ? althans volg. WW. van iem. die in zijn ongeluk loopt (Soel.).

(hn foi iin\\ Lie

h ui

C)

iifii iLt of y \\\\

bn a)n n kn. een langwerpige trom, die bij de gamUan

gebruikt wordt; de groote trom hij de Europese he

muziek {org. en tai iüii ) j ook riem ,

van papier. tónini tip/ \\ kadölé iu schoven bin-C) »

den, SG. — lt;101 iun w/j \\ het tromvel; ook het trommelvlies van het gehoor. 1, n i^n lvi hiijj \\

het hersenvlies.

i,iiiuy \\ kn. pees , gespannen koord; pees van een hoog, bergketen; naam van een bergketen ooer het westen 0an Jaoa en in Pasoeroean {org. (L]ii^]j\\ en f^iSm). — hrmn en als een peesin de lengte

zieh uitstrekken.

uu n KW. zoa. aFïharn w — in^ ii) yn . zoa. n^niis en iuri(rmq\\\\ kn. versierd; versiering(vr^.

en zie óok bij iQanp. 1.1^ lUtytj fraai ver

sierd, fraai gemeubleerd.

ij H)}crni\\ Kyf. zoa. oLjtui {ook in Bab. T. Dj.) en ij rj nu H.i \\\\ Ki. va?i kh,li^lt;ui\\ gedeporteerd, verbannen worden {waarschijnlijk van iuii ai 11). —

11 (inatn ui rjihn\\ verbannen.

1

11 nnier 111 KW. zie bi) (lyiirtf/#\\n KN. zva. un hi n 1 ju

1 _) UI ^ J hu) ^

tip iLijl en mi ajn w ben. v. dwarsgoten op de sa-waits, SG.

) . . O o

(hiiain zie iuiKnii n iw

hniHi\\ beter hn.iSns 1. Ml. kn. stijfsel {org. ilhl; onji en (i7r^ar.rp\\ ivhvm \\ i. iets stijven. 2. uu iMi \\ of ;,i7?/7n afgeschrikt, ontmoedigd zijn. Vry. hii ij (Ui Jlt;OJI hii Ujwji\\ /. 11.iin hiiji\\ llh.

mi tj i \\ kn. mislukt; van de kook af en niet meer gaar te krijgen; ook tvnni hai Kh.— iuh wtyrini (Hi/js hetz., en afgebroken, van den slaap, in den slaap gestoord, zoodat men niet weer kan slapen. tmirniw KW. zva. ini Kjtn^/j\\verliefd zijn, van liefde kwijnen {Skr. k o cd jan a, gekreun ; gekir, pk . go en dj a na, een dof geluid of gebrom.).

kh i.ni \\ kn. hen. v. e. wapen uit den ouden tijd, een dolk, AS. ook .Hiirjri\\ WW.

000 (A

mii hm\\ e9t wi i:iiirgt;i\\ (Skr. ch inzïr, een wild zwijn

org. tjijiiiirli).

rj nu yrrm kn. een luchtje scheppen, een kleine wandeling doen, WW.

uii ;rm-n v ook wel orri mnni\\ 1. kw. zoa. crnitt;\\ ( (l

olifant {Skr. k 0 e ndj ar a). 2. (tnjxnrris ook wel

O

on trin u\\ en (nicrm gt; 1 \\ KS. (L/igt;t:mrr)\\KVf, , gevang-0

enis (Skr, pandjara, een kooi). — nr^rni n\\ kn. gevangen zetten, in gijzeliag honden ; jlg. zijn driften en lusten bedwingen. — 00^ iim-riiHijj^ook wel (Ui:ni\'nunjjs gevangenis, hechtenis, arrest; kerker. — tui rn cKiij gevangenhuis {org. nm

» OO .

iinjiês en dji n (hi.Kii.i.iim).

( ^ ti

*ÏSl n ver^eer^e spelling voor ij najjj^

O 0 Cl

ij n u terp noji \\ zie (un ,vm nnjj \\

ajnn z i^n hnjj\\ zie hij xmasyw nij iniihiinnnTii\\ zie hij mi nnlt;iu\\\\

i*. V lio

(tj un i i m ,Ujj \\ zie gt;ur^ v.ni ujj \\

iHiiim\\ of nn nm \\ verkeerde spelling voor uu irlt; w

Cr» Ggt;.

1,11 r ni kn. naam 0. e. fraai, velerlei gekleurd, oier-


-ocr page 327-

O ■■■■\'

\'.li y \'j j* \\

251

r

vleuijciiy insect, waarvan verschillende soorten zijn: juffertje, pieterman, spnrrcbouter (vrg.iïiiaitt iuy n nu ?ni \\ in \'■ gt; \'I\'\' \'i ^ 0/ (Mn inixihs verkeerde spelling voor u~i tj ik u ~ji) iriji \\ en dit voor lt;k,i tj n/n iurp\\\\ Vrtj. ij kh khji \\

ij nn 2 kn. flx/j0 eeu pak van 12 stukjes (of

pijpjes) n kii wj]\\ Jav. suiker, C.P.

ihtit£ji\\ (jew. ii^\\KW. zva. [OLn)ui(H)^\\ eeu jong ongehuwd meisje, maagd («Wr. kany d, maagd, meisje. I,n (hjjiiuj • n\\ het verblijf der jonge meisjes iu de k ratou (i^ gt;.«fiJ) ?. (Hyj). •») k »\\ eeu

jonge regerende Vorstin, die nog ongehuwd is. * /1 ihjjj HndJt \'~n \\ naam van een dichtmaat en zangwijs,

gt;{gt;l\'W™\' zva\'

a

KH On .LUN KW. ^J Vjl H I) \\\\

m n iH]jj nil \\ kw. lt;U7/ i (k)jj verb. v. hh hj ,kii \\ Skr. kanaka en zva. tut if .uj 2 iHyj Skr. k a n y a k d,

meisje, verkleinwoord van k an y a; zie kii iHjjj w

n o

mil ihjji lis// \\ K w. zva. \'yum (biyjs

(lin afval van koper.

i\'ii H^jJ^v KN- gt; if KHff , een sirih-pruim (yry.

(hti uj).— ir? ly/j j tuit seen sirih-pruim klaar maken. \'■\'\' VKN- J quot;quot;\'\'\'/ yjjj^ \\het zacht geluid bij het kauwen va?i sirih, halfgare groenten, enz.

cM^7^\' cï\'l\'N o^inme11 van vet of olie, zooals van paling die gebakken wordt, Tj.

ij un i trj mjji i ^ \\ ^ :v.i) è ij\'!); w

o r» . o

**quot; N ^ quot; Mjjj /y \\ aj» ^ ^/ \\\\

zie

lngt; cM KW\' 6\'w KN8^raa^» stralende glans, stralend licht. — •HytU(Hjjj\\ stralen; kw. ook zva.

(IJl (Ujj\\

c) CY

un (Kin KN. gevoel van lust, neiging, van het hart. *lt;n cJJ! kn* vetachtig glimmend zoo

als bv. speeksel van een slak of bloedzuiger, en derg. (Tj.) Rh.

/ S S\' ,

il\'innrj (hgjii\\ kn. j tj ihtnij agjji ijiuiit nieuwe-

lings, sedert kort. tLt tc^itiji0 een wezentlijke broe-

Vi

der of zuster, niet een (fJiqcrCi in den zh n e ef of v r i e n d.

s

hll Si

yjjni a[lQN z*e by wnHjjjw lyuwi(hgjjmiS^nkn. onbestendig, veranderlijk;^

*1 U i IHJJI lEl fhjjj w W W.

\'•quot; alt;]h1 [\'Jn kn. ; h n ihjjiihn (hj/^nsn/j\\ trekken aan den tepel, van een zuigend kind; ook v. e. visch aan een hengel. — aangetrokken, aan

getrokken worden, van het hart, door een aanminnig persoon; ook v. h. hart ontroerd, hevig aangedaan, vrg. Mal. tërkëdjoet en Jav. /.//^c/tsr^

IZI iHiiiLiiitjtbnjj bij i,i.gt; ti\'yunjjs

O O \' ^

htt ij .Kjjjt iMijp zva. ihh Kn.

quot;» o ,

iHy tellJIS KN. mi Ij Its/ML/ flJU. V. e. gele iHH Ijltjll

ni\\ Vrg. het Mal. koenjit rzz Jao. (/. ij hj \\ rrj uu iUjy^iL,n^\\KK.gt; vervoerd, weggesleept; verrukt (foor (uu van (uri (iijjjihUjf ). — ij c/ (/y^./^/ y /■ // \\

iemand verrukt maken, verrukken, bekoren. ■rj hVdo^jiistyisKii. naam v. e. groote slang, WW.

w)oqn.iniiuntmjis zie /;///astiw

OC O , )

tun (Hini iHjjjddjjji zva. —inn

o a a a rgt; o o o

innKN.; uu zva. ikh chijh un

]cjr

o , o n n ,i

hII iHJJj 1UJI Of 1^1 hj ilLIJj\\ en (h II JfJJj III I iKJJj ILI fj of i/O»

c9 kn. lustgevoel van iets, dat elastisch

(zacht, maar veerkrachtig) of taai is (vrg. dnitïnn

O ..o •

,/l^). — rgt;.7/ f./ aqji tujj \\ stijf, maar elastisch , voor

het gevoel, zooals van dik gekookte djhiang en

het vleesch van een mollig kindje.

O o * o O o 1 \'i c O

7/»/ 7^ / Ujj Of / J» 7y / . lt;?W X // (Hyi ILf Ihpi \'tu/j OJ «O»

7y lt;m?/ hjkn. «. 7. // ihjjiirujj enz., maar alleen

van \'t gevoel bij het kauwen van iets elastischs of taais.

o -o o n - o

/. ,,(HJ Ij \'\' U/J OJ ^jj 1 ^ N en M ^ 7 of

Kj^ \\kn. ////(Hjjj ru/j enz., maar alleen van \'t gevoel bij aanraking (wy. ii^jj^titujf). \'W?/ /./^iau/j\\KN. elastisch, veer

krachtig, meegevend, met de

hand, een stok of iets dergelijks, tegen aan raakt

of aan trekt {vrg. ifoi

on O O ,

7o/7^7L7^\\ zva. hii ihjji iuji e?i hu rj iHjjjt iLifj en volg,

Rh. meer gebruikelijk.

o O 1

y hu 2 kn. ongeveer zva. hu vf uj— if nn i

(Hjf tu:hpi / ujj \\ onrustig, van iemand die niet stil

kan blijven zitten.

O O hu (H^i

^JjCUfJfS

(?) O . O o

\\ kw. zva. (L/i(hi \\ tui (u^\\ en wamp;qw—hij a.i

\'.va. (L.1 §\\ en li iérw

I V\' ■ Cl Cï ,, ,

(huMjjftamp;iji^ en 7.//^^/kn. smakkenue proeven (vrg. vm itrijis en ih u i^i urilt;wMnKN. het jong van een aap.

uuH^ fjjjs zie bij i,i^ i^jfs


\\

-ocr page 328-

252

\'UII /Hl\\

Cd

iniui\\ heter }n/(rin ■ zie ri irnifr/nw (•J Cd 1 Cd

midni\\kn. medgezol, iemand die ceu under vergezelt, (u

vooral tot assistentie; die ccn ander tot gezelschap strekt; Iemand tot medgezel hebben , vergezeld vanj begeleid door; geassisteerd door j met iets er nevens {vrlt;j. rj-n i^y luivhi^rpjitj^iuwis vergezeld van (bekrachtigd door) een eed. tin nyn \\ als ilt;n cyn bij zich nemen ; iemand bij de hand leiden. ny yrj \\ tot gezelschap dienen ; oo/i- naam van een zangwijze. — YD\'l§\' tot inirrjrn geven aan. — n rj ij trni ui) y \'-quot;N iemand tot udcm) geven aan. — un hand aan hand, of aan den arm met

een ander.

hticnn K\\v. oliepot. nv (tlh ^ nnnjn kN. een soort van

(.O (I (i.)

kleine ronde witte pompoen, waarvan de uitgeholde harde schil tot oliepot gebruikt wordt {vry. i t\'i /7

i)quot;

uy tyn \\ tj nxt tjt i. yn \\ cir/u. van de moeder van Vorst Karna en van de drie oudste zonen van Vandoe {Skr Koe ui t).

O j ..

gt;1 uv ryn \\ ihncrnis zie bij nr^ i/// nyu w r) hi)2(yjrn\\ of unyns ook w in k\\\\. zva. en

(Skr. kantha, dc keel); kn. de gedaante, het voorkomen, van iets. i n^i rj mi 2 ^ n., rhn^^ntcrrns nieuwe maan , donkere maan.

niny trndnpjojt 7i\'r)i(tG\\ een steen in de gedaante van een lotusbloem, fraai met bloemwerk besneden toetssteen, rjna rjiHjgcyrjs volg. Rh. zva.

•isnihr n toi-n\\ niet om te bepalen zoo geducht hv. v. e. vijand. Men.— (uyq udi(rm\\ slechdeschrijfwijze voor B.

quot;3« lt;?)

i-yyyyisKw. zva. aj^ihiMn^\\ tjnmi en riKnuw ook naam van de derde Windoe; en een valseh gerucht, valseh alarm. 0iii nj tji\\ naam van een oud wetboek, tijj k i 3h a^ n m n hix ut .hli \\ zva.

O* Ou a Ov

11 h \'j) \'Jn\'\'*3\'hn * \'lj1 :tn ,ui f\'i\' ^JiNN htf] yrinicj

^ Ov O \\ quot;)

\'\' jij ury zva. {^.r^ hu u n ; vn d j rrjjj tv ihiijj \\

jjhiuyn iKn/j^ kw. heet, scherp of brandend op de

tong, zooals hv. Spaansche peper.

mi :}(yrj iisn/js ook loet cm ij(yr) asn/j kn. aan iets anders aangehecht of aan gevoegd ; aan een ander gebouw helend ; aanhechtsel, aanhangsel, aankleef. — r; /j\'mi isjj/jN \\\'n rn )]lt;rrnihv/} iets aan iets aanhecli-|en, binden of naaijcu; eeti boek innaaijen. — ci »ƒ 7jlt;yti fiyU \\jn rnrjirrju^s aan iet-s aanhechten, enz.

ny rj yn vny of rj umrjiirj foD/jWin. klein gebleven ,

niet volgroeid; verschrompeld (vrg. i.ynp\'i). rjwrfnrnj .is^v zie ^cyyj^

ini \\ kn. naam van een kleine pad, die zich op

blaast en op zijn poten verheft, als men hem nadert (ixrg. .lm fin nAjf); ook de naam van een zelden in de bosschen voorkomend beestgt; dat wel op een buffel gelijkt, maar niet grooter is dan een kat.— Lr rrtji (Kyj\\ of u u iu ïino^jj spr. opgeblazen, verwaand , vol verbeelding.

inirjirn rjyjsKX. een dunne, korte knuppel. — i i ij

VyiJlt;i^JIN ^aarmcc slaan. WW.

hn rityr}2M/i\\Kii. sponsachtige knol in oude kokosnoten, kokoskiem, zie mi fu/j\\

ininrri n i/jsKü. aan iets blijven hechten of hangen ;

(d

vooral aan iets fijns bv. een draadje of een haartje , aan iemand gehecht of verkleefd {vrg. un ^ irx ijj en ni uu n^if); ook naam van de tjarnpaka-bloem ; en zva. tm ip ni/js tj nn ? y n n i m?/ n i/j gehecht en verkleefd. — (inctni zva. imrrtn \'lyj hangen efiz., onbetaald blijven van een kleinigheid. — xnnrnn^ iets behangen met iets kleins zooals snippertjes papier of franjes, zoodat die er los bij neerhangen. Hu ricyrj ru^ in menigte neerhangen als boven.

iniyn n /^nKN. dik , van vochtcfi, stijf (niet vloeibaar), gestold; geronnen; dik worden , stollen ; flg. niet meer fluctuerend, tot een vast besluit gekomen; het

besluit of resultaat van een beraadslaging {vrg. hi!

) ) v O n

iiryu/j en nrrri ruj). r.n in ju^ant 7uj\\ ijs. —

i irynru/j\\ dik of stijf worden, stollen. — ilnnl

ij irjmi \\ iets dik maken, stollen; melk stremmen.

— hii kn\'nn iri tHi/p het gestolde ;, het resultaat van

een beraadslaging, vati iems. woorden, vast, niet

fluctuerend. tegenover \\ Men.

iai(Y^jj ruij^ kn. — wnrrj tu/j\\ l ij kleine gedeelten

bv. een werk afdoen, een schuld afbetalen. —

(utirrjh nins bij kleine gedeelten, bij hoopjes, bv.

i* Cd —\'

zich op marsch begeven, of hei een of ander ver

voeren, enz.

O \'quot;ï - o o o • i • 1

titKim n )/) of mi i.irrrnru/j kn. uit eigen beweging (d (d ~ \'

digt achter iemand aanloopen, overal naloopen, volgen en bijblijven. — i?uimr\\*n of nouScrtii n i,i\\ (d (t.J — \'

iemand, die gaat, achternaloopen en volgen ^ hii rjrynlt;? njyjs verkort tj up i irvy ^ kn. een eeretitcl.


-ocr page 329-

tj uiiirj y rj i n,)Jj \\

die door de dorpcimyen bij hel aanspreken aan hun hoofden negenen wordt. Zoo njj -n ^ ij mi ryyn / vw/j

of rj i-wf\'y\'l gt;:\'gt;c[nlV Ij hitiynmi ru/i KS., a^iir^jK) av/js (mlff. Ui, ook

(mijnitD(Kifl)Ki., üe bal/.uk, liet scrotum.—11171111

(£. \'—J

rj,imi\'gt;Li/j\\ iemand bij den balzak grijpen 0/trekken. — ^ (ui) % ij a^n 1 vji anjj \\ een pijpje of llnitje niet twee rinkelende balletjes meestal van zilver door kleine jongens gedragen om de schaamdeelen te bedekken, CP.

hnytjsKH. y ti\'tnt2(1^1 \\TiJ. een klein soort van\'prauw. imi^nynisKH. zak, beuru, tasch, die men bij zich draagt (vry Dm crni\\ en kh in iu/j hij hjhimJi iujj). iiTr) 2 rj vli 2 \\ bijnaam van Pétroek. 0Sïayy fan K11J1 gt; 0j . het hersenvlies {vrg. itnim)i ie? — m tj y\'n i \\ iets zakken, in den zak steken —tut tj ^ll^ï\\ mv., en iets opzakken, in een zak doen of hebben, in zakken doen. — mhnrjo/m2ie?cmji\\ zak aan een kleediwjstuk {vrij. run am uw anjj)-linnyns KN. aardappel. .gt;lt; »!t am tj «ji 2 m \\ Europesche

aardappel, unirt\'tfiu)\\ aardaker, kleine zwarte

, • O . O . 7 O • O \' O

oui. — \'Uii (ynj(Hiicyrj \\ ook 11^1 (yn (ui ajn \\ en ikii

onverzorgd in de open lucht liggen 0/ staan. lt;u ti bn y\'n \\ {of un turicy)j iui (Hijj \\ Tj.) in de open lucht staan of zitten.

wMrtflt;j\\KN. gespannen touw 0/ lijn; een lijn die ergens om gespannen wordt iot afschutting; de lijn die om de vier middelste stijlen van de Pradamp;ti gespannen wordt {vrg. ifinr^hi); volg. llh. ook deftig van houding, klein, welgemaakt en stevig van ligchaamsbouw.—{wmin nPi\\ Tj.) een lijn trekken , die niet overschreden mag worden. \'\'hyllS KN\' geluid ting, een klank, fijner dan \'V»Wi/N en ifoirjar^rj w en iets bij afspraak bepalen, beklinken {van de grondvorm Si\\ voer km Êï\\ een woord zooals ons getik en geklink), ook met elkaar klinken, Rh. tjojtiriiru0 een soort polhig met kleine ruiten, (Tj.) Rh. — iuiicytj uiihnjj\\ met elkander aispreken , ook zva. lt;hj) (iSt (m(hijj\\

iïnnrrnsKU. de klank, zooals die door het slaan in

(e/^

liet rijstblok veroorzaakt wordt {vrg. (fw ryn \\ en

). — hyihjnnjs zulk een klank geven. .

*nr^nrm\\K.w. het geluid teng, een klank, fijner of

scheller dan mi rrn) \\ en 1. n n cr/n 2 \\ zoo ah wnnnerr

(lt;t / \' (J

men een steentje op een \'metalen schenkblad val-

O

m n nq (rfrj 2 \\

le?i laat: TP. zva. lt;rntiiinw 114(t,i Ji:iai iicrj\'n\\ ecu 1 Cxi 6 f (d

mortier van steen. — (vihoilt;rj(y)j i:jariji plaats, waar aardewerk gevormd en gebak keu wordt. Rb. it\'fTitjottj?1 kN. het geluid tong, het geluid van het slaan op can tj u£i2 ij *:i2\\ of het

slaan daarop {vrg. f^icfin ).— /. n ij (y n 2 r:i nnji\\ een groot uitgehold stuk hout of een stuk dikke bamboe met een gleuf, daar de nachtwacht op slaat, en waarmee seinen gegeven worden tot oproepingen {Zulk een seinhout hangt vóór de deur of in de pandapas van de hoofden, en in de wachthuizen); op een këntongan slaan , ook een trog {zva. nin

liiimnn KW. zva. tj hiiz ij iji2 l;iihij^\\

Hïjcyïj« KN. klein blijvend, achterlijk ii. zijn groei,

bv van een jonge {org. igt;i^ gt;f\'ygt;j tiifj en [^^ii\'?i u i/j).

inii(tjij ci (ui^/j\\ hetz.fig. van zaken. Tj. a. ^

\'/\'quot;quot;yif

tie ihnajnw

ijn

™ Cd

C ) o» o

UH :hl\\ KW. zva. (L71 ai.UWJI\\

(P) CV

ij hV2 (Hi\\KW. zva. ij uii ?mn \\\\

ini(ij)\\KU. een vlak glas, glasschijf, glasruit; van glas, enz. spiegelglas, spiegel {Skr. katj d glas of kristal), vrg. tui rima 2 iin/j); fig. ecu voorbeeld voor anderen {vrg. os» ^ t/fij)) j pagina, bladzijde, h)k\'ic}ihnnj)\\ {beter iu(toitui\\ Rs.) betraand, nat van tranen, van de oogen.

.m/ jjnKN. verschillen, boven anderen uitsteken , uitstekend {vrg. iHnriojKHii/jy); ook benaming vaneen soort van breed Europeesch geweven wit katoen. Zoo ij iF t 2 ov {of 7L/ gt;1 ui 2 ni/l) mi i?i w — 1:1 ijoji itj\\ overtreffen , uitsteken boven. Men. PJ.

wm(tjin KN. zva. (Kji iijuu)ihnjjs zakdoek, neusdoek; ook een lengte van katoen gelijk aan de breedte , zulk een vierkant, als maat voor katoenen °f sitsen. mi(uiw(Mjj is de benaming van een piramidalen koker van goud, die tot de insigniën behoort van den Vorst, den Kroonprins en de prinsen , die een vergulden pajoeng voeren.

ik ti rj ooi \\ tj Mti 2 y KJ) v K W. zva. ij (hD ? vj (Yfn w nu nat if

irjiKj} \\ met een \\(B.) Rh.

o tgt;

;.^flj)\\KN. zva. rijj\\

u \\ KN. de tuit van een kan of ketel y zva.

cn de knop in liet midden van een gong oj kënong, waarop geslagen wordt; vrg. \\ en

ur.niw — (cyi\'ij)2(h]\\ iets nitwasschen met een

258


-ocr page 330-

\'Ojrjryrjw/j,

252

beter mi rrpj \\

tniarn\\KN. modgezol, iemand die een ander vergezelt, (U

vooral tot assistentie; die een ander tot gezelschap

strekt; iemand tot medgezel hebben , vergezeld van;

begeleid door; geassisteerd door; met er nevens

{vrg. ij -n iny (tni tm(yndji aji asn \\ vergezeld van

(bekrachtigd door) een eed. vnrr/n\\ als .uncnn bij (d Cd

zich nemen; iemand bij de hand leiden. tot gezelschap dienen ; ook naam van een zangwijze. — ut?*7 YUc}S tot mirnn geven aan. — i:n rj )j trm mi rj gt;lt;t)\\ iemand tot imnin geven aan.— w \'lytjhand aan hand, of aan den arm met een ander.

O cgt; ti ■ ) o

ld KW- oliepot. (lï)orLj {im(irn gt; KN. een soort van kleine ronde witte pompoen, waarvan de uitgeholde

harde schil tot oliepot gebruikt wordt {vrg. mi ifJ quot;f

uti nrn \\ ti ito (Ui im n/n \\ eign. van demoeder van Vorst (\' (d _ \' (j Cd

Karnii en van de drie oudste zonen van Faucloe {Skr. K o e ntt).

O • 7 ■■

)fminrrn\\ Hutnms zie bij r^Xjinytiw rf ihvt(yrj \\ of (uii(yr}\\ ook mi in kw. zva. rn trup en {Skr. kant ha, de keel); kn. de gedaante, liet voorkomen, van iels. i jSJ tj uu ? (yij ^ n. , njt^(^ni(Yrn\\ nienwe maan, donkere maan. rjw ixivjirn 2mij aj) ij -d ?^ \\ een steen in de gedaante van een lotusbloem, fraai met bloemwerk besneden toetssteen, rjna )jwiiflrrj.ig?rnn\\ volg. Rh. zva. Mniin^n iortis niet om te bepalen zoo geducht bv. v. e. vijand. Men.— (iL^ uiucyrj \\ slechte schirijf-iv ij ze voor [xj^ mi ap \\ B.

•Ov .r)

K^\'riWLv.zva. (ijywtMnqs lyn }fn en iinwnw ook naam van de derde IVindoe; en een valsch gerucht, valsch alarm. naam van een

oud welhoek, cuj tTtj k i 3h n^n t» tiok m ill \\ zva.

Ov O* O

(ijjj isrji m -jn lUjihn itm % Ij} ut ,ui tri onjj w ^ rtrn ni

o\' O . quot;)

itl uj zva. b/i k n j un i ^ igjj ,hiijj \\

if inuyn heet, scherp of brandend op de

tong, zooals bv. Spaansc/ie peper.

io, ::.lt;iin lun/js ook ivel cm rjcrfïjasn/j KN. aan iets anders aangehecht of aangeveegd ; aan een ander gebouw helend; aanhechtsel, aanhangsel, aankleef. —

i / nnrn isjï/In \\ \'n m inrrn asn/i iets aan iets aanhech-I (^) Jl I (ij

ten, binden of naaijen; een boek innaaijen. — xzi ij

\'0 lt;r/n hn \\ vu rn nerrn mos aan iets aanhechten, enz.

! (O ^ \' Cd ^ ntjj rj nn isnji of rjionkn. klein gebleven , niet volgroeid; verschrompeld {vrg. i.ynn\'j). zie \'^cynasrys hti nrnjo.i ^ \\ kn. naam van een kleine pad, die zich opblaast en op zijn poten verheft, als men hem nadert {verg. •tni np ruji)s ook de naam van een zelden in de bosschen voorkomend beest, dat wel op een buffel gelijkt, maar niet grooter is dan een kat.— 7.-^ ,\'Lï li ij a^iJl n 0f wi Mnrtjajijj spr. opgeblazen, verwaand , vol verbeelding.

tie ï) tm 2 arn w \' fd

iwrjryntjiji\\kn. een dunne, korte knuppel. — it?y V^7\\ ^aarmce sl{ian* WW.

kti rj(yiitm/jskn. sponsachtige knol in oude kokosnoten, kokoskicm, zie ia mi rujj\\

lt;inici\'nj kn. aan iets blijven hechten of hangen ; vooral aan iets fijns bv. een draadje of een haartje , aan iemand gehecht o/verkleefd {vrg. tnuw (ni 11 en n rrri itsojj); ook naam van de tjarnpaka-

bloem ; en zva. rm xp run\\ n nn?nn) n i tui tun

\' id ^CU - \'

gehecht en verkleefd. — tiarinixijy zva. imrrrn iruji^ hangen enz., onbetaald blijven van een kleinigheid. — iets behangen met iets kleins zooals snippertjes papier of franjes, zoodat die er los bij neerhangen.Kininrn ni^ in menigte neerhangen als boven.

tal lin n ijj\\ kn. dik , van vochten, stijf (niet vloeibaar), gestold; geronnen ; dik worden , stollen ; flg. niet meer fluctuerend, tot ecu vast besluit gekomen; het

besluit of resultaat van een beraadslaging {vrg. uu

) ) v O O

nrn ru/j en ixnrn ru/i). rn nnju^nin iiiji[i\\ i s. — Ca) ^ Ca) \'11 Cd \' J

rinrrn ni/]\\ dik of stijf worden, stollen. — r tmn Cd J Cd

711rfKn\\ iets dik maken, stollen; /«^stremmen.

— un unlt;rrn tri(Hi/j\\ het gestolde; het resultaat van een beraadslaging, van iems. woorden, vast, niet fluctuerend. tegenover aj^rynis Men.

iwn^ ni/js kn. — tmrrj ru^ bij kleine gedeelten bv. een werk afdoen, een schuld afbetalen. — Mnarn \\ bij kleine gedeelten, bij hoopjes, bv. zich op mar se h begeven, of hei een of ander vervoeren, enz.

minni nijj of ini i?ngt;rn} n.i/j kn. uit eigen beweging digt achter iemand aanloopen, overal naloopen, vol-

r i •• O O r O Cl O

gen en bijblijven. — mniij rrij oj n rnyn n i/p iemand, doe gaai, achter naloopen en volgen.

rj mi rj nrn ^ njij^ \\ verkort rj np t k n . een eeretitel.


-ocr page 331-

O

lt;}lt; n t) crnj 2 \\

die door de dorpelingen hij het aanspreken aan hun hoofden gegeven wordt. Zoo ruj 11 % tj nu tfyn t (tuq of \'tj h ti rj a r 112 n j li * \\\'

ij hiuiyrmi ruji kn., aflcrnfw{polg. IU. ook mibalzak, het scrotum. —2 ij Villquot; 2\',t\'JI^ Lemand llcu grijpen 0/trek

ken. — ^hiunyn2it\\li(mjj\\ een pijpje of 11 uitje met twee rinkelende balletjes meestal van zilver door kleine jongens gedragen om de sehaamdeelen te bedekken, CP.

, vjwnnrfijxTv. een klein soort van prauw. \'WWnjfj2\\kn. zak, beurs, taseh, die men bij zich draagt {vrg itmunis en un HjI Ji ixjjj bij (urtitJtJi iLi/j). 0\'rjxm2rj (iu2\\ bijnaam van Pétroek. 0Sïasyj (iJi kujj v oj. het hersenvlies (vrg. iïai(n)i (vn (iqj)- —

vntinniis iets zakken, in den zak steken.— (i:tv) \' (jü (

cuts mv., en iets opzakken, in een zak doen of hebben, in zakken doen. — t.nrjct^n^nhn/js zak aan een kleeding stuk (vrg. tunnit^

innyijs kn. aardappel, mia^nirj(ijnop\\ Europesclie

aardappel. ^nani i^rtui\\ aardaker, kleine zwarte

1 • O . O • ,0.0. O

o b 1. — (h n inn ihoinpj \\ ook 11.1 (yn :i;iajn \\ en /. ti

y)jiW(Hijl\\ onverzorgd in de open lucht liggen 0/ staan. n /.nyn \\ {of :uuthuciirj (ci (hnjj\\ Tj.) in de open lucht staan of zitten.

\'fnid^jskm. gespannen touw 0/ lijn; een lijn die ergens om gespannen wordt tot afschutting; de lijn die om de vier middelste stijlen van de Pradata gespannen wordt {vrg. f n r.in); volg. Rh. ook deftig van houding, klein, welgemaakt en stevig van ligchaamsbouw. —Tj.) .een lijn trekken, die niet overschreden mag worden. \' KNquot; bet geluid ling, een klank, fijner dan

c)

wYjiyrjw en iets bij afspraak bepalen, beklinken {van de grondvorm afï\\ voor ininps ee7i woord zooals ons getik en geklink), ook met elkaar klinken, Rh. ij tu 2 tf vu0 een soort polhig mei kleine ruiten, (Tj.) Rh. — uncyij tn (hiji\\ met elkander alspreken , ook zva. (t^) ifSt ^j)^ (ynjjs } n\'wlN KNquot; kiank, zooals die door het slaan in het rijstblok veroorzaakt wordt {vrg. (fairyij \\ en lt;nnijo£rji ). — If-ji\\ zulk een klank geven. . hgt;gt; \'^(x/nkn. g®^quot;^ teug, een klank, fijner of

scheller dan nnnrm\\ en \'h n n erin 2 \\ zoo als wanneer

(if lt; Cd

men een steentje op een metalen schenkblad val

hnam \\ en lt;h

\'d

len laat; TP. zva. anvj.iinw n^iti Jiku een

mortier van steen. — tui alt;u 0^ cy)j n-nj^ plaats, waar aardewerk gevormd en gebakken wordt. Rh.

(iaifnarin ? ^ kn. het geluid tong, het gelnid van liet \'x

slaan op een ^ .^12 tj vi 2 \\ of hu ^(yn2 a i ik^/j\\ het slaan daarop {vrg. fnicrih ). iui tj (yrj 2 uzi (hn/j\\ een groot uitgehold stuk hont of een stuk dikke bamboe met een gleuf, daar de nachtwacht op slaat, en waarmee seinen gegeven worden tot oproepingen {Zulk een seinhout hangt vóór de deur of in de pandapas va 71 de hoofden, en in de wachthuizen); op een köntongan slaan, ook een trog {zva. aio

il LI iV) % ).

hiic^in \\ kw. zva. tj Hti2 tj iui2 ui hujI\\

uijcyn • kn. klein blijvend, achterlijk ii. zijn groei, bv van een jonge {vrg. 1. ^ y.nn it,n/j en [ir y u^niq). nijl(yn rji(w/j\\ hetz. fig. van zaken. Tj.

Q. Qv

un 2njn \\ zie Kunjriw

W

rfumcrgj

Ho*

kh (hn\\ kw. zva. (Lu tn tuKins

cO CY

Ij hll 2 (KI \\ KW. zva. Ij IH1I 2.1717 \\\\

ini(hJ)\\Kü. een vlak glas, glasschijf, glasruit; van glas, enz. spiegelglas, spiegel («S\'/t. katj d glas of

kristal), vrg. (vi urj nuid mi/j); ftg. een voorbeeld

O

voor anderen {vrg. din/tLitiJiy; pagina, bladzijde, 1, n,(iJ) (Htiaj) \\ {beter yen ihxtoi tnuui\\ Rs.) betraand , nat van tranen, van de oog en.

ii)i:i?i^kh. verschillen, boven anderen uitsteken , uitstekend {vrg. ihnirjiJidm/jK); ook benaming vaneen soort van breed Europeesch geweven wit katoen. Zoo ij in 2 rn {of 1 li tj ui 2 ) 1,11 i?i w — 1:1 ij 1 n m n overtreffen , uitsteken boven. Men. PJ.

wj^nkn. zva. wihi/j\\ zakdoek, neusdoek; ook een lengte van katoen gelijk aan de breedte , zulk een vierkant, als maat voor katoenen of sitsen, iio) (tjitw mjj is de benaming van een pir ami dalen koker van goud, die tot de insignièn behoort van den Vorst, den Kroonprins en de prinsen , die een vergulden pajoeng voeren.

iHHTjo-j)\\ ij(Hgt;i2ijlkw. zva. ij(ui2rj(nn\\\\ nnnnrij

met een \\(B.) Rli.

/. »0» \\ k n. ZVa. ij) iTJJI \\

/.ij\\ kn. de tuit van een kan of ketel, zva. a-jay ihtijjs 01 de knop in het midden van een gong of kënong, waarop geslagen wordt; vrg. eu

11 r.nt w

lAi

(i:^ if\'iJi2!h_j,\\ iets uitwasschen met een


-ocr page 332-

CY

(Hll I I •

O

rj un ui \\

tuitje, zoodal men alleen een gedeelle, dal bevlekt is, tol een tuil maalt en uilwascht.

•rj ini)5i\\ Eng. Ketch, een soort schift een brik. WW.

^ hk \\ k n ., roovcr, roovers, die in een gewapende bende hij nacht met opentlijk geweld en met fakkellicht een huis, of ook een geheel dor ft, overvallen,hen. ontleend aan Singkch Tjoc, de eerste die dat bedrijf op \'Java begon? R. v. K. {vrg. am f i ~ i irnji en ij^rn (rr) ruji). tjiii.ijj rooven , bij iemand roof plegen — ten rj imrjoji ? schade lijden door roof; een gepleegde roof; roofpartij.— tui rj f77 ui \\ het plegen van roof.

in) gt; n of ün rj w ? % \\ kn. klanknah. woord voor o

spuwen-, zie un icj^

7j mi 2 (fSi \\ minder goede uitspraak voor nr^ w \\ nti tjajt gt; \\ kn . ojt i»? fm ij ij) {\\ sawalis die on der wa-ter gezet kunnen worden. — rj ijv-jj aanhoudend doorregenen. gt;rn tltirjin gt; of ini rj ki ^un (mjjs in

ondiep water plassen.

O , . o o o O

?\\ 1. zie (lyniirjs en ifngt;w amp;.

of kn. klanknah. voor een hak of

homo in een niet hard voorwerp, zoodat het er

door gaat. — n rj iji i % of fi f \\ zoo hakken

of houwen, Rh.

o O (-»0 0 0 O

». n } i f \\ — un ia» ^ /. n kd {\\ ongev. zva. urn k »?»»«o» ^ \\

WW.

- O - O

ïcy^ fj) of (Kti injaj) f \\ en ^xrninjj of u n ».)» ^

tunafval; wat meu als overschot weggeeft, gift, geschenk.

tj nvrjw gt; \\ kn. gemorst door overloopcn , van vocht. — nrj mi rj nj) ? tj un if t J) f \\ en ij un ? oji f ij uii rj loi ^ n of ri un 2vj) j }cn ii w % \\ morsen en storten door het

overloopcn va?i vocht.

O o * o , . o

un i_».»li \\ of t.r^oji(i/?? n ook verk. iji i n kn. naam

van een soort van Chinesche prei.

rj un? ij ui nn/j zva. rj un z rj rni {\\njj \\ zie rjumijnnw

) ■) \' . ... O \'

•un i i ij uj (iri^ zie hij i i rj ujw

un ii l i•nji^ kn. naam van de vrucht van de kesam-hi-boom.

un i ji / ? kn .; »77117j?n of i 11 ) 7j» v iets stij f of li ard

maken; verstijven; stuiptrekkingen krijgen («/rowrfy.

(Pi on v O (P)

vrg. i/n i i en un rjieznm/j). — uniJiuirtto/i

of i,n hJiiJiii (uifj stuiptrekking, zooals van een

stervende,.

cy

7lt;»;\'7j»\\kn. 7iaam van een kleine zwarte vogel. WW. lt;707?rvKN. iets wat lang en smal bij iets afhangt;

»77flo»N als un 7.i neerhangen.

.. . /quot;o o .

\'7lt;»7 tj 7j7 \\ kw. zva. n/n n.iw — i-.t rj iui rrt \\ zva. mini

o / , S \\ •-

v:i \\ — u n ij ui rj ai ,~n (uifj\\ k n. ook un rj 70» ij ?j) \\ by

kleine gedeelten zoek, verstrooid raken. Sn en

iijt ifiï0 in Bab. T. Dj. e?i Men. {vrg. »/77 tjm ij un rj i^i gt;

O (l\\

DJ) ui).

) (TK

,fV»7\'»j»n kn. vocht dat men door persing uit laat drup-pelen, zooals uit een citroen {vrg. ij imrj 70»\\ en ifn\'ljïrf)\\ uitgeperst citroensap

druppelen op. Tj.

iets watertanden.

itn ij 77»\\kn.; bekkens, die bij de gamelan gebruikt worden; hen. van het door de schutbladen als ware het een bekken gevormde bekleedsel, waarin

de kokosnoot gevat is.

o Cy . o O\'

tun 1.1 \\ zie unnnw

Oi-

in) 11 kn. een ligte wond, die aanhoudend ecu weinig bloedt {vrg. 11) ?i). — unuiiij)\\ aanhoudend bloeden, van een ligte wond.

7.7^/j7\\kn. vlok haar op het achterhoofd boven den nek {vrg. gt;j un? ij ym\\ in^irin); haarstaart, zooals bij de Javanen door de jongens gedurende hun kindsche jaren meestal gedragen wordt {vrg. ij tj m? f^ unij); ook haarstaart van een Chinees. {ui^hj)!?) uj). 1^ rm niSj)\\ het afknippen van de punt van de haarstaart van een jonge, wanneer hij besneden zal worden; en het plegtig afknippen van eenige haren, ter lengte van een duim ongeveer, op het hoofd van een bruidegom, waar hij in zijn kinds che jaren de Jcoetjir gedragen heeft. irjiKitw de veereu achter den kop opzetten, gelijk overwonnen vechthanen doen uil vrees ;

van daar fig. uit vrees wegloopen.

s

irrj (hj), \\ un ur^ f7 ^ \\ k w. norj.irrjji^ujy -

(D ^ ^

va. (I/H (Ui \\ tui 77777 N r ) i

n ah (. \'■JTT zva- quot;quot;é

\'quot;I

nkn. zich met water

\'■l\'Tf ^

/ n y) / o . /

171 oji \'ti\\ zva. \\ ) 111 us zie (tJiw

\'T

. ... O CiS

zie bij .1/7» ij) s\\

tj-n? IJ IJ) 2 Ij) (7/7

begieten. (Tj.) —

IJ UI) IJ DJ)

tj un2 )j ij)t \\ kn. geneeskrachtig bad- of waseh-water, waarin kruiden of wortels afgetrokken zijn; liet water, dat men een haan gedurende het vechten een keer of drie door middel van een lapje (7^ »lt;i»? ijiuitf), dat men uitwringt, iu den snavel laat loo-

. oX

ook zva. uiji Q-j) \\

s

/ V

Y unzijiJi?).

miifji )\\ watertanden, naar


-ocr page 333-

h n 11 vniji \\

255

pen {vry. fninï). * n hj! •\'ij0 ^ (\'i\'j) rijstpan nckock met gesmolten Javaansclie suiker. WW. — rjm* rjr)i\\ een geneeskrachtig Imd gereed maken, iels tot zulk een bad bereiden. — tm ^ ii.t ? ijaj)2\\ sappig, saprijk, van vruchten i liet water in den mond krijgen, van flauwheid; ook afdruppelen , uitvloeijen van tranen,, \'J\'j.

h)):)Sl\'r)\\ kn. — v^(tSni\\ zieh lafhartig verwijderen WW. uit vrees zich op een afstand houden, wegblijven, Rh vry. bij

n / • o

linrjiKii^ zie to) ^ ) }?s\\

O/ . j .. O gt;J\'

tj xmij)laiaj} gt; zie bij n/thiJ)S\\

}nJJl of of klanhiah.

van liet geluid van het houwen met een patjoel in den grond; ook van hot geluid dat de maakt, kn. j 0f de bo

venste digtgetrokken korst van den grond meteen patjoel of puntig stuk hout lossteken o/ loshakken Ji. zie bij ïm rjdji? gt; (un (tnjjs het geluid htiirhjjini/i\\ herhaaldelijk maken. {vrg.u)nj 7 \'J en rj (rnt rjimnji hij ^ nvi tj-n un/jy hn 7 kn. het geluid van een hak, houw of steek, helderder dan u if ■1 ^ {vry. /, ?/ t nnijj). — i i »1 lytwp een hak, houw of steek geven of

doen.— itu gt;1 nn/j^ een hak, enz., bij telling.

quot;) ^)

uinj lyhnj enz., eva. hti)j rynifj enz., maar doffer van klank.

hn tf ry of i.ti yj ij? i/jjpKN. het geluid van een hak, steek, slag, worp, enz., in iets weeks en vochtigs , zooals van een spade in een water-ach tig cn grond of van een steen in den modder {vrg. foxfJt (uijj).

uvijiotmjts zie untrjim? (twjis en vrg,

xnvj ïjj i HWJj - KW. zva. tninr^Knfi (nn rj aj) ? }mj^\\ h ti 11 kn. klanknab. v. e geluid daf zich met zeer korte tusschenpoozen en aanhoudend her-haall} zooals bv. v. de iinnn^ — iiiw im/i aanhoudend, fijn regenen; met staccato\'s zich doen hooren, v. d. viool, Tj. ook bij ion. aandringen, zanikken om hem tot een of andere daad te bewegen, WW. — tiiiiny mv iem. herhaaldelijk

iets op het hart drukken , Men.

0

gt; twjj\\ kn. de pit van de sawo- of tandjoeng-vruehtj ut) ti / r,) ^ , i ^nj\\ naam van een spel, dat men daarmee speelt {vrg. ^ !nn hi mi/j-kn. naam van een lekkernij , djoewadah met siroop, tni nnm/j en aïïwiayjs dik modderig sawahveld, waar niet geploegd kan worden , door buiïels klein of fijn laten trappen.

O O O O . .

}lt;ii fj) hh/j\\ kn. ; i ioji nii/js van iets een weimgje olie koken; een geneesmiddel met een weinigje olie koken. — (iji (li],i i iin (in/j\\ een braadpannetje.

h. i^ ici ini/j-\' zie bij tj mi 2 aji (Mnjj \\

ij nii ij ui intji* kn. naam van een spel met sawopitten of duiten: even of on ; even of on spelen (vrg. i, ii ri Hti/j). fj)(thiiy hn yjv\'» hu/j^ naam van een soort van sprinkhanen. — 77 1:1 rj m ki^.js zva. a?iiiSI(inijj\\ en geld bij worpen schieten {vrg. iji imi^).

ij irtii iiim^ kn. klotsen, klotsend o/quot;schuddend zich heen en weer bewegen , of een klotsend geluid geven ; beroering, van de zee hij zwaren storm; levendige bewegi ng, van de oog en {vrg. if mi i y ui ? gt;ioi/f). — if hnt n i:ifiS hu/f\\ klotsend zich heen cn weer bewegen. — if 1 i?7Jitinip iets in klotsende beweging brengen, heen en weer schudden dat het klotst. I?ll If hl2(IJIJ{l)Jf\\ pass. If 17)2 KI Tf \'NIIJ hl Kil om- of dooreen-schudden of scliommelen. na if a/ui hi if inifi.i imtf \\ pass. * in t hi uif if jai \\ iets in klotsende beweging of beroering brengen. —

if f K* hi mi/f of hijj\'f i^ii ini/f\\ {ook iohif/11 IJ) (trnjj Men.) zich bewegen, schudden; een zich bewegende glans.

if nut if hitdoin kn. het geschud worden, van kaarten {vrg. nrf trn ? 11 nrjf en if cm? ifiKtmi/f). — rf r:i? if if hi 2 nii/f \\ iets op en neer schudden; de kaarten schudden.

fry 11 ini\\KW. zva. 17^ niawiy n^ijfs een vriendelijk

gelaat, een vriendelijke blik {Skr. koesjika, loensch

en lonkend).

o

if i,ii211 mi \\ KW. zva. njt r;i itnjf\\

C~) o . ,o

if 11 i ihif ioj\\ zie bij ajiim[)\\

o • 7 ••

if mi ? hi urn 11 iai/f\\ zie hij if kh 2 11 loijf^

iïniii nm/f^ kn. 1. het piepen hv. v. e. muis; vrg. ai nnigt;ii/j\\ 2. het phosphorische vocht van de i 7; »1 IJl Jll \'T) Tf h l ^12 % (Tj ) Rli.

un ajiasnif^ KN. zuur {vrg. (ï i ajiin/j en 1 n i i ri/f). if n (fjfi 1 if nsn/jeen zure (lelijke, kwaadaardige) glimlach. hn if ui asn/fsKW. de groote ])ces boven de hid, de

Achillespees {vrg. /. 11 rf rw mi/f).

im n hii/f\\KN. een ligchaamsdcel bv. een arm of been.


-ocr page 334-

a

mi (Tj ij) è (Mji \\

25(1

(H)l iK!) Ojtfj \\

bo. hij het aanraken van iels heets of dery. plotseling terugtrekken. —• ku tni ui iini or^/j zoo her-hatildelijk terugtrekken of een ilerg. beweging

maken, bij het tandahken (Tj.) Jlli.

O

n zva. mnj icii(Kyj\\

of ïoi ijivi kn. onvolkomen, gebrekkig, gebrek, tekortschieten, niet in evenredigheid zijn met iets anders \\ er bij afsteken. — Kj tekortschieten bij; afsteken bij; in gebreke blijven, niet voldoen aan een belofte.

^\\KH. nt) (hJ^ui ^ Ktt (KJj^rj ut ^ \\ babbelachtig, snapachtig, praatziek, zie if uijw un i i rufl\\ kn. klein, te klein, niet welgemaakt; ongemakkelijk te hanteren; niet passend.

toiij) fU/f\\KN. met de éenc hand achter den rug den

anderen arm bij den elleboog vasthouden.

y hmrj /j)i tLj/j\\ ongebr.; ij hm kn. eene

kleine hjIi li h n isy khji

j .. o .

»ƒ tHiriJ) itiji ih)/j \\ zie bij am tu w

O ^ ,.. O u n / ii uiji \\ zie bij (U) tun (uiji \\

•UH ƒ zie bij w

r) , )

u n ij /12 iijiijs zie h li rj iui^

nu ij ui ilp kn. de bloem van de dadap , WW.

h ii\'ui (L/i/j \\ zie bij ui (uiji \\

uu i 1 iL/i/js ook wel nn (ui iriiji\\ kn. geheel ergens ingestoken ; of ingeduwd of ingedrongen, tot waar het niet verder kan , zooals van een kris lol aan het gevest; v. e. hoofddoek, zoodat liet hoofd er in zit tot op de wenkbrauwen, Tj. (van ï~a (u^ of htdinji).

O . , , ) O O

nii u)(uijf\\KN. een pinangschaar. hnani ili un ui

een stanggebit, stang (Hollandsche).

tiiiu) iljiji\\ kn. smak, gesmak; 7}iet den mond {vrg. i. ii t\'jjj u/j); gepraat va?i iemand \\ lettergreep van een woord; praten {vrg. tuiy.i ivi/j). (hJi iamj) (L^\\ een spreek, een syllabe, hii i i njj ui ivijjy aanhoudend smakken; slabbeu. iniiiiiiuiajijjs den mond opendoen, den mond verroeren , tot spreken. — tiui tui Sn met den mond smakken. — i iiuuu-i tj im v smakkend proeven, K. 20. 1; ook voov iem. iets uitspreken. — (hiiiuu} tjijj\\ freq. Tj. — miii ui (u (uyi\\ de beweging van den mond bij de uitspraak van een letter, zooals die bv. verschillend is bij de un en de toi.

/■ ^ ajjj iViji \\ k w. zva. uji i^ijj \\ ij un uisoja, Japansche of nagemaakte.

; )

t, n tj I ) i

tj uu 2 ui (u/j \\ z\\e bij (ur^ i :i (vi/js ilt;n ui iij\\\\ of un r i(Ljj^\\ kw. zva. uuasujj\\ {Skr.

kattjapï, een soort van luit), kn. (iiiuuinS\\ of uu iji (u \\ naam van een boom , en van de {eetbare) vrucht daarvan.

i.y ui (ui{\\ kn. (bii0n overal gesmak, zie uu un mjj Tj. i,u(iSt(u\\KS. naam van de eetbare peulvrucht van

een slingerplant.

quot;) o o o . c\')

h U flOl iUI HUJI \\ (UU I ) (UI h UJI \\ Zie \'U11 !UI Lj (HU/j \\

(1 O o o o

1,1 IUI Lj (HHJI^ UUi:i(UlliUJI\\ (UU UI (UI uu^ dm t^U) (UI

\\ uu gt;i ui ij Iji uujj en uunrj U)2 iui ook nu (ijiku^kn. geklets, geplas of geplomp in het water, naar het verschillend helderder of doffer geluid van een beweging in het water, uu ui tui lai

II I \'ll I, UJI \\ K U (Uj^ iUI If f) (Mjj1\'! I\'HJI CU hit lj UI 71 (UI MU

ij ui ii ui uu^ in het water plassend o/spartelend geluid maken.

unr i tbu/i\\kn. zva. ^ i^uu^ bv. (ui(uiihj0\\\\ WW. mi ij ui rj (Ui tewjl n kn . herh. niet met lust, met lange

tanden eten , WW.

ui^ ui if^/j\\kN. bleek {van het gelaat)t verbleekt, verkleurd ; zonder glans, van glans beroofd; somber,

treurig {vrg. (un ui \\ ajj ut nuyj^ (unaj^(^i^\\ (i n r j tuiji^

0 C) . r c ) • .

1 i *1 iui ui/i en tui ri 0112). — tcj i i ^j ^ mi\\ uoen

verbleeken, bv. het licht van de zon.

o o . o o

mi iui .t i uu y \\ zie (ui (M ; w

uinf:Ksy. zva. crntuis {Skr. koetoembi, huisvader, k o et o emb i 711, huisvrouw, huismoeder);

, o O /quot;

ook zva. • »7 u n i n /) u u n\\\\

co

hu ij) kn. gekiemd, uitgeloopen, zooals van zaad, in den grond of door broeijing; door broeijing gekiemde këdëM-erwten , die als toespijs bij de rijst gegeten worden; en fijn gesnedene rauwe katjang, kétjipir en këmangi-bladen, met sambël door elkander gemengd.

2 ((f. lv

un i) ui2(di\\ — ii i i2{ffJiw \' co \' co

mi iji (ui\\ of tui ui n naam v. e. plant met bloemen, co •\'co \'

O / n .

Wangs: un uj an din zzi oji u n un ui ^

C) ■\' Q un iji(un/i\\ zie uwujidji/j^

quot;) ^ mv ^ \\ n

im(uici:r^ifuji\\ (Ij, un(U^urj) zva. uu i 11^ kiip

un (uj^ rny kn. de datura of doornappel, een soort van distel, en het zaad daarvan, dat een bedwelmende of dronkenmakende kracht heeft. 0(UjiiPn^ 01.?» ui \\ en 0u u i.^i j un in^ \\ drie soorten, waarvan

i 7 M C.S.

co


-ocr page 335-

fl/TïOOM

257

de laatste de beste moet wezen om gerookt te worden hij krampachtige aamborstigheid. isr^ {0/ rjfhJi wt)0 een violetkleurig edelgesteentey amethist. —• «77n door het ingeven van fijn gestampte pitte» van den doornappel bedwelmd maken.

#lt;77 / j) \\ k n . penlvrucht, 3rwt, boon; ook de scherpe zijde van wapens. Er zijn veel soorten van katjang, \'Nat. fam. der Papilionaceae, zooals \\m m (im rj f-K 1 \\ Phaseolus radiatus L. of nn

rt .0 - 0 ,

iiji \\ tm i n hu [fü^s of iw n mi nj^ (onze

erwten) , un lt;j» (tut i:m gt;) mjj\\ enz. un tj) lt;,7 m \\ Vigna

Sinensis Savi, 0/ htn t.uiimrt/t is een soort,

(aJ

waarvan de boonen in den grond zitten, en daar olie van gemaakt wordt, un fji im h j gt; Cajanns indiens, dezelfde als huw rr^rj ms zie hij m ij nui\\ Volg. den 11. v. Br. zon het onderscheid tusschen tm w en nu n hierin gelegen zijn, dat deze cilinder- en bolvormige, gene platte vruchten hebben. Volg. Rh. zijn de un ry) soorten alle klim-\'planten, van de un i-üi alleen de mi i3i jli nrn ) thnn\\ een krulletje nan het onderste gedeelte

(de tiimivnn) van een kris. — ii3i3.a-. iets met \'

katjang beplanten. — un vj) (in met de scherpe zijde van wapens tegen elkander slaan, om de wapens tegen elkander te beproeven , bv. om een weddingschap; ook naam van een visch. — ui u n i3i 071 iutji\\ een katjangveld.

unnj^s verk. zva. rjup 1 ij ru - maar in het Soe-rakartasche weinig in gebruik, eigenlijk Madoe-reesch\\ volg. Rh. ook Gheribonsch ; volg. C.P. tegen een kind, jonger dan tj ipi 1^ ivi\\ oj.

) Hv , ,

un ui \\kn. een onaangename lucht, trassilncht (yr//.

O Oy.

(UI (Ut).

uij^ 11 \\KN. 1. een kat {vrg. iQtj (èi). aPn lu Li ihi^ uis zoó heet een mosleem die niet streng de vasten

in acht neemt, eig. als een kat, snoepachtig P R.I.

o

x^n icjj un ur^ ui eene schertsende verwen-schiing ? B. vrg. ij un 2 /. 11 J?ri wi un/j zie bij ij hu 2 un/j^ 2. een door knijpen in het vleesch ontstane buil, die eenige oogontlikkcii staan blijft. 1Ö1 ijï\\ iemand knijpen dat er znlk een buil ontstaat; kneuzen door een slag. rjem i rjfiJid 1,1^(un {of ur^ i-ji dTKhnjj) het kruidje roermijniet.

verk. van hjilur^\\ zooals in den eign. ^ui^\\(u^(hi\\ voor iUr^.^w \\\\

• O

zie un rj quot;gt;1 w

ii n \\ KW. zva ui -n nsriw kn. Holl. kaart.

3/ r» 00,0.

hu\\ kw. zva. ^ lui lij \\ en ojiasntunasri\\ (vrg. hum).

as\' a ,,

— LjI hyi \\ zva. in n of inn an w

inj\\ 1. kw. zva. tj mww 2. kn. een klank , daar

men de kippen mee roept: {vr{/- i/n/.n). 3.

x n y o ,. , / x

N., zie (ur^iryw — 1,7 u.y gt;1 \\ kippen met

roepen; en iemand in zijn behoeften tegemoet

komen 0/bijstaan (vrg. vyuyfl).

ilt;nn\\K\\v. zva. am rf ui \\ en vm ri\\ en verkorting van

o O o . c.

vJj un\'n\\ zva. m ir^\\ en gt;m(rnj;ij}jj\\ (okr.

k a r a en k d r a, dader, maker; wat doet of maakt;

daad); kn. 1. zie lyyun ri\\ 2. verk. van m unrri\\

■ of luyw ri\\ vooral in den zin van een ergens bij

gerezene onaangenaamheid, qnaestie, ruzie. 3. alge-

meene naam van verschillende soorten van boonen

of peulen, zooals un nrn iamp;^ nn n way k/i/j\\ un

Q .) . )

■ri.iTn iTjj Hiijis Hn r}(uii.Ji\\ enz. nj tj^ i ti\\zva. iij

üjifji ^ un gt;quot;)n beraqdslagen. unn rj u^s^., (M i:n

«rn ij^ hiji* K., oorzaak, de rede. — ui.hu n\\ a-

maker, benaming van de tetter amp;amp; en zoo ook

tui un us (uiuri\'yis enz. Even zoo worden in het

\\ s

Sanskritsch de letters met kdra, makend, maker, benoemd. — un n kh gt;1 \\ n. , un uiyj tJ?K., zva. xm-yi im \'h\\ of in (ui un iui iet ol* wat, het een of ander, n un i n (un ui un ri un n\\ er is volstrekt niets; er is niets dat hindert of deert. — II u^Hti n ^., iL/7 un (Ui(i^/j k., zie beneden. U7i^n\\ I. kw. zva. r.r^■ n • en hn i:iim/j\\ {Skr.kara hand; en de tronk van een olifant; kari, een olifant); als Tj. Sëngk. acht {omdat er volgens de mythische voorstelling aan elk van de acht windstreken tot steun een olifant staat. pk.). — II. iiai n\\ (in de spreektaal ook rj un rri \\ )x., nn fm\\ poet. im ^ uiji \\ k., {grondv. im -n \\ xm un ^ //t^n) achter-, terug-, overblijven; thuis blijven; achtergelaten , achtergelaten worden; verlaten , alleen gelaten worden door (untfyii) iemand die weggaat; achterstaan, bij (imn-m) iemand; nch-teraankomen; overblijfsel, overschot; achterstal; later, latere, laatste {in tegenstelling van fiS(éi(uijj

en lvi (ui/j). iuy)\'-r! un ^\\ ten laatsten, bij slot.

O . * rgt;\\ O \'

un n {of iamp;h un m) rj un ? (Eii ? rj un (in een rf a n : un y

rjium n rj un 2 tj un z \\ alleen het huis van den 1)6-

mang is niet in brand geraakt. iun ■ n tuvidji iru tbi


17

-ocr page 336-

Ihtt quot;gt;J \\ v

258

uv \'tl \\

urys of enkel tm r\\ iu voor vaarwel! gewone wijze van vaarwel zeggen van iemand die weggaat.

Zoo ook Kti to (hut lt;)j \\ blijf zitten, voor ik groet

• , o C~) O i

je! mi y (O) j (}lt;n en m ru iPji mnjj \\ vaarwel zeggen.

iKn n] cm rj ui\\ geen deel kunnen nemen aan een werk (o/ feest), omdat men te laat komt. — rn rn\\ igt;i (in \\ (opzettelijk) achterblijven ,

door langzaam te loopen; achteraankomen — tm ii riihjs ij uifrjrri(kj\\ xjivan allen de laatste zijn; de anderen overleven ; het laatst iets doen, liet laatst plaats hebben, achteraankomen; achterblijven voor of ten behoeve van ; van een te betalen som een restant schuldig blijven. — r;/ n ■rj \' n ,u}i rj mi \\ (O Kii jn/j \\ achterlaten, overlaten. — mh ij\'ri of bitHny^ioryj of aoitjniiuj en dm föy\'if :gt;^JI 0f w i\'ii ^\'ifi^n het {of de) ach tergelaten e, achterblijvende, achterstallige; rest. overschot, overblijfsel, achterstal, unni i.noynion/js het laatste restje zijn; als restantje.

iktïi^ kn.; rijst, als ze half gaar is, in een

pot (m aj) if\'-n 2 (HT/j) storten, er heet water opgieten , ze klutsen en omroeren , en dan weer in de koekoesan en in de dandang doen, om verder gaar te koken, wat men ilgt;ii (ui un tj n 2 (uyj noemt, a-ji ijj (Hi(L^\\ zie bij asndj^w uvrjudonjj^ half gaar gekookte rijst, om verder op gezegde wijze behandeld te worden. .hJiiHiiiymtiin/is halfgaar, van gekookte rijst. 11. volg. Rh. met zijn beiden,bij i.n ij tj 2 w — (ui (tn ij-m hoji\\ aarden pot, waarin de half gare rijst geklutst wordt, en elke aarden pot van die vorm, ook voor bloempot {vrg. is m iti wjj).

1.kn., kerrie, kerriesoep, kerriesaus. — ivntyns mi ij quot;ti maken, ai^ iuw 2. zie bij ccn (lv}\\\\

a/Tivj n 2 \\ N., (Kii ru q n of m7fti?rLvi(Hyi\\K. (pass. van lt;^\'112), met of bij iets anders o/een ander tot twee vereenigd; beide; benevens, bij, met; ten tweeden , en ook, en; vergeleken met, of zva. ons dan in vergelijkingen; ook tot verbinding vóór een bepaling van voorwerp zva. idfi of bv. na werkwoorden, die spreken, zeggen, vragen bet. te vert. door: aan; na woorden die vrees, ontzag en drg. of vlugten uitdrukken, door: voor; soms niet te vert.; bij een Passief vóór het subj. door door; zie verder Oramm. ijriKKi0 de tweede mangsü van het zonnejaar, kt? ^ iw tLi^.vriij^m/j de

(o/het) tweede; ten tweeden; beide, hoi ijnwmirj

o o o , ., A

tfni2 rjHj\\ mi tu^iuii rujajii ijq aojj^ beide aan weerskanten, beide partijen, ui uh lyn? ij ilt;j\\ (uinnmuq ijii *1 anjj of iKiwi lijhiu (Hijj\\ met hun tweeën of beiden, beide te zamen, gezamentlijk, ook in den zin van met zijn (haar, mijn of uw) echtgenoot te zamen of tcgader(yr^. qji • ri ^ (Lgt;iyi);zoo ookgt;doch on-gebr. m^i i,n iu vader en moeder, 13B.

nsii mi nn iili {(b7) ci j \\ anderhalf, ooi rj n ? cut iu ihnjj\\ loi iu {ojiaji (m/j\\ twee o/* beide tegelijk, alle beide, ihïi ii \'iii iiaxiiyiin^ mi nu {ij axi ijJ of k ti nu q rj tui vj wis alsmede, en verder, en voorts. — (dij ijn)2iuj\\ asiiiliq/ui\\ iets met zijn tweeën doen of verdeeleu. (ia un ij ) 2 hj \\ of iai Lj ij nd (uijj \\ pas-

sief. — kii 1^12 ui/j\\ zich zamen vereenigen, in

o -gt;

mi Ij 112 (Hl Ul \\ (llt;II Ij •112 (Hl ^jI J \\ mil \'If 112 (Hl -JU H

en h ii ij \' 112(1^11^ iL,iyj\\ po\'èt. voor vleesehelijke gemeenschap hebben.

(iain\\ zie (Kilijw

Qii it \\ kn. het gevoel door kittelen veroorzaakt, dat gevoel hebben, (vrg. (vn nu ioi Sn nu fig-

(uiiHii ii\\ kitteloorig. — \'i\\n ^ nanjj. kittelachtig, prikkelbaar, kitteloorig van aard; kregel van aard.

O O

mi kw. zva. ihtijis

miijiis of een van (fijn gespouwen CP.)

bamboe of rottan gevlochten voorhangsel, bv. voor een gaanderij, om het inzigt te beletten ; een van koper- of \\jzerdraad gevlochten harnas of pantser. — (bi ij li \\ een fni ij \'n maken.

anmmj.y ioi(yichyj\\k., gissing, meening, wat men

denken zou, onderstelling {vrg. (u^ems :8asni^\\

v n o O o

eti inikki). hhnijinjs .hiifj^hjuj (h1jj\\ naar gedachten. (ui(hnii\\ (m ini cfejjhyis zooveel of zoover men zou gissen, meenen of onderstellen; met mate, bv. eten. (ui h?ini.\'rj\\ mijns bedunkens. ioi ii ioi n \\ hii \'/j^ wat men min of meer

denken of onderstellen zou; verdenking, (uidoi n (ioiii zoowat naar gissing, zoo ten naastenbij, tj x/n 2 ii ilt; \'i] ii it\'ll ii \\ niet om te bepalen {zooveel of zoo sterk), n^n ui cm asn (hi ^ji ioi rn ioi n \\ A. 40. //de hoogste zaligheid\'quot; Rh. — iinrn\\ wfjfttiOyp als denkelijk vermoeden, onderstellen, zich verbeelden, vermeenen- van iets of iemand iets on-


-ocr page 337-

Tf nu f~n\\

O O itm v

259

derstellen, een meouing of gedachte opvatten , of een denkbeeld trachten te vormen. rjiDtm onvoorziens. — iS-nn *i\\ ü\'tshi}

gissing of onderstelling bepalen of schatten; het een of ander als min of meer denkelijk of vermoedelijk achten omtrent; iets in overweging nemen, om te trachten het juiste te treffen en zich voor te stellen. ,i(!Tt?n n tni n of un tiii ^ /rh \\ pass. — (U nnis gissing, vermoeden, ge

dachte, meening, opvatting, onderstelling. — iut

r?i mil nis tui w jtofyCf ^^ bepaling of schatting

, . O o ooi

bij gissing, enz. — Mforwm tut un mi^(tojj

eenig waarschijnlijk vermoeden, eenige waarschijn*

lijkheid, waarschijnlijke onderstelling.

o o O

un n\\K\\\\. zva. mni rjimrvis

n-yiisKyf. zva. ni % \\ of kn. Cistudo J)i-

ardii, een soort van landschildpad, die zich in hosschen ophoudt {org. (ui ngjj\\ en i.i^ j^n).

ï^\\kw. zva. iUi (K/i *.i (ici\\ I. n., ini mager,

schraal, het tegenovergestelde van ^\\ ook van schraal gewas en sclirale gronden.— IT. ky^ kn. eign. van het geslacht der Koraw\'a s {Skr. K oeroe). ur^ ui uw \\ naam van Soejoe-dana , den oudsten zoon van Dïstarata , den Vorst van de Korawa\'s. ^ rj^ kh ^s(üiy of gt;. rj (uj .iisr^ en nbn ni il^ iji \\ het Koeroeveld, naam van het veld, toaar de strijd tusschen de Korawas en Pandawas gestreden is {Skr. Koero e xêtr d). irr^ üi lUtijj\\ naam van den 15den zoon van Watoe-goenoeng en van de X^de Woekoe. — ij mi ? tgt; ;oi\\ ook wel de leden van het geslacht Koeroe, een benaming van de zonen van Dë star at a , in tegenoverstelling van de Pandawa s {Skr. Kaura tv a).

\' (TV

7 \'m \'T! kn., scheel, scheel zien {ury. yintixt).

ymm\\ 1. N, sie tm-riw 2. gt;j un -nx kw. en t/ m? yh (van wi%) kw. en kn. eva. irn i» (Ml. kiri ?J»). uyi (H^ rj {of *1 tm ?) \\) zva. un \'Ji ihn ii onji, — rj in -rj\\ zva. iri oi\\ naar de linker zijde, links af, ter zijde gaan. — rjun-vimrj ij \'ojn kn. iets aan de linkerzijde hebben. — njirj ly wns iemand die links gaat, een ongeloovige, heiden.

^ im \'ti\\ kn. bedelaar. — utirj un mv als bedelaar rondloopen. — tj iti y -n \\ gaan bedelen; doodarm.

als een bedelaar.

rjKiwri^ zie hij ru u/w {ook zva. nm G.).

7 mi i rj \'ii\\ kn. , ij 1,112 fti injj\\ KD , benaming van het land Bima op Soembawa.

uii^xsn of tin i)(im kn. , een soort van lange komkommer {org. (iw (Hiji) ij} ik \\ een wijze van de tanden te bewerken, Kr.

un 11 ^\\kn. een metalen ring of band, zooals om het

hecht van een mes, {vrg. un h] utyj \\ \' Wangs.

O o . Q * . 11

\'Ui rUQ \'ftyiD N Uï w Kl^ UI of lc~ f 1 hij IJl gt; I f 1 .7) 1(11

quot;ZZ: idiii gt; \\\\ — 1.1 niq uris een im nj maken of leggen om. — mi 114 vn injj \\ met een Htrngt;\\ Zie ook bij im ojij «

kn., im hi^injikd., bekonde, kenais {verb, van 101 jjj j \\ of pass. van i/n y^gt; iemand dien men toespreekt {vrg. ui ir^? en un ku q\\ een

kennis; kennis maken. — tot 10111 % ma

ken; van nijdige, afgunstige menschen wordt gezegd in Men. .ö»» ïoi ijj im ^ gt; un 10^ of urn ui w/js 1. kn. , mi tgi iq mij^ kd. , een bekende (vrg. bil ui Kjj gt; lyti mjiy 2. N., mi ^ hij k. , ini q/poët., bekend; bepaald, gewis, stellig, zeker; te bepalen, num ii0 niet te bepalen, niet om te zeggen, onbeschrijfelijk {waarschijnlijk ver ■ bastering van mi ^ s un mij Vrg. ni i j ■gt; \\ en dsti [f^). Hiii^ui rjiijs stellig, voor de zekerheid, kw ^$1^ zeker! he? wel zeker! niet waar? —itï -r^fvn ij 101 gt; onderzoek doen naar, om bepaalde zekerheid te erlangen; omtrent iets berigt inwinnen en door vragen onderzoek doen , hoe het er meê staat. — /.1^ ba mi rjnd voor /.i^ w kïi ^

zich voordoen als of men een was, B.

kïi n 11 fv zie b ij 11 n {w

O

kw gt; \\ kn. bijtende vechten, o/* vechtende bijten, ^00-als honden, paarden en andere beesten, {v. Boeta\'s (ui uii t) ^ ivn^ Mn \\ B. scheldwoord.) — i m kn ., xjii kw. , bevechtende bijten. — mi n { un (lojj\\

elkander bijten.

O o r C) O o O o ) O

un T)) of un rj ni j \\ kn. üvii?uiini^\\ nnrj\'nq mi

rj\'rifs gillen, schreeuwen , VVW.

o o

iuiin?\\K\\\\. zva. dsnasnitniasnw kn. water van een sloot of geut afleiden, irniorn^ hetzelfde {ook tri-n^ Tj.); en vermanen door een betere leiding aan de gedachten van iemand te geven. —

\'tyii n water afleiden naar of op, Tj.


17*

-ocr page 338-

lUJ) (lA.anjjs

260

/t) ^ \\ k w. zva. ifr^ up ?\\ en rr^ ^jrr^ djtji {vrg. urj^ n); kn. den mond uitspoelen {vrg. fm m). iai irr^;\\ gorgelen. — ^ni ?v spoelende en schrobbende schoonmaken {vrg. ui^ bij trr^nwjj). —

rn^(uii\\ iets door uitspoelen of afspoelen met water schoonmaken {vrg. iUith/tqijrt).

O O .

(tm T ) ^ \\ k w. sva. un \'ti \\\\

vfiHtimj KW. zva. (u (iJijjs waarschijnlijk het Ar.

{ch tra of c h ia rah) , verkiezing, in liet spr. iij) )j hv tut j (Kn tj uti n j\\ al wat men verkiest

en bedoelt.

O o . o

Kti am \\ zie i un w

{ hjï) q (Lii} 2 (Hij] \\ I)W. zva. un n qdm ik (Hijj \\ zie /

rti % d/n ik w

. j .. no

zie bij (utn/n ()nji\\

Kï^(vA tHiji\\ Ar. gt; q o er - dn, dc Koran, de heilige schrift van de Mohammedanen, ah Gods woord, iun \'i^ am no \\ KW. zva. tui \\s

.tn^iliim?(Kyi\\ zie hij \' n w \\\\

i^n^ tja/n \\ KN. een titel van iemand van goede geboorte bij de Makassar en {minder dan m rf .i/n); een Boegi-neesch krisgevest, dat de figuur van een mensch heeft; ook een figuur van goud aan de greep van een kris. iu)ji\\ verb. v. kroon, lustre.

ihtimis zie amnnHiw

C\'3

x / CY ,

KntHis f nam\\ unon^ oj (ur^nn\\ KVV. zva. Kr^njis

oor, een eign, van een zoon van dm Zonnegod , geboren uit het oor van J)hoi Koenti, vóór haar huwelijk met Pantfoe {Skr. karna, oor, en eign.). hnihi\\kn. een vruchtboom, bep. een langlevende vruchtboom; en naam van een getal van tien woerd as {Skr. kirna, bezaaid, overdekt, vol), (U tLihfnaa\\ de vruchten van langlevende vrucht-boomen. iun \'-hZn «nx kokosboomen en andere vrucht-boomen op het erf; de këbon van een woning. (ij)mt(hr)\\ een millioen millioenen, een onnoemelijk getal; KW. compleet {een verb, van (Cn \'u n w vermengd, van alles dooreen , vol). — nyn iïn .ui nn/j bij millioenen, in een onnoemelijk getal, Men. (wrinn^ 1. zie bij (im\' r) fhnjj\\ 2. zva. un\'» on \\ of (i^i mn ir.ïiji \\ un vj (uj ook ~ oai tl on ~jh iu) \\ om wat rede? D.W. 445.

(WTïKW. zva. (i^ iiijaji rfoc)

fKTinyri (htji\\ zie bij (Jo/tonv (un ij f) 2 iHi/j \\ zie. hij nti \\ en i, n ^ ti i w

-jVn (xj} (K)ji\\ kn. een aarden komfoor of iwi gt; zonder

rooster {vrg. d/n rf $0?).

ihi^ (ui wji \\ K w. zva. irjixtvjamw ook zva. rj ik 2 ijiiv ?

Tj. — dji mi/I % zva\' mi ij tn^vfao)\' f\' n ~jn ij

rjitniw

Tjiim 7) ti 2 (Hyj\\ kn. in verlegenheid geraken om een keus te doen tusschen twee dingen, v. h. grdw. rf n 2 W VV. verlegen; verlegen zijn, niet weten wat te doen ofte kiezen, ü.W. 289; in Galagala: un rj(jo^ -n2 quot; gt; il\'H2(Hi zij geneerden zich niet, enz. tin tj Y arjivj ni 2 (htji of ifyri (E/irjnidMTjjs in verlegenheid zijn om een keus te doen , W.K. ook jaloersch , naijverig, hu. op een medeminnares of op een kameraad {vrg. rj (fjirfri cmjj bij (uri n ) volg. Rh. in deze het. wettigt voor Un wrf t)2 (Hi/j zie bij (fji niw

(inirrt(Hi\\ of \'in^Mis 1. kn. middel waardoor, of wijze waarop iets gedaan wordt. 2. n., lt;un nfajan/j of

[Mnfóiwjis oorzaak, rede; om rede dat, doordien;

^ ry - CY o

want; zva. w am amen (un ui ani \\ of (unthJtam,

{Skr. kar a n a , en k dra n a , middel of wijze van handeling ; daad , handeling ; oorzaak , rede, beweeg-rede), wndn {of unm ly (hj) irri 11 im/j {of 0.)rj orjuns) goedschiks, zonder dat er geweld behoeft gebruikt te worden. nnnKHiniiyns van aangezigt tot aangezigt. ij aj)2 im ti (Ki r)njn •. een opregt, eenvoudig mensch. un r» (Hid^ri^%\\ om Gods wil. ij hj)» wn(m(3amp;vw%\\ iemand die pro Deo, voor niet,

iets doet. lUt^w 1:1 (ui \\ want, namelijk , zva. ^ uu iS

C quot;) o r» o

rj un 2iyujt w gt;uj. mijis zva. /zi ru uj on/j gt;

ur)n-jjmj\\ en uii ujjj\\KW. tederheid, deernis, mede lijden, ontferming, gunst; ook waeweix {Skr. ka* ro en a y en kdroenga, tederheid, deernis, enz., en droefheid, bedroefdheid. Vrg.

ini n an \\ KW. lichtstraal, straal van de zon of de maan, ook de zon {Skr. kir ana. Ret wordt ook verklaard door (U i^ru (Uijf\\ hnnijuj \\ en ij n 11 njj (tJi/j) rjij) 2((uii?n f) (Ui n zie bij vf vo» 2((uiw tj^ kx. door list misleid, verschalkt; misleiding.

— rf{x^\'uy^\\ iemand misleiden, versclialken. wj^yfl^KN. naam v. e. fabelachtig ? heest in de

Men., hij WW. un ujiufj\\

ini\'ujs kn. mandje van gevlochten bamboe, zooals waarin de dorpelingen vruchten of drooge eetwaren voor hun hoofden op de hoofdplaats meênemen


-ocr page 339-

261

a

iUr^ nrjn iriyj \\

Ou O gt;.

{vrt/. en niiiiHinM/i).

mi iquot;ri,ni/i. KN. Inj kleine gedcelteu, bij beetjes. — tJ Oh ^

iiriori fufj bij kleine gedeelten plaats liebben.

i-* (A

sparteling, om ergens uit of lus ie komen (ynj. \'rntj-m i inirvijf).—rujf spartelen. — itu tj-xivm

of mirjngt;iinri ri^iofijf\\ spartelend, al, spartelend , liggen te spartelen.

i,,yjin\\KN.— quot;lamp;\'YP\'* *** \'\'quot;(\'£1\'*

Q„ 1 O Qk y Ci 3* / C) ST

, un rTn \\ (tin rurms of to/ nir/ns 00# /.//C\' KN- Kc\'

\\ (jh (amp;\' c-t ca\'

rinkel zooals van geld, een bos sleutels, k et tiny-

) ( ) Qv

en , enz. {vr(j. ij ht^irj nn? \\ nu rin /m \\ en vj2

ri-jjf). — \\ rinkelen.

^.r:m?^KN. metalen ringen, die een rinkelend

geluid maken, soms met belletjes, door kinderen

boven de enkels gedragen (yrg.

hn m tin i\\ zie (Uiiartpw s CA 0%

^nypii KN. stijf, i.iot gemakkelijk van iemands gang, WW.

u n (Hi n K W. zvd. njj^a./j iMjis

1 a o . ) 1

/. *-gt;) rtn ^ kn. i (ü-yri if (hj \\ zva. UjI(Ku ^/f\' (cmmn

(tnjj of a iti) ~i{\\ bedwingen, VV.R. o o . ... o o

\'tnrnw^ zie bij ^$i?\\\\

o .quot;) quot; .

i h n iia (hfin\\ Kimi tui (Ki/)\\ zie li irnthnw

\\____)^K * lhl.

hu (vi i/föfM/i kn. j (Iji Sn hn overal druipen

of druppelen, bv. van het zweet; zva. Snjmiiasn i)/j ^ van rj nsn rj asn \\ van den grondvorm vj asn u-yj \\ V quot; fis/ \'J ,Jfs KN- naa7n van den tweeden zoon van

Watoe-goenoeng, en van de vierde Woekoe.

gt; !\') ....)) \'\'quot;J KJ zie quot;V lt;Hquot;iHncmji\\

loyyijsVSN. zva. \'rl c^i nnjj asn (im rti w ir. lijkbaar; ook kw. naam van een soort van eend {Skr. k a-r a n da en k dr a n d aw a , eend. pk.). (ïo^ arn aji ^ (i/n(ifi\\ naam van een bosch ten noorden van Soerakarta , dat door het bijgeloof voor gevaarlijk gehouden wordt {tikr. k d r a n daw a- w a na gt; eendewoud. pk.), mi mi \'n (of MiW,) Mnnri}\\8c]iviït

vi» l (il

op doodkisten en graven, een soort van schrift, waarvan de uitvinding aan Adji- Saka toegeschreven wordt.

\'7^V\'VnKN\' \'lC1^ mc^ gespikkelde huid, anders if iarm 11^ *quot;/1^

\'h*i V \'([j1 *N ^ * n rj rrtri 2 \\ Vrg. tnru ii ti hji\\ bij (Ui

(ïviw

gt;ƒ \\ kn. of n. zva. rjrrufn\\ of w/wriyj^ n iiH)! 2 riarni ?\\ KN. een groote korf vau bamboe,

\' -—y 1 C\\J

in levensmiddelen en de gam Han - kloppers bewaard worden \\ ook een bak van omgebogen en vastgenaaide oepih , daar men rijst en andere dingen in bewaren kan {Skr. kar an da, korf. pk).

iidi m(trii \\ KW. zva. (i:ii am w 11 G) h

ooi \'iiyn % \\ kn. bloedverwantschap, familie. — ?lt;»/ n (rm ? (un (hn/j \\ aan elkander vermaagschapt; ecu familie uitmaken.

(hnTinrnzie bij if\'^i2(rrii\\ \'.\'?i wricrniw

huTiojn \\ of \'im ni(mi(ni/i\\im. naam van een wilden

Ca) Cy)

bloeijenden boom Carissa Carandas L., Nat. farn. der Apocyneae, de vruchten worden raauw en in zuur gelegd, gegeten.

mn nKYïii \\ kn. naam van de vrucht van den gÜbang-boom.

(unrili\\kN. 1. een hok. kooi, korf o/ruifvan houten of bamboezen latwerk. 2 ^nxnns of (hnnir.ws, ook (un (bi ■gt; / xïrri \\»t naam van een hoog en boom, en van de vrucht daarvan , aangenaam zuur van smaak, minder zuur dan tamarinde, Dialumindnm L. Nat. fam. der Fapiliouaceae.

(^óhnkn. meer of min groote, grof gevlochtene, lange ronde wxwwX, gow. van bamboe, tot verpakking en.vervoer van goeder en {vrg. en uJ^^n^i).

gt;/(mv*! ihjy\'jt\' kn. ruw van oppervlakte, geseliikt om iets op te slijpen of een lucifer te strijken, tuia^ ri^n rj ? \\ een soort van plaatijzer, daar bv. bak-en braadpantien van geslagen worden, (ukiji \'/tfy/,*/ MjljO een soort van steenachtige of ijzerhoudende kleiaarde.

het branden of bijten op de tong, als van Spaansche peper. ^(iryi.jrja.i^ branden of bijten , van een brandend of bijtend gevoel in den mond, of ook wel op de huid {vrg. tui ici uiji). ■^^^nKN. het gevoel bij het aanraken v.e.koud

voorwerp, vrg. d^iojifj Rh.

((mj^lt;3k^\\KN. een sissend of piepend geluid va7i iets in het vuur. — het vuur sissen

of piepen.

^\'/j cl l11 ^Jl % zva\' \'V (^32 rl è !gt;yjjls

ij; 2 \'rj wj/j2 ^ kn. het sissen van vleesch in

vlammend vuur.(Kn rj z rj aqji? n-ijj \\ sissen van

vleesch in vlammend vuur, Tj.; ook schitteren v.

e. bijzonder schoon gelaat. Men.

iHrrricrrn tniyj\\ zie tun mil lunj^ \\


-ocr page 340-

262

gespannen,v. ■hoilt;r[n\\zieB.\\. of ^ffjmKN. naam van een soort van

kleine schelpen. een scheldwoord:

gemeene vent:

zie w

(Mn(Knq\\ — ^(U}i iHyi een kleine waterval. (Tj.)

Rh. vrg. (Ktj^ooj^nn

\'Uqt/Qj)jnkn. het aanhoudend doorregenen, den regen. — aanhoudend doorregenen.

zie {nsn^w itnijjs

\'K-ïjaoi^tï^nkn. gekletter van een aantal lansen; een

menigte van lansen , die kletterend een voorwerp

^ O

doorboren (ook m^KJiitni/j). — /ejcki mtys kletteren v. ïw },hjj\\ kletterend doorboren, van lansen; snorrend door de lucht vliegen, van pijlen ; snaterend spreken, snoeven , pochen.

O __ü

MnwiHV/i

^j^S/ïoi^nKN. dof gerammel, zooals van in een zak door elkander geschudde spijkers; ook gerammel, voor veel gepraat. — te.^Sihvq of wri^ih^aSiinnji dof rammelen.

rj^r^fKntKn/jsKii. met olie half gaar gebraden buffel-vel; ook rekenen, berekenen. —

krètjèk maken; volg. Rh. ook iets braden om er het vet of de olie uit te krijgen. — 17 (^5^/ \'\'»?/ Wjin berekening; ook klein, bv. van een kleine soort van metselsteenen; klein gtxxiybv. van kleine manggas.

v \'1 * n 7 ^yi,J} 2 h^Ji n ^

gekletter van een aantal lansen. — ^(^32 7™2 }\'2lip me^ zÖTl velen er op a*anvallen om iets te doen, op iemand met zijn velen met krissen ot pieken aanvallen om hem te doorsteken,

zva. \'amp;) * myi {vrg. rj rj .i u 2 ini j). tüi in. rj

/. o 00

rj-rizrj oj hm tj ril rut)fjs pass. Kitia

een scheldwoord waarmee men iemand zulk een behandeling toewenscht.

s

MT^ hJ) (hit/Js KW. ZVa. (l/gt;^(ïx7

[iu^iitv)ji of /ui) tySlitu/jsKH. klein, van wajang-poppen; en zva. h^ ynw iU)een klein soort van wajangpoppen.

vnrjiiiyi

I^jj\'dnkw. woest, wreed, vergramd {Skr. kroéra, hard, wreed, onmeêdoogeud, barsch, verschrikkelijk).

Kn Y^rjnii zie

^ ^ cy n

nnjj gt; KW. zva. \'~nr^(Ei\\ tj amr^nm^

— tun(E)(iw(hïiji geraas maken van den

donder, krijgsgeschrei gt; gejubel, enz. vrg. flLgt;?rn O o

■KV/I (Uil c~n \\

zva. itLIS naam

van een fysch. kn. {thnjjihniji het geluid v.

e. broeisehe kip. Tj.

/ o

wi hip KW. zva. w kjw

unn^jMH^/jKn. bloesemknop, van sommige vruchtboo* men, zooals de dj ambo e\\ bloesemknoppen krijgen of hebben, {vrg. xzni aj]^ en iirr^to^\'U/j). — tn^ 1t.1 hn/j of w (bi Ti (hhji\\ groote lust toonen te hebben, zich erg belust betoonen, zooals tot eten, van een herstelde zieke, naar iets haken. /• ii quot;*1 kn. oud van een kokosboom, WW. an oud zijn van kokosnoten. 0nituiunmij iVKhn/js Tj.

hti (U (Krjji kn , hi ivt iHiyi iets bijtende vasthouden, niet loslaten {zooals in B. een Boeta. iemand doet).

iV?j to/ktj^nkn. schraapmesje of klein werktuig om mcê te schrapen {vrg. w^ ini/j); gelijk ge

schoren wenkbrauwen, Waj. II. 159. rn^asu^ Men. — (ti to irnji \\ iets schrapen, afschrapen, nit-schrapen. {Een ander zie bij i/tt \'ii hh/j). (Qnii^ ■ihitKyts de wenkbrauwen met een mesje gelijk

O O o

uw u tt 11 ini an/)

scheren. — fni ^rj (m /) n of

schraapsel, afschraapsel; nitschrabsel. in* -7^ hTi^KN. klanknab. geschrab , en een ijzer nj

iets om mee te schrabben of te poken {vrg. iïn n

O O O

nn/i \\ tm ym Mnjj en un (m/l)- — }r,l \'Èi ^ (Wijj

ben. v. d. kokosnoot jónger dan da cm an/j \\ Rh. —

schrabben, afschrabben, afkrabben, uit

schrappen, uitkrabben. — (tt-ry,?^ mv., en ergens inkrabsels in maken. — im -rj w wfj^ schrabsel; schrab, die gedaan wordt, bv. met een scheermes-, schrabsels, enz. maken, Tj.

(tin rj t) kn. klanknab. v. h. geluid van het krassen van een pen op het papier en derg. WW. van een schoffel waarmeé men den grond schraapt, daarmee schrapen. SG.

(hn ij\'n2tni/j\\kn. schrobber, sclirabber; roskam; liet geroskamd worden, van een paard {vrg. hn ?. nj)

\' ) quot;V

1 1 tj-m Hn/js schrobben, roskammen.


-ocr page 341-

263

r» o \'W»/ T) ntiji \\

rj -ni amtj(hm \\ roskammen met. —wi rjnitMV fhnjis afschrabsel; het vuil dat met de roskam wordt afgesehrabd.

HtinTunfi KN. een jonge hond (vrg. vnojj).

het ratelend geluid van een werktuig, zooals een katrol, waarmee iets opgehesehen of opgewonden wordt. — hijsehen;

iets ophijschen, opwinden, ophalen; ook om iets een touw heen winden of halen, om het weg te trekken. — ri tni rfquot;nfQi(Hi/f\\ werktuig om op te winden, katrol, hysehblok, blok , schijf, windas, spil; roerstok, kruk; een pijpje Jav. suiker, zie ij ,ilt;ii z .i:hi 2 n\\

^ nmn) tnjjjs 1. kw. alom bekend, berucht, vermaard, nvijunm u}i^\\ in PM.; een algemeen verspreid gerucht. G. 2. kn. naam van een zee-visc/i. 3. — ij umT) een schede van een

arit of koedi, die meestal achter gedragen wordt (AS.) Rh. 4. kn. een soort vogelverschrikker, (Tj.) Rh.

rj mi ? tf niiHiyi gt; kw. een koker van bamboe met écu of meer gaten of kepen, waarop met een latje van bamboe heen en weer geveegd en gekrast wordt; een soort vat?, muziekinstrument van bedelaars, waarmeé zij hun gezang begeleiden; ook een lang-werpige metselaars troffel. (Vrg. rjd^rfiipgiKn^.rf rj ui) ? rj rri(i~) \\ een klappermans ratel. — rf v:i 2 rj y riMiyts vegen, zoodat het een krassend geluid geeft; den vloer vegen; ook, zooals het Mal. k 0-reky zva. {zie

rjU}t2 ij T) 2 KN. een wisscher om iets, zooals een kanon of geweer gt; van binnen schoon temaken.—

O

ij 112 tj^n2\'Hti\\ met een ij umrf ni2 un/j\\ schoonmaken . ij on 2 n een vechthaan onder het gevecht wet een veer de keel van slijm zuiveren. \\^nyo)7\\ of HT^-ntni{\\ Kn. onderhoorigheid, WW. %V?\'N 0f xquot; moeijelijkheid, verlegen

heid, verwarring, onrust. — ur^Kij^jajunnjj {uu dm on y Tj.) in verwarring, in onrust.

/o/MKW. zva. (rnvli/js slagter.

V- tnnïjnyn/jgt; B. v. li.

o j1 D ^ quot;quot;quot;

quot;gt;rn unfxmnyfMLw. veel, te veel Gr. Vrg.

} gt;/) \'quot;hN KWquot;zva\' en zie ?^nn «OI ^ ^nkn. gekir, gekoekeroê, van duiven \\ kirren {vrg.

een groot vischnet. — mi\\ daarmee visschen.

iwjjs kn. alles op of weg, zoodat er niets of niemand overblijft. — iir^ ul/ iia y alles opmaken, zoodat men niets overlaat {vrg. rrj hjj^ kn.; alles tot zich nemen, zoo

dat men niets overlaat {vry. 1 ryim ^njj).

l^n^un thiiji \\ zva. un un (injj \\

O C)

.isn/js en zie bij 11 nn tsiijj^

hn2 (i5njj\\KN.; toi 2 fonqs knagen, knabbelen, {vrg. (KD rj uti 2 — \' i^ rj nti 2 jwv. beknagen,

beknabbelen, verknagen.

twyu)) geknars, een knarsend geluid, zooals

met de tanden {vrg. iin rj T)2 usu/j en crt^rrii hii/j).

, ) (Y

htq (ïykn Miyi f.i rj mm asr^/j I). W. 139) of ).r^ i) tu tin (Kr)/j\\ een knarsend geluid maken of geven.

OO O O O gt;-) T

[rn^i.tt hn/js rr^initeii/j en iti/lt;»gt;/is^m zva. iiit^tjnn2 ibii.p enz., maar vau beesten met kleine tanden.

— rni vfj awjjs een periode in de rijpwording der dj ago eng vrucht, overeenkomende met tui rj id )/1.1 i bij padi, zie rj ter rj 1:1 ut)/j\\

lt;lP^ }lt;rj)N kn. — iwj trrji ibv veel moeite hebben, tobben. WW,

^gt;?lt;ish^\\kn. een soort van groente, een sooxi van postelein.

hTl itm ini)/j\\ kot mi nsrt/j of utt m trn nnt/j ook wel oji .hri^t)/j\\ kn. opgewektheid; energie, zielskracht; sterke lust of dorst naar iets. — rt njtMn(ifft tj tot\\

tot iets een sterk opgewekte lust gevoelen.

cy (Y . n

)i )t rj rot 2 istt/j \\ — tn^ ftrj ur) 2 fotijjs zie i.irxtt hri/j\\ •tlt;rt (U tj tnt2 avijj of tot njt rj tiitz asujj\\ Tj. overal geknabbel; zie f^tn^rjtrrt 2 nsiyjs {tn^ iitt (hjjj\\ KW. grof van zand. rtn^K ttij,4 mt (t. )j)\\ flg, ruw, wild; vrg. rj .w ini Kt/j\\ ook ben. eener \'121 het wild groeijende \'plant, die wel voor errtrj ivo-tijjs gebruikt wordt, CP.

tii^iit) (i.i)jj\\ kn. klanknab. van het geluid bij het snijden of knippen van katoen, papier en derg.; ook zva. uit int a-Jtjj\\ (PJ.).

tj^tn^tnt(tjjjjs kn. tj^n^tntrjCthi.tnt ut/js grof gekorreld. WW.

V v\'j 7KN. —* tnt afbedelen. W W.

( quot;)

ijiin^z rj tnt 2rt.t/j^ KW. zva. mt ir^n.-t/j e2i 1 rt in^ i\\ ijj\\ — tjiiy ij tiit f.t.ï/j zva. r\'t rmtt^/f en 1:1 trt^iru/j\\ iemand


-ocr page 342-

rlt;rnyiaji^

264

Mn (UT!

overbluffen, en miiiachteu, met minachtiug be-handelen.

^rt^ihni \\ KN. groote keisteen {vry. \'rvyj en

{(cntHnitvijl). — ( mjji\\ een weg met kcisteenen bepuineuj ook algemeene benaming voor als teii-arbeidgestelde werk verrigten. —• (n^ nn ri^rf iois een weg met steenen laten bepuiuon, iemand dat werk laten doen of daartoe veroordeelen. — (un (na (Hiji\\ met keisteeuen bepuind, van een weg; en krakalwerk. iiint0 tenarbeidgestelden.

intyiai KN. — (Cjtsn iru/j\\ zva. ii hii of |.7u ?i zich kronkelen v. e. louw.

lujjs of ini) n//ui./u/jf\\KN. kleine keisteen, kiezelsteen , grint (vrg. [itn^(Kvirt^jj). (ur^(ui//?/11^ N., irc (Ut J nrf iU}d ^ k. hagel. — ifn hit iruji\\ wordt de nog jonge arenbloem genoe\'md, Kr. — ( Qhh

oen iveg met kiezelsteenen bepuinen. — rlt; n ru mij \\ plaats of weg waar veel kiezelsteenen liggen.

rj n.t/fw KN. toeroep als bevet om te klimmen

er op! — rf^tj tw rujj\\ eigenzinnig, baatzuchtig. — 1 \'I \'ni *h! ^N met moe^e klimmen. {Ktij\'httKN. een dek over iets, bv. over goed tot beschutting tegen regen; een kap over een kar of vaartuig; een dek over het .zadel van een paard, zadeldek, anders (vrg. —

Ci ,

van een itnivsi)tinyi voorzien. o C\')_ ) O

tn^hmniyj - KH KH l

dekkleed, elk kleed om het geheele lijf te overdekken (wy. hn t j tu/j). — i

met een bedekken.

x o . Cl

unax}\\ zie Kn,Ln\\\\

i3

cV . , O

hu (in \\ zie bij trt.J} w

^ .

in^nxi\\ zie [thji(iw\\\\

) ()

un T/i iin/j^ zva. h n ui

i::i (ui Mi/i \\ KN. het halsstuk van een geslagt beest afsnijden. — iniajiiu) in/l of iio^wKin/js het halsstuk van een geslagt beest, het deel van den priester, die het slagt. uii ri(uij}\\K.u. klanknab. van het schuren of schrobben niet iets hards bv. met ïJhji.hi/,jgt; —

iw/js schuren, schrobben. — hrytiryixi/j in Tj. schuren van twee harde ligchamen tegen elkander. — ook zva. iTpj^nyi WW..

ij h H\'Yj n ] i (inji \\ kN. i:i ij-iiè axi ij uns het een of

ander tegen iels aan schuren, op iets afschrapen.

aan iets afvegen. — vjiairj ritiui bezig zijn dat te doen.

ij uii 2 \'icijjs kn. onwillekeurig vloeijen van het sperma

{een acc. pass. van ■ij ungny-iKuyjsKX.; \'urirf iuiidrj-Tiita/j\\ potten of pannen of borden uitschrapen om het overschot te ver-zamelen {vrg. un rj mi2ijni (uijj). rj rn ?ij -niia\\ eten uit een pot, pan of bord schrapen of bijeenschrapen. — ij an/ ? rj t) (in nnjj \\ het uitgeschraaptc of bijeengeschraapte overschot, (un uj rj tigj2\'rjrrixu luyjs het laatste kind, de schrabbelkoek.

.ur^dci iuijj\\ zie bij tuii (Ui (injj\\

CY S

li ii (ia mi \\ (mi (LCitun \\ kw. afgeleide Kawiuorm van

ur^acis zva. \\u)^aci\\ woede, woestheid.

ui]agjinKW. zva. urn ijani Miyj\\

nai imjj zie bij u ii nji ilgt;ii fj-*

n

{ui^ibii/j\\ kw. zva. cmrj/in^ ajy tLiqw (un am \\ fiai nsn \\ of un asti \\ kn. rustig, in vrede, veilig, zonder zorg voor gevaar; ook wat van een stut\', zooals goud of zilver , gemaakt is; Tj. Sengk. vier.

kw. zva. ij iisimj iwi q \\ (ui rj un i? rj rvi f \\ mjvnuAp

. quot;) (TV o tn O

(ibï^ \'Wj a^ijjn uj y (Vi ui • n düij \\ cm rvijj\\ hji (Y)i\\

en dsr^mj^djijj {Skr. krlta, ge ca an, gemaakt, voltooid; geschikt; toereikend, genoegzaam; enz.).\'iiii

Mn rui (in on \\ leidsman, raadsman {eig., zooals men

. a . S

zegt, zva. w-n un nn\'iamp; { ). mi iUiia^ini \\ en ^ ni

un asu \\ benaming van tvjee rijkszetels, un asn ^ w

(ui q \\ eign. van een persoon in de Manik- maja.

a Cy n - / o S a ur^(hii\\ un dsn \\ of iuntbii\\ en un tui\\K\\v.zva. (rntj ri\\

Tj. Sëngk. vier {Skr. krëti, daad, verrigting,

enz. Vrg. un^a^jjj). nsntui~jiun{ia\\ zva. nsmui-t

a CY o ^ n /

rmrj.uiw — (L/l (Un (ibii \\ ivi kii tisn \\ (ui uri (Vgt;n \\ a/i mi

(ionkw. en kn. werkzaamheden, daad, verrigting, ouderneming, wijze van handelen. nSini ^ (uiun(u)\\ of (i)i mi uj ujiui un (i?i \\ het hoofd van een onderneming. aji ri.iunaSu zie beneden.

a

vj,ui^(is)i\\ zie {iui^asii\\ en un ij-yiihiiw

ij iifi^ij asiisKii. een jonge kaaiman o/quot; krokodil {vrij.

:i:n i u/j en ij iip ij un N rj^nyrjasnzs kn. miereei, het ei van de roode mieren

cgt;

un iïti\\ kn. speelkaarten; kaartspelen (Port, carta).

o/ . o

uli (bnn zie (ui^dji w

ui)-n(urijj\\KS. jonge djagoeng, daar nog geen vrucht in zit. tijibn if^^(hnjj\\ vruchten en andere eetbare


-ocr page 343-

(Hnvfn astyis

205

rjiun^uhns

voortbrengsels van een land, kleine mondbehoeften, snoeperijen {vrg. wvviamiHyj). — \\ zva.

(Tj.) Rh.

un nniainj^ KN. 1. gom-elastiek. 2. taai, fig. van iemand, van toien men niet gemakkelijk geld kan krijgen. 8. de stok met gom-elastieke knop, waarmee op de gong geslagen wordt. 4. het paren van varkens (een varken dat loops is. G.). — o y (isïi^n een \'pen versnijden, door afsnijden en afschrapen {vrg. ij2(tJt j(uri); fig. iemand afzetten. — toivj\'-nversneden, van een pen; de snee van een pen. — % pennemes.

,km \\ (u cisnji\\KN. naam van het schrijf-

teeken p (afgesneden Tjamp;krü). cn^nu^ifn mosiiji hals met kringen of plooijcn zooals sommige menschen in de hals onder de kin hebben (B.) Rh. wtHrttui asnjj of a^u^asnj^s een door insnijding met een nies afgesneden stuk van iets dat lang is, en benaming van een soort van gestreept goed. — w (uahiijjs iets door insnijding meteen mes afsnijden, in iets met een mes insnijdenj (afschillen. G.). — tu ikn iu (isnjjs liet afsnijden, enz.; (snede, wond. G.)j dwars- of bindbalk van een dak, hoven de wanden en halfweg de hoogte van het dak.—

0ty\' ^en\' snee^Je» schijfje, Tj.

wonden tusschen de teenen, ZG. 1868,

316.

ihh ijquot;masnjjs kn. geknars met de tanden,

knarsetanden {vrg. (ni^turi foii/j). — anrj ■gt;)i met de tanden knarsen. — ^t)?N geknars met de tanden; ook een knarsend of krakend.geluid, bv. van een deur en van een tak van een boom {vrg. cvr^ (Qrjmt

o

nu ihnjj \\ k w. zva. ijwz\'rj straal vooral van

weerlicht en bliksem , vrg. tni itli (iamp;ijl \\ — lUriitnt door weerlicht bestraald ? P.L. II, 140. zie bV

\'I quot;quot; \'r\' 0f \'7 ll^yiN verk. v. y uu ni nuq \\ ly nn iyhnjjs kn. meegevoerd door water of wi?^/, weg-gedreven, meegesleept,^^, dsnjj ofr^tmn^ zie \'™^iisnjj\\ vrg. rj un alt;u\\ en (Hti urjasvjjs h»/ rj T) tuH \\ of rj asti \\ en gew. vj n (un \\ kN. rijtuig, wagen, op vier wielen {vrg. rj wi orj\\ Port, c a r r e t o).

O O O • O O CD ^

mt t) nsn \\ zie un m up w

kw. zva. -yi ^(trmv^ciittaaj^s

nnn \'n tun \\KW. de zin of beteekenis van een woord

of uitdrukking; en een van een ander woord afgeleid woord.

(Kw t» nrj mn i (hnji of tj ibn i an/j zie *gt;) niy w

.un (Hi\\ kw. zva. (ui\'Hjss en (ijj itsn bedreven ,

volleerd {Skr. kr\'é ut an a y snijdend).

/\' - o

iHr^tiiii /hii \\ Kw. zva. uj^ isy^ a^i/j en iiJt (ki \\ of ui q

tini2u.i {Skr. k rët dri a, gelukkig geslaagd in een

onderneming. Vrg. (hommasn ).

(inirn asiiT^ajis een bijnaam van Batara Goeroe {Skr.

kir dt ar o êp a , in de gedaante van een Kir Ata

(wilden bergbewoner), een bijnaam van Siwa, die

zich als een Kirdta voordeed, om Ardjoena te

misleiden, pk.).

kn. /lanknab. v. h. breken bv. v. een boom,

krak! — mn i^ihn dat geluid geven, kraken.

kw. zva. oi^My mi/j*

a o o o T

nsn ntiq\\ kn. — ^ ^isgt;» un/j^zva. (riijj KJ.

cibu (hiij^\\ of Htiij-misii hn/j^KH. gekraak, zooals van brekende takken. (U (uii hu rj • »gt; 2 tv, 11 .u iij\\ overal gekrak , bv. wanneer men in een bosch droog e takken vertrapt, Rh.

(Kn dm mi \\ kw. zva. tu ^1. een gesternte {Skr. kr^t-tikdy het zevengesternte); ook benaming vaneen

soort van troepen.

s Cy .

unaniojyi of un uw mjj ku. Europeesch of Chmeesch

papier {Ar. .m}bT3gt; van ^ Gr. Lat.

^ CY

charta. Vrg. ia ói \\). ui nn lt;b» iuyj papieren geld, muntpapier.

\'tinkw. zva.

lt;un ihii ui lUyi^KW. zva. imcH^nrn qtuti (Hi/i\\

aw(n^\\kn. nietig, gemeen; vrg.

\'ij^iui^\'rj ihii 1 iy\\jij^ \\ kn. (inii ^(j^rftbiid iujj\\ met

moeite vooruitkomen in het gaan.

I ISJ) 7

(la^nsii ji/i(hj)\\ KW. zva. 4

«yj, HJI/j Ufi *riihii iuijl\\ volg. Rh. ook loei u i • iiij\\ een metalen gesp aan een ceintuur v. goud of zilver galon , ook wel van leder of andere stot door mannen gedragen.

cy

un vj lt;l,ii nji/j\\ kn . llikkeren , glinsteren, W W.

(V c.V

N ^quot; \'c!JIN 6)1 h quot; \'cquot;//N Kw*zva\' rn 7lUgt; ( kret y d, daad, werk. Vrg. ut^dsli).tri un

werken, doen , maken.

un •» (üyjj iuiji\\ k w. zva. un ni tj bn i injj\\ zie bij \' n w


-ocr page 344-

/

\\2i ^SJIlni K

206

(UMJIS

S

uir KVf. zva. tft^ tJ)nsnj)\\

Kil T7 asyjimi j\\Kw. zva. (nsr^w

ihpamiEiw/i iikt^nkw. zva. i.n frn tSvgiiHT/j\\

tèri cmji \\ zie b ij kti iQi mi/js Sn wt niyj\\ verkeerde spelling voor irr^ihn rnqs

een hagelbui van steenen of iets dergelijks. ^ji l5VlnmJs cen hagelbui va7i steenen of iets dergelijks gooijen; een hagelbui hv. v. werptuigen uitstooten op, CS. —^ N mv\'gt; een hagelbui van steenen of iets dergelijks gooijeu op of naar. — 0f ,al11 *n

een groote menigte en aanhoudend als een hagel-of regenhui neervallen. — het gooijen

van een hagelbui van steenen of iets dergelijks ; het schieten van een hagelbui van kogels met geweren.

anicrtijj\\Kii. i ^[rr^rjanicrri/js schraal, van het loof of de vruchten van hoornen y daar weinig loof of vrucht aan is; schraal, armoedig, van iemands voedsel.

isynmi^ zva. thnz cyy^s

Q \' , ^)

ooi ciji dsn o\'iyi\\ zva.

mi

/

(kt) fisll

uitten nnijp ^ rmj\\ zva. [irj^a^cmijs

i y

(rmK\\v. zra. hsikyt^^w

n

zie mi - tin.

T

zie (E i joj [m^w/l\\ zie

in^ij) \\ zie hij mii aji hj1/j\\

\\iyp^(Ki\\ zie i\'-r^ ww

il ^yi mnkn. gedroogde kleine visschen , WW. ^ m^f rj i u kn. een (van boven digte) broeikorf of hanekooi van gevlochten hamboe\'f een dergelijke korf, daar men wel een waterkruik in doet; een langwerpig ronde korf, hij de visschers in

gebruik. — \'^^i^i^min een rfiiaurjn.u doen, Tj.

\' O . ... ^

mi mi zie bij i.n aji hjiji\\

rn^iyis gew. uitgesproken als kr o èsi {^m^ti?i\\ of ij ?/ \' ze^ » stoel met rugleuning {Ar.

iryayl rui rils leuningstoel, ifi} lylwrjum m/jquot; stoel zonder armleuningen.— ^ winjj^ oj) stoelen zitten. inrrKKt^KW. zva. oji m (injj\\ vj(im2np nryj lt;rn r i \\ en (t.n ■n^ (i)i kn . plank; deksel van een graf; het bord van den hand van cen hoek 1 de houten schee van een .Tav. deg ni, die met leér, zilver of goud overtrokken wordt; de lijst van een schilderij of plaat.

isYjj mi mi mm/js kastemaker , krisscheêmaker. »lt;«

rnimcmji ook rand v. e. ravijn? Tj.

s

mi (Vi 1^1\' KW. zva. iTii ni w

kiicn(1JJI of (imjfl^\\KN. sterk, hevig, streng, straf; hard vati den loop van een paard of den stroom

van een rivier; heftig, driftig.

( ) o ^ » .0«

mi\' n (Kyi of n.ijjMi., (Uj. k. , 1.1 mi 1:1 (injj \\ KI.,

kris, Indische dolk of ponjaard, daar de Javanen

van alle standen meé gewapend zijn (vrt/.tui-ri ni).

On

poet. met de kris steken, mi it r ii.j

rri i )/j\\ elkander met krissen steken.— mrrtiki^t

- O . .cj«

mjl^y iJj. r.i (nyi of n iHi js en ut mi izi injj\\

met een kris in den gordel.

ct 1

mi \'i) M/p KW. zva. \\n t(h^\\\\

j.t^txm^nkn. ; iTjj -n ijj^ een vaty of al wat hol is, van binnen met water schoonmaken, uitspoelen; ook zva. vj vnr^i mjj\\ (tjianni(t^i^\\ het uitspoelen, en zva. ilv ij m\'ti w/j vrg. t.yiis en nyiigt;\\\\

o o /, o

int ■ n 1 tjj\\ KW. ; run toi rn tKi/j of tlmj ^rt k t/j% zva.

itrns zich scheren. — ^ ni (mjj\\ zva. lt;1:/^ iemand

scheren.

- . o

^ int n tJjji of vj un ni 11 ^,1 (hnjj\\ zie rm -n

tjmtiiyriifKyisKH. hen. v. e. soort van kleine slangen , WW.

o o quot;) X

mi \'ii 7. ? \\ KW. zva. n i \\ (tni ;ri\\n

t) m \\ kn. naam v. e. soort katoen, rood of ge- •

bloemd op r00den grond.

tj mi -rj acc. pass, van (i?ii ntM/js ook fig.

tenger, slank, W. I, 21; eig. met een mes gesneden,

gefatsoeneerd, Rh.

tiit i Ti 1-1/j\\ kn. boekdeel, ingenaaid katern papier met een omslag {Ar. korrds, boekdeelen). om mi gt;1 i(i)2 t)ij\\ een boekbinder. — rj w2 rriv.yj\\ in-naaijen; een boek inbinden. — (vi 11 i-m na.i^ het innaaijen, enz.; en zva. iijmt ijmnnia^^

[mni.i ^ \\ Kit TtoJt q \\ K W. zva. (K/trtt.ifW

o . o n G) /

mij iy \\ KW. zva. xm nji \\ mi tui (hit \\ en rj w? rj 11 \\ ook eig 11. van een incarnatie van Wisnoe, den Vorst van Dioara-wati {Skr. krüsna).

(Utia^s KW. een jonge vrouw (zeer jong. G Skr. Kdrs-n i, de zoon van Krësna, v\\\\ een naam van Bat ara Karna).

\\unn.n.m^ zie hij ma.iw

1. ti \\\'idd \\ kw. zva. myvn 2\\ tisi^ajs en unajiaji^ (met iets ingenomen zijn; beminnen, begeeren. G. Skr.


-ocr page 345-

o

ur, ni (k) hii chtji\\

/ a hii wuj \\

807

kar sand) trekkeid, wat aantrekt; maar waarschijnlijk is het het passief van (mi iHan). — nlt;n mi v* (hn\\ zva. (iry «c» j \\ ^ m \\ en r) tvni \'yi oiyi \\

mi KN. naam v. e. heestergewas, WW.

CJ

KN. geruisch of gcdYwhch, zooals van door een sterken wind bewogen bladen, of van een langs den grond gesleepten boomtak met bladen, ook gc-druisch van een sterken stroom en van een stortregen (org. .hprfJnr)jj\\ en ruin^rjaJliHV/j). — }a^{^rK)iui^/j\\ zulk een gedvuiseh maken; rui-gchen, van de door den wind bewogen bladen van een boom.

HT^/j\\ ongebruikelijk ; / /oj\\ k n . een soort van koek.

ut^li urtjj-. KN. gedruisch, zooals van bladen, daar een klein dier {hv. een rat) door heen loopt (vrg. ojimoji fyiï.unji en

of (ufo!htijj\\ znlk een gedruisch maken; gedruisch maken, zooals van een aantal kinderen

, OCY.

{vrg. crn iamp;iiin).

^j^Mmj^\\KN, geritsel of «eniisch, zooals van de bladen van een boom en andere kleine voorwerpen {vrg. ((^(Kitrnjj en thv/j). —

ritselen, ruischen.

^^ kw^nkn. gedruisch van veel stemmen door elkander , zooals bij een garéVég en van een menigte kwakende kikvorschen; ook van een plasregen (vrg. inr^tKj) uvji en ut^iL}zulk een gedruisch maken.

r]{mi)f(i,iiunjj KN. gedruisch, zooals van drooqe bladen, als men er op trapt, en van het gesleep met sloffen over den vloer {vrg.

ihnji en ^(^^2— in^ rj ajtihiiji of tm r^E^rjn.) hitjes ruischen, ritselen, zulk een gedruisch maken.

V^^^NKN. gedruisch van bladen door een daarin veroorzaakte beweging, zooals wanneer er iets doorheen gegooid wordt {vrg. en ij /.»lt; ^

rjiKOhiyi). — ruischen, ritselen

bv. van een tijger in V kreupelhout. — rj mv gt; 00^ me^ vcel gedruisch.

rj k)i.7ni/i\\kn. gedruisch, zooals wanneer men door zwaar zand loopt; grof, van zand; ook benaming van de op de West-Indische wijze bereide koffie en van den afval van tabaksbladeren, inden handel bekend onder den naam van shrubs, ZG. 1882, 7. {vrg. [Ury*.] raijj\\ rj

O O .

o-ji(hi)jl en \'yytip Hn/j).

a ..... O

Kt) \'T) OJ1WY) (Kyj^ Zie O IJ \'quot;•\'7 .\'M hfl) \\\\

nS aaji \\ verb, van IIoll. satijn, satijnen, lü]. ook

uti (la(Li(Mjj het geluid dat men bij het gevoel van erge koude door het ophalen van den adem laai hoor en? {org. iw Jw(^n)kn. iu mï0\\ overal dat geluid doen hooren. Tj.

kn. klein, fijn gekorreld. WW.

n

un rTi(t.^ rui\\ KW. zva. )i i tunr^n (Ujj\\

scbijfjes gesneden pisang vermengen met geraspte kokosnoot. —

0.iin(kJi\\ tegen iem. met een mengelmoes van woorden uitvaren, zie mi \'rj n KW. zva. kh gt;1 • n ? w ;Hnrri(Ujj\\ zie bij \'tiajr^^

m ,vi\\ rj mi2 ut \\A%zie bij try • t^ w

Htt rt^ ut(Kt^\\ zie bij trtt ^ ?NN

. ,.. o o tlt;tt -y^ Vj Mijl \\ zie o ij w

(Kn tl n \'e ui (hijj \\ zie bij -rj rn t ut w

kn. geruisch {vrg. (in^witnyj). — K^^ut

iHtTji of in i^ijt Ktyjs gedruisch maken, ruischen,

mo o als van een waterval en van veel stemmen of

geluiden {vrg. i ti/j en gt;\' 00^

het stroomen van water door een opening van een

dam {vrg. (rti

kn. geruisch o/gemurmel va7i het water

van een fontein of kleine beek-, ook ecu hitje, een

soort van kleine paarden van Koeningan. —

l^ij}Kn/f\\ ruischen, murmelen, bv. van een vliet

{vrg hn^^utuiiji en ~

injj\\ een vliet of kleine beek.

O • O

ut tmjp {HJjtvt tnyjs zie bij kt^ ui i(ti/j\\

tjj^ ut uvji\\ Iloll. kruik. — 2. zie bij

o

ten (V) uit/j\'

^tn^i^uii/j \\i^. gerommel van de buik enz. — ui^ ruischen van water, van de zee, Men. en van vele geluiden] rommelen van de buik; aanhoudend knorren, kwaken, van kikvorschen K. 7, 80. {vrg ( ut kh/j en t y Q ut hrtjj).

rjlt; tmif .vt iin/j\\Ky. met een holte of holligheid, door uitvreting of uitknaging (vrg. tiiutt i n utiKttn en tji^ni ut t^njj). — ty iM ij(ut h ttj) \\ iets uitvreten of


-ocr page 346-

\'Ij {1^2 \'UI \'Hrgt;/J\\

uitkiuigou; in een hooy aan de einden ecu inkeping maken voor de pees ; gedurig nitloopen van water of dunne stof, bv. bij diarrhée. enz.vrg. nno $ en

ij m rj (V) ? W

iputy .Dhunji of .mi unni/js zva. vj tuiyrj w un^ maar ineen sterkeren graad {vry. ook ijuriiij) 1,11/j bij ayyv)Knjj). ij { ry nnjfs zva. rj [lytj 1» nii/j in sterker graad \\ met de vingers en den duim knijpende uittrekken of uithalen.

ijtviitm/isKN. zva. \'/ maar met

dieper holte. ij ry rj iPhs in iets een holte of gat maken.

^ui^iiSiin/jsKïi. in^i?iiiükleinigheden, vrg.

\'7 (ini)i rl02 MjJI ongebr.; y niy tj jjii lt;ui tnjj\\ kn. alge-me ene benaming van veldgewassen, die op tögals verbouwd worden, zooals \'peulvruchten, dj ago eng, kaiéla, enz. {met uitzondering van rijst) j volg. Rh. ook zva. ^ crni ^ n^i anjj\\ vodden , lompen.

[U}^ uiihujj\\kin. een band, koord, touw of draad, om iets bij of aan elkander te halen en te houden {vrg. luntu)nw/js iets met een band, enz. bij of aan elkander halen; een gebarsten pot met een band er om heen bevestigen; een keurslijf rij -gen; een soldateirommel spannen; een scheur van een kleed met naald en draad bij elkander halen , stoppen {vrg. un (rm m mu/j).

o O . n O

(Dl (ISHJ!\\ zie

n]nsnji\\ kn. ; /.7^^ /bt(i^\\ wemelen , krielen, zoo-als van een menigte kleine vischjes in het water en vaneen menigte menschen {vrg. (rr^it^fjinsrijj). (tm.t.?tdvyj^kn. verward bv. van gedachten. WW. i^^^nkw. zva. rj urtinsnji kn. klein ö/kort

van gewas , zooals van rijstplantjes, gras en hoofdhaar. ^1 (üjj Kn/1 en ^ Vj iiinj]\\ klein of

kort zijn.

o ... o

zie bij rnrunisnji\\

o 00

(\\ KN. » OJIJI zva. [Mtj njj uw ijj ,isnjj \\

Uh. zie [iwiu)(kvji\\

!?o^ iJijj\\kn. harde woorden. — ^3wnjj\\ tegen

iemand met harde woorden uitvaren; iemand goed

doorhalen, duchtig den mantel uitvegen.

i^M /v^v^NKN. toeroep om iemand te bevelen om te

draai jen: keer om! Rh. — ^ ut rhijj gt; iets draaijen

en wringen.

208

[lUfj (UI tKV/l\\

a 1/ n /

(nj/\'iJiii^\\KN. K^ij uii f ^iuiujyj\\ zva. [Mtj lUjii.iijjs

volg Rh., ook ongelijk, met trapjes afgeknipt

hoofdhaar, vrg. {iin^ui!i-Ji^\\

o s a r o ,

- Hii i \'i\'\'7\\ Kii (Vi m\\ of hu n) \'Ui iyi. KW. zva. (ui cm iifin\\ O 6ü Cd. Cd s \'-\'I

O y O J. -)

— i i i ui iyi\\ rn tui m\\ of ir.mnui pis zva. lt;» / »m\\ yy Cd Cd J Cd 1}

ani\'in ui rj\'i\\ of lt;iwdn ni(?j) m\\ W. I. 295 , zva.

Q Cd Ö Cd

niiïjnm {waarschijnlijk van het Skr. westa, in-

sluiting, omheining, omgeving, pk. Zie vi iyt\\ en

dan moet het de fren. vorm zijn van hu ui w

Cd

omgeven, omzet, en dus overal omgeven 0/omzet.

1/ o o x

rrg. uiirn un^).

Cd

inmiiUi m\\KW rand, zoom; lijst, lijstwerk. G. {waar-Cd

schijnlijk in poëzie om het rijm voor mi rrt .ui r^).

n . O

ui I\\ zie \'Ui Hjyi\\

(iipi ijl iiij\\ kn. nietigheden, niets beduidende kleinigheden , die onnoodigen omslag veroorzaken.

ClvO y

y rj ui \\ KN. (Li ihii oj ij thVj tf ui tri no/js bij brokken, klompen. — V^gt;*1 ^quot;n7x klomp, WW.

rj uiy ui •ri^gt;j}\\ KN. oneffenheid, vuwhoid, zooals var. een onbeschaafde plank, (vi muvj -tny ui overal ruw, overal met oneffenheden; onbeschaafd.

. k/j^j/nkn. naam van een olie of vet, dat als zalf tegen een zweerachtigen huiduitslag, en ook tegen spruw , gebruikt wordt; ook naam van een residentie en een daar doorstroomende rivier. — ^(n ói tri tinjj naam van een grasscheut. WW. i^\'3i\\kn. een soort van pek of stopverw, van een zekere harssoort en aardolie gemaakt, daar men de naden van schepen mee stopt. — uu iets niet zulk een speeie stoppen of digtmaken. ^^TJ^osKN, potseherf, scherf van gebroken aardewerk {vrg. tbn ru); ook benaming van een gering hoofd of beambte, wien na eervol ontslag nog eeni-ge diensten opgedragen worden, waarvoor hij een

toelage ontvangt en \'t gebruik van rijstvelden heeft.

/ t o

uu ij ui 2 \\ KW. zva. un iu ~ i f

ry

(tf^n^NKW. zva. ij nu iki \\ mn^riw

ifiTï niii 11 \\KW. zva. mrr^(iji\\\\

wKT

*.

7,\'Ti \'tï nu \\ zva. 1,11 \'n (Ui w

a

inji/j\\

\\KW.un(lur^aji\\voedsel zoeken in het bosch, als aardvruchten, bladeren of wortelen, die eetbaar zijn {71I. uit gebrek. Vrg. ti(iJi\\ Rh ) zie B. T. Dj. 59Ii; volg. WW. zich daarmee voeden als boete.


-ocr page 347-

i}rrj)(ut\\

of of vi} (ui v eian. van een Pandita y

zwager van Drona (Skr. Kr2pa); ook k\\v. onbeleefd. G.

^j^nkn. naam van een zeevisch, Epinephilns crapao.

ur^nj) \\ Snujs of nm. v. e. delfstof met

blinkende kristallijnachlt(je oppervlakten, wel gebruikt voor steentjes in ringen {en knoopjes urn ijj i.njj) voor rozekransen en lovertjes\', (ook zalf G.). }i u ojt (ujj\' zie bij (unnjtaji^\\

hnm lt;i^\\kn. harde loop of ren vaii een paard\\ {Mad. en O.»/.?) ook wel voor k n \'rj tu] of im ili

(ui anjj \\ wedren, vrg. (uti ^ — drtm (uji of

hard rennen, snel en met drift spreken.

O O O

— anj(hu--gt;1 nji/j\\ zva. i gt;) i:iiji\\ — i;i n hj . iij

if mi \\ of ~.irj(Hr}\\ doen q/* laten rennen. —

fiii ri tui ui (}n/j\\ mv. rennen , lis.; om het hardst loo-

pen of rennen, wedren, ook wel van andere dieren

op de wijze van paarden {bij de Madoerezen van

sapis.).

iiw (ui (uuj\\kh. digt aan elkafir; nauw aan elkander ge-vloehten , bv. van een pagh\' en van vlechtwerk; Wangs, (un in cea itids/imi/j TZH /tlt;ti hji (uijj-■ C.S, dikwijls, dikwerf, {het tegenovergestelde van am ni \\ Vrg. (iji \'?r\\ fi/n (^). — r?aji .ui Si \\ iets digt aan elkander doen sluiten of digt op elkander doen volgen; iets dikwijls doen; iemand dikwijls iets

doen of met iets aankomen, bv. met verzoeken.

o . o

uu n nnji\\ zie Hn nnrnjj^

li\'rji (iJiji\\ Ar. i ^KN- (Arabische) letters; berekening van den dag daar de eerste verschijning van de volgende nieuwe maan op valt. {Een ander zie bij vj umrrjlnjiji\\ 2. óij ^

rj im 2 dnji \\ zie hij (ut^ ajiji \\

rf hinrim ajij\\KH witte schurftige vlekjes aan den kop van een haan, door verwonding hij het vechten veroorzaakt; zwarte vlekken aan vruchten ; ook benaming van een zekeren huiduitslag. — un ij kii? rjiKuji of rj un dij y) if --n (ijuj gekookte rijst uit de pot of uit een rystmandje uitschrapen

{vry. ij u a2rj • n\'laji). — ij un2 ij n iui ui hij}\\ zva. ij un 2 ij •gt;! (w w/j \\

un iiji uj \\ zie ki^ \\\\

^i£)^ (ui \'ii \\ Kw. zva. cm itu unjj\\

^1*1^M unjf \\ kn. spaanders en kleine af haksels van hout.

(ui \\nijj\\ 209

voor hrandhout; ook un^nji imji of ncli unqs drooge bladen van suikerriet, die tot brandstof gebruikt worden. — \' oji uwjj\\ hard droog , broos van droogte , zoodat het in de hand ligt brokkelt en vergruist , brokkelig. — {w^iuiun ihn/js verdrogen der toppen v. bladen, door schrale winden , SG.

hï^Iiji inijis of om nl/i uiyi\\ KN. gekraak bv. v. hout,

bamboe en derg.

un (L^ unjj \\ kw. zva. ij (ui 2 un % w

n O O _ ^

in^ij (Ui ifnjl^ 1. izz 10^ (ui unjj \\ y. — un tj (ui (unjj \\ ui^ivi un/j\\Kti. kruimelig, dun, van témpó; valsch , nagemaakt, van geld, zva. rr^ foi \\ {vrg. ^ht^iui Hv/j). — ; 7 ^UVJ\\N Z(\'er kleine zwarte mieren, 0tfji iliti r,m i \\ 0(iSi ij mi \\ lekkernij van die vruchten gemaakt, die eerst tot platte dunne koekjes geslagen en daarna met olie gebraden worden, Rh.— lt; rj iji uiijj en ur^^itui uiijjs kruimelig, broos, van iets dat gegeten wordt. (ui fA an ij tui pui uiijj \\ hij eet kruimelig (weinjg). run (ui yn ^un/j\\ kruimelig , tot in kleinigheden kiesch of keurig.

Lj unjj\\ KN. een toespijs bij de rijst van het binnenste vleesrhachtige gedeelte van buffelhuid, of ook wel van visch, broos in olie gebraden.

\'ij 10^2 (ui unjj\\KN. het blad van de Tal-boom, waarop de Javanen in vroegere tijden gewoon waren ie schrijven {vrg. asn vi i/j en ij n 12 r^i). Wangs, \' jj

Q gt; Q /y Ti

ij(Ki^ar»irrïrj^rny (Ui unjj ~ lUirn unjj^ ( ■» .

ij uij^ 2 ij ui 2 unjj n K N. 1. sappeloos , voos, van hout en suikerriet, rj [my tj iuii uii/j en trn Yj{ifji2 ij nji2runjj\\ maar den halven wasdom bereiken en door gebrek aan sappen verschrompelen en afvallen , van een vrucht, zooals een djamhoe of mangga. — tj rj (Ui 2 un iHi/j u n ij 1^2 rj iui 2 ini uijj of /. ^ tj ^2 ij (Ui 2 iinijhijjs door gebrek aan sappen verschrompeld en afgevallen, van een vrucht. iui rj 11^2 rj iui 2 iun

(Wasplaats waar dergelijk uitschot v. vruchten ver-

4

zameld is? (B). 2. — rji y ij (U12 unjj\\ t.p. zva. {iUj ij (M -1 i anyj v Rh.

\'\'quot;y/N KN*, bemorst, zooals met vet of slik, bv. van iemands mond o f handen {vrg. a 11 ui unjj). —

C.P.)schraal

en dun, zooals van het padigewas, het hoofdhaar en den baard.

ui^djid-.yjx KN. het geluid van water dat bv. uit een natten doek geperst wordt. — 1 4 Dn^i/j dat geluid


-ocr page 348-

quot;Vjquot;^

O

270

maken, WW. Zie oji (Lil thJin \\

0f ,m lJjj N K N. muts, slaapmuts; oo^- de vorst mi , waarmie de nok van een dak bevestigd wsrdt {Port. c ar ap u g a; en vrg. vj tui mji of nyiast^rj iu a Jtfls KW. vlak, plat.

ij ^nnt rj (U) 2 (h^/i kn. uitgevreten, ledig, ijl, bv. van padi en katjang; ook vermolmd, week , van hout {vrg. tuiMv/j).

tuil .it» ij (ut - i tinjj n zie bij (un (ui mijj \\

o o • »..

i7n ) nj] -. 7 (Hi/j \\ Tjjni? -n tui oajj \\ zie hij ii/y

o

quot;T) (L^s

yl3c!Ji K,^JInKeei1 a^8C\'luttiug omheinde plaats; een omheind park voor herten en andere dieren , hertekamp. — II. 0f ») ujjj unjjs

het geluid van een gekletter of gerommel van tegen elkander stootende lansen of schilden, of van pijlen in een pijlkoker; getrappel van paarden of van veel stappende personen {vrg. (i^jj unjj\\ ifm \'h hji en rjihni ij ). — ,lt;^N ZU^{

een geluid maken, kletteren of rammelen. — ïj \'*£/jlt;Hnji\\ een plaats door een omheining afschutten.

Tir O / /• O ■ O v ^ s

Wangs nn OA^am^dj) {of oji arpi cm rj frj)) ihtkh^\'h

——— O O pl

\'LjJjxHJJ - ui •isn/]\\ C.S.

tirp ajjj ilt;ii/j\\ kn. klanknah. v. h. gedruisch v. velen, die bezig zijn om het een of ander te ver rig ten , Rh. — im u^Jj^ dat gedruisch maken, Tj.

\'-^/j Wl \'quot;J 0J en quot;f

hoi tj *quot;n 2 ij i^jjj z twjjN kn . gerammel, zooals van een groote hoop geld, als men het bv. naar zich toe-haalt {vrg. (in^ujji Kiyj\\ II. en ijyHi^2 iamp;i— .Mjjiujji unji\\ zulk een gerammel maken j kletteren van tegen elkander rakende wagens.

iets van smalle plankjes nevens elkander; zooals voor een bruggetje en voor ma klap in boomen tot verjaging van de vogels; jalousiën van een venster.

zva. (èriioj^unjis Rh.

^ »lt;gt;j^nkn. het rammelen v. leijen Men. en

h.

nai yj rr) 2 rj Mjjj 2 hrnjj \\ zie u)^ (ujj^

[lt;^2 VJ (^2 (H1IJI

. CY 1

lur^fut \\ of mi ui \\ kw . zva. ieji uii^ uji wjj of tui ir^ w

om mi (ir)j\\ anders .jyi xsr^ irn^ ni genoemd; {ook naam

van den vogel, die anders amp;iij ini ui ui genoemd

wordt. G.).

ry

of oak of ön/i^.vKN. een groote

leêren tasch, reistasch; leêren randsel {vrg. irnidji

en Ki^nm).

a ■ a\' aS o/

i^rn^fiJi \\ fun ui \\ u ti (in\\ en mii .un lt; kw . zva. (ur^rvi^w

{Skr. k ri d a spel) kn. fni ici \\ en Srin5ii\\ van een

vrouw, te doen hebben (gemeenschap hebben) me\\

een man. iïn tn ijihk iji\\ in liefdesgemeenschap leven

^ c O

met een vrouw. Mvuiojim kw. zva. (un tui^cmrrn

S r S

ij 1*^2 \\ Kl^ IJl \\ Of KT! ICI \\ KW. ZVa. OTI HJI

. quot;) ;) O ,

v-i i;i irijj n in tui ^ en im jn \\ vergramd,

gramschap {Skr. Icroeda, króda en kroedda.

Vrg. ■r^iJi\\ en ij^n wi).

/ o

.miiJi % KW. zva. ilt;ri tu ui hnjj en un yj iu2 rj ^? unj^ te ver gaan, om terug te treden; voorthollen (w/j-Y/r-schijnlijk passief van un iji\\ zie tun tui).

(Knuinvji of trpiji inyjs volg. Rh. late opkomst van de maan, na volle maan; vrg. un\'èji infiji\\

O O t/ vr \' ^ ^

in^ ui linji \\ im^iJi tfnjl\' KH, — i^iJi unjj m^iiJi mij

talmen, dralen, WW.

O O

ui nrjj\\ zva.

^ unj! \\ zva. im Trnjj \\

mi ui tui tuiji \\ zie hij im ui iui/j\\

rf iKn^irjnji 2 \\ kn. gordijn of kleed , waarmee iets bedekt wordt; gordijn, waarmee een plaats binnen of buitenshuis afgesloten wordt, om daarachter een jonge te besnijden; en zva. rjnsnriuji\\ gordijn van een palanquin (vrg. \'rj{ui^2 ij im2). tj^0^2 ij(iJi2rri!iS\\ een voile.

nn ik n kw. zva. (rn rjivtw zie un vuw

n On O ^ ww

}s vniamp; imfl\\ \'hn(iamp; un/) zva.rjni ij.ui iu/}^ W gt;gt;

myes h njj \\

quot;quot;j

IJ^I ij ui uyi

hrjik / lyj of trn ij) kn, kleine beweging van het

lichaam, in^axiisn\\ gemoedsbeweging, volg.

Rh. ook zva. rimiqiï) htr- gevoelen, meening

O Cgt; O •

{vrg. en (KYiij(^2i^njf). ^ us (unjj \\ zich

een weinig bewegen, zich verroeren.

■ iïiyhvtsKVf. zva. nrr) rj ui \\ {Skr. krijd, werk); kn.

kunstwerker, ambachtsman, zooals een smid of

koperslager; ook algemeene benaming van een

klasse van beambten van den Vorst voor allerlei

ambachten {vrg. (uirjnrni\\ en (ijiiaji).

^M(ïyi^\\KW. zva. tm ru^n^Kiijis

V ^2 ^w\\KW. zva. iri h/IjP of un rj yi 2 im^ zie (^?N III.

urn uji \\ im (iajjj! of un hij \\ kw. zva. cm rj ui\\ en tuuni TjffJt \\\\ kn. zva. cm rj ui nj ij ói 2 \\ een hoeveelheid


-ocr page 349-

ini om \\ i \'

271

\'T

rijstveld , als één man met zijn gezin bearbeiden kan, anders trnmn genoemd (Skr. k d rjj a, te doen ; werk ; bezigheid), ihinm tm ld \\ KW. de maker, do schepper. — mi winjjs zva. in rj w un anj \\ — iui tn) ihi/i n hetz. qjhhii ojui ky/. en K^. zva. n/iimrj ui t il (Hyi\\ iemands bezigheden, waar iemand zich mee bezig houdt.

i},tyLu\\ zie hij n III.

quot; ^jj Kw\'zva\' ^v\'\' quot;n/i n \'•n ,A) it^yien \'•quot;

O

if}i2(L/i{K)anji\\

a n .... o o

ihj^iLV)(injl^ zie bij :io)ivniHi/j\\

kw^nKN. gekraak van lansen, die breken, AS. krakend geluid, zooals van onrijpe vruchten, rz/j Mtfw kauwt {vrg. [ h^lu i-Hjj)-w?n£iJiihtijj\\Kii. gekraak, een krakend geluid, zooaU door het trappen op doppen van noten, kastanjes en dergelijke, of door het vergruizen van iets dat broos is, zooals beschuit (vrg. tn^.tu i.njj enn].iu iifnjj\\). — nni(LL7^ kraken, een krakend geluid geven; krakend.

{[^aAJjiHnji o//.^\\kn. een Chinesche aarden

kofÜjkan. Vrg, tjajii n\'-ntw

o* ,

Y ij ,lui iuhjin KN. j (E/) itu ij aojttj (ia/1 ? i.nji\\ ook a /

inquot;) rj kh 2 rj (IjVi i unjj \\ dieven, die met zijn drieën of vieren \'s nachts met geweld in een huis komen en zicli meester maken van goederen; halve kampatfs, daar men onder n )i u ntyj een groeier troep roo-vers verstaat {vrg. — ij ,1^2tviz uhjj en

if w ? ij (ld ? nnjj\\ zóo bij iemand in huis komen en zich meester maken van zijn goed; met zijn velen aanvallen op; met zyn velen grijpen of aanpakken ; liulp verleenen {J,ees : met zijn velen ?) op last v. d. këpala aan iemand , die ziek is of achterstallig in den arbeid, SG.; ontrukken, ontscheuren, ontweldigen {een ander ij .c? i rj tt; t unjj zie bij rj un ? rj rjihvatoiji), — rj(ldz uiiji of tj ijw i iHrijls met zijn velen tegelijk op iets aanvallen, zoodat de een de ander verdringt; krielen, wemelen ; een groep vormen v. bergen (Tj.) Rh. — ^ V Lw * \'Hl ifl/lv op zulk een wijze , dat men met zijn velen tegelijk ergens op aanvalt.

het gelnid v. h. kraken bij het

kauwen bv. v. beenderen, kraakbeen. K., 8, 0.— o 0

nn^rtoA^iuvjis croquant, Rh.

zie bij

hu n ld l/yjmln. rjium -»1 uimi.ld ajijj niet onbestemd

kijken , het oog vast gerigt houden op een of ander

object. (P.J.) Rh Vrg. wi ld lui/j^

o O

o )

KY) n 1 LDcriyi

gelen (Tj.) Rh.

lt;yj{uiy (ld (iii/i zie tj li è ild 111/1 \\ vrg. ij \\m ? lt;i.t»

LjiKt^2 (LDcrii/j KN. het zich bewegen, v. veel menschen ,

zich in beweging stellen v. troepen 1 zie tj vm

O

ld ui /j \\

ffn^tuvp een klanknabootsing van het geluid , dat waterkruiken of holle bamboezen veroorzaken, als zij

in het water gedompeld worden.

, o ) .

{ni^(iji\\ i. kw. zva. ilgt;ii nsii \\ tui\\ en itnww kn. ,

Ki)., heuschheid« beleefdheid in het spreken; welvoeglijkheid ; heusch , beleefd {Skr. kr a m a , geregelde, behoorlijke gang, regel, orde). IPangs.iun (mi (Ui ^fitJi /01 } i nz nr^ o n CS. rm a^i {Mi^ifji \\ de beleefde taal, die ^le mindere tot den meerdere spreekt, en die door ambtenaren en aanzienlijken tot elkander gesproken wordt, ^^ ijiuïi cru het hoog-kramp;mi. i^ f i unda puik beleefd in het spreken; zeer heusch, zeer zachtzinnig van aard.

m (lli i£ti \\ edelmoedigheid, edelaardigheid, grootmoedigheid. — {g(D(tm ju ij mi \\ een woord in de Kramiltaal overbrengen.

II. 7^ (fj)\\ in Krama ook ivel ll^w Ki.vau 11 :i?n en iliiHu trouwen , huwen ; het trouwen 0/huwen ; getrouwd , gehuwd, in deu echt verbonden j ew poëzie ook zva. ik .isw ia {zie ben ) of y im ? /ƒ ik t w

- (EjI UI :£y/ N (EjI (U) \\ hetz. - (Ut \\ of

C) OO O

(hi ^hi^Iamp;1 n en (ui(Li n Ki. van oji 11 xm \\ en (ui 7ui

ihii \\ het trouwen, de voltrekking van een huwelijk.

OOOO o

— ui^H)^(Liftjj \\ iui(amp;)(Hj s Kl. van L7iir(j\\

en 7^7 rj (kii hj \\ iemand trouwen, tot vrouw of tot

man nemen. — rj o uu ju yj ld \\ ^ i^ni o un -y?» ij

r ri é)

ij 7.77 n of ui tui un j)i 7f at 11 \\ en (ui w hv - n

h 11 thnji \\ K1. van vf im lt;im ju if u n \\ en ^7 if un un -ju r) un\\ iemand doen trouwen, uittrouwen , uithuwelijken. - 7v7 [luï^(ui (kiji of (ui mi^(ut chl/l Ctl (u

Lf (Ei cmjj \\ k l. van an if ui \\ en tui ui tui/j hu welijks-feest; bruiloft. — (ui ani^l^ ui \\ (ui iui un^.ui\\ en 7.7 zie heneden.

(ui \\ zie ^hnj^rui\\ II.

\\ K W. zva. utfi.jï crrijj un cm uLi/f \\

10) m Cd li j (ifijj - waggelend, u\'ag-


-ocr page 350-

tj 7m (ij) ieiji \\

272

mytl\\ of \'uii mgt; KN. maden in dc buik cn in de aars

(Skr. krïmi, een worm in het algemeen. Vrg.

o r».

t i)

zva.. \' j i\'i ? t. i i ijij\' (Sier. krimi, worm. Vry. vpw).

iii^i6J\\KN. fijne bijna onzigtbare diertjes onder de opperhuid, die groote jeuking veroorzaken.

1. kw. zva. cn (mr. koêrm-

ma, een schildpad. 2. zva, 3. kn. dadel

(Pers.

thin n (Eiji of Ar. ^1^., kn. wat door de

godsdienst verboden is, niet aangeraakt of gegeten mag worden, het tegenovergestelde van hv wi tyij) {vrg. ifjhmq). rf \\jï)z •-*! hu nirj/^ rj n \\ in \'t gelieel niet verboden of ongeoorloofd. Liw (ip ajut r} ihjj\\ heilige tempel te Mekka. — ui\'rtifj)rjtuii^ iets als ongeoorloofd verbieden; iets vermijden, van iets zich afhouden.

wt nj lust, vermaak o/* liefhebberij in iets

hebben of vinden (waarschijnlijk acc. pass. van va zie (Ui £1/1 \\ Vrg. (ij) ï7 hajj). um/tvj i )\\ voor zijn pleizier. — wn (u^ j onjj oj nn un o na/j ■■ iemands lust o/liefhebberij, waar êlt;?»mwrfzijn lust of vermaak in vindt. — /uim? ojx(hnjj\\ wat tot Inst of vermaak strekt; liefhebberij.

nfn fl fjifl\\ n. , mik. , zending, bezending, van goederen; en zenden, sturen, verzenden. i.w»lt;ïrn im ioi het een of ander zenden als

geschenk. — xn het noodige

sturen of zenden of ook wel zelf brengen, voor iemand, zooals het eten voor iemand die op het veld werkt of voor een gevangene, en de ^ /u »3^ bloemen, olie en wierook zenden voor afge-storvenen naar hun begraafplaatsen in de maand Roewah. na /w n ^ wi ij in ? ^ T) ^ \\ schertsende

verwensching van een man door een vrouw. — i j

o o n n , A

ynfjs it)N mv.; zenden aan; meegeven aan

of met. — ivn rtt i^j tj Kt) \\ w^w hï) !)nji\\ een object

zenden, toe-, op-, overzenden of overmaken aan

iemand; iemand, zooals een gevangene, oyLZwfow,

— oft) ni (hnji\\ in) r,r!JiN wa^ gezo11 den wordt,

het door iemand gezondene, huom \\ een brief.

ajr^.in (hnjf0 regenbuijen voor de regentijd, regen

in de oostmoeson. — nj)ow\'y] (U)w)manjjs

(i/?iuic\\Ki.) bezending; wat men iemand toezendt, vooral als geschenk. Zoo ook cut w) ni) wj en (ui tPnoo)onji\\ — oj)(i$(h^(mji\\ liet zenden, enz., {ook zender. G.).

tjun(uiiEyj\\KH. verzinken, in den grond zinken;zinken , van een vaartuig (vrg. vt)

wn iamp;t\\Kyf% ergens overnachten. G.

lt;k7j/fjgt;^KN. naam van een plant y waarvan het blad tot geneesmiddel gebruikt wordt, Nertera depressa Banks , Nat. fam. der Rubiaceae.

7 7 \'TA*?v KN* ou^ » versleten ; zie (un rjot^w

on/i^KX. opstandeling, iemand die in opstand komt of is tegen het gevestigd gezag {vrg.

vytyf)- — [x^\'fj)(hijj\\ tegen het gevestigd gezag iu opstand komen ; opstandeling worden ; als opstan deling de wapens voeren; muiten.

kn. zva. rij)(Kt)\\ draagstoel, draagkast, zoo als die, waarvan de Chinesche vrouvjen gebruik maken {vrg. en itmcrrrj). —

(Ejj(mjj\\ schemerend, onduidelijk voor het gezigt, zooals door verren afstand of door een verblindend licht {Vrg. ruibijj)nsr)^).

ut) n i£j) kn. eign. van den engel, die de regler-zijde van den mensch bewaakt {vrg. )in iiuinm oojj). (Mt^(fj) ifj.(hnji\\ kn. naam v. e. fraaije houtsoort, waarvan krisscheden gemaakt worden, Rh.

ta) i£j) ost) \\ kN. een kippeluis.

xy n ns)yi \\ zie aj)^ (t i (i^njj \\

om ni (En asrijj of ed asujj\\ Ar. , cere, eerwaar

digheid ; en een wonder, dat door eert heilige,.zoo-als een Wall, gedaan wordt, zonder daarom aanspraak te maken op een prothetische zending {vrg. (Ejj w) oj) (vgt;i)jj); vooral een wonderlijk , buitengewoon verschijnsel op het graf van een Wali; ooXr begraafplaats of graf.

«lt;7ï (B/l (tJ)ji\\ kn. ; ox (Ej) oj}jJ\\ ki., (U) ojiji. kw., zich het hoofdhaar wasschen {zooals met een loog of tamarindewater)\', gewasschen van het hoofdhaar, us (amp;) $.1] (\\ zich het hoofdhaar wasschen met bloed — [(Klf(Eii.u).$\\ ojï) rrpi Ej)w Ja\\ iemand het hoofdhaar wasschen en reinigen.

Htyk) oj)^\\kn. klanknab. v. h. geluid v. h. kraken v.

t^ . 0 iets droogs,^, beschuit, een notedop enz. — »lt;7?

cej) ^.(K)j^\\ ajt0 één kraak, voor met éen slag of

eens (Tj.) Rh.

zie uyv^


-ocr page 351-

Htl (IJl fcl -Jl N

273

O . quot;) O

\\ hH IU} fl -1 MJJN ZW - 1 ^JIN

,/^fï 1\'iU/l of I.n iiJi r^yu/j zie nn n

I n}} Kt i njjj ku. in eeu digte groep bij elkaör; digt

aan elkander gegroeid van bladen (yrg. \'/ \'/ ?

iLiji en xn izjI -ii /L^)-— ~ i n jjs zich in ecu

; digtc groep vereenigen; digi in elkander gegroeid

i zijUt — j/)jb? tr^} (H^j\\ ecu gevormde groep of

I bos ; bij groepen , bij bossen.

j gt;11 \'F-) ui/] kn. (Ui iSïi0 , niet veel groote scheuren

v. kleederen, Tj.

ïiji ijif:i - u mij of rj Kiiitf iM2 iui,] KN. bos, tros,

i zooals van met de sleden zamenhangende of bij

elkadr gehondene vruchten \\ en groep, troep, drom

{vrg. i.ij f i t utufj en i.y n ^ ili/j). — tj y j | ?

u ijl of ij im gt;i * i zich tot eon troep ver-

eenigen, in een troep bijeenkomen of /\\jn , zamen-

scholen; zamen rotten ; iu ecu tro^of bos bijeen-

groeijeu ; iels zamenbinden tot ecu bos. — \'/(^y

Y f\'i -wivKniji^ een gevormde troep of droin; bij

troepen, bij drommen.

i -jji ■ kn. — i:yriJjij\\ overeenkomen om te

oogsten zonder geplant of gewied te hebben , tegen

| /lt; der productie, mits door lieden van dezelfde of

van digtbij zijnde desa\'s. Zie iit rj fon/j SG.

f i \\ kn. gegons, zooals van vliegen en andere

kleine insecten {vrg. ; i -J^)-

zie ii^wJjji*

Kijif i jjj kn. gegons, zooals van bijen {org. r.r^ i:i r?)

(\'7i van een menigte mensehen op een pasar; {ook

een soort vogelverschrikker, beslaande uit eenige

in een hos opgehangen stukken bamboe, die, met

een touw getrokken , een klinkend geluid geven. —

\'■ ^ ^ of hn u ^ gonzen , zooals van

een zwerm bijen en van een gainêlan in de verte

{volg. Rh. meer bepaald van veel gamelan s) \\ in

li. van een menigte huilenden.

V [\'y u ^Jjl 0f ^ ™ jjjp en »7 kn. ge

nu kink , zooals van vallende scherven porselein of spiegelglas, van een slepende sabel; enz. {vrg. hit^ iiru en .njj \' ^•\'\'-)//N enz V\'U{\'

kinken.

ftcVi kn* — \'\'ftcijr so\',raa^\' e oidm

haal^ lusteloos , niet levendig bv. o. e. markt, enz.

\'^V ~ quot;\'l

teJJj MJj uitbreken v. zweet; vrg. rj i/ uijf\\

kt^jw^xkn. een soort van kleine grauwe tijgers (tij-

gerkat. G.); ook naam van een soort rhabarber-

plant, anders u n ry ^

un Mm il)\\K. t im tuioji\\ of lai m\\ k. kokosnoot. iui ^J) co J \'K

^I^ l^ iuijI kokosboom.— ity Juiuitnifl gt; ben. eener grassoort, C.P.

quot;PW \'ie hii

•yé/p 3™- -i ww-

(?) G) e

UU ! I\\ zva. IIJI U Of II n LI2^

pert ^ co J \' \' ro

.ini ii i is zie bij un li\\\\

(l cn J co ,

yn.y gt;jlt;Liê\\KS. eeu groote ïj r.n* ujs met tien ketels. kii .u ^ \\ kn. freq. van un f^w iui luh im iiji t\'is veel geluid, dat zich te zamen van alle kanten laat hoo-reu , meestal van de ganiélan. {v. d. iednong, Rh.) ifn ni\\ /.// m\\ of hi^cni\\kn. patroontasch , brie-ventasch van eeu postbode; en elke leeren taseh met een riem om den hals gedragen {vrg.

en kh ui \\); ook naqm van een groot en vogel, hiinioti/iskn. 1. gekookte en daarna iu de zon gedroogde rijst. — r.i Ti(rrijj karag maken. 2.— uitvallen v. d. veer en, ruijen , afvallen v. d. hldren. fin fl(ïii/ï kn. al de werkbare mannen van een dorp of district te zamen j alle te zamen uitloopen , bv. v. q. troep nieuwsgierigen om iets te zien , Waj. T, 412. rf óitHn rirrnjl^ al de opgcroepeue manschappen tot het verrigten van algemeene werkzaamheden. — in n nyi\\ al de werkbare mannen oproepen of bijeenbrengen. — a^iry\\^\\ mv.— iiti quot;(WJV watl 01) zu^ eeu wijze geschiedt, dat al de werkbare mannen daarbij opgeroepen worden ; zulk werk; al de tot een werk opgcroepeue manschappen.

) quot;) n ^

hnr^inj en ui 7^ mi^ zva. hii ^ hnjj en i:in^i,ii/j\\ — /. n i.i tl ernjj \\ 1. den grond omwoelen. 2. zva.

voty\' hn tj, »! ^ iijj\\ het afgebroken gebrul, bv. v. tijgers en leeuwen; het slepende heet rn tj w

L~) . )

tm tj^tn nrnj^\\ zva. mi tj nè i. n/j imni mq kn. het lichaam schudden, zich afschudden, zooals een hond doet, die in het water geweestis\\ de huid in beweging brengen, zooals een paard doet, als hem een vlieg steekt-, het lichaam \\\\x\\\\\\-gendc bewegen wegens het ecu of ander hinderlijk gevoel, volg. Rh. zoo het ligehaam bewegen ten teeken


18

-ocr page 352-

11 ^

274.

uy iui irri fj

van afschuw, weerzin, walging enz. Zoo ook tm ^fl cni \'n cmjl\\ i.ii\\ iets van zicli af-

sehudden.

tnn KW. zva. wriyw

rf uny yirrnysKN. een stok met een trekker aan de punt, om de lading van een geweer uit te halen (vrt/. ioi rj ni Knjj). rj i-i ij gt;) ornjj\\ de lading met zulk een trekker uithalen.

T o

tj hnrj ut an/j\\ KN. onyevecr zva. hn notyj — tj

I t ill :HI;! S

7 \'

het ligehaam schudden van menschen

die door een he et en aschreyen getroffen worden. Men.

dreunen, in een schuddende beweging geraken, zooals een huis als er een zwaar rijtuig voorhij gaat {minder zware schudding dan

ij mu dJiarnji van y i/m cut crun); fig. ongelukkig ge-

, O Q« 1quot;)

worden , n nrhj un xm ivi ojijj \\

rjKiini r»2fm^\\KN. — rj w2 tjni2nrriji* heen en weer schudden, bv. van koffie ot rijst in een zak, om die te laten zakken, llh. 2. dakbedekking van .ilangalang op de voegen der deelen van een Jav. dak, Rh. zie un i ^ 2 (rnjj en tj tun rm/i\\ BV.

rj rj cmvu/i of kh ijrriê ij cm zie hij ijimtrj ■Tj mi

n hi) 2 \'ii cm \\ KW. zva. uj ry-t cmw

V

Mnazns Ml. zva. njj, u)\\\\

to) r) nn/j\\ k\\\\. zva. tfj-ry w KN. het tegelijk als een zwerm voor den dag komen van een menigte menschen {vrg. tiïtinm.yi). ^jfp\\KN. naam van een lekkernij^ WW. tin ^irmjj Tj. ook zva. icr^/hrrt iviyis tegelijk als een zwerm voor den dag komen van een menigte menschen; (ook zva. hniiQ ruxnyjs G.). ^T) irn^\\KN. uitschudden of uitslaan, van een kleeding stuk of lang hoofdhaar; uitrukken , te voorschijn komen, van krijgsvolk op het slagveld (t i (ijt lucmjf); Jig. de verantwoordelijkheid van zich afschudden (de handen er van afwasschen). nu iw zva. Kt) ni vrn/j\\ en zich de kleeren

uitschudden; de vlerken uitslaau, van een vogel als hij wil gaan vliegen, ook m rilunjj\\ Men. — d\'-) gt;1 rj tm \\ een ohj. uitschudden, uitslaan (Men). iets, daar men verantwoordelijk voor gesteld zou kunnen worden, van zich afschudden; volk doen uitrukken, enz.

i ^ iji r.njjsKN. de voorzijde van een voorwerp tegenover l

tviiuj de achterzijde; het voorover liggen, ^y.

quot;

een omgekeerde pot, van een persoon op den buik.

o a

enz. (Kt ioj (u i-i lunjj ika n ij] (eq ? (un a:r^ ili zoo

ver als de hemel en aarde zich uitstrekt (nl. de aarde wordt gedacht op den rug, de hemel voor- S over te liggen); vrg. mi(mjj. \'Ej nji r njj\\ voor- 3 over liggen als hoven) ook fig. zich onderwerpen,\'® gehoorzaam zijn? VV. P. 114. — voor- ■

ovor liggen op; zicli onderwerpen aan; een eed o|i |n

x

zich nemen; voor iets instaan, tiiit.najiiuiimus -

f ^ co J a

onder iets, dat voorover ligt, raken, bv. onder HÊ een omgekeerde mand. iniiA rtnj t. n \\ voorover j of op de voorzijde leggen, in onderwerping brengen, doen gehoorzamen, Waj. Ir. — .■ of mi. tj ivi ciijj zva. m^^ojixrrji ook benaming || van een kina van ongeveer vier maanden.

hu Tixty) \\ KW. zva. (t^rj a rjcmx*

{\\kn. naam van een zeevisch, die hoven water |

komend een trompettend geluid geeft.

CY o . o o

tni r tt (hOjj zie (Uii m r.n oiyj \\

cy ^ o s i,, •#

xn rj im ujj!\\ tj un kn. naam van een lekkernrh , WW. en zie hij (un nj) iujjj onder nm i\\ji hji^

(hnjisKX. offer, offerhande (Ar. -Ij i\'. Vrg. iki

C) /■

(hnmiq). — uj tjoens iets offeren, tot een ot*

ferhande brengen.

yoi (Ut 7f tTn .rnjjs zie hij mi nji nj)jj onder i n nji (u/js

CY

irn n i nm ihnjj of mi nm (Kyj \\ Holl. k a r a b ij n.

O • Cquot;)

ta^amuiyj\\ (hi^ x.d hii^ zie bij un irr» unj\\

Mr

ri(Ki^2 if a7rt2iuv,j\\ zva. ^ 1^2 uujis

»«s»^nKN. nabestaande, bloedverwant (^r.

y rg. (Lon vayr^ij^). f^ÊÊÊÊ

O ■ OQ

ni^ i:ti nsiyj\\ zie bij un xmnsnj^s

of hv \'T^ nsnji kn . een aanval van twee ï of meer personen tegelijk (vrg. (Utcnusiyj en \'p teiyj). — {rriturjjinyjy op iemand met zijn tweeën of meer tegelijk aanvallen, met zijn velen tegelijk M bestormen zva. ^ rr^? ij bbi2 uvjj SG. — m 1 ^ n:rj: w\' | mv.— met zijn velen er op toeloopcn, |j

aanstormen, toestroomen o/* toeschieten.

gt;1 [ht^ tj r.n nsnjj • K N. , wapperen gt; ook rj y r.n asiyj , vlaggetjes van papier waar de kinderen mee spelen.

ui (lm wajangpoppen op een rol papier geteekeml, ■ die door den dalang onder de vertooning bij zijn verhaal gaande weg ontrold wordt, van daar ook ;


-ocr page 353-

/quot; O KH li/»

275

iOgt; quot;gt;1 N

/) hu tj vm ij i

r.7j ft iff of U n (IJl i;n rujp lloll. k o r b e e 1, klamp, hoekklamp, tot heveslig\'xng van een gehindte, stijl 0/slut, hu tj 9 ji^n hoekklamp , die met pen en gat iu balk eu stijl zit, een eigentlijke korbcel. \' \'/ * ^IKN ^Cl ëe(iriquot;sc\'1 611 gefladder vau een kleed 0111 de beenen; door het gelladder van een kleed om de beenen gehinderd worden in het gaan; fitj. beletsels ondervinden, in moeilijke omstandigheden verkeeren j ook zva. \'j

rijjun^ lladdereud godruiseh maken, zooals een nieuw kleed; ooh zva. gt;/ \'y rj irpji unj\\ L h^nn^jj2 of tj nyrjinn hfypKti. geplas ot

geklots in een niet heel diep water hij het doorwaden: plas, plas! {vrg. ijvmifni/j e?i rrjjnn/)). rj iy }^A^2unjf\\ waden, plassend door het water loopeu; een water doorwaden; ook de hand of handen in het water steken om er in te roeren of de handen ièwasschen, J.R. in deze het. )} m tj v.nt /. 1 ijl zie bij ij tm 2 rjim 2 urijj {vrg. xh afUj) 0. ^ iji \'irè \\ zie hij nrr^vj i\'miw

^ Kytj rV»?NKN. een met gordijnen omhangen draagstoel G. — rj(tn} ? 7) irVgt;11.) een met gordijnen afgeschoten vertrekje Tj. {vrg. .hnnnrn\\

tj i.y ij urnrj(ir)i2\\ en nrr^ ij v.m).

hï) n ip \\ ook wel nyi^i n^n\\ hij naam van Ardjoena {Skr. kir li i, gekroond; een Vorst; en een naam van Ardjoena).

O

■mlt; n ri ip ajijj\\ zie n n up

\'. js of 1.n n \\ zie bij i/n i\'j w ;fi. w »\'»\\kn. mi v))(}j}n\\kd. , 1. koraal, koraalsteen, rots, § rifj zwarte steenen in of aan de kant van water.

deze volg. Rh. vixsrixinrj hut {vrg. iLi h). 2. in

i zamenstellingen zva. (Cnj od^n 0 een

I tfigalan of pëgagan na den oogst door beplanting I en omheining geschikt maken tot woonerf. SG. 3. I kokosboomen. 4. »m-n\\ zva. tni ri k?j gt;» gissing, H raming, schatting, writjn r.h\\ een afgebrande ^ plaats, unryi(V}iindo r) y)miqs (0 tj) U)iws L. 42.) het verblijf van de hemelnymphen. tirri frut)\'ii^ tVaaije zeeplanten, die op koraalsteenen groeijen. i spons, hnn i 1 ij run nn/j een bol van

I in elkander gestoken mélatibloemen, tot ojiiea I in het haar van een h ruide gom. 0ij m nj irnjj\\ \\ k ar nemel k, IVangs. ilt;n nn tu un uyj — hu -yitj iM u?i h}ijj\\ ,} a.) nylt;u rt\\ duivelskunstenarij. W VV. un riiuï^ ri/^\\ of u n )\'» ituj \\ zva un ikoji van cd tg) yufj\\ hoofdkussen. — (ut\'ruur^ ruj \\ als un »1 uy r 1 j gebruiken CS. lt;!gt;/» cm rj jff) iuj un hnjTj71^ of 1 gt; ^ spr. voor met den we

Rh.

duwnaar van een overledene oudere zuster trouwen; ook een zuster van zijn overledene vrouw, en een broeders weduw , trouwen. r» ir£? rn i 1 uy tui \\ een broeders weduw trouwen. — in \'h\\ zva. éi\'nlt;i?i n\\ gissen, ramen; een schets maken, hv. van een huis; iets, hv. een verhaal of hoekt vervaardigen, zamenstellen j ook kwijnen, van een boom, die zijn blad verliest en langzaam wegsterf!; kwijnen, van ziele smart of verliefdheid {een ander zie hij un m ). — tui inrhs het vervaardigen, enz.; auteur van een hoek. w mryi\\ K.W. zva. r.r nw — ui) rh w luyj\\ een plaats niet veel kokosboomen ;

un cm iiffllt;Hijj\\ epstel, het door iemand, opgestelde; {ook toekomst, toekomstig; en de uitlegging van den Koran. G.). ^(uhkh n\\.i utjj\\ oen vaartuig voor het vervoeren van koraalsteenen; zie nog hij i-j) aS w — (U un ■ n 1:1 irnjj \\ een met kokosboomen beplante hof; ook do boomgaard en het erf of heem van een woning (vrg. i?n ( ^ en ij tu 2 ifj}{ unhnjj ). — (un i) riuyj\\ waarderen. G. Een

ander zie bij run rr)).

Qquot; O ... o r» 111

un^ri\\ en un wns poet. zva. rnui w/js een luchtje

scheppen, kn. zva. tj an i ali tj wzru ori/j\\ voor zijn

pleizier gaan kuijeren.

un n\\ Ml. kn. zva. vm ij cm 2 \\ een groote groffe zak,

voor koffie of rijst (vrg. uiiitcj biyj). n ip aan

weerskanten vastbinden ; een paard met zijn tweeën

aan weerskanten met aan het bit bevestigde Jcoor-

den vasthouden en leiden. De Vorst en de Prinsen

en hoogste ambtenaren, tot een k li won toe y laten

zoo hun paard leiden tot staatsie, zoo ook een

i

bruidegom. — un ry iacyi oöj. den ; un na0 aan weerszijde vastgehouden, nl. reservepaarden (Men). Rh.; bij zakken, ook een zak. — tui(vnvn(mjj\\

wat dient om zóo een paard te leiden; hv. iuv

o

rrn riAsitfj \\

un it kn. I. mossel, mosselschelp, Cardium edule; (vrg. vyuy en ^N 2. gevest, hand

greep van een sabel of degen (vrg. im un gt; 1 anjj

V .) c . ) .

en (miKHijj). hv-h ukui\\ un^irjipirjipi\'Hnjj\\

18*


-ocr page 354-

276 lt;ïni(uis

h n n ik f i i1n/)\\ verschillende soorten van mossels.

CO -J*

— iinnans een sabel of degen van ecu gevest

o ^ . O , ,

voorzien, n i.» (m tua.jjj\\ met een gevest van

goud.

hn (iy/ n kn. heftig, hevig, hard, streng, gestreng {vrg. dj en tiiui). — ir.\'ï tui iiPi \\ lieftig zijn tegen; streng behandelen. — /,n iui m !Hi/j of (un /.n ui»,• Myj \\ geveciit, vechtpartij, van mannen en jongens; met een ander of elkander vechten {ynj. tsn hu ri iin/i en tuniih ). km iui c/ ih) - n ij ik gevecht van man tegen man.

uit »gt;\'«\\kn. ond en uitgedroogd, van hout en bamboe\\ oud en afgeleefd, van een mensch; goed gebrand, van met seist eenen en dakpannen\', ben. van een schoffel, waarvan het ijzer den vorm van een stijgbeugel heeft, SG. {vrg. -m m nrr}\\ en lt;un n).

i,h ij /r kn. de korst van de djënang. ikiai q n\\ een harde soort djenang. — hu rj ii tci(H)jj\\ zva. VV. II. 179.

mi h\\ i.ie hiji\'rtw

in. n\\KS. ecu zeer oude kokosnoot, waarvan de schil uitgedroogd is (vrg. wmiinyj en i\'ws

O Tj\'v . C)

ijitjt ihd\'Hs zva. ij .ui z h ti uw nri h nN. , un •k., te weinige niet genoeg ; aan iets ontbreken, gebrek hebben aan iets, iets missen , niet quot;/ te weinig hebben; aan iets of iemand schelen; minder, zoodat er wat aan scheelt, uy^ïi lt;nj^ #3v n., itïi »\'»tii n k. , minder of meer, plus minus, l y ridx^ ui^ t iéjLiiipiip i(iyj\\ is er (o/het) minder of is er meer, dan maar een beetje. Zoo

, T » O quot;gt; O ,

oolc iij^ di{ Kij n i t^i yn ij-i hnji^ voor plus minus,

O ... o Ou s .

nagenoeg, hu n /u.klt;i7» lj ju ~/n m ■ n^ n is wat ik al te verklaren heb. — .nyri .unuii l?i i,j.\\ over

I Qv O . . O .

vier dagen. I\'m ibi^rj un ihjj ei \'quot; \' ^ quot; w n (U iLi/js hoeveel mijlpalen ben ik nog van Samarang ? — nrjiéi\\ ii7i\'ri i;i\\ ergens iets afdoen o/ er aan onthouden, zoodat er iets aan ontbreekt; te min geven; iets minder maken, verminderen. 0ash Iw \'iianjl^ slechte maat geven\'. ^ hél\\ ij hii\\ en ti7f i\'i i2\\ ij tri\'i) ij\\ zich gebrek laten lijden , zich onthouding of ontbering opleggen, bv. van voedsel of slaap, uii im n m \'injj \\ /lt; n i.h n cj (rnjj - gebrek lijden of hebben; in gebreke zijn of blijven; te kort komen; gebrek, behoefte,

quot;TT

r.i in ~ii(ui uiiivi\\ aan niets ontbreken; in volmaakten welstand. Ook is hu ti r.ihijj\\ een Krama van (un een beleefde uitdrukking voor: \'k vraag excuus, ik weet het niet. —(in\'-h iti ij hii\\ a i ri i i uiiihnjj\\ iets doen verminderen, maken dat minder wordt. — (Ui ny ii ui jtyjs tijd van gebrek, waarin men niet geuoeg krijgt.

hij kn. omheining; omheind, door iets omgeven of afgesloten; een bol van aardewerk met gaten om een Javaansche lamp; i?i de oostelijke distrikten

■gt; q . „ o o if) y

zva. ij n ijj w ( tjj i i rj \\ n. ^ui ihi ^i hu n (if^\\ k., benaming van twee met hekwerk van steen omgeven Waringinboomen midden op de Aloen-aloen van de kraton. (ui f i Hryr^ een lamp met een bol. f i h ^ [Ma koeroeng) benaming van de cijferletter ïjw in ii \\ afgesloten houden, binnenkamers of in een kooi. ^ ^ ^ zva% {ij (iui r,in ui (isiyi\\ tnsschen zich in hebben , insluiten bv. van rijen troepen. (Tj.) Rh. — i^ j ^.n. ,

i:m inrn K.., iets tot afsluiting omheinen; een

cZ)

vogel in een kooi doen. — hi^ ui (hrijj\\ a^uuirn ;injj kooi, vogelkooi; wat afgesloten of binnen gehouden wordt, een paard dat op stal gehouden wordt, ui\' n u i ij uj ny ui nnjj^ gevecht binnen de kooi, voor biunenlandsche oorlog, burgeroorlog.

Clv i • / .• O Qv r» • i •\' ^

ij Mii n\\ 1. zie üij U7irii\\ 6. zie ötj y un \'n •ii i, n i ij \'ii \\ kn. zweer, open zweer, zwerende wond (vrg. i ij umrj ii ? hiijj en (uuv^arnj). —

ij ui? ij ïu gaan zweren, aan \'t zweren zijn, van een gezwel of wond. ^ ilt;m ij\'ïi iuimijj\\ aan een zweer of zweren lijden; met zweren.

rj inij? ij ui2 \\KN. een soort mug. Rh.

un ij rn è injj \\ zie bij ij m t w un ijjin(uijj of uii r^-r^(in w/i\\ zii ^ i^w ook sign.

van een berg.

Hij^ mjn zva. rri of un mi^ ju (zie bij i\'i). rj(un2\'ii un ij ui\\kn. het heen en weer keeren Tan iets,

dat gebraden wordt. Rh.

, O ■ .O

\\uri i n uiiji^ zie op i^ un irnji

^ui^ ij hu kn. een getralied hok, zooals van tijgers (vrg. hui/ii).

LaJ

ij( h\'ii ^ kn.; ij n\'n tj nn^ un ^ (ook uy ij ^ h h) met moeite, met behulp van handen en voeten, voortscharrelen, met handen en voeten scharrelen, 6v. om zich van den grond op te rigten. iuhiuuii


-ocr page 355-

O c )

asiyjs

tnirf-h h\'nr.i m/j of \\mQiihnmttnjj* mv. helz. ün Qastiij of tnrni\'.?asrysKH., ■-flt/ui\\Ki., zweet,

uitwaseming. n.jnii gt;^iy i.i\'nni^s sterk, meer iilsge-

o O O amp; r

uoeg , zwecten. — i^ry (in ii^n/i en m rj i» nnjj oj

n] }lgt;vtifn iri/jquot; zwecten, uitwasemen.

zie bij (i% ^ ns^

xtun hi/j en ik» \' iV/ i KN. tusschen de tanden

knarsen, van iets zanderigs, dat gekauwd wordt.

Vrg.

imvjriq of }lt;nlt;Eij i)jj\\ en rf

\'ij / /yN KN. tusschen de tanden knappen, van iets dat gekauwd wordt, zooals komkommer of zooals gras tusschen de tanden van een paard. (Vrg. un i ti i/j)-

hn:i\'i\\ KN. geraas, van het water, vóór dat het doorkookt; ook van den hijgenden adem {vrg. nntjj). — h tj iryr) - of vu [ \\ razen van water , dat tegen den kook aan is; een dergelijk razend geluid maken ; spinnen. van een kat.

ï.iyj oof dn ij ui) s KN. dun , tenger. W W.

KN. gebruisch, opbruisching, zooals van seller swat er als men er suiker in doet; ge-bruisch bij \'t beginnen te koken, va7i water; fig. het eerste kenteeken van iets dat aankomen of gebeuren zal; het aankomen van de barensweeën {vrg.

rni:* 1\\ liet digt op elkander aankomen van de weeën. — \\ beginnen te koken, bruischen, opbrnischen.

rj, i.\'n^ ij i.\'i zva. ij , mii tj i\'iw W\\V.

hr^ rj i i iLi} (jn/j of u »r gt;» rj n n..ij} nnjj \\ k N. naam van een boom, en van de kleine vrucht daarvangt; die bij de samhel gegeten wordt.

//\'^rmKN. niet tot volle ontwikkeling of rijpheid gekomen, van vruchten \\ fig. stumperig, een sukkel zijn.

(m/ rn {i n ,rnjj\\ y rn n) on/j zie hij i ij rn gt; w nn \'tlcrn freq. v. tun rh\\ un y\\ zie aid. lutasn0

die beweging maken , bv. bij hel dansen. Tj. whbttinjn z^e rn 7,N m hij nvhw gt;1 n n ■ gt; gt; .17/ on/j \\ zie bij n im nr\\n mi-nvyrij\\ zie hij unniw

\'• \'nini/js ook wel r\'/ntn)^ en im li\'n irnjj\\ Ar. , \' KN. waarheid, regtj waarachtig, hetgeen waarop j iemand regt heeft, of waarover hij met regt beschik- j ken kan ; regtsbezit, eigendom.

iw tw/js 277

tnimji* zie bij (Ejiniomjjs rf Hiiifnijj\\ zie bij uinmw ijhndunj} zie bij i.n\\ II, en bij ij mi2\\\\

(iin ini\\KW. zva. ernenmnjj^ tui iu inj iui/j en nn nh\\ hnunttfis zva. un un) i t n \\ ook wel zva. mruh^ï (tj) tnjj (/isgt;i verk. van u n uw).

ini:t,n\\ verk. tni^ I. KN. eei. oud man, en. in\'nf\\

(O \'

k. {beleefder woord), ifa/n(tu ki., grootvader (vrg. on}?)). In deze beteekenis zeg* men in de. spreektaal ook wel xniiumwns en verk. ^ tm m)q gt; vooral als vocatief; en gewoonlijk met bezitt. voornw. lt;un^ tj i, gt;) tj mj \\ zijn of haar grootvader, ini rj im tn^\\ je grootvader, un ^ iniutr maar ook wel mijn grootvader. /.»;/.»/ of ini wordt ook gebruikt als v ere erende betiteling voor namen en benamingen van fatsoenlijke mannen (vrg. inj^ om); bv.

O.V» (D. O O. «O» C .O %

nno.n {OJ mi) oa o n ^ mm.»; (OJ tm) asr^\'t T (rn\\ en om on] {of i. n) on o j}\\\\ i \'ni^oa ofj is een betiteling van een man door zijn vrouw. Ook wordt orn hn gebruikt tot betiteling om een oud man aan te spreken: oude heer! en in poëzie en als ki. voor jongeling; ook titel voor den naam van den tijger in) mi fl rn \\ volg. Rh. gew. injjjo w 0\\\\ mi rj on) mi if ij \\ en i.n rj mi ini ij o{j\\ zijn scheldwoorden. — mi hn mi ),n of ij /V0 een grijsaard ,*bude man. — /.y n }.n\\ of inifoi.n\\ spr. zich als een oud man aanstellen; waanwijs, van een jonge. — .i?/ trn \\

iem. grootvader noemen, imrj/nnon/j — onirioni

o o .

on ij mi ni/) an ij ihj i j ij i,j onjj \\ van een getrouwd

paar gezamentlijk oud worden. (Tj).

IT. om mln KN. voet, als voetmaat {Ml. voet in 7 algemeen, even als /in im ni/f). n ifom m\\ iets met een voetmaat meten. — mirj mi m/jy bij voeten; bij de voet; ook mi ij mi (in^ en, Hjiomij ■rf i, n an rj voetmaat, duimstok ; en dJ i, n ij u n my of om mirj ini nn/j^ kandelaar {vrg. un on o^.i^.

unorr^\\N., mi mi m/j k., stijt, niet buigzaam, stram, niet lenig; verstijfd; ook fig. stijf voor onbevallig, bv. van iemands dansen of spreken ; stijf, verstijfd van hart, van iemand\' die ongeduldig of wrevelig wordt {vrg. ini.ie^); ook voor hoofdig, niet te raden, hardnekkig; van den wind, krap , half tegen.

O ) . .

— \' o ij om ? mi tj n n \\ ori o* n on ^\'n i, n on/j iets

stijf doen worden, doen verstijven; iemands hart

stijf doen worden, hem ongeduldig maken; zich on-


-ocr page 356-

7^ (HU ? Uil % \\

278

buigzaam, hardnekkig toonen.— amvjiuiu(hnjj en

O ... o o

h ti (hm lij {}njj\\ zie bij (i/n (h)) nn — }m tf i u\\) tj tm ? a-njj

iQ tm ij um (Hiji oj fni lam rj om 2 anjj \\ kn. hard, verhard, van een steenpuist; stijf, niet gerezen, van gebak; stijf, niet week of zacht \\ stokkerig.

itm }lt;ii kn. klank waarmee men \'paarden tot zich voept.

(HYi(hi^\' kn- , jVv (kj (Kit Ki., {zie bij (hicut)). nagel van de vingers. en van de klauwen, zooals van tijgers katten en vogels. —» hu iri irns ofcunxn

nfff iei hij n kn . lauwwarm.

7) im 2 hn \\ kn. Holt. kok, kokkin.

ij am ? tj am 2 \\ zie bij ij tm ? w

urn hu q n kn. ; in rm %ajii \\ staande tussohen de beenen of pooten, of onder den voet hebben of houden ; er met de beenen of pooten overheen staan; ook fig. onder den voet, in de magt hebben of houden , im (Hj h n gt; un orijj \\ passief.

iHtiuii q\\N., ïm (hu ^ \\K., stevig, vast, stijf vast, hecht, duurzaam; onverzettelijk (vrg. (isti(isiKU/i en (ki rj tj (ffi 2 (ui), utj tm % hurj (Tii 2 \\ in gevestigd gebruik. /. y h tj gt; i/ri (in n i/j of hij hij ■? im xm (u\\ rujj \\ strikt of onkreukbaar regtvaardig. — j. y u y ? (tm hu ili iui/j\\ vast beslotfïi, vast van plan. • [ hti -nhii hii j \\ een

regtszaak, waarvoor genoegzame bewijsstukken of

o :) o . . , getuigen zijn. — hijqajn \\ dnnm ? hii\\ iets bevestigen, versterken, ondersteunen; aan iets zich standvastig houden; er stijf op staan blijven, pal staan, op zijn plaats; gestand hwwbv. zijn w oor d\\ iets volhouden , onverzettelijk er bij blijven; iemand of iels weigeren over te leveren of af te geven ; iemand, die zijn toevlugt tot iemand genomen heeft, beschermen. — (ui Hij hi^ j \\ of cui hij hii N., (tji hu hu ^ n k. , vastheid, stevigheid, standvastigheid ; steun, middel tot ondersteuning c;/instandhouding; aankleve, aanhang, nasleep. (ixi(W)ojihu (Hij%\\ een certificaat. — /f/M^^yp\\N., tamp;i iiamq\\ k. , stevig, sterk maken; (bij iets dat stevig is, vergelijken. G.). — iei(i?j(Hij qxm (ui/j\\ eign. van een zoon van Batara Roedra, later, als Vorst van Mhidang-kamolan, ■Humii genoemd.

iiamHii j lt;. Ar. kn. een offerhande voor een kind, in een schaap of veertig duiven bestaande {Ar Üo-. h ik k a h y pligt, verpligting).

ïj Hii 2 HU ^ S zie bij (Uïj^ Hll { w

y (hu 2vj .hu d q \\ kn. rijst met soj) of groente {ik d/i (HifloJ

(KidM^ eten; dapper, in \'t vechten en werken^NW.

Vde dj (ixi 2 tj hu 2 j w ij i :i 2 ij am 2 gt; (IjT! oj (hu \\ de rijst

in sop of groentesop doen om die zoo te eten ;

zijn rijst zoo eten.

O

hu hu (Hi/jy zie am huw

HiidaiM kn. gissen , vermoeden, denken , meenen. 0

/■ O

dm hui ^ KW. zva. dm d l (ia/I\\

Cquot;) CY : ) o a O ■ . i • HiiiHuMUVf. zva. (i:i (ui \\ o.i ifji . i (hnjj djrid^w KN. stevig,

goed in elkai\\r gedraaid of gevlochten, stevig gebouwd van dichaam {vrg. daj Hij lt;). — i i hu \\ iets insluiten, bedekken; iets verborgen houden ; een geheim bewaren ; zijn smart verkroppen. Wangs.,

. . o O O\' Ihll (£1 dlt; U HU lil \'• quot;

4........ï)\'

mv., en zva. icl\'tnjllt;

O O _ Q CY

d/ii dn f i -i i d. i cn iji - hu dm w

__ o A-, o OCY o

- \'Ui (ia \\ L .ö. — (inHimi

x ii \\ en r:i itd i?i\\\\ hu dXi -n (hi/)\\ wat verborgen

(O ,-y\'

o/geheim gehouden wordt; wat verboden is, verbod. — (ut im hu n dojj^ een plaats waar iets verborgen gehouden wordt ; een omheinde, van alle

O Oquot;

kanten ingeslotene plaats. — uirndms liet verborgen houden , geheimhouding.

dm hu \\ kn. vijl {vrg. hi^ ifij); Ml. gierig, vrekkig. — ioi uuHudai \\ vijlen en raspen, spr. voorkorten en af

oqs .., i::idm\\ vijlen,

trekken ; schraper, schraperig.

no/ n

afvijlen. — (m hu \'gt;) n iets bevijlen.

i.ijiriyKW. zva. vjn.idji/jsKN. krab; zicli krabben;

, o ciS o

Ti), een ijzeren rasp {vrg. hn am \\ mimp en i.i

Oti). dn^Hij Hij Hij \\ zich bij herhaling met de nagels

krabben. — iets, bv. zijn hoofd, met de

nagels krabben.

gt;ƒ hu im \\ of ij hu hii \\ kn . lloll. k ij k c r; groote voi re-

kijker, telescoop. — ri (cifnus door een verrekijker

zien. — ajiy(KnOiiuan,^ wat dient om meteen

}(H1/J

verrekijker te zien. tu oij iu rj an amn (hi/j\\ kijktoreu.

tihu2(Hii\\ verb. v. coca rde.

/ )

Hll N K W. ^ va. dlt; 11 (LCj^ (Yll NN

HU V \'\' quot; ,ni i \'VW//N KN- 1,(3,1 gl\'O0^0

scheur door snijden veroorzaakt bv. in katoenen stoffen, een bamboezen pager. — ijd::i2id,u^ini/j\\ eene scheur als boven maken.

u u(/^),a/j kn. (ligt opeen der lidteekens v. pokken, in de uitdrukking, ar.tj. iiamfj0.

Ulldrj^tl2HllJj\\ im dj d.Hi 1,11 IJ HJ \\ en HU tf li 1^2 in, itj

verb. v. am gt;j hu t y ij hj \\ zie /. 11 im


-ocr page 357-

V

279

fijn, leer, v. maaksel; ook fig. fijn gevoelig, ligt geraakt.

ij au tj hy mtpKH. versneden, door snijden bedorven, WW. — ij ifn rf doorsnijden, zooals bv.

papier, WW; met een rits afsnijden zooals bv. palmbladen v. tl. steel, Rli.

vj.hni tj i\'UVjikn. een soort (jroote rotan tot hinden (jehezitjd, WW. volg. Kr. een plant die iets heeft van de i/wrj maar mei witachtige

en behaarde bladen.

nn i.H inmns naam van .Bala-déwa in zijn jeugd {vrg. uii hniyuïn\\ bij oni i gt;iin/ w misschien een verb. van Sangkarsjana, één van de namen van Bala-

déwai pk.).

o o .... o o

uu htj 111 lij iiifjy zie bij (Ut u)) ~uijj\\

Mnuna\'r kw. zva. imaxi

■ j .. o ïo» hu MH/V zie bij (ilt;ii(hii w

un i!n uw/j\\Kii. een kleine jjoedelhond ; ook naam van eenc kleine boschhond. unn./}0s naam v. e. zee-

visoh , WW. uri ili ini(isn/j\\ Tj. freq. v. 11 iai un/j

... o n hij vu jni Kiijjn

i.ij /, y /. ii fj\' de twee eerste k\'s geadspireerd {wet een duidelijke k aan hei eind) een geluid om wilde zwijnen te verjagen ; ook om te doen hooren, waar men zich in het bosch bevindt (Tj.), WW.

\'7 nu Hij hii/j kn. ongemakkelijk , gedwongen , hinderlijk , onhandig, WW.

gt;f i.n ij mi inijjs zie bij rj Kmvjiniii.hii^

if i- ii tj hii2iidiii1 KN. klanknab. v. h. geluid dat de

orv^ i^tjs maakt, WW.

t) nntri hm i, ii/j\\kh. 1. het hoofd van een roo verben-de, zva. ij r\'ii n (rm rLiff 2. gespierd, stevig gebouwd; stevig van hals; stijl\' in liet feestgewaad, zoodat men liet hoofd bijna niet durft te draaijen. lt;i. {mei duidelijke k aan het eind) geklok van hanen en hennen, ij uu2 ij i:iii rj hni rj i,u? /.u/j klokken ; NV W.rj nui ij i,nt tj I,,j f y tiU2 i,ii/i en ij ?.nij i,n ij hu ij nu .h u rjs kakelen van kippen, ij iou tj i. u i h n il^ hu/)-* uil, nachtuil, katuil {vrg. i.n ivj kiiji en in 7 nuMl})-

hu i.ii huihnji of hiiij i,ii i,iinsnjf Ar. , waar

heid.

quot;quot;\'7 \'i\'/^ \\ 0f kn. lang van bovenlijf met

korte bcenen. {Men houdt het voor een verkorte za m ens telling van isii i,n kiijj en ij tn i 7 gt;. \\ om billen zitten).

a o ... . .

hu mi (tcif/\\ kn. vrekkig, gierig.

behandelen.

/ o*. )

k^/.^nkw. zva. (Cfjj irijj \\ ^iT^hii n.\'ijj^ kn.

oppakken, zijn waren op de markt op- en bijeeu-pakken , om naar huis to gaan; fig. zijn biezen pakken; ook zva. k 111,11 qji/j\\ van koude rillen; in Tj. ook is^itn^dü/p — ticfjiaxiji\\ zijn waren oppakken, ook rillend koud {vrg. Liiaji/j n n ivn (i i/j en

o o ^

7. ij ici \\ an tun\'yi iHiji zva.

) O Q.

HTÏI (IJl (IJl ). - 1

ons tafel afnemen.

equot;);) . )

i, 11 h u diiin\\ zie hiidbiiji

ij 1,11 ij 1,11 ihiyj\\KNgt; elkander bijtende vasthouden ponder loslaten aan elkander zich vastklemmen , aan elkander vastkleven {vrg. n nn hii/j en kgt;i 1,11 foii/j). .}. 1 iq 7 \') Y 7 kii ibii/js naam van een vogel van de grootte van een boschduif. anj ij 1,11 7 .u 11 unjj \\ naam van een ze en, gr ooi e, groene , kale rups. ij h 11 ij 1:11 iiisnij\\ kn. ij i,iiiji,iitijihiiij(Hiièii,iijj taai v. vleesch, ook fig, onbuigzaam, moeijelijk te bewer gen, bv. om iets vooreen ander ia doen, WW. vrg.

(IJl 1j(HII2 asii/js

ijiKin ij\'uu 1 ihii/j kn. scharnier {vrg. 1,11 uj); ook het touw, waaraan de gong hangt. C.P. ook zva. ij ij hu ij uu iL,n j\\ Rh. en u i/li te M.; een soort van kram oj oog ; en een oogje van een knoopje, dat van achteren met een koord of ringetje wordt vastgemaakt.

t • 1 ■■ o

7 un u 11 ^ti.\\ zie bij luriuii-^iw un ur^K}jj\\ verb. v. lloll. kakhuis.

nu uli i.ijj\\ kw. zva. 11 i^dJijjsKS. huiveren, rillen, van koude en van angst; rillerig koud; huivering, rilling {vrg. a/11 ar/ri 7 7aji 2 nmjj). ri uu i i^\\ rillen , huiveren, bv. in de koude koorts (een ander zie beneden). — uu :H)jj\\ frtq. (P J.). — 11 u u i t JtJ\\ huiveringwekkend (13.). 2. v. wild gedierte zich terugtrekken naar de wildernis. hji uu uu u 1 ^iiHif)^ plaats waar wilde dieren zich terugtrekken en rusten; in Tj. wordt een schoone palataran vergeleken met 0iuu ij.tJ2\\ omdat de tijgers voor hun rustplaats een schoon plekje plegen uit te zoeken , Rh.

o o 0*0\' Cy\'

un Hiia-jijj- kw. zva. u i ni\\ en u i mn w kn. grens, zoom,

eig. volg. Rh. v. e. land, een erf enz., daar, waar

aan te duiden, dat de hielen als \'i ware aan de

n ct n . . i:i.hiiiui\\ gierig


-ocr page 358-

380 ort^ mjj (Knj^ \\

een land, erf, enz. eindigt; vati een land of dis-trikt R. {vrg. unwui/j). — (éi wmjij\\ tot aan de grens gaan of komen ; fiy. tot het uiterste gaan , het tot het uiterste brengen {vrg.

chcri mi «k ij kn. rook, damp, wasem; stoom, fig. iemands faam of reputatie {vrg. htianj^tujf * Limi\\

nifj). (voj, inj iioji iquot;!~amp;i.\\ wijd vermaard. — l hlla^As rooken, dampen, ook jlg. ten hemel opstijgen van gebeden. Men. van een gerucht zich als rook verbreiden of opstijgen, nl. de oor en van hooggeplaatst en bereiken, Joes ; koken v. gramschap y K, 7, 84 j {vrg. ui^ ^ ,15^ lt;rn^); staartpeper, enbeba officinalis , Nat. fam. der Piperaceae {vrg.

quot;iföi0 staartster. — rrf(m/jn (ook wel i/tihiy.yn-jjl Tj.?) iets stoomen, door middel van stoom of hcete wasem gaar maken of stoven; iets aan de rook van het vuur bereiden.— ^tKy \'M J* n iets berooken j ergens rook of stoom indoen* — iKr^ KijOjj^a (mjjs een van bamboe ge-vloclitene kegelvormige mand, daar de rijst in ge-• daan wordt om in een (ia oh gekookt te worden. 0(ijicirn zekere vorm v. e.mi tvi iijjj C.P. — kt^ n ) (hnjj \\ gelijk een koekoesan , kegelvormig, bv. van een bergtop.

ij (int? tfii (Kjjjs kn. een dikjee Javaansche panuekoek,

WW. verb. v. koekjes?

tj ilt;n i ij uv i(mjjs ongebr.; rj im ? ij kii t w nn/js kn .

naam van een eetbare vrucht, een soort van doekoe, inn hu li i/j\\ Jl. ongebr.; un ilt;ii tn^i rhajj of ku mi itirikii n^KHifj kn. scharrelen, moeijelijk voortkomen;^, kibbelen {vrg. (vi ^i irlt; nrnien na i n ta i j i i,i). 2. droog, stijf, bv. v. gekookte rijsty Rh.

iint tai -m^\\KN. 1. zonder ophouden met een werk voortgaan ; aanhoudend op een plaats verblijven. G. hard lagchen ; pijn in de buik krijgen van het lagchen; krampachtig hoesten (Waj. TI. 273); ongev. zva.

/. u (Sr hri 111fj\\ {Ml. kekal, bestendig , voortdu-

o \' ^

rend, zonder ophouden. Vrgy bij nJiniuj). 2. half gaar, droog v. gekookte rijst-, vrg. nn mi mj 2.?— K7) ii-ii ini iniHiji\\ verkleumd, verstijfd , van koude; een krampachtig gevoel hebben in armen of beenen, Rh. fig. verstijfd , als versteend , van iemand wien de krachten om zich te bewegen of te handelen ontzonken zijn of die niet meer weet, wat hij aanvangen of doen zal; moe.

(hu im

beu zijn, bv. van iemand wien het werk dat hij te doen heeft, verdriet of verveelt {vrg. iQ\'Yii vu/j). inihli rtrj kn. schenkel van een geslagt beest; it\'-naming van een halve dj oen g land. — aSm/ m/j\\ aanhoudend hoesten bijv. bij kinkhoest. — \'l i in ku tPn ru J titel van een beambte van lagen rang, wiens loenggoeh niet meer dan een halve djoeng is, lager dan een njiihj(ièj\\\\

t ij i.ij iv/js ku. puistje, kleine puist in het aangezigt, zoo groot of groot er als een gekookte rijstkorrel. tj ku ij imi (ti. ijj■gt; KN. naam v.e. visch , WW.

O /» O

ij kmhinnis of hij im ni\\KW. zva. (aitk^awji en a i ilt;j 7 ij ït/ïi2\\ {S\'kr. k ó kil a . de zwarte Indische koekoek). v.i ityj mid i.o n r spr. zvu. (Kitur^\'tiik^hiiji\\ kikkii kiiji of ij ku kn kiijjs kn. geschaafd; afschilferen. Y u iirj hni kiijj\\ks. zeere oogen hebben, waarbij de rand der oogen rood en vochtig is, WW. zva. ij

ri rrj n njtKiyj\\ Rh.

O O • O k ii k ii ru \\ zie k ii rti w

O O • .

kii Kiiijirus zie h ii ij ruw

n

kii ku (ui) .KW. zva. (rri(ki\\ en tfj -ikiiw kn. naam UI Ij CU

van een zeevisch , zoo groot, en ook van smaak, ongeveer als een schelvisch: de kaalkop, Lates calcarifer.

ku i.ii (ujj^ kn. geheel omvat; het in de armen gesloten zijn of worden, bv. van een kind-, ook zva. (kii )ni im/js i\'ii if.\'i kn (uiijs stand v. h. rijstgewas als de plant den conisch en vorm v. e. kiii.ikui/j of (kii kii in n heeft, SG. — vn bii aji/j\\ door omvatting insluiten ; geheel omvat honden of in de armen sluiten; v. grond in het middeif hooger dan aan de kanten, SG.

k ij h y iajj\\ kn. ; vji k y (ui/i v iets . zooals ontbolsterde rijst of eenig geld, met beide h inden bij elkander strijken en opnemen of wegnemen ; ook iets bij beetjes bijeenverzamelen (vrg. j. y n^ijj); goederen bijeenrapen , om ze te behouden of te redden, bv. bij een brand; iemand, zooals eén wees of hulpclooze, opnemen om te verzorgen : iemand in genade opnemen , zich over hem ontfermen, CS. redden van de dood; een rijk onder zijn hoede nemen, A.S. het halen, het leven behouden, van een ziekte, ook van ziek veldgewas, rjnmt ri kij kij (uijj (in Men. .tsn ki-i k y kij ojiji) het niet halen, enz.—

ï / JJn mv. bijeenrapen en oprapen. — kii ihch tui - »


-ocr page 359-

O O kh wn am q \\

281

(Tf 9011901

fHijjn het met de handen hijeengestrekcne en opge-nomene; een haal, een trek. iisnio^i0 zonder genade ? of zonder bij iem. mededoogen te vinden? voor kw. itsn 10 (ut xj/f B.J.

tj h v ri.najjj\\ KW. zva. f; ar) \\ en nij h y ook ij nu i uii iijiji\' zva. h ij utj 1.1/j \\ ook andere naam v. d. cririrnw lt;rj i,ii? h ft \\ zie bij rj tot ? un (tnjj \\

t) intirj toii(Uji\\ kn. snoet {vrff. rjnt rj r.ti)-, witte plekken aan beide hoeken van den mond, lidtee-/eens van po kien of uitslag. — vj n-m rf not t ojiji drinken of slurpen met den snoet in liet water, zooals beesten doen, opslurpen ; hei bloed van een ver slag ene uit zijn lichaam opslorpen, B.J. ook nlat woord voor drinken ; in Tj. v. e. vlot dat boven water blijft, niet onder water raakt, t-// (to/j 0 Ij (Ut) i»17 w 7^ h ti i rj tot i (ut !tn/j \\ obj. den.; ook een drinkbak voor dieren, Rh. — rj toi ? rj ojt f (ui^i(tojj\\ verzwelgen, inzwelgen.

a)n mn Jrc ZZrr ntiiik\\ P.L. II, 134.

\'• y u\'J/jN K\\v. zva iitj mj w

o

hn i.iuj topKVf. zva. hii(in arinvi (m/j\\

uti rj(Htt (lui(ioji\\ ij i,mrj iouLi]ao/j\\ zie bij tf ntiqw

tj loi rj mi (tij (Hy]s TP. en oj. zva. cm ii- ïan uojj\\ draaitol.

iiti u(Bjfas^Jj\\KW. zva. \'V N nj MN

■iin i.iiiiii wijl* Ar. • verhaal, geschiedenis.

not toi uijjs 1. Ar. . wflze, geleerde. 2. Ar.

regter, regtor bij de priesterlijke regtbank; opperpriester in een distrikt, die de bevoegdheid heeft, om meisjes en vrouwen, die geen wali hebben of wier wali afwezig is, in het huwelijk te bevestigen of daartoe zijn toestemming te geven {vrg.

tm TUI \\ II),

gt; )

tiHini(Fjtjj\\ zie bij utt ■ejiji\\

lityoifis Ar. , geleerden {het coll. meerv. van

pxCs*-1 zie notdoKEftj^s 1).

\' ? 1:il!\' •N \'Uif \'t,Fji 1gt; beoordeeling, schatting . taxatie.

o . o

h n toi (i5iijj\\ zie 7/7? toj (isMjjs

tot (tot wytJl \\ KN. vast, hard v. vleesch.

}(rjjn kn. zva kiekeboe! Hh. volg. VV W. ook voor een

oogenblik bv. iemand ontmoeten.

toi toi toTj] KN. bos, bundel van Kj loyj, zooals die

zich bij bossen om den aren-stam vertoont, WW.

ioi ioi toi/j^ k N. aarden deksel van een pot o/* kookke-

. , z . o n n

tel (vrg. (urt (toi am/j en (Ltn^(tsr^(utj^\\ hoi (tm (u/j en io^ lotd-.tyj). — loi tf imi r.n/j den vorm hebben van een ioiioirii/j v. d. padi ? S.G. •— »i f, ti j aanhoudend thuis blijven, niet van uitgaan honden. —

r.-j iiti int\\ iets met een aarden deksel toedekken,

co

het deksel op een pot doen.

tot loiatrt/jsKT*. van een zaak o/van do waarheid iets verbergen of verborgen houden, het tegenovergestelde van •iztt ioi n {vrg. ioi uti ^njj). — i?i i!lin$i^ van een zaak iets bedekt of verborgen houden, er niet rond vooruitkomen.

/ii? /. ii iviti/js kn . deksel, dekkleed, bekleedsel; liggen of slapen met toegedekt aaugezigt (m/. ioi in] i n j). (KJ tot loidn^ wat binnen den omtrek is van een bepaalde ruimte, huis, dorp of stad. — n^io^vn iets met een kleed bedekken ; het aangezigt toedekken. — ioi ioji hetgeen toegedekt wordt; met toegedekt aangezigt; de binnenste omtrek van een bepaalde ruimte. — ^ arnjj\\ zie boven, toi toi q \\ tot (ten (istt/i z^e u quot;irn 1151\'tfN

O O

uti ioi fipjj KW. zva. tot (ui \\\\

tot (tot \\ verlc. tot\\Ky.} ii ioi\\k\\. , oudere broeder; «eV bij i n i?) n {vrg. un toi); de oudere of grootere dan iemand of iets daarop volgend, lonou ti /. n/j ofvoitoirt ut? ? oudere zuster, (tot (Htt rï ijii (rn \\ de bijzonder groote, bv. van wajangpoppen.^R. toi tin i:i yy je ondcre broeder, n of u n nu rj ao \\

zijn {of haar) oudere broeder, ioi i\'n via ju gt;rn de op een na de jongste. WR. —n ioi \\ iemand

oudere broeder noemen.

(toi to^ KI. van duipjs N., jk xj k.

tot (iajt\\ 1. KW. begeeren , verlangen. 2. (iöt(i(i/j\\ Ar.

{Hadd)), kn. grens, grensscUeiding ; einde, ex-spiratie, van een bepaalde tijd. iti j 11 { t i hoi ii/\'tt I\'m iio/js de behoorlijke maat te buiten gaande; ook als regtsterm een door de wet bepaal (lp sixbï zooals bv. op diefstal.

hoi no \\ Kw. zva. toi (irii \\ kn. naam van een kleine

l

(sü

smakelijke riviervisch.

1 i

toidcis l. kw. en oj. kn. , doi kw. , itni a it \\ n. , tot ii xcii aJtjj\\Vi., gelijk , als, gelijk als, zooals, evenals ; liet lijkt, het is alsof, waarschijnlijk (/»0;^«o? (Kt!) is ook k. van (Tlihjii hti/i en een ander htt 111 zie ben.) bij comparative zva. ons quot;dunquot; n ti ri 10^ r 1 h ti ij rn ? 1 13rt hoi (ui dm 1 1 dm \\ beter dan zoonis


-ocr page 360-

282 i/fH (ui \\

het vroeger was, R.P. 129. ihvom hvilm\\ heel waarschijnlijk, wèl denkelijk, wèl mogelijk, munn iljH\\ xn iu run \\ Knrjdai w \\ zooals bij voorbeeld; om iets te noemen, namelijk, va/ na uj on \\ zeer beleef d Md. oj. k., uh ij (ui? (h) \\ ver/c. tjomaji ^ k., un HU [11*^ tj U I ( h II (LU KI) /ƒ | I; \\ Bab. T.

i»\' v : ) n / ^ ci

\' \'J ■) yew- i\' n »1 \'U i gt; ver/c, {oj^ ij aii \\ of /. n (ui yj

o \' ( )

rjtvu\\ en (uivj(tvi\\h. , ini ij^qaji in/js gew.

(Uf mj of (/Cj i ] (inji\\ gewoon Md., {ook in een af-

/ ankelij keit zin): lioeV hoedanig? hoe is liet P wat

dunkt je er van P wel hoe? hoe nu? uu (hu (im (ui \\

n., igt;ii ijiici t a. i i,j (ui k. , ki) 111 an (ui n Md. , mi

(in iin(lji\\ of h v (ia (ijj (Uj (ui \\ zeer beleefd Md.; ala

wat? r^.iji ijiujs lioe ziet het er uit? dial. zva.

) o i , t • * *

(un{iuyi iui \\ enz. iio /. n 111 i i (ui gt; op wat wijze het

wezen mag; laat het zijn zooals het wil; hoe het ook gebeure; ook hoe ? e?i waarom? G. uniua i iji \\ op wat wijze? H. Padj. II, 45, 4(). utnjiun ofiMiiui (Hi/j waarschijnlijk niet; ik zou denken van niet. inuiM irij nm if ujis zoo, zoodanig ; zulk een; desgelijks, op die wijze, mi (lu ïi ij i, u rj (kj dus, dusdanig; op deze wijze, kh (lvi tïn rj un .} ivjMj^ zoo ook op dezelfde wijze, zoo insgelijks , zoo ook nog, zoo wederom, rjimt m i,n (lliojti\\ y dm i (Mi (^n ifWd (hi \\ het is niet te denken; hoe is het mogelijk? dat is al te erg!; inmidd.Jav. volg. Rh. ook zva. ij init if ujd 1./^ niettegenstaande dat. ij a/n ? n kii nu ii mi ? ri ui \\ liet is niet iets voor iemand als jij; dat had jij niet moeten doen.

II. M ii iPi \\ zie bij lutKia I.

III. kn. oti m.hiiiun suiker van het sap van de eerste uitgebotte bloesems van den A ren boom, waarschijnlijk van \\ni(ui\\ eerste — uikui 1 i ly (f-ji^ zie beneden.

1. n iUi\\ kn. kop of kom met een deksel van porcelein

of lijn aardewerk (vrg 7m axi n kw. zva. ik ^ (Kijj\\ ook een titel vóór eigennamen , misschien zva. ridder ; oj. k. van ix nun/]\\ als Tj. Sëngk. zeven. /3^jiugt;\\kn., ook wel hjihsv mnifj n., (Ui yij \'Uinj/j k., naam van een boom, Odina gummifera 151. Nat. /lt;rm. Anaeardiaeeae, die veel langs de wegen geplant wordt, die gewoonlijk geknot wordt , en waarvan het rijs gebruikt wordt voor levende heggen. —• arn ij m ? im nci \\ naam van de gom. die uit de afgeknotte hoornen

quot;TT

vloeit en van geneeskundig gebruik is. mi (ui in^ tui \\ kapstut, balk op een hanebalk om de nok van een dak te stutten ; kap va?i een dak. a» (ui(tni(ui\\zva.

O O O

(Ui fui w ojj in^ (ui 1, y (ui n spr. zva. vji lt;u) li / j (ui uu * w \'ii 11 (Ui^n k,, tot iets gedrongen, genoopt worden, iets wel moeten, 07n een dringende red ei ook zich gedrongen of genoopt gevoelen, door een drang van het gemoed; graag o/gaarne iets willen; op iets gesteld zijn. ic^a/tid n graag of niet. WK.— inyr^(u^\\ /• ikuui q \\ het er op gezet hebben ; zijn best tot «VAs doen. /.ilt;j 1. ij(k^\\ 1.1^ ila(in j }\\ii an j\\ het er volstrekt op gezet hebben. — loj ijiuig (mjj\\ 0/lt;10 ? (»r^\\KN. getwist

met een ander, of gestrijd van weerskanten , wie of gelijk heeft. — n i i?n\\ zie heneden.

n mui zie 10^ (U^ w

ininn^KN. afkeer, tegenzin; afkeer q/quot;tegenzin hebben tegen iets, dat iemand afkeer verwekt {vrg. ij \\m #:/). iniiicij inuui gt; \\ min of meer afkeer hebben . n HDiUi q\\Kü. wat iemand moet aanvangen, om een doel te bereiken; doel, bedoeling {vrg. naJizmt^ vu en uj $1;). 1 /n ij ,^1 tju uugt; ijn n \\ hij weet

niets meer aan te vangen. — »ƒ uuui^un\\ iets aan-

. ; ) a. o n

vangen tegen, vj 1 m hu ij hi n ui 1 j if hum ji/ii\\ er

is niets tegen aan te vangen.

un ij ui 2 ? (lh zie bij ij ui 2s\\\\

gt;1 h 11 iui pj an/j zie bij ij (un lt;ui iia/j gt;

if i\' 11 i ui oj inji \\ zie bij ur^ iui (inj \\

. :)

/. 11 tui w (ui/j\\ u iui (Hj a ojj \\ zie on (ui (in njiffs

un in m\\ kn. onder het gaan den eenen schouder met

eiken stap optrekken, WW.

1.11 ij (ui ij ui \\ kn. n ij ui if (ui gt; in een trotsehe houding

gaan , als een paauw stappen , WW.

iiii(U}\\ Ar. j jji {kgadr) 1. kn. vermogen, magt; rijkdom; hoeveelheid, maat, waarde {vrg. ijLin ihii/j). u-) mi (in \\ naar vermogen, zooveel men naar zijn vermogen doen of geven kan. 2. kw. zva. .uini/iw ook eigentlijk , in waarheid ?/w A.S. ili % am mi un (ui (m (u \\ kijk, wie is dat nu eigentlijk? un uiajii in^(un (ui\\ wat is die nu eigentlijk van

je (familie o/wat ?); vrg. ult; 11 ij mi \\ zva. 1 n m n u *

Y CY

1.11 ui kn. — uti ui (un tui \\ zva. n n ; (un iui \\ wat zou

het? wat doet het er toe? WW.

n 11 /iu\\kn. stijf, niet de behoorlijke kromming hebben, van iets dat eeaif/zins gebcgeu behoort te we-


-ocr page 361-

wi U) tj (Ui (Lvi ihnji \\

283

TJ hl I (UI N

zen, zooals een kris gevest of sahel; ook van het

quot;) o/ O

gebruik, van de gewoonte, afwijken. G. üniohn \'uxi \\ stuiptrekkingen maken, bv.v. kinderen die erg huilen; griezelen bij het eten van iets erg zuurs. hyctcj^KW. zie bij (uya kn. zonder betaling, alleen voor de kost, hulp vorleenen aan zijn dorpshoofd, als dit handen noodig heeft voor zijn velden of de reparatie van zijn huis. lt;17^^ nu \\ voor iets de hulp inroepen van zijn ondergeschikte dorpelingen {vrg. rin tFji^iunjj). — v. velen hulp verleenen , Tj.

n mi out n n kn. loenseh , een weinig scheel j loenseh zien. G.J. {vrg, tjihtt\'n). in de war zijn met do windstreken , niet georiënteerd , Kh.

O .... O

in ii (ic r n (hn/j zie bij min \\\\

o CY . • ... o O\'

am (ui ri (hij^\\ zie bij n/n (Ui w

cy , j.. o ty

\'ij nn (u i •! i wji\\ zie bij (i\'n aj.i w

ijünd((u^a5nji\\ Ar. Xjamp;ï {kgodrat) 1. magt (van God). 2. natuurlijk , in tegenstelling van kunstmatig of mensahenwerk. ij i \' de natuurkunde, ay n hij ij ün t im^(in^/j0 natuurvergehijnsel. hjihoi0 de natuurlijke pokken, gew. w v\'i mi inn m cki \\ en ia ri ij irj(KA (ISII (htji Rh.

■in(io quot;gt;1 diiiji -— (kn cm 11 (isiiji v. d. T.

i t n-ti \\ ee7i naam van Kama-déwa {Skr. Ka n d a r-j) a). Het wordt ook verklaard door (Uj iru naji

. . ^ tv. . ...

imiax^ of dm (ui (vis zie bij ifiid^w

\'nmc^(Hri/i\\KX. wat heel veel, wat te veel, wat over-

magtig , wat overdreven , excessief, extra. — {iiji

O .

wjjiiHaci\'iaieen Vorst van een buitengemeen

vorstelijk voorkomen, imtin iinou v i ^ i \\ Ninn an i.ii

o G) o

iE\'1 t \\ K., iioi (u^ (hu mi iii ^ s KI., er teveelin zoeken, een gezegde zoo opvatten, dat men er iels kwaads in vindt. — i i.uuhnjs iemand wat te veel geven; ergens wat veel van iets indoen. — lunnr^

lijden door overmaat. — u ti trvian zie beneden.

Mnf oxtinvp Mi ^iui,utj\\ irihrjiui r/ loj* rmvjaxi r/.inj H\'ijt\\kn. een woord vooral door kinderen tjehezigd zva. ruiiunrnjis (Tj.) WW.

7 gt;•gt;gt; muji of 7j iniiiti de hij ijli mi (oi^x aai «1 ij no /mjj \\ zie bij mianw zie bij \'i\'W*

iidit iio \\ kn. de verstijfde toestand der ledemutcii, het stuipachtig (rekken der ledematen. WW.

. ... o mh (Laviamii zie bij acmnw

hnidnnsn^sKü. een greene stof van de vezels van gft-bangbladen geweven, waarvan geld-, kofle- en rijst-zakken gemaakt worden, en die ook wel tot kleeding van zeer arme mensehen dient {vrg. ii arn \\ en iunnr^y iut^ui \\ naam van een gr ooien slang. WW.

fhamr^asiijjMiJH. trilling van de zenuwen of trillende beweging in het bloed op de een of andere plaats van het lichaam , zooals in h\'d bovenste ooglid; de wenkbrauwen of de lippen, waaruit de \'Javaan

zich h et een O/ ander goed of kwaad voorspelt

/ O ; . * )

(prg. u ii icj (t,nij en uu tj i HLijjp. — /. y o (tr^ usnji \\

trillend zich bewegen, bv. van de pols; beven

van de hoeken van de lippen , van iemand die erg

boos is. — firria.nify] anjjs zulk een trilling enz.

hebben.

i,ii(uiu.i,p Jr. l *^1., verhaal, overlevering; inzonderheid overlevering van hetgeen de Propheet

gesproken of gedaan heeft.

o

nu ij (ui i u. i ^ zie /. n (ia w

uijuyiiji\\ Ar. quot; , heilig; gewijd {vrg. (tJ^aSl);

ook kn. naam van een regentschap.

(ilt;ii ij (ui 2 flv\'? ; rrj dsn in/js zie bij (lii tui w . )

h ii(Ui\\K\\y. zva. kh -amp;i \\

Cj

s n

/lt;11 in \\ KW. ZVa. hlKïlllw

C (u

hii(u^ oin i/j gew. undr^ui ui 11lt;01 tri ook unac^ivt

ii 11%l \'Uj ti ijj\' kn. onduidelijk van uitspraak bij het spreken, onverstaanbare klanken voortbrengen ; als met dubbele tong praten, lallen {vrg. nn (ici rujj en hnci^d ix:ii oliasj(U^(rujjn hetz. ui ti^ijjs freq.

(Hu (ifjj ïbj (ru/j \\ zie hij turuiq ^ (n.iq\\

ïni iiniLii ru/jKN. een draaijende, wielende of borrelende beweging in het water; een draaikolkje door de beweging van een groote visch in het water veroorzaakt.

hi] (icj ói kn. naam van het landgoed v. prins Mang-koe Negara.

kilcic^nj\'i\\kn. ij\'ijt, berouw, wroeging hebben. — in

trj njj ivi\\ spijt enz. hebben over.

) ) )

i.n (ui tni/js KW. zva. rj uunintijj inUKtLi/j

ija.12nux/rtKrjM/j kn. de beweging van de tong

bij hei spreken. ■, u ui n i ^ n ij nu i iii\\ langzaam

spreken, teemen. w kii io iu iiin/i i.:j\\ al wat hem


-ocr page 362-

O

wiantiyis

284

K)! itp iW \\

voor den mond komt.

iohinu ij kx. de beweging van iets onder een kleed of d. k. — i. y iQtr^ n f/j veerkrachtig, een onlvang-ene dmv of stoot teruggevend (vry. bij

nnncyi zuid, het zuiden, zuidelijk, mam0 of

i ni.L?} ~nn)0 de Vorstin van het zuiden, eon Djin die volgens het bijgeloof in de zuidzee haar hof houdtgt; anders tifiKnn man^ i} r^iin/j genoemd. 1.1 khhcj^u t.nitu de zuidkant, of aan de zuidkant, van de rivier. — m naar het zuiden gaan.

— (u wat naar het zuiden gaat, het

zuidwaarts gelegene. — ir.i i~incj n i/j\\ zuidwaarts

ct .1

gaan. — j ^ i.ti\\ of n r ian i^irj hti\\ zuid

waarts verplaatsen , wenden , schuiven , brengen ,

O ) . O quot;)

euz. — in iof i.n tui i l uj t^i ioq te veel zuidwaarts.

zie bij ijïi(ia\\

liHiicifTf ilif ijOrhi i) naj] zie ^(ihïi rrj ermw

O ... O

(Hi) m m }jnsii mi/I zie bij am tin w o

ihtn (ujji \\ zie hn «ei w

\'ilt;n ntim in KiN. uaa7?i van een boom, Eupteron nodosum Miq. Nat. fam. der Araliaccae, levert een naar kamf er riekende hars, het hout zeer geschikt voor planken, vaartuigen, en v. e. hoog en boom, Hartighsea mollissinia Juss. Nat fam. der Mclia-ceac, ivelks hout onsterk is.

Kn ia (ti I ui ij zie bij (ia u i w vu ?ƒ U) tui ihi/i zie bij tidxithinw

O O

mi (Ui\'i (htijjx kw. zva. nn~ni,iiji\\

un ta/Mji Ar. , oud; eeuwig (zonder begin).

f ji zie bij iiijj Fiji •

/.7? ui tfjiji\\ zva. initio (ejjis {Ar. ^^3 , kgidam, voorgang ; oudheid).

iniiiniflruji^ kn. de beweging van de lippen onder het mompelen of prevelen (vrg. uiiac^djinti^). — run iM rui/js zich bewegen , van de lippen of den mond; mompelen, morren, knorren. — mnc^iirtian/js

mompelen, binnensmonds praten; morren.

zie

uii gt;1 t i t ij rn kn. meestal herh. gedrogtelijk dik. aw 10\\ of },u kw. zva. un r) i / j \\ (Skr, ka dg a,

een zwaard , sabel; een breed offermes; ijzer).

) • j .. a

ij imiici rn/j zie b/J iii wuii/j\\

7 uv 2 lci of ij (m 2 ui Tiyis plat voor rm 1 1 \\

n X

Uil JLIW

uihwtia ook uii lt;iogt; kw. met de geheele magt, uit alle krachten strijden G. {Het wordt verklaard dour r i(io^Srnaj^\\ zich in massa ten strijde opstellen, Rh. Vrg. mixy(in).

uu ij itcii ij 1 irn^t tujj\\ zie rn ^(uidrj {rrr^iin 1^\\

uh an zie ani w (irniii i/j\\

o ) . o . )

1,11 ii.11:1) \'iu/js zie m (in 1.1) trujf \\

) o .Oo

gt;\' 11 ui i n ; 1 //J ^ zie eni ia r:ri ili/i \\

) C) quot; .

uu ba m oiyi\\ zie om aa rn (rn i\\

) O

/. 11 (ia (iTiji rrn/1 \\ zie cm ui (Kij miq

O \' . )

\'• n ra y rn 2 eni ^ zie ern ra 7 1 :n ? ai 1 n \\

» . . O s

uiitia \\kw. zva. KN- m poezie zva. ii iiuj ii^

in proza alleen van neven en nichten. inKuuaas broederlijk, in broederlijke vriendschap, leven, an lij ini (ia \\ zva hinnu 11 lgt;i ^ trui\\\\ u 11 aa ui cri 1 bloedverwanten, familie. — ((f^uti d\'a \\ spr. zva. nu

quot;VT

uiidcjinkn. het doel niet bereiken; teleurgesteld {vrg. uiidrjjiTjj). ook fig. v. e. ladder die niet lang genoeg is, Tj. nru iiii(in\\ zie bij nriiw ulrui\\kn. reebok, een klein soort van hert, Cervulus muntjak {vrg. iiirnti rn infj en uirrtli). (in in u?iah \\ een soort pisang, Tj. un ia mi inti kj injj benaming van een klein {volg. Uh. middelmatig groot) soort van gekleurde of vergulde wajangpoppen, iirij

ai ~ 1 af?! ah\\ een bokkesprong maken. Wangs, hlma

n _ o o .

ojii rvi(ftfl^ui - \'quot; ^ i j--ooiariri(iij/l r:) un \\

als een kidang doen. asu oji ani (ia \\ een wijze van •bii(U\\ waarbij men met de herten in het woud gaat leven \'en even als de herten van bladeren leeft en die ook met den mond afplukt. — inn\'a rianjis naam van een vogeltje. CP. ».7m^\\kn. gezang, lied o/* liedje; volg. Uh. bij voorkeur een kawiliedje, terwijl de iU in 7 aji an/j gew. een liedje uit de mamp;tj^pat bevat, vrg. a/ian en inri\'irnmi. ini\'rj \\ een lied of liedje zingen, bezingen, CS, in in icj^ liedjes zingen. — (iia^ rn an in in in \\ zingen of kweelen bij, als een vogel. CS. — un uri (icj^ a7i nnji \\ het voorwerp van gezangen.

fin^ ah KN.; (i7^aa\\ of a:^ axi aa tegen een kind {of geliefd voorwerp. \\VP. 227, un d\'a uij ah) pratende, het allerlei moois of groots beloven of voorspellen. an in ah \\ hetz. , tegen een ander geliefd


-ocr page 363-

tm (ia in Y) T) injj \\

285

MU LH \\

voorwerp, dan een \'eind. — otrnj of \'uu ky^

th in nt/j wat men zoo een kind belooft of voorspelt ; ook lieveling.

:}miin f:iij\'i)(injj\\ zie (uuv.iy-Dori/js iKniia r.) wiHi/j of hii (jnjjs zie (idimww

kiihü r i rj\'iyi kn. wordt gezegd van een kind, dat. door veel prijzen bedorven, altijd geprezen wil worden , o/dat telkens zoekt geprezen te worden,W W. in deze het. volg. Rh. xj» igt;nj\\ - doch i, n mi ^ vrijpostig; zich zooals een kind vrijpostigheden veroorloven.

(taifonji* verk. van (ün un en van vjasntun(uiji\\ G. I, u ibvji^ kn. j uti in\'hiiji heehten, houden, vast blijven zitten, van iets dat ergens opgeplakt of gesmeerd wordt, hv. kalk op een muur; vast, stijf, hv. van een kleigrond, die niet spoedig water opneemt ; vast, gecondenseerd, van een stof bv.van water in vergelijking van lucht; vasthoudend, gehecht, aan aardsche goederen gt; onmeedeelzaam, digt bij elkander zooals de vruchten der pas ontloken padiaar, SG. — ny ii .i.njjs gew. i.n ifjimiq onmeedeelzaam, gierig, {vrg. iicipgt;nMi en m/ioi iMjJj)- rjifhd i.ijiini^fnj^^ wordt in scherts Wr\'êko-dnr\'a genoemd, omdat hij zoo ruig is, alsof hij alle haar op het lijf alleen wil hebben. — un ityi (Hiji\\ zie itoi (bii ihijj^ en (kj) itsnn\\ zie beneden.

} tbii\' KW. zva. fK)) y] (isti \\ {S\'kr. katd, verhaal, vertelling); ook Ml. kn. een woord. — am ij iCnnj^ hiiij ihn .iji en hu ij aui \'i j\'i ? zie ben.

rnnih?i\\ 1. kw. duidelijk. G. 2. kn. zva. (hn \\ bevriend met iemand; waarsch. van :w(vgt;?iw 3. n , im ij (uiiilt;m/, k.,chineoschpond,^m;^ van 1 \'/i A faster damsch pond. fOiHiifo?i\\ een kè.ti, zie iinin — léïriinn (h?i \\ ieder een kö-ti. — l:i ,b?i \\ iemand als bevriend beschouwen of bejegenen. i,n ■ujtons of iHnyj.hji ninugt;n\\ als bevriend erkend worden. {loiiamn een begunstigde. G.). — uvrjam mi ij ibn 2 (k/1 ihiij \\ bij kiiti\'s; een maat die een krlti (bv. rijst) inhoudt; een unster of weeg-stok voor klein gewigt {vrg. unonifij).

Mn i\',r^ kn. naam van een plant.

wti ihii\\Kn. een kruiphen of krnipliaan, een klein soort van kippen op lage poten, ij iurmi ij m. een klein raensch {vrg. i ij \'l yjj MlJl en i.i^yij).

O i ci /• 3».

am mii n k w. 1. zva. . gt; n i ^ w z. zva. d/ii ur^ o f n u (ka iinn\\ eig. meervoud. 3. poef. pers. vnw. 2e pers.; vrg. (hu II.

iHiiasr^\\ kW zva. ij ijiitq t Hbuq (Skr. kêto etH(i\\\\ licht

een komeet, een vullende ster).

(Ki^ ibh \\ k W. zva. (IjI ai ij rn t \\ ifjirj ih n i ip \\

/•n.isi^sKW. Sd.cn Ml. zva. i ij ! iw /.i,^nat brj uiirCi i i (bil ern \\ {volgens G. / /. /^ » /. ^ ri^ jji n\'i i i d n an ) spr. voor al wat er leeft nl. van dieren en onge-dier ten, Rh. kn. naam van een heester , waarvan de kleine ronde vruchtpitten door de kind er s in proppeschieters gebruikt worden.

riiHiin5r)\\ kw. zva. am mi i.y \\ :i.ii ij tiii(Skr. ké/oe.).

Tjiuiii (bn \\ verkeerde spelling voor /. n lt;.•

^ gt; ) .

at ii (bn cun \\ k w. zva. iiiuic^u^\\

^ ^ /

iisii (bn :Hijj\\K\\y. zva. i ikujojijj lt;kgt;(tojj\\ kn. verk. van

o .o ~) r

; un mi imjj m (ixi i ^ ij(i (bn lUj /. n im/j\\

urnly(buiiHyjs zie hij ij i »»2(injj

) quot;) x .. X

nn bn mij) kw., nu n i-ni Ki/isRV . een soort van rijst, die gekookt bijzonder lijmerig is, Oryza glutinosa Lour. Nat. fam der Gramineae. Er zijn verschillende soorten van kï\'tan. i n \'t inhn ~/ii i :ii\\ roode këtan. /.»/ ba ni , i]uji zwarte kötan j ook benaming van een soort inlandsch gestreept goed. i. n i n tj Tj iid-■! ri gele këtan. De andere soorten zijn wit.

mu ij ibn t mi f Holt. d u c a ton.

rj m ii ij gt;bii f an/f \\ zie bij rj (bn ? nu/j \\

mi (bn (Hi\\Ky/. zva. (bi in ■gt; {vrg- in^ i nim).

(mi(bii(m\\ zie bij bntjnw

/ . s ini (bn \\ zie inK^n \\\\

».»/lt;\\,nkn. 1. niet gelijk zijn met een ander, minder in grootte, rang of vermogen -, van een minderen stand; niet gelijk aangespannen , van trekbeesten\', niet gelijk verdeeld, van een last. 2. de twee bamboezen of houten vleugels van een inlandsch vaar-

i

tuig , waardoor het voor omkantelen bewaard wordt. (3. verk. van i.yfunbn G.). —\\. trekbeesten ongelijk voorspannen; een last ongelijk aan een draagstok verdeelen. 2. van un (bn voorzien.

mi ibn \\ zie (vnasriw

.ïCV j a o ,0

(hh (bn kw. zva. (u x:i?\\ iu i i i:i;\\ en (i/i ii i i\\\\ kn.

) v s 1 *-*

zva. rn bn\\ siddering uit vrees oj angst {vrg i.n

li), ook trillen bv. van onbedwingbare drift (lis.)

Rh. — i(n (Li (Wis zva. ui tJ bn- sidderen. — iQ


-ocr page 364-

O

rtnidntijjis

284

nu ui \\

voor den mond komt.

iiniin juq\' kn. de beweging van iets onder een kleed of dvk. — veêrkraehtig, een ontvang-

ene duw of stoot teruggevend (vry. / i im bij 0,1

nahicjjiujjsKn, zuid, het zuiden, zuidelijk, m 0 of }:ni.un1}° de Vorstin van het zuiden, oen Bjin die volgens hel bijgeloof in de zuidzee haar hof houdt, anders quot;nufsnm 11 on » n él on/j genoemd, i.i Knucj irn.ntriï de zuidkant, of aan de zuidkant , vai\\ de rivier. —- i j /o /njj\\ naar het zuiden gaan. — (ui tfjs wat naar het zuiden gaat, het

zuidwaarts gelegene. — 11\' »»«\'^\\ zuidwaarts

rgt; /• \'^ .1

gaan. — i hn\\ of 111 )ara tri rj h^i\\ zuid

waarts verplaatsen , wenden , sehuiven , brengen ,

o ) . o )

en~. — in iiTiii^ianjj^ of i n tui k^jj te

veel zuidwaarts.

tjinuddct iu/js zie hij lyyunm.i^

it7i tici rj n i ? ij (dii i i i dojj zic r/ 6L\'\'i irivrnw

o ... Cl

/Hi) m tji ij.lii an/) zie bij afthidw

un (ic)ji \\ zie /. n ui \\\\ ( gt;

nu ifiui? in kn. naam van een boom, IQilpteron nodosum Miq. Na/, fam. der Araliaeeae, levert een naar kamfer riekende hars, het hout zeeY geschikt voor planken, vaartuigen, en v. e. hoog en boom , llartighsea mollissinia Juss. Nat fam. der Melia-ccae, welks hout onsterk is.

nu in dli m/j zie bij (ia ruw mi y u) iU/i ihnji zie hij n na oa i nn

o o

nn iixyi fonjj^ kw. zva. ontirn^

r--

Mi tfj nji* zie bij M f iff

nniidifjji Ar. gt; oud; eeuwig (zonder begin).

rL

nn ia\'ffijj\'- zva, \',u to nq\\ (Jr. ^ j,, , /cffidam, voorgang ; oudheid).

i:ii ia ■\' i n iq KN\'. de beweging van de li|)pcn onder het mompelen of prevelen (vry. — ni.in

i i n ijj\\ zich bewegen, vnn dc lippen of denmand\', mompelen, morren, knorren. — hmcj^nji^no/j^

mompelen. Immensmonds praten; morren.

zie ^

*lt;h kn. meestal herh. gedrogtelijk dik.

.umia* of i. ii ^ ii kw. zva. ilt; n m ï; ) ■. (.S\'/r, leadya, een zwaard , sabel; een breed offermes; ijzer).

\' quot;) • 7 .. O

ij irn tic) ni/j zie bij r n do ioi/j\\

ij irm ui niyjs of y cmt(u) wins plat voor j.t; i. i \\

n x mi itu\\\\

i/ii iin (ia ook ui) .iftnia^KVi. met de geheele magt, uit alle krachten strijclrn G. {Het wordt verklaard door (i ndac^Sn^aj^s zich in massa ten strijde opstellen, Rh. Frg. miiic^da).

nu ij uu rjix^ry lujjs zie Y)i rj(ia2rf[XTrygt;r\\ijj\\

nu (ia (i:r^ ru^ \\ zie nni ie ■ 0 »^ \\

O ) . Cl )

tm ia mi ovijj^ zie Tt) (irai;)\\ irujis

CX o . O o

».)) ia r.i) : 11 /j\\ zie oi) iia rm irvi/j \\

nn \' • 00

ni) ia .17)) rmji\\ zie rrn nar:)) eni ƒ \\

) . n

1.)) (ia 07)^ rrnq zie om iia rij cni/j

() \' \' . )

i\')) (ia ij rn 1011/1 zie (rn ia tj 1 n t rrn^ \\

Qv . . n s

igt;i) (ia\\kw. zva. )[iii) )i nKN. 171 poezie zva. (hnicjdi^

in proza alleen van neven en nichten. / nnn(i(i\\ broederlijk, in broederlijke vriendschap, leven, oji r^nngt;i\'a\\ zva i injuH^lxcjnu^w nn (ia tvcri) ^ bloedverwanten, familie. — [Kinn d\'a \\ spr. zva. nn

\'TT

kma^nkn. het doel niet bereiken; teleurgesteld {vrg. nndnojj). ook fig. v. e. ladder die niet lang genoeg is, Tj. iDiWi ),))(i(j\\ zie bij nxriiw on)(ic\\\\kn. reebok, een klein soort van hert, Cervulus muntjak {vrg. dni iii nni/j en imcrn)). tu o\') un (ia \\ een soort pisang, Tj. nh ia kd ir)t)nj nji benaminq van een klein {volg. Rh. middelmatig groot) soort van gekleurde of vergulde wajangpoppen, u i-rrj

ui..? tVfii(ie)\\ een bokkesprong maken. Wangs, hlma

n __o o .

d/t) m a^n 00 -1 — ni)nar) u i/j Uö. — ia ia \\

jils ceu kidaug doen. as)) (ut on)dn \\ een wijze van .ibNrtv/N waarbij men met de herten in het woud gaat leven \'en even als de herten van bladeren leeft en die ook met den mond afplukt. ia) d\'a inoa/)\\ naam van een vogeltje, CP.

nr)fi^\\KN. gezang, lied of liedje; volg. Rli. hij voorkeur een kawiliedje, terwijl de (U) di ij aj) )n/j gew. een liedje uit de mamp;tjamp;pat bevat, vrg. odd?) en 1° rj nrrn (Hi/j, lai\'cj \\ een lied of liedje zingen, bezingen, OS, aa ia icj^ liedjes zingen.— ni ^j iis /f-doaxc^ ia\\ zingen of kweelen bij, als een vogel. CS. — nn ni) dfjidn anjj \\ het voorwerp van gezangen.

oo^dti kn. ; (ü^dc)\\ of arj wdrjda\\ tegen een kind {of geliefd voorwerp. \\VP. 327, kn dh ny a/i) pratende, het allerlei moois of groots beloven of voorspellen. 171 da n hetz., tegen een ander geliefd


-ocr page 365-

wn M X7i rj ni nn/js

o

itm LH \\

285

voorwerp, dan een kind. — hydti cirnyf of tnmr^ (ia m lut/j wat men zoo ecu kind belooft of voorspelt ; ook lieveling.

o • quot;gt;

ikthlci r;iigt;i\'ni)nji\\ zte an

: ) - O . • fquot;)

nn lt;10 r.) o (tlt;yi of /. u ui ui r.i nn/js zie tui i~) r i w

hiimi kn. wordt gezegd van een kind, dat.

door veel \'prijzen bedorvengt; altijd geprezen wil worden , of dat telkens zoekt, geprezen te worden,WW. in deze het. volg. lih. n/n doch /. n (ui x i v^ iiji gt;

vrijpostig; zich zooals een kind vrijpostigheden veroorloven.

iHTHbriji* verk. van nhi Kti a^njj\\ en van yj ivgt;ii h n tuyj\\ G. ilt; n \'ünjj\' KN.; uti hn iimjj hechten, houden, vast blijven zitten, van iets dat ergens opgeplakt of gesmeerd wordt, bv. kalk op een muur; vast, stijf, bv. van een kleigrond, die niet spoedig water oj)-neemt; vast, gecondenseerd, van een stof bv.van water in vergelijking van lucht; vasthoudend, gehecht , aan aardse he goederen, onmeedeelzaam , digt bij elkander zooals de vruchten der pas ontloken padiaar, SG. — ? i.njj \\ gew. i nifjiiw/j onmeedeelzaam, gierig, {vrg. i i ip rLi/j en MtiSl thiyj). vj ii.)t2 i.ijiH wordt in scherts Wr\'êko-

d\'ara genoemd, omdat hij zoo ruig is, alsof hij alle haar op het lijf alleen wil hebben. — uu Dryi* zie imi ihn en iki oji litii \'hn/js zie he

neden.

un (üm KW. zva. lt;Kiirr]it,ri\\ {Skr. katd, verhaal, vertelling); ook Ml. kn. een woord. — nm ij ^ Kn rj ihii (ói en mi q un ij ah 2 zie ben.

1. Kw. duidelijk. G. 2. kn. zva. éii tjj \\ bevriend met iemand; waarsch. van xynamw 8. n , hii ij mi 2 m// k., Chineesch pond, gewigt van 1 \'/j Am-sterdamschi pond. ojj(hnifon\\ een kè,ti, zie ihn t n iiu/j\\ imi mi iLgt;n \\ ieder een kilti. — li ugt;n \\ iemand als bevriend beschouwen of bejegenen. -j./J q lt;h?i \\ of mi lij .ui nu iisn \\ als bevriend erkend worden. {uliitnib?! een begunstigde. G.). — uurj.hn wjj- uini himui-iyitui/f^ bij kflti\'s; een maat die een kj\\ti (bv. rijst) inhoudt; en een unster of weeg-stok voor klein gewigt (vrg. ajifijlanjj).

Kn isr^ kn. naam van een plant.

mw tj iühnkn. een kruiplien o/kruiphaan, een klem soort van kippen op lage poten, ij i\'it uu ij lk een klein mensch {vrg. \' ^ \'I ^U 011 \'

O 1 O O A

iuiiiL)H\\KW. 1. zva. nni^w Z. zva. a/ti hy ofiun^ Dfi/j\\ eig. meervoud. 8. poet. pers. vnw. 2e pers.; vrg. (Lii II.

uii te~n n K W. zva. i» tui ivj * 11 ili^ /j ( Skr. k ét o e, een 1 i cli t

een komeet, een vallende ster).

urn ii.ii \\ K w. zva. ili an rn t \\ itifqtmi t ip \\

(un aTr^ n K w. Sd. en Ml. zva. a y ; i w /, ij an^ a ij ui ,tu i .i (Lil cm\\{yölgens G. /. i ^ \' y Uf n\'é r.i a n ~ni )

.9/7r. voor al wat er leeft nl. van dieren en onge-dierten, Rh. kn. naam van een heester , waar van de kleine ronde vruchtpitten door de kinders in proppeschieters gebruikt worden.

ij unnsYi\\ kw. zva. a:ii i.n uip a.n ijiui\'iiw (Skr. kétoe.).

ai (un z (bii \\ verkeerde spelling voor u ikluw

O » )

(un (Lu ajii \\ kw. zva. i, ntic^ Uj. \\

(Uii thn kw. zva. i.ii(U(uiji (iQjj \\ kn. verk. van

\') .o • ) )

un iLii an/f m (ui 1an tuii uj /. u

amay (Lm (iii/js zie bij ij • ? anj-j

un ijlt uiy kn., un sj ini i.i/jsK.]) . een soort van rijst, die gekookt bijzonder lijmerig is, Oryza glutiuosa Lour. Nat. fam der Gramineae. Er zijn verschillende soorten van kHan. i. n a n an i :ii\\ roode këtun. un Lu :ui jn aji zwarte köl an j ook benaming van een soort inlandsch gestreept goed. i\\n iLnij nrj an±arii\\ gele kétan. De andere soorten zijn wit.

ani ij ilii 2 an j lloll. d u c a ton.

arjOin ij.Ln t aa/f\\ zie bij ay asn t anjj\\

aiii (Lin tin ^ KW. zva. iliuj; (vrg- m^ a n an).

( ) ■*.. /)

ani ilii (f£ \\ zie bij Lu an \\\\

/ . ^

un (Lm zie unföjw

ani \\KN. 1. niet gelijk zijn met een ander , mimler in grootte, rang of vermogen •, van een minderen stand; niet gelijk aangespannen , van trekbeesten \\ niet gelijk verdeeld, van een last. 2. de twee bamboezen of houten vleugels van een inlahdsch vaartuig , waardoor het voor omkantelen bewaard wordt. (3. verk. van i.iiuiilo G.). —a;:.i?n\\ i. trekbeesten ongelijk voorspannen; een last ongelijk aan een draagstok verdeelen. 2. van uiklu voorzien.

/ . s\'

am asiji \\ zie un asri \\\\

; O\'\' o t ■■ )

iuii (Lu KW. zva. (IJl i.i {\\ Lii^njs en OJI i.) i i w KN.

zva. in lii\\ siddering ml vrees oj angst (vrg un

li), ook trillen bv. van onbedwingbare drift (Us.)

Rh. — un.f.a(Ln\\ zva. rti ij Lir sidderen. — ka


-ocr page 366-

280

D cv mn fan \\

a /

u )i urn asn \\

t,n r]\\ siddering verwekkend, sidderen voor.

/.VmI/mKN. ongerusthcTd, angst, van het hart (vrg. i n t?// \\ en iw tisti). ini nn tuti\\ aanhoudend iu angst en ongerustheid.

uh uii \\ KW. zva. ihJinrnimw

KiinsnsKH. in een kring loopen ot rijden, zoodat men een cirkel maakt; met zijn velen jagtmaken op een tijger door dien in een boscli te omsingelen. — in

in een kring rondgaan, omsingelen. — in in

m-

in een kring laten rondloopén, hv. een

\'paard aan de leireep. tPn ^n tim^ kring,

• * o c quot;y

loopkring, eirkelbaan. — mi hn.biryiiHijj\\ plaats,

daar men gewoon is in een kring te rijden, rijbaan;

. i. o

een jagt op tijger» door omsingeling. — hüihii\\

o CY • o CV , .

en tu\\) ihfi1 zie ilt;o \'W \\ beneden.

tfl} ihii \\ KN. briefje of cedeltje, waarop iets genoteerd of opgeschreven is; briefje o/ etiquette op of aan iets, om aan te duiden, wat het is of beteekent j (kw. rand, zoom. G.). — trillen; een

trillende beweging maken; Jiff, van het har/ {vrg. f. u Lii); oo/r hanaming van een soort gebatikte zijden stof. wiHin aan een briefje lt;?ƒ etiquette hechten (een zoom maken, borduren. G.) ij/iln n\\

o qS

h ii ihii n fni/j\\ een

Men.

, . o o Cï/

netz. igt; ii uj ihii ■»»:,n/j*

windmolentje van bamboe, als kinderspeelgoed, of . als vogelverschrikker op de sawahvelden of in vruchthoomen. kw. zva. ini iui nnnjj en tii^un^

O ■ / .. O

lill :ihO^\\ zte bij .

ini een boomgaard, vruchtboomen daar voor

deel van getrokken wordt {vrg. tui inini i:i a/yj). wi ifoiiihiiiiJiJj fTy/N langlevende vruchtboomen.

n ihii m ook nu v N., irn mi uji K/i/js ook hu jffftJi (uijf\\K., f {Jcdnta r d) , ook

merkbaar, blijkbaar, zigtbaar, te zien {pass. van

run i \\ vrg. ij cun en wrf wan/j). —

n j. o o o

iijirniuj\\ of in nj \\ en w nsii ■oiim of gt; »

llfi u,w\\ blijken geven, laten blijken ; vermoöden

wekken {zie ook i imj uiJjs bij iiirnni).

i.n \'Ui^q\\ of iPii i^js verb, van het Ar. \'ijjj {pkat-

rah of phitrah) een tijdvak tusschen twee prophe-

ten, bv. tusschen Jezus en Mohammed, ik iamp;i ■pn ,hn^\\

een tijd dat er geen propheet is.

ij i.ii hi^iiiijlsKw. zva. kt?ap7)criijj of hu ijiyn hii/j\\

un Mn ihn nK\\v. zva. \'uj lsrfiMJIs waarsch. verb, van up \' ir n ^ \\

ten ten \\ I rg. uu ten ten \\).

/•oten isii \\ kw. zva. i ni/i^gt;ici^\\ {waarsch. hetz. als mn

^ V

ten ten\\).

lin[tei^mi/j\\ zie bij tei^tui/j\\ iwjter^nji 11 in/i zie luirj

\'1\'V\'W

èlt;n (b/j ïjIji\\ zie bij nsr£lt;Mfl\\

ioi uu^ r.n uisKvf. en KN. de kracht of invloed, die iets op iemand uitoefent, zooals van een toovergebed, of van de oog en van een mensch op een tijger gt; dien hij sterk in de oog en ziet. {De afleiding is onbekend ; misschien is het verbasterd)-tSi KN. , irn u^nn tei^\\ het uitgillen of nitschreen-

wen bij het schreijen.

iiiitennryi^ kn. naam van een eetbare, knolxch-tige aardvrucht, in smaak op de o b i gelijkend, maar fijner; ook de bakkebaarden van een wild zwijn, un ten un ui of un ten uirins tun ten ify ij it)} \\ en mi asn ij un rj ui i tenjj gt; drie soorten van un r n

ifv/js

,:) c) )

n n ten /lt; ui ten un/j en ui ten kji n un \\ zva. un ij i n gt;

ni/j\\ enz. Zie bij rj tem lt;rn/j\\

un ij ten i \'Unji\\ zie bij ij int nnjjs

!• ijisYj unjl^ kn. naam van een riviervisch, een kleine ia ^nrnji\\ ongeveer gelijk aan onzen snork ) llli. de Mal. ik an gaboes. n:^ i,^ un/j\\ gelijk een k o e t o c k lt;rj u n ij ten ^ u n\\ zie bij ij ten 2 anjj \\

unrjasn rj /.quot;/; \\ zie bij rinsn nunw untei^ teil /j n {dial, rj un i^teii/j CP.) zie bij i^\'f-j^ten/j

onder tenj^\\

nmtentenjj\\kn. stijf van iets, zooals bloed of etter, waarmeê iets, zooals een doek, doortrokken is, of

van iets dat er op kleeft of vast zit.

.quot;) O O

ilt; n Lu ten/j^ kw. zva. hnifiKiten^

un ihLii u i/jsKN. naam van een boom en zijn vrucht,

in V Mal. p ep aj a genoemd. Er zijn twee soorten-.

un rj ten ^\\ ook un ij lii iLi tn fh \\ of un ijten

uiuj.\\ Carica Papaja L. masc.P waarvan de

bloemen en vruchten aan takjes hangen, en

un ij teil ij iki)^ iamp;yi ij i.n t un j o f un rj lii w teajj ij ijn *

n ook mi ij ten ii i ij cm M/i ij uw ï ini/j \\ of un ij

ij lii (uj ij ui 2 wji waarvan de bloemen en vruchten

met korte steeltjes aan den stam zitten, Carica

j Papaja L. femina.

un rj ten kh. klanknab. van het geluid, als een


-ocr page 367-

lUTll jllSHd IKJtJI\\

pijl of ids der(j. een voorwerp raakt. — i.tyijiij nwio^Ji\' zulk ecu geluid geven. Tj. li// hu oji rj w fre(l- Men. ftnvj intkj\'rj (Uïiw^ vlot eu

juist spreken.

o

Mtin zie mi asti w

i nrj ih}i2 Kijj\\ 1 kd. zie bij iai nvt aojjs 2. kn. naam van een in H wild (jroeijenden boom , en van de vrucht daarvan.

vj liHTjihnn^jis KN. bij enkele druppels langzaam en hoorbaar neervallen , uitdruipen , afdruipen j {van den (jrondv. tj ibiKM/js waarvan ook ifastttj rj asnojjjj).

},i^ \'i\'?»KN. 1. het onderste gedeelte van den hals eens paards , even boven de schoft. 2. nm. van een vliegend insect, een soort kleine tor.

gt;1 hntvjiuiifcvji KN. naam van het jong van een injj

O o o , , vyjiurtji^ — rj » zva. rnihj)(oj^o.^. bab

belen {zie bij lyviwjj). yKN. aauhoudeud overal druppelen ,

nitdruppelen. Men. ook blijkbaar, klaar, Ib. tm iuit(k,} m)ji \\ naam van een boom WW. k a t i a a n , Cynoglossum robustum, Hassk. Nat. fain, der As-per i fol iae, Filet. {vry mi cSt ajin\\)

utirirj^rj uidnojis zie bij (un\\\\

}ni (v,)i vj) nj)jj zie bij ilt; n wi quot;gt;»w

uni-njrj(UtTj. voor h 11 ^^ tj)iw/j\\

o ■) \' _ ) l)

lujjs — i gt;i tLKHi/j__hiriaiht

Tj.

n tjihnvjo-yiJijj^ KN. jonge onrijpe nangka-vrucht, gekookt als groente gegeten wordt {vrg. ij (ui nu ) 9\\

hijj tisn tj ij) rLiji \\ Tj. voor ^ op rj ui /l;^\\

un tj .i,ii rijip KN. 1. naam van een groote zwarte zeer venijnige spinnekop, die zich in den grond ophoudt {vrg. hii ui iinji). 2. het stengcleinde onder den grond van een knolvrucht, boven de knol, bv. van de obi en gümbili, ook i,iirf m» m genoemd, om de gelijkheid met een spinnekop wegens de vezelwortels. Ji. het onderste gedeelte van een kippc-poot. — (unrj0511 hjijj\\ aan iets gewoon, verslaafd zijn {welligt verb voor itirj op lujj v. iu n ip njjj\\ Rh.) — mi tf nsii ffhinaam van een grassoort , WW.

\'■» hu /l^\\ KN. dik, digt aaneengegroeid, van hoofdhaar y knevels, wenkbrauwen, gras, loof en plan-\'HïiasyirMji\\ 28?

ten, van een woud of riethosch; ook van désa\'s, die digt aan en tegen elka\'nder, désa aan desa, liggen. gt;jm(ui h ii nJi7 ] rj.u\\ een désa, die digt niet kokpsbooinen begroeid it, ook van een drom menschen. Men.

ilt;\\i isYjj\'H-ijj\\kn. het jong van een schildpad {\'uuirj ^of \'-yj)! 00^ naam va7i een boom, waarvan de bladen gegeten kunnen worden , en van een visch. hij 15m iuji\\ 1. kn. een wrat. 2. ki. zie bij ijiijiw — i.tihïiiumjj een wrat of wratten hebben; maar deze uitdrukking wordt ook wel bij wijze van euphernisme of uit zekere bijgetoovig-heid voor de kinderpokken gebruikt, om die gevaarlijke ziekte niet hij haar waren naam te noemen, ij 7(11 ij tun u ijj lloll. ketel , groote ketel zonder tuit

{vrg. iPn fanu/j\\ 2).

ij tun ijtibii? gt;l7?n kn. rj liiirjiisiitrj .iLPii ihii t l uji op en neer bewegen van het vleesch der billen of va zware borsten onder het gaan.

it 11 rj fan .n r kn. naam van een aardvrucht, een soort van aardappel, convolvulus batatas. Deze aard-v r u cht wordt meer bepaald 1. n tj 1 n n i urnn i jj genoemd, in onderscheiding van de hn ijiun 111 nm tf o \\ Zie bij ilt; n rj ibn (Mjj \\

u 11 ibj; 1. ij \\ zie bij ibn uj i-ij w /. 11 rj \'L^i rj .?jj 2 (mjj \\ zva. hu ij nirjdJig na^

ilt; 11 (üïi ij u i?.! 1 ^i \\ kn. naam van een plant en van de

vrucht daarvan.

)o » . ... ,)(-gt;.

k ii ilgt;ii i j zie bij ui 11 up 11 j w

O

uii ihn lUhj\\ zie bij hii ihinr.n/j

) O _ ) ) t,r «ir

Kil 11,11 \'UIijN - h li .ei/l Ull/j n \\\\ N\\ .

un ijiun (uiji kn. ; i-ij f 1 ij 1 n iLi/js prikkolcud bijtend

voor het gevoelt WW.

hiirj iisu iui (Hi jsKN. naam yan een kruipend gewas , welks bladeren op postelein gelijken; {van een klein soort van bijen WR., venijnige vlieg, die de beesten plaagt G.); en van een batiksel.

h 11 ij lii ij iHiujjjs kn. ; 11 ij 111 ij hui (K/i/j\\ babbelen {vrg.

a a ... o o .

1,111 * wi^ijj uij 1 ^ ui 1 iji \\ en un ij pirij n auijj).

hii isrjui i()ijj\\KN. naam van een vogel, anders uy ou

mi un i.| u)jj\\ kn. mi .ui (Ui u/uli] 1 j / ifj 1,11 dp ui 11 tip i.j (K/ijj en hn iui ui i j wq met levendigheid en beweging praten over beuzelachtige zaken. — un liin tui w (ha/I ^ enz. met levendigheid gepraat.


-ocr page 368-

itfr^ nsti lèi 9 cru \\

o O Kt) iisn hji ruj \\

288

c-)\'quot;) ^Oofquot;) - a O

un \'L,n (üt ri.jj\\kn. , ilt; n \'Lgt;ii t l gt;u un u i tujj Of /. n ip (Ut

ri/i^tpi i jl iujj\\ ineengedrongen, kort en gezet.

it n ilj}! (iji i tyjw i •gt; isgt;\' njf gt;u/) r ïn \'ip iiji iujj\\ Tj. zie

) O (h n itp (Ui i ujj

lt;kn ihii ijji /• tyi\\ kn. een soort van nette sandalen (va?i bereid leder, CP.), ook fig. ijn imiic^^0ik ben je knecht niet., Rh. Vrg. aumiiamp;i Kvi H5I) (la\\ of i\'H hn (ui kn. naam van een boom, de Terminalia catappa L., Nat. fam. der Combretaceae, met groote bladen en hreeden kruin , en van de vracht daarvan, eetbare noten of amandelen. De bladen, uitwendig gebruikt, zijn zweetver-wekkend.

liti tj ilgt;ii (ui \\ kn. naam van een vliegend insect. — xi

tjasn (Ui n eeu dravende telgang van een paard {vrg.

un ij (i.j) iiivi injj). WW. Zie tj un ui w

uu rj un tj (ui \\ kn. naam van een boom, die op stengels

groote trossen bloemen draagt, hoog geel en oranje

van kleur. De bladen dienen tot medicijn, onder

anderen tegen ringworm, hij Fil. een heester met

dezelfde eigenschappen, Cassia alata, L. Nat.fam.

der Caesalpinieae.

i*n iai »7 v KN. een kleine trom, kleine i.h nnw iets 1) CO

kleiner dan de ui i^

o o

un un rj uw i nryj ^ wj.; mi un ij i.u i tj ij zoa. /. n urj ij

rjd/rt9vj inderdaad.

iïoi un (Uins kn. 1. pass. van unnsn fjjj 2. geheel gelezen , van een boek {Ar. . chatm, het ge-lieel lezen, bv. van den Koran) 3. zva. m ui unjj\\ goed en nauwkeurig bekijken. 4. ifh un uyj Ar. , zegelring; slot, besluit.

ij k n ? iun (EJt \\ en rj i.m un ha hn/j \\ zie bij im gt;un (Ui w un uli kn. naam v. e. groen insect, een tor, veel

gelijkende op ijnA^s

muiAj ui ii-njj kw. een gevangene. G. {vrg. nn iisn vtaryj). h n rj un ui ^ \'\\ kn. bezwijken; het niet kunnen houden,

verliezen , in een strijd en in het spel {vrg. i.n iuf);

ry

bezwijmen, in flauwte vallen {vrg. hn rj ui \\ en nn uy ui [a ); aan lager wal geraken, van een schip.

ihn isri finkn. koriander, korianderzaad, Coriandrum

l) co

Sativum, L. Nat. fam. derMwihvWHvrtw^Skr. ko e-toemboeroe, ook k o e st o emb a r-i. i\'k.). — iutur^f u als koriander; een term voor de eigenschap van een goed schrift, zoodat de trekken de behoorlijke ronding hebben, het tegenooergetclde

C~) / • t .. cï | t \\

van un \'ti {zie bij ns 11.).

t. tjj un ij tA 2 ern \\ k w. zva. uy i n ij li i m (zamengesteld

uit ij un è un ui \\ en gt;f i/n 2 cm \\ zie bij t/r^ un ea). un gt;i tun 2 (rtyj\\ zie bij rj un i nmjj\\

tin i Ai mj\\K.vr. zva. rj (Kji 2 rui % \\ i-J ni\\ kn., ^ (Ui (ui \\ ki., de plaats waar het hart klopt; de plaats waar het slagaderbloed klopt; de pols. G. ?■ n hnun gt;njj\\ de klopping van het slagaderbloed, de polsslag. — ur^un nyi ook ui^ t ryj en uj^ $ nlJI^ beweging van het gemoed; agitatie; een opkomende neiging of vermoeden; inspraak, stem, van hol hart-, een gedachte krijgen; een begeerte voelen opkomen {erg. ij(un2(KA unjj). ur^un ernjj of un ui iibti rrnjj ook een brug. — nr^ f^kn ernji of uyriui hiicni/j geagiteerd zijn, van het gemoed \\ de gemoedsgesteldheid van iemand, in wiens hart onverklaarbare neigingen of vermoedens oprijzen ; ook het geluid van vele stappen {vrg. yiu quot;iy/)-/. n uh rriji\\ kn. — fn uii (m/j\\ een paard met de hielen aanzetten, minder sterk dan in un unjj zie hij 1,11 un(irnji\\ Rh.

■) ) ) S

hn i5Yi rnijjn kw. :va. rn iu .utji en ik kn. ergens

aan toe komen, iets bereiken {grondv. iiilt;ni/j\\

waarvan ook isn isr^nm/i)het hoogste b ereikt liel)-

ben, van iemands bekwaamheid of vermogens ; ook

afgepunt, stomp aan de punt. — mur^rmjjs iets,

zooals de knevels oj hoorns van een heest, af-

quot;) . ) / ) punten. — ia^ua j ^.rn^\\KW. zva iie^if i njw — un

isrj) jpft lt;ilt;iji \\ afgepunt bv. v. knevels, Tj.

/, n ij un 2 (yïij \\ zie bij ui /ƒ i^n è (vrij) onder rj un 2 ni/j • u}j utj(ni/j\\K.\\\\. zva i^ur^w kn. (zuivere, ongeiuengde) wierook {vrg. iUi en \'fyi ujjj m/j); (oo^ kolen , waarop gewierookt wordt. G.). i.n ia^ wic-

rooken. — L1 \' ^ bewierooken. — in^^ »s)jjamji of ïih f-\'i isr^ nyi^ rooken ; zooals brandende wierook of een julcaan; uitwasemen, uitdampen {vrg. rij f h anw/l an hij ïAur^tuj); vlammen, van een zwaard of wapentuig. ui /.^ ^ wierookvat.

un ui^ \\ zie un

un iAi tui \\ zie h n ut (ui w

un un kn. de boven den grond zich bevin

dende vrucht van de ur^ui (Tj.)? WW. uniriutyi^ zie bij uijun,^

o o n quot;) - )

nn uan(en^\\KN. unhn uni.yyi en 1.1 (isn unjj of ui un


-ocr page 369-

289

o Q

nu un

O o #. h tsr/ in v

slaan op, kloppen op, /;y. op de horst, ook op iets, hv. een mand om or het een of ander nit te slaan; op hun koopwaar, zooals de kooplui doen om ze aftrek te doen vinden, BH. een paard de hielen tegen den huik slaan, zoo sterk aanzetten om harder te loopen, enz. Vrij. u n hii rnjj bl bii ini n kh ^ met iets zoo slaan, enz. {arondv. in

c i .

i7n/f\\ V\'O\' hnmj).

hiiSi(i7n/)\\KH. de onderste (meestal gelijk gemaakte) rei of rand van sirappen of alang alang dakj v. e. haarrand, van gelijk afgesneden of afgesehoren haar (noney) ; digt op elkaar hv. v. menschen op weg of huizen in een desa, rijk bevolkt, digt op «en geplant (Tj.); op een \\\\ov\\) van afgevallen bloe-men; rand of zoom hv. v. e. kleed, een hosch ; zoo ook iiti hti amp;gt;ti i:vji v. troepen de buitenste, achterste rei, die niet aan het gevecht deelneemt. — i.i iisu km \\ een rei of rand vormen hv. v. personen

v. e. gevolg, Tj. — im ivgt;ii rn thnjj\\, x/n ru/Kyj ^ ~ S (i\'

Jr. i ~ iUa. ■ kn. prediker, benaming van die Mohammedaanse he priesters, die op Vrij dag de predikatie, laiMrj , in de Moskee moeien houden.

ioi inJr. i i\\quot;t(. kn. bock, inzonderheid een Arabiscli bock , of boek over de godsdienst en godsdienstige onderwerpen {vrg. irv}t/ui\\ en a^icn). u u mj ? gt; zie n h vn iunyi •gt;

i.tj f /j Jr. /r. kn. predikatie; de predikatie

in de moskee houden {zie bij i.ii MKirnjj).

hij lijjj im\\ Jr. iU^. {c ho t da h it), predikers {coll.

mv. van l ^ ^ tU^. : zie ik» imt irtyj).

mi mi isn \\ li mi l zie bij fun thii isu w

Cq, I Ui J cq

mi lui Kri ru/js kn. de vezels van de iLi (Ut asri^ \'of buitenste harige schil van een kokosnoot, kokosvezels, J.R.

nn (ihii \\ KW. zva. hu iumji \\

i\'ii tf ihng\\ KW. zva. Vorst.

ini lii \\ kn. naam van een kleine riviervisch.

^ fitu hii \\ kn. een kamizool of vest van wit katoen met mouwen, dat tot de dienstkleeding behoort, ook een kamizool zonder mouwen, dat tot de oor-logskleeding behoort. Zie ij i/n 7 \'• \'i ? ij ihn \\ kn. tj mi 2 y vin if u n t ij iitn \\ ten achter blijven, te kort schieten, WW.

O o . o u n hu n \\ zie asiKCiw

/Vii IJ nïn * rj N\'II \\ m ij hu i ij liii \\ (T.G.

wn rj (bnv.o (hn/js (ook hij verkorting ^ y \'/

ifnïnitj)\\ en non 7j 1,11 tj rh? kw, vrnw. van de eerste pers. , ik , mij ; wij, ons {zamens felling en van aw gt;Lgt;n wet ouhinji\\ rh ui en uhy i\'-i?^ maar, wat un hu in deze zamenstelling bet eekent is niet duidelijk).

nn ij bil tj) \\ zie bij un ij urn \'ijy !HTjj\\

hn bn t\'i^ \\ kn. naam van ecu soort van inlandsch lijnwaad , WW.

/.n bn tj rn \\ kn naam van een groote , zwarte», stekende bosch-schor pioen {vrg. hhvuik uh). — r.i bij y rn \\ als een boschschorpioen ; opstaan, opgerigt staan, van de staart van een beest, vooral van een tijger; met zijn drieën een last dragen, ^

draagstok, daar de vracht aan hangt, met het óéne einde op een anderen boom rust, die door twee man gedragen wordt, {liet ééne lange einde van de draagstok verbeeldt dan destaart van de kat o engg eng), un rj (bn tj (i7) è \\ of un ij asn ij v\'n ? \\ zie hij un tj asn oj^ w/J^ uiKu^jj df dw unajtj^ \\ kn. 1. standvastig; sterk om te verduren of te weerstaan. 2. een groote (U $ xkist, pakkist {Port, c a x a of c ai x a ?) — »n un 1/1

rj tm\\ tegen iets zich verzetten om het te verduren.

J - O )

rn un w ~ti ,f un i/n ui u njj oj vn un u uu 1 i ^ttj

ti un \\ zich vermannen.

un oji\\ kw. zie am (unaJi w kn. naam van de eerste

mangsa of maand van het \'/MWWv.yMW\'-, ook naam van

een soort van fijn wit lijnwaad van Mak as ar 0(icj

in\\ nm. v. een soort un tu/j ? Rs. ij tr i 1 u i t/n ?ni

ni im(ui \\ aan het einde van de eerste mamp;ngal.

1 quot;)

un ui kw. zva. ui ibitjjjj i.y ui^\\ unajin/iy en zie rj

-)

tj un f (ui w mi oji n k w. zva. h n tu ur^ \\\\

mi (ui kn. kabas van kokosblad gevlochten om een voorwerp, dal men daarin vervoeren wil, zooals een kip of vruchten.

mitJi\\Ktf. een stukje dunne puntige bamboe aan het spinnewiel, daar bij het, spinnen het garen zich omwindt; ook de kisivormige bamboe binnen de wëlit. tj T) 2 arm ifli tjl \\ spr. voor een wed uw, die een zoon heeft, en daarom gerekend wordt als een huisgezin dat tot algemeene werkzaamheden ver-pligt is. t/n ru mi tJi \\ een kleine slangensoort. tJi


19

-ocr page 370-

rj hili rjCK/is

290

n n iKi

a a o o , ii- ^

n n 1^1 /• n i i \\ ais ecu klosje. — n tj i.i Mijj\' zva. y

ij iu »1 n m h)/j\\ schuiilat, daar enn schuifdeur of

schïdfplank op loopt.

mi v.v \\ k\\v. kat. Het wordt ook verklaard door un !} cii

{vrg. m) en un

o D

gt;1 hhim\\ K\\\\. zva. nn unj w.hJ)\\ ij hn f cm rujjs

o • f-. quot;gt;

vj nn(ij)\\ zie bij ij vn kiw

vjuuihJi Kvv. lang gras, claar huizen mee gedekt worden, koosa-koesa? Eeliinochloa eolonum Biisc., Nat. fam. der Gramiueae {Skr. k o es j a gt; een soort van gras, dat bij godsdienstige plegtigheden gebruikt wordt). — [iLA gt;1 tmi w\\ zie beneden.

Kiinj}.; kn. naam v. e. soort van fijne matjes.

n .... o \'/(H v.;\\ zie bij fh/}{\\\\

hin zie bij

(HU\'nt gt; nkn. afgemat, erg moe {vry. nu *^1^12

(Kyi en nviJtLijj) ook terneergeslagen, ith.

ir^Ov^^NKW. zva. zva. rij

en

tj hut \')\'zie hij

o o

k )t i t on \\ k w. zva. r) h n nnyi nm uj m \\ iny f j n.) w

I. grof, bv. van lijnwaad en zand \\ ruw van aard; rnw, grof of plat, van een woord of uitdrukViny; ook stoffelijk, zinnelijk , iti tegenstelling van imen de letterlijke, reële zin, van een gelijkenis {vrg. 1 n 1 jj rn/j \\ nn Miijyj en vn rnnjjf). 2. strekking, nitwerkiug , nuttigheid. {Het wordt voor Arabisch gehouden). — r.» C) f]\\ nuttig.

im\'tJj- kn. bultzak, matras. — mirK^ zitkussen,

stoelknssen; zadelknssen.

nn ij (hji 2 \\ zie bij ijwiw or})i}Ji\\ zie bij ww

),r^ 1. kn. HoII. koetsier, wagenmenner. (2. kw. een leêren koffer. G.).—^ ^ n \\ koetsier zijn van een rijtuig, de paarden van een rijtuig mennen. — )ry tlvrriw/j of iu)0 bok v. e. rijtuig, W VV. t.yuj^KU. nadenken, overleg, nm jn zonder

nadenken, onbescheiden.

gt;1 \'h t) ij oj) \\ kn. een kar met twee wielen met spaken, een kleine 77 ook een kruiwagen met

een bak en een wiel (vrg. njnn nsh \\ en itj) hu), ij ud ■rjij) »1 li» )jt)\'j)\\ naslepen, aohternaslepend, bv. van een gebroken of lamme poot van een heest. — ty ) )j(M\\ iets met zulk een kar vervoeren; voorttrekken, vooitslepen; een slepende gang, —rj unrjoji ni Nifl\\ obj. den.; ook een overdekte stellaadje oji-1 rollen met sehuilladen, waarin de natte nog uietl ontbolsterde kofiieboonen gedroogd worden, Rh. xmtj ttj)\\ kn. ■— tj (in2 tj(hj)\\ zva. lt;rj i.h tj 1*1 schuifelen, mz ij0^)■»gt; ij nn\\ iets over den grond j slingeren en slepen. Men.

O

1,n u)quot;r) kw. zva. gt;1 ns)i ijnsu ivr/icr^(mjj iiï) y \\kn. verward ; ingewikkeld , netelig; verstoord, 1 van rust en eensgezindheid, verwarring; ongerc-1 geldheid van leven; in de war loopen; in de warl zijn; mistellen {vrg. — n^jiun ij n)) ieh\\

in de war brengen; de orde of vrede verstoren. — 1 m)[^^ivn (H)^\\ op een verwarde wijze, geharrewar. »./1 ; 3 KN- A»1 (xj)^wnjj\\ klanknab. van /icl\\ geluid lt;lat een schoffel maakt.

t) tj vv^ lit)kn. /.?/ )f {\'1 f*gt;^1n klanknab. van 1 het geluid , dat iem. maakt die op sloffen gaat. y uo )i[()^i, nq kn. gekletter van wapenen in een ge-1 vecht G. volg. Rh. gesehuur v. wapens tegen elkaar, j gewrijf; ook fig. wrijving van gedachten, oneenigbeiil. 7) /.Dznrj y #. t)j\\kn. klanknab. van het sehuren van 1 schoenen of derg. over den grond. — y #01*17 ij 1 dat geluid maken. Tj.

hn^Kt) öh^nKN. ellende, rampspoed, lijden {vrg. gt;111 iU) s en (Kanji ii). hd j.ylt;n L^ m/j ^ \\\\\\ ellendige | toestand, noodlijdende.

h »; iu { un tnyi kN. wordt gezegd van iemand dienl

een sterfgeval overkomt van iemand in zijn huis.

ry . s

xt) u^mnnji of i.n 11 yn uijfs zie bij m w

ht) ik/) \' kn.

zooals een braadpan; zie ook len.

ky) tj (KJ) i Hiyi \\ zie bij rj m 2 wyj ^

hn )j) )n)jj\\Kn. geroep van hulp, zva. W\\V,|

O o quot;) o o • Q

hl) 0J) HVJI \\ KN. - li) M hHJI \\ ZVU. »;» OJ) llt; gt;)JI \\ Zie K)l

I?) ),i)j^\\ en meer bep. twee of meer boventanden

wit wrijven, de andere zijn, zoo als men weet, mei

0

im ij Hjjjg tui/I zwart gemaakt. Irangs. rjoj) ïli (m a ïj! h n f) ni) HU \'ójj ut) gt;uji\\ L,n iE/rij Hn2 (U) wiki ^

.1«: ZH ajjr)jjj \\ CS.

)?i) m ),))jl kn. aanhoudend zacht wrijven bv. om ^1

polijsten, of het ligchaam van een bruid met »| I

ili7r)2rf nq wrijven, poetsen. (Tj.) Rh. ook zva.\\ o o

rn ii nj^\\

tmaSihun viN. een ijzer werktuigje om de schee V\'quot;111!

-eiaj) utl\\ schuren , poetsen ,

0\\


-ocr page 371-

291

! \'i ;•

krissen uit tc hollen.

Qm

/.nojj^».m^nN. , \'/ \'•quot; K., m .m ^ / t tj

ij HUiiTm \\ i.v verheet da spelling voor w ij nti jttcuj

1,n/j en Wij tf» ~/n rmfi\' en dit vqor gt; ) ri un h

en Mtifunrws den geheelcu morgen, een geheele

* (pry

morgen. Men zegt echter sotns ook wel (hj) t ri tm

O o. O

uj i, n/j en (kj) i :n ij irm n voor m i n ^ m gt; n a. /j

en m vin if an ~nt wn\' eiken morgen: doe// dit schijnt

een verbastering te wezen.

y f.\'/ 2 m ^ bij rj vn f. kd i. nji \\

Yf hm ij w hnji kn. 1. tj i tè tj :k) htiji\\ iets , zooals een

mes, een weinig wetten of aanzetten, op een steen

of op een leör; op den huik voortschuiven , zooals

een kaaiman op het droog\\ schuifelen, als een

slang \\ if mmjw hij mv. (yrg. ij hiinjfh/iê unjjs y

gt;1 i\'n 1 rj(hsi\\ en ir^ m unjj bij vr^nJi mij « en n 1^1;).

2. kn. vernederend, onbetamelijk.

y Kmyth/jg hH/f\\ KN. wrijving; iets dal tot wrijving of schuring dient; strijkstok (vrg. ffaiit ijqjj? hnjj en rj hm tj\'tJ) hijjj). Ïf hH2 rfttJis htrrhi\\ n., Vf Kmijwi h^injyu/jsK., spreekwijs voor het tegendeel, /.»;/ƒ y] hmridJii i.)i iu\\ tot het tegenovergestelde gemaakt.

1tr . Ov 1. Q* CO

lr angs.: rj 1, n gt; kd 2 hii (ki^ rj 1 n 1» /. n 1 1 lt;/squot; \\ OS. — tj i-ni rjajii hiyi\\^iets wrijven of sehuren.— rj rm tjajti h?n iemand het lichaam schoonwrijven,

wrijven, zooals bij het baden, zóó schoonmaken.

o

gt;1 h 11 ? ij \'h 121^1 rj hj 2 ij 1121^1 wjj \\ recipr. vorm. — 7 \' 1 12 itf} ij h 11 v met iets wrijven o/schuren. — tf Kmvjwz hii w \\ gewrijf; een wrijving; elkander het lichaam wrijven; iets waarmee men zich het ligchaam inwrijft, wrijfsel.

inyPi hn^KW. zva. 177 rm rrj l:ij lojj en (huid,

vel; een uitslag op de huid. G.^\'yookeig/i.van een (iji!kj\\ den vader van Djamadagni (Skr. Koesji-fc a) vn arr^ mi n?fi mi \\ u ijp .dri0 wordt van Ar-djoena gezegd, W. I, 211, volg. Rh. nl. kijkt hij, die een gebed tot de goden rigt ( fji hn un ^n i£) naar de punt van zijn neus, en als hij er een stofje ziet binnengaan, is dit het bewijs, dat zijn bede is verhoord, m rty /. ^*5; hii \\ benaming van een huidziekte. WW. zva. hii ui u/)\\ ook zva. irn

10111 in \\ kw. zva. i n [si n\\

^ 1

hlquot; kn. attent, zorgvuldig , in het ver rigt en van Gen werk {vrg. t,n n irj lh injj).

hoiti/iji\\ kN. een zak, waarin levensmiddelen gedaan en bewaard worden; een reiszak, vooral hij de priesters in gebruik {Pers. kesj koel, een kop of beker. Vrg, utiw).

hn(M(i/ui\\ een zamenstelling van kn \'ijji en mi ijui \\ kn. magt, vermogen, kracht; iemands vermogen of middelen ; en voordeel, dat iets geeft; wat iets of iemand aanbrengt. — rr»im(lvi rfj\\ voordeel aanbrengen; iemand van middelen voorzien.

hquot; Ki of Kri hj kn. bedoeling, intentie j neiging tot iets; genegenheid voor iemand {Ar. gt; kg as-

doé). Ki 1. n Ki ijj ui i\' 11 ui (li ~.i tj /y \\ al waarheen zijn begeerte of lust hem heenvoert.

hn^iaj^KH. iets kwaads toewenschen aan iem. himlKinjsKi*. niet glad, niet week, niet lijmerig,

bv. v. h. vleesch v. d. nangka (Tj.) Rh.

hnojda/j^ K.H. iets om af te vegen, {vrg. ij 1.111) ikii.i/j en rj hmrj i-udojj). — i\'nn^l uyj iets, zooals stof, afvegen. — 1 11^iui ij 1. n iels afvegen aan of op iets, bv. de voeten op een ij kh n i.i ilci/j Kti if(tji(U}ji\\ of igt;ii ijk,1L11J1 kn. traag, vadsig, lui;

luiheid {vrg. njihiinnjj).

hnvjmig(Ldn of ».?/ gt;ƒ/ ;\'\'m//^ kn. het uitblazen van den adem. i.n ij Kinuinn/j of i n ij i 12 .igi m/js uitblazing van den adem; blazen , hijgend ademhalen. 1/«

i ]huti in im0\\ hij hijgde naar den adem. nm Q

co . \' CJ CCS

hu(Hi^ft0 een enkele ademtost.

quot;U b

rj hii ijiiJi ui/j kn. een voetveeg, voetdweil of veegmat

n N o

[vrg. HiKtJjjiWji *

de voeten afvegen.

11 if

II

rif

ij h 11 rj jji ) (inji\\ zie ij i\' 11 ij (M2 isrin\\

ij hm rf KH(icijj\\KS, tegen iets, zooals een boomstam, zich het lijt of de huid wrijven , bv. van een buffel {vrg. hiinjjj iciji en ij hti rj ^idaji). — (rj xn2 rjnjti ui \\ hetz. K. — y \\(ii 2 gt;j fKi2iui!mjj\\ iets waartegen men, of een beest, zich het lyf wrijft , de èporen daarvan ; een wrijfpaal.

hijj ri \\ kn. naam van een soort stof, Tj. i,yiiihi0\\ hllOJ^ hUJI \'K.\\V. ZVa. N l il Ij IJl 2 of : 1

ijl kn. Chinesche muil of s\\ot\'{vrg. u-ji ij nj ;l/); fug. mi lyi ^Lgt;njj zva. hh hj irrp RP, 147, door elkaar — gehaald, geroerd, ook naam van een figuur onder de Chinesche speelkaarten. — ni\'i j i np door elkander schudden, vermengen ; de kaarten schudden of verschieten {vrg. ook iets

19*

{li I

ill

m

!H

en rj 1, n 2 rj (IJl 2tui/j). h u ij 1, n ij 11 my. \\


-ocr page 372-

293

O

inti M amji \\

wegnemen, uittrekken, uithalen. G. {welliyl ook alleen van kaarten, atnemen, enz. Rh.) — ui hh (tj) mi (Ki^\\ kw. zva. (ui iisïjj rj m im/j tui tj /. u i ri urn 2 m ihi/j \\

tin ui abi)jj\\ zie hij ijiiv,iij^\\

hn\'i5ifhii/i^ kn. wild, niet tam (vrg. tm

woest; driftig, opvliegend, voortvarend; spoedig weg of verloren gaan.

) ) -O O

hu tjikii it,nji\\ hh rjOJiizie Kiltjuittajj\\ mitj

l\'j (K/I 2 N

0 \' ^

hu(hJi hn/j^ kn. zva. hiia-jiasiy^s

ini(hJiasrijf\\Kli, ingekrompen, door inkrimping gerimpeld; rimpelig, van hel vel van een mensch of van vruchten gt; hv. door ouderdom of uildrooging, ook gemeen, lang van inborst. WW.

kw. zva. fiiyamnjijis simpel; kn. perplex en confuus; verslagen; verward en verlegen, van iemand die niet vjeet wat hij beginnen moet (vrg. uu i ni^ rrjiuiji). — (tj) asnji \\ aich eenvoudig, zonder tooi of opschik, kleeden {vrg. 1^111 (hJi/j).

rj nn rftKiit ihijji of ij im ijojt200/1 kn. op de Lillen scharrelend, met behulp van zijn handen, zich voortbewegen. — rj a 1 rj (Kit 2 nsiyi \\ zich zoo voortbewegen , bv. van iemand die lamme beenewheeft, van een kind, dat nog niet loopen kan, en zooals men komt of gaai in tegenwoordigheid van een vorstelijk persoon. — ?ƒ un rj m2 tin (hnji hetz. GG. (vrg. trui Htj rj am 2^ in 112).

1,n) lloll. sa tij n.

irn n kn. het mnskusdier , de civetkat; een welriekende olie {Skr. k a si 0 érï, muskus), en naam van een plant, hibiscus abelmoschus. Nat. Jam. der Vo-lygaleae. Vrg. niyw* en iiwrjn.Ji(iJi/j\\

1 o • J •\'

tin ii^^2i}Li\\ zie bij

un (iji n?n mi \\ kw. zva. asr^ »5^ doch misschien voor

o 00 o

un ui ^ un n van oji féi h n \\\\ iei tuj un n.i un (ui (tni Hn\\

spr.

uncMdJi \\ kw. (eerbied bewijzen, huldigen. G.) zva. nJ)

quot;) o o ^

tij?\\ r.nnn\\ ui ik\\ — uiojuui* zva. r.m fji j\\ tui CO \'hK (1 co\' tl

o o n

hk\\ ij tui gt;f iisflf iu n ~jti n n tuij \\ — (un ui \\ zva. lui O Cl o

gt;1 hll 2 tlJI/j (UI UI J \\ Uil h n \\

. ... — hni-itui\\ zva. tui

, •) ^ ^

rm \'ui j \\ — ui pk ui\\ zva. r.\'m tt i(Skr. st aw a,

cc\\^ Cd Co^ ^

lof, prijs, pk.)

i.n(ïJiiisï)nuji en tiii\'K\'i\'iuKuijjs lloll. stal, stal li ng.

GJ

■) • O

K\'i\'i^rviji^ zie uuuyx^

ilt; n »1 w tuji of tÜ ij un iu^ \\ lloll. stel. ui ifn ij u\\ een stel, bv. van theegoed. ri :ui .:n h n gt;ƒ ut iu/1^ een vierspan paarden.

un gt;11^12 iuiji of (iJivj 1,112 tijijfs lloll. stof, in den zin van een Europesche stof, zooals zijde, daar ecu kleeding stuk van gemaakt wordt; (volgens G. geborduurd , borduursel; zoo waarschijnlijk in Tj. en Rs.).

unm un tu/j of luitunum u ijj* lloll. co ns tab e 1, kanonnier. iJiuuiirt kuun QiiLi/j^ ollicier van de artillerie. — (^awïw iim\'ui/j\\ de wijk van de kanonniers.

muii(ui/j\\ Ar. wedervergelding; kn. dood

straf ; ook eeti krama-benaming van het te eken Vaten. uyiij uuuuiJijj^ een doodvonnis voltrekken.— ui uui-jjjs iemand ter dood veroordeelen, en met de dood straffen. — uuukui^ mv. — (uiuiui (ujji\\ voltrekking van een doodvonnis. — ifiuun^ nnjjs iemand die een doodstraf ondergaan heeft; ook krama-uitdrukking voor met het leesteeken Pa-ten, van een aksara.

uïji(uj) i^iji^ knt door allen aangenomen; waarover allen of beide, het eens zijn. (Het wordt voor Arabisch gehoudeni maar welk Arabisch woord is hel dan?) — uii(u^(ui ^yt.(uijj\\ zich met elkander verstaan.

o

i,niJ)\\ zie ri niKUfW O \' O

1 ■ O O L )

h y u i \\ KW. J. zte 7jhn2iui\\\\ 6. zva. im uuui/js un \\ en (un (uu of um tuuijj {vrg. /.y u/i). uy tui iu n.i un^ naam van een Kawische zangwijze. Kij uj /lt;y

ui n cm en u y i^j ui i 1 ij ■ h 2 \\ namen van drie van de zangwijzen, die t eng a h an genoemd worden.— ^h\'cj^ ZVa\' ^llJ^X ^(ï\'i on ofiKi ruM/js

arji rj muuT/i\\Kyf. laten kussen, CS.

^ fun dj) \\ ook ifli (uj n kw. zva. ni (guisnjj {Skr. kesja, haar).

tj un 2 iui \\ gew. uij hj\\ kw. zva. oji ihrj (in2\\

en (uicrnw (van alles voorzien, gereed, uitgerust. G. Skr. kosa, rijkdom, schatten), u.n vui inj^uu geheel uitgeruste troepen, wel gekleede manschappen

ook zonder vmrui\\ DW. 83. legertros. —

O ■ .0

zva. !uu~»i(i^i^\\ u^ m - en \'Ui ui rj nm 2 w hmu^ ui

0 0

zva. iui nr^iui gt; \\ — /. n u^ ui nijj^ zva. (in rj an è ij

o

rj h n 2 /o/nn

ri un w u) \\ bijnaam van Batara Ooeroe of van Ba


-ocr page 373-

^ nn hj r

29:i

tara Wisnoe {S/cr. késjawa, met veel of schoon haar; ook bijnaam van Wisnoe of Kresua), ij kW. allerhando, allerlei, G.

minitm\\KW. zva. tKiirftrugw {S/cr. sfodha, zuivering, aanzuivering} vrg. ojitn).

nn M f n voor lt;nv ajjj (kv^w

tf un2^0 rui\\ Kw. zva. i(ij^am itujj\\ (S/cr. k a u sjat a , bekwaamheid, behendigheid.)

ifti\'/ i iiyi\\ toKhj\'L^sKVf. zva. cu inj w

... O • o

Uil t l H l/JN ■SIC\' 111 IJ) n t/J gt;

i.iiiJ fu^\\KN. vermoeid, afgemat; moe worden (vrg.

I V

i 1111 * • liii/Kn^s eu Vj-Vj in * ffJl). ^ r:n i

) .) ) ) o

ibJi (Hl nitUjaji n ijj K., ij uru gt;i nni ki aj) (vvi ^ \\N. ,

onvermoeid.

Cl Qv ) O O» J Qv - ) O

un u twns uni \')iruti\\ kh\'K/j tui m\\ of n}}:ij)ni\\

. 7.. o lv

zie bij ii idw

i, ii il ii LLi 2 n kn. verzwikt, verstuikt: zich verzwikken

n f \' *

cy

of verstuiken {vrg. rj uu r r en ij i\'nnt j m/j).

hnaji (UflsKyf. zva. iw t^:hyj\\ ook wel i.n ^ji r ii/j G. kn. ruw, oneffen, ruig, grof; fig. ruw, grof, onbeschaafd, iets ruws, een ruwe daad, Rs. un ki m (Uj uyi om het eens ruw, plat uit te drukken, Hs. {vrg. /. n nU ^ en inyniufi* Een ander zie bij nn(Kiiimfj\\ ben.). xzy(kaajifj of wwin^ iets ruw doen, rnw, grof, met ruwheid, behandelen; tegen iemand harde, onzachte middelen of geweld gebruiken.

».w Y(mlt;l^nkn. te laat. te laat voor iets; te laat komen voor iets; over de tijd van iets gebeuren (wy.

ï r-\').

o

\'ƒ \'■ U ? (IJl \\ KW. zva. (UI f 1 tJI { w

kiii i of i iipKN.IIoll. spoor, prikkel om een

paard aan te sporen.

i\'ii 11 ui \\ kn. ben. voor de laatste der twaalf rfiangsa\'s? Prg. I.ii nw

\' 11 fqN w rj crm \\ vrg.

quot;ir en }T6\'

\' VcW — \' ^ YS\' \'t clll 1 quot;NN

rl\'\'ii *\'Kjjjs rjzz hij Ki ? 3. {in H 1^. ifii ij (hfii^jj^ iyHii t

\'I Jl —• (im i i f i)\\\\

1 \' (lt

\'I\'\'quot; ^JJI ^NKw. zva. rti itjiw

i \'»i ^ *) ft 1 ^JJIquot; \' ^ igt;ii £jjjn/vj, (htji /. a hi n i (K j -jn (K i gt; \\

O •

1 \'ii Wjj (Ht/j zie bij m ii.ia.yjw \'quot;l\'t ji f} ihiKrijf s W. I. 41, enz. voor a j f imi niw •Jjj x KW. zva. mi m JLins

1,11 K

ifti(Kji\\ of ij hiiiKj\\KW. zva. d.r^ ri 6\'w de aar

de, de grond {!Skr. xmd, de aarde).

KW. zva. i, ii bloem.; fig, een zeer voornaam persoon , en betiteling van een sehoone edele vrouw {Skr. k o e s oema, bloc.\'n). asi^qkii i.y r»j^ u\\ afstammeling van een zeer voornaam persoon, van zeer edele af komst. l\\ i MJJj0 ,n^ i j, \'E1 b.j *\'quot; N \' n iia kj i. t^Ky tr i h iiiriii iin\\ bloem der schoonen , puik der gouden bloemen, \'rjiin/uinnfK^\\ een Vorstin; ook eign. van een Vorstin, m(ki irr^:kji (tn\\ de tien bloomen, voot de tien vingers, ö/de beide handen, bij het maken van een sëinbak, hi^k^u i oi naam van een Kawische zangwijs, ik (liq irr^ (kj il i \\ of \' 7 hp; (hvi i. ii (ui (Li \\ naam van een bloem , dien Vorst Kiësna bezat en op het hoofd droeg, en die gezegd wordt op een moeijelijk toeganklijke plaats van Noesa-kamhangan te groeijen. De Javaanse he Vorsten laten hij het begin van hun regering door een vertrouwd ge zant se nap die bloem van Noe sale ambang an halen, om die te bezitten tot een heilig onderpand, van een duurzame regering en lang leven. Het is de bloem van den wilden koolboom , Pisonia sylvestris, Nat. fam. der Nyctagineae.

Vrg. \'ii ik i.ij f i iki\\ bij irr^ ^ ni\\\\

; )

i,ii Ki ii i\\kw. zva. (ij) (ui (iii(ui/j\\ fi(fjiili en ut i~rnw volgens G. het hoofd schudden {Skr. k a sj mala, duizeling, zwijm; ook vuil, en zonde).

i, n ki) (f?} \\ aew. i,ii i ) ;1\\KN. tiaam van een boom,

CO ^ [] co

Schleichera trijnga. Nat. fam. der Sapindaceae,

waarvan de vrucht ini ijiikji nin genoemd wordt.

Van het hout worden fijne houtskolen gebrand.

(Ken ander im i i ris zie bij (Ki (,lt;1). v co ^ (oJ

i.iid j / j\\ kn. safiloers. wilde saffraan (Skr. /• oesoem-t\'ro

Ird). n Km i •\' i is de naam van een kleine hees-\' (ICO

ter, Carthamus tinctorius L. Nat. fam. der Com-positae, en van de bloem daarvan, Maarvan een kleurstof gemaakt wordt, om kleedjes rood te ver-wen, ook i. n ri^ i j uj genoemd. hiKK/^f^i.n /]\'/ is de naam van een groote heester, Bixa Oxellana L., waarvan het zaad, in een harige schil besloten,

een sehoone roode kleur geeft.

i . o

!, 111-1 If I N Zie I, II fl- J EJl w

(I CO ( o

mi rj k ) fi 1,11 anjjs K N. naam v. e. geneeskrachtige plant, Eclipta alba, Hassk. var. erectn , Nat. fam. der Compositae, en een slingerplant Poederia foetida,


-ocr page 374-

O O

iH H !KI (f^ lütiJI

294

■Kil Tj Ui i

L. Nat. fam. der Rubiaceae (Tj.). liniaalecu toeval krijgen of plotseling ongesteld of ziek worden , tv at aan de werking van een hoozen geest wordt toegeschreven {waarsch. eig. zva. uuajtd\'ni lt;üiyj\\ een slingerslag weg krijgen). tinook wel uilajt (Lnji y G. Ar. KN. kostwinning [Ar. l ^ Vrg. mi .iTjiuidStu}\\ Een ander zie bij tHHMOJiji).

lt;}lt;»zie bij (kj^ irnjj\\

n }, n rv) x zie bij n (un pi w \'Cd (d

(hu nyi lt;o \\ zie igt; n (i. i ut w CJ

(hm(k/)\\KN. een reiszak, dien mjn om den hals hangt of bij zich op een paard laadt {vrg. Mwiyrnits nrti\\ en (Kï^dOj).

ii.tj (i*j \\ KN.; hr^nj^m^aij met haast of driftig aankomen loopen, of gaan zitten q/* uitloopen , en zoo doen blijken , dat men iets gevvigtigs te zeggen of te doen heeft.

O. O . Cïv O

(hftl (t. l 07} n.u ion ^ zie DIJ (h ) (111 4 w (Kn j t (Hij^ zie bij (Uin/L^w (trtj\\ zie fo^ oi w (hi\'n ui\\ zie-(ijn(U}\\ III.

O

ik h nt \\ KW. zva. a:tt ap \\ t ) arj \\ nrn ire lt;rn^ \\

im tl\\KW. zva. /. tt nsnniw

hiici?)\\KW. zva, (i-m \\ a gt; mi \\ dichterlijk;

gedicht; G. kn benaming van de taal der oude .Tavaausche dichters en van de woorden, die tot die

C)

taal behooren ; asti^yn) (r)t\\ {Skr. kawi, geleerd, wijs; een dichter). i,n tl ?r overhellend Kawi, later Kawi, dat reeds overhelt tot de nieuwe

dichtertaal gt; die vrnw ik nt genoemd wordt, i.n

o o o o

IJ) m ,1.1/1 \\ fi ll iDl iL\'l trlt; \\ /. tl I?) IJ) » » h n l?) (Ibt! \'Hl \\

/.}) ( ?) IJ) gt;)

O

en ).))(C)((h^\\ benamingen voor een geleerde in de Kawitaal. ij! osd m is ook de benaming van een Kawische zangwijze. * kij) dichten, een gedicht maken , in Kawi j ook naam v. e. regentschap op Java. Hi)ty) :H)fj of hi) xii (ó) onjj gedicht, nl. onberijmd , in de sékar-agëng.

itfl) )j)\\iiN. links, linker, de linkerzijde; ter zijde gelegen, afgezonderd, afgelegen; lelijk , onaanzienlijk van gedaante (vrg. ij ui) en rj xn nquot;). ri ui\\ iets links, met de linkerhand, doen of houden; links, naar de linkerhand, gaan of kijken; ter zijde , naar een afgezonderde plaats; zich eenige oogeublikken verwijderen; slinksche, verkeerde wegen gaan, dingen doen, die het licht niet mogen zien. iy ut?tu% i?) U)\\ een slinksch, ongebonden o/ ontuchtig gedrag, (un ihli a?) m) ongebonden, ontuch-tig. — (tn iu) (hfi) ~.ft) rj mi \\ iets links van zich, aan de linker zijde, hebben ; met dc linker zijde naar iets toe; een object ter zijde, uit hetgezigt, brengen of bergen ; {tegenover wknnjjvjin)) geen werk maken bv. v. genoegens, P.L.; weg brengen , weg bergen of weggeborgen houden. — (Uicaws liet links doen of gaan, enz.; wat links loopt of zich uitstrekt; ontucht, ongebondenheid; iemand die slinksche, verkeerde, wegen gaat, een boosdoener of ongeloovige. — hj) u)anjj secreet, afgezou-nerde plaats om het water te loozen, zich te was-schen of te baden.

ut) tj \\ Kw. zva. u t) o i rj o _?w ift) tj u)\\ dialectisch zva. taiajtw u tt i:)\\ of hij n k w. conjunctief v. int^w un (U^\\ KI. van tj !uz rj nti2 h it/j en tu) r t anyun iiij\\ tijdelijk verblijf? vooral verblijf o/1 tent van een voornaam persoon op reis ; kn. naam van een désa op Java, waar modderwellen worden gevonden, P.L. IT, 120. iKn(ij^\\ of hit ur^dj^sKl. ergens in een hii neen kort verblijf houden. — (uin^nrj uii i-nj! v KI. oan tu tj h) è tj (rrn s hh thnjj\\ plaats waar een voornaam persoon overnacht of voor eenige tijil zijn verblijf houdt; zva. i tj tjj.w — rjmt^ tf ut (Hi,j K.l. van uw(hnjjs hr)nj!L})\\ zie bij utts I.

rj h tl 2 ijIv kn. 1. smeltkroes. 2. naam van een soort voskleurige apen, Presbytes pyrrhus. —

rj!Kxifj een kuil, waarin mer dc aarde voor met-selsteenen kneedt; bak, waar men cement in omroert, Tj.

ij a it 2 ij (U) zie bij rj ilt; tt ? \\n ij i^fi gt;\\ KW. zva. ij injJjV zie bij tj /.»/?\\\\

hi) I it j kn. 1. zva. u) ij) s \\ zva. lt;/)\\ ruim. 2. een

co

groote, in den grond gemetselde, suikerkctel, daai de suiker in gekookt wordt. 3. krater van een vul-caan. 4. de hel van de Hindoes. 5. het lendewater, dat een zwangere vrouw kort voor de geboorte vin een kind loost, iet aa ht) h n l» HLi rjiui ^ nog eens

geboren worden G.; de oudste van tweelingen heet in

■gt; \'i o* ■ a n

Rs. (in (in tij h n h t) ut q \\ zie uit rn t i) \'i)\\\\ — nn

ijri\\ iets ruim, ruimer maken; overvloedig met


-ocr page 375-

jj H

3 Ij II

■li

2Ü5

(i :ii

11 li i !

§ li

en

\'sa

n,

in

in

icn ji.i

\'Jquot; in

É

Ér

\'II

v i-. Hb J

i .

beiicclcii, overladen P un tn ^171 (hn/j pass. 0 u rn 1 1 J?»1\'\'lquot;] \'\'N ^ C.S. /. 1/ K7» in f i/n itnjj^

te veel regenwater krijgen, Uh. — ihri yii ui % djn i}n/j\\ tc ruim.

Ij (Kil (Ujj J N V- I \'Ilhl\' \'i N c\'nz- » \'/ Mn fl| ^ n\\

Y hn ijii»2?\\. zva. *1 nn njj gt; • zie hij vjam (tj^ jw i.n i ij i/n infl\\ zva. wn rv uijturi a-n^ van hel grondwoord tVlfW 1. ij m ij am 2 cm/) \\ zie bij tv q t/ri ? ao/js hij t;i ij 1 /n ? mj \\ zie bij i, y tvi 0^1 w uii 1V1 (hi ^ K., zie bij (Lil \'unjlN ^ ■

1,11 ni(Hi/j^ I. kn. huwelijk, liiiwelijksverbindtenis ; trouwen , huwen , een huwelijk aangaan (Pers. kdwin

of kdb\'in* Vrij. aSi un ^ \\ en if i) 11. KW. /. 11

O* 0.0 -gt; r

t gt;i(in/i of limmnjionfjs zie i,n(ut\\ n oji (Ui aa/j uj

Ki nn /?/ (ujji ook wel enkel mi 1)1,70^n kn. huwe-lijksonderpand, gewoonlijk twee realen in zilver, dat hij de echtverbindienis vóór den priester door den bruidegom aan de bruid gegeven of als een wettige schuld erkend wordt, en dat haar bijzonder eigendom blijft of hij aan haar betalen moet, als hij van haar scheiden wil. ontfj hu nutnjjs opschorting van het huwelijk, wanneer na de bevestiging oan het huwelijk de zamenkomst (/«.\'ƒ) van de jonggetrouwden nog eenige tijd wordt uitgesteld. — * n tnji - een meisje of vrouw trouwen ; een kip rif andere vogel vasthouden , als die onder een gebed gekeeld zal worden, ^u^n.u ni ii i?i ^hi^ een ambtenaar, die de o i hnn.j an/j draagt.— n 1^1 kj iji.11 \\ een meisje uithuwelijken; een paar in den echt verbinden, van den priester gezegd. — met elkander trouwen

.j iriijs mei eiKanuer trouwen. — ia in ui in

10 p naam van een piek , die tot de insigniën van

vorstelijke personen en hofgrooten behoort. fVangs.-.

a _

t ij ƒ / /, 11. ny i 1 rj(}(j tvj, n ---/ ,7 »ƒ 1 n ? K) 1 i 1

1 • • o —— \' 1 in/j en ij ; ) i ij 0.1 i n ik .ui i .) n} uj cmj)--lt;1. ^ ; j

k ijj^ (3 S. zie bij (tm ut in/j \\

\'.»? yf ui2(i(ijjn k. , zie bij mi 111 gt; nN.

7 \'•»; ri,ui/)\\kn. beest ; huisdier; vee. {Ar. le

vend wezen, dier; org. 1 iifiijirt). un hurjini i)) in/j* als een beest, beestachtig. — tj nn uinij\\ Jr.

1. beestig; een booze geest, die in een beest huist. 7 uil2 o wt^wkn. onbepaald , onzeker ; van lt;i/^di\\ 2. if i\' 112 hi in /j \\ zie ij u 112 d.m nn/j \\

\'I i\' 112 m in\\kw. zva. un n.i\\ en 11 {(ia\\ {Skr. koeha-

i.ti 1 \'i 1,1 m D

n a, geveinsdheid ; schijnheiligheid ; of Ar. c h a u-

wdn a , or. van c h auw dn , bedriegejr, trouwloos).

n o - n

ui/rinys un ijj)iihj\\ of \'//^ (Hj n h N. naam vaneen

groot e m ang g a-soort van een onaangename reuk.

T/ zamenst. van if ic^yifj en (Ui r:j \'Ufls

naam van een soort van m ang ga , in smaak en reuk

gelijkend op k wen i en pak el.

o • 7 ••

oj un ui }Jj\\ zie bij rj nu ui.injj\\

u n 1)) uj ,10/j \\ zie bij »m o anji \\ J.

u 11 ui 7 i j injj of ui^ ui ij iy ilt;i/j zie bij .uunjw ui ij i.iii }lt;j z^e biJ ^riririw

mi i(Hi\\ of un ui ri 11 \\ en uij 1/ ui2 ^ 1 of un if i 12

\') . . o n ....

anu KW. zva. rn ; 1 1 :n ui \\ en ik rui ris (okr. (xl CCf - J(

k a b a 91 cla , romp, lichaam zonder hoofd). inj jjj\\kn. de gezouten pitten van de /.1 ij tf\'i? unsVJW.

een lekkernij vooral voor Chinezen; zie ook n nn2

o 1 Jl w

Cl

un ui 1 1 kw. zva. itj^if r.n2iLgt;njj ui^ n gt; ( u n 1 uirjcrm ik ui\\ en nui^ipw (s\'luijer, behangsel, scherm; helm. G. gt;Skr. katvatja, wapenrusting, malie, harnas; efi amulet 0/toovcrmiddel); ook verk.van h! uui.n un i\'i 1 gt; {zie bij ah ui,ld), i n un ui 1 1 \\een slnijer dragen. G.). — uh uj ui uKHi/j\\zva. iJinj^7

O

■11 r n 2 ii n v»

11 lt;t.t_

ur^utftJi kw. een pijl {zie Skr. kawatja, bij uiuui 11); kn. naam van een kleine platte visch.

Cl/ T\' O CV quot;gt; 1\'

un /v\\KN. ; un u) un uu en un ui un / gt;nKN. aan een klein stukje er bij hangen, van iets, dat bijna geheel afgescheurd, of afgehouwen is. — 7 7 um ui un uu aan reepjes neerhangen , in stukken gescheurd, dat de lappen er bij neerhangen.— ui \\ aan een klein stukje liangeu; op een beetje na

afgedaan , van een werk.

o o/quot; . ... aS un ui\\ zie bi) umutw

/.ni^vKN. in de war, verward; van het hart verlegen , besluiteloos, radeloos , van zijn stuk raken

. / o . o 1.0 (.) )

\\vrg. im 11 un uuhi/j en 1 n un .• 1 itgt;n ini i

m/j). — lt;i~i ^ntj i\'iix iets in de war brengen.

ijmirj u)\\kn. het slingerend neêrhangen of naslepen

van iets, zooals een touw. — ij \'.nn ui ii un ij uu

slingerend neêrhangen of naslepen. — ij un ij uu

zie beneden. Vrg. ij un rj ui 1.

li un2 uu kn. een kind waarvan de vader onbekend is ;

bastaard, aterling {Ar. chauwdr, zwak,

zwakkeling; Pers. , kli dr, veracht, verach-

;/(// y UUHj \\

S \'j

Hivl\'

-ocr page 376-

290

1

. !. v S a/ . j.. cï/

teling). — ti*md unw(V)\\ zie bij iniiutw

a

jiri tu) T) \\ KW. rfHVdnis

try ui m\\ rjmi2 m ni\\KW. zva. -yj un è »o) (uji \\zie lt;utrn\\ imny iu)ni\\ eign. van een Djawdta, den Qod van den

rijkdom {Skr. K 0 ew ê r a).

tf uii (djiinjj of gt;1 h ti(ui hiKvv. en KN. zva. rj 1,11 aji q uriiHi/i en xrrivns verlegen, in verlegenheid zijn (m/. \'^^)-

ilt; n (Ui rj \'n i onjj \\ zie bij un an itjji \\

CV .

\\ 1 im (Ui ni iinji\\ zie rj rm najj \\

Mfii asiiji \\ zie bij frjtamp;n mnjj \\ mi (it^vifi nn/j^ zie y

(r^ccm asnn\\

a .... o

u y ui nKhJ) ^1 (injj \\ zie bij uimtKi ^

o O ) o o / o

iiai un^KMV. zva. m :ini nji \\ (üii ihj \\ (un ^ n.i un ni w

imitui 1101/j\\KN. oud, tegenover jong, nieuw of verse h; bv. van een menseh, een huis, een touwgt; erwten en boonen, enz. ivrg. asri ui \\ ,uiaAJj,\\ en luiuiiKnjj). — /Hri(Esi(U)iHrijj\\ als een oud menseh zich voordoen, hii uihji^ hui kiijjs van ouds lier; heel oud, A. 04.

mi (Uj.}lt;Tijj\\KN. öé\'w yöiw leguaan

niet gestreept, grauw van kleur, lt;/êlt;? 0/? de boomen leeft {verg. ook (in (wij:uinni^); volg. Kh. een geliefde spijs van de Javanen.

hy .ui uiiji^ ongebr.; dn hiyj\\ kn. elk ding, waarmee men ergens een stuk uithaalt en er een diep gat in maakt; klauwen, van de vingers gezegd {vrg. 71 un 2 (Uiunjf), — it^itjihnji of (Ïjiuiiji\\ ook {r^ ui uujj iets met de vingers of iets anders uitboren of uithollen ; ergens in krabben; iets, zoooXs aarde, door krabben omhalen q/* omwroeten {yrg. i/r^ knun^bij \' errj .Ui un/j). {Uj u] inia/ii \\ iemand met de gekromde vingers als klauwen in het gezigt slaan 0/krabben. nij uih\'iiji\\kn. ; ni uwoji(unjj\\ een soort van kleine zoete djeroek , die men met den nagel van den duim gewoon is te schillen {org. ^ ui un/j (ui ui unjj en uij hi uriji). — an uiunjj\\ iets met den nagel bc-soliadigen of een klein stukje er uithalen ; uitknijpen of afknijpen ; ook ergens met den nagel inknijpen, bv. in een vrucht of plant, om te zien of die rijp is of nog leeft, in een visch, uf die verse his. ui ilt;»/J of [o^ (Uiaain freq.

irr^nj^unj^iw. 1. een wilde kat. 2. naam van een zeedier met langwerpig gewelfde, soms fraai geteekend e schelp, van verschillende grootte : kat of kat-schelp. tui tt^ in^(iJ^anijj\\ spr. voor een vijand of iemand, die men haat en alleen of weerloos aantreft, verraderlijk aanvallen en mishandelen, volg, Rh. zich bij ontmoeting op iem. wreken. — dn^ met een ui^uj. unq glad strijken , (Tj.) Kh.

.uTi rj iu) uiijin kn. klanknab. v. h. geluid v. (kwaken) v. kikvorschen, eenden 1 ook v. apen, enz. —\\u)] gt;1 ui \'Unjjs freq.

rj un ij tui t ainjj s KN, —vf a:i tilt;uid,unjj\\ ineen schuinsclie rigting aanleggen, mikken, WW.

• 7.. ^

ij i,n è ui un /j \\ zie bij a/ij tui u n /j \\ — rj 1:12 iUi aai \\ zva. ij i 1112 h^iiay C.P. tf un ? ajt aflj aaji een gat met de patjoel in den grond gemaakt om er iets in te planten , Rh.

vj un 1 tj (Ui 2 aaijj \\ KN. — ay an 2 ij ui 2 unjj\\ diep inliggen

van de oog en, WW.

Ct • Aquot; ( ^ 0 »

\\in ui ij un nafj\\ zie bij (Ui unw

hniu^axijis zie bij ojii (UjMijis

Knriajnaxi/j KW. bezwaard, belast. G. {waarschijnlijk spelfout voor un rj qji 2 nsnjj\\ van tj ui2 a ai/j).

) n •

ij it n (Ui an fj \\ tui rj ini ui dnjj enz., zie bij aj 1 11 (Uj ; w

uihui(ici\\KW. zva. tai (istrniw

l\'d cv

u^yunji KW. zva. rui ik\\\\

un tui iïsnjj ^ kn. een metalen draad, snaar, lai (uiforyi\'a \\ ijzerdraad.

aai ibi üvjjsKN. 1. de naad tusschen het aarsgat en het scrotum. 2. een metalen band of ring -om iets dat gescheurd of g eb er sten is {vrg. un- n j en uikui foii/j). un u] my ij tji \\ op de onderlip bijten, de onderlij) tnsschen de tanden houden. — n ijliunp de onderlij) tusschen de tanden nemen , op tie onderlip bijten; als een un (Ui asnn gesloten van gelederen. Men.; zich om iets heen slaan of slingeren , van armen of beenen; tusschen de achterpoten door zich steken, van de staart van een beest, uit bangheid; fig. goed onder den duim zijn, in vrees ergens dienen of verkeeren. — a 1.uia^i\\ een meialen band leggen om; zich vastklemmen aan, Tj., iemand op de onderlip bijtende aanzien. — 11 \' laai tj un \\ arm, been of staart ergens omheen slaan of slingeren.

iai a?i asn fj \\ zie bij ui ihii/js laruia n/j^ rm rj un rui ivai/js Men.

lauui(isnjj kn. kracht, krachten, sterkte; de kracht of krachten hebben om iets te kunnen doen; krach-


-ocr page 377-

■ut fq dstid aj)jj\\

297

\'•quot;l \'tu\'T

tig, sterk; vermogend; den voorrang hebben, rj ón0^ de gegoeden {Ar. ijyi, koewdt. Vry. if

O o v n • /

ij nitoj)\\ (hj) tyn \\ en fKi^ 2(ka\\). — irj hji ant \\ iets versterken, sterk of sterker maken; iem. onder-stennen in den strijd, CS.; met alle kracht hv. iets doen, P.J.; zijn krachten inspannen tot of voor, Men.— n^tj(Kin\\ iets, hv. het lichaam, sterk maken , versterken ; ook htj^ ut nsn rj h n (un vi u n/j \\ zich versterken, voor zich inspannen. Zoo ook en/vel ii:^u)ii^nvjikh\\ en zich op aller

lei wijze versterken, al zijn krachten inspannen. un itry i)i offytvt lun rj hii nt da crriji\\ met groote inspanning opstaan. — ^ mnjj of uu lt;ej ut hnjj\\ voorgeven sterk te zijn ; sterk willen schijnen. — quot;\'/ quot;lisi N versterkin g. — tm mj ut afti un^ \\ iemands kraclit of krachten. — (utt: rut tastin of i3;(Hti vtiurtjis middel tot versterking , steunsel, steun. — Krituta?n\\ iets tot versterking dienen.

\'htj (ujj foHjj n kn. naam v. e. slingerplant, v.r/0 A.S. vjMniutnsnji\\ kn. behaagzuchtig, coquette, van een vrouw, die er op uit is om een man te bekooren {eig. om geschaakt te worden , htt uj xcKvn ut ivrnjj van tm (Ut nrnjj ? Vrg. rfHtt ilvi tto/j). —\'intijfot i!t(i5tin\\ zich behaagzuchtig gedragen; volg. llh. het lioofd met een zwaai afwenden uit coquetterie of verwaandheid. — Krl\'rf { t ut lt;u ijj^ hetz. zich coquet of verwaand godragen.

zS , (V , Q\'

\'ut ibtt \\ en verk. ut nsti n ook Mtt hjii \\ n., ut rj (hti i

w/j en ut rf tistt ? it.}/) \\ k. , beducht, beducht voorgevaar; ongerust; beduchtheid, ongerustiieid {Ar.

r

coll. mv.

c h a w d l d i r, bij iemand opkomende gedachten. Vrg. dj (it ti i). tfitis it / t ii,tt \\

..-•i», aS o ,■ a\' a

veilig. — ty f it ihtt -rt \\ of ut itgt;ti gt; 1 \\ en (trj ut rj nsrt 2

m / N of ui rf (mi 2 (ui \\ beducht zijn voor; beduchtheid veroorzaken , verontrustend , gevaarlijk. — lt;1^ 1 •/ nsit quot;-rt7j mi \\ lt;ir^ 1 it tj tv,ti 2 cut 1 tw (hiji^ iemand beducht of ongerust maken ; onrustbarend , gevaarlijk. — l\'l] \'lJj} Ugt; * quot; ^x 0/ ,7/j *jl \' ^N {vau \'• \'/ M \'VI lt;istu) en dTj (ft ut tj am 2 d-n \\ gevaarlijk. — utinw f j nsn ui ihti \\ en veelal enkel t j ütt nt un \\ n. fort uirj iibtt 2tuijj\\ k. gevaar dat iemand telkens te duchten heeft; gevaarlijk x-.ii ui ZH \\ is hel Ar.» de een op den ander, of het een op het ander, volgend). — ^(un ui un \\ gevaarlijk, waarvan men telkens gevaar te vreezen heeft.

inj ui \\ zie kij ut (M w

una

£

Ut d l \\\\

zva. mi(ui2 htiji\\ afgeschrikt worden, — iidj^ui^t ij i,ti \\ afschrikken, Rs. *1 inituitui/isKN. lief, innemend door goed praten, een vrouw, WW. volg. llh. innemend, door lieve manieren.

ww (ui (ui \\ oj ui (ut ook hij k i \\ kn. , i\' y ui ij un 2 tut^ kn., magt, autoriteit of gezag hebber; met magt, autoriteit o/* gezag bekleed; magtig, veimogend; ge-magtigd, bevoegd; magt, gezag {pass. van uuki\\ kw.). iui h 11 .ui cut v of uii (ut iHït \'ui mi \\ zooveel men vermag, i/rt %ji im o (ui rj in \\ zooveel hij vermag — iHtKHivKKi po \'èt. magtig genoemd of geëerd worden;

, O . O - lgt;) O , Ct

hv. quot;nasrjj en (rr^ vn i n nrt oj cni . —nr^/ui i.uhjs (in ut rj(un2(Ki ^ de mflgt of het gezag voeren over of het oppergezag of beheer hebben. — vyuKui im ^rn tj un \\ iemand magtigen , magt, autoriteit of gezag geven o/verleenen.— (ui uuui (ui gt; (uiiui(ut(ui\\ of (ui ui ui \\ magt, vermogen, gezag, autoriteit. Kit xcjiyut0 de gezaghebber, n/nut0 magtbrief.

fny ut (ui \\ zie un ui iui w

mi \\ ook tvel hu #v/m^\\KN. naam van een boom

en van de eetbare, op de madj\'a gelijkende, vracht

daarvan, Fcronia clephantum Corr. Nat. fam. der

Aurantiaceac, ent rbt t. n iji ui \\ of (rn ah ti un oji cui \\

een soort van pisang.

o

im (Vi ui n\\ int (Ut (m m \\ k w. zva. utt nsn uw

o ) • / ••

int .ut (K1 ^/1 (irtjj\\ zie bij (un rtw

... o O

nn ijuuts of ilt;ij i:i ui\\poet , ht^ uuuuK., urt tu n. ,

sterk genoeg, genoegzaam in staat, mans genoeg zijn, genoegzame krachten bezitten, tot o/voor iets; tegen iets kunnen, iets kunijcn verdragen; genoegzame middelen hebben {vrg. tutt ijajte cm4). — int (Eü ui (Ut \\ h tj u i i i ut\\ lurtiints zich sterk genoeg of genoegzaam berekend verbeelden en als zoodanig gedragen; vermetel. — ^ut rj:ui(tg\\ (uurut \'u\\ iem. door een bijdrage ondersteunen, en zoo in staal stellen, een of ander te doen.

nn /*7 *5)\'» 1 \\ kw. zva. uzinrriihtt w (Skr. kawiw ar a ,

(x) v

uitmuntend dichter, uitmuntende wijze).

u n ut \\ kw. zva. n n un^

.injM\\ zie i.y i kvkijijP 1. k. zie nn\\ en whw 2. kn. zie un


-ocr page 378-

Kil 101 nis

298

itm (Ui (IJ). \\

(ÏW Dl iJj zzz tni(ótfv^\\

imi ui ruji kn. tegenweer, tegenweer bieclohj ertegen in brengen; tegenpruttelen. — 11.1»rp)\\ tegenweer bieden aim; inbrengen of redeneren tegen; voly. llh.

voorwendsel, uitvlngt, valselie bewering. — m m ri?! \\ voorwenden, voorgeven, enz. tegenstribbelen.

unbrrvifl\' K.\\v. zva. iji.irj Ai {Pers. k hawl,

zwijn). G.

un t?} tvijj kn. — i i tv ru/js een klein gedeelte van

ieis afnemen, voor zich houden , vrg. ^ quot; \' ^ hv 11 ti i/j\\kn. tondel, zwam, schraapsel van bamboe of lijn gescheurde alang-alang, om vuur te maken. tai i ttnjtji of ij kii ui rtJtjj\\ ook rj mi i t» /uy\\kn. zwaar beschadigd, door dat er een groot stuk uitgehakt of uitgebroken is.

O )

tni i^itiA/i\\ kw. zva. 17/ f t^ iquot;i injjs im tin (hnjjs ti i i y

en ri im n t (woedend aanvallen oj) een vijand. G.).

£• 0

kn. zva. (lyyiiQcm/i oj ? //airj\'Unjj^

tnj *jhu/j\\. het spint, het witte weekcre hout tus-

schen de kern en de schors, Rh. hsyhnidoor elkander geslingerd, verward of gewoeld oo/c bü. van vechtenden -, in elkaar gefrommeld {vrg. (hJi^ Kv/j). in 11 ut) /. y n zooveel kapoek als men tusschen duim en vingers bij elkander pakken kan. i^t.y ht n t/j zva. }jy ) ij htt^ — ir^ ij) rxjji en (ir^ hi t ut ~nj ut t \\ door elkander verward maken, door elkander woelen, om elkander wikkelen, frommelen. — kii i t lua^/j door elkander gewoeld; in een verwarde hoop door elkander; door elkander woelend en worstelend;

kronkel! Ov. V»i unjj0 (utti?tïiki^ iji n t/j of 0 ipf u} ix^tQfijjx door elkaar woelen, kronkelen zooals bv. een menigte wurmen. {rj o] nijj\\ zich

kronkelen , bv. een slany.

o o o o

kw ./:/ 1 k n. utj ut rw i )t t u/j \\ zva. ik njt n i t ?i

(Tj.) Rh.

rjiai ti» rnjjWiil. zie tat m ïujj\\ — ij r.i V} ti )/j\\ iels in zijn loop grijpen o ƒ wegpakken, ay .1.7 de kris aan de linkerzij in den gordel dragen met liet voorste gedeelte van \'t gevest naar beneden gekeerd. tj in ui 1 \\ spr:, een uitdrukking verdraai-jen door die letterlijk op te vatten en er zoo een anderen zin aan te geven.

Hrtiu^rLi\\ of nn i/y iuskü. onderdaan, onderdanige

dienaar; oo/c voor slaaf {vrg. lt;iin tyi); en als vo 0 r-

naamwoord van de eerste persoon, als men zeer nederig tot een aanzienlijke spreekt, anders verkort injtits k., i/n t tj\\ n. {zie \'•tj)- \'•\'j

ru\\ kw. bet eekent familie (Skr. koela); van hier s

/. ^ irui tj 1:1 g (ut \\ en utj ru ut qii \\ kn. zva. i t njj un ^ 1

.in (tut w — ui onderdaan gaan worden van

een Vorst-, dienen bij ee7i heer {vrg.vniw^ rj i-i 11 S o v o o

ifins en a^ on^ttj. n^ iinninj^dcis en r.jaij n i ^quot;l ?ci \\ zie bij ijihj^zciw t t twi\'j \\ bij een heer gaan dienen, ten dienste staan van; iems. wil opvolgen; ook verk. ^ n t ifj\\ (Soel.)—(in nj^ uj int ,ni rj h ti \\ iemand tot onderdaan maken. — irrt^ ieji 11 gt;\\ zich als onderdaan gedragen, onderdanig; onderdaan zijn. — iit) m ty tii\\ het dienen, dienstbaarheid. — (ui in ui tht (ki/js een dienst, van een

dienstl)(!-

O

iji uihi/n tl /

yu

bediende; slavernij.

toon.

o

u 11 111 ru zie rj u 111 »111 w

i.y ui tu\\kn. rit ti J Ti ^\\ki). een aarden pot of pan om

te koken {vrg. hmtm n ij).

tnd.ii ui ru\\ ook wel int u)lt;n/i\\K\\\\. alleen, alleenlijk. Hiervon is de Krama-vorm tj uit r t rym an^ of igt;ii *1 ij ui ? inJ) het Krama van im tj 1 gt;n \\ en 11 ij iji t iHins het Madyn.

i.i^dilt;n.ijtCtn(m/j\\ kn. in krachten te kort schieten, iets moeten opgeven, voor iets bezwijken, te zwak, niet sterk genoeg zijn {in plaats van un n ti.i^ni mi/j van k o rui gt;)

nu lv ij tuttHi/j of urjut tj ihnori^/j kn. 1. dikke, vleeschachtige vezels van de nangka-\\nicht, die gegeten kunnen worden. 2. stief-, bv. i:ti hji 1.11/j stiefvader.

1,11 ut rj 1 uiz anjj v zie kh h rj lUi UTj

a • i ■■

h n tui 11.1 ilt; ti/J^ zie bij tin n t i.tifls

hij 1.» runsn/js zie bij f?» tt i(tgt;iyj\\

rj 1^1 (Kj if ijj zie bij nij tj lt;ui lt;Hj.

a .... o

mi tui ik r n unjj \\ zie bij m 1^ 111/1

un tui mi \\ 1. kw. met list vangen. G. 2. kn. gal.ww een mensch {vrg. in r i -i ij). ttj t» m ifj kw. iemand wantrouwen, voor iemand op zijn hoede wezen. uit ut ij .1112 tHi/j\\ Hii ui ij tt.vi2 tin,j\\ zie hij mojvi w (hij ui in \\ kn. een weinig krom, van een arm of hand,

door optrekking van een pees {vrg. tj uirj nit2). ui^ ui rn j \\ zva. r tj ui erh w


-ocr page 379-

ihoi tn iui 2 cm thnj] s

quot;T\'quot;:T

299

J, II r/ oiirrn Mjj of i.ii ij u»jo;rjan^\\KN. vorpligt, gehou-ilea zijn {vrr/. ?,nidmk ook van de ver

antwoordelijke persoon, den eigentlijken meester tegenover mims hu rirm^ of iJ)lt;rmKN. in staat zijn tot iets {yry. 17?; gt;. / \\ (hoi gt;i hj) i mi { n a. y i n tut \\ int a en ». y ut (trti).

un ó\\KW. jztw. (irnfln\\KN. naam van een olie of vet

tolt;

tol geneesmiddel in gebruik.

.uit\'W\\kN. een Land kruiselings om den hals en over

(T) O (Z)

do borst geslagen. — a:t(iJtii~t\\ van een mi ut \\ voorzien, ook omstralen. — int St ^ (tn^\\ een slendang, scliuins over de borst en vervolgens om het middel geslagen, PJ.j dus zva. int n\\

mi on kn. gedroogd blad van den arenboom {Sd. de arenboom), en een geheele vruelit of vlok kapas, kapoek en dergel., zooals die uit de schil komt; ook algemeene benaming van verschalende soorten van gebatikte stoffen ^ o. a. 0 int arn \\ Tj.

ia) ij iji 2 of (tot rj /ui ? rZZ tni lit ifj w inj ,i | n 1. K w. zva. t t Tt rni/l ijuti rj ni (Uti/j iui i\'j ». y \\\\ i, ii tnj en t.y aj^ \\ kw. zva. rjtKuryru .iiijj \\

en (mj\'ÓN 2. kn. {volg. Ilh. regenboog. Jfangs. :

a* a _ \' ricj

^ isit ik na ut xjh ■ \' i n j l/ï asnji--mi di^ \\ bo. van

daar glans, heldere stralende glans zooals van een diamant^ e. derg., ook van //^öo/1 komvormig , hol, zooals hv. een diepe kotn, tegenover rj ij totrj (ut nn nry ab^ een glans verspreiden, G. — en i:iti7^ uj\\ (.^ ar^ iij op een regenboog gelijken G. van daar) stralen, een helderen stralonden glans om zich heen verspreiden.— ir^ vy^t ij int\\ hol- of bolvormig maken, u /Vf ben. van

een ghiding en van een batiksel. jj i.^ ijis regenboog, WW. G. volg. Rh. de romp ot\' hetligehaam van een trom en derg. m ^ n inj de geledingen v. d. padiplant boven den grond, SG. —

«j\'T niii\'zie ien-

zie mi tó^ \\ 3.

^ int 2 (iji\\ kn. naam van een wilden boom, een U rost igma? zie Vil. op koiing en koebang. — 111.112 m iKHijis naam van een soort van tor of kever, die zich in de rijstvelden ophoudt, en volg. Ril. na gepoft te zijn, in de sambel gemalen en gegeten wordt.

wwounKW. een liederlijk vrouwinenseh.

mj 1)1 inj \\ ongebr.; tn^ i\'ji inj in (tnjjn kn. zieh in de eenzaamheid of thuis vervelen {vrg. ini iLi rj (ut itfi/j bij

) o.

(IJl (Ut).

O O

iintdJiii j lutjl\' zie im ut ii-t en ut ru ini/js uit ijïd^) iuji\\ kn. zva. it 11 ij m 17 irlt; kii ~it nmi uitgezonderd raken.

u 11 ijt dj^\\ of i\'^i (ó^\\KN. naam van een groote donkerbruine tor of kever {grooler dan onze meikever), die zich in klapper hoornen ophoudt, en voelhoorns heeft, die tui yn ui^fj genoemd worden en een halven cirkel vormen: klappertor of voelhoorntor. u^t aj^ i n ij n utjj ini \'iJjj u t \'y en ini nj^ nirj n ijj-- zijn soorten daarvan.

mt ngt;rj (iri2 asn/j\\ zie bij in n\\\\

mi rj 1 )t 2 n injj \\ zie bij nq int 2 w ij mi 1)111 (Hi/j\\KN. naam. van een visch.

quot;\'! \'J[ Ar- toestand, gesteldheid, omsUndig-

heidj kn. mi•ru 1 v en gew. mi \'ƒ n.v zva. tjihn2mi\\ en daarbij; terwijl torfh; en dat terwijl (eig. en de toestand is....). — ittniix^ oogenblikkelijk,

terstond.

O O

u 11 n t/jv kw. zva. im astt % w

myijiji\\ Roll, kool (een groeide), zva. ij 1.112\'n t t/j

{1 ttmt ti i/i zie boven) ook zva. rj inirj(UJit\\ oj. q un irvijj\\ Ar. {kaizl), kn. zva. iJ\'K^mi\\ de

maandstonden van een vrouw, i/it in ijij ut j de plegtige reiniging van een meisje, dat voor de eerste maal de maandstonden gehad heeft, (invi 1 tfw n ijj^ n., ft rh gt;1 mi n ijj k., de vrouwelijke sehaamdeelen {vrg. (ui ui rj (in 2 (in quot;^)*

11 int2trvi/i of i\'ii ij int 2 n i/j 1. kn. ; hijumiruji\\ aansporen, aandrijven, aanmoedigen, rf mu.11 i^kw. zva. ij 1 -ii 2 ij i\' 11211 tjj\\ ut ij int 2 riJtji ZV ^ i i rvt mt\\ 11 hit 111 ij mi2 ii^ij ui ij i t\\N uit hetgeen ik zelf bijeen heb kunnen halen.— int ij 1^2 n t/js zva. ïy 1,1^ ruji vrg. utvj 112 n tjj ben^. 2. nm. van een rivier visch, PJ.

mt vu\\ i. kn. tijd, en k. van ij i^i mi/j {Skr. kdla.

Tr o v n

Vrg. itniitmt). 1.11 111 j uj^W., mi n, iiyi ^ mq k. ,

ten tijde van, ten tijde dat, tijdens, toen. itintiu\\

op hetzelfde oogenblik; op \'t oogenblik, terstond;

vrg. (tJtmiin/j ook een tijd, oen tijdlang, mmi

11 irjiup inilt;ii luuji^ utf^ al den tijd dat, zoo

lang als; ook somtijds, mt ut mt n i\\ bij tijden, nu

en dan eens. (dn mt rut 11\'fluw(tJti vint \\ in dezen


-ocr page 380-

hij rn.\\

300

tijd. am tn ui wt lt;En(M rjinj\\ telkens wanneer, wi tu ri tèi z (Ki is ook de benaming van een slecht tec ken in het haar van een \'paard. — rr» iu\\ tj nn tlis of (ijyjj Kn n i\\ cign. van een verschrikkelijke godheid, bijgenaamd nn in w n.iq (Skr. Kdla, een naam van \'lama: zie wtin). — mirt)/fp Kti\\ zie hen. h ji tlincj^ tini \\ zie hij acjasnwhh ji nj ïm t hji in) \\ eign. van een kleinzoon van .Batara K\'ala {van un nis en ij ihu)t u) iw\\ zva. Skr. Kdla-

J atv a n a, eign, van een demon , een vijand van Kriïsna). — hii tvi Li en h;n nnQn3n\\ zie

ben. — nn n Ktjjiamp;s eign. van een buffel in de Manik-maja (zam. van nu m en .tjimi). — /. d n i eign. van een zoon van Batara Kola.

— tunufli ni\\ op dien tijd dat, tijdens, toen, terwijl {Skr. tatkdla, zamengesteld uit tat, dat,

en k dl«). — (hi am ili\\ hetz. — utidh hd au \\ zie bij

o o O o

mi in w — mi 111 (Ut mj ut (ki \\ [ox^ (Ej hit \\ {(Uj (ut mt \\

o CY ao . O

^ I n !hi (IJt (Uil \\ hit (tli rj IK ». mts en hit til (Kt

t/ns benamingen van vcyschillende tijdvakken in de geschiedenis van Java. — myfji n twvf. het mannelijk zaad. G. {Skr. kalay hetz.). (i^mt t.^ {of itrrt) rt ti imin.i\\ een nog niet tot de mannelijke leeftijd gevorderde jongeling van 13 of 14 jaar; en zoo ook wel itc hh hit (Et rit {misschien verbastering van het Skr. ko e m dr ak d I a, jongonsleeftijd. pk.) Zie ook hit f t li i\\ beneden.

II. kn. strik orn vogels of andere dieren te vangen ; laag, valstrik {Sir. kala, list, bedrog. Frg.

lt;1 ^ V . O

irr (ut tutt/j en tut (hJt iit). t,ii rLut yt ^ j \\ hu rut ao) mt/j en hit n 11lt; ai^ujjx namen van verschillende soorten van strikken. iiztn t\\ met een strik vangen, verstrikken. — azt n tihj\\ ergens een strik plaatsen ; een obj. een strik spannen, lagen leggen.

III. KW. zva. tit i:n n vt \\ en asn asrt(un ruw kn. een algemeene benaming van JSoeta s en van ergens huizende gevaarlijke booze geesten of wezens, zoo-

,0.00 o / O Ou

als (kj^omn vjiKti/ns (i.i ii^ (ffi tiw

o / o / . o o o(y o

ir^ ici m (ic^ rj ui 2 dut \\ {vj^arts u^ hit \\ .tit (iet aan \\

0.ut(iJtf\\ {ook een benaming van een soort van

, •___v o o o* • o o (?)

krissen), i^ nxoj^s ut ut\\ mj^ ut\\ ai^ui\\

0(i:nu 0.ri\'ij)\\ enz. {Skr. khala, slecht, kwaad).

— mt it iitlt; //?/\\kn. schorpioen, Tityns longimanns.

o

i i uq\\ zva. httMrt tjonnn — hn ui iu .vi\\ eeti

soort van kleine schorpioen. — mi tli rj m rj iin \\ een klein soort van kakkerlak of dergelijk vliegend insect. — tmiuohiut(Hj\\ benaming van een kris-soort, (hi0 naam van een kris van Pandji, hem door de goden geschonken.

IV. KW. zva. minrrn\\ \\ hit n i rjMg hits zie bij

\'Ij (ki 2 h u \\\\

Q n

hit x .j \\ KW. zva. mt ini iji hii mjj en (h/iut f tt\'ti o T

hit:tu\\ 1. N., vf iLtrf (ut (Hyi\\K. rivier. —hu tj n tlt;hi^\\ kn. kanaal, sloot of goot tot waterleiding. — hit ij iuhjim/i^ iets wat naar een ge

lijkt, een genl o/greppel {vrg. iuyjikhi, )\' II. Jr. {kgdzlt), regter, titel van den

opperpriester, die ook aan andere priesters gegeven wordt, wanneer zij tot de voltrekking van een huwelijk geroepen worden {vrg. hit i^t (U/j^ 2).

111. KW. zva. iKiE\'tlt;Hyj\\ {Skr. kali, ben. van het vierde en laatste tijdsperk van de wereld, hel tijdperk van slechtheid, dat volgens de ïndï men 3101 jaren vóór hei begin van onze tijdrekening aangevangen is), mt ili (ijvj. cm \\ of mt n i rjam ni ben. van de tegenwoordige ijzeren eeuw , waarin het kwaad de bovenhand heeft {Skr. kal ij o eg a).

O Ou

hittj iu\\kw. zva. (utanw

am ti u iiquot; kn. een fijn bamhoezeefje, en zie bij hit\\ 1.

) O .) lO

hu ii i\\K\\v . zva. r.nisti%\\ (ufyn\\ rj\'rn? ij i.Jtg crn/i iUtj

rrj (Et? rn^ kn. , rl tu \\ groenten, moes of vleesch met lang nat tot sajoer koken {vrg. ^

irrr^). mtmtus gekookt, zieden, ook van water in lt;f als in een ketel, hv. van de zee. Men. — xn rumt ^ni rt mt \\ voor iemand groente tot sajoer koken. — mttiKtans sajoer of djangan v.groente; volg. WW. groente koken; iets van groente koken {vrg. ikiv(hJ/J^). iets als groente koken; in kw.

{kVtan) worde gekookt, ni hii iu hi) n.tmfj vkl.

i/ n o p Qquot; a,C;

tu mt (min of thit vtUK at anji

( ) o

tot ii /\\ K w. zva. tj(tfnmiutj\\

dfnoujnkn. 1. een klnit of bal van aarde, die bij dc begraafnis tegen den wang van een lijk gelegd wordt. — hit 1^11,12an,1 het liggen bij een kind en dat in de armen tegen zich aanhouden, cm het in slaap te sussen. — an rjiuuiuj^ een kind liggende in de armen tegen zich aanhouden en in slaap sussen. — hiirjtuianaojt\\ in de armen in slaap gesust; bij


-ocr page 381-

301

O

ihn tj (tv) \\

O

untvt q\\

elkander slapen de één in de armen van den ander.

. i.i ) D O /. quot;)

volf/. Ivli. hurfiuiihn/i unmi rj tutaaji oj hHfjin?.

nj ilyi\\ bij elkander liggen , bv. van een moeder hij een kind om. het in slaap te brengen; ook van minnend en, Tj. — 11 rj tu ?. ^j,\\ zoo liggen bij of nevens. 2. v. padi overrijp? K. 15 , 48. — (En n gelijk ivi n ün ?n nl. gebogen.

/, tu\\ kn. onverzorgd, niet verzorgd, bv. van een paard. hti rj ili\\ naam van een \'pisangsoort.

/i-v kn. iets daar men mee in het oor of in de nens peutert, of ook de krekels aanpeutert en aanhitst om te vechten; ook een soort bamboe pen om de rPngs met de te verhinden CP. (inTj.

ujj^ jn ifjj tiï) — ifr^ m tu hIi til \\ van een jonge kip of vogely den wasdom hebben, dat de slagveeren beginnen uitte schieten, WW.— vj i u pj.\\ iemand of een krekel met zoo iets peuteren. — iti ij n.i hu jnrj /.peuteren met.

mj ijiiui2\\ zie bij hn\\ 1.

Kri iu\\ zie bij nn ^ gt;uiw

i,riiu\\ 1. Ml. kn. looudienaar, lastdrager {Tamil koe li. Vrg. iKr^iujj en in heerendienst

opgeroepen lieden om Gouv. goederen of reizigers te transporteren. 2. kn. groote lans voor de wilde zwynejagt. \'inth\'i/.y iu\\ of ui itA(rnui mjj\\ een dë-mang, die op aanvraag van het Gouvernement koe-li\'s leveren moet, en, om die te verkrijgen, k2p-plekspelen mag aanrigten. —als kocli dienst gaan doen. Zóo n^T^niw

M^/ijjKN., vuil door bezoedeling, be

stoft of bezoedeld {vrg. iui rti tojj \\ u ?; in % \\ iuistiq

icy. s

en utiamp;i).

\'•^y/L/\\Kw. zva. fiïji ij {vrg- gt;\'\'yj. **/()•

rfnviu\\ zie bij nm ru\\\\

gt;1 zie bij ij)i njiw

rf i\'ii if lU KVf. zva. .«y/j »» kn. td. een kleine

h iwt

rj Hiunj^s zie bij i/r^ \\ II.

ifKiii*! a i\\kn. ; ii i.m rj whij liinif fu lt; de slingerende

beweging, zooals van een aal, hi] het zwemmen. \'lt;ii n.i gt;\\n., i,ii tf uit mijjsK.. , te ondergebracht, overwonnen, verslagen worden; verliezen, nederlaag, verlies {acc. pass. van vn iuj) ; ook lammig of kreupel door verrekking of verzwakking, lang du-ng gebruik, van een poot, heen, arm. of den rug.

— in wi gt;\\ cn ij zich overwonnen geven, onderdoen, toegeven, de minste willen zijn. n iiji?

ijyin iu\\ den grond ouder zich verliezen, den grond niet meer raken. — i7i ilijiuiis anrj vi2\\ onderdoen voor, het iemand gewonnen geven,\' iemand toegeven; ook aan iets, zooals aan den dood, zich onderwerpen. — i7i luqti/n ij hii\\ (tn ij ijui?:Hjiiiiiif)ji doen verliezen, te onder brengen, verslaan; in het ongelijk stellen. — nu ju jujii (hi/j\\ hu (ij ui 2 itn (hnjl\\ die gewoon is te verliezen in een gevecht, bv. van een g\'êmak; toegeeflik van aard.

— tijihiinji^s iu un ij «rn mijjs verlies, iemands verlies, wat iemand bij het verliezen van een proces te betalen heeft.

un nji^\\ zie bij rj-m\\ en unri m\\\\

ini iu^ kn. Holt. klagt, klagt of klagten logen o/ over iemand. — j /Vl*; gt; over iemand zich beklagen; tegen iemandWb^Qw inbrengen. — nji X.i .wr^s of ,ui^i2\\ beklaging. — iamp;i uis^ zich beklagen bij iemand\', ook zuchten, zva. r?ihJi;\\\\ — aJin iuj\\ of (iji mi j \\ Holl. beklag, tu tui iui ^ s beklaag-gehrift. — (uuru zucht.

mi n kn. een ring of touw, dat een beest door den neus gedaan wordt. — i ihji {ojii \\ v. e. uyinu^^ voorzien. — imn/yun wijj\\ meteen hu \'njj q \\

mïiiu^kn. ini luj ini iu ; \\ flikkeren zooals water door de zon beschenen, (Tj.); weerschijnen zooals zijden stoffen onder invloed van het licht; glimmen bv. v. vet of olie op het water; ook wel v. h. gelaat, Tj.

un \'iLi j \\ kn. een gemetselde waterbak, kom of vijver,

om zich te baden of er visschen ïn te houden {Skr.

k o é I a, vijver ; Mal. en Tamil k o ela m. Vrg. O 3« o. o

(uzhjis en rj im iK), hii iu v. e. hi^ wi% voorzien , M.

ij Kn i ij iui ? ^ n kn. limoensap of azijn met rattekruid in een bak {isii n.i ui;), om krissen en andere wapens te wasschen, en het water , waarin de handen of iets anders van een Vorst of heilig persoon gewas-schen zijn, en waaraan een zegenende kracht wordt toegeschreven. Hii rj unirj iu? iets waarin iets ge-wassehen is. — nrj i7ii n ilu?\\ een wapen in y mii ijiuit? wasschen; ook iets in den mond nemen en zoo of nat maken, zonder te kauwen of in te slikken, bv. een klontje suiker. — y mn iftud^d/n


-ocr page 382-

rj 1012 ij rui g (hnjj \\

302

hnjjs zoa. rf htid /j tui of liet water dat tot ij tj hm n rui%\\ dieut of gediend heeft.

i,y ili ^ n ofr^ n ^ iu ook un .lii rui ~jy^ \\Ar. benaming van een afschrift van een gedeelte van den Koran, dat dient om de hinders Arabisch te leer en lezen; waarschijnlijk de WUde Soera, die begint met ^xil) JÜ gt; c\'n waarvan dus de

twee eerste lettergrepen i.ij ili~jr^ luiden.

hn rui 4 hii iwi% \\ kn. ; de een of andere reden, meestal met voorafgaande negatie? nsnuicm0 zonder eeni-ge oorzaak, Tj.

77 i,ii j ui {\'Kii duid kn) slap, niet stijf, WW.; yoA/. Rh. ongev. zva. ibi iu q lt;hi :amp;i q \\ kan wen.

lun n irui (Ktjf\\ zie bij (un rui \\\\

O . , .. O

nn HjI (hijj v zie bij mi rui w

nri / L/ tniji n kN zoom van naaiwerk, gemaakt door den rand van de stof een weinig O\'p te rollen.— izi ju (Hyi iets zoo zoomen.

lin njtanjj KH. het dwarlend opstijgen van rook; ook een dwarlende beweging van een menigte menschen. — uri \'h) njj^ iïiji \\ dwarlend opstijgen van rook, dwarien van e. zwerm pijlen \\ v. e. menigte menschen door elkaar woelen; golven v. water {vrg. i/n au^ rn/j); ook fig. zva. uij famp;j zich als een

loopend vnnr verspreiden v. e. gerucht, Joes., — »i iuj, nyi dwarien, woelen , een warlende beweging maken , van een menigte menschen; van katjang, klimop en derg. kronkelend groeijen (Tj K.) rollen v. d. golven, Tj.; een zwaaijen. Men. bemag-

tigen, overheerschen; ook zva. i/n tryri^s oprollen, zamenrollen; zich vereenigen, in nu^in iui ili\\ zich in opstand vereenigen.

uri iu(hi/j\\kx. span van den top van den duim tot dien van den middelsten vinger of pink {vrg. $h\'ii). iiji ifri iru (in/i \\ een span. — ui ruuuj \\ bespannen, met de span meten.

o

kiitj iui tiiijj\\ zie wn tj run nnjj\\

iry tj iui2 (irji\\ k. , ini ij rui imjj k., west, het westen , westelijk, n tj 1112 ,in^ is soms de naam van

een gemalin van den Vorst, m \' ^7/ \'uiruji v of m ij tui 2 ijKj^ de westkant, of aan de westkant van ... — iiy ij n/i2osi/j\\ ivh ij ili naar het westen gaan, westwaarts neigen v. d. zon. — ^ui uj rj ij iun on^ (ui i ,1 ijirui (inwat naar het westen gaat, het westwaarts gelegene. — w iTifrf iui2 (Hyi\\ u i?i ij jui (htji\\ westwaarts gaan. — i:^ rj trui 2 ujrj wi. of

O - o

fc? .1^ tj rtl21x^*1 nn \\ en / » q ili i.j i, 11 rnjj of ; 11 1 ij

q ruinnhn .uijj\\ iets westwaarts verplaatsen, wenden , schuiven , brengen , enz.

rj ilt;ii2 ij iui hn/j^ 1. zie bij ijïirui \\ II. — 2. Eur. colonne.

Iv

mi rui mi kw. zva nmfun \\ iamp;iiun ajiiwri\\ a/n rrm ik lt;• \\

(1 cncpgt;

n o ^

:h 1 un (ui .^l \\

1,1^ i?iin\\K$. door gewoonte gehecht, verkleefd, 5;oo-

als aan een oord, aan een vermaak verslaafd ; ook

zva. Mti ifiiKii f.ijj\\ zijn lust in iets vinden {Sky.

k o el in a tot een hnis of geslacht behoorende); vrg. o

rlt;r^ iui.uii\\

O ^ O O 0 jf C) et , , .

/j|/ uj nrijj kn./• |/ uriji uy pj nrijj oj kle\'-

nigheden, snuisterijen, Tj.; zachtjes met elkaar

praten.

^ihijj\\ lekkernijen, confituren. — hij tj ijj ^yi\\ innemend , lief, vriendelijk, vrg. fiiHjMjfs AV. II.

/.// \\KN. — muziek maken zonder

meer, zonder daarbij te taudakken ; (Tj.) Rh. y kn. een metalen muziekinstrument ongeveer

gelijk cni tj daarop spelen.

ri n 1111 rnr kn. ; w 1.1111 unt n kii ria(in \\ zich even laten lt; quot;J Üï 1 \' Cl \' f (i

zien of vertoonen, bv. na zieh lang schuilgehouden te hebben of na lange afwezigheid. — ij 11 rj t.111 n\\ voor iemand of ergens zich even vertoonen of laten zien. — ij kii izin ri (in/js mooi aangekleed

paraderen, Tj.

• j.. 1 S h 11 12) rnn n zie ü ti mi i :m w

cr fa J (\'i-0 _ co

hii i .111 — rui i rn \\n

yK O Cflr

rj un tj n kn. ; ij hii 1.77?^ ilt;ii ij i)ii\\ niet bij zijn werk blijven, het telkens verlaten; niet doorwerken; drentelen.

O o

i;n rui(hp ii\\en 1,1^ 1 uitpnicmiHj ^ kw. zva. 921 ij nw

h{J ^ \\ of im luifój^KU. van honger ongesteld zij 11.

n\' (ui Si0 middel tot stilling van den honger.

uri j£r\\ ook wel if^i n kn. ronddraaijing o/\'ronddren-

teling, vooral ook om van de een af andere kant

op een geschikt oogenhlik een doel te hereiken of

zijn kans waartenemen {van t^i ihii\\ vrg. tfjiföï).— a cy o cv r o s o ry n cy

of, m ^vvi:nmjs

poëzie ook }?i ronddrentelen, ronddraaijen , met of zonder doel. rji [fr^\\ heen draaijen o/loopen om een object, bv. om het te grijpen ; om een mooije


-ocr page 383-

303

vrouw in wie men zin heeft, P.J.

\' J $\' quot;Jl 0f \'if\'KN* ^001\' koken

bereid, van olie. ^ d /. jj klapperolie, in

onderscheiding van katjanjolie, die geslagen wordt. 0^e koken; olie koken van

kokosnoot. — 0h\' den; ook wel

zonder i^ ci voor klapperolie.

un u i föi nn \\ h n iu mii /. n \\ of /. n t tj rui ^ fói m h \\ {k a I ant a k a) kw. een bijnaam van Batara Kalei (Skr. Kdldntaka, van fni; li en ilii mhn); kn. , gew. verb, ri\'mcmhii of benaming van een

Hein stuk geschut, ongeveer een half yonder, dat door de Javanen zelf gegoten wordt {vrg- iJi hji hn/j).

rj uiu rj iu/ftn iHit\\ zie mi iluw huw

T n ) o o

hii kw. zva. .ui(üii htijj\\ vn.vgt;n\\ i:i^iui\\

x .00

en ü. k. zie r/n hu n.ij^\\

o 0*. ■gt; o ciu - o 0« a 3*.

iv,\'i\'jtsv \'\'S\'iitywic

n cy cy , , . . ..

mjjs zva. ;.f|j jit f.|i jn\\ enz. ook ben. v. d. ringetjes of oogjes v. d. h u ifi2 hiiji v. e. inl. meisjegt; C.P. i.ijti iij iLijjs Holl. kolonel.

j,|» gt;ƒdïiiz /.iiji\\ kn. ; A\'mmn uiiji hn iyyii i hnjj\\ weifelen, aarzelen; iets met moeite uitbrengen, J.R.

i.ihtmtalmen, dralen, zeuren: de zaak on de

quot;.UI j ■

lange baan schuiven, Rh. (Lgt;uji volg. WW.

het voorkomen, de schijn, bv. lanniin ilh J \'\'.UI \'

den schijn hebben van vrees {nl. door dat dralen, enz. Rh.).

inimi\'ii\\KH. naam. van de vrucht van den gebanghoorn..

ook wel 11 ui? s (TM1 (en w itnojnhi kn. het zich in beweging vertoonen van langwerpige zaken zooals wier en derg. in het

water; ui)(incr\'m min^ymiin y. slenteren,

CT UI CT (xJ \'

zich slenterend bewegen. — mi iin (hiji\\ v.

goederen, onverzorgd liggen te slingeren.

i\' 111 ij iLi 2 rim an \\ zie n 11 tu us mi w ry ^(y 1,111111 \\ of iji i m s kn. gezwel in de buigingen van de

leden, bv. in den oksel, hals of lies ; ook dat door

weêrpijn ontstaat; klier; klierachtig. — 1,1 i:iii\\of

CY quot; ^

ff iTins zoo gezwollen, zulk een gezwel zijn.— 101

cyc^ , cv .... y

i.rn iu inji oj n^i r:ni hjI (wjjN lyden aan i,^i irni\\

ql \'W.V1s zva\' 7 \',^7 \'^7\'N WW.

V,quot;^f KN. een aangename zinnelijke gewaarwording.

~)Cy . . (V

— nquot;^l (^c gewaarwording hebben. — mi \'l\'iQJj

^on/l dat wat die gewaarwording veroorzaakt, Tj. S /quot; s

\'tf cHf KN, ronddrentelen , heen en weer

slenteren zonder doel; zie myuj^ ii(uij^\\e7iiiyiyuj:j\\\\ mi lijjj •Liyj\\ kn. tui i^n 0\\ door elkaar gemengd, en daardoor onduidelijk te hooren of waar te nemen ; Rh. v. h. geluid v. gamelan melodieus door invallende tonen.

fflj(Nï^(isn^\\KN. — on^csc^10^ »

dadig , stout, G.

O O • O

mi afj/j (Lti^/j gt; zie ^ ixjjj njtjf \\

7 h,\\l \'ffH Lyi 0f \'•\'/ 7 ilt; i iyjl f-i/l\' KN beschadigd of bezeerd door een kleine afstrooping. va71 de huid; volg. Rh. klanknab. v. h. bij afstrooping geleidelijk loslaten v. e. dunne zachte gladde schors en derg. Vrg. \'rujtgjj en derg. {vrg. 71^12^(mjj2it^i/j). — 7 hezeeren door een kleine afstroo

ping vair de huid; iets een weinig at^troopen ; van iets het vol of de huid afstroopen.

7 U}\\,irl uj^? :ljyis KN- gt; 7 }]\' * 7(tyji*quot;lt;_^N afgeschaafJ, van de huid {zwaarder dan ^ afgestroopt,

ontveld; de huid of het vel verliezen; de huid afstroopen, het vel aftrekken (vry. *1 ij iu2 ij lt;1.112 (bii/j). I* 1^ n iij(yrj kn. naam van één van de zangwijzen, die tengahan genoemd worden. \\ ben. v. h. touw, waaraan de gong en de mi u^iu/j hangen; ook nm. v. d. dubbele knoopjes aan de mouwen v. e. mi

iu tfiï \\ C.P.

co

nkn. het slingeren, bv. van een touw; liet veronachtzaamd, verwaarloosd, niet afgedaan worden, van zaken. ii^yn^ slingeren; veronaeht-zaamd, verwaarloosd, onafgedaan blijven. —m tj nm nrj i.iis onafgedaan laten.

ii^(rin\\ KN. klanknab. v. h. trillend geluid bv. v. e. iynifaj\\ — mi \\ zulk een geluid maken (Tj.) Rh. Vrg. hii ^ en (friiüii.

rj 1,^19 2 hnji\\Kii. — rj i,f 11 ? 7 1 yn ? hh imjj \\ ruwe

sandalen v. boombast of derg. gemaakt, C.P. hwyii \\ kn. hard van droogte, beendroog; oude zeer drooge djagoeng. J.R. — rurhis iels zooals wasc/i-goed (of steenbakkerswerk JR.) in de zon zetten of leggen , om het geheel droog te laten worden ; ook

wel kadelé of koffie, vóór het stampen of dorschen^G.

. O .

101(1111 \\ zie i,ji(rrn\\\\

Cc-/ r«-, (dê

i]\\i yjj \\ kn. pit van de randoevrucht, pitje uit de ka-

poek. ajimiajii\\ een klein stukje, een brokje zoo

\'ly CU

groot als zulk een pitje.

miiyiis of hu (tayn \\KH. een kleine i n aarden


-ocr page 384-

304

O

pot of kruik om water te halen.

hy(rrrj\\ KN. ben. v. e, vogelverschrikker, uit een regt opstaande hamboe bestaande, die aan den top

is pleten , SG. of kv rr\'m nKN. ; -nn nin knmn \\

61 \'KioJli quot;.(d\'fi

iïr) cnri hiiarn \\ of (ininiT) \\ sléhteren , rond-

\'KCsü \'KieJl J \'KCd \'Kidl

slenteren, lanterfanten, van een leéglooper, die niets bepaalds ie doen heeft (yry. i\'mtp en

w}s TèwiT of 00k sm-

(rn n/n cm crhj1 of n 011 ? lt;ïVm crn arn \\ — ïncrrnsquot;.U) quot; , M y CxJ quot; (aJI \'KWIj

o/* ivKjr^ leêgloopen , een werkeloos leven leiden ; lediggang; ooi\' langzaam voortgaan , Men.

of hu(u^^(yn\\ kn, een Chinesehe afgodstempel.

yll \\ ^ njimfjj n KN. 1. bel, kleine metalen bel of schel {vrg. rncyn). 2. door droogte geschrompeld, ineengekronkeld of omgekruld zijn van iets; ook het gerimpeld zijn van leer en van het vel van een oud mensch {yry. Hfimrtj). af}/ yjj W\'fy\' klingelen, van eenige belletjes te zamen. — klin

gelend.— | j \\ of t~} /?iamj {ook (ir^ JU(rpj\\ li.) zich door droogte ineenschrompelen, ineenkronkelen «/* omkrullen;rimpelen; krimp. — \\ mv. — (iPicyrjm gt;1 kus iets doen ineenschrompelen, omkrullen of rimpelen. —^(yrj w ihi/]\\ rinkelbel; klepel van een schel of klok.

uïinn/\\ tintrin\\ enz. kn. hetz. als maar van

quot;i icj liJt Call \'\'. Cu

gro ot er en dikker voorwerpen tot dik k er rimpels of dikker rollen\', mh hnj ufjain\\ de gewone heitel bij de bewerking der tanden, Kr. — ook gebobbeld, van iets dat niet vast en effen opgeplakt uit, maar gedeeltelijk los gegaan is. tj \'ft YfJN\' 0/ Hn \'/ N KNnaam van de vrucht van den kélorhoom , daar sajoer van gemaakt wordt. rjK^rrjai^rj\\ plat voor geld, WW.

n kn, een houten bel, die aan de hals van een rund gehangen wordt [vrg. — ii \'trrinprj an

(injj\\ het herhaald geluid van zulk een bel geven , ook potsemaker, grappemaker {vrg. cndynxijj). •rf hn2rji/m kn. klank van metalen voorwerpen , hv.

v. e. scheli klinken, Rh. V \'lyquot;* \' ll0^e , van iets dat bol of buis

vormig is; zooals een potje of bamboe; holgewerkt.

ty(yyj2\\ Chinesehe marskramer (zie hij — tj 11^1^(1^111 hol o/holgewerkt zijn; iets hol werken of maken. —VHV2*] ijrrfmrn ilt;nji\\ iets dat bol gewerkt of uitgehold is; holle rol, koker, buis , pijp; ook rammelaar van een Chineschcn marskramer, daar hij mee rammelt bij het rondventen van zijn waren; een dergelijk kinderspeelgoed van papier; en in den bolster , van de koffie {volg. Rh. heet dit ij nu ? ui tft/ ip «ojj) en peper, als de bolster droog is en de pit er in ram-melen kan. R.

O ■)

GOJ IJ) KH (Ut \\ lt; ll

ki

ioii?i\\kn. de vrucht van de udmi\\ als medicijn gebruikt, Rh. — ;|77ij}\\ een klein voorwerp afvegen en glad maken.

inn] ru u) n kn. naam van een boomy Diospyros ma-crophylla, BI. en van de vrucht daarvan, die rond is, hoog geel of oranje van kleur, ongeveer zoo groot als oMe abrikoos en zoet van smaak;

in het Mal. klédoeng genoemd {zie ij uiiny ).

. 7.. o nn frj U) (hnjj \\ zie bij auuiw

hoi vj(tin\'ïjii-Ji (Kijilt; kn. naam van een vrucht.

/jji /j)\\KN. een reepje of strookje lint of doek als

onderscheiding steeken. 101 iliim Pji dun en schraal

v. haary van veldgewassen, Rh. —vn rj) 11 \\ van i,n

lil voorzien.

o cr_ o-

I(JI/J) - IÖH V^ UJ) w

X ^ / .... /

uil 11 iLt n ui \\ isn 1/1 u ij ui gt; 1 nnji zie bij ^iniijdji en

... o CïS bij ijii ijiw

00/\' - o lV . ,O CK .101 isj) \\ of unnjidJi\' zie bij (un (IJl w

V hi]} VlhJ) ,nl/lN Z^e T/ \' IHtlJJ

ij rj ui 2101JIn k n.; tf rn rjaji? im/j^TP. de ingredienten voor Hii/uj, in een kokertje fijn stampen, zooals gedaan wordt voor oude mensch en, die geen tart den meer hebben (J. en C.P.); anders rj in2 tj uj) 2ihi^/j van v trui 2 rj (ui 2 imi fj).

a^i ij) asiyjs kn. glimmen bv. v. h. haar door veel olie. ï/j? (Uji iisiiji -■ ongebr.; kJi hsii onjj of 101 iu(u^ i^fiji{yj\\ kn. beschaamd en verlegen, van iemand die een ander niet durft aan te zien of zijn gezigt of blik zoekt te ontwijken.

(Uf^(i-ijj(isiyi of un(il^(^Ijiiji\\ kn. kletsnat, druipnat, van den regen {vrg. awen w ij uji j).— Mn/j\\ zich doornat laten regenen.

tjiuy rjnjiMiijis zie rj nji^ui n^yj\\

^?iv5«^\\KN. My 1?) (mjj nri\'ij}(hJijj\\ over beuzel acli tl ge dingen spreken. WW.

O O

tva. (vi i n

O


-ocr page 385-

mi rj (rui i j r) {

305

^ ryy r» rf-vi/j v

rj uy jj) iu/j of 7 Wi r v njjj- zva. rj vyy w nmjj of

v \'i\' \'I quot;J} ihHJI\'11 L, V\'1 büy?N V^ N Slimlacl1\' KN • 7 \'1 f\' ^ MJ! 7 ^J j)) ^x

aanhoudend glimlachen, WW. Pr?. 7 ) 7.. quot;)

yrlt;/. 7 /.{\' \' Iff 7 Vjquot;^ T \'// ^ 7 n \' ^c \'LT

,0) /on KN. deouaangenarne lucht v.gedroSgde visch, VV W.

zie bij pn 1 uw

n/ . cv\' . a/^

tl/n K\\v. zie juw i.nn i{U(Hiji kn. ziexm tuw

(iahWi\\ zie bij inyiui uiw

/.jV/mnkn. schot, schut, dat uit ecu enkel vak of blad bestaat; vak o/ blad vöW beschot , gordijn of zeil y dat op zicli zelf een geheel uitmaakt; het scherm van wit katoen , waartegen bij het licht van een lamp de dalang de liguren van de wajang vertoont ; een scheidsmuur of heining tnsschen twee naast elkander staande woningen; öö/\' dc wand v. vertrekken binnenshuis, vrg. yiui tj irn een schut of scherm {van hout, bamboe of steen) voor den ingang of straatdeur van een Javaansche woning, om hei inzien van buiten te beletten, hetzelfde als f ? »gt; nn vóór de 7 r) nn cm 21 ujj van een aanzienlijke woning, ivm ^2 ^r^u \\ een dergelijke schutsmuur voorde aj) ru ut quot;n (Hijj in de kraton, iri yj cm 2 fni n i\\ {ook xn hn ?u\\ Men.) niet rond en onbewimpeld er voor uitkomen.

ïiii\\u\\ Ar. jamp;sh) (7 - Chizl r), eign. van een heilige bij de Mohammedanen, en wel dezelfde als Vinelias, zooals zij zeggen, maar door zielsverhuizing ook dezelfde als Ellas en St. George.

S . X

Zie 7 iHll2 (Ti^ \\\\

tj h ti rj ru \\ Uoll. kelder (kist of kelderflesch) van sterke dranken; kn. gespannen lijn, bv. om rijen plantsoen te maken {vrg. ïmnp BV.). — 7 » / 7 7iiu\\ met zulk een lijn bespannen, J.R.

nf)t,t) rj u i2\\VJ*.7iaam van een boom, een Moringa , waarvan de wortel de mierikswortel is. Gekookt tot toespijs worden de bladen 1 rj genoemd {vrg.

v \'.ryijy

of \'

■ty nmtj (ttJt?\\ kn. zva. band of schuif

v. e. Jav. broek, waarin de «jnojjw O.P.

V/J kn. .ut, f \\ stenen, kreunen, WW.

7gt;)y\\kn. omslag. — 7 tlt;tt2 7 n?(iJititn/i of t.n 7 gt;»? 7 n t u .uiQs omslagtig, met omslagtigheid, te omslagtig, zoodat er te veel tijd verloren gaat.

nn 7 ru 7 yi {\\ zie bij tj m ^ \\ I.

/Knru^ 7ni2(mji\\ zie bij nyi^w

fHvfriQ^iiHVji km. naam van een bloem \\ kw. zva. hn

iïtt ftuj r^\'tlt;tt kn. gekraai van een haan; kraaijen ;

grootspraak, snoeverij.

kn. verdord pisangblad.

titirj turn iijiji\\k.h. de weerkaatsing van liet licht op

blinkende voorwerpen.%— KtrjtL, n(ujj\\ blinken,

schitteren ; vrg. tot tu ijijj \\ lt;ut 7 (iwri (uijj\\ H./ gt; o

(ui/j on rut iuijj enz.

Wx\'^\'^r

tui iLi i\' w^sKN. I. vierkante stukjes buirelvleesch, zonder zout of specerijen aan het spit geroosterd, of om zoo geroosterd te worden. 2. naam van de wilde

h tt hj tnw tni tit it\' ti 11 \\ naam van een zeer ver-rj \'\'Uo

giftige stof, die bereid wordt uit den wortel van een heester Sarcolobus dichotomus R. Wx .Nat. fam. der Asclepiadeae, diêquot; aan het strand groeit, en tot vergiftigd aas 0. a. voor tijgers gebruikt wordt. Volgens anderen cut .i°inm un tu httfi kn. tm irht iftt tu Ktjjj op klagenden toon

O

zingen; im tu ntiijjs

titi ij 1L.2 htt/j\\ zie bij im 7 ru?Hnjj\\

) o » o O et • i

Krt 11 iMrtjis trrt ijdJ) 2 tot tli tm ij\\ zie Oij tm(rj ».;»2 w

nttrjiLiiutt^ zva. Kit t^ (Wt 2 tiin[j \\

itnt ru(hmji 1. kn. een houten rijst- en olie-maat;

{ook een pijlkoker. G.) — 2. a. zie t,y tn tciyj try tu tnijj\\H., tnt n.i un^K., koopen om weer t(^ ver-koopen of er handel mee te drijven, inkoopen. /.y itu 101 mus nieuws opdoen of oploopen , naar nieuws of tijdingen vernemen. — nn tU Ktyjs iri tuMitjj iets inkoopen om weer te verkoopen. — nT^ruiuit a?i ru van iemand inkoopen. — trn n.tint injj\\ het ingekochte ; inkoop.

M jj/.»//ƒ\\ T. kn. staatsiemuts of s^aatsiehoed, een naar boven wat nauwer toeloopende muts of hoed zonder rand, die door Javaansche grooteu en beambten gedragen wordt bij plegtigc gelegenheden en door een bruidegom op zijn bruiloft. 0 .\' / tp ihiiji\\ een /.tt 71^ kii/j bijna dooorschijnend , van hemelsblauwe tint, door Regenten en Pangëran\'s gedragen {vrg. tin nj m rt\\ en 7 ku2 tLyjj lt;•).—

met een koeloek op.

II. yir. { c h 0 e\' l), een ontbinding vaneen

20


-ocr page 386-

o

rrjiKti /u xn (hn/j\\

306

rj un ij ru Hiyis

huwelijk , die door de vrouw van den man gekocht wordt.— het huwelijk met een vrouw

op die wijze ontbinden.

tiirvi nnji^ kn. de oksel onder de armen (vrg. nói lUiitHnjj), okselstnk v. e. ZG. 1877, 3.

o/j nt}g in.\'i inn^ \\ kn. met suiker en kokosmelk gestoofde vruchten, bv. pisany, katéla, waloeh of bliyo.— rj ku 7ut mi^\\ iets met suiker en kokosmelk stoven. ij mi 2 )u ntyj\\ kn. naam van het wijfje van den nachtvogel lt;isr^(fjr^\\ waarvan (koeliek-koeliek !) dus beter geschreven ) \\ i un/f ? vrg. tl/ uujj) door de Javanen als een voorbode van de komst van diaven beschouwd wordt.

iff iHr)\\KN. drooge, harde schors van een boom {vrg.

im nvt iiiiyi en am i:n hï) wfl)-vji (hti \\ kn. ML? (iniui0\\ djarakolie; zie tts n ilt; yitr)i2y7 n2\\KN. los, niet stijf gespannen, zva. wy tjnrii 2\\ — r) iiv 2 ij nn 2 \\ los, niet stijf gespannen zijn.

Ov

Hv niHtisKW. zva. ifj) ïli^ un(Utqj)\\ rjiuncrnqs

ia) trui un n n., loi nvt \\ k., in de spreektaal zva. m ili (un {Skr. kdlika, tijdelijk ; gelegen , van pas; kdid), im ?u Htiun rui\\ zva. ijiji i, ti tvi w ihryiHi)q\\ of im vvi nai . zva. ihii rni\\\\ kn. riggel of riggels van hout of bamboe, tot vaster sluiting of tot afsluiting, bv. van een hok of van een weg. (un7U tiii ^n kn. schil of schaal v. e. vrucht, een noot,

zva. (trn tL/ nsriji\\ Rh.

ifuy un \\ kn. uitgestrekt, zoo lang als men is, ergens {zooals op den grond , niet op een bed of ledikant) liggen of slapen (wy. ?/ 7/^gt;12).— ,|rgt; un\\ zoo gaan liggen.

7fy ij ut)?n kn. ; rjorj un2\\ op den blooten grond meer liggen dan zitten . gedeeltelijk op de handen leunende; zóo in een achtelooze, onverschillige houding meer liggen dan zitten, Rh. (vr^. ij w tuii \\ en \'ri7fli2\'rjw2 ta/j).

ij tyji 2 ij ini 2 \\ kn. ij (fp 2 ij (hoi 2 rogchelen {vrg. rj an 2 n

ijquot;gt;quot;)2iHiyj). — rj2 ij ifi)2 gt;7 n mv. Tj.

\'foi ifli unjj \\ klanknab. v. h. geluid v. zacht lagchen, giechelen, Tj.; ook v. e. oprisping; mj i?nmyj\\ uj^ gt;ni nrijj \\ kn, klanknab. v. h. roeren v. d. buik; ben. v. d. hoka , een Bengaalsche pijp, in wier kolf water zit, dat hij elke haal een borrelend geluid geeft (Tj.) WW.

rj ini ijTat Kn/j\\KV. klanknab. v. h. gaan v. e. mes door

de strot, het geslagt worden v. e. beest.

o • 7 •• o

ij unmu^jtmns zie bij ijtun n.i Hn/js k 1» 7^ Knjj\\ kN. klanknab. om het gebogen worden v. iets uit te drukken; zoo bij het tandak ken

v,\\ ,vl (Ti ) Rh-

ky un mji . nn. %en bijna onzigtbare beweging vati iem.

die zich tot iets inspant, Rh. vrg. ni^un ^njj iuÏi

,) \'

un mjj \\

Kïjj ii^ / lt^ kw. een muziekinstrument in den ouden

tijd, WW. de Madoeresche ar^ ti^it^jj ?

ununiuijj of un tu un lUjjsKN. den mond toe doen, den mond houden, zwijgen, op eens zwijgen {vry. qr^nrn lutjj). irvtiviujjs hetz. ? en geeuwen, zva. (imvj (W2 (l/iji\\ — ivp iiïn hjii (htji\\ telkens geeuwen.

ihQitihi lt;vi/j\\ kn. — liy nn (uifj. iets bedekt houden, vcr-

\' 0 \\) ) )

zwijgen; vrg. uii ncn tuijj (u n un lirnjj en ^115^

uy un(LJijj\\ zva. ijtff un

ij ufi Htnutji of ur^ ij7L7 un iuijj\\kn. opengegaan, opengebarsten , va?i een huid of schors, of in het algemeen van een bekleedsel dat gesloten behoort te zijn {vrg. hy untvijj en ijunrj.un(uifj\\ — rj vn ih n iujj\\ opengaan , openbarsten van zaken als hoven ; volg. WW. iets openscheuren, openrukken; volg. Rh. in dezen zin : rj rn lun ivi JU w rj uriij i,n (ui/j en rj un 2 ij un2 (uijj\\ geschilferd, afgeschilferd {vrg. rj uy un (ui/j). — rj ivnij un (u^j en tj ij ;ci 2 rj un 2 (ujj \\ schilferen, iets afschilferen , afschillen, aftrekken.— rj iri rj un un Si en ij ;c/ ? ij a

rj un 2 (ui mv. rj (jj) ij (un un -irjiun \\ en tj ui2 rj un 2 (ui —1 rj uii \\ nets doen afschilferen, enz. —rj rj rj nn (Ui (uijj en rj 2 rj h n 2 (U) (uyj \\ ohj. den.; schilfer, afgeschilferde of afgetrokkene bast of schil.

rj 2 ij un t (ujj \\ zie bij rj un rj un ^uijj \\

ur^ up \\ ook wel uy rj ru \\ kn . 1. ezel \' Tamil k aio ede i. pk. Vrg. rj unw). 0((u^!u^ inj(uifj\\ muilezel (vr^. ti un luifj en dry crp 1:112. ij*J)2gt;0\\ de Paradijsappel, de verboden vrucht, daar Adam van gegeten heeft {van het Ar. choel d, het Paradijs).

iunru^iiojj^ kn. i. lui {vrg. un ij(Ki(ia/j). 2. veger 0/ bezem , gewoonlijk van klapperhast of kippeveêren; ook naam van een vuurspuwenden berg. Zulk een veger van witte veéren op een korten stok behoort tot de insignien van den Vorst. — (in ru^ (ui \\ iets met een këloed vegen of schoonvegen.


-ocr page 387-

Yj iUT! ïj (TU iL,njl \\

307

i^in^N.KW. iisniamp;^tHijf iwnjQs hininD^ïW^

ik ij onbevattelijk, traag vaa begrip, WW.

rjtmnjjiuyi^ zie bij

rntHDl Ijruinp KN. 11*112 tjitu ij (102 ïj lLI (Ut/l\\ zich

slingerend bewegen als een wurm of slang. imirLKUjiHn,\'! of iïti iruKiy (HTTjj^ KN. omslagtigheid door overtollige veelheid van woorden {van tw,in Hiyj).

— /k7mm ^ KH^Nteomslagtig. met te veel woorden. wnitvt.bnji^K.x. aangekleefd, ergens aan vast kleven

of als opgeplakt zitten (vrg. unrj runsnjj). mi ij ipz uu tj ii iihnjjs een zeer korte broek, waarvan de pijpen ver boven de knieën en ora de dijen spannen.

asnjj zoo mager, alsof het vel aan\'t gebeente geplakt was.

}aiirugt;biyj\\Kti. een touw, dat om iets vastgemaakt wordt, bv. om het aan of om te trekken, te spannen , enz.; bras- of sehoot-tonw, van een schip.

iiri ru(tm(un\\ een armband om den bovenarm. —

co 11

r.i luiuty aan den top van een boom een touw vast maken, om den boom omver te trekken ; de schoot van een zeil aantrekken; het zeil aanhalen en achter aan het vaartuig vast maken. — timru nw(mji\\ de schoot of schootlijn van een zeil; het touw, waarmee een zeil aangehaald en achter aan een vaartuig vastgemaakt wordt.

/lt;»//u KN. ongev. zva. nn iftu isnjjs vastkleven,

vastzitten bv. v. e. knoop in een touw (Tj.) Rh.

O O

urmi^daHjis zva. itmmj^do/js

uii tj n/)(bii^\\KN. kleverig (vry. untf ivi nsnjj en fuüti (isnn); ook hen. van een naauwsluitend fatsoen van buis. Vrg. ZG. 1876 , 380. isn un0 viller, de viller van een slag ter. — xn ij .rut iisii \\ een heest villen {vrg. wfovjajianyi).

tai luasiyjsKH. weerlicht {vrg. \\m iu asiyj). hit tv ^ npnsnjs weêrlieht en bliksem. — iji /liiistyj \\ weêr-lichteu. — i;y o schitteren als hot weerlicht.

KN. huid, vel; dop van een ei \\ schil van vruchten ; buitenste schors of bast vnn een boom {vrg. irjiun); ook tot leer bereide huiden. 0tun(Lvi u/js opperhuid, vu bij erh\\ vel en vleesch , voor bloedverwant, nabestaande {vrg. en oji

h y wt of i. y iLi gew.

?u of rri^tut vel en been, dood mager.

— ^ een schil o/ huid krijgen. —

dop, schil, schors, bast; nog in de schil of dop ; nog ongeslepen, van een diamant. tj mttj tu ihnji \\ zie rj i w rj ru» asnji \\

ij ih7) rj iu2 mjjj of vj httvj ip 2 (tgt;iijj\\ kn. taai, bv. v. vleeschi en derg. ; ook fig. met tegenzin iets doen ; vrg. rj Kn 2 ij(ip2 (unji \\

tj ihv 2rf tu (isnjj zie bij tur^ ij vu .L n/j\\

im /li (isn \\ kn. geheclit, verkleefd, aan iemand; zva. ni fm (briji vrg. hi^ n.im\\ {Skr. kalita, verbonden, vereenigd met. pk.), wrjaj} ij r) urinuusti \\ aan elkander gehechte vrienden ; boezemvriend.

o l y . ,.. o cy

nriasn\\ zie bij hy :^\\\\

iüïi \\ o/ Kii i j.ii?n\\ een stuk v. e. tjarang v. d. bamboe waarin het een of ander bv. olie bewaard wordty Rh. een stukje hamboe , daar de toomwol na de bewerking, die ij t i 2 /y heet, ov gerold wordt, om de vezels geheel gelijk te trekken en alzoo tot ijji (Mj { te maken: kaarde, kaardstokje. unitut(ij)ji\\ Ar. kn. dun bloed (Men.) WW. un ruiajtji^K.ii. niet vatbaar om met iets anders zich te vereenigen; niet hechten, niet aannemen, niet honden; ongevoelig of onvatbaar \\oov iets ybv. voor een aandoening ; ongevoelig voor de werking van een geneesmiddel of vergif; koel, onverschillig jegens bloedverwanten en vrienden; niet ligt aangetast worden (foor ziekte of vijanden, un tu hi 3hurn jy ^geen water aannemen, hu run-j) 3ït onbeschaamd, un

rttaji3tiibiw\\ ongevoelig voor staal, onkwetsbaar.

o . r»

hrn n zva, ij zie am ry, tjj\\

(trniM \\ of iïv /li(K/t \\ n., cm rvi -n thyj k. , een {van biezen bv. (O) ru ui of van gespouwen pantfanblareri) gevlochten mat om op te zitten of te liggen {vrg. tu .£? J? (irnjj en rjinn ij (kjioojj). hr^a^Ms zich als een mat voordoen, uiiisty mi ^ naam van een groote, zwarte, fijne, vrij gladde steensoort. uri tudj) \\ kn. de wortels v. d. mt(rot oji P WW.

w tj (tu (ut \\ kw. zva. (u dji om (lo/i \\ {Skr. k l é sj a, moeite, verdriet).

77 utt tu(ki \\ Kw. zva. ifjjj tj ||j 2 (hijj\\ {Skr. kéldsa, kristal). 0(LQiVt\\ naam v. h. paleis v. Batara Goeroe {Skr. Ka i Ids a , naam van een berg, den zetel van Goi

Koewéra , en geliefkoosd verblijf van God Siwa).

S * Ci S OS t )

rot tu flv/ï of u rt tu ui \\ kn. mi (tu t.,i rrt art fj Ij. zva. (rtt

S A O . ^

ju (ut y tan fi oj 101 ttu(M \'gt;) (hijj v

tj rrn 2 vj iiji 2 \\ zva. nsit rj tu 2 rj m 2 \\\\

i^rt iui (hrnjj of int ij (i5imi/j\\KN. gefluister {vrg.


20*

-ocr page 388-

308 \'Mjl oj)

in^/j en iirli(tSh}}ji). un 121 il ;.»^\\fluiBtcren,

zachtjes met een fluisterstem spreken.

00 o t . a o 1 . • 1

hyiJihn/js /ynijihnj of hn nm jdijj KN. liet zich

verroeren of omdrnnijen van iemand die ligt of

slaajit. mi i? 1 m 7 u 0$ niyj n woelen, zich telkens

verroeren of omwentelen, van een onrustig slapende.

OO - O T . . OO

U\'7\' \'\'quot;J 0J \'i:l7quot;7 7\'T (00^ \',V; v \'\'j\'y/

VV.I. 146) zich verroeren. — /.?;; ] /.ƒ» thnjj of /. y nj

a^iitoi (ni/l\\ liggen te woelen.

r» o .00

711 uji mitji\\ zze uy 1 1 h)ijj\\

C) ) ^ • 1 /

•uyn iwjj KN, r;?,?lU}^\\ zich even verroeren,

/?. slapende, Rh.

V\'i^V h\'}at!JI 0f \'\'\'Ij ^ ; rj cry rj (injj of

rvyi m ij wMijiy op den grond zittend of half liggend met de beenen en met het lijf allerlei bewegingen maken; (over den grond stuiven , van iemand die door een forse hen slag over den grond tuimelt 11); op den grond liggen te wentelen, te spartelen; getrouw ergens blijven zitten , hv. op zijn paséban. (ui iüii :lt;r^ ij hj overal op den grond ergens

half liggende zitten {vrg. r^ t^yzTja^tax^). —?ƒ «r? gt;1 r 1 rui \\ ergens zich op den grond wentelen ; op een verzoek aanhoudend blijven aandringen.— rj m (K4(ia op den grond liggen te wentelen. V \'IJ\'? 7 ^? (rajJN KN.; ij .i7i7 ij (Ki i utji\\ zva. rj in ij un ? van

V V ? (vr!7- 7 \'ü\' 7 MJjj).

zva iKn (Ut (Hi/js zie bij itiivf 1 nek 1 fj)ji KN. naam van een boom.

njj, \\ itm ui,) nj^ \\ of i ij 111 ïj^\\ zie bij un w tiyy tj tui \\ tlt;i^ ty rj ni\\ en a y rj /ui \\ zie bij (un rj ui w (hy^(ij)\\ of uiiri^ u) {po/c nn itj Men.) kn. confijt, geconfijte vruchten (Ar. . H alwd) ook

geheel met vuiligheid bedekt. G.). (ilt;n oijj in rj ah 2 mis geconfijte nangka.— r-; ui^ zWs confijten. j.1uj n^ uts geconfijt. /w m quot;^ lt;rn tuli {\\ van bloed doorweekt.

y nai ui\\ en i.y rj ry uis zie bij ij x 11 vt w tun nii ut \\ zie u (Ui w

in(ij^\\ zie bij 111 w ijowut % \\ kn. een klank om kloven o/* splijten aan te duiden. — ten ij ry 01 j\\ gapen, bv. v. e wond.

— rj riiu)% \\ splijten

7j MytijiJi?^ kn. een spuwpot van aarde; zie irn 11 a

rj fj) ^1 z Yjfim en un/iirjin t (hi/j\\

im nn ui ? \\ of unrifirj r» y\\ kn. naam van een boom.

o

^y*] (uzarij^\\

Artocarpus incisa L. waarvan de bladen op die van den soekoen, en waarvan de groote ronde vruchten met een stekelachtig en schil op de nangka gelijken. Van de onrijpe vruchten wordt sajuer gekookt.

/fty ij i ) 2 nnjj of i, 11 1 u rj /01 ?ii(i/j KN. titel van een ambtenaar , die op een Toemengg oeng volgt, en aan dezen toegevoegd is, om hem in alles, wat zijn dienst betreft, tot hulp to. wezen; ook naam van den vijfden pasardag. 0i?ii 01 s kliwou van de hii

(umuiiiuiw — ii ri L))i i?i\\ als kliwon belieeron. \'i nf , /

cy cy \\

wy onkn. — iyui\\ slepende houden, traineren, bv.

v. e. zaak; dralen, weifelen; vrg. ij ry rj ui w

s . s

uy ij (V) \\ zie ij iny rj ui \\\\

a y . ,ei CY ny iUi \\ zie bij n uuiw

rjhyiji)i\\ of 101 rj tun kn. zva. rjun ijij)\\ het los , slingerend of slepend neerhangen, van een touw, band, draad, strook, slip of lap; 7 ij\'Ui\\ ook Rolt. kluiver, kluiverzeil. — 7 \'j\'7llJ) \\ en ry ij n ij (ui\\ {periode v djagoenggroei; vier blaadjes ontloken en naar buiten hangend, S.G.) of ry 7 u)\\ en 1. y ity ij ui \\ ergens hi] neerhangen, bv. vaneen koordje, dat ergens bij hangt; slingeren of slepen, van iets dat lang en buigzaam is, hv. een strook papier, die op straat sleept; rj iy q ui v. ook den kluiver ophebben o/* bijzetten. — ijtry rj ui n jijj\\ kii ij .ui n nrijf of iry nnj ui-ntuijs in een slingerenden of slependen toestand; bij neerhangend; rondslingeren, bv. van kle ér en over den vloer of van kinderen zonder behoorlijk toezigt; iets dat ergens bij neerhangt of nasleept.

1,11 ru rj (Ui t) (mji, zie bij ij ity rj (Ui w iifl^ ui irn/j of hii rij^ ui nrijjn kn. naam van de bereide

vrucht v. d. (u^

ifii^ (U^ r iyj of ki^ njj (Uj inijj \\ enz. zva. enz.

/yy uiiinjj kn. de beweging, die iemand maakt om ergens heen te gaan of om iets te doen; ook wel ij 1011711 asujj. Rh.

firn(11,1 vnjj of unnj^(uiasiijj\\kn. een kuil in don grond, vooral zulk een, waarin de Javaan soms e enig en tijd in stille afzondering met vasten en bidden doorbrengt; grafkuil {Ar. , afzondering, een

plaats van stille afzondering Vrg. 1^ uinyj).— ri ii,iii,iijj\\ 11 nij ununji of r j ui 1 ujj^ in zulk een kuil gnan zitten ; (iets in den grond begraven. G.).


-ocr page 389-

u ii ij in 12 irj TLI anjjj \\

nmrvf tui ihnjjs

tviKwy» zie wtyasn/i\\

un n:j wft of m n rt j (Uj, (M/j en gt;lt; /j (Uj. i ijj /. /j ajj tM/j \\ KN. grauw, grijs, grauwachtig wit , vuil wit (m/. am oji^yj ilt;nnnujj\\ \'//j^\'lt;quot;Jj cn j^rijtnjirtj). — . j^^^grauw maken; oo/c grauw enz. zijn. Prëg.88.

iij\\ kn. wending naar een kant; afwending van het gezigt (vry. ijkihiji uiyi). —

zich snel oj) zijde wenden; het gezigt afwenden.

7quot;){\' 7 L}lKlH zie 7 7\'lJt \'1\'

ij i i2(K)/j^ kn. leeg, met leege handen , bv. thuiskomen , WW. Vrg. ij )f(ui2ii.i/j\\

i.n n j t» ili mi/) zie hij vin ./j! gt; w

o O o » o cquot;) ) o (O . i (-)

i,ii \\ k N. •, in finnivs zvn. nni n i i\\ zie in i i w n n n \'i gt;i

\' ,0 \' (.0 quot; G) (\'y) . (V)

gt;.»; ui RN. — rt( ui zva. (fr^ in hij tur^rn \\vrg. uw

?.»jÓN zie bij

ij ini 7,\'i n kn. een kort en breed slagzwaard ui iji \\ en iJiim bnjj). — r/ #V met een klewang slaan, vechten, enz.

gt;j jij/ ? tj iji2 o f vj gt;||gt; 2 ij \'i-» è ii i aa ƒ \\ kN. de ronde of bijna ronde opening gevormd bv. door een luds, een knoop, v. e. cirkel, v. e. hoepel en denj. Vrg. tj ii u zrjióiz \\\\

.li\'u ii i tx tjp Ar. ^yi^- gt; kn. veroorloofd , wat door de godsdienst veroorloofd wordt, hel tegenovergestelde van ilt;ii gt; it. iji \\ veroorlooving, vergunning, toestemming, — niiniinji/js iets geoorloofd of wettig maken , wettigen. — in (tx.) iri ij i.^ iets als geoorloofd beschouwen, wettig maken; permitteren, vergeven. i\'ij u^ii i^ Ar. . ccn vereischte bij den koop

en verkoop van sommige goederen , dat zij van dezelfde soort zijn.

u ii rj m / zie bij lih mq \\

\'jj\' h i\\ zie bij hiji/liw

\'i/quot; / v zü bij

t o

kh h iin ikii\\kn. naam van een welriekende plant,

die bloemen draagt.

i\'ii n n i ij ii i(ici/j\\ kn. loomheid , lusteloosheid , traagheid in houding of beweging, uit luiheid of door vermoeijenis of honger, i.n tj n in hui ij n i gt;j n laxi^ loom, ini , traag in beweging, volg. Rh. gebr. ij 7 quot; i ij n i(i(i/j\\ lui, traag , lusteloos vooral van een dalang , die wat laat begint te spelen. 7 quot;,{quot;7 quot;uauqsKU. een voorwerp, dat in de keel blijft steken bv. een graat y een beentje. — 7\'Jj\'* ff n 12,111s de eigenschap hebben van in de keel te blijven steken. — oy vn 2ri ni? iici (Hi/j\\ bij ongeluk iets in de keel krijgen , dat er blijft steken. 101*1 n irj ru(i^riij\\ kn. zie bij vj ru ij rui(ifn/j\\ hu ij ili n i (Vjfi rf tLivfiH.Kun/]^ de tong aanhoudend uitsteken en intrekken. J.ll. zie rjMii nruasri/i liV. en vrg. vjn ii n ti i,vgt;ri/j\\

h u n i n i (IjI/j of aii ruruarn/j\\TD. kn. niet weten, onbewust zijn {waarsch. van iHi n i iiyijj). yj 1.112 i n ihi

ili imrnjfs beter kh ihi nui oji -1 tfri/j ?) zva. tj nm

) r»

ilbli \'M/ 7. n (tu (U - I (HIJI^

kh n 1 iii iuin\\kn. wat iemand in zijn oog krijgt en hem hindert, zooals stof of zand; fig. ergernis, wat ergernis veroorzaakt; een doorn in het oog. — 11 ni iLi (ij) ï in de oogen komen en hinderen zooals stof y zand enz. Tj. — ».u ninijiivi ^ 1 (Uin^ als boven in de oogen gekregen hebben , Ij.

i.ni jij inij\\ zie bij (amp;j,(iïljj \\

-gt; . r)

kh itirn 11 11/j\\ zie i,ii n 1 m tuijis

.kh n jy\\ of kh i\'jtÈjsKH. klanfnab. v. h. stillet jrs

heimelijk zich verwijderen, WW.

/.h mui \\ kn. naam v. e. visch , (Tj.) WW.

O CK . O. Qv

kïi in 11 /v zie hij n 111 iw

kh n I ~ 1 zie bij » n n 1 ^; n\\ i,h n i .; ii.n ij KW. naam van een boom (Sir. /calpataroe, wonderboom. i\'K .). k h n 1 (i/i/j \\ zie bij .1 w 111 hji /j

kh m (i/iij\\ kn. 1. zie kh h ii h js 2. llikkering, schit-

. . \' ) O ) , )

tering {vrg. n nu j en k h\'tu hji/i) 1.11 n 1 u n 1 tur/js {ook Kijf riiKiJi/j Men.) flikkeren, schitteren, ai •in nu (u n i(ui/j {of h 1^111 (vijf) overal llikkereu {vrg.

IKH (LI ItJ) (IJlfj bij K H ut ,1 Ij).

) o . : ) rt ) n

khukui/js KW. zva. ij mi 2Kj\\\\ kh ru 1 iijij\\ kn.

glimmen ; flikkeren , nu eens helder, dan weer Hauw, branden, van een licht in zijn laatste flikkering {vrg. KHniaji/i\\ 2.). 01 (kh niaji/js een zilveren stuivertje {vrg. kh ip(vi/j). Kiiiu niiu.is glimmen, (likkeren. iKH Kij iQitij djiji wat llikkert, éoor wat leven

, ... ) O ) O )quot;gt;,)-)

lieelt. — ifjHin u n 1 iui/js zva. i.h n 1 n/i n 1

) ) O T

kh ij 1112 iï///y\\KN. kh if n id n irjuut (uiq glimmen enz.

bv. v. vuur; ook v. d. oogen v. iemand die staroogt. ikii u i (iji/js 1. KW. Mal. zva. hmn.iibnfls 3. k. va?i 1111} j / {misschien hei Kr. l ^ M . achter den rug, in iemands afwezigheid iets doen).— ilnnu 1 \\ kn. iemand onkundig of in onzekerheid laten. v.h inrn.i iu ~ i(hnj]\\ geen kennis dragen van een zaak, er niet van onderrigt zijn; volg. Rh. 00^ zich ver-


-ocr page 390-

mi rj ru} rj u) (hvji \\

310

gissen in wat men meende, zeide ö/dacht, ria/nz

\' i c O vO , (quot;)

t) (0/ nytirndiuntHTjj) Kl. vrtw tjd/nt n irri tim j

a/n iets wel weten , iemand wel bekend zijn

{vrg. tmi iu vi i ajiji).

inyn^d/i^ 1. Jr. onbesneden, de voorhuid hebbende,

zva. (un if am?anionj amjj\\ Jr. , oU\', k (ju e lp h,

ooll mv. van i_ft li\')- Vrg. uria:m w/j^). 2 kk. zva.

ijnpè )j(rv)\\ maar \'poëtisch en deftiger.

r . o

uti (ut \\ of un u i (ui \\ zie ((ur^ w i u/j \\

h n tj iu gt; \\ of nn irj ij nu p \\ en iky ^((u^p \\ of un (Lnvj

ook Mn (ui? en en (ini(^,(rj\\CLJ^2

kn. doornat, geheelenal nat, van iemands lieer en

{van ik ii ij tui s\\ Vrg. uii (en n yj).

. ()

itj h uri (uti zie h |gt; rj (Ui q w ■ O

ihll lij if (ui zie (hl! rf (ui f\\\\

mi n^rj (Ui2 zie bij (Ky rj (ui qw uniru(ui^\\ Jr. XiukLi-gt; plaatsbekleeder, stedehonder, K u i?i iui nm in ? \\ jJJ| ^Xijkii-. stedehouder Gods, een iii\'d van Mohammedaansche Vorsten, bepaaldelijk van den Sultan van Djokjokarta.

dm (Uj(ui i (ui^ \\ kn. nm. van een lekkernij van meelballetjes met stroop er in, en viel geraspte klapa bestrooid. (Tj.).

uii \'(\'ui n kn. naam van een groenachtig grauw vlindertje, dat zich bij de padi ophoudt en \'s avonds om de

lamp vliegt en steekt.

) O\'

uii ïui n k n. een vlugt vogels. (i^iouis vliegen, van een vogel, als men ziet op het fladderend geluid van de vlerken {vrg. (EjKüï^).

7( *3?n of zie iini ijoji?\\\\

lt;nii ijinjiiof Kiiry ijzie hij uyijaji^

\'3 ?N K N • \'7 V 1 7 ^7 (,^3 ? v a 11 vermoei d -heid laag, al lager en lager, met inoeite vliegen; ook fig. minder ijverig, moedeloos. — 7lt;}•\'7(^3?\\

zva. 7\'^\'7(«3?\'7\'^\'7l«3? Tj.

mi rj cui ryi(hJijjs naam van een visch. G.

hu i j (li ihii/j^ kn. het spartelen van een vogel, en derg. die met den dood worstelt; vrg. tlt;ti(im Hn/f\\ fig. ook van een persoon, met den dood worstelen, ook onverwaeht, plotseling sterven; ook zva. (i^i oji iilt;iyj\\ van iem. die benoauwd is door zware verkoudheid in het hoofd, Rh.

hiirn lt;ili oji U7i/i of nai ij rui rj nji kiijj kn. het spartelen, van groote visschen, op het droog e of in ondiep water {vrg. tj ru ij njiihii/j). — o ij tru cui (un/j\\ of (Clij irviij (ui finyj of rjrj (ui tunjj\\ spartelen. —hu rj u i (iji hii nnjj enz. te spartelen liggen.

(Hiivj ttij ij (in wnjls zie rnirj vi ioji injj-\'

rjostidij luimni/jsKii. — y cmiij (uniHVjj volg. \\i\\\\. 8\\m\'. telen van een viscli; op een ruwe wijze (levend)

visch poffen , Tj.

o • 7 •• o

dm (rui ^ »itfii n K1. zie bij a/n ru w

rjnfli (umai/j\\KN. een vlugge zwenk; een vlugge zwenk

nemen {vrg. vj uy ui n^i/j). — rj irri (ui asrijj en irni ij (fji

(uiasii/j\\ ving zwenken, met een vlugge zwenk zich

weg begeven.

oj 1,^1 dij (un (igt;rijj\\ tp. zva. ftri (injj Rh.

aai ru (ui lurijj\\ zie bij urn nu u ji % w

O (■) (D

uii (ui \'i-^jj\\ zva. cmnr.nirJjjj nm:i:ii\\ (tri(i;y kiijj vrg.

n

Htl (UI (IJl fj

(hu ny ijj (Ki/js zie bij kh ibn ij nai tujji {i(i/j\\ zie bij \'rj ili ajjj w

i ii^\'^l ^iJJI\' zie biJ \'\'quot;

(un 11 is or nn ivniz^ Port. caldo, bouillon, vlecsch-

(a I j lt; L)

nat.

(nn ij n i\'rjacig (injj^KN. in de war raken o/zich vergissen , in het tellen of rekenen, en in alles wat mcl berekening of overleg geschiedt, bv. hij het schaakspel {eig. zva. nm rj iru rj ^rj ? tinjj van ru ). (kiivj ij iriJi ijdJi ? ^ versprak mij. —wij m i

rj(iji?lt;uj\\ of ij (t^i ij (Ui 2 (nj iemand in de war brengen ; bedrieglijk. — 7 o rjazit olt;n ~jji ij iun \\ maken dat iemand zich vergist.

(rm rj iwidji \\ kn. tnn ij itvkioi /. u rj iruaoi \\ wandelen, knijeren, WW. gew. a^rjituidhs zie bij rj niiJiw un rj (tui (ibj. n Ml. zva. mn rj rutiJiw im gt;j n idbj.ihi\'iy

voor vijgen {vrg. xnnif).

(hu 1UI IJl (11 Zie ih ll (IJl an

rm rj m niK n kn. naam van een met goud en zijde dour-wevene stof, en van een figuur under de Chineschc speelkaarten-, ook Holl. kleedje, voor overhemd, anders iim ij iei tez w rm ri i iK(Hi (kalandjana), ook im tu its (hki\'i ilü n kn. naam van een welriekend (jras, dat alleen op huotje her gen groeit {van (hnru}\\ en (un im hi).

nn tj ik ? i* njj\\ spelfout voor rj 1,^1 ? tj ire ? unjj^

oquot; CO • ...

!lt; n I ui 1«: \\ zie bij -rui ajuj. nn

o )

mn kw. zva. im ru \\ en xk t n ^*\\\\

a..

Hti rnj^ 1L1.1 s kw. zva. iui 1:111 \\ (Ukiji ; \\n

hu irj^ajijj\\ hu(vij^\\ kw. nm. van een fabelachtigen


-ocr page 391-

/. // .ru v

visch. KN. tweede brouwsel van indigo. —

rrjjMjin op nieuw blaauw verwen.

itaKtudM^ zie iri i(uvj\\\\

n 0

h„iliijfj(ïn/j\\KVf. zua. untj rualt;iji\\ zie un au mi w/i\\ zie bij iwrjnn en m(hajj\\

(tm ihi lt;iaji wijf zie n i wjj\\

uiid/i^\\ (hh(riJj(iAJ^\\ of mivL/^aJvjjX en tj ifii2 i^iajizs ku

Sr S

gt;1 lUt if UI ? N OJ (Til If ni? If OA I2 \\ KN. J /lyijj \\ ,177 ^

(?ƒ k\'u cm(W^oaj^s enz. slingeren en waggelen als iemand, die dronken is {vrg. (rfnonvfaht). — hvri^aji^^thnjj^ enz. slingerend en waggelend,

loopen te slingeren en te waggelen, zwaaijen; ook

/ s /

zva. uih ijjjj/j wj l zie ;; gt;j (kj ^ \\

rf k ii i if rthi 2 \\ zie ih ij (inij, w

-gt; ) - o O o ) o

nnim Uicm/j oj uw n i ha/i inti/jy KN. ; i,n in i.iKm n i

in cmJi of hii n i in igt;tn ni i u mi/jy beweging nemon

door in een klein bestek wat heen en weer te gaan;

wat heen en weer wandelen.

ioitf ui ? tj (tui? cm/js KN. rigting waarin men zich hier

of daar been beweegt.

ihiiiiiiiiiirn/isKü.; rnlt;ni mi inij of niLvi irn^ en mi

n i u,i(irr^(hn/)\\ rondloopen ; lanterfanten ; ronddraai-

jen door bedwelming of duizeling; liggende het

lieliaam in bogten draaijen.

) ) Ci

ku ii HAJjjXm jjs KN. ini iiiOAijirti ninAjin/j^ zva. iiiaj

nvii ju w^r.i)if \\ bleek en zwak door ziekte.

i?iiiiu\\ if\'Hyijji/}\\ of ikiivf nidjii\\ (/./^ ?ƒ m /»i\'/n K. 1, 12). KN. een afvallend of afgevallen blad {vrg iw .i.vi\\ en ïfinitrfnAiè). i?i u i\\ of if (iy in \\ wentelend neêrvallen of neerkomen, of op de lucht wiegelend zweven , van een blad \\ een vlieger, als die gevierd wordt of het touw gebroken is, en van een op de lucht zich wiegenden vogel, fig. een zwervend leven leiden, geen vast onderkomen hebben.

hV KN.; i!ai lArini ïn\\ ligt in liet hoofd zijn , vati iemand, of van het hoofd van iemand, die een weinig bedwelmd is, hv. van sterken drank {vrg.

\'1 {quot;\'O-

V\'•/,\'* ff in2\\ KN. het slingerend loopen, zooals van een dronkene {vrg. gt;f hrtzrf 1112). if 1^12 if ui2 if 1^12 if iLti f \\ en if lai 2 if .Lu 2.171 sli ngerend loopen , loopen te slingeren j ook drentelend kuijeren. *f \'Ai 2 rf uTtn 2 \\ verb, van Eau de Cologne. quot;nniAAjjy 1. kn. schrijfpen, pen, riet of schacht om

lun rui (amp;i/Is 311

meé te schrijven {Ar. ^|jgt;): ook KI. voor (ui m i^ ui nnjlsS.Ar. woord, gezegde, nturusmet of un 111 if^id n^\\ , het woord van God.

in a n 1.11 n 1 f j niA gt; \\ bijnaam van den prop heet Mozes-i\\ n 111 (E/MvKN. lloll. k 1 am p. — vn ili * ijj\\ klampen ,

zamenklampen. — óa ili va \\ meervoud. Inaj^;^nkn. onder water; onder water staan, geraken, loopen «/gezonken zijn j zinken; verzonken, ook bv. onder over gespoeld zand: verdrinken {vrg. if nu oa (tA^ff en ia \'f i/f). hi rj f ijf \\ zich laten zinken, zich verdrinken; iets onder water zetten; iemand verdrinken. — if un\\ maken dat

iets zinkt of onderloopt, of dat iemand verdrinkt.

a

iiiiiiyf i/fs zie uij^ifAjfs

uinin f i/isKW. en w.i.n., hu ay fi/f^ k., zva. vy ^\\ en (tSi(irrjriif\\ {Vrg. ur^if tnw Ook in het Soendasch

is uiirn f ii een elegante uitdrukking doorslapen).

) \' gt; ) ) )

lAi if } 1 kn. ; hii rf .11 j /.|jif f i gt; en uii f i ƒ i.|; if a )\\

temerig, lijmerig {spreken).

if? if fa2 ^ KW. zva. hnv^ici/js en rf uii2 if ifA2xojw uii gt;11 (ïjj rïn n kn. ben. v. e. sajoer. WW.

ugt;) h 1 if I is! \\ kn. um. v. e. grassoort.

uii iuh Ar. ïuSÏ gt; een gezegde, volzin o/*spreuk. uii iu : I gt;\\ of hu \'m ? 1 s if iLi2\'if \'ri2\\i[e tweezinnen, waaruit de geloofsbelijdenis van de Mohammedanen bestaat: quot;Er is geen God dan Allah, en Mohammed quot;is de gezant van Allah.quot;

lAi rt (Hi/f kn. ; hii f j Wffuy (Ejj ui^ onduidelijk , schemerachtig, als door een nevel {vrg. ui^/n\'f j ui/j bij i n (Uj. u i/j en zie n 1 A f injf\\

un iii i rf (M (Hyjs zie bij iu(Vt(Kijf\\

hu 111 ,■ lui ui/)\\kk. zware, ingevreten roest; roestaartjes in staal {vrg. hakiii).

hu m if f i rf i ni\\ zie bij iuii ili III. en ifioi rjnw uii n 1! 1 ia n \\ kn. de strot, o/de adamsappel aan den

Cr*

strot. *

hn ; gt; \\ k N. een touw, dat ergens voor of over een tv eg of rivier gespannen wordt, om het verder gaan te beletten, ook het louw waarmee de valdeur wordt opengehouden , van een hok om tijgers in ie vangen. — «ij» ai m n iets met een /.///; bespannen, om het af te zetten of te beletten, dat men verder gaat; fig. iets bewimpelen , maken dat iemand er niet achter komt. uniza(ti\\ zie h\\aa\\\\

hn }\\kn. traagheid, leizigheid, treuzelachtigheid {vrg.


-ocr page 392-

n

Kt) iEj)

1 /eJI

SU

\' inl/l N

hn rj (ui luji en njj un tin ihnjj). (£) uii m \\ treuzelaar ,

, . O CY O CY Srv quot; .

leis. int (ea tni (n en r; i\\ traag , langzaam, m zijn

bewegingen of doen \\ langzaam zich voortbewegen,

hv. van een slak; langzaam voortgaan, een slakke-

gang gaan

traagheid.

ku iiiuijjs ini ilJiiaji volg. Rh. gebr. voor ini u iihnjjs

O

wiMcumjis

ini if:^ui/j\\KH. rr) u:^(u\\\\ afzuigen, afkluiven, zoo-nis een heen, de pit van een vrucht en derg. Vrg. ii\\ \'Ejasiiji\\ My iamp;jtui anji wat men afkluift, afzuigt, bv. hei vlies van een vrucht.

\'l wi quot;w/j RN. bemorst, bevuild, besmeerd.

ihï} fJi asnjj n zva. rn m «sn^ n

uïi (fji kn. de beweging der lippen onder het

eten. — de lippen zoo bewegen.

hit (kikn. in een hap, in eens op gegeten.

hn ij ru ttji ityiiq \\ kn . naam van een fijne, witte stof: mouselin.

ini fnin/j of y t / ojjji \\ K N. glad, glanzend, glimmend glad. — Q Sw y hoi \\ iets glanzend maken, glanzen , poetsen dat het glimt.

ff,» m^nkn. naam van een soort van pisang.

) lt; ~) i i uu ij kn.; f t tj nu f i over den grond

kruipen, van kruijtgewassen fig. in de laagte blijven, niet in de hoogte komen, oo^ zwerven, dolen. {vrtj. niiBi-Ji-r,).

/jy f,^j imji\\KX. nn^\\ ineengezakt; in

ééngezonken , ineenzinken, ineenzakken.

tj uy t i ^yni/j\\ KN.; ij of t i rjiruiitii-.!

i\'fi/js magtcloos neerliggen, volg. Rh. zva. 7 {|\'\'/

s\'

nj mi / .

k// fji 1 ^ kn. volg. Rh. tyni foiimin W. I. 60, schrijffout voor i van

Ardjoena traag en lusteloos.

iKrtiv^ iji -V kn. volg. Rh. het waaijen v. een flaauwe toind, een zucht, fig. nn^ ri j tm lt;1^.111 traag en lusteloos. WW.

iKnnLj.u Jjn ~ initfjiplat voor 7 vmi rjamw ?! \' 1 inijj kn. naam van een soort van djamboe, .1 ambo,sa klampok Miq. Nat. fam. der Myrtaceae? een wilde boom, waarvan de vruchten oneetbaar zijn, Rh. ». |j 77/ . it i.n 11 f.i,-n 7iaam van een welriekende djamboe, anders ik^ i v i n\\ Jambosa vulgaris. uu uy tj ifji en nn (ia^ hii tj

■) z\' ■gt; cv . , . . , ^cy

gang gaau. rniu nn i r traag en lei/.ig\'. — aji r-t /1

ij ifji ^12 fyi rj np layi namen van wilde hoornen t waarvan het hout alleen tot brandhout dient.

nn (hi - ? k m ^ \\ zie rnij lh

e O

i{ii : 1, Ij MOJI 0f \'\'quot; \'r1;li FJ1 N- gt; \'W*1 -1/ quot;f

niijj\\K., bijeen; bijeen hebben; bijeenzamelen {vrg. iimiEi^ru/j en cünvioni/j). *lt;}yi jij rj ti/11 \\ te zamen, met elkander in \'t geheel. — r» n^un/i inn^imijj^ zich verzamelen; zich te zamen bij elkander bevinden. — -f*ttl\',llh,n

r:i fi^,i nn 1,11 iinjj ^ bijeenzamelen, zamen bij elkander brengen, verzamelen, vergaderen, opzamelen; doen bijeenbrengen bijeenverzamelen. — 11^ .■ 1 ^ nil tinji of nn nty^ i ^ij ini(niji\\ en n^i ifj , / inj tm/j of ini gt;.|] f i -1 mitni/j\\ een verzameling; bij elkander verzameld; bijeenkomst, maatschappij; societeit. — ui h (Et nn mi/J. dji ini (Li ^1 ini verzamel-

plaats; verzameling van mensehen; gemeente. nn iuniE/l irnjj zie nii^ f 1 ^(tnij\\

mitJi~ij nnfj\\ zie nii^ \\

iry n Si uyi kn. naam van een wilden boom Acacia tomentosa Wild, maarvan de gom tot het maken van inkt gebruikt wordt,

nn^ ei Si mfj kn. 1:1 (^ieji Si anjj\\ geslonken v. d. huik]

fig. honger hebben, Rh. Vrg. nn tjiea •nn (i^tEi volg, Rh. de Mal. ik an djoe-

toengy een bruinvisch {de boer met zijn varkens?) im f 1 ^1 (i.ijl nti(Ei/j\\ zwetsen, pogchen. tnn fl\\ of nyiLiwiN., n-ioji nn (nin ■ k., kleed dal aan het bovenlijf gedragen wordt, baaitje, buis, wambuis, kamizool, jas, jurk, japon. 0/,^ \'rp een soort hug zwart baadje, door vrouwen v. d. Fësisir gedragen , in navolging van de Chin, vrouwen {in vorm niet ongelijk aan de blauwe kielen van onze ■paarde-koopers, maar langer). uïi i.y 1 ui S]^1.n iiji i.n n 1

mi Sri iji ~n « \') nn (ni(vm ? i\'i nn 111 tvii \'ej\\ hctbovcn-

s (1 quot;i amp;} ^ Oh

lijf gekleed met een tabbaard van zwart laken

1,11 ili\'ei hn 11 n uc \\ een overhemd.

ll ro \'

of \' h r\'\' 7 ^ \' jv en nygt;Jl quot;» V iemand een koelambi aantrekken, of van een koelambi voorzien. — ny ■7 E ) nyi of /. w nti ij 1:1 7 rn ■r)nj^ \'17

k. . \'7i ciyi a./^ njj (Hijj\\ ki., met een buis aan. »ni \\ of my he y Ml. kn. gordijn, venstergordijn en ledikant- of bedgordijn (vrg. nj rn gt;). — r; 7 ij E u jij \\ iets van een gordijn voorzien.


-ocr page 393-

:\'quot;lquot; \'quot;■:!!//N

313

zie

lt;-yquot;Vi zic

v) un if i kn. iiMii f i n im n i\\ zich mi cu-dan boven 1 \'i,co \'\'.co \' quot;.co

water vertoouen v. c. visch , Rh.; van daar zich uu en dan laton zien, van iemand, die weinig uitgaat y WW.

«nC\'óquot; \'ru\'f\'rw quot;f \'i!\'KN-slquot;riliflt;«\'t-

ten oj Iiangcn , zooals van kleéren {vrg. ij i.nnj

n i.n \'7ii! /lt;* lt;• kn. wijd, te wijd, hv. van een kleed, I n. I co

voor de \'persoon, die hei aanheeft; een ruim en lang kleed, tabbaard. {Vrg. ij nmvj fus en xmrf

\'ivrhïif)-

nu (ei! i i.n.r kn. naam van een plant, waarvan de wor-Cjco

lel een slecht soort veen rhaharher levert en ook de vracht tol medicijn gebruikt wordt {vrg.

i, n i j oj i. ii (mij I. ti i ^ f /1.nji\\ voor rhabarber,

iiii .\'quot;/nkn.; hii •{! hii fi ^ drukkend, benauwend heet, hitte bij betrokken lucht; benauwd van inwendige

hitte, als het zweet niet wil uitkomen. J.ll. {zie

... (?) 1 6X

O ij ij ui en vrij. iukamp;j -i)

Kii rv/ ij tjit rm\\ tiia ii iamp;ii (tii n R.I.

/iii n.hiiiimn kn. benaming van een wijze van spelen

op de gamelan,

i.iij iij gt; kn. op den grond liggen, van iets dat lang, en

dik is, zooals een boomstam ; het uitgestrekt liggen

zonder zicli te verroeren, van menschen.— n In

quot;/ l

zoo liggen.

-dr. l ^ 1V. het hart, zva. innlt;i?iiw nii i^drnjjs zie bij

un ii ; rrijj ook loei i, n n i ivi/j kn. golvende beweging, zooals van een wapperende vlag, zwemmende slang of bloedzuiger; golving oj trilling van de tong bij het uitspreken van sommige letters; fig. onrustige

beweging van het hart of gemoed. Zoo ook hnni

O ) , „

\'jfj icii nji en n.)irnn\'nyi\\— Kn.unii nji (of i.ii ) , U ^ (I

n n i ijji W. 11, 225) golvend zich bewegen; wapperen ; golven of trillen, vo.n de tong. — o /u \' UJ\\S golvend bewegen. »7 n i iji n^ i.j (injj\\ deelraden, die de schering van een weefsel uitmaken, opschudden {zooals bv. hi j het uitslaan v. e. looper, dat voorwerp in golvende beweging raakt) en in orde schikken, om ze aan het weefgetouw te spannen; scheren.— i rnn iniKin iets in ecu golvende of

(O \' 0

trillende beweging brengen; ook zva. (int) iiuu n dm \\ o f üfl nrn n uun n un \\\\ ZÓÓ iii m i n n kiiM I I co \'

(Vi (Kin \\

uo^ i?ir:ti/j\\ Ar. kn. hond , Men.

i.ij^nj i-.n/j kn. ; ^itij i ii/f \\ groente, bladgroente, kort afkoken en stoven {org. i,i m). — ui^ittj^x^i ui^ kort afgekookte en gestoofde bladgroente.

iuruv.ii kn. een ondiepte of zandbank in zee of in een rivier {vrg. lt;hj)rii (hn/j).

i{n r.n hiijj of mi iliiui i,ii/j en Limiihijjj\\K.N. het rusteloos heen en weer en op en neer gevlieg of gespartel, bv. van een kip, die gekeeld wordt, van een vogel die aangeschoten , of van een viscfy, die door hei bedwelmd is {vrg. iji^an^i, iijj). iu ky n.iicn •mi/js overal als gekken rond- en heen cn weer loepen en springen en in \'t rond slaan, uit gejaagdheid, angst of bekommering\', bv. bij het haastig zoeken naar iels. — ? spartelen of vliegen

als boven (Men.). — uii i n /.ij m/f of t.n iu nn rii ihfi/j zoo spartelen; zoo als een gek onrustig heen

en weer vliegen.

O (quot;gt;

ini r.n hiijjs zie iny i n i.ii/j*

^njl KN- zva- \'h,y 171 \'lt;ufls bv. van een vogel in een kooi. — r»d.tj.urijigaan spartelen met de vlerken; ook van een gemak , die men met een andere heeft laten vechten, maar die kamp geeft, de vlerken neerslaat en fladderend achteruit scharrelt.

rn i(ii iinj of i.i n^ r.i^i^j kizva. i,ty i ii lojihci/js bv. van een vogel in een kooi; ook fig. zich vruchteloos afmartelen ; en verlegen achteruitkruipen.

(ifrjj iLi in kii/j * zie itn i .n i.ii/j\\

iHy i:ii teiyi of ii h n i i n tbiiji 1. k. zie bij i n gt; ^^ 2. ki). zie bij i)n f i if iui\\\\ 3. kn. naam van een medicinale vrucht, WW. volg. Rh. zekere medicinale pitjes ?

ini ij r.n ihvjj kn. korte, eenigzins snelle beweging, zooals van de tong bij het eten of tyreken, van een vlag, die wappert, of van een doek , daar mee gewuifd wordt {vrg. ij im i n iunjj en ij i^ii if i n ihnjj). — iri ij i n i.ii/j en hi^ tji tjiiin ton/j zich zoo bewegen.

kj? u n ij o f u ii ry (171^ thiyi n k n. mal o f vorm om iets te spannen of te houwen; schoenmakers leest. jm/) .i/z^nkn. snelle voorbijzweving; ook zva. ilt;n (fji i.ijj {vrg. Hji ij in isnjj zie ook \' gt; \' ffj \'/\'.jj\'

t n i,n itn/j\\ hetz. zoo i.i0 Tj.— ij ifi i n i n/j en i.y ij ft iniihii/jsanGl voorbijzweven, zwevend voorbijgaan.


-ocr page 394-

\'V ^ *1 ^11 (ls^JlN

314

«11QS

V Hi\' V 17/7 //N Jj\'^ lt;1^ 071 irr^ rj r ^ .17»? rtSTJ^\\ ^rj^Tii asii/js enz.

uni tj v.m nsnfj en ff un irj tvrr) ? 137/kn . de scliut-bladen van do maïs, die (sows gekookt en ye streken voor prijajis om den smaak ie verhoog en) even als de nip ah- en jonge pisang - bladen, gebruikt worden om er tabak in te rollen tot zoogenaamde stroocigaren.

) ■) - \' )

ïnrr.najyi of nnnr^ir.nzie hij ihhin)aJi/j\\

(. ) r • 7 •• C ) O

if}i (i:r^wji of iHn(crv.^ojt^ zie bij mi irn

ilt;n(^irr^(ilt;ijj\\ zie bij rn/}^

nu n 1 rinm/js zva. .nu )j n mpi ui^ zie bij ij n i(i:n/j\\ irjiirn ^ KN. giftige duizendpoot {vrg. rJJJJ en quot; J. \'^)-ini rlni n^ins naam van een slechte kronkel in het haai van paarden.\' ri.rns strengelen, vlechten, zooals het haar van vrouwen en van de staart van een Chinees {vrg, un irj ifjij (whj ih/j).— hwim rn fhnjl\\ gestrengeld ; haarvlecht.

\'/l\'$s of (im njiitpssKX. liet onrustig rondloopen o/* rondzien om een uitweg of uitkomst te zoeken in verlegenheid, moeijelijkheid of gevaar. —tw op %

Cl O -) O y quot;gt; amp; \\ s

quot;if1 \'P ?N c\'n m Mi/j of i y m i£i s un of

uv 7u ip (Luno/j \\V. I. 282) zoo .onrustig rondzien; ook onrustig heen en weer loopen om iets te zoeken of bij werkzaamheden \\ (en weifelen , in onzekerheid verkeeren. G ).

O O (D -gt;

H t) H l np q \\ Zie K flfl S NN

urnip hvjjsKH. een klank als die van een lange bamboe , als die over steenen gesleept wordt; de harde pit van de mëlindjo , die gegeten wordt. — jji unjj\\ droog en hard, van den grond, ongeschikt voor beplanting.

ini up u t)ji of 001 i jnp innjj\\ kn. het geluid van gekraak van iets hards met de kiezen (vrg. K|i ip loi/j en hn i~l }inj}). — i^s hards tusscheu de kie

zen kraken, verbreken, vermalen £)ƒ vermorselen. — Ti\' W $/N meervoud.

7gt;|! np }oi fj \\ kn. een dof gekletter, zooals van een steentje dat in een kokos dop valt (vrg. tin np 101/} en gt;01 np jnyj); ook iemands geheim plan of stil voornemen. — rp ipMn \') en ioiifJn£)ioi/j\\ een dof kletterend geluid geven.

tiri ipioi/j of \'Hti i j np hoi/j kh. zacht gekletter of geklepper , zooals van elkander rakende wavens, ook zva. rikkekik (vrg. tin ip ioiji en mmnnp ioi/j). 101 np hoi nzi np noijj \\ zoo kletteren.

tiy i^ ioi/j of nsii (m\\ kn. een krakend geluid , doffer dan toï npaoi/j\\ zooals wanneer men een harde pit met gesloten mond kraakt; ook zva. ^ noii}\\\\ — \'h quot;P zvaquot; ■gt;{\' W N mc\'t doffer geluid. hoi np inifj of nn nu np ioi/j kn. benaming van een soort wajang-figuren van hout (vrg. nrri rj nji 2 ernjj). »ƒ ilt; n / njJim np 1, op de gewone wijze bereide koüie (vrg.

. O O

nj(noi^i ij umtHHjj). — uiounpihii/j vermageren, dood mager worden. (Tj.) Rh. — noi npwi no/j of 101 n?,i np Mil mi /j\\kramGVj$(si\\f Men. ijzerkraam, kraam, van ijzerwerk en andere snuisterijen, als spijkers, oude messen , hagel, kogels, knoopen , kammen , spiegeltjes, wajangfiguren voor kinderen . enz,; volg. Rh. un ni.nKin0 kreupelbosch.

7|lt;^n^jj nlt;iijj of ilt;n m juj hnji\\Kx, 1. zva. iin 101^ 2. zuiver, zonder iets er bij, zooals thee zonder suiker of melk. (iii fih iso nn naijjs een soort van pisang met veel kleine pitten, die veelal in het wild groeit, cm n.ji ooi (ri^ ifj mn^J!N een andere soort. nclt; }^ nlt;o n^h no)j) \\ een soort djamboe, Psidinm guajava L., Nat. fam. der Myrtaceao , met veel kleine pitten, die tegelijk met de djamboe gegeten worden.

tj tj np ioi/j\\ kn. 1. zva. uy fi£rioijj\\ 2. TP.zva. rj ip rji^iiioips holsblokken , houten muilen of sandalen met een strook leêr er aan, daar men de voeten onder vast steekt (vrg. ^ nji \\ nbu \'Y^ ea {\\ en cm f 1 ^muhnjj). 8. een touw, (tegen het doorbijten) door één of meer bamboekokers gehaald, om een hond of ander dier vast te houden of vast te leggen. — V , \'jnpnoi/i of ninrj ili fjnp noyj\\ 1. afschilferen, los raken, afvallen, zooals de korst t an een zweer of iets dat ergens aan- of opgeplakt is; en iets, dat ergens op zit afligten, afplukken of losmaken, bv. een met lak op een stuk gezet zegel. 2. een beest aan een door bamboekokers gehaald touw vasthouden of vastleggen. — rj i/ji rj np ooi no j\\ het afgeschilferde of afgeligte ; met holsblokken aan.

rj Ky 2 npncnjj\\ kn. een klank zooals door het slaan van twee stukken hout tegen elkander of van een stuk hout tegen een steen , of ook van het vallen van een bamboe op een harden grond.

.tf ini r rj ip 2nlt;n/j\\ kn. zva. — \'/ !|j\'2 V Y\'2

hnfjn zva. vj ri ij np hoi/j\\ maar van dikker voorwerpen ; bv. kalk af bikken ; de schaal van een krab los-


-ocr page 395-

maken. — »/trjapi wi anjj of itoi rjorhii^n^ti wi rHt/j\\ liet losgemaakte en afgenomene; afgeschilde of afgevallen bast van een boom ; bast of sehil van vruchten, die er met de hand afgetrokken kan wordeni ook schaal, bast, schild, van dieren als kreeften, garnalen.

(lïytipM/l of Kti an KW. gek nap, 6v. van kleine

vruchten of ongekookte rijstkorrels, als men die stuk bijt. wts bijten, dat het knapt;

knappen, bikken , snoepen.

O O O CK O riv s O

V,quot; ï/cd/l\' zva\' \'m\' QJ*Ax ^ lj f l\' —

zva. (jff $K 3,6C.

ncn ni(ipui (Hyj\\ zva. i ij vuapqa/n (hi/js zie bij i.na-ijw

nniriji\\ kn. ; hh iV Ki)., naam van een klasse van men* co

schen in het Soerakartasche, van onbekende afkomst {volgens een legende uit een vrouw en een hond ontstaan) y in dienst van den Vorst, vooral als houthakkers in de hosschen en tot timmerwerk. — Huirü uh rii\\ van weerskanten iemand begeleiden.— nn ru \\ iemand omringen, omgeven {een ander zie hij i/ti 1)1). — toi rriiui (han^ een kring; in een kring rondvliegen; een kring om de maan; een kring hebben {van de maan); ook n., uh i£i tr.icmfi\\ k., een kring, waar binnen een kampstrijd, wedstrijd of spel gehouden wordt: baan, strijdbaan, dobbelbaan {een ander zie bij cun n\'i). amp; t ij iühuy i,)i r\'uiüicmp spr. voor spelbreken.

.w«»2/nkn. een koperen pijpje, in plaats van een tjoe-pak, in een bamboerietje tot amüoenpijp; en zva. Kntwj%w ook een band of ring, van metaal, rottan enz., om kleine voorwerpen, die als kleine tonnetjes gemaakt zijn {vrg. ), znlke kleine voorwerpen met banden. 0iL/ml:iio^ een derg. ring door den neus van een lokhert gestoken, Rh. — ymi? ili miifui\\ de vrucht van den Aren-boom.

toirijis KN., nUn\',} an halsband, halsketen; ook

de haam van een trekpaard, bandelier. een halsband om hebben. (unnn(rt\'^\\ iets om den hals hebben o/* dragen. — ary ie,in\'^\\ zich als een halsband om den hals slingeren. — (wrv^ vns ah(Ki H7i\\ een obj. een un aip omdoen. — artavi i~nj nn\\ iets tot halsband 0/halsketen omdoen. lt;Kn rj (rui i \\ 1. zie bij rf vli z \\\\ 2. naam van een zeer groot soort van vleermuizen; Pteropus edulis; vliegende hond. — /£/gt; u it ij 11 iz 1.7» arijjs KN., oji ah (Ka tru

aft] ah \\ 816

an/j\\ kd. , naam van een Residentie op Java.

\'ilt;ria^\\KW. zva. cma^\\ kn. of een dwars-

streep op de handpalm, als de twee dwarsstrepen, die bij de meeste menschen van elkander wijken, zich vereenigen Een klaj: met zoó\'n hand is a 11 — liïii rvaxn an/js nm. van een batiksel, nl. zonder soga.

Lu Pu \\ kn. naam van de kust van Koromandel {Skr. K a ling g a, naam van een land op de kust van

) Qv

Koromandel) ; ook zva. am an am n.i\\ zie ninariw itlt; ■»] liJi i/ti \\ half zijden stol\' {omdat die het eerst van de kust van Koromandel op Java is aangebracht). ay tui 2 iUn itli \\ iemand van Keling. quot; »• n 7li \\ benaming van een soort van schrift, waarvan de uitvinding aan Adji-Saka toegeschreven wordt. — alt;\\i(Uilai/i\\ of aiiiikriolix KW. zva. (ziek,

ziekte. G.). 2. kn. zva. atn nrjauw — ün ati a-t afi/j of 1.11 un al\'i 11 anij\\ half-zijden stoffen vaïf. de kusl van Koromandel afkomstig, ani ilt; 11 iti a-.i arijj\\ ook benaming van een bijzonder fatsoen van haar-wrong.

iniriavi\\ of ani ün ij au kn. een bel, kleine schel of klok, waarmee de Boeda-priesters het teeken tot het gebed geven; ook een geluid tot teeken in tien strijd; en aniyrivjaln een gemeen woord voor uw,

uii rli \\ of ai alt;ïi a\'u ^ kn. het door eenmaal koken verdikt suikerrietaap of ander sap, daar suiker van gemaakt wordt {vrg. vu ai/^xrn(Hyi\\ a^ j enrjasn 71 twajiji).

alt;ïi(ct\\kn.; uliKjaniglimmend, van water ofsa-joer, als er olie of ongestold vet op drijft, ajli oji dnuó) 1^1 ah\\ glimmend zwart.

chïi ri^ kn. anialy veinzen niet te weten, ontkennen, Rh.

ini tjaln nKN. ooi rj aiit ini rj ilns glinsteren, fonkelen

, ) . o .

van de oogen, vrg. (Mijn 12 en pua^i

ww^nKN. het vleeschig gedeelte van dieren, bijzonder van buffels, achter de voorpoten ; ook het steel-

.... o o •

tje van een rijstmesje. ajii(igt;u\\ zva. a.j au^ un (óii w

o .

rjairiau zie ani tuw

ananitarj a\\a 2 gt; KN. 1. groote of zware metalen ring, schakel van een ketting; ook een strik, en een luds (lus of lis); als ook een band om een bos van lange voorwerpen, b/la?.!!(i. 1 rj ini2 ija\'i i? \\ een bos suikerriet. — rj /.//? ij tlu nanns met een strik.


-ocr page 396-

H tl (UI N

luds ot\' lis. 2. TP. ook zva. ij mid m (hi/js ij (hu (ri RN. hoog, breed, kaal van het voorhoofd.

Qv • / .■ Q-

IjlWH 2 Hl.1(1(71 (TL! \\ Zie OIJ (Uil lt;1 LI N\\

(j/u ijtHn(isnjj^ kn. mager, uitgeteerd, omjev. zva. i.u

tj ilLllLgt;ll/J\\

tjiiniininM/j\\ Fr. clinrjuaut, een soort (jouden of

zilveren ceintuur. (Tj.).

iinii.n kn. d.i^ i}^Jn\\ stand van het labakgewas: halfvolwassen der blaren, SG.

\'/\'){\' quot; n kn. voortdurend gejank een hond{vry.

(A * ... ....

n-) ij h u \\ en ij h iittinni t). — ij ij Ui ii \'ij ih n rj itlt; u \\

en rj•uy 71 mu l.i m/}\\ aaulioudend janken.

7\')(\'\'*\'11 ^ kn. gehuil van een hond {vry. y/.quot;j/gt;//.gt;/\\

en a n ).

|j\'y(ui\\ of unirL^(i j\\KN. tamarendepit.

dni /l /tun of hij innn.tsKW. in \'t rond, rondom,

(e/^(cm \\ kn. in de rondte draaijen, rondloopen

(timi ti]ito); rondom zich heen zien. (jW/. i oeli-

lingx Sd. ur^-n ilï\\ in \'t rond, rondom). — /./;

o. CK (O a y n V

11 u n. 1.1:1 iHijjK\\\\. zva. ,1 ij 1 1111 mi,J en (i/n(ixinuiuiryi

(Hi j\'\' kn. rondom zich heenzien, zooals van iemand

die verschrikt of ontsteld, wordt.

inn (ru (Ui anjj zie bij (i/n-ih en mi, tli \\\\

kii h 11:1 mijl zie bij n/n n i\\\\

,.. a .

ijiij 111111.1 min\\ zie bij ndi iii^

rj ih 11117 (i7i iin/)\\ zie bij if n/n \'Ïli w

(un iLijj Holt. k a j) van een rijtuig {vrg. ij icit ijciinf). ij miznjifjMi Mn? ij (uiè uji ^ 1 (uiij\\ zie bij tf ,n 111 ij /. n2 dji/j\\

dm uji\\ of lt;ilt; 11 aoi (ui \\KW. zva. (isij i^i iq Li iJi Aznfj\\ (iijj

o \'gt;/•()

l u i \'i i njj en i.niti ni/j — 11 iuiujj\\ of 1:1

a ■» •*gt; o ■gt;

11 (Uitlij KW. zva. 1 1111.ti\\ (izi rt 111 en 1 niniiw

cj quot;/ 11 co fo ro

— .ii 11 tu hu (ut \\ K w. zadel. G. n/ii nxi ui it.;/ r gt; as i, 11 u/i

lh ur naam en titel y door Daniswara aan di%g-

dja gegeven hij zijn aanstelling tot emban. 11.1,1 u

hu (Ui hu (ui \\ naam van een boek dat gezegd wordt

door dien Adipati geschreven te zijn.

hu,ui \\ I. KW. 1 zva. Hiirj (ifidni/j (Skr. kap i). 2. hu

o o o..

(Lis oj l li (Ui ~^i \\ zva. ij (vn ? 1.111 en ijuiii in gt;\\

{Skr. kajpiy schudden, beven, trillen. Vrg. mnuiSi

thn). ini(ui(cni\\ apenvorst {Skr. Kapin dra, een

naam van ilanoeman , van k ap i en i n dr a). 1, n tui

O ^ X

(Dl HS zva. 71 U Ij 1,1 7(11 (^,wiv ^1 tellfl) •

II. kw. eti kn een voorvoegsel vóór andere ivoor-

den , om een hoog en trap of graad uit te drukken:

sterk, erg, heel, wat te veel j bv. 1,11 ui Lii(if^\\

sterke drang tot iets; hu ui lii (£1 (ifi/j\\ heel nauwgezet; met een ernstig verlangen bezield; im iui ljs voor (ilt; 11 (ui (un a.j« erg stilzwijgend; hh iu (10^. \'Uj \\ n L1UU1 i\'uni (iiifj K. y wat te hoog; \'ris kn.,

kinderachtig (wat te veel kind); 1.11 (uiutiojia 1^

om een anders wil lijden, Rh. hu iu -ri tcj \\ zie bij

o O • 7 •• O

ti(i:p\\ it 11 (UKuncnn luijj^ zie bij (uiurin i i/j\\ Hii rj iu

lj h li fj \\ voor (un (ui ij (uii lij h 11 q \\ zie bij ijamiHj ihii , \\ 111. kn. de bloem van de kap as.

at 11 i j kw. zva. (U^ an (yii/j^ kn. de wolachtige vecren

van een pas uitgebroedeu vogel.

(iai i^ kn. rond, niet met hoeken of puntenj rond, van den kop van een kat of tijger, ook ivel van een. rond en bol aangezigt van een mensch; stomp met afronding, van een hoek.

hIi iui\\ en 1.Ï1 (uiaai oji kn. door beweging van liet lichaam, of met sterke gebaren, een af keuring, weigering of ontkenning uitdrukken. *

hh ia \\ of ini7ai i j - kn. op den grond liggen te woelen en met de vlerken te klappen, zoodat er een holte in gemaakt wordt, van een vogel of kip. (itryui kn. een vierkante llesch, kelderflssch (tSkr. koê-

piy llesch. pk ).

icij i/i \\kn. vlinder, kapel; ben. bij het kaïfêlé gewas:

ontloken zaadlobben, SG. 7711.1 iii 11 lh 11^ dnh-rj il (i

hele luiken of deuren, u 1 i\'i i.i^ 1 j (hu rj\\ vleugeldeur, porte-brisee. ij 111 ij hi ii u js zie bij ijiii

IJ (IJ) 71 l/j

O .... O O

Ij (HII (UI V Zie ü ij (l .11 (L1 — 1 N\\

rjddi2(uigt;kw. zva. ijibii2on\\\\ G.

tj(Hii2(1ji\\ 1. zva. Hijiuiw 2. Holt. kn. koffie {vrg. hiijtVi). it?i rj ,xfli2 tui \\ kollieboom. tj ui,ixi ij l 11 gt; (li aftreksel van gekookte kollieb\'iaden (vr^. \'\' y, liiijf). — ii ri2 :ui \\ een land met koüie beplanten, voor de kodieteelt gebruiken, JR.; f0/^. Rh. kollie-drinken. — tui ij urn ij tui ihi/j\\ koflieplantage , koffietuin.

ihm (ui kn. — .irtiUij kaauweude uitzuigen bv. suikerriet. Vrg. (M (Uiq en hi\'i j i i\\ 111! ^nkn. 1. zadelknop, de knop of punt vóór aan een Javaansch zadel. 2. de met een plooi vóór het lijf neerhangende slip van een dodot. 3. zie h 11 ij tu2{W im hqhu njj { geheel verkreukeld om het liji hangen, van iemands kleeren, door ze lang aan het lijf. gehad te hebben. Waj. Pr. R.


-ocr page 397-

n O (Kii (in /ui (injis

817

rm i tj (UI

i.n n (UI^ KN., half uat, zooals van iemands kleuren van onderen door hel waden door een rivier {org.

j.» ri (ui2 .gt;\\ of f.ii i j ^ n y \'t/i ? ^ kn. uaam van

een grooten in hel wild groeijenden , Steren-lia foetida Ij. mei bijna vierkante bladen, i ) hnija/jd^ olie van do vrucht, waarmee de kleine kinders van de boschbewoners gewreven worden bij gebrek van kokosolie, ij 1^2 rjan ^ zoowat als het blad van een këpóhboom, d. i. evenredig van lengteen breedte. \\cn dit na (ui in s y \\ t gt; i. n vj cm ? y spr. voor ruw en onbeschaafd van manieren als een boschbewoner.

ij un?iijj s \\ KN. vj hilt tui j rj Kiid minat van bloed van

een vrouw na de kraam of bij de menstruatie.

ïi hu f ij (ui i {* KN. natte veil, doek, lap of lapje, om de neervallende vonken bij een brand ie blnsschen, of om ie verkoelen en ie bellen of af te beiten; — Y \' 7\'7 ^/,^•» n me^ wa^er begieten tot verkoeling {vrg. ijuiu ij itiis ij tm \'f betten, af betten.— gt;1 uii ij \'mg vi \\ mv. ij /. n2 ïi iu2; in onjj\\ iets om mee te begieten tot verkoeling; veil, doek of lap om te betten of af te betten.

KHij m yfijj\\ zie bij (un ij d/i w li tisii un n (ui injj er een zweem van hebbm , er min of meer op lijken; liet schijnt wel; maar ook niet duidelijk te zien. t/i tisii hn rj mi (ui \\ hetz. ? K.. twyfelwekkend van i n

«3? Vrg. VV. I, 15, 59.

o O • )

/. u iu i ii (ii ïi tyijj \\ zie bij i n (rni hi/js

un ui inzjs zie bij (un (ui y\\

gt;1 hii ij iu t ,1(1 r. \\ KW. 1. zva. it ii rj n ij tui ? lii (hi/j\\ (ver-moeid, afgemat. G.). In \'i\'j. iuyjj i i.^f rj un ij (ui2 i(ijj\\ 2. ij un nMi(inj* lang op een plaats blijven; volhouden {vrg. ij hdrj (ui2\\ rj 1.1 ij tun). miijkitj

Ij (UI 2 KIJj gt; kw. ZVa. (f.l OJ! X/n Ij lKj.2 tAJj \\

fj kii2 tj M (Hijj\\ zie bij rj un 2 ij (ui o(yj^(ui ij kv2 ij oji (Ki/j\\ zie bij ij iin2 (uw

rj ui ij lij \\ zie bij /.n oji iui/j onder un iui (Ui/j\\ II. \'lt;11 ij UKhj unjj .n. zie bij ij uniKjini/js — hii tj l uijjiKn

iinjj\\K. zie bij un ijjunij\\

igt;ii ij un uj ini \'lo/j n zie hij 1 11 uj /. njjs \'■quot; Oji i j zie bij i, n (Ui \\ II.

kil (UI tj l lil 2 \'\\ KN. zva. kil ijl UI \\ WW.

\' (Jl

Kiirj 111:111 un/j of i.ii ij ui 1:111 uii/j\\ KN bekoord, belust, met groote lust of begeerte vervuld worden.

)

111 ri

o O . ... c.s

mi oji ijji isij)n k. zie bij (ui w

it 11 (ui j(ui\'ii/j zva. kh 1 n (k! iuiijj\\ zie bij a/n (jsyun/j ikii 11 N KN. naam. van ven boom gt; Pierardia race-mosa, BI. Nat. fam. der Enphorbiaceae, die best timmerhout levert en zuurzoete vruchten heeft.

ii 11 (ui 1^ ij \'ii*2 (m/js zie bij ilt;r^ \'it: w

ikii ui ini rui/j^ KN. vloo {vrg. un ^kii); ook spatjes, die van op den grond neerval1 end water in \'t rond spatten. — w ui 1 m iLijj\\ als ten vloo doen; wippend op en neer bewegen , van wagens in den strijdy CS. bij sprongen, bij tusachenpoozen; ophouden v. iem. die gaat; tusschen den maat invallen (Tj.) Rh.; aanhoudend, gedurig ; (uitgieten, uitstorten; golven die elkander opvolgen. G).

n ij tui 2 frrn ij lt;ri/i 12irQ luijj \\ KN. uit al zijl: magt, zoo hard als men kan, aan \'t loopen of rijden gaan of gebracht worden.

CY . . . cy

kh (ui\\Kii. een insect iets kleiner dan im ui ? WW.

KV ui \\ yitJ\', KN. etn ongeloovige {van ieder die

geen Mohammedaan is); ongeloovig zijn; ongeloof.

un up 1. KN. uijer, vooral van koeijen, buffels en

s-, en zwezerik. 2. Ml. kalk. rnn 1 j t gt;1 ij rui 2 iki\\ krijt, un u^urmj^ij kamfer, un i^n j ii?i

anfj vetstuk in de hoeven eu elders aan een beest.

o y

Kii iiji\\ 1. (Tj.) dial. v. if u 11 ui\\ Holl. k e p e r. 2.

nm. v. e. visch, WW. \'3. ui uis met de rug van de vlakke hand een slag geven, Rh.

Krj u^ \\ zva. Kn(uf\\ {Ar. . koephoer, het

ongeloovig zijn , ongeloovigheid).

ij un rj (ui2\\ kn. moeite hebben , met moeite te worstelen hebben , met iets te doen of in een zaak ; scharrelen ; met moeite voortkunnen, van oude menschen {vrg. Kn ib^nj)). ijuiijuns plakken, lang op een plaats blijven; zie Tj un rj ui 2 w rjdiiiiiui \\ zva. imuf \\ Ar. ^\\,sS gt; kopphdr, call,

mv. van rj 1,11 i ui gt; Holl. koffer.

k 111.^ m \\ zie bij ajii tm w

k»»(L^mkn. zva. rui , ili.i^sk., algemeen,

gewoon, in algemeen gebruik, ijum n un (u^ss niet algemeen , ongemeen , buitengewoon.

unrj uyj\\ en un ij(fji gt; n kn. onzindelijk np zijn lijf en kleuren , van iemand, die zijn kleuren bemorst , vuile kleuren aanheeft en zich niet behoorlijk verschoont; morsen {vrg. ij 1 n 2 ijnuy ; ^ en ini 4).


-ocr page 398-

irj(Hn2{aj^igt;niji\\

818

foi uit joligheid allerlei bewegingen maken,

vooral door gehuppel {vry. om j \\ en cm (^^ )• tYj nu?, /ƒ p n kn. slordig, niet neten proper , vooral

van kleeding en woningen , het tegenovergestelde

o o , O \\

vöiw rick) (mji (yrg. am^[Oj^z^ \\ o^»

iun rf^ajif^(l^(hi/f\\ Md zie hij ihtjoow

dm (w*) injj\\ zie bij lt;uirr)\\ IV.

(HTi iijtni vrm \\ of ktïo •tï.otïn KN. Spaansehe ruiters. — (cniji \'n.ipii\\ aan Spaansehe ruiters gelijk, pöw groote tanden en zwarte knevels \\ ook met samengevouwen handen voorovergebogen staan, mï eerlied. — cm ijj^iirn lt;ai\\ iets van Spaansehe ruiters

unti/j Yj^m^\\KN. bleekrood; ook naamvan een bloem.

(v • vquot; cs

nw (ui n zte bij (ld w

int (^(HTj/jsKX. klankndb. v. h. gehad zooals door de klep- of klaphoutjes, die aan de buitenzijde van de wajang kist hangen, en waarop de dalaug met den voet of met de bst w rht slaat, om tee-kens te geven aan de gamülanspelers, of ook wel om het gedruisch van een gevecht voor te stellen; ook klaphoutjes in een boom, daar men met een touw aan trekt, om vogels te verjagen {yrg. iw en rjiKïitiaj^\'Knji).

kn. het geluid van aan stukken vallend of geslagen aardewerk of een aan stukken geslagen kokosnoot; ook iets dat gebezigd wordt om iets te bersten te slaan {vrg. üri rj nj^z unj). —

zulk een geluid geven, tut Aih un jlj iwjj\\ niv. (Ln{jL^(H7iji\\ te bersten slaan of gooijeu. — mv. —w^ yQrj hv\\ met

iets, zooals een steen, iets te bersten slaan ofgooljen. hïhmnji\\ kn. klanknab. ongeveer zva. un oj^ nnjj maar van dunner houtjes of derg; Qok gering, gemeen, sleeht. — rj{M^urijj magteloos, zonder uitwerking ongeveer zva. /J) cr» \\

fwij zva. kn rf (if z unji klets , geklets ,

een klanknabootsend woord voor een kletsend door kloppen veroorzaakt geluid, zooals van op een waschbank geklopt waschgoed •, ook het geluid van een harde veest; ook zva. pleonastisch , en wj. met de handen kletsen, in de handen klappen {yrg. ook iiti\'^Ljj HHJ])- ilt;n rj if lOMij imzs zieh op de iiiK ^ [W) * H}2J\\s nuC\'™ vaneen

billen kletsen, i^nr -

soort van djeroek. — r-]zva. rn tj ?

O o O rgt;

y [tuy ■Ht) \\ wj. zva. m a/iz Ktrb

\'fj nfn 2 [(L/^(HVji \\ kn. klaphoutjes om vogels te verjagen

O

{vrg. liïn{OJ^iïwji). — ^anizie bij

TJ UH 2 [OJ^(HÏIJI \\

kii ij iij^nsnjjsKN. ij kyiz i^nj^aïn ii^u^ihni/js bewegelijk v.

e. vrouw, die veel ting ka\' s heeft\', vrg. rj hxji tui \\ Rh.

iftiinj^mnjjsKH. uii uri (u^(isryj\\ water of iets anders dat

vochtig is van de hand afslaan, zoodat het spat; o

vrg. (k» {AA mitji\\

rjkn 2 rj hsti/j gt; kn. uitspatten , gudsen vooral v. bloed (B.) Rh.

wKuini(i^nkn. een scheldwoord: deugniet! y/\'god-

looze vent! {Ar. üJiS, kap har at, coll. mv. v.

aX. ^

gt; ZM tw tui ).

wrxiyji^xKN. klanknab. v. h. geluid v. h. uiteenspatten v. e. voorwerp dat geschoten of geworpen wordt op iets hards. — wniEJi (uojijis kti rf [Oj^ojiji of r^flv^NKN. bevuild, bemorst, van de knevels of haard of den mond, tengevolge van eten of drinken. — (itivf [iu^ojjji hetz. tim;(u^(mjigt; kn. klanknab. v. h. geluid dat door snijden voortgehragt wordt, hv. zooals hij ons deze is op het gras, zva. (uir.rn kjijj\\ iii iu^fi-Ji^^ afsnijden v. struiken.

tim rj ^^m^nkn. klanknab. v. h. dof geluid veroorzaakt door een houw hv. op een pisangstam. — im (M ij inj^d (MJi^ zulk een geluid geven, ïj.

laji [ (u^ (hJiji zzz N ^ ^ •

rj nn rj, luy.o/j \\ zva. un tj (u^nJiJi doch in minder mate, Men.

ijinmrj(Kyjskn. met ruige, dikke, zware, de bovenlip geheel bedekkende knevels; va7i baard en knevels, ongekamd , ongeknipt, \'liet opgemaakt; tww V aangezigt, ruig, vol met haren begroeid; van de neus , van binnen met lange haren begroeid. Y un i [iL^ ru^s Roll, korporaal.

o y O o • / ••

lHn[Mgt;rj(ijvi\\ of jw (u^rj lui\\N. zie bij wndciw

itni (Ui ■~n s mr un (ui m cmj^ bij ajirri\\ IV.

nn rj (ui %\\ zie bij (uh^ïw

(H7}(untin\\ zie bij quot;nvyw

foniMrivn?(injj\\ zie bij i^w

tm (ui vtijj\\KW. verstikt; (kn. aan één oor doof zijn. G.). imdj uiijy kn. naam van een soort van slechte boom-wol, de wol van de vrucht van den Rantfoebomn. lyh tuiiifli ^(un/js naam van een riviervisch. — f


-ocr page 399-

rgt;

dm (UJ asnji \\

un rj (ijl?

Ij un/J als boomwol zoo wit.

unvj kn. afgeschrikt van iets, door het onaan-

(jename of het kwade gevolg, dat men er van ondervonden heeft; er eeu afschrik van hebben of krijgen, of afgeschrikt worden, om iets wéér te doen; het afgeleerd hebben, zoodat men er berouw van heeft en het niet weer wil doen. — un ijcu? u,i up \\ spr. rijmende op fot ^ 11 rj nu (tn £ j n?n \\ een geveinsd, niet opregt beronw toonen, Rh. — ei;i tj(ui2 Hürj kti\\ maken, dat iemand een afschrik van iets krijgt, iemand iets atleeren, door hem de kwade gevolgen er van te doen ondervinden of te kastijden.

Kii iu Kii/jsKH. naam van een plat, ruitvormig, vliegend insect, dat een onaangenamen stank van zich geeft.

M/7ƒluihiijj kn. een langwerpig valies van dik leer, of een mand van bamboe met een deksel.

hii ij (mt\'HWjjn kn. naam van een soort van pisang.

O O . O O Ü

iUi(ijr^MiJis (ur^rri\\ (mi (un ftJj,

O . O o

lt;rjwrj\'iu\\ en vn ij hg d \\ namen van verschillende soorten.

MIIamp;WlpYSN. wolk. G.

ur^M hnjjs KW. donder.--acr^ t^nji mjjjs zva.

donderen, bulderen, bv. van het geschut. {Het wordt ook verklaard door tjmi Mn \\ R.).

Tj (Kn ij (ui wijl n kn. hen. v. e. toestand v. h. kadMé gewas: de zaadhulsels zijn zigtbaar, SG.

gt;1 iw?*](uiihoiji\\KX. als een zak neerhangen, vafi de horsten van een vrouw, /o/\'r)0 désaland, waar geen sawali\'s zijn. rj mi rj r-h20\\nm. v. e. soort ij nsn ij ri iw mu ij (L/ii nn/j\\Kii. een stinkende \\ut het oor vloeijen-de stof door ziekte, vj21^ (ui2 hjiinji\\ die kwaal hebben, rj hv 2^(ui2 w (w/j v naam ■ van een sterk riekend parfuum.

O a ) q

\'lt; // (Li tj hij \\ n. zva. nn rj (Ui 7f (hj,\\ of uirjin^w

bil (uiytiw/l* zie bij (u i^ijfs

V hquot;?\'/ \'I/IJ aj1 ^ \'H2JIs z*e ^ 7 u*u 7\'KW^

a • , o

,n,i}Ji zie hij tun tu\\\\

Kniuithfi/js zie bij iui nsiijj\\

O o

\'loi iui(v,nji\\ kn. een waaijer van gevlochten bamboe, um zich te verkoelen ; ook wei van wn Chinesche of Europesche waaijer, anders 1^1 uinijj genoemd {vrg.

O OS q ) O ( ) quot;)

vu ili\\ (hu iui i-yi en nn u^DiiLmuiiLii^

duiten, waarop het wapen gestempeld is in een schild,

O C^)

dat de vorm heeft van zulk een waaijer. mi ajitrj/i^ij ani ■ eign. van een vrouwelijke Boeta. — (üi ti?ir\\ met een këpët waaijen, verkoelen.

OiL/i^NKN. met kracht van zich afslingeren, een snelle beweging met een hand of voet maken, om iets, dat er aan zit, af te alaan; fy. zich van een zaak afmaken; iets van zich afgooijen , het ontkennen. — vei (ui asn/j^ iets wegstoot-en. — i?i iui asn (rj kii \\ van zich afslingeren; uit de weg stooten.

/. (ui ibn/i^ kn. rijst gekookt in een klein vierkant zakje van kokos-, bamboe-,suikerriet-of pandan-bladen. Bij het rampokken van tijgers wordt te Soerakarta het hoofd van dat gedeelte van den kring , daar een tijger doorgebroken is, tot schande met een zeker aantal koepats rijst beboet, (hjiajiri y0 nm v. e. batiksel, CP. — vjiui (uii/js koepat maken; rijst tot koepat maken.

gt;1 hiirj iuiasiyiMLN. Je staart- en buik-vinnen van een visch {vrg. w riMifJi en m (uii run). — rj u 11 n (ut rj (i^n rj (ui (15ïj(7n de ooreu bewegen, schudden met de ooren, zoo als de honden doen; ook zva. rjdnitaji iibii ijl (hiy)\\ kwispelend zich heen en weer bewegen, van de staart van een beest en een waaijer, daar men meé waait {vrg. rj foi 2 i:n a^ii ivr) tsiyj).

ijdffi 2 ij iui (üiijj\'gt; kn. na een ontlasting zich niet of nog niet gewasschen hebben {vrg. iiajurjajid mi/1).

ürinjifons zie bij n/nib?i\\ II,

o o

mi (Ui (isii n kw. zva. mi foi ^ji asii .\\

O . O /.O

ifn (ui asn \\ kw. zva. 1/11 nni (hnjj of rm aji 11,11 \\\\

o 1 .. a

m^ am ? xm zte bij u^ Ijii % \\

hu tji iinji\\ Holt. k a p t e i n {vrg. hu (ui asn an/j).

i. n (ui (bii m/j\\ Port, c a p i t a 11 o, kapitein {vrg. mi iui Mi/j). nn iui (bii^fj\\ of un m (bii (Hi Zw(£/1 s G a p i t a n 0 m ö r (m aj 0 r), titel van den vlootvoogd bij de Portugezen; oude benaming van den Opperlandvoogd van Ned. Indiê. i

\'rj h 112 iui ibii (ui (bii\\ zie bij ij h 11 ij (ui (bii/j \\

ct .... O O

hyi (ui (fin w/)^ zw bij mn oji (bi^\\ en zva. hh (ui ii.ri h li (Ui gt;1 (bn \\ zie bij vf ahi w

. ) • / •• CD t r

hu (uit) ibii2(hijj\\ zie bij (unibn\\ 11.

:) -gt; j. •• quot;gt;

n ii (iji \'bil (lui (h1ji \\ Zie bij (ui (bn 4 w

Q (y) (y) - ■) ■ G) CO v

/. 11 (Ui (bn m xn (H i/j zie (bii arn w

hu lt;tj (Ui 2 (bn 11 anij\\ zie hij iutj (Uii w

hu (ui Hiji kh. , (iFjnp^d^n jnjj\\k., fijne boomwol, katoen

van den katoenheester, (wry. hn ij hiij^ en cui\\cin-i).


-ocr page 400-

/gt;1 t}ni ij (ut ruji \\

820

KT? (Ut (KJin\\

trn aji(rj rjirLtd ihi\\ Gossypium religiosnm, L. uttnjt ij) iut\\ G. indicum L. kn ut ^ m \\ (tot (ut ^ur^ nnjj

en iw tuirj(hpni\\ soorten van katoenheesters.

\' ~) \'quot; \' O

ntt (üt kn. tnt iji^t(ut(tjtjj\\ sponsachtig, B. vrg.

)

dilt (UI(tJtJI\\

iin tui 11 fj kn. een vischmaudje, halfrond, aan de ééne kant plat, en met een klapdeksely door de vïsschers met een band om het lijf of om den hals gedragen, om er de gevangenk visch in te doen. mi (rin uitji0

11 (A.1

zva. i t mi hstijj rjCirm rj iK ? AS.

c ) J l_ O • O

hn ut njt/j \\ - /. n (fji -jjj(tJtjj \\ zie lutt ut ^ kiq \\

of ij mtt rjlUtd tJtji rm rj(tm2 tjiutz

tot .ut i.yj Ml. kn. een Chinesche of Enropesche waai-

jer, om zich te verkoelen, anders fntMiisrtjj {vrg.

a \\

ilStt (LlOJtJl).

fj ihv rj ut (tJtjiv kn. plat, niet gevuld, bv.v, e. zakyMYi.

O • 7 •• gt;

tnt (utn i Jdt aaji^ zie bij a/tt (ut ajtjj\\

.3v . o o.

utt tj iut (t-i \\ zie tun (Kit w tm tut \\ zie (Hit tujji w rj (H tt aji aujj \\ zie rj h it i^jj mi fj \\

tuit (ut (tut \\ zie kh (Ut/iw

O aJI

rj mi 2 gt;/\'}{!* kn. ij tnt?. rj iJi i if tnurjafds dik en pappig van het aangezigt. WW. Volg. Rh. onnoozel , dom.

run (utiuj 1. kn. knoest, uitwas aan een hoorn {vrg. (ut nn gt;); eelt, vereelt, likdoorn {vrg. u ^ u tt/j). 2. ML vaartuig, schip, (u^aniiat tui iujjs^. , rrtn/it hn tot (ui iuji^k. , een zeeschip. 3. k. va7i ik t) hij\\ irn (ut \\ kn. wat in de gebalde hand of vuist gevat kan worden {vrg. nrt rrt (Utfj en iï,n iirt uifj); ook naam van een boom en de zoete vrucht daarvan Cynometra ramiilora L Nat. fam. der Papiliona-ceae. ciJt m ut hit iui rijtji \\ een grootere of kleinere hal in de hand of vuist zamengedrukte rijst. — iiiijiiuijj\\ iets in de vuist kneden, zamendrukken; in de geslotene hand of vuist houden; fig. in zijn magt, onder zijn beheer, hebben j beheeren, ook zva. (amp;! ïts /y tij v W. I. 30. — int ut /;y ut/j\\ wat tot een bal met de hand zamengedrukt wordt. — u hit ui iLt/js geschenk, dat eenige dagen vóór de voltrekking van een huwelijk dg or de ouders aan hun hoofden gezonden wordt, bestaande in ongekookte rijst, kokosnoten en kippen. Gegoeden, of die den rang van mantri hebben, geven daarbij buffels.

rjKii rj tut nyi in Ktt tut rj i^i V (ut i u/j \\ zie bij i*. Tt (k^ kn ui iLi n KW. zva. /311 { of ürt tui iut \\ kn. hoofdman,

opperhoofd, overste {Skr. kap dia, de schedel:

O o o . O -i

vrg. tru^\'rt^s en a tannin %).— nn tut tut \\ zich auu

het hoofd stellen, de baas spelen {vrg. in i.r^ iuj).

— in (ut ru (tn \\ als opperhoofd het opzigt hebben, als overste het bewind voeren.

tot ut ru n KW. zva. i,jj (ön j n (Skr. k a pil a , taankleu-rig, rossig), kn. met een kol aan de kop en soms tevens met witte pooten van een buffel, Rh.

rjitiït ij of ij Hrnrf (U2 { KN. hangend, van de

ooren van een beest {vrg. ijwivjMriis).

uit (\\{ttlt;itjj kn. plat oud, bejaard, WW.

uit rj tin2 Kitjj\\\\ i,it ij i^t2 ioi yyj^ zie bij \'hnrj mtKttjfs ^ (U(Hrijj\\KX. I. hars van boomen, sandrak. 2. klank-nab. van een geluid minder dof dan ïïn ij iui2(Hvjj\\

— t.i^liJt tut uitjjs dat geluid maken, AS.

int (t^ii ttjj^., 1. uitjj^ vadsig, luilak, langeslaper {vrg. hitinyj\\ hit ftu^axt/j en int rj Ktanjj). 2. ongev. zva. ioirj (ijiz tiiiji maar doffer. — iQ^uii/j\\ een geluid geven, Tj. — mn tut J^ttfj voor utai i^ kiijj^ happen, van (ut m inijj Men.

iiiit ij (i-/t \'Kiijj\\ kn. de klank zooals van een zachten slag, met de vlakke hand; een kleer-of beddeklopper van dooreengevlochten riet JR., volg. Rh. niij 7 liV mJIN ivr!/\' \'{*\' 7 * *nUIN) Z0U(^er sporen van hanen, van vechthanen ^ , een spel met duiten, dat door de gemeene Javanen gespeeld wordt, kruis of munt. De duiten worden aan de eene kant met witte kalk of anders gemerkt en dan omhoog gegooid, terwijl gewed wordt, op welke kant zij zullen vallen, volg. Rh. oo/r dobbelen, hazardspelen, in het algemeen. — in ij ut hij ij iiiii^ met iets op iets slaan, dat het kletst. — uttrjti^ hr^nrt^ köplèk-partij. — (uifhtrjiuiyt^an/js kë-plèkbaan.

kit ij 2 nttjj\\ kn. klanknabootsend woord van het geluid van een eenigzins dof of hol geluid, zooals van een steen , die tegen iemands hoofd gesmeten, wordt; en van handgeklap, in de handen klappen {vrg. h ii rj ajy ilt;itjj). — rn ij ti^i 2 u njj \\ kleer en of linnen op een bank of iets anders kloppen om le wasschen; op iets kloppen met de vlakke hand, zooals op een klomp deeg. m^k/i rj ui? tiitji^ raak, juist getroffen, bv. van iemands voorspelling, Tj.


-ocr page 401-

O n

hu wrjthV)\\

321

7J mi? M UïlJj\\

_ nji2 ini\\ in do handen klappen tegen o/bij ;

door handgeklap toejniehen of aanmoedigen; bij een dans mot handgeklap de maat slaan. — ia) ij

7 U1JI 0f quot; 7 1quot;,![ {\'jebr- quot;quot;«nrjaf?

HfiMijj) iets {fuj. iemand), daar altijd op geklopt wordt, klopblok; iemand die altijd klappen krijgt of oploopt. — (ui i, u \'i ijji 2 \'ïflj (hnjj •gt; de bank, of iets anders, daar kleeren op geklopt worden om ze te wasschen: klopbank.

7 \',,r7 li{\' K!Uls 1- eR11 trommelvorinig instrument klei-ner dan de rjaj)? ? (rnjs en grooter dan de

^am 8\'ill) neerquot; hangen van de armen, zooals door ziekte, vrg.

V,ni \'I Xn ^

rjnntMwnjj KN. rammelen, bv. van een noot of vrucht, waarin de pit zich hij het schudden hoor-haar beweegt WW., klotsen bv. van water in een pol of het water in een rijpe klapper vrg ; tj t, n 2 nj) m)jj\\ ook van een bedorven ei.

11 hu? tj (ii? hti/jsKW. een soort van vogelverschrikker van in tweeën gespleten bamboe die bij schudding geluiden geeft, SG.; de standers of staande palen van een beestenstal en van een brug, waarin de dwarshouten (hjiiu) vastzitten of doorloopen\\ naam van een mutsje of kalotje door kinderen gedragen.

uii gt;1/1 * ij) KN. — ui) (ui0 een uitdrukking

voor een zeer korten tijd, van iets, dat snel voorbijgaat (B.) vrg. i* ijij\\

uil ij u rj (ui \\ zva. irti rf oj tf 1 1 ui/j \\ zie bij rf iiji jj

\'jWHüJjs

nu 1 ƒ mi cru \\ KN. kardamom of kardemon, een ronde trosvrneht, zoo groot als onze kers, Amomum Car-damomum L. Nat. fam. der Zingiberaeeae.

rjinunji (üiji\\K.yf. zva. * G.

mi ij iijj2 ij xji2 ij) anji^ zie hij vj d/i2 ij (ui 2

O d/ . r)Ct\'

li 11 lui (ui \\ zie ui (ui \\\\

nn tui tui \\ K\\y, zva. imri uiii ihii/j^

nu (ui no) duifj ■ KN. zva. mn (urn ikh/J^ (Tj.) WW.

nn ij (ui2dji\\ KN. naam van een vogel met gele veéren,

zoo groot als een duif. de Jav. wielewaal, Oriolns

Horsfieldii, v. M.

i\'iuïjiilt;\\ of iniiu ixs ongeveer zva. uri oji ,1^11 oji ui\\

in een zennwachtigen of krampachtigen toestand

geraken, van erg schreijen of lachen, ook van een sterke begeerte {vrg. •■?*£?).

a n

nu dji/i \\ nn iyi \\ en 1,11 (ui 1 u \\ k\\v. zva. (ui (Ei \\ lt;iji(ici .1 u \\

czJI O O

(uj vy un\\ en n m ui im/j \\ (zeer naar iets verlangen, G.).

tj mi 2 (ujjj KW. algemeen bekend, G.

nn (ui m \\ ben. van de Carica Papaja L. een boom, die geneeskrachtige eigenschappen bezit; de onrijpe

vruchten worden als groente gebruikt.

O quot;gt; / quot;) o • / o

h n (Ui vj (1.1/1 \\ verte, van nn aj^ ij dim \\ zie bij nn (ui w

o a n \' o a

n n lujjjj \\ Kiï., nn ujjjt niuu^jj^s zva. nn u^q nn (U^s

in Tj. van iem. die de i\'m (ui \\ drnk en jolig

slaat.

ij mu (ujjj; KN. een kalot, zooals door maleijers en priesters gedragen wordt onder den tulband; de Chinezen en Arabieren dragen ook tj un 2 tujjj y van e enig zins anderen vorm. {Ar. koephiah,

Hal. cuff ia). ij 1712 ajjj gt; (un \\ iemand een kop-jah opzetten.

un ij tui2(1/1^ gt;\\ zie bij M ijdAi^^w

ij nn (Ujjjdn/j of ij un KW. zva. ij un (uj^un an/js

mi tj n ij iui 2 iifcflJHi/j en un rj rj (ni 2 mjj \\

ii n (ujjj ^ KN.; ui nn (óji ut^ 1 ui/j) n n nj/j \\ rijst, die achtereen in de dandang gekookt wordt, zonder geklutst te worden, zooals die voor een offerhande gekookt wordt, ik rri uij iujjj\\ een dj arak soort, die verbouwd wordt, om er olie van te maken, in

onderscheiding van de u; gt;7 gt;. n ^1 rn \\ anders ik rgt; a

m un ifj \\ of namp;m yyciiii irvijjs waarvan een geneeskrachtige olie gemaakt wordt, die uitwendig gebruikt wordt— nijj (ji(ujjj\\ of nh(Liiujij\\ niet gebonden, van gekookte rijst, als de korrels te droog zijn om aan elkander te kleven {het tegenovergestelde van mij rurj ilm^ , ook zva. in^\'Qiuyj {in lis. ook

un iujKN. klanknabootsend woord voor het geluid

van uit elkander spattend of tegen iets aan spat-

i

tend water of zand-, gespat; gesprenkel, het spa-tend zich verbreiden; ook van lichtvonken het uit of van elkander spatten {vrg. ^jj!hji{(u^ un/j); jig, van het hart, voor ontsteltenis of schrik {vrg. un ijcmiisnij en nn ij ^2 i n/j); ook benaming van een soort gestreept lijnwaad met sprenkels. — (ui dsn un overal spatten of tegenaan spatten; ook

van het spatten van lichtvonken in het oog bij een slag of stoot. nn ^uy)^ een spattend geluid


21

-ocr page 402-

322 ^ Kn tf tui (Hnjj \\

geven; uit of van elkander spatten, verbrijzelen en vergruizen, zooals een porceleinen bord, (lat op de steenen valt; fiy. van het harl, voor ontstel-

i i) / n \\ li rgt; ^

len. — (in(ujjj^r)\\ besprenkelen. — i t iLj^ n ij i,n\\ iets ergens op sprengen; met iets sprengen of sprenkelen.

^ htig tj iijjjj? kn., een soort vogelverschrikker — y(nm V \'H12 *{*1/1 n maar van vieren gespleten hamhoe. lurr^iLyj0 een soort van fijne, zeer sappige mang-

(D o *

ga. aj)iij^uamjf een ei, waarvan het door

geheel door het wit geloopen is, zeer

gezocht soort van kokosnoten waarvan het vleeschiige gedeelte klontert ongeveer z. a. geschifte melk en met suiker gegeten een lekkernij uitmaakt. Rh. dj) ^iïiiurn0 een sappige watermeloen.

vn (uj kn. geklets o f geklots tegen iets aan; tegenaan kletsen of klotsen; hv. van golvend water {vrg. Kv/j en knlt;u)j^unj on ^ — n ^ Kn/f\\ iemand nat maken met een klets water. — i.) m j hi^ri ui} \\ iets tegen iets aan doen kletsen of klotsen.

\'•quot; ^pjj KN. zva. kn{cu^ meer

hep. klanknah. van de beweging van velen, die aan het werk zijn , (kletterend geratel, zooals van een wagen; W.) Inidrnchtig, levendig, goed aan den gang, van een werk of feest JU. vrg. nuf (ri); algemeen bekend, ruchtbaar WW., gemeen, slecht, van een paard of mensch. — zva.

a/n cm r^jjihu/js (fi (ljj^ ntj rf i.n* algemeen bekend maken; WW. met luidruchtigheid doen. JR. volg. Rh. velen aan het werk zetten, iets door velen laten doen. — jf kn-~nof zie

hoven.

in~ti (ujjjjUn^ kn. geklets, van water {vrg. en

hu in luf^nn/js het water raken.— in

(ij) iets nat maken. — het ge

luid van het necrplassen van water, dat meteenig geweld uit een pot of kom gestort wordt.

tni tj itjjjt jfnji\\ KW.; r:liets met een kwast bekletsen of besmeren, hv. met k alkwat er {vrg. ■tjjljUtyi). — iv-) if lufji* iaf\\ mv.; een muur witten, y /. //1 gt;1 irjjiiitfn/jsKH een spel met duiten ; waarbij die in de twee op elkander geslotone handen geschud worden. — ij if? rj tujjjt iets ergens in of tns-schen schudden, omschudden, door elkander schudden.

o

itni tui (rij tuj wjj^

O • 7 ••

i. h nji quot;h jlij Wf} N zie hij rr^ (lij w

o a., . o h ii n/i op \\ zie (ui K i w

ifyi (ui \\ kn. in gebogene rijen tegenover of evenwijdig achter elkander {vrg. r.n (ui), kii (ui ilt;n (Ci \\ de beide armen gebogen vooruitstrekken, als om iemand om den hals te vallen; ook geheel alleen, of zonder bediende, gaan. G. — kji kti (Iji n poët. nnn\'jiw trn (uï\\ zie (uïw

k n n\'j \\kw. zva. djj^ chi iu/j vj ik ? ij(w 2 \\\\

q.\' . .

u n (ui \\ kn . mager, met weinig vruchten v. e. padi-aar, S.G.

) Ct - 1 • • 1 •

».»i i|\\n., h 11 tui\\k., een kring vormen, 111 een kring zitten of staan {vrg. (Lii(ijj). rnaj^s in lui\\ ie/s omringen, omsingelen, rondom insluiten ; belegeren; om een schotel in een kring zitten , aanzitten aan een maal. — kn ijjtcnhiji^ kii ,ui irn met elkander aanzitten aan een maal; een maajtijd.— tun.h (Uj« tui ini ui \\ beleg, van een plaats, die belegerd wordt. (uiini^\\ (uuiniiw het omringen, enz.; belegering.

ifli (ui\\ kn. de zijde van den bak van een wagen; fle vleugel van een leger in slagorde. n iPn m {poef.

uni(h.Si\\) de vleugel v. e. leger uitmaken;op de 11 ank.

/ry (ui\\ kW. kn. een soort van kleine mossel {vrg. ».»/ ^ti en Hn ief). een tiental, RW. {volgens G. vierhonderdtal).

wt^lt;Snkn. digt in een kring aaneengesloten {vrg. tiii i\'jj); hv. irnryi^M^ en Kr^ufinnj^w ook naar boven en met de punten digt naar elkander toe gebogen , van de horens van rundvee; de uiterste rand

van iets, zooals van een pot of ton. — kiiki^u^

O .

zva. (un mi (ui w

0« Ov s\' * CV

irn (uin KN., asn tui r.i an/jsKl., nu (Hi\\ of mi thi\\KW.,

oor. nSi (ui (Ki (ui njyijhn 13. (in de gedaante van

een oor) spr. voor te viervoet (ventre i\\ terre) loo-

pen. — tuïvn oor «ƒ handvatsel

looze dingen, zooals het oor van een pot, hei

handvatsel van een mand; zie ook bij otï tti w

ij -hii tui \\ kn. digt vlechtwerk van dun gesneden en van

de itsr^\'EiiSi ontdane bamboe, voor beschottengt;

manden, enz; ook voor de paarden van de n

gt;ƒ ma i (rnji: ik m of it\\ yivj mi ^11 ij i n ni f)n Rh-

0\'ii ,17^ v \\ een wijze van rn ^ »./»-rnjj te vlechten, C.P•

■ij 101 (ui \\ kn. naam van een oude munt, een penning


-ocr page 403-

(hm rjfi ji 2 vj nrrn 2 \\

823

ynn? ijl \\

of halve duit; ook wel voor geld in V algemeen \\

O s\' . ^ \' n;

0.1. zva. (*jnam\\ en wrj mi n (ui\\ zva. ojïcvnw {r ry.

IJVH gt;j quot;p)■

^ ,lt;n? aji^ slechte schrijfwijze voor i.yd/iw

ij od) 2 if uju kn. leeg, loos, zonder pit of kom, van

noten of vruchten {vrg. tj gt;).

unao)n kn. naam van een zeevisch, gelijkende op een

Heine nil rn htiji of baars, llh.

hu n\'i(n2\\ kn. teruggehouden worden van een voornemen. un ij ut 2 hu if ui 2 \\ iu beraad staan, in tweestrijd zijn met zich zelf, omtrent iels dal men voorheeft {loaarsch. van m twee).

i,ii(i?i\\KN. geen maandstonden hebbend, m dus onvruchtbaar, van een vrouw. tf rii2lt;hhrSt\\ een kween.

ui h n \'t \'Si 1. n 10! \\ naam van een soort van hij. 1 co

i.nnS^KW. zva. (èj im\\ G. een zwaar kapmes me hui/\' en een krom puntig bovenstuk, ongeveer de vorm hebbende v. e. vogelbek {vrg. ^

i?i\\ mot een ki^hS werken, kappen; zie hij »i^^\\KN. naam v. e. hoorn welks wortel dient om katoen rood te verwen \\ de vrucht heet (u 11 ij) w Wangs.: oq am2^(th)2 njtvj / ) zm C.S.— (u^

katoen rood verwen met (voiw ij hti rj rj) \\ kn. linksch , van iemand , die hij voorkeur de linkerhand gebruikt {vrg rt un^) ^ 2.). —rj r,/ iets bij voorkeur met de linkerhand verrig-ivw, fig. zva. flo)\\ slinksche wegen gaan.

if ilt; 111 ij] \\ kn. snees, twintigtal {Tamil en Teloegoe kódi. pk.). Li if tsti2/ijl\\ twintig stuks, van kleeding stukken en stukken lijnwaad, van huiden en van vellen Javaanseh papier. ^1.^12^10(10^ bij de twintig stuks , hv. verkocht worden ; ook van iets dat slecht in zijn soort is, en, zooals wij zeggen, hij het dozijn verkocht wordt, hv. van eèn zadel en een pavrd. tj L)t27f um ijiji wi/^een onbeduidend mensch.

P r O quot;) al Cl o 1

\'• n tji 2 oj Hurjut^s i.nvci^ en hu ip ? ^ KN. ; Hti\'inq x. XaQ / y ï x ) . ^ ■) o

hu 7J» ^ {OJ /. 11 Ij (IJ) ; ) , Htt 70) /. tl 7J) \\ en Ktl 1.1 f H)t $0 \'ets het minst, in een ontkenning niet het

minste {vrg. drnijl (inyj en (uh Tp nrin).

^ .) o

kurjn.j) zie un ui gt;\\\\

O O o . , quot;) ■.quot;gt;

\'o/.i j) ^ mt ut ; ^ zie Hu tJt j w

tot ui (Hi \\ kw. zva. \'iK (c^\\

00 -gt;

\'\'quot;\'KtnKW. zva if ijnifM\\\\

quot;) o ) . ■) 0 cT\'

MP htia.Jtniw

^ o

ini()j)frtti\\ kn. naam van een hoorn en zijn hout int tf tut 2 if nrrn 2 —gt;lt; »? tf / oj 2 tf (i ji 2 \\»

t(t^ ut oh) it n or)/j \\ zie bij dj) enn w

tm(ij) \\ of \'Hit tnKij) gt; kn. in de open lucht slapen of

kamperen {vrg. rt tm iffi.jt).

int i)ut\\kw. gevoel van nier bestand te zijn, te kort

schieten, in een gevecht.

rj nrtrfios of \'Ht}7fimrfdj)\\K^. in de opene lucht gaan om frissche lucht te scheppei., van een herstellende zieke «f iemand, die veel in huis zit {vrg. hdoj)).

— tf (in Tf ij) \\ hetz. rjwrjdj) gt;7n zich vertoonen aan.

) rgt; quot;gt; Do)

h tt ut rt ) \\ kn. , in) ij) •jjjt (Hiji\\ KD. naam van een residentie op Java.

tot IJ) quot;Tl 107 \'~i) n KN. zva. tot t) opif r)t^ ip tj »»\\ WW.

(Do .... O O

trn n D *0)gt; zie bij iip ap rot fj \\

tot (voj, 101 /j\\ kn. 1. een zak van buffelhuid in -Ie mand

vau de olieverkoopers, waarin de blazen met olie

liggen. 2. iets waarmee men uitgraaft {vrg. 1 gt; rt M S , .

hdji en miji). \'/ \'f\'7 \'/ quot;v het uitgraven ei; uitkrabben, hii iïrifiy irn^ uitgraven. — tna^to)^ iets uitgraven, uithalen; een hegravene opgraven.

— i-i(Uj.:toi\\ graven, delven; iets opgraven.

mt tf ijti ini/js kn. 1. vak , groot afgedijkt vak, van sa-wah- of tegalveld {vrg. rj tot2op Hrtjf). 2. dikke

ook grins, momaangezigt, gewoonlijk naar de gelijkenis van een heest; het aangezigt onkenbaar maken door het met wit te besmeren en gebaren maken ; een als een pop aangekleede schepper vau een klapperdop (iJri if ^//), waaraan met kalk oogen, neus en mond gemaakt worden, ao rj ap 2 rj oji 2 wyi genoemd^ die onder het zingen in de maneschijn op een mat aan een band van weerskanten vastgehouden wordt, totdat hij in beweging komt, zoodat men zelfs moeite heeft den band vast te houden\', een hijgeloovig kinderspel. (intja ji 2 nr)/} * gelijk een këdok ; zich door het dik besmeren van hot aangezigt onkenbaar maken ; met oen grins voor hot aangezigt voor een beest spelen; oen afgedamd vak zijn, van een saw ah; en een veld tot oen iotrjnji 2 hdji bedijken of afdammen. — iot rf n.j) 2 to) oojf \\ afgedamd

afgedamd vak ; in vakken, vaksgewijs.

o -gt; ... ) o

unajiHiijis poet. zva. iot ui toyj\\

Kiit\'tjdj)2 H7iji\\ kn. een kikvorsch {vrg. tj 1 j)ijain2n

o ....... o

i/^tj) mjtjj \\ Yj to) 2 Hti\\en rm tf hd 2). tj 1012 vj aj) 2 ihii ^tt

tf ult;2\\ groene kikvorsch, die door de Chinezen ge-


21*

-ocr page 404-

824

/quot; /quot; Mn (Mi inn xn dj) then \\

(jeten wordt, (^ihim naam van een klein kastje, langwerpig rond, op een voet, one, eve er vier voet hoog, 0\'gt;i w ? ^ t) fHiyi\\ naam van een yending op de gamelan saléndro. — /ƒ een plat

woord voor te voet gaan.

/. )i (in uu uiincn iïw \\ of nu ij tip ij un /. n rj li ^ kii \\ schar-

reien, ïnoeijelijlv loopen, voortgaan.

iifn(i.\'ji li\'ai (ijijin kn. het iligt bij iemand aanschuiven of naast hem zitten gaan, met eenig doel {vrg. iQ Hiijj). itiacn kiioji/is digt bij iemand aanschuiven,

nader bij hem zitten gaan.

O . O

huaji uti irujj zie onh.ji mi iujj \\

c quot;) . * n

(Uil (U^ li II of IHÏ1 IfilJI 2 n II \\ Zie (UI I. II w

\'inidJi (ibii^\\ kw. zva. (isiihurj hiii\\ rjnsmrjritgw

i(ii(U^nyiijj of rm^io^NKN. dik en grof van inland-

so he katoenen stoffen; vrg. dm (in ivnyj \\

h u ijaji 2 fonjf of quot; l iiii liii ij rui 2 (üii ij\\ kn. een soort va n taai, lang, bies ach tig gras , waarvan men groffe matten of de ondervoering van fijnere matten maakt.

J.U. — liiiif ion (i^i iKiji\\ onkwetsbaar {vrg. asucni^

o . •gt; c quot;) c) ,

en ivgt;n o iujj). ivn ik n h ii(r^(LJi2 lt;yii anji\\ een toover-

gebed om zich onkwetsbaar te maken.

/ O

kii (i.ji ij (isi 12 dn/j of uiidJiy iibii 2 (ynjj zie (ijkkïiw hiiti ji ii^jji an/j\\kvf. zva. (hji(iji i-j ash 2 (hiji\\

nmdJi(iji/i\\ kn. een herpetische uitslag van de huidgt; de ringworm.— uiihji(iji (hiji^v, ringworm hebben. (in^dói(u)^\\kn. naam van een soort van huidziekte. (KnrjdoirjdJi (in A. 52, 5 slecht gespeld mir^djitrj i j)

rt n

zva. uniwifs mi rurrry % \\ Kh.

uii i.ji dji p of kydji (iji kn. naam van een aschgran-wen vogel, een soort van zwaluw, een onheilspellende vogel, in Kawi genoemd. Volgens sommigen is het de naam van het mannetje van den empr it-g anti l, wiens eentoonig geluid voor erg onheilspellend gehouden wordt. Ook is de uitgang van zijn slag zoodanig, dat hij daarnaar zeer wel

van genoemd kan zijn {vrg. ihimjiwq). iidJi a?d ? \\ bij tnsschenpoozcn v. handgeklap of gejuich, Rs. Vrg. i\\ii tui rm inji/i\\

n . n ■ . amp;

mi(U^(ui\\ zva. fuiidindJiw

(U7i(iJ)(ui\\ daidJidJi {ook wel lt;nidjtui ? Tj.) naam v.e.

vogel, een soort duif.

un(vj^(Qnsnji of ilt;ii ^ o (üijin kn. beweging met de hand of handen, zooals hij het aanhleeden , poet. v. e. spin bij het maken van zijn web; gemoedsbeweging; ook fig. wat er in iems. hart omgaat, K. 4, 51. — uu(Ujj bi HHjiojl\\ veel beweging met de hand of handen maken.

irnij) ^nkn. 1. naam van een groot en boom Park ia intermedia Hassk., Nat. fam. der Mimoseae, en van de daaraan groeijende bootten; die gebrand tot een windbrekend middel gebruikt worden. Wangs, dji ij (hu (ui on of t ^ (Ij) ^i il i dan \\ uiidJi (UjW —

i i\'Ui\'ijjs als een kadawoeng-boom , w/. langrond.— uii uidjia.KHijis ovaal, rjryii m kiijj ij iu2 (ui uu/j \'l\'y 2. uiidjiü^s ui(ioi (ui\\ ook stil o/* stom voor zich heen zien v. weemovd, mistroostigheid, Rh. i^oell\'ujt een lang gezigt zetten , als een un doi ?)

nu i ji ui lt;17/ dlt;iji nrr tudji ui m ui fj \\

(HiidJi dLifj \\ kn. een soort van groote, groene

dis of tninhagedis {vrg. (i^nioi uiiyj); een versiersel van koper aan weerskanten van den staartriem van een rijpaard, nuaji y iljtj irj nmjj^ benaming van dc wijze waarop jongelui in het gevolg van voorname Javanen het haar dragen, van achteren ineengedraaid en met de punt naar boven door middel van een kam op het bloote hoofd vastgemaakt. — ri dJi i ujj \\ als een tninhagedis; kruipen bv. van een getoonde. azidji thjjwis als een bezette tninhagedis, d.i. in het midden dik en aan de beide einden dun uitloop end, bv. van een pilaar. — uu (ui if^i anj \\ kruipend gaan; ook naam van een visch , en van een vogeltje CP. en van een onkruid, waarvan dc knolwortel en bladen uiterst prikkelend en brandend in den mond zijn. JR.

rt o . o o

uii dJi i\'Li/j\\ k i). van ij un m \\ m dm (fniui iri m j\\

rj imd.ji n.yi\\ kh. brabbelen, van iemand die sommige letters niet goed uitspreekt, heter n ui(ui hli/j of if ui au (uiji zie aid. {vrg. rj dji rj ru 2).

dj un 2 ij (ui 2 dLi /j\\ kn. , iuii ij hii2 ijdji 2 ni/js op eenigen afstand fichterna loopen om op het spoor te blijven. — ^(mivjdjiiinjjji^ iemand oj; eenigen afstand volgen om te zien, waar hij blijft.

dmtji ili\\ of arr^uiruw kn. zwaluw; ook naam van een boom.

O n O /. :) T .

im dJi ij nu) \\ und.ji lt;rj ru oj cni d.ji ij du \\ kn., uu ui \'i j dUfj en (fji uri .l.i mjj \\ kd., naam van eetipeulvrucht, zwartachtige erwten of linzen, daar de tempé en soja, ook asnd/r^ 3. enz. van gemaakt wordt. Soya hispida Monch., Nat. fam. der Papilionaceae.


-ocr page 405-

iHnaji

■v O OS, O

aVflriJ)iKnrjdnajyj en (rrxvrrj^ {vry. tm ru

(ui/}\\) 2. kn. wcuking, het hart, als hel

iH beweging geraakt, lt;?w rustig blijft; popeling. hwio) ii/jaoi njij^ iu aanhoudende beweging zijn.

i n ? iLhn i^jao) ri mijn oog heeft nooit

gewenkt, ik heb het steeds voor oogen gehouden. iw (ioi (uin.i tui wat ontgaat den blik? cl. i.

Uw blik ontgaat niets. iKiitfntLdi (li ijdji iru \\

n., een oogwenk, in een oogenblik. Zoo ook qji

) O p quot;)

u n ui rf iu (M /. « J) ^ w \\ fi-Ji ij an mi

(iji tia011li ieder oogenblik. lt;amp;i tj h n thJ) \'ihitui (uji\\

straks, op \'t oogenblik! wacht even ! ojiiSiojidv

,101 (uijj\\ (ui ijiójitjtan iiu\\ op \'t zelfde oogenblik, nu

op \'t oogenblik. — (twoi (ui/j en in^ k i(un (uijj\\ kn.

wenken, popelen,. het hart. hu (ui not ujj n

. ,;■)

poet. zva. iioi (ui n i cuijj zie Knmiuyjs

) /. ) quot;) O , ■

i.iitjioi (ui/j oj hu ij (ui /j n kn. , ?i ii \'tisquot; iUi j \\ KI., knipping van de oogen j blik; lonk (org. nn ioi ajijj en i.ii i?i uyj). ook fig. oogenblik; triasr^0 van een hoogst zwangere vrouw. die elk oogenblik hare bevalling

kan te gemoet zien; zva. quot;de minuten tellenquot;.

) (quot;) O ï

— i.y el ij (ui (li /j \\ l.lj (fjltj\'us (uijis \'1\' ijj *lltlt; \'lquot;/?n

blikken. lt;ny .{- i tffiJi (fJja^s en 0én Kn/js met het blikken van een spiegel, of van brilleglazen; U. i. zonder blikken , als met glazen oogen, staren, van

iemand die opgetogen is van verwondering. —

O o ) o : O -» . .

ui ij ui tui ^»\\ i 1ik iUi ^ i \\ u i i c (Ui ^ i\\ iemand\' met

de oogen toeknippen , met de oogen een wenk geven; iemand toelonken. — i7i rmen ayi ^nj uns de oogen schielijk sluiten en onmiddellijk weer openen; iem. aanblikken. — Uii rjaji iui -1 }i\\n oogenblik. quot;\'h \'^ \'Uijj K^i. een nog gesloten bloesemknop j in de knop staan (vrg. ifrjui/i aji/j en i.imj,.hn /j). — tty.\'ii/j\\ gelijk een nog gesloten bloesemknop. 0.isr/ »»\\ nm. van een soort péndok\'} met een gekrulde punt van het metalen beslag van een sabelschee; van gekrulde tunaprutii^]\\ Men.; van de gevouwen iiandeni/; een sümbah asj oxj^ tui ^Ïi~ii \\ Sri T. 0(iji lt;ui nn\\ nm. van een pieksoort.

\'i Lii(ni (uiij \\ zie bij n?ii.iot (uijj\\

1\'H i.oi tui Lnjjy (uf rndo) dji lii/j\\ W. I. 218,) KN. het geluid dat veroorzaakt wordt als iemand plotseling op den grond gaat zitten en de beenen onder het lijf vouwt. a5i(Wi0 zoo gauw op den grond gaan zitten in tegenwoordigheid van ecu hoog personage.

nil no) a^i \\ 325

(Vrg. of loi tf ((ui2iKiijj en tti Lm it iihoi iui of h i^ Ln (i\'/i \\ — aiiiioi (Soel.) n.jaoi (Ci (Waj.

II. 17). (uii mrn (i^i \\ zie bij aoi a)i \\\\

(tni iidei ij (ui \\ kn. het met eenige sierlijkheid of deftigheid breed uitgespreid of met een slip neerhangen, van een bebed of tapih. wijdji ijaois zoo neerhangen j met de vleugels omlaag, van een vogel, als hij wil gaan strijken.

mirjuii rjdJi t\\ ln ij pi ij ipikn. slordig, van kleeren,

van kapsel, enz. zva. (hu ij np rj op \\\\

) .) • ,)

LU (101 (KI If \\ Zie 0 ij uil (IJl (MJ! \\

lu (i\'oi iti lu/)\\ks. langzame en voorzigtige gang of tred.

— inioiiLiLii/j\' langzaam, voetje voor voetje gaan.

) /.DO ) )

ii wij) (f i ~~ i ij^i do/j of mufio) (eji ii^i (hfiji\\ zva. ctikio)

ihi (ï^anjf^

, ■) O _ O O

hu loi cïd \'i l ifj--nm iio) cru t u/j \\

0 quot; gt;

u ij loi ? nrn injj \\ zva. o n ij (IJ) i lt;T|i (Hijj \\

.. . cy

1 nidi1 kn. soms, somtijds; ligt, welligt j gew. ihmu

10) {waarschijnlijk van (uriiói\\ Vrg. ern b: eni/j). liiló) lii(iji\\ en loiio)iinitunis bij wijlen, nu en dan. miii\'i nuiru\\ kn , LUdJi hii ui Ki/j\\Ki). somtijds, somwijlen. — liiiah u)(hnjj\\ gew. Ïisiiii.iiiioi lt;i:i injj\\ wat

men soms of b^ wijlen heeft oj vindt of doet.

0 ).)□.•/) o

1 u loi \\ en lii ui lii (wis zie kii ioi gt; w

fni rei \\ kn. kolk, draaikolk, diepe plaats in een ri-

n . 1 O .

vier. — «^,\\ als een lii^w

tnidj»^ kN. onhandig, stijf, niet [(uyinili,j\\

Kijic^ n kn. sluijer , iets om het hoofd mee te bedekken; zich sluijcren, het hoofd bedekken {vrg. iis^i^); in de p adieu Huur, het dekken van uitgebragte plantjes en eene groeiwijze van padi, SG.: de oogen half gesloten hebben, door het hangen der boven oogleden zooals hij Chinezen veel voorkomt.

^ ■ (hoofdsluijer, G.) met een (li ij tot fidj, volg. Ilh. dus gek, want dat doet niemand.— uj(ty ii \\ iemand het hoofd omsluijeren of bedekken. — (i7jjlt;iö^i:i tjihus met iets zich omsluijeren.— (Ui mi(hJi\\ of iuiLij ^\\ middel om zich het hoofd te dekken; schriftelijke waarborg tegen geregte-lijke vervolging. lt;/l; l\'u (ui li^ ojj, l ii t» iEji^iui ihijjs ecu aan partijen uitgereikt afschrift van een reg-terlijke uitspraak. iJi uiasu Sinij^ab^\\ het geld dat voor zulk een afschrift, als ook voor een iudii \'iw/Ji betaald wordt.

iii,ui(üi\\ KN. het niet begrijpen kunnen, in de war en


-ocr page 406-

11,) /• o k-

ö»O iHn aot \\

verlegen geraken met iets, dat men niet begrijpen kan ; door verwarring of verstrooiing van gcdach-ten aan iets niet denken, (un oprj(in (hu vjihiitj trj ini 2 fan nsii \\ ten hoogsten bevreemden. — ^ iquot;.} 2(ui é] \\ iels onbegrijpelijk vinden , niet begrijpen of verklaren kunnen, Wil. voir/. Rh. ongeveer zva. n ui gnSt «ei y nu \\ iemand ij mi ?ao) maken, on-begrijpelijk voorkomen.

Ofquot; ti itj» n kn. het in een trotsehe houding op een verheven plaats met de handen op de dijen zitten. —/t.jVjj zoo zitten o/1 gaan zitten.

(HiiSï(iKrif\\ kn. — hi(uii(£t^\\ werkeloos, op zijn gemak zitten.

nndc^knlj^ \\ kn. — in een gebogen houding

zitten.

eniirj(ih rj \\ — m rji.jitj, /V^\\zva. (ciah \\ maar hep. eene hoogere plaats innemen, die iemand niet toekomt. Rh.

ikïitjQa!) 2-tj n kn. —(O2\'i^tuiy in een gebogen houding op de hurken zitten met de armen op de knieën.

O Oquot; ■ • .

nm aoi (uy \\ zie (iji ny w

(HnajjjOji of (hu (vjjjij) \\ kn. ; hunhj, \\ met moeite

voortgaan {vrg. rjiHiirj aji2). unnhrK»in ihi/j\\ scharrelen; tegen moeijelijkheden worstelen j met inspanning van krachten iemand vervolgen.

kn. naam van een zeer hooyen, groo-ten Loom, Evia amara. Nat. fam. der Spondiaceae, levert een sóórt gom ; de vrucht is frisch van smaak; van de jonge vruchten wordt roedjak gemaakt; van een andere soort Odina gumrnifera dient hel hout om wajang golek en de zadelbok-ken; (W) (hii np (hii anj \\ van te maken.

(Hn ah (ih (iti (Hi/i\\ zie hij (ijxniiw

HiKiouui^s of hii ruriji iin^\\ naam van een pijl.

un(i£\\ zie ojtiiSs IV.

irn \\ tp. zva. a/n(Uiaxyj\\ Rh.

hii \\kn. naam van een plant, Tj. en li. hijFil. K e-d j i h, Ebermayera subpaniculata, I lassk. Nat. fam. der Aeanthaceae? , de bladen worden gegeten als lalah.

ihii(i^nkn. stijf of stram, van vermoeidheidgt; vaneen lid of de leden van het lichaam, zooals van de vingers door lang schrijven; fig. van het hart. moe van iets worden, zoodat liet begint te verve-len; zich vervelen {vrg. urn uk), Vrg. un hii \\\\

rgt;

(HYl \'IK \\

(wt^(tk\\kw. zva. nnvj(rpj2\\ {Pers. ( een reservoir).

rj hu(ipj^\\ Vort. quiéjo, kaas.

i] h ii 2 \\ Pers. {k h o dj a h) titel, overeenko

mende met dien van Scheich hij de Arabieren, kn. een Moor, Mohammedaan uit Hindostan. — (ui\\\\ rj hii2 ilt;s (hin\\ de wijk van de Kodja\'s.

ij liii 2 iamp;: ook ij hti 2dK (hii/j en tri \'ijn 2ttelt; asii/js Ar. Kn. gepraat ; verhaal; mededeelingj onderrigt(^r. h o d dj a of ho d dj at, vertoog, betoog). — /ƒ i /? ik {\'Uii \\ onderrigten. — Ij ui 2^ ? (Uil ff (lm \\ verhalen van.

iHTi nnK(in/j\\ zie hij unitlt;\\ III.

hu 111^ann kn. kouter, ploegijzer, ploegschaar, volg. SG hep. als deze aan de (uuhii n bevestigd is met twee ijzeren punten , {vrg. n rum ihijj en on ij rj ap 2); ook de klem van een bamboezen dakrib op den benedenhoek van een dak, WW.; volg. Rh. de houten pen, die tussehen de (ur^(hjani/j wordt gestoken en de cun a ) ^jjjihn p draagt.

o

rj dm 1« (h 1 \\ KW. zva. cnjj^ isr^ \\n

mi ik ftQ.Hii \\ kw. ongeluk, groote ramp; de dood.

mi at\\ \\ kn. naam van een \'plant, die lot geneesmiddel

dient, de niet eetbare wilde ii hi ■ncr/n\\ Aloeazia 1 1 CU

macrorhiza Schott, Nat. fam. der Aroïdeae.

O CY

h n (iamp;\\ n kn. de lladdering met de vlerken vaneen vogel die vliegt j ook naam van een klein soort van kapelletje of uiltje, JR. volg. Rh. een groote kapel, grauwbruin van kleur. {vrg. 1 n * 1 j hii/j e?i oji im ƒ /). hliik\\ of un f,11 m met de vlerken fladderen uf klapwieken; klapwiekend in de lucht blijven hangen; ook van een visch, vinnen en staart bewegende op dezelfde plaats in hel water blijven, hu

CY m )

aK\\ ook trillen van de wenkbraauwen, li. — n

fës hetz.

s . j .. /

ij mi 2 \\ zie bij ajr^(i(^\\\\

/ . (V)

nrj hn 2 tj irc 2 \\ kw. zva. Hij i^i\\ en rj un ijisn (Ej un kn., ani ofi rj (Hn 2 rj ik 2 kn. een vesting, versterkte, om-muurde plaats. WW. lang, uitgestrekt {vrg. hi!ij

s v cgt; ^

ij iK27j iK2). — err) nja/11 ijniMi^Jirjmi2 ijgt;Hs 2\\ een pakje van ecu zeker aantal koekjes aren-suiker, in een langwerpig pakje op elkander gelegd. JR. volg.

Rh. ook zva. hii h \\\\

o _ ■gt; •,..)gt;

hu (i^a.vKHip--hu ^ a/n an ij \\ zie bij 11 aci \\\\

Ij HII 2 ^ (hllJI \\ ZVa. Vf H11 2 {(LQ iU 11 fj

•rj HWYjOK nn/js gew. Hu ij hwrj ik ihiiqs kn. trippelen ,


-ocr page 407-

n /

IHl I Tj UK \'tK 2 \\

327

in) \'Uz (UH/I*

dansen , van blijdschap ; de voeten trillend bewegen, Tj. oo/c wel stampvoeten WW. (radeloos zijn,zicli niet weten te helpen; door bewegingen van het lichaam zich verlegen toonen. G.)

li\'ti (L,iiij of lijn tiet ibujjs 1; A.7\'. behoefte, be-

noodigdheid, begeerte, verlangen, wensch; ook benaming van het gebed te middernacht, anders of genoemd. 2. x/n ik iisnjj \\

Jr. ha dij at, geschenk, offer, offerhande

C\') o O v ,

(vrg. en naji hti gt; ). i n us mi /j de oi-

ferhande van den Vorst, zie bij asv ÏT. — gt;i,; ik gt;hii fj ilt;n\\ iets begeeren, verlangen of wenschen. i?i hiHKi^rj litis pass. ui iki^i m/js personen

die aan een offermaaltijd deelnemen.

) .) ) . nM\'tfTiiiw^NKN. zva. hintx^Mii/i en vrg. mi ij ik un/j en

; ) quot;gt; gt;

i.inj iKiosnjjs — Kylt;Li!i6^(hti/j zva. ki^ ieixc^imjji en

1.1^ itn ij ult; ? iishji \\

loirjuecii )ijj\\ kn, stuiptrekking, {vrg. ini7j ult;2asnjj en 1,111 1 i j), hti ij irc iiijij ik(i iiji\\ stuiptrekkingen krijgen; zieltogen.

ku rj iki thii/1 \\kn. trillende, krampachtige beweging van de zenuwen aan een van de zware deelen van het lichaam, zooals aan de dij of hei hil; klopping va7i het hart; ontsteltenis, schrik ; ontstellen , schrikken {vrg. nhn^nsnjf^ nn ij ikuii(u^ i,ii/j en nn ij m i n/j) hiiim ijiezz zich trillend en krampachtig bewegen van de lippen bij hevigen toorn i ontstellen. — gt;1 tj i.lt; ?, h^irj iHn\\ iemand doon ontstellen, verschrikken.

».»/ iKihiijjMiN. ontkenning; ontkennen , bv. iets te heh-ben of ontvangen te hebben {vrg. ij m m quot;gt;i/j) — rgt;itlt;a^i\\ iets ontkennen; loochnen, verloochnen. iimmKihii/i zie \'ij fgt; 1121-.2\\\\ volg. Rh. ook zva. u

\' vermaard, beroemd, berucht, enz.

o . ■gt;

n i:lt; 11) (hg in \\ zie /. n :itlt; 1 v ito h 1 \\\\

„ n

\'•n ik min K)\\ of un ie: V) iHinfi \\ kw. zva. un i] ui \\

of wel geveld , gesneuveld, of van het leven berooid

(\'S\'/t. dj i io d d d n a , levenloosheid).

\'gt; u ik h ijj\\ kn . kii ik gt;1 V\'Jrc /11] lanterfanten, WW.

gt;1 mi lij ik iu/i^ kn. ij i.n/ri us rj 111? ij.uK n spartelen

v. e. aal, paling , enz.

ilt; 11 IK TLï hl ■t)\\ zie ik 11 urn ni \\\\

b/

) ) . O 101 ik iijiji \\ zie nn rmci oj}^

) . gt;

\'• H tj ik (UtJJS zie h II ij Ut (l ^ \\

} / . , s zie bij urn ikw

iiïi ij (us ? rj tKg\\ of errt q ik 2 rji^ds KN. uitgestrekt, stijf uitgerekt, van de armen ofbeenen {vrg. tf um ifiK?).

— ditf ik 2 rj ik 2 \\ zich uitstrekken, uitgestrekt zijn.

OO O

hn ik \'tij x KW. zva. (tl hji /

(tw ^(E/ï (isryi\\Kia. — niia^\'fjj n langzaam en

traag voortgaan, voortsukkelen als een oude man, Tj.

uk mji\\ zie mjjs

a .... o

hiniK if 1 (hnjjs zie hij (us (tnj^\\

) O • O

mt ik ani/j\\ in 11 ik ij nrft \\ zie mi (u: (mji \\

ini ij ik 2 (rfl hi j zie bij rj iK 2 onjj\\

hink \\ KN. aanéén geregene drooge bladen van do gé-bang of andere palmsoorten, um iets in te pakken, tot bekleeding van de wanden van hamboezen huizen, tot sluiting van een gaanderij, en tot andere einden, hnik 1°/^1 {quot; KI. zie i n w n,yi\\ — 1.1 ik n iets met kadjang bekleeden; ook kadjang maken, bladen tot kadjang aanéén rijgen.— (uuun ik fvn :uijj\\ verblijf van bamboe en kadjang voor den rijksbestierder en een regent op de aloen-aloen opgeslagen , bij plegtige gelegenheden in de kraton , die langer dan één dag duren , zooals bij het huwelijk of het overlijden van den Vorst.-- /1 aai ik 11 hij in een pakadjangan zijn verblijf nemen ofhouden. hu lk k. , zie inuhiJi/j en hu (uw w hh ^tnkn. verstijfd, krampachtig gespannen , van armen ofbeenen, zoodat men die niet huigen kan, bv. van de be enen door lang met ondergeslagen beenen te zitten (vrg. \\ en hi) lk).

Hn:ik\\ 1. kn. naam van ven soort van rivier-mossel (vrg. inrit en hu au}). 2. N. of kn. , winnnanji en ividjkii gt; 1 hipn. of Ki., graftombe, bij aanzienlijken bestaande uit langwerpig e stukken hardsteen

of hout, soms mei lof- of bloem.-werk voorzien, %

die op elkander gestapeld liggen ; anders bestaande uit een middelstuk van hout en een aan ieder einde plat regtop staand stuk, n Jt it n igenoemd, dat het onderscheid van geslacht aanduidt, daar dat voor mannen boven een ronde of spitse verhevenheid heeft, voor vrouwen vlak is of een gleuf heeft. Deze stijlen zijn veelal omgeven en voor omvallen gesteund door een vierkant raam van op zijn kant staande en aan H einde door elkander heensteken-de planken , -u 1, n n 4 genoemd Hri ik\\ in Banjoemas zva. tinjin \\ Rh.

fj hu 2 ij ik 2 n kn. de holle tot een bakje gevormde hand-


-ocr page 408-

quot;gr

im

T

palm mot naar boven gehoudeno vingers; oo/c een tentje of stolp van bamboe of rottan met gaas overtrokken , 07n over iets heen te zetten, hv. overeen klein kind tot afwering van muyyexi of vliegen. oJtj(hen tnyik 2 \\ een holle hand vol j ook voor de kleinste rijstmaat, S G.

1- KW. zva. (unaj^ihnji {vrg. imp (mimp). 2. kn. verkorting van \\ even als (hIi\\ hv. wjjjaji

aPn zva. uïi oj] ihti q \\ 8. iKrjjj^njjjs bij het bestu-

CY

ren v. buffels-, regts ! regts af! zie tunw \'ïj\'hnjfji\\Viyi. zva. (hj)rygt; {vrg. njmin).

tHti(in\\ 1. n., zie irwfinw 2. KW. zva. iur^iui(hn/j en iin iKy (ui 3. kn. middelen tot onderhond ;

goed, goederen; gegoed , bemiddeld (vrg mcntq); ook wat voordeel geeft en tot middel van onderhond strekt {vrg. curj^(i:i (ynjj), e?i wat de man tot onderhond aan zijn vronw geeft (vr^. ; ooX:

gesehenk). iKHiundvts hetz. B.T. Dj. 107; G. niiusw) du\\ zie bij yinxw iLi(iAj)(tn\\ voordeelgevend tot middel van onderhoud ; zijn vrouw de middelen tot onderhoud geven, ie;nri(lvi(uj\\ B.T. Dj. 40; {ook schenken, begunstigen. G.). —(viinmiu\\ zva. (tni(Lu\\ middelen tot onderhoud; inkomsten, Kh.

ihti lt;i/i^ \\ N., (KHfi£r\\K., hout, en boom (vrg. tul (luji (tn^ ivxhii/j). ih)i(i/L^dii\\ brandhout, kenkenhout. rnia/i^ ibiiajyi}njj\\ jarig hout. Zoo noemt hakhout dat voor brandhout gekapt wordt, en ook gekweekte vrnehtboomen en hout er van {waarschijnlijk zoo genoemd in tegenstelling van den pisang-boom). Kn (lA^iia iLtn nuttig hout of gühoomiü, met uitzo?i-dering van den djati-boom; meubelhout. k n (ubj, rj tj (Kt 2 (B/iji\\ hout van jonge hoornen. htioAj^hnnjtis naam van een stinkend hout ^v. d. Saprosma arbo-jeum 131., dat geraspt of geschraapt tot geneesmiddel en zalf dient. /. n oajj^ tuti hj^ N., ku v^xju oji \\ k., naam van een rivierkroos, Pistia Stratiotes , li. ? dat op drijvende groene rosetten gelijkt; en roset tot versiering op iets. (vm/i^ojri njp den vorm hebben v. mi (i/i^ run oj^ \\ Tj. ihti lt;hj oaj^a/ii (u^ \\ met rosetten. Men. (uti )j0x12^xmumliiunoaji^ {of in n oaj^ ïf trj) een houtworp ver, zoover als men een stuk hout kan gooijen j verder af is een geworpen stuk hout d. i. heel digt bij, 0/\'kort ophanden.—

IHII IJ (IM 2 iHIJI Of h II tHU IJ III 2 HlJj \\ CU U )l ic.tdO f) of

fi?/ mi /rc iiTï iifijjs geboomte; ook hu ij lli? (hi/jsKN. zva.

(rij (h^ ui (hn/j bij de Wajang vertooning. (Hihi 111 ^ vj (in 2 (hjjs stil is \'t geboomte, men hoort geen ge-ruisch; bladstil, door stilte.

(hh(uui\\kh. vermoeid, stijf of stram, van de armen {vrg. iHtiax).

o • 7 ••

(IOI (Tj (LVI \\ Zie UIJ (HllW

(hj^ (un\\ KW. zva. (iii^t^w (hii ihjiihij(lui\\kn. iemand smadelijk wegzenden, verdrijven. G. — illi\\ vervolgen, jagt maken. »

vj ihh ij (lvi 2 \\ kn. naam v. e. Chineeseh spel dat iots

van het dominospel heeft, Tj.

ihh (Lvi % \\ kn. ; in (lli {\\ geen onderscheid maken ; alleu gelijk en op dezelfde wijze behandelen ; in het wilde, bv. grijpen of wegnemen, liet wordt verklaard duur ii;i(uicmji en iviaj^w {een ander zie bij tigt;ii(llij). hud/ij s KW. zva. quot;ti hij (trj/j en ii/i^hii .iviflw kn. een geheel, niet aangesneden stuk of rol katoen, korter of langer, of meer bepaald een stuk lijnwaad, genoegzaam voor twee bëbëds of twee buizen {vrg. hu (an). 1} u rj (Ui (kJ (tni (injj * ■ een streng van vijf « » (Ui\\ en dus van 25 {(Qiu ntui) wielsomgangen. — (Ui (Wh kw. zva. (i^anjjirLi/i en (Uj^iHii KN. tul geheele stukken of rollen maken, bij \'t geheelc stuk verkoopen; een streng garen opwikkelen ; en iets in commissie te verkoopen hebben uit de tweede hand, van een andere bakoel {vrg. ihh (amp;i Snhn/j);

zie verder op amaA^^s (L/hotxi/i^n

00 0^00 ,. ,

1,11 lui j \\ kn . (hn ilui q (hu (lui gt; \\ glimmen van veel zweet,

Rh. Prg. (inunjn^w (injjjMi n hIi luia% \\ {ook wel hu ijojii G.) kn. een veree* rende betiteling van deftige of fatsoenlijke mannen van jaren; ook bepaald van een volbloed Chinees (in onderscheiding van (un. .11 s \\ Vrg. iHyjj an \\); vóór eigennamen en andere titels veelal hij verkorting iPn {vrg. hu iPn). htjji 1 li\'fcij (hjrj an 2(ui \\ of iPii Ktejjj ny tf (üi 2 !l i \\ Troepd-dangsa. in^jajrKK^axi ern \\ de koopman , of koopman! fnjjj vl^ ^ \\ of nni hl^

mijn chef. Men zegt ook bij verkorting bv. ini ij n rj cm 2 ru/i voor urn 11^ ij tj o 1 ij an 2 iru/j \\ Oo/c zegt men wel ini err^ cru thii/j {kV n g g o e g at) voor lu\'n (Lii ort^ cru iun/j^ de aanklager, nfli on ih^ mi usii/ƒ n de

aangeklaagde.

00. o

h 11 tLui tun \\ zie anjjjnjiiw

hikvmnjn rli hti ju vu anjjskw. jaloersch op iemand zijn. G. — 11 (uvi 01 (rui mi ^/nij hu \\ onmeedoogend tegen


iauA

-ocr page 409-

1 HjXJ) (HTJ)\\

829

HU (LU

im. te werk gaan, verongelijken, mishandelen.

(Vry. lt;\'\'»wj w tri iMH dn) (rnjj \\ beneden)

1. kw. zie hij n/naAJjcmj^\\ 2. miha^ihiji

kn. levend, de levenoe , van God (Ar. H ajj o ên, levenden). Zoo (ui tu { gt;hn ,un oil (ut ajji am itnjj \\ (nini(tut(Hyis zie

\'ijwit(iiiwjj^ kn. last, een geioiyt van 28 tot 30 datjin. (ï^HiitcLitancmj^s bij lusten, bij de last. iim tj (hu 2 du nu anji \\ zware lasten kunnen dragen. G. intj j(tos en (u hjjjiunKW. zva. aojjj(tni\\ hv. injjjno (ui (hiij\\ of (U I\'^l (Hl (UI tLr{\\\\

ini ajuiHj (un/j\\ Ar. c h ij d nat, kn. trouweloosheid, verraad.

M/2nKN. half gesloten, van de oog en, ten gevolge van een gevoel of gewaarwording, ioi \'kxi tni £u \\ blikoogen, de oogen bij herhaling eu aanhoudend ten halven sluiten , ook van verrukking en opgetogenheid.

S

Ij HH l Ij (LU 2^ ZVa. \'tj Hll 2 Ij (Ifl g (bïl /J\\

Htl (lAj,IHTnjl\\- 071 (lA,j h tlJI \\ ZVa. (Ui (LU J bij l\'H (LU q w WW.

o O _ of) »O

HDiLunoi/i — (ui (LU(Hnjj\\ zie bij

hikwkhiijjs kn. een jonge duif {vrg. (ici ni).

im(ini^Hiijj\\ kn. iets van een ander wederregtelijk en zonder het hem te vragen voor zich nemen, in bezit nemen, of er zich meester van maken. ^ hu rj(lli 2 nstyi\\ kn. het geschreeuw van een kip y die gegrepen , door een kat aangevallen of gepikt wordt; ook van een haan, d\\e overwonnen is en het verloren heeft in een kampgevecht; fig. van menschen, het verloren hebben, in een gevecht, spelgt; enz,; ook naam vaneen wilde oneetbare monsterpeulvrucht, die aan een boom van middelbare grootte groeit y .JU. ijMmirj iLU iMu/j^ zie bij (im 2 7^ oju 2 iHvjj en (r^ Hiyti \'Ij iLVI 2 (Hlin\\

u n ij ili h ti \\ ,Hti ij (lu (hïi \\ tm tj (li I :ny^ \\ in poëzie voor

\'HU (LU tn HU \\\\ (HU ILL? (im l.tl \\\\ (HU (LU iHtl (Ht^ W

toj/jibujisKW. zva. (èinjjnj^^ (Ejijj\\ tj 101211 iutjj en

^ qt/

KtHU (UiyjW tOJJjlSU ^fU (i \'U T) (tOjj\'S zva. Vj (HU 2 (hJI lUIJI {of

Ujj ) (Uu 10 (El \\\\

ti ti (Wj mhji n kn . ongeveer zva. errt (i/u anyj \\ ■«— iniuuiaw ergens iets tegen aanbrengen, tegen aansluiten,

aanhangen; vereenigen met. — uiui/t(isutittr* een ö (j f

.Ar.

Ild/UIIHIJJ^

ohjed erg. tegen aanbrengen, aanhangen , erg. mee

vereenigen j zie ook a/na.ijc, ) \'

tot 11.1 iisu^skn. stijf, onbuigzaam j stijf op zijn stuk

staan; stevig, sterk, krachtig (vrg. /Hu/op nn(Vi ihu/j en iitj (to2(hi). (1$(lu iifTtrjttoi \\ iets stijf

of stijver maken; een zaak stijf volhouden, (iv?ilu

o , quot;) . ,

(Jgt;7/ (LU Mil H tl (HlJjS KI), van (üji (UI (l^lj (VI (UU Ij HU \\ zich

vermannen.

(hu(lu(mjix kn. ben. van een vergif voor honden, bestaande uit (tu^ai^asu/is volg. WW. ook van vijlsel van tjerruws, dat evenwel volg. Wh.gew. daarnaar gUngsa genaamd wordt.

dot (lu(tojj\\ i. Ar. kn. regelmatig, naar de regel of in overeenstemming met de wet of het regt (Ar.

gt; redenering, betoog uit de analogie, vergelding volgens de analogie). 2. kn. ontkennen, loocli-nen, of gedeeltelijk ontkennen, om iets tot verlig-ting van zijn schuld weg te redeneren. — ut llim Ji\\ veinzen, bedekt honden; bedekken, verbergen. hu (lli(ki\\ KW. zva. (Kiiui(utuj (Skr. kasdja, zamen-

trekkend, van smaak).

Hti luiLi/js kn. een soort van hakmes met een lang hecht eu eenigzins gebogen aan de punt; volgens anderen een soort van speer om visschen te steken.— ilt;ti (Lun^tmjj of (hu 101 (lu lt;t^i (hiji\\ zwerven, een zwervend leven leiden, {vrg. inniC^)\', ook tobben, zieli aftobben, moeite hebben , zich er niet door kunnen redden, daar de krachten te kort schieten.

KU Oj LU 2 1UIJIn k w. ZVa. •\' I Hl hIi nin i/j\\kn. taai, elastiek {vrg. uwqnnnsujj).

o • ƒ •■ 0 T

lu.LLi[(uyf (lli \\ zie bij HU(La\\ 1.

- )

HU IXJjj (Hlfj \\ KW. zva. /• tt (ïjLLt 2 (Ht/j Of h U HU tj 1112 dOJj \\

:Hti(iMiwi(mjj\\ zie bij a-Uj, tojj\\

hu ttuLLi r.n(mi/i\\KX. onbescheiden bij iemand aan huis fo

komen eu alles bezigtigen; vrg. (l u ti hi:njj\\ ioiu)(tin\\ kn. het beproefd worden; proef. — a?t m

(M/js beproeven; vrg. tjtuwuu\\ lu/jw

dcii lu (tyi\\ kn.; toji lu \'Fji uu (fjiji\\ ongemanierd , onbeschoft.

101 (LU (Bi (I5u/j\\ Ar. kn. de opstanding der doo-

den, de jongste dag.

hu tj uu £ i wjj \\ zie bij (uu tj illi 2 injj \\

o o

U U UUf l Httns zva. iUULLI f t I.U/)\\

co co \'

(uu,111 \\kn. 1. inspanning van krachten. ,i,u in\\ en

/. n 1, u lu \\ zich achterover buigen, W W.u /. u ajti \\

het lichaam van vreugde schudden. G. — ut(lii\\

zijn krachten inspannen ; met inspanning iets ver-


-ocr page 410-

o G)

(tW tlAJI \\

h tl if I \\

• , . Qv r»

ngten; KW. zva. (un n tijn iru o anj) en «r»

iaj! .1771 u kn. uit alle magt, bv. sc/treeuwen, van kinderen. — uv ju winyis zie bijn/rjfjw 3. ut) i n \\ alles nemen wat voor de hand is. ah /. n i n\' in overvloed alles opkoopen voor een feest. — mi u t in i}nji\\ plaats waar iets in overvloed te vinden is. — rn humm/js in het ontelbare, in het oneindige, G. buitengemeen , buitengemeen veel , in overvloed , (Rs. Tj.).

ini itn n kn. vast, hard óv. van vleesch van het iiy-chaam , WW. jig. volhardend van aard, Rh. —

r.i ui \\ aanhoudend bo. we enen.

-gt; . (?)

v(\\ kw. zva. Il/y r:ti\\\\

ïoi rf i\'ui of n toirjuhisKU. een waterslak,

dan \\ die zich in moerassen en sawahs op

houdt. — initi ii\'udï:}(Hyj\\ klier ach l\'uj of huilach-tiy huidgezwel, zooals hij huff els en paarden voorkomt , leggers ? Rh.

j u \\ kn, naam van een wilden hoorn.

yj wit tj i u t zie hii rj Cu?^ isrj mj/j0\\ ben. v. regt-opgaande zijgevels van een rj int n gt; t.n 11 Jj ^ gew.

van ij h ti (C/t gemaakt RI. vrg, ui ti j u\\\\

, ) ) O )

u n *yi \\ k w. zva. ilt; n rj yn ? n en if j ■»? ij h iuw — i i k ii

(f^jj \\ iets, zooals de vingers tot een vuist, zamen-trekkeu ; van een tijger, de uitgestoken nagels za-mentrekken {vrg. nu urufjji en rn rn /^). iia hn hu f ijj\\ passiej.

igt;ijj f-yj of i/M.Tjj / j^nkn. liet in het water liggen, zijn Of staan, hv. om te weeken, schoon te worden of uit te trekken. — niet het lijf in het

water zitten , om zich te verkoelen of te baden. — ii ,lt;Y*js iets in het water doen, leggen o/zetten; bv. bamboe om ze duurzamer te maken, te weeken zetten; weeken door indompeling , soppen ; ook met de voeten of handen in het water zitten. * il /. n een voetbad nemen, i^i myj pass. — mn dT^\'f i/js póót. in het water gaan zitten; in het water doopen. — r:inry^]\\ 7nv. van en in

iets, hv. in een pot gt; iets in het water doen of zetten. — i wat in het water gelegd

wordt. — /L/ï tii un FjI wji of iLi r t i.yf:yu)/j\\ iets waarin men iets in het water laat liggen, bv. een waschkuip.

ijnm ttji^ zie nat un fjiji\\

\'htt ! i kw. lust, liefde, begeerte, verlangen, kn. het mannelijk zaad (Skr. k dm a, hetz., en eign. van den God der liefde, den Cupido der Indiërs. Vry.

^ C\' ) \'quot;K

quot;T7(ut\\ (hit ^t nji^\\ en f t ij). un (t tu.t\\ eig. van den God der lie fde, u tt w (k/i iwi % \\ bijnaam van .Bafara Kala. ojinm(eiunim\\ kw. naar lust, naar verkiezing.

im f?t \\ 1. kw. zva. imrat {Sd. hetz,; Ml. wij, ons, met uitsluiting van de persoon ,101 wie men spreekt. Vrg. (FjI (S\\ en tw mt). 2. kn. een voorvoegsel in een aantal woorden gt; van dezelfde bet eekenis, naar het schijnt, als t. ti (ui\'\\ 11.

hit tj KN., »-n ^ n ki.; beter (\'rrt rn -gt;7 ^ (len mond spoelen, mondspoeling. — ajiiamp;i\\ iets in zich bevatten , eig. van vloeistoffen, waarvan iets van binnen opgevuld of opgezwollen is; fig. iets in zich bevatten, omvatten; vol van iets zijn, inwendig iets bij zich hebben , zonder dat het zich openbaart; koesteren (vra. iin f.i : ook de rand of zoom v 17 co \'

van iets vullen, omzoomen. G.). tirBj im water in zich bevatten; waterachtig; van water zwangere wolk. rn ; J rti ihn {\\ opgeloopen of opgezwollen van bloed, wanneer het ergens onder de huid verzameld is. ij f i \'m r it i :i \'f j ?! in iclt;: \\ een wolk door het licht van de zon of maan verlicht, volg. Rh. een regenwolk waai de zon door schijnt, en een regenboog gevormd wordt, h f i ui i een zin of bedoeling hebben, die niet duidelijk uitgedrukt is; oen geheime bedoeling hebben, in \'fji iifori Tij\\ drieërlei zin hebben, drie beteekenissen in zich bevatten , van een woord. r/V^ ii.i ri\\ een ziekten ouder de leden hebben. i .i\'E^ ■Li ilt; ti (tuji {(k/^ m^ of ij^sx n nstt uyj) inwendig bedroefd (bezorgd of bedrukt) zijn. in\'(=1 iisn rgi\\ binnensmonds praten. — t n ipm tij \\ (On rr^ nn %(un \\ iemand iets tot mond-spoeling geven; den mond met iets spoelen. — f ? i t 11, ti ii ij (Htt \\ t hi uj n gt; (un ij un \\ iets tot mondspoeling geven of doen dienen; iets \\\\\\ den mond doen, den mond spoelen met, L. (uiquot;jtij {of u)ijt?iuurty-n?\\ Men.) wat de mondspoeling bevat; ook de mondspoeling.

ini f i \\KN. groote zeeschelp o f hoorn, en het weekdier, dat er in huist, utt famp;ia/noji unjj\\ een groote platte of opene schelp. ilt;n (fji ern (ti^ \\ een groote digte schelp of slakkehoorn. uii ifji asn cui \\ een groote schelp- of hoorn:8lak op het gebergte, die i tuui


-ocr page 411-

331

O

n n ifJi q \\

h n ifjicrrn rvj Cx) l)

doet, volgens het bijgeloof, en een groot onheil voorspelt, als die weer plotseling naar zee wijkt.

Ui ,{ i ^ \\ kn. ; r.i it/i kiiabboleii, aan knabbelen , iets opknabbelen, kauwen, uitkauwen, K. 3, fi; tnsscheu de tanden vermalen als een prooi {vrg. ,fj (Bi gt;). — i i i}hl(En j \\ poó\'t. hetz. t\'h kj /. n fc) ■gt; \\ pass.

•) O O O O

zva. iiuniuji njicrnnjjf\\

vjdo: ztj iLid%\\KN. (hv(isiiart/j0 këtan met saus, ook wel zoa.

na • i.. o ^ „

y. zie bi] w(K)\\\\

h ii n (uj uuji kn. naam van een soort van kleine hekkens lij de gamMans van de Bedajd\'s{van nm nj

MV/j).

nti\'FJiSi^ of zie bij inf iy w

mi lit ims lloll. komm an den r.

f Vh

i. a in h i Oiji\\ zva. tun re/i yti \\ en waarschijnlijk verbastering hiervan.

hu :f i ia h t) \\ of tf mi i ij n:i i ik) ih» \\ en h ti iEjI tui nti \\ (/• lt;r-vi and a ka) kw. en kn. verzinsel, verdichtsel; verzonnen (S/cr. kdmandaka, werk of leer van Kfimamlaki, den auteur, zooals voorgegeven wordt van de Nliisjdsira, d. i. de Folitiek, een Macchia-oelli: zoodat men het door Macchiavellisme zou kunnen vertalen, pk.), ot i in hii f iixi ini\\ verzonnen wajangfiguren. — i » f i,yi /.»/\\ ij m\'vj/an ui hii\\ ij 112 fi alt;iam\\ of rn ij fou ihi uit {ij rnt u u\\ Men.) kn. verzinnen, verdichten; voorwenden, liegen, zich voor iets uitgeven, nnbu \\ een bedrieger, misleider, ij ó)? i^ij0 een leugenaar, n 0\\ iemand die zich valsehelijk uitgeeft en voordoet als een Vorst ^ u\'u2rjiuiit(uj ui/j een afgezant, die komt spionneren, llh. — uj) (tri 1amp;1 ihnini\\ het verzinsel, enz. n.i iLi.^i (inji0\\ doorslepen.

»/ un 7 n n i an 1,11 \\ zie ui) id iui ».w

\\ £-

O O v.)

un } 1 ij fffi (uyjs en isn /7 ij zva. (Ui 11 rj jm ttnjj

zie hjii i^j w t

o : gt; . c CY

\'h1( zie bij luiftpw

,ni\'l 1 z^e % finsyijW

\'• \'i gt;1 f 1 ij rrm f of 1. ^ rj tt 1 vjnrrri 2 \\ zie bij gt;f mi ipy n 2 w

tin ncrrn) \\ lloll. komm an do. — rif Kim kom-

Ci) \' (,i ^

manderen, zijn kommando geven.

\'\'*1 •\' 1 nrni ari f\\ \\ lloll. k 0 mm a n d a u t. — r,^ / ] mn ij \\ over iets kommandant zijn , als kommandant het bevel voeren.

mi inatn 11 naam van het levenswater of levend of o?tster felijkmakend water i dat bewaard wierd in

de put i tii Knt ui \\ volgens de Manik-maja (fikr.

(lt; J cj

ka man dal 0 e ^ een pot /oor water oi\' drinknap van kluizenaars).

un it icrnr- of uij timri \\ KN. weergalm ; ceiio. —11S/ iu •y\'n x weergalmen, van de stem, een echo laten hooren.

/. n if. i rj ,»rm 2 (ki/j\\ zie un ij nni 2 \\s

.hn n nr kn. naam van een wilden boom.

c-^

uil (Ei (hj/i\\ kn. — bi ei (ujjj ligt blanw verwen {van katoenen stoffen, niet van gestreept goed) — u n

(Ei ij (iqj)2 anjp zoo geverwd. (Tj.) WW.

OO ^ • O hn Eidin uirj\\ zie unrnn t t/)\\

Ce,/ -lt; LoJh

i.n (Ej 11 un/j\\ zie bij 1] (un 21 1 uu/j\\

uji f l i:) iu/j^ zie bij (U i 1 ii iff \\

un (E irf i Jiti i p zie bij tj «017L^ w

un (ei • Kn. lloll. kamef. — un ej quot;gt;»urup een kamei gelijken, een compartiment, 13. v. 13.

lunrf e 12 \\ zie bij rf (Ui 2 w

/. ij Ej \\ kn ■; /. y ej 1. tj ÉJ s geheel vergruisd; ook geheel aan flarden, van een kleed. vnae^uyEjuy Ep geheel tot gruis, bv. gestampt; geheel vermorseld, enz. zva. ilh (usw ij 1,n m\\ kn. y/r. h i mar, ezel, woudezel {org. ionin i\\).

:iclt; n tui\'* i\\ een muilezel {vrg. i nx/n iuf)).

1,11 E11\') \\ kw. zva. IfiEKYHW

u II El m \\ of un if i \'ti n k w. zva. urj El n I\\ en- ei tj (Uj 2 ihnjj\\ kn. ingeving van het gevoel, een stem in het binnenste; volgens anderen een stem, die een doode laat hooren (verschijning van een doode. G. Misschien van het Skr. mara, dood; een doode, een bewoner van het doodenrijk. pk); ook licht dat sommige slangen \'s nachts van zich geven.

un ej nr}\\ n. , (rf ui ij-n(un unjj\\ {of vi 1 c 1 uji na/j u h.) li., een rondachtige noot v. d. Alcujites triloba Erst. P met een zeer harde schil, die tot de Ja-vaanschs kruiderijen behoort ; ook de enkel van den voet, JR. 0.ü) ifii 12 ihp^ amandel. V« gt;f iü 2 uijf of 0(unn unff zie bij (un ui uii/j\\

urj (Enn\\ 1. zie un (En gt;gt; w 2. kw. zoa. i.iyf i jliw Un ij ie itj quot;n2 mj of ikii ij f 1 rj gt; 12 uifj\\ zie bij rj 1. n ij ijH2!iE}/j\\ — ui iEjI (tj ri 2 uj unjj \\ KN. nvt. v. e. bijzonder fatsoen V. IliLJlll/jS un ej nj 11 ihJijj \\ ongebr, j un ei n ï(Kgt; ~ * \'gt;lt;gt; /j ^ poet.,


-ocr page 412-

CY o

.//»/ (£/) (Hïl \\

832

(LI (L(l^\\

O Os n

un ifji (htji of Hi) i i injj. KN. van

schrik bevangen.

O\' o « O ^ i • / .) •quot;gt;

Mi it,i lt;iin ^ of Hiiif ^Hu KN. een kippcvioo {vrg. (hïioji

tiwaujl).

lin im n^mii/i of i,\'i^(U n^ndi/is zie bij nu i^.Ktijj^

O • / ••\' O

h ^ / (L/lt; flv»; s Z\'M OtJ /.gt;/ lt;ts^ \\

HU \'^f riiii 9JIJI\\ H

,UIM0. blik, WW.

ikii ijn/n ?\'M^ KI). (IM.) o/

tiiji vf mi 2 (i5iyf\\

O . ... D

i. ij tui nnjf \\ zie bij kii (un ff ^

*nl \'f llt;l^JI 0f ,b^NKN- \' ^ enz\' zva-

\' ^17 ^ enz\'

ittjifpui KW, zva. Kiiirui^tim {Skr. koemoeda, de witte waterlelie.), cu tisihKi^^^axisKii. benamiwj van een beschildering van een ifuiiifitn m/f op een blauw veld, voor mantri s en daarbeneden.


(HijiLin^iuyiMiN. zva.

rgt; f quot;) ) oquot;) - o)

ifii it^hhn ihi^\\ uu f y n nvt nafj ol » jrtiM ,u)^\\KN.

het geduld verliezen (yry. hu i ^ rhim iui).

; ) ; quot;) . 7 .. O O

liyif-iiüii myj en ih^m (U itn an i/j^ zie uij nri hui (rnjj\\

.l,lj{^ ll l^ (YIIJI of I-Ijj l^OTT^N ^2; 15f^ (YIIJ v

KN. ontbladeren. G.

/iv; (Ei 11 ■. naam van een verdicht offabelachiitj dier,

dat, naar men zegt, o/? (?6\'» m\'/ gelijken zou.

h ?; ^ (?v; :»lt; n^ 6»ƒ /. ^ ( vj y ^ in^vj

\'tj {lsjhlOIJj\\

d , O . O

/.y \'f j(ï^gt; \'^21/1 0J h,f]1\' V 11 zie quot;V \'tn^^ myj ■

7.\'» (^£/? ajiy]N of .inyhi n i njij^\\ zie bij ini m (U/j\\

fairf rf tui2 kii (Ki/j of i. ij ij[iLy ij tui 11|»

(Y^ ^Kiy rf (üi2lt;HV/j\\

sva- \'ic bii nnj (Ui rf m i ij lin inijj of ki^ f i rf ni ? if au ? iKiijfs zie bij

rf^Kiy Tf Uli Kil/f\\

kii iui if quot;ti i rni (Ki/f \\ KN. nm. v. e. slingerplant, (B.) en de bitter smakende vrucht er van, die geconfijt wordt, WW.

Kr^ iu^ir.ïj unjf KN. zva. KYjifj^un (hiijf\\ lladderen , door

lladderen gedruiseh maken, van ruime kleeren. Kri tui -ton 1. KW. zva. icn lUin\'niw 2. KN. gevlochten jong kokosblad, bij wijze van een bord gebruikt bij een bruiloftsfeest en offermaaltijden.

kii ui \'Yf^ \\ KN. de zachte doorn of stekels van de ghn-

bili en ghnbolo.

iiii[jl^(rn\\ KN. naam van een wild slinger gewas, met

vruchten als kleine noten.

tnifF^ inijf\' ace. pass. van tuil ^ kiij\\

irf KimujiKiiifs zie bij \'^y/N

o ) . ) ; ) • z.. O ) _

K ii *1 h n i. n Ni (injf\\ zie Oij iKii kii h ijf\\

iim .* i iui \\ KW. naam van een soort van welriekend hout, 1 \'■ V

waarmee gewierookt wordt, misschien wel zva. i:y ti]j\\ of zva. het Skr. k oen g koe ma, saffraan.

infj .uyu^ K^ zie bij \'

) , quot;) ) \' quot;)

\'KII If tUI ? Ml ^ N K N. hll If (UldftfUtf I 12 iWJfS zva. lllfKllt

KII (fl 1 id KII \\ Zie mi (UI (KI kii w

o o -» o O • i • • 0

hu iui (ia ag^. iuijj en kii ui tio tui ~ uki/j* zie bij m

O O ,

i.y riiciii.r kw. zva. an i^i\\ en KiKKj^anjf {vrg. i.i tui) j kn. sterk verlangen, begeeren {Skr. a damn, laagste, laag, gemeen). — ro (Ui (ici iui \\ kn. van een kind wenscheu, dat hot dit of dat worden zal. U. zich voor zeer gering (zeer onbeduidend, niet knuj) houden, B.I )

(ün tisri (L,uf \\ Ar. kn. de aanhef van een gebed j dun aanhef van een gebed uitspreken {waarschijnlijk verbastering van kh tui iUijf\\ Ar. , hamd, lof). kh if r i è asiiff \\ zie bij if ui 2 un/f \\

i\'tn tui ihii/j* goochelarij, tooverstnk j kii 0 goooho-laar. iftun iu^ tooverkunst.— rn m hui/f goochelen,

tooveren.

O ci

t\\ii ui iisiijf\\ kn. nachtwacht, de nachtwacht houden {vrg.

. cquot;) rgt; o quot;) o 00

.1.1 ifi/n è (Kjjjf). \'• n ui /Kr» f 1 N., hii s 1 isii ~^i lii \\ K.,

beambten van den Vorst, die beurtelings in den

omtrek van de kraton \'s nachts de wacht moeten

houden en de plaats schoon houden. Ook is hun

werk de rijkssierraden haten te brengen en de

poorten te openen en te sluiten, n ntf uii ri

O o cgt;

zie bij tuiirf .ui 2 (Hyfs hi ui iiw\\ zets des nachts bewaken als nachtwacht. — (Ui kii 11 ^11 arijf een wachtplaats of wachthuis voor een nachtwacht. kii ui ibiijf \\ zie bij am iui(Vgt;rijf\\ II.

Kij ui ihiijf\\ zie bij (ur^iui asnjf IJ.

) . . .. )

k 11 ii 1 (biiji \\ zie bij /. 11 iüii/f

O . j.. \' ~)

if kii 2 (ut toujf \\ zie bij ajt^ (Li (Vgt;n/f \\

if kii iif 112 teujfs k n.; if 1, ii2rftu)2rf hii i rf ui 2 (Liijf \\ bevuild, bemorst, met iets.

kïi (Wasr^njijfs 0asrii:m\\ een vrouwenziekte, ehronisclie buikloop. 0cri{\\ chronische bloedvloeijing, gew. na de bevalling.

liiuuivij ün zie bij asr^tuiw

o o O • 1 •• 0

i, 11 ui if tun ini gt; tun ail ff • zie b ij af mii 2 i u lt; w

of ** Wgt;quot;i«lquot;2/r 00*


-ocr page 413-

O O

inn (F/Iivgt;n(Yiicmns

im

. tj tij) (\\AJj

naam van een plaats in Banjoemas, waar goede sterke \'paarden gevonden worden, Rh. 1,11 lt;iquot;Uil)rmzie bij niin^w i.nfurtKit cmanjj- zie bij o^asiiimw

n (•-) (•-) C ) • j •• O-) (?)

uii! i •hu rn i i \\nji\\ zie bij (isncmw

f.w ■•ƒtoebereide, getouwde huid {vrg. hytu

leer touwen.

fbi rui it li). — d.i famp;i a

O o j. ) • )

1:1 j7/7n een obj. v. e. nu f i huji voorzien. — /.»;

\'ff iu:inji oj) i;i nminjj\\ tot deken ot\' dek hebben;

toegedekt; onder een dek, «leken 0/ mantel.

nn \'ht /1.1 y\\KN. zva. ij iji2 ij nn2\\ van het vleesch van

een mensch\\ van het gemoed , beklemd, somber;

{en zva. n?iLgt;ii/i\\ G,). ook niet spraakzaam, Rh.

— n 11 nn i\'fj) iu ioif\\ afgedragen kleereu. G,

/• »7 .fj ij in\\ KW. wild. fji i] run ko0\\ een wilde buffel.


dag van de weeh. Donderdag. Zoo ook nxtna hii n ,1^1 x — tfn/eibedelen op Donderdag avond, onder het reciteren van een gebed {ri axi 2 gt;.111), door de santris, zoo het heet, lot bekostiging van de olie voor de lampen in deplèsantrens {vrg. ( m n ki/j).

i i^rim/l of ij Hii i(amp;i(KJijf\\ Ml. gt; knevels. /.ij n 1.5\\ Ifoll. commissie, onderzoek ; ook

nrj 7 iji inspecteren.

h\'n in ^1 on/js Ar. het Pinkster tees t (Ar.

i^xc gt; ^fie8^ vau ^en vijftigsten dag).

ö quot;) • iquot;

mi f 1 i i ni n /,.y nfi/j zie hij ij 1 11 (tui a

a 111111 -ïa rnjj \\ zie bij 1.1 \\

1,11 /i l 11.1 itni/j v zie bij itJt oji ihn/js

kii/r] ij n.D 2 ij(K/ii iri uijizie bij rj ut?, ij 1 1? n ijj\\

Q OO O • O

ii 11 * 11 } ui rrfi mji n zie hij ui 11 rnjj^

-gt; O . ...

nn 1F/1 fKi nji s \\ zie h\\] tvytutw

un ! 1 ij uiz (injin 11 nu ifji ij fj) 2 ikiji\\ zie rn rj 1 /11 w

a • / .. o

ifji \'ui n(j \\ zie bij ui ijj w

Kil rFjJi Dl Hill fj of hll \'F.^ UI (ISII /j \\ zie bij 1,1^ IJ) HLII/J lt;

0 ; ) O

n ii if 11:1 n ) fK i nn ij n zie hij 1 ?/ r li o j) /j \\

ini 11 FDi\\KTS. naam v. e. Chinesche kost, een soort

1 gt;1

soep. lm iin niiji0 een scheldwoord: hoerekind ! nutij)irh)/js 1. KW. zva. lu kifi^s 2. kn. ingezouten, van eijeren. — i:nh)iijij)\\ e ij er en inzouten ivrg. i/iKiJianjI^ (OOSMJI).

ioi iii\\j)n\\ kn. klam, vati het lichaam of van de kleedereu bv. door sterk zweet en; zamenklevend; het leng in meel, rijst, enz., als die kleverig za-

menhangt, het tegenovergestelde van ifJ gt;i\\ {vrg.

OO Q O \\

hiinai.ixjiji en (W)iF.wh)jj).

/.jVm/m^nkn. de haarkronkel aan de wangen v. e.

paard, \\W\\.{volg. WW. aan het kakebeen). — nu

S ii^iiinji de wangzak v. apen.

101 r j luqsKN., a5) innjiyjMHi. iets waarmee men het

geheele lichaam bedekt q/*inwikkelt, deken , mantel;

omhulsel, dek, los dek over iets {vrg. n n ifi 2\\en

\\hJj) lgt;i( i jij) zich dekken met iets. — in ^ i^isimi

n ) .

ii 11 :Fi ij 11.)2^ KN. 1:11 hii/j\' Ki)., naam van een nars van verschillende kleuren, daar kris scheden mee verlakt worden {org. ojd f nj 11.12 ■). — i\\ 11 (Fjiiju 112 \'tPJIs ,n^ verlakt, van een krisschede.

n 11 F) rj nu 2 nn -rn 1:11 \\ rood verlakt.

i.ijfinu. 1. zie bij nn iu^ I. 2. kn. karbonkel, een kostelijk, denkbeeldig edelgesteente, van een bij-

zonderen luister. {Het wordt verklaard door \'F^ ni

o ) 1 o ) ; .

nn en njii jnnn/j urj f 1 iti nji n\\ zva. i n jn nn ■; \\

topaas. 3. naam van een welriekend hout, waarschijnlijk een soort van* Aloëhcut {Skr. koe m dr a, de aloëplant). 4. k\\v. zva. nh /lt;niit^npn \\ {Skr. k a-mala, lotus, waterlelie). — nn ifj) n u nn iru \\ zie bij nn id\\ 1. — nn i.irh)\\ als een nninnnuw nn n^ajïj\\ v. nnj njij\\ zie bij un n j\\\\

n ij (fji tri 1:111 zie b ij 111 rm w 1. ij (F ) rj nu 2 in \\ zie b ij 11 rj nu 2 n 1 w uij.finnyKti. loopen , van veel menschen bij elkander op een plaats.

nn (Fn (Pih /ui an/j\\KN. naam van een groote spinnekop , tuin- of boom-spin, zwart en geel gestreept, met een lang achterlijf, somtijds een halven vinger lang. Be web draden zijn gedachtig en vrij sterk {vrg. un ij (hn nu/j en nnri in de T.P. ook

(miirniihiu geheet en. 2. naam van een boom, waarvan de boonen bij de sambH gegeten worden. uk nï {of ij (un2 ifj)?) ,ini gt;u(?n) rn nnfj\\ een spinneweb.

i quot;)\' • 7 ■ • * 1

nn Fi rvj Tj ~n 1 ^.n nn/j\\ zie bij un 11 tj ij nniFji un \\ kn. naam van een wilden boom, die een trosvruchit heeft, v. kleur en grootte niet ongelijk aan onze witte druif. Van het hout worden gr off e houtskolen gemaakt.

inj amp;)nui ini % \\ of urj f] ini gt;\\ KN. zich voordoen als

iemand die veel weet of kan.

uh fi un lunnj kn. ongemak hebben van een overladen maag, zooveel gegeten hebben , dat men er benauwd van is of bijna van stikt {vrg. un j^i hn (U) nnji).


-ocr page 414-

no

(HH if i tm aj) onjjs

/. u ri /. n dJi wjjs kn. verstikt, van een ni dat uitgebroeid, maar waarin het kuiken gestorven is, en van zaad dat uityoioopen, maar waarvan de kiem doodgegaan is.

O O ) •„ 7 •• 0

uh it\'i»t i nn v,n iui^\\ zie bij itvi nn htyjs

hu irji (i\\fi i asnji \\ zie bij tf tu t

H)) tM aj) \\ zie bij nn oji\\\\

•hu (fji gt;1 /O) \\ zie bij (un rj (D) w

hijj ^ fi (Ut \\ zie bij ij am ut w

kh if jtajt un uo/js kn. de halfrijpe tainarindevrucht. lin iMrjazt (hvt (hnjj of nn f.i ijnJi hji mfj KN. naam van een parasieiyewas, dat met takken groeit en soms

bloemen en vruchten voortbrengt {vrg. u^i f i).

t c)

kii üi ili(ni\\KW. zva. (tma^tiMns

O ) / ••

uu if ilt;rj cir}(injj^ zie bij loj. rn/js

kii y it i2 ij ili? nf i (inji\\ kn. vol, over verzadigd ; Jig. ook

vol illusiën , verblind.

i\'ifryty* of i, ^ fyi i, ipKN. ingebeeld, verwaand ,

trotseli , opgeblazen; ingebeeldheid {vrg. gt; i^ ifJ criij).

o Cl.

UII 11 \\ KW. zva. nrni?r:in\\ (IJl tji % \\ yiLnin^w

n . 7 .. o t ij kii (En wV n zie bij am f i ^i w

un (fji \\ l. kn. in het spel alles winnen {loaarschijn-lijk acc. passief van unifi - /?). 3. ki. zie i^io?ij

Ij (1X1 2 (IhlIJI \\ ■

O O ) 0

n n iamp;t - i ? n KW. zva. kii f i w ro

nr^/i of ki^ (ta Jj kn. Holl. compagnie, d.i.

I. de voormalige O. 1. Compagnie. 2. volk van de Compagnie, Hollanders, Europeanen. 3. een compagnie soldaten.

rj kiii (tyi\' of in^foi --j\\ (kompra) kn. een gemeen mensch, iemand van de laagste klasse {vrg. ojn n

.□/\' et/ • 7 ••

ku iFj) \\ en kii w? t) (ki/j \\ zie bij i n n - / \\n vf (kv 2 (Eii ^jj\\ rj kii2 (Ei \'Lij \\ Holt. k o m f o o r {vrg. i/n ij ij vn 2 \\ en kii m (htjj).

Kn rj w i~^2 q \\ zie (fni ii[Mgt;2 s\\\\

o . *a

im(E/tnj^n^cmjis zie bij

utiij/Ej}i ^thnji\\Kli. een soort van kleine vleermuizen,

met een dubbele neus , Rh.

iai tj (fji {^\\2()Jijj\\ KW. zva. nn rrn in/j^ KN. spr. van iemand wiens taal of beloften niet waar zijn , en geen geloof verdienen ; blufferig. — irr» ^ (e^^j)2(fj)j^\\ leugens vertellen; opsnijden, winderig spreken, bluffen.

fcli (fji ( kn. klanknah. voor het geluid als porcelei-

nen of metalen voorwerpen vallen.

iai F.i of kii ij \'Fii^? \\ kn. klanknah. v. h. geluid v. //. slaan in het rijstblok j luidruehtïgheid, ge-druisch, bv. van twistenden.

Ki^Fii^js kn. onnoozelj dom, van weinig doorzigt; onhandig, onbekwaam.

vjKn2ij!F.i[J4)\\KN. een jong hert {vrg. Qijii rn wjj).

rm (Ei Knfj\\ kn. 1. groote bijl {vrg. uidh). 2. roever, een troep roevers, die bij nacht met geweld inbreken en rooven of stelen, in kleiner troep gt; dandle rj kii (u^ genoemd worden R. {vrg. ifmi

kn/j^ In den Oosthoek, {en aan het noorderstrand K.) van Java, heet en u n (ej Knjj zij, die te Solo rj un (kti (jn-noetnd worden). — vn ifi -ji kii/i met een kampak hakken of kappen; des nachts inbreken en roof plegen.

kii ,lt; i Si thiyi\\ kn. j ki F t Ji Liijj iets onder den arm honden, dragen, nemen of steken; iemand\'\\\\\\ Aew wnw hebben, naast zich op het bed; volg. Rh. cig. dragen metdcarm tegen het lijf gesloten, want ook gt; ] kii iu/j bet. de beenen gesloten houden; en iels van ie-mandm commissie ontvangen om te verkoopen, en iels voor iemand te verkoopen hchhaw, van een bakod, {vrg. od/ij?\\ bij kiiaivj gt;).ht:ht Sn(ffltrj int\\ iets te verkoopen geven aan iemand. i.n ,f t Si i^n anjj*

wat iemand in commissie te verkoopen heeft; ook

o o-K. van (uttnnnw

(aI

iiii (Ejt -J^.i5iijf\\ kn. geheeleual, van het e^ne einde tot het andere, bezet, bv. met troepen; geheeleual, vau alle zijden, aaneengesloten, van een omheining of omsingeling; geheel afgewonden , van een streng (jaren {vrg. lE^ u^isttji). ii Ft geheel omsingelen. — tt Ft ^nnflttj Krt\\ iets, bv. een ringmuur, geheel gesloten maken.

rj (En ^t 2 tisn/jsKS. scheef, niet haaksch, uit den haak, van een zijde van een voorwerp vergeleken met de andere zijden, JR.; volg. Rh. een holte of deuk, en ingevallen wangen hebben door magerheid {vrg.

O . V

un ij(En~ji2).

Kit fj^nsnkn. met de beenen digt aan een gesloten; van Javaansche vrouwen gew. uit schaamte, van daar ook beschaamd (A.S ), Rh.

O 3v . )

Kit (Fjt -.n (istt \\ KW. zva. rj am ? vm \\ en ^ n ij cm nii i n »\' ivgt;n/i\\ schudden ; in schudding of sterke beweging gebracht; hevig ontsteld of verschrikt {Skr. kam-pita, schudding, beving, trilling. Vrg. (Kttaut en hnnjt 2.). — [nj^ utt (E/t St nsrt \\ sterke schudding; daverend geluid; hevige ontsteltenis; vervaarlijk {vrg.


-ocr page 415-

O O

Uil tamp;t ^/i

^ h n (t l ~i).

n.} i (Mjj^ zie bij tvu m ^ i (Myy \\

„tuui^Mjl^ zie \'\'ij

iiiivi m of iSi ij m ~ i iijijj\\kx. slinken, plat of

dun worden, bv. van een blaas, gezioel of zak slonken {org. en rffti riaji ojiji).— m \'ƒ

ti iamp;)-jioji rj kti \\ iets doen slinken, enz.

) ■ quot;gt;

:kii vj KjI UI 2 an/ls zie

a ■ ^

Uil Ij (BI - I N Zie UII tf (tjl ^1 (MJj \\

O O ■ 7 • • ^

hii rf i i iuji en ii ti (f.\'i ^ i ii.i ih^/j\\ zie bij un t i i iuj ^ hii (fa-Jl tu/j\\ kn. , h ii tu ^(Eji -j^ ruijf \\ iii een golvende beweging drijven. — un (ijkbi ^ iu/js freq. Tj. — un (Et iamp;i-Jitruji of i\\ n \'E/i (FjI -ji idi^ \\ vlottend op het water drijven; vlotten gaan, vlot worden; ook stuiten, er niet in- of doorgaan, bv. van een

halmes of bijl, daar men mee hakt.

) O C)

mui i - itu/js un (Tji ^i 7i i/j\\ zie i.i^ *■.

un (fa kn. naam van een kleine gong.

un \'hi^tujji v kn. I. naam van een aardvrucht Colo-ensia esculenta, soort van aardappel, die gegeten cn verbouwd wordt (vrg. unrrnj). 2. een linnen reistasch , bv. om sirih of geld in te doen (vrg. tj iw 2 IJ (FA ^ievujj 2.).

laiiFji~ji(wiji\\kn., iïn (amp;i iuji en tin m - j kd., te /.amen, zamen bij elkander; verzameld, vereenigd , vergaderd; /amenleven (vrg. niytj -yun/i enij^uty ij fji ^ i f iu/j). kj si \\ » » fji zi tli/j zich verzamelen, zamen vergaderen; zich met anderen zamen vereenigen, zich als tot een klomp aaneenhechten. — nn fi~ji ili ij /. /; \\ ki /amp;) ^ i riyi h n ddfj^ doen of laten verzamelen ; zamen bijeenbrengen. —

\' \'h\' \' ^Jlt \'\'ïlquot;n/1 en üh \'F* ii

\',V Ktj) of uli uil ifji Zji .rui afiji\\ met een ander of met elkander zamen zijn; omgaan, met anderen\\ verzameling, zamenloop, van menschen; troep. — im ^ if i tri wjj\\ m h n f i -Zi /ryi (hi/j\\ verzamelplaats, vergadering; in een vergadering bijéén zijn; troep, hoop, bende, van menschen.

7}m 7 t txiji \\ kn. kuit, kuiten {vrg. bittpiM/j). i]ntit tf (F t kn, 1. zie tf itwirj ifji tujj\\ 2.

een zak van im tj m i \\ daar men rijst, katjang of aardappels in doel {vrg. ioi ifji ^ailijjs 2). volg. IMi. ook koperen duiten, van daar rKi0\\ een zak koper, gew. ƒ 25.

o _ .

quot;quot; kn. kabbeling, van water, u ti fj f mi

i) (_0 ,j o f

h tl (fji zji \\ ,5iS5

\'FAyis kabbelen.

/. it (Et IVn k n . goed in elkaar, goed zamenhangend ,

vast, massief, ongesehou\'len. Rh.

nn (Eji Ji \\ kn. 1. ook ihtt yj:fi klanknab. van een \'

slag op een houten voorwerp;^, bedrog, oplig-

terij. — ibtt un (ijl / ? - \'/?\\ overal geklop , Tj. —

/ } ifa J? \\ iem. slaan; fig. iem. bedriegen, opligten.

2. het in de zon gedroogd worden; nm. van een

lekkernij. k-.t u \\ hard in de zon droogen ;

ii ti (F t \\ bereiden.

n ^

ini tj /Ji^nkn. het slaan of kloppen oan geweven katoen op een dikke -plank, vóórdat hel qehatikt wordt, en van de schors van de gloegoe, om er papier {(lciiruiah) van te maken; ook naam van een soort van gamelan van hout, in Ba gelen bij de danseressen in gebruik.— ?. n (fji \'? i (i~i ari^ \\ een breede dikke plank, waarop katoen geklopt en Ja-vaansch papier bereid wordt, zie bij uikfi Ji* 1. tj ktt gt; (fa ri \\ en tj unè nrjuttd Fi^ \\ kn. kabbelen , van water of andere vloeistoffen; een plaats van iets waar veel water staat of waarin te

veel sous is. ook n /. u / -■ i O» \\ onvervuld, vacant;

(ri \' \'

bv. van een dhnangschap ; wat liggen blijft, waar niet meer aan gewerkt wordt, van een werk. In deze laatste bet. volg. Rh. eig. tj un ? tj f i 2 zie rj (ti/i2 ij ifj) -Jï 2 en vrg. tj ni2 n ui2\\\\

hinEi^jp volg. Rh. het instrument onder /.u 7 1 .}j

opgegeven (komt 0. a. voor in Tj.).

un !j1 Ji j^ kn. naam van een muziekinstrument bij de móng g an g {en tf ui tj ft 12 (tm/j^ Rh.) dat op een bonang gelijkt. r?t (fi Jjj i?i gt; met een kemp-joeng accompagneren; fig. twistenden of ontevredenen aanzetten, door zijn instemming te kennen te geven. WW.

utt fieen omheind erf van woningen; een wijk; en bijzonder fatsoen van gebouwen , namelyk met regtopgaande gevels {vrg. tu (fiw Jdituyj). rj(ijrt 2 (Ei j hti tFji~jt\\ ecu huis o/* gebouw van dat fatsoen, ook een huis van geringen in een wijk , in onderscheiding van de huizen van de hoofden, die meer af-ge zonder d staan, tj t. tt 2 oji h ti if i j:j\\ kampoeng- koffie, koflie in de kampoengs gekweekt, phgör-koflie genoemd. — hti i,ti fj ^lt;11 (rnjj of (uiaoi (Fji^ tm (rn/in do kampoengs of wijken van een plaats, utt iFji -J/js kn. de onderbuik, van een mensch {vrg. lj


-ocr page 416-

386

O

(Uil VJ (e/ï gt;

C )

ntl (ed \\ (O

(iaj^ gt; ttni an/j bij (Uij vv^ ? .).

ïai gt;i fjt J? \\kn. (1(5 zijde boven de heup (w^. gt;j, tj tfji Ji); ook een {volg. Rh. holte gevormd door een) vooruitstekende pnut of uithoek, bv. van een klip of rots. iiai rj (U J? ?nkn. ingevnllen wangen hebben dpor tandeloosheid; tandeloos (vrg. h n ij m Si i \\ en rj n/n i ^

IJ ffJI-UI?).

(htiifji(win kn. de rand van een batiksel, zie (uivjimw ifai /SdS n lloll. komedie.

L ) O O . O

.hn(f-j^(iji\\ niyF^in\\ zie (fjjhj)\\\\

fin karbouweblad, naam van een plant,

Urtica stimulans, die een brandende jeuking veroorzaakt. itsyamiKn/j0 scheldwoord, PJ., Wangs.:

im rit i.i - }(n (eioa^^w h) gel ij k

een karbouweblad; een beest met karbouweblad prikkelen; een buffel, die tot vechten met een tijger aangeprikkeld moet worden, met water, daar karbouwobladen in afgetrokken zijn, begieten.

(icn Ti (FA ii£\\ \\ Port. c ami sa, hemd; ook wel voor lt;rj ieji

n£lt; \\ tafel. /. n iu /. n n w ik - een hemd of een overhemd.

quot;.co \' J

tm tfft if: quot;hn kn. gew. ben. v. d. nj) ij n (Tj.) Rh.

»m (Ejkik iiiLn\\- of igt; n iamp;i lij) \\ zie bij nnrnw do) is/iaof nr^ifr iim^s zie bij nm tinjjj\\\\

uil (f^i n vi zie hij iei i.ih w

uitbreken van zweet, zweeten.

O . O • • r ..

famp;i un \\ en nn E/i tut mi(mjj\\ zie bij m luw zie bij (EAOJL^w

XJtl tj IUt ^J)2\\\\

(fin (Fji n (e/i~jt 2 \\ zie

iiw (E/i (Eji -^ ru/js zie bij nn tnji ^rujjs nn \'f-Ji \'FjI ^,i \\ zie bij i/n (fa w iai ifji ièi of inj f/i (èi \\ kn. nm. v. e. hoozen geest. hoi (fji cm iinji of v fji m hijj\\ kw. zva. hu fi rj-n? rn ff^\\kn. benaming van een gamMan, die alleenbe-staat uit de rehah, ghidér, kMoek, kiïnong en gong, terwijl de krbmbng en sar on weggelaten worden , Rh.

O O • 7 .. O

uil iFji mi iti anji \\ zie bij cru rui \\\\

O o /o \\ y O o . 7.. o

hii (fji cm ii/KHjjj (u-.) of i.y fi cm ili inji^ zie bij rn ili w

mi cfji cm /j\\ zie bij ifa mi (iman/j \\ G.

■gt;lt; n (fji \\ kw. zva. fijaJM n ■ n g tenjj\\

a . ry

uii (FjI \\ zie mi mi w co co

un (fji \\ I. n. zie bij cunamp;iw 2. kn. in menigte uiteen

cc/, J cci 0

gat komen vliegen en zich verspreiden , zooals van bijên; uit elkander stuiven; naar alle kanlen de vlugt nemen.

u n \'Fi \\ kw. zva.njiaxiwiin. flauw; Hauw, laf, van een

co 11

kost; flauw, wat geen belang inboezemt; met flauwheid, koelheid en onverschilligheid; niet met lust; llauwtjes, met traagheid; flauw worden van iets, bv. van het aanhoor en van een laf verhaal, of van alles wat iemand begint te vervelen (vrg. i ilt;fi}\'i en 11 gt;1 r.ri j). 0(ï7^ c3/npraatzuchtig; ooi snoepachtig. un fa uli mi \\ min of meer ouverschillieheid Kcvot\'-

CO CO DO

len ; met min of meer tegenzin iets doen. — \'

iets beu zijn , van iets met tegenzin zich afkeereu.

) 0 ii • Ci cv o o

un i / kn. een kleine :uu 11 \\ iuv uiig iidji? un tun n i\\ co ui \' \' (o

als kikkers in een foi , nl. zoo digt opgestapeld, (A.S.) Rh.

uu ii^ \\ kn. een kleine ;^/\\ een luijermand ; en een cilindervormige visclikorf, die de visschers met kruis-

net op den rug gebonden hebben. J.R. zie uii fi i.ip

D . j, O O

u tjj g? n kw. zva. (rn rj (y rj ?\\ oj (Ui ui(i.ji ? \\ en xni cirn gt;

kn. gelijk van grootte en gedaante ; twee dingcu van dezelfde soort (en de kaken van een beest, G.); ook eign. van een JBoeta {Skr. Ic o e m ba, een pot; een knobbel boven aan het voorhoofd van een olifant; een eign. van den neef van lidwana, als \'Raksjam beschouwd). (aidfj^ui^^As twee dingen van dezelfde soort tegen elkander stooten, q/\'twee gelijke personen tegen elkander laten kampen. G.R. volg Rh. de twee hoofden van zijn tegenpartij tegen elkiiar housen , zooals Wrekodara doet, als hij door twee boetas wordt aangevallen, onrj.^unrrn\\ eign. v. d. jongeren broeder van Rawana {Skr. K o e m b a-karna) ur^ fj^ uji ui\\ eign. van Drona in zijn jeugd {Skr. Ko e mb\'aj oni, één van de namen van Dróna. pk.), ^ r / \\ eign. v. e. zoon van

Koemba-karna {Skr. Koemba). Ook zijn

irn (hi \\ of i, n f i ni ui \\ en ui na un fa \\ of uit fi n l co (l co C7 h CO J C\'co

(vi \\ namen van twee stukken geschut op de aloen-

aloen te Soerakarta {Skr. Nike emb\'a, eign.v. e.

gpon v. Koemb-akarna, broeder v. Koemb-a. pk.).

/.7^\'1\\kn. ontkennen , looqhnen, bedekt of geheim

houden, het tegenovergestelde van rm un {volg. Rh.

niet de volle waarheid zeggen, iets verzwijgen,

B.B.); vrg. (é^rm. it^ii (faujs iets ontkennen,

looclmen, verborgen houden {ook zva. rj amri faw

van rt cum 11 *i).

\' \' co\'

I fi kw. zva. (i\'Jiioi in luijj\\ ¥

v. katjang met suiker.


-ocr page 417-

(HYi (E/t { v

„n f-ir S,V 6v

(C\\y fn

Mr.\'/; kn. weêr terugkomen, van een vorige ziekte; weêr instorten van iemand die. \'pas hersteld is \\ fig. weer tot een vorig kwaad terugkeeren o/quot;vervallen.

_ , i w j dm ij miN eeu ziekte weêr doen terugkomen;

\'iemand weêr doen instormen.

/ w s} gt; \\ kn. een wasscher , B.S. gew. hp: rgt; n ?\\zva.

h CO V V flCO

of iet\'\'*00-

als Heer en , wassehen ; met water schoonmaken of door middel van water zviveren {vrg. fji ^;).

ZVa co\' \'^oe^a71^- — \' ^

n xunrt het een en ander wassehen, aan het

co\' VCOS

wassehen /.ij n — ^ ^ ^ 1 twv. — ajr^ f $ un (kijj \\ het gewassehene ot\' te wassehenej wasehwater. — ,17/ plaats om te wassehen ö/te zuiveren.

mj ! j ^ n ongehr.; tgt; rj % un trijj kn . afgemat; een geschoten wild , nog levend of ook dood; een op bet drooge geraakte visch ; een door het vechten met een bnficl vermoeide tijger; verergering, verslim-mering; en weêr instorten, zva.

tniri fot? zie hij nm \'fjiw

1 Squot; To\'\'\' /■ \' gt;

h H ! 1 },yj\\KN. , l\'H \'tf fl j) of 17 FJI hfl /Hl/J \\ KI. ,

borstkleed, een lange hreede strook, daar de vrou-wen de horsten mee bedekken. 3 ui iiJj tni/j een soort batiks el (Tj.).— ».?ƒ t ni titw \'fj iemand een borstkleed aandoen.

rj un 2 ir^ onji \\ K w. zva. rj /«ti ^

un /?,i u) \\ Kw. zva. i n gt; ï) un i h w

co

gt;lt; h 1\\ kn. elkander gelijk zijn of gelijken, bij elkander passen of voegen door gelijkheid, gew. van twee, maar ook wel van velen ; paar, wegens gelijkheid gt; paar, van twee gelijken; weêrgft van

iemand of iets; tweelingen van hetzelfde geslacht

/ O o . Q» . » o quot;)

\\vrg. unims mi ris ^inrms en iui ki). tn iuw?

co Ugt; • *

tweelingen van verschillend geslacht, welligt zoo

genoemd omdat de veel heeft van de tni

m ij maar alleen in kleur verschilt. Rh.; /. n \'fi it i ifü \\

co

twee trossen bloemen en bladen, die bij een bnii-

loftsoptogt voornitgedragen worden. —f)\\iemand

of iets tot een gelijk paar maken met een ander. — O / d

bij iets een gelijke ot\'weerga bijvoegen ; aan iemand als tegenpartij ot\' kampioen zich over-stellen, om met hem te kampen. — htt paar van twee gelijke , maar niet juist bij elkander behoorende, voorwerpen. Wangs.: ia t ) \'amp;i ti/j /. u -t#

O z\'

fa n (£ji lt;» lt;gt; i

C(i

cl ^ o n

1.n rt anjj zzz i ^rj /ji ? en lt;lt;7/111 h n nj

iamp;i Ti ojj \'JU ui tut lh ;\\ (\'S.

co II

un fi \\ KN. naam v. e. zee visch , WW,

1 S

rj mt i ij 2 kn. wijd, slobberig, meer dan gewoon wijd, van iemands k le ér en y vooral van de pijpen en mouwen {vrg. \'/ en \'I —

rj r.iiij fus zva. rj vri\'rj it/ii 4 nat maken, met water begieten, èv. tot verkoeling-, een paard met gehakt gras en water voeren. — rj i.n gt; ij tirnnn/] • gehakt gras met water , tot voer voor een paard. inji ji nti/j zie hij

quot;) Qv . \'

/.// v m\\KW. zva. (U)iU)\\\\

co ,

h u if i /L\':ii/)\\ zie un f i (isu .^

co co - \'

■) ) quot;) - ) )

hn ff.i i n tgt;iyi oj i.y if 1 i n l,i)/j zie hij hh i:u ii njj\\

a 00.

1,11 f im/) en \\i!\\i\\i\\Ylt;\\.zie un 111 gt; i n in gt; \\ — /.»/

CO co \'\'.

O O

nn iini) en uiri m? mi ffi 11 u}a/)\\[\\l. van \' 1 gt;i uiu co 1 \'quot;xo -J\' -■gt; 1

•un ^/11 ;im; i 111:11 gt; \\ zadeltuig , paardetnig.

\' quot;cq ni/l\'KN- vereenigd; gezamentlijk met een ander

of anderen. /.»/iejI ni n.imjj\\ /amen, aan één tafel

of uit eén schotel of van een bord {vrg. .\'.y ; 1 ^

luji .isr^ 111 u ijl en un iu n mijjj. hii quot;J ^ \'* \' \', \'n van

lengeen, met wien men /amen eet, L.— uim iu

zich met iem. vereenigen om gezamentlijk iets te

verrigten ; iem. bijstaan , helpen iti het werk ; ook

weerstaan, zva. in m mn — i\\n n n nc}/i\\ kame-to lt; lt;1 quot;

raad, met wien men gezamentlijk iets doet (vrg. tf r)i ót); met een ander of met elkander gezamentlijk iets doen.

/. ri fT? nj \\ 1. kw. kroes, gekroesd, van het hoofdhaar.

2. KI. van yj ik tj rm.üï/^N volgens G. en anderen

o

van «rrj /ƒ 1 1 ? ojjjj zva. n uur)jj\\ snine; hj^,ui n i\\ waarschijnlijk zva. ik uu r {zie bij i\'H^A \'f t)

eig. vorstenbloem (Skr. koembald, naam van een bloem, anders m o endit ikd, van m0endit a, en dit van m 0 e n d a, kruin. pk.). De Dalangs gebruiken de uitdrukking: uii hii /. »m ^ ar/n /. n rj axi ?

djjiiK h iuf 11u \\ voor die met den hoo^sten eerbied »» (ico 0

ontvangen wordt. — K^tutus gelijk knevels; knevels dragen , G.

1,1^1! 1 ilu Ml. terng , weerom, t.y 1 i?i ij i.it gt;u of 1,1^ ut iLiti^ »/\\ kw. onbeleefd zijn in het spreken. G. Vrg. ui mi^t-mw iiii :yji.ti hii/j^KS. ben. v. e. dans bij de santri bi-

ra hi in zwang, ZG. 1872, 241.

h tl II :f 12 1« \\ zie 1 il II 111 IK w

\'CO \'CO


-ocr page 418-

Kil CM (LVI \\ 0CO

O O . , v

/.j^ o Lu^ KW. zva. un en ult; r.^ir.i (hnjj yvrg. hij g?).

tt kïi f }} rui\\ KN. zva. cmfi Luw \' co fo

ww^inkn. het drijven , het boven water komen: wat co

drijft, op het water dry ft; dobber van een visc/i tuig ; vlot, drijvend , van een vaartuig, hti N,, dobberen;^, twijfelachtig, twijfelmoedig; bedrieglijk, valsch. puimsteen, nm i^wi hu een paviljoen o/* lusthuis op een vijver. —

zich boven water vertoonen , boven water komen. — iiKriijtrfnn^ iets op het water doen of laten drijven.— boven o/op het water drijven,

fig. zva. afhankelijk zijn van, zich on

derwerpen aan, W. I., 293. (fj)0^0^ naam van een zangwijze. un \'(\'rr-KHi/js iets dat boven of op het water drijft; en K. van rjhti/i eend. njvj)0\\ naam van een eiland aan de zuidkust van Java. (ugt;Sn liTin\'iièr overal op het water drijven. — ww(Hi/j\\ zich boven water houden, van, een menigte menschen, die zich door zwemmen half hoven water houden.

(P) G) \' iquot; •

ui)(Ej1\\ en Ktiiet(i7itHi/i\\ zie bil mi n,i\\ en hu tuw co co ^

khi?J\\ Ml. een geit {vrg. f j ru/j).

miti if\'iii\\KN. naam van een zeevisch ivrq. hiiri vig). \'co J \'co

ilt;nfèi\\ii., (hi i,}i\\K.: bloem, bloesem; bloesem hebben, co

bloeijen , van een plant; ook {nl. de ver

koolde kop op een lampepitje {yrg. /m hii \\ ibi m\\).

un iti iu n ifjis de bloem van de lippen der co \'co 11

menschen, iemand die op aller lippen is. WH. /

hii hiiKiJ) n asn t (KVj^ de bloem {het sierraad) van

het hof. urn \\ topaas, kti /. u y\'i \\ zeegewassen,

die op koraal steen en groeyen volg. Rh. spons, hii

h ii (ui ij)jj\\ benaming van een bijzonder batiksel. nj)

un it\'i \\ ben van de tyiw if-A t?i 0 ben. van het letter-co ^

te eken (3 — /o» un ifji \\ (kiiiums bloemen; in den co

ruimsten zin van het woord, bloemen en bloem-heesters, fig. het sierraad van iets; de kiem, wortel van iets-, en het beginsel van iets y dat er als vrucht uit voorspruit. — vm ifii\\ als een bloem;

en wit katoen verwen of kleuren, door het bij gedeelten in de verf te doen naar gelang van de kleuren, die wen er aan geven wil, zooals wit, rood of paars met groen omboord gt; wit met zwart, geel met paars, enz.; ook bloemen brengen naar graven en derg. ZG. 1806, 37. — c! \\ bloemen voortbrengen, bloemen dragen; bloemenstrooijen.— if}kïi \\ naam van een van de zangwijzen , die

ün v:i j un (Hi/j genoemd worden. (üii if i 1:1 anjj

■) /

■i i 101 ti (Hijp geverwd, gekleurd katoen of kleed. hn 1,11 // r.iiKijjs -iji hi un tidn/js gebloem•

te; bloemwerk; met bloemen of bloemwerk ; bloem -

^ L^) s OS O Q.,

perk. oji hiititrnji en (UKKHhii^n ikij)K\\. vanun 1.-; \\

Zóo \'K\'i nu gt; 1 (uj^ {pf (ui iJ un n luj) n/i a.i *1 T)

lt;111 (nyi1

/.wIvnkd. van iitiiamp;iw .1:1 ifA kn. inhouden , vol

co • t co

water zijn , van water zwanger zijn, van donkere wolken (vrg. ünij\'én); zijn inwendige drift inhouden , met moeite bedwingen; de tranen , die in de oog en komen , met moeite inhouden ; een klank gt; die met een andere zamenge smolt en is, in zich bevatten , bv. ui if \'ry {voor ui ^fn^iuh) 11 J) (un u n ^ \'n urn het woord bevat het woordje uh in

zich. — i, i^fhiik^\\ of u d ïJ ui tij) ~ i ^ uji (Hyjs met nauwelijks bedwongen tranen, met tranen in de oogen. unkn. opzetting v. d. buik door xoind of te veel

drinken, Rh. ook naam v. e. zeevisch, Rh. /7n tf /éi i ^ kn. {volg. Rh. zva. iai wis maar van grooter hoeveelheid water\') water bevatten, van water doortrokken zijn; het water houden, als het niet afloopt {vrg. un $); uai ijihu uiiiYj uu\\ {ook 11 ij Tj.) zwellen van tranen, van de oog en, die hoe langer hoe voller van tranen worden. — u r)ln2^ V^an^soen onder water zetten iemand \\oV)y te drinken geven {vrg. — unijiMW

,w7^\\ overdadig drinken.

y unr us of

,n^co kn. een amp;oort van zee1, gi\'oote,

bruinzwarte hommel, die in het hou\'nestelt en het

invreet, ui\'rïii um (\'1 \\ of ujinum fii - zoo bruin \'i. \'co 47 \'co

en glimmend zwart, hls de vlerke i van een hommel,

van tanden. de zwarte (hommelklcn-

rige) tijger. rjiunzw Hii rj(vnii\\ een zwarte hommel.

tj um(èut.i n\\ naam van\'een gending.—

of ^ ihi^ s gelyk een hommel; en brommen, knorren,

brullen als een tijqer. — m u i?i \\ luiwinntf i JJ hco \'co llco

of rj ui 2 itA ij in è if\'j I » n aanhoudend op iemand brommen , beknorren.

O cquot;) /. ) • .quot;)

ikti f.I :ip nn/j oj 1. /1 ui zie un up un^

u n (ëi \\ kn. pijnlijk, krampachtig gevoel, en dat prikkelend gevoel, dat men de slaap noemt;onafgedaan blijven , van regtszaken.

firn\'ij iamp;i\'y kn. lijn en doordringend van de stern., W VV.


-ocr page 419-

7f (Uil O tj HSÏTIJIV

O .

HHTjfEUS

339

hv ri tèi 2 n kn. een soort van kleine, gong. — i i y ifji ?

op de hiirj tamp;i ï spelen , WW.

^^h2 0\\KN. 1. zich op den grond rollen, zoo als een paard. 2. tp. klein blijven, niet groot worden, van gewas, wtvj xtn Èï\\ nm. v. e. klein soort v. heielnooi ; ooh rj t HjÏ gt; een klein membrum virile. hii o ie) \\ kn. naam van een struik met welriekende bladen, die hij de spijsbereiding gebruikt worden, vn i \'u (un irli ifïri hui iti \\ een soort van lang welriekend gras, dat vanzelf in de lucht trilt, n óu {of tn ilj) i.n (Ut een vreesachtigmenseh, een bloodaard.

uv a \'i ilt; r^ !Hlam\'ri (Hlnn zie bij (in n\\

....

zie bij vnihi/j\\

fm tfji (ngt; n rn. een groene ronde tuinspin, kleiner dan

iniKn iü (Hyj {vrg. nn ij (ét icvn).

üv ii(tt2cviin kn. een heel groote spinnekop, hnisspin {vrg. kii fit cm \\ /. n f.t ernt m ookzva. n n rj •ut njtj^ 2. (un i (Ut j n n if (f t t (trt \\ spinneweb.

kit iét nil \\ of t,iyutnm\\ zie bij (Ctcrnw

60 ■ (D

,f i, it r t ut (hn/]\\ zie ij (vn (Li w

mt lt;ni\\ kw. zva. (Ui(H^ /.njj\\ {Skr. kh ag a). 0(ut mii \\ de vogelvorst, arend, Garoeda; ook nm. v. e. slagorde btkr. {k hag a j) at i). h n ij cru (tp \\ zva. htt errt (Vt ,üït w ij mt \'ttt ^ nkn. te bewegen, onstandvastig, veranderlijk ; wankelmoedig; bewogen worden , van een voornemen afgebracht worden; gevangen, verleid worden, door list of vleijerij. tf d/n t ri ij wn orr^^\\ niet te bewegen ; onverzettelijk blijven (vry. ^ »77 p).— ^ tut iijjaPn \\ iemand, hinderen in een voornemen gt; van een voornemen afbrengen, — /ƒ ».» ^ gt; vn ij h n \\ iets doen wankelen, iemands voornemen doen veranderen. tiit tl (m((hi \\ zie hij mt cm w

mt nm iHit/js kn. zich in staat gevoelen of achten , om

iets te kunnen doen {vrg. tat ut ut).

lilt tj cm t tiitjjv kw. poort kn. half ten halven, iniddelslag. ;ut(iAjt0\\ wajang-poppen, die te klein zijn, om groote, en te groot, om kleine genoemd te worden. ^oji20\\ iemand, wiens taal «naar half zuiver is, zooals iemand van BagMen. 0 mt mt .iSr^dLt (Hyj\\ hen v. e. wijze van de du dat te dragen , waarhij die van voren tot aan de knieën hangt. 0luilt;u^ ii\\ nm. v. e. zekere melodie.

mtij nm ihn/js kn. , ilt;it cmjj ant/i \\ poët., schrikken, van iets schrikken, verrast worden, o/oo/t vreemd opzien of ophooren ; verrassing; plotseling, onverwacht.

zoodai men verrust wordt {vrg. natik2(isnjjn hu

\\ o

cm luiji en ij iKdauw gro. ij mitsttjf). cmi^ut verrassen. mt(tn ijnnt ibtyi poët. onverhoeds overvallen. — lt;1 ij nm it?n \\ gew. 1 ; tj • m iüii ij cm a?n \\ of (tl rj cm (iföi if mi i^n \\ n tjerrt ij (hn it^n \\ W. II , 308 , iemand opschrikken hv. uit den slaap; schrikaanjagend, verschrikkelijk. — \\•; cm 11^1 ^ ten doen schrikken; plotseling of onverwacht doen plaats hebben; schrikwekkend; verschrikkelijk. — unri ij cm \'yiMiji schrikachtig.

if liitcYi^nsnji of tf uit if cm2 nstyf \\kn. ongehr. zva. un rf (hit 2 rnjf \\ W W.

quot;) )

Hit ent { kw. zva. mt vn li it If t/fs

Htt if cmz iLtjj\\ zie t/tt if nt2 iLijfs

/rf Hin cm(tvt/j\\KN. deernis krijgen, begaan zijn met

iets, iets niet over zijn hart kunnen verkrijgen ;

deernis {vrg. vi ilkki^ en if vn 2 m n vn nm).

hti (rr)jtvnjf\\ zie nn if nm (Ugt;njj\\

quot;) o

ten cm EVf - kw. zva. h»,u t if t ^tw

1, n cru iu/j\\ zie bij lyn rf om z \\\\

1, n on lutjfs kn. verschrikt worden, als iemand de schrik om liet hart slaat; met schrik ontwaken; zooals door een droom. {vrg. hu if cm vnjf en t.fif hu vn/f). — i.-j rr^ n en in ri^ fjif i,n\\ iemand hevig doen verschrikken , den schrik om het hart doen slaan y hitt\'iyrm/f\\KN. tegenzin hebben tegen iets, hv. tegen eten of drinken of tegen te voet gaan.

erf hu 2 (rrt \\ zva. mt if t \'1 iam f \\\\

tf 1, n 2 nr^ \\ zie hij cist^ rij \\\\

hu (in rt (hi/f\\ Kra7nd\'Vorm of ki), van mt iij i:t(hijf\\ zie (iet if nm w

uit iij v.t(hi,f\\ van n^Kl. zie tut if 1 n\\\\ kn. zie hij nf\\\\

)

hi^ vnjf kw. zva. inn (ut^ hiyf^

Hiixm\\ 1. kw. zva. i,it vtvijf\\ vry.t^s en m iQcriyf\\ 2. kn. zie hij vnr.nw huvm hu r.n\\ i. kw zva. cm if: rjri cm jf (vreugde; scherts, kortswijl. G.). 2. kn. gegeneerd; van het wankelmoedig, ongerust {vrg. ,ti i\'i uf t tit).

■) O

Hit r.n kw. zva. un (t n

Hn 1 .n kn. zak van gevlochten biezen o/gfibangbladen

{vrg. Hitifj^vnjf en unnj).

) i u 11 vn \\ zva. u n vt

(l Cci

u n rf iim 2 \\ ook V)el u n nvrt i \\ {in Bag eten) n., vt rf vn (ut n k., buffel {ML k ar b ó of k ar h a u 10 ; Skr. m ah is a), u 11 rf rit? t.j ^ naam van ern soort


22*

-ocr page 420-

h ij rj (irti ? (hiji^

340

ton im \\

van tor. wi) ty nn i cm n n ? \\ een hijzonder luid-ruchtuje wijze van gctviManspel, (jew. bij aankomsi of vertrek der (jenoodigden gespeeld, Kh. 1 n.m): 0 it,n I.»/ • nam. o. fatsoenen van krissen. 0 nj hj tMjj ben. van zeker int. lijnwaad, ün n rn è arn am hetzelfde in Banjoe-mas. f i namthJi in tin un/j\\ naam van een van de zangtoijzen, die t eng ah an genoemd worden. ïjI t^un M .r n iJu i ) naam van een Ka-wische zangwijze, h n gt;j v.n 2 (rn h naarn van ecu riviervisch. hn if i:\'ri z mi 4 \\ een hijzonder fatsoen van een halssierraad , dat door kinderen gedragen wordt. — fnvi vm kn. als ecu bufTel, buffelachtig; ongevoelig als een buffel. — hti tf n., (f i un(m hjji k. , wat op een buffel gelijkt , iets in de vorm van een buffel gemaakt; een spaarpot in die vorm ; tot een buffel gebruikt worden, als men op handen en voeten kruipt en een kind op zijn rug laat rijden.

iny urn k w. zva. dsn ^ (kji^ lt;

mi \'jm gt; \\ n. ; (Mtia djui \\ K., /io?(ia (jjn (Hijf nKü., alles, alle. allen ; ook wel van twee voor beide ; geheel {yrg. (KJ) n un ? \\ en ij r.n ^ ). un tj rn f un ij i:n ^ n ajina (uu (kj (in t\\M \\ in alles, wat het ook wezen mag. (imw tj un un ij lm {\\ zijn heele lichaam. :k) ijj ? uny iji n^ alle tien. (i/h rj un ? ifji j (fjion un n(im { n in t huis is alles rook , alles vol rook. k / kh n i;n{rjam ^ !}.(} (U) li/? (Uj tui /J \\ alles {of allen) te /amen , gcza-mentlijk ; in \'tgeheel. — »•; ^ im j iuh im za iiiih] \\ alles verrigten ; in alle kundigheden thuis zijn ; van alle g er egt en eten. inni:)} fivrn of 1.1 vj vm i/n \\ in zamenst. verk. rj im s i/n kn. een titel v. e. hoofd, die andere hoofden onder zich heeft \\ hv. ia (f\'i0\\ een Dömang, die andere Dëmangs onder zich heeft. (Bji rj k^ ijti \\ en ij ui ij uj^ s (vti \\ van zulk een hoofd,

die reeds den titel van (Ekm/j of n ij (ui :uyj heeft.

O o

mi ij xn n rj im j rm \\ iui ij in\'»» ui - n in tj \\n f(un\\

of ut [d^ij iui^ (vil naam van het hoofd van alle

prinsen en leden van het vorstelijk huis uit vrouwen

van den tweeden rang. unrjim qiun rj.rn\\a. zva.

(K/1 u n rj irm ? ij (tm nn — tut w tj s i/n cui/j of ajitvn

ijim iim (uyj\\KN. het gebied van den Pangerau-ugabèï.

fi n ij r.n 2 (Uijj lt; KN., rrrj ij dm 2 iui/j ^ po\'ót. , hoi\' of tuin

achter een huisj 3//. tuin , plantage.r»??

ruKKi/js wilde hof, een niet aangelegd gedeelte van

de ün rf r.n 2 iuijj\\ ook een ongeregelde koffieplantage.

die zonder dadap-hoomen, en niet met geregelde afstanden van den eenen boom tot den anderen, in bosschen of zoogenaamde woeste gronden wordt aangelegd. — (biri vn2iui/j\\ zich in den hot\' bevinden , WW. (welligt gezegd van de vrouw die zich

daar wegens ongenoegen bevindt; zie het cans.)

O 1 OO

een knrjrm2tui/j aanleggen, in if rtnz uj ij 11:11 gt;:ujjj\\

zich gedurig in den hof ophouden ; ook een tui»

in verschillende perken afdeden, hniinijtirntiunj

cy )

ifr:n2W!Ui\\ met ronde perken aangelegd — 1 irj ij r.n f.rfjrj un\\ of iT^rf mi 2(hj ij kns een vrouw {wegens ongenoegen) buiten het huis in den hof afzonderlijk laten wonen. — un ijrntiuj (uijf \\moestuin bij een huis, al is het juist niet aehter het hun.

— iu Kn if r.n2(ujiuijj tuingrond achter huis , en . )

zva. kii ij inu uj (Uijj\\

nijj ij iim 2 (utjj \\ zie un ij (vm 2 cmjf \\

00 . 00

k n mi r.m s \\ zie k n rn w

6 s /

\'UTi.1777 n RN. 1. zie r/nrm \\ 2. un rn \\ of i\'ai(irn \\ {Jr.

chabar), zva. uiasnn wat men verneemt door

het zeggen van de menschen of door meêdeeling;

tijding, nieuws, berigt, gerucht; het gerucht zegt,

14. ^ ^

dat... — (uihiitiw zva. (uvinsnw — (Uiuinm

11\' o /

■~n(Hi/f\\ ook wel n n nn \'n uyj en (Ui u n r.n rri tui ijs

berigt, tijding; rapport, rapporten.

unrii N 1; Ar. . gi\'00t, aanzienlijk. 2. Ar. .jlx,

aS

voorbijgaande, m rui (Bi xm \\ de voorbijgaande (tegenwoordige) wereld, in tegenoverstelling van 11 m de blijvende wereld, de eeuwigheid. un (cn\\ zie bij ruyw

un rf .1777 ?n kn. naam v. e. gtnding, WW.

it n .1777 \\ kn. twee stuks rottingmat; en een stuk lijnwaad, genoegzaam voor twee bëbeds of sarongs (eig. hek.

als Un .ei\\ en vrg. una/vj^). Zoo tui(F/i J? ibii

s CC) IS Cl S

1777 v en rli rf ui 210 k n un \\\\ — un un n (injf \\ zva.

iïn iljiti ui/i\\ ook van een ^■el leer.

cc* -Jf ,

»/»7«7^\\kn. omgeroerd {vrg. lur^ftn ern/f).— (ti nrp iets omroeren , zoodat het onderste boven en het bovenste onder komt, ook door scheppen en weer uitgieten. un (ur^ uii(u^(ur^\\ door elkander geroerd. — 17^• y) imfj\\ omgeroerd, Jig. ruchtbaar.

uri irn\\ Jr. kibr, kn. groot zelfvertrouwen, hoogmoedig en vermetel vertrouwen op zich zelf; groot zelfvertrouwen hebben {vrg. hn um:^).

uiQ Kn^\\ of ifKm^rn^s Ar. koehrd


-ocr page 421-

\'TT

het vr. van ^rooter, grootst, ij/arm0\\ een

boete, die wegens een moord, waarvan de dader onbekend is, aan do bevolking van de desa, waar de moord gepleegd k, wordt opgelegd.

Ti\', voir/. Hli. v. e. zaak spaak loopen. tïïi ui/kei de groote opstanding, in tegenstelling van de kleine waarmee de zondvloed bedoeld

wordt,

j tj/y Ar. KN. n (ti; ki. , graf {vrg.

iiji uiasnjjs «ik ^ nsojj en iamp;) nri tt.i/j). — ^(üï^\\ iemand begraven. — \'■ fj wj n!uij^ of oji /.(iry • n(h^i kn. , M hiij ») i ii hjji* KI., grafstede, begraafplaats ^mm./jnKN. wat iemand q/iets zich toont ü/vertoont te wezen. — tf vn \'n n\\ iemand iets vertoonen, teïi toon spreiden, uitkramen, — rj rn iin ^) rj h n \\ iels vertoonen, ten toon spreiden, uitkramen. — nm hyjs zva. lt;\\?i ij mê hnj\\ een staalte of proef

van kracht, K. 8, 11.

V . ... s zie bij amw

/ . /

oj i. /; rvn \\ zie (crjj \\n

tj zie iinjj n»i w

ii iiHg.nn \\ kn. tijd hebben tot iels, iemand gelegen komen {vrg. htia/n). — y 11 ï irn gt;] • tot iels de tijd nemen. G. tijd geven voor (Men.) — tj 11 ? rl»m ij rinnis maken dat men tijd voor iets heeft, tijd voor iets vinden.

TO -OOI . , gt; 1 O ) J)

nin:n t)\\ oj Himm r)\\ ook wel arnir.n »»\\n., hui.h

\'/l\'^ ^ \' \' wi^ k., gesneden, gelubd, ontmand.

o • oo c) o

\\ een ruin. q.viL\'I \\ een os. Hjia^h)^ \\

een hamel, rj nu2 {of itm ilu tin)0 kapoen. —

iv/ rn-ï] \\ i:n$),vms\\ lubben, ontmannen.

(Jh s

} Kiijj\\ zie ynzji ut}^

i-n.r.n h fiji of i,u i:n ook wel ini v.ti KN. vol, gevuld; vol zijn {vrg. i/h rti htijj en i n t.n nijp De grondv. is nn uojj of rit hii/j Vrg. ook aJty%). uil hn im of tfnn:r} thCHjj \\ met de vlerken slaan zooals een haan die wil kraaijen. — r;» rn hn\\ of i:ixrn^n\\ iets vullen, vol maken, opvullen, opproppen ; een ruimte geheel vervullen, ook van een (jeluid, zoodat hei overal gehoord wordt.—

U\\ 0f het geklok of borrelend geluid

van een onder water gehoudene kruik, kan o/ ileseh, als die vol loopt. — ho^/j of ryrri hnjj\\ iels zoo vol laten loopen. — nurn hnjj of v.n nnji\\ zie boven.

iïn un (Kiyj \\ 341

0 O • .)

nm t :n hvji zie im xm ntyj \\

kn, 1. de long, longen, van een geslagt beest {vrg. tnjnt) ^i). 2. een soort houten hamer om de khnirinoten bij een weddingschap stuk te slaan, un (irri fnj d-n hnijj\\ zachtjes met de vlakke hand kloppen , meestal op een zacht lichaam , zooals de buik. hu/j op iets zachtjes met de vlakke

hand kloppen. — üi(vy hi] mv. {Een ander zie bij Ky.«ji).

1 yrntm/j zie bij n^irtiun^s

hitmitji\\ kn. vierkant, WW. volg. Rh. eng, nauw,

bv. v. e. saroentj.

O .... o ) *

nq /.»/ i n f, n/j\\ zie bij d/ri r.n /. \\

)) utt f ij r.n t \'lt; ■gt; kn. in het water gestoken, wm een hand of voet enfig. ook wel van een neerhangenden tak {vrg. ij hu^ryf r.n i nnjj o^ tj \'/ \'LjJJJI* quot;quot;/j)- —vj* gt;fi nt },nri of ij 112rj r.n2 tj htit tj r:n2 hnys met de handen of voeten in het. water plassen. — tj un2 tj nn?i/.n iHgt;jj\\ een kom van glas af metaal, daar men de vingers of handen iu afspoelt, vingerkom.

hti r.t) iLn/j\\ hn hn.Lnjj of rn linj Ar. , naam

va\'ti den tempel ie Mekka. /. o 1 n i^n 1^1 j of i.n rn yj .ijn? tij {\\ de tempel van God.

nn (üy \'boj]\\ zie bij m^aw/js

) o . r ,

hn rit fon/j* n., rthn.Lnji en ^ tun om ru/jx kn. , ving,

gauw, gezwind, spoedig, rn im ityimwat gauw, (voorbarig. G.) — rrtm hn/j vul. iets, zooals een schotel, afwisschen , afvegen; mei een doek \\ {ook iets wegrukken. # //» m - zva. ininn rvy^ G.). — inr.n mi ij i, n ^ n ., iemand haasten; bespoedigen; maken, dat iets ving gedaan wordt. — hn rn miihfiji\\ vlug, op een vlugge wijze o/met spoed , gedaan.

hn 1 n ibn/j\\ kn. geklap van de vleugels, het uitslaan

van de vleugels of het met de vleugels klappen, van

, ) ) , quot;) r een vogel, nn nn r:n ,i5gt;yi oj mi rn i^n rn aanhoudend met de vleugels klappen , klapwieken. —

i-i rniün n hn\\ iels. zooals een doek, schuddende xs\\^ 1

uitslaan, tirnii^ri.n agi \'rj h n \\ met iets als mei de vleugels , klappen. — /. y t)i 1 n ten/j of 1. n iri :n rn^ van een jongen vogel, zoo oud zijn dat hij begint te klapwieken of te fladderen. — i.^ rnihii/j gelladder , zooals van een vleermuis, een vaandel, kleed of zeil , daar de wind achter komt. — h-yt^ rn bnji^ door gelladder o/* gellabber gedruisch


-ocr page 422-

Q

nu (ür^astyj\\

842

un (tn (ru^\\

maken.

tinri7n v.n/J\\Kn. alles of allen weggevlogen; weg; geheel verdwenen , zooilat er niets of niemand overblijft; uilen weggaan o/vertrekken; zoo wordt ook genoemd grond waarop geen hout maar alleen gla-gah staat, ook een waaijer om muggen of vliegen le verdrijven {yrg. rnivri ihii/js irfn obi (unjj en rjivm Li M/j)- ^r) tiui /irn asriji\\ met iets als een waaijer heen en weer slaan. K. 1 , 13. rmaci uiin\\ een waaijer van pauweveeren, zoonis die tol de staatsie van een Vorst en hij een huwelijksoptogd van prinsen en \'prinsessen behoort, nh (i:r^ Ln /ƒ njj ,Liy geheel uit het oog verloren. — tiojr^nsn/js iets uitkloppen of uitschudden; niets over of in laten; geheelenal van iets gezuiverd; kw. vertrekken, op reis gaan. — met een waaijer bewaaijen of wind maken, G. —

iels uitschudden , uitslaan ; en allen laten vertrek-

ken, zoodat er niemand achterblijft.

\\bigt; /j zva. jiïi iiccrt asn/js en wegvliegen van een vogel. LH :f^(i7r^n£njf\\ zva. AVP. 215.

nti »i(im kn. vel of blad (folio) papier, ook een blad van gezaagd hout, d. i. een plank. — aitivj quot;/ * n rntnji^ bij vellen o/* bladen, dc bladen van een boek, in onderscheiding van den hand. jniiiTJ^(ühji\' K-N. geheel bedekt, hv. met een deken, als

men slaapt, geheel onder de deken.

ij KHd tjurn zie hij ^a/m ijnTnasnjjs nq h ni tf zie rf istu ij r.mihn/j\\

o o Q

e7i tun(Cj.K.itlt;kjiij\\ h)i i j r.j^ r t/j en

7 /1 \\ kn. nat, doornat, van iemands lieer en {vrg.

) ) v u tj ij ; \\ ij Uji ■gt;x en i.tj (U^

ij 1.112 i rKhJijjMLU. kool {Eng. cahhage? Vrg. tsn

v/)-

O

HtitiiLrm zie bij nu ij vu 2 w

) -gt;

u n r:n u i/j\\K.W. zva. iijii rtj { \\ mn ^

Ar. aangenomen, verhoord, ver-

hooring; aanneming van een koop {zie bij tun ik xinjj\\ en vrg. üh nn).

un lt;rixmtuji\\KN.; — f i tjrii iu \\ verlekkerd zijn op. WW. volg. Rh. den lust opwekkend; nn rj i:ti n i tiiin\\ op iets verlekkerd zijn; iets zoo lekker vinden, dat men er niet van uitscheiden kan. WW.

volg. Rh. dat, waarop men belust, verlekkerd is.

^ o

un xmirujjsKW. zva. ihii ruwjj^

T\'quot;l

/hti (lïri \'TM/I \\ kw. zva. iw rjnlt;n f nfli tin/j lt;tni (HiiH.i/js iHt)(^(ïvij^\\kn. rook, wasem, damp, WW. volg. Rh. het dampen, walmen, opstijgen van rook, davif), {stof Waj. I. 45). {vrg. cn

(Lucrn). 1 d^vu^ rooken, dampen, opstijgen , van rook of damp ; uitdampen; als een rook wolk ; in een zwerm , zich bewegen, hv. van sprinkhanen en vliegende witte mieren, van troepen krijgslieden. Men. — iets berooken mei

het een of ander\\ in de opstijgende damp, en dern, houden , hv. van opium hoven de lamp Tj. — x.i (irrjj rvirj kh\\ met iets berooken.

fm/jn kn* de buis in het membrum virile.

hit a ry h tjjj \\ zva. (htixTnthfUjj en zie uujj ook wel

(Lii tin joiiry uti J fig. snoeven, pogchen. WW.

/mnkn. rijst met kruiden klaar gemaakt; eiy.

Mal. volg. Rh.

n * no non

hnnry utjji of en iKntnt ir^iiKtTi^\\KU. naam

van een hoozen geest, in dc gedaante van een vleermuis , die zich door een geklap als met de vlerken laat hoor en {vrg. iw nn iKtyj of inirn mi/j). hnijp^KriJl^ kn. lui, traag, van een trek- of lastdier; ook vadsig, van een mensch (vrg. iwil.nu

O v

en (hiivjo.! iin/j).

v) un itt? Ar. adx? • kn. de hemelstreek, daar Mekka in ligt en waarheen de M jhammedanen bij het gebed hun aangezigt rigten; ook hemelstreek, de rigting van de hemelstreek waarin een plaats liiji, W. I. 28; rj Htnrn hn •,1,1,1)/js de vier windstreken.

mm.j» ; ^ kw. van het spoor afwijken, afdwalen; afgedwaald {vrg. rriWihti/i en n:tiiL)). G.

un rm ernjj \\ zie hij turi cmji*

V O . i./QQ un nn tLuiiyi^ zie bij «rjriivm itwjj\\

7oi vj .J7|7 2 \\ kn. plat het verliezen, de minste zijn. WW,

Kïl .1777 (IJl Kljj \\ zie hij lt;177? O Y.

7o; ft77i ik anji \\ zie bij i. n ori w

ui) 7777 (\\c]ji \\ kn. bode, ordonnans; naam van ecu beambte, wiens voorname werkzaamheid hestaai in

het dienen als bode \\ dorpsbode. — ^i mmifj0

/ .. O O i )

zze bij (hi^doiw — 7ï7 1777 iivi ih£j_\\ inndin mi anji zijn

over; ook wel zva. ivi i.y \\ het toezigt of beheer hebben over. Tj.

loi iTy^ n Tï^vKN.— 77» iiwjj Hii/i - overal roudloopen om iets te zoeken.


-ocr page 423-

343

.quot;)

ym gt;i njjjjj 2

Mivtirrjij* mip — slaan mei iels

. . ) o

slaps, huKjzaams. — ,r;/ r^nr/ypmi mv.

uluwidiinriji^ Pers. ^uïgt; kn. kabaai.

uux-pjM.iopj zie bij

\'•\'quot;gZ/\'lV \'^N ^ S//

uvrjjjj^ivnjj^KV. zva. ku ij ^2 /, j),}\'rw N ^ N

i,)ir.nr.n(Hijj\\ zie hij n/n rr} i~iyj\\

(V) 0 0 • / •• ^

iiy^ri\\ rj h n2(irr)\\ zie bij i/rj r.nw xri 2 rjxin 2 ^ 1. n. tf (utiiif nmw 2. k.n. gor

dijn, behangsel om een ledikant; slaapstee met gordijnen ; 00/c een soorl van praal zetel va7i wil katoen in de Soerambi, waar de Vorst op zijn damp ar zit, op garïbhj in de maand Moeloed van hel jaar Dal. 0aynrrh\\ het vorstelijk staatsiebed, dal slechts weinige dagen na het huwelijk gebruikt wordt. rj huitytr.ïi? w thn/i\\ ledikant met behangsel ; liet staatsiebed achter in een Javaansch huis, vlak tegenover den ingang (org. hji 1. bij

i/n iei nrtt/j).

c)

hu 1:1 gt; zva. mi^w

/.»;fiyi. kn. honderdduizendtal (Skr. kóli, tien mil-

lioeu) w nn \\ ook voor onuitsprekelijk, bv. V;

) O ) ^ ^

1 1 .ui. 1 nn ftJj 11 iw }. n 7j ip nn/j 0/ mi nu ij

ij up an/J honderdduizenden, bij honderdduizenden;

ontelbaar, een ontelbare menigte.

im i jnkn. een hoofddeksel, een muts, die door asceten

in den ouden tijd gedragen wierd, ongeveer zva.

) O

wwihnjjs

h 111/1 \\ n. , /.m op \\ k., vesting, burgt, kasteel; stee-nen ringmuur, vest 0/ burgwal rondom eenKstad of kampoenyj regentswoning, hofzetol van een regent (Skr. koet a. Vrg. tj rn gt;j ibn). kii nn 1:1 \\ i.n iPn ip\\ zijn burgt 0/ hofzetel hebben. — rj ipi\\ gelijk een burgt. 0lt;o)r^,hii?iin/j\\ zich in zijn eigen huis verschansen , halstar rig weigeren zich over te

geven of aan het opontbod van de overheid te vol-

1 . 000

doen, vaneen weerspannige. r.^ up ij \\ 1 :i ip /y \\

ergens zijn hofzetel vestigen of honden ; zich tegen

iets verzetten.

a 11 up \\ k . zie ij mi {w

) o . ) rgt;

uii up ^ zie n 11 aji gt; w

hu ^ gt; of u 11 ij ip ? / \\ kn. vuil, morsig , slordig (vrg.

\'\'f V* 1 \\ Qurj {\\ a.i f^i \\ hji (ni ncijf en ifiu^z ij.imgt;). iftiupi\\ l kn. bemorst; zich met iets bemorsen of bezoedelen {vrg. i.r^ni^ vni ^ gt;

(u 1.11 p ? \\ geld dat na de bevalling betaald wordt aan de vroedvrouw, ot aan den huisbaas, als ecne vrouw ergens logerende daar bevallen is. 2.kw. 22;«. gt;1 mi i tj n 11 a-I (Hijj of hetz. als trui iip.

\'\'\'/ i^/i ^ \\ kw. zva\' 111 ipf misschien hetz. als tsn). — «tj^^nkw. zva. kn. onbeschaamd;

zich onbeschaamd gedragen, i(j{ of\' ay i^j {

een schaamteloos, gemeen, mensch.

1/1.112 ij ip j \\ ui y 1012 vj ip J n volg. VV W. zva. iry ap % ^

OJl KYI ip J \\\\

1,11 ip i/n\\KN. hebzuchtig, begeerig, inhalig , geldgierig, schraapzuchtig; hebzucht, geldgierigheid,

schraapzucht (vrg. n^niun^).

) . j .. ) o

/. n ij ip in .j zie (Jij k 11 up w

oaiVj kn. — 11.Ki uls ceu draad neerhangen.

aX . cv uu . 1 gt; zie ip \\\\

■ wV • (TV c ^ /\'

j. 11 up\\ kn. huiverig, bevreesd, (org. mi un \\ ikïi ^\\ en

\'ip).

hn uj \\kn. het gekor van een gëmak, als die bang is voor haar tegenpartij; zulk een gekor maken; bevreesd zijn {vrg. inuip).

hiiiip kn. slijmerig en geleiachtig, zooals pas uit-

geloop en gom \\ zich als slijm vertoonen.

ri mi ij ap kn. te kort komen; ten achteren zijn met een werk, of werkzaamheden ; achterstallig in het opbrengen van pacht. lymrj ip ten achteren blijven, achterstallig blijven. — ij rnif ip^i\'ïjuau met iets ten achteren blijven; iets uitstellen.

hu ij 1:1 ij it if nptj^ri kn. met\'veel moeite te worstelen

hebben ; met moeite zich staande houden.

uuapiHuji i. kn. naam van een groene duif. 2. n.

zva. mi n e?i i\') i)on 1 in den zin van met,

ro \'

daarbij; vrg Kn \\ ook met bevreemding waarom ï

hoe zoo? zva. ijdciij kj dikwijls te vertalen met dat! — r,t apnn/iKH. of n. zva. 1 :i (tjn \\ ook vertrouwelijk omgaan met: ook in de spreektaal zva. i,inp ilt;ii/j\\ ini iyiphiiji tot vertrouwd gezel genomen, met wien men vertrouwelijk omgaat,intiem.

1) \\ en 1111 nii

tui hn ap Kiijj\\ tp. zva. o./ ajim vrg. nni

tt 11. i/f^ {in W.P. -rj Kti ap unjj \\) — (fcï un ap nnjj \\ als gèmél dienen.

uu ij ap ^»^\\KN. scheut of jonge loot, die uit den stam van bamboe- of suikerriet uitschiet; uitschieten ; ook kardoes of schuine klos tot steun van een


-ocr page 424-

mirjnp

344

dwarshout {vry. a^j.-rp)-, en de kromhouten vaneen ,.. o\' c* ■ 1quot; (y n

kleine \'prauw, kv rj np a^iarr» 71.1 jj\\ zie bij iinani tujj wnrjafitiurjj kn. een wijde korte broek tot Loven of aan de knieën , zooals de geringe Javanen gewoonlijk dragen {vrg. {U\'Ut ook een metalen plaatje dat bij meisjes voor de schaamdeelen hangt. — ivrnj njn9Kti/j\\ niets meer dan een wm aanhebben, van daar, arm, berooid. — (ciwnpi

0

uijs van een un tjapdiHvjj voorzien. — mh^ ^72 i.nonjl zulk een broek aanhebben 0/ dragen.

h u af} ihnjj kn. een geluid, dat een niel heel groot stuk hout o f steen maakt, als het tegen een ander dergelijk geslagen wordt {vrg, npwin)\\ ook taai, van suiker, die nog niet volkomen gefabriceerd is. —

O r ) : ~) (quot;) ,.r

/.7^ lt;f 1 upof ih n ffi/i tip hnjjs z va. mij tamp;i ntj W. verwaand, blufferig.

/kn een geluid met de tong tegen \'t gehe

melte , dat men maakt om een paard aan te sporen of om kippen te roepen, ook een kerf in een kerf-

1 1 ^ )

stok. un ip (to) van ^ — MtKCiï,

np Ktiji\\ zva. kri £ti najj \\ (Tj.) Rh.

u 11 up h ti jj\' k w. de nagels korten, en de vier middelste boventanden laten afvijlen {org. kn nip9iHti/f\\ lun us 11 % \\ en kn. 1. lt; j up mijj\\ iemand een

wenk met de oogen geven, iemand informeren, in

\'t geheim met iemand iets afspreken. — optyjj\\

quot;) o . ) ■ ) o .

mv. — i,n op igi (Hijj of mi h n rp ini inij meteen

ander of met elkander heimelijk een afspraak ma-keu , volg. Rh. meestal in een kwaden zin. 2. ook klanknab. van getik hv. van een kleine hamer op een ijzeren aanbeeld.

/. 111.ii/j\\kn. 1. naam van een koperen muziekinstrument hij de ganiêlan, in de vorm van een kleine gong , en op een kruis van touw in een houten stelling liggend. 2. wantrouwen , wantrouwig, voornamelijk van een man, die zijn geld en kleêren zelf bewaart en ze niet toevertrouwt aan zijn vrouw. dVw(y^np\'iwjinkn. aap {vrg. onhj-ri). Maeaeus eyno-

1 o • o cy

molgus. iuijm) miji zie rj lt;* 11 rj .ut w ain an \\ wijze van een hoofddoek om te doen, CP.

7/V; ij ipi liiijjs kn. afsnijding of afkapping van ledematen , hv. van een hand wegens diefstal (vrg.

O Cl o • .

.tsT) cru ruji, Hii:ipiiii^\\ mn gt;vgt;iio^jj en tucm J-\'i• )

ii fyinijs zieh het haar korten of laten

korten, ilhui uinn 1:1 hi \\ een magtbrief aan afgevaardigden om een onwillige voor de rogtbauk te brengen, met magtigiug om hem des noods af te maken en dan zijn afgesneden ooren aan de overheid te brengen, w h inj rp ? icii iu (HVjj en 1.1 ilij vj np i ern ij (ui \\ naam van oude muntstukken ter waarde van vier en van acht duiten. — nnnpi Hiijj\\ iets afsnijden, afhouwen, doorsnijden, doorkappen, doorbreken, afbreken, afknippen {hv.een nagel); ook een mat of zeer gevoel in de beeiicn hebben, tengevolge van veel loopen.— n iiii^u hfi\\ mv., en iemand iets afsnijden kn., (tjiiu.ru k., het haar snijden, knippen of scheren. i?i\\ of hlrj ipttoft ij ns kortwieken. — liniiinpi l)llafgehakt stuk; afhouwing, onthoofding, of iemand die te onthoofden is.

im ^\'IjMi/J kn. een jonge kip, kuiken; 00/c een tolde rijkssierraden van den Vorst behoorende, met zijde 0vertrokkene kokosdop, dienende om te rooi en dour middel van een pijp, die lat ar an genoemd wor dl, en afkomstig, naar men zegt, van Sultan Ago eng] ook naam van een plant met scherpe dorens, lawje takken, kleine bladen en kleine gele hloevdrosjes. vll ^l h^UI^ ee11 buiken taak maken, door het van de hen te scheiden en dikwijls in de handen te nemen en te voeren.

rj ecu kist of kistje, waarvan het dek

sel met een rand om de kist sluit en er afgenomen kan worden {vrg. (Lu ip); ook vierkant vak ; ruit 0// gekleurde stoffen , en perk of vak van rijst- of tij-gal vel d, kleiner dan ilt;n tjdoi v ihnia\\ rj un 2 np vj uw/ \'P KÜJI \\ ëeruit- 7 ? p 1 kist, daar do wajangpoppen in bewaard worden. ^ icn i np houten kistje voor een ko^lock, hehoorende tot de onder scheiding steekenen -jan de jongere zonen van den Vorst en van de ambtenaren tot een Mantrï toe. ijunznpiflianji\\ vierkante doos; vakje; (tl wat op een ij hiiênp trnji gelijkt.

ij mitrinp hn/js ongehr., rj hinijn^t i,tgnnjj kn. metzijn velen op de maat in het rijstblok slaan of stampen, zooals uit vermaak hij maanlicht of bij een maansverduistering-, vrg. ijarn rjnts i crnji\\

rj i,ii2 ijnpg mi/j- n. zie bij rjurn rjihji 1,11/j\' ij af gt;jnpz iii)jj\\ kn. iets, zooals lijm, met weinig water op het vuur zetten o/smelten ; amnoen koken; metaal, xvas of smeer smelten (vrg. en $


-ocr page 425-

(HI! ^ Kil \\

ii7gt; irrjipi (hnijj n het smelten, sin el tb el. _ luni im ij wat dient om in te smelten; smeltoven; koperen kopje om amflioen in te koken.

KW- («S/t;-. k atoeka^

scherp van smaak, zooals mosterd).

i.n Lhtni kn. 1. naam van de bloem der Salak,

(^ . — O O Wangs.: ui niijj - Kil tip mi w 6. ongev.

zva. ini tnmajjs door een beweging te kennen ge-

n- gt; . C ■) cy

veu, dat men een of ander doen wil. —

van een kip die zit te hroeijen en in het nest

krabbelt; fuj. aanhoudend op dezelfde plaats blijven en

iets verrigten, iets knutselen , Rh. aan iets ijverig

zonder ophouden werken; gezet en driftig doonver-

ken. — hi)up nu rton/i\\ driftig, te vurig; met

overmatige blijdschap te werk gaan. JR.

iiii ijuij n kn. gekoer van een doffer {vry. nimj

Jr.j).

) n \' r ï ï Cl / , ^

mi ip h ii \\ of iwri op hu \\ kn. — hu ip hii h ici,] enz. onder het loopen met de voeten maaijen , Rh.

) / ^__ s s ,

uii rj ip ij hu ij up iHU \\ - Hiiaoi u u U) hu W

uu ip hu iMJl\' kn. interjectie voor het klimmen ineen boom en derg., Rh. — i.uup i,u n ylt;u n /,] of hu ip huii^iiHi/j zva. Hnnci hu ni/j enz.; mei moeite

voortgaan of naar iets streven.

gt; O gt; gt; . »

uu up u u rujj (Hii ip I, u ii-i/j gt; kn. — t i ip i\' u iru/j enz.,

K. zie lii u \'ip ihii

) O

ku up gt;ihujf \\ kw. zva. hu iui •~n rj tni rj npg nsuj)\\ zie n hti tj rudustijj^

rj umvj ipiihu/jsKN. het taaije zoogenaamde haar of geelliaar in vleesch, zooals koeuleesch; ook , rj huz ij .lij i \\ genoemd.

hu tp tj ui \\ ln. het bewegen, verroeren v. d. handen. — tiitponogt; de handen bewegen, verroeren. u ^ /); hufj\\ kn. hu i^i iJi hji tfj i?i hujfs overal met de handen aankomen hn^j ijt ru/j kn. de draayende beweging van de armen en de pols bij het tandakken (Tj.); her/i. of m ip vinijl die beweging maken.

hu i^i rt rUf-js kn., li ^ iSinu/is iets met den vinger

naar zich toe schuiven of halen.

mi ^tf vurujjsiiu. meest herh. omslagtig en daardoor

onduidelijk praten, Rh.

\'lt;quot; ip ru^\\ kn. i, ii ip (Ujj ii\\ tp fui n i/j^ gebrekkig spreken , handelen,, Rh,

■;■) o o

(ku tifi \'ut irviJi \\ o4o

(ku ip ^ kn. — khip ni ni/jn een gebrekkigen ,

onvolkomen telgang hebben v. e. paard, Rh.

jV»ap (Ui rwj) kis. beu. v. e. muziekinstrument dat met de kënong overeenkomt, maar gehangen wordt, even als de gong gebruikelijk bij de mongganjj. — it?op vt ili/j daarop spelen ; een ander zie ipfiy n i/j\\ Htjip rj ut nu/i^KN. Hij^ip ijuirxi ui/i\\ aanhoudend met

de handen grijpen of toetasten.

Hu ip r»\\ {volg. Rh. beter hii ^5?) cirkelvorm, kring,

dien iets vormt. — tiip urgt; een kring vormen. /,n /./ ni:j ook wel t.u yii n rustbank of ruat-

bed, i/ew. mei eiUing van gevlochten rolling (Tamil k atti l, Tëloegoe kat il. pk. Vr\'y. nmoj mj). hii i^i trvijj* kn. stomp, hot; fig. van iemands bevatting\', botterik, ^ stomp, onbevattelijk

Vein begrip. — i.\' i,j \'fi(\' \'ƒquot; stomp maken. hrirjiiptrviji^N. 1. vet, vuil; smerig, van iems. lijf of kieéren; 2. {volg. Kh. mi tiap r\\.i(mjj een ligl-bruine vloeslof u\'nP djarakolie, loog en fijngemalen djirak, waarin garen, katoen of zijde gedoopt en mei de handen doorgewerkt worden, om se later mei \'y\'^. ™orf te verwen. — r.i ij ip n ijp een kleed vuil maken; verslaafd zijn. — v?vi)np rj.i \\ goederen , die rood geverfd zullen worden, vooraf in de \'■ o ij if t \'U/j of beter \'gt; o \'j \'(y .\'^jj zetten en kneden. — \' \'i ij gt;■gt; ob/. den., en

de vloestof zelf, Rh.

HH ip lUflïKN. gebrekkig in de uitspraak; niet vloei-jend o/onwelluidend, van woorden of stijl. Vrg. ti iinriJi \'n-i/j\' stijf, niet handig bij hel bespelen v. muziekinstrumenten, Rh. hij het pareren. Men. i.y ip m kw. zva. mi ij (een zeer verdachte

verklaring-, Skr.koetila, krom, sliuksch, valsch. pk.), volg. Rb. zva. t i m lt;m/j\\

hti M .y (J,\'/\'\' üf \'1- \'r1 ; K w. \'•üa- \' \'j gt;L\'1 in

hei spr. \'I ■ quot;\'quot;P gt;J(f yr\\quot;:J2JI en a ) ) 1 ) \'o a ^

u t tf» i ~\'n * M/ V

1

cm 11

tm(ipirli\\ of Hïjifi n.i( rip r\'u Tj.) kn. naam van een kleinen vogel met zwarten kop en gramce vecren. ikt)iipa^.\\ of ij \'p r^ kn. naam van een boom en van

de zwarte eetbare vracht daarvan.

iai \'tp itji/j gt; kn. ; hu tp L/j ip (L/ijjs zich geheel in de verte vertoonen. Zoo ook h u n hui gt; w/j\' — lt;ui \'•quot; \'V * overal geheel in de verte te zien zijn.


-ocr page 426-

340

c quot;) o

nn rifi djiji -

cquot;) /

u n tj up ? n up t \\

uii i;i kn. klein , van een mensch; duiveltje, kleine sétun. óidhi up (ijyj\\ een klein muntstukje, een

zilveren dubbeltje {vry. ,ïlt;n iru ivry \\ tj njn tj ui \\). iiti

ct ,) o . Cl O ,. ■

iifi (u ip (uiji v 1. zva. nu op (ut up cutji maar van kleine

voorwerpen. 2. knipoogen, de oogeu gedurig open en digt doen {vry. hin^ut n^yj). — up (ui,p

kuipoogen, en zva. Ktiiïyi tu(ui/j\\

utivjop ongeveer zva. vj iuy\\\\

nu ijnp [i\\yKi)ji\\ kn. een groote hoop van drek. — rn

yipioj^hn/js gemeen voor zijn behoefte doen.

ilt;n op tj (rtj\\ kN. — .i:liip tj Hauw, krach

teloos.

kii tj ip2 m Kw^sKN.hetgelnid van galopperende paarden {vry. nirip tiji, iijj); ook naam van een muziekinstrument , dat vanzelf geluid geeft, in de Manik-maja. nu tip (ut ikttfj\\KH, liet geluid van trippelende of trippelend dansende paarden {vrg. kii ij ip i i^Ktt ) ; ook zva. ifii h](L/t aaijj\\ WW.).

\') • L-- O

Kunp i^(Kifjs zie bij kh ihtm^ i

o c ) . o c )

kii iiji hji hu,! \\ zie nm n.ii ivi nvin \\

) ) / ;quot;) l~) O rp. , » .

Kil up HJI1UJI (Kit ip iu Hl/IJI Ij.) Ktj rp (LI llljj OfhlKlbtl

(bi iv/iskh. hi .ipnurnijj enz. zieh met armen of

beenen- vastklemmen aan.

O o o o o ) 1 o

unapiui n ijjs Ktj ip ijl m/j kn. — r i itp tui thtfj enz.,

een ligten telgang hebben zooals v. e. paard, WW.

c ) o -gt;

zie imt ip ut tujj

ik it op tj i^n tiii ij kn. het geluid v. h. loopen v. menscheu

op straatsteenen: klotsen, stappen, M. v. h. doffe

geluid v. vallen v. vruchten: plof! Rh.

un up a?! (hrtjj kn. — a::i up (U(Hit/j\\ trippelen, WW.

\' quot;) ) () ) (Kit ^IjlVL^KnjjSKli. Kit 1^ (lAjyt t^ (UL^Ktt/j it X.^OA^Ktt fj\\

gebogen, met gebogen rug v. ouderdom, Tj. kunp\'f.\'tjj^kn. een bankschroef; smids nijptang. — np n/js iets in de bankschroef zetten j mei de nijptang vasthouden. J.R. Zie .iht cm if tn\\

) ^\' O / /

k it op ip \\ k n. ongeveer zva. k n tj np ij dp \\ tot yt itp

•ninjjs berooid.

Kit q inj uttjj \\ kn . ktt icj (tA i.ij ^ ^ n n/j \\ langzaam gaa n

zooals door ouderdom of ten gevolge v ziekte.

nat iip rïirut/jsKN. — r.T ip itl lru/j\\ gedurig bij beetjes

i_ ) Cl

eten; vrg. t)) 11 n.t/jgt;

tn^ ip im T7 \\ torentje , Skr. koctdgdra.

uit (j \\ kn . i-t r;j t^i \\ krom, gebogen staan uf zitten bep. v. zieke vogels, Rh.

Ktt tj ip tj ip ^ kn. ; (L/i hit». »i tj ip ij ip \\ ongeredderd, van een ongeredderden boel, van slordig opgemaakt haar van een vrouw , en van slordig om het lijf hangende kleêren (waarseh. van ijtnttjip).—;,»/ tj ip tj np tquot;) (Htfj \\ ontredderd, door gejaagdheid in de war geraakt, zoodat men met niets klaar komt.

Ktt ijtpi tj.tp i \\kn. wijd en ruim van kleêren.

o

uit i^ \\ KW. zva. Kty-rts xmiKj.\\ (hJtiK}}iLcyj\\ (i/rt ij\'Utd tn/j en (1^111 (nijpKU. een gebrek hebben, voor?i. een lichaamsgebrek; eenigzius gebrekkig; iets anders doen voorkomen , dan men het meent.

ii it tip \' kn. Kit i\'p i, n ip n standvastig blijven weigeren, WW.

tjt li\\kn. kromme, scheef vergroeide vingers hebben. o »

Kit \\kw. zva. t,ii i/r^w

i.tj t}^\\kw. zva. kn. van een arm, zonder hand,

van een hand of voet, zonder vingers of teenen. iitiutj^i^ stomparm of stomphand.— i.t^t^ it irtjj\\ hij. ili ^ ] ki^ a:t iKt/j\\ korte buis of kiel met kraag en korte mouwen.

tj kii tj kn. naam van een oude Javaansche munt: penning, halve duit {vrg. ij Ktt tj alt). ijuttd-niKiij ij titt ijnp^ {in poëzie ook ■ij.Kit\'rii i i(uvt(iLn\\ en ij n i.m\'rtn^t .ün/]) penningpoort, poort aan de grenzen van de hoofdplaats, waar tol geheven vvierd; de hoofdingang van een stad of dorp. Zoo ook t.i tj hit tjitp iuï t.ti tfi en enkel Kt ij Ktt ijnp bv. iKirj t,tt tj ftp kii 1*1 rt w Te Soerakarta is liJtijKtt tj np of tjhaint0 de naam van een poort, waarmee men van de westkant op de aio en aio en komt.

ijfonivjitpzsKH. ledig; ijdel, zonder zin of beteekenis, zinledig, een ijdele klank {vrg. rj tntg tj iCid). i.nt i iji\\jirjnpz\\ een ongeladen geweer.

Kit\\ 1. kn. verk. v. tot tot w 2. ».v of kii- in deftig en stijl ook wel ruit Ktt \\ ook «?n vooral in de spreektaal, en alleen in de spreektaal \'wnN., ?tt kii im k u \\ quot;f vit.kii\\ soma ook wel kii\\k. ; een a an wij z e n d v rnw , waarmee met nadruk gewezen wordt op het volgende in tegenstelling van iets anders of van het tegenovergestelde; ook als betrekkelijk vrnw. die, dat; soms ook daar; en als ki. zva. het he zit te lij k vrnw. van de

derde persoon, tot {of Sn) r.rt iJtKit/js goed, met

. o i quot;) o

nadruk , en als modale Imperatief net r it ut t. ttj kii ijrt-.Kit \\ n. , ii/it t.\'tt i^ iKiKit \\ k. zoo dan , nu dan. n\'tt 1.11 h k!t v n. , vit Kit (hit \'J Kn\' k., te ge n w o o r-


-ocr page 427-

rj inn oajj s

347

dig, nadruk. Zoo ook lt;kh w osn \\ of n^iirinLi avis cn dat met; tw(ki wyui (ti\\ bijaldien ; ^n uuin^ (tri\\ ik bid dat... unrtn crrt\'ri P/ïi i,\'n rj i .m

iLti 1M m (WLfi/js in dat land, daar hij

. , , n.. . ) o ;) o

geen kennis had. ojii nti aji cut op un n KI. zva. n 11 i tin

o

(Kil (UJ ^

fai \\ zie aïriw

urj 1. kn. het geluid van een (dnnrj(Hit ? {yrg. iiyr^ ioj).

2. Tl\', ver/c. van nèjinp hv. (ü^nriiiin^w 8. grondv.

().(?). G) . , )

van ihiinn^ ir.n r. ip en njianp en verte, van lf ,pj

. . • ■quot;gt; o

ut^w 4, (id^ . 6\'w xmiin^sKVf. zva. (Kja^ji js [Oj^tajiiasii

o o . » 6^ ( )

itf)ijx (rtyi ^ xju dsn n/i rgt; j ^ «j; 2 (t?/ »ƒ (tci è (Ki^s lt;m avï

unajidiimjj\\ smoorlijk verliefd. — i\'i^ in nn/js

het voorwerp daar iemand smoorlijk op verliefd is.

— ihr^ (inj n en (EjI(iiij (HYj^ \\ zie beneden.

r,i niui\\ (gt;ƒ (im*1 (htid\\kh. een waterkom, ftrZ». owj

kom? Tj. Rs.

7^ un i (cn mi (iti s \\ q/* lt;ƒ (Kr; 2 in q ikn \'ij an q \\ (ook wel ij uu 2

(Kii?\'Kit(Kitq Tj.) kn. zich heen en weer draaijen

en wenden, zooals een zieke, die rusteloos woelt,

oj een kind dat door heen en wéér te draaijen

zich aan een behandeling onttrekken wil; in 13.

een vrouw , die niet van de coïtus toil weten. —

77 uui itï { kn (i:i j tun (kiji\\ liggen ot\' zitten te draaijen

en te wenden.

) . ,.. n

uu v.itKijis zie bij tt/n i i

-gt; • z-- n

mi i i \'Kj onjj\\ zie bij tin tci (hi/j\\

CY \' . 7 .. i LV rj mi in \\ Zie bij tun (1.7) w

o • i- amp;

gt;1 i.iii Kii zie bij tun titn q w

nu inn tK)j^\\ kw. voor iets aangezien worden of kunnen doorgaan, gelijk? (B.J.) CS. Vry. nij 3. .

Q. O j. Cl Cï Q» i. ..

uu uu iki/j of \'mi (fn inji*. en i, n mi \\ kw. en kn. moeite, smart (Fr. peine); in moeite (en peine), bezorgd, bedroefd ; ook benaming van de zangwijze Asmara-dan a {vrg. ihf^- 4. en tLvaji?).

trj ku i^mi an fj\\ rj tirn 2 oy mi 2 tinjj \\ zie bij ijmihkijjs

(.^ O r ï - / )

KiiiKii(m\\ tmi mi an n mi tmn cmN of ri l ti ui (oji iurn

ii-ijl) mitmsKn. benaming van een dikke gouden met bloemwerk versierde bracelet van jonge prinsen (Skr. k an g kan a).

mi i.n tv,n/j\\ zie bij tün mi mnjj

nïimi H!gt;n^\\kn. naam van een limoen Triphasia trifo-liata DO. Nat. fam. der Aurantiaceae, zoo groot als een kleine knikker en e enig zins scherp van smaak, dia gebruikt wordt in gebak of in suiker ge con fijt wordt.

ij migiKi^Ji^i (m/j\\ zie bij (ur^m^ ni^

mi k ii in/- \\ kn. ben. v. e. soort sabel (in de M en. of Rs.?)

ihi k rjj if.i\\ zie bij i. y tfyi q \\

.Kntmi \\Kwi zva. [trrijmi^\\\\

iv . Qv . ó o*cy

/. II K tl \\ KN. - 1\' 11 thl iKll \\ zva. tlSl^frJl tm (Wilijs i kkji

zich van de plaats begeven, (Tj.) verroeren.

iihi kit \\ kn. naam van een kndpgewas, Ipomaea rep-tans Poir., Nat. fam. der Convolvnlaceae, dal op of bij het water groeit en als groente gegeten wordt ; volg. llli. ook klanknab. v. h. gekwaak v. kikvorschen (vrg in^ mi en irn ij mi 2). i.; mi tmi h ij \\ naam van een soort van gebatikt. — ahim^ aiitinjs plaats waar kang-koeng groeit; naam van een drassig veld ten oosten en westen van de Gladag te Soerakarta, dat met kangkoeng beplant wordt, mimi.KN. stijf, onbuigzaam; verstijven (vrg. mittni\\

O 0 ^ COv CO f) O x;;!\'

Ki^Ki^s miivmn\\ en tKiiHK). am mi i:i n ijj\\ stijl blijven beweren. mirimi* half volwassen, v. bladeren, SG. zie tni mi \\ 15. V. — tui mi aft) \\ een stevige paal. — iamp;tmiaLm\\ als een stevige paal,

bv. te paard zitten.

O- . o.. Ct

u ii iKti n zie a, n ti ti an/j \\

aii^ ahi \\ zie tj mri 2 ain \\\\

iKt^ lit^ \\ KN. ergens op een bepaalde plaats moeten blijven ; kamer- of huis-arrest hebben. — ^ i\'y ^ iemand beletten om uit te gaan, ergens opgesloten houden, huisarrest geven; ook zva. aïr^\\ zie a y utj\\\\ — iamp;i tin ahi \\ en Qatia^ ah^ \\ zie beneden.

rj mi rj litis naam v. e. heester, Lasiolepis fiounetti

Planch. Nat. fam. der Simarubaceae.

\'Y^ani 2ahi \\ of i\'i^ ini \\ kn. nm. v. e. groote waterkik-vorsch ; volg. Rh. meer bepaald in hoog ere streken tj 1,112 ijtui2 Kn/)Q\\ (vrg. ain tty \\ en i\'ti\'Yjmn). ijahnrj mi2\\Kii. een streng zijden gareu.

) • 7 O.

rj k n («71 tini anji K., zie bij tj am ili w

ti mi bi lUins KW. een weinig open, open voor het gezigt.

tj mi tj i:iti^iji\\ zie bij vjiurivj intMjjs

vj ikïi 2 an (ijiji \\ zie bij 0^ an ajjj \\

o . , o .O ■)

ai ti ti^/}x N., zie hij a/ti yi w KW. zva. ik iclt; ^ en (Kti mi

iün/j — ani ijth/imet elkander afspreken,

een overeenkomst met elkander trefjen, zich met

elktindcr verbinden tot iets. Zoo ook /.»; ini tj man tKi/js

(Yjani2ti?i\\ I. n., zie bij tuntfnw 2. Chin, woonhuis

van een Chineschen pachter. ^1^12 tKi mi tjaci\\ het


-ocr page 428-

Kij rj(iji

3é8

woonhuis van den Chineschen hoofdpachter. — n rj uw 2 vi (Ki imJ} \\ zoo he et en in liembamj de sawah\'s in gemeen bezit, E.R. — een huis dat

aan een vereeniging of genootschap behoort.

(hn ti (hJj (K)Ji zie bij thivSiw

iw(M\\ zva. gt;un anrn \'i.yi (in de Kaioeranggari) in de

Uitdr. «77» LI.» (kil IM \\

. cy • 3..o\'

rj iflt; n (ui \\ zie bij (vn qji w

o/ rjur)rj\\KN. niet vrij hangen; slepen,

wan een kleed; den grond raken; ook \'j^\\

W. II, 06, 8.

rj hoitit^iru/i o/ irvi/i\\KN. verdraaid, verzwikt,

verstuikt; fiy. bedorven, verbroddeld; waarschijn\'

CY

lijk zanientrekkiny van Kri Vrlt;j. tj h n m \\

\' . a CY

bij im tv/.

mïi ij u t iijijjn kn. slinken , geslonken , van een (jezwel of zwelling, zva. hli tj u M/j of lt;iïn rj u ^ i djijj \\ J.R. rj(Kmrfw\\KX. heen en weer roering met een lepel, van iets dat in een pan gebraden of yebrand wordt, zooals koffichoonen. — n -i;/ ? ?gt; ai) \\ iets zoo heen en weer roeren; en een mes of zoo iels, door het op een hard voorwerp heen en weer te strijken en om en om te draaijen, aanzetten {vrg. i,m ijw hh/i).

— vf Km ijiü) (ci (hi/i\\ een aanzetsteentje.

O . o \'n

tj ikii ti jvyj \\ zie uii i:i iru/i \\

. O • ,. O

lt;rf hH2(Kjiniïijj\\ zie bij dv^ (ui ivrri/j

ioivj.óid KN. bekend, bekend zijn met, te huis zijn.

ii(n rj i iiri;i ihri/j^ zie bij n/iirj i i ni/j\\

. (Pgt; : (?)

unuk n zie bij ik1

. £)

ny irs \\ zva. k y cyh w

un tj cni \\ uil ij cm 2 \\ zie bij ün rj an t w hu amiKtin\\ KN. stuiten, staan blijven, steken blijven; fig. geen gevolg hehben; en het gevoel van een verhindering of teleurstelling ondervinden {vrg. Kiurvri

Ca.)

(mjj bij i/ncmj (tr^/i).

. O ■ ,O

mi (ril (Uji\' zie bij (mi (rn

tin \\ zie bij (ui j w

iias 1. verkorting van uikiciw 2. verk. van i n rïiw «5. verk. van acian w 4. -uivN., aci 11 (Kijj\\K., m poé-zie en deftig proza rj (in ikiji \\ voorvoegsel tot vorming van de derde persoon van het snbj. passief en van da qualitative Vo hint allef {zie de Oramni.). tul (of tj/icuKTfl) M «k rmv door hem gepacht worden, ui {of ij (ui onji) ci (éti(un(bii\\ wees behoedzaam! (tcji\\KW. zva. injMï^n.iq G. kn. verk. van iJiiirj in tirjj Cii \\ {zie bij a/uu^) en in poet. voor (uhun

tj Kj \\ in het spreek woordelijk gezegde mi iu {of o tuui iu)u^ k^\\ voor weer ingedlikt (teruggenomen) worden van iets, dat iemand eenmaal gezegd of lt;je-loofd heeft; even als het spr. ini ir^axi tu^iu \'Ciyj \'y ^ rjiui \\ I. KW. zva. (rn ijdJi of kyi mi w unifiui zva. tun (rn ijiuiw — un ijbps en un rj(m \\ zva. (uiinrri gt;! (di \\ en un pi ij .ui kh ~/ii ij kii \\\\ un ij :ki ihi/j \\ zva. m gt;/ ui (lvi (kyi en ui cm ij ui (vu \'ki/j\\ en aan het werk, aan het maken , bezig zijn. — ci ij (Ui i.n^n ij mux.., ci tj iui kii ~fn hn (Kifjn k. , iets, zooals kleeren, te mu-ken geven aan iemand, of laten maken bij iemand.

II. KW. zva. y(Ui ij iyj en tj (Ui iq\\. — ijiUi^ kn., ijiui aïi (kijj\\ Mi), of Ki)., wegens, van wegou; wat betreft; door, in betrekking tot, te vertalen met \'/vanquot; \'f\'ui \'y \\ vau , Men. kho^

O. . ,, Qv 3.

Uj ? l /y Cl tf UI ly Cl \\ Ks. (KI (h ri rj (UI pj \\ (M Knij(U)

iquot;) 3c a*

fyw/J wegens, rj .ui (kj.nu uc K., ijnxi Kj Uj uj ook wel rjiui ikJmi uck. , woswegens ? dewijl, want {vrg. ^io^-kickcu of (fj^iii luijuiii ijijt) rj mi ij lij en ij nrn rj uj redegevend: dewijl, want; na woorden die een bevreemding of vei wondering te kennen geven : dat! un Ky iij (E/j mjj tj ui ^ ik verwonder mij, dat! en ook wel elliptisch gt; zonder dat dergelijke woorden voorafgaan, zva. n rn ij lij of ij cm ij kj (in v hoe komt het, dat ! {vrt/. hierbij de redegevende en vragende bet eekenissen

\\ n Qv .quot;)

van (t j ru). z. rj (Ui y (Kj \\ , ijUKiy k., rj (ui ^ kiji^ MD. of Ki)., een voegwoord, zva. i n an ij ui \'rj Kj \\ en rj cu rj ui cjN {zie bij en (ki ). i/nuirjiw rj iij\\n., uj Kj ui rj (Uiij \'Kj\\Vi,, als ook , alsmede.


1

O . O

lOKrn on/js zva. iim cm(Kii/i\\

rj im ci \\ zie n ikïi 2 vn w

. ,.. quot;)

ijii,imii\\ zie bij hikhjw

vyHiu of iKti(ci\\KN. kunnen, in staat zijn; ook het kan wel, passabel {vrg. en y kii i1ï\\

bij (KïKKj).

kii ii(ivn\\ zie bij tons

Kt! Cj [ui in (inji x zie bij nrj w

-ocr page 429-

iioayïï \\

349

llO?\\

{WtjUHjaj\'- af toi ibvi tj do ij Mj \\ en mirrjruinjipi ■Sj of Kirrjiu)! gelijk als. 0*1 *n ijty.it/

\\ of ii.rin i/:iyii.j\\ doordien, omdat. MuTnuj II Itm liïja/il IUI (of i^ pjiui), willirom ? .11117/ n/r/in , ml ïij^r/(i(ia}j\\K., zie bij niiij-r\\z\\\\ —

li • \'i/axir/lt;i£j\\ zva. nfni/iniv/axn/iH^w

III. n. zva. (tas 4. (in Banjoe-mas).

IV. Mal. di {Jav. Sn) rj tui ifji ujjj \\ temidden ;

O

vt\'fj. ann^tw

tu) ^ \\ of Kt n k w. zva. f i Uit (Kt ^ [tyyi u i\' lt;™ ^ en volg. G. zva. Mrf Hmw 2. u» ^ of tin ook wel herh. ui(ui kn. een uitroep van ontevredenheid of af-keuring : ach ! foei! of fij !

yy\\ 1. k\\v. zva. (unnmijdJt {vrg. I.). 2. kn.

Yj lUt 1 n (\'W d (\' h ) i^ (KI ; w vjoxits n. , dsn \'-/»lt;» n (hii(i;n mk., verte, atstand.

quot;) O !. quot;) o o ijnm { if (icit { /ƒ«-/?» n \'li./; r.n q aari a:t) J cun tj (Kt/j\\ op zijn

. ;lt;n l ^ o o verst. rf(i(t?gt; rj tw? ; rj (i/ti \\ k/» .isr; irn ^ «is» ;r.» v i.?? riji

hoe groot de afstand {of hoe ver het) ook wezen mag. (ut ttyartd^ een verre reis; een ver afgelegene plaats, tf ax)? s mi Ht t ti (ia ? ^ rj mt ijtuj \\ ginds en hier zijn verwijderd; het is een verre reis van\' ginds naar hier. n.t poxi iu(m (un ^diti ^ de langste weg kiezen, vttrj(im;\\H., itjivni; of (Ün imfs

k. ; ver; ver zijn, ver verwijderd zijn.—» i tiaxt?

. ) O o

of ii tf ast? % \\ N., vrt tf an? gt; \\ KW. , ut vtt ^ K., op een

afstand zich verwijderen o/houden. t\\tnf(ut?^\\ astt

O .. rn* ^

tnjf poef. zva. nstnui ^ritfdctt s\\ Ij. — mrfdntj w»\\ zich verwijderen van; vermijden, ontwijken. t i tfiuigqd/n tf (trtt v m i ~ti; n/n nv trt/j \\ verwijderen of verwijderd honden; een object ver afplaatsen of ver verwijderd houden van. —ac^tf f tigt;\\ poot. verwijderd, ver af zijn. kn. fig. van iemand die iets, dat voor zijn neus ligt, niet ziet, en van iemand die zoo bot is , dat men hem niets leeren kan; ah ook van iemand , die van een zaak niets af weet.

UU tf flO 2 { lJn(Ht/f\\

h n hit t n s Lit ook wel

tf nci ?; ruil (Kt/j en n\\ti r.tt j mti (^yjs verte, (t-ji mi u n tf an? ^tjn mi/f\\ (hj) Hti ifti ikn rm gt;y t/n (Ktffs uit de verte.

Ook /. ti ij (in? (un hi/j of un if zet i gt; nm tinjf n oïi int

,) ^ , /. t- tt i .7? j i\\fii Mtjf v te ver. — if m ^ s tf ia ? j thnjf oj

) quot;gt; ; ) o

t v tf (ut? /n tf (Ut ? sim on/fgt; en lii r.tt s dm i :n s ;ifti mifl n om het verst, hv. schieten, rf in ? jrf ut ? gt; un tf /.j \\ zva. tf (ut ? q Tf na ? {tf djii \\ en a-./! rf m ? j un tf lt;tlt;j\\ zva. t trf na 2 q rf tut 2 j tf un w

O • C) C- )

tut (Uit \\ K W. zva. un tui rm ff • im cut \\ i j n i th/t ni \\ irc /.y gt;

en rf tun art q\\\\ ook vroegere benaming van Kediri.

(ut (un \\ kw. zva. tfd/ti e \\\\ G.

-gt;

(uxunqsKV/. zva. ittj rf tnn 2w (Ut J 1/11 (Hl \\ ZVa. (Ut l ft! (Kl \\\\

(uts(uiyyi\\ zva. (UKuijn^w

(ui /• (urj, tf ui \\ en tin j mij tf tui anjf ■ zie (ut; rf ut w (ui ? d/ijj tru (bit/j \\ zva. (in (Uij nji nsn/f \\

(in gt; (hi \\ of (ut -gt; an \\ KW. zva. (ut (Skr. ddn dy geroosterde rijst of gerst).

■rf uii vn (Hi/f\\ kn. naam van een vogel: fazant.

tf tui 2 (uiym/f ^ zie if [iu^2(ui^ w/f^

(UKun(hi\\kw. en kn. zva. (rn^\\ {Skr. da h ana), (ui (urj^ rf \\ zie bij txl/wt^w (Uj q (hu n KW. zie ncj hu n

tinj hti (isrnKW. smart, hartzeer, droefheid, verdriet

{Skr. do e hk h ita. Vrg. iinshny

/. O i

tui un (in/f\\ of (in (un (hitjj \\ K w. zva. rn (vn tuitjf \\ ruj tut ? \\

of ilt;n tu u) (vmjj\\l,verbo7ideti met isrt txyf : in \'t geheel niet, volstrekt niet.

Tfnnjjs

zva. ui (Ui,(

tut i/ijiun/i of (iJi (ur^ bti/f \\ J. KW. zva. iic^.t^asn/fs un

) \'

tfij)2ni/j Ij U) 2 tfuutonj en tis ifiit2 nyf\\\\ Z. (ut

ijti fotyf^ poet. uittrekken, van troepen; ki. van

a- c y

, tf (un ? tf u) ^) ?\\ en ij, (ut mi ^ \\ \\ tut it/rj, tiw tj tuuKl. van Lj (Uj (isn -Jjjti-J) \\\\ — (un typ (urj asnji of (un ar in ii/t^ (tsti/f -iets uittrekken, uit den grond trekken , vooral jonge rijstplantjes uit don grond trekken , om ze te verplanten\', uitrukken, uithalen, uitroeden, ontwortelen; wegrukken, tun op ijij (hn tni \\ het anker ligten. Hiuuuun biyi pass.; poët. zva. un htrn nn/f

aangetrokken worden, Tj. P.J.

o o

(ut un (isn/f\\ zva. (in lv) (hiyjs

o o

in un (bri \\ ~ \'tamp;dJitbiiw

iut%ifui\\ of (in{(untf ui kn. zich met de zaken van

een ander, of met iets, dat hem niet aangaat, be-é

moeijen. —(un(Hi j tf uirn\\ zich inlaten ^/quot;bemoeijen met. — (in % of (ui (Hyf ^ zva. ,u); tffV)\\ en zva. tui ? tf ntiHjiHijj\\ bemoeiziek van aard. (ui\' n tin q rj (ui (tg. (Hi/f\\ bemoeiallig.

tut j tf ut (Hijf\\ zie (ia qtf ui w

(uiA/niuibti/f? Ar. daulat, kn. Fortuin; geluk, voorspoed.

-) o

(ut (Hijf en uruuKHi/js kw. zva. u i\\ hiyf^m/u en •YfdjY)cm rujf {vrg. (uis II. en het Mal. Zie ook

tj\\ I. kw. zva. tin


-ocr page 430-

350

rt

(in ihnjjs

(tm (in tin/j bij iun w).

iuiihtjj\\ verkorting van a?n u} ihnjj s yj (Ut ifyj kw. zva. imijcrrKHijf als hulpwoord {org. rj(ixid(hnjj) -y hü. ti(U)agjj\\ of rjan($\'\'?)\\ zva. (iïn*1011 vj ujw kn. verkorting van m ijdo en zie /ion 4. ifaxii(Hij]\\KW. 1. zva. (un mm(hnj^\\ plaats, oolc als hulpwoord, hv. zva. rtm ij cru i ij hj {vrg.

ij (ici ihnjj). 3. handeling, streven, doel, zva. rjvm tu en rj o.i i uu j w mh rj pi 2 (injj\\ nutteloos, vergeefs ; en kn. niet anders te doen hebben, dan enz.

— am rj uit kt^n ook wel (utt q tia? anjj\\ kw. zva. itn

volg. Rh. elders tydelijk verblijven, om het een of ander te verrigten; bv. 0mi ij .o n bij een ander (yoor zich zelf) werken; 0ifji li(hnjj\\ el-, ders of bij een ander maaltijden; 01i5ï^ni\\ bij een ander aan huis gaan slapen, enz. kn. zich bezig

houden met bv. 0(mrqiU)\\ 0njj rj(L\']/j\\

o o o 0^0

»; nsnji OJ tii/i \\ (iJt(hJj\\ rj am g crn (tnjj \\ \\ ti/n

o

(im iipii(^iL^(Hiji\\ zva. 7^/NN

— (isn ij mi 2 (Hiji \\ kn. dagelijks, alledaagsch, iets alledaagsch. ti ^ tui t (Hi/i n zva. un tj tm ? tKyj\\ mjj

q..o /. i ) qvo . o o 3.0 1

OJ ihnlt;H7i(H^ \\ N., arj mi /y ij^ w \\ K. als

het er op aankomt. ^lt;b»?rrn0gt; kn., als het er erg

op aankomt. — birj utnuj rj un \\ iets dagclijksch

doen , tot iets dagelijksch of alledaagsch maken; iets

dagelijks gebruiken. — mh rj im 2 in rj pj \\ zva. tun tj

»1 thf) 2 tj pj of (Ujj n* i tKjrjihjw tui rj tm zie

bene den.

lt;ui ï/ïnkn. gift of geschenk uit mildadigheid, weldaad, aalmoes {Skr. ddn a; vrg. rj ut ij ut gt; \\ ut rj ut tj ut {\\ en cm imi »t quot;^ )• mi tm ^ of an tut tm \\ aalmoezen geven. ilci (tn iv,ii ut \\ of tut tui (u^ libit tut \\ naam van een deur of poort binnen in de kraton. a/rt iy isj pj \\ iemand beschenken uit mildadigheid, een weldaad bewijzen, een aalmoes geven. Hitcm Hjtni^ ver-pligting hebben aan iemand door een weldaad ontvangen, iets {van waarde) gekregen te hebben.— \\m (ut wjih tt ~nt rj uit \\ iets als een aalmoes geven, tot aalmoezen aanwenden; iemand een aalmoes laten geven. — nj^tict tui KW. zva. rn imi rrt ihn/js {Skr. p r a d dn a, gift, geschenk).

tintH^s of (i.jt thfjj\' kw. zva. tutu^^s y iim ik ■rjoji 2 rj -rt z

o (p) o» ) ) c/ .

(ut (Utii n e7i tim r.t iLtam ut {o/cr. aanoe,cc\\\\

boog); iets dat huig uitgestrekt is , lang gerekt,

langdurig. g.). im rj im 2 (of wrjiurtdJi) zet ^ (lt;?ƒ jj) ^), een wilde buffel, t^ abt^tia s ecu geliefkoosd zeer bemind kind. ^ ik tut een lang gebed doen. tut tui ik \\ eign. van den Rijksbestierder van Djok-jolcarta (ut (tr^ tun (un,~rt\\ eign. van een zoon van Ar-djoena. (ut rhc^ut uit \\ eign. van een dochter van Ar-djoena. tut ut uit \\ eign. van een Vorst van Ntji-mahima-taka. ut uj tvt utt \\ kw. zva. tEj irtn \\ en eign. van den vader van Danoepati. — un errn tq \\ don-

(a.) [l

ker of zich ver aan den hemel uitstrekkend, van

een regenwolk { Licm^).

a :quot;) o

tut tpr kw . zva. \\-.n tot unjj\\

quot;Tf . on

(ut(Hj\\ zie bij ut tE/t(Hj unj!\\

(uttu^ n. , iw(hfijHiji\\K..gt; dag (Skr. din a: Vrg. nnmHj). tutiHj (o/ aPiifti Hijj) ui if um i Woensdag. (unQttm in ^v 01) ^eu derden dag. uit act itj rj ?y ut op den volgenden dag. uït tu tit ij^(ui(kj\\ des anderen daags. (tJt(ut hj\\ tt^ttutitji^taj^s den geheelen dag.

quot;) o o o o 3v o o

ttJt (Ut (Uj.^ (tJttut (iQjtlt;ijj\\ een dag. un fh/t (ut i(j ij ij \\

• * 1 O o O S) a c) lt;^ cquot;) o

s daags, per dag. (K t tut wj (t t ut ui \\ u/t ut föi Mi ^t ui

7lj\\ een dag en nacht, een etmaal, fcixnttyaxthjs

iJxa qnutrt ttft iHtjj^ dag aan dag, dagelijksch. Zoo ook

o- o ^ 1 iquot;i \'quot;) o ) 0

x/n un tut tuj (ut lij y uj \\ dagelijks, ajt uit / (^y \\ ui un m

itfJiHi/j^ eiken dag, ieder lag. uuutuj im tm- u/iul

o to. tl).

(Ui(Ktlij hit [oj i^ujuii) en.uituiftnhit\\ op

dezen dag, op vandaag, vandaag nog. tuifü un 1.11 \\

rut tfn tnt u 11 s vandaag; en dezer dagen. lt;ufttuj n

o o av O . n a ) , .

i-lt; ui (hj.\\ un u/I(tsr^ om lu ut (ta/j \\ op zekeren dag. —

(un (jfi Jij \\ n-gt; lVn vp w/j\' k-» een heelen dag; een heeleu dag er van maken , bv. van een boodschap, urn (Ht uj(uitHj\\ eiken dag, dagelijks. i/n uim^ii ^ poët. dag en nacht door. —/ui /y tiny\\ (utt^Qjnao^ bij den dag, by dagen, tot (imiiit asn au^iiuu^Myi om de drie dagen betaald worden. — nji(ut hj(i(ijj\\ m (ut njiuiji\\ wat voor dagelijksch gebruik is, alledaagsch. tui iui i£j ij tjtq ff iamp;i p ij \'i t ij ilit gt; \\ kleine dage-lijksche zaken «ƒ benoodigdheden.

ij tut i)(Kj\\ zie bij if ut iKtypQ

o 7 .. o

tuttnjutji zie bij tut ujw

(icttuj((tp\\KV/. zva. uterrn i,n (Skr. d y dn \'indr lt;/, een

meester onder de denkers, of djndnindra,

meester onder de wijzen, pk.).

iut ui rnn lu bijnaam van Ar djoena {Skr. da nancy CF^

djaj a).

tui /y \\ yfr. jUuJ. d \'i n dr, een goudstuk ongeveer ter waarde van een Hollandschen dukaat.


-ocr page 431-

«51

S

IX) (UI \\

K-

/

uj iu) hl verb, van ik ihjanws

(Ui hi no ij gt; kn. ligtgeel van huidkleur.

M Ujw r)* (ia gt;1 lt;hjj (ff r)\\ (tvnyajinis of (ivtj\\ o o . o s , cm i

KW. zvcl. tgt;7^\\ oj (k^ rn^(lv (h^/j (oa\'t\'. aa-

nésjwara, een naam van Komcra, den god van den rijkdom), nnrj(iomi(nj r in)\\ o f m tf m (H) Jii m / Wpj rgt;N e^n\' van ^en zoon van Déwata-ljeny-kar. Later wordt ook Bandjaransari tui of un 9fi (Hj \'M (jenoemd.

Mj /y UN of (ici (uj ui\\ k. van (irrjnui (6kr. dd nato a). dm (HUii ut n ? Skr. ddnawdrih. eevi chluawfi-vijaud, een godheid. {Het wordt verklaard door iji H.vr^das mildadigj Skr. d dn awzra, een mil-dadig mcnseh). (isnwvj h^ojnpiihi(l» ^^n een nakomeling van een godlijk wezen.

tjdd (hJ zie bij \'rj tici ikijj

quot;) , ) o o o

IK) Hl (10 MN KW. zva. f tj i:t (Mhn\\ ifj) f un \\

{naam van een toovergebed. G. Skr. d a no er dar a, met een boog gewapend ; een boogschutter. Vrg.

rn M n\')\\).

S- \'

m fin hu/j\\ zie bij (U^ hn/js

ut (hi (hi ip N., tut ij hu i i/jML., gereed, klaar, in orde ; zich aankleeden, tooijen, gereedmaken , toerusten j iets gereed maken, in orde brengen {vrg. i.rm iu\\ en •hihLii). 0(U tiYi\' ]i. zijn gedachten regelen, ordenen van iem., die op een of andere wijze 17) tiij was geworden. iut tni hi w (Hi^ het een en ander gereed maken ; iets gereed maken, in orde brengen, vnofi Hi Hjs (uriihfi rj4pi(tj)iets in orde brengen, weer in orde brengen, repareren; iemand aankleeden o/tooijen ; iets aanspannen, optuigen, pakken.

\\m (Hl (Hl Hll ^11 Ij .HII \\ 1 /11 (Hl Ij Hl 2 (h ) ~rl n il (h1jj \\ iets

in orde laten brengen , of geven om in orde te brengen of te repareren; ee7i j^o/\'bewerken.— ukki^ (hijs an ij ni2tut xiiHiji* tnig, en alles wat tot iets behoort om in orde te zijn: gereedschap, tuig voor paarden en wagen, huisraad, kleêren, goederen, materialen , de stukken die tot iets , bv. tot een wagen of ledikant, behooren. fig. ligchaamsdeelen B. *1 vmnlt;ui(ia0 niet bruikbaar, niet geschikt voor dienst. a. ,c7i huiunxt (ut oplt;hiini^p iets geschikts (iets goeds) zullen worden, en r.n (hn mi (ia (ia :hi i:j iVi 72J\' \'c^s zeer geschikts (iets groots) zullen worden. ilgt;ii(hi ^7w(hi uiaoj^\\ zonder tnig, zonder wapens. — (tyim(ip hjw/js a.! (tri vf (hni fco (Hi/j\\ plaats om te construeren of te repareren, constructiewinkel. --{OJ^(UI (Hl ihj (HIJI\\ lOJ^dCI Ul idJl

ihi/j de noodige toerusting of toebereidsels maken;

zich uitrusten , bv. voor een reis.

/ ) x

ui an kw. zva. nsu ij eni?

(Ut Ij (Hl 2 OJIJ! \\ Zie (Ut (Hl (hü/f \\

(u^.j/i(Mjj zva. (ic^£1 (Mji. zie bij gt; j f t^ \\

rj (ut 2 tj (Hi 2 miq \\ zie hij nxt 2 if.iq \\

(Ut (Hi \\ zie bij w\\\\

(ia (hi\\KN. nm. van een heester Ruellia, die eene vermaardheid heeft als duivelbezwerend middel ; vrg. (ui(uï\\s nm mi (HÏ^ dc schouders en borst optrekken onder het gaan uit verwaandheid\' cn een weinig op de teenen {(im irntrrïliiv.ii/j ) Rh.

ui mi \\ kw. zva. en crrKtci {Skr. d a n l ay tand,

e7i olifantstand, elpenbeen).

(ut(hn\\K\\\\. zva. (utMi {maar Skr. getand, met

tanden, en een olifant).

o O .0

Ut fifl (hlZie (IXt h^ \\\\

ij (ut fel mi/j\\ zie bij tj ut (^Vj^

(ia föi,i^i tnii mi\\ Jav. Zam. Wint. II. bl. 1. ^

Hii0\\ , geregelde volgorde naar den eersten en

laatsten medeklinker der (eerste) lettergreep, «■ooö\'/j

in V woordenboek geschiedt. {Skr. ddy an taw a n-

^ dj an a, eerste en laatste medeklinker.).

Cl

tut mi (Ui n zva, Hïiaj^amp;i w

VV. 1. 197, zva. (ui^ ■gt; djii h y \'ijj (Eit w fjj of ij nxt 2 iqjj Ar. Uit) j kn. de wereld, bepaaldelijk deze tegenwoordige wereld; wereldsche goederen. Zoo ook iijïi *.1 (Hjjj v eti ctriukj.(Kjjj\\ wereldsche dingen, aardsche goederen, 7. / aard-sche schatten, (i^miytA tj hu2 deze tegenwoordige wereld. (ic^Mjj^ vrt ilt;YÏ\\ de toekomende wereld {vrg. un rj hiri m (h/i/i). mi HjjjMi/j wereldsch, aardsch

het wereldsche, aardsche. 1 t u 111 t^ut2mjjjmi^ aard-

sche goederen , verganklijk goed.

i

plaats waar iemand of iets zich bevindt; dat waar iets zijn plaats vindt, op toepasselijk is; plaats of voorwerp waarop iets gerigt is; doel, rigting, voorwerp, object {vrg. hit rj errt i mijj - rj aoi 2 ih ii/j \\ a^ri icja^cm/j en (ru^ err^ j). zva. tArjcmï

(mjj\\ zich ergens ophouden of gevestigd zijn , zijn verblijf houden; zich ergens vestigen. — (un mi 7.^ \\ poët. zva. (Ujjttn^w —(lci(f.^(h^\\ ergens gelegen zij 11; ergens wonen of zich ophouden ; gew. fig. op een

o quot;» a* 1.0

Dl ik vry \\ of


-ocr page 432-

minis

352

voorwerp gerigt zijn , iemand of iets tot voorwerp hebben; wonen in iemands hart; verder ook zva.

lt;m fj of i (fy^ or? n\\ — /. »gt; .1 iïi \\ geho nden , verpligt zijn, WW. ui trjHZ poot.

B. — tun ergens zijn verblijf honden, een

bedoeling hebben; iem. de bedoeling bv. van een of ander gezegde leeren kennen. — hjh yiu^vi ij de bedoeling van een of andere uitdrukkinq begrijpelijk maken. — hn (if^ ^ j:n (ïnjj\\ zva. nti tj ij nm ? uj lt;Hyj\\ iemand bij zich wonen hebben; begaafd, bedeeld, bezield, enz. van iemand bij wien een

eigenschap of hoedanigheid zich bevindt. — un cm

. o » o

i:f \\ zva. :i/ri pj ui w — L\'Ji ui ri tj un \\ en

im (Hi iamp;h kjk) ij hm\\ iemand ergens laten wonen ,

verblijven ; de plaats van iemand aanwijzen.

^\\KW. zva. tj tin(m {Skr. drdgt; grondvorm van n i-dr d. pk.).

o

If (OQn k w. zva. Xj! (Kj) HtlJI \\

S

zva. (ic^w

i.n\\ of mins kn. hoogmoedig ,trotsch, laatdunkend, van iemand die zich op het een of ander verhoo-vaardigt {vrg. rudn \'ni^y — QtiYi n\\ iemand met trotschheid behandelen, jegens iemand trotsch zijn. — in ui mi nu \\ op iets zich verhoovaardigen.

(tmKW. slecht, kwaad; moeijelijk; moeijelijkheid {Skr. doer, dat in zamenstelling voor sommige letters doeh, voor andere does wordt), arr^ui uj^ kn. slechte aard. \'jjslecht en gemeen,

schandelijk slecht, slecht van aard of ge

drag , slechtaard , snoodaard; snood, ondeugend, ondeugd {Skr. do ehs jila). if »vl ju\\ boosdoener, booswicht. — hntujjamp;ltu injfs snoodheid, schurkerij. — ik m \\ slecht mensch, iielt; schurk, snoodaard; roover, dief {Skr. doer dj anaquot;). — Hi)x^iKuianji^ schurkerij, roof, diefstal. — nr^i:i ons KW. kwaadsprekendheid (van in in \\ verk. van w). — tirjjWnis KW. slecht van manieren, slechte handelwijs; kwaadspreken, lasteraar {Skr.

do esjtiara, zich slecht gedragend). — frjon h?i\\

(Pi a

k w. zva. njinm rj m mn •ru n u) {vn n i \\ en i^ j

{Skr. doerniti, wangedrag, ongemanierdheid).(ia

w isnn eign. van de dochter van den Vorst van

Ngimahima-taka {Skr. do emit a, ongemanierd).

ujrj lyians eign. van een zoon van dien Vorst.

(ujjdi/)do ons {jw Lu an (Hi of (an(viijj (ui (hi\\ bijnaam van Soejoedana (Skr. Doerjjóda n a , eiy. kwaad strijder), hi\\ eign. van den oudsten

jongeren broeder van Droejoedana {Skr. Doe h-sj fis a na, eig. slecht te leiden, onhandelbaar). \' ^ tnt bijnaam van den zoon Bagawan Djala-süwanda. (jo ^ hu hu iu ui ijwojis benaming van een tijdvak in de geschiedenis van Java. —ncj i)

hji\\ kw. zva. ti/n rvi\\

X a

rj ui ? \\ KW. zva. (UI un rj tui i w

m 11 \\ kw. zva. Qiuh\\ {Skr. oedara, bnik, vrg. m tin t}) ; an-ri of (Ui ni zva. twrjw? {Skr. ad ara lager, laag), zva. Hi/js {vrg. -n^n) zva. ij uu

f is (Skr. ddr dh, huisvrouw), en rj mrut hiijkn, tn\' n n kn. I. dnif, tamme duif. m n^tni ti\\u. , J hu Jatinuw ui \'n m r i \\ een soort duif. (w nfj (iL^uti/js nm. van een batiksel, Tj. en van een

hu fiHins zwart in het midden met wit omzoomd

co -/\'

3. ook nm. van een hoemboeng, van eén gclediw] bij het arentappen in gebruik, Kr. Q.wri (ndara) of lim (ip n\\ verk. van rri un n w m rri (uw

naam van een slecht teeken in het haar van paarden. (Ui\'n crY) (Uiinijj\\ zie bij niui uw (Ut \'ijn oj (utt (hi if ^ kn. een soort van luchtverschijnsel, een uit den hemel vallende vuurklomp, lid wordt als een voorteeken van geluk beschouwd, nU bij iemand zulk een vuurbal neêrvalt {vrg. tn iij\' nrj^ iec) rj ui ut (ut - s zie bij vj ui ut w

O 1 C ) O C / O/.m

in ri \\ kw. i. zva. int ut ut ^ ut nrts en ut ut (o#» dira, sterk, krachtig, stevig, onbuigzaam, zelfstandig). 2. zie tj ut n \\ 2 — int w »»(Hi/j zva. mi (ij rj hQt rtn/j en utt ut ij rut nn/j ,»n it \\ of ij (ui i i^i \\ kw. zva. njtrt ijuii en \'fat min

{Skr. do era; ver, ver at, ver vandaan).

ucj^rts of (U)j.-Yi\\ kw. zie n ii. —

uj, i i,t iHi/j\\ poet., naam van een stekelachtige vrucht met een onaangename lucht, maar toch zeer (je-zocht, de Dnrio Zibethenus L., Nat. fam. der

Stercnliaceae. autcui {of lt;ut in ni m ~amp;t ttn/i) quot;^ ,/ H

o o . ; ) i»

w -iAdf^\'u zva. ui (ut int (Eji rrn^uit (i. ttj\\ j\\.

kw. i. zva. rj rnujnf- {hulpjoóord) rf uniij ij ri// ^ rjtt.\'tl \\ Sri T. ut irt^ rut t t -1 j int ut ut ij urt cm if rut t/ n ^ ut mi \\\\ 2. tj ui rrt of m n i n ui\'Tj\'nutiuj op den grond, vrg. i.Sn\\\\

tfuit tu uw. zie (ix^mw k. zie rjnnmrj-my w

n o

rf ut ?. ni \\ kw. zva. ij int ? ni w


-ocr page 433-

(J3?x

k n grashalm j een grashalm, een wei

nig, fijn stol\', WW, iki i^\'(un i\'iiui iinjj\\ een uitdr. voor heel weinig; met de ontkenning voor: geen ziertje , vnj. WP. bl. 5 en Annt., volyen.i som-

£ ^ Of

miff en zva. als iets ondenkbaars {vkl. nji in (ui (hi tun aP}W/}); zie ook J)W., 48, onder, en 49 boven, W. 1, 50.

M nf \\ i. kw. en ML. zva. ,is»^n., h^nk. 2. kn. afstammeling, afkomst, familie. tnKuinfs (Men. tot hetzelfde geslacht gerekend. WW. vjin\'ri^ Ar. y , kn omtrek, wat binnen een om-

, . 7 Qv O Of

trek is; fw. ij (in • n j rvi mi am quot;n \\ en tfinm? (\\jn ui (tj) tui f fun QfjJl^ 611 zoa- uinjffhi/j een omgetrokken omtrek op een papier, doek, paneel, enz., waar binnen iets te teekenen of aftemalen is; bv. ij zet *) q iïnwiMW ook een wanhopig besluit., waarbij men zich blindelings aan zijn lot overgeeft {Ar. ook keer of wending van het lot). — zulk een

wanhopig besluit nemen; wanhopig zich overgeven. \'ïj{Wgt;2(im\\ of (iTt vj ((hi ? nm s ku . kwaadwillig; oo/c zva. inKn\\ en afgunstig, afgunstig zijn, be

nijden {amp;kr. dr6 hi, verraderlijk, verrader,kwaadwillig , een kwaadwillige, pk.).

(hn/j oj ij(icnujï^ , mei w ervóór, dwaas,

gek, aU scheldwoord,

kw. ben. van een knods van geel koper, een wapen van Ménaq Djingga.

(hm\\ of run w)\\ KW., (1^^) hn \\ kn., weerspannig, misdadig, zondig; misdaad, zonde; zonde begaan, zondigen, zich bezondigen. — imihnni

(\'Ij

uivuj\\ zonde teweeg brengen; misdadig

verklaren, voor een midaad straffen.

- . Ov ,)

of ,m K^vzva- lly) ruN

a

Y ti vn (Utgt; un\\

(Skr. doerdtmaka, slechtgeaard, snoodaard).

cinjr(Ejj\\ Ar. . van het Orieksche drachma,

naam van een zilveren munt, ter waarde van een schelling of zesdehalf; kn. naam van een Arabische gouden munt, zva. ook voor geld in \'t

zie (wntrnw

\'^ui)2ctrn\\ uuj fiQ \\ of uji (hn \\ eign van een hoog vereerden panditd of bagawan van Sokalima\\ zwager van Krppa, en vader van Aswaiama; leeraar van de TandawcCs en Korawas in den wapenhandel,

iwj!

en strijdende in het leger van de Korawa\'s.

(ia rri \\ n. in de volkstaal zva. i n\'gt;gt; onj)\\ En dikwijls zegt men ook tia (ut gt;gt; i!j \\ voor ani/n {en voor ifficrtiq Rh.).

(ixl rj ni kn. in de spreektaal zva. (vh ^ H) j {zie

j .. o o.

Oij un gt;»).

iic^j rj ni \'hnj! \\ zie bij

vjiet2titinjj kx. de steel van een hak (patjoel). (in^ithns (innri(tn\\ of io/kinkw. zva. aj)vj?oji\\ n.t rj li j \\ en n-n urn (Skr. dar a n a en d d r a n a , houdend , uithoudend ; vastheid , standvastigheid). asn (fr) quot;n (Hi \\ ongeduldig. Zoo ook wel rjfim ? (itn w K. in Joes, ia (im w hjx°(^\'ti ihnjj\\\\

O 3v

(ici ii(tn n kw. zva. w uiw zie rj^icrrnw

o o .

ui ijihj kw. zva. (K/)lUïKiTriji\\ i r^i.tj t.h ti ui ihii nn/j^ [Skr. dar una, grondslag, steunpunt, steun pk.), io hj \\ bijnaam van B atari Doer ga {Skr. d droe n i vr. van ddro^na, verschrikkelijk, pk.).

Cl / . O

an niyis zie ita n (i^\\N

(Ujjnihonn kw. boogschutter, kn. benaming van een corps met bogen gewapende pradjoerits, behoor ende

bij de (ern[asn\\ {Skr. d o er and ara, voorganger.)

S a S ci o

(uijtHiastis en (ir^Minui n zie bij (tnw

ïj (OQi rj izm ? \\ kn. , kh ij nay ij rm? \\ te ver gegaan,

zich vergalopperen in het praten, WW. vrg. nj

ij dc^? rj ifc?

^ - ... S

iicjjdj) n \\ zie hij (ic^w

: (Kn ru/réi rj \\ naam van een tijdvak in de geschiedenis van Java.

of io\'Tj hhjjs kn. naam van een soort van tortelduif met bonte gestreepte veer en, een weinig grooter dan de p\'êrkoetoet: een soort van koekoek, anders ei ^ tun asm {vrg. xa kiq hi^). vj im i ^ n 0 naam van een zekere palawidja van den Vorst. (Sii r^ un/js zoo groot als een \'^ rl unj} van een kuiken, Rh.

dxj t) Kn s k w. zva. a^i xn \\ en vmnïn?\\ {Skr. ddraka vasthoudend, standhoudend pk. Vrg. ia -ticki).

O . O

(ta ii nn \\ kw. zva. iin in w kj \\n

(u^ii Kiln zie ij {^2(un un \\\\

nahijg /n^\\KN. naam van een soort van wilde duif, met gespikkelde hals, iets kleiner dan de lia i^wnj^s maar grooter dan de h n im nsnjj \\ 0aJ(uj\\ nm. van een vogeltje CP.

■ i

358

tl

.* 11

]M 3]

Sl

I

|i

P ,y .1

\'1\' L

111 fy

Si i

ii

11


23

-ocr page 434-

on (rj yi n-jjji \\

354

(vr^ uu m

in Hti T)n kw. i.n mtni ru\\ lyyiïj tvn ti.

{van en nn n) — unw ininis a

itJi { nyn \\

{Uj h n iwi« verkorting van rj i/n Chi n n tri ji w

a/

CY

\'in(io\\ iui(ut\\ iiaiia\\ kw. zva. (una^tjw

^lt;io\\KW. ojjiLn iuw n

ar» \'ti (ui\\kw. zva. nm\'U\\%\\ {SJcr. dwirada gt; eiy. met

twee tanden, rad a, tand).

ioao^N kn. oneenig, oneensgezind ; oneenig zijn,/^c?^

tegenovergestelde van rr^\'t(r^(mJls

o o

iUiTi^xKW. ui) (K/j oj) ? \\ en zva. tui rn {ox^w

m n(fuif\\ of iw-nCtmMLW. een arm , behoeftig, ellendig menseh {Skr. dar i dra, arm, behoeftig). (tc^u) (hy) \\ kw. toorn, gramschap. G.

rj (iiQif (in zva. rf maar van minder

hoeveelheid.

rjlt;ict2tui/j of lt;io2.ikj^\\KN. het stroomen, tappelings vloeijen , drnipen of afdruipen, zooals van zweet of tranen {vrg. tj [quot;^*/ — nyn

\'riC(hn2rjaxi2(Kj)jj\\ tappelings vloeijen. — tfiaQUjaat it.)^.(HTjjs tappelings; druipend vloeijen; mi0\\ook tranen storten. Men.

in\'ni (mm of if mi rnaxi o5i j \\ kn, uitkomen, juist uitkomen in de werkelijkheid, van een droom {in 15. rjnxitnidnoOiqiyri)} juist in denzelfden toestand zich bevinden met een ander, (Skr. d o cr a dar-sj «, verziende,) ook zeker fatsoen van lansen. ^NKW. zva. asn)^j\\ {Skr. hrV dya, lief, geliefd). V^(15»MKW. zva. ,lTr)^\\N

(ic^uw\\kw. zva. imriJis {Skr.doerta, slechtaard, schelm).

lt;inlt;i

I flSJMN

oji ui yi ihnjj \\ Kis.;

asn \\ en uiw n kw. zva. (eaihiiiww

TV*

o

(icim nsn/jsKW. zva. ihh rjun ajijj

Q

a^i aj^n r) nsnji\\ zva. vji nn ijaj) (ui/)\\ een oogenblik.

o , o

(irj\'i5y \\ KW. zva. rj iamp;i iiunniji\\

Kjj n tun om \\ kw. booswicht; dief, koningsmoorder {Skr.

do er dtmak a, slechtaard; zamengesteld uit

en (un i^rj/ym).

• O

ZM a{) M DJlJj\\

(ia nlt;M^\\ kw. zva. mn ani \\ (vrg. jtt? en nnnin^).

(inn^njijis of fui(ut i^/js Ar. 5, lezing, studie door lezen. — of vnijp (um^kn. overluid

uit den Koran lezen. — mn an-r^iu)v^un\\ of (un (u^i^iof^iuns voor iemand, o/voor of om iets.

uit den Koran lezen, un in ^^ nn ikijj\\ (Tj.) zva. nn in iui (kh imijj ■gt; enz ? zie hij (tci im thjijj \\ iia^l^i^yjsKH. een soort van uil {vrg. ini fn/iamjj). iw(ui(Mjl\\ kn. digt, compact; digtheid, densiteit o/ compactheid; snel op elkander volgend, zonder ophouden of tusschenpozen, bv. met de zweep slaan -, aanhoudend en hard , van iets dat stroomt, ook van een stroom van woorden, en van een sterke diar. rhee {een ander zie bij (um^ojtjj) iijr^an mkiji w^ een compacte regen, stortregen. — (i/n (hn iijiw Jj\\ iemand aanhoudend aankomen of bestormen, sterk

en aanhoudend bij iemand aandringen, ook niet fig.

- ^ *1 O

u n (iQ m (jfj (17? iinjj \\ M en. — n n tm tvi a^n nu \\

maken dat iets aanhoudend met kracht geschiedt;

aanhoudend dringen, met aandrang iets doen.

lUjl KW. zva. un rgn nn — nn a^ zva.

O S * O

mi i:n rrpi \\ of hii vm (hj^tisn/j^ — nn

bereikt, vervuld, voldaan, van een verlangen.

tjiin rj rKKüjjw/iw. insnijding in den bloemstengel van een kokos- of palm-boom, om het sap iuiji)

er te doen uitloopen en op te vangen; lëgèu tappen of zamelen , als bezigheid {vrg. ^(unvftia-j)^). — unrjiuj f^yi(Knji\\ zva. vf i i rj nM/j\\ en lëgèu tappen , als bedrijf i een palm- o f kokos-boom het sap aftappen. — njirjdaoi na-j) jdi(hojj\\ het werktuig, dat tot aftappen van lëgcn gebruikt wordt, en een boom, waarvan légen getapt wordt {in deze laatste bet. ook ijaxiirj\'vithA^fiiHi/j poot. Bah.).

fj (in 2 ij tj (wji n kn. praatachtig. —

babbelen, snappen {zie «5»^^»^). ,t^\'7iflv?NKW. zva.

ij (1x121} quot;yi(kj)\\ kn. gekijf (wj. P). 11.; zie rj tuu ij-nimji^ (ixi\\yi(His of iix^dJi(Hi\\KYf. zva. isiy WltlJl\\ of ISTj lUW (KT/^n en rj nn 2 tj mi2 i jcmi^kn. naam van een soort van djamboe {volg. Rh. groen, saprijk en aangenaam van smaak) en naam van een bloem. {8kr.

s

d ars j ana , uitzigt, voorkomen. Vrg, nj^dxi w w). o

ij dei quot;yi (K/i (K7 n K W. zva. (un im (m ^irjiui2W Kri(iJ)ji\\ ax^dji mi tui \\ kw. zva. ar. fnjcrnijaji {zamenst. van

%j}jj en (un uj. !vi ?), en eign. van een Widadan

.o o o» .

{ ut iw xci \'y i (1^ )

(irj 7.7) \\ zie (u^ ikh w

xf^lt;VA(Wt\\ zie bij lt;üj\\\\

xc^iyi nji iUi un \\ eign. van een dochter van DVstarato-iiq ia.\\ Skr. drë shta.gezien, ckd up vjian ik ^j\\{B.v B.)M.


-ocr page 435-

if J} \'tvgt; \\

365

(lni3\\KW. eva. un ruiiiJljf

rCd \' _ ,00

ui m i) Kn isri\\ eign. van een Palih van Tjhnpala.

r(J \' quot; ,

liiij quot;f quot;7; ei9n- Van dequot;

zoon van [Mj (ui toN J) /irë sj t a dy 0 em no).

_ o -gt;

o^ /jnKW. 1. (U tLi\\ ij turjnns rujn^j\\ en tun jej ((S/rr. dr aw a, gesmolten j vloeijcud). 2. zva. mi Djj or/ {in onjj^ {S/cr. d r a toj a, bezittingen, goederen). (YtjirLi[ax}gt;iut\\KH. half gesmolten o/nat geworden sniker.

iW ijiMj1 (n dr aw in a) nn(itn iji uj\\ ook wel rj hn? (m coi thj kw. zva. rj m t rj en foi i~i amp;ii vrolijk feestvieren met eten en drinken; brassen [vrg. \'V.r^ ik nnw Skr. d r aw in a, rijkdom ; goud ;

.. O O

magt). — ^ fj» ny kw. zva. tun rj najj \\

lyiii 1,11 \\ zva. ly»» am^

(,10 iji nsnjj^ K\\v. asnji\\

a o

ia T) tjj am \\ (Lptklhusiiw

rgt; j. o et

^ o/j^nKW. zva. \\asnnJi(Mji\\ (tsiihjioji^ of i.n lutunw

/ o 00

— HJIlllK) (U) (IJl ^A.\\ zva. (hd (UI (1^1 ^jI w — KYHOQ U)

ui^Khn/j kh. zva. un ibli (Uia^i ^1 iHifj\\ een ongeluk ondervinden , iemand een ongeluk overkomen ; ernstige , ongelukkige, gevolgen hebben , mi r/lt;?-Jeihhel of scherts.

wviujjjl of (U])i?i(Knj^\\ Pers. derwisj, bedelmonnik. tj luyj ijidji^kh. het afdruipen {vrg. rj n ij uiim/j en ij iciajijl). mn tj((kirj ui(mji \\ afdruipen aanhoudend druppelen. —^tj«jiuuianjj of if ritf uiojj^ ?(7^n druppelen , biggelen {zie tui rj -n? iiiKJiiiKyi).

Cl\' O

(lUjrül^MKW. zva. ^ !K\'J Hlljj \\ KJ) iHl\\ mil iL)llM/J\\ H II

ik\\ cn if^rni iJijj ook vergaan {vrg. lax^rui(i^jj). — ^ 11 (.uj uin.i nnjj\\zva. un (iwj,01 ui ;ilc^ ui (hojj\\

w n bijnaam van Bat ara So er ja {Skr. doer w d-sahy slecht gekleed, en eign. van een Wêsi , den zoon van Atri, eeti incarnatie van Sitva, berucht om zijn gramstorig held).

r* ^ j* Cl Cl j Cl Cl /rn* v

\\Mïgt;Viru\\ of XCI.tJ}tU\\ ook [OÜ UI IVIS (ij.) KN.J

Up rui tu \\ onafgebroken, in één stroom voort,

ken , jammeren of schelden.

ui ru\\KW. zva. ^Q\'Ui ^^^?

\'^i^hiQahw In Us. Tj.

O O

lM})ui:ru\\kw. een wild varken, G.

cy cy

^vjiunif irvits kn. j mn ihivj tuttrfiwus lastig, van iemand die zieli niet laat atwijzen, maar aanhouden blijft; tegenstribbelig, koppig.

O

ei 0 O o /

kw. zva. u i tu\\ en tun gin-.iiiMji \\ van de

tranen.

s r s s

w ujjj\\ (in ■u}j^\\ iU^x-njjj of iui(injjj\\ kw. zva. (iarj (üit n

0f \'Cjij ui {Skr. drawja, bezittingen, iemands

goed, wat iemand toekomt. Vrg. \'ui\\ 2.).

^flji\\KN.; (tmC^n (ui\\ halsstarrig zijn zin volgen (vr*;.

im inirL^i\'^). — oji(fin tul\\ halsstarrigheid.

rj inx^iriyi of £m ij [^irujj v kn. tegelijk met klein geweer

schieten, peletonsvunr nraken {verb, van het IIoll.

drillen). — iTirf ia iujf\\ tegelijk vuren. — 11

ij y iys met zijn velen tegelijk schieten op; een

salvo met peletonsvunr maken voor; ook op iets

herhaaldelijk vuren, van één \'persoon. — ^[(inni^i

Hyj\\ een salvo met peletonsvunr. — Zoo dvif jdo

(ici (ui (uj\\ of (Uii (fn (iji (ui/i\\ kn. de rijst van een rijstveld snijden, van velen voor het gewone loon, JR. {volg. SG.^oor vreemden) rijstsnijden, rijstoogsten, (de werkzaamheid verrigten van snijden met de

o 1 7 j O ct j, Q a v

(un Kj i/n uj , neet; nupj gt; of in ij uj\\y — 1 n tip(U(Ui ^ilt;rf (hii\\ van een veld de rijst laten snijden. — (iii (iJi (ui iKijj\\ het gesnedene ofte snij dene ; het vegt;d waarvan de rijst gesneden wordt.

(id (us of (ic^ ui\\ kw. zva. cm (rui unji x tici (ui\\ u 11 dei tui \\ nn ui isiiji\\ mj(u^\\ U}pj en tJn {Skr. darpa y trots, aanmatiging; liitte; van drepa, trotsch, aanmatigend zijn, enz.), uyjjuri^(Ui. of hii u^tiji\\ ■naam. van een steenen beeld, dat volgens delegen-

de een versteende man zou wezen. — (ij^oxkuis zva.

o on o »

tiy ui j m nu uiiji\\ ru^ rui q imi [oj^\\ en (ru^ ui ïh/11 ,tcj a

id\'yi if oji 2 (id iruurj (ui i (injj en tui vui ij (ui ? idi\'^ kn. ,

(ia ni (Lji ddji en (id \'n ajjj \\ poët. , zva. (ui ojijiw

[(u^ (ui ad \\ eign. van een Vorst van TjVmpala {Skr.

Bro e pad a).

{juj ui ia \\ eign. van een dochter van Bro ep ad a, ge -

malin van Vorst Joedistira {Skr. B r au pa d i).

ci O\'

11 (id z n lui dsn \\ n., ij (id t n tui ik ^ \\ k ., naam van een

corps met pieken gewapende pradjoerits of hellebaardiers van den Vorst {Skr. dwdrapati, deurwachter, kamerheer, pk.).

M ini [ic^ cUi uil : un rui ij} rj iji 0./1 \\ benaming

\'van een tijdvak in de geschiedenis van Java.

:quot;)

dd rn M thdjj\\ zie (Ui ri ij ui 2 (in m (ujji \\ zie (id -n ij tui 2 ihdjj ^

in tui MJi \\ kw. zva. tim (ui (isnjj^ {Skr. darp a, overmoed).


23*

-ocr page 436-

(tc^iTn nw/l^

350

ïo^nkw. zva. zamengesteld uit i/naxi

en itji iKW

O O O O - OO . . O

ia *i ik \\ iax^\'iK\\ of i^\'t»\'iknKN. vinger; teen. doquot;»» Tf iKtni^ blauw of rood teeken, dut de vingers na een harden slag met de hand achterlaten. Fry. ik nw o/ lan^u^ kn. naam van een hooge heester met doornachtige bladen; een soort van hulst, die tot heggen gebruikt wordt en in het wild in moerassen groeit.

(Hi \\ zie bij (i^w tiniw/JNkn. trilling van de zenuwen en spieren; matheid ; ook stoppels van afgebrande alang-alang. G. volg. Rh. verkeerd voor (mj^\\

ia -n ik asn/f \\ da ik tiw/j of iinnK nm/j \\ Ar. d a r a-dj a t, trap , rang; eer, aanzien. — wij axyiK ,igjonj^\\ rang, hoogheid, waardigheid, aanzien, waartoe iemand komt.

cm/i\\KX. crr^/i\\ onaangemeld of on

beleefd ergens komen, ingaan; vrg. (inipiwzrjiK? mijl bij rj ? rj ik z arnjj\\

fia iK onnji\\ zva. at^\\\\ ia (Tj.). volg. Rh.

stekelvormige uitbotting van alang-alang.

plotseling, of regt naar beneden {vrg. (un tjvnpicrt^/j). un (mi 2 ijok2 arnjj\\ plotseling van een hoogte naar beneden gaan; regtstreeks, regttoe, regtaan, op iets losgaan. — rjdK?

.rnjj of (bi rf ij ik i anyj \\ plof neerstorten, van een massa water; plotseling, onverwacht, bv. komen of binnen komen {vrg.

\\ax^ lAi \\ kw. 1. zva. un iuh \\ {waarschijnlijk verbastering van \'t Skr. hr\'édaja: zie iltimi lvi). 2. zintuig {Skr. indrij a, zintnig). rj (uttrm kn. iu rj

niTni((miLusKK. en Skr. de vijf zintuigen. — mi

\' Ofgt;\' r—

/ O 0.0 O

(,(hp (IAJ) \\ zva. (un^Hins en unortrvi^ — mi laQdV) \\

o o 00

kw. en kn. zva. un ^(ia ^ un om ring en mirïj

O» O O

un om crui qw — ww^/i/wlt;nt^\\KN. zva. ntrnirj rjiumcui ^ri(EA(^.^\\ getroffen in het gemoed. Zie ook

, .. q/ /o q c/

bij (ici iLvi \\\\ —(ui^i (Lii\\ zva.xjimiKiiw

(unlt;ui(ui\\ un hji ui fj \\

(iet thi/i \\ kw. zva. ^ vrn rviji

(V

fa haji \\ KW. zva. un rj asn2 naji\\ kn nsn ti \\ en ht ijj.\\\\ —

aS

un axi hXA injjs gew, mi ilu gt;mji \\ KN. zva. nn rj asn ?

. bewaarheid.

mi ff en hu (lvi ti (hi/j

O O ^ ~quot;i(hr

^(ijvi q \\ of ^ili/ïof oji^hm^\\ kn. weldaad, weldadigheid , liefdadigheid , aalmoes, hulpbetoon, om

Gods wil; liefdadig, hulpvaardig, om Gods wil; vrg. ui ,hi \\ Het wordt voor Arabisch gehouden: maar welk Arabisch woord is het dan?).

(icitL/i/i \'ün/j \\ Ar. kn. nakomeling (Ar. ct oer ri

jn t); ook gaaf; vermogen; heil, geluk.

icj^uin u)j) \\ kn. nm. v. e. stof, soort j accu net.

x quot; \' C V , . Q -gt;

(ia(e-i\\ of xa mi\\ 1. kw. zva. ^ ui2 isyi nj)n vwijikiijs

o

uïj nsn (f/i \\ rj .111 \\ ut ij}\\ ui nsn \'tui vji si (hnjj on n * rrrnw ook vader, en zachtmoedig. 2. (ta^Jis ia (bh

CxJ ^

of tipiEi\\ïi., (ia (Fji\\ enz. k. , een pligt betrachten o/ verrigten , verpligt zijn iets te doen , zijn pligt doen, pligtshalven of om den wil van een ander doen, wat iemand opgelegd of gelast is. Zoo ookwuifoi tui (inS {Skr. darma , deugd, pligt, betrachting van de pligten die iemand opgelegd zijn, enz. Vrg. tu

/ S v O / .

xxi (hi \\ en 7,j) tfji). un uk na zi \\ naam van een zoover-

formulier. (i:rian (uiiiji\\ kn. edelmoedigheid. — na

O o X

(f-ji ajin tKQ \\ kn. zva. ui cru ty tuixm vo» iHnjj\\ axi tf i dj

X / j. / o

tui (amp;i tun asn \\ axi ifji tipi ik \\ of axi iFjI rj tui 1 (kji en ax^ tr i ik\\

ook tta ui * 1 ik \\ bijnaam van Joedistira, omdat hij

eig. niet de zoon van Pandoe, maar van God Jarno,

in het Skr. Darma bijgenaamd, uit Dèwi Koenfi

was. axi ui (hi \'fejjuii \\ eign. van de gemalin van Mangoe-

koehariy een Vorst van Mhulang-kamolan. m ai ix

Hn\\ eign. van den grootvader vanKanéka-poeirri.-j-

■unaxi w htji\\ kn. weldadigheid, zva. un rrnoS w wp

icjjUisKW. zva. ui ij) (Hi/js kn. naam van een dichtmaat

en zangwijze.

cy * o

0X1 UI (Hl/I of 0XltU1tHlJJ\\ kw. zva. ui^ui rHlJJ\\ Hllljtyni

ui^,1 (Hi/I en -r^uiTJiw kn. gelukkig, voorspoedig

zijn, welslagen {zva. osr^ tkaji en 0x1 rj 0x12 (*ji ^kmj)]

vruchtbaar, veel kinderen krijgen, (v. e. man en WW.)

CY

van een vrouw {vrg. 1^1^0x1^1^)] ook v. dier en,

cy cy . ».. 0

(fa (hiji\\ axi ti ifji (inji\\ 0x1*1 ui thj, (hiji zie öij 1x1 fl* irjj ^im \\ of (ox^ tamp;h mi \\ zie bij oxj\\\\

dxi (ED asri ik \\ zie bij 0x1 uiw

x . j.. s

(icjj TJi rhi\\ zie bij ox^w ox^tamp;i iKs zie bij 0x1 ur\\

iLptM(Miruiji\\Kn.; ojn tiQtfji ui ruji\\ prevelen; binnensmonds praten uit ontevredenheid {vrg. wojuiudj en ox^ri uirj ui oijiji).

ix] rj ui rj ui ruij\\ kn. ; un ^ ui rj tfji pruttelen,

knorren; veel praats hebben, zijn mond roeren (f^

00 . «

tip ui ui 0 uji en ox^fE^up.

ix^ Q LI \\ kn. ; Ln(i^i^ui\\ mompelen, pruttelen {vfQ-


-ocr page 437-

WT

357

■TrV-

iq n tf\'j x kn.; i n (tp tt/j \\ aanhoudend brommen, grommen, mompelen, knorren {vry. (uyS(S).

in.fc-i\\KN. veel ku.men bevatten, van den huik, van

ren

daar ook veel eten of drinken; ook wel fuj. van andere zaken, bv. van een zak, waar veel in kan. ijiü)2hqn oen slokop, vraat, slemper.

/ \' ^ n

,iri (tii \\ zva. (ui cm \\ (j.

m(W xKW. zva. (unvi {Skr. diry a); ouk benaming van het rusltee/cen achter ieder lang vers van een couplet Ineen Kawische dichtmaat {Jiei teeken f of

/. O £V | T c ) o ,

j ). hji (ia am \\ een lang vers. (in oni (Ei tu iaij oena-

• 5) Ci\'

ming van het teeken voor de lange i ( ); amivj benaming voor het teeken van de lange e (rj); lumii^r^) o-Jij\\ benaming van het pauseteeken in de caesuur van een lang vers (:). io rn {of t j (isniKtijj) benaming van de zamentrekking van twee lettergrepen met Pepet tot één lettergreep aan het einde van een lang vers, bv. ;b?\\ voor nJiashw zva. rjanidj^s hji y /. n en irn i:n lu \\

moeijelijk, hachelijk, gevaarlijk; moeilijkheid, gevaar; kn. eign. van een Batari gt; gemalin van Balara Goeroe, een godheid van een gramstorig en verschrikkelijk karakter {Skr. doerga, slecht of moeijelijk te naderen, ontoegankelijk, moeijelijk om^ door te komen; inoeijelijkheid, hachelijke toestand, nood; en naam van de gemalin van Siwa). cujom rj :u\\ ut \\ eign. vaneen Vorst van Wir\'ata. (ujem mmi\\ eign. van zijn zoon, later Maswa-pati {Skr. do erg a n da na, lelijk riekend), m ^ N eign. van zijn zuster., anders Sétja-wati {Skr. doe rg audi ui, de lelijk riekende).

o „ ry

wn \\ of ki rj cyh2ijjri\\ kn. van meemng verschillen.

l) ^

Ö V 0712 N Kw\' *vaquot; i J3 011 \'Ut\'cri N (^r• dig anta y de horizon).

o Q/\' v\'

ic^cm\'fff n ut lt;m fn ti \\ en ia m .m\\kw. zva. w uixni iji\\ het luchtruim (Skr. digantara en dig ant ar dl a. Vrg. ^ ifcrm $£).

u^(cni tnjj rj ^^ ^(rp i (rtyjkn. nyj\\ enz.

gejaagd heen en weer loopen, draven.

^ lt;Uj7j(crp rr^ boji\\ zvat erri enz. inzonder

heid v. vrouwen.

CV t

1(1 quot;Ijzvaquot; 77\' ine^ ëeweld trekken, PJ.

kn. nm. van een vogel, een waterhoen?

[tc^cni \'Ui cm itijj of [^nrii kn. donkerbruin, kastanjebruin.. van een paard; paars, van gebatikt {vrg. ,i^).

o /, .iS , c o

[ic^nrnifjis of iuient(U 1. kw. zva. tj unenwiHiK

t-»0 /»gt;-V oo-a/o

2. cm (tJi ^ of zei cm (bi\\u,, {ic^cm iti\\ of an cm ili\\ k., gewapend, voor op zijn hoede, behoedzaam, tww iemand, die zijn best doet om zich te vrijwaren, op alles zich gewapend houdt en maakt dat hij een achterdeurtje openhoudt; zich vrij zoeken te pleiten; ook zva. ii/iji uin^/jjn Rh. :m(^i0\\ zich wapenen, no

h u[ n i ern iamp;t \\ zich dubbeid wapenen; [(U^cmt\'i in Tj.

quot; z\' / quot;gt; / o o

zva. (tfji cm f i \\ — mn C (hi cm foi \\ a/ni/hp cm ,ti \\ op

iets gewapend, ongemerkt op *zijn hoede zijn. —

run (mi-rn (h i tuj \\ un ((H) cm ij M jy \\ voor iemand op

zijn hoede ziju ; iemand ongemerkt in het oog honden

of gadeslaan (vrg. (hJi(m\\ en (kj^ikihi). — nai^

lt;m(fi(inj]\\ slimheid, slenders, K. 4, 46. .isr^nh0 of

.isTj hii(tocm (Fji\\ een baas in slenters, oj listen.

m (tji\' kw. zva. iU ij un (Oj^s moeijelijk, hinderlijk;

de tros van een leger; een deel van de slagorde

Tjakra-bwandana {Skr. do erg a m a, moeijelijk te

begaan ; ontoegankelijk).

,in yy\\ \\ kn . ici cm (ixi crii \\ groot en zwaar van gestalte.

y cv

mi rj i:n \\ ui ij r:ii \\ of ijn-ms KW. en kn. zie (lyrjajis n.

/ O . O

ncj i:n ihii~ïi\\ of Mj im mi -amp;t\\ KW. zva. (Ui rj h u (L^ j \\ i n

.1^ /

hii (m nn (hyj \\ mn ili h^.ijïi (fji\\ mi \\ en uj ieïw

{Skr. do e rb\'iks a, duurte, hongersnood).

) o /. O o o

do tl «m hu \\ of iui m hi \\ kn., (ui rj im i ihi \\poel.r

naam van een dronkenmakend vergif.

(in withji/js iiQT.ri(Hiji^ KN. Holl. donderbus.

\'-y . . CY

(ui im rvi \\ KN. inhalig, baatzuclitig. — (un (hi itti tli \\

inhalig , baatzuchtig handelen of zijn.

. / o

^ rn n i\\ of t^r.n m KW. zva. icnrvit^ ioi^\\ en lt;iji

tu.Hn\\ {Skr. do er ba la, zwak, verzwakt), naazn

ru Hii rn tj (ui (Ui ^ benaming van een regering in de

geschiedenis van Java.

cy O lt; y o

(uivj vti irjihU Hiiji^ lt;i ii inum ij^n inijj^ of [CH^djrm 2 ^

rj (bi 2 Hiyi \\ naam van een watervogel, eenigzins gelijk aan onze kievit, Rh.

(^\\ of ia ti \\ kw. zva. iiïn hm/j\\ —(Ui(ui $ïxnaojj of (i^do^rrdii (Ht^nKN. aarden pot, daar de ontbolsterde rijst in bewaard wordt (verb, van iui (Ui im cmj^). ij kn. klanknab. van een trommelslag.

.ui -tjj x kn. ; i ii iH) n aanhoudend, immer, zonder ophouden , voortgaan ; in zijn wijze van zien of haude-


-ocr page 438-

O .

AO (VI \\ s

358

aniHïis

len hardnekkig voortgaan; in iets volharden ; hardnekkig {vrg, da ru\\ £?w (inru^^).

C^) . QO O . ■ 7 .. O (inivi\\ uii (ui - tw nj} n/n (ipw zie bij nu tui w

irll * 7/^ NK- gt; nog HM is de ontkenning

van het Perfectum) van en (^(En^anjj {vrg.

lang nog nki. (ni\\ eer

dat, voordat, alvorens, voor. (M(ifj -rj mj nri ^ (tri ■ voor

en aleer, (uiiw%nog al niet, nog altijd niet.

O o o o • • • . i

wrj (E/i2 ijiujd.t niny tun lt;ki j \\ Dat is nog niet alles. (K1)Mji ujj dj) tj (K/i ~iA.\\ w66v en na ; een spreekwijs om te kennen te geven, dat iemand geen ivoord meer behoeft te zeggen, dat men volkomen tevreden is. (tfjj ij itgt;n(utj^ \\ nog nooit, y w tj •gt;) (ia vn \\ in de Wajangs , een gewone uitdrukking om een aangekomene beleefd aan te spreken. Is U hier nog niet lang? ^ .to y tó N ^ w

tqnkn. naam van een zeevis oh, vü/y. llh. y rjdiïd\'Tiw

vj (Ui t rj s kn. , /i//ï ^ /ƒ V» .i?» \\ iemand iets zeggen tot onderrigting, onderrigten, leevcw, zva. (amp;t rt % ^ JR.

»•/ ? gt; ö/ kn. kalmus, lieswortel, mi

waarvan de wortel tot medicijn gebruikt wordt, Acorus terrestris, Rmph. Nat. fam. der Orontiaeeae.

^^^NKN. benaming van groen en zwart gestreept

goed, niet smal gouden galon omboord.

(ix^iiw\\ kn. nijdig, afgunstig, (vrg. lt;w hi}x en iKd/n

rw/j). — (tm iQij iririys afgunstig zijn jegens.

o * 1 o

tui n ui (HTiji of (inaTi Kiyjs zie bij (Ui (un (in(Knj^\\

hun ~n\\ zva. ic^d/n ilt;n^r)\\ zie Jav. zam. LI.

tj [iLnrf m.i^i/js kn. 1. tm. van de sirihbloem, die

langwerpig puntig is-, bos, WW. 3. grijnslachen,

o n

vrg. i\\jy\\zi(K/i^\\

{Q(K\'i (Hyjs kn. nm. van een wildenboom t WW. verb.

Ou C)

van (iu(hj)(uji\\

_ O Q \' )

iu} r:i m irnjj — (Uj rj m rj ki uujj xa rn v.i inifls (Uirj

Ij (LH Ij (K) (Knji \\

iinrniji of lt;ï5»j.»rw^\\N. voornaamwoord van de eerste persoon in het subj. \'passief en in de propositief

{vrg. (iji hi^ en (i/n iiniirnjj).

o C) ■ • .

iin ilt;iij^\\ KW. zva. i-nKCnasnji^ vit r» i n ui \\ en tun illi ,177

(uin {Skr. dik, nominatief van de stam disj,

streek, ruimte).

^quot; Kwwe^ in deftig proza)zva. i^ae^s

(hi tuihji\\ en rti crii w 2. KN. ic^ Kiijj of tij de harige vezels van\'den arenboom, daar touiv van gemaakt wordt {vrg. nsii (ui(Mjj). mi^ foi \'in \\ KW. toen ter tijd. (ic^mi ~jtï(ur^ ur^\\ voorheen. (f/^ ini wi \\ zva. ii iohw/w a /n pn k\\v. zva. ir^dPjj w tui d^.un/ji pass. vj iw (U^ mijj\'- zva. H^asniHiOKW (U^n.imji\\ kn rigting van iets of iemand naar iets toe, zoo dat het juist getroffen

wordt. iamp;i(Hi ini/]\\KW. zva. ikiim un/i\\ lui.jm

01) ^ (1) o

Knjj\\ pass. — (u^te^ini/i en aviyn hiijj\\ zie beu. gt;ui im\\ gew. (unthp iai \\ kw. zva. iriiijirfrj \\ (Skr. ddka een os; maar waarsch. is (uimi een verk. van an (hp mis en dit het Skr. N an dak a , naam vaneen

os in \'t fabelboek Fantj at antra.

o T 00

un iHii \\ l. Kl. zva. (un op mi w — (ui hu mi -ju ij 101 \\

n di kaq - dké) zie bij iuii mmi \\\\ — ^ao un\\

zie beneden.

II. Mi), vrnw. v. d. üe pers., zva. rj im? rjaih en iamp;iw unm hni\\K. beleefd, familiaar, vrnw v. d. 2e. pers. v. vorstelijke personen, n vi imjon

Uw vader. — i^ i^im un^ en lyh t^ vi m a01 \\ zie

r- r-

b ene den.

III. kw. zva. dSldinw

r . ^ O

iir^mi\\ of (UJi{mi kw. zva.ojjaj}^ k.icljiarnfrj ii ru mjl en drnans mismoedig, misnoegd; misnoegdheid; ongenoegen; ki. van mnji^jj en a\'^iiiinjj {Skr. doehka. hartzeer, verdriet, zorg, moeilijkheid). (uidfj^mi \\ ki. misnoegdheid in den ruimst en zin van het woord, cvnjnj^pjiujmi\\ of ujUjm (■u\\ iemands ongenoegen verzoeken, een uitdrukking in plaats van rj f i i ij (vn\\ om te kennen te geven, dat men zich aan iemands ongenoegen gnd er werpt, maar niet doen kan wat verlangd wordt. Zoo zegt men ook y (M (Vj dxi tir^ kii iui ty .njïi iwaainjjjthio^aj^mjj\\ voor Ik vraag duizendnuial versehooning. En zoo is 11^ un (Kji if iji ~ji aai anjj of iU^muuii^uji Ki. van tmverschooning! ik zou het niet kunnen zeggen. (3h uni^muirj^nn rj i.j^ al naar zijn misnoegen! hij doe wat hij niet laten kan! (ir^mnSIn^\\ kw. droefheid, hartzeer. njjMi

(i(imi\\ lusten en lasten, vreugde en leed. — quot;quot;

O ■ ) O \' ) 1

cm mi(hn\\ KI. van m n vi t i.v en rm m 1,1 w —

ri Cf \' / iJ a

(UhUjimi (mji \\ zva. iui nr^ am w ïj.ui2hu iuyi\\ kn. naam van een wdden, onheilspellen-den vogel.


-ocr page 439-

vj tui ? nu t (uiji \\

359

fK) h H \\

tjKU rj hff /iHT/i en njtii^nryi rj mntrijs zva. rjdm rj huê unj on \'Lm ^ uii^urtz rPri w

Ar. *gt;£gt; KN\' manlijkheid, het mannelijk

• r S

teellid , zva. im tut quot;j onjj oj (Uin^^^cm/js \\a)?n\\ of (iSun\\ Ar. cl i k r, kn. vermelding; vermelding van (rods heilige namen en eigenschappen, verheerlijking en lofprijzing van God j een onderlinge avond-eeredienst in de huizen op gezette tij-

, ei v o

den {yry. iw gt; rut ru/j). ui mi m iji^ ,in^\\een eere-dienst op den avond van den twaalfden van Moe-locd, tot gedachtenis van Mohammcds geboorte. — ixi hjiTi wjj\\ een bijeenkomst voor Üikir , zulk een bijeenkomst houden.

i?i ntrri\\ zie (un tin im rr)\\ bij urn nnw {Skr. aitikdr a,

ambt, bevoegdheid, titel. pk.).

w un nri/j\' kn. fraai, zeldzaam.

ij in tj nti tHnji v zie rj ui d rj h n è (hwjj \\

ijim if kii* hiijj n., Tjcun rjmi unjj\\ k. , ook wel, van een bepaald voorwerp, am rf luurj im i wnjj en .un ijMirj hii kv/j\\ iets zetten, plaatsen, leggen, neêr-zctteu, neerleggen {vrg. rf ui * ij 1. n ^ wjj). — uw rj ip g ij mi ? uil \\ iun rj ia yj nn 1.11 \\ er yens (op oj in een voorwerp) iets zetten of leggen; ^5 indopnj

iets bezetten o/beleggen.

x/nvjihni ij ion èfn i) nn

imif9poyhiito^ihm(HTji\\ iets er yens zetten, neerzetten , leggen of indoen; voor iemand iets zetten of leggen, iets laten zetten o/leggen. •

io nn un ~ni ij h n \\ (n d i I\' a q -d k ê) zie bij i m i?i un w tcj, hi^ uiifj of Kri asrij^\\ kw. en kd. zva. o^knnsnj^ {Sd. \' H \'W/j); ook nm. o. d. Olsten zoon v. Wa-toe-yoenoeny en v. d. Wèste woekoc. /.ti asw^0\\

nm. v. e. kruid, dat tot medicijn yehrnikt wordt.

o . o

wioi \\ zte (totufinw

ui nn~^a zva. ik nn ^\\ {Skr. daxa, knap, handig, bekwaam, bedreven). — i51 io im \\ knap, welgemaakt, geëvenredigd van statuur, van mannen en vrouwen {vry. en uiw ~ i un).

w Hn^iiHi\\KW. voortvarend. G.

,,, n ) o /• / o

•o hn (Hi \\ (ut nn -i\'t nn \\ of ook (u^ /lt; n ^t ihi kw. zva.

hn\'lcfl ïl^Jj an w tnt (tJt -i#.lt;tnfl\\ ook naam van het verblijf van .Batara Brama in de So er a • Hij d {Skr.

da x 1 u a ; regts ; het zuiden.) un tin - /(iet un Jhihi \\

) /\' ) o

kn. zva. un in ui un (H/t ^ \'H11 N

KW. zva. i?i /Ji iim i^i iiri i n ttJt ^t itnji\\ rj im ? Mil rj in ,//»

n bn 3n uj ,iji nn h n ,5 (tn \\ geheel bewusteloos {misschien e \'uj. bewusteloos van oost en zuid. pk. v. iemand die radeloos is, die de klus kwijt is, althans in

Ti o

Isk. : 1ft )i mi hii an \\ njt^ un *gt;1 ut m üii nn ij rj (isn 2 (hi/j hij zag geen oost en zuid, geen noord en west; iJi ut \\ verk. v. luytSi w).

ioi,n^jr)\\ iiPt lt;rtt ns KN . onbeleetd

{erger dan Kt tp, ongemanierd, onbeschoft {Skr. dhik, foei, bah; en swara, geluid). — am ijn Hn~t^\'n hj\\ onbeleefd zijn jegens, onbeleefd bejegenen , onbeleefd bescheid geven , beleedigen. 0a/n hn irri hj rn nnjj \\ zich met trotschheid verzetten tegen de uitspraak van Irit regt.

(Ut i^y Ar. , da\'vtd,* kn. pretensie ley en

iemand, of wat van iemand gepretendeerd wordt; betichting, aantijging, beschuldiging, verdenking, zva. (tsnintw rmitrt injs vaa iemand iets pretenderen , iemand betichten, beschuldigen, verdenken; iemand iets te last leggen.

iujjHy iut/j\\ Ar. ^£.0 , kn. vleeschelijka gemeenschap

met een vrouw. — un ihntn^ ttyjs -hebbon. in /. n ut/j\\mn.; * n in hii (utj\\ iels met ö/\'onder de vlakke hand vangen; ook wel van een tijger, een prooi

pakken {vry. in f 1 nnj^■ »ogt;rj ipi Hnjj en uin ut/j).

o ~) -» ) O. quot;) ) \')

(Ut u n :ut/js i n tn un ajjj zva. (Ui u n .uu^\\ un nn un tut/j\\

(to mikw. zva. (rrt iamp;qw {verkeerde lezing voor

lt;i£tiut Skr. dwipa, olifant).

O O

(txt m m m\\ zva. rut Kquot; /ti w

O

C} * Cl , Cl O

ia un ut of (uumajvts ook tut hii tvt\\ enlt;ut rn(bijt\\ J lt;r^ é- (C-

o . p ) .

kw. en kn. zva. w hgt \\ iu/j oj i:n ut un jy

gt;r/j rLJJIs {vr(J\' (LC1 H!i/l en irC\'Luu of tui Lbt maar

waarsch. het Skr. d iy djaj a of digwi djaja,

overwinning wijd en zijd, alverwinnnig, al-

verwinnend, alles verwinnend). — un in arn uui ttnjj

n

kn. zva. un ut ij un it/tji\\

n • O ^ c-quot;) £)

ut ui^\\n\\\\. zva. utttit^ ifnjjy un /i^ un^/j en (tot m^it.tj\\ {vry. ,hn ihj\\ en uuLn i.\'n); kn. in een gebogene houding o/buiging, eerbiedig, rui in \\ ecu knie hoog, tot aan dc knie; ook knielen, Rh. —un tm ur^ \\ zva.ra u\'tj a met de knie stooten , drukken. 10 in^ in i{Jlir^\\P.J. ij tui ij mt \\ 1. kn. een soort van bies, die aan rivieroevers groeit. 0x^nji^\\ als medicijn voorgaarden gebruikt. 2 n. in de volkstaal zva. uip bv. in tun ui rj int ij u\'n • en ujyj ut ij int if int w tyictjis zie^tunj.

.Ut iUi K W. zva. \'M rt (KI \\ Uïj ruj (IJIJJ \\


-ocr page 440-

360

rj .to rj (i

•ui (Ui \\ n., (Ui lujjj \\ KW. (iaii(im(Kyj\\K.) gevolg, uitvloeisel , effect; gevolg hebben ; worden; er van worden; itf/j uitmaken, iets zijn; ontstaan; slagen, gedijen, goed gelukken; klaar, gereed; met gevolg dat, zoodat; bijgevolg, dus. (linwa^afrier rijk van worden, an aB vri (tn tvni^n de dood ten gevolge hebben. uKw ^ihj bij gevolg, dus. ijd^n-n iuitui im dj) \\ het maakt niet uit, het doet er niets toe. tui (ia a?/iiS \\ zoodat het één wordt, tot één, bv. gesmolten. (Uiiia asiinrvj\\ zoodat het drie worden, in drieën, bv. gehakt, animi^kui(lPi\\ zonder gevolg; geen gevolg of voortgang hebben; niet aangenomen worden , van een aaniiagt; zonder dat er iets meer van groeijen of komen kan, tei\'egt komt, of overblijft./•//W\'i.iririOfifjiii? wat er ook van wordt, wat er ook het gevolg van is. (uianajvis laat het tot gevolg hebben, laat het zijn, hetzij. tisii(hn-Ji ui (ui hui \\ het moet geen gevolg hebben; oo/c kn. zva, mil .in tui (ui \\ zonder dat er iets meer van overblijft, enz. ook niets uitrigten , niets gedaan kunnen krijgen. iuip)(ui\\ al klaar, cu^ yi uuuis nog niet klaar. (iniuntHn iiwiatisr^ijnr^s verheven worden tot regent.— (un chjcui . (un ap rj (ui 2 iijiji\\ toenemen , aanwakkeren, bv. van een vuur of van drift; tieren , zich goed ontwikkelen van vruc/iten, van plantsoen ; uitbreken, uit iets, waaruit het ontstaaty zooals een kapel uit een verpopte rups, een rups uit een eitje. — t,?» ihn rjcui (mi -jnrj Mn \\ iun nr) ij ui i (k.) }ai (mjj \\ iets gevolg doen o/laten hebben j klaar-, af-makon ; veroorzaken , scheppen ; verwekken ; tot, bi/, (tw ck)rj tui mh ij imi tot mijn verwondering.— (ui iamp;i rj tui z\\

schepping, wording, ontstaan, van de wereld;

schepsel, (ea tul\\ kn. het geschapene, de natuur.

O r O n

- UI Y) (UI (LUI (HIJ] of (tn iUt Ij ui (hOJj \\ n., Un ui n

tjU)2(M^(Hyi\\K.t gevolg, uitkomst, uitslag, uitwerksel, gewrocht; wat uit of door iets ontstaat of tot stand komt; tot stand komen slagen, zijn beslag krijgen, klaar komen. ^ ru % un tui rj (ui anjj ^ zie bij a jJ (TIji qw — ui ij ui cm/j \\ m rrj ui 2 tui _b4 tuyj \\ welslagend, welgelukkend van aard ; tierig ; voorspoedig groeijend.

dOd^NK. rozerood, rozekleurig.

O

lt;i^rt/^\\KW. zva. rti(iji/i\\ lt;un ru\\ un tiTn i,ii\\

dJi (b) rj (Hi ^ v* N., ij ui ij in k., anders zijn, iets anders zijn; iets of iemand niet zijn, niet zoo zijn; niet overeenkomstig mci( ti ialt;y]); in strijd met, bv. W.p. 317. tf lt;wi ^ \'to rLi(Q(H^^(rj(Lm\\ als het haar niet naar den zin is; verkeerd, niet zoo als het wezen moet; verkeerdheid, kwaadheid; ongewoon, ongemeen , geweldig, vreeselijk ; niet om te zeggen. (Zk grondv. schijnt (u^ te wezen, waarvan ook (uiinn\\ zoodat vif)- het strijdig tegenovergestelde he-

teekent). ijtkhi^ (Uj ^tun anjj\\ dat is geen tijger. ij (hu (Hi ~jh (hi (ujj dfjj\'ïj (Uj \\ als er iets verkeerds mei hem plaats heeft, als hem iets overkomt, tuiojutj lt;.u^\\ kwade gedachte, kwaad gezind, ojii[^^(u^atjx tegenover ni ^ cun \\ K. 21, 17, iems. ongeluk beoogen. heel verkeerd, heel buiten

gewoon , enz.; iets of iemand in het geheel niet zijn; niet om te zeggen, dat het niet te zeggen is. — \'uiidojfs kn. verkeerd , niet zoo als liet wezen moest, bv. berekend. — (Hn(i^rj.ui2anjjs verkeerd worden; te ver gedreven; bedorven door te veel; ook zva. un (Uit (un (Hiji of (Hiiirv^cu^a^ianjjs — iL/uiytj Lcit(hijis liet met een ander of met elkander oneens zijn; verschil; verschil hebben.

vj (ui ij (Ui \\ zie

rt

rj (Ui ? ui \\ kw. zva. {ajyi^i (hnjj mi cni (t/?

(Ukio^kn. zachte drukking en strijking van iets; zachte drukking van de leden van een jong geboren kind en wrijving met water en kruiden gedurende 35 dagen. — (vnap ui^s iets zachtjes drukken ea strijken ; een klein kind de leden zoo drukken en

wrijven.

O

(ui(ui{\\ zie (u^cicj^

(inrto^n 1. n. , tui\'(Ui{\\K., aanwijzing, aantooning, teregtwijzing (vrg. 2. kn. uitgepersto/uitgekookt sap; saus {vrg. — n/na-ntir^qun*

un(jn.ui{iuh\\ iemand iets wijzen, tooneu , aanwij-

mn (ui (Ui ^ tun n 1, n \\ ^ P 1

zen , aantoonen , aanduiden.

a/napui{(i/ntunthnjj\\ iets wijzen, toonen, e?iz. aan iemand; iemand\' teregtwijzen, de weg wijzen.— (uiai^u)(injj sauzen (Men.).

rjWiTj z:i ia/yanji - ^ un^djy uij]\\ zie

tui meurt sKVf. zva. {ijin)n\\ kraai.

UJ

(ujrj ui? anji zie bij nc^iic^w

iui(ui(^.iHijj\\ verkeerde spelling voor ui hi uj tHifls

O O

iui [tuigt;\\ KW. zva. ui (ia w(un ^[iic^sKS. zva. r/n ih:i li\\ toenemen; verder gaan, voortgaan; zich verbreiden,


-ocr page 441-

ri imvj w ? jrnji \\

/

ia mi \\

«61

err/er worden bv. o. e. besmettelijke ziekte {yrlt;j.

iiri,u)gt;KN. 1. toets, proef, toetsing, het blijken bij toetsing (vrg. rjirvtrjiru). 2. struif, gebak in een pan {vry. un fül\'M/})- poöt. zva. cm(lthi m (HTjjs geschenk. iw ut Sh vj yn ? crryj {of aw en»nnjj) eijer-struif. — i/nwm^ l. iets toetsen, keuren, proberen, op de proef stellen. — (un (tp xn t t op de proef stellen , N. 2. iets iu een pan tot een struif bakken. 3. iemand met een geschenk beloonen. — ic) ui \'fi Qtoj!n gebakken struif; ook zva. njiacuwri nnjjs of (ui aomi nianji toetssteen ; en struifpan. (S/imKN. I. steil, steil oploopeud; steilte {yrg.

en i^Qcrnjf). 2. de steel van een pijl of lans.

r^ry

nm cfp(ui \\ 1. steil oploopen. 2. regtuit loo-pen, van een weg {eiy. als een laas zoo iegt). 3. póót. met uitgestoken arm van zich stooten, wegstooteu of afweren. WW. — (un£pui\\ met de lans terugstooten , afweren, ia ui ui ui \\ elkaar met de lans stooten (VVaj. 11, 45) Rh. ui

Cy! ^ry

ui ui ui (Hiji\\ elkaar met de uitgestrekte armen (als met lansen) afweren, B.

lat of bamboe tot legger onder een dak of zoldering (o/hoekkeper v. e, dak).(i-^» ~jjj i. tijjC.V.) uiu^(rriji\\kn. levendig, lustig, van een geveeld of

twist {vrg. en cijnu^ornj^s).

uiiin iiftiji^ kn. een uitroei) van bevreemding over iets dat onverwacht of tegen verwachting plaats vindt, ook wel met den uitroep (ün uu er vóórt tv vertalen door zie, daar! o/, in het begin van een volzin door wel, kom! • xm au ui hijjj\\ onverwacht, tegen verwachting, onvoorziens of zonder er op voorbereid te zijn, iets doen; onverwachts, onverhoeds, plotseling, eensklaps, kuui uiunjjs plotseling, va\'n wat iemand onverwachts gebeurt, bv. sterven of ziek worden.—• ur itji ui jni/i \\ onverwachts , onvoorziens, verrassend, plotseling, eensklaps, van iets dat zich zóo voordoet, ui ui uji iHijj \\ onverwachts, onvoorbereid, gedaan, gemaakt, te doen of te maken; geïmproviseerd. ui t:i iw ui (hm anji \\ geheel onverwachts. — u ui onverwachterwijs, tegen verwachting, bij verrassing, onvoorziens, plotseling, eensklaps,^ bijwoord.

Kw- zva- (vrg. ^n/j) en uu rm \\

ook naam van een wapentuig in den ouden tijd (een werpspies met een keten. G. in Men. • n ifji Si\\). 2. kn. een soort van voortvretende zweren aan den hals. WW. volg. Kh. negen oog.

een 3007^ van dergelijke zweren. JR. ir^u^.iyi (ru^ s \\ naam van één van de die htm at en, die tengahan genoemd worden. — (un uuLc^utiji\\ zachtjes, voor het eerst, beginnen te koeren, van een prekoetoet in een kooi.

oj no i tj an i h nji kn. verspieder, bespieder, iemand die heimelijk gaat verspieden of bespieden , bv. om ergens te komen stelen {vrg. asri wi hnij1] en ij uwrj ruê (i^); {ook nu, thans. G.). — x/nvj ijuit unjj\\ verspieden , bespieden , begluren, afgluren ; iets uit-spieden, door verspieding zoeken te vinden.

ito rj fin un -ju rji. n\\ {\\id a d eq * dk é) zie bij ui ui w grondv. (U^a^nkn. j trekken,

uittrekken, wegtrekken; een klok luiden {vrg. un

amp; \\ o 0 1.«

ui iütiji \\ .ur^ ifji enjj en ui ri unji); iuii(bii\\ liet hart trekken, zóo behagen, dat men het toegenegen maakt. — il/j? tm u^ \\ mv., en opschieten , merkbaar opgroeijen. — wat getrokken

wordt, iets om te trekken of aan te trekken, trek-touw, bv. om aan een bel te trekken; trekkoord, bv. van een beurs of van een slagnet.

gt;1 uid ij iaê kn.; hii / hof- (?ƒstaatsiekleed van aanzienlijke personen, dat zij om het onderlijf dragen, wanneer zij aan het hof verschijnen {vrg. ïiriuri xcijj en un hji j). Zulk een staatsiekleed wordt ook door een bruidegom gedragen, en dan ook wel ini ifji j genaamd, al is hij geen aanzienlijk persoon. - ^ ui 2 Ij ui 2 \'ww/j \\ bl-\'jj i ull kijj\\ zulk

ecu hof- of staatsie-kleed aanhebben of dragen; in hof kleeding {vrg. en m j .vn uyj). ook een soort .ivnja\\ CP.

(-gt;

ito (Yj ui i (Kyi \\ zie in ui w

urin iijji kn. ; iun in ta rvi/js duwen, iets , zooals een deur of pagtir , door duwen met geweld zoeken open-af door- te duwen, mi op (Cn ru ü/l {\\ een duw tegen den grond geven , door een duw met de voeten tegen den grond zich met een wip in de hoogte verheffen; ook zva. of in de hoogte

stijgen, opgaan of opvliegen , bv. van een vlieger: van daar ui in elkander duwen, iui \'h

ij i i ui ui tu/js met kracht voortdringen in het veel» -


-ocr page 442-

o r»

to .in

862

no ast! \\

ia an r^i w/j \\ als afstandsmaat ongeveer de

helft van rjn/n ?. ^irma nwnnj] ook (Miia tui ru/j o. a.

f,v O p .

1 j. (kina (Kt(wiji......njiii(ut 7j an rjao)......

r

ten.

door

quot;lixcl^

t/n }n i.i t

I \'UJI\'

(n

oen buis of gat niet het ecu of ander steken, om liet door te steken, zooals een kurk, die in de hals van een /lesch zit; volg. Rh. ook hengelen, vissohou met een aan den haak geslagen kik-vorseh.

Tf to ifjiiot )Lijj\\KN. een dikke gelei van kötan en suiker.— Li ij itiirjdcnviJiji\\ daarop gelijken (Tj.)j en

zie bij gt;1 (ia z rvijj \\

; ) O C ) O O O * s\'

ici (ia (rij)\\kw. zva. miami i\\\\ miindciiict (This of n/n tia

(ui ui iwt v naam van een soort van pijl.

a

(UKVQp Zie (10 (UI \\N

O Qv ^

icnujjjsKW. zva. i}^(tmruw Ct.

to Ui (Ytijj^ kn. statuur, lichaamsbouw; de hoogte van iets {grondv. tixlrnyj \\ vry. un ^ui ernjj). m ui h\'xi ^ een mans hoogte. do hoogte die een

man staande met omhoog uitgestrekte arm, met

de hand kan bereiken , C.P.

0(?) G)G) „. r (?)

ui (ui \\ ui ia \\ K\\v. zva. (imarn\\ rj/un i tjtuii (isri^/j\\ -- lt;u

in (ia \\zva. (un tp m\\ kn. stijf staan v. h. mannelijk lid.

cïv ^7 .. .

(icjjiui \\ zva. wijsvinger, en wijzer, uurwijzer.

lt;i^(izie (inflow

io(i5rtjj\\ Ar. i j. ddt, kn. het wezen, de aard

o/substantie van iets. uu^ytui^\\ Gods wezen. —

Y (i-ni i(O! q ui ij (i^i \\ gek worden. — (uj^ u asn/jv kw. a

zva. iio (to n en un n iiri im?

0f xc]) l£}Jls urdv- v\' iirhnsji wy/l en a-nl^l^Jlx

1 (P) „ a O

ftOrtsmKW. 1. zva. Macjs ü. zva. of (ki mi

\\ En zoo ook .ui am iuIi asn \\ axi asn éti asn tnijj^ ui (bn oj} iisn ki \\ iui asn cut asn \'n \\of ook ui ajt am (tri \\ uitdrukkingen van de dalangs; verb. v. Oud-Jav. ndd-tdt ït a n {S/cr. a tit a, overgegaan) nl. n da , ia

en at it a n , zij overgeslagen om verder te gaan. —

n o

ui lt;bii (in (i^(isn\\ zva. ajtar^ajta^ar^w — [aj^asi avi \\

zva. ajt rri ajt asji \\\\ kn. naam van de r eg thank , die gehouden wordt onder een panda-pa op de aio en-aio en, aan de noordzijde van de buitenpoort van de groote moskee, en die zamengesteld is uit den Wéd\'ana-djeks\'a en de djëksa\'s van de 15 golongans, die de Wedlincis van die golongans vertegenwoordigen , en als zoodanig ult; ifj heet en. a/ncmort

\'lTV^

aa a

initci tx^nKw. zva. (cnos/i»n)j^\\

utvu^u^xo asn\\ naam van het wetboek, dat de instructies voor de pradata bevat. — [ieiiui \'bn\\ of ifj^axiasn\\ regtspreken , of regtszakeu behandelen, van een r eg tb ank of raad. [i^utasn (ut^ de plaats waar de Pradata gehouden wordt, de pascban

voor de Pradatll.

o o n o

xo tun \\ kw. zva. (Ti^ (ui % \\ (im ut nnjj.

(uinKW. zva. oil nmw (Skr. dhdtoe, mineraal).

n o - o o o Qv

ui asn v kw. zva. ut {\\ of n t (K^ ut {w ut bn uj am ti i

a-juj (of tut (Hiquot;), kn. voor de tijgers, zooais de

koningen van het woud voor de leeuwen {vrg. u

. o o

(isv/j). — tot to asn (ui/^\\ zva. ilt; n ttjj q un (utjj\\

larfiistts kw. zva. xm ilt;naxtj^\\ de eerste dag van de week. Zondag (verbastering van a n iui ibjjjjw S/cr. ddyti a- w dr a y Zon-dag. pk.).

(Ujl asn n k w. zva. rj un t rj un ? (Uj anjj of a/tj asr^ (Kt st anjj (Skr. doêta). tmavuu^asn^ voovhode, voortcckcu, zva. tuttrvtdKasnj) en nsntntrt* (ook bode, zendeling. G. ; zamenst. van un ru en axia,n\\ dus tijd-bode , of bode van het lot, of wel bode van apj

O ~ O

tat ti t). (u^ asn (Ut ti n\'Yt\\ zva. trrt ru asnj^s oj zva. n i

irtrjw — i?ia^btt\\ gezonden worden.

o o i

asn \\ kw. zva. w r,.t;im/j\\

t

tj ui ? astt \\ kw. zva. .unrvta-,ii/j\\

iolt;isnfrn^\\KW. zva. aut an/j of y am 2 ni \\—axi asn (trt

zva. astt tri o w ia iisti unji en (in tsr^Htt ^ kw. grootvader, oud man, oudste, hoofd, voorname, edelman {Ml. dato cq of datoe\\ eerwaardig, aanzienlijk, een eeretïld van oudsten of opperhoofden, eig. overgrootvader. Vrg. (Ut asn \\).

ut asn (uinstt \\Kw. zva. (tpirjaztnrjaztw to itiyjjn en iro^j ^KW. zva. demon, titan( S/cr.

dit y a en daitya); ook verbastering van un u bh n \\ {vrg. ao rj bn ).

) O - Q/ t

uKtJtji of tt n iia kw. zva. ajn n t oj tt^t an w kn. ingedaan ; en nul; ook benaming van hel schrijf tee-ken w o v. — ajtaxta^tJA* een zaak afdoen. (iq^^jjs i. iW(Ur(hJljj\\ kn., ttJt ni (Utj^s ki., en

(ut t^w/j KV/., zich het lijf wasschen, tot relniijiwj of verkoeling \\ baden, zich baden, un(ütt(uytJi^\\zva.

D ) n Q n . .J

i. ii i n o.fji(Kt ct (icji(Kit ^Jt.\\ r tn n fi \\ zemam

het lichaam wasschen , een bad geven; een lijk

. . o o ,

reinigen. icKtr^Kt^r^ pass. — (utac^i.ia.KtJi

r\'CJ (t^~Jf \\ badkamer; tic reiniging

-ocr page 443-

^CI (hJl { \\

SC) 3

7

van het lichaam, de reinigingsdag, voor den aanvang van de vasten in de maand Rarnëlan.

II. acia^jl of (iyticujjfKjjjs kw. de stof, gond of zilver , daar ander metaal mee verguld of verzilverd wordt; verguldsel {vry. \\ en (U tuKKi/j).— (tn

in(Ui/f\\ iets van metaal vergulden. tt* anthj) 3n w m • ■quot;)

MD \\ verzilveren. — (tnann-ji iets laten ver

gulden ; voor een ander vergulden. — nr^(kh (Hi/p verguld of verzilverd; verguldsel.

I. in de spreektaal verk. v. ut tf 10g(Kyj {vrij. (uw 8). 2. verk. v. utt rj ut? (M/jin rj iet ? aj)^opw

,ict(K/i\\K., , tien, in zamenstelling met een

ander getal, of gt; in Kawi, vóór een ander naamwoord: anders nJluta^ts (ki itj ru^ % \\ {Skr. das ja). Zie verder hij luin/^^w iaojian tamp;i\\ titel van een hoek, waarin de verschillende namen van eenige voorwerpen opgegeven worden, ut w f ^ un\\ bijnaam van -oiu;ö/7\\ eig. met tien aangezigten {Ükr. J)a-

sj avi oe k\'a). (u t a. i crr^ tjj \\ en dct. iamp;i (M crtj (ic^ \\ kw. zvct. o O C )

tbtl (KW lt;711 _i?l oj^ j \\\\

(ut i/5j \\ zie tut m ? w ook kniegesp of haak meestal vau zilver of goud.

n

a^(M\\KW. ZVU. (h),rLliKt/l G)

rjiuta.i\\ 1. kw. zva. nmrjcni?itn/j en ttlt; iet jivtt hi^\\ 2. rj utlt;m \\N., (wt^n k., dorp (Skr. de sj(i, oord, streek. Vrg, (i^nry ). ij tut ut ti/n tiT) rj an (Kt \\ het een of ander dorp. — un vj (ki ik/j\\ t nanj ajjnfj\\ ergens een dorp stichten; en als een dorpeling zich voordoen, boersch. — (tn ^ tut w oo/j ttia^oj^^ijimj) de plaats waar een désa staat; de omtrek, het gebied, van een désa; het dorp^land, de dorpslau-den, in tegenstelling van de hoofdplaats. — ycu^ rjtutthj?\\ voor nji gt;)77 utihui\\ de dorpslanden. — tfji

cy

Tttjtuta^i\\ of thjrjaxt(hJt\\ naar een dorp, of naar het dorpsland, zich begeven.

Y\'^)\'m\\kw. tot een dorp behoorend, van een^do^M {Skr. désji\\.

kn. misdaad, zoude; misdadig, schuldig; misdadig zijn, zondigen {Skr. dósa). rj tut t w ajt des doods schuldig. — tw2(Kt n3ïdn mi \'^ t \\ misdadig of schuldig door overtreding van de wet of de bevelen van de overheid op de hoofdplaats. — V \'UtiGJitinji of ij ut z tf ui ? (k i (injj\\ misdadig, aan een begane misdaad of zonde schuldig. — ah n tut 2 (k/i\\ een misdaad. — teinast\\ tot oen misdaad rekenen, Men.

act (KI f \\ kav . zva. asrjj 071 rL/^ a?i m asnq n th/i -Jj, \\ u i nt tMjj\\ vrg.

ut (Ki ? \\ 1. K.w. ook wel do-mn zva. tnt aj^ ru \\ knecht, dienaar {Skr. ddsa, knecht, slaaf; en ddsï, vrouwelijke bediende, slavin. Een gelijke verwarring van het geslacht vindt men bij (tjrt ied axt j). 2. kn. kant, rand, zoom {vrg. ajicrn). tuhu^tM^ omzoomd

met goud. — vn (Ht kw. zva. ivrtojiirhi\\ — am onquot; o

an a. 1 ? a/n tw anjj \\ zva. .ut .0, n.t utt -Jn h n thnji \\

n ut 2 aj) \\\\

Ci Qv

ut a^i tHi \\ kw. zva. am ufjj^cn ty w

(ia^lt;is77gt; kw. zva. tjojttt^n(mvli £1 asitji [Skr. slecht ge-• taaii; zonde, misdaad. Zie ax^\\ en utyisti).

(inoj)iKj)_yi(hiji\\ zie hij fic^ II.

(utook bij verkortinij. wKyrhn/js verbasterd uit g a dg ast o en, zij het ook dat, g adi, Skr. indien, astoe, hetzij, kn. althans, ten minsten; op zjjn hoogst, tin ~rtt tf hfn f \\ als \'t op zijn hoogst en veel is.

\'ir^quot;T%N zie

j|/\\ of (intuls kw. twee {Skr. dv)ï)\\ ook zva. ut ut \\

:) ^ o en un wit^t axt m \\ zva. rjm2 aj^aLj^w

ui ut n., nji irm \\ k., ojtrja/n2 w/j\\ kl)., lang; lengte; lang zijn. — lUttV)nsnwrjtHjs lang van handen, van iemand die diefachtig is, gelijk ons lang van vingers. — iniaxt(Ut\\ ntt ajt iiirt \\ lang worden, te lang duren, te ver komen of loopen; te hoog loopen, bv. van een twist\\ chronisch worden, verouderen , van een ziekte. Zoo ook tot ut oji an ajt \\ te ver loopen, door de gevolgen, die iets krijgt. — x/tt uj an a7t \\ ika iei i:nt \\ iets lang maken, maken dat het te lang duurt of te ver loopt, tunao inojt

ut rt\\ te lang tot schande zijn. — ajrtchiut(h^\\ langer maken (dan iets anders); ook langer worden. — urt op i)t iun ~nt rj vm \\ ttji trni r t am an/js iets verlengen, maken dat iets lang o/* langer wordt; met geld voordeel doen, bv. door er handel mee te drijven. — ut 111 ajj\\ (utaihtarttmjj^ lang, als ohjeet, in ki tn tut ijj ^iki\\ of oji a.t a.:t uj ij a.j t t t \\ en tut aji iirtrt art rf iHj \\ of tui ajt arirt 11 rj ty a.u \\ hoe lang het ook wezen mag. m ut ntui ru anjj a ?tt a5) { ut ajt tut (15)^ \\ hoe lang ook een weg mag wezen, nog langer is gepraat; d. i. nog verder gaat het gepraat van de vnenschen {zie een der ff. spr.


-ocr page 444-

q itci f J) n

364

ICji tUl \\

bij itj) (Kn (E/tjj Juv. Zamen. II). — iLcnunHj.(Hyj ook hen. van ecu patjoulstoel van arenhout, Kr. — (ui(hplt;v)\\ n/iifjitrin\\ de lange zijde van een langwerpig vierkant. —■ ifji (in nj) n KW. zie heneden.

iind.» \\kn. iets om tegen te houden ofte schoren stut, {vry. isr^ujHHtyj). — uncm uis iets schoren; tegenhouden , bv. een schuit om niet tegen den xoal te stooten; afhouden, van den wal of wind afhouden , van een vaartuig {yrg. hj ; Jlg. iemands wensch of bedoelingen tegenhouden, door tegenwerking\', iemand zoeken af te keeren, iemand afstoo-ten , terugstooten , afwijzen, weigeren te gehoorzamen. — (un (k\\ (ui hu ~/n ij (Kn \\ een vaartuig , doen afhouden.

s CV r

tiq^ri\'Uf\\ii.y tut(ïj(im\\ (UMj(i:n \\ oj .uyiicmsKN. (yrg.

, cru (in { n k., (vrg. , \'un orr^xn

en somtijds (un (fn c? ki. , hebben, bezit

ten. Het heeft dezelfde heteekenissen als die uitgedrukt worden door het zoogenaamd h ezittel y k voornaamwoord, u n rj iui \\ of w\'(Ujj ij t» \\ de bezitter, of de eigenaar, wiens het is, dien iets toekomt of toebehoort. 0iui cm y il»\\ wiens bedrijf het is, c\'\'nxm2 de bezitter van het huis, wiens woning liet is, de bewoner, de heer des huizes. 0(hii n\\ wiens geluid het is; die het geluid maakt.

vè tui ^crn/j\\ een voorstel te doen hebben. Somtijds worden xcj tj lt;u) en tci un ook als zelfst. naamwoord gebruikt, zooals gew. (tnrj ui Hiyj en na rjdTriiHTi/js bv. ic^vj dj) ij ^ 2 rhi tun (hnjj\\ het goed van een ander. KT tj o n ac} aXrjajn \\ cm au wat hebben, bezittingen hebben, gegoed zijn. — ïnt (icjj ij iui \\ un (ia ij (ITU \\ h ti iria.j) j \\ in het bezit komen, het goed worden van iemand, toebehooren, toekomen, aan iemand. — tun(hjtj ut^\\ uncKirj rjiTii^s (un cm (in j (uii \\ hebben, bezitten, in het bezit zijn van; volg. R.; mv., en iets hebben door zijn eigen doen of bewerking; in het bezit treden of komen van iets; het regt van bezit hebben op iets. 0/5!(^\\ zich een voorstelling maken of vormen. (Hti xm iyp \'rj rm ijj dj^ il/^ ies \\ wien toekomt ver-eeriug en lof, W.) ün tt/n cut rj in hj asn j ta .t» un ij ij im q \\ de regtmatige eigenaar van alle Javaansche

landen. R. — u/non rio un -jn ninii \\ enz... iets in be-Ch \' (

zit geven aan iemand\\ iels zijn eigendom noemen, als zijn eigendom beschouwen. — ii

. . a .

ICj^fj (VHHIJJ of ic^ tj DitUJ n. , {M (BSKL/n (miutq

/un \\ k.) met een ander of met elkander iets bezitten, of over iets als het zijne te zeggen of te bu-schikken hebben. — xc^ rj tcnji\\ {volg. Rh. ooi-wel ncniicirj (U) w/j) iwrjdnt itcnjis armut sisn (mjjs ertj ui w/js iemands eigendom, bezitting, wat Iemand toekomt of toebehoort. (icj^(Vt^n\\ het -{of dc) mijne, w xj]it? Je mij toekomende pacht. Hnor^iin an-xiti ibi ^yi xLi \'Ln\\Kl. voor (ten q r»

.isïj a-Ji rj (Egt;i xvi rj (ut ij) \\ kn. een bovennatuurlijke magt in de natuur, een godheid, god of godin; een godlijke. ook als lief kozende benaming van een vrouw of meisje , zooals 09is engel (Skr. d óiv a. Vrg. qxa ul-^ rjxa ,1:1 itgt;nn en x.jj^). rj(ia ui rnxü\\ naam van een goed te eken in hei haar van een\'paard. lt;rj iui ui xa ni \\ of gt;1 tici xji (hi ^ \\ naam van een zeer gezochte wilde boomsoort {amp;kr. déwaddroe, naam van een soort van pijnboom); ook naam van één van de twee omheinde waringinhoomen op de aio en-aio en te Soerakarta. (Skr. de vj at a r 0 e, de heilige vijgc-boom ; een boom in de Swarga). rjna ui\\ van Bisma {8kr. 1)éw awrat a, d. i. dc

godvruchtige), ny xci tui(tn w \\ of tj xa xji xa mn \\ naam van het oorlogsbekken van Ardjoena,, volgens au-deren van Jocdistira {Skr. dew adat t a, godengeschenk). (io ui mi am een bijhaam van Pandoe, ij 11a ui imxjj gt;) n eign. van een zoon van Ardjoena, Tj ia xji x/n • ri ,ui Mn \\ eign. van een tweelingzuster

, o» o

van den vorige, tjxa ui iyiui eign. van een gemalin van Ardjoena, dochter van den priester Sitipoernama. xw rj ihn iui ^ iemand god noemen , als god vereeren, aanbidden. een godheid

tot hulp roepen. 0 ui een spr. van menschen, die geen gerucht willen maken van een op hun grondgebied gepleegden moord. unnq xn ui ;inj^\\ godlij kheid. un cm iu .k n ij xa i» onjj \\ het geloof aan de déwas, de oude heidensche godsdienst. — xa ij ij ia (ui (Hi/i\\ zich als een déwa doen voorkomen.

Tixa ui^ eig. het vrouwelijke van tj xa (Ui \\ wordt gebruikt als betiteling vóór eigennamen van vorstinnen en vrouwen van hoog en rang in de oudheid (Zoo ook in het Skr.).

wxai ui\\ zie ij iazxn\\\\

ij xa ? ij ui j \\ kn. xTi ij un 1 ij lv * \\ een hangende onderlip


-ocr page 445-

a

na ik \\ O

30 B

hcbljen , WW.

M^minKW. 2««. ifjrj hm mi ^/n if imw

rjin.wM^ nie hij f)muiw

ym\\KW. deur , poort (S/.r. dw /1 r n). ui n vi isn\\ ooi

O r,

wel i n mjj ni n i^i un ^ nuam van den rijkszetel of het rijksgebied van Krüsna {Sir. Dw lira wait) inijnKN, scheurtje in den rand van iels-, kleine inscheuring; uitscheuring van de oorlel {vnj. uiquot;). rnrj ivi imtji* in Krawiing nog zva. (U^rj ui un/f \\ zie E.R.

rrjinifjui^ kn.— Hjn\'r],pjirjvi\\ kwijlen, snappen,

praten, babbelen.

uiiui-npy sie bij .um^w (?)

^in»n^\\KW zva. i^jwnnw .u^rf vi hiijj\\ zie bij

Ar. eign. van David, onirnwVj

uijj i de propheet David.

inD)(vgt;nji\\KW. zva. (eaojiw

a c

inuiasnskw. zva. ru(yi\\\\

wuim\\KW. zva. hjiomrvyj\\

o

(ixi (Ui m) \\ zie bij tjiw

O O O O

irjjU)nsf}\\ kw. zva. utt iu uiyu)en zva. le^fatasnw rj in (ui (isii n :iK\'umsn\\ kn. oeu godlijk wezen, een god, een godheid; de goden (Skr. déw ai d, van dêwa). fji rj nn nj} mm \\ naam van den vogel, waarin Joedistira zich eens veranderd zou hehhen, anders uinij} genoemd. hv if ia\'Ut nsn (hnjjs het verblijf van de Dewata\'s, en zva. um/yjiui

o O 6) O amp; ^

uiivioji^ kav. zva. tK/iaj) * \'KyÊ/t\'irji \\ en vi tu hu

ïu) m rj l» (isn iHiji {Skr. diwas a. een dag); kn. volwassen, meerderjarig (vrg. luntairL^rjturm/i). tw0\\ poët. wanneer dc zon in het zenith is, om twaalf uur \'s middags.

\'t is nu al drie volle dagen, of drie dagen geleden.

ifjgjxKW. zva. en if m iru^ mi lt;fj^ kii {Skr.

disjt a, aangewezen, besloten; het aangewezene,

bevel, besluit, pk.)

O

»l/^\\kw. zva. thJi w

ui hji jhi \\ kw. 1. zva. (ijjnsrn {Skr. daw aid). 2. zva.

O c \'i o* » «

(UKH^rkJiasn/i en x/n

O £) o

ui ui nn \\ KW. zva. r\'n ujcm\\ nm ui w

o

ui trin \\ Kw. zva. vfcrm ijru i vs o »

ui ii/i v kw. zva. rf niji 2 ruw

ifitKs of icj,,zjiiK\\kw. i. zva. imrjipirri {Skr. dwa dj a, teeken , banier, vaandel). 2. zva. imazlwji {Skr. doelidw adja).

^ gt; 0f ty vl iK \\ kw. zva. (utnrm tun (Skr. d w i dj a, een man van oen van de drie hoogste kastes, eig. tweemaal geboren, voor de tweede maal, namelijk, door inwijding in de kaste en de investituur met het heilig koord). /j! iamp;tj)rn\\ een groot of uitstekend pandita (Skr. d w i nj aw a r a).

rj uiru) i£\\ kw. respectueuse betiteling van een Vorst, in de wajang verhalen Zoo wordt ook nu nog v)el een prins uit respect door zijn gemalin betiteld, ui ;lw v kw. zva. ajïj^ rr^ ru/j \\

in ui (lui zie bij ut viiqw

^ o

w tui(m/j\\ md. van rvicm ^ ifn rj LUi^ m-rt en irtn

of rün (Hjjjs k. van kifijiw — ui :Q raj \\ zie

ui am hnji \\

o C) O

m (Utornjjs md. en k. zva. ui fui crnjj\\

xn Q(rnjjsKVf. zva. fn iru/j \\

ifjjojj,n kn. spijt, berouw^, wroeging. g. zie Knirjaj^s u\\ iÜuHrtr-n\\ kw. zva. {Skr. diwdkara,

eig. de dagliohtmaker). tn thKn\'ri(K/iams de Zonnezoon , bijnaam van Karna.

\\m ui ut un ni \\ zva. £-

h n LU rj itn tj til \\ ri^ ui; ij ittiji . o .

(io rj nj) i cm \\ zie ui ui am w

o

rj (ui ui(m \\ kw. zva. ui ui urrl (zamenst. van ^ (ui \'ui \\

v C O

en im nm\\ zie ij i/n 1 cm). tj ui ui cm kw., ^ryui rj .ui ? cm \\ kn. , benaming van een rood zijden stof. nrt (Ui nJi cm ia \\ kw. zva. rjia ui \\m nm hn\\ tf ui ui i n ti i

wun/i (Skr. déwagana. godenschare. pk.). ui n. v. de achtste letter v. h. Arabische alphabet en v. h. vijfde jaar v. e. windoe.

(Uji rv)jj\\ naam van een secte onder de Mohammedanen , die door aanhoudend opzeggen van de geloofsbelijdenis met hard schudden van het hoofd zich tot bedwelming brengen, waarin zij voorgeven ingevingen te krijgen. Men noemt ze (uiij (ki yn irujl en M^tu^ru/js Dit laatste beteekent ook een oj) die niet ingetogen als een santri leeft. JR. rj im ityi po\'èt. un Tj uu n., ruirj ui \\ of m ij w \\ k., te koop hebben, /ig. met iets pralen, als het ware iets uitkramen, fun y (ui 2 (ru ^\\ spr. met zijn (mooie) stem pralen, (tm ij uu ruxsn\\ met zweren pralen, pralende zweren, (unijum^\\ voor soldij dienen, uiirj uu ttt-jri uirf urr\\ haar lichaam te koop hebben {tot ontucht). — hnvjia?


-ocr page 446-

in rj rui ^ \\

300

ui ru\\

lujjs \\rmrf (U)\\ of iels verkoopen. — ca

vfiuit ru^x pass. ook van un rj in t riAjj \\ hv. itz -yi

w tj (ui tun (Ui (lil ^ ui z ruji \\ is dat paard to koop ?

O • O o

rj(txii tij) Mijlquot;n pass. imp. — rn ij uu rui\\ nn rjnx»

/y n ö/quot; if-A 7j ui nij \\ mv.; öw aan iemand , of ergens

iels verkoopen lt;-gt;ƒ te koop aanbieden; te koop

stellen o/ in orde schikken tot verkoop, Jly. bij

iem. te koop loopen met bv. zijn kunde en derg. —

O ™ ^ r

(1.7 gt;ƒ do ? kt? \\ »rm ^ ixi (un -jn run tinjj \\ oj foi ij ia ikyi -Jti ifti ihnjj \\ voor iemand iels verkoopen; — tui ii rj iiaeirvi^s n., (vi (Hin rj (in \\ of, aji^ir^xcw het

verkoopen, verkoop. — ui2^ iahtu/js N., o-Jiirj

O /.

ia liAJl M \'M tj M \' ,JI nnjj N 0/ rj m ill/l

k., met zijn waren rondloopcn of op de markt zitten, om te verkoopen. — tjtüiiyia2rfW2irujf\\ iemand die met iets loopt te verkoopen; koopvrouw. — ojzng ijiin i jp mi/j\\ :hj) ij ia i.u goederen , die men te verkoopen heeft, koopgoederen.

O O ! .

— (in tn yj xa 2 jjyj (htji\\ (ut iwjjjrf ia ihvi (hi/j\\ plaats om

te verkoopen, verkoophuis.

a

iia rut \\ kw. zva. tut(kd (tw \\

xa/ru^\\ 1. kn. overrijp, van vruchten i {en zva. lan^.

f~s \\ c\\ On O o

(£4/1 \\ lx.), z. k. van (oul7)\\ en im an w

O / Cl-\' O O J Ci7 1

Htji hji\\ kw. zva. (V^(i:r^\\ (Kj2(hi\\ en un (ui nm (o/fr. doe-

li, stof); kn. onbeschaafd, ongemanierd {rjwu n

ct O o» . o o O

(unnj) tui ^/n \'isn (tgt;n ). — un a.c^ trui(tc^ tui s kn. zva. tot

(Ut (un (ui (i\'.n (kw. zich zeer onbetamelijk gedragen.

G.). — (aj^(uilt;rui\\ zie beneden.

(ir^nu^skw. zva. inivj.w -------— — lO^

(?). CP)

iFJI (Kt \\\\ - (IC^ tf IILI 2 \'IflJi\\ zva. (Ut (hft .LH dOJj

run tfflj lUjj \\ zva. i/n (ïp iy ,

^ li ( \'.yt .......— ^

rj tut ? (nt/j zva. rf (un * U on/lgt; Tj. — (ut ui rw^ \\

zva. (iTi (W7gj.N ook toeschouwcr.C.S.— (ut ihn rui2(hnjj\\

{en u it ij

(ia iin

ZVa. (Ut (Kt (UJ.(Cl (Kijf \\

tf (ismru^dnjis Rh.)

rf (int rf trut kw. zva. isntudsnw

(ia imq \\ of ut tui^(un (kiji\\ kn. zva. rui Kt/f en un (tu(hui(Kijf\\ ook wel in den zin van met, in een vergelijking. ia (tui^tuh (hji (utr tw {of (uiaj^ ^ un) ook nn, tot nu toe; vrg. ia rui (ui anjfs

o o , » o v

(ia vut q \\ kn. ; iun(Kt(ru^\\ {un cru rui % «ki. j meenen, ver-

meenen, denken, vermoeden ; van iemand of iets

dit of dal meenen of vormeenen {vrg. t-nt(ki)\\ ook

doelen, mikken, naar een wit schieten {vrg. (ét

Q^s « i 4-

■iTtri). (uianiutps het meenen, vermeenen; nieces\' \'

ning, verdenking.

zva. if (isrt 2 tf (^12 jij(hn/f \\

(ia if rill j \\ zva. icuruiqw

\'Ca tutkw. zva. (tsn rf (Mn en tf i:itii^ uiijj\\ —an ruiq

o.. O ck. O

un (inj)\\ zva. i n (bit rf ifji^ \\ en (un ut un (ut -y* a-njf \\ kn.

de eindelooze toekomst. Zoo fst^ aj un {of un /u i/n

tisniki un) (un w trui {(urt (Ktjfs voor altoos, ut nu? {in

de spreektaal Rh.) ook zva. (ta rutqw Ra. en Tj.

D C\\ . S D *

\'Ui iut {quot; tia(FJt (tu j zie xa ieji \\ en rui avt (Kijf \\

a

if ui if rui {\\ en un gt;f yt rf tut j \\ atn rf tui tf tui j run \\ en mi if ui rf nvt { un tf un\\ n. zva.* rf ia 2 rf uit 2 unjj \\ enz., plaatsen, zetten, leggen {vrg. rf ui if \\ rfgt;ui if ruq w\\ of rf (ia if r u (ut \\ een uitroep: Ach, kijk eens! vooral in wj. in gebruik.

if ut 2 rui 4 \\ kn. naam van een corps pradjoerils van Dipa-nagara.

ut tut(Ki/f n., (Licm\\k. , weg, pad, voetpad ;middel, aanleiding {vrg. ru^ r^). (iarutajiituKiijf\\ een voetpad, larui rui^ifrji \\ de groote weg {vrg. lunit n^\\ en nnsnrnjf). rfjiasy^axtrut.rnjf\\ zijn weg nemen over deze of die plaats, tu fth ia rut (kiji\\ de melkweg. üi ut rut (Ktff \\ weg o/wegen in het algemeen -, en middel. tJt ui tut ruj /ijtnnjf heel den weg (den geheelen weg) langs. — un (to rut iKj, \\ (Ui rfmi t^ over een grond een weg of pad maken; over, door of langs iets zijn weg nemen of passeren ; bij ieh of iemand op zijn weg voorbij of langs komen ; fig. als middel bezigen 0/aanwenden.

mnjfs

kw. zva. ut tut amp;

(Ujl if rut 2 (Kijf \\ zie bij (ir^ ru^ w

rf in 2 rut Kt ff \\ kn. , wt w rat ut \\ Kl., voor zijn vermaak of pleizier iets doen: wandelen, kuijeren, toeren, spelen, spelevaren. Voor knijeren zegt men veelal rf ut 2 n/t tf (Kt 2 1 ut Kt /j v — tf ui 2 rui (Kijf of da tf ia i

iets daar men mee

/ ut rn (tnjf \\ en iun rfji un rtv »:/ rmjf \\

speelt of zich vermaakt: speelgoed, speeltuig, speelpop; iets dat tot spel, of om te spelen 0/spelen-der wijs, gedaan wordt; voorwerp van pleizier

(Men.) Rh.; met een ander o/met elkander spelen.

O

in tut(i7m \\ zie ut tui ut \\\\

c* h _

io^^nKN. — (im (Kt\'i^(Ki\\ onafgebroken op elkander volgen; ook fig. van geluk of ongeluk. (utruSps kn. ; run (Kt (tut :uï\\ aanhoudend ontlasting

hebben {vrg. ia ru^ rij).

ia rui 7/7 \\ kn. onafgebroken, onophoudelijk, zva. am (Hi

rui in \\\\ ook plat woord voor uitwerpsel, afgang, drek . n

{vrg. ia rut (ki). run \'ip s en gew. (uj (t,ini^lt;is


-ocr page 447-

O /-ut ili ign

367

ld 7 Vl \'Tl N

in aantal toenemen , vermenigvuldigen.

■v z\' _ ) /

Ui.tui tin - \'ün \'ft i mi *

ui ijrm nsf^/j \\ K N. nu eens hiev , dan eens daar, gaan

of zijn; rondslenteren. G.

/ •

intuj.s zie ui irtiw

O Ss

w fus ook uitj iLn en «aij^nkn. streep, ergens overheen loopende streep, zooals een aalstreep op den

rug van een paard {vry, cm nojij).

/ . qs wrjtbn zie ixivuiw

to uji \\ KN. — (un (Hi n i ryuti \\ aan het licht brengen

bv. iemands gebreken. (Rs.) WW.

in ij li is lloll. ede Ui eer: de Edele Heeren, Raden

van Indië.

o / Q CY

KiiyN ongev. zva. (iniamp;tw

, O O Clv Ci r\\

iW\'p 1* KW- zva\' (V.i ns en trw^i/nnjj^ 52. kn.

opvolgen, navolgenj opvolging; achter elkander ; {ook wemelen, krielen. G.). 3. in de spreektaal n., :u\\ ij n /. njj \\ k. , anders dj) uj, ri^\\ (fJi vjdJi ij \'n miiji broeder of zuster; ook voor neet\' q/quot;nicht Mi nn h njj); verwante, nabestaande en vriend of vriendin, met wie men broederlijk of zusterlijk omgaat, lu^ti^cu^nx^s kn. achter elkander volgen, de een achter den ander gaan. irjiJiii rirj yW\'f ■ op een rei, naast elkaar loop en, Rh.

— vn (^n (ru^ no n op iemand volgen; en iets, zooals iemands begeerte, opvolgen, toestaan, inwilli-o

gen, zva. \'rj ,b»i w n i ijj m dnjj\\ pass., en gelukkig geslaagd omslagen, iemand in of met iets mecloopen. — iTgt;rjrvi \\ n., tr)wrjmiiy-n kiiji\\ k., iemand broeder of zuster noemen; tot broeder of zustor aannemen; vriendschap aanknoopen met iemand. — itïï? xx^ rij^ n ij hu ^ irni rj ui oj m Kï^nfn (nyj iemand als (knac^rij^ aanbieden aan een ander. — ^i^\'-n(hnlj\\ zva. ijuji ij rY)

zva. ïjdJi rj -t) rjij tiluvjjx ojdjivy-n ht^cthj\\ in de spreektaal, anders ojjri_^mihtjj\\ iiijm rj ^n uii^ vriend of vriendin, iemand, die men broeder of zuster noemt; vriendschap ; als broeders of zusters, met een ander of elkander leven. — (ui iya vvi rn irnjj \\ kvv. zva. oji .é] n^i mi (kijj \\

ijw rj ni\\ kn. — iun rj (hp rj iwi \\ uitvloeien, uitdruipen

meestal van dikke vloeistoffen.

w rj OU If -n \\ kn. — iu rj nriA ni iiarj .ru) tj \'n \\ gemaakt

spreken WW. {meestal van vrouwen).

io W) rj-n^ fc?(tfij)rj D^\\ kn. , (u(i?rï0 zich als strepen voordoen uit de verte, van paden en wegen.

* ) )

ix» xui rj \\ oj ia rui \\ kn. n/» (hi n i zva. ojd mi n\\

ui7L^ iy of iakn. kap-balk, de kap-balken, waarop de kap en de nokbalk van een huis rust, aan de beide smalle einden van een dak; ook de zware balken, waarop de dwarsbalken van een brug rusten en de leuning {\'U.rui) staat. — am kiiuj^-ij volharden, hardnekkig voortgaan, in het verkeerde halsstarrig, stijfhoofdig (vrg. run tp tu rj). n ui ni \\ te ver gaan, van iets verkeerds. — oj) m 11^-ry het volharden, enz., volharding, halsstarrigheid. u)runi\\KN. blad, {of de schil van de steel van het

blad, JR.) van den arenboom {vrg. otvaji).

uirj tru) if ni\\ of tj w ij ni \\ kn. 1. blik, iemands blik, waaruit men iets vermoedelijk kan opmaken, ongeveer zva. d-J ap {vrg. \'Ht)rt)nj) Hjij). farj tuiifri at)(uyi\\ de oogen nu hier dan daar wenden, niet op één punt gerigt houden, w (üi rj trui y -h ii » onjj \\ een enkele blik; met een enkele blik, zooals in V voorbijgaan. 2. ook zva. n ruitrj\'-t )\\

ie) ru ut)jj^ kn. klein en fraai van gestalte van vrouwen , WW.

10 ru^\'Hriji\\ kn. ; nm tfri ruj\'WJI^ het hoofd laten hangen (vrg. r/t) lt;yn uuf),

ix) rj iru2 :hmjj en w iinrj rui 2 uii/j\\ N., in de spreektaal

O . 7) ^ , O v . )

zva. ui en uniu i xy, { vrg. uirj unt un/j). ui ij /i.v?

rj Hti\\ zva. w i\'^rj i7)\\\\

o a o o

in rj 7U) h t)/j\\ i/ri ihi rj ru k»; \\ en run iHurj ru rsnvj un \\ in

de spreektaal zva. rj erm rftu Hrijj\\ enz.

urijj kn. den vinger steken in een gat, ook fig. het hart wonden, B. urxua-c^i^ur^ scheldwoord. — (un thi^ uijsmv.; en iem. den vinger in het gat steken. u)iu hd \\ of (in rui h n • kn. de onderlagen of dwarshouten, daar de planken of de cm (rui van een bank of n/n rjjj op rusten.

% \\ Ar. ^ J, ook wel uj ri^ ik \\ en (kd o5)

un ik\\ n., (iJi ruföji£\\ k. , naam van dc twaalfde maand van het Mohammedaansche jaar, anders urn (K/) genoemd.

(ir^ru)j)?) in Ar. j J / KN\' naam van de elf de

maand van het Mohammedaansche jaar.

u)iruua\\ kn.; i/r) mi ru lm een aanhoudende stroom vormen, aanhoudend voortstroomen, van een menigte menschen.

xa rf rwrj u) n kn. — xm tw rj ruivj ui« mooi, schoon


-ocr page 448-

xa tl (rui 2 rj (Ui ? n

368

xn(irL(Knn\\

van \'personeny WW. volg. Rh. uitvloeijen, zva. tj

s

ij anvj ruw

tui rj vui2 r^(u\\i\\ — w irj (tt/i 2 ij ui 2 crrt^ lomp spreken

of handelen, onbeschoft,

iui rjirurj w wijj of ut tfrhi nn/js KN. het vloeijen, druipen of afdruipen , vati iels dat min of meer dik is y zooals smeltend was y lak en suiker {vry. (wrj 7j (ru)2 rj (ui2 wnjj). — n/n (jp^rurj (utvnyj of rmfpirj iy7urj,uirm/i\\ vloeijen, druipen, afdruipen.

(ui rj riA2rj(U)2 Kryj kn. het bij klonters afdruppen of uitdruppen, zooals bij inkt uit een pen {vrg, (Uir) ij Ti i rj (Ui }oijj en fui rj 7U2^iisn2 inijj). — mntHiorj irj7u?rj(ut2 hvjj bij klonters afdruppen, of uitdruppen.

ut tu incrn/j KW. ; am itrt vu ut (ïti/j\\{ook ut njt (ut nr^cmji Tj.) in menigte vloeijen, stroomen,gudsen {vrg.tut (iy (Ut (fnj! en w rj rvi ty (ut itrn/i)ook een trotsche houding aannemen of hebben. WW. eig. nunut

in/^(utcrti/j KW. het aanhoudend stroomen, gudsen o/ gudsend uitloopen, zooals van water of etter; fig. van een groote menigte optrekkend krijgsvolk [yrg. iut vu net ort/j). njrtw ivp.iw mt/js aanhoudend stroomen enz.

utTUj^xctrmjj\\ kn. een stok of bamboe met een strook er aan, zooals een (ur^ ^ rut ir^ rvi fj, doch zonder punt, {(tjrj7u-jy^g-j 71/}-Jj.rnmijl); volgens G. een wimpel of klein vaandel aan een lans {vrg. rj

V^\'VSR^)-

txt tj TtJ) rj (Ut am/J \\ zie utrjiwtjaxtuttijx lOTy 7172 rj iUt2 crrtjjsKN. — (un artT\'j 7i/i2 rj tut2 ertyj onbeschoft zijn in spreken of handelen.

iixi tw \'üttji^ KW. zva. TJt (Ln iL,rijj\\Kn. stoi)sel, om de reten van vaatwerk digt te stoppen (vr^. ^^ri^).— 7jn 1H1 tiSiiiitt/j gt; ku. zva. (S S anyjn en de reten of naden van iets stoppen met iets, zooals leem of pek y dat er op gesmeerd of gestreken wordt, im mi vSastt ~Jt w (Htji\\ zeer zuinig zijn met hetgeen

waarvan iemand te leven heeft.

o o

iUt7V)iisrtji\\K\\\\. zva. tu^n^am/j ïea 7U astyj zva.

(Ej rTjj kn. ; (urt op rvi 7srtji\\ met de tong likken,

aflikken {Ml. djilat. Vrg. vrt tu(ini/i). — iuikhi

71/t nfijrs likken aan. — likken met,

aflikken, oplikken.

(ifi7iji poët. een kalkverkooper, verkooper van bereide kalk om hij de sirih gebruikt te worden, wegens dit bedrijf als een gemeen man in minachting ; kn. (K70\\ zooveel als met den top van den vinger aangeraakt of erg. afgenomen wordt voor een weinig. GG. welligt voor itotj0

een soort ^ jk urtjj\\ — (urt ^n7Tui(isrtjj\\ met den top van den vinger aanraken , ergens van afnemen, h. 0ajrt ém (i5ti^\\ een weinig sirihkalk met den top van de vinger afnemen. rj7jt20\\ een gierigaard. — m rtn7t?mfli\\ met den top van den vinger afvegen of afnemen van. — (Ui 7vi \'^jht/j\\ obj. den. 7Jt0\\ een streekje, een veegje met den top van den vinger ; ook evenals (Knarirhi asryj\\ voor een weinig. (ut(v^(hj)ji\\ kn. een lampepit van een teloepak vochtig van olie; vochtig 0. a. ook van grond, {van buffelhorens y Tj. die nog niet droog, nog niet hard zijn), volg. WW. ook zva. lycutTJtjjs (ut7L)(ut\\kw. zva. Totirin(lmcmj^\\ tw ruw ihijj\\ kn.

tot zelfs, ook mee {vrg. 1Q1 Httnnjj).

OO O O

(in w (Lnjj \\ zva. (i^t k t (utjj \\

nct rucQff tjj of ut 7?/Ï£j) ietjj \\ kn . naam van een wilden

boom , en van het hout en de vrucht daarvan.

O c\') Qquot;

ut 7^j\\ na rvjjj \\ KW. zva. ij(uniru\\

,w tj (rui ij (Ut \\ \'/ jj» ^ vt \\ of (ur ij 7 u rj tut\'\\ KN.; (un nn rj nu

rj(tj)\\ enz., afdruipen, afvloeijen, bij neerloopen,

bv. van bloed uit een wond. — un 7lt;] tj n,i rj ut n

enz. y oj) of over of langè iets afdruipen. — ünj

tj7iJitj7jtrYt (Htfj\\ enz.y bij neerloopend, bv. van

kwijl.

S . O ^

in rj 7Ut tj (Vt \\ zte in tj rut tj tut w

O » C}

(Ut7ij)(ut\\ of (ixt71^(at. y ut 7hi izfitN K., «Tavaunsch pa*

pier, dat van de schors van de gloegoe bereid wordt; ook wel van Europeesch en Chineesch papier {vrg. Ton^najtfj).

Ut 7U 7U/J\\ Ar. Jab, wegwijzer, gids; kn. Gods woord, de Koran; ook uitslag, gevolg, ut7U711 ajinsnA-n^ Ar. LawXIo Ja!igt; . lt;le wegwijzer voor de hoedanigheid van den levenswandel, voor de Koran.

(til ilU) 7\'lAJJ \\ K W. zva. (IFt^(Uj^\\

ia ij rut rj 71,12 \\ kn. slap neerhangend. — tm ihitjiii ij7U2\\ slap neerhangen, het hoofd laten hangen (vrg. (Uiij rut 21J iu\\ en xni tfn 71^ hitjj). (uttj7\\ji2ij7x/i\\ of ixi ij7X/i2 ij M ■/\\ KN. het ncêrhangcn, van iets dat lang is en ergens uitsteekt, zooaU


-ocr page 449-

a

ixï il i ir u f \\

869

Miru\'u\\f\\

een slant/ uït een (jat en een pisanybloesem , die van een boom neêrhangt {vrg. cuiijm nnut). — i,nih]if!ivig\'rj)Li\\ zoo neêrhaugcn, van een langen neus, Tj.j van een omgekrulde lang ncerhaugendc onderlip % lb.

laniiu^ ook wel ii»//;/u ^\\kn. verbastering van verkorting van hn iXu^t t^i gt; \\ Gods beschikking; door Gods beschikking; liet noodlot, of het geval, wilde. Zoo ook wel up ilj iu j ntunw — i/ii if) ii.i tu j \\ zich aan Gods beschikking o f het noodlot overgeven, zich met gelatenheid aan zijn lot onderwerpan.

I./m ILU Zie lil Ij tciê If JUW

)

ut i j i j i i/js i ii hi fy.\' jzva. J en \'vnvrn

ixi ij ii i tj tli n KN, üi rj ru gt;1 iüi ia ij ili rj /i / s onder het

gaan het hoofd telkens links en regts wenden. ü)iuMjj\\ KN. wel in alles zin hebben, bv. van een kind dat wel alles zou willen hebben; niet bijzonder keurig zijn. tt.j verkiezen, begoeren. G. van e\'èn kind, dat alles wil hebben, lastig, onbeschaamd.

) O • Ov . O i o

Rh. Lil IU (IJl ^1 IJj (Hl ~JII hi II El WJij t nil fUj^ ILl !HI lamp;l

nni iiri m ij (lm -m tj \\ Daar zij, die mij noemen , niet bijzonder keurig zijn, zoo is mijn naam Klanamp;-Djajengstlri, 11. een hescheidene wijze omzijn naam te noemen, beter: naar men mij verkiest te noemen

m- • quot;gt; -) nv

enz. vrj. ij.: un iijj lci ikn i i \'uj \\ enz. Ij.

unj ii i ,L/ijj\\ taai van leven, zooals amphibiëen, Rh. volg. WW. — (un(Hjiinuiuyi karig te eten geven aan.

O O

KI I LI iUIJI \\ zva. hlllLiliUJ^S

ui ijMjf\\KN. I; uii Mjtvj.ii/i \'js iets maar stil bij zich houden, niet teruggeven wat men van een ander

j p. TO T O , )

nee ft. — uii m (lo imajijj mi iaui i^iui J\'ijj\\ en i?i in.:u ihnjj\\ in dien toestand zijn {bv. uit verlegenheid), dat men, wat men zeggen wilde, maar bianeu houdt, en er niet toe komt om het te zeggen. 2. zva. (nu ^ n Kr.

^ iij}2 (l/ijjmin. bespieder, spion {vrg. ej .lii ïimiis

) 1 Jv quot;gt; V

Lgt;iiiliniyi\\ if lciiri l.id hiijj en luhnmi/j). — un ij pii ij ili g bespieden, beloeren, spioneren.

M ILI (Ui \\ KW. ZVa. UVI L UIW

w ili ij (Uitynjjy ixi ilhi (ut2 h iin\\ zie .in ^i rj iui(hi^\\ \'WiljiiU\\ KN. een heester, waarvan de vrucht tot geneesmiddel gebruikt wordt, J. een plant, die {bij gebrek aan bamboe) ook wel voor (in rjui ryyf\\ wordt gebruikt, CP. bij WW. ui(wi(E/iJh\\ nm. van een wilden boom.

(ia ili(i£\\ ^\\ of lkhli uï^ KN. in \'t rond, van het een

op het ander. — (un .m u li us j run \\ o f (un inn ili {

o 7 o r„. o.

ui \\ {ook (un in tli lk j \\ /ui un iui (£j tnjj \\ Tj. ik ruj

ii i i£ï gt; K. 3, 06;) overal ergens rondgaan ; 5/«^/

doorkruisen; van de éene dienst in de andere gaan;

van alles, bv. wat op tafel staat, gebruiken, niets

overslaan; al zijw kleeren, liet een voor het andere

na, aantrekken en dragen {vrg. lr ls* gt;).

y .

ui ïy/Lsr n KN. in de hoogte uitsteken, overeind staan; volg. SG. de geheele padistengel met wortels bladereu en vruchten, ook ij jl/hj imii gen.

ui n^af:\\ en ircrt^ ^sKN. regt in de lengte uitgestrekt, bv. van de beenen van iemand, die op den grond zit; geregen van naaisel. - l/h .vi u,^uk\\ zich regt in de lengte uitstrekken; regt als een kaars overeind staan; regtuitgaan; maar voortgaan met spreken! regt y;oor de vuist spreken , zonder omwegen {vrg. leyiep- — m pivu^ Lclt;^ n\\ iets rijgen , een draad ergens door rijgen, van naaiwerk.

s _ /

Ld ij luiè\'Tj Ltz2\\ ongeveer — en ih/irj n wij

i:ni ? \\ zie bij rj ilu rj rni lxli^lk crn/i^Kii. van een staande menigte, overeind

staan, zie na

o gt;.,) /) quot;)

ui uj lk tn/js of lu iu lk cmji\\ kn. — iui r^:ult; nyui/f\\

of (Ca iulk rmnrijj\\ ongemanierd staan of heen

en weer loopeu, RL; zie uianLezmyj en (Li ili

lz rn/js

~) O ) T

x.i iLi LK nyi^ — ui iu) wihi/j\\ op en neer gaan,

WW. zie ui LU lS riyi\\ en m uj lk lt;rrijj\\

lu iu lk kn. — ui il?i i^ongemanierd op en neer loopen, Rh.

o

ui iLjjj\\KW. zva. .ui mr vrg. luiui^w i

(Uj LLJJj KW. zva. tU^ ILI\\ LCI; If UI UIJI uiiu lezasnjis ulil lik li^/j of l^i i^ liyp 00k icï llulk uii/j\\Ka. een voorteeken, dat iets voorspelt \\ ook wel zva. ifC gt;) ikmsii^\\ — un hi ll, i^n \\ tot een voorteeken van iets strekken; iets voorspellen, van een voorteeken.

(uin jLLi kn. ; un .Hi iu^iLi\\ of i n in il^ lli\\ zonder

zich aan iets te storen zijn gang blijven gaan (wy.

■) . ,

un (hi \\ en iun hi u i nr^).

ui if ili lvt \\kn. zva. hi(w of i,iyri ht ij ui i.nw


24

-ocr page 450-

ici tLllj Ibis

370

U](gYitJt/i\\

dyii pi\'»1 ru lvi \\ iets achteloos of onverschillig doen, zonder nudenken of zonder er naar te zien. — aa i) iu (Lhi (Hl onverschillig, achteloos, enz. van aard.

i.» tj i i/j. 1. kn., (j/ew. (3n iii als c oor zetsel

binnen, in, gedurende een tijd, per (van), vóór een benaming van een hoeveelheid {vrg. 2. ki. van ijL\'UèMgt; of (tr^iu\\ woning, wonen. runw^iftfjywaJis in twee maanden, in de tijd van twee maanden, ö/gedurende twee maanden.— t;) {Lj /f j ïj1; pfj y(Uj a/y) \\ ten huize (of bij) den heer Resident v-j? rj (^) - i illi mi i betitelimj van den Vorst: Zijn of Uw Majesteit. rm i\'j i i in) ffjiji\\ betiteling van Prinsen en van anderen, die de hoogste ambten be kleed en: Zijn of Uw Hoogheid. Voor heide betitelingen wordt als bezittelijk voornaamwoord enkel gebruikt, r ii im i^jl \'s Vorsten krijgslieden. fini ini ut vj, (u^ ili \\ Uw Hoogheids onderdanige dienaar, a/ti irp of in i.] en verk. vn iii hij) \\ of nog korter m tLijj ^ Uw Hoogheids

dienaar, voor hnnj^ttu ik. — i.iui^^ Ki.van

O o ...

(rrt iiïr^(iiji \\ en van tj tutu ilgt;)s rj tun ? hi j inden zm

van een eigen woning hebben, zich vestigen. — am .hp ry\\ Kf. va,n i) \' t i { i gt; ^ — \' n p i c}t J ^ \'*quot; N ki. van n nri? iFji j uh ij i,n \\ iemand ergens laten wonen ; iets in het paleis brengen ; iets tot een paleis maken; een paleis stichten.— ietswxw

het paleis of van zijn Hoogheid; personen die in den Kraton wonen; offerhanden, die door den Vorst eenige dagen voor het einde van de vasten gebracht worden. ^ 0f i.i de wijze

waarop men woont of behuisd is; behuizing. — (ui k . van ij mt foi ^ am ihi fj en woning van een aanzienlijk \'persoon.

KN- naam van een plant mei welriekende bladen, i f i/j naam van een van de di-Vémbladen gedistilleerde welriekende olie.

ia (rui m \\ kn. ; aftitiJi iu (Hi/jsKV., nm. v. e. heester de Punica Granatnm L , Nat. fam. der Granateae, en de vrucht de granaatappel, die geneeskrachtige eigenschappen heeft; de wortelschors wordt tegen lintworm aangewend {Skr. ddlim a), i.iru i t hi fa ij* soort van granaatboom, die v)el schoone roode bloemen draagt, maar geen vrucht geeft.

) 3v

(Ui u i ij hi \\ zva. ui \'ty (F i w

, ) ) ^ )

ui t^ijffJi hiijigt; Lu r^ij { I I,U.— ui iy ii hrhii i,,^

bij stukjes en brokjes bv. iets vertellen.

ui inif\'hid mi/i of Ij/ rj 1,12 hii/f\\ kn. vlak, vlek {vry,

r;n njj ij Sn ui i j if /11 uiijj overal met vlekken.

V W fl \'uUH} ^ K Nnm- v\' e\' vogeltje, CP.

UlilLHEl l.^l Ihl/J of UI Hl hl hll (UjjisKN. de Voetzool; ook het voetstuk of onderstel van een gamëlau; fig. steun, waar alles op rust, P.J. idiij. i\\ n Jj ^ u i lEi iitjj ihi/j\\ zich met liet aangezigt op de voetzolen van iemand {nl. v. iemand die op de wijze van iJ in gezeten is) neerbuigen, tot bewijs van onderdanigheid. Zie tuti/i hii injj ^

iv - ) n. x

.ui (C^ / /. of (ici Jy f i \\ en i n pi tyi i\\ of .i n pi i j hi \\ kn. ijlen, zooals in een koorts; fig. bazelen, raaskallen , wartaal spreken {vrg. i i ij 11 \\ en ijiuniihj j).

(in rjj_(rnjj\\ kh. de stam van een boom tot aan de takken , en zoo ook ui üi i^, rn/j {vrg. ij r.n i y i.n * .Ln/j); een (niet zamengebonden) rol (abak {vrg. un 11 Si). iUyiutEjifl0 nm. v. e. riviervisch, e enig zins gelijk aan onze snoek. — iLipi nm. v e. soort

van beambten in den ouden tijd.

iUKiTi Yii\\ kw. zva. uidiiw CJ

ui ii i iij kn. ui tiinfn i.i ivicrijs halt\' naakt.

urih n. , (bii ui iu/js k. , de toestand van iets, zooals het aan het gezigt zich voordoet {vrg. w n i li t in) ij en uiy viz hnji). uiic^i.ij\\ naar ik zie, naar het mij voorkomt, ui rn ij r:i\\ naar het zich voordoet o/ schijnt; het schijnt. — un pi iy_\\ n., ihi ui iPi\\K., zien , iets of iemand zien , naar iets zien, op ieh

, v v.. O iT O

zien {vrg. isij ïj ! n Hi/j).— h/ii pi wi i^\\ iHifcju\'hiiis iets bezien , bezigtigen , ovei zien ; en iets (eenig voorwerp) zien, in het algemeen. — uui^i.i n)j\\ uh ui iu(Hi/f\\ wat aan iemana te zien is, wat iemand aan te zien is ulüll^x.i (hi^ lun i^i ui iuanjj voorwerp van het gezigt, tooneel, schouwspel , vanieti dat vreemd* is of verwondering wekt {vrg. ri Liii I/ w i iHi /i n Een ander aPh tr» t ui on /j \\ kn . zie bij uquot; i i ili/j). iupri:j\\ (uih^ r.i ili jy het zien ; het gezigt, het zintuig van het gezigt \\ iemands gezigt. iJliUphi\'h^ een gezigt ver, zoover men zien kan. — n/t ihi rh, i::i ni/f iui uj i i ii^i (hi j gezigt, gewaarwording door het gezigt; een gezigt, dat iemand heeft] bv. uit zijn huis. oji pi n thj i. ij iui in liet was mij donker voor de oogen.


-ocr page 451-

) O. Ut /LI\\

aïJ

\'T

ii}?u\\ 1- KW- zva- \' \'j, N Mynijifj of u (Ly ij) uiq I {vrt/. \'\' \') 7 * ui/ 2. kn. klaar, hüliier, l

., i..i / gt; • ) ^ o ! duulelijk (vrg. un gt;t inyj^nius ; i ui en hn }

t ) quot;) /. ) 1

tu). 3. k. van iy nniutu oj ui ui tusKVf zva. ^ mi \'•quot; N (sterk, gespierd. G.),—.inïiius kn. zicli klaar o/ helder vertooneiul voor hel lt;je-ziyl; duidelijk voor het gehoor. — i n tn uquot;/ r.i tji.ns maken dat iels klaar o/* duidelijk is; bv. ~iju spreken ; naar iels, zoo als een gesprek, luisteren om het duidelijk te verstaan.

i^/l/nKN. het in de mond gestoken worden van eten,

bv. aan een kind {org. tj tui ij n.ii ^ en

v ■) . . - )

ry niij). nidJi ^i.riui(^ n.i\\ of uu ij uii uti n i\\ naam

van een soort van pisang. — / n in in \\ iemand,

zooals een kind of een zieke, het eten in den mond

steken. — i n ui.iu nri i,ii\\ iets iemand in den f/h \'

mond steken j een kind enz zoo het eten in den mond lateu steken en voeren.

m iu i 1 i^ijl of Li i?i ri /^n kn. gekneusd, gekwetst, door iels zwaars, dal over het een of ander deel van hel lichaam gaat {vrg. i/n — dm ui n i

iiuij^ iets kneuzen, kwetsen; overrijden. — i\\n

ui iri ï:inJiji of igt;ii ijl i,i i-Jijj^ gekneusd raken, zich

1 o quot;) ■ ,

kneuzen. — lt;»/» (m iui a^i ui -^i tj igt; n \\ aan tets een

kneuzing veroorzaken.

ui i li .ui ihl/j \\

i?i ih m\\kn. naam van een dislrikt en plaats, tweede

post ten zuiden van Soerakarta.

ij ih nj n. zva. ui n i i.nf ui\\ of n i n ui/j {verb, van

Mtufö* WW.).

ui .vijl\\ verb, v aSi an (uifl ? — ui m ~2.inji\\ ) O ~ V

li uu kw. zva mil* gew. cijiuixjI of iji ui uuw. jong; nieuw, blad van hoornen of planten; jonv, blad maken. — ^ui lu gelijk jong blad.

UUUI of LII UMiVf. zva. (Hl uïw

9 . ) )

KI \'ui \\ kw . 1. zva. \'ui IJl \\ lj,LllUlt;\\ ui m H1JI \\ Ij Uil i

iji-ms li ris en ij in rj ui [Skr dip a, lichten,

schijnen; een lamp). 2. zva. n ui^ (Skr. adipa,

vorst, oppervorst.). 3. zva. m if\\ j {Skr, dwipa.

Vrg. ia ij (uii m). 4. zva. ui ij ilu (Skr. dw\'ipa.).

i?i uiuii dl m iuij\\ naam van een too verformulier.

ia (us uu ui \\ een bijnaam van Abijasa (Skr.

D io aip dj a n d).

Wtj ia kn. , Ui ,Ul jj kw. ; un UI gt;1 (UI of Uil UJ fl - l\\

Kn. iets vermoeden , er gedachte van hebben , in

LI ILI IJ f }f!

o .

tj urn- n j, i ij ui v ij . ii t •un in jn u i n (L/i (vrg. trm (i,i).

quot;) quot; ) o \' .

.ui i:i ij ibiui .un i. i ^ii iin ij (ui i tj li i (Hi/i .... er in t

geheel geen gedachte van hebben, dat.. ..

i/ \\ kn. wierook {Skr. doepa. Vrg. uiHjj^ifi^\\ u

uifl en hij isrj m^). — i n ui iui i^\\ bewierooken ,

parfumeren. Vrg. i\'ti m yi lj \\ v. ij mthiw —

iu mi-j of iuutn i i i,i/j wierookvat; reukaltaar.

quot;gt; ■gt; . o

ui ,ui \\ k w. zva. niniiiiis toen; en zva. kuuijw

iui wj . zva. ik^ ij .u j w ujiui^ i j ij .ui;\\ en iuji) i i gt; kn. rede, die iemand heeft of zou kunnen hebben , redt^die iemand meent

te hebben; om rede dat; omdat; en zoo ook wel

/ * o

tirj ij f ij y m .i\'i/j\\ {vrg. i.i un imjj\\ \'\'lj,Lr n/nviif

rjiLii rj li). ACjjii f i \' i n .ui\\ om wat rede, meen je? ij xm i ti.i.jrj f ij\\ geen rede hebben on? te mee-neu. (Uj^if ( i gt;1 f ij\\ om die en die rode. ^ óiz tuf ij f i^icj^i ui j \\ iemand die alle rede meent te hebben, om zich te doen gelden of boven anderen

te verheffen.

o . o

ui uip zie ui w

O /.

itcuwns if ui ui n 0/ li *i \\ kn. ; ujjjiui • gt;u en ujji ui n \\ kw., iets ongerijmds, iets onmogelijks (Skr. d to dp a r a, twijfel, onzekerheid. Vrg. ij m mi iujj)-— umui.ui n\\ enz., iets onmogelijks beweren; beweren dat iets onmogelijk is; \'tis onbestaanbaar, \'tis onmogelijk (vrg. riinuti). — tun nPnui •ri un ~/n ifhn\\ iets voor onmogelijk houden, zoo beschouwen.

zie ui ui ■gt;» w

*1 oj.

ui il/i n\\ m ui n

ui ili h iijjs kw. zva. un if en ui iy uis

zva. if uli (hn/j ui (ui uji ui un/i zva. r.ii\'ti unni of

(ui nu! ti\\ \'t is al veel, dat.

O 3- )

iujj ui hn\\KW. zva. ui if rn iluuiji

ui mi ui \\ kw. mensch {Skr. divij) ada , tweevoetig).

o

1f ui (ui ui n kw. zva. 1u^ ui gt; lii tf Ui 2 \\

ui(yi\\ kw. zva. u. uiw (Skr. dipta, glanzend).

t ci o o • » .. o

ui ui un \\ zva. xm ui uiiuns zie bij un uiw

ui ui un .ui \\ zie bij ui lun \\\\

ci ^ n

ui Qji ivi\\ zva. uuirnns Ir.

. cyi

O O .-gt;

ui lui Ujjjj K W- ZVa- 141 hll

■gt; O

zie ui tf mi w

uquot;Wl \'Tl\'

ici tj (Ui 2 (fii \\ kw. en k. zva. rn iK j (kw. dwi p dngg a. Vrg. tj ui).

ui nj ik f i li ui/j \'

— J.N hj IK f (L\'ll

24*

UI lclt;


-ocr page 452-

iixi (tui (mji s

372

(ictlt;iKlt;nnjj\\

M/j Tj.

tut^ /oj^nKW. zvn. /hu f i i.ii/i en voUj. G. zva.^iKnz ij np ? w

iintiKiruji of (ix) ir: n i/j zie tx ik itu/j 2. of ikik ni/j\\ iixjjj^ KW. 1. zie (uniuïw 2. verkorting van i gt; igjj w

o quot;) \' O

o. ao \\n nsn ui i\\ zva. ij r:n ? ihn tui (Uj \\ ai.i ■gt; of nsïjj \'Ef n.i \\\'

in nu? v 1. kn. magt, kracht, vermogen (wy. i.nruiasnji en ymoji)i gescliiktheid o/ aanleggaaf: öo^: aanwinst, nut; en raad, zva. (umyi\\2. kw. zva. dj!\'gt;7 \'{o luirjiuntm (.S\'/r. ddj a , gift; 00^quot; aandeel. o ^ «y a , i.» \'kji ut ihv)\\ k.

^ irn ^ \\\\ na iiut of (ici lui tin mi ook itci iliji ij vjlt;iciny (wi met volg. Jussief het zou een geluk zijn, als. (to (tin (in cLin \\ of w ax) (hin tui (in \\KN. in alle geval, op wat wijze ook; ook met alle inagt spoed maken, zoo gauw mogelijk, (i:^ ia ui tui \\ zie bij vrjuiw mii (Wl ui in/I \\ zie bij mi (wiw {x/n in ihi lii\\ de landwind in de ooslmoeson, te J)japara gew. in \'t zuidoosten:

Ml b ar at d aj a . zuidwest. J. behoort volg. Rh.

\\ o quot;gt;

op dj»(liji\\). — tijitypnvi^ kw. zva. (uinftQs en tui

vjiun un onjfs a^nci (Lit\\ kw. uitdenken, verzinnen. — nu ia ihu (hi/js zva. itihiii^ (ui tun (nijj- vermogen; voordeel, met voordeel.

(iciihunkn. geschil, verschil*van meening (vrg. oj^uli (Lil n tui oui \\ en (lkic^). ia lui na uj nvi \\ met elkander geschil hebben , met elkander twisten {vrg.

/ / O O v

inji ii ,ij}^ (ic^ m nnjf en (ui ern us a » j iia /j).

uiojvi kw. zva. (i:r^Mn tui rj ui i anji (Skr. djoé)\\ ma ar het wordt ook wel van een mannelijken uiMjjj gebruikt. (tni twiwj. als een Boeta zich gedragen, ijdadjus kw. 1. zva. ui iim {Skr. déha. het lichaam of lij f). 2. zva. lt;m vj tvi \\ ui rj o n n \\ en aji ij ni i a/

fin \\ nnrj ua (tin \\ zva. lt;bii (in cm rj ui w — un rj tui (un (Hi/j of nv ij (ia (ixi arifi \\ lijfelijk, in un ui0\\ lijfelijke, eigene, broeders, tegenover neven, die ook (untui genoemd worden. En zoo ook wel enkel un ij ui (til (ui/j zva. eigen broeder. — (uiijiUi(Lu\\ zva. dji in iLi s(un cHiji\\ in spr. zie J. Z. II.

U)JI { \\ KW. zva. (lil tj Uj l (flJI \\ lamp; (HU \\ tui Ij (UI Z Hl fj N rj (UI

O / 7

(UI \\ TJ (UI (Hl/J \\ (El UIJI (l \'n gt;1 gt;71 w ook zva. un UJ j \\

O

en (ur^dj^d-.yjw (ukujj)^ \\ zva. ui iyia uiw oji n ujjj j n

de vrouwen, ujjj?i/u(vujs zva. ij um un -.nKULj^

o

(U)jj(un\\KW. zva. ui rj ui?(injj\\

tigjjw/l kw. 1. zie bij ijui w/j\\ 2. zva. un xan \\

O y. O

(111 Of ilSW \'FA lil \\ en (FJ! HU (Hl w

tui (LLi (Hijj\\. 1. kw. zva (uiadêW 2. kn. een verkorting van (Hi ujji (in,j of t Juj rjjj hi^ 3. m. zva. 11 ï) u (Ui rj hu2 ihijj\\ ook \'rjvj iu 2 (Hijj en - u ij (Lil ^ \\ kn . het op een ander laten aankomen, om eenig werk, of liet zwaarste werk , te verrigten ; meteen ander twisten, om iets van zich af op den ander te schuiven, oo^ wel in een goeden zin , om iets niet zich zelf, maar den ander, toe te willen hebben of als men wil. dat de ander de eerste zal wezen.

rj (ui ? in ui fj \\ kn. , w w \\ of dJ (Lgt;n \\ Ki., iets lekker vinden, lusten, graag lusten. — i/n ij op t lu m \\ i?n^tilt;j\\ veel smaak in iets vinden, lekker van iets eten. — ijiat(LU(Hj,(Hijj\\ van alles lusten, niet kiesch zijn in de keuze van spijzen , ook wellustig {meestal van vrouwen gezegd) Rh. voltj. WW. ook zva. kii ij ui 2 (lui irj nnjj geliefde kost. un ijiuiitiD hjKyj\\ hoe langer hoe meer lusten ; ook

iioe langer hoe wellustiger worden.

o , o •quot;gt;

UI (LLl (Hl \\ K W. zva. UI LLI gt;HI/j\\ 1. UI \'LU (Hl (Ut UI II l\\ ZVd.

(ei (Ui rLifjs

Cl O

(u^l (Hif \\ kw . zva. ijj^aoiw

ujji hi (injj\\K.yf. zva. un ij (un un{j lii uj tuijj \\

-gt; . o

UI (l LI \\ Zie UI (LUI (Lil w

aCY \'

UI (LLI \\ KN.

o CY

ijri(in(LLi\\ volharden , aanhouden , hr.

r-

met werken, met zien.

(tgjii\'ri uvjf\\\\Lyi. zva. (iJj\'Uiun/j\\

Ly^\'jHihjWLW. zva. (Ui tli q \\

ia .lli ij (ia ij (LLi \\ zio ui lu \\

ij ujjj * ilt;ii *gt;gt; n kw . zva. (ui (U) \\\\

o

uj^unfj kw. zva, ij (ui 2 ij m 2 (unjj tui 1 li q \\

ia iLLi lt;isn/j Ar. Sj J gt; kn. bloedprijs, d. i. de boetegt; die voor een manslag of verwonding volg. het Molt-

regt betaald moet worden {vrg. (Snrn). — (Lm m

Ca./ 6-

LL? (Ln/j\\ met een bloedprijs beboeten.

lUj/jtHns kw. zva. ni ^ .unjj aSdJu^w {Skr. dj aid,

haarvlecht, verward haar).

ui (LLl lii\\ ook wel (UiiLii^i\\ kw. zva. ijunn 1^ uiy en ri^ uj ij un {Skr. dajiid, een vrouw).

quot;gt; OO O quot;) in

(KI UI (LU (ISII \\ (ia (LU föLlK \\ en UI LU ^ (HJ (UI iLII \\ uc

Vorstin.

o o

(U)jj (Ln un \\ zva. uc a^ij un \\\\

zie I

ij tui i j LLi 2 i-yj kn. naam van een afgodsbeeld van de Chinezen {Spaansch dios, goa). iUh^hihlii ij


-ocr page 453-

» 373

n

si\' i:

1 i

IVH } I f I riJ) irlt; \\ k.

h o It

■\'\'Kir £ 1

■ :i l\'l I

\' li I |P li

lil

11 i

I i

I

11

i 11

m. Ir

;

I

. mi ? m

li Ir

f

. I

S I

I

i

[■ j

:||| \\ ib

1 ■

»,|/.l7n poet., heil (wederzijds toegewensclit Iieil) zamen deelen , spreekwijs voor van elkander at-seheid nemen; ook n gt; i n i \\ \\ Waj. II, 8.5, en 0ui; i gt; Waj. I, 133. — i:i tij ! iels deelen,

verdoelen of uitdeelen. aolt;iy»rtn of \' en

o 7 n n

r.i .i | na 11/j n pass., oo/c van in ra v t/js uia.r^ y ia

mi tui n5nj)\\ in vieren verdeeld worden. »ƒ/»?

ijnnijnii* met zijn tweeën deelen. mjan riijis te

doelen, deelbaar. — eon deel 0/aandeel

van iets geven aan, iemand iets toedeelen. i.nxr^

bedeeld worden, een deel of aandeel van

iets krijgen; in iets doelen.— inar^^yyoi^ ofnm

}n firyi io}\\ iets toedeelen of uitdeden. —

Mi,ij of i v(i^r i!Nyi\\ de^l {vrg. a/r^iEi hyj). ti\'J0 oen

dool; {oo/c voor oen derdedeel, R.). ij rt?nnft m/j

twee doelen; (twee derdon, R.). —(1^ tjrianjfs

gedeelte, dat iemand krijgt; wat te doelen is ,

deelsom. — (in inxanj^s het doelen , enz. — ivt

1 1 • ). O O ) (-gt; 3.,

ia } i/)\\ veracelinü:. m m 1\'\' \' \' zva. ui m » •/ itijji

(O) b oi) O (u 7

J. N. — /f-?iets verdoelen , lt;76^. van werkzaamheden. — iu iniemand een aandeel geven van iets\\ iemand iets tot aandeel geven.— njiinriinii doel, aandeel, iemands aandeel, ook

(si O \'

onderling verdoelen, W. I, 40, ti/n nahif .ijiac}0 Tn rj.uuLU eld. Ib. 93; ui rn i^jj i vrg. r.ij gt; (un (mji\\

*1 ia 1 uijj of irri tjnnrn/jsK^. naald. Vrg. (ie:quot;rj^ rij^\\ — i 1 ij i:id cyjs naaijen , met do naald werken, in \'1101 ri lii 11(10 2 uyjs iets door nasporing zoeken nit te vorsehen. — r:iijia?£i\\ hjh ïjun f ijiun of iun rjtHjiij int 2 n naaijen 5 iets naaijen, mot de

tj ia ijtLiiz.hjyjs spr. voor stokstijf zitten zonder iets te doen.

i^nKK. zva. wMiw (S/er, dkwusta, weggevaagd, vernield).

... o

lüjj mi^n^ en •• zie bij (to M ni w

xyyriiah^ zie m ujjj 011 \\ bij w ujjjw 1,1 in\\kw. zvu. cunur^ rvyjv

KN. IIoll. duim, een maat\\ en duim, daar een hengsel van een deur aan hangt.

nyip ,i v(ic^(ijjin kN. verdeeling. (u^ n n/j of } verdeelen , in hei algemeen. \\ n tui f i f ifjo/ i n !}f) iuj f t/j\\ hetz. met bepaald voorwerp. — \' \'f )J}s iets zamen deelen, onder elkander verdeelen. aii

■) ) hl .! I -ïil HKtuun^

naald bewerken, door naayen maken,een naaister • of kleermaker.— Qrj(im tamp;trj\\ iets laten naaijen, te naaijen geven. — ij (im rj 2^1 anjj^ het genaaide ; naaiwerk; naad ; ook naam van een grassoort. aji i ) ij m 2 (Eti/i\\ liet naaijen. — (ui rj kiïw/j ^

1. voor (Cl ij (ia 2 (t. 11 of (li ti gt;1 ui 2 f i/j in 1 n i\'n oji ij ij(ip2ifjjjjs zv(t. mi ikw 2. kompas, kompasnaald.—

(ui ij 102 fjianji\\ kompasdoof , kompas;/^, leidsman.

Sa 00

ui ■: 1 \\ K w. zva. vn n m gt; \\ nn in \\ tui ui \\ n i- i w/j en ^ \' O.J l- —

ij ini2ii ui2 {Skr. adama, iaag, slecht, verachtelijk. Vrg. i.iji im axt f i). — icifKKijjs zvp. ajrj^ rij i i

) , . O . ) -) quot;) O , .

(HijiSs ui ui .• ;(in/j\\KX. zva. uiuui i iumuii f i\\ oj un

O •

1:1 ijr ii f 1 ij in ^11 f 1 (uifj \\ — 111 (Ui ■\' 1 ui (Ui n KN. ongeveer zva. nrjoi^s iemand, zooals een kindgt; in alles

believen en toegeven; vertroetelen, uuujfoiiin cis

o o

pass. ui uj f i ui ! 1 *1 zva\' \'y Fj1 1(111 7t:}l

i i ,/ƒ ,1 ly als een eigen kind vertroeteld worden. Rh. iUi fi \\ kn. stoppel, stoppels, van rijst en andere granen , wat na het snijden op het veld blijft staan. 0 ij ii 12 hu \\ de peesachtige vezelen van de nangka, waartnsschen hot eetbare gedeelte de mi f.i zit; un ui nn 1 ?i oj^/j kleur v. e. paard: muisvaal. —,10 tj ruuifj\\ in stoppels; stoppelveld; pndistroo, overgebleven spoor van pad!; fig., ook verworven reputatie fl/quot; verdiensten , WW. Vrg. u i un,111/j\\— in

ij nan\'j of ui ij ihnmij\\ een iluitje van een padi-

y

halm, daar de kinders mee spelen; ook ui ij ui hj m/j en dit bovendien spelen op do ka ij it i injj \\ ui fp KN.; in hi fi\\ blazen, met den mond of door een roer of pijpje; in of op inblazen; iets wegblazen {Skr. da blazend, blazer). — imyi ij -r»? (u\\\\ mv.; blazen op of togen , vwwr aanblazen.

) O , ) quot;gt; ) o

ui if.u KW. zva. /loia.xD mi/j i.irnsi^ en iiuii-i (toen,

wanneer, ten tijde. G.). tumui / /nkn. J. zva.

quot;gt; ■ O O )

ui hii jw ijh 112 u poet. zva. ij i nt 111.1 ij ■ ij upw

2. ia (Ui 13^1 tui^ \\ of enkel ui ,lt;1 \\kn. God is getuige! bij God! 3. i.jVj.ww gebr. (in n icuii^ A.S.

ï t O o . ) -)

zva. iri (M i 11 i zie i\'ii f ?\\\\

ii? ij in verk. v. taijnijiy Men. ^ ij ui ij iuj w

ij ia \'Ui \\ r.ri ui i(n,j0 t iun i0 *t ga mij goed of kwaad.

— \'t is me alles wol! ZG. IX , 337.

zva. (icji ij (Ui ? ^ \\ k n ., bij ij ia 2 q \\

O

,»n rj f i s \\ zie ti ui gt; \\\\

dCj ij (U12zie bij tj ial^ \\n

til ij 1amp;1 iHijj en i?i ij 11 ij \'• j zie hij rj n ij ui \\\\

i\' f

\' dM

-ocr page 454-

to 7J iBA I tnjjS

quot;rrw

\' I?) ij ibii an y en ui ^ lt;£gt; zrjthj s zie bij tjiui ijmjiw in /lian hn/j\\ ongehr.; n/n on iiJ uj kjiy i, n \\ kn. genoegen veroorzaken; aangenaam ,bevallig(mwatm//. van in 11 ij ^ ioestdsw. v. in yj \\ en dit zva. (li i.j \\

i:quot;r

(Ll I . j \\

R. welligt een verrhaSiering van (tnianrt) obKH^vj

ij mi \\ zie bij iin ijltHTjjs

. o . 1

l.l/INKW. zva. IL/IIJIW KN. , UKtUfl/I^NN. , iio ƒ lt;• K.,

lamp, ook fig. o. a. H. T. I)j. 137. (in .n wans n. , m 11(ijj n I foiq k. zva. n/nh in (Uhnjjs het maanlicht, naam van een gedicht, dat de geschiedenis behelst van een held van dien naam; ook (ui o (Ui rvi arijj\\ kn. naam van een visch. m li duizend lichten, tfoorillnminatie. m (ti n on hli \\ kn. , hars. ,tn w .u n i f ijj en in li n i

\'1 \' L - quot;gt; 0 ^

nian^ zie bij hl rui (Lju^s en ru rhi (htjj\\ — m ui li \\ in ia n i j\\licht ontsteken. — n/ii hp (Li sals een licht zijn. n/nim n\'-ns n/n^n ti i^i/h\\ iets vim een

lump voorzien; met een lamp bij- ot voorlichten. —

o

ic) if i (Ei\\ en uj (Ei tti; \\ kw. zva. (fa \'lT^N \'\'/ \'f7

n s ^ / , c)

i.srx en rn f irnj^fjw in in l i njfi/j N., iin nn n i j urn nn/j k . {ook iin iui ili (in na m .gt; WW. van een lamp voorzien , door een lamp verlicht. — tui in /Bi ni iL\'jj een lamp of lichttoestel , zooals in een

moskee.

ct ry

fin (L i nKN. maar stilletjes zijn gang gaan zonder zich

aan iets te storen bv. vermaningen (Tj.). Vrg. an (ici ij[ L^drj is: 2 cm/i of (in ij {iL^i ij ifKicm/jzie bij ij (int *1 IK 2 myi \\

(uifamp;iiHVjl of tui ii(Hrijj\\K\\v. zva. inrKrin iojjjs (irnjjs nndKen !Ky:ni\\\\ kn. naam van een af-deeling in het Samarangsche, oudiijds de hoofdplaats va7i het rijk. — Mikp iKun/j of rm in (D lunfj en (iw m ttji hii^n KN. zva. r ri in ini mij} met de handen of klaauwen grijpen, vatten, {vrg. mnn wjl en

tin rj la iw/j en na tj m 2 mi,j kn.; t n jlt;! tj l i h n fj en

cv a

tun an yiamp;i t h njj \\ zva. i n tj l i ». \\

O quot; -O

in rj(efi2».zie (in tj li i. n^ \\

O O • 7 •• ^

lt;io Lntniji^ zie bij m (Ei tnij}\'

iUUEoin)^ kn. een zwavelstok {vrg. yjuit i^ ivu mi j). Een zwavelstok gebruiken de dieven op Java in plaats van een dievenlantaarntjegt; WR. (Rh. kent alloe^L pijltjes met zwavel besmeerd en van een lontje voorzien waarmee kwaadwilligen alang-alang daken in brand schieten),

xcj (L j h iik w. zva. i ?) (Hi ^ n n/n an tut asn /j \\ nr^ inii ij mi an if^\\ azn i^it en volg. G. cmvuofnjj {vrij. nn mij)), kn. een zachte tik, tip, aanraking of drnk met den top van den vinger o fiets dergelijks {vrg. (in Lum/j). ini ujari^\'E^ ini^ een tik krijgen, voor betigtigd worden. \' i w ; j mi/j^ een tip of vlek met een vingertop en een weinig inkt of sirilispog op het papier, in plaats van zegel of handt cc lening , van menschen, die niet schrijven kunnen of geen zegel {i gt;) (U j) hebben. — .inin\'f^mij aanraken , likken , etiz als boven ; betigtigen. -inilt;uj lym j\\ bij ongeluk ergens eventjes aanraken. — am tri \'Liini tj i,n\\ met iets even aanraken; iets

doen aanraken.

o o

lUI LI Ij KIJ\\ ZVa. (UI Ij } I Ij I.JW

icj l i il i/j\' zie bij icj (l ijj

(icj (Li (V,uji\\ zie bij xaiHiijs

(ui \'Li ii zie oii rj tits en eni d i an/j\\

,iy /Ei rin/j\' kn. i i0\\ een ziertje, een beetje, Men,

ia nirbi\\ ben. van een buitengewoon groot wildzwijn.

o o

iui rj (LjI ^i \\ zie aa rj njiw

(id f i -jin ijjs kn. bindstof, leem, cement {vrg. dnd i -j

JU/j).

hi li^h kn.; a/ntn(£i?ï vlak tegen iets,zooals een

wand of deur, aanstaan of aan gaan staan.

(icjj f i lvisKW. zva. ij la rn m (Uj(^(infj\\ zie bij (ic^(Lijj-

) O J, O • /

xa i j am \\ of ^ ini \\ zie hij ncj^ nn \\\\

(in il i Yïi n quot;/ in \'Ei erh \\ zie bij uiahw

rjantEj {dómbo) kn. een baas, in den zin van een

groote, van sommige voorwerpeny zooals een koek

of pannekoek. WWR. töi ncj. vy? ^ ^ een schaap

{Pers. domb a). — in ij uii tnajj\\ over iets als

baas of eerste persoon in rang het beheer voeren;

WWR. {iemand sterk maken, magt verleenen, tot

baas aanstellen; en zva. am (la n Qfnanw ook kw.

r o \' K a

iemand ongemerkt, ongezien, volgen. G.). vol).

Rh zva. in tu /.7/ \\ zien, hoe iemand het maakt \'lt;U

of hoe het er mee is.

if tn 2 i^ijij \' •{\' of ij ui 2 lEyi ij r.ii gt; \\ zie ij ui i if arn\\\\ in (Èi \\ kn. ben. van een n i n s if in 1.1 dorps- of gemeentehoofd, die het burgerlijk bestuur heeft over cenige dorpen, die ieder door een ondergeschikt hoofd {i ii /.ii n in in) bestuurd worden. Een onder is de in i\'i rnof nn ri ij nlins politic

-ocr page 455-

c ; » (Ui ramp;h v

o

375

dëmang. ^ ^ huofdplaais heeft men eenige

beambten mei den titel van dëmang, hv.

.ui\\ {zie (nïj tu). Een dïmany heeft den rang van

} gt;,,?/]\\ of a ii (ki if\'i j.}\\ als dëinang

viü \' CJ (1 r—

beheeren. — ihniit .ri r:} m/j^ dëmangschap, het

ambt ö/gebied van een demang; oo/c demangswo-niiig. — \' h Hf f i i ) tj iets onder liet beheer van een demang stellen , door een demang laten heli ceren.

icif\'n kn. /i/n. v. e. muziekinstrument, bestaande int (jrooie slaven van mei aal, een groot e ai ^ ■ n ? iKi/jw 1) \'l \' \' \'P nm\' V\' c\' bijzondere zangwijze.

icj i\'j \\ kn. naam van een zwarte, {vergiftige ww.) slang.

) , ) ÏCÏ

m ui/j grondvorm van iwi rin/j en ui icimi/j^

)

tn rns k\\v. zva. djum iiyjs luu mda/j en i.^r i\'iiq

. )

— am m m\\ zva. 11 irm n in\\ f nm ■ia/]\\ d w rm /.-s / rh (i

S O

hii/j en i /7 »ƒ 7J i /»/n oj (i nif.mi /— hjiihi m

zva. a a f i » /77»»if) enz. — dfi m no kn. het voeten-rt \' - \'

einde van een bed, doodkist of graf, en van een liggend mensch. — i n ui rn m/f of i n m ta ni i}fi^\\ aan het voeteneinde van een grat (van een heilige of van één van de voorouders) gaan slapen of zitten.

ic^ rn\\ n., ry »77 K., gedachte, wat door it\'wrtwrf gedacht wordt {vrg. inrris aji iXi\\ en uiihimi). an in\\ is ook k. van ^ri ^ri iii/i\' en in de spreektaal zva. icj f h \'7M\\\\ i(j rn n., rti igt;^ m / MD., naar

mijn gedachte, tv gt;rv rcj m (iJtrj n u ani of i-i

K r t ï 3\' ï

i^nm ujin in m ^yfiiwms oj ook n ij» in i.i

i.j ii)\\ niet oordeel weten te handelen, un ki i iai(^ni\\ of ly n iniy zonder nadenken, onnadenkend, ligt/innig, — tq iir^ rn icj^ nl\\ nadenken, gebruik van zijn oordeel om de maat \\ tc honden en niet te ver te gaan; \'bescheidenheid, bv in zijn eischen of begeerten; men zou denken, ook ncj 77)\\kn. peillood of dieplood, en naam van een zeker ijzeren timmermansgereedschap. nsn m iJ zonder zijn oordeel te gebruiken, zonder omzigtigheid , zonder mate. 177 ij m t0 u/^juini\\ met omzigtigheid en inachtneming van de matig heid. — 1 ii y t ni\\ 1. kn. de diepte van een water peilen. 2. n., i k., fig. iets met zijn ge-(1 achten peilen, doorgronden, bevroeden, begrijpen; denken; iets met zijn gedachten nagaan , een gissing maken omtrent, iets gissen bv. hoe lang of

kort iets duren zal\\ ook 1 11 fiadr^ m mi iviin ir^

7?»n\\ iets met nadenken ö/* met mate doen. (lui ki

iii K.. ook wel zva. finrj ms of K. van Ky ij rn^

— 1 n hi rndci, rn 1 mh/i rii ui ni\\ nadenken , en h ll (1 f

iets met oordeel of mate doen, er niet te ver mee gaan, matigen. — (l/7ui m njiinrrn subsi. den.

ii j(hn cru i.n \\ naar mijn gedachte.— in t i rn k.

^ ) ; ) O

van 111^ injj\\ i ij fiini^ en ibiihiiHi/j — nni

ay rn\\ i.n irj in Jhvh. t. dj. 81 denken; begrypen , b. t. Dj. 42, in staat zijn, ib. 44. bereid om iets te doen of te ondergaan-, voldaan, tevreden; voldaanheid, tevredenheid, welgevallen; in zijn schik

iemand voldoe

zijn.

1 /.y\\ 11 icj ijan i:j\\

ning verschaffen, pleizier doen , verheugen. — ■».»lt; (1(^*1 111 iHi/)\\K. van i,n 1 ij, 1 ij rn h)/igt; — mi in )f .111 1,77 ^11 it n hi/) of 1 11 pi yj rj fii »lt; 11 ./7» iai mjj \\ k. van

TT™V

O

in rn\\ zie icj ni\\

(Ui rn na/1 zie bij 10 rn w

a} niinn\\ ook en eig. xciiji n^ iinq kn. een halfrijpe kokosnoot, Juist van pas om het vocht er van te drinken {van ia n]rni/i\\ zva. 111*1* frrg. ï ii?n\\ en hïri\'i). rnnrj:^ in Tj. rj 1» ïl ïiï 11 uip het water of vocht van de kokosnoot, klapperwater; vrg.

-gt; .0 7 • • 1

.10 nj i;j - zie 1111,1 nj /y \\ oij .m iciw

1.1 min

£~

zie ui i.n 111 w

1x1 rn riinn/i zie bij unici \'in/j\\

-gt; . o

(in m zie ,ui kii^-tiw

(ia ni n 1 /js kn. {eig. len halve); nog wat ruw, niet genoeg beschaafd, nog niet zooals \'t moet wezen, in een figuurlijken zin ongeveer zva. ün ri^\\ of 111 i\'n i\'i^ rid.i/^ — 1x1 fit iu inp^ op een nog niet genoeg beschnalde wijze; nog wat onbeschaafd van aard. Vrg. 101 O

11111 ifi\\

i

an ni J\\ k w. zva. » ij »v^ r 1 w/j

1 \' . Lgt;

iUi rnji \\ zie na iijjj w

xr^ nini^\\ zva. tvy 111111 ]\\

nn rii kn. in kr\'am\'a dikwijls nrr^ m handel, vooral kleinhandel, koopmanschap; handel doen, handelen; in iets handel doen; kw. zva. ui inp m/j {vrg. ia m), rj iii in 111 \\ handelaar, koopman, nii.r^ui ni\\ handelsbedrijf, iii ri ia^ lt;ia rh \\ handel, koopmanschap doen, van den koojdiandel leven, \'yw (\' H


-ocr page 456-

na (iry aiijj\\

(li) (Dl \\

376

tuli (isii) iacrn\\ koopvaardijschip. — tuntp 011 rfïn of (un i-nii crh (vi \\ pogingen doen om zich op te rigten of op de poten te hWjvcn, zooals van jonge kalvers en veulens \\ /Ach met moeite op de beenen houden, van een mensch, die dreigt te vallen. — an crh rirj hus voor iemand koophandel drijven. —^ * * ern\\ of tui a i crii •• kw. zva% w rm lujjsKN. flauw smaken, van versnaperingen. — a.ci rii r.i oa^ koopmanschap, koopmansgoederen, koopwaren; handel doen met. iv)wrina rrh it? koophandel drijven. — (L/iicicrri\\ factoor, zaakgelastigde van een kooj)-man. — wnn aii ni \'}oji\\ handelsmarkt.

(uicni\\ kn. vleesch van een mensch of dier {tot spijs toebereid vleesch wordt nii 17 im/j n. , uij 111 k., genoemd); ook het vleesch of vleeschige gedeelte van een vrucht.

r?/i rrn \\ (innrr^s zie nm (ici mi \\ andct gt;/ƒ bij n/niiciw (icj^cni kn. schop, met de voet vooruit {vrg. njinjiini^ Mnnrfn en ij ni oji ilt;nfj). m tui oil \\ zoo schoppen; iemand schoppen, een schop geven.

ftarrVnKN. halsstarig, eigenzinnig (yrg, nxir.ri ni/j). ax) i77i gt;\\ of (ianm asnjj Ar. ddhhahiy of ddbh at gt; heest, rijbeest.

ook wel kn. achterste; aars, aarsgat

{Ar. do eb0er. T\'rg. (kti riiasnjj).

r) (Ui t] t .11 wji of nywi ijnm 7Ji/j\\Kii. I. gehard, Tj. ook

plat voor lekker, mooi, WW.

nokn. — a/11 (inr.ti graszoden, aardplag-

gen met de patjoel losmaken, WW. vrg. mi im lufj

co en rii tui nm (tuijj \\

rjiicii ij.imz\'nj)ji\\ kn. doorbreken, stukbreken, zoodat

de inhoud\' aan de zijde of onder doorheen komt,

bv. van een mand, pak of dam; een uitzakking

van den aarsdarm (of uterus ZG. 1868,) hebben of

krijgen. {Vrg. ij r.tn n ifj en ik ij vntiii/j). rqicuri

7] r.ii \'eii^\\ een verwensching, ook wel tjumrf irm

ru/js ttjjj (ui Mn0 Tj. een eed of vloek, ik mag

een verzakking krijgen van de endeldarm, bv. als

dit of dat waar is.

r) nat ij r 1? \\ of if ui ?tj irii kn. , 1 n ij in tiji.ri \\ (tni

iiyii foijj tj i:n \\ i m vjant rj rn j \\ ofun ij nn ?. 1 i/j rj i .ii ^ \\

dik en naar beneden omgebogen, van de onderlip;

zulk een lip zetten.

llcllV llV^ Zva\' \'fj w2 ^ i NN z^e Tiw? ijr-riw

nrjl 1 n iu{\\ of (ujjnrfi rrt lt; \\ en 1:/7 tuitirn\\ zie 1:11 lt;j

nm vutun w (ui 177) mi/j\\ zie aaam nm/js

(ioi7|?(nifj\\ kn. dik, opgezet, van het aangezigt; eigen, zinnig, koppig, G. ongevoelig, onverschillig, ongehoorzaam, Rh. {vrg. mh rn n i/j en nunjp ciiiy). (ïo.itt? (rn/)\\ kn. , im (Hi-iw cnio\\ een klein kind het eten

f •, \' C\'ÏJ \'\'. - \'

met den vinger of den duim in den mond stoppen

{vrg. nj rü),

) - O O . Q quot;)

iKjunoii/j oj r.y (nyjy zva. rr^nji (rnjj en i

nn^ WW.

ij,ici tj(LTTi (rnfj\\ kn. 1. veel en digt op een, bv. van pokken oj zweren en van lappen op een kleed; 2. ook ZVa. Ij (VAl IEjI/j trj 07 (Ytl j\\

dfjl ij .i7|7i?\\ een plat woord voor i ni/ii\\ of il rï

et n et C )

kw. zva. ru) ut s rtt 1:1 ihnn en am

(ui 1 iu rn an fj \\ nn irr» ti^ on fj \\ de mazelen

en rn anijj \\ kw. zva. lt;ui ^ am an dsn fj ^ asii (Ei - bij uitstek, uitstekend, t\'» met bui ten gem ec-ne magt begaafd (Skr. diwja, goddelijk, schoon,

verrukkelijk). — oji (ui arrjjj \\ zie ben. — (Kiiaanjj

o ( )

anjj \\ zva. mi a ut gt; am (Uifj en u n a-i tj ini mfj \\

(Ui i7m (mjjs kn. , xcuu.ri (Yiijj\\ tp. , mazelen {org. cmw

(Yïl/l). -

hebben.

. )

im,3r

L quot;)

(Uiijarmcni fj - crmci tja.m (rrifj\\

ajan im ann\\ kn. een omwentelende beweging maken. — adi rjoxiam mifj of ni rlt; a.a rn (rn/j\\ het omwentelen of omkantelen, bv. von een plank, het geheel openslaan, bv. van\' een deur \\ het zich omwentelen van den rug op den buik, o/van den buik op den rug. — iv ty (w am nrri/js omwentelen, omkantelen, zich omwentelen.

iici imisnaiA Ïiis Ar. . ^ het beest der aarde,

co l\' (w. WJ\' •

een beest dat volgens de Mohammedanen op den

jong sten dag verschijnen zal {vrg. an am ;).

o . ... o (U^ am ■ en tunanim ii\\ zte bij lundf^w

rjtmrjamy kn. een groote mand, enz. WW.

(thy i, grondv. aoinxi kn. , nm ap KOJj\' ki., rijst

koken in een aa^ tm an ^ianfj, die men in een m y

doet {vrg. rT/ niamjj). ini(iimnxi\\kenkenhout, brand-

bout {vrg. ajajmrjami). a^nyuis zie bijatytj \' ij

ijiuidcis zie bij rj ui \\\\ rj amahs zie bij 11 gt; gt;j • —

ifnatis njn fat rnntift\' iets iu een aciaii koken.— fo \'

nnahs koperen ketel o/aarden pot, waarin de rijst

in een uy uri on^ianfj gekookt wordt. — i;//;quot;

O . - . Q ;n

a n (innTi anjj oj rn am anfj\\ en am ap ini ki j iquot;

dv\' ui ut gekookt, nvt ah (fm tui 1:1 tn/j of unui \'i i\'\'J


-ocr page 457-

Qv a

iw nn Mn/j\\

m

(in (vr^\\

wat in een lt;ui rip gekookt wordt; kooksel; en zoo ook dhnw/p al3 een hoeveelheid rijst {volg. SG. drie rrini nnjj) maïs, katjang of JcedMc, van zeven tot tien kati. Zóo aiJinh w (hi^ rj ni 2 nh cci wjj gt; enz. (iti iKKi/j is ook naam van een slingergewas met welriekende witte bloemen. — njixas ofae^n^ iu ah en ti~n ap (Hnjj\\ rijstkookster of rijst-koker. n i (ui(ia\\ de tijd die tol het koken van rijst in een (iciiui vereiseht wordt.

II. ut (n d a n g) of (im op \\ zva. ia ki j of i n ui w,] kw. d. i. zva. Kjcru\\\\

lt;100\\ 1. kn. de stengel van de aren-bloem, daar het sap uit getapt wordt. 2. kw. zva. ih nn vt ihn/j of 3. k. van — (im u) vi \\ ki.

zie \'iw fj 101 ? \\

in :i7j \\ zie tj (in 2 m w

rj(ia 211 \\ ook wel ij 0x12 (in {d6 a) en .in c;\\KN. gebed, een gebed {Ar. \'7 w 2 av }ni nrj iit 2 het

zegengebed bij de inhuldiging van een Vorst. —

tun rj tui i rt \\ bidden, am dn »; ia 21.1 bidden, smee-

1 r- r- \'

ken, in een onhep aalden zin. nm rj u 12 r:t hj \\ over iets een gebed uitspreken ; iemand door een formuliergebed of too vergebed bezweren. — am tj irj hi 2 dj) iw») ~jn ijiun \\ voor iemand bidden of iets afbidden, iemand iets toebidden. — ajvj chi2 r.} ^ gebed ; bede; heilbede , in den zin van groete van een oudere aan een jongere.

turinon/js i. zva. dh rt(Hi^\\ zie a.h\\\\ 2. kw. zva. 011 inw KN, zva. 13»; a.ian anji in de beteckcnis van rn quot;n an n\\zoo als de stok van een bezem of zonnescherm, een pennehowfax, enz., doch niet veel in gebruik. io 1.) ijnKHifi zva. do f77 \'Y) n-nji\\

O -)

m 11 ij n en int 1.1 a:n tj -ikhi^ kn. een uitdrukking

van bevreemding-, het bevreemdt mij; \'t is vreemd \' bv.

tegen iemand die een ander in langen niet bezocht

heeft en nu in eens aanhoudt.

w if i t2 tnyjs even als an ^ u n hii/j\\ in de spreektaal

zva. tin i^win ij a:i 2 vj in 2(HVjjs zie beneden.

o

(Ujj \\:\\ ini/jgt; kw.zva. [a.^ t(HTjjsKN. een meid v. den minderen stand, WW. - njn mi i?i kh/jmx. e. maagd (Tj.) Rh.

10 kh n kw. ; a./n al) un \\ zva. 1 m an a o \\n (?) o ^ \'

zva. axymrs

w nn in kw. verheffen, an uj ini in \\ verheven.

G) amp; a {

quot;o ij mi i%n/j kn. ; a n m tj mi ini/j\\ in het gaan bij eiken

stap naar de eéne zijde achterover buigen ; iets achterover buigen; iets, dat krom is, regt buigen door het achterover te trekken {vrg. nn ij ini en ifny rj kïi mi/j).

axïiini\'kiiji\\kn. beloerder, bespieder, belager {vrg. aJi ru mi/j). M ini yt ini mi/js gebukt en laugziiflm gaan, om zijn prooi te naderen ; volg. Rh. bedektelijk en voorzigtig zijn prooi naderen. — 1 11 ihi ini ini/j\\ op de loer liggen of gaan zitten, zooals een kat of tijger of jager , om een prooi te vangen.

rjahrj htianyi kn. aiJTl pijn in de zijde (Rh. 111 nin.r\'iiii\'inia,!! y) ; ook zva. ij aïn ij mi 1,11^ 2. WW. an hu OjIfj ■ kw. zva. ijiihirn ongeveer, a n innnyi a y .i?y ni/j\\kn. zva. rj (E,i % hn anfl G. — mn y i »• »1 ojia \\ kort op handen, digt bij zijn, niet lang meer duren, WW. komen tot, bereiken, ij lt;u fiun tjïiint ajin\\ bijna gekomen aan ; fig. ook er bij komen , vatten , begrijpen ; ook bereikende {van een tijdperk) zva. gedurende {vrg. ij\\nn2 ij iu gt;). ^ ^a^ ium/j 3 maanden. —cwac^nnri oji anji uitdr, voor een oogenblik, WW.

(uiri uii .lii\\ kn. op één zij achterover gebogen, WW. iin ij ini kn. een naar binnen gebogen rug. — a n an ifini\\ een in liet midden ingedoken rug hebben; ook bv. v. d. zadelrug v. e. paard.

all an anin ij in 2 i )/f zva. axi in anjj^ (id rj an2(i.i/j\\

cO lO • .quot;) cO a n tn n zze axi axi w

a* o* . ^ n*

axi an \\ kw. zva. au ui i.iai i\\ 00/\' zva. an aii\\

o

(in aigt;n n kw. zva. axn 1 uw

of xqaxj^KW. zva. ij axn 2 rj (in 2 asn/J en mans (vervolgen. G.). — ({,i(inan\\ zva. y^f iirjiazajii/j en axn tri ui (jagt op iets maken, vervolgen. G.). lt;f i y 1111 \'fut vh k»v behalven die twee.

axi aJi ui.an a zva. nci anon y 2. Cl\'.

axi ot^ mji kn. stug {vrg. i ja ja i/j).

axj 171 a^iji \\ kw . zva. vi ,t,ii ihjj/j \\

,Lnanrt i/j\\ kn, , axn a/iaiui/is een korte, opgetrokkene f \' gt; l 1 i bovenlip hebben; te kort, te krap, hv. v. e. buis.

^iio?f7ïi?.\'M^\\KN. een vooruitstekende bovenlip lieb-

ben. Vrg. acj inan/j en ij axi 2 aj nji n\\

in in ojiji \\ zva. iir.i(iji/j\\ hijgen, snakken, ook fig.

naar eten van honger.

axi in 1.11 verkorting van am an 1:1 1 uqw

ij axi 211 in v kn. een verdicht verhaal, fabel. — a/n ij

rj nigrj(eh\\ een fabel vertellen.— a n rj in2 ij i\'i in\\

iemand een fabel of fabels vertellen.


-ocr page 458-

n ia 2 rj r.i i \\

n

hti 4 \\

tf in 2 tj n i \\ kn ,, i /»trj tin i rj »rj ? n met verwondering aanstaren {vrg. ui l i in) ook wel verh. met iimn -r) if jjjs tirrr; ïtïnkn. ; :i/n niriri\\ staan te kijken; naar iets kijken; aankijken. (Fry. 11 rj m inijjen ij un ij rit). — im(ia n inuins ontdekt, bekend worden ; openbaar {zva. ij un f (üj in m/js vrg. ixi n ri).

iu» I I i i unji i i n in ilt;\'nQ\\ zva. ui i i hii/js

axi in ri hit/jsKH. verwonderd opzien {vrg. i i ij n i) n

) ■gt; O* o .

i ii/j en i i n i } iin/j\\ utiijiiiut n ii i.n/j met

verwondering opkijken of om zich heen zien, van velen. — ui-n i i i^ij m/j of ni r? ini inq\\ met verwondering staon te kijken of om zieh lieen te zien.

ia ij i i ij n igt;ii^\\ zie is n ij n i% n fj hij i lt; ij i i i.n^s )

(UI Ij II? gt;) II f UHiJ Zie IJ lrlt; f rj 1 1 ? ,1 lei ii ii ks. ontdekt, openbaar, bekend {vrg. nn,ici n mi w/j bij ia ii i7i).

.isn n

(kii\\ i. kn. een redewoordje gt; dat ah toeroep een levendige uitdrukking van een verlangen of begee rie is, ook van dat verlangen, dat door een vraag wordt uitgedrukt, om namelijk een antwoord , of wel toestemming, te krijgen Men kun het veelal vertalen door toe! toeb ! kom! of zeg ! soms ook door een achtergevoegd he? {zie de Gramm.).

II. poet. , als aanhechtsel, bezltt. vrnw. van de tweede \'persoon zva. iii-ii een verkorting van ifii i n -n 3. bv. i.n tij hii \\ i \\ /.n dn mi \\ (ui u i f

i ii n\\ Jls het naamwoord met een klinker eindigt, dan wordt deze met neusklank, en dus met een n, uitgesproken \\ bv. 1 ^ ^ quot; (PJ. passim n i. u m) n ri/fii in rr^ans Ook wordt het, even als iii-n\\ als bezitt. vrmo. van de derde persoon gebruikt: bv. i(ii i i ui Ki t^-ic- zva. hii win ■ gt; i ki i\\- v\'\\\\ O h a 3 l

quot;» , . O TT n O d ,,

n^ns kw. 1. zie in dsn \\ 11. — z. zva. minHiiw — o. 1 /\' i \'x s O O quot;) . ■)

(IjIi \' {nil) of d/ii §{1 n zva. iviqs zie hjii ij ja i. ujjs

s /. ) ■)

.iw^ iik en i ii i n kw. zva. of isii f icm^

i ii^ zva. iirr^i i^s of t in un\\ {Een ander n rii\\ zie beneden. G.).

if.vnisKW. zva. ij ia if (ia \\ en zva. ivii w ui\' 1. kw. Ml. zva. ihiis I. {ook zva. (imar^jsG.). %. kn. zva. (Itwmmjjn hi een vraag, zooals in ii

i,v { ij i n ? n \\ goed of niet ? d ii am ^ an j rj m gt; jQ ia/l\\ ja of neen? Zoo ook in i/n hji isn^vn tui\\ het . ééne of andere.

(1311 gt;\\kw. zva. (t?iiJi(hf^uigt;\\ {vrg. (Lgt;ii\\ \\. 0.).

iiiin^ of fm if mi {\\ 1. Ch. kn. thee. 2. kw.,^is»»

) , o -» ) . .

ij (in \' \\ kn. , zva. i i ip {vrg. in in ^ en dn »»). —

ii ii nn \'/in ij lai \\ iets duidelijk maken, duidelijk uiteenzetten , ophelderen ; van iets nan naauwkeui-jgc opgaaf doen ; naar de juistheid van iets zich informeren. — ij hi ii Lii ?njn ii iai\\ maken dat iets dui-delijk is; woorden duidelijk uitspreken.— aji ij in gt; i n ia/js het vertrek of de plaats, daar de bedienden de thee schenken, om die te presenteren: lt;i(! thee-kamer, theeservies; tliee (trek) pot, Tj. — ni m n ii irj m s \\ zie beneden.

if ingt; gt;\\kw. zva. i ii ip ii i jti ia n ijj (Men.) i i ij mi rn/j ^ % \\ afin ook (vin? VVS. Wangs.: n i^ ill mi \\ ui in a^iufi (Ki u i n of .ui i^ i.n ^ ij ij cm ik ik ij urn? \\ of i ii tj mi ^ n kn. i. moedervlek , zwarte vlek op de huid. — n w siq ii gt;\\ een roodachtige moedervlek. — 11. inzet bij een weddenschap , wat men verwedt of op het spel zet; weddenschap (vrg. ij rn i rj tn gt; {\\ en gt;ƒ i n ? *ii lai/j). ifhii?s) unrf um ^ of tun if ihiiz^ iets o|i het spel zetten, er aan wagen; bv. luunif {ofm ij in is) ik (IJl , i in uis iiyr^Fi\\ of .ty; het leven er aan wagen, op het spel zetten. — nrfiii?\'

iii en in poëzie ri iai^(uii\\ op iets wedden : op de hand van iemand of iets het houden bij een weddenschap; voor iemand iets {bv. zijn leven) op het spel zetten; ten beste geven voor, bv. zijne gebeden voor het behoud v. iems. leven, CS.— iyiai yyi.iii? un\\ op iets of iemand wat verwedden? — ■fi tj hii? j inr) in\\ iets verwedden of op het spel zetten. — niinit ij i n? gt;iii la/j weddenschap; met een ander of met elkander om iets wedden of spelen . 11 rf is» ? rf i5ti i gt; i ii da if of 11 if in gt; /f nn ? 11 in j zva. ii ii in i if ni ? qi/ii ia/f^ — nj} rf nsn i gt; n ii (injf^ ietsom er op te \\tedden. iKrf mt0\\ een wedhaan, WW. volg. Uh. een haan waar men op rekenen kan, dat hij winnen zal, zoodat men er op durft

te wedden, een beproefde wedhaan.

o . . ) ■) ri

mm kw. zva. i.n ri\\ in dn cuijf a^ajiiiis njuru

ui i in s\\ kn. schroom ; schromen ; te schromen heb-fl 1

ben; ook iemand zeer genegen zijn {vrg. n|


-ocr page 459-

n

(hi) im •\\

,ui j). (t. tjï w? rt ij nii asni/n list)n n ^ zonder eenigen schroom, vrijmoedig. — ojifóin/n^ zie ben. tii inn\\ n., (Siv.w k-gt; l /gt;nki., drek ; ook voor

roest {vry. ^gt;C^S en ,n\' n \' * eu jont5

) . v O o .) o kal je {vry. aJtvri). hn mi \\m \\ cniiirms zijn ge-

« t t/* q. \\ o ( quot;) o ..

voeg doen (J. rrg. arti rn nn/i). mii i n mi rui \\ ijzerroest. hiilt;iJrirri(U\\ hamerslag, afval van ijzer bij het smeden. lt;i,iinjti(tyr^ iu(tji.0)\\ bij ver/c. nnmii ui drek van de samp;wü slang, als geneesmiddel ge-brui lel. MiiiHi i,iirï\\ een lekkernij van gebraden katjang ijina mei suiker er omgebakken. nsu i n .lihi/n\\ smeerlapperij, vodderij, onbeduidende zaken. iKnnw r»! m i. njj gt; eig. uitwerpsel v. d. loewak; nl. de kollieboonen die dat dier onverteerd uitwerpt en door den inlander zeer gezocht zijn. tsnim rr^ ik\\ zaagsel, bti fin hi k hji\\ vogeldrek , wordt uit bijgeloovigheid door de dorpelingen de sirih-kalk (i n rm tenji) genoemd, omdat zij gelooven dal als men de sirihkalk bij den waren naam (» h i m hn/j)

noei/ii, deze zijn werking mist. — (Hiam in rins

lt;?gt;

roesten, verroesten, intun\\ ook drek uitwerpen, van beesten, en uj mi ook van menschen. uivii fii^hiijj\\ mi r.m (ti im als een hoopje vogeldrek , voor torensgewijs , van een gelegden knoop.

o 1 O \' quot;) .

— bin nig injjs iiuwifjui^s verroest, roestig. isniwjN 1. kw. Ml. weten (zva. m *^?) » iets weten te doen. 2 n. , mii ij mii v en gew. (hi ^ tsii\\K. niet vreemd zijn iets te doen, omdat men het vroeger wel eens of meer dan eens gedaan heeft, wel eens; meer dan eens; gewend ; ngt;1 «\'\' \'/ wel eens, in V Perfectum ; al er\'s.

vroeger wel aan gewend, ni/»? nuhiia.Tisrf im ivufj ij v,)i\\ niet gewend zijn, de gewoonte niet hebben; nooit, nimmer, i/ji ij w ij n im rj

\'/\'on nog nooit. 3. een lekkernij van kadëlé of katjang idjo meel als blanc manger stijf gekookt,

en met suiker gegeten. —aniiynnkn. zva. m n^w ) ^ \'\'\' , uiKjij ld , k , zich aan iets gewennen; iemand aan iets gewennen. — in rj mg imrj \'1 nu h n . ti rj /. ii \\ 7/1 ij hu iiyj rj ivh kii . n mi injj \\ zich

langzamerhand aan iets gewennen. — hu nnn (hurjasi)on/)\\ in iets te huis zijn bv. in bedrog. KNquot; tr(),»w, getrouw, getrouwheid {zva. ion wjs vrg. ny) ; ook i ij^ .i/7^ {of i )j ,o\\ Tj.) of i rj \' W naam van een nachtvogel, het mannetje v, d,

iisndm 379

Y i.iu nrui}/j\\ hijj.iTjiïui.\'ijnfus mijn opregte getrouwheid. ai i^ ) ^ \\ of i nsrji i y ij ij\\ in trouwe, wezenlijk, werkelijk j ernstig; zva, iznuLin of i )

O . O

(hjjjhdw ist^ i Ij (l I ) II -£•! • Zie i r^djl mi 7

ij\'i\'H2niets getrouw nakomen; zich bevestigen, bij de uitkomst blijken waar geweest te zijn , va/i woorden of gezegden {vrg. initin aj) Si). \'/

ij nit hi/] of xn r~r^7] eu inj]\\ trouw, bewaarheid, bevestigd, uitgekomen {erg. m)) n )] ini ijj m/js volgens O. ook kw. maal, keer) k/j i^ ij tv 2 7^\\ inderdaad, in deze bet. ook 111 rj i^ in/j\\ li. — Mrjj ij i n f hi/j en hij rj i 112 i.j in/j\\ ligtgeloovig. Zoo ook } 11 rj m 2 in ij it 712 i /j \\ spr. \'Mi rjj 1 ^ \\ ook wel gehoorzamen; naar iemand of iels Xxmxvw of luisteren {vrg. ij ntjo^jij kh ^7» ij hn\\ en (un rn lt;). (ia ijl »5^ tij pass. — iSi i^ if i \'n 2 in,}\\ gehoorzaam van aard.

ihi) i/n in fj \\ kn • iets kunnen uithouden, volhouden, verdragen , uitstaan of verduren ; tegen iets kunnen {vrg. 111 d) 2). un un (in/j ^ volharden. Verduren ; tegen-, op- o/1 bijeen-houden: iemand ergens houden , niet laten gaan; iets tegenhouden in zijn vaart; iets bijeenhouden , dat het niet uiteenvalt; iets vasthouden, dat het niet omvalt (^moni m/js kw . zie boven). m 171 ij i.n \\ maken , dat men iets volhouden; dulden of verduren kan; zich tegen iets verzetten om het te kunnen verduren ; zich bedwingen van iets te doen {vrg. m un ^ )j i i)).

iini.i/n(hi/i\\k\\v. \\. zva. hnijninjj^ 2. zva. i.najv^w — f ) c-quot;) (?) gt;

(in 111 uyj\\ zva. f ) i))\\ f i rn \'• »)./-» i nfj en

an rrn w

1L11 i/ijj isi/j\\ KN, jaar. 71 hiiayij in/j^ een jaar. —;»/m y m/f het tot een jaar maken, II. {liever een jaar gelijk; het lijkt wel een jaar; voor langdurig?) lang uitblijven , van iemand die uitgezonden is; WW. ook lang geleden zijn. G. {Zie ook mniin/js

4 N Q waar men leze: tp. zva. (L.))ajijinji). — rniun i^

7n\\ voor een kind een offerhande doen, als het CJ

een jaar oud is , en voor een doode een jaar na het overlijden. — ihn.iJijHjin^ bij jaren, jaren lang ; bij het jaar , jaarlijks.

.i 11 rj )7i2 ij 112 kn. 71 m. v. e. Chinesche toespijs v. kad\'êlé in tout, Rh.

) y r

iisn ij r7i?\\kw. zva. m,)) i n\\ It.

; quot;) \'Y O » y V

(isii 111 \\ kw. zva. 1 iyf^in i\\ en rj i n id ilij\\ .m i n\\


-ocr page 460-

}j asnzfïj i/n 2 \\

;}8()

tf nni (Hiji *

zva. ihn rviw

/ ^

rj nstt i rjtun i \\ kw. zva. cur^ r:in ni (inj .15^ \'i^w

o / ..../\'

(i,iiA/n(in\\ zie bij vntiaw

.bii(i/nnj)/j\\KVf. zva. (tJi vj) n en rj rui i i Knjjs G. volgens anderen zva. ihifini i/j (Tj) en v (iaj^

dsn n/n (mji kw . zva. ij un 2 iu ? w

o O .

ihn \'L/n ajijj kw. zva. mh n w

a.ikiin kn. 1. een gewigt van twee Spaansche matten , bij het wegen van goud en zilver \\ van twaalf en een halve duit, hij het wegen van opium; ongeveer een zestiende van een kati. 2.

fonnit yu/js veracht, versmaad worden, B.

mn { i?i lïu/j of itniouitu^ffs Ar. » KN- verheer

lijking van God. voornamelijk door het opzeggen van hei belijdenis-formulier 51) lt;x)J\\ J|, daar is geen god, dan Allah; ook een plegtige godsverheerlijking of lof bij feesten en bijzondere gelegenheden {vrg. asnirn\\ en (ta-Kn). — nn % tuirurj hii\\ voor iemand of iets een tahlilavond houden, — ivjii 9 ti Ktut ihn/i\\ te zamen een tahlil houden.

) O

tun n/n iijiji kw. zva. n im/iw

ihh j Jr. Aza/J (l « h a ddjoed), kn. gebed

in de nacht, gebed, dat men \'s nachts doet, als men ontwaakt.

(ISII71 (1.712 (ILH ^ \\ t.tl2 (Ijll M.

thii j a.h] ii,n^ Ar. {tafitjat), zegening, ver-

eerende begroeting; kn. benaming van een formuliergebed i dat na sommige ni ilt;mi iibi^js bij het doen van een gebed gepreveld wordt.

am(uni] 11112 r?i (A.S.) zie iL,ir)f lt;i ii?ni\\\\

O «. O T

lt;Lgt;ii(ijgjj\\ zie ojiklvis I.

(isii (tm rj (til ■ ook iblt rj (tui \\ kn. geel bruine af zetsels in het water of op vochtige plekken, gewoonlijk door ijzer verbinding en gevormd, SG. {misschien van iisiiwi en rji\'n grondv. van (lynnojn). (hucim\\Ml. ton of vat voor water.

O . O . .

(hm/n\\ zie igt;naAJi\\ 1.

a c . o

foil (IJl^ \\ kw. ZVa. 7J(1JI2ni\\ (LH (UI lhll/1

foil (hnji^ kw. zva. rj(tm2 ^ri {vrg. tin nsn (ha/j) ; kn. in eenige zamenstellingen : mi on ^1 gt; \\ asn mi ^1. {zie ben.) en (isiiljgi \'amp;i\\ {zie foini t i). fov ik fonrj i(j2--n\\ n., m\'U ^^ivjiifu foii (in/jsK. , het moet niet mankeren ; het moet zonder mankeren (geschieden); zonder mankeren !

bii Kijj in de spreektaal verkorting van /ƒ wjl

Cl t Q o o

e?i van rji-rmfoiKui^ ov. foii^jfö iw\\ asii

yinan/js verkorting van ii7ii](^im/j {zie bij

bij het aanspreken van een jonggetrouwde vrouw. 1 .

ij foii2 (10^ kw. zva. (iciiüj,\\\\ iKimjijfoiitMi/js n., zie

bij (ij) 111 gt;\\\\ rj 0/12 acifj en un ij (}(J2(hiji en ti rji^i

O » o quot;gt; ) .

nnjj kw. zva. a/11 nii^w fonrjlt;h^2(hijj\\ zva. ui ij

(i/n tj icj 2 (u \\ kn . zien of hoorei», oog- of oor-ge-

tuige zijn. —dsrj^ ij (Fj12 nnjjMi., 1.1 iu/j en gew.

an n iri\\K. , zien , iemand of iets zien, van een zien

bij gelegenheid, dat men in de gelegenheid komt

iemand of iets te zien , te ontmoeten of te beleven

, O • ^ v quot;gt; quot;) 1

{vrg. fom an fo^ gt; en di ^0- \'Ll 171 \'/ f l 1 an -quot; am Kii een nit drukking van verbazing-, {eig. Ik zie nu voor het eerst) wel heb ïk (van mijn leven) ooit zoo iets gezien! Zoo ook rij ij 1F.12 m ~\'ii i.ycn enkel xsrj^ ; 11 an^ —mi ij foii2 an/j in de spreektaal ook i\' 11 ij foii 2 inijis ij ilt; 11 ij fori 2 an/j en tj mi ij (tin

~) o . . • u • i

k»;^\\n. , ini foil w wyjK., te zien, in t gezigt,

zigtbaar ; te zien , in \'t gezigt, komen of zijn; zigt-baar worden of zijn ; zich voordoen aan het gezigt; iemands voorkomen 0 0 het gezigt. ij^/ii i n i.n gt;j rj foii2 anjj^ niets te zien krijgen, niet zien kunnen. i/h^ kiï ^ I*»gt;.ra(ij»\\ wat lijk ik wel? waar zie je mij voor aan? in tj fori 2 rj ijj \\ naar het te zien is {of was), naar het lijkt {of leek).— an 11 (tgt;ii2 mij iln foli 1111 j/j zich laten zien, zich vertooncn, verschijnen-. — n ij foii2 }?j x i :ifo}i r,i ii?^\\ aan iemand zich vertoouen , iemand verschijnen. — ajiTj br.i mi ^11 tj (Kii \\ aït lïïi 17 ai/i ii 11 (injj \\ iets laten zien of toonen. — .15^ ij iei2 ij [p 2 in/j mz asr^rj (Ei2 an/j W. I.

om quot; O O J, O a O

zzï. — *j(in2 ij ]n2anjj- an 11 ii(i\\ of anayinu naar iets zien of kijken, naar een vertooning, een schouwspel, of wat ten toon gesteld of in 7 openbaar te zien is. — 770m ij^fi2in\\HN. een meisje gaan zien, a at men op het oog heeft, om dal, als het den jongeling bevalt, voor hem ten huwelijk te vragen: op een kijkje gaan. — ij an? ij w anrjani\\ an ai ai^i ini aryjs iels ten toon stellen , aan het publiek laten zien ; van iets een schouwspel 0/

vertooning maken. — ij fori2*1 fiQ2 sj anjj of ij i\'m

-gt; \' C) t „

Y.b»lt;?^?^NKN , en foii t:i i^ianjj^ gew.isncbiiw

ii^i anji \\ k. , een schouwspel; wat ergens in het openbaar te kijken is of ten toon gesteld wordt, ijdsnt 7 l\'i üf 7 i 71X511 * lij \'^JJIN KN• voorworp

van bekijk,— ijasn2o/n a?ii 1111^1 (i/JJJ^ een zigt*


-ocr page 461-

ihn (hl \\

381

baar teekea. — schouwplaats;

plaats daar wat te kijken is, of daar men heen

gaat of gaat staan om te kijken. — rl\'h),2r)

O -» . \' O

jp J of gt;i mi 17i |li,\' * itj iin/ls en u quot; fjl 7 \'V},, * 7 15quot; * pj

a^v {pok hirrj lun 2 ijij (Hyj Rh.) het beeld van iets of iemand steeds voor de verbeelding hebben, zoo-als van een geliefd voorwerp, of van iels, dat zullc een sterken indruk gemaakt heeft, dat het steeds voor de verbeelding blijft.iUi 7 m ? \\ K\\v. zva. (ui tfn kn. in

of (FjjMHsn 7 2 rlp}^ duizelen, duizelig worden, zoodat het iemand donker wordt of draait voor het gezigt. — (Mfoirf iyianfj P.J. ZZZ nm cm(tci(ój.\\

— ihII \'hl \'7 lij è (Hl fj zva. lt;HII lt;7 0511 gt; MIJ! \\ - (171 ^ (H! 2 HIJ)

en m 7|o 2 hi 7 hi) ^ zie tu ij 2 anj)^ ben.

inn (Hi \\ KW. zva. (mi Hj. t \\ en

(Isim^ kw. zva. (i;*! 7 rj 2 en zva. (ètnJi {Skr. t a-no e, lijn). (is7ï benaming van een corps

van ongewapende poortwachters bij de zuider-Sri-

mang anti-poort.

3 O

isn inn K w. zva. (uïi vn hi i.i anjj

bW//mKW. zva. 7 i/n 2 ij 1 112^ an rn 1,11 w

Zietz. if im(ri/i0\\ VJ. hii ii h^\\ zva. nir h un irnw

— 1^ i(^\\ zva. 7 l:i2rj lin2 \\\\ ihii 1^ v ook verbrand door de koude, dus bevroren; t^r.n (hnK^iHji (door de rijp, nachtvorst) 1 ^ 1J1 j tf n2 t) 7\'r/ïj2 ijiHj\\ GG. — vif^ ij(Kj.*Mijl\\ zva. 7xm2 7 1 :ii 2 (WtHyis

til 1.1^ poèt. zva. (tgt;n m in w w//ygt;KN. eerzaam, eerbaar, fatsoenlijk. 7 utKun ook landbouwer j ojt 7 o 2 i.ii hj veldbouw; landbouw. 111 rj (ti2 (isn Hj \\ landbouwer zijn, {van het verouderde (bun^s zva. asnn^ Eij)). kn hu ij^iK)^ de landbouw, zich met de landbouw bezig houden.

zva. ojj(ui\\ en lUjij^^uj^ kn.,(i^

\'.y\\Ki).) gebrekkig, gebrek; afbreuk; en gexo. nadeel, schade, verlies; nadeel of schade hebben of lijden {Skr. toenna, gebroken, beschadigd, enz. Vrg. trn). xsv^^ un iJi 7 *Jt kh \\ niet op zijn hoede. ^ijj ia Hn iui/i* spr. misrooijen, niet juist rooijen of ramen, een verkeerde rooi doen, falen in de gissing van een maat, afstand of hoeveelheid. R.; te veel ot te weinig,.te ver of te digt bij, niet de juiste maat he\'bben , enz. isn hi(üij ui\\ gebrek aan verstand, weinig verstand hebben. —

*hc}s verminderen; verliezen. G. — Hj beuadeelen. nu hj naj \\ benadeeld worden; schade lijden. — Hju^iKiimin een verlies doen lijden; waren met schade verkoopen. — ^^ of ui (Hii)\\ schade die geleden wordt. —n\'ji

ilsrfj\'Uj\\ 00^ wel N c\'n mxsy^iHi(Hijj\\ schade,

nadeel, verlies, dow (u 1^ hjiioji\\ nadeelig, bv. nadeelig saldo. — fi i^iyij tm ^nrjihns zva

hu -jn 7 htl w

o

isr^ Hj^ zie /.y \\\\

hu!H^inji^ kn. weving, het geweven worden, van iets lVll lsrl] ,lt;u} MiHjj Hijj^ wever. — aniHi(m^\\ weven; iets weven. — kn /hj. h^ \'(hijj \\ weefsel; te weven, t/n i :n gt; .vn .i:n j dsn h^ nj!Hi/f\\ weefstoel, asniHi^ kn. I. land, landschap, landstreek, gewest, distrikt (vrg. mikhi). bekend, gezeten, gevestigd; ook zva. !unajtn.i/j\\ afkomst; afkomstig. 3. goed soort, goed spul, van iets, waarvan men vertrouwen mag, dat het goed zal wezen; ook van personen en paarden van goed ras. — (hi in j un tj nn \\ de plaats van iets aan wijzen; zich overtuigen omtrent de aanwezigheid, gesteldheid of plaats van het een of ander, of waar een of ander gebeurd is, een zaak ophelderen, duidelijk maken.— (ts»i

hjta/n{Hij]\\ naar den aard van de plaats, bv. (iji 7

00 o

7 \'Eii 2 h n \\jn 1, vn hi cm ■ un hi ij un 2 r» \\ naar

den aard van de plaats zijn er zoete en niet

zoete sémangkd\'s.

Murjimi chiji\\ zie bij rjasn 2 inji gt;

o / / . O

ten if i.j2\\ KW. zva. hii ij 1211 m/j\\ ov. mi ni(l^kinsn

Ij hj 21 II im (hj p\\ (t.

asii Hj Hii/j en 1 n i.j im/j KH. goed gaar, smeudig.goed doorbakken; ook gaarne ergens wezen, bv. thuis,

of in gezelschap. WW. rustig ergens blijven.

) a

LH\'r}lt;*£j-2(HJJ! en ui 1 (hu ijpj2(i^i/i^ Ki). van ihinHj en

dsn xm if hj hj! \\ R.

1 } Q * \'

IbH IJl (IJ) \\ (hllHj OJ (Lm tlSII l£jXJl\\ KW. 671 KN. ZVa.

, O

un (Hi if (io if hi \\ (i/t^ bii iji\\ en m 11 {vrg. uikuis Skr. ta tapt, evenwel, echter, pk.).

L.ii Hj Lij}\\ of Ln hj Li)\\ kw. zva. (un(hcj hnji\\ en \'^ (Ui

{Skr. tanaja, een zoon, tanajd, een dochter).

O . z\'

lgt;ii Hj (amp;i/f\\ zie hii Hi\\ en vrg. tisn (ui (f.ijf\\

,igt;n Hjm\\Kti. manier van zich gedragen, gedrag, houding; volg. Rh. ook kracht, vermogen {vrg. ijyuu nn ?\\ •vu hi hn/f\\ fan (Hi ^ en .vn rf m wi s ).


-ocr page 462-

382

,biè iJjsKU. verdeeling iu kuvrelingen of hoopjes ; kaveling of hoopje. — iets bij hoopjes of kavelingen verdeelen of at\'deelen; rangschikken.

^ kn. een groote ronde etensmand met

deksel.

rjium ujs kn. naam van een soort van zeepaling,

veel gelijkend op een ü]n/j hiyj\\ JU.

nsn rj cru \\ zie bij rj i\'n iDW a

nsnr.m\\Kyf. zva.

lii !Hj;v:ii/jbeter hui r.ni r.iijj kn. het in den grond stekende gedeelte van iets, o/het onderste van iels gt; waar het in den grond steekt; installatie van het ambt van een dorpshoofd (van tini iriri r.nji), hii r nj

un icn^i gt;Lgt;n/]\\ de kim, de horizont. — mi rw r.n/i^ co (l •

zieh, of iets, met de punt in den grond of in een week lichaam steken ; ook zich vastzetten op de punt van iets, dat er insteekt. — isri f t iriii in/j\\

in iets vast irestoken zitten o/* staan. — w nn\\

ö •\' ( t co

ergens iets insteken of inplanten {vrg. cm yrn). — (ifhi irurn rj hiis iels ergens insteken of inplanten.

ii?ii pi\\ ni!hi\\ kw. zva. i i /jii ii ij un Hi/j {iSkr.

nindd blaam).

isii(iK)\\kw. vervolgens daarna. G. Vrg. hn^ijw vu hi \\ n., lii ijj tjjj k., jong padi-plantje; de jonge rijst-plantjes n ^i van de kweekbedding

overplanten op de sawah {vrg. lii ijj ihn rtri riyj

nCK gt; S ■gt; . ) , . en i iui), ij iJiiLii :hi\\ bii lli bw planter,

landbouwer. ^n kn. veldgewas, veld

vruchten , gew. van hetgeen op de tëgals gebouwd wordt. tyi\' planten, poten; ook

zva. bn (ha \\ padi overplanten, mifqwiJi^ koepok-inenten, zie tin.ui ^ \\ bij i i i\'iw een dorpshoofd ergens aanstellen. — nn (pi n\\ iels beplanten niet iets; op of ïn een grond iets planten; ergens een dorpshoofd aanstellen, (in Men. i^mi n bli iij jn quot; \'Mr{V^N) — ibiiranuni/j of bn ibii un n ni/j\\ en ibii i.j Minij] of biibii uj ry nfi iets dat geplant wordt; plantsoen, gewas, gewassen {vrg.

nm tinji). — oji hui n myjs ,u bii njri n^qs grond, veld of akker, om met iets beplant te worden. nsn (i^i h nji ■ kn. 1. zva. isr^ {van (i^ xiijj). 2. zva. ij/ lii i,as\\ wijze van handelen; iemands manieren, wijze van zich voor te doen in den omgang; wellevendheid, wellevend {vrg. ilii Hj rn \\ i,ihhi\\ en lii

(isii (H) iUn

ij iiuH *). 3. ki. van uiihy s in de bet. van nog een portie van hetzelfde eten waarvan men reeds gebruikt heeft. 01t?r bn lUj zich driemaal van een schotel bedienen of laten bedienen. — (muunj zva. ^rigten naar of tot een doel. — jojo /•?)gt; zva. Kjjtj uci tjjs op een voorwerp iets rigten of aanwenden ; iets beantwoorden, bv. een uitdaging met spotachtig lachen; iemand, of iels dal gezegd wordt, op een gepaste wijze beantwoorden; iemand nog eens bedienen, nog wat opscheppen. i:ii i/i^mi ~ ii i/j mh jj\\ er de slag van hebben om alles wat in de conversatie gezegd wordt, op eeugepaste wijze te beantwoorden of er iets aardig bij te pas tvj brengen. — ihipi itffjl hii\\ iels aanwendeu, van iels gebruik maken tot een doel} een (tuin liiijj of ^bïi i.n gt; bezigen, bv. wreedheid plegen, wraak oefenen; iemand beleefd uitnoodigen om zich maar te bedienen o/plaats te nemen. — itj

O O O* 3.

/1 ia mi/j\\ zva. Bjv en wri iyw (unuijx.v. in het oor dringen, oan eeti geluid of iets dat gezegd wordt.

bii ihi iiiiji\\ kn. 1. schrede, pas {vrg. ik hii s). Z.zoa. ibiiii^ gang, van zaken, oók handelwijze, niauie-

yvw. mi m i,ii hi mi/)\\ handel en wandel. 3. ki. van

S- kl (qj J!

a

ibii.r^ ui bi^ \\ en n^i:i\\\\ — Kij tuKi iiii/]\\ zca. iLjfii.r^ gew. van zaken-, gaan, marcheren, den zin van goed gaan; iiet gaat, het gaat wel; aan den gang gaan, een aanvang nemen {vrg. bij lgt;i(ui hiij). 0\'^ i iJ ki niq\\ in den eersten graad van bloedverwantschap elkander bestaan. 0 uïiu m iu den hoeveelsten graad bestaat {gij met N.)? —w an hjis iets met passen afmeten, ki. van li ny en ijl tA ~ i { a/tl w — in Hij ij hii \\ iels aan den gang brengen; iemand aan den gang brengen wel een werk, iets, zooals een last, uitvoeren, of geregligheid uitjcfenen; een been gebruiken om er een stap mcê te doen. — bn jo u^anjj en m bn ki hji miji ki. van tij c7 inji en li

lt;bii afiji \\ zie inj j ^ 3.

ibii jn \\ kn. iemands houding en bewegingen ,

tandakken {vrg, ijajiiiviq en isu ; allnvcs

van een paard; zich in beweging zetten, op de been of in de weer komen, om te helpen, bv. bijeen brand\', de wijze waarop iemand zich weert in eet gevecht; de wijze van iets, zooals een werk, aan


-ocr page 463-

\'.m

te vatten; niet stijf zijn in gezelschap, inniiin iiji\\ verouderde hen. van een politiedienaar in Midden-Java; ook in tie weer komen om te helpen, Rh. uiiK-n rn enkel \\ ui un oh de lijt-

wacht of lijfwachten, van een Vorst. — ja this een beweging maken. — imp} in\\ zich in beweging zetten naar, losgaan op; aanpakken j bijspringen, om te helpen. —« Wj jh \\ aan het werk gaan, de hauden aan het werk slaan; zich in beweging stellen, 07U iets te doen. 0ijn m n v) \\ de handen aan het werk slaan, en behulpzaam zijn tot het werk.

O ) .

b„jjgn kw. zva. iui ut j\\ inrjfUi \\ enn^nrfKu^w ool-gens G. dewijl, omdat.

zva. liiiin

iji^is kn. in een opgevatte meening of waan verkee-ren ; hv. ihiitn i n i n /.ij r) i.r^i.n 1^1 : tj um gt;;n Mogt men {of hij) in de meening verkeeren, dat ik mij bekwaam zou noemen; dat niet. — h\'\\/)VN Gen meening opvatten omtrent, of zich iets verbeelden; doch alleen in het passief; bo. tvv i iin/n tez ij i.m biiftq\\ if i li hfijj enz. Denk niet van mij. dat enz. [vrg. 11 iij\'). igt;ii bn ^i of hii lii (ffi^\' zva. lh iy w oo/c zich iets aangewend hebben, zoodat men het niet laten kan {vrg. hii lun n;).

i) (bii i rf iffi i \\ verb. van if i o è ij jy i P bn^NKN. Port. tinta. inkt {eig. tint, kleur), rAwr sommigen gebruikt voor Enropesche inkt, in onderscheiding van //Mn Chinesche inkt.

bn /jN zie ibii n\\\\

kw. zva. y nj iicji kn. leiding, het geleid worden. — ^ /\'»j u}}\' leiden, iemand of een beest aan de hand of aan een touw leiden, iemand de weg wijzen, door met hem mee te gaan; fig. iemand in iets onderrigten of teregtwijzen , door hem voor te gaan, te leiden en te sturen bo. \'\\i i ii\\ leeren lezen, en leiden; voeren, brengen, tot iets, bv. tot armoede of slechte daden. (iji iq} het leiden; leiding; verleiding; ook geleider, wegwijzer, leidsman of leidsvrouw {org.iUiia Li!\'\'\'\'/i en lt;ui i?irn(Wjj). — i rjj 0fy- den.

en ook navelstreng, CP.; ook zva. Ity\'liJ- Hi/f Tj. volg. WW. of\' gt;imlt;} elkanquot;

der leiden, elkander onderrigten.

elkander bij de hand leiden nl. zoo dat de een voor den ander (raat, — loj hj hi hi/i en i n; tj in

j \' 1^1 {quot;l

in/j\\ zie jbii irn h ij \\

1 \'\\ti\'is 0f \'I Kvv- zva- \' \'/i\' li \'f h}^ en nn 11\'

{Skr. tantra), in ili »ƒ kn. legermagt.

ibii ijn m \\ zie bij an .hi mw

itniMti/jsKN. rustig, vreedzaam; rnst, vrede {grondv. ibt^tjl). — iniQfif/i,n\\ tot rnst brengen, bevredigen. 0tm oi liii,^ zich rust geven. — mi Ln ^^ in/js rnst, die iemand gekregen heeft.

il^i^ÏÏfi^ kn. bevreesd, beangst (vrg. i/i tl kj/j).

l Yjl |{^» hiijj en (Kji (ffi i. ii,j\\ kn. uitgestort, bv. uit een pot door omkeering. — ti\' \' quot;7 ^ 1. iets

bv. een pot, uitstorten, het onderste boven keeren, fig. uitputten bv. zijn krachden. Men. 2. k. , fj bn f n., braken, vomeren (org. ny jtf i\'ii])- i i ■li bn/j braakmiddel, vomitief ui u n bloed-spuwen.

i tj ffij bii^ kn. de bloemknop van de pisaugstruik,

«.•s inw ook nier, de nieren.

\'\'7/i ^ \'i\'i lhgt; 1 zlc\' l\\

lt;hii jn i i/j zamengetrokken uit luridn ^ii lii M/f\\ niet

duidelijk bv. zien of spreken. Men.

1 T ■)(.gt;\'-) o

bu ffi ki^ kw. zva. m i ir tin M J

brj [n i i/j zie i n bii i i j \\

by ja f 11 of ihi i ij, i i^\\ kn. zich hereenigeu tot een geheel , bv. van verstrooide troepen; heelqu, van een gebroken been of wond, ook hersteld, zich herstellen. Tj. — \'\'// Wf,rl/Is U{ ^011 V01,igen staat herstellen. — ic^^i^i ij i.n iets weer tot een geheel vereenigen; maken, dat iets hersteld wordt , zva. ii] {i ii ij i, ii (van Ljiuf). J» n ui hii/j het lichaam herstellen, uitrnsten.

ibn im\\ kw. zva. i li i.lt; ,l;^\\ — w pn kw. zva. uik iU/f KN. uitdagen, uittarten (vrg.

.fp\\ het uitdagen, uitdaging.

bn :ftï\\ kw. zva. i,iilt;r?n \\\\ kn. weging van de zwaarte van iets door helling op of met de hand. — ^ in de hoogte ligten, in de»hoogte boven den grond of boven het water houden; de zwaarte van iets wegen door het met of op de hand te heffen. *n lii\\ zva. do n nv.iï een huwelijksvooratel aan een vrouw doen. ibii^jbiipj n elkander van den

grond opligten {bij het worstelen).

c) quot;)

i n jii kw. zva. ojji(Uiibiiji ij ui? n bn huihnjj\\

O ) Qv

ibn v k w. zva. i i }li w


-ocr page 464-

384

n

iisn (rrri \\

O Qm

O Qv Qc O.. O O Tu Qc

of (i5tiihn\\ kw. zva. njnwiqw luntibiis kn. zte

ben. tuii fin iüii ^\\ kn. schiften, bv. het groffe van

het fijne, de gebroken korrels rijst van de heele,

door de met eenige helling heen en weer

te bewegen. — iets schiften {vrg.

rri\\ en no ij ifj); mensa hen uitkiezen, {org. ifj o o . \'

«srj zie tsyasyw

iisniHi zie bij

(isn tj on zie trin ij o-\'i onjj \\

O O • . 7 . • o O

nsi) an \'ui n zie bij (um iw

ivni (Hi -ut (tui \\ in de spreektaal zva. ,vgt;ii (hi11. volg.

Rh. dial. zva. (kj oj) uinw asn (hi (fji \\ zie bij (hJ) f i \\\\

Hbii tj ihfi \\ - (üii !Hi -tfi ^ iih w

(i.n (in kn. zonder, iw proza gew. in verbinding met een naamwoord {cinders ija/m n i\'i ijcrm); bv. (uu

Qv ■, A O .

lt;Wquot;; amarjfii zonder weerga j w hi ^; «/j/ n i i i hi/j\\ zonder tal, talloos, enz. un nn ~~i cm ri tuiquot; zie (frivj (n (ui \\ (isn (hi —/? (io (to \\ zie bij tui mi \\ zamengesteld uit asii onjj en (ui\\ zva. n/riiu).

beter asney tj \\ kn. draagstoel, draagkoets met een hangmat of ojii y er in, tot zitplaats of

om te rusten {vrg. ni ire 11u \\ tiz tji ~ji an ^ m tuani \\ en (Hi^ ^ :hiji). i^ii (rrn i n gt;n i u j of ,v,n (ini iSl hjs een asnnrm in de vorm vau een hangmat. — finarn\\

(AJS (aJii

een tandoe dragen; iemand in een tandoe dragen, tHiani ij um ij i~ii\\ iemand met zijn beiden op de tot een draagbaar zamengestrengelde armen dragen. — (ut iij rj enn 2 any \\ tandoe- of palanquin dragers aan het hof, ?naar die ook andere diensten te ver rig ten hebben. (injj/S {of a?i lgt;?i) oji nj.\'rf yinan^ landen, door den Vorst in vruchtgebruik geschonken aan zijn gemalinnen en dochters, als zij huwen, en waarvan de bevolking als palanquindragers moeten dienen.

mnrjennds of ivai lt;is»jijlt;yni\\ kn. voorraad opdoen {vrg. MKrfïj). — an)jlt;yi}2\\ iets opleggen, verzamelen, in reserve houden tot een of ander doel, opsparen, 0au\'-n\\ een ziekte verwaadoozen. 0aniu^\\ zijn toorn verkroppen Rh. — iisr^ fa tjcyrj z gt; in voorraad zijn, opgeborgen liggen; de zorg op zicli nemen van een of ander. — an rjarnji 2 ijj mv.\\ ook fig zich verantwoordelijk stellen voor; bewaren van een vogel die aan iemands zorg wordt toevertrouwd.

BB. — (Uiirfrnminyjs het opgelegde, opgezainelde, voorraad, wat weggelegd is met een of andere be-stemming of doel; ook bestemd voor. on ifaoitun ij mi 2 ifj ijn ij nrrn 2mjj\\ pakhuis, voorraadsehunr.

o

(un iin \\ zie ii un ermw Cxi 1 CxJ

(js^a//)\\KN, op, boven, na o/achter elkander gemaakt,

geplaatst, gedaan, enz.; laag, verdieping, trap, keer; op, boven, na o/achter elkander {van lUïjynw Vrg: (iJinJi (Hi/j en ui mi unjj). ru ijoji isr^uii n dubbelde gordijnen o/ draperie, asr^ (rrn nfn iuj \\ met drie verdiepingen, van een dak\\ met drie trappen, van een stoepje\\ drie achter elkander, van poorten du op e enig en afstand op elkander volgen ; in drie rijen o/* gelederen, van troepen-, drie keeren na elkander, van het koeren van tortels, uij lt;yn vry enn \\ trapsgewijze oploopend, in groote op elkander volgend;in rijen achter, in lageu op, keer op keer na,elkander; kort op elkander volgen. — op elkander leggen, stapelen, bij lagen plaatsen; kort op elkander laten volgen ^emi rj un 2 tj im da^an^ boodschappers kort na elkander uitzenden; aynrti ili(vui\\ brieven kort na elkander zenden; ook brieven van het eene station naar een volgend overbrengen; ook bijstaan bv. met troepen, VVÏÏ. M/ uijj yn\\0ivn(Lr^igt;iu na kort te voren eene berisping ontvangen te hebben, zich een tweede op den hals halen, mi «rry ojti tj (i/n ^i\\ meteen dubbelde gaanderij, twee gaanderijen, de éénevoór

de andere. Hinsinanm unerrn n van afstand tot af-

(I CxJ f\' Ca I

stand door den een van den ander overgenomen, en zoo al verder en verder gebracht worden. -

\'157l \'F\'lTl\'\' ^(ï ee11 ^CU au^ei Vüün\'

achtervolgens, de een vodr de andere na. — ii| lynanjj\' plaats om van paarden of lastdragers te wisselen; paarden of lastdragers om naar een volgend station te brengen; 0(tamp;\'rianji en 0tiamp;(niiLij {vrg. mstkhtji0 een postpaard, stations-

paard. — (hfjjryii an/jwon postpaard huren naareen volgend station. — a^nyna^s iemand wan een paard of van lastdragers voorzien naar eon volgend station.-(rui hu ~jii ij mi \\ paarden enz. stationeren voor.

^(hiKYin of iuii(y7i\\ kw. Ml. zva. iult;rj lu2 anjj^ l\'equot; mei, bv. van een ledikant of bed\\ kap van c(* tentwagen {vrg. tuiTia^anjj en lyuiz i^yiji).

ai (Lu 2 (rrn \\ kn, 1. merk, teeken, blijk; zigtbaar bewij-S \' Cxi


-ocr page 465-

1] I II? gt;1 \'11/1\\

\' 1 (A I

38B

seiu; eou stukje vati een vruc/d tot proef; (ook

o (\'y

beeld, gelijltems. G. Vrg. ihuins), 2. marktmeester heambte die vroeger de marktgelden hief, en de goederen, waarvan het marktgeld betaald was, merkte of stempelde. liandtee-

kening, ouderteckeniiig. i^asn? mmteekening met zijn op ee» stuk gedrukt zegel,

en lüiwr) iijft\'quot;»fs vroegere benamingen van ttoee

rangen van hoofden van de markimeest.rs. — in

(a)

C)

IDimirrn\\ marktgeld heffen. (xl

iets tot blijk of bewijs de proef nemen; iemand op de proef stellen; iets bewijzen, door een blijk er van te geven; iets toetsen, .ini ij nwimns bewezen, gebleken; blijkbaar door iets, dat het bewijst. —

\'tnnÜlcfS mV * Cn mcr^ei1\' van eon merk voorzien; ietsy hv. een contractgt; teekenen; van iets zigtbare bewijzen of blyken geven. — (marm irn ~ftt ,nijfn \\ iets , hv. een contract y laten teekenen, tot onderteokening geven aan iemand.— nn nm rni (mjjs de woonplaats van een marktmeester, naam van een wijk te So er a,kart a. — n ^ mu i airn \\ bewijs. 0flj) ?j}ji\\ gezegeld bewijs, irvmv} schriftelijk bewijs, bewijsschrift, voorzien van handt ee kening of oj) mj\\ — [(Ei^tun(trnlt;Hj.\\ iemand een teeken, bewijs of bewijzen geven van iets; van iets een teeken, bewijs of blijken geven; een stuk beteekenen, door handteekening of (hj)(ut/i\\

vjanurjamis kw. zva. nsn wedergade, Tj. Men.

kn. wat boven op iets anders li^t «ƒgelegd

(aJ

wordt {vrg. (rti r^n^); het geld dat op een 0^1 ijiez anji gelegd wordt voor een (ïoicuï^ieiji o/?tiyi,y(hnjj\\ ben. van een \'pen die den dissel met het lïgchaam van den ploeg verbindt, SG.; die aan \'t hoofd van

anderen staat, hoofdman, aanvoerder, opzigter,

O o O . .O O

gew. asnasnlt;rnf?\\ (vrg. iui chi nno) \\ hu ukhas en Cd \'

tz/j •» ^); ook baas, puik, allerbeste; en de bovenhand hebben. mn ortn {\\ bij stapels op elkander.

— de bovenhand hebben, zoodat een

ander er onder raakt\'y iets onder den duim houden op iets drukken, er nog iets boveuop leggen , nog bijvoegen. £gt;? (ênnrjri ^ \\ er onder raken of komen,

, ! i .O

ton(i^fnamp;Mj(rpjq\\ de een op den ander.

V. II. 73, 4. — onnrfh^tiJns boven op iets zitten

Cd

0f l\'ggen ; als hoofdman aanvoereu j het opzigt hebben over; Onderhouden, of ten onderbrengen.

litiis//lt;tm gt;i/n onn\\ onder iets of iemand raken.

Ci\' \'

^ - * Q ..1 _ (\')

ihtnyri gt; n u int/j of u ti ihn rrm gt; i/n on n s verdoofd, ge-

(a.gt; (.\\)

voelloos , door het er op liggen in den slaap; en de nachtmerrie hebben. — ajinnmns, zva. ivtun

d ui \' ei

n . n o

ASM j \\ zie bij nsrt asn % w

kn. hecle tros pisang, bestaande uit verschillende boven elkander zittende trossen of dubbelde rijen {verg. njn ini tutjj en gt;?rn). Zoo in ionM asThnrrrjin/js ook ini tui of am ij r) onjj oj))nj^ een lieelc tros klapper- of arènnoten. — (isr^ant /.y miji de plaats aan dc pisangstruik, daar de tros uit groeit, de kruin of kroon, JR. ook bij heele trossen, of bij de heele tros. •

hsï)cnrn Mnjj\\ Ml. zva. tj ik i rj rrn \\ dansmeid.

o

(istïotf^ /(tl/j^ kw. zva. VJ) 11 (1,11/1 \\

nlt;ii•int hii/js kn. de oorlellen doorboord worden , om er

U)

oorkrabben (aj^ i5gt;) in te dragen. — on (ïftiiinijj\\ iemand gaatjes in de oorlellen boren. 0om of asri tnyi\\ in het lemmer van een Vris of piek een gaatje boren, om er een weinig goud in te gieten, uit bijgeloof y om den kwaden invloed van sommige figuren in de damascering die het wapen tui ijj ojiji\\ zouden maken y weg te nemen.

o5ïji\'tm tlt;tijj\\ zva. (hj^ rnj nti^s 3. oh mi en Ki. van

( quot;) - O . o

oni osri tamp;h \\ of om tui errt qw

asnrniihJi/is 1. kn. vaste bodem; een vasten bodem

C\\l Ul

hebben j tot aan of op een vasten grond reiken; op iets, dat vast is, stuiten; {ook de monding of uitwatering van een rivier. G.) volg. Rh. bep. die van de Bhigawan van daar: 2. k. van crY^wKn^ naam van een plaats aan de monding van den

Solo-rivier. — on mil o^i n\\ 1. tot den bodem toe ko-

(\\) —

men, tot den bodem toe uitgeput zijn. 2. k. van ii/ri tj föi onljj\\ zva. dJirvi(M*\\ — on (t)n oji uti \\ 1. iets tot aan den grond o/bodem, of tot het einde van iets toe, doen reiken o/komen, ooiisw

o ^ o o n

(hi onoji^Ahtt cHif)\\ zva. on

iytl ijj un\\

ou oji Ktionjjs \\ wi^ai7i Ko^iiïiion/i\\ pass. rbworpj(MJi■* KW. en Sd. zva. tun t^rt (Kojj\\ (Sri. ï.)

oPticriti ojiji\\ kn. al wat dient om iets door drukking

i. i •• i O o O O o O

te verbrijzelen asrioucv^n ojiji \\ — on oLigt;nti ojiji \\

door drukken , kneuzen verpletteren , verbrijzelen.

%

s kn. ;

I UJ

U)

tun (ijt) ojiji ^ kw, zva. (Tri ojiji\\ zie iisii (trti

jctji) ojiji\\ met aandrang ondervra-


25

-ocr page 466-

injtrj (fJijis

386

ton tTtn \\

gen, navraag doen bij.

O O

^(iw?rrm(E^\\KW. zva. n^mma^ni (Efij^\\

toncrYncrryj\\KN., miorncnyj\\ zva. antj(trnz\\ opgaren ,

opzamelen; laten stilstaan, doen ophouden; van

een zaak onafgedaan laten; cm cni \'K/i \\ een mon-

ö CJ co

delinge boodschap gedeeltelijk verzwijgen, Rh. iets laten liggen, er geen verder werk van maken (van fL/nv/ncm/f). — nnitoiici^i cmji\\ acc. pass. ook haperen, stuiten. Zoo ook iw miirjarm t mijj ^ — aftt asii amj gr) wordt gezegd van den per soon, bij

wien iets is blijven steken.

O • * ^

ton ij (rrn t crn/f \\ wi nn/^ cnn 2 crriji\\ zie bij nsti nrrri cmjj\\

\'fcr/rnri ot^xkn. gestaakt, tijdelijk niet verstrekt, tijdelijk opgehouden. — w nrn x iemand iels tijdelijk niet verstrekken. iun toiiwn lt;rfl(mj)\\ door staking verstoken zijn van hetgeen men anders gewoon is te krijgen.

«sgt;»(mnKN. 1. wedergade; iemand die tegeneen ander is opgewassen en zijn tegenpartij kan zijn; als tegenpartij tegen een ander overstaan of met een ander kampen {vrg. njiojnn en toti w).2. de pen waarmee het ijzer aan een ploeg ofwordt vastgehecht. (tr^dCjnsnr^n(fj^\\ hij is geen partij voor je. [nj^toncmj\\ tweegevecht, tonarnjluinymjaj)aajj\\ zijn

krachten met elkander meten. — asnwarrns poef.

ii (aj

opgewassen tegen; zich te weer stellen tegen, Rs.

— ikiirrh\\ vergelijken, iets vergelijken tegen iets

CO

anders. — an nr?n S \\ als partij stellen tegenover.

Cv)

als tegenpartij tegenweer bieden aan, zich meten mot, — i::ii\'nn in vnj■ gew. i h j 11 met een ander vergelijken, twee tegenover elkander stellen , zamen vergelijken om te zien wie of wat het wint. («jj0 man tegen man vechten. —Mrcjcrms liet vergelijken ; vergelijking.

tQinrfits KW. zva. nyuiMryjs — ()V?irrj\\KN. schoppen met het onderste plat van den voet (vrg. unijn

vb

cm).

aPnnnïn kw. zva. ton \'f*i\\\\

CJ co

nsijyjji\\ i. kn. wegsturen, wegjagen, verja

gen , verdrijven , verstooten, het huis uitzetten {vrg. nhl nn^nj)^). — ^cm^ S\\ mv.

II. kn. lokker, voorn, een tam hert dat men ge-bruikt om wilde herten te vangen {vrg. (Snniton^ en rjx^grjCfhn^asn/js). — iHjnrfns lokken; een hert met een lokker zoeken te vangen.

III. ook benaming van het blad van de paré hetzelfde bijgeloof als bij ton xm (Tji

vermeld.

ton arm \\ zie nsnx/nw

toll rj tin i \\ kn. of ivm tori ij irm? \\ een bezoek brengen / ^ 0 \\ o

{vrg. ton irut Knq). foi üjia \\ zva. rftonnx if/kiui (zie

11 ton ik). — w ntorini \\ bezoeken, nieuws komen • \'

vernemen {vrg. iH^njj), —00ij r.nitlt;Hj\\ een bezoek afleggen bij.

o

nnsni7m\\ zva. asnnrnw \' ^ lt;?gt;

01 asni(wn n of lt;n (tm rm \\ kn. prikker, een puntige stok, daar men gaten mee in den grond steekt, om er katjang, kapas, djagoeng, djarak en rijst (otmtw;) in te poten. — irjomx^rp- of rj\'f.t9 imi\\ met zulk een prikker werken of gaten maken; rijstzaad poten; ook fig. iem. steken geven met woorden. Tj. — asrjTjtetumis zich ergens op een bepaalde plaats bevinden, ergens, bv. aan het lichaam, zitten {vrg. afwierp unjj). — tonrnpcm^ enz. obj. den.; ook naam van een zeevisch j Rh.

(is}n(nrn\\ I. zie ton un w 2. op een staak gestoken; m een hoofd {vrg. (urr torn), — (Hirnp* een hoofd op

een paal steken. (£1 na ton ir/n ifmerrn r)(K/i ^i.\\ een ver-1 t\\) \'

wensching.

o 1

(isniin\'Hn/i\\ kw. zva. ij ?J)t rjrut tonjj\\ n/n(inlunjj\\ mi

Q

ij^\\ tülci^rj\\ en (ic^mn(u/j ku. den voet opligten bij het tandakken; (vn tonrrin un rjcvm 2 i£i in % {k, nhrtcm/i) een houding bij het tandakken. Tj.Rh.-naa7niun^\\ KW. zva. 1^7^21^7112 rjnsn 2^ rut 2 to)^ toil na unjis cm rxjjjs wcyijs en torn ah im (LJ)j^^ kn. liggen te zieltogen, den laatsten snik geven, den geest geven. — (u uj rrn isnjj\\ het geven van den laatsten snik.

nsn iirnnnjj TD. he\'; ergens gebleven zijn of zitten va» m toYn rsnjj gt; planten uit de kweek er gent

iets.

overplanten , o n daar te blijven {vrg. iFi rrn wnjj] — asr^ (Ej)(cmiinj^\\ zva. asr^ ij tjiz fnnw tonrgn kn. ; w\'gj tegen iets aanloopenö/ stooten , over iets struikelen.

Ml.; asr^iTjm nyi^Hn tni^ zijn gezigt laten kijken, zich even vertoonen.

1^(15112 rjiwi2 Hnjj^ kn. ; ihi2 if irn2afnjj\\ aanstooten tegen; (geweldadig aanranden G.) iemand een brief zenden bv. ie?\' uitdaging, kennisgeving van eet ongeval, enz, aan bloedverwanten, enz. een geschenk


-ocr page 467-

vy.Lrvjl*

387

quot;ar

van eetwaren zenden, vooral bij gelegenheid vun ecu aanstaand liuwelijksfeest, met ailnoodiijinij tol een maaltijd. Sii rj üii ü ij i «ji MjjW tegen aan loopen, een ongeluk krijgen. — ij .laitr/ het bovengenoemde nescheuk van eetwaren, ju ;Lli \\0 een brief tot uitdaging.

iKiji iri iu^nKM. ; achteropkomen, van een

pijl, die iem. nagezonden wordt, H., een ander of anderen achternakomen, zooals van nieuwe troepen, een tweede brief of bode (vry. cn

,iujj). ibh t\' t i-\'ii1 [ \'1 achterhaald worden, bv. f n

o O .. t»

j7quot;i^

g i nt ij it/ \'U^nKN. — ï,\'ji iji nii }i iji\\ tegen aan stoeten, met het hoofd, deu kop, de vuist, enz.; stompen. Rh.

«shona^n verb. iiji.i:wiu^\\ Port. tangedor, km.

speler, muziekant voor Europcsche muziek.

O ■ O

Vit} l.in * zie umiK

isném.ujj\\ kn. helling, schuinsehe af helling naar beneden; fig. helling, overhelling of toeuciging, van

fquot;)

het hart. tHiwphellen, schuins afloopen, zooals een dak j neigen, overneigen, van hei hart; ook diep indringen, vaii een steek met een wapentuig. (én i m W/p diep ingedrongen in het hart. — xsr^ \'fyj 1^77 itAjj\\ diep indringen in het hart.

nsiè i.w \\ kn. naam van een wilden hoorn met lange dorens.

nsn rgn \\ kw. van (vi (loji\\ kn. naam van een met kleine welriekende bloemen Mimnsops Elengi.

)j(vu? asncvgn \\ tandjoeng vrucht, rj (ui iqant .ufn \\ gelijk een tandjoengvrucht. Zoo ook (magnw (isij^nxKN., .v^i:n}\\ tegen iets aanloopen, aanstooten aanrijden; op iemand of iets aan- ©ƒ in-loopen {vrg. \'yjjVms). (lir^irm hii ihf^i hi\\ en h?i isr^ rm r.i(hnjj\\ tegen elkander aanloopen, enz.

^ r/n\\KW. zva. rj tuil waterlelie, lotus

met witte bloemen, Mymphaea Lotus, L. (vrg. ld ntj.isïi); de metalen punt ouder aan de ateel van een lans, tiaar de vorm van een nog gesloten waterlelie ; kopervitriool, zwavelzuur koper. Zoo ook (Qtoi isYjjiir/y n {vrg. {JLjaS). irjri wrt jrijj\\

naam van een (rnnrnw {Ook v donkerkleu

rig. G.). — gelijk een waterlelie; eti met

de metalen punt onder aan de steel van een lans stooten of steken.

kw. Sd. Ml. zva.

rgt;

asiKyqj^s

zva. liii\'è (hh ij ihv i anjj \\ ihïi ,6ii iuj zvaquot; rj

ij ih li t (Hi onfj \\

O ^ o Q

^ ^ Ed*lN KVVzvaquot;

nsrgt; wnjj \\ zie bij

ast} (Hi lt;• n zie tun tbt t \\\\

tsrji(yrj kn. naam van een goudgewigt; een derde vau een (u) cm\\ Zie verder hij (iJicmw

1 Ml

anr^rrrtj \\ — (umnrrn\' zie qnn

lt;b/y flrïNKW. zva. (Uj !gt;lt;HJj

«sii^xkn. tooverij, betoovering {vrg. Qm^).

{of asr^ hii) am !Hj\\ toovenaar. — ihiih^\\ tooveren, betoovereu. — betbovering, toovenaar.—

iiji iyfo-jjVn injjs middel van betoovering; njiajvi0\\ tooverboek. ^ tót 2 asi^ (t»0 oude tooverheks.

os^ ïjin kw. zva. w {Skr. to et tja, luagy \\gyhc,]\\-

telijk); volgens anderen zva. a^ as^w

(fquot;) o

en fL/7)ab^NKW. zva. nj^ en izjaziaxijjs

lSr^\\ kw. 1. drie, zva. nLii n^ {Skr. tri) 2. zva.rnrj

rjiEiw kw. zva. wrirj ais veel gedruisch

of geraas maken, ihïia/ïde derde.

drietand, speer met drie spitse punten {Skr. tris-

j oêla). am \\ zie bij cvnirniw — (hnia^\\

O a . j

zva. (Hiiastiiij^w — nji^hi^s zie oen.

O

\\kw. zva. nsn ^\\ e?i iud\\n .bun 1. kw. zva. miltojj\\ 2. IIoll. ia ai\'t. (Uttni^i tt\\ kw. voor iigt;u mi rri \\ zva. wi an rninw

cr .... cv ^

nsn \\ zie bij njnusnw

ani\\ of 1. kn. het kasteel in het schaaksnel

Famil. têr, wagen; de Indiërs nl. he et en dat stuk van het schaakspel strijd wagen. 2. kw. zva. tj ij(un2 ij hU2(QCHijj {pok voorpost. G.) 3. kn. Ho 11. teer.

fi5^\\KN. I. daarbij, en daarbij; en dat; en dat terwijl. 2. zva. (un(ksrjj\\ in zamenst. zooals

/ C! S O / J, y

hrj Hj in \\ en vny ut n asti/j\\ — (tsy ij n \\ of asr^ ij rj rn ij vj\\ Md. ook wel k. zva. d^ijiis of u^tjii

ben.

. ... / / . vjHjsj*., zie bij (uyirlt;\\\\ — (i5i^(isr^\\ zie

S

G.

\'Yj flsïi\\kw. zva. \' ^1*1/1^

X 0 /

rj nsn 2 \\ zva. i/n rj hn 2 \\\\

nsn Mn kw. zva. ih) ftp \\ iki\'T^ \\ ni^ijr^s ernrjans

rj vn 2 n ,irr) tr isnjj\\ ,111 \\ en ri i ^ {Skr. tdra, helder stralend ; zuiver ; hoog, van een toon in muziek ; een ster); kn. verk. v. .nn^nniw rj iét 2 (hJt asn nis en enkel nsirris tusschenpoos van helder weêr

rj tm 2 il ii iL,n (yg/j n

amp;


25*

-ocr page 468-

an^nyns

O

astt ti \\

388

in de regenmoesou. uw rj i))2(k/i , Soendancschc muziek, bestaande nit een viool, fluit en luit (kw flj) oji), aw t) ti itji2(ki \\ de tnsschentijd tusachen de drooge mocson en de regenmoesou, de overgang van saizoen. wrnitHTfl0\\ elk half jaar, ei ff. bij eiken overgang van het eéne saizoen tot het andere. an\'tiit] Mt(KH7jnm(hj\\ \\ zva. wyi rjajiioj) {zie hoven), dat er een verkorting van schijnt te wezen, en misschien eig. lekker feestvieren beteekent, op de feesten tusschen de twee saizoenen. — ihyi asn rr) x

n., ihfi (li/» (UèMjjs k. , zie hoven. — (agt;u rr} \\ zie hen.

o , o

asmtinn. , asni^ar}ji\\K.i nsmj ni2kl)., (Hi\'n\\ lt;hi

wri\'-m(M/j\\ iemand iets voorstellen, in

overweging of in de keus geven {org.

O 1 1

— nui of aSnasnifyithn/js mi ibii

raadplegen, raadplegen met. —oji ihjn]\\ ojkhj(uith^rjniivoorstel, voorslag. — (ui inn ij \'r) (hiji\\ (ut (is» rj miujj \\ iemand dien men voorstellen in overweging geeft, raadsman.

aw rp ook ifl^\\KW. zva. boom, geboomte;

ook zva. tj cni2ti^i2\\ of (yurj iiit anj» (S/cr.

t ar o e, een boom).

rti?rn\\KN. naam van een kleinen zeevisch. Lu^riaji \'ri\\ de kleinste soort er van. i n -flcrn (rnj \\ een grooter soort y gelijk spiering. lt;Lgt;n - f! en gt; lt;rn \\ de grootste soort.

Q Qv Cl/ (?)

di»/ trt\\ kw. zva. tui on x (i/nrtn\\

(i4»» quot;yj \\ kn. gelijken op een ander , hv. op zijn vadery ook nog eens weer doen, hv. zooals vroeger, A. «i»»di»»^n nadoen; een ander navolgeiw/oor^?-lijk te doen. — mi ^ \\ iets nadoen, gelijk doen, navolgen , namaken (vrg. ly iu\'Ui^\\ iun£i \\ en nrj ri? trvi). — (hn rj r)i hu ~jiirj nm gt; ïV/j nabootsen.— n?n

rjni (hnjl\\ nagebootst, nagemaakt.

o r*) o

lt;15^ ni\\ kw. zva. lun cu) ^ n (iji »l»(ijiji isr^ vtj (kqjjiamp;i ui/j, ,is^rn kn. naam van een hoorn, eene Papilionacea, spec. div. (iswnrj«s»»^ \\ toeri met witte bloemen, waarvan de hloemen, als ook de vruchten {lange dunne peulen), als groente gekookt en gegeten worden, -nnrr»n toeri metroode bloemen, die hitter van smaak zijn en tot medicijn dienen, (ki innasyns hen. v. d. punt waarin het voorstuk

v. e. aw \'amp;i uitloopt.

i O rt o

asr^ \\ 1. kv/. zva. i i z. , asntiniBijiK., ajtijnKI., slaap; slapen; slapen gaan, te rust, naar bed gaan. — (»^ »^-dlt;?\\ tin if n^\\

slapen op o/bij. — if nit tw ~/n rj wn onvjiii utitin^ gt;i7mijquot;n(hii^jii7jinn\\ laten rusten; toelaten te slapen; te slapen leggen ; neerleggen om te slapen of te rusten ; iets ergens plat neerleggen. — s O

nst^nyntMifj of asuasr^ri\'rii (hi/f\\ a. irj m(lunaji^ om te slapen; liggen zooals men zich neêrvleit om te slapen , doch zonder te slapen; in een liggende of half liggende houding rust nemen. — inidsri rj-m (hfi/j\\ \'h ii tiiti a j £i (hnji % itirn rui oy ni m/t mi/) \\ door den slaap overmeesterd worden , in slaap vallen ; zich verslapen {vrg. imiajritLt^idnnjj). — ajju^ijiu ihdjix ^ \'U (\'J ^yiN ^ 7\'r) ^ w n slaapplaats, bed , ledikant.

.19^ ij n \\ zva. isr^ijri)\\ zie hij isij nn rj iibiii ijnigs Port. toro, tronk, nrr^ rv)^ if asmnrj ■r)2\\ N., r»hj^ hij ij (^12rj-m\\ k. , ook enkel vjasn2 ijnis zva. ru^v»no rui \\ een lange kiel, zooals de knechten in dienst van de Europeanen dragen.

\' quot;) o

(03?^n KW. zva. asij r^Hi/j en isikijiiuiijj\\ KI. vaniuncuiw

{vrg. irj(rnna^\\ ifcgt;u { ij i.V»g(kaernrjaois iemand van

een hoog aanzienlijk geslacht, (Eilt;uilt;1/1^1x1^

iemand van de familie van de Madioensshe regen-

ten. — (anj? 15)0eva.

O O

(tni t» ^ nkw. zva. (ui7j (^12 jojjs

ds») f \\ KW. zva. cry (Hjj\\ ci/n rj (vjii 2{\\\\

(£,?» tbn ^ zva. crur»»crr)rii\\ ? Tj. O /. ^ 0 0 .

(htin^^ o/ ^is^ MKW. zva. (ijr^cio anjjof cur^cuiiiri^uiciJ^K

0000 . .

en [opj {^ \\ zva. cui^ tiet ^ cai ri ivi w j\\ {vrg. ^);

kn. zva. asnaj^^ en zva. ij ni ijcrn of cm mem nis an 11 ^turi 11 foii/j de wereld iu onrust brengen. (hii n% \\ 1. KW. zva. claotis kant, rand, oever, schitterende knop, hv. op een torenspits; rand of zoom v. e. kleed. {Skr. tira , oever) ; volgens G. ook hoofdsierraad. nPiKHiaiïi\'n^ omzet hv. met edelgesteente, W. II, 164. 2. kn. tot horstel van zijn gezondheid naar een andere plaats of streek gaan. — (Hirn%(unrjnn\\ iemand tot herstel van zijn gezondheid naar elders doen gaan. — 11 ^\\ naam van een hoorn, waarvan het hout alleen tot brandhout dient.

119\\kn. overschieten (vrg. cn^ ui^). — asr^nqivn (hi/j\\ overschot, wat men overhoudt, wat er van iets overblijft.


-ocr page 469-

389

nrj(bvri(un(M/i en n. v. ^bvj^\\ üöAquot; urn Mj ^tuKiyn lt;ifli nsijj water dat afdruipt v. e. doorgesneden tak, llh. kn. water waarmee een kris ufgewasscheu of waarin een amulet gewasscheu is, e?i dat lot tnediciju gehruikt wordt. ki. zie

(J5^ ^?N 00b zva\' eeu straal

water over de hand gieten om te wasschen, hv. vóór en na het eten. (Si isr^n^^s ki. va7i a^cuiij^s zva.

ryinJifls — ^ met een straal gieten begieten ; eeu kris, nadat men hem met arsenicum ingewreven heeft en met de punt naar beneden gehouden , met water begieten, zoodat het er bij langs loopt; ook een ziekte door besmetting overplanten op een ander (vrg. x^nx/t). tmasr^ ny ^door besmetting overgeplant. — (Ki r^tun\\ iets meteen straal begieten met water, zoodat het er langs of bijiuer loopt, fw. de handen om die te wasschen, een wond met iets tot genezing : iemand besmetten met een ziekte. — ^ chu\\ iets, hv. water, op iets met een straal gieten, zoodat het er bijlangs of bijneer loopt. — of bihinynyt in MTjjs waarmee iets begoten wordt, 0/ om iets mee te begieten.

^ {ibiy (lii kn. de drie drieën, drie vieren, drie vijven en drie zessen, bij het dobbelspel liet (Fransche t r o i s). (iw (rn ash * vn \\ spr. voor bijzonder geluk hebben, bijzonder gelukkig zijn.

CY ry W

mi an n zie w iiut m ij tun \\

am iünw

zva. KN- llct nederdalen, ne-

derkomen, afdalen (zva. overgeërfd,

van iets dat van ouders op kinders overgegaan of overgeërfd is, zooals een kwaal, gewoonte of regt; steil, sterk hellend, van een dak\\ verder n. , £h iniHï)jl\\K , isri T)(Kriji en afstamming,

nfkomstj afstammeling, nakomeling. .15^ttS nm. v. e. Tclein op zich zelf aan een tak zittend betelblad, dat zeldzaam is ; en van een haar-kronkel op het bovenste ooglid van een paard dat een slecht teeken is {vrg. asnnnqrvjz). iMiHvasr^ny

O .,00.

W(Ul(ij}jl\\ een stijl van een huis of pandapa, die niet zoo zwaar is, als de balk {irjri im), die er op rust, ook een slecht teeken. — »

k. en ki., naar beneden gaan of komen, neerdalen, afklimmen, overgaan op de

kinderen; bijdragen of te hulp komen tot het ver-r \'ujten van werkzaamheaen van hel eéne dorp of distrikt aan het andere {vrg. aytj ^ wjj).

(Hyj of (isn Vj njmjj\\ ook een jong kuiken , dat pas van het nest {de i/insti^ajion/js) .naar beneden komt. tsiji rr^ (fflf tamp;lj ^ (tojfx rtsn (in Li n.jï (uvji \\ ook wel fijgt; lyy^kiciJt nnjj^ van geslacht tot geslacht, van ouder tot voorouder. — ^anjj\\N., iodj) unji k. , iets afschrijven , copiëren ; namaken naar een model \\ overzetten in een andere taal, vertalen. —

kn., andnk. en ki., iets afgaan, hij iets neergaan , nederdalen tot of op ; een ander dorp of distrikt bijstaan of te hulp komen tot \'t ver-rigten van werkzaamheden; op iemand, hv. zijn vader, als een copij gelijken. — ^ tkl

(WDfriMH ihn/j\\ doen neerdaleii o/neerkomen; doen copiëren; van zich doen afstammen , de stamvader zijn van nakomelingen ; nakomelingen verwekken \\ iets door overerving doen overgaan op zijn kinderen of nakomelingen. — ^ ^,wgt;

iets dat nedergedaald is ; eeu afkomeling van een hoog ere landstreek; overgeërtd; afschrift; vertaling; geslacht van nakomelingen. iuh^ti0\\ vier geslachten. — lu tsn 1^1x1^ ik mil 0\\ naam van een hem door de goden geschonken kris van Klana- Toendjoeng-séta.

.is^^NKW. zva. (vjj, Ktji ihtijj en (t/n nv^ {Skr. trlt;èna, gras; of grasachtige plant), asr^ »y 11^ njj \\ allerlei grassoorten en jong loof, geschikt voor veevoeder. asiyKjtvljn\\ eigennaam van een Bagawan {Skr. Trënawindoe. pk.).

(rt^fla\\KN. in evenredigheid klein of te klein, bv. van iemands be enen of de deur van een huis.

(ut) 0f \\ kw. zva. hn \'M/jn ^ w*\'/ *

tpj!hiji en iiamp; ult; un\\ {Skr. t ar 0en a). 0.ruity \\ 0 n (kï) (isnji\\ 0;rhiiójj\\ en 0(iPn iK^ i^rj \\ hen. van troepen. Zoo ook 0jnifotiiiw en 0 w r-» rjw

naam van een klein venijnig soort van slangen. 0(rj x.r) rj nn ïoijj 0cr} tn anjj 0 tj w rj ,vjn \\ soorten van slangen, C.P. — lt;151^ ^iti^hnkn. zva. dyntfiHji ifjjhjjiiJ■in\\ nog jong , van de bladen van een boom.

kn. naam van een kleinen watervogel met lange poten en snavel, die een trippelenden gang heeft. trippelen, van iemand,

die een trippelenden gang heeft.


-ocr page 470-

•i^yrwiui

dsn rria:pt lUft

Ob- ^

tun nn iwji of ajt n vm if yi km. een toespijs van fijn gehakte tj in rt rh 2 iimaSSji of huajt met samhel en kokosnoot gemenjd j deze volg. llh. uni i rn of iftJi? i\'j) \\ volg. llh. is asrt niijfn (Eyi in reepen gehakte jonge mangga met sambH kemiri gemengd.

iHi\' f 1 i7)n .11/i\\ asvnr.m (tin zoo bereiden.

( i \'I a* ^

- ) - n

itisnrnis o iui\'rtirni\\ en iuji ijn \\ of vj r:n\\\\ kn.

KD (i 4 oh O oh- J oh

doorzigtig; galig, v. versleten sloffen {vrg. ij wtj

if (-quot;j); opengewerkt, zooals een van roitan gevlochten zitting en de metalen rand van een blad. —

iLn oït/j of in (ook

Men.) opengewerkt.

gt; Qv * o Q. o ! ,

hlh,i:iii\\ o it,rrnr:in\\ en ao) 11nnn\\KN. vluir en los

v _D oi J Oh Oh b

van beweging van de heenen en van iemands gang] ook een soort hamhoe, C.P.

gt;rjyiwvjirm\\Kti. \'Ut(iu j0 de tijd dut de zon boven de kim is tot 8 of 9 nnr, WW. volg. Rh. mooi weer, niet regenachtig.

!quot;_!//en quot;f quot;,u,\'fü

van plaats tot plaats, van dorp tot dorp of van hnis tot huis gaan, op zijn togt nuhier dan daar stilhouden of vertoeven, van een rijzend koopman of een reiziger voor zijn genoegen.

O O

ap fóiwjlN Lp \'ff Hj. w/jx Tl), zva. niy ihnjjs isrj iij cmq \\ freq. van htyj^ (jn \\kn. ; ^^mj) naar

vervolg, geleidelijk, afnemende, kleiner wordende.

zva- hand aai1

hand achter elkander gaan ; w/j ook

achter elkaar gaan hv. v. -paarden die aan elkaar zijn vastgebonden: ook onmiddelijk op elkander volgen , bv. van eijeren, dag aan dag na elkander door een hen gelegd, en van kinderen, jaar op jaar na elkander geboren.

ilii *quot;gt;)(yin)\\ zie hij dsnw

00 j . \' (1 o

verbastering van mn

WQquot; 00^ 66,1 l)re8euteerblad

van gevlochten werk va7i metaaldraad of rotting,

of ook wel van (mioxiw en

1^1^ pi een bijzonder soort van koe dl en loeké.

ri^uti^\\ nm. v. e. tro mm eivormig instrument. Zie

rj^nj ftQ2\\Kyr. zva. *5^ y ^gt;7 rm —

ATI any \\ beschenen worden door een glans zooals van de zon of maan gt; ook fig. zva. h n rjasn 2 (hi/i zigtbaar, duidelijk worden (Men.) Rh.

tf {iLjU^v ij cmi i trujjsKH. ii?t nsli een soort kuikens die alleen vceren aan de vleugels en rug hebben; ook fig. berooid.

- O

iibi^Km ^ \\kn, ; \'Xti a^rm of tint asr^i^rien

(un\\ iemand of iets aantreffen of toevallig ont-moeten (vrg. ifai(ui}\'f i\\ en Ini i\'i ivj vn/j).

iisy iMihJjP kn, aanvulsel, completering, complement; een keg, die tot aanvulsel en stevigheid ergens ingestoken of ingeslagen wordt.

iv,n rnt kn. — (in rni\\ iets op ongepaste wijze doen; zich ongepast in iets mengen, bv. in het ge-sprek; zie trni en rj rm w mIihjigt;\\ks. verbrijzeld, vergruisd; fig. van het hart {vrg. tu \' en njt ijt UD/j). — rjun^

het hart verbrijzelen.

ryn\'^J quot;f \'\'5rKN-:

nsy \'HJjj\'KDjj roekeloos, ongegeneerd, vrij

postig, zonder zich om gevaar of verbod te bekommeren, bv. ergens binnen gaan {vrg. io^\\). [nsyagytKn/j kn. (hfjjjunjj (hjjjnrijj\\ onvoorzigtig erg. gaan ; vrg.

iunjjs 1 zva. ook zva.

ij ni ? IJ MjjjiMiij, W W.

KN\' — onbescheiden, oube-

scboft zijn, meestal met woorden,

(tsnninrfrjsKN. — wnayrjs lichten, schijneu, Tj.j zie rj

^(rt5»^?\'^fm7?\\KN. — rj(r^ijz\\ v. e. licht schijnen

door bv. de hoomen, de wolken enz.

zie \'rijjiqw

NKW\' ZVa\' — (È7) Ojj { N KN. ZV*

Tj zie !NN

^^?^flji?^KN. 1. lek, lekken;drup,doordruppen, door een lek. 2. (is^^^ki.) telkens schelden, al* tijd met schelden gereed zijn. — 77 plek

ken , druipen, van zeere oogen. — nm ij (hJi 2 f tun arjjp van de lek te lijden hebben.

uoji of kn. hoef van een beest, volg.

ZG. 1872, 104, ook ben. v. d. pennetjes die de toetsen der ganbang tegen heen en weer schuiven behoeden. {ar^hjuhn^ \\onbescheiden o/onbeleefd ziju door iemands hoofd aan te raken; ook zva.

©quot;0,W

palissade, paalwerk, in een regie lijn op korte atstauden gezette palen, zooals tot een

O


-ocr page 471-

391

/ O

oisr^ ,un

sckoeijing (vnj. palissu-

deruu, schoeyonj iels zooals een heining, iu een regtc lyn Uigt aau elkander langs iets afzetten; ook fig. als opschieten, uitbotten, boven

den grond uitsteken en bo. v. wenschen of plannen iu menigte als^^KH^N

— nyiM^d rjgt;sj)2.Hnji\\ niet keurig zijn op het punt v, eten; van alles lusten, van alles eten, ook fig. op het punt van vrouwen. ^^(bï^K-N.; ontglipt, uit

de handen geraakt; zoodat hij het niet meer in zijn hand of magi heeft, ook fig. zich verspreken of vergalopperen {vrg.

mniirj-H ijMmsn/is wrj-r) ijitJi zva. nsnjj

if w ihi^/j (Tj.) WW. amtjnrt riaj}asn/i\\ tp. zva. \'M ^ lt;c» ctft/j \\ Rh.

tj^yTjhJitastt^KU. {freg. v. rjwd tj(tj)2(isnjj ?)

jjiKniiisiy]\\ onwelvoegelijk in spraak of taal, WW. tj / !b^? rj (#0) t iTJJJI \\ zie (U) Ij Tl t gt;1 IhJt 2IMJI \\

iisr^ zie ^hJ}7ujj\\

M dJijj^ kn. ; Mnoveral met scherpe punten, zooals van spijkers {vrg. tbiyij) \'ui/j).

O / Cl i O

ib» lt;»oï (i^\\ ook (ïoï lt;i7i (/j) itnji \\ kn .; (tn (Lgt;n iisn hji u) ujiji en

.isr^dj^h) prikkelend, zooals champagnewijn op de tong {vrg. j ook prikkelbaar, ligt ge

raakt ; e?i in menigte met de punten in den grond gestoken zitten, .zooals van horangs en de punten van pijlen {vrg. (Kn r.njj en ha/j); ook fig. diep

ingeplant, standvastig; verder ^tLyj KW. zva. (K^7j i{ji en (hJjj ij ii^/ja-Jijj bv. 0,r.ti hj) i/n

aS\\ iem. zonder zich lang te bedenken «y»lt;wl noemen, W. II, 80, Rh.

* O O y. O O

of obn nik» cm/j\\ en ernjj of lt;b»rn(W)

, . o o

nrnjj\\K.n. vlug er tegen op. — i^na^cinjj en

vmjis vlug en flink er tégen op loopen of klimmen.

en am/ls hetz. ook vlug

in de hoogte aangebragt v. e. slag met een zwaard.

Men. v. velen, Tj.

O CJ • \'TO

(rryi of astininmjfs zie i^üarn^ zva. iUjjjs

nsmtrj tLn\\ voor tj .t/n

^ rj w 2 xrnjj \\ kn. — ny jji t vryj gt; mengen, ondereen mengen, rj lastri rj ut t irr) onjj\\ gemengd. — vermengd raken.

\'isnws of (hnihnnkn. vermeeuen, vermoeden, verdenking , en zva. (ia^\\ pretensie tegen iemand, o/wat vau iemand gepretendeerd wordt (Skr. tar ka, vermoeden, pk.). — (Hi hv \\ iets vermeeuen, vermoeden , vermoedelijk voor iels houden; verdenken; omtrent iemand iets vermeeuen of pretenderen, zva. (un (KiiHjj \\— jo k» ui) *jh n to) \\ omtrent iets een verdenken hebben. — tui (in do) \\ subsi den.; ook beschuldiger.

\\sr^ jo) \\ yïr. is V. kn. Turkseh. y l»2^ ii?t)\\ een Turk.

[vpj jo)\\ of iüi) no)\\ en (L,n^)^)0)\\ kn. in een bosch of onbewoonde streek zich vestigen om de plaats te ontginnen of tot woonplaats in te rigten; kw. gehucht G. {Skr. t ar o e k a, beboomd, van m) Vrg. (vo^hr^^). — ergens zoo zich ves

tigen. {zulk een plaats bewaken. G.)—^yioi w/j obj. den.; mv. v. nn \\ ? W . 11, 271. nsn•HTjjjnkn. onthouding van zianelijk genot, zieh van zinnelijke genietingen onthouden {Ar. tark het laten, het nalaten Vrg. tin cm q).

nsn*gt;7 xnjj\\ kw. zva. n /o) cv^o \\v. e. sterke bries; (CLn^vn-Ti0 een hevige orkaan; als uitroep: trek! ook wel scheepsterm bij roeijen: zet aau!; aftrek hebben, gewild zijn, van waren, zva. / u rn tj)jj\\ jo nhnjjs trekken, met zich meetrekken, fig. zoeken over te lialen; voor de regtbank trekken; iets, zooals een revenue, trekken, innen, ophalen; iets meetrekken, A. 44 ooti ifn?n zva.

?; fig. voor iets ten gevolge hebben , als gevolg uit iets doen voortkomen {vrg, tun an iicj .v,njj en un

tj amrj jo); en ki. van {ook ïoel als k.).

o o . ^ G) it

(hJ) gt; iu) nsri u) tUj no • r) un ibi) :im u) i^o Uw

Hoogheids gunstige hulp, in het belang van mijn persoon. ihi)-iï ioii)£j.\'f])(njj\\ van weerskanten trekkeu. .io)(is)irn.nn ^è.*o)\\ als een gevolg voortkomen uit iets. )0) iihn \'7i Jfrjuun • n joijj of nn)f,hn 2 11 itff^nsn -ti om/j \\ getrokken of gehaald. — 00 ■ o )oj\\ meervoud. iis)) oo^no/j\\ (bnaj^ju/j0 trektouw? M. 2. hoed van gébangbladeu ooi dj)); een göbaugtak met bladen in den vorm v. e. zonnescherm door CP. omschreven y oj) cm an tj ^0^2 iu) trnjj iisï) 117c7)jj\\Kn.; iioTi unjjsKii.; regt op iets aan, tegen in of doorheen, loopen, stooten, vliegen, stroo-meu, waaijen ; iets niet ontzien, trotseren; een gebod overtreden; een eed roekeloos schenden {vrg.


-ocr page 472-

\'TTW

O n

31)3

^lt;èc). 0tijjrixl\\ roekeloos teere punten auuruken. 0ijlt;n au} lu^ (föi arijj met opzet een strafbare daad plegen. — wi ihn n-i pass., ook een ongeluk öf kwaal beloopen.

ism\'v? kn. 1. naam v. e. soort eetbare trekvogels {met dikken kop; volg. WW. een soort zwaluw : volg. Rh. onze dikkop). $. ijtij) rjanrn0\\ ben. v. e. geregt van dentfeng met geraspte kokosnoot {volg. Rh. gebraden met klapper melk en andere ingredient en).

lisrj njihiijis gemeen woord voor ajiiLn ^no2 ujonjj\\\\ 7^ eCn ëezwe^ ^ies of aan de dij bij

de lies, een venerische kwaal. — 15^*1 nyi\' aan zulk een gezwel lijden.

.15» am \\ zie \\M)jj aai n\\

zva. asn/rj

,isnt)n»mq\\ Ar. kn. handelwijze; wijze, waarop men met iets handelt; wat iemand verzint of als middel tot iets uitdenkt; kunstbewerking amp;flj^lo,wegj pad; handelwijze. Vrg. asnrj(ini^ en ifnxmi). — (HTrfnumtmet iets dus of zoo handelen; op of tegen iets als middel bedenken a/quot;verzinnen.

itbtithfr) 1.7/1 n kn. naam van een boom en van de bloem

O Oh

daarvan.

(V

CY

(Tj.) - axiKT^^s

iimtjniMtiAr. Jjij,^ , kn. de weg der zaligheid, de voorschriften omtrent godsdienstige gebruiken en ritus {vrg. «snwow»»?). volg. C.P. de 1ste trap van godsdienstige ontwikkeling v. e. Mohammedaan. n^if-riKn(hnjjs Ar. kn. togt naar eeu heilige plaats, zooals naar de graven van zijn voorouders of van heiligen , om daar de een of andere openbaring te ontvangen; zulk een togt doen {Ar. gt; een

bij nacht).— iüii *quot;n iuh \\ tot zulk een togt,

zulk een togt te doeu, óv.

zie (Ktiahw

ct O /. O n (P) vquot;)

151^ r/lt;10 \\ kw. zva. iOhtUM/j of (Di VU (KI M ^ y (hJ) (KI

o

(^ï^n aj^(KJi^\\ (ui](^jj-ricmji en nv^nj^cG}asnijs sam^ui n iisr^ni (ia \\ hevige liefde. — iwasri\'yidci (mjf\\ zva, (uii (kv qun (ynjj \\

Sni tun \\ kw. zva. xrt) tnjjj\\ tun (ui \\ en (vi asn oji tm/j \\ (tikr.

tiréa, een water; eeu heilige badplaats); oo£ wtf/

O - a/\' Q/

voor oj mh (E/i. (tin nsn ern ifji ^ en (isn (irn (rn m

Ou o (O

(hnji\\ zva. (bii (L/i(wn (H^asn ~fn(Lm (ijn\\ en ilh oji tE^ .i;}!

0 cw

(Fjj iun \\ iu (hu nsn ihnjj zva. (Ui (h,n (L/i(Hyj\\ nji iin

nui ten iii ri \\ aj} (inji dJi tj lt;v)t? (iij(uui(j/jj\\ (irzifwny

nii ^\\KN. een geregelde volgorde, goeden zamen- | hang of proportie hebben ; langs {vrg. ^ ook scheepsterm: houd koers! {ook /j).^

n^Minrvtden weg langs, al gaande onderweg. ! uw^ 11 ihnjj\\ volgzaam, inschikkelijk, gewillig, gezeglijk, gehoorzaam, vooral van vrouwen en kinderen {vrg. nrr^vj nm(Hi/f en (amp;i (i5»^\\). — ^ ■r^ü^N iets volgen, langs iets heengaan, loepen of klimmen ; een weg volgen of houden ; zicb honden aan een bepaalden dag; een voorschnfl of model volgen; lessen of een raad volgen; naar een verlangen zich voegen; iets inwilligen; regt door iets heen loepen, tux Tj te\'wjjis een waterlei-.ding nagaan, om te zien of die overal in orde is. (hnlur^/j—0rf(umtE){\\0(uniti.i(KAjj\\de huizen, de bosschen langs gaan. — ^ ^ ^ X5^J\\ P0^- zva.

rrjjasnjj\\ — ^^afli\\ iets volgen of navolgen; (i^uaschrijven;G.). inwilligen; toegeven. — ^ iifl) 7j (uii \\ iets de rigting van iets anders laten volgen; iets regelen naar iets anders.— (isniiii^ (uin \\ iets om er langs heen te gaan en zich aan vast te houden; gehoorzaam; vrg. nmdr^^ryhiijj^ iets dat men te volgen en daar men zich aan te houden heeft, als voorbeeld of voorschrift. — (u isr^i^asnjis zich er naar voegen, niet tegenstreven] inschikkelijk; inschikkelijkheid..1

N 011 z00 vervolgens. — (éiasr^n^ani^ zich naar iemands verlangen voegen; gewillig gehoorzamen {vrg. t:rn -n en wiHj^njj). — (M osij Tj

o 00

tifln zva. Kj Ti w — (Ei .lt;5^ a^n y (un \\ zva.

rtgl /ƒ (Ul\\ w

y nsn i ij Ti Mr}ji\\ Ar. fojy » we^ Vttn Mozes,(lc Pentateuch.

,v,n Tivj (vgt;ti \\ of tj nni \\ (iiirj ryi7i asu \\ B. v. 13.) kn. naam van een waterplant, een soort van waterlelie of lotus met rozeroode bloemen Nelurnbiuin Speciosum Wild. P {vrg. isr^nhn). — ibn n tj gt;i n w

(Hi/j of (O^rjasii(Lit(hnjjs pas beginnen te loopcu, van eeu kind van ongeveer negen maanden, begint met zich te oefenen in het loopen , door zich aan het een of ander vast te houden ; ook weer met behulp van iemand beginnen te loopen, na een verlamming {vrg. rj(i,u (bn^(im(}nj^\\ bij \'/ \'tj nsn (L,n 4).


-ocr page 473-

a/

Mil (toil au \\

rwinsri «\'^KW. sva. iuiiuim/i oiijjs of iui iui«n-ji ivinui

! \\

anp (vry. nsnitsn).

Miiunm of

jiaam van een soort van Hpperi. G. .SiiMimnpKN. — (Tj.) =

...an t

xnijs bij asii nsiHMjj\\ 1.

^asn a^JI^ (ar^dsii (ijji of (nr-rnhii (Mjjs zie lij nsri 01,11

(K»/j\\

(y \') cy n . n Q ibinisriiMJJ^ (HKbiioJijis zie ibii abri(M/i\\

^(éiiiMji of (isti quot;-n ash (M/js zie hij asti foil a^ijjs @yasyaji/j\\ KN. een zeer Hein soort van aliekruikjes of zeeslakjes, die gegeten worden. — 0f w

overa^ ^l,1ë8 gaiui» meteenig doel, bij alles {öv. bij alle huizen) langs gaan , een gehecle plaats overal doorgaan, bv. om iemand te zoeken; ook verder naar elders doorgaan met zoeken. Zoo ook asn iamp;i asij rhi/j\\

ij ihirtjihDiJij) zie bij (rj asn yj asn O

zva. asijii:ni ui/js — \'by asij a hljj \\ KN. de een na o/aehter den ander.—(jhn asy ii^i \\ achterop komen, onmiddelijk een ander volgen ; iemand na iets anders onmiddelijk daarop iets anders doen. ij((i^2 ij •(•ii2(m/j\\ ij rj (bin (Ki ^iini/j\\ zie bij ui ij-m ijtwidJi/js

quot;) , ■gt; o „ , quot;)

ibi^asn aj^jsKH. 1. zva. (iibhiisii\'i-Jiji\\ z. zva. in^asii ojiji

. ) O O

en (K)tei^aji/j\\ — muLu M/j\' zva. [ölt;iasiiaJin\\ —n ^ O ^ i fell oji (mji of om oji bn iui ^ i hiji\\ de onderste rei

pannen of atép van een overstekend dak.

O . O

ibfj ihii m/j \\ zie asn asu \\

m ti ibu (ui/jsKN, 1. tw ri mi aji/j\\ al voortgaande op de dingen, die men passeert, een oog si aan er naar gluren, {vrg. hjii/fp njijj). 8. volg. Rh. een schelj)-dieVy dat zich aan de romp van vaartuigen vastzet en die doorknaagt. — ibu (ui Si (mj \\ van dergelijke dieren te lijden hebben j uitgevreten, doorknaagd.

Cy

mn asnzie asn

^iisn amji of iisn m asn mi^ kn. een vlak dak aan weérskanten en vóór aan een pandapa, van gevlochten bamboe of kadjang , of ook wel van ko kosbladen, gemaakt \\ een tent of tabernakel ( b» xwjf) met zulk een dak. 0\'~n^asn^\\ zie \'n !j,isii/^ — iwasnrms iets van zulk een dak voorzien.

\\^(isnzie bij am (unA\'!njj\\

(imasnarnjj^ ast^asharnji of uui ajijj kn. in goede, geregelde orde {Ar. L ^ iv^j} ; ook goed geborgen of bedekt, zoodat men het er niet zoeken zou, of

zoodat het niet gezien kan worden.

*C) 1 o o f )

oj ibn\' n iK\'i fj\\ 1. kw. zva. (rnnKKijjs ocr^ iu (Kt \\

en vn ijp tiJi/j\\ {vrg. asn ki/j). —atnlOsi^n*/)

mn asi± nj) ^A(ifi/j\\ — fim asn oji \\ KN. zich i n

iets te buiten gaan, onmatig zijn {vrg mniounjj

O

en iin irv}iuziHn/i). 2. — aaniaj]^ voor de eerste keer bewerken bv. sawa/i s; een vrouw bekennen, enz. — ^asn^Ji (hiobj. den. lib.

.1573,7^kw. zva. eni ria^/j {vrg. — nnihn

n n )

lt;K\')(hnji \\ zva irn ri mq en noi ui if ui imjj \\

of iQi kn. door, doorgaande; cloorheen,

door eu door, regt door j doorgaan , vaststaan, iWM den wind, als die niet draait of liggen gaat; juist, zonder afwijking, uitkomen, bv. van een droom of gezegde; juist, zonder afwijking, overeenstemmen met iets anders {vrg. aTnamMjjs 1:7en x quot; ^(kij). ihii quot;i^ M) 3h uiuwi \\ van harten gemeend, hartelijk. asiin^^Sn ^tun\\ zoodat het binnenste met de uiting volkomen overeenstemt, onverholen, uitspreken. iUi ^ ji^is doordringend van be

zigt {van een groot ziener).mi i^j) gt; er doorheen gaan of dringen. — dnnyhi^i\\ op de achterzijde hetzelfde figuur batikken als aan de voorzij. — ikii iisn •W -f# (ui /j ~ (101 asij lEj w (injj zie bij (liry (Kjijj \\ — (Hi /Ki rj un \\ 2(7^ regt door of doorheen doen gaan. an 7.; ij im i3hdm asli ^ iets welgemeend en van harten doen o/* laten geschieden. — ihn m een regte doorgang; wat regtdoorloopt.

ru 1)1° een achterdeur — (ui üj mji\\ een kleinere soort van bona 11 g, (g 611 d è r W W.) en s a r 0 n, die de groot ere accompagneren. — o lt;/V 1 t* (m \\ accompagneren met de \'Uinj 1^1/j\\ Tj. — tuiiy r^Ki^ ïhi/i^ doorgang, opening van het eene einde tot het andere, een weg die doorloopt.

i

^tsu^oj) n. , \' hiirjaym(M/j\\ k. , t r a s s i e , gezoutene , half gedroogde, fijn ge stoot en en tot koekjes gevormde vischjes of garnalen, tot piquant e spijsbereiding in gebruik, vooral bij de sambH.

O „ O

oj) \\ kn. zva. [jij w w o

asiujzte asimiw

as}i-ri(lui/j\\ asn i^(Myf\\ zie o^ki/js \'^j 11/j\\

asn iiJi i- in\\ kn. — (Hi (U ii^yi\\ de schors van een boom {voornamelijk een djati.) in de rondte uitkappen


-ocr page 474-

(bn\' n ij iUi q \\

o o

ILgt;U

3Ü4

om hem te doen verdroog en, en hars ting te voorkomen bij het omvellen (Tj. v. e. nangka).

o o o o r» o.. .

lt;ii»\'rï(i^\\K\\v. zva. asnnn^(io}\\ een soort

van kleine, gele kokosnoot. — anniaJij}^ zva. tun o o o s ,

kn. ecu arciiboom of talboom, B. T. Dj, 115. w0 zoo dik

als do stam van een kokosboom.

asi^iwji kl van \\jr^(iAj^\\ en itr^aA^^ en van /wt^w nsnniaji^a(hiji\\ om te wateren, in rjiw irf\'r} (^ nw KI. een metalen waterketeltje ,

om zich na gewaterd te hebben, af te wasschen [vrg. tj (/o) tj ut i itfn/j); ook pisselings bij stralen langs het lijf loopen o. zweet. Bab. P. II, 70. — oj}*^ kn. een donderbus {Ml. p a moe ra s. Vrg.

^ n} c3? KN\' van een ^üom of plant afgesneden stek, om ie planten {vrg. no) tj nm Hriji). w (ét (CJ (mji de stek van een dëmangsehap planten , een nieuw demangschap installeren. — N

stekken snyden. — als stek geplant.

(Qibi0 (i/niKjj^\\ een nieuw aangestelde dëmang. q 1. WW.?

asrj^\\ ^ en liefde, genegenheid, lief

hebben , beminnen, toegenegen zijn; {Skr. t rësnd, dorst; verlangen. Vrg. a3f\\ lt;iynj5!f\\). — enz. liefhebben; zijn liefde schenken ^w^ok zva. (H^rjnidihjw (^nenz., pass,, en liefde, waarmeé iemand bezield is. Zoo ook (nn ^^u^ (hnjjs enz. wgt;e/igt;hij0\\ liefdebewijzen ontvangen.

(isr^ o?i \\ Ar. Duuw jjln • het gebergte Sinaï.

(Ty **

Ly#,2o/ri\\KN. teeken, voorteeken, bewijs {vrg.

\'Cu

ij tim 2 py) ben. der naast elkander schuins of hellende over het lijk geplaatste bamboe\'s, om het

lijk in het graf van de aarde te scheiden, C.P.

o . | .. o

zie bij (AsV^w

nsnlt;vA.ifji\\ zie bij oj) tEJt a

arriji of lt;mk.n. bamboe pagger of omheining; opstaande rollaag v. metselwerk.

671 ,Ü?SNKW\' ^ ^^ of Wjj

.o ^ gt;. (iS/i\'r. to e sta, vergenoegd). 2. of

rjijs een opening of gat ergens doorheen; TJ. Sengk.

negen {Skr. tr oeii) berst, scheur, pk.).

\'ie 2\'

*5jj,i|\\KN. ongeregeldheid, onrust.

o *

O\'1

o\' -quot;gt; O

(ib^ONKW. zva. mi inn (hvjj\\

tisi) 11 rj «J) j \\ of (bn nrj \'Di { \\ i » KN-

va9i luidruchtige gebeden in de lang gars iu de voornacht, na het gebed a?i(M , in de vastenmaand, waaraan ook de kinderen deelnemen; die gebeden doen. — rjil»{cun (hnjj\\ met elkander die bidstonden houden.

nat gt;tjt am (tnjjs

U)

zva. iHllfoiKDKlJt

\\asr^tvioprn\\ kw. zva. nsn

ibii (Ut h3t \\ zie bij utitjt »

on .on

löst^dji f i \\ zie tbti (ut {lur^iehw

,ns)^iut(t^\\Kü. naam van een kruid, waarvan de bladen e enig zins zamenirekkend van smaak zijn, en

dat tot geneesmiddel gebruikt wordt; ook zva. (Mj

o o

(vtiunfls — (iH^tvtM ^A.rj(Hv\\ zva. a/n ^rurjami^\\

- O O

Of IH1 Ut (Ui ^ylW

iSr^\'iJtitvi/l en mri^t^iut(ru/i\\ kn. te zoek, te zoek raken, van iets waarvan men op het oogenblik niet weet, waar men het gelegd of geborgen heeft {vrg, hn(tfltajjMittj en ^wn(itpnnji\\ bij ^(un(itp\\ 11.).

s cy .

ibtirj gt;L)t .iu of ihn tj vt itb)\\ zie vjOJtrviw

nsprj(Ut friQ\\ of Qrtrj tut ru^\\ kn. konijn. — (tp rj ut \\

zooals een konijn, met oogen als konijneoogen. [nsj^utarrtji ihttn^iutcrrtji of /utertyj\\ kn. onrustig, van het gemoed, WW. (kt^nkw. onder een menigte menschen zich meu-gen, zoodat men niet te zien of te ontdekken is. G.

idsiï ün of (3trn(ut\\KW. zva. tutajt \\ en rj o cm {freq.

O gt;

van (bttiót). — lorjf.ut\\ of iktnrtajts KN. doorzigtig,

doorluchtig, met openingen, zoodat men er doorheen kan zien of de Incht er door kan komen; helder van geest {vrg. ^ ut\\ (ent abt). — \\a^iut vn wys een heldere lucht, G. een opening om licht of lucht door te laten, ook naam van een tooverfor\' muiier, waardoor men in de toekomst kan zien. (ast^iêt\\ — (ürt\\ zva. (crttd^s en (m ^(utttotj^

nn a O

Cr. vrg. fwt/utw

of freq. van (isrtajtjis kn. wijze of

manier van geregeld schikken, leggen, plaatsen, gebruiken, doen, enz.-, wijze, manier, trant, toepassing. iMt^Miuns het metselen, (ut^iiQtde toepassing, het behoorlijk gebruik, van een woord. ((btj^iut Ja(tiJt\\ zie bij (tsrt(utj^\\ ook gelijk uitschieteu, van padi die gezaaid is op drooge gronden, vn {lt;bt^(viji\\ zva. (uriihtts geregeld? W. II. 36. — m* ^(uijjs aan het (geregeld) leggen, zetten ö/schik-


-ocr page 475-

395

ken zijn, regeling of schikkingun makun vuur een aan te vanyen werk. — iiai^s»iuji\\ zvcc. tuil

o w O

^MJI en — onnituijj^

qjijI of i7iyast^iLyis en iioiMtj)(uj]\\ iets geregeld leggen, zetten, schikken, in orde brengen, «(«njnji ibin metselen. — biy\'^yj(win

dicht brengen, bezingen, w^hi^iuijp een xcajten

, O a o

aanleggen. — ,1:1 au\\ aoias}^iui~J}\\ mv.,

en ergens iets opleggen, opzetten, inzetten, aan doen; iemand straffen , vonnissen, een straf opleggen; eig. elliptisch voor ;i y ^ / Kjy\\ — löjasij fvi^\'niini\\ iets opleggen, opzetten, inzetten, aan doen ; «V/s gebruiken, aanwenden , toepassen ; ooi op een bepaald persoon iets aanwenden of toepassen. — op iets geplaatst, gezet, aan-

gebragt, aangewend; aangedaan, bv. een kleed-,

(T*) C\'y

behoorlijk geplaatst; passend, voegzaam, ivmihjvf lt;rjrrt0\\ toepasselijk. — inn0iuri(ur^arr^ strafbaar, te straffen met een straf, \'urt^^nji/jool: ki. v. iwrj ip(Hnjj\\ — wat iemand

als straf of boete opgelegd wordt, straf, boete. tia) iuju?i0\\ strafbaar. — (trn lanj tui -Li anj^ \\ ki. van m rj npij (ijj gt; kn. regeling, veror

dening; wijze, manier; wijze van zich te gedragen ; wijze waarop zich iets toedraagt; regterlijke uitspraak; oo/c zva. ^ onjj \\ O(}fnoj^(ui^ ihnji\\

een aanvang maken met het feest, W. I, 482. — regelen, naar belmoren schikken, naar evenredigheid bepalen. — mv., en

iemand iets., zooals een straf of boete, opleggen.

— ini W(ibn^(i/t pass. oo^r lijden aan luij

iets opleggen aan iemand. — lt;vifoyj zva. mi

uw het regelen , enz.

kn. juist passend, bv. van een schoen of huk-riemj juist voldoende, bv. van tract entent, Rh. Mtniiujis kw. zva. fiS(vi/j\\ ni iHTtjj en rm ruw kn. in een lange rij geschaard; ook gelijk uitschieten van padi die gezaaid is op drooge gronden, ook

bijnaam, zva. uini\\ — tisn ani ni ojj ^.7anji kw. C) h ^

zva. (m cni rhini }n^\\ \\(biryi (Ln-.Iinj^s kn. zva. cut

o

«wwo^nkn. bewolkt, betrokken van de lucht,wanneer de zon voor ee7i poos niet schijnt; ook regen-aehtig weêr. {Vrg. asnnyj).

o a O gt;\' )

idsn (vi\\ iibi• i» i\\ kw. zva. tt:. i ii\\ asn a i {Hifi\\ I\'MI, lt;yi

lt;ui(iJijj \\ of iisirn Kti. kort van duur, spoedig

op, verteerd of verbruikt, door verkwisting, mi J*iri i\\ zie bij nsi) ivijj\\

plat bv. van eeu mand of zak\', Ook van het aangezigt.

rj^nsii^i rj (Uiaj^j\\Kti. voos, uiet goed gevuld bv. van

een kussen] vrg. y mity iuiciJijj\\

^Sj(L*nKN. een soort zeebeurs, holothuria edulis, een

lekkernij van de Chinezen, en handelsartikel, rj ij (m d \\ kn. 1. spoel, {va7i een bamboeriet gemaakte) weversspoel, schietspoel; verrekijker {vrg\' aJlrj iamp;i (-^0• Zoo ook rj ^isi^i ri oji i (ui in .ui a^i 2. rj{Mii ij(Cii\\ oy zekere wijze koeren v. d. perkoetoet (Tj.) WW.

kn. ; kd. , balans, schaal, weeg

schaal; het gewigt dat iets weegt; waterpas, paslood {Perz. t ar dz oe, Vrg. mi m (ut mi/j). {MHfiKiEii aj)jj\\naam van een fatsoen van paar de stal, en van een goed teeken in het haar van paarden. — (aQijtuni(ijijj\\ wegen niet een schaal {vrg. m fj); waterpas maken; gelijk een weegschaal, tvi i.ij^ «d^\\ met anderen gelijken tred houden.

regthoekig loopen, van de schouders, wat de Java\' nen als een schoonheid beschouwen, tegenover tj

o ^ • J

V 7, c x — ^])V ^?^N \\w, 7 ^112 aJt -:39-n lc\'ls

met een schaal wegen. — rj i^z ini ~jn oj mi \\ voor

iemand met de schaal iets wegen.

/. C) .o

tni/l of (iiii\'ri^(tfn^\\ zie asntu iKCHrijjs

o o a ci • i

ru/j\\ /m (Hiji\\ zie bij (K^ iiq s n\\

(asn^^nrnji of asiiTid^on^sKW. standvastig; kn. op een

rij in den grond geplante stokken {vrg. rri ult;niijj\\

G) v

asit rti ik (hiijj en {VpldJjj

{ivn^tk of twri iks kn. aanval ifi een gevecht {vrg.

asn ifA -1^)gt; overtreding o/schending van een gebod

of verbod; ook tred, gang, beweging, van iemand

of van een paard. — ergens op in, op aan

of overheen loopen; op iets losgaan; er regt door-

heengaan of doorheenslaan; iets trotseren, niet

ontzien; een verbod of gebod roekeloos overtreden,

schenden; een eed schenden {vrg. on ni im/j en m

rri). {ir^nk,iijn op iemand aanvallen. —

(ik\\ het er op in loopen, enz.; aanval.

kn. een vallei met veel puntige steenen ; ook

kramp in de poten van een haan {vrg. n n.iinsu/j).


-ocr page 476-

396 (bi} ajli \\

tisn ihii\\ kw. zva. .ii^nps

itS

(Lu irjji - kw. zva. ii sy n wn N

\'f^JI\\ 9rondv- van —\'ki; OLi^f tjjs kn. het

ergens goed naar zijn zin krijgen of hebben en daar blijven.

(is»/ AA liviji\\ Kw. zva. (uniu^iMjis — (bi) (ut ifj(hn/i\\ zva. nsn

o o ; ) .

(hn ciji ifjiji - KW. ojihji im/j\\kn. een oester.

o P C)

üjirntf\'ts oj yaü^tEisViVi. zva. vj (bndamp;i^/is e?i cki foi iiïjw kn. ook , er race tevreden zijn, er

in berusten; tevredenheid,berusting; Oöyk dank, dunken, voor iets dat men ontvangen heeft of dat voor iemand gedaan is. j,iyrt0\\ ondankbaar, asn^ vj1*^ zonder dat hij er raeê tevreden is. xmifnym •ntji .h rp ik dank je zeer. asn ^iamp;i uit aS^ \\ Ml. kn. dank ; en ik dank u; van Javanen tegen Europe-anen of andere vreemdelingen, en omgekeerd-, volg. Rh. gebr. het pass. ihrrila^im\\ oo/c wel utiiisnao\\ (to t) e,! \\ (hi quot;Ti (fut q \\ met iets zich tevredenstellen; in iets genoegen nemen, er in berusten; zich dankbaar betoonen, dankbaar zijn; voldaan zijn

over; met welgevallen aannemen, iemands bede

1 o o C) o

vcrüooren. iHrt{iu^(amp;i\\ hii\\ pass. — vrri

iamp;i\\ of lim gunsteling van de Godheid)

wiens gebeden en wenschen steeds verhoord worden; en een gezegende uitwerking hebben, van een geneesmiddel. i\\c\\ r]iEi h^\\ in iets berusten; en iemand van een minderen stand als gunstbewijs een meisje van lioogeren stand ten huwelijk geven, ktï

[ih^Fjtortji of (EJi(hij^s pass.-, ook td. zva.

Qv o

u n iui rt m (Hiji \\ (Hirn lE/i hu tj mi \\ iets aan ne-

melijk of aangenaam maken, aangenomen doen worden; en een meisje van hoog eren stand als gunstbewijs ten huwelijk geven aan iemand. — ajt iy-n Mn (UiVj\'ri subst. den. tevredenheid; berusting, dank, dankbaarheid. — asn^riiFjianji of ^/j

tevreden, berustend, van aard; in alles berustend; en een meisje dat als gunstbewijs aan iemand van

lagereu stand ten huwelijk gegeven wordt.

o . o .

ihii niïji j \\ zie astiniiuiw

iSTj u on/I of isu quot;ii iEJ) anji gt; zie bij asn-n ww [uy u ^ n of (hn i^i (fa f ^ kn. een onderlaag van bamboe of planken, bv. onder een wand; de drempel van een huis {yrg. iibu it^yncrnjj) •, en eeii soort van schoeisel, sandalen, zolen van [onbereid CP), leêr

ii,)èvf \'Hz *1 :tA\\

met touwtjes er aan, daar de voeten in gesluken worden (vrg. ij nn rj 171 *»/])• iv?» ut(FjI ^,1 ^ \\ tong, een zeevisch, die ook in groote rivieren gevonden wordt, anders vit (Ut ijjtut ? w ■*»r/n uis^ oa ^t spr. voor onbeschaamd {zie Jav. Zam. II.).

(i5tt ij n t ij (fa lloll. t r 0 m p e t; zie (m tf n,u ^

ivt^thi Ji ru,] of ten n f i^t iu/js kn. vlug, handig,in

zijn doen-, vlug van geest {Vrg.^wtujis (toli.n^uji

o .

en iht^ en t tjj (Kyj).

iiAt n \'fjji \\ kw. (zamenstelling van hit \\ en rri (Fjjj)zva.

o 00

(tt^ ut fn ij ifa n e7i \'t t y ut % (urt

rtjj\\ kn. een mand van gevlochten klapperbladen zva. \'imiKix WW.

(ht^tj .£/?2 ij 1.12 \\ kn. een groote mand waarin het keukengereedschap bewaard wordt. WW.

asr^Mirujj kn. verb, van tr 0 rame 1; (is?j^i^t\'fyuji

kort en dik van vrouwen. WW.

ij/#-nrxA/i\\ kn.; (Ht Tt^ruiji\\ zich in iets mengen, met iets zich inlaten, met anderen iets mee gaan doen (vrg. kitiji^ti )j tid iu/i en (tstt(^h).

(bitrj m rj frjiz rvtji\\ kn. ; dit ij-yi*r}^JJN zich in een gedrang begeven of onder een schare mengen 07n zijn kans waar te nemen {vrg. krtSirj n 2 tj fa2 tt^iQiTïj \\ ongemerkt met anderen binnensluipen, of meê loopen.

astt tFA rt ïvi 2 \\ zie (urt ^t rt jxa 2 w \' ro \'

Vjl^q:rLrnfls zie bV ^

isi^ rifrntj ■}{T^\\ zva. iu!\'ladA^art^s en (ut (utaAJ^.Ht^ (isr^ li^ iLttfnjjsKN. naam van een grooten gr aanwen zeevogel, pelikaan of kropgans, ook (utvuiirnm (Hit/js gen.

O

^n^ rrtfj kw. zva. nsrt (M^jtnyjs

(istt ^1 rrtJ|^ of ibii (tht cni/j\\ kn. niet voorhanden of schaars zijn (van iets in den tijd, dat men het in overvloed zou moeten hebben; zoo bv. van regen in den regentijd. Joes.: (bit n (tn curj an ij hj \\

— -ntt dut rm in/j of htt ibti iult;rn(Htji\\ tijdülijk beroofd zijn van iets dat men gewoon is te krij(/eii of te hebben.

((stfrjin(yttfj\\ kn. de bladen verliezen, door afvallengt; van een boom ; .b?» ij n tttjj en tot itsnrj n ar^ (Htjj\\ ki. van :Hit(rt^rjniz(mj^\\

ijasttitymernjj^ kn. wat men bij te passen of bij te leggen heeft, waar te kort is, ook terug te geven,


-ocr page 477-

nfT

m

waar te veel betaald wordt [anders nfyiiKiruij); bij-nnsson o/teruggeven. — rjoni ti-runmjj\\ voor zijn rekening nemen of vergoeden, wat men voor iemand gekocht heeft, maar wat te duur of niet goed gevonden wordt. — rjnnnyrtim^ ergens bijimssen, bijleggen, bijbetnlen , omdat er te kort komt, of om het eelf of alleen te hebben-, iemand, die te kort komt, schadeloos stellen o/het tekortkomende bijpassen.

.Syr/^i ML Sd. zva. nm Port. of Spaansch

Irigo.

(Y , e ^ A v ^

liiiinIT)I I,m\\ {of (Hill on Oil A.) KN. zva. -gt; I nu 11,11,] ( (Jh (Jv

en (bpcmiHjiMj^ (vrg. m i.ïn).

asn crrjjjon\\ kw. algemeene landplaag o/volksramp, door betoovering veroorzaakt {vrff. any \'it^iunvvj q).

MttcmiwyisKN. zva. gt;1 \'tuitj ifag ern/j\\ van vruchten.—

/. O o

(i\\j^ of (i(n ihnn} (rn tuji\\ zva. lt;hii u)

du/I en iHn^iiK^asHjjs (zich overhaasten. G,). ook zva. innitw/i\\ kh (üti \\ A.S. (biirnxrnji\\ ki. van o\'j)lt;nn \\ of ^(Krtnvt^s \\(r:namp;i~Ji*

n?ri (tm (urijj\\ de maandstonden hebben.

nsiiTjjr.n/is poët. zva. (igt;t^ o bijeenverzameld.

Tj. KN. tent of tabernakel, bij gelegenheid opgeslagen tot een onderdak voor menschen, gewoonlijk van hu ik\' en met een spits dak {anders it n^ ibncrnjj). nw n^tvriji of tkii (i\'gt;n im/j\\ zulk een tent, o/ zulke tenten, opslaan. — or) \'gt;inr? rj uri\\ in een ownïirnjj\\ brengen, plaatsen; verzamelen. PM. {By o y gt; Ml zva. (tfjj

^ yi zieii5rl

tbn ku s kw. zva. (oj^ ijoj) un \\ Ml. geopend, open ; KN. fig. van (unai!n\\ en oji iin\\ helder, van verstand y gedachte; ook verklaring, uitlegging, hv.

cy

van een droomt {vrg. oTi^iiai). — cmorr^iHn\\ iets verklaren of uitleggen; ook zva. —

onicr^n^s van iets een verklaring o/uitlegging geven.

uhr^xrnoj)ji\\ kn. doorzypelen, vocht laten doorzijpelen zooals van nieuw aardewerk, ook fig. verkwistend. — {OQorm ojijj zva. [o^asiKKO/js hv een hosch, in de kortste rigting doorloopen. Rh. —[ost^omoji onjj\\ wat door- of uitgezijpeld is.

omojji\\ kw. zva. ^-r»\\ (Tj.) kn. moeijelijk om Mj op- of neèr te stijgen, zooals een ravijn of steile berghelling {vrg. osi^ un rvf/j); ook een korporaal, soldaat o/schutter, die orders moet rondbrengen, R. vice-korporaal, WW.

[Ojj^ar.Y^(koj!\\ kn. uitlooper, uitspruitsel, scheut, van hoornen, wortels van hoomenof zaden\\ ook wMVvmsi van een voorspelling. [orjoir^fMjis uitloopen, uitspruiten. — ^tolt;i/i\\ uitloop van een rivier of heek; een uitlooj) hebben of uitloopen. asptiTrl(M/js kn. moeijelijk te begaan, van een weg of

pad {vrg. oMt^omwjj). WW.

o o . o

fon •gt;-),tm w \\ kw. zva. oi^ ui ? 7.0 tijj {van fan \\ eu n

omtK/)).

Qn ij om 2 tj o:n 2 ajjj^ \\ in B. voor ti^o^yrjoimnj)^ dit volg. WW. zva. nu^i-rnaJijjs 0y ui rttoj oj)\\ zva. het vergiftige speeksel van de rut ou Ji\\

cy* »

of asnr.ri\\ kn. tamboerijn, handtrommel, m/ maar aan één zijde met trommelvel overt) okken trom die met de vlakke hand geslagen wordt.

fcgt;7» h \\ kn. ; thnr-h\\ iets in huis of in de keuken op een hoogte leggen, om het te droegen ol\' droog te bewaren, of wel in de rook hangen. 0Kajyui ini/js een huwbare dochter in huis opgesloten houden, niet meer uit laten gaan; zva. ruvn ti//^uj(hnjj\\ —tL/i\' iLjtt cr) nnji een op een staak in de hoogte geplaatst kippenest. oj\\ iwi t\') oin (hnjj\\ plaats of hoogte waar men gewoon is iets te droegen te hangen. — iamp;tos»rnozi(uij naar het nest gaan, van een kip. tun (in (Ko asu0 als een kip doen, die naar het nest gaat, voor onrustig in en uit loepen.

Qv Qv O ... O OO

osr) ^1 \\ iHi rt ui poet. zva. ivttj 002 hajj n ij on ? jiy n o

zie ojtrj (hi?w

1 Oil,

asn\\ n. , ihnortiia/i^ k., zamenkomen, op elkander stoeten {vrg. om 0iiSè w iwtjj PM. zva. 0 u 0^ (amp;j(I5ïj\\ tegenover elkaar; slaags raken van op elkander stootende vijandelijke troepen; kampen, kampend vechten, van heesten, die men tegen elkander laat vechten {vrg. vechten, strij

den. 0i7nftpt\\ redetwisten over ngèlmoe\'s 13. T. Dj. {vrg. (ij) *01 \\ en in) (u w Myj); weerstand, ook (hit \\ kn. naam van het schrijfteeken z. on ;i^i \\kn. qo in oxl\\ k., iemand kampend bestrijden, weerstaan, weerstand bieden ; vechtend zich verzetten tegen. —

r O O „s

osn nr^ .vn onji oj lt;Lgt;n osn 1:) onjj \\ en 0511 (htjj of

fcm ihn op onji \\ met een ander of met elkander

strijden; strijd; ook im) r^o-)on/js kn. meteen Ta-

roeng geschreven. nj)iV,ii\'ri\\ nj)osno^tnnjj^ het


-ocr page 478-

l) . (bn

a.

Ij hll } T)

strijden.

(Lnrf)\\ kn. helder, klaar, zooals van de lucht\', zui-ver zooals hv. water\\ ook fig. rein, vrg. (untuj\\ (Men.) klaar en duidelijk te verstaan of te begrijpen; helderheid, klaarheid; droog weer zijn; het ophouden van regen {al is de lucht nog niet helder); ook formeel, in formele orde, van de behandeling van een zaak {grondv. ni\\ zie n/n rri). iQi nri dj) k?/quot;n of enkel ïlnu duidelijk komende van van hoog er hand of bevel {zooals door een

i/iv.miïinlt;iJ)njifi); met bekrachtiging, op last 0/

\' (i 1\'

met voorkennis van... (Vrg. mn mii M/j). uiijj\'ti \\

genocgzutttii duidelijk uiteengezet, van een xjiiui^\\

Dili if 1 ti,imi] of i^ii 1 1 \\ zoodat men niets verder te co -\'i J

zeggen lieeft of verhingt. 101 i:n iin Ti \\ een berigt nit een goede bron , zoodat men weet, vanwaar het komt. nléitiutiiüini\\ het heldere, drooge jaargetijde, de mdnffsa\'a Kasü, Kara en Katiga. — m •tt\\ opheldering, inlichting vragen; zich informeren bij iemand. — jw-m i?}\\ iets verlichten, zva, ®)lt;w(CT\\\\ iets ophelderen, toelichten, — hn.i-.n gt;i iinanji of opheldering van een zaak,

verklaring, verduidelijking, inlichting; van de zon: Hfn Q) quot;ïi xn m Jn (Bi \\ (Rs. en PM.) onbewolkt? ;mi ; mij n nj nnji ooi voor dat wil zeggen, — in-ri i:gt; \'i 1,-11 n iets ophelderen, verduidelijken; van iets opheldering geven; omtrent iets zich inlichting verschaffen o/opheldering vragen; iets door een hoofd laten bekrachtigen, zoodat het blijkt, dat het met zijn voorweten is. 0) 7^ UI\\ den regen doen ophouden. — i:i hy \\ asn\'ii xn wji of ibn ■ i) li «nj)\\ opheldering, verklaring, van een zaak; helder weêr, droogte ; ook formeel, in formele orde gedaan, 0\\ de drooge rnoeson. — ivi i n \'ii\\

verzoek om inlichting. anrii \\ om inlichting

verzoeken.

O . O . . , ,

gew. \'• kn. een soort van zeekwao,

gedroogd en bros gebraden.

ij in n i kn. naam van verschillende soorten van solanum of nachtschaduw, Solanum, L., species plurimae. waarvan de vrucht rauw, of doorgaans half rijp als sajoer gekookt, bij de rijst gegeten of met olie gebraden wordt. nvj) 0 if uin ij

Ij quot;Jl 1\'Vj]\'\' 0tfin rfomji cinji en \'\' I I ), I j \\ soorten van terong.

Qv • Clw ■ -J ^ ,

vj (üu irn\\ rj mn rj\'H \\ kn. fmij (Lni2rrt\\ (Men,)

(HnrjihnTj\'n ijihnvj »\'lt;\\ al verder en verder gaan, van kwaad tot erger WW. zva. Rh.

rjY\'-rmKN. {zva. 2.) trechter, ivnm

(M/j0\\ heet in Mamp;djakërta, grond met laag bosch, ER. n ui ? ij ni 2 v iets tot een trechter maken; een trechter gelijken, bv. van vooruitstekende lippenl L. Waj. I. 279.

(is/v IJki^\\ of ^hij \\ KW. zva I.r^ vnp n\\\\ —

0s{amp;1,\'\'1 kvvzva\' ^ i mnw kn. maar voortgaan, niet tegen te honden; maai met iets voortgaan, zonder naar goeden raad te luisteren ybv. met drinken van sterken drank.

Qw O Qv Ci

r}^WJIs zie (Hl/jS

^b»j^m\\KW. zva. (iji to (hi/is (uitihw

,x5r^ifrr)2nm\\ of als Krama-vorm Kw.zva.

iusnumji {Skr. toerang ga); KI. voor rijpaard

{minder hoog dan mi iiPn % (im ^njj). —

(kt^\\kn. de (goede of slechte) teekens, die een paard,

kemphaan ^ gïmak t prïkoetoet of kat heeft.

. o

isr^ ri cm \\ zte «sij ^ t» e on w

(bïi\'yi(rti(Hi\\ of (iht^am uisKYi. zva. iixjic^{Skr.tdrd-ganttf sterrenheir. pk.). (\\j^^^niasy^(li^(rn lt;nj} ctnjj eign. van een Vorstin van geesten^ vroeger een dochter van den laatsten Vorst van Madja-pdU.

nfywi njitJjji of mi cm kn. vlug, gauw, vaar-

4 j. . cgt; o

dig, rap {vrg. ck^ un (hnjj en m -i

rvy).

O

[ihi^mru/js KW. zva. — (a^cmiru/js zva.

tn icj) /\\\\ kn. een vijand in de flanken vallen, j\'j in ij ij ni opschudding ergens teweeg brengen. aQiliiiiigt;imruji^ geraakt, getroffen, bv. dom een steen.

diij n^:ivi\\ of i n fij\\ k.n. naam van een wilden boom (de Cassia fistula of pijpkassie), waaraan ill pijpvnicht groeit, waarvan het moes tot purgeermiddel gebruikt wordt en het hout o. a. voor piet-stokken Rs, (vrg. ill i: i - ! rj 171 ?.J ^).

nsiyn^n^onjj of ihii 11^ vnjj kn. naam van een wilden boom met eetbare vruchten. Van het hout worden kleine werktuigen gemaakt. JR, Protium jan-nieum Bnrm. Nat. fam. der Bnrseraceae?

nnj TiiiiijpKN. naam van een soort van wilde kat,» soort van civetkat {grooter dan ■\'rnjui).

mVj.TnimsKN. H»t. v. e. geschubd viervoetig dier, J\'


-ocr page 479-

Ö ö (Gn gt;■\'» \\

399

^\'T

miereneter. — nhrrn n\'r gelijk eea miereneter doen.

(?) \'

.ISTi /HV /Js ^16 (lO s

Svnnji^ zva. iisn.i(tiji\\

,m/p of lunastjKtirf* kn. bron, wel, ooi-sprong van een rivier, en fig. bron, oorsprong, bv. van alle kwaad; het tafeltje voor deu Soesoehóeuan , weturop bij een garébty zijn sirih-doos geplaatst wordt. of enkel kast om

borden en ander eetgereedsehap in te bewaren, bordekast, etenskast. —vnisywijj^ opwellen. — mti kndsrjtflj^ fig. de oorsprong zijn van; aanleiding geven tot? (Tj.)

{\' ntè k) verkorting van (i/nrj tfri wrji\\

o ct

nitisn2tniji\\ vrg. (rjasyii (tn/js \\vj (isn2 hti -jrt lwMnjj\\ kn.

. O O o o CY Ov o

een soort van iuva^n tu\\ (K,i(ici(KJ)^un rj z un ^t)

^ een schertsende verwensching.— om ij nsn?

t/j n.; in de spreektaal zva. wtjihmw/i

O O rr i n

m»ni\\ en vjastitrns kw. zva. mntutw Zoo ook nsnimi

o o j, o o

(b» itfH\\\\ \\ 1^107^ Ij ftQ9™ \' of fol (Kil \\ ZVU.

O O O

(Ut) iui\\ — (E/irj asnMn \\ zva. (E^arn w — rjvitfn\\ en vjtin(hvrj miihv iets met heiligen eerbied behandelen, als iets heiligs bewaren of in waarde houden, o a

— ihii mi nsn tim im a-njj \\ zva. mi (ini oji mjj \\ £}ihi)\\ I.n., (in(hn\\ K., Ki., komen, aanko

men ; ook voor terugkomen , van iemand die ergens naar toe geweest is, komst, aankomst, terugkomst ook zva. nsr^ iïJ inn \\ en rjumaSis tot aan; tot aan toe, tot aan toe komen. 2. asuun\\ in de spreektaal zva. (Qjnis of (ïjiktïnn., aj}nn\\ k. ergens van af, van uit of van daan , gaan of komen / van ...af, van uit; ook om de onbepaaldheid van een genoemde hoeveelheid te kennen te geven: in vergelijkingen zva. dan. 3. kn. , ook verk. (tw\\ veelal uitgesproken en ook wel geschreven als tj tj mi t ihyiji (kaq), een uitroep van verwondering over iets, dat gebeurt of dat men ziet gebeuren: zie! kijk! quot;nui(vhlun\\ er komt niemand

(o/ niets). wiwShiLnwptLm iws tot op dezen dag. «Q waar vandaan ? nsn un Sh om tj w i s van

uit de laagte, bn (tm nn rimt iu,n an q vnn rr) \\ een anderhalf vinger breed. n/n iLi rm Ln un \\ wegens, door. V110 7^ : (Wij \' j fiyn gt;/\'tij jtsh^ kijk; liet

is toch bevreemdend! — nsr^ iQun\\ n. fi ntn ^ k. , komen tot een persoon; in opschriften van brieven aan (un isy en rjum i^n uii/imhi.); en zoo ook iSYji tJfuni/n en (bn ut\\\\ Verder Qun \\ n., (ic^\'fjj(rn\\ K., aankomen in een fig. zin, en tot aan iets, bv. deze n dag, o f de do od. ^ 4; toKujtfiynaj^unjjs met het aankomen v«n den morgen; komt de morgen aan —(U) un gew. iïa ujuns kn. ergens als vreemdeling aankomen o/zich vestigen. ijwz {of aPn iu)0 een pas aankomende. —

(LD

un

O •• CY

un is»/ tun \\ een wijze van koeren van ii/i ur^isr^toiyjs

nl. zonder weêrklank met den laat sten slag, in

tegenstelling van un mi ur^ \\ of tuy utq \\ waar de

eindgalm met uy resoneert. — iin mi tuj.\\ n. , tim

erm fon n \\ k. , tot o/* bij iemand komen; iemand Cu gt; J J gt;

aankomen oj overkomen , een belofte nakomen; aan een verzoek voldoen. — un i ji i.nanjj un ijiim/ im ihnjj\\ iemand bij zich krijgen; ^ ^ ^ n door vijanden overvallen worden; iets, dat iemand overkomt, ondervinden; iets, bv. zijn wensch, bekomen, erlangen. — tui un (un ^n ij un \\ tun nm nw

I : I

% ® , S

1

i

1:

wuntuyjs doen komen; maken dat iemand komt; maken dat iets komt waar het wezen moet; iets doen geworden aan iemand; het ergens aan toe

brengen, het zoover brengen, dat men er komt.

a O o. . o o

«s» uj un un ~fn rj un i/n ik ik: \\ zva. c?rhi/j■ — ngt;n

-ktxkt^nN., ffior)nK., aangekomen; tot aan toe;

tot zelfs (vrg. (lonji uo (uy^.

£n gt;ni\\ kn. naam van een soort van gras, Cyperus ,

spec. div. een bolgewas, waarvan de bolletjes tot

medicijn gebruikt worden {vrg. aPnniurts 2).

O Qv . Qv -

am un \\ KW. zva. un uii \\ en zva. ^ntungt;\\ of 110.12 n.i sw

q et a /, O o i ..

kn. , nsn un ^ abti a!gt;n un \\ of mn abn un \\ ue wijze waarop

zich iemand gedraagt; en waarop zich iets toedraagt.

Snrj un \\ kn. 1. met fijn gekorven bladen toebereide

(Kj) ui gt; opiumballetjes, die aangestoken, met één haal

door een pijp gerookt worden {vrg. .ziia un/j). 2.

een soort van \'vitnms waarvan dé bolletjes groot er

zijn en gegeten worden, Eleocharis tuberosa Schuit,

Nat. f arn. der Cyperaceae. — aj) asn rj un uijj \\ am-

fioenkit (vr^. mi unij (uit uijj).

(isw-ktinKW. zva. asr^vrm rui^s

, a^iri tJi/j K., koopen , iets koopen, en geld

voor iets geven, om het in eigendom o/* gebruik te

hebben, zooals bv. land om de vruchten er van te

trekken {vrg. Lnazn(unji)\\ ook gekocht, bv. van ge-


-ocr page 480-

nrj tun dm \\

400

(VjH (HU

kocht e vruchten, niet uit eigen tuin. iud \\ bnamif WJijjs koopew in het algemeen, iets, het ecu of ander, koopen . asr^ rb/j n voor ou Kvjj0 AS. — fHjjjiïjj\\ Siiau koopen, de

koop van iets aangaan; iets van iemand koopen , iets van iemand af koopen. n?\\nj(}n^\\ pass. van

O o

en van l\'f h,liss \'

koopen; van of bij, ook een meisje tot vrouw koopen , voor een meisje, dat men tot vrouw wenselit te hebljen, een som gelds geven. —tH^rj uiwun rjn)) \\ i dJi(üi)ao[j\\ iets koopen ; voor iem., ook voor iets, hv.geld— ^ mi 2 cm^of £11rj mi 2 tw)/j\\ en ^ncmji of (hriasr^i^cK/j (mji\\ wat

gekoeht wordt; koopgoederen; een koop; de som die voor een meisje betaald wordt, om liet tot vrouw te hebben. ^ti»2 {of n-nn^)0 een slaaf. — tuttq (ï./^n ftn v het koopen; ook zva. tvusr^

ajii5r) tfj^iJ^/j\\ middel om te koopen, geld om iets te koopen; geld voor iets, geld dat voor iets gegeven moet worden; koop. (utsr^hyinjtuajus wat men betalen moet voor een acte , de onkosten van een acte. (Uasr^mifntg?\\ een stuk geld, dat bloedverwanten en vrienden \'s avonds vóór den trouw dag tot geschenk geven; ook het geld, dat een zoon, die zijn vader in zijn post opvolgt, aan den Loerah-tabon geeft, geuo. een half jaar \'pacht\', en een stuk geld, dat om het half jaar aan de danseressen en concuhinen aan het hof gegeven wordt. — (vlisrjfnp zva. (um^unw \\0wh wat de man aan de vrouw moet geven, wanneer hij haar verstoot en zij geen regt heeft den huwelijks-prijs van hem te eiseheu. — (ui

aamp;h mmkoopprijs, en, even als 15^lt;rj un 2 anj^\\ geld voor iets (om het te koopen), en de som, die voor een meisje betaald wordt om liet tot vrouw te hebben.

ct

w fisn ffoi \\ kw. zva. nsniHnw

a . a

ny asn nn gt; zie asn nw w

nasiivf hvt\\ Chin.? kn. Chinesehe trekpot van roode of bruine aarde.—asn vj urt 2 v) (hiji\\ een nagemaakte Chinesehe trekpot.

Tjnsmvjitwis Chin.? kn. een winkel (vrg. wf^).

(vgt;n rj ixn (i-njj \\ zie nsn -rj iun 2 (hnjj \\

asnij 1K112 (nyj^ in de spreektaal ook asn rj (un2 nnjj\\ n..

o O / O

aji agt;n iri ut p ook an tfjiaxi/j\\ ki). , i\'n apa^\\Kl., \\u. gen, een vraag doen, door vragen naar iets of

«mtf.wr/vernemen. aJi aw rj arn2 ihnjj\\ enz. vragen in

iji 0 00

het algemeen.— an yj alt;n 2 aïj \\ an ani uj \\ asn ij mi

t quot;gt; o o ■gt;

ofj, an j-i ut \\ (*j1 asn ritui n en ajnana:^\\ vragen aan,

ondervragen; iets door vragen onderzoeken. — tny

. O o

rrj trii ? ai fi ij am n an tj am ik n ^n am anjj\\ tf-Jt tuntjmi

o rquot;) o •w

h n ~//»li n anjj \\ an r ) un n n lt;»lt; 1 /] gt; a/n an rj an 2 alt; n jd ^

li mi \\ iets vragen, aan iemand; vragen naar; la-

o

ten vragen. — a.aiisnttam2an/j\\ gew. njiasnnuin

o 0 0

nn^\\ dl a\'.n ij un an/j* gew. (Iji asn aj am Hijj\\ oji an n

axijjs oji an an \\ vraag; een vraag doen. — aj?,m)j

Cl

ij am 2ay Myi\\ an a^n rj unOij anjjs an asn an an mj\\

vraagbaak.

ï • . 7.. O

ii\',n amanji\\ zie bij asn am w

dsn (ini !}njj\\ kn., au föfni anji^ KI., wandelstok {vrg. (k

o . D O O J

nm asn/j en an a.i/j). i/n thn 0^11 (un onj] \\ met een wandelstok in de hand. — ihnalt;nihj an/j\\ iets als wandelstok gebruiken; met een wandelstok gaan.

asnvjatntan/i^ kn. aard, geaardheid, inborst (w^. n

O O ^ 0V

asnamji\\ un ïn^arnjj\\ en (i:i^aa).

asi^njam2an^\\ zie bij asr^afï^w

rj asn am anj\\ kn. , lloll. tee kenen, onderteekenen; handteekening {yrg. rj asii20171 asn vnan/j). —ij wmi anjjs onderteekenen. — rjim im w^rjam\\ laten ou-derteekeuen, geven om te onderteekenen.

cy • • •

asn am \\ kn. meting, pan inhoud of capaciteit; maat; iemands maat, zooveel als iemand hebben, of zoo

/ (y

ver als hij het brengen kan {yrg. ojy^ kï^). asn mi ij

rrj(rrt2 mn \\ zva. rj un l a2 asrj £tam ajn rj cm 2 anti w \\ m

Cy » o

Mn un aui hfj.ajjjj\\ zva. ajnayajiiirj 2 an auj ij

anjj \\ \\ asn (Kn aa an/j {0 f axt m), bloed meten,

bloedig strijden, zien wie het meeste bloed heeft.

ry qv ... CY

asn om asr^ kj cm ij t» \\ of korter asn am asr^ anjjs» ,

asn ikn dsrt iji omjj\\ k., ben. v. e. belasting in geld,

zooals het heet, voor bouwstoffen en werkvolk,

door de dorpshoofden op te brengen aan den Lor

ry

Vorst. — anam\\ iets meten.

rah-tabon, voor

CY

nsn rj om anjis en gew. ajiMtrfamt^sK.yasnjraaxrji e7i asnalt;n\\ kn. een bakje van een in de vorm van

an alt;n ut oji ernqs de volle maat van iets geven, iw\'

cy

(pi it/n aj) an rrnjj \\ de volle maat krygen , van beknor-

. CY * O

ring of scheldwoorden. am rm • r) anjj of bn w

antfnanjis gemeten; bij de maat; de maat, di\'

. (y

iemand gebruikt om te meten. Zoo ook aj)ilt;j^]

manjjs

a/


-ocr page 481-

401

s (un Hu \\

n

inn ri un un fj \\

schuitje gevouwen eu aau beide einden met een peu-

uetje vastgestokeu blad {gew. pisangblad), waarin,

in plaats van in een bord, eten gedaan wordt; ook

hen. van het dwarshout aan het einde van een Ja-

caansch dak, waaraan de onderste punten van de

daksparren verbonden zijn. WW. de binneuhoe-

keu waar de ti en de mi h ui hn^ elkaar olitero s

moeten, CP. volg. Rh. eeu aantal balkeu, die gestapeld worden op de ui ti oji en iui ui ngt; en lils \'t ware eeu takir vormen. — (uiii\\i\\ een blad

Cl/\'

tot een iLii /• n \\ vouwen.

\\ poët. kn. gevecht, zooals van jongens , met vuisten {vrg. un ha ). itsrj u\'n (u *-cj {of iui i :t) m/j) twisten, krakelen. — -k^km^kw. zva. ly ijw i.ii ry m/v kn. verbastering iii de taal. n .irn i.i\\ door verbastering. — ini m\\ vijandig behandelen, Rh. met minachting, trotsehheid behandelen WW. — ihjj i.\'irn ijwis geld wisselen. — itsi^ i^ii\'ntKijj of .un hn hnngevecht, en met elkander vechten, van ldnderen\\ en met elkander om het bezit vau iets twisten, krakelen en handgemeen worden, van volwassenen.

knij minqs en cHiri.irti nf\\ verbastering van uinj n nm 4 en tui ij *gt;i nu q w

ibll 11 (HU 2 Ulljj

n

\\ Zie (Lil 11 hu t

bii i,n KojjsKU. nm. v. e. onheilspeilenden nachtvogel. -

klKthnnjj of an h» igt;n/j\\ de keel toeknijpen ö/drukken , en zoo met de hand wurgen {vrg. tun ni rnji).

O O • )

.Lii i.ii urns zie bij ,i n kii hnjj*

dsn nii niyi \\ kn. nm. v. e. wilden boom met fijn en hard hout, waarvan wel krisscheden, en ook wel grooter voorwerpen, gemaakt worden, het uitgebrande sap der takken dient om de tanden zwart te maken, Rh.

l/m.y m/^\\ kn. vouw, gevouwen, zooals van papier

, quot;) ci . ) O

\\Vrg. nn i, y un^ en n hu ui j i n i, y mi ~. i

i in rt in2 mq eeu klein rond beiteltje bij het be-

werken der tanden in gebruik, Kr. — tn /.» iets

buigen, ombuigen; iets vouwen, een vouw in iets

maken; iets zoo buigen, dat liet knakt; met een

hoek zich buigen, ombuigen of een wending nemen,

bv. van een weg of rivier {vrg. *7/.^); een hoek

omslaan. 0lt;ir^lt;nj^\\ zich den hals knakken, zooals

de inlander doet om zekere ontspanning aan de

halsspieren te geven. ïa i.yini i:m iu hijj^ of \'•^0\\ ploegen zonder ophouden eu als in eeu spiraal, zoodat de ploegvoor den vorm krijgt van eeu meermaal omgebogen rotan, SG. /,n i ij /.y hnqs zich buigen eu wenden.

gt;1 i.m ihnji\\

In tjiiii uiiji^ kn. een soort van groote hagedis Platy-daetijlus guttatres met een dikken kop, gekko genoemd, die zich tusschen het houtwerk van eev dflk ophoudt en zulk een geluid maakt.

Lii nu(la/js zie Mi\'nii.Lii^s

ij lh huAr. kn. wat iemand aangrijpt om zich te helpen, stap of besluit, waartoe iemand komt, vooral een gewaagde of wanhopige stap of onderneming; ook de moed , dien men daartoe noodig heeft. n »i t. ?lt;ru »/ lu /. d lt;w n i un •, Tj.; aangegrepen redmiddel; wat iemand zich in het hoofd zet; ook beginsel, aangenomen gewoonte (Men.) Rh. {Ar. , \'ttechdd, het aangrij

pen, zich by de hand nemen j ouderneming. Vrg (Q(uj\'j). — rj ui hinui/js iets gewaagds of wanhopigs ondernemen , eeu geAvnagd of wanhopig besluit nemen; het wagen of bestaan; in deze bet. ook ij un mui.ijK. 2, 23; het in zijn hoofd zetten of gezet hebben. — ifonunuu iets doorzetten; bij iets volharden ; het er op wagen of gezet hebben. ij .urn iniiLciji\\ Ar. tan kid, kn. verzekering,

bevestiging, bekrachtiging.

nn uii \\ Ar. jjSÖS \' t aq dir, kn. Gods raadsbesluit, voorbeschikking , noodlot, voorbeschikt lot (m/. nu

Mjifi ■

- .ui yi\\ iels voorbeschikken, Öorf.

ui ui i,i hu voorbeschikt — iiji ui iln \\het voor-

hisj f- a s-

beschikken; voorbeschikking, raadsbesluit.

quot;gt; . r., ..

(lil i^i i kw. zva. dji un un y en un ui ^i i ^ \\ (Skr.tik-t a, bitter).

lni.n cgt;n,j of lii /.n kn. sterk, taai, onvermoeid; het kunnen uithouden; taai vau leven , veel kunnen verduren, van beesten en gewassen {vrg. iun uniLgt;iiij\\ Ar. t aük kad, 7.\\q.\\\\ versterken, versterkt

worden). — ui i.n igt;inj i,n \\ zich sterk houden (wv/. ,ui i n ui ij un\\ en ui i^n ij t,n).

un i,\'i^ .Lii/jsKVf. Ml. zva. uuta w

) -) n

,Ln u n unjj \\ kw. zva. ui n^i i. n/j\\

O O O

iLni hn \\ K\\\\. zva. \'n(i/n\\

iLii lai i, nji\\ kn. een klein stuk kanon {vrg. i, n ium un). bn i,n-i* kn. forcering {vrg. lun.n /). — ui un ~i.n\\ iemand forceren. — tx.n lii un zie ben.

1 i


20

-ocr page 482-

402

O O ibo (titt

O

xrrji Htl /Uy^N

bj» hn Ki/jww. zva. kn ^\\ en f^nq w km. een soort van pruik, hooge mats van gekroesd haar, een hoofdnerraad bij het tophiyspel, of van de vezels van de arènhast, in den vorm o. e. steek , door (jrappenmakers gedragen, om voor séian ie spelen; KI., zie bij (Kjt(H^a5)i^\\ — Litiiii(kq\\ met een tilt nn dJin op (Tj.).

ibï) )?ii(hjji\\ KN.; fiu hn in)(Ko^A.(hn^\\TP. en WJ. ontdekt, aan den dag gekomen; in den kijker loopen; zva.

)) im 2 Uj (17/ (HlfjS JR. O j. • / 0 quot;gt;s

i\\i /. ^ t.i/j gt; KN. rat, muis {vrg. n ij n/yn/j en u ip). — iiJridi i*i ben. v. e. soort van voetzoe-

• kers {eig. als mnizen, omdat die op den grond sissend YonfrLvwwGw)\', ook van een visch en van een watervogeltje gt; en van een kruid, dat tot geneesmiddel

gebruikt wordt.

o /«O n . o o HA] HU -til { Of (Vgt;ïl IHH Zie iXJÏI K ) { N\\

o C) * O

au )m ij\\KW. zva. luwndJi/j of (u^rutut) iijiikj

aj]/i\\ iu7jj \\ rj oji i tj n 2 en rn ,!■,?» ojw hli (iSkr. t i x n a, stekend, snijdend, scherp; heet; scherpzinnig); KN. klaar, helder en mooi, van iemands stem. ujj^ kw. zeer scherp (Skr. soe-

tixna. Vrg. ^mn).

a\' /. O a/\' rr u i •

?»} un ^.-a \\ of ilgt;h hu Hou. taxeritig. — tw? un

KN. taxeren, schatten, begrooten, waarderen {vrg. !fjjlt;u) tigj). — oj) ikj.ifri 2* \\ het taxeren; taxatie. — ,v,n kh fuins taxering , begrooting.

bn iw \\ kw. e7i KN. zva. (tn^ iru) lt;yn qrut \\ {Skr. t a x aka gt; een van de voornaamste slangen of draken in de Fdtdta of het onderaardsch verblijf van slangen ea draken).

ibȕ wjin KN. een korte buis (uy ruamp;y) met een kraag en halsknoopen, en met lange mouwen, een dage-lijksch kleeding si uk van mannen en vrouwen {in den Oosthoek ik onjj of w rj tj 2 ik (hijj gen. C.P.) b/i Hfj \'Hl fj KW. ZVa. H tl ) li (ljl/t rniji \\

isii hu 111.1,1 n k w. zva. tuil (uri an/j rm 111 gt; \\\\

i5ii ïiii rM^\\KN.knak; geknakt; knakken; door knakken in tweeën breken, al is het dat de stukkennoq aan elkander hangen, van harde of minder buigzame voorwerpen (v. minder harde of meer buigzame tj uigrj ini Hii/j)\', gekrenkt, v. h. hart; dubbeld, li, dubbelde {vrg. tquot;» hu (ijjj).(ij) 0\\ m. h. dubbelde beboet worden.0\'b?j 11^ \\ drievoudig. 1/11 vj nn j tni hu rj iri^i h u ij m ini n ur^ veel maal meer dan vroeger. 0\\/n iu iJijj de wenkbrauwen fronsen. 0 »ƒ ui 2 (hu /j of 0 ij ui 2 v.7

hi^ stijf van dc kramp zijn, van de vingers en beenen

/ 0 it a ) v lt;n 1

(vrg. 1..1 hu nui/js 11., eu ili hit iji m/)). hii 1, u n 1 in

o r quot;) quot; CO

KN., i n h 1111 lit2m , lt;injiv Ki)., naam van een medicinale plant, met lange dunne geledingen, (jdxfi

, o O a o )

sommige cactussen. lt;un asn hikili i nmtvf. zva. an hu

o o quot;)

— :hi ioi iu/i\\ iets knakken, een knak in

iets maken , iets in tweeën breken door het te knakken ; iets verdubbelen, bv. een boete. 0iui (Ud njj verviervoudigen, iim01^\\ zich vereeuigen met, zich

aansluiten aan, R. (Ki tiinrii b?/ \\kw. zva. rm \'f i \\ of

0{gt; co\' J

een diepe buiging maken, zich buigen als een knipmes. — hu hli hu lujj fig. ongelukkig zijn door mislukte ondernemingen; 0(3u ik \\ zich door verspreken ongelukkig maken. — w huirfy mv.] het dubbelde van iets (eens zooveel) geven. — 00 hu ri.i ij hu \\ iets doen knakken, het hart van iemand kreuken ; iets verdubbelen, zooals de pacht van

een land. isijcu^^ een raad of bevel ongehoor-

o O ... o O

zaam zijn. — rEvujHiiitvijjs poet. zva. an hu nyj

0 O :) o Cl n ;quot;) en ifJi un nu nrij \\ zva. an h u na rj am \\ — hn m

W g^uakte; het verdubbelde, a^itinnn

0 „ j •• ^ o i~) . ,

m ru f \\ zie bij (h^ m uu ,) \\ i,n h u rtyj \\ zie oen.

lt;5^ hu u-ijl kn. streng, van garen. — ac^bu \'rujj^ (jaren tot een streng windeu {vrg. (él hii nrf/f). asn hu if^i hyj\\ gewonden streng; bij strengen.

nsii h^ hu/i \\ gew. üu tzy im/i \\ kn. onderwerping; zich onderwerpen; onderworpen {Ar. ta* allo eq).

0am(ixndJijjs vrijwillige onderwerping, met zachte middelen. — an hu^ ini\\ tnai^ nin zich gaan onderwerpen aan. — an ani nq 1, u \\ an a i/j hii^ rj am \\ onderwerpen, in onderwerping brengen. — ajijn

1 onderwerping; en iemand die zich onderwerpt. — ijuilq tfl^anjj of hu hu 11 ^ ini anjj\\ iemand die in onderwerping gekomen of gebragt is.

i umitE,ijj\\ kn. hoogachting, betuiging van hoogachting, hoogachuing ü/respect betoonen; eerbiedig met betoon van hoogachting {Ar. t a \' dlim). ki au v^ tni eojj of enkel m ini f.i/j

respect, in den zin van groete met hoogachting. Q O o c ) e C) o- I U,

iLgt;U HU Uil H11 ÜJl ^1 hll HU lUJJj \\ Of hll mi hW.

J. Qv )

zva. rj (in rj hj \\ of q un \\ en asu hu w Hij^ (uij!\\ een soort dak of dek v. e. praamo, VV^. het aangezigt of den mond met de hand of handen bedekken {vrg. /. y un 111 ivm 1. n tu an \\ de han-


-ocr page 483-

•isdI KII \\ CO

40b

iistl Kilv

den op de ooren houden, om iets minder sterk te hoor en. — op het aanyezigt of den

mond gehouden of gelegd om liet te bedekken, van de hand of handen. — overrompe

len , onverhoeds vatten of opligten.

usu^ns verb, ihnr/n gt; Ar.pj\' (ta\'zir) kn. casti-gat ie, kastijding, een straf, zooals geeseliny, of een boete, die niet bij de wet bepaald is , maar naar omstandigheden door den r eg ter opgelegd wordt\', gew. voor geeseling. {vrg. ï} tf i.h ijijj). — yihn\\ castigeren; geeselen. — annyi ns een in opleggen aan ; veroordeelen tot geeseling.

ib/) voj wjj \\ Jr. kn. zeker, zeker waar, van een zaak of gerucht {Ar. gt; ta\'jm, voor-oogen-stel- :

ling, bepaalde aanwijzing. Vrg. ui ifii inq en m iq O-— w inynjti i,ii\\ zich van de zekerheid van iets gaan overtuigen, naar de zekerheid van iets onderzoek doen.

_) O / . O /

tbii n ii (in ^ zte r:n uu njji w

s

.ïbii inid/up onderworpenheid. — nm lt;u arijj0 de godsdienst of het geloof van nederige onderworpenheid, P. v. d. B.

.bii (hti itJijjx kn. vuist, toegesloten hand {vrg. iïu hjIj^ \\ (ïyi (m iM/i en (Hii cüiru/i); vastberadenheid, vast besluit. (Mthïi\'hnihJijjs een vuistvol, bv. padistroo of padiplante7i; zie ook bij ru^uup \'iïrini itjjjs in de vuist of gesloten hand vatten of gevat houden; vasthouden; in zijn hand of magt hebben; onder zijn heerschappij hebben (yr^. tèi ini), isniiui un ■fji Z/ii hij kii \'hijj \\ onder de wet staau. ihi hh ihi Z/n iunnjyi («ƒ (Kn • gt;»^), het hoofd (voorste gedeelte van het hoofd) in de handen nemen, een gewone wijze

van groeten, minder nederig dan het maken van )

\' O

Lu iiii if a (Hiji obj. den.; ook bij :

handvollen; VV. I. 205.

tën nr^\\ I. of tiiii Tininri\\ Ar. ^xxCi gt; t a kbir , verheerlijking van God door het uitroepen van

{A lid hoe akbar). God is groot! {org. % ;

o oa^. TT Q/ ei\' .

iilhiujj en (in i.n). 11. itni o/ ,hiinm\\Ar.^i^\\^ , \\

ta\'bir, verklaring, uitlegging, zooals van een

droom. — ibii hirnii^ofMinw\'riMyis zva. iia kh

\'Mivy izQ(uifl\\ volgens anderen gazamentlijke ver- !

heerlijking van God na afloop van de garWêg Besar \'

en \'s avonds on den 2^sten van Ramélan. hu Sn

1 co

of nsnHm ni ttri/j\\ beduiding van iets rt/y voorteeken of voorspelling.

een th} (eji ? w cos

-) / . a

iigt;ii( .i,ii\\ zie Mil ll ll N»

co _ J

Lu nu mijj n Ar. vQ , takabbo er y kn. zelfsverhef-fing, gezwets, geprag {vrg. hlir:ri). — ihi uniTrj u\\ zwetsen tegen (Men.).

) ) K • O/

.1 ii aai mn \\ zie lii hii w

co

±ii 1,11 (r.7/.rL7^\\ Ar ; takgabboel, het in out -

vangst nemen van hetgeen men bij koop en verkoop in eigendomverkregenheefty zva. ±11 u ffl i£j ui ^1 ihi/j\\

tij 11 i.\'y\\ kn. gebogene houding met gebogene armen,

als bewijs van eerbied; diepe aandacht {grondv.

o ) . x n . . ) 7..

z./^n o.; vrg. xci mp. un ihii ny \\ zie /lt; 11 ±11 kh \\ bij

dhii h 11 w an utj, \\ poët. iliiJjih^ in een gebogene

houding zitten; in zulk een houding met diepe

aandacht bidden. — ibii lii^iui iki/j of ±11 as 11 1:1

ria^\\ do buiging of bogt van een arm bij den

elleboog en het gewricht van de hand» ±11 ar.i

(ilt;n 11 tinji^ met gebogene armen.

O..........O o.

(binimis m poëzie voor mii hiia/n\\\\

lii in^ \\ of rj lii \\ en lii gt;V^ \\ of rj lii nj \\ kn. bogt, kromming, van een rivier of weg {vrg. ;lii ini).— dn ittp enz. een bogt nemen, met een bogt loopen. — iLii iftjjmia-nji\\ enz. bogt, kromming, die een rivier of weg vormt.

vjï^ u\'n \\ kn. 1. ambachtsman, baas (vrg. volg.

WW. bep. voor 0r.ii metselaar, volg. Rh. ?neer bep. voor 0iim/ui\\ timmerman. 0.i;niLii\\ verkooper van metselsteenen. 0niii(i?)\\ smidsbaas. 0ijm (lii\\ broodbakker. 0(Qiu ^ \\ schoenmaker. too-

venaar, toove^iares. 0a?i rï.ci ij mi \\ van vak een geleider wp. 85.0(io /i/i jo^\\öpzigter van de wegen. 0(ui(tn\\ een twistersbaas, twistzoeker. uri2 ij 2 tlij^\\ een baas in het vertellen van sprookjes of in beuzelpraat. — ir^un ril\\ ook fig. een baas zijn bv. in slimheid, P. v. d. li.^ 101 iji iSt\\ nm. v. e. nachtvogel , Sri T. vrg. rj ui ijnji \\ s of xjj^ iuti \\ nm. v. e. soort apen, luiaard, brengt volg int. bijgeloof ongeluk aan.

(isnuy^s kn. met een stompen , bijna onzigtbaren staart van kippen.

3v • ir o

ij lii /• 11 \\ kw. zva. 1 /n igt; 11 \\\\ rrg. lii nu ^ ij 1111,11 en luw

Ij ilii l\'lj zie lii i.ijjw

tjilii if ilt;ii\\ kn. — hu ij ui ij kus zich moeijelijk staande houden, bv. bij het dragen v. e. zwaren last., bij het spel, bij een gevecht. — uvtjij i\'n 11 Di\'ij


20*

-ocr page 484-

rrj ilSH \'tj Hïl 2 \\

404

rjt\'n* het uiterst zwaar te verantwoorden liehben. ij üu ij hn? \\ kN. scheef, krom op de zijde gebogen, tmw de staart van een beest; met een scheve staart. ^ » m u i/]0 of enkel vj h,n tf flt;m\\ een driegnldenstuk.

de bloesem van de pisang, W W.

iistKia%\\ zie

1« )

\\ kn. wijzer, zva. tsr^tictw jsrjj^xN., biioo^K.,

aanwijzing, teregtwijzing; ooX\' ƒ//. toonbeeld, voorbeeld ; oo/c voor onderwijzing en last of bevel, zva. (ui ij ia)z hji {yrg. ic^ icj^p). iu(hn/f\\ weg

wijzer, gids. — ^(1^{\\ teregtwijzen ; ge-

lasten aan ; zenden met een bepaalde last. — ^ y ivn n ifn tin s mi \\ iemand iets aanwijzen ; aan iemand iets wijzen; iemand aanwijzing doen. — K^icyn/n tjKtt \\ dnim hi] (hn/js iets wijzen, aanwijzen, aantoonen , aanduiden , iets, zooals zijn heldenmoedy toonen. — nji iunkjiinhet teregtwijzen ,

enz. /ui m ik tijii^iu^^ of enkel aji ibi^.ic^?\\ kn. de

.... Qv. o ci O

wijsvinger {vrg. — (uiisr^(u^^\\ cuihuaxi

aanwijzing, teregtwijzing, uitwijzing, onderwijzing;

ook voor last of bevel; aanwijzing o/uitwijzing , o o O

doen. — (Etnsntr^^ foiihii(ia%^ aanwijzen, aanduiden, te kennen geven.

,uii(ir^\\ verb. v. asti zva. (vr^ax^s m ij. un un

zva. nn Ky dsn.ji^(LCji v

i5i^uï\\ {ook isr^rui\\ Rh.), kn. wijzer, van een uurwerk, zonnewijzer of kompas {anders ujdat platter is); ook ben. v. d. hoornen of bamboezen stokjes, waarmede de handen en voeten der wajangpoppen iu beweging worden gebragt, ZG. 1809 ,

7 ... CK 3.,

1G, ook zva. (ui KjjMJi %N wijsvinger. tui m \\ aanhoudend met den vinger wijzen. —k^Sï\\ iets met den vinger wijzen; een persoon aanwijzen om iets bepaalds te doen; ook zva. tj ihirj undiHyj of ar^ — (Hjxncws met den vinger wijzen naar; iemand aanwijzen, bv. als den dader van iets; een taak opdragen aan; met den vinger dreigen.— irjSïr.itj ilt;ii\\ met iets naar iets wijzen. — is^ uï\\ uitgestoken om te wijzen, van de hand.

asr^!biij]\\ kn. zva. l^n-^nsnj^\\ bv. langs de

o 3- o. o

rivier. ^ rrtn k., vnr^asji uii\\ k. , wi\'-fi\\ isrj

föi (iniji en inr^ Mnn kw. , volgen , achteropvolgen, achter een ander met hem meegaan. ii^nsiiJi of itjiiMYiiun de e^u na den ander.— ri

.ism »1 n ti (hij hïi s iemand ach terop volgen. —

Lirnuj iifyjs pass. imp. — m ^ bij/j den 9any of loop van iemand of iets gaan volgen, zva.

biiji^ iui iuwji^ een weg volgen (Tj.); iets, ^o-als een raad of neiging of de voorschriften van de godsdienst gaan volgen , opvolgen ; naar iemand zich voegen of schikken gaan. — Kjjvj zie boven. — t-i t iiJJ^ een handelwijs of gewoonte gaan volgen of navolgen. — iimuti pass.,

ook van un ï^iuii^ smi i^an/j* pass. imp. — /t» i^lii^s een weg , model, raad if verlangen vol-gen; zich voegen naar iets; volgzaam, volgens, naar, bv. naar iets naam hebben. — m ^7/ ivijij hiijj^ zich voegen en schikken. — «Ji Lsn \'iflJij gt;lt;n\\ iemand die gaat, of iets dat voortgaat, achterna; gaan {ook i ii k) i^ii ij uit Men.) den gang zva. iemand of iets volgen.—(tsr^ i^i na/)\\ in poëzie zva. (ui kj im/j en ^iuiciw {in Goes Djedig) kn. het is

heel wel mogelijk, het zou wel kunnen zijn {verk. v. ajuisr^ ijj \\ {zie (Ui isr^ dbii/js ben.). i:i m i^ii ij hii\\ {verk. !h^mi \\ poet. Kjj ifli (hnj]\\ iets meegeven aan iem.;bv. een heilwensch op, reis, Tj. —• ajiih^ i^ii hjj iemand die men volgt of te volgen heeft, voorganger , leidsman, raadsman; iemand tot voorganger hebben, als voorganger volgen, i] ui t0 wcm\\ volgeling van Ngisa , Christen.

il vnj is7^ biiji^ kn. tam , mak, getemd of niet schuw, van heesten, jlg. van een menschi; makheid {vrg* en ij vm \'amp;!?). iK^.isi^ bii/f\\ zich mak o/ gedwee houden, ui Liyj ^ een beest mak maken, temmen. — i^\\ achtervolgen, trachten te

achterhalen, achternagaan, vervolgen {vrg. 7p ; ook iels zoeken te redden , bv. uit een brand, door het nog gauw te pakken voordat het te laat is; zoo ook iemand zoeken te redden door hem te pakken. iigijinjj\\ achterhaald raken , ge

red worden ; te achterhalen, te redden (zva.iniy

o o o .

iui 151^ i ^ ifir* vrg. *lt;nvjierrn \'\'HJ))- iw y an ^nii\'v

h ti isrjj isr^ ifii^ij 2 } j \\ (vil (ei ^ iej! Si ^ als men hem niet nog zoekt te redden met geneesmiddelen, dan sterft hij zeker. — isr^ \'ifëiMij]\\ gemakkelijk mak tc krijgen; vervolging die gedaan wordt of gedaan moet worden. — ut middel (of kunst) om te temmen.

il\'ijl foiijf^ k. moegaon, meedoen, mee, zie bij njiinj^w — hvirr^dsiyi kn. mee raken, mee geraakt,


-ocr page 485-

II\'hquot;quot; quot;I-

O

i »i thus

405

van ids dat met iets anders meégeooerd wordt of mei wegraakt. /.»ivn uu i n J/i tj n ï gt; ^ wcg-waaijou , meegevoerd iloor een rukwind, ku vnr^ 7 101 n, me^ vor^oc^ raken.— nn mi Jii t\'us meö weg raken. — rn isn hn^ zich laten meêvoeren uf meeslepen j meegeven. — Mn i^ri mq\\ avat mee geraakt is; bv. m./ jy ^0 nmkn.ms nietje

pakje is mijn hoofddoek meêgeraakt.

\'i o • /

jjx/nastj iti poezie zva. iisij iisiyj bv. ^ htj\\\\

kn. in harmonie, eensgezind, eendragtig, harmonie, eensgezindheid , eendragt, eensgezind zijn, in harmonie en eendragtig met elkander leven, hv. van man en vrouw, en van broeders en zusters;

ook gemeenschap hebben; vrg. iii nn

) ■ ■gt;

ire rn *Jj ix-t ..... Tf M if •~n gt;1 .u ~ i f i n rmi iji/j nj

/ gt;a\' ~) CO ) : T

ui ,i/i 171 HJ iamp;l bnjj nn )U us iu m ry w

Vrg. B. T. J)j. 51 , ö v. o. L. 51, 9 {vrg. ij injj en ihJi in mjj). — it; im iijii rjnu\\ eensgezind maken, maken dat vienschen in harmonie en eendragtig met elkander leven. — njii^ n))/j zie hen. i3».19»nkw. zva. dn fu\\ en \\m lh kn. orde, geregelde orde, maatschappelijke orde, regel, regelmatigheid; zeden j in orde, ordelijk, naar deregel, regelmatig; liensch ; Tj. Sengk. vijf {vrg. nsnnsnri^crr^qs in orde (ieder naar zijn rang) gezeten zijn. rj \\ ni■ n un iii\\ onordelijk, ongeregeld,

quot;) o •

onregelmatig, n iJi m hn\\ manieren kennen,

wellevend, isn mi tj iu ^n de tafel in orde (gedekt) hebben, tun itoinunvni ^itnis de letters naar de regels (van de schrijfkunst) schrijven, in de

Boedaregel, de Boedaleer. t-ti ki ln ilgt;ihk zicli als mensch kunnen gedragen , öv. van een slang, ihn tun ihn rni -gt;7 \\ de regels, zeden en instellingen, van het rijk. nn mm iKif: n de orde en welvaart, va7i een land. un mimn .un\\ orde en veiligheid, ui hn [lo^t.is kn., ihn (lm i-it\'i^ f.i \\ kd. , orde en beleefdheid, wellevendheid , regels der wellevendheid, zedelijke gebruiken , gewoonten, n-i mi m n kw. zva. } i cm n,i \\ en bnrKi-iyi{\\ of ty in i •gt;! nJ m in/] {Skr. s at at a, aanhoudend, voortdurend, steeds); kn. geheel naar orde, in behoorlijke orde, volgens de regels der etiquetie bv. gezeten, {ook wel tun tun) — ihn lt;xii mi lt;isn s dc verschillende regels , deregel en orde, van of bij iets; liet één, en ander in orde brengen , zetten of leggen ; aanstalten maken, iets in orde en gereedheid brengen ; een schip uitrusten. — an(ü?)\\ iets ordenen, in orde brengen of stellen, regelen, schikken, rangschikken, sorteren, an hiiimde troepen regelen, in slagorde stellen. »n dsn tun tin} y de letters naar de regels schrijven, m^isni^n rriniaa/js uitblazen om weer geregeld adem te halen, K. 8, 22. isn \\ een soort oorkrabben, lis. — asn mii wji\\ — ifcumni0 niet in gebruik; bv. i!v ii rjit^0 aJ ti^ni^^mcn is hier niet gewoon, liet is hier geen gewoonte, stooter te spelen. — het ordenen, enz.; regelaar, di m un(niM\\ de regelaar (handhaver) van dc godsdienst; een van dê titels van den Vorst van Soerakarta. — ordening, regeling, schikking; orde houding; polftiebeheer, goede politie ; verordening, ordonnantie,reglement;kw.ctm. i j \\ of (bi {Skr.p ranai üy buiging; p r a-n a tiy compliment, reverentie), cm r] at lt;ugt;* w (m \'n n kn. de nögara (de residentie) in goede orde brengen, i/n.isn {of r.:i.vn^ry\\ of Ejiisi^)0 zijn compliment {of reverentie) maken. — ^iij.Lns iets in goede orde brengen, over iets goede politie houden. — iui nynj gt;i5n \\ het in goede orde brengen, enz. —- injj^ regeling, schikking, verordening, die gemaakt wordt of is.

o i-) O 0

,i57i hn \\ K w zva. li uj i i/j en w -n im ^n (577 w

,137/tvnjn ook wel nmixkn. wond, kwetsuur; gewond, gekwetst {vrg itwioi .m^\\ en r^ihi iiyf). iisihisnvu ui:h)/j\\ voor het vrouwelijk schaamdeel. — (HDj )j i n? /.y \\ iemand een wond toebrengen, iemand wonden, kwetsen , verwonden, kd.L7lt; ii ti-,mgewond raken; gewond door toegehragte wonden. i n7jnsn\\ zie i.niijnw

O O ^ ^ / j **

iln(i5iin kw. zva. i,n ti irnteii/j en r » id ijii \\ {oAr.att-ta, voorbij, ovoi\'liccn gcgmin). (5i mmhKN. ui (veeds) tc over, cr over liueii, over alius heen, meer dan )nnji; genoug, meel\' dan genoeg, -gebleken.

ih iii \\ kn. 1. nauwkeurig, nauwkeurig oiilettend , nauwgezet. 3. dag van een maanmaand. (Skr. t it i); datum van een brief; van daar ook ten einde, van ecu brief of ook wel van een mondeling verslag. i~i buroix of JjijSimi\\ heel nauwkeurig. nStnSwfi iiii^s nauwkeurig onderzoek; een nauwkeurig onderzoek doen. — i ii i ii ii dagteekeuing {eig. datum en maand), ij i n tm.brnf vn i n i n mi il!i \\


-ocr page 486-

406

O O

ihn ibii q \\

niet weten van orde en nauwkeurigheid, onbesuisd.

1 O O y .. O ei

aui iVjii iLiii.ii naam van een genfang. iibii Miiai^^ns ei o

kw. zva. i ^ rj ikicitiw (hi mii \\ kn. zeCs met nauwkeurigheid doen, hv. vragen of onderzoeken; op iets nauwkeurig letten, tm asri an(bti\\ nauwkeurige

informaties inwinnen, zieli op allerlei wijze infor-

• , o o o * ci o a\'

meren naar tets. :m mn mi ^mu ^i\\ oj m isii o-,! ws

een naawkeurig onderzoek instellen. — isïjj^n

n. , (Cjjjj rj fini t i.i Jrt\\ k. , iets nauwkeurig waarnemen,

op iets letten, iets opmerken, gadeslaan, (hnihihti

(tji iïjs een brief of stick dateren , dagteekeneu. —

mi iüh rj mi tui\\ geio. un nJi aw (Ei ti ) (hi/js gedateerd.

o X

rfsj^ is^KW. zva. j (i^ {\\ iL\'tii r^crhi/j en nir^ is w —

is^sN., in rhi } rijststampen in een rijstblok om de rijst te ontbolsteren {vrg. hii 11^a-j{\\ en ij i it \'/ m ? ^ )• — ^ N \'rn $s \'llJ^ rijststampen ; ook een persoon die rijst stampt. — nsnrj mi ftfi iw :ilt;i/j \\ stampsel, het gestompte, van rijst j ook naam van een soort van gras, dat o. a. tusschen de padi groeity Polytoea braeteata, R. Br.

Hsu as ii % \\ kn. 1. beitel. 2. kn., .l//i^ki., eti hoog er nu ip kiiji gt; de vier middelste boventanden laten af-beitelen. — ümii^ kn. met een beitel of beiteltje werken, beitelen, uitbeitelen, uitsteken.(tsu of iaiujMiij\\ gebeiteld, uitgebeiteld, uitgestoken. ilt;ii -n wtin (ini % \\ een van onderen aan het lemmer met bloem- of lofwerk uitgebeitelde en met goud ingelegde kris. — an i^u ^ ili iets bebeitelen ;paar-dehoeven af beitelen en afvijlen, tsri kii 0\\ een beitelaar van paardenhoeven , hoefsmid.— on mh q urn ij kii \\ iets laten beitelen of steken. — u.i uj tsn j\\ het beitelen, enz.; en iemand die wajangtiguren maakt. — iisihlii ? tw nsi^ wat te beitelen of uit te beitelen , gebeiteld of uitgebeiteld , is ; beitelwerk , uitgesneden bloem- of lofwerk.

hu il,ii j \\ zie xsrjj v-ijj {\\\\

bh l,ii ^ \\ kn. het door dc godheid tot stand gebrachte, beschikte, geschapene; schepsel, creatuur(Skr. s ti-tay tot stand gebracht; beschikt, besloten), in no

if i q Sn a i niii mn 4 \\ tevreden met zijn lot. (ki r.n in n

so n ; ~)

i ij ij i.u in^ KI ihn Mn q (til i ^ ihi ^\'ii ii.\'/ «Ti ij ^h(hi/j\\ gelaten en dankbaar berustend in alle beschikkingen van liet lot. — (in nsn fs iets voortbrengen, beschikken, scheppen, van de godheid\', ook iemand leiden , door vóór te doen of vóór te zeggen, van mens ch en (Skr, nit a y nit a h ; geleid), mh uj mn j (rnyfiJiin?wi^irnbestemd tot grootheid en rijkdom. — (hnMnq(un if kh\\ iets tot stand brengen, scheppen, van de godheid. — asnibiasnschepsel {vrg. acrfziin). unMiy rimii het geschapene.

o o a n

mii mii ; \\ KW. zva. mii lt;rrii j \\ isrj m \\ rj mii ij mii {\\ en

iji np w kn. de bovenhand hebben, het winnen {vrg. iisri ii i/j)} (ia r.r^a$[lt;to!i {\\ elkander de overwinning betwisten. — vsi .ifii kn. de bovenhand hebben, het winnen van een ander; ki. van iiy i)iw mmJ (isïi^nKN. het verliezen tegen een ander, in eer, gevecht of in het spel. — an a?n q a?n n ki. van /y gt;v»

n ci o . .

r:i\\\\ m mii jn/n ijhii \\K\\. van i^rni i:i ij ilt;ii\\gt; —

no . 03...,

i ii mii gt; i n mi /j ki. van mn mi »i anjjen van nu am \\ it.

o o o o »

— iii lïj mii ^ n KN. zva. l i Hj (ivi q \\ 0/ iim ij n.iz mi _ j

iijlt;yii?\\ dunner balken, die rondom op degebiud* tebalkeu liggen , om de hellend liggende daksparren er heter op te doen passen, en die tevens tot sierraad dienen , waarom ze ook doorgaans min of

meer fraai uitgesneden zijn.

. O O

kw. zva. ij^ lt;rnn/ijjs k., ihimii^

k., 1. een boom snocijen, besnoeijen , door de overtollige takken af te kappen (vrg. [l ynn iJijj en n (Ui ui). 2. op ee?i pijl die bv. in de schijf zit, een andere pijl schieten , zoodat die verder doordringt; ook een pijl van den tcgenoverstaauden vijand door een pijl treffen en zóo stuiten. 8. iets wijten aan Iemand; iemand verwijtingen doen, iets verwijten {vrg. iTj\'trn mii (isrifl). 4s. toenemen, verergeren , van een onheil of kwaal, hii1. afgehakt raken. 2. behebt met iets {vrg- hii mi hij\'). 3. gestuit worden. 4. onmiddellijk gevolgd worden.

... o Cquot;) O

o. toegenomen. — h^ i ^ gt;ijii \\ (hi mii?!un\\ mv. — i y r iy gt; i n hi/i of hi H\'h isr^jmn m/js het voorwerp van verwijtingen,

ij mii mii j \\— ij m mii j \\ een kind aan een leiband laten loopen.

w mh vj mii {\\ zie rj mii { w

If Mil I Yj Mil 2 {(iw Hl ff \\ zie lfMm{\\

Mij gt;1 MII 2 (HlJj ^ zie bij Mij Mïj w

) ... o

Mil Mil If HJ Hl^\\ Zie bij MllplW

1,11 yMi^\\K.\\y. zva. \')i» n r imMit\'ris hii ij hmihi/j\\ mii mii tree, trede, vati een trap {vrg. a m * mui/] en luij iin hji (injj); inkeping in den stam van een kokosboom, tot sport om er bij op te klimmen;


-ocr page 487-

gt;1 ihn tj ihnquot;

407

lt; u t r/ N

Jltj. trap, graud. — ,hi^n\\ opgaan, opklimmen;

/quot; / o . j r

kw. zoa. gt;11 w \\ -- in nsnnkn. in oy

dellen opgang inkepingen maken tot sporten ot\'

treilen om er bij op te klimmen. — tun «(v n

tot sport of tree gemaakte inkeping; door uithak-

king ot uitgruving in een steilen opgang gemaakte

trui). — .u ilii urri in/jsKw. zva. isnonjj\\ —ili

z X

lyMiniw/j K\\v. zva. ili ni MèT) ihn/j\\ en i^rnj i \'ij (W ; * i) tofj of i y y ii ii ii -aj crw im on/J n til iwi\\Kw. zva. f I M O (in K. .{i i iinj). — ui ^\\ een kind zijn behoefte laten doen door liet op zijde buiten den schoot van Tie moeder te houden,

voorkomen, dat het kleed van de moeder bevuild

o X . • i - • J s o

wordt, ibv•rn urji m (m\\ minder jnut voor iisiiiiSY^rn

tij cms W. II. 10.

,j u i^x KW. zva. r.n ui rn/j en i n(MnrnKN. naam van

een heestergewas, waarvan de bladen tot medicijn

en de vruchten tot n i ru,i;ii/j gebruikt worden.—

iHiibii^ kn bij iemand sterk aandringen, door her-

■) i/\'

haaldelijk vragen, manen of aanmanen {vrg. inüii\\

O .O ; ) quot;»v

x ugt;iin(iJi(i-i.) en un (ni ui i^i _y»).

CJ ^ s

mliXns 1. kw. hHiJiiu/js un gt;// Liiw^\'i{ of

L,n w ti (tn \'igt;ii/j\\ 2. t ^ b/\' \\ K., m ;lt;) K.. alarm

sein door het op zekere wijze slaan in het rijstblok , bij roof, moord of gepleegd geweld {bij brand mi tj nu? i:i HTji of yyi i^yty ); zoo alarm slaan; anders \' / \' ^\'li V \'■quot; k\'\'^ kn. bij herhaling kort na elkander doen, /;y. slaan of steken {vrg. m i n). iisi\'i l i ■ r)ij)rj(rpr) bii ijj un \\ aanhoudend wierdon met de oorlogsbekkens seinen gegeven, i i^ bihLii hns aanhoudond wierden de bekkens geslagen. — an ihn n n N., (ltï iT)7 i ■)« k. , om iets of

iemand in het rijstblok slaan.

/ . f o

» y( N., ti i rin\\ k. {isifCj,? of iJtoij\\ en i;i h.iilt;ii\\

ki.) zeggen o/ meêdeelen aan Iemand\', wat door iemand aan iemand gezegd of meegedeeld wordt {grondv. ism vrg. un uij); un m ^uu^ uij {of i i i in), zonder het te zeggen (sans dire), van iets dat vanzelfs spreekt, un gt;f rtè i\'rp naam van een soort van kleine wesp. ItTI vn^ ^ \\ m i~in ut um \\ aan iemand het zeggen, un ik isnisniim\\ zeg het aan niemand! — kju^ s. zva. unut^w poet. zva. uijx nwiets wat men vindt opnemen {Banjoema.s) Rh. — ^i^Jl gt;gt;s ,nr\';\'N iemand iets zeggen of meêdeelen. — K/ n iji, n\\ m i.ip n i, n unjfs iets zeggen of meêdeelen aan iemand; van iemand of iets iets

z\' /

zeggen aan iemand. — Kn ^ ufj \\ en lt;15^ (Ej ^ n zva. i ij t ij \\ en (hi ri{\\ ook zva. Cuwy of v^^vnyjs iui Hrjurrji\\kn. ui,\'M(irm\\Kii., wat iemand een ander zegt of te zeggen heeft, ook als onderrig-ting, vermaning of ontboezeming; een onderigting of vermaning geven; te zeggen aan iemand;

onderrigten. — \'tllt;isnwn,\'r)\\ iemand ondevrigten , vermanen, over iets onderhouden.

n un n lt;un n KN. 1. ])roef, toets {vrg. muixis en ij id rj fig- bewijs, blijk bv. v. gebleken bekwaamheid ; zulk een bewijs of blijk geven. — ij in »/\'bn \\ op de proef stellen. — n ij lt;un ij /un gt; proefonder-vindelijk gebleken. 2. if inoyuns langs den kant Voortgaan , van den middenweg afwijkende voortgaan. (Tj.) Rh.

ii itgt;n t ij un i \\ kn. veldvunr, een door de dorpelingen van stukken hout of bamboe aangelegd vuur, om zich te verwarmen {vtg. \'uuui u\' \' zulk een vuur branden of zich bij zulk een vuur warmen. — 7 »1 ki 1 ij un 1 \\ een veldvunr aanleggen; ook takken of

loof afhakken.--r) nm tj hm\'rioa/js een aangelegd

veldvunr.

(Utt iUt^ajjjjs zie bij

.un hti i^tijjs KN., n-Ji o iUiyj^ {volg. Rh. ui xji fonjj enz.) KI., besnijdenis; de besnijdenis ondergaan ;

jonge {vrg. (tJjlt;pi^njj) — ui un kh/Js beest slagten; een term bij de hadfs in gebruik. — ki un n ui lun^s een jonge besnijden; hetbesnijdeniswerk verrigten; voor een jonge bij zijn besnijdenis een feest geven. — im iun Kturj mi * tvrr^uiiujj ïj kiu een jonge laten besnijden; een besnijdenisfeest geven; uit itsn irn/jsKW. zva. im tntu/p {Ml tetaq). muu iun Hti/jw.i. een afgehouwen stuk. dial, ook zva. *1,11 .un i,n/j taamp;ii hakken , houwen, at hakken, afhouwen,

utiun Ktu] kn. toeken, spoor, dat dienen kan om iets

na te gaan of te ontdekken, of waaruit iets af ge-o o

leid kan worden, rj nt i tj tu iföiüti kiijs spoorzoeken te krijgen, van gestolen of geroofd goed. — tj un s tj 111 ? un un un/j v spoor krijgen, op het spoor komen. x:nnt utuuti un/j* opgespoord goed. utiaiii kii tu hti/jwordigen. één van de verloren voorwerpen, dat teruggevonden is en dienen kan om op het spoor der overige te komen {volg. WW. ook gt;5)a5l


-ocr page 488-

quot;\'Tl \'quot;\'1\'

o O

i,ti ihn i i/is

408

iuiytui.ujj) j ook afkomst, ooivprong. — nn nslin)ijj\\ een toeken of bewijs opleveren G.; aan tee-kens zoeken te herkennen, spoo) zoeken, opsporen; zoeken te ontdekken; onderzoek doen. im thii asn Kuji\\ aan teekens te herkennen; ontdekt, bewezen, gebleken. — mi (hu m Qn/j\\ wat tot bewijs dient, tee ken, kenteeken. — lt;1.1 uj an un no /j \\ middel tot ontdekking. — (isnn?/ as)izie hen.

kn. iemands uitzigt of uiterlijk voorkomen; uitspraak, wijze van nabootsen der stemmen van de verschillende wajangpoppen , zooals een bedreven dalang doet, uo/r naam van een wilden hoorn; en KI. van (Juister poöi. zva.) (Kntknifyj\\ WW.

0 n

ij fon .ui I. i^/j\\ zva. ihii tni 1, n/js?

gt;1 foti? ij{hele?- rjnjii rj npgmi/js Rh.) KN. naam van een zeeschelp , en van hei dier, dat er in leeft.

i n Kij un \\ eifffi. van Gatoetkdtja in zijn jeugd.

en an lift in u\\\' Zie bij dm (rus T.

vn^nsr^hii,^ zie hij (isi^tuii/js

(tsn ihii a i/j\\ kn, geheel door, (/esneden, gebroken, gestoken ; geheel door {of uit) gelezen\', geheel weg; afgedaan ■ {grondv. Miw/js vrg. -nfóitii/j en tn ,iïi!

v o o o lt;r» ) ,, o Qv

mmihjMi., ni/n K.,{oo/c rj i/n i nn

L. 200), het doorbreken (aanbreken) van den dag. WW. 0 ij gt;iji dsn (tnjj \\ poet. hetz. ; vrg. on rn rj tui^ mh urn G. deze laatste uitdrukking volg. Uh. ongehr. voor irn r.n ij u) (bn an,j\\ o f rn rn ij 111 ~jn riii \\ — anibiii)/j\\ doorsnijden, -breken, -vreten; tot het einde toe volbrengen, v.;,/^ rl0 enkel in iisna.jji de geheele nacht door., Zoo ook ij u\'nt j i an,hii0^1 j\\ en i7i an rj r 1 lt; an itn a~ i/j\\ — an a 11.1,1 \\ inv. doorsnijden , hv. touwen. — njian itsna i/js het doorsnijden , enz.; ook een doorsnijder, van een wapen, dat ook het hardste doorsnijdt, r.ii n; de wetenschap om {door een toovermiddel) een wapen zoo doorsnijdend te maken. - n ^hiyuna i,j\\ ongehr.; — uyumn/j\\ door iets heen gaan, zooals een pad dat door een veld loopt; er geheel door, hv. van een snijdend wapen, gelijk uitkomen, hv. van een onderzoek met dat van een ander.

tiii a n i i.j* kn. van die hoedanigheid, dat iets scherps of een kogel er door heen gaat, door tc snijden, te wonden, kwetsbaar, {vrg. huinm 1.1/j en dsna.,11 flv/;); volg Rh. ook een kleine barst of scheur hebben; ook goed of juist uitkomen, hv. met een raming, niet falen, van iemands woord {vrg. ini\'J a. i/j n.) ;en zva. aQ ifi w Verder K\\. van (i./i hj ajiiijx besnijdenis van een meisje. — an iitnnj^/j \\ eijeren nitbroeijen , uitkomen, van een ei, dat uïtgebroeid is; fig. uitkomen, blijken waarheid te zijn; ook duj. (lelijk , zva. a\\-)op\\ hv. van schrift. — ana^nanSis insnijdingen maken, Tj.; een ruimen oogst opleveren, hv. v.padi, aardvruchten enz. Rh. — 1 nilii i. i^aan^ liet uitgebroeide. fj fhii (bu (M/j — anaw

a^i/j\\ gelijkelijk gevuld.

o o T o o

Mn miiai/js 1. KW. zvu. rj ibii rj iun (Mjj\\ — nb^(b»Mv^\\

of ibu rr](hii i.i/j\\ kw. zva. ijifouijasii(iJ)jj\\ kn. de drup, benaming van de plaats achter een huis onder het uitstekende afdak, waar het regenwater afdruipt {vrg. ihi^asii ajijj)\', ook wel van den rand van een regenscherm. (urri0\\ druipende rots, druipsteen.

a/n ana\'ri0\\ onder den dakdrup. — (af^nsüikitj of aa

a o 1

rgt;i(unanjjs onder de ^b^asiiajjjj gaan slapen, een

wijze van (udojiw asiinia^iuKa-taarijjs de plaats

op den grond onder den dakdrup.

II. aiïi aw anjj\\ gew. oji asn asn o.afj\\ ook toel \\(l\\ bn ihii a.yj\\ kn. juist, nauwkeurig, juist treffend, doeltreffend, »ƒ gt;1 ^a^iaw.biiQ^Jj^ een juist, nauwkeurig en regtvaardig beheer. 0 wnitniivh rliia anas de juiste weg naar de andere wereld. — ai iïnhlia.ijj* regt voor de vuist spreken ; opregt handelen. — irn bn a?ii an ij ini \\ o f ijtn a?ii aPn a. 1 -1^ y ijhtis maken dat iets juist of nauwkeurig is; juist

opgeven; juist opnemen. — a.apjaai injj\\ vizier,

• 1 .. O ■quot;gt; O o •

mikijzer op ecu geweer. 1 n bn a iajj a nij an ^ i\\ ]\\\\m

schieten.

111. a^i aSi.i ia\\ kn. incarnatie (vleesch of mensch-wording) van een godheid of den geest van een af-g. storvene, hv. m aJiij an ^a ini ip ^ 1 n

iy\\\\ — anibiiaij\' zich incf.rneren; {vrg. ikj^uu); ook geheel gaar gekookte en gezuiverde suiker in potten of vormen afgieten. — an blia^i Ji\\ in iels, hv. een tijger, zich incarneren, mi ibii i?n an k)/^ oezield door een godheid of geest. — an u n a.) ~a tj ijani\\ een ziel doen verhuizen in een lichaam, met een ziel een lichaam bezielen. — asn asiianjj\\ ge-incarneerd. — a\'.n ania^ ^1 .injj\\ in een vorm afgegoten of af re gietenc suiker. —aji ijj a?n an /inp middel {of kunst) om zich te incarneren; vorm


-ocr page 489-

) C)

bil lt;LII II l/JS

409

,i .bii r),] \\

(pot of halve kokos dop) om buiker in at\' tu gietonj ook plaats waar de :gt;uikur iu vormen afgegoten wordt. {Zoo ook bij vevk. on ihnu iJU.) .trj^iiiU/j\\ hiiirijj of ^inn i i/js KN. droog uitgeperst , uitgewrongen of uitgedropen, zoodal al hel vochi er uit is; ook van een geslagl heesl, wanneer al het bloed er uitgeloopen is, en geheelenul uitgeperst of nitgedropen, van hei vocht dut ergens uitgeperst wordt {waarsch. voor ^ Vrg. (ijhuh/j en \' ook zva. i j » bekwaam,

bedreven, K. 7, 188. — enz\'»

droog uitpersen of uitwringen. — .irjlt;isn menz. mv. innsna^i ^.n ij i,ii - maken dat iets geheel droog wordt of dat al liet vocht er uitloopt. MnnmaJ/js kn. dunne reepjes gespouwen bamboe tot bindsel, .tsn iisrj a.\'i ik * met lange steken (?ƒ

geregen. — een stuk bamboe tot ,51jj

/ maken. — ihy^.Ki^■t\\ met [ \'Jj^ vast

binden; rijgen, mv. — gt;1511 rsrithj)an/j\\ wat met zulk bindsel te binden, te rijgen , gebonden , geregen of doorgestoken is.

ij.bini bii ).i/jgt; kn. gedrnppelj drup, droppel; uit de suiker gedruppelde stroop {vrg. .ini tii\\ ^ 1 en inii.111); geheel overeenkomen, volkomen overeen-stcinmen, van een afschrift of nateekening wet het origineel, of van twee verklaringen of berekeningen; juist uitkomen, van een voorzegging {vrg. in

) ) . x (bu mp ihn ^ 1njj \\ ij 111 ij in t mi ij en /kd i t).

— ij in tl hu tn/j en 1 ij ij ,• i tf 111 in/j^ druppen, druppelen , druipen. — ijinrjuiuiJi^ druppelen of drnipen op; met volkomen overeenstemmen; •— ij in rj ,1,11 m ij ,uti\\ iets ergens op laten druppelen; met bedruppelen — rjgt;f lii.1 i/j\\ druppelen; ingezet of ingelegd met edel geste ent en {vrg. ini.1/1 \'/ ly .My?). — tj in rj hii in^ iets met edelgesteenten bezetten.

- ) o

ijibiiiilkW. zva. n.\'i 1^.1,11,1 en inii.imp

itn ihfi \\kW. zva. (isiM tui \'i] \'hii \\ if.)iisn\\ (tji iij (hiifj

HU f \\ \'U j IJl J \\\\

quot;TVf !:va- \'TTJt •quot;\'•■ ■\'TT

ij\'hiM ij iisuiiui(in/js zva. ijuu? ij biiz (inijs zie hij

rj bil tjw ■^l ibijmi \\ zie bij

\'tif» 1 ij li kn. spaander, spaanders, van hout; seiiaaf-sel, krullen van het schaveny ook wel 0\'uia.,i^(i v iHi/j\\ spaandertjes, uitsnijsel , van metalen bij hel graveren\', fig. voorbeeld, antecedent, verdienste, waardoor iemand zich verdienstelijk betoond heelt, zich verdienstelijk maken, blijken geven bv. van moed. — iHifci}gt;rujj\\ tot spaanders worden. — ini iUimsii .n ins met de daad bewezen , bij ondervinding gebleken. — toiiisnihiirunn/j gegeven blijk, voorbeeld, antecedent (vrg. tuwi .isnn).

u/1 iiJiiiijjjv kn. vast ingedrukt stijf volgestopt; digt aanéén; veel, in menigte {vrg. ihuini/j en i* i; tn/j); ook naam van een meclkoHt, bereid uit k\'êtan en geraspte kokosnoot, stijf geklutst en in koekjes gesneden, die geroosterd gegeten worden, thinhn nj un \\ een dergelijke kost van pisang bereid. — m iiini/j* indrukken, inpersen; (inprenten; verzekeren, een zaak bevestigen. G.).

7 y kn. stip , stippel, spikkel, gespikkeld, ge

vlekt; iets om op een klein plekje iets af te tippen ofte deppen. .•/u» /1 gevlekte tijger, panter, i\'elis pardus. ^\'^viii nni/j gespikkelde bamboe. .ry u i Z 1 .biii)j),j\\ van digtbij, a bout portant schieten; eig. zoo gemakkelijk tc raken als het gemakkelijk is om met de punt van de lombok , de pëtis aan te raken. — irj-br^ tLi Ii.hii i,j\\ van digt bij\'schieten. — stippelen; ergens even

instippen; iels aftippen olquot; deppen; {jets aanstippeii, even aanteekenenjr.). — quot;N

peld maken; iets ergens even instippen; met iets even aanraken.

ij\'ba2tj ii ut\'Hifj kn. spaak of boom van hout of bamboe om kracht bij te zetten ,# iets op te heffen of voort te duwen {vrg. rjnrmtu/j en ihi ini n iq). ni 1110 een tweede brief tot nader aandrang van een zaak. ruii\'uiHiij\\ een van wege de overheid gegeven bevelschrift aan de politie tot inhechtenisneming van een vervolgeling. —iijihm rj but n iets met een boom opheffen ot\' voortduwen ; aandringen, aanzetten; ook zva. mi bin li/js

1L.11 ibii njijj\\ zva. gt;bii .biirm/j\\

.Qimii (iJi/j\\Kfi. vast, vast staande, vast bepaald ü/* besloten ; bevestigd, bekrachtigd, geconstateerd, zoodat het vast staat; vast staan, het staat vast; blijven, voor vast blijven{grondv. i n tup vrg. 1 n ifjquot;\'quot;})-

O ) ) , • .

miI t n ibii 11,j naam van zekere lourmjyes in een cilindervormige huize, waarvan de paar dunuQ


-ocr page 490-

\'AIO thïi (hii (Ujj\\

angels [i j ny tjii Mntu/j) bullen op de huid veroorzaken die erg steken en brandend jeuken, Rh. — ctoku (iJin\\ goed sluitend; vast zittend, bu. van een hoed op het hoofd-, stijf drukkend, niet met een losse hand, bv. roskammen. —antün njiSi\\ iets bevestigen; zich bevestigen , bv. van iets wat voorzegd was; verzekering geven ; aan iets {bv. een belofte) zich houden, het getrouw nakomen; overeenkomstig iets zich gedragen ü/* handelen; overeenkomstig iets\\ vervullen bv. van een opengevallen betrekking, aanvullen bv. van een door gewonden of dooden incompleet geraakt leger, Waj. I, 110. aan iemand zich houden, bv. aan iemand, die zijn schulden wil betalen, kh tisniui -1ihn/j\\ passbook gehoaden zijn, bv, om te betalen. \\n iiJi (ui ^ rj ijun\\ iets vast zetten, vast drukken, vaster aandrukken; iets in stand doen blijven; iets vaststellen ; iets bekrachtigen; iets constateren; iemand bevestigen in zijn post; iemand vast voor iets houden, bv. voor een dief \\ omtrent iemand iets voor geconstateerd houden 0/als geconstateerd verklaren.

(U/jskh. 1. digt aan- of op-een, zva. hn m iJ ui\\ bv. ik ikrfy iw(uiqs 2. iets in bewaring geven, deponeren bij iemand gt; toevertrouwen aan iemands zorg; iets in commissie meegeven aan iemand om te bezorgen, of geld om er iets voor te koopen.— i?) hh .m S) \\ in bewaring geven, toevertrouwen o/ in commissie meegeven aan. — w tïli tu ~)rj hn\\ een object in bewaring geven, toevertrouwen, in commissie meegeven aan iemand, opdragen aan de verantwoordelijkheid van een ander. ■— bi] u injfs wat in bewaring gegeven ö/aan de zorg van een ander toevertrouwd wordt; ook een meisje, dat, door een aanzienlijk persoon zwanger gemaakt, aan een van zijn ondergeschikten gegeven wordt om het te trouwen. :vn.wi?n0\\ in deposito, in bewaring, zich bevinden.

i n iv/kn, deksel, capsule {vrg. un hl) iiyj); stop, kurk {vrg. kj f i Li ri jj); het aangezigt met den slui-jer bedekken ; de neus toestoppen; digt, gesloten {vrg. ihnhh i iQ en u uj rm/j); slot, einde, uiteinde bv. v. d. maand. (unTjiM—ititrnjj).

eig. deksel van het huisje van een rj un rj lïi?\\\\ tibrjj isij ,iyi ui imji \\ ben. v. e. wijze van den hoofddoek om te doen. isr^^ ui urtjj en isr^ a^jri^nyn mijj of en-o

hll (1511 L\'l \\

kei nu -rijdm wy namen van twee verschillende boomgewassen , waarvan het hout alle en tot brand, hout dient, JR. iets digt maken,

sluiten, verzegelen, omsluiten; ook wel zva. a~iij rrn/js en iemand opsluiten, gevangen zetten; bedekt houden, verzwijgen; zie nn nn ijiji \\ —

mv., en iets bedekken of bedekt houden, ook zva. jt! hj irn w — ^ (ui ~. i ij rni \\ met iets een voorwerp bedekken of digt maken. —

met een gesloten; wn iti0 een aan alle

kanten ingesloten kamer, M. — u^yy^aji^ het sluiten enz., en de sluiter,quot; die een rij besluit, de laatste; slot, einde. nn:iï0\\ de laatste van de pro-pheten {d. i. Mohammed).

uii iisti (i?i\\ èiin5n(u\\ en verk. ib»/i3\\KW. zva. hi êh n

vrg. asnmaji*

1 a\'

ibn iijijjj \\ K\\v. zva. ibn 7 ld gt; mi ili i.irn .ttyp

\' o 1 .1

I J \'r) i:ii\\ (.7) i.n i i i \\ ik ini \\ Clii,nml i{):p 30 IU hii\\

,17^ n i j vrg. .(sndjijw li».15»kn. oiivci\'schrokken, onversaagd, form, cordaat, flor, moedig. — in nsn ^{jN isich col-daat houden. Zoo ook hhhii funrfjr/ im.L\'ii hii ij

vn*

lini Li fcn^NKN. 1. zva. mt nurtQj2. aanhoudend geklop , getof of getik op een (jong, bekken , bedoetj, tongtong of ander instrument, niet om muziek fe maken, maar om een sein ie geven , tot teeken eau gevaar, tot zamenroeping, enamp;.; liet gealagon worden van een kleine biSdoeg bij zon- en maaii-eclip-sen, op den tienden van de maand ISësar, \'» morgens om half aelit, tot teeken , dat de vasten geëindigd is. Zie bij irn^.m^s 3. vast op hel water liggen, van een vaartuig. — iinii\'um/j\\ op een gong, bëdoeg of eenig anderinstnimontiianhoudcml slaan of kloppen , zooals om ven sein te geven. — iVjiÈHjrm om iets op eenig instrument aanhoiKlenil slaan (vrg. io lii h) , zoo een sein geven aan if-aan troepen om uit te rukken, PM. — .igt;» ;f|j !ki^ geklop ergens op tot sein of teeken van gevaar.

as!iiiiiiim/j\\ kn. beterschap, verligtiug, van een ziekte

of smart (vrg. *\'! i-1-i).

nrj.Krjjmi^n., rir^^yr?i\\ in lie spreekt, ook Kj in K., tot aan het einde; gekomen of aangekomen waar iemand wezen wil of iets wezen moet; tot aauieh


-ocr page 491-

rj asti i rj IUI i cm y \\

411

tou {vrg. usijiwun^ en aajf)\\ook vervolg

\'iels, om het namelijk ten einde te brengen, .mcni/j\\ ten einde ; tot voldoening, genoeg (««wr wensch of verlangen}. — isn cm/j\\ uit rtn ani \\ het met iets tot het einde brengen; tot het uiterste, hut hoogst mogelijke toe; het ten volle of tot voldoening hereiken. fK7nn uj0 of 0aj}(iowj\\ den geileden dag door {vrg. (tj (Myj). 0-r.^ in gt; ^ un \\ of 0ijh ijrmifS i ^ \'1(1°Jj,}ai a^2/}\\ hij eeu l)re^ tot er aan toe! hij had de grootst mogelijke pret. — ki ,M^rm (t \'n (ia ij nmKj\\ aan het verlangen of den wensch van iemand voldoen; bereiken, inhalen,

wat men achternagaat; het rooijen, het gedaan

, .. O O

krijgen, nwisrj, * nrn iun axj rj nm anjj^ zijn verlangen of wensch voldaan krijgen; ook bereikt, ge-

rooid.

/iiT.iSTï nm tf itnt \\ mtt an ij nm ant hit wjj of ;

O

i/T» i^nrj nrrtMrt (tïrt (HTjj\\ voldoening geven aan zijn wensch of verlangen; iets, bv. zijn togt, voortzetten of vervolgen, om hei ten einde te brengen.

ij ht) i rj asrt 2 rrrtj\\ zie bij vj i.d 2 nrrt/j \\

mi Mt gt;iit/j\\KH. klop, slag; ook stomp, van een stoo-tend heest; iets om mee te kloppen, zooals een stuk hout {grondv. mrt nrrtp vrg. brt ibttarrt/j). — iHtA5tiirn,p kloppen, slaan; stompen; uitkloppen , ook zva. (tnazr^qw \\ mi it,n fruerm (tJijj\\ met de hand op scherp (wapens) kloppen. H. volg. Rh. tegen een wapen Ülinloopen, fg. voor een vijand ontmoeten, (hrt Hbgt;.) irrt ^rti crtl witot^ tegen het strand slaan, van een zware golf. — mi astt nrn \\ mv., en nauwkeurig onderzoek doen, huisonderzoek doen. °r/(Ln2\\ onderzoek doen op het lijf van iemand, door hem overal te betasten en de kleéren uit te trekken. WW. ao itsttn:11^11 tun\\ met iets kloppen. — ihiidsntirn^(rnjj\\ de vloerplanken van ecu paarde-stal; (K\'i0 een slag, écu klop enz. — jj(fön^mtt(i:nji of ihtin^ast)de klopping van het hart. — bnr.n/j of lt;tn gt; 1 nmarmn\\ kloppen, vin het hart, en van een zoo ontsteld mensch, dat hem het hart klopt. — 7joo ook (isr^^t^nsmvn/js — (tH^asit cox hartklopping veroorzakend. — in-^asnxrn (hnjj oj ibnmwitvQiHTjjs aanhoudend kloppen, va?i het hart; hartklopping hebben. 1/1 tLtitJtij0 een boseh van laag hout en kreupelhout, kreupelboseh, voorbosch, anders nm n/t (tut cm w volg. Rh. eig. de

zoom van een boseh, zie hij an) up iitnjjs isij (isï^djnjjs kn. naam van een wilden heester, met hreede bladen, die tot iLid^s 3. voor de oogen gebruikt worden.

(bUM/js zie bij uit aoa^w ook grondv. oan tui

en tuit ihfi aj)ji\\ ihn a-jijj \\ zva. nniw/i\\

n , . 00 o quot;gt; 00

(isti(Kiji\\ l. verk. van nstt ngt;ita. ihn

O ) o a o* o Qv O

KW. zva. djJtdJi f i/j\\ a i djt \\ f ji ■ n *t\\ i niJKioi rti 1.1

\'miw v d/n dstt dJijj n kn. , koud, in een hoog en graad zoodat men er van rilt {zie ook djn ikj/tcut/j Sd. tiiSy koud, koel; dPtriïwp koud dat men rilt.). (Vi in(£j)a.y)N de koorts, als ziekte. — icïdïnfrjt J]gt;• sterk verkoelend , de koorts veroorzakend. — (tot astioj) Q.mtjis van de koude lijden, van koude bibberen. gt;tli quot;t 10\\ de koorts hebben {vrg. untivp^infj).

— an tan^jj^ in de koelte, op een koele plaats . zitten om zich te verkoelen. — djticjihjw -t# mijj\\ een plaats tot verkoeling, een koele schuilplaats tegen de hitte van den dag.

()

d5ïtd-jjjj\\ KW. zva. tf dut (Kijj* if hit tjihtt Kyis ila en

ii.t.i.ndsnflskn. 1. afkomst, oorsprong {vrg. intntyj); afstammeling, kroost, kind {vrg. ^ en van echt ras, van zuiver bloed. 2. dsna^s xmisr^ ojj* of dyriiwiht/js afgedropen, uitgedropen; afgedroogd, droog door uitdruiping, afdruiping of afdrooging van iets daar vocht in of aan geweest is

, ( ) o*

{vrg. dsn ihtt d.t/j^ (tw ; \\ art\'»; \\ tun gt;. tt \\ en j d m

dsnjj). Krt.?.?ij\\ zva. djjjdTtr^i(t^jj\\ bedreven, bekwaam.

— indsnfci}jj\\ iels droogen door het vocht er uit of af te laten druipen, ook door het ie droogen te leggen of met iets af te droogen; afdroogen.— kiimd.iijiKn\\ iets doen droogen, door het te droogen te zetten of te hangen; met iets afdroogen;

voor iemand droogen. — zva. djittdsrj^

{ ^ ) o

:t.yi \\ dsn din nsnjj en ru im ihii/j\\ —^KttEitt.t^i^ zva.

t i doorzijpelen ; ook fig. doordringen tot,

Tj. — dsnojt-y*onjj\\ afgeleid, van zijn oorsprong

ontleend; afstammeling, dirt (Kj^xsr^a^t ^iartjj of am

(Hjfjdsr^oft!\'\\ afgedropen water, water dat

door een dam heendruipt, of dat van een rijstveld

op een ander afdruipt door oen in de bedijking

gemaakte opening, of dat uit den grond opwelt.—

: quot;)

». n .15»^ \'f ^ (t^t ^t vi/j \\ zva. 1. tt tutt 1 -^t nrt/j \\

tj tstt djjn kn. klanknabootsend woord voor het geluid


-ocr page 492-

I v ?\'/ gt;

412

t\'c?/ neer vallendcu druppel {jrondw. van ij inn t en ij mnj iisihi ijis Vrg. ^ ^

pastil kn. in zamenslellinggt; anders i n gt;ƒ liii i ; p hard. kh aiij, rj d.uz t^ hard hout. rn »» {of ia m \'fijw/j) tj im t.),^ edelgesteenten en edele metalen. (vrtj. ij u tij rf itj) uj). — .1./ ij iigt;n 2 u -i\'t gt;1 un \\ iets hard maken, harden, bv. ijzer. — uin\\

iets hards; K. van en van r.nri\'yw \\i:nn\'i

(of ij riu m) rjii3i)i rn/j\' zoa. imnDj

Ij Ml l 1.1] \\

.15» ht s \\ zie bij r n k ) »\\\\

0

zie (bijiMw

d tj Kin of ij hunK) -Mn kw. zva. i n.i ï^ia/js (S/cr.

to es dra, rijp, dauw, nevel, vorst).

t n w ini/j\\ 1. kw. zva. ïjawnis 2. ki. van X j i\'j\\

en hi 7aT) mi/j \\

i y mi nrnjj\\ k w. zva. ij m i ij vm ».» ^\\

gt;f vu ij Ki n)^^ kn. , naam van een boom y die op den Merapi groeit, met gevlekt en zwaar hout, dat tot wandelstokken dient, en door boosdoeners tot knuppels gebruikt wordt.

1 ndp hujs Ar. kn. helderziende, van een ziener, zva.

i0hui.uriji {Ar. gt; waarmaking). —m y hu

o o *

ijhiis zva. inn ui liij ij iriiw

ij .isn z v.v injj\\ zie bij rj ,bii t ki/j\\

ihii-i-l f i/jï KN. zva. :ki n.i tf i liip behouden , zonder onheil, door God behoed {Ar. ^..vJu^J behouding, behoud). — iui^i ri ij iai\\ iemand teregtbrengen , zoodat hij behouden komt waar hij wezen moet; voor iemand het teregtbrengen, zoodat hem geen kwaad van iets overkomt.

zva\' Mi f tej iciji {Ar. t asaddj o e d, aanbidding).

O O |quot;gt;

ten mi li \\ k w. zva. ik i:m \\ i ^ ifj m w ten gt;! yi Mi/j\\ Holt. testa men t {vrg. ui i.l i.u i-n/j). te\'quot;£j ilt;v/j\\KN., ili i!j 11iii^iiifijjy ki. bril {Pers. tja sj-mah). ajiihii j.niirj* zoo groot als een brilleglas.

KN. (Jr. ^UA^il

w. ^

tenlt;1)1 \\ 1. n., mniui\\k., zoet, zonder bijsmaak, van water i klachteloos, zonder uitwerking, onschadelijk, van zaken waarvan in den regel een uitwerking ten goede of ten kwade te wachten is {vrg. miii i); kw. (ku i t \\ zva. ivi uj ui \\ tegengift. — w/^mkn. iets, zooals een vergift, krachteloos maken; kw.

een tegengift gebruiken. {Een ander m ui zie bo\'s* ven). —• 11 pj ui\\ (tui,j ui. liet krachteloos maken; middel tot tegengift.

II. MUL n. , mi l? \\ k. , wat iemand vraagt voor iets, dat hij te koop biedt; iets te koop bieden uitventen, uitroepen, ibn iv.n hji \\ dsn itbii uu venten waren uitventen. — an ui n n., an tf ui uj k. , .nn ïyi ra (ui v Kl.; iemand iets aanbieden , presenteren, ie koop , tot geschenk , of om er van te gebruiken. — ifiui un -\'ii if inu- enz., iets aanbieden, presenteren aan iemand, chi di uii ~\'n ij irn od rj lt;ui pj \\ zijn werk aanbieden aan iemand, presenteren om voor iemand te werken. — ugt;n *ui nnn - zie ben.

III. zie bij uittenruiw

ihiL^\\K\\v. zva. i/7» Lun.i/i kn. — an\\ ergens het • water uitscheppen, uithoozen {vrg. muSuinijj). inj ui - n . {dialect, ^ ui uii /j) (ui i^\\K.J iJ u {\\ ki)., oud, bejaard {vrg. asn ui); volwassen , van een mensah, veldgewassen en vruchten; goed gekookt , doorgekookt, van to at er ; gaar, van vloeibare kooksels; donker, vati kleuren ; van een dak, zva. ui ili ^ijw ui teïj tui \\ zoo oud als ik l)eii. rj ui i iiFi^ ui \\ of tj i.i ? in terj ui \\ bejaard, volwassen men seh ; ouder, ouders, vader of moeder of onder bloedverwant, t»rn ui \\ of ij l)i i ui -n ui kw. een visscher. i y uiyy w. ecu vogelaar, vogelvanger ; kn. een tijgervauger in dienst van den Vorst, \'ij iïiiui^uis hoog zwanger, ui\\ god van tij n allooi. — n n ui » ut n ui uj {\\ schoonvader of -moeder ; schoonouders. — hu f iiij im

o . ) quot;) quot;gt; a o i)

n., i.n ui iKi xj gt; v k., ui i.j urj i ii \\ (Ui i(j ki ij, ; ^ ki,,

do persoon , die bij een hoofd als de oudste beschouwd wordt of Ag hoogste in aanzien is, en ook bij afwezigheid van het hoofd zijn plaatsbekleedet is. (Ci ly isr^ ui \\ luuijj i uijj ? v de oudsten en hoogsteii in aanzien aan het hof van den Vorst, die ook den Vorst hij gelegenheid vertegenwoordigen, i irjn

O quot;) • 10^

n(tfi ui ii xji ?\\ zie bij (ui ij ri •»i an/fs en f i^api \'• n

i x jquot; bij ui lt; ^ w ui rn an •gt; injj ui nm an \\ k w. si%

^ O O ) ) } ,,t\\

isri uirjui ij ui\\ en HJiajjxij\'Uiw (unxi^ ui\\ (ki i i \'|r iemand die als de oudste beschouwd en in zakt*

van aanbelang vooral geraadpleegd wordt. —

gt; o •

ii in \\ 1111 i\'h ongeieer zoa\'. i,tj « ». »\\ sie \'

—- i\'i ij \' \'in 11 \', 1\'\' over ie/s ivls oudste W toezigt of beheei\'hebben, ki vi in \\ {in A .


-ocr page 493-

(ittl Ij UI 2 (Hl/j\\

c)

llSïi tut \\

413

uj) ^(ijh\\ iu een twist van kimiers zich

inlaten en voor zijn kind partij trekken, van ouders,

_ gt;,ƒ iui ooi -nt tf tot \\ till Lj ; in kti noj\\ iets oult;I of

ouder, o/donkerder van kleur, maken; goud van beter allooi maken; ook fig. louteren, P. J. — d-1 i j ? mn ui^ ouderdom , G.; zie li iui — mh iki i j ? am hiq \\ kn. het gebied en de landen van de oudere prinsen van het vorstelijk huis, in tegenstelling van het gebied en de landen van den Kroonprins , kn genoemd. aj)^jKi0 de oudere prinsen van het vorstelijk huis, die ouder in graad van

bloedverwantschap zijn , dan de Vorst zelf.

o .00 m ci n zie Di n vi iHVJi \\

bij ui ^ \\ zie (isr^ njj 4 \\\\

, os^o^nkd., groeijen, wassen ; opschieten, uitschieten ; leven ; wat groeit en leeft; schepsel; kroost, kind (vrg. njidjjjs en f\'J-

iemand opkomen, vati een voornemen {vrg. i?n tujj); 00/c een stijl op een midden-dwarsbalk in een gebindte, daar de nokbalk op steunt, uokstut. (uiibu iVi q(i5i^ ajj,? op de helft van zijn groei o/leeftijd, op middelbare jaren. ^ ^ het leven , afsnijden, iv^ uiisrj Iemand naar het leven staan. ibrjujjjj ij vm tvh cm ua \\ verstandsontwikkeling, van iemand die verstand begint te krijgen, hiid/n ij f\'i? (isYjuj^^ die al wat leeft onderhoudt en verzorgt, d. i. God. nsr^(U^^o)9sn\\ ben. van een soort van grijs linnen , aan beide einden met wit of lichtblauw geboord, asiifh^^ajj^ \\ zie bij (ibiijfiw —

zva. ,i5ï^foins)iq\\ in denzin van mensch. — m kh j ijun ihi0\\ alles wat leeft. — hj Uj,s urn quot; iets begroeijen, op iets groeijen; kroost, kinderen hebben. — rf hii^ iets doen groeijen of

opschieten; iets doen opkomen bij iemand. 0.iS)lt;uo of enkel ^(u^^n/n kroost verwekken.— r-tj

^(vv (HVj of luiidsi^iu^^ivn itnjj\\ gewassen; ook zva. |

onkruid, en ook wel meer hep. dat wat bij feestelijke gelegenheden tot groen versiering aan de stijlen van een pendapa wordt vastgemaakt. bn vi w/js Kw. 1. aanbieding, aanbod {van mnui). 3. kw. e7i km. zva. rj irm q ujii\\ of tj mi ? y lui? r.i oryj\\ {misschien eig. bij onderwerping den overwinnaar \' aangeboden). 3. kw. zva. kw ».-w ^ \\n mi ui^ 1:1 of vn ui w u)tfp if?(ij)/f \\ kn. schreijende aan komen loopen; ook zva. mn ui k i -iJictojj n vrg. nn tjiw

4i. zva. iiwnsyw i^n uji ftitujiki^ kn. zva. unuyn n u

rn \\ — (ki ui kw. aanbieden; brengen ; gevan gen

nemen, ihn ui i) on -y?» 2 erns zichzelf aanbieden, hn

nbiuDè(io/f\\ zva. hn tjr.tid ijdhgw ook zva. ïnuibii if \' 1 /. 7 O ...

\\ i*n binu)iinrgt;t\\ oj vero. ihn \'isn \'Ui hir n \\ averij krijgen door te stooten op een rots. — ihkui

■gt; r.

(IQ N zva. tuil Ij If j l lj LU 2 UIW dsn Y ui 2 nn/j \\ KN. bij of wesp {vrg. y /. n 2 ïi ). 0ihi\\ of )ijiJidurKKi/j\' honingbij. 0ann de boschbij. 0/. 11 (uiiL.n/j\\ een lange dunne wesp. vn ij U12 ij 1*12 i.j\\ naam vaneen soort van wesp, en festoen of roset, uitgesneden figuur in het midden van den middel-sten balk onder de zoldering van een phidapa. tui an (Laihn J* {volg. CV. bovenstuk, kapiteel op de 1.1 Kn enj \\ vrg. tj cni2(uni \\ ZG. 1870 , 32.). — au gelijk een bij of wesp. 0(iiii(£1 nsii/j\\ gelijk een këmitwesp , zoo dun van middellijf. — isn\'Liy tui 2 nyi of thii tui rj (ui 2 nnjj\\ gonzend als van een bijezwerm, vyn de markt op het uur, van 10 tot 11, ats het er op het drukst is. — (vu rj \'Ui 2 tuj gt;ui/l\\ ben. der kussentjes waarop de toetsen v. d. gambang rusten, ook tu^fi ^un^iKijj geheet en (\'.P. nsrjuuirijj^ kx. heer, mynheer, titel van Europeanen en Arabieren , als ook van hadji*s; ook als vrnw. vq.n de 2de persoon. Ook wordt het gebruikt bij hef aanspreken van een godheid, {liet is afgeleid van un ui \\ zoodat het in zijn eig. bet. overeenstemt met het Ar. Sjeieh en het Europesche senior, seigneur). iui n hïj ui qo ui m/j\\ de heeren (de Europeanen en halfbloed Europeanen), uu^n uuhj hi^ een zoogenaamde Mijnheer (zooals een Arabier of hadji).

i^l ui naji \\ kn. verbindend voegwoord zva. tuy un ui \\ tuj

Cy 00 00

ui s \\ en 0.1 ihn w — (ui «51^ ui acifj un tui i?ij ui an/j en

xj^ isn ui injj^ kw. en als deftige uitdrukking, hetz. nsn u)nkn krachteloos, zonder uitwerking, onschadelijk {vrg. ui ui) geworden; ook van plaat sen, \\\\\\e,i

ry *

meer vn In \\ onvatbaar voor de kracht of invloed

van iets schadelijks, zooals vergift, besmetting en to over ij {vrg. ibn /ui), fig, er tegen kunnen, iets kunnen verdragen. — (hitui\\ zva. ki uiw — tmpj ui n zva. tui tq ui v n tui uj ui us7/ ^7 n naam van een geneeskrachtig gewas, dat als bloedstelpend middel gebruikt wordt, Cibotium glancescens Raulf., Nat. fam. der Polypodiaceae.— ^1/ ui iui K7^\\ opgezwollen beeuen hebben , van een kraamvrouw.


-ocr page 494-

i Ï

ditè uriiti tM/J\'\'

414

ibn djj \\

1. kn. uitgestrooid, verstrooid, verspreid {(jrondo, ij^\\ vrlt;j. 2. nstKV^ of nQi iisn (Uj\\

O c) x

k\\v. zva. i.ti w/i en mi hi (iji\\ in) :u^ \\ kn. zva.

a:nnujj\\ strooijen, zaaijeu, verspreiden.

onder een menigte met de anderen verward raken,

voor een verkeerde gehouden worden, enz. zie ihn

/SS s

u-1 icjj \\ en vnj. mi) (L^\\ — n n s zva. i m

•n ij i

iui nsn (Uj^\\kn. slagtoffer.

O S O s

ihn ui KW. zva. (K) CLi ^ji \\ en ij tun rj au i — «Tr^ iu

S o z\' ; ^ o squot; O o /

(vi \\ zva. rnntamp;t^iw —mi (Lgt;n u) \\ en ?. »/ thy O) \\ verdoold; in het ongereede geraakt, op zijde gelegd, verlegd {vry. ij mn Cm nnjj en fat Sy Ln ilh

nj) Si (ui \\ al meer en meer van de weg afraken, van liet eene dwaalspoor op het audere geraakt, hoe langer hoe meer tot ellende vervallen ; van iedereen verschoven worden {vry. Hi hïi oj) iPh iji).

icn uiiw/igt; KW. zva, a^nn^w kn. i. zva. hijjjs

n 0

2. — (inr^ 7j» hnjj \\ ar.nj u) hfj \\ zva. on ui nj) km n 2. kn. (Mal.) naam o. e. bedwelmenden drank van cm ihnjj bereid ^ Jav. nrnf io aii/js lU-tjibtttm/jWiii. iets, zooals een Ier is, zwaard of lans gt; om iemand of zich zelf te doorsteken en het leven te benemen; doorsteking, utyflirt)\\ zelfmoord. — gt;r^iuijojji\\ iemand doorsteken.—

zich zelf met een wapen doorsteken. G, volg. Rh. am v) yti cmji\\ scheldwoord, zva. aSIaxl ijij u],ini/j\\ waardig om doorstoken te worden.

ii5^ (trn/j y K., zie ivi (ui m^\\

ij (Ut nttjj \\ zie (Ut w tj tini ? ij ut i Htyi x kn. een werpspies {vry. imMhtt/j en (btt(Cj,(t/t tnt/j). ijitni rj nt t un/j of tHivj UJi rf ut2 t.ttjjs een werpspies bezigen , met een werpspies werpen; iem. daarmee werpen. — tj(trtir^.utijyis mv. — rj (hit 2 rj utd tfn onj ^ met een werpspies; met

een werpspies te doorboren, een scheldwoord.

o o * o n o i

hit ut iirt^ifjt \\ of un (hit ut tnt^ m \\ en i hn^ ut Mtï^ f t KN.

sterke inspanning van krachten van een met won-dermagt begaafde, om den geest in dien gespannen en hoog opgewonden toestand te brengen, waarin iemand volgens Indische voorstellingen wonderen kan verrigte.n {van (uu of xm(hiu II. uiMt^itJi)^ Skr. Triwikrama is een benaming van God irisnoe, als die bij zekere gelegenheid in een ontzaglijk groote gestalte met drie stappen de drie werelden doorstapte, vn (hit (ui hii di \\ zich in zij u volle kracht openbaren bijv. de oceaan. rrht/Shui^,,

O O \'\' vJ

ihl tj ■l.j N zva. iu Ij hll è h II ^11 Ij li It h it (IJt Ij /. tl (Utjj \\

/. tt ,hit tJi, \\ in een ontzaglijke gestalte veranderd.

O * r) O / O

(htt (Ut \'Kit tUJj Of tlilltUt .KII tujf\\ ook (hit lUt Ktj lhl!j\\ yfr kn. zich het hart vasthouden, om zich tegen ie/s bv. lachen, te verzetten; ook standvastigheid van het hart in het zich verzetten tegen zijn Insteu {Ar. js-y. tawakkoel, zijn toevertrouwen stellen; zich verlaten). — mi ut t. n au ij t, n \\ het hart standvastig maken, zich sterk houden.

ut i,y(ijijj\\ Ar. kn. zich stil en gelaten onderwerpeü {Ar. . oi^V, tawaqqoeph, stilstaan , zwijgen). astt (ut(MJIx kn. aluin.

.hituiaji/j kn. onheil, ramp, ongeluk, tegenspoed; ongeluk of tegenspoeden hebben of krijgen ; ongelukkig {vrg. ii iih) ; ongelukkig slagen; mislukken ; vergeefsche moeite doen met iets, voor niet, bv. iets gereed maken. — itn ut.ia _a)\\ ongelukkig maken, een ongeluk berokkenen, schaden; ongeluk aanbrengend, ongelukkig makend, ongeluk veroorzakend; schadelijk, gevaarlijk, t.tt hh ut t t ^ikij een ongeluk hebben of lijden, door een ongeluk getroffen worden; verongelukt, ramp, tegenspoed. Astj.LJtajji kn. wat met iet», dat men doet, behaald, verkregen of gewonnen wordt; yoordeel {vrg. uitu /Li^). hit ut(Ki) rj intfi^t(tnjji\\ het loon (wat er i gewonnen wordt) is moeite. — in. ut m ^ looncii, beloonen, tot belooning voor moeite geven; moeite loonend. — ut h^ ut tutj of (ütisr^ .ut(t*Jijj\\ belooniii^ voor gedane moeite.

ihn ut lt;ui x of (i5T^ \'Ui ut n kw. weerstand bieden {vnj.nj

v O o O «

ut ut). — (tn \'Ut ut Hj \\ zva. (crn ui uj w

(htt(Uj^tvtjjs nm. v. e. soort kleine gong, ZG. 18?2,

112. CP. volg. Rh. hnapi ujj tujj,

ib»» (ut(utjj kn. omgang om den tempel te Mekka;

een omgang doen {Ar. l , t d a w dp h); iemand

die rondgaat, rondreist {Ar. t dauw dp h). ijiïiJ

een met zijn waren rondloopend koopman.

rt-rn .ui ij (ui kn. benaming van een onderwijkmeester U

Batavia {Holt. tweede, secundus?).

iTrt utp\\KN. getrouw zich houden en blijven bijzi}quot;»

werk {Ar. t a w a d dj o e h , het aangezigt op of iia^f

iets rigten of gerigt houden).

rtsntfjMKN. de lucht, het luchtruim, zva. un ut

open, niet overschaduwd, een opene plaats; M


-ocr page 495-

c*)

ihH (Ut \\

415

titUJl\\

aanzien of uitzigt van iets, zooals het zich voordoet; kW. ivunschouwing [yry. iki w). 0,bj/ iïu^ijj zzz Mi\'uiifftKnoJi/j L. 85, 5. — (Hiiuts jioèt. zva. au vi\\ uanschouwe,n , aanzien, toi ihn ói kn. aan-gezien wordenj te zien zijn; ook naam van een ghiiliny. hn thmót i n\'n\\ zie bij (tgt;u l» im/j — thn in j.j tf un\\ iets t zooals papier of katoen, tegen het licht houden , om er de gebreken in te ontdekken ; iets gebruiken om iets te beschouwen, gebrand (jlas, om er meó naar de zon te zien. — (u) lij(ó) \\ het aanschouwen o/beschouwen. — .u) \\ zie boven.

(» q« o- , o.

(UNo kW. zva. i-i Mim/j en un fti uun iu {vrg. mi (vt),

W. II, 414. im

_ £)

- hv ast) ut d\'jt inn

G) a- o G) ... CO

»i I 11 §p Htt uw ut ;c; (ut f t \\ vry. t, n tut (tn rtn/j oy (uti iut w

G) amp; tin ut (i7i \\

o a. Qv o

zva. (ut (t^t ivn \\ en uit jli ic/ n nri \\n co

iun v\'t- KW. zva. vn tot tut) iut n\\ k N. schut; beschutting; rand, boord; ook naam van een berg. ihtt,utikï(it^ mi het boord van een prauw (fry. /öwjy).— (Kt üt (iv?\\ iets bedekken, op zijde beschutten. — ihhuï iTirjhtt\\ bedekken, besehutten met. — (utiieiiVÏ zich op den rand, op de zijde van iets bevinden.

O « O Squot; ) O c O .

hu ivt n KW. zva. nsn (ut\\\\ — itlt;rt aui ut tun .ui \\ kn. zva.

ï n s Q S tot ibn .ut (uit ut w

is^iuts zva. rj (htt i ut w

kn. kom, van aardewerk {vrg. i.tj iStmi

/ . CV v

(tnji (tjt ij h it 2 tnt/j \\ v) it)/ t ij titus en tjt ix n). (isrt

cei1 kleine, fijne kom. (tsniu^iïnvrirnMis een kom van goud.

fjibttiiut \\ kn. ledige plek of tusschenruimte in een reeks van gelijksoortige voorwerpen, bv. tusschen huizen of in hekwerk; po\'èt. zva. tj ^tti tj utt w — gt;t.r) ut if iisttiut\\Kii. ledig, met ledige handen; ijdel uutteloos.

rjibm ij f3j?\\ kn. ledig, vacant, niet aanwezig, opgehouden ; ophouden , stilstaan ; nalaten {lloogd. unterlassen), verzuimen; nagelaten, verzuimd al wat niet geregeld doorgaat of voortgezet wordt. Vrg. tf nbttaut\\ en tjitodrj utivt\\ iemand

iets onthouden, dat hij anders geregeld krijgt; niet in iets doen , wat er anders geregeld in gedaan wordt; iets ledig \\\\\\nM.Qn{bv. een plaats y ontruimen. Men.), uitledigen G. kh rjnsnirjnjti ciMtjj\\ niet krijgen, wat men geregeld ontvangen moet, gebrek hebben aan het noodige. — \\t t.ti ti uti i t ij rjtitts iets doen ophouden, zoodat het niet geregeld plaats heeft; iets , zooals een wacht, verzuimen; van zijn post wegblijven.

G)

un i ii w n

asiiitu/i of o n iut) iu/j\\ kn. naam van een soort van waaijer-palmboom (Borassus llabellitormis) , waarvan de bladen vroeger door de Javanen gebruikt wier den om op te schrijven [vrg, ij gt;ut htijj en ij nvg!gn\\ S/cr. tdla, de Palmyra boom. Vrg. m (irriN en aPt tn luja/j). Ki in /7 hij i .1 ti.i^ zoo dik als de stam van een tal-boom. hnoA^i^n 7l^\\talboom. asn KW. zva. t.tn bti w

sa* )

iht) rut \\ k w. zva. Lt ■gt;\' ivtt ij t u\\ .hu ut \'Kt ij en iot 11 j

tLi/j\\ kn. bijënest, bijëkorf; honiggraat; bijëtcelt

{Skr. tala, diepte, kuil, hol). \'tt.Kt hu oli ^ KW. zva.

r.r^S {Skr. r a s dt a la, onderwereld) ^ ut hu ii.i\\

een soort van olie uit de fabeltijd, dear men zich

mee smeerde om zich onkwetsbaar te maken. ,1 rt

Linji\\ zva. My (frt tj utiiKtjj gonzen, Tj. — i iuhu quot;) o

fU \\ K W. zva. 1,11 htt ut 7. t .-iït (KtJI\\ ilJl .htt it 1-7 \\ K w. zva. \'itlt; ij ti t \\ (Lo u/s en aoiiKt\\ {Skr. pdtdla, de hel). — iLyutt tu zva. i j i t \\ en a.t^M {Skr. prat al a, een van de zeven afdeelingen van de lagere gewesten).

asitjuy N., ihttdj^ 7l/^n k. , touw, koord, band, lijn; leidsel {vrg. t, n arrti ~n thttjj \\ .htt in \'t \\ h it n t \\ en ut a^); ook naam van een goudgewigt, zva. twee biting of Vl saga, ongeveer 1,56 Ned. wigtje. / / astt(wis een kwart gulden, utt htt tCu\\ binden, verbinden ; zamenbindeii. htt u.ttt 1 ttu ï htt ni u gt; i,j \' C7

versch. wijzen van lussen óf knoop en te leggen, ZG. 1876, 393. ibtttuitiutiTJt\' verslindend touw, voor slang en tijger. Ils. volg. Rh. naam v. e. fraatje slang, {of urt ,htt t?t) tj 1x1 kn.

zich verhangen met een koord, (hu tu ut.tj^ tujj kn.

een halve of heele strik in iets, zooals een touw, *

die gemakkelijk los te trekken is. tjt (un trn iu utit j )o)/jv een wijze van den gordel om te doen. (htt t?i ut tut crrtjpH., ihttojj t^i ut niijj\\ K., ecu vaste knoop.

ih)ti)Lt(ui(tS).)u/j\\N. 0 ij (httz (lii\\ nm. v. e. slangetje,

n n quot;» o O

L-.r. — tntastt /l/nKW. zva. htt (tJt\'tttt (hujj\\ utt ttj

■gt; . 1 t.itditjjs h tt rj irtti tn^ iniuttintt * en httrj r.tt httw

ht) (un gt;?t n u) \'t t^t \\ een uitdr. voor een paar, va 71

gelijke. ixt tut t?j lt; utwt \\ iets binden , aan-,

zaïnen-, vastbinden, vastmaken. 0im h/t\\ zva.iïttèn

I f.

I li\'

lt!


-ocr page 496-

ten (ttj^ \\

(*gt;

.15#/ /L? \\

(ui Si amp; (ik \\ W. 11, 5] , zich uau zijn woord houden. - (Hl Ij ILI li II Jll tj /. II \\ OÜ\'K^ iri h II \'Hl/I iels

ergens aun vast binden; met iets binden. — gt;hu71 *1 avi najjv kn. een kwart gulden {vroeger een zes -dehalf) in zilveren munt. 11.11 ij wi na/j of aJiawvj tj ru rn/j gt; N., ihiio^n^i(in/j of (Vgt;n nsiifiJi iri tui/j\\ K., bij elkander gehouden ; met elkander verbonden; ver-

bindtenis, verbond, vereeniging.

\'quot;i o 0 ^ .

.15»; 11^vKW. zva. i/niiSTj Htijj\\ i»masiyj\\ en om r^wKN.

benaming van de muziek, die een Wajang- of to-\'peng-vertooning voorafgaat en op een farioso uitgaat. —- ihilt;iij^\\ KW. zva. ui] ^ ihii ihj ini^\\ aanhoudend nagebootst worden.

\'b/l »in kn* scheur, berst, in den grond; gescheurd van den grond, iiiii iLiih^ hij de vrouwelijke schaamdeelen.

1? li \\ in een scheur vastgeraakt, of vastgeklemd zitten. ain/n^\\N., tuii 011 \\K., drie; nommer drie; als atlrihiut dikwijls (hii 1L11 lt;rL/i of ibiiitiru f en 1^11 ihii cnis of as 11 ihn cru \\ vóór een naamio. in benamingen van één

hoeveelheid tin nijj \\ en thii cm w \\ .b// cni \\ KW. zva. tui

t . ) /. quot;) O 0.0

ibii\\\\ \\ij ui 2 ihii \\ of ilgt;ii foil n.^ \\ en itgt;ii IVI mn cru \\

of tbii tiïi) ern \\ drie [/orsonen; als complement, met zijn drieën, hu ilj {of lt;iPii gt;m) isikijii (in/j driejaar. ten r j rLj f \\ ihti rrn tui (ut. dertig, nsiirri^ {of ten am) 111 tergdrie honderd. lt;amp;?/ rui winJt^ ilii cmiji.ru (i.Ji/js dertien, ten{of .li 1 cm) wi icy\\ drie-en-twintig. in tij {of teh cm) ten tel ^ derdehalf, ten {of i?ncrn) (i:ri iruf \\ derdehalf honderd, 250. knnn {of tbii m 1 iiri 7 u j rj un nji \\ 2500. — tun c^r il^\\ en i n

O quot;) O

flf^cms KW. zva. (unyernig cm/i\\N., n.ncm m/j^ K.

{naar de drie bestanddeelen van een ei); ook zva.

aci \\ n., im cm \\ K., elk drie. tmnui ta icis /in cm ti» /»lt;; :/n/}\\ offeren voor

hn(Uj\\KH.y ten rn nijpKD.

.0.0 •gt; . .

H l hj \\ (KI m 111 fólJHl /J \\

een overledene op den derden dag na het

overlijden. 7^rni rnia \\ zie lt;u ril hn \\ bij ten

tiu\\ 1. — kii ten 7lq\\ un .i?n cm ^ do derde

{bij twee andere); ook {even als icn )f m) voor

met {namelijk met twee andere); en zoo ook wel

O o o . i .

um ten 1un \'rj \'T) i \\ u 11 ten cm mi ru/ {\\ eig. drie geworden met. kii ten 11^ if iij\\ -nu ten cmctfj i ^ de derde, é/i 1 w /1 n ten ii^\\ n., ij liz m hn ten crn\\K.t de derde maand van het zonnejaar. Ook rj iêii (m hti asn m\\ of enkel hn i^i cm \\ kn. zva. ij a^iè.Ki (Ui uj t \'i/j of ij i n.TJi ten h\\ het drooge jaargetij, de oostmoe-sou , in een eng er en zin de eerste, tweede en derde

imw)\\ scheuren, bersten, ihn in

mangsd, in een ruimeren zin de elfde tot en mei

de vierde, hii Liicm lt;ijilt;n?i\\ in de oost- en west-s C\\l

moeson. — im/m tun cmami^ kn. door gebrek aan

regen onvolwassen gebleven of blijvend,

. , uV O o o o

ten , ook zva. 1,11 itim (Hijj\\ — vi ij iu? hj (ntcrii uj\\

iets met zijn drieën verrigten; met zijn drieën tegelijk aanvallen op; voor een vrouw in de derde maand van haar zwangerschap een offerhandedoen.

WW. in oJ., ifc n \\ zie bij nn/js —q

no T o quot;» o

tencmtej\\ zva. (HicmiiJjw hiiii^tencm m/j\\ pass.—

.) /• ) ^

tencrj 11 nim/i or ten ij iut /.y anjj\\ en ten eti 1 irnjj uj

ten cm tej luiij\\ drie te zameu of onder elkander, tbfi

cm tui ^fiter^nin itu^p benaming van de pajoeng van

de zonen en dochters van den Vorst bij vrouwen

van den tweeden rang; boven en beneden verguld,

in het midden wit. 11.1 teil ij n idaci^\\ {verkorting van

a.) ij rut myj) kn. een derde van een /jn drie

en een halve duit. — ivi n ten ij iut iia/j of [iuin,

\'i quot;f y

tel ten cm m/i

Tf .ILI2(H1JI

teiicmw/j\\ in drieën gedeeld. lt;mü een derde. 1.

lui an \'O kn ^1 ru ? (Hijj \\ een driesprong. — ifi-n/biï

- ; 1 a y quot;gt;

of (iamp;^teiitip en ..i 1\' n ten cru ^ oj ^F.yui.m\\

in drieën deelen; voor een derde van de opbrengst

een land bewerken. — tu i.j il^ i^ n., (um in u^

k., ben. van een rang van beambten beneden een O

(UI U^itU Ij LJIW

teri tu^KW, zva. ri \\:n ^ijj\\ {Skr. tila, sesamum).

O d.. Q

iiirus KW. zva. .Lii:ifZ\\ teii fis i n.im en i n f 1

I! O t) lt; o Cx) Cn

{Skr. toeldy balans, weegschaal). — ï.niiini gew. teri(isn iuten\'ii/i\\ {rsn luteriiLi Men.) kn. zva. mi föi 71^.^1 \\ verder en verder gaan; van

kwaad tot erger komen, overal door het ongeluk

, ! , . ) ci / a s l ) 0

vervolgd worden ; {vrg. 1, n ten ui ui ui \\ en igt; n «w

. . v quot;gt; 0.0

ui ten ui). — ny 1 r 1 i,_j \\ kw. zva. w w in \\\\

teij iu\\ i. kw. Ml. zva. ter^dj)ariip nhifcmt ijcm) i.iji aji isr^ ru n kn. zich doof houden. — \' quot; ■lyj^isyiu^ verdikt water dat soms in bamboes gevonden wordt en medicijn zou opleveren voor oorziekten. Rh.; volg. WW. een doekoen s term voor water, dat men zwijgend moet halen als medicijn.

ii. kw. ter^ lu \\ en ur^ iijjj zva. liLri iQan/i en wv uiw asr^ rj iLi(injj\\ kn. echt, louter, onvermengd, onvervalscht. isr^ rj tru^rj rurj(Hj\\ zoo echt nio-

\\ lt;?» tern ten cm tui


-ocr page 497-

)

itsM n/i % \\

417

ASYl gt;1 Wis

golijk.

III. tisntvn in de spreektaal; anders nsr^(fjj ru\\ en k)jN., ^nn/j en ^ Jgj w/j\\n., dra, weldra, spoedig; vervolgens, weldra daarnaj ten spoe-digsten, naastvolgend, onmiddellijk op een ander volgend, bv. in leeftijd, ny rui r) ja i oji rj f i ~j) lt;wi ^ i j Qwjp L- 104. {erg. ijajnamrujj). en

m/u^nKW. zva. lï-yrüw — nyrStv^\'tSi\\

spoedig na elkander, iets doen.

,tfn j^unKW. blad, bladeren.

.. C~)

ijibititvis poët., gew. asnnjam )ui\\ of Tjdin ijiüi}nuisKN. duidelijk; blykbaar, openbaar {vrg. iisn rn (jGj nfi \\ en aw (uiini); duidelijk (goed) zien of liooren; het is duidelijk, het blijkt. — mTjhj tus duidelijk maken . — tfjf fl/ï rut }(n -Jti tj Kt) \\ of an tj nj irvt tm -ju )f Tihti\\ iets duidelijk maken, verduidelijken, doen blijken , bewijzen; een blijk of blijken geven van iets, van iels zich duidelijk overtuigen; melden, gewagen, en toewijzen. G.). — ^rjastKrus heel duidelijk; opgaaf, medcdeeling; verslag, rapport. ii/n[lt;1^*1 \'Uquot; ni\\ opgaaf, mededeeling, verslag, rapport doen. — [ t yi uiin-i i(,j\\ een opgaaf, meê-deeling, verslag of rapport doen aan, iemand iets opgeven, enz. — \' asn nvi in} -ju ij nu \\ iets opgeven , mededeelen of rapportereu aan iemand; verslag geven of rapporteren omtrent. ^ ij ii.n m nnp\\ wat tot opgaaf of verklaring dient. 2. rjitn hï \\ ver/c. van iim tj asn iru\\\\

fjimu iriji \\ zva. uvi \\ 111.

ti^ \\ kn. naam van den derden zoon van Watoe-(joenoeng en van de vijfde woe koe.

nsnn)i\\ of 0511 ru ^ Jr. jJJlï, KN- God!

kn. bedwelming, bedwelmd zijn of worden ; ook zva. ri rm 2 ikv an/j {vrg. (it n tu); en to. zva. tot arri 2 rnji \\ n tj m am {\\ naam van een soort

van pinang , die bedwelming veroorzaakt.

O o » O

asniru^nkw. zva. njKi.n/js en inn ij nm2\\\\—im asn tviqs

of U nkn ui { \\kn. in bestendig gebruik gekomen,

gebruikelijk, gewoon of gewoonte geworden, in

zwang gebleven, in gebruik gebleven; volg. Rh.

tems. gebruikelijke, gewone naam, zie \\VP.

378, 5; volg. 11. tot stand komen, aanwezen

■ krijgen.

Q o ,

Kiuuqs kn. 1. de kvop van eeti vogel (vrg. ajir^i^rr.)

^Jj)} en reservoir of vergaarbak. — m iiï^ den vorm hebben van een ikti ru q \\ zooals een vergaar-hak. 2. — iHi tuf of thnrj tupluimvee verkoo-pen. WW.

ainnpwH. booze geest, die ziekten en plagen teweegbrengt; toovenaar, behekser, li. volg. Rh. ook de ziekte die aan den invloed van astiiv^s wordt toegeschreven, {vrg. is/Vwp. axi tei ui i^i ri l^ een verwensehing. (tsr^\'ip^ttn njj ^ \\ bewerking van een kwaal door too very. K Pir. 154 li. {volg. lib. te verstaan als ^ en ^yigt;). i ryte^asn for

mulier van de ain (rij^ ^ \\ — t^n^hnmjjj^s een (isii door dat formulier bezweren, Sri. T. pass. iiniasnae^ (kn \\ * landplaag, {vrg,

(Ui rrna^cm/j). — bnfru-^ bctoovereu , behekseu , Moe. — djnnj.ii^iun (Hi/j of oji bjiu^tv) an/j gt; middel tot beheksing; beheksing, hekaer {vrg. cukk^iu^ ojicm/j); rijk van booze geesten. Men.

r-rn iu{\\ kn. zva. ai ruasnjj\\ een door God beschikt onheil tot vergelding of strat voor een vergrijp tegen een pligt of een verbod {misschien eig. verkorting van n» n i lt;foi^u i gt;\\ Vrg. (K\'iTithnjj).

O /• O y.

tj a m )i / gt;\\ of ij ihii 2 tj n/i j \\ gew. tj an 2 vu q \\ of tj an 2 *j tf/^\\kn. het hoofd omdraaijen o/omwenden, omzien , terugzien; fig. naar iemand of iets omzien , regard slaan op iemand of iets {waarsch. van ajy ali ^). ik tj £ j ij (ui 2 tuqs pinangnoot, waarvan het kopje omgebogen is, e?i die veel tot toovermiddel gebruikt wordt. jn tj 112 tiïq\\ of asn tj (M 2 tj tut % \\

omzien , in een fig. zin f 1 mn ti^tj mtu f ^ zie hij uit

Q o 0-0

etui (trtijj\\ if tij asii2 ru ?\\ of iïj\\ tj (U\\2tj tu q naar

. ! . o o O

iets omzien. — ani m tj Mn 2 tu j ayn anas 111 een on-

aangenamen toestand van besluiteloosheid ot weifeling verkeeren, door het denken om iemand of iets.

iui tijj (Hi/j - kw. zva. a nani\'iujjs kn. benaming van nieuw ontgonnen tegalveldy of ajt cm cm (tnjj, als er na de rn m eenig ander gewas op gebouwd wordt.

asn tj \\u anjjs zie bij asn tuw asn tjiuan/j\\ zie bij asrj tu\\ II.

a-,11 rjuj an/fs kn. iets daar men iets op klein hakt, kerft of snijdt; hakblok, hakbord £»ƒ kerfplank,

slachtblok; fig. zowdahok. (vrg. tuirm (Kt ^an/j).

) a O O . . L . O Ov

aui tj Kj Knjj^ oj asnrjujtntjjs een hoopje, zie a^n tij

rrs\'


27

-ocr page 498-

O

cy

418

(hH J^/JvTï \\

(hii rj ruy 1^9 (hvji\\

ivrti rj(tutrj(Hj ?itfrtji\\ kn.; £11 tj rutttnt rj (tui rfKJ.? ^n

O

(utastia^tit^njiij^f^tifi^ ongeveer zva. gt;i«Jt rj vjj gt; iKtt/ji van veel vrouwen hij elkander, ook wel van eenden y enz. schoon en mollig.

ny(yy?rjiHj.ttinijjsKW. naam van een hoemboeny van

éen geleding voor arena af), ZG. 1882, 13G. «ij» iiu(Hj. hit fht/j\' zie bij urn 111 w

ftV?/ttïj^ KN. hoopjo {vrg. ii n tjirij?). ivi(utï0\\ in hoopjes

verdeeld zijn , Waj. I, 74.

iiïti tj ihj ? n k n. hoopje, groot er dan nj* iu\'j\\ meestal van gekooide rijst. MyrftJjtauiiHjs spr. voor ongelijk verdeeld, hv. uil gunst.

nst) tj (W) rj attt ?v KN. traag, log van gang, talmen,

geen voortgang maken, {vrg. tj iitjctrms anttiwi

X . f)

oy dJt ? n n ^tat rhnjj\\ n/tfitHtq en hgt;ii (ft (hi/j). — ^ V

v i tjarrms van jonge gangsirs gezegd, wier vlerken beginnen uit te schieten; nog geen veêrenhebben , van jonge duiven gezegd. Rh.

astt (t?,)(titi(tJi/i\\ KN. ; on t?ictfnm/i\\ iets drukken, kneu-

(a) cxj -j\'

zen , verbrijzelen of verpletteren door er over heen te rollen (van aJi tïn v-v/j).

(tut(rvjorrtarrt^ kn. de onderste post van een venster of deur, vensterbank, drempel, ongeveer zva. ii/tj artt itrtt ~/t^ cyn ut) (tnji \\ optrap {in Tj. van een gemetselde hadkom) vrg. astt ^ a t i lt;gt; ; (het raam van een Javaansrlie paardestal, waarin de planken bevestigd zijn, daar het paard op staat, WW. (de rand van een bed G.)

a.\'itt (Yuirnit \\ kn. een tweede boemboeng , die men bij het aftappen van ^ tj mi unjj onder aan de eerste vastmaakt, en waarin het vocht, door een gaatje gemaakt in den bodem van de eerste, loopt. — on tucnhi een (istt tuath\\ gebruiken, nemen lt;?ƒ plaat-

(»i (a )

sen. — (m rum ij a:) \\ aan een boemboeng een tweede bijvoegen. JR.

cy * O o . cy

nstt ru i nt \\ of nut (tu rnt \\ zie itt tt i(iK\\

Ct s ) / /

(v,ti ru vjrt\\KH.: mt astt rur:jn\\ o tat a n r.ttt \\ te ver

Ch Cn J n. ^ 7

gegaan, te voorbarig, Vrg. intainrtn^

(Lstt (ti.t rit) t.ttjp kn. , lut nstïnw tt t tin h ti/)\\ alles overal in de war. — lutrtJt t^tti tnttHtfjs in de war zijn, zich

vergissen, misvatten; misvatting {van astti^ninijj?)

gt; . (1 . : ) X ,,

ris»/ (tut J7tn \\ kn. n tt astt t in \\ zva. i. n astt arm « lgt;.

\'Kei

cl • ) ) ...

asrtivj.ppjtiitjfs kn. att ijijij rn rj iiyjtnt/js zachtjes,

onhoorbaar voortstappen , Rh.

(hnntiJtsKN. chttitd i \\ zich lang en ver uitstrekken van wortels, kruipende planten. — in tut^ *quot;o \\ mv.\'f ook zich uitstrekken hv. van een logt over verscheidene plaatsen, B.

ii-,tt (u^njtn kn. lenige staken van bamboe op een he-plant veld, die, met of zonder daarop geplaatste voorwerpen , met touwen { asi^ifnanq) getrokken en heen en weêr bewogen worden, om de vogels te

verjagen. — onrniJtn]\\ op een veld zulke staken

Ox

zetten. JR. volg. WW. asna^aot\' verschillende soorten van stutten of stijlen waarop de daken eener prauw rusten, volg. Rh. dunne lange staak tot ba-

keu of om de rigting aan te wijzen; (vrg. rma:Tn\\ as . •

a/n urn\\) rigting; plat ook voor afkomst, afkomstig. — itniui\'iJt\\ gelijk een staak; van daar ook in zijn eentje, alleen bv. in een groot huis wonen; of van een hoorn, die alleen in een grooten tuin staat.

i tt tjrutitiait9\\ kn. — (Hirtrt ti rjritf.s uitsteken van

een puntig voorwerp.

a^i t ut ij) int/j\\ zie rt ui tot /j \\ {vrg. (asi^aot.mi /j \\)

am tf tut ij aJt anyj \\ kn. ; a/t Sn astt tyn/trj (tJt eten /j \\ overal verspreid liggen, zooals van kleeding stukken in een vertrek.

lisit vut aj) a iji n Kn. 1. be?/., van een pajoeng voor regenten in de G ouvernem ent standen; in de vorstenlanden i n tj\'y ti? rn ^ \' ^ti a i/j\\ genaamd. 2. andere hen. v. d, af deeling Tjilatjap.

asti kn. zva. a7j\\ draad, lijn; fig. spoor van verloren goed\', ook linie van afstamming.

a,iir:jiin\\ kn. zva. tyrtjittj ri tt i,iijj\\ ook pit van een

lamp, ook zva. d it nn« regte rigting ergens heen

/ O c-) v {vrg. tnir.in).

in ij nnjr^rt\\ kn. scheef, scheve rigting. —(httjn) 1/ i t\'itn scheef gaan, een schuinselie rigting nemen; fig. slinksch, onopregtj zie tjatt rji:in\\\\

nsnrf nu rja.irtis kn. rigting van iemand ergens heen. astt ij tm rin astt ij tut ? rj irin 2 \\ 700 maar ergons int* loopen , zonder de beleefdheid in acht te nemen. — in tj n/t 2 tjrrirti \\ onbeschoft in woorden of handelingen. bi tj ri t i tj i.ln 211 tj mt \\ iem. tot onbeschoftheid aanzetten , Rh.

asttauts k\\\\. zva. tta/niif tw kn. moeras of riiwa met

\' (O J

weinig water en veel slik.

O )

aitt tj (tut ? \\ kn. zva. a/ttlt;rjcntt2(trt/j\\

os . cïv v1

astt rut \\ k , zie astt ort ruin)


-ocr page 499-

aw ruthrn/i\\

s\' asij rut

419

hwtunKN. ; zich overplanten, van het een tot

het ander zich overplanten of overgaan, zooals door besmetting; iets van een ander of van elders over-nemen, krijgen , ontvangen , of ook vragen om over te nemen of over te planten. w^ tumnm\\ een gerucht of berigt overnemen en verder vertellen.

zijn sigaar bij een ander aansteken. (iirt(L7rt (U (hn/j of 0iniiirj\\ spreuken of liedjes overnemen (van een ander leer en), uiixsntuisntijts al verder en verder voortgeplant worden o/van den een op don ander overgaan, gaandeweg zich verspreiden. — op iemand zich overplanten oj overgaan; iemand hesmetten of aansteken, besmettend. — iets doen overgaan of zich doen voortplanten, doen besmetten. — nsr^ ^ .u]\\ besmettelijk, aanstekelijk; oolc meedoen, hetzelfde doen wat men een ander ziet doen. — ^ /urn (Hijj of nsyiit^nrutni (hnjjs van een ander overgenomen of overgegaan; besmetting.

/ 7 ^ / s Y \\

.15^ongehr.\\ (hc^hj^ i:ïmn {0/ (Viu)nsn) om

trent iets wat verteld wordt, uit belangstelling hier en daar nadere informaties inwinnen. — \\

zich hoe langer hoe verder verbreiden, van een gerucht\', uit belangstelling informaties inwinnen.

rjiuiirj ri\'i\\ een\'plat woord voor nyr^ f wj imt

\'nrjasnrjniji\\ spr. zva. rjn/nz r)anrf rjï?nn rnrj asn rjrrunfjji2in.i^\\ niet kunnen schrijven. —

ij ihn rj vli n] \\ met rfiv,nrjiin\\ bevuilen; riiutij /

VjOl/lW

nsnrjrwri\'-n asjiji\\ nsn vu rj ^ (injj ZZZZ n ij turj rrt ^n/j ihiirjnj)T)djyi\\ kn. geschitter, gellikker, schitteren,

flikkeren, vrg. ouninjtjj ern uij m ujjj^

asn rj \'t u ij ^ iu/j\\ mr tJt rj (tut rj -rt amfj \\

T)(i^ }j ipv -rt zva. (hu vj m-n njtj ? III. snel voorbijgaande flikkering; bv. als van een bliksemstraal {vrg. ^001 irH/isny^).

O rgt; qk O c) o Qv - , ) o 1., , .

(biminis kn.; (Htt out (tiJtrrt\\ of uttihniis scheet 0/

bezijden geraakt, bv. bij het inslaan van een spijker of het hakken met een bijl. Van nt zva.

0 O Qv

001 IKJ n.

knytiJiirjnrtiwm. het snellen 0/ voortschieten door de lucht van een geworpen speer, of van een straal; stra-ling van de zon. — ^9^ztj\'yiiofjlt;712\\ schitteren, WI. ] 67,1. van een 0 jj fSt rt^ iej^ ikitj lt;tnjtz \'7\'*n^\\ door de lacht snellen, yö5«stralen.

zijn stralen werpen, van de zon; met iets dat lang is, zooals een speer of harpoen, werpen. — 7 rj fj 2 rj nt t \\ door de lucht snellend, stralend; stralen.

di»7 ru urtfln Jr. kn. verstooting van een vrouw;

echtscheiding {vrg. aJt nrrt nstijj). — (to wutiji\\ een vrouw verstooten, iemand, die een verzoek heeft, afwijzen. G.

itstt vj tut 2 it^rt/j \\ kn. naam van een wilden boom, waarvan het hout tot brandhout en ook wel tot buiten-

palen van een huis gebruikt wordt.

O * - O O

(Lit nj trnji \\ oj n 1 wp ihrrj tn/j of am mjt kii n.t iw (Hifjs

kn. het gehemelte achter ;n d\'en mond, het zacht gehemelte tot aan de huig ; de keel achter in den mond bij de huig {vrg. Li apmi ,y).— k h t-,n ru inyj \\ tp. zva. ti njiUii/j\\ te M, volg. Rh. tegen het gehemelte of in de keel iets krijgen, bv. als bij hef slikken iets in de keel blijft steken.

ktt tuam/f kn.^ I. spion, bespieder [vrg. rjaxtf. rjrut2 ajtn eti nsttvi l urta). 2. een klein spits toeloopend mandje , om gevangen sprinkhanen in te doen voor de gëmaks; een soort van fuik G. {vrg. o.jn./)(nijj lt;rj

o 0 n o j, o )

tj ajt 2 rj .h,i 2 \\ en am ut). .5. astt\'tut trn/j of am art avttnta\\ naam van een boom, waarvan het hout tot brandhout, soms ook wel tot timmerhout. gebruikt wordt, alt;tr?tuttft\\ verspieden, bespieden.

Q o r»

— (ki tijtun \\ mv.

en verspieder, spion.

O

\' quot;T

nstt rt 1 tlt;tt/j \\ zie asti ant fj \\

O • OO^

ani tj n /t ti tt /j \\ zie asn 11^ tj n t rmjj \\

ihii t?t Ktt/j^ N., imin)\\K., ergens komen zien o/kijken; iemand gaan of komen zien, bezoeken, om te zien, hoe hij het heeft; iets, zooals gewas, gaan zien , hoe het er mee staat; bezoek, visite nsttlt;rjvrn 2 s nrj(tJt 2 r.ni \\ en aih Pu); ook aiïi ruuri^s KN. verschijning , gezigt in een droom, asti nm njt tnt^ ihn ast^ (ut \\ bezoek in den ruimsten zin van het looord. — ^ r?tutt/j\\ acjj iïs gaan zien lt;ƒ kijken; iets {bv.aati-teekeningen) inzien, om natezien of op te zoeken. — a?t n t trfi \\ rj nt hj\\ iemand een bezoek brengen , om te zien hoe hij het heeft; ergens komen zien , om te weten, hoe het met iets staat.

•ur^ri/t wjjl* kn. terugkaatsing, terugwijzing, afwijzing; afweringsmiddel; op denzelfden dag ergens vandaan terugkeereu. — jj/ asn utj^ru h tt^\\ een zwarte kip

ajtiu t?i }\'tiji^ het, verspieden;


27*

-ocr page 500-

420

r

run/is

ó s \'tui Hxi (icr^ i

tacij

syuact^

r

met witte vlekken, vn tj nnzasr^ rhi Mnjj zie iru itn iw asrjtn.)iinr~n \\ ballust, in een vaartuig, asr^ iu inwiut lt;wjj^ omgekeerd uitkomen, bv. van een droom.— n^irviiiiiiji iels terugkaatsen; iets afwijzen, een bode, of een persoon, die hij iemand gekomen is, terugzenden of terugwijzen (met of zonder B.); de terugtogt of terugreis aannemen. Zoo ook tHjjirviiHWLiw — tegenin een afwerings-

of bezweringsmiddel aanwenden. — ujim ru(unjj\\ middel tot terugkaatsing ot alwering; voorbehoedmiddel ; iemand die iets afweert, tegenwerkt of iemand terugwijst. — a^Jjs gemaakte ope

ning in de sawahdijkjes, om het water af te laten loopen op een ander sawah-veld {vry. ckiji

bij \'irjiujj).

irf nsnirvKnvjjs KN. blijk, waaruit iets te ij; blootlegging, openlegging, van de kaarten bij het spel {vrg. tjiini \'iti. lt;vn ituMvjj). tïnirjasnirhiiHVjis te zien, zigtbaar; gebleken, blijkbaar {vrg. wi ij isti ?. iifijj en iHmisti\'ri).

rj(tuig rj ruiiKu ^ KN. een keukenmandje, waarin men khniri, brambang en andere dingen voor de keuken bewaart.

tyrnhys of ; in] icr^ gt; er in loopen,

bij ongeluk verkeerd doen , bv. in het spreken, zoo-dat men zich bij ongeluk verpraat, in het too-pen y zoodat men verkeerd loopt, in het dobbelspel een ongein kkig e n worp doen, volg. Rh. eig. struikelen , bv. van een paard; en de

andere bet. fig.

o O ~gt;

ast) irvi (hï] n K w. zva. mn n i ntijj am ne^^ en vt a i ^i (iet w

— an n.i ifn \\ kn. onderzoek doen, om te zien, waaien hoe iemand (gt;ƒ iets zich bevindt (vr^. i?ii ili nn j\\ Een ander annu uns zie boven). — /,/; is» u i un \\ blijken, gebleken, iryjj ten iw tuini \\ zva. tcybiiui yp(Hijjs {Skr. tatkdlikdy op het oogenblik ergens zijnde).

astiinjj(irn\\ kn. naam van een bloem, de anjelier; naam van een zijden stof, volg. Rh. liever satijn 0§\\ Van een couver^ van cen brief Dam. Woe. in Men. van verschillende kleuren; ook nm. van een batiksel, en van het fatsoen van cen vaartuig, asn rj m?njn \\ naam van het verblijf van Sentanoe-déw\'a, die daarom de Pandit a van Talkanda genoemd wordt.

o / . . o s r\\ s a

ihn 7ualt;rj \\ KN., ihi mnap en a/i rutnrrj -n\\ voor iets of

iemand zorgen {vrg. rj r idriajiiHj).

ten ithQ hQi iniji of ibn truj asn k w. zva. arti tj ,uh 2 w iibii kn. schutblad zva. turjiuq en njirvj

ook oogvlies WW. een lap achter aan een kindermuts en achter aan de muts van de i^jnwndie nek en ooren bedekt; ook de muts zelf (vrg. ojKWuny (uiji en asn ilklj^ ,wi kn. een kleine metalen doos met schar

nieren, zooals een tabaks- 0 ƒ snuif-doos töKtj

v o

\'U^JV\' — van een i.ixkt^s met een

usii i^ifn (iji/j\\ Tj.

nsitdJijjs kn. een gebed om iem. onheil atui te brengen ; verb, van het Ar. t a 1 q i n , het onderrigt hoe de doode de engelen Kiroen en Nakiroen antwoorden moet.

kn. bidsluijer voor de vrouwen, die alleen maar het benedengedeelte van het aangezigt onbedekt laat {vrg.

rtsHfliTrnjp kn. band, touw. G. {waarsch. van nwitm en h\'t^ \\ 3.). — anmui Htp een vogel de vlerken aan elkander haken , dat hij niet vliegen kan; iemand de handen en voeten binden.

(uil (Lii kn. bij tijds. amckji^ dm iu ixi]nog bij

tijds, nog tijd hebben, van iets dat nog wel wal uitgesteld kan worden. wyxj) mij Mms omtrent iets zoo handelen, dat men het beschouwt als iels dat nog wel wat tijd heeft, maar langzaam ver rigtcn of nog wat uitstellen.

(15» r\\ 1 anji^ po\'èt. zva. tj •isti ti hin/js

(151^ vunnji of ijasn .rLhWjj\\ kn. zva. mh ij {vrg. tbiinu tuyj)- — of vj(hnru(Wfls iets navolgen,

nabootsen, namakan. — ei ru(injj of xsritjieia\\) gt;iaji\\ poet. hetz. — isrimxann/j of oy iistt ruw wp voorbeeld of voorschrift, om na te volgen {vrg. i5)| mjtiiJi \\ tj tutt nu\\ en i3t vj (tart2 ui asi^ map wj

asn avt asnjis kw. zva. nat ifdot iujj\\ vrg. aai n t tsii/js

asniriiasiisKis. afkomst, afkomstig ; afstammeling (f/\'f C)

i/7ï (ut iru/i \\ tüt rj asm an/j \\ asrj^ ij anji en art n \'/ tj V)2ast) ritlélt\\ iemand van afkomst, van edele afkomst.

asttaxtasttasitrunsites of asttasturuasrt^ kn. onder-

of asrt ij «57» lt;ru(ui anjjs iets tot voorbeeld nemen.

zva. fi j) tj \'ii gt; \\ ij ii/n d n nu o o

\\ zie asn ru

. O

O

-ocr page 501-

asn (Kj. (isn % lt;■

hoorigheid van een rijk, land, désa of Vorst. MI lt;ini ? • zie ^ «fNN

lun ir?/insn % \\ volg. Rh. de ware spelling voor tint

0 0 vv

nvj mv \\N

^ ^ \\ of im n^n j \\ kw. zva. cu (U aft} tajj* \\ iisti rtn isr^ % \\ kn. , asiKc^nsn kd. , kleverig sap,

dat uit sommige boomon, planten en de schil van

* O

vruchten vloeit {yry. tij n^nfj en \'/hh/j) ;

fig. en gemeen voor afkomstig; ook fig. voor ingeworteld , van slechtheid. — tin vsr^ ? een kleverig vocht van ziHi ^eveu , fig. van ondeugden, v. d. ouders, overgaan, gaan op de kinderen (K. 20, 60). — hti ii,}i(v^,h)i y zva. try) (lh jth^ w Lii rfnnjtt\'-rt4 \\ kn. duidelijk, van iemands spreken , zoodat een zaak duidelijk uiteengezet wordt; verduidelijking , uiteenzetting, van hetgeen onder een woord verstaan wordt {van ij a^iir^a^ri s). — ,ni tj iu nyisiiqnwij wis iets duidelijk voordragen of uiteenzetten.

.Qi ihirfasii thn/js n. , (i.n jij tj jmihi/js r., onverdroten, in het werken of verrigten van iets; naarstig, volhardend ijverig (vrg. iJvi iijj^ 1,11 i:nn r-j ui gt; en

CV o O o ) o . .

•u ui). — an tli ij mti aci \\ mi 111 ij iüihik\'} ^i\\ tets

naarstig, met onverdroten ijver, doen. nnén ivi

o ) ,, ) o

rj tuii nj tinjj n Mn i j iu tf i-n mi injj oj tin hu n 1 rj isi/ /,y \\

met naarstigheid of onverdroten ijver.

kn. voortgevloeid , in een figuurlijken zin voor iets dat op iets anders gevolgd en er uit voortgekomen is; en zva. njverschieten, van kleuren y en of wn het gaande gemaakt worden, van genegenheid of gunst; ook naam van een hloem, en van een crti nil \\ — an 7»^ \\ bij het zoeken alles nauwkeurig nagaan {vrg. mi

quot;Tf)-

isiiauibti inijj of tibii tli aïïi 1,^ KN. nasporing, onderzoek hui téïi t™j}\\ vrg. mi ini wmi/j). K. 9,41,

-y.i^ O rgt; OO • j 1

zva. tiniiutbiitinyi\\ — tm iu nn/j iets onderzoeken, iets nagaan, naar iets onderzoek doen(w^r. vnun-si),

hn7ï^iihtiMnjjsKyf. J. zva. un iLjitfj hiijjs (2. een rijstveld. G,).

fontjitu ij (isn aw/j ongev. zva. tia ij 111 rj ia titriji \\

wirj rui2 ij rnniilt;hi^/j\\kh.zva. 10 tf n n ijtiatuiyjs gemeen woord voor kind. — an rj tuz asn 2 mijjn gemeen woord voor zijn behoefte doen.

(ögt;7 itu} n asn i tiJin \\ 421

kii 1 u rj ae,n 2 tiJi/j\\ zie a n 111 rj nsn in/j\\

o o

itn mi (}:i\\ zva. ui ii^a.n if.vw

hu i\':i(ix/ijj\\ kn. londament, grondslag (vrg. tui ui); het voor een gedeelte in den grond staan ; zoodat het vast staat, /jv. van een pilaar (vrg. jisn irn irn /j) ; ook naam van een aardvrucht Colocaeia antiquo-rum Schott., Nat. fam. der Aro\'ideae. Spec. div.

— tmt^i i/j- iets fondereu, van iets het fondament leggen ; iets in den grond vast zetten. — tinri^tj^ my met fondament; in den grond vastgezet;fon-

dering, fondamenten.

) o . O

hu n.ni.\'i/j\\ an tvt infls enz. gt; zie a 11 rf wnn/j^

1 n i j 1. ifj kn. nut; bv. van Heiden en van nog vochtig hout of niet verdorde takken {vrg. 1 w lU Kyj\\ urn / ri.i/i en f ? njj)- — ini.j.ii/j\\ iets nat of vochtig maken, bevochtigen; zich nat laten worden.

ihii i^th/i thnjjs nat, bv. gebruikt worden; en zva. tiji i ii citiJi-iAonjj badkleed ; of bv. dagelijksch kleed, dat nut mag worden, zooals van eenwasch-vrouw. gt;1 asmn (U^ rj ui0 geen kleêren hebben, die nat mogen worden, daar men geen kleêren heeft om zich te verdroogen.

mil iwii/j kn. overblijfsel, wat van ^4 over

gebleven is; achtergelaten spoor of toeken van iets

, ^ / Q O v

{vrg. u\'jii ai.)\\ asn vn asn/j\\ ruazn i^t/j en asn iunn/i).

tviii ail ij a. i \'iyn tui (Vt) \\ naar de overgeblevene sporen er van aan de pkgfcr. asli ti i Ln ïji \\ een gewezen dëmang. \\m m^ji nsn ru (i-njjs de sporen wegdoen, spr. voor de ver denking van iets, dat men gedaan heeft, zoeken uit te wisschen door iets anders te doen, dat die verdenking weerspreekt. an rui fijijj^ kw zva. miui unji en ]n i n kn. naar of

. I a cy . r cy v ,

om tets vragen, tm auith/i asn {of aji «ji n) door vragen berigten inwinnen , en iemand iets vragen, /is?» iiurui^aan^ voormalig goed of bezit van iemand.

— tui ihti witji ^Ain/j\\ de plaats waar vroeger geweest is of gestaan heeft\'; overblijfsels , ruïne; ook

a

nsn n/i (MJI \\

,15^ r?/ttK4ji\\n. , 1-1 ti isnjj\\k. , schrift, geschrevene trekken, goteekende of geschilderde figuur of figuren ; inscriptie; ook ittj rui\\ kn. het op de tafel van het noodlot geschrevene, asi^ t?! ijoji -amp;iam vi }fi^\\ hot mij beschoren lot. ^ i y rui(kjijj\\ n., tfji rn asri^\\ k. , schrijver, klerk (vrg. iirti,n/j).a^ rui tu/ijj \\ iQn ■tiviij (poet. m-n,isnji\\) echrijvcn, ie/s scliryven;


-ocr page 502-

irvj^ QJjjj \\

/

(isn in iu-j) s

432

ook (gt;]) ie/s sohrijvcn en figuren teekenen. — ^njt r ui ti (t?n \\ poël. iets beschrijven ,

op iets schrijven j iet» opschrijven, hu\\

Jm *gt;7(lyi hu lin/j\\ voor iemand Iets schrijven of opschrijven. — diï^(w)iïj)_ygt;anji\\ ij)rri(i^,ui/f\\ het ge-schrevene of geteekende; iemands schrift; sclirijf-werk ; om te schrijven. a. i -k/)

•riiiwiui/js elkunder schrijven, briefwisseling houden {vrg. iiu ij tn bij iun^). oji isr^ ir2i (Hyj\\ (uiriJniplaats om te schrijven, schrijfvertrek. — McKjitum(ui(*£! (tnjj\\ iets

dat men gebruikt om te schrijven; sclirijflessenanr.

•3. o / O v

(tuax) penuemes {vrg. hji n ^i (Hi/j),

zva. a^uuieJ(b7)yy\\kn. steeds zonder verandering voortdurend , ongestoord , duurzaam ; voorspoedig, zonder tegenspoed , voorspoed hebben; welig; welig tieren , gedijen; voortdurend dezelfde gezindheid koesteren; ook onvermengd , zuiver, volmaakt {vrff. eti i^rnjiajjjj). ij iui icuti (Wj isrj irLQ i:jj\\ volmaakt schoone ! — (iji^\\ voortduren» voortgaau. — (H^nujwbestendigen t oorspoedig, ongestoord gelukkig doen zijn; welig lt;loen tieren. — asi^ri^w^.ihijis gelukkig slagend , bv. in hef- planten of fokken; gemakkelijk tieren, goed voort willen, ; voorspoed, bestendigheid, welvaart, vruchtbaarheid. — rji^ nhyhj) middel om voorspoedig te maken. nnin/iMzie ojurviajifw

iiSYKn/^ojj^ imtl^«v^^nKN. — (hiduj^fijn\\ de padi stampen om ze van de halmen te ontdoen, daarop volgt WW. zie .is^ds^s en ijwfrjwzq\\\\

(isiii^t3^\\ o/kn. ten einde toe nauwkeurig onderzocht, afgesproken , uitgerekend o/ opgehelderd, geheel duidelijk en klaar, kant en klaar. — w ijaii ■gt; (ut) *1 lt;im \\ iets ten einde toe nauwkeurig

onderzoeken, enz.; kant en klaar maken.

O o 0

/TL/IOs/J { n zie tsnruajt {W

o -Oo , o ,. C)

isr^irLir.iof astiruiikiq\\ en verb, njj ru)(mq\\ of (Kt

uviit^i ^ nKN. naam van een heestergewas met donkerkleurige bladen: basilicumkruid, Ocimum basilicum. Nat. fam, der Labiatae {Skr. to el a si. Het wordt gebruikt om op de graven of bij offerhanden te leggen. De pitjes van de vruchten zijn e enig zins verkoelendy en worden ifi sommige dranken ge-mengd). w.twoS^ naar toelasih gelijken.

S r ) S / r ^ /

(L,ii ni iji\\ of ihii\'niiis en u inm.js of i in i\'i.i\\K\\\\\\

zva. (ia i.i \\ kn. onderlegsel, al wat men ergens on-

der legt, om te maken dat het niet den grond raakt-

een losse of loozo bodem; bekleedsel vaji een kist

of koffer; inz. de tot dat einde in een ^ ge-

bruikte i.-\\ .hh of ini nii bladeren om de padi

voor bederf te bewaren.

Sr ^ ^

(h)i oujojj^s oj ii j) KN.; (Lgt;n irudJi mn opal-

lerloi wijze strijkende voelen uf zoeken. — mm (t^l \\ of t in met de twee voorste vingers over het ecu of ander deel van het lichaam strijken en het zachtjes drukken {een wijze van pidjëtten; vrg. i ^ rjl asnji^.); langs, tusscheu of onder iets, bv. tusschcu zij?i kleéren, strijkende voelen of tasten, bv. om iets te zoeken\', futselen, om iets te ontstelen; naar iets snuffelen, iats zoeken te ontdekken. — «si? gt;)oa^\\ al voelend en tastend; futselen; snuffelen om iets te zoeken. m) )f ru \'lt; rf o^)a\\ of w^ dui n(ui? n k.n. in de lengte over den grond uitgestrekt, zooals van een langen boomworteli liet zich voortschuiven van een slang met het voorste gedeelte van het lijf, na het achterste gedeelte aangetrokken te hebben. — (mijnn t) (Kf)2 \\ zich in de lengte over den grond uitstrekken, -voortschuiven {vrg. rj aj)2ij i u). — (10 rj 0liz^?jj \'r)f))i))\\ iets, bv. een arm, lange stok of rank,

in de lengte of languit neerleggen.

O o a\' , o cv

di)) 0 u o^) \\ zva. (U) irv) oj) \\\\

as)) ou()3!hmji of oj)0uoj)ihnjjs kn. met den snavel in de veeren pluizen, van een vogel.— onoZ)wmm in de veeren of in het haar krabben of pluizen;

iels uitpluizen ; nasporen, navorschen , uitvorschen.

O • O

os)) ru) oj) zie 0.,) tuoj)

05)) ij 0li yj oj) lt;H))/j \\ kn. j ui) (K)) rj iL) tj oj) /oT^Ngroote seha-de en verliezen lijden, bv. in den handel; in armoede of ellende vervallen , ongelukkig worden door

verlies van tijdelijke goederen.

o O o Ct o S 0

oïho^(u,)iji kn. ; uw iisyoj^(i5)i/j\\ zva. 10)0^) fU)\\ bij mi

oj)\\ in het ongereede geraakt, verlegd; zie ook ij.

tj ut) (of)

o5))(^(ko(i:nji of a5r) i^(Q(lojjskx. het ergens inkruipen (vrg. (i^()j)(u)ji en iist?— on(Lj.oJivnjj of dOtë^cK) ergens inkruipen, zooals in struikgewas , of een bij in een bloem.

oa - no 00 /. Q

asr) tnA oj) ornji of oj) u i oj) tr.nji \\ kx. ; on ov) oj) xnyj of hi

0?) rnjjs scheef (niet regt uit) gaan , ook bv. v. e.


\\

-ocr page 503-

(Lnmy

cr

ilth

423

schol, tlüt ruk clings treft; slinksch. ^/quot;iv0

iiih,{I -njtip ^czc oigaar brtuidt scliecf af. — /.»;

/iSi^mr/\'flrj/iNandere wegen ingeslagen zijn, zoodat to «

meu elkander uit hel ooy verloren heeft.

0f \'W)quot; / \'quot;//\' ^

imavio-iw/l\'* v ru ki i i.nji\\ vohj. WW. ^zz iLn ni

iMMfi/l d i \'ii ki i ioi/J enz.

iiiiirii(ïj1^\\KN. trog, langwerpige houten hak; krib, pmirdckrib j dergelijke trog voor sni ids water, koelvat {vrg. j,)i ijyiji in M/j).

uriii uutnjis Ar. , kn. het lezen of zingen, iw-zonderheid aan den Koran , voor een afgestorvene. — a^i n i \'-i \'ijij ?\' i /j^ zingen, neuriën vafi (jodsdlen • stiye liederen; zie a.i n i m :hun \\ M.

palataal van tellers, zooals bo. de m [bier. t tl law a y a).

th/ur-KN.; iiU(hiit\'j\\ niet stroken, niet mot elkander ïj n

overeenkomen, daar het één niet bij het ander voegt en niet lt;joed staal {vry. ii n ui ).

iu (ui ~nu)jj\\ iets uit het oog verloren hebben. — (hnirvi (Lil ^\'i iivm s zieh aan liet oog ontrekken van buiten iems. weten iets doen. — (biigt;ruoji (Hifls (}ji0\\ een oogenblik, Tj. L. 273, 12 v. o.

t O O

,l;i tj iji/j\\kn. — an rj (uiji vouwen; vrg. ajim ^iasiiji Rh. — (lÏÏiiuj,(gt;ji obj. den., vouw; ook nm.

v. e. vogeltje (Tj.) Rh.

■n^i^d-^NKW, zva. (L^rity^x — 7^ luj (u^ meteen blaaspijp schieten, of op iets schieten. — asr^ (ui ~ i imn ^ blaaspijp, blaasroer.

Y t n L.riJijj\\ ongebr.; if i-m n irj .11 i j njijj\\ kn. het eten haastig instoppen, in].roppen , opslokken {vrg. lt;l?ii quot;K

n iii/i/j en \'i nsi) 11 f(i).

ihnanif uimtiji^ kn. het geluid van iets, dat op den grond valt, zooals van een vrucht die van een boom valt (vrg. (tni^a:^ hu).

^ ii ii\'iu (UKKnjjWD. kn. 1. een van bamboe of rotting gevlochten sirihdoos {vrg. rf mh ij t/MHfU/j). 2. — iibn rrf iui (ui /.»gt; (nyj\\ bij klonters zooals v. bloed. Vrg.


C) \'•

lbll\'E/l —7 1 U/j \\

i ii ii i i ? \\ zie i l i

i ii n gt;

7

iéii uskn. : igt;n •iÏii rr\\ van streek, in de war geraken

\' o )

{org. (b|lt; ui en inninni.nj).

ibiiau(ój.(».77imji\\ zie bij mió^\\\\

T

Hill IL/ /U^\\ Zie (Lilt S II 1 11

\'1 O O

tbniuiu^sKW zva. innw

bil ttl ILI\\ KW .)

zva. lil i f i w

ll \' en

n iu tjaivis of asri n i ij n kn. de slurf of tronij) van een olifant; ook van vliegen en andere insecten.

— iJiu ij n i\\ met de slurf iets vatten ö/houden.

) ) .

bii nji iuiq \\KN. zva. (Ui n i iu;\\\\ oo/i\'zva. ij lii tnw —

kn am outq ftm frj nn \\ omtrent iemand zieh ongevoelig of hardvochtig gedragen , of iemand aan zijn lot overlaten; een kind overlaten aan de natuur, b» if iLnrjirins kn. het kruipen, de toestand van iets dat zieh als een slang voo\'rdoet. —(Hi n n it rjaiuis zieh voortbewegen.

iiiiihjiuaAJi\\Ky/. vlakte, plein. G.

\'Cn ivd\'u \\ of .157^/lmü\\KN, ; (U iSn ïJi ii/i ili \\ op zekere hoogte , zooals op het schouder, of tegen iets aan, schuins in de hoogte, gedragen of gezet, van vele lange voorwerpen. — bnn i iï i r.uHi/j of i n n t lii WM/jx zoo gedragen o/gezet.

Si rti (uji x kn . j cm iiJi wegschuilen, zich aan het oog onttrekken (vrg. hoi ilhuijj en r^niwi niijfs). — i\'iiibii ii iuit het gezigt. Dam. Woe. — i.nthii luni rvi (ui ini ao/fs of da vu/ inj anjj\\ KN. voetzool j ook zool van een schoen of pantoffel {van iun nji anyj) 0lt;rj n.m iifj.\\ de bak waarin de ij nm g irfj rust.

il,n irvi (IJl KN. ooglid ; vrg. ^ri rvi 1.iUjf\\

ï . )

\'Isn (irivj (UI lx tun \'f vu if u l zie (U) tj iui ij KI l n\\

mi n/Kin\\ of tsri rui(10)\\kn. voorbeeld, model {vrg. (tti(W inji). — (innui(i.o) \\ of (i^vuidJi\\ iets tot voorbeeld nemen, navolgen.

iHti ij m ij /ei t \\ Ml. t aló doe r, slaapkop {van tidoer);

KN. zva. lun tl rui rinirri i w \' \' CiJ

,011 lii u njf n zva. ij mi di iu/i \\ W W.

(ts77 x^evjj, hiiJI^ wj. zva. tuillU^rj ip / }(iiji\\ (Tj.).

■un if u i ijdC) i{ii/j\\ kn. , ook 2oel Tiwi isnji^K., publieke danseres, dansmeid {vrg. i.i run Ji\\ en vJiioi (lli). 0iu iij\\ een als ihiiTjirui ijioi liiijjs verkleede man. (ijl \'h/^nkn. — (hiili(i^\\ aanvallen, aanvliegen zooals bv. een broeische kip.

un ij tui ij lót \\ Kiï. tun if iLiif doi lt;uii ij ruiif iois zieh hier

en daar vertooneu ; vrg. if asn if ioi w ,un ni ix\\ of iuu\\\\ ook wel iv/inkn. de hoofd-

wortels van een boom {vrg. n/i um); fig. de grond of hoofdoorzaak van iets; grond hebben, geloof

verdienen van een gerucht.

r O Q

un iKi, \'i,iof 7f un è if ik t im/f\\— un (uy iif^ urijj hii if uy ? if

if ik f /. n^ rm.quot; li n n uil if ttl l tj iki \'ilt;iijf\\


-ocr page 504-

424

D

asn ii l i iitï lt;h nji \\

fan fu^nm/js

\\V W . vrij. ui (ruxgn iilt; n/j\\

lt;lii iiliik ihvji of (hir na^dnyi of ?. »^\\rn. pnul-

tjcs langs do kant van een weg, o/achter een dam tot steun; omheining van boomtakken; droogst aken; staken om iets, zoonis netten, op te droogeu, of

ook om iets, zooals een net, uit te spannen {vrg.

O o ()

kbjf khji w n i ik ini v. (higt; iiuiit-(hriji voorzien.

asyiivjjjs KW. 1. zie asr^iuw 2. zva. nm aivi * naar iets gelijkend {S/cr. to el ja). 3. zva. n^nS^\\ {S/cr. at o e IJ a y onvergelijkelijk, pk.), n^njj^y onvergelijkelijk sehoou of fraai.

rtsij .1 ui q s ij tif ji ij n.ii ^ \\ *1 (isj? ij ui (ffn/j\\KN. — ih u HsH ilu j \\ enz. de minste zijn, de nederlaag lijden, overwonnen worden.

firjiiiajiq\\KN. — ihii ii^imijl ? \\ te kort komen aan mondbehoeften , welligl heiz. als .tlt;i) d.y (lii ? \\

osh in kn. een blad of blaadje met een rand, met twee daarop staande kistjes of trommeltjes; en ki. van ami am \\ een schenkblad met een vlakken rand, zooals dien van een schotel {erg. rj nu ij(Cji \\ en an

iFJt -a anji of (u ajj itji ^ i anjj).

o O o

(uii ID KW. zva. (uiji \\ iiin i:r en (u uij rj gt;12

(Hi/i {vrg. (hiirnirjyj); kn. onderkleed van een vrouw,

soms onder een asucui^ gedragen, (bti tLii t^irrl\\

KW. zva. iui (isri rjrn2 anji\\

o 1

asr I. K. zie vry. tuj. en nipyi:yj\\ —

iuncj.iEyi\\ in Banjo erna s zva. ini iiu lEjjjjs — amnSi

zva. a(iia^(Uj (utjjs

o O o _ o • ,

«ij» ^ w,] n mh «ij» iamp;h ijj nnji - aai au (r-jj iij a/i/j \\ zie bij

a?ilt;^(KT

(ui rj a u rj i\' iyi\' zie rj aurq n arnjj \\

(isn ij ru i rj v i \\ kn. traag, bv. in het werk, van yang

en van bevatting ; dralen met iets te doen {vrg. n^u

rj ru rj amj ? \\ en ni enn fonjj). — an rj i u ? rj oji . ? iets

traag verrigten , langzaam werken. —

ij (EjI anjj \\ ook 0(ijii (mji W. I, 3 45 , te traag; te

lang wachten met iets te doen, vertragen.

(ui (C[j,itjiaoij! kn. naam van een soort van korte

lans {vrg.

asn uru m m unji\\ kn. een zwarte tamme duif met witte slagvecren.

O XT ^ 0 f OI J 1 lt;f

(ui au in \\ N., fomucm K., een meer {Skr. t a dag a, vijver, gemaakt waterbekken).

O

abu ij n.a rj omi \\ zie ijxsn rj!ni?\\

foil vl/i i riji\\kn een zandbank q/* ondiepte iw rivier of in de zee. aa n ri n/j^ voor een gedeelte om. gevouwen y/* omgeslagen , (zoodal er een voorwerp door bedekt wordt Rh.) zooals een hoek van een blad papier of van een mat. — an ilu?ii \\ iets gedeeltelijk bedekken door er iets overheen te slaan, te vonwen , te plakken, enz.j een boek toeslaan, mi n u au v.ii^ p] i,j \\ wordt gezegd van iets gt; daar een dag of dagen overheen gegaan zijn. — on(ruarnijiinn iets tot gedeeltelijke bedekking over iets heen leggen , vouwen, plakken, enz.; iets tot gedeeltelijke bedekking bezigen; een gedeelte van \'t eene over een gedeelte van \'t andere leggen , van een openliggend boek het eene gedeelte tegen het andere digtslaan. — asnau\'^anjj\\ omslag, overslag, hel

om- of overgeslagen gedeelte van iets; en zva. o

iui aun.iu\\

a.)i 7i^(iquot;n^\\kn. dik, van de oogleden; dikke oogleden

hebben {vrg. n^h^jnsiu).

(i,n fofi:n/j\\ nat van onderwater gezette q/1gedompelde

voorwerpen, Rh. zie (mmu p

(üiiai rutrja nq\\ kn. te lang of te groot, zoodal hei

ongeschikt wordi, niet past of niet gebruikt kan

worden; höt doel voorbijschieten,zoodat men niettreft.

fon ay i:n ilt; u/js zie bij iui i n kii/j o • / • C) o

(1511(^.111 li ijji V zie oij iui I li r n/js

(isii j ^ y quot; quot;/j knlt; zva. iui i j tj cuit it ii j n {ook plotseling

sterven zonder voorafgaande ziekte. G.). a n auvjr:ri i i^ti dfi/j of foii iLia i^ i^i K\\. de vezel-bast van verschillende palmsoorten, waar de lianen vrucht-stelen uit den stam groeijen, en daar een soort ran dozen en zakken van gemaakt worden {vrg. (uynjij en asn (lkijij) JR.

luuufoïti inian/j kn. de onderlip of kin v. e. paard; het onderste gedeelte v. e. arentak waar die tegon den boom aan zit.

(ui (TL?flfy\\ of \\ kn. naam van een groot nies

met een wat gebogen punt, een soort van hakmes. — iin ru(i7i^\\ met een tlaboeng hakken; onvenvaeht van ter zijden of in de flank aanvallen; vrg. avi^n (uria^np KiyjsKN. het geluid van het vallen van kleine voorwerpen, als regendruppels en kleine steentjes (Tj. v. knoopjes); grond. ipunjj\\ vrg. asn rrj tj apt \'[^j-asiifo^rjnpêi(ii/i\\ kn. het geluid van liet vallen van grootere voorwerpen, bv. van dikke druppels, van vruchten en andere voorwerpen , die bij gedeelten


-ocr page 505-

(19) ay, rj op 2 \\

vallen of gestort worden , (Tj.) v. vogels ook van geslorle tranen (vrg. i n i j il-] i.n j en i n rjay i.ny). — ma va i/ «p * itfl nlt;yi ^ Hj grootc droppels vallen,

, ~) O / /

van tranen. n-J) nsn^rj i.ii un na/j\\ ij - m enz., een,

twee, ens., druppels of gestorte porties.

quot;) . O

di» Kj\'/ \'P2 s iL\'quot; 77 M\'/ v ^N Zlc\'7 \'/ V? NN mi tikn. goot, liggende pyp of buis, daar water door loopt, hoven of onder den grond, vanhout, bamboe, steen, blik, enz.; dakgoot. (Ui i\'un ans door middel van een derde met iemand spreken. n ti tiKiJi\'hli {of (ui v), naam van een corps pra-djoerïVs var» den Vorst. — onit i i?) iets van een goot voorzien ; voor iemand iets koopen en het geld daarvoor voorschieten.

hu ill \\ k N. naam van het seh rijft eel: en ij. — i n ui i im/j* I. met een Taling. 2. ki. van /■ ^ i/i {vrg. iunni i:i); gehr. i n irir i ?r)^\\

ibnéj\\ 1. kn. liet midden £gt;ƒ het diepst zww iets; afgrond , ook naam, van een klimop met licht blauwe bloemen, Clitoria ternatea L., Nat. fam. der Pa-pilionaceae {ook hn i nay (Tj.) K; ook fig, doelwit; tjawdtini tmji0 ongegrond? Tj. 2. ki. zie ,lt; i tij lt;KVJI\\ tjitiyiajianjp het midden (de appel)

van de schijf. ihn^Sin ian n\\ het midden, het diepst, van de zee. iQi ij kkuh tiPn \\ wie, of wat, Jiep in het hart zit, innig geliefde. — amh\\ een leheim van iemand zoeken te doorgronden, i.iimu

, # ^ t Ou O

zva. am hjiw hii i,n r\'j i/h i) j\\ do meest begunstigde.

hntlp 1. n. zie bij ih njw 2. kn. het onderspit delven; iemand onderkruipen {eig. gebogen, zóo K. 5 , 61; neêrgebogcnraken; van buigen, neigen; zich buigen, vooroverbuigen ; naar voren overhellen, overhellen om te vallen ; de helling van een berg ; geveld, van een lans. — (fn \') rj mi \\ iets doen buigen, doen nederhellen , nederdalen, omvertrekken; krenken; een /««5 vellen. — tinri/i cwon/j\\ het onderspit. G. ibiirvt tnij V \'p een uitdrukking, die men bezigt, wanneer men te kennen wil geven, dat er rede bestfiat voor iemand om iels af te staan of toe te geven. Zoo zegt men Lu ni/j art ij tij y im? ij tv)\\ je moest het maar afstaan of toestaan, je hebt het niet noodig; en zoo ook enkel £ii iij} i n rj ay w R. welligt niet veel finders dan ijjw\\ of ryj immers, omdat, vrg.

(i\'jii ii ri l 2 n 425

W V. b\'. 453. —- iv} iil tip of (iJi buiging, gebogeu toestand, bv. van een tak door de zwaarte van de vruchten; ook van een paal of stut door de zwaarte van de last {org. lühtivïy). — (ri/) \\ of iLQ^ftrp buigen; gebogen; overhangen, zooals een uitstekende tak. — ili ^ liq itj rj om \\ iets doen buigen , gebogen maken.

(Ltitjtui2 kn. naam v. e. plant, Tj.

ei Qv ) a ri.. , o Q-

(i,iiiii KW. zva. ai vj\\ en ii i / lt; i m nnj) {org. iimiu\\

, , ) O ■) v O Q- .

IJ. in n i\\ en (Lu in hu,]). — .* i //./ • KW. zva. met voorovergebogen of vooruitgestoken hoofd oplettend en nauwkeurig kijken, WW. G. volg. Rh. scherp luisteren; ook beneden hef toppunt staan, van de zon. — /n n i i ]\\ zóo iets bekijken , G. ook zva. nn n) i i i.n\\ oplettend of scherp naar iets luisteren , door het oor naar die kant te keeren, daar het geluid vandaan komt.

/y?); KW. zva. njirips kn. bak, waarin men krekels met elkander laat veehten ; oo^r geraamte, gebeente; e?i brandstapel, tniuajiruis een opgelegd middelstuk op de nok van een pandapa, tot versiering. » KW. zva. i n irgi\\ kn. hulp, bijstand; hulp

verleenen , helpen, bijstaan; met iets helpen; help! kïi liyni\'p tot hulp ziju, helpen, in het algemeen. — /rjli/j\\ poet. behulpzaam, tot hulp zijn. — iemand helpen, om hem te bevredigen. — / ] \' iem. helpen^bijstaan, ophelpen, voorthelpen, uithelpen, redden. — behulpzaain ,

hulpvaardig; hulpvaardigheid; iets waarmee of waaraan iemand geholpen wordt.— oun rprip hulp. bijstand, ouderstand, redding; dienst die men iemand bewijst; helpen, een dienst bewijzen. — /] in iijj i?i\\ iemand helpen, aan helpen, met iets bijstaan, een dienst bewijzen, 0ajiyri ui^ iemand het leven redden.

iritbv rj ti t kn. gelegenheid tot iets.im rj nsnrj ru. \\ gelegenheid krijgen, tot iets, ook zva. umuitj ijw^-iw WW.

rt I* £)„ ...

(isu m i:i \\ KW. zva. gt;rr^ (ui vrg. tuil m arn nnjjs bij

Ou

(Lit (tui NN

quot;) . O

(lu turj mi \\ kw. zva. ivit tj ti i ij nrti 2 \\ en inm^ tj mi (hnjj\\

kn. geduldig afwaehteud, zonder haast te maken;

een vrucht die op een ongewone tijd aan een boom

komt. tjutu\'tKLti tli tj Kir. zonder dralen. — an tü

tjt.tu op ongewonen tyd komen meestal van vruch-


-ocr page 506-

o

(Ij}! lt;IJI\\

(quot;) .

an ou i,n

42G

(fin: van daar ook zeldzaam, vreemd. ibnvlitm(Ki/i\\ zie iiu.i,n(t i/j\\

\\iflt rj wiz m\\ of iüii ij /h2a-i n kn. zva. ti/i ii iwiqjiji^ deerniswaardig.— aotinut i^n doeu als een deer-uiswaardige, nederig snieekeu om deernis op te wekken, ook deernis hebben, M.

:i.n ii irjM2\\ kn. — uw 11^1\'ïjoj)2 • de gepaste tijd ot\' maat overschrijden j 0tuiimti(ki\\ zieh vergalopperen. iiniuk^mji* kn. 1. neushaartjes. 2.— \'/?\'r; ^ \' I \' iJt^ verlegen zijn. — ttgt;n r.^ ii/j^ van padi op drooge gronden, die ontkiemd is maar nog niet zigtbaar boven den grond, SG.

gt;1 rn t/ m 2 KW. zva. 1112 ini uw

o* a* qc 1., o* * j. q-

ihn ru(M\\ oj i i iiiM\\ kn. —- ro i i \' in/JJI oj \'-m i

ij)luiji\\ elkaar voorbijloopcn, misloopen , krnisen ;

verschillen van gedachten, meening.

C ^ o* G) , n.. G)

(hll Tl/1 d-JI \\ ZVU. It I I I W

Hjii (Lflji of dn ibn iLijj\\ kn. regeling, behoorlijke schikking of plaatsing, zva. i n \\tün m t u (Ui JU n i\\ (i !, i.n -i i n.i\\ PJ.) of d-n tui ] n i\\ welgemanierd ; welgernanierdheid , ordent)ijkheid van manieren, asn ttJi i.y wijze van doen. Tj. — imcbn m,j\\ in rijen geschaard , bij lagen op elkander. — L?.ij/i (iji/j iets in geregelde en behoorlijke orde schikken; ook zva. i i.bn i.ri/^ — / nui oji S\\ ergens op in orde schikken of plaatsen. — av mji rui irj tj hii \\ voor iemand regelen of in orde schikken.

— ani mhj} . i (mj bij lagen, bij rijen.

O \' , ) ) )

(bn (ujj \\ gronav. van mi i n vi/j en n n jn ilijjgt;

asn \'LjjJi v ben. v. e. soort v. Indisch handelsvaartuig, rj u 2 (iJtjj\\ (het tegenovergestelde van i ? / ijj\\) het gevoel van iets heets bij aanraking, of a/n rj iLimui/j\\

/ \' ) ) quot;gt; ■ . kn. zva. i.i \\ en i n ij r:i t \\ — i i rj i n 2 tbi . i \\ tets

er op verwedden; tegen iets, iw plaats van geld, iets anders geven of bieden om het te koopen: zoo ook tegen een schuld, om die te verrekenen. — ,bn2 \\ji ^irj uns iets in plaats van geld geven of bieden tegen iets anders. — m ij v,n2 ui ~i m j plaats waar gespeeld wordt, dobbelbaan, speelhuis.

(hit (ui \\ kn. zelfskwelling, zelfskastijding, om zich door strenge onthouding en het dooden van zinnelijke begeerten , hoogere geestelijke magt of de gunst van de godheid te verwerven; aseese; een ascetisch leven, kluizenaarsleven {Skr. tap ah. Vrg. ^n un). bn (iji\\ n ii (bn iiJi n n/n L u iUi i \'i\\ zulk een leven leiden, aan zulk een zelfskwelling zich wijden, tapü doen. ^ •i/// x i ibn (iJi\\ of \'l,^i afstammeling van een

asceet, mii m lt;uilt;w\\ een wijze van tüpa, waarbij men naakt gaat zitten, i.ii ius zie hoven. jq (UKim ^iirinn om iet a tapa doen. — (u lii xj\\ \\ en Kuybiinjis zva. foil (Uiw [M^ib\'n lt;iji\\ ook luister, majesteit, waardigheid (Skr. pratdpa). (un (u^hji w\\ zva. (un (bn (uw •— ^r^ bn (ui\\ (U^cbn ojis en .t i n (bn (ui \\ een ascetisch leven Of kluizenaarsleven leiden. — (bniijii.i/p (Li i.n (ijkhi/j of (juybn (Ui (inji\\ de plaats waar iemand tamp;pa doet; verblijf van een kluizenaar, kluizenaarsverblijf.

ibn(ui\\ kn. 1. zie ,i.ii i n uw 11. onverschillig, zoodat men geen notitie neemt van iemand of iets. — w (Ui\\ zich onverschillig toonen, geen notitie neinon. — in Yj (ijl un -\'n yj mi\\ iets of iemand met onverschilligheid behandelen.

Hl. Sd. wan nen (Ml. t a mp i, wan; vrg. mi j ^). -— (in ij\'ui nj kn. koren wannen, door het met een

wan op en neer te gooijen en zoo van het kaf (e

o C y n a i. n

zuiveren {vrg. ii(ii en ungri ui). —ii.n ij ui juj

obj. den\', ook naam van een boomgewas.

l ii ï] (ui \\ kw. zva. uj.lt;i^y vrg. i iif(ui\\\\ kn. naam van een lekkernij van in pakjes van pisangblad gegiste rijst) katêla pohoeng of maïs. m ij tui\\ tapé maken; ook verzuren {bv. v. suikerriet), gisten. i.u .i i kn. de maat {lUij i.ij) van iets, dat men tui model {iijiuMi mi,]) wil nemen; voorbeeld; evenals. (bn (ui tij ii.i\'loi \\ en i n iu \' y (ui tli njjj \\ voorbeeld, ibn (ui(bii(ui\\ de maat in het oog houden; naar zich zelf meten en nagaan oi zich verbeelden, wat een ander gevoelen moet. — da (ui \\ van iets de maat nemen; iets zicli tot voorbeeld stellen. anajuiniH iets, dat een ander aangaat, zich voorstellen ol verbeelden naar hetgeen men zelf gevoelen zou, indien men het zelf ondervond. — m ui un ij\' quot; iets met iev.s anders vergelijken i n (uin kn. rand, kant; randje of smalle rand aanuen horstkleedje, gordel, hoofddoek, enz.-, galon {vrg.

(uïTri\\ i n if.i ?ï\\ en (ui rï). — in u gt; iets met ga-co

Ion omboorden, (iw ij o2(iïihi (ui \\ poet. glad gestre-

t .(j

ken knevel. — bn if(ui(iii/j\\ met een randje of met smal galon omboord.

lt; li ,ui 2 kn. vermolmd van hout Kb.; volg. w W •


-ocr page 507-

(hil (Lj h\'n/J

a

flSI/ (L/l\\

427

zva. iinijUiw M, tu\\ KW. zva. rf ■ h2nw

t a mil (U \\ KW. zva. H-I^ww

o . o ;ƒ tan ? iu \\ zit\' risn (Ui if lu i w

WMSS KW. zva. rjamaoiw

(b7gt;ii5^NKN., on(E^-SivKi., du rok of het lange kleed, dftt om het benedenlijl\' gedragen wordt door een vrouw (gelijk de (trniirrt inn van een man}. utiMthi .r.nföijui;\\ onder de tapih zitten ö/komen, zva. ouder de pantoffel ol\' plak van zijn vrouw zitten uf komen. — an (u^nm\\ r.m ii i ?jie?w«w^ een tapih aandoen, hli /.y iui ? n/n :\\i\\jf\\oud^M.;het gedeelte v. h. lijf dat met de tapih bedekt is.G. — (hi tu^ am rj alt;u\\ieis tot een tapih gebruiken. •— asn a?i?a/n anjt Of asi\\ aJ uianjj (pooi. \'hn gt; iimti iruyj^ meteen

tapih aan, een tapih aanhebben ibti oji hu) \\ zie bij asn aji w ibn ij ojiaii/j zie bij 111.

vj ihni oji anji \\ Ar. . zware overstrooming door

zwaren regen en storm; zondvloed; orkaan. Zoo

O do , .

ini i:m en cuna^anjf \\ oji ^ m ? aji kij nelz.

O O o ii

hniU7j n2\\H., thiiajiau{Wi., een iialve, meer verwijderde, buurman {van oj) ibnt ru lu ajirj M2 de naaste en meer verwijderde buren, die te zamen één buurtschap uitmaken.

O O

wj iaj^ HH si n enz. zva. vgt;n ajt /. n \\ enz.

xn)M(Hvji\\ kn. , aSi aji KvjjWiü. t spoor, voetspoor, in-druksel, afdruksel of overblijfsel van het zetten van den voetzool of liet leggen van den handpalm op iets, fif/. wat door iets gevormd in; oo/c zva. amm iu hvjjs — is?» oji ani \'n \\ voetstuk van de nn ru \\ van de wajang, Kh. — ibii iuia,n Jilau zwarte vlek ouder de tong van een paard, \'t geen een goed ie eken is, Kh. ibii oji tfy a u onii an anjj \\ karrespoor. asii ojim dji ajijf\\ het spoor van voorheen, de wijze waarop het vroeger ging. cm asn oji \\ spr. in de voetstappen opvolgen, d. i. iemand onmiddellijk of aanstonds volgen, tn oji hun/^ \\ of obtt oji am quot;L^rjajajirjerinv wat met den hamer, o/den smidshamer, gemaakt is; gesmeed wapentuig, ook .htt

. Qv o oX -)

OjI ihtj h}i hu genoemd, asn oji am an anjj \\ asu iui h |i (ei mjj\\ nm. van een plant, Elephantopus seaber L. Nat. fam. der Compositae, met geneeskrachtige eigenschappen; wat iemand zelf gemaakt o/geselire-vcn iieeft. (ojï^ au asn iu h n an anjj een fabelachtige vurige vliegende slang, die alleen \'s naelits zirh een oogenblik zou vertoouen. — poet.

zva. a lit rsw vuig. Rh. ook kn. de voet of poot op den grond zetten (iu lt;hi iu aïji wajïl \\ Tj.) — aoaa (Hn\\ begaan, doen , ondervinden z,va. ja tfuuinj — an (vi hii . i hu \\ met den voet ergens instappen; iemand aan den stap brengen, aan het werk stellen. — asn ihj\\ oji aniji \\ vlak, met de zolen, op den

grond staan, van de voeten-, er mee aan den gang

O O ) . o gaan, aanvanger. a:n oji uto.ajj a n i;i uy /ƒ ».y\\

toen de derde dag aangevangen was. — aa\\ oji ini

injj^ spoor, overblijfsel, ruïne (de voetzool op iets

zetten. G.). — ikn a11 ojia^) anjt\\ zie boven.

/is»)\'.»//ƒ gt; kn. 1. slag met de vlakke hand in het

aangezigt (erg. itntfa.trstn/j en mm/ /mm); aan

het werk gaan, de handen aan het werk slaan {vrg.

itgt;n oji inji). nsn ajjinnq of tb^ani htiqs tengel

van touw over den neus , vlak onder de oogen,

dikwijls bij buffels in gebruik, JR. ook zva. aiil

(ia hiii)\\ R. — aniji.n^ iemand een slag geven

als boven; een buffel een tengel ovei den neus

aandoen, JR. ana/^ 7f»jaJil\\ fig. in \'t gezigt slaan,

iemand een slag in \'t gezigt geven. 2. een witte

kol oj) het hoofd van een paard.

aln oj)Oinjj KW. zva. uiajHuji ibinavr^ ajijj d^ini^ KN.

het vlak vau iets; het vlak van de hand; het vlak

van de zijde, van een mensch of beest\\ klap, om

beesten, bv sprinkhanen, te vangen; vliegeklap

{yrg. (inia.-ni awjj). — (in(Uïa(ujf\\ iets met de vlakke

hand slaan; iets met een klap slaan of vangen;

iemand vlak op het hoofd slaan.

ib?/ oji alt;ujj\\ zie bij asn oji alt;n/j\\

77 asn oji Hvjj\\ kn. een sierihdoos van hout, ook asn rj

ij ru oji(Hnjj\\ of a^n yirjivid iwjj^

*1 wi ij (ui2am/j\\ kn. 1. een sirihdoos gevlochten van bamboe, rottan, of pandanblaren enz. 2. zva. tj ui ij .ii 2 inijj^ ■ gt;1 i-n 2gt;i ut k n ij asn ij oji 2 hnjj\\\'/.6o schurftig op het hoofd, dat de schurft er als opgeplakt zit.

(ijn a\'Ji 7. ^ \\ Ar. , tap hak koer, gepeins; peinzen;

in gepeins verzonken zitten; in stilte bidden {vrg.

a r) /.

aji as nam).

asn rj oji rj rm 2 \\ rj a n rj oji tj rm 2 \\ ij asn 2 ij oji rj in) 2 \\ of asn oji rj am z \\ naam van een Chineesch afgodsbeeld, asn oji hn -si \\ ook asn am oji im -amp;i\\ k N. nauwkeurig 011 -


-ocr page 508-

O O .67/ ajl(K\'l/f\\

438

ibn (ui ri h m\\

derzoelcj niet auiulucht uuderzocht (isrj ivn \\ en

O O O .

(uilt;Kn^A\\ vrg. ajr^tui un ^a. en a^^iu^un ^). — (u i.n^*\\ of if^tu nriiets nauwkeurig onderzoeken ; een brief met aandacht le:;en, den inhoud

er van nauwkeurig nagaan.

o »

(bti (Vi7j hni\\ zie (un ij tui if uu t n

o o o i . CP) on

(hn tui KW. zva. tun iu\\ en tu ent w gt; mu (ui gt;ƒ ihii 2

no) n zva. ter ie/I (?jj am w asii (ui iJi^\\ KN. het vezelachtige, loszittende bekleedsel van het onderste gedeelte van de bladsteelen aan een kokosboom {van den Arén-boom dc^iiiiji ye-noemd. Vrg. mu rui tj r.n 1 uri nnjj ^ ui .gt; \\ en (i-J) ri j

a.. v

(hinuiiKijjs KN. schoon op, schoon weg, schoon ten einde; overal, tot alle plaatsen toe, zoodat er geen overgeslagen is {vrg. tuii ij art (ui en (ui

aH hnjj). — mi (ui(i-iin\\ het gclieel tot het einde toe brengen; zie ^ (nnjj bij i^^ .isnjjs — in u w ^ iets geheel opmaken of op doen raken, zoodat er niets overblijft.

O G) n

itoimjKMjisKyf. zva. un tj 1112 nri/j rjumiamp;i.fs enuithii

O quot;gt; (\'O O o

m m \\ ibii iUi m l:i \\ zva. 1 n n nu 2 un iui m \\ en zva.

• ) o a -)

(ui isïjtjm? (ynjj (Sri. T.); zoo ook iihn (ui wjuw lt;b»/

\'UI U} i:jj (Hl/j \\ zva. Ij IJl 2 tj (7771 2 Htl M M !lquot;/J

en (in iji anyun nnjj {volgens G. zva. tui isr^ tj n2 (kijj

zóó Men.) uïi i.n .ui ri rjj m/j KN., gt;mi ajt hj tty ij uj \\

n, , cbii (ui 7y i j fifi/1 \\ k., naar de overeenkomst

in vorm ot\' gestalte, bv. van twee mensohen of

\'paarden. 11.

itsii (u lloll. tafellaken, tafelkleed , M.

O o _ c\\„ ci/ ) o o j, ) o

asn dji(1-0,1 nKW. zva. ui lt;rri\\\\ \\un iuioj) ~/n■ n\\ of un ui

o Qv Dl ,

(i_yri\\ KN. zva. de grens, ov. van een

bosch of van een dist rikt {vrg. nsn mi^iIsïim/i). (Qi(u^aji/i\\ KN. de afmeting, geheele maat, van de lengtey breedte of dikte van iets; geheel afgemeten {vrg. i/r^ i.y \\ en (hn aji); ook naam van een heestergewas gt; Elettaria coccinea BI. Nat. fam. der Zingi-beraceae, {vrg. mi Si u^o^jj). an uj afmeten,

uitmeten. — mi én 1 ^ m/js zie hoven.

o .

(isn (iji(iJ)jjKVi. zva. (ui n w/]\\ of rjnsn tui(iji^s kn. een

waaijer van gevlochten bamboe in de vorm van een

vijf kant y vierkant of ook wel rond blad aan een

deel, om vuur aan te waaijen en zich of iemand

, 1 / O quot;) o a^quot; . O

ic ver koeten {vrg. mu cui lun iui xn 1:/^ unjj en nPn ui(ui/j). — an (uin-/i Ja\\ met zulk een waayer

wind maken, bv. vuur aanwakkeren, Tj.; zicli, uf iemand, verkoelen.

(iïi iui kn., dun, slap, zooals van koffie en thee\', teer, tenger {vrg. ^(kii^), zwak, zwak staan, ij». vaneen regtszaak. WW. /«j; aJ a-i -jn u// rjKj\\ klein van moed. (tni (ut uyuïij ui \\ kittdoorig. —on ,u ^ dunnen, in den zin van zicii verdunnen, dun worden , bv. van een regenwolk, fig. van iemands rijkdom. — dfi uioji -Ltf ii hn iets dunnen, verdunnen,

maken dat het dun wordt; ook figuurlijk.

o

tj nsti (UKMjjs zie ihtt (Ui m^\\

n osttTj iuid(Kijj\\ kn. plat, niet goed rond of afgerond, bv. van een kogely die aan één kant flat is, en van platte billen.

(hu ui STn of (Qi (ui 55\\ 1. Ar.jXwJüy uitlegging, ver» klaring, voornamelijk van den Koran {vrg. (htidti (ijjj) en iK\'fi). 2. verb, van tstt uu %\\\\ \\ tjui nri-n ui i*\\ uitlegkunde. — mi (ui %.\\ verb, van tw mi San

— (hi ui% n\\ uitleggen, verklaren. — (u(u^(uiii\\

l. liet uitleggen, verklaren. 2. verb, van (unaim\'Xiw

ns j a\'

— diti ui -Lf ti (injl \\ verb. van (igt;ti un jamp; ti nnjj^

a • 7

(isti tui tui \\ zie bij mi (ui/j asri aji Mtjj \\ K w. zva. uu inijj of tj i n 2 nw uu uitLi/j\\ kn. 1. wat van klei of was geboetseerd is, boetseersel, ook figuur, beeld v. metaal, Rs. 2. metalen beslag of plaat, klamp oi7 kram, tot bevestiging , bv. op de hoeken van een kist. 3. kn., •ti hthifiion/i Ki., dikke pap met kruiden op de buik van een kind. 4. Av. , tee-

der, jeugdig; jong; jeugd, un(3{ amp;i ffuii Li tuij\\ zva. un .?3? (M(i^ Lj htijj\\ nog een kind. Lit ui i^t uit(iJi/j\\ grens, grensscheiding, grenspalen, van een land {vrg, un ui iji ,/n o ). nsn iui 01 ui f^Jj * naam vaw een boek over de geschiedenis van Adam en Eva. — (Knutttjtjj\\ iels boetseren, iets met een metalen beslag beslaan; zich aan iets vasthechten of aanplakken, zooals eeu bloedzuiger. — ihim

»Y my., en iets met een metalen beslag beslaan;

O n

iemand een bloedzuiger aanzetten; kn. ,

KI., op de buik een pap met kruiden leggen. — (Hi (Ui ii,i rj im \\ iets met metalen beslag laten beslaan; een bloedzuiger aanzetten; tot beslag, 0/tot

pap op de buik, bezigen.

O o . O

am ui t ui zie iuii (ut tjmtw

ij htt (^utujKH. 1. klanknab. van het juist treffen in


-ocr page 509-

iyj dsn fijt i innjj \\

4)29

orj asn njiquot;

het doel, ook flg. juist, precies, ook

goed bij elkaar passen. 2. ook naam van een zee-visch. Rh.

masnrjajidoniji^ kn. een met een krommen arm tegen een muur of stijl gehechte blaker of lustre (vry. nj tbii tj iu i (khji en orj ast) vj tjI t nnyi). — \'\'/

ij fyi iwrijj\\ zich hechten aan; Jig. van wapens iem. treffen, Tj. — mhr^\'r)7j (i^i(niTjj\\ ajtihh0\\ freq. fig. van veel vrouwen zich vastklemmen aan een man, Tj. — *1 (Hity ajti aan ieis zich, of iets, vasthechten j op een voorwerp iets plakken; een vromo een man, of een man een vrouw, bezorgen; zich aan iemand hechten, om zijn bescherming te hebben. — tj mi rj ajt 2 (tffj ij (hn \\ een vrouw aan een man helpen. — njirj asrirj (uiiitnyj iemand aan wien men zich hechten kan, om steun of bescherming, ook door er meê te trouwen,

r)nsm^(^(t(ttj^\\ kn. naam van een soort van kinder-mutsj e; vrg. vjioigij (iyi i ■}lt; tt/js

ihii (ui tint \\ KW. zva. art (Et art w

o o I ^

tisn (utrj(uvtd\\ en ttnsttt njt rjditis gew. verb. dsn ? (L/i \\

kn. een Europesche hoed (Por^. ohapao).

, O

(Uit (Ut \\ kw. zva. (Utt It-rt Mt/js

urn^ kn. rijst in een koekoesau in de dandang doen om in de stoom gaar tc worden, dsn.ijj tmrj-m(tnji\\ zie bij tut tj w — art a^t \\ of (tmt t-^^ deelnemen aan iets. — irt ryiJ ^t (ne^\'ri nnyj of ni^axt) t deelnemen aan een gcvechi. (iTti^ttonj^s spr.vanieinand die door aanhoudende bemoeienissen gekweld wordt. tn (U^rj tij it? r^art\'t\'^ van iemand die aanhoudend boos en driftig blijft. — nn i t tr?\\ in een koekoesau rijst doen als hoven.

\\n., (1st» d^ï\\ k., aansluiten, zich aansluiten of aaneensluiten, aaneengesloten raken; op hetzelfde punt tc zamen komen en zich met elkander vereenigen ; goed aan elkander sluiten,, van woorden in een zin\\ van personen, in aanraking komen met iemand, zoodat men kennis met hem maakt {vrg. dstt TjI ^ wi/j). lt;un rut rjoJt ^1° doorloopende wenkbrauwen liebben;^otfï. fronsen van de wenkbraauwen, gramstorig; ook zinspeling op de gendmg gt; » tr^ n i.j \\\\ vit dji i7ï7 tSt nttji^ goede aansluiting va?i iemand aan een ander, zoodat hij in zijn verhouding tot hem de goede verstandhouding bewaart; oogt;{-goede ken-nis of gemeenzame vrienden zjjn met iemand, mtt

(tjj(i,iirut^^ een onderhoud of gesprek; een onderhoud of gesprek hebben met iemand, mtaj^dji^ rm^\\ gezamentlijk overleggen, beraadslagen, (vmiüi scbikking in der minne, onderhandsclie schikking, asn dj (u cm Ji tn^ (utj^\\ in der minne onderhandelen met iemand, om tot ten onderhand\' sche schikking tc komen, lïsit i^ ru(uts zamen een lans breken, PM. iJt t\'^ mrtj, \\ zie rit vht\\\\ dii Lj \\ on (ut \\ poët. zich aaneensluiten; kn. iets aan elkander hechten. — ühniCj drj \\ in lui fél\\ aan iets of iemand zich aansluiten; met iets anders opéén punt uitkomen; met iemand in aanraking komen; met iemand in overleg o/onderhandeling treden ; met het voorstel of den raad van iemand zich ver-eenigeu. r^t ^ /lt;r^ ujjj he met onderling goedvinden schikken. — art ij xrt tj ku \\ ao (Cn aot itftt (trtyn de einden van twee dingen of stukken van iets aan elkander voegen, verbinden o/knoopen ; twee diagen met elkander overeenbrengen, iemand in aanraking ö/*kennis brengen met een ander-, oneenige menschen weer tot elkander brengen; twee woorden met elkander vereenigen, zoodat zij op elkander sluiten en een goeden zin geven; omtrent eenziak met elkander confereren. — kit tjj a-n (tajj\\ Stajixn nnji* vereenigingspunt, waar twee voorwerpen, bv. twee rivieren, zamen loopen en zich vereenigen;

kennis, goede kennis van iemand {vrg. tJt tq% en

O . V O O . O O c

tlt;tt vt h\'^(un (tn/j). ihtt nut tvn itrt/js ant nnt (ut iti /}/?^\\

met een ander, of met elkander , zich vereenigen, zamen vriendschappelijk omgaan ; gezellig verkeer. — (u astt rj \\ oui(istt(ut\\ aansluiting, vereeuiging , zamenstemming; verkeering, omgang; ontvangst of bejegening van iemand , met wien men in aanraking komt; ook zva. — fuiijj (O (trtjj\\ masn tut rt (trt^ gemeenschappelijk verkeer, gezellige omgang; verkeering, gezelligheid, gezellig; bijeenkomst om over iets te beraadslagen , couterentie.—

o O • o o t ^ . n C) • o a. i .

: i uit t jj »71» /Ft Obit (ui m zva. tn (ui i~t \\ met hei voorstel of den raad van iemand zich vereenigen.

tfitsn iijt\\ kn. schop met de binnen- of buitenzede van den voet {vrg. i^ rrit v en kii rj (istt a^t \\ en rjajtarprts tj rtna^\'n). -- ii mlt;üt\\ zulk een schop geven. WW. rj isn ij iitz \\ of rj isn rt ei Ji i\\ kn. de billen van viervoetige dieren als paarden en runderen. — ij artvj vjojii of ay ut rj ifji Ju \\ daarop een slag geven.


-ocr page 510-

rj (ISM 9 (Ul \\

430

(1511 Ml { \\

ii mi ^ ij iCi gt; kn. masker; mom , momaangèzigt; een masker , gemaskerde persoon ; maskerade , tooneel-vertoomng door gemaskerde personen, hfn lu nii,n2 rj (iji\\ poet. om tot masker te dienen, (üh^tmioq trj jni t ij tui ^ een p^.ndok met momaangèzigt boven tegen \'aan de wërongkft. —vj w g n w \\ als een masker, en zva. n n im * n ry mn ? ^ -i\'/ \\ rondgaan om voor geld een maskerade te geven.

ij (bii ?.ticui2\' kn. een mijter of vorstelijk hoofdsierraad, van vorstelijke personen in de wajang {vrg. if,i /. ij np), van duiven met een witten kop; Tj. (u i.ii0\\ spijkers met dikke spitse koppen.

hlian\\ enz. 1. k., zie (Uiai.m/j en gt;ikfn^ hii/j\\

n O o O O cl

6, (ui (IJl (Hl \\ iHidJi Kil ~jri rj Kii \\ (iïiin.Ji nrijis (t/i foiidci

, ) o O

(iojj\\ vj (L,ii(f?i\'i(_j\\ en (Ei thii(Uiam ~/ii rj uii \\ ki., zie

bij ij (Ui f \\ i/n rj o p \\N

o o 1 t

nhiidji \\ k i). zva. (v,ii(igt;i \\ j.

ilgt;ii(iji\\KW. zva. ii \\ jjihji xcijj en vjn:n ? if rei ?. {vrg. fati(iji \'Kii/}). kn. zwak van gezigt, van ouderdom (yrg, mi\'^). (iPikkji (uikiji \\ zwak, gebrekkig in kennis. \'rj foii? /5?n kn. ; \'rf (Hiiaci \\ van iemand of iets een proef nemen, hv. om ie zien of hij moed he zit; of iels echt is of waarde heeft, enz.

foiitixTi 7\\kn. iets dat dient om iets op te vangen, hv. een pot of vat om regenwater op ie vangen-y opvangen , staan op te vangen., of te ontvangen , hv. de hevelen van zijn heer \\ van een zeil op een vaartuig gt; op zijde staan, zoodat het den wind vangt; verder bepaald rantsoen, bepaalde hoeveelheid, die iemand krijgt om te gebruiken of te verteren {vrg. (uirjaJiii). abiinji^M (iïtHjjjs de gevouwen handen voor het aangezigt houden en na iederen volzin van het gebed des priesters amen! zeggen, foiiaji gt;lt;1^1(11 {of (id(in(hii^ of (irn (hi\\) bereid zijn om knorren 0/berisping te ontvangen , zieli aan iemands misnoegen onderwerpen, asnnjitayi^dciiHifls de regen opvangen, va 71 sawahs , die asiinji pruil (injj genoemd worden; ook de bovenste rei pisang aan een tros ; en te vlak liggen, van een dak. foiiajijdK(i-i/j\\ verk acii nKOJin {verk. van osikiji ? (hkik ojijj), zoldertje in een Jav. huis hoven een (ui 1 rjii n? hi/j , om het vuil, dat van het dak valt, op te vangen; ook wel van

den hemel van een ledikant {nn-n a^i (Hi/j)0(i^\'ri

O

poet. zva. nm(Hiiihi/j\\ anidji q am ovj % \\ naam van een slecht te eken in het haar van een paard, n.i hu foii (ui f rLj lt;gt;\\ en o^i hu kyj -ij ftfi aPi d-i/i {zie hij jsïj ij w/j), asii ui { mil i5i % - Wangs.: op hu hji asj ? \\ — ihhij)j\\ kw . zva. (Et m dajigt; kn. zva. (isiiaji ? \\ in den zin van opvangen. — tHKici%nli\\ opvangen; een aanval of slagen opvangen, om die af te pareren, iets tegen-stand bieden; iemand zijn bepaald rantsoen geven.

— ihi(i.n qunrf hii\\ iets doen dienen, om iets opto vangen; met iets opvangen. — asnaxn^n/n (hijj\\ het opgevangene, waarmee iets opgevangen wordt, ook zva. (ui HsndJi fd/n hiji\\ a.i tjij asri 1314 tun nn/f bedijkte rijstvelden, die alleen in de regentijd water opvangen en dus ook alleen in de regentijd beplant kunnen worden {vrg. ifwt ijmn^ri(hi/j en inrjiui an/j). dji dTiinJi qajn (hi/i\\ houten of metalen schenkblad.

lt;b?/^^\\KN. betrokken lucht, G. {vrg. foiin^js ihluu

(iji/i en aui tri): ook windstilte, stil weer, als er

■ 1 rfh

geen wind is; stil, bedaard, van storm of haren \\

ook van iems. voorkomen en gelaat ? Men.

O • ,) o O O • ...

foiiuinn/j zie hij iniji \\ z. — im fondci (hiji\\ zie bij

(Li 11 anji \\

tild/Oj,nn/j \\ kw, zva. morm {ace. pass, van am(VOjinjj),

) /• rn* \' v D

}idj^.m/js {m Ij. (uuaci.onjj) zva. f id^in^s — mi ii2 ijl (hi /j v gedaald, gezakt, naar beneden gegaan, van rang , vermogen of prijs; ook een liesbreuk hebben {vrg. ty ini? ijarnt).

11^d/Oj.(HiflsKN. inzet, inleg, voorschot om meetedelen of handel ie drijven {vrg. ena/ï^Mj).

— lij ergens voor inleggen; iemand geld voorschieten voor zijn handel, zva. J-R\'

j iiiii\'i kw. zva. foïi(rniHiji\\kn. naam van een kleinen herg in de Ketfoe.

diidjpkn. het slaan van do arn(uj.amjf voor en na de vastenmaand.

foildJi 1H11 /j^ k. en kt. zie 1 njihi^\\ en 11 n

nw(ici ihii/is Ml. zva. rji/mr-n\\ of rjirm (Qi (hi/}\\ Vrg. o

foil dxJl w

(1511 dJl Hll^S zie Ij folUdJl 1(11 fjs dtrj dy imjj \\ zie ijfontdy i.ii/j\\

•rj foti ij.ui2 mi/i\\ of vjasii ij initihii/j kn. kleine wan (w (Fji~/ij) van gevlochten bamboe, gew. gebruikt om er iets, zooals vruchten, te koop op te leggen op de markt.

fomm hii/j of asrjui (h11a^ kn. naam van een zeeviscl, een voel lang , twee vingers dik, en rondachtig, J.R-


-ocr page 511-

^ aw 2 nxjjMn /]

431

of «JjKtnj^ KN.J ïJitjnsma.ywji of iemandy wien men zoekt ie ontwijken of voor wien men zich weghoudt, in den inoiul loo-pen, toevallig door hem. aangetroffen worden.

kn. te kwetsen, kwetsbaar; gekwetst raken, zich laten kwetsen; snijden, er in gaan, van een mes ; iets kunnen bijten of vermalen; de gewenseh-te uitwerking hebben, slagen {vrg. tn.np en iu ojiq). — isi^ zva. iMiaiïMjis {vrp. i ijm

(Ei). iui(tota^o/js zva. faiiiftj)Q-\'i/j^ snijden, er in gaan. Men.; v. d. huid. opengaan, door kwetsing, schaving, enz. (klanwjii\\ kwetsen, een wond toebrengen, van een wapen {vrg. w gt;j nbitxin); de gewcnschte uitwerking hebben, hv v. e. geneesmiddel. rjMt? ))w? kn. een drevel; doorloopen, verder

doorgaan; ook plat woord voor in tj lt;m hnjj en aw

0

(L1(MJj\\

) o _ quot;) o

ihl) 10) 0.1 ? ---- Kil \'to 0.1 ? W

O ... o (J J 1 ■)

ihiidJt\'Li/js poet. zva. n^mc}iri/j\\ bv. fonan i/() ijaAJtiHi/j het was bladstil V Tj. kn. nitdooven , de kleurverliezen, verbleeken ; ook tanen v. d. zon, Rh. (vrg.

O O ) V

o.\'nijjiu/j en aiti ifjip.

:ï- o . -). o . qv

mjij) \\— A. zva. i.y io iT/x zie asntinw

iij(i^i\\ kN. klep of luifel boven de oogen tegen de zonneschijn, met een suiallen rand om het hoofd, over de hoofddoek gedragen; ook een soort van gevlochten stroohoed (vrg. en m a/ï).

if Mi rith v kn. een soort van scherm, horretje, raam van gevlochten bamboe of een met iets overtrokken raam, of ook gordijn, om het inzien te beletten, bv. aan weerszijden van een palankijn {vrg. rj its)) tj rjr.ii\\ m ^[1^2irjnJn?) \\ ook het slijkbord van een rijtuig, rj dd 2 \'n tin )j rrn 2 rj md ij ab) \\ en 11 nm ? d )j ihn 7 u\'} {0f 7 w2 rj au ? )j 05)1117Ó» n.) u )) n n\'f \\ )volg. Kh. gew. ij o m ? 11 trn (vbia ni ?),) (un inquot;) \\ spr. voor on-bewimpeld spreken (geen doekjes er om winden). - -rjonijnhs niet de regtc weg gaan; niet naar regt; sliuksch, ontrouw (vrg. )j a a y Viw Helgrondv). schijnt

ij 1.1 rj do) te wezen).

1 ...

\'bquot;\'■gt;\'^ poet. zva. 10^ ip\\ ringmuur om de kraton? j stalen spoor of vlijm, daf aan de poten van ec.n j kemphaan vastgemaakt wordt (vrg. ia-tj/). -— io | met ecu fsidji slaan. (h))(ilt;jii£\\ pass., en \\nu | een tj\\dji voorzien. — (H) )flt;ult;(hJ\\ eeii vechthaan een | ^))ult; aandoen. •— iis«lyiezoojjgt; met stalen sporen.

iK\'qrm?(is)))j(i^[){}/j\\ haan, die menmet metalen sporen laat vechten (vrg. ik tj m? 1 j gt;). miAr. Ij\', diadeem , kroon, zva. *■) i.rj npw 05) 1 o^ojjiijdi))(hi^ de kroon der koningen, titel van een uit het Maleisch vertaald werk,

isj^^nkn. doel waarop gemikt wordt; bedoeling, wat bedoeld wordt, bv. met een gezegde; iets waarmee men naar een doel werpt; rigting naar iets toe ; tooverij of betoovering, waardoor iemand ziek gemaakt of een ramp berokken 1 wordt, WW. ijdot ivii)^of^\\ een gebed of formuUer tot betoovering ; volg. Rh. ook om die betoovering af te wenden (zie é))i)^?)volg. Rh. ben. v.c. aantal ziekten,

zooals onze vliegende jicht; verharding in de maag en derg.;)vrj ae^werd. juist op zijn tijd; ook zoo maar, alleen omdat men een invul krijgt, juist op zijn

tijd, gelukkig nog bij tijds. — nftav a^8

een doel werpen, op iets rooijen, iets zotken te treffen, op iets, als een doel, aanhouden, naar zijn koers rigten of nemen; juist een zekere tijd waarnemen ; het treft, het trof; juist iets doen of

plaats hebben; juist iets zijn , op can zekere tijd,

K K o . 000 .

zva. 1)) 1 wjj n\\ bv. \'•ƒ\' op zekeren

dag. n) )i^ )»y\\ pass. ook zva. ia)(hn \\ getroffen worden bv. door verbijstering, VVaj. II., 2S(V (r^ne^rj )li(jv en R.) )lt;))) if i j/t) /.yvjuist oj) zijn tijd ,gelukkig. ^ae^n/))\'i5))\\ het juiste punt van het hart treffen, gereeden ingang vinden. — juist tref

fen; juist op iets of een bepaalde tijd treffen; juist te pas komen; iemand aantreffen, ontmoeten;

het iemand van pas, naar den zin, maken; snedig.

... o

10) ) i)j rf ik 2 rojj \\ poer. 1. o uj i iji tj ik 2 on/j\\ pass., en juist op de regte tijd, juist vuu pas. —

poët. zva. IfjW - (U) )lt;^Df^ \\ (IJl s of (L\'l

juist, juist op die tijd; op het juiste oogenblik, het toevul, toevallig, (u isjne^ uj 1 n ih tj ).j het treffen van het juiste punt van zijn hayt, zoodat het gereeden ingang bij hem vindt. irnyir^ iets juist treffen. 1.)) di r j\\ juist getroffen worden.— ).)).) ) )lt;i /ƒ i:.f in/j n juist op de tijd gebeuren of komen , juist van pas, juist op het regte punt getroffen. mi li Kj, ni.i on % ))) in \\ op het regte punt van het hart getroffen worden ; -00dat iets gereeden ingang vindt.

ij tigt;)) ik \\ kn. het onderste gedeelte van een onvolledigen


-ocr page 512-

n

\'TJ telt IK \\

432

ten iLU \\

regenboog; een hemelsche lichtglans; luister (-S^r. t e dj ah, glans, licht, luister. Vrg. aj) s ihhi); ook

naam van een heesier, Cinamomnm encalyptoïdes.

C\\ o

*1 iigt;ii(ikMn (bi)(iKijqnrj :U)2no} vm jjt (uvjj\\

een \'poëtische formule van verwelkoming van een aanzienlijken (jast. Zoo ook rj aso us(k/j ^ i\'quot;

vin [(u ^n\\ MjasnoK (fjiau naam van het verblijf van God Goeroe {Skr. t e dj o m aj a, luister verspreidend). — jsn y w ik \\ een lichtenden glans verspreiden.

ij (ugt;niiS•gt; kn. benaming van een Versischi \'paard. tuynitKq\\KN. aanklamping o?n een schuld (vrg. asn-hn)} ook naam van een soort van puist,

een geit, bok o/quot; schaap niet twee witte voorpoten. — ik^\\ met de voorpoten slaan, tr. en intr. fig. iemand aanklampen om een schuld. — tta t/xq am\\ mv. — (KjdK^(untfiKn\\ een paard met de voorpoten doen slaan.

^osim^^KN. - /ƒ aai^ok j \\ met een puntig voorwerp treffen, beschadigen (AS.). Rh.

gt;7^ dsn 2 vj qk ? ?\\ zva. ij uk 2 rji*: ? ; \\ VV W.

O quot;gt; i

(fin(ikunj!\\kw. zva. asndKOD.p l.

o i O o

asnik (injj\\ 1. kw. zva. / i rn j \\ rjcun? nri asnfj en iiu

ojt^w 2. kn. gekookt rijstwater, het water van in

een köndil gekookte rijst; stijfsel {vrg. .hm:m\\ en

— {nniKi.j volg. Rh. inaKari/j) de

rijst afgieten, WW.

agv /ï^fg\\KW. zva. \\ ^h\'1^

dsn (ik au n Ar. t a dj a Hz, revelatie, manifestatie, epi-

phanie , bv. n/n ui^ ir,tiqk ru ij(Uj t\'n fjid/n niJi\\

een Vorst is iemand, in wien de majesteit van den

Allerhoogste zich openbaart {een aardsche Majesteit).

nsnoK «l/i^nkn. een snelle, onmiddellijke of gewensclite

uitwerking hebben, van een gebed, geneesmiddel of

vergif {vrg. (undKOJtn).

L) ( U quot;) ( ) (?)

lt;isï» ik n i/i\\ kw. zva. (ik ik lt;rnji\\ n/n ik 11 i y \\ im .m s en

ruimn m/j\\kn. (lihik a^ijj of tun iimi (tyj\\ in evenwigt van een balans of schalen; met de beide punten waterpas aan den hemel staan , van de wassende maan\\ scherp van blik, van stand

vastig, zelfstandig van karakter, van het hart:

iemands natuurlijke neiging of geneigdheid tot iets.

o o ,

nsn ae^cnyjs KVf. zva. rttonw (i/ntufiynrLi {n., (iji\\ k.) nsnne^cryi/i {of (Ln(una^c^aryji); een ring, waarvan het edelgesteente in den vorm van het dak van een rumi {d. j. piramidaal) geslepen o/*gesneden is.

nsn d/i/i \\ KW. rj(vn 2 \'ti \\ dm an \\ o \\ asnw^

o O

aj) q (tui \\ am aj) un ut \\ en (in cm rvijj \\ — (amp;i(bnu)\\

o O zva. (wcrnni/js

ij (mi 2 (Lti \\ k. zie bij (r.n (hjj^w

iisnoaj^ kn. een gezigt of verschijning iu een droom; een voorbeduiding {vrg. icktlkikmii/j). — \\ kw. zva. nnaAJi^w kn. door een droom een voorbeduiding van iets zoeken te erlangen. —an(01^^am\\ iemand in een droom verschijnen met voorbeduidende teekens.

rjtibii2(iu%n kn. baton, stok om te batonneren.

ij ui» 2 (in anjj \\ 1. zie 2. k. zie bij ii y xij gt; w

/

(un ihbi \\ K w. zva. amijdJtniw

y toiivjau Mtw. zva. ^nN. een plat woord voor

dij (IAJ1 q {vrg. tj iisn if vil), rj un 2 n rj un rj 1(1 plat o

voor rj un 2 n»ir.n a-) \\

(Wfli n/i* verb. v. iL^ynnp en dit -

palmwijn.

nsi)(lvidgt;nN Kw. leeren, onderwijzen. (1.

o /. r»

dvj j kw. zva. d/nlt;hn\\ (fji dij ,gt; of cm aut % \\\\ — n

n

zva\' ^ 011 quot; \' \'

o . 00

iU\'ll dlld.l KW. zva. (ÏU^ (V) J \\ h gt;1 (III VI (l-nijj €21 éldl

(magt, vermogen, bedrevenheid. Gr. Skr. aHja-

sjah, zeer beroemd, pk.), kn. iemand die hijgc-

dragen heeft tot de slichting van iets, bv. van een

rijk, moskee of monument, anders ilt;nd?nmn\\

een woord dat als Katvi verklaard wordt door 111

o n - . Ov

ij oji \\ en [luyiii du \\ of ij m 2 iij^ f 1 nt^ n 11 mi ij vt\\\\

lt; ) ( ) . vV) o

(uy^j 111 \\ kw . zva. d^n itn (uijj\' d u ani \\ en 11 nm j \\ dsn 11 dl,}2(rv)\\ Ml. kn. een scheldwoord: smeerlap {waarsch. van (vgt;iixjri\\ en het Holl. olie).

O ~HM I \' ^

dHnd/i^ ii if. \\ k w. Ml. zva. (in d\'h d/n ij 1:1112 lt;rrijj\\ —

djij kn. neerstrijken, uit de hoogte neêrzwcven, bv. van een vogel op een dik neer of een spelonk in; ook van een rivier met een snellen vaart stroo-men, AS.; kussen, bv. een kind op hei hoofd, oj

een brief uit eerbied {vrg. an £1). m lïjtijij

o

k w. zva. a n (hi (f \'h « en na lt;1.1^ iv;jj.

(b»/(iA^^»y;\\KN. schimmel {vry. ik^j). — ibndij^iM^ beschimmeld; ook verlegen, door te weinig lucht verstikt, bv. linnengoed en touw. —miaM f naam van een hard gebloemd hout, daar krisfje-vesten van gemaakt worden rr idA^ir.njj\\Kiï vergaderd, bijelkandcr, voor een zaak.


-ocr page 513-

433

rj

— aonMA.n^ /ich tot een danspartij (tan dak partij met dansmeiden) vereem\'gen; een danspartij lion-den; een dansmeid of dansmeiden huren voor een partij. — DfiM^ r.ti anjs of ;fn mj oaj ktï nn/in oen danspartij; zamen op een danspartij zijn.

Mj[j\\ zva. (hti hui\\lt;

S O -gt; (?) O

thjlj kw. zva. ttuc^ n\'/j en .uruiw \\n.11 L^jjj\\ zva. a

ad w ,

Mia/ijs ongehr.; tunaji^ » j inj]^ kn. een soort van krijgs-of wapendans, met of zonder hij prin

sen en vooxname personen •, een krijgsdans v^or het aangaan van een gevtcht; ook naam van een heesier y waarvan het blad tot medicijn gehruikt wordt.

1. kn., ibiiaAyj en «smi/zinkw., stijl, paal {vrg. m,im); mast van een schip; dc pupil van het oog, het beeldje van iemand zelf, dat zich in het

oog van een ander afspiegelt. 2. k. zie ij ritw —

o . O - . O quot;)

wn/yjj nn onjl 0/ (}lt;i ui h n ihjjisnw. zva. (i~iiic,

o • D ) o. .

rj 1.11 \\\\ n (ui ui/I a :/ iii n an .n \\ met oen pij l

mikken.

unom\\ kn. neergebogen, bv. van een met een hogt neerhangenden tak van een boom {org. linnlj). — o?i(ULjv en ay /]oA/j\\ zich ueêrhuigen ,

met een hogt neerhangen, ook van een neêrhan-gende wolk; overhellen. — anajii 1:1 iets

neêrbuigen, doen neêrhuigen; een lans of standaard

naar beneden gebogen houden.

o . . n .

ibii if Mjt \\ zie fan 111 rj 111 \\\\

rjtisiiij iih/i \\ n. zva. ij mii ij .i u \\\\ hii ij am tj ilvi i :i tui^

plat voor unaznaji (H)n\\

ij Mn t iiïji\\ kn. naam van de zeemeeuw, Rh.

ijdsmMjjy kn (wnnfjitn)t(uvj\\ door een ramp of ongeluk getroffen worden (\'Ij.); herh. van het eene ongeluk in het anderen komen. Rh.

ilsn (l iji Of iyri tiui iejiji\\ kn. — lt;c7 nJi (iijj\\ met klem,

met kracht, met inspanning iets doen, vrg. eni

O

lt;b« ifAjj \\

0 /. quot;) O

iitnamp;tjj of njn ibii imji\\ kn. in een goed gesloten pot in kokend water gaar gemaakt eten {zooals bij ons gort in een gortbus). — a:n mi iamp;i/j iets zoo gaar maken. — (ut hsupot, die dient om er op die wijze iets in gaar te maken. — lurn lt;bii ujj\\ zie ben.

^ kn. in een blad gewikkeld en tot een pakje gemaakt, dan met pennetjes vastgemaakt en zoo gekookt eten. — hji isi^ Mjj of eten zoo in

een blad wikkelen enz. — \'U2J\\ zu,\'lt;ü

pakjes gewikkeld eten.

ij(hn2 .Ei/j of Lii tj kh ï (fjyj\\ kn. de indigoplant, de in-digobladou {Sd. ML taroem. Bal. ta hoem Vrg. (hi wi). ivi irlt; tj usnf amp;)/i\\ indigozaad. — (ut ij ijasmindigoplantage, indigoveld. — rrjunu

Vli9lj\'h!Jr ver^\' van

hiiais 1. verk. van nmnsnie/iw 2. kw. zva. ojiirm\\

o. C) ^)

(L i i ni \\ dJii aji f \\ ie/i (hjtq\\ lt;h i, lij \\ (hu j/j en run

düi (hijj\\ ook zva. (tmtmunji en vfOAtfn of asn

MYjlFJIMS kw. ZVtt. iamp;l IWlW kn. kwetsen, wonden , van een wapen, als het niet alleen raakt, maar indringt, gekwetst {vrg. ku dj» (kdj\\ en .1^ Sl \'uii i/j); ook vat hebben, de gewenschte uitwerking hebben, van een aangewend middel. — mimihh^in vj h ii \\ {mvj iamp; i mi üv in/j^ kd.) iets aanwenden om er mCe te kwetsen , te steken , enz. ; iets aanwenden, gebruik van iets maken, tot zijn bijzonder doel {een ander fh fji mi ~/n ini unji \\ van tin ir^i \\ zie

o

bij lij). iiii ,lii (fji (Hijj\\ k\\v. zva. dm iun iq cmjj\\ — (hu (F.iannsKVi, zva. (geraakt, getrof

fen; in staat zijn, kunnen. G. asinamp;tanjjs kn. zie beneden}.

(isti\'U\\ in if]\\ enz. krama-vorm of Kn. van iisn pp en

(hiKamp;is (HitFjj en on (fi/i\\ enz.

foil iF.Ji \\ k. Zie 101 Ij (LUI 2 j\\\\

foii\'t jn 1. n. , iCtcnjgt;\\Kvr. ^(rn^k., vinding; bijeenkomst, zamenkomst, van twee personen gt; die elkander vinden op dezelfde plaats; de zamenkomst van bruid en bruidegom op den avond van den bruiloftsdag; bij iemand komen, om iemand op te zoeken of een bezoek te brengen ; ook in de spreektaal

zva. un ilii ifi\\ it li (Ci (Tii s \\s foil\'fji cm ill \\ zva. ab!

» O • O . TT

(Vj cm iui \\ zie cmnuiw li. kn. naam van een toor-

tel, Curcuma Zerumbet I{xb., die tot medicijn gebruikt wordt ^ en waarvan verschillende soorten met bijzondere bijnamen onderscheiden worden, zooals foii \'Fjj ij iijigq\\ (Tj.) foii fon q \\ dsti (EQ fort

(u n foil if^i h i^ iHj\\ Lii fj^ i li iui unji en andere {vrg.

O lt;) v O O ) .

n/n ij (EU ui 2 mi un ij ifi ui 2 lojj). asn fon ifj^ \\ ui iui

ani{\\ bij iemand komen, om een bezoek te brengen

of te komen opzoeken. — in iti \\ iFicrr^J it/inrri^s

iels vinden; ondervinden van iets dat iemand treft,

wedervaart of overkomt; iets uitvinden. cmFAMii


28

-ocr page 514-

AU

^N sclluldig maken, zonder op^ct

, . , o„) O- o^o .

ow misdoen, mh iF/js rtjiiHj crr)% • te

vinden: wat door iemand te ondervinden is o/\' ondervonden wordt ot bevonden wordt, rtd/m *)(b?i liy fj^iunairjiLns onbegrijpelijk 11. niet in overeenstemming met {iems.) gevoelen Rh. ajuK^om^s k.,

7 : gt; . o ■gt; o ■) A

ook voor nn tui mi 4 n\\ n asn (Ej asv y va,, vveers-kanten bij elkander komen, elkander ontmoeten.

— (Hit asn \'Ejj \\ (tw (ut 01^ f \\ Jïh d/t rrfJ gt; \\ gevonden , te vinden; iemand aantreffen, ontmoeten, op een plaats; bij iemand komen , ook om iemand te spreken ; iets ondervinden, van wat iemand wedervaart of overkomt, ah) uiiiiin(FjjM(iript\\ het besluit van de beraadslaging. 111 ij) (ijiiftfjisn iuh (UtïiFj \\ ben je al tot een besluit kunnen komen ? 11. vol(/. Rb. ben je het met je zelf eens? wnasii^rjlt;ujturitvn(i,?i d.\'^N wat mij dunkt {of wat ik zou denken). — in tjfuuiujs tèi(iii^(i/7i \\ iemand of iets aantreffen {bv. zulk een persoon, of zulk een gast); iets op zijn weg aantreffen of vinden; bij iemand gaan of komen , naar iemand toegaan, om iemand te spreken ook iemand die hij iemand aan huis komt, ontvangen of recipiëren (met naar hem toe te gaan).

O o O

— (hi ij if 12 nu ^(ii ij nu \\ i lani ^(tni hi) iuijj\\ personen

elkander doen ontmoeten, bij elkander brengen; een kind in het huwelijk verbinden met iemand; bruid en bruidegom op den avond van den bruiloftsdag bij elkander brengen; maken, dat iets, dat verloren is, gevonden wordt; iets, dat te zoek is, te-regtbrengen , terugbezorgen ; de draden of koorden inééndraaijen of inéénslaan, bij het touwdraaijen.

— (Mi (ej) 2 (Hiji \\ (U) (rh q (im (i(yj\\ gevonden, vondst;

wat gevonden wordt of is; zamenkomst. n(U))2i.i4

O i r gt; O O •

iiui if Mi(hi/j\\ een vondeling, (t,)) iis)) ij foi? onjj^ m 11

(Yincu))anj)^ zamenkomst; met een ander, of met elkander, een zamenkomst hebben. — oj) i.jfp (uxuimn^ het vinden, ondervinden, uitvinden; iemands bevinden; uitvinding, bv. om zich te redden ; streken, die men bedenkt.- 7*0/7,7 (u) (U) ern^nm oneen zamenkomst. (i?t irj (U)(énrj gat fOï^\\ dag waarop alles gelukkig zamentreft. ^(ia ijri)oj) (U) iQ) rj(Ej)ionjj\\ ongeveer zva. ijao tj -n (un (i^ awfj\\ nog geen gemeenschap hebben gehad

T) O

van man en vrouw, lts. —. (Uiij^ f j uKHijjs (\\j) Q )

rm^(U)i (m^\\ plaats van een bijeenkomst.

a a 1 • ,

lt;i5^fE/nKN., dj)) ;lgt;)i Kh., luis, {vrg. rjnj) nsn (mjj).

( quot;) O O .

ij dj)) 11 )\\ KW. zva. 1 :i)) ) en n:r) mh (unjj [misschien verkeerde spelling voor iisd iu) \\ 1).

: ) a

as»lt; (Ej) \\ kvv. zva. iu) /.)) (U) £ij(H) j en (U) tj m (V) ny kn. 1. het vermogen om te zien, vaw de oog en. 2. met lust; begeerig; aardsgezind, yo\'èt. zva. (ui unnj ^r\' t d ammd, en tdammd, begeerig; vrg. an)(E/tMnjj^); mingenot hebben. (ikj ast)iv^\\ KW. begeerlijkheid.— on (Ej) s (im ij kd \\ van het vermogen van de oogen om te zien gebruik maken. /km(Ejiq\\ KW. zva. (i()(i?i\\ tot iets worden; kn. gevolg daar iets op uitloopt; liet loopt er op uit; iets ten gevolge hebben, daar het op uitloopt; bij de uitkomst (kw. ook (E) asii (Eji %). kn (hi ^ ij (un \\ met dat gevolg dat. w (én cej) {\\ hetz. an iej) % \\ het er op aan laten komen {nam. op hetgeen het gevolg zou kunnen worden); met opzet iets doen met het oog op het gevolg daar het op zal uitloopen. — an ti^ am\\ gevolg hebben; iets ten gevolge hebben, erop uitloopen. om nsri (Ej) q (un an/j\\ gevolglijk. — (Qiiei^ iun(injj\\ gevolg, uitkomst, resultaat; gevolglijk. iuh (Eji % \\ kn. , tél) Lunjijj\\ k i)., algemeene benaming voor

lood, tin en zink. aniifiq \\ \\ood. (éli.Ei^nji m

. , o . o a

zink. (hn iEj) ? oj)(ik(U)\\ zie (uiiusmw \\ nsn (E/iq asnwf

{volg. Rh. (ksniEA (EJt^aSi w$ ) beginnen te heelen,

van een wond, die van buiten geheeld, maar van

binnen nog niet geheel genezen is.

ij ibn (EA gt; \\ zie ij iti« ? iFj) % w

ij asn 2 iEj){\\ kw. zva. ij (uïike) l. — rj (hn ? iej % \\ KN., 7j (un (Ej1^\\ kd. , dunk, gedachte, die men van iemand heeft. — oj in ê(Ei .fy ij on (Ei van iemand een dunk hebben, iets deuken. —ui)7j(ismieadinijdsniEi^

in verdenking komen.

) c)

ihn (Ej) a/n \\ kw . zva. 111 ok \\ i c »1 ernjjn o d aim \'ii nrn^

{vrg. (fin (eji j). (hn (Ej)a.n)\\ en verk. (Ej)a/n \\ kn. niet

opzet of voordacht, opzettelijk of moedwillig, iets

doen; een gevaar trotseren, om èn iei o/ns of un ui

n O y a

a/n\\ en axi asn tui asn \\ of an (E i tvn \\ pass.

a?n i/)am\\ kw. dubbeld , op elkander gestapeld; KN. naam van een boom met wit hout, dat soms bruine of zwarte vlekken of strepen heeft Kleinhovia hospita L \'Nat. fam. d. Büttneriaceae. Oo.?i ai) 11 anjjheci de soort , die voor timmer- en meubelhout dient\', rj ajtrj au as))jj\\ die, waarvan krissoheden, gevesten en lansen gemaald worden.


-ocr page 515-

(ISY^ CEJ) (mji \\

i ihn/js

485

^ibian/l^ KW. zie bij osdujis kn. tuiu, lusthof gew. met hadvijver-, en dan wel voor badvijver, o.a. Men. {vnj. ihn ij(im2 (Hi/j). ihn ojI tuinman , liove-nier. asn tamp;i w ^ ^ \\ bloemtuin. — (ut asn gji mjihi/js een tot lusttuin aangelegd stuk grond, plei-ziertui n j ook to el j. n tj r.n ? an asn w hj an/f \\ amp; i)ynn^ kn. ernstig, nauwgezet; getrouw (zoodat men ernstig zijn best doet); echt, waar (niet gejokt); eigentlijk (ei gen tl ijk gemeend); eerlijk; in ernst; ernst, nauwgezetheid, getrouwheid (het tegenovergestelde van n-Q ari); oo/c tot uitdrukking van verwondering over een hoog en graad van hoedanigheid of hoeveelheid; waar wij hoe of wat gebruiken {vrg. ka wjj). if tm ^ y uit vn i.y if im ? tj tut t (éii kt am\\ hoe onnoozel ben je ! of wat ben je onnoozel!

in ernst, in waarheid; eigentlijk, om niet te jokken, om de waarheid te zeggen, ajintn ihvtjiKjs heel in ernst, in allen ernst, eigentlijk gezegd; in waarheid, geheel naar waarheid, rfiytiz (EJt^0Jiafn£lrf(i{j\\ woning of huis in den eigentlijken

. O pop .

zin. ihii (fji fin iamp;ianjjs getrouw en eerlijk; opregt en welgemeend; in vollen ernst; geloof me ! Met deze uitdrukking, als uitroei), beëedigt ook de Javaan-, in allen ernst betuigen, er op zweren, (iwiuanifol onjjs zie bij /ktj a?i\\\\ — (tn LIanjj\\ met ernst iels doen; het ernstig meenen. Mii yiw {of niï) an,*] (in/j\\ doe dat met ernst! cmiltwonithis met ernst (ijver of naarstigheid) leereu. — én(Qm\\ het ernstig meenen, er ernst van maken {niet voor de grap doen); ernstig (nauwgezet) aan iets zich houden , met ijver werken aan. — anfotiujij rjitnis maken dat iemand met ernst en getrouwen ijver bezield wordt of met ernst en nauwgezetheid iets verrigt, zie ook bij til an ^ —(tsrj iQ tHyjx trouw, getrouw, trouwhartig; met nauwgezetheid , braaf. — dwernstig gemeend, ernstig (zonder gekscheren); echt, degelijk. — am (Si ika arj opvegtheid, eerlijkheid, braafheid.

Wr)(Enan^ zie bij Siriw

o l) o

ook aniiL,nifjjiHijjs kn. komkommer, Cueu-

niis (vrg. aji chi a,u ir^ an/j\\ tf a ern (uh (f^

wordt een heschonkene gezegd te loopen nl.

scheef, omdat de pagVr timoen mei scheve ruiten

gevlochten wordt. (huanji\\ naam van een

slingerplant, die veel op de kom kommer plant gelijkt, en ook dergelijke {maar veel kleiner en niet smakelijke) vruchten draagt. nj) w) lt;vj (uj anjj\\ komkommerveld.

xsi^\'Fjianji- kn. gewend ; gewend, aan iets gewoon, worden of raken; aan iets gewennen {vrg. ytuntiui^ 1.

O n K o

«fc ag amji en int cut ^). — alt;^ o of ar) an w an/js zieh aan iets gewennen. — aywiHjrjanis iemand aan iets wennen of gewend maken. — arn a^frtanoofls zich verwennen; door gewoonte verslaafd raken aan een of anderi Rli.

.15^ (fa i an/j\\ zie bij rj asn dan.is

O /, Q ,

asij^i an ^iia^^\\ o/ ajt zie iFjj uw arn

o

(uy rj (F. re af) ay ^ \\ zie ag arn gl ^ ^ •

o

«57^ (fa alt;j j \\ zie (Fjj, aAt arn ^

iiAnFA rjOfianjjs en verk. iFAr^wan/j verbastering in

de spreektaal van oji art a^ an/j {zie d/n/fps en vrg.

0 v am (fa an an/j).

O • o ^Tr

asrjj \'-F\'jj (g? anjj \\ zie asrj^ ai i\\ 111.

gt;l5rli Ü(?i\' zva- ^N zie bij tsn asn w

1 ) -gt; - to o o . i «

i57j (Fjinrnaiyi oj asn ifjjarn n kn muizedrek, nur.ze-

keutels, WW. volg. Rh. aBt iQcmi (Wijjs of ast tam

quot;) o

(ïaerrtt (rutj)\\ schapen- of geitedrek of keutels.

o 1 O

Ktt FjsKVf. zva. arrt aAjt\\ (rjaji asttanji\\ ki. van rfant,^ of tjaniFJtji\\ en viangrjinjd Kjanji of rj fn rj uj w anjj\\ jong, jeugdig, minderjarig. of antrvtnsn

(Fj\\ jeugd, n^auojn^y de jonge (minderjarige) Sultan. — antnw(E^iutki. van totrjtuj?^ijnjj en astt tiofjiïjanjjs rj abti ? (fa rrt\\ of astj (zanis kw. naam van een wapentuig in den ouden tijd, een soort van werpspies of strijdknods {Skr. tómara, eeu ijzeren knods; een lans).

a^gt;*AjiJtji\\ zie bij gt;

am (Ft arnjjn k w. zva. asn iFJiq\\ 2.

paald, precies, bepaald zeker, vast, stellig (yr*;. ast) dsn tuten arn an Het schijnt eig. een verk. te zijn van dsntki^a^). volg. Rh. ook zva. oOttut bv. anj. aiA aj am z a at an £tjnjt ho asnjj\\ ik vertrek niet, mijn vertrek gaat niet door, (tsn^a^cut ntt cut njt -Jt \'V^N zyu bepaald verlangen, ibtiasni^aqcrrtrjajts vaste taak. dKaïJ tjanantasn asttföp^ zijn precieze naam. — bepaald opgeven, voor stellig zeg-

cy

gen. — an rj (F^ 2 ant ~/rt tj am \\ of an asn rj (F^ti anrt ~jn rj 7tntn iets bepalen, verzekeren, vaststellen,

(f^\\ of ast)en Qnasn^s of Siasrtfffls kn. be-


28*

-ocr page 516-

asrt ie/} nsiijjs

436

als bepaald zeker beschouwen, voor zeker houden; zich verzekerd houden {vrg. iHri^Aitni —

dm dsn ^(v) (wji \\ bepaling, van het gouvernement of bestuur.

run (Ei asnji \\ kn. einde, zooals van een hoek of verhaal {Ar. i *♦ .a.\'s - tammaty het is teneinde Vry. mn astt iejjj) ; ook iets goed bekijken , zoo dat men er een duidelijke en nauwkeurige voorstelling va71 heeft; iets goed en geheel van buiten kennen. — an t 1 lyii rj(hni\\ iets ten einde brengen, uitlezen, uitvertellen ; nauwkeurig bekijken; iets door nauwkeurige beschouwing opmerken; iets geheel laten zien. 0ii 1 liatui\\ nauwkeurig met het oog waarnemen.

O D • r

ifij for)ji\\ en ^ am trnjj\\ k. , zie bij

a

am (Tin N\\

ast} (Ff (Eii\\ KW. zva. tjiw-jnasri amp;lt;i\\ {waarsch. zamenst. van dsn n en rr^ run). ar^-nlt;15»^* 1 \\ kn. 6e-naming van een corps pradjoerits te paard, wet pistolen , zwaarden en gedeeltelijk met karabijnen, gedeeltelijk mei lansen, gewapend, de wacht houdende aan de Sri-mhiganti.

o o

(isr^i-i zva. tj .ut) 2 (f

zie bij r r^

ij dsn i kn. naam van een soort van sambH van

groente met lombok er, andere kruiderijen. — ?? wt (Sl(iJijj\\ torais maken; groente tot tomis bereiden. lt;bnlt;E/i2flA of iniiii ia s kn. een soort van kort zwaard

of houwer {Pers. sj\'êmsjir. Eng. sciraetar). nni(ui^airvtjis Ar. , tanithll, kn. exemplaar

voorbeeld, tot waarschuwing of tot navolging. nsn (amp;i(VD {mjjs van (b»^\\K., zie bij aji ij itu i $ w as» (Ei ij u)2 tinjj n zie bij asn tjlt;1 n 2

asn ijMj]n 71 m. va7i een soort forel, die in de

desa Temoeloes wordt geteeld, ten gebruike van

den Soesoehoenan, Rl.

rt

ihn CFJi 1 \\ zte 11 .is?» 2 tri. 1 w

iistuMzva. ihn(ijpKN. regen, die van buiten inslaat; inregenen.— kn (isno^ (Eji ^12 (hn^\\ door naar binnen geslagen regen nat worden.

o

asii tj (Et —1 \\ zva. ij (isr) rj QjI \\\\

(isr^ (Di ~ji \\ kW. zva. en ^ t i

(157^ rjt ^ 1 \\ of (iFij iii -7 rtb?) rcj ieii \\ B. ook ^ iej ^1 ^ ai ^)\\ VV. kn. opeengehoopt, fig. van de één op de andere komende, elkander opvolgende, rampen of kwalen.

iisy^ (Ei~ji \\ kn. dat gedeelte binnen in het bamboeiiet aan de geledingen, dat de leden van elkander srlioidt ook naam van een gebak.

(i5i^(EJt ^(jsKN.; (h^(Eji~j^\\ visschen in een

vangen; en jagen door een bosch af te sluiten en het wild bijéén te drijven; zoo jagen op, bv. 0/mo,j (Utfwc«5) \\ AS, {vrg. • ifji ^).

nwtjamp;jt ~ 1 \\ kn. gebakken of gebraden, in platte koekjes zamengedrukte, gegiste kadëlé-boonen of boeng-kil, ee7i geliefde toe spijs bij de rijst. — rj m ij lEi^h témpé maken; ook als tempé, op tempé gelijken. ijasi)vjieji i2\\ kn. de termijn of bepaalde tijd , waarop een contract (zooals een huurcontract) exspireert; vervallen, exspireren {Port. tempo, tijd). (Yjm^ (rj Ti „? ? 77 (u^icm a jij \\ de termijn van afbetaling, de

tijd waarop een schuld afbetaald moet worden.

a- ,..

lt;tj(im2 ij n 7.gt;ijim njj iniiiinjn \'wrjdj) ij mn rj m ~j?\\hij

heeft uitgediend , het is gedaan met zijn dienst als ambtenaar {zooals wegens ouderdom of gebreken).

\'Yj ia ij (En -12 nn) ~7i ij rm \\ met iets , zooals een land, dat me7i in pacht heeft, of zijn ambt enaan-dienst, ophouden, de tijd er van niet verlengen.

iji n rjtfji-~i2(in/j\\ bepaalde termijn, tijdsbepaling van de exspiratie van een contract.

ijnsiu(Ei ^i\\ N., 1577(Ei \\ k. , ontvangst; outvangeu; bv. een brief, bevel of belooning; opvatting; iets

opvatten, dus of zoo opnemen of verstaan

- o y

IJ (Uil 2 (El ~ 7 771*1 IJ T) \'in/j\\ of IJ ten 2 (Efl ~J1 CYntl) rn an /j - de beurt hebben bv. van wadi of dienst doen. —r ij am w ^i \\ kn. iets sta-tieus op een presenteerblad met beide handen dragen o/* houden, om te prosenteren, ki. van rjiihi rniw \\rj ni2 t l — 7\\ n. , m lE-i Si\\K., o.i., in de spreektaal {ook i7i Tj.) zva. (kiir.i ~Jtijj\\ alt;irj(Ei iets \\\\\\ ontvangst nemen, aannemen, vatten, begrijpen (k. 14. ?.); ontvangen,recipiëren, onthalen, iemands bede, verhooren ; in ontvangst geven, ter hand stellen aan, {vrg. ihcni oji Si), mi hii foi en ini tvni (EjI (,i2/(s N*» \'k7, 7 ^ ~1 ^ en lbl\' lt;rj (Ei i ofyj\\K. , pass. — in iu mi ~jh rj un \\ lai^ii707(mjj\\ een obj. in ontvangst geven, overhandigen. - 1 Ij IJ iEj! t iE l ~ 1 \\ ISïj If-1 IEjI Jl \\ póót. ZVfl.

O . , ij (hu 2. hji ^,1 \\ (uil (el ^/7 N\\ - 0511 (el (hijj \\ 0511 ïj (eu\'

on ij \\ bevattelijk, gevat. 0511 (ei ^10^ on ~ii 05?i \\ 13quot;\'/ nrjvi ^log\'uyifjaantrekkelijk, ergdenkend, van


-ocr page 517-

Ij HH i Y \' \' \' gt;

437

(ISI? /t 7 , gt; M

a!U.t| — OJI Ïj (ISII ? iamp;l\\ aunrgt;niEi^i\\ outvailgst. — Mij nji ir i^i\\ njKHjm ui\\ receptiekosten {wal bij de betaling van \'pacht aan den beambte, die de pacht ontvangt, gegeven moet worden, gew. een dubbeltje van de reaal). — iiA hj dji onj^\\ of nn m iajj\\Ki. van init,n\\ hoog er krama dan xa\\ u.i Mj!\\ — \'M lif M ^ wjl ^ dJim*) -Aty^ vau ontvangst. ,

ij uti rj li t kn. een ronde van bamboe gevlochtene ook wel leêren , vijstmaut, van verschillende Inhoud , te Soerakarta zooveel als een to \' \' N in de désa\'s veel kleiner, elders vanéén of anderhalf kali, zoodat er 4 of 5 in een cih i:) injf gaan. — (tj ui i \'i - i i anj) bij de tdmpo, bij tómpo\'s.

nnnu ^ kn. een van bamboe gevlochteti wan of groot rond bord met een opstaanden randt om rijst te wannen, of ook om er iets op te droog en of uit te stallen {vrg. ini tui \\ III. en imji).

iQi/l; w?^\\ k., zie (kii kn. koopen tegen leve

ring oj) tijd (voor later to leveren waar liet geld geven, een soort van koop, die in het Ar. sal am genoemd wordt), volg. WW. en Rb. iets koopen met vooruitbetaling, ten einde zeker te zijn, dat het niet aan een ander verkocht wordt, na f vtis iets koopen tegen levering op tijd.

stub\'s 1. kn. stormend, meteen vaart, met kracht en geweld, aanvallen, op o/tegen iets aanstuiven; een stormewde aanval, ook van een windvlaag en golfslag tegenaan botsen, klotsen. lw\\ (Kil. tempo mijong) Emilia sonehifolia i)G., Nat. fam. der Compositae, een medicinale plant. 2. n. , én k.; of ui i niEA en tfgt;?^ \\ verhaal van geleden schade, wat voor verloren geraakt goed op iemand te verhalen ia ; schadevergoeding {vrg. ih gt;?i Hl.). w fji kn. 1. een stormenden aanval doen; aanstuiven op; klot-ten tegen j fig. bestormen. 2. n., (in iamp;t j \\ k. , tets, bv. een hoog en eisch, door den nood gedrongen, maar aangrijpen. 3. w het verhalen op; aansprakelijk stellen, mi S) ei ^ \\ owasn (E/i -ui^ \\ pass, fni .hi \\ ,hii i u ,f,t, • te verhalen op iemand-, aansprakelijk, tot vergoeding gehouden, verantwoordelijk, zijn of worden. (Hi fi w {of (MjcrA0 voor zijn rekening nemen. — fn % hi(M^i iets vergoeden, voor iets schadevergoeding geven of zich aansprakelijk stellen; iemand schadevergoeding geven, icn 11,11 foi x/n (hijj\\ (tni kn (zi qnjn !hi/j\\ te vergoeden; ook de schadevergoeding van iets lijden. — tin ua/n ij if tlt;v \\ n., dn fji i;(im fni ihnjj\\ k. , troepen doen aanvallen , tot een aanval aanvoeren, (hn amp;in/n ^ n ., .jó fci ~ij(uh ihnm/j k. , iets laten vergoeden, de vergoeding vau iels opleggen aan iemand\\ voor iets iemand aansprakelijk stellen ; met iets iemand schadeloosstellen, iets tot schadevergoeding geven aan iemand; als vergoeding eischen. — ^ m{\\ kn. po\'èt. zva. (in n tflt; en fig. bestormen, van ge-varen of onheilen.iij)iji x i^ kn. bestorming, stormende aanval.

O . O quot;gt; O

hii f i i ^ KW.zva. ii^ £/i -1 ld nn gt; w hu hi ^ i ^ kn. — in li ?\\ boven op o/over een object heen liggen;^, de boven- of overhand hebben. MKtn met of zonder oji iry \\ met de beenen over elkaar Tj. — an 1u~.1t of w (EJt ui^d/ii \\ liggen boven (?ƒ over heen; fig. de overhaiVd hebben op. — i, n l!) fa ^14 \\ onder iets raken, er onder raken, ook fig. en verder verhinderd, belemmerd worden. Tj. — huiji ij un \\ een object leggen op of over een ander heen. is7j j un injj van voorwerpen die op o/over elkaar liggen.

kn. zitten met de beenen naar achteren en een weinig op zijde getrokken , zoodat men met het ééne bil er op zit, zooals de vrouwen veelal zitten en ook wel santris bij het bidden. Tj. {vrg.

O . \\ rgt; ^

i iiu en ij ukrrn). — lt;bn fji uiq 1,71 vvrLinHijjs

in die positie van de eene zijde op de andere gaan; ook lig. zijne betrekking onder voorbehoud van het regt vau terugvordering aan een ander afstaan. — in (LjIop iets op genoemde wijze

... O o OO

zitten. u o hn (Bi gt; \\ spr. zva. n n i n 1. y w

(kit u . / rjimt Kijjs kn. kassie, G. {vrg. iisi^ in iu\\ en ifj hi ij hti / Ki/j); het is de Mai. naam van een welriekende stof van de ballen van een beest, dat op Java onbekend is, van sterker gear dan tj ui ij ui

ojij^\\ R., volg. Rh. een welriekende hars, die inde

j, o

ij rid ij mii hji yj r.iCHijj\\ oj quot;j nnj hiu ij i.^ii 111 \\ gedaan wordt.

ihii (EJi ~ji un (Vi \\ of un u un (ui\\ zie n 1 un ui ^

/ ) o Ov OCY CY

ihn li ^/i\\kw. zva. un \'li ^jioui\\ (k/ioji\\ w !i\\ 1 ) 1/)^tunji

kn. getwynd , tot koord gedraaid garen, bast vezels


-ocr page 518-

asn ieji -ji arnjj^

438

asn(vi~ji\\

enz.\', ook nm. van een slangetje, dsn iamp;i \\ of asii (tStasn(M^t\\ koord {vrg. (l^ en ^(crteii/j). mn agjiasn (E/i {o/ nsr^ (En aanhoudend van boven toestroomeud water. — anlt;£,;\\ iets twijnen, tot koord draaijen , bv. al rollende op de dij; koord maken; iets, zooals de namen van zijn voorouders; in geregelde volgorde opzeggen; armen verzorgen, onderhouden (yrg. a^nri^ ris). ihi tamp;i ^no u)\\ iets tot een laag koord draaijen. — iisnu) ^-naajj\\

twijn, getwijnd.

CY CV n lt;rgt; . -

dsn if-ji \\ en nm ~i\\KVf. zva. tüKiütw KN. a/n hvi ^ {pf

CY . CY .

m m (fjiji) ihti lE/i (of tm fyw.\'/.Qwi, dat aan

het zeestrand gemaakt wordt.

nsn lE/i \\ KN. een soort wan kleiner dan een asn IEJI Tj.

(iniKN.; ibi iej!^ji\\ afwijken, een zijpad inslaan.

O / O

nsniamp;i^\\K.w. zva. tön iejiiï-mjj en (utorr^nbnj^\\ KN, za-menstroomen. zameavloeijen, zich vereenigen, van een rivier of loopend water met een ander; zamen-vloeijen, van lichtstralen; ook zamen zich niet elkander vereenigen, van troepen menschen, die van verschillende kanten komen. an .ei^s zich ontlasten, va?i de ééne rivier in de andere; ook ontbolsterde rijst ( i rmM/j) koopen (vrg. irj tit), ook wel van veldgewassen als katjanggt; kadHé enz. — (w? foi ij un \\ ontbolsterde rijst6?w^.verkoopen. —£7 mv., 0(C7^fut\\ overeenstemmen van begrip. — iQi (Eii(hnji\\ zamenvloeijing van twee rivieren, plaats waar twee loopende waters zich vereenigen , ook gekocht, van bëras enz.; — ui f i^\\ middel, geld om ontbolsterde rijst enz. te koopen,

cy

asri(Eii\\ KN. een brandend stuk hout, een brandend talhout van de haard. 0(uti (ciojijis van een paard met wit gevlekte penis, dat voor een slecht toeken

cy cy cy

gehouden wordt. — of ~ji(k^ieji^,1 \\

in het wilde bv. slaan. Men.

/ O ss

IST^ (EjI KN. zva. tsy (BI ^,1 (l-JtflS ge-

heelenal verdelgd, geheelenal te niet o/verloren

gaan, zoodat er niets van overblijft.

cy n cy

tj (is?) (Ei ~ji \\ zva. dsrivjusn (Ej1~ji\\\\

^^(E^-uizm nsrtjjs KN. ellendig, eig. zamengestelduit nni(Hi-ji\\ en ^awji \\ dus zonder eeniggewigt, niet in tel.

O - O . * 1

Kiii tj(EJi^jIrj\'n 2 \\KN.— (Hivjfoi ^ivjniis van ter zijde

een slag in het aangezigt toebrengen, ook van ha

nen in hef, gevecht.

(isn 1E11 —gt;1 (Kii(HiiEii ^1 (ifn/)\\ kw. zva. t\\fiiiE\'i?\\ ajion

co Co*

(T) O

\'Ij. ook zva. (hn (Eii ii ut}ji\\ on (EjI -ui kiijj\\ (hkei^)

inijjs zaadbeddingen aanleggen in het groot. — ^ (Eii ^.1 ifti^njjs zaadbed voor drooge gewassen, SG. miliEji £i(tfr)ji\\ kn., im(Ei met een vlaag tegen

iets aanslaan of op iets aanvaren of vliegen, tegen iets aan of naar iets toe waaijen, van wind, rook stuivend stof, enz, {yrg. anaA^iLi/j), tegen z\\jn, iw» den wind, een vaart of slag vlak in \'t gezigt geven. 0x/tiwi(iii\\ vlak in liet zeil blazen , van den wind. kii hii (Ei ten tu\\ teruggedreven worden door den wind, van een schip. mi (ei £ï (yn \\ op iels neerslaan, zoodat het er door bedekt wordt. — an(Eii it intrj i(ii\\ met iets, zooals de hand, tegeu iets, ho. het gezigt, aanslaan. — asr^.£? eji po \'ót. zva. (in (E/i-Qitnijj\\ oji uj (eji tiiunjj \\ het aanslaan , enz. (Ejii^ EJi kw. zva. an(Uiil acnjis

tun (eii j] unji \\ kn. afslaan, van de hand wy zen.

quot;tiasn \'EjI niet afslaan, niet versmaden, wat

het ook wezen mag. — an ejiirnjj\\ iets afslaan, van de hand slaan, afwijzen, van de hand wijzen, afkeuren, weigerenj versmaden. bedan

ken voor hetgeen iemand gepresenteerd wordt te gebruiken. — asy u i (ei Si ktijj\\ afwijzend, van iemand, wiens manier het is maar af te wijzen. — aji n ani nyi\\ obj. derl versmadeling.

asm rj eji ^1 k w. zva. am tf ieji ^1 iu/j \\ — an ij eui

an ij \\ zva. an rj (Eli (ru/j \\

asn (Eii-^i anijf\\KU. stomp, zonder punt, afgestompt, van

puntige voorwerpen, zooals een spijker (v rg. 11 nj

C~)CY quot;)

asn/js (ui (ui \\ en ini a-j auijj). ook fig. onbevattelijk. asn ieji-jiinTjjs kn. zamentreflfen j zamenloopen, zamen-vloeyen; zich aan elkander sluiten, van verschillende kanten zamenkomen, elkander tegemoet treden, het eerste bij elkander komen, van bruid en bruidegom, bij de dsn\'et \\ \\ tri (hji^iSj [(u^ ini \'yi\\ deza-menkomst van de partijen om in een regtszaak verhoord te worden, isi\'j (Eji ^oji ^alt;ii ^1 onjj gt; deza-menkomst van partijen bij een geregtelijk onderzoek. (Qi (eji a^jEd-j^hiiji \\ klets, klets! op een ruwe wijze, haastig, iets behandelen of afdoen. W. — (Qi (Ei ^jj ini anjj of asn Qi e i an/j^ van verschillende kanten bij elkander komen, elkander ontmoeten


-ocr page 519-

L) o (istt U .1 quot; ^

439

iSYï I -1 it nn\\

I. KW. zva. t,» im J; n en a.tinu ifjiw . O O

3. kn. zie cL\'ij,iM ^i(Kuji\\ 3. k. zie Hvrjcftis {yry.ajn izt^unijj). — .nvjjWiU.zie bij (isri tt i-iljm/js

ook zva. ay en zva. n/n yh hn iu/j\\ k. zie bij

ahi cm nn

vyrjihHHJI of (inyu iiinjj\\ kn, geheel uitgestort o/* uitgeschud, zooJtit er niets meer in overblijft, bv. door het onderste hoven keer en van een mand of iels daar het in is; geheelenal meegedeeld aan een ander, van iemands kennis of kundigheden, foil lag ijiHu gt;/ ini zie hij ij (Ui 2 ij i.m (hi^ \\ —

wii nu,1! of igt;(^ tut iKnjj \\ iels geheel uitstorten of uitschudden ; fuj. tot het laatste toe uitputten of aitkramen. — f i t k?i \\ of m m n meervond.

kn. opgehoopt, opgestapeld; zich ophoo-pen, zich opstapelen; ook fuj. bv. van iemands be-zigheden ivrg. ujy iu ^ ih^ ri sta

pelen, opstapelen, ophoopen, op elkander op ecu hoop leggen. — mv.f stapels o/hoopen

maken, op stapels zetten. —inijj hoop, stapel j bij hoopen, bij stapels.

(Si (Et iisnji\\ Ml. zva. tU)no { w

KxN. verdelgd, verwoest; uitgeroeid;uit-gestorven (vrg. iv^asip. xc^ceji Mjjs verdelgen,

verwoesten; uitroeijen. — (kiim ajtJi\\ mv.— isr^ ,

_ :quot;) * t O ii

tf.1 ^ i n on/j oj iLii i ri i-1 ^ i Ki nryj\\ geheel verdelgd o/uitgeroeid.

iti)(Ejiitji,ui UZI (isgt;j /li ^(un ói\\ hij ij ivn ótw (Uil (El ^7 (TIjIJI \\ KW.; zva. (Hl (fjl (thl/] of

mi Vj di/t irujj \\

Cl 1

(i9i ui ^,i nvjjj \\ kn. — (hii (Ei ^.i n i an ij \\ een soort medicijn, WW.

nniTj iüi^iiri/ji\\ kn. , asn (Bi ^jjj (tijij \\ kw. iets vlaks, ho. de hand, waarmee men iets van zich terugslaan uf terugkaatsen kan; het pandeksel van een geweer of pistool, een hamer in den vorm vaneen paardepoot bij goudsmeden en koperslagers in gebruik. flvgt;0 een hand lang. G een handbreedte. — mrj (Ei ^,i iru/js (hkfji^jijnu/iwoo v. zich afslaan;, zooals e. slag, afweren; met de vlakke hand of uitgestrekte

en aanééngesloten vingers een zachten slag geven;

oO o

ui\'W\'M/jN zich zoo op de dijen slaan, gelijk Oemar Maja, die daarop met een hoogen sprong snel wegloopt. Men.; ook fig. afslaan, afwijzen, niet aannemen, (Tj.) een aanklagt of eisoh ontzeggen, tegen den mast slaan, van een zeil.

ii.niM ~1.iujj\\ kn,, anlt;f i ](n/i/i\\ iets wan hetgeen een ander gekocht heeft, overnemen en zóo deelen in den koop; gedeeltelijk overnemen, Tj. voor een gedeelte, een weinig, deelen in bv. iemands gevoelen, Tj. met een ander meelachen. 0(B1(kd\\ met een ander meelezen, bv. een courant. a nSjajnrj.itn j meêvertellen wat algemeen verteld wordt. — (ia (Ei 3 iivi\'qHii \\ iels van hetgeen men gekocht heeft, aan een ander overdoen ofm koop afstaan. — (hiiamp;i 3lt;n^lt;xyj\\ wat van een koop overgenomen wordt, najii 3, deelgenooten in een koop of onderneming.

ni (ti ^i(wijj \\ kn. zoo gewond o/gewond raken, dat er ren stuk vleesch af of uit is; esn gapende wond. -- anif i ^i ii i/js een stuk er uithakken of snijden; drek of vuil met iets, zooals een scherf of blad, opnemen cikweggooyen of wegruimen. lt;h*i(uli

(tL:ijj\\ zoo gehakt of gewond raken, dat er een stuk

• ■ • O o ~) o . ,

uit is. imnhii (ei-^i ii kliiili ^iJLi j van iedereen versmeten of verstoeten, overal vandaan gejaagd worden. — (ifii (ft ^i (n.i (Kjjjs iets, zooals een blad, daar men drek of vuil mee opschept om het weg te ruimen.

( ^ (hu^jt (wtji\\ kw. zva. (vrtyt t Si\\ ijii ij gt;i (unjj en (M \'iifw kn. oplegsel, een opgelegde rand van goud, zilver of passement aan de beide einden van een gordel; een breede ingeweven of gebatikte rand van een saroeng of van een bëböd of tapih. — ^ (Et ^iiiijtjj\\ kw. zva. (i:ni rist\\ \\ iei -1 tj./u\'/u \\ als meedrijvend vuil, spr. van iemand die met een ander in zijn gevolg overal meereist; ook overal heengaan, waarheen men door zijn hart gedreven wordt. — //.i iEt ^ 17y \\ iels van een opgelegdeu rand voorzien , hv. van passement.

ny (hit y (Et ^irvi/j\\ kn. tegen ïels aanzitten o/staan ; aan iets zich aansluiten, zonder vast te zitten of te kleven {vrg. ipisn rjtEA -JiiKitJi en iijdji ij/Et- i n i/j); fig. het in betrekking staan tot of verwant zijn aan; overeenkomen met bv. v. d. bet. van een woord met het verband van den zin. — ijhiij^ji \'rvtjj\\ zich aansluiten. — \'qanrt(amp;t(tiï\\ aan iets zich aansluiten; aan iemand zich aansluiten tot


-ocr page 520-

C )

(hll tfj (£j1 ~J} ?■ Tj if Ui i N

440

(rjasnv^

steun en bescherming; ergens iets tegenaan zetten 0/houden. (Hnrj asn ^ iliiru(ki/j\\ fig. van het hart, waarin zieh een gedachte of voornemen vestigt {org. mi tui infi an w/j); ook zva. doi aSi (L?/ oj)

Q* • 1 ±

en mrrivmi (M (Hyj\\ — rj mi rj (e/i .^1 ir^i y ihv \\ tets tegen iets aanzetten of aanhonden, zooals het oor tegen den grond; ook iu betrekking, verband of overeenstemming brengen. — asï^rjd.iijw^mujjs tegen iets anders aanzittend of aanstaande, aan iets aansluitend; ook zva. asyizitisn(M/jy \'ïj asn ij (amp;t ~ji z iruji kn. een zwarte bulterige plek op de dij van een beest. — (hi ij ei 2 truijj\\ zich zoo voordoen, bv. van een \'plak modder, die tegen een wand aangeplakt zit, Rh.

(i3//lEjiJ^chrn/js kn.—a^i0\\ een brokje, een ziertje Tj — w w7StH7}jj\\ gelijk een brokje voor heel gering, heel klein, heel weinig.

ij cisi) rj (Ui luiyi\\ kn. beplakt met kleine of dunne voorwerpen, die er tegenaan gehecht of opgeplakt zitten {vrg. \'iyriiioyiTi rp2Mtjj]).— nfjanij /amp;/ \\

zich vasthechten of plakken aan iets. — nn n rj waan iets zich vastplakken of hechten j tegen, aan of op een voorwerp iets plakken of hechten j iets beplakken. — rj an rj iin ^1 i^n ij dm \\ iets ergens aan vasthechten of plakken. — 15^ ij vastgehecht; vastgeplakt zitten

aan of op iets.

Tjdsiiijiamp;i yidKii/is kn. zva. srj uivj\'Fi ri tai/js maar va71 dikker of grooter voorwerpen {vrg. nnnj 0 ^/2

en rf asn rj Md (imjjy — Zoo ook ijinrjai rit a

Kiijj \\ ij (in rj (T i y./i 2 ani n rj na tj tfji ^7 2 int ij nn \\ en isi^

tj (EJl Ij (EJl yj2 ilfllJI \\

CO , . cO

rj tiji) tEi 7}? \\ ongebr., rj dsn (eji _/ rj (isii mi ^1 \\ zva. ij iuii

rurj^Mjis asn (En J? \\ kn. oorveeg, slag met de vlakke hand tegen het oor, den wang of den slaap van het hoofd of den kop {vrg. (isu rjotd 2 nnjj en (ini :u un j). — on (EJ)Sir\\ji\\ iemand\' een oorveeg geven.

asiirj (En bitrus volg. 11 h. TP. zva. tun hYiw

C ^ Ov

asn ijl uirvhKH. een werktuig, gemaakt vaneentoem-boe, tanggok, of ook wel een koekoesan , met een houten steel er aan, om stinktorretjes {walang-sangit) te vangen, of ook om de zaadjes van het toeton-gras op te vangen y wat wel geschiedt bij hongersnood.

ki\\ rj (EjI . /2rj riJi2 \\ kn. een spuwbak van hout {vrg.

0 \\

rj urn 2 rj ui 2 q \\ M n/n ij(io2 aojj).

nsn (ea ^jjj rui ij en an iei ujjj 11 i/j^ zie asn rj (e a (rti/js

dsn (eji ^1 iiu)\\ 1. Ml. kn. pot of bak voor water {vrg.

erri ijci^ij 2 \\ en djt (Lnrjni2 (in/j). 2. zie bij (uiuiiw

asn (EJt ~ji \\ KW. zva. aziiarn^niJi ^ kn. 1. het lood onder

aan een vischnet (aetru). 3. een (bij elkander tot

een pukje gebonden) rol tabak (vrg. in rj mq); ook

asn (Eji J*! m cinfl* Waj, 11,373.10. volg. Rh. ook zva.

(iniEis ilauw worden, verllauwen bv. van den strijd,

lts. en zva. ajii (ei Jii \\ flaauw van tabak.

asn (EJi ^i\\ kn. rand of kant van een berg of hoogte,

bergrand; rand 0/grens, aan de grens, van een ge-

. ./ , o* a/ O 1 ) 0.

west; oever van ae zee {vrg. ajilt;m\\ itn aji\\ 1 n n\\

a. n ■ f0

nn if i\\ en a)i vin ui fj); ook benaming van ambtenaren in het Djokjokartasche, die in het So er ak ar-tasche genoemd worden. m (Ej1-~Ï\\ den

kant van het een of ander afnemen, bv van weak\' brauwen de kant afscheren, Waj. 11, 159, 4, de kant van de weg gelijk afhakken en in orde brengen,

bv. om er een geul te maken. — asn (eji nn in/jx

Q«a/ ry 0

zva. iei urn tin/j en aji an 1 quot;ri nn/js asn iei^i ri n 1 ^

cmrn\\ tot begrenzing de zee hebben, begrensd door

de zee.

(is» (Ei —(hi (EJi zie bij avi w

o . ct .

asn (eji-Jj.n KW. zva. ojii in\\

(J 01

asn «/ï-jïnkn, op elkander gelegd (yry. r-r^te/i ^1 i.ii/(\\ en asrjj (Eji r-ijmyj); zoo he et en ook de eerste blaadjes boven de ontloken zaadlobben of eerste paar bladeren, 8(t. ook zva. asn rr^ rj a^ tj aJui 2\\\\ verder he-naming van de drie balken, die trapsgewijs op elkander liggen onder de zoldering van het middelste dak van een pandapa, ook rsrjtEi^KiJi\'rt genoemd; ook van koopgoederen, een best exemplaar dat boven opgelegd wordt om er een goed oog aan te geven, rjajnt (Eji^tisr^ ieji \\ een huis, welks palen of stijlen op een staan, CP.

(eji Si ,Ln ifii p \\ {ook gt;t \'iji \'ei ~jiasr^ (e^ EjI-Ji \\ Men.) liet een op het ander. asr^afi J/itj(ij}2 {of 1 jp), spr. voor liet onderste boven, averechts of verward, bv. iels doen of zich uitdrukken, ri ruiasr^ (7j1 J/\\ zie bij \'J rui w Hjj e i J? \\ opleggen, opstapelen ; met een ander meerijden; meevaren »ƒ meereizen; bij een

ander wonen; volg. WW. ook zva. anawf^ de

• ^

overhand hebben, vrg. (ea ,eji J/i w -— ,77iquot; \',;n


-ocr page 521-

G)

IFJ}~.1\\ S h

441

zitten, leggen, zijn op; ergens iets opzetten {pok up een hooy een pijl), bovenop leggen, boven overheen plaatsen of doen, hv. een mantel over de kleé-ren; niet iemand meereizen, hij iemand wonen. 0(W) run in tie rede vallen. 0xm,?*rj\\ tegenspreken. unisrjw-j)dTiw/js pass., bv, van een vuurhaard, daar iets opgezet wordt; Jly. iets, bv. Jiart-zeer, ondervinden; ook getroffen, verergerd door een bijkomende ziekte Rh. — id Ji anrj ,ini \\ iets ergens opzetten of leggen (ook een pijl op een boog). — 15^ ^ (TjI J?\\ ergens op of boven op liggend of staande; het een boven liet ander, van het water, als dat van igt; oog ere landen op lagere néér kan stroomen. — op elkander gelegd,

hoop, stapel; wagen of vaartuig, daar men mee kan reizen ; plaats om bij iemand te wonen.

kn. een hoop gekookte rijst, zooals die in een gekookt en de vorm van een

ronde piramide heeft. — gelijk een toem-

pëug.

iij foi Ji ij w 2 \\ of isr^ d zie hij (amp;) ~Si w

asn lUj (in ihn/jN KW. zva. (hrtaotj in 2 ^ am anj^ en /e/i (h^ MI ^lt;vmi

kn. tegenzin in iets hebben, walgen, door het overmatig gebruik van iets zoets; iets ben zijn. WW.

fjosniE/t(yïiji\\ kn. een klanknabootsend woord voor een mei kracht gedane greep. Zoo ij un tricïiiyrn) khjjs

O /((i

^cc)S KN\' 8roo^e boven den grond uitkomende wortel van een boom; ook titel of betiteling van een Bengalees. •— zich stom houden, niet

antwoorden op iemands vraag, niet komen als men roept; weerspannig, onwillig zijn.

kn. voor het eerst, zoodat het voor iemand quot;oy nieuw en vreemd is; eerstdaags, in de eerstkomende, aanstaande toekomst (^r^. rimioym/f). Zoo bv. voor het eerst (bv. een tij-

]er) zien; en in» ti w rm au mi \\ die eerstdaags ^ ^ \'co ^ amp;

komen zal. ijhasiiw f i\\ en awri fFirjtKis in de toe-\' co \' co \' cj

komst, naderhand, namaals. Zoo ook omQi nw(i7n 0 3 Q \' ) quot;) \' co 0

\'quot;{Ofi iïtal), nul i) i.iïixh (ibii tj lEi^ajj^ afji}fn\\ de jongste

(laatste) oorlog. — an t/ w \\ voor de eerste moal iets \' ca

aoen; ook zva. iatmnjtjis pas zoo even. thnrj u iojI Mwan deze keer voor het eerst. lt;rhi afl an

pas nu voor het eerst.—ani rj i^anjjs

in dien toestand, dat iemand iets voor het eerst overkomt; voorliet eerst iets ondervinden, am th\'n Vü0r eers^ z\'en\' — Mnjamp;iau an/j\\ voor het eerst, bv. zwanger zijn, een ei leggen\', ook een eerste nog eenig kind.

kn. emmer, putemmer.

ter putten ; iets putten ; uit iets putten.

i^fljpKN. een vierkante mand van gevlochten bamboe,

met of zonder deksel.

rj mi ij fi 2 v kn. een klein schuitje, om van den wal naar de ree of van het eene schip naar het andere te varen; een klein visschersschuitje.

•rjasni fois n., ik w-yi k., geneesmiddel, medicament, medicijn (vrg. — tenasn2\\ (Q,ig iamp;iJ]\\

medicijnen gebruiken, medicineren; oo/t medicijn,

m

ij#

M 1

I

ïi\\ fel

I

tl

!!4; i

O o

geneesmiddel voor den honger; iti Svm7Jta.vi^\\ geneesmiddel van vermoeijenis, iets om zich te restaureren van een reis. — mi wnas un i mrt n

cocj 1

i}jj\\ curereVi, met medicamenten genezen. — tui w inn ~Jtirj nn \\ am on vj fE i ^i un ^/n arn ao/j \\ iets tot geneesmiddel aanwenden, iemand of een laten cureren door iemand.

te)iwq\\ Ml. kn. zva. (U^a^\\ en tjasn? ij fi?unjj\\ —

o o o

an gt; ajn \\ zva. ^ q an \\ en rj an 2 ij^z wnw —

nn w? am an^\\ zva. d^aj^^am an^\\ bijvoegsel, bijlnge.

teniu?\\ (ook to el verkeerd asi) an? \\) kn., asn ia ten/) \\ (ii cq? \' \' co -J*

Ki)., niet weten; iemand niet kennen; in dien toestand komen of zijn dat men am pa q \\ moet zeggen, asn w qij ajiz tuiqaj ajn ^ niet weten hoe te handelen, o £ƒ! ten \'FjI jrf aj)2 ij a?j \\ een onbekende tot schoonzoon nemen, asn kw. niet kennen, iemands afkomst niet weten am (EjI ?\\ ookn\'wi

tnr

begrijpen (Rs.); buitengemeen, onbeschrijfelijk bv. van iems. pleizier, K. 9, 51; ook zva. ai am 2 n alt;n niet te herkennen, K. 5, 62. ooyt doen als of men iets of iem. niat bemerkt of kent; ignoreren ; zich niet bekreunen om K. 4, 40, PJ., {in deze bet. gew. an fri^am). — w^\\ quot;oamjj niet begrijpen, niet verstaan ; zich onkundig houden G {vrg. anaj if 12). volg. Rh. onherkenbaar, ongemerkt bv. erg. komen. — zva. an^a^

a/h\\ niet willen weten van. — an$11 ?tens aniïJten\\

cqr co quot;K

veinzen iem. niet te kennen, iets niet te weten, zich onkundig houden van; iem. niet willen ken-

I)U^engt;waquot;


-ocr page 522-

442

Q/ O

na (Li rt \\ van co

het

(UI (lij (tl \\

CCl

het

«i//oq/jn kn. opgestapeld, opgehoopt, digt op elkander, zva. (isfji iti -jjj.Ktijj en usn (U) -Jï asti rm/ ^ w — im

o Q O

ib// g»K w. zva. rm iui w (Hi/j\\ — an iii tn/j \\ zva.

o

(Cl Tl Hl) q (Lm \\\\

asiiitgt;i\\ kn. ilauw, slap, laf, zonder geur, smakeloos; ligt, niet stork, van iahak\\ zonder gcwenschteuitwerking, vruchteloos {vrg. aamuis (iw tut \\ (utnj)\\ tQ ibi ^i \\ en (unim Si).

«sw^inkn. plank of lat op het boord van een vaartuig vastgezet om het hooger te kunnen laden; ook iels dergelijks op een kist of val; verschansing van een scJnj)\\ .een groote wan {minui^,1 q\\) met een lagen rand, ook naam van den ill den zoon van Watoc-goenoeng en van de Vède woekoe.

Q/\'quot; . O üilt; /m. v o

een lt;tgt;iiifi\\ voorzien. — tun i.j a i\\ (1 .) voorii,ii igt;i co cJro v J ^ cj

cv

co c-/\'

asii£ji\\ lloll. tamboer; kn. trom van een tamboer; de tijd dat de trom geslagen wordt, de reveille (\'5 morgens om vijf uur) en de taptoe (\'j avonds om

ac/it uur).

trommelen , en trommeslager.

^ __ O

(ISYI (h\'1 \\ - 1lt; II (1511 (BI \\\\

h co II CO

*1 (bilvf Ms kn. van weinig beteekenis , onbeduidend,

gering, Tj.; e?i een zeer groot soort van hagel; die

ook voor schroot gebruikt wordt. Vrg. (uinjinj^iuii

01 asiiri ((Ei \\ -1 t) (un 11 (Ui \\ M oe.

( \'co \' \'co

71 tisn 2 ((Ui \\ kn. naam van een lekkere rivier vis oh. een • co

soort van karper.

(un(^ytjj\\ (lAjjjmi^./ ^ eign. van een hemelsch wezen

In de Manik-majd {zie bij

asijj o ^ n eign. van een Bag aw an. G. {Skr. Toem-

boeroey eign. van een gandarwa. pk.).

ah (ui ?\\ kn. roest of vuil van zilver, koper en lood CO 1 \'

{yrg. (bnnJri). ni w mi ((ui j \\ een kopersmaak hebben.

nen, niet willen weteu van, geen acht slaan oj),

zich niet bekreunen om. —(uasnw? clU asn iki amn

t*V co

zich houden alsof men er niet van weet; ook niet willen weten van een ot ander. — (Si isn a t ? tun \\

uv

o

Züa. I}f1 iF I S (17// NN

Kr

asii kn. langzaam, op zijn gemak, zoodat men

zich niet haast, bv. gaariy schrijven of spreken {vrij. ivn itiu ihiji\\ (Ui f^ihnji en (hinj irurjnrni). — ivn iT.iiyan/fs langzaam, op zijn gemak, gedaan.

(Lti im t}n/)\\ Ojii

c/ c,tU}\' K w \':vaquot; aj)fi11)17 ajtli ^

an iti\\ trommelen.

^({^ KN\' — u^ei1 Z0,1lt;i01, ündui\'öchei(l,

niemand of niets uitgezonderd.

o

(bii (f i ^ vi w/j\\ kw. zva. a-y (ifli (Ui (ui ^1 anji\\

(bii i£i\\kn. betrokkene, nevelachtige, regenachtige lucht

{vrg. (tgt;ii (Uj, f \\ en a?ii d/i iuijj).

(bii(^\\ kn.; (Hi(f\'^\\ ongevraagd deel in iets nemeu

of in iets zich mengen {vrg.

:bii ^ inijj \\ kn. dam, scliutsweer {vrg. ifm^n); ook benaming van vischvijvers, waarin de ui 11 hi\\ geteeld

wordt. (biiibruf 1 ini/)\\ scliutsweer, middel tot bc-

co

schutting, tegen eenig kwaad of gevaar, dn jf / /.// ^ iijijs naam vaneen heestergewas gt; dal aan of in rivieren groeit. qiuuuhiij^s een dam maken; zich tot scliutsweer maken of stellen; iets beschutten, beschermen; stuiten, tegengaan, tegenhouden. 0(u (Sntj (ijjij (ui 2 \\ iemand in levensgevaar beschermen.

— (in(ui n?i\\ iels van een dam voorzien; met kracht co quot;U

tegengaan; stoppen; een middel tot stuiting of afwering van een ziekte gebruiken.

(i5/^ (h.uynij^\\n,, (tJiiïiajiidOJijjsK. , een lange piek, lans o/ speer, of het piekijzer {vrg. ij(bn2^lt;?j/z(iwjj en m iv^iui ^iiUiijjs (Ui mil \\ en \'ij (uistj (ui t); ook een roede, als lengtemaat,zva. il$lt;ilt;iirujjs 0iunl(bii ij (ui\\ een piek om welks stok een streep als een slinger geverwd of een koperen baud slangvormig gedraaid is ; ^/(tni non ee?i gemeen soort lansen, waarvan de slok geverwd is. — \'V

ij(1/112(iji/js pieken, met een piek steken; iemand met een piek steken; fig. iemand beschuldigen, betichten. —• ^(uuujjs (Eivj(uii2(ui Ji\\ rnv.— (Hij^ (tuis (Li tj nu z (ui ~amp;i dfïi ifijj \\ ivts tot een piek be

pieken, enz.; een lansdrager, lansier, soldaat met een lans. — lKl/ls 6011 n\'igeinaa^^e »

elkander met pieken steken.

.t^g/^^KN. housen, botsen, stompen; stooten,^oo-als van een schip tegen een ander en van bokken viel de koppen tegen elkander {vrg. ijwii mi 2 (Mj)) op denzelfden tijd invallen met iets anders; ook naam van een met klappermelk toebereid vleesch-g er egt. vj (êi 2 (ui asr^ de tijd van het jaar Jat

de zon op den middag vlak boven het hoofd staat, zoodat de schaduw met het lichaam zamentrefl — ^v/^n tegen iets aanbonzen, botsen of stoeten; volg. Kh. ook stampen, bv, jtadi {vrg. ^

zigen, met iets iemand pieken.

-ocr page 523-

O

(bil N

rj ihn

448

(bT^i5^v)j 00^ aaquot;stam|)eu bv. suiker in een kran-djawj. tq J ■gt;lt;quot;/jN telkens botsen, tegen iets

aaustooten, door verwarring, in het loope.n, en fig. in het spreken. (u^^jiiuiijjs liet bonzen, enz.; ook naam van een grooten visch, die vaak met den kop tegen een vaartuig of anderen visch aanhonst.,rs^ \'^7 0f *u

botsing met elkander komen j tegen elkander stoo-ten, öv. van schepen.

rj asit kn. 1. vol, in rijen geschaard, lis., ge

zegd hü. van ergens aanwezige menschen. {vrg. m :iflt;lU/j). 2. ZVa. Oill Ij \\ of (lSl^ithhUIJI\\

iijapirjamp;igiHHji kn. 1 pleister; pleisterwerk (vrg. df ni (u). 2. muur; (een scheiding tussehen rijstvelden. G.). ijamz(ej)\\ een steenen huis. WW. (uicrïi0\\ een pigër van gemetselde steenen. — rj (yntfiruK^ en if (Hi tj w 2 iioj v pleisteren, iets bepleisteren. 0cni iniiHi/j\\ de dijkjes van een sawahveld met modder digtplakken. 0(im (ifi^7i(Hijj\\ van een stof, die gebatikt wordt, de vakjes, die wit moeten blijven, met was dekken* — y mn^\'(\'ƒ (inj^\\ohJ. den.; wat van een batiksel met was gedekt wordt; het wasbedeksel.

bijvoegsel, toegift, om iets vol of voltallig te maken; toegift bij een ruiling-, toelast (vrg. «sng)?); toelage, inzet, inleg, hij een spel-, wat men ergens in waagt; het geld dat men als toelage geeft om in een tandakpartij mee te mogen dansen {vrg. ojiets toegeven, btj een ruiling\\ iets er bij inschieten; bv. Fj\\ het leven er bij inschieten. — vj om rj ? kyiji\\ toegeven bij een ruiling. rn;}ni\\ aan iets toevoegen, bij

voegen; aanvullen; ergens een toelast bij doen; ér op toegeven; voor een dans of danseres bij een

tandakpartij een toelage geven. — ii anz n ie,i? uri 11

1 i co quot;t, f

rjums iets toegeven op iets; iets tot toelage geven, als toelast er bijvoegen; er bij laten inschieten, opofferen, ten beste geven, er aan wagen.

O ,0

as» lEjirj mi 2 \\ verk. (Cni /fjj^ ij mi 2 \\ of n ni rj iU iu\\ (mbako) N., wasi,\\ k., tabak (Port. tabaco).

aaiiCo\'^!yi IL3r\'lq^NN

«sngïM^NRij, zijpen, doorzypen; doorheen zijpen (yr//.

Orquot;)

(^c^d/l)\' doordringen, bo. van een geur {vrg. fcn/fTtMjj). ook fig. van lessen of vermaningen. ii,ii r iifoi ? ioji/js door en door gezijpt.

,Kquot;^^NKW- zva\' 7^?^

N KN• ^0ürll)ei1 gt; van een opening die aan een anderen kant uitkomt, doorloopende ergens uitkomen; doordringen, bv. van een geur; door en door; \'fig. ook zva. tisii^7(kajj\\ {vrg. (iniiwiojiji en asn (kiq). nrj (lii 1 n icf!oji (bn ondoor

dringbaar.

totiwa^ kn. een groot stuk hout om te stampen.— daarmede stampea. Tj.

enz., K. zie bij asr^m^w ibiii!iiiu,j\\KN. lap, op- of ingezette lap; gelapt; lapping, stopping, va?i gaten en scheuren; ook een uit bonte lappen zamengesteld ktanizool, dat door de TamtanuVs gedragen wordt; fig. een*schadeloosstelling, vergoeding, ibii wni-i^isr^ \\ noodlap, fit/. wat uit gebrek aan beter, tot behulp bij nood, gebruikt wordt om in een gebrek te voorzien, het

ontbrekende aan te v\\i\\\\{iü. ibii(Fjnibnifini(tji jni 0ili co quot;t \'er (j

tin enz. nm. van batiksels. — tmiejilt;njijj\\ lappen; iets herstellen, door een stuk er in te zetten; een gat stoppen. — ivi (biïibii ni o rri^\\ overal met lappen. — (151)wlt;1^1 (injj\\ gelapt; lap; aangelapt stuk; wat te lappen is, lapwerk.

(bu(fjiwi/)\\ kn. het tekort of ontbrekende, dat men

co \'

voor een ander bijlapt, d. i. bijpast of verschiet {vrg. nsn tfjiaun).— m ïm i u\\ voor iemand het te-kort of ontbrekende betalen of doen; voor iemand in de bres springen.— asu oa^\\ het bijgepaste. m imq0\\ een vrouw trouwen, die zwanger bevonden wordt, maar den man, bij wien zij zwanger is, niet noemen kan of wil; wat door den hooge-

priester aan haar hoofd of heer wordt opgelegd.

rt o

nsn f.i 11 / 7N KW. zva. n/n -^i\'W co vJ gt;

(bu (f t) irvjjjsKW. zva. (miahw {Skr. t ambo él a betel).

o \' o s n

(bn (fyl lt;ILIfi\\ KW. zva. (L/tl (f-lilU/l CU (bJI IU)V - m (Eli

co co (I co

op iets anders, een andere plaats of persoon, overgaan; iets overbrengen, overgeven, overdragen

op iets of iemand anders. — an if.i tt^i \\ een ander

co \'i,

iets overbrengen, overgeven of overdragen; en KI.

n . o

van ij (bwrj i,m en ttjnnw aa ^ ru tj am n kn.

iets overbrengen , overgeven of overdragen aan of

op iemand of iets anders, tin ieji (ïu ifji au71 (un \\ al co et Co \'

verder en verder overbrengen. — a^iSl(raaui/j\\ op iemand of iets anders overgegaan, overgedragen; op iets anders overgaan. —aui (E/i arianq\\ wat overgebracht of overgedragen wordt; KI. van (uir^un 2


-ocr page 524-

441

o O itgt;n

O .

«SM 717 N CO

of munt boven plat neervallen, Rh.

dsn ru)\\ kn. naam van een soort fijne bamboe.0(m Sn\\ een gele soort, {daarnaar ook wel voor de koker van bamboe, waarin het vocht van dcu

arenboom opgevangen wordt. G.).

cc

7\'1

asii iurrj iui2\\ (Tj.) slechte schrijfwijze voor .uuny

co ai tin ?

co

on j of (ui tj tnt (htyi opdragt, last, f«« een meerdere aan een mindere, door middel van een lode of brief, of aan een ontlondene {yrg.dnaj^t). ook zva. !i?n i^x-wnji Rs. — het slaan van

een tweede in het rijstblok tot accompagnement; de tweede hamer van een smid; ook naam van een

krissoort-, vrg. /.7^ en urj op ?

op .0

asu iFj^ rujf \\ zie ilh iea { w

tél) ru/f s kn. een puistje aan het ooglid, zoogenaamd strontje.

flS)£amp;i7L^NKN. opkomen, naar hoven komen, rijzen of drijven, in het water {vrg. en tm £1);

ook fig., en onkwetsbaar nl, zoo dat wapenen iem.

niet treffen, pijlen Ijv. of kogels hem niet raken;

O O

vrg. asii (rij % en asnj^s ook naam van een

formulier om gehard te maken tegen ziekten en

onheilen; fïg. stijgen hv. in aavzien of magt

— anzich onkwetsbaar maken, G. iemand onkwetsbaar maken door toovergeheden.

ergens oprijzen, naar boven komen, van een wel. — »5^ ./3 / bovendrijven, zva. l?i

asY^ tiji^iru/f \\ kn. middel tot afwering van ziekten en onhcilon {vrg. asr^ ruinijj en tS n mmji). — irL}\\ iets door zulk een middel afweren; van een cisniMrt/tj! voorzien, daardoor beschermen, B.

0^asii ki(rut^\\ kn, klanhiab. voor raken, trefTen, raak.

m Qtuji raken; fig. juist, van pas, Tj. rjasn rjifAfru/js rj (m rj w zva. tun gï ^/o

rrï^N maar van andere dingen dan van kleêren of lijnwaad.

C ....

rts7j (f-i 11D L/2 \\ zie 0 ij an n n iluw co 1 co \'

vj (lijitiuiji7^(17^i irnjjs kn. een grof gevlochten bamboezen mand, om zand, puin of keisieenen te dragen.

C) , O ! . , n •

usnihjv^ rui injj\\ ook hti ij rui isnjj\\ kn. vogeldrek, kip-

pedrek , ook ben. van de Vègiïn als ze bij het koken roodachtig vast begint ie worden. —• an ^a ii

O co

rjiwiun/js an ij it) hn/js hun drek laten vallen, vati

vogels. an ; ^rj iui kv \\ an 11 vui i,?i \\ hun drek la-co \' \' \'■».

ten vallen op.

tiw m asiwnji\\ kn. naam van een klein \'plantje met aardige bloempjes, dat voor geneesmiddel gebruikt wordt.

7 (uo lEAji ij 1711 \\ of rj ii^is ij irnnrn^js als bij het un 1W y(l!AN 8l)e^» drie centen tegelyk met kruis

£n iui ~ru\\ poet. — an ui^auiw zich werpen op, li. ook fig, 0ij nm %\\ zva. [■ihrj anut^ zie bij ij (L^qw Rh.

obiig? ij uii kn. een groote soort van WW.

Liulwxji kn. een pot van de schil van de ui

1, n irfïi \\ gemaakt; en eign. van een bediende van de (d

Kor aio\'a s.

il,h f iS\\ zie bij un fin iluw co co \'

kn (FjI ajia\\ KW. zva. ak iSw — (ui un iui a.ia \\ zva. um co co O

iiK\\\\ — (ui iuv luuvvi arijj\\ hetz. of zva. {{u^ak ij ie: xtumji*

asn (bj!iejij\\ kn. 1. een stok of kruk, waarop men een geweer laat rusten om een vast schot te hebben, (een schietbok Rh.); ook een stok dien de lastdragers onder den draagstok zetten, als zij van schouders willen wisselen. WW. (iw deze bet. volg. Rh. beter ija^nt lymnomjf). an ij ilt;iu het geweer op een asn Xï iamp;iji^ leggen; ook zva. asii 2. Tj. /Qi iea kyyi n n•. kii (eh (rn\\ K., rood koper (VrdkrU t am-

co CO () 0

h aka . Skr. t d m rak a). oji isii ieji cm \\ zva. tui 11 * co

Ofquot;) O

(ijl q \\ n Tjj (ui i ui s un m \\ zva. \'i^ \'Ui un ? ij lt;77) f r.nw

— ain (Ei m anjj un \'Eirj cru iin/j\\ naam van een soort

van gras {vji nn un/i) met roodachtige stengels.

Ci G) o O o /

,157) w \\ KW. zva. in 11 in \\ i,ii iui\\ un uiurLi\\ ihii iui co (x)

ani iui \\ iui rin a:^ nyj ij un ? iui\'/ \\ en (ui mi ij nrpfj an^\\ lijn, touw, koord, volg. WW. bep. het touw

aan het gebit van een rijpaard, waaraan het van

0

weerskanten geleid wordt {zie hii^). mn it^(ui n^

(Lvianjj\\ beter 0gt;ui n y (^ulii dnjjs v. n ij (yr\\ iemands

buurt ot honk; ook uu t\'i alleen\' niuizoji(ui\\ unto co \'

\'n ui an ui ri an Kn \\ 13. (hii iui .ui \' -7\\naam van een slecht b Uuco \' co

teeken in het haar van paarden, rj .un asn iu^\\ kw.

en anmiuijjs kn. met een veerschuit een rivier

. o ~) . 0\\

oversteken, in (Ui 177 mi - i \\ snr. zva. an 11 n \'•quot;

co J co

— andi(cis in een veerschuit overvaren, van 0/

co

naar boord gaan, overzetten o/* overhalen, meteen schuitje aan wal of aan boord brengen. —huamp;m

zva. (cn agj^asn (EJ) uiw — an èrs K\\\\. zva. luioii wif

n

-ocr page 525-

asti rfJi \\

fo

rjiois met een veerseliuit laten overzetten. — /t,//

if))ir.)(tn/i\\ veerschuit, schuit om over te varen; co -y\'

veergeld, wat men geven moet om over te varen; geld voor de overtogt, bv. van Java naar Nederland i ook entreegeld, hv. om een diere tuin te bezig tig en; een postwagen, diligence, — liet overvaren; meevoering, wat met iets meegevoerd wordt, fig. voor teweeg-brenging van iets, dat er door meegebracht wordt; aanhechtsel aan een woord, zooals of (tm mjI\\ — oji(inrn(ui/j\\ overvaart, veer.

asnüts kn. 1. doof, van Iemand die zich doof houdt, co

naar hetgeen hem gezegd wordt, niet luistert, het

zich niet aantrekt of het niet kwalijk neemt; die

het éene oor in en het andere uit laat gaan. —

zich doof houden, onverschillig, ongezegge-

lijk, ongehoorzaam zijn. 2. een opgeworpen dijk of

wal, om iets af te scheiden , tegen te houden, enz.

een plank of iets derg. ter afscheiding. 3. volg.

WW. ook zva. (un iïj ca

% s . s

(bit if t \\ kw. zva. (hl lij \\\\ n (Ft n iirn \\ zva. a./) d i n i quot;1 Clt;1 (1

\' r S amw — innji^ zva. of iin iFi \\\\ s.mwtii

V ^ h J Cq,

nn\\ zva. rnn ^ tl? un \\ WR. volg. llh. zva. (bv ^ruio^ \\ nsn^Shain hY niet weten hoe zich te houden of te gedragen; I). \\V. 123; rj^u tiajitin pwu (Fi ^ i gt;\\ in de war o/* verlegen, en niet weten hoe zich te houden of ongemanierd.

/ (O

asnvjir.us kw. zva. (hnn e?\'- aiij um n i?\\\\

— (HTr]ff4g\\ zva. of imi rin ook zva. nu u i / (0 ^ \'\' cn

(ö^\\ en arïnr^nrmr^ ri.!2w kn. zich houden, als of men van een zaak niets wist; bij iemand naar iets vragen, alsof men er niets van wist. Vry. /bh

pf\\\\

fcwjmv 1. kw. zva. miasniwjl^ cn iisn(iin^\\ 2. ti), kn.

zang. 3. asii \\n. , (Qnw \\ k. , dichtmaat, versmaat, co • \'

zangwijze, waarop een dichtmaat gezongen wordt.

m(bii m\\ in versmaat schrijven. r^d/iu yidTi ij mi2

C) » ^ . ^) ( )

^»g)N m ongebonden stijl, in proza, (isii^mi tjaji

{of in] ui), de oude zangwijzen in kawigedichten.

n., (Q iKn (tJi ui (Ui asiiji (of 1 Ti ru

wy), de gewone Javaansche zangwezen, (uriv\') (£?

S \\ f quot;) ^ lt;

wi) (i,ii w) d/n cmji {of (un cni rui (hfi/j) de middelzang-

w\\jzen, in oudere Javaansche gedichten in gebruik. O .

\'Vi flfn ui (tM/j \\ spr, voor een onzeker gerucht.

c) » ... . 1 (Tquot;) »

on (hi\\ een zangwijze zingen of spelen, w nrni

O o

mil tui \\ 445

co

fairfjiMjl op cic gamëlan spelen. an^ajiimiJi\\

spr., ook cm (hi (L/11 (kh \\ zva. (ui tiK ijlt (ui dn (ui \\ en

O . o O . 0 0*o . \\ (in(u^uci— (Hi\'f^im zingende accompagneren, een liedje zingen, lgt;v. voor een kind om in slaap te sussen. — ar, \'ui^anrj mi \\ afnia/n rii tuaan\\ in tëmbaug opstellen, overbrengen. ^KN. kant; boord van een schip; oever van de

zee of een rivier; verdek van een schip {vrg. a3ï\\

Oquot; Qv Qv Qv aS. ; ) qv n I quot;)

n.iuuis tbiiiLi.i\\ (mi ui en oji cm), ibn luïtbn (hnsi /1 s oco co \'~y\'

stuurboord, dsn uiquot;n?i un\\ bakboord. — iai amp; (èi\\ co co

op de kant teregtgekomen, te veel op de kant

geraakt

O OO . Mo

KW. zva. 1Y11 buUfi/j ki. zie ui (uj 1^1 w kn. uitdrukking door een woord ot met woorden; woord, woorden , gezegde;; de woorden, die men bezigt bij het aanspreken van iemand, vooral by een aap -

zoek of verzoek ; taal {vry. um.?,/?). nji (bu lt;ui \\ een

) Lq\' woord, een spreek, uii f unibeschaafde, fatsoenlijke, uitdrukking. (Ln fi un nji\\ Kawiwoord , Kawiwoorden , Kawltaal. ^ 1:; rui(bn f i\\ taalkunde. iv.n (M n.n *; taalkundig.n 11 ru nsii tui \\ Kw.slagenwis-scleuKN redewisselen.— nn ui\\k\\v.zva.tuncninPniniji* kn. tot iemand zich wenden met een verzoek, bij iem. aanzoek doen; om iets verzoeken, iets verlangen. — uau iemand woorden opgeven , hv.

bij quot;een dictee. — fn iuy:iyini\\ iets in woorden uitdrukken; iets vertalen in ee?i andere taal; een uitdrukking, een benaming, bezigen tot iemand, hv. iemand ^im:h 1 anjj noemen; voor iemand zich tot iemand wenden met een verzoek of aanzoek , voor iemand iets verzoeken aan iemand. — tui nfn

1/1 iemands woorden, een aanzoek. — £?;iui 171

O o

nn/j\\ gew. oji (bn ri^xn nnji of iui ntii ^(iti ikiji\\ woorden, rede, toespraak; bewoording , bewoordingen. iui (bn fi n uj(in eni t u de landtaal, nuuhii tui nQ(én

cn a ui

n-mnp woordenboek. — njuh uis kw. zva. (tnern ^ CJ * ^li

(biuuv/js kn. het verzoeken, enz*.; ook naam

van een muziekinstrument, een groote ij my tj

tl El i w

bn uis kn. eveuwigt, in evenwigt, gelijk van gewigt;

het evenwigt houden; fig. in evenredigheid zijn met

iets; evenaar; tegenwigt; tegenhanger; wedergade

{vrg. nm iui\\ en ibii arn). na n,» (ui rj (in , wat er te-Ccrgt; Cu co \'

gen opweegt, iets van gelijke waarde, nsnon^inni iui\\ weêrgamp;loos. — nn \'ui\\ iets wegen, afwegen^ ge-


-ocr page 526-

G)

itsri iu\\ [lco

446

(15Y) (EJi \\

lijk maken ; vergelijken ; overwegen, in overweging

nemen. anièKhn\'My wikken en weeen. o/ojm^insn co co 0 f

niet te vergelijken met iets anders. — «wj iets evenaren, er tegen opwegen; iets in evenwigt houden; aan iets iets anders tegenoverstellen ; iets met gelijk beantwoorden (vn?.

. o o * , .

KW. zva. n^m/^anw — o^^/\\KN. net wegen, ;

O . (, quot;) o .

overweging. — asn (cn anjj en (utt abn iri^ an nsyi \\

gewigt om mee te wegen\\ weegschaal {vry. (n^aep;

tegenwigt. weêrgft, wedergade, die een ander {of

wat iets anders) evenaart, of wat aan iets anders

beantwoordt; wat tegen iets anders opweegt als

tven gewigtiy: liet tegenovergestelde, weerklank.

— (hnji\\ vergelijkende tegenoverstelling. kn. een keg pf wiggetje, dat ergens ingestoken

wordt om iets digt of vast te maken. — ikiamp;.is

f\'CO

ergens een keg of wiggetje insteken.

jómKN. een groote zwarte vlek, zooals op een wang of op één of heide billen.

*1 Mtizrf (hrè\\ kn. een groote bamboezen mand, waarin aan de wegen zand en grint, cn door de dorpelingen \'peulvruchten verzameld worden {vrg. nrjasnz w/j rjam 2 innj)); elders zva. tj -rgt; ? ij w 2 ^ een groote kran-djang, daar de suiker in gedaan wordt bij de fabrieken; ook zva. dlt;t} tj am z aj\\j^ \\

nsniyjtén\\kn rond schild, beukelaar, «sn/isn 77^\\ schild in een fig. zin wat tot verdediging strekt, asn 11 ifji aji^xci\\ benaming van een corps pradj oer its in den ouden tijd. asn rj (Fji o di» n oogklej)pen van een paard, astnf tèi-tj crii ij iru \\ zie tj orn lt;fCi \\ qo rj it i \\ een schild gebruiken, een schild dragen. ^ (ói? (unj schilddrager, schildknaap, ook ojKHinrjièis Tj. — anfn(éna.quot;t\\ iemand of iets tot schild zijn, besclier-men. — asnrj a:) anjj\\ benaming van een fatsoen van ring met een. grooten steen in het midden en

kleinere daaromheen.

ci 4 O o * 1 Ê

nsn (E/t \\ KN. gesp,— ut) nsn (Li\\ //^., gespen en metalen beslag op een tuig. — aPtdums iets van een gesp voorzien, gespen, digtgespen, toegespen.

asr^ ivji \\ kw. zva. asr^ ifj j? n en a^ (FJt ^ kn., steen op de kant van een njirjoji? injj\\ als het gat daar de pot op gezet wordt te wijd is (rij, gelid. G.).

asr^ dji H7i kw. zva. asr^ (amp;) (m orijjs a^cnian (htjI\\ nji aurj asm (hnjj en n^ar.r^cfni}?j\\ kn. vuurhaard.

asr^ (tn\\kw. zva. am

ai)i ui an \\ zva. foil foi aj)i w

kn lt;£?(ri^ \\ en in zamenst. verk. (ëtaï^ kn titel van de hoogste ambtenaren onder den Baden-

adipati, een regent. Zoo gew. nirj an orykïcrtp ^

C-*) . y. G) . v . (?) (f) . ! ijax)^norr^\\ of vjaxï tj\\\\ \\ /»lt;■»ae:asr^ lt;Ej1 tip de lie-

gent. ann ajrï asr^ tè}nrj \\ titel van een vrouwelijke

hoofdbeambte aan het hof, hoofd van de aj} man

aiiw — a^iiJicn\'ian an/i of ai» (£1 or^ aii anjj \\ plaats

waar een asn/èiorr^^ woont, benaming van een zeker

gestreept gebatikt goed.

as 11 grondvorm van ajïi o

am on/jKW. zva. aj oji i mt n\\

asrjnn/j* grondvorm van anj asr^ crti/j en tbn asr^ (trtjj\\

\'If fotl 2 (ni;J Of ,vri\'ti 05112 *11^ kn. 1. het uiterste, laatste of verste, waartoe iets komt of gebracht wordt, zijn uiterste best doen, ten einde (vrg. am ijtfrt wyj). 2. toegeving, bv. aan een kind, toegevendheid. rj asn i cffïoji uti \\ toen men met peinzen ten einden was, alles bedacht hadgt; en verder niets meer bedenken kon. tj an) 2 tj fan 2 cff} \\ (voor rj astt ? mi SI Si), tot het alleruiterste, zoo sterk als mogelijk, bv. zweren. — xn rj asu 2 nrnj^s 1. iets tot het uiterste brengen of inspannen, tot volle verzadiging toe, een mand of vat, of dat wat er in is, tot het laatste toe uitschudden; een eindbeslissing afdwingen omtrent iems. verlangen of wil, llh. 2. geheel toegeven aan, botvieren bv. zijn hartstogt. —utt^ riasti2(m/js tot liet uiterste gekomen of ingespannen, tot het hoogste gekomen van een ziekte; geheel volwassen, geheel verzadigd; ten slotte voldoende gebleken; eindelijk besloten 0/bepaald(wy. (un a,n (utt/j). — a^n Vj asn 2 (rnjjs zich tot het uiterste inspannen, van iemands krachten.bn tj astt 2 rr^rj of any am 2 erfl ij aw v iets tot het uiterste doen komen of laten loopen. — ajt an ij asti 2 amjj ^ de uiterste inspanning. — tu ij W?niijj\\ tot het verste punt gekomen, zoodat het niet verder kan, alles gedaan hebben, wat men doen kon. — an ij (tn/j\\ tegen iets aankomen , erg. aankomen, Tj.— rj ast) t het einde. — jj tj (Ui 2 rj (Lit 2 cmj\\s

met hst uiterste aan iets raken of grenzen, een zwaar stuk hout of ijzer om iets, bv. een deur, open te stooten, stormram. — lt;rj[Hi2ijasn2(rY)j^ met het einde of uiteinde van iets stooten, aan-

VWU^JI^


-ocr page 527-

O

rts n cm arji

447

(bi) fï71\\

stooten uf stuiten tegen; met «le punt raken; iets met een stuk hout of ijzer of een balk rammeijen ; ergens aankomen, y amrj nsng^cms geheel aan toe.

__ ijijnd i]dsni(Yfl^ tïiv. — vjMiiriibudar^rjmis niet

iets tegen iets stooten, stompen, rammeijen; iets tot stormram bezigen. — (uy 1^21^asm nrnjfs het tegen iets aanstooten; aankomst.

ibWlt;iTï\\KW. zva. kb ijihn2w zie hij ttn^nsr^w

Q O O 0 o . ^

am an \\ y N (Hicmrcj\\ am tun .m n K., zie bij ain11

uiyws kn. het haar aan een rijstaar; (00A de aar

self. G. Vrg.

mcrrj^Kü. een paal, zuil. ui a n\'K.mij\\ grenspaal; al

wat tot grensteeken gesteld wordt.

dj(isiienin kn. ongevoelig, hardvochtig; iets over zijn hart, of van zich, kunnen krijgen; kunnen dulden; tegenover a) tun 1 aj) aryi en y aj)t iti anjj (Skr. tydya het afstand doen van iets, verzaking; vrg. *11012 en ttJiiHj). — ^ an cm mi ij icn s iets over het hart kunnen brengen; het van zich kunnen verkrijgen iets te dulden. — agt;ii ani ariqs koelbloedig, ongevoelig of hardvochtig van aard. — un w ijnsnnriarifls hardvochtig, koelbloedig.

y ibii 1 ij om s uitspraak thn ay un 2 rj ni s waarschijnlijk Chin, uitspruitsel van de katjang, anders ^aai X^JIS

o , r» . .

mnnqs kn. zie asn 11 cm {\\\\ an cm qs iemand manen, herinneren aan een schuld of belofte, en betaling of voldoening vragen ; (voldoening vorderen voor iets, hv. voor een moord, anern ? ili asiis als weerwraak, wegens gepleegden moord, den dood eisehen vaniem. RS.)—ibiicmsajnalt;ijj\\ voor invorde-ring. — iuasnanri?n./nanns een aanmaning, vordering, sterke trek tot iets daar men aan gewend of verslaafd is; zulk een aanmaning of sterken trek hebben krijgen, VV \\\\.in deze laatste het. voly. Rh. mi asn cm {i/n an/js {doch in GG. ^ hji2 aJi hii ojti q ajii w/j^ een liefhebber bv. van opium rooken.) cuiabii ^y/\'l\'™Jls KW. hetz. iFAasnnm^ams voldoening eisehen, van een trek of lust.

Miijcrnqs of /i5»a7)^\\KN. naam van een riviervisch.

O

mi rijfs kn. standvastig,- niet te bewegen, onbeweeglijk, onveranderlijk, onverbrekelijk (vry. 1^.712

OO

nrjirnot^ ^\\ 1U11 cm an/js ajjen^s en ajicmj); ook onkwetsbaar 711. gehard tegen slagen, zoodat aan-gebragte slagen niet kwetsen of deren. Zoo n.nitij

o O u. O n

^quot;\'cci7^ 671 v,1,(nj)t\'lJquot;arn(rnwi£l/l^ (Vrg. anirj rjiiJi 2 isnjj). (hci ny s standvastig blijven , zich bedaard houden. — (in cn^oJtis tegen iets (bv. verleiding) zich standvastig houden, die standvastig weerstand bieden. — aai afii err^ % a/n anji■■ onkwetsbaarheid. — an ny {ajn rjaens omtrent iets zich standvastig houden; in iets volharden, er niet van afwijken. — aiy ii n^s zich als ferm voordoen,

het air er van aannemen.

O

iisn cmaryis kn. stut, steun, steunpilaar, fig. beschermer, WW.

\'xsn rj cm an/j\\ volg. CP. a.a arr^anij ZIZ ajiasiirjcmanjj

j .. o

zie bij (K\'insiicmss ,

asn71 cm2anjis kn. verloofde, een meisje dat voor een jonge, of een jonge die voor een meisje, bestemd is, zva. ojia011.1 anjjs Ook zva. rSèlman/js {Vrg. ajn rj rn 2 nnfj}.

èn cm an^ kn. volhoudend, assidu, naarstig, bv. in het werk of in het arbeiden {vrg. dsnern^s irvijj e7i ani a li rj (èii anjj ). — an nfna^s bestendig, naarstig blijven bij zijn werk; 0ama^is bij zijn beweren volharden, persisteren.

ihii cm anjis 1. k. zie ihn ijnrfii ? cmji\\ 2. kd. zie inian s (un orpKW. zva. (»^^\\\\

dsn cm s kn, rijden, paardrijden, een toertje te paard maken, gaan rijden of toeren. — an cms hetz. — ancm\'fis een paard berijden, door berijden dresseren , als pikeur berijden. — an erri \'ti ij am s laten

draven of galopperen, ook laten dresseren. — oji

(1 s Q S . o O /

an cms piKCUr. — nincmni an/j of 0511 asii cm ^7ani^\\

voor zijn vermaak rijden ; in een draf of galop loo-pen als een paard.

isHfrmKN. zva. a^(Snrryjs en strak regtnit, regt in

de koers, koers houden, ook als varensterm. £n ij mi 2 s kn. , an ii cm 2 een boom of bamboeriet vellen , kappen, omkappen, omhakken —an riem 2^1 71 arn\\ voor iemand iets vellen ö/*\'kappen.

(isyiCY17s KW. zva. r.niiJis kn. een houten koevoet, om den grond los te maken en gaten te steken. — a^nns {ook asn cms Tj.) met een toegar werken; een veld met den tocgar zonder ploegen bewerken en bepoten.

(Is^ot^nkn. bij een werk, bij een feest, of op een post, doorblijven, zonder naar huis te gaan\\ poët. zva. (iTn-nak^N — ^ *7 hetz,— a^oiyris ergensdoor-


-ocr page 528-

/1 A Q ^

44» us it cm gt;gt;

blijven op zijn post, onafgobvokcn bij of mm iets

blijven; iemand onafgobrokcn blijven bewaken; ook

O , s Q Squot; ,

ov. ^^ \\ voor zyn leven

zorgen. — r^crt^i ijun\\ laten asr^ni^ VVaj. II.

94. — asr^ uyu^njis mv. v. nsrjcrn \\ VVöj. 11. 92.

poët. zva. lun^niiJi^Kmjjs — luiitsr^nrr^ni (Hyjs poët. o •

07? 1777 quot;n (KJlZSlJinjl \\

astimir?i\\ kn. wöaw welriekend hout i aloëhont. ninKmijniianjjx kn. naam van een boom en zijn hout. vfasiiiJr. kn. van natuur eigen; tot natuur (tot tweede natuur) geworden {verb, van ij H)i g ^ asn/l).

(3 Cl ii \' O »

(ibt) tm n (unjj^ kn. naam van een bloem, zva. (hv vuj

amdj^ ymi \'ti\\ de nachtschoone , jr. volg. Rh. sterke droogte , hongersnood.

(4?» fni-ri\\KN. naam van de Cudranus amboinensis , Nat. fam. der Artoearpeae; het hout wordt gebruikt om geel ie verwen.

asti(r?i(Kijj\\ kn. 1. uitlegging, beteekenis (vrg. ik iu)\\

en tamp;hu)}). (2. knap, ferm; ferm van snee, zoodat Cf

het geen scharden krijgt of niet omligt, van scherp gereedschap. 3. naam van een fijn goudsmidshamertje. JR.) volg. WW. ook kundig, bekwaam w*?/-ligt van iemand, die duidelijk en helder in zijn uitdrukkingen is, Rh. namp;èlt;rnriw^a\\ dat wil zeggen. — ihnmi/j\\ van iets uitlegging vragen. — dnrrnuiJh\\ iets uitleggen, de beteekenis van iets opgeven. — dn am i i -ï* tj mi \\ iets uitleggen, verklaren j omtrent iets opheldering vragen ; naar de beteekenis van iets vragen. — (uabivnojjji^ knap, ferm, R. i2iaïri zzr W. I. 272. uit

legging vragen. — a3asii verzoek om uit

legging. — lt;Qi cm w ^ (hiji\\ zva. imrj(ixn l tifli ati/i {vrg. lt;i?n mi unq); bep. het eindje van een gerookte of uitgegane eigaar, ook fig. 0tü.nj\\ een door een ander afgedankte Sëlir.

ibunrnojijis kn. 1. nog versch, nog nieuw, nog ongebruikt, ongerept; voor het eerst {vrg. n^ir/^)- 2. doorgehakt, doorgesneden, afgehouwen, afgesneden , met iets scherps {vrg. n ij). •— (ui m (hjjjj\\

iets doorsnijden, doorhakken, afsnijden, afhouwen, af hakken; m/ww/ het hoofd afhouwen, (hliijjfrn ^ m afgehouwen worden. — a?i cm \\ mv.,

en een zaak afdoen , beslissen {vrg. wxzynwn en

(jt- - »

ramp;i in /./} ^a), — (biinm(tjj^Kh(i/i\\ 1. nieuw, nog niet

o C)

asnnmiviiruojjfls

gebruikt. 2. zva. tunjim iigi ts)/j\\ afgedankt , WW.

o O • ; O

(Lgt;n aii ui iri/t o^ijj \\ zie bij ihn mj^ \\\\

(kn cm nw/l 1. kw. veld. 2. n., din nm nujjs k. liooge

bouwgrond, akkerland, dat niet onder water kan

gezet worden; {vrg. 1^1 uii n tf mtninyj en (ticrn

cru tm — on nniujjs dn eni iruji\\ grond tot i not)

m ifj\\ maken, vrg. rrm t» 7 hij O ) u» ^ \\ — ihDcm ni

. O (. quot;) o - )

anji of (ui ihn mi onjl^ en (ii)i in tu on/j of (unsn

eni )iA(nyj\\ tot bouwland bewerkte grond; akkerlanden , bouwlanden. 3. in thn cm jli -j» oj) \\ om welke reden , waarom ? Ml.

i^ncm iLiji kn. goed tegen iets bestand, iets goed

kunnen uit- of volhouden; in staat om koelbloedig,

O O

zonder weifeling ie/s te doen {vrg. (UncYnorjjs m

O v OO

(vn(H)ji\\ iiii asi) f n en rj as)) n))). ^(uni^nihixrnn.)^

weifelend. — ihi()r)iu\\ volharden, volhoudend

in zijn werk, met volharding verduren hv. smart.

O -gt; • O

a- )) (Diou/j zie ihn cm i)L)jj\\

tsncmouj^s kn. doorgebroken, doorgesneden, doorgekapt; afgesneden, afgebroken; breken, zoodat er een stuk of stukje afgaat, afbreken; ook

van het hart gebroken, gekru nkt {vrg. ui!

o O O ^ • v /)

cr))()j)jj\\ o») icn i)Ufj\\ tu) ij urn (isnj! en lt;u (isw).

or) ))j)jl\\ een stuk. iHDTfm isn ern uu/j\\ één en een

stukje {kleiner dan de helft), ^nivi^amup

twee en een stukje. — or^ m rv^s iets doorbreken,

doorsnijden (kruisploegen SG.), doorhakken; afbre-

O 0

ken, atsnijden, afhakken, afknippen, njm)

o\'liji \\ aan stukjes breken.— ^(ni 1^)\\ mv. —^ (ril du ij un \\ maken, dat iets afgesneden o/afgehouwen wordt, of dat iets breekt, af breekt. — m mi njanji\\ obj. den. stuk of brok; afgebroken, bij brokken, fig. van iemands spreken of taal, wanneer deze telkens afgebroken wordt door hei (je-bruik van woorden aan een andere taal ontleend, poodat het een mengelmoes wordt; ook wel van iems. kleeding half en half, hv. Chineesch en Euro-

peesch.

o .-. ■•- X 1 ••• /

.b» lt;ni (L/i \\ zie (t,n (M cm -1

a

asi) er))!j \\ kw. zva. hn ij du Jojj ru imjj

. cy

om f n (un cm n\\

asncmcrryi of Miamp;ncmjf kn. niet weekhartig; niet akelig worden van iets akeligs of afkeerwekkend om aan te zien, te verduren ot te behandelen (fty it,n rn\')hjfl en rjomem*), JR. volg. Rh. niet vicsi


-ocr page 529-

tjOin gt;1 rrn nijj \\

IM)

niet baiif! zijn vuur iets vuils of wahjelijks — i.n quot;Vlij quot;jj• quot;ii\'t vies vim nurd.

kn.j ij ui 1/ cm trnjj\\ zitten zondor iiicc te doen ol\' nice re spreken, voor stoninio zitten. n i-nr ij on t ^ K;^. paal, lieining-jnml, /jv. bij de opening of ingang van de heining urn een erf; ook eign. van een bediende of panakawan van Nalja en zijn zoon Jioerisrawa, van een der Koniwa\'s, of van een builenlandsehen Vorst of Prins, gelijk Sëmar van de Pand\'awa s. — i/ mi i/mi (rr)/i\\ nis een 7 mi mj zijn, bv. staan kijken; volg.

WW. blijven plakken om vnn hetgeen een aniler gebruikt of geniet. iets meê te krijgen; daarom vragen; kleploopen.— gt;/ m/ ^ rn gt; m \\ v. e. gt;jii-u i tj ij mnn p voorzien

ijl in\' KW. zva. gt; ] f 1 1 n /; \\ m tj i n K N. zva. I ƒ)\' standvastig, onbewegelijk.

ihn (ïY) \\ zie bij itgt;n tru^ w

r) . . .

mi (rrj \\ zie itgt;it i. y w

o .

ij ibn (trj \\ zie ihti i, ^ w

ij gt;bn fj T7j ? n k n . — if ii\',ti 7f cm 21:1 :u 1n \\ voltj Jih. m eer hep. hofjl v. e. weg; zie (hinn^\\ bij hii i.r^\\\\ rj,1^11 hetz.

iv •

.J5^om(rri kn. gelieel alleen zijn, zonder kameraadi zonder familie, zonder ouders; ook voor een wee«.

ii5nirw^\\ grondv. van ibirirnjfs en hu •hnnrriji\\

O ) ) . ; gt;

«ïi irn^x — ihn irn iM ini/js zte tun hiurnjj\\

\'»/J^ of (Lm vjt^ 1:11 jj\\ ook nm 1.1^ njijj \\ geio. nm tsn irnjf k\\v. en kn. van alle kanten aankomen, komen opzetten of opdringen; uni5r^xrnji\\ ook kn. van alle kanten met vruchten bezet, van een hoorn. —

cn/js of Qasr^nnjjs kn. van alle kanten aankomen 0f toedringen op. — tm isr^ irnjj en ihii kw.

zva. hu rf lijn {\\ .1510 if } ^ » K7i^\\ ./oi n ij Kt) i?i njijj en

^ O 11 1

mn /ui ijviikïtji\\ kn. van alle kanten opgedrongen , van menschen, ook zva. aliïiiH^tisriiui (hijjs be-dekt, Rs.

«.T» \\ K W. zva. (fJt (fp { w \'UHijarns kn. compliment, groetc, ik groet u, {zie bn.iufjjs) DU woord wordt door Javanen alleen tol Europeanen en andere vreemdelingen gebruikt {vrg. oji ivn/jyi), mh ij 1 ini,ntjn:ti\\ met allen eerbied bv. gesproken v. e. voornaam of heilig persoon, Rb. vrg. attain unjjs ii/nij utstun ij un\\ complimen-teren, groeten {anders ivn tj uiq \'m ili im ,b)i/j). — i n tf 1 11 m Hiji een ander o/* elkander complimenteren , groeten ö/hoihvenschcii j elkander eompli-menterende de hand geven.

tv/M »» kn. open veld buiten digi bij een dorp, legerplaats in het open veld. — (ni nn \\ naar het veld buiten het dorp gaan; onder den blooten hemel slapen; neerstrijken of zich neerzetten, van vogels, ook over den grond kruipen of langs paggers, v. h. loof van cucurbitaceae, SG. — 1,11 ii ili n wj

neerstrijken v. e. menigte vogels, Tj.

) )

lt;/m\'.^\\k\\v. zva. tn \'i.ii^x., iftiè m Ki/j \\ k., suikerriet. 1//»(it*j i,j\\ een soort suikerriet, Tj. — nn » ^\\ een veld met suikerriet beplanten, (inn.i^i^injij Mj) zie bij 17^ vujj (hnjj — iJi ij 1:112 nyj en 111 ihn ij kn. de stengel van djagoeng endja-

goeng tjdntèl.— tui ,l,n ij 1112 vn/j suikerrietveld. •unrms n., do ui s \\ k. , 7jj njjy ki)., val; vallen, neervallen {vrg. ni i.n 1); tot iets vervallen, bv. tot armoede ; het invallen, de inval van iets. bv van iemands stervênsuur of van een feestdag; de applicatie van geneesmiddelen\', de uitvoering vaneen vonnis; ergens te land komen of aanlanden, het neerkomen of treffen van geluk of ongeluk, inin )Lirn\\ ziek worden (tomber malade);£ tot pijn, of ziekte, vervallen. Knibnumbnniiiii.js waar hij 4 ook aanlanden (liet lot hem brengen) mag, of wat

er ook gebeure, hoe het ook zij. i.n rihi) i.ii\\ nm.

co

van een gending; en van een batiksel Tj.; ih?i un i)L/tffij\\ KW. zva. u) LU) ; ur)ihj)\\ — /lt;7 r.»i • (un\'Uil o/^\\zich laten vallen of werpen, bv. op den grond of op een bed-, zvi. i^iam L 110, 2, van een gending overgaan op een andere; ook versnellen van de maat, zva. ud ij 11112 mjj dPi nm itn i d \\ ajn (nn.ult;)fi))ynu)s\\ zich bij herhaling op den grond werpen; en zva. im rn iisn i?i • i n. hals over kop weg-loopen of vlugten-, ook van iemand die handel drijft met afwisselend geluk. — do r.npj \\ (unmi) u) neervallen op; laten vallen, of neerkomen op bv. een vonnis of bevel; last of moeite bezorgen aan , op een stuk een zegel zetten; aan iemand de hand slaan; iemand met een wapentuig slaan; een geweer afschieten of losbranden op; ook medicijn toedienen aan, ergens, of naar visschen, om die te vangen, een vischnet uitwerpen; treffend (anffallend) gelijken. 0ivn(U^\\jn nun^ eig op ie ui. hieete asch

29

MM ilr

I

f.f

M;


-ocr page 530-

)

lt; »/ I .H ^

450

\'T

s/rooijen, yoor ü\'w. uanliitsen, opstoken.

i. m ar)fj \\ ^7/ r» j) //jj ^ (i.//» k^ n door ö/;

iemand néér valt, getroffen raken, op zijn hoofd krijgen; zich op den huls halen. — iH)r:rtuti~/n ij mi \\ ii/niïrn iui fiun ihH iHyi\\ doen o/laten vallen, ook fuj. iem. ongelukkig maken, met een wapen-luig iemand slaan; een net uitwerpen , zaad uit-stroo^jen 15., de eene ytindiny ep de andere doen overgaan; ook de maat versnellen, een vonnis vellen; een gelofte uileggen.— i y if ir.n\\ (ui; tojt vallen in een fig. zin: in iels vervullen; ten deel vullen aan iemand, zooals een erfenis; te beurt vullen quot;f treffen, zooals een vonnis, ook poéL zva. ihïi i n n l/v. Rs. vrg. L. 93, 4. — (ibï!

kn. uit de lucht gevullen, van iemand of iets, dat men niet weet, waar het vandaan komt. ;rhici.w n0gt; een widaduri uit den hemel gekomen, li. 50, 4. tiw de hoeveelheid opium,

die boven een bepaalde, m genoemde, hoe

veelheid door een pachter nog gedebiteerd wordt. (U)0\\ de eerste keer, dat de kris met arsenik is ingesmeerd; gt;ƒ■ n2ü\\ de tweede, Rh. — lun^inn

kn., in z atnenst.; 0\'nihti2n\\ n., /x eiSi \\ k., voor \' co

de applicatie vun geneesmiddelen; het uanwenden van arsenik op het lemmer van een kris; ben. van een boete voor een onopzettelijke verwonding. J ^ i j i \'/j boete voor een onopzettelijken manslag. 0 i-) m !i \\ poet. ben. van het geschenk, dat bij een verloving plaats heeft en gewoonlijk tuSjfaJi ;hn^\\ genoemd wordt.

itjr.n v kn. zva. naam van een gewas, Pon-

gamia volubilis. Nat. fam. der Pupilionaceae, waarvan het sap van den wortel in het water geworpen wordt om de visschen te bedwelmen en zoo gemakkelijk te vangen. — \\ visch met toeba bedwelmen, om ze te vangen. — isriicii(mjj\\ door bedwelming gevangen; ook naayn van een gewest. ibnx:r^{\\ kn, , nsn(i?n%\\ en dsn im ^ KW., humer waarmee op een Juv. muziekinstrument geslagen wordt, klepel van een klok of bel; hamer van een huisklok-, trommelstok , poet. klokslag, zva. i^ uy tu/j en iKfoi/i {vrg. fóiinmi). — op een muziekinstrument slaan of spelen, de gamUan spelen, of laten spelen bij een feest, nivris in inns een sein geven door het slaan op de gong of dergelijk instrument. on r ^ gt; (vu \\ de gamëlun sluun bij of voor , K . 7 , 42. \\v,n i tj ^ i u m/j of lt;ün bn n:)^ s gt;vn m/jy {(hnuwq fonrrn jum lt;hi/)\\ W. 1. 168), muziek-instni-meuten , die geslagen worden.

nsti in ^ 1. K.zie i)iix)z f\\\\ 2. kn. handbreed, breedte vau de handpalm, e?i volg. WW. veger (».»; iLj wjj of iets anders) daar een bed mee uitgeveegd wordt, ij ni u, i.n gt;\\ twee palm. i.iKv.nqa.\\ kn.; lt;i]gt;7nvnqixixs

Ki., zich oj) de borst slaan (vrg. ,L,n lunm^

, » ) ) . ifc lt;\\ \\ ook KW. zva. i n tj uitw \\ ir n f i ti v i\\ spr.

voor door tuul of tecken kennisgeven {vrg. maxn

(ut ^n n iaxi/j). nutii:rt;int iu\\ kennis geven van de

reden van zijn komst. lt;vgt;n hmi^t q \\ kennisgeven,

verwittigen. — ifn(im j \\ op iets met de vlakke

hund slaan; ook wt iivttm bv. matjes, voor de

gasten, uitslaan, stof uitslaan, AS. dn in j tuin*

cr

uun de deur kloppen, (kt nn ? (i/t crti\\ op de pagér kloppen. — minrr» p i/il \\ een bed uitvegen en opmaken W SV .\\iemand van kennis geven. —djipjutt^

de bediende, die de bedden uitveegt en opmaakt. WW.

) o j quot;) o ii.mrtiP^ ini.n ; \\ enz., K., zie if iirn q\\\\

iLitt rittté art/f\\ kn. het buitenste bekleedsel vaneen kokosnoot, dat, als hei afgeschild is, t i iliimji genoemd wordt. Ht^^ iri/t ibtt vj twi ? rj rn \\ een kokosnoot met zijn omkleedsel,

een dessuland met al zijn omgevinu; van zoogenaamde woeste gronden, hj^ h j (hit tjn-.mon^ of enkel hitti:i:ittini/j\\ het hoofd van een dessaland dut het land in leenbezit heeft en oj) de hoofdplaats woont, asti rj i tii on nat tut iVi injt\\ behoorendc tot een familie van dalungs? Tj.

iisrt r.n mi/j zie bij - tsri vrtt \\\\

o

«sy i./i (K^\\Ki). van isn r.n

yS a/\' . ... V

iijit i.n \\ en fonnwr) artji^ zie bij r.n tni\\\\

asttkn. .bniir^asiiiur^ borduurwerk van zijde eu

gouddraad; zoo geborduurd, Tj. / t ^\'7°» Men. ui

— ia r.r^. met zijde en gouddraad borduren.

tsty n kn. , K^i tt rood maken o/verwen met

O /• o / O o

hit rn n of (bnilt;m^\\ KW. zva. (K^(tJt njy^mn htiKiJ

iVi ly n (fnnji^^ en i n 11 lt; {Skr. hevig, bnitcii\'

gemeen veel of sterk, scherp, heet). — iunb?i{.nw

■ J .. o

zie bij (Uibii uii/j\\

m r.n n\\ kn. ijverig; vlijtig, ijver, vlijt {vrg.

\'ïit i\'ijj i(t/js bit uurj (btt itrtji en (üiup lt;riJj). —


-ocr page 531-

•hntm ()Jin\\

45 i

mr-ii tot iel» zich bevlijtigen; zich beijve

ren iels te doen; (tot vlijt aiuispovon. (i.). — mn ijverig vim aard; nijverheid; industrie.

HJ rtjMtiJi^ KN., quot;1gt; iemand of iets toe

springen , bespringen, zooals een lyger zijn prooi; met een sprong zich werpen op, (org. in

mil I?n KN. eerbiedig, nederig, onderdanig, vriendelijk , wellevend. —• «i r.» wh * eerbiedigen, zich nederig, vriendelijk gedragen jegens, WW.

Jjniiiirnw^x Ar. ^\\j, t/lbé\', KN. volgend, volgeling; (volgen, gehoorzamen. G.).

KN een slag met de vlakke hand tegen het hoold; oorveeg (vrg. iüii mni\\ en .1,11 u htijj). 1.1 hiI urm i\'ii/j\' een hand breed (ort/. £111:114). — ui y iemand zulk een slag geven. — .151^

f i 11 i:ii! mi/1 een oorveeg verdienen. •— hl Ij i n ^ kun ?nv. — (Ln ti.vn? 1^1 (hij oj lüriMit gt;f i:tn tni(}n/j\\ elkander tegen het lioofd slaau.

KN. zekere vlakke uitgebreidheid; stuk 0/ lap, van iets dat vlak is, en van grond {vrg. aai nm nniji en mi iui hh/j). (klr.n kii/j\\ met de vlakke hand 0/ de poot slaan op. — iiuum hii zva. iSirmihiijj\\ — (bi)i^.nn htijjs een groote lap. nsnigj, imlt;kouj\\ een kleine lap.

(fin y i.rititniji\\ KN. een ergens opgesp\\jkerd, opgelegd of ingezet stuk hout. — w y rr) 2 ergens een stuk hout opspijkeren, opleggen of inzetten. —fin rjxmiihjjp mv. — ihit tjirn? opgespijkerd,

opgelegd of ingezet stuk hout.

gt;1 thn tj lm i imjj x zie ij nsn ^ aj} 2 nti/j \\

w)rmKN. achtergelaten spoor, overblijfsel, kenmerk 0/teeken van iets, zva. en lutéh fou/js iemands achtergelaten reputatie of verdiensten. — hi 1 \'n iifn een teeken of spoor achterlaten op, bij of aan. — ihii ifn ii^iionfjn zva. n°i winjijj\\ w iu (hu ihri ii^fi ij rfj (k?i dm een gewezen sëlir van NN.

ftSTKcr» tiiiiji \\ verbastering van het Ar. l ^ ^ iiU {t da bib), geneesheer.

i5wir^.b»^\\KN. een bord met een deksel. G.

\'I^m imihiiji^ KN. berouw met gezindheid om zich te verbeteren; berouw betuigen met belofte van verbetering; het als zonde beschouwen, iets weêr te doen; als uitroep \'t is zoude! godloos! wel verbazend! wel foei! Zoo ooi\'rj mu i» iiijj ij um.» mijis {Ar. (Xjyï ta uhat, bekeering). — ijiHig i:n (i^\\ iets afzweren, een ondeugd afleggen, WW. berouw-, afschrikwekkend., Rh. — y w1 \'tfj1\'/ :,niN iets verzeggen, zweren iets niet weer te zullen doei», WW. iemand iets doen verzeggen, er van afschrikken; iemand berouw doen betuigen en beterschap laten beloven. — hji ij hiif irn hn/j en uij tj nsri2 rm uii/js belofte van beterschap.

quot;) / quot;) . o

11,111:11 ;Mji\\Ka. {vrg. Wj eu t iin^w/j). zva. nji hj

imM/js Waj. Pr. 60 j en grondwoord van: mi ivnin^i/j\\ iets afkoopen; op liet veld staande vruchten koopen, de opbrengsten van een land vooruit koopen, een stuk grond huren; zoo ook wel aannemen, bo. een leverantie, maar wel te verstaan in al die gevallen, niet geheele of gedeeltelijke vooruitbetaling {vrg. en iïvj ult;i bij nmij

ty^2\\).— (ui x.iid jr.n kj)ji\\ of f i (vvj^ door dik en dun, overal door heen of tegenaan loopen. — itna.-miM ht)\\ iets op genoemde wijze verkoopen of verhuren. — tbn obj. den. het af

gekochte of afgehuurde enz., afgehuurd land enz. (ui uj i:ti(Kjjj\\ het afkoopen, enz.; geld tot afkoop , enz.

(hn i.y :kijj . kn. , w (cr^ajijjs een pand, of iets dat verpand is, lossen; loskoopen (vrg. ihn r.n tin (üï^oj) Ji iemand, een pandeling, iemands schulden of leven, lossen, vrijkoopen. — m uj it^iijj ^ het

lossen; losprfts; ook inlosser.

00 .... o

tV)}) r.n (W (Hl zie bij m in hiw

ihn nn iL)/j \\ kn. , dik, gezwollen, vati het aangezigt; van het hart, onbevattelijk {vrg. ui irn mi/j en .hn (Crn rLi/j); volg. Rh. ongevoelig zedelijk als

ligchamelijk. anrm zich zoo gedragen. lüiïiiTti iLiji\' kn. ; /Hi nn tujiv een hak of houw geven 0 ƒ doen met een gereedschap, bv. in hout, in den

grond, ook iemand een houw geven {een ander zie

. • O ) *

hij aJiim tvjjj) tbnrm j^iihn/js hak, houw, bv. ui

(isn iwj(Hijj\\ bij een telling-, en mv. van dn i-.n

Tj.

ri ihii 2 in 7^1/js kn. een uitroep: verbazend! wel verbazend! heere mijn tijd! {pok een afkeer van iets krijgen, beu van iets worden. R.)

nsïi hn itvi ^ kn. doodkist, (hmtn iviojiini\'Lgt;nfl\\naam van de (u\\ dsn (u onn van Bagawan Bagaspati. — m vrn

29*


-ocr page 532-

452 (b}i ivn (Ktijp

ili\\ een doode kisten , in een doodkist doen. ui)jjjjj\\ kn. doorgaan, door en door gaan, door-heengaan, doordringen, ook van een boodschap l)ij den waren man teregt komen. — aa r.n w ^ rj ut)\\ caus.y ook doorzetten bv. zijn reis, v. e. gezegde of gerucht ter oore brengen van den betrokkene, Uli. van een gerucht, tot den eersten zegsman terugbrengen om explicatie, WW. {vrg. i.n i.rm.ijj en

\'■\'\'l.ï\'ÜJl)-

gt;11 n2 rti (i i,^ (gt;j iibiid ij 1806, 78), een

uitroep van verbazing, WW.

rtwj i.n kn. ongevoelig, zonder eergevoel {vrg. nu r.ncrnjj). — jo rri cmjj^ zich ongevoelig honden, zich er niet aan storen; (stug, weerbarstig zijn; mokken. G.); zie nsitvrn rLins ibu naqn (rii/j oj ojii itJJiy r.n mijj^ standvastig bv. blijven bij wat men beloofd heeft, gestand houden; opk bestand zijn tegen.

i\\s\\\\ jrrjjj \\ k w. zva. lt;Lgt;ti rj i~ii \\ (Skr k s a ntaw y d).

) quot;gt; quot;) O • 7 ••

iti/i (i7)ï til (Hi j\\ zva. it,n i:ri Siun (in/j^ zie bij (uvti7yjj(Ui/i\\K.v/. last, bevel. G.

h^i n n rui üiiji\\ {of ,hii urn i i üjnjj Rh.) kn. aard {Ar.

(tji iril u i i i/j of itgt;ii i.71 djhi (i.iiji\\ kn. door wind of storm weg- of. af-gedreven en uit de koers geslagen worden {Ml. bias). •

itjii ii.n crnjj \\ kn. benaming van op een bijzondere wijze

) CY

voor een m ijd\'! (rnjj of njtam gevlochten bamboe,

bv .i\'i n\\ hinm crnjj — on i:ri nijj\\ ecu omheining

maken, G.; tegenstreven, tegenspreken. WW. —

a . .

im r.n n^\\ iets van (hii r.narnjj^ voorzien.

foil im \\ kn. ; an iii \\ riet, zooals suikerriet, bamboe

vellen, snijden, zva.

Lu frn \\ kn . schot, scherm; (jaloezie voor deur of venster. G. Vrg. ij hu ij irii en mii uï). i n r.n ijï iigt;i ói\\ ecu schot voor de deur, vóór boven aan de èmpèr om het inregenen te beletten. iigt;ii in {en )j hu n i:h) (h i itsn gt; oogkleppen van een paard {vrg. bij nbn vf ill \\).

ii,n (im turi dsn uj \\ een digt aanéén gesloten reeks

... . 0 0 0 0 : ) (P) O CO

zittende personen, ihn «r» .hn i :n n zva. wtij) dj) wj n

middelmatig.

ij ,un rj iii \\ kn. scherm of klep van gevlochten bamboe of kadjang; ook fig. dekmantel; de persoon , achter

wien men zich verschuilt, {vrg. n irn \\ un nJi/n

O cO v . • ,O CO

.in \\ en (Ln irn); tj rn rimi iei mi \\ zie bij ^n vn w

Hbiitrn irj i.njjs

n

fon r.n i J Liijj zva. mntj r.n wijs G.

ihn i7i h n KW. zva. iun i u crn \\ (Skr. t atdk a, mccv).

ihii\\Kw. zva. hhw Vrg. tniisn uhw

(iiii \\ Md. zva. ui diii K.

iën\\ of im ihii\\ 1. kn. lantaarn, handlantaarn {vrg. U 7 Üfiquot;) Citing) verk. van Xm Fïw :j

. of (Ufosrïs kn. , een voorvoegsel voor een drielettergrepig {of door invoeging van ar of al drielettergrepig gemaakt) woord, om uit te drukken, dat iets overal, aan alle kanten o/aan een menigte

voorwerpen tegelijk plaats heeft, bv. a/i(uiiibiriiM

) (() iru/j \\ overal gelapt. — a/n (rïi /y y j / ui ^ncun «ji m i\'i\\

en enkel im rn ^ luchtballon.

(vm ^ K w. zva. asr^ i^ w

^ \'-Jv )

ij (ibii n of i/n ihn v kn. 1 zva. (L n\\—2. zva.

half, alleen van een dubbeltje {) in zamenstel-ling met i i of een voorgevoegd telwoord. iJ n ihii\\ of (tJi im ij iiihw een half dubbeltje , vijf duiten o/ een stuiver, nn ij-\'m {kii tri i q) n dsn \\ anderhalf dubbeltje, njt lt;iji rj i^n of lt;hïi tut vj iiyrs N., nn ivi rj /n\\ k., vierdehalf dubbeltje, nn (Ei {crnoji fuj) ij dm vijfdehalf dubbeltje. — irinnq nsn éi\\ een stuiver gevend van rente, er uUzien als een ij din v. tabaks-blaadjes in de eerste groei, SG.

mi g n Of dm ij hn 2 ^ Uoll. ton, ook voor knip. vat, tobbe en emmer {vrg. Wjó? k\'u ij ihiii\\

kuiper. — ij ihnirj (hnè m (Kyi^ een soort vuurwerk; onze zwermpotten, n(un? iirj (unz in (ki/j^ in tonneii. Men.

(nn iJ kn., (tjij ir^ \\ KI., uit een liggende houding zich oprigten , oprijzen o/quot; opstaan {vrg. cm ia am ft), vau den slaap, opstaan , verrijzen, wakker, wakker worden , wakker zijn {vrg. ^ /u), fig. ontwaken , opgewekt worden, bv. van een aandoening of iemandi moed. — asn «Pi \\ hn (uj it^ \\ door een toeval, ^oö* als door een schrik, wakker worden, opgewekt worden, weer voor den geest komen, bv. van een droom, {unasnri ook naam van een soort van zijden slof. G. o. a. Hs. MKnmrt f i0). onhrj rw ({^(E^dT^s iets wakker maken, opwekken, gaande maken, aanwakkeren, {f^vp iem. wekken B.T.Dj. B92). — (Hi tj i} hj (F^ yj 112 uj \\ om iets of iemand opstaan, wekken of wakker houden. — fm wi n w ihi/i\\ wakker worden zooals door een schrik,op heeterdaad betrapt worden, Rh. — inrrj(inun-m\'j


-ocr page 533-

Ml LI (Hl/j \\

;■)

(bil r.) \\

453

ijhhs 11 ij i:)?ihn~\'n7f hii doen verrijzen , omstaan, opbeuren ; iets , dat ligt, overeind zetten ; maken dat iots opgewekt wordt, iets verwekken of opvvek-— linjii.i ki/j\\ het wakker, niet te bed zijn, van de menschen. — ti n gt;f i:itha/]\\ o wuaksch, waakziuun van aard; van iemand die niet vast slaapt en ligt wakker wordt; ook van een hond of haan; los slapen.

) i,0 o . )

KW. zva. (Vi i^i \\ ijfhin n.i^s en ii n\' Iquot;* — an

ii.jvkn. opzien naar, de oogen opslaan naar; en zva. ycmtwi^ regard slaan op iemand. — isrtihi !w\\ de oogen opslaan, naar boven zien. — - ihi i i jiii ~Jti rj\'«n n doen opzien , naar boven doen zien iiiii i\'in kn. naam van een zeer kleingt; nauwelijkszigt-baar, licht rood insect, dat zich in de aarde en op planten ophoudt, oji Lu ^ \\ een ziertje.

,hïiiï\\ kn. 9iaam van een boombast^ daar men gebatikte kleedjes meé donker rood vcrwt.— hui i i\\ iets met (bti i-i verwen.

-gt; . ) .

ij mi ij i .nkw. zva. ii i.m hlij {vrg. ,lii i i). n inn gt;f 11

volg. WW. zva. ij n i tj i:i w

ij bin tjmts zie ij i-Jiiij m \\

tin ij i ikn. liet is er ver van af; ojgt; verre of op

lange na niet. viiw ^ abii ij i i gt; \\ nog in lang niet.

) )cO . •,

ibll 11J .KW. zva. (MlUI \\ i l\'fliiu ll l ft\\ KN. Mlld-fo (Q

den, het midden; half. (dhinri^ midden, in het midden. tL,ii in j i;/;c7n middernacht, m (mi

quot;uj) kii n:i {\\ anderhalf. (K/idJin^ midden in, binnen in; half; een halve; eenige , sommige, ti rfvii^i tiiiiivi{\\ sommige mensehen; en een hall\' wijs menseh. .hn ic» j (Lu ii.i q (dh /. n u ^ het midden van de kamer, ibn m {itn ? iivhs er midden tusschen in. q-jiibn ri ^ (hn iut jójii (vi ni ihi^ ^ m i d de n onder weg. — aa m j naar het midden gaan; midden doorgaan; iets in het midden doorsnijden, in twee gelijke deelen verdeelen. — ilii lt; t j(l/ti\\ naar bet midden van iets gaan of loopen ; tot het midden of de helft gevorderd zijn; tusschen twee personen zich plaatsen; in het midden (tusschen beiden) komen, bij twistenden. (ln i.:ijajiinrij) de belft van iets, het middelste, of middelste gedeelte, van iets, een halve Koran, een Vim de twee deelen van een Koran; bij de helft, bij helften, van de pacht. njinni.i?ri0\\ in liet midden (mV/ aan de kant). (ijnuj!ilt;u/^0\\ middenkind, wordt het vierde kind genoemd, als er meer zijn dan vijf.

) . o ) )

(bii ri n zie bij ,lii fiw \\ hu i:i ; bn i;/ ^ (ui) zoo

wat op de helft van iets. — tut (uy i :i {\\ de {of het)

middelste; het middelste kind, als er vijf kinderen

zijn, en dan wordt het vierde am(i?i jij0\\ genoemd.

dei n i^0gt; dc middelste vinger {vrg.\' «iquot; ^ »^ quot;\'^).

— lt;i huj r.i j \\ zich naar liet midden begeven. — ifïfmrnjs iemand van den middelstand, niet armt maar ook niet rijk.

ibnutMir^ kn., ajt}ifci\\ ki., hand, en de benedenaim met de hand. i.na/t^bii n la^s naam van een heester, Euphorbia Tirucalli L.; waarvan de takjes in de vorm van een hand groeijen; deze plant heeft een zeer scherp metksap. — m r:i hi\\ kn.,

ii:i i-1 \\ KI., van een • n ti nnns voorzien bv. een ii» \' j{

wajangpop \\ iets met zijn eigen hand verrigten\'o/ bewerken; iemand met zijn \'jigen handslaan. —-ibn i i HiiHijp arm of mouw van een kleed {vrg. ( j w fjj\'Hyi)\', arm van een armstoel. Zie ook un i lij tm/j\\

,bn if imn/js zie bij •bni.iw

ibn(üjj(Hi/j\\ ook wel tvgt;iiihii ~ji^ ia/p Ar. pest,

heerschende doodelijke ziekte, zva. .u ui i /ym^

Lii i iJ(i/j\\ beter .in ninp verk. van di.li! i i ki^

ibn i:i !Hijj\\ kn. regts, regter. —i,i i.i:hi/j\\ naar den regter kant gaan ; regts, naar de regter kant, bv. kijken-, ook fig. den regten weg gaan, een deugdzaam gedrag leiden, vrg. i j vi\\ bij ifli uiw —

ihn i imi/i van een vrouw of bediende in gunst staan, gunsteling. — (in iinty ij hii\\ iets een rig-ting naar de regter zijde doen nemen, regts doen gaan, naar de regter zijde brengen; iets aan zijn regter zijde gelegen hebben; veel werk maken van, behartigen.— (l/iu.jtijiki/js wat naar de regter zijde loopt of zich uitstrekt; een goed gedrag; iemand die goede wegen gaat, van goed gedrag is; deugdzaam. — (hii tij * ii.j ihnn\\ te veel naar de regter kant.

ibnij i }ii(i/f\\ zie bij gt;bii l:i w

) cy )

it a a:: \\ KW. zva. :üji ^i\'Jjv K N. merk , teeken ; sein; grafteeken (zie bij u?iiamp;\\ en vrg. iLii ui n \\ en tf rjiuunyii). tbinunm teeken, sein, baak, kenmerk, een merk maken. Ln wiiiiuuiuui a^nn/js eereteckcn.

— ii o (bh ui opgemerkt, niet onopgemerkt. — hl \'ui y]\\ iets merken, op iets een merk zetten; iets


-ocr page 534-

o-) / (ti» IKH \\

454

iigt;n ivn \\

opmerken {vrg. ao n imi iki ); door merken afperken;

iels, zooals een brief, teekencu. ih»p]t.i rri (m/j\\

a , •) O\' , OO^

wi tbtè lt;rj uw (HiJi \\ — lt;hii (VftKHi/j oj ihinhn ivrrti

iHjn gemerkt, met een merk, met een merkvoor-

OO-

zien, tot een merk strekken; öü/f luinja-mi ihi/j\\ naiun. — \'t i ut in ni (hOj^ ^ merk, teeken, keu-teeken, herkenningsteeken ; naam {vry. in it hnji en iirlt; m ) • K.

ihn ri\\ kw. lt;Ki.vn\\ zva. (un n ï riwns oj. kn. veedief

{vrtj. rnntKii/j).

uw i.i rrgt;\\ of din i t \'r» n kn. een sein, (lafgeslayen wordt, seinen, alarmsein of sein tot aanval in den strijd (vry, ibn r gt;). tni itin ; ihn 11 n\\ alarmslaan. — (hi nn \'rgt; /.y\\ of inr)(uj\\ door een geslagen sein

ee:» telken geven ,ibiii?rr]gt; kn. naam van een zee vise Jt, een Cymbinm soort.

) • gt; ■1 .v,n verkorting van ii,n wrt

^ O .

ihii n inn n kw. zva. a tl lt;L\'i \\\\

,kh n Mal. stut ow onder iets te zetten {vry. (UiiHtjjjs) — Kti \\ iemand spoedig achterna komen; kort op iemand of i^.y een tweede laten volgen (y;v/. lt;1579 \\c\\\\ iK)iji\\ ui hn un^). hu (istj hii ^ weldra gevolgd worden door iemand of iets anders.

,j^ k^\\kn. 1. losse vuurhaard van eenige bijeengelegde steeuen, om er op te koken — 2. po \'èt.

iamp;KKi nrts zich onverdeeld met bezig houden , öv. met schrijven {vry iL.n Li uj). 8.

zva. verdelgen, ook im^nr^

ivri (éi hnijj ^ kn. rans, sterk, van boter, olie y noten, enz., fiy. stuitend, onverdraaglijk, van de toon of manier van spreken tegen iemand {vry. ujiiy). Sïi nn^ kw. zva. nsiimus rrgt;h?msn/i en rjniHiiw kn. wijze van zijn, toestand; staat; handelwijze, manier, kuur, kuren, grillen (vrg. lt;iSi tlt;n tj w? n t%

. O\' Q* • .

en ij (ui ? ru ^). »ƒ un t -r) rfnci nyn i lot gt; \\ met we

ten hoe te handelen. Si inr^ kw. zva. m igt;n

nsri,* en rj(^vn^ {zie ook hij üihjij). —

^(lA aiïiKil *\\ kn. zva. hïnnijy vooral in den zin

van wijze of manier van handelen. — \'m Su mi j \\

grimassen, fratsen maken, gebaren of bewegingen

maken, Rh.

,hii ifti\\ ,imityi iKii\\ zva. \'un vai i? tni w v.n tïn- borstbeen yew. oan slagt\'vee, Rh.

itf .iuis kn. naam van een zeeoischje, dal met zijn spitse bek soms in den wand van schepen dringt daarin blijft vastzitten en zoo yevanyen wordt\' men zegt, dal het deyeslachtsdrift opwekt-, hei is ah zoodanig zeer gezocht en wordt daar betaald, ■y gt; iiaji is eene soort, van gedaante als een garnaal, met een kop en nek als een paard, en wordt als HKifj ingegeven, zoo het heet, om paarden vuriy te maken.

itziiifn\\ kn. verspreid, zich verspreiden o/verbreiden, zich voortplanten {vry. tun nni \\ en ï i i\'ii). tkniaim .ri i. n\\ zich al meer en meer verspreiden of voortplanten. — w ifim tf nm\\ iets voortplanten, zich doen voortplanten, vermenigvuldigen.

ihiiinis kn afgesneden stuk, bv. van hout, bamboe of

c-quot;) ) O o o .

suikerriet {vry. tLn nntru j\\ xmnm tLyi en x nu nj).

iun iru f i ^2iini fcrn \\ een mootje visch. —\\klieven , doorklieven, in stukken hakken {vry. rnicw). w ini tJi tiu un n de lucht doorklieven. — itni^in]\\

mv., en iets in \'t midden doorklieven.— (ui ui iiu

CO ry (zsry- 0

het klieven, enz. — itihjHii* zva. aiiunw — ifi

i^ ct ... cO CY c^) CV o

j.y h n n gt; \\ poet. zva. no urn \\ en un uu \'fiw

£?/ /.»)-tj i:)ihnji\\ kn. naam van een visch.

■tsïj igt; n hii/j\\ kn. hiel. (unlt;iSY^ ilt;tigt;inifi\\ zva. unj\\

iemand op de hielen volgen. — Mjutihn,^ iemand

op de hielen volgen, een achterna zenden;

W W. ook zva. d^ ru irn/i op denzelfden dag terug-

keeren , iemand van achteren op de hielen trappen

{vry. •isr^ un \\ (ir^ un). (Hj h nMr^nnfij\\ op de hielen

trappen en voor de voeten loopen , voor noch voor

hoofd, noch voor ondergeschikte, dengen. — m

nnmijdn/js hak van een schoen of laars.

n (bii tj un xnyi^ kn. algemeene naam. van eeniye soorten

van verschillend gekleurde en yevlekte voyels, die

zich aan de kam van de rivieren ophouden en naar

vischjes duiken, daar zij van leven\\ CP. geeft

een paar soorten op : (un w vohj. Rh.

ook een soort siak, van welker schaal de Javanen

rinyen vervaardigen.

-* . o o

iiw kmuijs kn. bepaalde tijd, termijn. — m

een termijn stellen voor. — asv(ilt;iilt;ui(Hijj\\ zamen

een tijd of termijn bepalen, WW.j vrg. njiini wip

bh h ii ,bii/j\\ kw. zva. tiji rn n vj tui ij bh w

isn (hiiKN. iets waarmee men een slag of steek al-

weert {vrg. itn(rn i\'u\\ en Mr^ti inii j). i-jn m/ry\'i

hi/j\\ met de hand afweren of afpareren. —


-ocr page 535-

;V\'

ibi) MUM /l *

djijs iets ftfwcreii, uipai\'crcu, vuu zich ui\'slaau. rin.ii\'ii] KN. ophouden; gocimligd ; alguilaun; droog | ^niet vochtig, boven waterpeil liggend), rrisch, vergenoegd; voly. Rh. uu/c vlug, behendig. o.i Lii hn als de regen is opgehouden.

■v ) \' quot; a. : ) Qv O . , CU ,

ëhiiiltU/JsKV/. zoa. nhni \'fjS iithirrnhtcrn OJ lii |

/.u)nh^ KN. een draagbaar schut ol scherm met

eeu sint, waarachter men In den oorhxj yedekt isi

met dertjelyko schermen of schutten worden ooi\'

wilde varkens inyeslotvn, Hh. — /?; /./1 i iq\\ kn.

zva. [Ttimnyiook in liet naanw brengen. Kli.

Liihunij KW. zva. w in hii/js {Socnd. een boom).

iiïmiiii n.i/js kn naam van een klimgewas , de wilde

melindjo, ol so., Gnetuni Gnemon, loaarvan de

bastvezels 0 yuhraikt worden om er touw

tol het breiden van netten en lijnwaad van te

maken. De vrachten gelijken op die van den So-

boon. \'i\'h iw tf i n \\ Wanys. op iv? ; f i n \'i ij nn / . o

anhii\'tt-iij\\ KN. zva. tj / i i.nn ii n i if maar m buitengewonen dienst. ajuhj igt;n ry ihijjs zva. i nj

V

T

{,•),) ,-),1 O 1 :■) gt;\'

ihthhf) tu/js Kihnni/j zva. tni igt;ti\\ hiinw

uinuiufs Ml. borax.

di^hi^iuij^ KW. zva. iw r^s en hu i. y m iq of ii jur.nji {or//, i. ii ti ),)); kn naam van een slingerplant, die op de i-lt; hj gelijkt. — t j /■ y n i/j bukken, bet hootd buigen , in den fig. zin van zich onderwerpen {vrg. i n n i i,n/j)iemand, terwijl zijn aandacht afgeleid is, onverwachts overvallen, slaan, wonden of ombrengen; zich ongemerkt wegmaken. — afgeleid, afgetrokken, geheel door

iets beziggehouden worden, zoodat men op niets anders let; verschalkt worden; onverhoeds (pr^. to \'\'\'h\'rii\'\\ mc^ ^100^ zieh heen buigen over; met aaiulacht en oplettendheid tegenwoordig zijn bij, zoodat men de oogen er op gevestigd houdt, persoonlijk tegenwoordig zijn bij, getuigen zijn van, en zoo onderscheiden van i/irf hetgeen ook hij volmagt of schriftelijk kan geschieden, A. 48. (Rh.), geheel zich wijden aan; {ook uitmunten. G. Vrg. i.i^ tfy). i. n /. y V,\'70 \\ in tegenwoordigheid (onder de

oogon) van de Prapats. — n^hn irni hn\\ iets ,bv. het hoofd, den arm, een piek of vaandel, gebukt of naar omlaag gebogen houden ; menschen tot on

Ij (IjII? IjliU Z (t LI/}\\

derwerping brengen; iemand verschalken; iets doen zonder dat iemand liet merkt (ü?^. .»:m\'•\'/). — ./ y hij tn/j met het hoofd voorovergebogen zitten, staan of gaan-, met den top neergebogen, van een rijst aar; naar omlaag gerigt, bv. van den arm. — ,»\'y ry maal, geregt, G. v/ty gt;■ y

in ecu omzien, in een rep (^. in een buk) bv. een portie rijst opeten. — i //.y/ó/.ywat tot bewijs van onderwerping dient, en aan den overwinnaar aangeboden wordt.

gt;! gt;i ii i ij i,h? n i^s kn. naam v. e. zeevisch, ongeveer

onze makreel.

in /iy u i igt; o/j\\ 1. kw. zva. ij i n t)(Tini w 3. kn. het leer om de greep van een\'schietboog; {zva. rii \'iu i n/js G.). j.ijlkoker Rh.

ihn hti (ui/j\\ l. zie i\'n /. or.u:p 2. kn. wijze van doen, van handelen of behandelen, nl. in een goeden zin, van daar gevat, aardig, bevallig, sierlijk, knap, ving, behendig; gevatheid, bevalligheid enz.

{vrg. (ijii rni iui/i).

■gt; \' . a- quot;)

lii i, ii iiji/j zie i n i. ii a:i}/j\\

lii hn ! i/j\\ kw. zva. \'i iiu -1 Lvgt;n/j\\ kn. iets om er wat in te sluiten {vrg. (Pn iiii ri/j), een mandje van bamboe met toeslaande klep. ni l n ifi i ii couvert van een brief. — li lii .li/j^ een brief sluiten in een couvert en digtmaken ; iets, zooals geld, in-

sluiten m een brief. niinnpis v. e. biiLn ti^

quot;)

voorzien, o/ineen lh hn doen. — i n iiii*iihij\\ of iLiLLii i\\n£ivnji gesloten; ingesloten.

dïn ioi iini/j^ ook wel i\'n nii aji/js kn. zich op elkander of tegen elkander aan sluitend; de twee vleugels van een dem of deurtje; de over elkander heenslaande voorpanden van een buis of jas. — tfj(liin l.ii/j\\ een paar van twee op of aan elkander sluitende dingen. iij}i.ii0\\ een kopje met het bijbehoorende schoteltje. ) ii 111 \\ een paar koekjes Jav. suiker, die aan de écne kant vlak, aan de andere bol, met de vlakke kant op elkander gelegd en zoo verkocht worden.

een tros pisang, waarvan de helft liiuh genoemd wordt {vrg. \\ ij yti m^). a.i l\'h i n i ilj twee (K|\\ een maat bij hét padiplanten, SG. — ui »/ of th hn lUi/js zva. i n f\'i hiidin,^ iets, zooals een vleugeldeur of slagnet; iets vangen in ren val of knip. nh i!\'u ivins ook iemand inpakken, met zijn velen pakken, i.ilih i n 11 j] i\\ i n iii p inge-

1-55

m1

ü Hl

m ii

li ■

il

itf;

|

m al

P fefl

1

i

•I

au i

I


-ocr page 536-

vr

45()

pakt (gehinderd) door den wind. mmmvTm of ah ui) m \\ twee dingen aan elkander sluiten o/op elkander voegen; iemand insluiten, omvlengelen, in hei nauw brengen; van een (tin ïni imjj of h n tuq voorzien; uuk fig. het hart beklemmen , benauwen. »oj asn üti k» 7/7 Jrïhjhirumi/j\\ bedolven raken door de (toeslaande) golven, van een .schip. —o/j .un r n i) im\\ een deur aansluiten; gordijnen toedoen. — xsnihi Uit\\zr\\ji\\ digtgaan, digtslaan , zich sluiten.— asn it,n .i:n/hn^\\ of (biimt tut ^ cmjfs obj. den. ook za-mensluiting; koekjes suiker, die z am en een (liikh vri/j\\ maken, n.t ijt0\\ toeslaande deur, valdeur, in tegenstelling van tl/ /h yjl/yn crn mi/i \\ een schuifdeur, ik -?gt;0\\ slagnet, toeslaand vogelnet.

o». ) i

ivmihhkn. eun leest voor een vrouw, die voor de

eerste keer zeven maanden zwanger is; zulk een

feest vieren. — iï» ufi jrn \\ voor een vrouw een tina-cn *

köbfeest geven.

.1577 khnnji\\ kn. volg. Kh. een hol voorwerp zooals een mand daar een object mee gedekt of onder gehouden wordt. — 7A7 xvnjt iets, zooals een vogel onder iets, zooals een mand of hoed, vangen; volg. Rh. een object onder zulk een hol voorwerp houden ot daarmee bedekken ; fg. drukkend, b roe ij end

van warmte: vrg. .i/yuu — m im irn tnv. en . O n

zva. (hn (HU (1777 NN .

co

rj,L,ti2 ty.un kn naam van een soort van klimop, Per-gularia odoratissima, L. Nat. fam. der Aselepia-deae, met gele, welriekende bloempjes.

.is?) Ar. , ta* addo er, kn. verontschul

diging; beletsel, verhindering, die iemand verontschuldigt; zich verontschuldigen {vrg. un tii/j en •uinnrujj).

iisn (o fcnji^ Ar. iclls, tdd\'at, kn. gehoorzaamheid; gehoorzaam, gehoorzaam zijn {vrg. een

vroom werk, waarmee meer gedaan wordt, dan men naar de wet verpligt is; een gebed buiten de gewone vijl (lagelijksche gebeden.

vj (uil 1 rj ihii i uj. iHijj en ij nïti i tj mn f uj \\ zie bij rj .1 n ^

\'ISÏ^ (hil 7^N zie (IS» IKQjj zie

. 1* . a* -K -iv

.i\'gt;n en tin mus zva. ibmin en n 1 gt;tn w

Cjv Clv O Ov -

iinnhiis kw. zie uw(Hi-w kn. naam van een uit suiker en katjang bereide en in koekjes gesnedene lekkernij.

inji i\'y of Vij (Kif \\ kw. zva. {vrg. r\'rj). kn.

het klapkoord van een zweep; een tipje, tikje beetje, ietwat; hv. 0n/ti 1](hi^ een beetje zout van smaak; wat ziltig; (vry. *»(Ui). 0r.)!isii it,-; (]e punt van het gezigt, voor het voorwerp daar de

oogen op gevestigd zijn. —zva\' tj — kw\' *«\'«•

iui 1:11 ten/}0 Tj. wedijveren wie het hoogst kan vliegen , zingen, enz.

aai tj 11 è rujj\\ k w. zva. u nsn/f \\

.hn(hl\\ kn. barak , caserne. — ij,7.7.ui/j rn ij(innnj0 bijnaam van Sadewa, den jong sten der Panda-wa\'s.

(én(i~i \\

t

miit/in.ij kn., of ki., geschrei,

gehuil, geween. !Lht^,isii,i iM/pmet een selircijcuj

gezigt. — tn rlMft sehreijcu, huilen,

) quot;gt; , , weeuen. ,7/7^ /:/\\ f j t j rj/mp om hulp since-

ken tot iemand, ni hi w:ki/j\\ ook een kind aan het huilen brengen, bv. door plagen. — jniPrK/J}\\ beweenen, betreuren; schreijen (ƒ weeuen om, van aandoening\\ schreijen tot, om hulp smeeken bij. Xn uj iemand om hulp since-

ken. — Mn inm.Mvojjs geschrei, dat gemaakt wordt, schreipartij , huilpartij ; met een ander of met elkander zamen schreijen. — mi tin w oji ui ifj ijjj(Nj ixyi s plaats van geschrei of geween.

) quot;gt; r O (P) ) C»

•un j~i« of h 11 rni ilii 1:1 i^i/isKN. naam van een soort van i?ii r.m\\ glazemaker. amp;x?iaj)j^\\ ook het geluid dat dit diertje (meestal \'s nachts) maakt, hetgeen als onheilspellend beschouwd wordt.

asn if :Munjj\\ ]. zie bij uhioSw 2. zva. ik tj ik iki/j\\ bepaling van tijd. 3. tsii rj lt;m (tnjj of tun ti im ^\'Hij)\\ eign. vau Raden Sadewa in zijn jeugd.

ij hu (i^i tifi j \\ zie bij mi ij £11 (t. 1 nn/js iïihKi ivijl\\ {volg. WW. (isnw rLiji^ kn. een wig of

ke^, tusschenzetsel Rh.

uhiaJ iiys zie lt;hii iin ijjs volg. Rh. ook niet gelukt, niet geslaagd bv. van een verzoek, geen uitwerking hebben.

o

i\\sii(i^ n i/js k. , zie it n tu w

mn mkn. naam v. h. gebed i.jiir^i-n riii^n

enz. zie ben.

\'•gt;1^1 {j\'n kn. eerste dag v. e. paring kalian , zg.


-ocr page 537-

Iht) *7}itU/l\\

457

asri crn

i:iirhi/j\\ K., zie (inry w ki. zie f lunw k\\v. oogmerk ,

oogwit{volf/. Rl». BV.) wrfvna?}) r ijf

a ,2i)ni2\\ twee oogmerken hebben , dubbelhartig. 13S. ii, 1

MMnniïw W\'tn/js een soort lange rotan, K. 4.

^ O o gt; ■

öC, _ ,ia m tij \\ K. mi ut rrp isiy ij iEji 2 wj! en

IJ K,2 — ^\'h quot; \'J\' ?^N K-vau \' 7/ 7 / quot;^N

■) a . ) o . ) ■» o v )

— hii im n ni/j n i n u) runs n mi i i ry n en u)

dPn i:i rii ini in/j\' k. van uvrj nsn2 :irijj\\ vn rjannimjp

) Q

1,1 ij mi 2 uj en n rj ilii 2 uit gt;ƒ mi w — iud m n^i ui j \\

o quot;gt; quot;»

iva. tUMjtin (hn/j^ k. van vi i irj n u sihii

) o

luxys (jew. asiiihn mii^iyi/j\' k. van ij isn 2 ij innn/js ^bh r, r}lquot;,{yi 00^ KNT- (?/ Kl\' van fm 7 1})S en u)ib/ruj) een feest, waarbij een vertooning,

/.ooiils van de wajang, plaats heeft. 0\'*jgt; rj 05112

o,quot;) o quot;gt;

N., min iru (hnjj K., r:iij 1112 oj) uifj\\ Ki. geboortefeest. 0tui vm tij i7i (hiq* verjaringsfeest van iemands verhelling tot een waardigheid of {van een Forst) tot de regering. 0 uj. ^ mi i inj^\\ liet feest op

den dag van de woekoe, waarop iemand geboren

n . ) .

is. — iüi iyvi mp k.. van hjuhi 1 j\\\\K\\. van m mi.

O O

kw. zva. asii(LnrLiji\\ (LiihjtJi tnnn/] k. van

O . o )

iUim rj viim^s ki. van (U rn ij nmia^ en v. (uti

\'^jMiiji {volg. Rh. ook ki. v. (Bimi\\ niet (ijkkj

(i7» njifj).

o Cquot;) O

ihii (i~i lu/j kw. zva. lt;i:n(tii (tri/j\\

ibnvirus Jr. ta* dia, hoog verheven , van

Go(l\\ zva. ki(uïi nx/j^ it\'ii q vs wi- n^iq (ibii 1:1 itlh ofCïjUit.i (ur^nsn 1:1 n.i\\ Ar. ; kn. God de Aller

hoogste.

o o /quot;

(bo rnKW. zva. (t.ii iu\\

en ihn tii

hllh (KM N 1. K. zü

(birfj^w 2. ki). zie (v,n tj htn(injj

quot;la\\

hu vï\\ — mi ri ,1 ny (ilt;ii \\ ongebr. voor ih n~i \\ (in t?/ (Wn(H71\\

. . (?) ■ .

\'til (rii • k., zte iisrjj nj \\\\ — /■gt; tuii rm n k w., zie ben.

bil (tn \\ ,bii ij crn \\ of (Ln \'j crn \\ kn.; tsri i ? »n ns^ i ^

ij(rn\\ of (i5r)ifji\'i/(rii-* overeind staande, naar boven

gebogen, van de ooghaartjes of \'pinkers, hetgeen

voor mooi gehouden wordt { in iciivrp Prg. iilï

0 \\

\'m).

/?quot; 0 /

tbii(yn\\ kw. zva. n^Ajijw kn. wandluis, weegluis. — (Ui (bti crn \\ of Li itn (Yii\\ ook wel (ijjmi(rn\\ benaming van een dorpshoofd in vele 1 esidenties van de gou-vcrnementslanden; oudtijds ook benaming van een hooge betrekking aan het hof, opperhofmeester.

.ist^ (Y11 kw. zva.

\'l 11 j , dn m k., op iets passen; over iets, zoo-als een werk, het opzigt hebben f)/het toezigt houden ; een heer bedienen; het bestuur hebben over een regentschap. Zoo gew. dna^-tr^ asn kn cm \\ {vrg. tsn rii ini^ i.lt; on \\ en rj, /1 i,n ^gt;1). i \'ïj ^ n i ij m2 n i,^ poortier. Z1? im tij r^//ï 2 t i j huisbewaarder {die hij afwezigheid van den bewoner zijn plaats vervangt), t-ij ijj m^iyip zorg dragen voor de voorouders, dour nam. hun graven in eere te houden. — ^ \\ incm\\ passen o/* toezien op, zorg dragen voor. (i?ti iï4 asii (th rij, -tjii trn \\ nog niet verlaten van de fortuin. — nh ij nrn9 uj n in mihjs blijven bij, en passen op, blijven wachten op; bij

het overlijden of het lijk van iemand blijven wa-

, cO )

ken. — m? hit ~fii .f hu \\ ut ni Kii~ii kh m/js

een object geven aan iemand om er op te passen j voor iem. ergens op passen, (iemand ergens plaatsen om toezigt te houden. G.) — isy if (m2110/^\\ Si m (hn/^\\ oppasser, bediende; een lastdrager bij een hoofd, die een stuk grond tot zijn onderhoud heeft. iisihhr^rj erm (id/p (hii hu m (in^\\ hetgeen waarover iemand het toezigt of bestuur te houden heeft. — iu hïi (Ui ilii mi ^ toezigt; opzigt.

w ihii2 cm\\ kn. buur, buurman, buurvrouw {vrg. ui (ui rj nf). ibn ij (htiz(m\\ buren, buurlieden , naburen. — 11 nh i crn \\ buren, een buuruian of buurvrouw bezoeken. — (isn ij f i * cm \\ zva. d/n rj bn t cm \\ — (bh crn dfi/j of (hii asii\'in (in/js met een ander ot niet elkander buren zijn.

mi cm ^ \\ 1. kn. beloven, aannemen, op zich nemen iets te doen {vrg. i i(iiiq\\ i^i in j). 2. kw. en kd., zie (isn onr^ % w

mi cm ^ n kw., zie ui rij

(bii rr^ ? \\ (bit nrn ^ en (bii mq kw. zva. i^afjs i i tf .ip .iwQ* (ui\'Ti.i\\ (bii ynm2(Hijj {zoo W. 1. 109), en i n .xsnw \\ ibii \'rij^ \\ kn. , (bii (m j •gt; en ibiuuuui/js ki). , gissing omtrent iets naar het voorkomen er van {vrg. inrns en tri nj {). (tn rrj^ ij 111 ^ naar gissing, naar men het er voor houden zou. — (bnkn. volg. Rh. ook solide, degelijk van zaken, ook wel van een vechthaan of gé mak, waar men op rekenen kan. Hink, stevig. — tih quot;HN {uiiiiii n^ gt; Men.) (incm^\\ 7.11 i(lüjjn iets treffen, wat men zoekt of waarop men het gemunt had; iets gissen, naar het


-ocr page 538-

(bh m naji \\

(D s ibi/ lt;tn

458

voorkomen vau iels ojnnaken j het er naar gissing op mikken , bv. op iemands aankomst of voorbijkomen. oii inj ij hot mikken op ile tijd, waarop men denkt dat iets plaats zal hebben. — in(»7^^(i?n\\ iemand tot iets bepraten, overhalen. G ; zva. (rii yn fin volt/. Rh. in midden-Java ontmoeten , aantreflen. — tsn f\'i ,^?v i )on^ \\ kw. zva. in n\'i r!t\\ (tsif f/jiapj,\\ en poel. zieh verzetten, zieh er tegen verzetten.

\\\\) inhjfjS zie bij irfxïmcmw

mtrriiiKi/j\\ poël. vast, vast staan, pal staan, volhouden, Men. kn. stenn, schoor; iemand op wien men zieh verlaat {org. l\'h ij (rm (}n/j\\ ht i,n n)j khjI en h))/i). — uhniiKUjs poet. pal staan

tegen, bestand zijn tegen, van een steun ot\' schoor voorzien; ondersteunen, bijstaan; ook zva. i.nni ii/i ij (pal staan, zijn man staan. G. Vrg.

hn tj ma (Hyj).

ilh u (nu on/j kn., (ii» gt;j cyy) kd., stevig, stevig staan, vast staan, in een kampstrijd; standvastig op iets blijven staan; solide, vertrouwd, van een borg en van een koopman, die crediet heeft {vrg. iisnchi

) ■) x .

.nyi \\ i. ^ ; \\ iki ij y i t iu) \\ en /. n :m n i/j ). — m ij ij rn i \\ (poël. ook zva. .üi rn ii] PJ.) ihi gt;) nrri uj voor iemand of iets instaan {yrg. rit rn i ] ); tot waarborg strekken.

kn (ni (Hiji ^ zie bij un njw ivhi ij an z iï-ojj n zie bij vïrj dj v\\

is» cm in % \\ of isii \\ kn. iemand die over iets ge

steld is, om daarop te passen.— ih in i.iqsiemand belasten of aanstellen als vertrouwde , om op iets te passen {vrg. \'SI asn (in ijj); goederen in ordestellen,

of er orde op stellen.

(?) o . . o

mi rn Uj zie fKi/j

in ij ym \\ kn. ; i n ijii^ iets daar men tegen stnit, iemand daar men niet tegen op kan. — ah ijmn \\ tegen iets aanloopeu, stooten o/1 stuiten; ook fig. gy togen aanloopen, eenmaal ergens de verdiende straf beloopen. — uumh) rm\\ stooten, stuiten, gestuit raken, tegen iels, zooals van een rijtuig tegen een paal, van een schip tegen een klip; fig. er tegen aanloopen, er inloopen. 0(Uiajii7)} / ji i h/) een even knapjie ontmoeten, zijn man vinden, die even knap is. — (rit n iDt .ns iels in zijn loop stuiten, met een stoot tegenhouden ; in zijn loop stuiten op.

i /l ni \\ kw. zva. i n tf rn gt;i \\ uil///, kn. uitgestrekt,

breed, ruim, melt; een vrij nitzigt. — u/ m n een rnime vlakte; WW. zie i/u m w

i/l ui \\ kn. hoog van een groot er of kleuter uitge-strektheid grond in vergelijking van den grond cr naast of omheen [vrg. }i nt\\ ,lt; /1 m ui nis zva, i ^ inn i, ii ^^(iiy i. tl/} w n^ cm^ liet Tenggërgc-bergte.

\'ui »1/ kw. zva. av ibj - (een groot voorkomen hebben, groot schijnen. G .). Lu ni in rn \\ zva. \'ij bni i nr.n

quot;\'i

Qv X quot;gt; .

i n rn v kw. zva. .i i/ ipi:-i\\ en iw/mm//^w kn. 1. een aan een koord vastgemaakte pijl, dien men, als men hem afgeschoten heeft, met liet koord weer naar zich toehaalt, om op vissehen ie schieten. 2. een gn-

weer met een geel koperen loop. 3. «va. .lth ii.uiTh

) / - o / ri G) /

n i n rn iflt; if i\\ of v dvt 11 i» n i (i. zte bninw 1 (o co \' ro ). ci/ i. iS

i n i ii n kw. zva uimiw

hn rn kw. zva. if vu ij ^i uv/js

. x ) 6quot;) (?) cy

\'\'I quot;I KW- ïn 1\'l vr(J\' \'^oonw

isrji rn ri \\ kn. scheepsterm voor zuidoost, t i ri^m ns

oost-zuidoost, of zuid-zuidoost Rh.

(ifii gt;1 (rn rj h kn. opgehelderd weer nu regen of betrokken lucht, ophelderen, zva. urr^yyw fig. ophelderen, opvrolijken, opgevrolijkt.

bii ij err}z kii/j of ij bi. rj mii,ii/j\\ kn. een wijd ge-vlochten mandje, om visch te vangen, zie in

quot;J

iO , ■gt;

bn m blij\\ 1. kw. zva. »i^ibp {vrg (ih\'irn\'binyj). 2.

kn poet. de tweedein rang. 3. k. zie ^:ri^injf\\

( O lO . )

ui m Hii/i kw. zva. s i m i% ii/j\\ r;» hi (biijj en

itiom* kn. zva. inim* opzien; door het hoofd achterover te buigen, naar boven zien; volg. Rli. met achterovcrgebcgen hoofd iets innemen,ophappen bv. zooals vissehen die met den bek even boven water komen, in (rn kiim^ i\\ poet. zijn traneu bedwingen (de tranen afvegen. G.). — lUiiïj ni i.ii|n KI. van u nj uij w bn m ilt;ri^\\ quot;HZ kn rrrbhii/js kw.

bii ni i(nn\\ kn. — nsii ^hm rm/j nJ(bit \\ vau een vrouw die voor de %6de, f)de, 7de, en Side maal zwanger is, wier toestand bij zulk oneven gel al als gevaar-lijk wordt beschouwd.

i n ij cm i.n/js kn. — liibij rn nn/jy met aclitcroverge-


-ocr page 539-

tin nvm

bogen hoofd liggen, zitten, staan ; steil oploopen van een weg.

. ;•) CO

kn. zva. i//?rjmiimi tjmiz uuiuifj

de keel {het gedeelte van den hals hoven de strot.

Vrg. tf nu 00^ builtje onder do kool.

___do (i:»i if(rmigt;nj troflbn zoo als

bo. een vechthaan zijn tegenpartij.

nnn w/l kn. een (overeindstaando) afgeknotte stam

j • . o ) lt;quot;»

of tronk van een hoorn oj net. 1.1 m \\ oen weer

uitloopende boomtronk; hen. van een fatsoen van krisgevesten. 0^ur^\\ onzijdig, eon onzijdige, eon zich in een twibt iu het midden houdende, goon partij kiezende persoon. /. n ii 0\\ stamboontje». — }^(ïinni/^ tegen 0011 stam achterover leunen; eon achterstal schuldig zijn, nog te botalon hebhon, bv. v. werk, van pacht, soldij of loon. 0(t7ri kji \\ een boodschap niet ten vollo ovorbrengen; gedoel-telijk verzwijgen, rijan i. n -Jul \\ gelijk-een weer uitloopende boomtronk, fig. een vader of oudere broeder in zijn naam , titei of betrekking opvolgen. ~ ihn (isnamtogen een tronk of stronk aanloopen of met zijn voet stooten; fg. verhindering, beletsel ondervinden — mi inj ^ h n\\ieinand als een tronk of stronk besehouvven en behandelen, zich niet met hem inlaten of bemoeijen, hem links laten liggen; oo/* een achterstand te^ vorderen hebben van; in achterstand laten bv. werk. — achterstal, restant, volg. Rh. ook oen chronische ziekte. 0ij riu gewezene

vrouw.

1^ rn hn/js n., tin cm ini/j\\ K. , de wacht over dag, — houden; de dienst hebben, van heamlten die hij beurten op bepaalde dagen hij hun hoofd op een bepaalde plaats moeten zitten om de orde te bewaren of zijn hevelen te ontvangen; ook de wacht houden of de dienst hebben , in hel algemeen, hij nacht zoowel als hij dag ; en een buitenshuis wonende geringe bediende, die dagelijks eenig dienstwerk komt verrigten {vrg. .»-y tij). — 1,^

n)lt;rnhnjl\\ als toenggoek dienstwerk doen. —

o cO ■gt;

\'7\'»\'/N :yquot;(,n \'l?\' n wacht hebben of houden bij; iemands wacht waarnemen. — ini .ki/js ohj. den.; ook wachtdienst, wachtbeurt. — tvitfïjn/ \')!l U}/Is MLnon plaats waar iemand zijn

wacht heeft; wachthuis

rj (lh rj (in 9 whp

ti (i\'n rf •inriin^\\ nsn if nm

(bn (m \\ kw. zva. aji\'n no \\\\

1 O ; .

i niniiu/j^ 1. kw. zva. i,n.i:i\\ ^ 1 ^ n 11,11 j en Kii if i)ihii? i\'i/j\\ 2. kn. het zigtbaar worden van de maan, voor het eerst na donkere maan, en dan vervolgens eiken avond of nacht; nieuwe maan , het begin van do maan, maand, datum, dagteekening. 3. ki). van / ƒƒ j/y/M/ N 0.k/j iiji i.) wifi • de eerste dag van de maand,• die volgens de Mo ham medaansche tijdrekening begint met den avond, waarop de nieuwe maan het eerst aan den hemel gezien wordt.

1,111.11° iuiiiïn n i nw als de volle maan. \'i/ki* co \' \'

jonge maan het eerste van de maand, als de maan aan het wassen is, tot ongeveer eerste kwartier. ^.vlt;nui\\ oude maan, het laatste van de maand, van ongeveer laatste kwartier tot aan het einde, ij t nn.j 1,11 ^11 mi ) wanneer zullen wij nieuwe maan hebben? tiaiijiltioi(bii(Ytini0ïii?rri\\ den hoeveelsten hebben wij heden ? .• 1 (i// mjJ de maand-stomjen hebben, Hs. — (Hicmin/js gelijk de aan den hemel zich vertoonenclemaan. nm iu fj m ni ai 1.1 (hfi/js wenkbrauwen , als het voor het eerst zich

vertoonende maantje; in I j. nog aldus omschreven

1 o - o c) quot;)• •

a n m tjn^i f 1 v.ii.» j 1 ij f j Mn rn n 1 j\\

— asyj f\'i mi irvi j\\ voor het eerst aan den hemel verschijnen, van de maan, ook zva. anmnii/i Tj.

— h n foil nm thnji\\ overvallen worden door den (157/ tt) iLi/js — nh mi 111rj h gt;1 \\ als mnmi ivi^ beschouwen , rekenen. — fon m ifp halvemaantje. mi ii^ een halsketen van halvemaantjes. — lt;l\'j ijj m ri^i anjjn zva. ahi lt;711 mi/j het begin van de maan-maaud; dagteekening. maandelijksch, maandgeld; iru zii0\\ almanak.

fon ern iu 1\' 1. k. zie fon mi w 2. kn. een boemboeng voor arènsap van 1 geleding, Kr.

fon mj njjln 1. kw. zva. (ui 111^ fon i n i i/j en ivrjin ilt;n/j {vrg. fon rij n\'i). 2. kn. igt;n fo\'n tij tupzva. i 111 ti 1 VN schutsweer; dijk, zooals een rivierdijk en de dijken aan weerszijden van een weg. — ui gt; ij \'i \'Jn bedijken, un asri m^ iu foi % n omgeven van ecu aarden wal.

fon Lïiinij^\\ kw. zva. a/nfin\\\\ — inmim/f^ poet. doorklieven, afsnijden (vrg. ini,nniji) Men. kn. een regte rigting of koers nemen, regttoe rogtaan gaan ; regt op iemand of iets aan gaan ; regt over


-ocr page 540-

iüii (rn ruj^s

. o

460

iets bv. een hcrtj, heen gaan, om de kortste wey te nemen. iu dn (rn i mi/j de kortste weg, Rs. fin mnvijp n., ibiini\\ k, verlaten, achterlaten; verzaken, veronachtzamen {vry. (hu en ihn

r»). rïi m / lij (hl/ i li ) gt;1 ilü ê pjjj \\ en ook enkel .hn \'innij of iUiiLi\\ deze wereld verlaten, verscheiden {vry. (/1 tjiui/f). — nn m \'Lij\\ (m iu\\ hetz. als iPii rti n i/j\\ iLti ili\\ maar met doel. — iirï rri lt;tu\\ iti iLi■-gt;-)- mv.y en achterlaten oj nalaten aan. — ;iltlt;ni tri ij nu »(L] n i^rt i.n ihi/j\\ iets achterlaten voor of bij iemand. — ihn rn i^i m/j of i n iSn ni en ui n ryinn/j of ihn iï. n i i)tKifj\\ wat iemandwï-laat of achterlaat; nalatenschap; nagelaten kind of kinderen. — dj urirt tn/js tviihn iu\\ het verscheiden, overlijden va71 iemand — itji f.j 111 tLi/js iui fiiiLi het verlaten, enz. •— (iji^Liïcrniij.ni/j njt ihn m gt; 1 (inji\\ een verlatene plaats.

iSnnm nt/js KN. wat van een hoogte neergesmeten wordt {vry. ui cm). — n\'itnni/j\\ iets of iemand in de hoogte heffen, om het tegen den grond te smijten, WP. 270, 359; op iets of iemand iets, zooals een steen, van boven, of met opgeheven hand, smijten.

Ltynt n i/jsti.; i^nii n i/j\\K., é6i\\ en \'t zelfde; iets gemeen of te zanien hebben met een ander, bnivy (in/j of Oojt.hnayrj in/js in \'t zelfde jaar. tj\\ te zamen (bij elkaar) slapen.— 0iLrii (uiimoAJis of0.Ki irn (ui i\':?) ii/m\\ van één en dezelfde vader en moeder. 0(7^ 1amp;1 flfC aan dezelfde tafel {bv. eten). 0w onder hetzelfde convert. 0ih\'i hntj n(Lgt;n\\ op hetzelfde rijtuig, wtni n.i/j {(t.j i.y) ni n.i/j. met aaneengeslotene beenen. uhi m ij iri iets van dezelfde soort als; de anderen er van. nnimiun cm tl JtïtLi -»1 irn na m van hetzelfde soort als gedragen wordt door de groote heeren. ,ivilt;1,11 n.!0\\

met hun drieën. — 1 i.isncmni/i of 1 1 isn dii

,o ■gt; , 00 ... 1 o

k., zie bij li \\ onder un ik \\ en bij n-j di l-ï \\

.no .0 . ,

onder ni/j ^ incm gt;lijj\\ zich ver

eenigen met een ander of anderen, zoodat men {of liet) daarmee zamen cén geheel uitmaakt; zamen bij anderen staan of zitten; één stnk uitmaken, van aan elkander liggende landerijen; bij een ander of anderen blijven, ^nnj ijis zicli associceren met iemand in een onderneming. 0 ij iji2 /ƒ nrti i liiji en 0 dj) ij a/u ? tamp;i q \\ zamen met iemand wonen. — to m ■tn n oh in.i\\ bij iets het een of ander legden 0/ zetten; zich vereenigen met j met elkaar zanien. 0tbi xn (Lnj^\\ met elkaar eten. — ith cm «u rj.mi\\ ^ cm ili ii 11 ui/j twee of meer met elkander verecni.

gen, bij elkander voegen , zetten of leggen. — ,t,«

. a x ^ \' )

LH ii i W/jS Lll rUL^Khlip of \'liH IS// tm ij^l iHI j ,15}/

(ishctLi vereenigd met een ander of anderen;

vcreenigd met elkander tot één geheel; gemeeuc zaak maken met een ander of met anderen. — tJimctriiLi.injjs njiiH^in wat van dezelfde

soort, troep, kategorie, enz. is, of er mee toe of bij behoort; medegenooten, consorten ; 7.7 1//.ƒ »m \'y en alle dergelijke j en al de {of liet) andere (van dezelfde soort of kategorie), al de [of het) overige; en zoo voort.

i ri(m iLi/j\\ k. , zie asridnrujfs

KN. boven uitstekend (v^w viyij iu^ ^ nj ili/j); KW. zva. tin (rn ij\'Ui \\ en r.n ij ni t iw dn m nj ;m^\\KN. dc middelste vinger. 1 ly n/n\'j

een witte kip met enkele zwarte veêren.—iu nj n 1^ de {of het) uitstekendste; de middelste, boven dc andere uitstekende, steen van een ring of oor krab;

de middelste vinger {vrg. u iij 11 j).

(P) o • \'1

iis/y niiiLis Zie •Li^cr^ iLiW

thii nj n.^ if ij zie

ihncm.n.i\\ kw. zva. tunaJi \\ en itgt;nttcïitLijj {vrg. a\',11 n^

iii). — int in ili\\kn. {(hl rn nh r.t n PJ.) zva. llui

quot;) . o

(in \\ en ihn m 11 (ujji

(lïii lt;ri^iu\\ of miol^ iili\\ KN. steun of dwarsbalk 0111 iets {bv. het paalwerk van een dam) tegen te houden; ook fig. Dam. Woe. 0 iïï\'f j\'i^.s (vrg il-h ui i ij en iu ili). uh tij nh \\ tegenhouden; alweren. — ah nj ili rl\\ iets van een ihiidiinu voorzien; iemand tot afwering van Iets strekken; tot nsn »^ ii gt; v strekken aan.

G) 01* .0 i..

lt;igt;ii miii\\ zva. (bn (m i 11 w

r

il\'ii au iLi/fs kw. zva. ij fcnr\'t.i -i* kn gevat, bij il^ hand {vrg. (ün nniuifl). ihlt;»»• iijiji\\ iemand voor geld laten spelen, dansen oüets vertoonen ; iemand door geld of beloften tot bekentenis brengen, GR. ah (m (ui ^iiMri ^ï if iiiii\\ iemand laten vertellen. (iii miU-Si\\ n., (hn ij ui k. , mv.t en iets, dat

ter hand gesteld wordt, op of in de hand ontvangen en aannemen , ook opvangen van een in de hoogte geworven speer y Rs.; ook aanpakken, AS.


-ocr page 541-

i\'n tn \'vim rquot; quot; \' - *gt;quot; quot;\' $ flt;) \'\' - \' f\'lt;^N _ ,,;, rn mi ^,111 mi \\ voov iemand, of bij een feestelijke gelegenheidgt; iets laten vertoonen of personen laten dansen of spelen. — hncm cüi -kuijj of ,bji itt) (L/i -1 \'HiI)^ wat men voor geld laat vertoonen of spelen, ook het tceld dat daarvoor betaald wordt, \\V. I, 72. — lt;u ijj m rgt;/j\\ benaming van de twee laagste gedeelten van het dak van een pantfapa

of huis tusschen de mn is- gt; en het dak van de

s

rj i n i j f t -1*

rj hnawj\' KW.; hii tf (un? rQjj\\ van t.n rj mi-nw ibu rn nj\\ KN. al wat dient om iets stevig bijeen te honden, bankschroef, Rh. (vrg. ijimtnn). ah ririMji* iets met een tanggëm tot stevigheid binden o/* bijeenbinden. — ah cru ^j n mv.aïn ern ri ui/j meteen tilnggem vastgezet; iets wat dient om iets stevig vast te zetten of stevig bijeen te houden;

een zaagstelling.

G) ) . O Q

aiunnomjl^ zie nsn(mem/js

(bii i\'^\\N., nsn an n /^nk., ontoereikend , maar ten halven , maar halfslachtig , gebrekkig, niet geheel vol\' doende, maar half genoeg, als iets te weinig, te klein, te kort enz. voor het eene, en te veel, te

groot, te lang, enz. voor het andere \\s,{vrg. y vm

O . v o .

v.tyi en ij ui 2 rj n i/j^ r» oji

ni\\ maar een half leven, een leven, dat geen leven hieeten mag. apj. .i i gt;1 ihii gt;\'i^ \\ een halfslachtige kust, van een kast, die geen volledige kast is, bv. zonder planken. — (üi rip ahnmni/j\\ borg staan, zich borg stellen, instaan voor; iemand of iets waarborgen, voor zijn rekening nomen, ah rrj of m quot;j1/rl\'fls instaan voor iems. leven, ah rip {volg. Rh. 01«amt of auimoji/i) niet op zijn tijd gaan of komen. fig. 0ijiajtn\\ vrees voeden, — bij zich hebben, K. 17, 55; { h l Hl rij

tegenover 0ojjifji^jjjs v. e. reis, die niet in eens doorgaat, maar door hier en daar te pleisteren wordt afgebroken , Tj. ( ah tip ook een benaming van den arenhoom. G.). m iru ?. t\'i (uii »^\\ benaming van zekere beambten in de kraton; W. lithhu np {mannelijke en WW.) vrouwelijke bedienden {van den Vorst of WW.) van de Vorstin. — m i3\\ ah cfn tu\\ mv., en iets verhinderen , mocijelijk maken ; moeijelijkheden in de weg leggen, in de weg staan, uri b\'n r\'n i^i hnjj^ im (bh

thil (hl 461

cïm ai a anjj \\ niet geheel toereikend, ten halven, te kort; nog gebrekkig zijn; maar half geholpen zijn; verhinderd worden; het niet zoo ver brengen als wel moest; tekortkoming, gebrekkigheid. — vni f\'i crn\\ hrpfhem ai i/j\\ borg zijn, borg blijven ,, borg staan. — .is» quot;pt tMTJl 0f \'^ifón hpiao^s en a/n rnair. inji of i n(biurn iviaaji^ waarin iemand tekort schiet of tekort geschoten is; daar men borg voor is; waarborg. — uiajj iip ajtapm tuj\\ het borg staan, e7tz.; borg. iui ia ahii^0^ geld voor borgstelling — ti/i ih irpi:i!Hyf\\ aji ipni iu mjjs borgtogt.

(tii riis KN. de opene ruimte tusschen*twee staande

dingen, zoo a Is huizen en pilaren {vrg. i n ui).

Ly) (?) n (Pi cz) ) ^ amp; o )

.hu rn kn.; (Ui IjIi cru ri i.n iu tun rn nanjj en gew.

quot;gt; iP) (O quot;) . . o (,.0 (?) ... ,

rnrt n ihii cm i i an/j (ook 11 i n errt VV. 1. 13, en

om Mi £n ari luins GG.) beteuterd zijn, staan of zitten, zoodat men sprakeloos en werkeloos blijft staan

of zitten,

G) - 0 - ■*\' • cO o

mil rj (rn \\ asn .ya ij ct n \\ zie (hn lt;m w

teii ern KN. stuiten, stokken ; door tegenhouding in zijn voortgang; ingehouden, niet hard, niet luid klinkend, van stem of geluid. — arï in\\ iets stuiten , tegenhouden, doen stilstaan in zijn voortgang; de stem of een geluid inhouden.

isjjj m\\ kn. in zamenstellingen. aji itui ^ i \'r^ rn npïp \'s avonds om vijf uur, als de zon op de bergen schijnt te zitten, iltpinlt;lgt;ii lus kw. benaming van de tijd even voor zonsondergang; kh. benaming van een slecht te eken in het haar van paarden. —

quot;gt; Cl

rm\\n., Kpf i Hii/j K.t aa asn j \\ ki., op een voertuig, rijtuig, paard of vaartuig zitten, rijden of varen; schrijlings op iets, zooals een stoel of bank, zitten. (K^rriinsiigt;ivi\\ volg. Rh. zva. aüiafj of i i ijj xm ivi\\ minachten, vernederen. — apinii\\ a^

(FjI -i i,ij\\ afi hit gt;am\\ bestijgen of berijden ; varen op

n . . . 4 ) r» quot;gt;

ot in. — h-jan i i gt;1 mi a^(iji , / rn) un ao^ uimiis

ri aa ij kiin iemand of iets op een voertuig, vaartuig , rijtuig of paard doen gaan of zetten. — xsr^ nrn in an/j\\ KN. de rug vati een berg. isr^ nrn li anjj

of as,] i\'iy rn i.i an/jx n., isj^ 11^.11^11 anjj of aai irn

00 . .

t.i-i unanji\\K., an bii % am rnjj ki., iets waarop

men rijdt, vaart of mee vervoerd wordt; voertuig, vaartuig, rijbeest om op te rijden {ook (u0\\ Tj.). i^ v\'n 11 ij ajj i,ii ij ui ijj uny hij [liet paard)


-ocr page 542-

. 4. i^l rn\\

11J. (hj)\\

rijdt gemakkelijk.

» .. lt; y gt;/)gt;K\\v. zva. n n i:ni tf rmw KN. — ^ op zijll

kuut, bijna onderste boveu liggen.— na ?n i i ij hu ■ een obj. zoo leggen, bv. een emmer om er den inhoud uit te laten loopen.

)

KW. zva. ern onjj\\

fhy ij un (t,n (hl i n »ƒ m thn i u \\ volg. Rh. fisV^ cm ihii aM\\ fH^dfnasi) iu\\{zie bij asr^irn) .\\ongeveer zva. lt;e:ni\'iijj\\ en van iemand een slechten of geen goeden dunk hebben en hem daarnaar bejegenen; iem. minachten, minaehtend behandelen.

iLgt;n tj t:i\\ KN. een scheve, stijve nek, zoodat het hoofd scheef staat; een schoven nek hebben (yrg. »■/). een scheven nek zetten; scheef met den kop er op, van een voorwet}). — ^ to tj in in ij kii maken dat de nek scheef wordt; den nek scheef liouden.

tf anti 2 n 2 \\ zie tf dJi 2 ^ ^

mi (iv) ij it/ kn.; iVi ni q i i tf iin \\ de tijd omstreeks elf uur, of tusschen 11 en 12 uur, vdór den middag {van (Liiitn^\\ en rj i:i\\ of tj ri\\ kw. daglicht, dag, zon. pk.).

(K\'l \\

itji\\ kn. een voorvoegsel met de grondheteekenis: een; al, geheel, een met, te zameu; voor een accident-. met dat, tijdens.

1. tf.jN sa, als het woord met een nm beginty anders sa, en gewoonlijk iJ s t, zooveel als ons toonloos een {hi of \'n) in zamengestelde hen. van hoeveelheid, zoo als jj) ij \\jii ij i li i \\ of k; lii v-m een el, in onderscheiding van een half el of ander gedeelte, eig. heel een el. ajnKiiH?i\\ een voet {vrg. (ünoji). — In eenige zulke woorden is de PZpH met de klinker van het met een urn begin nend woord inéén gesmolten. Zoo in iïuxs één, van urn ik \\ en in (ui wjj \\ honderd, ijw^ duizend; dj^ ui \\ een dubbeltje, ^ cm \\ een halve duit of cent.

II.\'Mn ook wel wihii^sii q, al,heel, ganschjzoo veel, zoo groot, als (een geheel). heel het

dorp; o/zooveel {grond) als een heel dorp.fM rj ui 2 ij in \\ of (iJi ij(ipi2 ij (17)\\ al de mensehen er van, of al zijn menschen, al de zijnen, qj)rj i,nq rjxsn\\ of (urnrj un^ Sn en (ui ihïi op {turi lt;ui (Hyj \\ of qji i, i. up ^ ijt \\ heel

de menigte er van, d. i. alle. Zoo ook nj)amn) ook wel iitrn ni\\ al de bijzondere, voor alle. n,., igt; ii iiti tj tuii \\ al wat hij wil; ook hij doe wat hij wil! (Kiaj f i \'H\'.jJn \'/()()VCe] als ik weet; voor zoover ik weet. zoo groot als een schaap, m

iuii (H^ ij tcj \\ zooveel als er is,

III. (iji s a, te zameuquot;; en dezelfde, het/.elfde vóór de benaming van een persoon of zaak, om een g e z a ment lij k deelgenoot schap aan die persoon of zaak te het eekenen {Skr. s a). ij hji 2 ui ia rh personen, die zameu handel doen. urn inn tj pj ^ ui in (hi i n 1.1^ al de ondergeschikte beambten van dien zelfden Wëdana .Hnmnn )^ininj\'tuhiis [zie bij ,i^\'m ii )ij). In ijlt;k)2 ei {\\ ijuih^ echtgenoot {eig. huisgenoot), is de klinker van het voorvoegsel met de eerste van het woord zamemje-smolten

IV. a.iis sa, met, almet, vóór benamingen van personen of zaken die bij iemand of iets heli oor e n {vrg. (Ij) 1 /li); hv. tui mri tcj if iioi 2 rj ik i ^ i.j \\ met zij 11 kinders en vrouw. ■ oV) cm f nj

krijgslieden met hun wapenen, gewapciidb krijgslieden. Somtijds wordt er dan nog een verbindend voegwoord {zooals ri/i Deins of m iu j) voorgevoegd, bv. m iu gt; .K// un icj ij icri^2 tj us 1 ij alsmede {of en ook) zijn kinderen en vrouw.

V. (M\\ sa, ook wel sa en (fj)\\ voor bijwoordelijke bepalingen gevormd met het bezittelijk voornaamwoord , met de het eekenis onder II opgegeven-, hv. tij) iw) ut vj tK/j ~iA\\ al den duur van, altijd, luixft) (jcj \\j rt)\\ naar alle regt; bij een bijwoordelijke bepaling voor de benaming van een accident: met dat, met, bij; als een Perfectum bedoeld is: nadat, 11a. oj) (hn u 11 ij jij \\met dat hij kwam, y nadat hij gekomen was; bij o/na zijn komst; doch dikwijls ook wel zoo hei schijnt zonder bepaalde het eekenis, zoo 0. a. bijplaats bepaling, bv. (kh nii(inyj ii^)\\ {niet alleen de gehecle zuidkant van) 7naar ook, of (uncir^rjttu\\ ten zuiden van oji (eiy ou) 2 ij t) of 17]ij (hj) 2nrjrn\\ onder enz.; en zoo komt hij tijdsbepaling van een accident, benevens w tuh lt;H7) ij ook wel aJn mi vj \\ voor, tijdens o/bij zijn vertrek lt;i~) m aw if an of (unbinj rjMj bij den dood van; o-j)(irnvjac^^ ook wei (imtjiQ ^ bij of raet het huwelijk; zoo schijnt ook (ui in k i .iTm (Vgt;n \\ tui ik iisn \\ en derg. alleen een


-ocr page 543-

c)

(k.1\\

(-gt; i i

zekere versterking van rmasu en uc ihn \\ aan te geven.

(Sw I N-; :lJjj \'hljV K\'* een voorze^se^ me^ demon-

üralive heteekenis. in eene vertaling dikwijls niet term) te geven, zoo hv. voor eigennamen of benamingen van personen \\ (iïw n i?i hi/j Saridiu. lj Saki dj ali; voor namen* die een bet trekking van bloedverwantschap aanduiden, hv. «3

l uim vfidor , lt;) ari iquot;iln tante, nl. als het kind van [i c o

zijn vader of de neef {of nicht) van zijn {of haar) tante spreekt; ook wel eens te vertalen door: mijn; bv. als men aan een vader vraagt, van wien dit of dut kindis, kan het antwoord luiden: ijj un m an juini}lt;rijj\\ dat is mijn kind; doch dikwijls te oertalen door ons bepalend lidwoord, zoo bv. als men aan een ander {dan het kind) vraagt: Wie is dat? luidt bv. het antwoord; wnn aji i/r #2 rvi/j of (U) ivi nt) h iu/j\\ De vader van Djamil; insgelijks ouor benamingen van posten of bedieningen: a5iiu ui j mi (ui (im (hi (utü nf) (tm z (eji {\\ is de patih thuis? Eveneens voor benamingen van dieren: aSJ hii nn iLi/j\\ het dwerghert; n/j^ qs de kaaiman.

(vrg. (ki\\) Verder voor bijvoegelijke naamwoorden, wanneer de een of andere eigenschap als persoon wordt voorgesteld, bv. w imi hjj^ de trouwe; (Hi^n^/js de eerlijke; en zoo dikwijls voor zelfstandige of bijvoegelijke naamwoorden of uitdruk- j kingen, die verpersoonlijkt als scheldwoorden gebezigd worden : bv. i0) un \\ de hond, f^i ij tun (ia iht/js de gek, m iu jwiai am/j {eig. de ziekte) de aartsdeugniet, en w \\ in Ngoko uitdrukkingen als: m ui ri i w EJi/jdc gesteenigde of te steenigen.\' »3 io ti i] hii bii/j \\ de gegeeselde. oS tn i i rn /11 l iq de door den bliksem getroffene of die dat verdient.

II. KN. een woordje met demonstrative beteeke-nis, dat een zekere levendigheid aan den zin geeft, aan een vraag bv. meer klem bijzet, in beteekenis met ongelijk aan un I, dikwijls moe ijelijk te vertalm, soms door: dan, toch, bv. tu % hv (m lj lij nj) \\ kijk, daar (of hier) heb je het! im ik i\'j (ui (Ki W at wilt ge toch ? un ik *3 \\ doe het tceh niet, of doe het dan toch niet! in een vraag, soms door wel terug te geven, (un (ui rj unz rj ui w-Jninnrvij nn Ja.\\ Wel heb je het al gevraagd? i, n , tii l)i (k^ tyjirj hj \\ Wel, wat heeft iiij geant

woord? iu if ia2 nn / / ^ ijj r/i\\ eig wat heb ik onwaar gezegd? voor heb ik het je niet gezegd? zoo voor de levendigheid dikwijls ach\'er ij m hi/j en aji^ (un (Ui \\ en soms le vertalen door: eens! ^ i n (hi tni urn gt;1 nt\\ als jij, stel dat jij , als jij eens! iiwisn ruil i li hip ofwel ik, of ik eens! zie ook bij yj ici tj i i.i f \\ Ki ij h i; {bij ij ui j ) en iJi vj i ui j w in. in poëzie zva. ndmww [V. poët. vork. van i?n gt; / hv. uiihi i ji ij f igau^w j i zie bij d.\'i w

\'i.ii KW. in zamenst. met een volgend woord zva. wrl, goed, voortreffelijk, uitmuntend, schoon, fraai{Skr. soe. In het Grieksch is het ea geworden, en zoo ook in eenige Latijnsche en Vransche woorden van Grieks chen oorsprong , zoo als euphonic, wellui-dendheid)^. aj^ui.ui\\ schoon van klenr, van een schoone klenr (Skr. s oewa rn d). (K/j ij m /^nscIido-ne Godin, schoone glans; een schoon pa

leis; ook eig7i. van een Wida-dari. ui een voortreffelijk juweel. ik/£ .un i. nzie bij un un .jw gt;1 M\\ een Chin, woord, dat, bij eigennamen gevoegd, een gemeenschavpelijke afkomst van vaders kant aanwijst.

vj \'i. i t* of tun rj K/I2 KN. naam van eenboom , waarvan de vruchten { f i iuuti i nu) op eikels gelijken en, als groente gekookt, gegeten worden, zooals ook de jonge bladen (gt;ƒ ^\'untj) en de bloemen (iïi h n *gt;7).

T 0

:M^\\ 1. ui s \\ en n/n ui; \\ k\\v. zva (ui u/i gt; \\—(Hn ^ \\ zva. (ui ui ^ \\ ij nn 2 {zoo in Men. zva. (ui u/t q \\

• » O o \\ quot;A 1

(üi cm (unji:\'ï/vx )^/;^ \\ TP., K en Md. zva. rftHnojifs R. uijs of xiuiJikn. I. afgedaan, afgebroken; afgedaan, afbetaald, van een schuld. gt;f un 2 gt;» {of ij urn 2 un .hi/j) u n (ui q \\ niet ophouden. .157? (Hi ^\\ KN. zva. tun 7/1 h m unji en gt;un hi ^i if(iji2asnji\\ onafgebroken, onophoudelijk, gedurig, bestendig, steeds, {ook onafscheidelijk ? WP. 170). — irimi J (un gt; kn. een schuld afbetalen, voldoen , {vrg. urn xsr^ e7i mn ur^ ui \\). — t) M ^ un ij tjiHn\\ een schuld afbetalen voor. — iji ^tui^ajn iHin\\ met elkander afrekenen. II. zuiver, zonder fout of gebrek; wettig, wettig afgedaan {van een koop* echtscheiding, wettig verkregen geld, enz.) {Ar.

, sahh, zonder smet of gebrek; volkomen,

) (-) ,

Iieel compleet, gezond, e7iz.). — (vn(uiq un\\ iets


-ocr page 544-

ij cm {s

f) a) % \\

4G4

voor zuiver, zonder gebreken, verklaren; iats,zoo-als een kind, wettigen; zich wettig scheiden van een vrouw. — rnw^tun n un\\ voor een ander, iets voor zuiver en zonder gebreken laten verklaren ; door een bevoegd beoordcelaar laten goedkeuren; iets wettig laten maken. laten wettigen ; iets, zoo-als een echlscheidiny, wettig maken {bo. oan een priester), IF. zie hen.

O r.OO\' 0 O

1. zie infcisw z. of kn. gnnst;

genegenheid; gunstige, liefderijke toegenegenheid, genade, liefde {urg. /.nrjni tuigt;\\ zie hij

hn — (ijn0$;\\ gunstig , genadig zijn; ge

negenheid , gunstige toegenegenheid hebben; liet-hebben. n/n gt;5?y rtn rif^ wijj \\ of iu .is/» i?) j \\ met liefde gehecht zijn, met verkleefdheid beminnen. uri M f(t/n beminnen en vreezen, meestal van

vorstelijke personen, it/i iru~jn m {\\ en nn uiu

o . f) o o .

u i ju i )s\\ zie bij itJtoijKKyis i:i) jnjtifhJiq gnnst

zoeken te bewerken; smeekend, vati iemands taal

of stem. — khmgew. hniartji^s begunstigde,

gunsteling, lieveling, favorite; ook ki. van ixys

of (Hi 1jI \\ naam {org. nrnw). nn pj ^ \\ en tj m

poet. begunstigd worden; begunstigd worden

, • . ■gt; -gt; ) o o rt o .

met zets. — i m ; tun \\ (i7i K7 ^ tun \\ e7i ut ? mil \\{van

hri(K/i{\\) iemand begunstigen, zijn gunst schenken ,

gunstig genegen zij-u , lief hebben, x.) m ^ \\iy\\ \\ ook

t n T o o o ^ -gt; o

gunstig, ueiaadig. iUiwsnyn\\ (in t n a,/) % mn \\ en na

O quot;) O o O •gt;

/. n /«/; ^ mn \\ u) ^ ; lt;un w/j h n \'M j i n (Hijj en nn hj om een bezem, zooals oan bamboe of rotting, y ook van metaal {org. nn nqs en in) ij)2); kw. lt;i.p: of zva. \'M\'fJjxvjei

r^ )./) )i))/j\\ tihiijj gebroken van hart. Tj. «/j

Tj. Sêngk. nul. kn. zva. het Fr. pêle.

mèle, alles door elkander, alles overhoop {wnnrscfi.

, voor tj (i})d lytjj f) i r)Jii)j^gt;\\ zie hij .ïflp jó»

) o .

— (in^dj))\\ van een / voorzien, xrxhj^^dm^n.w

met ijzeren hoepels er om. — iwoj^^ojt) tj i,n\\ van

een \')j){ laten voorzien. — a?i\'i^ j - zie hen.

gt;1 Ar. , SJ e i ch, titel van een aanzienlijk

Arabier; Arabische meester.

iKi)(un\\ Vl. zva. /. d ui ud iHin met; alsmede, ook (fitr. sahd. Vrg. o^)\\ IV. en im lgt;))\\) o^j)tun ax)(Lit\\ zu.

iU) (Ut tub) \\\\

kd nn/nK 1. kn. zich niet schamen voor iets, bv. om iets te doen; zich wel willen vernederen tot iel» {waarst/i. eig. iets voor goed, niet onbetamelijk, houden). 2. k. van iin )° ityj {waarsch. ^/.behoor-l\\jk, niet onbetamelijk, ongeveer zva. oj) isn asijj). rjd/m\'tioj} tj aj))\\ zich schamen iets te doen, zich er niet toe willen vernederen {vrg. ii?noj)ihtjj). — n ij unMJJIn onbeschaamd van aard, van iemand die

het niet ontziet iets onbetamelijks te doen (»r^

;■) o o .

rj u)i i n ld {(un im iM (Hijj).

ojj^(U)^ ho/js kw. zva. (ut \\ en tjem gt; ij /ó» ? n {igmm

B.) kn. ben. van een halssierraad.— kt^nKW. zva. (üiyern^ en /ftjjaryw (of

un.u^du) K^ajyoryi {of , verk i.yiin,j

un/j of Kl., een beleefdheidsformule,

gelijk het Hoogd. ich hitte! of het Holl. met verlof! met Uw permissie! die door de Javanen menigvuldig gebruikt wordt, wanneer zij een aanzienlijke aanspreken c f antwoorden; ook om voor iets te bedanken y voor: ik dank Ü! Van hier y {L)\\} h^Jls KN\'* voor \'\'\'I n 1 KJ)\'lJl) Hl/I zeggen, voaralf den zin van bedanken, of om verschooning bidden; ook voor nyvij) HjjujjMji in den z\\n van: dank UI or)(ij^on^2.mi ku \\ zva. jhwoo) zeggen.

Zoo ook \'){jj fcfjè •\'!iU)2 n zva. ur^ rv)0^ zeggen. ^ /ij^ (H) m hnjf \\ met ^ / u ^ onj \\ verlo f verzoeken om heen te gaan. — ki., zie Ij i£\\ rt^ totji \\ — ^ 00f! 0f rJjj oojj \\ bidden, smeeken. i h h\'n v5) w)jj de gebedene, betiteUty van de Vorsten van Soerakarta en Djokjukarla,


1

o O O O li\'

(ij) q \'i/ti ihi/js pass. o-j) j i. i uj ? om (hiji\\ wederkeenge liefde, elkander wederkeerig liefhebben. —

im ixyj. partijdig in zijn gunst o/liefde. — hj) i:i hj) { n of iL\') i.i iJi ^u)) onji • wat tot verwekking van gunst dient, middel {zooals kunst of too vergebed) om liefde te verwekken, {om weer levend te maken, L. 35). iui(i7))j)? ook de voorplooijen van ecu bö-bëd, en het binnenste einde van een gordel, n/n b?i iü) iti 1)5) ^ \\ of enkel (ül(cto3^\\ de milt, of de linker leverklap. — jf iLnuï)%\\ liefde, gunst, genade, zva ()5)f\\\\ iuimqrsngunstbewijs, gnnstbe-toon ; de huwelijksliefde van nog jong getrouwden, in de wittebroodsweken zijn. uji u i?i ^mn tynjj ^ elkander minnekozen. 3. wj \\ ook tvel ter wille van de maat?, verk. van unw)(£)? ófutiriw o. a.

B. P. II. 36.

of Cmtiui^\\ kn. hoepel of band om vaatwerk t»/

-ocr page 545-

405

lt;v

ik I run \\

zoa. Zijn Majesteit; «/j vocatief ö3t Sire!

__iets (zooals een kris} daar men

(liepen eerbied voor moet hebben, oo/t-

nok van een huis. an/i\\ verïc, oj^

Zijn Heiligheid, ben. van de waardigheid

der vroegere Mohammedaansche Walts, later van de Mohammedaansche Vorsten op Java, en nu van den Vorst van Sóerakarta, die dus iShwiaji xn^ .niS0\' cngew. hij verk. nun ïxaj^ ^ genoemd wordt. Soesoehoenan

van Ampel. ■— (HitojiMjiujanjis wat den Soesoehoe-imn behoort, iisuji0\\ de krijgslieden van den

Soesoehoenan. — (uv-yiv^w/jy ki. bede; dank. oj)vn\\ Ar. 5Lw » blijvend, ar.i ilkm (Siw de blijvende, eeuwigdurende, wereld, in tegenoverstelling van

CiS . . o/.

nnlt;wifaiivn\\ {zie una.n).

Jr. zie nnkn. (mondeling) antwoord (yry.

. / X; quot;) o

Qojj). (KjjMiijfSli., (Ma/yiuiitw^as k.,

2(gt;gt;]) tui\\ poöt., spr. allen tegelijk en eenstemmig, als in koor met (vuam? antwoorden. — vnnafip poet. (HinJÏp een schuld terugbetalen {vrg.

/ o ./quot;o

i7i)i (ut^ m \\ cm MI ni n

un^inji); iets vergelden.

op iets (mondeling) antwoorden; iets beantwoorden {vrg, (hinj^ n^); een schuld terugbetalen. —

\'ii ïj itni \\ an a/f} 111) un \\ met iets een schuld al\'beta-

T11\'

len. — ojj thia/r^ ^ (mondeling) antwoorden. —oj)iU)^ 4 gt;)on^\\ antwoord; elkander antwoorden; ook van geluiden, die, van verschillende kanten komende , ah hel ware elkander beantwoorden. — {wmyn ihj\\ Tj. het gezang van anderen beantwoorden ?) — \\ terugbetaling, afbetaling, va7i een

schuld.

S \' i ,. s\'

quot;VP ZIC

iujt\'n\\ Ar. , soegrd (vr. van^^)), klein,

kleiner, kleinst.

utvn vji\\ kw. zva. dir^ui q \\{Skr. sa har sa. Vrg. tun vjjjs en ajn va),

of ij wrj(i.vi?nrijj\\ klanknabootsing voor het uitgieten, uitstorten van water, rijst, zand enz.

QJ} Y™21,01 ^ of ern Ar. ^, sj a uk a h

scherp , in den zin van wapenen, scherp wapentuig.

o

1yquot;s Ar. , getuige, bloedgetuige, martelaar

{wg. wnn-$); kn. t./iam (ixyj\\ nmaJlA/n inn\\ (Qoji o Do

un iqji of un ui I.? nil tuns aangitte, en aangifte doen {eig. getuigenis, — alleggeu — als aangever) van een zaak, zoodis diefstal, hij de hoofden van de na-huur dorpen en de politie in de désa, o f hij de Pr adat a op de hoofdplaats, oji (bn aj) dm \\ martelaarsdood, ook voor een plotselinge dood en van een vrouw in de kraam. — i:m(uh(ui\\ een zaak als bij hem aangegeven betuigen o/bevestigen, daarvan keunis nemen. — itdi.}/?! ni ij hh\\ sww een zaak aangifte doen. — n?i wi\'n Lsi/j\\ aangifte. {of iLVifn^) (u\\(M(i/nim/j\\ of enkel (u(hj)un tuijj\\ geld dat bij de aangifte van een zaak gepresenteerd wordt, om door de aanwezigen aangenomen te worden, tot symbool, dat men van de zaak, zooals die aangegeven is, getuigenis wil afleggen, ruhjvi \\ aete van aangifte. JiumLn\\ aangifte die in orde is, d. i. waarbij niet alleen de gcheele toedragt van de zaak wordt aangegeven, maar ook de persoon of personen genoemd worden, die als daders in regten te vervolgen zijn. aangifte van een

zaak, waarbij de daders niet genoemd worden. m wji\\ zva. (ij) (ur^ (vmjj\\

•KjMjtLaji of kn. devotie; geheel toegewijd

zijn; onderdanigheid; onderdanig zijn, zieh onderdanig onderwerpen, aan een I orst of heilige {Ar. cJJtj gt; zoehd, devotie, toewijding). — a.j^^(uv^ onderdanig, onderworpen; zieh onderdanig gedragen.

ajiajtjwns of oj^dxi \\ ook wel nJicmms Ml. kn. vriend, vriendin, alleen van Europeanen of van Europeanen met inlanders {eig. broeder. Skr. só-dar a, van (ut^dnnis met het voorvoegsel aji\\ dus eig. uterinus, frère utérin. Vrg. aJnaii^ en ikitin oi^ n\'Hiji), Het wordt ook gebruikt als voornaamw. van de tweede persoon, ook in hel subj. passief. (hj)(un(ia (tmji of (innmiin iisr)jj\\ ook wel oji (in (iw^ \\ Ar . sj a hd d at, getuigenis, belijdenis; kn. de Moham-medaansehe geloofsbelijdenis; Er is geen God dan Allahquot; en //Mohammed is de gezant van Allah.quot; Men noemt deze uit twee belijdenissen bestaande geloofsbelijdenis ook wel (Knd/ndnn^n^yznjDi {of Ju ihatoup), de twee belydenissou.

Mdm (ia (i/V)\\ zie hij (Mn/nw ui (un zie oj) w

O DO

i./) d/n nnyi v kw. zva. a-jt xi^ (u/j en hdww kn., o^nm (i-jD/j en O) wtij)) (iwjf \\ voldoende, genoeg zijn. —

80

un

\'

Wm m

in é

ff#\'

ii i Hl i

I l:

\'k

f

r

■. ■ i

1


-ocr page 546-

(K) a /7^ ih}ji \\

460

(iin(unAinj^\\ TP. zvn. iHinjj\\ hoozcn, iels, bv. een schuit, uithoozen, het water er uitscheppen.

(h/xuniunjj^ kn. vattend, ingrljpeiul, van een gesp \\ hap ,

, : ) O

een hap. crn(i^crhn5ri^(LO^ibnji\\ spr. zva. ar^ern

ernin WP. 87; vohj. Rh. verkeerdy dit

het. een opwelling van drift krijgen , kwaadaardig

worden; zin krijgen om ergens in te bijten, en

rrr]mi (isn ii/r^ (imjj\\ wordt gezegd van de levendige

voordragt van een dalang; — mm(ur^asnj^s {poet.

iHi(uyn5it/j\\) happen, zooals een slang of vischi, een

ghnak gt; een roofvogel, Tj. happen naar; ophappen,

opsnappen, wegsnappen; schielijk grijpen, pakken,

wegrukken {vry. nn \'ymrtt/js i.iri rj ovn 2 nnyj en 07^njj

v Q«0

nnijj). Hna~) ajtj tjitp? tuj vji tj vut ^j n uw cur^ injj \\ opge -pakt door een waterhoos. ^cur^ (lgt;h 3i) ori rvi% bijkans door den bliksem getroffen. — rmno^

ih.) tj (urn rj ibn d \\ of nwi\'Yj kn. naam vaneen Chineseho kost, een soort soep van een varkens- of

buffelmaag, Rh.

o o

iKDiun aw gt; KW. zva. urn

(kji ij turn ajij) \\ {een Kramavorm van (Mi5n) of ik» ^

T o

rj mi ^ ojiji\\ 1. KI. van nol ui Kyi \\ — (amp;i ij un 2 (kijj \\ a

vm ij asm (hJi ~i#.\\ wn tj un è \'M si rj irn v en (hjiij (mi i (ut (hijj of lij) oji ij iL/n i n.1 si (hnjj \\ zie bij 1101 oji iM/j \\ II. en (hJi rj (ui) t (hJijjs KI. van (un isr^w \\wrjxjii2 (k^ inj\\ ziju opwachting maken bij een meerdere {een

avondvisite om den avond te passeren), ojirji/m

S s o

(Ki -jiixstj\\ KI. van (EAtisr^w — zinvjiundtMen

... o x o

yoet. (HirjiumaJiKI. van en van art

dj) (uj w whn (Kjj^djn 2(hJi iemand een geschenk

{\\jii (uiiasr^) aanbieden of zenden. — urn n^cunz

... O /

(ui sirj un \\ en poot. (hn ij (un KK\'iari/js k 1. van (ui mny

mvjiKnw ook iemand voordragen 0/voorstellen aan

iemand. 0mit* q cm oji \\ zich op genade of ongenade

overgeven.

III. en (tol gt;j (un 2 (Kijj \\ KI. van ik cm \\ nn :m rj ij un t (kjtji\\ de wachters. auti lui (Kjirj un 2(k^jj\\ wachtvolk. (uiij (un 2 (k^ cfh n kd. van ie: am m ern w — tvi (ui\'rj(un2 \'.Kii ^Aanji\\ KI. van m ik cni hnjj\\ wachthuis,

wachtpost.

o i o • o

(Kjiii(ijn2(ijijj\\ geur. njiij (tn2 (Kfijj\\ zie (ui(ici w

ij (Kirjdin 2 (iJ)ji \\ zie ij (k/i ij ik \\\\

(hji(un(K/i\\ KW. zva. (iJirirri2(u}\\ met magt, geweldig, {Mr. sahasd, met magt).

(u)(un ((k^ \\ zie a^o [oj^w

O . O

(kii un (ki tunjj \\ zie (kji hm iki ±,njj \\

(Kj^uiaw/js kn. wellust {Ar. sjahwat. lust

drift), un ui (ei* ~/n oji j (tji nsn/jgt; wellustig. WW.

(k/^un (luijj of (u^ 3ji i\\jijj\\ zie (ij^ ui (rujj\\

n^ljdjr^vuijjs Ar. kn. zich geheel bezighouden of gcoc-1 cupeerd zijn met iels; (de bewaring van ecu geheim. G. Ar. sjoegly bezigheid, occupatie, studie).

(Kji (i/)^ ru) \\ of (ui vui2 dnjj n ongebr.; r:m ui^ rj lui ij kn. antwoorden {vrg. niuur^ ri ). WW.; welïuji I weerklank vinden bij iem., eig. met iets instemmen; vrg. nJt^nujn II.

(KiiuniK kw. Ml. zva. (un rj un \\ zie bij ojikvikw

o

(KI un lUVl \\ k w. zva. 11 Kil 2 nil \\ Kil (ïin \\ 11 rri 2 (UI \\ (\'H ki) \' (jb- (JU \'

(Vjiui\\ {Skr. sa/utja, metgezel, volgeling, kameraad; J//. volgeling, dienaar én slaaf).

O O

(Uiununji\\ kw. zva. ik ik(tui^\\ \\ik/^auiunarnjj\\ kn. stampvol, propvol (Tj.) Rh.; zijn best doen om de eerste te zijn, het eerst ergens te komen of klaar te komen met een werk.

ly Kiutjjimjp kn. schaduw, lommer; overschaduwd,

lommerryk {vrg. ani ui^vrr^j en ijuna/ujum/j).

o

(Kiun\\ kw. zva. wtkijiw

(kjiuii\\ kn. 1. een vaartuig, dat met een ge

lijk zeilt of uitzeilt, een vaartuig op zijde of digt bij, JR. un (ui un ui (t-njj \\ naast elkander, gezament-lijk zeilen, AS. II. — .innun* of uinrjuh \\ iemand met minachting behandelen.

(ui ij (un \\ zie bij (k i uiïw

Ov

(KJj^ IHIJI \\ Zie Un oj^ IHTjJ \\

oji mi \\ 1. kw. zie untuicHiw 2. verk. van ui(iji(Hi\\ of (Uidji ~m(Hi\\\\ 3. 00/c un ki (Hi \\ kn. naam vaneen hard donkerkleurig meubelhout: oji (hi 101 nu \\ bijna geheel zwart, (uim ial(ia\\ met bruingele vlammen, palisanuerhout, Petrocarpus indicus, Nat. fan. der Papilionaccae, {Skr. sa na, licht, glans; ook naam van een boom, Terminalia, of Pentaptera, tomentosa. Zoo ook as ana). — unajuuis of tw (ki (hi \\ naam van den Sanaboom., en van de wel\' riekende bloem daarvan.

kw. I. zva. tj(KJi2rj ti2(unjj en (Kn%(Lhi\\ (LuHjtinjj en cïjiagjjs). — aj^^ \\ zva. oj^rjMtij

■tj \'ri 2 a^njj en (Eii rj iTjn 2 rj n 12 w — h n lt;ki^ ij uj 2 injjv SIM-}%\'•


-ocr page 547-

\'/ƒ iKJ) ï (Hl \\

407

II. zva. lUti^iKnji^ {S/er. soé71 oe, een\'toow, een dochters zoon; een jongere broeder; soênoé, een dochter. Vrg. n.jasn\\). zva. nmnyMn

Dfnjj of quot; I quot;h n \'vgt; \'ik^ ^ n Vorsteiiüoon. ■rjMdHns zie aj^syiHTJj^ zie bij ■ijan-iniMis zie oj)rn.asn\\\\

(iiuns Ar. JU, een tweede, een ander; kn. arm, v o lS

behoeftig (Ar. ^x\'xtj gt; lelijk).

ÜJ. zva. W. I. 128.

O

aJgt;l\'iQ\\ i ■ ki). zie hij a/r^(uitj.{w 2. kvv. zv

O • •

nw — kn. uitstel; mistel lijden, uitgesteld worden (vrg. nnnuj^s en (mceaoah). — tQ*!t£jik» ~/nvj\\ iels uitstellen. 3. rV/1 oq ifj

beknorren, bekijven, berispen, {welligt grondwoord

O _ O x

iwrjiifj

O O -■ Ti/#quot;/ ^1\' rt O O y*

1. kw. Ml. zva. (t\'n nq Ut] ïj ihj w a. ^ / hj \\ of ik,i D?j \\ eign. van de moeder van Sêlyakiy waarnaar deze genoemd wordt [Skr. Sjini).

ook wel nrjojizmisKW. zva. (lh■gt; {Skr. so e na een hond).

G) G) o

^(M^nkw. zva. ii.tnn^\\ ui (ut /. ^ \\ iui }lt;r^ \'oi asnji en thi}

cjïiiu\\ (jong, moedig. G. S/cr. sénd, leger, heir). ^imiin(u(un\\ kn. legerhoofd, legeraanvoerder, opperbevelhebber {Skr. sé 9i dp atï). yj mrt

als legerhoofd het bevel voeren. — inn^oJ) hj tut ij \'irn (mjj\\ opperbcvelhebbersehap.

kn. afgedaan, vereffend, quitte. — (o^v^n afdoen, vereffenen, WW. vrg.

of eni Uj \\ kn., lij \\ poöt., ern oji \\ Ti)., zich oefenen in, toeleggen op, iets leeren. «.v aStujajr^s zich oefenen. — rnipji/ï^ (vrg. enz., iemand iets leeren. iemand ge

legenheid geven om zich in iett te oefenen. ^ii^\\ geoefend, geleerd. —.(ui ujrj un?(hnjj\\ enz., tot oefening. sehrift van iemand

die pas leert schrijven. a5l M^rjiunz (Hyj^ wat gebruikt wordt om zich te oefenen , bv. in hel leeren lezen.

P

Jgt; U \'/ ^ i lt;mji \\ zie bij (h) (ixijj anjj \\

kw. olifant. G. {Skr. sana, het flabberend neerhangen van de oorlappen van een olifant).

O o ^ v ^

wtijan/js kw. zva. rjoji 2)j \'~m ns))jj\\ cWi argjj\\ eti notq (toi(vni to!itmjj {vrg* ajjiuy* enaJliKjij) -, kn. bevalen, er bevallig uitzien, bv. van een mooije tuin.

O O o o . .

T.ni(ixj(}lt;j vkw. zva. ^r.m? rjn\'té(^fi\\ kn. tets een

i 11• • O O ^ Cquot;) C~)

bevallig aanzien geven, qjion im uj (hnjj\\ kw.

elkander bestralen, beschijnen, tunmii\\jihjzva.

im ij ui ?. y -gt; ) \'e nsp (uif^s ook stralende licht, lis. \'(^n o n

IUI (M/jW

C) .o

ojl ij Mj zie nun tj tj nn/j \\

quot;■lyrjP zie hij

(Mnfj y:v:mi\\ kn. allerlei specerijen bij elkaar gedaan

tot voor paarden; allerlei, veelsoortig, WW.

CiCY quot; o nj)iHj \\ kvv. zva. (U) ijaj) (knjjs

o

(KijiKjs - o./) ijj \\ Kn.

kn. de schijn, hel schijnen, van een licht\', het licht geven, van een vuur of vlam ; het vuurrood zijn van de lucht, bv. bij een brand; weerschijn,

lichtstraal, glans, ook oogverblindend, Rh. {vrg.

. /

flJï^/LWN rjthidrjnitnwji en a.tr^ uj\\ en

n^rt^hjs sehijiien, lichten, weerschijnen. — (uir^ iinnis beschijnen.

oj)(Kjtniiji\\ kn. bloedverwant, iemand van de familie; ook voor vriend or kennis, Rh. (m\\ wel-

ligt ter onderscheiding, bep. bloedverwant. Men. {van (ur)(hjiHuji\\ eig. van dezelfde teelt o/*afkomst). (hntw^iinj(ht)ji\\ neef nicht, ooms- ©ƒ moeis-kind {vrg. iKii no \\ en un rj (ui 2 iHj \'föjjwjj). Zoo ook ajinr^ (th^ {of (h) rfdJirj -ri ^rnjj) nn mi ^nu^nm^ en tp. a.n tiy un dj) ariji\\ in onderscheiding van ^i (Uj hijtjort) ? \\ n., mi uj un 2ï:un ivip\\ k., achterneef, (oudooms kleinkind), oji ij (óizajuuj \\ iemand van de familie , een bloedverwant; een vriend; bloedverwantschap; vriendschap. (Kil.i^i(Ujiirnjjx als bloedverwanten zamen leven. — nj^GJiiu^tunjis (K. 4. 8; qji (eji (uj. Kv/j) zich als een vriend gedragen of voordoen, vriendelijk zijn. — ^^ {ook hjitj ói2°\\ K. 9. 19). met een ander of met elkander als bloedverwanten of vrienden omgaan , ook kennismaken , Rh. — iu ui (Uj. 1^1^2/1N een vriend, vriendschap.— (En(uituj unj)\\ als bloedverwant of vriend dienen bij een dorpshoofd, mantri of lagere beambte, zon-der loon. — vriend, vriendin. — (aej

nj) (Uj unji\\ iemand tot vriend maken. — i^qj) /ujiuji^ i)oj}\\ vriend, vriendinj verwantschap; vriendschap. (ijti ^Miujtnijirijjs als vrienden met elkander leven ; vriendschap sluiten met een ander of met elkander.

(ïJuj hii/j kn. een van boven ronde, beneden vierkante


30*

-ocr page 548-

408

O r

m ih^ rujj\\

o ■gt; iM lt;»(j h n

O

en minder wijde mand van gevlochten bamboe. WW.voly. RIi. een van katoen, rotan,bamboe of dery. gevloebten kalotje, door Arabieren en Maleijers gedragen.

ajinnn?! \\ Md., zie a-n int tlt;?i \\ bij (tuns I.

ct

o rgt;

(K/i ij(uj jajjj kw. zva. ojinjHihnw

\'k,) ihj tujji iHTjj v zie bij

(ïj!(lijn-.njjs — aJas» onjj\\ kw. zva. ui^ i} isnjj\\ cur^

(f.l S.l (Lgl (Hl/I \\

itSi iyiisujj\\ zva. (urH^ihiiji^ maar in mindere mate.

a J )f hiihnjjsKX. gevoel van branderigheid op de hnid

O

dour erge warmte. — a^ijiï)iujKtijf\\ erg steken v. cl. zon.

niyj kn. eeu goed werk, waartoe men niet juist verpligt is j naar vermogen eu believen iets aan den priester geven, zooals van de rijstoogst eu voor het doen van een gebod over de offerspijzen; ooi kn., till ki., besnijdenis, de besnijdenis ondergaan,

vau een meisje {vry. ii,n hnnrnjj\'), maar ook wel als Arabisch woord voor besnijdenis in het algemeen, en voor de besnijdenis van een jonge, als die volgens den ritus plaats heeft door afsnijding van de voorhuid, en niet, zooals gewoonlijk, door splijting {Ar, xXm, soennat, gebruik, overlevering; inzonderheid dc overleveringen van den pro-pheet Mohammed, die door de zoogenaamde regi-zinnige secten van de Mohammedanen bijna met den Koran gelijk gesteld, maar door andere verworpen worden-, ook de besnijdenis;) ook een gebedsformulier, en dat uitspreken P Tj.— (urrj^.igi s 1. kn., 1.1)IM JJn ki., een meisje besnijden , ook iciyiHfiiftfs een jonge volgens den ritus besnijden. 3. kn. een heest slagten, den hals afsnijden, met het mompelen van een gebed {org. i\'niiQr/ju^).— \'\' \'i % \'\' ^1\'1^ ~j\' rll\'quot; ^ een meisje laten besnijden. — ^ het mesje of mes,

waarmee een meisje besneden oj een beest geslagt wordt.

ajtfty»3\\ of miHiiiin\\ in de spreektaal verk. van aquot;i\\s Zó o M^(B»./.^\\ik meen of meende; naar mijn gevoelen.

itji tuj aijjji \\ en zie bij iinthyjjw

(uinnasyjiiuis en zie hij m itnyjiMW

O

UJt rj lij U-IVJ V-IJj \\ k. , Zie gt;1 gt;1 ^

i.) }?j \\ zie bij M ^ m kn.; ini uj iijjj• iemand een bits of sim.

wend antwoord geven. — ii}iijpitu^\\ afgesuauuj worden; een bits antwoord krijgen; b^j ongeluk lata slippen, bv. een touw, dat men vasthoudt; zichirh zien ontgaan; zijn kans hebben laten voorbygim. zich de gelegenheid ontglipt zien; bij ongeluk vet-keerd spreken; een fout begaan bij het kaart8|icl.

O . , O

,ui tn ru Kil \\ zie hij „I IUMIIW

zva. Waj. II. 37B v. d. buik.

gesmoord, in een fig. zin, van een regi. zaak. x:niitjj«Jij)\\ een zaak smoren.

uj tui\\ kn. voorbeeld, waaruit men iets zieu ka»; gelijkenis (vrg. an^nuaii). iS)Si^xniifijf0s spreuk,

O O O • » O O

(Kn iHj (Ui \\ zie bij iKji hji w

.li]irj iVI \\ zva. (KJl tj (Kj (UI \\\\ G.

m jy (ui tHyi n zva. (Uj ^ (ui uyj \\

(ijji (ui imji \\ IIoll. s n a p li aan, schietgeweer.

rj (K/i iij (ui (Sn \\ zie bij vj (kji lyw

(ukhj is im/js zie bij w ujj\'jiuijp

zva. ((u^cici(uiw kn. de jonge bladeü van den tamarinde-boom {misschien van ywitii]); gekrulde haarlokjes aan de slapen van het hoofd (vrg. iJunij \\ en mn op (un /p ) ; ooft benaming van een dichtmaat en zangwijze, \\cnyij\\j10\\ ben. vanen bijzonder fatsoen van huizen, CP. (ka k]tj uji^ poet. benaming van een vronw of meisje van hoogc geboorte. — aSi {pok wel inn0? Tj.)

personen, die bij feesten de gasten bedienen; tc zamen of beurtelings bijdragen tot de kosten van iets, die te zamen dragen; van een werk, (lataan één vjas opgedragen, dc kosten of moeite deelciii werk of loon met elkander wisselen, zoodai men bv. elkander dag om dag vervangt.

ihji wj aiyi \\ ongebr.; ika cm ariji\\ kn, in angst zijn,

zoodat iemand hex hart ineen krimpt of klopt.

o O o O „O o

(Ki(^iyriariji\\ wj. zva. n

ij} (ja errij) \\ ongebr.

O o cm (Hj cmjj \\

(ui^(rn\\Ki). in de spreektaal zva. (Kji (^,(ujjj mi Tj wj, cm \\ k w • zva. Lu \\ gereed, geheel uitgerust,

reisvaardig {vrg. a^i y ui cm).

Mi^.tTTT^N kn. een beklemd, benaauwd, benepen gevoel hebben m de maag of om het hart {vrg. \'M \'yjy (Qhd)q). — (KjiQiQccnjis hetz. O.0..........................................«.„I tC

fijtiujs kw. zva. tj r.ri 2 0^ ice 2 \\ nLiilj \\ kn. vergenoegd, vreden; genoegen, behagen of smaak vinden m


-ocr page 549-

cy

VJ) M) \\

409

\'ër

(inissc/iieu van $). — jrir?^ctxbchngeu vinden t/ zin hebben iu. — lt;trj\'K) vj unn behagen uf voldoen! bolinaglijk, ftangeunmn. — iniilmKi .tnjj\\ vergenoegdheid, tevredenlicid, genoegen, behagen, welbehagen, iemands zin j een aangenaam vermaak, zooals door hel hooren van muziek. — i-1 Jijrn iinjj zin smaak of verkiezing; oot naar zijn zin enz.; elk naar zijn zin, enz.

iïup KW, soa. o/ntrhs en

{cn ajiynv^i G.) kn. er mooi uitzien van rijpe vruchilen; ook benaming van een soort van fêdaily G. en hen. van de tandjoeng vrucht, Rh.

(h) rjih(tii\\ 1. KW. sva. o nj tymiw 2. iu de volkstaal zva. (Ki rjd/n eni \\\\

(u im.uiis eign, van een zoon van Kresua.

Cl

o . i

hinninn zie m nsrfwnw (i

o.trwum nm. v. e. Windoe, M.

M!hylt;tijj\\ kn. naam van een onbekend lelijk heest, dat wel op een rhinoceros zou gelijken, misschien wel een tapir {Ml. ianoeq). Q^zulk ecu beest vuu goud, één van de rijkssierraden van den Vorst van Hoerak aria.

O / O O , )

zva. V) (Ki \\ fKi ui \\ (ui (ui thiyi \\ n. i tr i -1 ii-njj\\

(KJ kjnKW.

r

(uinvjanji\\ mttja/n kii (mq en vjtui ? uw kn. geheim, zva. (Uido w en verborgen list {misschien een

, O lt;gt; O O v O

krma-vorm van ui mi n zva. (Ui .ui\\). dn iiyri ui i n \\

11

/ o .

k\\v. zva. (urjtun iw (Hijj\\ mi mjimgj\\ kn. een list

gebruiken, nusr^rjjzva. ^n^aS!een Vorst, die zieh verborgen houdt en zijn vorstelijk prestige bewaart, ru ur^ w jp\\N., rui ha ^ v.j.rr) \\ k.3 geheime togt tot verspieding. of o.i^i

ceu gcheimsehrift, waarvan de uitvinding aan Adji-s\'aka wordt toegeschreven, waarin de vocalen door aksara\'s aangeduid worden. — \\:m (i?i\\ kn\'. iets in het geheim doen; huichelen, veinzen j verspieden, bespieden.

quot;^kw. ecu onzekere diefstal. G. {vrg. ui ah).

\' i\'fj uiwi,} zie dij ni w o quot; quot;

\'m^nKw. zva. dmcKjj^ {Skr. sindoe) de zee; de In-

dus; en een rijk aan den Indus), n^umnyn {ijnni\\ ri-

amp;2gt; v

\' icrw ater. o^i w r-nif:\\ new. (ki ni cu irlt; \\ of .ki m uk \\

0 OD j (td s J dj

ook w (iri(iA(isii\\ eign. van een zoon van Bagawan bempani, vorst van Band-kling, een schoonbroeder van de Korawa s, anders ult; 111 oo mn \\ genoemd {Skr. Sindoerd dj a en S i n doe p a t i, de koning of heer van Sind. pk.).

ry

(Uil (ki \\ kn. ren, bv. von een paard; (vlug, snel. G.

cy\' cy cv

Vrg. — uni iui \\ poet. m (hi \\ rennen; op

iemand aanrennen; ook met een harde vaart aan komen snellen, van een slang.—irm^ninirj?(u\\ doen rennen, bv. een paard. MannKHin^ in een ren;

cy

met groote haast — cui (Hjjj iri \\ het rennen; snelle

vaart.

a a\' . a ci\'

onkuis zie (h)ciiriw

^ 6J

(ui(hi\\ kn. lichtrood; üchtroode stof met een smalle ^7/ . ^

witte rand. — rni ui po\'ót. (hiin\\ (Tj.) lichtrood

verwen; van een danseres, den man, die met haar

danst, onder het tandakken naderen.

o O ct . O o

mi m ni \\ cn (U i (Hi n \\ KW. zva. u) ui ui m/i en i:/i un

VSp ^ n

(K/)\\\\ (kn. zva. (i^i (Hi ij ti (inji\\ G. althans po\'ót. in Tj. en Rs.) (ui (him^an-\'ns eign. van een dochter van Vorst KrVsna, gemalin van Raden Abimanjoe {Skr. soendari, eeue schoone vrouw). — oji(ip ij 70^ of k}.yiijm anj!\\ kn. een boog van bamboe , waaraan een gëbang-blud of dun geschraapt bamboe gespannen is, en die, aan een vlieger of aan een tak van een boom vastgehecht en door den wind bewogen, een gonzend geluid maakt. WW. volg. Rh. een iu den grond gestoken\' lange bamboe, waarin, spiraalvormig tus-sehen de geledingen, langwerpige gaten zijn go-maakt; de wind daarin blazende, veroorzaakt een welluidende eenigzins melancholische muziek; een boog van bamboe enz. zooals hoven, heet volg. Rh. (u-i (ói ui iw/]\\ zie bij

o / . ... o

(uii nn iclt; \\ zie hi\') (un dn w (i J (h

(ui (ui iniqs kn. pen o/* pin om twee stukken met elkander te verbinden\', splits van een wagenwiel (vrg. (Uijföimi/j en aj^inutijj). ook zva. ^(um yjnjnrmj^s overeenkomen, overstemHien, kloppen.

dj^in hiiji\\ kn. speet, om er iets aan te steken of te rijgen; rijgnaald; rijgkoord; spit, braadspit; ook een balk of lang stuk hout onder hot gebindte van een pandapa, om de vier hoofdpilaren met elkander te verbinden {vrg. oS in kiiji \\ (u^x en (t^ ij ix (Hi/j). n^ inrwtiTïi ni/js ingestoken hoekklamp of korbeel,

ui nidi?uru\\ het viertal balken wat ouder de nuul

(ld,

ainsiien de .ijiyun\\ in de stijlen van een huis


-ocr page 550-

\'1-70 (Mi/n.nn\\

gestoken wordt. 0d\'n/^ mhjj^ nm, vcm een yrassoort

CP. — (inyananyjs ids steken aan een speet of

snit, ook zva. ii:n/ nu it, n \\ Ti. vm mi n an n iw i, )i a i \\ 1 l Oh \'hK quot; (IC CnC(i

o rgt; o . .

u^i ?r/ in i (H n t t. i (Ui (//;) ttvi \\\\ — a.innn :},n \\ viv. : iets ,

flOTi rts^ li(hgt;

zooals bloemengt; aan iets bij elkander rijgen.

o /• ( ) ^ • 7 •• o

(h i Dn ,kh \\ 0 h-ji na vu \\ zie orj xm na mi w S- ^ fC-

w(K)(Hn\'Y)\\ iHinn nn rnkw. gva. lun.nii ii «;i\\ verb. Cl (^1 c i D

v. h. Skr. toejuiching, goedkeuring,

7iddhukdra, heilwenschen, applaudisseren.

O O . O O

iki an nn \'n \\ zie a-J) iui (hh ni w

Cquot;) quot; Q

tui /}fi asnji \\ zva. (nn lt;i^ asnji \\

tL) iu) tj) \\ of ojj. iH) iui \\ kn. salpeter; en k. van ij un i «■» {Skr. send aw a, salpeter) j ook kn. naam van de klipzwaluw, die de eetbare vogelnestjes maakt {vrij. lt;r^ (tpttii). diipi n» en ii/y ivi %

tfj) iuj iu) njj (h?i q \\ bepaald voor salpeter.

nui an .ui \\ ki). ook kv. rjii/ii ixin iis)yi\\ M.

kn. hoer, ligt vrouwmenseh {vry. ttjum tj rm 2 ^ if tui2 gt;icy n \\ en ik irhi) ijn j ry iL ijj\\naam van een witte sterk riekende bloem; Polyanthes tuberosa. Nat. fam. der Amaryllideae. lt;gt;-j lt;bo/j naam Sandelhout-eiland, ajjjfiijnrii

iu i \\ een vrouwelijke booze geest, waar meö men kinderen bang maakt, met lange haren en een gat in den rug.

nlgt;niivijj\\ kn. witte schilfers op het hoofd, roos. (in(Lnjj\\kn. prik, zooals van een naald in den vinger; iets dat scherp en puntig is, zooals de punt van de tand van een vork, een \'puntig mes of vlijm (vrg. lt;i^gt;u)(LJijj\\ en ijnjn ij\'iJit*); ook

naam van een ziekte in het rijstgewas, als het nog heel jong is. — (oy jnm/j\\ met iets, dat puntig en scherp is, prikken of steken ; aan een visch-haak slaan, Moe.; ook voor iemand aderlaten {vrg.

ion, en iemand inenten (vrg. a:ni ip ^nq).

O O

hna^an iijtjjs bij ongeluk geprikt ö/gestoken raken, zich prikken of steken. — vnyap iuJjs mv. — ^iL\'irjnni\\ iets bezigen om er mee te prikken of te steken, met iets prikken of steken, ihj (hi (ut -ï anjj \\ obj. den.\', ook geheim bv. van een brief of gezantschap, dat niet langs den gewonen weg gezonden wordt (Men.) Rh.

lt;•gt; - c quot;) .

n ) ij lip ilvi\\ en (Ki on (lw \\ kw. en kn. zva. a-jjikiiiLi\\ en tj DJi z nm ■ iji cni \\ (Skr. s an de ha, tw ij fel) ongerust zijn, in twijfel staan. — t:?»? ij op nu ih] \\ kn. wan-(?)

(KI (HJ \\

trouwen, ongerust zijn, enz. over.

G) amp; .

lt;K) nn \\ — (M iK.nci nn/is zva. (Ij) tui \\ lts.

Ut (s)

fl^^mkn. heimelijk, tersluik {vrg. mvu). lt;111 tj n,,^ O G)

on \\ zva. un ajrnn ^1 ten \\\\

(1 lt;rJü

iui n^i\\kw. zva.

o o

a.; gn \\ a-I(IQjp eu aw. zva. ^ s ij i.u i.n

d l ik \\ iu(h^ aS \\ (i:^ ajj {\\ hji dTj njj { \\ j in r;y( ibV/j ^ ,lu\\

Cïa* O Qv O ( ) O , v, . ,

(LI (CIS (UI hl (I. / \\ (Kil N e7l lhll(LI(HIJI (OAT 6 JUilli

rust, vrede, expiatiej zegen, geluk; s dn t w a, yki. jende, troostende toespraak. i\'k. Frg. yn.//g/jji\\ ^ (hi(fn tn/\\). (iJi.ifc tiu \\ kn. steeds gelukkig z(|ii i# het spel\\ niet te overwinnen door een vijand, alles vermogen van een rijke met zijn geld, en vanen pandit a door zijn magt. — tui (ki \\ zva. (ü^v^w ^a. Shvy^w naam van de eerste vrouw van Watoe-goetwemj en van de eerste woekoe. y iui-fji in gn \\ eig. van ik dochter van Djanaka, den Vorst van MantiU,gemalin van llama {Skr. Sitd).

O Qv O O ^

*1^2^ kw. zva. w rj fgt; (iro lij \\ (tJln-Jtn tinnx mip

(i i n i (ui (isiiji en rri id/nnjv^ {Skr. sjdn t a, kalm, gerust, gestild; gezuiverd, bevrijd, enz. Vrg. ij ky \\ en flv i 0 nm n ). — rj rm ? \\ niet zachtlicid te werk gaan, partijen met elkander verzoenen, njij \'*] l\'j2 gescheiden, verdeeld, afgezonderd {misschien van Skr. sjdta, afgesneden, pk.). —n.jij ij fot 2 nfi \\ of n-i \'i *\'i 2 ft/i \\ ks. zuiver, van een afschrift va.i een boek; waar, juist, bevestigd, tw» een gerucht. — nzn^ (Li *j tm \\ iets onderwer

pen aan het oordeel of overweging van een ander, iemand in iets doen berusten; iemand tot bedaren brengen.

iU steek, scheut, stokende pijn, zooals men

gevoelt in een gezwel, dat zich tot et tering wt; steken; ook fig. pijnlijke gemoedsbeweging, gewaarwording. — n?!(H^asn jJnn(iMjp bij eiken polsslag pijn gevoelen, bv. in een zweer\\ ook kloppen t\'-

\' ) m*

h. hart. — a- j iui tenjj - hetz. Tj. —an overal stekend, vol scheuten.

ajifipiuns kw. bevreesd, beschroomd {voor mmuiquot;\'* of van iisn n n \\ met het Skr. voorzetsel s a ngt; W-s am).

n^iijn:ia/j\\ kn. 1. kokosmelk, het uit de geraspte kern van een kokosnoot geperste sap. 2. de kam vanec* Javaansche viool. 3. bij Kil. 7im. v. e. reeks tjt\'


-ocr page 551-

quot;-•WW

471

\'vr

wassen l\'avutta L. spec, pluiiimie (\'l\'j.)j tie

,,.«1^1 _ S/\'iyN vilquot; l\'0\'108quot;10^ voorzien.

met kokosmelk bereiden. — gt;;«««

««a sew slinyerwas, lt;/«lt; wor leidsels on strengen gehruikt wordt en zeer sterk is; ook kramil-/ji\'itd luhty van hel disirikl Foti.

O il s\'

; y gt;,; :uiji\\ k. van m \\ \' \'/ti t\'w lt;m ^ n 6\'w K i). van

(IJljtjW

iu \'jptfyi1K ^ \'llt;;\'NN

dienen; een gelijken. Alen. — lUm 7^

un -Jn ij Mil \\ een zoon aan een meervermogende als veehoeder aanbieden, om dan een dochter van deze tot vrouw te krijgen. — (L/?rjnnjj\\ een prie-stersehool. priesterseminarium.

KN. sterke stroom, sterk en snel stroomend,

van water; vloed; met kraeht, zoodat er kracht

O- Cgt;\\

i i iii)\\ en (im (m).

achter gezet wordt {vrg. w iui a i

cy

(mn (Hi\\ er kracht achter zetten.


\'i\'T,x 11

ij \'i iiijftvnji** zie a i/ti w

of KN. familie van den Vorst «/

vim een «aimonlijk persoon of hoofd , oo/\' de vim dorpshoofden afstammende aunzieulijken in de dorpen, die, als zij niet zelf dorpshoofden zijn , door hel dorpshoofd lot verschillende functies of comiiiimes gehruikt worden (Sir. sant dn a, familie, geslacht). v!3 \'\' W \'K\' ^ zonen en verdere leden van liet vorstelijk huis. a/i gt;j xn-r) ikijfnon \\ ecu kleinzoon of verdere afstaiiimeling van den Vorst, die den rang van Pangeran heeft, in onderscheidin/ vuil een toi ij i::t i in als suu-

tauii, uls lid van de familie, aim het hof van een Vorst zich gedragen en zijn opwachting maken. — ■i^ 11 hi m\\ zich uls een santana gedragen, ecu air animeineii als of men ecu suutana was.

KW. zva. Li (Ui m li/iquot; itci gt; u W/p Ook t i .ki \\ dJ i mn tij ijnxi vn eigii. van den Vorst van Tal-kmd\'a, later van Ngasiina, den vader van Bisma (Sir. Sjdnla tioe).

KN. een priesterlcerling, die op een priester-school leurt en dient om later priester te kunnen worden; in de dorpen , een bediende als vee- of buffelhoeder {vry. 01) ccn

piiesterschool den leerbar gaan dienen en leeren ; dienen als vee- ot\' buffel hoeder, ni r:t] arm een meisje tot vrouw krijgen door bij den vader als liet ware als veehoeder te gaan dienen, alleen voor de leus een paar dagen voor de voltrekking van het huwelijk, zoodat dan de vader zijn doehter als het ware aan zijn veehoeder ten huwelijk geeft, en dan ook alleen de kosten van het bruiloftsfeest draagt. Joo irouwl de zoon van een minvermogenden vader net de dochter van een meervermogende, —min als i i^fn\\ leven ter wille v. e. meisje nU n ap\' een klein soort angkloeny, ZG. 1872, 99. tJojijnês KN. een harde vaart of stroom van water of wind\', met een vaart voortstroomen o/* voortvliegen; sterke togt van den wind; (drijven, vlotten. G.).— met een harde vaart aanstroomen tegen; ook spoed zetten bij, bv. een werk, Rh. -unk)

xjyi A7t 3n^ getroffen worden door een harden wind-stroom. — a ^ iti ij ^i Mnet een harde vaart stroomen, v5] \\ KW. zva. (tJiiiaw

KN- somber, droevig, trenrig, van oen plaats en vaA\' iemands gelaat {org,

KN\' ^0sües^ 5 gebiologeerd, he,iaming van een spel, waarhij een jonge of meisje onder een mand gezet wordt, daar men omheen zingt en muziek . maakt, totdat die er onder zit, als be-soesd oprijst, op de maat van de muziek gaat dansen, en eindelijk in slaap valt. nm ij r t0\\ jI ij Vdrnquot;tl/I makeu, biologeren, zie n.iiJ?)u.iihï tjOipw.p zameu ki(ftfl\'w/l\\ spelen. Us.

KN. droevig, treurig, van de uitdrukking

van het gelaat {org. m^).

ww-

gt; KN\' 1* een hoepel van gespleten rotting of

van bamboe, met katoen omwoeld, die men tnsschen den houten rand van een tërbang en het daarover

gespannen vel doet, om dit strak te honden. 2.

V v quot;) 1

toegranwing (vrg. ki pi w/j). rnir^ht^/j\\ i. een

tamboerijn met een spntak spannen, ook zva. on

mn ni^ met een ruk trekken; wegrukken (AS.)

Cl quot;)

Rh. 2. iemand toegranwen. Kii iin nm^ui^s v.

e. luid gelach , waarin men uitbarst.

DO O O O O

ki pi unij en zva. \' en vin\'ifi Hrijjs

— zva, i.iiunjjs in alle opzigten

knap van lijf en leden, van een meisje.

/ï\'V\'IVquot;quot;\'/ KN. naam van een boom, laurus Malaba-

rus, waarvan de schors, een soort van kaneel, tot

*1® \\

|i

ill

i

% »

li :,1

i

ii M

m

i li

If)

a |

11

i ■}, i ii::


ê.: 1

-ocr page 552-

•172

medicijn dient; bij Vil. Ciuiiumoinuiu Siutok BI. Nat. f am. der Lauriueac.

quot; hW\'^/l 611 gt;n!J}s ~\'lc\' \'^hilfi\' N wi[n ilt;n\\KN. liuu.lig, behendig, kiuip, bv.in het hanteren van wapenen of in de letterkunde, van iemandi die door zijn bedrevenheid rustig handelt, daar hij zijn zaak meester is; kalm en bedaard van gelaat {JSkr, Sjdntika, kalmerend; rustigj verzoenend, enz. Vry. ^ gt;.71 ^7 \\ en / an \\). — iktkki

n . , o o

föijtw \\ ^ boven nni^iMnmiw — (tn/js

bedaardheid;knapheid, bekwaamheid, behendigheid.

O o O a.. o . lij

(Wh .7.7 i[n(uit (ki —^7 lt;t:;.1^/7 m7 ijj na ij u i i mi \\ de kunst om

olifanten te temmen.

a h iia a\',n^/j\\t[a (vrnjj\\ eva. G.

1 gt;11^2(1-i\\kn. veilig, zoodat men er gerust kan zijn, van een plaats of weg; stevig, hceht, sterk, hv. van een gebouw of een stok; standvastig, vertrouwd, van een persoon, daar meji zich op verlaten kan; veiligheid, stevigheid, sterkte; {Skr. sdntosa, genoegen, vermaak; maar sant ós ana, ook sterkend, vertroostend. Vrg, mj q). ^7y ina 7.7 ri-ituj ij7quot;»n sterk van mannelijkheid lt;;ƒ mannelijke krachten. — it//? tj 0.)iilt;j \\ iets, zooals een hurgt, bevestigen , iemand of iets ondersteunen; i-n iets met standvastigheid volliarden; tegen iets standvastig weerstand bieden. — i:iri ijw?(ij(toi ~/t}rj uii \\ stevig, lieeht, standvastig maken, sterken; tot standvastigheid en volharding aanmoedigen; zich sterken om iets met standvastigheid te verdragen. — voim if([n?\'KItui/js stevigheiJ, hechtheid, sterkte, stand-vastiglieid; zekerheid, securiteit.

(K7 (m irujj \\ kn. evenaar va7i een w^ jschaal {vrg.

(K11j i itu/i \\ kn.; .7.; vf föi 2 n y k N. op iemand of iels zich beroepen, er op steunen, liet er op schuiven; iemand tot borg hebben; ook voorwendsel, daar men zich achter verschuilt; wat men vuor de leus zegt of duet: voor de leus {vrg. ii/n rj ^n ru/j). — ,1.7/1 ij fifu ij un \\ op iemand of iets steunen ©ƒ zich beroepen; iets tot voorwendsel o/leus gebruiken, om er zich achter te verschuilen of er zich mee te verontschuldigen. JR.

(7 7 ^7M^ \\ kn. de huig {vrg. vti.p /17~//iafïruon/jy, de trekker van een geweer. fM.Liiïpirujj\\ een trekker \'w V alg. Men.; de tong van een gesp {vrg. 11 kdd

n701 ?^); het kniphoutje, tan een val; ook tva.

J /tfryt-u/fsKN. naam van een boom, Sandoricum In. dicum Cav., Nat. fam, der Meliaceae, waarvan hel hout tot timmerhout gebruikt wordt, en van de eetbare vracht daarvan.

rf i\'ijfóii tjinj2\\ kn. kabeltouw, ankerkabel; ouk nam van een groote wilde vrucht, die op een doerian gelijkt. — v.m ij tui* een vaartuig meteen touw vastleggen.

Zie

a • j .. n

m(Hl(injin zte bij arta^jw

th) na (üjjji 7, / n of i i rj ;hi (hijjj ui \\ zie hij lt;}lt; i ii^ij j i~i\\\\ 0.1 ij ihri ? tj (t il i \\ KN. — /- / ij nn t tj tvu i dn anjj waggcleud, zwaaijcud va7i gang, Men. vrg. 1:11 ijtiiiêw :k 1 ïj /fn z crrji \\ kn. naatn van een soort van mangy a •

(Ijin j, (FjI ^y/ ffj iffl 9 (ïlljj \\

iin^nrnjis kn. een onaangenaam gevoel, onaangena-

T O

me gewaarwording. — M «ün onaaugeiia-

me gewaarwording hebben, zooals van een sloot, duw, drukking of steking; ook fig. van het gemoed. lt;^i\'r]ftffcrtyj\\ kn. digt geweven, van een weefsel, door het sterk aanhalen of aanzetten van den inslag.-,17/mrjijniets, zooals een weefsel, sterk aaiiliu-len of aanzetten; fig. met aandrang.

\'/ \' \'hj(™J}N kn. een gevoel van voldaanheid o/genoegzaamheid, ook van het hart\', klanknab. vast, h. v. e. haarwrong, die met een omslag, in eéns vastzit, Tj., sterk genoeg bv. van tabak, (zich sterk genoeg gevoelen om zich te helpen, G.). — ityjiii vastzitten, vastgehecht zijn; zulk een gevoel hebben, zoodis van iemand die zich goed verzadigd heeji, het voelen zitten; iets, zooals men zegt, in zijn hart voelen, van iets dat veel indruk maaki.

O •7quot; O amp;

/ 7 (hf) tj om (hn/1 \\ zie bij (kd nw cru w

/Q^m kn. naam van een kleinen visch, van een bloem, en van een meisjesspel, ook van een fatsoen van buis, meestal zonder panden: integer stelling van w u n tui (injj \\ — (Kji (k gt; an \\ 11 w1 spelen, lis.

(Kj anDnji\\ het van rj (rm /,;\\ vervaardigde sclioiel-vormige voorwerp, waaraan de hangen Wj

de ^

C) t n o \'quot;gt; u-v

7.7a/y \\ KW. zva. (7.^,1^\\ en (kivliw — (i ^uyn\\

het daaropvolgende, van een kind, dat in ouder-


-ocr page 553-

473

O Kquot;}quot;lls

ilom «0I9I op quot;Hlt;-^r, zooals op het ouihle of M middulsle (*va. tuna.?,^ Vrg.

en

liini\\ kn. op een norsc.licu ot\'liei\'ispemU\'ii toon (vr;/.

\'[\'quot;•quot;VT equot; Kquot;\'

„„n iemand lierisiien, verwijtiugen doen. éwmn i.i , 0.! «h(rumlyfQ*\'r)N ,ictl\'cl,ijk nerispou. — ojim

ülkamlev berispen 0/ vorwijtingeii doen.

\' fiJ c-y\'

Hion kn. op elkander, tweevoudig) herhaling van

l CiJ

cca klank of geluid (van it/ijmtp vrg. (uyrnii en ihjih-jiKijj)! Ij\' S\'énffk. twee; ook naam van het westelijk gedeelte van Java. a^Kt ^nrrn dc Soen-dalauden.

j ijitiusKH. zva. o^rjtvi\\\\üi\\t, te laat; vrg. oj) ijarn^

,ui ij am \\n

•ïidji\'ijoph\\ kn. ouder zekere voorwaarde, waarvan het

1 (\\i

zal at\'Iiaugen, of ecu /coop of ver/coop doorgaat of niet; (leunen, aanleunen. G. Vrg. vjn rtjrrni;\\). (i 1 rjhjivj(i^ijn zulk een voorwaarde maken. — « ^ rjiurj(rrn\\ of i l ^ u i rj arrn \\ leunend j op of tegen iels leunen; tegen iels aanstaan, zooals een sio/c tegen een wand; steunen, zieli verlaten, vertrouwen op; het ergens van laten afhangen, niet zelf een hesiuit willen nemen of een keus willen doen; zich aansluiten, onmiddellijk op iemand volgen {vrg. o^ fvim ). vjxini0\\ lieden, die zich door dc omstandigheden laten leiden, onzeltstandige incnschen, die geen eigen keus hebben. — oynnrj of ijann tjatn l?}\\ tegen iels gaan leunen.— rjrm rj rrrn ooi ~jn rj un - iets tegen iels aanzetten te leunen, of zooals een slok tegen een muur, [iets vaststellen. G.). — ij w ij mn ihijj^ steun; iets daar men tegenaan leunt, op steunt of op vertrouwt. rjOJirj artn \\ leunen of steunen op de leuning van een stoel. iijrjiKiijnit) (hoji of \' i*l i rrinrn itii (htji^ leunen. — (vi tj h njcrtti nii on/js leuning van een stoel of bank.

^ kw. zva. nrj i.)? ^2nnjjj\\ (een heilige G.).

i toynihnjis kn. verharding, klonter, in de borst van een vrouw. — 1 arn jnjj en /. n ^ j ;rrnt (Lj wji\\ verharding of klonters in de borst hebben. V \'\' V Y\'J 1N grondwoord van rj rm rjcyn i.tt \\ 1 ij 1 1 tj ^ ll \' V \' 1 riyn in nnjis zie bij ij 1 ) i/arniw

{volg. Kh. behoor en do afgeleide vormen die leu-ncn, enz. bet. onder een grondwoord rj k; ij nrjij q * en die voorwaarde en afhankelijk stelling (wr/tr

een grondwoord ij(ki

? tarn an,?\\ zie bij 11 \'i-1 ?nni \\\\

UJ J f Cx)

O ^ O lt;3-

(hifjcnrig(Kiji\\ kw. zva. (K11 j(rriian^/j en nrunnw kn.

praeludium en praeluderen op een muziekinstrument, zooals op de rebab voor dc muziek van de gamelan; om aan te geven in welke toon (tui ir.i nsiijl\\) gespeeld moei worden. l?h. — ^atni iHj\\ een toon aangeven door een praeludium, ook een gezang van een (ur\\ (ia cun na door den dalang, begeleid door de gëndèr, gambang, rëbab en fluit. fl^ï^arr»lt;wt^\\kn. gezang en zingen bij een dans of muziek. Zoo ook iJ tl gt;)(Yn{onfl {vrg. oj} oui\\ en tni«ia\\).

(\\1 s f

— rm ij mn tij \\ muziek of dans met gezang aecom-pagneren. — /?/) yjcmj^mji\\ al zingende. — nn

j?i nntnao/js zanger, zangeres; (üü^ gezang, een

C\\J

gezang. WK.).

rj 1 irjti 11 oa/j \\ zie bij tj 1 1 rj wm v

nas r o GS

j urm \\ of .11 mi ^ kw. zva. iisn ij /11 tjcio tmjj\\ ij) )? kn. een door een danseres om den hals

geslagen sjerp, waarvan dc slippen onder den gordel vastgestoken aan weerskanten voor neei hangen, die nu en dan in de hand genomen en naar achteren geworpen worden {vrg. ijt^arrn). WW. deze volgens Rh. en is de r^Kizijcïtns of ij

iji 12 tj ut \\ een lange breede sjerp of shawl door de mannen om den hals geslagen bij het tandakken op feestelijke gelegenheden.

(k jerfn tj\\ kw. zva. n ntj i itw

ij ik 1*107112 itni/]\\ iji.iri (i^i2 t(T]j^\\ ij 1 iirjuci 2 irryj en ook wel vj(Kn7jnrin2ihnyi\\ rn.; KI., lepel

{vrg. II )-

/. ;fï37ï(u»^n kn. zva. (huam \\ ook zva. h i ru \\ draagzeel , touw, waarmee een vracht aan een juk oi stok gedragen wordt; en een net, dat aan een touw ee?i visscher om den hals hangt, om er wadende mee te visschen. — armom iets een draagzeel slaan ; en met een sandat visschen.

jj(rtn ibti/js kn\' belemmerd; niet vlot, niet goed, willen vloeijen; niet willen vlotten, slecht vooruitgaan, haperen; traag van verstand {vrg. 11

i.iij?rff:7arniii,}yj\\ daar het aan hapert. i^Krinkn. TP., vleeschmade, zva. \'j\' i 0f

r i (Ut its?) ft\\ .i3nm it\')i rm met maden bezet.

UI Cd \'llt;l*

apioin p kn. knoop, daar twee einden touw ot koord


-ocr page 554-

4 7\'! (isnji\\

mee aan elkander geknoopt worden; vastgeknoopte strik 111 een touw, om het te verkorten (wy. ^

atnirnnri/j). — a:nnnntv,ii/i\\ toescliuiven , van een

(a) \' » C\\J

sirile; zich vaststrikken, van touw met au der touw,

daar liet mee in de war komt, ook achterhouden,

niet teruggeven en lig. 0(vm fM ^ verzwijgen.

(ijjonn obuji \\ kn. een soort vischnet, Tj.

hityn\'rM/j\\ kn. goed van de hand gaan, goed in trek

zijn. — Knimnttv)ji\\ rukken, een ruk doen; aan

rukken; iets met een ruk trekken; iets af-, out-,

weg-, omverrukken.0/t?(lun zie iamp;i(til\\\\ u) rujj\\

den blik afwenden. B. — aTmnrn irivn hh\\ met iets CO n gt; 1

rukken; met een ruk optrekken. —Li(nn-r^a^\\ ruk.

0 O

1 tnyun 2 rvijj\\ KN., rrrn r^nn i \'U/j^ zva. ij xnn 2 tj(nn i

fiyix KNmc^ ^00^gt; ^eu top o/quot;het bovenste iets raken o/ aan iets toe komen, a^errfj nj ^ n /ri.i il met het hoofd of den top tot aan den

hemel reiken. naam van een wel

riekende olie. (knm0\\ (ünyyij tegen iets, dat hoven is, met het hoofd of den top stooten (vrg. ri^md ii rrm tu/j) ; (interni ru ^ \\ een ander of nieuw voorstel doen omtrent hetzelfde onderwerp; een voorstel doen aan een hoogere. —

iru/j\\ poet. zva. (tit^nrrr^ rv^^ onmiddellijk op iemand of iets anders volgen. — xztijnii^ tri \\ op een ander [pf iets anders) onmiddellijk volgen, hem volgens heuriorde moeten vervangen. — hiiii^cnr^ n^ (injjs onmiddellijk gevolgd worden door iemand of iets anders; ook. van een kind, dat nog aan de horst zijnde, door een jonger broertje of zusje vervangen en verdrongen wordt.

(ui2 lt;v^^iji 2 TMJI^ KN.; rj xrm 2 rj (rrn 2 ruji\\ tegen iets niet het hoofd of den kop aanbonzen of stooten ; tegen iets van onderen aanstooten, hv. met een stok (yry.

O v ..

tiJinrijru/l en (K\'i iinrrrii ru/p)— (Ktjain iruaryj\\ die (of dat), welke (of wat) onmiddellijk op iemands (of iets) anders volgt.

(hKm^irhis eign. van een Déwa en van een Vorst, (uiapi (uji\\ zie bij rja.nw

(iJiwftj \\ KW. zva. kn. kleeding in een alge-

me enen zin (vrg. ivi ui ij (nu). ; i (rrn n in \\ voed sel en deksel. cKiyii rurj\'Vi^ naam van een groo-ten zwarten watervogel, met witten hals, een

Q-Kiatn \\

(a)

soort van ooijevaar. fkicniiazrntois naam van een goed te eken in het haar van paarden. AV. — aiViN ook wel aanrrns kleeren aanhebben, klucren hebben, goed in de kleeren zijn; zieh kleedeii; ieh aantrekken; iets dragen o/te dragen hebben, lij. den, verduren, ondergaan; (innnrfiitwin-)\\ pijn üj. den, smart verduren, aan een ziekte laboreren.

cm errn ij iia 2 (ki \\ zonde aanhebben, d. i. zondaar

.. . o -o ; ) .

ziju. iificrjfti n n f ? an/j\\ zie cun it/i nnjjv au\'n nn i.;aui\\

ziek zijn van verdriet, hv. door ongelukkige liefde,

tm orm \\ ondragelijk, Rs. taid.ia^ns ook zva. i.)!

ki (rni 171 (htji \\ 07j Ki dsn (htjj \\ door den duivel bezotcu,

lis. — mn rrrn ic] \\ iemand kleêren geven, van deksd C/\\)

voorzien; {iets uit het water ophalen, opvissclien.

RP. denkelijk van iji arnw ) (hvmvw (ui ihi/i\\ bc-CJ C\\J

kleed; behebt zijn met een kwaal, aan een kwaal laboreren. — i^uvrrixnanjp kleeding, kleeren, bekleedsel ; ook benaming van de leesteekens in hel Javaansche schrift, zooals hel vocaalteeken, de Lajar, Tjetjak en P eng kal, die hij de aksaui gevoegd worden, terwijl deze anders un mi^i rn^ (tijs bloote letters, genoemd worden.

ki(rjrïi\\ kn. nevens, naast, aan de zijde van iemand of iets (vrg. nbi tiü (unji). iki(ritj isr^ nevens oAij iemand slapen. — mnenn \\ iets nevens of naast

zich hebben of houden. — mnnrn :iPn zetten of J CJ

leggen, naast; zich plaatsen of zetten naast. -i:m nn r:i rj mi \\ een object zetten of leggen naast.

(h/iiBi(iw\\ naast iets staande, zittend of liggend;

\'/ (aJ

en zva. (Kinrrn \\\\ qjiarfij oji nnjj\\ de zijde van iemand of iets (vrg. mi ri (vn (Hyj); naast elkander. i mm \\ KN. in :i~ infri ui dsn \\ zva. .11 (r/ri m iki mi i.ir iets

(aJI CxJb (aJI co

noodlottigs, waardoor iemand verhinderd wordt.

hKrfn tu vis bulTelvleescli aan de borst; borstbeen CJh v

zie asnunr . — mn (rin \\ met den voet aanstooten of loopcn tegen, kn i.inrij s bij ongeluk met den voet tegen iets aanstooten. — mn yri m \\ iemand in den weg liggen, zoodat liij er tegenaanstoot; moei-jelijkhedeu ontmoeten, met moeijelijkheden te worstelen hebben. — l:gt;m^ aanstoot; iets daar men met den voet tegenaan stooten kan; struikelblok ; aanstootelijk; ligt struikelen als een gebrek m o

hv. v. e. paard, arnnrj ui \\ aanstoot geven. \'tkm iTianhinderpaal, tegenspoed.

kmiiis kn. een bron, uit den grond ontspringende


-ocr page 555-

n Pi

Oil

475

\'PT

waterbron {ory. ii^s iQirLnw/j en l uq) ll |

nin vio-lquot;quot;quot;quot;/Is ua\'\'m vau l\'6* verhlijf van Gult;l l\'i

Sariuld. _ n.iny\'n zich tut ecu wuterurou vormen vau hel water, uit den grond ontsjmngun.

1 ,\'.1 . ( •) (?) O ( O ) co

i of a-iattgt;\\ kn. zoa. nninnis en mnnr^j\\ ikos

Vitu een hooi;, en elk gospiimien koord of snaar, zoouLi van een citer, viool of piano.

fjin\'r/ \\ kW. «va. .un .éliHiji en r.uquot;nMO\'p o/harde wind niet regen.

, O O

„i(rfns k\\v. zva. üj i:riArlt;nnj\\ — dinpirt \\

van iemand die Ihji, zooals een zieke, liet hoofd, tien lulls, of hiit bovenlijf met de urmen opligtcn en steunen; zva. tinr^ajis v. — Unn.j

nfn\\pas3. en van een omgevallen of omtjehakten hooin^ huif tegen een anderen hoorn blijven hangen ; fig, mei zijn werk niet klaar kunnen komen, er iu blijven steken , door beletsels of verhinderingen.

quot;I\'FTKW- zvaquot; KN zva\'

itjtud nris KN. ook iEj}r-n rjcKii2rnr)\\ volg. Kh. een bezoek brengen, bv. bij een vriend of kennis; een kort fumiljuur bezoek brengen, voor eenigeoogeu-

blikken bij iemand aanloopen, WW. een kort be-

1 n / 0 o/\' -gt; o

zoek, tr. \\vrg. thn rj rip % \\ (tgt;n \'7 u jnyj en

\'iu i.iï\'rj tiiiz int) ij dj) 2 i~m .er» au \\ spr., een bezoek krijgen van een gevaar, een oogenblik in gevaarlijke omstandigheden komen. — m i:m luj \\ bij iemand uanloopen. (^ilt;rrr) w ihj it/?» hj an/j\\ malkander we-derkeerig een kort lamiljaar bezoek brengen. — een kort bezoek, dal gebracht wordt; een kort bezoek gaan brengen. 11. volg. Rh. zva. ij Ki2.vm \\ — iu (Mrrp o-njj of iu (K/t iim i(j cmjf ^ plaats wuur men een kort bezoek koiht brengen.

u inncHifjs zie bi) ti )~i2 irtn w

(KIrm iisgt;i \\ j. kn. poëi. zva. cru cni iti tnjj en in vd n.i (hi mi iei ij iHj \\ (,S\'/r. .san dj dia. geboren, voortgebracht). 2. k., zie .iïn ici jliij\\ w /Jrm asii tij im u\'/j \\ kn. hulp, bijstand van werkvolk met de noodige werktuigen. Zoo gt;un rni im SJirrn (Lu iu dij \\\\

eign. van een zoon van Ar ja Widoera, jongeren broeder van Joejoet-soehi, ook ojj^cLU genoemd {Skr. amp; a n djaj a).

\'\' N i:iri rpgt; w \\ enz. k ., zie (isn asn \\\\ \' 1. kw. zva, ntniw 3. td. van elkander afgezonderd {vrg. -iS l\'V), — :iPi^ i:ni\\ zva.

k., zie on rm i7? ^ hii td.

zva. ij (Hi ij ic\\ ./lt; »/ _// y huw

O.....^ O

K.(HJjr Of KW. ZVU. Ij 112 tj \' li iLII/j C/ldyliLCIS

(vrg. ajj \\ en (Li i j (in^\\) nu k Kyjjj orijj of mu O

zva. aai ij (Ki 2 r^ni 2 föii oajj en kikumo

(incmjjs

\' I cUV aJljm\' quot;111 ê0f 7 \'\'quot;\'quot;^kw. zva. ij lm/ rj (ifi2\\ o ) i\'ij\\ en k]ius Tj. Üengk. nul (.b/v. sjo J-rya). vj k, 2 yjjj vn kh \\ of if .) 12 tigjjiüHnnn naam van een slecht leeken bijjiaardcn, als zenl. slechts een van de twee haarkring etj es achter de oor en hebben.

I j KUïQ/j\' Z \'ie OJj iHJJj w

quot;) • ; .quot;)

I I Zie K I (HJ rj \\

(K ^ Hjjj \\ rj K12 tHjJj N zie U-Jj HJJI V\\

(ij^ofpjitins kw. j mi (Hjji 7 n zva. -hikk/i

(Hl fS

ij wrj Mwnjjs kn. tijdkorting (verb, van n.i ij^ ni )). (i^erfn kn. naam van een kleine plant, waarvan de vrucht in den grond zit en tot medicijn gebruikt wordt, een soort van gember {Skr. sj0enti,gem-bet. i\'k.). (\\?ii nrja^arni \\ een kleine neus, een stompneus. im^.-ui Hi^^cinj spr. ben. vaneen maagd, wat ouder dan i.u^tuiijq rni \\ maar die nog de stonden niet heeft.

tj;k)vjerm\\ kn. naam van een plant, Alocasia ma-

erorrhiza, spec. div. Nat. fam. der Aroïdeue, die

gekweekt wordt, en waarvan de knol gegeten

ivordt. Er zijn drie soorten van , •rt/j \\ 0lt;i/1 ^ 00.

off in i en (im hji \\n ij k i ij arpi icj n \\ if vm ij y n ton Wangs, op hu ik\\ en dit op hjiuk\\ VV. I. 290.

ij kh ^IYj \\ naam van een tor, die gegeten

wordt. Men vangt ze door lombok op een boom te wrijven. J)e lyK/urjcnprjs vliegt daarop af en wordt

gevangeni in tp. ook n nidij riiiw

\' \' Ci.!

Kuyn.HH js {volg. Rh. iKityrj hh. •, 1 innni ini-p den kop in de hoogte gooijen, zooals een paard doet, dat slangsthuw is; ook iemand onder de kin stouten of een stoot geven.

imiij hii ^kx. achterpoot van een sprinkhaan of krekel, Rli. — rmcr^n 1,11^ met de achterpoten sluun

van sprinh\'hanen, gebr. ximzie i n j o

cyn Hii/js

Khnn i,ii/)\\ kn. Li if rn Hit ^*(1111H11 n\\ hokken, stoo-

ioJt (jUI (jlI ^

tend geluid geven, bv. bij huilen, ook van etn muzielinstrument. Men. li iJ\'i i.iijmii i. tipfrerj.\'Vj


-ocr page 556-

ij K I ^ tij) \\

47()

m\'r/?»(t^\\ kn. klauknah. van het gepiep, veroorzaakt door dc im r?.ï\\ bij liet ophalen van de tike door dc opiumpijp. — ut ii?n iki (iacisrijj\\ freq. Tj. \'1f} Yu \'l^\\ KN\' ^)(3rö^ oy scheur, iu pleister-

of aardeiverk, hout, enz.; ecu ligte berst £gt;ƒ scheur hebben, geberstcn. gescheurd, ook klanlcnah. van het snel gaan of loopen: voort! {vrff. én ^rnn iirnjj i£lt;(iri en luwitm/i); ook het aangehaald worden van den draad om de spoel van het spintuig waardoor de spil het geluid rjnp asriji of ij -n asn/j maakt.xm tjy rj asupecu berst of scheur vormen, maken; ook den draad hij het spinnen stijf aanhalen, anders rm ij— iriri ijtyniigirjmi\\ iets een berst of scheur doen krijgen.

Lhrni ru\\ kn. klanknah. van het snel wegvliegen,

o c.)

(fji tui nsnns

Liajiï\\ kn. zva. h](nn\\\\ ook sport van een ladder C.i.J C\\.l

of stoel; spantouw van ren zaag; elke ingezette

lat, balk, plank of gespannen touw tot verbinding.

o O O ( O . .

/nyx r nyns spanzaag. — .i~m (yij \\ iets met een

Limn bespannen; ook zich tot een iLinm gespan-(*J (U

non of ingezet bevinden.

(hiyjnfn?\\KN. afgeschoten vertrek o/\' vertrekje in een

(.0

Javaansch huis; hok om iets te hergen. — x~mrj

rjlt;rw2\\ in zulk een vertrek of vertrekje zich op-

honden; de kamer houden, in huis blijven; in een

kamertje of afgeschut plaatsje wegschuilen of zich

schuil houden; een kleine inham vormen , van de

zee in de kust; in een inham schuilen, van een

vaartuig tegen storm of golven. — tniHyjs

een vertrek, een kamertje; ook kleine inham, zoo-

als aan dc kust iyrg. ^ ^ \\).

kn. papieren kwasten aan weerszijden van een

vlieger voor liet evenwigt (Tj.). — wrnh rn\\

v. (i?)(rtn\\ voorzien, ook van een kind welks haar ( J

zoo geschoren is, dat aaa weerszijden een vlok haar hangt.

ij k i rrf/j n kn. , op zij uitslaan, duwen, stoo-

ten, schoppen, met een arm, de heup of een knie {vrg. Tinai oji).

en win nn/j\\ zie hij tt^w (KhiJi\\ zie th i anjji w

njj h-ti\\ kn., rein, zuiver, heilig; onschul

dig ; ook rein zijn , va?i een vrouw als zij geen ston-

(^y

den (intimi) heeft; Tj. Shigk. vier {8kr. sj o e-tji. Vrg. ajitiunji en y? ^ zich

reinigen, wasschen, baden. — ui mi u,, reinigen; voor rein of heilig houden; lieiligcn. -

O O O *11

quot;1 101 n C\'n Zlcquot; {quot;s re,n c,, schuldig

voordoen; schijnheilig. —:iv}(hi/ï\\ reinheid, heiligheid, onschuld. — ajiiij^ijIitvitrnjj of mij ij ui !Hi^ \\ plaats om zich te reinigen; heiligma. king.

rj K)tui\\ zie rj ).id iisyji\\

ti: i iji da,] \\ zie h ij 1.1 asy j \\\\

l i ui mi \\ eig. van een Patik der Hoela\'s. G.

O o . o

,?gt;; rui ui asii \\ zie !h i nwji tui asii w

:ki (kti fji m \\ zie hij / i m \\\\

6co J ÜCO

O

m i ui itt) ie.1 n zie (ui asyjiam fji\\\\

ui iji n kn. naam van een hout, dat tot een roode veriest of en tot medicijn gehruikt wordt: sapuuhuut {van de Caesalpinia sappan. L). — (in i\'i \\ iels met fJdJis rood verwen.

Jjn ms (?ƒ 1. KW. schoon, schoonheid; luis

ter; Zijn {cf Haar) Doorluchtigheid; en eign. van de gemalin van Bat ara- Wisnoe (S/cr. sjrï). ook poët. zva. jJcrti \\ Rh. 2. kn. in zanienstellingen zva. iki\\ naar het schijnt, zie (flï\\ R.

iHirjni{(h^\\ Zijn Doorluchtigheid de Vorst,

j, a an.

mi \\ hetz. en zva. (ui ij updi^s \\iaiïj.nii(riii\\ zit

ui mi (ti ii \\ n eign. van een do oh ter

van Wisnoe. Andere z amen stelling en zie hen. -

urn [(uy kn. sierlijk, sierlijkheid, hv. van een hm

of tuin {vrg. rj un m); ook in de volkstaal zva.

au i^w — aan iets een sierraad geven

. » O v

{vrg. itr» lt;mn). — njti rj mjm ^rri rj injj\\ siei-raad. — ui ri^u^m/js versiersel; wat maar voor sierraad is. 3. kn. hij het spel: quite, niet winnen en niet verliezen. 4. zva. ui\\ IP in rj\'uit im/js of m0\\ een zwarte watervogel met witte borst, niet ongelijk aan onze kievit. P. L. !!• 132, Tj.

{hj\\ of irr^s en n/n \\ kn. hard, hevig; met harde stem; terdegen. icH^up poët. zva. imnr^\\ In Tj-herh. \'fji [(u^(Èn\\\\ — inurp iets met drift of haast verrigten, er klem bijzetten. — rz/Vy mi ~jïi rj mi \\ iets liard of met heftigheid doen. — icn ij ij quot;-m mji\\ te hard.

.?j\\ kw. zva. n^inw kn. ontsteltenis {vrg. (inirjmi tsïi,j). miiuis ontsteld. — Kn *ii(ui \\ omstellen.


-ocr page 557-

477

__ /.,(£) ))w/j* van ontsteltenis, bv. op de vluyt gaan.

ajj\\ kW. zva. ibitjaji Wjp ^7/mKW/j en volg* G. «rn kn. 1. klanknab. voor hel snorrend geluid van iets dal door de lucht vliegt. 2. ilc draden waarvan een tonw of koord gedraaid is, draadsoh ; hv.

driedraadsch. (Fjiik/^s of (ixvj\'hjws

11 oer n oo\'

verk. van m a-Ji ^ ^ ^ /hj (ka (k,i \\\\ vrg. (ukki^

. O\'

(Uil M N

Sj!\\ of QtS^\\ kn, gedachte, dien men heeft op; zin, die men heeft in, ook oogmerk , doel {vrg. un n^ en 2.)- wSn gedachte op iets hebben.

xjji wrj(V)iuj. m\\ het in de gedachte krijgen om iets te willen of te doen. — i ]:Lirn\\ iets beoogen.

n of :lquot;n Kwzvaquot; en v i x ^•

kn. 1. zva. 2. het geld, dat men voor het

koopen van eens anders post geeft {vrg. vj Kitij-vig wip tjairm mihttjj). 3. njj \\ of (hjj iisn uj j \\ het geld dat men geeft voor den grond om er een lijk in te begraven j een gat in den grond delven om er een lijk in te begraven ; en een offerfeest bij een graf terstond na de begraafnis. —(un^asrii^^ maaltijd na de begrafenis, ZG. 1866, 41, 4.

van een soort van kwijnende ziekte WW. volgens J. waarsch. hypoehondrische of hysterische flauwte {Vrg. i\\jn .uj)CHtji\\)volg. Rh. pijn in de «maag hebben door erge honger, of trek hebben in eten ; vandaar welligt fig. ook hysterisch; vrg. nog socr boeloes en soer oela ZG. 1808, 316 enz, — het geluid van iels dat bij flappen uitgestort wordt-. ilipilap {vrg. ). — ven door een ander

hekleeden post koopen ; iemand van het bezit van een stnk grond verdringen door er meer geld voor te geven. (Qik^^ikh^^ een stuk grond koopen om er een lijk in te begraven; en een offerfeest geven

bij een graf terstond na de begraafenis. Zoo ook

s

fcnj nsmujfw

Tj M\\kw., rj urf kn. klanknab. van het slepen of sehuren van iets over iets heen: bv.over den grond, {vrg. o. a. tj(hm n k) \\) ook van het vallen van een straal water; verder een soort van schepnet met steel {vrg. iMiii). — vnrji1j\\ oftjiuirj^js kw.,

vnlt;1 vw^ kn. met zulk oen scliepnet visschen. V} ,lt;\' Kw. onder, onderdoen, foi rjamtj kiz t} un \\ onder een boom. rj Miunru (amp;)iin\\ stroop en honing doen (er voor) onder, zoeter dan stroop en

i . a s * o* a s

honig. — /r./ }jtii \\ oj vn m ij h)?\\ n. , annnnuijj

of n?nn.imn iiAjjs k., onder, beneden, omlaag, amiui djtj2\\ ondergeschikt zijn. »yomlaag zitten, op een matje op den grond, niet op een nm ij t anjj \\ of stoel, (ki (é] trj (k 11 of (M aPi rf

\'ti Kit ii »»\\n. , (Ki in(iin (ui 3i \\ oak wel (kicuuerrn II\' fj ui

Ou Ov J. O

(ui ^f \\ en (Kxrm (ui ^i of Kiar.inin iui—iiui olt;i/)\\ k.

UI J CxJ ( ^

onder, beneden iets. lt;uii(ki?nn, , (un(rin(uijj\\ k. laag, zooals van rang, ook in den zin van gemeen {vrg. (imrfmti Hnjj); kn. nederig, onderdanig ootmoedig; onderdoen, minder, slechter, de {of het) minste zijn {vrg. hmttiq). (uti nriCi?Li^riij(c;\\ onderdoen in den strijd, den strijd verliezen, «yw n£n(ui^/ti\'rj(hi2\\ kn. nederig en onderdanig; nederigheid en onderdanigheid. — n rj u- i2(unoj(hj)i\\ n., uienn (ui^jiiai)i lui^/j\\ k. , zich vernederen. —tj(Hi2\\ of (uii(YjiUji\\ kw. verlagen, vernederen; onderdanig, nederig, ^(nitnicni^ zicli vernederen. — uh iiigt;ki2\\ (en inimrncuji of ih ii(uno^n (uiji\\ li.)poët. zva. h n ij .Ki 2 t7 osjjj n — tjamif ujts kn. kippig,

slecht van gezigt zijn. — (uii trjihj2 ni ^ kw. onder-

! O / a o

doen. (wrjtKitns n., cuimn(ui~i\\ k., voor \' CJ

iemand zicli vernederen. — imhiini kn. ,

(hgt;i(nn (ui iui/)\\ of humnnrn cm ann\\ Kü. GR.).

Ca.) Cv)

volg. Rh. hiinmi (uijjs of kii unaiii iuijj\\ overwonnen worden, de verliezende. — hii rj :ki 2 (ui injj \\ te

nederig zij n, Rh. — tui ij k i 2 t» n ti \\ of (Ui ff (ki 2

/ n * n s o

\\n., ui ij Ki2 \'ti(i(ii cinji oj iUirj Kit n hn iemand doen onderdoen, ten onderbrengen, overwinnen , overtreffen, verslaan; ook ui 011(12 \'rundm \\

n., wcYin (ui ^11^11 cinjis k., iets lager stellen of

. ^

achten, dan iets anders, ari rj (ki t ^nij nniiuii (ui

zicli vernederen, (WP. tui rj -n afn (if^ cru \\ 138,8. v. 0.). — (mi ij ui 1T7\\ kn. nederigheid, ootmoed (unpni (ui ^.1 ihtji \\ k. zie bij rjuitj iui). — nj

/ 1 o /

tj KI iVj KI 2 \\ -i tj (1711 Ij r.71 ihnjj N zva. Ij (IJl i Vj (KJ) 2 Ij

ij (cn nj iim uiijj\\ naam van een cactus met vrij weke bladen, die tot het rijpmaken van gezwellen gebruikt worden, zie bij ij (Ki2rj C12 n\\ — ij on 2 ij K12 \\ {ook kn. vrg. B. T. Dj. 250, 7.) — ij am n (Ki2\\ ondergeschikt zyn aan. Men. — (ij^ ij (ui 2 ij ki 2 \\ ondergeschikt zijn.— oj 0^12 oj ki 2 ^1 anjj\\ n., un arm tui -jiKrm (ut (Hyj\\K., ondergescliikte, iemand die een rang lager is dan een ander of in rang op


-ocr page 558-

(,J)T

478

IKl Tï gt;

hem volgt; ook wat iets lager, dan iets anders aangebracht is, hv. van versieringen, lagere verdieping, een laag lager. — ajuSniuusv., (ut ir» rnnw/isK , wat naar beneden gaat, wat lager in rang is. ojïtutal de lagere, al de lagere in rang, ook minder in waarde. — wa?irj rja./i2 \\ (FjI(ci(rrn njij^\\ {of (IjIlt;rrn h^ijj\\ zie ben.) naar beneden gaan ; naar beneden, benedenwaarts.

a S n o . , , ,

— (MiLjit/Kig tts (EJi(ci(iin nji^ in leis lager maken.

\' Cx) *

o / O . .

— (f ,1 ii n ff w i\'n y tu u \\ (FjI (ci cmi (hi ^/i mh anjj \\ tets

naar beneden trekken, schuiven , lager hangen, enz.

C) O o x f n o s . ,

— (uti (ljii::i i^n.tz \\ of (ui id rj (k,) ? dji (Hijj \\ te veel naar

beneden, Rh. -fc\'i \'i»\\ kw. zva. (ui ujqs duiarfii (Uji en \'^vtjianw (ijjj\\ {Skr. sjara, een pijl); kn. zijn vracht of taak vermeerderen, meer op zich nemen dan gewoonlijk

of dan opgegeven is {verb, van vja^wn). 0(iji »n

o o o C) o kw. zva. njihjq(ivi(h^ui?w \\ anifia\\ kn. naam

van een met geweren gewapend corps pradjoerits

van den Soesoehoenan. xm ((hi \\ zie hij ntunCin a

o , (■) l o

oj/ms l. kw . zva. (kh (fis ij cm 2 dfis quot;n (Ijijj \\

:\'■) o o

nu(Ky \\ ^ tui \\ urn\'ij mi % \\ nm thn % \\ xjh ^ \\ en oj)

ij-ti^w 2. kn. , ki)., hetstnifmeel inliet

hart van een bloem; de bloem van de Nügamp;-8ari; de beste, krachtigste bestanddeelen, de essence van iets y bv. de snikerdeelen van suikerhoudende planten gt; de geest van gestookte dt anken, het kleurend bestanddeel van verwhasten, enz. best, voortrefle-lijk, zoo iHii(K^wn\\ een heel mooi bed, lis. of wel met bloemen bestrooid? {Skr. s dra, het beste, de essence, van iets), asnw~w(hJi\'n\\ kw. haast maken, (unwncui ^A.ni\\ kl. van (Qojj fni \\ (uh cm \'nojiïp.); de maandstonden hebben.

MoJiitni^A.rri\\ de eerste lëgèn van een aren, Kr,

O o .

(w^Yj^iiijdaidiJi^An\\ naam van een soort van

mangga. iSi(uiaji ?i\\ naam van een geneeskrachtige

plant, die bloemen draagt, Forana volubilis, Brm.

Nat. fam. der Convolvulaceae, ijciJi2- ii(iJi ri\\naam

van een gebloemde met goud doorwevene stof.

(taq(ui-n\\ zie bij aSifoifW \\(iji(M^lujï(Li:Hjjjnnjj\\

naam van een uit Li iifjjj an/j gedistilleerd reukwerk

{vrg. majKMru). (uin^^da^s kalkwater met

suiker enz. waarin een gebatikt kleedje, nadat het

met saga gevertod is, gedoopt wordt, ten einde

de soga kleur duurzamer te maken-, ook ki. van

— tritigt;rj mtiy \\ een kleedje met doortrekken. — (tnajivyrianjis aec oji0\\ een uk,i , die de arentapper opzegt. Kr.

ui \\ kn. storend, onwelvoeglijk, ongepast, onbetamelijk, ongemanierd, hinderlijk {vrg. anndi

aji {of aji(*1) fM-m lelijk, misvormd, mismaakt.

CY. O n . a. ^(un2\'Hij(ui (i7i(tj firn2. nsn aa.^kji aji a./ijj)(L/n ;i. / ij\\m\\

weten van onwelvoeglijkheid, lomp zijn. — r.inij

iemand storen, ophouden , hinderen , iem. het on-

behoorlijke van zijn gedrag onder het oog brengen,

iem. vermanen L. 301. r,?»? \'ij xjjnji\'.mji\\ een gesprek

storen, iemand in de rede vallen, (itiiit^ {of wij)

onheusch zijn tegen iemand. (iUkki ge.

stoord, gehinderd worden , bv. in een gesprek door

de komst van iemand.

n

:KI Ij\\ ki. van (tgt;ii(^t£jlJI\\K.-gt;17111)1 gt;)\\ki,

o O o (P) o

van (cipj (uijjn n., i7ni (Ui ^ k., maar (Kvtnv^nisKiMn

o o n o ^

tui (itil lEA/j \\ — (K^ (f ji ij \'~ri \\ zva. (h\'i (tij ijquot; n \\\\ n^ n

il^niui (ti dm \\ van een weg berg op berg al\', (Tj.)

Rh. — dn ij rri (hj \\ h7iti tj 11 (Kn ~jii ij isn \\ (uiijiiui

mi/j en (iji(W ij quot;ti(Lii anji\\ ki. zie bij asr^n^w \\ (bi i.i

if(tuan/j\\ ook ki. van iin^iirp

zie

iLi iyri\\ {of kn (Slis:m\\) kn. naam van een hooye, op alang-alang gelijkende, welriekende grassoort , een soort van baardgras, d\'it tot specerij bij de spijsbereiding gebruikt wordt. Van den wortel woriH een medicinale olie bereid.

ifi n \\ {van (un *71 \\ 2.) 1. kw. voornaamwoord van de derde en van de tweede persoon. 2. N. voornaamw. van de tweede persoon door den Vorst gebruihl wanneer hij in zijn vorstelijke waardigheid tot zijn onderdanen spreekt, nevens tuil (Uj aojj \\ van zich zelf En in die streken, waar Snoj^im/is in de gewone spreektaal gebezigd wordt, is het even zoo algemeen in gebruik. Ook in de vorstenlanden wordt het door hoofden tot hun onderhoorigen gebruikt in plaats van rj 2 rj ui \\ wanneer zij deftig en ex officio, op officielen toon, spreken; of ook wel door anderen ais beleefder dan ij lt;un 2 ij (Vi \\\\ In pot zie wordt het ook gebruikt als een betiteling vuü) eigennamen en benamingen van personen. oPi rj ^i }lt;tp zva.

o •

tj mi 2 rj ui nm im w

zva. fi^i \'i^ n in kindertaal. — ii7ni rj^ zva.^\'j

T


-ocr page 559-

tj K/j tnis

479

(KJl \'I I \\

Dam. Woe.

1

7^

, no.

, jl m 1. KW. \\.zvfi. rj(ia\'in\\ en uiaciiia »»\\ («w. soera, ecu godheid, godlijk wezen). 2.zva. urn n urj) of jri^ {S/cr. so er dt sterke drank). 3. zva. /ui vj\\ en 41\'^ 1N (^r- SJ oera ; een held.

4. zva. h»7] ipwyi (Skr. sjoera, een leeuw of beer). 5. zva. (i.r^n^n\\ {verbastering van (liiojj n ). n iü iVn -\'h\' ^ \'^J^x (0f (in quot;Cgt; ? ^ öoX: wel ntj \'niiui/js) zijn heldenmoed ontwaakte (wierd opgewekt). wjjj n(K)H5ri\\ en .unihj\\ en andere za-

. , CD O

metisL zie hen. zva. tut(iown\\en naam

van een Kawische zangwijze in de llama.

II. kn. , KD., naam van de eerste maand van hol Mohammedaansche jaar , anders ifa tnim in genoemd {Ar. ^ tiende dag van de

) C quot;) o

maand Moe har rata). — lt;i:nyii\\ of lio thii m ■7gt;\\ ben. van een offer, ZG. 18G(), 41.—quot;Jfrgt;

naam van een feest ter eere van llasan en llo-sain gedurende de tien eerste dagen van de maand Soera.

III. eig?i. van een ouden wapensmid, en van het fatsoen van krissen en grasmessen {mi ï] iiw/j), zoo-als die smid ze maakte.

()j^ni\\ 1, kn. de manen van een paard. 2. kn. paar-dekam; e7i weverskam. 3. in n., fJ\'r}astyj\\

, O o v O in k., Ki. van (ikMiiasnji {vrg. (üojj). (Ma^nh

Li is] rT) luojj^ KI. kammen, zich kammen.— nj\\ li:nrn(iyï\\ iemand het haar kammen of uit-kammen. — kn. nestveeren hebben

van het jong van een vogel. (uiMjj^rw en tui KI. een kammer, kamster.

kn. 1. de groote ondertand van een rhinoceros WW. vrg. (hji(wi\\ volg. Rh. de voortanden. 2. {gt;u :|r^(W7^\\ Ki.) een blad, meestal een pisangblad, dat in repen gescheurd en gevouwen, bij het eten tot een lepel gebruikt wordt; te Soerakarta ook in l algemeen voor eetlepel, nevens het Mal. tf Kitf yvvjiKn/l^tyrg. j?i r^\\). 3. naam van een zeskan-h\'je, lang groeijende cactus met tanden en lepel-vormige bladen, die veel tot heiningen gebruikt wordt, Euphorbia nejeitblia L. — me^

steken. 2. met een scheppen, op

scheppen, Men.

(tJjj^ry}2\\ kn. bidplaats Tj.

\'M *7) N KW. ZVa. (1777 (U \\\\

s

7M7^7)?. kn. een staketsel, gelijk aan lultyan \\ ge

maakt om in zee visch al\' te sluiten en te vangen. — daarmee visschen.

rj(k/)2 tl\\ kn. luid, hardop, met luide stem {waarsch. van yyi\\ Vrg. oo^ een hard geluid ge

ven; zooals door een harde bons ergens tegenaan. ri\'Mi\'n KW. Vorstin, gemalin van eon Vorgt;.t {verb, van het Skr. isjwari, meesteres. Vorstin, pk. Vrg. ti?n:^irri\\).

n(hJi?.irj ti\\ N., \'tj wefói(m/js K , avond, \'s avonds, de tijd van 3 uur oj half vier na den middag tot zonsondergang. gt;ilt;nnm. van een hatiksel. iyhi2 ij quot;ii tj tKi2 \'ij \'t )n laat in den avond, rjivn ttJ)ij un 2 rj\'77\\ zva. onafgebroken? Sri T.— 0^.171112 ijnihj\\ ijxiim iets te vroeg of te laat üocw •, al naar

mate het gebruikt wordt met het oog op of

O VT c) OO

.1J» .IJl (H)fj \\ - IHH tj 7^7 2 Ij gt;7 N. , (h tl ij M 2 * j

iKi/j\\ k , te laat op den avond.

gew. lUi^^KH. het overgegeven worden, overgegeven, overgaaf, in het bezit, beheer, de beschikking of de raagt van een ander {vrg. tCp

lUjj TL^ l?l \\ bij (Uï^ ). Hll Ij (LUI \\ (Uil H y HSU HJI ilj//

m\\ ik stel dit {bv. een sleutel) in je handen: ik wil van huis gaan. \\ i/n oji ^q \\

of ui) (ui overgave van iets aan iemand docw, zich overgeven. lt;uii [mqrj i.n2 ijilu2 jji (hijj\\ zich overgeven als gevangenen, van vrouwen. (L/i^fiuian am luiji\\ zich overgeven op leven en dood. ^ (unéü ïu^ zich overgeven aan Gods beschikking.

(un { n ook iets overgeven, afslaan. 0tui ij ihii2im

z\' o

zva. un (uioj(isiieccn(biyjs —

zich overgeven, zich onderwerpen van een vrouw.

taal. — (Kii[i^\\ pass. — tbitun \\ lt;1:1 luii\\

r O . .. . Cquot;) O /. O

of tEi (Kj^ (un \\ en m poezie xnn ni q mi \\ of (hi \'gt;7 ^ mi\\ overgeven aan, in de handen stellen van. — Li 0.11 rj tun \\ enz. een obj. overgeven aan , in de handen of ter beschikking stellen van. — «m ^ (im hijj\\ ben. van een geschenk van den bruidegom of zijn ouders aan de bruid of haar ouders drie of vijf dagen vóór de voltrekking van het huwelijk, bestaande in keukengereedschap, kruiden en specerijen, kleedjes, en wat geld.

■kj! *t) ^ n kn. iets dat op het water drijft en er door meegevoerd wordt; doch ook van vuiligheid op den grond, zva. cur^(c^\\ en van het lijk van een ver-

in de volks-

-ocr page 560-

rj vjiTjmfs

480

M tj nq \\

moorde, dut ergens gevonden wordt (wy. ^run); verder iets dat geheel onbruikbaar geworden is cn maar verbrand of weggegooid wordt; en gemeen, lelijk. Zoo ook kh lui(kjif \\(ooi1 lomp, onbeleefd, G.). — iTm nq\\ 1. iels, dat op hel water drijft, er uit ophalen, opvisschen (RP. 2 druk, bl. 18, 19 en 21) GR. welligt opnemen (vrg. mn m\'n u \\ bij (hj)in\'n \\). 2. KN., (un rj ni Hnjj of am (nnijaji tj r}.nnj^\\ ki. , zich geheel voegen naar do wil of verkiezing van een anderi en aan iemand iets overlaten of volkovnene vrijheid geven om iets ia doen.

Qv O O .i i «. 1

^ tun 2 n hu ik/1 rn q run iui im hui {\\ niet aan de vrije keus gelaten worden. — zva. (innni^ 2.

iKAnmqs KN. bedaard, zonder overhaasting , niet gehaast of driftig, bezadigd, zachtmoedig, geduldig; ook bedaard van een ontsteltenis; bedaardheid, geduld, uitstel {van JI. Vrg. nu fi{\\ (M irii\\ en n?n ? 0« 1:11 jj ^ ij^fs geduld verzoeken, verzoeken niet niet overhaasting te werk te gaan. (utuhnojtij iiq i (iji\\ daarmee geduld, broeder 1 — iTiniiniqs bedaren, tot bedaren komen; met be

ii h ii \\ iets be-

ijDfuii ij

O O

rr)f\\

daardheid handelen.

duren, tot bedaren brengen, bv. zijn hart; met bedaardheid geduldig afwachten; met iets geduld hebben, iets uitstellen; iemand de tijd geven. 4\'r)f\\K.f ook wel als ki., van ójiiarnM/j {Skr. sji-rah). (iJi n qtvn Sïcnilt;iLiji\\ de nokbalk van een ye-houw, anders ij foi 2 rj hji 2 \\ of iu ^ tnjj \\ n w ^

^ O ^ O o -1 J • •

(Lm(i^nn:i^ruiiuriiH^ iuji\\ de oorsprong van de rivier de Nijl. (hj rn j rj (un un (eji hujj 0/w n 4 ij i/n vn ihii\\ vertaling van V Ar. JU!) , het kapitaal.

r» • /

//O) (jo) ^ (ua cyi q \\ spr. zie bij ihn (iji {\\\\

offerhande gebruikt worden, gewade sirih. 0^ ruiruj\\ sirih-blad zonder (Qwi^nsnij en bloesem 1

(/. n ^quot;j). 1.11 ^ 1 n betel-bloesem; ook naam van

1 ,\'t 1 o o o O o

een batiks el. irtn un .!,i tui /u 1 ui mn 1.11 s / in*

titel van een vrouwelijke beambte van den eersten

rang, die het opzigt heeft over de huishoudelijk

aangelegenheden van den Vorst en het hoofd»

over alle bij den Torst in dienst zijnde vrouwen

fji f \\ den waren wasdom hebben van het j sirihblad; juist geschikt voor het gebruik ; juist ! groot genoeg v. d. padiblaadjes, de ware tijd tot overplanting van de padi, SG. —

171 n ia j uii \\ k i)., iemand uitnoodigen tot deelneming (aan een feest of aan een oorlog, WW.) om het een of ander te verrigtcn, zie L. 48. {vrg, anxn rn\\), (ij^i^ii/ii(Hyi of 1L1 lt;tj^ n q un (Hijj\\ kn., ji \' (in jun iHTjj\\Kn.t geuoodigde tot een feest of oorlog; 00/c (ij)(ij) ^ un tinji\\ KN. vrouwelijke bedienden aan het hof, die geen bepaalde werkzaamheden heblien.

— lunj^ rgt;^ ^ un w/j^ oj) (fJij) 4 un sirih-tnin;öoi naam van een residentie op Java.

ij (kd ij ^ n KN. zva. ij (ui ij iu --n ij iuirjen

Cl

zva. ij (ui ij rr) (inji\\ \\ urr^ njj, ij m ^lt;1 rjmqun na -) i.i iQiui(Hijl\\ ontslag van de werkzaamheden (cultuur-en heere-diensten) verzoeken.

ij.K)2 r){\\ KN. gelijkenis; wa\' iemand naar zijn voorkomen lijkt te zijn. {Ar. gt; soera h, figuur, beeld. Vrg. rjkd i(nri\\ en ayyajiie/)\\). rjW2 ij\'-ii21. KW. zva. wnq* un fuun^uen u ij u) ij v» {w 2. KN. zva. \\ u) overgeven. 0u)) ui urn/is zich overgeven. 0un irnjj ^ amok gaan maken. — ^itwi? ym?\\KW. zva. iTinni^ unn

\' *) »r) ailt;](HTjj en ann urn wn ju ifn oajj \\ 3.— yj uini\'j ijii2 s im \\ slechte schrijfwijze voor ij 11112 yquot; (}tfj\\ omkoopen, van rjw2ijrr)9(Knjj\\ 15. T. Dj.

ij u^x/ns kn. afgunstig, misgunatig {vrg. ij ri n lgt;ij

o a » ov

un\'i)\\ en (ü^ow).

k)rjm?unu^ nnjj gt; hn]\'~n% uil\\ u i rj n {mm zw W

IjT)^ 1.

o ... .0

bij

(U) - n un mn \\ bijnaam van Têmbiloeng.

SjI\'i 1 ij un 2 oj)ji \\ zie bij gt; i üji \\s I.

K/j, ^^) rj un 2 i^jiji \\ zie bij ,rioj)\\ T. en (uj n nji w ben. ui an \\ of ?firin KN. verdwijnen, verloren gaan, vergaan , te niet gaan, verdelgd worden, een eiuue


/

1

00 O fgt;

1. kw. zva. 2. gew. (Mm

zich voor een tijd een onthouding opleggen

/ OO O i) V 00 .

{vrg. wnKiiji en u-jihj) lt;niq\\). — 17m ~n {\\ water

naar bezijden af doen loopen. —nj^f^rn^s ook wel iijj!^i nf\\ zich zelf beheerschen , matig, geduldig, met bedaardheid te werk gaan, niet aan zijn drift oi hartstogt toegeven, vooral ten aanzien van lusten en behoeften {vrg. — nÜi ti^xm

(hn/js het zog in het water door een vaartuig veroorzaakt.

a^i^s ]. kW. zva. ij i,\'iu ij Hi)2anjj en 2. N.,

het betel- of sirih-blad (vrg. (Mnq\\ 1.), ojiijjjunnih^\\ losse sirih-takjes, zooals die tot een

-ocr page 561-

ajrjmf (mjj\\

481

(Ij) \'r)(U^\\

hebben, omkomen; verdwenen, uit de weg, vernietigd; ook, hv. v. in water ojigelost zout\', gedelgd; Tj. Uhii/k. nul (Skr. sjirna, verwoest,

verwelkt, vervallen. Vrg. i.quot;i iu\\). — ivïn in\\ m

a/ o . 1/

l/{1. 0f i irnj im KW. zva. M U i 1:1 rj htl\\ of rrn Di)

mn^D ti\'niw — t\'ii/i «nirrn-ti ifiifn iels doen ver-

(hvijncu, quot;it de weg ruimen, doen ophouden te

bcstnun, vernietigen, uitdelgen. — :un lijaa\'tn/f\\

liet verlies van iets lijden o/te lijden hebben; van

iel» verstoken raken; oo/c zva. nnlunnilxnanjj of

jtn fj i, ii JI \\

O

oj} ij\'monjjn kw. zva. mi ud tli lui )lt;ifj\' rn. naam van een muziekinstrument met metalen staven, ecne kioiuo riJfép (erg. im^i■ en crnr^Mis).

(Kjt)an/j\\ zie bij II.

iKj ijnian^ kn. wrtaw vflw een , Cedrela Toona, Hxb. waarvan de hittere bast even als de kinabast (volg. Rh. surrogaat voor sumaruba tegen dysseute-rie) gebruikt wordt, cn waarvan het gr offe hout voor gemeen timmerhout dient.

j^np»flWypKN. hetgeen men neerlegt, aflegt en aan ecu ander overgeeft; ophouden een betrekking of werkzaamheid waar te nemen, iets gt; zoo als een post of wacht ter waarneming neerleggen, voor een ander als opvolger {vrg. ny(Mvj iW) {\\ en

rjnji ij n(Hi/j), tjoj) tjm(Hj^tisn- het ophouden, het einde van het jaar. ^ itsii i tfji-u tj 11 \\

een betrekking of werkzaamheid van een ander overnemen. — rjiiny~nuj\\ een betrekking enz. overdragen, overgeven, afstaan aan. iun vj w ij lt;hn aojj^ pass. ook wel zva. wrjiH/tijm uj(Hi/j\\ tijdelijk bij zich hebben. — w tjpj »ƒ r»(tn/i\\ van iem. op wien is overgedragen bv. bovennatuurlijke viagt. ^igjs begiftigd met (W jgi \\— rj iimrj \\

ook wel ij rm tj n»mi ij k n \\ ietszooals een post, werk of zorg voor iets, overgeven, overdragen of overlaten aan een opvolger. —zva. \'I nu ij }i lut vj uu w n (ia iiJt gt;1 (h ) (ïj n onjj \\ pass. oJ. ? in hel rj im im 77 (M ^ an/j \\ Madoereesch.

wnffm of kn. middel, hulpmiddel

door middel van (S/cr. sj ar ana, behoed- of be-seliermmiddel. Vrg. (i?n (M rgt;) /u 1^1 •gt;quot;) njjen its \'u-nttojj). ar.} ij art}tïj) m on ^ door eenig middel verfraaid of opgeknapt, zooals door blanketsel, beschildering\', met sierraden. — iets of iemand op die wijze verfraaijen of opknappen. — .rriyani^\\ een middel toepassen op; iemand een

middel aan de hai.d doen, Waj. I. 70, PM.

o o . n

ajiniKj en zie anwrn hjw

kn. naatn. van een bloem, de Roomsehe

kamille, bij Fil. Pyrethruin DC. en Wollastonia

DC. spec. div.\\ of ook naam van

een soort van hobo of clarinet. — tjaj ay onjj\\ o

naam van een ten nfi atnim/js

s

fiJ) \'rj aa\\ kw. zva. u) t) nsri \\ w ilt;n 2 gt; en oji ij ^ z ihJ(im ia an/j\\ \\(tji\' n an alt;jmn it)) u nji \\ kn. het geheelc lijf. ij ^3^?;m(K)ni an ^^gt; iemand met zijn heele familie. — orgt; m alt;i \\ zva. étn ag/jiéi(biyjs an\'ri an\\ zva. [lE^isnam rwrjOiH\\\\ zva\' t\'*1

mi niw

(kj an in \\ bijnaam van Bat ara Endra, en zva. am tj un (an anjj \\ [Skr. soeranadi, de godenrivier, de hcmelsche Gangges).

djj )]\'-gt;)(in\\ of ajj7ja\\ji(an\\ een naam van God En-dra {Skr. So er endra, van soera en Indra). aj^ rj \'t) (iui a:r^ nj) an de wereld van Batara Endra {vrg. rj(un(op(O}mis bij rjii/n{ari\\l.). (fn\'nanvu/js ben. van het eiland Ceylon, Av. Mal. Serendir. mi an0\\ de berg of piek, waarop Adam na zijn verwijdering uit het paradijs ivni ui zou zijn geweest, de Adamspiek.

{^j (üi\\ of a-Ji rr^aj an \\ kn. een toespijs bij de rijst van gebraden katjang met geraspte kokosnoot en wat specerijen.

ajtm ^p\\N., a^i ti ij fint ojjjj \\ k., geduldig (vrg. (U) lym Ifp \\ en (K)aj iiqs). af (lv* n ajt\'r) ^\\ ongeduldig , van iemand die niet wachten kan. — \\~m \'rj^ an un} ~.ai ij am i:m n) vj «j i a.; -t* aw wachten totdat iets plaats vindt; iets uitstellen.

an dji an \\ kn., a. 1 ojirj ijnèanjj ki)., niet tegelijk (ijum nr.nnji), de een na den ander. bv. aankomen-,

s \'

rijp worden van padi, {pok verschil, verschillend. G.).

(naif of aj(aji2r^i\\ kn. rustig; kalm, niet drif

tig , gekalmeerd {Skr. sjrdnta. Vrg. aj) •gt;gt; ^n).

ai (un 2 (u tj ui \\ driftig, mot drift.

o . . o4

lajiooasiis zie bij (^w

(K/jj ot an its»» \\ kn . naam vaneen corps gewapende geestelijken { Fj hn na an/j) in dienst van den Vorst.-aj^-ii an igt;n anjjs naam vaneen moskee binnen in de


31

-ocr page 562-

482 M -r) ^ i JJljj \\

kraton, de hofkapel van den Vorst y waarin door den Mas-panyoeloe en de Soeranata\'s de dienst gedaan wordt.

o

k?n»^ yuijjji\\K., (KJ)njt rjihnj KijJ^ kd. zie wm^n\\\\ ^n kn. zva. m7j) \\ middelmatig frtw grootte y

bv. van de borsten van een vrouw.

[nj)ornn kn. — (i:twnn\\ een vaartuig boegseren, op

\'\' Cv\'

sleeptouw nemen (yr^. wicrnrjorms).

— quot;WT;^

\'itr

iryrfn 1. «va. ■iujf\\ maar van kleine

dieren. 3. root vuu du tike dat iu de opiumpijp zit, WW.

1}^J1 KN(Ljnijj\\ovcïii\\ metkleiueki\'ul-Ictjes. -KjfrPi rhi-sjrhijj\\ fijn gekruld; zooalsvan fijne krulletjes aan de slapen van het hoofd (vry.

TQ-UJI).

o (V o a/ _ r» a/ fr.

nniKiTi -- uii(Ki)rvi\\ Ij.

(Mrnrri\\ en (itwrrizie bij im ui irnjj 7/ v3^ü^N KNmee^a^ verdubb. klanknab. van het schuren bv. van een schoen over den vloer. — ^ /.7 dat geluid maken , ïj.

(KiDunjfs Ar. cyi,, sjar\\ kn. religie, instelling of voorschrift van de godsdienst, wet (yrg. (ki^ • n (Wtünjj). ij (in nj quot; lt™/JN spr. voor het zoo nauw niet nemen met een belofte, iets beloven alleen om iemand tevreden te stellen. \'E^^niihvji\\ (verb, ifjiii Kin nvjj) van de religie en wetten afwijken; zedeloos, ongehoorzaam. — ui ;k)-v) ongehoorzaamheid.

iijj\'ri kn. ongev. zva. urtu en isr^ najw

\\ ?, n njvj}0\\ zich een straf van God op den hals halen.

£jt\'y)unn\\ kn. 1. heesch, schor; heesch zijn, een hee-sche stem hebben {vrg. i/n n i iyj). 2. een lapje of dot in een inktkoker, om de inkt tot zich te trekken, opdat men niet te veel in de pen krijge ; {volg. Rh. gebruikt men hiervoor meestal ananas vezels, nl. in de Arabische inkt); ook een prop in de amüoenpijp, ten einde de vlam niet in de mond te krijgen, Rh. 3. nm. van een nachtvogel, een soort uil, die een heesch geluid maakt. — r.m tm.Sn heesch maken, de keel droog maken, bv. van wrange vruchten, als men die eet\', en v. e. U-niKnji\\ voorzien.

wnunjj

;i7*gt;?h»^\\KN, grief; gegriefd; ook kriebelig in dcket

{vrg. t i h tijj en oji m Mnjj)- tmi n kv ij i,ri \\ iemani

grieven. — n ligt gegriefd. J

lojf ofcgt;\'Lm.h?i\\ een grief tegen elkander hebben,

met elkander in onmin leven.

Ki 11 unjj kn. te mijden, te vermijden zijn; waarva:

men zich te onthouden heeft {vrg. *3rn ^ \\); u-m

tj zva. i\'m ik xm \\ uitgenomen, behalve, allen!

maar,B.; ook de rugvin van een visch {vrg. mJ •gt; v o a

ij (ui iinyi en .11 r.i tLt/j). r.m^iuiijis van tdi zich onthouden, ook iets onthouden, aan ietn.i 4., 16. — !)Pi rr] i^(HTji\\ iets waarvan men zich li onthouden heeft.

(ijiry) }injj\\KN. juichen, hoezee roepen; gejuich; krijg} gesclirei {vrg. hvjj en cm ll/j KV/j)- — wip

Mnjf^ bij iets juichen, toejuichen. Knoji\'^tMinu] onder het gejuich van zyn volk. — r.np rnU mv., en toejuichen.

nrj iKi tj \'~n KN., t:in rj \'n iemand ligt wonda of schrammen, zooals van een scherpe grasmr. {vrg. »;?; rjiwi).

rjaj)ijnii kiijj kn. schepper, platachtige schep, mi gevlochten bamboe, om iets uit of af te schepp, schuimspaan {vrg. aj) 1 rj n 1 unjj en )j (Mvj am i jnij) xsï^ mii (tmjj \\ de schuimer in een suikerjt

briek. rj nm ij ^1?. (wiji\\ met een rj i.i rj ni Knj scheppen , opscheppen of afschuimen.

ri (ui2tj t)i KN. soort van schop, schopje o/schof fel van hout of van bamboe met een steel, dan men bv. vuilnis, mest of aarde meéopruimt-, ook^ 0.iV)7f?3 /L/^N) laadstok. — ^ on? ^-m K^\\met ee: 7i (Ki i ij \'ti 2 un fj \\ werken; ook voortamp;chuiven; enitli voortschuiven {vrg. y i:mt yng (rn/j); en geli geven om een poit te verkrijgen , een betrek^ koopen {vrg. (k^\\ 2.); den regter in een regltd omkoopen; iemand de handen stoppen. — | iji:mz ij tn yns iets, zooals een geut, met een rj^Kurj-nthnji^ schoonmaken.

(kjii^hus kw. zva {vrg. mj^kvs).

a , ... o

(KJ) Ij T} iKt^ N Zie bij K) ni \\\\

O

(KJ) t) ihii f \\ KW, zva. irtjirmw (fj) n un n zie oj^ T7 nn {\\\\

(tjim ik)) gt; \\ 0f kj) ti hï) lt;gt; n kn. 1. ruim, wijd, bv. m\' een huis of een tuin. 2. hebzuchtig, inhalig (fff

i ) quot;v

IH7I (lp D O) \\).


-ocr page 563-

48 ;i

o

k 7^ x (,ƒ /] n i.y iïjl kx. naam van eenpadisoorl; ook verheldering van het lloll. s p o u u i n g, in een deur of vensterkozijn. JR.

l^hiunn zie oSwffl*

^lKnni\\ ;u.hn\'-n\\ en a^un us kw. zva. -nyus vj. o?)\\ en {Skr. s j ark ar d, suiker), ook

andere hen. van de (iJitijt ^tj iliw —/n0gt; de zoetheid verliezen, van het gelaat y door droefheid. ^[^ttfnrn\\ zva. G.

^t) uii inn\\ of (Yt^-T) thvusn . kn. 7iaam van den rijkszetel van den Soesoehoenan op Java; ook van de gehecle hoofdplaats, anders Sala genoemd, naar den naam van een grooten kampoeng in de nabijheid van de kraton (van 3. en

/ v

KM/bTÏN).

tninuyjs Ar. , maatschap, vennoot

schap , zva. i:n rm ij li i itnj\\

o o

-r) unji^ kw. zva. lui i. y hujj er,

\'flity(finw/J ook quot; 0 3KN\' ^111^ ^11 ^cwe\'

ging zijn met de haudeu, bv. om muskieten van

zich af te weren; druk met het een of ander bezig

zijn {vrg. jai Mi/j).

^rruim -tA\\ kw. zva. ^ fJigt;nwrjr^ij is en \'tj

n^nas^ui gt;\\ {Skr. soeraxa of so e r aksj a y

goed, beschermend, goed bewakend of beveiligend j

var. rgt;^\\ en tiihh ^a\\).

I^KnUlhJJl^ (0J.) K. v. K^HVIhLIS CP.

l^i.n tli/js kn. ; rf Orm hu ri^\\ valsche streken gebruiken j verschalken, (vrg. ; ook iemands woorden verdraaijen door er een anderen zin aan te geven {vrg. ij r.i m y\\jV)ji \\ bij ^tyun ut \'»u^). — ij nn \'iKhi/js met streken b?)^)0\\woorden om iemand te verschalken; strikvraag.

/o* • »., ^

jujittni iu\\ zie hij if t nw

o ^

of njjquot;f) un iiaji\\ kn. naam van een lekkere,

zoete vrucht, een Anona soort L. i^im lliht ij ivit tfON zva, rj ant kii wri n u uiw —ook naam van een gebak, bestaande uit geklopte eijeren met klap a-melk en suiker, Rs.

kn. — (um tixnji iets slepen, va7i iets zwaars, zooals een zwaren balk, een kar of rijtuig trekken; menschen pressen om dienst te ver-r,gten {vrg. ivn yiw/js ij inn ^ nuiojj en tunifmrf V M ™Jl)\' — w yi nn/j\' gesleept; geprest; gepreste tnenscheu of paarden] gedwongen dienst; een aan-wendsel, malle of belachelijke gewoonten, dv. van bij het snreken altijd zelf te lachen, of, als men pleizier heeft, zich op de billen te kloppen , of zittend aanhoudend de be enen te bewegen {vrg. vb (hi hi ); ook zva. :i^tini ti^un^ en naam van een heester met dorens JR. en van de vrucht daarvan. JZ. II.

(?)

en Ki injj

\'SjI rj\' t i i (ui/^ks ..irrn 11 • n f ia/j in poëzie iia ij MiiOyyx een snelle vaart nemen, eig. zoodat het suist {vrg. ihnnynid fciyi); met een vaart er op losgaan, iets verrigten, bespoedigen, een aanval doen op, een werk met een vaart aanpal\'ken en er mee voort gaan; rusteloos op iets aandringen, zooals op de betaling van een schuld. — muijj\' pass.

verhaast, bespoedigd, DW. — Kin rj m ui rj un \\ iets, zooals een rijbeest, een snelle vaart doen nemen, laten rennen dat het suist.

(Kjjl (Uiji\\ i. kw. zva. ujj(uiw 2. kn. afnemen, afloo-pen , van heta, water; ebben j eb {vrg. ij kjikuij^).

3. ki. van thïicm-njyi of hïi in ij iui jgjjs voor ui

a 0 / v

dsn en (Ei min {vrg. i/r^ ici/j en ^

cini i. ii wjl^ vloed en eb. ij •» f im ^ rj (uium

tij, getij, om(Ki.^ii.uijj\\ poet. onverminderd,

aanhoudend.

ijaj) ij riiiiiji^ kn. zva. ij m rj ii i\'iyi\' — y l:lr\'\'/ rgt;!lPJ}s\' slepen, langs den grond slepen , zooals een kleed dat sleept; iets slepen, slepende langs den grond trekken {vrg. (Kji nluyjs rrm n isjjj); ook bij een hanegevecht of dergelijk ander, het beest van de partij, dat verloren heelt, tot prijs nemen. — ^ ij nn ij niujij nns zijn beest bij een hanengevecht of derg. tot prijs geven. — y gt;.;/ƒ■gt;!.obj. den. iets dat langs de.i grond gesleept wordt; met een sleep gekleed zijn ; wedden op voorwaarde dat het verliezende dier prijs gegeven wordt.

i^axi kw. zva. hi j \\ {Skr. sjrad^dd, welbehagen, pk).

ij^dfjj\\ kn. zin in iets hebben, tevreden zijn met, tevreden zijn met iets. — rj ui? ijjgt; zin hebben in.

o o o

a^n(ic^ajn ibii kw. zva. ui ui umw

iii ia an v kw zva. vji rn ; \\ {verbasterd uit Skr. Sad-

h an a rijk).

o ) _ -»

(til u t a

of quot;\'Tl\'quot;\'!\' -H\'ul \'quot;\'1\'

rj i^y rj un i.iiji\\ kn. ; \' uu/rj },ii ij iui i kujj n


31*

-ocr page 564-

l^K^JlUli {MJj\\

481,

WT) ibnjjs

overeind staan , borstelig, va?i hat haar of de knevels. ijCimid rjaxiiMii/is overeind staan, als boven, borstelig zijnj ruw, lomp van \'personen en zaken.

77.iai j-jji\\ K., zie (Lu w nijicic^}ut\\ of w^1 (icji 1 \\ji\\ KW. zva. (eiw{hi/js (Skr. sjdr-doéla). ,7 ?(tc^ ru «51 nxi foil\\ naam van een Ka-wische zangwijze {bk*. Sj drcloelawikridi-ta. pk.).

of kn. ruw, lomp. net -m

ic^(hiji\\ ruw en lomp, bv. van woeste jongens. — (aun^dr^crriji of i:m (lc^cmjjs met het hoofd of den kop tegen iets of iemand aanloopen of stooten.

zie njiu iw

\\ zva. (Kgt;) dïn

(a-^tvgt;n\\ HU ajintbus W. II. 177.

of (hi\'r]iu?i\\ kn. klipzwaluw, naam van de zwaluwen, die de eetbare vogelnestjes maken {vrg.

O o v

Hniin jvi \\ en err^ mi

of Ovjftsw- kn. behoedzaam, met voorzorg; voorzorg gebruiken (Skr. sjroeti, gehoor; wat men

hoort, nieuws; oor, de VVédas, heilige schrift. Vrg.

-gt; o O O . .

iLi ih,n .ti/7 is») n iu} rf l» uri \\ en ((U^ lu n o ). rui lu

asli \\ naam van een hoek dat ze de les sen bevat,

eign. van een dochter van tialja, gemalin van Vorst Karna. — ^ it./» hjs zich wapenen tegen.

of ik/) n kn. Manilla-cigaar, elke cigaar met een dekblad van tabak {Tam. soeroettoe. Vrg. ijryi2 ij t.ttt miji). — (r.n^isns stijf doorloopen met het hoofd voorover zonder op of om te zien; blindelings op iets of iemand losgaan; zonder overleg handelen.

k)ihn\\ of !kia5i}\\ kn. benevens, en tevens, alsmede Skr. sarthat karavaan, gezelschap, schare, {vrg. iM i/n \\ en ti t) ij m ). iirt asn ihj.\\ iemand of iets van het benoodigde voorzien, bv. 0 hji m rj een bruigom of bruid naar behooren opschikken, aan een verzoek geheel voldoen; iets met iets anders gepaard doen gaan of vereenigen, v-j lymit anji\\ pass.

ihj) 1 \\ of iJiasYj \\ KN., — int lï^ ^ of rm ivy \\ iets, zoo als een kopje, afwasschen; van iets zich reinigen;

niets te doen willen hebben met.

So. rgt;

nij^asvs zie {jtJjiKitw

0^^2 ^ 1^12\\KS. buffelvleesch aan kleine stukjes gehakt en alleen maar met wat zout en lombok gestoofd. — ri(xnii2 ijastn sroto maken; vleesch tot sroto toebereiden, jr; zie (ki rj(vu 2 n (irn 2 nn

(ïj)nnsrijj\\ kn. 1. volgeladen, zijn volle ladingol last hebben, zwaar geladen, van een vaar- of voertuig; 2. (M11 nsn/j\\ h-D(kirri iisiyj of vftwr) n^i^del, hulp-, behoed-, toovermiddel; werk-tuig; boawstoffen; kosten, onkosten; wat voor iets bv. voor water op zijn rijstveld, betaald moet worden. 8. Ar. , sjartd, kn. beding; noodzakelijk vereischte. — ituttk^s of (utw-na^js voor iets als middel voorzien , voor iets een middel aanwenden om te maken , dat het wel slagen mag; belasten , een belasting opleggen. i:m ii i^nwolg G.ook voor iets als noodzakelijk vereischte iets stelleu.— i:m t» iTtt rj i.n \\ iets tot noodzakelijk vereischte stellen. — (uojinmsnn wat voor iets betaald moet worden.

tii\'ïi (urtji^ 1. KN. vezels, plantvezels , bv. van de pi-

sang str uik, daar touw of doek van gemaakt wordt] de vezels, de draad, van hout; spindraad, spin* draden, van den zijdeworm; streepje,aartje,bloed»

aartje in het oog, zie — 2. k. van

o » o i*

tsnnj kjji ii i Lvi\\ .17mici trnjj en «5. vrg. 0^11

nvyp 3.) — 3. KI. van i^t.n tsnjjs — utntj

1. kn. met bloedaartjes z\\ju, van een oog. 2. K.

— i nt n iyi \\ k. van

(fjini \'hu m/)\\K. van \'fa,

- (ijl ifjjj ri bll^

(uÜniM^

— iu itgjj cr) tiyijxyj \\ K. van

van hiji en i.n fnnjs

1 0 o

/ li gt; j) en ntrj ij n uj w —

u) o

i 1^ i u l i -ü). (inji en im li uri itojj \\

a o

K. van mi iLi lji en (ui ihrjjj rtw

o

k . van ui 15^ mi ui jYiyo a

lui ju ijl -yï mtji \\

/ 1 (Ui(i5tiji\\ kn. stroef; stroef gaan ; moeijelijkgaan,k van ergens binnen te komen, van iets door de keel te krijgen of uit te brengen\', beklemd van de stem-, vast ergens in zitten, zoodat het moeijelijk er uit te trekken is; in de keel blijven zitten, van wal men zou willen zeggen; (pok gekneld, gewurgd. G. Vrg. im \'Ui (unjj). — irm (Ui a^t tj nu \\ stroef maken. (ij 1] uii/j\\ kn. üjne kam om het hoofd rneê te zuiveren {vrg. li n uiyj bij oj^ n \\ 2). ivi 1.1 J of uit irj^ an ^ een jonJe komkommer van

de watang-soort, een angnrk. tiyrj ij Li ■ n hijj naam van een rups, waarvan de aanraking sterke jeu

kom-

king veroorzaakt. n^ti Li ni van jonge


-ocr page 565-

(ij^rn (hr)/j\\

485

kommers, waa.-.\' kleine stekels; aanzitten, evenals de 00k cen fijn» piepend geluid gcvenP k. 3, 3g, welligt een fout, ontstaan door dat

een afschrijver gelezen heeft, voor

•) o O quot;gt; O o o

(Dyrt\'tiiLnp V. cmniasnjis — r.nmii^uj^s ixni

iKijj\\ de manen enz. van een paard kammen, of met de pangot dunnen.

kn. naam van een heesterachtig en hoornen het blad daarvan Claoxylon minus, Endl. Hat. fan. der EuphorbiaeeaeV Q,j■), tünjj\\ kn. , -unaJn^i^n ki., het gerooki worden van opium; — .itwkn., ihitllki., opium rooken, amftoen schuiven, door den rook van de

aangestoken aOtiti hii door een pijp op te slurpen ) ^ * *

en vrg. m tj mitii/js en if i.ni i^)\\

ióï? tj Tt ii^ji n iemand oj)ium^i3 rooken geven ; het gebruik van opium aanwenden tegen een k waal WW. — jrmnr^ni ij /.n\\ iets, zooals zijn geld, tot opium rooken bezigen, verrooken; iemand opium doen rooken, aan \'t opium rooken brengen.— zame^ opium rooken; / ;0\\één keer opium rookens.

j njmmij kn. het slurj)eud in-ö/opgezogen o/ge-suoven worden (vrg. tlJtj »gt; tibiijj en i /) tj »12 nnjj). — vm ij nêibii^ slurpend in- ol opzuigen, inslurpen; opslurpen. — a^jkiijni? hnjj^ poet. het geluid van een gezuig of geslurp maken.

.9 1 ^ ^

Mninji i. kw. zva. ij n2 ihnij^ hniiy^

ijlwionji en iti\\\\ 2. kn. met straaltjes in \'t

rond spattend of gesprengd ; spreukeitje; het zieh

verbreiden bv. van een gerucht of van een alarm

door de ti?ii vfn \\ [Zie ook bij n% n asrtf^ \\ ^. iL) a^i n

wjlx eig. een zaak o/* gerucht verbreiden; ew»

zaak aangifte doen. — rniti n kn. besprengen,

besprenkelen j bestralen j zva. r; NN imn

%nl,\',n wis uitstralen, stralende van zich geven,

verspreiden, .irmni■ gt;»^gjrj im\\ iets, zooals een

tijding, al verder en verder verspreiden. — 1^1

r,\'h!l/l of i i f^ryi i njj- stralen, stralen schieten; in

stralen springen o/spatten , van water \\ uiteen

spatten van hersens, Men. het stralen van de zon

01 maan van onder de kim; het morgenrood. — o ^

\' ni {ook wel geschreven (u uj rvj iimjj) naam

van het gedeelte van het dak van een groot Jav.

huis rondom de u^j riKU/js en van de gaanderij daaronder; binneu-gaanderij. 0^«3\\ buitengaanderij, Tj. {vrg. rrjnynrilt;amp;i~ji\\ en iiezmw{\\). nyxjp (Uii^rn(biijf\\ de gording onder aan de ish^n

— n nyi bsi/]\\ elkaar met water bespatten. Sri. T.

njj rinsnjj^ 1. kw. zva. y 1^12 ij mi \\ 2, kn. fijne strepen van licht of kleuren, ^nixm\\ met

fijne roode strepen. 3. Ar. kn. hoofdstuk

van den Koran. 4. oj. , n. (rkjni(unj]\\ k.) zva. tt t

.n mw — ityr}asnjj\\ poef . zva. tlt;j tvi (tJijjs

ihii/p een brief schrijven.

o- j zva. (Uj cinjj\\

*11 rtfniasnji^ kn* gekleurde of vörgulde rand , kring of streep om iets heen, zooals om een pajoeng. — yj nnrj m aw/jdial. zva. ij i ni tj tj inn ii na^ns

oen gekleurde rand om iets heen maken; bij de padigroei: als de aren aan den kant der galëngau\'s geel zijn, (cen gelen rand vormen?) SG.

*1 i.uri-nnhh/js kn. straal, zooals van de zon; ook van water; stralende schijning van een licht; ook de {meestal witte) zoom, rand of zelfkant va71 gebatikte stof {vrg. irj Ki ij rn tini/j).— tjmrig lyrizaffis iets bestralen, beschijnen; doen stralen, iniijiu ij r)2iia^iirjjj^ ecu straal water krijgen, van sa-zvahs. — «vjj f u ij n2,hn/j\\ stralen , schijnen j (ook snel door de lucht vliegen. G. Vrg. n^irj 2 injj) verlicht, opgehelderd, ook zva. ai ij [iL^2\'rjjji2\\ Tj.

— ij 1.12^112 iifii nnji \\ stralen; en benaming van sawahs, die door waterleidingen, van water voorzien kunnen worden, in onderscheiding van huhji j 1 wiifi/j\\ die van regen athaukelijk zyn. rpiu ij niq tf h)2 rj\'1121^11 ik)ji\\ een straal water op zijn sawahs krijgen, zoodat men die gedeeltelijk in do drooge moeson bebouwen kan.

iKiTiasns of il-yi ihiin kw. wagenmenner, voerman (Skr. sdrathi. Vrg. mi £; n ); kn. olifantmenner, kornak. — r:ni een olifant, ook wel

fig. een kind of mensdh , bestieren, er mee weten om te gaan; het kunnen vinden met.

O n o . 00

lt;Mrrï(ism zie [n^iibiiw

a.iji ni dsn \\ kw. de bijslaap, en een uitstekend krijgsman {Skr. so er at a, teeder; de bijslaap; en sjo ér at d, heldenmoed); ook eign. van een Vorst van de Sin-doe\'s, zoon van Bjajadrata.

zie bij


-ocr page 566-

O

(Ut VAtlilJ^S

486

\'n n5t)iHi\\

naam van ein soort van ambten ar en, die voor den rijstbouw op de landen van den Vorst moeten zorgen.

a\'jnsniuj zie bij oj^\\ 3.

u3n \\ Ar. naam van

de brug, die volgens het Mohammedaansche geloof naar het doodenrijk leidt.

a~; irj rri t an) ie i \\ of (ki ny nsn ie i \\ KW. zva. oji j nu (V) j \\ en naam van een pijl van Ar dj oen a {van m t7n en ojr^asn (Ktrj rmrj astii \\ of di//? kn. een oudtijds gebrui

kelijke tabakspijp met een bamboezen of houten Bteel en een aarden kop; thans voor een groote rjTtdijHm.w/j of\'^iisr^w tp. tabakspijp; R. td. opiumpijp {vrg. «rn iw n-njj bij dij tia/j).— \'ijteman cmj)\\ langwerpig, van een fatsoen van huizen.

✓ ^ Q/ / Cl 7

(M ih\\ KW. zva. (irri(tn%\\ o-.}iru\\ {o/cr. saharsa, met genoegen, geneugte, genot).

k\\v. zva. )j^ (K^ xnji \\ (Sfrr. sj ir s a, het hoofd); volgens G. een bloem {inogelijk naam van de bloem l die in \'t Sir. sjir \'isa genoemdloordt. pk.). (K\'7 zie wna.\'ijjs

v.nj\'n2zie bij r^ma-^s

cu) T) (kd \\ 1, N., zie bij quot;tl w oj) rn rj (im 2 a^ifj \\ K zin, beteekenis, de geest bv. van een brief; van een redevoering, vrg. cltj tgt;j \\ ay)^kn di^/j\\ vrg.\'ikki^ 11. (2. KW. visch. G. S/rr. sdrasa, uit een meer komende, in een meer zich ophoudende, pk,).

o - O o

ajj ni o i \\ n . rrj gt; of x/t^;? ■; o i ijj vrg. n» » ». i w

ogt;in(K){\\ wnio.df \\ of \\9J^aj)^\\ 1. kn. belegsel; bevloering, zooals met planteen; plaveisel; émail,in-legscl met goud, zilver of steenen-, mozaïek; belegd, bevloerd, ingelegd, geëmailleerd; ook naam van een batik set, als mozaïk; en 2. algemeen verspreid, bv. van een gerucht {vrg. ajf-n (r^\\). — (U/77 rgt;iflv\'7 ^ n (étnT)(tJi»\\ of (H)quot;na.? iets beleggen, bevloeren; met goud, zilver of steenen inleggen; plaveijen ; emailleren. Mn j s \\ of n0) 7^ v pass.; (gt;3(iWfao^ ook zva. wrtajt^ van een ba-tiksel. \\ belegd ü/ingelegd , en zva.

kn. famüjaar, vrij. — (kinq^ rjn.i% \\ op een familjare wijze, zich als iemand die familjaar is, gedragend, spraakzaam, vriendelijk.

cy

(Kitv#.(Ki/J\\ Uur. sergeant {vrg. oj)rj 11 (tnmi/j). (ki Oii n KW, liefde, gunst {van tun iyi(Hi\\met het voorvoegsel iKiw Vrg. (K9(V#.\\).

(Ki lyiMi\\kmv. omtrek , bv. van de aarde. G. {Skr, ra. sandy gordel pk.; misschien voor o~ 1 (iji(ki0,»\\).

/s.s s

(KJ) (KI \\ Zie K)\\\\

/ / • ; /

(KiojjjS zie bij (kaw

^ ^ a/ ^ 11

(K)\'rj (K/) t \\ zva. 0^1 (Kp maar harder.

o ■ 7 .. o

\'Tj (KI 2 H (Kiï H \\ Zie bij OJ) Tt w

00 .0

{aj^dJKhv as))/j• zie gt; yrwrus

o . o

o.imtKiiap^ zie Kima^nKW

KW ZVa\' \'K\'jini^

(7.; KW, zva. 1.9) do (ia n] \\ {van o^n)\\ en

a . t

fcTvi (K) ai )^ zie n.mutKi du gt;\\\\

O • 7 .. O O a Mjjs zie bij (K) (KJ (u^ij^

Cl • i •• amp;

\'Ki m (K) iix w zie bij n 0.) ok w

a , o o

(Kim(mae?\\ ook (kiikkio^^ en 0.1 da.i(iqfj kw. zva.

itïï) (h,) (t57^ \\ {Skr. sar a s i dj a, een lotus), kn. ki 11 (ki(i£\\ \\ of (kw ki ik \\ naam van de tweede ach

terpoort van de Kraton te So er ak art a, ook ^ 1,111

o O o ..

n 1 nj) ar)) genoem a.

aj^Ti^jnis bijnaam van Bat ar a Kndra ; ook ilc hemel van Endra.

(M\'rïw ()jj\\ of (D) quot; n(ki cy)i j. kn. 1. de opslaande rand van op zijn kant gemetselde steenen, een pa-

gër van bamboe op een bijzondere wijze gevlochten.

00 00 o 0

— 1177771\')(K) (rrijj\\ wr)o^ioryj gelijk een n.yrikt

fp* .quot;1 DO /t O o 0

(rriijl enz. Ij. Z. wnwnmjj\\ of onhoj}oiijj\\ u n^\\ vooruit trippelen bij het tandak ken; 0\'£j^n een dergelijke beweging achteruit maken. Tj.

fy

(ij) m(rr)f)-\\ kn. het snorren door de lucht van een menigte pijlen.

lt;7.7 (U) \\ en volgens de gewone uitspraak kn., m

in)\', kd., al, alles, geheel, volkomen (aS/t.

Vrg, (hj)iV)\\).

y o 1 S c\\

n. 1 id)\\ i. kw, zva: ihngt;)U(U)(h)j^ en wdviw l, kd. zm.

o-j) (V) \\ 0(1 U) (Ki t?) tpj(viy ru 1 \\ poet. al de benooiligd-

heden tot den kdig. 3, k, van of ioi n^

Jamp; fo J co

zie (iK^vnw

. \' 0.

{(k^ gt;1 \'n)\\ of Y\'?jquot;nkn, ; (o-yi quot;){o^ij\'ij)\\ en lt;11 m\'

^)f(fj)\\ overal in snoeren neerhangen zooals van

ranken, lange bladen en spinrag {vrg. ti yon); tquot;

veel beweging met de armen en handen maken, vau

velen. — i^^rj (U)aAi onjj \\ i r^)^ fj)(iti rnjj of

Tj /ld ild os)jjx veel beweging met de armen en hau-


-ocr page 567-

v\'S\'lquot;

487

(mji

den maken, ook van iemand, die drok gesticuleert (vrg. - (^rtrjiuts ala uoövhaiigeiide

snoeren; hangen te wapperen.

KN.; zva. inyiasim^ ondereen

lioop verward raken; (zich buiten noodzakelijkheid iu gevaar begeven. G.).

*j vgt;\\ zie

M\'Yi\'Vn kn. zich aan iemand laten gelegen zijn, «ich om iemand bekreunen, belangstelling toonen.

_ miiyjivis met iemand op een vriendelijken

voet omgaan; iemand toespreken (org. m ^mi -r^^ hij xm-TjO. — i-^r^rui zich vriendelijk jegens iemand gedragen; iemand aanspreken.

0/ 7(»\' l\'j- ^7(37 0\' \'\')

kn. in kleine spruiten of waterleidingen zich verspreiden, van water-, fig. onbedachtzaam in liet spreken, zieh woorden laten ontvallen. — 7.I/\'37 \'IV Mwj) of ) 7 • ri ij dis i/n .wl^^ spruit van een rivier; kleine waterleiding.

».jl i| U no^/j zva. o^-r^^n/n na/j ■

f i.j ciMi\\ KW. zua. tf dit i (Skr. sjrdwa na,

naam eencr maand Jullj-Augustus).

i-i utfl] i.ins naam van de hoofdplaa\'s van den Vorst van Tidjomoerti.

i n ut \'n \\ zie hij i gt; gt;i\\\\

^Jjo1jv7i^\\kn — o j ui gt;■»/]\\ door de lucht suizen of klieven, hv. van een met kracht geworpen werktuig.

\'j i,n j kn. — quot; cl\'^ su\'/iequot; , van de

wind.

o ) . i . )

^yvi(ictjj\\ zie

■7^j7 KN \'7 10 l-J7 \'\'\' quot;\'/1 * ruw , «ƒ

lomp aanpakken, behandelen, Tj.

quot;^Tiö.KjjxKW. i«Srtn rui\'ri \\ (Skr. so e.r a w ad-

hoé, eci, nimf).

a i n^.ui ij kn. (iio^.llh.slijpworktnig , slijpsteen), o/ iii|«ii).ri-i^,oi,iii\\kn. diamantslijper, juwelier. — f in■ m ^ 11 i.i\\ diamant slijpen. — »i.oilt;n.ui

mi^nnHn\\ een steen doen of laten slijpen, aan een juwelier tut bewerking geven. I. II th h I hj ■ gt;1 Ij i/\'i.un ïii«. ik4nrt\'7i\'ijiuiito\\ waarschijnlijk een tchrijjfoui voor i. n dii i. i i.i ui ri ij ui itw zie oj gt;1 vi to w

•* \' \'im u}jj\\ rum ZIT i- m i/ .ui iIim nu n ^

O O « ^ ^ *

\'/\'-mow 1n i nj itjji f 11 i n\\ van een prinses getooid, versierd niet bloemen.

o /. Q Cquot;) / / 0 O

(uiij of it-fi m iü) asnjj ook wel kn naam

van een jonge (urjcSt waarvan het krielinmenigte

in ondiepe rivieren gevonden wordt en van een

vlugge beweeglijkheid is. iii?) njiwri\\

(ölaxijjs Tj.) krielen; wemelen, in menigte zich

ergens bewegen (fn/. [tyiwisn/i). hnjj O)

de leeftijd van een kind, dut doorzijn heen

en weer loopen en bewegelijkheid hinderlijk is. —

in onophoudelijke beweging, zooals

van een menigte ergens rondvliegende vogels of in

een kamer rondloopende honden.

■rj i.y Tf(V)tit5t)/i\\K.x. haartjes of ruwe vezels, waarmee

iets bedekt is; harig, ruig, borstelig. cül(^^0\\

naam van een soort van kleine mangga.

O\' no j, \'y O j

n.) O) fon \' of ;i7n j.^isr^OiU/i x kn. naam van een soort

van herkoetoet met een fijn en daardoor weinig gezocht geluid, ook een soort van kleine zwaluw.

o . n

n ^ T) rj tui \\ zie (hjjj\' r 11 n hm w lx.

o o .no

(jj ui ili/j\\ zie ;K; u) iitj!\\

(jj.ui.ii i/js 1. kn. , 7L/ ijn iU) MTji\\ KI., een wijde broek tot over de knieën {vrg. }ni rjtipiihnjj^. 2. kn. i/;i iwkhimli.; een broek tot aan de enkels, een pantalon (Ar. U.mj. sërwdl).

v U yj

*1 n ui ij tut u) nxj/j of tj i. y ui rj gt; 11 yj ut 9

kn. spr. ruw, ongemanierd, in het spreken, n j n unrlt; u i\\ naam van een wapentuig in de Brata-joeda (van a .yri\\ en m lu \\).

\' ■gt; \'W \'gt;lt;yj of ?\'gt;»\'ƒ iUt (iu t}nfl\\ zie hij ^ * \'i w n mj ui ili (hnjjs zie hij (iiy ij ui w 1.1 ■ n ut lt;ni/j\\kn. — {ijjji ui tegen hot beloop van de draad, of de rigting van de takken of bladen ingaan, of daartegen in werken of iets slepen ; vrg. {^.1 rn w

(^iui\\ kn.; (dTtiKVu zva. ^ui\\ van ^

of a 1 {iijüi \\ duidelijk zien ofte zien. — ii j^ uut.ui.ia^ Men. zva. n.^.yui gt; i nvan 111 gudsen, stroomen van bloed.

of i.ini vjj KW. zva. uri iy freq. van (kkv^\\

e . - . c*

— wrings zva. (uruK^nr^w — ^.1.^nn\\

- .0 . o / . o

of an ■ ri (ui \\ zva. t n rur^r.iw (r/ui djj^lt;ui \\ kn.

zich in iets, bv. in de beraadslagingen of het

werk van anderen, mee iumengeu.— onjjs

kn. een ontmoeting hebben , bv. met een tijger in

het wond; iemand in \'t voorbijgaan ontmoeten op


-ocr page 568-

U.1 IIJ! (L\'1/J\\

O Qv

488

weg; omgang of verkeer hebben met iemand, of met andere volken door handelsverkeer \\ met iemand

iu betrekking staan door genootschap.

o Ov o ~ n Qv , .

Qrfj/ \\ kn.; («jo \\ ojr (^7 ? ? ■ gt; i iu/ \\ zacht waayen ,

ruischeu 0/ suizen, van den wind j een verkwikkend gevoel hebben door een zacht waaijonden wind, Rh. (pok geraakt, getroffen. G. Vry. [ni

^2gt;j\'lJgt;N KN•; \'V*N ö/\' 3; v bij afwisse

ling hoorbaar en niet hoorbaar, onduidelijk hoorbaar van een suizend geluid {vry.

(3| f5?\\ of njt Tjêi\\ kn. suizend gegons, zooals van een vliegende bij {vry. 00^ loopen, van een

los gerucht, iu overal suizen 0/*gonzen,

zooals van veel kogels in de lucht. —

suizend gonzen; euizen, van de ooren.

0f naam van een distrikt. —n ^

^Sjj^ ruischeu, van den wind door een opening (vrg. en (^Sh).

•, gt;f (irm ? rj tji? s en rf (lEynj /3/ ^ \\ door-zigtig, doorluchtig, met grootcre of kleinere gaten, daar men doorheen kan zien ol\'die Jicht doorlaten; ergens licht in krijgen ^iels beginnen te vatten , Tj.; van het hart, ook z va. «jcnn opgebeurd, zie rj tj \'Eiirfni? {vrg \\ cn (for^tói gt;).

(7^tl/t)\\N., (mmawasn^ k. , een ergens gevonden lijk met teek ens van mishandeling (waarschijnlijk van (fljN 2., en iu n\\ voor i-nirum ).

nj^rriru2am\\ kn. zva. .ruHifi\\ [Skr. soeraló-ka, de vcrblyfplaats van de hemeliugen, de hemel van ludra.

ojt^iwnLtis kn. het verblijf van de goden en hemelingen , de hemel van Batara Éndii (Skr. S 0 e rd-laja, de verblijfplaats van de goden; de hemel. Vrg. \'~gt;i tj u.12(H)i\\ en ;

a^iutjjs zva. KiM (Ljij\\ en grondvorm van n/nn.jdjij)\\

quot; ns . 1 . .

k. van (imdoiM/i* . 1 any\\ kn. gelukkig in zijn ondernemingen , wien alles gelukt wat hij bij de hand neemt; ook gelukkig van een geweer, hengel of vischnet, daar men veel mee vangt.

zva. (vytDs (Skr. sar pa, slang, serpent). nj) nji ryy rns \\ m.\' annrris AV. I. 295, 7- v. 0.; zie

rj rj iTjn 2 \\

(Kt *T7 njijin kn. 1. ongev. zva. ^ rurj iejI(twjj\\ onderleg-Rel, onderzetsel, onderlaag, een kleedje om iets op

te zetten. 0(^ouk\\ tafelkleed. — 2. ontbijt; ont.

bijten, zich ontnuchteren (vrg. rj0^1 rjih.i— ;j

zva. oj) T) rrnjj\' 1. G. — artn -n :u/j\\ zva. inryix:i)^ o

vwy) mvan ecu M\'rgt; lt;i^\\ voorzien, 2«»^ te ontbijten geven. — (i~:mnm\\ tot / rn

maken. — ^rviiut wat tot ontbijt ge-

brnikt wordt; met elkander ontbijten.

iKidiiuhp KW. een enkele. G. zie iiJtajt/j\\ — vnin

(ui/jn zva. rwnojijj of mim iirnji\\ j Jr. . c^, kn, een afstammeling van Mo

hammed, oen Mohammedaansch edelman. ij)nnu/j\\ zie tt i *^ (i hp —vntini(u^i\\ oj irnuLi n kn. iets met een doek of anderen wisse her ligt oj voorzigtig afvegen, er de stof afnemen. JR.

(fj) (ui tui /j \\ zie (tjj, (uji \\

u n(L\'Uj kh. houten dakpan; met houten dakpanucii van een huis. i^^iui ^ uuijj y benaming van een zekere wijze van het te droogen zetten van de padi. G. dit is volg. Rh. /tsw (\\j) J?/ n iui/jx nl. de padi zoo arrangeren of ordenen als sirappen;

-mui/js daarentegen de sirappen aanleggen, vast maken, enz. — een huis met sirappen

dekken.

i ïiUi(ij)jj\\ kn. stil, gestild, geoompt, gesust, geblnschl bv. van een brand; gelescht, van dorst; stil geworden , van een zaak, daar niet meer van gesproken wordt; tot rust gekomen; stil worden; zwijgen, het ophouden van een geluid, het afbreken van een gesprek , {vrg. a.ij). iJ.ui ha iu/j\\ oj

t il ik0\\ tooverformulier om iemand in slaap Ie brengen, tu)tn;lt;• v.l.1/1 vj«y;? hi q\\ de tijd waarop de kinderen te rust gaan, de voornacht tusschcn 8 en 9 uur. « v in j j! a a ij cui 1 {poet. kc in j \\) de tijd waarop de menscheu te rust gaan; de voornachi tusschen 10 en 11 uur. — ai\'nt iui (ui/js iets stillen, dompen, blusschen, sussen, tot rust brengen.—

.ïTïn oj) (ui J? n mv., en door een tooverformulier in s

slaap brengen. — oji(ki i/t (ijtjf\\ zva. 1 n l \'s\'

n.j(Ui(ui ~iMi/j\\ stil houden bv. van de (ja-melan.

o^^üï^nn., 1. oi) r)(uijj\\ k., het ergens ingaan; ingang van een woning\\ volg. Rh. onder door gwui) bv. een poort, ondergaan, ondergang van zon oj maan: zonsondergang, avondschemering {vrg. m (ui (ujjj en (ui iuiosi\' m (üh/j). Somtijds wordt


-ocr page 569-

If HJIJI \\

48(J

ook wel in Kr am a gebruikt. a^n^njt^icKn zijn ingaan in (overgang tot) den staat der afgescheidenheid, W.— ku^ojiSi\\ lt;vnn •dm Jin erg. onder doorgaan. 0\'/(|nm2 rjfij)i,?lt;tiaTm\\ onder de këutjoerbladen {die bijna op den grond liggen) door kruipen; fig. zeer nederig zijn. Rh. ergens ingaan, zooals een draad in hel oog van

een naald; in iemand gaan huizen of varen , van

O D . .

een geest, mi ij mi (rnjj \\ un ; a a oji ~ i on,j \\ iets

binnen krijgen; door den ondergang van de zon of

maan overvallen worden; ook bezeten, e7i in dezen

zin ook wel hithji in Krama {vrg. im

nii°n intgt;(TJl). — onder

door kruipen, — gaan ^ ergens, bv. een deur y of door

het oog van een naaldgt; ingaan; ondergaan, van

een gesternte\\ verdwijnen, onzigtbaar worden.—

lima^ rj tLjjjs h ti I r n ilij\\ geheel uitgegeven , ver-

teerd ot\' verbruikt worden.

11. N., iinjtM/js en ook wel, als het met nadruk uitgesproken wordt , li i t) tijijjs k. , kennis, het kennen va)i iets; bekendheid met een zaak-, verstand; begrip, van een zaak; te verstaan, te be-grjjpen, ie rekenen als {vrg. nmut u n Sn \\ en ijict\'n). itvnvii rijini^.\'r^aji/j\\ verzoeken temogen weten, ihimn ~ i() j tj iu^ zonder te weten waarvoor (waarvoor te rekenen). ajjT\\tn(Lt ^i\\ te reke-

, iO

nen, als t ware. o-j a Jt ^ i an an nn tisn i\'»iui m \\

om als \'t ware tot kornak te dienen ; vt. als raadsman, leidsman. ojiimnjt/j\\ zie bij n n

/ictajijj. ft^h (amp;i tviji\\ iK/i lt;ïJnji bekend viet iets; iets kennen, weten, bemerken, verstaan, be-grijpen; te verstaan, te begrijpen, te rekenen als; voor, zooals geld of geldschuld voor iets dat men gekocht heeft; ook tot bewijs van (zoodat men begrijpt dat...). ^ (iji - / .ia(ia j hy\\ om als t ware mijn gevolmagtigde te zijn. /.tj nij f ^

niet in verhouding (tot iets daar het bij behoort).amj n^aji St\\ r/u (ijl ook wel (i:nl

) o 71

\'h jl m \' n (cm nji (iji (ui _ i * iets ken nen, weten, verstaan; van iets kennis dragen; bekend zijn met; ook in evenredige verhouding met iets, dat er bij behoort. — n7)r^ nji ^ i ij inn \\ i:m oji (in - ? ün an /j \\ ook wel ^ lt;rj mi \\ ami tij oji oji nn niq \\

iets te kennen of te verstaan geven, doen begrijpen, verstaanbaar maken; iemand iets doen begrijpen , aan liet verstand brengen, met iets bekend maken; ook iets voor iets rekenen, bv. voor koopprijs of schadeloosstelling. ikiM iui (KiaJaji m w? an/fs wat iemand weet, zijn kennis en wetensehap; en met een ander o/met elkander afrekenen.

t] w m2 aj^/j\\ kn. — rfrintym ajij^\\ zva. (r.mfio^arnj met een lepel opscheppen. — vjwiym (ui^i Mijj\\ Tj. mv.

Ou

(f.yri(Oj^rm\\ zie ojvi\\x

(uiasn/j\\ kn. klanknab. van iets, dat met snelle vaart hv over den grond Strijkt, zooals bij het ke-mirispel de ar»^\\ die de kemirVs treft; een vlugtige indruk, die een object naakt of nalaat, een zweem, eenige gelijkenis. — tuiaui/j\\ nabootsen, gissen; uit hetgeen men ziet opmaken. KijSi tiw/js KN. — \\irrn ajJasii/j\\ rakelings langs iets gaan ; strijkelings iets raken van een klein voorwerp •, bij beetjes in- of opslurpen.

ujj Mii/j \\ kn. slurp. — slurpen, {vrg.

vj (lytj (Uit a\',n/j\\ zva. {^x^nsYij^s — y tTni?ij a.\'ii asHjj\\

pure arntioc.n {zonder i:n utiiruia) schuiven, Rh. itj n iu a:n \\ bijnaam van Bat ara Énd ra {Skr. Soe-r ap a t i).

a i ai ~ i y)\\ kn. benaming vau de déwas en wida-dart\'s in de Soera la ja {z a menstelling van liyt} en lt;uri (ui^:i n \\.

j jfüirri^mijj\\ nm. v. e, gending , W. 1. 78; volg. Rh.

ongev. zva. op: • n dij injj\\

O : O . . O O (UI 071 l^/ \\ Zie $J1 (LI (1(1 \\\\

^ \\ (a:n^i j) j \\ zie (K^dJi j \\n rj:i.i2a.Ji asn/j^ zie lt;t-^itui(v.i)^

(hi\'-ndJi lt;toi\\ (sara-dadoe) Port, so ld ado, soldaat

(vrg. a^nimij).

riiie^\\ of Miity^KN. welgevallen, mot welgevallen, met genoegen, bv. iets zien of hoor en ; ook instemmen

met iets, ongeveer zva. irjajizr^orrms [van ws en

, Cï G) \\ a

(LidKW vrg. ooA i i ay \\ en gt;. i foifj). — an ij ik t tij \\

in iets welgevallen hebben. 0(dii(uri (Vi?i\\ met genoegen bij elkander zijn, van gasten op een feest. — am (hi if uts 2 anjl ^ het naar zijn zin hebben, meeloo-

pen, slagen, juist van pas; genoegen, liefhebberij.

O . • • .O

ki rj \'gt;)2 its \\ KW. zva. oen (i iasr^ azm \\ cKjhj^anjj en ni un

(ujj (Skr. sar o dja, een lotus);


-ocr page 570-

490

/ M (b^Jt n

S

(KJjtlG in/J\\

kn. voltallig, cn zoo dat niets (?ƒ niemand ontbreekt, o/ volledig van alles voorzien zijn; oo/c van iemand die al zijn naaste familie bij elkander in leven heeft. dj^ iet onjj of a i ij f iiK iHi/j \\ o j. n-ni ini w (k) \'pc .7d kn. schrander, vernuftig, ingenieus; een phi-losoof {S/cr. s ar dj an a, makend, scheppend. Dy. 7Uen (KyetMis). — amwukvjjtrnjj\\ schranderheid, vernuft; philosophie.

ojiniiiK^rj\\K\\\\. zva. d^asnx/r^r^(i))2\\ {van iuini\\ voor

mn(t-^ni \\ en n/rj^ rj hji2\\).

(Kt quot;ti i£ to) mi (hi \\ naam van een Kawischc zangwijs in de R\'ama.

o o

\\kw. zva. nrjn)z aj)\\ ui.njihyi?)

(biyi en aSmmv Sn(Skr. dsjraja, steun, toevlugt, bescherming); kn. , kü.,

iemand wiens bijstand en bescherming ingeroepen wordt tegen een vijand wn te hulp ko

men tot bescherming een vijand, tl inn inti\\

de hulp van iemand inroepen, tegen een vijand.

S S r S\' S

!Ki(in\\ m(LM/in o/ (Kj(hu \\ en i i nui \\KW. zva. i.i a d\\

c-// o

S O rgt; .

111 \\ i Ti h i) rrn \\ en .t n vj m ut w

(fj

!gt; ! tvi\\ 1. kw. zva. i i ij ri\\ ook wel als Krama in gebruik {Skr. soar ja). 2. ki. van riajn \\l. {yrg. (OKiaans). volg. Kh. ki. van/ i.jn— ia\'ip n ojjitvts de Zonnegod, oj^ ili ij iriuiyii kn. brandglas {Skr. soêrjakdnta, een edelgesteente, kristal, gew. van een fah el ach lig en steen met fabelachtige eigenschappen). — i.ikij^ i.u ij K)ii(t}n\\ kw. door y.on of maan beschenen. — ti^ 111 injj ki. van ti.hf^mi.i^ ki. van nin\\ of

van (Li\' gt;1 ij ,i n h i/j of qjI h i n uj G. WW. volg. Rh. ki. v. rKunw

(K/I Tl (lil \\ Zie {J-iiLUW

(K^ f.) n ijiihn met een eenigzins groene tint? (Rs.) Rh. zie \'ritidiigw

7quot;

zva. ki \'ft ,iii w

- n ui

oj) r.

\'fn.ivt.injjs j. ki., zie bij .isi^ nw 2. Ear. sergeant. {yrg. (hi wanji gt;).

ih^ inn in Li/i ^ \\ Ar. . Syrisch.

a i i.i \\ kn. benaming van regturlijke beambten, die gezonden worden om regtszaken te onderzoeken; ook naam van een fabelachtig beest, een slang met een menschenhoofd, en van een irn nn\\ — i~in-n

haj. ui \\ als SSramp;-joedamp; dienstdoen; en zva. unbiï a

(Ui \'ri HYI ^jtw (KI Zie (KhhMW

(iij Lijitui (Hi/js kn. erge spruw, neuskanker. ^ 11,(

scheurbuik, Rh. {vrg. vjomi (ëji/j),

/ . /

(KV (lAjJj \\ Zie W (lil \\\\

V i?z!)Vihu N KN-gt; (^371111(011 cjV \' ^ Nen V quot;

(tuicm{^^1 (innriji\\ wankel, bouwvallig; wankel staan of wankelend gaan, van zwakte (vrg. ij-nm ij (fji ij (in i rniji), JR.

(th^ f.is kw. zva. d/n isr^ tun \\ rj »/rtrjam nxiji of m rj rw z ij cm (lajj\\ en (im jk^ ms ; kn. een geschenk om daarmee een gunst te verwerven. (Vrg.

! jkj fa ki m cru TidK\'-h n op de kant van een ravijn dansen; spr. voor iets gevaarlijks doen, zich in gevaar stellen. — (inniEi(hj\\ iemand door een geschenli

voor zich trachten te winnen.

o

hi jji iiAjj\\ ain (iJi f i\\ en i-) i/i^ian^K., zie i ij m^w

0 . rgt; , (KJ ri ;FJI/I\\ ki. , Zie (ICJK\'l/jS m/m -Q Tl (£.ï^\\ kn. dt

benaming van de hoeveelheid opium, die telkens op aanvraag door het Gouvernement tegen een verminderde prijs aan den pachter verstrekt wordt {vrg.

et ... o \\ ci o

Hsu in on/j bij (ts/mt»nj. i?.? tj lt;/- / » i \\ kn. aan

\'t begieten zijn. — vw-yi (f i^KN. iets begieten

{vrg. i la-jji G.oo/c blusschen, lesscheu

o . o o „, , )

inn m (Uji). i in n£j\\ mv., en ki. van

o o

; — a i i rri ri hi/j\\ ki. van ajidc^Ki

k)hviu/j\\ 1. kw. zva. niïiicii f i/f en 4 j 2. k.n.

achter de wolkeu gedoken, van de zon of maan {vrg. vi u 11 Ji ui fi/i^ kw. het wegdui

ken , (ondergaan) van de zon.

111 (kt ifi/js kn. verdonkerd, getaand, van een glnm, verbleekt, vaal, daar de glans af is, van klecm {vrg. ny i 1 tijj). irnj i/i w ij mis iets verdonkeren, doen tanen, den glans of luister doen verliezen, doen vcrbleeken, vaal maken.

.• 1 ici - m \\ een benaming van Mahispati.

gt; ^! iihii/j\\ kn. de plagen der padi, die uit den grond

1 quot; . n voortkomen, zooals muizen SG. vrg. yininj

volg. Rli. een kleine muis, fig. van een bediende, een snoeper, oen dief^ vrg. i/ncriw [ f^r i j] n of (ki- n i i Si \\ kn. benaming van een viertal danseressen van den Vorst; een dans die door deze vier danseressen wordt uitgevoerd {vrg. »quot;*\' dj} dit n ).

1 1 nu . / ,mJls KN- plint, zooals boven en onder rond-om een Javaansche bedstee \\ drempel onder een


-ocr page 571-

ihJ) \'Y) (Cl- -1 nnji \\

deur (vry. JR-

KN, l. een touw met ludson, dat aan

een boom vastgemaakt wordt, om de voeten in deind sen ie zetten en zoo inden boom te klimmen. JR. {zie iki tu ifji Jï) ijvn2 it^rn f i(lü/j\\ec\\\\ zalf ofsmeersel vau kurkema en uatte schelpkalk bereid, iei m ,k) h m i tuyjs in eens toenemen on erg worden, van een nietig wondje aan een heen of voet. — (i:t» \'n it)zich van een touw met ludsen bedienen Iv het beklimmen van een boom. JU. — 2. mi m li tw/jgt; bij het knippen ü/snijden buiten de regte rigting of een streej) gaan, en iets anders raken ; rakelings treffen (Tj.); ook Rh. strij

ken over bv. van takken oter het water. Tj.

m l? ~ ^(inyj^Tj. .^.£7-i / KN. digt in elkaar ge-

i t groeid bv. van bamboestoelen, Rh.

O -o O

zie ttt itm/jy

ij .hi of d.rif n tj (Ei - ? zva. gt;j (Oj gt;/ ? / , /

asn/j^ km. —*i(x:wtjiu ^ i ic^pieis voor een oogenblik

leeneu of te leen vragen ; en zva. \'/

vrg. (Kim iei^i(wji\\ of ^3kj i i ^ I \\

gt;1 ri ^iitinjj^ KN. onkruid {vrg. \'■\'ƒ j| — *1 iKy rjit.i ^ i/.ui,hiq\\ plaats waar veel onkruid groeit.

o O - lt;rgt; ) / o ) -

[iKj^ihi ^i ibiyj of yiyhi ^i iUt^s KN.; inm i . i ibh^ oj

(uwujtuwjjs verwarren, vati een touw of iets

dergelijks om de he enen of voeten. /, n .* i -Imi/j

of i.ii^(in/js verward raken in iets, van de

voeten. ^vlu .u y ] \\ verwarring brengen in;

fig. belemmeren, hinderen; vrg. (i^vnui Men.

rjjMrj.Li ^iiLnjjs KN. j ij(v:iii ij ui nsii jj gt; schampen,

uitschampen, afschampen; schampend langs of over

iets heengaan en het raken; iemand een schamp-

seheut geven, door zijdelings van hem te spreken

p o o« o ... o o„ .

\\vrg. iu Tjföi. lij j \\).

0 . ) \'■j\'i - mu/^ KN. verminderen, verbrokkelen {vrff. i.t

\'jM ~hu.iy). 1:1^,1,1 Jl ii tji\\ vim iets een weinig afnemen, afbrokkelen. — .i.h.j-j fV/L^x vermin-ilerd.— w ibt Siniini,p het afgenomeno, afgebrokkelde, gfdeette of stukje; stukkou, brokken.

zie hy /,/ ii^i n i j\\

(j-jiti v 0/ lijinwJis kn. een wapen of scherp gereedschap 0/ stok, waarmee naar iemand uf een beest in een regte horizontale rigting gesmeten «ordt,- ook een stok om mee te batonneren (Rs.)

491

Rh. en naam van een soort van werpspies in den ouden tijd (vrg. i i n hni en ij i^in ij mil inijj). — (inn u Ji \\ met een s6rampang werpen , aaar.

ik).hS\'i\\ KN.; r:ini} met iets goed voortmaken,

\'J \' amp;

iets gi.eil doorzetten. — i j i j i spoed maken , mot spoed.

[iK^ \'t ƒ of KN. ecu om dc voeten of po

ten gebonden touw. — (irm iu^jj\\ iemand de voeten of een beest de potei. binden. —

met dc voeten m iets vernikkeld of verward geraken (vrg. mi f!iisnji). —als met gebonden voeten, schoorvoetend, Waj. I. 30.

i i.il) \\ :va. i.ii ƒ.) oj. CP.

JO/ gt;i,C,T

»./ of KN. naam van hut voorportaal

co • C co van de groote moskee te Soerakartu en Ujokjokarta,

en van de priesterlijke regtbank, die daar gehouden wordt.

tiW quot;f quot;-quot;ftv™- quot;«■quot;\'W\'

of c/.| ii •quot;») l i ^ \\ naar overal verbreid; zich verspreiden , verder uitbreiden 0/uitstrekken; epidemisch, va71 een ziekte. riri\'n zich verspreiden

van een geluid, Tj. — of rm ruf^

t li- au\'t 1 .i 1\' (vii\\ \\V. 1. 300, zich over den omtrek

co1

verspreiden, bv. van een geur; over iets (;/tot iets zich uitbreiden of uitstrekken ; overstroomen , bedekken; ergens heerschen , van een ziekte j algemeen gezag uitoefenen {po\'ét. ? / •gt;»g?^r r»n). — uu 1 ;algemeen gebruikt worden, bv. van een weg 1 n ii i.ii Kgt;jr} .\'t\\ weinig in gebruik zijn; zelden voorkomen, van een woord of zangwijze, \\

overal verspreid, Tj.

omsluiting, al wat dient om iets te omslui ten of\\\\\\ te sluiten {Hoogd. E i n fa s s u n g , Fransch enclosure), zooals een stuk hout in een te wijd gat van een krisschee, waarin dan een nieuw gat geboord wordt, om er een kris in vast te steken W W; invatting van een broriyW.; oxwiwwuw^ van een boom-pjCy (door een omsluiting van rasterwerk gemaakte val voor t ijgers of wilde varkens. JR.). — (i.nj ii.i^ri\\ iets omsluiten, een boompje omtuinen, voor een tijger of wild varken door omrastering een val maken.

ii ^ ?ï. kn. onduidelijk,^00«/.? Af.^00-ren van een gamMan in de verte; nauw merkbaar v. e. kleurverandering, Men. onbestemd v. e. gerucht.


-ocr page 572-

ij a.u ij ni 2 mi/,

492

O G s C* O 0 T o O o

(oiför\\ of tn^iiit-nihn\\ ook [1j^a i o nkn. naam

van de noorder buitenpoort van het binnenste van de kraton, het hof van den Vorst, waarhij een nrrnn/n isr^ ü?on wacht heeft; 0oh naam van een fijnen, lekkeren zeevisch {van ^\\\\ 2.3 en man (fn\\ wachten). — 0gt;tPn(Lf^iru/j\\ de zuider Sriinangauti, G.

• n n7yi^ zie lt;i1,l^nrii/j\\

(j^nnfjs kn. klanknab. vaneen object dat bv. met een vaart iti struiken teregt komt. —

z()o tlt;3r(!gt komen, in struiken gaan schuilen, ■— kmrm(Kf 1,)ij \\ het geluid dat voeten in de struiken maken, Tj.

(m/j^ klanknab. pof! paf! of ook

wel a/ntj rizrmjj kn. ergens neerkomen, teregt of teland komen, van iets dat een gang of vaart had, zooals met de voeten of met de billen op den grond. — lt;é\\n ij z nrj^ rj urn \\ iets ergens neer, teregt of teland doen komen; met een schip ergens binnenvallen of binnenloopen.

(Ki^i(rri/j\\ 1. KW. zva. o.irj\'rii(m\\ en a-i in\\\\ 2. kn. naam van een venijnig stekend insect, dat zich in den grond ophoudty JR.; volg. Rh. naam van de tweede gemalin van Pandji,

KN.; urm runiyi\\ met een voet oi\'poot over den grond strijken of slepen; sleepvoeten.

(hjjdjtcmjl en ï kn. (ï j-m/^KN. klanknab. ongeveer zva. ij 1 y (DyjW\'ocd ook van een nieuwen schoen waar men gemakkelijk inglijdt, roef! van pas! ook ; ]m ern,! vervolging in regten, geregtelijke dagvaarding. — t-hnajicrn/js en poot. (hiiuoh^ of u n

nanmjj\\ aandringen , voortdringen, voortdrijven {vrg. 1 C)

am\'kvajicrn,)); iemand in regten vervolgen, dagvaarden. (im Sji (mjj\\ van weerskanten op elkander aandringen, tiï l\\jnunm/js met haast. — mn (U lt;rr] tj mi \\ op iets doen aandringen; op bespoediging van iets aandringen. — ^/f jernjj\\ kw.

CT O : )

zva. (in w iu (rn/j \\ err^ in oji ern/j \\ cn^ -f. ? u 1 rni/j \\ en

a:ii n vm ihnjjs — (Qnji •rii aningestelde vervolging

in regten, dagvaarding; ook de dunne darmen van

een beest.

KN- trippelende, of liever dansende, gang van een daarop gedresseerd paard; volg. Rh. traverse in verzamelde galop; ook wel hij het tan-dakkeu nagebootst. — vin\'ri (Yrijj\\ trippelend dansen van een paard. — (cfrini nr^iiiuii \\ een paard trippelend laten dansen. nmi 10^v ^ 1

O

(kq nji cnyi \\

o ()

ijl w (ui crr}ji\\

rijden, dat men zijn paard al trippelend en dan-send doet gaan.

riojiiijnncrnjjsKH, sleutel. Zoo ook

(vrg. ij (Kiz tj on 2 (HVjj en tj n-12 \\); ook zva. ijt ],

tjni2Ktijj\\ — (Yjinmvj-ridcvyiijs iets schuiven , voor

zich heen schuiven, van zich afschuiven; {vrg.tnj ij); en iets, zooals een kist, of een slot, met een sleutel openmaken o/sluiten; een horloge opwin, den; nangka\'s of doerian s kunstmatig rijp maken, door die vruchten jong te plukken, en den slenytl meteen pen door te steken, — tjinn 2 tjni (rr^iijw\\\\ iets van zich afstooteu. — rj mi ijrtizrm wjj\\schuif, schuifplank. frg. rjti i2ïjrri2nr^(Hijf)i wissel toetsen of wisselketels van een gambang of bonang, on het instrument op een verschillende toon te stemmen tj ifji is tj tj -n2 mjj\\ ccn echuil\'tafel. (t^ ut kw. verdwenen , onzigtbaar. G, ■misschien verb.

/ V

van •Kj(ni\\).

(To . »..

tt tinmtKi^ zie bij v,; »/^

(flj.rnkn. naam vvn een kleinen, zwarten vogel, 1 zoo groot als een lijster, met gespleten staart, waarvan het vriendetijk , e enig zins treurig geluid 1 op eenzame plaatsen bij tusschenpoozen den halm nacht door, als het stil weer is, gehoord wordt \\ {van (ijv 2., en tijifn\\). ryitniitj onef-|

feu, bv. van een \'ruwen steen \\ ook van schrift,ah I de letters van een regel ongelijk van grootte zijn. i ril tnutijj of (fj^rrri hii/j\\KH. een üks, knap voorkomen hebben, va?i een man.

[ihi(riiih?i\\ eign. van een zoon van Bat ara IVisnot I {waarschijnlijk verbastering van Sj rip a t i, d 1\'

Wisnoe zelf. pk.).

; ^ _____O

arbeid-

(K^crti vi j of ajiMcYiiM/is kn. vlijtig, ijverig, ai\'l

1 ^ . ~)

zaam; vlijt; iets met lust verrigten {vaii (urtnM^ vrg, (i^ti iirn rrj\\ dJi mi tj dsn (in/j\\ (Wnnjj en ntl

rujjs), — r m cm (ui ^1 ij ilt; 11 \\ iemand tot vlijt aan-

1 . O

sporen, tot den arbeid aanzetten.1»— ojitumchi

zich als vlijtig of arbeidzaam voordoen.

kn. naam van een heester Nyctanthes ar-

bortristis . L. Nat. fam. der Jasmineae en van dt I

geurige bloem daarvan.

\\aj\\^n\'n on KN. naam van een plant. Tj; zie 1 rtij^

(Mni(iriijj\\ kn. 1. een kinderziekte (vrg. 1 m Wij),

soms ook met opgezette buik met roode vlekken of


I: ■

-ocr page 573-

(Ki n\'} iciyi \\

de Mud? 0\'ninlt;i(i\\ een soort huiduil slag, Rh.

_ 3. (yrg. (hJimasn/f).— iTni\'n irnjj ^ mixv iets,

dat op het water drijft, van onder of van boven liet water happen, ophappen o/weghappen, van een visch of kaaiman •, happen naar, zooals van een tijger naar een slang {vrg. oj) »y ini uv/j en

u(ljiyj\\ 1. ki., zie tun^ii5n/i\\ 2. Ar. kn. zva. u)

ri .

t) nJijj N

yirnN ook \\ {Skr. sj raw a h; klankroep). 1. kw. zva* 2. lt;Kjgt;ii7n\\ of Ki-n tm \\ kn. geluid,

een geluid voortbreugen, {rj vm ^tkci

tjcniis of tjtirn tui mj SI) m m im \\ zonder een woord te spreken.

yi^J\\KW. zva, lt;b7j^ (uw .^\\ (een wrok tegen iemand voeden. G.). — ajjii/^x-ms zva. en

■) O O

iLitn)! \\ kn. zva. rj ui i n (ui kj (m m Mjf \\ i n het geheel niet, volstrekt niet, Waj. II. 885. ajïxni\\ of its!hj.(K^v.r) \\ kn. naam van een soort van dikke brij van gehakt vleesch: haché {Pers. sjo er-bdy pap, soep).

9j}rri\'Un\\ zie [OJ^nmw

Mrr)irn\\ of n^ni.v:n\\ 1. kn. een soort van koekjes, als onze plaatkoeken y met kokosmelk beslagen. 2. fMTïo)\\KW. do sterren. G. (Skr. so er ah i, zoet, aangenaam, bevallig, enz. en ander ïk/jt)utti\\ zie

bij rnii:n\\).

CY

ui^ii}njj\\ kn. turband, tulband, zoo als de Arabieren dragen {vrg. fai nsnjj en ioi va\\).

of (t^imlunjj\\ kn. sorbet, een zoete gekruide drank (Tj.), va7i een kleur als slappe kofie.

yywiia/is of i^i.n nsiijis kn. het waaijon of wind ma-kon van een fladderend kleed\', een voorbijgaande geur o/lucht {vrg. lun/j en .*lt; i n hn/j bij i. n

— itjjiE^nT)},uhji of ifj) iL^tén nrnjis te ruiken zijn als een voorbijgaande geur; ook zva.

on {Qnm ihti/js

kn. ; iKyjs voor allerlei werk ge

schikt of bereid, van een mensch of vayi een werking, zooals do pangot. 7j iJti0 iemand die van alle markten klaar is, ecu factotum. WW. \'/ \'J^^r.r^^NKN. digt, moeyclijk door tegaau, een bosch. — Li tj imzwji of tj y ij i:n2 ihnJI n benaming van de padi in de vijfde halve

(ka 11 TJ xm \\ 493

maand, wanneer ze het digtst bewassen is en de

aar zich begint te vullen {anders (MiHTtiisiiiHvjj).

O O

m 11 tl Vl) \\ kw. zva. ttz les\' 7l^n

rj i-.n hnji\\ lloll. RN. servet; ook een doek om af te vegen of af te droogen. — èrn iirm n^\\\\ iemand het lichaam met een doek afvegen of afdroogeu.

i:n d (v,)yi \\ enz. zie ij rj am t (injj \\

quot;) O

Kjji7rmsiyj\\ zie

{.Kj^iirr) ih))/]\\ kn. het maken van een zachte togt, va7i den wind {vrg. i^cirnitnj en (i:r^ (uri/j). —

{iQw) tiniji of iistjjjs een zachte togt van

wind.

{^.i^ibH^NKN. het maken van een .sterke togt, van den wind of een fladderend kleed.— asii/j \\

een sterke togt van wind.

o

(hA \'fi ccn (Lh) \\ kn., ujji n :i~n cm n ku., oj^ \'*) n kn. oj

k. , \'n 7j iU) \\ kw. G.) naavi van de residentie

en hoofdplaats Soerabaja.

quot;gt; . o

i^ Yjn.rniri zie

/jKnm ioj^\\ Yin.\'benaming van een Javaanse he mu-

1 ■ , , o n / )

ziek op de cm //(rrn \\ un ij o en a:)) fu^ in/js a

njj^ n (im m \\ zie ^ n i:n zu w

^ O . i quot;)

yn of 7.7ns l. kw. zva. foii f yO^uii^ en n

ijiE/iw 2. kn. waar iets, bv. een vaartuig, in zijn gang of vaart regt op gerigt is o/regt op aanhoudt,

\' wat regt voor de boeg is; de boeg van een vaartuig.

3. kn. zva. ook voor xni in (lü(^Masnjj

\\ 11 iJi\\ ook enkel wn \\ boegwaehter , bootsman. no n%)\\ iu een vuur van blazen.

— kn. zva. (ijrt \'n tj (U of ^

— urn Vin en poet. ajii [o^ en iamp;i(ah\\ regt doorgaan, zich door niets laten oplioudeu; doortasten; regt op iets, aan- ö/* in-loopen; regt op iets aanhouden of koers houden; iets moedwillig braveren, trotseren; zijn weg verhaasten, haast ma»

, ■ » quot;) . t O -gt; . . i

ken. zva. asn tuj ilv \\ en ton w

{of (ini (isj) ij ui of iM^rjnèJ^ gt; \\ {of cui ij ihv^0 spr. voor moedwillig iu het gevaar loopen, gevaren trotseren, iiu/\\N., benaming van

een thans niet meer bestaand corps pradjoerits van den Soesoehoenan. (»j^(uni\\ regt doorgaan, regt aanhouden. — oj)i^. ~h\\ in (U) ton i^i i^iinuit elkander vliegen, regtdoor ieder zijn weg gaan. —

1 1 injin i.\'i , i\'yri ihnjj 0f )J) ^7^(C? najf \\ KN. zva. (hil im 11 iHijj en quot;f niJls holderdebolder, R.


-ocr page 574-

494

C) . gt; rn*

vohj. llh. als een dolle licon en weêr loopen. i\')\\ zie v.,? ftjiw

ï S quot;3 Q

of i i \'n ^ en gew. nyn^J* of KN, vauk,

, , ; 1 \\ .O Q. O o.

menigmaal (vrg. imiajiiu/i en ij i-i * gt;\'quot;/), wnwm

()ƒ M) iiKjrün : Fj\\ dikwijls.

gt;ƒ l^\\ KN. lenaming van een soorl van voetzoekers of

vuurpijltjes {vrg. \'u \'j f orij en iiïlt ii.m\'i KN. 1 heet, van/iet lichaam, als een ongesleld-heid; droog i\'an een grond, die veel water in-slurpt, en van een aarden lamp, die veel olie intrekt. 3. een rooster, hu. in een komfoor, en alles wat men onder een pot op het vuur zet of steekt, om te maken, dat het niet vlak op hel vuur slaat, en zoo ook ecu kleine horde van gevlochten klappcrbkdcn of bamboe, waarop bij wijze van koc-kocsan, in een blad gewikkelde spijzen gelegd worden om in den stoom gaar te worden. 3. zoa. j.1? ■fitinjl 4. KW. ML, zva. lufna^-r^ Ml.

vogelnestjes , van de eetbare vogelnestjes {vrg. loi — iT»i ri\\ iemand mijden, vermijden, uit afschuw; iemand verafschuwen. — xm h \' J \\ van eeu i rir. voorzien, Tj. — i-in-i. xri ij i.n \\ maken, dat iemand verafschuwd wordt, dat de menschen ecu afkeer van hem hebben. — i i n \' i ixyf kastanje, Javaanschc kastanje; ook zva. igt; ■fi \\ 2,

(kiii\'i\\k., zie utiih\'iw s s

iM-iii KN. zeef om vloeistoffen door te laten zijgen uf

te liltreren {org. i /\' \') m j en tun ilvhiivji). — i gt;n

iets door een zeef gieten, klenzen, zeven, door

latcu zijgen, bv. door een lapje. — rm-rlrji mv.,

ook fig. doorgronden, mi ^ jAVj li irt .tnji eig.

van een vloeistof, als \'t ware geheel uitgezccfd ,

fig. ook als schoongeveegd, bv. van een plaats,

Men . — uj) nïm iïiji ohj. den. ook filtreer. tut ivn^0

een leksteen, üc t»^»^0cl()orzijglapje; oo/c zva. dji O Ox

(Ui ifi a t aon\\

(KJ) \'y^ kw. zva. tut tyht uh\\\\ kn. étui, schede, koker, om iets in te steken; een rok o/kleed om het onderlijf, van eeu itri im (loj) of ilhoji; daarin verschillend, dat de beide einden er van tot een rok toegenaaid zijn, zoodat men er debeenen moet insteken. (isn iei ~j1 ij) ^ \\ de koorden van een hoofdstel. gebatikte saroeng, waarvan de grond rood is. ik nr)/bï^0op nieuw gebatikt en geverwd linnen, (kd (isn rj jrw^\\ brillelinisje. m ^ . solia, reseheedje. 7.7 ij ihn (ci handschoen (vry. tj j (Ki2\\). — in \\ iets of iemand van eeu schede, sa-roeng, halster, hoofdstel o/handschoen voorzien, ereej aandoen — (onnyin rjvnn ie/s, zooals een zioaari

of dolk, in de schede steken. — (kin\'i manjj\\

ster en K. van ut vj ni 2 mi w \\ w ij rn fajnrn iii, x,(

(Ki n ri innnn ] tU :\\k. , hoofdstel.

I) quot;^CJ l

w ni \\ zie K^W

:ki (u of \'Kj\\ kn. 1. het scherpe vocht van een djërock-schil, dat bijt als het in het oog spat. 2. het na-brommen van een klok of gamelan. 3. kn.

.i^ioinki., misnoegd, verstoord; misnoegdheid, verstoordheid, ongeveer zva. (UKnnsnjj en fna/i^ {vrg, (Kirj\\). Mti :ki (iji \\ scherpe woorden. — m (Ki^ \\ kn. nabrommen; kw. zva. tui\\ kn. zich ligt boos over iets maken. — (ciri (ui\\ en poët. (fnè\\ 1. iomand het scherpe vocht van een djeroekschil in de oogen persen. 2. iemand met harde woordeo en bedreiging dringen o/ noodzaken, KT.; nopen, noodzaken, ook zva. (un(U}\\ sterk op iets aandrin-gen. Tj. 3. 101 ,£?(u\\ of ini.U(u\\ gevaar loopen, in gevaar komen G., zich de misnoegdheid van iemand op den hals halen, genoopt worden. WW,

— iui(Kjjj(U\\ of iviifjajis het dringen, enz. — jjj

O o .1

UT»kn., (u^uns en tikl, misnoegd,

verstoord; knorrig, boos zijn, brommen op iemand.

— ihri ii\'ji ïriof KrpriiKj\\ misnoegd, verstoord of boos zijn op; beknorren, bekijven. — üi.nt (in an /J \\ boos tegen elkander zijn, tegen elkander kijven.

ujI-rj kn. omwindsel van dorentakken om den stain van een boom of eeu stijl, otn het bijopklimmenU beletten, muilkorf of muilband. iJ r^M ijaJi stekels om den mail van het kalf van een melkkoe, om het zuigen te beletten. — het-van een periode in den groei van het suiker rids

eerst: tj? 11 ri \\ daarna, n^A iJ ri en dan in tins CP -

) \' ) amp; ) 77/77 7^n van een \\ voorzien; ook zva. linw

rin ij iji ilt; i) lij zich zelf muilbanden, fig. zich onthouden van eten , of veel praten. — ki ij w wat tot omwindsel van een boom gebruikt wortlt of dient.

o Q- , Cquot;) ci aS O ?Xrn\\

ojitis 1. kw. sva. ojife^s (ij) iliv 1/1^x7)1 xoj! mhquot;

iKi h njj en ïf)oj) j \\ (uitgaan , naar buiten g^11


-ocr page 575-

ijn 1:1 inj \\

O

M T

495

tjespriugeu (een kinderspel) j ook zva.

KW. zva. (ülafn^ en xm tf r.) iu/j\\ KN.

donker, van het gezigt van iemand, die een ander versloord of boos aanziet, (iw waCi fp gefronste wenkbrauwen, W. I, 48, 164.

kw. zva. ^ en zva, —

kn. al verder en verder dwalen, al dieper en dieper vallen, van kwaad tot erger komen.

KN. zuur, van het gezigt y dat iemand zet (vrg.

h

1 — (vnj(U\\ een zuur gezigt zetten.

ik^^nKW. zva. (Cm iu nrnji kn. naam van een vsich\\ ook naam van een haarkronkel{ t.i op ) op de linker bil van een paard, Rh. 0a.^n/i^\\ naam van eeu ghi-d\'mg , Tj. — een object ^ ^ kw. zva. (unamp;tu crn/js — ii:^n kn. duwen, voortduwen, schuiven, voortschuiven; voortstuwen, kruijen.— oji ^ -ij \\ benaming van een soort van pieken, die tot de staatsie van prinsen en hooge ambtenaren behoor en.

o

/^M\'n\\KW. zva. (hJi(U)f\\ ri.Mt\'Oiw ^thirj\'-his kn. schuins, scheef {vrg. ijujh rj — orjtTtniyhis sehuins gaan; iets schuins snijden, knippen, zagen, enz.

TjOJii tjt\')?\\kw. zva. cm tja.ji2\\ vrg.

7j(l3} l *T) 2 w

! \'-i«|\'tli;ï of O/ujit i/imi.i-.KN. — y 7 \'■1 \'lt;xof quot;l familijaar, vrijpostig, WW.\'zie tjni

tj an 2 {\\\\

(Mrj-n(él\\ of oj) ijrn in\\ Ar. sjar^ i, wettig, overeenkomstig de wet en godsdienstinstellingen.

o ^ p ^

kn. —mjw Irisch, blozend van gelaatskleur, ook wel van vruchten ww frissche roode klenr hebben; opgefrischt, verfrischt, verkwikt. zva. zie bij jJiuw

n n kw. l. zie (Kimrrjw 2. iets dat den onderrug van een ryk vooi spelt of veroorzaakt {Skr. tangkara, vermenging der kasten, beschouwd als e^n van de gruwelen, die den ondergang van de wereld voorspellen, pk). 3. benaming van hellees-teeken k$r%t {waarschijnlijk verbastering van i^iiU om ni \\ hetgeen bei eekenen zou met llëkara, r/. w. c. met het leesteeken Uë, e7i dan eigenlijk de benaming zijn zou niet van het leesteeken zelf maar van een daarmee verbonden Aksara).

G goo iv- uitgi\'»11 ieu strijde , lis. o^ikomeii, io voorschijn komen van iva. at\'tiiu/i? 0sj}lt;ih\\ Wnj. I, 51,

aS-rfN eeu schampschot krijgen , W W. 2. KN, touw-

Kli.

mrjn-itxnmnji Ar. t KN. wet, instelling, gods

dienstinstellingen, instellingen van een propheet of heilige.

zie bij

o O O o o o

ij n x.\'! ilii \\ kw. zva. nu w uu (vi nsti \\ ni nj) aj)jj en

am - gt;) w ia ^u.i /F.1 w oo h naam vaneen bloem, G.

C\\) V li Igt; L) s V m Ks. WMH k; ij t» x/i lgt;)i w

.O cm \\ k w. de top kruin van een .berg (ó\'/tr. «y-

ga, zie bij ih£cm\\).

• o • «O

^cm\\ kw. zva. iiij\\ (mrjaxns ijjtmq en

Lj \\ ook eign. van een voornamen Boet a {Skr. srïnggi, een berg, gehoornd; van sr\'êngga, top van een berg; hoorn.).

^otinkn. — ((L-hjcms tegen de draad of den loop van het haar in werken , snijden, scheren , kammen , enz.OitiijKjms tegen iets, dat puntig Is, inloopen.— x.)auchijj een boven den grond uitstekend puntig voorwerp; /?^, allerlei tegenspoed en hindernissen {zie cm\\ en vrg. xcvaji h(Uirri\\).

cniart\\ ook wel xj^ rj ,ri cm im \\ kw. een liemel-nymph, wida-dari {Skr. so er dn g g and); xj^ ij -rt cm hi gt; ook naam van een bloem, en van een goed ieeken in het haar van een paard.

xjjj xj rx j cm (Ki \\ zie oji » »cm xo w

o . / a (p) s

xJi ij cm zva. WTrijnrjcmw

itji cm quot;n \\ k w. zva.

gt; *

(L/t {Skr. srënggdra

CO

de liefde, de min). — iTrr^cm »» en xfm(mrn\\ zva.

a\'l) N (rgt;171 (vf \' (Vn r}) 1:1 n K N • gt;

(irnjfni\'n.MitriNKl., iemand dwingen, noodzaken; met geweld dwingen tot den bijslaap — r.\\n nm nihjs (a7rncmrr)hj\\ W. I. 269), iemand/.oete woorden geven. *

w ij{crr^iHi \\ voor x^i ■ tixjrï^crr^nci \\ kw. het puntje (de

spits) van de neus.

nj^ ij Tiicm /. h ti gt; KW. zva. uii in ru ijnitajj v xoi txn irLt~mxu(M/i en heldhaftigheid,

dapperheid; dappere held; ook naam van een slagorde tot aanval op den vijand. Het is ten zamen-stelling van xjj\'x) met (Oncm htr n\\ dat door (ik • gt;1 rj m 2 iKi en ij! gt; i verklaard wordt, of wel


-ocr page 576-

a j) .mi

496

met ij tun a orgt; Dm m \\ dat door w i n uvi an (mjj verklaard wordt. Waarschijnlijk bet eek ent het iemand ilie zicli als een vertoont of er de gestuite of

liet voorkomen van lieeft.

7 v^32 7 cril2lt;v,,JI^ kn. , tj(irm 2 y mi t lunjj\\ met de slagtanden bijten of stooten.

(ij^cm rui \\ KW. zva. cunaj^s (Skr. srëgdla, een jakhals , Vrff. ii\'J} (Yll rj ,U)2(H1^).

quot;li(ni^KW* zva\' quot; j011 iU ,N

. O \' O O

iM tj\'H (Cl n zva. h) yj t) i;i M tj iti w

7^951 \'ij(ui«kn. de zon (vrg. iKj^aAii\\ 1). — rj(Wvj Tj ivn \\ gelijk de zon (iti B. voor het rijm np ij ist rf(cin£f\\).

oTt (mji \\ zie hij oJojiw

O O ... Ci O

,k) ti (i7t (Hijj \\ zie bij (tni -nw

of (un m ktiji^ kn. 1. zva. whji kiijj\\ en naarheid, griefj het naar vinden, zich gegriefd of be-leedigd gevoelen {vrg. (UMiHnjj en aJi\'ritKnjj). 2. zie bij ww (3. zva. G.). ^.-\'n

zich naar en gegriefd gevoelen, .mihni tut thii \\ gevoel van beleediging en krenking. — iLkki een naar gevoel veroorzaken, te beklagen; ook als uitroep: \'t is naar! ach, hoe naar! ook iemand of een beest beklagen, medelijden met hem hebben. — tki w kjirj un \\ iemand grieven of deren. 4. of (mi(m/ktmn ons Holt. zak. Men. (Q(HJijj\\ kn., grondvorm van vrg. w hiijj ;

en klanknabootsende uitdrukking voor op eens! bv. (wijicrrn : (fj)ii^ij dsn \\ h\\j wierd met een knuppel geslagen, en op eens was hij dood!

op eens viel hij in slaap! —(Bianihetz. bv.

^ O (amp;i (ten IjI U n KH/I^

iinjj^s kn. een uitroep-, foei! ook om honden weg te jagen: voort! — quot;«troep gebruiken;

(D O

vrg. a. i im ^ en kiijis

(K^hnjf of (i/n/K/j hvji\\ kn.; inojjMDjjs iemand tot in

zyn schuilplaats vervolgen; vrg. nmnj^

n^ Knunjj of runr^Mi uiijjs kn. I. storting, het gestort of gegoten worden, bv. van water, ii rj un ? ui ijl \\ flip flap! ruw en wild o/quot; onbesuisd te werk gaan, zooals met gieten, schenken of scheppen; het er maar uitflappen , maar ruw en wild mg oo ij en of omhalen. njnrj(ki2Mrijj\\ storten, in den zin vcm betalen , van hetgeen men te betalen heefty bv. pnehtpenningen. — azity Mtirnji of in ifKit igt;n/j\\ iets, zooals water, gieten; ergens- in of uitgieten (ook betalen en geven. G.). — kh gt;1^2 un^ ge. stort worden van tranen, Men.; uitgeput, het uil geput zijn, van ziels- of levenskrachten, en van tn gevoel van het hart; moedeloos. — ari rj begieten, ergens iets in- of opgieten of storten\' iemand iets, zoo als een kop thee, inschenken; iemand het geld betalen, wat men te betalen heeft, — (Cï 7^ i-) 2 loi ij hu \\ iets gieten, uitgieten, uit- n afschenken; geld betalen aan iemand, (ui^dorjij mn (bi/i (til.ijri ij 1.12 ififl rj aai \\ het regent alsof het gegoten wordt. — (van iKiivjiu (hhj) iemand uitgeput maken , zoodat hij niet ml, wat hij nog meer zou kunnen doen. — ajywiji.n (hni j of iur^thirja-ji2 uvjj\\ poët. gietende, schenkendf zijn. ij(iJ)drjOJit(jfli(fnji\\ iets te betalen hebben;liet te betalene betalen, zyn pacht storten. — iurjin storting, termijn van storting of betaling; bij storting (van pachtpenningen); termijn vaneen half jaar.

II. lf(K ) 2 uiiji of rjthJi 2 ihwjj \\ en in Djokjo en ïïj, 1 ook r.m2 kiijj\\ telkens, in den zin van bij elke gelegenheid die zich maar voordoet; soms wel; als (het, hij of zij) maar, gew. met volgende Jussief; en zoo ook vj uj) 2 rlt;n ^ am \\ en rj m 2 ^ (M\' (vrg.n \'n (Tri\\). ijcui2rj *lt;})2 (in\\ als het maar een meuschis, d. i. elk en een iegelijk . iedereen.

(Kf)mi\\ i. kw. zva. ui cm uiiji\\ (ij^uhs en vjojnuort kn. pilaar, pijler, stijl, paal tot ondersteuningi post van een deur of venster, (tm (ixicm .juianm^ (Kn\\ staan als een pilaar, zonder van zijn pkah te komen, ook van een op één punt draajemle kinder tol. ajiwKrt^ rp naam van de vier hoofdpilaren | van een Jav. pandapa of groot huis. a.imi• uw de twaalf pilaren daar omheen. (hJtmi of wmi imoji de vier rijen pilaren daar weer

omheen; de stijlen daar de van een huis op

rusten, w hu \'onyLii mi/js de buitenste vier rijf pilaren. tuniKm hii\\ eign. vaneen Vorst in de Ja-vaansche mythologie, van wiens komst op Java (i111 het jaar 78) de Javanen hun eerste beschaving 1 en ook hun jaartelling, ontvangen zouden hehlf* (Skr. Sjaka, benaming van een Vorst, met wiM regering een jaartelling begint; en een van regering van een Vorst beginnende jaartelling) quot;


-ocr page 577-

11 :i i }nl \\

497

DJ) IKV \\

wn»Q\\ van eonpiliinr, üf pilaren, stijlen, stijl

enz. voorzien.

(I. i Mi\'n on (jew. «mj ioi\\kn. afkomst, waar iemand of iets vandaan Icomt j m mi.-iu yaUt-h»\\ en in de spreektaal .ook 111\' gt;) \\ en e i gt;lt; gt;n \\

of ajjSh en in de volkstaal ook i?»Mi., vandaan, vanaf of vanuit gaan o/komen; komen o/komende van, afkomstig van, vandaan; van j uitgaande van , uitjin onderscheiding van, in vergelijking van; dan (t» een vergelijking); ook om de onb epaaldhei d te kennen te (jeven van een genoemde hoeveelheid, zomlat men die hoeveelheid of iets meer bedoelt;

O

ho. njihn/ïi nid^ ni2\\ een paar; aj) tui) rui w \\ een stuk of vijf; hhoj)r^DJi/js een honderd;

eenigc oogenblikken. as om aSnS\\ of a.i i,n luiS Ki iS\\eif/. ellipt. voor un te be

ginnen met een en dan weer ée\'n, een voor een,

• / / ✓ i i O t/ , ) O . O

de een voor de ander na. (tJt(tlt;n(KniHH(t\\niKri-ywtKij)

htij\' beetje voor beetje, bij beetjes. Verder mut]\\

kn. van wegen , wegens, door, uit; ooky vooral in

oj., wegens, in den zin van omtrent, betreffende,

zva. iF|rmook: volgens, overeenkomstig, ajxun

naar mijn gevoelen;

ridmton{ijjiYifi\\ naar mijn domme verstand. tgt;~i h»

han\\ m(twiiji vanwaar? waar vandaan ? un /3 l) s

\\ cim *5)(Li) -utimï\\ uithooide van, wegens.\' am iamp;icmojiihv \\ (im (fj)crr)a^a?iï\\ door middel van , door. iwklvi!mihti\\ it?j}nu)ojimi anders dan. — mkïikomst ergens vandaan, afkomst, mkh waar iemand vandaan komt en waar hij heen gaat. ^ nj) i dti inn kv tun (üïj ik* mh an ^ im chi/js mensclinn, die van de een of andere reis terngko-men. (isntm ~j) m ioi (uyj\\ zonder een waarvandaan te hebben; zonder dat men weet waarvandaan; ook van iemand die bij een ander .komt y zonder te zeggen, waar hij van daan komt, van wien hij komt, of weswegens hij komt; ook zonder afkomst; en zonder reden , zonder oorzaak.- m (un »:/ io m u waar komt hij (of het) vandaan? njhunru nnjj\\ van klein af aan {zva. (fj^ tui iS) numyi). oji door middel van een list. (Iemand een slomp met de vuist (/even) oji mi »ƒ tjj rj u? ^ \\ zoodat hij er van gnlpt. — i In un uj \\ het ergens, 0f met iets of iemand , aanvangen. — jji n rili ini\\ zie ben.

(Ki/hm\\ 1. n., zie wdfti \\ II. — 2. k., van tui i.ii \\ zie

li (t

bij (i/i^iin^ en (iJj nrp 3.

O o .

(i-i i.n\\ kw. zva. ii..\'! (uii tj (hn an iiajj en un?

1771 ^n of lt;iji? n//^\\ (Skr. sjika i pnnt of top in het algemeen} een tak, arm), mi nm Jinn zich niet verroeren, tifihn n in\\ naam van een Kawische zangwijs (Skr. sj i k h a r i n i).

ii )Kn\\ kw. zva. (ijïin£\\ en u / i-i \\ (fid. korrel, zaad-

, lv a o on o o o o

korrel), kkki iois zva. (ui (tJi ifcn en ajiiuiuiiwifn\\

m T. unPii.iy of /.?hj i.ip kn. iets berispelijks een berispelijke daad; een vergrijp, berisping, beboeting om een vergrijp, bekeuring, ealange. — (7.77j(Kn\\ iemand voor een vergrijp berispen, bestraffen of bekeuren. »lt;n m i,n \\ pass.; door een vergrijp in ongenade vervallen, zich den toorn op den hals halen, bv. va^i Allah van een vorst. — i iii iilt;nni un ~jniiilt;n\\ iets als een vergrijp berispen.

II. gewA.% fM7.7^\'M^N kn. een regthoek; een hoekklamp of schuine klos in een hoek van timmerwerk tot steviging; (SU. ML elleboog. Vrg. /51 ii.y tunjf). ijarn2(hnjj\\ een haak, winkelhaak o/* regthoek , instrumenten van timmerlieden en metselaars. (u ij)irj \'nv2thnji\\ vorm van gezigt, ook bep. regelmatige vorm van gezigt.

\\ I. kn. genoegen; genoegen, pleizier hebben; blijde; vreugde, pleizier (Skr. soek ha. Vrg. en .7?^ j II. k. zie rj ui j w — (i^anio^ im\\

pret of pleizier hebben of maken, feestvieren, ajj uii (u tiji zie bij a^Hjw hetz. —

(tjitioitm^ini(hi/js vrolijk feestvieren. — unojiiun \'Hi/js vermaak, pleizier, dat men heeft\\ ook voor spel, spelen: zooals kaartspelen en schaakspelen, ook wel van het keplèkspel (vrg. i^dmnuidnn). —

O O • 7 ..

(mi£1,117.y ^ k. van (lyrj (l» q (un \\ zie bij ij (diq \\\\ — (i:nj un mi ifn rnjj\\ k. vati aT^\'ij hji q a/n (un \\ zie aid. • lUKu^ hn kn., (ui dji\\ ki., iemands goedvinden (vrg. itLi nn).

njj^iy I. k. van ihi iin iu/js — 2. naam van het schrijfteeken voor de klinker oe. — 3. (ij^jh^s n. , (i J hii \\ k , ook ivel :m (ui^ irn \\ en iki (tfn tun \\ een kwart Spaansche mat of b wang, een halve gulden zilver (van (uri hn^). — 4. het naar beneden meer buitenwaarts staan van stijlen of pilaren tot meerdere

H2


-ocr page 578-

K//lit) J

498

T\'

stevigheid {vrg. en nmun^). asnnri^nj^

}lt;i^\\ 18 wang, anderhalve gulden zilver, 7{r^\\ 30 wang, twee en een halve gulden zilver. !K^ilt;i^(isrjfui\\ ecu kwart vaneen 7^ni(i/vi7^(U)\\ {zva. een mtwi\'^urfam?\\). \'k^lt;uiirvjjj\\ benaming van het schrijfteekcn voor de klinker oe, tot onderscheiding van de oj^ njiim iru/j, zoonis de Péngkal tot onderscheiding genoemd wordt. ^ nm/j \\

{0imihn (unqs CS.) naam van de lange Soekoe. djn nu m (K/jj i, y ajiji (ixj^ \\ een letter met Soekoe en Oeloe, zooals een letter geschreven wordt, die verkeerd geschreven is en niet gelezen moet worden. ^iu*i(Knlift^mijluji\\ iemand die, even als een zoo geschrevene letter, niets beteekent, een nul in \'t cijfer, unojiifr^ an \\ (Nga-soekoe-da) naam van het vocaalfeeken np w naam van het

vocaalteek en xyw \\aj^thrnrri(V)\\ zva. oj) ihd -ti nxw — (tnrj Kip naar beneden meer buitenwaarts staan van stijlen. — wijrj (hm ? iuii -jdrj wn \\ stijlen naar beneden meer buitenwaarts zetten. —njimjiHm arijis op een Soekoe, hv. uitgaan; bij, of in halve guldens.

frjoj}(HTi\\ KN. een warme doek of kruik als pijnstillend middel; het wasschen van het lijf met een doeken warm water. — ^ ami un \\ met een warme doek, enz., pijnstillen; met een doek en warm water het lijf wasschen; iets, zooals de neus, afdrogen, afvegen; met een doek of zoo iets, een\'muur of graf met kalkwater witten {plat Ml. sèkah of sèkat. Port. secca, droog, cc ar, afdroegen.).—n i~m am (K^ \\ mv. nrj irm om (Mn tj am \\ met iets afvegen; iets gebruiken om af te vegen; iets doen of laten afvegen.

vj(Uiiam\\ 1. KW. zva. of aJaj)q\\ bedroefd

{Skr. sj oka, droefheid). 2. kn. zie runrjaj)2 amw rjiKH un naam van een welriekende rijstsoort;

van een dorp in Banjoe-mas; en van een vrouwelijke bediende in de kraton, die voor lekkere ge-hakjes enz. te zorgen heeft, rjwzarn rria^\\ naam van een berg. G-. aj ui 2am o bi)n N., rj(Ka? im ui rfastu k., naam van een boschrijk gewest in het Soe-rakartasche {waarschijnlijk waar veel asokaboomen groeijen. pk.), tjoji2 jm tii(Bi\\ {de vijf asoka-boo-men) naam van een landschap onder Tjampala , door den Vorst Droepada aan Drona afgestaan.

||

li I

I jl\'l

die daarnaar de pandit a van Soka-lima genoeni

wordt.

a _ o

aji am q — cKi im (trnjj \\

iM rj om ii i/rt \\ zva. (Ki rjam ^nn(im\\ zie arj am ^ »\\

o o o rgt; . ... T

ihji am ~jii wi n zva. n^tunams zie bij am\\ 1.

m rj ut) ? (hn fj\\ zie bij aJinrr^ \\ II.

(Kf^amcK)^ zva. (K^amcm^ — (Kj^am an ^am :j( 1

bij (K/ja

ajjao^fhnjjs kn. zonder pitten {van vruchten); zonder 1 tanden, geheel tandeloos {van een mensch; vra. \\ aj(un? ii(Bi J/}2\\); zonder horens, van een heest, dat I gewoonlijk horens heeft; en naam van den brood- \\

boom en van de vrucht daarvan, Artoearpus incisj 1

i O • O C) .

Jj. od io» (u\\) af iui 7 (hn^jjhy (h^/j en cmnj) am rq niiy I

am namen van twee pisang soort en zonder \\

pitten.

oj^rj (hm2 anjj\\ zie bij n^a.^w

o cl .o ajiam fin (Hijj\\ zie w om -ai w

(K) Kn (f^anyi^ en irrnam^am/j^K., zie bijajdmf rjwnw

ïj) ai am ai nrn \\ Ar. Is Je a n d e r, eign. Alex ander.

* \' (./\\J O O O O .

a^j) hv) arn \\ gew. iiKam)crm\\ eig. van een dochter m

(a) ^ (o

Droepada , gehuwd met Ardjoena {Skr. Sjikani\\ naam van een zoon van Droepada, tijdelijk (jem-tamorphoseerd in een vrouw. pk.).

a. ?aj am i arj/j \\ lloll. s e h o o r e r, schoener, soort va» schip. H})2 arjj^\\ tp. soort van kastje ml 1

pilaartjes van voren.

ujiirj am 2 a^pj \\ naam van een paard van Vorst Krem\\ en van Vorst Bandjaransari {Skr. soekanihtA

een schoonen nek hebbende, pk.).

o • o

(ka an) \\ zie (kaojiw

II Oh- l\'

k) rq am (hJ) \\ k, van am rj aj) uj anjjj \\ zie bij ajwaymf (k 1 rj am 2()j)\\ kn. , aLj)ajamaj)\\Kl)., Holt. schuitje, öfli

voor schuit of boot.

cra*\\am\\ kn. zva. cu)(in\\ en bijnaam, van Batara 1\'quot;\'

dra {Skr. Sjakra).

criatan^\\ eign. van een Re si, vader van Pala^sdra {Sit Sj akti).

kw. de planeet Venus {Skr. Sj o ekr a)\\ c* Vrijdag.

Ki \'Ur^s of KaAr.jysw, KN- het eten vóór ^ aanbreken van den dag in den vasten (van het M-

s ah ar, de eerste morgenschemering).

~) X „ O . C)

\'k))n)\\ k. van tm ma en van am (fa \\ (vrg. (vu hïi).

co ^ co N 17 . /1

r\\ C) S a So I

aj) nn \\ zva. hn ^ \\ imtHjajnis lj. — n-


-ocr page 579-

(MOOI Ttamjis

a O

it. I Kil \\

499

.nanq\\K. van /.n en ki. van taiamp;\'w —

u i jhHs zie heneden.

\'~quot;ini\\ kn. omtrok, innat van dón omtrok van iets

rv o CY

(vyij. (uhiun^)- — (iiniKn\\ den omtrek van zV/s mete» doov liet mot do hand te omspannen.

(Uhtn oo/c Sïuri\\ Ar. si/ir, betoovering; een too-vorgcbed; een toovenaar, duivelskunstenaar {vrg. in up en avKU/j). rj v h\\i \\ tooverknnst.

ijiois kn. vuil, morsig, onrein; vuiligheid, onreinheid; hindernis, beletsel; moeijelijkheid; zwarigheid;

c^y

de maandstonden van een vrouw {vrg. aj) ó \\ iji/ti o.gt;n en rj un nvi/l), iJkj im \\ vuil, drek; hindernissen; de maandstonden hebben. — a:rr^rfn}rr]\\ iemand of iets bevuilen , bezoedelen ; iemand belasteren; lastig vallen Tj.).

ijhiiiny of (tJf hrjj\\ Ar. sjoekr en sjolcoêr, dank, dankzegging; kn. dank, alleen aan God, God danken ; ook God loven met onderworpen gelatenheid , bij ongeluk; eerder zich gelukkig gevoelen; als uitroep: God dank! éw gelukkig! ook bij vreugde over een anders leed. o ? rj w 2 \\ en ayihwrjojiz hip. zich dankbaar gelukkig gevoelen.

(rjtnitrjvis goed zoo! dat hebt je verdiend. — (t-vy i^pnrjHtis voor iets God danken; over zich hartelijk verblijden.

1. kw. zva. Ohi)(ui (hnji en timcur^\\ (de

armen van een Boeta, G.); Tj. Süngk. twee {Skr. sjikhara, top, punt en elleboog).— 2.kn., (ïjihii kwaad doen; iemand kwaad doen (in gebruik gekomen als grondv. van kw.,

Skr. nik Ar a y kwaad, tegenwerking). — i7mlt;Hnrn\\ kn.; (mioirrt\\ kw., kwaad doen; iemand kwaad doen; iemand tegenwerken.

hn\'n\\kw. zva. vj*Jtif(tu\\ varken, zwijn, everzwijn {Skr. soêkara. Vrg. ojkkïit)^.

• y .. OS

w h 11 on \\ zie bij (Kn an \\\\

w Ki^ tisnji \\ zie bij airi (u

„, cy a

iK/^nn hn \\ (kj^ ut) asn \\ of ojj a.n \\ K w. zva. (tm rt^ i n \\ en (K/fan\'i)\\ wat iemand kwelt, plaagt, stoort of hindert (?vaarso//. voor (kji kii kv s hindernis van rust; volgens pk. misschien V Hkr. sjokdria door treurigheid gekweld.) (mi k hu \\ kn. 1. zva. w TJim ^\\ en (un ern (rr^ cm tij w (2. tevreden stellen, bevredigen. G. Skr. Soekrefa, weldaad, goed werk, vriendelijke hulp eir behandeling, enz.y

— wjjtoi)quot;y \\ hinderen , storen,

asn an ij \\ liet gekweld ot gehinderd worden of zijn

van Iemand.

ijmim(t,ri[j\\ Ar. sakr a t, en meerv. sakardt, kn. agonie, doodsstrijd; een moeilijken dood hebben. i) u)\\ zva. iKi(Kii n 1 rijgt; \\ zie bij wom \\ I.

woni (ui ojijj\\ e?i ,i:m k» tu nji/js zie bij nm (in (iji/js II. ajioni am\\ kw. asjjiiw (lA/i \\ zva. a Kmrjffjtw kiimonijs kn. een klank, waarmee men een hond wegjaagt•. marsch ! pak je weg! — o m0,noniyoni\\ een hond wegjagen (yrg. lt;vnai^

a^i om ii n^\\ wJ. zva. amw

aj)omitij]/l\\ zva. iki un (tujjs zie bij om tujjy

P O L)\'quot;

mi nas kw. zva. nu om (tri 1 mij w

w0^1 \\ of (KiKns kn. magt, van meer dan gewoon

metischelijke, bovennatuurlijke magt, daarmee ae-

gaafd; magtig, oppermagtig (Skr. sjakti. Vrg.

in^ajtijis). — ajj£ia^ij\\ zich met bovennatuurlijk

magt begaafd verbeelden of het air daarvan aanne-

o c quot;) ci .. O

men. — (Kitij ogi \\ magtig. — kh (Kii^tni an^p begaafdheid met bovennatuurlijke magt; bovennatuurlij Itc vermogens van iemand.

o O o to a O

K j om hiyi \\ arm agjj mi \'*■lt;quot; (föf n Kin k 11 ^kk n

o o o Q

asyj\\ (K) mi dfti an/j\\ oji (k^ kh osiyj en djiajinn (bnjj\\K.,

zie bij rwtiw

:k nj 1, ti asiyj \\ kn. — 1 hn rj im nstijj \\ omspitten van sa-

wah\'s, zonder Voorafgaande beploeging, SG.

(Miniasiijj\\ kn. borstel, schuijer, boender; ook kwast,

zooals om te verwen of te witten (yrg. tur^ w\\ II.).

(mom ihn -jrj ^\\ kn., an om 0511.1^: \\ ki. tandeschuijer.

— ami am asiiji \\ borstelen, schuijeren, boenen; iets borstelen, enz. — a7ni mi a^u \\ mv. —ami tm tiyi tj ijnftin iets laten schuijeren; met iets schuijeren of afborstelen; voor iemand, iets borstelen, enz. —■ an om am atyj \\ naam van een kleinen, bij het aanbreken van den dag als een lijster fluit enden vogel, een soort van kwikstaart (yrg. (kii n op 71 ap asgt;i/j\')s ook naam van een half kruipend struikgewas met welriekende witte bloemen aan lange bloemstengels.

(Ki imasiyi^ kn. de elleboog; en de lengte van den elleboog tot aan de vingertoppen, als een maat (yrg. an mp TI. en ojii k^). (um in^ahiij^\\ den elleboog gebruiken; met den elleboog stooten.

ajjjim a-m/js kn., maar veelal q va ^ k., gras.^

32*


-ocr page 580-

Yj (K) iHD (bï^\\

500

(M itm (Ut asn \\

ihn it,n ~jnmn verdord gras. a^iun\'tisfl Vr mqïn (igt onjj-s kn. gras, het gras, als collectief; hv.

hooi.

in hot gras zitten of liggen.

grasperk, grasveld.

nwMÏnhn/js Ar. , volkomen welstand.

O ^ • :)

ijtKii mi h\'jiji en rj iifiMti tistt/js zie rjafn (Kn nsiij^\\

O o O )

(ijltniiuns gew. m wn tl nm (ha/j \\ kn., w w rj mn 2 (M^\\

ki)., naam van de bijzonder zware gawMan van

den Soesoehoenan, die hij groote feesten bespeeld

wordt. (i hu n nS] n ook eign. van de dochter van een

hoofd van Toehan G.); zie ook hij nnmms.

O -O o.

k 1 un rj (is» (htji \\ zie tjt hu nsii w

ij if Hti z n (vitt ? n ïloll. kotter, een soort van schip.

) • C) o

Kiren tjnsti2iiJ]ji\\ zie (Ki utiasttw

naj) t ij kt)z nsn n Chin. kn. een soort van chineesche

sërbad met Chin, vermicelli en meelballetjes.

O ct

m yt) -^\\kw. zva. iw .vm ht^/j en nsri w irvijjs — (tJj t/i

C )

h ti \\ zva. \'t/? uti -y» \\ en Hr^tEjxc^ hr^udn (tn/j en kt) irn tunjjn — tun Li im ^Aihn/j\\Kl. zva. vnax^w m KnJi\\ of (hj) mi ook wel (hi ,?3,gt; kn. getuige (Skr. sdxï). 0rj utirjenn2(in(nyj\\ een omgekochte, valsche getuige. (uitrnJas of tun ihd Ja.\\ iemand t5t getuige hebben of nemen. — m un getuigen, voor iets instaan. G. — iets getuigen, al^

getuige bevestigen; van iets getuige zijn, iets als getuige bijwonen; ook zva. rftinrjN {als getuige). (tft)ki rj ut)[Hiq\\ getuigd, door iemand als getuige bevestigd; in tegenwoordigheid van iemand als getuige; getuigenis. — (tntj kd -^nty n)i\\ iets door een getuige laten bevestigen, iemand tot getuige van een zaak nemen. — (ui k? in) iemands getuigenis, ook zva. (uwaJnaxyi of oS 1^)itm(in lt;M ^w-yi,\\KN. straf van God tot kastijding (ó\'^r. sdy leering, les, tucht. Vrg. tvtirvtiKiojnojj (isnjl en (ui it/n Ktj /ei w hu ^a\\ straffen,

iemand straffen , van God.

o o

t] (KI i (Kit zva. 1 fK/)t OJ) \\N

- O

ik/i \'hit -iygt; (hi \\ kw . zva. kjj rui of iisjj tu \\ en k) u u tui \\ van 7 Skr. xana, een oogenblik, met het voor-(kj)\\). yi k) ht) on \\ het zelfde.

O O - 1quot; O

(tj) tm Jd Ht)ji\\ zie bij w Hn/j\\

(kjt hu -l-4 nsnft \\ zie (kji w njiyjs

fkjjj ht) ~pj. N zie (k^ itnj w

(umj) /. u ihn

ajf

i

\'ffl ii J

(KI) H t) Hl) n \\ zva. (K) K/)

I

(kj) rj /ijl f Si \\ of :ki rj injji ? (Ht n zva. m rj Ht) $ rj i/n \\ {zie

(KIJIS hij y mi i;*).

O O . . ..

(KnHt)iL))iü)) zva. tjo./)2 Kt) lt;u)lun \\ zie bij tj uii ut)^

(tJjj Ht) \'ID) Ij ihll 2 (KJjJj v ZVa. 7 it-j) 2 IH7) gt;0) tj (ht) 2 (K)Jj « Zie ijj j

lj(K/)2 \'Ht) \\\\

(KJ) Ht) i» u/j \\ zie bij hii tujj \\

(KA/Ht) tu)jj\\ Ki. van ^i^iun ihti (Hijj\\ hartzeer hebben 1

{vrg. ito) klitu/j). ariri (Ht) n hartzeerwekkend.

(IjjfHï^/rujjs k., zie (hjcmw kn. het witachtige 1

vocht dat zich neerzet op den stomp, waar Je

aren bloemsteel is afgesneden, liet dient lot tee.

ken, dat het tappen van het sap kan beginnen, \\

Kr. — i in try vfys kn. met rijstwater stijven, ee»

stuk katoen of iets derg.

a a

K)ht)tUJj^ n. , Ktj K. , (U) LCI \\ en (K) tj fol ^ I IV) itOjp

ki., voet, been, poot {ook bv. van een stoel, tafd \\

of kast); voetstuk {vrg. un orn \\ (Lji kd tunjj en mij \\ a o C^)

thl^) U t)j ). (kj) HU tU) nsn/j^H. , (kjj Hij (KJI (Hl) IVI IHljj\\

k. , met vier voeten; in den zin van viervoetig, 1 v. viervoetige dieren (Kj^cHtr^ajtasn/js —fnt K/Htnuj HtirK^om met den voet aangeraakt, gestootcn. -hi)(ij^rjinnf(infj\\ de moeite niet waard, ah men I bv. een verren togt gedaan heeft om een of een ander te krijgen, en met een kleinigheid thuis koé.

O O O • 1 •\' 0

k) h n 11,) (u\\ h ijj n zie bij u) ik nnjj \\

ikj^ i/ii\\ kw. zva. ik)tSJ(lq (hi tFj)w (Skr. sjoekla, wit, helder).

ihtj \\ kw. de velg van een wiel, G.j volg. Hh. vast ingeheid, vast er inzitten, ook het voorwerp zelf. zva. (U)(Kn nnjj^ van een voorwerp, en wJ.,spa8lil van een wiel. W.

ïjtrj t^i2 t/T)\\ kn. een soort overhemdje zooals in Oosl-Indie sommige jonge inlanders wel eens in-gen. oj.

(ijtrjihd2 ru%\\ kn. Port. escola, school {vrg. 1 tl) i7) (hi/j); ook school gaan, op school leereu (f/\'H u) i^\\ hij a/n i^s IT.). — iigt;rjij irn? vu)4un ^ iemand school, of naar school, doen gaan.

(k/t tj mn 2 tj rut q \\ en rinrjiHDitjuui^ zie hij ijtvntij rjiu%\\ bl. 65^.

(kj)ijoöi2\\ zva. oj) rj cru) t \\ zie bij rj tu 2 n\\

ox . ,a\'

(KJj(Hi)ruts zie bij mw

ij) (Hn rj tui? n kn. het beven aan hoofd of handen, tw» ziekte.ji hi) rj iu2 oj) onjj\\ die ongesteldhcw hebben

jj) tj Hti 2 ij n 2 (Hyi of k) (Hi) tj 111)2 tj 1)2 zie hij tj ^


1 ii

-ocr page 581-

(Ut ut) (uti nsnji

501

lloU-

tie MaiihinanijiK

,.itlt;n n ii^ spel/oul voor ,i.vtlt;n n n ijp

unnniww/l^ zie bij ij-rii\\ cu bij mifi/mw

umihh-Y quot;f \'\'quot;gt;!quot;Jf ** bii equot;

■r\'lt;*

u un (inp 1. KW- zvaquot; \'W Hquot; quot; */} 11 tf

. ( ) a a

tj rm* (ihxnutjijjs miiuiinyj en r.»r gt;gt; iijj\\ — 0.

kn. kukiIm/I of n ,1)1» hi kn (L/i/f^ dionstpligiigc,^\' met zijn yereedschap tul het verriyten van he ere-diensten op moet lom en {vry. r.n hiinntf.v.ti ê\\ en cn ook de weerbare manscliappen

die met hun wapenen op moeten komen in oorlogstijd; zoo he ei en ook in verscheidene residentïau van-lava, de gezamenilijkc aandeellicbbers van sawa li\'in gemeen bezit. ER. vlfVinu . 1 ty ijarngnnjfs palauquindragcrs in den kraton, in n nililt;iC)dni iiji 1 ici\\ met een zwaard gewapend of in de hand. Ttoo ook uit m kii tui t itij) w — ,rnt hi\\ (Lyj\\ iemand met

de armen omvatten, als dienstpligtige dienst doen.

rgt; , ) /. ■).■)

iK\'lif t kti djiji\\ KW. zva. iimnin iiii,j of tnntiti

o ( ) ^ ^

?«/ƒgt; — i mni it.i . 1 ïin/j\' KN., irnirviitj (0/

t.tianjj) il uil iu . t mi/j\\ dienstbnis , bijzonder fatsoen van buis of kamizool, met twee slippen en één rei knoopen, dat door de ambtenaren als cos-tuum of amhfskleedimj yedratjen wordt, wanneer zij met een ïjluhis gewapend moeten zijn; ook door uromoelijke hofbeambten gt; die den ramj van Toemhiygoentj of Kliwon hebben, — cuia^i utt ajt ni/j\\ gewapend? Men.

\' f\'\'\'/\'ll,/)s KN- stikvol, van vienschen op een plaats

{vry. hlt; tx n i/j en (iJtiiJmi y).

gt; nni Imkn. zva. 1amp;1 tm ^quot;i \\\\ ook de buik geheel vol eten.

t l ilt;ti it;\\ en rm uti $\\ zie bij cutt iiji vjin\\ II. quot;i\'Ö^ m* wa^ (^e eiüen^ijke vorm. is, unkw. zva. KJ.\'** lt;ifn\'ri^(K^\\ (kxamp;is kHEjcmjis o\' ^N en \'vm \'■\'XN KN-» K668^» geestelijk

{vry. Skr. so ex ma, fijn; en de onzigt-

bare algemeene wereldziel of wereldgeest), \'^quot;h 101 naam van de Godheid, als de wereldziel. l!QJj()1}fr* tsn (üt uti fijji \\ één van de namen van Batara Goeroe. — en po \'ót, ^ int \\ en

onzigtbaar eryens indringen {vry. f trïni); ook zva. tHi Mnw/js zich incarneren; en in iets zich met zijn aandacht (a/nthn) verdiepen, bv. een brief aandachtig lezen. tjuw n tt on ■» u ~\'ti a n ibiyj\\ groffe en fijne middelen te baat nemen. — w trij ihiiUtj \\ kn invloed op iets uitoeienen. K^tniM^tnititujs naar gelang van iets, dat er invloed op uitoefenen kan. ic^inycj^tnyujiLylt;i}\'ti\\ naar gelang van den aard van de zaak. Kynyiyiutjhj i:it a^t t}\\ naargelang van, onder voorbehoud van , de verkiezing van den heer en meester, (ut an tm \\ zva. ,i?ii ii?tilt;h)/,\\ een incarnatie. — htidj tm anjp geestelijk, in teyen-0verstelliny van licha 1/1 elijk en vteeseh elijk; het geestelijke.

;ki in) rtta.ti.p ook i i r.t)iLgt;}ifl\\ Ar. sahabat,

gezellen, vrienden, discipelen, in hei bijzonder de gezellen van IMohammed; kn. leerling en volgeling van een yeestelijke of heitiye; (gezel\'gt;ƒ leerling van een goud-, zilver, koper- of ijzersmid, ook van een timmermansbaas. WW.)— ntiunir.nasiiji en 1 miwi hsii/j\\ discjpel of gezel gaan worden.

,7.; ini 1,1 KW. zva. tf nihil \\ of tlt; 1111 thi-n \\ {Skr. sja-

kata, een kar).

/,;/.^r^sKN. in geheime verstandhouding titaan o/za-menspannen; met een onder éen deken schui

len , het maats zijn; zamenzwering; w.i. zva. am ij Ki?(hnji\\ compagnon, vennoot {vry. i iimnijfas). — rm i. tj w v zamenspannen; zamenzweren , een zamenzwering tot stand brengen.

K i tj h ti ij ci \\ of if. 1 tj ,un tj i£i \\ zie bij tj ilt; tt tj ttp.w

Ov -r 1

(K/i inn \\ zie !hihn\\ 11.

) __a-

(K I t(tl \\ - k / \'Ht! Uil W

Ki rjact? een soort poort of deur? Men.

kjrins kn. fijn mesje (vry. tuiiuïs en tjujirtj i i?\\); vlijm, lancet (vry. v\'/|on^); het mesje, daar de besnijdenis mee verrigt wordt (Ar. sik kin), k i hii ent iUiUiijj\\ knipmes. — vhiifioï\\ daarmee snijden.

O . T • \' )

iKT Kij\\ i. KW. zva. in Kj\\ uti (ic^s en im ut asrtji\\ — 2. kn. de fijne draadwortels van den arenboom , die tot onderscheiden yebruik dienen, bv. om er voy eist rikken van te maken, (ki t. ^ diw jj \\ kw. zeer verlangende zijn. II. llh, geliefd voorwerpj oogappel, htijii ki itt^sKü een strik van arènwortel.

1 . . Q. .

iKi lurt \\ zie K i mi w n )

K i inn \\ kw. zva. .1 /r^ (ut utyj \\

ijcKirjiüns kn. zwak (door gebrek, zooals y eb rek van kracht, moed, inkomen, of door ie yeriny aantal;


-ocr page 582-

\'IJ (KI 9 IJ (Ht) 2 \\

a O (Kgt;) gt;U1 \\

502

zva. (rjxmi\'riMuribhtam^s teer; hulpbehoevend;-moedeloos; zwakheid, moedeloosheid (m/. (un (Li az!Jl en q\\). (ut(tni rj(Kfin overal zwak en

teer.

r) m i ij (Kil t \\ of i tj (Ki9oitwi 2 \\ kn. een stut tegen het zeil van een inlandsch vaartuig, als het vóór den wind zeilt, Rh.

(k]Ti(rfti 2 hn \'iu/f\\ HolL gekonkel.

(uidei/jnKW. zva. anim/j\\ (S/cr. sads sat, zes), o im (Ui s of v i ihn —i (ici^ zva. ij hire ^\'i ^ en nsn ij uiè tyajj\\ {Skr. satpaday lj\\j, eiy. zespoot). (hJi^(Ki\\ zva.

Of) O O

n(Uinn(hl(Ejijj\\ (in(ia^i(ia\\ kw. zva. c;r.o ho \\\\ (ic}/j\\ kn. klauknab. van het snufl\'clen van een jacht-houdt die speurt; ook van het door de lucht suizen van een windmolentje (Tj.) (kj ojj (ici/j \'hl|\',\'/ speuren, op de lucht afgaan, zooals een jayl-hondy fiy. ook opsporen.

wins 1. kw. verk. van ajn^KUiw ook zva. inihn ivijj

^ ) , j , : ) ) en oriiiyiu^N z. N. zva. \'mms oj iKimms kiid

(Ion hetz. Tj. W. JJ. 210. 3. kn. de rib van een

kokos- of palm-blad, WW.; wan (vnr.h \\ eeuigzins

rood, roodachtig, wticiitvim {of stevige rib

van een kokosblad; volg. Rh. de nerf van een

arènblad. fuj. zva. iuihi^ur^\\ (i?i(hrnitjt iisv/j en oji

o • J. ••

(O tj m?. (fviji\\ oj) Mtm am ni itsriji\\ m tweccn gescheurde sada, die gebruikt wordt om de padi-plantjes in bossen te hinden, (ki ii kiuxis een bezem van sada, het laatste om een ware Khuiiiunh

CJ

in een Jlg. zin te beteekenen.

(K4(ujs 1. kw. uitmuntend; overtreffen; ook zva. ki lt;rj n.gt; en (iji(iilyi n\\ {Skr. o uitmuntend, uitstekend; braai\', goed; ecu heilige of wijze). 2. kn. zva. (un(Hnitujj\\ listig verzinsel, tiin fpjajhaji«(^\\ bedot. — (ütniajt(in\\ poet. listig, slim, geslepen ziju; list, slimheid. — wn(if^\\ po\'ót. listig, slim, bedreven ziju in het kwaad. — (ukkiic^s of out i i (i^\\KN. listig verzinsel, lengen, om te bedriegen.

(un nuliKnu^ liegen om te bedriegen.

o O

(ka ij (ia \\ (üin rj ui \\ on lt;rj no on, \\ nn tj na un u n anjj \\

(Kt lt;rj ,u) tu \'Ul Mflri (ui \\ en oji og/j tj na m \\ k.,

zie ij (ui 2 tuji \\ en vrg. (Vioixnw

O _ O

(K/iiin \\ — (Kiwi of (K) r.n w 47 ^

iKiaxis N., (Ki i)illi2(K\'i\\ K., werkelijk ])laats hebben, doorgaan, tot stand komen, van iets dat plaats hebben zou; het tegenovergestelde van (üy■if\\ ui anw {poet. vrg. (Mgt;(Ki(in\\ irj^*r»\\ (uiia\\ «ij^ (Ki/j en ij (un fay 3.; Skr. sidda, voltooid, vol. voerd, gedaan, voleind, geëindigd).

iVii\'Vw

li lij I

i

i

iHiKbihtji het is ook werkelijk niet gevonden. tj a/li 2 ni (u i \'tj .7 ii jitni (un d/i (a n an \\ ik zie er v au al om daar naar toe te gaan. ij iti 2a-i (Uini hy hij zal er wel niet toekomen om het lt;e koopcu. 1 iiliuiihi(ü^\'lx hoe is het uitgevallenV wat iser van gekomen? a uuiairn\\ naam van een planijt 1 waarvan de bloem tot geneesmiddel gebruiU loonll tegen den steek van een bij of hommel) en vait een batiksel. iiAjjj i ^i uitiK \\ één van de namen \\ van Hat ara Goeroe. — a-:ïri (iciani ~ iilt;ii \'Hii\\ ieh 1 tot stand doen komen, werkelijk doen plaats lieb- | ben, gevolg doen hebben, venvezentlijken. —• uhuianjj^ Mn (Kivj ajbi2a.ianjj\\ ver wezentlij king, uitkomst.

o o . ) (y o ) n .. . .. |

«k-kimkw. zva. un iuj \\ en (Kiaj^ani \\ (lt;w. staat, ver- I

vulling, voltooijing, voleinding; de erlanging van

bovennatuurlijke vermogens door de vervulling van

magische plegtigheden of dergelijke middelen), un

iinrtis zie beneden, ukui uj an if.i \\ eign. van een I

pandita. ajt au foiaOiiui . zie bij aj lt; iuiw — him l

( V\' \'

ij[uuuifj\\ zva. (inim ijj - n injj\\

«^iinvkw. zva. lUryn^.Mp au^au^a.i/js kn. vermin-derd; vermindering; verminderen, minder worden, aluemen , dalen; zinken, tanen {Skr. sjocdda, | zuiver, afgetrokken , in do cijferkunst; afgedaan, vati een schuld, pk.), iukkimlw. zva. my-n anijj\\ (van ui en (uh(iJi\\). — (i:iijlt;ui\\ iets ver-1 minderen, aftrekken, korten; temperen, verzacli-ten; tekort doen aan iets, bv. den eerbied} it \\ gehoorzaamheid, de beleefdheid, I

iemand minder eer bowijzen, dan hem toekomt.-I (Lty iui ijj n mv., en aan iets afbreuk doen, Ml schaden, verminderen, ergens afnemen; schadelijk 1 iHïiaj^acianij\\ vermindering ondergaan; vernnnJc-1 ring, afbreuk, schade; Tj. Sengk. nul. — (Cffif (un~/nrjnn\\ iels doen verminderen, minder doen 1 worden, er at breuk aan doen. — a.^ui aojj^ ^ l afgetrokken wordt, vermindering; afslag.

(ij^iui\\ kn. niet versmaden, niet beneden ziel»achten;| niet afkeerig van iets of iemand zyn, niet kiei-keurig. (Skr. sjo edh i, goedgezind). iuj\\ versmaden, zich niet verwaardigen, afkccri|j


-ocr page 583-

lïj ItJI (Ui \\

503

fhjl

0 , ^ Cquot;)

2iju van. — \'lf\' w* rl N N • gt; ilCi lM ^ r[^/JN K- gt;

^jjiuïiioijoö^., liiudcreu , mocijolijkhcdcu vcr-

ooraakou, tegenwerken (or;/, —énji)

,.mm\\ niet nt\'keorij; zijn van; iem. uiet versma-

1 i ^ / jch, __\'i jno\\ van aam. of

zie hij njiiijjuiw

n • / ■• o

IjlJiUlS fW ^Onlt;U»^N KI., ö// iL/)(Lgt;tl\\\\

iiui^ynaysH-V- zva. a/iitriaya^

o s /

jMOii/iN ty MtwwsKW. zva.Mi KrruLgt;nj]\\ iManis a n

O O ■ O- / c/ . ^

(bin ,m.i i ~ i ijjj^ ^fnrn\\ en ut iiji r*i\\ {Mr. sa-damty iiiidtliil oi\'i tol iets to geraken; middelen, goederen, rijkdom). y irr» 2 /.« ^ /.; u» «n \\ naam van dc gemalin van Witnoe, anders uy\\

thuiao^ KW. zva. {verbasterde ailspraak

\\ 0 van t-KUi un). — zva. lurxf ^am^

vn }njj\\

).] iji:) \'jij^ evenzoo, insgelijks, zva. tun aji rj w ij iuj\\

iUio) rjm ij Ujs zie BV.

i iwiQWJi of j ilt;io iui injjsKi)., zie hurj un j\\\\

en kn. een gemeenmenseli; iemand van de laagste klasse; het gemeen {Skr. sjoédrbenaming van de vierde, laagste kaste).

D.up kn. aangelaseht stuk of eind metaal of hout {vrg. m/jn). — a-mcLc^s lassehenj bijspringen, de plaats van een ontbrekende vervullen. —

nun\\ iets aanlasseJien, tot aanlassching t»/aanvulling doen dienen.

gt; i2n:ici2\\ kn. toumooilaus, lans met een kwast aan de punt in plaats van ijzer {vrg. uiibh\\). — ij iinmrj (:ii\\ met een sodor steken; oo/r niet een lange stok ot\' bamboe steken. — ^ kidtjtin2 elkander met sódor\'s steken; ook naam van een st ruikgewas met tros vrucht en, waarvan de pitjes tot een meel gemaakt worden, dat gebakken of gekookt gegeten wordt. JR.— iDiij Ki è ij ia z ni (hnjj\\ tournooiveld.

iiwms kn. de zesde dag van de liclitemaan, G. —

wwxanis zie bij ajt!ki\\\\

\'gt;v| ito T) \\ zie (h) .tytji an n w

^ uiTiNKw. zva. zeer moedig, zeer dap-

per; groote moed, groote dapperheid (lt;SA:r.

i\'K. /it\' ut us 1. eti iKjjs Vrg. ïw ik) tu/fs), ^,ta naam van een Kawische zangwijze. lt;kij

O O O

mni tii)j)(Mns, naam van een Kawische zangwijze ln dü Ra ma. unM(i?i-n(mjj\\ met moed bezield.

vol moedj moed, dapperheid.

ih](iinanjf\\ KN.; spijzen of sirih en toebe-

hooren gaan olTeren op een heilige plaats wegens een gelofte of om iets, dat men wenschtt van de godheid te erlangen. — na [ uyjj \\ ergenf znlk een offer gaan brengen. — iui ihgj^(lU^\\ een plaats waar zulke offers gebraeht worden; en naam van een gebouw in de Batangan te Soerakarta, waar zulke offers gebracht worden en in de voornacht vóór eiken Vrijdag dooi priesters gebeden wordt; ook offerhanden, die op een Jieilige plaats gebraeht worden, ui tn i ^f i\'s Vorsten offers in

spijzen, die eiken Donderdagavond naar de groote Moskee gebracht worden, en die dan door de Kë-tibs en Mo dins van de Moskee op Vrijdag gegeten worden.

S Ci

kj(Ui iyi(Ki \\ KW. zva. .l: i mi/j e?i rj uag

ij uitzihjiquot;!ihi m \\ {tSkr, s o edar s ja na, schoon, bevallig; dc rozcappel, Eugenia djamboe; enz.; van

/ A\\

Ov/i en (ia iv* tui \\).

X r (y . j.. S (Kniin (Ui\\ of iK^iici(ui\\ zie bij m ili\\\\

Do . o

11 [(U^lijUI J N Zie (iU^tLVI % N\\

m (in ie) \\ en u-) na in \\ zie bij axnuw iKjj ui ihi \\ KW. edelmoedig; en vader (van i j \\ en Mitgt;)\\). Hnoj^aui iB)(Hi/j\\ edelmoediglieid; en als vader erkend worden, r.^da kho^uhbhw^ edelmoedige aard. m(Ui ^yamp;)jj\\ KW. zva. ofntjvmqw hj)(Ui(m\\ KW. zva. hit ti\\ of oPn\'yiowmw ook benaming van het leesteeken Tjakrii.

o-j)(iix^\\ en zva aj(lu^aryi en i7))i^or^ij\\

oj)mi uii/j\\ 1. KW. zva. Ki) rph cmdviw 2. kn. een puntig opgerold sirih-blad met kalk er in, om bij een sirihpruim gebruikt te worden, en een steekpil van kurkoma, puntig afgesneden en in olie gedoopt.— m iui fiQ) (injj \\ van een sirihpruim met een w tio ihnjj Ki ui(ilt;iiji\\ kn. 1. waar, juist, wezentlijk; scherp ziende, van een ziener; voorspellen , propheteren; voorzegging {Ar. 3 siddiky waarachtig, getrouw; Ml. (Jamp;Ur0* zocken, onderzoeken. Vrg. asii(yMi)j}\\ (un(U)ojjjj en amp;) )Ji\\). 2. zva.

o o . o o . 1 .

K) iniUiij\\ \\rjiu)2K\')na een ziener, propheet.

— rm iio hft) ï)oo) n naar ie\'s gt; o/naar de waarheid van iets, onderzoek doen, van iets zich vergewissen {vrg. ijji ijw^iHii ~rti ij uii\\ eni:)niisn.H)) -jdvjmv\\ ook een voorspelling doen.


-ocr page 584-

\'?7T\'^N

604

t l Ml ii.U\\

aj^(ic^ hii,fj \\ kn. een wapen of iets waunneê me» steekt {vrt/. (t-ipi hn/i). ii/itihajafjiHiijis een degen. quot; i ^j nn ~jn diihh/j^ zeil moord met een dolk of iels dergelijks. a 1*1 q /. n y fa utjiia m/js naam van hel verblijf van N ara da. in de Soera-laja. —

steken viel een dol/c of iets dergelijks.— r ij i.n . iels bezigen om te steken, met «Wj

steken, — /,»ƒ:iii/]\\ elkander steken, steek,

öv. .i^n iidrie steken. — ^,»ƒ 7.11 (iri/p een steek ot\' steken in liet lijf hebben ol\' voelen.

o o a t ,,

iiii\\K\\\\. zva. 1:1^iiji\'Uiq,L7i\\ en uiiiici n.iq (j.

1 ~) . o )

(Ki (ia igt; n gt; \\ zie ajt ui ilt;ii j w

O O cl iT s o

hji (ici nuns KW.; i:ngt; ui 1,11 ■ n \\ 0 iinuii.irii\\ zva.

O (?) p ^

liiiprjs itjv .p .\' jaK \\ en 1111 i^iw kn. een toovei\'-

middel (zoouls wierooken of liet prevelen van een

gebed) aanwenden tot bezwering van een gevaar.

[Skr. siddikdra, het doen van tooverij. i\'K

,r a o v o ■quot;» o ,

ran lt;i*ian\\ en 1,11 n\\). — r/n(in i.n n i.j \\ tegen

iets een toovermiddel aanwenden.

r.*. J m h\'ii i n \\ zie bij u j ici w

iniiiahn\\ kn. in een gebogene houding geknield zitten

{vry. 7.1 ^y^ en iKKioi iirp).

li: 1 \'ici\'iw 11 ifj of iKiiUi ni/js kn. onder het zwemmen

de voeten beurtelings op het water slaan.

II. ) (UI il\',ll ij \\ zie (KI D) HO li l) Ij \\

4r. ccu zesde.

,k) iu) iM \\ of ii- iiLo ^) \\ zie hij mi a7 n lt;hji rj dn aSl \\ zie bij u j to w

(Ki ij m) ij) ■gt; eiijn. van den jomjsten zoon van Paudoe

{Skr. Sa h a dé w a).

(kj)iin i7)\\ of iKiACiftvs kn. zittende op een arm of de armen, en met een handpalm of do handpalmen op den grond of iets daar men op zit, leunen; wat voor onbetamelijk gehouden wordt (vrg. (iniui\\). (Kj iia ui Lu j \\ kn. naam van een welriekend hout, Tj.

O O .

iKQ (LCI (TL) n KW. ZVa. lllltilW

isi^

y - ) S O / .... /

.is.)dcj7L/£\\ of fi.iiicjjirL\'h . enz., zie bij iir^n^w

(Ki (in ito \\ zie bij 7.7 no/j \\

v-\'h-W \\ kw. zva. (tJj, 70) n (Skr. sj o e dd a, zuiver, rein,

onschuldig).

o cO . o KI CIC) (IK \\ Zie (K1 (IC) (VL^ w

iK/jlt;ujjj\\Kyt., iïj)iU)jj\\ en gew. khz: \\ kn., doel, bedoeling, oogmerk, voornemen, wat iemand van zins of gezind is te doen; van zins o/quot;gezind zijn, voornemens zijn. {Skr. sddya. Vrg. oeiiuiujny). — r:jlj of (ia tcK \\ iets van zins of voornemens zijn,

quot; t \' 7 i^J/ 0J quot; l N z\'n8 0/ g^^iud o/voor-

O /. )

nemens zijn. — 110 (uyiom rj xn \\ 0/ luiiiK hn^,

gt;1 kii \\ met iets hel een of ander bedoelen,/^

zieh ten doel stellen. — ojipjMjJj\\ 0f

voornemen, oogmerk.

). 110 ld \\ of 1 hui nis k., zie bij xa .Lii)\\ en kii rt i.un

MKiticiiuiiiciiliji\\ zie bij in luw i:ir)tlc)iui ),]\\ zit bij ilt; n 1)111 s \\N

O O ,.)

1 1 ui (i/m\\ n. , ) 1 in 1 x k. , naam van een regent schaf en van de hoofdplaats daarvan, ivi^ij y? ij.u)i ii.iJii iniiM^ naam van een soort mangga.

1.1 (tcj^)^ Sodom.

) -gt; • / ■• . ) \'quot;gt;

K) 10 if ) \\ zie bij (ici itji \\\\

(i. J ito il I \\ kw. zva. 111 iji • (Skr. s 0 e d dm a, een wolk, een berg; tie zee, en Indra\'s olifant).

(Ki xcj k) naji of \'i. 1 (icj iki (hijJ \\ zie bij (ia i£7^\\

i 1 iici ui • KW. zva. it 11.1 \'7(Hi p (Sir. sa d ag a, sada-gati, de wind, eig. de aliijd gaande, i\'K ).

D jic)ui)\\ of (Ki\'ioerhs kn handelaar, handehuirslcr; koopman, koopvrouw, in het groot;groothandebar {vrg. ij ui2 iixi tiis en ti^n uianjj). —(r#y7j »m koophandel drijven {vrg. nj-i 11.1^ 1 1 nis).

ii £\'ixï i^i)ji\\ of o- j in niip kw. zva. ii 11 r.ilt;i?i gt; 1\'n\\ zeer

uitstekend of voortreffelijk; doorluchtig {Skr. sot-diwja, zeer doorluchtig. i\'K.; zie u p en i?i 1 ijjj l d j ici.injjjn.hlt; (ui ^ui^ii) ij 11 {hi ilhuiuu .1 ijj* /helm den kroonprins van Soerakarta. — hiiii.jhirijj (in/is hooge voortreffelijkheid; doorluclitigheid; nut uitstekende gaven uitgerust.

^ K) if iia rr) ihn n voor ij iK 1 (in n/n rgt;i on w

(M(uiijj of (uri i iiibii/j\\ kn. droog, uitgedroogd , opgedroogd, va7i iets waar water in of óp gestaan heejt, zooals een poel, rivier of grond {vrg. crii-ih en mn (inï \\), ook van de keel, Uama. (unu-iihiij^ uit-droogen, opdroegen {vrg. 2. — rtuimj

of (171(1.1 ihiip iets, zooals natte handen, afdroogeu; droog maken, uitdroogen, droog leggen van sa-wa/is. ajnamp;t(htasiijj\\ poet. uitgedroogd. — iK)iLgt;ii,p opgedroogd, droog geworden, zooals van de straten na een regen {ook vvrniKuiij]). - »lt;«» \' (fori(Hiji\\ een drooge keel hebben, zeer dorstig zijquot; {vrg, iui nj iiii/j^ ij uit gt;1 n?.\\). f iKhhn^ v. e. (ui (h 1 N voorzien; ook KI. v. 77^ a^) iui Si \\ vtin


-ocr page 585-

505

O

7 HLm

zwüc\'I en tranen, (pass. joituiMiijiiMj iuilua.i 11$)

_ ui if. 1 :t-y h tj \\ een kleed om uil het bilden

nuu te trokken (erg.

iluiii] Jr. quot;lüFolie J/l)-

1,1 ii^kn. Hli. interjectie ooor het geluid eau l )

ic\'/s dat de lucht klicl\'t; sst! ssi! — \' \' quot; \'

aanhitsen , ophitsen, laten\'vervolgen, bo. een jay t-hond hel wild; Iemand ley en een ander ophitsen, opstoken, op hem als turen, om uit naam van den zender wraak op hem te nemen, hem verwijiinyen te. doen of uit te schelden, J Li.

vimmi/i of iiiïmiaw/j^ kn. klein wormpje, made, wormpje in een zweer {vry. \'ij\'p i\'lnrnwj xu n\\ en /ƒi\' i00^ et\'u bijnaam oan

IFisnoe. \'iv gt; i iquot;/7N ais wormpjes , bu. ylarcn \'J\'j. — tj iji(\\jn an/j of Fi\'tri) iiii)(Hjjj\\ vol mailen.

of njn rj(i )i(isn/i\\ kn. 1. vervloeking. ijiOi? *1 fit iilt;M2(un/j\\ naam van een booze geest, \'l\'j, — i! o.u? i o/js vloeken, schelden. G. — m i, a \\ iemand vloeken, schelden , vervloeken, uitschelden, VVR. zie gt;1 j^u »1^)2(btijl\\ {vry. i n

a rt o o o ^ \\ .i .

in\\ r:i ili i,n ^ n d\'i(fin \\ en u.iii j \' am\\) 6. tp. zva.

, , gt; ) _ )

;iy)\\ los! r i rj tu11 iifii if /. o \\--i i gt; tj i tj

Ij h H \\ li li.

I gt; lt;l 0 0

li til\\ i. k. van ii,ii ! i nihmw %. k.\\\\. zva. hji i n liii i co \' \'

oj\'d.n i n if jjs li. kw. zva. ii- i^niiiij {Strr. sja/a). (hi ibii •( )i no \\ k vv. eu k. zva. i m itv} tui vri nu \'i-)/j\\ \\ii hu ri hin najis de honderd Korawa\'s.

11 bip 1. kw. zva. hiytn u i/j en .rn thii \\ (een ander zie bij isrj\\). i in,isrj\\ zva. i^(rnrujj\\ Rs. — 2. kn. ée\'n, eens, in zamenamp;t elliny, als ^ i «y eens

van aard, W VV. ^n/»» ;• oj) iw \\ spr. voor niet eens, het niet eens zijn. WW. (uihjii oji\\ iets hoegenaamd. UP. — ihntnasni (m/j of ikHcki rj iUii z :hi/j\\ vorm, waarin iets {zooals brood) gebakken of^oü-als een koyel) gegoten wordt. JR. zie ttJt^asns 2. M ijnsin kn. speetje vleesch of iets anders, aan een spit yebraden, om bij de rijst gegeten tv worden. — iriiilt;rjiH)i\\ suté maken.

j \' y^n^xKN., (h/jam\\kw., een wild dier (^t. satwa ecu dier; een wezen. Vry. vjiini(VKHi/j en r.nijm wjl). a.) ij tuni rj ini ui \'injj ^ wild ol\' tam dier, wilde en tamme heesten.

O

^hisiis i. kn. verk. van x/n frj \\ el. 2. ki. zva. hi ivi\\

^ ISJ

0f ^ zie tj(uitihh)\'HTji1 {Skr. sdta, vermaak.

genoegen; sja/a, geluk, blijdschap, vermaak). 3. verb, in de spreektaal van i:i^i\\ wn.unnfj\\ zva. iki\'ijj\\ L. 310.

iai(hii\\ 1. kw. zva. 11 i {gt;Skr. sita. Vrg. ij i i(i n\\).

^ O d . \' v

2. kn. zva. mi 11ikh \'*{vry. i. i ii,ii\\); gew. \'ijam/

o □ \'»

n i i Mn a. i (bil \\ zva. ij i ii t\'H (rnikj^ (ruw i i (bii dji

iv/j \\ k vv. zva. a ji fbii / (hi/j {gt;Skr. s it ar as i m i, eiy. de wit stralende. AVy. ; ; bmi js).

mii n - 1. k., zie l i f i y \\ eu ry /1\\ {gt;Skr. xit i, woonplaats; land). (2. td. verpligting. (i. vry. ihi vhik

. O Q O .11 O » •

i iidn/i). i i i n j j hi n\\ {uo^iti\'i ^uim kw.) eiyn. van een dochter ran Krësnix, oudste yemalin van ylb manjoe. 111 n .lt; / i,ii n i\\ naam* van de woonplaats van Dèwi Fratiwi {waarsch. zamenstelling van n\'iti, aarde, en patala, de onderwereld of afgrond, pk.), i ïibiniK \\ eiyu. van een zoon pan hires na bij Dèwi Pratiwi {Skr. xiti dj a, de zoon der aarde, d. i. de planeet Mars, anders Hhauma, hetzelfde. i\'k.)

n. iibgt;ii\\ kw. zva. iL ii iij iiUjjs {Skr. soeta, een zoon, een prins; soeta, een dochter. Vry. (h/iin\\ 11. en hl ■i!i\\). a jth^ibiis zva. lt;Liiiij mi of i

Ov i.. quot;) . n ■gt;

\\,f iiirn\'hjdsn\\ zva. {ian bii i.j \\ {zte miiuj \'). u j ij

o ou n .

n i ii i kiih 11 \\ voor (i iibii i n (Umi ibii \\ de zoon van 1 (J (l Cii

den Vanditü,

ij 1.11 ii n e?i ij !hj i n\\ kw. zva, ih i n ^ {Skr. s jwét a, wit; zilver; de planeet Venus. Vry. gt; ] bn n ) ,* ook eign. van den oudsten zoon van Maswa-pati, den Vorst van I Virata.

rj hi.i ip kw. zva. r.n luiin tuijj en (rn » ^ »;»thnj\\ {Skr.

. . ) . o . )

s et o e). rj h i isr^j tj r.n i in \\ zva. am iin rn ^ j ivi f mi ij (i.ci \\

{Skr. set o eb and a, een dijk of dam tot verbin

ding eu passage); ook naam van een olifant, rj hj

iij ii r.n i nn cim vm {ofijnm ? ui aw ibii gt;) insgelijks zva.

) . o O

r.n yr c; lt;ui q mi !ƒ\\ e7i ^ m.isijj y mn t pi ri in/v^n

,) . quot;gt;

zva. .17» an X7) i u s iin ui \\n

4 1 O

^ kji? (isn\\ kw. zva. ■ ri (hl\\ Iiiit^ih}\\ n ibi\\ en a n d n w

O Ov o

\\ ij h i i (bii lij ,fjl N zva. rr) w iuj un (bii i. y n en

/ƒ Ci.\'l 2 ij (bil«. ƒ .W7^\\ ZVa. (IJl (ib^d. l(Hij \\

a o .

ih)(b,iiq\\ kw. zva. tbii if j\\\\

))^;2(if.7^\\kn. niet afkeerig, genegen, toegenegen zijn;

er niet tegen hebben iets te doen {vrg. iia \\ en

aS. __o

^11.12 (bri\\). foiiri tHi^A2 turiq--^/i/ii \\

Men.— ij in}i2 \'isn^unrj un\\ niet afkeerig zijn van,PM.

h i rj asn 2 anzie bij (bij \\\\


-ocr page 586-

\' \' quot;\'I \'/W-

500

««D \'Utfcfyim/is n i ij itm \\ zie bij ikv iij\\\\

y/\'- cjyjj

(uc/c y IK iis» \\ yry. lt;/\'/mh/J).

11 ii^i iüii tnji \\ Ar. \\ - sjaildn, sutan , duivel, eon booze geest (U-juvxas vry. o^iiiu (unorijj). if nri tj if M ijMtizie bij \'ri(l»nbiyj\\ \\,ui

tetjj {of rjojKtLi) (fjik)iisii(Hijj\\ lapis iutcnialis. —

o o

irj um ihii iij \\ zvcc. gt;1 i i ê ii iet 2 gt;1 Jlt;n , /i 2 ij ^ ^ .kii \\

iemand opstoken, ophitsen; ook iemand vijandig tegenwerken. — t^cniiemand vooreen duivel uitmaken. — ijiKifon in of (KivjiMnsn iKijj\\ satansch , (iiiivelseli; listig en vijandig tegenwerkend ; wat een sétan moet voorstellen, een vermomming als een sétan*, zooals bij een brui

loftsoployl.

C) ct i

(Ki (hn ihi \\ en iiji tin Mn or) \\ begraven, zie

d/n ./•} an w

,lsK

ij .i i ib)i iij \\ Sydney. iclt; ■ n y./// asn iy \\ Sydneyseli paard.

quot;) , ) . ) o

(h i ij foil i i^fi \'WJJ^ sie (M gt;i bit 2\'~n\\\\

lt;Ki[foü \\ kn. 1. vijand, iemands persoonlijke vijand, tegenwerker {S/cr. sjairoe. Vry, ij tut 2

rujj^ (ui(ia (Ui an i )\\fo)^ \\ sehatten worden vijanden {het is yevaarlijh schallen te bezillen), Ki(fonfon (amp;i\\ naam van een corps yeioapende poliliebeamblen in dienst van den Vorst, eni o-ji {foy \\ voorhuis ot\' voorportaal van een Jav. huis (een afdak, door-yaans met laye omhelniny , zonder deur, vóór ley en het huis aan. JR. voly. CP. in So er ah aj a de naam voor het middelste der 3 huizen, waaruit yew. een Jav. huis bestaat i in oj ., (fr^ ui hu (amp;i ~jj\\ yen. — jr/rï\\ iemand vijandig, vijandig gezind, zijn. — KmTjyüïyiHis tegen iemand zich vijandig betoonen ; vijandig.— (uiajjTj{t^2 (hiji\\ vijandschap; met een ander of met elkander in vijandschap leven. 3. naam van een Chineesch, in een vorm ye-hakken, wat korreliy yebak. — kioj , li^2 tHijj\\ of a^irj ibii 2 anji in den vorm van (ki \\ nl. rosetvor-migj zooals hv. de rosetten van leer of metaal op

een paardetuiy.

fquot;) o o

(Kj! {foi^\\ zva. *1 (un\\ k. zie t» ^ mi 2 cmj^\\

O et rt

kvv. zva. iiL,^ c/(U) nnji\\ foi cui .ui w^\\ kn. zijde, zijden stof {S/cr. so ét ra, een draad. Vry.

: ) quot;) a. v .

rj 12 r.t n t i tKyi en nngt;rui\\).

ihllq.Tfii]\\ Jr. ..,^jij • za iloen, olijl\'. Je olijl\'bouni

naminy van een soort van schrift, waarvan dt uilvindiny aan Adji-lSaka toegeschreven wordt. — (i:rij\\fon\\ henaminy van een klein corps ye/ieel ü zijde yekleede booy se huilers in dienst van den Vorst. am(Hjji[a^y met een boog schieten. G. ÖN KN* CUU ^ÜUW auu ^cl1 vau 150,1 wat wild paard, achter de voorbeenen om over het liji\'geslagen , om den kop omlaag te houden, een soort vau springteugel.

i^hUfovy kw. zva. fonnrit tuji en (Knvy\\ (Skr.xetra, een veld; ecu reine, heilige plaats). gt;11 iyi lyjctm (lpiejinaam van oen woud. Kij ij i-1 :ie bij hij -r^jW — ^ i7mifoi^\\ of ij rni(foi^i.ii n ijm een lijk op een afgezonderde plaats in het woud ergens neerleggen of neerzetten, zooals dit bij bewoners van het Ténygeryeberyte in y eb ruik uiuel (jeweest zijn; iemand op een afgezonderde plaats in den omtrek van de woning van den meester laten wonen {pry. ti rj nm 2 (lyrj mi \\) j ook iemand naar een afgelegene plaats verbannen. — (uijd (ibii^anp een plaats waar lijken neergelegd wier-den; en een plaats waarheen iemand vcrbiunicu

wordt.

0/ r)

frj I\'M2 fon N KN. zva. (^}(UI\\ of ij,k / 2 (isn 4 w

Ki foij \'n\\ kn. de trapsgewijze of bij elke laag verwisselde schikking van metselsteenen in metselwerk.—

i:mforyri\\ de steeneu zoo schikken. JK.

quot;) quot;gt; O O . t

/./ »ƒ.b)ilt;?r»tn kn., Mrjtbiidftnthn,^ kd., Jiny. story,

historie, in den zin van kibbelarij.

hjj(biiti\\ kw., fraai, schoon , G.

k ]\'ïj {foi^(injj\\ 113 dji (rjtui 1 zie vnujW

ii. 1 ijifoi^2 nrijj \\ zie bij ki n\\

K)i^u^hn\\ Holt. kn., .ém(ibr^(Hri\\ iels strijken,//»\'/

j • r •\' O ci y. n ) n

een strijkijzer, urn aj((h^^mi \\ of ui i.^fon hii \\ pasi-

(Ki Kii (Ki/1 \\ gestreken.

) o O D o O

Ki ifoi^ tji (ruji\\ zva. (kiosii loi iu/js

k I for^ (Ijiji \\ 1^.\' Hi^ fori (ujj \\

1:1 (Uji\\ lloll. straf. — /[foi^(ui cKijj\\ ehj. gestraften , veroordeelden.

iKi[asfyvyi\\ lloll. stroop, in de he teekenis van geurige stroop tot verfrissching met water ot\' wijn gedronken. ijI\\foji^/ irjj^ibi ui\\ of Ki[fojjfoi\'Ui^ ro-

zestroop.

O o ■ o f^n

(K) (L\'h \\ --OJ. l/l.

iki^S^(vvi\\ kn. zoon of nabestattuile vim den Vorst,


-ocr page 587-

/1 \'in -1 int

507

edelman, ïidder (Sir. xatrija, iunmiKl vim do kaste der krijgslieden, waurlue uuk iln Vors/ be/nwrt). ij i\'i1\' Vj t quot;quot;quot;quot;i van een haar kronkel aan de regter sijde van diu hals van een paard, die als en goed teehen, en .ni^tyuiiiaitvniijvan een dergelijke aan de linker zijde, die als een slecht heken beschouwd wordt. quot;aiiiiiiajuj i::i iinij\\ uou goed tcekcii als hoven o|i den rug uchter linitcn de zu-del. 0ii?trln\\ zeker fatsoen van een kris. — .trm jiimiLin liiimlelen en doen, ulsot men een sutrijii was: (\'« iemand öutl\'ija noemen, als salrija uchtun ea eeren. \'\'\'\'\'j1N nis sutrlja betiteld, geacht en geëerd; een ridder, ridderlijk, edelman, poet. ook zva. i i: hy i-l \\ t in { quot;y u \'/J ^ liet voorko-inen van een satriju hebbend, ridderlijk, adellijk. — i,ii i.i^y.iiiim^\\ de waardigheid, wooiiiiIuuIbo/quot; het gewaad van een satrija.

^t.i.i.ïiij af i lyyiiihi/j^ Huil. stuurman. ijibiikw.; i ri i n hij\\ iemand voorlichten G.

Ci 1

i) 111 (ISII l(KHy^NN. , zva. v ^ (If i 2 iHVJj\\ Zie 1 11 gt;1

(ijibnhfjs kw. zva. jj] ^ i\\ji uj a. ij ■. ver bast cnnfj van o

i).^ ihiKun^w rt . ... d

ii I biiimizie bij

Liasn(isi)jj\\ kn. staat, opgave, lijst. -ïiirjihn^ Jloll. stoot; kn. inzet bij het s looter-spel.

a o /, , ) o ■) . ... n rt .

i i(i,rnun\\ of (i.msn ilgt;ii\\ zie bij iinbnw ook kw. zva. . 0

irucmw

O o n ) i )

i.hiiiL,ii\\ en (unn i v,ii\\ k\\v. zva. ii uihns en i

f l\'H quot;K f(v

{Mr. sloeli, lof, loving, lofspraak).— N

o a \' ) o O

ihhiHsm en itn 1:11 iitn\\ zva. ui(i:n hii\\ 1.7/1 ri ^ ll 7 quot;5lt;. gt; fo1

en eerbiedigen, huldigen, loven. — ajuw

trfl\'üii \\ eerbiedig compliment, a/ii (bgt;ri aji a:! ^ it,n nzijn eerbiedig compliment maken.

\'M\'ij ibn 2 ibii n kn. naam van een Európeesch, bij de Javanen zeer geliefd y kaartspel, een soort van hlaf-spel: stooteren, stooterspel, {Me7i zegt, dat het een Duitseh spet is en stussen genoemd wordt). ^ Z1\'e bij nynasna^jj\\

tJ ton (vis KW. zva. {Sier. sta way lof

zang).

O o )

lt;gt;i(bn(uihi/iji\\ lloll. stevel, laars.

een aseetiscii leven leiden {S/r. soeta-Vai een kluizenaar j zamengestelduit 1 j en ii,n uji\\). *ilt;*^iiiiiu\\ een asceet, een kluizenaar.— kiki ^lii ivi (m/j. een ascetisch leven, kluizenaarsleven.

hi (hi) ^ 7iui \\ zie bij (i^Kuifjs

00 .,..00

; / 1L11 (ie\\ \\ zie bij 1 lii \\\\

1 1 ihjjjj kw., j i iuijji n en gew. a 1101 \\ k n ., opregt, geloofwaardig, eerlijk, trouw, een heilige belofte {S/cr.

saty a); vrg. ^iuii\\ nJi lUimjj\\ i.j» 11 \\ ^ 1 a. 1 luyjj\\

)():)quot;) quot;) o - lt; quot;) o

K w. zva. ihn f 1 pi u i (HTji \\ — ori nol \'rij \\ of miiui fly n

kn. in iemand vertrouwen stellen, asn i.itbijjjiinjj of

(nu i tui (i(i/j \\. opregtheid, eerlijkheid, geloofwaardig-

... ) 00 rquot;gt; ...

heul. — (KKhJi(m/js a-1 (Ki(ui(injj en (Kidovu^in/js al-

spraak, met een ander of n et elkander afspreken; elkander heilig trouw beloven. {Oj^L 1 n^jjj \\ of (iidiiiii:i\\ heilige belofte; heilige belofte of eed van trouw. ,hiiihi0\\ door de aan een eed van trouw verbonden vloek getroffen worden. — aujji (ilt;ij^\\ een heilig verbond; met elkander een heilig verbond sluiten of bezweren.

)

m wyƒƒ \\ zie KI (injjj \\\\

ijiKJitnyijjj\\ of dj i 1 è 11 \\ 1. uw.zva. dj\'iSi\\ {gt;S/ii sjau-tj y a y te zuiveren, te reinigen; sj a u Ij a , reiniging, reinheid). 2. kn. edelgesteente of juweel, öv. in een ring (vrg.turi an (Hijf); en oog o/*kwast in hout en bamboe. 3. kw* en ki. van iu(tni\\\\ {oo/cva7i\'ncij?i\\ Gr.). ^uji2(^(^12(Mjjj\\ of (ijij^nkn. juweel, edelgesteente, juwelen; ki. zva. n^jilliiinjj\\ — ij ijiLnm of ij nn21:1 lij\\ iets, bv. een ring,

van een juweel voorzien; ergens juwelen inzetten.

- o

•— rj nn 2 (isy 1 ii n ~jii rj u 11 \\ of ij 1:111 i 10 iuj \\ KW. zva.

nj ij floi ii 11 ~.7i ij k ll \\\\ in Tj. ij 2 oji (injj — o

(ui (K^ IJ nol dm ~/ii tj (hm n. i dvjji hn \\ of iL](uyjiiii O \\ en verb, r Irinddi \\ eig.van den zoon van Satyadjidy neef y zwager en bestendige metgezel van Kresna {Ster. Satyaki).

1.1 (i^jjj iUi (nri \\ of i liiHy^uiMiis 1. eign. vnn een dochter van den titan Hagaspati, gemalin van Vorst Salja. 2. zie icj cruaji uj lt; bij (u^m\\ {S/cr, Salya-w a t i).

!Ki tiyijji (iclt; ihiyi of 1.) (uyjj ik iuii^ eign. van den vorst van Lésanpoeray den vader van S\'étyaki {Skr. Sa-ty a dj it ^ eign. pk.).

tui(uyjiim(üi\\ of ihJt(uixrn(zi\\ eiqn. van een dochter van Satyadjidy één van de gemalinnen van Kresna {Skr. Saty ab am a).

k 1 (isii (fyi \\ eign. van een mythisch per soon y en k i ij .b» 2 itis eign. van zijn vrouw y en namen van twee hoog


-ocr page 588-

M tliüllg .t/ï\\

Q

(k\'j \'k ) \\

508

geëerde stuk hen geschut, waarin hun zielen yeoa-ren zouden zijn, en waarvan het tweede zich op de Siting gil te Soerakarla , maar het eerste te Batavia bevindt.

(M ri tvgt;n i ■tJi \\ zie bij m «üm ./ / w

(K\')iwun\\ n., (hJi(rn tuiasn/js k , duidelijk voor oogou, duidelijk zigtbuar; (oy/* verstaan, begrijpen. G.; (tj) ten n , inden zin van het Skr. s a x a t, fw m*/-.

Mt i hn/j, en if-tiunw Vrg. kw n ihiui i \\ en lt;v) ^i(U)\\). 7 / 7^.v,;lt;Mj \\ ouder ieuiauds eigen

oogeu, it\'/ó\' wegnemen. — ijn(kiiani\\ kw.

) • o

r 1 tviaj)jj\\ ,L7) jo en u 7 t .lut utt ,/lt; nw w \\ u.)

pass. unj.m iyutis l. kw. HH tjuuii

anijs 2. n., j,n 1 gt;t.i in qsK., duidelijk te zien.

) O ) y gt;

iiMtans en ki ,hn ij\'tn in/j üj \\ 1 irti (in /1 ■ K N. een breede strook geweven goed voor een gordel lt;;/* eingel.

W hn (ril \\ kn. naam van een boom en van het bruin gespikkeld hout daarvan, veel voor wandelstokken gebruikt.

v quot;T

V

) n

; hu iii)i 11

1/t l .i t) yt riu vii\\ zie

zie h))i^ 1.)) 11 ifj\\

mi.wnkn. kloet, boom, om een vaartuig voort te duwen {vrg. ij) (vA)\\\\ r») ihh (lil \\ kloeten, boomen; een vaartuig met een boom voortduwen.

(i^ ij aïn s z anient rek ling van a. j .t,ii rm \\\\

jj i\'d\\ of k7 ij iisn\\ ook ajjjii:j))oj^\\ of ojj ij 11\',))it 1 en iJdwttp of (fJ^ih))iKp bij verkorf ing i\'^xt p 0/\' if hikt.j . kw. zva. lurrritihtjj en ui i i\\ (Skr. si-tdng s i 0 e , de witstralende, de maan; en sjit dng-sjoe, de koudstraleude, de maan. trg. iliisttaji n

bij (t-1 tisi) \\).

o o • »

itji iiïtt rti ofufj^ zie bij v ) iu gt; w

) • O O c zie ii)(Ki()Jtjj\\

(ki(kji\\ kw. 1. zva. nm!^i\\ en nritlt;n^\\{vrg. i^(ut)iKi)y

2. zva. u.)c^i\\ en w 1:1 ^ {Skr. sjasja, haas of

konijn, en de vlek op de maan), (kiiki u)m\\ zva.

)u(Yti tj u)\\ en hj) fj^riiihn/j\\ {Skr. sjasjada r a

de maan). (K)(Kj)(tonimi V)ow{hjjj\\ zva. (i/t^yru^)

rr} un uj n-nji\\ kn. naam van een Kawische zangwijs.

(Eji(tj)(Kt\\ als een dwingeland te werk gaan,

stijfhoofdig voortgaan, zijn eigen hoofd volgen;

iemand dwingen of forceren, zva. kt un^t.\\\\ JR.

(KiaSis 1. kw. zva. hj) 111 m/j {Skr. sjasj\'i. Vrg. Kt

(h)\\ 2). 2. (KtitS n. , ru tHi/i\\ K.(volg. kh. beide kn.)

kd. , maand. — nnrq(t.){ilt;)) ~/)t )j toi nn, inj i.irHijjwoov een volle maand houden of rekenen.

— Kt rja.ii)ftji\\ i^\'tii uj ,ilt;yj\\ bij de maand, maande, lijks; maandelijksch; bij maanden, maandenlang.

) • 1

i t t 1\' zie quot; j\'* l \\ A-

)(■) ,. O ,»

7.7(k11 j. zie fKum^w 2. kw. zva. /r/ ^kn., /]//.kw., overschot, rest, overblijfsel, overgeschoten brokken; overblijven {Skr. sj es a overblijfsel, overschot. Vrg. kd*n \\ ni j iS)^ en y

. • » O tl

ij iLiènry tiidX) (hn/j). ivt tnuj y)ano to ih) .i,i\\ ge. regtendienog onaangeroerd gebleven zijn. m,mh (t^j)\\ wat een hond van zijn eten heeft overgelaten. 7$th t)[ iuj rit) iLi ob)! \\ de overgeblevenen van de gesneuvelden, de niet gesneuvelden, i^ki huujnuus poëLy de aan den dood outkomcnei). inifji] i i h Jtj ,6) z \\ een vrouw trouwen, die geen maagd meer is. — overblijfsel, wat dooreen

ander overgelaten is; ook meteen, tegelijk {eigenaar het schijnt, als restant. Vrg. lUtKion/f). — 70n iy\\ het eerst van iets (spijs of drank) gebruikmaken en daardoor het overschot als het ware aan iemand overlaten. — m 7. ? h)) j))vj ixd \\ iets tegelijk opmaken; tegelijk (meteen) doen plaats hebben, geheel volbrengen ; een half doodeamp;vw genadeslag geven, Rh . iemand meteen hetzelfde lot doen ondergaan. tUtf/s 1. km. snuiten, snot uitblazen, zich den neus snuiten. — aft rj v. rifj \\ zich den neus snuitende^» voorwerp met snot treffen. L. 208 2. KW.zva. i-.iimw \'• n. , Li).i\\ k. , haast, overhaasting {vrg. aij (tjji^). — /K7fk/jikjjitji\\ w ki )jki\\ groote haast maken. {in PJ. gt; l s^el^ 01) aandringen).

— hDiKiit ^ uti uiki\\ gehaast^ met overhaasting, te haastig; gehaast zijn, zich zeer haasten, zieh overhaasten.

II. MfKJ) nKN., ^7 7v ) ILAJI \\ KD., ilJMOAjlHlJJ of y •fhwij.w/j en (Li)aAA(in\'-n\\ ki., de borsten van een vrouw; (K/jlnJligt;i 00k vau cen man {vr9-1 n hj.yt^(Kj\\ n., ^ii!gt;m(Lh)i)^(tjj\\ k. , en ooko^ip kn., moedermelk, zog; maar N-gt;

imjj of n^iuntmji en cut(Kfik.; melk in

het algemeen. — .wio^nKN., w(ÏjI(ujj\\ ki.,zuigen

q O O ^ quot;quot;quot; quot;

-vér)\'

.1 \\ x

aan de borst. — ^ tf (Ki(tnajdji ^n zogen,

een kind de borst geven {vrg. im i) ili

oolr een kind aan du (lorgc) borst laten zuigen, «lt;quot;\'

. Q C)

een kindermeid: irrj (lv)njj\'tjj nrn ernjj \\ vomth


1 \'

-ocr page 589-

50\'J

0^ a

een zeug. — trek, haal, bij Ae/

, Cl O

stagen. 0/ ajiojj rfitj.l hijjs hji j.i mm , i

zuigeling;medczuigcling,zoogbroeder;en ojin^ zeg, (hp.)h.wa«r«0ö)-(teregtv) g. iviruitu^w tjiijirji\\ 1. sw\' mm* 2. verkortiny in de spreektaal van {vry. de

ondergeschikte?

^IIJI2M\\ Chin, sosji, kn., e« oj. kl. sleutel (dci/. rfiKit ijTiKrn/l en

kn. «wa. of rrfmtirjOjnrjiuni

tjMi\\ (vrff. ijiiotrfiKii\\). ijnrmyjafjjjt lomp zijn in het spreken, in drift iemand kwade woorden toevoegen ; een bek opzetten, JR.

quot;) . 0

zie

o3(U?n kn. zijde, kant, van de ééne zijde in tegenoverstelling van de andere {vrg. tuil nivn uyj en ru

«aan de ééne zijde, aan weerszijdeu. ij aan de noordzijde, tun mi ij uj, ütt (iji m v5) ^ n zijn ééne hand. tèj i lw iP) ^alleen aan de ééne zijde. tj(L)gt;2nh) ma?) j \\ aclit aan weerskanten, a ^ tj iuaj) lt;rrn.KM^3.ïf)^zijn éenebeen is korter (dan hetandere). mimmj ru inji Oof (Ki) (U f un iff ihi Ja.iik m \\ Dj a nevens zich hebben, bv. bij het met zijn tweëen dragen,

4 TV Kift ^ 0 __0 a

met Djaja. un -taw % — uw tw (ho/js

zijn tegenpartij vinden, (Rs.) Rh. — a/km ^ \\ op zijde gaan, ter zijden, ö/ter zijden uitgaan; éénzijdig, partijdig zijn; ongelijk, van een partijdig toegewezen aandeel-, van een paard aan ééne zijde zwaarder op de tengel zijn, Rh. iets, zooals zand, naar weerskanten strijken of verwijderen, w j3q w iin injf regts ter zijde gaan. — ter zijden wijken. —

(Knikinj) ^am (kijj\\ iets op zijde nevens zich\'hebben , bv. een Javaansche vertaling nevens een Holland-sche brief. (kiaSi^am (mj^s de ééne partij; één van beiden j tegenwigt, tegenstnk, tegenhanger , weerga {vrg. rut tij) tu^ (Hji \\ ^5?) g) j j Mij) en tun nsii (Wi u) w/l). tun(vu^iisn(m—irMwqnjn iHyj\\ schoon zonder weerga.

m^nkn. onaangenaamheid; zorg, moeite, last,verdriet , mismoedigheid, droef heid; het onaangenaam vinden ; moeijciijk. lastig; verdrietig, bezorgd, mismoedig , bedroefd ; ook zich de moeite geven van iets te doen {vrg. if.

^Kiyr^Kjj^ zich niet de moeite geven; niet behoeven. K^(hj){njh\\ iemand moeite of verdriet aandoen, bemoeij el ijken, bedroeven, k/j njj w q tun (htjj \\ in onaangename, moeijelijke omstandigheden zijn; misnoegd, bedroefd ; onaangename omstandigheden, moeijelijkheid, ongelegenheid; misnoegdheid, bedroefdheid. — onaangenaamheid, zorg, moeite of verdriet veroorzaken; lastig.

kn. , (tiiajjfs ki)., nest, zooals van een vogel. (Kjj,(K/^%(Sliihnr^Mqs mnizenest. —annj)q\\ nestelen , een nest maken ; ook suffen, kindsch worden door ouderdom; kindsch. — \\ ergens een

nest maken, K. 9, 20.

rj(Ki2Tj .K)? KN.; rj nm ^12^ rijst {cmtim {\\ ofxht nKijjjj) beras, katjang, goedé, kajilelé, dj arak, enz., stampen om die verder te ontbolsteren, en van de binnenste hoornachtige schaal, die ze nog bedekt te ontdoen; het eerste óf ruwere ontbolsteren, of wegnemen van de buitenste schil door stamping , heet (hr^(i5Yjj\\ zie bij (imnsnw verder tjmirjojiip\\ dial, voor vj on 2 rj 9.; t criyi \\ in 0(i^ xe: \\ W VV. zie hij rrj Kiz^ z (m^ {vrg. iK^asrjsy

cKjji ty rn /j \\ zie bij (Ht^

n 7 .. o

ihj) (ui (hi/js zie bij (hjj (Ki w

(k^ck^mji^ en (^(tJichn/jsKii. t laag, verdieping, de ééne op of boven de andere \\ op, boven 0 ƒ over elkander heen; met iets er boven op gelegd, gegroeid, enz.; dubbel, van een bloem {vrg. xsr^nnin en (kd njijj). dricdubbeld hoven elkander,

^ ctnt s \\ en njj^ o \\ bij lagen op o/boven elkander. laagsgewijze, op o/*over

elkander. — (H^i jnn/js bij lagen op elkander leggen of stapelen. — stapelen op; onmiddellijk volgen op, bv. de eene pijl op de andere. (Kj^ tj K t z anjj zie hij ^ ^ \\ II.

(k^ i^ k)^\\ kw. zva. rj (K) \\ e7t eign. van één van de Korawas-, en van één van de rijksgrooten van Vorst Dana-pati {Skr. S 0 ese naquot;).

■ki of (Kn (un (7vj\\ kw. zva. rj (ijMjj^ {Skr. s a h a s r a).

(hJi[iK^xm(u^\\ de duizendarmige.

(Ki^K^sKVf. zva. (un(tLi(ur}iru\\ {vrg. (Ki(K)\\).

kw. zva. tj iKrt 2(hjt (Lrtjj en (waarsch.

verbastering van ck^\\ Skr. so esir aw ah ,

beroemd, vermaard, pk.). — uikk^^s zva. ^ikk^

s\' Q* o .

^ un (isii *Ll lAJ) w/j^ ^ Kn o-i ihh tj k)z [(tJ^\\ alom

vermaard en beroemd.

(kktuk kn. verkeerde gang, dwaling, afdoling; ooA1 dwa-


-ocr page 590-

TT

510

M \'K j \\

ling v(i7i het verstand; zondig. — 0JiW(hJinuj\\ van zijn stuk en in de war zijn, in het spreken, of hij het verrigten van een of ander door zennw-aehtigheid alles verkeerd doen, (Rs.) Rh. — nnws (fioèt. njjiamp;i Ki\\ Tj.) een verkeerden gang of weg gaan ; uit het spoor gaan; afdwalen; een verkeerd, zondig leven leiden (vrq. r rriy?(m \\ en i/n £1 rtnoJi^).

0 v 17 CCS co 7

-- fiu(M:ki\\ verdwalen, verdwaald raken, liet spoor bijster worden; van de wijs raken, de kluts kwijt raken. — van de regte weg afbrengend.

— (hn(Kit)r) hm\\ iemand doen dwalen, op een dwaalweg brengen; misleiden; iii de war, van zijn stuk of van de wijs brengen; iets nit den regten koers doen gaan. oji w(uiqs van de regte weg af. (ia.fLinnj^0\\ een dwaalweg. (ïjiin/ia/vf^/nwojtni

rji\'

T

naar alle kanten de vlngt nemen en zich ver-

strooijen {vrg. aij(kv\'rt(mji bij oji\\). — (iJt(m(M\\ het afdwalen, en ki. van \\ 2. — lunHjtKi-n (ui/j\\ dwaalspoor, dwaalweg.

(uhk^\\tFj. een koopmansterm, in zamenstelling met hei accidenteel passief vvn telwoorden , en met de telwoorden 50 en 60 zelf gt; om de helft van het zoo-

/■

veelste tiental ie het eek enen. Zoo un (ui om v N.,

^ ii K o , jgt; o v

Uil (V) (Hl JdKKJ)\\ K. , ÖÖ ; lOl IWI (Eli {OJ iui) (El) N.,

* O a r

OD OJt (tUl ~£A(iJ^ \\ K., OOK ^ 40; (HU

Cquot;) S* i O S w ** C\') O

iïïjm^A(h^\\ ook flvc/j»(iami^A(K^\\ 55; nm nji iny w (Krt \\ 65; ckt! rj (Di i nut (U) nCj \\ 75; tai dJ) ivn Kt qji \\ 85.

ocy o \'

W mnKW. zva. fcn (u cni/jsKX. het snelle ronddraaien,

CY

bv. van een wiel en hij het walsen {vrg. ^\\); duw om door opschuiving vooruit te komen; ook zva. (ïi ui ij lt;~n (Hiji \\ en benaming van een ring in de vorm van een kronkelende slang, ceuw ^ukis kn., (^)j(^(QQi\\ ki)., een gouden ring van dat fatsoen

{vrg. ((K}\\). (fnS)\\ dnwen, opduwen, om vooruit

OCY

te komen, lun(tjoji\\ teruggedreven, teruggeslagen worden . van vijanden.

iK)iki \\ KW. en Ml. zva. mi nw/)\\ kn. naam van een do-

r*

renstruik. Ti\', een rasp vaii blik (vrg. (ui r^nstyj).

* a aS j o . o cV O . o

(ui oj) (1^1 (Ki \\ verb, van (ui 11 ki ki \\ {vrg. cmdJiwrvi

■ri\\ vorm van bijgebouwen alleen met een afdak. (ui (K]\\ lijn schrapen; iets, zooals kaas, met een mes of iets scherps, fijn afschrapen , voor den derden en meer keeren ploegen, SG. ook langzaam afnemen, verminderen, bv. van iemands rijkdom of

iets af-

krachten. — (ui un \'ti ij(uti \\ voor sehrapen; iets aan een ander geven om af te schra. pen. — njiK]li\\ zie heneden.

0v^fl^\\KN. Iiets, zooals pek, was, of boombast, zooé \\ van de salam- en toeri-boom, om garen of draail I te bestrijken. — (u^(ij^ t]\\ met wrijveno/|

bestrijken. 2. kn., ajin^(iJi\\Kl., een pluimpje tv I bak, dat de Javaan, na een sirih-pruim in den I mond gestoken te hebben, over de tanden heen en 1 weer strijkt en dan tusschen de tanden en lippen houdt; en {m cm (fh ui iuj ki\\ki.) op die wijze tabak I pruimen. — n^nji yis de tanden met tabak wrijven. | — (^(Kyri(uijf\\ iijiij h)-tj(ui/js om te pruimen, liet j gepruimde.

/ . j*. s ^ (Mtia-j) \\ en ^tui rj ki\\ zie bij vjojiw

/ s . S

Ij W 2 yj :K) 2 \\ zva. fj DJ) 2 Ij (IJ) 171 VJ (IJ) 2 tj K12 gt;j V.ll rj JH)

(uiiji\\ kn. naatn van een plant, gelijk een cactus, met vrij weeke bladen, die tot het rijp malen va» 1 gezwellen gebruikt worden\', ook rjjji2 tj ifi2gt; onder-geschikte, van rjKi2\\ zva. r^()Ji2n^(Kitr-n(K]j\\-vj an 2 tj w 9 \\ met den snavel wroeten of slobberen,! van eenden, ganzen, enz. ojjii eji? y /m e* \\ TjOJii iquot;! (ui 2 rn (tnji \\ zie bij irjojidw (iji{(k^%\\ en (tJi(un (uij^\\ zie bij CU) (U) n (uil (ui\\ KW. zva. (ui(aj,\\(wiuti G. \'

/\' • 7.. / \'

(1.7 (Ki(i^(Kp\\ zie bij (1.1/Kiw (Kf^fUis zie\'bij (k^^w gt;(jk^iij^uii^i\\kw. een-(van (Ujfuii jji\\ Vrg. w(kqrn uiiw\\).

Qu O o /c, I

(kq (ijj \\ KW. zva. (unuii\\ a/n (Kt asiyj en (ijkvis [m. I

si0eska, droog, uitgedroogd; onvruchtbaar). iKiuKun^ kn. 1. pont op twee of meer aan elkander vei 1 bondene prauwen, om over een rivier te var er, I vlot van heele stukken hamhoe; en een van hatnht gevlochten horde tot vloer o/vloering.

(uun (of vj ui ij kji uiijj\\) een van gesneden bamboe ge-vlochtene cilindervormige bewaarplaats voor padi, op een zoldertje in huis geplaatst, volg. Rh. 1 tji rüu\\ gen. 2. — an(ijigaan waar geen weg | is, zooals door het kreupelhout, riet of ongi woud i dwalen. an (ki un JPn m (ui iüÏ!\\ i n het donker | loopen. — iitji t ui tui (Hiyf en an ruajitni/js zie bene-

o

den. S.oji(ui(uiiji\\dial. van iji(kicrtijj PJ.

(ui un KW. een wind die boomen om verrukt, 6. |

ki u n/j\\ — (U^ rruj rj chj rut

n - no

.ututnnjj of (ut Kiu)ijj\\ kn. eng, nauw; te eng, ^ 1 nauw, zoodat men er niet door of niet in kan (WH


-ocr page 591-

7j (yj) i rj ^ » i tuil tinji \\

on

(KJ)

51]

MiKti/j en miw/j\\ en Q k hj) ; eug ,

kort, van den adem {vrg. wmi unjj). ihlmnn^ eng van mensohen , van eenplaais daar men door (to menigte menschen een nauwe passage heeft.

_ jïnw wj \\ of fn (bi wi \\ het ergens of iemand, te

eng maken, zoodat men er niet goed zitten of passeren kan.

ojIiiMiip zie cfJdji kii/j\\ 0aJirri\\ de eerste lëgèn

Kr.

van een aren

flSfMMJ^KN.schnb, schubben, zooals van een visch;{zie m tril u \'*™/l bij n™ 7° }0lfl)gt; ^ ^ ^ quot;2/ tnijj ben. van een der schuhhen aan de pooten van een vechthaan, hetgeen als een slecht te eken beschouwd wordt; volg. WW. ook zvct. ihli asïi tïji ttiunjj\\ zie bij tui rvt (trn (M ajj Hnji of (tjirviwituw

. , . . O O O

nm i \\ zie OV) u) ru \\\\ \\ ij lt;im trjiLit r:i mi (KjI un -xi iïhyjs gaten in de vorm van schubben. — (Hiuj

o s O O O

h\') K)ifj\\ k\\v. zva. \'rj (hn ?rjaj)i\\\\ (hi ki oat \\ kn. een visch schubben, afschubben; iets afschilferen, van iets de schilfers, schors of korst afschrapen, de binnenzijde gelijkmaken ; van bamboe, de 15^ o \\ wegsnijden. — (Ki wihmMijj^obJ. den.; bamboe waar de toempi afgenomen is. Tj.

1. kw,, zva. en 2. kn.

schop, schopje of spaan van bamboe, om iets te besteken of los te steken; speetje of pen om er iets op te steken {vrg. ^ ); ook een gouden pen of draad tusschen de huid en het vleesch ingestoken, om onkwetsbaar te maken; ook geld terug, wat men van een gegeven stuk als teveel terug ontvangt {zva.

trjom\\ een pen of naald van goud, zilver of swasa, en met een knop, in de tj (Hn z rj nrpi w —iun q \\ iets met een soesoek steken, lossteken of uitsteken; tot kanaal of afleiding strekken, rj tm

een fistel. — ^ H^N etl ergens

in, of voor een waterleiding, met een soesoek werken; uitdiepen der waterleidingen SG.; ook iemand het teveel teruggeven. — ^ ^ aj) kïiji\\ ongeveer zva. in poezie ook zva. (E/i tli q w

— \'k/ \' / ^h\' (h2JI^ gegraven kanaal tot leiding of aile\'uling van water {vrg. jA(mjiy

fj K) hjj nnjj \\ zie hij tj iun kj unjj\\

^(wtjwihvjjs kn. een van bamboe gevlochtene horde of mat; fijner dan jj) m un/j\\ \\^ w ij m urtji\\ zie bij (kj) (hi iuii/j \\

y (KI 2 Tj !K\'12 OOI (UI fj \\ zie bij rj (M 2 Ut)/j \\

o^i(lüjn kw. mz (k)(ia\\ kn. volg. Kli. betere spelling dan /y afgevallen , vermagerd ; ai vallen, vermageren, afnemen, wegzakken van water ;

boven.

de Rama. — ^ ^ kw. zva. (isij (ru(Kjiu)^ en (HJ) rmi (Vgt;ti ny oj\'i j w

zie ook

O o T j O n ) o .

(Kjw(ui\\ ook wel (Ki(Kina\\ kn. zva. a i iti(uinveinzen ;

bv. M!hJi /io \\ of (Hi tj \\ veinzen te slapen (vrg.

(KJi(m\\ en (un iS(ijn (u \\ bij mkljis II.).

(KJ) oj) (in ni \\ zie bij (kiww tj k) |.j \\ zie bij vj (1.7) (fa) \\\\

(tj) (KJK)snji\\ ook wel, en eigent lijk, (Kiam asn qs en gew. (K^ asn^\\ kn. zoo goed als ^ haast of hijkans even (zoo groot, zoo erg of zoo goed) als. {Skr. sdxa.t, in het gezigt, voor hot gezigt; blijkbaar, gelijk, als). Zoo ook ik) :ki tj v — {(fs^oj) oj) (iyj\\ zoo goed zijn als {vrg. wan (h]\\).— ihd (S(kd a-j) asriji \\ zva. asn/jx

O Ct

(KJ) (Kj) asnjj en (hi k) asnjj \\ zva. ij (K irj aj) (h}i/j en rj (hi rj tJt ■ ^

o r»

(Kj)rf(K)nstTji en oovjaji(isnj)\\ zva. nrj(kirjoj) nsryj en vj ao

V\'K)\'^

tjojioj(ki) (vm/j*kn. geschaafd, zoodat het vel of de schors er afgescheurd ot afgestroopt is {vrg. wwasnjj en (hjitjnj) en imxTniHvjj). rj (hitjoj)hsiiji\\ iets

afstroopen, de huid of schors er aftrekken, ooi (amp;1 rjwrjcKJi(^tJ(Hiji\\ gevoelig van de huid, door een nog niet geheel genezen scheur of schaving.

o

rj(KJ)2Vj(KJ)2 asnjjx — ij (Hiifrj(Ki)2 (isnjj\\ tj (Hi z vj .K) t (v,h \\ niv. Tj on t rj (ki 2 (i^fj kii \\ iem uitschelden, bep. van vrouwen, (Rs. Waj.) Rh.

T o o cquot;)

1. kw. zva. (tv)(Mjj\\ asr^ruiw^Aonfj en on cmtamp;KHi/j {Skr. sjdstra, schrift, geschrift, sjas-tra, wapentuig). 2. kn. letteren, letterkunde; ook meer hep. Kawi-liederen, Waj. I, 8. 3. k., zie iun hu w ^ (isï^(Hr)a-jf{ijQ\\ kw. ecu schrijver. (V)o^i (Kj) JriK/bedreven in de lettered.

benaming van de schrijfwijze of spelling in Kaïvi-gedichten, waarbij de woorden en lettergrepen van de woorden niet van elkander gehouden, maarzoo verbonden worden dat alles in eens doorloopt. (Ki) (rn W) naam van een Kawische zangwijs in ^ kw. zva. ^(rufyjtiHjj 0

IH7) (K^j (KJ) ^ KN • let-

terkunde, verkregen kennis door letteroefening.


-ocr page 592-

; ) n bm (t/iN

Cquot;)

(hJj (Kt \\

508

geëerde stukken yeschut, waarin hun zielen gevaren zonden zijn, en waarvan hel tweede zich op de Siting gil ie Üoerakarta, maar hei eerste ie Batavia bevindt.

lt;ïj) n di» v \'fji \\ zie hij i i ibn ^ i w

\'K/i IjD \\ n., (h/i(ro (ui (isn/f\\ K , duidelijk voor oogen, duidelijk zigtbaar; {ook verstaan, begrijpen. G.; ij) iigt;nfi, in den zin van het tikr. sax at, en verk. van iM 1.1 ühij gt; en (ehunw Vrg. .v,n ij foittii \\ en ./-V ik) ^iiu}\\). i(Mjdb/j\\ onder iemands eigen

oogen, bv. iets wegnemen. •— an(igt;imsn\\ kw. zva.

) • o

i njn r-js en 11 i i. tMnn ./i tj.iww

pass. gt;i(uit*I(lt;gt;/jiiii)n 1. kw. Hn tfnwt

an,! \\ 3. n., jtii I )(in i\'i dn jsK., duidelijk te zien.

) -gt; ) - )

i i i o ni\\ en i i gt;Lgt;n if mi oj i i irii anq kn. een

breede strook geweven goed voor een gordel of

eingel.

j i i n lt;rnlt; kn. naam van een boom en van hei bruin gespikkeld hout daarvan, veel voor wandelstokken gebruikt.

rj m iVjï^ tj i :n d (Hi \\ zie bij ij v i x^ri \\\\

) n quot;. (■gt; )

i i i n i n a i/js zte niKfopiv.n\'iujj\\

i ) ibw \\ kn. kloet, boom, om een vaartuig voort te duwen (vrg. .ui tii\'n \\ V — r/n uw itn \\ kloeten, boomen; een vaartuig met een boom voortduwen.

a yjiibiis zament rek king van ris» viïw 1^ hll(tJj\\ of I ] gt;1 lylKUl \\ ook tluj, iiltljp of d j Ij (i,HU ^ en ilasnap of u.j ij,liilt;i ^\\ bij verkorting i na p of\' ij hikrj kw. zva. iui ifjrtu (hijj en hiiCi\\ (Sir. si-tdng s i o e , de witstralende, de maan; en sjifdny-sjofy de koudstralende, de maan. trg. i(Jasn/ui /fl\\

bij (K)(hii\\).

O O. O • ƒ

(tJKiiii (rniruji^ zie bij kiiujw

n . c quot;gt; o

zie a/n (ui (ijiji \\

CY

hi.hJi\\ kw. i. zva. nu (hin en ny i,y .gt;\\{vrg. kih/h hi), 2. zva. tri (jfi\\ en (hi ii \\ (Skr. sj as j a, haas of konijn, en de vlek op do maan). KUKi uinis zva. iwi(^cmrj(ij}\\ en iviwjj \\ (Skr. sjasjadara de maan), a^ i w (ui ni un dji uw zva. iU^ y Li(Hi \'n ajn in wijl\\ kn. naam van een Kawische zangwijs. — (EJt(U}(hJt\\ als een dwingeland te werk gaan, stijfhoofdig voortgaan, zijn eigen hoofd volgen; iemand dwingen of forceren., zva. (Qhii ^i.w JR. (iJ)(M\\ 1. kw. zva. uji £1^ urm ij (Skr. sj a sj l. Vrg. w !ki\\2). 2. (k)im n. , Ojj n.i (Hifi\\K.(volg. Rh. beide kn.)

. , maand. — inrja i Hn - h ij mi mn, Hij mi (Hijjwoov een volle maand houden of rekenen.

— i njlt;i.t iaji\\ i j in i hj (in/j\\ bij de maand, maandelijks ; maandelijksehj bij maanden, maandenlang.

, ) ,

l lil\' zie (t jit rj \\ 1.

) (quot;gt; , . o ,, •

In r j. zie i imi^iw 2. kw. zva. ntiutw

/) mgt; kn., f^/.;,m\\kw., overschot, rest, overblijfsel,

overgeschoten brokken j overblijven (Skr. sjesa,

overblijfsel, overschot. Vrg. ini n \\ en y

. ..an

ij ilh ij n?(Ut nn/j). iu i.iiHj IfH1^ m•\' f i i\\ ge-

regten die nog onaangeroerd gebleven zijn. i nmi lt;Kj\\ wat een hond van zijn eten heeft overgelafeu. i\'^i i i ij tij ini 11 ihii\\ de overgeblevenen van dc gesneuvelden, de niet gesneuvelden, fja^i whj iii,iii\\ poet., de aan den dood ontkomenen. [ ^^j i n ifji] iiujijióid\\ een vrouw trouwen, die geen maagd meer is. — m(him/j\\ overblijfsel, wat dooreen ander overgelaten is; ook metcén,iegelijk (eiy^nani het schijnt, als restant. Vrg. (L?kki(hi/j). — um i.js het eerst van iets (s))ijs of drank) gebruik maken en daardoor het overschot als het ware aan iemand overlaten. — hi.kihh jHVjHHs iets tegelijk opmaken; tegelijk (metcén) doen plaats hebben, geheel volbrengen ; een half doodedcw genadeslag geven, Rh. iemand mete\'cn hetzelfde lot doen ondergaan. iu\\(jfj\\ 1. kn. snuiten, snot uitblazen, zich den ucus snuiten. — an ij .hhhjs zich den neus snuitende een voorwerp met snot treflen. L. 268 2. K\\y. zva. r.ntpr* \' f/\' p I■ n., i]\'i.i\\ k., haast, overhaasting (vrg. (nj (Uj gt;\' ). — (K^(tj^i^(fji\\ hlki i.i i.i\\ groote haast maken. (in PJ. i j hr}jquot;h wj sterk oj) aandringen).

— Hrithid ihh(Ki ki\\ gehaast^ met overhaasting, te haastig; gehaast zijn, zich zeer haasten, zich overhaasten.

ii. (I j d j gt; kn., d. 1 KI lUJjj \\ kd., li l g? (LUI (Hlij üf 1}

(ui(ifiJ)j(Uini\\ ki., de borsten van ecu

vrouw; ^j\'* p 00k die van een man (vrg. wmj/n). i.nnj^(kjn.j\\ n., ij ihiiifdjiki^k^ k., en ookd ^ kn., moedermelk, zog; maar n., ijmi^n

(HTjj of njj {(un (laji en tu tu M^orijj^ k.j melk in het algemeen. — m^/jnKN., Qi(tjt(iJijj\\ ki. , zuigen aan de borst. Hj ij i.u(Sj\\ imdJnji Si\\ zogen, een kind de borst geven (vrg. im ijiLi J.is in rj ^j\\)l

ook een kind aan de (leêge) borst laten zuigen, van

§. i . o een kindermeid\'. .17)7 iaji(ijidJi (yii (uï^ rmjj\\ \\ vn.im


-ocr page 593-

509

op

eea zeng. — ojjija^unn^Wi^. trek, haal, hij het

- DO

zuigen. \'/M ton/j of iuicut ui i ^ (ui ~~i

zuigeling; medcKuigeling, zoogbroeder;en (u^rf zog, (iip-) U.waarvoor (teregt ?) G. MOJKtj^w vmui\\ 1. mmw 3. verkorting in de spreektaal van iOitj(KJ}(hj}\\ (vrg. n3lt;£jjj\\). poet. de

ondergeschikte ?

Chin, sosji, kn., oj. ki. sleutel (vr^. (rjMdijnitcrrt/i en hy^li\\).

kn. zva. tin?rjoj)?\\ of lt;rjtutdrf m2ly(tm2 ifjojiis (vrg. ^lt;13)2i]M2\\). ij virt2 lomp

zijn in het spreken, in drift iemand kwade woorden toevoegen ; een bek opzetten, JR.

ii\\M^ zie (K^njj^w

kn. zijde, kant, van de ééne zijde in tegenoverstelling van de andere {vrg. (un^i xncmj^ en ru ^j\\); aan de ééne zijde, aan weerszijden.

rjitin^ aan de noordzijde, tun uti ij ki hu (m gt;5] 7^] q \\ zijn ééne hand. iei £7lt;m ^ alleen aan de ééne zijde. rj (ü) 21^1 (M fM j \\ acht aan weêrskan ten. w nm ij ili ajt

fm)lt;K»j-3lt;M^zijn éenebeen is korter (dan het andere).

Cu\'

a/n (mm ■gt; ru in/I of .m (ki % tun w m lii \\ Djamp;ja nevens zich hehhen, bv. bij het met zijn tweëen dragen,

. tVU •quot; 0 0 __0 a

met Ujaja. uti q — ti/n M wn (hi/j\\

zijn tegenpartij vinden, (Rs.) Rh. — o/} op zijde gaan, ter zijden, of ter zijden uitgaan; éénzijdig, partijdig zijn; ongelijk, van een partijdig toegewezen aan-deel\\ van een paard aan ééne zijde zwaarder op de teugel zijn, Rh. iets, zooals zand, naar weerskanten strijken of verwijderen, w % cm in )njf regts ter zijde gaan. — ter zijden wijken. —

(hnjj\\ iets op zijde nevens zich hebben, bv. een Javaansche vertaling nevens een Holland-sche brief. — wn?, ^ (ini (kiji\\ de ééne partij; één van beiden; tegenwigt, tegenstuk, tegenhanger , wecrgu {org. ru ojt (hnjj \\ nsn ^ (m/j en asn (vgt;ii lt;gj»(in(hjji). (un(urn(uyiM_7MWtdni (Hi/i\\ schoon zonder weerga.

M^nkn. onaangenaamheid; zorg, moeite, last,verdriet , mismoedigheid, droef heid; het onaangenaam vinden; moeijelijk. lastig; verdrietig, bozorgd,mismoedig , bedroefd ; ook zich de moeite geven van iets te doen {vrg. ^(umiKK^aJiook ^ajn2

zich niet de moeite geven; niet behoeven. — (K^(hj)^(un\\ iemand moeite of verdriet aandoen, bemoeijelijken, bedroeven, nuqajn(hiji\\ in onaangename, moeijelijke omstandigheden zijn; misnoegd, bedroefd; onaangename omstandigheden, moeijelijkheid, ongelegenheid; misnoegdheid, bedroefdheid . — ^ 17»; h u * onaangenaamheid, zorg, moeite o/verdriet veroorzaken; lastig.

(kjifhjiqs kn. , ki)., nest, zooals van een vogel.

^ muizenest. — ■?N ^|7^ ? ^ nes

telen, een nest maken; ook suffen, kindsch worden door ouderdom; kindsch. — tia(hJi?(ur)\\ ergens een nest maken, K. 9, 20.

rj OJI2 (K12 k n.; rj (in 2 IJ (K12 Hjst ( ot) it» of (1711

niajin) her as, katjang, goedé y kadelé, djara/c, enz,^ stampen om die verder te ontbolsteren, en van de binnenste hoornachtige schaal, die ze nog bedekt te ontdoen; het eerste óf ruwere ontbolsteren, of wegnemen van de buitenste schil door stamping, heet zie bij asr^amw verder tj m 2 rj ui 2 ? \\

dial, voor lt;rjw2 7j{uuonrtjj\\ in 0lt;L^ ifs\\ WW. zie bij (rj(hJi2orj(uii2amjj\\ {vrg.

(K/iaji(ur^(i^(Hiji\\ zie bij (ij^ajridnjjs

o ~ 7 .. o

ui (ui ki/js zie bij (ui (i.fi w

en (K^fu^(hnjj\\Kii., laag, verdieping, de ééne op of boven de andere\', op , boven of over elkander heen; met iets er boven op gelegd, gegroeid, enz.; dubbel, van een bloem {vrg. x^cnn en (ui lujj). (K^a^^irvj driednbbeld hoven elkander.

arm s \\ en (u^d^^ifji Jï\\ bij lagen op of boven elkander. laagsgewijze, op o/*over

elkander. — ^; 1 lagen op elkander leggen of stapelen. — stapelen op; onmiddellijk \\olgen op, bv. de eene pijl op de andere.

ojirjijidonji zie bij \\ II.

(kj^ ij tuikav. zva. rj(i^(H^\\ en eign. van één van de Korawas-, en van één van de rijksgrootcn van Vorst Dana-pati {Skr. S 0 ese na^.

mi of (uiuil/vjnkw. zva. rj (uiajti {Skr. sah asr a). (ui [(u^im (tn^ \\ de duizen darmige.

,\'m [uy kw. zva. (un nQia/n (ru\\ {vrg. (Kvruis).

kw. zva. rj Kii2(rji (ujj en Sa^ hjj^ (waarsch. verbastering van (uj ^ntri-tiJi \\ Skr. so e sir aio ah , beroemd, vermaard, pk.). — ihyinji^uijs zva. (urio-j^

/ Ov o 1

fUjj un asn (K^ j tu ihvi (WJI^ n kti (ui [tu^doi ij ui 2 [(u^\\ alom vermaard en beroemd.

(ui(ui\\ kn. verkeerde gang, dwaling, afdoling; ook dwa-


-ocr page 594-

510 ojtfhji \\

ling van hei verstand; zondig. — van

zijn stuk en in de war zijn, in het spreken, of hij het verrigten van een of ander door zenuwachtigheid alles verkeerd doen, (lis.) Rh. — ihkms (poet. ()jitEQ(M\\ Tj.) ecu verkeerden gang of weg gaan ; uit het spoor gaan; afdwalen; een verkeerd,

zondig leven leiden (vrn. w n/i (:m \\ en ini ki ).

co co 7

-- iiïïioj)!M\\ verdwalen, verdwaald raken, het spoor bijster worden; van de wijs raken, de kluts kwijt raken. — (m cut rn \\ van de regte weg afbrengend.

(hn:ijitj(Kn\\ iemand doen dwalen, op een dwaalweg brengen; misleiden; in de war, van zijn stuk of van de wijs brengen; iets uit den regten koers doen gaan. — aj^ojin-}anjis van de regte weg af. (iaiv)ihnji0\\ een dwaalweg. (Pji mjn/ujr/n wqj) \'quot;n (mjj\\ naar alle kanten de vlugt nemen en zich ver-strooijeu {vrg. aijiiui\'-tinnjj bij ojw), nj)(uyfjj\\ het afdwalen, en ki. van ^n 2. — (tnni w/j\\ dwaalspoor, dwaalweg.

te. een koopmansterm, in zamensielling met het accidenteel passief vvn telwoorden , en met de telwoorden 50 en 60 zelf, om de helft van het zoo-

veelste tiental te heteehenen. Zoo ihh tui tim v N.,

nr O n , r a \\ \'

uil nj) (ki -ükkjj \\ k ., ó5 ; im ru (E.* {pf (un foi) n n.,

/ r O ^ a K

ook (tsn-bï^xKN., 45; mi

O S j o ^ e k Cquot;) o

(iïjiEiook nj)(in uii55; tun (iji ki

65; flrw ij (Ui 2 (K/)(K/t \\ 75 j tmi (L7i 85.

tamp;lwsKVf. zva. (tri (u(rn/j\\kn. het snelle ronddraaijeu,

• (quot;y

bv. van een wiel en bij het walsen {vrg. w\\)\\ duw

om door opsehuiving vooruit te komen; ook zva.

(kiijm(hnjjs en benaming van een ring in de

) CV

vorm van een kronkelende slang, (eh(ui^ii(ki\\ kn., ij(h^ijloh\\ ki)., een gouden ring van dat fatsoen

(vrg. Ln). — dnwen, opduwen, om vooruit

O (TV

te komen, wi(kji(ui\\ teruggedreven, teruggeslagen worden, van vijanden.

«ÏJ^nkw. en Ml. zva.101 kn. naam van een dorenstruik. TP. een rasp vari blik (vrg. nji r^tvm/i).

» o as j o . o cv , o . o

(ui (ukui (ui \\ verb, van (ui iji (ui hji \\ {org. cm an oji (nji

ri\\ vorm van bijgebouwen alleen met een afdak.

— (hi Z) \\ iij n schrapen; iets, zooals kaas, met een mes of iets scherps, fijn afschrapen , voor den derden en meer keeren ploegen, SG. ook langzaam afnemen, verminderen, bv. van iemands rijkdom of krachten. (uidJim tjiuris voor iemand iets af-

•¥v

schrapen ; iets aan een ander geven om ai\' te sclira. pen. — (ui!i3jj/\\ zie heneden.

^/jfl^\\kn. \\., iets, zooals pek, was, of boombast, zooah van de salam- en toeri-boom, om garen of draai] te bestrijken. — ^t/jj n \\ met wrijven o/

bestrijken. 2. kn., (ui(u^(iji\\ ki. , een pruimpje tabak, dat de Javaan, na een sirih-pruim iu den mond gestoken te hebben, over de tanden heen en weer strijkt en dan tusschen de tanden en lippen houdt; en {r;i nri if/i^i iijjk]\\K\\.) op die wijze tabak pruimen. — (i^(i^ni\\ de tanden met tabak wrijven. — (K)jj\\ (ui Krrran^ om tc pruimen, het

gepruimde.

^ s • j * /

rj (ui ij iji \\ en ij m ij a^i \\ zie bij tj hji \\\\

/ s . S

Ij ?.\'J ? Ij (UI 2 \\ zva. Tj (IJl 2 Ij (IJl 2\\ zn Vj IIJ12 Ij ,7v 12 tj V.ll tj m (uiijj \\ kn. naam van een plant, gelijk een cactus, met vrij weeke bladen , die tot het rijp maken van gezwellen gebruikt worden; ook oj(ui2ij ki2gt; ondergeschikte, van irjW2\\ zva. Tj(iJi2nj(ki2maap — nj an 2ij (i.i 2 n met den snavel wroeten of slobberen,

van eenden, ganzen, enz. — (ujij En2ij\'i/m\\ en

/ . j.. S

Tj (Ki z ij (iji 2 rt i Tnj) \\ zie bij Tj (ki 2 w

ajifoj^^s en (ijii^^ajri ,m/j\\ zie bij

(U}ajiii (hu (ui \\ kw. zva. qji ((ij^ (hyi ^a.n\\ (t. \'

/\' s . / 1

qj)cu)zie bij (ijiojIw

djj^ (ui \\ zie \'bij (i^((K^\\\\

:iji nsn kw.. een wind die boomen om verrukt, G.

{van (u^hu jji\\ Vrg. (iJiwn hii(iji\\).

O o /c,

ik*! iKj \\ kw. zva. (uii 1.11 \\ (mi (ki asnjj en (ijkuis [okf.

sioeska, droog, uitgedroogd ; onvruchtbaar). ki kv mi/i* kn. 1. pont op twee of meer aan elkander verbondene prauwen, om over een rivier te varen; vlot van heele stukken bamboe; en een van bamlot gevlochten horde tot vloer 0/vloering. , w

(Hmj {of Tj.uitj.uinTi^\\) een van gesneden bamboe ge-vlochtene cilindervormige bewaarplaats voor padi,

op een zoldertje in huis geplaatst, volg. Rh.

ry

(tj dsn \\ gen. 2. — (m (iji firiijj\\ gaan waar geen weg

is, zooals door het kreupelhout, riet of ongehaani

woudï dwalen, on(i-i un Jrïtjcüloin \\ in het donker

loopen. — (hlrui(ui(hiijf en an iuiui(inifj\\ zie hem-

0

den. S. (ukui(Hrijj\\dial, van (ui(ui(irnjj PJ. —•

cko

:K1 (Uil /j\\ - (IJjj TUj Tj (Uj (TUI

Li ut unjj of (fji(uiihriijj\\ kn. eng , nauw; te eng, ^ nauw, zoodat men er niet door of niet in kan (#


-ocr page 595-

tj ik1) 2 !K\'i ^ nn (inji \\

C ) C)

(hJ) HJ) tui) n \\

Bil

n

O O O i. / «

mmi/i en oJMcmjl en ^iuikhj)- eng,

kort, van den adem {vrg. wimun/j).

tjtvits eng van menschen , van een plaats daar men

door de menvjlc menschen een nauwe passage heeft.

— of tn (bi \\ het ergens of iemand te eng maken, zoodat men er niet goed zitten of passeren kan.

(QjJtni/j\\ zie mik/)!Uv/j\\ 0(Mrn\\ de eerste lëgèn

van een aren, Kr.

m ?3 w\'\'^nKN.schub, schubben, zooals van een visch;{zie (M (rCt u ooi/j bij iw 7 ^ i™/j), /gt;3 (u hti nli tntji ben. van een der schubben aan de pooien van een vechthaan, hetgeen aU een slecht teelten beschouwd wordt\', volg. WW. ook zva. (bit télt J^tj ru !U^Jjv zie hij (St (St Mtyjs (Ui irvi(trn w a3iHnji of aJtrunKi tu iï

,c . o o o

nm/j \\ zie hij di ri t w n ij (im z tj vu 2 rn w (hjt trti -yj

MHnjl\\ gaten in de vorm van schubben. — oflijj

a s o o ct

(KHHn/jsKVi. zva. \'rjantvjdJttw (HtMityr* kn. een

visch schubben, afschnbben; iets afschilferen, van iets de schilfers, schors of korst afschrapen, de binnenzijde gelijkmaken; van hamhoe y clet^o J?\\ wegsnijden. — rM tS mj obj. den.; bamboe waar de toempi afgenomen is. Tj.

1. kw. zva. (tot irtrt\\ en 2. kn.

schop, schopje of spaan van bamboe, om iets te besteken o/* los te steken; speetje of pen om er iets op te steken {vrg. ook een gouden pen

of draad tnsschen de huid en het vleesch ingestoken, om onkwetsbaar (fncrtj^) te maken; ook geld terug, wat men van een gegeven stuk als teveel terug ontvangt {zva. iif^d^tvtji).

een pen of naald vati goud, zilver of swasa, en met een knop, in de tj un i rj mm w —

iets met een soesoek steken, lossteken (?ƒ uitsteken; tot kanaal of afleiding strekken, tj mi z ij

een fistel. — tH^uj(tni\\ mv., en ergens in, of voor een waterleiding, met een soesoek werken; uitdiepen der waterleidingen SG.; ook iemand het teveel teruggeven. — lhJ/l,amp;/j(Kfi\'u^J}s ongeveer zva. in poezie oofc zva. (V^ruqw

— gegraven kanaal tot leiding of afleiding van water {vrg. lisn (ij)

^ U^JJK zie bij y int vy N \')w7j:kihi)jj\\ kn. een van bamboe gevlochtene horde of mat; fijner dan KJi ^ un/js \\ if m htiji\\

zie hij (KttMihit/js rj ?vn ij cm 2 nri nnjj \\ zie hij rj m 2 un /j \\

(h.jtn^/jn kw. ojjans kn. volg. Rh. betere spelling dan Kjw(Ktijjs afgevallen, vermagerd; afvallen , vermageren , afnemen , wegzakken van water ;

zie ook ajjaxt^ hoven.

O lt;d 7 . O 0 ) o .

(ij\\ (Kt (in \\ ook wel dii (Ki art \\ kn. zva. (jrïrttn vein zen ;

hv. KJjttJi (ut \\ of (fj) (i.t (ut tTrj^ ^ \\ veinzen te slapen (rr^.

^ o o 7.. O -w .

(ui(H) \\ en (tm nji(uii oji \\ Oij n/ii (iji\\ II.).

(ut tui an\'tis zie bij u) ui w zie bij 7jitJti(ilt;ji\\\\

(ui (K/} asti/is ook wel t en eigent lijk, (uinm asit ns en gew. [Mtajuw)(isnji\\ kn. zoo goed als; haast of bijkans even (zoo groot, zoo erg of zoo goed) als. {Skr. sdxat, in het gezigt, voor het gezigt;blijkbaar, gelijk, als). Zoo ook lut ui ^ tyn w — ;wui(iji lt;ig^\\ zoo goed zijn als {vrg. (fiajt:i,j\\).— un aQtui

(hJiasiijj\\ zva. {nj^ïwiwmii/js

o o

(ui (ui (ibitji en dn ui (isiijj^ zva. ij (u i ij tui (htt/j t nijnnrj ui ■ ^

O O

(ui ij (u i n5itji en (ut vj (ui asttj) \\ zva. tj \'ui rj dj) a^njj enrjon

Ij (U/l foiiji \\

ij(ij)iy(uj)(isrt/j:KT$. geschaafd, zoodat het vel of de schors er afgescheurd of afgestroopt is {vrg. (ui(Mani/j en (ui ij (ui asnji\\ e7i nm xirt lUTtjj). — lt;rj (hnrj(ui (isri^ \\ iets afstroopen, de huid of schors er aftrekken, tun (3 gevoelig van de huid, door een nog niet geheel genezen scheur of schaving.

asïijjs ijm?\'rj(ui2abnjj\\ \'tj (Ht 2rj (ui2 nff \\ mv. rj (ui dij (ui 2 (ifèT\'iJ Kit \\ iem uitschelden, bep. van vrouwen, (Rs. Waj.) Rh.

(ui\\ 1. kw. zva. tSYi iru(uijj\\ nsr^ vut ui an/j en on crrKamp;Kuyi {Skr. sj dstr a, schrift, geschrift, sj as-tra, wapentuig). 2. kn. letteren, letterkunde; ook meer bep. Kawi-liederen, Waj. I, 8. 3. k., zie mi un -tam w x asr^umj)^^ kw. een schrijver, ojkui (Ui ~/ti(i.,i^j \\ bedreven in de letteren, ui^uiukei ^,1 benaming van de schrijfwijze of spelling in Katüi-gedichten, waarbij de woorden en lettergrepen van de woorden niet van elkander gehouden, maar zoo verbonden zoor den dat alles in eens doorloopt, (ui (^lïlinmtrhi naam van een Kawische zangwijs in de Rama. (u^ji^ j^ kw. zva. ruii°i^ vt {\\ en (UixmiasiKru^ajt^\\\\ iUit(u^ uiN KN- letterkunde , verkregen kennis door letteroefening.

i\'P

lil

T i\'i iöi M

i

■4

KB


-ocr page 596-

5)2

^7

(/ƒlt;?/ wordt ook verklaard door iisn imi f oji(Kiiisyjjs of kw. zva. lh if i ia ! i af)/j {van

(KJ}\\ Of (U!N (Klil^JJj\\).

^ n^i 2 ftJ) ojjjj. lloll. s a ii c ij s , worst.

ci o o

iKII KV \\ kw. (Kl\'K1\\ en

wij ru/j\\Kn. stopsel o/* prop, om een gat of opening digt te maken, door het er in te steken (vry. oy (M £i iriAjj en tö) tEji ^Jiruji). tui uivtn^s met een sësël digtmaken, ergens in- of tusschen-krnipen; zich verstoppen. — (uiiinr^\\ ergens iets in, onder of tnsschen stoppen {yrg. \\~m wij ). — tai lt;Li jJ Men. Jig. overstelpt van het gemoed

door vreugde. — ikitJitriymi\\ iets ergens in, ouder of tnsschen stoppen.

w .m (riJjjj\\ kn.; /ui w gt;uji\\ iets {zooals een vogel een zaadkorrel) met den snavel pellen; iets peuzelen, pluizen, oppeuzelen. — wat zoo ge

peld of gepeuzeld wordt; iets te peuzelen; zie cm o

(hj}(njij^\\

ajjnrutji^ kmf.; fhj^rujjs iemand, die ergens heen of vooruit gegaan is, achternagaan, achternavolgen, achteroploopen; iemand, die vooruit is, inhalen (vrg. en nsr^ i:m rui/]). —iemand

een ander achternazenden; op iets iets anders laten volgen, als vervolg er bijvoegen. —^a-jigt;lt;gt;gt; met iemand een ander achternagaan; iets achterna zenden aan iemand, die ergens heen of vooruit ge-gaan is.acMerna; achter of na

iemand aankomen j zich achteraan houden in het méégaan; achteraan toegevoegd. — fM ojj n/^ anjj \\ bij -voegsel, toevoegsel, achter iets tot vervolg, kj ck^ .yu^Kj ^w/js het een door het ander vervolgd

met redupl. van ij.hJiKwi^ kn.; uil ij iM d 77112 iu (htjj of kii tj i i ^ rj 112 itij) (inji {in de spreekt, ook iüt ij 1^21^ ojj 2 jij (hijj \\ door te groote haast iets verkeerd doen; zich verspreken; er niet mi of

doorheen kunnen komen, bij te veel werk.

n - o

K i I ui \\ of i.j ij ui ru v poet. zva. (nj^ cn^ of u i am q \\\\ hij IT. volg. Rh. ook zva. uj aji/j zi^ :G

de struiken of het gras verbergen , schuilhouden

O O -gt; OO . ,

— an (ui iui ^i\\ en iui ui ui (ui *jI (hnjj\\ k[. zie hij

■)

up II. — (hp unvi/j\\ zich overal inzuigen, imlrin. gen, zooals olie in leer. (ujj ui tuiy \\ kn. in. dringen, in de poriën dringen, opgezogen worden

van water of vocht. — jJi Lituijj freq. van 1 In

CV quot;) , C)

iui/j\\ ui (h^i ui (Ut/j freq. zn (H^ uinji/j

uiumjii\\ kn mis, fout, feil, verkeerd; scheet, nid regt of gelijk, bv. snijden, het mis hebben, ongelijk hebben {vrg. ui in ui inyj\\ (ru ui nsn/js unu^ en iiii lump). wuiiui^ scheef gaan, afwijken, schuins langs de kant afweken of afschampen.»du n 11 fi i0i(U1JI niet afwijken, juist overeenkomen.-iHi uicui ^itjhus iemand in liet ongelijk stellen, ongelijk geven. — uiuiJi uiiiJi^itinjj een fout begaan.

u^ !l^ (ui/js 1. kw. zva. gt;ruföl\\\\ - 2. n. 1^ l.j ili|\\

ergens in, onderdoor of doorheen kruipen {vrg. (ïn(Uj,(ui (ui/j). 0(Ui \'i\') ij (Ui2\\ zich bij iem. indringeo om zijn gunst of protectie, ny ij^nyajifl overal, door alle gaten , doorkruipen , om ergens te kornet

— iN^ipuiSl\\ in, door o/1 onder iets kruipen 0/ bukkende heengaan; bij iemand schuilen. — kii.j tui ^111 uil \\ iets ergens tusscheu of onder schuiven of steken ; iets onderschuiven , tusschensmokkelen.

tuifls inkruipen, insluipen. — (ui^Kin/js ondergeschoven; een gat 0/opening om

in of onder of doorheen te kruipen.

o o .-. o

(ui ujji kw. zva. (Fy ri Lcyi\\ (Ui(hunni Miijj en ui vj ui

{Skr. sjisya. Vrg. ,?5i^j\\).

o o 00 .00

ui (Ui lu on/js zva. (i i iui q (un (hi/j zie ui oji {\\\\

M ujium ook (Q(S(ugt;ri\\ kn. wenk, voorteeken, voorspellend teeken; wat er in iemand omgaat, gemoedsbeweging, Men. ook een wolk die over een bosch hangt, volgens de Dasa-nama (Skr. sasni-ta, lachend; smila, lach. Vrg. (ui /ui rj (ui 2 w/jt* (ui luuiK (Uiyj). — arm fuj (tsii (h^\\ een wenk geven aan Waj. I. 11, iets door een voorteeken voorspellen. (ui ui ernjj kn .; an tui ar» fj tegen den draad of den loop van het haar i.i werken, snijden, schaven, kan-men, horstelen, enz.\', tegen den loop van het haar of de veêren op of in strijken of vegen; ilc verkeerde kant opstaan, van haar; veeren enz.; ave-regts, verkeerd, van handelwijze {vrg. \\^j^s \'I

Tf Kil 2 IJ UI 2 iSfl (Uj


1

^ ij ui rui rj Kp(t/n hn np n^jjihj,ir^\\/j kn. zva.

o O ci

iui ^tvi\\ vj cm2mi^asnlui! en mi ruiim ui^ iji

iuiijj\\ manieren, goede manieren, {van up en im

hui\\ Skr. sjild).

O ( ) O ^ • TT

ujifijiki. van njirntjrufls kd., zie (uj\\ 11.— (hi iJi (ui ijs kh. zuigen; aan of op iets zuigen; iets inzuigen, zooals de grond water inzuigt\', ki. zie

-ocr page 597-

OJ) VJ (tin 2 un \\

on

K I M (YTIJJ \\

5J3

(QaJwi/j^Ky• digt, nauw aan elkander, zoodat het één aan het ander aansluit {grondw. (Mrrn/J en Vrg. QSunfj). — Mwomjjs (ligt aan elkander aansluiten of aanschuiven; aandringen , bv. op de vervulling van een belofte-, een muziekterm-, versneld worden, van de maat -, ook van een verhaal

bekort worden; doch ook trans, versnellen, bekor-

O ■) o O O o O C)

__ a* i k\') wi n zva. an (hj) om w — an r i rrti r^ un \\

digt aan elkander doen sluiten, enz.; vlug doen bespelen van de gamelan; bespoedigen een reis. —

D D / • ^ O O O „ O O O

MJIx obj. den. — n. i a.) eni mt w w nrn

onjl en /joj Skort afgebroken nokken, snikken, van droefheid overkropt zijn.

aSoSmyi^kk. ,1. of lt;vj. ru fis ki. , zich de tan

den zwart maken met een bijtend vocht, arnrj ^2 (K^\\ genoemd. — /rf/v3rrji\\ (iri np ifj gt; de tanden zwart maken. 2. volg. Rh. ook zva.

rt^/i^o7»^\\KN. een soort van fuik, hundlmk, een lang-toerpige, van onderen wijde van boven nauwe, mand, rondom, met punten van onderen, die, aan het nauwe boveneinde vastgehouden, snel in *1 water gestoken wordt tot op den bodem of in den modder, om de visschen daaronder te vangen, die

dan met van boven ingestoken hand er uit gehaald

/ / na/ O a

worden {vrg. (hn (wnrrn^ en tjiLit

vjiKii *). — /r^./^crn^N met een soesoeg visschen,,

visch vangen.

ijaji2rjlt;ij)i(m/i\\ kn. oen maud van bamboe, onyeveer van het fatsoen van een — ijamrjaJïd

(rri/js iets, of naar iets, steken met iets dat een bos van stekels vormt, zooals met een bezem of hos gras of stroo, bv. een menigte steejewapenen, H. T. Dj. 300. iem. stekelig, ironisch aan

spreken.

wvju:nji\\KN. al wat tot overdekking van iets gebruikt wordt, zooals een servet of een menigte bladen ; dekkleed, en fig. dekmantel. — ana^u-!?i\\ of tntjoj) quot;tjin iets overdekken , toedekken, geheel overdekken; fig- bedekken, verbergen (vrg. lt;i;i f ^ nu\\

hllrrfinjgt; N en Y^nn/js over

dekt, toegedekt, verborgen. 0(isniu Jig. zva. ons-.

onder de pantoffel staan. — ajmj t:n nn/i\\ bedeksel,

co - \'

wat tot bedeksel gebruikt wordt.

0Vll:njl— p7r,7N cnz\' v.iq

1(1quot;

(tj)rjaj)i(hii \\kw. zva. (ijj a i tu ui/j (Skr. sj a sjdn g ka).

O Om • 7 \' • Q*

w w (vn (Hy]\\ zie bij qjiw o cy o i o

v,) \\ kw. zva. (IJjj IK \\ (L/l IK) \\ (IJl OJI (157?(UT) (TL/I (Mjj \\

wins kw. zva. am tj uti \\ of dm(im op\\ en q \\

{Skr. sjawa, een lijk); kn. het ruggebeen, de ruggegraat. G. {vrg. oji^ ruajr^ ivi\\; ook naam van een klimgewas of liaan ; waarvan de stengels om hun sterkte wel als touw gebruikt worden, am tui (ijinj)\\ een soort van groote, niet vergiftige slangen (Python\'s), die meestal op de sawahs zich ophouden.

(kijjis kw, zva. urn till\\ {vrg. (kih^kui^, en zva. (ki ifFi^iw — kn. 1. mostaard, Sinapis alba L., iVrt^. fam. der Crncilerae. {Soend. Ml. w(M (viw Skr. sawiy do peperplant of een soort er van; soe-saioi, een soort van pikant zaad, zwart komijnzaad). 2. een om een saw ah veld of tegal, of over een weg, gespannen touw of iets dergelijks {zooals K) iLiiUi(10,1^ tot afsluiting-, ook eenig ander tee-ken om de^menschen terug te houden of tot verbod {vrg. on (iji). itSitutoj)(Ui\\ mosterdzaad, w (i^ioji\\ een korrel, zooals van gierst — ccm^ •yjiuk^s iets van mi ui voorzien, een stak woeste grond afbakenen, tot toeken, dat men het voor zich tot ontginning bestemd heeft, door hier en daar in H rond plekken schoon te maken\', vooraf bespreken; een tijd lang vooruit noodigen. — lt;wgt;7 ftj(ut(irijj\\ met een (ijkvi ; afbakening, teekeu tot afbakening; ook naam van een soort van gebatikte kleedjes.

(i^ay ioi2\\ kn. naam van een boom, Achras sapota

Linn, en van de vrucht daarvan, met pitten, daar

kinderen mee spelen, (h n (UV^ (Ki ij ui 2 \\ sawo-hont,

dat vrij hard is en waarvan kleine voorwerpen

gemaald worden, (ki tj hj12 rj 11112 an \\ ook n.iorj hju w

ijjiwi\\ naam van een vrusht, die in smaak met

de Javaansche sawo overeenkomt, maar blauwrood i

van kleur is, als ze rijp is, terwijl die van de

Javaansche sawo donkerbruin is; ij ui 2 fji ihn \\ rquot;) / .

•— ( ^cru ! i/j • a i ij hi2ikik \\ naam van de woonplaats van Nakoela en Sxdéwa. — ani ajj ij tui 2 \\

rquot;) ,.. .

kw. zva. urn0^1*1 u ~i\\\\ kn. (ini^1 yoji2\\ bij vergissing geraakt worden , zooals door een gegooid en steen; bij vergissing ergens heen geraken {vrg. ifn

OT^-

a:i


-ocr page 598-

514

o a njjiut \\

k\\v. spruit {Soend. mooi woord voor kind);

O O

vrg. (Ki vi nn

zie r) m a) \\ II. — 2. lt;m i» \\ of cni ut q \\ (uyjl \\ eign, van den Indischen God Siwa, een naam van den Javaans\'chen God Goeroe. (S/cr. Sj i 10 a, iSy i lo a ; ook av» l» gt; ^ de verhevene Siwa. (iï tn. een breed zwaard (m «v/ n volgens anderen zva. nsn y (tgt;i \\ Vrg. Sir. \'patra, lemmet, mes. pk.).

kw. 1. zie ij Ki u)\\li[. — 2 zva.cun h^Kuji (vrg,

■) O Noo o - L ) O O

a ) t \'i t \\ en i ) \'til \\j. iKidj) ij) \\ of (K) Ki iU)\\ zva. cuit

* O S o i

kj h )i uj unji oj cüi iMtyb — iL\'i im tjn i vi \\zva.

quot;gt; O O O

en zva. Kt ij.on\\ en mm rj u)èw

O ) O » O O

ki ij ut2\\ i.; ki rj tj)i \\ of ki ki ij ijh\\ kw. zva. xm 11 O ) . O - O O

.1.7) \'7^ \\ cn r.n tj i.ti iiy,\\ —i:m tj im\\ oj LTrnogjj tf ui i \\ kn. zva. am w rj tin u.y\\ en i/n oh nj \\v ook een vijand bestoken.

(ijjtuis kn. een pen in de doek van een arenboom ; stnkjc, stift of steel daarvan; oo/c naam van een soort van sprinkhanen. i,u uku^lus een daarvan gemaakte schrijfpen.

\'i j tJi\\ kw. zva. iQpi — luiy uis verkeerde spel-

7- 0 O 0

hng voor a:r^cun\\ zva. (WKj^tuns van (kj^pw ii^ ijiiJisn., k., wijl, poos, verwijl, dvurj wijlen,

verwijlen , duren ; wat \'lang ; wat lang duren; wat lang weg- of uitblijven (vrg. ^ rj tuiik/j,

lang; lang achter elkander, al door; lang uitblijven; met eenige tijd, na een (wat korter of wat langer) poos. (üinidjj t^oi 7^n hoelamp;ng duurt het ? ik I u.j ij ui rj Hj \\ al den duur, al den tijd, onderwijl; terwijl. gt;17?» dji rj aj) rj ui \\ onverwijld! ^ 7 tj ui \\ of (ic^ iy)) ifTfn ^ ij *-»N weldra. ^ intno^ rrj ui \\ het duurde niet lang of.. . of ki

i^ iftn dralen met iets te doen. — (err^^ i:i\\gew. riii inj fjj rj ui \\ d/ii ja .ui \\ dralen, met iets dralen. — it;))^ 7 ui in \\ un (Kj fj uii n iets een poos of wat 1 ang laten duren. k nij ui ir^/j\\ un ui ij r.i z nnjj \\gewijld , verwijld; opgehouden worden, oponthoud krijgen; te lang van duur, te lang verwijld, te lang, te laat. un ik 0 niet gedraald ! un y kii2 m0\\ er moot niet mee gedraald, niet te lang mee gewacht worden, zoodat het te laat wordt, uj^n^ijPii0. wegens oponthoud.

Y ijiiui\\ I. kn. huur, geld voor huur (vrg. mi

rjtgt;ii/j en (un^cmjjy — rj mi ui \\ huren, iets hu. ren, zooals een //uis, rijtuig of paard. — un ,//) ij nn\\ verhuren , iets verhuren. — m )jKll) !inn\\ wat als liuur voor het gebruik te betalen is; plaats waar men woning, naclitverblijfen benoodigtl. heden huren kan; herberg, logement. Zou ooi ij un 2 \'Ei % iu rjtKi i i i\'TJj\\

II. 7jiKii\'Ui\\ of o5)(Ui\\ en ook m./.v\\ kw. ztn, ij ki wi \\ n. , ij kii viarifl\\ ook wel ïjiKizcun in dienst op een bepaalde plaats komen of zitten bij zijn chef, zooals een ambtenaar op de plaats, waar hij zijn werkzaamheden te verrigfen heeft \\ komen of zitten in de tegenwoordigheid van een Vorst of Vors/in; ook in hef algemeen bij zijn meerdere komen, o/quot; een voornaam persoon, zijn opwachting komen maken, als ki. van dsn kii \\ en (iJi(bn\\ (-Sir. sèwdy dienst, dienstbaarheid; vereering, hulde; se ia ii dienend, vereerend, huldigend), rj Kivnii igjj\\ n., ij k id.ui ra \\ k., als k1. voor ïJarjj^\\tn djiasnw ieit) ij Ki.vms lt;£/?•»rj ki2 virojj\\ op Garëbég naar de hoofdplaats opkomen, om te komen in tegenwoordigheid van den Vorst of van zijn hoofJ. ki v1131 (hn\\ kw. eerbied betoonen, onderdanig zijn

{van i^J ui n en i/n iJi (in\\y rj ki \'Ui cm (lii \\zie hen.

n o quot;gt;

— nn vi\\ en i:ni ui\\ kw., rjtDr) trn\\N., ijinvia

... nan o T 0

fhi/jsk. poer. zva. ij inn r.n ijj.\\\\ \\ kiihj vi\\ mkjii

kw. en po\'èt.) ki ijr^xm\\ kn. ook wel i iiji^tit

rn/j\\ k., wordt gezegd van de persoon, in wiens te-

genwoordigheid zijn onderhoorigen of ondergesclnk-

ten komen of zitten\', hv. 0(dn ui -ritun (uiï\\ zitten

met zijn dienaren voor zich. Zoo ook (uiijuiw

O O

en ui u^ ij in 2 vi mjj \\ — ij 1:111 im hj \\ rj imi u :kj\\ bij of in tegenwoordigheid van zijn meerden of een voornaam persoon komen. — ij nnr.n kiuii rjhiis rj inn 2 ui ra ün nnj^ \\ iemand bij oj in de tegenwoordigheid van zijn hoofd of van een voornaam persoon doen komen of brengen. — ui un o/ij ui ui \\ kw. zva. (iJji tj li 1:11 \\H.i(iJ^)j ui2 ui rnjj\\k. ij k 1 r.n \\ en rj 1.12 vi (W7/^\\ als deftiger woord (zooals (tci ei \'hïi \\ voor u) un\\); ook n ^ ie] ivi \\ k w. onderdaan, onderhoorig zijn, aan een Vorst. — rjKHjii^

(uijj\\ kn. een vergadering of bijeenkomst van onder-

hoorigen. un rj 11 rj ui im rnjj\\ een vergadering van onderhoorigen beleggen. 11. — urij Kiun injj\\iiquot;gt;lquot;\' ui naji\\ vergaderplaats, waar men ambislialveii komt


-ocr page 599-

/rjOJiciJjj*

515

ot\' zitting heeft; plaats waar de regtszittingeu ge-houdeu worden j iemand* opkomst op zulk een plaats; zitdag. 0(rr)r)(iJ) \\ de groote zitdagen op de pagela-rau van den rijksbestierder en de wad ana s met hun ondergeschikte ambtenaren op Maandag en Donderdag. Ofl0) Vlj imn\\ do kleine zitdagen oji de verschillende pasébans op Woensdag en Zaturdag.

_ (Utja^n v)(hnj iems. tjojixm\\ VV. 1. 287.

rjtJitüjj^ zie ^(imajj^w

oj{\\KW. zva. (nj^rjuud cnis

MfsKW. zva. {org. ^^\\).

ajinj}%\\ 1. kn. naam van een boom. 2. s., wjj\\

k., bedijkt rijstveld voor den natten rijstbouw; ooit

O o Do

ojI (V) { n gew. (Ka w iU) % \\ en iki mtt .injj\\ gew. ikv i:n

anp sawalis bebouwen, met den natten rijstbouw

zich bezig honden, rijst bouwen. — iamp;i nit j ckji oji% \\

beginnen te sissen of borrelend van water gt; dat

begint te koken (zooals het sawah water ook wel

doet, onder den invloed van de zon, Rh.). —

r.mo^n inn *?n anjj\\ grond tot sawah maken ; een

sawah bewerken of bebouwen, (tawajipy tia i i m

J \' Ij

o o

nm pass. — a) ^ x/n ita/j \\ (K\'ixm nj ihiijs sa-

wahs tut hun onderhoud krijgvndepradjoerits (vrg. Q \\

xinxLirmonij ). —itu OJ) xj) lt;gt; d/n anj^\\ OJIaj)XDI anj^\\ sawah-gronden, gronden die tot sawahs dienen, sawah-land.

ujluf{\\ 1. zie oS u)\\ amp;. — 2. kn. oneffen, ongelijk, verschillend, in vorm of kleur, van twee dingen, die een paar moeten uitmaken ; fig. zva. tj nn rfu.xsw

— dit) ut { poi\'i. oneiTen, enz. maken.

o O o

onxji^KV/. zva. oh l»{\\\\

o

zva.

t)\'uxjj \\m\\ kn. naam van een zeer hittere vrucht, quot;1 ü\' gt;1 Ml 2MJI\\ k., zie (Kil ui\\\\

tkiwanjjs kn. de verborgen oorzaak van stuipjes bij kleine kinders, en van aanvallen van apoplexie bij oude menschen; ook wel van ziekte van een nog ongeborenkiud in den moederschoot, zich daarin openbarend y dat het kind zich niet beweegt in den Moederschoot of niet schreit na de geboorte. De oorzaak wordt veelal toegeschreven aan de werking van booze geesten; of ook aan iels verkeerds, dal bedreven is, ij}x.)r^yv,ri\\ een naar buiten komende sawan bij kleine kinderen, een soort roode hond » \'\'\' in xtj \\ de roos. oji xji ij xlt;t y ;mn de vallende

ziekte, Ilh. — (ki(utpjoryj\\ geneesmiddel voor een (K)tu)(injj\\ (een ander zie ben). (ka tt» ijj tinjj\\ aan een sawan lijden, een sawan hebben.

(K\'idj) xn/js of xai (k/i if9) anjj\\ kn. benaming van een

soort van halssierraad.

(Ki ij id} nnjj \\ zie bij oji xji w

(Kygt;ij)tHTfl\\ kn. een i?ucni(Ki^ van hard hout met een punt, om ie graven of den grond om te woelen. — ii:n^(iJ)(hn*\\ met een soewan wei ken.

zie quot;T^iw

7i iKii (U) (m/i k. , zie bij tj oji ij) \\ ii.

(Kji an \\ kw. zva. tii iLxyj \\ lt;i/)i oj^ \\ (Skr. sj o n a, bloed

sjwilna, hond).

(fJdniHi \\Kyf. zva. xaxi i\\ (? Vrg. dj»(kj an\\ hij a.m ajKHiw Skr. s aw a na, zie bij (K/ntniujanjj).

ij«v/? (vt do gt; kw. zva. (uii ifjix- ii itji xn iHi/j\\

o -i .

; rij xji iHj \\ kw. 1. zva. vj aJi i; rn xxi (iti/j {vrg. \'tj x )i

dj] n). 2. zva. d^i h ii rjxm { ijhjii \\\\

C: 1 o • n

(Ijj, IJl gt;1 Xij % \\ voor (KJ! (UI Ij (Hj S \\ Zie \'UI Ij lij ? \\

(Kxxjipj 1. zie l)ij (ka xjia-njj\\ 2. wxji(Kitin/j ofx x (ij) oji (uj (Hi/i gt; tot afwassehing (van het Skr. sawa-na, het baden, reiniging, inzonderheid als voor\' bereiding voor een godsdienstige plegtigheid. Een ander zie bij a^n oji anjj \\). (ith ng/j ki xjiihj xn^/j\\ water daar wapentuig mee gewassclien wordt, zva. x.n

rfi\'l 1lt; ,t/quot; quot;i i lt;SN O O - O O

k i n i ixi \\ of (Ki alt; i (Lu \\ kw . zva. m i xclt; ? w

O d O

(Uj^ vj (ui i an \\ kw . zva. x/n tui it ti fj (van n j \\ en ij xji2 na \\); eign. van den Palih van Ardjoena-sasra.

n.i xn xn \\ zie x xn in xn \\\\

O cSJl S ~

Ki.(in •mi \\ (Skr. si0 7i it a , bloed), in Waj. I. 205,

VVaj. II, 112, zva. x:ix^iyj\\ vrg. ^ 1 xnw (K i ^1 \'^1 of fi.^ ui iin xnji KD., zie (Kj\'nw a-i xji \\K., zie xjii 1 u

(Kii(iJj\\ kn. strooisel, zooals van bloemen of zaad\', I geld dat bij een begraafnis langs de weg te grabbel gestrooid wordt, ook een soort il Utiles el, Kb. en een soort suikerriet, Tj. (grondvorm xji vrg. x.n

/ / v / . ... / . .

xjjjn en Kn n\\). xnnnj^s zn poezie xnx p strooi-jen, uitstrooijen; te grabbel strooijen; zaad slrooi-

jen , o. a. van de gabah, padikorrels , ook f j \'r^

/ 1 n \' ^ / y O S ( )

v. xjjxjj^ bij xj^ Z. vrg. r:iiix;n\\\\ bij (kx x.tt \\\\ nm kx

gestoord van een zaak , daar men mee bezig

was, en die daarom niet ten einde gebracht wordt-,

en zva. i.n x iruis met anderen verward, er niet


33*

-ocr page 600-

flvJ *quot;gt;»\\

c;

van tc onderkennen zijn. — nm^\\ iets be-strooijen; geld langs de weg strooijen bij een be-graafnis iets strooijen, rondstrooijen, z. a. zand of aarde i van een leeuw die den grond omwoelt, VV. 11, 73{vrg. (i/yn.ci Ktt iKtjjjs— .irm (ty. gt;1 \'rjwn n in poëzie m rj tw \\ iets strooijen, verstrooijen , rondstrooijen; met iets strooijen; iets verbreiden , ruchtbaar maken {vrg. (iquot;n^ ^rti mi \\). —0.^ (Lji tj^\\ zich verspreidend.

»5) tut n kn. dc borstels aan de kinnebakken van een varken, WW.; i?i W. II, 69, de baard ot\' knevels v. een leeuw j de nitstekende vinnen bij de kieuwen of op den rug van een viseh, WW. GR.;zieitJj iJt\\ aSS)\\ kn. 1. touw. G. {Vrg. asn iru\\). 2. licht van kleur, van de oog en, zooals de blauwe of grijsachtige oog en van da Europeanen. — 1. binden, vastbinden. 1. goederen aanslaan o/in beslag nemen {vrg. uni tm iuij en i/n #.■}^(ui/j); verzegelen, iets afsluiten, ook zva. ifm hn ^ van een vrouw, enz. —

iiJiawjSis het in beslag nemen van goederen. —

OiCV f O o O\' • 1 1

rj) lut •» bnji oj ck1) } V) ti (Hi/j\\ 111 beslag genomen

goed ; beslag, confiscatie.

gt;5) u) \\ kn. , zich inhouden, zich bedwingen, om

niet te spreken.

(tj) mjj. kn. een waterschepper, van een klapperdop met

een steel er aan, maar ook 7oel van blik of koper

* Ov O . . O -ii

\\vrg. en (tot net

zevende geslacht, volgende op a/r^ (fj) cm -jtytijt (tn/js B.

rtj^ ut \\ KN.de scherpe rand bij dc kieuwen v. een viseh, llh. (tj^ ut\\ kn. scheur of scheurtje, inscheuring in de rand

of kant; zulk een inscheuring hebben, ingescheurd

. 0/ cv cw O / . O aS

(vrg. ci-jj ut n tui iUi \\ ajt ut \\ en t.t ij (o astyj). ctJtut \\

cy n as . , -

zva. mn Tiitjjj ij tut ntjjj\\ fh tt iistt .m ut \\ een stuk of stukje papier, van een heel vel. aji^i nstt-^.a^t^tojt \'iut\\ een klein briefje. — iets aan de kant

inscheuren. — inn^t^s mv. —(tJtxit\\ freq. njt

du O/ I\'ll X Qv

iistt Kt n^ut \\ overal ingesclieurcl. (tn 7ht (ui mttm iw^ ut \\ v. iem. die nu eens het eene dan weer het andere denkt, besluiteloos, inconsequent, onstandvastig. — i.7i7nrij^ ut\\ een scheur in iets maken, afscheuren.

quot; KN\' 101l(^ ver8Pre^ gerucht; het gerucht

dat er van iemand gaat.— gew. font^cu^s

ook wel u(t-i)(tfrt\\m het rond verbreid, overal ruchtbaar; vermaard, beroemd (vrg. em,

M Jtj, ). ihtt (fAttj^ overal geroemd worden ofp worden. — xjt \'n rj vnt \\ iets verbreiden, in het

rond bekend maken; en zva. lt;£} (iJj ijj t) tj uv \\ iemand een gerucht verbreiden o/iets overal nicht, baar maken, oo itntt.^ (u^^rtrjnatn pass.

Kjms ook ^UJTIXKN., of ut fj^n (t/ijigt;kii.,

geluid van iemand of iets, stem; Tj. Séngk. zeven (Skr. sw ar a. Vrg. asr^ iy ). am trn ~mrTt rt n \\ dc op zich zelf staande klinkletters nms enz.

ir/rjTiN (cnjiut\'rt\\ of n/ttr:mni\\ geluid geven, zicli laten hooren. — azryrvfrtrm^ iemand zich latco hooren, door een geluid met den mond zijn tegenwoordigheid te kennen geven; iemand of iets,zooals een pop, een geluid doen geven; iemand aanleiding geven of nopen om te spreken. — rj/rn mt ~j}tit ntt \\ iets door een geluid bekend maken 0/ aankondigen; een geluid maken, een stem laten hooren.

»jt(utni\\ zie wnw

(tj^ utryt\\ verbastering van htt.K/^nw iamp;j hy tm do casuaris-vogel.

X Sn.,../

\'Kt (Ut art \\ (^/j.(Ut aas en M(Ut art \\ zie bij iutalt;i\\\\

mrrrt\\ (i^uttni\\ of (tj^ rtis kn. dc heintl, het hcmel-sche paradijs, het verblijf der gozdijjden {Skr. swarga. Vrg. tot ij vtt (op an/j); ook aj (ni ^ N.j /) o9m 0/ n^ ut rns en ^jerft\\ k. ; zaligheid, geluk, wijlen, zaliger; bv. yrrrtt)tamp;ttuzlt;ut,uiiuu\\ wijlen Uw vader, Uw vader zaliger. ony rj ut (tl^ rui /y \\ gelukkig die een broeder hoefl! — (i.tt^ ut rrrt\\ in den hemel gaan. — ajnmtHTjjtn (tlt;rt cm art/j\\ tlt;tt a^t\'rn tm/j of trn cru mji het hemelrijk , het hemelsche paradijs, de zaligheid.

/ o x\' S o . j

rv rrrt \\ (tj^ (ut cm \\ \'t-^ lt;ut errts zie Inj (£j lt; rn w

(tj^vj(ut\'r^s zamenstelling van (ijj rjfugt;\\ en (Uj^i\'^i* crtiaj^ rj (ut of .15)^ utt ^ ut \\ spreekwijs va» iemand die lang aan iets werkt en niets tot stand brengt, een knoeijersbaas.

aJuutantji of ij t^t ut tm y \\ kn. van het overige afgescliei* den, afgezonderd; elders toegedeeld. — r.nrDi^j of rjvrtrt vtaoijis iets van het geheel afscheidcn,afnemen, om het bij iets anders te voegen of aan een ander te geven; een deel overdoen; een nicinv; verdeeling maken, van gronden, distrikten of wanschappen voor verschillende werken; ook in of^


-ocr page 601-

lt;yj (k/1 \'ui h hjjs

517

de kant van een rivier of water een afperking, af-schcidiug of dam maken, hv. om er vissc/ien in te lokken, ie honden en te vangen, JR. — u?im ini mjj of wat afgescheiden of af te

scheiden is; overgedaan gedeelte; nieuwe afdeeling; JK. afdamming of afscheiding in of aan de leant van een water om vissehen te vangen {vrg.

; {ook zva. afscheiding,

nieuwe verdeeling, overdoening, JU.)

i;, unjj\\Kw. zva. (^tuikt^nkn. een «cheur; gescheurd; scheuren {vrg. ajnttn w/j en ffjj^ aji hii^/j); fig. vervallen, opgeheven, afgeschaft. — vir^noijis iels opheffen, afschaffen , intrekken; (beletten, verhinderen, tegengaan, G.). — ww ^umj^\\obj.den.-, omdijkte kuil aan de kant van een water met een opening om er vissehen in ie lokken en te vangen, zva. (Khü)ifli (HT;f\\ vrijiu) lurtnijis in vele stukken scheuren, G.; volg. Kh. een groote scheur hebben. Mij)yvjj\\ kn.; ^ tu) mv hrnjj \\ snorren, een snorrend geluid maken. G. {vrg. k^jj). ^^^rKN. ophouden, zich niet meer laten hooren, van een geluid, zooals een gawManspel, gcdruisch, getwist of krakeel; ook het een of ander hijge-loovig middel tot afwending of liet doen ophouden van een ziekte of kwaal. — (iny hnjj \\ een geluid of een muziek laten ophouden , in deze het. ook r.njijjnv i.n \\ o. a. W. f. 13; door het een of ander bijgeloovig middel een ziekte of kwaal zoeken af te wenden of op te doen houden, (un^ tjjtowi Jn (or)^ Prevol(in van een gebedje en blazen op de ii:tj m Jn wj\\% om een ^WJia^ te doen ophouden. — oj^ toediening van een bijge-loovig middel tot afwending van een kwaal. quot; \'vxaiji KM. een scheur, gescheurd; scheuren, als papier of lijnwaad {vrg. ojtfvunijj) t. n tu w aJiTcn,yis ecl1 afgescheurd stukje (strookje) papier (vrg. ti iji n ). ivjn n\'iij ui mi/j \\ sclienrbare voorwerpen, inzonderheid goed, stoffen, voor kleedjes. tj ri mi y :V) Uvji \\ zva. ayi^ ui .mi ij iji hiijjs — .i:m rj m unjj \\ iets scheuren, een scheur in wts maken. — (iji^j ui mi rj ini\\ iets doen scheuren. ajirj vi afgescheurd stuk van iets , afgescheurde lap of strook. — arm ^ ui rj oji uiijj\\ ruw weg bij een arm pakken ^sleuren. — (^(K/irj lijnwaden; zie ui ijiui m anjj en itzr] asn /j w

a

rj (iji tuiihiyi\\ zie (kjinji mij^s

rjrK/i rjiL)i\'iai^\\ kn. ifcr]lijnwaad,een kleedje. rj (m ij 2 imyi^KN. — TjiTm iy (vnimi\\ de gele blaren

van de tabaksplant wegnemen, \'SG.

- r» Ov

ij (ui (Ui imi \\ of hji ui kii \\ KW. zva. ij oji irn run gt; i asn \\ en

an (ui iui\\ {Skr. séwa k u, dienstbaar, een dienaar, van séwa; zie hij r^w uw II,). itvinirrjwtuiihiis naam van een hoek dat lessen beval voor dic.nsiharen. (iji\'tj uj uiimin of (Ki vj ui hii\\ in staatsie zitten op de pagëlaran of sitinggil met zijn dienaren in zijn tegenwoordigheid; van een Vorst, zitting hcudeli. — \'ïj (hji ui ioi imji \\ zva. lui k^ n mjjm^svati een Vorst, ]l. volg. Rh. audiëntie of conferentie van onder-hoorigen bij hun meerdere, zie iiw ij (Knm (mn\\ bijiiM \'Uiw II.— d/i ij m ui mi :nji\\ de plaats waaide dienaren in staatsie komen om te zitten in de

tegenwoordigheid van den Vorst.

O

ui tn/j \\ zie oji (Ui iamp;njjs aji djjj iinjj \\ zie (Ki iJj, nsnjj \\

(K^ uims N. (Sri T. tui ui tui), ui ij ui i ,v ^\\ k., 1. zva.

a o ^

tui iU) n .ui ij ui è kjjj 6. tm in quot;itf iij \\ zva. i imnj

ini f (un \\ alle (Sri T.) lih.

O -O i

(ui ui dei Miiji of (ij^ui.w mi/j\\ KN. zestig, ui .ui mi ^ (ijj\\ 55.

o

(ij^iuitrjxciKiJijj^ zie ui axi \\\\

nj) ui iisrijjs kn. iets waarmee men naar iemand of iels gooit {vrg. mi rus en (ui tin tisiijf), en algemeene benaming van verschillende batiksels, zooals a.n ui om

TjI \\ (K7 ui n tvgt;n t (Egt;i \\ (iji uiChiuui \\ m ui (im m :ui its au \\ f cn lt;ryl quot;Hei

enz. — itnn ui nnyis gooijen of smeten naar {vrg.

amiarn vgt;njf). — inn .ui a^u \\ mv., en op een batiksel

een sawat maken. — arm ui awaj mi\\ een object,

gooijen naar, wegsmijten; gooijen met.

)

O O

(Ui ui üiifl of h.i ui icyj\\ KW

. (Ui^a\'ii\\ G. {vrg. im (irn nsn ij tuii (mji). — kn. een krom hout onder den hals van het trekspan van een kar of ploeg, dat aan het juk bevestigd wordt en tot haam dient;^. voor

het juk; ook iets dat tot bevestiging dient {ook qji

O O v O )

ui (Ui/js vrg. ihn oji lJgt; l lji •gt; lv i a asn ui asnjjs

de tijd tusschen tien en elf uur dat men de trekbeesten van den ploeg afspant.

o .... o

oji tui asnqs zie bij (Uiarnjjs

(iji(Ujj\'isnji of ui(Ujjanjj\\kN. fijne streepjes en krulletjes in een batiksel cn een wajangfiguur, qji oji asn jn


-ocr page 602-

518

7^«r/M?crnji\\ cijergcbak. — xiiilt;c^asnj^\\ ie(s met fijne figuurtjes ot\' krulletjes versiereu of borduren; fijue figuurtjes ot\' kantwerk op goud ot\' zilver uuikeu; suwoet bukken, i//» ti^i tVj (KHjj\\ zva.

ns}ijj\\ oj)a1)^ zeer lijn beiteltje voor kantwerk van een goudsmid,

ui] (i j lt;i\'\'H^ n kn !i?i iUt iun Uj i n ij ^ woeden van een storm\\ woedend door elkander vliegen , van roofvogels om een aas\\ in K. 15, van hoornen, die ontworteld worden door een woedenden hanthuj, {org. ■ u o aanji

0 \\

en maznasnji).

njjd^ibnjjs kn. een strijk hout, getv. van gelvjlge sneden Icokossc/iil, om de schering van een weefsel, of mei iets zwaars er onderaan omgehangen draden, gelijk te strijken. — (\\r.m(v^nwjj\\ 1. iets daarmee gelijk strijken. 2. iets met een schielijke greep grijpen , opnemen, uithalen of wegpakken (vrg. amajiyisnji).

(Ki rjatusn/js a.ty rj(Ui? (ünjj\\ zva. unyj\\ 2.

n

ij tui rj ui d ihoji \\ kn. zva. n ij, dJi i^n nni nn j \\ en niiaji (unjjs — ij iJif ii^n \'ki/js kn. razend, woedend, van een driftige, en iemand die metgroote drift voort-werkt ; iu blinde woede op iemand aanvallen {vrg. (unfynijj).

a i ói.tsn\\ of u i\'*j?iiLn\\ kn. als oiidergesehikte onder een ander staan en hem dienstbaar (gt;/*in zijn dienst zijn, zooals een dienstbode onder een heer, een vrouw onder haar man, een ambtenaar onderzijn Vorst en een cijnsbaar Vorst onder zijn souverein

!\' I

m :

en ij f i ij i :i \\\\ S/rr. s o e h i t a,

welgeplaatst, regt, goed, geschiktj toegenegen). —

/! //ƒ i»ihiifiïj\\ dienen gaan bij, dienstbaar zijn aan.

o r \'

aJl\'*1lJ1 ltVa\' \' l11 \'s 0J \'1 \' \'V\'rrgt;^

iu(i-iui mi\\ liet dienen van iemand. — (tia^dji iLgt;ii(Hifl\\ een dienst; de persoon die men dienstbaar is.

oj)(tui a i\\ ver/c. van (un wmh ivi\\ zie bij n/nu.iw

O O J O

(h\'j (hii \\ kw. ster, sterren. G. {waarsch. voor u ^uiiugt;\\

van n.i \\ en (ui ^rr\\ schoone ster).

gt;\'ki\\ of iK^uDjii/iif ijjiMi., een compo

sitie van goud met rood koper, ook wel met wat

zilver er bij, een soort van spinsbek.

o .... o .

flv/j .ui ij w \\ (K/i ojj ij (ij) ^gt;i \\ zie bij ui ajjji \\

ij dj) 17)0j^ lt;m (mi \\ kw. priester, geleerde. G. {zamenstel-ling van sj aiw a, Siwaïtisch, Siwaïet, en sauga-ta, Boedistisch , Boedist; dus Siwaïeten en Boedis

{vrg. n\':i /Vjj(ïia \\ iizi irn \\ en tj w ij ten , priesters van alle gezinten. pk ).

qj) ui ui \\ zie (i j tui ui w on iquot;) o o

on , ) i r) . O i , , , ,

ii.uui uis tui (ui.ui \\ oj (i.\'i i \'i lt;ui\\Kti. vleugel, vlerk, wi^-

a.i(Dj ui\\ of (iJ)(uj.ui\\ zie bij ajj ui w VVG. zie i,j

(u)\\ BV.

(Kj u).u)\\ of munuiskw. zva. rjlt;lu2mi\\ iu i /j inj vr) (rij a i^ iLuf idos (in deze het. ook wel a j t ii]] en auKnn w kn. genoegzaam, toereikend, in staat zijn {van (i^\\ of (k)\\ en .ui.uu Vrg. u.^ iah, ) |

- (kjlf ) dj),ui\\ zva. 07^ u) dij i l:j\\ PJ.--t nj IJl (,

of r:nilt;unui\\ tegen iemand opwegen, bestand zijn, genoegzame niagt hebben; forceren, geweld ge. 1 brui ken ; alleen in V passief in: rj un rni.n i.j fj , | iu).u)\\ {ook 0(i?iiHjiviiui\\ o. a. PM).

djj ui .ui \\ {eig. kram\'a-vorm van u j.ui (uu\') bij verlor-

J- o o

ring (U) tJ)\\K. van (U)i ann\\ .rmi\\ en t n ij nu^va, ons als \'t U belieft {vrg. u j ij if\'i ? cm \\). asn ari : j n i] of ihii afj/jj.uigt;ui \\ poet. het niet goedvinden.—nijo ij i \'i lij \\ tot iemand of op iets i i ui (ui ^ zeggen; iemnd 1 vriendelijk uitnoodigen; in iets gereedelijk toestem-

(iji(v)iu)i)lt;iijj\\ zie bij n ƒ ijii,h/j\\

n ^ rj(U) rjiU) lt;ilt;iifj\\ zie bij n j ij .u) kiijj \\

(uiiuidliij\\ Ar. sjawdl, kn. naam van de licndt

maand van het Mohammedaansche jaar. ju in

(ij)-Sl0\\ het iu sawal gebruikelijke offer brengen.

o c) o (Ij).U) IU/j\\ KW. zva. lt;K)\'f.l .^1 )L)/j\\ - rilhUini/js KN.

van iets een stukje afbreken (vrg. rni/ui n iq vun

ii?) tnrujj). — luuui.ruaojj\\ de vrucht van dental-

boom, die ook wel \'fjJ (vgt;)) ^n iu) tu anjj \\ genoemé

wordt.

a?)iu) n )/j\\ kn. overtollig aa7i iets, zooals een lidm het lichaam; een kleine miswassene zesde vinger o/ teen aan een hand of voet; zulk een vinger ü/tccu hebben {vrg. iii)njl).udij). [o^uivxajjs een uitwas , Z\'d;. aan een boom of plant. {^ w i^-hii iup naam van een wilden boom, waarvan de blodere* een wratvormige uitwas hebben; gedroogd behoren zij tot de a/n (niiun cmw — a?) aSi i)() en {^.ui.n^onfjs kleine tegen een grootere aardvrnclit aangegroeide knol; stukjes of lapjes, die oversclnc\'

y (Tl)

ten, zooals van hout, laken of leer. — lt;K)ij\\ ecu overtollig lid aan het lichaam hebben. ih^ui njjj of (ij^ un )ujj \\ Ar. kn. vraug. vraag-


-ocr page 603-

n

i. } :!!gt; ru/j \\

i-!i rujj\\ oen vraag iloen, ceu vraagstuk opgeven. — gt;nv. (en een vraag beant

woorden, een vraagstuk oplossen. WW.), ,^V^nKN. in gepropt, als een prop ergens in (gt;. in den zak) geduwd. ingepropt

cn ingeduwd. — \\ iels ergens\\w\\}VO\\)-

pen, als een prop ergens induwen.

/m^nKN. een ijzeren punt, die in het leèren omwindsel aan den kop van den steel van een bijl gestoken wordt j een mal van een goudsmid om iets hols tc bomberen (vrg. n^ blru/i); vuig. .Rh. oo/c een land die boven de anderen uitgroeit. — ^ ^ op een mal zetten 0/bomberen, van een (jaudsmid.

ijhii.uriujj of ~ \'rjhm orru/i zie

inriimyjs vj^ VKru/j ^ tnjj\\

/ƒ j tjaj) nyi\\ of tj 1-12 rj li ^ 1 ru/j\\ r) mi vt /u^ maar van kleine slakjes, hv. uit den rand van een bord.

o . O a*

iirnn KW. zva. lt;rj m (Kj ni\\ quot;jj

u til d en ajV 1F.1\'n w kn . zva. (i..% V) tu w \\ u ru ta f cn (j O

ms naam van een Katvische zangwijs.

ij n n 1 n k w. zva. i j (Ujitniq {Skr. s u e w él a, een berg). \\ ij hin i i ) nis zva. nrt^ if^\\ {zamenstelling van ij ^7 jus en lt;i/nw

ijiinis en i.)uiui\\ kn. tegenstand, verzet, tegenspraak , strijd; tegenstand bieden , zieh verzetten tegen; oneenig zijn, zich van weerskanten verzetten {van ris of aj}\\ en umiw vrg. a^iuhu \\ en

Miia\\). tumet elkander twisten om

s rquot;)\' v

gelijk te hebben {vrg. ii» ry rnnys en nji

up. — i.in.uirus tegenstand bieden, tegenstrijden, tegenspreken. — i tegenstand bieden, tegen iemand zieh verzetten j iels tegenspreken.

ij\' / ui 111 \\ KW. zva. im m HTjj t j int/j\\ i i iamp;t ^ i iujj \\ \').)!en iiTi tthiL.iqs (voor een Vorst of hoofd verschijnen. G. Vrg. irf }.rv)\\ 11. en tj Khui i\'iiw Mei hel aanhechisel ru worden in het Skr. naamivoorden gevormd^.

w Hs^ uiiw)a-Ji/j gt; zie bij i

u u ,hii\\ zie ajt ctn tini w

11 iU. 0 \'■gt; • »..

/ quot; ^ rt if\\ \\ zie hij fJiircw

\' \' ^munkw. zva. iu 7Ï^lt;n^ iu/j\\ .rj r inisenuti ty

(org. lMl,3), ,i]

tj vi(un \\ de vorstenzonen.

iui 111 q » 519

0 j . fgt;

(U/ i.u q \\ zie bij iu)iLiif\\\\

a . ... n *

ƒ. 7 Dl Ij lil* KI)., Zie bij iCI lire NN

^/r^NKW. zva. if i n ê ij irlt;d\\ en o-n o\\ {Skr. s w dm /,

meester; swa m i n i, meesteres).

O • 0

u 1 (ut cm/j \\ K. zie u u 011 w

(ij^ lii ernjj of lU^ iJionjj KN. naaw van een dikke Lange

aardvrucht, ^ bosschen gevonden wordt,

en in smaak met de (urjtui overeenkomt.

j. n

hiifuirns KW. zva. hl ij in ni\\ oj i-iaoi (Ui\\ cn 1.1 pi iHiji \\ {Skr. s amw eg a y .beroering, heftige be-weging).

iijlt;r}insn\\ zie njmidsriw \'

0 (1 0

1 j iSl(ryjj\\Ky/. zamenstelling van i ^ en ct rrj^w

1^) (YTj^nn \\ grammatische benaming van de vorm van

den Imperatief en \'Jussief.

h ) ru ij\\ KW. zva. \\ en tj ij ani 2 ihiijj \\ —

iui/js ij (hiiV.iiji en .linnen^n aanranden, aanvallen. G. — (iJj^ fji iiWjl \\ zva. iunirrrj hv\\ en 1/6 im ij ij (ïin tbi^N

1 1 .umi/j\\kn. 1. zva. i.i rn.r.ii/j —3. kracht, uitwerking van iels; door iemand of iets bewerkte zegen of zegenende invloed van iemand, zooals van een

C\\.,

Vorst of propheet. 1.1 \\ zva. tj ia uj n\\ — \'

u i-ms zijn kracht, invloed of zegen meedeelen aan; co gt;

iemand tot zegen verstrekken. \'i/ji M Mcen seliade-lijken invloed hebben.

on KW. zva. (r r n \\

ih) \\ KW. zva. aj^w

mi t}i\\ in poezie zva. hv. Rs. kn. 1. het uiter

lijk aanzien of uitzien van iemand of iets {vrg ihvtvi). 2. aanzetsel van rook, aangezet roet {vrg. nmiTjjj-yf). 3. spinrag, dat in huis hier en daar aanhangt, ui vi^iih?ier uitzien als de maan.—

1 ói ri njj \\ al liet aanzien 0/voorkomen van iemand. 11111 iji \\ (iw poëzie hi 1:1 \\) iemand of iets aanzien; met min of meer belangstelling, aanzien of beschouwen {vrg. iun:hl(éj.\\ en iLiops); ook op het gezigt /.9 gelijken, an óituuuaa/j\\ de maan gelijken. — nu ui 1 1 rj Hii^ iets laten bezien of aanschouwen. — iuihg,jni\\ het aanzien, enz.; oo^het vermogen om te zien, het gezigt (yry. hjkhi^).— i.Ktji ui(Hijj\\ met rook, aanzetsel 0/ spinnewebben. — 7.) ó) .ui Hi/j of i ) 7^) iUi i^ iHyi\\ het uiterlijk aanzien va?i iemand of iets, wat iemand of iets aan te zien isj elkander aanzien, in het gezigt zien;


-ocr page 604-

(Ki .ru \\

520

ook (M (V) (Cijyi^nKW. zva. iïii i}p rj ni (m/j zie o.j an nr) n kn. een fluitje aan de staart van eeu tamme duif Vastgemaakt, dat geluid geeft, als de duif in de lucht rondvliegt; en tui ómn anjj of n uitwatering of monding van een rivier {yrg. mn

S V

(Ejï uajj eyi O) (C; arjj).

ikj)(i^\\ I. k., zie ittrfcrmw ook fig. in het algemeen

wat men laat vechten, een haan, een buffel gt; enz.

kemirïnoot, lil. — TI. kw. zva. i/n *vi/j\\ nhtern

Mnji en (i\'jtcntw kn. 6en kind op den arm nemen

{.zonder d/n t an ~jii *1 (yn/]\\); en aaneeuhecliten, v co co - \' \'

zamennaaijen, zooals twee breidsels neUoerk tot één maken. — III. kw. zva. xm oji\\ tegelijk, gelijktijdig-, toon, tijdens. — an(U^\\ K. 9, 2. heter aj^\\ zva. mi ij tu)2 \'n anq \\ gepaard met {pok PJ.) — oji njiiiji anjis 1. k. zie bij irrij mi2 w 2. kn. iets dat op een afstand gezien wordt. G. zie wut en ihn trip

— of wyilt;vj\\ zie boven. lidzie bij ifs ^irmw

ojj ui \\ zie bij -ü/w

n.iiuls 1. n. , (Ki.irii \\ k., een oorkrab, oorsierraad iw de vorm van een dun langwerpig klosje in de oor-

t 7 • C ) (Tl -||- • «

lel. (KiitUKKJiins zie aj) lt;t/t— 11. K., zie o-.\'i (Ui\\\\

(^) O CO . o\'quot; ~ • CO CO .

— r;ininn m\\ ut tn aiijj\\ ikj uii tji

on/j\\ met oor krabben in de ooren.

o^.Sn kn. een weinig ingescheurd, met een klein scheurtje aan den rand van harde voorwerpen

spleten van een lip; een spleetje in de lip hebben

. K\' O- (V v

\\vrg. n ^ oi \\ ar^ ui \\ en ia ui \\).

N., k., ledig, verlaten, onbewoond, on

bevolkt, ontvolkt, van volk ontbloot, van een plaats-, en afwezig, niet op een plaats aanwezig, ook bv. water. Men.; niet te huis, van een persoon {yrg. ii/r^ ijj. \\ en (Miu\\). een paard zonder

haarkringen achter de ooren. o.jnïi0\\ een maand waarin geen Üingsdag-kliwon voorkomt {zie n/n rn •»»v). — (cn^ajj^ een plaats verlaten, ledig maken.

— rij au gt;i ui) \\ (cnjj C)} im ihi ofjjs een plaats ledig, ontvolkt, verlaten maken.

(T^ (7.7 vi \\ zie hij ij(im ló) \\\\

ij K\'i 2 ui \\ zie bij (rjtunajiw

*1 w 2 iWijj of nm ij (KJ) 2 rijjf gt; kn. 1. ontworteld; ontworteld worden ; omvallen met de wortels, van een boom.

O

— in rj/hui2(ru/j\\ een boom ontwortelen, de wortels van een boom uit den grond halen. — (ki2 rif rj uDs een boom doen ontwortelen, met de wortels doen omvallen. 2. — ifii rjaja ru/js iji een menigte doordringen, iemand verdringen.

.0

K i .111 \\kw. zva. n.i rui ^ \\ .ij \\ tu ^ \\ en omm ■ w kn. naam van een kaïn po eng in de nabijheid van de kraton te Soerakarta, waarnaar de geheeU hoofdplaats veelal Sula genoemd wordt, «.muj

cni \\ zie ben. — m iui\\ zva. kh n j i j t(n in^

o ^ \'

en xn(Uilrti{\\\\

Ti), {ook in Sri T.) een bank, rustbank vóór een Javaansch huis, of zva. itwrf jwnjjs nl. ii;het voorhuis in de rj(un ri(£^ w bestaat het huis uil 3 huizen, dan wordt het voorste waar de gasten ontvangen worden ajxtx^ genoemd.

kn. 1. in reepen gesnedene, in de zongedroogde vruchten pisang, in pisangblaren gewikkcltl.

kn. tusschenruimte, bv. tussehen Iweehuizen of tussehen de vingers van een hand\', een tusschenruimte of tusschenriumtc, gapingen, hebben;^-naam van de elfde maand van hei Mohammedaan-sche jaar, anders Doelkangidah genoemd, de maand tussehen Saw al en Be sar, omdat in die maanden geen offerhanden te doen zijn {vrg. v^iVj^ eti ij n.it

Qw C~) ^

(htl n). (uii aji iiui ii ihj \\ en a^iaji (rwrj(hjs tussehen. oj iiLiihjuirj-rï(^iq\\ de tussclienurcu, vrije uren, van een ambtenaar. tïJ.iuiJ tu uj 1.1 h n \\ tussehen de verschillende zuilen. — vnitus {poet. tin tus) tnsscheu

iem. beleefd iu de

iets anders inliggen.

rede vallen; met uw verlof, met uw welnemen, VV. I. G, -I v. o. itn tiiwnntï\\ poët. in de rede vallen, hernemen. —.i.»(rutut\\ {poët. (intuhp) ergens tussehen in komen, bv. tussehen twee nevem elkander zittende personen; er tussehen komen,et tusschenin vallen, met spreken; tussehen i» plaatsen. — ajjQ.tu\\ tusscher.; tussehen komen; een ledige plaats bezetten; poët. zoa. quot; ^ *1 y\'l^ quot; tussehen. — (ui ^j/j ruon,}\\ tussehen-

ru (iriji \\

komst, G.

(fj)rj/rtAkn. eenling, zonder de weorgu, daar hot een paar mee moet uitmaken, zooals een handschoen, waarvan men de andere daarbij behoorendc. mei heeft. ihioJj rj ru\\ één, bv. van een paar schoenen. — utirj/n,i\\ alleen wonen {niet in een kampoen!) met anderen), zitten {niet hij het andere gezelschap), staan {niet bij de anderen); verschillenw


-ocr page 605-

jvi n.)\\

521

lotgevallen j in gevoelen van anderen oj van het algemeen; vrg. L. 111, 816, fig. zonderling zijn, van kleeding, gewoonten gt; enz, iOrj nvt aajjs niet als paar bij clkamlor, geen paar uitmakend.

j.mmn kW. zva. nsn(utwelgemanierdheid; kn. op de meest ordentelijke en welgemanierde wijze zitten, met kruiselings onder liet lijf geslagene bee-ncn, en, bij de mannen met geheel, bij de vrouwen met niet geheel, tegen den grond liggende knieën; en zoo ook 1 (0/ (S/cr. sjila,

aard, natuur, gedrag; goed gedrag; welgemanierdheid, ordentlijkiieid. Vrg. aui ). «5 ilirgt;ri m \\ op een minder ordentlijke, minder gesoigneerde, wijze zitten, met het eene been niet o n d e r de dij van liet andere; maar er bovenop, gelegd. jOmu thiyi i\\ ook wel welgemanierdheid en beleefdheid, iru oji\\ (Lno)^(Ciihtjj\\ \'I j-)-eene wijze van o^irvts met één van de beeneu boven de dij geslagen, die alleen aan hooger-goplaatsten geoorloofd is. wniikw. iemand

beleefdelijk vragen. — (ujiywus ^r^njiirui\\ nsn

Q . j S O .

(Li^wv. zie bij (ilt;^\\ en nwnjijjs \\ajja^inu\\ zie

hoven, mm jv) anjjs fatsoenlijk gezelsehap (vrg.

(LUK Ij 0712 n MJJl)\'

u til kn. naam van een riviervuch, een zeer dan aultje. naam van een klein soort

van mdngga. iu\\ een uitdrukking voor heel

klein; Tj.: iejI i11 yl i ^ io knjj \'

0 o

1 itjp zva. (Kjirjtrhig\\\\

imijiïu2\\ kn. verblind, van het gezigt of de oog en , door een te sterk licht, zoodat men niet zien kan water zich achter bevindt {vrg. inn ii:n il/i rn quot;^).

flvjiruN kw. zva. avininajijj a^itpajiji en orr) ern wanj] (Skr. sjoel a gt; piek, speer). — zva\' ™

lt;rnirianlt;/m iuji(zamenstelling van (tjj, u i\\en ,y/\'(£/|N)-~ quot;1l,uzva- (ui*p\'f-i/j (zamenstelling van

en ^3n); kn. naam van een boom, waarvan de bloemen tot medicijn dienen. — (n^a ^.ru\\ zie bij

^jiL/\\KW, zva. vhinnw

TLrKWquot;zva\' quot;\'v,(is^jis

rjiurtn I. kn. zva, fcjjtriyjw —2. K. van ui vn^ \\ en van quot; ook wel in Krama voor (um^n (Hijj\\(Skr,

sjila, steen; sjaila, berg, storax).

^ru^ I. kw. zva. fj(Kijij tliq\\ en iat ij hu? nvj\\

ook zva. (h/xri/fw en — (Kjieiirht%\\ zva.

oj* tj ir.\'i ij (ïhi % \\ («.|j (Eii vu j n zva, a^rjOjinjnru^s neerleggen, afstand doen van (ie regering, Djo.). — mi iru f \\ zva. d/nrj ihj 2 rj n v t Mnjj \\ \\ (nn w tui ^ n zva. mh tj icn tj tm 2 unji \\

II. kn. verkeerd, fout, mis; mis hebben (vrg,

o gt;.

njj 11^0511/1 \\ dyyrp e?i (M tudii \\ j. v i

O Sn

nu j on tj iV) n N., D. i nu q (Ld /u gt;\'Ujj\\ K., (M nu { nu (ui \\

poet., iets verkeerds, een verkeerd werk, doen; onbezonnen handelen, zieh vergrepen.

tegenstrijdig van smaak, n.finu^-ryui\\ wanschapen. ciji iu % ih rj mi a Mnisbruiken. mi nviq rj nsn 2 m ~ji \\ ver-kee.id opvatten, misverstaan, oji nu $ aji w ag, (of (Ljiihjar.ilt;)u/i\\) mis zien, verkeerd zien, ook zva. (ki trui q nj ibii 2 (Kift ipj n-ytt w twjf) verkeerd zien door zins- of verstands-verbijsteriug, zich bedriegen op het gezigt, volg. llh. niets zien of ontzien door arren woede of woedende drift, (iji nu jy in den toestand zijn van (Kinvi^asiuariJi^ daaraan lijden, k i ii i q tjintjiui \\ zijn tijd verbeuzelen, door aan andere dingen te denken, dan waaraan men denkeu moest, of uit het oog te verliezen wat men doen moest, (i-inu fnni aji\\ poöt. een verkeerd verlangen, verkeerd begrip, verkeerde meening. iituq igt; tt nxi ij (ia anjj (óf tni ui*1 and hIsi(Hiji) wanschapen worden, gemeta-morphoseerd worden in een lel^k wezen, zoo als een krokodil, slang of hoela, mnuf 11 ihz(iji\\ in een verkeerd jaargetijde, hv. regen. ajinuqoSiS (of u.i .o /K \\)n. , (h I nU {(iJ i \'n au nu.j (of ci ii inytiinuj^

een van beiden of een van allen. — ciJinanu^

n et

poët. zva. (h iinnuqwrjndi^ — ,17/n nu j ty/in KW.

» o cquot;) o . o o

zva. tun m (ia i :i \\ \'iTin nu dij \\ en mi f i gt; i ui w h i (in (/!gt; O O co 0 CJ

nu {(i/ii an/i^--:i,) iij ni i uj dnji Tj. kn. leed aandoen, kwaad doen, verongelijken; zich vergrijpen aan, iemand een fout of schuld aanbrengen, bv. door het werk, dat hij voor iemand doen moet, ie bederven; ook twistende menschen of het gepraat of gemompel over iemand aanstoken (misschien eigentlijk er kwaad aan doen, het nog erger maken. J U.). — i m nvi q (uri tj \\ in het ongelijk stellen of de schuld geven, schuldig noemen of verklaren; iets font of verkeerd noemen. — lt;hii (Kii ru^i/ii (ki/j\\ verkeerd; verkeerdheid, fout; misslag, misdrijf.


-ocr page 606-

a

n j) rj rui %

622

!)• ) ij i ui f \\

(Kirjiu^s kn. Ar. zalig, goddelijk.

n i )

uji iii i gt; \\ k w. zva. i,n \'f i ihri.i\\

\' CO

quot; i i j^ kw. sva. ijthju if -yi? unjjs {erf/, (t^du^s).—

O o O o o

mi i j :gt; i/n \\ cu (ilt;i tui q (un \\ zva. tl \'Kioi i:i \\ en ^u^ r.n

uiiiiïdj)^ uuw kn. (Uihuiqii?ii\\ eeii liclit vorspreideu, helder maken, schijnen, verlichten, vervrolijken. ajitiiq\\ kn. at\'ü.ondcrlyk j iets afzonderlijks. ï.T n i^tiai ruq elk afzonderlijk; stuk voor sink, goed uiteengezet. u^i*u j i?! riï;\\ een verliaul cj/heselirijving in bijzonderheden of détails. — rm n i gt; t m n t^ajn tj ijiiii\\ iets stuk voor stnk, goed uiteenzetten en détailleren.

o o . r 1

(K/i n i gt;\\ J. kw. en kn. zva. i i i.j ri\\ i n iiu\\ en tuy

O r\\ n ,

(inw n zva. aji rjiivifw

van, BS.

\'IïC IK IJI \\

it .) o O 0« quot;gt;

11. kw. en KN. zva. ni^ns d.i ii i\\ en lunj nt

iinjjs bij afwisseling, beurtelings; verwisselen, vervangen, — (uiijtiï\'s 1. afwisselend, beurtelings;

en plaatsvervanger {vrg. ujin.\'s). 2. kn., iiiim

o \' ■) i O

iKi ^ \\ k i , naam van een persoon , zva. j.s /yv. i n

Ct O - ) O O -) ~t

(i i in f .i/n i.n oj xm tn (ff^ * i \'i 11 Mj. i quot; elkander beurtelings van de plaats dringen, /i/u; (of i^i

O O \\ # (7^) r \\

\'Ki niq) uir nim/j (uj \\ oj :m 11\\) een aangenomen naam voeren {/o( venoissellng en als plaats-

. O O O - O O

vervanger van zijn eigen), .v.v in ^a u j.i * of i i uj iLi gt;(lm (m j \\ eig. elkaar beminnen; van verschillende kleuren door elkander, geschakeerd; van goud en

O

J

luyrrn is\\ Tl\', zva. i?» hui q \\ en u-) tio

zilver door elkander gewerkt. —i,] i ui sul

quot;gt; o 1 . or) )

»-itj :hi ui m \\ ui /.ij u ia i u i\\ en 11.uj 111ti.i

uv o quot;) o . quot;) o

niw — iji iui gt;\\zva. ii il.l jljn en in (in ij urnjW

ook een naam of titel dragen. G.*—oü i4hjiimyj 000 .1.0« 1..,

of iMiKuiLi \' mi (hnjjs kn. ihii \\ nguurlijke uitdrukking voor iets; leenspreuk.

III. N.; icni iu?* N., inn irumi^\\Yi y iets te leen vragen o/lecnen van iemand, om het te gel ruik en, in bruikleen {vrg. u i n\'.i. en (vr^ u\'ns). tun my in 111gt; (ui(üüjjtfiji ik vraag een pajoeng van je te leen; voor leen me een pajoeng van je! — a~rii rui{(i,n\\ uin/i i?i\\ iemand iets leenen, in bruikleen i^even.

CQ; tit, 0

o quot;gt; rgt; o o . o rgt;

(h 11 u j 11.1 uj 1 ui j (uil (injj\\ ) ecipr. vorm. — cin iui ?

in ij mis rm fnuiuini (in/j. iets te leen geven aan

iemand; voor iemand iets te leen vragen. ufi tujaSi

o a . o o

ihj uiqtunrj Hti\\ recipr. vorm..1:111 tui gt; mi (m/js

t quot;1 cquil n 21,aaK van een ander leent.

zva. on igt; i li. 11 lui^ uri infi^ .i.if i.hii(ilt;yj\\ geleend, tc lecii;

geleend goed.

v l ij n i gt; \\ ook wel ijin.\'\\ N., een uitdrukkiuij Ud( spreektaal, die vertaald kan worden door \\m\\ now kijk! of now dan! hv. mi iPn ilij 11 isujiji, uii\\ Nou! hier heb je dan het jouwe. (i0i ij ij miirj niP\'iMyi^s Nou kijk! je hebt het liem (0/ haar) gezegd, mi xclt; uu ini ij n 1 -• ijmit 11% u rnj ij ia uj \\ Nou kijk! een kind moet men niet baii^

G~)

maken, t i»ƒ uirmsn tj ui ij luiSMiidoipnnibirinisn 1

i.ti/j^ Nou kijk! wij zullen het straks aan het meisje voorstellen (of zij trouwen wil of niet), muix tmn tj 1.112(KW f(i0i\'rj 1 li gt; irti(KImi^ Nou, laat staan dat een kind het zou kunnen! {groote menschen zullen het niet); of lt;im ic\\ an i?i tj tui { tj am 2111 lt;gt; ij ninm i i /ti \\ Non laat staan, dat een kind het zon kunnen! {al is V een groot mensch, die kan hel niet),

00 o o /

a.\'i 1 ui ^n KW. zva. (tn cui Ji.iijs mi ui^\\ i i(iii\\ lt;1 yyi uuj\\

n quot; n o o 0 )

(uq (Hi nji/j\\ iijyj irï.in/js niyut iaijjs (urip tu^ij en ui

•tj (LOi i thii/jw \\ f rn ui dj ti 1 { kn . witte of gebleekte

o )

peper. — ili^ kw. zva. ij ixOjj\\ (iq^i 1 if i op tuiij en m tjdoii asnjj k.\\. iemand tot straf uw een paal vastbinden en met zijn velen met krissen, pieken of messen doorsteken of in stukken snijden. n.j tui gt; \\ kn. plaatsvervanger; iemand tot plaats vervanger gebruiken of zenden {vrg. ajiu^ e?i (ui hii in/j). 1 j t 1 in n hetzelfde. — a:n^(rui^(uv \\ iemands plaats vervangen.

djvuj^\\ I. kn. 1. een licht, zooals een fakkel, lamp of iets dergelijks {erg. ijdJiztjdui2iKti/j). 2. geel, licht van kleur, vati de huidkleur van de Javanen, en van een stuk of wat pisajigvruchten aan ecu hoorn, waaraan men ziet, dat de vruchtengephdl kunnen worden {vrg. dniiujs). 3. de slaap, het verdikte tranenvocht, in de hoeken van de oogeu.— 11. yir. gt; solh, transactie, schikking van eea

zaak met wederzijdsch goedvinden. —(i:ii^dij^\\ vogeli of visschen vangen bij een licht in het donker; inlichting of toelichting vragen; onderzoek doen. —

van eenpisangtros waarvan eenigegeel begiö* nen te worden, 11 h. term bij den groei van de dj arak als de vruchten gedeeltelijk rijp zijn.—r/y mi -■ {po\'èt. (kjjtnjj 4 (uïi) iets bijlichten, toolichtcu, ophelderen; iets met een licht zoeken; iets goed


-ocr page 607-

O

j i ru in/j \\

523

vfM n n./^\\

onderzoeken; een vuur, dat uitgaat, weer aanwakkeren. — of lun.yip.i n nn^sKH,, ^ryir\' n^un/jskl. {volg. Kh.

kw. ile hoeken (o/binnenhoeken) van de oogen. ijinjni^ KN. liet neerleggen, het opgeven; er van afzien; zijn post neerleggen voor een opvolger, zoo-als zijn zoon {org. vf ook liet dalen v. cl.

toon, hij hel zuigen van ecu vers, /tel tegenovergestelde van i! in hot vertragen van de maat bij gamelan-spel, voorafgaandeaa7iia^,1 y n zijn ontslag verzoeken, ij n i { ini hj^ ijim? tnip de regering neerleggen. •— rj mnij n 1 iets neêr-leggen {org. 111 lt;rj in 2 rj t, n gt; li ii/j) ij tin tj n i q i n \\ ergeus iets op neerleggen, voor iemand zijn heirekking neerleggen. — nmn mjam n i,ii\\ iels ergens op neerleggen; iets doen liggen, in een liggenden stand plaatsen; een ontvangen brief Xwivw rusten, niet beantwoorden. — ikj tjii 1 ij liggend, neerliggend; stil neergedegd, onbeantwoord gelaten, van een brief of aanzoek. — lurj 1) ij tu het neerleggen van een post, de afstand, bv. van een regering.

ijiiini}nkn. manier van doen, liandelen of /ieli gedragen , of ook van met iets te ageren; manoeuvre {van ijinfni^vr/. oj n/i ? n.i 4 \\ en ihii liti s \\ ). rji.i? 111 1 n 1 n\\ manier van doen en wezen; handel en wandel. — ij rim n.i{t/n ij kh \\ mot iets {dat men op een bijzondere wijze bewegen moet) manoeuvreren. quot; i 111 gt; iwijs kw. zva. ai/i 11 {Kawivorm van (ui

itu^\\ II. Vrg. ii^i7vjiLii\\).

1 00 . ... ,-gt;

0*1 u 1 ui^s zie bij ini?^

n

11111 im/js n. , ij.;k. ^afwisselen , veranderen; van iets, dal men gebruikt, of van kleer en of naam, die men draagt, verwisselen, door iets anders te gebruiken, aan te trekken of aan te nemen; ook bepaald zich verkleeden, andere klecren aantrekken. 11 uj id ^/ijuiihh/js van gelaat veranderen, een ander gezigt zetten tegen iemand, ui iiu mi Si /rnn/n Mn veranderen van begrip, vreemde begrippen krijgen, na iu m ^ i \'jp^- {()f luny tri ru/j) van gezigt veranderen, hallucinaties krijgen,

\'/\' m gt;1 y igt;iii.ini i hiiïiHj\'iifs nog dienzelfden dag.

o 0 0

\' i n mn/j ook reciproque zva. 1.1 rü j : a.i

\'fu ^iuhnj/i zz,quot; irt ui iu iy t?i n i/}gt; Sri T. ij Kit

ui mi jt] lojjs gedurig en telkens weer veranderen

en afwisselen van iets. iin 1 an^u ru iinji\\ elkander telkens afwisselen, Tj. Men. —1111 iui?j\\ 1111 iemand iels anders in de plaats geven; iemand verkleeden; van iets verwisselen; vooriet\'s iets anders in de plaats stellen {vrg, )•

iui l 1 luinn of oji t i-ii iMin^ kn. een ander of nieuw pak k leer on, en wel meer bepaald zooals gewoonlijk tegen nar eb eg Moeloed en Pasa aan het dienstbaar personeel verstrekt wordt. — u 1 1

iii in ij van een nieuw pak kleeren voorzien. Cquot;) • ,..0

j i iui zie bij i i n.iw Ki tj iLI \'ifi/js zie bij iirjtLiw

i nj 111?:hi/j\\ kn een bamboekoker, waarin triisi bewaard wordt, WW.

gt;1 Ki rLum/t of Kh ij 111gt; ij rn n 1 iHi/j^ KN. naam ran het eiland Ceil on {waarschijnlijk zoo genoemd als het eiland van edelgesteenten, van ij ki iiu Vrg. ij; 1 ij u i?.\\). fl n j ij 1 n iLUiflt;i/js Ceilonsehe robijn.

K I Ij )l 12 \'Yj lij l \\ kn. ; livjll 11 \'7 KJ Ï KHj HUI 2 Ij /y 2 \\ of

quot;l \'I

tj.f 12111/12s ongegeneerd, vrijpostig, onbeseheiden

(\'K ) . O

{vrg 71,\'1\' \'\'\'/1,\'é gt;1™ 1N \'gt;111 :inJl en kii n

■ijiK / in/j). -— ititi ij 1U12 ij i,\'j2\\ ongegeneerd, onbe-scheiiicn handelen.

ui ij ni rm \\ kn. afwijkend, niet overeenstemmemi, ongelijk, niet op dezelfde tijd.

Kj gt;111; O o zie \'i 1 tj ^tiCyiNN

/ 1 gt;1 n 1 ijCm?n kn. benaming van een bijzonder samen-

stel van een Javaansch or chest {zie bij nn \'1 / m /

Mifj onder nm 1 I tuifj).

1 kukiji.is i Ihi nJifi en / /\'kj kn. steek, prik, Ut UI quot;Kt - \' 1

de pant ergens in of doorheen; iets daar men mee prikt of steekt; stekend, prikkend gevoel; stoken, prikken, van het lichaam {vrg. a 1 fig. van

goed dat in eens anders huis is gekomen en daar gebleven , weggeraakt, en er niet meer uit terug gekomen is; ook zva. ij 1:12 7)1112^ overeenstemmen, sluitend, passend, op elkander slaande. —

\'i ?nn .u ^i w (iji/)n nrikkelen en steken. — ; ia \'L \'1\' l S-

aji rfy^i iiji/j\\ uit- en ingaan, van een naald- bij het

naaijen; ook fig. door dik en door dun gaan, zva.

O quot;)

uii Ki kii/j I/j^ 1 in r.j Hi a iq en ui 11 lu^ in

tui/I prikken, steken, doorsteken, bv. met een

naald. — u j rn m thri^/j\\ zva. u j pi iui hi lui fj ohj.

den. ook ter sluiks, hier en daar in- en uitgaan.


-ocr page 608-

524

(KJ.rui\'iins b d\'

S ™ M/l ^ en quot;rf ™ MJIN

lt;i l rUUxrtCJlS KD* Van (tJl lL)(lh1^

V U12 7 ftfi? N KN\' onoverlegd, van iemands spreken, als men maar uUjlapt, wat er voor den mond komt. V n 1 ft\'i V quot;n 2r/ éi1 ^ onbesuisd, ruw, lompweg eu wild, va?i zitten, schuiven, gooijen, enz. — ^ rjm i vj föit \\ en (Kjtj ij11 i \\ op een ruwe wijze aankomen vliegen of slingeren, weg oj voortspringen, of smakkende neerkomen, van iets dat eenige lengte heeft \\ zeggen wut voor den mond komt. —ojmru 72 rr} V h ti \\ van een^9e lengte weg-, noêr- of voort-smijten of slingeren, smakken. JU.

(ui ujjjam) \\ Kw. zva. ïki rj n ? unjj\\ G. {vrg. a. i mil \\).

(KJi n lui ticntnp\\ kn., a.in nm? iinintzich gelaten \' \' (\\l \' \'Cv\'

en inschikkelijk voegen naar iemand, maar de minste willen wezen {vry. rj tvii ij(yn2\\ en 11711 ^

(uiyj). — gt;i:in ij lt;iLiiijmn 2 qviis naar iemand zich gelaten schikken of voegen, voor iemand onderdoen, om de vrede te bewaren; jegens iemand gedienstig en voorkomend zijn. — n^ij v^rjarim^ zich gelaten houden; zich gedienstig betoonen.

(KJiijnuijcniiiimikn. wat erg. op- om- of overhangt, zooals een doek of shawl. — ^ r.m rj mit è am rjmii \\ een ohj. erg. op- om- of overhangen, Rh.

iJili ij (iiinjnijj of lil ij iu? ifiyii? i.n/js KN. een losse schnifring of beugel naast de gesp van een ceintuur, daar het einde van deu band doorgestoken wordt; ook een lecren koker aan een stijgbeugel, om onder liet rijden een lans of pajoeng te steunen.

O

\'janiz unijjs

(ijl ij n 12 ijimu.i.ii/j\\ o o - n

V 0f

tie n.iiLii,

(a)

klein, lief parkietje, psittaens vernalis, groen met een roode hek {org. ij r.n rj ap (iw/j). — (ï5?lt;^rn uw (i(ijj\\

als een aClani(uiid\\ omduikelen, ombuitelen; ook

U) ^

een soort gekleurd (rood en groen) goed.

o on i .1

(Ki m.Krn^n.njjs kn.; w i li ar n asn inirmj (üHJj^ sluik,

heimelijk, verdonkerd {ook m tunin lii/j en jji ru

o~ \\ n

mri (isuji\\ vrg. (KjIiiji uii). —• (ki iliarn ofyj\\

zva. (M ru in^qa/n(injj\\ ter sluiks, op heimelijke

wijze.

aw n^min 1. kw. zva. (KI wn en (Ki rj-ruanfj {vrg.

C)C\\

O o

i( j on we W (Ki

\'K^

s • O O

(?, gt; (hi uijj of (umuj yn (ui j\\ zie (tn tui lU/j

^ O _\' 10 \'fï )

(Ki i} lj an iljIji \\ - (K/) an a — .......-

(i.i njiam\\). 2. kn. vervangen, plaatsvervanger voor

V Cxi

een korte tijd, in een werk of betrekking {vrg. ,j.

, \'

up)-, wat voor een korte tijd voor iets anders in

de plaats gesteld wordt, bv. een hamboe vooreen

houten pilaar. — xnn mitnn i?i \\ iemand voor ceu (I Ca)

korten tijd in het een of ander werk vervangen; het werk of de dienst van een ander voor een kor. te tijd verrigten of waarnemen j vooï iemand [m fa plaats treden, om hem te vervangen.

tj (i^i a in \\ ofj^i ij iiirni kn. een lange, smal opgevouwen doek of sjaal, die door de vrouwen gedragen wordt, als zij uitgaan, tot sierraad; of ook om

er een kind, of wel iets anders, in te drag en {vrij.

c\\S s~ . .o

.?v; Ti ^ / \\ en ij k i ? rj rin \\). — ij irtri arn r:i \\ v. e.

7 j. ? a in \\ voorzien, ook fig. iem. iets opdragen,

met iets belasten.

/ o • * O

n.n willij i an \\ oj dj^iui j:m \\ kw. zva. iL^dsrjs of nu

ij KI mi Ij en (ui (ur^ ui w kn. nm. van een welriekende grassoort, Tj.

O O Qv O . Air T,

(K j ilix.rn kw. zva. ili -ju ui (u^ u i \\\\ vv k. kn.

naam van een Kawische zangwijze.

(k^i (rfij uiijj of (ka hiijjs kn. knip, knip metdnim eu vinger, zooals een knip voor de neus {vrg. £! ij op (w/f). — (i{n uiijj\\ iets met duim eu vinger knippen; iemand ecu knip geven; ifwawr/een tikje geven, als wenk om zich te verwijderen; een tik of schop met een achterpoot geven, van een paard, krekel of sprinkhaan (vrg. ij *li*ni tujj).

f^erm (Ei/I o f (Khvnnni o/jn kn. naam van een metalen quot;.(U O (sJ

muziekinstrument hij de yamélangt; een soort van yam-bang met knoppen volg. CP. oj. blnm)

op hel midden van da toetsen.

kiiu\\ kn. eenvoudige kennisgave van ecu zaak, dat een bediende vveggeloopen is; ook zva. i:iiw (ui ii w (777?7 lt;nA u \\ Iemand kennis geven van een zaak; iemand opdragen iets te koopeu en te betalen , zonder dat de lastgever geld er voor meegeeft (yrg. Li hhckh Ja\\) \\ tol of cijns heffen in natura er-

geus aan de weg, van goed, dat er langs gedragen

/

wordt, ook wel op de pasar (vrg.

rn(hnjj\\ {volg. Rh. tol of cijns in natura bv. in visch, door vis se hers op te brengen) of d/ivjomi (Kj. in ^i iu\'n(injj\\ plaats waar zulk een helling gedaan wordt, tolhuis.


-ocr page 609-

quot;TT

525

lie hij ^

w,,un zie bij *u\\\\

[HiivrKii-zva. iff f-i tvif]* ijUJin wijd van momlof monding» ook naam van een zeevisch , een Caranx fQort. — igt;| Snu \\ een open mond zotten uit ver-Icgenlieid; verlegen zijn of worden; verlegenheid. £lrp zva. lijtKyw — urm ivj,\\ zie bij maar ook

iui\'0(m.\\ passie/.

f~\\ nS . S Oa/^ ^ 1 •• \'1

(mVun of mi KI. van erm rm/i\\ bijzit, con

cubine, van een Vorst of groote{eig.\\\\\\iwvx\\o\\\'?\\\\v.

o \\ ^ ^

Vrg. vn foi-uru/j en n/rtrj tzi ^/uuviarijj). — on /i./x

iemand de voorkeur boven anderen geven {vrg. ili

itu? ); tot bijzit nemen, met een bijzit loven. «5)

iy 7?.n uitverkoren, uitgezocht, iin) dus

lijftrawanten, lijfwacht. — liJnrr)m/j of (fjm iu

man^ijs uitgelezen, uitgezocht, bv. van vrachten.

inn Qoj) Fli \'n N lijftrawanten.

vJ/?^\\kn. een lange rij, zooals van een lange stoet

van mens oh en op weg {vrg. avis en(u^irL^\\).— dJ

/quot; / O / O /

nhj^anji^ zva. cut^ rt^ anj}\\ —agt;.)(injj\\

zva. urn rruj ni nnjj \\

(miius kn. i. niet geheel horizontaal, een weinig hellend; een weinig overhellen, overhangen, overslaan, van een balans of weegschaal {vrg. (uti?u\\ II., e7i — (cfti(ru\\ iets langzaam en zachtjes uitgieten, G. — arm iiïj)rn\\ aan de balans een weinig overslag geven. — nmi gt;rum nam\\ iets een weinig doen overhellen.

II. het waaijen van een koeltje of zachten, verkoelenden wind {vrg. a/niïus I.). ^jruth]ifLigt; zacht waaijen, van den wind, n\'ji tjoninyjdo«5/ ni\\ een plaats waar men een koeltje heeft. — .i:m n\'i\\ een koeltje maken, zacht waaijen, zachtjes blazen; iemand met een waaijer een zacht koeltje maken. *ni!i?iiMSnvj) (ea\'r) an \\ poet. door een zacht windje aangewaaid worden. — tegen iets zach

tjes nanwaaijen of aanblazen. — a-iiirvj\'nrj(}m\\ of

O (.V O a/\' . . , . i

i:ni n n:w wt^n rj hh\\ iets m een zachten wind zetten of hangen , o;w te luchten of te droog en {fig. van iets spoor of tijding zoeken te krijgen. JR.).

— i t n i\\ zachtjes waaijend, van den wind. y

er is geen togtje.

o o/ , - ,

— quot; inrr);)n/j\\ 1. zacht waaijend, van den wind;

(c.}in Ji?w~n itnjis een zacht koeltje. 2. scheepsterm •. bries, koelte, voor wind in het algemeen.

K) \'ïLrt}M)rtiM)/]\\ een briesje uit het westen.

co

III. borstlap. G. [vrg. rjti/mrjlt;isnt\\).

IV. (K?iïl)xm(U)n de schil, het dunne vlies van nijen.

ihjj,\\ 1. kn. plaatsvervanger van iemand, om tijdelijk zijn werk of post waar te nemen; iemand tot zijn plaatsvervanger benoemen of stellen {vrg. ojï (W) ^ n (ui (ijn en (Qitu arnjj ). — (vty (rx^\'r) \\iemands werk of post tijdelijk als plaatsvervanger waarnemen; ook voor een voorwerp een ander in de plaats zetten of leggen.

II. kn. 1. zva. de fijne, bladetlooze uiterste

spieren of ranken van katjang en van pakis, die gegeten worden; ook dergelijke fijne neerhangende ranken van sommige hoornen, zooals de hoeloe en de prik of preh. 2. lijne wortel van hoornen , ook van de sirih, katéVa en kangkoeng {vrg. *1 oj)irj (rjiiuis en aj}^rt^\\). /rij,lt;vnanjj\\ de uit de takken neerhangende wortels van den waringinboom, die, als ze den grond bereiken, stammen worden {vrg. tjdjiiiHvjj); ook naam van groen, met rood en zwart of geel gestreept goed. cuir^trLp uitspruiten, nieuwe loten schieten.

ti(k/12 oy tli9\\ kn. een uit de wortels opschietende loot van een boom, ook van de sirih, katéla en katjang {vrg. n^rnj^\\ II., en iixm?rjituz ); ook waterloot van een vruchtboom, JR.

of quot;xi\\ kn. de ribben in een vlechtwerk; de regtop of horizontaal loopende bamboezen in een gëdèg, daar het vlechtwerk doorheen gewerkt

wordt.

o o O

n.Qj\'jquot;mnkw. zva. (U)tuirj\\

(mitu n\\ 1. ki. zie (u)) (I}imiijj\\ 2. kn. leguaan {vrg.

o v

iun (Ujj n tij en m w/jU) Kv/j).

O o ct C ) ,. .

aji tlr n\\ kn. zva. ojinis maar van kleinere voorwerpen of dieren. Sh0\\ ook wet m\'~gt;) Q n\\ zich snel heen en weer bewegen. (Tj.) Rh.

iKimjT^s of (Konp kn. vaart, waarmee iets, zooals een schuit, visch of piek, vooruitschiet. — ik? n^i ny in de haast, door verwarring van gedachten, iets verkeerd doen of iets verkeerd noemen.— hit (Kiixs zva. ü(irtit:ni\\ of liti n ii^s uit onbezon-

quot;t a j

neuheid te ver gaan. ihn i.^ninjiiaTiia.is onbezonnen zich een woord laten ontvallen of onbedachtzaam zijn woord geven.


-ocr page 610-

fhJ) (Y\\J) T) tUlIJl \\

O

(hj) Hnji \\

520

Luun wm^nKN. sluitboom, zooals vaneen Javaanschc paarde- of buffelstal, die in- en uiigeschoven kan worden, quot;/ lot sterker sluiting van een deur of poort {vrg. cKi tj iiut rj t. njj en m tu\\). — rin tuni u?^ iets van een sluitboom voorzien 6»/sluiten.

) O IT

(t-\'i ijirtn ty-nê hwjjs kn. zva. ki tu t) en een scnuii-beugel aan een ceintuur (ijivn tj MMn/j), zva. riJ)

Ij IlilZVJ 0711 2 }{))fj \\

o . - O o . i .. o .

ojj m-tis of ÏJ) tLini\\ zie bij (tu t)\\\\

O Ov ./..00«

ci.)nurrt i:i an/js zie bij tLrtiw

(K/i nvt wyjx kn. 1. zva. oJt /im n.nnvj^s 2. naam van een zoetachtige, rinsche, vrij wrange, vrucht met een geschubde schil y die aan een soort van rotiingriet groeit, Zalacca edulis, Bi. tti mijp uitdr. voor een beetje, een ziertje dy. eten, TJ. mh n wki vLihtijj^ zie i, nrj asinMji\\

(Mou hiyi of a^^hnpKH. I. er na aan toe uf op liet punt zijn; nog voor den tijd, inet het oog op iets, dat daardoor verhinderd wordt, ook van iets, dat hv. iem. overvalt, {vrg. (Ïjiitihnjj en ifJ.v^hiijj). (i m in^ xcjj ■ xx) .y i an fjs (ut tj lu è j (f j / u un \\ i k was nog niet gekleed, de gaston kwamen voordat ik er , mee klaar was; of wil men, de komst van de gasten overviel mij. lt;r^ tin frwun ucikj) jvi injaPi\\ als ik niet door den naelit overvallen word of werd, dan zal of zou ik, enz. n/n li li k/j i li Hojj \\ i k ben op het punt van erge dorst te krijgen, ^ am ik (Q i li (in^ mi enn »lt;-^\\als men hem niet bij tijds gepakt had, (dan zou hij in het water gevallen zijn).

O O

(Li ru rjKn -jtii\'ti (of rjazn? fai(Hi/j) , met geen

O O

mogelijkheid, liet zal zoo niet zijn. — nu w ili ni^/j

r O O ^ O n quot;) . ,

oj iiii.i^iikj.i,h/j\\ zva. (ui jliuoji\\ .mi j^i.ru hnji\\ zivh verslikken onder het eten of drinken (vrg. ulury. iL^rf^ari/). — t;ni ili niiji of r.m^i(Hjj\\ haast maken, zich haasten, om bij tijds klaarte komen.— t m /tu(Knrj ioi \\ spoed doen maken, er spoed achter zetten. — a^wrvKKtifls met haast, haastig. 3. X/ tivtgt;htiji\\ een zweep met een slag om mee te

klappen.

O -O

(i. i in h )iji \\ zie ik i ili mvji n

Of \' O O , CT

(t.o ij \'ILIikujis i.rn ij iLi ii tiji\\ enz. zva. (iji ili mi jj oj j i

rj enz., in West-Java en misschien elders.

(M J ui m tl/j \\ kn. het schoon zijn, vrij van ruigte, vuil,

ens.; met van voren naar achteren glad gestreken

haar (ti la Chinoise). ijiili i^i h^jis met overgehaalde voorhuid van de penis, Tj. — ^ni t li ut) ^

. ii iiii\\ schoon vegen, wegstrijken; wegvagen, schoon-strijken; het haar naar achterau glad opstrijken, — (fji f i luuti/j of Khf.i tLi ilt;ii/j\\ schoon , vnj van er op liggend of drijvend vuil, bv. van een t li in \\ of van water; schoon, vrij van wolken, van den hemel\', ook van ^/zww/, schoon, zuiver, Tj. schoon van een slagveld, waarvan de vijand is weggevaagd-helder, niet beneveld, van de zonneschijn; niet overschaduwend van hoornen, die met geen zijtakken overschaduwen.

/1/2 toiji\\ kn. donker, zooals een donker bosch [vrij. en

\'k^ ili.hiiji\\ kn. 1. een stoffer van veeren; een lange bamboe met een bos veeren er aan , die een eendehoeder in de hand houdt; een ragebol. 2. het schijnend licht of stralend schijnsel van een vuur of lamp; de heldere glans, bv. van een diamant oj parel (vrg. tu^\\). — (imtijjuvi(laiji\\ bestraald, Waj. I, 101. — (üm-ruuyj^ iets met ecu soclak afstoffen; iets beschijnen, bestralen.

lt;K/l(ffKlt;aJls KN\' nauw» waar geen ruimte is {org. (MtiJiiujI en i~i oji i\'Ojj); beklemd„ van het hart {vrij.\' (ijjoji tniji). (crr^^ikn^ brocijen, hel tegenovergestelde van (ur/ i^i hJUj \\

a^ n.jutijisKH. het gezang van den Balang bij hetver-toonen van de Wajang met begeleiding van degBn-der [vrg. a/nnna/n(ias*). 111il\'li.?nmji\\ bennnmfj van boeken, die een verzameling van diepzimvje vergelijkingen ( nj^itviif\'^) bevatten. — (kii^ilji^ erg. een (i.aihf .niip bij zingen, bv. op de wijzer»

n o

of» L/i) xci mi ip n^n (hj^ti\\ enz.

knu idi/p kn. loochenen, ontkennen wat men vroeger gezegd of bekend heeft, ook neen zeggen, weigeren? K. 5, 8G. {vrg. ihi uu\\ en lai^ unj). — irj cm in i hm \\ aan iets zicli onttrekken ; voor ieumni iets loochenen, iemand door loocliening zoeken te misleiden, iemand verloochenen.

tywirj iLii HtyiMW. zekere zijden stof met gouddraaJ

doorweven, WW.

. O

(M tuinm \\ zie l i tLinti w

(hJi njj ity ^ kn. met de beenen digt aan clkamler gesloten, ook KI tn^iKll l\'jijlll .IL1JI\\ zva. (I^l\'l^vil\'tinlljt

\' i \'KKMKi\'ii\'i i;y\\ groete met aaneengesloten Ixjuirmi,

voor eerbiedige groete.


-ocr page 611-

,\'gt;o) vj n/nj un i \\

527

i) ij n irj !•quot;*\' KN\' na:lm van dquot; oosi- en wesl-jioorl aan de zuidkant van de kraton, volg. Kli.buiten-poort van ecu artoD-rn — ).) ibi rj im i gt; een laag muurtje of hekje lanys de rund van een galerij of pnndapn aan beide zijden van den ingang. JK. volg. Rli- meestal eindigende iu twee hooge

srijlcn aau weerskanten van den ingang.

\'t amp;

Mtjitvil km\\ of M*} ruitiHinKW. eva. ./. lun if rm My\\

tn lutiiuiMW kn. een (ignurlijke uitdrukking of figuurlijk gezegde, om daarmeê oj) een min of meer bedekte wijze iemand of iets overdragtelijk. of bij wijze vau beeldspraak, te betcekenen (vrg. Ii?n i~ri-n uw/] en ivrntr.m.i Sh\'. sjlóka, vera; couplet). trj ij/hii 1/ tq gt; overdragtelijk gesproken. — ^ n u j,„ju slokas sproken; op iets of iemand een sloka maken of toepassen. — rm y n jt hn hi) ^irt/ mkiis omtrent of van iets tot sluka iels bezigen.

of MwiKn\\ kn., k., zilver,

«i i.uu i.inN., ip zilvergeld.

nj Ml. kanaal (org.

naam van een wapentuig in den ouden tijd, volgens sommigen een ijzeren knods met een spits uitloopeude punt.

i).\' ^ n.n utl iTO \'ii \\ eign. van een Toem\'énggoeng van Vanlswara. i7ij lv? ^ n.) t u jp \\ naam van een door hem opgesteld welhoek.

O S ^ O -w • j ,, Ci s t T T

t in.n.f^ of o.) 1. zid bij tujnp\\ 11. kn. (ie

shiitpeii of bout vau eeu ploegschaar, — (vnnruom

n\\ de bout iu de ploegschaar steken;^, zua.

o . o / o ».. o .

ff iquot;iirj(ui I,j \\ {vry. w7L/ bij «l.//truix)•

H gt; i lUhn nwiH. 1. koraalrif. 2. schurft, oan paarden (erg. ernjj). — rj(K)lt;iu uit n(bi de schurft; sohurftig, de schurft hebbcu, van een paard, u i il^mi.isnji of /ij.rui hn i ^jj\\ kn. 1. een inuzie/cinstru-ment, dat bij de gamïlan behoort, cc\\\\Wc\\\\\\ii$ixYo\\\\. 2. ecu harp met koperen snaren, eeu kleiue \' it) — r.TnoLj uv iiw/j^ 0l) eei1 saloekai spcleu. v imi \\ zva. (iyii^ tf f i (iji \\ 3. ecu bamboezen piu, die beuedeu aau deu rand vau een dak door de gestoken wordt om de uitste

kende wëlit of atap te oudersteuucu. ^ ^ of ±Qiin\\ kw. zva. tinim anjj

11\'quot;\'h lJVjj tJgt; wn en tu,amp;! qj) ijx/ti\\ (van (h/j\\ en Ij/ uquot; -y/ w^ S/rr. .9 oela x a n a , met goede keutee-keiis, goed voorspellend, pk.), rj i.n v/rnjj rm hu ihi\\ zie bij if ihn it* ï\\

^ O O

j i m i. y \\ kn. zva. un n i u /js — inn rti i.tj tui ^ i tf i,u\\ een ^roi of sluijer neerlaten, zoodat het aangezigt bedekt wordt.

/.?7L7/.y (L^pKN. geheel bedekt, overdekt, (met eeu kap ot klep, Rh.) ook zva. ri tu nynji/js — r.m

i

! ï-; i

M fy

li i

\'ifi *\' 1

ny.t^u^u iets bedekken, overdekken. —

lit^ u ^i if hu\\ met iets bedekken.

I.iii:nq of vjffivfMitisyis »/(,»».« ./ahlt;

iFjjj of ff 2 Mn rf tfj) z if h)/ 2 (Mjf \\ spr. zva. rf im? dj) rf jj? tfimw W.

Kj )li nh n (t) lur.uh of (M uh m onjj\\ li^.). KN. de bin-neulies boven aan de binnenzijde van de dijen (vrg. i}) n) h\'))\\). if» fJKi)\\ tusschen de liezen geraakt hv. van de streng van een rijtuig tusschen de liezen van een piard door het springen.

m 7Vï(lajf \\ kn. het aansteken door een overslaande vlam, oo/c besmettelijke ziekte, Rh. (vrg.

cmpj.Ki iu(injf\\ of enkel k) ji.)(Lc^,f\\ overgeslagen vlam, brand. — rm overslaande aansteken

v. brand en dery.

/3 )L) tajf\\ kn , i:ni iL/tiP) ^ hamboe of rotting iu dunne reepjes snijden of splijten. — /tm» 7//^Nin duiiue reepjes gespleten of gesneden bamboe of rotting, zooals tot vlechtwerk; (ook daarvan gemaakt touw, dat wel gebruikt wordt om, aanstaken gehecht,tot afsluiting om sawahs of tëgals gespannen te worden. JR.) ook bep. zulk eeu scherp dun reepje om de kam van een vechthaan af te snijden, Rh. \' KN* waarvai1 11,(3,1 Z1C^1 bedient om iets

aau te steken of in brand te steken, WW. (vrg. t ) ajj kiiWjj en \\f i ij (Eji? io^). — a:rr^(r^xcyj\\ iets, zooals een lamp, aansteken of opsteken; iels in brand steken; een stuk geschut met een lont afsteken (vrg. tf c??rf (ir/?? ). — arn^wtips mv.t en iets, zooals een kamer, door Opgestoken lichten verlichten. — v^ iytu) on/j\\ ecu blaaruitslag op de huid hebben, liet springvuur, een ziekte van kinderen.

njjiLn.)^ kn stroef, niet gemakkelijk gaan, bv. van

\'i ■

\'lil W

een deur, die sleept (vrg. im lumnjf); ook fig. tf hurf)u iiajf \\ (of \'rf )j)2)f i))j.i .j\\ Rli.) kn. een spaan van dun gesneden bamboe of hout, om meé te roeren, te scheppen, te smeren of, zooals met een vouwbeen, te snijden\', een vouwbeen ; volg. Rh.

•quot;l


I

-ocr page 612-

528

^ j

JU (LjHJI \\

^ rq ia ^

meer bepaald voor trasi en kalk; vrg. cmrj onj)?\\ {tjOJii tj rv)nnjj of rjoji2rj tlian~jt liiy soldeerbout. JU.).

lt;yj 7.7 if an \\ kn. slordig, slof, wanordelijk, achteloos (vrg.

(rp^Tt^iuyi en vj um rj j .

iki rj rut v Holl. s e 1 d e r ij.

(Ki ruasnji 1. zva. (ki ruttajj\\ 2. Ar. saldt,

kn. gebed; zijn gebed doen, bidden {vrg. wtuitj)

Cquot;) • V ^

tsujp Tj in 2 (tin \\ en wtMJg/J)\' — OM 7li a^n\\ voor een ander, hijzonder voor een doode, bidden. — rrm irvt dsn rj (Hii \\ laten bidden, voor een ander, in de plaats- van een ander bidden , {in RP. 12, zva. a:m (ru iivj n ) — ojijj) itv) agi .Tnjj\\ plaats om te bidden (uii (ut a. i (ru a^n (hn^^ bidmatje.

ajiitu (vnyjs kn. stram of stroet door kleverigheid van den mond of keel \\ ook van de stem {vrg. w Vu injj en hl (ut isn/j).

(K/tnui kn . een ring o/band om iets heen tot versiering ; een randje van goud, zilver of juwelen om het dikste van het gevest van een kris. — imkiu^ antj\\ een band om iets doen ; omsluiten , verhinderen, beletten, tegenhouden. G. — (utttQruj(unjj\\ in \'t nauw gebraeht, omsloten raken. — rnrt f)L^(i^]\\ mv., en iets met een randje versieren.

aJ) ij nvt kn. de klank van een slag of strieps met een buigzaam riet f eind touw, karwats of iets dergelijks. (tJt (fjt gt;1 vut (isii/j \\ een strieps. — (utn ij tut (isnjj zulk een strieps geven. — irm tjrut(i^]\\ mv. — iTtrt rj rut (tflurj int \\ met iets een strieps geven. — tt tjitxjiasnjis do klank van een strieps geven, bv. van een karwats, van het geluid van een bliksemslag. Tj. stekend brandend heet, van de zonnehitte; ook van de huid, een stekende pijn gevoelen, zooals van een zweepslag of steek van een insekt. (tJij tuwutryis strieps, slag, met een karwats of iets dergelijks gegeven.

(tJtr^ rut2tistiji\\kn. allengs, van lieverlede. (fJ^ tut2njt^ iijjt\\ van lieverlede groot worden. (ïJrj ru2(isttü rj rut (isriji\\ of ïlrj tu 2 ihtt Qtf rut i rjiijits al langzamerhand en met der tijd; zachtjes aan, op zijn doode gemak, bv. loopeu.

(tStrutiutt/js kn. 1. de bodem, zooals van een mandy vat, emmer of rinnrnrutji {vrg. hj)iJt\\). 2. de aars, het aarsgat {vrg, (tJt iurjafn2 rj 7n2mt/j\\

plat woord voor de stuit of het stuitbeen {vrg.

\\ 00 . .

iy ri2 rjh\'tt2\\) — trrrt ru (L,rijj\\ zva. quot;t rii)^ J

(wrut(tsttjt\\ een term bij de weddingschap metkemi. rinoten als de punt {(tStruvriji) afgeslagen wordt

— (t5jrutde bijslaap, relu ianq0 wellustig. gt;1 tJt tut (hnjj\\ en (irtt rj 1.1 ru iui/js Ml. s i 1 a t, bersi-

lat, schermen, M.

ij ut 2 tj ru (unjjn zva. ij (t^2rj ru(u^/j\\

rt^rudn/js Ar. , Sultan. — mi(t^rinq

van den Sultan, het rijk of gebied van den Sultan. (ijjjtunj\\ kn. benaming van een buis, waarvan dt

mouwen tot aan de ellebogen komen.

(ut ru astt \'rt \\ kn. een uitroep van verwondering% zva

nnt Pu ic? rj uj rui \\ {zie bij (unruï\\).

(ut ru (uit cm \\ kn. naam van een af deeling in de residentie Samarang. — (ut w rut (un cm \\ of m r 1 n 1 (uinrt (mjj^ wtit te Salatiga plaats gehad heeft, GR. w 7L^\'k^\\ Ar. i -^iV, t h 0 el t h , een derde. (tJtrU(tJt\\ (fjtru(tjt\\ of (tJttJts Ar. , thai at h é, kn. naam van den derden dag van een weck. tuiij

0f (^ aitrut(tJt\\ Dinsdag.

O o . o

(t-t\'t.t^\\ zie ct^t(Uj.t~.tjw

(tJt tu:ui?\\ of nsttru(ut^ kn. spoor van iets, zooali

van een slang, door een boscli of onbebouwd laud

. o O 000.

{vrg. mtt rut(u)jj\\ rurn asrt^ rwr is en thiubii nnp.

— (Hi ru tut q\\ iets op het spoor zoeken te komen, rondzoeken , doorzoeken, (ki uj ru(ut%\\ passief.

n-jt uj.i?t$\\ of rl ut zva. obtt (cj,ct5t Mal. sales ei of sëlësei.

ui tuu kn. in de war, verward van een zaak. (utnyitJ^f\\ zzr amn^a^^w

Cgt; o o . o

/ 7itu ut {\\ (t^i ru(ut zie a r^ 1 u(hit {\\.

/u ijr~iin\\ Ar. , thoelthi ain i, twee derden

\' ^ { r O • /

ut 1 ua.i \\ oj (utrunjis zie (tstirucutw

(utruhiskn. afwijking; afwijkend, niet juist {vrg. 11

n . v o cv o o o • 0.,

ru (Ut ~Jt\\). (ut rut (Kt \\ ru (L^\\ (ut (rsr^ (E/i nm rv) \\ quot;

t^u^rut ru ut \\ 0iut r:t^ (-nt rj n 2 r ujj en 0(Ui (ütj gt; t.vtj

Mytn/p namen van zes verschillende zangwijze*-

— (tft ruthin afwijken.

^ . X

(utiiQ(tjjs zie (ibitru^u^w

x . /

(Ut ij rutrj (Ut2 \\ zie nsit rj ru2 ij t t2 ^

rutru ut tnjjj of (Ut ru (tJt tnt/j\\ kn.; anrt t ut intj\\0\\\'cn\\

doorgaan, waar geen gewone weg is {van

bv. (in n.Kh t ij int rM\\ de dorpen overal doorkruisen-4,7

ru 7.7 int (rn\\ van den gewonen weg afgaan, Tj. ^

tt mt ~nt hj ru (ut »iitjj\\ overal doorheen en langs gM11-


-ocr page 613-

o a

M (fJ) tsn/j

529

Ut (Ulln

MiuWiJI of iniKi tnyjs zie lij a0ilt;i?t.Ku/j\\

quot;f quot;^s *** w quot;iquot;-\'*

(fjitutuwi^ Oev)\' 0JI^^iU?N KN• geslachtslijst, geslachtsregister, stamboom {Jr. silsila, pi. coll. saldsil Vrg.

z^e a-irv^a^icnjf ^

jjimm iw/I zie tisntUKii:nj]\\

óf ojin^jjiujis en ihn\'tijajj im/j of iif» v.jr.n^ kn. stekel o/* splinter, die ergens aanzit en ligt in het vleesch van een hand, vinger of voet, kruipt of indringt {vrg. ur^thri n/j en ^ja j ui/j). .Lhuïi i\'n^fK^iVi/js overal inkruipen o/indringen. __ als een stekel o/* naald ergens indrin-

gen.— wv.ierg. indringen enz.-, ligt in het

vleesch dringen, zooals dorens, enz. i.n mfis iets, hv. een splinter, in het vleesch krijgen.—

mibnujjvnw/j\\ daaraan lijden.

wh i co

iu7j(ur uitutjiuis of i ) tli ij tut \\ zie hij n i rj ui w injiuwss kn. afwijkend, niet overeenkomend, niet gelijk als het voorbeeld, model o/patroon; niet passen; iets, hv. een regel, model of gehod, niet goed volgen; ook met twee kleuren, zooals wit en zwart of groen en geel, naast elkander, JU.; volg Rh. ook t i iuiun {eig. freq. van /1 ui gt; \'\'l. zie aid.) verschillend van vorm of klenr van twee zaken, die gelijkvormig of gelijk van kleur behooren te zijn , hv. van een haan wiens éene poot zwart en de andere wit of geel is.

ijjrL|m(Hiji zva. ajjnnj^^cun (H)^\\

iJtitu*ji\\ of i3iiji\\ kn. liet zweven, zwevend, als een schim of schaduw, zich bewegen of voorbijgaan, zooals de voorbijgaande schaduw van een mensch. — V /J\'V ,J^N ö^8 cen schim of schaduw heen en weer zweven. — ƒ] ui als een schim of schaduw voor een oogenblik te zien of voorbyzwevend. —i.i vuiui-rjthyjsheeu en weêr zweven (vr^. n rui n m/j). M zie hij (K/j \\\\

\'iijn.iuis of (ui 7^/l7*j;\\ kn. uit elkaar, verspreid, fj. — tij^rjiri)(uirncmji\\ v. iems. onzamenhan-geud. dwaas, N.

7rj\' 7 ü\'N 0f 7 quot; / fj ui\\ kn. •— lf 1.1 If ui m .mjj of \'^7 nnj ui },(ia/j\\ kleine afwatering van een groo-tere waterleiding, Rh. — ujhh

K. 20, 52.

zva. iHinniyi

uj ui \\ zie ii j ui

7^7 ^Uijf\\ kn. — tyj (jyj ij ui \'.ut wjl n een uitstekende strook van een bosch, Sri. T.

Ki\'iri fj) ihnjj Ar. l : salaw dl {coll. mv. van

zi*2 11 ni ibii/j), kn. gebeden; geld voor gebeden , dat aan de priesters gegeven wordt om bij cen begraafnis voor de overledene te bidden , of om over een offerhande gebeden uit te spreken ; geld voor gebeden geven; ook gele\' voor de genezing van een zieke geven. — r.m n i iui a^n \\ ui nu oji Mn/i geven voor. — r:n) ivi ut n^i 7j i,». n iets als 1.1 n ut» tun/j geven of beschouwen; een schuld kwijtschelden , wanneer de schuideischer den schuldenaar het geleende kwijtscheldt om te dienen als fijt rui uuLinj hij zijn dood. — ui u t ut luyi\\ godsdienstige lofzangen te zamen zingen, met accompagnement van de férhang.

t.tut fóiJJI^ kn. — i:ni tvuut (htyjs van de geregelde orde afwijken, zooals hv. een dakpan, die buiten d^ rei uitsteekt; ook fig. dwars staan of liggen, Rh. (Un^ijtutibn/i of h^il\'Utihti/j KN.; i //j ij uian./j iets opscheuren, afsplinteren, inscheuren; ergens een dun strookje afnemen, u n ^ i tj iut nstt/j \\ opscheuren, afsplinteren, inscheuren. — /j/ ij .ut itjii tinjj \\ dun strookje; splinter, afgespleten of afgesplinterd stuk. JR.

/«Iut lt;Yttfj \\ kn. —,i \'J}}rUi}iyis gaten in de vloer of in

den weg, e7iz. Rh.

y / ïjj finp kn. de bamboekokers onder de gëndèr;

ook de ronde gaatjes in de dak on.

K t rui (Ut ïl ljj \\ volg. WW. ~~ ; y gt;ƒ UKlïtJIS i t if n t iJt\\kn. scheef, niet liaaksch {vrg. ifi.i i)t^\\ en

7 ii\'7 )■

na*.

(K t ut zie it Kt it tut \\\\

Kyibiw Ki ütuj\'ut\\ zva. [j^ uti^Kjutw VfOrfVf Üt\\ of Kt ru KN.; lf l.llt 7f Ut \\ of UW Ut \\ afwij-ken, van hè\', spoor afwijken; van een bevel afwijken {vrg. 7/(Kft ut j \\). —tf ki tj, if Ktif ütsxich overal op zijn weg ophouden , zooals van iemand, die een boodschap te doen heeft. — u^if tuifut ut (in/f\\ hetz. K. 20, 45.

(K/t ru -t u iisnji\\ kn. iets dat men onder het eten tnsschen de tanden krijgt, hv. een stukje vleesch, een

graatje, enz. df» (t/t ut if ^t ? ut cut ;ui /ti /0 x nl. zoo wei -

o i O ■gt; o ) . J t

mg. — ui iu ^n .tn^ oj hit kutu iftj (hnij\\ iets tnsschen de tanden hebben of krijgen.

) ILI 1^1 l/t^ Ut If I LI LH Ut (IJl \'l LI f TJj ^ of Kt 7fy t^t Utj Ut

34

ii

l

i r,

11

I il l

I,

n^j

s


-ocr page 614-

ui iri fl//

580

rUMi\'UiiM -^c. (Xjdc lt;t)Jl ^j.^, A\'t /-

la\'lldhoe \'alaihi w as a lla m, Ak van God gezegende: gewone zegenspreulc over den propheet Mohammed, zoo dikwijls als men hem noemt, t-j-n^nyiuf of iKin^ njiuij en aSiau^ iv^ aji^ KN. duiken, onder water duiken {vry. .KttvtMjj en ivnfr iLi/j). — vmnjiirtjui gt;•)! \\ iemand onder water

dompelen.

0 . a .

i.\'i iLinjpKW. zva. n-nn^irLji.

i i ili 11 j imi u i igt;~i ij am en ilt;n 11 ili tui \' hi j* soa.

tuinui{\\ II. enz. Vrg. echter Mii.ix~.iip

1 . quot;gt; O 1 o ,

i iiii(uin\\ ook il ru v.iijj\\ KN.; i i ili oji jji n-injl/jxüoor

elkander liggen, zoodat liet een tussehen liet ander

ligt (vri/. iJ:gt;li\\). iQiirviiu/i of r:iii iliimj\\

zich ergens tussehen plaatsen; volg. WW. zva.

\'i.|/k?Dl l ajl/j\\ — \'•\'quot;ff quot;V V00r \'Q\' ■\'} \'\' quot;quot;N

li. P. II, 28. — i,to ii/.«-)gt; ofi iii\'iurns ergens

iels tussehen stoken, tnssehenvoegen q/quot; mengen,

zoodat hel er hier en daar onder verspreid is.

mi Li vu iiji of nol o- J u i ™ atyj \\ p«M. ilt;?lt;«

anders tussehen zich hebben, im-ni] 1.1 n i

i ii m i i \'i 11 lui J tussehen dc rijst is hier en dauv , (.oei tl ^

gierst, (gedaan, gemengd).--imn rui ui - i i; itn iels

ergens tussehen steden. — aj^Qn.iu^ zich ergens tusschenin bevinden , liggend, zittend of gestoken ; op een vreemde plaats tussehen andere ongelijksoortige dingen of personen in.

1 /Vijdji^KN tfofó. sloep. uyurj^ iiujiuKi een sloep. quot;nuui/js kn. vleesch met vet doorregen, WW. volg.

Rh. M ri ) IU/J\\

kn. zinkeu; gezonken, zoo onder water, dat men niet meer te zien is; ook uit het gezigt verdwenen, niet meer te zien {vry. vii giu/j\\ MCLy .i/i^ m ^ ^n n ti vj mji en ij uit ii/i u t/j). — » nt iviij\\ iets verborgen of achter houden, iet^verzwij-

gCU. _ k»j wa i tuijj^ gezonken of ouder water ra-

keu ; er onder geraakt en verdwenen; oo/c van iemand wiens roem gezonken, door een ander overschaduwd is. — .nm r^iLi ^.ivjKtts ie/s onderdompelen , er ouder doen komen; zoo diep zijn, dat iemand of iets er ouder komt. rm vj 11. i tj tj hh qj)ivgt;it\\ een kloet diep.

jt] Wl Hjl/f\\ ZV(t. 1.1 tl 1:111/j\\

■* J ti i iuiif* kn. verblind door sterk licht, goochelarij, {vrg. i uCtiitt \\). tf i:i t^ v goochel kunst, zwarte kunst. — ivnjtuajijs goochelen.-(cry/i/fljj.M het gezigt verblinden, verblindendbt-goochelen. — tt. t ti t ivi goochelarij, isn ur

goochelaar.

Ki (vn. (ui ^ of fyt ai \\ kn., een van pisangblad ge. vouwen kleine platte vierkante koker voor sirih of tabak; een schuif koker van vlechtwerk of leer voor sirih, tabak of cigar en; cigarekoker; ceu gevlochten sirihdoos met vakjes {vrg. ui ton\'j n utfj). — ki vn tj Oji artfj in den vorm van 1.1 ^,ij\\ van vierkante doosjes {van edel mei aal) die aaneengeschakeld een normen.

k i rrt out\' kn. een kleine (Kia^njiw i.i tj iri/irj (vis of lythji tj !L/i\\ kn. een gouden of zilveren

plaat op ecu ^(tni rj (ui Kti/j\\

hi rj itli (ui tlt;iji voor iji gt; j(ui chojj\\ - ^ gt; ikj. ij m hij

n mi

zie tijiim(ui\\ Ij.

1.1 aui (ui (ifi/j\\ zie bij m ui iin/j rjiui Iit/j of ay u! igt;ii/f\\ kn. nauw, eng, niet ruim genoeg , bv. van een kamer; benauwd, van de ademhaling; kort op handen {vrg. oJo Jhiijj en oji »

- h tl j l (ui lgt; tl/j of I\' tl hl ui ook Ktt 7}; III htl j

in het nauw gerankt, in het nauw zitten, hiikiu

un 3ii ui t i t ? \\ tijd te kort komen, te woiiiig tijd gt; ■) hebben; en zoo ook enkel t.tt khui hiij^\\ shti/ni

hti 3).i7^(it7nit\\ door geldgebrek in het nauw zitten.

tjutd^ kn. ; vj hitiJt tj \'iji ? ij tct*\\ al te vrij of vrijpostig en onbescheiden {vrg. rj ut igt;ti tf ; i^i ij igt;tii uf y. / np ui in \\ i i rj ti tv tij uirj ti id tf pj fen i no ni^iiiiuin/j). (u^rj (fji2tjrji2\\ al te vrij zich gedragend.

ojxruidot iiit(rvji(iorjf\\ zie bij (iJjdJ)

■gt; ) o

zva. (Mrj tit^ou^^

(K/^ (Tuyisii/j of rj (K/ii(iJt (ü.tlloll. sold a a t {vnj. i i quot;

i^idh ■gt; kn. ; (ui utÏ Ki iJi in dc lengte uitgestrekt liggen-van een menigte lange voorwerpen, zooals piehh bamboezen y enz. \\ in de lengte nitgW

strekt op of over iets heen liggen, zooals harnht of hout op de takken van twee hoornen, of over h weg^ heen; (dwarsbalk G.).

Ki ii i \\ Ar. , thai dj o e , sneeuw.

(i C

ttt tijjjs eign. van den Torst van Mandarakti, broi-der van Dèwi Madrim, schoonvader van dc ^0\'\' sten Soejoe-dana, Karna en Bala-déwa {amp;kr. Sj1\'


-ocr page 615-

Ij a. Vrg. w \'/ m ^ k n \\ Sal j as dood

benaminy van een bedrijf in de Wajang-poerwa {van mi

V.mlmwnkw. zva. (Kin,en kn.,

m in en yew. w ruihuis strijdig, strijdigheid; on-cenig, oneenigheid, geschil; in strijd of oneens; anders gezind; ongelijk van kleur of ongelijkvor-mig {vfff\' gt;1 r/ V ^) ƒ ook naam van een ghiding.

_ vrntritLuiy in \'poëzie ook (hirut(IjU\\ afwijken,

verschillen, in strijd zijn met. —(i7njnj.i,uMj\\met iels in strijd zijn; strijdig handelen; met iemand oneens zijn. —ojiiti i clvi wji of i da hah un/j \\ met ; elkander oneens ofhi strijd zijn, oneenigheid hebben. |

) O

, I UI Ij \\M 2 N zie \'Hn.K\'1 )j «Jhl ? v.

O

I jnHdU^y kw. zva vmmjs nj )n f i ~ i\\ en nj n i m.\'\\\\ kn. .uiCbiiw niiLv, gt;\\ overal aigema\' op den grond neerzinken (waarschijnlijk van n lu ; \\) of ! lijnKijiiJim(in/j\\\\\\i wanorde, verward, erg. liggen. 1

htiun ,u iui{\\ afgemat, krachteloos, bezweken,

\'

ncêrgezonken.

O 0 1 o .

i nuluiihijj^ zva. t 11liq t n (hi/j zie / i ilijw

i i njjjiifi i\'HN zie bij m ujj \\n

■\'IU\'1quot;*2\' KN-\' V u\\ \'I # ? V wy quot;Iquot; en V quot;^\'V |

yiu? \\ of ij ij tj rii/ n in/js waggelen, waggelend i gaan, door zwakheid in de be enen, ook door dron- I kenschaj) {org. ijn -iaa i \'i ij i, ns ij i ii i \\ ij »n gt; ij m / gt; j

/ v

inri wi n i.inw )

7 »/\'/\' |^/)\\ kn. het knikken o/waggelen , van | zwakte of vermoeijenis, van de knie of een ander gewield {vrg. ijiui ^ i\\,2\\). — i m rj m tj nu hu/j\\ knikken, nn ij Kivj^uiMii/js komen te knikken. — \'I {)\' 7 111 * lH1/] \'d knikkende.

wiuitjij- Ar. saldm, kn. heil, vrede, groete. /,/ mM nquot; f^Jl\\ groete en hoogachting, groete van een jongere aan een oudere, ki ili q m lt; ^ of j i n.i fi ~ I ij hi 2 r.i \\ groete en heilbede, groete van een oudere aan een jongere, ki iuEugenia i

Incidula Miq, Nat. fam. der Myrtaeeae, de blade-yen gelijkende op laurierbladeren, worden als spe-eerij gebruikt en het afkooksel van de bas/ om netten donkerbruin te verwen, Rh. /.//(ijuia-1 m (j1^ naam van een boomy waarvan het hout tot brandhout, maar ook wel voor djoekoengs en het bouwen van huizen, gebruikt wordt. JR. — nu, quot;(j an der groeten en heil

ILI if \'l/J-y

wenschen onder het toereikon van beide handen op de wijze van de Arabieren ; ook complimenteeren door de hand ie geven op de wijze van de

Europeanen.

)

Hl gt;L, if.l/J \\ Zie 1711 -Hl fohj

hi i^ujl kn. in het water duiken, verdwijnen, zinken; ook uit het g.^zigt, door den afstand voor het gezigt verdwijnen {vrg: ihu bijj \'HiHif i/j\\ , 7

) x I / y

ijiuifj en i tiKj.itj/f). — i ni r^ fip {poet. tin ij } zich of een obj: laten zinken, onder water ilom-pelcu ; {^iemand verdrinken. W \\\\.), — i.fli \'y(\'jN naar iets onder water duiken. — ,11y fcj Jït \'nj h, Hiymr.

v. uni £ i iio/j^ WP. 35.

■» / / i n J tijf^ kw. y 1.7/ 2 n i,n ij hu2 ni) quot;u n ,\'inijj {vrg.

lt;k/, i^n/js i J n , (i/i/j en , i hi\\). i , n j s ymqs on-zigtbaar, iii\'mi.i \\ onzigtbare wezeüs.— i mnj Hiunjjs zich ouzigtbaar honden of houdend; on-zigtbaar. hi mi n \'^ een rijk van onzigtbare wegens, een ouzigtbaar rijk.

u i a i f i/j^ kn. tusschenin o/* doorheen gewerkt, ingevlochten, nette stop, zooals in vlechtwerk) tot herstelling tnsschen ingezet ö/* ingelegd; ingeboet, van hoornen en planten\', plant of boom , die voor een gestorvene of kwijnende ingeboet wordt; mot goud of zijde doorwerkt, doorstikt of geborduurd. ?5ijj /. u Afj- u 11 ijj\\ piek , waarvan het omwindsel (»ƒ ms hi) uit gouden en zilveren draden, uit zilveren draden en arenvezels, of nit draden van geel koper en arenvezels, bestaat. — hui n iihi,/ tusschenin of doorheen werken, invlechten, een nette stop inzetten; inboeten; met goud of zijde doorwerken, doorstikken o/borduren {vjg. \'f iy lt;!» n). — oy n ;mv., en iets door inzetting, inboeting , enz. herstellen of aanvullen; iets met-goud of zijde doorstikken. — ^/t/v / inzetsel, invlechtsel, wat dient om in ^e boeten, borduursel, borduurwerk, stopwerk, lapwerk i^inj kn., \' t\'i Hj Hijj zva. ryui h, ^ uhhj) en ini k i hu/j \',■?} \' / \'• \'i\'^ ^001\' dik en door dun gaan, aan niets, hoe aanzienlijk of lieilig ook, zich storen ; ongemanierd.

mi ij ,li hi (ui/j Ar. S o 1 e i m Ti n, jeign. Salomo.

iini\'Fj\\ zie bij \'■ i w ij f li ij hi f ui/j of ij ijtij f a ii3iifj\\kw. iets brandends, dat iemand ol\' iets brandt, of dat men gebruikt,

34*

581


-ocr page 616-

532

gt;. O

rj quot;Ki i u (FA nsn vn \'uijjs

O

CM (M OS! IJ} \\

om te branden of in brand te stoken {vrg. a^ja^wj en oji li iicji ). — ff nn i rj w 2 icyj of lt;ém tj n u tj it) 2 iin/js iets of iemand met een slomod branden, schroeijen, doen branden, fn) rj m 2 ij tw 2 aü^•- met een slomod aangeraakt. — \'/ ^ lt;amp;! 2 w rf urn \\ iets tot slomod bezigen; met iets branden, schroeijen, enz. WW. volg. Rh. ij iwi2rj ff.iè uij\\ met gloeijend

vnur branden of aansteken.

p . O

itjitunjj\\ zie utrv)if.iisn/js

fj/qkn. fijn stekend of prikkend; een stekend,

zich heen en weer verplaatsend, gevoel hebben, bv.

in den huik {org. m/j en h) ^htn^njj).

O quot;) Lïquot; * /) o CO

t l tu iFj) H5iyj\\ ) tui (En tunjj 0 f (M (amp; (uw/j \\ N., ugt; ruj^ \\

■ of verk. nvi$\\K., ^o^nki., heil, geluk, welzijn,

welvaart; ongedeerd, gelukkig, welvarend, geheel

wel, zonder onheil, zonder dat er iets aan deert

of ontbreekt {Ar. ioiU,. «37ui amp; is Kramavorm

van u) 71^ iLLi w Vrff. 4 (ini \\ en n 4 mi nAJj. w);

quot;) ) / - /\' o. ■gt; G)

L7irj ui ? iki vu if 1 asiiJi^ ojj un \\0f in iisrj -yi) ui nvj, m \\

heilwensehen, gelukwenschen. .^1 Q^^ n Ml.

heilwensch met het nieuwe jaar. éi ik m (tn \'yj^ zie

hen. hij ty i 1 (hi/jn — rrm Qun \\ n., rp( .iK in of S11^

ik voor iemands welzijn een offerhande doen of

een offermaal geven. —iiw n i ïi iiyi ifinn •uruiité:

11 uil mi/j of ui nii (Hi/fs een offerhande doen of

offermaal geven voor het \\velzijn van iemand \\ op

iemands welzijn drinken ; iemand bij zijn aankomst

naar zijn welstand vragen. — (Hiia^i ihiiyi iHi/j\\ kii

ui rui i^c» ihnjj \\ en kikijj (rnrn (h(i^\\ heil, welzijn,

geluk, waarmee iemand gezegend is; zaligheid. 11

Sn. s quot;gt; f O v

?fy^ \'n ( 17) IST^ gt; I KH !H1 /j of !Cm Ij 171 2 11 HII HOJI) li II

uinj^ ^dmui/i {of uiKi jnfii miin/j), iemand heil wen-schen, met heilwensehing groeten of zijn compliment maken. /. ^ /u i:in mn 2 m ^1 nm iki i?i luj é c? (^ ij^an ^Kur^ici ri\\ ik bied ((?ƒ ik zend)

mijn vriend mijn heilwenschen o/complimenten, un ij£ wi anisyj quot;n ihlrnjj {of imi ij mn 2 k? ^ un nojj) un Si (rui amp; (in (K7 rui n ik geef berigt van mijn welstand. — i^i iQatfi (hn/l n ui rvj ik iji (trijj of iuj ^ m in/f\' in welstand; en heiloffer, offerhande, offerfeest of offermaaltijd voor het welzijn van iemand bij een bijzondere gelegenhieid. ui iu^ az: ui ui cn ujj n e7i gew. $ (Wi ïk (ia ij fci/js de heiloffcrs van den Vorst bij gelegenheid van een groot feest.

rf Ki 2 ij hi 2 ihiifl \\ zie ij 7^ i rj u 2 loji gt;

ij k 1 ixji (fji il,ïi ii\' 11 (Ki/js naam van een poort van help.

leis van Batara Goeroe.

wiuifoi - »n kn. een lus van touw om de voeten bij het beklimmen van pinangstammen, Rh.; vry. ,,,

IKEA ^1 (UI ff \\

o . ... ) rgt;

k I ry iEji ( -j (livjj \\ zie bij n. 1 (fji. (isiyj \\

fk i if n 12 ij (e i (tmji\\ lloll. kn . trompet; ook trom. petter. — Ari ij n izrj op de trompet bla

zen , trompetten. — iui ihjjj rj m 2 ij (Et y \\ het trompetten, en trompetter. — (Knf un if: 1 injj^ een kindertrompet; op de trompet blazen; de plaats waar de trompetters van den Vorst wonen.

Oc __Q-

(K/i on/i (En ^ \\ - (Ui (rui (amp;i w

Cquot;) - O o o /. ) )

(Ki ifi myf of KI iEji — 1 li iyj\\zva. \'ki mi nnjj of ri ili 1,11^

n * . ) n \' o

(Kia^iamp;i ^insnji of ki ,fi -1 (isijjj \\ kn.; i.in ry 1.1 hi^

en (Kj^Kf i Sinsnjis tusschen de plooijen, vouwen,

bladen van een boek of iets dergelijks inzitten (ir^.

O , ) gt; k ^quot;) L ) o

a^/Eji ^idhruf en (ki ki kli^). — kii (ki ei -1 mii^ er-

geus tusschen geschoven raken; Jig. overgeslagen.

vergeten, over het hoofd gezien raken — unij

. (Ei ?i ii^n \\ ergens iets tusschen schuiven {vrg. wi.l

/un). — 1.777 \'Ei J? rf kiin iets ergens tusschen

schuiven. — m^ieji Ji (ifljjhryjs tussehengeschoven,

het tusschengeschovene.

KI ILI El i.1 (hlljl N KW. zva. \'KI quot;U 7^7 ^ N UI !UI (YH I, lj\\ KN\'.,

— 1:777 luiifji ^1 uriji\\ wegsluipen, zich verschuilen om

niet gemerkt te worden ; sluipend , ongemerkt, ieh

doen. — m rui(EiZii^n (hiff \\ zich schuil houdenii,

sluipend.

(K/i miEi Ji\\ zva. lt;kji(t-itrui\\ongerust, zich ongerustma-

ken over een of ander, of iem.

o . o . .... o

(Ki rui (Et ^1 n irni hukejI ^ zie bij (kkeji ^iw

kirjilieijis kn. bandelier, riem over de schouders, waaraan bv. door een soldaat de sabel of bajon-

net gedragen wordt {yrg. mi.rij ).

CV . CY

fKl IXI El ^ Zie OJtiEJlW

co co

/ . ... os Ki i y zie bij l i (E i w

i. KiuCf i\' kn. ; (ui(iSï0\\ overal rondzwerven. —

co

ihiffoi \\ heen en weer zwerven (vro. i:ihi(èk)-

wCO ^ (n

(ki ij ili iE£(vgt;iij)\\ of rf rj) Euuli/j zie ij iiifrwnijj^ Ki ii^\'f^ihii/pK.N. naam van een gereedschap, een puntig stuk hout op een voetstuk gt; waarmeê deharW schil van een kokosnoot afgestoken wOVdf. — ii/i f i :bii/j\\ een kokosnoot met dat gereedschap harige schil afsteken.


-ocr page 617-

O

wrvtwi/js

/.in hr.n \\

inuiyifj^ KN- t\'isschenniiinto. — iniiiKïrtjs er-ijcns tusschüii in ziju. — rm turns cry. tusscheu in komen. 0(m rj«:) tijdelijk iets verrigteu bo. voor

) quot;gt; z- quot;) gt;

een ander, org. i nuwias bij ki iuw — rmni

,ii tihii\\ een object tiibschcu in zetten of leggen. mi I ^ ^

ih i in/j KN.; i n i gt; i j.\'quot;]\'quot;!p Siich verslikken o/ver-) ■) ) -)

slikt hebben {vrtji. iin.Kitrui en inia^a^^n

mj).

Jijin rn/i\\KN. nJtj ruon^ij n.i m/j sierlijk, statig van gang, van een vrouw.

ij M /ƒ /lj? ar)^N KN. jonge wilde obi (.1^ /3). — ijwh ij gt;innlt;m/j\\ obi uitgraven, JU. ooit/. Rh. uitgraven vau gadoeng.

jjirLicnis of Min.icms kw. zoa. uy irm lui/j\\ kn. het buitenste bekleedsel van een bloem, a^uru m iu in\\ van a^ tunm veranderen; spr. voor eeu andere keer of wending nemen, anders uitvallen, w n i rn vil iijjjs nieuwe organisatie, G. 11. W. Vit een plaats, o. d. Ménaq {uitg. Winter Bat. 1854). blijkt dat .ijiurri en iimirmiu/js niet hetzelfde zijn; doch hei wordt daar figuurlijk gebruikt, cn het is daarom moeijelijk te zeggen wal met (iJl ili lt;ni bedoeld is, er staat: •?-; ion i n axi f i i, u i. i^ i iii iui/j \\ ^ ki n i in ij hj turiniip un/j \\ volg. sommigen is het bloemkelk, zie Bijdr. T. L. en V. IV, volgr. I. 137.

i.ini(m\\ of u i iu rn kn. i. een soort van speer o/ spies. 2. een dun stokje, dat bij het weelgetouw behoort. — mrrjiu tn\\ met een soeligi vechten.

T^kn. zoa. oti ui./rijcrïn G. de vrouwelijke i

scliaumdeelen {Pers. , sjo e Ifiëh, vulu mu- |

liebris).

li u unijjs Ti), misdaad, misdrijf, zoa. ojiiu;* {Ar. \' that ah, vuiligheid iets waarmee iemand | bezoedeld of beklad wordt. Vrg. \'tJi iuojiji). — „n iiiuwtryi beklad worden of zijn; een misdaad tot zijn last hebben; ook zva. hiirjivii rj fi ijip

Uiucn/i--it.ii nu i:iljj\\ Men.

rlmanji ilrLiiui^

O Q

\'\'/i;rn^\\KN. heimelijk, ongemerkt; valseh, verraderlijk, slinkseh; met streken omgaan; ze in de mouw hebben {org. ojièt\\ tisn ivinSiurnjj en nu ij

Vquot;-\')- iu i :ri -jti (i,?itp{j\\ arglistig, valsch en geveinsd, van hart.— imi lutirnji {poet. w ii?ji iin/j), heimelijk o/ ongemerkt iets doen; heimelyk, ouge-nieikt weggaan; achter den rug van iemand om handelen; mef, slinksche list, arglistig; van gekookte rijst geaecltelijk gaar, een gedeelte wel, een gedeelte niet. — iu r.n/j\\ verschalkt worden.

^i(ui0\\ een weinig gedachteloos. — rni.tt0i i:n\\ geheimzinnig zijn jegens; in het geheim iets doen, buiten...om; iem. onkundig laten; iem. misleiden.

— h ii ni r n nifj^ pass. —r;m/r/ rn buiten iemands weten heimelijk iets doen ; jegens iemand listen oj streken gebruiken; iemand verschalken, listig ontduiken. — m i?i k» (kiji of uJaCini lui^ Mi/is geheim; arglistig; op een geheime o/arglistige wijze.

K)irv)n7n\\ KW. zoa. ili ij gt;1 rm/j en ojjfwp (Skr. sja-

lab\'a, een sprinkhaan).

^ ^ ii

fhj](iu.ini\\ zoa. il i u i hijjj\\ mi rLi;rn ~n iki/i* elkaar

gelukwenschen (Tj.) Rh.

/ . O /

d^i r i i.ii \\ zie ^ixjrtw

i i n t ri iii^ssa^iof n^in^ij KN. los slingerend neerhangen bo. van kleeren; vrg. ij t.ig ^ri^gt;\\\\ mij ilittr^uiiji\\ Holt. KN. schabrak. — tmrj ni

mi nu* met een schabrak.

ui iu i:nihiifj kn. bedrog, zooals door valsche waar.

— i:m ^|\\ iemand bedriegen, met oalsche waar; zich bedrieglijk voor een ander uitgeven (^r^. .i/7ï \'.111u i,i h n/j). i:in tuirr^ hii ij mi \\ iets valsch en bedrieglijk voor iets anders uitgeven.

O

(h i rijj^ kiiji v enz. zoa. lt;m nu ar.r^ m n/j\\ enz.

w rj nid ij nm i.u/f KN. ; ^ m l c/i ij ilt; n ^ ^

zich steken en inmengen in dingen, daar men zich

niet mee te bemoeijen heeft, JU. — ij it/ïi 2tj nn i

i.np planten of hoornen uitdunnen, door ze bo.

om den ander weg te nemen. U. door een ruime

opening gaan, bv. in een wijde schoen; fig. iem.

iets in zijn handen stoppen; bv. valsch voor echt;

iem. bedriegen. — ij rnnnj.iim ioi ij i,ii\\ iets ergens in i

vaststeken (;ƒ doorsteken, zoodat het vast zit. JU. iets in een ruime opening of groot gat steken, doorheen steken.— tui ij t ijnzni:i,hj)\\ ergens in vast-gestoken; zich ergens insteken, daar men niet mee noodig heeft, JU. in een ruime opening of groot gat zich bevinden. — rjfM2 ijtuni mi/j\\ in een ruime opening enz. geraakt; Jig. er in loopen; vrg. ij irut ij r.ii2 k n/j\\ Uh. ergens in vast geraakt; ergens in geraakt, daar meu moeijelijk weer uit kan komen. JU. — rj(i.i2*1 r.ii2iKDluijjv uitgehold; holte


-ocr page 618-

i rrj vu i tj nm 2 crti^ \\

534

of opening daar iets ingestoken kan worden, G. iets daar men in vast raakt; een slol) (unc impasse), JR. voly. Rli. gat waardoor of waarin gestoken wordt, of kan worden; fig. bedrog.

i itfni.n kn. naam van verschillende soorten

van batiksels

j. j ip ui}.rsj iHnjjs KN. al te vrij en vrijpostig, bv. door ongevraagd maar Iemands goed te nemen of te ge-bruiken {vrg. rj ip /j / /.ƒ \\ en ij i^it ui tj riè tf mtg\\) R. ƒ | ^ nKN. — s met liet hoofd voorover ^.in

stormen , Rh.

/ij V\' V/N o^g^manierd, ruw en onbesuisd {vrg. a.j volg. Rh. nl. ergens inloopen,

overal maar inloopen.

O ,■)-) , . /)

(ij)n i\\ kw. zva. (k/i ru\\ en on im\\ {vrg. (ki

n /s). KN. 1. draagzeel, kruistouw ot strop waaraan een vracht gedragen wordt; een platte mand aan een kruistouw, waarin de lastdragers hun vrachten dragen; een lastdrager (voor n vigw tu), volg. Rh. ook een hangend vlechtwerk van bamboe of rottan, waarop bv. een rijst mand of een i. gt;iyn gezel wordt, eetwaren bewaard worden mz. 2. het sleutelbeen. i verkeerd begrijpen, misverstaan (vrg. \'Kt mjti j rn iujj en :Lt njnjj tj ivij) ii n ii\'1 njss verkeerd opvatten, zich vergissen in ile opvatting, i.) nD .jn^i.n/js elkander beurtelings steken, kuü (of /.mm) n) itjj im/j verbaasd, im t\'i 11 y r/V/N elkander omvèrloopen , de een tegen den ander aanloopen (van haastig in verwarring vluchtenden). — i:n\\ m\'/n iets in een draagzeel doen om het te vervoeren; als lastdrager met zijn draagzeel de kost winnen. - i /n n jnn v. e. 7.7voorzien, iets in een 1/ n\'i doen, hangen, in een m/ó dragen.

1 ni if zie bij tj n 12w

) . O ) Li Ir . .

nj) ti I v kw. zva. i ini\\ rn ff/i en /1/ gt;ƒ n \\yrg. 1.1 ni ). Li 11 rui f yhii/j het elkander leenen , van goederen

tot gebruik. 1 ni 1 i.j \'rj iu/j zva. a i quot; quot;i j ij \'LÜJJ —

C) . 00 quot;) . o cquot;) . o

.?7M»\'M /\\N. zva. i.in iirsw ^ (KA iu i-iiuj. u i\\ zva. 11

quot;gt; ■» -gt; o ) ■ 00

ni %.h iiijni f\\\\ — 1.111111 unjj zva. 0.111 iftun an/]\\

O • ^ 00

\'Uj f i na\\ kw. zva. quot;jHlfy lt;--n zva. i:rn ru?\\

en nriiu^a/nw kn. in twijfel, ongerust, - zijn; weifelen, K. 7, 110, tnsschen hoop en vrees, bevreesd . — f 1 n\'i t } 1 u (voor ui \'ïj tï in, j :f-1 n\'r ) voortdurend ongerust; in voortdurende ongerustheid verkeeren. — /rii »3\\ in ongerustheid zijo

over; voor iets bevreesd zijn.

0 cu 1 ) ) n o

1 ini\\ i. kw. zva. m en ni iy\\ kn.niet

iets anders bij afwisseling er tusschen; bv. ihrl

\'1

ui -rn nïf rn ^ diamanten met robijnen afgewisseld

, quot;) . o \' v ; quot;) Qv

(vrg. i 1 111\\ en cirn ru\\). 1.1 ruaj^ ri hjijj verkeerd verstaan, van iets dat gezegd wordt (vrg. hinn

v . gt; Ov ■ ) x

\'i j ni f.Dji en 11.10^1^ aji/j], — (Ki n ri i iu yeic. hiii.11 11?)\\ met afwisseling van verschillende kien. ren en soorten door elkander, zooals mozaïelwei\'k; bont door elkander, mooi en lelijk, door elkander, B. — i niitvïs iets met iets anders van verschil, lende kleur of soort bewerken; iets werken niet verschillende kleuren eu soorten, inn n\'ión n] bont door elkaar mengen; zich bont vertoouen.

11. kn. porseleinpoeder (vrg. (itti iiu ). — i:ni i?ï\\ iets, zooals koperwerk, met porceleinjioeder puit-sen. JR.

HI. nm. van eert zwarte vogel, een soort lijslei met roode oog en, Rh.

«./ƒ üw. zva. ajjij luijjs kn. (1^1111 \\ of ij iutu zen mi iu het toegaan, de toedragt, aanleiding0/quot;oorzaak van een zaakgt; bv. van een twist, ij 11? 111 ij.i./itru\\ de geheele toedragt van een zaak of hun-deling of de geheele wijze van iemands doen. — 1:111 iii (i?7 ijvsri nquot; de geheele toedragt enz. v. e.zual mededeelen, Bab. P.

1J /?/■ kn. Unit; ook ecu pijper. — (i;ry i?i Huilen, oj) de Üuit spelen. — ajiHjji nr het op de Huil spelen; en de fluitspeler hij een orchest.

a i rïp kn. vliegende witte mier (iets kleiner dan m ipunnjj). «(»/ \' J Of ii hij m nip een soeloeng die in het vuur gaat; sjir. m iemand die zich moedwillig in het ongeluk slorl, gelijk een vliegende witte mier op het licht vuur afvliegt en zoo den dood vindt.— \' a\'f een soeloeng.

1111111 kn ben der bladeren van de rottan gt;1 n ru^ \\ kn. ; ij vin lij soeloeugs of larons vmigci\'i

G. (vrg. ).

\'rj Ki 11 ui.! 2 \\ naam van het eiland Ceil on (vrtj. \'j\'1 lumyj). (iji:iii ijn 1.12\\ naar Ceilon gaan; ^ iemand verbannen naar Ceilon, ook in het nl\'J\'\' meen naar overzee.

linjid uln zie njj ttviw


-ocr page 619-

rj i n (ui/j\\

535

nii n \'l\' 0f W \' \'l \' KN\' ^01 8^u^8gt; ^l0\'nie^\\i^gt; ^1\'quot; .luistcnl, verdonkeremaand, gesmokkeld {vry. iu ,(quot;// )• ij r.U(Hi^nn^\\ een vrouw, lt;lie liet

goed vun den man heimelijk te zoek brengt. - - r.m ni i\'U en smokkelen, ie is

smokkelen; verlieimelijkon, verdonkeremanen. — I) ter sluiks; liet gesmokkelde c/

verduisterde; sluikhandel.

11 tj u i i.y KN.; rrm tjtt\'vi n\'y met een zijdelingsehen sprong er op gaan zitten, er oj) springen, zonder irap, stijgbeugel of ander hulpmiddel {vry. ijnh i.uutij van ijwtfli hiij/), tni) ij i\\i hu^ii\\ op iels /óo gaan springen , Jl?.

i\'ihiï kn. naam van een boom, waarvan het hout

M,

hij voorkeur voor ern wordt gebruikt; zie n *:i \\njj\\ Rh. viet een geneeskrachtig blad? W.

i lr\'u hgt;j gt; K., zie hij nirj tuiw

in i.iiyj.Kii. stekend heet, brandend Xwui bv. van zonnewarmte, Tj. en kokend water. — n \\ fj gt; ? biiji^ door een dergelijke Warmte, ook door vuur, koorts enz., brandend heet zijn, Tj.

mmWV of gt;iii.i\'u ^i\\ KN. een soort van trechter of van onderen open peperhuis, van een blad\' of van metaal, waarin sirihbladen gedaan worden. \'\' \'\' quot;JlN zlc bij )[crïj^ hIIJI \\

i.i ilicni(uui\\ KN., Jim ih(ïii (ui Sis met woorden of handelingen zich in iets mengen; zoo handelen of meepraten; zijn tong of zijn handen overal insteken; iem. ongevraagd antwoorden — ïJiï.Kin i-i *-iihi/j\\ iets, zooals goederen, niet elkander wisselen. (.#?] m rj \\/niu^i/l of tui w nn uii\\) redewisselen , {vrg. bij ivii iamp;i iru/j).

\'\' UJI of i/n 1.1 itiji KN. laag, lagen , van het één op hei ander; gelid, gelederen {Jr. , o^ , sapph, rij, gelid. Vrg. u.ju jim/js wettigt toevallige overeenkomst-, althans reeds KW. i.inji/j ~ i ij,yn ). fjlyil ?, f I J Hf) qj ItL/l 2 Tj fan ij i :i(K,1 lj.U? Oj\'-ll?^ mijll llllis heel! een dubbelde bovenverdieping. .r:ri nt i^i u quot; f drie dubbelde gelederen. i ju v i m/j en i i \' i {•/ \\ zie bij ajij k i (Uijj\\ — r:i .7.1 iiji Si\\ op iets nog lc\'ls anders leggen , bv. op een tapijtje een mat. \' / u(vi. i uijjs hij lagen, bij rijen; gelijkloopend, parallel.

verh. van Kh.

ij n* i i/j\\ I. Uott. soep. 11. ij i u vi,j of m ij j i? ivi/j\\ ook wel tj.i.ii xrnjjs verminderd, afgenomen, nlgeloopen, van water; eb, ebben; fig. afnemen, verminderen (onj. n^n^^.i/j). dn ijajiijvi ~iij i.ns

iets doen afnemen of verminderen.

)

n.i i J. kw. zva. (t~i ,\' i ■ xinij i iï \'suji en uii^s {tikr. ójdpa, vloek, vervloeking, eed. Vrg. aj u in ). (iiii.h i mi \\ kn. vloek, verwenseliing, vervloeking; plegtige gelofte met eeu vloek; 0 een vloek of plegtige gelofte uitspreken. II. i vvi N., i\\ij nn/f k., vragend voornaamwoord van personen: wie? ook wie in een vragende onderstelling {van n/ii iui \\ voor i0ivii(vi\\ zooals in V Mal., waarvan ook de Krama-vorvi). rj uii? rj *-gt; i i ii hvz tj zj \\ wie beu je wat je naam betreft? hoe is je naam? i nvirïs wie is het, die enz. ? of wie het is, Aio enz. hi ivi vi ivi\\ al wie. i.i iui i i tui vn \\ wie het ook wezen mag. a i / i.viij ui 2 lt;fj /;/ \\ n., (i?i in vn (ijjirvïi i\'n\\ al wat nienseh, G. - ■ :ki (in(un {\\ voor vin (Ui i i rj j vn \\ iemand aanspreken. — xnn ^ \\kn. po\'èt. m vi \\ mi ïn io/j\\ ki)., iemand vragen, wie hij is; vragen, wie is daar? werda roepen; ook iemand, die gekomen is, toespreken, ki(iJi(iSi ui(ui\\ elkander toespreken, en zoo ook a. i ivi i, i i\'j (Ui (hji^ m \'ijjj m ^ bet vragen, wie iemand is, enz.; ook iemand, die naar den naam van een ander vraagt.

vi (ui\\ii., i i (vj i KW., rund, koebeest, koe,

!vi (u ivi vj \\ stier, vvi ui \'•»/ \'Ui rundvleeseh. — i i iji i i I/ (ukui/is vraehtkoeijen , koeijeu voor lastdieren. W W. volg. Rh. m .ily i\' ij ^ 12 hn onj\\

■i i vj \\KN. bezem {vrg. .i ^ v i (i i,j). van een die zijn steun,

zijn tocvlugt verloren heeft, heet het in Tj.

X quot;gt; .

i.ivvj J i 11 i i J i\'i vi\\ zva. , if I un i ii fi. i q ij mil \\ spr.

Vj. II. i 11 ^ » v iivi:i/j\\ naam van een stuk geschut

op de aloen-aloen te So er ak art a; van een g ending;

; li

f! , 1 i

ffl 1

H II

mm

I:

■i

\' o ■:

en van een vorst of overs)e van geesten. \'\'1 j

o •gt;

din KW. zva. in (Lu i, ii j en vn i n a/i w

.... . inniV/i \\ (1 V

f èP

in

if

met den bezem vegen; iemand geeselen, met de roede, en ook met de rotting, vooral tot straf {vrg. vyj uuiisiiji). vn) ij .uit iu \\ iets met den bezem vegen, een plaats sehoonvegen. — 1:111^0.12 vn ^\'11 ij nn \\ met een bezem vegen. — tui irjq v^ \\ subsi. den. 1^0\\ en enkel (ui in/ji^ bediende, wiens werk het is met den bezem te vegen. — vi gt;j tui 2 nnjj of i-1 !ki ij tui 2 (ifijj \\ obj. den. bezem-


% A

-ocr page 620-

rtJ^rj (ut \\

C)

u i (vi \\

5o6

veegsel j ook zva. hjioj) ij tuz bezcrngeld, wat betaald moet worden voor het schoonvegen van de \'pasar. Ook (ui u ij iu ? plaats die geveegd wordt; {en een persoon, die veegt. G.).

/ ]ujin kn. smakeloos. Hauw van smaak, niet smakelijk om gegoten te worden (vrg. uji h ^i ^); ook fuj. van een verhaal, zouteloos, flauw.

1.1 ij/ n n., /Ij óji wn \\ k., eenzaam, ledig, onbewoond, stil, van een plaatsgt; daar men geen mensehen of weinig mensehen vindt, of daar men niet vindt wat men er zoekt; afwezig niet aanwezig, van een persoon of zaak op een plaats, waar men die zoeken zou-, niet vinden, niet door getuigen bevestigd vinden, wat men zoekt, bij een onderzoek {vrg. (ki en K]tE^:ni/j). uluirijiisnnsn\\ gemis aan orde, ordeloosheid, ij unz m; ,i3n niet missen iets te doen, het altijd geregeld doen. ij (un 2 1: ] n?i 1.11% n nyrï rn

*rnrr)(Hijj\\ niet zonder belooning blijven. ; x

bij afwezigheid of ontstentenis van. -n tui iu

v ) quot;gt; O 1 n

t)i?ihn I n\\ KniM Ujiihii hh nm(v:tiji\\ manslng ot verwonding buiten een bijzondere gelegenheid, ««w-leiding gaf tot gevecht, un (hi n?n :C7 K ? dji \\ in afzondering leven. — (Li m iJail\\ kn. eenzaam en onbewoond, — irmius iw(u\\ of w lij uji \\ kn. zich afzonderen , zich in de eenzaamheid begeven j stil, alleen leven; een plaats, bv. z?jn dor/?, verlaten, zoodat men daar niet te vinden is. — i~m ij (ut un -jn gt;1 h n v irtn een plaats eenzaam, veria-

ten oj doodsch maken; een plaats verlaten, van de bewoners. — 11 rj dji mi/j of ij lutihj thijj en knu ujM/jjs op een stille wijze, zonder muziek, een bruiloft geven {een ander a-ji ijmthijj zie ben.). — h ii ?-1 rf tui anji\\ hikk) (un^nrtj^s verstoken van iets, dat men anders gewoonlijk heeft, ook al te eenzaam, zich iu de eenzaamheid vervelen {vrg. myót tiij i:i(hiji). — mi ojjij (ui mi ij \\ een eenzame verlatene plaats. — ojKkjorj aji(HTji\\ plaats om zieh aftezonderen of alleen te zijn; naam van een bijgebouw ten noorden van de Prdbajlxsa te Soerakarta, voor den Vorst om alleen te zijn en om iemand te spreken zonder hem in het sérail te laten. 11 $tu) ij!ij (U) wj\\ de moskee naast de panëpèn , anders

njj -n iHi hit anjj \\ genoemd.

o o r o o -gt; ... , ) L) O

ui aji\\ oj poet. zva. hmu ibii xrn mi n:quot;jj\\

uitermate, zeer, bv. ax^ un iivt lli s \'vi w doch ook (Lgt;n asi Ja (ui \\ komt in die bet. voor, en wordt verli\' n,n tui tu n\\ niet een weinig, d. i. heel veel (de:e twee tegenstrijdige het. zouden kunnen ui-rkkard worden uit /J ui znz èlnumis hetg. bet. hoeveel lioe groot enz, maar ook hoe weinig, hoe klein) Nog wordt aJ en ,ui uj(u\\ vkl. door rj n\'Uii.rx

(ij^ rj óji \\ 1. k. van nmuw—2. o ^ rj ui \\ \'/ \'U\\of

C) o o

(u/i(K/1 ij tui v K. van (un ma/n .n.i\\\\

gt;1 /. 1 (ui n kn. gedaante, vorm, gelijkenis; zweem, zwce-men ; iets dat erqens een zweem van heeft {cry. n u^ \\ en (ur^ tui (EU \\). ij :un 2 quot;tl a/n tui rj (K/i tu rj (Uj lt; hel lijkt naar niets. —iixnn tui un ~jn un \\ vergelijken, op iets een gelijkenis toepassen, zva. (in tui ,0 mj ^11 if nn w — (K^rjiui(ui\\ of ali rj itv (un gelijkend, de gedaante van iets hebbend, in zulk een vorm of op zulk een wijze, dat het gelijkt naar iets anders.— /. n ij u 1 (ui \\ o-llt;rj uj(ui\\ ook wel (u 1 rj (Kj aji \\ of 11 gt;1 uj tui \\ passief: bv. un ij tui tui tu i\'j o.i \\ van iels waaraan de gedaante van een mensch gegeven is, zoodat het op een mensch gelijkt. J11. zie ikw

Vf \'Uj tu N\\

vj ui iul\\ kn. ; ifdcu »7j ij /. 1 iui\\ formuliergebed ( nu irvifi^) tot het verkrijgen van de kennis vim geheime wetenschapper ; de zwarte kunst, {tjiinnj

0 \\

rj (KI (L i \\)

ij (ui nut* Holl. kn . z 0 o p j e. (rjdjii tu ajj tbn j \\ jenever

q ry.

{vrg. ixtj uj\'Ui\\).

ui (ui % \\ KW. zva. (u unun/js (u crYi \\ tui ui\\ en o.jij un/i\\ kn, scheiden, van elkander gaan, en den strijd staken, van strijdende partijen, {vrg. mtu gt;\\ u 1 — i:in(ui{\\ {poöt. (in tui f\\) 1. iemand afweren, op een afstand verwijderd houden; strijdende pari ij w scheiden, den strijd doen staken. 2. r.intui^ kn., iti(im\\Kl., een kindsbenen. — uitinp u dria-uui/js gespeende; een gespeend kind; een kind op die leeftijd, dat het gespeend wordt of gespeend moet worden.

u?(Ui f \\ I. Ki). van am(ui\\ en van ï itiy 2.—2. KN-uitgekauwd, uitkauwsel. y .1/12 ? ui tui gt; \\ zie bij \'\\ gt;j iün 2 ?\\\\ — i in tui q tun een uitgekauwde sirilipi\'u\'111 op een wond leggen. — ui tu gt;(i/ntuiy naam v. t. kleinen vogel (Tj.), WW.

ui (Uj {\\ \\. k. , zie \'isrj uiw — 2. kn. , u 1 (u gt; ku., \'iet water waarmee ijzer en staal gehard, of een wapequot; vergiftigd, \\Vordt; ook dat waaimeê hoorn gckartl


-ocr page 621-

\' l \' Lyi Hl rVujs

n

iirj (U ijs

537

wordt; tfw hot vocht, waarmee goud gebruineerd, mm l»«t goud een hooger kleur gegeven wordt. —

r.i» uj }(un \\ t in tui lt;gt; n?n ^ ijzer, staal of hoorn har-

. ) ■

den; goud bruinereii. — v; / lj ^ mi (hnjj \\ obj. den.

i. j ij iLit j \\ zva. uj d-h ^ n 2.

ihu v^ of r ]gt;1 (ui(un\\ kn. 1. Sipajer, Bengaleesch of ander inlandsch soldaat bij de Eng eUche troep en (Eng. sepoy. Pers. sipahi, soldaat). cuinm\\

naam van oude duiten en gobangs viel een ruwen rand, waarschijnlijk van de tijd van hel Engel-schie lusschenbestuur herkomstig.

I I (U IfMIt ll/f\' K., zie dJl (L)l w

iim ju ij \\ zie hij ck i (ujj \\

kiiuinyj^ kn. andere ben. v. d. m/wr

)r) • o o

ïJrjiunHyj\' i. n. zie bij Li iu v 2. yrtw Holt.

dispens, provisiekamer.

j; ]Mdfi n kw. cirtfHn w

ij \'Kit an (Hin kw. ££#. tui ruo-nji en u i mi \'rgt; najj (amp;kr.

sop dn a, trap, tree, trappen).

) • cquot;)

öy tui (Hj^w

\'1 i quot;) .... O O

(crr^nji^s enz., k. 6»/; .i/u.ii^iw \'K\' \'| (HT/jSK., ^//, (LflKLj\'yiW

i. i u \\ Ar. , s aphar, kn. naam van de tiveede maand \\an het Moh. jaar. — vmius nm. v. e. gehruikelijk offer in die maand.

ocy y

\' My»\\ KW. rj ihiirjncHijjs — ihJi;f i(U\\ KN. een

plaats aandoen , aangieren {vrg iti if i \\. /.r?/n cipier; kn. voor Europesche gevange- ! nis, 6\'w ^ hhfiJi(L/i\\ voor cipier.— i:in Zr iemand i ia de gevangenis zetten. — aJtui\'vi tuijj^ gevange-

~) cy quot;) cv 1

ms. ij riidji(ijinnKin\\ een gevangene. — (ui i i tui wat voor gevangenis dient. Zoo (tj(un? tamp;is

quot;)Q/

mki tiji-r) iHyjs gevangenhuis.

gt; ^ • ) /

\'U lï\\ zie hn u-jtw

of (Ktirj{(vi v Hollandsche sprei.

o(v (Y

iims of t)3j)nji\\ Iloll. cijfer \\yrg. nhjtiiilt;n\\) \'\' 7 u v zie x rn (Ci w M »| o, 6\'W 1.7/; O\', \\ zie i m U j 71 w quot;Ji \'J^kn.; streven; streven zVAs te verkrij

gen o/ te bewerken, zijn best er toe doen; bij iemand aanstaan, dat hij iets doen zal; ongeveer zva. \'ejo-jys (acidly is een zamenstelling van o-j ut /rj iwr,^? i ri I/ttrnnis het om

ilo eijercu te doen is.

,i I .hyi hquot;l I.J gie UJ ihni ijpi I/i.j*

it j (L^\'ii amiiJii\'i (Kifj zie bij (ur n ij u i ij \'.y w

i i HA in kn. naam van een boom . waarvan de vracht

tot medicijn gebruikt wordt. .

Cl cV O - V\'V O Ttr,

i ii/m,iiiijiiii\\ of iKi dj} ibii n KW. Ml. zva.i.ninw tJ

(tikr. p ra ti gt; in den zin van p r a t i m d, weergft , gelijkenis, met het voorvoegsel i i\\ pk.), ihu^ilh

a5)l.ii i\\ naam van een Kawische zangwijze. (y •) *■

u jiui hii\\ eign. van de vrouw van Antaboga. uji iur»t\\ kw. zva. v. i iUdJi \\ (iS\'/r. soepr a ba, zeer schitterend, pk. fry [a^:i:n\\\\). (uia^i[iuyw\\ eign. van een uitstekend schoone Widadari. rj[iu^(yn kn. het volledig geheel van benoodigdheden tot het maken of zamenstellen vaniets {Skr. s dmagri volledig apparaat ot geheel van benoodigdheden. pk ).

■gt; . ,) n

a jiLii liiijj^ gew. njai h n/p oo/cd jfi iKt^/j en ^ iamp;i ~ i cm ij \\ kn. nauw, eng, bekrompen van ruimte, van een plaats, zooals een huis of straat; fig. benauwd, beklemd, geen uitkomst zien, van het hert (yrg. •r^tuitHrijj).— mi ij (üi iiniji \\ in benauwdheid,^^., ook verstikt. — / inj^n poët. hetz. — h-jhj

hmiinjj\\ bekrompen, van een niet ruime woning.

L V

(t.j^ (UI IH71,1 \\ Zie (iJ^ UJI H U/j\\

vioj)(Limhjis kn. schop, zooals van een paard met de achterpoot achteruit {vrg. door»^ en tj lh djn). .rn ij ■ ii z nm ïi (hi (ui h n 7 n zie bij i-nt rj rn 2 w — tj nn n n i,njl zoo fcchoppen; zulk een schop geven aan.— ij i nt (inthns of tmt tj ujjj ili /.ƒ/ \\ mv. — tj m i^ti in/j van schoppen houden, graag schoppen van een paard. tji.) nw (Uiqi iui^ verschoppeling? Rs. vj imAJi hu^ kn. aangezet of ingezet met een stuk, van wat niet uit één stuk bestaat, maar waarvan het eene gedeelte een ander stuk is, dan het ander gedeelte (yrg. uvtis), ook voor tj i.uxji uu nyj Men. dli :ki2 (uidfn/i^ zie vu hip — tj.i-im iVilt;ilt;iijj\\ ergens een stuk inzetten, aanzetten of aan-lasschen. (Kn ri(ui (ui im ~jn iiji(ijij^ \\ met stukjes goud of gouden figuurtjes ingezet. — *1^12 m uu iiin^ aangezet of ingezet; aangezet of ingezet stuk; aanhechtsel; fig. voor zamengeraapt verzinsel, verdich-sel. (uhrrj0\\ een aangezette valsche neus {dieafgenomen kan werden). (i?i i.\\t0\\ een niet eigene,maar van een ander overgenomene gedachte. ^ ecu ingeschoven persoon, bv. een ambtenaar die niet van ambtenaars familie is; ook Jig. zva. 1111 i i n

i

i

i r:

ili ili


-ocr page 622-

n

f I (L I t II/] \\

538

/ I .i.\'i I, n iUgt;/i

U! I.I .11 I II IjUJ \\\\

iii ii,n rii,j\\ kn. zameu vorbondou inct een ander y zoodat men het met hem houdt en één lijn met

hem trekt {van it/ihti j /^\\ en dit van unihiin Vrg.

ci .

I it, I I i.j \\ i.i t;n i u n en gt; y itjuj, i .ii/j ).

i i ij ii?. i.n n i/j\\ kn. ben. van een model of fa/so en

van I rissen, W W.

iinjim of Kiiuttd zie bij m t i . i taw

II ui i.i Kw. zva. i I m i.n \' \'11 \'• \'.p {misschien 7 SAr. sjwdpada, roofdier, wild boest. pk.) fi.

n J tui i?i \\ kw. , zie bij u j iU i u vgt;

fi J u i ij ui ? I IJ k. , zie (ijj m Lu w ii.^ ,i I n.jji kw. , zie hij \'l i m 111

I I iii. I. kw. zva. aji irri \\ («S/rr. s apt a , Lat. sep-tern, /even). 11. uf \' \'1/1K1van ffuu

II rid Ij {S/i-r. s a k t a , geliecht nan, overgegeven ami.

ct n

pk.). — h ii I i nji • KVf. zva. i,n i.i in w—iiniii.i

O „V )

kl. va7i n mi m ti n i.j\\ J,j. — i i iji i/i/j\' kl. van rf lt;ici z hui (in !iri/j\\

I \'i t) \' en 1 N ooken eiy. i i.r.n\\ Ar. l \'\', kn. naam van den zevenden day van een week, i.thji nLp^ Zfttnrdag. — \'-\'Uy Zatnrdug honden, buiten komen oj) Zatnrdag om liet tournooi bij te wonen, vati den Vorst {zie ook ui i:i\\ of in iji\\ hoven , wat misschien hier behoort). — i nj i.inan,^ tournooispel op Zatnrdag op de aloen-aloen {dat nu niet meer plaats heeft), m f /i^i /,i -1 ij t min Zaturdagsehe gamölan, vroeger hij dal tournooi en ook nu nog zonder tournooi, gespeeld.

/ y ijl kw. zva. i i ivfv

■lij tCl

\'t j (iji \\ kw. zva w

ii ,iji ii.ii/l\\ kn. tang, vunrtang, tangetje; ook knijper,

-gt; 1 o

zva. a i ui i n/j {vrg i i kj i ii/j\\ i i i i i ii.j en i * 11

v ■gt; quot;» ^

■klip. K1MI1IJII h zva. ojji I I hll ~/IJ uw IIiIjI i ii . ii gt;i i ii / in/j naam van een zeker breed fatsoen van viekijzer. i i ui i n^j ij is in/i\\ een insect met een schaar aan zijn achterste. — nn d i ii,igt;/j\\ iels

niet een qji(lji miiji vatten.

^ ) ) \' gt; iiij.iujl^ K\\\\. zva. ini rinip i.n . i.m^ iiifiinj

) ■) • quot;gt; ) 1 i ii {i in ^ n i injl i/ïj hH rn^ en 1111-y n i/jv - - kn.

lapje van katoen of flanel, om bet aangezigt niet

wfcdak te bestrijken, iiijinii\' {of in i n ) in de

morgen of avondschemering tnsscheu lichten donker

, cquot;) ) ■)(?).

{vrg. iui iu) (i \'i ~i ui i ii/j en i i. i iji / / \\). i i i j ijoyiii

{pf i. ii ult;\\) het tot iets behoorende houtwerk, vooral van een kris, schee en gevest, i-nj i n (ja {of ■„ 7 ty \' if) gt; \',c^ toebehooren van iels; hv. vaneen ledikant y paard of kris. in i.i i ^ \'/j ^ \'f ij \\ met zijn toebehooren ~ i^iiij nsvjj of m i i (üj^ kw. bedekken ; over iets heen strijken; raken, treiTeu bereiken; overvallen. G. kiimi/i-i^i Jiïuln}\\

^ Ov

mi i i 11 Lii ~nïan ii i\\ k., door de nacht ovorvullen raken, eig. overdekt raken, zoodal men niet men zien kan. ïlt; ii (ui l^ hui ~.?ii n (iaj^(ui \\ {volg. Rh. i.l,, v /1 n/j), sneuvelen in den oorlog. PL. tin i j ij kn. een behoeftige van liet noodige voorzien, lt;v« kind in overvloed alles verschaffen, PJ.; ook nw. bedekken, Rs. — i^ t i i^ i n/js duizelig, duizelig worden, van iemand wien het donker wordt voor

de oogen , zoodal hij dreigt te bezwijmen {en zoo

, o n.. -o

ook uil aji if /.y 2 ifjjj oj ui ij ijt ijnjw vrg.

i n/j); ook komen of reiken tot aan, hv. van water tot aan de knieën; {en zieb nauw aan ieinaailaansluiten. G).

iniiiii/j\\ kn. naam van een kleine plat Ie riviervlsch, en van een van Si am aangevoerde zeevisch.

lin liijj\\ kw. zva. .1 ini n kn. wrang, z amen trekkend van smaak {vrg. ilt;ii(k^ lu/j en i i.iji ooi van de oogen, als zquot;j door slapeiigheid met moeite opengehouden worden; en de harige, vezeladitigc schil of bolster van sommige vruchten, zooah de kokos- en helel-nool {vrg. lh■gt;ƒ i n i m/j en i-hui i\'.ïj ii i/j). — i ni ui Lnjjs een in iets zaïncntrek* kends doopen of daarmede bestrijken om het hes/and te maken tegen vochtigheid, hv. een visch-nel mei de bast van de i n ri w

i.i ,f i■n.L.iij) verb van hei Holt. hutspot.

o gt; (y -i \'■gt;

iiLiiLii/j\\ kw. zva in in \\ ii ui ii] en uihjniw

kn. 1. regie lijn of streep, die een timmerman op hel hout maakt om er zich naar te rigten, ho bij hel zagen, regtlijnig, iM-gtstreeks, (jni t, klaar.G.). 2. eigenscbap, hoedanigheid, gedaante [ah hoedanig heid van ri li of tci iy ); deze of die eigenschap , hoedanigheid o/* gedaante hebben o/hebkiifl {Ar. / sip hal), ook even als ij u \\ om de

soort aan te duiden, waar wij het lidwoord gshriu-ken: Ji 11 Ly lh \\ de mannen, tegenover de vrouwen, 111. ook il in ui uu,\'] 0 lyiis W. 1.100, ceu

i . v • man; zoo dan ook i.i uir] him zva. un mij

ieder; i hi n ij ut in r] n i injj^yii ini i rj - n. alsI\'ij


-ocr page 623-

O

O Jj tU(UtlJf\\

maar of zoodra, hij wakker is, grijpt naar de speel-kaarton. 3. oogsmeersel o/oogwater. 1.1 u ijj \'p xn ecu regte lijn met de ne.is. w n i.n^l (uiihn ^ de lijn overschrijden , ƒ//• voor een verbod overtreden, i/n fil] ^ t,y j0/ iu mi -w tiï t ^xmei zijn hoofddoek tot aan de wenkbrauwen. gt;5! nji iuti m \\ loodlijn, perpendiculaire lijn, om zich naar te rig ten. (iSi,iu 1^1 ^ \\ de eigenschappen van God. ó.i tj i gt; h\'n r ] ui i /j gt; f.i mij God de barmhartige, i0! mi ivu as)^ de gedaante van ecu titan hebben. — a ni ivm n/j\\ een regte lijn

trekken; regt aanleggen op; er lijnregt op aanko-

- 1 ■ o ) y

men of aanvliegen. i.mKi ininiy^ ongeveer zva.

hu vjr.yrii wat \'regt is, wat dnaroiuler hoort.

\'!JI0\' 18 n*c^ an^els ^an billiJk-

— i:ïii (ui ti iï \\ een n^i ui asn/i of regte lijn maken op; \'iemand de oogen met een oogsmeersel of oogwater bestrijken. — i fli (tn wi ij mi \\ iets, zooah een stuk (jeschut, rigten op iets; en met iets tot oogsmecr-sel of oogwater de oogen bestrijken. — aJi iu middel om een regte lijn te trekken; bakje met een zwart smeersel, daar een koord door gehaald wordt, om zoo met dat koord een regte lijn af te teekeneu; ecu liniaal {vrg. qk ,Lcrri mip). ? i hji hitny of iii.l(liii^ii hoe iemand er uitziet, iemands uiterlijke gedaante. — uu ri .u il^i quot;iemands uiterlijk voorkomen.

\' j utisiijj 1. kn. benepen, in de klem; nauw aan elkander; knijoer, tang; nijptang, van een ijzer-smid-, schaar van een kreeft, krab, garnaal of schorpioen {vrg. i i iji ijiyj en rjitji i njj). volg. Rh. hot zitbeen van pluimvee. 2. ki. , zie il,i] ihn nn.p \\ gt; I li i ii }) schaar van een kreeft; een poort die van boven niet overdekt is en alleen uit twee pilaren bestaat; ook naam van een zekere slagorde. quot;Vfi|} i /.y a] aui m ^ benaming van een bijzondere wijze van kapsel van mannen in de vorm van

een kreeftschaar, als zij een koeloek ophebben.— o

^ ui l i (i njj\\ iets met een nijper vatten of knijpen ; nanw in- of aansluiten; iemand in het nauw brengen. — fj./y,ij) ry - 1. mv.\\ %. kl, \'Lie bij tnin iniqs — //y ,{3 /,y y nn\\ 1. kn. iemand\'xw het nauw brengen, maken dat iemand in het nauw komt. 2. K\'i zie hij iGn hn i.n/js — /lt;/,/ƒ \\ nauw van

0011 Oorgang, i.»nu tm ^ iJ rn aojj \\ een steeg; een flfluwe ol smalle gang in een huis,

7.; il/i it\'lliji\\ 539

n i i tut ni)ii/jn zva. i i tui i n/j\\

i i 11 d n \\ gew. i i i n,ii \\ n., y iui gt;1,11 \\ en i/y 111 n\\ kw., ii J tui ij k 11 n i,j k., vloek, vervloeking; eed; vloeken, zweren met vervloeking; een eed doen. {Skr. sjapa t h a ; Vrg. 1 1 ui\\ 1 h ui t n - n ui 1 n/j\\ n i irn tun/j en j •\' 1 ~ 1 gt; \\ ook 11^ hji tun n kw. zva. ij ui tj ui \\ Men.). uji iui tun. 111 ij \'Ui uu a 11 v 11 tui ij ij 1 n 21 1 f ï iL) ia/)N nieineed. — d./y ui 1 n \\ \' quot;ƒ ui if

ijiiiê i.)/j\\v\\ockci\\. — r./y .1 1 ,l 11 lij \\n., i.tynjirfi m

■gt; ) a o o

11 -z u k.iïn tui 111 uj \\ ui mi i j en i j .1 / (ui pj

kw., iemand vloeken . vervloeken ; tegen of over

iemand een vloek uitspiekert; {iemand beëedigen,

een eed afnemen; G.) iets bezweren — (cnjtuum

1,11 ^11 ij 1.11 t »ƒ iui /ƒ ï v ? i-1 -^.11, li n iemand iets

door een eed laten bevestigen, laten zweren; voor

een ander een eed (teen. — ojiruj tui mi \\ een eed;

een eed afleggen.

r 1 11 jryi \\ of 1 1 tui uij kn. schoen (Port, sap a 10};

ook voor remschoen, un i\'n 1 1 .ui 111 gt; schoenmaker.

o o o /

a n ui /. 11 -ia. 11 isy ^ zva. 1 11 1 1 (/.»/ u 1 q\\\\

ru i tui un \\ zie 11 ui ui n\\

) . j .. )

i i j 1 Myi\\ zie bij 11 ui w

fujtuii ijs gemalin van den vorst, Waj. I, 2(), «S/cr.

zie p at711, gemalin. ui ui \\

1 jiuuui^ kw. zva. iiuiuy {bkr.asjroepula,\\\\(\'X

storten van tranen, pk.).

ui ui ui lt;n 1 of 1 uuuui gt;»»n naam van een her 11, waar-

l-l s J lil ^

van Pala-sara afkomstig was, en waai de voorouders van de Pandquot;iva s la pa pleegden t e doen en begraven te worden {waarsrhijnlijk verb, van t Skr. Sj at a srV ng g a, de liondordtoppige).

1.1U11, ) ui/j^ gew. verk. kn. Spaansche mat,

reaal.

nuig uuiuy kn. metalen beslag, ring of knop ouder

aan een piekstok.

1.1 tuin 1 \\ of 1 ujiiiiiu kn. iets gerings, een kleinigheid; luttel, onbeduidend. iiriuiiu kn., i j 1 ui rj uut uijj en (iiiiuuiahi/is ki)., oiibc(luideii(l , van geen belang.

1 1 ij ui rj iu\\ zie 11 ui ruw

) ) 1.1 uuii 11 /j\\ 1 1 11 y.UiU/j iiii^u.iij zva. i )uu,ii:\\

(Tj.) WW.

7 \' 1 V \'/ \'\'quot; / f n \'/ \' l? !i\'\' \'quot;tlelj oubeiluidoiid ; iets onbeduidends een ilauwigheid; niets ol weinig beteekenen , van iets , daar men meer van verwacht


-ocr page 624-

I

KJj IJl f \\

540

of gevreesd had; uiet tic moeite wtuu\'d zijn, dever-waeliting teleurbtellcu (vtij. i ii:iirjitu}\\). aniji a ijirhti ihn it,i(Kj i,iji\\ een echte flauwigheid. — if i u iiji hn iHi/j\\ als iets onbeduidends, JR.

ij I it iiJi myj\\ zie \'l \' i i/ \'i^i nn/j JR. vult/. G. een verkeerde uitdrukking; ivn0\\ zich verkeerd uitdrukken, schertsen, gekheid maken.

ij (U i.Li n., i\'i au\' en iig!j\\ kw., uirj i.it mank., wat men zoekt, doel, oogmerk; als ooegw. opdat, ten einde, yew. met volg. Jussief: als voorzetsel tot {van d/n iiji iui ^ o f am ivi (L?i ). wi an ^ iiji .i.n ij hj itjj mi ïLi ^ j • en ook met liet doel, dat hij wete. nji iu /. y ui ij iifli \\ tot versterking.

iKi ui (tui j \\ een vrouwennaam, Kli.

O O

i i iiji lii ihyi \\ zva. k i iiji f ii m my \\

I Ij HJl Ihu (Hlf! \\ zva. ! I Ij Ifjl ^1 iLUI (Hl/J

üniuf^ van lie hl v on k en ? PL. II. 140.

(tjjiuiiamp;is zva. iM\\m (U (ti ^ zie bij un iutu w

a o . . ..

a /j ui if i \\ zva. v, iiun (L/t 11 \\ zie bij lt;xjr^ tui iu w

1.1 iu iLn \\ schrijffout voor /. / a^ij lt;ljii w

11 iu up \\ kw. zva. (li xsn ij n ? iKi/j \\

o lO • o c-quot;) o )

r i u*i \\ zva. i ni (l/j \\ k. va9i r i uj ajil

(.O )

il l i i i,n Mijl\\ zie bij i n /y n u 17^ kw., zie b ij iui vn w

i i L-i n iibii/js en gew. a^iü w ilh/j^ Ar. sj a-

phtfaty voorspraak, voorbede, bv. van een \'propheet; zegen, heilzaam werkende kracht o/invloed

i V O

{vrg, / ! m i njj en i n i. n i n/])- — quot; /y iui » gt; \\ zegenend , van een zegenende kracht ot invloed.

i~ir:i \' en hii hinji ^ kn. naam vdn de twaalfde mang-

sa van het jaar; ook in poëzie zna. rjniinu . i k\\v. standvastig, volhardend. G. {ïoaarschijidijk hetzelfde als m^). r.nidy tweemaal in hetzelfde jaar bebouwen van sawalis, zie m i ^w \'kj ici kw. zva. (hj ui \\ en ij iui (»gt;i \\ (S/cr. soeddyUcc-tar, godendrank; vocht, water), kn. naam van een eetbare aardvrucht. CP.

rj i ii rj tJi2\\ kn. een bamboezen mandje om visch meé te vangen. — ^ mi? if i 11 \\ met zulk een mandje visschen.

i ui stii\' 1. k. zie

i i ui j v k., zie 11 ij ■gt; z. ■

bij iKyiysw — 2. poot. zva. i ui nsi in van , aj:gt;w i i?cij\\ kn. mismoedig, droevig te moede, bedroefd; droefheid (vrg. \'i j \' i; en xïii(nyj). i m

quot;\'óv

f.7) s t/ft \\ droevig, beiiroeveud. — /. n ii ij! j in een droevigen toestand, in bedroefde omstandig, heden. — iriimüi qiun iiihii \\ droefheid veroorzukeud.

(Kj\'Ui j \\ 1. kw. zva. (V^(hu j\\\\ 2. nj^tji^\\ en (rju,, kn. lossen, va?i een schipper, die zijn lading er-gens ontlaadt en aan wal brengt. — ii./y / , ^ en [nzirjdJiss het goed uit een schip, kist of kast of van een kar, lossen, ontpakken, uitpakken, uil», den; een schip, kist, kar, enz., lossen, uitpakkeii enz.; ook ((wt^doi j \\ of iiiinycij\\ iemand alles geven, wat hij noodig heeft voor zijn levensonderhoud, JR.; een kind alles geven wat het hebben wil. WW.

KW. zva. i jcyij iLiffs i ijï ad \\ zie i-1 xci (hi w i.in\'p kn. verguldsel, te M.

,i,i) (ijij\\

enz., k., zie bij uj

Minai \\ kw. zva. a^i ^

) )

i i il\'iJi\'if ti i.ii/j\\ i7iiirilt;w if ii i.n/i

au \\\\

ii(ici hii/j of li(iji hiiji\\ kn. geneesmiddel in poeder

om ingenomen te worden, WW.

i.iiUj.Htiji^ kn., inii(ijjHii/j\\ iemand eau stoot met de vuist tegen het lijf of den buik geven {vrg. n i.h ij ui d ihvji en un rj uni è ij asn i i.jjf); en ü er sch diende goederen te zamen in één koop koopen, JR. /ƒ ) ij ici 2 hiijj^ zie ij!U) rj arm 21, u/j\\ il.Kt2ri(iJi2gt;Hnjj\\Kli.; rj trtn 2 ij (Ui 2 een duw of stoot geven. — ij i in i ij to» è k n rj ihii \\ een object of met iets een duw of stoot geven.

i?i(ijui:ip kn. voorovergebogen zitten met de handen om écu ot beide knieën geslagen, of met de ellebogen en armen op den schoot rustende {onj. n ■ui i.y i iji en iiimn i.y\\). WW.; volg. Rh. op de knieeu zitten met voorovergehogen bovenlijf; iu een diep eerbiedige houding zitten {het tegenovergestelde van ijdcji i7i\\), op de knieën vallen, knielen.

i:hbi hii s\\ gew. lkiji hii j \\ of ui ia im ■ kn. 1. aalmoes {vrg. (ici(iniHi\\). 2. otfermaal, offcrrnaaltjjdj een offermaal geven (Ar. sadaka, liefdegift, aalmoes). Over uidji l ii { in oJ. volg. CP. verg. \'/amp; gt; \\ 866, 26 vlgg. — (inn(iji l ii ? (uii \\ enz., voor iemand een offermaal geven. — \'cm ijuhii j (lh ij l ii\\ iels tot een offermaal aanwenden of doen strekken; vaneeH zie bij uriuuitn^

schuld

zva. i iii 171 iii ii l iu ri^ (


-ocr page 625-

\'Kji rjaj) aw fj n

o O ; I.iji un

541

0(i57j (hi quot;T) (Hi/in veldgewassen aan eeii ieder prijs ge-ven aan ieder de vrijheid geven om er van te gebruiken . tij wijze van offer ; ten offer brengen, ton

beste geven, ook fig.

kn. het nut gebogen knieën meer of min zani enge vouwen zijn van de beenen, met afzonder optrekking van de knieën naar de borst. — x:niijl l-y f rj h ii \\ de beenen zoo zamenvouwen. WR. zie

kiïji i\'rn i^/f 0f \'\'\'Ij zva. ijw maar

leunende op de ellebogen.

KiioihvM/j of rïdJi i.invijj-\\ kn, de handen o/beneden-avmen kruislings of over elkander tegen de borst houden, een houding van gr ooi en eerbied. — i:m ui hii iuJ}\\ iets hv. een kris met de armen tegen de borst houden.

i.j Ljihii/j kn. een ruk die gevoeld wordt, bv. als aan een touw, dat men in de hand heeft, door een ander met een ruk getrokken wordt {vrg. iJnfiJii

h.vjl).

i hi i.tiaiii/j. kn. Uanknabootsend woord voor liet ge-luid van het trekken van een kris of ander wapentuig uit de schee; rits! {vrg, ihj n iir^yn hii/j en (Kvritimihii/j); het wordt ook verklaard door

O O O . . )

ij uii i i nij in fi/n itu iKi lij irni gt; en men zegt: r i tj ijiji hu ^/n il vin i/7ï n ) K)/j\\ daar geeft zij een lonkje! ïj uiibii ^JijiJi foiyj\' ligt gereed om de kris te trekken, van een opvliegend mensch) wulpsche blikken en lonken geven, van een vrouw.

ïjijr^d hnqs kn. met een ruk, plotseling, bv. op den loop gaan; ook een schok van het harteen inwendig gevoelde schok door iets, dat plotseling in de gedachten komt, of door iets treffends of verrassends, dat men ziet of hoort; zulk een schok krijgen, van hei hart, — (kj\'lirjkjii(isiijj\\ inwendig geschokt of getroffen. — winjamnsnjjs zulk een schok voelen.

(Mij)\'i)i^jj\\kn. een soort van aal of paling, met ooren {vrg. ook het hebben van een zytak, vötw

een rivier of weg. — ufridj) lt;vgt;njjs aan een rivier of weg een zijtak maken; een zijweg nemen; volg. llh. als een aal, schielijk en ongemerkt weggaan, zich wegmaken — iïut vii ari/jgt; zijtak of arm van een rivier; ook zva. 11i:iiui^\\ zijweg.

^\'hw Kw, zva. k.)crn\\\\ kn. zva. njj^ if hji ui/js

kn. ietsom iets door te snijden o/* door te steken, zooals een vlijm, naald of doorn. arm ij(LJ)asiijj\\ iets, zooals een gezwel, met een vlijm ot iets dergelijks opensnijden of doorsteken ; iets, zoo-als de buik van een visch, opensnijden, of zooals den strot, doorsnijden; het doorsnijden van den vadem of band, die een vrouw, als zij voor de eerste maal zeven maanden zwanger is, om het lijf gedaan wordt. — ija.Ji aJ] mv. — ijdzi ihn ij nn • met iets iets open- of doorsnijden. — ijaoi (^i iniij\\ doorsnijding van beddingen door een dwarsgóot. fj ui (to) ib7M n k N. bevallig, van een vroyw {vrg. d rn mi ~jh (iJn \\}; ook naam van het fatsoen van een kris.

tkidP) tlij\\ kn. zeer wrang, zeer zamentrekkend van smaak (vrg. (L) cui •un/j); ook van de stem, beklemd zva. (h) dji (isn fj \\ Tj.

rij) rj n i \\ of (iJvjiJi nu N., zie bij hnuiit\'i/j en

\'Ij 10) il LI \\\\

i.uui (ijijj\\ kn. aangenaam; aangenaam van geur en smaak, Rh.; ook wel van het uiterlijk of de manieren van een vrouw. 0!i hj(Kyj\\ Men. {vrg. ijiun

O v ),quot;)

i\'J ,{,ijj n c\'n vu y^ f i/j), Krui il/i i jifi/j^ naam

van een witte bloem , anders pi ilj aj (uijj \\

wiïc} iLii/j\\ kn. ; i.miïoi iu/j 1. meenen, gelooven; iemand of iets voor iets houden, zva. rin tn^ {vrg. in i\'ji \'i ijj). 2. stil en verborgen ergens blijven zitten, om iets af te wachten {vrg, aJifji ttyj),

K i ijdJi tj tun i, n/j of (Kii ïjin ij uye ihiijjs zie rjnoi tj luu Kiijj^ K. 4, 39.

ijdJid rj djit uiifjs zie ijun ij(i/itmh/j\\

i iPi i ii 1.1 ici n.ii v of aj^fiji lli n kn. gereed, in gereedheid, beschikbaar; zicli gereed maken; iets gereed hebben, in gereedheid houden of in gereedheid brengen {vrg. kkiks r i p en uji oji ^ijj)- — (innuihj.\\ in gereedheid houden/ brengen of klaar zetten voor; voor iets zich gereed houden. — inn an nunn *71 ij iih\\ iets in gereedheid houden, brengen, klaar zetten of beschikbaar stellen voor of iets, ui dji lui (hnjjs wat in gereedheid gehouden wordt voor iemand of iets,

mlt;üi ivyspoët, zva. uiintamp;ijis K., 3 , 67. kn. stil, daar men geen leven of gerucht hoort; stil; van een zaak, daar niet meer van gerept wordt; geheel gebluscht, van een brand {vrg, u) m (U/j^ ui


-ocr page 626-

rf 7,7 )j 10) \\

542

I I UJ. t Ifj

G) v o ) ... o O

\'Hl N ) , ƒ 7 0» W/I {of vm flJ)

iUiamp;1/J\\ I I ï j f ),1} t ■uj\') quot;lyrulry

ecu verwonding of moord niet aangeven, e?i wordt ook gezegd van een plaats

die zooveel eerbied inboezemt, dat men er niet hard

, , o . ) ) ip) )

dnrit spreken. — ! i ia } i/j kw. zva. m uj uum

i-1 tj uj \\ en tvilw rmisii)/js stil o/geheim houden, verzwijgen, achterhonden, ui/..yƒ act ujj en ici n i ihpjdct \'tt/js achterhoudend, achterhoudendheid . :ij) (i ni i~m \'i\'Ji (h/t ~ ij !.) pjti i/j \\ boete wegens liet niet aangeven van een verwonding of

moord. — (ui(Hjjj \'J t i/f het verzwijgen, verzwijger, o /-

Of tj 7-) Ij i?J) Zie Ij L/ïltbJ^ iamp;iji\\

ij iiqji g rn/j\\ zie rj ^ i ij n rn i u ti/j\\

(KKib) \\ kn. naam van een wilden hoorn. — innuoi a\'as

o]) iets stooten, tegen iets stuiten; iets, zooals een

paard dat op hol is, stuiten, tegenhouden. Prg. * o

x/nao) \\ en mdJ) 77} \\).

dJ 11 1. kn. van pas van grootte of ruimte; groot

ol\' ruim genoeg; terwijl toen, nadat? AS. (wy. tu

n . \\ n quot;)

iu -Jj, n en t.KtJj gt;1 1:1 ij tij ). Z. n., i.i ti ui/j

k. , tamelijk, middelmatigj gematigd; genoegzaam,

voldoende; de juiste tijd voor iets (vrg. ij

n fJaoi \\ zie bij m \\ I. — (fntul\\ kn. pas van

grootte of hoogte zijn voor iets; den vollen wasdom

bereikt hebben, van gewassen en vruchten. —

liioi\\ middelmatig zijn, zich middelmatig vertoo-

nen, hv. van hoogte of dikte; de drukste tijd van

iets, hv. van den oogst. ïiicn 1:1 (hiqs van pas,

juist van pas; de juist gepaste tijd; Ijv. om iets

te doen, of om gebruikt of gedragen te worden

( u) \'Vimi M)/j\' zie hij in) rn ujj),

(Mfi.j) \\ kn. een gedeelte, een stuk of stukje van iets;

J /) o . o . . .0.0

ov. 11 dj)n )i\'ii?Mao) \\ {vrg. fuiiot i.i

■t\') een klein gedeelte, een weinig, G. maar een weinig verschillen van iets anders {vrg. unaincun 11. — 1.7/7di) verdeelen, in tweeën verdeden. G. volg. Rh. zva. ij t in^nigt;\\ bij nojiij ii?\\\\ — iïfio) iin onjj\\ ohj. den. (kloof G.) ook benaming van een batiks el met een schuinsche rnit in liet midden, zooals op sommige hoofddoeken en slendangs.

ojjd.j)\\ kn., i njio) met de horens stooten {vrg. a.*) 00.

an) \\ amj^o?) \\ nj o))) \\ en ii.n iKcrnjjs). — (L\'itjao) o

\'i.i \\ 7nv.

kn. wildvarkensnest; verachtelijk van het bed in een armoedige woning, en voor een armoedig woning {vrg. rj ajwrfmiriwiijjy ij). 1 \'ïj dj) n kn. , scheef, ter zijde overhellen, eiy. zich afwenden van {vrg. n fji n iö) n), Kh. ontrouw, 011. trouw worden, in vriendschap, liefde en hei vol-gen van een heer. nr:n)ifdj)\\ ontrouw worden; {zie ook ij an ij io) \\ bij ij .lgt;)) tj do) gt; en if f in iois), nj} )jdj) 11;; { (Waj. I. 187) Kid^i ri\\ 11 zie bij d0)\\\\

a i ics. \\ kw. zva. dyjj en mn im w

o

/;7^nKN., kw\'gt; I-I II I/mi*

dat voor een gast gereed gezet wordt, ««7« d j ny

. o 0)0.

{vrg. j.rui ms en dj) ild v. tj]). ^y /. iets voor

gasten gereed zetten, ki 1° 1.1 ü}\\ zva. ili j»^ volg. (ï. ook iets van spijzen, sirih, bloemen, en:., dat tot een olïerhande voor een geest nj geesten wordt neergezet, isr^ isr^ oji -n ik gt; ook 0 uo nidaojj K. 13, 4, een deksel van bladen, daar gereed gezette spijzen mee bedekt worden. — i.m of hi ij7fs »,y \\ kn ., i7)ri ij i/n ? 1 1 \\ ki. voor imaud als gast iets gereed zetten ; kn. ergens of bij iel» offerspijzen gereed zetten of leggen. —ks.

* I h1 (SJI Kw \' *1 K!UlsK]\'* ^el\'ee^ ëeze^voor

een gast of gasten. — lt; //. ij i^ io) een n

of offerlmnde gereed zetten voor. — / 1 ij 1; uiijof indntf 1 : id/]\' offerspijzen met de daarbij behoo* rende artikels, als bloemen, benzoin, amfiooi,en:, meestal gehangen aan een boom, oj op heilige plaatsen neergelegd. Kh.

gt; ; 7K

.n o

gr

zie 11

O O

11 \'ïrc n (Hi (ielt;: \\ hi ij r lt; (Uj \\ en dny ik ).)) )j igt;ii :if

onder (vn ik

o ( ^

(IJ) IK \\ KW zva. I j tU O))) dJljj \\ 7 j Vj Tifs\' (HjJI Ctl

17W \\N \\ d.i) /.)) OJj IK \\ zva. K) Hl) 7. D (EI l ) dj) I n UJ\' en ulin)o\'j cm m anjj v n hi m011)(kjj ik v naar een soedji-bloem gelijkende, een schooue vrouw. — \'/ vf ik an fi bamboezen of houten spit, braadspit o^t^nam/j); ook ijzeren pen, bij het landmeten.— •is)) rrn ij ik (^c) ).)fj\\ als de voordeur in den ringquot; muur en de huisdeur regtlijnig staan zoodot men van buiten door en door naar binnen in huis Ion zien; 7 geen als een onheil voor den bewoner hese houw d. wordt, o j )/ ik KJJIS 00^ haorkron-kels in de iianken van een paard, een slecht teek*- i./y ij ik /.y of xj if ik )fj\\ iets aan een soedien of iets dergelijks steken of rijgen. —


-ocr page 627-

OTj IM Ij :IK \\

548

n.n iet (to gt; \\

ifins aan een soedjen of iets dergelijks gestoken of geregen.

»ƒ / / »ƒ n N., \' ? gt;1 tij im/js ook wel ij /. / y iy i iji en m VfKjM/j\\ k. , rjlKnilWdW/J of ^ (KJl^UJl Z (IJ^p k d., cun andere, vcrsehillentl van hoedanigheid, iets anders; anders (^tf. y tiu nt-rj rn tu/js vry. iuiuji^)-, ook een andere of iets anders dan ; iets niet zijn (vrg. — t) unj iKs of »/ i.m \\j ^\\ en r.m

ij i.jzich afzonderen of onderscheiden van au deren; van verschillende hoedanigheid of aard zijn. — ,,1 )n 7^ ik ;h7 n — /.n ieder een afzonderlijke poort nemen, doorgaan, Joes. — ntHini*: i,i} jtiij KH rirnj uj(t^ ^ft uu H)^ iets op een andere plaats zetten , afzonderen, afzonderlijk leggen of zetten, uitzonderen, niet gelijk met de anderen beschouwen; iemand, hv. een /eind, bij een ander, hv. hij een anderen meester, plaatsen, q/\'aan een ander, hv. een anderen arts, toevertrouwen. — ij tiijiK\\ rt fj i\'j i i/J zich anders voordoen, gedragen of honden dan de anderen, zich onderscheiden, een uitzondering maken, JR. voly. Rh. zich honden als bv. als niet verwant,

terwijl men het wel is. — ^ / i ij ik :infj\\N., ; t ij ;.y m^\\K., iets anders, iets van een anderen aard, een ander onderwerp, volg. Rh. dial, voor rji.nivss i h ij 11 tf us of ijoj) ij irlt; h] i,j rj \\ een andere

dag. iiu n ik (hi i ii\\ van een andere moeder, of \' \' co

van verschillende moeders.

\' i if iK (hyj-s zie bij t ié\\ \\\\

ij ic\\ mjj \\ zie hij ik j u^w \'I\'lij injj\\ zie hij ^ hirj ikw

(hinkN. I, zva. Ki ik (Ki {Ster. s oe dj a n a, deugdzaam, braaf, goed, enz,, van njj en ukihi\\) 2. wantrouwend , ergdenkend, behoedzaam. nit wantrouwen (vrg. li ij ui,toi hij rj ui hii \\). — (» 7y llt; to uj\\ of ik mi hq ^ wantrouwen, erg hebben in, argwaan opvatten tegen, {vrg. lïm ijnmitns hij kÏ iii\\). — fino^ tx hj (ta/js zva. k ii i.i ikw tojj n

of lt;l.j l(s /lj kw. zva. Ij óll ILi h\'l l\'?l S \\ nfJ UU i (S/cr. soedjanmd, van goede geboorte oau soe en djanrnd, geboorte).

Hil\'Uy zie bij i^ryruw

tj rnmik •• of ii int k

ij i:m i iz\\ \\ of rj na ?lt; en ri ia? ik n\\ KW., of Li ik nj 1. stamboom, geslachtslijst

zie ouder (utj i\\ {Ar. sjadjara, boom. Vrg. Kimilm^). — riniKrri;\\ volgens de graden in een opklimmende ot afdalende reeks opnoemen. 2. verb, van ik ui n \' \\ bezoek, een bezoek brengen.

Kj-iKiui^s een bidkussen ? ZG. 1882, 109.

I. r iy( li in j gt;n i.v \\ Jr. (de lotusboom

van het einde) , naam van een boom. in het hernel-sehe paradijs in den Koran.

aji(ik hiifj\\ kn. eigen manier of manieren en wijze, hv. van zitten, dansen, kleeding of spreken ; houding, lichaamshouding; bijzondere variatie van een melodie. (yjj(l*\\!LCyi kn. aanbidden, voor Godzicji nederbuigen, door het voorhoofd op den grond te brengen en zoo eenigen tijd te houden {een ritus van het Mo ham-medaamche gebed-, Ar. — uin^iie^tLci(mjj

of hii (M0\\ bidmatje.

ik ilj \\ zie oj^ ik jjj w KiiKtfjs kn. met de beenen bij elkander regt uitgestrekt zitten; en inet het geheele lichaam regt uitgestrekt op den rug liggen te slapen {vrg. \'f i lij bij (Ui^ nt^ \\ en ki tjiri/iMj i:mi hij ij nn ij i in? )

\' 1 \'rSJIs en ^ l 1\' lcijlN 1

(Kj #«: lt;i/i i zie bij k i rm m \\\\

) . ...

i.i ik m p zie bij txju iknrnji^

(v ) O)

i.i ik ^ kw. en tp. zva. hjh n /.///^\\ -— uiiajt ik nooys beschonken.

T 1 o 1

(kji ui\\ i. kw. zva. Kiuiss uii i ui\\ en tui »/(uiw IT. i klu\\ en gew. i*i ki u/i\\ kn. al meer en meer. hoe langer hoe meer; toenemen {misschien het Skr. tjaj a, ophooping, en sa. n tj aj a, bijeenhooping. pk.), ij(i/)it\' gt;) :ki ll/i /r/11 \\ evenwel bleef hij cvcji ongetroost, Ks. i ii.i\'u/ rj i v \\ j. i m uu an y iui i, n ^/n yj i,n tn lii i.ij gt; hoe langer het duurde, hoe ongeruster het mij maakte, .lh m u i\\ in de spreektaal zva. i n (hi-z-i gt;\\ {zoo in Men), misschien van nuuHi/j en Skr. s dj a, einde, k niu iki * i \\ naam van een slecht tee ken in het haar van een paard. — / / .u i H)/j hetz. als ckii.uw i l i.u\\ en gew. (tJin.uvJ llukn. zonder ontzien of me-dedoogen, willekeurig, wreed, onbillijk,onregtvaar-dig, onmenschelijk; wreede, onmenschelijke behandeling, willekeur; willekeurig, met iets leven, er willekeurig mee omgaan, zonder het te ontzien,

veronachtzamen , verwaarloozen. i/n v / lh : ?»u\\

( o

wreedaardig. — i m a/li s inn lli lui lli \\ of hi lli


i.

-ocr page 628-

(tjj nnji lun \\

544

iu* iemand vvillckeuvig of wreed behandelen, mishandelen {vry i } i?j ajr) u i -).

quot;.ONKW. zva. (ui(B^iur^\\ {org. a^\\ en fj^)-1.1 lli ^ \\ kn. moe, vermoeid, van lichamelijke vermoei-jenis; moe worden {yrg. en \' * rjlt;lJis)- —

n (tni i Tt vn (kji ki m s n onvermoeid {vrg. mi nu amji).

— i tmujiJ ijIi\\ vermoeijen , vermoeijend. —i:m m i n ij 101 \\ vermoeid maken. — *. u ki lli ? vn injj vermoeid, vermoeid geworden, WW. vermoeidheid.

— oji.ilitiui zie béneden.

i0i lli j een uitroep, ongeveer zva. cki ijili^ zamm-gesteld uit en lt;vu%\\ verb, van i-h lus^

s

ki luk in \\ zie hij tui uiji \\ en aji qji gt;hu w .1 .

mij lu KT^N Zie (ki I I Ij LLKHIJjS

(ui iiL? (?vj n KW. zva, mi (K\'i \\ {Ster. sj aj ana, iets om op uit te rusten, rustplaats), uiistjikih.li an of njmm QJ! f. ï LU !H1 \\ zva. 1 )i li Ij. fl k i w i.jjlpiihns of ik/) pi (Hi\\ kw. zva. mcibns {Skr.sy an da-na y strijdwagen, strijdkar); ook naam vaneen Ka-wisc/te zangwijze, iji tip (m \\ of i i i^hJ^jj

na (Ki n naam van een zekere slagorde.

y

/ i lli \\ KW. zva. ii yy ifdtn iuin/j\\

I.) (vuij \\ Ml. kn. zva. lk (lh (in 7 n groente, moes of soep van groenten. — kioajiti (Hi/j zva. ik wda iHijj moeskruiden; meer hep. Europesehe groenten.

Ljj yi^ KW., of verkeerde spelling, voor »»w

x o - .

i j jixt\\ KW. zva. i.npjnm lli y of (Himnnus {zamen-

irekking van m u i nsn na ).

kjjji\'H/j\\ of m(LU hnjj\\ kn. meestal herh. luidruchtig

juichen; zie (ij^i^jjnn/i en cru(huu^n^

dj!(lu utijj kn. Mal. een soort geplooide rok, vroeger vooral door de dames bij de këbaja gedragen. (UKi/i/^unji enz. zva. 1 d/i/j^ iisnjjgt; etiz. zich vereenigen

met iets, WW.

if k) rj (vu? hii/js kn. klanknab. van het uitgieten van vloeistoffen. irj.ririijdutnw/f^ uitgieten.

\\ KW. zva. (^(hj^mi^

1.1 ,hu hu 1 KW. zva. (ui\'Hj%\\\\ {Skr. s dj a ka, pijl). ui du (lciji v kn. 1. voorgeven, voorwenden {poët. (lu lu (lo/j n en vrg. njn (ukinjj). — irm lli (txi ij hii n of ki lli (lo rj nn \\ van iemand of iets het een of ander voorgeven; iets ergens voor uitgeven, hv. swasa voor goud. aj)(lvi ui(hyj\\ voorwendsel, voorgeven. — 2. — ui (lu (ip hcijl ^ afval van vleesoli. (M lu (ui /1 Jr. , sa ij id, heer, als betiteling.

oji(um(uiji\\ kn. onderworpen, onderdanig; zich ouder, werpen {vrg. (H^i/^aaj). (ijj(£Aajbj}(ia^ ondenvor. peu, onderdanig zijn.

u) u) ^

Jr. Heel- des goloofa, M,

)

(ui il li hi li k w. zva. (vmi üi foijyi1

(?) O a-

/ 1 xmihiiji\\ KW. zva. d/i mi aai^\\ tui ao \\ en tui ruw m

kiia^chh lu\\ zich bedwingen, L. 229; Joes. kn. zioli

met iets vereenigen, bv. met het voorstel van een

ander. — L:ninjuj^hu^ of (HiOA^ihn^KW. zva. turn

) C)v » •

.-mm en iu nji \\\\ kn. iets met een band of windsel omwinden, onderwinden, met baiidcu stc-vigen; iets , zooals een gebroken arm , verbinden.

— vin(uujj(i£i of /rjrtAjj.^yvKN. iets tegenhouden, bedwingen, tegengaan; ook met iets, zooals hl

voorstel van een ander, zich vereenigamp;n.

quot;gt; .quot;) o O\' .

(ki(vui(bii/In KW. zva. Ki r.t)Mti/i en 1 li,luw kn. liet

gesuis van iets, dat met snelheid de lucht doorklieft, zoo als van een snel vliegenden vogel ojm

een sabelhouw, ifl uj ihii JU ajvj. ihijjj ofaJi m lu Jki

o 0

Lgt;nji^ suizen en snorren. — (kjiuhajj 111^ enwiu

bii/i suizend, snorrend de lucht doorklieven m

een wapen, PI. en Men.; suizen; ook het gevoel van

slaap hebben, alsof de oogen toevallen.

ki lu tbïi (hiji^ kn. booze geesten, in het algemeen(Jr

coll. mv. van , Ij L 1,1,11 (KIj)

-) quot; .O

UI Ij (LU 2 Kl/j^ K. , Zte L I (UI \\\\

Ij I i Ij LLI 2 KI/I1 KI)., zie II k I II (ik \\\\

/• O

(IJi ,lu k i \\ Of ki lli ki \\Kl. ZVa. d.u k) \\N KW. ZVa »/»vi

\'7.1 j n en (l/i\'tj ki r.ri (hi/i\\ {van ojis en lu ui n )• — \'j

(LU KI (Hl ff OJ K I (LUKI (HIJI\\ ZVa. LLI Kl,lil/J\\

iM ,lu ki aanq of k!(lm ui (bi:ji \\ kn. straffe behandeling, strenge straf, lijfstraf {Ar. gt; bestuur, re

gering; straf, foltering. Vrg. ki hii .^i \\ (ua/ij (Huui inji en ijiui lli k, bii/j).rui gt;lli k i ,bijj of w lu ki(biiji iemand op een strenge wijze straffen. iAm™. zva. m^dn^w {een verkeerd gelezen

Skr. s wast ha, welvarend).

ki (lu \\ KW. zva. \'amp;i(ir^\\\\

ki bi/inu/i* kn. tegenspoed hebben, ongelukkig zijn, in het spel en in den handel {vrg. /ƒ u U2 ^)-ui y (lu2 \'tyi^ kn. zamen opstemmen en zich vereemgfn om gezamentlijk iets te ver rig ten {vrg.

:

— r.in ^ a u 2 le ji of (hi y i.u 2 ii i/j \\ en 1 in \'/ \'lLUamp; of (hi 7i lli 2 (ry iemand tot iets trachten tc stemmen, zoeken over ie halen, om iets te willen iw-


-ocr page 629-

(ï) (M (UViKM/jS

545

oj] HM

_ [tfirjiLUi ij wn tegen iemand zamen iets op-

stemmen of auderen opstoken. — ajtrjdvie met elkander opstemmen om gezamentlijk iets te doen, JU. — tTtn rjajvuzamenspanucn tegen, WW.

Mmvy Ar. j.ljye. K-. vasten; zie njniKKiw

mSjimjIquot;* naam van het vorstendom Siam.

uiidwT kn. een beding, 0/vrat bedongen wordt, fo

dat iemand doen zal, om daarvoor als uitgeloofde prijs iets te erlangen, zooals een meisje tot vrouw, of ook wel iets anders; een uitloving van een te behalen prijs ; een wedstrijd tot het behalen van een uitgeloofde prijs, het voorwerp, de prijs van znlk eeu wedstrijd of beding, L. 221; en de personen die moeten overwonnen worden om den prijs te erlangen, WP. 125, (iS^r. sw aj ang w ar a gt; fa openlijke kens van een gemaal door een prinses uit eeu aantal van tot dat doel verzamelde en zich aanbiedende prinsen of ridders; van j/awirt w, zelt, en wara, keus). 0iSnSi^\\ velen, die zich aan een ongetrouwde vrouw ter keuze aanbieden tot man, en waaruit een door haar gekozen wordt —tni] (tu ifvrtMi ^nrjihn . een meisje als prijs voor een wedstrijd uitloven; een sajëmbara uitspreken omtrent, L. 102. — m mi (llku ni on/j * de plaats waar een sajëmbamp;ra gehouden wordt.

ij(KiTjtinkn. onvast, waggelend van gang\', van een huis bouwvallig; fig. zich met moeite staande

houden bv. door geldgebrek.

iquot;) o

(Mitwfrm en gew. n^ Lucru KVf. zva. njjtij} ilvi \\ xoan

wj\\ uhj]\\ en (hn\\\\ KN. het beste pak,

uitgaugspak {vrg. ((uyiccmnvyj en —

xni] mi crt)n?j\\ iemand dossen, aankleeden , de beste kleêreu aantrekken. — af} n / crn \\ en nniivicrti /lt;n i)u})\\ zie boven.

eign. van de vrouw van God Samboe.

(Mxw.rn^KN. 1. — jniLW xrnjjs insluipen om te stelen; over dag, of tusschen licht en donker, stelen door insluipen (vrg. om lEi/j.rj^iLu.riï\\ mv., en ergens insluipen om te stelen; iemand over dag bestelen. 2. ook xinuuuijy {volg .\\l\\\\. beier geschreven amiLvmnyj) een groot schepnet met een lange beurs.

\'k\'injijx:ï}jj\\ kn. bedorven, muf, verzuurd van spijzen.

O

men te lang heeft laten staan, vrg. tbi^iaj)

die

bij rij)

ij (hui OAJjj t-.riji \\ zie gt;i am oaj^ xrnji \\

\' . r)

•rijjj\\KW. zva. ojjni unji en njjiEnss —enajjj\'i l iLvinKN. jubelend, juichend, met een geroep, zooals hoezee of dergelijk, in de lucht zich laten hooren; ook zva. aj^ jjjjw —en u^ji^jj^Ky/. heiz. (M(lli 1. kw. zva. ijdjii2hi tu/j\\ —2. kn. een roodkopersmid, roodkopergieter, en in V algemeen ko-

, . o . o O

perslager {vrg. (hn^tbu\\ en tni i:ni im i.y uj li (Hyl

bij oS iHi(bui\\ het ambacht van kopersmid

uitoefenen.

,•gt; . a . o a

(K) (Lu \\ k van a /n (Ut (Hyj \\ xrm li i iisi v k . van xji ui vy w

o . quot;) O o .

— :h n li (Lu itnonjjsK. van ooi (ui if.ih i/ \\

zie bij

(KtnAjjWiy/. zva. ï-iijxli kn. slagtand van een beest, zooals zwijn en hond gt; ook van een titan; hoektand, oogtand, van een mensch; ^ baaktand, een paard} ook de naast elkander in den schil

zittende vakjes of partjes van knoflook of pompei-

O o - 4. o

moes {vrg. (vn(ik ), ajia^n^ een partje, tj ^

ajijj\\ benaming van de wilde, rjam(luf\\ naar het geluid o i arij of (iStajij dat hij maakt, l0/ ajuj tj .ci amnp\'UMH ili\\ poëtische benaming van een kris of dolk. — i:?n(Vüjj\\ de slagtanden laten zien; gewapend krijgsvolk. — (/3(i/u^ r.i luyj\\ aan partjes, bij partjes. — lt;L^jy^\\KW. slagtand.

(Kj) è tui. zva. ij flv/? i (Hjjjv zie njjj \\\\

M \'IJJI 0/ Ar. ^ (éssj

Syrië, as)t (un cm (ti/i\\ de Syrische taal.

(i^Ll/J of M (iihtyjs kn. groot behagen in iets, ingenomenheid met iets; groot behagen o/vermaak in iets

vinden; bijzonder ingenomen zyn met; bekoord

.. i , O G) / O O

zijn, bekoring {vrg. M(nj\\ hji iu oajj

. Oa* o i..

en u ti (ijl imji ). (im ap tj axt nti -ju tj l u (KI ilj x/n (un \\ bij -

zonder kunnen bekoren, (k)ikji iij (unw-yis wellustig, wellust. — (w (ijibekoord worden ; een bijzondere neiging voor of tot iets krijgen. — (tnMamp;js bijzonder ingenomen zijn met; bijzondere neiging gevoelen voor tot. — ww£j ij(mi\\ bekoren ; bekoorlijk.

zva. en Kiihti ijdir) srj i/ti \\ {Skr. sa-

ma). aj)iU ihn\\ iemand gelijkelijk van vorstelij-

ken rang. (unon^A(tj}\\ en iv,}t(tjifji\\zva. ttlt;uni\'iiiui O -gt; _

rtj)\\n. , 7j ItTl) 2 (Vgt;H (Hl H-jI \\ k. (t^l il l Ij (UI IJ Hj \\__(UI

i^ijax) ij(H^\\ eveneens; in Sri T. zva. tj(unhjiijxci ij


35

-ocr page 630-

540 ajiis\\

O o n

rtj -oj) oj) ieji \\ zva. .quot;in (ut\'ij) N N., ik/) lh/) ifj \\ K. —^

njt rri (Kfi (tl \\ zie heneden.

(kramavorm van ojjcea*) zie m tfji\\ KW. zva. (Hiirj«7» ^ — rni ni \\ en hi w

njin \\ zie heneden.

dj)iej\\ (1. KW. een tijger. G. Vrg. 2. kn. uit

botten, ultloopen, knop of blad krijgen; fig. weer opkomen, zich herstellen hv. van een geleden schade y van iem. wiens zaken weer beginnen te bloeijen. — ^)Vuitgeschoten blad, jonge

loten {vrg. ^aj^axi nj)\\); ook hen. v. hatiksels, zooals

O M O O o q ,

ckj) tj id (H) (t) -■ o ) t] £ » jg» mi) (Ki/j en andere, im

nx) mi ^2 u * ) ao ^ regen in de drooge moesson, die de boomen weer doet ultloopen. JR.—wr)

doen uitbotten, SG.

lüiEpKH. schyn, wat doorschijnt of uiterlijk zich vertoont of te zien is van iets inwendigs; uitdrukking van iemands gelaat of uiterlijk, of van iemand door zijn uiterlijk of gelaatstrekken ; het uitzigt of voorkomen van iemand of iets y ook zva. (uoJrj (rjd^danji^ wenk, K. 14, 7. (unriii\'Ep

of 7^fur)nkn. , o^\\KW., den schijn, den uiter-lijken schijn, de uitdrukking, de gelaatuitdrukking of het voorkomen hebben van iets-, een schijntje, zweem of tint van iets hebben, zva. onze uitgang achtig; voorkomen hebben, er wel of goed uitzien; ooglijk; bevallig voor het oog; een aangenamen indruk geven voor het oog; eenigzins, A. 9, 9. ck] (tjjxjnri\'EituDs eenigzins verstoord; {ook toover-gebed, tooverformulier. G.). wrtóiiamp;p er iets wan hebben, ook een aangenamen indruk maken, ooglijk, bevallig enz. i)^(tEyi^rjHj0\\ schertsen zonder hatelijk te zijn. — a-ntnj it)2 ijj iets door het gelaat of eenigen wenk aanduiden, laten blijken ofte verstaan geven; zinspelen op; hv. ironisch of spottend. Men.; iets een goed voorkomen of aanzien geven voor het oog. — ^ ihj)2 on/j\\ nm. van een padi-soort, WW. — (U)(h.)7j e)2onji.de uitdrukking dour het gelaat of eenig gebaar; iemands gelaat en wezenstrekken; een wenk; een wenk met last om iets te doen; zinspeling, zinnebeeld.

cl

(Kt)it/)\\K.: Zie iEIOJ) (Hl/jS

ajjiEiïs KW., I. zie tunajjfj)w 2. zva. (Skr.

so erna, een bloem). tgt;j\\ im ie) hj wjj \\ de lieflijke bloem, voorga jonge \\m\\is,(waarschijnlijk misvat-ojj^ (fj) \\

ting, nl. een zinspeling op de thnhang dandang iroeli) fKJjifni\\ eign. van de vrouw van Bat ara Bajoe. ojjifpkvf. zva. vjwrjdww\' G.

rf (K)2 it\')\\ KW. 1. zva. 2. zva. iu f rti)iinq en

na in k rrj hj w /j \\ {Skr. söma, de maan; sómawl ra, Maandag).

oj^ ij f.)q \\ kn. vriendelijk, minzaam, van iemands i] \'* p 0f uitdrukking van gelaat {vrg. \'ik (lt; /]». »j\\ n vyw//).

rj o.d iej)^\\ vj (ki 2 ,f ) % \\ zie onder tjfifnt w)

oj)(E.\'hfun\\ (ij)ie.tij)\\ of K) tjie)2(ij))\\ 1. KW. zva. iru/j\\ tf an i ij •)u 2 \\ uh tj n:n lt; \\ en tv)aoi \\ (Skr. sa-7noêha, verzameling, vergadering; menigte; Ml. alles, alle. Prg. oj)(e)\\). 2. kn. keurig, flt;?«

een huis, kleeding of onthaal (vrg. «Wm en m

o . 1 .

(U)\\) — rrn ce^ (ld \\ en r.m ia^ (ij)) ihj \\ versieren, opsieren, opluisteren. — oj) (e^tm on/j of (ki ilj yj» ook wel (\'£711 d) onjj\\ KN. feestelijk, niet dageljksch, {(K)tyit)2tu)) tnjj\\ een feest, een gastmaal. G.). — u oj) (ej^(to) (hiji v enz., vergadering, vergaderplaats,

vergaderzaal.

.-o O ^

weju.)) il.n skw. zva. (ki (eff ox) w (ki ie) najn 2 (k)^ Ki). van oJij ie) 2 ()j)\\s oj)(Ejjof)jj\\ kn. 1. stil, nier, levendig, eenzaam, onbezocht, van een plaats waar men geen mensc/m ziet of aantreft .{vrg. (gt;2lt;u\\ en vaneen

vergadering, stil, W. J, 297. 2. stilletjes, heimelijk; incognito {vrg. a^) m\\ en iK)(Ej\\). — vmij ynji {poet. wEAtHyj), iets stil 0/\'bedekt houden0/ bemantelen, zoodat het niet kenhaar wordt\', stil, niet opzigtig, zich He eden; (veinzen, huichelen. G.). urm t^ (hiKip op een geheime wijze te werk gaan, het incognito bewaren, .i^rionop een bedekte wijze iets uitdrukken. oS!hj ^ m-^tj oa sn ij cm n^jjj \\ hij trachtte het aan hei oog te out-trekken, niet te laten merken, W. 1. 148. — quot; (k)(e^ )iji)lt;)/j\\ heimelijk, in stilte, m kiiej uj -r) 00^ een bedekte uitdrukking voor den naam va* iets.

v.) ij (ej) onjj zie bij imieiw (i.iej) injjv kw. vergenoegd , tevreden, G.

ojjl ie) (H)fj\\ bijnaam van Sakoeni {Skr. Ang sj0 cmd»)■ ej) onjj\\ KW zva. \\i:m id:r.ti/js

dj)lEi inj^s Ar. A3 , t hoemn, een zesde.

c) \' quot;) \' ■ quot;) quot;) \')

(kv (El (hl \\ (k) ij (Ej) 2 ij uj 2 \\ cn ) .) ij (E) ij (hj \\ N., d- gt; \'h1


-ocr page 631-

Q/ (Ki (tin

n

ojiTj fry)

547

O Cf „O O Xf 7 O O tap en MMW

aajjs k., aanwijzend voornaamwoord van quanti-

teit, van hoeveelheid of hoegrootheid; zoo veel,

zoo groot, of\'/.00 weinig, zoo klein; in die of deze

mate, zoo veel {van iman \\ *7 .c-ï*^^\\ rj (Eji

ijin wi ^(Enons n., cic^ mi amp;if.iiHi\\ KW. ,

c) O

an» (IU K)iei fói (in/j\\ k., toen ter tijd. cLi tf w 9 rjyj t rt3ï /.^\\ dat {of die) zoo vele of zoo groote; die hoeveelheid, dat alles, die alle; met dat al, evenwel , intusschen en dat nog wel, rp. 51. klnrj tfjii^1^2 lt;un(m\\ evenwel,evenzeer, even zoo ook ookzva. iJtj rjifjidrjri^diEiT^ti^^ evenzoo, evenzeer, desgelijks.

O . O

zie (Ei £t£t ij \\ zie oj^ iki rj lt;hj w

O Q \' C)

(ki rj (Ei ihn zie nj^ rj (ïj! lij w

Mtj (E) rj vj \\ (ij) ij iej) d lt;rj jy 2 \\ zie nJi ieji 1.1 w

of (K/)(fj) ^^\\KN. uitgesteld, uitgesteld worden; een uitstel {van i ? \\ Fry. (utt ^ \\ en oj^ rjiEiMj ). — (Lrr^(Qrf^\\ iemand een uitstel

geven. (irnjj d)^(Ujom ij (Hii \\ iets ni tstellen.

o - o o , n

0J (MrjWMJS 00A 0^*1 (EHTJtHJS ZVa. 0^ (El

O . - ■) O -

\\ (Urj^llCl (Hl (ELI (Hj {OJ (1^1 rj (EjI Uj\\ of (Kil tj (LI

hj\\) regen, die men hoort rnisehen, maar die op een afstand neervalt? volg. Rh. verb, van \'/

een fijne, digte, regen, ongev. zva.

, o O o . ...

oo.v (Ki hj ij (Ej1(^\\ m lts. van een menigte troepen ,

?L)(i/jj/ioflw^0N — (crr^vj(Eii(^\\ iets uitstellen; en

iemand een uitstel geven.

o

quot; I V 0 V s zte ^ 7 ^NN

naam van een regentschap of vorstendom op het eiland Madoera.

Ki(EJi^r\\ kw. zva. doiTjd.n q \\ {Samp;r. s amant a, al, ge- j

heel, algemeen).

^ ^ O r\\ r^ï /■) .O

KI (LI jfQMl/l \\ (1^1 )j (EJ1 (fO (injl v iKi tj (EJI2 ffWyj \\ zifi (KI (El WW

quot;«am van het eiland Sumatra.

zva. rrjMm\'rioj^irjnjis f j tu\\ en ;£] lgt;®\\ (Mr. s am dn i ar a, inmiddels, ter zell\'dcr tijd, wn sama, zelfde, en « « ^ a r a, tusscheiipoos, 1)003. pk,).

T\'^T^ naa\'n van een wapen.

kn. naam van een medicinale plant.

(Tj.) WW.

O

7 7 quot; \' \\ zie bij ij (ki rj nrin xgt;

6,1 Kn. onduidelijk, verborgen, geheim,geheimzinnig; bedekt, niet opentlijk; onveilig, niet veilig (yrg. aJHE^\\ en (uku!\\), ook onzeker, (imky^(kji (eji\\ ik ben er niet zeker van, ik twijfel, o/weifel W. II, 120. ijdjm\'riKiMs duidelijk zien, wel zien , iemand niet onzeker of verborgen zijn, iemand duidelijk zijn. — arm ei\\ {poet. mkejis) iets onduidelijk maken, niet laten blijken, bedekt houden, ook zich verbergen , zich schuil houden, zich vermommen. i3(hj (Eji \\ of (Hv ki (Ei \\ verborgen, aan het gezigt onttrokken. — it?m ei\\ iets verbergen, aan het gezigt onttrekken. —(crn(E,irn\\ bedrieglijk voor het gezigt; gevaarlijk; iets verbergen; ook iemand bedotten. ïiniw(Ean^ianjj\\ verbergen, verholen raken ; zich vergissen in iemand, zoodat men hem niet herkent of voor een ander houdt \\ door zulk een vergissing van een ander een ongeluk krijgen. irj(ijn2\'n0\\ wordt gezegd van iemandgt; voor wien niets bedekt of geheim is of blijft. — (k/iifa(ei- of (ki(EjI(ei\\ schemerend, tusschen licht en donker, half donker; niet duidelijk herkennen. — wwn (hi/j\\ verborgenheid.

(k/j (Eii^ kn. 1. een rond gesneden pisangblad, daar men bij feestelijke gelegenheden het eten op doet, ofwel mee bedekt; cn een lange strook pisangblad, aan den rand van een rjdamp;tioi gehangen, daar de wohm *jiw 2 Kfljm/j mee rondgezonden wordt 2. een gele, roode, groene of purperen smalle gladgevouwen shawl, tot ondcrscheidingsteeken om den hals gedragen door de mannelijke en vrouwelijke beambten, die de insigniën van den Vorst en de prinsen dragen; ook een rand die om een of ander gezet is,

ongeveer zva. tiji Kis ó. tp. zva. try am q n gordijn.

a\' n o/ . r \' J

i:inihirr)\\ van een (uiiu voorzien; ook 111 iets een diamant »ƒ edelgesteente zetten. — H7rnêjrntf ij tHti\\ als iki Êi bezigen; fig. zva. v:m (ea ^1 vj am \\ Men. — (KifcimcKi/js met een (ia(Eji\\ ook tot versiering, opluistering.

(Ki(£i\\KH. onduidelijk, onkenbaar (t;r^ a^i(eis). —ccm ■Ep {po\'èt, (iri Ey) 1. iets onkenbaar maken; zich onkenbaar maken, zich vermommen; door vermomming , verkleeding of het achterlaten van zijn gewoon gevolg, iets zoo doen, dat men niet herkend wordt, bv. ivnn ru i(ti \\ nn ié^ (Ei (Hjjj» dTm iÉj^ mi (ui \\ (QidJiiHipi Ej\\ en (un (Et(un (êlirin(t^\\\\ 2. iemand opwekken , levrendiger of opgeruimd maken, bv. door

35*


-ocr page 632-

u. Q o / n

648 (M \\ ifji foii}quot;\'

hem sterken drank ie geven. G. xniKEtojt cwti (vii2\\ zich onkenbaar maken door kleeding. — im i. ntp onherkenbaar worden door onder Anderen of onder iets anders te raken. — im onkenbaar

enz. maken; maken, dat iVwi. niet opgemerkt wordt, W. rfnijjLp tot afleiding van zich zelf of vaneen ander nitj fan (i.i w anjj v W. I. 7 1b. 7 0.»^ «tot afleiding of om niet tc

laten merken, wat zij werkelijk dacht, schertsende:quot; — (K) n)lt;é^\\ zva. — r:ni iru(£^\\ a7in(f^

bv. ook sluipen, zich onder

een troep of in een gedrang mengen om niet herkend te worden. JR. aPiajtE^w

quot;) x o / . a s

fl. /.? LI N 17177 (ILi \'f ^ ZZC Op U) !EJ

ajnus kn. een stut, om pilaren* of paalwerk of iets dergelijks regt overeind te houden; en eign. van den getrouwen, maar koddige» p \'ana-kawan van Palasara, en vervolgens van de Pandawa\'s, die wegens zijn getrouwe diensten déwa geworden ia. Hij wordt ook ri^ ■gt;) { f,i ilv genoemd en was de vader van Patroek en Naid-gar eng. 0iUi vn irm \\ nm. van het fatsoen van een kris, met een huik, van vorm bijna als een nnyiSIs en van een lekker-nij, (Tj.) (M iM iQijp iMjj \\ naam v. e. lekkernij. W W

(tin(li\\ als Sëmar, nl. zoo koddig? Moe.

(Qtots IIoil. smeer, zooals om de spil van een vnel te smeren {vrg. lunmii tu/j). — rrm^n iets smeren. aj tLj \\ lloll. gesmoord, iets dat in een gesloten pan gebraden is, zooals (Lvl^rjiltii tjnrrtihrnjj\\ gebraden eendvogel, mi tj lt;vi ïJ ^ gt; gesmoord toebereiden. —

iets smoren, met gesloten deksel braden.

Cl S ct S O

iamp;h n kw.; \\ zva. r.imh ij /.»\\ en iiri ut /. n ^ n

a ^

ffj lt;llt; U \\\\ - i\'7v7 lt;tLI lEJ n kw. zva. OJ) WS 671 IlSII ^.7 ^ kn.

bedrieglijk, van een gezïgt, dat iemand ligt bedriegen kan. — ,i:ni.iiï tp iemands gezigt bedriegen, zich vermommen.— (ki ili\'Binian/f bedriege-

lijk, zoodat men iemands gezigt bedriegt; vermomd.

,, o /

Zoo n i uil o.i 7 li \' n (inji \\

X O /

(Kjifji\\ kw. zva. aJl\'UH • i/\'I-iuks en tjiigjjw wjj

/ O . O

iLii Ljiihfi\\ zva. inn rnjiMiHns tj i n ija^i / n^jjp en

O O (ij n) j (Lm ijuKdW

cy •

kn. heet, hitte, van het lichaam uitwendig.

door ongesteldheid {vrg. (Li\\).

\'ijiiti\\ kn. put, waterput, ^ nï\\ naam van een horizontaal liggende put in de onderaardsche gangen van het water paleis te Djokjokaria gt; mei vele gaten of openingen aan de kant, waarin men zich zou kam.en verschuilen. lt;ciiittj\\ in do. put gooijen. AVW.; op een ^ \\ gelijken, een put maken, te M. — \'i^ lt;amp;jj ti an/I iets dat als ecu put gemaakt is.

tij tamp;i ni \\ zie q ju r in w ij (Li naxinj\' kn. naam van een boozen geest in de gedaante van een krokodil of visch, lil.

o ^ 1] u i Tj of Li ij li ij v kn. naam van een koogen vulcanischen berg in het oosten van Java; in de mythologie de zetel van God Ooeroe {van ^ en ij(amp;iTi\\ Skr. soemeroe, de heilige berg Méroe)\\ ook nm. v. e. g ending en batiks el.

njj^ljgt;^\\ kn. zuur of rinsch, verfrisschend, verkwikkend Rh.; frisch, verkwikt, WW. {vrg. «ƒ (jp (n (Ki /rn gt;). — (L~/^ % aai v verkwikkend, 13. —m verkwikken.

lt;7v7 Li Ti (in \\ KW. en kn. koeltje, koel luchtje sa-mirana, lucht, wind). — i:iiiaSncm\\ een (wu rntin gelijk, W. II, 55.

o . o

zie v\'3\'k.\'Vn

.\'So • 7 .. o

(Ej! ti (iwjis zie bij (Ki \'~n(isiijj\\

ojj it.i\'n schel klinken,^.!• ? n lunjj\\zie k]nai

(ijj hf-.inj)q \\ zie bij ;ki ti.ki j w

V . /-

fijj iLj1(Vamp;(hi\\ zie bij p-j ww

O o o . 7.. o (M (fjl 11 (K.j Tl \\ Zie bij (KJ^TiW

(Q^tjaji \\ zie bij vj ói \\\\

0 O 3- O O O

(ui vi \\ zva. (ui {lE^tr.ri ihiijj \\

£i^iSgt;(iS\\ of njji^diis kn. een kleine portie, /ielU-

genov er gestelde van a ip [Jl^ kujj \\ 11.

oji .Li iL/l ■gt; HJl (Ld lt;li \\ Zie b IJ LI (£gt;) W a./j l^ oyyj \\ zie bij ki (vi rnjj \\

(Li (L^xfn (Wji of (ki /-j(cm ihuj\\ zie bij a^aS(uijj\\

Qrj ^2 ij !i:n 2 (ia/j\\ zie bij if^\'ii tj urm (top

001 • 1 quot; 00

ki kl^.cii astijl zie bij {^k^ lhi (hny «

zie bij

(hjoy {d^\'e rjlt;177)2 (b»lt; \\ ^\'é? bij ijiiK^i rjinu(Wjj\\ nJ(enii\\ {welligt van a-rn) n., (f-l(li(ui(i-Ji/jnk.,naovi van een residentie en hoofdplaats op Java. — quot; (ui ii (i77 .}lt;yix :ki (li iiji ki ^,1 (injjs Samarangsch, vbd Samarang.

«.J (rn ^ \\ of (l\'j (lo ti a^i ^ \\ kn . frisch, helder, gezoud, van het waas of de kleur van het gelaat;

rood of geel; verfrischt; verkwikt; ookopgcfriscW-


-ocr page 633-

(Ki iFjirj ut) n n onjjs

iKl (Ij) IHnjl \\

• / ^ Os.

lustig van aara {org. rjxjnnms en rn m\\). m n inyjs T- KN■ toebereid, gelooid leer; (org Mify ij)\'* l0^1\'011 bund van een boek. II. Ar.

» hoorend, als eigenschap van God. l y i.\'n t.i \'Finn/j^ leerlooijer; werkman in leer; zadelmaker; boekbinder, w t,/. hooreude en ziende, nis eigenschap van Ood.— nn n imj^leêr looijen; een hoek in een loeren band binden. —• iu i.i; i igt;ti mj leerlooijerij , lecrwerkerij, zadelmakerij.

ïj u joj^nkn. 1. naam van een eetbare vrucht, waarvan het kleverig sap tot lijm gebruikt wordt. 2. ook verk. van w i n fi de vader; ZG. 1882, 134; zie achter 3 n ifnjjs 3. dial. ijfiin/js iJiQutiip 1. zie (i j t i i.np 3 drassig v. d. grond. u.\'m.m^kn. 1. even gelijk, bv. van grootte of van krachten {vrg. i.n r.n cmj^ en uisi rj up\\ niet te vergelijken, niet in vergelijking komen. ïrm n /. y \\ iemand of iets evenaren. 2. volg. Rh. in tp. ook de moeder; vrg. i:rfii,n/j\\ en

n i.n/j

lquot;)

(i^lUcn/i of (hi u kn. niet friseh ruiken, duf, van eten, daar een luchtje aan is, of van de lucht

van een lang gesloten kamer {vrg. 11 .• / JR.

n * C) O ) Y)

quot; l \' \'hlquot;11 0\' 1111 inl en \'■n \' i ■\' gt; \';ƒ/ \'njl1 ki.,

zie bij iit} ri do

li\' quot;^ KN* ^^kkend heet, benauwd warm; drukkende warmte {eigentlijk indringende en inwendig verhittende warmte, zooals die veroorzaakt wordt door warme dampe lucht; vrg en cuntj^

hyj)\'} ook verhit, rood door drift, van het gelaat, van de oogeny zva. ^r^ r.n irn/j? Men. WP. quot;

(^c warmte, het warm opgeven, van den grond, aj^ inïwi ^ \\ de Verhitting van tien wijn. ^tEynnai lynoin f i(tn/js de magtige werking van de deugd op het gemoed va?i een ander. — rquot;l *1\'\'\'\'x aau warmte of invloed meedee-

len; inwendig verhitten; drukkend , van de warmte.

11 pass.; de inwerking van iets on

dervinden.

\'/\' quot;/\' /N kn. 11 sprei, wat men over of onder iets spreidt (vrg. ij ili }j i.nj). 2. ontbijt, ontbijten {vrlt;J\' (Ujj). — tj t.i rjiU igt;n \'Hi/j\\ hetzelfde (Tj.) WW.

^\'tl un ^rnihtjiv zie ^ J] , , ^\\ JR.

:ti\'t f i), t} i Ji (Hiji zie t)~^ hi rj Kii mi inji\\

(ki fjt iqis kn. ai het benoodigde; al het benoodigde hebben, vau al het benoodigde voorzien zijn; toegerust {Skr. s a m dpi a) voltooid, pk. VrgH en zie i.i!iiji\\). — rintii.n\\ zich van al het benoodigde voorzien. — riv i]iemand van al het oenoodigde voorzien, nn ki ik!i^n in^\\ van al het noodige voorzien zijn; met al het noodige toegerust; gegoed, welgesteld.

O O • c

im m i )/j\\ (h/jw mi ui ki/jk.. , zie (ui im ni w (tj^ ei ij uti ui inji of i ) l i tj i, n t ri uiji \\ en \'i./^ m y mi mi mji of 11 /Ei tj ini i ui in^\\ kn. vcrwaandj hoogmoedig, van iemand die zich op het een of ander veel iaat voorstaan; [misschien van . nj kh ^ifi/n\\).

O / ... ^ v 1

ii {iici/js kn. ; i7in f.t m\\ {poet. miti.i ) L.zoa.rin

•■) - CV ^ o n CY o

riin\\ of i li ! i idi hu \\\\ l. zva. ii ii f i i \'ii w

co \' (o \'4t, \'

quot;) ) ) o ) )

ajj f i Lcyjs i i laji^ a in ici \\ en \'i-ij i(ji axi inq\\ zva.

enz. (ui ij yi anjf n een brandende

lont. G.

j i f i iPi I ] ,• i iai\\ of I hi ; jta\\ kn. diepe godsdienstige aandacht, diep aandachtig gebed; diep aandachtig bidden (Skr samddi, diep godsdienstig gepeins, diepe godsdienstige aandacht, door den geest van hot zinnelijke af te trekken en op het bovenzinnelijke te bepalen. Vrg. ! iijj.\\ en .- iamp;n). y i ui ni i if i L?i\\ met diepe aandacht den geest op het bovenzinnelijke vestigen en bidden.

i^i ;i i?i \\ naam van de buitenste poort van het hof

van Batara Êndra.

^ o C) o .

ui i r i xa\\ h t ij l i in \\ zie ui if i ia \\\\

Kin uims kw. zva. ii loit n^ {Skr. s ambddana,

een poort).

.7.7i£i in m\\kn. voorgeven, bv. ziek te zijn, of iels te

kennen; veinzen {vrg. ui nn \\ i i ui (ici^\\ win ixi \\ o o .

i n ui do . li ui iin/j en in iu i n ivi mi in ki \\

/ o «i / n

kw. zva. \' i isrj\'li \\ en i iii ygt;iii/i^ i^mi n i i/jw —■

mi i i f j ui in \\ geveinsd, v ; .* ^ n 1.1 ,ui m (cr^ in f \\

geveinsde vrolijkheid vertoonen door de uitdrukking

van liet gelaat. — nn .ui ia u) \\ bij iemand iets

voorgeven. —• w njinjjs huichelarij.

i-y of i.i ij i.n ic^\\ kw. zva. nni uw Tj. Séngk.

vier (Skr. savioedra). 0cut?i\\ poet. de bloed-

vloeijing van een vrouw, die de maandstonden

M.

k^NK.

Zie KI 11 ruw

heeft. — wij.amp;ii ici^Kyi zva. i i mm i(yj\\

Ki f i ij ui i uji\\ i j firj ui 2,7gt;


-ocr page 634-

O o

(UI (ED (UI (KAJI \\

quot;550

(KQIE^da (LM \\

ook verk. vancu^xc^ o D O , •

(Hi inn (rui Jn*(EJi iibnjj\\ na een draai of kring gemaakt te hebben op zijn uitgangspunt terugkomen, Rh.

(Ki(E^(ijnjj\\ kn. mier {vrg. (nj^rnaJ)jj\\ (orr^fêt^

(mI^iuihiijis en m itLiajiji); ook naam van een soort van roodehond gt; jeukerige huiduitslag hij kinderen. óJi /e^ asfl (tin 7uji \\ naam van een soort van kleine mieren, waarvan de heet jeuking veroorzaakt; en van een uit knapen bestaand corps pana-kawans bij den Vorst. (ijicmj\\ het vocht van deze mier wordt hij buffels tegen buikziekte aangewend. 0itm iiji\\ het vocht van deze mier wordt in de oog en gedruppeld van krankzinnig en) Rh. —X? ^

als de mieren loopen, nl. één voor één achter elkander, Tj. — óJion[js een jeukenden uitslag op de huid hebben, een soort roode hond; WW.; volg. Rh.slaap in de voeten hebben zva. ^r^cni (tn(hijj\\ (kJw(h^iiyichnji\\ kriebelig vantoorn, D. W.45.

(ui (EA (isii \\ kv. zva. ui (ut m (to \\ verb, van uiusnisiiw

o - ;_ o

ui (ui nsn \\ of oj) cea ant - - ui uj asn \\\\

O O

(ijjWiasïyKyf. zva. ui^^(LhidDiijaxiz (kijj\\

ojj^tei{osry eign. van een vorstelijken priester; ook van een zoon van Ardjoena {Skr. So emit ra).

(Uj (ui nsn iu \\ ook i.tj (Ei hui ru\\ kn. stadgenoot, landsman, (zoo althans L. 190.; vrg. de uitdr. ,isn iL^djmi ^ (tui ihnji\\ G. {misschien van masiirrus dus eig. van hetzelfde koord, R ).

qji(ut(innhvi(Ki^ (poët. uilEKtspjj(hijj) Chin. kn. een term bij het dobbelspel, als men met de drie stee-nen 3 X 4, 5 o/* 6 oog en werpt, wat een goede worp is.

ui(EJi^jj kn. naam van een ster, WW.

het schitteren van sterren. Tj.

uiiEJiaS) .kn, een omheining van jonge bamboe. G. {vrg. n .

ui (tJl\\).

ut(EQ\'Vi\\ zie ui (ej^ (trn \\\\

O O O \' Z quot; TT

(K^(E\'t(L)l\\ (U^(EillUl\\ Zie bij (KI UI \\ 11.

ui eji u) dn \\ of (ui \'Eji (Ui (Hi n kw. en kn. zva. (unajiijaci

TS*

ui fji(Vi(uy^\\Kw. de wolkenhemel, G.

(M(E^(in(LVi\\ ook loel oji iej)na (tut \\kw. zva. wtim quot;h\\ ui iKti (vj 1711 f ij run \\ (SAr. savioeddja, geheelc menigte, collectie).

\\£1A

zie bij ikhujji^

j) iEJi (ugt;ri/)\\ 1. zie oji cut oj) asnj^s 2.

asryj C )

(Hi asnfi

O a O

(ui (ut gt;ui (ijijjsK. , zie ui (eji ni w

ujilgt;i(Lti\\kw. verdriet, hartzeer.

C ) a o . ... ei

ui (eji tli irnjj en (tJi(eji tvKHn/js zie bij ui iu uiiQiru\\ zva. (iJiiEi tus zie bij ui rui w

,)cy . ... ocy

u^ /7^? (Ui (ui (Hyi \\ zie bij unnw

ui rj (ui ^Ji \\ Ml. toereikend, bv. van middelen omu\\ te leven {vrg. kn- uit» van een kaart

spel. on rj /Ei ~-i\\ kn. in het voorbijgaan meepak, ken, door een zwaai met de hand raken of grij. pen; rakelings treffen, met een knods. Men. voly. Rh. het spel Quai {of rj uni(ui BV.) eindigen ei winnen; ook iets afstooten, afweren, afparercn; fig. iets afwijzen, van de hand wijzen (vry. ail hnq\\). ui rj (eji -? ui (ujrj (eji~ji \\ elkander van zicli afstooten. G.

ui(E?i misKVi. zva. tuï(rn\\ {Skr.sdmipa nabijheid).

_ o , o..

ui rj fEJi (Ui kw. - ui (ui (Ui \\ ook zva. (iJj (ea n^n \\ vry.

Ij UI (UI a

rj (eji (ui \\ zie bij rj a-jkuiw

(ijKUi-JisKX. naam van een wilden boom, waarvan U hout tot brandhout dient en om er gereedschap van te maken; in Tj. nm. van een lekkere vrucht. fKj(uikn. eed, eelzwering; een eed doen, zweren {vrg. ujj (ui aw \\ en nm ^ — \'x\':rrJi ^ ^ N iemni een eed afnemen, beëedigen. — urr^(Eji-uiqajih m., en een eed doen op, ook zva, (urr^ oji asn (hj \\ ientani vervloeken. — (urn(ui -ï ^(un ij(Hii \\ iemand een eel laten doen o/doen afnemen; voor iem. den eed afnemen zooals bv. de phigoeloe voor den r eg ter. — (Eji^if\\ vloek, eed.

(ui (Fj! ~ji (hi/j\\ kn. ben. van een soort van vaartuig, zooalt de rooversprauwen ; sloep, boot, groote rjdwvjiEW ukeji^ihi/j K. 1. van (uiuijj^ 2. van (un (ikw uuui \'ui(hi/j\\ kn. iets bergen, wegleggen, vooral voo\' later gebruik; geborgen o/weggelegd, bij zich u huis hebben, zoodat men het in voorraad heeft {vrg. n iui nsnjj); in voorraad hebben. 0iui(ut\\ eeI1 geheim houden, bewaren. 0oj^kjlaui\\ heimelijk ongerust zijn. — iTui eiZ/l(Hijj iets bergen, opbergen.

wegleggen voor later gebruik y iets bewaren, sparee;

rgt; } o

iets verborgen of bedekt houden; of itiii lt;\'i iemand, een arrestant, voorloopig in verzekerde bewaring stellen of houden. JW. — rrnuEiSi^ iets opbergen , wegbergen, om het te bewaren j sparen, besparen, opleggen; volg. R. ook hij


-ocr page 635-

(Li mi m (Hi \\

ct / OJl \\

551

verborgen hoiiJeu. — «3ifa anjj of dJmmti ihjan^ ohj. den ; ook iets heimcilijk ia het schild voeren. — iunSiamp;i^bergplaats, kist of i kast tot berging; bewaring. G.

LjV; ^ kn. algemeene benaming van eenige slangvormige soorten van krissen) mat veel bogten, {tegenover vrrf 2 y ir» 2 njjj) en versierselen (ligt bij het ge vest, hoven aan het lemmer.

11\\ i in-j?fff)n KW. een weg langs een ravijn. G. {waarschijnlijk hetzelfde als oj ^uajton ).

j Mifi -ie wihi -jjjiiyw

liijoiui^nn^KD., de bij ikiiuihviw | kiiM -^7\\ kn. liet niet den voet raken door er snel bij langs te strijken (erg. un w ^ ) \\ en i i

ihi ^i titbhtojuis de afstand van \'t gebruik van de rijstvelden van een loerah-tabon aan oen nieuw benoemd hoofd, na de betaling van het bökti-geld.— (póët. an ti it PM.) rakelings langs of over iets heenstrijken; iets raken of tegen iets aanstooten door met den voet er snel bij langs te strijken. — foi~\'rn(mjjs ohj. den.; ook elkaar strijkelings raken.

o . cv

|(jj,n.nKW. zva. m ni (isojj \\ ^ g.i mn \\ a.iniw —arm

iu 1)-rl\\ over iets, \'zooals een rek, stoel, kapstok of schouder van iemandy iets heen hangen; tijdelijk opdragen aan; tijdelijk belasten met; tijdelijk toevertrouwen, te besturen, te beheeren te bewerken geven aan. — r.m itirjiKvs iets over iels heenhangen; een object tijdelijk opdragen, te beheeren of te bewerken geven aan; tijdelijk onder het bestuur stellen van. — 0Ji(F.i(Ei2.i\\ ergens over heen hangen; tijdelijk aan een ander opgedragen, onder het beheer of in handen van een ander, — m m rek, lijn of kapstok om er iets over

heen te hangen; wat tijdelijk aan een ander opgedragen wordt.

| \' i £/~^\\kn. een sjerp of lang breed lint om het lijf over het staatsiekleed van de prinsessen en van de danseressen van den Vorst, waarvan do beide einden naar beneden hangen (yrg. (hi en - i nt f.i^ n iemand een sampoer aandoen. (Jïen

ander zie bij aj) iamp;i — ujxamp;ifjrrtan/j of ifJh i s v v ■-

met ecn sampoer gekleed. | .0 S ) S . ,

| Y \\ kn. ; ,t:m n iu _ »a\\ uitbruisehen, uitgudsen,

{vrg.L,,! t

i G.volg. Kil. een verb, van iinny

Of If.1{j^2\\\\ Zie (KQ If

ifj] \'i \\ kw. zva. rfr^yi (W^ituyis kn. ter zijde gaan {vrg. a5!(Ei J\'i\\). r:ni li ■gt; volg. Rh.

(Khi/n \\ wfnnnw — iirniiu\'i\\ (poët. cm ili-li \\) met den voet op zijde stooten . op zijde gooijen, weg-stooten, van zich wegwerjien of wegslingeren, asti aJi u f.1 (iji-i\\ overal verstoeten, verslingerd, (lh nvt ii ii (hJi (EJiï \\ vruchten, die ter zijden uit over den grond groeijen, zooals komkommers en meloenen.

kn. met een verlamden, lam neerhangenden, vleugel {yrg. —,r/niEji li\\ de vleu

gels laten hangen, ^ m (£/? \\ eig. als een

pauw die {bij .i?i nnvr/j) zijn vleugels langs den grond strijkt; uitdr. voor een schoonen gang, W. 1, 23; ook benaming van een bijzondere wijze van het te droog en zetten van de padt, en van een dak te dekken,

ij m ij lt;£/? i \\ kn.^\' lam , verlamd, van een arm of been, door een slag, rhematiek, lang zitten, enz. {vrg.

O ^ V

(KUL)

ijwniamp;i - issKN. Dillenia aurea, een hooge boom , waarvan de vruchten dienen om het hoofd te zuiveren.

ii n *1^12-ns kn. nm. van een lekkernij, rijst meel met suiker in een peperhuisje van pisangblad, (Tj.) Rh.

i )if i^tin^ of kn. volkomen, volmaakt,

volledig, voleindigd; ook volkomen hersteld; geheel-, op-, weggeruimd, volkomen zuiver; heilig; ook zva. rtJimi\\ verdelging {Skr. sa mpoe r na, van poérna, zie on\\ Vrg. tamp;i \'^JJJS lfjl en \'h? M/vM/f). — rm {poët. (in0) im-Jjan Hn rf (Kn \\ iets volkomen maken; een voornemen volvoeren; iels volkomen uit den weg ruimen; van alle smet ten zuiveren. — lt;h\\i(K/t(Etiki(^jjN volmaaktheid; volmaakte heiligheid; verdelgingsmiddel; (achtbaar. G.).

(Mihi^yibii/j^ kn. piepend geluid, gepiep; ook „• i {Jyi^n lt;f i/f\' volg. Rh. een fluitje of iets derg., waarmee een piepend geluid gemaakt wordt; ook het bekleedsel van een jong sirihblad, omdat het

dikwijls als fluitje door kinderen gebruikt wordt.

quot;) o ..... o..

i) \'ij (f i [ ~ / (isiitj\\ op die wijze piepen. — (bniMogj.

\'f i^H\'igt;fj\\ freq.

nisH

t

a

liü

: feS

I

m lp


-ocr page 636-

(Ki 77 foi astyi \\

652

WTj (Dl ^1 (Hïl \\

k)rj(Ejiasriji\\ Tclanknah. — lt;M«.ï(3j\\

aj) ij (Ei -.12iudjs kn. spuit, lavamentspuit (vr^. iJi)

V C) v O

rj (ijl 2 \\ en u i ff (éji -j\\ 2 ij t) j lt;ui^/j)- — ff ij ito ? iivij \\ spuiten ; uit-, in -, bespuiten ; iemand een lavament geven. — rni rj a-ji nföJW nrj (int \\ met iets, zooals vuil water, spuiten. — -m lt;$rinji\\ een spuiting of spuitscl. ri rii0\\ twee spuitsels. — m vrrj (Fi (t^i thn/js mv. en

freq. Tj.

cquot;) O

a: 1 y ifji 2 ijniitisu/j\\ kn ; iitirj.li ijni?zva. tfm lt;fi^i hijji. stralen, stralen schieten, glansrijk te voorschijn komen (yrg. wrjgejI2ahnj).

(iJgt;U{?h kn. klanknah, van hei met een vaart of

zoo loo-

O Q-

rm Lil / ^j\\

i£}dl(Jj • zva. mjjn^ kn. hlanknah. woord voor het

hard loepen of wegloopen pen of wegloopen.

zva. MurWN gesuis van een snelle vaart door de lucht. quot;quot;^i\' 0-r \'• ]\\ heen en weer vliegen, B Joe. — ^ ii(M■ en met een snelle

vaart door de lucht strijken, wegvliegen, zich heen spoeden, voorbij vliegen, bv. van een vogel of van iets dat niet kracht geworpen wordt. — wm. thA^\\ ajtasii0 freq. Tj. van ftèmifs.

m ij (M(Jy\\KH. een aan beide einden opene buis, pijp, p\\jpje of koker {vrg. (bi nn \'12) om het vuur aan te blazen {vrg. ^Kïnjj), een verrekij

ker {vrg. tj 05112 ij oji2\\). rrn tj iji^u n naar iets met een verrekijker zien , met een semprong vuur aanblazen.

(kikeji ~.ii,u/j\\ kn. 1. de eigentlijke ben. van het spel met 3 duiten, zie tly (ui uuj j i h ki(Liimjj\\ een algemeen en ongeregeld gevecht, de gewone afloop van een gevecht hij de wajangv er tooning. — 2. of iniajKEi ^.1 kiiji\\ overal verspreid, zich verspreiden. ongeveer zva. — .17m n ^nnjs zich uitbreiden, verspreiden over den omtrek; bedekken, beslaan, enz. ia \'tj ^1 iuirjaajj\\ krijgsmuziek.

(fjt Si u lyj zie (i.j (Lit inijj \\

rj (ut zrt (ut ^i2un/i\\ kn. nauw, bekrompen van ruimte; een bekrompen woning, enge hut; benauwd; in benauwdheid; groote verlegenheid (vrg. ajjoli Qmifl); een gemeen soort van tabak.— tj \\1rt2 in het nauw brengen, unrja^t2 gt;f n 2 jrnK. 13, 22.

O Qv

a^(amp;t^iiHn\\¥i.yf. zva. njtutw

fgt; O ^

v ttja i ji(hii\\ KW. zva. \'Dtdcts (ibit\'nji Httjis (ut inm }(ï]\\

o o O i

ui cut (Ui n en njhhiKh^^w — (Hilt;rj(Eji~Ji(Hit\\ zva. sq

0 o Q o irutiHiiji en if insiKHjqw — an rj m ~ i mi (Kj \\ zva. m

rt

rj n/n nnt tn w

mioi ~i(ia^\\KN.; irrrt fjt^i(ioj\\ iemand berispen , aanmerkingen maken, het onbetamelijke van zijn gedrag onder het oog brengen (fjij 1 ^Kinji of (K)*} a i^ t(lSlljj\\ KN.; ifnirj f,i ^idoj of

1 inrjn 1 ^ 1 (L,iifl\\ tusschen een werk in iets anders verrigtcn; iemand mee in een zaak betrekken, hm er mee inhalen {vrg. rm tj en rjnsi tj ^

fnt ;Li rj (fji ^1 (ici/js mee in een zaak betrokken raken, mee berispt worden, een veeg uit de pan meekrijgen. — Li ij lt;ti ..iiLci wat tusschen een werk in nog anders gedaan of verrigt wordt, JR. welligl H zelfde als (hjt ij foi (ui^\\

s no

(KI (Lil -.1 ihll/jN KW. ZVa. nKtH^jjjs (Kt (E.l ^(Hl \\ cril Kj U^ C )

(Li aji ini/j \\

kv (Ei *3 (hitft \\ kn. voldaan, afbetaald, van een schuld of het verschuldigde (vrg. tj(irm ici/j). — inn uiï (i^\\ een schuld voldoen, afbetalen {vrg. r.m(i/ij\\)\\ ook iemand voldoende ondersteunen , voldoende in zijn behoeften voorzien {vrg,

ki f 1 \\kn. zva. a yn^njt/is toereikend, genoeg,

voldoende, WW.

(ki(FA iiibii/j ML tijd of gelegenheid hebben, in de

gelegenheid zijn, zva, !initi/ii\\ 11 (int 2i.rt \\ en mrimip

O ■ O

(ut rj (Ei dsnji \\ zie k i tj n (ixt j \\

o O o O n

(ui (Et ^i KW.; m (Et ^1 (iniJJ\\ zva. nr^ 11 - 1

O o ».000

(iji(Ei^ninijisKW. zva. a:niiLiiiiiji n iMy oji rixw^ k

O \' ^ O c

x:rt cmji lt;?- i ei \\ n i j IJ) uit 1^ e i 1 n^u^ oj i| m

lt;ini JinjjiJis nl. de omgekeerde poedak, waarbij fraai gevormde kuitev vergeleken worden, nl. dik van boven en smal eindigende, met dunne enkek (in(Ei^iiL?i\\ eign. vaneen fabelachtig en groeten vogel , zoo7i van Garoeda, oudere broeder van Djata-joe {Skr. S amp dl i).

ui (Ei fai v k \\v. zva. ti l(iSt (hit \\ (Ei na - en ti-1 i 1 ini [Mr.

samdpta, voleind, voltooid, afgedaan).

ui (Ei i j ^nKN. page van adelijke familie aan liet hof {van (ki eis gelijk, en omdat zij niet als ge

wone panakawans, maar als poetra\'sy beschoum en bejegend worden).

(u^ dJi (Ui ij ui 2 inji\\ KD., zie bij (K t oji n i w (Ui (Ei Si rutji kn. bout, volg. Rh. bep. voorbout, ach-


-ocr page 637-

ikji (E/i -/?

(TK

terbout, bilstuk, een viervoetig heest heet njj i».

,ij\'i jiumtj^ liam. — .i7?w«/»Jialkin dc bout af-co

hakken.

lt;;/ / /t\'^KN af, afgekapt, afgebroken, afgescheurd , afgewaaid; afbreken, afscheuren; afgebroken, afgescheurd raken; «w» ma tak van een hoorn of lid van een lichaam {vrg. cm m du/j \\ rm ru/j en Üam iin/j): fio- gefnuikt, van iemands magt. — vinj)iets afbreken, enz. gt; ook hv.een verhaal • 0f-m ihj ajj lt;15)?(i:i (Hi/i\\ ook fig: voor iemand vau alle magt berooven. —

nnn/j* afgebroken of afgehakt stuk; arm vaneen rivier; fragment, van een verhaal. — (u\\(bnihirut lU^im/j^ overal met lappen er afgescheurd, van een kleed.

) O ) o

11 ij tut .iT/n rj lt;f i Di ijj en mti tj w t^i\\ zva.

iJm -inyis enz., maar van kleiner of teerder

voorwerpen, zooals takjes of hloemen, volg. Kh.

ook de rand van horden, potten of pannen, enz.

a )

mif.i ~ jrh i/j kw. zva. 011^(111) n )/i\\

njnihni/i kn. I. stop, prop, kurk, zooals van een Jlesc/i {vrg. i ivjiruw). 2. propachtig, rond en dik, van de kam. van een haan, dubbel, zie ij uk v om o li/? hij ij ik ij m 0fij^ijjj\\ hen. van een grassoort, CP. — r.n^ i.):/ wi- iets stoppen, digtstop-pen, met een stop of kurk digt maken; ergens een prop in doen; een gat met een stop digt maken.

liLiiin/j\\ verstopt geraakt. —quot; l^h L1 * tu/js benauwd, toegenepen, van de keel, maag of het hart.

volg. Rh. gehr. voor tj ki? 1 S]n iq —

O _____

quot;1 \'f1 ^1 \'}\\\'\'¥]JI - (in ij uid uj in/j\\

ijinf u i ~ i? n i/jsKn. 1. naam van een fraaije bloem ,

die in de hossehen gevonden wordt.

yajii(bi ~.inu/I TZT. ij imiini/in,! zie h?i tJi ru/i\\ Rh. ijui ihi. i mji kn. een kleine huisjesslak {vrg. iji.n 7111 ?\\)• — tjquot; n f i ry Kiys so mpilvormig,vooral van de sirihhladen, die met toebehoor en in

dien vorm gevouwen, en aan een /. n 1.1 i ? bloem

lt;7

gehecht, met garëbëg in de kraton aan de gasten worden rondgediend; zie oj^ii Siui^

\'/\' \'/ tl - I \'1 l/j ZZT tl Kif n Oi II l/l\\

O \\ \' \' ^ \'

iiif iyi » vuig. Rh. — i i r i fi i.ii/j\\ en fig. zva.

(?)

MI/ ioj gt; w

O \'lt;K

Win iti? kn. moe, verdrietig, wanhopig, ten ein-(Kl (EJ!r^(1V^\\ 553

de raad, het niet meer kunnen uithouden, door verdrietelijkheden, mislukkingen, terging, enz. WW. it i -^i tt/i kn. voorspoedig, bestendig welgaan; mee-loopen, voorspoed hebben; voordeelig, goed vooruit, gaan; voorspoedig {jroeijen.

oj) (Ei ni unjl^ kn. ieU korts om mee te slaan, zooals een pantoffel; een korte knuppel, kleiner dan ii crnj \\ {vrg. y i n ij \'//?)• — inn ri |(| mi^ iemand met een wE/i^innji slaan; ook iemand met de rug van de geslingerde hand een slag geven , volg,

Rh. met de rug van de hand of vuist een slag

, , . . o CY j.. o CY

tegeti de kin geven; zie amui bij mi (ui w

0.171 (Et ^ ? hiiji — i i ii ri d ins (i^n,! ^ een hapje zaam-g et rokken uii lt;ijhii i^/1 ri12quot;!!1quot;\'\'] z*e \'/ n * hiijI\\ Rh.

dj \'Fi ri miji (ii ri (Fi ^1 fniyi\\ maar van groot er

breuk. Rh.

nJi ijnri(i.i^n volg. Rh. zva. y ui? y kii hvi^n i i :• \\kn. tegelijk met zijn tegenpartij vallen of

sneuvelen in een gevecht {van (us en i*) j ).

iij} i ; n kn. beteuterd, beklemd; van vrees, angst of schrik bevangen ; beteuterdheid, beklemdheid, JR.

1, i } i ^ i/i i. i^ \\ zie (Ki y (Ei-J\\ (tti nn/i

, -j v n o o

i i gt;1 (Ei I n ul na/I {poet, (i KEi^jjinn/j). 1. ki. van i i kh

iïhijl of (i.^i.ii \\ {vrg. njiiict ). 2. k. van i^i. ii^^\'^n gt;1 !,ii 2 \\ en e^\\ voornaamwoord van de tweede persoon. i i \'i f i ^ i J.hi ui i^ lt;• i/i^ de voeten van den Vorst, dat is de Vorst zelf. Zijn Majesteit.

1.1 n ^j j ijj \\ of i:kei~ i ijj eign. van een liagawan, 1 orst van Bnna-kV\\ng, pleegvader van SindoerÜ-dja, in de Brat a -joeda dj ar win.

kn. ; i:iiï lt;ei i.ii^n tegeuaanslaau, aan-klotsen , aandruischen. G ongeveer zva. irrri q yj iEi B. T. Dj. 83. {vrg. *ni q en ki

i i ti ei^jji2 \'-i\'y/n kn.; .irm *ƒ?/i^j^? ï.ij/p poef. (Hi y *1 (Eji ~jji gt; IKV/is Rs. tegen aankletsen, kletsende aan-slaini; ook slaan met een tak met blftren, hv een karbouw bij het tijg er gevecht om hem aan te hitsen, met KiKEid^fs hldren; ook van een menigte die op iem. aankomt. Men. mi i /1 y \' i -jjp i- i\'^n zulk een slag krijgen, bekletst worden , een klets krijgen ; iets tegen zich aan gekletst krijgen, hv. een golf-, oek fig. zva. kii ukwi (ui (E\'ipjjj \'ivjjl\\ KN.; I-mi (Ei ^jjjiiJ^ ava. (iwri foi *.i\\ van


-ocr page 638-

OJ) (El ZjJI \\

554

(K/j (EJ1

(hJi iE\'l \\ KN. -

klem bij zetten j (ki iuj (vn ^ Tj. vrg.

WW.

o

ihJi ij iamp;i ^jjij 2 \\ zva. ,1:11 njt\\ njttiijrj iei ^J/jz m m/JN zva.

azn (ut m ihnji Tj.

O . quot;)

o^i rj d.\'i — i 2 if (Lu 2 n KN(K/i tj tamp;i 2 tj in 2 lt;c/ an/j \\ waggelen , slingeren, waggelend gaan, va?i ouderdom, | zwakheid of hesohonkenheid {vry. iyi gt;i tm i ij ili? w |

(mji).

w Va

(tJi(ea^jjjcnyjs KN. stomp, stomp van punt, daar de punt af is; van hei stomp, onbevattelijk,

suf, {yrg. ikp) nsiyj \\ nui foi Mnjj en a/r^

(snSji wyi)\'

o\'

(E/i —\'7 vryjN Zie oji (Ut

(K/i (tut-It\\KN. naam van een wilden hoorn, en de daarvan verkregen hars, die als /.n in tj nu2 \\ gebruikt wordt. — met w(M ^t\\ bestrijken. —

0.1 (Et ^,1 T.tan ^ obj. den.; ook ben. van een padi of ketan soort.

(E) (tl \\ KN.; i7m (Ei J/i\\ {poët. (hn (Ei J? \\) op zijde wijken of afwijken; een zijpad inslaan; van een onderwerp afwijken; fiy. hv. van hei vegt {org. ati nw ). — (uirt (Ei Ji aPt \\ oj) zijde wijken voor; iemand of iets ontwijken, {volg. Rh. Jig.hv. een ongeluk).

0.^ (Eji (EJt J,i \\ op zijde wykeud, niet regt uitgaande.

— (M(amp;i~j}ar.!(Hin\' voor elkander uit den weggaan; : zijweg; zijtak van een rivier (yrg, aluj) njn(tn/j). na | \'tuttrtji0 een zijweg, zijpad; ook bijpad nevens een weg. — (ut w (Ei Ji \\ een langwerpige groote vijver of waterkom in Toeban {vrg, (iiiiru^iEji art aa/i). 11.

— Ij .irm nu fjiJ,i\\ {poët. on itu (Esi ~jt \\ of drt wt (Ei Ji) op zijde, niet regt uit, gaan; een zijdelingscherig-ting nemen; wijken, een andere weg of andere \' wending nemen; afwijken; ontwijken; fig. van streek, j van de gedachten. xrm ti t (Et J? irt ij mt \\ caus. v. d. weg brengen, B. T. Dj. 15.

oSt iEfi^ïs KN. naam van een dunne ronde zeeschelp, eene MeleagrinaP een oesterschelp, die veel op paarlemoer gelijkt, en die wel eens voor glasruiten in lantaarns gebruikt wordt {vrg. cni (üt \\)

(hjj (EJt \\ KN., (t\'i n\'t m ihn/j\\ KI., T. iets, zooals een bloem of takje, dat tot sierraad boven deooren gedragen wordt. 2. een oorsierraad van doorgeslagen leer ot goud in de vorm van een blad of vlerkje en met snoeren behangen, dat door dansers en dan. seressen gedragen wordt bij theatrale dansen. 3. naming van een opbrengst buiten de gewone pacht in geld, als de gewone pacht in natura betaald wordt, anders omgekeerd, en meestal minder dan de gewone pacht. (cm ka Üiquot;iui \\ iemand eeu sooin-ping boven liet oor steken. — icmamp;i 2i 1 / tj i.n\\ielt tot soemping boven liet oor steken. — (utn.j uu\\ wat voor soemping buiten de gewone pacht wordt opgebracht; bv. (tutnjtajtamp;jt^,1 w — lUKf out Jl\\ naam van een krijgsvolk, waarover in vroegere tijden een Toemënggoeng als hoofd gesteld wns; ook de uiterste grens of rand van iets, de vleugel van een leger, bt (ix\\ (m (ut an (EJt \\ titel van éénuw de vier buiten-wVdanas.

(k/t Vj(E/i-^ji\\ G. {vrg. (hi lt;rjt ^jjj truji bij tun rj (e/i \'wJl)-armiM Sjjj\\ bespoedigen, ergens spoed,

01 (Eji ~jj\\ KN. verminkt door dat er iets, dat er aan uitsteekt, af isj zooals de tuit van een kht(lï,éa of meer vingers of teenen van een hand, voel of poot, de top van den neus, de bovensnavel vaneen haan.— /r.T^ (Ei .Jjj(üt ij (utt \\ iets zoo verminken. (hi(Et lx\\kw. zva. cm iKf {Skr. sdmadja).

u J (Et (ig ij KW., zie bij (K/uS\\\\

(M lEjjj gt;kw. zva. a-\'t (Eji \\ k. , zie cut ut w

1. zva. ij(K/t2(E0jj\\\\ 2. zva. a j ij (Ui\\ WW. volg. W. zva. HJi rj (Ei % \\\\

tj (ut 2 ajjj \\ KW. 1. zva. (Ut (ut (Er, ^ni am if njj gt; en

(hit gt;j ni {Skr. saumja, zacht, vreedzaam, bevallig, van soma, de maan).

ih t (Et (btt N (hil (EJt OjII \\ Of (hJj (EJt (Ll/l NN. , hl d l )ji:}tllj oj

oj) (Eii ij act 2 hjjj\\ k., belofte of afspraak om op een bepaalde tijd iets te zullen doen; vraag of verzoek om uitstel, bv. van betaling, tot een bepaalde latere tyd ; tot later uitstellen (Skr. samaja, tijd, termijn , overeenkomst, bepaling. Vrg.aki^ enm (tij ^ \\). — (cm (Ei a vt ajj \\ 1111 (Ei ij an ? (hi ~ t iets tot later uitstellen; voor iets verlof tot uitstel vragen; voor iets een termijn bepalen. —ajt (EJt m (Kn\\ m (Eitja.ct2(Kt^tan/j\\ mot elkander een afspraak maken,

zamen afspreken.

. )

I I \'Et .1 I t \\ Zie a. ) (E1 (LU \\

fj (EJt Ojll \\ zie (hl E t a.lJt\\\\

/j (ejjj{n KN. frisch, verkwikt, W. II. 70; vrg. quot;j ifjjj\\ en (hJt[iEJ^%\\\\

I nkn. 1 zich verfrischt of verkwikt gevoelen (f/\'f a a ^ 11 q \\ en dJons). 2. verspreid, zva. a j i nw


-ocr page 639-

555

(Mr) lt;amp;}\\ \' CO

en (g®n^N ivrg. 8. iva. zich

overal laten hooren, bv.van de gamilan, Rs. zie en weergalmen, vaquot; een geluid\',

ruiichen van de ioovien, Tj. ook zva. oJiMrui trnjj (J)W. 313) van de volle maan.

^ g|N KN. zich naar alle kanten verspreiden o/ver-strooiienj naar allo kanten tot gruis uit elkander spatten (vrg. 3)-

tj.fjjjkiijj-- kn. juiehen, van vreugde liet uitgalmen;

{vrg. óf n ym^-

^ O O O O

zva,!hj)wiruji\\ (Hnx7Y}(Hr)j\\

(E) rfn \\ en W

ijg^vKN.i huiverig, twijfelmoedig, met

een kloppend hart (f)\'!/. aJiiÈns).

»_) Ap » «ie bij w

) S s / • I • •

»J L) M \\ 0/ ^ «1 \'fcï N bij OtjI (Ei w

wapentuig in den ouden

tijd {misschien verb, van a moga, naam van de i

spee)\' of schicht van Vorst B\'agadatta, eig. niet

misseii\'l. pk.).

mtEicfhasnjj\' kn. verbastering van LinSrrn\\

(la^\\ , masgid of mas-

djidy moskee, WW. ^ o/? a^)cftiasnjjs o ^ a Cl ^ o

(k?^j\\n., i (HU rVt (IJXA IHlfl OJ KH tU LU QOJj\\ k., cd

tegelijk, tegelijk met, tegelijk met iets

anders gedaan wordt {vrg. hjhiev ). iviiea ht^ki^

iEiKi)njj\\ al loopende eten, ook poët. —

n?7o \\KN. iets tegelijk met iets anders, o/ouder

iets anders , verrigten. ^ nm z - n hii iuj j3lt;uj e%\\ het

kan (of mag) niet onder iets anders (als bijwerk)

gedaan worden ieji u s mt k i /mjj /o» \\

gaan en tegelijk {of onderwijl) met elkander praten.

Een ander ncn(mlt;ei zie boven. — iKiw f ianri of „ co \' fo ^ J

M wrj ie^(hi/j en gew. IKt\'I ^ of w i*} ^ ruin^ wat tegelijk met iets anders verrigt wordt; bijwerk; ook tijdkorting, tijdverdrijf, in tussehentijd iets anders doen, bv. op een togt even ophouden om wat te eten, Tj. m ook wat voor de schijn

gedaan wordt, terwijl men intussehen eigentlijk iets anders doet; onder den schijn van, of voor tijdverdrijf. — fa \'I\'co cf :}yis zquot;ü voor ^011 schijn of voor tijdverdrijf gedaan wordt.

im cq 00^ wet w rf ieu\\ eign. van één van de negen hoofdgoden, een zoon van God Goeroe {Skr. Sja in-b oe, naam van Siwa en van Brahma. Een ander

(M(y*\\ zie bij mi Ets).

Cri J cqt J

) ti f»\\ kw. zva. hl i?ï\\\\

1 co

nj) ei \\ verkorting van (l co 17 (co

nj)iEin kw. 1. een soort van weverskam, een lat met i co

twee schuins ingestoken naalden, die op het\'weefsel gelegd wordt om de schering strak te trekken {vrg. arr^aoif). 3. de roeistnt op een vaartuig, een schuins vooruitstekend hout, waaraan de roerpen

met een luds is vastgemaakt (vrg m /. w\\). 3 de

• C quot;) O ^ ) \'quot;gt;

tong van een gesp, zie uj) \\m wluy

Ij f)J) 2 {\\s

n.jï \\kn. pit of lemmet, waaraan een kaars of tamp wordt aangestoken (vrg. i ri); hiitéénemct kruid gevulde einde van een voetzoeker, waaraan deze aangestoken wordt. — \',v| 7 N zundgat

van een geweer of kanon-, volg. WW. gelukkig iu de vangst van wild of visch, — in het opdoen van nieuwtjes. Tj.

•y ^;2£MKW. zva. tuw^Ojtyi ook eign. van een zoon van Krësna {Skr. Sdrnba, naam van een godheid. pk.).

nj\\ E^xiï)ji\\ zie bij (}j^ccmj^\\

fhltEA^\\ kn. eerbewijs; eerbiedige begroeting; bewijs van eerbied van een mindere jegens een meerdere, dpor de tegen elkander zamengevoegde handen zoo naar het voorhoofd te brengen, dat de toppen van de duimen den punt van den neus raken.

gew. Ui En li \\ ook Godsvereering,

ceredienst; zijn godsdienst verrigten, bidden, zoo-als in de moskee {vrg. it/n tm (ia nsryf en iw rjapt xn^.

o . ■) ■) c) o . 7.. .r d

ilhEi jv./^hti Eyj en iki mi i^i\\ zie bij lt;■ ti lEi/j

en uri kii w — rw \'fJi j \\ {poët. ;fn \'i s\\) iemand ^ co^ co^ 7

eerbiédig begroeten ; een sëmbMi maken; god vereeren, aanbidden, (kimj mhos zva. nr^

(Qt is\\ poet. zva. iin risw i:m f i lïi in\\ tot heil co\' \' ro1 co

van een overledene de door dezen verzuimde gebeden verrigten. — ajifi^ rutun nnfj (voorwerp van eerbiedige vereering), hooge, vorstelijke titel, vroeger wel door vorsten gevoerd, en later wel door den Vorst verleend aan een in graad van bloedverwantschap boven hem staanden prins, bv. aan een oudoom. fKi \\ kn. vermeerderen. G. {Mad. ^ nr

Vrl/ El^ ^ \\). - , niC(\\^S 01} I1^eUW

tikken; iets, zooals een verroeste geelkoperen pen-dokt weer als nieuw oppoetsen. — (hiicL^e^s


-ocr page 640-

550

O

eh) 7j lt;HIJI \\

(Hii tun w j !L7i na j \\ vermeerderd, verhoogd v. schoonheid gt; 13. P; II, 30. — £lri^djnop nieuw gebatikte stof.

„C) .

ajl rj 2 (Hiji \\ zie bij ajj^jw

kn. een schepnet met een langen steel {org. iji CO / N cY o

(to) (hfiiji en ij u) ij .Tv/n ). M irjw/n rj .n/iiHyj\\ naam van

een groene glimmende vlieg, een soort van Spaan-

sehe vlieg. (Kn r.iasr)\\ kn. naam van een klein 0 co

vliegje, dat \'s avonds iemand wel in de oog en vliegt. r.m £r\\ door de Incht vliegen , zooals een bliJiSemscMcht, op iets aanvliegen, zooals een roofvogel op zijn prooi, ook van een bliksemschicht of donder keil (rrn n i iUi/j), die ergens inslaat of iemand treft; op iets aanvliegen en weggrijpen; met een sambër visschen; met een zwaai een slag geven, zva. mi vn luiy v. w rm (un/j^ Men.j met een zwaai of slag vangen, bv. met een net of piek. iin im glimmend groen, gelijk een Spaansche

vlieg. — poët. hetz. —■ mv. :

0 (7ro

poet. a n Kj ni\\ mv. Rs. iets in de vlngt op nemen. — mlt;iux heen en weer vliegen, op elkaar aanvliegen. Rs.

(q^e/i\\ kn. naam van een wilden boom. van welks co

hout nrn ris toetsen worden gemaakt, vrg. n o (tajl rh^ .unw

wfas kn. wat met den mond gespoten wovAi, vooral om als geneesmiddel een wonderkracht uit te oefenen,{volg. Rh. en bep. uitgespoten wordende, zich met kracht verspreidt, als ware het stof)\\ het met opene en natte bek blazen, zooals van een eend

of slang {vrg. m gt;j fji [ ~.y nsnjj en nj) (f i ni nsnj^. aJl

O\' Q/Os 1 .

un (ia i )ji en (ijt m ki riim w vjijj\' spr. met anijs

{of venkel) bespoten {wat een schadelijke uitwerking moet hebben), rj mi rj ru iisn met zwarte stippels bv. van katim aha hout. Tj. un quot;ti pn2 iiïjj0\\ een klein rijk, dat geen vorstendommen onder zich lieelt. da] u^0\\ getroffen door veler ver-vloeki ngen, — tj im hji ? ii j i j lii van een altijd gezond geblevenen, en van een ondeugenden jonge. — rm /r {poet. nn \\) iets met den mond spuiten of uitspuiten, spuiten op, bespuiten, met opene en natte bek blazen, zooals een eend of slang; fig. iets beletten, tegenhouden. —i7}ri£v~n\\ uit den mond bespuiten. — i~rh ri nnj },n \\ mei iets spuiten of bespuiten; vuur nitspniten, van een vuur spuw enden berg \\ iemand laten bespuiten, door spuitingen laten cureren. — uyrify spuitende-spuiten, van gif uit den bek van een slang, uit-bruisehen. — a#van alle kanten uitspuiten.

*7V4\\ kn, manziek, van een* vrouw, die geen man

kan zien, of zij wordt dadelijk verliefd. m kn. woekerplant, klimgewas, op de bast van b0omen en takken {vrg. ini ?ƒ r jgt; 111 an/j); de vee-ren aan de pooten van kippen en vogels; bladen zooals van bolgewassen, die onmiddelijk zonder stengel uit den grond voortkomen; ook naam van een kinderspel met sawopitten of steentjes, rn m

iamp;iJaiF\'Is een kip met veeren aan de pooten. wn

CO 1 (0

in de spreektaal zva. vmimw

kn. gesnoef, snoevende, uitdagende en uiitar-

tende taal. i i i./i f i zulk een gesnoef voeren ojt n

(\'co 0 hen

t gt; f i\\ aanhoudend uittarten en snoeven. — (irniLw I co (1(0

snoeven, pochen. — (iLin^-n\\ snoeven tegen, snoevende uittarten. — «r mgi r» ^ wtjn uitdagen met, snoeven op, W. I, 206.

rt-l \\ kn. wel, hi den grond of in een put{vrtj. nj ,n((})S we^en» opwellen; ook fig. als een onophoudelijk vloeijen van inkomsten. — kleine welwatersbron (vr^. ; ook zva. plaats waar een

wel is 0/ wellen zijn.

o /.O quot;gt; • / •• o

i of ki f 7 n\\ Zie bil irn 11 \\\\

co \' co ^

\' 10o \'n KN n\'c^ ^\'\'\'\'istig, niet nauwgezet;

achteloos , slordig, i?i zijn werk of wal men h doen heeft-, slabakken; brutaal uit ligtzinnigheid,gebrek aan eerbied; gekheid maken; jokken {tegenover 1 m(fnn^ met iets ligtzinnig, achteloos, zonder ernst tewerkgaan; niet iets de

c ■gt; n v 1 n f uHifj).

gek steken; met of tegen iemand gekheid maken of gekscheren; foppen. — fJiC;injj of 11\'■ ligtzinnig. niet ernstig, van aard; gekheid; gekheid, grappen maken; jokken, schertsen; schertsenderwijs, uit gekheid, voor de grap, niet in eruit gemeend.

u In n//] \\ of tl (fa 10. kn.: ^Cf 1

co ei cocr co:/

gevleugeld paard.

kn. zich verbreiden, rondom laten mer-

co »


-ocr page 641-

557

OJt (Ell hl) out \\ CO

ken, van een geur (vrg. cmiutmyj), JR.

gt;j ^ihnji en My tcytonjjs kn. aan de rand ingescheurd of uitgescheurd, va7i papier of harde voo werpen ^ too als een liniaal (vrg. o.yb) ). _ mi7j(if^asu/fs iels aan den rand scheuren, afscheuren of uitscheuren. — r:nni(}^^n afstroo-nen zooals de blaren van een afgesnedenpadiaar. SG.

_ UrjCf^fövscheur in de rand; het uit- of

afgescheurde, asnibn-ruji \\ een uit- of afgescheurde splinter.

u(ii i xAyj\\ zie m vmiLju/j ■

\' quot;) s

a iiU\'iKbii/) of !u) ï.\'t\'i) iLnffs kw. zva. (ijj iliw kn. strati/ • C(l J\' ((}

leu scliieten van onder de oosterkim, van zon of maan j lichte strepen krijgen, van sommige rijpende vrachten; hen. van de stand van het rijstgewas naastvoorgaande aan {iL^ hn iLiurnqs SG. —mn iLi nicbtyj^ met zijn stralen te voorschijn komen, van de zon, zva. tu n Obn/j zie iï\'rnun/j met stralen uitspuiten, van bloed uil een wond; zich overal mooi groen beginnen te vertoonen, van hel padi-gewas; {oo/c met zand gooijen. G.). — iu^jr»gt; muji\\ met stralen uitspuiten, van bloed uil een wond.

Liij^jrjThLnjjs kn.; ffm ij mrjd \\ door een reet of spleet met een vlakke straal vocht doorlaten of uitschieten , bv. van een lekken emmer; zich verdeden en verspreiden of uiteengaan,

ke straal] door een reet ol opening heeuschijnen , van een licht of straal; ook niet zuiver, bo. van de stem, als de keel niet glad is.

mtgï£/j\\kw. zva. xvi) y cm\\ {amp;kr. sam b ram a, haast ook respect, reverentie; .eva. hel Fr. empressement. pk.). — ihn(iu^,t?gt; {of it.-)0\\ Waj. I. 155, obj. imp. iutuji iannyj) kw. en kn. zva.xm gt;f an /. n \'fjKï)\\ \\(Hi(ih,^iamp;) (U)(E,*oj)(l;) wj]\\ verwelkomen met de beteldoos, de beteldoos presenteren. — tuolt;j(i i verwelkoming, begroeting.

(ui^r.)) 1). en (K^aEJtam\'y) ojitMwi) of {so ern a-har any) n., (ki EjMn .l» iM/j en h) hu i q \\ k. , ook m.)xm -n \\ kn. zva. alles, alle (van

en met am\'ï). en met n»; ÓÏ kijjs k . va?i

* K))\')) ),

O

zva. aJiwhiivtHi/is zie hij vm nw

\'1 \'l \'ln2\'\' quot;JN voor M lt;* ;fi gt;1 \'i * 2 mvji de moeder, K r. {zie

W lEJI IH)1jj\\

0Jltq^yi KN gt; of Ml. zva. \\ ojI0^(01 ijj en

oj) itj) op gt; (Pers. — x:))i poet. an

u^Jls mc^ z veeP slaan.

ajtir^)wgt;tu\\ of ojj gt;1 itu\\Kü. ongeval; moeijelijk-heid; gevaar (waarschijnlijk van en hhjuw

Vrg, ld u) kiji en hji rj un ).

oj) ii^(ia \\ of o^)\\ kw. zva. lt;uï,is^ kn. voegzaam, passend, zamenpasseud; in gepaste, voegzame of voldoende verhouding; geschikt voor iets; bestand tegen, W. 11, 87; evenredig aan of overeenkomende met; zie W. II, , van kracht of gespierdheid gt; geevenredigd aan schoonen ligchaamsbouw; overeenkomen bv. mei iems. gevoelen. (Skr. s a m-wdda, harmonie, overeenstemming), au\\ verdicht, verdichtsel; verdichte namen der pdnakawan s van Adjisdka, Waj. 1. 130. ncuia (m^t(L)axt \\ een goed geproportioneerde, welgemaakte

statuur. — \\ m (M m ou \\ (poet. on n.) na jfl \\) aan iets

co ö co ö

(voegzaam) beantwoorden of voldoen; weerstaan , genoegzamen weerstand bieden aan, zich met iets vereenigen, er mee instemmen. vol

daan van een wensch of verlangen; voldoening (van zijn wensch of verlangen) erlangen; verhoord (van een bede) ; voldoening van een verlangen, a.jj fi)\\ ook a-jiibjux()\\ eign. van een dochter van B isoe-déwd. oudste gemalin van Ardjoena, moeder van Abimanjoe (Skr. So ebadr a).

Ki MXb))/)\\ i rt ) f ) id),] en iK) \'i ) D) ^ d id),) kn. het ro fo -J* co co \'

klagende uitroepeu; jammeren, bv. van pijn; om hulp roepen. (Ki f^i^nhn \'/ach, ik sterf!quot; of\'/help, ik sterf!quot; roepen. — im i{^xgt;)jjj\\ om hulp vragen; ionand te hul]) roepen, iemands hulp inroepen, vooral de hulp of bijstand van bloedverwanten, buren of vrienden inroepen tot het een of ander

, v . \' V

(vrg. x^xr^ t) »1 )lt;))\\ bij ).)^xcp); klagende iets uitroepen, (hulp verleenen bij de padicultuur tegen vrije voeding, SG). xjtÏ) u)i ^ ib)yi\\ wat om hulp uitgeroepen wordt, een beleefae uitdrukking voor

de naam, waarmee iemand aangesproken wordt;

7 o . o

OV. iK) rj (fj) \'LU i)i) ~ïf) t)f) (U) -J)) H)) 3.)XfJ lf^ lj))JI\\ voor

oj))} itj) -wï Xj\\j) (Hl ifj) a^i tj ivi^) (ld (hij VjOO ook

(M rj (L i - ? XjU (hi Jx (jji (Hi Ja nn x») fj \\ De dalangs gebruiken ook deze uitdrukking: n i ^ ^]x:r): (in

Krama ook wel xj) u) p :) x.i kj m xs)) Srixji u) x?) als

w ry co

er een valt, en een geliefde naam wordt uitgeroepen? {wal naam wordt dan uitgeroepen f). Waar-


-ocr page 642-

658

O

M o iisiyi \\

schijnlijk wordt bij tvi irj f[n ,r,» n gedacht aan een

op den persoon verliefde vrouw, als zij valt,

den naam van den geliefde uitroept, aan wien ze

altijd denkt. — mv.. en tot iemand kla-

J co

gendc om hulp roepen. — itrtii wiignj kv \\ voor iets menschen te hulp roepen; over iets, hv. zijn huik, klagende jammeren; voor iemand hulp inroepen; iemands hulp laten inroepen. — m/ei ^uum/js poët. zva. •irm/j\\ — (Ki ie^asn ia/j of qji w ii^i (tajj\\ een te hulp geroepene; elkanders hulp inroepen; bij wijze van hulpinroeping, met te hulp roeping van vrienden. — iuioji jammerklagt, ge

jammer; inroeping van hulp.

1. k. zie iKjidiw 2. kn.; dtrioj)*/}asn/is zie co ^ cq co

hoven.

O rt ...

wif/j\\ KN.; irm J. werpen, gooijen {vrg.

n/n wirv}\\). 2. KN. iets aan een touw ö/s/\'ö# ophalen , optrekken, opslaan, hv. een visch aan een hengel, JR.

(m^iash^nkw. en kn., of ixikw.

zva. r:m n t li/j en lt;cm emi 2. mrt nsn/js k.

O D

van r.m rui % \\ en van (urj tisn w —\\ trm iist^ rj (ui n., irm^aspiïjiru/js k., werken, arbeiden; onder roo-verSy zva. rooven. ^ (tn i nm ij ui \\ een werkman , arbeidsman. irti a.i ^ (Vin Jl) (of ajii d n (Vlj (lci\\) kw. en kn., gesneuveld in het gevecht. —

Q O O O .Cl

.ï7m ? .ivrs k. van i:in en van nr^nsn rww —

O no

inn Obii im luyjn k. va7i r.m itu $ mn ij hu v 9n van

(i5)i mrjmi\\ en ij xii asn uivj(hï)w —n.i^io^ionjjsK.

O O .

van wirLi^tun(injj\\ en van isdnn — hu(ui^yij))

o-njjj \\ K. van ooi rj djiz asn uti anjj\\ — (U) ogn v i (L))jj\\ o o

k. van dj) ou) ? w \\ oji (hjjj^ tui \\ n„ , nDiuj/j ^£ï7L?y\\ het werken, arbeiden; uitoefenen van een ambaeht.

KN vod, oude lap, oude lappen (wr^. 2 oy iL/i2qtunon^/l)\', ook olielap o/smeerlap, om te smee-ren of in te wrijven. — abnitJasiyj^ iets met een olie- of smeerlap smeeren of inwrijven, hv. het hij se h-

touw van een zeil op een prauw. JR.

O O 1

(U) n (fji^ ihr) /J \\ KN.; riiiy w(i5)ijj\\ meeslepen, meevoeren

{vrg. irm rEi - ï ax^/j en rj vi rj nsnji). — mi i Jij (f j

lt;unjl\\ zva. mid^i ij iet ^ i(wjj\\ o n s o

co \'^1KW\' ZVaquot; ^ *^1\' aJl ^ s tK/,crns

O » f O

\'il (hu/i\\ iu fi\\ en ti tun ww —17/r» iri asii/i^ kn. iets

CO \' \' CO f O \'

voor een korten tyd van iemand leenen; iemand leenen; iemand uit zijn werk voor een oogenblft te hulp roepen; voor een dag of voor een reis een aandeel of een plaatsje krijgen in een werk of op een vaartuig {vrg. .inn ^(isn/j). JR. volg. WW. 2^ ihii ru evenaren, opwegen tegen, vrg. n^fim,))^ quot;\'1cc) tj^JfS zon^er w^n8^ 0f verlies verkoopen,

zonder toegift of korting ruilen, zva. hjiame (hj^ iin nnjj BV. 2.

ook zva. Linjj^ ruhiij\\ Rh. ^M^/wnKN. de vrouwelijke ëmbans aan het hoi (Skr.

s am wit a gt; bekleed, gehuld, pk.).

d.i f^ui. kw. 1. zva. (U)if£(ui\\ nj}i\'nriihiijj\\ {tuijiui (rn\\ en nm (kij {Skr. samh%a\\oay bestaanbaar heid, mogelijkheid, geschiktheid, enz.). 2. zva. tjiv •n\\ en ijm1101 tujj\\ {Skr. asambawa, onbestaanbaar, onwaarschijnlijk). 3. kw. benaming voor een wild heest, dat op een tijger gelijkt, misschien wel een rrn i i un/j\\ R.; volg. Rh. wettigt bedoeld 11 (hiiiiKiim ui v (die bij barongan voorkomt, nl.m barongan met een tijgerkop), eig. een dier dat spreken kan.

oji 71 ifi(ui \'r)\\ (in W. 1, 412 , (kiii?i ut ni) kn. romlloo-\'CO co ^

pend, van een rondloopend, maar nog onzeker, gerucht, ccn\'ilt;iyruji0\\ rondloopende kleinhandelaars of koopvrouwen, die dan eens hier- en dan eent daarheen trekken, om te koop en en te verkoopen {Skr. s a m wj aw ahdra, handelsverkeer) aji rrrujs kn. een toespijs bij de rijst, een mengsel van gemalen spaansche peper, zout en trasi, flvn! rj iL^tfris sambbl met allerlei spijzen, bv. gar-noten, dendeng enz. Die verschillende soorten sam-bel gorèng heet en m ^ (in/j \\ Rh. Xxniun^n lyu/j^ een klein soort van djeroek, die in sanM gebruikt wordt. i7m.f riujj\\ sambël maken o/

bereiden.

) O

^ peper en zout

0.1 ! 1 (tl. 111(1^ (Hl

ll co O * ^

kleurig, van haar, AS.

fl iihi/t\\ kw. zva. rnian woji (amp;i ria (ton . kn. houten co -J\' tC- co \'Kl1

pen in een juk aan weerskanten van den nek van het beest {vrg. ikkui (icij), een krisschee zonder ver* lak en zonder pëndok, zoo eenvoudig als een jukken

zulk een krisschee

{vrg. cm (Hi ), dragen.

ajfj[i\\n^J}s KN\' ee11 man(1ie V001, gc^00^tc quot;jat n1^

oversluitend deksel {vrg. (ütnpi).

oji if iij itv) f \\ en in de spreektaal d:n if itu%\\ kn. ,ll1]

(f i ii mss %/n 1Qn1.ru?\\ keelen, den hals af-

rn \' ^ co \' ^


-ocr page 643-

n «

snijden, een beest slagten, {vrg. i^n-nasnjjx («j

cquot;) :*) \\ )

(miuii/js en asn ihixiw^ w nm (Hiyi). — wiFjijiivif

i/ïi [HTfjs geslagt, en om te slagten. — tin iigjj rj 7U?\\ liet slagten, de slagtor.

kn. vergelding, vergoeding; vergoeding nemen of krijgen voor geleden gebrek, verlies, moeite enz.\\ zijn schade inhalen, bv. met slapen na een nachtwaak {vrg. (U)iigt;u ihi ^? en au yrjiM/j). — aTrn ii^iru^ \\ iemand vergelding of vergoeding geven; iets vergelden of vergoeden. — (M 7 »ru {cun a-njj \\ (ook (ktig) it u om nrijj \\ XN\'. 11. 42 i), wat tot vergoeding dient of gegeven wordt, m iHjjj miru;^ subst. den. vergelding of vergoeding.

) / ?) iEii au (bi) \\ naam van een boom in de Manik-

\' co

maj\'a.

M\'uaü of (fJiMau\\ kn. naam van een zeevisch, tco co

waarvan het eten de zwangerheid van een vrouw zou doen verdwijnen. iTttnu^atr gelijk een sem-bilang, nl. die een stekel op zij heeft; de kris links op zij dragen met het gevest naar voren ; zie rjajitvjapw — (Li(Ei^a\'udii(Ki/js door het eten van sémbilang de zwangerheid verliezen, van een zwangere vrouw.

u. /. 6quot;)

n i .f ui i l i \\ kw. zva. iM (ia it)) o t i am m \\ ti ti isri ij am z (co co 7 \'K 1\' \'

o l) . O .

anjj\\ /. ii i.j ojti x.ij) \\ en kj ui ah iut aij w

ihiii a ii i* \\ of iKir)/Fj)9(iamp;\\ ook wel amlt;rj iamp;ii les \\ kn. \' co \' co \' co

naam van een boom met groote witte bloemen, die veel op begraafplaatsen geplant wordt, Plumiera acutifolia, Nat. fam. der Apoeyneae, ook wij ttaz ax naam van een gestreepte zijden stof, afkomstig van Sambodja verb, van Kambodja, een rijk in achter-hidië.

,0 ■ ) -gt; .

ihfuu\\ 1.1 ii) i li \\ zte bi) (ill ta j w cn co J co

kquot;7fQ(r,)N KW. zva. (ui asr^ (hiyi ^ (iJij asn ia \\ ajaiirn ^\'/1/11 \'\'\'N 7 mi a*iï \' i (Ki fj en \' i.iv) (ui au \\ {pok

opschik, sierraad. G. Skr. «lt;7«,haast, drift).

( ) , , ■)

\'\' f iom\\ zie (kj) .«1 cm w — 1 1 n u mi (hi/i\\ nm. van fo I co \'co \'

een krisgevest, zonder snijwerk, WW. p o . . /

In 111 \\ KN* naam van een soort van fijn sits [vrg.

amp; \\

ui (bii\\ j.

\'tco0 oj^armcnis en (i^am cnjji 1. kw.

zva. triaj^ \\ imoTri ern an^\\ au ?5i^ \\ niij .en\\

(\'%r. soehaga\\ gelukkig; bevallig, aangenaam

voor het gezigf,; bemind, geliefd; van soe enba-

Oa* zie am mi ) aïm iu cm (hijj\\ zva. n rj (EjI anjj\\

(ui (èi\\ 559

co

Ks. 2. de knop van een kloet asii\\). rjaxiz au(fJi (ï£m\\ toovergebed om bij den gekozen opschik van een bruid) er bekoorlijk uit te zien.

(w (amp;i\\kn. de ronde, het rondgaan van een patrouille; de ronde doen; naar iels rond zien, rondgaande zoeken, onderzoeken {vrg. azuri ); ook naam van een boozen geest, aan wiens werking kramp in de buik of maag wordt toegeschreven. WW. ajiitnij rj (iJi 2 ij au 2 ani/j en ook enkel aJiatrs benaming van een erge oogontsteking waarbij cle oog en rood, jeukend en etterig zijn, JR.; volg. Uh. ajiitji\\ naam van een oogziekte na de kraam. (M wrj oji 2 rj ru s (Hi)/j\\ ook naam van een geneeskrachtig blad v. d. Hyrtanandra pentandra, Miq. oji (urf]mbenaming van een ejndemische ziekte in de beenen {volgens sommigen ook, in de armen), waardoor die geheel verzwakken en uitteren, totdat men niet meer loopen kan {in yt Mal. bère-bèri-ziekte genoemd). Ook buffels overkomt deze ziekte. JR. ri (hii^i ri s ommegaande regter; regtbank van ommegang. — ami (f\'a^ aPi \\ om iets de ronde doen; naar iets al rondgaande zoeken; over iets al rondgaande het toezigt houden, zooals een opzigter doet. — (M(vi(in(Hyj\\ aan do sambang-ziekte lijden ^jnN. , (K\'iikiasiyi k., verlengstuk; wat aan iets aan-gelascht, aangezet of aangeknoopt wordt tot verlenging; het gelaseht zijn van iets; voortzetting, vervolg, van een verhaal, m g? a^i g» \\ uitleggingen vergrooting van koffijtuinen, R. ,7.j tói ij iui2rjain2 na (Ena^auimid. i. als de eene fakkel uit is, dan een nieuwe aangehecht en anders bij maanlicht, voor een reis gedurende den geheelen nacht voortgezet, WP. Rh. — 1.77?n [an ia\\ poöt.) en vmn

tra(hii/j\\ iets lasschen, zamenlasschen. aancenknoo-

co - \'

pen, aaneenhechten, verlengen, nnayt^\'f.a\\ het leven van iemand verlengen, hem voor ondergang behoeden, amui-u a aui^ het\' woord in een gesprek opvatten. — arm^a^]\\ aan iets aanlasschen of aanknoopen; aan iets een stuk aanzetten; aan ee?i ander zich achter aansluiten in

. o O o .

een rei. amiamp;ians kn. , ami lt;ei asn n kd. ; op or na Cq co 1 J

hetgeen een ander in een gesprek gezegd heeft , liet woord opvatten of opnemen , daaraan aanknoopen. 0om ij (Vi \\ het werk van een ander overnemen, vervolgen, 0auttai\\ van iem. een zending overne-


-ocr page 644-

O .

(KI IV) \\

cci

B60

men, voor hem de reis vervolgen, tin

/ . q o n

zva. i:m i ) iijn ieji \\\\ hid 11 r.-/ ri ), n \\ hthhejI ant aiïi cci (i t tQ \'

(nijp iets ergens aanlasschen of aanknoopen. — kn. zich aansluiten achter anderen in een rei of stoet \\ het woord opnemen. — (K)iti auj n iK} aaneengelascht, zamengeknoopt;

aanknoopsel; de knoop, het verband of de laseh.

zonder naad, uitéén stuk, bv. vaneen tapijt. iM i£^(ki igi lt;ci (HTjjs het zich laten aaneen-knoopen. G.

(Q\\ kn. benaming van eenige planten, Conyza soorten (waarvan een afkooksel wordt gebruikt om te transpireren^ zooals onze camille, Rh.), die tot geneesmiddel gebruikt worden, ijtf\'j of d: ii ij im 2 \\ naam van een in \'t wild groeijendeplant van 3 o/ 4 voet hoog, met dofgroene wolachtige

bladen en een kamferachtigen reuk, veel op salie

O

gelijkend. ,m \'/ lt;}■\' ? {of /.^ ui ij rr}i(inijj), een plant met kleinere gladdere blaadjes, bitter van smaak. JR).

Mi£r\\ of gt;rj(K)ri (Èi^\\¥.n. een sjerp of lang breed lint over het dienstkleed van de vrouwen van minderen rang, als zij voor den Vorst verschijnen, gelijk de (h)iM^jj van de princes sen. {liet onderscheid bestaat hierin, dat de oj)(eji^/j. zonder, de oSi m mètplooi-

O » -

jen en vouwen is.— (u iamp;rin (tnjj of rj^i^truazi

nojp een (m dragen; benaming zww de genoemde

dienstkleeding. G. zie ijo^i rj

(tJI (È/l \\ kn.

\'O

(U) Ort/j)-

vooral tot het vieren van een groot feest, zooals een bruiloft\', ook voor het geeft toch iets, het is toch wat, R. volg. Rh. van iets, dat wat helpt, bv. bij gebrek van beter; beter iets, dan niets, (un (Kj i.t^(iTn (i.i.un irfii i a7)r/ :f^ hel) geen be

diende, maar) mijn hond hoeft geleerd vuur tehalen; dat helpt nog wat. — if hii\\ als (uio^S^w doen

dienen W. II. 338. — (UKut\'fis of bij

drage, vooral tot het vier n vaneen groot feest door de genoodigden aangebracht, en ook door de hoofden geeischt van de opgezetenen van hun landerijen ; ook tot den goeden afloop van een togt, bv. door daarvoor te bidden of tapa te doen, W. I, 354.

\',Jl\'è\\s KW\' ZVa\' quot;lKN\' ZVa\' —

(tj)(Ét\\kn. zva. (ui(Kn (è)w ook het darmnet (zva.ntz^) (I co t co v

^quot;l\'co ^Ü^raSen» een bijdrage geven.

r en Join

Q

VJ VUZ Hltw

gt;1 (Ki rj (£12 \\ kn . ongeveer zva. ij ia 2 ^ na 2 (hu - door de vrouwen over de (tni oji gedragen, bv. door di danseressen of vrouwen van minderen rang, al, zij aan het hof verschijnen, Rh.j spottend een zwaarlijvige: w \'EjJ un l li affi rj afrj 2 k 1 rj Kiij,^ W. II. 48.

Li (hi \\ kn. veinzen, huichelen; geveinsd, huicheleu\'l huichelachtig, schijnheilige, G. (vrg. rhi u iajj); ooi (K4iL\'i\\ en (Li (éi ki (éi \\ heimelijk in onzekerheid of twijfel R. {vrg. (ijj Q1 ü\\ fj tui} 1 ti )\\ en u voorwendsel, dekmantel, uitvlugt, schijn, (mijo

dj(èi\\ voorwenden, den schijn aannemen, WAV.

(Ï(Pgt; namp;nf)

KKtis kn. :Ki t.iJ if i\\ een eenigzins warm gevoel hebben bv. bij een vuur, Rh. vrg. ik^ uw (Ki \\ kn. eenigzins warm van de huid, volg. Kh. bv. door koortsigheid, een koortsig gevoel hebben, meer hep. ten gevolge van verkoudheid en an kinderen gezegd, vrg. i^niiw {vrg. a ^ u. en

°rpy

kn. warm afgeven, van een heet voorwerp oj van het lichaam {vrg. (K/j ü\\ en (Kj a j 1,ii/j\\ gloeijeii van drift, van de borsi, L. 232.)

ojj^l (tji\\ zie bij rjd\'iw f)j^ ij (èi 2 n zie bij ij K i 2 w

(ijj(E-\'j (ni{ of 0^ lln j \\ kn. groote verbeelding van zich zelf hebben, ingebeeld, vol inbeelding (t.itï \\ 2., en (k/^ ii 1 ij un ,lii (h i/iy (Ki a i it.f (hijjs Ar. zva. a.i iki i.ii,^ als eigenschap van God {accusatief-vorm van of verb, van dn

nominatief s ami oen)

ncy * p . 7.. 00

nj^ fi 1 1 (Ui ii(i,p of ij ij ui ij zie bij ki li \\\\ (ijiif.io \\ kn. verrukkelijk.

(ki ij if.iidiii \\ kn. , ui ibi\\iji~amp;i (kijj\\ Ki)., watermeloen, de Citrullus edulisSpach. ,?5)(tg nn ik]ij ^\'i 1 h 11 \\ doorgesneden worden als een watermeloen, spreekwji voor in tweeën, in twee gelijke deelen, gedeeldot gesplitst worden.

(iJHÈvani (Hijs 1. KW. zie bij n rju.ntw 2. KN. zit

. o aJ!(Hu ilt;2/ls

(K?d\'i vj un a-Li anijs ojj r i ij 1, i/ h ijI (Ui^j\\ zie bij quot;

au (m/js

(Q(fjinrri\\ kn. naam van een kruid, dat op watert\' tige plaatsen groeit en als groente gegeten wordt,

(Hnajj^ps kw. zva. wi17n (E/ioji

quot;IT


-ocr page 645-

(Kf^ am \\

Hydrocotyle latiseta Zoll. fiat. fam. der Umbelli-ferae. m m cm\'n* naam van een heester, Des-modium microphyllum DC., Nat. fam. der Papili-onaoeae.

ujiMcrrw en n^vjéizam\\ zie hij rjojixcmw Mrwjj\\ in de spreektaal verkorting van ajukicm/js u m/p kn. grondwoord van ij)im myj\\ crnjj {bij

nyniijcm) verzadigd, voldaan, zva.riJj^\\ tevreden, behagen vinden in. Rh.

n(U)(Wji^ ongehr. kn.—7^.; y cm ^i(rn(Hij\\ zich aanhoudend krabben.

t) (KJ) 2 cnijj n zva.

1. naam van een hooge hoorn ^ {volg. Rh. um n t i/j) Adenanthera Pavonina, L., Nat. fam der Mimoseae, met kleine ronde blaadjes, en van de fraai roode, platronde boontjes, die er aan groeijen, en die als goudgewigt gebruikt worden, grein. 2. de waarde van een kwart wang of twee en een halve dnit. 3. naam van een riviervisch ij ook wel iM(L/n cm\\ en ki mi \\ een grein, hu iwiojicms ook wel dsiinü^njn nm\\ drie grein, cm i(^ iin\\ en verk. on i-j (yn naam van een half kruipend heestergewas Abrns praeeatorius, L. met kleine ronde blaadjes, en van de kleine half roode, half zwarte boontjes, die er aan groeijen De bladen, die zoetachtig van smaak zijn, leveren een goede borstthee. — (uicmw/i of cuncmtmns bij sagas afgewogen.

mt^nkn. sago, het merg van den sago-palm. — .nn iij\\ sago maken of bereiden ; een boom tot het maken van sago gebruiken. — m y cm 2 \\ naam van een lekkernij, van rijst, klapper en suiker bereid.

(hnjjs een soort gebakken op

gevouwen of opgerold net als onze /lensjes, Rh. \'9rmn., .\'M ruj^\\k., gekookte rijst, {vrg. ntt ti m cm ik ctij \\ gekookte maïs. m cm iu ni \\ een slechte soort van gekookte rijst van een roodachtige kleur, die door het geringe volk gegeten wordt. — k] u vn\\ toestand van de gekookte lëgèn, als zij zeer vast en zeer rood is ? Kr.

fm 1. k. of kd. van 2. ki. van i/n

i r hij liet volstrekt geen kik hooren. AS. — w rn .in onn\\ k. of kd. van d-Ji

l)!{lU,/js O 0 0

Kw. zva. uirjdnwiw 2. kn. hetongeweven

561

einde van de schering van een weefsel, dat bij het maken van een kleed afgesneden wordt,

ih) iu (f51 cm ij rij1 een kampoeh, daar de v-v crn nog aanzit, d. i een nieuwe kampoeh. — .rwi ifcmiys {poët. (Hirj crn^s) zva. camp;irjo 101 pj\\ voor iemand op zijn hoede zijn, wantrouwen, argwanend

in het oog houden (vrg. nznjtiezif)^cmihi SI

n o

/.y ij cm zva- \'/,ngt; 01\'/ VJ Hi) y wji\\

^cyi^ kn. een stukje platgeslagen bamboe of woeloeh, aan het éeue einde ingesneden, om daarmee ruw hout glad te schuren; volg. Rh. tp. zva. (in}»?\\ schaaf; volg. Kr. een kon zwaar mes voor aren-tappen fJ\'*7\' worden*, — zijn, Tj. -a:nj })j\\ houtwerk met een o-j)cyy^ glad schuren. — het vuur opstoken, door nieuw brandhout of het half afgebrande hout dieper in het vuur te duwen. WW.

tyKucm kn. naam van een boom en van de ba si daarvan, (Caesalpinea ferrugineaP) die tot het bruinverwen van stoffen gebruikt wordt, ook ai a 12 (m ix quot;nihn/j\\ genoemd. r^ i:n}2cm\\ met sogS bruinverwen. — ijikiicmvajj\\obj. den. — (u\\^0^12cm pot of bak voor sogamp;-verf.

(hj 1 m s ^ K. zie\'OJt 11^ q \\\\

1.1 rr^ gt; \\ 1. n., !ki nn 2 \\ k., beloven, toezeggen; aannemen of op zich nemen iets te doen; ook zich beloven, bv. van veel te zullen vangen. i~rmlt;rn% ii?n\\ .1171 cm {(uii \\ iemand iets beloven o/*toezeggen; iets, zooals een uitdaging van iemand, aannemen. i.n Lioi^cun f /) hiKKicmpiLii (hri/js iemands belofte of toezegging, wat iemand aan- of op zich genomen heeft, acyi 01°^ de belofte doen; de toezegging geven. — nn njjunTj icii^ rm cmqtun un 10 iets beloven of toezeggen aan iemand; iets beloven tot iets te zullen aanwenden. — zi \\i^ ^ \\ nji c i cm^\\ zich bereid toonen om iets aan te nemen of op zich te nemen ; ligtvaamig in het beloven en toezeggen. 2. kn. deftig, statig (Tj.) Rh.

(h )(m{\\ k. , zie oji tij j w

,quot;) _ cquot;)

Kt gt;) m {\\ — t.:iij m ^ w

ha crn KN. rijk, gegoed, welgesteld; rijkelijk, overvloedig. i:iasnji\\ rijkelijk (overvloedig) zwecten. .).ƒ gt;n ; vnj ijl \\ rijk aan schulden,

iijiotv rijk aan dapperheid, van iemand, die alles durft. — «.ni t\'n gt; t.n ij hii\\ iemand rijk makeu,

36


-ocr page 646-

502

o ✓ (Ki cm \\

verrijken, en voor rijk houden\' — n*j rm gt;\\ zich als rijk, als een rijk man, voordoen. — nnn^ rnlt;gt; (vn anjj\\ rijkdom, vermogen, overvloed.

rrj q \\ n., (ïJcm {\\ K., wat aan een nnrjiLirnjs een gast of iemand, die bij iemand aan huis komt, te eten of te drinken gepresenteerd wordt, onthaal {vrff. n j gt; mhii \\). ihJcK^ rty $ \\ (M(Ltcm {\\ eten of drinken presenteren aan een gast. — n-trj ri^ q \\ i/m ern j \\ iemand iets te eten of drinken presenteren; een gast onthalen, iemand op iets onthalen , iemand iets opdisschen ; ook fiy. bv. op leugens. — «/y

(rn.\'curis (iTïn cm f (uti \\ iemand als gast onthalen. —

O ■ i\'quot;) .

ccm ni j (im ny (ten ^ lt;vrin cm % (un then (hn/j \\ iets te eten of

te drinken presenteren of voorzetten aan iemand:

op iets een gast onthalen. — aj\\aj^ in j\\ ajiciJcmj

voor of tot 077 ?N iJt tun ajiwi f geld om

soegoeli te koopen j en zva. cuin^w — n^in^mn

- ) . ) ihijl of (t/i \'i j rr^ s .f^\\ en (i i cm ■gt; mn anjj Oj ui v. i

cm ^ nj)i (Hi/i\\ gastmaal.

ly-nj cm 9 (rnjj \\ zie bij w v

oSl nj ïhciji of tS/ïoi^Mi/js KW. zva. asn(ijïi\\ fli.rjs ^3 ifli ? n en (Si cn^cYr)jf\\ KN. zieh omdraaijen, zich er van afwenden, er niets van willen weten, er zich niet om hekommeren, er onverschillig voor zijn. asntHiJAcrnwji of rj i/rf i -n vfl n^ (Kyj zich er niet om verdraaijen of verroeren. — (/51 cm m Ja nnj)\\ zicli op dezelfde plaats heen en weer bewegen en niet vooruitkomen; in ecu vcrlegene positie zijn; ook zich er niet om bekommeren. — n^ onfj of ir^anjis spr. onverschillig, koel, terughoudend , zich houden als of men liet niet merkt of niet begrijpt; zich dom houden en er niet mee bemoeijen.

ojj nj(^\\Kvr. zva. (rr^ ujfw kn.

druk in de weer zijn om voor een goed onthaal van een gast te zorgen.

vj (uii cm aan\\ zie bij ^ uw cm w

O O . 7.. O ik) nj \'iij ui^\\ zie bij ^) rr^ \\\\

dji ij cm2ons zie bij ij cm* imw

a O ; )

ik i m fci (Hi/j of nmi gri (Hifi n k., zie k i cm n\\\\

) V\' ^ . . .

(KIcm\\ KN. frisch ; frisch van smaak; frisch er uit

ziende, fleurig, van planten (in Tj. van een huis,

open, luchtig? of frisch, door lommer?) en fig.

van hei lichaam of gelaat frisch, niet verlept;

versch, van vis oh; opgefrischt, verkwikt. — int (mrt\\\\ verfrisschend, verkwikkend. — on nrmj ijutis iets verfrisschen, frisch maken, frisch doen uitzien, opfrisschen , ververschen. 0fi//ï zid,

verfrisschen. — Tj. of w /Jirn-iiMj

iets frisch, W. II. 08.

.kI ril \\ KN. gekloofd, in tweeën gespleten; de helft van iets, dat uit twee si ukken bestaat, zooals een schaar of nijptang, ckicm\\ of ij3cm\\ een halve; en hep. een halve duit, een penning, ki ki on iK inMp de halve wereld. /. n ij -n t (ki ern \\ anderhalf stuk {bv. van een brood); anderhalve duit. der

dehalve duit. inn tfcjw Ja. cm ^\\ zesdehalf djoeug. ^

• s r) /

tjfumm Ktnjn(miuiicm ii\\ geen enkele peuniug(a/f. of (un m het grondwoord was), ki cni irmj mijp in eens in tweeën splijten. — (i~tii cm\\ iels in twee helften snijden, in het lang kloven, splijten o/splitsen ; ook elk voor een halve duit.— vrrKm^mv., en in iets, zooals een pen, een spleet maken.— aStcmnanns helft van iets dat in tweeën gesneden of gekloofd is ; gekloofde stukken; de spleet van

O S s Q S\' . ....

een pen. i^tcmnianji oj (i/ncmm ht,j m o/bij halve duiten of penningen; een halve duit het stuk. — (u ii^ m^i .irijj\\ werktuig om te kloven of iu

tweeën te splijten.

o , ^ . r quot;gt; o o

w jrr^\\ 1. kw. zva. ij i/n cm iujj\\ cm iliiki/j en hyii\\

of 15^lt;Lj iu. (Ster. sjzgra). 2. KI. va?i /uniSiw Kicnirrt\\ of (Kicm tïMÏ , (KI yn^i hijj\\ k., 1. zee, de zee, oceaan; Tj. tiëngk. vier (Skr. s dg ara). 2. (Kt cm ri \\ of fJtdn quot;n \\ KN. de ruimte van hart van iemand, die, niet of wel kleingeestig, hel niet of wel nauw neemt, niet of wel kwalijknemendii. trirj\'ijt\\ (of i^(L^) \'iJcnrriTfih^s spr. ruim vau hart, niet kwalijknemend, grootmoedig, vergevensgezind. \'ij. (Ui HTjj0\\ spr. eng van hart, kleingeestig, kwalijknemend. iiy ui i icm^i\\ grootmoedig, vergevingsgezind, van aard. wcm ri(blciS\\ zandzee, zandwoestijn. — dJern 11 (hnjj\\ (ïjem jféJlt;Hj(Hi/j\\ een meer, een groote vijver (vrg. (urt i\\.tcm\\). KKn^ ri{\\ KN.; iTin {N zva. .vm (zie tij

(iji (Ui {\\),

(tj kn. schrobzaagje, handzaag je met gtoolt

tanden om scheden van binnen breed en hoekig uit te zagen. — i-nn ^ nyen^ met een schrobzaagje zagen of uitzagen.

w ij\\criy hnji kn. een stok of bamboe met een daar-


-ocr page 647-

^ K ) Tj K»// N

B0:i

quot;1quot;

aan gevlochten soort van mandje, daar men \'.ets dmendemeé afstoot (rf un i -/»?,/ m unjj).

_ f it, ij rryf ilt;quot;//^ iets, zooals vruchten van een

boom, met een [nrr^iunjl duwende afstooten.

of \'I \'■gt;?/quot;[\'2^* \'■quot;/n KN\' klanhnah. van plotseling of vast ergens gaan zitten. — ij.trmrj t-tiji i-n/l • enz- plotseling of vast ergens gaan üittcuj vrff. ÜV.

Mtnj en fgt; j ni, KN. statig, van iemand die er statig uitziet of statig gekleed is; statig, indrukwekkend vnn een moskee; statig, van een woud-, ook van een dorp of hof, met veel statig geboomte. ni^iy\\ KN. zwaar begroeid, somber van een ravijn

. 1. zie w ernw 2. td zva. ^rmw

\'1

i. 10, 25. Rh. vrg. :i3frrj

quot;1T

(O

eft) r/o/ï^Tl). zva. ihna ^crn

{volg. Rb. (Pirj amasnj^s vrg. a^lij hn? nstyj\\) KN. steek, pijnlijk stekend of drukkend gevoel in het lichaam, vooral in den huik {vrg. ij

O x O quot;)

rj(K1 lïjcmiiHVjj en oj) lt;amp;quot;/])• wm2 \'lt;quot; \'/ wi?

unji\\ aanhoudend of bij licrhaling zoo pijnlijk steken. — ij nUiUtyj-. zulk een pijnlijk stekend gevoel hebben.

tijojiiiivmiKH/js KN. ijzeren pook, om het vuur op te poken; stoker; schuif aan een deur; ook zva. rjvn tj-yii mji\\ sleutel; en barsch, ruw, van iemands taal {vrg. oj^ortKru/j). 0(L^^ tandestoker; en met een tandestoker de tanden schoonmaken. 0n/niugt;?i ru/j of 0 (U})!hn\\ naam van een kruipend waterinsect mei een lang \'puntig staartje, dat zich onder de sieenen in ondiepten ophoudt, —

met een stok of iets dergelijks poken, porren, peuteren; in iets porren of peuteren {vrg. nr-ttj

a o

Miiituji van irvijj). ij kmjcniz hji wjj \\ de holle spits toeloopende streep in het lemmer van een kris, WW. ook de in een punt uitloopende haarlokjes (iavoritje\'s of korte bakkebaardjes van wajangpoppen? Waj. II. 427. Rh.

wcfhMjjML., zie (irnww

t-nn^biyis of $err^ amji \\ KN., vm arr^ nstijj of xmtorr^ klanlnah. van het grazen, van beest en \\ ook gras of iets dergelijks met de hand uit den grond trekken, vrg. Mw^nsnjjs Rh.

wornbiiji\\ kn., 1. bijzonder schoon, vooral van een \'\'nan, doch ook zva. ^ van een vrouw, — ifiï(fh (t,n/j zich als jUnmasnji voordoen {vrg, rm t ijj). 2. — ir/V. on (t^\\een klein stukje erg, afbijten , Rh. vrg. mi mi asiijj \\

aj^nmnais of rfrMd mi en Kyrrmnn 1. kw. zva.

0 O

ajj my q \\ nm rj ui \\ en nyi^iuicnti .ruw z. mi ugt;n \\ of (K^cm L-n n k. , en mlt;rn asn\\ k d. onthaal. als mooi jer woord dun oj) cm lt;gt;\\ {Skr. s o e g at a , wel, goed gedaan; ook een heilige, Boedaheilige, Boedistisch; swugata, verwelkoming, begroeting. — untjmi

fan \\ ii./y miiisii\\ en 1111 mi fonn k. , als mooijer woord

1 O quot;) e) o

aan nu rn^w — d:n^mi voor i iikhi ^ajnw

— (uiii^i ern (hii \\ k. voor iui 1. ?tm s w

fujifmiiiLjii\\ itw. een pandita, die iets opbrengt. G.

{vermoedelijk Skr, soegata% zie boven).

y (Ki 2 mi (Lii \\ zie njj mi mni w

(hjirjcmtzie bij oymii{foii\\\\

(Kivj mi2 . gt;li^s\\ e9i rin ij mi ti zie bij ifcrmi nsr^qw m om fnyj\\ klanknab. van de voetstap op bladeren,

in struiken, Waj.dl, 04.

aSJ cm ij to) s of (£1 mirj(V}\\ kn. naam van een hoog en boom, Adenanthera microsperma. Nat, fam. der Mimoseae, waarvan het hout tot brandhout, en ook wel tot timmerhout, gebruikt wordt.

O

ui cm ij (un (hnjj\\K., zie (vnnjiw n

(Kicm ru/j\\ k\\\\. zva. iMimiqw

cKjjmi ili/j kn. norsch, barsch , in het spreken {vrg.

O CO

ij Kwrj i:n iujj\\ u ij 11? iijijj 1.1 i.^miijj fimmunyj

en (KJïweLnwyj),

ij k 1 mi twijjn IIoll. zegel {vrg. i i (Lifj).

crj kid ij mit ujijj\\ kn. loot, waterloot, regt opgaande loot uit den wortel, stam of takken van hoornen ; uit de wortels van de gesnedene padi opschietende looten , opschot; zulke uitloopende looten ofopsehot krijgen. — ijrrm 2ij mii ruoj hi^ looten doen schieten, uit doen loopeu. — rj kq irjemi ry (tnjjn een loot, ecu spruit; de watcrlooten ; pok naam van een klein soort van vaartuig, en van een uit ketan bereid qebak.

(Ki m \'lUsKW, zva. imicrj ini q\\\\ nmrj m 1 Li cm nu\\ gew. im ij 11 hi mi ru mi 1 u \\\\

^ \'O cO CO

k.) Ij crii \\ — / cij crp ktrjar^s zva. k i ij h tij ki tj h n 4 \\ Rh.

rj Kittjmn kn. een loot 0/spruit; zie ij ^urjmn

mj \\ (hrijj of kn. naam vau het lettertee-

ken 4.

lil

1 ill

li

:

.1 \'-Si Is i 1

lil! ■!i\' quot;quot;fljflM.

M


30*

-ocr page 648-

o O ainrnmijfs

5(54

)) w 2 rmji

(im/j\\ KW. (UJ\\

(fl H IIL/I l*\\

\'/ »^7.1

dj) xjf, \\\\ n ih v nm /j \\

quot;rh

i.o^nkn. wasem, liet wasemen, van iets dat gekookt wordt.

fj7v7.1777/j\\ kn. , am gt;1 t ii:r^/j\\ lelijke oprisping hebben {vrg. dm rj nm i lu/j)

ri aj) tjnm heb

»3fmrm^NKN. afbreken, afgebroken worden, niet voortgaan of doorgaan, bv. va)i iemands rede en van een blindloopende weg: afsluiting door een schot of heining, (ki crn (m/j of a3j{j amp;n cnyj wordt in verhalen gebruikt daar, waar men afbreekt, om tot een ander onderwerp over te gaan {vrg. cm(m\\ en hijj }{J\\ bij iui\\; zie ook twee regels verder /3 a n ai j unfl). — r.nirrnirnjj (poët. na nrn cirri (j), ^5 afbreken, niet vervolgen, er bij at breken; afsluiten, afschutten cminjj\\ in een verhaal: zwijgen wij daarvan! laten we daar niet verder over spreken ! — inh nm ar* \\ viv. — r:ni crn ij nu \\ iets doen afbreken of afsluiten ; aan een verhaal een einde maken. — afgebroken, afgesloten of

afgeschoten; waar iets afbreekt; schot tot afschutting.

/3 gt;»ƒ kn. stijf, gedwongen, onhandig, lomp,

(Men.); ook een wijze v-an de bén da boon bij het

rj tin nu (hii/j spel met een draai van de voet weg

te schoppen. — micm/js de bendaboon zoo weg

schoppen. quot;gt;)\\ een zaak van zicli afweren,

een andere wending geven, verdraaijen, {vrg. un \\ o . v

en

/ƒ .7.7 ^ ^ kn. — ii^m rfami nmjf met een hoek of hoeken loopen van een weg, vrg. y mi ij rh2\\ — gt;1 ujirf (mipm(uyin .de plaats, waar bv. een hoek gevormd wordt.

rj crnfj nm \\ KW. een lang kussen. G.

m rïj \\ KW., zie bij nrrj w

.) • • (P) »

Kjcn^ zie (K/i n) \\\\

ajicriinKL, zie wiruiMasnjj en vrg. n^cri^w

Ov . . a.

ojj mi \\ zie (ij), (yyi x\\

(M (Yrj rn^ \\ of (fji (Fil. s i u g o e g o c, naam van

een heester, Clerodendrum serratum Sprg. Nat. fam. der VQYhewwvw, welke geneeskrachtige eigenschappen bezit, K., 13,28.

(Kn tnyjs in de spreektaal verk. van (kdnm (irnjj \\ \\^; irp rj ih^\\ verk. van w ntnjdrptjihjw — oj) nm

ij) i77 oiiji en hndji

}jj m

s

aj^(i:ïiji\' kw. zva. Kij w/j en

CV quot;gt; ^

zva. kh (ui hn nm am ij uti s \\ en Uj

ben van lelijke oprispingen door het eten van ieU dat zulke oprisping veroorzaakt, zooals de doerian en kwèni. (qnrmrnji zie (Kin.D/js ij \'M 2 nm/j \\ zie bij ij w i nji/j\\

(KfKvm\\ kw. zva. en (ui ki if j o )0j

(Skr. sabd, vergadering, bijeenkomst) kn. rond-loopen , ergens rondloopen, zooals kippen op heem: van visschen, ergens rondzwemmen; veel er. gens loopen, dikwijls ergens komen, dikwijls^ plaats bezoeken. (rn(iJi0\\ naam van eenpisangsooti CP. (M nm nm ui \\ \'s nachts rondvliegen, van roofvogels; \'s nachts rondloopen om te stelen, m i hu quot;n(Hij)\\ ergens heen zijn, elders zich bevinden,fa» iem. die niet te huis is; tj (uiifiptH) Jiï0^ opreis, op een vreemde plaats zijn. Men. — n num op een plaats veel komen, een plaats veel bezoekeD, K-7 nm (Hi,1 n zie ben. — rM xm nj ;hi ^anm plaats waar iemand loopt of dikwijls komt W.; bo. w l/i (isij^wnni ij in nm r) uj nn na \\ waar loopt die Pi-tri al zoo? JR. — (vi n-Ji nm anjj plaats die men dikwijls bezoekt; plaats om zich vrij in te bewegen; park waar beesten vrij xondloopen.

Li ifim\\ Pers, Ml. kn. een shawl, Ooslersch kleding stuk van mannen {Ar. gjuuA ih) tjnms kn. verdragen, verduren,uitstaan Wil.w/f Rh. }fn/mrrituiiinm of rjnm2-nnJna^inmjj ooi ij ij nm 2 yi(ui r}(un.\\ niet kunnen uitstaan.

ojj.7777 \\ kn. f uji.\'i7T7 (iji^nm \\ en (iTrr^xm rnjn^n \\ iemandm\\ beleefdheid en onderscheiding ontvangen eti onlhi-len {Skr. sjoeba, goed, gunstig; luisterrijk, gedistingeerd, enz. Vrg. ^(tJi2nm\\ en (hjj(nin^om\\).

o o

7.7 7^nm (ij^nm \\ pass, rm (h i asii \\ en nm 11 minw

zie ben. njin^nm \\ xw. betuiging van eerbied,

hulde. — xyi^iUKij^xTYi \\ en nji nm ^ KW. M f-

zva. (h/i nm (ui nzn \\ en n:ri^ nm n^n^ nm w {van hei M-

voorvoegsel o ep a, bij , en sjoeb a).

ijnjinm \\ zie bij (i.i(Ui\\ II.

rjfKU rn \\ kw. zva. m nj ^ nmj^ en if

schitteren, vlammen, fonkelen {Skr. sjobd, lun-

ter).

(Qr.n jn {of trim f \\ Rh.) kn. benauwd, gevoel vao benauwdheid in de maag, als men te veel gegctM heeft, of iets dat zwaar te verteren is; fig- ^ van iets, als men er overgenoeg van hcefl quot;1 overbezwaard van is.

-ocr page 649-

rj W2 , 07 ^ N

506

^ KN- ^e van het mor

gengebed , om half vijf \'s ochends ; dat gebed ver-rigtcn.

umhi/j 1- 4r. sj(ihdngt; kn. naam van

de achtste maand van het Mohammedaansche jaar, anders r^u^w 2. poet. zva. Kmitiwjs ?./vvmjp kn. elk, ieder; telkens; gewoonlijk, doorgaans, dagelijks; telkens als, ieder keer als. En

quot;) ) , O

zoo ook (iJirn m^i vwan/j {vrlt;j. (un am en wnrn

V quot;) ) )

hlhh ui (hiifn iHi ^ i lt;itïi (in fj x h n (Lu /. i vrri ij (hj \\ en hti tin(Mr:r)(in^din tjrnj\\ zooals gewoonlijk, zooals doorgaans, zooals dagelijks.

jjoJiW^NK. zie (t i (V) f w

hiv^ïn/js kn. zeep {Jr. 00^ naam vaneen

soort van gebak. —irmmn.\')njj\\ zeepen , inzeepen. ^rw^NOJ. // M (inan,^ ? CP.

vjKir.n :HTjj\\ /rj lt;m ^(tJiam ihyjs zie bij tj i ) /\'/ \\ II. i:i)2(m\\ kw. zva. (nr^ ut(k)\\ en /. n tj ip{Skr. soeb and a, goed gebonden, wel verzekerd. Vry. it j vu ia \\ en ij i t rj t» zmi ).

ui in \\ kn. geduld; geduldig, lankmoedig, verdraagzaam {Ar j*/C gt; sabr. Vrlt;j. .m »ƒ )• — rnn.int nx iets geduldig verdragen. — rm km •gt;? y/.»/\\ met iets geduld hebben; iets niet geduld dragen; het uithouden {vrg. dn(un (tojj en w vnpj ij i,n\\). — mt wnmnitnji\\ geduld, lankmoedigheid. — outrun tn/j geduldig, lankmoedig van aard; geduldig om iets te kunnen verdragen.

mcrj\\ kn. ; ini vn \\ (poët. ffn:i7n\\) strooijen , uitstrooi-jen, zaaijen, naar alle kanten verspreiden; naar alle kanten menschen uitzenden; naar alle kanten in het rond {vry. nnnjp). innr:n•uilt;i£ g a-

bah zaaijen. — imrn\'ris iets bestrooien; een grond bezaaijeu. (t ^t tgt;j r.n^i nn it^ bezaaid met bloemen , overal met bloemwerk, van een tapijt. — H nr.n\\ verspreid; zieli verspreiden; verspreid liggen. — (uSïiKtivn nrts naar alle kanten, overal, verstrooid oj verspreid.

o /

Kn n\\ kn. uitgekauwde kruiden, die als geneesmiddel (gt;p de borst gespuwd of gesmeerd worden {vry. t l cq)\' — \' mr:h\\ met water begieten of overgie-ten, bv. zaden om zj te weken, en rijst bij het koken, JR.

/

T\'f we^g of weelderig opschieten of groeijen van planten, kinderen en menschen% — a

(Ht/)\' verguld zilver of koper, spinsbek {yrg.

(h,i iyjt\\).

rj(t.u((vn^s kn. wat als haren ergens van neerhangt, zooals de soeloer van den waringinboom; hen. vnu de luchtwortels onder de bladscheeden van de padi SG.; aan oen draad geregen bloemen , die van het kapsel van een bruid over haar schouders neerhangen. volg. Rh. tp. zva. lt;£gt;// nnt (Kt/t\'

k] i^idtfl^ kh. klanknabootsend woord voor het geluid van het snel met een rak trekken , scheuren of afscheuren: rits! naar dat geluid worden op de sa-ivaJi s genaamd slaphangende touwen, die regt kunnen worden getrokken om de daarop zittende vogels te verjagen. i m rm htt/j* aan iets met een ruk trekken, bv. om het af te scheuren; een stuk van iets afritsen, zich willen losrukken bv. van een paard, dat gebonden of aangespannen is. (vrg. rtu tfit/}).

ij t.i ij (cm iiajj mn (W^iihttji^ Rh.

i . i /

a-jt ijir^iüijjis i i ij ij^ni/j zie / i /

£t[rpyj,t,ii/j\\KN. klanknah. van het uitrukken of afrukken van gras of bladeren met de hand of den bek.

— a m irtj i iiji^ uitrukken, afrukken; vrg. hji iijasti/j en (tJin^asiijjs

(Kt ijtjvrtjiiigt;ii/js ks. ; nit rf i.v^g(Lit/f\\ iets van iemand in het voorbijgaan of iu een gedrang met een ruk afnemen en er zich van meester maken {vrg. i ivns).

— r tit it rng {h?t\\ iemand iets met geweld ontruk-

\' •__J \'\'.

ken; iemand iets aizetten.

iPt {trn^ihiiq of ^(fnhtyi of (Kt (irn^iiw/j kn. onderge-tuigen verklaren, dat men van \'wmtxwamp;y bv. van een kind, niet meer weten en niet verder verantwoordelijk voor hem zijn wil.— i;m un^ iemand verstoeten, zijn handen van hem aftrekken.

if K) ij lorr^i (isit/j oj rj ult;7f [.rnfy^njf\\ kort en dik van een vrouw, met breede en hangende billen, WW. rrr^asii iut ihquot; eign. van een dochter van Kresna. k;.i:Vj\\kn. overkant, bv. van een water, weg of veld, overzij, overwal, de tegenoverliggende oever, overzee; overwalsch, overzeesch. rj mi t rjibi i (Kt geneeskundige benaming van de bladen van\'lombok.

— xtft {poet. onjiTfy) oversteken, naar de overkant\' gaan; iets, bv. een rivier, oversteken.— rrrt ihi^ rn \\ overstekeu naar

i tn i ii i i ii i, it \\ een

obj. naar de overkant brengen; met iets overste-


-ocr page 650-

566

O .

(KJl (IJl \\

O

(hJl .1777 /1577^ N

ken; naai* overzee verbannen. — cka{trn vn(hi/j\\ de overkant; de plaats waar men oversteekt, overzet.

— i707,7.7.177(Hijj\\ het overwalsohe. —

mi lm/is plaats waar men over kan varen, veer.

quot;) . quot; O . - O

K 7117j^ v t\'H (t-\'h H l (ITJjj \\ Zie 7.7 (f 1\\\\

(tjjj tf lir^t tui \\ zie hij ij [rhy aan w

,\'7v\'7 i\'i777 itlt;n/j\\ kn. een fijne steensoort, daar met potlood op geschreven wordt; oo/c een schrijflei, daar men met een griffel op schrijft, uo/c wel van mi om dn

^ ^ *1

wns Men.

(7.7(i:r^,nnji\\KN , iu)(hjiii.i thn ki., gordel van katoen of zijde, breede gordel om de lenden, een Ooitersch kleeding stak voor mannen {vrg. tjuntj mi innjj en lunihn nmji). (Kifcr^wi „/nffeijhn/j\\ benaming van een bijzonder fatsoen van krissen.— 17m xni nn \\ iemand een gordel omdoen, gorden, omgorden. — \\mtun (tiiilt;Yj7.77\\ iets tot gordel bezigen. — ^7.17^1^/(7/7^ (tni.i(i^nnjj^ met een gordel, een gordel omhebben, gegord; zich gorden (;ƒ aangorden.

o

(IJ) .177/ ./lt; n^ KW. zva. .157^ -7^ (Is/7 fj \\

tj\\:iiz hnfj\\ kn. kort en gezet; zie rji t^^n^i

asnjs WW.

- ) a /

7 /17/7 ^ 0/ .11 i:n\\ KW. zva. ajiiin\\ njinis en iiJti llt;

r- J ba ö h

(Skr. sjabda, geluid, klank, woordj; ook w.zva, ) o

7 7 i .7 (H) tm \\\\ en zva. (ui 7/177 71 w gt; u. 1 m /tsn r» \\ naam 6- 1 \'

van een goed te eken in het haar van paarden. —

O o Q

9(1.1771 n UI 17/7 • en f 7 7/7 ,17/»v kw. ZVa. \'f ) -KI \\ Cll IJ) /1.7

s- ^ cf s- I cJ

ki. zva. 17/7/7 K/7\\ (M ifja-rpnnjjs W. 1. 479.

_ Q. quot;)

- 17/1 (t77 ff/7 7//7 (7/7^ \\ - (UI (Hj r^l \\ ki, (IJ) (W

O

(hti 7(7» \\\\

O quot; : quot;)

(7,7 (17/3 n .1/7 (177/\\ ».»177/ \\\\

c- r~

(IJ^ 17/1 «o n ^ 177/ (UJJj \\ kw, (7.7 »ƒ ;^/ 2 7.7 n 7//^ 7.7^ { \\

6\'» (èni(isii (vi/js {vrg. bij 2olt;i \\\\

7.7 17/7 (hti/j en 17//» 177/(b»7^ \\ zie K)in);im (i5nfl\\

7 »(i;// (b»»(^ kn. iets daar men met een zwaai mee slaat;

de kling van een sabel; een sabel; de slag vaneen

, 00 ,) »

zweep (y;v/. ».7 u»77»^\\ o77(b»)7//»y\\ lt;i7/7j»\\ é7i (ur^ajt

(um (ui (ibtry\\ het sterk gevlochten eindje van

den zweepslag beteekent). 7.7 rt7/»)i n ^rj (ui 2 onjj\\ de

omtrek die tot een huis behoort, lt;?« tj» £7

rj um fwji {vrg. 7.7/j/Vi^n kw. irmim nsnjjs 2.).

— 17/»»i./»iisnjjs 1. met een zwaai slaan naar; met een sabel, zweep of iets dergelijks slaan; üö» 6?6\'w vechthaan y een Hinken slag slaan; 00/.\' fig. een goeden slag slaan, met iets goedkoop te koopen 2. met al zijn toebehooren, 1^\'r»(nrjiQ^^

n n

een paard met tuig en al. WW. dniMnrn hnji een slingerslag weg- of meekrijgen, zweep,

slag. 0ti:n n»opgezweept door den westen wiud\'-B. ylg. even als wi ajt iQ(isiijj\\ door eenig ongeluk getroffen worden, een ziekte beloopen, een toeval krijgen, in een regtzaak mee betrokken raken 0i^ (ui)£jni\\ door Amors schicht getroffen. 0(i/»» 1,7.7001 7L7\\ door slechten wind beloopen, van een vaartuig, dal met slechten wind te kampen gekregt* heeft. — .17//7 nn 7^ (i///\\ een obj. slingeren naar; met iets zwaaijende slaan; met iets naar iets slingeren.

(hjjrr) (i,n/j\\ Ar. 1 »♦ t thdhity kn. wat vast staat en constant is; wat aan iets uit zijn natuur en onveranderlijk eigen is.

».?.i:/»(tgt;»»7\\kn. gescheurd, scheuren; verscheurd, afge-seheurd, daar iets van afgescheurd is, bv. vaneen

stuk papier of lijnwaad {vrg. tJtf / .»/\' »/ƒ). uni

o.. . O o

ihn ihi\\ zie ^ 7/»\\\\ 7.7 fir// 73|» 2 (^) \\ naam vaneen

visch. — iriiiiniasnji {poet. art 177» (unjj \\) iets afscheuren of aftrekken; iets van een geheel of zeken hoeveelheid afnemen; scheuren, verscheuren; een paard, van de weg afgaan, op zij springeo, {vrg. (i\':rr^ ij (U) 7//»^ bij (K^ tj ut im/jgt;).

7.717)7 iisnji\\ kn. klanknab. van een snelle beweginy, rits! roef! ook aJt(fji 17/^(^njj^ fluksP Men. K. 6.12. 7; 7177/ is»» ^y» 77 »7 (tmji \\ rof! roef! een uit drukking wt iemand, die onbezonnen het éane voor, hetanderi na, verspilt of verdoet. 1. uitroep, watdooriemni uitgeroepen wordt; geroep, wat zich laat hooreit gewag, mare, het luiden van een naam. 2. betrokken, niet helder, van het gelaat van iemni die pas uit den slaan komt of treurig gestemd« {vrg. n^iUKf )/! en (j5](.^ v). 3. naam van een viit^ — 17»»»(i7J^(üi)/js {poet. (k)(iTr^fónji iets uitroepen, vermelden, opnoemen; noemen met dezen of (ht* naam; gewag maken van, door den naam te nol\' men; iemand aanroepen; Gods naam aanroepen; en zoo ook enkel 77777/177^(157/^ voor God aanroepen; als ook door een uitroep te kennen geven,dal 11^ verkeerd of onverstandig handelt; {(fn(^nmiiji^ Kff\' om zich heen slaan G.). )j(U))2\'-r) 1^/1 ccr^ 1

vergeten , ook voor onverstandig of ergerlijk, wquot; ii:ryigt;t)/j\\ vermeld, opgenoemd; het opgenoemd


-ocr page 651-

O

\'Ki nm ni/js

567

nj)(im nsnji^

0:nhU\\ als kundig oekend staan. — irniirninyrj i,)i \\ van iets gewag of melding maken; iets opnoemen of uitspreken. — gt; i (gi) w/j of ïltijvy fëpM/js wat van iemand of iets gemeld wordt, de goede of slechte naam, dien iemand of iets heeft, naam of benaming, waarmeé iemand genoemd wordt. Zoo ook (uri M^^u ^njj {en (u tijjï ^ ^ ^ % W.) en dit ook het algemeene onderwerp van het gesprek.

iua-mnsnp zie ie^ivmaw/}^

1- KW. eensklaps, onmiddellijk. 2. kn.

net van pas, juist om het lijf sluitend, van kleê-

o s\' O . O

ren. ntj \\ vorm van een ern tvi\\\\ — n inn tirn

Q i o O O zva .iTtn dvTï 1. en a. — mi ojin-.ri iiw/J\\

pass., fig. ook in den zin van tiai wxrnas))n en nn

(ki n.hiijjs — rj(hJin-fn/js net van pas voor het

gebruik, niet te lang of te kort; bereidvaardig ,

altijd onmiddellijk gereed en vaardig.

fjKiir.nanifj Jr. Mi. gt; so h bat, kn. vriend

{vrg. 7.)(uilna Tt\\ en ui /. n^), —ij inn2 tin asn/j\\

iem. als vriend besehouwen, W. I, 120. — ajiri

ijKur.nibn/i of (rjw?rrnasnjj\\ het vriend ö/be-

vriend zijn, of de vriendschap, met een ander. —

ityi lt;ht^\\ of (W*) gt; iz r.t) (w/j\\ als vrienden,

in vriendschap, met een ander leven. — [iuyj^u

01 iw vriendschap.

^jrn uasm kn. het inachtuemen van de beleefdheid

in den omgang met iemand, zoodat men iemand

niet al te ongegeneerd bejegent (Skr. soehdsita,

wel gesproken, welsprekend, welsprekendheid. Vry.

1S11 \'hu iwyi).). vj vn ? m r\'t tj crrnih^ m oCl chii \\ zonder

complimenten, ongegeneerd, {imcnutu/j of n/nif rih

lijiiiiKi zich niet geneereu.

00 _

\'Kjr.tiiiMis KW. ecu schijn of glans in het water

{waarschijnlijk van het Hkr. sjoeba. schijnend ,

sehija, en sjiti, wit).

» / rn^» j777^\\ zie hij w itrnjj \\

\'l1 itjrr)w/j \\ zie bij rf Kiirrijj\\

urm ei\\ i,; r n hji\\ of i:n ui kn. geluid of gedruisch

dat zich ho\'oren laat: in VVP. 376 zva. gt; r*i ofturi o ■)

w [vry. .urn nt\\ en hi •gt;/ ). — JTnium .i»\\ geluid

geven, zich laten hooren.

A\'\'- (sab\'il) weg; aiH

in de weg van God, dat is voor het ware geloof quot;o/1 \'ei ecre Gods. ij i,; ril u rj o/\' ijj j.m:» hj kn.

de heilige strijd voor het geloof. u» i i i irn »( v ^ of ifji iiiv i i rn ni/js sterven als martelaar voor het geloof; sterven ia de kraam, fiwi ki r.n ti ^p martelaar worden. Ook bet eekent Kirnitu/j of (imairn m/j^ strijd voeren tegen zijn hartstogt, zijn harts-togt bekampen. — rm i:n u i\\ een hartstogt bekampen , een vijand weerstand bieden.

(fjizn itu/jMHii. afwijkend, in den zin van in gelijkenis met een ander verschillend, me niet gelijken.

— 1:1111:1) jlijjs afwijken, bv. van een weg, als men een andere weg inslaat, of van een verhaal, als men over iets anders gaat handelen; ook scheef

gaan, bv. van scheuren en snijden; scheefinscheu-

. O o .

ren \\vrg. rm r.n ,hnji). / ) (i^hi\'ni i:ii )U^yii},n ij n

ijhn^ een van het algemeen afwijkende voorstelling, gedachte of wensch.

kn. niet gelukkig zijn, van Iemand wien het tegenloopt, en die niet slaagt in hetgeen hij wenscht te erlajigen.

kn. de uit den mond met krachtgestooten adem (yrg. (Lman(E^ ). nnnn^tU/p op, in of togen iets met kracht h\\i\\zei\\, iels, zooals een blaas opblazen.

rijrinn m/j kn. van iets een strook afsnijden, afknippen, afscheuren, afhakken, enz.; van een werk een oogenblik of uurtje afnemen, bv. om iets anders te doen. — ï.i gt;n n in mi strook, smal afgenomen deel, schaaldeel, alles wat van iets afgenomen wordt om voor iets anders te gebruiken, uitgebroken uurtje, snipperuurtje. JU. welligt verb, van dJrj li _ 1 ■n i/p enz.

ojj t7n(rujj\\ kn. 1. aanvulsel, opvulsel, wat onder iets

gemengd wordt om het te vervalschcu , pakking in

machines. 2. iets daar men de holligheid vau een

rijstblok mee schoonmaakt, door er daarmee in te

stampen, zooals oen bos stroo of uitgerafelde bast i

van kokosnoot. — iufj\\ iets aanvullen , op

vullen , vermengen, vervalschen; met iets anders een rijstblok op bovengenoemde wijze schoonmaken.

— (t^j i ntri in/js aangevuld, opgevuld, vermengd o/ vervalscht met iets anders, nl. van drooge waren; opgelapt, zooals met een klamp er op, waar een

gat is.

o . a

ui lt;rj irn t ari p zie /0) »ƒ r.nt ui p

Qim^n^pKN. slag met de punt van iets lenigs, zoo-


-ocr page 652-

(K\'i (irn xnjl \\

508

als de punt van een zweep of doek. — ém iry \\ met iets lenigs slaan, of iemand een slag geven.— i iu try nij \\ mv. — rmarn kw gt;ƒ »»\\ met de punt van lenigs slaan. — nv/j 1. zulk een slag

ü/ klappend geluid geven. 2. helder schijnen va?i de

zon of de stralen van de zon.

o T

air^i Ktijj zva. (hiucr^lt;Hnjj\\ ijM rrr? \'

WW.

o . _ O T O O

- v:in j.i (LJji lt;H) Ki Kr.

« ^^ lt;i7M^«J) \\ KW. lt;Ï^ fj i hi w

D \'\'

(177) it\'t cm wi \\ KW. zva. wi (ujjjniajr^Mi (hijjs (ur^ici thn ju / ^ a 3. n

/ 7 l (Lil Qy 7 /y \\ .ITM / gt; (Ij) ,171 tL/l fj \\ \'IJ (KI Kj (LI Ihll \'

d/n i nt ik gt;7n en lt;1,11 bii r.y jiun (w/j {Sh\\ sjoeba, goed, gunstig, en manygala, heilspellend; feestelijk. PK.).

0v| 1777 077 N ^ 17/7 \\ zie O^Jj 777 N\\

»,7 lt;1777 17*1 U) (1777^ \\ ;M.\'I771^\\ KN.

oorzaak, aanleiding, rede; want, namelijk {Ar. l (Epulis en (un iji ^). a i imam ~jti(Ui\\

o.i m(tj miiuj(lii (u\\ om wat rede? waarom P 0.717»/ƒ .iyiij i},_j of (Ki 1771 ^ am (uj\\ omdat namelijk.

(Marna riji TP. (i^iairjtónjj^ Zoo ook in V Soend.

en Maleisch).

ij2\'ij tifi2 n KN. iets korts om mee te slaan «/quot;te stompen, korter dan, 1 f 1 en een zoo gesloten vuist, dat de knokkels van de vingers vooruitsteken. — 7117/n 171 i \\ iemand met iets korts of met de knokkels van de vuist slaan of stompen {yrg. mi ij i ni 2 ij lt;1,11 ? (ki/js am ij nm i if uj 2 \\ en y nrn 2 V lP2i\'0JJ}).

Djj^ Lj n KN. dikke oogleden hebben,m/-

oogziekte {yrg. i.l ip iijij^\\ (kji^i (uijj\\).

(K)rifi unjj\\ KN. zva. (ki ip utijj\\ de heele rommel. Zoo ook (K1 lijn inujj h{/ S n (i?i Men. fipiwi dJi).

Cï .70

(Kinpiiiijj\\ zie (i/iinp.kh/i\\

O . O

k ) rj(ip2 ihmji \\ zie 1/77 rj op 2 uiijj \\

a.j ip miiji of (tJjtip\\ KN. een tegenzin hebben iets te doen^ iets niet gaarne doen, ongenegen zijn, niet willen, zva. ^nm2-rian ^iujj\\ {yrg. i^j niihi/j\'). —

(7 quot;) . ..

rKjj (f 1 \\ zeer ongenegen zijn.

ij i a up n i/j of o. i ip iLjjj KN. 1. een schupje of groote platte lepel van bamboe bij het braden (ij rbt ij ki\\ zie bij rjium ij ki\\^ in gebruik. 2. zva. yj \'^gt;2 (ia rri iin \\ met gescheurde klceren, berooid, Rh.

ojKip lU/js KN. vuiligheid aan de oogharen, zoodat die

aan elkander kleven j ook va?!\' de oog en als men die door slaperigheid moeijelijk open kan krijgen (j,i ^ «Kil gt; (hi up rj hji \\ fig. voor veel schulden hebben. WW).

aji i^j (uijj\\ KN. met dikke oogleden, zoodat de oogen zich klein v er toon en, zooals de oogen van de Chinezen {vrg. it.ij lrf )\'

a i ipijLj iojji\\ KN. een groote portie, hei tegenovergestelde van ; R. een groote hoop yew. van

drekstoffeny Rh.

) 7 o .,..00

k 1 up tp i, 11 ^ \\ zie bij up np mijj \\

n^ip\\KU. schrinkel, achterste poot van sprinkhanen, krekels en andere springende insecten; de schaar-poten van kreeften en krabben, mui verachting \'.au

de beenen van een inensch (in AS. van knevels).

- o

f ^ ip zie (K^np(hfnji\\

ij (Kil ij ip n KN. zva. ik rij arm J afi\\\\ ij imi ij zi \\ ieder

een halve duit.

Ki\\KN. een voorvoegsel tot betiteling vóór benavm-gen van goden en doorluchtige of \' eilije personen, een soort KI. van k!w r.w(i/tjjj\\ God Goeroe, n (K\'ian(ifi\\ of (Kia/natlt;\\ de Vorst. (M(bniu\\ de heilige asceet. (KJiam rjaydiBi/js de jonker. (m^kn. sissen, van iets dat gebraden wordt of van gloeijend ijzer dat in hei water gestoken wordl . (yrg. (vrid-i-Ki — d\'ri\'is zie beneden. Si\\ 1. KW. zva. a:i 101 w 2. n., vooral in de spreektaal, zva. 7.7/ \\ (yrg. (iJ(kï\\ onverschillig wat, zva. iKiie/I 17/1 \\ (Tj.) Ki 11 \\Kn. wie (of wat) liet wezen mag, al wie of al wat. i3/lt;1.7 gt;11)12\'/ i i\\ en kïi/n (ijl rj(ói211 au\\ wie ook, wat mensch ook.— Zoo ook met volgenden jussief: (ki i.i thn u 111 \\ wie het wezen mag. — vu Pï\\ KW. zva. ki.i.h hij en (ki.t7//*t/w — kïki\' 1:. ihi/js KW. een van b ideii, deze of gene.

o^n geiv. ama^p ook ama\'^ KW. zva. iliiij iji^w ooi

s 0 i • ^ ...

KN. zva. i//(b7jj\\ eti a^iasr^nis bv. a/ii(Kj 1 / bin quot;i

) gt;7 . . . lt;7 . .

iKjrm.hjis en i rKKJiajia^ fJW \\ lt;7.^/.//lt;./n en i-jffl np unjj\\ namen van twee soorten van (eetbare] groote paddestoelen , de eerste rood, de andere wit, JR. — (iho^s KW. zva. ajriijivf *

O . . -7 1 A

pass., en zva. Kiana^icmji\\ — azia^j n \\ en

7 / O . n O 1

lt;1,7 n (van k ) Kj^) zva. n:^ tj /:/ j miiw • 1 / /.ƒ» »«\'/ pass., ook KN. zva. miar^7.^ 171 an^/j en wimiquot; anjjs begaafd, bedeeld, begunstigd. — 1 la.yi^quot;


-ocr page 653-

71 nil 2 \\

tmjl en ik™bquot;KW- tva. tamp;^(unyjun\\ en o . c\'l a . O

V \'/ \'y ^ am V Un NN ^ ^ lt/n 101 ^\'l en a-l KJjW Kgt;gt;

aoj \\ ^^ 7 ^ ^ t.% w — ^ N

^7T beneden.

nillnkw. j/\' ^ V N \'M 7 N en *7 \'M N

\'tjj tip^ — ^ M \\ «yw gt;ƒ Ax\'? 7,7«\'/ \\

(Hi(i/timx en — ylt;i7rn(S\\ of ii lrjwa?)\\

% n quot; T o.o ..

triMi an \\ en i7^(H)\\\\ \\ iki ij (ij 1:1 passief. riiKU^ of (unij(kusKX. gat of hol iiv den grond langs oevers of steilten {vrg. 2., en ^-rin). — mvjkii een gat o/ gaten hebben; grond uit-liollen. — n ji\\ Kw- *. «eirjoji2 w iw rjk)2 annjj\\ zie bij (uaA^w (JvMjin 1. KW. zva. rj crmrj quot;kiw KN. I. — »quot;/anji\\ een aarden pan , waarin droog gebrand of gebakken wordt, bv, koffieboonen, enz.--2. kn. negen . n-1 f»7i ru(Kij \\ negentien. k 1 ah 11 ^ { \\ negentig. ajj iint)nsti n negendhalve wang. — k) an a^i 1:1 \\ eign. van een zoon van Sêtyaki. annms elk negen.

— (Hntui (£i\\ of (uti it-j) (a \\ negende, k)) k) iV.iiKiKj^ of (KI O fM(K/i \\ zie bij K) (Kj V - (KI (LH (Hl KN. bij

getallen van negen; en zie hier boven.

o . • •■gt; o . o

M!c.)\\ kw. zva. (iK ik NN \\.KHKin:)\\ zva. un ik en

xni(LJi(ifjcm\\ tirmrjavStis voor iemand, hv. voor

een kind dat ziek is% een plegtige gelofte doen; 00/c

iemand plegtig bezweren iets te doen\\ erg. een

voorwaarde voor stellen; L. 160, K. 18, 15 enz., o

])aSS. /, gt; (Hj ij 1.1 ihj (Hl■

nvp kn. wat voor de reis meegenomen wordt, reisgeld, teerkost, (hj) ar^a^ nt reisgeld meenemen.

eigaren voor de reis meenemen, om^ m 1:1 iets voor den ondendag (op zijn levensreis).

— vmrj ai} ? fly i {poet. (Ni ij tv.) z if]\\) voor de reis meegeven aan. itrm 7 r;? »y /X;.m ; f ?asn/j (of (ki 111 itijj)

N., ,I/H »ƒfrnj IJ gt;) (Hii ixj •n^(is \\\' ^o/* fK^nrn\\) K.,

iemand goede reis wenschen. — kio rj m thu y 7\\ voor de reis meegeven aan iemand; iets tot reisgeld of teerkost besteden of aanwenden. — \'\' 7 f ?? .70,7 »ƒ (i7/ jv; »ƒ / / ? wji\\ voor reisgeld of teerkost; voor reis- en verblijfkosten.

in is 1. zie Kidmw 2. verkeerde spelling voor k)

\' ürtW (K,; W

wojik kw. (t/nrjoCii .rw kn. \'n etaal in een

vorm gieten, ir.i(Hij)\\(iu Tj. zonder

bijgevoegd) geelgietcr. — Kni3.i?i\\

(Kjj iiTi 609

onder het beheer y^w mi ander. — ki rj m (hij\\ gietsel, gietwerk; gegoten ; m onder het beheer van een ander. Ook w 7 (?:•) (mjj \\ zva. (t/i a5l rj (ei op/j of (ui ^yj rf o (injjs gietvorm voor metalen.

(K/i (ui \\ zie rj Ki 2 an w

o.jj (i^ \\N., (m a.) (b»^N k , hoorn varhen beest. 0 j ^ ifltrm rn (Hijj\\ hertehoorn, hertshoorn, n i ^ /. ^ Kijj hertehoorn met vleesch overti okken, dient ook voormedicijny Rh.), (unojj(i:j\\ of a^rj 1 11(injj met horens, horens hebben. — (r;/y(^\\ i ni r.iihnjj\\ met de horens stoeten (vrg. a:rr^iJi\\).

y K it in \\ I. verkeerde spelling voor kkciw 2. ijKU .77» \\ of ojj .1.71 \\ zijde, zoo als zijden garen of koordje {vrg. ik * i-fl 7 it,» ? (1.7 \\ zijden stof, als soort van stof.

k ï(mi \\ Ki r.i \\ engew. kI uiskw. zva, (fjuhJKHi/j en (Hij ui (bn fj (lt;S\'/r. sing hay leeuw; in Samenstellingen uitstekend), kn voor leeuw, anders tot onderscheiding (Ki un(vm ijti i (dSi 11:117n •ƒ» \\ of k] r.iir.ruui \\ kw.) genoemd, (in \'rii^i u.i Skr. nar a sinha, een leeuw onder de mensehen {een bijnaam van Wis-noe). (in rn (hutiutu naam van een corps pradjoerits van den Vorst, die de post van soherpregters waarne-

n \' iquot; quot;*

men. n ik k 1 1 1 zie bij ri ,ik (iji ui (hi j\\zie 11 (ïoi ijj (Hijj \\

. ^) O O

KI (Uïl ^ K W. zva. (IJl K il lUlfjS

. O 5 p Q O

\'7 K idjn {\\ KW. zva. cm (Hi (Ki/j (ru^(Vi(hJiJi (Cm ui nnjj am

(quot;) quot; . ) .

rjtj (ixi /j \\ (Ui ii £ f 1 ,1 lUHjj (Ui ii 1 (i^rj \\\\

Ki tj u:i 2 gt; kn.; 1:111 ij 1:1? j - er bijzitten zonder in iets

mee te doen, bv. bij een werkgt; gesprek of spel.

ijKirj un kn. dik, maar goed geproportioneerd van

een man, dik en mollig v. e. vrouw. Men.

ui (un \'yi \\ zie (K/ian^nw

Qv Qv . .O

(Kia/11 ui (hi\\ en (Kia/n(Ki(hi \\ zie kiunki (hiw ui an (Hi /j ^ zie bij (utanw 1.7 rj in 2 (Hi^ zie bij (ki nr^ \\\\

ki an (Kin zie k i un w

(i5i (uj^(hi^i■gt; kn. ; ki77^ uj Hijj \\ duizelig worden, draaijing in het hoofd gevoelen, op het gezigt van een woelige beweging, of wanneer men in de diepte of van een hoogte naar beneden ziet {vrg. \'fjj ui a^iij en ,un

• O V

(Ui am ui 7 .1 :hi p.

O

j- 1 ij id (tri/j \\ zie bij w ui w o

K I If UI 2 K l/j \\ Zie rj K 1 Ij UI t lHl/j\\

(KJ rj 7712 (Hl/I \\ zie bij (ïv| (L-^ N\\

rj (ki ij ui i rnjj of il ij 7:12 anjj^ kn. naam van een hoo-


-ocr page 654-

O

(Kj)(r^ cci\\

s

B70

gen wilden hoorn., waarvan djoekoengs en kleine goeboeg\'s gemaakt worden, Fil. een soort

Acacia, welks hout niet door de witte mieren wordt aangetast, de Albizzia atipulata Bth. Nat, fam. der Miraoscae hevat een gom veel gelijkende op de Arahischê gom , doch volg. Rh. een zeer

hiooge hoorn met ligt, niet hard hout.

s a, aS o . ,

ïKi r.is KW. zva. oj) hn \\ en ; inyj\\ kn. wat als gevaarlijk ontweken oi vermeden moet worden, wat onheil of ongeluk aanbrengt, door eenigen hoven-natuurlijken invloed, an w vs)\\ een ongelukkige

dag, dien men vermijden moet hij het volvoeren

. CY

van een voornemen \\vrg. an(unaji^ en n n ilt;n ).

de ongelukkige dag van het jaar, dat is de eerste van de maand Soera, tirnni}.)

ongelukkige dag in een maand, nam. de Zatur-dag en Zondag in de maanden Soera, Sap ar en J3ësar; de Maandag en Dinsdag in de maanden Moeloed, Rahingoelakir en Djoemadilawal; de Woensdag en Donderdag in de maanden Djoema-dïlakir en Rêdjep; en de Vrijdag in de maanden HaméJan, Saw al en Doelkangidah. rrj (ki rn \\ een ongeluksvorst of vorstin, ^ren een ongelukkige grond, daar de menschen veel ziek worden of sterven. — .irmii\'i. iets doen waardoor men zich een onheil kan berokkenen, iets op een ongelukki-gen dag verrigten — tin uteris ongeluk aanbrengend, B. — .or? vnrri Y mi\\ iets ongelukkig maken; iets een ongeluk aanbrengen, zoodat iets niet goed afloopt. — (ui fini anfjs iets onheilaanbrengends , een gevaarlijke zaak of handeling.

471 \\KN. muf, duf (vi\'g. ^ i ^ji \'ïn \\ hij (in ivijj \\), GR. O s _ O X q\'

(KI m \\ - (Ut 17) w

ncy O . - . o

w 11 \\ KW. zva. nrjj ^ ^\\ kn . zva. a.i cu \\ o/» hi (m/jw

— iriri rn^r] n kn. op iemand inwendig vergramd of verbitterd zijn: of wel zva. on i:}nn\\ — ui fcyinJi

/ P ^

(uan/i oj (iJ^(FJi ^(hnjj-y en if^i iir» nji m/js van verwondering of verbazing sprakeloos blijven staren.

— un(Ufp (t~i(U(kijj\\ van verbazing getroffen worden, zoodat men sprakeloos blijft staren.

(Uw\\ kn. , eenigzins sterk o/terpentijnachtig, niet onaangenaam van reuk; zooals de mangga-kopjorgt; en nog sterker een andere soort, die daarom aJtiy. (Fj)£!ir:i\\ genoemd wordt

klanknah. jJuns Rh.

(h^i rj (iri n kn. 1. het geschreeuw van een hert {vrg.Q* rj in\\). — (émnws dat geluid maken van een hen (het geschreeuw van een hert nabootsen; op een

beleefde vraag een lomp antwoord geven. G.). 2

O S /. O . O X - quot;) »

(ui ij (i7i \\ oj i- i ij ui \\ ongev. zva. wm of aj^j.

ojiéirj i:i\\ een snorrend geluid geven, DW. 100.

(Ki it? \\ kn, indrukwekkend o/eerbiedwekkend somber

van een plaats, ook van iemands gelaat {vrg.njii

O O O .

(Ei /j\\ 7-1 rn \\ en (Ki in in\\).

dj} rin Ar. jamp;jij, sjVr, kn. verzen, gezang, lied,

vooral van godsdienstig gezang {org. nSi nnmiMnen

\' CJ \'

nmicj^). cm rjlui(Kihis verzen maken.

X . X

(K/1 (1.7) N Zie CKl 2 171 W

ij 7xi (171 \\ KW. zva. iiJi ili 7^ .7777 ij ^ Ki/j \\ het tegeuow-gestelde van ij iki i rnw \\ ^ frn iip oj kii ^ ii-i \\ spr. voor

eenvoudig in zijn doen en spreken.

/ s / O

ij (i*i2 (i7i \\ of (ui (i7i \\ kn. zva. mi n.i Lj ij lt;uii ^ quot;n rntjd

o-njj\\ grootspraak, groot spreken; een grooteumond hebben, in een fig. zin; overmoedig in het spreken {vrg. ij i i (i7inhn om nwijnsn^i2(i7i\\ iemand brutaal aanspreken. — iJi ijuu 1.171 rri(Hi/j\\ mv. l\'l. (ui an\'\'n\\ of (KIam t»\\ 1 kw. zva. htykhj^w i.i ud ii7n jdsn \\ zva. lt;711 ii i ai\'!nm n uj dsn j \\ overstroomiog van de zee. 2. (Ki m^ris of i-J 171 H\\ KN. plcgtigc gelofte, verklaring; zweren, hv. van iels nooit weer te zullen doen; ook naam van een Windot {Skr. sanghara, verdelging, verwoesting; verwoesting der wereld; een afdeeling van de hel; beperking, onderdrukking, enz. Vrg. ij om r.n w ij

7j Klis). (Uil (Kj 1777 1(11 ~11 Ij \'Uil 7 7 (177 *quot;gt;1 \\ Zulk CCIl plcg-

tige gelofte afleggen. •n asr^ d:henaming mi de Vorstin in een zeker tijdvak van de geschiedenis van Java. i~.rn r.i \'n urn ~ni rj un s iets nx-vloeken.

Ki i,i^ - kw. zva. ij 17711rj uil i n (Sri. T.) en (K^ ij vii^ KN. ook zva. (i*i i.r^ gt; \\ a\'i ij i, gt;i2 (wjjs poet. in een wm| of rjnimnj uvislls. kn. met een o\'i in^w (Ki nns kn., 1. rmim \\ sterk o/steiloploopen,Ay.i«quot;\' een weg, hoog oploopend, bovenmatig hoog gaande, overdreven, hv. van loon of rente\', aanmatigend; tegen een meerdere opstaan; iets overdreven lioo)( van prijs stellen, rfnutni of (iJi(Li(Kn\\ tegen den stroom opgaan {vrg, (ih(K^)\\ ook fug. zich met alle krachtsinspanning opwerken,/to. hestaH

alle krachten inspannen hv. tegen een sterkere oj


-ocr page 655-

hij een waren arbeid, dieietns. kracht en bijna teboven gaat. tSh wn vu uii \\ ccn geforceerde marsch uileggen, zoo marcherende een reis bespoedigen. \\ -m mi m ij v) \\ ecu werk bespoedigen. uu am zich niet een adres tot een hooger gezag wenden. — ojj u mn sterk of steil oploopend, van een pad) ook naar boven gaan, herg opwaarts, Bab. T. Dj. 257 ; een erg hooge vlugt nemen, fig. van iemand die tot een

waardigheid verheven wordt, die ver hoven zijn

. . q* . n (P)

afkomst is. t n u n lEj mi l i un ij joi 2 rm istyj \\ van

een brief, voor het gewone rj vent tryn 0/ i,n rj n» aan een ver hoven den schrijver verheven persoon. itnimi wy s met iem. die grooter of sterker is zich meten, Men. — ioi(hni ~jh ij mi\\ door pidjëtten naar boven schuiven bv. een verzakking ; iemand tot een hoogen rang verheffen j iets, bv. een paard, meer dan gewoon drijven, aanzetten of bespoedigen, er buitengewoon veel of

te veel van vergen; een zaak bespoedigen, vi tj

Q CO

^nirfMtt in/iijihjqs er is met geen mogelijkheid meer aan te doen. —

nnjjs een steilte; tot een hoogeren stand opgeklom-

. O CO (?)

men. (hij^\\ een parvenu, n^icri

het naar de hoogte en naar de laagte gaan

van de marktprijs. 2. — i-ni aai \\ zva. irm ij tiihn j

bij Urj T) asnjj\\ Rh.

KW. zva. iL\'itry. {vrg. n^ i.iy). —a^iry.i^ of

nl\'Lyffs zva\' IL1 tps en \'Mivj.s (volgens anderen,

ergens gevestigd zijn, zijn verblijf houden) in Tj.

zva. \'lt;gt;1

vjMiHiis 1. kn. en n. , zie w(lai\\ II. —H.KVf.zva. ijcrni\\ en 11:11 ^am v {Skr. sjangkh a). £1 ij i\'i 1 irn en 101 rtiriajid h n\\KN. bazuin.

(i-\'i ui nnji \\ kn. sterk prikkelend of bijtend van reuk; fiy. scherp, op een scherpen toon, hv. antwoorden [org. m otjn). — sterk prikkelen ot

bijten, van de reuk. Tj.

O o *) o (^) o

kn.j .7.j 1 1 huj 1:1 gt;,tij anuhoudeiid piepen,

van den adem van een aamborstige.

kn. Uanknab. van het geluid v. d. mamp;i

vrtji\\ Tj.

ook geluid v. tl. iVtx-.nrmp ~ feeq. Tj.

ijcim^vKW. zva.

\' lrl ^ith\')yi* kn. het geluid van het snuivend zoenen

(IJ) IhTjj { \\ 57!

(».7^j\\). — tj i.j ij m irriz\\ilk een gesnuif, tsn i 1 rj(Ki ij xn»int onjj\\ een zoentje.

kn. bajonnet van een geweer of van een als staatsie gedragen blaasroer [vrg. ajrjH6^(wi(Hj\\).

— a~infift^ {\\ met de bajonnet steken o/vechten.

1. zie bij kikhs II. — 1. naam van een

zee v isch.

. O .Cl r *

ki f, 11 ihOjj en rmi.nuiji k\\\\. zva. 1 1 .iii\\ of 1 i.ki u/tw

0»0 e O \'P) Cl 7 . i O

— tMiEihiii nn/j of / it ii x 11 (hi/j\\ kn., netz.; bv. iki amgt;\\ hoe langer hoe rijker worden; e?i ri^ut

0i:ii 11 Kn/j\\ hoe dieper, iioe beter.

(?) ^G)

(k 1 n 11 (injj \\ zie bij u i h n w

a\'ynKmjjs of .rnji\\ kn. zva. (Vj ip niijj\\ ook niet gewillig zijn, geen lust hebben, om te werken-, en ik heb er geen lust in! ik wil i.iet! (vrg. 11^ nj^awkj(hnjj of nj^(Kn!ilt;j(in[j\\ vadzig, niet gewillig {?ƒ traag van aard {vrg. vu if ru ifynds).

(hi irn \\ KW. zva. (ui iiiji\\ en iwh .17,1 alt;ijj\\ wat 11 iet overschreden mag worden {vrg. n/n 1X1 \\ en (L) iw\\).

£1 h n n kn., omheind, afgesloten {vrg. nr^ ni\\ en m ku ^).

lt;-gt; o (?) CV a G) C y

ui \'l i o (hi ^i hii \\ zva. uun in mi ^n.nn iHiqsK.. van

ui -ti iiPi m ni \\ {zie bij )• — iim hii iets om-

heinen, afsluiten, tot een bijzondere bestemming of voor zich alleen; een vrouw of meisje ergens opgesloten houden; een heilige plaats voor het publiek afsluiten, iets voor zicli bestemmen, van Jav. groo-ten met betrekking tot de eigendommen van hun minderen, zoodat deze over hun eigendom, dat een groote voor zich bestemd heeft, niet meer met vrijheid beschikken mogen-, op iemands goederen beslag

leggen, too dat hij die niet ver koop en of verpanden

/ . . \\ G) CV o . o

mag [vrg. (uii (tri). — vin hhtj\\ k. van vy (iti\\

. ... . G)Cy zie bij — Ki.mi\'viti^s K.van

en zva. 011 ^ ui (hnjj {ook een harem G.).

Sïuri\\ 1. zie i?)j?n\\\\ 3. kn. het op zijde gaan o/mij-

den ; {ook de schuins opstaande houten aan weers-4

kanten van het plechthoofd van een vaartuig, daar

hel roer op rust. JR.)_______________op zijde gaan;

zich verwijderen, zich afzonderen, Kh. — rmi?ii •-ins op zijde of uit de weg gaan voor; iemand of iets ontwijken, mijden o/vermijden.— i:?n 1%ni ijilt;7i\\ iets wegbrengen, verwijderen, wegruimen, uit de weg ruimen; iemand doen wijken, uit den weg doen gaan. — a?) ujin)\\ po\'èt. verwijderd. — (k^ lïiXi\\ op zijde gaan, uit de weg gaan, wijken.


-ocr page 656-

G) o* winn \\

572

IK ] (Hl^ \\

— (ui tnpikii n zva. a.i un rujj \\ schuinsch hout aan een ploegschaar, om de aarde op zij ie werpen. JR.

(m/.^ kn. afgelegen, afgezonderd, weinig bezocht, achteraf, Rh. — zich afzonderen, zich

■Tnr

of iets veronachtzamen; terzijden 0/achteraf leggen of zetten; iemand miskennen, voorbijgaan. — i.yn}ni\\ iemand in een zaak niet kennen, door iets stil achter zijn rug te doen. — m/j

met naar achter geschoven kris, Tj.; fig. achterbaks, in het geheim, Rh.

rjwi ij n kn. slordig, lelijk, in Heeding of houding \\ ook van een huis, slecht onderhouden.

(K/jwnwiw. I. wild, woest, toornig; een wildzwijn, everzwijn. 2. de zon; en een naam van God Goeroe (Skr. sjangkara, heilaanbrengend, en een naam van Siwa). 2. bedreven, bekwaam, kundig.

rU.uiini\\ KW. onmogelijk, onmogelijkheid, (vrg, IKV rri\\).

kn. bamboetakken en doornstruiken tot versperring of afsluiting {vrg. n\'t t2 en ni ur) % );

. cy , . o

{vrg. e7i (i-i(KTn\\). — rnituti \\ een weg

of plaats met a.D ontoeganklijk maken. — irvi\\ (R. 00/c) (uïtaj)rjirijt\\ (vrg. itsfcj iu ^ ) verward door elkaar liggen.

O 3- O O O Qv h

fcj) 1 n rtn gt; n/n \\ rm ^ ^ n n ij h n \\ en a. j it 1 /10^ ^ \\

in de spreektaal zva. aJihti \\ enz.

» a/ . ,cV

oj) kh an \\ kw. zte bij miwiw

(Z)

kn. barach en rnw van iemands woorden {vrg, aj^nniirii/i). — een paardvanX fa

teugels in den bek hard rukken; iem. barsch en ruw toesnaauwen.

(?) quot;1 (gt;) Q ^

m rj zva. 1 1 MV^ hn/jéi. nn tj ioj zta.

rrni un\\ {bij $igt;h) steil oploopen v. e. weg.

G) (P)

ojirj ur^ditnyi^Kyf. zva. / ) en rj i.u rj erm

Muiitsns Sanskrit. PL. I. 4.

dj) uu^ rtj/j }n\\ RN. benaming van een corpspradjoerits van den Vorst. ♦

. o /•quot;).■gt; lo 3. . ,

(Kil of i KN. zva. i/n rtihjïi u i\\ iets

om iets te bedekken of bedekt te honden. — i:m zva. (Vi tux/n tui rn \\ iets bedekken of hc-dekt houden.

.\'m V/jnkn. ecu scherp bijtend of brandend gevoel van de huid, zooals door aanraking van brandnetels {vrg. $ op vele plaatsen of aanhoudend zulk een gevoel hebben. — M

\' KJ

scherp of brandend prikkelen, zooals brandneteU doen.

c-7) o.. x

II{7. /^ NN

CO

KirjKHJiHjjs zva (tJitjMtiwijj en zie BV.

al)kr^ hijjjs kn. slingerend, niet regt, langs de weg loopen.

Pïij i,i) )lt;})/j\\ waarschijnlijk een Chineesch woord. kn. ; i)j)i}ij0\\ een volbloed Chinees, in tegen, over stelling van 11 tuj am i.n q \\ of )ï uj (hii }aj\\ rj).\') tj hntiiyjs kn. van de schouder, pijnlijk, lam, van het dragen, Rh.; tobben, sukkelen, niet voort o/* tot zijn doel kunnen komen, door moeijelijkht. den, tegenspoeden, wederwaardigheden, ongelukken, tegenwind, enz. {vrg. vjiun )j irrtiHn/j).

*j m i ij m) 2 ht)/j kn een zwart fluwelen muts (zouder rand of klep), die tot het krijgsgewaad van den Vorst, de prinsen, den Rijksbestierder, de regenten en de hoofdofficieren behoort, eenvoudig zwart van den Vorst, van de overigen met smul galon omboord. (Lm 7j k) 2 ij (K)) 2(Hi)/j en tj m 1 ij xn 2 ki) (tnij\\een songkok dragen of ophebben.

■k) ),r^ (utj\\kn. met Inst, met graagte, met lust en ijver. — aj) irj) ),iiiLa/j\\ met lust, ijver en dapper in de weer zijn.

aji hïi \'üijjj\\ kn.; rm zich met een kronkel slin

geren; een kink krijgen van een kabel-, zich sliiigt\'ren om, van een touw en zoo vastraken; het touw m\\ zijn vlieger slingeren om dat van de ander,pj. elkaar ontmoeten van de blik van twee personen, Tj.; iets belemmeren, hinderen of deren dooi er tegen aan te raken. — luna\'*) i.i) isitjj\\ acc. pass.; verder verhinderd of belemmerd worden door iels dat iemand overvalt, zooals door den nacht, ziekte of regen.

1*) rj mï) ihujjs — i\') ij hii tifn injj^ naam van een geneeskruid, Ocimum sanctum. Nat. fam der Labiatae? tji\')2 ij hi) i5»,y\\ kn. een met gouddraad of zijde,ofop eeiiige wijze, doorwevene of doorstikte stof. — ij irin 2 ij in) nsiij] v zulk een stof vervaardigen,^ met gouddraad of zijde doorweven; iets doorstikken of borduren. — rj m2 tj in) wi (mjj\\ stiksel ot borduurwerk ; doorstikt.

o-Yi.i) ui\\ kn. poet. en als ki. voor ^^(t n uiwj 0f

) T t.) Ui J w


-ocr page 657-

(tJiiHfi insijl \\

G) r,

KI Kt) tU \\

unii ,UP KN- van een {M ijap ni/j of

rnüjj\' )■ w \'}U ~Jljll5*lj\' een ^^arnP genezing vau een been- of iinnbreuk, en naam van een olie of zalf voor loonden en kneuzingen, ajttuii ij ui^ ? rj vhi t \\ waarzeggersboek (Tj.) Rh. — urinooi tu/j\\ gelijk het hecht van een bijl. / In (Kt) itli -Jh^ls van een weg gt; die met een bogt een winkelhaak vormt; ook van schoont]evormde, bijna haaktche kaken, {ook rm un

WP. 9).

. . CV\' -)

ki Kijui 1,1 of .Kin.) QLijjs K\\v. zva. (Ki u i rn (in^ XjI iHYj it^KH1/; en (K) - \'i (rn anji\\ — riti iemand

in iets verligten door een deel er van op zich te nemen. Zóo vin mn y tji y pj \\ of tui any o ut ij rjuj\\ iemand verligten in zijn werk of werkzaamheden {rm hytu - i i nui^\\ iemand\' zijn levensonderhoud verligten, door er gedeeltelyk in te voorzien. JR.).

(?) O ^ \'

Kt , n ii i/j\\ zva. i imi

Kimi )Ujj\\kn. moeijelijk, van wat zwaar gaat, zooals van een arbeid en hoest {vrg. (un vj nv nut/j en cut hit (Kt\\); ook zwaar en eenigzins knijpend, van de buik.

,Kltf))itvj)\\ of KiKiutt it up KN. belemmering, hin-derpaal, struikelblok, tegenspoed, (Tj.). i,n t.inti ti ifj ongeveer zva. üitiikiPtinujj Rh.

KthttitujjM/iX. het hout boven het ploegijzer, dat dient om de aarde uit de voor op zijde te werpen zva. (tjiMpi hn \\(v,it th^ Ki htt tiJ/js drie voren, drie trekken met de l»loeg. — iintt tu/j^ ben. van een quot;periode van padigroei als de plantjes 4 Rijnl. duim hoog zijn. (Tj.) SG. — i ifnhn tt.tjt voren

maken, voren trekken. — kikii tt tm j voor. \' ny

(tJitat tuns kn. naam van een boomgewas y dat zich regt opklimmende aan andere boomen hecht. De bladen worden wel tot groente \'gebruikt.

fjn*!itjMtt2(njift\\kn. een vuistslag van ouder naar boven, een opstopper.

mwmiunKN. 1. tijdrekening, jaartelling; een chronogram, een door zekere woorden uitgedrukt jaartal {Skr. sang kal a, optelling). 2. een noodlottige ramp, ongeluk {waarschijnlijk van mn en tot ru\\ III. Vrg. tu(un\\). 8. (tZi utt tu\\ en (tJt tftt /un kw. ketting {Skr. sjrengkhala en sjrlèngkha-ld. pk.), tj(tlt;m((Kt^£j) mn ru\\ de uitdrukking van een jaartal in een chronogram door zekere daartoe gebruikelijke woorden. — irmihctt (tu\\ ongelukkig zijn. (Htt\'Kj)(Htiitu\\ door een ongeluk getroffen —rfntttnt ttthj^ op iets een chronogram maken; iemand in ecu ongeluk storten. —• Si /y tlt;n tu hnjj oud —pass.

ook wel voor: in het jaar...o. a. B. T! Dj. 48.

(Pt o „

:K) (Kit t LI \\ Zie KI Ktt tU\\ «3.

i. i tj k |; y k n. meestal verdubbeld t Jtj k j ï ] tj u jt ? \\ sierlijk zwaayen met de armen onder het loopen , W. I, 106.

7^ yit tj Ky j \\ kn. gekrookt of geknakt er bijneer hangen, van een blad, steel of tak; ook fig. van een schouder door vermoeidheid, zoodat de arm er lam bij néér hangt {vrg. rj imrqtnt Kttji), — tj t ittrfMtt \\ iets zoo kroken of knakken. — rj iTirt ti ny ^(urt tf tjont\\ maken, dat iets zoo geknakt wordt.

(Kft Ktl (tU 1571 fj\\ (KKKtt tU tetlQ of KJI (hftt iU (ht)Q \\ kn. lakei», lakensche stof; van laken {Pers. i*♦ -.M ö..., scharlaken, laken); ook benaming van een fatsoen van krissen, ki int it t lt;htt -jtt i \'tt \\ scharlaken.

k?ktt(tuihtt/j\\ m.{en volg. Rh. gebruikelijker dan) ht

1 a utt nuaartji^

» quot;) . /. COC) . CO O o

t tiKtt ru of tKiitiHiW)\\ enz. kd. van (Kiun tumtt/js

o . cï . o cO O iz fgt;f» p

enz. (KihjKtiitt\\ zva. (t t tij t, tt (tli (Lgt;tt/]^ K. zv, ü;

B. Tj. — cKtrfj i.ti t\'u 11 tj Htts caus. pass. Tj.

. ) . ) /.:)quot;) n

(t.t utt itjtjp kw. zva. ik htt tt/iji oj nrn Kj Xjt/^ en iüi hjkkiijjs k i ,ktt (Lt/f\\ zie bij (Ui ut (tu^ \\

ki t. ti (ti/in kw. zva, (tjinsn iL,tt/j\\ tt;2 mi\\ ikji tjajii

(Kt .gt; c\'n tui tf Ktt i n t u j t\\

(V) \' / , CO ,

t. t ri Ktti rj ii.tf\\ kn. zva. (Ki tj k tt trj ïlu z \\ {vrg. tj tnn

S S v CO /

tj ttti\\ en t.t tjcrrti tfitms). — ki tj Ktti tf(iui\'-n(iaji\\

waggelen, heen en weer waggelen, van iets dat

dreigt om te vallen.

lO . CO . »10 gt; * CO

Kt y t, tl Tj t.LI \\ kn. 1.1 Vf Ktt »1 Lit K I tj K t) Ij (Lit Of (Ut Tj

t] tittvj LÏt r:i (trtfts (AS.) onder het gaan slingeren met het bovenlijf.

tfi tj htttrj Liti\\ kn. het waggelen, van iets dat dreigt *

te vallen; het waggelen of slingeren zooals van een be schonk ene {vrg. tr^ (Kn è tj itu ? n en ^ tj kji i y

TJ iLL) t \\ ). - 0$ ty !KV 2 (Tj (LV) 2 (M rf (tOt 2 y (W) t \\ of KJ

. (?) . (?)

^ Ktt 2 lui 1.1 rj hu 2 rj «tt? 2 \\ en (K)7j(Kn2 rj(Lvi2lt;vn(Hiji\\

waggelen.

(k/^ h n nfj\\ kn. de naar den grond gerigte, neigende q/1 hellende toestand van iets; diep voorovergebogene houding; overhelling of neiging van iemand of iemands hart tot iets. ki t.iqoZtun (Eji^ diepe eer-


-ocr page 658-

O*

(M uit irnjj \\

574

(hJ) (Cl (157/ 1\\

hieAhetmgiwg, voor groete in een brief aan een hoog \'personage. Zoo ook ilii rj l ueKj^i iiyijjennj) un if rtj turn \\ diep eerbiedig complimentP J. Br. 256. — (uh^un rl\\ poet. k ti iM \\ op elen schoot, de knie of de voeten van iemand met liet hoofd zich neerbuigen, tot bewijs van diepe eerbetuiging, zooals bij de (L/wrt^ plaa/s heeft; ook bij iets blijven, iets getrouw blijven. — n-rr^hii r)^ uns iets, zooals de klep van een nsi^e^, naar beneden trekken; iemand tot onderdanige gehoorzaamheid brengen; iemand bij iets doen bljjven. — njj lt;ea tni in een naar den grond gerigten, neigenden toestand of houding zijn; onderdanig gehoorzaam zijn; vast getrouw, volhardend , constant bij iets blijvend; {vrg.

bij it*i in^\\); ook po\'ói. zva. (nrr^ un ie]w ik)tfiiarmj)\\ kn. de zijden onder de korte ribben, het week van de zijde {vrg. am hd im ^ii wntirnji en rj njui Ji\\). — imi un irnjis iets, zooals een gordijn, openslaan, daar iets achter of onder verborgen is; iets door het openslaan van het bedeksel ontdekken of ontblooten, bv. een lijk door het openslaan van het lijkkleed-, fig. een geheim ontdekken.

iUiKn\\ zie bij ojiihtis II.

iï\'i\'rj u\'n \\ poiit. zva. im tfn \\

jjinh v k. , zie ojj(otw

of w /.h n kn. t:?nifnr of arm uh\\ gew. ier-dubbcld: iem. verstoeten, uit de maatschappij verbannen. Mn Sjihh (M h\'n \\ overal verstoeten, bij niemand teregt komen.

ao na » O Q . . o o

\'tJl l:l(Utjj\\KN.; /7777 I7Ï (U)j OJ /7/77 /./(UT/^N \\pOet. !hfl /;/ lüjj

Tj.) schuil of verborgen houden; zich schuil hou-

i, O k o a /.oO

den {vrg. ^iasujj). — 1777717gt;tw,tj mi\\ ojrman

(Lpijimi\\ schuil houden of wegstoppen. — /5] i/i)(w Mjl of oPi(ti w(Hyi\\ zich verschuilen, heimelijk. liJnSn-nticiiUij\\ om zich in te verschuilen, RP. — (ui(Ki 17/iio chrjj of ivia?) tiiui (hifj. schuilplaats. rmi7/io\\ of (Ki 77/ ax) \\ kn. veinzen, voorgeven, voorwenden (vrg. iJn-iaxis en k.1 ir^aa an \\).

(K\'i(wnw/j of ojf(un(L,iijj\\ Ar. sd\\at, kn. , ecu

wijl tijds, een uur of stond. Bepaaldelijk worden door de Javanen zoo genoemd de vijf wachten, Ahmad) Bjabaraïl, Ibrdhim, Joesoep en Ngidjrdil, waarin een etmaal verdeeld wordt, en die beurtelings afwisselen, zoodat, als de eene dag met Ahmad begint, de volgende met Bjabardil aanvangt;

met die bepaling evenwel, dat de eerste dag van de maand altijd wet Ahmad aanvangt. Aan den vijf wachten worden verschillende gunstige of on. gunstige eigenschappen toegeschreven, die in ach-genomen of vermeden moeten worden hij het voltrekken van een huwelijk, het vieren van een feed het ondernemen van een reis, enz. tf (U ^ olj crn nui azKt.iijjs bijna op dezelfde stond.

(ui (ti (ünjjsK., zie (wi (Q(unjj\\

0^1 m(unjj\\ kn. zangerig van reuk of smaak, een onaangename lucht, zooals van gezengd haar, vet-ren, leêr, zangerig of rookerig eten-, fig. voor scherp, vinnig, bits. (Vi /li ki 17/11^n naam vaneen donker grijs, lang en dun en op een sprinkhaan gelijkend kevertje, (Stenocoris varicornis. Brum.), dat een onaangename lucht van zich geeft, waarvan het vocht zeer bijtend is, als het iemand in

\'t oog vliegt, en dat schade doet aan de padi,

(quot;) o O n -gt; O O* O a

(Kji vn asnjjs nn 1/ dgi \\ enz. kn. zva. m 1^1 \\ enz. a-m

(urijl ook verachten, Rh. — njjièi(éitun/j ben. van

een kind van 5 o/quot; 6 jaar als het hatelijk (vatbaar

voor wraakgevoel?) wordt-, stekelig, borstelig van

, , O O O 0

ae manen van een paard.r.m imunj} i7/// w/,)n

asn/js hatelijk, schei\']), vinnig, volg. Rh. r/o/f gehaat, verachtelijk; hatelijk, onvriendelijk van iemands uiterlijk of woorden, rnri wji il(hujf onbevallig G. — am i l(i7i x wrok, veete. ij ui in een wrok te koelen hebben.

o

khui(isnjj\\K., zie ojivyw

a n o O j. a a

(M (Ci nsiijjs zva. (K1 mi (ixijj of / / 1710^ \\

(ui (tri ii57/^\\ kn. heilig, van wat, als het vcrhlijf van

een geest of geesten, een heiligen eerbied inboe-

o 0

zemt, zooals een woud, boom of plaats {vrg. \'\'/

. O- .

nsiiji en (LTiiuns).

(}j( 17^its/z^N kn. voelhoorn j de haakjes, daar de klimgewassen zich mee vasthechten; de «prietenyflww-secten; ook gemeen woord zva. 710012 ijmavp smoel, voor den mond van een mens oh. i / ^ dsiijj voelhoorns hebben; fug. op nieuw ontspruiten, aanleiding tot iets geven.

(KI 2 Yj /77 2 (UIIJJS tp. zva. Ij 70/ 2 IJ 1:12 MlIJj \\- Ij quot;/»t»/

di//,^quot; ergens uitsteken; tusschen andere personen of dingen uitkomen. — Yixmn 1 ij an 2 ifiii /•quot; tusschen anderen uitte voorschijn laten komen oj oproepen, (ƒ« de vorstenlanden is de grondvorm


-ocr page 659-

(K\'ïchji (nyfs

575

(K\'J thJl \\

rjiJtrj ntashji en zegt men bv. uu ij ij khn).

^(MNKW. «Va. ^I.K)(Lh)\\\\

zva. njMlt;hJi;\\

MH\'W zic\' lt;tJlquot;Jlquot;^

1 cj.. . o . /1 o

JJ L/(W (Hl \\ ^ \' lt;L/// (M (Hl \\ Vt) (KI (Hl \\ (I. I (Cl Ut \\ 0ƒ ,V- /

i KW. en poët. vorstelijke zetel, troonze

tel , zva. (in ti -1 n o/ «-w (bi \'m(Hi/j [tifcr. sing hd

Q.. \\

sana; van en (un(M(m\\).

of mV r»)N kn. ellende, smartelijk lijden, van alles, dat den mensch in dit ondermaanse he leven smartelijks te verduren kan hebben, ook ellendig, rampzalig;,—zijn W. I, 445, {yry. hu i ^j innbiijj^ en (ui (ui\\ Skr. sangsdra^ de existentie van een levend wezen in deze zinnelijke wereld). ij uhm(LKKiwns een ellendige lijder. —htitKin •m ellendig, rampzalig. — ^»,mikji\'tiaryj\\ ellende lijden.

0» • O

OvJMTJN Zte OJKM\'tlW

(kit /.jie?iHiji\\ zva. (iJi^(i^hji(Htjj\\ zie bij dj riw

iKhJhii/js kn. strak aangehaald; strak om het lijf

sluiten; vast (niet slap) van vleesch of spieren, van

hei lichaam [yrq. (nnihn \\). — ihn ^7 ibn ^ iets straf N ^ Ch \'VL.

oj stijf aanhalen of aan het lijf sluiten. — SitJ (tfllvjiHns het lichaamsgestel adstringeren, vast van vleesch of spieren maken. — (ki ki(Kt/j\\ van een

0 Qv O riquot; ,

zva. OJ)(KI.L,tij\\ Ij. - (17J /y (KIteltj\\ 1. KI

zie iiJivTj unj^\\ 2. kn. verlovingspand , een geschenk van een ring , eenige kleedjes oj iets anders, dat door den vader van een jong mensch aan den v a-(le r van het meisje gezonden wordt, als onder-pand van de wedeVzijdsche verloving. — (unjui fcHN iemand de paningsët zenden.— lt;vi hj tM ^t (hij^ \\ zie bij (K)(ür^iHi)j\\

\'/wifotyj\\ kn. met den mond fluiten {vrg. un VfVi).

T1 \'Hü^\\ KN• zva. if niet overeenko

mend tnet iets anders {vrg. .m irl en ij om n).

uw iujj\\ kn. afvliegen, van zijn plaats raken cn tot 01gt; een afstand voortgeslingerd worden, zooals een hoed of hoofddoek van het hoofd of een tak van een boom {vrg. iJ!ili tuj^. — im (k i tLi/j iets doen afquot; en wegvliegen, uit Uiim tuyjs af- of weggeslin-I5eid raken of geraakt, zooals een mufs van het hoofd; een wapentuig dat teruggeslagen wordt, ook van iets dat door verslingering wegraakt^ iem. van zijn paard, — Men. (hïki tvirj hh \\ iets afslaan,

afstooten, doen afspringen , afwaaijen, enz.

gt; o* a ,,,,

(M oji ju(hi/j\\ zva. 11 (K.71^i (tn/j \\ Cr.

KW. zva. (inyaxigen isri(amp;i{(unvjMjs {beter kortom, en kortbegripj Skr. sangxipta% beknopt, verkort; savgxepa, kortbegrip. pk.). nil (ui (Lm \\ 1. kn. zie tut u.vt \\ II. — 2. im oj) (int ^ tkiiaji ajui\\ of hut lAJi \\ kn. moeilijkheid, moeite, ongemak, ongemakken, bv van een reis; fig. van het hart {van (ui (ivt \\ KW. zva. (ut (itJi ^ %). — 3. KW. zva. 2)) (Kjiilvis list, bv. van een vijand, krijgslist (zie (ui (Lu\\ I.). — 4. Kw. zva. (hJitLi.wi\\ (Skï\'. sa7igsja-ja, twijfel, onzekerheid). ongemak

ken lijdend. — (Htialt(M(HJt\\ of hh woji lvi\\ kn. in

moeijelijkheden geraken.

o. . . 0

(K/) (KI (lit N Zte (KI (KI iiu \\ 2.

WiKKU/jsK.y zie (ibl rill (UI (Hl

(?) O -Cl ^

(i.i Kii zie \'KtAcu)ji \\

Qv O O O

(kh (ki (Mjin K w. zva. i/rt ii u un n u \\\\

o^Kj^i/js kn. het merg in de beenderen; Jig. voor lichaamskracht, li^ m tii lu / : t, y / u yt nï t nnvLi (ij^ ; i(EAjirid/ïidirj(tuiit,n/j\\ voor van hetzelfde vleesch en bloed.

(ki(t^i\\ kn. het neerhangen, ergens aanhangen. — ihi (i*is ergens aanhangen, (Tj.); zich laten neerhangen , zoo als een slang, die aan een tak van een boom ziuh laat neörhangen. — oh ki in \\ l. ergens, bv. aan een tak van een boom, iets zooals een mand, aanhangen, ook fig erg. blijven hangen , zooals bv. een boodschapper erg. langer blijft dan no o dig is. 2. ki., zie bij t.nii^w oh (Kt in rj iHtt \\ iets ergens aan doen of laten hangen. — (K/jièinJis neerhangend. — ihnimhj}\\ ergens aan vast raken of geraakt zijn, zoodat het er aan blijft hangen ; (met de voeten in iets vast raken; door iets gestuit of verhinderd worden. G. in deze het? Dam.

w o -gt; a. . . .

Woe: y ut Hj(im r \\ j. — ukkuid (Hijj\\ ki. van (tat

Qv

fti/i \\ en van o^iamp;i^tw

£) O i o Cquot;)

(IJl.ui\\ 1. kw. zva (fjiiruis ibitu rnjj en il-i

rïn (vrg. ttJ^fup). 2. kn. een akelig sissend geluid,

dat \'s nachts gehoord wordt en dat men niet weet,

waardoor het veroorzaakt wordt; en een weinig

door den neus snuivend, van iemands wijze van

spreken (vrg. vit ami \\ en uis).


-ocr page 660-

MiVj (Ctt WlJjS

B76

Q, Q. . j .. Qw

(M /ut \\ zie bij (hj) w

njinji, kn. 1. ondersteboven. 2. «aam lt;?lt;?» wilde klimplant mei roodachtige bloemen, zwaar

vergiftig gehouden en uitwendig tot geneesmiddel gebruikt worden. 3. naam van den achtsten zoon va7i Watoe-goenoeng en van de tiende woekoe. (kj (h\'i din l)} (uinzn au /. iyi\\ spr, voor de verkeerde wereld. als hv. de ouders aan de kinderen gehoorzaam zijn, in plaats van omgekeerd. nh w ^ ondersteboven zetten, leggen of gekeerd honden; ondersteboven staan of hangen, i\'nj ^ ^ \\ slapen niet het hoofd aan het voeteneinde. \\ ondersteboven gezet

of gekeerd, zva. iu) vd ntijj\\ fig. van iemand die ongelukkig geworden is doordat hij zijn eed gebroken heeft.

quot;^ .kw zva. ivi (ui rtrtjj of OjI fEidji cnyi {vrg.

— nj^\\ of i i \\ Kw. zva. cm lt;mkn., ^ tegen iets, bv. tegen den stroom, opgaan, zva. (hu\\\\ asu {of /.» im\\) berigt of

tijding gaan vernemen [eig. gaan afhalen).

\'n^ (Wjj iemand met een glimlach tegemoetgaan o/* aankomen, WW. zich informeren naar; L. 338, 8, iiJï^iQthii liyn \\ ook naspeuren, bv. door bijen van de genr van bloemen. PJ.j volg. llh. zva. óhj) fj o f yï (Ut \\ tun 0f ^quot; zva\'

(Q f jnjh of if glimlagchen (zoo

waarschijnlijk in PJ.). (ui (hr^aji.\\ het met een lachend gezigt tegemoetgaan; ook een Wang saltan op (unwiEi/js (thojiiins een meerdere iets geven.

G. h^njj^tTi tJ)ihn\\ bij iemand berigt of tijding gaan

» » gt;, o . . /

vernemen. — (UKK/jnJ^s of iuiazva. (urt isy tun

,i^\\\\ in poëzie ook voor offerhande. ii;» .151^01 {of

(un *5^° geschenken komen aanbieden.

ij (hij ri (K/1 \\ zie bij TjiKiw

rgt;

ij(KJi2rfCK)z\\ en itïnKI., zie (uiaA^w

(U if (1.7)2 lujj en rj m2 if m i tw)jj\\ kn. zva. 0 ^ cm iuqs — .it/?» rj (is? «ry \\ en ij lt;cm t if m i i\\\\ \\ iemand norsch of barsch bejegenen.

(M(ir!ruff \\ Tl), en tp. n., (Uït hii kn. , hoofddoek {vrg. (urj(ij)\\).

(KjjCLnruji kn* schier onbegaanbaar of ontoeganklijk, van een bosch, berg, ravijn, steilen oever of terrein-, fig. van het gt.moed, onhandelbaar, daar men niet mee overweg kan (vrg. nytJiSuu/f),

ruj kn. ben. van het wigvormig deel van het ijzer van een bijl, SG.

. - quot;)

if M ? if (I7| ê i UJ Zie (KI if 1712 1 l ijf \\

(Mtj^i\\ kn. verschillen in grootte, rang 0/kleur,zoo. dat het een met het ander niet overeenstemt (vrg vf xm (ixi \\ vf cm rf (hJt q en n^nJi mn/j).

xjt \\ of hi if yp?n kn. somber en eerbiedwekkend door

stilte of eenzaamheid, van een plaats {vrg. xTi.l

00. a f, o

en (iJ) azi asiiji). — (ki rf (iji 2 (injf oj a i if iju ij wjs in

stilte, in het geheim, verrigt. irmtf^d hj\\ bui-

ten weten van iem. iets doen.

0^1^ ii^ig (hn/f\\ kn. de vereeniging van een rivierbedding

met een andere; vrg. (kn iu nyf\\ WW. moud

uitwatering van een rivier, G. metalen leest van

een pëndok.

. a\' o/ .... o/

tui trui \\ zva. (ui tru \\ zie bij nuiw

(Kiji\'jr kn. niet meer dan een zaadbal hebben, q/ééu

groote met een kleine.

O / O / O ^ » ii

Kiyn \\ kn. zva. li 11 van nyn nw ook ontkennen,

van een schuld. — irmr^\'ti^ gelijk ook rljpr en (ulr-irf)\\ iets niet nakomen; een schuld ontkennen.

(ut (vnnsn /j ^ kn. ; um ui (biijj\\ op het strand of een bank loopen , vati een vaartuig {vrg. tuntnii i iif \\ — J ckj) (iji a5ri/f\\ op het sl.rand of een bank rnken. —m typ wirf kïi\\ een vaartuig op het strand of een bank doen loopen.

ui (iTï iu 3Jijf n zie bij (kji ui \\\\

(ijl 1.7r\\ kn. een werktuig, daar metaal mee gepolijst wordt. — iTïnêïN metaal polijsten. — mv. Ki uïtKi Wj) gepolijst.

i?i ui(uiff zva. ti?ui:n(urjf\\ Tj. th^téi ïn iu/j\\ zva. t-ju

^ vyr

nSi (Ui (Uijf mr nJtu^iuryf Men.

tK^ui(uijf\\ kn. — (urr^un iui/f\\ uitwateren, Tj. — ui iui ^.7 iHi/f \\ kn. uitwatering van een rivier of w-terboezem; een zijl {vrg, wtuixn(injf\\

(Hiji en (iJ^ gt;f ij)2 Hjf v), ook, volgens G., duin. (ui ui ik \\ of Ki ui ik \\ Ml. s aha dj a of santjadjquot;\' opzet, voordacht. — 17777177^« kn. 1. zva. u* (van (uniiK\\ II.).— rm nn .ik kii -Jn rf w ^ toestaan, vergunnen, A. 22. — 3. zva.

arnjf of tui iji 1/77 v \'M aritrf (titi (hnjj of aSj rf (in \'inn\\ Md. zva. gt; quot; gt;f gt;Llhll (tJi cm\\ kw. en w.r. zva. ifMzcmw —

zva. .1777 im q n oji rf t^ui ui \\ rf asn mi aojf en rf \\ ^


-ocr page 661-

. a

(M cm ^

aj(tmnK■, Zie rjMicniw

KN.; 1. o^nnv-yrns en riycniamym^ zva. qj^

icnoJli:tv en a:n(\'rn\'t:nll r) ^ ^ ni ecu

puntig voor worp tlat boven don grond uitsteekt. — li:;^mi\\ steken van zulk oen voorwerp. — u.no\'j (rn . daardoor gestoken of verwond.

„\'j fw KN.— » y een der vele benamingen van de /J at^ï \'l\'j. vrff- \'^/.7? — a:\'nyrn\\ iets op het

hoofd dragen,/y. w n:ryrrni./yrrn\\

in hoogo achting, waarde honden ,/wss. oSlnhcni

of Li

nhijcmanjjs iets dat op het hoofd gedragen wordt. in de spréékt aal zva. onw

I. kn. in zamenstelliny zva. r. \'mi nrnw 0lt;uij!V)\\ niet de hand onder de kin zitten. lt;rjaZi2 rn (ct^tv) (to ^ naam van een toren op de\'palat ar an van de kraton te Soerakarta; en naam van een soort van aschkleurige kippen met roode horst; ook naam van een goedgt; en ^ i crygt;kd nx^ \\ naam van een slecht te eken, in het haar van paarden, W. rj m z mi Qu) ui \\ een haarkronkel tusschen de onderkaken van een paard, een goed te eken. 0ii ru ó) \\

nrn. van een batiks el en van een g ending, rj tj) 2 ani

o . o o k Cquot;)

ai) n oj dj) 2 cm u \\ ^ m 2 nrn w (hn \\ if aji 2 lt;m oji

nel\\ en vj uzi g nrn tui ii?i ihiyjs zie heneden. — 2. ^

ti Mi am KN., fl\'^mNKi)., een vracht o/hoeveelheid

van vijf gèdèngs padi, bv. ijtnwinm\\ tj r»? ^ ijii

oil\\ enz. (/« wj. is gewoon bij sangga s, iw

plaats van hij amVts, te rekenen). —^r/VmrmN.,

r.mcrn\\ k., iets door ondersteuning met de hand

dragen of ophouden; iets op de vlakke hand of

handen dragen; iets ondersteunen; iets met iets,

dat men in de hand heeft, zooals een kris, van

onderen opvangen. 0(tj}n/)asn\\ een eed doen en de

gevolgen daarvan dragen, {in L. 33G ook 0(hn iï

i^). pacht of werkzaamheden, of werkvolk, prac-

steren of opleveren; iets, zooals de kosten van

ids, dragen; bestand zijn o/zich bestand rekenen,

iets te dragen o/tegenstand te bieden, kunnen

weerstaan. ^ vnn2 cm orn n een doodelijken slag van

onder, op zij toebrengen, aan de oor en van een

vechthaan, Rh. iets zoo op do hand dragen dat het

helt, voor-, iets niet met de noodige oplettendheid

behandelen; en op iets een ontwijkend antwoord

geven. — ^?rrn\\ poet. ihii n t\'u rn {ook wel (tin

(Ksinmqs 677

rj(^znu\\) niet willen, niet durven, (iniaoi ij(K)2 om lun ^ (lgt;ii aji \\ wat door de aarde gedragen wordt, wat op aarde zich bevindt. — (Knijaji2 mi \\ (mi (KI nn gepraesteerd, opgeleverd, vati pacht of werkzaamheden, wi tiw 2 nn^\' (ilt;n v.\'; o?t \\ behoorlijk geleverd, gepraesteerd, verrigt. — ojj rj (ri 2 (rn \\ in de spreektaal verk. ij f i 2 nn \\ ki. zva. ajidn.iSis k., als het II belieft! zooals liet U behaagt! welaan! gaarne! met genoegen I ow/t: soemangga zeggen, liet aan de verkiezing of het oordeel van iemand overlaten, vLKKj rj a u 2 mi (viï a^i rj (Ei ^1 a u (in/js of ook zonder u y ru \\ en \'i-^ ij u / nn ih\\}i va (ki ij (fi „ j iui injj \\ ik onderwerp mij aan U w verkiezing. — (nn nn mh ~jn riihii \\ van iets do oplevering opdragen of uitbesteden aan iemand, ook zva. (c.tr^ èi eni nn ~jii rj im n WP.; vrg, ojj rrn rij \\ L. 132. —amiiijicm un -ju rj mi\\ (poët. (h-imi nti^on/j ) omtrent iets soeinHnggH zeggen, of zoo handelen, dat men soeyianggH zegt; iets aan iemands verkiezing, welgevallen, overlaten; iets ter beschikking stellen, overgeven of presenteren aan iemand, ah midni an ^A(iSi\\ zijn dood {wij zeggen: zijn leven) ter beschikking stellen. — ojiv^ 0^2 mi (uialt;^rn\\ het met de vlakke hand ondersteunen, dragen,

praesteren, enz. — aïiamanji of qji a.a nm an/j\\ en

O

ail tj mi anji of a.i ai) ij mi an^ wat op de vlakke hand gedragen wordt; wat iemand te dragen of te praesteren heeft, verpligte dienst; verpligt offer enz. in sommige residentiën ben. van de aandeden in de sawalis in gemeen bezit, ER.; stnt, steun, tegen doorhuigen, zakken, enz.; stutten «/quot;gaffels op een vaartuig, daar het opgerolde zeil, de Hoe\' ten enz.; op neêrgelegd worden; de giften aan den priester en zijn getuigen bij de voltrekking van een huwelijk , padi bij sangga*s bv. opgebragt, of opgeborgen, enz. am ij r.n 2 hu Ja mi ^ uj \\ hij heeft het zwaar te dragen (er rusten zware verpligtingen op hem), en (hem is moeijelijk tegenstand te bie-den).

G) (?) . t) G)

ki nm — ajinjicm^ kw. zva. oji (urni i.ii^\\ iamp;iiki

O G)

mi zva. (tm (ut (unr.nji — (iJia^i mi^a/yi anjf\\ kn.

een benaming die ietn. door de mcnschen gegeven

1, (?) tquot;)

wordt. —(Kamiqtun onjiMnyf. zva. (ui aji ri m anjjx

C\'0 0 •,.(?) v.

ik 1 mi gt; \\ zie (ij) n^ {\\\\

(?) (?) o (£) t C)

(KJ)ryf\\ kn., a-;) nn q \\ Kl).; iin rr^ ? \\ 1. zva. arm /1 f \\\\


37

-ocr page 662-

K I CYl ) ? \\

578

Ononis

2. rm lt;r^ :gt; \\ kN. , .rm crn ^ \\ kd* , /W.9 voor houden, iemand er voor houden, ///; gedaan, gestolen, zon hebben; het er voo.t houden, meenen

.o n . (?) O .

(yry. (i.1 rr)\\ lt;??/, w~nt}a\\). — iHtn^(Hi(tn%\\ \'poet.

iets vaststellen, bepalen. G. — aj^it/icrt^^ eigenwijs. — meen\'n6» gedachte omtrent iets.

Oc Q« cv\' O . ,

(kkhi^skw. zva. ojiihn\\ en ckkm kn. een dapper voorkomen hebben, iemand om voor uit de weg te gaan. wa-)nm iets (het een of ander) wegruimen, wegbergen: eti een scliietgebed doen om gevaren of onheilen te ontwijken, bv. bij het gaan door een woud. — r/m cm {\\ een andere weg kiezen. — irnf :mfrm\\ voor iemand uit de weg gaan o/* wijken; iets mijden, vermijden, ontgaan.— i:mcm^nm 11 gt;1 un \\ iets wegruimeii, opruimen, uit de weg zetten of leggen, bergen; iemand doen wijkeu of uit de weg gaan; iemand iets doen ontgaan. — nj]am{\\ ontwijken, ontloopen , ontgaan. — 0?/ernqn/nonjj\\ obj. den.; waarvoor men uit den weg moet gaan.

Ov o 1 o -

n.i (m s \\ 1. kw. zviï. (uniLi/i\\ tj 1/11 oj (kjirj\\m zamensmelting van 0-1 en (uuom^\\ geheel alzoo. 2. kn. waardigheid, aanzienlijke rang of stand, waartoe iemand* gellommen is. n am 111 n/t q ikïon ^v. een aanzienlijken rang bekomen. — tw oiïnriqmri

mjj]^ waardigheid, aanzien, en ki. van u.nhjs en

, o. o O o

.1 j OV. inn (Kj) lt;rn % n/ti .ki ~.i i w lt;Kti K i rj nj ^ ) (?,i /

(Hij* U heeft volkomen gelijk.

Ov ■ o

(Kj gt; /j nnjj \\ zie hji »^ (Hl/i\\

(P) o 1 . .

njt cm »(ƒ n J. KW. zva. anj (E/fjj \\ ((k^njj^ r.i ihtjj \\ irn \\ e?i

a.n arr^\'-r) (ynji\\ ook zva. (Fji iJjiKyj en —

2. kn. muziekinstroment van glas, in plaats van

metaal. Zoo ook (rn *11 w ern i!j\\\\

quot;, ry

. ^ t O .

v / on \\ i. kw. zva. njj frjjiK w/j en iu i}ajj\\ en

ki. van tkirmw 2. kn. een wijd uitstaande en met veol rijen puntjes goed gevulde hanekam. n\'n(man nu (Ei \\ zulk een kam, als die er dik bij is, zoodat liet wel op een dalima-bloem gelijkt; een haan met zulk een kam. ojicyikui (f^ik chiq {(ui lit a^aoi anjj o f

nu cm (föiMyj) bidkapel.

G) S ^ (?) ^ rn.

(KJ ill - (Kf7J(ltl2\\ Ij.

(Pgt; s (P) S G) / lil 1

fl^yrrmNKN.; ki t^mizaj) tj rtus rochelend, een roclie-

lend geluid met de keel maken {vrg. \\onry (K^rjcrm ti(uijj\\ ronken, snorken, van een slapende (vrg. \'tl (vrttay-rn iHnjj).

(tjj rm n kn. een houten nuctrtiKi/j , een stuk aangepunt hout om mee te graven; beu. voor haarkam, oj.\'

CP. — (imj^rm daarmee graven.

(?) G) G) o . . .. .

(i^i mi \'n\\ a^irinrnrti\\ en arm cm^ria^js zie bij i

(ki(fmjsKX. I. ruwe omheining van een planfs, nuve pilgër {vrg. (i*i{lt;hi^^\\). 2. zie (u^ntiHti,^— een plaats met een omlieinen.

(iji{crt^a/ii\\ kw. zaamgenomen, collectie, verzameling, te gader, het gros; en opname, ontvangst {Sir. sanggr aha). — aTrn{crr^ajri \\ zva. (ï.i 1,ij\\ en u rjw(ui\\\\ — ()*i\\crr^iJiiiinjj en gew. (U(ki^nrr^vn tijdelijk verblijf, logies, voor een voornaam per-soon {vrg. irj oji2rjnrrntmiijj en een open

baar gebouw tot tijdelijk verblijf voor ambtenaren en aanzienlijke personen op reis.— (Egt;in^i^rmun^ naar zijn logies gaan; in een pusanggrahan zijn verblijf nemen, verblijven, tijdelijk vertoeven. (Ki^cmHti/j of {volg. Rh. beterquot;) kn. een in-

A Gl Ov

strument waarmee men aderlaat {vrg. aji nth); en aderlating, een aderlating ontvangen. —

tinyi of arin :^nip\\ aderlaten; iemand aderlaten (t;^,

Kquot;! rppo^ji)-

(ki (ïi^ 1. ti/js kn. — uhi m^ Hii/j\\ tegenhouden , den voortgang belemmeren. — (ki nrtiyHti nn/j^ hinderpaal, hindernis, belemmering.

wij inrniun/j \\ vj quot;KI ti frrr^? Ktiji\\ kn. , 1:111*1/rty uti^ \\\\ vj a-w tj am^i ictiji\\ zioh ergens vast in haken of warren, zooals een vlieger in bamboe\'\'s. — ihti Kirj^ry \'t tiji* Kti tjtKi ri (ir^tiinijfs ergens in verwarren, gehaakt of vast in raken, zooals een schuif in hd riet.

(ki^rrr^ini^\\ kn. — (ifni{ni^(ifiyi\\ sterk prikkelend voor

de reukorganen, zie diantuii^

(ki[ot^ toiji\\ kn. snuif, snuiftabak. — (ki^ \'■quot;S\'j hti/js herhaaldelijk met de neus snuiven, een snuivend geluid maken; snikken, van een schreijenit {org. a/n Kient/j en (Sir^arr^t t^Jj). —

IZLquot; (Kj ^t ti^crr^z.utijjs Sri T. — (ku i i fj ojj algemeen gesnik. — vnn ^ itrr^ hojjn snikken. m ij icm2 Krt/js kn. geknor, als dat van een varken {vrg. (KnKnrn(uti^ en (Qny rrrig^y — (i j i i gt;1 of arm ty z uhjin knorren. — (ki im ^ knorrend, knorren a\'ji^rr^\\ kn.; i7ni[cnT^\\ en rusten, w/rw

voorwerpen op iels, zoo als op dwarsbalken (lLquot;1


-ocr page 663-

679

t?)

ftjt iii| Kriji.

luiaiv/i), om hicttloo) gedragen te worden (vrg.

mninrns).

— G)

(kini^\\ j- kw. ava. en (utnTr^aa)ji\\ 2. kn. naam

van een rivierviscl.

— af rj

CP.

(S rrn^ KV. sclicrp, vinnig, van een gezegde of ani-vgt;-^\' - gt;

woord {vrg- oJwwijf en a i volg. Rh ook

ecu prikkelend gevoel hij het ftanraken vau eeu ruig of stekelig voorwerp. — itw-otj een rauw geschreeuw geven, hv. van een tijger; met een rauw geschreeuw snauwen, brullen tegen (PJ ) — rlni,(m n\\ iemand scherp of vinnig bescheid geven. (U/(rn\\KN. naam vnn een vischje gt; ook (Li -3) genoemd.

freq. mager als geraamten, {eig. als zulke vischjes) l?s.

kn.; rnitj^cn^s een krassend, harden onharmonisch geluid maken op een viool of der gelijk instrument {vrg. a^^any.). JK . volg. llh. ïclanknab. van het strijken op oen snaar van een viool.

jpv»»jn kn. Jclanhiab. van het met een kleine vaart

erg. teregt komen, bv, er(). gaan zitten, Rh.

ij Mi cm gt;1 lt;rn \\ kn. wantrouwend, twij fel moe dig, beschroomd, gegeneerd, niet vrij zijn, tegenover een

persoon, dien men wantrouwt; {vrg. njiin\\ en gt;j

o . . . k o \'

(ïïi\\ en ut 7i iii) nui \\). ntn ielt; ,i:} ij mii rj u.i2 au 11 an \\

wees niet wantrouwend of besehroomd ! — ij Kin?

(rn ij ij n) i!j\\ voor iemand uit wantrouwen zich

generen.

6) Q« ....

mnmni ndn/j kn. naam van. een rtviervisc/i. W(W }fnjj\\ kn. het uitroepen van //o , / uit vrolijkheid; gejuich {rrg. cntn.vi nvji); liet geroep van //o! ha! waarmee de man, die de maat van de muziek slaat, den dans van de dansers of danseressen begeleidt. lifimiiïni ^(rnaw/js juichen. — (imi m n?i\\ muziek of dans met een geroep van /w! ha! op de maat begeleiden, oo/c eva. (i-mm vn\\ met gejuich hegroeten, A. 27, 10.

* 0 o .

quot;M 07) t l \\ Zle Yj oj) I CY)) 11 \\\\

VUimi ih)i n. : (i\'/i crri in) iri\\ K.: w niti t eni 11, ti a i \\

\' O

.» o o

vgt;ri cm ,fj) \\ iets y zooals een aanzoek of uitnoo-tying* op een beleefde wijze ontvangen, maarzon-der bepaald antwoord laten en uitstellen; iem. met

mooije woorden paaijen; lekker maken.

• o _

quot;Kynthnjjs kn.; i:in m in het verhand zitten.

liggen, zich zamenvoegeu {vrg. uh nn) osd/jx ah (rn thn/f). — iio ern iflirj nn s iets in liet verband brengen , zetten, leggen of zamenvoegeu. — v\'i cm mi ao/j\\

verband; met elkander in verband.

CO ■. O

(K.1 rr^ isnji \\ zie (Ut c rr^ asiyi \\

Ov

o^i ani asnji \\ zie rjo. ? fori fj \\

(kïon ivi/j) kn. afsluitint!, afschutting, afgesloten,^/;. door een schotje, schutting of heg; blindloopen, van een weg; van tijd tot tijd uit koppigheid op

ftïns stil staan, van een paard; volg. Rh. beperkt,

• Ou o •

eng van ruimte, — o:nilt;rnasY)j)\\ iets afsluiten,

afschutten, afperken; volg. Rh. beperken, eng

maken van een ruimte. — iKtan osd onp ohj. den.;

afsluiting, afseliutting, omheining; v. e. paardSj)

rniih))^ van aard.

ij w rj cm i.iiji\\ of rj eni rj(hij) (isnjj\\ kn. lange stok 0/*

bamboe, mei of zonder scherp of haakje er aan ,

om iets in de hoogte, zooals vruchten aan een

boom y naar zich toe te halen, of af te stooten,©/*

ook om een tak van ecu vruchtboom neer te halen;

fig. middel om iets te bereiken, wat men beoogt

{org. *1 i\'i 7) mi * nuyi en id^n\'r) adj). — ^ rnntj m)

fonjj om rj mi rj oao (bnj \\ met een rj oji ^ mi tuiyj enz.

naar zich toe halen, enz.-, trachten te bereiken,

ook fig. iets zoeken te bereiken. — ij i ln rj cm am ij

ij 101 \\ enz. iets tot senggèt bezigen.

7j(ij7jmitH5r)/j\\ kn. wip of h(,ugcl van een pui {vrg.

y i\'i nmiObiifj). — rinri mi? tunj)• wippen, Jienge-

len, 7net een wip boven op een paal.

tj 7)zcmasojj\\ kn. omhoog gebogen van de staart van

een haan, als kenmerk van mindere gescliiktheid

voor vecht- of klophaan.

(P) (O

7) m t ns)) \\ rm 7)) 7.ti \\ k i)., zie 0 j cm nsn \\\\

o\'nm) (titt \\ n.irj rt)(v,)i\\K., zie o^j cm for) n\\

00 . O o

ij Ki2 mi )*.) iDi nKi)., zie rj i i? cm 1:1 tct w

\'rji\'itmi \' \'hji \\ kn., tj (kj) ? cm ii?i \\ kd., stijgbeugel

/ . . ■ i o 4 00.

{van fr)(ijiicm\\ wet \' Dn.ot \\ en (M gt;l,ii \').

a^i m^ 0vjji \\ k w. zva. (t n w volg Rh. een bijzonder fatsoen van haarwrong hij de Jav. vrouwen gebruikelijk. 0 tj \'1.7» rti nut) najj \\ een ronde sanggoel opgevuld met bloemen. 0nj) tjrr)to)n)nnjj een sanggoel waarbij de uiteinden van het haar los neerhangen ; zie tj 1011 tjerrn\\ m)ii^ w fM tti 7\\j)/i^ kn. naam van een zalf of smeersel tot afwering van ziekte of onheil. — met


37*

-ocr page 664-

(hj) rj crli i (n^jj \\

680

singgoel zalven o/ bestrijken. WW.

ij j\'i tj arm (iLjji KN. steun, stut. G. (On cm ij (Ui2 rj.H}! \'rj cmt iru/j\\ spr. voor iemand hij een zaak er bij halen. — ^jtvVjnn\'mtu/j\\ aankomen, even stooten of aanbotsen tegen; ook iemand hij het een of ander er bij halen {org. (un nïn rj ajii unjj en j h n/j). — 7^ k) /ƒ rrn2^ \\ tegen elkander aankomen of even aanbotsen; aanraking, botsing, 0mc1 ifijj mvji \\ met de ellebogen tegen malkander aan-stooten.

rjiKii tjcrmvu/jsKH. — ^ tegen stroom

ot\' wind opvaren, Rh.

(ijïctri •ui\\ Singh a la (Ceylon), Skr. Sing hal a.

(M gt;1 rm \\ fci rj u.gt; w Rh.

ii i \'t 2 on i u (ci (isii/j \\ k n . naam van een sl ing er plant m et fraaije roode bloempjes, een sierplant (pok de rug

vinnen van

(org. wDKnji WW.).

✓ - ^

0 1 ^ of ilJl (Vil

a i t ^ (uijj \\ enz.

lt;$}rj nn i rj (Uji e \\ gehr. voor rjnm tj i.u ? \\ Rh. d.^ rj mi2 rj lt;1112 ^ kn. ; ^ ij nrn 2 y (lia 2 t) zwaayen , wentelen, gedurig bijna vallen onder het gaanyhv. van duizeligheid, dronkenschap, zwakte of te zware vracht {vrg. omri iLi* n (UjI2\\ en tm 2 ij

iiaM2\\). JR.

a o

(hl enjjj \\ KW. zva. nn ij rm j \\ w ^ r;n m \\ (k i (ui oji h en mi ni(uiiHiji\\ {Skr. sang ga, schare, troep, pk. liet kan ook zijn van vhurjjj zva. (unmis met uji \\).

dj} dr) ijyf • kn. aannemen, op zieli nemen, hv. als zijn taak, vast werk, last of verpligting; ook om iets te ondergaan\', aanneming (vrg. ojinrr^ajiji). — i?//» (yh y \\ iets aannemen o/op zieh nemen, als taak, last, verpligting, of om iets te ondergaan. — xrrn

cm f-ir;mi\\ iets laten aannemen o/op zich nemen.

U n

— (i.yM(m (eajjs ligtvaardig in het aannemen ofo\\i zich nemen. — ajicin^(m/js ohj. den.-, vast aangenomen of op zich genomen werk, taak , enz. in Japara hen. der aandeden in de sawali s in gemeen bezit.

(M(m KN. goed sluitend, goed digt, vau een delc-

0« O

sel, dak of dakpannen. irm cm (EJjjjx iets goed sluiten , zoodat het goed digt is.

rjiji2 ijm2(fiji\\ kn. een bamboezen mandje aan een stok, waarin bij een begraafnis het aarden wierookvaatje, waarin wierook brandt, voor het lijk uit gedragen wordt; ook zulk een mandje om cr cea

waterkruik in te zetten.

aii cm (Li\\ en q\'i cm w \\ kn. , 2)oat., de b\\jslaap [Sh.

sanggama, vereeniging, ontmoeting) (y;v/.

\'5(0

(hi \\n liet wordt ook verklaard door cui f / m HSiyi),

urm cm (hi. i:iiirnii?i\\ den bijslaap uitoefenen, bij

een vrouw slapen. — irm nni (Li ry \\ een vrouw W

slapen, met een vrouw genieenschap uitoefenen(pw. o .

7.7/7 Iiin^(fj1 N)-

Q« O

(Kji nrn rrnjj \\ kw. zva. \'k i m

lt;677^ N

ff!lt;m \\ KI. va?i (Ui\'ri(ui/j of (Kim(Mn en van nui\\ beterschap.

(?) quot;) • 1 •

(uicri^ \\ of a i \\ kn. een soort das, Mydans melicqis, een viervoetig dier dat van insecten leeft, en ecu ondragelijken stank van achteren loost, waarm het zich als een wapen tegen zijn aanvallers bedient. 7x7 o?! \\ naam van een sterk parJmm, bestaande uit de windlozing v, d. sëgocng, vermengd met wierook.

hïcrh \\ KN. uitloopers uit de wortels van afgesucden | padi, waarvan de aren zelden korrels bevatten (vrg. ij Knij (1112 (iu/j).

oji cnï \\ of (Uj cm\\ kn. met figuren, lof- of bloemwerk geschilderd, door een fijnschilder-, nauwkeurig, letterlijk, nateekencn of naschrijven, fijnschilder, kunstschilder. — x.11^ rrï\\ iets kunstig met figuren, lof- of bloemwerk beschilderen; ielt nauwkeurig naschilderen, nateekenen of nasehryven. — njj (m (ci (hnji\\ kunstig met figuren beschilderd; nauwkeurig afbeeldsel, nauwkeurige kopie. iKin\'mi i:i(in/j\\ kunstig schilderwerk met figuren. — luojj crfi\\ het fijnschilderen; en zva. ae^iia^mw

,7.7i7irmji\\ kn. brand^erf op metaal; blauwe glued op de kling van een degen of sabel. dJivy cii V

ligt gebruineerd van ijzer.

o .O o O o o O (\'..

(M 1:1 nun\\ (irm C7 xtti \\ en j i ui im (Hi/}\\ ki. van ilt;ii\'

CO CO V

\' ï 1 (D 0 gt; ^ , t i

iru/j \\ ui /fy n en vni ^ tri (injj \\ — (ij^ u i i i K\'-

van iijj, f.nLj.

7^] L\'ijuriji\\ KW. zva. iuiiajiinriji en a i 1 j KN. donker door digt lommer, van een wond of laan {vrg. (i?i iiix-rijl en ■ti 1,11 unjj); de houten zoldering boven de (ui ren or^ \\ CP.; een plafond boven de 0ihn rj(ui2 ij(Hr2(^\\ gewelfd als de korf van du bij? Tj. ook volgens G. festoen.

Ar. l ^ io^ , Sj 0 e * ai h, eign. van


-ocr page 665-

O .

iU\'ir

de schoonvader van Mazes, volyens den Koran.

klanknab van hel broiniucn un snorren v. e. snel ilraageudo tolj oo/c van hel broininen v. e. tijger; pj. grootspnmk, zvn. uyinrnj (vrff. «jy

.i:} zie bij en lUKunw iQij 1:1 gt;i 11 n :::::::: op rj1:1 y w n M en.

(U)\\

ivi\\ I. KW. -CiW. i://\\ II. — 11. KW. ^a:. (i/n hi urtjis G. — lil. (U)\\ gew. u)\\ en in de spr. ook u) en (im utoom q/tante, oudere broedero/quot; zuster van vader of moeder (vrg. tui ii.i nn/j en rn aïliw en istj ut\\ en ayn utort^j). — IV. verkoriimj

j • Ov O Ov O

van ij* v tui\\ oo. infuj tvn ibn zva. ij vn.?;/ /y un bn\\\\

— V. (uitgesproken als wa! maar dan geschreven

iu){\\ zelden wa Rh.) uitroep van verwondering:

hè! — m hu \\ am ij) uu \\ of Am ut nti fi \\ ie oom Cb l) Ch J (j \'•«. I) J

of tante, ut yj tnj \\ ut tj taj \\ of 1m x

zijn oom of tante, ivt ij igt;ij wordt ook als vocatief jehruiki om een bejaard man aan te spreken. — r\']}lJ,s r\' ,ny]\' iemand oom of tante noemen, als oom of tante beschouwen of achten.

I. KW. zva.tx/^ fjte7i (Skr.

vn gt; ven voorvoegsel, dat meestal verwijdering^ af-scheid\'mg, afzondering, verstrooijing of verbreiding hcleekent, maar ook dikwijls de het eekenis versterkt. Vrg. u j \\). — Jl. kW. zva. nsn (tnjj of tjnrm ngt; N [Skr. w i, ook een voorvoegsel met de beteeke-ms van ons aanhechtsel -loos of voorvoegsel on-).

Hl- vt\\ en gew. a/tt t3\\KN. naam van een aardvrucht, Solanum tuberosum, soort van inlandsche aardappel, de obi, waarvan verschillende soorten zijn {org. am rum tiJt i^ijj\\ de bosch-obi,

Dioscorea alata L., die een verbazende dikte en lang to verkrijgt en bij gebrek van andere ook wel 9 eg et en wordt, maar grof van smaak is. —a:iöt\\ gelijk een ubi.

hjis 581

| O O

(ijj\\ kw. zva. ni rj iTjt\\ nmrta.tt nnji en 0^*71 (ini/j\\ — (unoDj^s of u\'A(iJj\\ zva. nmrj ru2 hvjj\\ arjaj^^s (Kttji en tfjj fij \\ (een ander amaij zie boven).

O Ow . , V

y \'j) \\ kw. zva. (iv»i acj^ \\ arrt ijj\\ en tut tiet \\ (vrg. tut il *yi)\' \\ rj•utrit\\KN. gekookt heet water, bv. om koffie of thee te zetten (tan tjiut \\ en /ui\\); warme drank , gezette kolïie of thee. ^ .ut ah rj(utt ? /ij}\\ kollie van kolliebladen. vj ,ut ii\'c: am am \\ kollie van gebrande en gestootenkoffleboonen. — koffie of thee ge-

bruikeu, Rh. — U7t ,io ajt \\ op iets heet water gieten. — n .Et ah (ét \\ iemand op koffie of thee onthalen; iets in heet water steken. — yj tut ah ut onji \\ iets dat tot warmen drank dient, warm aftreksel van iets; zamen koffie of thee drinken. —rj.üta.ii .»7(hn/j\\ plaatselijk een branderig, lieet gevoel op de huid hebben; zooals bv. door oen most er dpi eist er Rh.; van gewassen, die van zware hitte geleden hebben en plotseling water krijgen, en daardoor verdorren ,*daar het water dat op den he et en grond komt, als kookt. — ajt ij tui ah (in \\ plaats, waar men ut axt \\ gebruikt.

ut s \\ 1. kw. zva. (utijcrtiê yui.^Cx. (Skr. w ah, woning). — 2. kn. zva. (EJt utf \\ of (Etutvoorts, verder en daarbij ymisschien de grondvorm van (ft ut s \\ (ut ut j \\ en aw ut j \\). — 8. verk. van ij vtt t ut; w G. — 4. kw. zva. yj ut? jw G. [anders (fjtfs).

5* zie (ut \\ V.

n o . o T .

.ü)^\\KW. zva. rut(Ut^\\ {vrg. (ut\\ J.).

(Uj. gt; \\ of (unamp;jjjjs kn. 1. vuilnis, zooals asch, bladen, drek, enz. {vrg. njt (incmcLn/j}. 2. zie tj ut2% \\ 2,— zie ben. ajiajj^^r/rtanjj\\ vuilnishoop,

plaats daar men gewoon is het vuilnis weg te

O O

gooijen. cu^^t/tt (mjj\\ zva. yj ut i sam cnijj\\ van

tjutz^s 2.

yj (Ut ^ \\ 1. kw. zva. ijit)t\\\\ — II. yj ut j \\ kw. , en in zamenstelling , zva. am ij fji^w., (t.j tnt \\ k., (u ^ï\\ en nog hooger cm ict uj of ; ;ki. , 1. geven, iets geven; fig. schenken, te weeg brengen bo. vreugde. 2., en dan ajiaji\\Ki., iets willen geven,

toestaan, turtvj utq {of yj(Ut^) ut (tJiantajtt iïj.

• • O O quot;gt;

i:i\\ kennis geven, a/tt tj ut j t i u t f t i,tt/j\\ u ^ t.ii.ui

nt^ irlt;\\ hcilwenschen. im rj ut { rt/aXt \\ (ijj tctt aJ-y t

Qv - O o . . . ï

nw/js ajfyt oj (Eifottiotry (tita.Lts of it.i tia^ujj) een brief doen geworden (eig. geven aan een bode om te brengen), x tt ijut^ t it \\vt\\ toegceilijk zijn.—


-ocr page 666-

rt u)if\\\\

582

(Ut (UY^ \\

(Etrj (V) kw. zva. vnrjwfw — ^ uns (urr^

n Ou o O o O o /.o fquot;) om (Hj \\ (M n ir.i \\ (Hi fij) (Kj, \\ in il,h an rij \\ of (i,i tisti an

ihjs iemand, aan iemand, iets geven, voorzien vau

hv. een kist van een merk, slot of handvatsel. a:^

rtdJt^nmaynasvs toegeeflijk zijn jegens, bv. zoodat

iem. brutaal wordt; ooh iem. moed geven ; die wat

bedeesd^ is. na rj tuii {iut]\\ ocr^ rviaj^ uti uj \\ ik geef het

hem of haar. naji(m\\ geef {/iem of haar), t»

ij uj ojfti (ui/js anifKjtHiiiKj (hiji\\ oai iu\' r}vn (hnjj\\ pas-

sief; (rj (Kt {isn ttnjj ook zva. ij .vt rj njt % ivn (uyj \\

G.).

tot tnt hh mi,i\\ (F.mt

O

(17^ Ij VI { Utl Ij tOt \\ lt;171 ^ il

O O

art rj tot \\ an act wi rj tm \\ Oj (Et dm (iJt tni ^/tt rj Kit \\

iets geven aati iemand; iemand iets toeslaan te

doen. (in ny n^t {(urtrj tni \\ ik zal liet geven (aan hem

of haar), tjaJt % art \\ of rjojt^njrtiuj\\ geeft het {aan

mij, hem of haar). (utrjdJt^ kn. schenking.

O O O . . .1 .

jj ij ut rj ut % \\. i7tn vfjjwt inj \\ njtajfrts iets, (het een

of ander) geven, wat geven, geven i?i een ahjemee-

/ \\ o o

nen zin, {vry. ij(Otij(tn?). rj(amp;trjajt%tvn\\ r:iti

iKjj^in) lij \\ (Q(EJt^t cms iemand wat geven. — a t

rj (ut % (t/tt ij int \\ of aj (E/t tj ut jaj (f t rj ut s ajrt tj ant \\ * (WTt

O Ov o. . .

(ti n mj ijj tm iUtt ^nt utt (tnjj en (Et\' *i m •» art tj ant \\ iets

o*

weggeven. — rjiUtrjiUt p(utt (tn/js kn., a/t rt trt (tr^/j \\ ki., gegeven, weggegeven of weg te geven, geschonken, verleend, wat iemand verleend wordt; als geschenk gekregen; mild, gulhartig, goedgeefsch; ook naam van een gewas, Monochoria vaginalis, Presl. Nat. fam. der Pontederiaceae, op waterachtige plaatsen groeit, zooals op de onder water

gezette velden. De knol en de bladen worden ge-

j Qv O

get en. ajt tj tut ^ o ^ \\ kn., (ut iti\'tt en lt;i,ti an (tn/j \\

Mfotiactanj of (ut abttan an/t^ ki., gift, geschenk. ajutt of (Lrnrj,nt2%\\ kn. 1. vrucht, de vrucht van een plant, boom of gewas. Q.nrjajti^s ^blij

vende) puisten op het lichaam (v;y. ^»lt;rr^\\).

aait \'rt astyj\\ naam van een Kawische zangwijze, tj

at ut2q(uit an (St \\ Wangs, op ajirr]\\ AV II. 117. atlt; 7.. o o

(tJtqaydJtg^K., zie bij [rir^ant artjtjj\\ — nsrt rj dit d q \\ {ook wel aj(Fjt?^ R.) vrucht geven, vruchtdragend. — (vnrj tut2q(urt ay am\\ vruchten doen dragen. — a\':i tj gt; tz qams veel vrucht dragen , zwaar met vrucht heiaden. a/tt rj t» z^ajtt art rj f t z ? a?tt \\huitengemeen veel vrucht geven. — rj ajt z j a.7t anjj of aj ajt ^ ajrt anjj\\ k. van arlt; rj ^7 w — rj a.:t z ij (UtlfoJn anjj o f a/rj rj ajt z ? ayr^ tj \'Uti q n/n kn., vruchten, fruit, ooft.— a/trj rj .vtz fajrt ast/jWiVf. of ki. van ajt tntaït aitHt js —.

O O

of HOI ? i/n !tnjj X KN. (lilyveudc) [misje,

op het lichaam hebben.

o il/tj \\ k. , zie Tjt CLft^ \\n o ij am \\ N., zie a.rt rj a/tt \\\\

ajjj j a at ctnjj \\ zie hij rj (at z qw

ijajtzfajtt an^fj\\ k., en rj ut i % am an^ \\ k n., zie bij ij uti^ ajt q am an \\ zie ajt am an w

tj ut {aytt (tn\\N., zie b ij tj ajt gt; w

tj (Ut f an n of rj ut gt; am nN. , zie bij tj ut gt; w

ajt^(iQj^amjj\\ zie ajt % oaj^ asttjjw

O . ct

■ut ^(iit (f t an fj\\ zie ajt am (F tan/j\\

ajt rj am z ctn/j \\ kn. : (amp;t tj a/tt z a?j \\ op iets aanmerking maken of te zeggen hebben, als wat beter kon; ieti,

iu betere orde, of met meer smaak, schikken(tgt;r^ o .

(Et tja~.trt a£j \\). (tnt ut tj a/ttz an/j\\ an^ut tj a tteast js hii

O . s

•ut rj aytt z nj an ij en ut tij ij a/nzvj an/j\\ pussuj. rjiuni ■rt amafj o Kj tj utt iajj anjj\\ onberispelijk. — utrj vm a(j anjj\\ aanmerking, berisping, ajt ut tj utt i vj .k^\\ vitterij, vitten.

tj (ut zam anjj k., zie bij tj ut z sw ajt am an\\ of iuiqam ans {wa h ana) i. k\\v. zva. ë»| cm aztanjj of ibtt (hit ? a/tt i^Jj^ 3. kn. wat iets teweeg brengt, de oorzaak van iets; de beteekenis Mfm» droom; het gevolg van een belofte, het gevolg dat er aan gegeven wordt («S/r. w ah ana en lüdhana, • voer- of rijtuig; aanvoerend, aanbrengemi,teweegbrengend). a at t, ^ a/n (U ut am tij tj alt;j \\ wat bednitlt dat? wat zal dat teweegbrengen?

(Ut (ijfl an \\ of •ut ^ am tin ^ {w ahini). YSfi.zva. int rt t.i,j\\ en, volgens G., de eerste óf voornaamste gemalin van een Vorst-, — zoo in AS. ertt ut q tat a/t \\ {Skr. wl hinif leger, heir, en eign. van Koeroe\'s (jemi-tin. pk.).

(Utrj(un asrtjj\\ gei), verbasterd crtm^asrtjj^ hur. arrowroot, de arrowrootwortel. a a aft ut tj a it arrowrootmeel.

ajt j act aj aai aat/j of iut tatihj iu/i iHt^/j \\ Ar. wahdanl-jat, eenlieid; kn, eenig, de een ige, als eigenschap van God, JR.

ajt rj am z a.t ij\\ k., zie a^rutnt /j\\ ajt aJt \\ en rat*^-(E/t rj am z aJtjj\\ z ie bij ^ (C\\ quot;quot;Q en ~~ quot;

rj t /ttza.i Ja\\ en (f.a rj am za^a -ygt; ifn anji \\ zie hij \' ^ anajj\\


-ocr page 667-

dj) rj i/n vxjyyi un \\

583

aj) to. ? \\

a ija/nni nj ^N naam van de hellepoel, volgens de Manik-maja door Allah geschapen: gelijk God Goeroe de tntj 011 r:n \\ jeschiapen heeft. In het Arabisch sou hut moeten zijn ,

waüoe-ldj ahannam.

i c o n

uriijip o/«)?iU)\\ KW. 1. zva. nna/ti \\ /IJl.™-, en ril

a O

\\ (Skr. wdhja , uiterlijk). 2. (toen,

tijdens, wanneer. G.; waarsch. voor uji(is}i\\ zva.

O o/ O O r» i?/» n fk.). — zva. tuij vuajn \\ en mn tu)

m quot;n t) gt;

O

zva. liin/n

a { t in zie iL)ni£)ij\\\\

in^iwj* kn. 1. openbaring uit den hemel (y/;*, .

toahjoe). 2. van den hemel ontvangenc wuardig-lieid, hooge waardiglieid, hoogheid van rang en

aanzien; geluk, voorspoed {vrg. atï orn {\\ 2., en un

a* o gt;.

iu mi^am (mji).

(i| wi nu \\ zva. (bvi\\ zie aitidiiw

s O

iUifMjiiiujj of iv)? najjjabiijis KW. zva. en

),^!Liniit,njj\\ {vrg. l»rnjjasujj).

O * amp; CO

a.m!.ilt;)n/j of to) qn/ii iamp;i m ^ \\ K w. zva. it) rj hu 2 ij an 2 w

q* o

idvnnkn. , fl«/(07j\\Kl., niezen.

vi 1-?^ \\ 1. KW. iryrt. (ukl/y^w 2. kn. naam van een plant of boom, waarvan de bladen tot medicijn gebruikt worden.

Qn/h^KW. zva. (10^ iJi \\ of

fgt; » _ O .

vi un \\ - ui (bhi W

\'CKmjjs verk. van njn i:gt; aojj en van asnitJi nn/j\\

vj uiijs KW. \\asij Q/i nnjj\\ zva. t

\'tjw in dc spreektaal ongeveer zva. rj nn up \'t gaat wel, \'t schikt, Rh.

v)ihi\\ mvjin/j en iuiu) 1,1 .m/j\\ k., m\' 1 njrunj}jj\\ {vrg.

Iquot;» . o

} 0 }fi\\ of KW. zva. hm an (ui ajt

rjiUKHTji {van (Ut ih) \\ en i n ^10 n Skr. 10 a n ddr i, van 10ana en adri, wonden en bergen, pk.). — o un tui 1.1 \\ 00/r jtt» nn V) 0.1 \\ kw. .iygt;j 71/ py \\

I-»

N., (U}Dn(Yr^\\ k.; echter op on^Slcr. wana-wdsa, wondverblijf). Zcc ook a n hij, 1 im \\N., w m inafi zvrh^ k., wond en wildernis, wan arm}\\ een hoseh («Squot;^. w an dn tar a gt; liet binnenste van ecu büseh, een buseh in \'t algemeen).

\'Li in n k w, zva. aui \'ni w

O

\'üquot;^nkw. een schoon gelaat, G.

rt

w ^nkw. zva. at (itï i\'i/i \\

\' G//

zva. ij nn/nw* kn. afval van bossen padi, losse uren of korrels, die er bij het bewerken nit-vallen.

kn. iemand kennen, door omgang of verkeer kennen {vrg. /u}nj^\\ en ajj/fj (uijj). — met iemand kennis, gemeenzame kennis, maken; door gewoonte de slag van zVAy hebben,\'^#.

zie aj) 15^^n hjixsni]am\\ iemand in kennis brengen met een ander. ul) di q un onfj \\ kennis, een kennis van iemand \\ (ook verkeer, verkeering, omgang G. Vrg. en asiin\'^ n). aa aj)an.■gt;ajnonjj\\ kennis met elkaar maken; vriendschap aanknoopen, VV. I, 477.

aj) ar^ aai --n n kw. zva. fot a^a/n -n w ij) lij\\ n. {poet. uinj hj), K., het van zich

kunnen verkrijgen of den moed hebben iets te doen-, iets durven, wagenj moedig, stout, driest, brutaal (vrg. :})aiijn Itia/j); ook driesiweg, zonder iemand te ontzien, bv. iets wegnemen of een deur openbreken, volg. Rh. ook met geweld, met dwang; het staat Allan achteraan gt; bv. li. T. Dj. 250. uu ei n~i ah (1*1 ui an n \\V. 11. 390. asn mi ~ i .?:lt;/ nni in \\\\

d a s (j od

uiiin ajha ^ aji uw \\ een eed durven doen. iiti abii crfi hj \\ tot moed aansporen. — vi nj lt;fJi aij \\ a ^ ij an an /j \\ zicli verstouten, zich vermeten, de driestheid of brutaliteit hebben, iets te doen; driest, brutaal. a*!}oji ui ?y uiay/r]asj\\ op de brutaalste wijze, bv. iemand slaan. — lt;f ) ui i?j \\ of if lno n en ïo \'t j ^ anys iemand aanmoedigen, den moed van iemand opwekken, hem moed inspreken. — \' 7 \'JNN lft iemand aandurven j tegen iemand in verzet komen. — ri rjan om tj ini\\ of *1 ij uj om ij arj ini\\ en (Ej ofj ihl nn/j^ iemand stoutmoedige/ stoutmoediger maken, maken dat hij durft, zoo tegen ionand doen, dat men maakt dat hij stoutmoediger wordt, door bv. eerst weg te loopen , en van een vrouw door zich eerst koel te betoonen voor de minnekozerij van een man; tartend. — iFiy^uj ini »ƒ uj mi ~oi tj mi \\ iF^njiHyi^ujjilt;ii anj^\\ zich moedig zoeken te maken of te houden , zich vermannen; tegen iets zich zoo moedig als mogelijk houden. 0\'ajnobii tjatj \\ den moed in hem zoeken te houden, hem van tijd tot tijd aanmoedigen. — 01 ipHjan^s o^ny{j\'inq\\ moedig, stout, brutaal, van aard. — om 1 o oj nj anjj of on^ iotojiuji^ en omaj^ om nT moed daar iemand mee bezield is; iemands dapperheid c/\'stoutheid. — \\ni 01 7 0f \')} 7


-ocr page 668-

utihjnjn \\

584

n

ri iK \\ en (Vi 7) (in

vs^

(TJdJI Yj

(bi\'ij(iy%\\ kn. anders, verschillend (vrg. vjn-mrjly ^). (Q\'KM ijTgt;2\\ anders dan. ojitui of ihu

{of (Sn aai) aj) (birfiHjqs ook wel enkel tui tj sommigen, anderen (vrg. ojiihniciq\\). —

(i/ii\\ of ojI(ti ijr£j%xm \\ A. 10, geur. tun tj i/ ^ a?ii\\ zonderling.

njiihjjs kn. zva. het Mal. bib it, alles waaruit iets geteeld wordt, zaad, zaaizand, plantjes, poteling, en een fokbeest, een beest dat alleen tot voortteling

gehouden wordt (vrg. (uiaSs); Jig. oorsprong, oor-

, o o o O / n . L

zaak; eu zoo gew. gt;iJiiniiHjq\\\\ \\v:ni(iin(uii.j^\\ net

zaad (voor plantjes) zaaijen. — m (ijii^ gt;(uti (injjs en

ver/c. .i?i tjj % (im (ui • \\ zaadbedding. — {vrg.

munji).

7 O O

gt;1 (ui ij (kj. q \\ ongebr.; /ƒ w ij uj j ilii \\ tj m aju \\ en oy (U ny nj % nJii \\ zva. ij ui j n/ïi \\ van rj (ui^\\ {Waarschijnlijk is rj ui rj dij q zva. f » passief van (ijlt (Uiq\\). ij tri iJ\'iLJ J cun gt;j nu \\ i.i rj q un ij uu \\ e?i ij (Lii ij mi j 1.71 tj ih n \\ zva. n:^ rj oji :gt; am tj ihn w \\ .10 tni rj (hi 9 njn ij u u \\ Md., voor aci h u ij nji vj i j q ajii ti(un\\ geef het {inij)\\

as Qorhjw 2. kn. naam van een hoog en hoorn y Anti-desma Buuius, Sprg. en van de aan trossen groei-jende hessen daarvan, die aangenaam znur van smaak zijn, ongeveer zooals onze roode hessen. Men heeft ook zwarte of donker blauwe, die zoet van smaak zijn. \\ benaming van een

soort van gestreept goed. — ^ fuj wji \\ hen. v.d. {iil. stompe, die den vorm van hebben) do

rens aan een Jav. stang (ifncnniruma^i?\\). — ttai Ca.)

^ Q O

\\ KW* zva\' 7/ 2 ^ n^JlN en IM Iamp;l ^ ^ \\

O O

\\ io /k^ lt;hj \\ zva. (Kii m «v?«7» anji \\

nj(uii^sku. eenvoudig in een van achteren loshangende streng zamengebondeu haar {Skr. wenï); ook liet haar plat over de slapen van het hoofd gelegd, een wijze van kapsel. — zie hoven. —

O O

tj ie:?!(U)(hi\\ KW. zva. (K/i niqw

vermetel.

(kw (Ci Lj anji\\ k., zieli het voorkomen geven van dapper of moedig te zijn; t\'w zich verstouten, de vrijheid nemen, zoo vrijpostig zijn, iels te doen)

vrijpostigheid.

o rgt; . o o

(v^pj \\ 1. KW. zva. iiJti til\\\\ ook zva. (ma-ji i.n \\ en dji

H alt;r^ (Li (U) \\ N., foi n j aa/j en gcw.

) 7 \'*£j Js KW. ZVa. 7j r:ri (Ui \\

TS

ry$ en \'HntLj !,*yjs stout, te gewaagd,

(uiihjajii\\ zva. iui!hj.rv\\ van .ui.ijiw ü.

Li L O •

(ui(hjanji\\ zva. a/ii.ui(hj_anjj\\ zie bij hjii.uimip

(uhhj (fëlrn\\ zie (ui (hl w O

(ui iHi 7i (jsi au \\ kw. zva. (oyjdjiw

ct / . , /

(ui ijTjjzs zie bij i^uidw

/• o n

(ui(hjti \\ oj (ui i(j rn\\ kw. zva. u n ij ici /?. n/j {Skr. tol

nar a). — (Ui (Hj ti (hnij \\ zva, ij ai e y vyy hh h, ^ \\ (uii^iaiïs zie bij ui an \\\\

(ui)i Hj i (uj p kw. en poët. zva. lt;ui ij mi i (in/j of ij i\'u,, riaxi2(hij^s en («S/i-r. man odnja, schoon,

en een prinses.) (ui(rj (Hj 2 (ujjj (un (Wj.\\ de schoouc. cuilt;Hj (hu \\ kw. 1. zva. rj (vmoirjdm(hijj [Skr. wanita). 2. zva. (uiinsn\\ {Skr, gan ita, gereken, het tollen; cijferkunst, pk.).

(ui hjosiiaii/jsKïi. nm. van een houtsoort, waarvan 0.

a. wandelstokken gemaakt worden, (Tj.). (vtQu^s kn. helder en zuiver, meestal van groen en geel, en van het gelaat, als daarin zekert, luister doorstraalt; doch ook bleek (Ks.).

(ui (in (ui \\kw. gereed, voltooid, G.

O

(Ui 7£j (in \\ kw. zva. frjartmirj (tviiw

O O • f ..

(ui ij (hj (lm anjj\\ zva. lt;ui i^Hj ^nm zie bij vjuijw (ui(ih\\KN. 1. zva. (rini(vi\\ Ml. bénang, volg. \\\\\\\\. bepaald katoengaren. — 2. po\'èt. zva. mi (Hj\\ het mag. kn. gemagtigd, geregtigd, bevoegd; vrijheid hebben om iets te doen {vrg. (i,yiuiiui\\ en

7li 7li \\). (ki (bi(Hj (l» tij \\ willekeurig, eigeiidunkclijl!

/ lt;*gt; ^ V O C\') . .

{vrg. (k\'l (lui (ki (lbl \\ ). - (ui (vi(hj\\ oj (ui (ui (hj \\ lllflg-

tiging, autorisatie, die iemand verkregen heefi uj

bezit; voorregt. — uji(ijrj(hj.\\ gemagtigd, geregtigil;

ook bijnaam van God Goeroe, als door

71 (kji (iji tot de vjsreldschepping en wereldregering

gemagtigd. (Hn tji ihj \\ kw. zva. (hu gt;ui ijdJiM\'*

(rui j \\ (hn7} (kit\\ 1 omoij q \\ en nmhiiihj (hip —

(ui(Hi\\ of (Hri(UiHi\\ kn. gemagtigd, geautoriseerd, O • O »

geregtigd. uil ^ mi 17. n (Ui hj (vi hj \\ \\\\ P. ongebr. voor 0(ki.4?rHja?iHj\\ zich tot alles geregtigdaclitcü,zicli alles veroorloven. — het winnen, in een

gevecht, proces of spel, overwinnen; iemands winst \'m het spel; iemands overwinning in een gevecll of kampstrijd {toestandswoord, eig. de niagtigcw of de door het fortuin gernagtigde zijn; het tegenovergestelde van am (runs). itiSi(Uj \\ oude benanhj van het rijk van Këdiri. (uhj 7?i \\ n. , .■ k., iets nog aanwezig vinden; iels beleven, nog be-

-ocr page 669-

O a.

\'quot;\'fV

5K5

leven, i\'0!; bijwoucu; iemand of iels nog liulen; iemand uoi; iquot; leven vinden j uok iets beleefd uf

bijgewoond helilicn. £!ii \'ni/i(k\'iy^j\\ liet lijlc nog boven aavde vinden.— h n ■/; ih ii;;) anj^ \\ pass.; ook

:va. ontdekt, op iets betnipt, li.

„„ O . , O . , O

T i)j. 83. — rj pj i i ii^ii \\ {ran ij lt;) of i.i hji

ayio^ium (»«« wnQrijs) iemandiniigtigcn, anto-

risevon, geregtigd maken of verklaren, an X\'i nU m ij

of). ■ j- n ■

ijhtn en v-iquot; rgt;) \' jN passie/. — /f i i.j t i y ««in iemand het doen winnen, overwinnaar doen zijn; iemand winner verklaren in een iwisl of pro-ces; over iefs beschikken. — r;) lij x:i itip een winner, iemand die gewoonlijk wint, gelukkig is, in

O • O •

h\'i spel. — ifji njj (17) onji\\ zegepraal. — oji /ei tuj \\

overwinning; overwinnaar; en naam van duwoov-plaats van Wrëlcodara j oo/c zva. (Q.Qah w

cquot;) 3. . Qv O O O

ini\'j KVi. zie (hi\\ x. (Lxiijui k., zie bij

kn. naam vaneen wilden hoorn , waarvan hel hout tot brandhout en tot hei maliën van djoe-

koentjs gebruikt wordt.

) o o o . ;quot;)

iV\\iuj(C)\\ (ö^hjcc.w zva,. (iJi^(Hj. i~inK., zie ui tj j\\

vi.tim\\ l. KW. zva. (vt(énnaijfs — 2. K.f zie (vmu^w — 3. kn. eigenzinnig, eigenzinnigheid, kuren; kuren hebben, va?i een paard of van een mensch {ynj.

Qv o . o

h,iiiuii?\\ en (txi(un\\). ma~.w ijinj\\ kw. zva.

ct .

zva. luiihjanw iei rj r:in iïj \\ en if i f iij rin ihj

aanmerkingen maken of te maken hebben op, gispen {vi\'f/. (Li vj vn 2 ihj \\ van ldii njtn w j). i» rj urm lyj inq en éjnq ii{j dajj \\ passief.

\'Virmj\\K\\Y. zva. iiu/j\\ kn. verkorting van een

woord door afsnijding van de eerste lettergreep, zooals (f.ianji voor ilq iamp;i (mji\\ tui an/j voor wtiu arijjs \'Iii kuji voor (tmunjj\\ mi o-jfjj voor tencrr^a^jjs (nil \\ voor miiióis alt;ïi\\ voor uit iu?)\\ ijI\\ voor nsndol\\ enz. {vrg. waoiiuh). iu wn ^ n k w. zva. an \\ KN.

een woord verkorten; ook zva. (lhhk^ieen

(A

zaak afdoen; {en zva. m lt; :ï \\ verbieden, en ivn au ai iLi nvn ? \\ (W. II, 335)

at i in\\ KW. zva. (tiari\\\\ \\ uihjjrin\\ CA- O Cl

o ■/quot; o C-) o

-......... \' \\KN,

Tt/iu/N beletten, G.).

gehr. iti vm ;tiim \\ zva. iamp;kicis v. (Cidnw Kh. — ■

gt; i-ni { Mi vnjj s verkol t. öv. dm ^ j f :i arin {(LH ihnjj\\

\'unn s\\ liet verkorten.

^llclUfyis Kw- zva- en (li aü \\ (weigerachtig,

weerspannig. G.) n vin, ook ajn ivnuti^

0 (A h Oh l)

ilK yeW\' m i^ri iim \\ kn. traliewerk, hekwerk.

hek van ijzeren o/\'houten spijlen {vrg. il/kijiiilt;iin\\

.. O V

«3. Het v) — (ij Km (unjj \\ zie (UKl^rnhn^/jS

(i)i (ui \\ kw. zva. 7] \'Ui iiinw 1 C-

a o

(Ui au zva. VKutw

\'Ut \'Hi \\ of tuianrn \\ kw. zva. (ui (fn (ui \\ {Skr. h a n d o e, bloedverwant. Vrg. (uiopajis); tui on \\ kn. manwijt\', hermaphrodiet {vrg. (ui(ic^\\).

(Ui vi (hi \\ k. va n \'Ui rr^ \\ lt;ui ■ n en (Vj w {vrg. tui afijj \\). kn. een tijdkring van acht jaar, waarvan elk jaar een eigen met etn Arabische letter onderscheiden naam heeft, en wel in deze volgorde-. Alip, Ehé, Djimaival, Dja, Dal, Bé, Wawoe, Djima-kir, ook de diagonaal, Kh*. (kuui no\\ een windoe. (acht jaar), n riètul an \\ twee windoes {zestien jaar)

— tli(in\\ eig. als een windoe, lang wegblijven ;

(/1)

ommuren, bv. een put, Tj.; een diagonale lijn trekken; zich oude gebeurteniasen voor den geest halen; zich verbazen. — tui rj op d an^p bij windoes j windoes lang.

ij (Ui2 an n Kw. zva. ij irti i an \\ I. — KW. zva. i/ïKUi injj (W. II, 544, 3 v. o.) kn. zva. aci ij^\' zooals in (ia a\'a \'?ï(ü\\ m (injjs ook voor het uiterlijk voorkomen van iemand, 13. M.

ij (ui e ij an ij ihj n tj (ui i tj (in uj\\ zie bij oju an w ij (ui tij an (fn anjj \\ zie bij am an w

S((ki\\ kn. getal van tien millioen (aS\'/t. wren da, een groote hoop of troep). — tui((Hi a^n/j^ tien mil-liocnen, bij tien millioenen.

tui (hi zie bij (ui an v

O . O

(ui (hi 11 \\ zte (EjI alt;i nw /C- C-

O O . Qv

i:t ,Hi ii \\ kw. zva. tij N en i^ncnitii.i ^ia/Khiijjs (ui (hi u^j an^ hii^/j \\ KW. de hoogte die een vogel doorzijn

vlugt bereikt. G. Vrg. (t.1 (iaanjnPianijj\\

(Uianasns KWy alles te bovengaan; alles overtreffend

{Skr. wan dit a, geprezen, aangebeden, pk.).

o cV . q* n

tui antHi gt; kw. zva. (kiiki\\ en (Liicnicni-ntlnvkrua ins £ gt;

ui an ui \\ of uierrn ui \\ KW. zva. ojiatj ai ujj en alt;au ui erru in Waj. I, 305, avy n i0\\ {Skr. h dn daw a ,

bloedverwant, nabestaande. Vrq. (ui tin\\). ui a/i ui an

J Oh 01) C-

(ui\\ bloedverwanten en nabestaanden.

- . rquot;)

(ui an ij \\ KW. zva. \'Ui tj hi \\ of zva. \\ en aninni (rnjj

(6/r. w an dy a , onvruchtbaar; vruchteloos, te

vergeefs, pk.).

(lh (fn\\ kw. zva. ojii tin anji^ (wanvorm voor (ui2 (lgt;ii \\

Skr. wd t a , wind).


-ocr page 670-

586

iuiföj\\ en o^^nkw. «yrt. rr?7^jn (yr^. 2.). «j»

O O O O

flh? \'?\'\'N N- gt; N K., O \'/J/ ^rtJ) fin \\

poet., aanhoudend, keer op keer.

iui^r;\\ kn. 1. aard, geaardheid, -u)aQun^ ook zva. (ij}(hj)\\ omdat, want; vr^r. naff omiu)rj(hj\\ {of il» ($1*1 \\ tHji\\ Waj. Ir.) oö^ gesteldlieid; gewoonte, G. 2. aanhoudende, voortdurende bijvoeging, bijdrage, vermeerdering;bijstand(vr^. en (iinifn^). 8. of ir.nnri^ het kokend

water, dat bij het rijstkoken in een afzonderlijke pot op het vuur in gereedheid gehouden wordt, om het verkokend water in de iihiia\\ aan te vullen. v) (féln aanhoudend op elkander volgen. — (Einjiffls KW. aanhondend, onafgebroken; vervolgen. — (fji {ook ifj(U) (ffi\\ W. I. 185). l .pocL toevoegen, vermeerderen ; iemand aanhoudend met iets bedeelen o/begunstigen. 2. kn. schoonzoon o/* schoondochter; en een bruiloftsfeest geven bij het uithuwelijken van een kind i zoodat men een schoonzoon of schoondochter krijgt; en (FjIof iQlt;ei fHi\\ een bruiloftsfeest geven. nSihj iamp;ieen Chi-neeselie bruiloft, my) (En(fn\\ of t iiy tot schoon-zoon aangenomen, \'vi ifj /n iy/jnm joi aw/j {of un am t)ajtiuk(htjj) aanhoudend begunstigd worden met zegen {of geluk). — iei rjnnt uj\\ erg. (im ij) bijdoen. 0aji wcmjjs met raad bijstaan. — iamp;i ^ tj ifiitaa p een zoon of dochter aan een ander uitlui wel ij ken.

n)rl \'injy of 1)1 HQn KW. zva. w

O .O

(Ui(i/in KW. zva. (nAani s zie ilignni mi\\

.t^^o vKW. staart. G. {org. niian (inyj).

(Lji^i\\ KW. zva. a.rj,/in\\ en {ook doof zijn,

niet hooren. G.). (iwn/n kn. schrikkeljaar.

o O ^

nj}iHiasnji KW. zva. inn ri vin n

kn., naam van een wilden loom.

(LHWfs 1. kw. n» \\ of tamp;i iui fin {\\ overstroomen, den grond bedekken ; en zamentrcffen, vinden, ontmoeten. G. — II. kn. in zijn waren, natuurlijken staat of toestand, zuiver, onvermengd; bij een strijd zonder listen; ongedekt zonder schild enz., steunende op zijn kracht? Men.; echt, opregt;niet verbloemd; onbewimpeld, openhartig \'{vrg. oj(Utrj ij ik(U}(Ui(fp f \\ echte Javaan. ^mid rrirj

tf cnii(ui ij) rm qijd/n \\ zich niet eenvoudig en natuurlijk houden o/gedragen; niet opregt, niet eerlijk

zijn. — wivtHijnjnrjuns cans, iets onbewimpeld zeggen, W. 1, 149.

vi y an j \\ (Ui ij an ? urn ary \\ zva. lt;rj tui tj föi ^ s

(l/ll !Hl/j\\

n ^ n o

ui (flij \\ zva. (ui cyn q \\\\ \\ aji (ri a (Ui ^ij \\ spr. , zie lij

(IJl (WtW

ijajirfw^ kn. zva. uiföij\\ in zijn waren, wcrkelij. ken, natuurlijken staat of toestand. Zoo ook iji, VW?V\'tJ}VW?NN Nn\'tJiV^n^i/li\\ in de wc-zentlijke werkelijkheid {niet als in een droom)-, mVt verbloemd, versierd; geheel zooals het in werkelijkheid is. — Tj (ui tw anji \\ (bi lt;rj i gt;i ij qri j a m on ij of t) ii n rj f rj i?» ijw ? a m dajj \\ ook wel \'uiy (hi \'mim^ enz., in de wezentlijke werkelijkheid, met onbene-veld en helder bewustzijn, hv. gezien, rjaditnï ni» ij an j üjii an/j tot volkomen bewustzijn komen, uit een droom of bezwijming.

(Ui fin infj of ni^n (hi/p {voor am an nnjj) kw. zva. ijrn

o

n k. van (imanw

WX™J

ui qnan^KM. van \'Ut ajj \\\\

ij ui2 (fn nnji K., zie tuil cm w

(Ui ^n\\ KN. zva. im {en KI. van ini\'in ni/js—u

\'cy..... ......\'.uo o ^ o

ftQ\'TTHiJis KI. van ani anaiian^

- alt; ii ui an • gt; gt;

CY ^ , ...../( aai (Ui (fji (ui aays kn. al

te vermetel; vrg. asn (unjojjojj anjjv 11.).

.ui fin\\ KN. algemeen gerucht, dat van iemanduitgnat, iemands renommee. — amQ(n\\ algemeen ruchtbaar worden; ruchtbaar; ruchtbaarheid {vrg. ?V»V;| s rt ,

itjjj (Egt;iaj^ajj\\ en ue^wns).

ij^^n (1511,1 \\ kw. zva. dj^\'-fis of poët. zva. a^ nw wij foii ^i miiji \\ zie bij foil ij\\

O

\'UI zie quot;Jl

(Ui ^n(Kijj\\ {volg. W. kw. zva. ij lai\'rj dn ~iin if) KI.

van a. j nji \\

(Ui an/j tvi \\ zie ui ij rn 2 w

O O

ui (^(i .uidJi/j \\ zva. rui ihn (Ui njjj\\

(ui(jnitvi\\ kn. iets uitstaan, verduren o/ aithouden kunnen; er tegen kunnen; gehard; onvcnnoeiil,:^ iki aji au) \\

(ui im il i an/j\\ kn. de paal, waaraan een olifant vastgemaakt wordt.

O

(ui zu\' iiJ) !{f/N lL:i 7 2 NN

(Ui ij |n(im an/j\\ zvi. ui ij anjti/n anjj\\

■ij.ui ij (^na/iianjj^ zva. ij \'uiijan qan anjjs

iUl all V KW. zva. .1777 [K r N\\ \'UI (jfï \\ (UI (UI iHÏ - (\'i\'j.)

, n o.


-ocr page 671-

587

natte handen uitslaan, daar de Javanen ze niet met een doek afdrogen. — ™ $1 n kw. zva.

Ti\', km. ; wascligocd uitkloppen, uitslaan, om te reinigen , do wasch op een wasehlmnk of steen seliooukloppen {vry. ivi^ps en in ij nji d uii/j van hh gt;] (jjit nv/j)- — 7]\'Fjl2 $\'f1 ^ regts en links kloppen eu benken; oo/c fig. zieh regts en links draai-jen of bewogen, onrustig zijn, {yry. rjtim21.11 bij am \\). (ui u) |?r ut mij \\ of tui m r.i in /j\\ plaats waarop wascligocd geslagen wordt, om van het vuil te zuiveren,

öj^nKW. oen begin. G.

,5^k\\v. zva. *uiq\\ (vrij. n^i^i\\).

vnow^ kw. onvorvalseht, onvermengdy echt. G.

zie iui thn w M (quot;l

!üiawan/j\\ kn. een moor met gekruld haar, een Papoea. WW.; welligt een Bandanees.

uuun r)\\ zie r*Jt(hniU}\\\\

Ui

0 . r) .

01 i\'iu\\ KN. zva. (ij}rjn\\

(l .

iinj,jut/j\\ kn.; ie^ met de vingers druk-

kendo en wrijvende verbrijzelen, verkneiizen of vermalen {vrg. oim .nj/jihr)fj\\ kt q en r-t inij iiijjlij ;) O v

n

O

(ijl isri (Hi \\\\ \\ io) /1 / itj) n

ciiWff\\ kw. zva. oji tui

spr., zie bij (ki n/t\\\\

miiynwi^ zva. iunjiyw/j\\

0. rquot;)a.. .

ij\\ zva. ij)\\ zie tniw

»|)p kn. naam van een wilden boom, waarvan het

hout alleen tot brandhout gebruikt wordt.

viwn kw. zva. .1/1^ nj w — 11 (hv \\ n. , in rjtun ? (i.7^\\ k., hardop lozen, oplezen, verzen zingonde lezen, n w7 famp;i \', \\ ^ o 2 rin [ii^fK\'i \\ zie ij iui i irtri nn^cui \\ W. I, Cl (Skr. wdtja, spreken; lezen; zooals hv. in w dtja-jatiy hij leest. Vrg. a:^rjyj nn ^/ntj ijmtK en w^iui.Kn ^)Jj\\). ramp;iuw\\ ikl f 1 yj n.712 j. i/js zmgondo lezen, in het algemeen. — famp;i ?o» im rj ij iin^ iFA rj un t nj) ifn onjj\\ iets laten lezen enz. aan iemand\', voor iemand iets lezen enz., iets voorlezen, enz. lt;viaj)(Hi/j\\ tui rja/n2nj) (irifi\\ om te lezen, lectuur, n 1 (Üji0\\ leesboek. — (u f t \'n miMrft/rnwjjs het hardop lezen, enz.; ook lezer, voorlezer, G. — a-!t) tj) } •»n of [nsyi uiujt\\ kn., of ook [apj ut tj i\\ /n * tJTjj gt; K., te lezen zijn. ithtastnn) \' \'\\ wat er {hv. in de brief) te lezen is. (WP.) R. ijijii2\\r) {of ^tiutnjts liet niet kunnen lezen. Dj. M. 11.

o

UKh^ kw. zva. (h\'invL)ij-i\\ zie nmut^w u!hJt\\ ook .zji ut)\\ l. kw. taal, spraak, verhaal {Skr. wdtja. Vrg. iui u)\\ en lui.rjton). 2. zva. (iQumn)

en dj) in % w /k itiïj rt^fia q\\/n on diuw n Rs. hij hield het voor werkelijk echt vuur ibt tD\\ (Sini\\ of tuit

ihtKTts ronduit spreken, zeggen 0/meedeelen, hoe

O

en wat iets is, wat er van te zeggen is {vrg, nin

v c) , O - n

irv)iai\\). n.t.vt igt;Jt n verb. v. rKinjt \\ zie (hiiurjj^

Cquot;) O L) O 0

— nu njt ut \\ zva. (tot njt(}jt\\ van ihtutw— fjtiutftjjs

iemand iets verklaren of in opregtheid zeggen. —

Q(Kit 101 ^tt rj utt \\ iets verklaren of in opregtheid

zoggen aan iemand.

utojtiHis of urto) (H) \\ bij verkorting i \'t (hri \\ kw. zva.

n/r^xe:^ (tJiiri/i^p en a/inr^ ut ui/p {Skr. watjana,

taal, spraak, gezegde, van wat ja; zie bij own

en vrg. .ïSiior ). — n/rt ui tut on \\ of lEn tut (ut tm n zva.

n j s

uit n u tn oj th i ï5gt;ï w

rt O • O « O

ut iji in (hi/j*. K., zie ij» n i w — o.!?oï irt nri/in k. van

o w O /

d tut \'rt \\ en gew. zva. tntt ipuut/i^K. van i.iit zie

x o c) o (*gt; O O ^ O

U\'t XSYt W - Ifjt (IJl Ml iqs /U ut I .J llt; I) injj \\ t )l 00) Ml :l. j

O oquot; • O

in/j en oji ut iji mi (tfj in^ zie bij i t rtj) 7^ w

(UKtjj ii riJJl K., zie ut rxjjituw

fut (ut tin kn. redenering, beredenering {Skr. wi tj dr a;

van

tj ar a: zie iutr~n\\), ook wel zva. (ut n.i ^ ^ of

O

lt;KJ) i5WN {vrg. (ut)(iJtnn\\ en (UtiJt in nn/j). tj ui yut ;uf~n\\ redekunst. — (amp;i3Jt tin kn. {ook wel Stutfój tuins k.). redeneren; een redevoering houden; spreken over; welbespraakt, iemand die goed zijn woord voeren en redeneren kan.— (LiiU) n^y \\ op een gepaste of behoorlijke wijze toespreken. — a i iLitutny het redeneren; het spreken in een gesprek over iets of iemand; ook iemand die in het spreken bedreven is; en welsprekendheid.

UI(U) mt ^ itrts of utdjt tot tin \\ ook (ért iclt; mi nn \\ kn. wijs, uitstekend bekwaam, kundig, schrander of ervaren {Skr. w i tj a x a n a). (vn utt n 1 \'t int ~gt;im \\ of (Sri tht 111 (irt i .uit tht ut ut urt ^ t an \\ titel, die aan den Gouverneur-genera al van Neérlandsch India gegeven wordt: Zijn Excellentie. — ant ut (ut mi .±gt;1 i,j (tn/j of im Ji)t iclt; un ^ i ,/.y nnjj^ wijsheid; uitstekende kunde of bekwaamheid; en zva. [Oj^un•ut\\ of utt

ril\'Tr}™T

i\'uuut ihttji (Dtj) fóttji of r^ut rn)jj\\ Rs.

iui ui(istt\\ kw. wordt verklaard door (int (i?ti n t tn ut^\\\\


-ocr page 672-

s

Vj O \\

o o

588

{van (ijlnsn\\ en (t5\\ I. maar is waarschijnlijk verb.

OO . O OO * • • gt; • • r

van n)i.ui ^Ji^w). ti i ihn ui 1 1 ihu \\ waarschijnlijk

verbastering van i aSinSlWil.

on 000 o

lUl(è^t n kw. zva. (ï37^ 7/j tui -ül:}n / )l J \\ 1^0/1 lt;11.1 (^1

(tit j \\ en it» an {8kr. witj it r a, veelkleurig ,

rijk in kleuren, prachtig van kleur, wondersehoou;

ook met veel afwisseling, onderhoudend, van een

gesprek of verhaal, pk.).

O O .

it tyj \\ k ., zie (Vt /quot;li ngt;

en of 1. zva. rrn^s en

2., of \'L))\'~niut)\\ en iuti(i:inp\\ (vrg. tui). — 2. zva.

/ p /

ojjj n.yi cn ajijcins of (Uj.iJiw 10^\\kw. zva. iKï^ivnJts en G.

70N Kw* ZVa\' V KNquot; ëillcude spreken en

zotte bewegingen maken gelijk een aap.

/ , S ,

on lt;;ƒ (unnjtsKW. \\ zva. (0}rmisn\\ en (unijtni gt;\\ {vrg. (^\\ 1.). 2. «yrt. aji^crfns en (Ln^nia^njw 3. a/it n.i gt; G. — (ur^iDtcLn^ cis algemeene kennisgeving of aankondiging; algemeene order; rondzeggen, overal bekendmaken {vrij. (L/n(intiU)juni\\): ook naam

v ca\' (c»;

den wilden doerenboom, anders ut 1:1 w (org.

S* O *

dy ). — 9?! ut \'t 1 \\ aan iemand iets, zooals

een gebod of verbod, bekend maken; aankondigen rondzeggen, algemeen bekend maken. — i^ ut rttj \'I htt\\ afkondigen j algemeen bekend laten maken; rondzeggen o/ laten rondzeggen (yr^. (b/gt; .K7ï ^,7/ /. /n). — lt;1^ ut /-;/ *t) \\ rondzegging,

wat rondgezegd wordt.

O\' . ry •ut\\ zie iiyn htv

cv o quot;)

\'u kw. zva. y ant i fis utt (t^ ent ^ in cmj^ en (ut kj tj ut w

(VjjS 1 kw. zva.

O

njn a u v ibtt Mt ^.t .017 li (iT) artfj en nut (Ut hiiifp (t-nji \\ — 2. KN. klanknabootsend grondwoord met de algemeene beteelcenis van strooijing en verbreiding; ook grondvorm van lh uj \\ en :ki up (org. /:rp en tJt\\). a/t^ rj\\ strooisel, wat als poeder droog ergens op of in gestrooid wordt.

— i\\jtj i.jiijy.ijjj of ^L^z\'gt; inzonderheid poeder , strooipoeder, om uitwendig op wonden gestrooid te worden tot genezing; ook zeekwal (org. tlp)\'

— uitstrooijen, zaaijen. — (t i nop iels/.iwi-jen, in den grond strooijen, bo. mi oji.eniarti %w

n / n s s / / J . .. .

tut (u^cun (c^\\ (Lrjj uj n en ui strooijen, bo.

zand of asch; poederen, tol genezing van wonden.

s • , C) s o / -gt; / o O

— ui \\ zie Oen. — utn7■tt\\ \'f t mi ■»/\\ a t an• n\\ i t / O / o O / rgt; * S / *

ergens iets strooijen; bestrooijen met it\'/j, ^ 7«6^ kaneel of suiker; üVó\' bepoederen. /.»/ \'\'j tiiij of int ajjj.zj^\\ bestrooid. — (S ty n tjtotsem^ iets ergens op strooijen. — aJl)tUlj\'r)\'rCJl en

(t/^ L. 333.), gestrooid; gestrooid

liggend; het gestrooide. — na/nol^\\ geio. ammn gestrooid, verstrooid; t\'w strooijen, zaaijen.— anojjji/mjp iets strooijen, ^i\'. bloemen-, fuj. praat, jes rondstrooien, ten nadeele. — «u^\\ inden blinde, blindelings, op goed geluk, iets doen, jr. schieten of antwoorden. ut i/tt uj fj\\ ig/t bestrooijen. — ut am ajj^tt ^ hu \\ iets ergem oj op iets strooijen. — iejI in het rond uiteenstuiven, uiteenvliegen, (org. 1amp;1 arti\\). — (Htt lj\\ zu. /HiKcr^w — (Ltt (ui\'tt onjj oj utt n^njtt u^it .iijjx iu den blinde, blindelings, op goed geluk, gedaan.

vt ut \\ kw. zva. (ia~ui\\ lang, uitgestrekt, grondo.m

S s / /

tj Uit tj UI \\ Y Hit If UI \\ tj lU tj ut \\\\ (rj UI If I )l H Mjj\\

(oolg. Rli. lt;rj ut rj ut ni nnjj) klapachtig, babbelaclit\'g

O zquot;, ,

van een vrouw, en zva. a^ .tn iujj\\ \\lt;ik uyj ut (of

rtjij tj ut \\) kn. naam van een zeer kleine soort mi

djamboe, hoog rozerood van kleur, eenigzins wrang

van smaak. — (tj(amp;i\\KW. zva. a/ttvjxmqw

s /. S S r C^t /

ij ut 2 \\ of .17^ tj ut i \\ en ij(Lii\\ oj un tj ut 2 \\ cn tjew.

uit tj ut 2 \\ of (mtvj (tjtis kn. zoo onderéén of vereen igd met iets anders, dat het cr onder of doorheen , of mee vermengd , of niet van afgezonderd is; zich zoo vereenigen, zich onderecnmengon(wy. asrt cm tu/j), in één smelten van geluiden, van verschillende stemmen, enz.; ui^axiHt jttvjiut (of un (tjut2) utttiPt(trtjj\\ regen met wind er onder, regenen en waaijen. ajiiijt.it~/itrjui2.Httij riirjn{\\ verbrijzeld, zoodat het met den grond (het stof van den grond) vereenigd is. ojtttj lt;U2111 ^ (\'•quot;\'/ tj \'ti 2 n ) bij iemand slapen. un tj ui 2 iui ij un 211^quot; (rjrrti\\) met iemand in hetzelfde huis wonen. i\'quot;| (tj ut 2lt;hii tjnid ui (bit t\' ijjjn ouder de kippen loojicu,

bo. van een eend. tt tun 2 n t int n ut i tj ut 1111 ij !

/

niet onder de menseheu leven, aut im ij uj Ltirjai (H tt tj tt 2 (uii ut (tft/j \\ hij ging met den wind mee (cm snel als de wind)) AS. 0, 8; volg. IMi. vergezeld van den wind, zooals dat pleegt bij personen, die uliPu \\ zijn, tengevolge van de groote vaart, die zij hebben. — ut tj ut 2 \\ en j dingen oiiiiei-


-ocr page 673-

Mnp

580

iüi gt;I\\

dén of doorclkaudeA* Jocu of mengen, vermengen , zanicn bijeen voegen, vereenigen./10^rui«n oo ij ! iz\\

en 2)ass- —,Kïl V 2 of \'K}1\'/ \'L12 s 011\' doréén (o/ondereen gemengd) raken wet iets anders. _ Qrq v)z\'fl\\ of ait ijiamp;i2n]\\ iets mengen, aanmengen o/vermengen met iets anders; ergens iets onder doen ; met iets zoo iets anders vereenigen , dat liet er één mee wordt; bij een troep of (jezei-schop zich voegen, zoodat men er onder leeft, ti

n uz^tnnn vdji ij i» 2\\ zich naar iems. wil voe-

^ Sr

gen, W VV. i\\n\\ tjo2\'n iuyi\\ nm rj tut r) tojj of hti

lv ij d u -n W/j n onder iets raken of vermengd raken;

fiy. met, gebaard mot iets, zooals met schertsy

drift of droefheid; bezwangerd met leis. ai in

tf.i JniJi \'f t fj vji2 n {id. mi ui tajis) lust lieb-

bcn in iets y ho. in zure vrachten , van een vrouw

in het begin der zwangerschap, L. 25. — \'/ ^2\'Y)

O / /

?ƒ mi\\ (Li ij ui2 gt;) ij hu \\ ii:y ij m2\'» »ƒ mn \\ inTj *.\'i2\'gt;i

in:iiii\\ of hi ij iij2 \'ii \'ƒ (km \\ onder of met iets anders of anderen mengen o/* vereenigen, onder of hi] iets anders of anderen doen. — (uirj tj;n ben. vaneen lijn, wit staal, dut door de wapensmeden onder liet andere staal gesmeed of getrokken wordt, en waarvan de aren en draden op hel lemmet zigtbaar zijn, volg. Rh. de damascering.— het mengen, enz.

H ij vi 2 rj iU) 2 \\ en Ti lt;£/? 2 ij iLi 2 N zich onder q/jnetan-deren mengen of vercenigen; zich bij anderen voegen; onder anderen zich bevindend, 102ijivi2 (gt;ƒ y tti i ij u 2 \\ of ij if.\'i 2 rj fji 2) k ] g? \\ 5/;r. voor zoo on -der anderen zich bevinden o/begeven, dat men niet te onderkennen is, bv. van een spion onder de vijanden. — gt;ƒ ifi 2 rj (ui2 \'~yi \\ of ij t) 2 ij i€i 2 Pi \\ met iets het een of ander oiidcréen mengen, vermengen of vercenigen. ini ijiijiirj ^12^ mi/j of (1*11^^)2^1^12^1 wjl passief. — ij (U)2rj ui 2 ni anjj of Tj 112 ij ilwh gemengd, uit verschillende soorten gemengd of bestaande; mengsel; wat onder iets anders gemengd o/ gedaan wordt; onder t;/met «wrt\'m.\'w omgaan of verkeeren j met een ander leven; met een ander zamen slapen, zitten, eten, enz.

\'L\'\'\'\'n I KW. 1. zva. ,xm rj im {\\ en mi nu v:i an/j {Skr. wdra, een menigte, troep, hoop). 2. zva. h^iji en cfn ij (in \\ (S/cr. to a ra, uitgelezen, uitmuntend, voortreilijk); e?i een voorvoegsel voor eigennamen of benamingen van uitstekende personen, tot betiteling van helden en van aanzienlijke vrouwen. — TT rgt; / t . a

11. kn. zva. (iJi i.y ï 7^\\ (u^ ilis en ui ^hbii/j\\ —mi \'-n(Liirn\\ zva. «5^ «5^n kn. aan den een of ander iets zeggen, meededen of bekend maken, f*)i\'-n\\ een inzet bij het spel niet met geld,\'maar alleen met het noemen van de som, die men inzet. ik iR uint ijdele belofte, die alleen in woorden bestaat, maar niet gemeend is. (i i hj?i ui rgt; 1 \\ o/oji k1) (un(L{}rn\\ bloote aangifte, vati een zaakbij de regt-bank, die alleen tot bekendmaking van een zaak dient, maar waarbij geen persoon of \'personen genoemd worden, die in r egt en ie vervolgen zouden zijn (in onderscheiding van (vi.i.i/i/iï^a asii \\ zie bij

(bHihii\\). 7liil*li li Ki i/Ti \'ia quot;ti \\ liet door de reiftbank

O 0

verleend bewijs van zulk ecu bloote uangifte. ru illi

ajiinin(Limst)iurri\\ bevelschrift van den Vorst be-

h (xl

treffende het aangeven van misdaden met. of zonder opgaaf van de daders. — ^ ui t»\\ kw. do eerste, voornaamste; hoofd, aanvoerder {S/cr. pr aw a r a, voortreffelijk, uitmuntend); ook eign. van een hoofd van Sr a wanti -p 0 era.

lt;vi \'rj\\kn. , ook wel (O)ij (hp\\ k., naam van een boom, een Malvacea, die bloemen draagt, waarvan de bladen en bloemen tot geneesmiddel gebruikt worden\', het hout is ligt, maar sterk, dient bv. voor velgen en spaken van wielen; de vezels van de bast leveren goed touw. m ui rj tui 2 an j {of rj mi 2

n riiv) een soort met zeer breede bladeren, waar-\' co \'

van het hout minder deugdzaam is, Rh. en ui ri

juhj {of een soort waarvan hei hout

deugdzaam is. liet beste hout levert (Uin^iuaji^

de Hibiscus tiliaceus, L. uh if\'uuii^\\ de wa-

roebloem j en een brandende lampepit, waarvan de

verkoolde top sterretjes vertoont, WW. {volg. Rh.

eig. iini f\'ilt;ui aïi \\) Het wordt als zinnebeeld gebruikt

van iemand, die geen deel aan iets neemt, die

t

zich niet verantwoordelijk voor iets of iemand

stelt. — uirjnudnji Trigonella Poenum graecum,

Lam. Nat. fam. der Papilionaceae, mei welriekend

zaad, Semina toeni graeci, deze pitjes worden ook

geregen voor colliers of armbandjes. O o O 1 x. 1 •

tui-us kw. zva. \'Jftp kn. lastige plaag m een woning of woonplaats , zooals ratten en slecht volk {vrg. (UMnniin/i).

gt;ui » ) \\ kN. naam van een wilden boom met breede bla-


-ocr page 674-

UI \' t l f \\

690

den, die een vrij duurzaam iimmerhout geeft, Al-bizzia procera Bcnth. iY^/. fam. der Mimoseae.

(tSlrY)\\ KW. uitstekend, uitmuntend, magtig,krachtig, manhaftig; held; krijgsman; ook zva. «n im\\ (Sfcr. 10 ir a). (tSlrr}0^(10\\ held in den strijd,

/«li n naam. van een keurbende lansiers van prins MjugJcoe-nag ara. naam van een ri-

viervisch. — kn. edel, aanzienlijk, rid

derlijk, lieldhaftig; held {Skr. p raio i ra): zich heldhaftig betoonen. naam van

een Kawisc/ie zangwijs. «v ihtjjs held

haftigheid, ridderlijkheid; ook zva. iwnjjnrn fiun (ht,] O

en \'ij u n ajt tui inj \\

\\ kn. plooi {vrg. nj uJiMyj); en naam van een lage palmsoort met hreede bladen, gelijk de nipah, waarvan de groote welriekende cigar en gemaakt worden, Licnalia spinoza quot;VVurmb. Ook de bladen worden wiroe genoemd. wip plooijen, iets plooijen. — ajirf-n?nnji\\ gemaakte plooi; geplooid; met plooijen of naar plooijen gelijkende ribbetjes, schoon, edel van bonding.

.tDj n \\ KW. zva. (i.r^ y] \\ {vrg. n jj w (unjj). Mn n\\zva.

o n O n o

nsn nsri rn\\\\ — nnirim zva. (w.im wnw —

liui Cl (icq, h

. O o o o , ,

if.i ^\'gt;i\\ en rf\'.jTi ifLj i)\\ kn. volgen , navolgen, nakomen, naleven; bv. (Q(f.j rlujauw \\ uttPt\\ et/. ,*51 n passief. ook KW. zva. nai rij \\\'

O - O

\\ yjs of rt y n ? yy \\ tr/v cm ^ (tn

\'Iquot;? zie hij

O C)

(1 /»» TO \\

dj ut 2 n \\ KW. in menigte, overal. G. (vrg. vol

gens anderen gemengd, vermengd, hliwyjujh zie beneden.

iiyr \'ie

KW. zva. (fJi {/3 Luji \\ kn. alles wat aaniemand gezegd wordt, tot mededeeling, of onderrigting {vrg. iDt^tix 1., en ojj, ^ — ilh u) its\\ mee-deelen, berigtcn, onderrigten. — (ijt r} j \\ iemand iets zeggen, meededen, berigten; onderrigten,lee-ron, iemand iets zoggen namens een an Ier, dat hij iets doen moet. (tj) ti{tun o-njj\\ zeg hem (o/haar)! (ui ij) tips of (icjui rj{\\ weet! ik zeg je! —(eji■gt;)j \\ of iïj! iamp;i yi { rai \\ in iets onderrigt o/* les geven bv. in het dansen, in het goede of kwade; ook het middel of de aanleiding tot iets zijn, iets berokkenen {met of zonder opzet).

nji\'n%\\ KW. zva. tm (\'V/t. w dr i).

tir-rjr 0f iïjr N-\' of Vftmwsinh

spreektaal ook en ^?^y(i7ï\\K , a.r nun^,

o sV o . Q/

uw Hit ^4\\ vjiaj^ajisoj nji\'VA.\\ en w~ni)ni ^i\\ of ii, ,.

k. en Ki., kennen, weten, door gewaarwording of op. merking vernemen; iets te weten komen;zV/^waarnemen , opmerken, gewaarworden; ook iets zien

door het waarnemen met het gezigt; van ids ge-

, . , rt C) CY

tuige zijn [vrg. a/tuut tij)jj\\ tjaj) w \\ o.j ien o.j

O - \\ n

N JT\' N en \'/quot; \' vw/i). n/n ij i.» j ui ,

z - óvV o X o.

njj Hï) [of cu)\'!)) a/rjuj.(tn\\ hu tu xyi\\ quot; \' i \'^ \'i (ij

amp; r Ci Ct. O • / Ct / r

a^)) inr\\ oj (Hi.iJtiuj) (ur^tijiiDs gt;t [of

Ct Ct Ov O. O

0{})\\ oir) vj n/m (Kt ^) \\ (ij)rt)\\ en fri \'gt;» lt;1:1) {of iui\'iji\\) kennisgeven, doen te weten. njhwtHijj van schaamte weten, gevoel hebben van schaamte. lt;Q^ ^ Sri i, t) ï3 ^ anjj \\ gevoel hebben van genoten weldaden, van een dankbare. iSi^ (uh dn cm \'OJ^ rj a.y) ? mi {of (tr^ nu rv) an ^ hah ? od )

(fj 11 fOjVOj i.ti\\ lyiy iets ken-

bescheiden, wellevend.

i)n)[ii^ gt; \\kn., int) aj) i\'A\\ KI., (opgedane) kennis,kunde

of wetenschap. — d.) ni f tult \\ en gew.

/ \\ o o - ct o

{van N., (irjjUj.niys Of iinu/r^iijr.ihj ^

ct Ct f, CV Ct ■ ,

en kt., Htt m(Hj\\ of ifi) rj)(Hj\\ k. en ki., im kennen of waarnomen; van iets kennis nemeno/ ^ dragen; iemand of iets zien ; met iels zich inlaten ÜS., op iéts het toezigt honden of hebben ;bij ielt tegenwoordig zijn {om hel te zien of er geluijem te zijn). ihv ^ (HTjj\\ on) f.j azi fHijj \\ bekend, geworden, bekend; {zie hd i^tunnnjj)

im Dojj\\ po\'ét. hetz. nn^pnntnj,lt;r^\\ zva. (5|; (iy/) pj (F^ w oft) ajr^ ihj an orj i /tï oj) ij if ) -o (Ui ü moet weten: en een formule in brieven, wam

men van iets kennis geeft: dit moest l) weien\'

. o 0

dit tot Uw kennis! oajijoianjjs zva. ontxay^

onjjs als accidenteel pass.

aquot;) Kt) h u onjj \\ Ht) _y) hi) ~fi) vj om \\ van

nis geven aan iemandy iets ter kennis brengen wn

iemand; iemand metü\'^J bekend maken o/ü\'/jlaten

o

zien of bezien. — aj) mj \\ kn., ook wel luiyj (inanji\\ k., ajiitiamp;is ki., kennis, kunde, wetenschap. — aj) qajn onji of u) onjj \\ N., wat dooi iemand te weten of te vernemen is, wat iemad weten moet; en ligt iets te weten krijgen; een weetal. bv. o?) i.w j^y * ojt) ijo io anjj\\ wat krijgt quot;j\'j1 ligt iets te weten! %vnjyN (,f quot;\'fj\'l

kn. zie ben.—


-ocr page 675-

U)1 \'I rui \\

691

KW. ijjjun00* wel (.lani^sy

i HtitSlt-i*)** ~i k.) je moet weten! weet!

o s s n /

„ynn KW. «!quot;»• tajam\\ en tmouw — (iyii

nJlhUjnlt; w , tl.)HJj.-!! joj)! iityj\\poc/.;

zich overal luid en levendig Inten hooren. (sry.

n^\'iiN «« -ntjius).

iVl-rivtl\\ o/ {^1 m KW. gm. tfiJttftClWKV.

een gi\'oot soort van wild zivijn, everzwyn (Wr.

want/11, varken, zwijn).

lui-TTTjivmiuiJI^., quot;\'e torrtiMW

o o O o

ttynmtki-iihii\\ KW. oj^rjcci^ais (innjhnILHIMJIS

en (i/n \'r» (hj(uiKt\\ (/S\'/rr. re/taspati, de zoon van Amjgiras, een le er me est er van de goden \\ en de planeet Jupiter, of de dèwa daarvan. Vrg. m (kil (I5»j n 2.).

!■ van St^cmjjW 2. kw.

quot;i T N ^ ^ ^NN N /? N ?

7\'

T) rfJJ ^ \\ lt;?W \'7 \'I /H « Tl fK| N

ootjn of uxrms kw. 1. kleur, tint, verf; soort, ge-daai.tc, hoedanigheid; oo/c wel ki. van i^hjis en Sio?i\\ iemands uitzien, hoe iemand er uitziet; Tj. Sèngk. vier. {Skr. war nay kaste). — ll.zva.am G. {Skr. w ar oen o). «j» (Ht.vKHis n.^zva. rr^ oj) \'tj (ïyj\\ velerhande, allerlei.— n., \\ k.

vau den en dezelfde kleur «ƒ soort. (Li(m(M (j\\ iy ?ƒ \\ rijst en wat daarbij behoort. qjIoto w T^fwtjnjt ij\\ rijst, met wat er is, desnoods, hv. alleen met kout, llli. — ujj ui tui \\ poot. zva. Tjj (ui \\ (kj)rr^iui\\ am .ej* ajjjj\\

^ • \\\\r /

VV. n:n ivnsni zva. nwctr^hi

ajitjihjs (WP.) Rh. — iamp;iitn\\ (poët. zva. ah erri (hujj uit een en ander opmaken, begrijpen, (Dam. Woe). tels malen, beschrijven, voorstellen in een verhaal;

van iets een beschrijving geven of verhalen.

o/\' o S o / o.

on\\ nji ujon\\ passief, (uaniujs (ti rj iwin\\ iets

zooals een teeicening, kleuren; aan iV/j verscheidenheid geven door veelsoortigheid, hv. aan spijzen en ververscldngen hij een onthaal. WW.; gedaante,

Wezen geven aan; 0 cm \'hi \\ uitschilderen, nitteekc-

o Cn

neii; voor zorgen; nj^cn^ klaar

maken.

lt;vhhi\\ k, , zie ui (hi \\ en nj aj) w O ^

\'^T^^nkn. naam van een plant van een bedwelmende kracht, WW. wettigt verward met ojtrj

\'UtTjU i Qfjji ^ ^ ^ dj)\'n (Hi \\ ibi a aa \\ of [(uyni \\ en verk. \'ncHi^ km. 1. scherm, om het zien of gezigt van iets te beletten, zooals een schutsel of een lichtscherm {vrg. njn nï (unitCu\\)\', schut van steen, bamboe of hout voor een y n i y rn i i itviji om te beletten, dat men van. buiten in kan zien (vrg. (hiiiuw Sier. dwdr an a, seherin, afsluiting, schut,) het middel waarachter men zich verschuilt, of waardoor men onbekend blijft, W. I, 265. nJi\'nQijvij(Uinr^(hjinjijj\\ voorwendsel. —2-middel, hulpmiddel; de persoon, door wien iemand handelt, zooals de ojitHnqs door wien een Vorst of regent handelt; door middel van; doordien,

doordat (Skr. wdrana, beschcrmmiddel. Vrg. am

\\ o

(tJi \'i) dsnji en oji ti an \\). ajii ui m (hi axiaytj ihn \\ op crc-

diet hoop en. G R. — o ^ ^ n voor iets een scherm

zetten of maken; ïWj bedekken, beschutten.

of verk. mwjs oo/c wel ayays kn. een zeer

kleine duizendpoot, geelachtig van kleur, die veel

langs de muren, en ook wel een mensch in het oor

kruipt. Stulcgcwreven geeft hij een phosphorachfig

licht. Vrg. ai^.Bis en \'H^arh \\).

iUiijmi His kw. vreugde, blijdschap. G. {Skr. w ir o-

da, oueenigheid, twecdragt, tegenstrijdigheid, pk ).

O \' . 7 •• 0

an tj\'gt; gt; 2 mi (hh \\ zie bij aji\'n w

o t quot; n o O

urn mij a::i ihi/j K N. zva. ifji a/n n ? au {\\ n i (un ni

a:^ \\ en hj^ w q tamp;inin irn arj ajhajti am w besluiteloos. oj^ijiten\\ zva. a^mamw ook zva. \'mmn gevoelen, D W. 436 , 477. oj^iji iigt;ii hJ(rn tui\'i a.n \\ zva. ifi i\'Z abii \\ {een ander zie heneden)

H.uii ajinj^s\\ zva. aj uizttj^{ w zie bij ti.i^% w ajirri(HHjj\\ kn; rhinoceros, het neushoorndier {Hl.

ook So end. hadalc).

an\'gt;» Hn/j\\kn. azijn, vooral Javaansche azijn, nl. verzuurde ldg(in van kokos- of arènpalm, terwijl men de Hollandsche azijn veelal ij ao) ? u n h tifl \\ {Mal. tjoe/ca) noemt. — (hi riiny^\\ iets in azijn doen of leggen; een ander zie hen.

\'m\'iïiHHjj kn. gepareld, nl. zwart met wit, van kleur, zoo als van e enige soorten van kippen, ajj ■ Pi hh £i a,i^ihijj\\ kn. wit met zwart gepareld. ay fi Hii^ ihn\\ geel met wit, met grauwe borst en zwarte poten, a-MXm ^jam £i irajj\\ geheel geel met wit. aj^nT] hjjcniaPiaui\\ rood en blauw gespikkeld, kleur van een soort van dj ar its.

fl^ ^\'/of^xKN. 1. onderrigt, instructie (KW.f?/^


-ocr page 676-

692

vrg. lui^n^s en ^ 2. wagenmenner, koetsier

{vrg. (im(Ki\\) 11. (volg. W. Kw.). of (ui

(i:w*nji(HTji0\\ naam van een dik soort van rotting,

die tot wandelstokken gebruikt wordt. WW. ojj,

Ui n mi ij nj \\ of (iji/ii un ti uti cm riin \\ (ook ui iu mi ro lt;?gt; \' C7 ( v Olj (j co c-gt; \' u O

4Uihiijl0\\ Kh) al naardat liet geluk voor of tegen hem is. — rj i\' iij}^ onderrigten j ondevrigt in iets geven ; iemand iets leeren ; (pok iemand door straffen of kastijden iets leeren, straffen om het hem af te leeren. W.). /0vj \\ onderrigt geven. — onderrigt geven aan, iemand onderrigten (door herhaald onderrigt); iemand iets leeren, lo. een \'papegaai leeren praten* — lt;amp;j ^

diuiihus iets leeren aan iemand; iemand, zooals ■«£. I \' \'

een kind, laten onderrigten door iemand. — ajj,

rl Vul 0U(^el\'quot;8^» hetgeen iemand geleerd wordt;

ook van aard, (zva. (L3iaj)\\)hv. lui.— m fj-r^niiq

het onderrigten, les. — mivj^ hriianjj\\ plaats waar

onderrigt gegeven wordt, leerschool, (vrg. njKfji

nu in o

(UimnKW. zva.

(t n ij hu 2 m \'n \\ eign. van den tweeden, ruig met haar begroeiden, zoon van Pandoe, anders Bima genoemd (Skr, wr\'é kó d ar a, d. i. wolfsbnik).

- o o y O

lt;i » un^i\\ of ^j n . kw. zva. (urj^ oji a-in ij tui \\ oj om

(HtiTjiLvi2ïj.ui \\ (Skr. wrexa, een Loom in het

algemeen).

aJl *1 V benaming van een zesden dag van een (li

o. O ,

\' n (U n \'i iv anji \\

«jT/irnKW. gunst, G. (tikr. warada, gunstig).

(tijdei\\ of kw. bejaard, een mensch van leef

tijd, in onderscheiding van de jongere menschcn (Skr. wr\'èdda of w re d dah. Vrg. lt;i^hji\\). ajn (La\\ een oud voorkomen hebben, er bejaard uitzien. ïuiiin\\ of ittuinKN. 1. vruchtbaar, bv. van een vrouw, die veel kinderen baart (Skr. w rëddi, vermcerdc-v ring, toeneming, aanwas, groei; vruchtbaarheid;

voorspoed). — 2. explicatie, beteekenis, bv. ibiiui

Ov O » / /\' o S cquot;) O v

iilt;j ilii \\ (vrg. n/n (hii \\ uk (ui\\ asn mi cmji en tui anj \\).

afliLifUjiio (of aj)(in\\), goed gezuiverde en drooge

indigo van de Eur. fabrieken, in onderscheiding

, o CY o n

van de an ui ik tui w — ft ui ui \\ kw. zva. a/n rip nxi \\

en iuy uvnjs kn. iets verklaren ,

uitleggen. — rjaci }n^\\ vruchtbaar, van aard,

bv. van een vrouw of kip, of van een geslacht.

cy

dat zich sterk vermenigvuldigt (vrg. aa(ziaon).

a cy n

yi(t^n oj iDidcj^ kw. zva. rj in ijj en urn^

w re do e, zacht); ook /jj (irj\\ of ^ ^ i\'n gt;. ,77,. gva o

i) u in .n\\

(tJjjdxi\\ of aj)njjdci\\ kw. duizend millioen 0/honderd duizend millioen; een ontelbaar getal; ontelbaar (Skr. arboeda, honderd millioen, o/* ander groot

ii v s O . O . /

getal. pk.). — (hi Uj. dei n zva. iu n irn \' j in s zioli

ontelbaar vermenigvuldigen; of in liet ontelbare

vermenigvuldigen. — njn(lyttci(injj\\ bij woerdiTs

Men.

O \' j n

(Ui-ri(lüjin en eig. uini(injj\\ Ar. opgaat, kx. aanwijzing, bv. om iets te doen, zooals van een laai of bijzondere werkzaamheid; iemand iets opgeven of aanwijzen te doen tot icmanil

zeggende). (ui\'rijm\\ mijn opgaat of aanwijzing,de opgaaf of aanwijzing die mij gegeven is, de mij opgegeven taak , R.

\'Ui ryuis kw. kwaad, toornig, boos (Skr. iviroeda, tegenovergesteld, tegenstrijdig, vijandig. Vrg. u )•

•uj dn q \\ zie (ui na \\\\

ty ,cy o

(ui ij (ui cmjj\\ zie bij (ui axi \\

o - O o

{TUjiiuluyi of (Vi\'ri(Ui(hnjj k.; zie (uimibtiw

O O / O

iUi ijrn2 n kw. zva. mi quot;)i \\ cm \'ivnirrijj {van tui\\ en n \\

ij rri 2 w vrg, ui ri (Ui \\j.

\'Uj nel lui \\ of (ui ui (in \\ KW, zva. nm na nvi w

[tuj(isojj\\ 1. grondvorm van tun (^uj!inijj\\ k., zie ijun

«sh^n en ij /fji2 asr^ij\\ — 2. kw. bloem. G. [Sir.

w rë hat, groot). {(Uj mii rl n eti ij ui i \'•quot;

zva. (iai (f t dsJi (ui ati w co

Q/

(FJt \\N CO

. o O o

i^uj (hun v zie (ui t» ihtiji \\

(■ujnsn \\ zie lt;ut ti (un \\

y * cy So - cy o /

(Ui iisti \\ of (uidnis n., tui (litis of ui (hu \\ cngcw.n tj am2(iJijj of (\'Uitj(tsn2iiJ}ji\\ k. , wat verteldö/bcript wordt, berigt, tijding, nieuws, gerucht(5/?T.

td; wretta, wat gebeurd is; Vrg. nsnarn^).

S S O . S c

(hii\\ of (Ui iui mil \\ n., (t/n (Ui (tui \\ of ui ui bii\\

(un ut tj ihtt 2tuyi of (ut(utrj 1^112QJijj^ k,, berigt geven,

vertellen, berigten , een nieuws vertellen of nice*

dcelen. ij uti 2 rj nu f (ut \'un \\ berigt krijgen; nicuffS

opdoen, (^^(ui (ui\\ hooren vertellen o/bij gcruchl

hooren, waarvoor zo ij gewoonlijk alleen lioorcn frt

gen

\\{uiasitinii\\ zva. ihii\'fitn vJ u co

(UI Ut Mil \\ kw. zva. IJlt (UldbtlW —(Ll\'tlXgt;quot;y


-ocr page 677-

i ){ ii\',n Hi n \\

508

ft)} M)! \\

m u ib?i\\ of \'f \' \'rl \' quot; * niX\'di\' quot;ieuws of

bcrigt» gwm of komen vernemen, volg. Uli. o0k een berigt verspreiden, nitstrooijen (vry.

s \\ ^ / O p

Kinj) ifll (bH \\). - \'L)l \'t»quot; N N 0J K quot;

h C

dj)nitn2 i-yj^ verteld, verteld enz. geworden (/oor

velen-, algemeen bekend geworden; vermaurd of

S o / ^ r S 0

berucht. — lt;amp;gt; t vn «yN of u; y nsn i /.) \\

vertellen of berigten aan. a^^^uhnrtjjs cit/n. van den oudoom van Scna-pa/l, dan Vorst van Mala-ram; en naam van een Javaanse/ie courant, die te Soerakarta wordt uitgegeven, i.h^jk^ikhj ihti/js enz., een tijding of berigi ontvangen. — hjimi mi ju ij ini \\ lu tj aiitditJ) .injj) iets vertellen of berigten aan iemand; van iets de tijding brengen. MMi hnngt;n(H)i~mij\'t.n\\ iets aan dezen ol\'genen, hier en daar of overal, vertellen of bekendmaken. — mi (Ui mi \\ ijl nt (hn s ui ui tl mv ? :i i/f\\ een (bepaalde) tijding, een (o/liet) nieuws, berigt, gerucht, tijding.

/ O ! / 0 o

/uiasiis j. k., zie rui(isnv — z. kw.. zie fuiiunw

CY . ^

ui ihii \\ zie uiasnw

o ■, .X 0 . n

ui in 1. k. zie (uiivgt;n\\i z. kw. zie di amw

o / o * Cy o a O 1 r

uui\\ ui (hu ol \'Ui mii ■ kw. tn mi i.n \'in ,i,n \\ of i n iJ \' ^/\'

hn kii u i i n \\ {zie bij hu i.n n ijj^ schijnt het S/rr. wreii of wretti te zijn, jlat ronding, cirkel en hoepel het eekent, zoodat het eigentlijl\' wil zeggen: zich vouwen tot oen cirkel of hoepel, voor een diepe buiging maken.

\'izva. dlajiw

\' ) o ,-j

u iiitsnji of ^(biiji^ kn. huivering-, ontzagwekkend van een woud (yrg. ajn;//»\\) j volg. te M. en l^h. ook schuw, ril, /jv. van herten wegens de aan-wezKjhcidvan tijgers op een plaats, zva. hlt; n?\\\\

C)

n}\'b^JIs KN\' draderig, met veel kwasten van hout, gerimpeld, bv. van de huid.

\'J\' ^ Mi \\ iimh (hu \\ of am \\ n., \'Ui t) na n /vi t i an w/j of (oj^an (UTjjx k. , overal effen of gelijk, H., overal, algemeen; algemeen verbreid , overal rucht-^aarj allen in het rond, oo/r zva. ^lasiis of naPi R. — («jrti7ï\\ tui nnji of (iry asn \\ irrj axi (Hyi\\

2v/t ^i»-*a O O O

♦f». iK^ns))\\ la^dxi tfijj\\ [iamp;^asntH^s (/E^MIIUJS

overal naar alle kanten zich verbreiden of verbreidend; algemeen tot allen zich uitstrekken; algemeen ^^n allen mcedeelen, bv. een circulairei met allen hetzel fde doen. — ^ asn aai ^nnr^(un\\ ^«o ^ ahl ihijfs iets overal verbreiden, verspreiden, bo. een tijding, Men.; algemeen aan alle mcedeelen. — (.m

O O

n ii (iri/j\\ iu^nxi ij (injjs zva. n (hn najj C7i • gt; i aci /.j

WJS li.

n ,, cy o

hll IHH Of (VI (Lil h II \\ KW. ZVa. lts (Hl OXIJjS

ls o-\' . /

(Ui ij asn2;i^/jx di ii an? i i j k., zie uia.nw

; ■)

ajj hyi \\ k w. zva. an a/i i ijjs

ui k/? \\ zva. i i i.\'iw

n s o o o ,

t i h i \\ zva. igt;i hiw \\ tJi / ; ai an kw. de naam van de t*

plaats, daar de regen zich bevindt, vóórdat die op de aarde neervalt, G.

i a \\ kw. zva. a/ijaj i,iji e?i a ii ayiidnji (Sier. war sa).

C) S ^ * - q. /

; \\ i n ui va zva. ki \\ n tui xni (in n s ajn i.nau i\'i vji \\ O \'\' li - f a

kn. jaareyfer, jaartal, eign. van een

zoon van Karna. (f i uii-n kw. vallen, van den quot;egen. un 6i i i nu p zva. ij u n ? axi i.j tui^ \\

kw. zva. (vi i\'i {S/cr. war si, regeaend. Vrg.

O V

i\'i\'ri hi/j n., kinjt:hi j\\ k., (hI rri \\ ki., gezond; weer gezond , hersteld, genezen ; weer gezond worden, beteren ; (vrg. in cm hj/j\\ if ^ ihjj \\ i^ iuj\\ en iwfi \\).

o -gt; o o , ,

ryi hi yiQJijjs (i.rnoji^t\'najijis gezond en wel,

l\'risoh cn gezond, WW. {volg. llh. (vi 11 hhi?i ern \' ijj). — (t.i ■ 11 dj) -i-j ij am \\ hiu n !h i ,^4 lin aan \\ een ziekte qf een ziekte genezen. — n 11 hi -:,i anjj\\ kn. louter, en zoo maar, zonder rede of omstandigheden, i iani )n louter rijst, zonder iets er by. axi a^n•namt ilt;iy/0\\ zoo maar een oorveeg krijgen. — (unoji n /1 ^A inji^ n., (hli ij)rri(uianji\\ k., gezondheid, het genot van gezondheid; gezondheid genieten. ■:vi fi\'hi/i kn.; erfgenaam, erfenis {Ar. w dr i t //, erfgenaam) ; ook bijzonder gelukkig zijn, bv, in het

spel of in den handel {vrg. (fj) (EjIa{^\\), (kamp;qiihi

quot;gt; ■ j .. o o .

anm iJijis zie bij foi\'iruw — wn(iJUj\\ zijn bezittingen bij uiterste wil verdeelcn, KT.; de nalatenschap van iemand onder de erven verdoelen, WW. en in het algemeen verdoelen zva. a itn^i^ en toedcelen, van de Godheid, R.; ook erven, iets erven, bv. een huis. — (tii nhiJ?/\\ iemand ie/s van zijn bezittingen toededen of vermaken, nm {of /./p tuininj) ^(hn/js bijzonder gelukkig, bv. in het spel. — wnnji^ioiiniy iets van of zijn beziitinqen toedcelen of vermaken aan iemand. an -ri hi ^i anjj erfenis; iemands orfdool of erfportie; erfgoed. — oji zji^i(m/j\\ testament;


38

-ocr page 678-

i. ij- \'i \\

51H

volg. Rh. \'njiajvitu)\'f]w/)\\ of quot;JioJi (iai uiiyj).

inrrtojr n., \'vi nrjaniPHJi^K., uitdrukking van iemands

Squot; Qw

gedachten, gevoelen of meening, zva. nmuKnmi (a^(u\\ r. rn kl. van \'pj • of (lyyrjii iij\\ de inhoud van oen brieft zva. aj^-mKiw Ook wordt aj/ r)\')f nmddJi/j veel ij eh ruilt als k. van a {Ilet

is van hikii\\ met het voorvoegsel hji\\). — if?i n a^i\\ poët. 1. iets uiten, met een

woord of woorden uitdrukken of uitspreken; van inspreken. 2. zeer suuikelijk , van eten; fig. erg lekker erg. mfte zijn ; zieli zeer voldaan gevoelen, en smaakvol, hv. van een gedicht {waarseh. in deze het eekenis verk. van van het S/cr.

so eras a; zie hij itJiquot;gt;»oj)\\) R. rftum-rt (of nui

quot;) o o . y. o v C ^

on/j) lithuj (DiiKj iif^n [of am \'tn \'n w\\) ija~ïi i nbn (rj

) I no rrfl /.j ntj nm ? u)^ {pf ik n /ui gt;; tj a m ? hiq \\) on -

uitsprekelijk, onbesehrijflijk; ener kan geen spraak

van zijn, niet over gehandeld worken. — hj» al n

ihJj\\ nji ihltirjnjntiij)/j het uiten van iets; poet.

t ei ^

ook a/I \'tj) n ijnmf \'tJi/j\\ K. van nm irz w

KW. zva. aji\'iJ) w vrg. Mal. hers i h.

iiji(k/i9\\ kn. naam van een rietachtige hoschplant, r 1

waarvan de groene vrucht uit de wortels groeit^ en boven den grond uitkomt; de pit wordt als lekkere vracht door •velen gegeten; een soort plant

als de ti w i (ifii w \' co

ij u)} 2 aj^ { \\ zie hij j w

i/jjf^\\KW. zva {Skr. IVrVsni is de naam

van een geslacht, waaruit Voist Kresna gesproten was). fjjgl.tS\'MN de held van de Wrésni\'s, bijnaam van Setyaki, ook in Kawi iu^ nuut nji \\ (uy j rijt oil \\ en lU^^n^/rus de telg der Wrësni\'s. genoemd.

quot;ir

een Widadari.

\'ui Sifbn\\ waarsch. zva. (Vtixn\\ en aj^wauiw Zoo

in den eign. van den poedjangga ii-hicm *» ct

\'im ihn w uj^KW.. zie

it»\' t ) m zie (u\\ rv) (kji hwji \\

/\'o o / o

jvkisun kw. zva. tyrjjiiJ)(Ujj\\ nji vir^ ^rp eti (tJt rt\'i.n\\

Skr. r o et j it a wat behaagt, arotjita, gemeld,

medegedeeld. Vrg. \'u^nSt-nsti\\): — zva. a:^

n n . o x

iuji \\ no an u ti \\ nm ut rri lt;un ^ quot; / lt;rgt;i \'nojj s (E ï tui gt;

o

en r.nt tuiw

ti H ^ kw. zva. n./t iifj q \\ en i^rruinni lujjs ook een mooi woord voor de penis (lu nu) Tj. {zamenst. van

n/n.(Kt)v met wri\\ 2.).

^ c)

ifj) (in nil \\ k w. zva. ni (rn ? (k/) nj) a n i \\ {een Kawi vorm van

n)i vn\\ : en eign. van een Vorst van Loka-pocra).

O O / o i

\',Ji(jN en quot;ifci N KW\' zva\' ajrji(ia W/I wresli, Vrg. tnt i^\\ en iijivuums).

S . - . o .

H.n \'111^12 (Kil \\ Of \'UI ril (ï** (K\'K\\ Zie il )l Tl tj IK1) t iK II \\\\

O . r / .

(tjinij ui?f?,»/\\ of tui if eni f (i,i\'\\ eign. van een zoon van den Vorst van Wirata; in het Kawi t \'i genoemd, Skr. iSjangkha, zamengesteld met amp; \'ti of \'mms 2.

(ui\'pi lt;1» k\\v. zva. lurri(i?i• flw volgens de Dasa-nmna: schrift in zilver gegraveerd.

(-)(-» O O O

a )i n i a ji Ti \\ zva. \'ui\' n lt;ui n w

•t\'ji•gt;gt; rt\'ï)■gt;i . kn. heen en weer gaan of loopen, iv.in

een kamer of gaanderij {vrg. •ntvnn ■luam iiu\\), ti (i.i) ?\' n (ui ■ d \\ kn . naam van een gele bloem met {/rooit bladen, en van een soort van kris. 0»j in naam van een hatiksel. 0n \'ni \\ naam van een dergt-lijke roode bloem, die geen geur heeft. — initj % ii (Ui 2 ti (Ui o \\ zoo rood als de ijiun n urm m drift; ook van de roode gezigtskleur van een moedig held. Men.

^ x . /

tj /1 tj \'Ui * i \'K t;j \\ zie tj ui w

ui \'ft tu/js ook (Ejtui\'t] in.ij\\\\ Ar. kn. obstakel, beletsel, iets dat in \'de weg komt, waardoor men verhinderd wordt {Ar. \'drizl, en moe\'arizly ueeideut, iets dat in de weg komt, verhindering. Vrg. njn Tinu/j),

/ui ti it.ji \\ k w. zva. (ic^ \'hti \\ en iui n,? nij (tnjjs {Skr. wi-

rdda, tegenkanting).

(uit^dky kn. de jongere broeder of zuster, of vrouff; ti», zva (Uj^nicmrv^i {Skr. awaradja, jonger geboren, jongere broeder; aw aradjd, jongere zuster. Vrg. vrtajt^ (k^ ihiemi \\ en a^tf u t-rjiot)^ iuhk(hi\\ kw. zeer bedreven, kundig, geschikt. G. {misschien van cutTts 2., en tezanw of verb, va»

K i itn).

n f, CY o cu

(Lj^ik miyi of \'ui ik nsoj\'i kw. zva. vji uiw

S O ^

uiuis of t)ittAjjjj\\KVf. zva. crntf(ict\\

iLiijj en \'f\'i {Skr. war ja, uitnemend, wiir]^

tegen te houden, at\'te weren; aw drj a, niet af tf

weren, onafwendbaar, pk.).

tyihvi\\ of uinA,jj\\ rw. vermogen, grootc magt.hoogc


-ocr page 679-

(TV

/I )l (Vil \\ (1

Ó, till .

595

waftrtlighcid» hoog aan zien ; luister; holdhaftighcid

(.S\'/r. wirjü). — ihii ninil(in/j\\ zva. nniouj^m n

i ) o

aajj\\ gt;nii\'f ihiin \'i 1/ hn nnji en nni nyji n

— Iniawnjninjjlt; aterk, krachtig, heldhaftig,

verwinnend {S/er. wir j a 10dn). —• KniDiniwnianji^ n\'

gva. (i(ii igt;i(iAJiapijy

. S .0 o

ij .ij\'/ \\ oj quot;ijj jjv \'• ZW- ti ikh 11 i/j o.n uni tgt;\\

{vrg. ^ j quot;x )• quot;O\' \'/n quot;i i\'ïp li.\'iujiy

1 O

«j/.m (ui(UitiJiij\\ —• if^ihi*iiij\\ cn inif ^ uitlij \\

o quot;» o / o - /

i}iigt;igt;i.ii\\ en ifjurnw {: j^i n dij \\ doen, werken. (t.)- — ajiajiJi,uyj\\ 1. -/ m n 111^ 2. zva.

.gt; O O

HIIIj tim? fin/]^ Ij (Mi * gt;1 K\'t i\'l \'Ki/j\\ .5. . Ii fi nr n

) / 1 1

i./j irijmiw — ncnnjj^M(ui^ J. zva. urnn^u

n i i-\'i^mnn en (ilt;ii mn ij rrt (injj^ 2. zva. hoi ij aan ?

t) x o ...

mijl en nm nJiiiJi n ihi/j\\ \\nin ^iiyuii ti^niiMin^s iraai

1 o* s 1.

om aan te zien. ihii(ïii ij) ^/ii\'Hii/Djiiui(injj\\ voor t

eerst is \'t, dat ik 11 zie.

o . O

ui } in 11 ui ijl \\ zie rn\'tJiaji/i n.iijfs

qS . ,.. lt;i\'

i)i.ni(i)i(Hi/j\\ zie hij tmtin/iw

/• aS / x os

i))iiAjjj\\ (UiM/jjs (iJ^Mjjjn kv?, zie (tJiniir njiniJi\\

viaviw

iju.i\'is of wnaMs kw. nw. du uj j ^ kn. de omgebogen jmnt of het lipje van een boor; de sehroef-plaat van een geweer; Tj. Sengk. vijf.

of ^(lAjs kn. benaming van het hout van den arhihooni, zwart en wit gespikkeld is engew. voor rijststampers gebruikt wordt. njitijjCHiM^ zie (ui nji^inijj\\

i/j)*rj(Lw\\ cid? [tiyojii

o : ■) . o ,

urnif is kw. cy/ï. niKfiw en kn. 1 //1 n/fin ^0/(7.

Rh. maat ^ muziek of dans j en het gej)ast of

juist gebruik van woorden of uitdrukkingen {8kr.

wirdma, pausering, pauze tusselien woorden of

zinnen). ^ 071 ^ ny^ ^ n?i 11 ifji tnjmi n :n tui uk ui \\ het

wèl onderscheiden en juist gebruik van de Javaan-

scho woorden en uitdrukkingen, Wil.

\'» yj iFji li,) \\ eign. van een hoofd van boo ze geesten. z*e

f»fm\\ tvicm\\ iD^mis of ^minkn. verwant, van dezelfde klasse of familie; een verwante van iemand {Skr. war ga, klasse van gelijksoortige dingen of wezens), hsikki ^iiuimi\\ zonder verwanten, (alleen op de wereld), firn/n/Kü) 07) n of mi (ij^ 71ilt;iji cm \\ verre verwanten, die, door het hoofd van de familie onderhouden, als bedienden dienstdoen, WW.; bloedverwant, zva. lt;gt;\'/lt;rnv — /.»/ ( / gt;/cm\\ als verwante

V )

beseiiouwd, tof. de familie gerekend worden.//(// /1 / (of (Kn (ijinu) lin^cnis een bediende die als lid vaii de familie behandeld en bejegend wordt, i.v r/)\\kn. LiqiUilu Hmpli. of Rhnpi is javanica BI. ren palmsoort, uit weiks stam wandelstokkeu vervaardigd worden, of jrickst okken , Ji.T. I). 258 ; naam van een dikke rol ting soort.

m nii mi/j n. , / y 7 ƒ i. nfj\\ i\\. , /ad , verzadigd; zich verzadigen ; tot verzadiging toe, genoeg, gegeten, of ook lang genoeg, hv. geslapen hebben. .1.1 »11 iin/j0 een klappernoot, die geliecd met water gevuld i«, op zijn besten tijd om gedronken te worden, Rh. Mynyai/js ook ongeveer zva. n ijlt;n 1 n,i/]\\ hv. ti.n

(ui \' een volbloed kafir. Men. — ^ 1 tuim]\\ nnnii in]\\

s \',n [l (1 hl

verzadigen, volop te eten geveu, ook voedend; verzadigend, spoedig verzadigend rae spijzen. — tfi (ui oj» I/ nn\\ n^ti^tiniiuiii}n/j\\ verzadigen met, maken dat iem. jjiet iets verzadigd wordt, \'iemand zad maken. — /lt;// [of /.y^ un tui (in tin/j\\ oververzadigd , meer dan genoeg.

. ) r ) n

lt;i)i tiji tfiijl 0/ •i^aii/js kw. zva. i /i tui lt;rriji\\ ti nu /j iinjj\\

•tjiun? nji(Yïij)\\ frj(yïi vjnm \\ tun iimi ij nn n n/i/js n

o (

ij (f 1 \\ 111 \'f i7/7 (hiji\\ nn n 1 mij] en un ij tuitM \\ — tf-ji

, tuiernjj\\ 1. kw. zva. asrittjtuicni/j en iijti.n kh/js 2. kn. aansporen, aandrijven; iets, zooals drift, opwekken, zva. iin ij(i\'.i tnn ~/iiri ttm w — tuut iiui mi/js het aandrijven; de aandrijver, bv. van buffels, GK.

\'Ui rj-mrrn^\\ kn. een groote rat, Rh.

(iJl\'n(nijj\\ imtrjninrnjj ZZT /.i/tu^nonq\\ AS. t \'i noii\\ kw. zva. nnidaw kn. tijr n(ni\\ of ui nan tiu/ {1,11 ij n naam van den vijfden zoon van Watoe-goenoeng, cn van de zevende woekoe, an n mi -m \\ naam van den zesden zoon van fVatoe-goenoeng, en van de aehtste woekoe.

i

o 1 1 cl o , -) Q

ti)irnan n i. f» w. zva. (wrri(rntrujj\\ {^(hitru^iivjojjt

o ^

ru {\\ tui rn rrt 1 tf tui ^ji ? n u % ti n ajn tui tun tun tjtinn

in f tun iuj (in 1 iini/j\\ 00k zva. tuinsn (amp;njj\\ i n /5 un Jit (uuiii y (rm \\ en ifun ncni/i2. kn. of kl. vingen bevallig in zijn bewegingen, zooals bij het tandak-ken of in het gain, en elegant in zijn manierenen de wijze van zich voor te Aoaw {van n nn wiet het voorvoegsel fi?i \\ 1).

rurtrij om kw. zva. am (pi n en tujaj) 9 \\ (misschien van


38*

-ocr page 680-

ut iirYnm/is

.t» ij h \\

7 Sausk. rdya, gepassioneerd; verliefd; met het voorvoegsel /j/\\ l., ofschoon in H Sier. tvirdyi het voorvoegsel den zin heeft van ui\\ II., 67* /ouder passies, driften ot begeerlijkheden hei eek en!, en wairdf/jdy onderdrukking van passies). ut rjanthnji^ k\\v. verschvikt, ontsteld, schrik , ontsteltenis. G.

(inji\\ en verk. tirnnnjis KN. kosten, onkosten {vry. ij iht hu i (i-jiji). — ^ cm (ia \\ ö/quot; i i ritt i?i\\ iets bekostigen; aan te koste loggen; de onkosten van iets bestrijden.

rgt; . o

(■^ mi 7ujj\\ zie lt;ui gt;7 cm riJtj^ \\

\' y

gt;7^ KN. een soort van otter, of wel een waterrot, die er ongeveer uitziet als een in ik \\ en zich ophoudt in of bij bamboebosschen, die digt bij het water groeijen {org. ilïj\'i\\ en hjif-^ tnt/j). ajrrtom(Wijl of \\aj^(rn(ruj^\\ en verk. ti rn m ^ kn. de jongste, het jongste kind; de iuwgsiu •, ook wel voor het laatst getrouwde, vrouw van een man {vrg. — ajtiamp;h\'ncmirvyis het jongste kind.

O O O

u) \'fiern -7in (tnyj\\ z?,e (ut utrtiw

O * O

iU) gt;7 (rn nft^ \\ zie (Ui *» mn \\n

(7^o77\\ of tut\'nnrh\\KW. zva. i/ri n htiji^ W.poët.zva.

amrjd^n urtjis volg. Uh. zva. (iJurunrh\'s urnii7i \\ naam van een rijk en rijkszetel In do lira-t\'a-joeda {Skr. W i r dia), »/ ip \\ de prins

of prinsen (zoon of zonen van den Vorst) van

AVirata.

ptcy . .

(utrri\\ kw. zva. lun n\\ en fi^tlt;tt\\ {verk. van lut rtmt in\\ G). (tJt ry) i~) (Hijj^ I. kw. zva. \'fit tot\' f t (tftfj\\ njt ut \'t Jt rn wj* en (ut aji uk i :t tn/j — 2. \'ut rt t t

n., 177? ut w^thnjj\\ k. , rottckr jid, arsenicum. —

o - o 1 o

— (TJt \'y tart \\ of iEit f t (ui \'hj n n ., am \'ut n.i ^t\\ K., met

rottekruid vergiftigen; een wapen met arsenieum

inwrijven.

.utni\\ kn. een fijn soort van tinttf^ibn/js {de grove heet ,i;7) li art2) waarvan wel bedgordijnen gemaakt worden y waarvan de vis schier s ook wel baadjes enz. I maken {in P.T. van een ne^r.rts ), een van garen of vlas gemaakt sleepnet met fijne mazen, om garnalen te vangen. — iamp;tmet een ut-rt\' garnalen vangen.

ttjt ^\\N• gt; utrytn^v.., ecu kraam of kleine winkel aan de weg, waar eetwaren, sirih, specerijen en snoeperijen te koop zijn {org. tyam? rj tntis tf im

7 l \'t quot;Wfl e» \'lt;} P — f l \'p mi

waroeng houden, tyuuwijs een waroenghoiuier. ut rt rt\\ kn. naam van een boom. 2. naam van een klein soort van kippen, hooger op de pooten, dan de tot ij htt \\\\ van menschen klein gebouwd, maar goed geproportioneerd, 3 een kind of afstamipc-ling in het vijfde lid, kind van een itjtartqw en bet-over-over-grootvader of grootmoeder,.vader of moeder van een (tji artt {w ■iJt (vu 1. kw. zva. (utw — 2. kn. , ook i:y .uh ! iVt\\ naam van een klein groen insect, dat de boo-men beschadigt, en op zekere tijden \'s avonds in

menigte op het licht afvliegt.

O • CO Qvvi

\'Ut\'tt\\ Zie (Uft{(YY\\\\\\

,7J7\'u \\ kn. , ruujjityj\\ ki., schaamte, als gevoel van bc-leediging of krenking in zijn eer; zich schnmcu; beschaamd; schande door beleediging van hel eergevoel {vrg. i/77 *gt;1 n en nm (ut artjj). — cm rj ui u

-77\\ iemand schande aandoen. — iuuh\\ zoa. lytt

. . . . o i . Q nv ) o .

rrt\\ {zie rj(unu\\). \'Ui/Ui n\\ na/u/aj\\ tot

schande strekken of\' strekkend, onteerend, (het eergevoel) beleedigen of beleedigend. — urnir rï\'tJut\\ iemand beschaamd maken , in zijn eer-gevoel kwetsen. — tun u\\ n ut (trtj\\ (tot tLÏdjt \'Ut beschaamdheid, schaamte; schande, oneer, nmi \\miJt (ut Jtï0\\ onbcschuamd. wui St tnt irn i:t ^ \\ zijn schaamte (schaamdeel, VV W.) bedekken,/f zijn schande bedekken, bv. door ontolugten of leugens. — m n i.t yj utt ^ uïtJi^j ij mt \\ iemand met iets beschamen; iemand schande of oneer aandoen; iemand in zijn eergevoel kwetsen of beleedigen; onteeren; onteerend, schandelijk. Zoo ook SnS yiuirfnn\\ iemand beleedigen , zijn eergevoel kwetsen; en iemand op een onteerende wijze tentoonstellen — lt;5] ■ it i:i \'in/j Pu ui ut mi/j^ schaamachtig; bloode van aard, (blooheid; beschaamdheid. OR). ,ur7\'t \\ zie bij (ut n n ook ben. van een soort ür-chidea (Tj.).

ui ij it \\ gew. Aj^\'Ut t^rri\\ kn. naam van een, nu nul

meer beslaand, corps pr adjoer its van den forst,

i 0

die krijgsdansen moesten uitvoeren; ook utyw

o

of ut n\\ een roode haan met gele pooten, ook u ij\' it {of ut m) 7?i genoemd\\ en ut ij\'quot; i0/ u tt) cmtus\\ roode haan met zwarte pooten, beid* bij voorkeur tol vechthanen gekozen.


-ocr page 681-

IT

tyipU., of K., niet doorgnnn,uiet

plaatshebben, niet tot stuud komen, ufrakcu, uf-sjiringeu , van iets, daar flan of spraak van was; zva. quot;Iuo1 !K\'1v (vrff- en Vquot; quot;1)\' uoi

mislukken; mislukt {vry. niijj). — r/ in / n

ui-ri- ?) irn l h\'i i\'i gt;1 }n \\ of it nn z in in ~\'i i) }n ^ hot I I 1 C) \' f- \' r-

fault uiet, het zal niet missen of mankercu, het

zul slcllig plaats hebben. Ujih y ütgt;1 «. a. W. II,

4001 1;«« iemand van wien niets te regt komt;

die mislukt; die niet slaagt (r/imiiimriiul n

in Vocat. het is mis met je! van een ei, toaarvan

geen kieken komt: if .vn i ^ m (in iui asquot;

O O \'

,;jrj hil ■ lEi\'Tj p\' flt;quot; ~\'n hti injrunrju) tm ~\'it nu

iets geen plaats uf gevolg doen hebben , niet laten

doorg\'iau, intrekken, herroepen, afzeggen, doen

mislukken, verijdelen, verhoeden, verhinderen;

van iets afzien. iviv/Ttftffj0* tegenbevel.

sjir. voor iemand verderven, zijn verderf bewerken.

Z. II. zU\' hoven (iJj ^ ói i \\\\ — (Vj^ rn an^/j\\ zva.

mit\'i\\ doch vaii een zaak, waarin twee personen

betrokken zijn. iei -r^ vi niyjn somuambule, Rh.

— mi tyrj* fo\'èt. middel tot verijdeling. — (EA ^

■ij\\ xnnittt) rjon\\ of tzi foi rjïh) \\ verijdelen.

wrtwwjj of ^ KN. naam van een hoorn, de

licua Indien, wonderboom genoemd

0t)^ Ki\\ een ndji of toovertonnnlier, ter bekomiug

van een bovennatuurlijke liehuamskraclit, Rh. n . . . o .

\'Urn ij t)i of l» n rj \\ KM\'. zva. /k; ^ n en tj »ogt; iKïMjtjiliiu) yjna? MTjja KN, naam van een batiksel en van een zangwijze, hetz. als n 07^ n #j] quot;n

\'Lirjrri2itoi\\ of *1 mi\\ verk. iy-nzaai \\ N., wquot;Ti vn houten schede van een kris, piek, sabel, degen, enz. volg. Rh. ut rjndnn\\ kn. het bovenste, meestal bladvormige gedeelte van de schee {(rti ijp ) van een kris; van een piek, sabel of degen heet de schee {vrg. errt tn \\ )jlt;rmr:nt\\

en itjnfnrrniatiiji) ; poët. zva. h rrm 11 \\ of hr^ mn

^ (3^c} T)\' ^N Lt ^ \' ^110\'t\'^x KN-lt;le fb}rj^h2 mi van den Vorst, voor de Patih of

Vczier van den Vorst. — bi tj2oen\\kn. gelijk

een h]tj ■gt;) 2(hu iegt;i tj ni 1 mi \\ poet. zva. ar^ nn -»gt; n

iemand opsluiten, m iy ^ »»?mi\\ pass. — [ï^mi hjs

-V) ij]\\ zooals een kris, van een schede

voorzien. WAV. (*ymi iy\\ van een 7?» ^ htonts voor-

.uimi\\ 5U7

zien, Rh. —V» ten mi ,//»ij uw \\ .ir/n i?» oni .rnjjs iets ,

zooals een kris, in de schede steken, WW. — .t;;

- . o .

ntmufiji of i.rmi on/jsN., w ui(Kinhivnan/jsK.., 111

een schee, iu de schee; van een geweergt; in de lade

WW. volg Rh. (Ui-yiito) (mjjs met een 7;/ rj --ri ? orn \\

poet. iU) mi on/j^ zva. onynn ticm^s — (ui^i kii

cJ(H1Jls \'1Jgt; n ) }lt;quot; quot;QlN — (U[ió^on) (Hi/i\\ poet.

zva. (L/i dTi ogt;i ni on/j \\

.1^oni\\ kn. er zich tegen aanzetten o/ verzetten, niet

willen toegeven, het niet gewonnen willen geven;

halsstarrig {vrg. ivyry^^). — tÈoofn\\ zich verzetten,

zich er tegen verzetten.

kn. woedend van kwaadheid of drift {vrg.

o o o . o D

\'ii (i?! owji \\ n/ri 0:^ mii j en n (u^ ivmjj). — [oj^ 07^ uw tmjj\\

woedend zijn van kwaadheid of drift {vrg. (mi \'ii êlquot;gt;2Ji hv

i^nioi/j of urri n ojijj\' kn. een kleine lichtbruine mier, van gedaante en aard als de witte {n(in iLojl), en evet}% vernielend, ojii ui(iw oji(Mjj \\ naam van een grooten riviervisch, B. M.

{h^nrn orn verkorting van (ui^rinm onw urii (m m\\nvt. zva. (uiaxi in n \\ hemelnymf (^r. rdngandy een beminnelijke vrouw, van ivaraen anggand, vrouw ; zie ui n\\ en arn on\\).

(ui rri 171 nnji n KW. zva. oji rj unonj^s kn. de pijp, of dubbelde pijp, die van den blaasbalg naar de vuurbak loopt {van x?n\'y^\\).

uioevn\\ zie hn ui hu/j\\ en (Ui\\ lil.

(uiolt;\\ KW. zva. tun ^ ^ o\\ 1 ^

•vjjimjj of i/tj kn. 1. onzigtbaar, zooals de

lacht en geesten ; Tj. Sengk. nul; op nul uitloopen, geen gövolg hebben, hv. van een aanklagt (vrg. ijajmnKU) i?i\\). 2. bedorven, stinkend , 6\'i.

on on % !ui^nvjj\\ stinkende etter. — njii m^ini^s onzigt-baar zijn; TJ. Sengk. nul. — r^r^mitjini \\ iets op nul doen uitloopen. verijdelenj volg. Rh. ook een einde makeu aan {in BJ. XXVII, 3 het eenv.ww. imper. dj^oo) on/js). oji ^ bedorven vaneen

ei. 3. klanknah. van het krabben (nm i^nsii^), ui mi oniony mv. krabben, Tj.

rj ui? miji of iUiyilt;uit HHjj kn. de baard onder de kin; (/ƒrrm Y/ui gt;ƒ (yii mijj\\ een ringbaard. Men.) de opstaande veeren boven aau den hals en aan de zijden van den kop van een kip; en de uitspruitsels aan den stam van sommige waringinboomen {vrg.


-ocr page 682-

vj nji un \\

598

lUI (Uil \\

dj^ (rui \\); ook naam van een kinder spel met Icémiri-noten. (fi ii.?inay ccn batirdkip (kip met (j tm unjj). (V)i?i rj fh{ji myiji\\ ecu baardwringhi (wtiringin met ij (ut i nrnjf); ook naam van de wringinhoomen op de aio an-aio en ten westen van de pamoerakan-poort, ofschoon die geen mwitiw/j hebben. — »ƒ tj lt;13)2 nnji o/ (i/t^ rj ij) d w) iKjjj\\ een kuiltje in deu grond, waarin bij het wok-spel dekémiriuoteu geworpen worden.

ut mi \\ kw. verk. van tut oi iim w (b!tni\\ kw. zva. cun (ui MTtflw kn. liet aanzetsel

ter in ketels, ketelsteen {org. (uh^nuji); volg. CP. ben. van een onkruid, dat op de kti (rri (ryt/) vooral de rrn cm \\ benadeelt. — (iJ)tut hfn\\K\\v. zva. (uo ^ om ^11 iirnjj\\ in Tj. zva. mn van kleine

bergen.

O quot;» O .1 O

Oikwnkw. zva. lun.vrt uvjjs en verlegen.— IK» njKYj.Hn

imjj of an^hrr^Hn (Hiji\\Kii. verlegen , in verlegenheid

zijn; er niet meer op weten; verlegenheid; van

iemand die niet meer iveet, hoe te handelen, of

wat hij nog zou kunnen doen of bedenken {vrg.

tj hu * \'1% (un in)q en tj (un {tu^(uijj).

ijl u ii \\ k nv. zva. (rvi n o \\ {S/cr. a h i k a), en zva. •ut {\\

{vrg. \'Ijihikhijj), volgens G. J. pijl. 2. vervolgens,

daarna.

/\'iihh\\KN. kieskeurig, vies.

o o O

t:iKYj \\ en ui wj \\ oy tjiJi Kijjj n kw. zva. (t/inrin (i5ii\\

TJ. Sëngk. zeven {misschien het Vrdkret b\'ikkho e,

voor het Skr. b\'ixoe, monnik, vu.), ui (\'Pi i.ip zva.

(Kil ibll (ui w

tuji.i^kw. zva. (i7rifri^\\ kn. geleding va?i rottan of bamboe, de ook de pitten (^korrels van

kap as, volg. llh. eig. de 3 of 4 geledingen of at-deelingen van de kap as vrucht, waarin de pitten zijn; ben. van een tijdperk van zeven dagen. Er zijn dertig woekoes, waarover even zooveel godheden staan, die de zeven dagen van de week regeren. Op de eigenschappen, die aan elk van deze woekoes en godheden toegekend worden, berust het stelsel, waarnaar de Javanen de gelukkige en ongelukkige dagen berekenen en andere voor\' spellingen omtrent de toekomst doen. {Over de namen van de woekoes zie bij iui i ij ^N). ^ 1lji i hip gekorreld zout, grof zout, dat aan het noorderstrand gemaakt en zoo genoemd wordt, omdat de korrels ongeveer zoo groot zijn als woe-koe\'s. {liet is heter dan het aan het zuidersirani gemaakte «jli lt; aw foi ). arr^ j Li aj^ ici^ \\ Wll korrel zont. iKn(uiaj)^aj^(hr^\\ een vlok kap as, niet de daarin bevatte pitjes, mii kleine, roude

komkommer of augurk met veel pitten. dj^^hiu (hijj\\ 1. bij vlokjes of korrels. 2. op de woekoes betrekking hebbende; en zva. lt;ui(Uirjiilt;minq mn rrui (Hi rj hu i nnji \\ of C ^(ui(Hii2 (HTjjs feest op den dag van de woekoe, waarop iemand geboren is.-iui (uj^j hu 2 iHiwoekoeberekening ; een boek voor de berekening van de woekoes en de daarnaar te doene voorspellingen; horoskoop.

if (V)mi \\ kw. zva. of verk. van \'Oi q tui hu \\ {vrj.

(IJl (HU \\ 1.). - (UI 7J (VI (HU \\ Tj (UI(Tj (UI (HU \\ of Ul Ij I)

(hu^kn. voorzorg; voorzorg gebruiken, zijn voorzorgen nemen; behoedzaam; behoedzaamheid (iS\'/tr.ici-weka, oordeel, geest des onderscheids. l\'K.);(Frg. (LU (bf^ \\ . - IJ I I gt;1 IJl IHU N of dj ft l IJ (BI HU \\ voor

iets op zijn hoede zijn. ij (Ui ij (Ui nai ijj onjj\\ jm

rgt; o .

imp. - tj r » (HU HJ \\ IJ (UI rtj lUI HU \'HJ \\ lt;rj M HU \'Hp 0]

(urj i:i HU Hj\\ tegen of voor iets of iemand zijo voorzorgen nemen, voorzorg gebruiken of behued-zaamheid in acht nemen.

O O • 1 O

■ni(Hu~srjj uuhiijjs zie bij (Ut^UKHUjjs ij ui (hu jr^ ij \'Ui u ujj \\ zie bij tui^ rj ui (hujj \\

ui ij Htj \\ zie bij uiw

n rt n .

ui ihu (hi/j \\ kw. zva. tui ri 4 \\ e?i iui h u iin \\ {vrg. ui iw\\).

— iShu(wjj\\ zva. lt;kin^{\\ {volgens G. bewustheid

hebben, met kennis iets verrigten. — iamp;iinu(Hj\\en

00 a r 0 .u

171 (UI HU lij \\ zva. IU^ \'LCI IJ iH_j lij \\ o f :I7) HjII \\ fU

\'i~l Hj, ui Hj\\\\ {(tJuuu Hj^ te kennen geven. G.).

0 nr-i O

ui (hu (Hi \\ Md. en kd. van i/u *1 gt; w al\'

(ui iHu \\ kw. , zie \'Uiiui w

fa

iuniht^s zva. slagtand (Tj.).

s

ui Hr^ \\ kw. zva, (rrj ^ r.juj\\\\

a/quot; a . a/ 0

iUjjiHU\\ en (tjjj Hu \'ri\\.K.w, zva. lt;nyh^\\\\ \\(U^iHu i^

naam van een zekere slagorde. (U^Hu utuhiny

naam van den berg, waarop Bag a wan Palasarn

zijn ((U^tibii (Ui (injj had. — u^u^hYr n (Hi/j\\ zva.\'quot;j

(hnjf\\ ook kn. zva. iuii \'hu \'H inyj^ — tUl|

Cl\'

iHu^ !hi/j\\ zva. (ui err^ (Hj, (en (Hijj \\

o \' ) 0

//^nxkw. zva. on 111 i,u/i\\ iin nus uu hi\\ lurnw

h eb s

iuu iuu \\ (i^ (t i tu\\ ook zva. (Ui ih \\ of ui {tuiw en ui ij(M hi\\ {ükr. wikdra, verandering; altera*


-ocr page 683-

O O O ivi ilkliict (ijl n

rgt;

599

tic ufwijkiiig vau zij u natuurlij kon of gezonden toestand, afwijking van de natuurlijke en rustige gemoedsgesteldheid, emotie, gemoedsbeweging, drift; aioikdr a t onveranderlijk, permanent). ÏÏn niiunni\\ zie bij in* \\ ntinitnjkn. onrustige of anormale taal van Iemand die niet hij zijn zinnen of krankzinnig is. (En is?i nsii thci uv ni \\ sterven zonder erg, zonder eenigc verandering in den toestand, die voor de dood zou doen vreezen. tamp;i tim iUiiun ni \\ sterven op het bed van eer, van iemand die met dapperheid vechtende sneuvelt, njjieji an-n (hi (V)ifti rj\\ bewusteloos worden zonder teeken

. O O Cl O

vau leven te geven, ijim ihji { rj ui ,u} nm tuit aco t

oim\'-nrjimiun (ij]\\ wat is er gebeurd, dat men dat

kind slagen geeft? R. zie Z. 11. fJi fn/-ns welligt o

zva. ii i wn ry)n en astt minm \\ zva. asn mi -i ku o\\

met de het. van bij ongeluk, door onvoorzigtigheid

„o o /. o

enz: — oiwm kw. zva u ijm k) \\ oj nu

wnw

lüi^iwasns kw. zva. cm rt)mii ir) itrnjj\\ volgens anderen zva. ifj) /J) (tn ~jn tu^ im ~/n uj nrnjj \\ {heide louter gissingen, tot verklaring van r) iciavi »5!asti\\ zie bij tui (to irui w Skr. wi/cridita, spelende; spel. i\'k.).

n ur^iu\\ kw. verkorting van n?n ti {S/cr. wi-

krama, heldhaftigheid). — iïimnmanjjs zva. oji

o ci an

zva. i \'imt i\'mn ^

yurï^iuttunjis zva. ^ ui kh

v) ah} hüjj \\ zie oi nfti (unjj \\

}w ruji \\ k i)., zie Q\\

l,%i n kw. zva. i ) iviji\\ (zich verliezen, verdwijnen

G. Ükr. wak t d, van waktr$, sprekend, spreker,

prater). — zva. iu ■! ?hii wwi

wj! \\ zva. Yj UH i (h.H njtii \\

\'\'quot;^N en Ar. t ♦♦ ^ %wa kt oe gt; kn.,

Qyirvijl of y?t(U}rvtj)\\ kd. , tijd, tijdstip; termijn;

inzonderheid de bepaalde tijd voor het verrigten

van de vijf dagelijksche gebeden ; het gebed op de

bepaalde tijd verrigten {vrg. un ru \\ on iru nu \\

en ijnsvw

vtorn (bnji of (ci uti (Uijj\\ kn. zva. vi (é?iiKiji of *\') int anjj\\

_ /t,-0 o O a * . a o

IU quot;*1 ayj s zva. ieji ivgt;hoj) of m hu nn \\\\ L\'s Kw- gt; z^e \'\'

L){x$n kw. zva. -n xm \\ ii» iw (Hi\\ ivt in ivi (u/j en (hi lli

im\\ {Skr. wak tra, aangezigt).

iijgt;ani(h/ijj\\ 1. kn. einde {vrg. iu^ (iofi(i£/f). 2. n., ihttl)\\ k., (ui(isrjjdm i/j of tuliFTj mi n-^jj\\ ki., wat door iemand bij het heengaan, weggaan of scheiden ««« iemand wordt opgedragen, als last, boodschap, bestelling, commissie of verzoek om iets te verrigten. (bhtnifopri lt;tui ihtji\\ het westelijk einde, west-einde. ui ut) m St eun\' u iuijj n liet levenseinde, de dood. (i5ïian(ijt tmtiyijjn eindeloos; te vergeefs , ojgt; iemands thuiskomst wachten. — uihj!mi ^i/j ■ iS; ui,tlis een opdragt, last, bestelling; commissie (jw het algemeeii} \\ het een of ander te belasten of te bestellen hebben. —(qmi (kojj\\ im i±.i\\ im tm {kojj\\ iets (bij het heengaan, weggaan of scheiden)belasten , opdragen , bestellen , als lasf. o/*boodschap meegeven of achterlaten; oo/r bij uiterste wil opdragen; en iemand iets belabten, opdragen, enz.— £?kihn(Kin\\ iQiki ru* belasten, updragen, enz.; de een of andere boodschap meegeven of achterlaten.

— (amp;i iini(kv J] \\ of \'h mi (i^i -tl ^ I. kn. iets eindi-y O

gen, ten einde brengen, voleindigen; de rij of reeks besluiten, de laatste zijn van een stoet; ook spr, veeg zijn, \\an iemand, die op een met zijn gewoonte geheel strijdige wijze gaat handelen., alsof hij daarmee wilde hesluiten; volg. Rh. zijn einde

nabij zijn, stuiptrekken voor den dood {org. W. 11,

o quot;) ci c) a* ci a . a

09). 2. ihimi ui^n n., \'hl h irn \\ k., iumiiki \\

ki., iemand met iets belasten; iemand een bestelling of commissie geven op iets. ku lt;ui mi w rnjl\\ pass.; en de uitkomst, alloop; de gevolgen, daar iets bij slot op uitloopt {vrg. (uu itn ^cun cinji}.

(hïi thai (Kil ^.rj ihj\\ bij slot, zva. bi im i^i ^nrj uj \\\\

, o Cquot;) . O

en zoo ook l lp2 mn.t nnjj* zva. mini

j , O ^quot;) o- ) o .

hetz. it.i am (h i rj kii \\ (Eii n gt; ci hu nnjj\\ foi (isr^ (hu

k i ^ii ij hu \\ omtrent iets of iemand een last, opdragt,

boodschap of commissie geven aan iemand hij het i

heengaan, inzonderheid om iemand of iets van de plaats, daar iemand naar toe gaat ^ mee te brengen ; iemand bestellen om te komen ; voor iemand iets bestellen. — \' i hiukh J. kn. het einde;

de {of het) laatste of achterste; ten laatsten, eindelijk; ook ten uiterste hv. ontsteld, W, 1, 226.

fgt; ; ) O . » ,

amp;. n., u\'KtLi rn onjjMi., uiasn mi ki ^fi anjj^ ki., liet

bestelde ö/* tebebtellene; bestelling, bestelwerk; opgedragen of op te dragen werk. iisnan ^i riiniaji^n


-ocr page 684-

GOO

zonder oindc; eindeloos; oneindig, utwi(K\'iy ?/ of (im i?) uu ! iten laatsten; bij slot, in \'t eind, eindelijk. ïrnrkjmi(kinnjj\\ het allerlaatste. hi mi ihj f/H n-1 ten allerlaatsteu, bij .slot van rekening. — aj) (Qim(hi/js 1. kn. laatste van een reeks, aehterste, jongste; het non-plus-ultra (vry. (vi trj im u, iq). 2. n., (unwtru k., iu it?i

aamp;h u}ioj)j)\\ KI., liet belasten, enz ; opdragt; bestelling.

0 . r,

1 \'I iiw N ZIO (tirj \\\\

vi kh n i/j\' kn. govolmagtigde , gelastigde, zaakwaarnemer, vertegenwoordiger (Jr. JoS.. wakil); een iui iwlt;ruji\\ gebruiken o/zenden; zich laten vertegenwoordigen. — ibuh-nir^is iemand vertegenwoordigen, iemands betrekking waarnemen; ook aan iemand procuratie geven, ini0 lt;rr^ ik (tip juj) lt;■

de waaruemontle Gouverneur-generaal, ihv unnii 1^1 pass., en wakilschap. — ihinn iurjiint\\ voor 0/ tot iels volmagt of procuratie geven, nn0\\ de lastgever. — hji(uimfltti^ihi/j^ de procuratie, KT.

ui 11,ij i/j\\ kn. mand voor gekookte vijst, yrooter dan hi ffiw v c» a\'1 ui Kij \'t ijj^ fuj. voor belegeren.

ijiiidi(ruij kn. braaf, zedelijk, eerlijk; braafheid, goed zedelijk gedrag (vry. volg. llh. ook vol

hardend , vasthoudend.

\'Ci ini Ar. , qÏj . w. a /cp h, kn. een gitt, legaat, fonds of stichting tot een liefdadig doel. — mn (uiSi\\ aan iemand tot ecu liefdadig doel iels legateren. — ifi/i xu lui ^,1 ijHti \\ iels tot een liefdadig doel legateren.

rgt;

ij .ui iHyji \\ zie ui nnw

\' i iiijjjjs kn. trouw, getrouw; trouw zijn; vertrouwen stellen in iemand [vry. dbn ih iinjj en *,1 m 11\'i/j). — (i.i lajjj j a n n iu iemand vertrouwen stellen; van iemand iets vertrouwen, 11.

xj) n uitroepy gt;

(UI IIX)J^ \\ kw. ZVik Ui hij

gt;1 112 kw. zva. tj urn t\'tj u i e uijj\\ kn. zva. tj r 1 i 1,11 /j\\ en wortel in een fuj. zin, grondbegrip, tyuizS) [iU^iuwn v hoofdzaak, zie \'tj verder tj ruiuï

n n tuit ilt;ri\\ wortel van mijn hart, een uildrukkiny van lief koziny, zva. mijn oogappel. v^uizSi iuiiiuis de wortel, grondvorm, van een woord.

(vuuis KW. zva. uii iiui^ {Skr. zodda, bespreking, verhandeling; aauklagt, beseliuldiging). i?i \'mi gt; 1 iui \\ kn. berisping, kastijding met woorden.— fuma gt; kn. smaden, laken, minachten, misprijzen; met minachting dus of zoo noemen of schelden; 8iua. leu op (vry. anqji(icyj\\ irmnus en vnniu^i^i^y fèii(L\'iaxt\\ smalen, schimpen. — iamp;i(utjy\\ iemand smaden, smadelijk behandelen; iema7id wu schimj). naam geven. — ri ,ut iij (Kt/j\\ scheld- of schimpnaam, tegen elkaar schelden, of op elkaar schimpen.

11 tui n 1. kn, zva. uuia \\en ultj iicii(kijj . (WP.)R.2. ct£\\ ook wel 1 \'i (Kt n N., \' t ïj \'iet t (Mjj\\ en ook wel 11 ijwn (hyjsK., geheim, een geheim; iets geheimzinnigs; een teer punt , dat men niet aan moet roeren, om-dat het bedenkelijke gevolgen kan hebben, als het uitgesproken wordt {vrg. m(ui\\ en Niiintnao^ iicuui uiau tjwjs iem. tot beleediging strekken va» het een of ander gezegde. \\VP. iic^ u^ ui of

nr^ iu^ ut (ut if uj \\ zva. of \'ijtummiKv

nu/I heel erg, buitengemeen, enz. xm ojtojjiutwijuj nr (uri oji ut .ia tj uj \\ 1) VV. 48. — ut lt;ui \\ vtijmi 7 ;^\\ zie hoven. — lt;uj an \\ tujt^axtz (Kojj \\ iels geheim houden. G. aa^ xi^ j om ui .in \\ streng geheim gehouden , een diep geheim, WH. — (ui 17axtay\\ l. kn.

zva. tiJ tj ut uj n of kji vj iui 2 iKi Ja s li. 2. oji ij iut i(j\\ n.,

0^0 o

(f.i vjtut ri.i.t\'is K. of (Uj ij ut Kj \\ (uilt;rf axt ?n-1 .^1 \\ voor

iemand geheim houden. — (tirjaxiaoi ^iiij^ux of

ui tj axt am ~jii ij u 11 \\ en ifji tj ut i (m ^Jt alt;gt;1 unjj of n

vi(U)2a-I-Mihi ihiys van iels een geheim maken.

ti a.c^\\ en ui uj \\ k w. zva. ui tj an 2 anjj \\ en zva. iim ni\\ en xjii um\\ {vry. ui(ign\\ S/cr. wadoé, een vrouw; ecu wijfje). 11 anazn n^t a^njj\\ zva. cvni nuajn oji wjj\\

een uildr. voor geesten, VV. 1. 212.--ui(ïju)iwj\\

en in de spreektaal ook tj i:itj (Utialt;tj^\\ (unjmzuttj of ij \'.1 \'ij(ut 2 MHJI N., (}\\i\\fl^\\ (tJit• en (jew. tjin

,1^ k., vrouwelijk, vrouw; wijfje (Skr. sir t). iquot;

o • * 0

a^cytinij0\\ dochter. 1^1:112\\ meisje. ax-tttOjj^

merrie, imuj teel\'. u, 20\\ aJt alt tj ajii vrouwspersoon; ook de vrouw van iemand, en voor ziju vrouw of mijn vrouw {Uoogd. das Weib). ivM (unanurinjn^s de vrouw, in tegenover stelling va* den man. kiiim ui i^utzanjj\\ verwijfd. /ilt;»1 7/■gt;quot;quot;/ tj (inzaag een kemiri met dubbelde pit, andeti \'h\\ luuntijjs — iM if(in2(}r)jj\\ vec^ neiging

tot vrouwen hebben; wellustig. — n t ijani^ ® als een vrouw uitzien, zoo handelen; regt vrouwelijk ; van een vrouw; verwijfd van een aan een mannetje een wijfje geven; slaan van w


-ocr page 685-

0

1 I LCt \\

GOl

11 rj

pas (j ev any en per/coetoet zie \'^N

d/»; ^ï» tj \\ o ^ on ? ijj rj». gt;» \\ eon man als cen

vrouw besoliouwtn , mimicliteu. — rt ïj m i uj mi^ rjivn wijfje, om mee ie paren ] moer van

een schroef. — u \'/10 a tij w/j of w oji nytici 2 iin inj \\

en ufr/ vquot;V^rim^nV\\£%gVZV

te veel aan de vrouwen, aan wellust, overgegeven; een wellusteling. — (utif k. on KI. 2:2;«!. rj ilv

aj)\\ {misschien verb van xn nn/n^s •, ook zva.

■%/ rn \'quot;gt;;■) ^ Qv

M K ^ w V ■\'ƒ] \' \'M iu rrj 1 1

.hj}\\ wat vermag een vrouw te doen? — oji tv yjiuitiuj injp (ui rj O het vrouwelijk seliauin-

deel {yry. én TL/ Uj lO) -injj bij ,(,n r\\ i ). —.ij v^,7n de plaats waar de vrouwen bijeen zijn.

G. , (Ij)

:)

TI)- aj\'V^r

en zva. njt ry ZLe

wi U) rj (in 2 ihj (Hyj of ay rt*j ui2 uj (hijis en m) rj n m vrouwelijkheid, de hoedanigheid van een vrouw, en zva. m r i w/j\\

n^iins J. KN. linnengoed, dat te koop wordt aangeboden (innrh in(ijnu ielt; itijj). 2. K. zva. uirj u}\\

o

zie ij u 1 ? \\ — \'f » gt;1 ia gt; .fj (in uj \\ foi ij ia u n ^ n

tfni anjj\\ (t/i iamp;t^das en ut rj (in nï an^\\ k. , zie bij

tjiicii iUjp iJjoyuxmu tnji ttnuns I. ) o O o 1 *

i\'nto\\N., DurjtintMjjs en yew. k., bang, be

vreesd, angstig; vrees, angst {vry. vitws l.,(Ȏc^\\

00 cv o -) v ( quot;): )

.htm/n fj) tun \\ en lt;/ » •gt;» — .• j / ;

(ion nrrrjtin2i}j]jj\\ iets om bang te maken; (vo- .

gelversehrikker, waaraan de gedaante van cen !

monsch gegeven is, JR. volg. lih. iwikii3)\\\\ —

O o

ilhLn\\ voor iets vreezen. G. — /£» iUan % kn.,

; ) O

1?) iu ij 1x1 i djij! kd., een spook, spooksel. —

0 n ^ o 00. ,

lt;u ij ui Hj \\ tEi rj dei a vo; n gt; a /gt;n iemand

buiig maken; vreeslijk; vreezen of bang zijn voor

cn in dezen laatst en zin ook ^ihi tjiLm k) .J]\\

,0 o o 00 quot; o

\'1 \'•\'/ \' \'f3 \'\' N 6\'w quot; quot; \'y vn (Hiji \\ /7rtW. (/. n jy

\'■\'\'/ . 1. 202). — ifvï im vj (ic 1 lij \\ ii: 11E11 ij in 2

v:gt; ic^jajn .i^{ rn\\ iemand hang zoeken te maken, dreigen, afschrikken , angst 0/ vreesverwekkend, vreeslijk, verschrikkelijk; vreeselijk, erg

mooi zingen, Tj.

\'U^nni tmj\\ xn im m/j\\ maken, oorzaak zijn,

\'iiit iemand bang wordt, iemand angst veroorzaken ; met iels iemand bang maken. — l?i )j.ic)i}n^\\ y??n rm,j\\ ;un ii^gt; in in,\') bang van aard, vrees

itji rj ia un rj t.n\\ u nf nu

achtig, schroomvallig, hnj axi nj (}njj\\ (ül ijdcu (K) ^

o .. 00

11(1/1 en i n i,lt; - un dajj o f (un ^ ^ 1 n it^ j 1 m ;injj \\

iets daar men bung voor is of een schrik voor

heeft; voly. JU. ook een vogelverschrikker. — bn

) ) ) O , 1

mij ia (injjs h n rn ij iuiè-hj) ^khijjs mi ^ (un anjj \\ bevreesdheid, vrees; ontzag {vrt/. (rjn/n^ns).

ui do \\ 1. KW. zva. rj (in 77 ui njjjj \\ vj im 2 )j-ti en ui

rt n o o o

inquot;t\\ ruiiui (t i iamp;iti.i/j\\ zva. t)v.i)2 ij-tif :r ) u.i.i/j\\ van

geharde, stalen krijgslieden, op wier huid de kogels als borch, zoo fijn, als pap worden, AS. 2. KN. zie tj ui (ui w v (ui quot;n tjj(Ui ia \\ póót. voor de jonge vrouwen en meisjes. ijnrmfKi r:iw\\ de geur van muskus, en van n im 2 rj m gt; \\ {Skr. g and ha, reuk, reukwerk, en wedha, menging van reukwerk ; of w i d dh a, gemengd), n ui .m n ^ 1. poet.

( ) . r\\ O O O.

zva. rjUII l rj^ri ^ KH /iw ó. / MO 7x ƒ\'» • N N. , ui (UI K\'l ui;j\\ n., naam van een kruipgewas met schoone eenigzins naar muskus riekende bloemen v Porana volubilis, Brm. {Jat.fam. der Convolvulaceae. uiiu\\ KW. zva. üri iij\' en ij in i i\\ (Skr. widi, regeling, voorschrift, noodlot, voorzienigheid, ook naam van Brahmü en van Wisnoe)\'. »Jjjf ui ui \\ God de Albeschikker. — ui ij tui uj k\\v. regt maken ;

KN. iels, zooals geld of een som, natellen {vrg.

Cy rt

(MVjilCIHIs).

uirj ui2\\ KN. benaming van een haan met veêren van drie verschillende kleuren, ui riici2 r\'n \\ unixm i n

o 00 OC)

(Ui\\ 1 1 ijtid 2 fi j ri h i^j\\ ui tj 1X12 nu nu uiyj io 2(Un

S /\' o o O

ui un ui\\ i 1 n ui 2 \\ n m ui ~jh ri»iuijj\\ ui ij in2 un ri

Qv ^ / • .

om 1: Kifj en gt; 1 y 1(12 ij 2 ij 1:112 fonjj benamingen van verschillende varieteiten van zulk een haan. ujtia \\ KN., fi^nii\\ Ki., naakt, bloot, zich naakt uit-kleeden {vrg. .ut^ui \\ et.\', l yu^iu/j bij quot;

rui :ujj(ui \\ naakt zijn. — f^uu zich ontblooteu, naakt uitkleeden. — iuuuuhj\\ of iui uj\\ en r j un tj v iemand ontblooten, naakt uitkleeden. un Uj ui Kiq naakt worden of geworden; naakt door armoede. (Lti rj f 1 j *. 1 (y\'ri )jui20\\ de naakten kleeden. i)unuijj\\ spr. voor een aangifte hij de regt-bank, die niet formeel in orde of zonder dagteeke-ning is.

(Viut\\ KN. benaming van cen groote Lo-boom {Skr. hodi, de heilige vijgeboom, ficus religiosa. Vrg. ij un 2:101 \\ ^ , II.

ij uiilci\\ 17\'Ui\\ en \'tj!. 1 ui\\ kn. gebrek, wat niet goed


-ocr page 686-

002 if itJt ax) \\

ia , aun iemand of lets; ook mulle of verkeerde ge-wooute van iemand {vrg. ihn iuii ^ \\ lt;ui\\ en orut (i7n \\), Skr. wedha gebrek. — [ i^1}iU* \\ en 7/ (fJi

iU) \\ zie heneden.

o (, quot;) ( )

/ƒ iixt \\ KW zva. mi ifji (hnji en iyti n^ v^jj\\ — lt;10 ti

rj nhu}\\ intieme vriend, boezemvriend. —

nmittjxuis als boezemvriend beschouwd. — (M \'n

nri u) (ia \\ zie boven.

rvitj(im(hn/i\\ zie hij (Uhk^w

•tjiri na nn/js zie hij /ütaxiw

00^ we^ iU1l(LClr^!As KN•, llJ1lN K1,» ^oe(iquot;

vin, bloedzweer, steenpuist, aj^dc^^ar)ie/)\\ een negenoog, anthrax. 0(igt;n rj aju •}lt;»/! \\ een soort woed oen Kr. (^(inwMnji\\ een kleine, maar zeer pijnlijke, bloedvin. — anj^ of ujan/j en (ut^c^n itn aan een bloedzweer lijden een steenpuist hebben.

/ O n ^ o O

aj) lt;ui on\\ of io)(ichhi\\ 1. Ki. van ^id/ri w z. kn., ui

wnjs Ki)., hoogste hoofd, hoofdambtenaar, benaming van de hoogste ambtenaren onder den liijks-h estuur der; in de Gouvernement standen distrikt-hoofd, hoogste inlandsche ambtenaar onder den Regent of zijn Patik {Skr. wad ana, het aange-zigt, en de top of spits van een driehoek), f an de acht IVadana s, die den titel van mi om (Hn dragen, worden vie* 0tQrj ^ ? (of imnwamjj), binnenwada-ua\'s, genoemd, omdat zij hun a^i^imimanjj binnen do (;!^iti 171 fëj\\ hebben, de vier andere0its(cn {of irx m), buitenwadSina\'s, omdat hun (uiv(im ,m/j buiten op de noorder aio en-aio en is. De vier

binnenwdda?ias dragen de afzonderlijke henamin-

o ) ; ) o o o \' )

gen van u n tui ~n h n i i luyj; h ii tui n j uti ui \\ cmnrj

c ) O o ^ .o i • i j

ijid) i iibii 1/7/ an/i en nrti n)\\ de vier buiten-

wadana s die van 0lt;rjnj)hj^k (zoo genoemd, omdat hij vroeger tot apanage had een landstreek in Ba-gelen , ivr^ ij au} njj genoemd) , 0(ui (H^ mi 3» n (l?^ en 0(imcni\\\\ Be halven deze acht W adanaquot; s of Ndjaka\'s heeft men nog den 0iutiun(lijj\\ den opperpriester of ium -) \\ den 0lt;rri(iJi ern^/j of 0hji »fs* \\ het opperhoofd van de omaj) cmjjy den 0 tni ivi\\ het hoofd van de Kalangs; den 0jk (un \\ den hoofddjaksa, het hoofd en den voorzitter van de re gil) ank, de jtr adat a; 0aji nm mins den opperhofmeester j en 0un niirj ibn t (mjj\\ den opperkamerheer of major domi, ook (ur^ (ip (Li ij ljj ? \\ genoemd. 0,1

O o iU}(uiiuj,S

ui aw \\ hoofdregent, het hoofd van de andere rt-genten in de oostelijke grenslanden van Soeralcarla en Djokjokarta , ook 0 hji (EjI cm rf .hrj 2 izfri oo lt;rn o», genoemd. 0[aji)jfïrn hoofdofficier, w ridnxi,

zva. cwi (Kiijj\\ bv. (u i \'1 ut an najtj nji onj^\\ de west-kant, 11. — (bi(ui (Hi\\ iemand zijn wadand noemen, als zijn wadana erkennen, als wad^na ondergeschikt zijn. — Ü ut ujan \\ over anderen als wadana het gezag uitoefenen. — mi Qamnj anfj\\ wadana-schap; het gebied van een wadana.

(bi(iaajj\\ 1. KD.,zie ui (ui an w — 2. kn. naam van At bloem van de nn (i. pl. v. un a-Jinni^ unfj zz

iw KfiiHtijp ?) een heestergewas , waarvan de bitten knolwortel als geneesmiddel tegen wormen yehruïH wordt, JR.

CY ... j CV o o

ui an \\ KN. naam van een rivier vise h. (Ui un arn ar) rm.j\\

cv O\' cy

■ui aa ij d l ap asti/j\\ uiaxiajiarn jvijj en (Ui lü w Dijhu

(?o)\\ soorten van wader. uiw(Ui f} (of (ui.mamy) CY

kleine soort van 11 ui \\ zoo groot als een spicrimj.

lUian irfis N., oimamiéti asain\\ k. goudvischj [vohj. o

Rh. ook aju uiani) gt;aiicirjanttanijj\\ (Tj.) een

O

soort goudvisch, WW. ui axi am urn\\ n., li

cy o

(Ui un la7ri)aj,riji\\k., een wtidër met roode vinnen.-ui aïun anjjs nm. v. e. best soort van gras.

ui an no \\ kw. zva. asïi(EicKi^\\ W. II. 10G.

Cï amp;

(Ui (Ui ■gt;» \\ zva. ui (ui •y-) w

uiaxinis kn. naam van een boom van middelbare groottemet eetbare vruchten, Zizyphus Jujnballaui. Nat. f am. der Ilhamneae/\' ui (ui ni (Uj (un % (of tuy tnijj), naam van een boom en tan de vrucht daarvan , die veel op een olijf gelijkt en tot medicij* gebruikt wordt, de qnassie of een soort er van, Ëurycoma longifolia. Nat. fam. der Simarnbaceac. — v, (ui -t ) anji \\ naam van een gebak van meel, eijent en suiker in kleine bo lletjes zoo groot als een olijf ui in t) cm (La ani/j of ui rrt ern (ui iutijj \\ benaming van een fatsoen van huizen, zooals die in de Soenda-landen, in onderscheiding van d/laimw ui an n \\ eign. van den derden, jong sten, lame*

O O ,1

kreupel geboren zoon van Abijasa, ook iiua.ini\'j *D genoemd (Skr. Widoer a, eig. wetend, kundig) wijs).

■ui(u^-yi\\ kn. ï. naam van een katoenstruik, du of Java in het wild groeit, met zeer fijne wol, da evenwel niet gebruikt wordt. Skr. badari,^^


-ocr page 687-

J. ari. \'O\' ^ naam van een eddgesleenle. lun (««« xmIini u-Hjjs Ml. sua. am hu i.iijj) naam van een soort van agaat (iS\'/t. w a i doé rj a, lazuurstoen, pk.)-Qyiymij of (è»(5^nTi^\\KN. vuil zijn van de grond door liet geloop va» velen; vuiligheid op den vloer of grond; vrg. lt;rn\'Mcm/i\\

•ty\'W quot;\'i

sie lij vtiuj^

_ . O O O O

.vnuhhtiji^ kw. zva. mi) miw — ut mi na in^/j\\ kn. nau-wclijks tc zien, nu eous te zien, en dan weer niet, :oo hoogy zou ver of zou fijn {vrg. ^in] ukiwwnKW. zva. Tj. amitj)(inarn\\ zva. itfn

iQrt^/n (}njl\\ PM. mn iQnci ant nn/j \\ hetz. D\\V. 16.

o O O

,j j .iijj uil (j n kw. zva. myt)^\\\\ ojj cm tu^ lt;uj u n/jsu., u. i

u HKjMii/jyK., rijst met kokosiniilk en Aovit {ook wel

met (Ijagoeng, katjang en andere iiigredici»tcn) in

een dandaug gekookt voor offerhanden.

yvirjtuidMVjjs zie hij .viar^w

tvidnwn^ of (Viiujji/urn\\ kw. een liemelsch wezen, een halfgod van een bijzondere klasse, een lueht-%cvbi {S/cr. widy d dar a). — viiui ui n\\ {w i da-dar ï) , ook, en eig. nKujjj ia n^üS., een hemelseh wezen van het vrouwelijk geslacht, hemeluimf(6\'^r. w ld yd d a r i, het vr. van w idy d d a r a). — /j lt;to (mid ad are nï) liet houden van een gezelschap en tandakpartij aan het huis van de bruid in den nacht voor den trouwdag, lèiei eeniya daarbij gebruikelijke plegtigheden. uji n .m .m tj - nmiip

verblijf der widadari\'s.

,9. 0 .... o

ui in (U)rn\\ zie b ij iui t. » ,10 t» nn

bliuialis (rm an tuis Tj.), kn. de binnenzij van de dijen onder de irunniw vuig. IMi. de dij. — lt;ii Sina\\ als een dij, ook de dij 0/ Acliillcspees afslaan.

01 tuiibiyjMiN. ongetrouwd blijven leven, van heidege-slaciteu j coelibaat j als eoelibutair leven {Ar. walu/at, eenzaam leven. ^rg. tv^irntm/j).

vi ui hm \\ kw. bijzit, bijwijf. G. {misschien hei Sir. awaddta, wit, helder; ook fraai, schoonj of awa Uaita, weggegeven, weggeschonken), \'fjWitKijis k. , zie .uklow \' iif (io è (kjjji k ., zie n tin \\\\

wgN zie \'Vit^jjw

vi w tup kw. zva. (Vi its trnjjgt; kn. wat tot een offer

tumc^rLyi^ 003

strekt of opgeofferd wordt y oer iels of iemand anders; iets veil hebben, prijs geven, opofleren. (ru au (of an^niM/j) UKinn i/js arènsuiker in groote koeken {uii ai 11 ijijj).

tji(u^.rujj\\KH. iets klikken, iets kwaads oflelljks iemand klikkend, of met beklag over iemand, aanbrengen. n of i/n uj 1 u -Jiinr^ rujj\\ klikken, kwaadspreken. — HjI vu \\ of tia ifji \\ bij iemand iets kwaads of lelijks van een ander komen aanbrengen of klikken. — (i ir^nrj mi \\ iets kwaads of lelijks aanbrengen of verklikken van iemand. oji m nr^ 1 i-i -ju tlyj kwaadspre-kenlieid. — 7/\'flt;^r,V\',r,7N ^^kkerig van aard; volg. K. (l/i T)7^7 nnji\\ hetz. v. dji\'fis IV.

li (tj ui 2 rujj \\ kw. plaatsvervanger, plaatsbekleeder. G.

0 1 . O o o

1 rmrvijjs 1. k. zie o.ib^w z. kl).; zva. iJiaoiruj^\\

hv. oil(1.1 irijtui 11 uji\\ de uren voor de vijf dagelijk-sche gebeden.

uimruji\\ kn.; (UAiici tujjs kn., iï.iri(^.cijijis ki., blauw verwen, (met indigo, v. M.). iets blauw verwen, tu tui if j ijMJ fig- weer opknappen. — Xmo naihnjj\\ /■gt; (u ^i aa/jn ohy. den., blauwverwerswerk, het blauwverfsel. ic} ya^ri s blauwverfpot. — ojiooi ui 1 i^i anji\\ blanwverwerij, gew. \'fi ix anjj zie ibiarzw

ujjicia 1.1,1 \\kn., a ^ (M k. , navel, de navel.

aLajj\\ {ook nrjicj^rujjs WW.). — v^ ir^auqs ook

(un an dei vu WW. iets doorsteken, hv. een kurk,

01) ll - \'

die er met den kurketrekker niet uit te krijgen is, door de hals van een Jlesch, ook hv., zoodat het binnenste, of wat er inzit, er uitkomt;//ow^- of zilverwerk uitsteken, uitbeitelen; Rh. eig. dooreen gatstekende terugduwen, torugstuwen, opstuwen, zoo hv. van water door een dam. — ajjjiu^ri^ anji\\ naam van een soort van rietachtig gras, daar het binnenste uitgestoken kan worden, om daarvan een lamppit te maken, m asn % ajj.rtr^ rifianjj [of uji f ^ ir^ /fy anfl\\) uitsteekbeiteltje van een zilversmid.

iU}ngjj\\ en idi i^i \\ kw. , \'\'\' ^JJJx KN- zva- vn aLi\\ het volk, in tegenstelling van de groot en; krijgsvolk {Skr. b adw a, ook wel w a dwa, troep, menigte, groote hoop. pk. awadga , laag; gering). 11 uj/j ui aviiKii^\\ het geringe volk. i a(Ujj^.i:n au\\ krijgsvolk van iemand.

; ) O o

t gt;1 icjjj \\ kw. zva. ui tui \\\\

O O

\'\' IDI)% kw. zva. i huiw


-ocr page 688-

7 quot;ST

^(lJt^JJix Kw- zoiule, miedaacl. G. (.S^-r. aw ady a gt; feil, blaam.

iD)mittvj(Kyi\\Kw. keuve.cn, praten {vrg. r/ ia\\). (t?) (in ajW wi \\ kw. sva. i j ^ ik i rrn ^ en bijnaam van Jdji-Salra (yrg. {Mr. widh dy ak a, iu-

steller, stichter, regelaar).

o o ,-).o

tj) iUjji in t» \\ i Ji ijjij m \'gt;»\\ zie lt; i ui u) n n f/Jt ia .Lu iisii/j\\ eti (Sn iin in Mijis Ar. kn. groote gunst; zegen, voorspoed, hv. in den handel, goed of slecht

voorteeken {zie i/ii nn iu asii/j en vrg. firii mi mhjj en

cquot;)

(v.) ruiikasnji\\

n o

t.nuinrtis en tJt in nrp j \\ kw. zva. rn ijr^twjj

en (ti j^rrf\'tri (uiji\\ {S/cr. w i da g da, slim, bedreven , bekwaam; w aid agdga, slimheid, bedrevenheid. pk.). ii m crj)^ jij (ui) )im /ft (itï) \\ de wetenschap om te scheppen, het scheppingsvermo-gen. K.

o o o o o a

i huicnis en * i w \\ kw. zva. n ui mp\\ en 11 tn

, c ) .

n\\ oo/c zua. n Krn^ i ini icjj if i ii t arnin ti i \'n ini

n o o o

iiLii \'rn \\ mi ihn lt;rvi f i - ^ \'hu i ci rri rj iuj \\ M en.

tJi(ir^\\ kn. een bijl, groote uirj ip {vrg. nwu^i

cy v .0,00.

nu/j en ijl i, ij \' i \'tj iLi t) {.im(Hj.(L(n uj) een

Wangsallan op i\'ji uj i n tu \\ 11 \\ met een wadoeng werken, hakken , kappen; iels met een wadoeng af-of doorhakken, tun tn\'^ccn slag met een wadoeng

krijgen. — \'fji in ci \\ meervoud.

o . ; )

i:i ifjj\\K W. zva. Hi^ \\ n i rn anjj\\

irj vi dó \\ zie hij ij mw

(ui 1. kw. zva. it] ij i.) i-1\\ (thans, tegenwoordig. G.). 2. kn. kort na de zwangerschap , ontijdig bevallen. G. uitunjj of ii/nviasnji\\ het drukken, persen, van vrouwen hij de bevalling, Rh.j vrg. x/n Jiinjis

(Ui Mi ij] of iuyriihiyjs kn. stam, en vandaar een op stam groeijend gewas, plant of boom; oorsprong, oorzaak, aanleiding, daar iets uit voortkomt; begin; hoofd jom, kapitaal, daar de renten uit voortkomen ; en zva. (iw ii.bii/js omdat, dewijl, rimi (}ji/i\\ boom, in ouder scheiding van andere op stam groeijende planten, H. waarschijnlijk navolging van het Mal. po hou kajoe voor boomen met hard hout als djati en derg. in tegenstelling van pisangslammen en derg. — / ] ;ƒ t v \\ kn. , n., / ]/ ^ ilt;i/j\\ k., vooral, bovenal, voornamelijk, allermeest, ui riten^ van dezelfde stof en kleur;

{ook kw. volgeling, onderdaan. G.). naSïx uf i,

0 Qquot; n ,\\M ..

zva. iiimiunjj n.viiten^ (W. JJ,303) (?.i t0itefj\\ van hot begin af; geheel en al. y -nj \'irlt; ij nu ^ i teiyj\\ borèh gemaakt van de door-eengemalen bast, wortel, blad, bloemen en kleine vrucht van de djëroek-pëtjöl. — (un gt;i:i ziju aanvang, begin of aanleiding hebben; beginnen-aanvang, begin, oorzaak, aanleiding; van... after oorzake van, omdat, dewijl, am #5),^1 mnN.,i» ti un ^ Htï\\ kn., uit hoofde van, uit hoofde dat

wegens; een gevolg zijn, komen, van iets; ten «c.

, » C o o Q.

volge van. i i j /■ n gt;i un n ui^ ten »:i ayi un i tn ^ ui a u\\

een zaak die van de Pradatii uitgaat. imujuS ten ^i ilt;ii(i\'/i nrnrj mogelijk dat het doorzijn

toedoen is. ti n t itj anj rjikj\\ of dm ii rj a^i ujs omdat , terwijl, vermits, lunvmsn ^niUi\\ ivrimx

* o o*

uni/n Ldi tei\\ oj vn i i ij te^) ilj i/n tel \\ zva. uw

rm (iji \\ enz., waarom? — mi i:i(isn^\\ begonnen of te beginnen met of van; het begonnen zijn; eerste begin oj aanvang, ook zva. iw nMirjim aanleiding, W. II. 556, Rh. oni ri ijf^ii itinin a^iui i^ riM\\ nadat hij begonnen was ziek te worden in de Vastenmaanc. uji ini l?iasnjj of het geheele bedrag, de geheele som geldswaarde.

611 N bet eerst beginnen.— hii /1 ten wji\\ de eerste aanleiding, het eerste begin; waarmee het eerst begonnen wordt; de (c/ het) eerste. — i/n ri teiiiajs zva. un rri^ncm^ in van het begin af. — n ook m(isn

de grond of grondslag, daar men iets mee begiut, o/waarop men steunt en zijn vertrouwen stelt;m fonds of kapitaal, om winst mee te doen of handel mee te drijven, cf dat de renten geeft; de hoofdsom. — ihi hji iiw \\ iem. een kapitaal geveu.

— iji tipj rn/ui/p of volgens de gew. uitspraak u 11 iw lt;isi y\\ en lt;1/?^ fiteï -jr^rid^ii irijp geboomte; boomen; verzameling van plantgewassen, gewassen op stam.

II (ijuui tenn\\ een begin gaan maken, beginnen, aanvangen ; begin, aanvang; van . . . af, sedert iéïi iari asnjf). iamp;li?i(ifn\\ of ook u u uw \\ met h\'lt begiunen, er mee beginnen, er een aanvang uw maken, iets aanvangen; iets aanvaarden;aanlieffeii-

O O O O O. O . „n,, |ii\'|

u\' i t i iifëfjci ij vfi ? i j f j in i\'n t l un 11 iVi/j^ van ««■\' begin af tot aan het einde toe; van A tot Z. —


-ocr page 689-

trjiVliA 11/- ^

005

tjlviittfiiHi/js begin, aanvang, aanhefj tic («ƒ liet) j

eerste; oo/i- zva. /5)thy {zie hier boven). /1

in,mi niiQ n ia het bettfn. 11 n t n w in nn ij) _;•lt; n \'quot;L \' O \'

«:m\\ liet begin en het einde er van , alles van A \' cv tot Z.

tnivnniiyi^ l • kw. zva. rjirng nsvjj\\ en grondvorm van vjiLUHsujj {zie hen); ook zva. è.iyrmiujjs — 2. ij iDUhriJj 0f rl \' , é N (volff\' l^h. ook rj nii rj ijcniji mi/j) kn, vonder, vlonder, smalle brug over

een water of ravijn, y un •isn -yï n n rj in è usn -y* ihi m\\

OS 0 -v

ij Dii hii si ilt; ii \\ en rj r i 2 .bn 1 »ƒ ny ? uajj\\ poel. zva.

iin hi{\\ met een sëmbah zijn eerbiedig compliment maken; {vohj. Rh. zva. rnloi iljijj ^:gt;-ji irn). — 71 nu ij .uil iV,ii/j\\ KW. zva. ij !-i ? »jf \'f-ji f (■•njj« — rj 112 a^njj •. (of ii\'t ii tj.unaayfs Uh.). kn. over een vonder gaan. — (Kj ij ui 2 \\ iets va» een vonder voordien, ergens ecu vonder over leggen. 1x1 ij un u^n % passief.

V):u?i\\ 1. kw. zva. urn(uimn iiïi\\ en itlt; cmiwji gt; {Skr. wdliy lucht, wind. Ook is wati het vrouwelijk Dan v) ai, een uitgang , die zva. hebbend, bezitter, heteckent). 2. Ar. coïtus, vleeschelijkc gemeen-schap j vleeschelijkc gemeenschan hebben {Ar. ts-,

O

wall a). — een vrouw beslapen. KT.

wismnN., tj(unrtisK. en kw., steen {vrg. i:nx^\\\\). u?

1 O n O 1 . .

ijsw 1 v lt;isn \'t-Jjjn N., ^ /u int t n ;^\\K., keisteen, Rh.

0HnM\\ puimsteen. een puntige , pira

midale steen, Tj. )!}?nfq\\ ecu soort vuursteen (Tj.). irn^) ijjjj\\ fijne grint. 0r:nrjtxht een groote keisteen, A. :u} ik^\\ n., tj h) n) *i/i rfi n k. , rj ui ngt;7^ u ibn \\ kw. , bergsteen ; en eign van een Vorst nan Oiling-w^si, door God Wisnoe overwonnen \\ en naam van de dertigste woekoe. {De namen van de dertig woekoes zijn namentlijk ontleend aan den naam van dien Vorst en de namen van zijn twee vrouwen en 27 zonen), n m tu hii \'rh\\ zie boven. — -ï 15n\\ 1. kn. als een steen zoo hard of stijf; van het hart, stijfzinnig, onhandelbaar {vrg. \'0} )• 2. «y»(i5W\\ n. , ff rm 7U\\K., iets met stee-nen beleggen; een weg bestraten; (met een steen werpen. G.). — ut rj iw 2 miji zie hen., en rj k) tu wjl boven. — o vi rj i n i ni/j steenachtige grond.

i 1 ia rmjin K., /*:] tj in2 M^\\Ki..hetuitgaan, het \'quot;tkonien, buitenkomen, voorden dag komen; hetgebo-ron worden {org. oirj /u^). i i {of üi ui trï) lui iryu\'Kifi^ het opkomen van de maan. 11 t 1]

lhji\\ ti iuilui \\ uitgaaf van geld. ij 1 w 2 n unitn ti isr^ if nxj \\ er komt niets uit, het brengt («ƒ levert) niets op. m hrL^)jta.\\ al water maar uitkomt, al wat maar voor den mond komt. — .uii h

, o 1

/toet, gew. lt;u^rp (L\\uiiu^\\ ie*» rj xm 2 a-.ijj \\

uitgaan, uitkomen, buite.i komen; er uitkomen; ^r-gens uitkomen; voor den dag komen; ter wereld komen; naar buiten; van de hoofdplaats naar buiten {naar de désa) gaan; mt de dienst gaan, van een bediende; opkomen, van werkvolk tot een iverk ; voortspruiten;, voortbrengen\', opbrengen, bv van een land; vrachten voortbrengen; opbrengen

v. nacht, boete enz.\\ ook zva. \\m f 11 n\\ buren ; over \' co

een plaats naar een andere gaan, over zee ofland,

langs een pad of rivier, door de deur, enz., door

de handen, tussehe ikomst ö/* bemiddeling, m/

ander. (hi i y jti \\ zijn driftigheid komt

uit, hij wordt driftig, irmsr^ iai qnm ni 11 ij tij i rrgt;?t

Hii/js hij komt tot betere gedachten. i.\\run tuhj\\ O ) / n

en (Musn 1 vrj ui 2 ni/j N., .«/lt;.» j »y 1 y \\ en n ia tj n* 00 ■gt; n

k. , t l ij in f 1.) gt;lt;gt;jj \\ en x i tj hu gt; i } xmi^ KI., zegt men van een ter wereld komend kind om het mannelijk of vrouwelijk geslacht te beteekenen. foi xsn 11 imxsyi t / tj }n yrtji /.r^door tusschenkomst van den Heer Resident. ttJxsy xJxutj /7gt;^ n hm

n i/js 25 realen van de djoeng. — ini bixsr^\\ uil

o o o . n

dim iM/js i\'H \' 1 \'f 1x12 ij)/j \' oj i.y ui xsï^ gt; enz., acc.

pass., er uit geraken, uitkomen , uit den mond ko-

... in O n 0

men, geuit worden. — im yj lii 2 pj \\ /n xa xi^n wij

ij u.12 K\'i Ji\\ tot, naar of om iets of iemand uitgaan, naar buiten, of van de hoofdplaats naar de désfc, gaan; opkomen op een oproeping of tot een werk; een danseres tegemoet treden om met haar te dansen; vrucht geven, van planten; een jong of jongen krijgen, van beesten; een kind of kinderen

... ) o O o

krijgen, van een vrouw. — 1 1 rj ihn 2 ras 1 1 ia vu\\

o o o amp; n o

voor 1 1 ri uti 2 hj\\ 1 1.10 /1 / n zva. (bi n lh 2 xj \\ en

Ö 1 :7 ^ (J lt; (7

iLï ix) lui \\\\ — xm u; rj (nu 2 xaq slagen, goede oogst geven (Tj.). — ihlrj nsn 2 tm ,//»rj 1, n \\ iLiia ryi un (hojj\\ itx n tix 2 x^i siri mi doen uitkomen, doen uitgaan, doen opkomen; werkvolk oproepen; naar buiten brengen, uitbrengen, voortbrengen, geld uitgeven, een bediende uit zijn dienst ontslaan of laten ver-


-ocr page 690-

(IJ) an -

000

trcldicn ; lafeii ()|)brcn^(Mi o/hvii\\\\v\\i. ifniasntihn tjihn\'tuinu i.j ul /ijn vermogen in hot werk stolie, n , ui zijn kracliteu iiispnnnon. irrij nnsikh -nnj

gt;1 nn \\ ii:i 10 nt.i nlu zva. if rtj asn ? tlt; n tj nn \\ en

O O O

a mei irvnn n (hn/i% am a /n ij a,it ? hï) sti ij urn \\ pass. —

• ) ( ) r,

! 7 /ƒ in i no[j (f )i ut ui.i onqs tutrj ,1 nnw onjj^ boortig; afkomstig van eoti plaats of land\\ voort-b)ciigsolt jtroduct; opbrengst; geboortig zijn, geboorte. nu 1,1 iv rjiv,m Hi/js geboortedag, verjaardag.

iia lt;hjurn joi Jjiy ti-.» ? vandaag is liet mijn geboor-

. i ; ) ( ) o

tedag. — djKfji v.iis itji ifjiaxi h/i 11 ifii.i )? ;r yi

wat if/s opbrengt, opbrengst, opbrengsten ; reve-

nncn, die iemand tndet nit de opbrengst van zijn

landerijen.

o oor» o

iuhhh kw, zva. ümunHDjj on ivt\'nunjj\'s \\ an ■ gt;1 n» mn \\

zie bij anuw \'Mi tun\\ KW. eva. orn nïit vyy/un an^\\ nauwkeurig onder-zoelit (Siïr. wittig onderzoek, navorseliing, beoordeeling).

iij^ hsï) \\ KW., ook wel als Kram a, zva. \\

\\iivihmajjinw\\ een blinde. — ^ihiirui\\ on-Ix.\'snisd, doldriftig {eiff- als een blinde en doo-ve te werk gaan. Vry. Mal. 11,11 iinnu\\ brj lt;171^ asn \\).

C)

ui asn s ^ K., zte ^ ^

■ij^iHii q\\ ook (iyr^iisn^\\ kw. zva. utti i m •. (Men. van een groot leger, nnimyjhji if d i?^) KN., gestort, uitgestort; liet storten, het uitstorten; storten; met kwistige hand, mild weggegeven, hv. van schatten; uitgelekt van een geheim, {org. Mn mi niyj).

iün v t/n (ii o \\ zva. yj mti (in n mild, welwillend Men.; 00/c éen haar kronkel op de borst van een paard, (uti q a/ii (iii nfii % {of n j ) vergieting van bloed, ivgt;ii q rmitiii q {of y) j \\) geboorteland 0/geboorteplaats. — nsn j \\ n., ny ff) nojj\\ k., fyi ii(njj\\ ki., overgeven, braken. ^iisn{nm tuitunjj\\ als *1 ware de tong uitbraken, van hevig braken. Men. \'fJi gt;iai % lt;m (vai j ^ bloed braken, bloed spuwen. .• 1 (is?) f erninj \\ vunrspuwen. (Ki^n^mn braakmiddel. — (fjj iisti % (uh •gt; of isn % tun \\ storten op. ^ asn q uiln [tfi \'i/JN ergens in of op braken. — ^ fan q vn rj mh \\ of (i:gt; un q (un rj tnn \\ iets ergens op storten; maken dat ietp stort; met iets storten; het bloed van iemand vergieten. ^ asn q mn ij (un \\ a^i^(i,ini\'rfinn\\ braking veroorzaken, iets uitbraken.

— rya-n gt;am an/f of a/iiavi fa/n (in/]\\ het gestorte overstortsel. ajj v,» q ajj^ asn %a/n an/j\\ uitwerpsels con oen vuurspuwend en berg. a/n nu ^ an^ nn san atijj \\\\\\\\. braaksel; W. I, 70: O(hj\'rnii^(ioi\\ volg. Rh.waar. schijnlijlc de krulvormige tong, die vonrqestfU wordt nit de hek van de (rn r^uis to hangen.

\' ^n n.gt; o^ïï^nk , heel, in zijn geheel, ganf;on. gesehonden, onaangebroken, onaangesneden,onaan-geroerd {zoodat er niets van gebruikt of afyenom is); heel, niet gesleten, ni(^ gesehenrd. njj 1 y aji m if nyj\\ de heele, volle prijs {zonder dat erielt afgaat voor onkosten), ff y/.n\\ gehed

zonder gebreken, ujiniinm{\\ geld in zilver, groot geld (in tegenstelling van n\')i nJnn gt; ). n^j i ijy.ini m (fjin\\ heel als een hoentje, spr. voor geheel sehonden of ongedeerd, ikhftnia^yjqs djarakpillcn.

viïj^am gt; a^asry^ maken va7i wat geschonden,

O ; .

enz. is. — (ejiasrjfnjnrjnnis (tn asn sa/nn.n no/js telt

in zyu geheel laten of honden; zorgen daUWaoii

geschonden blijft; een getal, bv. de honderd, vol

maken. — ^nm nnj^\\ aiiasn qa/n tKyj\\ in zijn

geheel gelaten; ongeschonden bewaard of gelioii-

den.

o .... o

1 gt;1 nj auj \\ zie bij 11 asn/j \\

ftjia\'^ntijin KN.; (uiasYjonwieden, iets wieden.iun nnjjs wieden in het algemeen.

1 l ij asm (in/j\\ T. N. , \'zie bij ajiasnw — II. KN. al val tot hechtheid en stevigheid als rand of raam om ieli heen of aan de einden van iets gemaakt is (w/.»« / 1 a 11 ~./n 01 nsn/i BV.); /lg. regel, maatstaf, waarm men zich houdt, of grondslag waarop men iels va sist elt ; iets tot regel of grondslag hebben of gebruiken; op iets gegrond zij .i; zich op iets gromlcii; statuut, instelling; geregeld, in de regel (Wkw* nig uitzonderingen\'), iun aci asjj ij a^n 1 n]j kurn \'n\\ Je costumcn en statuten van het rijk. fj uirj ihiiiww .to nrri {of ui /lt; n cic^amtia nri \\) alleen maar op gissing gegrond, nm tj ui mi ij nsn 1 nnjj\\ zich tot regel stellen-uuuKYjasmnn^ installing; to». bepaling maken;naar

de maatstaf, of naar evenredigheid, van.

O O

ui tf un i (mji \\ zie bij ajiasr^ \\\\

(Uiasïi kn. zva. aji^i^\\ eenvoudig, naief, opregt. Rh. volg. WW. zieh onverdeeld, met ijver en trouff bij één zaak bepalen, opregt, trouw.

rj ui asn (Hyj\\KH. oost, het oosten, oostelijk,


-ocr page 691-

(O) asn (im jj \\

O

(V) •hu itn

CO?

of \'1J) \'ö\'\' \'V rj ^ 00S^aHlt;., o/aan dc oost-kftut, van. tjnm r] itJt uw anjj\\ is soms de naam van een gemalin van den Vorst. oj ana^n (htjis naar liet oosten gaan. — ^ uj) (ühna oostelijk. — aji ij i:nnw/]\\ wat naar het oosten ^aat, het oostwaarts golegeno, bv. imojiif (wam(mjj en alles wat oostwaarts . jjgt — iFJirj r:) nu) na^ oostwaarts gaan, oostwaarts. — (fiijtnnsnfHj iimus iets naar het oosten, q/* oostwaarts, wenden, zetten, brengen, drijven , verplaatsen, schuiven, enz. —(trn ajnf (iriasnthj te veel oostwaarts. ,nMnin\\ KW. een vorstelijke zetel {Sh\\ w it dna, een verhemelte, troonhemel). ivrriojiwtMti ai}\\ naam van een kleine , op acht pilaren rustende en van alle kanten op one panda pa. op de siting gil van de kraton te Soeralcarta, waaronder de Vorst op de

garWêgfeesten zit. — nnt nnsnan gt; zie bij mti nw

q/ . (\\ o

olt;bii\\n., lt;iJ}rj, zie nni — if iihn ns

o o

en ifji rj asn 2 w ~ii \\ zva. \' » »\\ en j tj tfsn?

zorgwekkend, enz. —^ asn dj) ihn \\ gevaarlijk

van een plaats, WW.

s O „ lt;quot;gt; /• O o

ui bii rn\\ of ui aan\' m N., (Ui (hn n ui/j oj aj\\ am ui ii^jj\\

K., ongeveer, zoo ongeveer, zoo omtrent; wat zoo ongeveer, als vermoedelijk te denken of te onderstellen, opgemaakt wordt of op te iiiaken is; vermoeden, veronderstelling, ongevere schatting, maat

{yry. am \\ itw ■ n \\ lt;u^ cm \\ irm in \\ en (Fj^ lgt;i miyj).

o O q. o O O

i) hu i (Ui n ii/n t nnyn iui i i iiwmiiijrri (HiiKti n i uiii an \' \' C7 co

ii\\ zoodat men niet opmaken (niet zien £gt;ƒzeggen) kon, of het dag of nacht was. ahvjernitQasnt»\\

maat in acht nemen, met mate. — (M iii asn-ri^ of

o» (T) O ^ /. o.\' O o

vu ui ui asn rgt;i \\N., (k i iiji asn ui ojijj of am n-Ji ui asn \'Ui

eenige, ettelijke; eenigermate, cenigzins;(eenige oogenblikken. WH.) (dhui ui i^n n ijiij\\ naar verhouding, naar evenredigheid, naar dat het overeenkomt of past, ongeveer zva. oj) uiasr^ rj agi \\ ojii (m3(hnmoji(uin in evenredigheid van zijn verdienste. WR. asi ij om ? (uh ui u}am rri \\ zich matigen, met matigheid. — iti asn ■ n \\ (Qasn ijj ujj \\ iets ongeveer schatten ; omtrent iets de maat in acht nemen. — mn lui asn ni \\ uh tbi asm oji uijj pass. vermoedelijk opgemaakt worden, 6v. uit iems. kleeding dat hij een Arabier is. tui asn\'~n\\ ook kw. zva. ojii en uiTjaJn cm \\\\

^ O O

wdsnoji(ig^ kw. zva. vviuiuiq voortreffelijk, edel. W. II. 478.

ui asn (irnjj \\ zie (ui (én dfnjj \\

\' ) t ^ . )

itjiasn(ifnjj\\ 1. kw. zva. ajrjtujs en ui rri \\ ov. ui asn

0 n 11 C^) /

ikï) ~ji ui \\ zva. ajrri ojiuiw — II. iuiaïnnn/j of ui

nsnihiij^ kn, 1. aard, geaardheid, natmir, hoedanigheid, inborst, karakter, aanleg tot iets (vra. am ^

(o

iKn/j\\ ajiui\\ en ama.a\\)-, den aard hebben, geaard zijn, van aard gewoon zijn; yny/z? »/ /ongeveer zva. irj a in 2 \'n a n am w \\\\ P. 87. a i asn rj ii \\

-^ a.n f \'i ij iiij \\ (vrg. nJKt.iiau (Hi/i). ij aaa an atn iitjï aji

o C) o o , i •, • .

(rui aai i ui aji(ui(hian \\ ais een pandita iets zegt,

dan is het met eenmaal gedaan. — inammiio of\'

(Ui asn anij een too ver formule oj toovergebed op

zeggen of prevelen; ook iuiainnni^ zva. ij i i »?/%./ o* a.. ,

ij\'Kn\\ en ij gt; un irftnn i. [en. lUtasnani/j* vermeerderen, toenemen (t.Y if.iihn iniaj , een wenseh nit-J Cè®U

spreken , va?i een heilige, die alleen, waar zijn voorstelling van iets behoeft uit te spreken, om het te scheppen. — lt;;»tun iqi anji of (fjiin am nai an(j \\ (W. I F. 514, juiarjHiinianj\\) de aard van iemand of van een heest.

i\'\'iamiunif\\ kn., ihi ijmi ? ki., hoest; hoesten, ui) n {of ui hnunq) un.nhii/j hoesten , als een ziekte; de kinkhoest hebben, van kinderen. — (sjiamani\\ hoest veroorzakend; ook om iem. hoesten , bo. om jen vrouw om te doen zien. — (f iam nni i^un gt; caus.; nithoesten bv. een Jluim; opzettelijk hoesten, zich geweld aandoen om te hoesten.

ui asn (Kin \\ kn. grens, limite, grensscheiding , grenspalen (vrg. mi\'HnaJijjs uiihii itsnfj\\ ojt aniaxifj en ui (han/j); iets tot grens hebben, er aan toe komen. ui asn ui\'Hr^niji \\ tot aan de knieën too, asn tunijia^n quot;^JIK z*e (isnM\'ru/j\\ — »£// asn uji\\ iets limiteren, als limite bepalen. — ui a^n iki ^\\ van iets de grens o/\'omgrenzing bepalen; iets limiteren; aangrenzend, belendend.— uialt;gt;nnji^iinjf\\ 1. wat tot aanwijzing van een grens dient, grensteeken,grenspaal, grenslijn, grensbepaling; (afscheidingsteeken van een hoofdstuk of artikel in e.en geschrift; J .). als limite bepaald. 2. kd., zie tui ij (ui ? nm \\\\ \\a lasii ui ^i mi (Hi \\ bepaalde dag; en een dag bepalen met een ander, am an ui asn ui an^ \\ onbepaald, zooals een onbepaalde afstand, oneindig.

ui^ asn 2 (tJtjj\\ k., zie aji am ^

O o

cut asna-Jiji\\KW. zva. luirfuns,

ij ui 2 asn Jjurj hj t (Uijf \\ zie bij rf una.njj


-ocr page 692-

608 ij • I i -f W,\'quot;2Jls

rrj\'UI8nitl mtinjl* tin bij n \' l i.n n n zie hij \'j \'\' gt; *

tiiu)tnsnSJmii\\ zit\' bij

.vkisii di(injix Tjenhonsch , wa. iioiikiis aau.

if) N KW. \' i

iistijj\\ kn. IclcLnhtidh. van lict suizou door tic

lucht hv. van een snelvliegenden vogel.

o -

t:) hu t i }^jj of ii-i ii-ti til Mjj^ zie i.iihn gt;) ^

ij! lujji\\ 1. k\\v. iSiitin\\\\ ü i?iibijjp K\\v. d//»

ajtdD^ ti/ti*ijiiisii-^iisii\\ (altoos, bestendig, (t.).

(!) \'ISli II\',II \\ KN. 1. W- Hvquot; 151) N CW I-li l,\'IIM/l\\ 2. »ff. ./»1 f \'

ihn ruiun\\ uji lanvvi^ of mn ito ^/n^ rn\\ (^S/cr. awa-gdia, slag, verwonding j cn org. lt;nijjfo*n\\). \'

O

dsr» iisw \\ cvrt. v.; an ru (Kn w — n/n ii^ii (hii\\ zva. no cm O

17^ ft,»» i itïjw ^ ji» /j/ rti») (is-» n cf \'/i»/ \'tgt;// /ƒ lt; ii ? JOjj en

O

K »/ rts/i 7J) :Jx/} N

ashn kn. (lange stok (/bamboe, zoonis een droogstok , polsstok of boom om een vaartuig voort te duwcii, gehr. (M.vh) zva. gt;1 i^nr^(ic)?\\ touruooi-laus, poet. ook zva. i ii \'£ji un^ eu touruooi, steekspel. mi \'fA w ish n 9iaam van een soort van groote komkommers, i/y »gt; \' iasn\\ zie bij ayi^-nw — rfj)nh1 (itVó- met een langen stok of boom voortduwen, (/(?/gt;?•. irmiu\'ns v. m vgt;ïi\\) met een tournooilans steken; poë/., ook\'zva. swuh

o . i

zva. i ti fji mi in f i h ii/}\' — (fi? (Liii \'Ui \\ mv. tui f-i tcn \'h^ t\'co \'

nbi\\ suhst. den. (hot werken met een wataug; de boomer op een vaartuig, gehr. «ji (mjjashs). — m iv\'h an nfifi\\ of ui 11 nsii i:i nnji n de w a t a n gvormige hals van de tjirn imp CP. tournooi, tournooispel, steekspel; tournooijen, zarnen tournooijen ; met. iemand een lans breken, ook zva. (ui uilt;i?//lt;1:1 (htjJ\\ kw. zva. r.ri:iJirx:ijj\\ (Uirj(Kjifir» on/j in Tj. 1 n rj nn tjiiuii xniHin {en al boomende, door middel van hoornen van een vaartuig gehr. w ash nn (Hijj), ook de balans van een weegschaal JR, en kt. van i n ic^iui (Kijln n rf i (i^i Mn \'iquot;i \'HTJJ\\ kn,. tournooitnig {paarde tuig , dat hij de tournooispelen gehrnifel wordt, cn waarmet alleen ambtenaren en bruidegoms op den dag van kun huwelijk, hun paarden mogen tuigen. [Behalven hij het iournooispel wordt dit tuuj ook gebruikt op Maandag en Donderdag, wanneer de Vorst op dé aloen-aloen homf\\. — o» ui asriiui .7njj\\ tournooiveld; en benaming van de pa-sebans van de ambtenaren op de aloen-aloen,

\' ) c-)

(IJl IUjII \\

waar Zaturdags de paarden voor het iournai stonden.

r~) G) \' \'

11:1,11 \\ kn. , iiji isiuti n iiojj en gew. (umoi - y 1 an/js kl

{ook wel als k.), de buik; ook (iji(tsl* het uitsie.

kende kapmesje aan een loeké. Li (iin\\ n., h

v 3\'^lt;0/1N Kquot;s ^ftTr\'2^yjN kl , zwanger. 4i

(till\\ kn., {t\'i{tu^ashjp ki)., 11.) een buik hebbtn

fig. bv. van iets dat in het midden dik is cn aan

heide einden spits toeloopt, geladen, van een qt.

weer-, zwellen of gezwollen, van de tand ka sm

als (te tandjes tegen het uitkomen zijn, en m

graan, als de aren gezwollen zijn. (fbiiu najiMij

... Cï amp; r o

zie hij iu iiji itihj/js o?) u\'ih oji \\ kn., tfj ^ Kil,,

een vrouw bezwangeren, bevruchten; een ycm

, , lt;r» o .

van een lading voorzien {vrg. ajirjdJKHj — u

,i\'i\\ li tj nti\\ maken, dat iemand zwanger is o/dat

iets geladen of gezwollen is; r.)riS)wrinn^ mi,

O c gt;

r) hu \\ 1 {1 \'^afji HHiHifl en nm gt;/2tjii:n2(»vy mi

een vrucht ouder het hart dragen , van een hu

nco (quot;) r ()(.•quot;) zwanger gaan. iint i iibiiaiiiiiianjj of ixna/nitnnm

pass. — i\'Jikii(ai(hjji^ \' 1 7i rrt?,1^1 (injj\\ vrucht, waarvan ecu vrouw zwanger is {vrg. i?ny 11 (Hiq)de toestand van een nog ongeborene, bv. im(M % un on auii i iin a ) onnn oofc zwangerschap , Rh.

tJi ui/j en iiJKKOQJijj^ 1. zie (urj 11 iJijj\\ 2. kw. zva. ^ tj 1 m jM \\ ((511 (Li ififj \\ (kn (bil dut \\ kh vj (i5ii 2 w/j en m DKinjjs — (un 1 )flk^nkn. juist eu scherp zien0\' toezien ; scherp ziende, scherj) van gezigt; doorzien, doorziende; ook voorzien, vooruitzien,

o

een ziener, die in .le toekomst kan zien. mmn (i-ji/j\\ zie nauwkeurig toe! geef nauwkeurig acht1 m 1 )(k4 ^(nèjidoktui/js juist met het geweer srliictci een scherpschutter zijn. — u) ukiji/i^ ^ot\'V.jnistft scherp zien. — tBnnwjjs ook wel a^ t mj RV scherp toezien of toekijken; iemand scherp in\'1\'1 gezigt zien; mikken, oj) o/naar iets of iemand^ ken, volg. Rh. ook letten, achtslaan , acht gevquot; op, {vrg. i?irHri\\). w 11 iwS ru/js met een geW mikken. — foi vioji ^tr) uii \\ iets goed en dnidd^ doen zien ; voor een ander mikken. — ■iiimm--\' rj nm \\ op iets scherp toekijken; iets met nanw)^ righeid beschouwen — oji (amp;i uinjijj\\ het scherptW\' zien, enz.; doorzigt; beschouwing. —

tnjj\\ het vermogen {of de kunst) om scherp,\'1]


-ocr page 693-

($(Kyj\\

009

VflMJI

ook \'UifrJ ip*

KN. -

of iQm i kneden, wringen ; fig. onderdrukken, Rh.

1* ver horting van kji rï ijjj • G. — 2 /ji i^)jj of ook poet. en deftig, en cur^

i| ^nN. , (KJi(E/t^(hfyf\\ k. , lun (Ei (ook weliti één lettergreep \'mpoen). afgedaan, afgemaakt {vrg. mifji-j^y, volkomen, perfect; voldoende; al, alreeds; nu eenmaal: nu! nou! in den zin van afgedaan ! genoeg! en redewoord tot uitdrulcHng van hei Perfectum, (int uy *?i i-jjjN «5» k» w \'f i -JjjOnfjs de {of het) afgedane, vorige, ^(u\\iïjij uni ^,vi\\ het moet door jou afgedaan worden. ai K/ui

rj,uit (Ei tun\\ volkomen als een doode. •ul^jasn\\ ge-o 6^

storven , gestorven zij n. i/rj ut m .ju/j iu lt;r) tm t ij pjts het is nu eenmaal zoo mijn wil. uï(koj^^n.;^i/n\\ Nou! ga naar huis! Nou dan! lui Nu

goed! ^cunirr)tLniLn(hj)j^\\ niet ophouden, ijmnmi i?}im^(ukmji\\ maar altoos niet ophouden, maar niet uitscheiden, maar aanhoiidend.,in^^ jj] m/j\'-rj do ij \'ri ww-jj (hrij \\ nog niet af. ui tj ij) ~jn2 ~n\\ ui u^rjihn?iisriiilt;yi\\ volstrekt niet, en niet meer; volg. Rh. ook onmogelijk! waj)rjmm(kjjw~j^

a j- O

uj i| (ui/j of (hui :tjj fj) ^lj VJn k., (m un ifjt -uj, rj Hj \\ m

m-jjvjwj\\ of (kklj} ^Sj\\ Md., na, nadat; daarna.

O O j. O iquot;)

— Vjivi(M-M.\\ of f Md.,

nn iamp;i K., een einde maken aan, met iets ophouden of uitscheiden; iets voleinden, gedaan of afgedaan maken, voltooijen , afdoen ; afdoende, afinaken , dooden. xn m -irftnji\\ nu tjJ ki nnjj \\ uni/nibiwijl\\ unaj) foi-~j^(u^(inj^\\ pass., en af doening, einde. — ui ki rj un lt; kn n \')tm N \'W w tón wj}\\ maken dat iets afgedaan wordt; afmaken, ook een persoon afmaken. —• ilt k.i w!\\of ui Tyjj tii f i - y/j !Nyien m fjl -fj bj Kyiv het

met malkander uitscheiden, hv. mei spelen, uitscheiden , afloop, hv. van een feest, en meestal herh. (HT/f\\ afgedaan j afgeloopen vaneen

werk, feest, enz. Rs. ui/ko ^.^ rj n.,

ook in «Ie toekomst, te kunnen zien. hji Mn (i?n a^i Sn \\ scherp i» het mikken, scherp kunnen mikken;^

c\') o o o

S,M^^KN. — VUUt\'Kyj of KN. It-\'l \'tn(M)JI

tpsriajl* k., de tijd dat men met den veldarbeid uitscheidt, omstreeks half elf op den dag. ru m %

een veldarbeiders schoft

lm W ^ ID) M p-f ,\'f j f L

s. WW.

oj a/rj^ fijjj i~ ),i \\ zie (ui kjjj\\ —i^ ijijj\\ KN. zva. inn n I ij rc\'iiinj\\ iemand berispen over hetgeen hij gedaan heeft {vrg. — ir.i im tJi ^ tf unn hietz. B. T. Dj. 087.— oti^^^\\ het berispen, berisping.

ijajiiMQ of iur^ rj uttihJijj\\ k., zie r.n n \'m^\\ kn hoofdinhoud, substantie; hoofdzaak,^, een baas, een held, Rh.

O . n

ut !K/i \\ Kw. zva. ui ly \\ (Vi un .•* \\ en n iji unjj \\ kn. overmeesterd; onder de magt staan van een ander, zuoals de vrouw onder die van den man {Skr. wasja, overmagt, gezag, overmagt, overmeesterd).

zie bij uinnw —urn ui (hJi\\ of iui mi \\ zie hoven. ui ki ui i.i\\ en kn. van

O

zijn overmagt gebruik maken, overweldigen,gewel-dadig handelen. — hji (Eji (ui ki .ui m gt; een dwangmiddel.,G. — vi n ui iji v zva. aji -y] nji im ^ \\

rui ki \\ zie heneden.

quot;» o y. s o

ui ki\\kw. zva. lt;vh)iii(hii\\ of ri(Uiifj(kjiido *j)(ïniu.n\\ {Skr. wasjtf tenondergebracht, onderworpen ; een wijze met tenondergebrachte driften).

) O .. ( ) O Cl

ui v./ \\ n. , vi nsni ki - ■lt; {hn/j\\ K., ijzer. tui kiiun i* \\ kn. ijznr

van waarde, voor wapentuig, wapens. gt;ui mn.n

o • i .■ o O o ,

zie bij ri^iijw tfji Kis kn. als ijzer,

hard).

J) m\\KN. vergif, zooals arsenicum; \\v\\\\\\]\\\\, zooals van eon slang i fig. van al wat schadelijk is, lt;\'w iemand

die tweed ragt zaait («S/r. wisa, vergif. Vrg. cun ivi

_ o /

Ki/j en vnKsianji). ui(k/i ha uw \\ naam van een corps

poortwachters in de kraton, ook naam van een

heester. (Tj.) WW. — (fioji\\ zva. nri evick» J# en

■*gt; o o , * o o . .

hu ihvi ui K/iw — rfji%jifuj\\ of rj KKhj \\ vergiftigen j

vergiftigend.

ui ij (ui \\ kw . zitten G.

uj,(k,j^ kn. een werktuig, waarmee kapas gezuiverd wordt, bestaande in een hoog*van hamhoe, waarvan het gespannen koord met een haakje {(.n n n/j) in frillende beweging gebracht wordt te midden van de boomwol.— lt;rj tuii uj \\ boomwol met dat werktuig zuiveren (vrg. bij i^a^^).

ui en t/mj^vKW. zva. ii jaju (vrg. ukka^).— f i(Kjf ^ wasschen, van kleéren door kloppen; reinigen, zuiveren en beuken, tegen iets aanslaan of kletsen; afrossen [vrg. ^ \\ bij lai (Fiiq\\ en (eji


39

-ocr page 694-

610

o n HJI (tJllHt)/JS

fóï\\ dij ut^ l iQ ^ f \\ wasscher. (edo-i^qtun in zich reinigen door onthouding van zingenot.

— tEJinjjq (un rj (un \\ iets laten wasschen; voor iemand iets wasschen. — nji nu liet wasschen; en was-scher, waschman of waschvronw. Zoo ook lesn^aji iFAajj^s en asr^ ahi (ui (EjI nj^ f w — oji tut itj^ q fun rnjj \\ plaats daar men linnengoed waseht. — lUfEinjj^ i/)iihi/)\\ zva. (uiij){iuh itnjin en iets waarin men waseht.

itjlo.j {\\ kn. , wiiSiHvjj\\K\\.i zich de handen o/voeten wasschen; oo/c fuj. zich de handen van een zaak at-wasschen, {vrg. 1:1 ikj ?\\ n 77v.e?/ ■ gt;gt;(ujj). m (KjniSt(i^\\ waschwater voor handen of voeten. —

zich de handen of voeten gaan wasschen.

o an o - quot;gt; o o o T

— ifjt ajj % tun \\ (iij njj j (un \\ of \\ en * 1 trc /.// \\

de handen of voeten wasschen; iemand de handen 0f voeten vvassche n. — hji % iun w/j n «5} gt;k ant an/j^

om handen o/voeten te wasschen. «th ^»/?»

o »0

.?d^n zva. (i:n og^UKtuj j w \\ et 11 it i , / uto j { i n ij lt;uj \\

het is gemakkelijk de handen of voeten, te wasschen {als die vuil geworden zijn). — (uuuiojj^ unchi/p nji :ui i£ttw nn/i\\ kom of knip om handen

of voeten te wasschen: handewasscherskom.

\'O o . O o

(Lumitunajioittji\\ zie lt;01 (mm/kmiisn/js

tt)KKQ\\ zie u:n i )\\

ch a di

rfji \\ e\'ujn. van een Bat\'ara {Sier. Wisnoe). tui^ (ij) fon \\ eign. van een dochter van Kr\'êsna {daar deze een incarnatie van Wisnoe was). (i» t^(ZQ nul \\ hen. van een zwart paard, zonder (amp;i.tpnyrinrt\\ nl.

de twee ha ar kronkels achter de oor en, Rh. Zie hij 0

HJ) (t.11 \\. •

(L)}(tJ)(Hi\\ (b]oj}(Hi\\ of n^aj)mi\\ KN., # j w(^nanfj^ KI)., einde; afloop, uitslag, resultaat; eindelijk, ten laatsten; en zoo ook mn (ut oji w (Skr. aw as d na y

• TTquot; \'

einde. Vrg. hjihh0.1 w/j). (vukhhj rj ihj\\ of nm ü) \'kituj n uj\\ eindelijk, ten slotte. —mi(fjuki tijihijj

e O

of (tni (VjjWwj (htji\\ zva. (utuui urt ajiojjwsKVf. onrust, verstoring van rust en vrede, oneenigheid {Skr. pisj oena, verklikker, aanbrenger, kwaadstoker, gezwollen, uitgebreid, uitbreiding verkregen hebbende), tun rj rui.? /tj/\\ un iu (U}(kj^(uj^ of dfn (hfuf\'i vu/J0 onrust verwekken. (V) HI} \\ verkorting van rtj dj) nti \\\\

f*ji(K/ilt;uï\\ oude benaming van het leesteeken Wignjan {Skr. wis ar ga).

rtj!fl3»o^\\KN. eig. influistering {vrg. utt)n^hhnjj)-m daar mededeeling of waarschuwing in het geheim o/ in den droom (vrg. lt;ut -n% \\ en w anyi); ook h. naming van een soort van lange krissen. —.

iemand iets influisteren, in\'tgeheimmeêdee-len , waarschuwen of zeggen wat hij doen moet KW. ook bij een vrouw slapen. — iM.u)ujj\\ KN

mv., en iemand iets toefluisteren. — •ul unoiMj.

.0 000 x ii • , ,

zva. \'U} ih ) (iwiHyjs \\iun ite u» a, ) im (hiq \\ llinstcrgelicil

een gebed om door hei opzeggen daarvan een sla.

pende in stilte te doen ontwaken.

:U)ii?inp\\K\\v. zva. u) k; ^7naw kn. helder inzien, goed

begrijpen; helder van inzigt; bedreven {zaïnenge-

steld uit (UKtJ)/i en een ongebr. Jav. ini l j \\ vrg. 0.

a. Malegassiseh hita //gezienquot;, pk.).

O r amp;

iJtajjM) \\ of itJia^dJt \\ K w. zva. asYj nuj^ en {Skr. wisjoedda, zuiver, rein; vrij van lonten of gebreken; vroom; zedig), om dj^itv) ü i^mw oj c^vu(tji0j^(ui\\ kn. in rang of stand verhoogcn.«3

n j. o o i

(h^ ijj (tu \'U) (tJj (Ut \\ of u n n t rui njj^ (Ui \\ pass. ■— 11

O J, .

oj^ui\\ zva. (ir^(tui(Uinjj(Ui\\ oj dii un i — i^m (tSinj^iui (Hiji promotie. iui mi uj ui tui tu \\ IVangs. op ILI (UldJ^dJI CS.

0f \'J\'hJN Kvan pjN ^en Xln van llfta111\' maar ook van (un ^1 ihij {Skr. a w as t h d, stm\\, positie. Vrg. 1.). (VjiJi(uiw\\ of (Uj^iJihiiu

KW. los komen uit zijn positie, van een heilige die van zijn afgetrokkene, op het bovenzinnelijk gevestigde aandacht afgeleid, zijn stijve, oube-toeeglijke positie laat varen en in beweging of tol spreken komt, R. volg. Rh. waarschijnlijk een verbastering van djiji.JKun of a/n a01 (un (ki \\ de armen losmaken, nl. uit den gevouwen toestand {.\'uwüi \'Uijj); zie WP. waar op bl. 22, 10 v. 0. }•quot;/quot; «de handen bewegen\'\' volgt.

ui fay ook KW. zva. of iquot;in nsn \\ {Sh

was toe, het wezen, de wezentlijke natuur vaniets). (isu(uiifip,(i^\\ een gewoon jaar, geen schrikkeljaar

K)(U)W\\ zva. ui71 a/n kj\\ en iw uirS* — \' quot;7 (fJ

zie ben.

ui asn kw. 1. zte uifiS}iisn j \\ 2. zva.

Mrj\\ im (hj) iJi f w volgens anderen zva. mi^ivip en (imuj unjn volgens G. voordeel. {Skr. bdsita, gesproken, gezegd; w a sji t a, liet opperningtig zijn, in onderwerping houden; oppennagt.


-ocr page 695-

ij) \'U) rui oaji •

611

iL))(M(l5n \\

üjiSrtSHN en t^tSdsm). — w fvnw asn\\ zva. lt;unoj) o

olvjiisïj nKW. zva. n^ ti.-ïN {volgens anderen zva. tun (hn mi MI n n

mMivm%1 of lt;intuinsn\\ KW. hicv boncdcn. G. {waavsch. het Ar. gt; y,\'• . wasity wat in liet

midden is). \'\'v mi ^ (o/* u kv lt;)j gt;) de tegen -

woordige eeuw, in tegenstelling van ik m\\\\

KW. 1. zva. iiK-ftasnji en ij uig fjtim asriji {Sier. wasira, kleed, klecdiugstof). 2. zva.

vtums en (tm UKhJf\\ kw. {waarach. zamenst. met

quot;t,

verkorting van a/n uiff-jijj en un mi \'h \\). — un ui uni\\ of \'uy}(bt(fcj^n\\ (».7» Men), kn. be

merkt worden, van wat iemand in het oog krijgt.

,, . O o. o

Zoo ook vsn ui fei -n un hh arn rti/j gt;

ijiM ii n Kun\'tn s \\ naam van een Kawische zangwijze.

Cv) \'

kn. kundig, bekwaam, bedreven, met virtuositeit, DW. 290, (yrg. rn k t \\ en cui \\); hv. .ui — wi •!)} oS} M ^gt;i nn/i \\ kundigheid, bekwaamheid, bedrevenheid. — vin^iw^jiiHTn\\ tot

alles bekwaam.

O /•« ,

uiij!U)iK/)\\ ointh/i K}\\ of ui ij i i ki quot;kn. vnjmagt, op-

pormagt, vrijmagtig gezag; gebruik van zijn op per-magt, geweld j vrijmagtig, oppennagtig {Skr. w i-si es a % onderseheiding; uitmuntendheid, voortref-lijkheid). God de Vrijmagtige. m» vrijmag

tig gebieder, dwingeland, i ] lwm ipj gt;i gt;~i ki Sj i,i w n straf volgens het vrijmagtig gezag van het rijk, volgens het wereldlijk gezag {in tegenstelling van een straf volgens het godlijk regt). — u n gt;.gt; \'lt;/n of ii?} ij (Kii Ki v vrijmagtig beschi kken , van zij n vrijmagt gebruik maken; iets vrijmagtig bepalen , cischen of vorderen; geweld gebruiken tegen; met geweld dwingen, of noodzaken, un w rj wun {of unifjirjwdsj) \\ ) de oppermagtige, do vrijmagtige gebieder. hn/u}7j7j) kj\\ onder het vrijmagtig gezag van een ander staan, mi rhi ivt uirj (kh(ui \\ met geweld ged won gen. — tamp;i rj w (Kji ijj \\ of hi ij ki hji rij oppermagtige heerschappij voeren of gezag hebben over. univtr^ajïoj} anns pass. -, ook met vrijmagt bekleed, m het met vrijmagt bekleed zijn. — wnnjj w Mn -ju 7i mi n of ihi tj lt;m m un ju ii un \\ iemand stellen in de magt of ter beschikking van een nn-dw, en iemand gemagtigd maken tot iets. — iu

P ^

of tui(iirj/kiu\\ geweld; geweldhebber,

dwingeland.

gt;*) s\' h . . n

itj)ttj}(tj)luiji\\ kw. zva. iim rn oji k/i\'lojjs in eens /k;

tjouijl). — ibii^i !iji tiu\\kii. iets in eens,iu^n keer,

afdoen.

Cl ... O

ui (ui (Ui (injjquot; zie bij tui (kji (ijiji \\

ui ui ^/i/ui\\ (Ujjoj) -tA(ui zva. (ui (ui in w ui i^i\\ kw. 1. zva. (KQijirn en ki^ {org uta-^tj\\ 2.) W. 2. zva. (bldJtw 8 een landman G. (een verkeerd gelegen (ui Kjjj {igt; ui enj/j n ) Skr. ?o aisjy a, iemand van den 3den stand, (boer, koopman, burger) P

O p O

! \'i K/ \\ of tj ut u? \\ kw. zva. (Ui (Kji \\ un iu\\ en hj^ j \\

{Skr. w i s w a, kwaaddoend).

ui m m/j of ui k i jji uifjs zva. (Ui rc^u) ^Khnjjs (Ifoll.

waschw an, badkuip?)

o v

uiri dsn \\ K w. zva. h ij (Ui (bit w

ui i j zie bij (urjj ui ojij \\

(bi uji^iji zie ibiM/jw ^ aie

a

ui 7. gt; i li kw. zva. n ui i n (Ui \\

C \' \'co quot;gt; o o /• ^ on....

ui m »rjjj(un ri(uj\\ of ui(tj)itrjjj ni.js [onjuiste vorm

van Skr. to isjalgakarinï, zeker mythisch krnid dat wonden heelt), naam van een Kawische zangwijze.

ui oj) ^1 \\ zie rij^ gt; \\\\

ui iji}i(L/m lt;uyj\\ K., zie .ukiji ^i uiw ui ui .^i tin n en dial, i i ui ut ^ N., ui 1.1 ^ i ij un f ijuj en dial, kv Hji y)a/n in k., duidelijk te zien en met het gezigt té onderkennen (org. i nMntrvi; ook

zva. d/n ui Ki/is scherpziende; en scherpzinnig (fry.

O quot; . /. ; )

nurtn ui/j). — h) ijl - i \'.ui (Un ~ n n n of lin (Ui ui

( x) ^ O

h n . ?»ij u n \\ en f i rui rj firn i ki i, n uijj oj i :ni m

yjun2(U)un (ui/js maken dat iets duidelijk te zien

en te onderscheiden is; nauwkeurig toezien {om

duidelijk te kannen onderscheiden): nauwkeurig

iets bezigtigen; op iets nauwkeurig acht geven.

t

L) . O

uio^ iji \\ zie ■uidj^ uiw

ukki ins of ki uji kn. iets waarmee men een wild verschalkt om het te vangen, valstrik, net, lokaas; de verleidingen van de zinnelijke wereld ; ook fig. list, volg. Rh ook lig. middel om zijn doel te bereiken. Tj. S\'êngk. vijf {Skr. wisaja, een voorwerp der zinnen; voorwerp van najaging, enz. Vrg. un 1 ui\\ TI. en (uivjiun uru). — /r.; ki (ill \\ iets met een uukullis zooals visschen in een fuik, zoeken

W*


-ocr page 696-

uj} jj) (uxn dsiiji \\

ct

tU) (Ut \\

612

te vangen, ook visschen in een riviergt; bo. W. I, 29, lagen leggen. — t/]aj)a,vitifj\\ ergens een (Li/t leggen of plaatsen; lagen leggen, tint

ut itJt uit int ij \\ aanslag, list, kwaad opzet, ook zva. (ut mt (ut i^(tn^\\ W.

ut rut (Ltt (uttjis kn. uiterste wil; uiterste wilsbeseliik-kingj testament; e7i zva. ; kiï \\ een erfstuk, dat in de familie bewaard moet blijven en niet vervreemd mag worden {Ar. XXaSj gt; w asijat. Vrg. (ut wfiajtjl). lyn (ut (ut (hut (int/j\\ een uiterste wilsbeschikking of legaat maken, legateren. — (viwajit

(tstï(Ni cm t)\\ erfstukken van het rijk. ni tiM uttut /bt^ •\'

(hvt (istyj \\ een boek, dat als een erfstuk in de familie bewaard blijft; en een testament. — imoSom «g?N iemand iels bij uiterste wil vermaken of legateren . — iE/t iLVt iftt rjntts (ivi (Ut ctxt (]M*J ^\'t \\ of \'i:i(iDt(M(tutofltvj(Hit\\ iets bij uiterste wil vermaken of legateren aati iemand.

(ut (ut (im(Kj iüiiji of (bttuta/ttrut nstt/js kn. foltering ; gefolterd {misschien voor tuta®(tut(ut (imn, van (ut tiAt (utnnyj met het voorv. (ut\\ Vrg. (utrvtms) — dj cut om (ui nsttji of (bt (ut (im (Kt asn /j \\ iemand folteren; ook zva. (KKLhtjjj astyjs iemand gestrengelijk strnffen. — ajt (futnjt (tutut dbitn of iui il(ui(urt(tJi(tsrt^\\ foltering, strenge straf.

•unut\\ kw. zva. {Skr. to esjmay w\\\\\\in\\*).

a

(Ut (Uj hvt n kw. en kn. zva orrt TJ (Utz urtJ!\\ mj ^ast/j en (utwamp;tji {Skr. wismaf a, verbazing). — (Hrt (ut

y^iyjft^NKN. verbaasd, zva. tat cm rj(ut2(pit(mj^\\

o c) o \'1*. \'\'O amp; n

(ut (tJt (hjtji \\ zva. (ut \\ m het spr. (ut (ut (amp;t ~rrt (Ht not ut

O o a o

(amp;tji ff.» rj (ut ut cut (Ht^ asn (Bi lt;vgt;tt *

rgt; Cy 0 / o/

tut rjt\\ kw. zva. (t:r^(Hi\\ (tnjtf iut?^\\ en N (bkr.

we sta, zie bij \\^n^int ^^)-

a7i r]j\\ of ij(Ut(^Ajgt; kw. zva. (UtJjttrït^^\\ (Skr. wisti

arbeid), hi {pf nmttcj) srj.ut r^\\ zie hij (Ht\\\\ \\ n/n ^

rrj(Ut Zie bij ((U^w \\frj(Utlt;t?t.iHj(Utifcy-rt\\ zva. tf (Ut?

id\'.it r:gt;n ?\\\\ R.

(% 5

(Ut(Kt (ip \\ eign. van den oudsten zoon van Vorst Ba- | la-dé to a.

(tjt ut (un np ^ eign. van een zoon van Ardjoena (Skr toisjangkata y groot; wisanghatay een leeuw). !

» (^quot;) O . J I • o

(ut (ut cm \\ eign. van een zoon van Ardjoena.

(ut(ut\\s I. (ut(ut\\ of vjtut? ut\\ ku. gloeijende, branden- : de kool. — TT. (ut(ut\\ zva. astinjhs en zva. tnuut

uj h

(ut\\ en (ut(Ut-ut \\ waarvan het de grondvorm is. —

TIT. (Ui (ui\\ of (ut (uï^ ut \\ kn. naam van ecu soon van apen zonder staart. — iv. kw. zva. rmu, (uit cm (ut \\ drtrj cm ? n en ct^i (irrt a^tijj \\ — w (üt\\ [ fot(Utn of (rj (èt2(ut \\ kn. zva \'Ut (ut \\ of titótti^ Zoo ook nm tij (Bt (ut^ gloeijende kolen. — II. kw. zva. tun cm (ut \\ ook im \'Ut \\ n , Etiut\\ k. , fa meebrengen, met zioli hrcugan, als oorzaak of aoi leiding, ntt {of (tJ!) va tut \\ n., (unwtfotiutx k, dt oorzaak, dat de oorzaak is van iets, om rede, omdat, v-a ut^ (ti uis ook zva. nrt ncmt\\ (titvts ooi tj (i/n i ti (E/t tut \\ m.quot; ^ (un ? rn ai? ^ cm ? zonder, {zielij tun fj (Yti\' ^ tFJttut ook wel voor tutt (k^(hQt\\ bv.amp;tn trnrftHti ts een vaandel met zieh veeren o/hij ziel hebben. (Et mt cm ij (ut \\ n., (ea .ut ut w vut/j^h., zie lij

Ct O

cm tj (ut w \\ \'Ut (t£j njt\\ kw. zva. cm lt;trj (ut nn mekvi miv n., (Et(tSi(FJt ut\\ k., al naar gelang (o/mate) van; bo. (E t (ut (Et (ut dit tui I :rt((tSi rj (Hit tun (m,(EA%\\ al nnarmate (ö^hethaugtaf) van de slechtere of betere gesteldlieiil van den grond; eig. de slechtere of betere gesteldheid van den grond brengt het mee (vrg. (vtrum iihttHitjjX — (Ututttrt/js i. kw. zva. crrtcrrtiuiwjj* — 2. kn. over en weer, tegen elkander, vivim tut(Hyj\\ partijen tegen elkander; elkander tegenspreken. (ut(UKijj(Hj (ut(Hiq\\ met elkander twisten, in strijd zijn. (ut(ut opiiJtrn\\ redewisselen, redetwü-ten; dispuut.

O s ^ • r .• ^

tut (ut \\ kw, zva, (E^HtyK., zie bij (kj^ ajt iut w

ut (Uj \\ kn. naam van de Arabische letter Wan, et van het zevende jaar van een windoe.

(Utvj(Ut\\ n., even als (utni i/n\\ in de spreek/aal voor

.17 n rj (un w o ct

\'Ut (Ut n kw. ZVa. (EJj nn \\n

\'Ut \\ kN. benaming van een halve ïimM of 12 gldhy. Zoo cut(Uj. ut\\ een halve amët.

uj(Ujj\' kn. naam van een roofvogel\\ en van een ioorl van vischfuik, een groote (unSjt\\ of volgens andf-ren een fuik met deurtjes, die wel door-, maar

niet teruglateu {vrg. nit tiet tut Ji]ia tut„; volg. K\'\'-

o O v tutl (Ifï ajjl).

rj tut (Ut \\ kw. een jong blad. G.

irjut\'rj(ui\\kn. naam van een tuin- en boschspook, t(* vrouwelijke gendroewo, vrg tisrt m h ui ut \\ bij Mj

o

h n tj .ut tj .ut (U^ nsft % \\ een (un ik \'.k i tut tut/j r

1 tut \' ro

372. ^ ut rj ut tj cm tij (Et (Ti tji \\ eei» vrouwelijk spo^ met lange hangende borsten, .urt tui tj (hfj rj ut \\ ikm\',

? VV.


-ocr page 697-

rf t Ji d ij ui g \\

nrgt;

iij) (Ui y

018

ij ai tj\'Uyi\\ regen bij zoniiescliiju, anders

,vit\\ kn. naam van een fdiviyewas) dat veel op

rotting gelijkt, on daar touw van yemaakl wordt,

Flagellarift imlieu L.

n^KW. zva. ij\'üiij\\ {vrg. ui gt;\\ 4.).

u w^kn., ruim, uitgestrekt, zva. ij i m ij .i m en /.%

/ïw G. gehr, am.ui^w (Frg. ,u}gt;\\ 2.).

rn

f;,l-gt;j\\ kn. kennis, goede kennis, bevriend; weer goede vrienden worden, verzoend worden (vrg. ui 1 met iemand kennis maken; met

iemand zich verzoenen, sta]»pen of poging doen om weer goede vrienden met iemand te worden (vrg. ,11 kjlt;gt; gt; en ^u^ gt;1 ili , i mi j). i i i ^ ^ ,iy/»h n \\ personen met elkander, of ook zich met een ander, bevriend maken of verzoenen. .»■ƒ^\\n., aangroeijen, toeiienen, vermeer

deren, aanwas, toeneming, vermeerdering, aanwinst; daarenboven, bovendien; meerder, meer (org. wfyO eu (isnir^\\). — .mi

tyjO nog meerder worden; toegeno-

t i rgt; , ) o

men, vermeerderd.— ifi uj, f lt;i /»n t ruiergens

iels bijvoegen; meer bij doen; iets vermeerderen, mtt iels vermeerderen, tim r^gt;tim .iiyj\\ ii iiui uigt; iHtons vermeerderd raken; er komt nog bij. — ^ x n ij h n \\ ,f jiUi j (in h n m,]\\ iets tot vermeerdering aan iets toe- of bijvoegen, vermeerderen met; iets doen aanwassen, toenemen, vermeerderen. — i J iui/i\\ bijgevoegd; bijvoegsel, toevoegsel.

viinvrisKW.zva.r.n.ui^miHi/j / i n en .m -xa mw {Skr.wiwd/ia^ hnvvelijk). mui tn\\ of i^i tt^nj ui ui ■w\\ Ardjoena\'s huwelijksfeest, naam van een gedicht, dat ook iM/fn ncrn genoemd wordt. — t rui n/n\\ ecu bruiloftsfeest vieren. lt;ui uj ui\'inr zva. »1 iij lt;ni

in Men. \'Wtrj (ixn afyi0\\

vhVhhnji\\ zie bij ui uiw

~ieLquot;v.;™/is

o

kw. zva. ivi tj nuaj^ j \\ {Skr, w ihnnda,

stremming; verstopping; xoibdddy letsel, hinder.pk.).

/ ^ s s s

\'a u\'N zie ajtj^ ui am ui \\ bij ui w ui ui \\ kn. lange lijn met

strookjes enz. behangeriy om de te vangen visch naar een

puntte drijven, Rh. ^ m/^ ui ^ \\ langharig, van heesten.

iUi\\ een klein soort van wilde honden met

lange haren {vrg. xm^onif]) zamp;j urn\\ klappernoten in den dop in stukjes verdoelen, Tj.

ncy . . rgt;

iUiiv}\\ plat voor oor, vrg. uiw

turui\\ kn. de vleugels uitspreiden (vrg. rjom ij un \\) urururuïs voorzigtig uit elkander halen of pluizen. — iu ui\\ iets, zooals de vleugels, de staart, het haar of een net, uitspreiden; iets, dat in bosjes of vlokken bijéén zH, voorzigtig één voor één uit elkander halen of pluizen. lt;ui rj i.uifcrni\\ een danssjerp uitspreiden of 0,rm D ,hi \\ Tj.

i / o , . ... /

U( Ufi \'7I\'\',N eU gt;n/is ZLe J ^

x o Z\'

»1 n/ gt;i ui t\\ i-j u tj un n\\ en viiunij ui è \'ti zie

onder tjuitw

o quot;) . )

uiuun\\ kw. zva. xnij n is i n u ivaoj) en nrui\\ {Skr. w i w ara, gat, opening), ui * in rj »^ N de ingang van een grot. urum ly i n quot;i n de neusgaten.

k., zie bij uiihn\\ ij tamp;i i rn/j\\ en bij »/ r.o i iin/js

• tl ■gt; i o o gt; . I

ui ui r nj!\\ i 11 r-n \\ en ./ *i ui rii tni/js zie onder •ci

gt;1 ui i ij 11 f .i n/js zie bij ij.i id mi/j\\

naam van een heester. Tj.

urui(Kijj\\ fiurh i j^ w rui i i ^-i ij uiu en tu /ei lt;um j\\ zie bij -urnij \\

) ) . V)

urumj zie (Ui iUijj \\

\' I\',JI\'jIn kw* quot;V*1\' wijuii (uij\\ (urry i I i,j oj iVruiMi iiH\\ en urm\'mw s.rin rj i^u^ii/js spr., zie bij n ti* — fiij hi^ zva. dei(tu i^s oj itrj iJi n/j\\ —

rt

,i i if i 111 i/j\\ zva. in n (ujj\\ — in i j i ^ r i ^i \\ zva. i in n i ij uit hj\\ {vrg. v^ujii Jiji^i ij bij

ui ui iri/j^ kn. 1. — if ruriii/j\\ tegenspreken , tegenpruttelen, Gil. — u i ui in\\ mv. tegenspreken; zich tege.n iets verzetten, (zva. irpumi\\y 2. los of uit elkander gescheurd, doorgebroken, zooals van een pager door een wild zwijn, en van een dam door den druk van hef water (zva. f.n ici {\\ en Qrrv.ox ii.ijjs van (uuruji). ,u ui in/^ doorbreken met de hand van een iismhiis Tj. 3. T\\\\ zva..óiiHirrrijj\\ een kleine handtroffel om te wieden, wiedmes (eig. losmaker, van gt;uriujf). JR. 4. een groote handspaak, WW. — m ui iujj\\ met een lt;ui ui irjj opwippen, losmaken, WW. JR. 5. naam van een heester, Tj.

ui ui kn. uit elkander, uit elkander geraakt; niet meer bij elkander; fig. iui ui njuuij ■ tr van iemand, die het hoofd, het verstand of de zinnen, niet goed bij elkander heeft. iyuu urui.i\\ iij\\ po\'èt. zva. ^ üii


-ocr page 698-

OJItLtJIS

014

irj t/n z (V) q \\ (uau wtuji met hel voorvoegsel .»j)n Vrlt;j. •tv (ut m j/j \\ 2.). i) vh i \'gt;ï t?) / n nog geheel

bij elkander; e?w onbeschudigd, y ami ^rinr^ -i)

o n

i/ti (Uam aj!w — n i iV) vvijjML\\\\. zva. ij ut i .t;; ^ nu ^ en

)f ii:; 2 avU {ook wegschuiven, van plaats veranderen. G.). nji f?io.» kn. wat dient om zieh te onttrekken, 171 tvy ciwi/j (of iiiilt;ijiu uiin i/js de som gelds, waarmee zich een vrouw de echtscheiding verwerft van een man, die niet aan zijn /tu-ivelijksplif/ien voldoen, maar ook niet in de echtscheiding bewilligen wil, vrg. gt;iji ttvtn nzie hji

nti .n i/}.

Ch lt;-JI

cnijl zang

isït \\ nm. van een der ibit w ^ lt;im

wijzen.

i^njtru/iKW. zva.

)j.mtjiUiiiult;irTji\\ zva. tjiiDttjiV)^vn anj^s ijl u!rnyj\\ dik en vast van vleeseh ; vrg. Qdrti^s (Uj^crriQ enz. zva. (U^(Uj^\\ enz. WW.

tj ui2 ij \'Ui 2 (in j- kN. — niiti unij uig^Vni/p tegenzin hebben in iets, bv. in eten, daar men er te veel van gebruikt heeft; ook jig. beu zijn hv. van iels te zien. ui \\ KW. zva. irj ui i \\\\

•ui ui\\ of nji(ui\\ kn. het aanzien of voorkomen van iets bij het aanschouweii (vrg. a~i ui \\ beide met (i37i (Ui \\ van den grondvorm üiw Een ander ukui zie ben.). u.i iui\\ of aanzien, beschou

wen, bekijken; bij zijn beschouwing in aanmerking nemen, bv. het aanzien of de geringheid van een persoon, nm ui ,i)t\\ of ini ui ui\\ (hri # 7 .ui I) W. 193) voor den geest komen, voor de verbeelding verschijnen. iji iii n ung at \\ niet geacht worden . Tj. — miEjiiói\\ of tiji\'f\'i \'uis het aanzien o/*beschouwen; | iemands beschouwing. — (li ili lt;ui .i?» (hnjj\\ aanschouwing, beschouwing, gezigt, G.

?// \'7/ quot;W llü^ vo,\'s^ oau een dak; de bedekking van den nok en de hoeken van een dak {van een atïpdak met over elkander gelegde en za-mengeregen alang-alang of nip ah); vorstpannen i {vrg. ij tn tj iin ). .Lri(in.%jij baden zoodat het hoofd nat wordt, Tj. — ,i^\\ of nokbedekkiug

maken; den nok, of de hoeken van een dak, dekken; een obj. van uit de hoogte slaan; van uit de hoogte doen neerkomen op. uiKuyu^ pass. ook Jig. van hooger hand bevel krijgen; water boven op hel hoofd gieten (een ander (ó^\\ zie bij luyu/p). — .

11 vau eeu (u^s plaat#); bv.

ui ui mi -iiaj^ (ijj iji w/js op de nok staan.

.ui ru/j\\ zie iimtjiiu/js en vrg. UKUiirinji etituilt;vi)iij\\

O . l quot;) . ~

vuruji oj (ur^iut(rxAjjs kn. 1. liet vlies, waarmeeccn

kind in de baarmoeder omgeven is; baarmoedei\'. ■) ^ lt; i (Ui iu/js gekronkeld, gefrommeld; zich zamenkrou.

kelen (Tj.); vrg. lii^\'ülru/jss — Qtu^uïtr^^ door elkander verniengd, verward. 2. uim/j ajnjj kn. Iclanknab. van het ophappen van e/en, hap! (Tj.) Rh. vrg. ij (777 UI I Ujj \\\\

ui nj^s KW. zva. vy isiu o/kleine, jonge boeiu, fl/j TJ. Sëngk. vijf. ui rum\\ naam van een fabelachtig en groot en vogel, daar Boma op vaart (missc/im verb, van tPt.biMs pk.) uinyou eign. vaneen zoon van 13 a la-dé wil.

tjtui n i/j^ kn. if Uli ij\'HJJ n ijj nq ip i 1,11 ij

echt, M. uirj ,11,1 n hj of gebr. ij ui ijtm tj^imp of ij ui 7L/ ^nfj (ui iu klanknah. van het beweijtn van de lippen; ho. can koude of vrees bii)bercii;o/ bij het praten , eten, enz. de lippen telkens bewegen; vandaar veel praten, veel eten enz. {organ

n .

(yii ipm tj .ui ? niij).

ui ij intujij van gulzig eten, Tj. zie iui ijini n iq bij

7i ui 11 IJjW

ui nu 1. kn. zva. ii^ ui nu en wel het grondwoord hiervan {zie hij n jut nu). — 2. verk. vau /tui 7i 7 w — 3 KW. zva. ii\'iittu (ijl (ni .injj \\ vu ni\\ ij ij i;») Mo» ^ \\ ij 11 n ! i \\ .vu y 7fV nijj en ijnjiiiuu {Skr. wala, omgeviug,insluiting; bala of wala, jong; een kind; en vrg tj un(uuru ). t ii.vnyi ii u of n .i:r^ hli7j7\\kn. een bëbëd zoo gedragen, dathctccnc eind om de lenden geslagen tegelijk tot gordel dient {zooals gewoonlijk de Jongens hun bebed aaniebhen, vóórdat zij besneden zijn), uii it» n.rhinoi J-]\\ spr. een kind tot getuige hebben, ook wel van iemand die niet meer dan één getuige heeft. — ^jiiunih

b ij \'I

kw. zva. n.

II 1.7) ? iUl \\\\

\' r

gt;1 i n2 rip (Ui.rils

ui n\'i \\ 1. Jr. w n li. kn. 1. vriend, vertrouwde vrieiul. 2. naastbestaande voogd, de persoon, wiens toestemming tot /iel huwelijk van een meisje of vrouw vereischt wordt, zooals vader, grootvader, broeder, oom. of neef, en die de bruid bij de voUrekkimj van het huwelijk vóór den priester verlegenwooï-digi. 3. benamiwj van de eerste verkondigers can het Mohammedanisme op Java, die als land-


-ocr page 699-

i7j tn 7t.i\\

015

vooijden {Ar. walt) over di lol hel Mohmmne-(lanimo (jebrachlc landen hei yenuj voerden mei den Hiel van ^ of quot;fflwip en die

hier als heiligen vereerd ook w iiMbi.yn^s vricn-Jeii vim GoJ, genoemd zijn geworden. II. km. ccn kloinc liingweipige imngot, die lot graveren in metaal en lol het schrijven op lontarbladen ge-hrniH wordt. njt iu ui it] - kn. herlmiilJelijk, telkens weer, onophuuilulyk (vrg. i n nn .iihnlim/j en %uo quot;ok n-i in.i.i tu* \\ivï

fc\\ lt;0 \'l, lt;-gt;!

ut iu ju\\ of itï\'i.iru 11 n i\\ hurlia|i1du keereu.

in gt;lt;1 in n tu\\ poet. onherroepelijk,

cn gew. o jlmj» iu icj (i{jj^\\ spreekwoordelijk gezegde eau dezelfde het eekenis als tv li n(zie bij (in tu/J J. Z. II.)- \'/ \'vzhiw quot;i/n

•» Cl ,

poet. zva. \'iiiitmgt;n.ia:}i iliw — .ƒ.» ij ni-igt;j v KN. als voogd van een meisje of vrouw ageren ü/optredcu.

_ m ij ti i tiit ^ii rj,hn\\ iet/iand tot voogd maken

over een meisje of vrouw.

vi.up J. schrijffout voor if eiz nu w — 2. iv\\v. zva.

o /gt; lt;quot;gt; 1 ^

v)ni\\ of i7nu iw \\ \'v *t^ \\ zva. vm i.u iu\\

O O -gt; O

of ,i7») /11 cn ali \\ en Di jn /»tm w

O O \' O D . quot;)

ui thi\\kw. zva. (t.m/iw — kn. (t)i ti.i\\ en uui htit ti i\\

KN. duidelijk zigtlmar of blijkbaar, goed gebleken of bewezen, doordat het een van het ander afgezonderd en goed te omlcrseheiden is (w//. y.r\'Mm). mDi,\'i?i\'ti.t\\ of0!hi\'Ditu\\ i^. T. Dj. 184, een van een ander huis tussehongokoinen Vorst. — w 1 n i hu ~ ii ij u)i\\ iets duidelijk zigtbaar maken o/uiteen-zetten, door het een van het ander goed af te scheiden.

u/jj\\ kn. dof, niet helder; dof zijn of worden; Jiy. dot\' van geest} niet vlug, {vrg. n.riif ^nnjj en n ^ di *11); ook in het donker lichten of schijnen, zooals een stuk glas, daar eenig l\'bcht op valt. — / hiitu \\ hetzelfde.

Luns kw. zva. ■(. 1 tci \\ [.Skr. w 1110 a, naam vaneen vruchtboom, Aegle marmelos).

\'J\'n verkorting van ilt; n t ^ »11 s\\

iyii\\ of A ij tï]\\ kn. rijst- of korenaar. Zoo met het voorv. (K\'i\\ of een telwoord er vóór-, anders ty

O . OO ••ii\'

tijtnnjjs n hu du 1 1 \' (i^iu^ij ti i ni/js rijst die

nog in de aren zit.

!• kn. het haar, de wol, de veöron of hot dons op het lijf, van nienschen of beesten. ^mi ti tjitin\\ het lijue , donzige haur op de hnid, vlashaar» m tri J (Oj ttj^ (uj (Ui nn \\ spr. voor al het gedierte in de wildernis? Tj. II. Ar. woezloo, kn.

het zich wasseheu voor het gebed (vrg. (huyj^yp. III. verbastering van naam van het klank-

teeken i. — n 12(h^/j\\ met een Oeloej op een

Oeloe, bv. uitgaan, van een versregel.

O

ij.ij}ttLi\\ kw. zva. (Ut Dts ij in iii\\ en —

n (Ui nu ij ui itDi \\ kn., duidelijk zigtbaar of hoorbaar. — rij ij l i nu \\ zich duidelijk laten zien of hooren.

y Dinijs kn. acht; nommer acht; voor een naamw. in benamingen van één hoeveelheid (t^vtionup (w 0-locng^i bv. if t it iff \'it 11 acht personen, ij du n\'i i^n.n .dijari ij\\ acht jaar. ij nji i n ij n ^ \\ n ., ij du n\'i i min. 1 \\ k. tachtig, iu (of i.idu) ij dump acht maal; de (of hel) achtste; ten achtsten. ijDuri^ ilkijIjP achttien. j.irn ij .dunip verbastering van if uun tpvid (tip in ij (ia (Di uii lt;amp;i n ij ui2 (w^ \\ de acht door God Goeroe geschapene hoofdgoden, zijnacht najakas. WT. Roorda aldus op gezag van Manik-maja I, 19, doch volg. Rh. vj el ligt ook daar te lezen ij idddu-h ij du n p nl. de goden, die zich verdeelden ol\' verdeeld worden over acht windstreken. — iputnDp elk achtj acht tegen een wedden. — .11 •inj.Du ij ti u nnfjs achtste deel. nJiwn

tj.Du ij n u iii/] of iii [jDUj ii2 ij 1112 inji^ een achtste.

o rgt; . ,

t Ktus\\ kw. zva. (ritni 1 anp it.in 1 js kn zie ben. —

; /1 /f.i n \\ iets niet dan met groote moeite te doen, te regeren, tegen te houden of te besturen, van alles, waartegen of waartoe men gevoelt niet dan met buitengewone inspanning bestand of in staat te zijn. —- j\'tj Duu\'dn.hiji\\ zie boven, maar het behoort hier, 11.

Diii.yt\\ of it)i ijti uj\\ kn. pompoen, kalebas. 0iudl^ (Yti/j\\ groote, langwerpige, witte kalebas,

ij inu\\ groote, ronde, roode4kalebas, icti(iai\\ een

andere soort van roode kalebas. 0hnnfii\\ een neer-

Cd 1

vormige kalebas met een harde schil, die gewoonlijk gebruikt wordt om er olie in te doen. /v^/u^xkn. er open en onbewimpeld vooruitkomen, de bloote waarheid zeggen {vrg, di tj ru f \\ en ni ook laf, llaanw door eenvoudigheid, WW.; dit volg. Rh. m ij tu ^ \\ — /t; ij rut{d/nnt hn \\ iets open en onbewimpeld zeggen. — utrinu ^run iHyi^


-ocr page 700-

O) Ij (TUt gf\\

GIG

(uhiud/n \\

tij/ijJi./lt;hi)oa^ zva. (uitju.ijs openhartig zijn jegens elkuar. ydot^y\'ii (rntih m tj tLi\\ Wanys. op iu) ij n I mi (h \\ 1? li.

it))rjmzsic (utirvi4\\\\

(1 , n s O /

lt;vt.juf\\ 1. KW. if.irni\\ en oui ki f n {Vfy. .i:ngt;/Ljf\\

en (él tu^\\y 2. kn. pagaai (vn/. (intviAs en h i f ^

iwi^\\ bij riljl)j\\). 3.

ic quot;f\'W*

.1^1 n pagaaijen; een vaartuig paguaijen.

C) ,, ■ O . . ( ) O . v . )

.»;i /ƒ ru ^ n KN. alleen in gt;-j) .k^ (t,»; 1.1 1 1 m j) ot rj ili gt;\\

zva. (}lt;nh) ij n^i j^ {vrg. imri n) ; ook door lief noodlot iels ondervinden of begaan, dut men niet gedacht zon hebben te /.uilen ondervinden 0/ begaan, — onder liet oog bren

gen; teregtwijzen. — mu hl ij n.i {\\ 0/ t. y ni )j n tuaan liet licht komen, van een verkeerdheid of ondeugdi overtuigd. — lt;rvi?t(i/n ij nti iets verkeerds of slechts aan het licht brengen; iemand iets verkeerds onder het oog brengen of daarvan overtuigen. — uo i ^ n an/j^ teregt-gewezen. — ilj t /niru4\\ het aan het liclit brengen; overtuiging; middel om iets aan hot licht te brengen.

ij).ruq\\ kn. platte, of bijna geheel platte, bamboelat van gespleten bamboe (vrg. .Qru^s en n 11 \\ ^; lemmer of kling van een kris of zwaard\\ de (bonten of metalen) toetsen van een yamhany. — ^ iili^\\ bamboelatten maken; hamboe tot latjes splijten en snijden; padi uit de gèdèng\'s o/pot-jong\'s trekken, uitzoeken om tot bibil te dienen, een kris of iets anders heimelijk uit de schede trekken en stelen. — \'u! ru * n/ii nnjj of \'i)i ut ru % ijii nnjjs de toetsen van een ganibang, \'i\'j. ^/t^\\ I. kn., .üiili^nKi)., nm. van een dunne bamboesoort met lange geledingen (Bambnsa ex-oelsa), 0(rn(S}\\ een gele soort, daar men blaas-pijpen van maakt) ook pagër\'s enz. II. njj rui {\\ n., hrni{\\ k., loop van een geweer of pistool \\ ook grauw; halfwit, nog niet geheel wit gestampt, van rijst. t?i\\ kn. het zevengesternte. — kn. iets met de ruwe kant van bamboe* woeloe gladschuren, om het daarna met hji ieji~i ru (Mjj nog gladder te schuren , ook als ajjiri^jw \\(ko kn. een fijne, helder klinkende stem.— een pijp.

ij uirj m kn. tj\'Ut*1 in/tqirj tv rj\'ri/1 qmi wji of rj tJirj ij n iq rj ui rj m .1 li anjj\\ duidelijk te zien , K. 20,50

/- gt; 1 O

.01 irvi(un\\ oj ui rui iuii \\ k N. J. zva. uiuii.tiw 2. :va

o O .... o n

irut/n w mui (uuuKruay)^ zie öij noijuw .—

.1/11 iiajj\\ zva. (uttu un

dfyirufuii an/j\\ 1. kn. zie bij ui muii \\\\—2. kw :ia uruujj^ volgens G., tuin, en naam van een tuin (tuingrond, pk).

m ti.i i/n\\ kw -/wetering, vlietquot; volg. Rh. ooi\' kn. drassige, moerasaclitige grond ; grond die im en dan onder water staat, grond aan zee, die af. /tankeiijk. is van eb en vloed, Tj.

u)un yj./u / Ar. voor w a\'^lahoi

a lam. God weel het, \'t is God bekend.

O D • )

.uitru^fii uurruio/js zie bij ui n ifjs

vj vi ru jyyi W(t^iHijj\\ zie bij r^y/N

ui ruonjj\\ 1. naam van een slingerplantgt; dezelfde é

Wala, Fil l\'Magellaria indica, !lt;. (Tj.). 2. beu.cm

een verpligt geschenk van een desahoofd aan :iji

1 0 e r a h t a b 0 n, dat uit 7\'ijst, d j c n a n g, d j of-

wadjah, wadj.k of ook wel uit vruchten«

andere versnaperingen bestaat, en met puewasi

en moeloed met den pachtschat g tg even worél,

WW.

o ■» 11

tui /u.jj itnji ■ kw. zva. un tui yy,un(icijj\\ kn. een doel

over den schoot, om een kind op te leggeu,ei

met tapël te besmeren.

luurj ruzna(js kn. naam van een slingerplant, Tj.

uiruiHijj\' 1. KW. zva. lt;ui uru— 2. k., (rv/f

lih. kn.)zie ti\'Ji(Mw — 3. Ki)., van (hiimilt;ii i/j\\ \\\'ii

ah {of ui tui) 1 j rn Mi/p naam van een soort mi

banaan. —ivun.i lyarijjs zie bij lt;u?,uiw

tuj, )i\'tU(in/j\\ zie bij tujiiiw

O O

ui ru mi \\ kw. zva. .un uj n m/j en iui \'tiuiq\\

D n

11 111 tms k. , zie tui n onn? imw

S ( C~

tui ij n.n mi\\ tviri iu2 (hn\\ of rj ruztni\\N., .uuuijJiu, ruih]\\ k. , Holla ndsch, en in 7 algemeen Euri peeseh. ^ uiz uir^truzm\\ Hollander, European tijivj ttu? HjdJn ui {of .ui tui \\) voor A frikauusche ucgfl — 1,11 (Eirj.M//? jjr) \\ KN. zich als een Hollamler vooi doen, de manieren van een Europeaan aanncmn nm ui rj n nirnrj tui z pi \\ zich op allerlei wijze als«;

Hollander trachten voor te doen. — n 1 v(t

\'K/C-a

van een Europeaan hebben; den Hollanderuitli»\' gen. — ibl 101 h)(hij^s hurLnjwilt;m/i\\ Europccsck door Europeërs bewoonde, wijk.


amp;

-ocr page 701-

1

617

O

(fJI It u w * \\

r, O :quot;)

Dimwi KW- zva\' \'\'lrn?v \'Vtiffl\'nis

i\'/lMI MTIJI m up ? \\ M I) V

o»M^*n|,KW- ~ïquot;l;i quot;llnr — quot;quot;quot;é?

^ itiif-ia-j^ zid WV .vrg. ctirunrpj bij im er in \\\\

m \\ Tjcrihonsch, zva. ain vj lt;n i 2 mn w

lt;0 , ^

iirihir}» \\ (Uiirhitrm \\ lt;;ƒ {tur:ni\\ kn. een wed uw üt\'vau

haar man gesclioidenc vrouw, die nog geen kind heeft of gehad heeft (wy. tj-rtzanis). ni^n tyiLi mi {of x^ rurnt jtf n ! iq) benaming van twee heldere sterren in den Centaurus, oosten van het \'luider kruis.

O 1 O

t jn/j #:»\\ Kw. zva. /1 nj if i ^ asn gt;).irn ,in/^\\ j 6\'w ivt.uia^s kn. verbod {vrg. ri rhaiina/j) —

\\ verbieden ;. iemand iets verbieden (y/y. ili .r:ï\\); ook de lijn trekken of aanwijzen, die niet j ovcrsclircden mag worden. — verbo

den; ook de baarmoeder van beesten; en ingewand van visschen {vrg. ■i i i.n .rri (tofj \\ m uw an^ en im tjilpt^(Ut) (Hyj). mi fon gt; gt;Lgt;tlij\'-ti tin/j of iijUFmy t) aaj\\ gondsmidsbeiteltje om de lijnen voor uitstcek-werk te trekken.

| gt; i/i/n kw. zva. ajt d\'Tti \\ g.

TT

onp kn. naam van een wilde plant en van de knol daarvan y die in \'ijden van duurte wel gegeten wordt, maar onaatigetiaam prikkelend van smaak is, Sanromatnm ? Jiorslleldii Miq. JStai. fdm. der

Aroïdeae.

, ) / .) / n s

| chTLu kw. zva. a ti n i \\ «jno \\ en nintfiw \\ rtm.w

) \'CO (l

•viruskn. sterke armen om te werken (zie ook hij R.; volg. Rh. breeilgeschouderd; ook van de buik uitgezet, AS.

oj/jm kn. trein van veel personen of zaken cén voor eeu achter elkander {vrg. (ijii(tu^ \\ d,v /rij^ \\ encniuTj).

I vi u.is vi u.is \'u iu\\ zie bij aSi ru w

ui ui \'n \\ of ibitwns kn. de lade van een wever} waarmee na eiken inslag het weefsel aangedrukt wordt. — iu ni•gt;gt;n als een wblira zijn, nl. plat, van de beenen van een paard, een toeken van kracht.

kn. naam van een soort van lang gras.

vivwimis kw. zva. (tm iQnu/i\\ O o ^

iu ruo-) \\ kn. zwavel, njni r.h \\ N., ui (tu n

K gt; roodaehtige zwavel, en naam vaneen in kleur

daarop getij kenden edelen steen.

\'J\'hmoj^xkn. bepaling, beperking, voorbehoud, voor

/ (y

verbod {vrg. wr-p en x/iim\\): ook goede reden, die iemand heeft om iets te doen , hv. om zich uit de voeten te maken {vrg. iamp;jvvi\\), lui njnsii iu uhj

zva. (E^iru f j in i\\ om rede van; uit aanmerking van; naar gelang van. lt;v)vv)iKjyru uu ui ij i-i^i \\ al naardat het dmirt (vrg. tu (ui tamp;i o \\ bij fci vr ). — \'Li su mtq zie hen. — iu lt;iua^i \\ iemand een bepaling o/beperking stellen, ten op-zigte van iets een voorbehoud maken lt;;ƒ een verbod stellen.

■Dl iu mi js kn., ■óiri.jiL./js ki)., omgekeerd , onderste boven, achterste voor, bnilenste binnen; omgekruld; gekruld, van het hoofdhaar; oihliggen, omliggend, van de snee van een mes; de keerzijde, bv. van een blad papier \\ andersom {vrg. ui iu \\ en urn nu ikhjj). iu omiuil lu hii/j^ kip met omgekrulde veeren aan den kop en hals en over hei geheele lijf {vrg. iiji iiaj)2\\). (Vi i u ioi ón n i \\ naam van een boom en van zijn ligt, maar hardhout, met vlammen als veeren, waarvan wandelstokken, kistjes, pennen, jukken en andere kleine zaken gemaakt worden.

— it\'uuihm/j\\ iiviiK^\'iujj\\ iets omkeeren, omslaan, omdraaijen, wenden; omwenden; het binnenste van iets naar buiten keeren; ivoorden zoo verdraaijen, dat ze het tegenovergestelde beteekenen; de gedaante (gt; ) xji \\ Dl hi \\ of aSi iu (hiijj) van iets of iemand veranderen, metamorphoseren. Wil.; volg. WW. intr. iei tu nil aji \\ van gedaante veranderen; vrg. u au f w rijstveld gereed maken voor het tweede padigewas (in hetzelfde jaar); veranderen, zich veranderen , van partij veranderen; omgeslagen, zoo bv. van schubben, van een slang, anoniy\\ tegen den draad in opstaan, AS., opgekruld. olt;ru^au (ijs de buis omkeeren, spr. ook tot den vijand overloopen, enz. {vrg. x-.n tiïmi j), li tu mi - M lt;N

den vloek omkeeren, hv. als 7nenzweert: iLjiiisu(lxjit è

tj u i an -jii ki^ ij rtti i ij n u \\ en men daaraan den zin hecht, niet van //ik mag sterven, als ik gestolen hebquot;; maar dezen: //hij mag sterven, als ik gestolen heb. Het wordt ook gebruikt, wanneer een verbod en de daarop gestelde straf hem, die het verbod gegeven heeft, zelf treft. R. (lil lt;ru iniaSi ojttji\\ zich ten goeden veranderen, zich bekeeren. — ij rj ut 2 a li Htj tt u n tijj \\ nm. van een lekkernij y WW.

— rj (tu nu tQ tu mi j\\ zich om en om keeren; tel-

of


-ocr page 702-

)

l» lU hHJjs

618

kei)8 weer verumlercn; borrelen , va71 kokend water, zoodat het onderste naar hoven en het bovenste naar onderen gaat (vrlt;j. if ^iddrnj); iets telkens

nu op de ééne, dan op de andere zijde keeren j zie

, o O n -

ook op tjtuni rLiim ^nti i hn^ — unm•idK^Jj of

o quot;) . - .

.mi :cnrvnHtijj\\ n., nnoj n n.,

omgekeerd, het binnenste buiten, het bovenste onder j aehterste voor ; averegts ; overhoop; zoo ge- ; slepen, dat het omligt; ongelukkig worden door zijn eed gebroken te hebben, nu tv tLruii onderste bo

ven komen te tuimelen, hals over kop. nj) u i •iliihhjP iÓi!Ki ih0^1 jLi/j\\ omgekeerd en aeli-terstevoor. — iutruii(t}\\ mv. van «—

\'KL, \'__I

v) tiï iwanjjs omgekeerd, zooals een baksel ineen ■pan; telkens terugkcercn; zieh ondersteboven keeren en overelkander heen rollen, bv. van de golven in een branding; of iurn0 tweede padigewus in hetzell\'de jaar, ul. zonder andere veldgewassen er tusschen in, onmiddellijk volgende op het eerste padigewas, Rh. (beplanting van rijstveld voor een tweede gewas tegen het natte saizoen WW. li.). {vrg, (rn(icj.\\). .} 1 .ni iu 101^ jnjj\\ po\'ót. zva. d/n-vt ru \'itfftnyis a^i i-i f\'Vt (htj)\\ sawah\'s bewerkt voor of beplant met iji D /;gt; tu utt 10/j\\f t tu i.v ui/j geiv. ibt nu h^s zva. iiyytj imuwfl koken van water, (Men.) Rh. — aji intu nu/j\\ het omkeeren; het zieh omkeeren; ommekeer, enz.

Qn 1 iinq\\ kn. zva. ainiii5tt/f\\ ook landplaag als een straf van God. in niin^in ns pest, sterfte onder

de mensehen.

o (quot;)

VI lil UHjj\\ Kw. zva. tl^ Ifl KOJJ\\

O

ajj u i zva. .1\'i^ru^i i/jw

•hi rviHsu \\ ook wel m//n kn. eenvoudig, zonder dat

er iets bijzonders bij of aan is {vrg. i n n.i iov).

o O . ,o )

iij) ti Ji tui m urn \\ zie bij 11 vi n\\ — ui m u n ui ij \\

werkelijk, niet in de verbeelding.

d S

tij).n.i.ini\\K\\\\\'. zva. (ijy n iw \\ utim ui iti 101 \\ kn. naam

van een gouden vogel met een slangekop, die tot

de vorstelijke staatsie behoort [Skr. m a l l i k a, een

vogel, soort van gans-, en een\'kop of beker), ook

eign. van den vorst der slangen (yrg. n).

^ , O CO \' (O

/)ihy \\ of \'it» n ook (rijj^ hi^\\ n. , tuin/j \\ iclt; \\

of n j ik \\ k., ploeg, ^ naam van een ge

sternte, de Orion. — (Qrvyiiy w h tp of j n., en iQtM amp;s / »Vp\\ of irlt;\\ k , ploegen j iets

ploegen of beploegen. — 11.1 (ti j ij mi z nu ^.n ^ ,)0f voy

p (O

h u 1101 ~jii n h u \\ en if.i mi us cl:

of ^

7) nu cinji \\ tot ploegen bezigen, laten ploegen; niet

een ploeg een voor maken; voor een anderbeploe-

O p 1)

gen. — vnn^ijMnartji of mpfitnid(hi/i\\ en lt;ïVti|

//?(1.77(hnji of vn.inji^ geploegd, beploegd; door

hei ploegen gemaakte voor {vrg. ikïam irvi (injj), ^

iiji 7 | y ihii 2 benaming van een buffel, die reeds

voor den ploeg gebruikt kan worden {van boven de

vier jaar).

/ O

V! lhl U)1\\K\\V. zva. UI flSI % \\\\

/na njjj m itfi ao J kw. zva. itirm ntnp xnrj rum

Ij OU (Hl/j\\\\

■iJi ruim mn verb, van r.in umxcvi-iw ,nt i-* \'

ui ifnavnjs kn. seiiouderblad, sehoiulerbladen; cn

de rug tussehen de sehoiulerbladen.

(Uiirtiiini n,7r^\\kn. naam van een hard en taai soorl van hout, waarvan wagenassen . rijtuig hoornen, spinnewielen, enz., gemaakt worden, van de Schoii-tenia ovata Korth. flat. fam. der Filiaeeae. ci iuiiti ïv.l i/js kn. naam van een heesier, waarm de bladen tot medicijn gebruikt wordens

O Ov • 7 • •

.ui itu 101 zie oij Kii •igt;.uoi/js

O .

.1:1 111 h 11 N KW. zva. I:u Kw

) . , . O. av O/ n cl

iUi iuiiii\\ of ui nn * kw. zva. iun hji (yt* n en (ijuiih

{Ml.\'belakang y de rug; aehter); kn. zva. imiii

ilt 11 w

■ui kn. aanslibbing, aangeslibd, aangeslibde

grond of bank; aanslibben {vrg. mufu); ftg. achterstallig gebleven, van pacht of te verrigieue werkzaamheden , waardoor het iebetalene of te verriy-tene verhoogd wordt {vrg. n hii ; bv. ii.ib

nruiiyui.l^i\' met hoeveel is je pacht aangeslibd? hoeveel achterstallige paeht heb je nog te betalen? — achterstallig zijn, bv. inhei

beialen van pacht. — iets aanslibben

door aanslibbing ondieper maken, ini ui r^ uioo/lof ui^ ui ry ici ui j\\ aanslibbing krijgen. 0(l/i iW ac\'1\' teratallige pacht lt;e betalen hebben, ten achtcreu raken in het betalen van paeht. — ,Ji aangeslibde grond.

ui gt;uiioji of cblri l\'isiijf kn. mes van bamboe, omtip\' pen en vogels te keelen, en vooral om den navelstreng van een pasgeboren kind door te snijden, ook wel om iets anders te snijden bij gebrek van


-ocr page 703-

019

ceu ander vies (yrg. rvnuïs). (of (ultc^ru)

i^inn i^j TLiaxtjj^ spr. voor broeders en zusters van één vader en moeder.

rjyMi]s KN- vaö^ vau cousibtentie, taai, sterk, van iets dat door zijn heehtlieid niet ligt uit elkander gaat, zooals vau houtsoort en, touw, yeweven stoffen cn ijzerwerk (yrg. en humaayj)-, ook fnj. bv. Jtyayi\'yu taai van leven, 11.

I \'1 n ^ ^ tnu\' vau \'lu\'(\' gt; zou\'

(tal hv. een pijl die hem treft .er niet indringt {vnj.

^ Y f Yi\' j van rot\'

tansoorten, K. 4»,56.

jj!\'M»io\\KN. naam van een heestergewas, Covellia

didynm Miq. met vruchten als de ij tluw iin.nicinjjjs zie bij ui.n.iw

n iDi n^Kti. een bezoeking of toegesehikt onheil tot straf voor een beleediging of oneerbiedige behandeling van heilige personen, goeroe\'s, overheden, ouders, enz., of voor heiligsehennis of het ontheiligen van gewijde plaatsen en voorwerpen; (ook ovimIreden; weerstreven, weerspannig. G. Ar. hahlat, vloek. Vrg. k/ M en Ól\'/Vi

ilj.uij). ici /uijnföj tj f)){ vmiij)\\ een door de ouders wegens een beleediging toegesehikte bezoeking, n.)

{of nji ?,-) iViwin tiqs een walat toesehikken.— nna wi foti/i door een wn.inuyi getroffen. — .u of rj.rueen walat berokkenen of berokkenend; iets heiligs, waaraan men zich niet ongestraft kan bezondigen.

u u i iisHjj \\ zie .i» ti i m/js

) i w ,

\'nnrLUijs KN. om een iKij n itMijj geslagen , verder

breed uitgespreid en tnsseheu twee dunne bamboe-latten geknepen en met itgt;n ili i of

1,liull,l-T\' vastgemaakte alang-alang of bladen van de rëmboeloeng, waarmee een \' huis gedekt wordt (vi\'i/. vn ihn iLi/j). )j :un zwj örru ihn ^ een huis met een dak van wfclit — welil maken; van

iots wclit maken; een dak of huis mot wölit dek ken, in tegenstelling van r./rr.^ n \'Ji njitbH/js KN. een in modderaehtige of moerasachtige plaatsen (zoet water, vooral in rawa\'s, JR.) levende (kleine, groenachtige JU.) aal of paling (OTV/.

i ij on ij fou urnj

^\'jaon ceu graoteve, geelachtigu i^iliug. JK. iviri \'l-nhryanjis zie .ur) m \\ — tij7iUti/j (i11 j asHji zoeken of vangen.

gt; ! rgt;

0gt;iL^tl5n/j\\ 1. KW. ZVU. (Lj VR{Vi\'g. Ui

n Jl ^■H/) * cn zva\' \'\' \'ilJ) /}N (l5ïjj ^ en •tSln-n iüdqs — 2. KN een goede ronding hebbend, liefelijk voor het gezigt of gehoor, welluidend, elegant, ftiet smaak; melodiense interval bij een gending Rh. — ibiag^tigU 1. KW. zva. — 2. KN. iets fraaijer o/be-

valliger maken, uninnK^a^ m/js zich laten inpakken , bewegen of vermurwen door zoetsappige of liefelijke

woorden of door bidden en smeeken. iLv m int vtm.

Cq, ei

uw w/j \\ omwikkelde of omslingerde woorden, woorden die met slimheid gekozen zijn om listig een doel te bereiken , W R. — ria^iiwiin/^ zva. iviaj (b^\\ 2., ook verward dooréén, G.

tj!njj/L,nfl\\K\\v. zva. iJn rija.nnn/j {yrg. KN.

gewijde speeksel; speeksel onder gebed (ikwui) tot medicijn of afwering van kwalen ergens op gespuwd, WW.

O

iji u \\ KW. zie ii jïj^ii i ibii /J n \\ l?) Hj aui (I£I aop pass.

van fi iwi ih?i \\ (zie aldaar).

gt;1 rit .n i L n/j\\K\\y. schrift in rotting gesneden, volgens de Dasa-nama.

Li n^ mi it i\\ verbast, van it,ii n \\ eign. van een

sohoone Wida-dan («S\'/r. Tilottam d).

hrn i r ij (of i^i i ip 1\\ I.) met of zonder tu i nn wi (iOjj\\ een rotan soort, klein maar hijzonder sterk y die veel als bindrotting wordt gebruikt y Calamus L. et Daemonorops, Hl.

mif}n KN. beantwoording, vergelding, wedervergelding; wraak; straf. Zoo ook .hhuiaj.i.ijjs —mi i j i- i/j of .m if i (vr^ii-Jijin iets beantwoorden; vergelden terugdoen ; beloonen ; wreken; straffen, uw(Yii tu^ gewold met geweld beantwoorden. 0iuii(rillt;i?»anijj\\

terugslaan.

iw7\\ een moord wreken. 0(i

het regt van wedervergelding uitoefenen, wraak nemen. iol f i w/j0-* wraakzuchtig. — f i v^tj^i J^\\ mv., en iemand iets vergelden, beloonen , bestraffen ; tv» brief beantwoorden; ook terugdoen; en zva. mi £1 irji ityi \\ — (t i ^fui ^. rj mi \\ met iets , iemand of iets vergelden, iets tot vergelding bezigen; over ie/s wraak nemen; voor iemand wraak nemen. — (Li ii vergelding, wedervergelding; wraak.

ri wat teruggedaan wordt, bv. t ri

\'\\ wederkeerige hulp; het elastiek en buigzaam gedeelte van een werktuig; ui xj v-; ^ uj


-ocr page 704-

630

lt;i;M7m n of (Ut ijKi m -1 ayn \\ hciigolrocdo, hengelstok ; ut inaJi tj m ^t ij /gt;) ? ihn/j putzwcngcl; vuly. Rh. N. v. iuiajjijjttnjjs antwoord.

ut kn. 1. meewarigheid, medelijden, deernis;

toegenegenheid, gunst; meewarigheid, enz. hebben (vl\'g. iUiiruM\\). m libt rviiht/js gunst en meewarigheid; genadige toegenegenheid. tu i^j /j v m Jtï itii cni\\ de hnid heeft medelijden met het vleeseh, van iemand die, dour een wapen yetroffen gt; toch niet in het vleeseh (jewond wordt. R. ijuru i.t^t iu(ujl\\ kw. gevoel van toegenegenheid. — X? ru:kijj en .i n tfjtq^/j\\ medelijden wekken, {i iu t-t ^it i-t\\

O lt;quot;) i

en icjiitLtifJi-jttrniijj(hi/j en yew. if t n 11 t ~it ki deerniswekkend, om gunstig medelijden smeckend; hartroerend. iilt;tt iiM itd M ~.\'ii (iy/.N (tot .ut i vt ui ~/)t (iftjt lui/j en hit ijlru hi „ii iPi j \\ deerniswaardig, medelijdenswaardig, erbarmlijk; deerniswaardige toestand, ellende. — iluï uti i ii/j \\ deerniswekkend, erbarm lijk, te beklagen; smeekend. ruyuntiui ^it ui js smeckend bidden. — .Q.ru.hiJ]\\ medelijden hebben met, zich erbarmen of ontfermen over. hii.ui iu(tJi.amp;t anj^\\ met mededoogen of ontferming vervuld; barmhartigheid. — iitiuu)^gt;i(hn^ meewarig, meedoo-gend, van aard {zie ook hij btt\\.i!hyj\\ 11). vjn/m t)0\\ onmeedoogend, onbarmhartig.— ilt;n in ui n i (h)Saiin/js met medelijden begaan, door medelijden aangedaan, worden. — 11 uuiui^jji oj (u üun.hujjs medelijden, mededoogen, barmhartigheid.

II. tui n tlui/j of rn nui. ip en verlc. nuurjs een woord dat dient om de telwoorden van elf tot negentien te vormen. lt;m Q rtitht/j of ii^ uuil/im^ elf. nj\'yti.tut\\n., mi ru{ ii tLiuiip k., twaalf, iii/i(hjtjjn zestien. — /b]hjiw^khi/js toegift van een op dc tien, bo. tien er op toe. hij het l\'oopen van honderd aardappels, R. {Zie ook onder 1). vohj. Rh. bij getallen van 11 tot en met 19; bv. bij dertienen of veertienen geteld.

ICI . Cl .CI . Cl .

. td. kn. zva. xjrnn rt\\ en iut nt ut

I :) lt;) I N

o o ...

(V,it ent \'Ut ju zva. (hit ut t ut ru ut onjj\\ — tt

O Ct O . O O

iruiw/js zva. (uhisr^s en a un iw —int ut ni t^/j -

O Cl

ut TLKK t ^utri^\\ zva. Ij

■1\'

Cl . - O .

(h it ii/ii (is^ of mt (ru nn if uit (17) (injjs ook zva. ui , t an \\ Rs.

II. kw. zva. lunvjiKtw met een donkergroene,

ol donkerblauwe tint, hv. van gitzwart, mtuit(Suiu

- c\\ a o

ihtjjs zva. uri mt urt rj us tw suirj up i vu tut iuikijj

... S Cl O

zie bij (U rj (ipd iu\\\\ MivttLj ut ri.iajtj^\\ zie bij

/

li I gtNN

uutu {voor (urjuuvttnrL^jjf) kn. naam vaneen soort van tui^ ut (utt ili iutjj glad, zonder vezelwoTlch en dan van schil.

uuuajis 1. kw. spelende aardigheid , gratie, bevallig, beid, aardige wijze van doen; kn. spelende maneuvers van een verliefde vrouw; zva*. ifuturit^n)

runs {Sbr. wilds a). ij(1112 ^1^12 ut luuu KH.m.

(!)

tjcnii ij(ici i iut utw 2 ki. van •uutu{alsof hd

een Kawivorm hiervan was). ii0i juuniii\\ ki. von

O ) Cl ^

1.)^(Utrttflv?/1 n — hit.ut 11 i(Kt(Hi/j\\ zva. hit ut nni^

-gt; -gt; o )

iifijj\\ \\ hl ? mi ut iu ut ^,1 w/j\\ ki. van ki gt; nn t:i n 1

(iJt^mojfs

ut lUcKtiot^ kw. zva.

lyt^ i.t-ïuhi/j kw. zva. vnn^j.t^U(J.1:11 ihj^\\ nuj^ en .iJtt iu h t/js (het water dat van een berg afstrouml, het water van een waterval. G.).

,uuii n kw. tijger, ook inn.i?n ui i^j \\ li. 220 , een verk. van ik ut u i/j en cm (Ut; verg. nrrt ut j of

O Cl

uirLuut\\ zva. utiiuuw

o • / .. quot;gt;

ij utz tu njt ru\\ zie bij ivt ruw

ij.ut ij u 1 n / zie hij ij ^ut

ut iuruihn/jsKN. nm. van een slingerplant, Tj.

(uunyij ru(Ht/i ongev. zva. ^tj ium^/j ochl, v. klem

onvermengd, \'Ui \'\\ (Tj.) Rh.

o • Cl o

.Ut iu iu (htljj\\ ZVa. (Ut iu fott/jS - iM irVHTLt (Ul\\ SCil

o

li t n 11 n w

(ISI^

ij.utzdilrud^yi^ zie hij ij ut111 jw hun^ iiii\\ ook (iij ii u n., .utihT^ i 1 iUjj\\ ook t j \' k., leer, toebereide hnid of vacht van beeslcii (wy.

tuiunj}).(Qn^ ru.cn uia^tJi ij^i\\ eengeslajl heest, waarvan de huid tot leer bereid moet worden, villen {vrg. ^ij iuxau).— btdx^ruxnunjjoj n j rh ut nnjj \\ en üt 0^ 11 tut injj of (u^ ut tui iwjjs iels dat naar leer gelijkt; van leer, leeren dJtwïyinj iru untHTjj of d ^hin^uuiinihnjjs en (t^ hiuyj^11 ru trnji of n^hiuhnui riu naam van een rid-achitig gras, dat wel tot geneesmiddel dient, f* waarvan men cigarelcokers vlecht en een sterk nen bereidt.

(ut rt ru cut ^ kw. laatdunkend , ingebeeld, verwaand aw al epa, laatdunkendheid, verwaandheid, pk.). uïi ut ut if iu(ijt\\ spr., zva. trvidci hoiji\\

ij tru \\ h 111e.1 ik»i \\ en ii/it tut if tu (hit ju tj nm .1 ^


-ocr page 705-

(UI It Ut (Ut \\

Sirtnut^ KW. zva. mi(lu\\ (i^nrrninijj en ttyniytutnsnji (Skr. wil dp o Iclagt, klaagzang, pk.). (utlt;iLi (ut i?i mzs zva. (uta^iM/f en oj^ nn^

KW. zva. (irnttry trtjis ook oj.

tSfrwwoKW. 1 zva. a\\ji a-n\\ en nurj iu?\\ {Sir. wi-lajay het verdwijnen, vergaan pk.). 2. naam van een bloem, o (un ru (Kt itojj •. volgens anderen

wKtthti(ijj£jiHii\\ {S/cr. wirddja; prijkend, pk.).

ri Ca) j, G) G) • • ■)

vf W1** v ^N enz., K. zie (ut ru^ io^ \\\\

a amp; o (?) O o (iquot;) o

vi (rui ik \\ (f t ti i \'iK i t ji n imji \\ cut (nn irc r t iiri/j en h n i gt;

0 . p irujdka:) (tn/jMi., zie u i vu n t as» fj\\ en rrg. (in rti j nm w !

v\\(tv)aupkw. zva. (Ut(Ti^(lu\\ (Vrg. (utaus).

ui(lui\\ kN. in zijn vorlgen staat teruggekeerd, hersteld, genezen j ook zva. (utftut Ss of (ut lt;n t (Qasnjj 0 \\

{vrg. \'Vtnruj^(Lhtji\\ f j en(tj^(nn\\).— intnu^m^ ,

- o n

of ittlu^tLijj^s KW. zva. Hirtaijis en \'f^rttq\\ int

(lij (Lit (tot ~W (YJ (t(Vt \\ of r.7 (TUJ^ ILU (t(H ~/tt Tj ti tl \\ KN. i 11

zijn vorigen staat herstellen of doen terngkeeren.

i?i ut M/t \\ zie lij ^ ut 1-1.7 \\\\

ri n miiasn/j^ Ar. lt; KN- voogdijschap, landvoogdij schap , het gezag als landvoogd ^fJtdij) over een

quot;tot het Mohammedanisme gebracht land.

o • . .. o

umvtaA^irvi zie bij njtntw

■ i.. a

ijt vjj art \\ zie bij ui nujj \\

o .... o

vt JLult;n\\ zie bij (utitvtjis

vt ut dut q \\ Ar. X#«JkL gt; bruiloftsmaaltijd, een maaltijd na de njtijJtnt^ aan hnis van den briridegom, aan

den wali gegeven.

p O ■ . )

tit^crtjjs zva. i/ti itz^amjj\\ zie r-j anjf n — (fjt^crrijjs

iemand volop te eten geven, utt ijlt t ott^\\ het volop hebben.

rrn iKimKN. een ring om den stok van een piek on- i

«lor het vlechtwerk {ij(rn2iS\\).

Q /\' . O s *

vtnjtcrtrts kw. zva ortcuttirttcttiw — (f t iit(rrt\\ of irt

!m\\ {ook ir., althans B. ütt ut an ft j rut mt n\'t wf)

een losch of struiken in brand steken.

KVV- zva\' \'li vmv volg. Rh. ook zva. (TT»

«snw Skr. walgita, hnppelend, gehuppel.

vt rutorh\\ kn. voorspoedig opgroeijen , van \'plantsoen

en van kinderen.

O . u

vilt;n^7jcfri2 dYt \\ eign. van een zoon van Ardjoena. iVgt;!ritirrt\\Kw. zva. (utt(Ht \'rj \\ en i^ij unirj unw u,\'^\\ I. kn. sprinkhaan; maar ook algemeene benaming van sommige soorten van kevers , ofschoon

die juist niet springen, zooals de ut tuta^t i?t .t n/j\\ zie (t. 11 t (nv fj \\ \\ ut trut mi ^{\\ een groote sprinkhaan waarvan het wijfje grooter is dan het mannetje.

— uttitt.tt(in\\ {volg. Rh. of i t tittln rfnitw/i zie ben.) scharminkel, een zeer dunne, groene sprinkhaan, een vinger lang, met zeer lange poot en en een hreeden, a enig zins hamervormigen kop. (ut uit n tj (u tiutt (Hi/)\\ een zwarte sprinkhaan met een buitengemeen sterk sirkend geluid, ut rit(ur^ (tlt;t^ ihJt ~t/t (ta/j\\ groene sprinkhaan met ronden, spitsen kop. JR. utn\'it tiu^ groot0, groene sprinkhaan, om zijn houding de bidder genoemd, gt; tnut(tfttnidnt/j\\ volg. Rh. dezelfde als de vorige, {of (tstttjmant/j), groote sprinkhaan met groote\'springpooten, die wijd opgehaald uitstaan, als hij zit. (ut(rutlaa^aat^ met naar buiten gebogen armen de handen in de zijden zetten of houden, utuliertt ^nm\\ {o/ ut tu tfojtitvfasitiitrttjj Rh.), een groote grauwe sprinkhaan , {daar de tijgers bang voor zijn en dien men daarom wel meeneemt naar de bosschen om zich tegen de tijgers te beveiligen. Winter Jr.). ut.ttt rm,in(Krij\\ een walang met een kromme nek. (at tut (rut (Lynttj^y als een walang gëpoek, nl. van een paard, met sterk gebogen nek, door het bijbrengen met den teugel, Rh. fig. van een mensch, Rs.

— ut dit (tot cut \\ de vliegende eekhoorn, WW.

— ut nut (tot aot (hmji n pelikaan of kropgans, {vrg. mi^Ft (tut tinjj). tot (tvtiHitajt iHtty als een walang-ka-dak, van een trotse he houding. ut rut tun (i5t (tfi

x ct n . o c\\

unjj of i i ti t (Kt n t ut (tityi of ut 11 / ut n^t ikv (hiji \\

Waj. Ir. ergens van kikken, aanroeren.

(isttan (Hi ut \'tut (ut ojtt nj arj^ \\ er werd geen kik gehoord, Hs. — (E,twi tii\'t\\ half uitgevreten, met half leege aren, van het rijstgewas; half mal, een streek weghebben, van een mensch, JR. — act aa ut ut tit \' i tft in kleine splinters, bv. breken. —

(f t tii sprinkhanen vangen, gelijk een sprinkhaan. i

— i t iitiv.t tlt;ifj\\ naam van een boom, waarvan het hout alleen tot brandhout dient, JR. ; ook naam van zekere lekkernij {en zie ook bij uk lu \\ en (UttrmiKt). ut tit ut itrt/js benaming van een ongesteldheid van de oogen. f t lutt ut tit ut (Ht/t^ zich de oogen uitkijken, zich blind getuurd o/* gewaakt hebben.

II. kn. twijfelachtig, onzeker, ongerust; twijfelen, wantrouwen {vrg. oj^fot tit\\). ut tiuun mn \\ of


-ocr page 706-

(Uj, in\'j^ \\

n .

tl n i\\

622

■utirt/iitrn (bn anjj\\tf.y ui jutijrt rjiuiri K., \'\'i rurrn i fiuqs KI., (U)!rv)((Ln(LLi\\ poet. zich ongerust maken. — (BirC)iin tjasiilt;iq.\\ zorgwekkend, onrustbarend.

Us.

iru \\ bij n/n ru \\).

n * O •

nji /i7\\ KW. zva. (ün tuw

k., naam van een dunney bonte, zwart en wit (jc-ringde, zeer venijnige slang of adder, Bungarus

annularis {vrg. am (ru i?) n )\\ en i ntwiaj) wij).

C ^ Ov -| • C quot;) q O O Q«\' r Cquot;)

u) di.i \\ 1. k., ^ (Uttni(iJi/j\\ z. — 2. uuu\\ of (Ui ui

ilii\\kn. geld voor het opmaken en sehrijven van oen acte, pihghn, procesverbaal, of ander document, dat hij het verkrijgen van zulk een acte he-

r ry f ^

t a aid moet worden. WW. ivniu {of ui hi) n nï\\

naam van een wit en zwart geringde vergiftigde

slang of adder, dikker en langer dan {volg. de

Javanen het wijfje van) de mr^ tu biiiis volg. Rh.

heeft de eerste een witten, de tweede een zwarten

j O O. O Qc v.quot;) Q« O

kop. iF.ini^ if.i ili (ij) \\ (hl ru i::i tn) /tnjj\\ iji ru (iv

O o». . , .. n (Hi/p en (U) ifji iu \\ k. , zte bij rum w/js

o . . / o o v o

\'Di ili \\ K w. zva. gt;1 (i/rush \\ \\vrg. rn rudjj^j. ihimn^iu)

irndfi tji ut rujjMi., zonder tal, WW. untvj (Kr^iJitiSi iu(Si\\ r;n (bitj (9/ fj) ru\\ belmoren onder het getal van . . . gerekend kunnen worden te belmoren tot. . ; (Ijv. de rijke menschen\\. — muV n., iui ii)ru/j\\ k. , tellen, hv. geldioWew •nn iJi ru^ ook gerekend worden; men kan rekenen dat; be-hooren tot, enz. (üi rili ciiili\\ of iL/i tunjJ tu\\ zva.

IIjI 1} (IJl \'n quot;/ i7ii t)x\',ii uw (u ru (i\\ tu \\ iets bereke-

. quot;gt; aX fl, r» . o

nen {vrg. mi ijis), KI. — n tu r.i \' i\' ) rsi/j^

ohj. den.\\ getal; het getal lettergrepen van een vers

it,i) (hi -1° t talloos . ontelbaar, un (xi rn o /v ti / r;? no

cv (I (A

ruiim \\ onder de ongelukkigen te rekenen, R. ut tü (MiHjiyj tja\'ui tLitn) \\ onder de ongelukkige mensehen te rekenen. WR. — m Si rCi\\ .ui fjuu) uijj^ het tellen.

a c O ( quot;)

i \'i \\ KW. zva. nm crri ti ijj^

tj^tiu\\ kn. onderwijs, leer, les (vrg. ijj ^ khj)- ^\'\'j iiti\\ onderwijs, onderwijzing; lessen , vermaningen. (ij^nurj\'n^s naam van een boek, dat zedelessen bevatgt; van Pakoe bocwana IV. — w rus iemand onderwijzen of les geven; iets onderwijzen. »i7/* lessen of vermaningen geven. — (Fjj tt\'i vi ij mi \\ iets onderwijzen aan iemand; iemand laten onderwijzen. if j ifjj \'tu tu rj h o \\ de inenschen onderwijzen,

dj)illkj)lt;uv\\ beletsel, tegenstand (vrg. w

O . Kr CYp . n i f i n / n n., \'/. ? i } 11 n i\\

Wil. — luiajirüs onderwijs, les; raad tot onder, rig ting of ter eg (wijzing. (li (fj rii \\ het onder, wijzen , onderwijzer, leermeester. — ^(Uj^ru leer; discipel, leerling van iemand {vrg. — (ui (Z\'jjirvKizi an/js sehool, leerschool.

, of 1. kn. naam van een roofvogel

met roode veer en en witte borst, wouw, kiekendiel, 2. nj^\\ kn. blauwzwart , zva. luii ojiuJi vjjirn^,

\\(urïiïii dsn trji n kn. blauwzwarte hoofddoek, (on

ci t lOl|

7u^ \\ naam van een blauwzwarte bamboesoort, Gi-gantochloa robusta, Kürz. (tsr^vsiyuut^ blauwzwart gevlekt, van een soort van herten ,611. vok Rh. asy.isiytu/i kleur van damherten; mi

gitzwarte herten. \'Ejru\\ blauwzwart verwen.

ty i?a6^ 1. zie bij tjnjitnys — 2. zva. 1.

quot;) o o ,, o o .

ui tu i.i\\ of /1 rn\\ kn. naam van een soort vanm-

zen met een driehoekige)» stengel, (Cyperus elatusi

die op vochtige plaatsen en als onkruid tusschn

de rijst groeijen. arrnió) riuk r^l tLiti?) \\ een soortvm

kleine pisang, anders rindji tun di JjjjW o

ui n i \\ Kw, zva. tgt; in n nti/j\\

vi tuinanj^ kw. of kn. zva. of »lt;7itïj

aA/j^ ui /j \\

O T ... O

ui 11) gt;1 uit (hnji zva. i i tu \' j.\'xi/l poot. — \'Ein i ijri)

*y\\ aandoenlijk, lieflijk, K. 2,36.

Uj tu r.yui/p KW. zva. ^ r i uii fUjOy/i J ivn (hnjjquot; k» tij

(VL^ Hijj ui) i.) hjjj en if.) ILI iLI t u w ui a u dj) \\ KN.; \' i u.j (1 \'i r) m/] of ttCj n :i mqs KN. ilt afgelegde huid van een slang, krekel of ander dier,

dat vervelt. — D rij^aj^ iem. een stel nienfff)

, , o o ... o

Kleeren geven, vrg. e.uki ixKuyi bij ui /i gt; (rnjj^ -

M7iyi\'yi?i\\ of \'f\'ti(ijji?i\\ vervellen; het masker afleggen, van insecten.

u] tu ijis of tu / quot;; \\ kn. bekleedsel van een pakje in lt;lf vorm van een omgekeerd peperhuisje, van pisaM; blad, pisang schors of boombast gemaakt, over krM en van vele kanten rondom, het pakje heen- en ui boven in een punt bijeengebonden; ook zva. m»\' thw i^vrg. vrr?if nu n(kh\\ ). ifi ilkui \\ een (out op die wijze om een pakje winden; een pakje »« digtmaken of tot zulk een wGlangsang maken. h tli ui \\ ui h i \\ o f tlÏ(k/i n kn. een otter, of soort vw

otter (vrg. \'Fjj d j *lt;ojf).

i)j,tj (i/i *(Hj,n kw, zva. rn nnjijjs G.

kw. zva. ojiarn vgt;i)\\ {Skr. wipra, een Ih\'®\'1\'


-ocr page 707-

it)) HJI

, . O .... O

mien), ni rj \'gt;i \\ zie bij a rn r-? quot;tl w /;»-d*\'\' ülij » waphdi, iematuU overlijden,

dood {vrg. w k: rvy ).

SaJi\'Wh KW. zva. n-i(ult;UY}/^\\ n/nrus en een klein begin. (x. {Skr. wifhal a, vruoliteloos, nutteloos, ijdel).

rito}\\ kw.; mv v/aoi\\ eva, \'uma\\ of {vrg.

n \\

iV}ap\\)\'

viajj, kw., zie

nu] KN.zand.—nis zand, zandig,zanderig;met zand beleggen. — mi iHiSnn nntKi^ van een weg met fijn zand bestrooid, M. — nn/j of tui

(nij\\ zandige plaats, zandbodem, zandplaat.

o , , -

oirjiiJis kn. i. een van iru(un , als een intnni, gemaakt rasterwerk, om daarmee in een rivier of in zee viseh te besluiten en te vangen; volg. WW. vloosch in het groot koopen, op de markt, bijeen

feestelijke gelegenheidt als de gastheer geen Icar-f y

bouw slagt, (Tj.). {vTg. (Kt dus en y ri ^ j

2. oen spalk van naast elkander gelegde en zamen-gehonden dunne bamboelatjes óm een gebroken arm of been. fcinui- een wi^é maken; met een widd spalken. — iri-rjuo iij\\ ergens met een widé viseh besluiten; een gebroken arm of been met een widé bospalken.

kn. 1. wat niemand aandurft, waar niemand aan wil, wat niemand hebben wil, zooals geduchte vechter of kemphaan, altijd gelukkige speler, ongewilde koopwaren, onbegeerd meisje, ongangbare inmt. lUjj\'iyajrïnunj}naj^\\onoverwinnelyk. —

wij* iets daar niemand aandurft of wil; onverkoopbare waar. 2. sva. t:n im j iemand ontbreken; •nissen van wat men noodig heeft, tu)(hj^ nm ik ij rjwiKYïi ut\\ iamp;^njrnwn ^n ur^jj^tio^ neem mijn pa-tjoel niet mee, anders lieb ik ei\' behoefte aan, Rh.

3. vrg. KW. njr^ ^ ZZT inzet bij het spel wa, ij hii t rj tfru wyjs inzetten, fig. iets bijdragen bij het gezamenilijk bespreken van een onderwerp, enz. ijimnjs inzetten in een spel; voor iem. inzetten; Jlg, meespreken in een gesprek, bijstaan mei ralt;((l gt; enz. ut ^ (kn/j tot inzet bij een spel; root ot tegen elkander inzetten. — umiïj

\'/ fo» t anj (L,n nii m ^ mi ^ \\ twee tegen één . Me togen één, een uitdr. woor van geringe waarde, Kev»ng, min, W. 1. 30.

(ij) (iji j \\ 028

iUi(IaJi^\\ kn, alles waar iets in bevat is of ingedaan wordt; vat, ton, kist, kast, lade, beker, schotel, mand, zak, beurs, enz. — iei(i.oi^\\ een (ijkuif\\

gelijken, \'fiq.ji?ijh(ui!un/j\\ Wangs, op it*(mSiajj

o , o __n n .

a ,jiajiji\\ {(Uiaoi qUII DI mij —- t,n (IJKKIJIS). — (M

(i.ji {i/ii \\ iets ergens indoen, leggen of zetten.

— (Eji.zj) qun rjun \\ iets bezigen om er iets in te

doen.

di 7i/iji j \\ kn. openbaar, geen geheim; niet nieuw, al-ledaagseh (vrg. i iri iuiy\\), WW. een afkeer hebben van; iem. niet mogen lijden, (A. 44) Rh. — t/? tj (iji q nm \\ {dial. (e-irjaji (hj\\) afkeerwekkend, mishagend , hatelijk , vrg. dJlii] i,ii/j\\

i i tj .iji ? ^ \\ Tjeribonsch, zva. iuii ji ? w

~) • j.. O o

nrjui (ni/j\\ zie bij ninjiw

bt ifiiJit(hn;.\\K.u. een spook in lijkgevnad of in de gedaante van een wit schaap.

zjji tj ui i (Mi/js zie bij toj. w

) ^ / C O / i i

ui iji \\ kw. zva.^ nul mi \\ di:isy^ \\ cm iirjjjw kn. liet opengaan door losgaan; ontluiking van een bloem {vrg. aji^nj) \\ en nni yfis), ook zva. (tvi ui v. tapa B. y vj (tJi 2 hoi ^jidji \\ een handgalop, zachte galop. — bi fijis iets onthullen, openbaren, bv. een geheim of verlangen. tj iji »y zva. ini \\ Rs. yj i in ? uii i ? dj) n of enkel (Mujis in handgalop gaan, vaneen paard, ü(iji ajl(Wi ^ \\ het stilzwijgen breken. —?

(ijinrjw)\\ iets openbaren aan iemand.

/ s ct /

u^ajis en lè^Ji \'n \\ zie iijr^ uiw

ui (ui inijj \\ kn. de maagzak, voor do buik Rh. {vrg. uiui ) -t ook wx\\ kuil om een wild zwijn in te vangen, en naam van een vischtuig; volg. Rh. een soort cul de sac, waaruit het wild of de viseh niet meer ontsnappen kan. — iMiynfis een beest in den buik steken, den buik wonden, de ingewanden uit den buik halen; volg. Rh. iem. met het woord nidc^hiys vreetzak! uitschelden; erg. een uidj^htifi aanbrengen, aanmaken; zie ook op (uifty. k tij) \\ — ui en de maag.

l)}ijiutyi\\ kn. blanketsel, smeersel van rijst me el en rozewater of ander welriekend vocht gemaakt {vrg. uj ujj ); geblanket; zich blanketten. d^(e^0\\ gele en witte klei HZ crti (udijSG. un d/vi luiui h jj (hïi {\\ als met bloed besmeerd. — (qiji(khj}\\ iéts met iets wits, zooals kalkof krijt, bestrijken, witten. hi uiKHji of if\'t(uihiiji\\ fijn van droogen grond, stof;


-ocr page 708-

LDrtJI ()jyj\\

024

(U) IK \\

zie hen. SG.

/j/ /jlt; (ij) /j\\ zva. tui jj)

, ij (E/i ihi n K., geit of schaap; bok of ram, iu\\ (u\\%j) i :)i (ut on \\ zzz kj) na \\ Wanys. op j. y anj ah w b. ;Q(Kn, (Hi \\ hep. w.w bok of ram. nido^y^aJts een soort van kleine geiten of bokken, volg. Rh. ook van kleine schapen. — kn. als een bok (zoo

onbeschaamd). — beestachtigheid,

(/oor ontucht; ook naam van een plant, Ageratnm

Conyzoïdes.

0 • n O

(ut an iriAji \\ zie (ui(ijiiuji\\

(ui(ij)\'tL.jj of .fjitijt iLi/j\\ kn. zwemblaas van een vise//.

— t rtin tualt;yi\\ ingewand van visschen, vischgrom; fuj. plat voor aard, inborst, {vrg. (ut(c^\'y\\

(Utuj) ctrtn\\ kn. grof, van stoffen, rnig van haar y b. en figuurlijk het stoiTelijke van een mensch {vrg. am cm (tm .m eti uit ih/t ajifj). 1:11 (iet 1^1 ui cm^ en iKit5) (fjjaji mi/p een stoffelijk wezen, tf i\'ti uidj) crttjjs een grot (onbeschaafd) mensch. ut ut errt^ een grof (lomp, gemeen) gc/.igt. tvt^Mt tvwcrtyis grof (ruw) van aard.

lt;-) jj/an^\\KN. matje, scherm of schnt, van door elkander gevlochten halve klapperbladen {vrg. urn 901 rj (iftt rrj (Ut \\ of fir»i /. n ij (i^n ij (ui\\).

(ui(t^om(iS)(vrtji\\ kn. schoorvoetend, huiverig, aarzelen, ïj. Joos.

iUtiói\\kn. kliekje, overgebleven of overgeschoten restje, van eten of werk van den vorig en dag

(Fjtfijtn N., in de spreektaal zva. (Vtic?eten, zijn maal doen {cig. met rijst). — (Eiijtw\\ zva. (fjt ei(hj (een ander hij (uifih\\). tutiijt(moy(nn\\ zva. ibt(w.vjy hn\\ {een ander hij (Utah\\). —iUtan ; (V.iiHijj en iQuttiJ) i:i(Hijj\\ zva. (uiutitattnjj en njt AJt lt;Kt(Kj(ht/J\\ - If tdj) (171 IHl/j zva. (F t i:t\'tlt;j(Hl/j\\

utrjih«\\ kn. een groote fuik, Rh. zie irnrjaci2\\ W. 1, 5.

1 /^/KN. breed hakmes met houten schee, dat by de hofkleeding aan de linkerzijde gedragen wordt (vrg. ij (rm tj tvu wtjj en ut).

iUi(i^\\ kn. een soort van kleine zeekrabben, vrg. ajtjj(ui^\\

iïmys kn. onhandig, lomp, linksch, boersch (vrg. lindes). ■— utfi^Kt (Hi^\\ de onvoldragen vrucht van een beest (vrg. hhSi 1:1 (tryj).

.tjjl hj KW. zva. I.tt 10w

t l(if\\ n 1. n. , \'Ut rj \'un 1 \\ k. , staal. 0t1 tt tf «ik ^ staal aan vierkante staven. \'üt \\ id. aan platen

2. nkn. ijzoj\'en braadpan; (00^? rooster. 6)

3. ut us \\ { ui*j!Lm2itJijj\\ kd.) ki. van djt^ :gt;o\\ 4, ^ van (ut ij (ui 2 (isnjj \\ — K1. van rut v-Jt gt; w ,, n^(tftjj\\ kn. kleine ijzeren braadpan; en aarden braadpan, om iets met olie in te hakken of It braden.

ut its \\ k\\v. zva. ut axi w

utof^s kw. zva. (ta^itu uu {vrg. im;it^\\ en \'üjtu^\\)iook zva. (Kt(177?(izrijj\\ en volgens G. huisje, stulp.

quot;gt; ... 1 . .

/1 ik \\ kw. 1. zva. cut utt (uttn\\ ij (lh\'ii\\ en tju

{Skiquot; widja en wit ja, afscheiden, onderscheiden. Vrg. (Ut ik\\). 2. zva. unx s \\ of (iir^m^w —un) ut iK\\ {In W. II. 428, (ut ^ri ut its w zooals eig. behoort geschreven te worden) zva. intt iru ulhjMyj (wjl ? zie bij (ut ruw un°\\ kn. zaad, zaadkorrel; jong uit zaad geteeld plantje om overgeplant te worden; fig. spruit; kroost, afstammeling; geslacht, afkomst, ras. uk

( quot;) ct , o o q„ c vt

iïm (tJtwt qs .van goed ras. ut.ik (utt gt;i(ti(iy\\ van Ke-doesche afkomst, of Kedoesch ras, fig. oorsprong, begin, oorzaak, aanleiding, WW. uil*Sj luhirii aanleiding tot een zaak; volg. Rh. het voornaamste, het fond van de zaak, {Skr. bi dj a, zaad; h i dj 1, gezaaid hebbend widjja, uit zaad gesproten, spruit, afstammeling. Vrg. (uni£s en .luj^sentit

. 7 .. O ^ t O O \\ ^ Cl O / /

ook bij iu ik \\ onder (ui ik\\). ukik (istt t j wfl {oj m (niui iSihtitE^Myj^) een pagër met scheve ruiten gevlochten, zie op ^ anjj \\ ook een puntige vo

van tanden slijpen, kr. m fj) ik n of mt ut ik n. , \'i j

o . - . o „

ui rj (i/ht t (hijj n kd., \'Ut (isrjj om (rvt/j 0f im (isrj, ern vujj\\ k.,

(ut(H^crnru/f of (tjt/thor?rvijjgt; Md., een enkel 0/ ecnig, een enkele of eenige; een zeker of eeu zekere. (Kt ut ikrj ut2 \\ een zeker persoon; oen zeker iemand, WW. volg. G. ecu der men-schen, volg. Rh. ook zva. q-ji ui ik ui is ijh] ü* ieder mensch. ui 1^11 uiy m lt;iii :pjanjj^ op zekeren dag. W W, u n ut ik \\ zva. h tt lt;t3iK de cene. (ut ui (ik (Ut (ik ttjjrj ui 2 \\ elk mensch, een iegelijk, w\' rkjj ut ik tj)ikij(u^\\ ieder afzonderlijk, elk in \'t bijzonder. rjj^ (ut ik ui(ik ihbt n laat het een enkele wezen, al was het ook maar één. — fStvjiK t^ wa-TW quot;f itsjj ijiijtnts de stamvader zijn van. B. — r.i tj ik(yn/j\\ zaaizaad, zaaipadi, ^ ^

een rij veelheid van eei «ƒ olie: wordt lamp-i/rooid ,j^mj(

O

Ut l\'l gt;1 veld, lt; llKHTJj)

TTKW\'

:ui(ik).

l9lS?^K^

getrokk

vrouwe,

het zog

vrouw

vhk^KV

zva. (i

id % \\ k

plaats

zijn, e o

en 01 gt;

07^ ^d/ÏJ

1

0

1 irjiKiv

wik (htjjs 0

ijiik (mij\\ 0 \\

jkn). a

0

llïj lK (Hl 0

Q(iK(in\\\\

plaats,

p cgt;

VHK(Hj\\

0

V)IK hj(Ugt;

V)(ik\\ ki

of toes

iets ai O

MOT),

iw

naam dige, n

,, (V

j

uitdee vensbi


-ocr page 709-

(O) If? HHJI \\

f)25

een rijstveld; {of ut rj ik y w/f s WW.) ecu hoe-veelheid zaaipadi, ter bepaling der uitgestrektheid van een rijstveld; en naam van een zeker lijnzaad of oliezaad, sesamzaad, daar olie van gemaakt wordt {tot in- en uitwendig geneesmiddel, en tot lamp- cn haar olie), en dat ook wel op gebak gestrooid en daarmeê gebakken wordt, ook zva. *jv 7/|£Nquot; (fj*/ \'\'tyiN iC(ïer afzonderlijk. — M a zaaivcdd, dc plaats opeen sawah-

veld, daar de rijst gezaaid wordt (vrg. ru ru{ unw/j)\'

zva. en ij o}i rvtrjg;arijj {vrg.

wa^).

uiK ^ kn. naam van een uit onderscheidene kruiden (jetrokkene of gekookte drank, die door zogende vrouwen gedronken wordt tot vermeerdering van het zog; een zogdrank gebruiken. — een

vrouw wödjah te drinken geven.

t?«c^KW. zva. amvn%\\ vrolijk, lustig.

rgt;

zva. r.r^ (ai 4 (i:t^ iri q \\ en rj iui ?(yrj tj tui 2n^tj w

kuit schieten, va?i visschen; visschen als dat plaats heeft y nl. als er veel visschen bij elkaar zijn, een rijke vangst hebben, Rh. — gt;v \'K ^urt (uyj

cu iü} vj ax 2 q ajn (hi/i of ui gt;1 ire 2 (tm a-njj \\ zva. d/i av^

O o* amp; eni {iui) (HiJi \\ d/i n rrj {run rj (Uj un (u .1 u uj ^ ^ • gt; gt;

G.

M ^ • 7 . 1 O

i itj ik i \\m aaji of ui rjm* i q tun anj \\ zie bij ui ik lt;• s\\ ui ik Wjis zie hij tvimw

iïiktmfls KW. zva. ui ik \\ {vrg. Skr. widja, bij t?i

o . 00 0000

iK\\). (K4(V)IK (jfj(l£ zva. (Kil UHK gt;UI IK \\\\

0 .... O O

i-ifj df: Miji \\ zie bij iJi iK \\\\

chk .-kjn KW. zva. mi (li (kiji {Skr. widj an a, eenzame

plaats, afzondering, pk.).

0 o O 0 • ^

vnkiuj\\ en iamp;i ik ijj \\ zie (uyaKthw

viiK ijjHwsKw. de hoogere spheren, het luchtruim. G. V}ik\\ kn. eenvoudig, in zijn waren, eigenlijken aard» of toestand, onvermengd , zonder toevoeging , van iets anders, ook fig. eenvoudig, natuurlijk, naïf; QivnujriKy rijst zonder zout of iets er bij. unrj s ingezouten) eijeren. tui-n ui ik \\

naam van een padisoort. — ui ik ni (hnjj op eenvoudige, uatnurlyke wijze; onvermengd, zonder iets er bij. viok \\ Ar. jjJy gt; Vizier; zie iui mn — (ivi lt;ik \\ uitdeelen, uitdecling houden, bv. van geld of le-vemhehopftamp;n.

uihk hiijjs kn. de rijp afgevallen kolang-kaling, bedwelmend voor wilde varkens, Kr.

u)lt;ik imjf\\ KW. zva. iji onfl en / / iu kji^ ook ik rt (hnji {Skr. wddjf); kn. naam van een

uit heele korrels ketan, klapper en suiker bereide

, ,, a o o o

soort van koek. (k.i ,uri nrx^ ok iun q \\ 7^ 1 v ik k ujj \\

of ui ik hJiuk ■~ri mji de koot van een paard of rund.

o - o . p .

— ui ik hii nriji oj (Ei ik iwan/j minnaar ot minnares; boezemvriend of vriendin, WW. ,} i i^iini(ynjjs volg. Rh. TP. zva. (Qicmnis meester.

üiikkh/j of QQhuy. met de hand geknepen en geperst, zooals van lijnwaad bij het wasschen oj

po

verwen. — w ik htijj of tfji ik uujj \\ en 1amp;1 \'ik ^ (ik (htijj of ri ÏK i^ïK irnjj^ iets zoo knijpen en persen; fig. iemand goed afrigten of drillen; onder den duim houden, er orde onder houden. — iamp;iiik 11$\\ of

£1 ik iS meervoud.

00 000 -000 r»o

/ ) ik HHJJn fcl ^ N OJ UI ik Hll^\\ UI IK /. I/ KIJl en (UI

O Q .0

!ui IK HJI MTjjN KI., Zie UlftJjqW

iï iK rj hh t hii\\ een aangenomen i\\aam van Joedistira

aan het hof van Wirata.

ru^dKitaji en verb. ■^r- « kn. aanwe

zen ; het bevonden worden , aanwezig zijn o/bestaan in de werkelijkheid; bestaan; bestaand ding of wezen, een voorbeeld in de werkelijkheid. ^ iTnz- rxiy/» (hi !in \\ het bestaat niet in de werkelijkheid.

— (M(uyie^ uijis Ar. • maudj o ed, gew. \'amp;la^dcijj kn. aanwezig, werkelijk aanwezig; werkelijk zich bevinden. — \\ een schuld voldoen in den vorm van, of bestaande in, een schuld op die wijze voldoen, bv. ur^ nsi) tj iui /5; nniji aPi

(ui (ui tj(mi 1 Hiijin zijn schuld in geld iieeft hij met een pendok betaald. — Tjj i^ui 7j(Hn\\ en iiriHKda Yjims iets tot stand brengen, verwezentlijkeu; aan iets het bestaan geven; als werkelijk bestaandetoo-neu o/laten zien; {een schuld y verzoek of belofte voldoen. U.). — aanwezig bevonden;

staat of toestand zooala die bevonden wordt; het wezen, hoedanigheid van iets; gedaante, van iem. W. II, 396, verwezentlijking, bv. van een belofte.

uiikilckhi/js verb, van het lloll. adjudant.

00 , Cl O -o

uiikvljijis Kw zva. \'Ui\'Uïtjj \\ UKin ityj of ui rj u i ï i^ijp

* 0 r C)

iyui (ui \\ of ij hu 2 -n \\ en (hiji of un (iji i. njj \\ en

nog wel als ki. in gebruik, ook voor x/n(tijijj\\ at-

... 00 non

komstig. kn. zva. ihv ui uk ii^i •hijj n \\ uiik ili ^kki


40

-ocr page 710-

(Uj IK (tUJJ\\

O o*

(IJl IK \\

62(5

fHijj en iS) (ik tiirfiriJi q \\ nawen van twee poorten onder en hoven aan de trappen van de siting gil. — Cn£.zva. of (iJtinvu/js en KI. zva.

iSirjiMi\\ gesproten, geboortig: kn. 7iaam van een zangwijze. — itu/jsKW. en ki. zva. ikh

iQasY^\\ en tfniQannw/js — ^ cnijj\\ poot. zva. aItj ,i,ii t h ti -./n ij im w — nn rui ik iu ihnjj\\ KN. afkomst; geboorteplaats {vrg. un rui njn ni onj))

njj Svii/jKW. zva. (i7Yi(ik\\ rjwrjiTnirvt/i W. II, 428; o

zie (iiijdK: (ï\\Jijj\\

ijiik njvi \\ kw. zva. (i/7jj (yi^ rv)jj en {van ik (bin \\

met het voorvoegsel \'t3\\\\ Skr. moverwinning, triomf)- ik ihvi iui ^ naam van een wapen-

(i o O

tuig van Karna, ivi lt; iwi o-ji iui \\ naam van een ik

u ~) •?) van Vorstin Soepraba-wdti, een geschenk

van Bat ara-So er ja. ik tuvt ojj ifv \\ zie bij hj^ o v

O O o . n

— tm ik (im föi \\ zva.n^ ut / tiyy trufl (kn 1:1 ik (im(mjj\\ kn. het vermogen, de gaat om te overwinnen , onoverwinnelijkheid; triomfering, zegepraal (vrg. h n Smj. ei iuijj bij ni ^ 0-ut uk arnji \\ (un (Uj oi /ik crtyj \\ zie bij mn ik onrtjj \\

bi ik (rnjjsk\'S. vol sporen, zooals voetstappen y gestort

oj afgevallen goed, als bewijs dat iemand daar

. . y O ^ ^

geweest is {vrg. ivi ^crty) iiji ik crnjf en tj ruij

tj ik (yyi/f).

iji iKHrnjjs Ar. i . kn. pligt en regt; verpligt

zijn, en regt hebben, bevoegd zijn. w(uivs tj!irn\\ pligtmatig. n/n /ui ihtj ik an/j of ui i£nrr^N pligts-

halven. — w ikarn^iemand een verpligting opleggen; iemand de bevoegdheid geven, hem magtigen; op iets regt hebben. — lt;amp;ioktrn^rf(hu\\ of y nn \\ iets als een verpligting beschouwen ; iemand regtigen; voor bevoegd houden of verklaren. — nfn iin ik (irn^ an ff of nj) ik (irn onjj \\ verpligt of gereg-tigd; regt, en pligt o/verpligting; verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid, vrg. iniiktrn% bij ik im f nn

o^AtnKN., fji(ikivn\\ een wijfje bespringen, van beesten; treden, van vogels {vrg. amivm \\ en \'tjnjmtrjafi/ii unjj). — ui(iK\\ paren van beesten. (Ejiakucnmf tj iw \\ laten bespringen o/treden. — ivhik ci:i (hiji\\ paren, van beesten.

ibink kn. ongeveer zva. njinjiw — ikn zva. iamp;jnus

nen. Qlt;Q(tk\\ zva. \'f.j iu\\\\

maar ook tegenwerken, bv. iemands wil of plan-

(iji ifJ\'ik \\ zva. (ui (f-j 7 Lil n\\

(hlaks kn. — rt?fk(Qamp;\\ in kleine stukken deeleü,

iui uk \\ kn. geregelde afzondering, onderseheiding o/s(. zonderliike opgaaf {vrg. ; (ula.m \\); ook lijn besnedei

—\' C/»1-

fig. van taille, armen, enz. {org. amp;

Minks juiste onderscheiding van het ee\'n van

ander; ieder afzonderlijk; de bijzondere deelen tji

. . et . r Q /

iets. dihk irti ntsKVf. zva. ti nid ik (amp;llt;iJi(lJiii in\\\\ \' co I d

(fjink \\ geregeld onderscheiden of afzonderlijk op^ ven. Zoo ook vink(Sluk\\ juist onderscheiden, {i het verschillend spraakgebruik van de woorden.*

O » t • 1 o O O .

ui ik r.i dnjj\\ ooj. den. o. a.zva. {oj^aint xn/ianjj umi

ik(vilt;hnjj\\ het bijzondere; de bijzonderheden o/af

zonderlijke deelen van iets.

ui\\ kn een soort van wild zwijn, zwart van kim.

kleiner dan de \\tyuii\\gt;

nj^iik\\ kn. een ongehuwd persoon (vrg. azytk*). iju

ik\\ of hldjyik\\ ongehuwd; een ongehuwd levei

leiden; en zva. [aj^nji anjj \\ (f.t(ik\\ zie henede».

(uinjviyi^KW. zva. amihgjjs (vrg. tj ui \\ en i)I(liji\\).

(UI (LVI \\ k w. zva. (UI (LMJI of YjiUlW - (LW (UI (LIH \\ ZV(l,V

a i tj (igjji — gjioivis zie beneden.

\'Uinn^\\ kw. zva. anu^vjajiw kn. niet meer frisch, vei

lept, verflenst, verschaald, verzuurd, verslagen,

door te veel aan de lucht blootgesteld geweetl li

zijn {Skr. w dj o e, lucht, wind. Vrg. mi ui mi]

— iHti (Ui ij twi z nnjj of uri (ui rj uaji t nnjj \\ {ook •

ijihi/i2Mijl Tj.), afgemat, afgetobt {vrg.

lUJVj OJIiiHlJl).

n

ut (IMS zie rj ut dji/iw

uuiAjjjS knv. zva. ijdjtirj(ruz(HYtjf\\

ijjj rj djiJt \\ naam van den twintig sten zoon van Wak

goenoeng, en van de twee-en-twintigste w

rj(utihvtn of i?i(ivi\\ kn. zva. wttjenrrtts slap, tlaii\'

en achteloos, onbehoedzaam, ouvoorzigtig.

rj (ut z iijit \\ k w. zva. xmt (tgjjjs {vrg. ut aiut \\) njn (Hi\\ tjf o S

rj rrrn lUiiji en «./ij m z n\\

utihitqs 1. n. , {in de spr. ook x/n iii/t en verk. dufl m uni \\ k., leeftijd, en tijd van den dag (vrq-quot;

ixx/t q \\ 2. en (iah^ ). 2. ki. zie dj^asi^s (Skr. ivajiï leeftijd, en jeugd). (Uthmqaxtutoji\\ meerderjart leeftijd, iuihaji ^(urKK^ urijjs in de vroegte, \'s oclieai *iiA/t(tntji (Ut ihut % (ut (iïn (tn {(ét}dij^ \\ om half drie. ojtidm vnquot;

run (ut\\ wat tijd van den dag is het? curt om ^

rj uj \\ of op deze t\\jd van den uU


-ocr page 711-

(IJ) (ül/^ { \\

200 laat. frfitms het was nu eenmaal zijn

leeftijd, hij had zijn jaren bereikt. — (ia ui uw ^ \\ of Qcviojvikn. rijpe leeftijd, ongeveer 17ö/18 jaar van een jonge, 16 van een meisje {vrg. tui ui ojn). (vimiijiiluial tot rijpe leeftijd gekomen. irLQtywi/nacimiijvi^ over de jongelingsjaren heen, WR.

ivuj^ kn. meer dan een vrouw tegelijk hebben;

meer dan één keer, leermeester, {man, hv. (ijlwuui

co ••—

vuWj^iK^\\)gt; dienst of werk, tegelijk hebben. — ibiMJj^ of rjMVjjfs bij zijn vrouw een tweede, o/ |

O ƒ *gt;

meer, nemen, fui ui anj^ gt; \\ ook u n uj ui oaj^ {v passief.

1 .0 00

ixi/W^KW. zva. (iTn gt; gt; w \\ ui u i j ^njn n. , (UKLyi^ttm

a on

J| /HT^N K. zva. (K/1 :U} (LUI % HJÏI \\ CU (Kil (UI (LM f (UH HJj

njjjs gemeenlijk, gewoonlijk, doorgaans (zva.

\\ifj^fij(un\\ of (ui(ri/^^ijun\\). (ui uitLhi^ of aj^ ui

mq\\ gemeen, gewoon, alledaagsch. ^ *3^° een ge-

ë/

woon mensch, zoonis Jan en alle man.

i!i \\ ftlledangsche (sobere) kost, — i~gt; t-\'i\' 11 { t:i iu .gt; \\ gomeeu, oiibescheidcu, zonder icmniidawnardigheid 0/eergevoel te ontzien; slordig zi/H werk uerrig/on, onbeseheiden met minaehting zich godragen; minachten. Si {of i-ti.m)0 gemeene (bcleedigcnde) woorden o/uitdrukkingen. i?irm oj) een on

waardige wijze behandeld worden. — i m ui .hu j uiiti{\\ iemand op een onwaardige wijze of met minachting behandelen.

liwfijrunvolg. Rh. zva. \'j ■ quot;W, II, 515

6, slordig, onverschillig; v. vnwif? Im\'ijiu»iHyf\\KN. altijd onvoldaan en niet te bevre-Jigea; altijd in de contramine zijn en wat anders willea, ontevreden van aard.

■imm iuvj U)iHis [Sir. wjdna, één van de

vijf levensgeesten, die door het gehcele lieiiaam verspreid zijn).

J,,/ a S a asquot; O / O „

fluis /jvï .hu ■quot;gt;-» \\ (EJiiwi nmn (mjjs 1^,1111\'\'i .h 11 hifj oj

M$mjt rrt un ihtjj en ikv ^iSl ivii lut ic., zie vfi/iu

fn tymmamp;vvi(iaji\\ kn. open en ruim, van een

plaats of plek {vrg. 1:11 ijirn\\), U.

\'JJyi .Kw. nutteloos (Sir. wja r t h a).

^ O OO

t ivi iniji of xm(LU KN.; v i m ntijj lt;pi aa/iinnji of if^ni(Hri^\\ iets openen of open maken door omslaan, wegschuiven, opligten, enz.; bv. zijn mantel een hoek openslaan; fig een geheim ontdekken.

(y//t(Hirn (ui

openbaar maken {vrg. hij (ui (Lui utijj).

ujjj\'WWquot;Ti(hi\\ Kw. spraakkunst, grammatica {Skr. wjd-kar ana).

^^vkw. zva. ijuridrjaMi(iaj^ (Uitjiqw ui nu (Ui \\ kw. zva. ajiojifs en ^ ^ (vn ani {Skr. wjddi, ongemak, kwaal).

CY

KW. zva. (UUrL

L0\\ (un ((U^asiijj oj am 2 (ri\\ hji

a7n ivnji \\\\ ui hm

^ foujl \\ kw. zva. ij (ui ? rj (lui i ^

rgt;

(U^(i/ü^a\'-njj\\ kw. zva. (kvsw

o r ..00.

uiaiji ihn/f\\ kw. zva. n/n (Ui(i/n iui\\ iu 1.1 fonjj en a/ndo^

(U^ {Skr. wij at, het luchtruim, do dampkring,

de hemel). — m uiiu/i,hii^\\ in de lucht; in liet

luchtruim. — (Ui ui illi tun (Hijj zva. aji (F/j (rvi (ip (tnjj\\

am ij au0 een soort il/i (rn \\ school van een pandita

W. II. 100.

■gt; .on

( •i(iAi(hii\\ kw. zva. (Vj rui\\ t\'n ccn (Uiuianjj\\ — ifji lii

tun kw.; (fji lm (hu\'ly \\ kn. afdoende zijn, een afdoende uitwerking hebben {waarsch. van (lu osh \\ mei

o Tr / O O O v

ui w quot;s\'g. vn u.n tui m Uj \\ en «tt/ilt;r^mi ?^ n//^ tun gt; ).

ftj(uniquot;n(t/iilliasiiuj\\ niet baten, niet afdoende.

ui (lui W//, kw. zva. uiLUfoiijj {Skr. wij ai i, locatief

van wij at, dus in het luchtruim, pk.).

uirj (bLii(Krijj gt; KI. {eif/. krama vorm van ukik iruiji), zie

hiasrjjW kw. aanvang, begin, hv. van een brief. \\m

ui ijiLutw/js beginnen, aanvangen.

... 0 n o O o

KI)., Zie OIJ m IK W - (IJl Ij (LU i (1-JlJI \\ H11 ,UI IJ (LUI t (KiïJI \\

000 n

* I tj (LU l (KJ) -i» \\ (EjI Ij (H l gt; (KjI »ƒ /. H \\ (gt;11 UI II iLVI t tK/l *tA

hojl KI., zie bij •i\'jitisr^w i-i (vu (ui \\ kw. nm (rn h uji of tui (Hj utynn \\ (Skr. w dja-sa, een kraai), ook volgens G. kleed, kleeren.

o

oj^w/mnKW. zva. (Ui/rn (injj en cmlt;rj tui\\ {vrg. (luojis).

UKlAJjjiLLU of UI (UVjj (LLI \\ zie VV^tLUW

O . O . . .

ui(hij^(ui^\\ tui(uvjjOJijs en uitui^^,\\kn. touw. G. —(bi (ijij^(m^\\ tfji tuijj^ub^-. en tu(ui^(uu\\ iemand, of iemands handen en voeten, binden (vrg. tmrj rui^\\)-

O O

uiajucm\\ zva. (hkluoww

o a* o

ui ij tiju i trti \\ KW. zva. tuj ti^i j \\ iu^ ikji q tun (ril aui en

ojj tui % njiïri it\'n 2 \'U h (Kyj rt) m/j (Skr. wij o g a, afwezigheid, afzijn, scheiding, inzonderheid van geliefden), o

— nu tui ij (lu 2 cm (Hyi^ zva. tun(ijjdji ^ (ht^\\

(iji (Lu om ^ n waarvan men iets raadt of raamt, of wx-moedt; vermoedelijk? Rh. 11 un ? iji q tun tun ui (lu cm ^ tui (ia tun rrui\\ dit kind zal vermoedelijk slecht worden. — tamp;itLutmq\\\\ naar iets gissen, raden of

(i27


40*

-ocr page 712-

028

ramen, maar bij gissing noemen of opgeven, ^ heteehenis van ecu woord uit den zamenhany. Skl\\j)\\(yy^\\ kw. zva. iamp;i(hvihn/j {Skr. wjagra, een tijger).

vi(bvi\\ ]. kw. schadnw, ook zva. im n (fionns 2. kn.

( ( o \'»

de rugsp\'eren van een buffel, de nekspieren van een paard, {volg. Rh. ibiiü),ook naam van een boom; en naam van den listen zoon van IKatoe-goenoeng en van de 2ösU woe/roe; als Tj. Sengk. \'! zes. — 3. n. , ^icmnsojjs k., beelden, poppen en 1 figuren, die (doorgaans achter een verlicht scherm) vertoond worden; tooneelvertooning ; fig. de persoon, die zich als een nji ojui of machine laat gebruiken, die de kastanjes uit liet vuur haalt. (U)(lwiStChinee-sche tooneelspelers , chinesche comedie. v) (lvi ip np \\ Chinesche schimmen, ui(vitvjrmtrj iu uv/j\\ tooneelvertooning met poppen, dj) ojvi ^ lt;tj)? \\ tooneelvertooning door levende menschen. nnojtajC) of als een schaduw zich vertoonen, van geesten. Tj. iHii viOMs ook zva. (hii u) (iai a:}(ui/j\\ beschermd worden? Tj. — (ritwis wajangspelen, een wajang vertoonen. — tamp;nvCi(M\\ 1. beschaduwen, schaduw werpen op of over; fig. beschermen, B. T. Dj. 250; iemands schaduw volgen, achter iemand gaan. G. 2. zva. en tt^irnaPiw spr. voor zoo zich

aanstellen alsof men gek zal worden. W. — u )hm ivitrj hvs nmiiii (mfls de wajangfiguren vertoo

nen, door ze in beweging en handeling te brengen.

— \'£/? .i/w (hAivi/t (tntj(uvN jig. tentoonstellen.— (ut iiMWOfi/i of lUtiLnajviin (hn/j\\ 1. kn. schaduw; schaduwbeeld; beeld dat in een spiegel gezien wordt.

rtir) ^l/ï aw xn (hnjj of 0(U) (Lin fut ivijj ivn itn/f zoowel het spoor als de schaduw is te zien, duidelijk zigt-banr, zooals van een L 260; Men., W. I. 292. mri foh *shom ly-maj) djin (ci (hnjj\\ geheel

alleen, zonder gevolg gaan, Rh. vrg. iwt om trui oaji

,.. » o • o

071 (Hi/i bij nu(Lhi \\ 2. lt;iJ} (uvi (in (Hyj\\ n., cm irnjj\\

k. , een wajangpartij geven. — mtui(iww(hiji\\ kn.

plaats waar een wajang vertoond wordt; tooneel

i

n

li I

{vrg. (iji (fn uti w/j)-

Q * * O

dj) ii/t \\ kn. zva. (ij.cni(Hi\\ rfMit tj ajii\\ ij vn 2 T) ern vp.

lon/j en

bera-

(f-jijj \\ tJ) vj mi t ij»

^ itn r?3 (uw \\ zva. ij tun9\'~niri (Dlg rj njt t \\ gt;ƒ njn 2 n aj»tj

zeer gewillig; vast

ijdinsnsnji en cm den, G.

i^m^sKW. zva. vj nm ijamooyis {vrg. «-»vjniucn,^ s

(U^ vLj kw. zva. hïjjdjjjS dJi f rj mi an (Uj (injj \\ \'J^tn

O

nm^nw — (L^ajv^ rnan:j\' zva. o en

(Lm(HT/j\\ ook rampen, G. ii/n u)(lijixji(iaj^\\ allerlei kwelling uitstaan. — xndx»nj^ajujjcc.)(infjs kn. inver legenheid eu angst heen en weer loopen, van vele menschen; ook overal door rampen gevolgd worden.

O . . O . .

id) n/i^ (uLj \\ en u i (1/0^ aru^ \\ zie gt; v fiA^aAj^w

O

Dirf (lvi ? (ril\\ kw. zva. rj(HiutjiJi 2miq en (in nn r:i volgens G. ook lichaam {vrg. Skr. lojang-

ga, van een lichaamsdeel beroofd, misvormd,lam, kreupel, enz. en kikvorsch ; awjangga, gansch van lijf eu leden. pk.).

O O

rj rui (Ei \\ kw. zva. i-.ii rviuit \\\\

v)(e/i(hi\\ kw. zva. (ij)arm vli \\ en lt;r i un \\\\ een bnozc c\\\' l)

vrouw. G. {Skr. ivamana, kort, laag; gemeeni een dwerg).

rgt; O » » c ) . .

\'ui(Lian\\ kw. en kn. zva. (Lim^omcci(rnj^s hm^nn

m on (u^ in ij w (in (iji iny (fujj \\ ook een eni ij (in \\ oj

fabelachtige vogel, waarop Dasa-moeka rijdt {Skr.

wimana, een rij- of voertuig j in het bijzonder ecu

voertuig van de goden, dat zich zelf beweegt en

bestuurt).

o

\'Ul (FJ dfj - kw. zva. riJKHJW

0 i ) /quot; O o o

uiiïjt^\\ kw. 1. zva. (tinJi\\ (unsr^s (turns en zie ij

y (un WW — 2. maken, vervaardigen. G. viKjin

kw. gefatsoeneerd als; Skr. bimba, beeld.

r» a o ^ /. o

iiri.f\\ kw. 1. zie n/ii (FJi 7 \\\\ — 2. /fa ? \\ ofniivmn C(is utf ccT

O O O ^ 0

zva. (unamw — o. ui (fa \\ \\ of (ijian^fs zva, amii rO O (/) o o

lt;1:11 fl\'.l (Hyi\\ (UI (IJl (hll (l/ll (Un 0511 \\ {(C^ ? (lil (1511 MJj\\

— un a.» r:r^ ? hai ifo/i \\ KN. zva. uw nJi ,iai (Ui arijj en mi

O O O • f..

(KA (IJl J (Uil MTJ) ^ - (IA£A{\\ en (FA (UI H (UTI \\ Zie (lij

O

1/n fa ? w

cqr

01 (m^ kw. zva. vsniimHnjj en n^i wan.jj\\ volgens anderen zva. ijwriiijiw

ij (Ui cm/js KN. — rj tui crfi cjr^ anfj druk in de weer zijn.

(Uicrfi\\kw. gewoon, gewend zijn, plegen. G. (vm^s kn. lomp, stijf, niet elegant van vorm of fatsoen , ook van iemands lichaamsgestalte en handelingen, Men.

(LAtj nm \\ kn. naam van één van de vijf pasardagen. iui\'fn\\ naam van den 24isten zoon van Wafne-goe-

no eng, en van de 2Gste woekoe.


-ocr page 713-

ij li» cm \\

G2(J

tut am ihn \\

zva. (rjnrrnamw if vnwi.inji^ i. kw. zva. (Uhtn\'hj w/j\\ (moeijclijk, bezwaarlijk. G.). 2. KN. ingevalj zva. ^ajita^s iUjcni^ KN. een drukkend gevoel in de buik hebben, zooals van ie veel gegeten of gedronken te hebben ; het gevoel hebben van lt;ot iets ot tegen iemand niet in staat ot\' bestand te wezen; iets niet kuunen uitstaan, tunwniQart gt;\\ of enkel itjlnm^ ik voel dat ik er niet toe in staat ben; ik zie er tegen op. — i/jn tegen iets als te moeijelijk opzien;

tot iets, dat moeijelijk is, den moed opgeven. — thu) \' Lnvj hh\\ in iets zwarigheid zieu, iets als te moeijelijk beschouwen; met iets tobben. ^(m2\\ KN. vies van iets zijn, een afkeer van iets hebben, iets niet aandurven, er voor schroomen , er bezwaar iu vindon. -»1.1/11? n tilt;nis\\ niet schroomen, er geen bezwaar in vinden, zich uiet generen. nnj ot(tfllt;gt;\\ schroomvallig (erg. \'flonj

ii n .

\'ï)cni ^ x).

zva, lulailf of volg. Rh. zva. fhtufls V (vrg. UW. 24, 148).

o y n o

.VDijiurKHTji oj t ^mianji\\kw. zva. ibnonjj

eu .17» i:n j tun luyj \\

10 o O

unnnMjjs KN. zva. \'n lt;m anjj\\

ij vitnmihnjjs „ie hij u) i mi w 0 » \' o O o

r\\(\\Xj\\ of mrfy] ijj \\ KN. zva. en yj un ryj i n

Mj {Skr. wig na, hindernis, beletsel). —.ilcmijJ

/. a O et on

of ,ult;ny.m iij\\ zva. xn gt; ivn w

kw. zva. wit iUftflniitiyi {van ri\\ en

vi^ny kw. zva. .o)lt;twvolgens G. een ouder-

wetsch rijtuig.

f-iwj\\ KN. 1. zva. r.nrrri\\ {vrg. vit cms tj i // rns en \'gt;»»\\). 2. de beste lleur of geur verliezen of verloren hebben, van een bloem, die begint te verlep-pen, van opium en tabak, die zijn kracht begint to verliezen; bedorven worden, van een kind door slechte opvoeding ; niet slagen (in het water vallen) van een feest of plan. u n l» mi \'ri tnjj \\ zva. kh vn vi{(Uii tnji\\ lustig, lustigheid.

kw. zva. (Vi tyrrfns G. — m ■ in \\ zie

heneden.

i. kn. zva. iui (ho (inji\\ bv. m lt;7»^ju /ujj tot aan de knie toe. — 3. k. zie »9/(kgt;)\\\\

zie quot;fro/j^W

itJ\'w(Isï»n kw. iis))(isr^\\ {Skr. wijata, een elag. Vrg.

O o .

(VKYtl (bn \\).

tn an ihn\\ kw. zva. vhrnibnw volgens G. voorspoedig zijn, gelukkig slagen {Skr. wigati, afwerend, wondend, slaando); 00/^ (rntbiï 1. wem\'rjhsht ajijl zva. mi gt;1 ibii2 ihjjj W. I. 190.

ivcm ^j rn kw. n2a?/i van een waterbron {Skr. Wa-gisjwara, de God der rede en welsprekendheid , Wagisjw ar atirth a, ecu aan WAgisjwara geheiligde badplaats, pk.).

ui on ituj\\ 1. kw. zva. (unni ru^s ook van woorden, Men. — 3. kn. naam van een grooie rivier-vis oh.

ui mi jujj of (óulu tuns kn. ten halve; onvolmaakt, onafgedaan, onvolkomen; onvoldaan, van het hart, gebrek? — t) rniu\\ .utarn riiy makend, gebrek veroorzakend. — (Uicm tbtjjs zij 11, maar

half gaar, pas hall\' rijp, enz. onvoldaan zijn, ontevreden van het hart.

) o O S

\'Utmitrujj kw. zva. nirjri\\ ayna^iru/f nump ajini

tnjl aS ij*

ut n^ybujj\\ poet. -—- lt;m h,jhsï)J^\\

ui mji ib/j^n kw. zva. (hjj ij 111 ij \'yianijjs

:i(ti 717/ ibTi/j en tip npi bnjj {vrg. ui f ojiji ibujj).

mj/j bit /j \\ ook (Ui 011 teiijj^ kw. zva. (iiyif^cbnjj en o

itiynw

00 O kw\\ zva. -bi^ 11 ^(hJijjs (i/iinm011 iLiaïj\\\\

ui mi ƒ n kn. bekwaam, bedreven , kundig, geleerd {Skr.

iv i djna; vrg. iVit ri mi j). mi t .\'i mj mijj \\ iemands

kundigheden ; wetenschap.

t » mjj^i^ zie it^-i mji^ui

y 0 o «quot;gt; O

f 1 111 \\ kw. zva. ui^ i :i ibtyi \\ (vgt;n ij ibii \\ en h 1 ie/i -;

Mj/j\\ volgens anderen zva. mi ius asiianis ijauii mn\\ en iluui i:ii h,ilt;ijj\\ volgens G. schrander, vatbaar om ie loeren, spoedig begrijpen {Skr. wag in i

veel sprekend, rederijk; welsprekend).

c quot;) ^ O

ui .nyriijjs kw.; ui ai^cniiHij oj .ui myrmiajj\\ zva.

ij hu(u^ii.niilt;i/j\\ md(iji(K/i^d/11 (Hiji en (nnnmvj,yi9(iq^

an/j enzva. mi $ ^ — (kti iu) nrnent hetz.

(hii ui(Hi J11 (i^jj(Kij^\\ in verlegenheid zijn, niet

weten hoe of wat to doen of te besluiten, zie ui lt;r^ w

cquot;) o (i O\' o

(ui mi miij\\ kw. zva. (Ui chi \\ din (hj) \\ en iij un —

O ci rgt; oO^

(Nii (Ui nrn orj ^njj\\ zva. (ilt;ii lun hj) mh (ui fói rn (injj

en (kd (en (uy ici (W/js

o o O -ofquot;)

lt;ui } mijj^ kw. ; iU) m^ rfy (hnjj of (Ui err^ eni anjj\\ zva. (ui

Cquot;) / ^ O v

cn^crncmji {vrg. (Ejicrii cniq).


-ocr page 714-

630

r 1 i i

n .

ui nrri \\

(utorn\\ kw. zva. ui\\ nsn tojuj,

ihiyw kn. drauibüitel. njtcm^rjj ^\\ naam van een Katoische zangwijze.

£lirtj kw. n/i famp;twji {v \'g. \\).

oTjj \\ fï.-/ tia iE/1 ~jj rx^ aojj of (ki irri w

.ü).i7r»\\kw. zva. rtrn lt;1/1^ {vrg, (itw/itwn).

O .O

zie 53.

wxwiH^/js Ar. kn. naam van een gebed, zooals om

een spook te doen verdwijnen.

!Ut{arr^\\ kw. 1. zva. (Ki :r.i nw/j en uti iyw 3. ceu boom

die in vollen bloei stunt. G.

•ui tpjj \\ kn. 7im. van een («lik, log?) beest in de Mé-

naq\'ï vrg. W. 11, 158.

o a Cquot;) o o

uiitrr^s kw. zva. rv^ u)q \\ nntiytiuns n^iy rn/i en 7 »

linw

8) nn hh ^}ji gt; oude benaming van het le est eek en Pcng kal, als ook van de Pasangan \\V a in een woord als (hjj\'tis (vrg. ulim iui uïI lyiam \\ eign. van den jongeren broeder en opvolger van Dasd-moeka {Skr. 11\' Ibis ana, eig. vreeslijk, verschrikkelijk).

ui r.n ifJi\\ kw. zva. rjui iniji\\ un u ^ cni j .t\'/i ü/i^\\ ^ km\\ \'f-j rujj\\ nj i\\ en {Skr. wib-awa,

bezittingen, rijkdom; bovennatuurlijke magt). unm tji\\ en jsn nim ni\\ of uix ii ui lt;F^ iai\\ kn. in rijkdom, hoogheid en overvloed leven. — i.nuiam uiw,p zva. mi tyj ini.Hip het genot van een leven in rijkdom en hoogheid.

uiiinii$jj\\ kw. zva. aJ ^iia\\ (Skr. wïb\'adj\'ya t ga-deeld hebbende; wib\'ddjyat deelbaar Vrg. unm

rgt; os ci ....

7.v trn or)n kw. zva. tann^j \\ en ^a^ri miiji (h/cr. wi-

b\'aga, scheiding; deel).

o ^ / \'tv ^

ui up \\ kw. zva. ui (ia \\ (vrg. ukijis). mi ui op ^ zva. ui un \\ of — un ui ap uij^ m/j\\ verbergen,

geheim honden. G.

u)\\ 1. grondvorm van ui ui \\ i)i ui \\ ikiuis mi iói \\ en cun ui un ui \\\\ — 2. verk. van wi ui \\ of un ui ityrt iji \\ — 3. ui\\ of tijhui\\kn. , kaak, kaakbeen ,

iufu\\ de kaken, de wang. — 4. ui\\ of (ui^uiskn. munt, muntstuk; geld; en benaming van een hoeveelheid van tien duiten , dubbeltje in koper; vrg. Lh ap iuijj\\ (urj^ui \'tl ru\\ breede kaken, f\'i (ofiunui) ifKKji/jy goudgeld, goudstuk. UI Vj IKV lt;gt; (o/ih/inp myj) en uiiQwi un\\ zilvergeld; en zilveren dubbeltje.

en (KI

ui mn r.ri \\ ui üii (f. i lt;m \\ en ui ojiiuji q \\ kopergeld, o

(TV

uti iuii i-jji v papieren geld, muntbillet. n^ui ^ooi mi üi v) een dubbeltje koper, rj^nuis twee wang, (dubbeltjes koper), asn vSui \\ de riem aan liet hoofd, stel van een paard, die onder den hals door vast-gegespt wordt. — (üryuis ieder (of elk) een wang, — (unui i i iinji\\ bij wangs, een wang het stuk

rj ui \\ kw. zva. m m ui vz w

ij ui2 \\ of nyj u)z \\ n., (isnavi \\ of (tyjjs k., mcnscli, persoon; lieden, lui, volk; iemand; men, de meu-schen; ook voor den infinitief als iuhstant\'uf^ un ij m t i},l^ij1 llü \'W i\'iri ui\\ het is moeijelijk om va-der te zijn; of 0Miinasrilt;r£iu\\ BP. II. 74; zuoovi een bedrijf, werkza amheid, enz. aan te duiden: rj ui?luuuur^\\ het koeli zijn, het koeli-bedrij 1\'. /ƒ ri t (ui /ui nrj un ? ui \\ het kofiieplanten, en: als vocatief mensch! voor immers, trouwens!(tr;. n un/jy ij un ii iup een inan. ij uid ui ij oen vrouw, tj üi2un rj uj z uij^ of ij uui/n een jong mensch {in tegenstelling van ijw ui^ri ). vj ui2(i.i(ifj unji\\ iemand van dc familie. rj ui 2 (i3 n?i un/j \\ het geringe volk, iemand van het geringe volk, in tegenstelling van de hoofdtn. vj ui 2 mi rj ui \\ een aanzienlijke, tj i\'i2 rj(in(hJi\\ (lorpi-bewoner, landman, vjunrjuis de persoon, de man of de vrouw, rjunrjuns het volk, de mcnsdieo in het algemeen; poet. zva. tj uiz y uw* uirj hji ijiv nu uilt;rjui2vjui2\\ fig. met of zonder bijgevoel un rj ui ui tj uj \\ onder toezigt, bescherming zijuvao de goden, Tj. PJ. — ij ui ? ii/i \\ uhuiiPis ergw menscheu voorstellen of geven, bv. voor een mi bevolken, bv. van een vroeger verlaten desa. wquot;| waar menscheu voor

ItHIJjs

(uyis

nojj

un un tui 17)

gesteld of aangewezen zijn. (unorjun tn nnjj zva. w

van een beest den aard hebben vaneen

mensch, alsof er eens menschel geest in gevareo is; van een mensch, bezield door een goedeo( kwade geest, 0 ij ut ,is/i (uijj door een kwaden gefit bezield; umujjjrvi-n0 als bezeten, zoo erg wijl. maar ook onwijs, kn. n ui unvj iïu i~i iw/j\\ spr.voü\' op iets smalen , maar er toch van houden cu gf-bruik maken, ook van iemand die smaalt op he\' dienstbaar zijn, maar toch weer gaat dienen. quot;■ G R. — rj ui 2 rj i *i 2 ui (uiji \\ (ini (tii (lui ui anjj \\ iennudl persoon, zooals zijn gestalte en uiterlijk, signa\'6*


-ocr page 715-

631

ment ook wat dc gedaante heelt van een nienseh, pop, ecu beeld, Men. — lurjujnw kn. alleen in zamenstelling als luyvn rjTimJi {of \'/quot;quot; rni ) iemands volgelingen, gevolg; iui y ót i m e?i lugt;1 vii\'mhj vriend, vrienden; vrienden zyn; vriendschap; {of aJijoyrrfikujj)

bloedverwanten, familie en vrienden. — ij ói2\\ ecu iU ij v) i ci (KJ j ( m ani xvjj) nemen. m rj ld t ,7.;

iemand zich tot vriend maken, tot vriend

uaunemen. — ajiy im.m(tnp kn. het vrouwelijk (lieustdoende personeel, vrouwelijke bediende, aan het hof, en bij prinsen of groot bn; ook als mooijer woord voor nrj«un imji \\ — iu 1 ƒ ói i xn vj n n \\ tot pawongan maken. 15. —mi tj nt n alspawongan dienen of gaan dienen.

v} l?i\\kn. welriekend, geurig {vrg. n/n e7i ijnrm ihi\\). uiuiét\\ iets welriekends; welriekende, geurige dingen; ook ki. van m a.! ril j \\ hoog er dan }ni hti u j \\ naam van iemand als van een geliefd persoon {Iloogd. werther Name). ^ r itn/n\\ ajinjimh

M jn mi (is» itJi ui 17) n schoone! lioe is ie lieve O co

naam? {vrg. bij ^ii^hnij). (tji rj w (hijj \\ welriekend (van wat welriekend gemaakt is) ; en doosje of lleschje voor reukwerk, ^ ^»2 Mjicmvelrie-kcntlc, met wierook; muskus en andere geuren bereide, Javaausche cigaron \' 1 ci\\ ook wel (i nrj\'\\Kü. het open ziju u( openstaan,

zooals van een deur) venster, kast, stal, enz. {vrg.

o. .

ir.njjs iti.i nu a:r^ilt;})im ij en ryvn\\). —

m.in\\ open ziju, openstaan, open gaan; open. fig.

ook zva. iUi\'is van de geest, verlicht, opgcheMerd

K. 7, 143. — ■j i\\cj \\ of vn uj \\ iemand open

doen of maken. — ifjivn }ni ihioi \\ of -//»

\'/w\\ iets opendoen 0/ maken, openen; voor een

ander iets openen of opendoen. — X?m au/j of 1»

O . w

V)tnihojj opening.

ui i7i\\ of (81 in\\N., iu)n,pK., nacht {die bij de Javanen begint als het na zonsondergang donker wordt); etmaal {van een nacht met den volgenden dag); nacht. (i.i\\ (in {rm w \\ bij naehtt(jd. aJibliris of ij) jt]\\ een nacht. wQws of M ifn:ul\\ deheele ^naeht. iufori,Q(ét {of .i7rti?t\\) zeven nachten {of, zoo als wij zeggen, zeven dagen). *) ojij tv) (éi of vm w) van nacht, t-i rtimdrm x?i\\ aanstaande nacht, van avond na zonsondergang, oijen het is al nacht; het is al laat {bv. om negen uur), iiwib} !i7i\\ uf itti ajir.r) éi \\ laat in de nacht; ook min of meer nacht, vroeger of later iu den nacht. — nhi

n p 00 n

1:1 ij (171 anjj Oj ihti .irni^nziihi j en ;KH(ialt;rjiru2(Hyj\\ door de nacht overvallen; te laat (doordat het naclit

geworden is).

ct o o o - o r»

(UI (Cl \\ KW.; (El 101 (UI \\ 01(171 (VI (CIS 0/ (H/l VI .171 (UI iCI \\

poet. zva. 1 (Ui ^ é] of d/v^ (ij) mn (ui \\\\ Zoo

. o o O o

zegt men: kik ti/ri ii7r)\\ (Ui 11 ui t:i m 01 c?

cï(c7\\KN. gister {vrg. étiii woruf). viici vAi ui\\n., hn

o o . . • , r» o o rgt;

ju vi ui\\ op gister, gisteren, vic?dji i.i\\ zva. ri

iUïjiuixjn\\ vroeger; voorheen, lih. kji(VijPi

uju^ anjjs cergister; ook den vorigen dag, een dag

vroeger, vl ui uj ij hjs uia?i viéi] ijihj \\ vodreergister

W VV., volg. Rh. vi éi gt;j i j of vi ui ig ijuj (U ij uj j w

— vi ui ly gt;J hj eergister of vodreergister.

OCIN Of Ij (VI i Cd \\ KW. ZVa. (UtliUVb \\1J (VIUUI ^lthll \\

kn. naam van een bloem, tuvid ui vi \'fi\\ zva. uiuri i co

o

\'ij(vi2nitui- uw \\ij vig ui^(Uiquot;^(I\'^JIn »va. ij i;?\'») 11 n \'t i - ij u ijji \\ — ij vi t^.i ij a i z (ui \\ hal t\' gedecolleteerd, van de boezem van een vrouw.

ujj^ ujj\\ ]. kn. paarsch; en naam van een wilden boom Lagerstroemia reginae, Rxb. Nat. fam. der Lythra-rieae, met fraaije paarse he troshloemen, die een goed timmerhout oplevert. 2. KI. van (vgt;iuui\\ en

C quot;) „r (?) (O O

van tui ij ii i /y»,^ Irangs.ihii irs .t i gt;1^ (»»gt; ^

dyw — \'Ffi\'hs cn cl \'ix K1\' van \' quot; r,jj \',n — cquot;) o

\'*1 l€i/N hquot;1 ïi\'l\'s *1 1\'JN *(^\',J117\'quot; v

... O

en n y ij ui i (ifijj v k 1., zie bij ud 1 1 w ij vi 1 ui \\ zie (Vji ui n\\

viuiihi/j\\ kn. sloot, kanaal, waterleiding {vrg. kii ij

(ij dij) (Hiji en (iJia-inivm/j).

ui uuif)jj\\ kn. een bepaalde grens ; een bepaalde tijd of termijn, waar binnen iets blijven of geschieden moet. vi vi tui in/j \\ een bepaling van zulk een grens of termijn, R — (ti ui uj\\ een bepaalde tijd of termijn stellen voor. — l i i n}j juj de bepaalde tyd. itiian -10 onbegrensd, onbeperkt, eindeloos.

(Vi ujj imjjs KW. zva. uiiu^.yi^ an »ƒ \'i\\ ij om ?(ui rj

o y o»

Ij T) Ktl\\ .*57» UI \\ (IJ) .UJ \\\\ - llt; II (\\Jt^ U UJ 1 \'11 dOjl

onder dak, Rs. zie (virj uitdn/j\\ kn. fatsoen; vorm die aan iets gegeven wordt; ook natuurlijke vorm, Tj, Jlg. gesteldheid van het hart. m naar

luri schijnt, {vrg. utuu^injj enajin^).— (LKu^tuijjs iets fatsoeneren; formeren, stichten, aanleggen {bv.


-ocr page 716-

njt ij vn2 oajis

Qv

(L)i(Hn\\

032

een plek grond tot een tuin); verhouweu, vernieuwen, opknappen {vrg. mnpjas) iïj\\). fig. in den toestand, de gesteldheid zijn van; bv, (f*n^jon(ivi(in\\ in bezorgdheid, in moeyelijkheid zijn.

in een gelukkigen staat zijn. (amp;) w iamp;i een huis bouwen o/opknappen, li r.j. m £r oorlog gaan maken of voeren, (tin7^^niiji\\ een tap?i-leven beginnen, leiden, (ii :in :i/i\\ niet de verbeelding scheppen, zieli voorstellen, ^ kj h liijain tip)\\ ionneelde regering aanvaarden. (Ai)ji S. 123,

O \\ 1gt; ^

«5. v. o.). Jv. (ui i;ni ly r i (m -jd m n?^ an n) tj an t rj \\ een regeringaanvaarding met geheele vernieuwing van liet hof en het bestuur, 1b. 125. li. iei op \'ti \\ naam van een corps lake ij en, wapendragers van den Vorst, iei thn naam van een corps

pradjoerits van den Vorst.—^ inbouwen, — Li if-) /iri lt;i/inliet fatsoeneren, enz.aji \'t? vj wj(Wfan \\ de seheppende verbeelding, de fantasie. —iu} fuf uj onjj of i:) ut iTjjhj *0^ gefatsoeneerd, verbouwd, opgeknapt; de bouw o/bouwtrant vati een huis\\ iemands gestalte, bouw, leest, postuur, ik /si iuj (hnjj een tijd, waarin de zaken een geheel nieuwe gedaante verkrijgen, een revolutie.

(Ui rj vn 2 (htjjs kw. zva. rjojm lij w kn. naam van een heestergewas gt; waarvan de bladen als groente gegeten worden, en van welks hout volg. CP. wajangpoppen gemaakt wordengt; Moschosma polystaehinm Bentli. Nat. f am. der LabiataeP ^ m

(ui/j\\ (of (Ui rj(ciiiUj iHi/i) kn. met een dak besehut, onder dak. w a/t^xm mi uit m ij tin ?. (fff\\ onder mijn dak komen of schuilen.

ci i7i\\ of Qr^\\ en Li irp KN. stank; vuile, vieze

lucht; stinken, zooals hv. een tijger in een hok,

f O / CV o « /-

[vrg. thgt;]ii:n\\ i~ri in \\ en vn i^ Hijy). — un a

ontdekt, ontdekt worden {vrg. rjmniïj

■) / . x;

t;»iKJi \\ Zie (VI ITjj w

ijl ij mi \\ poet. kn. { i)i hnjji \\ en rii nu id \\ kw.) zva.

O * on o .

t n ij mi \\ (cncLmnf}\\ en tez m \\ (i-gt;ii ri t ui yy nti \\

kn. een ongelukkige dag volgens de woekoe in een

O

iljl\'n hll IVI (HT/j n

kn. de rand om iets heen, waardoor het omvat en zamengehoudeu wordt, bo. de rand vaneen vat, maat of mand, omtrek, cirkel , hoepel, (vrg. •f nj (i3iu(hi/j); fig. beheerder, bestuurder van een land, bevelhebber van troepen. kiinj\\ omvat, ten; fig. beheerschen, onder zijn magt en beheer hebben, en zoo wordt genoemd het beheer vaneen Vorst over een land, van een bevelhebber over zijn troepen, van een man over zijn vrouw en kinderen (org. iu hip bij en (ki iai ti-i ])-, enz. ookm\\

beheerschen, langmoedig zijn jegens iemand, zva. iTi (Ljj \'n\\\\ \\ (u n y i .i ij Ti (ci asri^ godsdicustinstelÜn. gen beheeren, stichter van een godsdienst zijn, ii\'l ij dni ? uj \\ iets van een rand er omheen voorzien; over iets het beheer hebben of voeren, tV/j beheerschen. — (u i^i.i^ het beheerschen, beheer,

bestuur; zelfbeheersching, lankmoedigheid (zva. u

* (P) r (Pi

(Lï (i yri\\). — dJi rj (ilt;n 2 hij of gt;U) (Ui rj unt .injjs ou-

derhoorige omtrek, bv. om een huis heen; onder.

hoorigheid, gebied, de kreits van iemands beheer,

vooral van een Demang (vrg. r.n ,ui^ s). vj n i ijhiii

an f\'/1 \'i ij \'Hii f hJ ij mi 2 ifji $ \\ het bestnnr van al Je

huishoudelyke zaken, WK.

■uÏHn\\K}i. scherf van aardewerk, potscherf, ook nm.

van een gebak, Rh. (vrg. ij .ui\\ en riiiu\\)

(tinn\\ stijfhoofdig, hardnekkig; ook geil.

vvnlpsch van een vrouw.

lUi mi j \\ kw. zva. i ri.ur^w

iuii$n\\ kn. een draagstok met twee voetstukken bamboe, Rh.

KN ^lom\' 8e^0ëen j vyn ichaamsgefttallf.

uj} hu Ja.asn (ür^(ui\\ krom en gebocheld.

. n O O • 0

uuiniiinjis kn. zva. uiasri i-jjj en ui hHihnjj^ —itnn

n O o

tUI \\ ZVa. (f.) UW (K\'1 _;y*\\\\

ui rj Hii 2 (ixyi \\ zva. ui rj nn i iisnjj \\

(ui rj hu2ihrij)\\ kn. onwillig, stijfhoofdig, halstarrig (vrg. unm iiMj). it i vj hu 2 yij \\ tegen iemand ziel stijfhoofdig of halstarrig betoomn, zich verzetten. (ui (hti (Kyi\\ kn. — (èi hÏi i^ijj\\ iets dat hol is overtrekken bv. een trom met leer, (Tj.).

iuï hfri i^j\\ kw, zva. tJi(iu(HVji en ui H7iw kn. opgestroopt, opgevouwen, opgenomen, G. (vrg iSvi^ en kv riii .iWj-j). t9ji ini ilt;ijj\\ opstropen, opneineo, opschorten; ook wel optrekken van de lippen\' Men.

nj^in^ i i/j^ kn. iets, zooals een blad of stuk papWi daar iets ingewikkeld wordt; (ingewikkeld; een bundel. G. Vrg. xii^Hii hi^ii^(vr^ /nhup ^ hersenvlies. — inwikkelen; inp8^\'


-ocr page 717-

a Jt wi U) \\

633

ken, iot een buudel maken {vrg. l\',, quot;JJ/)- f j üjjnji^p liet eeu of ander inwikkelen. —

^(in^s in /wi eon of ander gewikkeld, een ingewikkeld bundeltje.

■) . O

iihnas kw. zva. huwyajp cn t.irn^njjw kn. zva.

eeu kring om de maau. — lu im t i^ gelijk een nQi H^tv^w iihii n ijj kn. weerspannig, weerbarstig {vrg. r» rj». n i

. ) v . rt A .

.bii/] en (v)inv ujji). n.i h u ui./ \\ weerspannig zijn tegen; stuiten tegen, verhinderen, beletten. (}.,

{vrg. iCnoi ru/j).

. O • gt;

rihiiaiijp me tKni rujf^

nhuiiUyin kn. een kleine seliolYel, aaar men onkruid mee weg spit of Chiuesche k (dj any uit den lt;jroud haalt {org. tvrrvni^p 3.); volg. te M. ook een troffel. — iun?i tu\\ met een wangkil onkruid weg-spitten of iets uitspitten.

ny itiii it kn.een sehoffel gx*ooter dan \'rii un n^/j SG. iym nhp KN. een platte slijpsteen {erg. ^inynis en ij liII2 ij t l l\') .Hljj). • itjilfH mjjj of tl lt;ILI/J\\ op con platten steen slijpen of aanzetten, met puimsteen sell n ren.

kn. zva. v heel, in zijn geheel,

ongeschonden, etiz.; ook geheel, niet gedeeld, van een getal. — ^ (nji/j\\ met iets zich geheel bezighouden (ver/c. van .isi^^ nt^ ttijj 11.). — ^1\'*/ *vaquot;

nhtitü\\ kn, hard, stijf. (injjji?ii0\\ hen. van verharde excrementen van de waWs, behoor ende tot de I it (t /Ilt;ij)n\') van den vorst. u\'t hu tCi\\ liard zijn, als oji(fat tu\\ fig. stijfhoofdig. Men. quot;N \' \'ttoi(Lit \\ k\\\\., zie ui 11 uti \\\\

vi igt;lj\\ kn. 7i a am van een soort van Chinesche jonk. \'Vihiï\\ kn. dun van middellijf {vrg. n/n at]Kn.p ttjoit Wfl), rugbaud van rotan of leder, Kr. — f\'i iftï \\ ki. van ifniMiiru(hiyj\\ iets, zooals een kris, om Jen middel, op zijde of in den gordel, dragen.— •ÜihÏivi(htjis 1. kn. de middel, het middollijf. 2. KI., zie Sat\'rij^iji\\

\'-quot;j\'Hiii\\ 1. kn. liet achterste ouder de ^utt z q in2 unjj hut kruis {vrg. ij-rn tj nms). 2. ki. van vjv.ttd 0f zva. tj tui 2 rj(ijt t w i-iuii\\ kn. van elkander getrokken, o/gebogen j het van elkaar wijken, hv.van twee zaamgevoegde voor\' werpen {vrg. rmarrt^. — cm uh \\ iets, zooals een gesloten vuist of een passer, opentrekken, open-buigen, met kracht van elkander trekken; intr. van elkaar wijken. — lt;iUm \'ti \\ naam van twee poorten ten oosten en ten westen van de pa-

gtèlaran.

Q« . a

gt;vij,ti\\k., zie (üi^-ttw

ui i?ithirp 1. kn. 1. buitengewoon, wat men niet veel aantreft. 2. indrukwekkend, ontzag- of eerbiedwekkend , bv. van iemands gelaat en voorkomen of een plaats, van de slem, of iems woorden, 15. {vrg. iiPi uiihti/j en inniibii/j)-, ook niet i\'aniieljaar te naderen. 3. ~va. * quot; stil; zedig. 4. zva. iL?i,Silt;hnjj

11 .00

—- li. KW. zva. lt;111 I gt; en iiijj i,tiv, ,1 tt tj m t\'1 1 1 ibji/j

/i ) c\\ 00

zva. ij i j v / hu 1 oj ui if. 1 ii,ii/j\\ — 11 i 1 aji imj (in/j\\

eerbiedwaardigheid. — ui./ / »!7 ö/mn wat indruk

verwekt, Waj. Pr.

it\'i ki\\ Kw. zva. Ij 112 h 1 \\\\

tj 112 ki \\ 1. kw. zva. tj ivj» 2 ki n en i i uj ».njjs — 2. kn. familie, maagscliap, bloedverwantsehap {Skr.

w a n g sja). kii n.i ij 112 ki \\ zie bij .k ti tiiw

) ■» ^ ^ •. c.1 o ,

nr.t.Kiq of .1 :ti .ut t t ij \\ poets 1.1 i\'i .1:1 1 yj\\ KN. boos,

boos zijn, boosheid toonen door zijn gelaat of door zijn spreken {vrg. wn^).

oji^i(i5ii^/i\\ kn. inlluistering, geheime mededeeling of lastgeving, ingeving, openbaring {vrg. iflii/n/i). — f\'i ki in\' het oor lluisterenj iemand itts in het oor iluisteren, in het geheim meedeelen, gelasten of waarschuwen. — ^»»5» ki]\\ mv% —n/t (t/tmastyjs iiiiluistering , geheime mcedeeling. — lt;01 ui »5) iiv»» iuiji\\ elkander influisteren.

ui Ki tu/js zva.-vta^iiu/js G. — ükki jliiHi/j\\kn. eeu soort van eharade of raadselspreuk in een versje, waarin op een raadselachtige wijze, voornamelijk door de laatste, of ook wel door de eerste, lettergreep van een woord op iets geduid wordt; terwijl dan in een tweede versje, ict uiir.njj genoemd, gezegd wordt wat er bedoeld wierd. ukki {of (Qhh \\) bloemwerk {vrg. uti h n r^ 1 1 wjj), G. ui(ijj (tviji\\ ook 1)11 oj) tu/j\\ 1. k., zie azn tu \\ en r.tt

O , 1 v r» .O D

/1 uintiji {vrg. (Ui(H i\\). z. kd., zie mirLi ilt;n^\\ — (Ui iUKKj tuij]\\ wat tot wederdienst, vergelding dient; vrg. PL. 11,24. ilu-lli {of (k/i^yiastt^.

een die terugkomt, of terug-

gebragt wordt, ternggezonden. /li tü /*»ikio-njj\\ antwoordbrief, — di(kjj tu^ kd,, zi bij .ui »i;io»^\\


-ocr page 718-

034

— iFjIiJJj liï\\ oo/c innjjoJ^s 1. K., zie bij tim ruw 2. kn. uutwoordeu j iemand autwoordeu j beuntwoor-deu; beautwoordeu aan; iets vergelden {vnj. iamp;i l^ (m/j)} verantwoorden. — ti^ rri un \\ of(ci

quot; l \'n \'l hgt;\'N v®rgclden. n^tm jnjp k. , zie

o O . /.

öi; — hu (tJinj^(ruji oj J.ij uiojj truj\\ en

j .. a

iU)iKiinjjjv zie bij (uim(trnjj— (uta^jtriJ 1. k.. zie bij vtutuw kn. met een Inds, zie ihniru,ni(hjjiru/i bij mnju — 2. kd. van lt;otru.ingt; CL\'nil Jj ,u-\'n() ^1}^Jl — tUiUj)0 brief tot antwoord. Men. (thD ^rrion j of ti/najj Myj\\ kn. antwoord; verantwoording op een besoliuldiginy, repliek, runru~jhikj)d^ijn^jiets tot antwoord, eenig antwoord.

Clv O J,

u i. i rvi iinjj v KI.

\' /• •1 ^ 0f \'

. j ili\'h}! , /gt;

7 zie t i .riw

iU}{amp;i}njl\\ kn. zva.

ihur^ins {vry. (lyTip, in benauwdheid, in verlegenheid; angstig, bevreesd; volt/. \\W\\. zva. on n

•DtK/IJlS

(óhv)\\ 1. zie \'U)tuiw — 2. kn. er tegen opzien , huiverig, aarzelend, twijfelmoedig. — S. kw. zva. ^ tiu\\ of yuw \\ (isïi rij ó)\\ onversaagd, er niet tegen opzien. — lêttór zie bij ut ó)w iL)ïjjtsKN\' afwijken, niet overeenkomen, niet in evenredigheid zijn, niet in verhouding staan, niet za-menvoegen o/ passen; oo/c niet vast, waggelend

, O . Cl

van gang {vrg. u.hm~i\\ v-\'iuiq\\ gt;ƒ an rj i en hï^iiSIrjx/)idrtiajt(V)\\ wel overeenkomen, wel zamenpassend.

amp;.Ö»nkn zva. zwak of teer van gestel.

djjju)\\ of vj im vis kn. iets dat van binnen hol en zonder bodem is, een holle bamboe of koker zonder bodem, j^\\ een pijp van aij/n^w

\'ic Tr

ij ui rj lt;tj) \\ zva. ui ui \\ in m n igt; rj urtj uis zie hij (ijj

nvi j w if ui d ui \\ zie itijjUiw

irj .ui t rj ui i\\ en 7juiirj uniai(mjj\\ zie bij rjunw

(tvi\\ kn. nm. van een wilden boom, met lange breede peulvruchten\', de bast dient tot medicijn, (Tj.) Rh. ook zva. u^ t?.i\\ — Uf rj Kijj v. gt; n Iiout gemaakt. Men.

(Of ,.Y1*«™/)),

zie bij iJèiw ili\\ 1. kw. zva. (Eiiriihj^ \\ kn. een uitt\'oep zva. y nn\\ -- 2. k. verkorting van tot antwoord, ah

iemand geroepen wordt,

iu\\ kw. zva. ijïïiu\\ arntul\\ verkorting van .Üni ij n i\\ verkorting van \'juu tj ii i\\ vooral als vocaliej. tj u ié\\ kn. I. een uitroep: wel hè! als men van telt vreemd ophoort of opziet, vooral wanneer de indruk niet aangenaam is {vrg. ru \\ 1. en vi ook zva. zie! in noujauds en Mutj (Ujitj ilii\\ oj

O / • / •• T \\ lT O fy

1,11 If tuis {Zie bij liH\\ 1.). (HllHV IfdVIliKII ilSlllkn\\

gt; Md. zie hier papier!

II. riiii it\\ of (Lmnf ïli2\\ naam van een groot»

boom en de vrucht et van, een soort van vijgeboom; n

vrg. ui ru in w

X

n i j \\ kw. zva. mi rus »01 rf(Ki2\\ kn. m

uitroep van verrassing, als men iets onverwadi ziet of hoort, of als iemand iets plotseling in At gedachten komt: kijk! wel! wel nu! mi^uim welnu, goed! — iiifiu) .iu % \\ een uitroep van verrassing: ha! ha, ha! wat drommei! {waarsch.pom rvi% iisn ri^i *\\). urn nu{ to ruq \\ wel wat droninicl! (zie lij (inw), ook wel ongeveer zva. fcrm wel! wel nu! bv. wat zegt gij daarop, 15. T. Dj. 316, en zva. xm ^ klagend, of smeek end, Rö. W. 11.235, {ook (tmruj). ach! Rh.

tu j ^ of (Sn ru q \\ kn. verandering van plaats, verplaatsing, verzetting. {(un.7u^\\ verandering, bv.iniemaé verklaringen; verandering van woning, verhuizing. WW. G.). — £iru^\\ iets verplaatsen, verzetten, verleggen; iemand zooals een verplaat

sen ; een naam veranderen {een ander zie ben]-iui tu{\\ veranderen van plaats, naam {of verkk ring WW.); verhuizen (.urrtri j \\ ki.) ; verscliicteD, van een ster. xn rtu^ rfnjnt rEi^\\ metter woou verhuizen. (ei ru ^ (iTi \'Tu % \\ aanhoudend van plaats veranderen ; zich nu eens hier, dan eens daar plaa-

0

sen; telkens van iets veranderen, ifdiu rhifiM\'11?

o 0

Jicon en weer trekken met verhuizen. — i\'i quot; \'{M1


-ocr page 719-

•TLI Ij IÏ.//I \\

635

gn Siru?tL/n\\Viii., /ufrtn KI,, e gcns naar lot\'

C\\)

verhuizen, een andere woning: gaan betrekkeu. — itlnyi { (lw ii nn \\ iets, m iemand iets, laten verplaatsen , verzetten of verleggeu; voor iemand iets verplaatsen, v) rvi jtunnrtihii\\ iemand naar een andere plaats laten verhuizen, naar elders overplaat-seu. — cLjt£}rSi^\\ het verplaatsen. — (u iiniru{\\ het verhuizen, verhuizing. — van

schouder verwisselen, bij het dragen {tSnn^ njj}) 5 van zijde verwisselen, op de andere zijde gaan lig-

O O O O

gen. vtiint ftim tuia^n j ivimu^ojn(ht/j\\

met zijn velen verhuizen. — un riï j zie hoven -, itihiir ituoMMijj en tult;ru^ zie beneden. n^\\ of tijj j\\kn., uitKf kl, traan, tranen (vrg. n ruifw Skr. to dsj p a en w d spa), /m iui ru Jn quot;l|? i0/ tranen storten.

n ui {\\ 1. N., verft. va?i rjti/m rj juq\\(zie ya/mirj n ij\\). 2. kn. een uitroep, zva. (kh n (rui j w — 3. KW. zva. vlniw rj it/i q \\ zie heneden.

of (unrjrudqs I. kn. vruchtbaar, van grond,

door genoegzaam water {vrg. tui j \\ nu w % \\ en nu^ j\\).

n n . n o o

ij thu { uk inj iu) \\ zie uj lt;01 \\\\ \\ tuil ui rj kjj 2 ^ \\ zva.

t/h(Uiiini^[Hjjis visch in het algemeen, {meer hep. rivier-

visch en (uii (Utnai ^ om rn zeevisch, Rh.) in tegen-

stelling van vleesch (iw cni\\). — tb]ij n u ^nm ij kii \\

grond vruchtbaar maken {door hemesiing).

II. ïjruiif vjiruniHv/j of ni^tun/j\\ Ar. ,

lau/i, tafel, rjn.iz^ mi rui ^t/j \\ Ar. ^j\\ , en

of r^n n in)y ihi)^n Ar.

de tafel van liet noodlot.

amp;

mm\\ kn. 1. ledig, zonder vrucht, met ledige handen ; voor niet, zonder nut, vergeefs {vrg. .0 ru 171 \\ 2., ag^rjnmqs ^(yy)frrn\\ en iisn (hi-^icni rj 2. dun gesneden bamboe tot lijn hekwerk zamengc-bouden, om er afsluitingen {(um.jji\\ of mij) in zee of in een rivier van te maken, om er viscli in te vangen {vrg. (fjlnja^s). — (majn\\ of ziun vruchteloos, nutteloos zijn, tot niets leiden. — iwixyn (m/js irui ruiuii (Hijj of a^ix t(Uti trnjis onnut, mets beduidend, bv. onnutte woorden £gt;ƒ praat(m* ander trut n ui tun anjj zie bij 1 u ru f\\). m tun vfj.w/j 0f ^.vuKun^anj^s voor niet, voor niets, gratis. wiuns mi(Tt)a/n \\ oj a^ii icu?i\\ kn. lelijke oude ge-

^oente; malle aangewende kuur {vrg. IL)I Ufl) \\ 3.,

Ofgt;

^Waporijjq en rjiejUuis).

itLHj nm \\ kn. uitroep, zva. un gt; \\ och! och Heer!

un

rwdm anjjs kw. ml. zva. tLux.ii anjjs ijtM r^iK n en ij i:ri an \\\\

o

7Li(rj(un WjP sva. trmun (mjj\\

y n X x

/nyilt;i/gt;?\\KN. zva. irutiy vrg. gt;cini,vn\\ (uj.(Ei qhuia/ii\\

zva. iu^gjI % ui.klc^s losse bouwgrond {eig. lava-

li umus).

7Li(un\\ kn. 1. uitwendig; wat uitwendig te zien is; openbaar, geopenbaard, aan liet licht of voor den dag gekomen {//et tegenovergestelde van (um mi o^ij)-2. kn. , (imflTWN Ki., geboren j geboren wox\'den; geboorte {Ar. jamp;[)o, dId/rir). (HJt\'-riiHi(tu(iLm\\ voor den schijn, in schijn; in het openbaar. irui(un(^ii (tiri(H^ij\\ uiterlijk en innerlijk; niet alleen voor het uitwendige, maar ook met het hart; iemands ge-heele en onverholene gezindheid. — ojii \\ van iets of iemand voor het uiterlijke o/voor den schijn zijn werk maken; iemand voor den schijn dienen of het met hem eens zijn, AVR. (tai(tutim\\ aan het licht komen, openbaar worden; geuit, uitgebracht, van wat men in zijn binnenste heeft, uitgesproken; zich uiten {vrg. (tnitu)asr^\\). — aruuiun ij,hti\\ openbaar maken , openbaren; voor den dag, te voorschijn, brengen; iets uitspreken. — nt iIviiti lt;hi/j\\ zva. ti» ijtontoriji^ geboortig. — aoi niiun nionjjs 1. uiterlijkheid / het uitwendige, schijn, voor het uiterlijk, W. IJ, 380, ook wat uitgesproken is; met woorden, L. 134. 2., /3 y lt;lm z (m ^ cHyj\\ k 1., geboorte, geboorteplaats, geboortedag; zie lt;biiw

n,

(n,^ (ur^ \\ kn. 1. zie ij uui 2 rj (un 2 w — 2. (ru^.ujp ook

/ /\' ... /

(L/gt;^\\ en iruji \\ poet. zva. a.^dj^w 171 proza (rx^d/r^s

fig. hoog, verheven, groot, aanzienlijk, van adel, adellijk, edel. ija-\'ma^un^n/tp van edel geslacht. njpjj tuiajiiiru£ixjij\\ God de Allerhoogste. (un foi(ny \\ met opgeheven hand, milddadig, G. Shxnon^ojr^s in de hoogte. — nu^nx^cutp of ujiru^cutp tvooï-ouders. — iru^uia^ zich als een hoog aanzienlijk persoon voordoen. — iirr^tf i(ru^ayt^nu^nj^ hoog aanzienlijk willen schijnen, ^ \\ verk. van \'n^ u^(iJr^\\ in? 7j rui orh^ (E^ \\ benaming van een soort van koetskar (orjr^dTjm) van vorsten, prinsenen prinsessen. N overtreffen, uitmunten {vrg. (u^m^ ri^is

n rt . / o o . , , \'

ett % am ). \'^1\'^quot;r\' \'lJl 11 af1 quot;1 iemand door zijn superioriteit met zijn woorden en redenen tot


-ocr page 720-

/

tj iU2\'r^(uni\\

zwijgen brengen (iniiri^iUt^niin/j\\ pass. zva. hh

iL?i(rrii{cunanjj\\ en iemands hoogheid, verhevenheid,

grootheid, hoog aanzien, eer, luister; roem. —

rl\'hgt;ls iemand of iets vevhoogen, vergroo-

ten, boven anderen verheffen; loven , roemen;

iemand eeren.

YlUirjajms of fri^aMp Ar., dloehr, de tijd

van het gebed in den voor-namiddag,

iuajij (Lmji \\ 1. Ml. Tr. kn. zva. ?orn gt;» n of (Li lt;m

anjs — 2. kn. schofttijd, schoften, van werkvolk.

— 3. zva. im f tihhs maar steeds doorgaan of voort-co D

gaan, zonder ergens te toeven (w^r. u-iinsn/i), II. .li Mi (uy iw/i^ luid, aanhoudend, gerekt, slepend van een geluid, van een geroep, PJ.— r.i .unmn^ lang wegblijven, bv. van een bode, iemand naar overzee verbannen. WW. #.»?wegblijven, niet terugkomen; maar steeds doorgaan of voortgaan ; door lang gebruik en onwillekeurig, zoo ook hv. van een verbasterd woord, in stand blijven of gebleven. — (irKur^ihii iem. doen schoften,

van zijn werk doen rusten, maken dat iets lang wegblijft; een ob/eci, dat men meegenomen heeft zoek maken, menschen weg doen gaan, zva. un^ mn ti\'rj Mn \\\\ — iu iim (ifWKijj \\ zee, in tegenstelling van land rinsii/j)\', ter zee, over zee, {iti tegenstelling van (iJt\'n iigi injj); de zeeVvind (in tegenstelling van den landwind)\', ook zumeu schoften, schofttijd houden; ii thi0 een zeeman.

O O

7li (un ibnji \\ zie u i divi (biyj \\\\

0 i. 0 / ij ii iiivn isn\\ of ij iui(un (bii i€yiU\\ naam van de

strijdknods van Wr\'èkodara (Mr. to h ita-m o ekhi a,

rood van aangezigt).

trunytuniimvr jiOQ of iti.iq rj ii/ti ;vgt;ji iu ui \\ Ar. kn. uitdr.

voor een groot geluk.

ju.ui(}-jjj\\ kn. volg. llh. gebiologeerd v. e. jonge

rutjiumd^i/fs kn. naam van een medicinalen wortel,

galanga-wortel.

ru(un ii)jj (la ïp h of la ï p) of lu i(ujj\\ kn. zwak, door gebrek aan vermogen; armoedig, armzalig; tijdelijk gebrek hebben aan iets; armoedigheid, armzaligheid {Jr. , oioJ) , zla\'ip/i, zwak. Vrg. (i:r^ .i^^\\ en .m iLr n (iiiijj). — n u/n aJi ^\'i kijj of int nri?iiij)J),}ajj\\ gebrek aan vermogen; tijdelijk gebrek; armoede, armoedige staat £gt;ƒomstandigheden.

030

avKiyytu/l

nriPt iL/i ^.i Mi/p bij gebrek, des noods, zva. r ^(Lfnanjis

/«.l/^kn. iuiijjj (u.1/ynjiji wettigt hetz. als nu.] (uyajijj iUn^/j Men.

iiy/i iLi {\\ kn. onverzadel ijk, gulzig; een onverzade, lijke begeerte hebben {Ar. toe ham, gulzig,

/* V

un en (ij)^(rti).

tli.t il \\ kw. en kn. zva. i jtj r)iui/j\\ volg. Kr. de ver-kookte legen, zoodra lt;lie geel en lijmig wordt.-kn. naam van een zoete met nmanjj bereiii pap.

(thi iL/ii \\ KW. zva. icj w 1)1$\\ KW. .

\'J

niLiuns zva. «iQ.\'/M

, vn

. t.. / (?) (F)

zie bij ld Kj w — i j i ii r-j. i\'11 \\ zva. ij

. , .. /

rLl\',ytjj kw. en k., zie bij mi i~j\\\\

lum j kn., maar gew. n., nmü m(hnji\\ hii nnu

iHijj en iij)(un\\K., met; en, en ook, ook {waancl

rr ^

verk. van iLhutihnjjs Vrg. (i.iasn\\ en

:iu o Ov o

ii i ui /.y ij nis N., mi iusgt;rjmi u iu j\\ Ken verder. Ki ij mt m ~m i irlt; j iJii i j W/p met dat gevolj dat li ij {of zij) sterft. 11. a ^ ^gt; n n i an ti iclt; j t/ï i| zoodat liij {of zij) sterft. U. rult;inun[i dojs en dat met hun wapens {zie IV.)

iui lci ru in iyt.mon m iu j\\ ontstaan door do ïïil •K d O ^

van God, (Adji Süka 250 K.), het gebeurt met ilea

wil van God. lui^o^i 2t vn tn \\ met (ü/in)oprent-

heid , JR. ni jn uiuj ijjs mei (in) toorn, JU. \'fiu\'f

ij (Hi tj \'in If / tw (uj j ii/ti Mijl \\ het niet naar zijl

(ü/\'haar) zin gaat. PL.

giHTjj\\K\\\\. zva. it,?; trip (t^mtJi^en .inui Mj\'

njf :,njj\\ verkorting van (i n n ^ :uijf of tuy inp

*1 ilkh^^kw. 1. zva. ru (LU nnj^s — 3. zva. n uojjil Cy

(IJl (UI) \\\\

rj vu 2 injj \\

zie i n ri n i2 in

irvians I. KW. zva. (bii niii ivijj\\ ■ ^ ?\\ .i iii ï^n DUimw \\ II I II2 n iu(}n\\ n., ijaim (ui(inw\\ K., niet bestendig, wispelturig, van het hart, liiiquot;iei hebben.

11. luuns gew. iun ian\\ of im.rvun\\ KI. Pquot;1

o cv / / ^ 1

lh iUi nihtji\\ van de éene plaats naar de aauert trekkende of reizende zijn {Skr. lal ana, vciniaal, tijdkorting. /• rg. xm lèlctm êt ). — jr» uuiui^ ö/f( ruw KI. van (u!w uSi\\ van de eene plaats uaf de andere trekken of reizen.-— uri ru tm \\ of ^ an\\ titel van een Vorst of prins die gaat Irekfa


-ocr page 721-

U l ij. \\

037

en reizen. — iw wiigvj tivi oji\'ïn \\ bijnaam van Pandji- — ^mukin of riruun\\ kn. gaan dolen

z .1. \' Cl

eu zwerven m ïm y u i rj tun/ :f i f i » .r».

ymiuiMJl).

O * *

n j/jnKW. wtpw en zie

uiihy kn. eggig, slee, zoor, stomp, tww de tanden, zooals door het eten van onrijpe vruchtcn; een stroef en knagend gevoel in hot gebeente of in de

icilen , zoo als bij jicht.

O O

ij iui on\\ K\\v. zva. (unjiM/js

lil KJ \\ 1. zva. ^ ïhl hj W - 2 KW. rUIHj_\\ CU fU h\'j \\

zva. n/ntu^ oj^i^oji/j en if.qam\\ (ftIr. 1171a, li-nantj, verdwenen; opgelost, gesmolten). —[114 t^nkw. betz. {Skr. p r a li?ia, vernietigd).

ijjiiqjj\\ ook wel ix/tiuj\\ kn. onachtzaam, onbehoedzaam, onoplettend Sier. Una, ook verstrooid).

kn. vruchtbaar, vet WW., bruikbaar, geschikt van grond, SG.

iLtmnw/j en nmuj ïj 1^1 j \\ zie mi inj 11 }!hj !• I/j\\ kn. smelten van de was, van een haii/cscl hij het droegen, in de zon, zoodat de teekening verloren gaat; volg. llh. eigent lij Ie van smeltende was, de lijnen overschrijden, en dan fig. Je grens der welvoegelijkheid overschrijden, in den zin van los, ongebonden in het spreken, opvliegend, driftig, heftig; vooral van een vrouw {vrg. iti.7 u) ojijj en

^ujKiijs kn. vernield, verdwenen, dood; afgedaan, van een werk; geheel afbetaald, zva. \'Uj\'nnnsrijj\\ ook kiel van een vaartuig, mi j ^ /.y s

doodstraf, ajn o il/vi 1 \\j^ kij\\ afbetalen. — i^ï uj ii/j\\ doen verdwijnen; ter dood brengen, exeente-rcu. — mv. ook afdoen bv. v. e. schuld;

fiy. iem. afmaken.

Q q , O

riyris zie hij via tiw 1. kn. de sterkste, de baas, in het strijden ] overwinnen {vrg. iru/j); mannelijk , manhaftig. ; 2. n., k. , hu t.rp Ki., man, mannelijk, van ,

het mannelijk geslacht; van een kemirinoot, enkel, net een enkele pit. JR. oj im m }ij\\ t\'.n iii r.^\\ manspersoon, man; ook de man va7i een vrouw [vrg. mitw \\). de (haar) man. \\jr\\ uj uy iy\\

zoon. irc-7) gt; hengst. W)iKj^iru!Q\\ reu. een geheel op zirh

zelt staande berg, L. 34. un luwup een wond.

een groot woud, in tegenstelling van lt;vnrui(h/jrjom :injl of Htlip /1 o noji\\ kreupelbosch , Rh. van boo-men, geen die vrucht dragen, \\)v. sommige pinang, of dadel (try iei) soorten, Rh. — \'tï^N man7^0^ gt;

igt; 1 » o /• c, ^ «ii /

Kn. — (17) dQ 171 \\ o f r.i n i iij i\'i\\ en n/n tni 1 1

tl a J rK a lt;?gt;. /

nis zijn manhaftigheid toonen;ieta mannelijks hebben, vaw een vrouw. — in r^a-non^/js ix tvj ii()n/j\\ het mannetje, van een paar, of om meé te paren; de vaar van een schroef, vaftrschroef, tegenover mi rj tui % wj on/j ook zva. ^ uj 1;

on^ poet. manhaftigheid. — iin ivnïj an (hijj\\ n. , tui ik/jy k., kii iLJiifjij\\ Ki., de mannelijkheid, het mannelijk schaamdeel.

o . .0 n

uj ijj\\KW., zie tvi Kj 2.

iLihJ\\ kn. reep, in de lengte atgesnedeu partje, bv.

van een pinangnoot, watermeloen of limoen (vrg.

t/n xk \\). Zoo bv . iez rj r i^ 1.1 iu nj\\ —— iv» Sj\\ ook van

bamboe, die reeds un /5! m nog verder spouwen. OP.

mirmnkn. naam van een kleinen vogel, die zich in

grotten ophoudt. — n0) i:ni 1$ i.ni \\ of ru iTjiitrt1/

vni \\ telkens weer, dikwijls) (A J \'

rui.fn\\ 1. KW. zva. r^mi(iJi/j\\ — 2. kn. lang en gelijk spits toeloopend; rank en slank {vrg. ayiïn \\).

/o O o - o

— irtmn ri \\ zva. a 1 mi :ki\\ of iq vri avi iu ui gt; Oh- m, J t c7 \'

{of irn ioi run), met schieten trachten te treffen.—-nuidjrn r)^7^\\»l. op elkander schieten of naar elkander steken. 2. r li aim ^ri on/j of tui ^ioli r.in ■ n onj^ \\ een vlak bord , schotel, bord. 0t^ ij rh 2 \\ diep bord, Tj. 3. ru irtii ni [Uij^ of irj. ihi irrn ri m/js met groote sjioed reizen, zonder zich op te houden, rjrrhtij ^ im t uj m rni fin/j een snelbode. — 4. mji 1.111 \'./wt^x ben. van een grassoort, CP.

mjii:m kn. de lange staartveeren van een haan; een aankomende haan, Rh {vrg. ikrm\\) de als een iu rw \\ gebogen nagels, W. II. 277.; fig. ni

irtn\\ of (cn n i imi een haneveêr, een haantje, een

0*1 CT c/ti

piet, de eerste die altijd vooraan is. — fniyirni \'tis het heertje uithangen. —iw rurrm• neen aankomende haan, WW. ook eig. de hoedanigheid of vorm van de n.ri-nns waar de aanleg v.e. haan als vechthaan beoordeeld wordt; iems. voorkomen

amp;rÈh

^rm\\KN. rank en slank, van lichaamsgestalte [vrg.

tunn\\ 2., en rnrin\\).

(Jt lt;Jlt;pgt;

als aankomende man , W. I. 125.

ry 1 vin

Oh-


-ocr page 722-

038 ^ rm \\

gt;1 nn ij irfn \\ JR. ^ tun ijfn \\ kn. week of vloei -baar geworden, zoo als van boter door de hitte gt; van aarde door vermenging van water, zoodat het slik wordt: verdund, zooals van vervalschte roel-rlekende olie.

kn. 1. een kleine (IjHny wtynjj, een dergelijk tafeltje, om koopwaren op uit te stallen, stalletje, snoeptafeltje. 2. sprong, in juirrn^ rnihn/js spr. een ravesprong, znlk een sprong maken, bv. van een rijstvogeltje van de hand op de kruk; fig. naar een andere plaats niet ver in de buurt

verhuizen, tru not irrn unn\\ aanhoudend heen en Oh- \'K Oh Jl

weer springen, huppelen (yrg. wtttfn rrn unjj en yajiitruijomttj tuiiisiyf). — rn irrn hiyj \\ een sprong of sprongetje doen; overspringen; digt in de buurt verhuizen.

dl/nttriax^i^ kn. 1. stijf, onvruchtbaar, kleiachtig, van gronde die niet goed het water absorbeert {vrg. rtfnttfnmh/i). 2. uitslippen., van een stut, die hoven of beneden uitslipt en niet houdt of losgaat; fig. zva. — rj rjri iw \\ iets, zooals een belofte, ontrouw worden, hef niet nakomen; de hoop teleurstellen; de moeite niet loonen; bedrieglijk.

mirm asiyi\\ kw. scherp. G.

ri^irrnabHji KW. zva. (njiCBi ^i(isrijj\\

kn. een soort borduursel of garnituur, ter zijde van de knoopen en knoopsgaten van een Javaansch buis, Tj.

vu) nn (ujj\\ kn. langwerpig, smal uitloopend,

iemands aangezigt {org. ru irfy lt;t^).

wirm iuj en (rvairfri kn. spits, puntig; scherp van punt (vrg. rrvimnajiji en rwcrfn (U/j). itu.irm oji ^ puntig van hart, van iemand die ligt iets

kwalijk neemt. — iritvrnnu} Ji\\ en tijtirfh tu Ja \\ iets

(A* Oh-

puntig, scherp of scherper van punt, maken.

O O . o

iuji\\ zie i\\j) irtn

ffrutirjiriTni bedorven tempé tot som

mige soorten van toespijzen, die dan ook daarnaar zoo genoemd worden, bv. ^aiy wi y nm?ifjiji\\

— WïTTcquot; K- 7\' ^9-\'-

KN• ; van voorwerpen ,

die van onderen zekeren omvang hebben en spits

toeloopen. — spits toeloopen, als hoven. Men,

(WiiTrn \\

Oh

n.hijfn\\ kn. 1. vooruitloopend, voorbarig, al te vlug met iets te doen of met spreken. 2. eeu schuitje in de vorm van een broodmand, waarin bij vorstinnen, prinsessen en aanzienlijke vrouwen de doos met si-rili Mi/j) gepresenteerd wordt. —

iemand of iets vooruitloopen {vrg. ts?i \\); iemand voorbijstreven, zoeken vooruit te komen ; iemands orders niet behoorlijk afwachten , te voorbarig te werk gaan; w m lt;rr^\\ al voor

uit beloven. — (EjiuiJi.irïn \\ zich te voorbarig gedragend, vermetel, overijld, onbezonnen {vrg. du iamp;i vj iet i trifj). — rvt i:tn r;i nnjj of tx i rm ci Jnjjs elkander trachten voorbij te streven; (ook met haast alleen zonder gevolg of geleide gaan. GR.). — ».» iru irtn rn (hnjis te voorbarig.

gt;ui irjii \\ of jA) nn \\ Kn. naam van een soort van klwne bijen, nog kleiner dan een gewone zwarte vlieg, die een fijn soort van was geven, dat tot het batikken gebruikt wordt; ook wel zva. .wtiiiamp;i a~irt \\ Tj.

O J ^

tur:jn\\ kn. , nsiivf tu kippedrek die zacht als

gelei is.

gt;viyirmé\\ kn. — »p yvfn? slenteren, rondloopen; voor plezier uitgaan, pierewaaijen. — imtjijiint v.i een pierewaaier.— Minarjwnitiitar)^ een plaats waar men dikwijls voor zijn pleizier komt. kn. regt loopend, zonder bogten , in eenregtc

lijn, lijnregt; ook fig. regt, juist van een oordeel

O G) (?gt;

vrg. nTi iiff n \\ i w

tjtvu ij.yn\\KW. klok, en horologie ; klok

of groote schel, die geluid wordt, trqrjih^iuï)-jnirj Tj un rj rvi i tj xjjm \\ de klok luiden. — Tj tu t Tj vrfn xn (Hi/j\\ uurwerk, G. wat op een Tj tvnTf i7tn\\ gelijkt. — (ut tjiui tj rin lt;i:.j ihi/j\\ klokkehuih.

ij tui i tj x-rjrn t \\ kn . — tj r^t z tj rin i \\ ongev. zva. tj jj) t Tjttciunjjs te ver gaan, zich vergalopperen; volg. Rh. zich onbeschoft gedragen, onbeleefde manieren hebben jegens meerderen of ouderen in jaren; {vrg.

iru urn\\ lt;7.7? otuirfn \\ tun tu rnt \\) on een dwaal-

C/h ö Oh* fch \' V

spoor leidend, zoodat men hoe langer hoe meer van de regte weg komt; misleidend, van iemands woorden. tj Tp * tj v^rt ? a -iTj hm \\ iemand op een dwaalspoor leiden, in de strik laten loopen; een goede zaak bedrieglijk door misleiding verknoeijen, zo o dat die slecht afloopt. - (ut gt;Yj 2 Tj nn 2 \\ mis-


-ocr page 723-

a*

irLi^Jin^i (hnji\\

039

^\'nvs

leiding, strik.

tu r% o onfl k. , zie (^\'Unu/j\\

n . c ) o

luansYi.i zie (unuortw C~ £-

kw. zva. i/n n^iHyis — kn. naam van een

klimgewas, dat voor touw gebruikt wordt.

ijnvilijp^ zie (inrjrvi2cm\\\\

zie bij

ru(w\\ KN. lief en bevallig, vooral van de oogen {vrg. ofuw) nj\\jf). lUtj ri.i a^l (ipi \\ een lief, bevallig gelaat.

lu.jns KN, naam van één van de zangwijzen, die thigahan genoemd worden. aj) (hi \\ in den slaap spreken , overluid droomen ; ook slaapwandelen {vrg. (^(BiSnx^s). — wi(pirriwji\\ aan het spreken in den slaap of aan het slaapwandelen onderhevig.— (ij)(i^i(hn\\ het spreken in den slaap, enz.

ij jurjijps zie tu9 if (tp \\ tp. ook zva. rj tu rj^ic^w rj.ïLiiri7n\\ 1. KN. — rjarn^cms uitsteken, vaniets langs, fig. van dunne en lange menschen. 2. volg. WW. rjmtirjchp\\ 7jlt;nytrj(hp\\ of (trinyn)\\ een behaagzieke, manzieke, wulpsehe vrouw.

wi((ip(Uijj\\ gew. tLiCjp {n-ibrtimrijj tp.) IIoll. KN. landraad. — rp(wasojj-v een zaak in den landraad behandelen; iemand voor den landraad roepen of dagvaarden. — ri(ihi a^irjom \\ iemand een landraadzaak aandoen, voor deu landraad laten dagvaarden; een zaak voor den landraad brengen. JR.

iLtthn (L/jjxKH. 1. naam van een plant, welks bladeren als imcmxm ar» worden gebruikt. Tj. 2. irutjpajiji of yw ulvvt (tp (ui/i\\ naam van de tweede wouw van Watoe-goenoeng, en van de tweede woekoe. tvttjns KN.; ^ (jp\\ of tL7i7h)(hn\\ ver o/lang 7ieh uitstrekken , van een wolk of rookwolk in de lucht, van een stralenden glans, enz.; een langen trein

vormen, van menschen achter elkander. — iuchi

t-

een lange trein.

\'^fliNK., zie mn(Fjt Snnsnfi\\

W}Wi K-» en of £n\\KN. zie wmiw

CY

n$}ifis Kw- zva. ti/n asn\\ en tuntgnw —KN* vorder en verder gaan; van den e^n op den ander overgaan; van de eene plaats naar de andere zwerven. rn^fE^^n\\ van een bevel van den een op den ander overgaan, zva. nrttvjföis verdwaald

raken, verloren raken, niet teregt komen, fw rui

Vür^cl\' en verder voortzwerven, verder en verder van den weg afdwalen, lis. van kwaad tot erger komen. — van den eén

op den ander, of van de eene plaats naar de andere doen overgaan; al verder en verder overgeven ; iels verder opzenden.

ru tj .in gt; \\ KN. geoefend, door oefening of gewoonte vaardigheid verkregen hebben in iets {vrg. iruay/jts); van de borst afgewend, van een gespend kind.

KN. bloedzuiger, 0am(ix^(hnji (W. I. 73) een groote, lange bloedzuiger, grof tan • huid, CP — ijl;(m%^ ergens bloedzuigers op zetten; een

kwaal met bloedzuigers cureren.

a

ÏUüif\'^2As K- gt; ~ugt; n \'

ru KN.; middel om iets te rake a of

te bereiken (vrg. w ^ (Hi \\ en lt;ult; runi nn/l); een per • soon , door wien iemand bij een ander aangemeld, aangediend of geïntroduceerd wordt {vrg. iu-naji ^ onjj); zich laten aandienen ; leuning van een vlonder. KI, va?i itïn w (mji\\ \\ 2., en frthk^iui (hn/j\\ R. iets tot houder van een sta

len pon, WW. een puthaak, een

lange staak van bamboe, waarmee een putemmer aan den putzwengel hangt, rut^^u}tasv^\\

met een vlonder over een water gaan. —tvn flri ni \\

Sr\' • /

van een of rufyi yutnjj voorzien. —:{?rr)

rj urt\\ iemand aandienen, aanmelden, introduceren, voor iemand iets, zooals een verzoek, overbrengen.

txjt KN.; ij?^\\ blijven voortgaan met iets te doen; voortdurend iets doen; imnwr/laten voortgaan met

iets te doen {vrn. wtoxjn\\). un tuiHts voort

co en \'

gegaan, voortgeraakt; voortgezet worden, bv. van een slecht gedrag, waarin men voortgaat, rjojtthtt iemand die in zijn ondeugd of4 slechtheid maar steeds voortgaat, htt(Mifnt tuifi^\\ een uitdrukking die men niet verdedigen kan, omdat men zich vergaloppeerd, te veel gezegd heeft, ook een verbasterd woord. wtiwijjQrum\\ al verder en verder voortgezet of voortgegaan ; te ver voortgaan. — ■ij\' tty quot; 1Kquot;N verder laten voortgaan, vorder

laten bestaan.

^ O

Kvv« zva.

ei t Sn c» c\\\'

tuftns 1. kw. zva. en —iKJt twutrj

tlT)\\ KN. zooveel als er gelegenheid toe is of ge-


-ocr page 724-

ut. O T n n

geven wordt. K. — tja \\ zva. amp;.

zva. ruffi,ijn \\ oprollen iy. cujaretten, Rh.

O lV \\ .. a/

wöy (UiirtiftQ bij tvyims /lt;|^ïnkn. af8i)oelen, zich loslaten; fifgeven, kleuren ; verkleuren , verseliieten ; fg. gaande gemaakt of verworven worden, bv. van iemands gunst en medelijden ; en zoo ook 7L^lF^ xfn^ ^n/n aH)

ij )n \\ verwonnen worden; zich laten verbidden,

* /

medelijden krijgen, i/r^njj\\ een afdrijvend

geneesmiddel {yry. am ni w^ ojijj). — n|^ ^N afgeven, zich mededeelen vrtiw aan anders, W. I, 153. — :UV 0uns^

van lew.and verwerven. — poèt. zva.asr^

afstammeling, telg of volgens som

migen ook zva. volg. Rh. een koord

of lijn gespannen, hv. om de plaats voor beddingen aan te geven.

frjiinjifni\\RN. de koningin van de witte mieren; die zich alleen in een torentje in het mierennest ophoudt {org. quot;yfy HHJj)* JK-■7j luijjp \\ verbastering van rj t i^a iujj n kn. blad van den talboom, waarop met de punt van een krom mesje vroeger geschreven wierdt en ook nu nog wel

geschreven wordt {vrg. ijitny njiKnjj). rS) ^ i för\\ o

zva. iu} iini aijji\\

rj )t ij imj \\ n. , vj rn een plat woord voor eten,

vreten; iets opvreten; naar binnen slaan; ook zva. ij am rj (jf 12 zie bij y i ^2\\\\ {vrg. \'/ ^,7 2\'/ W2 N en h\'n/f\\). — rj(rvi* w/jN wat men

vreet, vreeterij.

m of Holl. lantaarn.

ij tji t) \\ kn. — ii ij,jn ijn \\ zwak door gebrek aan voedsel, N.

kn., ül) eeu gemaakte wijze

wiegelenden langzaam gaan {vrg. \'x )•

kw. zva. (o;vuihi[(rr^amlujan/j\\ inxytj ^e^s» ilaanw, slap, zwak, B. P. 11.80. kn.;

zwa^ Cl1 langzaam met hangend hoofd gaan, zooals een zieke of die onder groot verdriet gehikt gaat {vrg. tu^j iu^\\), WW.

V n}V{^l/^ KNquot; V V7 uV{$slf tN zwak, slap.

itu.on hii/i kn. ben. van een kaart in het Cliineeseh

[v.n UI

kaartspel.

nihiui\\ kn. iiiinhnhtHi\\ met de neus in den wind

\\S ^ vfe loopen, een uitdagende, brutale, trotsche houding, vooral v. e. vrouw, Rh.

KN- zwak, loom gaan, bv. van

verdriet, zie bet. quot;WW. bij

naam van een wapen in den ouden tijd. 2. naam van een riviervisch, ongeveer zva. lt;ki iu\\ ook ben. van de nm aHu njjj clitoris, een soort aji

O O O TV/I

nsi^\'f i/j\\ w (Ki ajt/j Men.

kn. benaming van een ring met op een rij ingezette steenen.

KNquot; —\'t/7,\'7Tiïr/^N lang uitgestrekt, iy. van een wolk.

\'/?L^ 7^\\ KN- ccu 8tec6gt; o/gang.

zulk een steeg of gang vormen; ook irj n 2ilt;tj^uu\\ in drift regt voor zich uitloopen , zonder links of regts te zien doorgaan. — rjiui jj^i iii iHi/j \\ zva. ■gt;ƒ n.n rj^^2 w \'\'y\'KN- lidstok. — 8^aft^ 0f

staafje van metaal. — eW\' a^s een ^aa^\'

stok, fig. erg. in- of doordringen, Waj. I, 458. iu^jihtij(\\ kn.; iliN zich aanhoudend op een afstand laten hooren, van een fijn stemgeluid. r}!K?f H,quot;/l KN• — ^an8ori*8gt; slaperig van

bonding of gang, bv. door te veel amp;laap of ver-driet enz.\\ vrg.

iij^ ijntKHjjn kn. zva. asy^ /{nmijj\\ en K. van iF^mr) (zie bij (ij^iiinf\\). — foilzva. amr^9lt;njj\\ door omkeering uitgestort, ook van een kris uit de schee.

lucma^s kn. elfen, gelijk, zonder bogten, bv. van een effen geschaafde piekstok of effen gesnedene punt, volq. Rh. ook slank , regt van gestalte, en volg. WW. doordringend van een geluid\\ vrg. am nsiiaj)ji\\

hard luidend, krachtig, helder klinkend, doordringend, ver reikend, van een geluid {vrg. ■rj \'M 2\'n \\ ); ook naam van een heester . en van hei sterk riekend geneeskrachtig blad daarvan, bij Fil-Plnchea indica, t\'« Conyza indica.

iutimiu}ji\\ 1. KW. zitplaats. G. — 2. kn ligt boos wordend, ligt geraakt, van een vrouw {vrg. nnj Mjl en |r^ii.(Ki)

iui}?injifj\\ kn. schrander, gevat, scherpzinnig, vatbaar om ie begrijpen, vernuftig {vrg. luwnmi/j)-— khiri nj^iui ^itHi/js schranderheid, gevatheid,


-ocr page 725-

(»11

a

n hun v

GJl

solicrpzinuigheid, vernuft. — hel

verstand scherpen.

H een stokdegen, degen in een stok,

degenstok ; volg. Rh. ook een hoornen of houten koker, waarin een pompstok met kracht geslagen wordt, zoodnlde daaraan bevestigde zwam vuur vat.

ui n Wamp;m ZLe 7,,0gt; V \'1\'

)U(\\ kn.; ü» tftp\\ een obj. zwemmende met deéene hand boven water houden, {vrg. :{/\'U/

hnrr}\\ de zaak vafi een ander aangeven en bepleiten.

„ucgrr.tonji^

------- ohj. den. en k. van hu

(tmw CxJ

ni{^\\ of (H insr^s kn.; in {of n i w lt;gt;) gt;gt; i ^ {of /u aardolie, jodelijm. — il/i tL/ira/js plaats waar een bron van aardolie is.

kw. zva.

jumn l. kd. van i?i plaats van iu /.y w

. . .. O . O

h}ini(ui\\ kl). van (Hn 111utsnn nn^itu

!L?N

zva. hti rit uh iu iniw

ti. kn. ster, sterren, gesternte {vrg. arn^i). ju hi niKj\\ n.t{of rjnamp;inms} de avondster, de morgenster. — z^c\'1 u^8 sterren vertoonen, fig. van maïs en dergelijk plantsoen, vele verspreide rijpe aren vertoonen. —

de sterrehemel; de dierenriem; de sterrekunde. n hiii iLi nl!^i:i (mjis naam van een hoek over ster-rekundige berekening.

O o .

\\ y irn ê lt;lii föi \\ zva.

o

zva. K) ) 11 ll/i \\\\ — a

III. kd. vati tui uw

, O o o .

y ti. n 2 K n (h^i (iM \\\\ \\ k ) n I y/i \\

\'nflf^KD. verwisselen; bij een ander werk komen of geplaatst worden; naar een andere plaats verlui i zen , zva. )}^ Ti y \'IfliMJj en in iu^\\ of tjj tti j

O . O O \' O

{eig. krama vorm van \'u;|?/xKN- een rolletje, bv. van een opgerold blad; en k. van y i )j nm khj]\' — tp tgh iets oprollen of zamenrollen tot een rolletje; iets ergens in oprollen

/..V« o Q„ O \\ O Ov O

\\vrÖ- Yit,lt;y^fs jjoj-j \\ j. — un n iiflj ini n i zva.

o o Q„ O .Qv O (3V

n $1$N etl quot;tl n i 17» \\ zva. nu ^n tv» (uyp\\ zie hij i, tl ui w

m nns

UI

kw.

quot;quot;\'ÜV equot; quot; \'Zl en*TGl quot;quot;J n

Kw\' ZBa\'\'\'Vm\\). kn. naam van een riviervisch.

k w. zva. ir.n im iJijj \\ (un tl

o O •

riji tvn t.nji en //.» r.ni r» -m ^ n »?/lt;f.»»| n kn. aardbeving. —- wtvn^yntanji door den invloed van een aardbeving niet geslaagd of laat uitgebroeid van een eiy laat geboren worden van-\' een vrucht, Rh.

iijyns kn. naam van een riviervisch {vrg. ij n rirj

m,s).

o

»ƒ »i»frjTï\\kw. zva. rj n.ii rjarnw tjitLiienn \\ kn. loog. nmogj^ {of riibiii iu) iLiiains loogwater, aschwater; wordt ook in gehakheslag gedaan tot gisting, en dan veelal van doérian-schillen of padistroo gemaakt.

ij itii tf rrrni \\ kn. zva. iïn tj(T/r»? n en naam van een visch {vrg.

»u »^mï^kn., iu rjn^qtimanji of luijcrfriiivt finjis i. kn. pickstok, schacht of stok van een lans, speer of piek {vrg. iia!in\\ »u i3^\\ /L» ^rn itriji en iui iish\\). • 2. k. van (urj ?»»t)tm/j ^ziebij nnj un\\). lurjinn i»i

HflV rgt; s vaa,u^e^s^0\'fCgt;lt;hJlj111 N 0 wN fatsoenen van piekstukken, Tj. 3. ook zva. i^»»/^

ij tïiii hu (Hiji n zie bij rj lurfirfii {\\\\

o S o o

rucrin j \\ kw. zva. hi^Li ^iw — iw^iuarnzva.

\' ^ on o o . / T

in ^ i \\ en tHirtrii)\\\\ — »:»(»//»^ n kn. op iets likifen : 6J \' * 1 bb \'

iets onderdrukken, neerdrukkenj de overhand hebben , overwinnen {vrg. tHi i^ti^s bij ,hn nli^\\). i n ninrfri f \\ er onder raken j overmand, overwonnen raken; ook gekrenkt van geestvermogens, simpel, niet wel bij zijn verstand.— /:»lt;»»?» ^i/i» \\ op iets of iemand liggen; iemand of iets neerdrukken, onderhouden, tenonderbrengen, overmannen. »lt;»»»iT »»7»^ urn ui S* gt;\\ door de gunsten van iemand aan hem verpligt geraakt. gt;. »? liï miqun ii(in\\ ow/r gekrenkt-

(x)

heid van geestvermogens.

ij iLiij(»»»»? s kn. ; ij r»r^ m»^ \\ leunen, leunend zitten {vrg. (rj.Ki ij (mi ) ook zva. in h i j hij /.»»»l/^\\ de minste willen zijn. — ^(Lirj nn^ in\\ leunen tegen of op. — 7j iLi rin^ri ^iun (tfi/j tyrj.tLrtjinn qtun iht/j {ook ij n i ij yii iihhiji\\ W. I. tfiS) een ohj. tot leun of steun gebruiken, er tegen of op leunen of steunen.

m »\'rm kn. egel, stekelvarken. — rirnnn}i/j\\ gelijk een stekelvarken een langwerpige groef in den grond graven; tegen een een loopgraaf ma

ken ; met iets, zooals een piek ,160 slepen, dat het een groef in den grond maakt. — x^iin ii?i\\ mv., en ergens of tegen iets een groef o/loopgranf


41

-ocr page 726-

G42 itu(yijwyf\\

maken. — nirui uij;kij^\\ eon in don grond gein tinkte groef of loopgraaf.

iri rnj KH/jsKU. een donkere plaats of plek indesoha-dnw, daar liet licht niet doordringt, bv. in een hoek van een vertrek, achter een scherm of in de schaduw van het voetstuk van een lamp; WW. {orcj. iniytj) of m tiïrmj Htwi/js Tj. een plaats waar men beschut is voor den wind , luwte ; een plaats in een rivier, waar g3en ot weinig stroom is. rj n i ijmiy (un/js kn. tf |ji ijnrmiasit/i of rj ti.i )](rf irii^n hangen en leunen op bv. iems. lijf, W. II, 383 ; oo/r fig. op iem. steunen.

tj ti wrfnrn MnjjsKN. verrot van veldgewassen door te veel water. SG vrg. rt tuitydm

)i urm kn. — YLKrtnMiets vasts onder Cx) - 1 CxJ \'

iets anders tot steun, om op te slaan; hakken ,

snijden, enz. hakblok; aanbeeld {vrg. fon iji.j ix uriifccj(Hiij en nji^\'-ni.uijj) ; fig. iemand of iets waarop men zich grondt of beroept, tot bewijsgrond; borg of grond van verontschuldiging, o o »

vvinyit (K/iji\\ kn. zva. tisrj ri hm lt; ^ w ^itrn (hi/j\\ en

daarenboven , (Tj.) Rh.

tucrmtjiji kn. scherp van sneê of punt {vrg. ttiarn r/ijj); het scherp van iets; snedig, scherpzinnig, schrander, bevattelijk; met scherpe hoeken, kau-tig, van hout {vrg. m (^j dJJjj). ^ tuniïn iujj\\ iets scherps, scherp {als zelfstandig naamwoord), scherp tuig. /\\ )erm (tjjui tén ïi tweesnijdig. G. n.trrrn ajlirr^iiifjs scherper is, (bij hem vergeleken), een knie, nog stomper dan een knie, d. i. stomp, dom, botterik. — rtnintuJ}\\ scherp maken; fig. onschuldige of niet kwaad bedoelde woorden scherp

opnemen , zich die aantrekken. — (irinrhinjt r}nn\\ 1 UJ \'

iets scherp maken, scherpen , ook fig. het verstand. — rwarn nn (in/j\\ scherp, scherpzinnig, van aard. Zoo ook ui (tin tui ~ i hi -jtt tj asn aojj \\

ui n nj ui fj \\ zie vu \\\\

itu tj nrrn hm tnjj \\ zie bij ru tj nrni j w tu(nip kn. lang, langer dan de gewone maat,lanp-wijlig; gestrekt van een lang lijf, W.; gerekt, bv. vnn de stem, lankmoedig van aard {vrg. ^(iij^\\ en mtli^\\); (ook langwerpig. G. Vrg. ,ut dis). — iets verlengen. — nynrfrj ii^iutts iets lang o/langer maken, lang uithalen of aanhouden, lang rekken. — n ityn (i7i(Hij\\ {een gemeene u \'if-o

rucrtn \\

U)

*

drukking voor het vrouwelijke schaamdeel, G. /j»»

entj i:i nn/j* zie tj irti ? tj (tin i t ii/j\\

a cy\'

wicrrns Kv/.zva. ckkfi^is CxJ

iunrfij\\Ky/. zva. tu\'prjiHV/j en urt ruïi/n tuw — r-) (y»V)N kn. zva. nm ifji dfyjs iets tot schut o/*schuilplaats nemen; een koele plaats in de sclmdnw zoeken; bescherming zoeken bij iemand {vrg. i:\\aji^ nrny). — tvi tu yn ui (hi/js schuilplaats tegen de zon in de schaduw; beschermer.

nirnts KN. {of ti irj tvri w/j Tj.) wig of koevoet van hout; ongestadig, {eig. als een rvirms

die gebruikt wordt om nu eens deze , dan die balk open te splijten, en telkens verplaatst wordt), onbestendig, veranderlijk, wispelturig; onbestendig in de dienst, van iemand, die gedurig van meester verandert {vrg. tj n rs rw\\); kw. zva. tjvvHvjcriiiw (tj) mi ru i7i)i \\ een allemanshoer.— ny (fih \\ van den ^éu tot den ander gaan. G., iets erg. inpassen,iy. een schroef in een moer, telkens beproeven of hij er in past; oefenen, drillen, zva. trt ui *

(tu^ xirrt HZ! n ^ x:rn myj

tj rvt t urt n KN. (tTjorjiLn trm of tj itï 2 fin \\ van den een tot den ander gaan , den eenen buur na den anderen gaan bezoeken (vrg. rj\'i.t? trnis); (aich indringen , opdringen. G.) — tu rw bezoekziek, van iemand die gaarne bij de buren loopt; (een indringer. G.).

/I n.i (ti (tin ^\\ kn. wellustig, hysterisch van een vrouw. lis.

ru\\~ni\\ 1. zie (Uj^rvtrm^ — 2. kn. toegift, bv. van 2 op de 25 stuks, bij een koop {vrg. in tuaj) ^(H^/j). — (tri r.iii ns iemand iets ols toegift geven; ergens een tuirm-nnn^ bijzetten, iem. zijn kind afstaan, volgens oud bijgeloof als middel tot het krijgen van kinderen. tuiTntmanj een staak {zooals een boonestaak) of stok {zooals ren tuinstok), die bij een plant gezet wordt, om er bij op te groeijen, of om er bij aan te houden muJt0\\ katjangsoorten, die er langs tuvpianfj geleid opgroeijen; staakboonen, ook tm(tjtnm nfit njjjs genoemd, volg. WW. ook fig. ongeveer zva. tu

fói-riiKijj bemiddelaar.

CY

t^riri\\ kn.; een heele stengel, een heele

halm, zva. (kd rj ru t rj unt t \\ maar van dunner voor werpen, zooals rotting, dun riet, en planten mei


-ocr page 727-

/

(ri^ rm \\

ry

steiujeU en halmen-, ho. uc nj w rj r.rn \\ ecu hecle inaisplant. — a^s een staak op zich zelf

staan of zich regt in de hoogte vorlieffeii , of zoo gestvclst liggen.

h i rm\\KN. nnnm van een zoetwateruisch , niet onge-lijk aan onze haars, Kli.

lUlnr.mi\\ KK. lang, uitgcsti\'ekt; lengte, uitgestrekt-

ÏT S . S O .

Iieid. G. i.i ijruit tyoi ^ itia tj rm/\\

,j rltitj ):m i \\ raï., een heel riet, twee rieten, drie

rieten, en:., van bamboe en suikerriet-, een hcele

CY

staijg of staaf, bv. van ijzer (vrg. bij —

rj n.uij Ï~mrgt;gt;»nj heel, niet gekloofd of gekort van bamboe, riet, enz. n ki tj tu i ij rm gt;. \\ fig. met de beencn regt uitgestrekt zitten. — ran11 ™quot; ■iTx met de uitgestrekte beencn erg. op- of tegenaan liggen. — I.inrj n.ii rj i:in t \'n ^ i.n \\ zijn , af eens anders beenen regt uitstrekken, een heele bamboe in liggenden toestand plaatsen.

o O O

(urmnvKW. zva. «sii iUihtji^

ihi(i:iniisnjf\\ zie n.gt;Ci)ptio/j\\

ii u nhh\'tijj\\ kn.; riirmiin/f\\ verder doorgaan; verder voortgaan dan men voornemens was of vermoedde; verder opgaan ; de grens overschrijden ; overslaan , bv. van brand; door verder voort te gaan iets be-reiken; {ook op iets aanleggen, mikken, G.).—

i i r.in mi n gt;lt;tl\\ maken dat iels verder doorgaat.

\'

ui iiphnji^ kn. , naam van een aardvrucht; ook zva. anuniruji (Men.).

iquot;ii \'c-1 gt;nyi 0f \'c * KN\' * niihr)fl

ij rnihrni.m «anhoudond opspringen; in de

hoogte springen; (vrg. tu nn n?i nn unjj).— /,.» nn imji of (ook i j rmtp.) naar iets

in de hoogte opspringen, hv. naar een\'wat hoog hangende vrucht aan een boom; bij of tegen iemand opspringen, zooals een hond.

twwnasnjis kw. zva. m u}\\\\

gt;ini)iwjj\\ kn. het houten voorstuk van een ploeg, met een stift aan het ploeg hout verhonden, en met een ijzeren punt y die genoemd wordt

^rg. ook nmtinpis).

kn. slank, lang en welgevormd van statuur, van een vrouw.

kn. een kleine rijststamper.

^ gt;ui ti irm ? \\ k n . ovaal, eirond, langwerpig rond (vrg. i

of,.. . O _ i iUiji Oij nniji ).y n.n y i:m i ut an rn-ny n i?

quot;rvr 043

iji ingt;i(m tjnmirirn,j\\7j. II. nok teel K.

kn. glad, glibberig, glad zijn; glijden, niet stroef gaan, gemakkelijk schuiven ; fig. va» een mensc/i, of van wat iemand zegt, niet te vertrou-

O O (3v

wen. — }wvi^ir)agjji(Hyi\\ zva. nntj ^mnj^

mjj\\ uitglijden op een gladde plaats, ƒlt;/. in ongeluk geraakt, o. a. VV. 1,2. 6 v. o. —

hn ^fi rf hn\\ iets glad of glibberig maken, o O/

\'1\' cM1 K w\' zva\' ^ c* 90 NN

kn. ergens goed thuis, goed bekend zijn;

in iets goed thuis , welbedreven, geroutineerd», ervaren; aan iets gewoon geraakt, hv. aan de coïtus v. e. vrouw tegenover ia bereden f. gewoon z\\jn,

Tj. vaardig en vlot iets doen {vrg. quot; / ^ ). m zj) hJi \'-n \\ vlot in het spreken, welbespraakt, van iemand die zich goed en vloeijend kan uitdrak-ken. rvijgjj^s in oj. ook van ontgonnen grond, waarop reeds eenmaal geplant is, CP.— i,ininjjjs\\ KW. zva. tu tj iyt tfvnrh tyi en rj irn rj yi w — m tui Mfjjftun (htjiskV. al te t\'amiljaar zijn mei iets te doen; te los in zijn spreken; G. ook zva int ^ iuitj ipi gt;» wji of v) rj ia 2 ,?/7 (9) jy; agjj ? if.i^yinrj óti winn \\ een ontuchtige vronw, eig. een geroutineerde. WW. R. tj ru zva. rj n ti tj njjji f \\ maar in een min

der eyi graad.

ij tL\'t i tj \'Hjiji ^ n kn . pappig week, door koken; rauw en ontveld , van een wond, zooals een brandwond; door brandwonden ontveld worden. — 0f

n if t li/ fj itgjj gt; gt; ^ hetz. — gt;ƒ rt njiHjjjt { i it ij n ti\\ iets, zooals de keel door ingeslikt heet eten, verbranden.

kn. fijn en zacht, zooals van katoenen stof, meel of zetmeel {org. ijiti.t/j). — jjj1 ^gjj \\ fijnen zacht zijn.

uijt tj tfj/jiKtt^ kn. niet met de waarheid overeenkomstig; leugenachtig, onwaar; onwaarHeid spreken (vrg. tiï tjixti twjj en rjnrm tj-rtt^x). — u ttjaij/jt trtjitrt/js opeen leugenachtige wijze; uitjok,uitscherts. y ijjjvt^ kn. wulpsch, zva. tj tl t ij rrtt s \\ Rs. -tïj ujjjfutt/j kn. baldadig, stout. — r» — zijn.

Tj. — wi itj^ Kjjj i™ m/j baldadigheid.

tj tLt ij.njj^i.ttij kn. vochtig, klam van tabak-, (Tj.),

ook van haren, glimmend vet, door olie. Rh.

rj tii? tj Kin?(i\'-nfj^ kn. vuil, een vuilbek, gemeene

woorden tegen iemand gebruiken.

tu(Kjj^(Liijj\\)l\\y. zva. in in ijijjs kh. zva. tu(trj^ of

41*


-ocr page 728-

rjohit fjtuii\\

in ir.in . (Hs.) 7il. wat te vrij iu het spreken; Rh.

)(r quot; no

VciTW RW- wsvyi

W /\'*c^ ongemerkt ergens heen bege

ven, l?s.

ij tjiiin\\ kn. ; ij gt;j(nijgij\'inj v langzaam vooruitgaan;

zachtjes voortslenteren {vry. — ri ij

\'iidjii \\ hetz.

1 (d

I/ n.u n un x kn. 1. een ontuchtig vrouwspersoon; hoer \' {

{org. li.^ \'pi tu/j en ijnmijr.y ;\\). — \'V 2 \'I\'YIIN hoereren, in ontucht leven, van mannen en vrouwen. oji ij |j» ? ;ƒ i7jn \\ hoereerder. — /li ij ilu ij(rn) ; :in/j\\ plaats waar zich ontuchtige vrouwen ophouden; hocrehuis, bordeel. 2. oo/c tf. zva. ijKiirj rh-

KN-! lnngquot;

zaam eigt; bedaard voortsukkelen, (wy.

,W).

nnrfns KN., iLurj\'n n hn\'n\\ zonder bediende alleen (d (jü (J

voortslenteren {vr//. tj n.i? yjyijt rj tui ijyni^.

ij a it,yn\\ kn. naam van één van de zangwijzen, die

Ihujahan genoemd worden-, van een hatiksel; en

van een gtinding. ij ru ? m\'n ij iu i (yij ^ zva.

ij n.u ijrij\'n ij n it rjnrrj vrg. nog ij tuii ynij (Ui i

ahj \\ Rh.

ijinm rj yy \\ kn. ? ij(ynnj trui2rjarp) \\ met strepen

{vrg. ij i njj).

ij tuf H\'ifijt vkn. meel of rijst met klappermelk iu een pisangblad gewikkeld en zoo gestoomd {zie bij rj oji ij iu? ij n)j i ij tinrj(rfrii \\ er goed en frisch uitzien {van een kind) JR. {zie tj lutrjivm) alleen loopen zonder iemand bij zich te hebben, WK. volg. WW. van een vrouw zonder tja^iaryit\\ gaan.

n,iiji\\ kn. — itido)n glimmend maken door wrijven

vrg. Kjjvi]\\\\ WW.

rjiri/KhJ) \\ Tl), mr tru oji ZZT tj tui w — miif iuiui iHijl hu mi (tj^ rj (ui tuij] \\ vrg. mh ij i u (ujjj (uiji n bij rj tui iijji w

\'M^r\' JiNKN\' K1\'al)l)^gt; kluchtig, wat iemand doet lachen j grappemaker, kluchtemaker, snaak; klucht {vg. (K^thJijiLaj}). im ij grappen of potsen ver- i

koopen. n.i n iin^(hjj\\ zie hen. rviduj^n^^ K. 4, 48, zva. rj iMi tj(tui ini\\ bespottelijk maken — n (nj^\'rju)2(in\\ grappenmaken bij of voor, Men. — (n^rjvju.m/js grap, klucht, grappen maken,

n^nrj k))tnn^ een hofnar G.

Tj n u 2 ij dj) 2 * k n. — vj jv) 2 ij ui 2 n do kaarten verschil\'.

ten; zie MiiojiMiijjy tviitsltajjs kw. zva r.junjj\\ ijiun2 iiri 3f/. kn.

zacht voor het gevoel; week van den grond, R. rjii.i2dj)an\\ kw. zva. (Eiasns (S/cr. lotjana); ook de hoeken van de oogen G tiet wordt ook verklaard door iui(iu)\\ G.

triKhJ^s kn. voortdurend ongelukkig in het spel, in

zijn ondernemingen, enz.

iruw Hii/j kn. spoor, voetspoor, zooals van een wagen en van een paard of buffel {vrg. asn tuiwn/j en asn irLtMjj). (ijtoJ) mnjjn het spoor van ieis volgen of nagaan {vrg. lt;irirfl ).

tuijiifw/js kn. vreesachtig, geen standvastigen moed hebben; vol*/. Rh. van een haan, vreesachtig geworden door herhaalde nederlaag.

lt;yj ru iJiKiijj\\ kn . df) scheldwoord — quot;fïrj iu 2 rjaji ? B.

rjtrwrfajiiHiyjs kn. los, niet vast, zooah een kris in de schee\\ bv. oan een veer aan de haan van een geweer door slijtaadje, ook los, in het spreken zva. nu iuj(ij)jj\\ ook zva. lt;ru i:ni\\ niet dienstvast. — ij rri ij 00) hiijj\\ losmaken, afslijten, {vrg, ij 1:1 ij up hiijj en ijiwjiun(lajj). — ij ^njijih?^ den schors van een boom afschillen, tuuj uf ij w i.?i\\ pass. — 7 }iVV \'J) hi\'l a%en0,nene schors «/schil;

van de schil of schors ontdaan.

ij n u 2 rj jol 2 nnjj \\ kn.; ij iji ? rj nj) t hiijj iets in een koker, zooals van bamboe, met ecu stamper of iets dergelijks stooten of dooreen stampen {vrg. ijirujaoit hu ij bij vj wp 7j 112 nvjj). i n ui/i r. ) rj (uj an rj n u i ij (i.d 2 •uil/j\\ of bij verkorting ia ij iu 2 rj oji 2 hiijj\\ een ver-wens ching of gemeen scheldwoord.

,ru(k^ivm/j\\ kn. buitensporig, uitspattend; brooddronken, WW.

antfjlani/j kn. glad als een aal, slim, (Rs.) Rh. irunn (unjj en fji iru»Ji (urijj^ kn. geschaafd, van de

fruid {org. 1 u rjhji ani/j en rj iu rjoji hwjj).

nunj /Ji (^gt;11 jjv en iamp;inuvj iJi(un/j^ zva. rj iu^aJinsnjj\\ ij ili rj(kh itmjj en lt;u rj iu ij (hji (bvjj \\ kn. geschaafd, van huid, zoodat het vel er af is {vrg. lu/Kiinbiijj iu vj oo) nsiijj en ij ili2 ij (ui 2 (unjj). — iui ij ru vj (tJi nsiijj of vj af ij di iisiinaakt uitgekleed. — nj^ujno) (i$\\ iemand naakt uitkleeden of uitschudden, van alle kleêren berooven.


-ocr page 729-

111 i ^ ? asriji

,, nnrjitJiiiWiJ en Mtjtut ytumMft of ij^ii^uu opcut) blaren licbbeii of krijgen, geblakerd worden {org. ^u^Midsii^).

y iliiimiiisi) rutjirviiiw (isn\\ en vn rj f kw,

tea. tyriSim^miciiHtJi en :i~j lynuhti \\ {Sir. lotji-ta, gesproken; dloijiia, overdacht, wat men overdenkt), i/ii r/iijii i\'l.i ii nan i/ ij\\ bij rich zolf denken of spreken, njin rigiSliis»lt; stiisf. den. \\V. 1. 190.

iw\\ uf iSrrrm kn. T. vefir aan de vleugels of staart can een voyel, slagveêr, schacht (onj. gt;fnp);

vleugel van insecten, spaak van een wiel. mini

D X A O

ie.i ju n i\\ een vecren pen. njnn^nm^nnt^arn ~n

,iu\\ een lampcötamlaa.id met vleugels, (zijbladen) tot beschntltiuj tégen den wind. — tnius en i ri ris gelijk vcèren of vleugels, bv. xm rirtj inu »ls hommel vleugel s vau Idcur, d. i. zwart met groene weerschijn, rioitri^ als krekelvlerkjcd ui. zoo mooi geieekeud, Rh. vi n i }j van de

tanden een weinig gelijk af en aan beide zijden een weinig schuin ingevijld, Kr.— k\\ iu\\ slagveeren beginnen te krijgen. — u nu-yj ann\\ figuren als vlerken op een batiksel, Rh.; de latten van een rjim rmMnjfs SG. — i j u rn\\ van veeren voorzien, hv. een pijl, PJ. op een batiksel ilguren als vlerken maken, Rh.

11 uitzetting, nitdijging, verwijding, uitrekking, uitbreiding; uitleg, bv. van een stad {vrg. i?i u i). — ii n i\\ zich uitzetten, zich verwijden, wijder worden; rekken; uitdijgen; oolr een trechtervormig ineengedraaid strookje kokosblad, dat in liet gaatje van de oorlel gestoken wordt, als men geen oorknoppen draagt, om het gaatje groot ie houden JU. volg. Rh. in de laatste bet. ujyQin {vrg. tj)\\). — :Qnv}\\ iets uitzetten, verwijden, rekken, uitleggen, uitbreiden, bv. de grenzen van een gebied. — i rrTrnriim\\ iets verwijden, maken dat iets wijder wordt, rekt of uitzet.

of (Qi^\\kn. draadje, scheutje, van iets dat lang of dun is; streepje, smal strookje. kw?\\ v.i\\ of i.i een draadje, enz. een enkel haar.

wrjajt(hjjahiv^\\ een draad garen; ook een heele draad van een streng garen. twee bam

boezen {vrg. ruirrj r:nii\\). »ƒ i draad

vinden, voor spoor knnnen vinden, bij het opspo-(ruts Gi5

ren en navragen van vermist goed {vrg. iiitjacu (EjI Sn ij au i imjI bij ij iicu u ij). — iQ v.j \\ iets dat lang en dun is, uit een bos trekken o/los trekken*,• den draad (dwz. het spoor) van /^zoeken te krijgen. (t) (vj xm^seenplat woord voor eten, AVVV. — / /

rj r\\onjjs een zeer dun, smal bamboe latje, CP.

n / o s n / , , .

— i\\ \'Wtf\' n \'yN het gevoel vaneen voortgaand gekriebel in of op het lichaam, zooals

wanneer er een klein beestje over kruipt {vrg. (tm

(^. .. O N Ov O S ■ 1 • i i i) X

ri hiyt i ihii i,ty ijs overal gekriebel. —ny ny

n.uip zulk een kriebelig gevoel hebben; oo/c van

geilheid, Tj. vrg. lt;»»gt; .Lniuqs h i:,\\ kruipend

o cy \'

vorderen {vrg. ioi v i ).

ni\\ oók nj\\ kw. gelijk, n i ifn {of n i \'mquot;) n i .iu \\

het geheel van de brief (al wat ik te schrijven heb)

R. {doch n i kw. ook zva. hn«rn \' M) welllgt beter:

het doel of de strekking van den brief. iu ook ■*gt;

zva. -tyu* zie K. 5, 49. (mi if un gt; n / /ƒ -rn er zijn velerlei; en begin, oorzaak. nrrïf^Knzva.

ii?) rii r inntibnHi/j\\ reden dat het zoo is; want, na-

i.. i cisquot; , o/ a\'c\\„

melij k. n ] ui .tw ^ \\ even als. /11 tn \\ en luans zie

ben. oj} ni\\ kn., (Ki ips kw., het geheel, alles,

gezamentlijk, alle. iu alle zaken. /./

?i i nquot;iU trn tij ^ onji \\ het geheele onderzoek.

a\' os cv

— un /11\\ zva. rtiw \\ w im ni\\ e7i Ki.niin i.iiti

h i\\ kn. het geheel, alles zonder onderscheid. — *-i\\ of (un ris gelijken, (un^rjajiiin^s geheel als.

— W 0/ miri mis om iets zich niet bekommeren; iets, zooals goeden raad, in den wind slaan, zva. k^cuiamp;is en (un iL,i rj ï/»»lt;nn „jurj iuiiw In PJ. zva. vi lt;)n n.nr} imw n nuis leg het uit!

s r s , O / v

ix^s of d/niip kw. zva. iinvi {vrg. jjnnp). kn.

klanknab. van iets dat rekt, rek! vrg. amaij\\ ivy

np enz. öö-^een klein soort van aardworm {vrg. (ijiqjis

en n/n nys zie hoven. — nvjin^s zie

beneden.

s

Tjiriis I. kn. uitgespreid, bv. van rijst, peper of tabak, om te laten droog en. 2. k., zie rinidw — ifntj lus kn. iets uitspreiden of uiteenleggen; iets verspreiden {zva. [fcj^ihiKHii^srirjiHns). —irvirjieis zich uitbreiden, Rs. — iv n r;n kw. effeny vlak; gelijke grond. kn. sawahveld, nadat het voor de tweede maal geploegd is, eggen, om het voor het in den grond leggen van het zaad en de beplanting


-ocr page 730-

^ tuts

geroeil tc maken. G. ou/c zva. i Tj. — «li

i?) ij iu \\ het uitspreiden. — tui i w ij ri/ m (rnjj\\ iets om er op, in of mee uit te spreiden.

»ƒ nu - 0/ i n tj n i2 ^ N., \'ïj iu \\ of .tnrj noord,

het noorden, noordelijk, tf tui \\ naam van

een gemalin van Daniswara. t- t tj njii of k ? ij rf nuifms de noordkant, of aan de noordkant van ...; beuoorden. — li tj rvii\\ ici tj iii\\ naar het noorden gaan. — m wrj tui\\ iu (i7i n ru \\ wat naar het noorden gaat, het noordwaarts gelegene. — 1 gt; 1 1 tj 7ut\\ f in /ƒ a ;\\noordwaarts gaan, noordwaarts. — -iTitj 1 Lit\'titj it 11 \\ of it) l:i rj m fntjun\\ en tin ij ili nhiti hnjj of (Ei m rj gt;Li ~n tin w/j\\ iets naar het noorden, of noordwaarts, verplaatsen, wenden, brengen , schuiven , enz. — ».gt;» n it ritn/js mi tj n / •ti niqs ten noorden gelegen, zicli in het noorden bevinden. — no .l/ï it» tj iut li ihi/j ilt;u iLI li rj ru tu

te veel noordwaarts.

TUt t7 n i. n., tl \'tln k w. , L I HO it,njl^ k. , cni\'H qv ki., pijnlijk aangedaan, ongesteld, ziek, krank; pijnlijke aandoening, pijn, ongesteldheidj ziekte, zeer, ongemak j leed; pijn hebben; ziek of ongesteld zijn. jli^htandpijn, kiespijn, tu-nun asits hartzeer, ergernis, lueJ; gekrenkt, geërgerd, zich ontevreden gevoelen, u n/^runis mee ongemakken lijden, deelen in de ongemakken mei iemand, ru mhiiTjiHis poet. van aandoening weenen.— nm fwm en lh urn iirti\\ kn. bitter, zooals in h\'ii-ter schreijen; bitter gegriefd. — rj h.iiti n rn\\ rj(Ki 2mii tbn ^i Kti .Liiq\\ ziek of ongesteld. — n.i ru ■n\\ (Ijkmku (isnjj ■ een ongesteldheid of ziekte, in

den ruimst en zin van het woord, ongemak, pijn en

i O O o

smart. — ui ru-ri\\ kw., iijiiirn\\ n., r.nuHij^uu

Liiij\\ k., kwellen, in strenge tucht houden, pijnigen, mishandelen. — lt;Lri\'n hj\\ minnes tyh rn nqi?i\\ iemand pijn c/leed aandoen; pij

nigen; iemand ziek maken; schadelijk voor de gezondheid, ongezond; ook barensweeën hebben, in barensnood zijn. rrn ijinm^n/f zich zelf kastijden. uil ru\\ kn. ongesteld geworden zijn; pijn lijden; in een pijnlijken (treurigen) toestand verk(!eren. ;— li tj mo ij 101 \\ nn h ii isti iln anjj \\ ii \'11 aii ■ rt q in rj im \\ iemand ziek maken, ziek doen zijn; ziekte, pijn of leed veroorzaken of veroorzakend. .iri\'ii nn ~7i rj nniii i,n\\ hartzeer, ergernis^/*

leed veroorzaken, krenken, deren, ergeren, ontevreden maken, — n^wi\'u of a^iwris poët. zeer doen, pijn aandoen, ziekte veroorzaken. — (run (to^rivjasniHijjs overgevoelig, ligtgeraakt. — nm (rrirri(Hijl\\ lijden door armoedige, behoeftige omstandigheden. — irutrhinitrn/f of c^rwyiaaj^s en

^ - ; ■) o

iKi hu m/j of l 1 Ki l 11 hiji\\ een arrestant; ecu

gevangene; gevangenschap. A ku?iÏ(kiih?itifiiw/js

uit het arrest ontslagen. — tLrnpjtHij^ of ij

O on * r ^ o D

i l I ti uj in en Ki uriiUKinjj oj l i 1.1 n ti ui^h 1 j \\

ziekelijk; aan ziekten of ongemakkeu lijdend.— li ci . * 0 . . n

KI HH (IflKin/j of Ijl\'li {OJ \'UI LU) iU (KI UII Kil \\

f O O -

zva. )U ILI gt; » (Hl/j OJL ) gt;K I ». II (ls7lt; llfl/j \\ \\ lt;VI KI h II il^ll dO/jI) f

ij nm t (U 40 gevangenis, ziekenhuis, gasthuis. — tui (Kj/j ini.un/i^ plaatselijke ziekte, PL. kwaaddoener, deugniet, kwaadstoker; (toovenaar G.). .u.wjj h?i l^ tj schurftziekte. kt?(isïgt; koortsen,

als plaatselijke ziekte. PL. lt;ni ern:i\\i a|j .u un mh/j\\ een aartsdeugniet. — (uiun\\ uiklhniWjp pijniging, foltering. — ihunis (in de spreektaal ook ifiquot;gt;)n) en .\'11 i h?i uiji^ iemand pijnigen, folteren, mishandelen, na ili iu\'n\\ pass. — u

Ki tol ifll \\ meervoud.

ii. nrris oj heter {tot onderscheiding van i.).

O

\'\'Yt 11 \\ kw. zva. (in 11 n (M^naa/i of utiHj^s \\n rri ia m 11 n kn. mejufvrouw, titel van dochters van achterkleinkinderen van den Vorst, zoolang zij ongehuwd zijn, en die. als zij gehuwd zijn, hijmi •ffl1! ftQWJI gt; 0f 1 a^s ZV met cen prins of hoog amh • te naar huwen, n tj 10 w ^ridji^ , genoemd worden, tj Lit21/^ li\\ of tj vnt ini m\\ juffer, betiteling van een fatsoenlijhwws]®, dat niet van vorstelijke afkomst is, zooals de ongehuwde dochter van een ambtenaar of ook(volg. \\V.) t;. e. koopman, {liet staat gelijk met r.n (Yt^ van jong es) Zoo ook wrti-riw \\ rj am t tidjti oji\\ een benaming van de opium {ii £11:1 lOjj) \'171 de spreektaal. \'H ^i tw (nn nsnjj\\ naam van een bloem, tun i.i^ uKHifj {voor iLi n htin^tntm/j) N, en door misverstand w kii iifyyui (rnjj \\ k ., een geweer, waarvan de lade niet zoo lang is als de loop, een karabijn; een jagtgeweer met enkelen loop, {eig.

een ontbloote juffer), nn of run(Qna.isj/j

Ch

naam van een schoone vrouw, die dikwijls bezongen wordt, en naam van een lekkernij, Tj. — ( n n mjj of iuh hn/js een door meisjes in reijen uit-


-ocr page 731-

n

HI gt;1\\

gevoerde ilniis. ii-nfjyiian.j-. in rcijeii tegenover elkander dansende meisjes. — iu tvim n in-t een meisje dat den ouderdom bereikt heeft, om als bijzit aangenomen to kunnea worden. G.). «cm 1. KW. sva. im.tp mjiu.Kip en —

i. s., gt; K-gt; vloeibaar zijn {eiy. loopen),

van soldeersel — 3. ni-n\\ kn.; n

Ki)., spoor vau vermist goed (yry. jimouk^). .rL\'rgt;j\\ spoor vinden. — rrn\\ jjifQ h i j\\ ojfsporen, op het spoor zoeken te komen, opzoeken. — 17) ij\'d ii»-\'»)\') kvi\\ en unitiitu riminv^n

»1, \' \' co \'

n h n \\ met ieis op cleii loop gaau, voor: goed, dai men van een ander heeft y voor zich houden en niet terug geven. — sleuf, geul,

greppel, voor, in den grond (vrg. wi vj n i tHj w/j); ook zva. (nuii \'iu(H)ji\\ en een gracht om een vesting, — zva. n / ^ hi j en met n »rj n

injjs \'h. — fjjityntjis in of voor ieis een sleuf, geul of voor muken. — uij:trrl\\ de lange balk van een dak, zie mi(Uiüujj\\ bij k» uiiW/p ii i \'tï \\ kn. middel tegen verzuring van dc tj ani injj, zooals spaanders van nangkahout en kalk wat er , dat in de bamboekoker gedaan wordt, waarin de iUj_ Yj mi Miji wordt opgevangen. w r/ -rtz.hjs bij de legengt; wanneer die lot suiker gekookt wordt, n.i ^ doen, waartoe zekere bladen gebruikt worden {vrg. \\m vip i^huiiij\\). ru lymvan voorzien; een ander zie ben.

rutj\'Ds l. k\\v. zva. ilii tia.i/j\\ — 2. k. , zie vj v.tn ti-ji j w iij ij gt; ii/n ij i i è Miy zie x n ^ ,c» 2 i\\nj^ \\ — i n ^ gt;)n of \'U rri ij\'ti\\ kw. zva. mi 1\'i i t of un ij lt;n)d(icis\\

»y \'»n kn. het water dat gewasschen rauwe rijst van

zich afgeeft; vrg.

00.00 oo -.00 O

nrt)\\ of KW. zva. tirngt;\\ of •rrri^w — ui

000 »0000 o 00^0

of rn nu ~t)\\ en gew. rwtin int\\ oj ni

/iet geluid dat men maakt om een zuigeling in slaap ie sussen: suze-suze! — iri-riiiï\\ of (ij M o-rn eew kindje met dat geluid in slaap sussen {vrg. rj in tli ïj iu ru\\). JU. volg. Kh. nirr) no-riN een geluid om eenden die gevoerd moeten worden, ie roepen, ru nru tl zva. 11 ^x

heen en weer zich bewegen van visschen, schepen,

• o o zie (k);}ir~n\\

irtiiyw., im.^\\k,, wat voor iets anders in de plaats

gesteld, gegeven of gekregen wordt; in de plaats van, in ruil met, tot vergoeding van iets anders \\ restitutie; wisselen, ruilen. /11 11 iuOji van plaats wisselen, zoodat de eene komt te staan, waar de andere gestaan heeft; op een auder stuk papier overschrijven. /»briefwisselen , over en weer elkander brieven zenden. gt;u^^1 rj tetwrfn iKi i£i\\ met elkander van brief en naam-teekening wisselen, malkander over en weer stukken toezenden tot wederzijdsche onderteekening. u 1 op een anderen dag. zva.

erti uinsin elkaar beurtelings met do piek stoo-ten. — itumtuT^ telkens over en

weer verwisselen, bv. van zitplaats.— (»:)-r.x »:/

voor iets iets anders in de plaats stellen of geven. — fi rp of rfKjinp en

an \\ of ij Kn ^ ^ verkeerd; in de war zijn of raken; zich vergissen, jy;rn hli verkeerd

, o \' n o o ..

en 111 de war. — |.j y nt hj\\ een obj.

verwisselen, verruilen; voor een obj. iets anders0/ een ander geven; iets vergoeden, restitueren; iem, iets anders in dc plaats geven, iem. iets vergoeden, A. 0. — iwn r\\j rjniiihij^\\ zva. ht) ij n nj.iciiiH) j (zie boven). — nrt ^ttrj uns 11 .fttt nv

.})ti •in/j\\ iets in de plaats stellen of geven voor ieis anders -, met iets verwisselen of vergoeden. — in tj n 2 i-n/j of ry gt;uij ri z w/j\\ en tiï ij jf(i 2 imjj of (g. n 1 ij ja ? mi .p wat voor iets anders in plaats gegeven wordt, wat tot verwisseling dient, een ander in de plaats; vergoeding, schadeloosstelling; met een ander of met elkander wisselen of ruilen. — ƒƒ 4^vKN. onafgebroken, de (o/het) een naden ander, op elkander volgen. — li\'itttf hd*-nyn\\ 1. kn. de eerste ontginners of bewoners van

ecu dorp of plaats; de voorzaten. Ml: en kn.

o o X

zva, — .71^/i^tinkn. zva. di^nyurj^ \\

(inijiLitiii u^nis als afstammeling vau den stichter het regt van opvolging hebben in een rijk. — r.-^ t]\\ en gew. iets, zooals de gewoonte

of levenswijze oj het gedrag van anderen of van zijn ouders of voorouders opvolgen of naleven. (ni Tjj \\ 1. n. , iUi^aji k. , zoeken, van kleine

voorwerpen, als naalden, duiten, bloemen en krekels {vrg. 2. kw. zva. tiïtili lu/j^ zachte, smachtende, blik. 3. kw. lijn; zuiver, o/blinkend,

li

II


-ocr page 732-

iWt )

648

gepolijst, van goud. 4. kw. losmaken, outbinden, ontblootcu. G. n/j \\ ook kw. zva. ^q\\ rjam n — tw rj2 arijj\\ een miskraam, ontydige bevalling hebben; ook vanhlauw-verwerij mislukt, door dat de verf niet houdt. —

, O O D O n

n/infj,lliny * kn- zva\' quot;m n\\ Z, n., iU)^ (IJl

ij .w ? (ui (ut rjiini ojiji \\ k. , bij deze of geneiets zoeken te k ryge u. — rri ^ ? gt;y v 1. n ., ^ hji y ,ut ? kz-hn k., ergens iets zoeken, of naur leis zoeken. 2. KN. goud of zilver zuiveren, lonteren. *

o r»

ya/*mkw. zva. mjj nrniw

tj n njni\\ KN.; rj :utj ni tj tu » n naam van een ga-

melanmelodie, R. — slieren, schuiven.

Y ni-yi n tun n\\ schuiven en glijden;^, niet vast

van karakter; gluipend, gluiperig {vrg. r^.;^ n ).

o ,

ti tut nis kw. naam van een soort van kleine strijd-

Jcnods {cmta \\).

ij Jhid ijni i \\ zie hij rj ? w

iLinij 1. kn. spoor van iets dat verloren is (vrg. /u\'i]\\). 2. kw. tirn^\\ ■» nt iUTtqs en iijt ui {\\ zva. ityy u rj ui ? (Mjj (vrg. n N )gt;quot; ook n n j \\ zva.

O O O 1 • • .

en ri i.) 1,11/1 \\ 1. kn. m menigte

te vinden, overal liggen, zooals visch of vruchten op de markt. 2. k., zie bij uj gt;^\\\\ — Maamp;ïitfn nrn^\\ overal verstrooid en verspreid liggen, kleêren, die niet behoorlijk hij elkander gehouden worden. — n ftiqn/n anjj (of • gt;7 • n ^ au Kifj Tj.), wat overal verspreid ligt, vuil, vuilnis, zooals bladen, sfroo, afgevallen bladen die op het water drijven, afval dat weggegooid wordt, enz.; (ook iemand die geen vaste woonplaats heeft, een schooijer G.).— i?n ti.i t) gt;n/ii onverzorgd, on verpleegd, verlaten, verwaarloosd, veronachtzaamd. van personen en zaken, ^(uidynni j vn arijis een schooijer, landlooper. •ii.i\' *i gt;\\ kn. inschenken; iets, zooals wijn of thee ,\\\\\\-schenken, gew. gebruikt van het drank komen aanbrengen bij het tan dakken, (iets, daar wijn of andere drank ingeschonken en uitgedronken wordt, drinkbeker,kopje,glas. WW.R.).— i:? rPgt; {un \\iemand inschenken ; fig. iemand met een wapen een wond toebrengen. — nu -r) j lt;uii luyj\\ ingeschonken. in ^ \\ k d., zie bij iu \'*n ^ \\ kn. 1. jong blad van delempoejang; \'rï\'rj^n kn. zacht; bv. zacht spreken; zachtjes, langzaam, bedaard; en zva. i^n ny-n^s of ij ni ijm (grondv.

o ^ o n c\\ c% o . , ,

en vrg. ni^is). — ri tijturf* iema?idy.ixdit,

langzaam, bedaard aanspreken, G. (om hem voor zich te winnen, Rh.).

\'n^ kn. hoofd, chef, van ieder die over anderen gesteld is (vrg. ui na :hi\\ en afil Jniu/j gt;). uxj^ T)^

o aaji\\ een hoofd van do opstandelingen, ni j ijm\\ dorpshoofd; hoofd over eenige dorpen, met den titel van demang of een minderen tiUi {zooals iL\'i n y f » v. Vrg. u iéïi on \\). dUj i » ^ ku li kampoengshoofd op een nagara. tvi\'m tbn iih jh iitijp m -rif mti rj.uiu Ktijf of iui rti j aji isri wordt het hoofd genoemd van de landerijen, die hij ah ambtenaar van den Vorst in leen heeft (tot onderscheiding van de hoofden op de landerijen}, n^ij 11 hii (inji en ii j n j i.y ij n n injj \\ benamingen van twee hoofden van panakawans in de kraton. — iemand zijn hoofd noemen, als zijn

hoofd erkennen of gehoorzamen. — ririi^L?i\\ over anderen als loerah het gezag hebben of voeren.

of ^\'7^ i\\ 1. kn. zacht van aard, van voorkomen, ook van iemands stem (vrg. een zacht voorkomen hebben, mi njiniv^n^f of tvrri^ van Ar dj oen a bedaard; 2. kw. zva. rjcnizij iinnii^ (vkj. nytp 1.). — of N., J.jY of po\'it., ï t nfs kl)., iets oj iemand opzoeken, opsporen.

■, j-j Y •» ? ^\' of (i^ t/ T) f ? s zie bij nj ^ ? \\\\ r/nnj-n^ of tjm ij ti\\ kn. i. langzaam, bednanl, traag (viy. riï-n{\\ en Mtjni; nalaten om iuts op het oogenblik te doen, er tussche.ibeiden moe poozeu; rusten, van een ambtenaar, die op het oogenblik niet in werkelijke dienst is; ook tva. tju trjnn ir^p jioozen, stilhouden om te toeven. « rji 7ii gt;igt;i ii \'rfnj tj ii ir/mj \\ zonder poezen. — 7 \'? 7 \'i t1 quot; ^ zlla\' iL\'quot;\' iemand hodaunl uiin-

spreken; en een ambtenaar zijn ontslag geven, un y III Y n ^ iyn :jV? ii /,i,i i ra asri^ eervol ontslagen worden. — r/ Y \'n t \'1 \'on vertragen, zoodat het niet voortgezet wordt; iets laten rusten of liggen. — Yquot;1-\' 7 \'r\' ^ V1U \'7 l un mjj \\ allengs, al-lengskeus {vrg. /iJij nnimi ij rj n —mi ij n i

rj~ii q inn (hfiji \\ te langzaam, met te veel tusschenpoe-zen. —i.j y \'i \'quot; \'/!/ zva\' \' \' 7 n t 7 quot; \'y i\'i:l

2. y n-Kf^iV zva- rl quot;njn Y 7,,x

nl. van bruine of roode streepeu zooals bv. van


-ocr page 733-

u

049

ij

bloed op rfen vloer. 3. 00; y rtj ^ 00/c zva. mi rjniB. T. Dj. 21.

w u2\'*igt; n KW. zva. ij n.i? 1} qw

;,u m eh nuw* pout, en in de spreektaal, kn. zva. (im (utvj en rj oji tj 1 c n {waarschijnlijk

van .?Ln) GR.; zie nog hij iu\\

rirnyop zie bij itrns IJ. — twrunitHi/j of 1 j

; u j arijl \\ zie bij lt;ri i \'*1 \\ I.

nnj *i w/] zie bij n rn \\\\

iivnjiit iff/l ook \'r»7^ni2(H)^\\ kn. vliegende witte mier, het vliegend insect, dat uit hel masker van een •ncLim i^ voortkomt {vrtj. ontijs).

tuyj^idw/js zie bij i?ir-n\\\\

ij71/ tj ook ij gt;)7j n onjj\\ n., tj firn itn 71K,,

toeven, vertoeven , verwijlen , poozen, (zich verpoo-zen met bv. kaartspelen, WW.), rusten; pleisteren, ophouden, stilhouden {vrtj. luj/j(hn^ en tj

v o rquot;) o

ij u I fjrri^\\). — tj ri Y ^1 ihj \\ rj 77? in tri\\ ergens gaan

toeven of pleisteren; met iets tijdelijk ophouden,

uitscheiden; iets neerleggen, laten rusten; met

iemand uitscheiden, hem zijn ontslag geven {erg.

O

O

iLitj rhHjs). — 7/ |?j ij -*1 iq )j mi \\ )j 1:1 pi ii^i uiim^

lets of iemand doen of laten ophouden of uitscheiden, opheffen, ontslaan. — b.nj »/; ijn iy anjjs tui ij un (in ri^j ihnji\\ plaats om te vertoeven oj waar

iemand vertoeft; rustplaats, pleisterplaat.

a/quot; cj„ a/

ru hi \\ zie \'ti/i (m w

CV\' • ... O/quot;

itums zie bij juw

thiyinw/js kn., w nuvfls iets of iemand langs den

grond slepen, sleuren, voorttrekken, voortslepen

{vrg. ni \'T) rrr^/j\\ 7^ rm rj ryit\\xi/j en uh tj mi ij Tmnjj),

Zoo ook hrru \'n uvij \\

o

ii.iYi /oj^nkn. rij, zooals van huizen, boomen of tanden; regel, zooa\'s een regel schrift {vrg. up ~n nii/j o cy ^

en wnhity); gestreept G. (vr//. lt;iygt; quot;quot;\'j) i ooi: oen soovt van zalf of blnuketscl, waar-mec het voorhoofd van jonge meisjes bestreken wordt. G. {vrg. gt;u ■*-}]). iinrn hh j . een rij, gc-lid, regel. iL\'n m ni ^ tir n op of in dezelfde rij. tj ut njij,-iitmji geregeld, in geregelde volgorde! K. 20, 94. rut-n 7o? -quot;n un^^ in of met regte lijnen; regelmatig, regelmatigheid, — tynrPihii^ rijen maken; op een rij staan, op een rij plaatsen, — planten. — ijri\'fltyn v toi\\ van dingen, zooals stoelen, een rij maken, ze op oen rij zetten. — itrri initHip op rijen of regels; op één rij met iets anders staan.

ïhtijjs kn. naam van een boom met ronde vruchten, die bij het wasschen ais zeep gebruikt worden: zeepkrnid.

t^njtuwjis 1. zva. (c^nmen^s — 2. kn. gedwee; 011-derdanig {vrg. — iyiviun^ zva. fji\'iï

imp — r j iji (r ij (ui icïijj\\ eeu trillend en bevend geluid met de stembanden maken, wegens pijn of wegens nauwelijks bedwougene woede, GR.

?u\'tjtuiijj\\ kn. een zijdelingsche gluipende blik {vrg. irini\\). — 7V7-n(Ktyj\\ gluipen; met op zijde ge-trokkene oogen naar iets of iemand zien; een zijdelingsche blik slaan of werpen op iets of Iemand. un-riuiij* het gluipen van iemand, ^

i/)i -71 tWjjn regts en links met op zijde gedraaide

, . rt a .na

oogen gluipen. — \'ii \'nKyijj\\ zie (i^rn niijj\\

-n iaijjxKH. gestreept (met smalle strepen; vrg. nu

O Ov \\

n^i uvjjs Tj tl 1 tj •quot;gt;-) KTlJj \\ ij tl ntj r*i Kti/j en gestreept lijnwaad {waarvan veel soorten zijn, ni -rrnj^ tij iuiFji\\ nyt \\ ini {voor verschillende

soorten van loer ik, zie ZG. 1877, 214.) enz.; met strepen, spikkels, van de kleur van hoenders {waarvan ook veel soorten, zoo als nyn 101

o o » o O n t) a rt

hu (u\\ njj ri mi ui^ tii/j\\

enz).

Ijinrjm 1.11 jj\\ kn. een smeerstroep, gesmeerde streep; smeersel op het voorhoofd tot geneesmiddel van hoofdpijn (vrg. iri nlaji/j\' rjn u tj -n un/j en rj wtij tj n \\); volg. Rh. zva. tj tuirj -n tntijj\\ — tj int n uti ij niyjl\\ met strepen besmeren.

tj ti it Yj\'yrntijt\\ kn. groffe streep {vrg. nyntr^/j en ij n i? ijn^). f.i i) tj uit tj\'tt }m/j\\ de gestreepte tijger, koningstijger {in onderscheiding van de wk»

*

■l^ ï^h r\\l/j^ de panter), tj mi ij-n tj w7; ? rj^ri inijj met grove strepen.

ru rnxijjs kn. 1. gezakt , afgenomen, verminderd, afgespoeld ; verbleekt, van het ivaas van iemands aangezigt {vrg. tnxnjj\\ tj rvi? ij nnn/j en ojj in^). loslaten van de ivas van een batiksel door dat die te dun of slecht gepraepareerd is; ook van soldeersel ; er dikwijls van door gaan van een paard, Rh.

/C-

o

ni ri in !hnjj\\ KW. zva. njj(in nnjj^ tj ti i/tj^i? (Ui anjj\\

s\'

(K) (ut \'ti (tnjj en un tui w nui injj of n 1 Mtyj\\ kn. weggezakt, afgezakt, af-


I

-ocr page 734-

nry^

050

»7 H ƒ

gedreven , zooals van regenwolken ; afzukken , afdrijven; afspoelen, wegspoelen, wegstroomen, bo. door den stroom of regenafzakken, als weggevaagd? L. 70, van vluytende iroepen; verbleekt, van den glans van iemands gelaaty G. {vrg. urn iin/j\\ rjiti.M ijnnnaji t en n^ui j). — \'l\' 0f

KWé zva. w u i rnj huw KN. iels gaan wegwerpen, weggooijen , bv. in de rivier; ook voor verbannen.

gt;ƒ7Li^Tiling\\ KN. schijn, glans, blik (:va. tci% iu\\

O / o Ov v f,

mi i^i\\ en n/ n\\). U. — Jji y n i rj n.ui/j of^ii/i ^ zie ben.

tj ttrij ruwjjs KN. n/D ouder het

zitten Je billen godurig verschuiven. — \'/1]1 *(1113 yl\\ iels afvegen, bv, een verfkwast-, door schrapen of schuren schoonmaken.

n tui nnii itcip KN. afzakken, wegzakken; ^.afzakken, zich terugtrekken, terugdeinzen, de wijk nemen {vrg. tn r^w/j). tj in i rj m iw/j\\ iets afnemen, zooals het eten na de maalt ij d, de kajon van het scherm; batiksel in kokend

water dompelen, opdat de was loslate; iemand doen dalen in rang ui\' aanzien, degraderen; om een afgelegd kleeding stuk van iemand vragen, vnrjmz ij afgezakt, bv. van iets daar men op zit,

en van een kleed, doordat het van het lijf naar beneden gel rokken wordt; gezakt, gedaald, in rang of aanzien. n\'1 7 yi2 \\ lll\'cgsel of afval van eten geven aan; ook afzetten, ontheffen van een ambt, 13. T. J)j. 507. — ^ y flt;N\\ iets

doen wegzakken; het overgeschoten eten of een afgelegd kleedingstuk aan zijn bedienden of anderen geven; iemand doen dalen in rang of aanzien.

— ^ n.n ijm wtajis naar beneden afgedreven,^. steenenvan een berg door bandjir\'V]. afstroomen zooals van n mopTj.; met zijn v eleu afzakken, de wijk nemen; afval, overgeschoten eten {vrg. mms wwcmn)\', afgelegd kleedingstuk. tMi / de was, die zich als boven heeft losgelaten. — II \'I

glijdend afzakken, naar beneden zakken of glijden.

— \'7 ,V*r/ glijdend afzakken, naar beneden glijden; dalen, van iemands rang; zakken, van de baarmoeder; (afzakken, afdeinzen, zich terugtrekken, uit de voeten maken Gil.) {vrg. tjiLiirj ui i^j)\\ \'I afkomen te glijden o/zakken ; enz. ij iu r^n?.u\\\\ glijdend neerkomen op. — ^ m i if n ^ .ii) ij hi) \\ iets doen neêrglijden, doen zakken. — iiJirj iLii tjnitap w/j of aji ^irridj ifn^iUi Jii0\\ een pot waarin de was van een gebatikt kleed met warm water afgespoeld wordt.

ikli iisnjj \\ zie 111 i ujj \\

rj ru tj ïgt;kn. zva. (O.nirjyntMV/f {vrg. ij nnj ij rj i i,j\\). ij n i ij i-n/j over de rivier gespannen touw waar langs de veerman overhaalt; ook zva. n de leuning van een vlonder.

m r)of ryirnMji\\ 1. kw. streelende aandoening; genot; ook mingenot; bekoorlijk schoon; {ook gc-sluip. G.), en zva. (ni ijenn i )\\ en 2. kn.

streelend door harmonie en melodie, van muziek en zang; harmonisch, melodieus, toonladder van een gamelan y ook zva. .l/i xp (toon); harmoniëren, overeenkomen met. — jj1 n l)^JI1 cen muziekinstrument of muziekinstrumenten stemmen {zva. itrtn ^0011 vul1 s^em ül) behoorlijke hoogte brengen; dingen met elkander in harmonie brengen of schikken, smaakvol inrigtou of regelen; iets naar iets anders beoordeelen of beschouwen, zoodat liet daarmee in overeenstemming is {met volgend Kihiï\\). Ku ni\'n^yi \'pass. mi iwhiki hiï\\ beoordeeld naar, in overeenstemming met (».»» rihhjs zie boven), kw. fraai maken,

verfraaijen. rj gt;j ] Tj.) ook zva. r.?.u

i.ilf\\ zich diep aangedaan gevoelen. — m-n.hi .»r^\\KN. gestemd, van de toon van een muziekinstrument; op de juiste hoogte gebracht, van de stem bij het zingen; (uitgeschoten, door uitschieting van het slechte uit het goede, bv. van sirihtaljes of vellen papier; WW.), verbeterde mecning G.

O

— Xii n i nil$l tH1/Jn

O o

ni ti Ki,j\\ kw. zva. n iiKrjs rij iei /rrj\\ en

kn. goed van de hand gaan, gewild zijn, goeden aftrek hebben, van waren {vrg. iw fi i,h,j) ; ook wel fig., bv. van een danseres. \')[\' \'J^\'l üf

..ti riniKi^s het goed dat liet eerst beneden de waarde verkocht wordt, als middel om de rest gewild te maken. — irijfotriwjj kw. zva. u i,\'i^ w rj rj i.j ^ n van het verkoopen van goederen, beneden de waarde, als middel om de rest gewild te maken. — ru rri i^i ^ rnji ge-


-ocr page 735-

S^s\'^N

lukkig iu het verkoopcu. — lu/ jj»i i_yj wy \\ middel {kunst of toovermiddel) om zijn wureu gewiM te maken.

. ) O

K, zie i v\'c)

;n» ^nKN-van oüH zwht wind

je of zacht regentje {vrij. -fi n {\\ i tr n m/j en (rn) iu ki/gt;). tmjfl\'-n J-ijj \\ of zonder ir^ ut (h^/j Tj. zacht regentje, en benamïmj van een soort van batik sol.

^ \'dJl üf KN\' ^11 13,1 WC1 zonquot;

der bogten en bulten, van iets dat min of meer lana en rond is, zooals een arm of tjeheele lichaamsgestalte, een piek stok , enz. (vrg. i/n n j m/j en

i n ■ n a^j! 1 .)• i quot; ^ ^ ^ n zva. vn i n ry t) ^ \\

i .) o O . c.)

htiiEi tjj t\'ii nu hi nh Mhp^hii

,/tj inji Men), zie inn u

y jh »ƒ\'MtK^NKN. sehninseh, schninsch afhellendjniet in ernst, niet regt gemeend; in schijn, alleen voor het oog. y /i njTiajijp gevecht voor den snhijn. Gil. oo/c slinkseh; volg. WW. wellustig, wnlpscli. kw. zva. f j ia\\ *n i ij^n al vechtende retireren.

n^t)n ri t n .u; /»/ r) »ƒ .o \\ kn. laven -

del, lavcndelkruid.

vV quot;) ) quot;)

niri\\ K\\v. ryrt. aoi^trn tj n/ni\'rt mi .hinu/j en gt;»)lt;/»,ici/in kn. zich er niet aan houden, niet nakomen. — rnoji hii ~/i) n im\\ iets, zooals een belofte of raadgeving, niet nakomen, veronachtzamen, in den wind slaan {vrg. ifiuns).

\'ii i\'ii i i lt; en n m rj jji ^\\ zie n i rn ijasn n./\'n.tti^n kw. zva. ij L/i gt;• tij vi^ u^ vrn ry^x ïiiitui (ujjs kn. 1. zva. n rn riyjs (Ki n i n .iji/j een laag bv. steenen. n rri (ui/j de gouden of zilveren plaatjes waarmede de twee boven voortanden als versiersel beslagen worden; oo/c de gouden ol\' zilveren plaat op het voorhoofd van aanzienlijke personen. — 2. vaart, snelle loop, snelle vlugt, bv. door de lacht enz. of erg. heen, snel voorbijschieten, van een lichtstraal of flikkering; het dalen van de zon ; gellikker, bv. van een sabel die gezwaaid wordt\', rigting, strekking, bedoeling van een woord, gezegde; vlugtig of eenigzins blijkbaar, van iets dat maar vlugtig vernomen of begrepen woidt, R. eenigzins blijkbare overeenkomst, schijn of schaduw van gelijkenis, WK. schuw; schuwen. G. — ri n

voorbijschieten, naar beneden strijken, bv. van een vogel-, naar beneden hellen, in het westen dalen, van de zon. iti^i zva. u i .u iuid^ijj\\ wegvliegen van een pijl, Men. H. — lt;uii quot;n (u/j\\ zva. itii ririia n/j\\ een kleine vliegende, of liever , zwevende en de boomen bewonende hagedis, met vliezen tusschen de voor- en achterpoot en aan het lijf, gestreept van kleur {vrg. mu ijomrizs). — »-i ti iui Jquot;» n met een vaart boven erg. heengaan; een obj. treffen van een pijl-, de tanden of het voorhoofd van een voorzien; volg. Rh. zva.

in gt;i im ij hi^bij lt;./?ij u lètj\'gt;i i\\ tem. met een lans of Vijl treffen.— r.innu ^ i rj hti \\ iets doen voort-schieten; een pijl afschieten; de tanden, het voorhoofd van urmujj\\ laten voorzi n, {iemand de weg wijzen, zva. hycj^in ij iin\\ G.); iemand aandienen , aanmelden {vxg. rriapinir) hii\\). — iuni iUi iHij\\ 1.aandiening,^, mnm-i riiiu^iiVyj^ zonder aandiening, zonder zich te laten aandienen. 2. {of cui n m iu ^ i iHijj W. 11, 277) Ki.vanxm ^i {nl. naar het schitteren van de lu-n(uij^\\ op het voorhoofd). 3. van tanden of het voorhoofd\\\\\\v\\ n.i\'yiihi/j bedekt. — M rwyuu ^hhijj\\ aandiener, aanmelder; de persoon die een boodschap aanneemt en aan zijn heer overbrengt.

iv^iiji iijijl of iu iu (Ujj\\ zie m irnjjs ui }iaji/j\\ kn. gellikker, nl n irnn^j ilikkeren ; schitteren. Men. niwri(Ljiji schitterend, llikke-rend, B. P. I, 25.

O o . o o O et

n i tiuijj of nimtuijjsKyf. zva. tigt;bnêri ^ii\\ cnithi —i

/1 iji en \'*~iihi Si u i/j* kn. stomp, bot, of ecu weinig schaardig, van een mes; beginnen te verminderen, bv. van iemands moed, gunst of drift\', (nauwkeurig nagaan, nauwkeurig zijn bij het zoeken of uitzoeken. — |j? .i/i J) \\ iets, zooals koffieboonen, nauwkeurig uitzoeken. GR.).

rj n i ij-rnuji kn. 1. schuif bandje, schaifludsje, bv. aan een stijgbeugelriem, {vrg. ij ni 2. witte

vlekken aan de oorlellen van een haan.

ri n-ii ifnidivijjsKn. listig, valsch; loopje {fg.), misleiding door list {vrg. iiS[iia\\ en lUiijdmiKii^). nn •iji Lil ij ii ii\'Tj n i iL/i/j\\ of mi rj n ii ij^m iU/i\\ door listige misleiding in den strik raken, beetgenomen worden, zich laten foppen of beetnemen, arti if 1^1112 iui ij ook te ver gegaan, zich vergalop-


-ocr page 736-

njtijHi rm/i\\

052

pcren, Men. — V \'iu iemand Va-

gen leggen, ieniand.m een valstrik brengen, door list misleiden. — lt;uhet leggen van lagen , misleiding door list. — ij n i? tj tj? jw . ? «ms laag, valstrik: listige misleiding.

kn. naam van een soort van kleine zeemosselen , die in de zon gedroogd ^ en daarna gebraden bij de rijst gegeten worden.

niiua/ifj of n iii in js KW. zva. vj n) tjiitin/j\\

ij .rhi )jni(i,i7zie bij ij nsw Hji j n iij * i lii jo/j bij

tj rti t) m j w i j ivi ii ijjs zie bij (U f i p

tu nm/j\\ kn., |:jnianjj\\ ergens naar toetrekken of optrekken, van velen {vrg. nnxnn/i en rmj).

kn. het spoor van een objeet, dat slepend ziö/i over den grond voortbeweegt, bv. van een slang, van een 1c aam an j fig. het spoor van troepen , Rh. {vrg. /wmmy en — \'jV *1 (i7i/j\\ al verder en verder trekken; al verder blijven voortgaan WW.K.

O O O O

itu -yurti j\\ KW. zva. t ij ij. lt;i5Y\\jj\\ u ) \'E}rn iibri^\\ kn.

* ï o ,

zva. 7^ ai)i/i oj ie 11 y asn/i vrg. ii ^ i rn\\ (en

voorspoedig zijn, goed geluk of succes hebben, bv.

met verkoopen. GR.), \'i^ncrtiq kn. huiswaarts

keeren van vee, dat geweid heeft, \'.9 namiddags

(usschen 5 en 0 ugt;\'en, welke tijd den naam heeft

O o rgt; /• Cquot;) . m

van kh ijccm u rgt;) .rn/j of uu rj trnt nnrt) lih.

KNquot; ; gt;gt;}i Tl rnjJs uittrekken, optrekken, te velde trekken, van velenj een expeditie doen, ook trekken naar een plaats waar een wedstrijd plaats heeft, zooals bv. een hanegevecht {vrg. tirnmj en irhi^cmj). — ». /^x naar een wedstrijd en derg. optrekken, optrekken tegen. — ri -n rn rj h» \\ laten te velde trekken, e7iz.0Pquot;

trekken. — \'l-/,$|^0T)//x optrekken; veldtogt, expeditie. — iri^ rr^ihnjj\\ expeditie, Men. ij \\ expeditionnaire troepen.

rjirvtyj-ncrrijs kn. het geluid van iets dat over den grond of in een sponning schuift; afwijking, declinatie, van de zon 7iaar het zuiden quot;f. noorden ; , o o

(vrg. rwnnrnji en ^ n ii tj n-ncrn^), — ^ ij

ofjcniYjnuyrf^s op en neer schuivendc, zich bewegen, zooals bv. een spin, die een web maaktgt; K. 7, 13. — intr. op zijde schuiven, op zijde gaan , bv. om den strijd voor een oog en-blik te ontloopen, zooals bv. een haan wel doei, die telkens uitwijkt om zijn tegenpartij te ver* moeijen. — gt;ƒ ij ntcm/j\\ op zij gaan, zich terugtrekken, W. 1.200; declineren naar het zuiden of noorden , van de ton-, overhellen of naderen tot bv. van de het. van een woord tot die van een ander. L. 64, noot.— y r; 7 M ]] j V quot;quot;N \',l een sponning of gleuf laten schuiven; iets open, digt of neerschuiven, o/* laten scluuven of glijden, doen op zij gaan, met een zijdelingsche beweging doen retireren. — ^ n ni^nm^in/js schnifplank, schnillat, sehnifroede, al wat in en uit, of waarop, iets geschoven wordt {vrg. fi it ij nitirtiMTj\'i).

tj }i li kn. een groote gleuf tusschen twee

hellingen; rigting bv. van een door troepen achtergelaten spoor. — y nidipyitcrn^ schuiven, zva. tjrirjnionp maar van grootere voorwerpen; uitglijden , uitschieten, zooals bv. een tegen den muur staande lam, zijwaarts of onder uitglijdt; een gleuf vormen; zijn rigting erg. heen nemen. — »ƒ

V ecn 0hec^ gHjdende of schuivende treffen ; erg. heen glijden ; schuivende komen in de plaats van; iets verschuiven; een obj. geven in de plants van; fig. ook iem. van zijn plaats schuiven; iem. overtreffen bv. door groote magt. Men. —

Y fi n rj mg eni M/js zva. rtuj ni rrr^ lt;W7 j en schuif, schuiflade, groote lade {vrg. rj uu ijlomwij) gt;j rj ii i? ijni /.rj)tfp /u rr- een bamboe bankje ter rog-terzijde van de weefster, waarover lij het weven de lade (i\'MiVr)) heen en weer geschoven wordt.

iiji\'-nvrn/l^ ook wel kn. overtrek,lakensch

overtrek, van het hout van een Javaansch zadel; volg. Rh. ook een dek bv. van stroc over iets dat gezaaid is, bv. tabakszaad. {vrg. n j^ r^im/j). (Qn i ■rj ittmn een laag van wat over elkander heen gelegd wordt, n^ f f *»r.n^ zva. rx^ -n tuji of }•»

maji.j\\ van de zon, B. T. Dj. 4G4. — arimirns — \' ^ »C. cn

quot; iets, zooals een zadel, bekleeden; bedekken.

(txj) -r^ irnjiKW. zva. rrni am y n

Lj vi im j of ia cu rti/j\\ ook OjIji of nJi iji KN. rust houden, ergens rust honden, bv. van marcherende troepen; tot rust of stilte komen of gekomen, bv. van oproerig en (vrg. rj njt o ^ of ojhu \'Mjj). — in (uirni rj int\\ of rn^iut lt;u rjtH7i\\ iemand


-ocr page 737-

.0«

quot;\\v\\rw

053

tot rust brengen, maken dat hij zich stilhoudt. — mïn (uiivnwjjs plaats waar men rust houdt; middel {toovermiddel of kunst) om menschen tot rust te brengen; te maken dat ze zich stil houden.

poët. ij KN* sp1\'6!; dat waarmee

ieis overdekt wordt; inzonderheid een lijkkleed; ecu sprei, waarmee een lijk overdekt wordt {org. iMMtvrij] en iLi^riartiji). rj iri ut \\ tafelkleed.

x ovcl\'trek van een stoel. — r.| ^.nn \\ iets, hv. een lijk, met een sprei overdekken. ij i\\.)ij11lunjjs KN. — rj ffiy iiitirnjjs scheppen, opscheppen, afscheppen bv. schuim of vuil op het

water ; vrg. nq w ij m 2 (kujj \\

. o . o . O

twrn ayt tazi* (Bi rtitj (V)\\ (li rn(ki (hi^ en mi lt;tungt;

rn ttnji \\ N. zie onder (un^w

(njin\'i\\ KW. zva. *u(c^\\ kn, een lijk, dat

in het water ligt of door het water weggedreven

wordt. — ij\' een in het water werpen;

iemand met gebonden handen en voeten in het

water werpen om te verdrinken.— ajia^ r^s subst.

den. begrafenis, P.T.

(ru^rr»?\\KN, naam van een visch.

o gt; a .

»trgt;»\\Kw. zva. (kiij)\\ (i/n ii/i(Ujj\\ \\ lt;i:)aw w

rj(i7n(ia\\ en njïart \\ (vo/gm^ G. vallei, en een hemelsch wezen van het vrouwelijk geslacht). 1. ü /u\'T) v KN. de ééne helft o/het eene stuk van iets, waarvan het geheel als een paar een iv,h 101 (UJI of tin kin genoemd wordt, zooals een halve tangkëb suiker, een halve këbarlijnwaad; ook wel voor een stuk, een deel van een geheel van zaken die niet een paar vormen , voorn, platte voorwerpen, als ^ ^(i^ ernjj^s een mat. i^num m/j0\\ een plank enz. 0 nin.j)\\ pisang aan kammen

van de tros afsnijden. 0 W-rj unj\\ djeroek in partjes verdoelen. 0r^ru\\ van suiker, die een tang-

kÊb vormt, een gedeelte afnemen, miij) (of M i\'i) O o , .

(tyj)dliT)\\ een kam pisang; ook een tegen een muur

gebouwde loods met een half dak. — tu-r)ju\'rri\\

KW. zva. (TbiaP) (hvjj en 7urf} turrt\\ of i) }U \'gt;» ij

y ju-Vn zva. nm bnG. 2. ook verk. van 11 o . 0 _

*u r)\\ __ (u lüninKhnjjs plaats waar de zwavel

zich bevindt, de krater. Tj 0 0« , ^

ntr}) kw. zva. ajr^ tu foiyj en m(Eq\\\\ kn. een zijdeling-

scho biik of wenk met de oogenj zijdelings, van

»#11.1 / 00 o r)i/ o o». »

1 (vrg. rwrivn^s iynni\\ en (uim ). —

een zijdeliugschen blik slaan 0/werpen op; op zijde zien uaur. — »t i.l \\ mv. — (tij/ (h/i ■?) n poët. zva. (uti gt;1 rrjii tf T)(Hvjj i ieru. volgen,\'

gehoorzamen, iets inwilligen, vrg. bij

o quot;) o O n Q- o

iut}nis — huncris en gew. iJtLin) \\ ihhij^ iii

\'tin of op zijde geraakt; terzijden ge

raakt, van iemands blik; toevallig op zijde zien; zijdelings geraakt; door een schampscheut getroffen {vrg. h\'n(^lt;nn])t volg. Rh. ook doo;* zulk een slag bedwelmd, niet doodelijkgetroffen. (xn amp;afn iu/j\\) — hi tu^ïr.f .nijl\\ in verschillende rigtin^en gaan; uit elkander loopen, van de gevoelens van twee personen; elkander misloopen. — lurri in tojjs zij-delingsche wenk, zijdelingsche mededeeling. G. — iLj) tu zijdelings zien of doelen op.

(njinhKH. dwars {van boven 7iaar beneden)

van een beest; cypersch , van een kat {vrg. avi-n un/j en rjiwnrf n\\).

,L/l ^N kn. weg, alleen van een groote weg {vrg. iL) (tu tip). (i^tibyrp zie bij ,»^\\\\ — te ver

gegaan (vrg. i.n n 1 qnx en hn nn.irjrn). Lnnu^ r^cun

on N van iem. die al maar door draaft; vrg. \\

quot; . . . .... a .

rjn rris ^ »l;\'n »Lr») \\ zie bij nunw

71 n kn. streep, strcepachtige vlek, zooals in het

haar van een tijger, kat of hond {vrg. ^ tur^ rt

taiji en ij tu rj^i \\). — tii ij iu ij n \\ een def-

tig woord voor (nn foi xn gaan, op weg zijn. G.,

gebr. (rv^ eji rj tl w

71 (tu rj quot;tï ? n kn. smeersel voor geneesmiddel, zalf;

vooral oogzalf {vrg. rj (tu tj t\') \\ en (til luiam/j). —

ti(tutq tj tu tjquot;fi2\\ met vegen en strepen, bv. van

roet (vrg. n k» n »ƒ tj) tj *12 \\). uti tj (tri rj n\'i 2 \\

besmeren, fig. iem. een smet aanwrijven, Ra.

■rj tu2\'1h\\K\\y. zva. tu tiw G.

ai

rjituiij rjnkn. zva. 7f tui tj ti htijj quot; en tjdjitti tj-riw \\ n tj) tj pi2oj t)n zva. (EJi(tj) tj2 tjrYi htiji\\ (thihnji of (üntuutijj\\ 1. IIoll. kn. lak. — 2. (tu (Httji zva. (tj^ ui u uitwatering van een ri

vier, tu Hri Hit (Hi,i of tu utt ^i) tu hfijHi/l^ zie ihit

(WtdO^

v} n MivrjHti/i* fji hv/j en (un^(nnjjsKVi. zva.o^ M q \\ en (tJi Ktttup van het hart.

ni u*ias ^• kn- z^e !*m iljilLi

bogt, wending, Tj. — 2. n\') \'(\'yjs dr., zie tj tj tu?11.


-ocr page 738-

n i wijf

• C)

gt;1 rumï/js zie xm ij n i

gt;1 ivit hnjj\\ 1. kn. zie ifm tf n if nn/js — 2. ^ iu2i}n)jj\\

Ar., zie ii(rug%\\ TI.

a. s * o

iunn\\ kw. zva. üs an \\ en run i ri^wj nn

n C) li

zon. (ui iijrtmn\\ verguld.

ifhn.ns kn. de man van een vrouw; {tegenover \'gt;7 r.n ) en ou i/ii \\ of am rtt uii n kn., \\ ki., een

mau hebben of krijgen , huwen, trouwen , van een meisje of vrouw {vrg. ri n*j\\ ij im? rj iK?\\ tf t~igt; en ik kruisen van vrouwelijke

heesten, volg. WW. in den paartijd zijn; ook passen in, van een sleutel in een vreemd slot, hij u u gt; ivm\\ gehuwd, gehuwd zijn. wfUHnnnrrls zamen getrouwd , li et h u welyk. .mu htl; ti iri? \\ zoowel man als vrouw; man en vrouw te zamen; {vrg. 7J) nr] (w (isiiji); (ui {of (ui irn on/j)0 proces tussehen man en vrouw, zulk een proces hebben. — j}^^ irjiuniuj\\ een man tot echtgenoot nemen. — iijnj ij h n hu ~jiirj kv \\ een meisje of vrouw eeii man bezorgen; een meisje uithuwelijken. —iu ijwi w/j of tijrvrtj hti(hnjj\\ paren, van beesten {vrg. ui uk r.innn); van een vrouw, veel mannen krijgen, trouwziek. — tnirurfmiwi/p als getrouwd, van hamhoés, die als omstrengeld, door den wind bewogen en over elkaar schurende, een \'piepend geluid erri Mii/j doen hoor en: K. — wrvihiis het huwelijk, van een vrouw-, de toestemming tot een huwelijk, van een vrouw, KT. — m nnjihïi mi^ii de toestemming tot een huwelijk geven voor een vrouw. KT.

enji wn \\ n., k., «b» ki., gang, loop,

marsch, togt, dc gang van ie/s, de wijze waarop iets gaat; voortgang; handelwijze, gedrag; leefregel, die gehouden wordt, boete, die men zich oplegt, om Iret een of ander, dat men wenscht, van de godheid te verwerven {l/v. zic/i gek houden, op Donderdag gaan bedelen, zich van deze óf die kost onthouden, enz.); ook de wijze waarop iets | gemaakt is, bv. ru ^ojii tui met een aanvoeging, niet uit een stuk, Men ; {ook het eerste of dc eerste verzen vaa een strophe in Kawisehe zangwijzen, waarin de rhythmns en melodie door-loopen, in onderscheiding van het laatste vers , waarin zij tot rust komen {if u rf wij y) JR., in zamengestelde uitdrukkingen, zva. n^ui,y\\ en

/ .... jj !Fj1 FjI ^fl { \\\\ 71,1 hij 9/11 Op UICUWC WljZC, UICU.

werwetsch. rhi ki^ rhi rj:ij) \\ een groote stoet (t;#» menschen op weg), a?i\\ bij nachtreizen.

n i togt te scheep, te scheep reizen, nu

icïj rjam ijiij)d iunji\\ gehurkt gaan (-zich gehurkt voortbewegen). iji/iuri iu j /!;»h\'ri\\ geen vergeefsche reis doen , d. i.slagen, zva. ijrnz ij ili {ctii rj uiw ihn m/i^ rui ip het verliezen in het zetten, bij dammen, schaken enz., als de tegenpartij met zetten vooruit is. fEA-Ji.^s benaming van de schrijf-

v. -p

wijze of spelling in Kawi, waarbij de klanken van de woorden nauwer aaneengeschakeld worden,zoodat ze meer doorloop en {bv. vj aivi w on rj ivi i nu ivi

rm (Lii hi (hn un pi lli \\ in \'plaats van: rj .tw an

n o o» O a C) o \\

(Hi ij ui 21 li ui (i^| un (Vi (Hi run an hah \\\\).iiuin^ nu ktj^

rLi fji f rvi iEjI ~ji q \\ dc gebruiken, bo. van de Ja\' vanen, of van een land. aJiiruiHi^UiUr^rj^^ae^ •nihii/j\\ de gebruiken van de pradjoerits, zooals bij het marcheren en het gebruik van de wapens. — tv^yhimy (^. i\\ji foi ^/i q\\ op reis gaan, opreis zijn. f ji rui ?m hii ^ rti \\ van de reis teruggekomen. rj vi2Kj.iuigt;i^s een reiziger. — of

/• a nj IEjI hij \\ n., lEH Of rij amp;l (EJI ~l ^ k., Ibll (Hl

fhiyis ki., gaan; loopen, marcheren, reizen; op weg zijn, aan den gang komen;, voortgang hebben; vlot met iets weg kunnen; routine van iets heb-ben. u i fJi im cm ij m {of ani cni ij ui \\) in dienst zij n. hijic^rvjifjihijs het er volstrekt op gezet hebben, volstrekt verlangen, Adji Saka, W. beter kti-f » i li h ij \\ zie onder. — ini rvi i.rj \\ kii ru ofi {\\ algemeen aangenomen, in zwang gekomen; gewoonlijk in zwang, van een gewoonte. — rprjnn2iuj\\ ir,iTj7^i?rm\\ iets begaan, verrigten, bedrijven, plegen, doen of gaan doen, uitvoeren, ten uitvoer brengen, bewerkstelligen; deelnemen aan bv. een sajèmbara, W. I. 120; een post waarnemen, bereizen, een weg afleggen; ook ondergaan, ondervinden; en tot verwerving van de noodige lakoe doen. — ini rvi rj iToii (hnjjs hti /ui ifji {(un onj^ v uitgevoerd; geschied, gebeurd; geschieden, n\'n ni iJ rurj\'Hiitwjjs de {of het) gebruikelijke./l/w/10 rtsN^u de gebruikelijke gewoonte. — ini rvi hij (un (hijj \\ kn. (#. h rvi (Fji ^1 % i/n mij\\ k\\i.)iemands wandel, gedrag. — r) ij hu 2 nri ^11 rj mi \\ r i o ui ^(un im nnjj\\ doen gaan, loopen of marcheren; troepen laten marcheren;een


-ocr page 739-

«rr

055

bode uitzenden; een brief met een bode laten gaan; gebruiken om mee te loopen, ho. zijn voeten; geld in den wandel brengen, uitzetten, in den handel doen of op rente geven; een vaar- of voertuig voeren, besturen; sturen; een zet of schuif doen bij het schaak- of damspel; van een verhaal een m mi 2 (htji\\ maken bij het wajangspel, (een bedenking in het midden brengen of opperen, bij een beraadslaging, R.). — vut ij miz Mi,j\\ itiui - ij (un te gaan , te begaan; gaans; gang , reis; bedrijf, onderwerp van een wajangvertoóning; stel pijlen {waaronder men vier stuks verstaat), m tif niti on/j of ijrurfwi !hn/j\\ en Mjj of ^tu ei ^iqunlaji\\ ambt, post, betrekking, WW. werkzaamheid, Rh.; iemands lotgevallen, wedervaringen, ontmoetingen. — ajiiwjny of na en (ut tri\'fjt gt;\\ of (L/1 rp f \\ ])laatsbe-kleeder, de waarnemer van den post van een afwezige, WW. R. een afgezondene van de regtbank (een kabajan) om iemand voor de regtbank te brengen. G. — iEit nru) h tj \\ ifjt rut vjt ~j1 zva. (ruyM in^\\ njj f i m ut j \\ maar mei de bet eekenis van de vorm van het werkwoord, zoodat het een gaan met een doel bet eekent, op weg gaan, zich op weg begeven; in de spreektaal ook ff ten \\ of fitnt hiy

en fff mi oj bi ruiEA door omzetting van

O

de beide eerste letters voor luj. amp;tntp en (tt rut

iht^iqw bitliftfti\\ n. , £t tut vjI-Jt % k. ook zva.

iTifmninjitrnji en itrtm\\ iets verzoeken, om iets

vragen. ri nt^ if i tcr^ \\ trp rf t - »^ ff w N TP. zva.

tj ia * tut ij da? tut anq\\ gaan wandelen {vrg. w m (S

(ui\\). — /rirj tmi ty n ff Ti ^ i gt;uil n iemand iets

verzoeken, tsn ^/ifaynföjrujj verzoch\'t worden

om hulp. — w tut tlt;ij\\ lt;S tut amp;1 \\ zich wenden

tot hulp bij iemand, en iemand of iets opvragen. a

— tut tut rt ? im Ktj]. zva. n t rut EjI . j^tunMt/j\\ m den zin van post, ambt, betrekking, GR. — ut iwtifitnt? Tfi/j tut t\'jt r t, ^ tun m j dagelijksche werkzaamheden of verrigtingen, vrg. r^ntr^lot?(Hij)\\ \' jhii\\ kn. steen- o/kalkachtig aanzetsel van kokend water in een ketel; kalkachtig aanzetsel aan de tanden en kiezen.

-) o

\'tt t tot \\ kw zva. ttJtfyts

of ijruti urts Jr. t z lo ehd, de tijd van

den morgen, als de zon voor het oog ongeveer een

lans-hoogte boven de horizont gerezen is. (tJtttutiut^ int \\ kn het gebed dat oj) die tijd, ongeveer om acht uur , verrigt wordt (één van de niet verpligte ge-beden, dat alleen door boetelingen verrigt wordt\\ ru^ i.i^\\ n., zie ibt n^ t,n\\n

ru^ tat \\ ongeveer zva. .hriiJt\\ doch de buik niet rond, Rh.

tjitit* Htt 1. kw. een wereld, een plaats in de wereld of het heelal {Skr. loka). tut^tjirutt ntt \\ de drie werelden nl. hemel, aarde en hel (Men.). 2. kw. zvaf {Skr. dloka, lof). 3. ^lutdiïtt Ar.,

zie rij, ti tt \\\\ \\ m tj trut ? tm \\ zva. h »,• uj crti ut] \\ {Skr. swargaloka, de hemel, hot paradijs), rt tj t ut i ij tnt(ut omzetting van tj tuit ((tn tj tttz kti \\ M. y tuti unim ut m {of (i~tr^ ut itn\\) naam van de residentie van Batara Goeroe in de Soerd-laja. ij tj tut i iHït $nrti Ti \\ naam van de residentie van Kala-srana {zie bij tnt rut\\ III ) rj ti t? tnt rj rtni fin ^ naam van een melodie op de gamelan, G.; een soort gamêlan? W. I. 130. — tntt) tuit mms kw. zva. (htoji(u^\\ alom geprezen, geroemd {vrg. ijnrn 1^)-

rjnuti yjhn\\ — un■gt;)0n een soort groote bootten, zooals onze boerenboonen. (uiiji0 een ajtdh van dien vorm.

tjtjtstt?gt;\\ kn. water met veel modder, bandjir water; SG.

ijmifhttt kn. rj rut rj tnt f tj rut rj nn q \\ lagchen met

hè, hè, hè, Rs.

rf nt gt;i tntt y\\KN. goed dooréengemengd van metselkalk met zand, van rijst met allerlei toespijzen\', smerig, vuil, van iemands praat.

t ut tl n an/js lloll. laken {vrg. tji ktt rut luiyj).

» li ij uit itnfj zie bij tut uit nn t ut tj un i tnji n zie bij rut tn^ w

tf (Wt hit ifi/j of rj rut Kit tnjjy denominatief van tj nut

t r 0 y d

unjis 11., zva. ui (ut \\ of n-\'t tj .ut ut/j zie tntjtit Ktt/fW

ruttmnsnjj of miujasn^ Ar. » la\'\'nat, kn.

vloek {vrg. t j ut (un ). rut tnj htrtif ?y\\ de van God vervloekte, irut httnïïïötf ti i?\\ dc vloek van Allah. tu nij iw m \\ vervloekte heidcMi\' ; »gt; ij nt tu mj ij nw /in tttuj(3\'jt tLt^\\ den vloek bewerken van Allah\'s dienaren.

tut tnt \\ en njtint\\ kn. 1. in de spreektaal zva. nit ut \\


-ocr page 740-

Vj y,

CV

grquot;*

U5(gt;

O \'i..

wezcutlyk, inderdaad. 2. zva. crriti-m mi (Hyjs WW. 3. wat tot iets bestemd, maar nog onbewerkt is , zooals van het hout voor iets, zva. wi un of ;i7»i ^ ff/i \\jn tm j un trnjj n — a u uti n ihijj \\ wat voor iets bestemd, maar nog niet klaar is. iiuint stukken hont voor een tafel, tmaji^itu ■inmKHijjs onbereide nipalibladeren {voor ciga-retten).

kn. rond van omtrok; rond; vayi een aanwezig t; gekronkeld, zooals een slang, staart van een heest, in ronde windingen opgenomen touw. een ringvormig voorwerp, bv. een rond kussen iww stroo, waarop de suikerpot rust, ten einde de stroop er uitloopt; een rand hv. van een mand,

de omtrek (contour) van het gelaat, {vrg. tin.n) Co* a

iKgt;iuï\\ nx:r^ u\\ de geheele omtrek der narde,

-»«- ncy , en cv (Pi \' y , , ,,

Men. — {■)/lt;»n ook en (fji.ns gekronkeld

liggen; zich kronkelen; een touw opschieten. — Co .

ri nn rt\\ iets bekronkelen; ergens, of om iets of

op iets, zich kronkelen.

o Cy o O , * •

fly/Moï\\KN. — ri.hns krom liggsn, JU».

itLi /.n \\ kn. ee?i woord, dat dient om de getallen- van

21 tot 29 te vormen, met uitzondering van 34 en

2B {(MiLitjui)-, bv. (Qirunr^s eén-en-twintig;

o / a o / . j . J.

if\'titru i.ip n., in) tl/q tfijuoq \\ k., twee-en-twintig. Voor 24 n., hu ut jp \\ k.), gebrui

ken de kooplieden wel den term Li tLnj

— r:rn tu inj\\ elk cén-en-twintig. —i m itv)nr^ n\\ een offermaaltijd honden op den avond van den 2l8ten in de maand Ramölan. — truhiyr)^ bij getallen van 21 tot en met 29.

n^iHn\\KVf. of Ki. van bv. van een haarwrong;

KI. van en u^uaw — KW- ont-

blooteu; Ki. van een kleed uittrekken.

So rgt; o „ n

r.\'l nn t) \\ KI. van (hjj tu \\ en ia rij \\ of in in ^

— quot; ^*1 \'1gt;fnN KI* Van ,1uns V()01 een

ander nitkleeden, en van (wnn hti */n n uvw

Oh 1

CY

fy

ij iLi hn nim/i on-

\'/ tui,i}\\ kn. IIoll. lekker.

tuchtige gemeenschap met elkaar hebben va7i vrouwen in een harhn.

itj n rrj hu z\\ kn. —/ƒ iji ij in) 2 \\ lekker liggen te slapen, maar door blyven slapen (een ander zie bij ^

ivpmrn\\ benaming van het letterteeken kis anders it)(ga^asrijf genoemd {van ij en ut) r)\\).

ijru kn. een soort van boo ze geesten, WW. )U HtHHiyi en ij m)j.)ai\'hH/j\\ kn.; ituiHtnirip ut) un/j m rj rut tj ilt;t)ti lyutj Ht) ht)ji\\ schateren van lachen, naar het geluid liü, hj\\, hi\\! of hè, hè, hè! {vrg. unoo) int)/j ikj) )lt; t) iu t) Httji en it i) nsn ^ \\.

i:j,ntii)ft)jj\\ kn. scherp, bijtend, prikkelend in dc keel

zooals de smaak van sterken drank.

iy,n?) )lt;t)/] kn. kleine holte, kuiltje, zooals in de wangen en in den nek {vrg. titti unjj) — tnj tittxn^ kleine holten; met kleine holten of kuiltjes, bv. van uitgesneden bloemwerk; {ook gefronad van het voorhoofd. G.).

i^rj kn f unjj kn. hol, zooals een kom; met een holte

of kuil; ingedeukt; uitgehold; holte; {ook nis. G. T/ C~) o

Vrg. ui yj tm 2 ut^/j en /, tt uttj)\\ lt;tn rj anè tni tnyj en

o . v

■ik ij amè\\).

)Lj ut) xttji of tjirui hit tot^is kn. niet geheel vol, niet meer geheel vol, zooals een pot met water; verminderd in iets, zooals een pot, zoo dat die niet meer geheel vol is; van water in evn meer, Tj.; gebrekkig van verstand of kunde, ouuoozel of onkundig {vrg. ijjrjut)d tnjjj). - :ty hn

geheel vullen. — itrt) ttmtt^tutnj^of tu t^ tnt niet geheel vol gedaan.

n.ynt utt^/isKN. itLj mnuiyin utt/fs rhet veeï kleine gangen , hoekeu, bogten, enz. van een huis, dat onregelmatig gebouwd is; fig. niet opregt, met draaije-rijen omgaan.

tjitU tj ht) zw ,LI Htt gt;1 tui tntuttji\\ zie ti jutturji\\

tui utl mts of Tt/j uii un \\ K w. wereld; wereld ling (A\'/r.

lauki ka, van lok a, tji u i un \\); ook zva. (icj^ u^ \\

■» o

eti 7j)ui\\\\ — i:iiitiiiti\\ zva. (un tut tn a:i rt ont w (I u \'l (m b \'

tu iiïi (uyjs naam van het laatste gedeelte van de Ambija, dat de geschiedenis van een door Mohammed tegen een Vorst La had gevoerden oorlog bevat.

\\ ,yun lt;i.uj^\\ kn. zva. tu^ mt luji en het kle

ven, verkleefd, aan iemand gehecht zijn. — iem. aankleven, zich hechten aan.

o . rgt; O

t li int mtyi \\ zie (ijt un uiji \\

O ^

nji tm nsnji. kn. goed door elkaar gekneed, gemengd,

geroerd, bv. van deeg, van cement enz. n/i i,nKN- geheimzinnig, diepzinnig, verborgen.


-ocr page 741-

057

;UkJ) \\

O

ni im t v \\ kw. zva. en tiw vn f i \\ (volgens

G. het hart: een kundig, geleerd man. Skr. lolci-ta en dlokita, aangezien, beschouwd). uvirj^asn^ts kn. naam v. e. lekkernij, een soort

\'Tl

iruih\'n^\\ of (Klim kn. 1 tienduizendtal {Skr. laxa, honderdduizend), ojj i^kiitienduizend.

?oï -yïa twintigduizend. — rm ijmi elk tienduizend. — lyunbij tienduizenden. 2. vermicelli Pers. {vrg. (3).

nrjun^As zie irvt(Hii,M\\s

x^unojjj^ kn. aanvang; wat iemand gaat doen; gaan doen, aanvangen, aan den gang gaan, aan hot

werk gaan, met iets te doen {vrg. tisn/hh* . 1 a»n^n

oor». O 0 • 7

(Hi,! en (ti V) i~n). — tfr)ifnhj) ^gt;1 \\ tets aanvangen;

een aanvang maken met iets te doen. —trv^iMno)

aan den gang gaan, aanvangen (vn/.

\\ ^ en tfji luiihniji). — ^/ïoï (m ^ wji\\ KW. zva. ut

O Ou

tui (iwji en .isw ? ^ w

rutm ajjjjs KN.; ijv tn? hji Ja. \\ haspelen, het gesponnen

garen op een haspel winden. — it?.i(hhaj)-zam/j

haspel, garenwinder.

kn. naam van een riviervisek, Tj. o O

01 jj HÏ17i^Nzva- •vgt;n inJ \' quot;7\'

ijhn zie bij /11 un ^w

■»ti(kn m (Hi \\ of dn \\ 1. kw. zva. thi /.^\\ lt;?w

luviwi/is — 2. kn. gelukkig ontkomen, den dans ontspringen, bv. in den strijd, of aan een gevreesde straf \\ {waarsch. verbastering van w nn^iihiw Skr. lax a na, merk, kenmerk, benaming. Vrg. \'rjism.iriri nsn/i). — jj?)ni aan iets, bv. aan

een bevel of bedreiging, uitvoering geven , iets ten uitvoer leggen, uitvoeren, executeren (misschien veYb. van uji~til? R. vrg. lyrj Hm ijjs). un ij im wjjs pass., ook gelukkig, voorspoedig.—

of rv^ j 1 nu mx uitvoeren , ver-rigten, bewerkstelligen. — hu ^gt;1 an \\ zie

hoven.

^^nkw. zeer, uitermate, G.

nhunJ]ibn\\ kw. ^t;«. (tuicr^s P. L. TT, 134.

quot;wnoij kw. schoonheid, een schoonheid, U ,/(J

een schoone {Skr. lax mi, ook eign. van de gema-

lin van God Wisnoe, anders Baiari Sri),

xn tin rj xm t (nyj \\ zva. n.w iaj^ uj h 11 ?j» ij (1^12 imj] \\

wuw \'4mis 0f xn un ^A(in\\ kw. zva. nmnm^ {Skr. fJ J \'7 U ^

wi (bi ioi (is) \\

lax7n ana, gelukkig, voorspoedig); ook eign. van den halfbroeder en getrouwen metgezel van Ra ma, en van den oudsten zoon van Soejoedana. n imt^i (hn ui fhn \\ eign. van een dochter van Soejoedana. nun^iskvf. zva. iu liijwihii n,i tni (in/j* zva. ini 11.1 rj mi 2 (Hl/j\\

tj tut hu ui ihii/j of n i hu ui ii5iyf\\ zie ijcrijii hi uiasnns oj iu? uil iui/}\\ kn. een wolk van rook. G.

ihivnjji\\ verkeerde spelling voor nihn conjunctief Kawivorm van trwnr^w hu m injjjin^ voor im

•i li hu ml/1\\

n i hii i£jjj\\kn. moedernaakt (^,in (lni 1; jV-t ixijj\\ Vrg.

o Q v iuiüh mi/j)

■iLi thi \\ of ilïhii \\ kn, met een bogt loopen, bv. van een rivier {vrg. ii,?i omtrekken bv. een vijandelijk leg er \\ 0. a. B. J\\ Uj. 538.

t O O

of iiii r^(in/j\\ zie tuii i jm/j of djii mij\\ ook osh/j of ivrivu^ (iiii/j\\ kw. zva. (i n a.j inijj en vy w — (un ri^inq of (un njj

zva. mi isr^aiii\'^ — n i n j^ i^/j zie ben. —

) . /. O an fiuj (ia q \\ zva. ijiin^w — v) ii^xnfi of r.iri^asu^

kn. volgen, achtervolgen, bv. een dief; ook zva. a.!) en ti/nrrfii iej tu/j\\ hem die in ecu spel verliest, eenig werk als straf opleggen, K. 4, 29. nu /h^uxi/j^ hiin jinjjen ij hunv^k w. zva. tim 15^ i(u!üu midci/j vervolgd, achtervolgd, bv. door ziekten, R. T. Dj. 231. iu zva. tvi hj iu «.T^ï^omzoomd,

Rs. lt;i/n(infj of (un iri^iisuqs kn. zva. r;innjf \\ en iets mee gaan doen met anderen, als men door het voorbeeld of door medelijden als het ware meége-voerd of meegesleept wordt {vrg. 011 ni xnjj). a/n r.;

O A i •• gt; ) o

(féivi(iJi/)\\ mee gaan schreijen. — u idi^ u)\\ mv.

?quot;)

nji t.i azy .tcjj\\ achtervolging.

o O

lt;111 tui \\ KW. zva (u\'rnruji lt;Huin^rijj\\

nj 1 li2düji^ KW. zva. rjx/n2*10.1/12(ici/j unnrij r iijj KN. of (iLm ijrvid lt;inji taai, volhardend.

O

o

lt;tn(ici\\K., ruirj(in2(MJi\\ k.; (w i] vi lt;uj \\ nji gt;j .10 2 (Ui ~amp;i \\ iemand iets leveren, alleveren , iemand bedienen , door hem te geven, aan te brengen of te bezorgen wat hij noodig heeft of wenscht; het iemand naar den zin doen of maken, vooral in de verhouding van de vrouw tot haren man ; ook iem. te woord staan. \'r.i tf in hj 1^11 n]■ h\\ iemand \\\\qA hoofd bieden. — nji rj in mi ~/n tj Hn\\ lt;iji rj iici2(ui -t# ihu lt;Hy) \\

43


-ocr page 742-

u i ydf: 2 hit q

(gt;58

rj ru \'Ui \\

iels leveren, opleveren, afleveren, opbrengen, dienen, presenteren {org. rj rhi2cm\\). — ftiyrifunN., ahj mmjjp kw., lt;n^.f k. geleverd, op

gebracht, gediend, gepresenteerd, te dienst staan, zich te dienst stellen. —irLnjanin/js nutjpmwtn ohj. den. wat door iemand geleverd , opgebracht, cnx. wordt; wat iemand te leveren, enz. heeft; het te bedienen, naar den zin te maken, van iemand.

au nas en gew. rj 71; ^ 1 vi aa \\ of on

achtzaam, zorgeloos, slordig, nalatig, in zijn werk, bedrijf of dienst {vrg. m\\ en aarj iJiani\\).

axiiianaals n., zie bij ruinw riaviKLnwjisKX. walvisch {fnders a n i» tni iKi\\). ij rui ij (fuy kn. naam van een dunne ronde koek, van rijstmeel gebakken en mei gesmolten suiker bedropen; 0lt;vti fiëajijj een snort rj n.nj(^nw ijauz zc^\\ zie rjrrit nx^\\

i-j rvirj (ia \\ kn. zva. ij /1 nj at) \\ zooals van was dat

week wordt door de hitte {vrg. ay lutj(tu^arn;^).

o O

au u) m \\ kw. zva. ut \'ui 1.)/ in/j\\

n . ♦

ai^iwn\' zie n^ ui nw

rurj kn. naam van een^ soort van booze

neesten.

CY , O r

ruaxi verkorting van tunri^w (t.

auapamji =

zva\' vzv \'\'j*

nljjtlt;!f})rrri^ vjau\'^tlo^nm/js kn. slijm, moes- of brijachtige vuiligheid, hetz. als ay

rui incrnjln kn. naam van een soort booze geesten,

(Tj.).

au KN* 0J- zva- \'irrtlt;lcl/}N 00^ l)lomPgt; vc^gt;

van een meisje, WW.

r/au ij ononis kn. blikkerig, van den grond, zva. 7j vi atfap^ \\n

ru{a}y. kw. zva. luvinaj}^ kn. naam van het fatsoen van den kop van een krisscheê in de vorm van een blad. — (ru^h\\ of auir) an/j\' naam van een soort van muziek op de gamelan. lt;ny?(U» \\kn. trotsch , laatdunkend, verwaand, hoogmoedig, van iemand die hoog bij zich zelf opziet, en laag op anderen néér ziet {vrg. aman^ en (rtj (fa !K/}\\), uitdagend; fier, vrg. axj) an im ^ tegenover njm(an^ rwijim/j\\ of [aQHKani^ A. — rmnaois iemand nit de hoogte met minachting bejegenen 0/*behandelen. — amaxanxuman/f trotseh-heid, enz.

Cr.

ati yilt;in2amij\\ kn. zva. rjm21^12leugen, onwaar; valsch; leugenachtig, vragenderwijs, meestalmet bijgevoegd asn of aiïs is hef dan niet waar? heb ik het niet gezegd? {vrg. marnes immers? eig. rja/tu^is niet, vragend er wijs uitgesproken).

ij au2aj axi2asnjj HH; vj avi2 rj (mi — arj ari2 rj axi2 am rj am \\ iets als rj au2rj am am/j gebruiken; met iets erg. in steken, Tj.

yjau2intm\\ kw. water dat uit een rots voortkomt,

volgens de Dasa-nama {vrg. c,niiaalt;ii\\).

rliaaasn.p kn. genot, vermaak, genoegen; smaak, smakelijk, vermakelijk {Ar. , I add at, genot, ook van den smaak; vermaak), WW.

avianawjjs kw. schielijk, gauw. G.

arj a

ianjj\\K.

} 11 ijaxi 2 Mfj \\ aji if axi 2 a^i \\ a t], iei ij nxi 2

zie aiaaxiw

3« . O cjv O »

au 10 v KN. mes {vrg. rj oji rj tui i \\ (Kinn\\ en nj^ruaxijj).

aljan\\kw. verloren gaan, verdwijnen, sterven. G. ruaja2i\\kn. week worden door de hitte, gaan smelten , zooals van was, lood of goud\\ half gesmolten {vrg. ij ru tj axi \\ en vjruTjaiiqs), volg. Rh. ook papperig gekookt van rijst; vrg. rj aut ajfixi 2 v.

rj h 120^nx)?\\kN. weeke afgang, diarrhe , buikloop {vrg.

% v . Cï \\

na rj (ia au^uj au2rjaxi2\\ zva. ani (hj^ijj an/j). au asru of Jjii ru asnjj \\ (lloll. laat), kn. te laat,

ongev. zva. am rj oji iujj w a^ati/j of timar^cu)^ kn. wat ergens tusschen ligt, tnsschen ruimte, -tijd, -poos; met -poozing, periodiek {vrg. en aJru\\); ook een -man, een man, met wien een vrouw , die door haar man ver stoot en is, eerst getrouwd geweest moet zijn, vóórdat die eerste man haar wéér tot vrouw mag nemen, ajrj iisjgt;2 ina^j twee dagen daarna, 0/twee dagen later; en om de twee dagen, d. i. do derde dag. im rj tui rj axi w \\ meteen désa tus-schenbeiden, of met overslaan van een désa. — iisii Jfria^iv.)t/j\\ wat men ergens tnsschen legt of steekt, bv. tusschen de bladen van een hoek. ryiyjasn^ huren, in een onbepaalde1» zin. — (t-n!^nsii/j\\ iets, bv. een schuit of paardgt; huren, om er voor een poos het gebruik van


-ocr page 743-

n / nsn fj»

059

ilSll \\

hubbeu (vry. oo/c zva. — av

\' /%,s 0f ri\' %\'v erüens tussohen-plaatsen , -voegen, inlasschen; voor iets chd men doen zal, een -tijd hi ten verloopen; met een verst ooi ene vrouw een huwelijk aangaan, -gekomen, met

iets -beiden, ki Sn ry am \\ ergens iets -voegen, -loggen, -steken; er -beiden staan, liggen lt;?ƒzitten. uHlt;ón(^(im Snanwanyy door iets er tnssehen gescheiden.— lt;iy iibii gt;1 im\\ iets verhuren,

(ïj mi te hunr. — huur, de huur;

liet gehuurde, wat gehuurd wordt, (un iryagiof i/w ij nnt ~fn nw rm p iets tussehenbeiden hebben ; bv. t 0iJick)tS \\ een stoel van elkander

at\' zitten. ^het gehuurde; oo/c perio

diek.

lUom/i^ verk. van nynt^inmj {zie fSt n/nny), en van

o o • 7 • • gt;quot;gt;

nm ti iasnj\\ Mu.iiüfy zie bij njt(isnjjs ri.i] iwf-\\ zie tinjj\\ rtL^ kronkeling,

zich kronkelen, zva. (L^^tun^jj,^^(hnjj\\

ij iu? (i5njj\\ 1. KW. zva. (isii un f i cm nsojj of nw im t lfm isn (iH/js rfi/n?n en ikihids {vrg. itufur^nsyijf). volg. PK. rj rut wijl ooi\'zva. run w ti w nsn rjna 2 urnq onmiddellijk daarop, WS. 78, 124. 2. kw. zva. om\'Unjl^ — 3. kw. zva. ngt;7n]y\\ en mmiwiw — 4. kw. zva. rtiunni dAJiiax)^ kn. naam van een soort van \'paddestoel (««■ ^i\\). — 5. lïoll. kn. lood, paslood. — 7^ tn/i ? r/ 1^\' ? ihn/jn kw. zva. (KI 11 n u \\ [vrg. (Kirjrutmtjj). — n/n y tin isn/js taai, zooals hv. elastiek-, niet malseh, bv. vleescli); stijf vast zitten , niet los willen, ook van hoest en jluimeni niet vlot, niet vlot van de hand gaan {yrg. tfn vp

0 \\

imjlgt; kïi dit nsn/j en ry axiq). — f»rj n.tgt; lt;hn j\\

zich als taai voordoen ; overal tegen kunnen , onkwetsbaar.

rvidsn \\ kw. zva. ij twirj nvt?(ia^\\ ^ nj)i?rjxxnitrjcin if li} ê tn ui /j en rj rn ? ^ nh ? n (Skr, l at d, kruip- of

I

slingerplant; ook benaming vaji verschillende soorten van zulke planfen\\ Ml. kruipen, van planten

en dieren). w irvt iisn \\ hetzelfde.

o

\'l; b»/ \\ kw. zva. ajn njiamp;.iw

1. kn. vonk, in de lucht vliegende vonk van iets {vrg. lü) irit irnjj), — 2. k., zie rrnayw ^ü»»\\kw. zva, 011 mji

zva. emfn/^rmw \'ili ifn nkw. zva. nrn oTijjffls

ijihj? fün\\K\\v. zva cm (tnnlt;i)j\\

tttastt^s kn. mal, gek door zenuwachtigheid, 7^««-neer iemand alles nadoet, wat een ander hem voordoet, hv. lagehen , zingen , dansen, enz. schaterend, van gelach {vrg. (tn (tot nat ij), nvt astt % ut nstt q \\ schateren ; schaterend lachen.

rvtnsr^^ 1. kw. zva. fn^^nstt^ — 2. kn.

nuttjnstt2%\\ naam van een zeegras of wier, dat tot gelei gekookt en gegeten wordt (yri. tt^iun en nQ (tu^nn/j).

tvt tj nstt i j \\ zie (ru nsrt q \\ 2.

zjihn^\\kn. brem zout, bitter zout vi\\n smaak, zooals van loog, van het water van zoute bronnen en van al te zont eten {vrg. a/n vf) nnjj).

(i.jjtyi\\KX. troebel, vuil, morsig, vuiligheid; zva. 1.3 C-t tnip en fig. van een mensch, uitvaagsel, schuim, Sri T. ook zva, njt t^(tj^^\\ beroering, troebels, (vry. (irt^np htt/f en t,n n^nsnfs kn. bleek (vrg. nynstlfw), WW.

ui i,tj(Ht/j\\ Roll, luitenant.

a . o

tt t ihi^\\ zie ^yi(nst^w

rt 1 nstt \\ kn. plein, voorplein, vlakke, eff ene grond vóór of achter een huis {vrg. tn ntt \\ en rj n i ijn^ts); ook het veld , de grond, de grondkleur, van gebatikte, gebloemde of gestreepte , stof. i-nnnw nut njrtciit\\ een bSbëd met zwarten grond. — in/inwrt nnjj\\ een ruim plein. — oj) n t ihtt n of (tjtnws poet. zva. cut nut astt ti cmji\\ (uitgebreid, ruim G.). — m tLt asrt \\ of kn n t nut \\ zich uitbreiden over een vlakte, bv. van troepen op een maliebaan of slagveld\', zich veraf wagen, ver van huis of van de anderen af; (uitbreiden, openleggen.). — nji irut out nnnjj of (^(tsnnicmjf- het voor- of ach ter plein , vooral voor een vorstelijke of aanzienlijke woning; ook hot plat, vlakke gedeelte, bv. van een tafel {vrg. nu^vt^).

tut nsfj^ \\ kw. zva. nu^iEi^jtw G.

*1 trutrjnsn\\ KN. plat, vlak, bv. van een grond of iemands voorhoofd: vlak, ondiep, (niet hol), hv. van een bord en van een wond {vrg. mt nstt \\ vfajt ij njt\\ nt .n tij nn tnt/j en ij fott tj tut2(Ki/j); kw. een rondedans. — vj \'{■/rj n.tt \\ kn. den grond effen en gelijk maken ; dansende zich zijwaarts begeven en eon ruimen kring beschrijven, ook fg. slenteren , bv. van een die telkens in een amfioenkit te vinden ia

42*


-ocr page 744-

) ( } Ml l. ïl J

()()()

en t/aur rondslentert; oo/e 101 rj f/i y 1,1/ \\ A. 51. 1 1

iijtiimi of kw. zva. nrnnrnMijj kn.

drap, Iiezinksol, van indigo {yry. in 1 up .iaiq). (ruiiisniKnj)\\ 1. kn. zva. — 3. kw. zva.

tj nji ? O l N\\

ri^n/it astiaj/i kn. ben. van een soort van rood jak.

,? u is/j n bij i y ru

/. o / quot;gt;

of mj.innAj\\ ook u»(i ^j u ) t.nnjvj^ KN. een

plank boven oen dcnr, o/* boven en ondev een raam,

in een binnönmunr, quot;WW. R.

)i.i(b/inKN. netel, brandnetel.

. _ ) .

/ u dSïjj N — I ;gt; / (1111 w

:i3«iquot;xKN. kalklneht en kalksmaak.

x KN. naam van een soort van zwarte, langharige apen, Presbyt.es nianrns.

wi 2 vj nsn n KN. bovenverdieping, bovenkamers; zolder. — iilt;ru?y asii 11 (tnfjs iets, dat naar een 7^/u? ntivi gelijkt, ee?i soort plafond.

\'H.kki/i of i/n niM/js KN. 1. korrel van onbekookte

of ongepelde rijst (yrfj. a/tj (ui n volg Rh. gew. v.

1 O o o

(vnccn ^ bv. im n (ki ^ni utt 1 n yj mi s vijjij h) _ivi \\ er

zijn veel (ongepelde) korrels in deze (gepelde) rijst;

stuk van kleine min of meer ronde dingen, zooals

erwtjes en ruwe diamautjes {vrg. ojj. i.ij, \\ en i/n iK^);

nok fig. kern, pnik, hjiwukki^ even pnik, B.

7.? i^n irhidjijj of \'h i vu Sn(WIojij^s een Iwrrcl. nia^

nji(ii/i\\ politoersteen, AVR. volg. Rh. puimsteen

{pok dJi inj, un 7 V). — ihi fKi (in/j of am ru n.i Sn

(wktjt jAan/is losse korrels of steentjes (Jjv. van

diamanten); bij korrels, ook bij aren, SG. nhi^i

(Ui Jn n?i afh rjrui rLi n^i qj) rf na \\ deze rijst is groot

van korrel. 2. zie bij iQhiaojijj 11.

KN. in eens weg raken, indommelen, in slaap

of in een flauwte vallen. Zoo ook (i^oji J/tiry i.i/j\\

— un ijn(kij!\\ (K. 21, 28) diep slapen;

diep getroffen «/aangedaan zijn, van het hart {zie

hij nynvj ff wji). (pj.1.1 ^kki^ (i.i0\\ een dutje,

een sluimering. — n^MaJi^khifj\\ slaperig, telkens

insluimeren; herhaaldelijk in onmagt vallen, (jinn j

dji/js 1. — (|Sjdommelen, insluimeren. 2.

ben. van een ziekte , aan den invloed van een booze

geest toegeschreven y W.

o - O o . C quot;) o

tnjiMjj of ii/n (ii.injijj^ zie rjiruoji/js — (Cmruw/j zie

bij rjiruMjjW ook voor het Holt. lezen, een boek

lezen.

quot;I\' J] of i\'quot;i.yjs kn. glad of effen gestreken. — zie ben. — mn ri^ i /iji en (wfiiyw^ zie boven. — iets met de hand strijken,

glad of effen strijken, streelen; iemand oj) een zachte wijze gedwee of handelbaar maken , of male ^n , dat hij doet wat men wil. —fn^^nJi ^khi^ effen gemaakt, gepolijst. — ajia^a^s ietsom glad te maken. (uiw{(iJi ipf(M/j\\ gladschaafje, {vrg. am niji (iji/JS).

tj n/iajiji 0f rj tiAojiqs ook nvnJij of (im tU Ki/jx IIoll. 1. 1 ij s t, lijstje. 2. leidsel van paarden voor een rijtuig. — i 1 rj lt;n/iof ifn wiim/js aan iets een lijst of lijstrje schaven j iets in een lijst zotten, •TR. — rum] iiri(Ki/j\\ zie boven. — 1 m vj yp oji Jl\\ of ki 71 tui a.i _S \\ aan iets, zooals een belofte, zich onttrekken; aan iets, bv. een gezelschap, stil zich onttrekken; van iets zich stil terugtrekken {vrg. gt;ƒ truiinjip

7 ni20JiJI of fi/iirj iiyiidjijix 1. kn. zich heimelijk verwijderen (vrg. ij njuwfi en njn cm tisn/j\\ êicni nsnjl*). 2. IIoll. loods (vrg. nmrj tm\\). — iQrjrvn oji jyt \\ om iemand of iets zich heimelijk verwijderen. — iJ rf hjum ^Arj uti\\ maken dat iemand zich heimelijk verwijdert, iemand heimelijk laten ont-vlugteu. — n^iin ijax/iin.ijs losgaan, zooals uil een bos ; uit zijn verband raken , zooals van dingen die zadmgebonden waren; en ki. van tkilt;ivi/j\\ zich heimelijk verwijderen, bv. uit zijn paleis. — rjiri?yirvit(ui/j\\ iets, zooals uit een koker, uit een scheé, er uit trekken, uit een bos trekken; iets van iets af of lostrekken, bv. een

ring van een vinger. — 7711 z ij irui? 3./1 J#\\ mv. un

o o . » .

a in tin tf 1 u i ij vu 2 (M ^an/n ui orj not {oj im orj tj r.i\\)

alsof hem het lijf {of gebeente) uitgetrokken wierd; zoo diep aangedaan {am ajijj) ; of zoo lam en afgemat { i^tjj). — ibti ij wi 2ri vlw oji/igt; acc. pass.vt uitgetrokken, uitgeraakt als boven.

kn., /e^(k/i%\\ en nx^cui\\ ki., R. {volg. WW. ^ (ij^\\ en ^oji^ beide kn. volg. G. en Rh. N. K.), loom, mat, lam van leden, zwak,

uitgeput; moe of mat gevoel; verzwakken; tot bedaren gekomen, van drift {vrg. a^tui^s erv^

1} \'IN *l} ^ en l,J) fi\'

wf,vn\\ in een periode zijn van loomheid, van zwakte, van slapheid, zooals bv. na een zware


-ocr page 745-

O

«r,

ziekte, of van een kind) dat pas gespeend is . ouk wei loom, afgemat, na sterke krachtsinspanniny, lih. — wi if (m 2 w/j \\ kn. afgemat, uitgeput, van krachten beroofd. — o.) i wj} of rj m z lyajj\\ kn., ki. , wat nibt nemen of gaan

liggen, na afmatting, .lj (u )f ? wj of )fi:nnj tjnji^tfMdm/js smeersel tegen vermoeidheid.— u mij wij — m m 7 quot; i t\' (HT/i plaats om van vermoeienissen vit te rusten.

■iLi m\\ KW. zva. (tuiiiu\\ en aotww — 1. kn. niets krijgen, bv. mei visschen of mei manen\\ ongedeerd blijven, hv. van een huis lij een brand bij de buren {dit volg. llh. tni jutt i,]\')] zonder ongeval vaii een reis op de plaats van zijn bestemming aankomen, AVW.j volg. llh. schoon, vrij van onkruid, niet begroeid van een erf of plek t zva. lt;u i\\ ihjjihj]itni ,11} (uiasr^ yj -Dzarj. ihio:) an/j schoon als het leger van de tijger; /fy. schoon, met leege handen bv. thuis komen y van de jagt of vischvangst.

•ILKK\'i J \\ kn. - 11) w S \\ on IthlM q \\ zie Will i

(K^W WW.

kn. {volg. llh. nl. k. v. irv^n^ nu 0^1 ui 7 ri/M2^\\) week worden, van een lijky dat tot ontbinding overgaat j slap worden, van verwelkende bloemen en bladen {org. if rui tj wd js). 2. ki., zie (^k|\\ 11. volg. WW. kn. en volg. g. en llh. k.

o

/UtMf\\K., zie ry, .0 w

gew. hjiqhliwj\\ kn., verward, in wanorde , door elkaar gewoeld bv. van gras en andere digi op elkander groeijende planten, doordat een beest er op gelegen heeft of een groote slang er over heen gekropen is {vrg. nrf tu ifaiqs).

quot;l\'-jiV {en volg. llh. de tv are spelling in plaats van)

zva. if inj)2 7f(M2% w if iui tfwfs kn. tegen den grond vallen of liggen,^. van padiy als die niet op zijn tijd gesneden wordt; ui menigte verstrooid of verspreid liggen, bv. van geld {vrg. k) j \\ en vftKi rf u rf m ^^ \\

tegen den grond liggen, van niet tijdig gesneden padigewas; in menigte of overal te bekomen , bv. van de één of andere soort van vrachten^ WW. — \'VI}\'7M?N {en 11-)gt; iquot; menigte op

den grond verspreid liggen, zie ftf tntf m^w ifiUdijKiij\\ kn. week worden, tot verrotting overgaan; verteren vergaan, tot ontbinding overgaan.

rf iruKM (HTjf\\ üCl

ontbinding, bv. van het vleesch aan het lichaam-, versleten, van lieer en {vrg. nf\')^ 1 \\ en ij ilkk)(hn/js Jr. , li sdn, long; iemands spraak;

kn. 1. iefiiands spraak of uitspraak; ook wel als ki. van lyti rthLU fs en u-ji kii iujf\\ — 2.

doel, schijf, waarnaar geschoven wordt;schijfschieten; iemand die het ontgelden moet, alles op zijn hoofd krijgt, het kind van de rekening wordt. — k) iFn(h) hh if jlimlt;rf :Hj_vi,Llt;j)if .u \\ het komt van zijn eigen tong \'(u t zijn eigen mond), tatia {of na on y ui) )f ru(Ku van alles de schui l inbeten dragen, zondebok. — rf iuww-Jjrns naam van hel rijksgebied van Vorst Setgadjit.

rf ni 2 tn q \\ Holt. kn. dozijn, klif rLitJ.l tHi/js een

dozijn, tf tti2iM if iwj \\ het dozijn.--if idz t ] ly mi j

bij dozijnen.

!vj^\\ kn. sclioon, zonder meer; niet besmet of vermengd met iets anders; onbesmet van het hart. u j met schoone handen (zonder iets mee te

brengen) thuis komen.

O\' O-\'

en zva. ij xjgt;a^f en itjiU K)

(Hi/j k. , zie ,i77?/y \\n

tf ruztKyu)nsiiji\\ rf rv)2 hhgt;V) ihvjf of n imi 01 (isn/f \\ en

Q-

ni^utuw iht}ji\\ kw. zva. tihtiw

quot; ■gt;.

n kw• sva. ■ gt;• 1 ((ui 1 j [ ! if 1.j 111,11ƒ (i^ 1 i j

t) r i-jj, i;ï 10) \'Ti\\ Tj.), volgens G. zva. u i

ni aw Oil/j\\ {zoo in 13. en Tj.).

o

\' / ilj\'t] hgt;l

KN- - !\'I \'IS,

d.) ifaisiym/f (LhKi of .iiif^ij^ui/f {sows ook

(ui if i i \'f^i\'/xyi TD\') nangeslibde grond vooral aan de rivierkant, xoaar men moestuinen aanlegt, Rh. 1) 1 i i:£ ■7j\\ of gt; ja i \'gt;]\\ n., i j i f fltyw/jn k., zonder ongeval of tegenspoed; voorspoedig, gelukkig, ongehinderd; voorspoed, geluk, slagen, welslagen; zonder interruptie voortduren of voortgang hebben;

o o ; )

tp. zva. (in;xnn en /1 if ilu i i/j^ — rnMif yithii^ni

if Kii \\ l^ ^i ly b-j \'•quot; \'H, f it-\'ts laten voortgaan of gevolg doen hebben door het niet te hinderen j iets laten voortduren, ongehinderd zijn gang laten gaan; iets voortzetten, bij voortduring doen, door het niet af te breken; voorspoedig doen zijn, een goede uitkomst bezorgen; tp. zva. lt;1:11110 hu unrf iiai\\ en i nt if hbUM- i i{iiwjf\\ — iLj h)

(mjf\\ kw. zva. nij ifji hip en 1:11 yn w


-ocr page 746-

002

I i I )■}

C71^

^ tti n\'N ^6gt; T\'NN

liyC{^ liN\' ceil voj\'zwcriiig, soort kanker, binnen in de neus. — uau zu^i eül1 verzwering

lijduii.

ijirLHKiui^ (of auojjvj}ji\\ G.) KN. dwarlwind, wervelwind. — (iv)0v/j,my\\ gelijk een dwarlwind; van iemand) die veel rookt, eï(jgt; die veel rookwolken uitblaast j ook van iemand die altijd op feesten te viiuleu is, daar ronddwarltP WW.

im .hj) ivn jo/j \\ kn . koliek (iLolL s [) a n n i n g). — f y (Ki wiii liijp hut koliek hebben, Jil. voly. Kh.

) \' c :r.n \'riM x:i kj

gt;1 u i m ihiji \\ IIoll. legioen.

o . o

fyv,/\\ zie ui miSjw

.)u(k.iiu^\\ KN. gestreept (G.); en naam van een di-strikl oy Java, res. liembany, ook een zekere melodie? AV. 1. (5.

ly^sKN. rijstblok, lanywerpïy uitgehold houten blok, iv a ar in de padi door stamven van het slroo ontdaan en tot (jahah ontbolsterd wordt; volgens G. ook soa, \'/ .\'£/? S-i \\\\

s

.n /\\ KW. zva. tin./ni\'f is nr.nw C 1 Co I

iu\\KW. zva. it-iibiiw O

iu ut\\KN. naam van een soort van kleine vleênnnis, Khiuolophus. 0ini£j\\ een soort n i ui\\ L 819. {Skr. lawa, klein. Vrg. ijwd iilt;im igt;iiq).

■iliiUjj\\ KW. zva. ij i ii\'ij\'T)vjXjd•gt;ƒ ■ n\\\\ KN. naam van

een berg op Java,

•iviT\'i ui\\ n., :i.iiuj\\k., draad, garen, van katoen of dergelijke stof, — 71; nu )ju)\\ kn., (Li ihi i. \'rj \\ K d., vijf-en- twintig {elg. een streng van 25 omwindingen om een haspelll.; vrg. bij (kuxju^^s). n.irj ut \\ vier-cn-twiiitig {zie tui a^ui/r^ bij iu i.\'ys) tegenover ik] ui ij 1U1 i:rt \\ volle vijf-en-twintig. libti itj t 1 \\

ilriemaul vijf-en-twintig. mi nxt aft ij tut \\ benaming van het veel zweven van spinrag \'ni sommige jaren in September. — lim tvt 11 ut\\ elk vijf-en-twintig. — iiprf (Vi\\ks, iemand wurgen, met een streng garen wurgen, verwnrgen {vrg. aattnmotjj). — nu ij t 1 :ht,j of ui y ut .tij \'W /j\\ vijf-en-twintigtal, vijf-en-twintigtullen.— (Lii^iru rf iUi\\ gew, (U (iri^ .ut n KN., tuir:iii,y\\KD., een dorpshoofd of ambtenaar vaneen

rang minder dan een cui rjn^dni {zie (unjiuj

1quot; \\ O o

(Vj \\ bij ij vn (Ujj \\). — (u ru rj ut (lxji .hnjj \\ vj g (in

zie op n ^2{:H)\\\\ (ly n KW. 1. zva, ivnvriw — 3. zva. ir/j ti(biyj en n

0 ^ ^ \\

,üi^(uiu {vrg. l^.ui^

tu^ vf ui \\ I. kn. , ook ihi ju n., honger, honger

hebben. 2. (njjr^ uis zva. nrv^ uï\\ I. {vrg, lt;yj.i

(tj ui \\). föi ij .ui titi ^/n*1 mii \\ iemand honger

doen lijden, laten hongeren. — \\lt;ii(tu^ tj(Ui

honger lijden; ergen honger hebben; hongersnood

lijden.

^ iilkui \\ \\. KW. zva. .mi (tu as^ap iiaijis G. — 2. kn.

Qv

ij iLi,ui\\ gew. (ujij tui ui\\ zva. ilh(htt%\\ manieren; gew. in den zin van aangenomene, gemaakte manieren, houding, gebaren, spraak; rare manieren, kuren; gemaniëreerd, gemaakt, (unujijihiiuts kunsten, aardigheden verkoopen PJ. — ij rn tui \\ zie bij

tïl :UII UI w

O» , .

ijiiud ij ut-. KW. zva. •n^ ui\\ {zie (TLirjiU^ n CV ,

.m,;^\\kw. zva. 1,11 Mjjj\\ uii,iu\\ enm^xjis [vrg. ij nu{\\

1. en n 1 U){ gt;).

(TLi kn. toevoegsel; toespijs bij de rjjat, al wat bij de rijst gegeten wordt, zooals een vischje, dèndhig, enz.; iets tot toespijs bij de rijst gebruiken; volg. WW. ook zva. xjh ij(lciiihiji\\ ingrediënt bij een mengsel. — (ritnjjfbjnM/j of (mtunji^x/na^i^ tot toespijs , iets tot toespijs.

iruriui{\\ kn. scherven of andere tussclien steek sols tussclien een pot en den rand van \'t vuurgat, om tucht door te laten. — tut tj lt;ui 4 tun \\ om een pot zulke tusschensteeksels plaatsen; Jil. {bij VtW. in tl{\\ ut ui ^aju) fig. iemand wat helpen of voorthelpen, volg. Kh. medewerken tot liet een oj ander of met iem. Men. — iui ili ij ui jnm lo/j^ lzz m lurj.uiiiii(htjh zie op nviojui,

( quot;) Cl

Ut UI J \\ iup.uyf\\ KW. zva. UJUIf\\

vy t\'J gt; KW. Sd. en wj. zva, h^uijw

m h uifs KW. of kn. zva, ii\'iJiiurn^ dc^») \\ en hit

•il] \\ {vrg. if •HM \'Uiqs en uj Si%\\ n., rliiirn\\ K., te boven gaan; over, meer; uitermate; er over heen zijn; er over zijn, over-seliieten {vrg, tu ut ibti/i). trui .ui {want \\ meer dan. n^ ui 4 rj (til2 cm \\ opperbest, ii^ -ui j ij in ujtui j »| uitermate (aller) gepast. ii^ ui ^Li TyuiLii^ er is een gulden over (meer of te veel), n^iui^ihi (hn .ui 4 vj cun rj (ivi2 \\ er is (of schiet) een half cl over. (i^i ut{rj.un\\ zooveel er van over is, het overige. 11^ ui juti iJi ui^/j bij uitstek (bijzonder)


-ocr page 747-

: i

ii rf i vri j \\

063

gt;1 I I j Ulf\'

goed, iij vergelijking, beter,

Lri.iitwee gulden, plus drie duiteii. oij («Si ^ mi oj iui i {\'.• Di-i iiJt {(urtirj nu j \\ boe verder, hoe meer. vl/ivijlt;amp;)quot;/g/•{1 011 noi5 meer, vooral. Zoo ook nj vijvfiuitfiiyw \\ wj ioi {tv^ :ui gt; \\ zeer bijzonder, bovenal; uitstokendste (is. mensc/ien).

„, J^\\ o/ .njgt; ui{ gt;rnni\\ de bij inyttf. — itiiiT)

r) . ... o o ,

nivij\\ zie bij tBitynw Di.ii,jai^\\ kn., ook .ui

hj nip K., verbeven, boog, voortreffelijk, uitstekend, uitmuntend, kostelijk. — kn\'.

O ^ O O

zu\' hoven, mi ni^ ci; tn^ N., zva. tun nu *J) iiij) lt;*J) fcnjjs — iij» irr^ w \\ overtreffen, tc boven

gaan; meer dan gewoon j iemand of iets overtreffen. am fj)^n/nahi tj(ia {of iho un eni rj icis of t] in ujrrnbovenmatig (uitermate) groot {of dik), ry m {{ i wn meer dan gewoon vrolijk. — uijiLii M/js 1. kn. }fn 1^.1 m (Hijjnkd., uitstekende begaafdheid, voortreffelykheid, uitnemendheid; heerlijkheid. 2. n., ani w) hij, cj(m/j\\ k., te veel krijgenj overmaat, overtollig. —

tm/j of (i^j_ lt;n ^ iiJt j vn !Hi /j \\ en uj) art a-njj of trj iü (Kïj^an(hi/)\\ wat men overgehouden heeft, wat overgehouden is, het overgeschotene, oversehotj wat boven een bepaalde maat of som gaat.

kn. gleuf enz. zva. wrj iv) nui)% {vry. tj

kn. smalle doorgang, nauwe pas, berg-engte, bergkloof; gaping, opening, ledig vak, opene ruimte (vrt/. Tj tLn^u}^ en tj ilidtj u)? ).

— ^ m i ui j tun an/j n gleuf, lange uitholling, diepe deuk. JU. voly. Rh. zva. tj tLirwjw ithiiv)ajtjj\\ 1. kn. iemand, die men als t egenp artij, of ook als m e d e h e 1 p e r, t e g e n o v e r /ich heeft; tegenhanger {vrg. asrtcrrrjs en 2a.»\\);

ook poet. gepaard met iets anders; tegenover; wederhelft. 2. iru ui Hyi*, en gew. fm iu ui (hnj^\\ n. ,

_ o o )

Kti rticiu (Hijj en Kti )li m uyj* K., met,

benevens, en {vrt/, ntctojj en un rynzs).

w)uj)(lojjs weergaloos. — vp vi^n^\\ kn. tegenstand bieden, weerstaan, zieh verdedigen {tegen een ander); met een tegenpartij in een wedstrijd zieh meten. — |ï (U) (uj \\ ook- :S tu D) uj\\ ion. tot partner dienen, iem. tot medehelper zijn, doch ook iems. tegenpartij zijn, zieh verzetten of verdedigen,partij trekken tegen j iets, zooals iemands liefde, beantwoorden; tegen iets inzetten, hij hei spel; iemand bestrijden. iemand te woord staan, tegen

hem spreken, ook tem. tegenspreken. 0\\h\\ oïn (ia ki tynjjs iemand te wille zijn cin met hem te vechten; ook iemand tegenspreken. — iLyunj)inyj tegenstand biedend. — nu ui uj u./) of partij of tegenpartij tegenover een ander, partijen tegen elkander ; met iemand als partij iets te doen hebben, elkander helpen, doch ook elkaar bestrijden. i/n ili v\'p-j Jr) —\'t(1^ )1.1^ als tegenpartij in proces met een Chinees, togen* een Chinees in proces. mlt;rui:injy)(Lu\\ met een ander o/ met elkander in brietwisseling zijn. AVW. ijihi.ui uj }j uj ic) u t i.j \\ de ander tegen wien hij sprak.— tv} het tegenstand bieden, tegenstand; tegenstander, tegenpartij. — jjirii n.iiivujchnjjs elkander tegenspreken. — xju i iemand tegenspreken. WW.

o

iruivi(HTjj\\ KW. zva. ^(kdz rj w f vu \\ un ((kx\\

mji i?){\\ ijmig fKi^n\\ en volgens

G. zva. vu-rj ut(hnji en

mji(ui(hijj\\ KW. zva. volgens G.owcïiïcffcw.

— 7vi (1^ mi m/j n zva. (i/n lt;* i - gt; un ~jn li nnjj \\

vrg. un o rnjj \\ — un tli vj yi hj^ oojj \\ zva. un ru

o r)

ns^ nu \\ en ioi ri j i i { ut gt; w

(iult;Y^ ui(mn\\ 1. kn. , zie bij n/irj uiw — 2. kw. vuiligheid van het lichaam. G.

n i ui i ui/js kn., ili iptni , wit doek of ka

toen (van inlandse h fabriek aal. Vrg. n ugnis); doek van wit katoen {ook wel van n tidnis), daar een lijk mee bedekt of ingewikkeld wordt. — un 111 gt;1 ui i m ij ui 2 n-njj n zva. mi rt» lj iui (Uj ihn/j \\ G. zoo in 15.

O quot; ^ /OI

111 ui jn\\ KW. zva. ni.Ki i/n hitnq en iU UiiKi/i (o/r.

^ é

law an a y zout, ziltig; zoutsmaak).

ox . CU

in kw., zie iu\\\\

in/KU)\\ poël., irLiuini in/j^ kn., louter, onvermengd, zonder iets anders er bij, van eten en drinken, dat anders niet zoo louter gebruikt wordt {vrg. m an\'ticmj^). ij ui iui ili ui \'ti iki^ zuiver warm water, en thee of koitie zonder melk of suiker.

(uj, u) \\ KW. zva. lu^.unw

nruu kn. (links en regts uitgebogen, zooals de tanden van een \'Laag. JR.), volg. Rh. kromgetrokken van hout, en fig. een verkeerden weg gaan? los-


-ocr page 748-

604

O Oquot; 111 ui \\

s

ij \'tui ri y

bundig, niet onder de tucht gehouden, van een jonge; los van gedrag van een vrouw, WW. {hh iHiiunmnüiVts die het bestuur van zijn verstand verloren heeft. — jp i:; -n\\ een zaag zetten. — nu nniwjp gereedschap om een zaag te zetten..Til.).

)liSi\\ en \'ifll ri\\ kn. wat in het water ronddrijft, zooals vezelsi stukjes mos, enz. momi iS!Sï\\ overal rondzwemmen, rondvliegen, rondzweven, enz.n i o ocv . ,.. o i

i;i u^j iii) i i\\ zie bij hujjmi f/iiui\\ heen en weer zwemmen van een vlsch. — zva. rj r-/

.inthvjigt; voorbij zweven, zwevend voorbijgaan, llh. — iuSïrr}(Kiji\\ door elkander loopen, vliegen, zwemmen, dwarlen. — Zietz. heen en

weer of overal rondzwerven, bv. van stroopbenden, overal rondwaren van geesten of spoken.

iLj ij}\\ kn. los, verlost, ontslagen, bevrydjontslagen van hetgeen men zich voor een tyd lang heeft opgelegd , doordat die tyd verstreken is; ook zva. (TL^viniiwyi uitscheiden, gedaan hebben met. Men. h y ui (h/j 1:1 n een tuiasiijjs gevlochten als een luds, zoodat die kan losgetrokken worden; na de vervulling van een gelofte wordt die hytu (inijj\\ losgetrokken als blijk, dat men van zijn belofte ontslagen is. {vrg. m^.vi lujj. vi^ ij)\\ \\ en 11^ — lï] \' r ailu iét3* dut men zich heeft opgelegd, een einde maken, bv. r.) m ltj (ui rj ujs\\ zijn tapa staken. — »7/ 01 \\ iemand verlossen, in vrijheid stellen, bevrijden; een gelofte vervullen, betalen; ook een gelofte van een ander vervullen, door te maken, dat hij er van ontslagen wordt, dli ij)(iLimi ui yi\\ de een den ander bevrijden. — .h 11 fix/i 17tjfcHjj\\ verlossing, het verlost zijn. — r j 11 ■ d ij mi \\ iemand van o f uit iets bevrijden of verlossen. — ru^iurri jri^s ontslagen, op vrije voeten gesteld; verlossing, bevrijding - iets gt; zooals een gebed, afgedaan hebben; ook zva. ii^un-ncniji of

vyvii tihq/js uitscheiden, gedaan hebben bv. met

j . O /quot; , o

eten. — ui ui \\ verlosser.— (li ^ajinKKijjs verlossing.

lt;nj^iJi\\ {ongeveer zva. cui^Si\\) kn. een kring, een

cirkel. — m Qi\\ de vorm van oen kring of cirkel

CY

hebben, Rh. föri interjectie voor het maken van een kring of cirkel.

zie ook kn. een uitgespannen wit doek

tot verhemelte, zooals over een plaats, daar een maaltijd gehouden wordt) over een bruidspaar, een graf gt; enz. — over iets, of boveu

iemand, een gehemelte van wit doek spannen.

X o /

zva. iu.viw

ij vu ij (v) \\ kn . te wijd voor iets dat er ingestoken wordt of ingestoken moet worden, zoodat het los zit of heen en weer wiggeit (yrg. ij iud vi^ en rfiwiirjami tm/j); ontuchtig van een vrouw {yrg. iruws). rjlt;wid(Li\\ kn. te wijd van gat, vooral van de gaten in de 00? lellen voor oorknoppen {vrg. ijrurj (vi \\).

ij mi 2 rj ui \\ zva. rj rui uiw

O

(ir,i ui kn. vuiligheid, G. en lijne aarde, waar

mee een (jikki zijn gat bedekt als hij er ingekropen is, R.; zie boven n^uiw in.uu)ih)ijj\\ kn. 1. het onderste gedeelte van den romp van een vaartuig, asii 077) aui fu»mijj\\ een tt\\ndoe bestaande uiteen hangmat met een houten dak, ook nu n Mnjjof nti m ui i. uj] (zondermi arip.nL i a i ny nu (Ui uiiji Bab. Mat. I. 85, eld. ojn.11 nti kj (uinrnjj\\ een olifant met zulk een tandoe op den rug. 2. naam van een riviervisch, gelijkende op onze voren, Rh. ru^iuinnijj\\ kn. de steenmarter, een soort van wilde kat, die kippen en rijpe koffieboonen verslindt, ller-pestes JavanicusP {vrg.

ntj^ Uj. \'ifw/JN KN. een wit en bruin gevlekte groote slang, die kippen en eenden verslindt, een soort Boa? llh. en een soort van houwer, die de Javanen voor van den over wal afkomstig houden {volg. llh. 11 f1-*! een soort klewang met een breede punt).

rjirudijdJiZihnijis kn. open, openstaand, van een vacante post of bediening {vrg. ij nu t nj /ui ? \\ en ij rui nj .1777 2 — 7 li\'1 \'7 t}) 2 K^JlN ccu hebben, vnn

den grond, waar bv. een paal gestaan heeft. — nji 2 ij (ui d KV y mii \\ zva. nj nri iifm .l/ï y na) \\ iem. misleiden, in een valstrik brengen. — (nnumj ij (uiz^ een gat in den grond {vrg. tl^ ui

vu üiitxijjs kn.; iets met eenig vocht fijn

malen, wrijven, kneden, enz.; verf of medicijn op een steen wrijven; iets tot een deeg maken; een rijstveld voor de tweede maal beploegen, {vrg. nunujim jOjj). — ui i7i £1 (lüjj \\ het fij n malen enz. — vut (bi (ui (htji \\ fijn gemalen o/gewreven; voor de tweed? maal geploegd rijstveld.


-ocr page 749-

rul iOi tnji \\

()G5

Tl \'i 11 \\

KN. I. «f». bewwk. — \'ril,

asiiq en iijiEnvttmy een bc/.ook brengen, l)ij iemand komcu. — im mo fciijj\\ zin icn. ■— iui jpaji\\ het bezoeken, oot :va. iu.riiliiiwy/\\ een bezoek van rouwbeklag. 2, — ruuJiagiiiK^x in een kring rondvliegen, sooals arenden, tamme duiven, ook fig. van tijgers, die ultijd in de nabijheid van een bewoonde plaats rondwaren, nj^nh)asnj^0 een soort lang gras, B. — r) t:i lt;i,n tj i,h \\ tamme duiven om een weddingschap laten vliegen. (Tj.)j een tol wegslingeren, dut hij een kring maakt j fig. zijn vrouw de deur uitzenden, om door ontucht den kost te laten verdienen.

iurj\'üiaiiifl\\ KN. zwaluw, (Tj.)j een Heine soort heet O n

thi.vt(biyj\\ N., Tvtmtp k. , passeren, voorbijkomen, voorbijgaan j een hmij of veld overgaan; voorbij , over; overheenj ook over- in den zin van bovenmate {yrg. dat sur passeren heteekeni), nu ii,isn ver voorbij, ver overheen rj/Liu n nu aj} zva. rjitm irr)i)U(ih)(È^\\ alleenlijk voor \'k heb alleen te zeggen. — av .vi mvji en ei ,ru ui dsnji \\ passeren, voorbijgaan, G. — itniitamp;iw(isn/j\\ ihnmü i.\'rp overheenkomen, voorbij raken; gepasseerd;

overschreden, voorbij; over, overheen; buitenge-

O o a O . • . .

meen , km tli tut (V)ihn/j \\ kh ui tnt tl; joi \\

in de hoogste mate, buitengemeen, nrtaii

jnp en gew. ajiook als k. van m^

u) en van un .1:1 nsiyi\\ ov. mi ilt; n /u ini rjaa ij i:i

cquot;) k O Qv O

.17),7.1 te;zva. (ut)ixjj v.i jTj in xm(in nnijj\\ i\\. en

O » - i.) . ^ quot;)

Tv ? Uil 7)1 I. Ij (IJ^ (Egt;1 (TLl 0 l (Lj tnl \'rU N zva. .1711 l )

O * ct

asi)^(EiiirvirjdTiiun iudihr^\\. \\oj)ihd nu xi^ :t\\i.i.y \\ zva.

O O ci o » v o . . «

n n(ut (ei asri azi ibii/js — (»;»aj) (iyi\\ (i^i u^ nu\\ iets of

iemand passeren , voorbijgaan , overheen gaan, overgaan, overschrijden; iets of iemand overslaan; iemand den loef afsteken, buitengemeen, nitermate. wi) i u iV) (ig) (htji \\ da vu (Vi nj) ^ pass. — ni) i u tji iim

(ui/j\\ pass. bij ongeluk overgeslagen worden.— n n o o o O » , o

Ij» rui (V)(i^n (lhi^nvuin ui\\ meer dan buitengemeen .

0 O , . ri o

)U(ui(isrij^\\ KN. wat m een nïi) nnj (Tujj gekookt wordt van rijst, djcni {o/ ff-hhi^djj^) hu i^hsd/js een bijzondere soort van gekookte rijst, (misschien vroeger in een nhi(rji) (tuj^, en zoo ook nu bij den Vorst, maar nu doorgaans in ecu met kokosmelk- nijen, salamMaden en een heele kip. —

iiyii(i^\\ rijst in een (hvn^n nu/j koken, zoodat er

onder in de këndil een korst komt. nivniaïnMiiSi 10)

ia :rvi ri (hijjj\\ te weinig om in een këndil gekookt te worden, K. spr. te weinig om van te levenV Rh. — V hi)\\ rijst in een nhi(rrï) luq laten

koken, voor iemand in een aïiinmitrufj koken. — liï ilnflj in een (ifnarmnu,! gekookte rijst; wat in een këm\'lil gekookt wordt; kooksel van zoo gekookte rijst. — ti.v rl i j(unhet koken van rijst in ecu ikvnrli nujjs ook de tijd of duur van dat

koken, bv. n.) iui nj! .éi ihiyf s o

m i i?i• N., ni.iv i* K., r) i EjI\\ KW., n/^ï(i5)i^\\KD., lang (van tijd), lange tijd, lang van duur, een lange tijd, in een lange tijd, lang duren; oud, van iets dat men al lang gehad heeft, of van iemand die iets lang gew eest ^is (vrg. oji ij !ui\\ en (HiKvuriyj). nrn iLL1) nu (ui (Mj) \\ nog als voorheen , nog zooals vroeger. .rL.\' (vi (hj) ^,ïnu (Vi (Mji\\ ten laatsten, telange-laatsten. (Kinu w ru (En (tj nojj n ook

wel (fj} ru ij (E) (pi rj d.i n^u^on/js zoo lang als; al den duur van, gedurende, altoos, altijd, steeds, voor altijd, nu(Vin^i r i nu tl ru li \\ ni 1 £) nu it.) \\ o]) de lange weg, telangelaatsten, almettertijd; heel lang, heel lang duren, vu(vivirj(ki\\ op zijn allerlangst, n.i n i vin^i vi ^ Ki 7^1 nu (u n.n a iny njnnp voor altijd, voortdurend. — r^iuvi

C} o *11 •

n^/js n~n nu it i\\ maken dat iets lang duurt, opzettelijk vertragen, iets rekken, zoodat het lang duurt, op de lange baan houden. — irini ij 1,11 \\ iji nj (Ei h 11 ~/ii n\\ u nnfj oorzaak zijn dat iets lang duurt; voor iets als langste tijd een zekere lijd stellen. — nïiirui(Viiki-Q(iryj\\ noirunj(r.i(Hi/j\\ al te lang, al te lang duren.

i

n^vi(tJijfs KN. oud, van iets dat met de lengte van tijd ziju verschheid, frischheid of kracht verloren heeft; van vrachten overrijp zoodai ze verdroog en, over de tijd (verwant met nu\' 1 (hyi en vrg. (vi (wi \\ (nji £i(hi)ji en rj n^i gt;). (uiïi iini rjlUj.nu uifyrvi vin^jj\\ in zijn dienen wordt hij op de lange weg minder, (rv^ vi^cui^s of n.^ iui (hi*ta.(Hiïcfn as?) over de tijd dat een vrouw de maandstonden krijgt.

ruj^ bi (Knji. KN. los en gemakkelijk in zijn bewegingen en manieren-, zich met losheid aangenaam en be-


-ocr page 750-

nrj ru

13» \\

fiöG

vallig weten voor te doen door zijn manieren en spreken, elegant, bevallig, {vrg. taj\'\'amp;1 n^jj en ^ (rnruji).

rj nny ft?}(mji^ ongehr.; Hfyrj V)(hJi/j\\ kn. het uit schaamte zich verwijderen. — V n1 \'1 ll^*

schaamte zich verwijderen, beschaamd weggaan, afdruipen (vrg. \'i\'jifjtivjt)?(uiij). GR.

O O O .

(tli ifj) (L\'Li\\kw. zva. V)ik(irnji\\ — imvi aj i n , //; niyctw/js k., naam van een \'plaats in het Soera-kartaschey waar vorstelijke graven zijn.

rurjiij) iiii ihoji\\ kn. naam van een hoozen geest. .niiói\\ 1. kn. ingang, öv. van een spelonk.2. n., tj hn in] k. , deur, zoo als van een huis of kamer; en benaming van een r eg terlij k beambte nevens een djèksa, bij toien de stukken inkomen en die ze expedi\'èert; Tj. Sengk. negen, irihvi n nnii rn \\ n. , oj hii?itfii ■ n\\ of enkel ^ nni ^ K., de buitendeur van een rj(uit q(un(rnjj {die, als hij overdekt is, rjninmiiitu/j genoemd wordt). — nj}aj) (ci(hijj\\ kn., kd., ingang, opening

tot ingang; deurtje, zooals van een kippehok en vogelkooi\', ook met een nt) ih w (vt /tucir.) (hnjj\\ kn. deurwachter, de persoon door wiens tasschen-komst men hij den meester komt; ook wel benaming van den regterlijke beambte, die gewoonlijk (txnaj) of fj kt) 2 Tn genoemd wordt.

nu\\ ], kw. zva. ^ni(w/j\\ ook zva. ieimoi^s zoo bv. Rs. — irp(óf hu tiï.uiasn.p

(A.) Rh. — 2. kn. speer, lans, die bij een krijgsdans gebruikt wordt; volg. GR. ook lausstok, schacht van een speer {vrg. u)

nsii\\ en n t y fmjiu; ttw tj i:m n )

een buffel, die niet tot den arbeid gebruikt wordt. WW. ocDcrttjHya^ zie bij wmn (Hvjjs — met een speer steken. — hji

ju aj^ivnonjj en volg. Rh. gebr. aamp;i rn.)(óixn (mjj\\ piekerek, wapenrek; volg. Rh. asyaj^ccnmiji meer bep. een droogrek van bamboe; een piekerek gew. bij vj nïjnmiw — tui jji ^ gt; het ste

ken met een speer, \\ ecu afgezant, die een

doodstijding of andere slechte tijding komt brengen, W. I. 103, 10.

kn., verwoed, van een aanval; zinneloos, iww radeloosheid of droefheid; dol van verliefdheid {vrg. ri]iyhnj en ook wentelend in de lucht draaijeu, van een vlieger\', ook naam vaneen gending, Rh. — ru ih ru vy groot en eenzaam, {o7)i er dol en zinneloos in te worden), van een woud.

töt\\ 1. kw. woud {Sd. löwöng). 2. oji\\ en tij S)\\ kn. kuil, gat in den grond (vrg. nyhis en \'tjitü\\). 3. kn. wat iemand opdoet, de gevolgen, van zijn levenswijs, gedrag of handelingen; iemands (opgedane) ondervinding. — rrj ,/3j £i\\ ergens ecu kuil graven; iets kuilen, in ecu kuil doen of begraven. — vn Kt/j of n/^vt jz) }lt;ij\\ een inden grond gegravene kuil, {vrg. yrut ^ ru h^no/j .ult; ij cm i xn iHi/j en (rit »:■; W/j)- ^ w xn anjj iemands opgedane ondervinding. — ium^ .v)\\ .i^o n of iu lt;iiIj ri\\ ecu gegravene, en vervolgens overdekte en onzigtbaar gemaakte, kuil om wild te vangen. — ifri ut\\ of ri ri^óis iemand een kuil graven, in een fig. zin-, en in een kuil gaan, zich verbergen.

G) (v) ... G)

tn^ r i \\ en ü) iin wjj\\ zie {vrg. (C) - ^

tui) volg. Rh. ook meer bep. het gt.t van een kombuis waar de brandstof in gestoken wordt.

(tli(UÏ\\ kn. naam van een dikke, cilindervormige, zwartbruine, niet vergiftige duizendpoot {vrg. oij ij (U))\\ rni (irf) ^ en .uy}jj\\); ook naam van een heester met peervormige vrucht, ongeveer zva. tui ni tU)\\ Rh.

I. k., zie \\m w — 2. kn. zva, rj n i?tu^\\\\ ■rj.nizdj^ kn. schikkel\\jk, redelijk, tamelijk, niet geheel te verwerpen; wat bij ge jrek van beter dienen kan; beter iets dan niets {vrg. ij ruz ^n 2., en iLhi (hn/j). t» zo ij nu ? ^ \\ g

al schikkelijk, vrij wel, bv. er uitzien, van een vrouw.

rjn 12 )j u)2\\ kn. open vak; openstaand, vakant, van een post\', niet opkomen voor werkzaamheden oj op de paséban, ook, volgens G. geen acht op iets slaan, onoplettend. — rj (j-)2rj(U)d\\ voor een bepaalden tijd {gew. voor acht dagen) vasten, door dagelijks een of meer awajirujj rijst minder te eten, totdat men gedurende de laatste vier-en-twin-tig uur volstrekt niets meer gebruikt en ook niet onder dak mag zijn (joat dan hjitun crïiihj genoemd wordt), volg. Rh. ook opeu staan bv. van een luds of strik, zie tj tlt;rt 2 tj ut 2 \\ — tj r.i gt; rj ui21;» rj 101 \\ een


-ocr page 751-

open vak, oubezut, ouverVuld, ouverrigt laten. inl ïj ) u i rj ó) t an (hi/j \\ z\'iü hoven, ly nuz if f t 2 ut n-njj \\ zva. ri iudij iu-luxnanj)^ ook zva. ij ^2 rj\'uh2 \\ L. 100.

iij n i/p verkorling van tuti .ruji\\

juni\\ kW. zva. vwriitvnan/i {van wnjn\\)-} nu. zva. ui^uiónnuw — ru fLiriutdms en m.jliruiK^s zie heneden.

^ aan iets niet denken, vergelen,

uit het oog verliezen; verzuimen, zich zelf vergeten; het bewustzijn verliezen, buiten zich zelf ziju (//cV tegenovergestelde van nawjiïw vrg. tj m .11 \\ en ijirvtlyjj\\). iif vn2rnrutii\\ ^/5 niet vergeten, er wèi aan denken, aunu llt; ui \\ naam van een mangga soort. — r^n )nu\\ iets uit

de gedachten zoeken te zetten, zoeken te vergeten. — iij 1 li h ti ~j)irj ihii \\ ccmrj (ui uïi ~jh .uv (hi/j iemand uf iets doen vergeten, maken dat men ixww iemand of iets niet denkt; onnadenkend, achteloos maken, maken dat men zich zelf vergeet. — n 1 ti u eniuMijj of (mr^(K)jj\\ vergeetachtig, kort van geheugen. — u u ru ij ru ary- n. , (Hrinjj ij tui anjj\\ k., uniihiiUxn(hij^\\ KI.; iets vergeten {eig. vergeten raken), van dien iets ontschoten 0/door het lioofd gegaan is; buiten zich zelf raken, zich zelf geen meester blijven; ook ïni irLnj tii mi/j\\ kn.

naam van een riviervisch.

/ e (p) o Da

•HhwpKVf. zva. xmxrm \\ o f ./j/./;gt;.ist^n (rfii n i

j. O \'7 , 1 . ,

\'Uiasn/i of 17» r.) teuji\\ mi t r ip en il^ ija-j) \\\\ \\ 1 1 n (?) o

\'\'\'\'\' lll ci \' l lH1\'ln kquot; svaquot; ; 111 ^ :Lh a£JIn \'nl kn. om niets meer geven; wanhopig; een wanho-

pigen stap doen; zich uit wanhoop aan de grootste gevaren blootstellen, den dood zoeken, ibi as?i rri n j \\ sterven uit wanhoop, xa wi(ijl asr), zva. (imu tLj (is\\i\\ liever sterven, (dan). — uurj rLi2wjj of tot eiken prijs, in \'s hemels naam, Rh. (a^L^ajuhn {of iQiclt;j\\). rx n j ij tui tj (0/ ijim j of enkel ook r^i zich

van kant maken, zich zelf het leven benemen, hv. door zich te verdrinken, zich dood te steken of

het innemen van vergif {vrg, vi .£gt;_en

lt;biijl Wil.). — 1L1 nia 11 \\ iets liever willen, verkieslijker achten, aan iets do voorkeur geven {zva. 11 tu tuen .i-i iu nini\\ ook wel .iun.igt;\\ en eig. n ilin {ook fi ili j \\

n^rLi\\ G67

Kh.) kn., {volgens sommigen iuilij\\ k.) welgevallen, vergunning, permissie, verlof, toestemming; genoegen in iets nemen; volkomen vrede met ie/s hebben; iets goedvinden; ook {en zoo vooral n] tii\\) iets gaarne en opregt gemeend afstaan aan iemand; goedhartig en goedhartigheid, ö/\'goedhartige gulheid, met het gul af daan van iets {Ar. Ml. y r izld. Vrg. (K^hiis). ^7 initui lu n io^

naar zijn vermogen en believen, /lt;.gt;,?tn in iets berusten en er volkomen vrede mee hebben. iiï n.i .utïii(yilt;jjj\\ niet hechten aan de aardsche goederen, dar/r mild; liet aardsche veilhebbcn.— ijt] iLiihj\\ iemand iets, of iets aan iemand, vergunnen, permitteren, toestaan , veroorloven, toelaten, toestemmen, bewilligen, inwilligen. lt;/.H7v/ /u vergund, gepermitteerd, toegestaan, veroorloofd; vergunning, permissie,verlof; voorregt; verlof bekomen. — ijl n.i mi ~/n rj mi \\ iets afstaan, en iets, zooals een schuld, kwijtschelden,««« — iu n 1 :in/j*. toegeellijk van aard, zoo van aard dat men in alles genoegen neemt.

u i iun KW. zva. r^(iJiihiij^\\

a

\'iLj n.i \\ i^w. zva iL^ )..yt\\\\

nj 11 h\' KW. zva. ij\\ni rn rvijj en i^i uw volgens anderen zva. uii .r.j gt; » •gt; en ij unw n j \\ iemand maar alles, 0/meer dan hij hebben wil, geven of toestaan, hv. een schirokkig kind opproppen met eten, zoodat hot hem walgt, om hem hv. gulzigheid af te leer en\', fig. iem. bestraffen of sarcastisch aansporen om zijn kwade neigingen mam-te volgen, hem overstelpen met toegevendheid , hem maar laten begaan, al zou het ook tot zijn ongeluk strekken, (Tj.). — itinynp of geheel, geheelenal; geheel naar een kant gaan; een dikken buik hebben, hij magere armen en be en en; groote oog en hebben , hij een mager gezigt {vrg. ij n 2 ij 11.12 \\ hij gt;) (t -i 2 ij ij .11.12^. ^tijiiU} ibinji geheel in kopergeld, .f: 1 ii j oji f.i .7/7/j\\ maar geheel aan het winnen van dc kost denken; ook maar alleen aan eten denken.

ij ju.iu\\ kw. zva, ihn rjtoii thiw ml. kn. benaming van een inlandsch klein stukje geschut. — rj ri n i ^ KN. zich duidelijk vertoonen, ontbloot, ongedekt niet door hosschen of struiken gedekt, open voor het


-ocr page 752-

(rj ru (n i q \\

ces

n n 1*1 rii\\

oog, ook duidelijk te hooreu, noot voor noot, Ti. ■— ijrnzieleneden.

tj itu-rjfru\\ kn. naam van een gladhidd\'uje visch die zich in zoetwater en ook loei in het slijk van stilstaand water ophoudt. Deze visch heeft twee stekels , die zeer vergiftig zijn, evenals die van de a~j) ^ n i \\ de Clarias punctatus, een soort meerval ?

lt;11\'}i.)2vx.t\\ kn. van vader, of moeder, of kinderen, of naastbestaandeii, door den dood Ij er oo I\'d {vrg. m ihii (HT/j)\' vj n ii u.i (i/n(uj MVji\\ van kinderen beroofd, 11., voli/. WW. en Rh. vader- eu moederloos, een wees; volg, Jih. ook fiy. alleen op de wereld, zonder bloedverwanten of familie.

»ƒ n.i? ij ili? n kn., rjirhinjwi tjirLU\'riln.i2\\ aanhoudend rj tlid roepen, het hoofd loten hangen, den moed laten zinken (van 1.).prui

len. G. [waarsch. hetzelfde. Een ander zie bij ij iri i

Ij 1L12\\).

\'ivi ti.iq\\ kw. zva, (vrg. ni— ihimq

ivn :iri/]\\ 1. kw. zva. (ruin.i w(Hi/j en nmioi^w — 2. kn. geheel voor bezaaijing eu beplanting toebereid van grond, Rh. (zva. cmMmjitfyj); volg. WW. meer bep. van een rijstveld, (vrg. n i tjuici inq en (Ufulrjtx (Kift); en het slijk van het zoo toebereide rijstveld; dit volg. Rii. rjm ijminitnjj door elkander gewerkte mergelaarde voor metselsteenen, WW. (een ander n iihKunan/i of ryn.i viiinjj zie bij iu(im )

— wm % \\ of (u tli.tli zie beneden.

ivr^rli \\ kn. langzaam; bo. van gang, slepende, tee-merig, ïijmig, spreken (vrg. luyip en luoiij ); met langzame passen tandakken.— i^i iui stuii op een langzame wijze gedaan (^(riji(un(hijj\\ zie bij ruiLii).

■i?i wii\\ en turjn.ifs kn. bedaard, gekalmeerd, van iemands hart of drift {vrg. ru \'rjy \\ en vj ik x); (ook bedaren, van den regen ; afzakken van een bui. R.)

— \\ c\'n \'}p\'7 rui{ tot bedaren brengen, kalmeren. — n^i tu ^(un rj mi \\ het gemoed van iemand tot bedaren brengen.

O O O

m itjiiLi fs zie ru ruqw

\'ny n^\\ kn. in een weeken of vloeibaren toestand, va?i iets dat anders hardis, opgelost, gesmolten; smelten; zamensmeltenj volg. Rh. oök tot pap gekneed; en volg. CP. de met water fws. bereide metselkalk/y. vergaan (vrg. if n irjui i^ \\ ert Kfj\\), ook vereenigd, aan elkaar gehecht door vriendschap, vm isii verbrande (al te veel

aan het vunr blootgestelde) metselsteen. — ^nr^s iets in een weeken of vloeibaren toestand brengen; volg. Rh. ook tot pap maken, kneden; iets, zooals metaal, smelten; fig. met beschuldigingen hard vallen, folteren, kastijden. — ti^rru^(i/nrjmi\\ iets doen smelten; iemand de schuld van iets geven.

— (ii^iii^dJii anp of anjj\\ obj. den. pap, deeg enz.

oi tli ru J v kn. slap, zwak, niet vast en stevig; ooA fig. van aard of karakter (rijjdin). — ^rhiru^ vjiTLiijirhid^s slap, van iets dat door gebrek aan stevigheid buigt; ook figuurlijk.

rjiurjarifs kn. zva. — vj/ruTjiniqrjrn

n i^i j\\ stil, zonder zich te verweren of iets te doen, of op ziju gemak, blijven liggen. — rj;ip rjni^ of (i.i ijmiiru4\\ iets, zooals hars, smelten WW. (volg. Rh. in deze bet. Mal. mëlclèh); zich ergens neervlijen, op zijn gemak gaan liggen of liggen. tj *71 rj m q (un ij tun \\ iets doen smelten, (Mal.)-, iets, bv. het hoofd, ergens neervlijen.

Tjirtirjin/idzie bij vj ruru

(■gt; n o .

ij n nrjThid^sKH. zva. ik itsia^\\ en ik if.i~i\\innenien,

medicijn ö/vergif innemen.— rj aw rjirLii qseen beest voeren, door het eten in den bek te stoppen (vrg.

(umm nis en (iJti i\'fii^\\); een jong voeren, van de

Cl) v

ouden; medicijn gaan innemen, (oo^ bezwijken. G.).

— nm ij ru2 ijn is te ver gaan of gegaan, zoodat men in een haclielijken toestand geraakt, daar men niet weer uit kan komen. — rjzijn/i2 ^ilv \\ iemand iets (zooals een pruim) in den mond steken. — ij ri2 rj rt itpiL/n rjiiois iets iemand ingeven of in den mond steken • iemand in een hachelijken toestand laten komen of brengen, daar hij niet weer uit kan komen. — \'tjru2 tjn.i2%lt;un aiijj\\ obj. den.i elkaar voeren zooals bv. duiven. 0cm tj wwj elkaar over en weer met den mond de sirihpruim geven, W. ÏI, 383.

o . Cl

ru ru un \\ zie t u (i/n w

J .. o

itv) rj 111 (hnjj \\ z ie •vij n u ru w

Ct .... O

ruru(Hyi\\ zie bij tutuw

ruviJKmjfs 1. k., zie (Bi tum/js — 2. kn., en m im tu iuuijj\\ n. , :i!» tiiqruru uyj^ een kaars in


-ocr page 753-

quot;vrji

het algemeen, smeerkaars. —ffoiïtmjis w.gladde meubels met was boenen; iets in de was zetten,

van kastemalcerswi\'rk.

n . C)

KW. zva. w gt;rin\\ en ao

quot; 11 ^ Q \' O O O

iFji^Jj^w — nó)fjs zva. ani(vry^ lutini

(rrh%\\ en KN. yo\'èt. zva nmamnnijj\\ meegevoerd, (1 ^ /■ ■)

meegesleept, verleid raken. — fcnni^irvicmji of

7L^im/j\\ KN. poët. zva. a7ta^asnjj\\

zie irutuiw

m viJisKVi. zva. vj un t rj wt nnjj en (ur^ (uiaMw

KN. nji ru\\ en Ktiru^ ook r^rmi gt;j irv)z\\ aanklevend vnil op iets, bv. op het lichaam, nuiiru {of rjiru? tj(wit) 7nu2n^i (hnjj\\ klevend vuil op het lichaam hebben. — rtji /l?n iets, bv. het lichaam, met de ving ei\'s, een doek of iets anders, wry ven, dat het aanklevend vuil loslaat {pass. (inuw(tli\\ en iets nauwkeurig onderzoeken of na

sporen, ook iem. opsporen, L. 209; een geschrift nazien, of er ook fouten in zijn, eollationeren, corrigeren {pass. aPi rutru ).

n.idinsKH. een vlieg, (de zwarte vlieg), rtia^ n} liïd^jj\\ een groote, groene, glanzige vlieg, de strontvlieg (vrg. als een vlieg doen {vrg.

ki/js als een strontvlieg doen, gemeene schandelijke dingen doen, W., volg. Rh. de klem* hebben van een iru ay t?) riïnjijj ongeveer zva. (iJia%(Lmrjitvt(hnji\\ donkergroen met violetten weerschijn, iiji 13. ij (f^i rjarjrn2i}fn/j\\ van knevels die afgeschoren zijn in het midden, en de korte uiteinden alleen overblijven , als of er een vlieg aan

weerskanten op de wang zit.

Squot; . s / .

mrjirui oj rjoxmnr^nns KN. — (fftyirDd ofnq(ijl2rj

\'ïjvi/it\\ voortkruipen, van gewassen.

zie onder (ikw

o t o aS „ a 0/ ti 1 .

nu iTLi\\KN.; jijmn of asiirurrus wakker worden in

den slaap; voor een oogenblik opstaan, van een

slapende, bv. om eens te drinken; weer bijkomen

uit een flauwte; opstaan, weer opstaan, van een

plant die verplant is en de bladen liet hangen;

en benaming van de geplante rijst in de eerste

maayid, {de plantjes rigten zich op, ontwikkelen

een blad, en worden groen. SG)\\ ook benaming van

de eerste periode van groei bij de tabak na de

overplanting, vrg. nbnazis en rj nm nu \\ — nm tu

o/ .

numaryis fig, middel om levendig te honden, bv.

(n^(nj^\\ 609

lews, aandenken, AS. — (iji nhi * n rj nni \\ cans.

— ligt slapend, dikwijls wakker wordend in zijn slaap. — (kj iunu\'~n(hnjj\\ een tijdmaat van omstreeks drie a vier uur, W. II. 375.

kn. 1, een mengsel, waarmee men den huid van het lijf of aangezigt wrijft en zuivert. 2. de haas of het haasje van eeii geslagt beest {vrg. mp).

quot;fi]llJlN kruipen, zooals van een worm, ook van kruipgewassen. — ^ niif \\ 1. niet 01^ schoon wrijven, volg. Rh. nu tijj^ of ^ ^ \\ strijken de wrijven, zooals bv. schreijende zich de beenen wrijven, Rs. 2. kruipen {vrg. fin ij )u? tj\\ en astiji); ook kruipend of traag en langzaam in zyn bewe-gingen (vnj. /n).

?ƒ tl? iru \\ kn. zwak, slap, WW. ^ tururjntt ij vj(ru \\ uitgestrekt neerliggen, maar blijven liggen, Rh.

11 tuny nu \\ kn. toets op een toetssteen {vrg. (incLn\\ keur); blijk door toetsing; alooi, ook fig. goed- of slecht alooi van iets of iemand; poet. zva. cmxrm geschenk, even als (imn\\ en zóo an an nu nj 71;\\ geschenk en belooning. — rj rj nw\\ goud of zilver toetsen; fig. beproeven, op de proef stellen; poët. zva. njh cm i:m \\\\ — r^nurj tun-mn/^s geëgde grond, geheel gereed tot beplanting, volg. Rh. meer bep. voor natte cultuur {vrg. nu nu % nm

tnfl). — (uirjenntjtu*71 toetssteen.

x

rj nu 2 rj vin 2 \\ zie (run uw

vuHstijjs volg. Rh. onnj\'yi(uyj\\ Ar. kn.gebrek lijden, WW.

tj tu ay ru? urijj\\ kn.; ^ru2ï^tu2ofj(hm2n^itutihvjj\\ er blank uitzien van blanketsel, of er zoo blank uitzien alsof men geblanket was, WW. volg. Rh. rj (M

é

yj (YU) 2 Wl/J N

nt rui an/j ongebr.; nu rui an an ^ kn. grondgebied, regtsgebied {vrg. (Ui ui 1^ nm 2 ann en dfn a.n nji j ajn an/j).

i.ji^anj^\\ kn. snelle draaijing bv. van een tol, Rh. zie a^a^asii/j\\

anji\\ kn. veerkrachtig, en daardoor sterk, zoo-* als voorwerpen van goed staal, rj nji t nu^ (U^ een meegevend, inschikkelijk persoon.

vj ni r) ru an (i\\ kn. traag, lui, vooral van een dalang, die laat met zijn voorstelling begint, Rh.


-ocr page 754-

o

dl) 11 y} Ihn \\

kn. 1. zva )nniii,n/j\\ WW. — i irjij fon/j\\ een Ngamp; met een draai, om slingering, benaming van het lettertceken r.j w /j? /j n ^ i jasn/j

O • quot;) t)

en fiJ) ei r^/jjlt;r^j (c^asu^ zie ajt ijir) ..12 \\ en m (FjI -jj

ujijj\\ — ^\'ssclien «le vingers drani-

jende zamenrollen , hv. 700 een cigar et rollen, JM. {vohj. Kli. in deze het. (1:1 n iiibnp) iets om een stok draaijen, bv. een vlag; {pok iets geheimhouden, en voor zieh bewaren. G.).

n i 111 nni/js kn. iets, {zooals een stoic) als middel om er iets omheen te draaijen of tc slingeren {vrg. vn iy (iji tuisn yliiï een draaijende, snij

dende pijn in den huik. — r^tunsti/j^ iets draaijen hv. touw, oprollen , bv. cigar et ten-, wet een gekeepte stok vruchten van de steel af draaijen. — \'n ru ihn.j\\ gedraaid zijn ; zich draaijen , zich slingeren om; ook fig. draaijen, nitvlugten zoeken. —

ag) rm/j of cu) n?) rS(VjOM^/js zitten te draaijen en zich te wringen, zooals van buikpijn of van verveling in een gezelschap.

o

nu)(ili asiyi\\ kw. zva. ij u irj un Obtip asyws 1 m0.1 j\\

SIlI op o n L

(hj) k,i (Fji^\\ tut /amp;i (hnji\\ ij) mi nJi/j en m i-i gt; i/)i anjiw kn.

verkleefd, gehecht, aan iemand; bemind, bevriend;

vriendschap (van vrg. ^

asn/l^ met gelijke verkleefdheid, njn w j 7^ asnji of

O .... O O

ou^ (isr) ~j)i oj) {\\ zie b ij k ) j w 0.1 m 111 ujj iisn /j \\

ryst met këtan , klappermelk, curcuma enz. ineen

dandang gekookt tot offerhande. 7v-j,TUj asnjj\\

naam van een soort aardworm., die meestal in

groot en getale opkomt; volg. bijgeloof zouden zij

voor den bewoner van het huis waar zij zich ver-

toonen, geluk aanbrengen, kii h ^ h^ noyjs tot iemand

getrokken worden; lieveling, gunsteling, beminde,

boezemvriend {vrg. isn uti i.l;\\). r.ji^]\\ aan

iemand zicli hechten met liefde. 7?t un n^tLyi^ns

pass. laii^Tu^n/^i^i (hn^ geliefd.— ffïw^nQisn/js

tot verliefdheid opwekken, GG.

frjou7j7h)(isi)/)\\ kn. smeersel, om met den vinger mee

te smeeren {vrg. rj lt;ui 2 rj aj) t gt;,7)/j), — ij (un rj ru ay!s

iemand of iets met den vinger een smeer geven ;

besmeren met iets; ook fig. iems. naam bevlekken,

iem. een kwaden naam geven. — ^nr) rj7Li(iftW

7jarti\\ iels ergens met den vinger op- of aansmee-

ren. — uu ^ n.)(Yj u i fibii/js de smerigheid van een

pijp, het vochtige vuil, dat er na het rooken in blijft zitten; vrg. NX

lt;r»

.ru »//«sr/N kw. zva. irti rr^.i^i/js ii.r^ iti i\\ Ti

aj) ivwans ili \\ en try fij tu nrn/j (Skr. lalita, bevallig, aardig, schoon, lustig, enz.), (oj) 7°\'ri 7i) rri(isn n naam van een Kawische zangwijs.

o o ,

7L)7\\Jiajjj^\\ K\\v. zva. (Li(b)t\\ {vrg. irci(fji ^/jfKop. —

ir) ru a. 7 ^ n zva. (amp;) rj nsti 7(j \\ B.S.

KN\' ge(lraaid zijn, van een touw {en zie bij tjm/i). — iets, zooals arènvezels

tot touw draaijen. — a^ir^w ^.7 (hn/j een klein kruis van hout of bamboe om (ic^in)^ of i^ixJ(ivi/j tol touw te draaijen.

7u) kn. bij voortduring, onveranderd, besten

dig; blijven, wat iemand of iets is; zich bestendigen; zich bevestigen, bv. van een gerucht; voortdurend, bestendig; gevolg hebben, bv. van een beraadslaging gt; vervuld worden, bv. van een wensch, iemand het bestendig welgaan {vrg. ivj^ w/j en n). Mijn bede is, uh ieq 011 crrltij nj^ wn dat het hem voortdurend wel mag gaan. — j.-a.rjnns iets onveranderd laton blijven of laten voortgaan, bestendigen; iemand bestendig laten blijven wat hij is.

rj luiy ruM/i\\ kn. 1. ij n iw/j\\ Oïtgev. zva. rj iwrj n oj)j^\\ wijkende vechten. 2. vlcijend spreken

of iets vlcijend verzoeken.

rjiDirjiDdM/js zie onder n.) r£j)iHi/j\\ KW. zva. ui) gt;) ^ /5) ? nm un/j\\

7i))U(Hi,\')\\K.vf.zva. ru)lEiri)onf)\\

(Jl S (.c\\ Jl

77^ nj^ 7j)!hn/j\\ zie bij iri^iivi^

n i n )rfij)2rr)\\ kw. zva. TsntHi cm rj mi \\ kn. gemeen, laag, onnut (van 71) ru \\ en rj tji 2 kn turu lurf 7j)t\'r)\\ gemeene taal. ajn oo) tj) ru rj il»? 11 \\ ge-meene praat, rj ó)i {of ns)i om) rucrunywi^tis een gemeen, sleeht mensch. mi am ij v) om tyi tu rj m ? ^ n nietig werk, \\V.

u : /u7i^(k^\\ kw, eigenmagtig, willekeurig, onregt-v a ar dig. G.

tg iynji!j\\ I. kn. ; in het water zinken {vrg.

jjuzj tu/js grondvorm — m) ^i^.tui p hietz.

als acc. pass. ook niet terugkomen of lang wegblijven van een bode; niet terugbezorgd worden van geleend goed, op den achtergrond geraakt, gesmoord, gedempt van een geluid, dat overstemd wordt. —


-ocr page 755-

O

■n ui ) (Uijj ■

071

DIJ lt;t LIS

nivnu) ie/s onder water steken, duwen

n.CT \'

y/* doen zinken; iels enjens induwen, zoodat liet geheel niet meer te ziea is; en, v«w water, zoo diep zijn, dat iemand er onderkomt en gevaar loopt van te verdrinken.

TI. of (WW.) a^n^x:nj\\ kn. omslagtig,

ho. vayi een omslagtig {lanywijlig) verhaal \\ oms\\iV£-tig (niet ving), van iemands verstand hij het nadenken en zich uiten; omslagtig, van iemand, die wel langzaam te werk gaat, maar toch met geduld en volharding voortgaat, of met wien men niet spoedig Haar komt. — ri^nj)^ of (WW.)

bedaard voortgaan, langzaam vorderen.

j?) ru (U)fj of oLituivm/i kn. I. een enkele van vlakke platte zaken, zooals flanken, lappen, enz. {zie im tudnyj). 2. ook zva. )U aj)^ zich vergissen, Tj.

n^rnjian/i of {volg. Rh. gebr.) kn, d»i ve-

zelbast van boomen, vooral van den waroeboom , die tot hinden gebruikt en tot touw (as)) nu rvinv^ (u/j) gedraaid wordt. o\\^ ^ hi r.h \\ een werktuig waarmee de kapok gezuiverd wordt (vrg. i/))cni rhi/i). G. volg Rh. waarschijnlijk een Wangsaltan op unnrr)tu/js

o o zva. )i ) r»; \\ en truttj) asD/js —oxj^ceh

o

zva. on/ious en irvi fj)(IM\\\\

of (rjirutovfjjsKW. zva.

gt;j)mtj)imus kw. zva. (vermetel, stout,

ondeugend. G. Frg.

CY 7

)i.)Tjoi.)xjU)t)Ofj\\kw■ zva. lunnirnnsnw — kn. oena-

ming van een soort van batiksel,

*i)fUiM/j\\ Ar. dldlim, kn. onrégtvaardig;

wreed, tiran.

z*e

)i))uirn^/j\\ kn. onrijpe vruchten, rauwe bladen of

boonen tot toespijs bij de rijst gegeten (vrg. du ui ^ \\).

ook die onrijpe vruchten enz. eten. — nin/tirn J1 co

1. onrijpe vruchten, enz. die rauw bij de rijst gegeten worden, en volg. Rh. /ig. dagelijksch werk.

*)\'}vr)]\' zie II*

niquot; quot; V z*e ^ 7^ Is

LMU KW. zva. (LW irL/)(Un i)Ll\\i \'U;in en ni?ï\\ zie „Sinjw

Ti^ n j \\ zie iV) nrxjj 11 n w

it] ox) (rii \\ ni o L) ru \\ en )urn\\ Port. I c i tao, kn. veiling , publieke verknoping vendutie. — tf if) tu\\ ij ritmis en fpn\')\\ vendutic houden, iets publiek verkoopen. — ^itifrjoms enz., iets op een vendutie te verkoopen geven, laten verkoopen.

— \')j )i.idl)(innnji\' enz., vendutie die gehouden wordt.

/jiajj^nkn. een uitroep waarmeê te kennen gegeven ivordt, dat iemand of iets in eens weg of verdwenen is: fuut! iu eens! ook er in eens. met één veeg, door of in , bij snijden. {Vrg. am rt) d/ifj.

in) rD dj) j en cunrL) nji/j); dv) (ui/jiuh ru\\ fuut! verdwenen is hij {of het)! ineens is hij verdwenen. n.i (lii/jd5ï^ \\ in eens valt hij in slaap, dd (t/i/jirli rutüiDij )i) ui}Dfj n/nivjdij % vjmn (}-.ddcyi tun (uj(Hii/js naar vergeet zij in eens voor een oogenblik, dat zij een kind op den schoot heeft! d\'uiu)/jfcr)aj)dj(uj^nsl^(ci u) cm ? di )dh dj^ \\^^djdj}t ^ndf) 3)dj) df)\\ weg gaat hij! en in een oogwenk is hij bij zijn kind in lietbosch. i.-c :dl)(u,j\\ het buldert, en verdwenen is hij.

— dl)\\ en (ed dm dji/j\\ zie ben.dl,) m (la~^i (hn^fj\\ of )i) i.d jnrli aj) dn^ telkens weg, telkens niet te zien zijn; telkens toevallen, van de oog en door erge slaperigheid.

kn. een uitroep, zva. d\\imj, van iets dat

ineens ergens in weg raakt of duikt {eti grondvorm

O Ov O » o Q

van d^k^njiijs djï\\ (ir) aj) j en i/)) i.f) ajifi). ^ (Ujjdn ldï

^iHap! in den mond gestopt; ineens is

het in den mond verdwenen, dj)^ifdvpnydjIïun

(ed\\ in eens is hij de kamer in en verdwenen, kh

dj) od^ Djrïr.n (Hjjjj t (c^aj) ~.fndu\\ in het water gevallen;

is hij {of het) in eens verdwenen I

DDI DJ)/j\\ zie DL^ .1771 fj \\

dl) m\\ in poëzie ook rd oj)n kn. honger,\'gebrek; hongerig {Ml. lap ar, Bat. rap ar. Vrg. m/irjdjts). D^D\\)d/)\\ honger, gebrek lijden, airlds))?n.)dJï\\ den honger kunnen verduren, lang honger kunnen lijden. dda *quot;gt;■) dl) \'utv kn. gebrek lijden. —rn dji\\ vrijwillig honger lijden, vasten ter bereiking van ecu of ander doel. — ht) di d dj) dodoor den honger gefolterd*

rj!ld\\ kw. nitspuwing, het uitspuwen. G. {vrg. d^. rf dj)^\\). — (innjtdM (Hi/js zie bij t^rfdd^w

mjjdji\\ 1. w. zva. il/duw — 2. kn. afgevallen;


-ocr page 756-

O /

quot;quot;T

07 2

1 LI (UI \\

vm jonge kokosnoten {or//, /ƒ cm? i/ rm gt;»,/)• —

3. KW. zva. w «/.9 KI.; y«w (lef-

cv

tigen gang: irutt/iaji j^aj)^ tr i nxj iu \\ kw.

;rr

ij rucm\\ kn. kalkspecic, mengsel van kalk en zand, pleister, ui wat tot bepleistering dient; bepleistering («s/v. lépa. Vrg. /u.itj^n).— ij ri .u)\\ \\)]c\\sic-ren , iets met kalk, klei of iets dergelijks , bepleisteren , overstrijken of volgooijen.

ry )/ ru {\\ kn. ; jftvjtufs iets {behalve spog) uitspuwen ; de stang laten hangen van een gedresseerd paardy dat er niet op drukt, en de hek nn en dan openhoudt, tegenover nhtihijj van ruim fig. iets verwerpen, wat men reeds aangenomen of in aanmerking genomen had {org. ^nJi en (i?iiic^\\). 0iiKrm \\ zijn belofte niet honden. — ryijuijiw

an/js wat uitgespuwd wordt, uitspuwsel; en ^

o -

ij (Li q xjïi rHyj\\ tv^ ij Oji Hifi (hijis : j aji j i n (hifj of ry

iL?i,wiimjf\\ ook iy?ï weggelegd en

bewaard stuk of geschrift, dat niet meer qehruikt wordt) maar bewaard tot zekerheid of herinnering y of ook om ooor andere dergelijke stukken tot voorbeeld te kunnen ; het origineel,.klad, brouil-lon of minuut van een brief y waarvan het in het net geschreven afschrift verzonden is; en zva iii rlidJi\\ voorbeeld, tot navolging en waaruit iets blijken kan\\ ook hv. van een portret gt; P.T.; ook

iemands gebleken gedrag; bv. hji^nrj^mi n iKi^

O o a.. o

•ui ij int ui litiji fin m (irj \\/ii an yj. ui ui rj ojj •

lt;YjiiLitM\\ kn.; rj jp f ui \\ iemand van kost, kleeren en

woning voorzien; iemand geschenken geven om hem

in zijn belang te krijgen; omkoopen {yrg.

irynns).

trui (uitui/j\\ kn., oj)(rvt (ut(Hijj vijf en dertig. 0(iaim vijf en dertig dagen {van de kraam een er vrouw of van den leeftijd van een kind gezegd). rm ili ui uj ^ een offerande doen voor een kind op den 35sten dag na zyn geboorte. WW.

irvi £i(hnjjsKW. zva. iij.tjlfw

Cl O O

frjirijirj (uuin/j K.j zie mi ,tLi\\ en a/n ti ta/n ntiw

vLuuis ook wel truni (uig\\OJ. k. va?i niiu\\ (verb, van (A \' ah v

o - o . .

iiLi (f^t\\ of rili (ujjj \\ zie rj rD (ljji\\).

O . ,-gt;

itu ii aji 2 n zie tru (ui \'(■I (jh

(ru iu^ \\ lloll. kn. rapport; rapport of verslag doen, rapporteren {vrg. (uivj tuit iw/j en iL^rj (un ius).— n .pis iemand iets rapporteren, bcrigt van iets g0V6n. — ip ,f.uii\\iets rapporteren aan iemand] rapport doen van ; {iemand aanmelden , van een bediende 1 W.). — ax i {of «71° W. 1, 233)

rapport, dat gedaan wordt; tot rapport. ruiaLtrii Lj^nrianfj\\ schriftelijk rapport.

.r?ily kn. vertroost, opgebeurd; tot bedaren gekomen , van droefheid of drift, door toespraak of oerstrooijing ; (tevreden gesteld, van een schreijend en dwingend kind \\ 11.) troost {vrg. n on «^). ij lii i rn ru K } ili l^ \\ of \'ij run rri n.i \\ troosteloos. — ij)\' J \\ of ajn.nl (u^\\ iemand troosten, vertroosten, zoeken te troosten of op te beuren, (te vreden stellen; li.) iemands droefheid of drift tot bedaren brengen of zoeken te brengen; zich door afleiding of verstrooijing zoeken te troosten. r? \'7, V iemand getroost wordt;

tot troost verstrekken. — het troosten,

troost, vertroosting; vertrooster.

ar^ (ui n 1. zva. nn n^w — 2. kw. vaststaan G. ij id i (ui - of rj iLi/rj iiji!\\ Hall. looper, benaming van de postjongens of postknechten , die achter op de wagen staan en aan de paarden hip en; palfrenier, die achter op ecu rijtuig staat {vrg. hn n

vs\'i\'-\'fi\'

/ . c.y

1jtU2lj(U1d Zie TjUliiUIW

a? /ajj^yis naam van een lusthof van den Sultan Ago eng

van Mataram.

rj iLii tj (uirj r^i xiji\\ verb, van i /» rj rui tj rn \'ijjjj \\n m ui hu/)\\ kn. 1. Europeesch zadel {vrg. n/nxni^vn 2. zva. ilitiQinijj\\ of het gevolg van iets;

vrg. (isii (ui (Hruj \\ (3. maar, alleen, slechts. G.). m

o

(Uittfli(L/i(Hii/j\\ kd. , zie rj.tDi (uianijjs — \'i\\ltL/t h,!{s een paard zadelen, opzadelen.

nLirj (uiitKnji*- kw. zva. (urt \\ en rui ij ili(Ui uv/js of rjiisii (ij)oni^ kn. een kistje in den vorm van ij a ui t (uirj iw ? oji kii /j \\ maar meest al van hout en met een losse dekselt Rh.

rj iLirj(uwnjj^ kn. vlak, niet diep, zooals van een bord of deksel {vrg. rj ili tj (uu\\); het schoteltje van een kopje; vlak, zonder punt of spoor van de pooten van een haan. ift rj nnizrjrDrj (uuii iyj een haan zonder sporen, Rh. —rj tLirj njiinijHi/i^ bordje of schoteltje onder iets. — rj uii rj tui w/j en ij (irj ij (ui im^/j \\ zie rj rni rj njt (nii^ \\


-ocr page 757-

y n ivf (uasnjjs

073

Ij ID 2 (LI

rj uit mi onyehr.; ij ru? hji ij ».»; ? (Li \'\'^n kn., (/ƒ

tj ju il/i tjhn u) J. Ui\'.), langwerpig vierkante doos met een van scharnieren voorzien deksel, zooals voor tahak , cigar en of snuif, vooral voor sirih, gew. van metaal, sirihdoos {vrg, tf rumi inyj\\

Ij

1IJI (LD Lil /J — ?LI IJl (1^7 .171 Lil ] - M./ E? (lijï lt;£/) (157?^N

xniULLnjl^K\', zie

ij llld/j kn. naam van een lekkernij van JcUan, iw (?/?« langrond pakje van zamengevouwen kokosbladen stijf gestopt en zoo gekookt. — fin m (Ln/js lëpët maken ; këian tot lëpët bereiden; (knellen , gespannen zitten, nanw sluiten, van kleuren om het lijf of van een zak om iets heen {vrg. fn/icui iLiyj JR.), volg. Rh. ook van een paard ygoeH in hvt vleesch, eirond.

Ti^(i3(iiï^\\KN. nauw, eng, van een straat of doorgang {vrg. nyu Li^j); ook verborgen, geheim; daar men weinig inkomt, bv. van een hosch. (Qrvjiui(isnijs een halve baoe of een aclitste djoeng. — iv^cui Lil wijl ^ nnnwe doorgang, nauwe, enge plaats; ook een plaats daar men weinig inkomt; en halve baoe\'s.

bi^vN., ry (ui tisnjj \\ K,, mis, gemist, niet geraakt, niet getroflen; missen, niet treffen; gefaald; falen; fout, verkeerd; het mis hebben, ongelijk hebben; mislukken; vrij van iets blijven, bevrijd blijven; iets ontgaan, er aan ontkomen; feil, schuld

/ O O v o

[vrg. (Ki ili q \\ ,7. i oj) (uji en- lj \\). i £ lii ^ i i i !Li;hj) (tn/js eens voor altijd mis of raak. ui li rj im\\ als het niet is dat; bv. 0 (uo cm ^ t (uii tui liii i:rj ui \\ wordt hij niet gehangen, dan wordt hij toch gebannen. 0\'li ij mi i ij ijjis eig. als het niet zoo is; d. i. anders. rtLyliet ontsnapt aan de beschrijving, boven alle beschrijving; van kwade dingen-, het komt niet te pas.

/\' C) ,

* lyn liiug (ulLQru\\ voor: ik vraag om vergeving.

ni \'l ty \'l m*s^ 01) (^c con, an^elquot;c wyzegt;

loopt het op de een\' of andere wijze mis; ligtelijk de;. een ongeluk krijgen. — i,ri 1iLii/j\\ i, n lj ij) iliij falen, niet het regte treffen, W. — r; (1^l\\ fjrtdji iets missen, niet raken, het mis hebben. — i.n ili *1 %\' w/l n lii ngy (ui Hjti dnji de toestand waarin iemand gekomen is door een misslag, fout, vergrijp of misdaad, schuld ; misslag; vergrijp; schuld licbbcn;

zich schuldig maken, zich vergrijpen; in gebreke blijven van aan zijn verpligtingen te voldoen,

afn iL^ L^to^o-n^ schuld beloopen, een misslag begaan. — jtjLQ ifllij lh \\ li w (^lhii ia/js iets doen missen; iemand in het ongelijk stellen, ongelijk geven; iemand aan iets doen ontgaan. — nji r^ Li (Liijj\\ kn., (ui Q(uKi)., boete als middel om een straf te ontgaan.

ij ili ij (ui (iw/i^ kn. smet, overblijfsel van iets vets of kleverigs, zooals boter aan een mes, {vrg. iliun

iLHJj). h nrf n i rj (UI ihii/]\\ vuil zijn UOOl\' \'li ril ï) (Li

o . .

(luji\\ vrg. tf hynj ui 2 uiijj \\ — ij li orj ui uti \\ iets besmetten, besmeren, als boven, bezoedelen. — ^ )j tfli ij ui tjii an/j\\ besmet, besmeerd, enz. raken, als hoven.

(iliuli^s kn. doublure, oplegsel; hesXag, zooals van paardehoeven , of met koper, van schepen {vrg. asn (ui iM/j)- \'Uj. •\' 11 ili ui ijjjs laagsgewijze grond, ook 0oo ui Lifj SG. — ip uiiJiji\\ doubleren, opleggen, bv. met goud of koper; paardehoeven beslaan, volg. Rh. ook van voering voorzien; vrg.

\' O

[cl^kii ui\\

(i^uu (t-^jl^ kn. 1. vrij, bevrijd, ontslagen, bv. van een schuld of borgstelling, uiteen betrekking; in vrijheid gesteld, van een aangeklaagde of gevangene. 2. heel ver, heel ver gaan, van een togt, ver dragen, van een geweer. (u^mciJijj ofujmw^inrj if ilt;j.\\ hij is bereisd, 3ii:r^i?i\\ het vergaan

van het verstand in het uitdenken van middelen, schranderheid, vindingrijkheid. — ijuil^s ontslaan, in vrijheid stellen; een dienstbode zijn afscheid geven; een verstoeten (wvy. on i^). — h ui mv., en KI. van u^aji rLis op iemand iets, zooals een pijl of pijlen, atzenden, afschieten {ook wel als k. gebruikt)? — (fymiajt ^irjhns een vrouw verstoeten; het verstand ver doen reiken; en ki. {of k.) van irjaji 11.1 ij ij mis een pijl of iels dergelijks afzenden of afschieten op iemand of iets. — hli^i ui k^/js poöt.

O

zva. tEi mi /j \\

ij iLU un^jjj KN. naam van een lekkernij van ketan in schijfjes, met geraspte kokosnoot en stroop gegeten\', ook naam van een visch.

ili üi ru/j \\ ook »i ui iru/j \\ Ar. ^al, /af dl, k N. woord.— Li ii iut iLiif i,ii\\ iets met Woorden zeg-

43


-ocr page 758-

ilLV ijI Jt

674

gen of te kennen geven, (KI1.) R.

O quot;gt;

lt;tli il/jjj \\ en / zie ^ m (ujjjw

n /* ci

rrj m kav., frf ihin^jjs (ru/LJjjjs oj quot; gt; KD. van

\' O , O v . )

Uhl tI I \\ {vrij. nuw \\). - \'\'/j\' njjl \'hlJ) KV-ZVfl. H,n

nu rj nu — »ƒ iu ivjjj nryj \\ eva. nu ij lt;tu (mjj^ n n-n (Lu vj tl.1 njji inji \\ poet. voor tiin nu mji»u \\\\

vu (ijl \\ kn. goed van een ander maar wegnemen, of ook houden, alsof het zijn eigen was (missc/ricn voor i u (ui q cn i \\ zie o\'n \\ een interjectie voor hef links wegbrengen van een of ander, Uh.). — an (iji \\ iets van een ander zoo maar wegnemen of honden.

nunji\\ kn. rnim, vlak, effen en rnim, W W. komt o. a. voor in P. L.j doch volg. Rh. Mal.

(rudji \\ kw. zva. njnui nj (Fjuhoij^s Ml. peper inliet algemeen. ok in mi (in \\ naam van een soort van gekookte groente, daar Spaansche peper hij gebruikt wordt {\'org. y tug nao

nudoi.s kv. zva. mnr]i)\\kn. slik en alles, wat met f

een overstrooming meegevoerd op den grond bezinkt en aehterblijft, of modder die bij zware regens van de bergen afstroomt en op lage gronden liggen blijft; ook lava. — nu tfncu nn/iy wat door ladoe gevormd is, enz. ry an % nu rj nji z nnjj \\ of •» u j

dvjjN zoo aangeslibde grond; grond met — i

ihii nuijioii ihi/js met ladoe bedekt geworden; door | nuajj, overstroomd; ook zva. hu uu^yinnjjs

O O

nu .ui n k w. zva. (Ki nxi v

nj nu(iAj\\ ongehr.; nsn ij m,i ijnji i aa/^\\ zie hoven.

o . o

nunn s \\ zie am nLi Miyj^

njnuzrim?\\ kn. groente met kokosmelk, lombok trilsi en bedorven tempé gekookt. — ^ n i z ij n.ji j ^ \\ lódèh maken ; groente tot lodèli bereiden.

rj nuz ij ijiz gt;\\ kn. verrot, vergaan, onder den invloed van water en voeht, week, tot nap worden van ! vruchten, n n ; / n benaming van een ziekte o!\' be- 1 derf, in veldgewas, zooals padi en suikerriet, waarbij de bladen geel worden en de plant verrot; vrg. niirui if (M? q\\\\

*1 nuznj) (Hi/j^KW. zva. lt;iJUiH^ri\\ G.

(V^rjaJiznnyj\\ kn. hol, met eeningedenkle oppervlakte bv. van grond; een bedding van een rivier\\ lage grond tnsschen hooger gelegene gronden (yrg. n j lt;: gt;; \\ en n^i rn i. n/j); en naam van een dïstrikt op Java.

nf nt njnoi nni(j\\ kn.; nj rrj rj a.Ji mij of nunjioi nii/j\\

sarren, plagen ; tergen, voor den gek honden. njm/szrjdJiz hiijj\\ vj nu ?n^^rnz \\ y nuiz vjir.n t nni/]\\ kn. er gemakkelijk ingaan van iets \\i\\c\\us\\n iets anders met een grooto opening, los zitten, niet vastzitten, door te veel ruimte, zooals een te wijde ring om een vinger, of een kogel in den loop van een (je-weer] te wijd, niet genoeg sluitend, zooals de mouwen van een kleed (vrg. nj vuzaw z unjj en ij nj nuzrj tony ).

tumii^ijjs kn ontveld, opengereten, geschaafd v. d. huidy Rh.; volg. WW. meer bep. van wond, tong of lippen.

nuj(lji()j)jj\\ kn. geheel weg, zoodat er niets meer over is, zooals van het plantsoen ergens-, geheel woest, zooals van een plaats, die geheel afgebrand is; geheel uitgedoofd, van hel vuur in een stookplaats; allen weggestorven, van iemands kinderen en kleinkinderen {vrg. (i^ (Bi Q(kaji en .ik (Fi/j rj ary z\\). — n.yi^ hi^ verwoesten, verdelgen, nitroeijen; geheel nitdooven.

u i njrioi nji(j\\ zva. nu nn (mji \\ IMi. volg. WW. hep. v. de oogleden; ook uitgespoeld van de grond dooiwater.

O o Ci O

nunjionj\' oj ny(inonyj\\ zva. n^nphn;p

ijnrf (t.o)zcmji\\ ny (Li tjnji z onijj van padi: de bovenste

blaadjes openen zieh, SG.

y nuzij) oiyi kn. overmatig rnim, van een gat of opening {vrg. \'ii nu znj iji z uiin).

iun5i\\ kn. opengekapt, ruim en licht gemaakt van een wildernis, gereed voor bebouwing; Jig. zva. (iji n.innji vrije tijd hebben tot iets, enz.\', ook zva. ricm\\ bereid zijn. — kmudji \\ naam van een zeevisch, R.; volg. Rh. zva. fancis hij :hinóis\\ it inji \\ kn. afgedaan, afgeloopen, voorbij, van een zaak, werk, drukte of ongesteldheid\', (geheel uil-verkocht, van de hand gezet, van een partij koop-waren\\ {vrg. nunji\\ en mun-l^s JR.). — vruchten, die onder dc aarde gestopt zijn om te doen broeijen en spoedig rijp te doen worden er uithalen; eig. een einde make.i aan liet broeijen, Uh.

rj nuajis gew. (ij rj nuiJi \\ kn. een wandeling doen of

gaan doen, gaan knijeren {vrg. rin^z nnrj mz ili ilt;ii)

i i ) .

f u. ii n n i, n \\ en iu i .n il i ).


-ocr page 759-

ij ru z ij nh i \\

s rj tflt; \\

075

*1 iiiigt;iijtilt; kn. een wijde kokcv ot\' vut van (een of twee leden dikke) bnmboe, zooals om water te dragen en palmwijn af te tappen (vry. -ij m i) m gt; en

IVII ïj-).

sucl van voortgang, GR. Ml.\\ /ondev op-

i

liomlcn , doorgaan, voortgaan, Iv. van een reizende (yrg. iwimji en y»-ugt; ijtsr i.tii)), en K.sm. 11

O 0 1)

/.ivuifyyi£iinj\\ k. zea. mtmtk-aijtyfy h.— snel loopen (vry. nyiEtivLp), R. welligt

onmiddolijU, regtstreeks doorgaan, WP.

quot;gt; O

llt; \\ kw. zva. a t hn i{tyj\\

ihi ij ik 1 \\ kn. n i ruiyiKts erg. buiten zijn woonplaats gaan oogsten, bv. pcidi snijden, koffie plukken, Rh. Vry. amwriw /ji ri^v kn. een vorm voor metalen krisscheden en andere holle en dunne metalen voorwerpen, 07n ze daarop te bewerken of om ze voor deuken te be-waren.— f.}^ 0P zu^ een vorm zetten. JH.j vry.

tt.i if\\ \\ kn. in goud gestikt. Mul -, een soort van gestreept katoen, W W. in Tj.; fr/ tu iclt; 111

Holt. kn. loge, voor een Europeeseh éta-blissemeut, burgt, kasteel, fort, In de Gouverne-mentslanden meer bep. van het Residentiehuis. Te Soerakarta heet het fort tu 2 chi ij ui \\ de Euro-|jesclie stad ten oosten van het fort i) tudiiS rjrtJt i n onj\\ de Europesche woningen ten westen van liet fort, nevens het Residentiehuis, rjiunkd^i n.n u i vi/js en daar achter tj / u t iS /. n 1711 ij 111 an /] \\

liet Residentiehuis zelf\' nj ihit ij n 1] ijici }gt;j }n/j\\

O o.

s ij ( ■» ? ik \\ zva. ij tui ik w

ij uk ij 1«s\\ kn. — y { jz ij if: t \\ iem herhaaldelijk

steken bv. met een kris. ti] i?t rj tuirj ut gt;\\ zva. /.\'v

turij tunjwi.hiitji scheldwoord, W. II, G9. o . o

/ U K (KIIj \\ Zie ILI iU j \\

iliult;\\ kw. zva. (Giij hy \\ of (\'biux,^:i\\\\ ploeg. G. —

/ /quot; /

quot;ij .* 1 it; \\ ivi ire \\ en if idfs \\ ki). van il^ 1 iaAj,\\ a^i (iJVj \\

en \'\'itihiw ook w 1 ult; \\ k i), van 1amp;1 mis zva. ir.iamp;w vquot;. t \'i, quot;i h \'H

■) (y

•Ii i it\\ \\ kn. zva. hn iu ik\\ en de hoofdstutten van een dam; fiy. hoofd, aanvoerder, van Uoepen in den oorlog, in W. II 95: vyiuuzw

kn. in de lengte voortgaande rigting, linie of vij; in de lengte, (ki tu een regte rij; in de lengte regt door. i?i s\\ een lange rij aan weerskanten. c ^ïctii rjui ayyj\\ de geheele (regt doorloo-pende) lengte van de heining. — een regte

lijn trekken; voorwerpen in een rij zetten; ee7iplan doorzetten. — /1/ ^nanjj\\ tot verlenging; in lange stukkeu van de geheele lengte.

i j,ik\\ kn. tot kalmte gekomen t)/gebracht, gerust, tevreden, opgeruimd, opgebeurd {vry. nmrls mn rr}%\\ \' 11 x.^ \\ en tu i j n). — gt;\' ijiois iemand

tot bedaren brengen, tevredenstellen , opbeuren , opgeruimd doen zijn.

onyehr.; i.n tu tf^hnjjs te veel ,*bv. rekenen , ook meer bep. te veel gezegd hebben , zich vergalopperen met praten; te veel gewaagd, AS. ook zva. int am .xzjri\\ L. 38. ij ind n h ihn.\'i:ie^iifiijj\\ niet te ver gaan, niet verder gaan K. 8, 11, {ook iets dat plaats gehad heeft; en benadeelen, te kort doen; kwaad van iemand spreken. G. (Vry. lïn n

Ij IVI2 Ij 1^2 KH/j).

rj n i2 ij icï2i,ii/j\\ kn. ; ij 112 ij ix 2 i.n^ te ver gaan, te ver vooruit gaan ; te ver vooruit, bv. zitten; buiten de oevers treden of overloopen, van water; voorthollen; ook ver vooruitsteken bv.van een hoek of kaap {vry. tj m 2 ij ik t /. »;^\\ — un ij rhu ij ik 9 i\'Ojj^ bij ongeluk of uit onvoorzigtighoid te vergaan 0/ komen ; zich vergalop))eren; (doorgaan; afglijden. Gr.). — ij 1^1 irja^? yn ij v u \\ iets te vei*

doen gaan; overdrijven, overschatten.

) /•\'--gt;

I j Llt; OjIJI \\ k w zva. Ij \\ Oj (Lil Ij HJj \\

■7luk u/j of iniK nifj\\ Ar. (.^) kn. er niets van krijgen (geen ongeluk krijgen, er goed van afkomen); e?i er niets van halen of behalen. ij Liu n n.i j ij Lii

1 1 .n • l 11 u i 1 11^ liLis met door het bosch te «aan

co1 ^ 0

is hij er goed van afgekomen, ijiumij 1 li jrjhjii m

Pli iLi llt; j{i/j\\ met zijn gaan stelen is hij er goed

i

van afgekomen; of ook heeft hij niets behaald, WW.

ij id ik n/j\\ kn. 1. wat uit iemands gezigt, of nit het aanzien van iets, op te maken is; een zinnebeeld {vry. mV^n). (rjii.iizïij ty het lijkt wel. (rnr^ n^ij iuitx r jajiiL?i\\ de slaap is het zinnebeeld van den dood. ti/n in ij i i lyrj n rU ri/j^ van een woord:

r

door zijn klank zijn betcekenis aanduiden.

zva. i.ni ij yi2 ijj\\ iem. door een zinspeling of een wenk iets te kennen geven. 2. voly. Rh. klanlnab. v. h. doordringen v. iris scherps in een

43*


-ocr page 760-

670

O O

irviiec crryj

week ligchaain.

dliisciii/js kn. iu menigte te zien zijn, vau de sporen van een beest, ilat op een plaats heen en weer ge-loopen lieeft; dikwijls of herhaaldelijk ergens komen (yrg.

van een plaats, veel sporen of blijken dragen, dat die door velen bezoeht of betreden is, of dat er velen iets gedaan hebben , zooals toil-de zwijnen, kippen, (lieven, enz.] il» ^^2^ (\\n tj ij if: cYyijl\\ een ontuchtige vronw; dikwijls of herhaaldelijk komen volt/. Rh. ook zva. ij nu ïjujuhnjis

, o a ( ) \\

(vrg. itudK mijl en U) ik nii/j).

nu ik \\ (Kramavorm van en ru(Ui^\\) }lt; 11 /u amp;\\

nn ï-lt; (i:ihn jn/j en un ihitik (in (Wjjs k., zie a:r) rm\\\\

(P) n co p .0 _ co o o V o

- D L] ItD (IK \\ Oj! JU (IK \\ l£ l Hl IK \\ ff I IK H.l \\ h II (ÏU IK \\

6 ^

e?i oj) iu uï m ank ., zie iu(üü^\\\\

G) O n

nu} ik\\ k.; zie hij Di n 1^1,ip en hij i i iuif i hi^/j\\ —

CO o (O O (O „ • 7 ••

ik m \\ ƒ .i ik in i, ii noji en ii^ik r.i w/j\\ k., zie bij

O O

(K\'i rui (f.i isiiji \\

i \'et 0

ju in\\ kw. 1. zva. ^ ivp Z. zva. foi thii \\

(Skr. laja, ook verwoesting, vernietiging,

smelting) 3. zva. oi^vns of nui.rp — ^

trli(lvi\\ kn. voor zijn genoegen. reizen. — ■o

x.u\\ kn., \'Fin.i uis poet., voor zijn genoegen gaan

reizen of verschillende oorden bezoeken. — (luiyru

iuji\\ kw. zva. (Bi(L?t\\ {S/cr. pralaja). — (G^/ru o o

iu \\ zva. tamp;i ij/157) (Uj w — (*J) rli lt;lu \\ zva. vy.ui tJijj\\ of zva. uiKn^Djt^d^njj^ {bkr. wil a ja, verwoesting, vernietiging; smelting).

(iuuvi\\ 1. kw. zva. nni uny nj : i(IjV^\\ run^(hi)jj\\ vu \'fiini/i\\ (ia t is en ruirjuts (yrg. riu^y — 2. rui nAj en (jew. ryiunrv^ kn., xy ruiKs kd., een piek of lans met een vlaggetje (»ƒ m ij^ i.n/j), zooals van de lansiers; en een haastig berigt met een renbode. — i mjiy n. , ix/j m rksK., hard loopen, rennen; wegloopeu, vlngten; ook zva. LI luditp Maleisch. — im ru (urn \\ n., naiiunks k., ook wel iHiitLiMJis en i.niuiK^ nit gehechtheid iemand achterna loopen, zooals een kind de moeder, als deze weggaat, {ook vvg. ij mi kj^uh^ ) sterk aangetrokken worden , K , 2 , 38; een hartstogtelijke neiging hebben tot. kn. naam van een hoorn, Erioglossnm ednle 131., Nat. fam. der Sapindaceae; het harde hout dient voor stelen van gereedschappen ; de jonge hinderen worden als groen fe gebruikt, de zuur zoetachtige vruchten gegeten. Wang saltan;

n (P) __a

(Ujj uj im (ju n .ioï (ui - vj (Vi ? ^ nii anjj^ w tun nu aij

n o o c^)

..............j an (iji\\ naam van

wv

ir

--UI Uil/I \\ Ih\'II tl I (t

Kawische zangwijs.

c\\

{ook tin ruiTf tivi2ihj\\ BJ.) a^iè:hji\\ iemand uit gehechtheid achterna loopen. — haj)? (iojj\\ renbode. — (üi nu(i/vj \\ of iiji (Wjj\\ n., (LnnuviKs of ^ ■tk\\ k., loop; het loopen; het wegloopen , op den loop gaan, vlugten; de vlugt; de loop in delengte

van iets {in tegenstelling van (u chj i rui (101,1). —

O p O CO ^ CO quot; !

ifi ru!Li^\\ oj ifi njvj \\ en (amp;i nu uk \\ of tr/i trc \\ op den

loop gaan, wegloopen, de vlugt gaan nemen; en Maleisch. ij ui2 iamp;idwoaj^\\ Maleijcr. —\'ifnn^Kvu^ n., /. 11 ui ik \\k. , y it h \'kj n ki. op de vlngt geslagen £)ƒ gedreven, gevloden; op de vlngt geslagen worden.—

o o (O i 1 •• A

mn (ui n )(iivj\\ u 11 (uinu ik s verlangende zijn om mee

n

O o O

(F t turf uLi2!iy\\ (Ui nu

te gaan, zva. (Ktirua/ip — ifiirurjd CO o .

ik (in \\ naar iemand of iets toeloopen, iemand mAx-terna loopen om bij hem te komen.— (uuj uu \'hh ~jn ij noi \\ (T^i iw (injj\\ iemand of iets ergens heen laten loopen; met iets op den loop gaan, met iets wegloopen. — (uinurj uu2(iriji\\ (DrvuiKun loopen voor zijn pleizier, loopen en loopen spelen, vati kinderen; benaming van den leeftijd van een kind van twee jaar ongeveer, dat gaarne loopt en dribbelt; met een ander of met elkander om het hardst loopen; en haastig, met haast; hen. van een gënding, Tj. W. ï y2SC). (ci(icj(u ru rjuii2CHijj\\ hees-ten om het hardst tegen elkander laten loopen; een wedren organiseren, Rh. — nurj tui2 m/js zie hen. ninuis kn., maar veelal uirjnyujjj\\ k., ander, anders , van plaats, voorwerp, enz., zeiden van aard

of hoedanigheid [grondv. nuqw vrg. rj(h.nnjn:.\\),

o O , amp; ( \\ O ■»

11 mn :ni crn\'ris n., tuin {of jjj ij ifj i i/j) nn011 tn

een andere nögamp;ramp;. nj ui21 u rui \\ nüii uvi u 1 ij nn i-jjj

een ander persoon, iemand anders nLiau rjlt;iij\\H.,

00 o \' ,

nu(lijinn i.£ (loji en .m rji^un^i nri/j\\ k., een amlei\'

of het andere, nn i ivivj njummp een ander dan ik.

o n a *

u) nu ui ijnyuvnnp uinuiuunij u^ ^nu \\ of m m

njnfj uinjj^ ^ rur\\ ieder ander dan ik. njuii ui.in ^ nu (iu nu (lu (Hj ij^ (injj\\ alle andere beesten, nu ui {of rui 1 u if hj) (ui nn \\ n., nu nu {of nu nu nj 11 /7/7^) Kj /on k. ander (of andere) dan. nul tin (of nm ili iu) a-Imi(UTi /.^\\ behalven dat, overigens, ui behalven de huizen

(LU (Tl^ LU itj (lil .1 U {~n i J (TjI;, \\


»

-ocr page 761-

li I hLieihn/j\\

077

van dc Muzelmannen, rn tur n hns een ander dan deze, of deze andere. itn ij Knz ij rj kïaaiimuni\\

ik sprak over een ander dan jou, over jou sprak

.... lt;n . Do ...

ik niet. ijivm \'n n i LVi rjvmasn^ntviiHiamp;p met

anders dan; alleen maar, alleenlijk. \'ihj\'Uamp;m of ook hy/pfinM\\ en zich voordoen als een

vreemde, W. II, 134. — ergens anders

gaan, bij een ander gaan, öv. om tekoopen. irr) 111 (uvn nix (HT/j\\ naar een ander school gaan. nxnm )fi^njytyni\\ zijn vrouw {of haar man) houdt het met een ander. — irn 7u nv? \\ vervreemd worden, op een ander overgaan. — 111 mi \\ W mi mn ~jn uri anq\\ met iet6, {bv. dat men toil laten maken) bij een ander gaan; iets aan een ander {of vreemde) verkoopen. — iLixjuwns kn. een ander; een vreemde; ook zva. iv geraakt, getroffen worden; en verk. van (un n u vut \\ ^ tj ni tu iii onjj\\ een ander, 6v. dan iviens zaak het is, een vreemde. (i:r^ u0\\ een ander gewest. nunuMi ijjhet trof mijn voorhoofd. — jt?a.u iets aau een ander toewijzen, W.

i?ilt;wj\\ kn. vermoeid, afgemat, sterker dan (kklvi^ {vrg.

of nv^vi^dviwiw. zva. en trjvuCfj

Kw. cva% met den stroom

meeloopen in het water; fit/, ongestoord met een

of ander voortgaan, Rh. — un (uinnaAJ^\\ kn. zeer

met iets ingenomen zyn, zva. (tai (u 11/1 nji n\\ ikii O 1 -O ,

IK] \'kl of ,h tl Tj (LI V W ).

rjrut rf tuig of lt;rjurn 2 rj du2 \\ kn. zeer afgemat, verzwakt, slap, krachteloos door ziekte, vermoei-jenis.

ruu-i^\\KN. een groote aarden schotel met platten bodem en opstaanden rand, grooter dan

om sambël in te maken. — 11 mjt/ii\\ om de liegn(jan heen een gang kappen, in de wildernis ter bescherming van het veld tegen boschibrand. — tot/rui lj7 f \\ gva, in) iv^ w) 1.11 \\ spr. Z. II.

quot;7 vlJl\'/ \'tw ^ kn. ; TL! rj (txi q rj n ;)) lli j \\ achterover gebogen zitten, staan. (vrg. rj iu ^muq\\ en ij tLirj u i* \'/ m rj rn^).

gt;gt;JJI (,lt;yis KW. zva. ftu (LI I M/]\\

\'gt;U(Lht(mjf\\ kn. kant, tegenover de andere kant {vrg.

00

1 ook weerga zva. een bij fornuis voor het rw ihrj^ / (zie \' i 3.), i i ^

aan elke kant {ttv. van een ezel) (^on kruik.

c) O

— mi rui (Lil anji\\ K. van n ru / 1 inji \\ \\ /. n iLnu

(ui iu?\\ k . van :u n 11 ) av in rj uj gt; \\ en gew. mi ij n i

O ~ O

^ — (?7) (Li/i\\ K. van ty f 1 \\\\ — hl^amp;i (Lvi(hnji\\ 1. KW. zva. (in(vianji\\ — 2. kn. zva. ij ij 11,11 ajjW \\ (ui (Lj -n (vi m mji in^/j\\ hij heeft

redelijk zij 11 brood. £ 1 (lli in 7 1 n \\ zoo tamelijk (maar niet meer); beter iets dan niets. — (ihiff? (iiiinQs zva. 011 li (Lli injj\\ n i ixuuj anjj of ry. a li (Lli uj d^/j \\ K. van iLiLii^nn/js nurj lli2(in j\\ 1. kn. verwelkte, verlepte, so7ns wel (tot een herinnering) gedragene bloem. 2. kw. zva.

ui(ib?i\\\\ {Ml. lajoe, verwelken; fig. sterven. Vrg.

.... o 00

iri(iAJj,\\). 3. KI. van lEiLLihtiji en i^i.iu^ lijk.

— 11 ij Lii2 w/j een lijk worden.

O \' .... O

111 (lvi anj^ zie bij ili iliw

njjjsKW. zva. (üiirjmis volg. Kh. in lii\\ zich verspreiden bv. van herten, die een kudde hebben uitgemaakt.

M//(lxh\\kw. zva. (ii^ in kn. zeil; zeilen, uitzeilen; varen, van een zeilschip ; ook naam van een bekend schrijfteeken. — j ? llinin van een zeil voorzien, op een andere plaats wonende mensehen bezoeken.

— iiKLii\'yi injj of (V^m (LLini i}n/j\\ met zeil, zeilende, van een vaartuigmet zeilen omhangen, bv. van een pandapa; te zeilen, zeilens, bv. 11 nu m inni/ida nis drie dagen zeilens.

t a 0

n 1 aiv^\\kn. naam van een zeevisch, Triehiiirus hau-

mela.

o s . /

111 (Lii \\ zie 1ijjj w

iiiQji\\ kn. J. zva. rpi lli verschuiving, verplaatsing

cy

overgang naar een andere plaats {vrg. ilktiis); 1 u (Lu ril (LU \\ suizebollen, soezen van slaperigheid. — ||) lli \\ van plaats doei/ veranderen; een pand of huur, enz. overdragen 0/overnemen, een ambtenaar verplaatsen. — 1] iiinii ini\\ iets van plaats doen verwisselen; eWs overdragen, overdoen, op of aan een ander. i?i lu -u injj^ verwisseling van standplaats; overgenomen; de een van den ander overnemen, tegen elkander verwisselen; ook met elkander van post of betrekking verwisselen; ruilhandel, wisselhandel.

111 mini/js n. , mi ij ui2 i-ijj h. , wel te denken, denkelijk of waarschijnlijk wel, niet onwaarschijnlijk,


-ocr page 762-

77 H I \'Yj l ll hH J S

678

n.i (in cütn\\-

geen wonder; ik denk wel, ik denk het wel {vry. n/n mi hii/j). Zuo ook n / .u 1 rj ini\\ en u 1 nu rj 101.111 rj 1 /nw nidu uujis ook zva. lUtusntLwjjs m n 1 (Lu \'Hiyj \\ eon onwaardige.

gt;; li 1 ij LLt KH/p kn. naam van een spel van kinderen, gew. van meisjes, waarbij zij in de maneschijn al zingende elkander hij de hand vasthouden en bij het einde van het liedje achteroverhangende ronddraai jen , en dan. — rjari tj(inoverhangen, schuins staan, bv. van een huis of kast, vrg.rj tLi ij .1.u^\\ — inn ij u rrj lt;lli.}rt^/j\\ de minste zijn , overwonnen. verslagen.

ij n nf u 1 i ).njj\\ ij 111 ilv)(HH/js kn. tnsschenwerpsels; het eerste als men met de hand, het laatste als men mei; de voet in iets weeks teregt komt. hu »7 ij n 1 tj ilu i zoo teregt komen.

,n I 117 (ICI/j of ILI (LU KW. ZVa. lUJlls tl^iEl(W^\\

(LLJj ^7 \\ en il3ï) Ij Wl 2 NS--tl KtlKLLt OSIIJf \\ K N. ZVa.

iiri LU aa/j of in du .rjnjjs een bezoek doen na een ongeval {tengevolge van een alarmsein, W. 1. eig. (isii(Ki\\ 210), sterfgeval, roof, brand of overstroo-ming, om zijn deelneming te betuigen, condoleren gaan of komen condoleren: ij.j (lu \\ met zijn velen

era. heen snellen. — 1/ l lj (in \\ verslimmeren vrtw

£-

een ziekte, PM. 1513. — hji(iridi/Kiajj of (LjI iri(lli ns)i/j\\ het doen van ecu bezoek na een ongeval; het betuigen van zijn deelneming; rouwbeklag, am rj li q of rusr^ n) (ui (iti dLi injj^ zijn deelneming betuigen —iLi.zu .w(ia/j\\ het voorwerp van 0/de reden tot rouwbeklag, W. IT, 473. — imn.i(lunfli (Ln,p door talmen te laat worden of geworden. zoodat men zich te beklagen heeft; en zva. 77 ri i}rt/j\\

*1 lu ijdui iuji\\ KN. ij u i ij XjLid tj (uttj m2xnji\\ waggelen, zwak op zijn beeneu staan.

o

(ti.t clu(uiij)\\ kw. zva. ttvjj \\ dsntj rm 2 \\ (a j .fjajuj \\ zie rti (iu (in/is

\'i r a o o

tt t iMi (üQj oj n 1 t t\\ x.njjs KW. zva. fott nm t/j en (ut(Uj

c» a

itin/js en ij io ij-nns (ruj LtiLii (L,itij\\ zva. on 1:1

jf\'gt; (or//, \'tl.uiiiiijj).

oxj aA^ KW. zva. tit (tstt/j\\ (Wnaiiti/js tat x:t^ ni \\

en r.tt ij nitim tn\\

itjjj Kt/jsKV. zva. \'tt.^ 1 ij ,isj/\\

quot;c^h MA K vv\' zva\' i,7r/iquot; *1 K VIN

// ƒ il U \\ KW. ZVa. 71 t (tAJtw

C l)

o ; . .

71 lil 11 (L^N KW. zva. quot;Al I- LI iLJljj 671 tl tLU (Ut/j\\ {71 i. i n

AS. lis. SriT.) — itiuLLt(ifCLvt(U/f\\ kn. dommelig, dommelen (vrg. iuluiulu); Hauw, van iemands herinnering; (ut tuut tu *.1 w/j een dutje,

als tijdmaat, VV. 1, 354.

O o .

,r^ i u iiApKW. zva. ii7t(i7^ r.rijj\\ en meer ucp.

een schoon vergezigt.

u 7 (tvt (i-i/j\\ kw. zva. (Lit en iLinn (uiyj Sri T. kn. half gesloten, van de oogen; lieve kleine oogjes, als een schoonheid {vrg. nAi f^/j en tLi((m\\). in ifn (Ljt (Cu (ui/j\\ de oogen half gesloten hebben, öv. als men over iets peinst; klein. Hauw staan, van de oogen door slaperigheid\', heel Hauw branden; bijna uit zijn, van een vlammetje. — iiailli zich sluiten, van de oogen bij het in slaap vallen-, de oogen luiken. ^ wtz -n ja iu (ut/j\\ geen oog luiken. — tiï l\\i (iJi ^t anjjs een sluimering, dutje, o.; 7ilha -7on/i\\ een dutje slapefi.

ti tt t2 rj (lli2 (utij - kn. hellend; overhellen , scheef staan, bv. van een muur {vrg. iiicn? de oogenniet

goed meer open kunnen houden, van slaap {vrg. tiïili (uijj); hangend, neerhangend van knevels. r,n rrj cw i tj Ki ij tt 11 vj AAA 2 ajtji zegt vien van iemand, die in slechte omstandigheden gekomen is of ilic den moed heeft laten zakken.

11 I LijJj n KW. zva. tl I Lij w 711 rt/M rmij — (i jï (LM cru ij

mi ilu hnjj\\ VV. II. 515, Rh.

ijtli2 Yt(LLt2crrtA\\ kn. een i\'igting waarin iemand ^v^-, de loop dien iets neemt, fig. de gevolgtrekking, die men daaruit maken kan.

ttjpKyr. zva. ^ u^i/ls

itiiiLi\'is 1. kn. naam van een zeevisch , die op onze haring gelijkt, en evenzoo ingezouten wordt. 2., n., i l-^ia tin\\ k., geschrift, gcsclireven stuk, brief, boek {vrg. n^rt (tstiij}, hiaiu 11 ut ih^/js leesboek, m ilu ij(1577 2irti \\ schriftelijk bewijs, n i (lü m ijquot; ttfi ^ bevelschrift, tt t dit(Li (ia otj schriftelijke

dagvaarding. — jritm kn. zweven, in de lucht zweven; zich laten neerzijgen; zwevend of zeilend {zonder de vleugels te bewegen) neerstrijken , van een vogel-, liet bovenlijf zwevend laten overhellen, bij het tan dak ken {vrg. ha (lu \\); ook buiten zijn huis gaan rondzwerven, als een land-looper {vrg. étt ilillis^. — lt;777 (ill (i:n \\ iem. een


-ocr page 763-

•niajvis

brief enz. toezenden. — n i iu ut ii^ een vlieger; schaduw, sohaduwbeold, beeld in een spiegel (y/y. .vt.ui\\ en i» u\') n imjj); iemand die een rondzwervend leven leidt, een landlooper, G. vry. u n n i iii\\

_ n i ±u n nil 117n/j\\ met zijn eigen schaduw alleen

gaan, geheel alleen zijn weg gaan, op eigen wieken drijven. (ï. WW. — iti i i) i.i mfj\\ een overlaat in een dam op de sa wall\'s, SG. — iui n.i tu r)(inn\\ kn. brievebode, brievebesteller.

n;fiM\\ kW. zva. na.viw km. door de ondergegane zon met kleuren verlichte wolk o/* wolken; avondrood. ii een op trenrigen toon gerekt schrei jen, en naam van een kinderspel. — (ui^ \\ verwelken van een bloem (vrg, nnj nntnij^), wegkwijnen van een mensch. tun rutins tering. — (ut r»\\ verwelking; wegkwijning.

(iu.tïj\\ kn.; i?i iiu ici \\ op of tegen iels met den elleboog, arm, hand of rug, leunen {vrg. ij 11 N en yjnt) yrrn^\\). — ril nu w/f \\ leun, leuning, iets daar men op of tegen leunt, it\'/ó-tot leun hebben of gebruiken; op iels leunen, den naam van een ander gebruiken, bv. om iels gedaan ie krijgen of iets te kannen weigeren. — \' u \\ zie boven.

tuijiAus Chin, draak, bij een feestelijke optogt

ter gelegenheid van de Tjap-gomé rondgedragen, n^(üi^j\\ kw. zva. nujajj^. en kn., ^mj^sMI.

en ti»., het {taaije en buigzame) hout van den arenpalm , arenhout, dat onder anderen veel tot veéren voor karretjes gebruikt wordt, no / ^ ia i^iai(volg lUi.y^r.) appelschimmel, kleur van een paard, zie ook

tj li) \\ kn. ik ni nu \\ een dj ar aksOor t, welks bast als ingredient van de n i ^ dient, Kr. ^ n 12 iLi\'i\\ kn., of ki on (.gt;.?i.t^ ij u n i ii \\ gekookte en in de zon gedroogde, en dan weer {veelal met kokosmelk) op nieuw gekookte rijst.

7 \'1\' \' \'(Hyi\\ zva. iu i ii m jn/j\\

7 quot; m/js zva. i/n ij n it\'i/j\\

h.) lt;e/\\ kw., zie n rui i i/js o

i f.i \\ k. , zie nu ui Mjjs t / \\ K., zie r i w g^\'U\\KW. zva. nu ly ojiim^w kn. of (ij rj m wjj\\ bet vet dat zich in de schaal van een krab ophoopt, lange mest, nl. verrotte padihahnen of andere

trr 079

soorten van stroo.

\'J\'h K\'\' «Üv% vet; g0(!Cl gt;\'» \'t vleesch,

goeil gevuld, van het lijf van een beest of mensch., zwaar, met goed gevulde aren of halmen, van gewassen-, ook vet, van bouwgrond, hijjj i n j of (ui (fji {ff\'t jj^ vaste benaming van Semar. — f jjx kn. een beest vetmesten, door veel voer vei zoeken te krijgen; fig. iemand voordeekn bezorgen. — i-i ij f-i2 hj\\ \' J\'fjj makend, ook beginnen .ry / j\\ ie

i igt; ^ ) \' ) worden , li. — i-i gt;) f 12 i.n -ju tj hn\\ |.» itgt;i nu mi

(jo^\\ dik of vet maken, maken dat iets .dik of yet

wordt. — hti rj ij }.i2.)n/j\\ mi jy, li \\ gemest,

dik gemaakt, dikheid, veiheid; te dik, te vet. —

ij f 12 m/j buffel- of rnudermest, korte mest, vrg.

ij tj 1amp;1 nnjj\\ Rh. volg. WW. lieele korrels, van

rijst.

t?i li \\ n. , ih i I m/js {ook wel /.i rii.?. j 111^\\ oj.). k. vijf. r( r\'n ifi (U {ook wel t^ iu f i\\). n., i n iiirrn (ui n 1 ijs, k., vijf personen. )n li tj (i9i m ^ \\ vijf gulden, in ri * nfcri i^ijj\\ vijfhonderd. iijïinfi\\N., i.n iU rh Ki iijjjs k. vijfmaal; de (of het) vijfde. nl 11 n 1 ijji {in Tjeribon, zoo als in het Soendasch, ni f 1 o n 11 i/j) n., ctii li ti l 11 i.tjji\\K., vijftien. — f ji li\\ (v\'tKtit ht ti t/js elk vijf. — lt;$M(Kyi;ini2y\\\\ ij .i/ti q f haar glimlach is een rijksdaalder waard, Rh. i.iniClti\\ n., i n ?- ? 111^ \\ k., eig. tot vijf gekomen in 1,n tn ttibgt;711 gt;\\ n., ait 1 1 iijw jn k., vijfdchalf. ti li2 ki t.n tu u\\N., rj ,£1211 art 11 11//j k., de vijfde van de 12 mangsa\'s. ni.iii ton ft t 7 1?» 211 l.l {Of (L/tji LI .Ut \\ of .11 ilCt \\ ) of tl t l U li tl 111 ij ili2 :l/iici \\ naam van een geschreven talisman, die, met een pijl afgeschoten, tot een vreeslijk al-verdelgend wapen diende, m het bezit van de Fan-

daivas. — (li ii in li \\ oji ni crh i i ti i/js vijfde deel.

) a -gt; o, . . o

1 1 1 inti i.li\\ een vijlde. —.r» ili ly f 111 mi w 11^1 \\

voor ee?i vrouw in de vijfde maand van haar zwangerschap een offermaal geven. — ;n li70,7n zie ben. — (Li ii.tiïlt;Li(injj\\ ivrti rh 1 1 ii^ i,i/j\\ vijfde

gedeelte van iets. 1 1 iwn tu *1 (hi^ een vijfde van

o . f}

iets. — ttiiLttiiii-iKinji* cni 1 111,1 in 11

vorvijfticning, benaming van een boete, vermeerdering met de helft van de pacht {zoodat tien vijftien wordt), wanneer die niet op de gezette tijd gestort wordt. —- j l; 1 n / i i J?t iiiaii i.i iy tunJX^ vijftien tegen 10, anderhalf tegen écu


-ocr page 764-

quot;11 ^

080

nlLn

zetten, wedden bv. bij een haneyevecht. — !$\'ff

• - O O -i\'l-

rf/Kn\\ (un rm 11 irimtui ^,i h n w/js vervijltic-

neu, de niet op zijn tijd gestorte pacht tot boete met de helft verhoogen. — tv) ttr) iamp;i \\ Ml. bevelhebber, opperhoofd, kn. opperhoofd van een troep roovers of zeeroovers. (?|j iamp;j\\ Ml. benaming

van de hoogste rijksbeambten gt; met verschillende functies.

rij f /NKW. zva. tL,^MnJI ^

kn. mild, mildadig, gul, — rj ip 2 foi hj \\ iemand met mildheid belmndelen, iemand mildadig heid bewijzen. —ij )hi2 Ft an/js mild of mildadig van aard, gulhartig; op milde wijze.— nrnrj rug fLi(mn\\ mildheid, mildadigheid.

, (kiaais k., grond; soort van grond, aarde, humus; land, landerijen; 00/c naam van een zee-visch. IjV ihi(uïi op den grond, ^ n (u

zwarte roodachtige grond (humus), tu q té)i , donkervaal, teleur van een paard.

n., (M vïïimnn n^i/j of w ihtïrrn k. en ki., naam van een vierkant ommuurd terras met traliewerk en poort van voren, vóór den in-* 9an9 van de vorstelijke tooning, waar de Vorst komt en zit, wanneer hij zich op de grootefeesten aan zijn onderdanen vertoont. — ^o ^ dm tnjj\\ zva. (ij)i^.(fjt^(iyti(hn/i. n., m :t?i rj it,n rm/1 k., de gesteldheid van den grond; de bij een huis behoo-rende grond {vrg. vj miz iamp;t j(lh (hi/j) ; landerijen; landgoed, landschap.

kn. de achterzijde van een voorwerp tegenover hyojiicnjjs liet op den rug, achterover, op de achterzijde liggen, bv. van een halven kokosdop, van een mensch enz. op zijn bodem met de opening naar boven liggen, bv. van een mand. (MriAMffunimiw de geheele oppervlakte van de aarde, zie ojiiu r;t(isvjj bij hr^d/iinji Ttj(ti^ de handen met de palmen naar boven keeren; door die geste aanduiden, dat men zich van alle verantwoordelijkheid ontslaat of het geheel aan een ander overlaat {vrg. ilu crtis). ttiy iiiftxjiMfs aanhoudend op den rug liggen. —ikj tr^if.14 en gew. ihi op den rug, enz. lig

gend, achterover vlak en breed, open

van een terrein, B. — \'fiii rvi\'amp;iof achterover vallen. — }nlt;f/i^/un ^ h iets op den

rug, enz. zetten of leggen, iemand achterover op den rug leggen. (in ij ioi ^w rj (U) fn)ji\\ de palm van de hand naar boven gekeerd houden. Men. njj\'F^sKH. afkeerig, ongenegen (abgeneigt); antipathie, uit afkeer een tegenzin in iets hebben, bv. in het leven, den huwelijkss taai, of het werken ; onwil-lig, ongenegen zijn om iets te doen; aan iemand een tegenzin hebben of krijgen, {vrg. opj en

rjin ur). — m7J1xm\\ ^em- of iets dulden, om onaangenaamheden te ontwijken, iemand maar laten loopen of begaan. inri^iE^nJts ennahtyr^ (urt\\ pass. rjtLitii/n\\ iets niet kunnen dulden of velen.

a a* n » o .

ij if ij\\ kw. zva. or» rticni ti )\\ (unnj f ijj

en

rj nu tftamp;uqsyrJ. zva. lejqw rti tinjf \\ 1. kn. in de spreektaal zva.

en oj) ijfi (u Si\\\\ 2. wj. Sd, kw. , po\'èt., en in deftig Ngoko, zva. ojiunnjj als, indien; dat. ^m im (E^ wjj\\ zva. rj .u i (Ki xjï^ (Li (En {of flvj .lyjjj iU fl \\), en 1 li(fj^ irj w/j\\ zva. wiui ,t 1 {0f n i(uï^ ojhu)

lt;rj nvi (mjl \\ — (mi tuiEJjlt;HTji\\ poet. zva. tuiiF^w/js — zie

fi irj tFi a^yiMLX, zva. ia rj Ojutn/i\\ de bladen aan de halmen of de halmen van de padi, die bij het snijden op het veld zijn achtergebleven} {vrg. ^

o rt

11.KF.1 aa/js kw. zva. onvsjw \\rj(tj)gt;11/1 iwtlt;€gt;1 (hnjj kn.

een in de zee of in een rivier vooruitstekende rots.

lt;*gt; O Qu O*

ru zq w/j\\ kw. zva. ik \\ rj 1F.1 cm \\ am ru n 111

en aJiiyihv/} (damp, mist, rookwolk Rh.), enz.

kn. zva. 7U(U\\ P geheel onzigtbaur — fiU Fj

U \'7^?N gesteldheid van n?KF^ a-njj\'. bv. nJintn ict

tin nsn ~it ru ^ ry onjjs stik donker, zoodat men geen

hand voor de oogen zien kan. vn iS tu f

tooverformulier om zich onzigtbaar te maken —

(tm ru tjj anji of ihvrj ruiFyjig 3n/j\\ geheel vergoten

/ quot;gt; o rquot;)

{vrg. (i.ittijf jfKiji ant rult;Fji£tt^(Hiji en mt tii rj

rj tuanjj).

*1 ruz (Fjt artjjs .zie bij rt tLtt iF^iw

u frj\\ zie bij tün^w

rt

(^itiffojcrnjf\' Kl)., zie ryjjfyiw

tu tut\\ kn.; lt;jn(M\\ aanzoek doen om een meisje ten huwelijk, voor zich of voor een zoon of neef; en liet geschenk, ajt tr \\ aanzoek tot ecu huwelijk-


-ocr page 765-

quot;•quot;T

081

_ m/imwp geschenk , in eenige lekkernijen be-

slniiiulo, dut min do ouders van een meisje, (lat ten huwelijk govraugil is, tegelijk met of kort nafle iui hjiijiuii/j gezonden wordt (vry. lui^^/n m/j).

ui/pKU. 1. bijziende, bijziendheid, myopie (vrg. ao tjnoti un/i), ■— ri /ƒ n t,quot;\\ maken dat iimand bijziende wordt. — mr^-n nr^/j\\ hen. van een grassoort, ïj. — , als een hoaal of (jebrek.

iry«\\KN. een offer van 7 j rj\'\' quot; !cn «nnim/n«a^\\ aan een doekoen aangeboden , om een zieke te cu-rerenj of wel hetzelfde ais \\ sirihbla-

den, waarvan de aartjes aan weerskanten van liet blad juist aan de middelste aar bijeenloopen, lt;?» (fo; door een doekoen gekauwd en als medicijn gebruikt worden (ook { nJ n /{i u in^/j genoemd).

naam van een gebloemde zijden stof; ook en gew. ituiainaap artsenijkundige benaming van de kélorbladen.

1 / . D S

iLi(m\\ zie ituiuw

-tiiSxKN. zacht, malseli [bv. van vleesch); ouA zacht op het gevoel, zooals van fijn gemalen poeder en van fluweel.

gt;uirj\\ zie by

y ru ij iu\\ kn. niet vast, veranderlijk, onbestendig, wankelbaar.— gt;j n n] i i ;Ui hetz. als een kwaal of slechte gesteldheid, van iemand die niet vast van karakter, daar (5cen staat op te maken isjzich niet goed houden, van zijn stuk raken; wankelmoedig.

\' i■quot;gt;*\\ 1. zva. gt;t^ 7gt;\'f i\\ zie bij runiw 2. ben. van den stand der padi, als de uitstoeling is afgeholpen. SG.

Port. almario o/armario kn., ^ e? injjs kd. , kast.

O

k., zie nx^[iF^\\\\

w. zva. wniunw —2. n., lt;tU(tF^4\\ k., ulgemecn, gewoon, in algemeen gebruik, alledaagseli, algemeen aangenomen {vrg. tm^^); Oö^gemeen-lijk , en zoo gew. (Q^ \\ ./u f vn ^ w y n of Met meer nadruk o^ \\ of en

Ou gt; (-)

mmi ?./? fzi * jy ^; \\ Wat nu eenmaal algemeen of algemeen gebruikelijk is. ttut^^\\ niet al

gemeen, ongemeen, buitengewoon, zonderling. —

o rgt; o _ ,/?,x (lc algemeenc gewoonte vol-fn\' ^ o

gen. ij. — km\\ ri^^in }niiHi/j\\ iets

algemeen maken, van algemeenc toepassing maken, algemeen verspreiden; een ontvangen hevel algemeen maken, door het aan alle onderhoorigen mee te deelen. — .mi n; ( fj ^ nv ^ (im vu ^ ^ .iy»i /j * algemeen geworden, in algemeen gebruik gekomen, algemeen aangenomen j algemeenheid, w ^ ^mj ?t?(«j^d/n(inj\\ zich gedragen, handelen naar het algemeen gebruik, hu npiLjjiun rf iij\\ gemeenlijk. d!/fr/nij fj f rmi (hn^/j\\ wat nu eenmaal algemeen of algemeen aangenomen is.

quot;/vl3N KW*

O ^

V\'i\'h

vr quot;ivw

^- Os cgt;

i-ininsns o.^(êjinm\\ (rgt;nl/ilt;ru\\ or; tur.i)

en (zich verspreiden, uit elkander

gaan. G.)

o-

n(V \'f}S fTL^KÈ^S lt;un a-.! 1 (UTi LJ

(El % N G. 6\'W ^a\\ ^

O

O

(fo ^ t) \\ kn (fyi (Ht fjs en u i uj* lp gaan

naar, o/ tot aan (yr^. nMrjCEji r^ni\\). GR.

u ^ rj if-ji ij * gt; gt; \\ ie; trj vLirj^iw

ïv) mikii/i\\ 1. kw. otm^nn lt;?» kn. met vet er aan

o/* met vet doorregen, den^eng en vleesch. —

2. kn. (M iamp;imhj] of rm irncriyi^ ru tti

nu (w (uW\'Sjj\'y) *5rj\\ een gelijke van een vorst.—

3. kn. versterking achter a/ri ik\\ laat staan, datj enz. volg. Rh. zoo ook om mï rhi oj)

(U) un iLiiihn ~7) {ijii \\ dat gedeelte van de lever, daar vet aan zit, WW.

)uiamp;jiihvjj\\ kn. 1. nevel, neveligheid, van de lacht {vrg. asn*\')^ en 9lt;n(criirvi^). 2. mug, grooter dan de ^ cn iets kleiner en korter dan de ncjjjs aj)i?:) rrnji\\ nevelig, niet helder, van de lucht y van glas en van een door ouderdom verzwakt gezigt. w) iu mi )fl) cmjj\\ met nevel bedekt.

\'tu tj gt;eio^))j^\\ ook ihn ij u i ij \'U onderlegsel,

alles wat gebruikt wordt om onder iets te leggen of om er op te liggen of iets op te zetten of te plaatsen, zooals een onderlaken o/? een bed-, iets op den grond om er op te slapen , een karpet onder een tafel, kleedje of matje om iets op te zetten; iets tot zulk een onderlegsel hebben (wy. mmi/ m\\ en n.j)o(i^). ^ out tj (amp;) rj uy n tafellaken, om het eten er op te zetten, léiivj my iei »ƒ« stoelematje. lt;i/iiiquot;!if).»r)jmet een tapijt er onder.


-ocr page 766-

rj I L ) rj .Ei

682

of op een tapijt. — 71]\'r/ \'WN iefs van J,ct ecu of ander lot onderlegsel voorzien, bv. om er iets op te zetten; over iels hel een of ander heen spreiden of leggen, ook ho, om het niet wet de hloote hand aan te raken. — \'7 V V \'l 1 \'/ h n N iets tot onderlegsel bezigen, ie/s ergens onderleggen, of overleggen, om er iets op te zetten of om er op te liggen of te zitten.

n j tivj voor n J f i J /pj \\ KW. zva. n^ f 1 \' \'j1 n Nx

it ij} (t i anji \\ zva. n i f i nm/ji

D c) quot;gt;

KW. zva. iLi.riin/j\\ gt; i ja \\ \' J a 11

p O

?i; en n.n t ut i nri }/j\\

(ix^ KW., zie bij n i i?i \\

•ru Lhhifji .kü. verk. van (i~inuiMasHjjs kw. zva. n urn ilx n.tri \\ volg. Rh. zva. mmiiji en van daar tit (LiMy ii.t llanw of nauwelijks te zien ot te hooren, ook van iemands herinnering of van wat iemand voor den geest staat; ook zoo lijn oi dim, dat het nauwelijks te zien is, bv. van een dan v li esje {vrg. n ti \'i,s/lt; ui \'^,7). 101 ij ±11 ? /n t-» lt;^1» (Ui(biijjs maai\' heel (lauw te zien zijn. — (in (uiMiyis zieh maar Hauw laten zien, bv. lt;r.i f i \',}\' 7 (Viiii tm/js —• iii i .lgt;i \\ op een nauwelijks zigt-

bare wijze, ilauwtjes, dunnetjes.

i-^\'hj^Liijjs eig. quot;\'j\'fjji iii^ kn. kleine mug, muskiet {vrg. (t\\.iiKjHnjjs 2. en ï^ijuhi). —x?i:^ zva. (1^*1 hu/js van een verzwakt gezigt.

lt;i?i uiMnjj\\ kw. zva. niinm i^s kn. door hantering, betreding ol\' andere schuring min of meer glad ol\' vlak geworden; fig. heel netjes van kleeding en i toilet, volg. Rh. ook schoon, glad, door schuring j veging enz.; ook naam van het fatsoen van eet-krisgevest. (icitiiiff iv=njj\\ een beloopen pad, bv. door een groen veld of begroeid bosch.

.tuif j^ii^ kn. nevelwolkenj die de toppen van de bergen bedekken, pruik op een berg {vrg. nut iu^ en quot;-n — gt; m ^ zva- ^s

kw. zva. mi ii\'~i\\ K. 20, 00, die toestand van de ziel, waarin men zoo zeei\' door iets getroffen is, dat men zieh zelf en de wereld om zich heen vergeet; bv. lu/f i ijij ril iu^s — i-jTru .\'( wt/j^ KW.

rquot;) o 00 O a

zva. rini iLiw \\ mi hj ii i\'Ujj tenjjs pass. — xti rvi

1F1 un fin j■ zva. hl 11 u fin anjj\\

ct f*

ni1 kw. zva. (Uitf iuiijjs li.

■11 lliujjihiijjs kn. mos, naar mos gelijkend groen, aan-groeisel, aanzetsel op steen, in het water of door vocht, kroos, eendekroos. lt;rmj» og »/lt; gt;nj ; j ,1 naam van een soort van pisang. — \'\'\' ( f h bemost, met mos of groen aangroeisel begroeid.

Y(ivirj uiihiift\\ kn. vlak, plat, als gekleefd, tegen dp bovenlip, niet borstelig vooruitstekend, van dunne fijne knevels. — 71?r/^lluueUes C1, 0Po(!* smeerd van iets kleverigs, als bv. vet, zalf, cosmetiek enz.

mui*.1 ij - kn. geveinsd, niet ernstig gemeend, geliui-eheld; onopregt; huichelarij {vrg. ifJiui\\), — n tLi(hJiJ*\\ door mooije, niet in ernst gemeende woor-den en voorstellingen zoeken te misleiden, over te halen of tevreden te stellen.

ui (Eji^ifj \\ kn. 1. donker grauw {de gewone kleur van haffels. Vrg. en rr^ 7 quot; \'N)- 2. afgestroopt

vel van een of ander dier, {vrg. iini(i^Ki^\\ bereid leer, Rh. de daarvan gemaakte) blaasbalg der goudsmeden. — jiji f j i )J een ge*

slagt schaap van de vacht ontdoen, door er een opening iu te maken, en met een blaasbalg loste blazen; een dier het vel afstroopen. — vpjuitKiJHis met een (iu^/1^ wind maken, een vuur aanblazen.

ii\'iiiuij\\ kn. lenig, buigzaam, zacht, week, niet hard, teer, slap, niet stijf; los, niet stijf, van taal of manieren, en daardoor bevallig; meegevend, van aard, {vrg. m/^ / ui^ij^). ik\'tiiiqiLi u/j en y zijde, zijden stof {vrg.

WW. — (i:uii:iiJ]\\ verzachten, verteedereu, G.

»1,

met zachtheid behandelen, zva. rj rirj iu t-. i .i-i\\ volg. Rh. ook vlcijeu; verslappen, door eenziektc\\ — iKi \'uui^irj,ifii\\ iets zacht, week, slap maken of doen worden. — y 1 j uuui^* (ilt;yi •, zijden stoffen, WW.

nui(ui 1.ij kn. benaming van buffelvleesch onder de acht er dij. — n 1 ui 11 ^-i m.p benaming van een fatsoen van huizen, met wolvedak, niet met opstaande gevels (yrg. hu tuiJ/j.\\).

iu a i .kw. zva. up een berg {vrg. aiïi lt;ui ui nnjj). G.

O f) gt; )

ni ui ui/js KW. zva. ikuui u/j en ui .• 1 injj — n 1 nti

kn. bekoord zijn.

rgt; o

ïu ui ~i xTP. zva. (iu (Ui ^1 (injjs


-ocr page 767-

■rti (E/i ■~ji\\

n . O .

iitin-\'p KW. eva. in tu^ rjinidthis intKin a» . hjih ji

nji/js k. van fj^ilt;1^\\ liever, H. cUotufi^p hetz. \\VP. 803.— WE1-p ie^8 liever willen tia ti m (fi -Jjj ajii* % wi «iï gt; (if in \\ liever wilhij sterven dan terugtrekken.

r.j ij (Lj1 nkn. naam van een soort van vergiftige zee-of waterslang, zwartachtig van kleurt en zeer slap en zacht van lie faam. ni ry rj gelijk zulk

een slang (zoo lenig). —afgemat , uitgeput, zva. toi n j n i au j w /ruitKi^iy kn. milt, G. llli. volg. and. de long; de longen, van mcnschen en beesten, {zie echter Mn ti-iJKiiJj )• — (}j\'(fï - i\\ eenigzins bol of verheven bv. het lemmer van een kris in het midden.

nurj u ^i kn., (|7) ijiei \\ iets zoo doen, dat een ander het niet merkt, van iemands onoplettndheid gebruik maken, om iets ongemerkt te doen-, ongemerkt zijn slag waarnemen. — afnirtirj w door onoplettendheid, zonder dat men het merkt, iets krijgen, ondergaan, enz., vrg. (1°)rj ij (EjI-~^I\\ BV.

n / u — i ?\\k., zie du \\\\

/j^u^^nkn. verlamd, lam, gebrekkig door verlamming der beencn {vrg. rj tuvj 11 g {\\). rj turjkn. lam van beenen, ziekte in de bee-nen, zoodat men niet of heel moeijelijk, gaan kan ook van vermoeidheid.

kn. nm. v. e. riviervisch.

nuti Ji wp kn. alles wat men gebruikt om iets aan te vatten, dat men met de hand niet aanraken wil, zooals een blad, stak papier, lap, een tot een tang gevouwen of geknakt strookje hout, enz. fig. bemiddelaar.

(Tj.) Rh.

(ED~ji\\ kn. bereisd v. e. persoon.

tu dl ^,i \\ zva. -rj (M 2? \\ \\V VV.

/1y,7\'f, KNnaam van een hoozen geest, die volgens het bijgeloof door de Ratoe-kidoel gezonden wordt, niet een vervaarlijk gedruisch door de lucht vaart en de bijzonder hooge springvloeden veroorzaakt. Ook veroorzaakt die boo ze geest een ziekte, waarbij het lichaam of een deel er van opzwelt {vrg. oid^y m gt;\\). axl uji tn rj ei een verwen-sc hing-, dat de u irj u \'ir* je opvrete! ijDzrpi Y -ï?\\bijzonder hooge springvloed. — rn ii iei ^ i 2

^ \\ 683

mfHi/j of (XA rui*] ei ^ ut) dnjjs een tuov er formulier om de verlossing van een zwangere vrouw tv bespoedigen.

(cyibji Ci\\ kn. vlak, ruim en effen, van een plek of plaats, Tj. (V Mal. la pang), ook fig. lt;?:y^o0\\ ruim van inborst zijn, d. i. verdraagzaam, lankmoedig, edelmoedig, {vrg.

Cl\'

^t./^jnkn. verzwakt in zijn beweging, vlugt of loop; slap, zonder energie; beginnen tc bedaren, van een

cy cy

drift of ziekte {vrg. n nr.iw en am ei ^ï\\); getemperd bv. van zonnewarmte \\ of van hitle van kokend water,(Tj.); ook naam van een lekkernij van k\'ê-tan met fijn gehakt of geplozen kippenvleesch,

met pisangbladen omwikkeld en gepoft. — Mn rj ry

/ei \\ bezwijmd, ilauw gevallen; bezwijmen, 111 een flauwte vallen; bezwijming; sea. khkiS-.m (cry.

(hnivf (bi) iei ^ji\\). at

kj, (eh 1. kn. rank, slank, G. 2. kd. van in fan

/ 11L 0 ^

irii/)\\ volg. llh. zva. tij ei nsnij\\ — ryiEi (hn/j\\ klapabladeren van de steel afgeplukt bij wijze van dakstroo tussehen bamboe\'s geknepen en als selmtting gebruikt, AVW.

Ml. kn slijk, modder {vrg. iirlt; rj i.tu yri/ien

n v

ril IJ tp 2 Kl^/J).

r tru (Ei ~.i\\ Ml.-, rj |7» (EjI \\ Ml. kn. gooijen, smijten,

werpen {vrg. mi ei ii\'i en (i nieriiii ej/j ).

ijirvi rj iEi^ i\\ kn. een aarden bord of schotel, waarop de sambël klaar gemaakt wordt; zwak van beentjes, van een kind, dat op de behoorlijke leeftijd nog niet loop en kan, zoodat er vrees bestaat, dat het rj iu tj f i i WW. volg. Rh. ei^^\\ zal worden.

O C\\S __Ct O\' • O ClS «ire}

fll^ (El (El \\ - E11LI(LI\\ Zie OflUlW UW. .50».

. kn. — zich naai\' alle kanten

in liet wild uitstrekken, nau planten-, van een

i

mensch, zwerven, dolen; van gedachten, uitingen enz. onbestemd, ongerijmd.

fruiEt^)^ KN. — (rr}iEi^jgt;\\ op den grond slepend

neerhangen, bv. van een touw.

(i^ \'E.i \\ K N naam van een rivier visch.

ivt (Ei ^i(injj\\ Ti», en wj. kn. zva. ii(Ei ~ianjj\\ — rj (E ii ui/j zva. [ w (U ^i —\' \'rquot; ^\'\'3/gt;~va\' nnELi ~ Kip najis ir; ei -1(inji of u.i\'li.^iasi)j^\\ poet. doordringen, J3r. Joed. XX VI II, 8: hin(i!ihi5iycYiij}\\~- kn.be

dreven, zeer bedreven, in kennis en wetenschap


-ocr page 768-

684 n.i ,e.i tlnsnji

door beoefening, ook schoon , fraai ? Sri T. im /]

00 squot; o ,

irt rif (Lii rn .7fj m mm ^ 1 ii^ti rj vrjlUj ihn/j\\ {vrg.

o a .

(,l a5ri\')dJls arntasam/i en V) r 1 n-Jjj).

:) __O

/? u lejt -.lilsu/j - d/h if-1 ^ l mujj \\

w) iEi ~Si asnjjs kn. 1. mat van doorgcspleteh cn zamon-geregen rotting ot bamboe in het algemeen {vrg. qpii (hi\\). Kti ni (yi (ea Ja (isnji\\ //levee cu massequot;? li. T. Dj., 145, 303, zie op Ltinnrrn/js 2. nji/eji Ja 05»^kn., iLirjr^s KI., rottingmatjoals onderschei-dingsteeken van ambtenaren van den rang van panekU af en hoog er tol den rijksbestierder toe. (V^IEI nsnjj* zie vxjieatov/js

ivp .£? Si (bv/i n KN. vouw, plooi {vrg. .i5J ^ s ; tu Si uw/j

O \\ o O . , . \'

en iisn i.y}rr^/j\\). in uneen gevouwen.

— /r?ei Siisiyin iets vouwen, toevouwen, opvouwen, zamenvouwen; zich tot een vouw vormen; iets achterhouden, overslaan, niet meé opgeven of verhalen. ioIk^iei SiiFnjjs gevouwen of toegevouwen xakenj achtergebleven, overgeslagen, achtergehouden, 7iiet geuity Tj. — Suiflianji\\ ohj, den., met vouwen; achterwe- gen gehouden. ij ie) ^ ? (icyi of ij y /ei (hi)ji \\ kn. holligheid,^» iets dat min of meer hol staat; hol, ingevallen of ingezonken van den buik; ook plat, niet bol of rondstaande. — ia q iei nsv/j^ hol, ingevallen zijn,

van de huik,

a . o

tv) (Ei ^ 1 (isnjj \\ zie iru ei ^,1 iwfl \\

0 O q«

tn (ei -jjdAijjsKW. zva. ih }i nhyi en mi ti 1 i.n wi v vrg.

(un wjlt;e^ fónjj). — /.gt;? tSiEt~jjkn. omhuld, bv. van een bergtop door nevel] fig. beneveld van zinnen, verblind, begoocheld; door verblinding verslaafd ; overmeesterd {bv. door groote vreugde): van zich zelf vallen; aan de aandacht ontgaan. — .rr) lt;E) omhullen, omnevelen, omslnijeren, be

dekken, onkenbaar maken. — thn tuiea cmjis omhuld, bedekt, nan het gezigt onttrokken; en de oogen niet durven opslaan van beschaamdheid of verlegenheid.

tij Ei ^insnji en vytEH kn. sprong (vrg. ijwi

0 \\

ij n 11lunji en n irni Hn/jj. — ax^f^Et ^nisvj^ en tiy iQ iei ^1 asrijj springen; over iets, bv. een sloot, springen. — (ei n/j f.i ~i unjj en een

sprong doen; een sprong maken, iets ovcrsprincrcn; overslaan. •e.i ny eji ^ 1 «s?/ fa ,1,11/1 aanhoudend voortspringen, Jmppelen. — ^iea ~ 1 en

HA iEt —7 lt;1577 n

(isy\\ over iets heenspringen; iets overspringen,

overslaan. — firj ^om\\ doen springen bv.

een paard. (ttiiEi ut iets waarover men

heen te springen lieeit; het jongesspel haasje-ovcr;

de afstand van een sprong, een sprong.

o

717 ea (157)n KW. zva. in\\n.7(ea a

v J co

71,7(Ei) ^1 v )/j\\ naam van een heestergewas, waarvan de bladen tot medicijn dienen, Ocimum sanctum Nat. fam. der Labiatae. .t/m ea 0\\ naam van een batikkan.

a \' y ..

77 7 ea iji\\ (ly\'ea ^jjjw/j en iiiEA~jifia~tA \\ zie bij I D

lt;ea

a^(EA -u^oxa \\ kn. naam van een plant, Zingiber americaus, BI. waarvan de wortel tot medicijn gebruikt wordt. — (vri (ea ~j^ 7.17 ha}\\ als verdroogde ^ iei ^ j n.ii \\ d. i. lichtgeel, va?i de poolen van een haan gezegd, xn iA criyj^ kn. een groote (tJi iAnnji {vrg. ook n^nm

O A

EU/j). — yri \'Ei -*a daarmee werken, graven , steken.

7i/7 ei .ji •gt; KW. zva. l A^cniqw

Qv a , O v

71 7 (ea ~.7 N TP. zva. 711 (ea^l Onjj [Vfg. n ilEA ^7 \\ ).

(ea Ji \\ kn. naam van een melodie op degamHan,\\\\ W.

(^l(EtS!\\ kn. regt, regtlijnig, zooals een regte stok

. OCY O g) o \\ *

{vrg. (C77 t^n (inivrrn en 11 ia(miji). jig. juist van

oordeel, K, 7, 190;zuiver v. d* stem, Tj.

^.oJ^nKN. klei, klei- en leemaarde (fr^. nAiwwi/j); (i^(Ei%(^(ea-jjax)xcjj\\ zware klei uit den ondergrond, SG. ook benaming van een ziekte van kinderen, die in een gebrekkige spijsvertering of atropine bestaat, en algemeene vermagering of verzwakking tot gevolg heeft. — i^(ei^ ti iinjj\\ aan die ziekte laboreren.

(trtj ei -7\\ kn. groeve of uitholling m een steilte of boord van een rivier. Rh.; het-week van het lijf onder de korte ribben, de zijde, van menschen Tj., en van een beest achter de korte ribben, dc Hank bv. van een paard {vrg. ujifn \\:n^\\).

! O • • K

y^ rj \'ei 1. KW. zva. 011^119^ n i f as en nti ij

rjEA^uw — 3. rj ^\'amp;i Sn rA !hiji kn. baai, inham, zeeboezem, Rh.

7u ei .V kn. een korte werpspies, waarvan dc schee als een koker zich aan den stok sluit, bij de her-tejagt en vroeger in den oorlog in gebruik {vrg. \'i (ei\\ en rj (hmrj :iji?eiiyj); volg. Rh. een wapen van boet a\'s.


-ocr page 769-

mj) (Et J» \\

lt;i i -jt \\ kn. een vierkant blok hout met een gnt in het midden om de rijst wit te stampen, nadat zij in de van de holster is ontdaan. Een derge

lijk gat heeft men ook wel aan het eind van de vj^ \\ hetgeen dan ook wordt genaamd,

vijzel, mortier, (rvjtei steenen mortier.

— r;i putten of kuiltjes beginnen te krijgen, van de kinderpokken, ah de roven zich loslaten. (tm IE# ^Ssehorhutieke puisjes hebben aan de binnenzijde van de lippen of ook dieper in den mond.

rLj\'h/i Sl\\¥i\\y. zva. wirn iujis *

tjiurj iamp;i Jji\\ KN. plat en breed, en benaming van een plat gebakje van ketan, een soort van oblie, vofy. Rh. een plank of plaat. — rjrj tamp;i \\ een breed stuk hout plat afhakken, er een zwalp van maken, lot hei maken van een vaartuig, {volg. Rh. tot planken maken, of zagen van een balk). ij tli vj fot Ji vtamp;njj\\ een zwalp, JR.

\'rj ru ijiL/i het vleesch van de zijde tusschen de

dij en den buik, van een geslagt beest.

iji7Uirj ieji J;i\\ kn. de holle bladstengels van de tu i m w/j\\ en andere planten, waarvan sajoer gemaakt wordt, WW. volg. Rh. van de t ^ tj imrjiEi ^urjKn nu« naam van een gending, \'J^j.

— ^ ru2 rj !Eji J/i?aci mns een gat, bv. van een kanon. {vrg. yirnz rf iLif vn (hi/j en rjnus). ^ wi 2 ij ij lEii J^u u) na ~ji} :él(mjjs bv. voor ventilatie, een luchtgat. ij nj2 ^ (E-i Ji2 aj^/j\\ een schoorsteen. — (uirj thnnw Ji2\\ het openstaan van een gat. ihiï

overal met opene gaten. — tzi tj \'rj )Li2 y foi J? 2 \\ een gat hebben, bv. van een muur, open staan, bv. van den mond, met open mond staan te kijken van verwondering^, open, duidelijk te zien zijn, Tj.—(ui ij \\U2 rj ti Si? ininjj\\ zva. *1 gt;\' i2 ij ia)^2 w hi^ WW. en freq. telkens met

open nund staan te kijken, Rh.

o . o .

wi/u /t/ï kn. naam van een gebak, bestaande

uit aan stukjes gesneden pisang of katéla in meel-beslag gedoopt en in olie gebraden.

ll ta\\s 0f Kw* benaming van een fatsoen van

vaartuig. kn. benaming vaneen

soort van vaartuig.

/U^?onKN\'\' rL\'lnPsKl\'y van een mensch of beest; ook plat voor mond of gezegde; boord of rand,

m(p\\ 085

(.7 ( O

van een schuit, kopje, pot, put, vijver, enz. {yug.

(. ^ Qquot; Q» . O i , i i

ün f gt;\\ (i:n n\\ en (U rn\\). uin ^ t i.n v}\\ hiikhooi\'A. co co \' co

ws ongeveer zva. ii(la^cm/j niet genoeg besproken of overwogen. Men, mi icin m

\' co

te veel praats hebben, ru rj^icm ikq \\ een in-keping aan de t/ rmt imi of aan de warongki in de vorm van de onderlip van een olifant, i\'ii m gt;ni zacht in de bek v. e. paard, ij tm i\'i\\ verk. van /u »^g)iif)tó\\met een dandangnnd, meteen naar buiten omliggenden rand, ho. nyivinjKimi een glas (kelk) met znlk een rand. tLm 1:1 ti ! i\\ ziek

quot;. \'co

volg. eigen zeggen, schijnziek. tun rfiu?)x.i) ili y^ïn de lippen rood maken, voor sirihkauwen, ook spr. voor iemand naar den mond praten.

g^tfvïxkw. zva. (njjfViqw

O

n.j f in kw. zva. rui tuw O co

1. k., zie (Kid/iw — 2. kw. , zie nu n i w \\ rn CTCii ^ ^ ccf, cl

(ryuiJiVij\\ kn. benaming van een fatsoen van krissen.

O

nui fE,i\\ kw. zva. mn.uti w iis}i/)\\ kn. : vu (E-im i i i \\ aan-

VCO ü co lco

houdend opspringen (vrg. nij (Ei (isnjj en vp i.in 8^e,^01e11 opsprin

gen, zooals een haan, een kind, een visch boven het water. — of 11]^^N zich in

het water vermaken met zwemmen of baden, spelevaren, een pleiziertogtje op het water maken {vrg. (fl-j Y] tmtchnji).

mj( ^\'V kn. algemeen e naam van de breede bladen van iru xmi itnijj en van onderscheidene waterplanten , die tot sajoer gebruikt worden. WW. volg. Rh. naam can een waterplant, waarvan de knol gegeten wordt -, do stengel heet ij ru2 ij (U J» 2 w nu runiL^ ufj\\ ben. van een w:jze van den hoofddoek om te doen, CP.

ij iu2 us kn. eenvoudig, enkel, niet dubbelj ook van een enkele, niet dubbele bloem. {vrg. ij u ~./jhii/j); ook eenvoudig, van het verstand, ^ongekunsteld, opregt; eenvoudig, argeloos; eenvoudig, Z02ider iets in zijn schild te voeren, ongehuwd, een eenloopend

mawscli.\'iKrinrm n ui2 ir:\'i\\ een haan met een enkele, \' \' fo

niet dubbele kam, Rh. aji n un vis ellen en glad,

\' co

niet verward over elkander, van de veer en van een vogel, i\\. )UijUj2iLi\\ eenvoudig gemaakt. — (i.j:utuj\\ enkel laten; eenvoudig, ongekunsteld zijn jegens. — rtiri (rn^\\ ongedubbeld, van touw; on-


-ocr page 770-

080

getrouwd leven, een ongehuwd leven leiden. Zoo

, rt ) O r

oon\' 1 j gt;1\' * ik(isy fcwnji* sva. (iiiiicnanji Oj

asniu^\\ omdat de einden niet aan elkaar genaaid

zijn gt; Kh. — ïf// 7i/7ioj!\\ te eenvoudig.

rj 1 j\\ kn. 1. laag, van een yrond, in vergelijking

lt;j co

vam hoogere grondren, fig. zich niet hoog verlief-fen, nederig, zacht, toegevend. 2. ben. van de balk van een egge, waaroj) de landman zit, SG. ongebr.] ij iti ij (Hifj of

ook iLi ij ) u i (hi/j kn. de armen laten slingeren , voor en achter uitslaan, onder het gaan, ^öö-als de inlandsche gewoonlijk doei.

iu f t an ] zie bij n ili i 11 w co —\' \' co

\'IcoW ~ie hij quot;\'la*

\'ij(ii.i tj f jgtui/j^ KN. vast slapend; vast slapen, {//et te-geno ver ge stelde van (hittj ii (in/j), ook fig. vadsig;

Rh. — V \'n\' \'lli ^l\'vensVerw^e -Vquot; men veel en vast slaapt.

ij iLii rh. zva. anji\\ volg. Rh. meer hep.

roei wedstrijd.

o O O iy i (hi \\ KW. zva. (Lj ins \\ lt;ui ui ru (un n r en vn ly (Eyj \\

— (amp;iit iifj,in\\ Kw., iüiiamp;iao\\ kn., iemand of iets Cf CO n.co J

loven, roemen, prijzen. — ajt^i/EKms lof, prijs. iLiiM\\ ongebr.\\ duri^n (hi^\\ kh. ongeveer zva. ij au y n hup wat ergens onder gelegd of onder gezet wordt, om behoorlijk, bv. niet op den bloot en grond oj\' oj) de tafel of op de planken van een kast, te liggen of te staan, een blad of \'papier op een etensbord, papier op de planken van een kast, kleedje onder een lamp, schoteltje onder een kopje, enz. ook zva. ili m Sionjj vatdoek en fig. zva. middel, werktuig, m in /. n in ^i »i ij /y n zie

ik un mi i — (iniu n\\ ergens iets onder leggen of C \' o

zetten. — .• i n ij hu ^ iets ergens ouder leggen of zetten.

iu./■/\\ kn. kant, rand, boord, oever van een rivier co

of ravijn\', zva. ihn (t-h Rh.

(in i\'i^ kn., enkel blad, van bladen, van planten, pa-

0 CY S

pier, en ook wel van lijnwaden. ilt;ii mu i ij !; \\

ccji blad, of een blaadje, papier. rj^ié

twee blaadjes sirih. — (^£i\'ntn/j in of bij bladen; de enkele bladen (folia) van een boek; ook zva. itn)uun(infl\\ hetgeen m:n bij de rijst eet, zooals sld of komkommer; ook naam. van een kost met ingrediënten. — \'7\'V/\' \'\'?r,\'/N voetje voor voetje bv. trippelen, van een paard, W. 11, 149. (uh eni rri jipff (tj) ly n an/j\\ bij stukken en brokken aan iets werken.

j^/j\\kn. wat bij nacht of nachtlicht verrigt wordt, in zamenstelling zooals (Li tn if ui iu (Hj f ^v nachtwerk. — an li\\ iets bij nacht doen of verrigten

■n KI, j y o

van iets dat anders alleen bij dag gedaan wordt i om een werk spoedig af te krijgen, meestal van haiikken, volg. WW. ook kwaadspreken van iern.— anjj\\ wat bij nacht gedaan of verrigt wordt; niet anderen zamen bij nacht werken.

?)/u //nkn. — hf ui fis te voorschijn komen, zich \' co i\'ixo J

vertoonen, bv. van vissehen aan de opj) er vlakte ca,i het water, fig, ook van personen.

ij luij ifn \\ k w. zva. uii ij hj

l}c \\ unKN\' — (jpga\'ri\\ naar verre plaatsen zijn kost

of fortuin gaan zoeken, WW. vrg. anirrr)\\ zie op

am finiw llco

c/co (^3?NN

; iuim;\\ kn. — ui ui n?\\ in zijn volle uitffesirekt-ycq • n j Cf, \' •gt; *

heid, achteloos op den grond liggen, verspreid op den grond liggen. Ril.

tl rj -Ti kn, — aj-rf hangen va/i de

borsten of buik.

■j ) CT) • •

^ifAOji kn. — dik en ineengedron

gen van gestalte, Tj.

iu)(ui\\ kn. — (tr? iu(ü\\ zwerven, rondloopen, laml-

co 1

loopen.

i i ui in naam van een kost —quot; ui 11 ritmn. Tj. f co \' * Cf co - \'

auiamp;rHn/js schommeling van het water, golf. Rh.zie ij ii; (ii / igt; ii \'j\\ vjajn f f h njj\\

ui ij f n HNjj\\ zie bij u)t ij *11 hn,^

a

lU f iHn js zva. it au n Hn/)\\

co -\' \' co \'

O f quot;) ) /

ai.i hiijj \\ KW. zva. uy u-^i un J ielt; ix lujjs kn. oe-

naming van eegt;i buitengewoon dikke dienstmaagd

aan het hof van Ngastina in de wajang: van

daar ook, buitengewoon dik, van een vrouw?

ij m ïuhh kn. golving, golvende beweging, van

het water of van iets op het water, deining,

dobberiug; {vrg. vf »i ui j hhj en ij cd i ^ ;».quot; /O»

un un ij )L) ! i i^jjun il^ ui,j\\ zich niet de stroom

van de golven laten meedrijven. aj)i u\'^isd ^ ij ili

(f i i iïa ii iti)i \\ zich laten meevoeren door de neiging co \'{K

van het hart. i) n.i 11 n )(n ir.a niias aanhoudend gol-\' co \' quot;.co

ven of op het water dobberen. — rj uin J Tj.


-ocr page 771-

o) rtur) .tii uil os i \' co

)l I ! I\\

(q

eig. hn i zinh laten meeslopen. — rj r.p m

nn/js golven, zicli golvend bewegen, overzwalpen.

— a I if \'rtiiii/js golvend; zich golvend voordoen, fig. weifelen, Tj.

»1 iiitvj \'fji2 inijj\\KU. Spaansehe peper, Capsienm waarvan vers cl tillende soorten zijn {zie \'») n nsnijoj)

nnfj enz.). 0(U^ ic) )i de ronde, knopachiiye soort. 0.i} (EJi -1 un \\ een gele soort. — ^ jj1 ? r/ £12 quot;/} iem. met y ruirjamp;u wj wrijven.

111 ti iisigt;f)\\ KI)., zie m i 11- i,i \\

do

,/ j ! i iiviji K., zie rj nbnjj \\

K\'\' c)(o\' N\', \'lJ11 van s*()f 0f weze^t fijn zooals van haar en vezels, en van zand of

poeder•, lijn (fijn van vezels) van vleesch, fijn overlegd , listig; list {vry. wnQM j). (^a^^yhn/j gt; t j

geest, spook (vry. d.oi ruiisn/j). —

ii,n p n-)iuih)i/j\\ fijn te werk gaan; iemand lijntjes, met listig overleg, behandelen, tot zijn oogmerk zoeken te leiden.

fiij hi kn. naam van een riviervisch.

gt;1 ii i v i n\'ii/l\\KN. oversprong van hei een op het ander, zooals van den eenen talc op den anderen {vrg. ai.j ifi ^i iun/j).— ijMMositji en it i rj ili^ ;\\overspringen of overslaan, van het een op het ander\\ overgaan op een ander, hv. van iemands werk. trj mvf ifjit asvjf IZZ tj irvt rj ion d asii/j WW. J.

niiiidji/i - nn (iji(iJi/)\\ WW.

CO co

i j ri j i\\KVf. raadplegen; beraadslaging, G.

y ui ij /?•gt; (uti onji of ai iTj } ? i ii m/js zie bij ij u i ij

rj m J w \' co\'

t j kn. naam van de bladen van de katjang-

landjaran en de katjang-roedji. i j. gt; itijiy, r.; a\'i/]\\

naam van een grassoort.

■» . * c\\ . \' )

quot; i ! i\\ i. /u.\'/n i i tt-ji in i iiniii.iiin/ien iit riii.i Co CO \'\',lt;.0 quot;.(O co

t n ilt;yj K., zie mi ij uz di ujjs Z. nitis gew. [M^iu

\'yi\\ kn. , geheimzinnige of diepzinnige aanduiding

of vergelijking , zinnebeeld, zinspeling {vrg. oji j. ï

ijiEidin/j). inif\'^\\ ook fatsoen van een prauw,

AS. — 3. kn. het dwarshout onder aan de isn un

van een Javaansch dak. ai i ti i rr!\\ kn., iihI\'kki lt;.o co

IfXtm/} en ili i!*i i i i,ii\\ k i). zva. i 11:1?gt;i in\\ en 111:11 lquot;l \' co (co lt;

ah an (infj\\ (ly^j iu?0 B. T. I )j. 27(gt;). — jvv a?i \\ en over iets een pralambang maken.

— iii(iyi^(i7ianjj. v. /?. de dwarsplank, waarin de mast gezet wordt.

iiitrA\\ kn. de zijde van het lichaam, en in \'t algemeen de zijde van iets, hv. van een berg, huis of balk {vrg. intiw anjj en il ijs\\), — ri a\'i v den vijand op zijde aanvallen, In de flank vallen.

ilri(tj\\ kn. naam van een soort van aan een koord CJ co

verbonden werpspies {vrg. i?i*.1 ook naam v. e. soort kever, mei een sterke tucht, als de walang sangit. aytriiEi u^ goudkever {vrg. ri n\'i\\). ji Pï iu gelijk een goudkever. — iryiu\\ zie beneden.

ini.f\'i\\ kn. , ifiif i\\ iets, zooals water, zaeRties over-co quot;gt;(0 J

gieten; iets van het een in het ander overgieten, overpakken of overladen, om door vergelijking de hoeveelheid te onderzoeken; fig. bij zich ztlf overleggen , overwegen; en twee dingen met elkander vergelijken; ook op iets water gieten om het te whs-schen of af te gieten {vrg. iamp;i i j i.iJ!i\\). ij» ri .u 11,11 \\ het oog baden, het open oog in het water houden.

een oogbad nemen; ook zva. nrri\\ Rh.

en

o » , » afV

iLUfy 1. kw. zva. (iJi^ rj\\ a/ii,ui \\ en ^hii/js

— 2. kn. kantelen, dreigen om te slaan, vaneen

vaartuig {vrg. nnriï.).

O\' „

u i il l \\ kw. zva. 1,11 rn 1:1 \\\\ g.

fCO . CJ

nf fji\\ kn. rijstschuur, vierkantig, langwerpig vier-kant of rond, boven wijder dan onder, met de deur boven, zoodat de rijst er met een ladder ingebracht moei-worden-, ook zwor pakhuis, magazijn. G. (m/. nrijaoi\\). 0i:ii(rii^ een cilindervormige leemboeng in huis, van sasak gemaakt, zonder dak, PM. 1 ijtfmoitj /. 11 ?nn/j\\ ben. van de gr00te gaten aan weerszijden van de dJivjihm iHyj^ —• / « (hi l?i\\ padi opsehuren, in de schuur brengen of bergen; ook bëras opleggen. — 11 jfi^innji of jy schuren; voor de rijstschuur; in de vorm van een rijstschuur, rond oj vierkant en boven wijder dan onder, of in carré {van troepen); ook in de rondte. G. in een kring of in een carré, en in een dikke massa , HS.

ij 1 li uvn kn. ; »Lj ij (L1 li \\ en in ij ili i\'i \\ zva. iLjij hi »(hnjj en iti ij ii 1 * 1 (lh/y\\

Lj III lj \'h^2 n kw. ZVa. ifiïihj hll/j^

O \\ ... quot; ■).

nj u ijr.n s pool. voor 11/ti ,7 y tuil \\\\

ui ili ^ kn. houwer, kolt en breed zwaard {vrg.ijuii

/ lt;gt;). — 1:1 yl\\ iemand met een houwer slaan. quot;.

Dam. Woe.


-ocr page 772-

\'rfrutorn/jK

088

rj (ii ? \\

verbergen. G.

O C\'

O ni a did

a

d\'in k) ij nrn (lajj) lt;gt;c ku quot; (U if V) rj tv) q s voor een djöksa, die zich door geschenken deu mond heeft laten stoppen. — ,^rr^jrm lnJls g^^\'g eten. — un

o O o

du \\ en vrg. u n / u ^ ^ qojj \\

td \\ KW. zva. icd^ ijyi \\ (Lj^ n^int/js n j ij (fa t y ua

.ó » O\'

V\'KJlN nsn i j (id (W n njinjt \\ en irr^ :m\\\\

\\ zie bij ouw nij ffji\\ kn. weck geworden, gesmolten, door vocht of door vuur, hu. van suiker, was of metaal {vrg.

■ri.urj^nji).

. (V . . a\'

zie irvj m w

0f nyn^nyi^ kn. klanknabootsend woord van het geluid van iets dat geslikt wordt of door de keel gaat. ,i/gt;/ mi Sn cmjj \\ gebr. nt yficm/js tegeneen etende: eet wat aan; alles, het een voor, het ander na, door de keel gaan. — inx^m^ iets slikken, doorslikken, inslikken, opslikken, niet van vloeistoffen; een wat \'platter uitdrukking dan TT (Vrg. ook tefjspa/f en x.yn iuq). — ar^s mv.y en iemand iets te slikken geven. — iiiï il^ iT|7 tj (hoi \\ iets te slikken geven aan iemand.— *3 \\\\] m//\' een slik, zooveel als ineens geslikt kan worden. — ini ddi/j\\ bij ongeluk ingeslikt. — yor!\\ van dingen, zooals graten, die ligt in de keel blijven gtc-ken. — :ud\\ i^i rrnaa p bij ongeluk iets, zooals een graat, in de keel krijgen ; zich verslikken {vrg.

iruTf zva. n/noy iamp;iw — ijji tj on zva. ny ww

fuj. ijlhoofdig, gek, van verliefdheid\', van groote gehechtheid, Tj.

kn. een koker van (groene, pas gesneden Rli.) bamboe om daarin rijst gaar te maken (vrg. a^éii\\in zulk een bamboekoker koken; {pok tabak, vochtig gemaakt, ineen bamboekoker broeijon, om die sterk te maken; goed gebroeid, van tabak; JR.) — «iri tuvi \\ mv. Men. — .in}(u Jp(w\\ zie boven. — rn uan een ^iiii in het klein, en in een lyw gaar gemaakt.

o . .... o

m.) (Lt s zie bij \'Iuibiw

o G) n £)

tUltyl\\ KW, zva. \'FJj UVfl Cll HJj^ hUW -

O (ï) (?) ,,

n) nvi a (Hijj k\\V. zva. d j m 1:1 imji aAji^hOjanjjs lis.

» C ) C.0 / f i 1 (P) . ) (quot;) v

kn. zva. in t \'fpytm/is ov. tui hui {oj mi asnjj)

iim(fi)ifii tnanjjy ook een schuilplaats, om zich te

0 amp; ,rr • J quot;

(ilt;ndu(tian(hrjis KI., zie bij m

(tlrjqrflan/j\\ verbaasd, verstomd {vrg. i^nrhmi/j). gt;11ui cnyi \\ zva. rnjj maar plat ij ny 2rj crtii in/j\\

vreten, zwelgen.

)11 cmn kn. 1. zva. dii.Ditynjjs tegenstand bieden. 2. ijdel, niet wettig {Ar. lagd); poët. zva. iLd

11 \\ en (u (t^manjis {Skr. lag a en laga, nabij zijn.

raken, in aanraking zijn), n/nttimis zva. mn^

* O * n ...

of djii (ui \'ti (O ann^ \\ (ijl ihn uti du an \\ poet. voor (L\\

O Qv O . o 0« ,

(hti it/n (Ld nw srj vjhuj hji inn am (C) n./ cni \\ opperbevelhebber in den oorlog, één van de titels van de

vorsten van Soerakarta en Djokiokarta. — (amp;)ari

■ o o\'

oil \\ zva. ri ui — r» mi jy n KN. zva. ij j) 11 hj\\

of ij 1 rr^ ij) tin w (U) tu an \\ en (ui dm an an/jgt; poët.

zva. tut (in/js slagveld. —

au an \\ zva. ivj,di 1 i-tuj on/js Ll\'^ivi (hn/j en

rmiHiji \\ 3. streken (goede 0/kwade).

iLian\\ in de spreektaal ook iruirjan nrijis un rn en

(T) • • i

(Lm rj on ïo/^nN. , 1 u idjjj \\ KW., oj.\' /:gt; myj \\ K., juist, van een bepaalde tijd, die het juist is of was \\ pas, even, zoo even, op het oogenblik, nu pas of pas mi; terwijl juist; juist aan iets zyu, op het oogenblik aan iets bezig zijn. nuart ik h:j} J?i5w\\ juist, of pas, zeven uur. irui cm oj) nsn (t/ij, (Kijj nu pas een jaar. ituannm (Ui\\ {volg. Rh. ellipt. bv. voor tu atl in ty (un (in) wanneer? als men een bepaalde tijd bedoelt {vrg. ij 7.7) nti -jikus). rj mi 2 rj 01 tu art (un (u \\ j waar ben je op \'t oogenblik aan bezig ? ■m m u

hianiitis naar ik meen, {met de bijgedachte ik

, , N a o o * 000

ben er zeker van), tuan i/n uti\\ oj tuanMam htn

pas nu. in tuari\\ kn. op het cogenblik dat; tij-deus dat, ook zva. jndniez n inj •* kw. zva. (U)^ minis Qi 7\'» v. kn. de eigenaardige toon en wijze van zingen of spreken; wijze, melodie ; ook bijzondere geaardheid, eigenaardig temperament, G. {vrg. ana/h\\ Skr. lagoe, ligt, niet zwaar; prosodisch kort; enz.), atyt^iunp 1 de bij het dichten in acht te nemen rijmklanken van de verzen, aid tj ui tu ati \\ zich een air geven, K. 1, 14. — ili ij tn2(tn/js du0\\ op allerlei wijzen, allerlei melodieën zingen, ÜW. 31-2, 448. — nji tu 07jp bedrijf, G.

nn m \\ kn. ruim, open; ruimte; vrij, ruim zijn of I worden; bv. van een weg, die niet bezet is, zoo-

dat men er vrij en goed langs kan-, van een plaais, daar men vrij en ongedwongen staan of zitten

-ocr page 773-

thl ij rn {^

O

v j cm \\

C89

ian, van een kamer die vrij, niet bezei is, van een led of ledikant, daar men op tan gaan slapen-, vrij, vrij zijn, als men de handen ruim heeft, niet door bezigheden bezet is, zijn tijd vrij heeft, en het iemand yelegen komt (erg \'ia ■ vrij

zijn, van iels dat op het oogenhlik niet gebruikt wordt; los, uiot verstopt; vorruimcl, opgelucht; ook fig. van hel hart, voldaan, tevredenj er geen bezwaar in zien, er niet tegen hebben, rv^nm ujvr) ii*n gt;■\'£ n eig. tot tevredenheid van mijn hart; hij wenschen: ik zon regt voldaan zijn, als dit of dal gebeurde. — Kn Q m\\of tul gt;/ ül lt;j -m a^ \\ stand van de padi, een of twee voet hoog, SG. — xrurn n^\\ iemand, of aan iemands wensch of verzoek, voldoen; iemand zijn zin geven, genoegen doen, bevredigen. — j» (yii h n *jn tm \\ iels rnim maken, opruimen; vrij, onbezet honden, zieli vrije tijd maken ; verruimen, opluchten, j:? m «\'/i ^ nt) \\jii nM uh](ói?\\ maken dat het hart van iemand opgeruimd of opgelucht wordt, iemand genoegen doen hebben, bevredigen. — m (hnji of ^njj\\

vrij, zoodat iemand de handen en zijn tijd vrij heeft, als vrijgezel leven, voor geen vrouw en kin-tieren te zorgen hebben ; ook vrij, weer te krijgen, van een vrouw, die reeds getrouwd geweest is {vrg. rut z en lt;ui to vni ,j).

rn\\ KN. zoet, van smaak (vrg. ei }Jj j^i/j en nyr\\ ook naam van den eersten dag van een pasarweek. iuvMJ^^yn\\ zoethout, Cinnamonum aromaticum Nees. Nat. fam. der Laurineae. ij^ urn chi nrn \\ zoete melk. — iets zoets, een zoetigheid. —

virien)(yn^\\ liet zoete sap, dat van den bloesem van palm- en kokosboomen wordt afgetapt, en van suikerriet; palmwijn; {ook zva. rr}cm\\ van de iki rj m wji , daar die gewoonlijk tot gist gebruikt

wordt. Gil.). — hii i^rjerrt!htjj\\ te zoet.

o ,-gt;

luoiis KW. zva. e7i — ri m\\

iels ontblooten, zoodat het te zien komt {vrg. iej lci een wapen ontblooten, van de schee ontdoen of uit de snliee trekken {vrg. zn |mi

(üjs mv. — \'tu rninjj of i^iu mm/j\\ bloot, ontbloot van een wapen.

^ rmKW. *0«. t jhnw

KNWftai\'» zuivere waarheid; echt, onver-valscht; eigentlijk, wezentlijk (vrg. wnivgt;ii\\ aojj en iJiK.hn\\); ook hoofdsom, kapitaal, Rh. ook hoofdzaak , huofdbestanddeel. ny rgt;^ tj?y n naar de juiste waarheid, eigentlijk en wezentlijk. ? / u\'j 01]l rl C? gClieelC Zll^V01\'e vvaarheid. ik rn (ta ^111 cn^ r/ \\ een wezentlijk, echt, paard. — (u nn ij cm ? ao /1 \\ naam vanéén van de zangwijzen, die tengahan genoemd worden; ooi zva. nji ti^manjis W.

id i cm j n ongehr.; /u tj m {urn (htjj of iu rj m j.li nt/^\\ en hfi tu tj on iw (hi/i^kn. grillige gewoonte; aan-wendsel, kuur {vrg. aj tuam ), WW. vrg. ijrm ij vj cm j w

oy r77^\\ KN. ledig, zonder vracht of zonder iets te dragen , va?i lastdieren of menschen {vrg. 11 rn.m^). — i:i rj lt;m { un )] int \\ een lastdier leeg laten loopen, zonder dat het iets draagt. ij cm ^ on

beladen, zonder iets te dragen te hebben.

ij n ? rj cm ^ KN. \'rj j j rj crii {\\ zva. y .or; mm {\\ op zijn doode gemak zitten j met den buik vooruit en liet ligehaam achterover tegen iets aanleunen, llli. volg. G. statig, deftig.

^cm (inji zie bij (uy ij cm (hnjj \\ zie bij kj. m w

ii^yj mi on/j\' KN. uitspruitsel, jonge spruiten ^/stengels van kélor en dadap {vrg. nxj \\ cun r.ry en on dn \\); het verscheurde weefsel in de stengels. SG. ook de slijmerige binnenbast va7i een boom of wortel, volg. Rh. ook zva.. xy ipnn^ bezinksel, van een slijmachtig vocht, en het verborgen of wel beschut te nest of leger oan een dier, bv. van een tijger. — jy y td ?. ut j of iri rj lt;m 2 w ^ legeren, nestelen.

mi rrt 1(1,1 v zie bij vuerrtw

iy Y)j of i j.nhiHj\\ 1. k\\\\. zva. L^(ia\\ {Skr.uagnd,

bloot, naakt, pk ). 2. kn. onverbonden, onaange-

*

hecht, van een im zonder sandangan, pa-

sangan of pathi (Skr. al a g na, onverbonden, on-vereenigd, onaangeheclit). y iht vy rn j\\ een verlaten mensch, \'tem. die alleen op de wereld staat; iemand die zijn orediet verloren heeft. Men zegt ook iun wi{en y i n) r.i rn i,j\\ {en i/n tlcm uj s). Vrg. »m ergjj m \\n

j quot;e mr

rj miin verb, van grenadier.

ij ni in\\ kn. uitroep om aan te duiden, dat leis gliul ot\' met een vaart door de keel gaat (waarschijnlijk

44


-ocr page 774-

090

van I ymq en con verkorting van h ji \'to \\).

^} quot;IN VL\'r^\' van ^ r a o 011 ^ c Y\'

rr^nft^ crfti \\ kn. naam van een struikgewas, dat tot medicijn gebruiH wordt (vitex tri folia en vitcx nc-giuulo, Nat. fam. der Vorbcnaceao. Skr. nir-goendiy NegmulolMJcstcr. pk.).

ajri (rrtiinn \\ kn. naam van een van kMan of rijst bereide met jonge kokosbladen omwikkelde lekkernij.

S /\' / ) ,

uia cru \\ KN.; fjp (tn \\ zva. r i m \\ van t)t ih) :rn\\ kreu-

pclbosch of alang-alang afbranden. — iLKin-r) aiiij\\ brandend of afgebrand veld of krenpelliont j en zva. nu fn• r)no^ ook zonder zadel, van een paard, zonder kris, van een man, zonder slendang, van een vrouw, zonder groote staatsie, bv. te voet, van bruid en bruidegom bij de hmoelijks-ojfttoqt.

cy ncv (?) gt; )

lt;rnan\\ — Kinm\\ zva. v» rtt igi ern nnjj \\

Ca CY \' \' aCY, C . , T i irvKrns kn. zva. (ini ii\\ en overdraft, net overgeira-

gen worden van iets op een ander {vrg.

(-gt; Cy o \'\' Y rt (Y o

\'f•gt;(vn\\ zva. i t mw — j.j mi\'n\\ aan of op

iemand iets, zooals een schuld, pand, huur of ook\'een werk, overdragen, iemand,ïö/j, zooals een

geleende kris, voor een schuld tot betaling geven.

o CY

— .rtnriinit]iHti\\ tetsy zooals een schuld, overdragen aan of op een ander-, iets tot betaling geven voor een schuld, iets, zooals verdiend loon, verre kenen tegen een schuld. — tnori n tnjj of titu

cy

ern T) oft /j \\ meteen ander o/met elkander over een overdragt onderhandelen, schulden tegen elkander verrekenen, wisselen van werk; wat overgedragen of verrekend, of over te dragen of te verrekenen is.

m^ yt^ kn. — uitgestrekt neerliggen bv.v.e.

buffel, \'plat van een mens oh.

Cy /-

ty rvKnis of ij tu tf cm\\ kn. Uoll. legger, vat om af

te tappen; okshoofd; ook voor groote.ton of waterton.

nyitutycm\\ zie vjctvicmw ijcntt^cms kn. onbedekt ontbloot, bloot liggen, zich van onder een dek laten zien, JR.

rj (tru2(r^\\my \\ kn. zva. rf irvurjcijt ? un/j\\ ook los van een hoest of van fluimen; (los, niet stijl, famieljaar, in den omgang met iemand WW.); vrg. r^n.utj gt;1 lotZitm/j; ook niet bekrompen.

2?°

n . . .

rym\'rt\\ (tp cm nt \\ zie (ifiwitw

cF

C)

i j ij rtt ? ij rt 2 \\ ifri tj cm z rf-ti 2 \\ zie ty trjcmirjytfw itucmtunjis zva. o.) ik trttjj\\ doch volg. Rh. meer de

wijze van zich uit te drukken en derg.

iru tj ni h nji^ zie bij t i; cm w

ayjyjrmiociyj\\ kn. hol liggend, va7i grond; met holten (m/, tnu titt/j). —(jy rmnKij dn/j\\ holte of holligheid, in den grond; ook holte van een holle kies; en een nis in een muur.

ti id ticm2 ti ti/j kn. met een bogt of kromming loo-pon, zoodal iets, bv. een weg gt; niet r egt loopt; bogt; kromming {vrg. tj n.h if mi i urn/j en nu ij tf i. tti). lt;rj\'turj cm 2rjMy ij cmi Mnji en aanhoudend in bogten heen en weer of kronkelend 2ich bewegen , zooals een slang of tusschen groote steenklompen door hi een rivier stroomend water. — V WV crti2nrijj\\ een bogt of kromming maken. — gt;1 m ti rm2 Httnaj een inham gemaakt door de kromming van iets dat niet regt doorloopt, bv. op deze wijs j—l-rj tut2 rjnu2kit/j\\ kn. iets dat in een koker gestoken wordt om er iets door te drijven of uit te halen, zooals de zuiger van een spuit of de pDmpstok van een kanon {vrg. rj uw2 ij 0x1210t j). — tj ir;t 2rjciti2 in iets met een ^ tuirjcm^ tertj^ werken, pompen ; zich of iemand den vinger in de keel steken , bv. om er iets uit te halen of te doen braken. (ut tj tu 2 tj cm 2 ttertfj \\ scheldwoord tegen een

vrouw.

n

ty miia/j\\ KW. zva. ctrr^mimtji\\ kn. 1. zva. tüy uu

(ioy\\ (Tj.) BV. 2. ook zva. iiJtcmiuijj^ Tj. ^cm isttji\\ kn. — (ijcnifottan/i {bij 3jM1. lëgëtang, een klimplant, Nat. fam. der Comj)Ositae), naam van een eetbare plant, een soort spinazie, WW. tijj i^ttj\\{ookcrii\'rtj WW).kn. defijnc scherpe haren aan de punt o/geledingen van bamboe- of suikerriet; fijne haartjes q/* vezeltjes aan de bast o/schil van sommige planten en vruchten; aj)(tijj^ rt^ dsti/j\\ /00 klein of weinig als een m^mjfott/j een haartje, een ziertje, aj) njj crr^ ^t rj tcti 21u teti 1 li \\ een spreekmanier voor zooveel als niets of iets onbestaanbaars, niet in het minste, want de rj un2 rei un iu heeft geen ni,^ mj Lgt;ti^\\ — gt;7^ ^7N ^ dstt fj als

er uitzien; itstijj krijgen o/*hebben;

iem. ingeven om te vergiftigen.


-ocr page 775-

t^\\Jl^trY)crrtn\\

ri

yi i rri gt;.

fi\'Jl

ruirfl KN. vrij, onljelast, met Icege handen 6tgt;.

thuis komen, ongehindevil.

i)| wim^\\ KN. eenvoudig, zander iets er aan, dat or anders veelal aan is, nonder versiersel, snijwerk, enz.; eenvoudig, zonder gevolg tot staatsie, gaan.

oen eenvoudig houten sirih-kistje, zonder overtrek can leer. — i\'l 111 zich eenvoudig, niet naar zijn rang, klee-Jen; geen staatsie voeren; (irry. tunjl van i.ij oj^aaijs).

lt;\\rj rjriii ijM\\ ojtj rmt rj w2 of nriz rjM2\\ KN. tus-sc/ienwerpsel voor het onverschiillig en zonder complimenten erg. gaan liggen of zich neer-vleijen: roef! — (rirjnrtirjm\\ enz. ziel» zoo netr-vleijcn.

nrttm tJi \\ gebr. 7;» j m

O l- ■

.i^m unKN. gaarne toegevend, en gaarne tot een opoffering bereid; edelmoedig (vrg. mi 1amp;1 J? - en v j -n ? am dsn w Skr. Idg aw a, ligtheid, van lagoet zie jucn^). nrr^iw Ljirn t:)\\ edelmoedigheid.

(vi ïj mi (O) \\ KN.; iQ ij ar)iL})\\ erg (kwaad vermoeden) hebben in iels. vjxmz t) av rj cm U) \\ geen erg in iets hebben, WW.

of ahi tjiLiitj if\\ 2\\ KN. benl, seherpreg-

ter {vrg. oj)wmimici\\).

n

ituonjjjsKvr., zie iwiamw r^rjcmxM^ zva. 1 hm 9 v.

rj rn tf (tvi KN.; rri ijrmrj (Lu gt; \\ achterover leunen, zich achterover neervleijen, Tj.

~ quot;\'quot; \'Yl ^ quot;\'TT

^ ÏJ Til 2 Tj LVt 2 \\ zie iucir)jjm\\K\'W. zva.

tuotiot^^nkn. — (tpoTKm^N met de neus in den

wind, met het hoofd in den nek, WW.

(^rrn rr^p kn. i^rni errj rn rrn/j of rni mifj^ zoo door iets getroffen, dat het denkvermogen belemmerd wordt, en men sprakeloos blijft kijken of staren, CS.

kn.; (^.^mncYj^rjamtnm^\\ stom blijven zitten, zonder te spreken of mee te spreken in gezelschap; met den mond vol tanden zitten {vrg. (u^mi ernj), wel ligt stijf, roerloos zitten of staan; vrg. tu mi rni/j rj cm mijj yjiruz rj mi 2 amji enz.

kn. de bloote grond. (\\m uj^ rrr^ mi/js op den

blooten grond liggen , bv. om te slapen {vrg. — standvastig blijven, niet te bewegen

zijn; zóo HP. 103; 0«lt; n rj .1/»2 vy? iiji / u \\ r^cm cmjjs G.

rj / li rj cm mijj\\ kn. — oy vri rj vn mijj\\ met opgeheven hoofd, in een dwaze, trotscln houding, zitten bv. te paard.

tf nit rinm2cmji kn. met vooruitgestoken hals, roerloos zitten of staan , llh.

O • /« . _ O .

iLim^ oj \'Vj n.)rjmi2 — asu u^s

nhinifj\' KW. zva. (cnrrn/js — ifuirntcrijjs zie bij ihh

0 ... D

iL)(iir)jj\\ — fiTimrrm to. en poet. zva. iL:t tj n i

\'r^N f1!/- overstroomen; velen overladen, van

iemands weldaden; van een bloemenregen. Men.

{vrg, n/n iLLr.n/j\\) kw. geheel bedekken.

tg w/f of ijvnyvn/]\\ kn. het onder water staan of gezet zijn, van grondpf plantsoen {vrg. vj.fiji en (c^a^ajtfjs I., en hu ijimji). — veld of

veldgewas, onder water zetten; (hnnn^xm,] en tultm

n n c ^

am^\\ pass. \\i^rn)\\ en rj (irtir^ r:t) \\ {van nrjcuii

O o

L^ irn^ zva. (ilt;n i j 1 tip mv., en zva. w ij uv)nrn s

overstroomen, landen of dorpen overstroomen, bv.

van een watervloed, lii li in in/is uuin r.n .in/i en ^ ^ C7 co \' er co 1 quot;

pass. i.iiL^irt^iap overstroomd raken 0/geraakt. — li i jnrnj i,ii\\ voor een ander onder water zetten. — jy ivi rn (hnjj\\ wat onder water gezet wordt.

fiij^ vmj) of (W^dJijj^ kn. klanknabootsend woordovn aan te duiden dat iets in het water gedompeld er onder raakt {vrg. ny nn/j en ui iLj hjijj). rijiirp^rnjj\\ zie beneden.

n ivi irnjj of (inlrjiL/)(Lrnjj\\ kn. boordevol, tot aan den rand vol, bv. van een rivier; overvloedig, meer dan voldoende, bv. van iemands bekwaamheden of weldaden {vrg. itLtr.n/j en — iwijiLi.vtrs

iets overstroomen, over iets heen stroomen, ook geheel bedekken. Men. mi rj ,nji:r:n(in/j\\ overstroomd raken. — ij il,! rj ir|7firn (hiji\\ cim\'Uji^s overgeloopen water.

iLicim gt; KW. Ml. winst, voordeel, zva.imnp\\ tu n Kn 2 (Lrnmi\\ {Ski\'. Itlba); ook zva. ttucén

.iLii:rp 1. KW. zva. en ^wirnjis — 2. kn.

een lange, dikke, witte pompoen, een soort van c\\~n7jcm2\\ {Skr. aldboe, lieschkalabos; volg. Rh.

44*

n il)p\\ en

Mjs

s


-ocr page 776-

(irt il nil \\

692

I a hoc Mal — Jav. uirui^). — ^

ML zva. cm f

en quot;

1. kn. stof, zooa\'s stof op kleeren, meubels,

boeken en op den vloer {org. lii

nj^\\ stof van asch, niet van narde; ook stof en

asch, met stof en ascb bemorst, ojiaj^ stof-

C)

veger; zva. uninuj(wjj\\

II. ryvrjs n. ; ryiiri Miyj^ k., het naar binnen gaan, inkomen, binnenkomen, intogt, intrede; bet in dienst treden, bv. als soldaat\', het ergens aangaan van iets, bv. van twee el aan een kleeding , het opgebragt worden, eig. binnenkomen van pacht, rsii rji:^ in de spreekt, zva. triv^.vyw njj, oijj un \'ij ry {of iamp;irjnnp mi uj {of aPi hvi (tn p) spr. (ivj^ Q ar.r^ \\ (Wj^ fjixrn ani/j \\ binnengaan, binnenkomen ; ook bepaald voor op de hoofdplaats {het binnendisirikt) en aan het hof {het binnenste van de kratoti) komen. — (ui(g.(vnr^\\ mlt;mxQiisiyj\\ wat binnen gelegen is. G. —le/imi:^ iivj.xn^s of ihuf en f i rj iiii hiijj of f T irn v.ii/is naar binnen gaan, naar binnen, binnenwaarts; naar de hoofdplaats of het hof; en zva. rui ria^y en nijj fJniii (istijj\\ maar in den zin vaneen V) er kxo oord; (Ei(cj,(Cirjj(Mquot;ti(in(i^\\ onder de soldaten gaan, dienst nemen als soldaat, tztrj nj^ deftig voor

ff/t ijr.r^ i/iï\\ mi ujavjs liil v^r.rl xsiijs ergens binnen komen of gekomen; in of onder raken of geraakt; binnenkomen, geïnd worden, van iets dat te leveren is , verschoten, besteed , van geld. ook op een som geld te staan komen, daar die som er aan gegaan is, in iets raken of vervallen; onder water raken of geraakt; in of onder bevat begrepen; met inbegrip, daaronder; onder iets be-hooren; een zijn van een geheel; in de termen van iets vallen; ook vrij, zooals in tm 11:1^ lt;rn {\\ vrij rijk, en mi F^ni vrij goedkoop, yin? ni run rj mil if n m isr^ \\ niet onder het getal beboeren, niet mee in tel zijn. vjijiiz yiKiim.r.rj^ niet mee aan te nemen, niet inleverbaar.

(iji^\\ de kinders er onder begrepen.— tirj imt /y ^ ergens binnen gaan, binnen treden, ingaan; ergens iets inbrengen, insteken of in doen; iemand iets, zooals vergif, ingeven; leveren aan ; bv. gras aan iem., iemand buiten zijn weten iets 11 huis brengen ; iemand iets in de handen stoppen.

met iets bedriegen, tai nm mvn i^i (inj

O O Q vQis*. j

pass. — r / rj inn ten ^nrj n-n\\ ari liït a^uni wjfs tefs

naar binnen brengen, inbrengen, invoeren, inleiden, indoen, instoppen, inzetten; op de hoofdplaats of aan het hof leveren. — (mji\\ nri tïri «flTfohp

obj. den. wat binnen gebraeht wordt of binnen te brengen is; in opgenomen, of te nemen; in dienst te nemen, bv. als soldaat-, levering, leverantie, op de hoofdplaats of aan het hof; wat aan iets gegaan of besteed is; op een som geld te staan komen, bv. van een gebouwd huis, verschoten geld, verschot.

vjrjr.11 sn. Ml. en kn. een priester, Mohammedaanscli dorpspriester {vrg. un (tyi^(E^jj).

tjtli2 lt;77?n kn. begeerlijk; onverzadelyk; in weelde overdaad en brasserij leven {Skr. /0 ^begeerlijkheid. Vrg. n/^vn (faen (ir^ ri s).

dui 177? % \\ zie iiuKcn^w

kn. , n iurnqn en rvKimMnjj kd., I. zva. 111 njjj j, — II. 1. kw. nur.i^% \\ of (i7i iun^^\\ vallen, neervallen, zva. asnams {vrg. a.Ji \\). — 2. 111 (vny gt; ^ het vallen van de eerste regens voor de re-genmoeson, de najaarskentering, in de rj iviKiun (ut imj] en de twee volgende-, het begin van het ploegen, Rh. — 3. het anker laten vallen, ankeren, voor anker liggen of gaan liggen. —4. gaan deelen in liet lot van een ander, bv. van zijn heer en meester (yrg. vjimwix). m irn ? ru-T? x zich in gevaren begeven, blootstellen aan ongemakken, in (Lin rui rj\'77?^i rr^?uw ojirj \'isn\\ zooals de laron\'s in de m^ngsH-kapat (z(5o in groote menigte), ook met een ander werkwoord verhonden gt; evenals tri 11^

i O quot;gt; rn»

bv. xrn ru irn ru [^nrn zci\\ Ij. — ijji■gt; \\ KN. iets of iemand in het water {of ook wel fig. in het vuur RP. 30) werpen. — r? v in het

lot van iemand gaan deelen of deelnemen, voor iemand aan ongemakken zich blootstellen, voor iemand in de bres springen; met «Vwrtwrfmee drinken , bij een drinkpartij of feest, mede ondergaan, mede volvoeren, VV. I. 170. 0 am uji jun an^ zich mede wijden aan het een of ander, Men.; ook erg. iets inwerpen, ook zva. (Eisvituns beginnen met de padioogst, SG. — nri lt;171^ % un rj hv \\ een vaartuig voor anker leggen of laten liggen. — 11/11:1^ gt;hjii (Kijj of /vj.truiKrj.f im nnjj\\ gezindheid, bijzondere ^e-


-ocr page 777-

6«J3

T

ueigdheid, i)«n imam!, uui\'d, aanleg, (org. muS

s o n n

Ki)., ankerplaats, ankergrond; reede, liaveu {vrg.

Ct - O ^ V

lyr.n^ --dVjiC} K.

iL.jiirj.qs kn oubetouwd, verwaarloosd land; WW. vuilnis. — (ui (cr^qmti onjj\\ vuilnishoop {vrg. tui fL^ajn (hnjf bij ^\'1)-

(i:j /ƒ ,17» 2 ^ N zva. n^iUïj $ w G.

tfi/joj jn^\\ kn. naam van een wilden hoog en hoorn, /0^ kleine gereedschappen, doch ook xoel tot huishouw dient, Vitex pubescens Valil. iVa/. fam. der Vcrbcnaceac.

^2/ (Ijjr.tjS II.

■ïlm.yx kn. mei water aangemaakte kalk, kalkbiij; ook pleisterkalk, kalk met cement (yrg. tjiru

c?/ 7Lquot;l\'?N witkalk. — pleisteren; met

kalk witten. — mv., en bepleisteren.

(1^.17»nkn. teu einde, geëindigd, afgeloopen; met iels gedaan hebben; met iels uitzijn, niet meer te krijgen , hv. van een soort vati vrachten; ook met iets uitzijn, zoodat er niets goeds meer van te wachten is {vrg. tv^r n iLii eig. als de ten

ten zijn afgebroken, d. i. na afloop van het feest; een uitdrukking voor te laat, hv. gedaan of gezegd , W. II. 270. i ji.)} t]turngt; als de padi van het veld is. (kiin i.)} ij n als hut geëindigd is, nadat. — lt;j:ri:n\\ wegmaken, verbreken, G. —ri ainnnj i.n\\ iets doen eindigen, zoodat het er meê gedaan is, een pretensie of schuldgt; verniftigon.— ^v.vn)iuijjs uitscheiden, uiteengaan {vrg. iryi gt;n), ook zva. iini tm ij) dj \\ ie .Batavia \'rtanjl genoemd y dat feest vieren.

^(u\'^nkn. opgelost, versmolten, verdelgd, uitgedelgd, vergaan; zich oplossen, vergaan, tenietgaan, verdelgd worden, {vrg. ). — ie^s ül)quot; lossen, versmelten, verdelgen, vernietigen.

iuh (L/i ihvji * iemands voetstappen verdelgen (weg-stappen), voor iemand als volgeling {knecht of leerling) dienen. — mihi/j\\ verdelgingsmiddel.

o / /

itvi.L:n\\ kd. van injii:ns of zva. nsianiw o ^ ( \'

^mjj^nkn. vrijaf, vacautie hebben (vrg. if itu yimo/i

en (wncr^ynhn^ tot vacautie, vacau-

tietijd.

nt^v.ns kn. ten einde, afgedaan, afgeloopen, hv. van een werk {yrg.a^rfus en au vervallen, van een regtszaak, zoodat het er mee uit is, zva. cun — CLinnjjccns of (Li \\ zva. n/i cuij (Kj \\ of luiciu.p \\iijit}qccn\\ ook het vervallen verklaren van een eiseh. — oru^mi^rjtHyj\\ uitscheiden, na den afloop uiteengaan. — iu^un t) an^p tot beëindiging; om uit te scheiden, hv. v. e. sein door een tongtong enz.

/tij ie» kn. overloopcn, overloopend, zooals het water in een kom, als die te vol is-, mild, biilddadig,

milddadigheid {vannxziis vrg. M) n uitiLiuu.diis

v O ^ CO 0 0° X

eti *1 ii.ir.u j). ij i-n n en (ik k ru7jicn\\

overloopend vol. — u n i ij i.ii \\ of ^t neens over-^ (i \' 1 l

L.open. — ai J, ij iV.Dmarijjs het overgeloopene; een plaats of plek, daar iets overgeloopen is.

tj itvi ifr.n \\ wj. zva. ijn.n w — ai jrj larrj r.n\\en iEi ijiuoj i:n\\ kn. zva. ilh f^Li \\ ook Jig. overgaan, zich uitbreiden. — iLj y n i rj .i:n n op iets overloopcn, door zijn overvloed.

tj 111hnji\\ kn. nm. v. e. gending. »1 ju? y kn. lovertje, hv. m ^(Uj2 rj(imnsHjj0

geborduurd met lovertjes, Tj.

aum) mi.n voor \'nim n))/}\\ Iloll. rubraken.

kn. iemand rabraken; fig. iemand geweldig afrossen; de leden lam slaan {vrg. o /un).

— tu r.ncrrt.in.) ecu ijak slaag waard, WT. II. -f 1 0

158.

hH/pim. vlak land, laag land, tusschen hoogere landen, een vlakte, een dal {vrg. ry en (r^tj rm-n i hii/j).

ii tlnvn mt/p kn. een soort van lange en dikke radijs, Kaphauus eaudatus, L. Nat. fam. der Cru-ei ferae.

i .

tj n u ij.v.Di i\'H/j\' kn. zva. ij n ij tolh)i,p {vrg. ijvlu

j. lt;-quot;gt;

ij rn.hVj]), ongeveer zva. ./.»;gt;ƒ/n of

vrijen toegang hebben bij iem.; familiaar omgaan

met.

t hi urn \\ of (iu irn \\ 1. kw. gekregen, verkregen, erlangd (Skr lahdd\\ vrg. iji m tj iu^). 2. kn. ervaren in iets, zooals een werk of taal, van iemand die zich iets door oefening of aanleerengoed magtig of eigen gemaakt heeft. iwiirfiiS\'L))\\ naam vaneen Kawische zangwijze, (^xrrttwiiu\\ kw. welgeslaagd

n C)

, n\\ G. — ti n rr

(r;» 1777 nm -ju rj

zva. ui iJi m mi (U rj lui


-ocr page 778-

iwtafè\\

091

ojitrns n. — iuH(Hnanjj\\ k., ieis zich eigen maken.

O )

— (^i7LMr»7\\KW. zva. ((C^wtiuji 07i njifrjtKmrj

Ij (ÏLIJW

Kn(v:ti\\ zie (Thii-mw a t-

rrj rurjammn/^ kn. klanknah. van het aanruken, opscheppen of trappen op iets weeks, lih.

nucamp;i) nsn/j\\ 1. kw. zva. tL)i uw Mnq\\ achtergebleven spoor of teeken van iets vroegers-, verworven reputatie of verdiensten j antecedent, vroeger voorbeeld.

2. ki). als ki. van (b».i57i\\ {vry. ninn \\ (en van rui

O • O

ik ivi% nuiuri (ünji zie l/j ij^\\\\ — ry tu i u

(hujjs kn. zva. nwcmi nsnji in den fig. zin van antecedent. — lt;i gt;n tl nrn rj of tn .i .n

aQiiutoifls en vnirLitén ten jit ^ als gevolg van, dour-v

w i / ^ /. O o . )

dat, door {zva, cun\'ncnis oj lt;vnitidii^). — (rnx n

aJn\\ aan ieis zich meedeelen door een spoor of sporen achter te laten; iemands voetstappen vol-gen; {rixhiiLityj\\ in den zin van het spoor volgen van, Rli.) ook zva. zich opofferen voor

enz. en ui /

y iisnoHj.

in v. nn vni w

n

(uj.uti .is»^n kw. zva. lt;ri£ \'O)iij/jj\\

nsv/j^ k. van tvj vrj,\\ ii., en van ire ^ m2 w — i\\i ^Juni iVgt;n j\\ (ui iinrn iibiiquot; « ili (vnr.n inn p

n n c) o : O c • / ••

Mn (V^HTn irii:ntiyi \\ iVimn a^un aajj\\ zie bij

ii. — (iQ)jHijj\\ zie bij ^ 1:^\\ ii.,

efi bij ictijnii* — ihii.én\\ zie bij ik \'tj ■gt; ) ? w

ij n i ijn-.mten/j\\ kn.; ijirntrjiirndoflnjiHiis iets, r.ooals zijn werk, overdragen of overgeven aan zijn vervanger {vrg\' en asPrf-wu/j). — rj iLitj i n 1 ihii^n/jx om de benrt elkander vervangen 0/aflossen; een ander de schuld van iets geven. WW.J. iruiiirf^tm/js zva. (ld 11^am i.njj gt;

irutrnmi^ kn. vol sporen van inenschen of dieren, drnk begaan v. e. weg.

o O quot;)

auKun cni/fs zva. n i unif i^

a7j i~n\\ kn. 1. een goot van hamboe tot waterleiding

(vrg. (i.niü\\). G. 2. — ri.rns goed voeren en

weinig gebrniken zooals bv. paarden; vruchtboornen

of bamboey Hink laten groeijen, er geen vruchten

van nemen voor die geheel rijp zijn, noch ook

van de bamboe kappen voordat die een volle stoel

heeft.

rj ru 2 rah \\ Ml. zva. tj iun 2 irCi t \\\\

if rLiitj i:hi\\ kn. naam van een gending. — y jr?2 ij

i quot;) r\\ O

ai) rj cyrj 2 nu ar.n riijjs spr.

lt;rj n:h 2 \\ iemand lokken {vrg. (un rj i.rn 2 ? ^ij). — aj) (iv2 ijrii 2\\ het lokken, middel om te lokken. truap\\ kw. zva. ahiHiiramp;ijj\\ kn. de insnijdingen aan

weerszijden van de uk arr^ a^njj\\

o 00...

iru(tp\\ ki. va 7i ui ij *-i\\ van aci n.i ernjj \\ \\e7i o\'iieig. voj

(rfntEi/j\\ lih.) — arirj np ty n zie bij oS\\ (rnjj\\

7 nu2 ij 1:12 v kn, sa7nbH-gorèng van katjang-roedji.

\'ti itu ij up ^ \\ kn. een plas voclit of nat vuil op den grond,

bv. in huis; morsig, slikkerig, kledderig, van een

plek op den grond; morsig ete7i, als men zijn bord

niet schoon eet {vrg. ij ui ij [ic^mijj).

•ril dfi Hti j\\kn. hef, drab, droesem, bezinksel, van olie

{vrg. nu .hnim/j en v^apint/;).

iTj.ipiinjj\\ kn.,smerig, vuil door vettigheid, bv. van

een hoofdkusse7i; vettige droesem j fig. vuiligheid,

slechtheid {vrg. tunp hn js ^xsrj^ en wnp wi,]).

(ojrn ip unjj\\ de heffe, het uitvaagsel, slechtste,/gt;lt;;.

van het land of van de menschen; {vrg. iumoi)

dü/j). — lt;»|gt;jtipirn/j en r^ip.nn^s zie boven. —

a^ap!}^(Hyf\\ vuil bezinksel, drab, droesem, hef

. o o n ^ v

{vrg. (Lit arf n mi ^ narn cmp.

it j.ip im/js kn. schupje, spaantje of kleine spadel, om kalk op een sirihblad, pHis, trasi of bórèh te scheppen {vrg. ij iLnrj np,hii/j\\ iiynap/y en (fJjtp Mnjj). — i?T) a^} fhnjj\\ iets daarmee scheppen.

\'ij ru ij ap 2 Knjj n kn. m iwxjiji0 * sambël, van gebakken lombok met kokosmelk; ook een bijzotider soort sambal voor roedjak, Tj — \'/ quot;,l\'\'/ \'P1 Knl}\' u^s vets, kleverigs of weeks met den vinger of de vingers opschoppen {vrg. ij tLit rj apmi/j).

ij n. 12 ij ap tun/j\\ kn. een spaan of spadel om iets weeks, vets of kleverigs op te scheppen, grooter dan n^ ap iW\'i^ volg. Rh. ook ongev. zva. ri nnj ip2^11/1^ — tj in2 ijip ilt;njj\\ iets daarmee schenpen , {of over iets heen smeren); iets weeks met de vlakke hand scheppen of opscheppen; ook wel met de top van de vinger een kind tot pap gemalen pisang met rijst in den mond stoppen; tl\', zva. amm

o

jurjjj \\ kw. zva. ai 1 apw

^ap\\ erg stinken, bv. v. e. kreng; Rh.

ajiïuaps ongehr.; vjaruap ijruaps kn. naam vaneen

kinderspel.

ij lUdi^ v kn. zva. •yj iLi2aj^\\ of av^d^s o .

avi\\ kw. zva. ojh iu\\\\ — a/nafri\\ zva. am


-ocr page 779-

// Itu\\

095

_ uvus iiquot;/ fipn 0/ \'ijhrus kn. des nachts de

ronde doen, patrouille/en (vrt/. rj 1120711 \\ II.,

. v 7 ^oOquot; o

eti iui )]{(tni2 ^\\n) •» poef. 00 Ic zva. on (ia d \\

In deze bet. in 13. T. Dj. 345. — uitjriarts ergensy in een plaats, om iets, zooals een /i?iist of langs iets, des nachts de ronde doen of patrouilleren; erg. voor de veiligheid de ronde doen, kruisen. — tü 1u .1v in/js patronillebenrt.

of (iJi fifA 1. KW. zva. !gt;yiu\'n\\ of \'n^vip\\ — 2. KN. zva. (hu dij \\ bv. ny Pitj ruMMyj en tij indJent

ni\\x (Li(vm\\ de pnpil van het oog. — 8. kn.

c) . j . o* n . o.

zva. (uivj\\ bv. iin (i\'i\\ en xj i ) (Ljimtnqs —

iQ(ój.\\ op iets als doel zijn aandacht gevestigd houden {yrg. (u^\\). — 4. of {vrg. ij*/\\) tianknabootsing van. het op eens verdwijnen , zich stilletjes verwijderen. — nv j:^ v.va. rripw 1;?

iem. vurig ö/* liartstogtelijk beminnen, WU. //etz. als ifrjijav nn — f.fj r j 11 zie boven op ihniyw KW. hekoord; en bekoorlijk, be

koorlijkheid; kn. versuft , verbijsterd van zinnen , door schrik, angst of verliefdheid; hartstogtelijk verliefd. — o vrys hartstogtelijk verliefd zijn. — I :gt; i\'j n \\ (i^^\\ makend; verliefdheid wekkend. — i.iiityxhwversuft, aau liet malen, van verliefdheid; hartstogtelijke verliefdheid. — ajujvi .in/j\\ naam van een geneeskrachtige plant --777 y ij Uil \'jwn \'j i n tjwns oj ij 111 ? y i:)i 2 n .7vi,;N ni\\ KW. zva. iiJi^il^ \\ (ui (Li/i of ai 11

quot;gt; , O Qv ! \\ Ov ~) O.. Ou

ilt;i I\'D yvrn. i.ini\\ 1.). — i )\\ ii ini\\ en lt;un gt; 1 \\

s J ) 1 n

: ■) \'

zva. arj ioï a i,j \\ ooj /) y .1^ n en an u 1 /. // nn mi h ri 1.1

•ii\\ eigennaam van den Vorst van Melaioa-pati.

nhknn,^ er is te spreken van, spreken wij van...

Qv O .. . o 3..

i\'ii (ly (O (HTjj\\ wij zwijgen van... /./) .; I; /.y K) w/j »

. a* o Ou

*va% no)(int art bpitnt (tnjjs — (Ut |}» zva. tut tirj tot

et O Dv Ov -3.- • O-

a^tjt en tut azt wtitntw 111 n i \\ eu 111 n r zie n t in w \'ip of (un n\'js 1. KW. zva. uuyui i.t*\\ 2. kn. scheut, loot, rank, va7i sommige planten, vooral van slingerplanten en kruip gewassen die dikwijls met een bogt uitloopen, ook rank va7i een wijnstok {vrg. \\ II.). asijirt Strip bij de katéla cal-tuur de tijd dat de loten op elkaar liggen, en de knollen zich beginnen te vormen, SG. atjU\'^rts ben. v. e. fatsoen v. (fnn\'t\\ CP. — 3. ver/c. van «ï-^irjjw — of a/11 frgt; \\ zva. istjtEt tip van lt;iin ■n^ gebogen neer- of overhangen, van een tak: en gelijk een rank. ij ik 2 011 ui uïcrti nc^, \\ een hals als een gadoeng-rank, wordt verklaard door ent rut m ern 0.1 a:m mt 11 w iBt ut \\ zie

^ v fl rtc \'xl\'

ben. — tut 7i*j ui ij tot gt; dial. v. a^rruputij tatw — 7711F1 \\ KW. zich vooroverbuigen ; lang, uitgestrekt.

— (n\'^avtaji im/j of uit ri^uit nut ui de jonge ranken of loten van slingerplanten j lofwerk of versieringen of guirlandes in dien vorm.

rj ,iu\\ of uit ïftinsKN. gaatje, niet vijd gat, zooals in den grond, door insecten, zooals mieren en krekels , gemaakt; de gaten van de neusden oor en; het gat van een blaasroer; het oog van een naald\', een muizegat, enz. {vrg. tjntt^ en tjun2rj(ruizut art ij). — in rj .1 li n en 1 tt tj rt ^ zich in zulk een gat ophouden, bv. van insecten; en gelijk een gat.

— ij ti\'i tj tuut (i(t,u met een gaatje of met gaatjes; ook zva. vj ti.i\\ van de neus- en oorgaten, en van het oog van een naald.

t^(iti2\\ of alit ij tins kn. 1. afneming, vermindering, het afnemen o/* verminderen, i?i hoeveelheid. 2. voet-zoeken*, groote klapper, een soort vuurwerk (yrg.

(.y . %

■i t ij 1 ci*(Hijj en ij n 121 in gt;\\). ajtt tj 11,12- gew. anrtrttts

gedeeltelijk, een gedeelte; sommige, eenigc {vrg.

V , quot;) v :) . . .

tut in ij 1.1 {\\ en u tutt ut s ). — ut ijti.12 \\ iets verminderen door er een gedeelte van af te nemen j van iets een hoeveelheid aftrekken; iets afhouden, korten {vrg. 1 m ijiot 2\\). a tt tj]^^ kn. afgevallen, vermagerd. — uit ijti\'n \\ minder worden, verminderen; vermindering; te vermindereu, een ander zie boven, tiit tj tni.1 niuni 1^ ?a/tt aa/j\\ het dagloo-nersgeld gaat er af, of is er af te rekenen. — ut iitneuU ergens, van iets, een gedeelte afnemen; iemand iets korten of afhouden, vj.1112 tntj tij? ut (t(]ij\\ elkander afbreuk doen, elkanders gelederen verdunnen {van twee vijandige legert). —an rj nut2 xn ij ti 12uu {tj art2 tjainiui\\ Tj.) verminderen, vermindering te weeg brengen. — dn tj 11112 un rj (hit \\ verminderen, korten voor een ander\', een obj. afnemen, uithouden uit een aantal, l?s.— tj tin2 an artns [zie ij n ti ut anjj\\ ben.) gew. rj tit2 rj ii\'ti an Kt 1 \\ wat van iets afgenomen wordt of af te nemen is; het aftetrekkene ü/aftehoudene; tu. opbrengst, {ook zva. oo)oo)^ Ilh.) bv. van rijstvelden.

(ijiij rt2\\ het afnemen j het afnemen van de maan na volle maan ; aan het afnemen zijn, van


-ocr page 780-

rj tLnim^\\

690

i li (c;»

de maan. lt;n.) an ~.i rj ir? ? \\ laatste kwartier.

o o /» O % lt;quot;gt; o

auii;»\\KN.; (itïiITÏN OJ ODUVI i:t\\\'/jWcmmou. (iTiirttr.rrifis

zwemmen als een lijk, zich in het water op clen rug liggend laten voortdrijven, ru rrcn kronkelend, van een slingerpad. tnifjy naar iels of iemand toezwemmen j om iets er naar toe zwemmen. — ^ rA }ni \'/ h doen of laten zwemmen; volg. AV W. 0 ij th? uuiki ten ?.? na/]\\ iemand bij den nek pakken en tegen den grond duwen, dat hij met armen en heenen spartelt — ■xjï r:i é) \\ het zwemmen. — in tjhij of rj nnj iI .üiihi/]\\ zich met zwemmen vermaken.

nu \\ kn lelijk bitter van reuk of smaaky ho. niei goed gedroogde tabak) Tj. {vrg. iJ/yu

\\ zva. tuw

^aji\\ n.; k., olie; oo/t smijdig (sme

dig of amendig) vet. ^ dj?am nn gt; varkensreuzel. — irtxns als olie, olieachtig, vet

tig, smerig van vettigheid; glimmen, van iemands aangezigt of neusi smijdig, bv. van

vette kaas. — iftMJ.i n \\ iets olieën,

\'K a 1

beolieën, met olie glanzig of glimmend maken j van olie voorzien.

(ij,rj ein kn. — (vj,7j vn(ij. rjm\\ halt\' dood van vermoeienis, AVVV.j volg. Rh. iin? niKirj n i n r.i\\ ook als verlamd door een sterk heimwee over-

heerscht.

o . O- a„

ituiin\\ of nrin\\K\\\\. zva. ruw a a o o

•1 LI (UI - V)trVKL\'l\\\\

fnpKi\\N., K.,en Md.; .i*yi

KI., heengaan, weggaan, van de plaats daar men is; van huis, of van de plaats van zijn woning, gaan; uitgaan; van huis, uit; als Tj, Sengk. nul. (TL^ (V) tiujm \\ komen eu gaan, van velen, die ui aan toe erg. komen. Ij. rij ui tj w i .u i (mji n. ijmt (èJi^utLm nnji\\ k. gaan kaartspelen, een partijtje gaan maken. Rh. N \'17\'7 ^lJN omiematid of iets

heengaan, iemand of ids gaan ontvlugten. rjo uj.i tiüns de dood ontvlugten of zoeken tc ontvlieden. — fty1\'1101 \'/lhni N \'7 \' \'\' Jijin /. ii (tn/j\\ iemand of iets verwijderen {van de plaats, waar hij 0f het is); iemand, zooals een bediende of zijn vrouw, het huis uit sturen; iets, zooals het geluk, het huis uitjagen; iets, zooals een sloei, van de \'plaats daar hij staat, wegzetten; /VAs wegdoen, zooals een kris door dien te verpanden; iets, zoo als zijn hand van de plaats, waar mm die houdt, wegnemen. — (njvniHT/j of g u^ m

\'w\'?N V In) K1 *X1] \'H) 1 0f V ?iiyr/ en aJi igt;p itfi tn j of a^n lt;hn ,hp tni^iHT/js of (bn in }a)/]\\ een reis, die men maakt of te maken heeft; een reis doen, gaan doen of maken; op reis gaan of zijn [vrg. (Lj) ti w/j).HJin^ i:i iciqs n.t ij nnw qxw im/ts reis.

ij iLt ij .it)^\\ of tj .iitri:?\\kn. het laehen met gesloten mond zonder geluid te geven of iets tc zeggen; ccn lachbekje zetten , zooals oen kind wel doet. — »ƒ ;i \\ ij ,ci { ^ rij ij r.i zoo aanhoudend blijven lachen ; aanhoudend zoo lachende stoeijen.

tjniifiin\\ kn. ijii i in j ij nni im ?\\ vriendelijk van

blik en voorkomen, WW. zie ij ij r.i g BV.

O - (\'■)

\'1LIIC11H1/I Of IKJ. ILI IJl IHljRW. ZVa. kn.

schoonheid. die vermaak doet, zooals van een weg, landschap, lus/tuin, paleis, prachtige Heeding, enz. {vrg. i n ); en ki van i ^ ini\\ vermaak, genoegens; pleizier, pleizier hebben.

O . . .

ui )n iim (tiiiQ in j\\ tuinsieraden van een lusttuin.

iirhitiiï ris naam van een Katvische zangwijze.— ii i,7gt;y\\ iemand amuseren, verlustigen. G., pleizier, vermaak, lust verwekkend;—(hu ili£iihjiuij\\ ki. van tnnijjiHiiMyjs vermaak; zich vermaken, verlustigen; spelen; en ki. van hQim oji een vermaak, amusement, wat tot vermaak of verlustiging strekt van een Forst of groote, zooals een lusttuin, prieel, bijzit, hofnar, een mooi paard, mootje hond of vogel, enz.

uil] i7i ? in/j \\ azj.ix.ii] rn ê nn/i en tli ij j iWjj \\ KW. zva. n i in !Hijj\\ ij 111 iïanjs wordt ook verklaard door

dsn ifji (HTjj en ui ten ili (in J\\ G.; zoo in Joes.— ip

n n o o i

ij in2 i,j \\ en iamp;jI ili ij iti2zva. iti uiiHjW —

nm tli ij ui 2 injj en un ili ujjj in,]\\ zva. kii m i:/

uj (Hyi \\

rj i iinp kn. benedenarm, van den elleboog tot aan het gewiicht van de hand {vrg. (vw.uns en asn m (Hi/jy (M (Vjui hij een arm dik. ^^ulnnf]\\iemancls \' regterhand, hulp en vertrouweling in alles. — rj ibiiij (Hi/js mouw van een kleed.

nli i i (in p benaming van den woeniboom. G.

di^u!Hii]\\ zie bij iijuiw

vf iLiicmiHy]\\ kn. de opening of ruimte onder iets,


-ocr page 781-

ru gt;17» u iiji \\

097

hi : i\\

zouals een amhèn, ledikant gt; last, tafel, enz. {tj vj n n iji* vi w j \\ iS^V /\'2/ rj iias), (tn tj tl; ^ i j »ƒ ouder de tafel. /lt; lt;?«o £(f ^ en-der de rijstschuur.

(/U(Ci\\KN. irLUHjaJi/i {vrg. a^j en); n.irin s

vermetel, aaumatigend, Tj.

,N J L^N ^ g^^NN

«3 rn kn breed uf groot, vefti het voorhoofit, een

/

breed voorhoofd, oolc zva. ttu iw

cy o\' (y o 1

i j i i \\ kn. , ^ i iÏJ. iquot;in (W. 11. 235, / i ^ » •) uls

verlamd-, versteld eu versult, staan of zitten (vrg.

/ / ... O\'

\'j\'iyvp en iiyrjs). i.ii vj.i:i\\ kn.; itii i.ty en

},)i ajiaci \'r7N KI., b?zwijmen , Hauw vullen; bezwijmd;

bezwijming, flauwte khvjiu ~.n un ijnsn

(t i ln). 0./r^u)n een schertsende uitdruk king voor

dood, W. 11. 551. — ii irn^nii^ Iemand doen

bezwijmen, Hauw doen vullen.

/jy ^ \\ kn. ; \'y l^l ^ quot;; m /v als een domme

gans ergens staan of zitten zonder te spreken (wv/.

rv er

Vv; \'gquot;-^

iuns 1. kw. beeld, gebeeldhouwde (igunr ö/\'pop. 3. kn. du scherpe hoek van iets, zooals van een vierkante pilaar of tafel, en van den platten ruy van een mes. — nu ?i n mi p rug van een herg. Tj.— •pc».kw. zva. i.jixis iets beeldhouwen.

ij nu ij rus kn. ij rui*1 \'Ui? ij n in) t\'fifs v. e. kind, gezond en voordeelig opgrocijen, zie ij n n ijgt;yi)nj gt;1 Hid ijtn\'nêw

un \\ k\\v zva. u 1\\ volgens anderen zva. r-i t il .h»/j\\ in ili us ij i, ii\\ nevens 11 uï u i u p Kaïci voor iu ik njKun (Ui)/j\\ maar waarschijnlijk is het hetzelfde als til imi \\ ij iLii irii .\\

un \\ kn. 1. naam van een doornachtig heestergewas. 2. iini ijh?i rj ini\\ uitermate, erg, K

16, a-i.

ui Kii\\ kn. kluit, kluit aarde, klomp, van een klomp pum en van een dik stak van een gebroken aarden pot {vrg. luïini\\); kluiterig, hard en stijf. — n| \'•quot; \\ hard als een ito dm \\ ook van de huik; en ^0l)l,,,ggt; stijfzinnig. — i\\^ im anfj de kluiten.

ij iCi ij kii?nkn. naam van een Chineesch gebak, ij tii

oj uiu )j,ii,i ^ aou\\ naam van een gending.

ijifLii MnKN. er is niet aan te denken, van iets dat onmogelijk te doen is of dat er onmogelijk zijn kan \\vrg. un -7 j n ). iiii i, u i^ tj \\ poet. zva. an mi \\ {Sir. Sang kit), WW. volg. Rh. zeldzaam, zelden te krijgen; Bantamsch Javaansch, zva, ijmiiti ivii[hi\\ {vrg. W. II, 131).

iii.i7iiinij)\\ kn.; 1. ihicisi ini 1:1 \\ gedurig of aanhoudend met het hoofd achterover f/ de neus in de lucht van trotschheidj ook gaarne gebruikt bij de beschrijving der trotsehe ot vrijpostige houding van wulpse he vrouwen, {vrg. iji n KVjj\\ TitrLurj in .hii/j en lujnii uiiq). gt;1 ui Kiiq het hoofd achterover houden; het voorover gebogen hootd opsteken; den neus in de lucht steken, óm ergens naar te ruiken -, of den wind op te cnuiven, bv. van buffels\', rogt op staan, van de rijsthalmen als die nog niet beladen zijn. ( jr; r.j (ilt;ii r.i kii^\\ aanhoudend het hoofd achterover buigen. G.). 2. xy m .v.iuiins vrouwelijke bedienden van minderen

ranu:. (W. II. 54- m utaj (ni/i\\ zie lt;iQiu unn\\

ny

Kh).

ay 11 un j\\ kn. ii i v m /.ii/p zwijgend, sprakeloos

voor zich neer zien. — $i;i }fnjj\\ hetz. Kh.

ij ij, uny\\KN. ^ \'gji,iiij of i]j n i.ijittjj jiiijs zwijgend en onbewegelijk alleen ergens zich bevinden.,

n i \'i\'.i mi/j\\ kn.; ii i u^Kuiv^ Kiijjen mr:imn !ü^(ini/j\\ aanhoudend hot hoofd draaijende regts en links zien, bv. om verstrooid over den vloer liggende dingen op te zoeken, uit verlegenheid, of als men alleen staat en naar zijn gezellen rondkijkt {van xjiiiu^kii/i). — \'vi iciïm ili^ ki^/js met verwondering of verbazing links eu regts om zich heen zien, van

O O O

velen. — ïli m li i,ii ~i m u^ kiijj^ u i n ihj^ kuj) en !li lu ^ i^ Ki^ met stomme verbazing om zich heen zien.

rj nnj i.i iw js h N. — tj j-»rj m knjj met het hoofd

zijwaarts opkijken , Tj.

rj rtnij r.u uiijj\\ kn.j met den hals naar voren gebogen, ook naar voren gebogen van een krisgevest, met een langen hals van een vechthaan, Kh. ook een jonge gans. ohi i.h rj ivi ? rj in z fuvjj\\ naam van een soort van banaan, ij nu ij ni ij 2 rj w2 of rj 1.12 IJ r:i2 Kii/js den hals uitstrekken om naar iets te zien, bv. uil een venster, tj iri2ij(iri2wijj ij ^riji2ij(M2iHriji^ freq. 00V het oog houden op, Kh.

— 71/* \'I me^ uitgestrokten hals staan.

,ni{K}Tjj\\ met uitgestrekten hals staan te


-ocr page 782-

nu tniM/f

I LI HU J \\

kijken, óv. naar iels in de verte of naar iets dal men mei verwondering aanschouwt.

ifijihiifs kn. stap over iets heen; overstappen, iets overslaan, er over heen (over liet doel heen) vliegen (vry. iikih)iq\\ en ook fuj. aanmatigend. — (njj iLi (Hii f \\ er overheen; over heen stappen ö/* vliegen, 6igt;. over een heining. — r-/ un j a/n\\ over ze/s of iemand heen stappen; iemand of iets voorbijgaan; passeren, overslaan, overspringen; een hevel overtreden, overslaan; overspringen hv. bij het vlecht en, of hij een verzoek zijn on-middelijke chef. — iamp;i nuom of ifj mi q \\ zva n j (EjiiHtifs in den zin van een werkwoordj een wijden stap maken, wijd stappen.

nh ij uil^ * kN. een holle plaats of pas tnssehen hoogten of bergen {niet zoo diep en steil als een fitym), een bergpas, (g^.iets zooals een hv. in den hodem van de zee.

— hol, met een holte, hv. van den rag

van een paard JR.).

; 7 /\\ )2 ij j.}! ? 7iiti%it ii .toj ^\\ met groote stappen loopen, en de armen zwaaijen, v. iem. die lange armen of he enen heeft, (Men.) WW. ntihns naam van den elfden zoon van Watoe-goe-

noeng, en van de dertiende woekoe.

. CY O\'

\\ kn. zva. arj \'•nn

n kn. — jj» ifn \\ gebogen of gekromd liggen.

. o . rv ; . cv ny uns zifi bij ly i.nw

ij ii irj HHs kn. unt, v. e. gending.

aj.ntiii\\ kn. iets ondenkbaars zeggen (vrg. ijirii lt;nn\\). — ;rit,ivn\\ of un rii, nn\\ ondenkbaar, ongerijmd (vrg. ij ir.t? mi iujj).

quot;7^13^ KN\' a^emn^gt; u^{5ePu^ van krachten

(vrg. a^nj^s); en volg. Kli. ook zva. (tbj. gt;. n\\ ontworteld, van een omwoeld van den grond, enz. ij iu gt;ƒ urn uiij kn. draaijen, zich draaijen, in bogten {van ij mii ij un ? i, n /j; vrg. ij ril ij cm i mi q en vj /li tf ilt;ii2\\). ij rurjmi? ijnfh ij kiii iaiji slangsgewijs. nu ïjinitunys kn. mager en zwak; v. e. paard, met een holle opgetrokken buik, Rh.

^ om hiyj\\ kn. zva. iy ili ijhh (isnjj\\ — Iflllt;11 vfinn ikji of (t^nai fc-lj ikh isiiji \\ langzaam, op zijn gemak (en een weinig achterover WW.) loopen,-volg. Rh. ryij miin/j\\

ii ilirimi isiiji\\ kn. vastkleven, zich aan iets klevend vasthechten (vrg. lt;iuifii inlijf) ; fig. gehecht. — {iQ if iinjnm miyi^ Ml. aan elkander kleven.).

ru mi n^iji en iuu ili mi kn. krachtig, hv. hy vinJi cmi(i^\\ sterken krachtig, van een mensch en van een heest {vrg. ahicninJi/j), ook sterk van verlan* gen, K. 15, 2ö; volg. Rh. K. 13, 28: £u^im (Kip in den zin van «ving, behendigquot;, welligt voor u il iu.Ki) Ki j\\ een andere vorm van (i?ii

(1,11 IK lp

■il^mi .vi (igt;n/j\\ zie n ^ k ii tui asiiji \\ hij ij im i^nji iihiitni (lu\\ 1. kn. naam van een wilden boom, Aren-ga obtnsifolia. Nat. fam. der Palmae, het hout dient voor lansen enz. 2. ki. van eniijrrm ui\\\\ —

uiI un n.i ^i imp k w. zva. ihu /. ïj in m p

. C) quot;quot; .1 ■)

u rmi iLipKö. zva. ihiiaji/j en (Li .urmip

d . -»

ii hK ii iLiip zva. u 1 Kil IDp

th mi r.nq\\kn. ; ah k namp iets, zooals een kleed, papier of matje, dubbelvouwen, zoodat de één e helft de andere geheel of voor een groot gedeelte dekt; een open hoek digtslaan {vrg. jif.iSi asnjf); zich dubbelvouwen, dubbelgevouwd liggen, hv. van een tafellaken.

n ) mi wip kn. in een opengeslagen toestand. — n

Kiinrnp zva. lint mi:i7rijj\\ een hoek openslaan; een

dekkleed of gordijn opsla»n of opligten; van een

deksel opengaan; zich openen van gelederen, en

opengeslagen of opgeslagen liggen. iKCtri?ïmi.r.ty(\\

opengeslagen of opgeslagen raken of geraakt; fig.

ontdekt, ook achterovergeslagen, zva. nm(wiiei

Men.— rï.mi vns mv., een hoek doorbladeren. ,rK Co

iiinnis kn. zwart, leikleurig van een buffel, zva. m

fjj^ijj\\ fig. donker, duister, voor het oog, Tj. nu K ip 1. kn. een richel om het uitwijken tc beletten

of om iets te dragen dat er opgelegd wordt 2. k.,

n o . »

zie iu ui lunji en vipuipw .rvi ia^xTi cm/i k. van

t a

iij i isa/ti an^/j en van nui tJi in irt^p

npj irii \\ zm rj iui .iriis M.

kn.; rijzig, langen tenger van

gestalte {vrg. n^nn\\).

ajifmns kn. een inliam aan de kust; vrg. y ili^

rj niii en iüÏiinj\\ ook een holte in een berg, een

bergpas, Tj.

Qv . __ O .

(t u K tl - (TUI m^ w

71^ Uil \\ zva. TJ (TUI 2 (Kil \\\\

irj iu hu kw. afgescheiden, G. — tj nuuiirji iiap af-


-ocr page 783-

ilUifl (Ul^/j \\

ru tj uh \\

099

scheiding, G.

iniis kn. naam van een Chineesche vracht.

Ncptelium Li-tschi, Camb. flat fam. der Sapinda-ccae ; ook zva. vj ^ nh w

kn. kronkelen, van een rivier {vrij. iin ). — ij (i\'j am z \\ een inham maken of vormen.

_ ij ijurj wh 2 an anjj kronkeling, hogt, inham, »ƒ/i!\'

rilt;Hh2(wrj(fnlt;rjfoUlt;Hi)/j* een nis in een mnur. G. ^ luiihi) \\ kn. tnuschenriiimte, door een ledige ut\' opene ruimte er tnsschen; tijdelijke ophouding o/quot; interruptie (vrff. tj u i 2 iU) ^ \\ ij in.} 2 tj (Vi2\\ en li» (ïh ). (vil ij \'in\\ in de tusschenruimte tussehen,

tussehen {vrg. tUvu ^(hj \\ e7i — \'/ jj\'2

arij (i7) n aan iets een tussehen ruimte geven; dinyen op een afstand van elkander plaatsen; ergens tussehen een ledige ruimte laten, (un ij gt;i.u uh d-im) ■gt;\\ door een tusschenruimte van elkander gescheiden, op een afstand van elkander geplaatst.

of kn. ene. kn.

ernstig en deftig, mooi, inzonderheid v. vrouw Kh. (in W. 1, 91, v. Ardjoena, ook eld. v. e.

man, Tj.). *

o O o

ni iiia/js kw. zva. n iaiigt; u i y/n ajyj tj r i,j

(itn-u^w ook zva. zóo in i \'i i.i

au\\ Tj. kn. scherpzinnig, schrander, slim, geslepen.

n i tiling kn. 1. afsciieidsul van ecu vloeistof, dat er als een vlies bovenop drijft; kaam op azijn; vlies van schimmel op azijn; vlies van kaasdof op ye-kookte melk; vlies van vet , room op de melk {vrg.

2. het uitspansel, het lirmament, de hemel. iLi w ^lt;u isr^ \\ de zeven hemelen, G. volg.

Rh. de zevende hemel, ru hu rii\\\' de blau-

ro h

we hemel, ru tv a5iijj\\ hemelsblauw {vrg,

o . o

\'UK ui xnitLi am ihiji \\ de korst of

het buitenste van iets. G. volg. Rh. zva.

^ ct t \'O o*

niii;j \\ — r gt; i i iisiyj zva. tu pj hn u) ut

iiwjl den hemel doorklieven van een sterk geluid ? lis. — \'H-//7 rjVi:7lt;is7»^\\ zoldering van gevlochten bamboe y kadjang, enz. — ttu (tn nm nnj} zoldering, hemel, ru an \'vjjw - , y -nz de hemel van een ledikant, iu -SI i^i tj ar) s iamp;i plafond va?i een huis. — duizelig worden, bv. door het zien van een hoogte in een diepte, Rh.

)jf itirj

n ) in ihii/j\\KW. zva. am ij tui 2^\\\\ — »■; avi/js kn. zich al verder en verder verwijderen; zich verder en verder uitstrekken ver de wijde wereld ingaan; verergeren bv. van liefdepijn, Rs ; eindeloos lang, een weg; eindeloos lang uitblijven, van een bode. — ijl jgti tj igt; ii \\ iels eindelocs lang houden (maar

niet terugzenden).

o S ct ci . /

irjlsianiJjKVi. zva. (Ij! iU \\ iUIJLIhlI/jS in Ij. IJl

n^r.) ,huj^\\ zva. ujiiio^

O

liiiu ij poet. zva. (f irjihi/js kn.

afgebroken, doorloopend van een weg, een onafgebroken groole menigte, zva. ojiia /n yn \\ CS.

t\'u ii 7s; \\ kn. beliaugsel van doek tot versiering of drapering; draperie, bv. om den hemel van een ledikant; voorhangsel; volg. Rh. meer bepaald can een soort ijl geweven gebloemd\' katoen; en niet als hemel { n i a?i (tgiw/j) maar om iets heen gespannen zva. cnji.iijw ook uitgespannen gordijn als verhemelte boven een grafstede of tot plafond van een pandapd bij feestelijke gelegenheid.— rnji is iets van zulk een behangsel voorzien of draperen; hii n\'nj.r) of van behangsel tot ver

siering voorzien, gedrapeerd.

,/ui )\\ of nu(i.j\\ kn. een neet of het ei van ecu luis {Skr. lixa; neet; maar klein, iets

kleins, een kleiniglicid). wuliiihhi\\ een vers van een couplet. (ma,ii t ïiiijtins), en in de Kawische versmaten ecu halfvers van ecu langvers {kiZi evil \\). Ook het scheidleeken achter zulk een vers of halfvers wordt zoo genoemd. aJu mi?ïi^)\\ ecu vers of halfvers. — if.i ici iuiijiiu\\ een letter van een pada-lingsa voorzien of met een pfidiV liugsamp; er achter schrijven.

■tli ii(KI\\KW. twee dingen tegelijk doen. G.

O . Cl

Zie IL^hlW

iU tj kn. over de tijd, over een zekere tijd heen {vrg.

ihvrjoji (ljjj en n^un.i,j).ii^ ij i hto^j D12 ^ oVerhet

vruchtdragenhcen,tww een ouden boom. ui ^002 m ij k)

{of .i?iKjij:hi\\) een vrouw, die al over de jaren,

niet meer vruchtbaar is. rjiunrni/tTbirj^is niet over

de tijd, nog tijdig genoeg. — hnii^dJiover

de tijd raken o/geraakt; te laat, overrijp geworden,

van vruchten.— het einde, aan het

einde. 0aAÏwini;iiii 11 als gij aan het eind van Ocr\\ n

I.I.I:IJ.1/J\\ ou-


-ocr page 784-

70 0

uw luvudeliiigeii zijt, zal ik er aan beginnen, \\V. I. 57. IUi.j vnj, W. II, 101, eindelek, ten slotte.

UT)(u/j\\ kw. zva. iuioj ima-jjji en tj iLn^uijs kloof, spleet, reet. kn. naam van een {niet dikke\') soort van waroeboom WW. (zie bij u) ). .ik nsïï fcj, i?i een {niet dikke) soort van djatiboom. tru/j n^iUi(tjjjjs de plaats in de zijde van den rug tus-sehen de onderste rib en het heupbeen. — kj i l (W if? M/j \\ tenger, niet zwaar gebouwd, vaneen mensch. G. — n i uj d i \\ kw. op een spleetje o/ reetje gezet, van de oog en.

stuursch of nijdig (niet goedaardig) van uitzigt; stug, o/hatelijk, kregelig in zijn woorden [yry. en r.iii:rnjntiW/j).

viïijfh)(}n/j\\KN. voorgeven, voorwendsel,uitvlugt {vry.

w O \\

i /)) u) tut dfi/j en i.i ij f i m j j.

,?77 \'\';,7^r ^• KN* van een weefsel\\ en

eenige haren van liet voorste gedeelte van het hoofd,

waartusschen de haarwrong aan het aehterhoofd

als aan een huisje hangt. 2. kw. goedkeuring.

{liet wordt verklaard door ij tiw vrg. ni^ ij

rjaJts). Gr.

ongehr.; 1. kw. zva.

w 3. kn. alledaagseh, van een kleeding-

stuk; alledaagseho kleeding, dagelijksehe dragt.—

. x o

(ht) m.i^)ni zva. cm (TLiiK\'i ni

KN.; — zich op den buik vooruit

schuiven.

?us.i\\ kn. hellend, van den stand van de zon {vrg.

y t li rj j(i .). tLiSji ij (ut Mn nnjj de voormiddag, een

/ / . quot;quot;l. ClS

paar uur voor den middag, uakkj) ^ quot; i2 i(i/j\\ de

namiddag, een paar uur na den middag, n\'/n\'i bi

.i~t\\ na middernacht, (unhui^ n ) ,m\\ over de veertig

jaar, va?i een mensch, over de tien, van een paard.

a/

Kil IL,t (1^1 \\

helleude lijzen of dalen.

voorbij den middag, over den tijd, bv. van mid-dag eten, Tj.

KN. j of mnr^ws op den blooten grond

liggen, vrg. on.iLi hiw

a// o/ - c CV

nj^i\\K\\v. zva. nsiy — lt;jy ^ ki of u^e^ Kis KN. de haas of het haasje van ruudvee.

KN. gezakt; afgenomen, verminderd {vrg. nu i-i n if n i rj i i en y wu Ijri 2 lu^). — gt;rr^ u./} \\ den rang van een ambtenaar doen dalen, hem degraderen; om iets dat afgelegd is, of niet meer gebruikt wordt, vragen. (Hnnt^o.^ {of riïKjlt;k^) hini ij (thii2rf ihj\\ van zijn vorstelijke waardigheid ontzet worden (vrg. ijiHii(M\\). ihfnrij(K^\\ naar beneden gezakt of gegleden {bv. van een toinviqs), in rang vernederd, gedegradeerd. (Lj iu unrv) \\ neêrlian-gende wangen, smalle kaken. ben. van een

slecht tee ken in het haar van een paard) nl. de twee vaste haarkrcnkels achter de ooren ie ver achteruit) zoodat de toppen van de ooren er niet bijkannen, Kh. — /?iuy\\oud-pass.; van eten naar beneden, naar de bedienden gebragt, Rs. AS. — *1 quot; l% u^ucmcugt; verminderen, afglijden.

— ^[4 u\'m\' een quot;llegsel, enz. geven. — •nrjiKiis laten zakken bv. een touw in een put. Us. •, een allegsel, enz. iets overtolligs K. 5, 25, geven aan. — iki/]\\ afgedragen, versleten, afgeslagen; ontslagen, gewezen van een ambtenaar.

tj n\'i ij Ki\\ kn. 1 afzakken, afglijden, van de aarde van een berghelling; fig. afzakken, aftrekken, gaan retireren; en zicli in een gebogene houding verwijderen uit de tegemooo) digheid van een voornaam persoon (vrg. ./u mn en vj tunjajig ). 2. schenkblad, sehenkbord , presenteerblad {vrg. a n iruKLiq).

— ^ }1\'/K1N fot3 op con schenkbord zetten;

iets van een schenkbord afzetten, afnemen en neerzetten; een gebogene houding aannemen om zich te verwijderen. — yj ri i/i^rn\\ mv., en voor iemand zich verwijderen, terugtrekken, retireren. — iri (Liijws in ecu gebogene houding zich verwijderen, en terugtrekken, retireren {vrg. (f^ons). vj iÜ2rj(KU\\ kn. afzakken, afglijden, van aarde {vrg.

S s s ^ \\

rj it i ij w \\ aij\\ (™/j en )• \'nu

i) i-i2 \\ met uitgestrekte beenen op den grond gaan

liggen. — tnjiYfiMttiwzs zoo op den grond liggen.

. quot; ) .O

ii^ 1.1iici p zva. nzjVJiföiijjs

(Aj^;ki,ibrir(\\ kn. oud, zoover versleten, dat het mooije er af is, haUslcten, vati laken, tapijtgoed, een Ieleedingstuk, rijtuig , schilderwerk, enz. {vrg. nj tij)iK/i/j); ook verflensd, verdord van bloemen, Waj. I, 72. ook gekreukeld, verfomfaaid, verkneukeld; kneukelen.

(ïi/) i i tui/j of ruLn.ii/js kn. naam van een boom Lan-sium domesticum Jack. Nat, fam. der Meliaceae.


-ocr page 785-

Q- n

nua-.v (Eijj^

en van zijn hout en vrucht, een kleine ronde vrucht met een fluweelachtige geel witte schil, een soort van maar in den regel fijner

en aangenamer van smaak, ook is de schil dunner \\ de vu \'iJJI wordt ook nji lt;rc (mjj\\ gen. iu

\'1 itr r ^ 1 0 i) . O

nJ (Vi (15^ \\ IKangs. op im rrn \\ Ks.

(ui/j\\ als de schil van de lang sep nl. geel witte

huid, van een schoone ligchaamskleur.

Q„ o 0 o . O o-

ki. van aJiiMiHTji en van wmw — mim

- quot;) .,..00 Qv O

(i.) f ifj\\ zie hij a/ncKJidfyi en rjfLwnw — at/(k? \\

rquot;) ^ ^ Of .quot;) Ov O

j.i ui (IJ) \'f j \\ \'»lt;quot;»» )^jdn/js (17/ Vv ?un \\ en n /

r\\ .... o o o .

ri i) f t iHiy \\ zie bij njii m (m/l en a ) n»w

. O \' «O

itUKivw/)^ zie lt;niw(u/j\\

ituM\\ zie ibnüiiJiw O» . • O O* *

ti iiuis zie ti» n io.i w

n:i(U\\ kn. een soort groote bloedzuiger, meestal in den neus van een paard, van een buffel enz. Rh. (ni^ n on/j\\ zie b ij (tj) onuj^ w

. O • 7 -• 0

tuiisti/i^ zie bij i.y tunst)^

en (ipitü\\ zie bij ruw

^ np Ly\\ en ih )i ct^ a^ u) .m/j zie onder n^w

q« . \' O o C.) O o

tui ru\\ kw. zva. ao)crrri asnfj w.ut tjihjq\\ iïjI r.m ru \\

aj) m irm w zie ti tvi ru w

a 3 S 01 o o (?)

nu ili\\ oy iwinj\\ 1. kw. zva. tuiist)\\ (ui(Hi\\ en oji

(Ctw — 2. kn. rri iu\\ of t\'ji jüs nauwkeurig en

oplettend van regts eu links bekijken of nazien,

.... O Om tt O Ov O O* O . . . .

\\vrg. nmtus 11., en (hti rui ni.ruons); een kind met een lachend gezigt in de oogjes kijken om het tot lachen te brengen; ook wel van een meisje tegen een pop {vrg. irt to \\ van (isnict^. — azï n ï t.ïtus van alle kanten met oplettendheid en aandacht bekijken. — nyuru\\ of /iijy]iu\\ met aandacht bekijkende, bv. ergens staan; en benaming van een kindje van vier of vijf maanden, dat men zoo in de oogjes kijkt om het tot lachen te brengen. — wïtu iin nnjj\\ iets dat men met aandacht bekijkt of naziet; en een draai nemen , regtuit vliegen, van een pijl, door de kracht van den wind. GR. njTj r?ï r?ï n on^ warlend door elkander woelen, van een digte drom menschen {misschienv er korting van (urj r\'^ i.y i?\'i tcïn (hijj).vj w. rurri/^\\kn. verward van geest, suf, kindsch (vrg.v.ti ^\'l ^\' — lUirvuriiri^s geheel verward van zinnen, gok {vrg. om afn). $ïru w\\/wïnï/i makend. oui llJl\' \' z^c w\'? w tl ru rj t

tj rvirj iu(17) mfjN zie bij ojtüw

tj ru ? tj (tu 2 11 :in/j\\ zie bij r u ? w

o .% . o ...

t u i :i a i j \\ zie 111 i/n il/iji \\

•u ^ l i a i) gt;7/7 j \\ k w. zva.. rt^ n^ w o

ti^ t.) (tui iK)jj\\ KW. zva. .i\'^ oi ^ i fi) tnji en aji i i na/j

{volgens G. bekuaam, bedreven).

rjtincni kn. — tj ip g mi \\ dc in Iron d van een llcsch

of kruik uit de tuit in de keel laten loopen, zoo

drinken; ook fig. drinken, opslurpen bv. bloed uit

een prooi.

a- -«

ti i mi ^ 1. KW. zva. t r) ij) hi)ij (u o 7-7 nnjj\\ aj^ ie^ (10,1 en xm lü(r,JJIN opleggen, opstapelen. G. Skr. ling ga, teeken , aanduiding j vorm , enz).

nv , O o

— f||7cm\\ i. kw. zva. r:) lo ytyj\\ isnaTiw

O

iin tj) (uy) \\ en iw rti 2. kn. ongebakken of gebakken metselsteenen naast en oj) elkander, zetten of leggen, om ze te bakken, of om ze bij het metselen bij de

hand ie hebben, om ruïern f j ia \\ spr. zva i-d ty am \\

- O o.. o .\'

of Kiiimryn^ \\/iw rumiiuii^\\ spr. van iets,

daar dagen over heen gegaan zijn , zoodat het in

het vergeetboek gekomen is. tai rucninndf)^ spr.

voor vervallen: door verzuim of verwaarloozingvan

zekere eischen of formaliteiten zich zelf het verlies

van zijn regt te wijten hebben {Skr. K al ing g nd-

t ha , Vorst van Kalingga. Zeker vorst van Kaling-

ga beloofde namelijk aan Wisnoe zooveel land,

als deze in drie schreden bereiken kon; waarop

Wisnoe (de Zon) de geheele wereld in drie stappen

o*. S •

doorschreed, pk.), un iuonrwi iJi\\ waar een jaar

^f1 \' M

■ f| I\'ll

overheen is gegaan; verjaard.

O Ov o o..

t n u) m .7/7fj \\ en vn rn ui int iin/js s nniRr mi ?umi \\

o o o o o O Ou

zva. (uirn tin t)(ini\\ (U in (tm ui lt;trn \\ itn tr) r» kd

h Cxi (i (x\' CJ (ii (xgt;

■gt; quot;) ; quot;) o Of Of

(Ui 7.\' tijj en (u t j \\p (ui ip nn \\ ti i tij m tu nrn ik (U) mi \\

als een godheid geëerbiedigd of verheerlijkt. —

Of : ■)

ru rn tf)jj\\ zva. rn ia mi tn/j en int wihd ^ n ui lai/j gt; ook tot een teeken o/ aanduiding, iets als een tee-

• • . 1 Ov

ken, indicatie, beschouwen. «./? lurm h/^\\ kn een stapel (ongebakken of gebakken) metselsteenen. r i iri/ïnm hi/j\\ steenbakkerij. — ituiumisKW. zva. tj tj ini 2 tn t.i y spr. {vrg. rumi ).

M ]

- ÏKÏ .

T#: i\'l

ii1 jli

701

\' .ir;

II

quot; . c. i

1

m . ■ «}•

1 1

, 4 :! gt;\'1

I tt i

m

rl^ mi n kw. zva. imrïn \\ en a i rt w (vrg. rty tj mi ^). \'thl^j m\\kw. zva. nil tup {vrg. ?lt;^t7iv).kn. overmaat of ovcrwigt hebben, overschieten. — ia gt;j ni in\\ op iels nog iets over- of toegeven. — tu^rj )ri:nijj\\ ti/i

r


•ii i

-ocr page 786-

^ rij ij cm i?\\

702

lt;717 rrm

\'rii ijmtanjj of (Cj_fn%urnin^ wat op iets tocgogo-ven wordt, overmaat, ovovwigt, enz.

11 / rh \\ KN. aJ.mïu om rijst toebereid met klapper-melk, katjang, gekorven dèndèng, eijeren . Rh.

gt;gt;» ?\\ zit\' n J gt;^ w

\'7 \'V

01 ^ (YYl J \\ N , ^ 07\' ^ \\ K. , 1 . r/rfW J / HJ /j»/ m iN KI.,

iets daar men op zit; iets dat men onder /.ieh, onder zijn beheer, heeft, iemands leenbezit in landerijen, apanage; iemands post, ambt; iemands ra nu;; ook zva. (ifj tl^w 2., en dan ook wel als ele(janter

0« O O (O , v

vorm ni\'rn^ KN., mi ujn im ^ yciji irj (u hii ^ 03.) Ki., ook wel chmi^ als ki., maar minder hoog, iets tot zit hebben of nemen, zitten, gaan zitten; het zitten van iemand, de wijze van iemands zitten, en fig. hoe iets zit; een post of ambt beklee-den. (isrjj 111(Kirj uj ixjcrr^ j\\ een vaste hand van sehrijven hebben. S. orLj lt;t^ \\ \\ rylt;rn*\\ benaming van een kind van vijf maanden, nï j rr^ % inyZ {of wiHy i:Z\\) op een stoel zitten of gaan zitten, oï^ (Ti^iynN of r)yn)\\ neem pl ats ! ui) rj/ni j\\ de beheerder, G, — aiji oij 9\\ xhom % \\ zva. oi j iij gt; \\

en remits in den fig. zin van ap.anage en rang.

Cl Ot- ct o (?) o o o

— quot; I rgt;i ^11 m N \'l\'lt;rnq/n K \'I j\'^ isn \\ (amp;i jjj quot;n int \\ op iets zitten of gaan zitten, k/ rn ?xjn\\ i?t nij hjv^ iemand iets tot apanage geven; een land als zijn apanage beheeren; iemands zetel innemen als opvolger \\ iets, zooals een belofte of de voorschriften van de godsdienst, m\\komc\\\\ {vrg. w aïh lh Si\\). fhv ox/j07| ^ xm in\'\\ (Hiia^,(rn ftm iinq\\ pass., 6?« iemands post of betrekking. ,7.7 7 ^ s an uj mi cn^ ? 1/77(hi/i\\ nn jnist de tiende dag; welligt te

verklaren uit n-iji eni gt; mi KÏyns mz rm )n dns

QCY . o

zva. mjj\\ — 7r» njw/ti gt;ƒ int \\ i.irms

am rj nt) \\ iri m ? un ini in/j\\ iemand doen o/* laten

zi tten of plaats n emen. ^ ^ mn tj kh mi 1:) rj iw \\

zijn fatsoen honden, r;» 17^ p ajn rj km »r»7iern gt; i/n antj

zijn hooge waardigheid ophouden. — (Liriy ny^s

of njirt^ )/^ n e?i (ui rj mi q \\ of tui \'y rni q \\ iemands

residentie; ergens zijn zetel of residentie hebben.

lUin^rr^fs aji rj mi? \\ ook liet geld {ten bedrage

van vier realen voor elke dj0eng), dat elk nieuw

benoemd ambtenaar voor de verkrijging van liet

aan zijn bediening verbonden landbezit aan zijn

wadamp;nft betalen moet. iijinj) ny\\ en tui uJmi 4 \\

; i»7 ^\\ /»; u/ M\\ ook zva. asn u\\\\ 11 na jlo rn gt;\\ of n\') iji it ïon ?\\ zva. (hinjncbiinA de kluizenaar. — (f?tn^my\\ iu y\'.j on f \\ zich beklagen, gaan of komen beklagen over iels hij iemand. WW. — (Ejivuim^rams /) (ijmi^fi%\\ bij iemand zieh gaan of komen beklagen. WW. — tt0) n\'j 01 j 5 n 77 x u \\ (P) rjmisxm uuu)^ over iets zich beklagen. WW. — nijcrr^^d/niroj) oj

1.. O Ov o

\'V U l \'r,ll\'1/11 \',/7 7N ^ 7 /7 ^ (tm 10q oj r j ) u mi s .711

J* ■ o

(ij (tn gt; i/n ao/j of ij i j on gt; (im doj, \\ en 0 1 uj gt; 1 )))i.n)l\'j\\ zamen zitten, met een ander of bij elkan der zamen zitten; een zitting houden. — ajinj^my

Qv quot;gt; . O

I )) 0(1,1 \\ m id mi gt; i)) (Hiij\\ (U) ij mi { am rrnjj en u t zitplaats, zetel. [volg. Rh. bet. quot;H ^ N N. /rjm){\\ K., (Li)\'nyr) tnijis KI. bepaaldelijk zitten, zieh nederzetten, zetelen; maar iets daar men op zit, enz. lt;11 my iai (Hyj\\ l i /ij 011 % (tm (htji\\ daarentegen M tjni inijHijj zamen zitten , enz.\'].

rjonw

;; / gt;ƒ 777 2 ^

i)i) m i}(i/j\\KN., ijmiM/j\\K\\v. zva. (tunfóffw/js \\irü

. aui (rïrt nj)

CxJ

(ttiujonjj en irjomitj(Hi/]\\ kn. zva.

\'Hiff \\iij.(rrtiHj(Hi/j\\ ook vaste koopman of koopvrouw, bij wie men gewoon is te koopen, en kalant, een persoon die gewoon is van iemand te koopen.

cèj mrin/js zie rhi 011 mfj \\

o. ■ ,o*

DL I 777 (Myj\' KW. zie bij tt iortw

•tj 777.7/7\\ kn. zich verzetten, niet toegeven; onwillig {S/cr. langgana, onder anderen overtreding), isn htprnort zich niet verzetten. — lo rrt nft \\ er zich togen verzetten, niet toegeven, er tegen hebben, onwillig zijn iets te doen.

(ti. rrt\\ kn. ; (hn art Kf., bidkapel {vrg. (uiitjtj (ut ihi/j). — (morns met kracht aanloopen, rijden , varen e7iz. tegen; een vijand aanranden, een aanval op den vijand doen; (3//. langgar)-, en een wet of bevel overtreden (vrg. lirtno tnt/j), en zich tegen een meerdere, zoo als zijn vader, verzetten nfti turnt \\ met kracht komen tegen, WP. van een schip, bv. tegen een rots.

(t\'h YYt\\ kn. — r?ort \\ W. II, 504. riomaiyjzie

0 7.. O CV

bij vjott mt^ en vrg. tjiow

qv S ei- o* as

111 m \\ en art (rrt \\ KW. zva. (tutrn\\ mi Kt \\ en ift ttt

trfrt (urt/j\\ ook wel als ki. voor tut n w

(lj tut tj (rrt \\ kn. een als danseres verkleede man, lt;7^0

vergezeld van twee of drie badoed\'s, Tj.


-ocr page 787-

(V^ctn (ut h iiji \\

703

aiini au? )} i,iii

liCnrjarms kn. zva. ru) ru mw (tyilini ciaijl\\ KN. , ri cm H h gt;gt;

eten, vreten, sehranzen (vry. \'j föi* )•

. O O gt;

j m tui (KVji■ zva. u n irrn hji /. n/j\\

.0.9------ KN — iih cm ry] Hti y met een bult o/* als

c

i jcntn iinyj^

een bult oppuilen ; iig. van het hart y hartzeer hebben, Rli. ook lt;Qani v. djictin n i/j. r\'y\'■ irfj^nrxjanijjn : ()\'.r lt;D^ i.n tmi) WW. njj rnni* kn. 1. |pan ^)\\ o/ tim rt n in zijn geheel te zien zijn of ^icli aan het gezigt vertoonen, zoo-dat men er alles aan onclerseheiden kan, bv. een hert i een buffel of boom. op e enig en afstand {org. a^rj arm rj -r) 2. zva. if i rit v — jian n\'i ra rj ut)\'

over dwars leggen bv. een balky (Tj.) llh.

G) . a \'D

rj ij m? if rn 2 \\ KN.; |;i rj ami )jgt;)2 \\ of ra rjcni 2 ij r» 2 gt;

in zijn volle gedaante, en niet maar lialf of gedeeltelijk, te zien zijn of zicli vertoonen, zooals van een tijger of slang die geheel uit de struiken of ruigte te voorschijn gekomen is, of van iets dat voor ieders oog wel ie zien is ivrg. ik ij am rj -ii? ). :iuarr^iniji\\ ook wel GW. kn. verwaand

of grootsprekerig, als men meent of voorgeeft, dat men voor een ander (bekwamer, grooter, rijker) niet behoeft onder te doen. nurtiun (uiaau)

I quot;t, I

^ bij wijzevan grootspraak, overdreven, gesproken. WP.

kn. — rrlartinnjf^ met het hoofd achterover zijn, zoodat het hoofd achterover hangt, ook zva. nj iu2arn\\ Rh. {org. ai-hKi nnjj). ja an om iii)j\\ gedurig met Jiot hoofd achterover knikken. — un va im hn r» \\ het hoofd achterover geslagen; met het hoofd achterover slaan. — »:/cm^(hii\\ het hoofd van iemand achterover buigen.

z^e njjquot;3^ — ^\'2J 9^quot;

zwijgend, zonder te spreken, door zijn houding te kennen gevon, dat iets niet naar zijn zin is, vooral van vrouwen en kinderen. WW.R.). 2. kn. het hoofd telkens terugtrekkende als H ware een krop zetten, bv. uit coquetterfe, Rh. in Tj. lamy knikkebollen, dit volg. Rh. (c^ar^abi)^ om(hiijj\\ kn. n^yj arnnj tj aii hup met op zij hangend hoofd, het hoofd of de kop op zij hangen; ook fig. half dood, doodarm.

^ aii2 hnfi\\ dj tu y ai12 »ƒ tj ani2 inif^s het hoofd op den hals heen en weer draaijen, zie K. 1,12 0hjiió) htijn.p\\ meer bep. van de hals, heen en weer draaijen.

dj iu2 cm ^ Ml. en kn. zva. ij ru? rf ^cm ?n\\

O

V\'

een plat woord voor

m rj mi volg. WW. zva. ryij )ii ^ ui volg. Rh. zva. au 2 rj i. n 2 w r j ij(rii2 ij hii2\\ kn, 1. naam van de vrucht van den rVmboeloepalm. 2. klanknab. van het plotseling neerzijgen, in zwijm valle.i of sterven, Rh.

ui) an ii ii js kn .; ra au it n \\ aan iets, bv. iemands liefde of verlangen, beantwoorden; in iemands gevoelen

of voorstel doelen of er mee instemmen (vrg. nn

.0 0 \\ •

^m./\\ en yi oi nj ^). — m iarnn^UHi^ zva. lunn

r) n ^eman^ met wien men als tweede en tegenover hem iets doet of verrigt. uaaiio^inn^iyiclt;\\ met iemand ecu woord, woorden wisselen, oa aiiuitanihi) nri j\\ zie bij i\'iaai\\ maar verg. (unii atiiiaianp hji iuaaityij itfyp kamer 0/vertrek om over zaken te handelen, raadkamer, raadzaal, G. K) a(hvfl\\ kn. ij iij fvlj nj nij}\\ mot hoofd en lijf

gedurig voorover knikken.

rj .71.1 *1 art 2 (ühji\\ KN.; rj./n ij aai 2 rj /lïj»rj aii 2 (Liijj of lt;rj nu au rj oiii ijaii2diii^p met het lijf onwillekeurig heen en weev slingeren, als iemand die zit te dutten.— ij tri ij au 2 agi an.j\\ met het lijf heen en wecrslingerend.

i kn. breekijzer, koevoet {vrg. 11^1)2 ifiunt anijj en njj uinofj).

fitjinyv} (HT/j- zva. ri^aajjn/nan/js frh minigt; of nhcrnrus kn. een werpspies met weerhaken {Skr. Idnggala, ploeg. pk.).

q- o o» o

111 at) (til tui/j\\ zva. in au {(t/ri mi/js

trurm\\ kn. zonder ophouden en verandering voortdurend, standhoudend, onverganklijk, onveranderlijk, onverderflijk, onsterflijk, eeuwig (v/y. tun71x31051)jj en fFiaai\\). ikifi fmcm \\ de eeuwigheid. ri art in ij mi \\ iets bestendig doen voortduren, bestendigen, vereeuwigen. — m) na rn rann/j\\ onverganklijkheid, eeuwigheid.

(ti/inrns Tjeribonsch, zva. 111 amw Kj/ms kn. I. lang en dun, van lijf, armen of bee-nen en hals; ook van levenlooze voorwerpen. 2.

O

zva. (Ci lt;rh \\ en ooi aai w it ii71 mn iin rn \\ w. ir.

\' Oh U

427; v. d. Achillespees ver van het been gescheiden te eken van kracht en vlugheid

)jituah\\ kn. naam van een gending; volg. Rh. ook

o .

zva. (in(uw


-ocr page 788-

lU^

704

rjrütcrh KN. zva. rjnu2 U) j\\ {volgens G. IjoI, holtü ,

Vrg. tynrr» 2.).

(?) o

,ït/; I:/ \\ K.\'A . zva. I ll /M W N ^ ^ t5quot; N ill Ïtj gt;

KW. zva. n/rt 75jn n.™ rwj ,r^i;jn\\KN. verstomd,

vevbuasd (d\'rlt;7. iiinijj\\

trains KN. — ^^jn» (\'llu gevormd, ,

WW. vo/^. Rh. te dun, to mager.

^ )u .17)n KN. jh rj i\'1 \\ een scheldwoord, zva.

a nv

(larjiWid rirmd h tijis ij.

twhin f/rw nm Pu ninjj\\ rj vn uJmn/j en

c\\v

71 UW HU 171 (lilfj

O* O • ; •• Ov

nui:i(Hi/j\\ zie bij au\\

. \' . • O . o

y ru2 r.i }n \\ pass. imp. van m rj 1112 / j nn

(u\\ 1. verk. van tunnjts (zie rw(U}\\). — 2. verb, van an (\\ji\\ in eigennamen, zooals oji(wi^iaw — 3 (pa)

voor (ui un/j\\ tinitu unti in namen zoo

, o no i

als luivJiiiaiHyi voor rui 101 ^.ut nnjj —4. k\\v. zva.

o* o/quot; k /«O

ha nm\\ — 5. (ij)\\ of t/n (ui kn. naam van een

00 Cquot;) o «

Javaansche aksara. x\'n aj) t/» Hn \\ naam van de Fa-al

sanrjan Pa. rj xm 2 \'\'n fc) {im oji ui on \\ liij weet

van geen a of b, Rh.

o . o O o

(vi\\ verin, van iunnji\\ en van i.i.uiw kw. zva. xjij,

O - n

tamp;i ~..i asnji en n^xjj^ Cr.

rtj\\KW. zva. nihn\\ {vrg. xm n\\ (un ti ^j. ).G.

rj XjI\\ of tun }j u\\KX. het in de zon gedroogd worden,

iy. frtw dend eng {Skr. pai, droogen, verdorren);

ooA\' naam van een visch, ^ rog, p/* 500;^ er

van. xti yj ui \\ in de zon droogen of

luchten. — ir?rj cli xq \\ wy. — oji t] ij u \\

het droogen lt;?ƒ luchten in de zon. — // 7iL\'\'

1. TP. in de zon gaan staan of zitten; «mter5

fg. heul zoeken hij een hooger hoofd {of wel bij

den Vorst of den Residency wanneer men bij zijn

onmiddellijke hoofden geen regt kan erlangen of

door deze onregtvaardig hehandeld wordt; eig ,

zooals dat vroeger plaats had, in het wit gekleed

in de zon gaan staan of zitten in de nabijheid

van de pas eb an van dat hoofi, of t us se hen de twee

waringin-boomon midden op de aio en-aio en, als de

Vorst zitting houdt op de PagMaran, om zoo in

het oog te vallen en dan geroepen en gehoord te worden. 2. naam van een medicijn, dat aan kraamkinderen gegeven wordt om er sterke menschen van te maken. W. /?/)?^ j rj mi y i/ï gt; naam van een gonding , W. 1. 189. — ij fx gt;1 xji\\ en iels in de zon zetten om te droogen of te luchten. — ij •) rjxj} kii -jn ij ini \\ omtrent of over iets tot een hooier hoofd zich wenden om regt te erlangen. — xj 11 tj xji in in /j of ij u rj amp;i ixji xnjj \\ wat in de zon gezet wordt om te droogen; en dit laatste ook zva. (ui \'i urj 171 (lm in/j\\ droogplaats, plaats waar iets in de zon of lucht gezet wordt.

ui % \\ kw. zva. mi ij ui iu in,] {Skr. ph d, rampspoed,

bevoegdheid. G.).

Qkw. zva. dus hetzelfde als 1^^w fig.

uitolag, uitkomst, resultaat.

xji f \\ of xj ui?\\ en (ünxji^ of xjii rj xji %\\ 1. kw. zva. oji — 2. kanaaltje of waterleiding van den waterboezem naar de rijstvelden door een opening aan de zijde van den dam; en de zijden van den buik boven de heupen, xfii xsv r.n rion ^ ^ onscliuldig boeten voor een ander, dien men zoekt- te sparen. —

X) I 1 \' Uïl u

}nJ\'

iemand die om de schuld van een

andar bestraft of beknord wordt.

L^N Of XJtl 1^ 4 \\ OOk Wel Ij ui 2 of 17? YJUId^ KN.; (uj gt; \\ gew. un x j uitgeperst, uitgewrongen {vrg. (uiiaxjjj). — ie^s nitperson, uitwringen,

uitdrukken of uitknijpen; melken. — Qiytm\\ mi., en de melk van een beest uitmelken. — xj { (Lii inji of Lj 1 Jinn/is ook viel ij uu ? xm h-i/j of ij xjif (Uti i.jjj\\ k. van (ui gt; ^ \\ melk van beesten, xj^ { un .uj ii (Hn/j\\ karnemelk.

ij xji ^ zie (ui (kw. schuld, fout, G.).

rj xji?;\\ 1. zie ifnijiUidj* — 2. zie 1^ ?w — 3. km. naam van een soort van niangga, of tv el een jonge mangga, die reeds middelmatig van grootte, maar nog zacht van pit is.

xji x n \\ in poezie om het rijm zva. mufxmw (uiijx ii\\K$., xji ij 1712 \'J/j^Ki)., iets anders, het is iets anders, het maakt een verschil {vrg. if inixn^ en (hu nxjixcnjj); kw. indien, bijaldien (yr/7.r.)) ^^)-11 x n 2^1 xji rj xm \\ iets onverschilligs; het maakt geen verschil.

ij ui x xi * KN. naam van een Chineesch kaartspel; dat spel spelen


-ocr page 789-

in) anjfy

/ y i//ï anp zie hij \' / ? ^

A quot;gt;

ij ^injl of KW. a/^ ut wijs nmajijs

tj u i urt j \\ en «k rj m , 7 ? 7 uij ^ \\ ^ ^ ^ lt;1^ cmj \\ zva,

. . .. o

(ndjmmcHijfs zva. ijdj) gt;nni w/j\\ zie oij lursw rj it/it un(hi/j\\ zie hij ia { w

q/ \'■gt;

(lm/tmkw. /.»; »p\\

// ^ .111 T) \\ 1 ^ O ^gt;7 N\\

iu 11 vn ihti/j zva. u) if im ,1.1^/j ajtivniyis en wtunvAs zie njl lu ws hij nnn w iLiifimhiip kw. zva. v^oinnij (vrg. ij uit unj). tj 1119 na ai) ui mi mil t u i)/f\\ een meusch als een boomtronk, een lichaamsgestalte, daar geen fatsoen aan is.

7) iji 1/h un/js kw. zva. (un^nmi ,injj\\

mi 11 im uiis kn. list om te misleiden of te bedriegen {vrg. (Swmjis nnilt;ii.iu/j\\ ijrnnu\\ en rj rut rim?. (ui/j). ifj! 11 un iw \\ een list gebruiken; tegen iemand een list gebruiken. —w ij (un rrn ihj \\ mv. — dji ij uri mi !Hyj\\ een list, loaarvan men gebruik maakt.

o o o O . ,

hji I /li Ij .10 ? n kn.; f i 1 11 fj ito ? n n., ff» un i:n m/j k.. iets,

zooals de waarheid of het regt van iets, betwijfelen , niet geloovig aannemen; wantrouwen; niet gelooven dat iemand het regt, of dat hij gelijk, heeft, {zva. oyim? 11 iTi .m ityj), en zva. ijxsm \'t\'i r]xty^ ,17^ n en oyiiii rn if n rj ki i un -Jii rj dm \\ iets of iemand niet gehoorzaam eerbiedigen. — (ui ti 1 n ij ui 2 ^ betwij feling; wantrouwen; betwijfelbaar. iuimia{\\ of luinunin^s en ijiutnqs Ar. kn. nut, voordeel {vrg. w ij miirjiru%\\). rfvrnni (ui ij luit tui f \\ un m ~ i ij 1 /11 tui % \\ en iisii (m hji ijim (infN onnut, nutteloos. — gji 11 \\m ui?lOi^ nutten, bevoordeelen, iemand nut doen.

ui 71 un tui q \\ zie tij) 1 m ui { w

^ a

ij) im ij ui ? injj \\ zie bij i/iii^

Mun(vmjjs l. kw. zva.iynL^^\\ miu(koji\\ nji utsn/j en in w nsiijjs — 2. kn. een krom hakmes om de stengels van den arènbloesem af te snijden tot het aftappen van légèn. JR. — (Munasn/js distilleren, overhalen; iets distilleren, hv. sandelhout tot wel riekende olie. WW.; volg. Rh. aftappen, nl. het heldere vocht van een jonge tak door af /capping of van een boom door ins ij ding, hetgeen druppe-hngs uitloopt. u).i/n ngianjjs volg. Rh. het vocht

.uiiwasn/i 705

als hoven verkregen, dikwijls tegen oogziekte aangewend; volg. WW. het gedistilleerde; en ingrediënten om tot welriekende oliën gedistilleerd tc worden. — oj) muna^icm^ distilleermaehine. u)unasiyi kn. bitter van smaak {vrg. rni hn\\^; fig. iets bitter vinden, voor een tegenzin in hebben {vrg. ^). (tnx ?nj ynjnji? een tegenzin heb

ben in het geven aan de armen. — njiunngi(m/]\\ zva. u) i?) t^ionjis zie hij hji urijj\\ ook hen. v. e, grassoort.

1^(1/1) .is)yi \\ kw . zva. ui y dp hi) /j nurip liiiyj (iJiüw ij (ij)t rjun2ll\'iyjn kn. slechte, onkristalliseerbare suikerriet stroop.

Cquot;)

uix/n i-~)fj\\ kw. zva. u) i )unjj^

o ■ 1

ui rj i/77 Mfl\\ iFj) rfunoj)^*\\ enz., zie bij unijunij)n\\

u) ij umaj)ji\\ k. en kd., zie hij (ui ui \\ ui ij un \\ ui ik

mi/j en ui ik \\n ui ij .1 /77 (Vi aryj \\ zie hij ij ,1 m ? ui q \\\\

u) rj 7 /77 2 (Ui lt;7/7^ \\ zie hij rj un 2 ui q w ui uny ui 2 (injj \\ zie hij n/n 1 u w

7^ 111 ij) \\ eig. (L\'n tamp;i ^jjjiyn v) \\ {verh. isn u) ^ 1/77 (ó) en un ijji unij)\\) voorganger, leidsman op reis; volg. W. zva. an rrii \\ en 1/77 n -/^i/n ó) rj zva. ii^n rn

(hfl/jw

uiunrui/js kn. voordeel; winst; vrg. uiunruw

O o

ui 1/77 /17(^\\ kw. zva. ijdm iTiri ibiyis — ui un nu (injjs kn. schaarsohte, duurte, vanlevensmiddelen .vooral van padi; schaarschte van padi hebben {vrg. nut

O o quot;) .

T7 \'\\j) m on/l^ v-Ji 7. |7 kii/j en ui ui hii lo^p.

o

ui iyij iLjisKV/. zva. r.nu i^ en iuikjw u) ij (un 2 rL)/j\\ ongehr.y ui rjiinu iu hi/js voorwendsel {vrg. ij \\jn2rjxm r^anjs un u -j^ ui iu ij 1.1 (nyj en un ui.y) (m/j).

1ju12 rj un il)jj\\ kn. een melktand of melktanden verliezen en wisselen, van een heest\\ WW. inz.v. e. paard om den ouderdom te bepalen, Rh. de tanden verliezen door ouderdom, van een mensch {vrg. uj^ ui

iTTTT^x 11 ie) u) (MJI CU Tj ull 2 Ij (Fj) J.1 2 \\

u) un i Lii n kn. nut {eig. hetzelfde als ui (tui \\ Skr.p ha-

la, vrucht, eigentlijk en figuurlijk. Vrg. uiYiicm

en u)im u)^\\). — oith m 7nuttig; vrg. o .

amp;jt ij mi 2 ij 1L) q x/n \\).

u) ij un /i^\\kn. — /e/i^ zich storen naw, zva.

iu tcji 1 u)n volg. WW. zich met iets inlaten, zich aan iets gelegen laten zyn.


45

-ocr page 790-

(u nnmdvfirviqs

706

*1 ui t *1 tun \\

nut 7) n/n trjitufs zva. m rj nmrj ru ^ \\ G.

(ui iTW tui \\ verkorting van n/ti ojI un tul w iLi rj vn i (ui ij (uri 2 \\ Chin. kn. een geldtasch, die de Chinezen op zijde onder hun buis aan een band hebben hangen; een tabakstasch, die aan een Chi-nesehc pijp hangt; ook een zak die op zijde aan den gordel hangt voor tabak, vijp en dergelijke ; tabakszak.

kn een sierlijk gedrapeerde plaats waar bruid en bruidegom zitten, de eerste avond van de «5N \'f \\ vrg. cut uk in mji \\

(ui an 1 0f lL\'\' ^ ^ 1f)/J (P dj o e tl a n), zie a /1

MLQiHyi^ kn. eon schommel; en wiegend o/wiegen, zich op en neer wiegend o/ wiegen, zooals van een boomtak {van (uii(iA^(in/j),

(ui ijgjj(iJ}jj\\Kyf. zva. (ui rj uti i-jij^ \\

(ui un kn. iets of iemand goed kennen; goed verstand of begrip van iets hebben {Ar. ^5, p/ia-ham, het verstaan, verstand).

(Ui iUtji (£Ajj\\KN. (uiayy (En ~. i (urj zva. tj un 2 ij (Li ~/h 2 (amp;ijj\\ o! 0! och! och! uitroep van Batara Goeroet VV. I. 290.

(ui ij un i thnjj\\ zie bij rj (un 2

o O o fquot;) .0

(Ui unxrn anjj en (ui unum nn^K., zie (ui(un tj an 2 \\\\

(ui uh\\ KW. zva. (m n.i irn/js (t,i iu Ji \\ en ï.n lt;ui\\\\ KN.

naam van den veertienden zoon van Watoe goe-

no eng, en van de zestiende woekoe.

1* O ^ n

(ui un\\ KW. zva. cm ip \\ en iun ^ .n kn. naam van

den tweeden dag van een pas ar week.

1 » (fquot;) .

(Li.ui^\\ KW. zva. dwri.miji en iui.u/i\\\\ — un (ui.iy^n

kw. zva. \'tin (isn \'*i miqw kn. verdoold, verdoold van verstand, een scheldwoord.

(Uft uty of ijjj kn.; 0f mm iemand of

iets alleen genoeg hebben; en zoo ook en

iets voor lief nemen, met iets zich tevreden stellen of vergenoegen {vrg. w Een ander zie bij — i\\n (ij^\\ zich vergenoegen met iets. — u^ (ói 1.1 ii-njl iets daar men zicli mee vergenoegt of des noods vergenoegen kan; bij gebrek aan beter, des uoods {vrg. tj 1U2 njj^s en try vry {\\m w/l). viasn un ^ \'.iji 11 ï(i j\\ van dien aard dat men zich. ligt vergenoegt, iets ligt maar voor lief neemt.

(rjuu ui^ ongebr.; un rj ^11 rui gt;11/11 (urj \\ Ml. kk. een soort van katéia op hoog en stam met lange eetbare wortels, door de Hollanders ingevoerdy Janipha

Manihot H. li. en K. Nat. fam. der Euphorbiacnae, ook un au ut li ij (if\\ (nri ruiji genoemd {verb, van iun \'il(bii(iii7j(ui2ajr^(Hiii)gt; Cassave of Maniocca.

(ui 2 ij 1A1 k vv. zva. ij (ui2 ij ip wijj\\

(uiap/j of (un (ui verh. van uil tui anjj\\KN klaar zijn met iets, daar men, door er over te peinzen, naar gezocht heeft, (un 1. y ui u/i (ui/j iwi^ .n/iaji i i ^ j (ui Si /ui wfj \\ ik heb het gevonden! nu ben ik er! (In de vorstenlanden zegt men in denzelfden zin: un !. 11 IJl u i Ju l 1 ^1 in jj); ook verk. van lt;amp;ji mi u 1jj v. (ui(uiiilt;rj zich schrap zetten, klaar om te vuren en fig. zijn aandacht onverdeeld op één punt gevestigd hebben, bv. van een biddende, Rh. lJj \'iQIN ^ van I j en in zamenstelling een

woordje om Krama-woorden te vormen, zooals ij

o .

tuj ui. van (un (ui \\ en axi ijj (kij van na w m de

spreektaal ook wel verkorting van (i?i mjjs — 2.

(mpoe7i} Md., zie bij uiuyjs 3. zva. n(ui2 inij

Holt, po nd, een busje met drooge thee, gew. van

een pond, (Tj.) Rh.

ijajunji of iun rj (ui (mjjs Holt. kn. pen, schrijfpen,

rj jjiTjpennemes. — 1:1 ijim injj\\ de pea

hanteren

ij (ui 2 (Hijj\\ 1. kn. naam van den derden dag van een

pasarweek. 2. kw. maar, echter. G. 3. rj ui2 injj of

(u^ injj\\ Holt. kn. p o n d, voor het Hollandse he pond.

— un in ij~ui2irnjjv kw. zva. rjui2iinji\\ 2. — ij ui2

rj w ^.12 iij injjs kn. bij ponden, bij het pond. gt;j lt;un

o

ijtia ^12 hjij ujs N., rj.uu tj ;in - ï 2 uj y «^ tm/j zva.

iui(ifi\\ kn. 1. verkorting van ^an\\ in den zin van ei un \\ juist, duidelijk ; bv. (Ui ui i j uy ui mw — (2. voorspelling, voorzegging; voorzeggen. G.). ivi an 11 (m\\ en (ui m nrns zie bij .uyinw (ui in^ kw. zva. uy uiw

tu kn. witte vlekken op den huid, galvlekken, een soort besmettelijke huidziekte ook aji r^vri/f^ genoemd, (ui i^im^s niet besmettelijke en naauw-lijks zigtbare oji iy\\

o

(ui an kw . zva. rj i:n ,u» w

O 1*7 O o O ,7

(ut if^gt;\\ kw. Ml. zva. un im uiijj en un i n unj— n

O OO ^ ,.vt

an 1 un\\ kw. kn. zva. tnrnunw —(iJi(Ui7^\\ kn.

quot;) O O C) quot;)

zva. avj 01 { un en unjj \\ ik m/j en im

(ui uj, \\ kn. de draden van de schering (y w aojj) van

een weefsel JR. — ui rn de draden spannen voor


-ocr page 791-

TVW

707

iXJi 7I UJ \\

een weefsel, de schering leggen. — {u rjuj ?n,y of JU.) (U Tji gt;jm }^\\ het werktuig om de schering op het weefgetouw te spannen. WW. {Een ander

T.quot; O a \\

ajtrjtfj MJIv ^ o tj vn uj »).

mirj uj\\ kn. een houten wrjwtw

kw. zva. Djjniiyw G.

i (Hin {en

(lylfl^nkw. zva. gt;/ 1 I gt;1 fN \'l/l

a» hji mi ri# an ^ G.).

of oji tj kw. zva Mtufs (volgens G. ouderscheiden, uitgezonderd; wiui ijy^ of nm tu rj }j\\

onderscheiden, uitgezonderd worden). n:n i/iym

O, o o a

\'hjs of m hu nj) rj hj n kt. van in ij gt;ui on jn rj u i?

O /1

njiWl/js Ir.

o .no

(ui gt;1 lij -N Zie (vi HJ NN

(iji ij \\ kw. zva. G. volg. WW. zva. n i lt;

vrg. ujtHis zvaquot; \'rli*N {volgen* G.

veranderen).

o n o . , o

7j (li tij \\ en rj (ui hj rj (V) hj \\ zie b ij ij i n hj w

(ut hj{\\ n., nf^Ti n r?iN k., ])ijl, schicht, nngq n o ... n o.

mi Hj\\ vuurpijl. — tzi ij j \\ i ?? rni - ? gt;?n een pijl afschieten; met eeu pijl schieten op of naar. (ekejkhj^s (un ibi w m % - met pijl en

boog schieten. — iJi,Hj ? iii\\ i/n irni ^ i ?ïlt;éi\\

quot;) a* ^ 1 .

mv. (Ei ny qim rj hïi un nri m ^ » v.i im /rj^\\ met

iets, zooals een pijl, schieten op iemand of iets.

C Ov .

— (ui (EJtbnq\\ (ia irpi fji het schieten met ecu

pijl; {en boogschutter. G.), ooi\' een boogsclieuts

afstand, Men. — oji ij f un in/js ik n riquot; rn aryjs

zamen met pijl en boog schieten; met een ander of

malkander om het best met pijl en boog schieten,

als wedstrijd. nJ ui ij gt; un injj^ verb, van un w

ihjtim(hiji\\ kn. de rigtiug waar zich eeu obj.

bevindt.

QSquot; /

nfiJ^K-vr. zva. ui m ij \\ en riuiHnjjw kn. geheel afgedaan, van een werk (vrg. ij hjw Beide zullen wel hetzelfde zijn als gt;n waarvan het gewone m r.i ^)n\\). f j ij ?\\ kw. zva. m hhjj en r.i ur^ w hj j un rj i.n\\ iets geheel afmaken, ook zva. nn m ïm rj hn \\ of uuv.t^i ij ^ hu \\ {zva. mi ri ^ m un ij i,n\\). — :ui ?y^n kw. zva. ui{rn hi unq \\

m lij un irr) injj \\ zie hij m un r.n/j\\

O „

M \'^nkw. zva. ut ;u) Hn\\

zie hij \\^n ijj\\ en bij (uiujw Mrji{j2(inji\\ zie bij rj umtnjjs

(ui ijj hiijj ■ kn. bult, kleine verhevenheid van den

grond, klein heuveltje {vrg ir^ hj hiiji en uynMnj).

iui un ii H\'^ ir^Hn/j overal met bulten, zie bij hj h^

ihii/j^ iiHj.H^Hnqs als een bult uitpuilen.

ui -hj rin \\ zie bij i» i in \\\\

O lt; h J (l

ry Cy .... Cy

(uuij in\\ zva. (Ltij/jin zie bij .-1 m w

o n ... o

iu lij ij i i^* ifuj^ zie bij (un i i/j\\

(ui hj h\'kin -hi/j\\ kn. eeu mismaakt lichaam, van uioji

(icr/fs G.

■) ) . ... )0 (ui hj\\ zie bij un ijw

11ij kn. ; \'imi jiHjs met kurkema (/fj^ jy) en kokosmelk in eeu daudang gekookte rijst, gew. voor een offerhande. hj -ui \\ voor iemand of voor een gelegenheid zulke rijst geven als offer maal. m/y riHn/j (of hj (ui hnji dj) , kl van ^ \\ ^ (rngt;\\ of n\'i rn gt; {eig pass. van r uti i,njj\\ zoodat hel eig. beteekent onjgeven zijn van zijn dienend

iv x o o q-

personeel) iji rj 11, ? j.j? tui i n ur^ it ut ij •gt;) /. tt v/i

rm^i n inj tns ik noodig u uit ten mijnent. — /]

O o .....

ij n hii\\ en njuHj\'riHiuin/j- zie bij u ^ rij j w

o . o

ut ij mi int^ zie (Ut hj ti Hn/i\\

o ... O

wij n (Uiyj\\ zie bij ut n unji\\

ut t j r.r^ un rnq\\ zie hij ut ur^ uit /j \\

iu hj tntjj kn. een klomp of groote handvol van go-kookte rijst of iets dergelijks {gr ooi er dan int d/i ui/]). i t m ut unj Htt^ zulk een klomp rijst, chi rm ut gt;j tm j\\ gekookte rijst in klompen, ieder losjes in eeu blad gewikkeld en zoo te koop gebracht. rj ut \'i \'. j Hti^i^KH.; ij f t ij hj int/j^ op iets, bv. een boom of muur, mei handen en voeten klimmen ^/klauteren; bij iets, zooala een ladder, opklimmen; over iets, zooals een muur, heen klimmen, Hitrtnprj

V \'i\'u y1 r} 7 *\'} 7 7 \' j h^H sPr\' —— \'rgt; 7

/.» gt;i f t ~ i int ij ip /.7»y^N JU. 11. Rh. q ut ij hj if int

V j \'Hïï^ hooger en hooger klimmen, v. eischen. n rj n ij hj mt[j klimmen, klauteren,iw het algemeen. — ^ 11 yj tj i.n ^ mv., en iets beklimmen, op of over klimmen. — (ut rj ui tjuj mtj^ het klimmen of klauteren. — rj (u tj^ intern/j\\ of ijt rjut rj r/\'ij\')!} }nJls iets danr men op of bij opklimt of klautert, zich met klauteren vermaken, tj (ui rj\'Hjrj mi

gt;1 ij i.rt tnjj\\ bij op te klimmen.

o o o ., , iquot;) o o a act

ut t j int \\ Tjenbonsch voor ut wj hu \\ of t ^Hj intw

(KT.) II.

(tjj in irn \\ u^ tj int \\ en uj uj ; ^ \\ zie bij int \\ I.


45*

-ocr page 792-

708

O

(IJ) itij un \\

(ui ffjt/n n kn. ondergeschikte ambtenaar van een hoofd-amhjf.naar; zooals de panewoe\'s cn de andere man-tri\'s van een Kliwon {waarsch. van Qx\'r.s zoodat het eig. beieekent, wat tot bloem verstrekt of wat gelijk een bloem is, daar die manirts den luisterrijken stoet uitmaken van den hoofdambtenaar , Vrg. rf i izrj i\'i? t) w/j), volg. llh. in de strandresidentie\'\' s een corps rijdende lijfwacht van de in-landsohe grooten, ongeveer irz n hu im \\ en met een uniform nagenoeg gelijk die onzer ka-vallerie.

O r, n O

nji ui wn ttm zie uij Kn .nmrvtj

c Cl ~ n

nji rj ujiw nni/j y zie bij tj am xo

O 7 .. o

oji hj tm zie bij (kï mi _yï.\\\\

(uj in wn rzie oji w un o tnyj\\

CU ) ^ 7

(uifnjiin/jy kw. en k. ongeveer zva. isa i i\\ en ats wat mooijer woord voor r»T/H\\ best, deugdzaam,

bijzonder goed; best in orde; het is best. — ka ijj

-gt; o O O O

(ut \\ ongeveer zva. i;m rj i/ri p^w (Fji uj lci h n ihi/j \\

ongeveer zva. iin rj n/n mi ini nn/j \\ — quot; ^ ^\'

nn/j\\ zva. toi isnisn m(hnjjs

oji uj (in n arTjj\\ zie bij oma^

^pjttsnjjsKVf. zva. uiau^w

o )w on po „ .

IL I Uj IfJ. üOfj ^ lf l \';j \'l$ \'/ K n v 11/1 •\' 1U Wyj \'

A ^ O v )

en ifi iijiutt/js

. ... o o

zie hij (un uj asHfj \\ zie ben.

fj^l (uj ivjii /j

O O O . O

oji tf ui ihi^/j^ (t i ij an ii\'iyj \\ qii ij initni rj uii\\ enz., zie an

i quot;) 0C V lgt;t?l(■] Cn 7 ^ \'i^iibid.

(ui uj isi^ n en \'f iuj i^s Ml. kn., v-ji uj ij mi2 injj^ kd. ,

wasseher, bleeker, zva. (uifio^jw (vrg. S/i rui j??

(injl bij fi ni jn injj).

(uiui (uri\\ ook wel AjIuj hn? \\ kn. speld, ook speld in

het haar tot sierraad {Port, a l fine te of al-

fen ete).

C) o o . D quot;» o (ui uj hu p w zie (ui /.j 1quot; w

O O • 7 ••

(Ui dij • y ui\\ zie bij .i5^j /J)\\n

(ui uj kn. heet, zooals door de zon of door vuur; hitte, warm {in hooger graad dan m ruuiyj); heet voor het gevoel hij aanraking, of ook inwendig door verhitting, verhit, hett door ontsieking, ontstoken , heet, verhittend, hv. van een geneesmiddel; gloeijend van het hart door hevige drift;/n\\\\-nehitte, zonnewarmte, door zonneschijn; fig. heil loos, onheil aanbrengend of meebrengend, van een 7)iensch of van iets, zooals een paard of wapen, dat iemand bezit {vrg. ;ui ui). ru m (ui uj mij of dvi-n i ?li inuyi- koorts, als een ziekte {vrg. un \'hi ïi ui/j). iui ij in nq koorts, van gewone afloo-pende koorts, ook als ziekte, (ujïji^ui uj (hi /j •gt; heil-looze grond, daar niets goed op groeijen wil. tjimt (ij) q tui dn (Kyi \\ wordt gezegd vaneen eenig overgebleven kind waarvan al de broertjes of zusjet gestorven zijn, ook van een opgenomen wees, die onheil aanbrengt in huis. (ui in\'tJi *sii(un\\ nijdig, afgunstig, van iemand die een anders geluk niet velen kan {vrg. ic^ un \\ en ij w n *). — aj) uj an -ii ij un onfj\\ iui uj rj ui (ui/j of ui uj rj t.j anjjs nijdig, afgunstig, van aard. luiujin -mn^ driftig, oploopend, opvliegend {waarsch. verk. van (aninm-fiuijU.). \' \' \'y driftig, oploo

j. ii iui in ui

CJ f—

) n

pend. van aard. — tui r iiuj uiy {volg. lih. (ui a/)^} on ^tdnn) zich in de zon bevinden, warmen. WW. zon, zonnige plaats, i m ik iüj rij gt; ivf ui ui ui i.).j\\

zit niet in de zon, llh. —

(t iuj inijK engeio. ii ui.) quot;*■)

Uj I^IJI \\ \' KJ. 1 I -W (15)) \\ gew. IF\'I f I KJ 1.1 ih)t \\

driftig (ongeduldig) maken, liet hart van iemand als het ware heet maken ö/\' opstoken; ook (ki uiij iemand driftig maken {d!n cu u ig pass.) (el ij ij ui ij \\ {of fi ij gt;1 gt;nu\'rj dn/jy X. 7, SI) het:, an ij urn ij zich drifiig maken, driftig, van iemands taal. — ({:iin in^#.\\ iets warmen, verwarmen, eten opwarmen;/^, heet worden, de koorts krijgen; in vuur geraken, koortsachtig worden, zich heet of driftig maken, hv. in het spel; en zoo ook !d ti djj (ui ^2 w — un (tJiuj ui ^AMi/js nijd; ook aan de hitte van de zon blootgesteld zijn, van de hitte van de zon te lijden hebben. Zoo gew. i^ni u (Uj m i(ijj\\ ook al te heet. — (fid^j ui y ï/jn maken dat een object oji uj uifj wordt, uKinui^ makend, AS.^* opwarmen, en zva. nn fi ij ui in de zon zetten om te drogen.— iui ij m ^iui/j\\ zon, zonnige plaats, WW. nijdig, zwartgallig; wrok

tegen elkaar hebben.

o •»

(uiuj ui/j kw. zva. r )i ui \\\\

)j ui * tj uifj of tj ui gt; I/ ij n Holt v o n n i s.

(U) Ij ij fefJHTJI • zi# bij .UI Ij :K Ifjx

quot;uidn /.j in/js zie bij (u(uj dn^

O r» ) • 7 ••

(i/i hj und.^py zie bij diw (Uij uj (Uj n zie bij tjdm njj w


-ocr page 793-

709

O fgt;

ajgt; iHjirj .O) (Hyj\\

o. O

(U hj K1 iÜTIJl \\

[jjuj rj o OQfjs kn. benaming van een hijzonder fatsoen van krissen.

,11 i?j zie

ojiiuy iu/j^ kn. merk of teeken op de rug van speelkaarten, om valsch te spelen. — ^ibi^ru/j zulk een teeken geven aan. — ij m ry van een

ij,Liijni;j voorzien; /fy. geteekeiul, gebrandmerkt wegens slecht gedrag, een zedelijk gebrek hebben.

zva. .Li ivm (Iji ^ tui

o o O . O

ij i int ij ni\\ iurij \\ en h^ im { m.i cftj li ili

iigiw (bloemen in goud gegraveerd, G ).

Mih ruvjiuis zie bij itirj

(Li hj n ^ ij) zie bij lt;hii {w

.Li hj »\'»n en zie bij i n uw

i j i,J LI v tfw 11 I J u \\ jwV un LIW

quot;) .... O o

iL / hj \'1 \'LI IhlJJ \\ zie bij h i li w

ili uj ir^\' zie bij nè^w

L I hj tlA j, \\ Zie bij (h KUl/jjW

ivinj \'! i?\\ en (Ui hi .• i;n/u jri/]\\ zm bn ii.fisw lt;3 erf (Jen\' \' J erf

li hj li\\ verbast, v. u \'j o. ilii Ly hagel, zva.

o

L^Ljcrn KN. gelofte (vrg. 101 n i/j en w tsn); heilige belofte (vrg. \\\\. 1 128. n^hnluy/j

O O t O quot;gt; O | ..

w ^uyit iLji\'Kj mi gt; nl. i^yi.i n i^ uiiviis Jnj was blij van hart als of hij een gelofte had vervuldquot;, d. i. //hij was verheugd en feestelijk gettemdquot; P {gewoonlijk toch wordt hel vervuld zijn van een gelofte met een feest gevierd). au l^ i.j in\\ een

gelofte doen.

o . . .....

nihj(ti)zie bij ic^w

iL/irn.i7n\\ zie bij i i i n w

O J c-

\'IcJ^ 0f \' /c)N KVV\' \'\'\'iN ofi?n.h)i\\ {vrg. i.ii hj^). if(7ïdl hjuntun\\ zijn bediende, i.\'n i j ijja-\'i^ms de strijdenden.

Ij (LUL±j\\kw. zva. HJj lij \\\\ •

O*

(Lhhi rj \'gt;}2(hiji\\ kn. de vierde dag v. e. paringlellan

ZG. 1879,247.

O., _____ rgt; , (-)

Ll hj ii^ujl - Oj!pl 11HW/J Zie .7.1 H l II,J

o C/ ^

tu ijthdmiMw. het vandaan komen van iemand

of iets; de plaats daar iemand vandaan komt {vaii 7112 ,(iiN zie \'i-iïQoi \\ 11.). ii) iip .ij lüjih n lEj \\ waar kom je van daan? — it] ij ujg ,iin\\ {ook ivl ij i.\'j d kii \\ Men.: .u7i ihi in /jti Hj/ rj ,y ? ,n),,, , \'i], s) tot iets strekken, verstrekken, dienen of dienstig zijn {vrg.

■uyniiun/i (rn iyriui\\). — :M(Hj un i£j\\ iemand iets vérstrekken; aan iets gt; zooals een verzoek of een belofte,

voldoen {vrg. (in^iidh^.

O q. ..T o . ... ■gt;

,7.7 hj LI (hll/J en i I Lij .7. / \\ Zit bij 1.1 iKI iLiri (j \\

li i ni \\ Holt. i) a n t j e, p a n n e tj e. — f.i ijli \\ kn. 01 1 J J

iets, de hoeveelheid van iets, bepalen; iets tot een bepaald doel bestemmen, afzonderen, gereed houden; een bepaald deel van het maal afzonderen voor den man, zooals de vrouw tegen eiken maaltijd doet, daar de man gewoonlijk niet met het overige huisgezin eet. {Een ander zie bij li i.ni gt;).\' liui .i\'l

(Virin i.ii7n) uiiij in\\ hij verstrekt hun voor vast

Ct- ui \'cv J

voedsel en deksel. — li rj i:w ij \\ voor iemand of iets een hoeveelheid, zaak of persoon vast stellen, bepalen, bestemmen, aanwijzen, toewijzen of wi-zonderon. ^7 // lh ij t^n hj.i?) Hj\\ er is al een dag voor bepaald. — ili rj i^in h gt;gt; -jii ij i, }i \\ iets bepalen, voor vast stellen, bestemmen, aanwijzen c/afzonderen voor iemand of iets. (lq ijr^in (mjf\\ iets bepaalds, voor vast gestold, bepaald aangewezen of bestemd ; het door iemand bepaalde, vastgestelde; als iets bepaalds, bepaaldelijk, voor vast, eigen (lijk; bepaald zeker, gewis j karakter, vaste aard of geaardheid, eigenaardigheid; vaste gewoonte. »7 li ^i ij i^n injj^ Iloogd. ganz bestimmt.

gt; ^ ... Li l) ? ini\\ kn. — 1,11 111)i:nu\\ zva. hu 1111)1 ^ bij 1(1 i (h 66

(L) LIIIJW

61 1

jmvz/^kn. de bolvormige top van een ; bolronde (*!

knop van Javaansehe muziekinstrumenten, zooals een gong, daar op geslagen vjordt {ook hii ^ of i j ; ook benaming van een fatsoen van dak, een soort van uud li ^laa/j, maar steiler {vrg.bij ■i^i .ui\'li s). ii ii \'D i iL) s .li l\'di \\ een huis met zulk een

4

dak. — ilïi iLi n rim overal met bullen, bnl-

S 0*1

tige puisten of gezwellen, (nl. min of meer

met een punt, Rh.). — {iiiii\\ met een bolvor-

1 (A\'i

migen top, bulterig, een bult bobben als boven\\ oppuilen.

i^ r/m\\k w. zva. .v.rj: in hiip (verbasterde vorm van Sir.

p o e Ij tj ha, siaart).

li i.ii)\\ kn. punt, uitstekende hoek van iets.— ^ :liii \\ mot een li (rins uitsteken, bv. v. iemand die

lt; u h oh

met vooruitgestoken lippen een pruim of iets anders in den mond heeft. — i j iyj rni2imy-: bergtop. Tj.


-ocr page 794-

n n o.

iL/i .i jnitu \\ Ct Ö

710

irj ivntyti \\

rj (Ln2lt;Krfr)\\ kw. zva. v?hei\\ vijf. {S/rr. pa ui Ja), rj )j iu t i7ii ui (Htj \\ vijl-cn-twintig. (U i lt;i:m mi un s naam van de nagels van Wrekodara (Skr. pa u ij an a k ha). rj m z m 11 w as?, \\ po\'ét. he-naming van de Pagëlaran. (uz(ir)}gt; do in s zva aïu im (u id anji \\ of isn ihn gt; j any A. 58. dJii rni ij ra fi:i\\ naam van de pees aan den hoog voor de pijl iuvti(umn die van liet haar van Kamasalah gevlochten was.

verzwakking of verslapping, der vijf eigenschappen die een dapper held worden tocgelvcnd, (\\V I, IOC): /rij heeft nl. spieren van ijzerdnmd ^jum beenderen van ijzer {v.n ni} nJ lt;m); een huid van koper .iun^i on); merg van liars m./l;); bloed van gom (omhii.;

tjj (tl^ fcHjj)\' v] ivn rni ult;: naam van de schelp-trompet van Krisna {Sier. F dntj a dj any a), tf a.u djti i. tj i mis benaming van de vijf zonen van Droe-padi bij de vijf F andawas {Sier. p a n tj ah o e m d-ray de vijf prinsen), tj vu ^ ^ \' i rti\\ heiz., en eign. van den zoon van Jocdhtira en Broepadi, anders genoemd, y ili? i ngt; u) n iiui in (S/rr. pan tja-bdla, de vijf kinderen, en iifj nu is een verb, van het S/rr. ad w it tj a, onvergelijkelijk), tj vu lt;i7iniai,h?i\\ kn. de leden van het dorpsbestuur be-

halven het dorpshoofd {eig. de vijf onilen. Vrg.

o . o .... o

iun 1.1.ii7j \'j; ). (ry iLi2irm^.iu^ zie bij ^niw en

andere met ijiijumii aanvangende woorden, zie

ben. rj (vut:)» xiti iiii\\ allerlei gevaren en ongelukken

eig. vijf gevaren, veroorzaakt door godheden, men-

sehen, dieren, djin\'s en satan\'s, 1?. I. — ^ m

tof vijf maken, in vijven verdeelen. {Een ander

zie beneden).

(ur.oiïs kn.; ti i ni?\\ iets verhinderen, beletten, C t ^ Cl -

verijdelen; iemand van zijn voornemen afbrengen. (Een ander zie bij hji rm ^ \\). — i, ii liinri j \\ verhinderd raken of geraakt.

(L\') n rm !hn/j\\ zie bij Mijpiw

( l o \'l • O

(VI rjn m \\ zva. i :n rjn an \\ zie :u tsi irm mi w fa Oh- Cl-

ivi ij vin 2 \'1 \\ KN- opbailen , bv. van het voorhoofd door een stoot, ivi ij rm 2 ifj üi ij irm 2 rj in i \\ uit onnoozelheid allerlei nonsens als ernstig geineend vertellen. — gt;11 ij 11112 ij (hj.2\\ opbuilen, een buil hebben of krijgen; met een bobbel opzwellen.

O O o*

(Uirirtihj\\ kn. helderheid, zindelijkheid , netheid , v.

uiterlijk^ kleed eren enz. — divni er helder

Lik cJ

enz. uitzien.

Cy

(viaim kn. de rigting van iets in een regte lijn wwr

C:h

iets toe, bv. naar het zuiden, PL. zie tuid.»» \\ BV. {vrg. itni vm\\); de regt naar beneden groeijen-de penwoïtel van een boom {vrg. 01,/ö\\)j de stamvader van een geslacht; linie van afstamming, bv,

(LhiQi; iii(ih\\ de mannelijke linie; (ook zva. (Li vm\\

n ^ O » o . ( \'

It.), .li.r//111^) il 1 .lii jani(ir^ iujj gt; precies regt ten

zuiden. — tr irnn regt maken. G. zva. WW.

zijn koers nemen naar. — ini(vi(vni\\ in een regtc

Cih

lijn met iets komen of loopen, l\\. (PL. II, 101.

O\' .

(iiiirirvti.r.in volg. llh. gestadig doorbranden van

een licht; volg. WW. lustig branden; dit voltj.

Kil. f 11 m (f n in zie bi) ■.vv, ivi irv^vnis fren. II (1 (j ( i J h Cl Cl \' 1

vi vin \\ kn. physionomie of bijzondere uitdrukking van het gelaat.

O

(Livnru

Ct

(Vi i in \\ (Ei.vin \\ en cviiTwrmn/i^ zie onder (i\'tiw üh c*, c, h

11 vin kn. zich uitbreiden; zich propageren; zich uitbreiden tot een groote familie; verspreid; ver van elkaar staan in tegenstelling van tin dn (m^ ; uitbreiding, bv. van kundig/eden; volg. CP. 00/r een bos padi (oj v) {vrg. aJ ij mn \\ en an i 7\'Oi ook zva. (vischeiden, van elkaar gaan, AV. Pr. 53.—

./m.7»n. ui breiden , verspreiden; ook zva. luvnn Cl gt; 1 gt; C;t.

■— } 1 vi\'i-n ij aan iets uitbreiding geven; zijn geslacht of nakomelingsc/ap propageren; dui n voorttelen, aanfokken, aankweeken.

an^\\ hetgeen uitgebreid is; hetgeen voortgeteelil is; een afgeleid woord. — (viani\'an(iqxirigt; zich naar alle kanten uitbreiden.

(\' ) Q/\' \' quot;) » »

itn i.in\\ kw. zva. thiGip asnasrjjW kn. zva. d^a^imp tip, uiterste punt zva. n.w^asnji — Lixnriw met

den top of punt van iets slaan; ook tot aan den O cv rt so.,..

top gaan. — anvmnis zva. \\ zie bij

s

(untif^w

i jvpii^ ongebr. freq. vitvj i.ws overal schitteren bv.

van lampen, Tj. vrg. ir^iïns bij vnj(uiri\\\\ rjivirjiiriri2\\ kn. gekromd, krom gedraaid, van een hand of voet, wanneer ecu hand aan den pols, of een voet aan het enkel, naar binnen of naar buiten gedraaid is; met buitenwaarts gebogene knieën, met zoo gedraaide voeten loopen; ook een scheld woord: krompoot.


-ocr page 795-

iL/i irm

(Udwvmt/is kn. het met een straal of stralen uit-

(jii

spuiten van water; het springen van het water van een fontein; (wy. ns^/j ^lyj en

iu rjaiii tvj Tid aniji). m foii lt;i nrni \'n overal schitteren door weerkaatsing van lieht.— tf iarrnmnaiji^ uitspuiten, uitspatten.

\\£itrj(tTnid

O .

tilijnn iamp;irjiwtirj\'riiwijj\\ zva. (Cixrtrini

01 O

(bVjj enz, en zva. (ui rjagpgrfn? asnjj enz.

tu ij rm? ij quot;gt;»? n oji tj irtjn ty r*i mij \\ maar van

een dik ken straal {wg. kh/j hquot; ?/j\\ tj a. 12 rj

tjni?iiw/j en njt^nrnri\'-nï^ lij rj^rid^. —

O-------------kill m.

\' Cl

(i.irjxnn 2 ij m? w/j\\ zva. di ij rrm ?»ƒ\'»gt;?gt;

ij nz rj iui tujtL)ah ii. / (lji (^yi% ^li^ken in den inauesehijn, {eiff. Qrj on ? -gt;) ? \\ Rh.)

(Lrwji a,)i,pKN. 1. lenaming van het schrijfteelcen w 0 w — ili jtw (hnt \\ zie bij m rw acnj^s 2. een werktuig bestaande uit een stak leder of gevlochten bamboe ter breedte van een handpalm met een langen steel om sprinkhanen te rangen voor de

lt;)?i in — iti nu inr]\\ met een aji rin ani.\'} \\

w/ et UI (ji UI

sprinkhanen vangen; fg. parerende opvangen, bv. een slag, Rh. volg. W AV. ook zva. w (h) (hd /j \\ springen, enz.

(L/MTMi;}lt;n/*\\ kn. in het wild rondspringen, van iem. die woedend is, en batonneren, sehwadroune-ren hij een Chinesehe krijgsdans, ook wel door Maleijers gedanst. (Tj.).

xrmi(Hi)jinkN. 1. drooggelmuide ïmn\')un tjatc? niet samböl vermengd en gestampt als toes]gt;ijs hij de rijst, Tj. — luvjamtiihii/js die kost bereiden. 2. — iem. in de rede vallen, AVW. /N KN* ecu ïne^ v\'er pnnten naar

elkaar toegevouwen en met een pennetje vastgemaakt, 07n een of andere spijs in te doen

/ Cl/\' . o

\\vrg% awimis en vjajidtycrnji). iliiiTm nrr^/j\\ een

blad tot een ivirw(mins maken. — hjiarm (uv

0*f (Ai \'•K

nnj]\\ obj. den. j pi n tj o ekvormig. {vrg. (QijtHii rj rjapiamj).

i j Yquot; \'^,/^K.w. zva. ajiwinnjis

ij (U rj irw 0 (Krijj\\ m rj nri 2 n^^njj zie bij rj in rj i m 2 onir

ajnffl\'hvs Kw- zva- m .(Utw (m^\\ G. 2. kn. mijt, brandstapel, tot het verbranden van lijken {amp;kr. m antj a k ay stellaadje voor vuur).

7 lJ**\'r™ Mi \\ zva. (ui rw (trn \\\\ G.

711

cl

(ijix-j)n(iciy kn.; lE-iririact/js op, in of tegen iets den voet zetten om op te stijgen of te klimmen }bv. op de sport van een ladder, in een stijgbeugel of tegen de dij van iemandi {fig. opklimmen. WW.). — lEitirmiwricHiis iets, een voet of poot, ergens op, in of tegen zetten. — ie* (hn/j\\ trede,

opstap, drempel; tree van een rijtuig.

O

arfn ch

;il

I .fH\'

I li

llli

a

I

ifl I

tui (typ anjj kn. vast, onveranderlijk van wind of

weer, vast, niet veranderend; van gemoedsgesteldheid, karakter, enz., voor vast bepaald, van den prijs van iets; onveranderd op dezelfde hoogte blijven, bv. van een ziekte\', er bij blijven, van iemands woorden. — iamp;i rfni (lajjs iets onveranderd op dezelfde hoogte houden; van iets de vaste, naaste, prijs bepalenj vast bepalen bv. een dag.

njivwanj} of (uoTinnai/jsKH.; (Ei(cm (ici j of iti,r/»1 an^/j^

schuins in een punt uitloopend; iets, zooals een

balk, aan het einde schuins afhakken, iéts zoo

vouwen, dat het een schuinsche punt heeft. (Ehrin

1 üh iurr.iniufj\\ schuins in een spitse punt uitloopeod o/1

oploopend.

gt;1 (u) 2 tj irin 2 (W/P zva. ij (U 2 )j rm 2 nsnjj \\

rj (U2aprirj lEiga^ii^ax^a^js en Tja

IJ 10X^(1.1 \\

kw. van droefheid wceiien (vrg. ajt^jwn.is en ij an

■! 121111 am

.riii \'n i-i teVj])-

1 rm n,ii/js zie (ui iTi 11 iKi/j\\

lu rem mh /j \\ kn. top, hoogste top, zooals van een boom (vrq. ij n. 12 ij 1:1 n 2 ilu/j en a j a j lt;igt; — ièn(iTtti nni/i\\ tot aan den top gaan, tot aan het toppunt.

iui rj,1:111 (isi^/j\\ KN. — £i ij riii (nu p de ingewanden van

vissclien uithalen, Rh.

iui 17171 asiiji\\ kn. de top van de toempëng {zie aij r.nj

iui.

(UI lm (Uli

ha -■

quot;ji)

(ui rni (hu i\\ kn. 0lt;rf)i(iJi\\ de onder-

CA w/

m 1.1

^ ö i

SS

11

ste rij pisang van den tros aan de punt van den stengel.

ij (li2 ij 171112 foiyin kn. slip, het neerhangende einde van een kleed of doek; ook zva. tj (Li211 ax 2i/iijj\\ uitstekende punt, hoek, Tj.; vleugel van een ge-houw {vrg. miTiji (Lii/j en ijgt;,i)gt; ij f^ni ).

11 ui 2i7tri n ni \\ kw. zva. rj ui) 1^(iu foiw kn. de kunst om door toovergebeden een moeijelijke verlossing van een vrouw voorspoedig te maken; en om het

\'T

1

Hl

11 fl

li

\'\'4®

ilÉ \' Vi


iM

-ocr page 796-

rt/; inn ik) I \\

Ch

ivitrtvtvis

Ch

opgedroogdü zog in de borsten van een vrouw weer te doeu vloeijen; ook om meer te ver

krijgen , Kr. en zva. ij (Uizipri iuï2 m \\\\ — ij w z (inn ivtni\\ liet zog va?i een vrouw of van de horsten van een vromo weer doen vloeijen.

(ui .irjH n zie (W) \\

Ij ILI i l.in CUj, m \\ zva. gt;1 M 2 ITfl I Ij iU) 2 \'tl \\

rj tui nn tjiciinis kw. zva. {Oj^iUnrfiw of huileml van

een storm. — 77 tndyn ti 01 ? tj\\ luiilcn van een \' cl \'

storm {vrij. ^y/)-

(L.M7»» RN. met een, twee ot\' drie witte pooten j van een paard; met een witte achterpoot: | (Kt ei tnijntis met twee witte aehterpooten: lt;l/ j

an(M/j\\ met drie zwarte pooten, en de reg-tervoorpoot wit: iu afn ij^ln) \\ id. doch de v linkervoorpoot wit: l{li. Xji

oTjjN met vier witte pooten. — nufj}\\

op iets met den voet of de voeten duwend zieli opgeven en met een vaalt of sprong opstijgen; zieli afduwen, iets met de pooten, door die er op te zetten en weg te vliegen, omverdnwen , bv. van een kip, die zoo overeindstaande porceleinen schotels omverstoot; volg. Kh. ook een object met den voet of poot schoppen, (Dam. Woe.); afzetten, afsteken, van of met een vaartuig, van wal zetten of steken, atvaren. iamp;iintt nj hu \\ zich van haar man afmaken, van een vrouw, die haar huwelijk wettig laat ontbinden, door het geld terug te het alen, waarmee zij gekocht is. im i.jn \'^J//N ee11 soquot; her avondmaal gebruiken om geen slapelooze nacht te hebben van honger, WW . ify)i:)n nïmi(fj tujj een uitdrukking voor een sober avondmaal? (Tj.). — m iamp;riyn itli/is subst. den. het van wal steken; liet afvaren, enz. iiu^un0\\ liet geld dat een vrouw te

geven heeft tot ontbinding van haar huwelijk.

O o o Do

(Ui lujjs kw. zva. (Li j n\\ — (ur.innjj^\\ alleen,

afgezonderd van de andere menschen, bv. in een gezelschap zitten; eenzaam, afgezonderd gelegen van een huis; afgezonderd staan van een op zich zelf staanden berg, zooals de Kloet, Tj ; alleen op een eenzame plaats wonen {vrg. (ijtf im 7~ni tj n / ). —« (loi hji rminyj\\ alleen raken of geraakt; verlaten rakenj afgelegen, alleen, in de eenzaamheid. tj mvf i:irit iLiJ kn. een uitspringende, vooruitstekende hoek; kaap (vrg. (ur^iè^\\). — ^ iamp;i 2 rj iTin 2 tuj x uitspringen, uit een rij uitspringen, met een hoek uitsteken; ook boven anderen uitsteken; en in ongeregeldheid, (niet tj asi)\\), van een land. — ij

n 1E12tiarin2(tfi\\ uitsteken boven. Men. 1 lt; 61 \'l,

(L i ïr/v)in.i\\ en n 1 ami rui \\ zie bij la irui w Oh Ot J O O • z.. O

(Ui-rriii ij ili (KJijj en (U ii)ii ij tri, \\ zie bij (UtijirLhHiijjs

(Lir.nini(ilt;ii/i\\ kn. opgetrokken, opgeslagen, bv. van een huis of n-.tiiin (uijj\\ van voren opgeschoven, van een hoofddoek, zoodat het geheele voorhoofd en een gedeelte van het haar te zien komt; met opgetrokken wenkbrauwen. — luiTm itui(H^\\ opgetrokken, enz. zijn; met opgetrokken wenkbrauwen zijnj fig. zich openbaren, te zien zijn. — liiarijitn hfitjiets optrekken, opslaan; den hoofddotk van voren ojischuiven. — £7 ar/r» orm dftj arijj\\ de wenkbrauwen gedurig optrekken, zooals een aap doet-, met opgetrokken wenkbrauwen staan te kijken , bv. uit beangstheid,

O _

ij (uurgt;^ ij n.i2 ihii^/j enz. - \'Yj (ui rjOTtrn\'^niji enz. zie

\'ij (un ij.irf rid Mii/j\\

(ui iTjii (ïli anyj en (Eitin (ïli as)ijj\\ zie bij ili (l,^ \\

O rt . , .. O

fl (UI 2 17111 (TL! IUII ^ kw. ZVa. (UI floï ILI (LU \\ ZlC Hj (?0) ILI .LH \\\\

O • o

ij (ui 2 rfr» mil dsn ^ \\ k w. zva. ii, 11 (Uiojkki^j en -m^tLUd^

uijijiji\\kn. vischhoek, hengel, (mi 1 m (Li(lt;7m\\ liengel-

snoer. hjiiu^o.i^i(hi1a^j}igt; hengelroede G. (uidinm

ij tui n zie bij \'t 1 ij tJi w ii iinu ■ hengelen; viscli

met hengelen vangen of zoeken te vangen; fig.

iemands bedoeling of verlangen zoeken uit te vis-

schen; iemand uitvorschen, in deze bet. volg. Kli.

Mal. — iiiaprid?i\\ 711 v., en ergens, i\'.i een water,

hengelen. — (i/imh (kijj\\ pijn, een zeer gevoel,

in de keel hebben, zoodat men moeijelijk slikt;

zeer, zeer doen, van de keel.

iui ii(i7iii2 of iti na7jii2\\ kn. een- soort schoffel meteen

\' oh J \'01

korte steel om onkruid te wieden. — (t i ii rims enz.

\' Oh

daarmee werken, Tj. zie n.n 2

i irin^ kn.— 1amp;1 rin \\ uitstekend, aarts- bv. -dcug-

rjht o*, 0

niet, Rh.

iurJn\\KN. kreupel; kreupel loopen, van menschen en

beesten, ook fig. mank, gebrekkig, van verstand\',

en van getallen: niet ten volle, bv. Mil iu itji0\\ vier

en een half, vier en driekwart enz. Rh. u/n (ui^hi\\

(A

en (Li (L\'i rin \\ benamingen van de pasangans ^11 en ~i\\\\ — (Ui i.ind;i(mij\\ hinkende bv. loopen,

K. 7,1.


-ocr page 797-

Lrfi\'

713

lt;rj iLiij(K/H \\ tjtuntjafyw

«• tj^t^nanzs de hij tjuynv/riii \\

wéliii] iziim/I foinjniijiciw/l «»V (til ij in a^jfs ie leen ontmoetemle het liein betaald zetten . met liein nfrekonen wegens ondervonden leed, vrg. icn ij i y i{j

i£?,i3)i.ctim^\\KN. — een pijnlijk gezigt

trekken, zoodat de tanden te voorschijn komen, Hh.

\') quot;gt; n f) o a , ,

(U.nn KN. — ihrrm iiithjjjs even met ue

uitsteken, ^4;. uitbotten wilgt; vrg. j

O O 0 -)

w hn iu/i en np wrvijis djiiyip zie hij tiy,liny cn quot;JlXN *V^l^dyi^ KN• tus.sc//en den nek en rug vaneen rund; ook hij menschen op dezelfde plaats, of op de schouders hij lastdragers (vrg. iLi en

ijl (y ij \'fiyj)-

n

(L/i au (mi \\ KW. uiinuiEyj\\

(Li 10\\lt;uuiei\\ kn. beleefde welkomstgroet; en zva. tui (TU^KTj.tn voor (umt^00^(^1 \\ trouwen. {frrg. ook 0 \\

aji.)aiHi)(L»(Kijj\\ ook wel hj^mjiutitot(ki^nkn. een mannelijke bediende bij een aanzienlijk persoon j (een vrouwelijke in liet algemeen heet wru n ttn). — 1E1 im wn ivion/j of f ym hn.tJi iui/j\\ als pa nuk a wan dienen, gaan dienen, of zijn dienst aanbieden; oo/1 nederige uitdrukking voor een meisje of vrouw van

Jioogen rang ten huwelijk vragen {erg. hij

o .

ct-| mam ivt(ifjj en .ci mi/js zie aji (HKHniOfHi/js

zie hij (Kj w

o ,-gt; . o

m ,ht\\ KW. zva. (uij tut it ) n en ^ 111 (to \\ of (Vj li clli

mj! {vrg. (iji(nn\\).

iUUfisKu. een stuk gekloofde bamboe van ongeveer een voet lengte en drie vingers breedte, meteenig-zius \'scherpe randen: de Inpas wordt door den duim tegen die scherpe randen aangedrukt) om de vezels een gelijke rig ting te geven, en met kleine rukken uitgetrokken, als voorbereiding voor het 011 ijdni rni\\s — i^ni?i\\ kapas op die wijze behandelen {waarop dan (uhnmirjar.y r^\\ en tei tja-i? ly volgen); fig, liet hart {versteend) beseh aven j

[iels nauwkeurig nagaan, uitpluizen. L. 30], 1. G.). 00

(ui (Li pi \\ het eerste kammen van boomwol; het beschaven van het hart [verstand).

a. al-

iL\'l (hp \\ K., Zie i n (hi W

s-

(lji thfi gt; \\ (L i /k/ ^ n en (Li (Hiivn (hi/j \\ zie hij i/n ihi j \\\\

ij (li pi ^ KW. zva. \'Tj(im (ui \\ en (li ij(lh \\ en dus zva. (Li pi{\\ [zie hij (uri (pi ^)- mi rj tin^ 1 pi 4 » niets anders, zonder wedergft. iliijiLJip)%\\ het lijkt {of leek) wel; als of; en mil »ij (L/ipi ?\\ wel lijken;

iuii ?;»/ƒ ivi pi q\'ia.\'up \'n te(i/i0\\ hij lijkt wel Batai a Ba-joe; het is alsof hij Bataii Bajoe is. (Vrg. all/ui en iLi tii n\\). — ^ li p) j \\ rj ili pi ■gt; i/n lj \\ enz., zie hij (vu piqw

(1,111 (KI 2 (KI^ KW. zva (LI\'I^IÏLI^ LI cm Ij UI \\ CU (LI »ƒ pu tj i.m h^jj {van .rjumw,^ (umj pit(in^/j). (kn. 1. het vermogen om te zien. 2. gedaciite, begeerte, verlangen. G.).

(LipnuN.; I het zwaarste punt van een gewigt of last, waardoor een der dragers de meeste last. te

) Cl/^

dragen heeft. — \'fcjjpx iww de zwaarste last op iem. neerkomen, een uit meer onderdrukken, aeh-tervulgen, narijden, navliegen, enz. Tj. — u\\\\ii ihi\\ acc. pass. fig. onderdrukt worden, als hoven enz, \'l. iLi(hi\\ ook zva. (tgt;iv:w\\ zie bij

/■— Cé\'

O ^

iUi \'■/quot; ^

01

(L\'1 pi *r) K)I (inji —quot; r.n pi d ioi iüji \\ VV. I. 8.

M(Kirii\\ kn. het onrustig, bang of angstig her- en

C ^

derwaarts zien; bange onrust van het hart. — ili pi-ris onrustig heen en weer gaan van de oogen.

— (Li (hlni r.i (m/j of (Lj pi \' li (ui (KiJI n onrustig, bang of angstig de oogen heen en weer laien gaan

(unKi ^h kn. (lino th met omzetting hietz. als ■ il,/?!\\

r- S- ^r-

r» dt.

a . o .

(i.^pi\'ii r.i zie 0ij (Lipi \'iiw

iLipiihn/j\\ ktj. bestendig, standvastig, gew. met ontkenning. ri(iium \\ onbestendig, ongestadig, zich niet gelijk blijven.

(Li (Ki Muji n zie hij (irj uiyi.

(Li y i mi \\ zva. (Vi cir^ 1,11 w

iviinitLi/i\\ kn. uitpuilend, gezwollen van de oogen;

( 2 vquot;\'\'

de knopvormige bloem van de pëte en kedawoeng.

— ili kiiu/j uitpuilen, gezwollen zijn, enz. nnli

(ki lt;iLjj\\ hetz. W. 11, 17; BB. PJ.

iQripiiuflsKH. I. het aanvliegen, slaan cn kloppen, {volg. Rh. hep. het pikken), van vechtende hanen, fig. debat, (bi tj (in rP\'/ (Liiicj \\ het debatter en vanplei-lenden, i.kicj^vi ^ pi n i/js iemand laten debatteren


-ocr page 798-

11 HI m p

t (h

714

XJ! :H} \\

met ziju tcgonpaity. — /Qijihn oi.i^ zijn tegenpartij i ) o 0 n

aanvliegen. — \'fnjnaiii\\ TP. zva. (Litj

dj anru/js KN. — uitpuilen, naar buiten

groeijen, opkomen va7i wild of gezond tleesch uit een wond. Rh.

O . iui

/£-

oog en, WW.

)

iLirj imriJl / ?\\ (Kt Ij ihlf tj \'1X12

■ CT/ • O gt;vv a.ioniïL}\\ zie hntmniw „ /lt;-

o j, O

d.t ui (ihi(tniji\\ oj (Li

fr).

iiianrjiruzs uitpuilen, van de

(LIpltjinns Kli.

(lJihi liïliHjj* Kx. het strak, zonder blikken, openstaan van de oogen , bv. van een doode {vrg. (ici tj

ti iLif uti ] en (Limit

I (d

O \'

»lt;■

ih) t u Kti an (\\ strak, van de oogen, in het wild staroogende rondzien, — lt;fi:h.i.iiïi,?i\\ ieni.

strak aankijken, llh.

O o jptilLlih^/jS c

O n

t J, Ht .11 I ih lt J\\

no ■gt;

zva. l i ja tt i t.ttfp

(L\'i ut iEijj\\K\\v. zva. (lci .i is ook in een figuurlijken zin.

O

ajiihtirins iLi i,t,{i,i\\ rt t/t/, i\\ en 11 gt; f tann\\ zie on-

( l ( h \' Cl O Cl o -A

der \\

(Li ij tin d foi/j en x t rj tui? rian ys zie onder tj /in 2 ityry \\ (Li oji \\ KN.; .ripl\\ de oogen gerigt houden op,

£gt;ƒ ^/5 in het oog houden, op het oog hebben; iemand aanzien , aankijken, iem fixeren, iels be-

sehouwen ivrn. ili ;l. /\\ S tuis vin ui en 11 i)t\\ \\ —

S- f

if iihu i rj ini\\ de oogen naar iets rigten, op iets vestigen; iemand de oogen gerigt doen honden naar iets. iui nïn \\ liet aankijken, beschouwen, enz. — iLv Li i t Htjjs obj. den.\', en iets waarop men liet oog heeft laten vallen, oogkeus; volg. Rh. ook een paal waaraan men een paard vastbindt om er het oog op te honden o/toe te zien , dat het goed gevoerd, enz, wordt, of ook wel tot vermaak om het te zien, Waj. I, 11 ; ook hen. van het staatslepaard dat opgezadeld maar zonder ruiter voor den stoet van den vorst geleid wordt; de afstand zoover als het gezigt reikt; en iets of iemand daar men het oog op gevestigd heeft, wat iemand in of op het oog heeft. Zoo ook iU^lijp.inxctjs {vrg. ilimhii^

• Qv 3. . O

(Ut.i-n \\ K., zie (Li r/ • en ittuw — tti in \\ (Ei jn m \\

^ \'V (a Cl!

(int (L\'i (ih tin nn,. en tut jji ah ri nni zie bij (ftiu\'w CSh J{ Oh J

iuuhts liet regt afgaan op een plaats of doel dat men zieli voorstelt en tracht te bereiken ; het doel waarnaar men streeft. — til lm \\ regt afgaan op een doel of plaats als hoven, naar iets met alle ijver streven; op iets al zijn aandacht gevestigd hebben, aan iets onverdeeld zich wijden {yrg. (luujs en .l^iuu). (Li(ki jp\\ het streven, enz.

(uih ï\\ Ml. KN. zva. (utt Qi \\ metalen eeintuur; met een plaat {\'/ van voren, (ook

band om het lijf, waaraan een sabel gedragen wordt. G.).

,j.t ,in (i //tn^* en 11 gt;1 fci\\ kw. zva. ijnjn2iei^ {waarschijnlijk van n it (in\\ vrg. (wn^n uian/j bij o .

■gt;

(Li rt on \\ zie diitiw

(ki \'tu,

(ujfyt\\ I. kn. volg. Rh. zva. ux.i.if en (ut.h%\\ afzonderlijk en bepaald aangewezen en toebedeeld; bepaald toebedeelde taak {vrg. (ugt;rw\\ en (utastt%\\).

— \'fjftp\\ iets, zooals een kamer, afzonderen tot afzondevlijk verblijf de aandeelen aan een werk afzonderen, en bepaald toewijzen, dingen geregeld schikken, het één hier of hiervoor, het andere daar of daarvoor-, iemand speciaal met iets belasten, hem als afzonderlijke taak of werkzaamheid iets opdragen (vrg. (f t (Lit q ). het een na het ander afzonderlijk aanwijzen, sorteren ü/* toewijzen. — (Uiuiw\\ subsi. den. regeling, schikking, Adji S. 60. — (L\'t (fëi (htjgt; obj. den. afdce-ling, afzonderlijk gedeelte, an ut yn thj tf ut2a.i \\ een tijdvak G., volg. Rh. eerder een saizoen, een deel van het jaar. tu flitmSi(jpthnp elk afzonderlijk.

II. KW. Ml. an .^rs of tj ui ([n \\ zva. t^tuiantjs

— om iets vragen, verzoeken of bidden.— f t ^n uj\\ iemand om iets vragen of verzoeken. — (Li(tijfl\\ verzoek. — (tiiui^i\\ gaan of konnn verzoeken. G.

« Pfy enz\'

(ufói kw. Ml. zva. tru ui\\ deur.

ia tj j.. mkw. zva. Lu lutao) \\ kn. proef, monster, staal, van waren of goederen, WW. bv. (uij(yjinif}na anjl monster rijst (vrg, tjajiz — (amp;i t)föu

uj\\ iemand iets laten zien als proef of om het aan zijn oordeel te onderwerpen. — ■/)^?^ iyini\\ of ft ij ftfi 2 ant ~jti rj tm \\ iets laten zien als proef of ter beoordeeling van iemand; (van iets een staaltje geven, een proef laten zien; WW.) — (ut y ftn2an^\\ zva. (Ltvj^niw obj. den. en elkander


-ocr page 799-

715

iets niecdceleii en daarover elkanders oordeel vro

gen. (Waarschijnlijk i.s het (j rond voord

n .o

(Hi/)\\ voor iLiij (b!idaii,]\\ van »ƒ«!,). en zs itirj

■tj a,) ? ontstaan uit al tj tgi rijigs en iliy on i am ^ n |

ij w ).

a i gn of quot; ^ \'/ \'\'N 6ilt;/7i. van Joedistira in zijn jeugd, {ojn a* iuj n naam van een toovergeheiL ook itj !Ki 3ïasri or» iruy genoemd GR).

(é?w WW.) kn. gedraaid, stijver aange

draaid, van draad, garen of touw. — (0f

,/j^v WW.) draad garen of touw met de vingers, o] ook wel niet een machinegt; draaijen, stijver aan-draaijen, {zooals men het puntje van een draad garen doet om het heter door het oog van een

naald te kunnen krijgen \\ WAV.) twijnen (yrg. ivgt;t,

Z\' X ar\' o/ N o aS . ,

(L i ^ ? n ar) if i ^ gt; \\ en \\ i/j, \\). ifi oji ai u n z^ró\'

rijpelijk overwegen /?V/. Lij zielizelf overdenken,

o

overwegen, hji pass. — i ^ ij an 2 anjj

obj. den. gekeperd linnen, G.

O t t

ijiUftny zie (Liftn\\ li.

o 4gt;

njifciany k., zie (U\'tw «5.

(L) tj fin an fj n verk. van mcoi rj fln anjj {yrg. n ij jn an^*)

bij am 1E.1 y {^nanjj).

o . o r

iu gn anjj \\ zie (L i an \\ 1.

o O • ^

iu anjj\\K., zie 0.1 m w

tu ij§n anjj kn. eign. van Nakoel\'a in zijn jeugd; en naam van een pla7it, waarvan het blad als medicijn gebruikt wordt, Dielej.tcra cliinensis Nees. Nat. fam der Aeanthaceae.

O • t .. O

a 1 tjftn 2 an j \\ zie bij (Li ij jn ? w

/ . /

m dff n kw. zva. a:n iu \\ ajii an m \\\\ k n. — 11 fn 1 gt; anjj

iem. van denzelfden leeftijd, tijdgenoot.\' o CY 1 .

\'L\'iVNKN- geverseerd m iets, bedreven, knap; sehran-

der, vernuftig, slim {Lat. versatus en versntus.

//„_ ci\' o o . rgt; Cy o

V\' l N a.7iuK)\\ en na.iMj). —

iemand een loer draaijen, in den nek zien; iemand wat wijs willen maken. — an^n^\\ het air aannemen van knap en bedreven j waanwijs j eigenwijs, o O-

anicLiijrrynanji\\ geverseerdheid, knapheid, bedrevenheid j schranderheid, vernuft.

a/ Q/

ZVa\' 00^ 91(1 am van een rolvormig ge

bak van meel en suiker in een blad. JK. — /) ^n \\ zie bij ajtj, ^/\\\\

n.)^ni\\ zie bij a-a gt;iaw j kn. nagel, pen, pin, bout, luns, groote spijker, kram, alles van hout, bamboe of metaal, daar iets meé vast gestolen of gepend wordt. ~ \'yi gt;l uagelen; iets vastnagelen, met een

pen, enz., vastzetten, sluiten, enz; volg. WW. nagel vast zijn, fig. opregt, trouw, standvastig, enz. dit volg. l?h. ojhj (bi lt;rj ani rj aw \\

iets tot een pen of nagel ergens inslaan.

O O O

(iji jff^asn/js — ani an ^vm/jx zva. ani Ln (fr^iL,njj\\

(l; hj a^ian/j ^ zie bij aiij

O

oj) fcinKi 1 \\ k , zie O-i i rj ihnjj

(Lni$flj(hi\'i k.. zie bij ani ili!\\ ii.

o

a 1 fl/i 1 / 1 ij z te a n .jn n w

ii..• an 11: j\\KN. jonge, nog heel kleine vrucht, van vele vruchtsoorten {yrg. ajiaiii run),

cquot;) - r n o . 1 gt; . ^ - t\' o

1L1 fyian.j\\ oj 11 i\'i njs cn tEifyunp enz., zie bij agt;gt;i

quot;T

rgt;

an hiji kw., zie a^i jki\\\\

a 1^ jn 111 a.jam j\\ kn. naam van een vrouwelijke booze geest met lange haren, lange horsten en een hol\' ten rug; ook anjfinaiihti/j of aninjn(tuajj mi/js Rh.

an ij ftn 2 niyjquot; zie bij ij wi 2 oiyj \\

itioj an 2 KN.; ani Li y jo gestuit, zie bij irj

ij asii 2 criyj - bv. een beekje door steenen.

(Li7]ftpaiyj\\ volg. Ril. standvastig, onveranderlijk,

enz. zie aji tj fc ijKHjj \\

a^ jn mi \' k\\v. voor (LÏa u an \\ {vrg. an ij lt;rin ? n ).

o

oji ftp \\ KW. zva. rjani rjni(\\lt;iijj (üii marn/j^

o o

aji an a. i j kw. zva. inanw

an afj a j anp zie bij a j ajjan^js iLiacj tli\\ kn. penseel {Skr. touli, penseel, pk.). tj 0.-11 ij an ^12 f.y arijj \\ zie bij ij a i 2 anjj \\

djoi?» n kw. zva. 11 aij an/j {vrg. aa ijmn \\). — «»nin\\ iets regt in de hoogte houden of steken, {volg. WW. ook zijn hand); een piek of geweer in den arm houden,/^, tentoonstellen bv trot schheid of hoogmoed. — m(u nmtifHias obj. den. W. II. 4; \' CxJ lt;-/l

Joes.

(La enn \\ eig. van den tweeden zoon van Abicisa, den vader der Pandnwas, ook a i anj tj an ut an af) genoemd {Skr. F dn d0 e).

iu ii errn \\ 1. KW. werk: daad; werkman, kunstenaar

cy

{het wordt verklaard door anan\\ en (V) (fti onnjjs vrg. ojimiiw eig. werkman. Lat. faber, van wirj


-ocr page 800-

(Livjaf n i \\

710

sva. cun ijaps maken; vrg. ^tutyuiw pk.). 2. kn. smid, ijzersmid; smeden, als smid werkzaam zijn. — lEirjarrns iets smeden. — (li rj errn nu (rn/js smederij {vry. (ïjiiwij ruiKijj).

(ijl ij(rpid\\ kn. — it.iif(rniê\\ de handen met de palmen naar boven gekeerd honden om ie/s te ontvangen of een aalmoes te vragen, llh., volg. WW. de opene hand opiiouden om iels te ontvangen, en wel zoo dat de linkerhand onder de elleboog van de regter gehouden wordt; ook wel zoo de hand honden om iets over te geven.

(ijl tri ii \\ kn. naar iets gelijkend, gelijk als (wy/. lt;u m \\ fuN en aniiius). (i/n(uiyii inmus gelijk zijn als.— iï.yn\\ of zich gelijk maken aan een an

der, het gelijkend voorkomen aannemen van een ander, door gelijke kleeding, nagebootste houding, manieren-, enz.; Iets gul Ijk maken aan iets anders; aan iets ue gelijkende gedaante geven van iets {yrg.

iemand of iets als gelijk beschouwen met iemand of iets anders, uhilv .flnrn\\ de vermomde.

inn lt;^njn ,iainin ruims (of (K) iloni ti(ijn\\ W.) de CA) CX) h w (xl Cx) )

als V orst vermomde, ^uu ij da 11.1 rm an Jtimj t?n u

ijjo/n ih?i i u als een in de gedaante van een mensch

a Cx i 0

gebeeldhouwde diamant. — (ult;Li nn\\ het zieli gelijk maken, enz.

(i5!rjmnz\\ n., HiHLi mi /m^nK., dubbeld, tweemaal (voor (uhrjactê\\ van (rjdou*), m ijiyincr}) ij i:i\\ nutteloos , overbodig , onnoodig, AS — h n tjDini\\

/ Cl* . O

(voor mi (ui ijui a ^) en gew. ili ,u ijyii^ N., .kii,u (hiiju{\\ k., tweemaal; ten tweeden; de (of het) tweede. — ili ijcnn2\\ n., (EÏkii ?uj\\ of (Vi mant ■iiï{\\ k., voor de tweede keer doen, herhalen,

hervatten. Iemand een tweeden slag toebrengen.

„ o i) a , „

if dm 2 ni di tj erin i mi rj .i:t \\ ij mi i ,6»; /frj iUi i.n m ; [of

bij verk. if frn i ib/gt; na iVku 7il ^) (ui ilt dl i/j liet zal

niet overgedaan behoeven te worden, het zal ineens

goed zijn, ook als uitroep van bevestiging, wel

zeker! het spreekt van zelf. / My\\N ,

Saihii iiï?,ui u n i/f\\ k. spr. ergens tweemaal over doen

of moeten doen. am (/v) ijoin 2 ni rj 101 s laat het

niet overgedaan behoeven te worden! maak het in

eens goeil al! — /£//rjn^n21^,\\ (hïunnu^n/ii\\ iets,

nog eens overdoen, voor de tweede maal doen.—

iemand

lt;t\'ilt;if errn 2 \'UU ju ij /. 11 \\ itJiimi 1 u q hjii idi \\ iets voor de tweede keer laten doen. —

ÏJ111112

aojjs obj. den. overgedaan, op nieuw bewerkt, cr/y nKN. ; (ylgt; \\ de handen op £»ƒ boven het hootil houden, een wijze van hooge eerbiedbetuiging; iets , zooals een vorstelijke brief, die een bode ontvangt of brengt, tot bewijs van hoogen eerbied boven het hoofd houden; iemand of iets ten hoogstea eerbiedigen; een vorstelijke last allereerbiedigst

volvoeren ivrq. tjnam\\ vrn i£ i11:1 .• 1 (hi/i en a:ni K J t CO co cq u! l

(urj :irt ,j). if 1 (yii ie^ iiin \\ iemand, zooals z ijn Vorst, hoog en heilig eeren; iets op den hoogsien prijs stellen, hii irj ^i : hiiiiri iryni/)\\ met den hoogstea eerbied! met het hoogste respect! (Uw allergehoor-zaamste dienaar!) (amp;i mn iu Ky; o/n een naam van Bat ara Goeroe. — nj i/yif mij 0) Lj tfcrniMij voorwerp van de hoogste verecring, van een persoon, plaats of ander voorwerp, zooals een oude kris of oude dikke boom; de plaats in of bij eea dorp of wijk, waar de bewoners heengaan om hun offers te brengen of offennalen te houden.

d l rui j \\ KN.

1amp;1 (rui j \\ van de eene plaats naar de

andere gaan van troepen, Hh.; volg. SG. te digt opgeschoten plekken padi uitdunnen en oveibrengen naar plaatsen waar liet zaad of de bibit slecht opkwam. — (tilt;1 rn {i n \\ zijn tegenpartij vóór geven

bv. bij een wedren.

n 00 t

(L\'l (lïï! J \\ KW, zva. (ITliUI 11 l\\ d/ll lui \'LI \\ 1. KI. VUfl (Lil CO ^ Il \'K (•

o o

(i.i{\\ en ui ili^ [zie bij ni^). lunn4i.iik en

■gt; o o

(LKijn j(LKim juil Jii. sux., zie 01/ ilijw en (ukiiii?

CO * CO * J * Cx) *

ii/n (inji of ili (liciiii ^ (Uil uvj bij iui w ? w — 11. ,1,1

: ) O 1 n ) D

(iiiifs en (i.i .uiain 1 \\ KI), van jji(k^i an/f en imui m

iTi n 1 quot;gt;

an — 111. Ki). van an lt;^1 iu/)\\ en niijii piijii ih 11 quot; l CO Cx.)

rt quot;) ... n

an/j van anry kn a^i/jw — I V . Ki). ven m ili an^

bv. \'Iji 1 y ii f (vj m anjj n zva. in ili an/j \\ wisseling

van maand, als een maand ten einde is en een

andere begint.

u^mii^ of hji2 rjo/y ^\\ kn. 1. goede, vertrouwde

kennis zijn of worden met iemand, meer vertrouwd

en intiem dan gt; 1 kj ? n en (lgt;)i 1^ arn aSi Ktyj • goed

kennen, bekend met, gewend aan, W. II, 92. —

iamp;jnrij ^ (un ij hii \\ enz. iemand in goede en vertrouwde

kennis brengen met iemand. WW. 2. jager. Tl\'.

zva. irnihiw

rj(unrf rjnkn. zva. \'L^nn^s Men. volg. Rh. zva. tcjdji mjjjy na alles beproefd, na alle motite tot het een of ander gedaan te hebben, het opgeven.


-ocr page 801-

717

P

aji ij lt;*gt;n ? }lt; n/j•

ijajiir/irnji palmkool, het kroonliart van kotos-en pulmioomen, ook vein jtisangsiruiken en prm-(lan; ook de punt o/liet week, zoetaehtia; geilecl-tc van de buitenschil van een jonge kokosnoot (11 -Kn\\). — rj.fjn tj\'rmi nit iels de palmkool

snijJen; een kokosboom of dergelijke de kroon nf-kappen.

/uiirrriim^NKN. 1. pandanus, naam van een soort van

aloë, die langs de wegen staat en tot omheining

dient (hiervoor dient volg. Hh. de III\'quot; gt;n ,)I ^ (\\\'

■quot;\\ waaraan de 1.1 ui ifn/j bloem). (Uirii)gr.)\\ naam van een soort pandan waarvan de eenigzins welriekende bladen, fijn gekorven, onder bloemen tjemengd worden {tot BV.), njinni in

O O fry • ^

rt zzz r?)iwi r.»\\ w(rpi ^ \' 7\\ frangs. op fini 11\\ (Linin an asriji\\ naam van een soort van zijden stof. 2. kn. naam v. e. geurige pa disoor t.

O 7 .. O

MVj rrn i!m^\\ zie bij (Lirjanntw ■i j rjcrm \'gt;lt;yj\\ zie hij n ^ermv ruiatn ioifj\\ KW. zva. rj (ui rj nn

(uamitniji\\KN. een werktuig, om te visseheu of

daarbij gebruikt, W. T, 6.

njinrn ifn/jsKK. zonder iets toe te geven, zonder 171,» a rj f it jo7y^\\ van een railing\\ zonder ,

[i/ninji en njt^k]mi/j /rouwen, ook ver-koopen zonder winst, Rh. vrg. njj^7cldj)\\ — ei (ntj mni un\\ iets zonder toegift voor iels anders geven.

aji rtnkn met de terugkeer van dezelfde tijd ;

over, om. ij tmnjj ua £i rni tj hii ? nil .i?i iij 1 /n /lt; n \\ of

(ijrmrwmr/ri nn\\ vandaag over acht da quot;jen. dJoni ^(aJ C-Ö * 0 (yl

over acht dagen, of 0111 de acht dagen. 111

lt;*ni »0»njjda/j^ als de maand Móeloed weer

terugkomt d. i. over een jaar. (biarn tni iy» ij ■gt;

xfn iv \\ over tien dagen, of om de tien dagen, it

om n ym n quot;n ^ eiken avond, ajinrn un pi \\ eiken U) \' 1 (j »-\'/

Zatnrdag; ook Zaturdag over 8 dagen, yj divji tm ^1

. -O o ,

ij i n 2 Minn tj /iyi ij ini t in (la u i mi \\ tegen aa n • j

staanden Woensdag over acht dagen, tfjtcrin i,v

\'1ji\\ om de hoeveel tijd ? iSdrn mijj ook wel zva.

ojitinmjj telkens wanneer, bv. 0nii!.un\\ telkens als

bij komt; en oneig ent lijk in GG. (utrrrnnn ^*1 m tj

\'r) V}vniS\\ om de 25 man éeï],in pl. v. w.r.n wj0

— f-igt;nnKii/i\\ 1. een ringetje onder om het gevest

van een kris. 2. hi(irri uiyj\\ of iQn^n un Jïl wiiri/j\\ een offerhande doen van een overledene op den eersten verjaardag van zijn overlijden, ii i ini hn Si

(x)

ij niu\\ hetzelfde op den tweeden verjaardag {volgens G. elke acht jaar. Een ander iïlnni.njj zie bij (Lmnrninin). — kilt;nnhn\\ 1. voov een overle-

J cj -\' CJ H

dene een offerhande doen ee.i jaar na zijn overlijden. 2. iemand of iels aantreffen (yrg. f\'yn^ ius).

O

immu un/j 1. n., imin ai^.in/j k., metalen overtrek van een krisschee van de nniui). 0iUi 1^1 \\ naam van een padisnort met zwarte halmen en aren. 2. kn. een Soort van schildpad, waarvan de dunne schaal aan de ribben vast zit (ui ijcrrn 2 int m/j\\ N., ini pi n/)(in/j of ir.i ninn(in i 1^1 (in/js k., met een metalen overtrek van een kris.

n . * a .

Lj (un }ni/j\\ k N., fiiJtnrnjj oj (ui eiiji (in (m/j\\ KI.,

schouder, schouders. — \'riyinniq iets op het

schouder dragen; en op het schouder van iemand

met de hand leunend

rjcui ijmn iniijs kn., kort en laag {vrg. tf unrjirm inijj

en ij ij) ij nrn Kn/j). ij (ui ij nrrn im karig, van

een aanzienlijke {vrg. 1 m kinjx/rj \\ bij (ii^ajii\\).

/• o

rj (ui iforn y 1,11 \\ of ij ui ij (rrn 1.11 1 j anfj op zijn

laagst, voor op zijn minst {vrg. .ur^a^Yj(Uj\\).

rj (ui} ij mi? ):n/j\\KN. verblijf, logies, intrek; ook voor

woning van een gering man en nederige benaming

van iemands eigen woning {vrg. or^ nm/j en inj

aji ); ergens zijn thuis hebben; 00^ afdeeliog, hoop,

hoopje of vakje; bij verdeelingen meer bep. van

padi op het veld, Rh. {grondwoord ijimini/j).

if(un2(E,i^rj(ut2rjcrrnzini/i\\ woning tot logies, bv.

van san/ris bij een priest er school. — y uurj 11 n ?

/ini/j\\ logeren, inwonen, bij iemand\\ op hoopen

leggen, bv. van padi, Rh. {zooals bv. ons hooi).

— rj (Ei 2 ij en n i ujj \\ bij iemand logeren. — ijwitj

rj (iin ? uii ij igt; 11 x iemand logeren; iemand ergens

logeren of logies geven. — ny (uidrjnrmz Hii (tn/j of

tuiijfEjirij inifininn/js plaats daar men logeert of

om te logeren, herberg, tijdelijke verblijfplaats,

logeerkamer {vrg. (i.i ri nnirrn nnj) en (in ij ui i

mjj). 11 ij ti gt;rj \'trn ?0(311 santri die geen

vaste woonplaats heeft, oen reizende santriP (Ijitj

11 !) i ii irn? mi li ui\' inn u urn \'i 1 - naam van een wijk

\' 1 (O t./ (l

aan de noordelijke grens van de hoofdplaats van So er ak art a, waar de regenten van de Mant ja-


-ocr page 802-

718

o n

ajicnti ii}i iijjp

den zin. f i rj y n i/u tj (yn 1 rj rji 2 iLyj \\ met bulten

O

t hrrn i.ij ru^\\

■gt; n o

iVKrrn /.»lt; /L7 y •

(J

CxJ

nnqara vroeger hm verblijf hadden, «/j 0/7 ^ hoofdplaats waren, un uirj ifjii rj\'ini2 erg.

kiimpcren , W. I, 807.

lt;L/ un /^ml/^nkn. , finni.nmj met een knobbeltje Vrttt ^ keel of mi de borst {een onaangenaam, gevoel als van een knobbeltje in do keel hebben) ; ook pijnlijk krampachtig opgezet zijn, van de spieren vrg. (?j? rr» /l/ï^n oo/t- fig. van het hart, als men 1

onaangename bejegening niet goed slikken kan {vrg. u rm i.n ujj).

(Q )Ui ;.7j K.v. kleine bobbel 0/bult (w^. iu irn^

y. quot;) O O O

7.)^ /l^) — .• i ny hu rui/j\\ im rnj 1,7^ maar van kleiner knobbel of bult.

twani im tut/1 kn. verhevenheid, knobbel, bnlt, hobbel

( O o o :quot;) O v

^r-7. u int 1,11 m/j x t yn im n.ijj en t^unfp.—

/8 »7» iry n j/js met een verhevenheid, bult of bulten , met hobbels, knobbeliff , ï 1 m/j im iu rui im

ö CxJ U ( J (1

\'TU/I^ van een terreiny oneffen, hobbelig.

OO Tquot;)

aj\\ rjlt;rrnê tj uui tujj en fa \'/ 7 ,nl* n1/Js zva\' üi

nin !,i^ tUjj en

fil/- Tj.

n O O O o OO O

(Lnlt;nn ; run isn/j\\ (ht nn ihii\\ f 1 mi i n gt;.// in/)\\

(aJ (aJ ^ CxJ (aJ ^

enz., k. , zie ij u w/js rj u en.

»mimp volg. Rh. gebr. i.yoiisnjjs kn. aangezuiverd, geheel afbetaald; aanznivoring; van een aftebetalene schuld {vrg. nj igA-ojj). — \'f-\'j y n njn ^ een sohiild geheel afbetalen, afdoen, het aehte^-stallige er van aanzuiveren.

*m$: tw

7jnn\\ enz. KI., zie rjnjiistyj en ik

vijj wordt ook wel als ki. voor t y

gebruikt.

(Ui rfji 15)1 \\KN. iemand die zijn geest bezig houdt met CxJ

geestelijke (niet wereldsehc) en bovenzinnelijke zaken; geestelijke leeraar; asceet, kluizenaar (Skr. pan dit a)-, als Tj. SVngk. zeven. fji nli mi\\ als pandiet leven, pandiet zijn. (utiHjirlt .Lgt;n\\ als pan-diet geëerd worden; ook slechts een eleganter vorm voor ui rni miw nn (urmt un (rnjj\\ de waardigheid van een pandiet.

oji rnj uw n KW. zva. tj m m \\\\

kn. tot aan den grond of bodemj vlak bij den grond af; van haar tot aan den wortel afgesneden of afgeschoren, Tj. {vrg. i.n yn ^i/js id

ul \'dJl en gelijk by den

den. Tj.

O fquot;) Q-O

» 1 yn ili^\\ zva, iji rj yri? tj r/ji n.i/j\\ \\ ibii i./j

iu,j\\ overal als bulten uitsteken of zich ver-

toonen.

urj nri? ijoJf? /77^n kn. , li yrmi tjd.i2ru/j\\ als een bult of ronde verhevenheid uitsteken of zich ver-

toonen, zooals iets diks onder een kleed of in den

. , o O O

zak {vrg. iji -ymfij^n.i^s (ui yrjin^ivi^/j en (uirjunii

vj inn rui); flg. boven anderen uitsteken, in kxoa-i

_____________nm...

CO U 1 CJ

en verhevenheden.

ui ynuis kn. geslachtsnaam van de (vijl) zonen van

Pandoe (Skr. P dn dato a, van an rrn ); als

CJt

Tj. Sëngk. vijf; en algemeene benaming van een kris met vijf bogten of golvingen van het hmmer.

if 1.1 gt; j irm nj/j\\ KN., — ij ut i if nili ii^i mjj oj

gt; ri yii i rri tojj\\ do zak in de hoofddoek aeh-

ter het hoofd gevormd door de haarwrong; de haarwrong met den hoofddoek sluitend omwonden hebben of dragen, zoodit de vorm van de haarwrong te zien is.

ui yn ru iJi/j kn iets glimmends bv. ?e« stuk glas dat boven den grond o( hier of daar een weinig uitsteekt. — .• 1 nn iui ijj zóo uitsteken;^, hv. van een dief, zich even laten zien, hv tusschen struiken.

.Q nn iij^ in miji kn. {vrg. ij iui ij m gt;) gebrekkig van taal, van iemand die bv ngoko en kffima door elkaar spreekt. — } 1 yn n\'j 11 in/j gt; een bastaard eend, Rh.

(ui ai 11 ui \\ kn.; 11 (rrn u n kd., inp i\'èzie en oorspronkelijk .! 1 tm(ui\\ een van alle kanten open, op stijlen #ƒ pilaren {zie hij Kiim I.) rustend, gebouw voor het huis van Javaansehe hoofden en inlandsche groo-ten, waar mannelijke gasten ontvangen worden (»S^r.

grond of bij den wortel af, gelijk af, bv. afgehakt, afgesneden, afgeknipt of afgeschoren\', iets gelijkaf snijden, sehereu, enz.

i^ ynKi/j kn geheel (0/* alles) op of weg, zoodat er niets of niemand van over is (vrg. M yn^ij(). 1 j (tyn u) djj 17» injj\\ alles opgegeten. — ^ y n wtrjhns iets\', bv. zijn bezittingen, geheel opmaken {vrg. nn i/n M-bi ij gt;gt;11 \\ 2 ).

miii iJi tu/t kn. uitsteken van kleine verhevenhe-

CaJ Jl

7

-ocr page 803-

719

O

(u rrn aji %

mandapa, ecu open gebouw of lial; gaamlüi\'ij ,

vernnda, pitviljoeu). \'Li mi ij\\ i u ij i of u y n u

de eetzaal in cle kraton — .ij un gt; i zich

in een piimlipa bevinden of naar een [laudupl bu

geven. — urtn hlof \' i nn i l in/j\\ kn. een CxJ * lt;A) \'

bijzondere deftige wij/j van gang of tred, waarmee oen staatsdienaar den Vorst nadert, wanneer deze in zijn pamp;ndftpa gezeten is, en waarhij de handeny mei opgestoken duimen vóór het lijf gehouden worden; een statige, wiegelende, halftan-dakkende tred van de gandèks, als zij op feestdagen den vorst naderen, of zich verwijderen ; o. a. als zij na een tijg er gevecht tiaar de hokken van de tijgers, die afgemaakt moeten worden, gaan om het stroo in brand te steken, en dan weêr terugtreden; ook een statige tred van een daarop gedresseerd paard, waarhij hei de voor-pooten beurtelings fier optil/ en vooruitbrengt. — ra (u cmjj \\ iMlt;rni (ui wji of £i tdlt;rm (ui (ki.j\\ met

znlk een tred gaan.

o

(uilt;)7ii (ui n kd. , zie (uinrn .uiw UI Cü

^ O a

Aji iniojiy en (Uitrm(ui\\K., zie iui imtuiw

rj (\\j

lUi yii Eijjs i. kw. zva.

dyn „j, kn. het in of onder den grond zitten,

van een paal {vrg. run tririrrti/j); in hinderlaag ver

seholen, van krijgsvolk. {De grondvorm is ut \' i/j)-o o .

itnnui (mi fjiji\\ in hinderlaag verseholen krijgsvolk; e» in een hinderlaag zich legeren. — ïj \'cJ iéts, zooals een schat, onder den grond begraven; krijgsvolk in hinderlaag leggen; ook, en dan iëj) asn(Kïiji en rm y n gt;.n ^.71 n un \\ ki., iemand, of iemands lijk of gebeente, begraven, ter aarde bestellen. .7 nn / 7 tu {of un /u\\) spr. zijn waren rang verholen honden door zich als knecht of onderdaan voor te doen, van een aanzienlijke, WH, wettigt zijn eigen ik verbergen, zijn waren stand verbergen, althans W. I, G8, gebruikt de boeta, die uitdr. tegen Ardjoena, alsof hij twijfelt dat deze niet een prins, waarvoor hij zich uitgeeft, maar een geringer persoon is, die zich een vorstelijk air geeft, ui tu nn u nn Li/jsook wel irh un u 11 n f.i/j aardvruchten. — ri.nn/j ergens iels begraven; iemand iets {zooals een nusj) onder den grond begraven; ook, en dan fJani im \\ ki., ergens iemand of een lijk hegraven. (til ihi iets dat onder den grond begraven of in hinderlaag verborgen is. Q y?) Fi ik begraven schat. 0lui^ (ui iJi/l verborgen vergif, naam van een slecht les-ken in h-.t haar van paarden; wordt ook gezegd van een vrouw, waarvan de man gestorven is, terwijl zij zwanger was, en die men niet gaarne tot vrouw neemt. \\ji ï] tri f.i/i\\ het begra-

( ly \'

ven, enz.

1 h nn ij i 1 in/j Holt. f o n d a m e n t {vrg. lt;i\'n ry i.i/j en .ÏJ) M ).

o \'V ) o o • quot;) o

ui ti nn Tm KW. zva li m 1 ti htrrni gt; en hti ri

\' (J CxJ \' b

kn opzigter, die hot stu.ir ö/* bestuur heeft, bij

een werk. WW. un ■ 1 i.ti ^.1 ti mi m liet bootsvolk / 1CJ

{vrg. iun ui mi ^yiyip). f ir/yn tnujs o/er iets het opzigt en bestuur houden, WW.

m n tmi m\\kn. de vrucht van de pandan-ëri.

\' (a)

Q.. ■) 3« P : ) Qv

(uiuni f inn t l nn 1 :i .1.1 tin 1 1 in/i 0/ iiui ttniui

CxJ Cd CJ CxJ Jl J Cd

O- C3w

m.i zva. i trtins in nn\\ enz.

Cd Cd

(ui .tnis kn soort van soep of bouillon van fijn vleesch

^ . . n

of visch, gew. met tamerinde zuur gemaakt, a/n n

ijnnf m fi nit\\ eijcren met tamarinde en zout gekookt. (Ui nn i,n ni i,n/i\\ een soort (Uiarn\\ nl. zwart

Cd \'rl Jl Cd

van kleur en eenigzins dik. — mrm pindang

4 Cv\'

koken; iets tot pindang bereiden.

(U^ yip kn. 1. verk. van i.n 1J, \'nj * — ^ y\'p 0f

ujj 11 rriji\\ klein heuveltje, hoop aarde; witte miere-

hoop, hoop van door de witte mieren boven hun

nest opgegraven aarde {van ?/^^N en vr!/\'

lj gt;1 muNKN. naam van een grove grassoort, die in

de bosschen groeit. (P. L.) JR.

r] ui mi \\ rj ui j/\'y . KW. zva. Kia^fA mw

77 un n 17112n kn. ; i) 11? ti inif\\ iets of iemand met \' \' CxJ \' \'Cxi

één of beide armen omvatten en zoo dragen; zijn

i

bruid met beide armen om de heupen va\'ten en zoo het huis indragen, een plegtigheid bij het trouwen (vrg. uii^MTjjen .unr^rur^ uit ). y ut rjcnnt tj i:n rj en unjf\\ nl. het bij de hals pakken en dragen , zooals men eenden doet\', op die ivijie dragen. — rj f ii rj j in\' n mv. iemand, of zijn vrouw, kind en goederen, naar een nieuw verblijf voeren oj afhalen; iemand bij

zich in huis halen. — riuuri riiu m(in/i\\ wie of \' \' CxJ \'

wat in den arm of de armen meegevoerd wordt; aok fig. ij ui0 inden toestand zijn van ijunrj

\'i\'iï\' quot;quot;yiTj\'


-ocr page 804-

720

O

nj) i:m \\

a/I Kin uti \\

lt;?gt; —

ui ? inn \\ en ij n i rm \\ 1. zie

V\'1

7 *

.r.rn\\ overplanten uit zaadbedden van drooge ge-

Crgt;

wassen, SG.

rjajiirjrmnnjj\\ kn. zak waarin de medicamentzakjes te zamen bewaard worden; {ook een geldzak. G ).

f i ^i rj kd ^ i2 rj rm fhn/j\\ spr. benaming van de a.) k i s (Lm (injj, wanneer de bruid of bruidegom het jongste kind is, omdat daarbij een if ui? rj i:nianq gevoegd tvordt-, ook spr. tot den bodem toe geledigd.

cy

lunrms kn. godspenning, wat men vooruitgeeft tot onderpand van een overeenkomst, zooals koop of

j . cy - o i cy o

verhuring, m r:m rj imojj».n/j of m nn ui irp ^) uj\\

i * CY /. lt; V quot;) o

de morgenster; en tui nn n 1.12 n of (ui ititi ni i:i\\ er^\' \' \' r-

de avondster {vrg. bij tvi jhn II). — iets

dat lang is, zooals een lans, vast in den grond

steken of planten (in den grond steken en laten

staan); iets, zooals een afgehouwen hoofd, ergens

op steken {vrg. in rm \\ en mrmi\\ an rmi \\); een

godspenning geven een overeenkomst. — foivm

(?gt;

ryl^ ergens iets in den grond planten; aan iemand

of voor iets tot onderpand een godspenning geven. CY

— ui rm ri.ki/i\\ iets dat vast in den grond gezet of daar iets opgestoken of aangehangen is, zooals een staak, m r^ni^ riyrujj\\ vlaggestok {zva. mn aM cm rj nn ni\\).

(Y

nj^ i-rri\\ voir. Rh. zva. (u^irmnn/j of uiter

ste top. (ril o 0naïiui)ji\'i/gt;JI^ meest geliefde gemalin, (Tj.) I)W. 48.

(ui(ririgt; \\ zie bij ;

tui rm n v kw. zva. ilt;r^ rm r» n {S/cr. pandj ar a, kooi, vogelkooi). — (ui rrri n ui fj\\ zva. iui 1 m ni inq \\

O 7) .

n:rt 11 1L12lt;1* ti nn/j en mi ijiJi2 11 nn/j gt;

nji gt; ni \\ kw. zva. rtj ru/jw kn. een t \'Uel onder de afstammelingen van den vorst en onder degenen, die een militairen rang bekte eden. t) ijda on -.1 i:m \\ een titel lager dan n rj w tf) i hojhe-

amhten, die bij beurten den vorst en zijne gasten bedieneni WW, wettigt dergelijke die geen vaste

betrekking als Vandji hebben, Rh. {of \'-tin

c?-gt; \' \'

O . . O

an in -1 »7ï_n) ici ui ij tij hji hu \\ ezgn. van een om zijn ridderlijke liefdesavonturen beroemden prins, zoon van den Vorst van Dj eng gala. oji i:m ti

} Mn 2 nn w 2

ui iLi inw — tui rjirninriji^ naam v. e. wijze van bereiding van vleeschkost van i/n f i • i (7Lvy en tjui rj nin (Tj .) WW.

zie hij

uirmuiin\\ kn. een smidskneeht; ook rondreizende 1

O

hi 1 n mi w

ui ijm bii/j\\ kw. zva. m n\\ ,uiaoi \\ rj mi ? t):r.n2 en n alt;jjjjiijj)? \\ {waarseh. van 7 Skr. dj 0 et of djy oet, licht geven. pk.).

ui ipn iTij (of Li r/rm 2 ij ru 2 ïlli.) kn. een bult. — ifii rm (tsr^ {of Li rj rrn gt; ij mh 2 \\ llh.) een bult vormen | met een bult uitsteken of oppnilen; zie 1] I lt; 2 Ij (Uil 2 \\

o

n nn tj ui 12 r i/j\\k., zie ui 1 nn lu tnjjs

o o O o Ooi

ui rm iu/j\\ oji rm m./ m/j--1 1 tui rnii 11^1 (injjen 1 1 m |

1111 gt; vi /j een term bij hel gamelan spel; slaan als mi riri ruijj ziebijmuu t m 1 i ijj sTj. ook van het op en m zich bewegen of ij ini2mrijjtih\\ van schepen door \\ de golven, B. zva ij 1(112 yriLijj\\ v. (ur^w ru/j\\ ij^ inn iLi/j\' 1. kn. uitstekend; uitsteken, boven andc-ren uitsteken, zooals bv. de middelste vinger hoven de andere uitsteekt-, uitmunten (yrg. r:yi?i en \'.yiu\\). 2. n. zva. ii/jj ui^\\n. 1 Ci kti\\k.,daarboven , plus, hv. uiisri n~jj^inn 1 ui JHix \\ honderd, en een daarboven, honderd plus een. (urmi ^a i^ iw n ii\\ kn. volstrekt willen uitsteken, een hoogen toon voeren, u^ ipn iu J^ï in ui ui Hii/j\\ spr. boven het gewone peil zich verheffen. — f ^ rm nyj uitstekend boven anderen in- rang of stand, ijuufj ipn (Yui/j\\ iemand van rang. — oS ini^n iuiijs uit-sti-kend. uh lt;ui \\in rj n iij vi\\ de allcruitstekendstc — rm ili uitsteken boven, tebovengaan; «Vwrtw/1 of anderen overtreffen; uit:nunten. rjipiin^ n., \'ui\' i^(i:i\\ k., boven een hoeveelheid gaan met cr j nog wat bij te voegen; op een gedaan bod nog wai o))leggen.

rjui ij iniwiLi^ kn. niet geheel rond, van iets dai \\

rond is, maar aan één kant meer of min afgeplat, (uirrn tuidn/iMi., ui irm7jun2(iji/i\\ k., rottan, rotting, Calamus, waarvan verschillende , met verschillends namen onderscheidene soorten zijn, hv.0rri (m uw 0ij i(ii2 ij nnyaoifjs C. micranthns, 0iU5iiJ)\\ C. cilift-, ris, 0(Uj,7Ui\\ 0óJiiïj}asnfj 0 ijw nu Daemonorops palembanicus, enz. rm ici0 een soort van pisang. oji rm rr^ ijii/j\\ kn. het plaatselijk zich uitzetten van spieren, van den buik, enz. (uiuiï0\\ overal uitpuilen, door uitzetting Tj. — tui irrn rui miij zicli uitzetten als boven; fig. van het hart * ontevreden, zich beleedigd gevoelen, PJ.

-ocr page 805-

721

f)

II1 nu ril*

mi rw ie: iuiji\\ kn. een kleine schuit of sloep (vrg. aj

n j u/j). ui irm mij een sloep.

* \\ . : ) gt;1 mi.Wie^iKW. zva. \'iri\'gjni

lutrms kw. Sil. en k., zie lututw — 2. kn. een grove groote ronde schotel van Cliinccsch aardewerk, {Pe/s. jikancljan , porseleinen schotel), (L, tin Ij vgt;y een fijner en kleiner soort Drtn porselein, (zooals de poeiras, de groote lui, gebruiken?) iV)i:m m-r0^ een pnndjang van koper (Tj.), WW.

iji i:m lv n\'i\\ een van jonge klapperbladeu gevloeh-

^ \'\'1 ten pandjang, WW. ui rm hii ih\\ ongeoeer zva. uit

iFj! rw n EJi \\ zie op ifn mw — kiamp;nrms (Bitrrnrn

CD \' CO CO

int injjs M rm tn Wjj vrt ui rip r.i tft/j en ut si rm \\ zie bij m ut w MiTifts \'Eiirin m\\ amp;t nn ni n un\\ en hi f~ih m m/j\\ zie

onder tun rm w ivt rjnn nsnvins po\'èt. of Mal. kaap, vrg. ^WW. (Str^nsKH. benaming van de tapih van een vrouw of meisje, als die zoo hoog omgedaan is, dat het bovenste gedeelte tot over de borsten komt en zoo tevens tot tfn tnj verstrekt. Op deze wijze wordt de tapih gedragen in huis bij het ver rig ten van de huiselijke bezigheden, hij het baden en te bed, ook, als bepaald costuum, door het dienend vrouwelijk personeel aan het hóf. — #3 rjV» i?t iemand de tapih tot over de borsten omdoen. — njt yn iji tn/j zoo gekleed, dat de tapih de borsten bedekt, in dat costuum, ook wel uit armoede.

1. K\\v. zva. uy r^\\ {vrg. xjt i^nt \\ 1.). 2. KN. een geschenk aanbieden aan een meerdere, als bewijs van achtiag of onderdanigheid {vrg. \' ju en i/n ^ .71,5^ ^ ge-

schenk als huldebewijs JR. — \\ iemand vow hoog of aanzienlijk honden, eerbied betoenen, onderdanig zijn; G. hun ouders in hun ouderdom de kost geven, van hind ér s, II. zoo vol zijn, dat het vocht (?) bol boven den rand staat. 11. v. drooge waren; zie hij ly? N me^ \'c^eiue verhevenheden, zooals

met mierehoopen, van een terrein {org. r.r^rm ilji) PL. —• fjJi •Tfn 17? \\ iets als geschenk tot huldewijs aanbieden aan een meerdere, BM. — v^n irt hnjj. 1. kw. hoogte, verhevenheid, ui :tn un gt;i • jn i7t.Hi/)\\ zva. u i^nw —2. kn. geschenk aan een meerdere als huldebewijs, G.

tut tgji • kw. zva rit y i, tt w

i}r)ji s kw. hi w

xjt tfj^\\ kn., zeeschildpad, Chelonia imbricata, waarvan do schaal hot k a ret oplevert (wy. \'t/tr^anrn? uttjj en r.r^njKi/j). xè^urt m lieen schildpadden kam. 0 t.rt een soort jfènjoe met gemarmerde schaal. 0 m rnurtji\\ 0unijimgt;.\\ soorten van ïüt trjjjjS met zwarte schaal. kjt./ wj/jt itnjj nagemaakt schildpad bv. van buffelhoorn.

,l) tijjj hi m/j\\K.., zie bij ut isrjjW

(Ui fni^NKN.; u injj Mygjj i\'n/js volg. CF. ben. van een geschenk in spijzen van getrouwde kinderen, als zij op zich zelf zijn gaan wonen, aan hunne ouders, een bewijs van hulde, dankbaarheid, enz., ZG. 1806, met vooruitgestoken borst, trotsch

en sierlijk voortstappen: gew. van een vrouw gezegd.

3« O i

dsn ut n iqjj inyi \\ van velen.

7 ^ quot;jJI gt;niJly KN. — 7 m trappen op of iu

gew. iets weeks, 11 h.

0 O O • ,O O

(Ut Hpi ibiyi en iut rj rtgjj t5tyj\\ zie bij ajti uj iisn ^

tj cu fj ttgjj htyi KN. plat. — i^ Et 7 plat druk

ken v Rh. {vrg. ut ujjt im/j),

(ut gt;lt;jjj n zie bij tjt w

(ut tfj wjs kn. het nemen van iets van een ander, — iamp;i Hjjirn/js iets van een ander nemen 0/wegnemen, zva. 177 tut ijtn\\ GR.

1 KN- \'j quot;1 quot;W Rh- - 1 \\T of 1 «ü

zva. tJi^ y m -ly ij.rti/j\\

tt uti ijrt kn. troep, groep, hoop (van gelijke dingen

\' (u

bij elkander), kudde, bende {vrg. 7 m* 7 tui n trtjj). (ïJt ij ui rrpj \\ een troep, enz. tjsiitrn\\ groeperen; in troepen, groepen, hoopen, kudden 0/benden verdeeleu; iemand bij een troep indeden, in een troep opnemen, rj zu rm rj tiiyrjs in verschillende, afzonderlijke troepen, enz, verdeeleu. m2 ytj rrt ii\\ iemand opnemen onder zijn gemalinnen. — ut trn inji of ut ut rrrj in een troep of troepen, troepsgewijze; bij troepen, kudden, snz.

L? 7 trtj\\ kn. 1. opgeklaard, helder van het weer, helder weer, helder weer zijn, Tj. vrg. uïimctJtjj ,15»? nw opgeruimd, opgevrolijkt, van het hart%iQrjr^n\\ ecu of ander middel aanwenden om helder weder te krijgen, gelijk de Javaan uit bijgeloof een bezem van m in \\ omgekeerd neerzet en

40


-ocr page 806-

Jr,flings

cy

i ] ni)\\

I (u

722

up de punten van cle win allerlei medicinale wortelen enz. vast steekt.

cy (y

\'l t 7us zva\' quot; l ^vX

iijlnnnvjj\\ kn. het poezelig dik zijn, Ijv, van dikke vingers of de horsten van een vrouw {vrg. rj oju

. p o o o * ^ n

rjnin? irnjj). —• itiyrjifn/js en gew. f

vm/fs poezelig (vrg. tni/j).

0 quot; O

fi/j rjlt;rrn2 tw/j zva. / i \'I yrJ1 }nil}s

i^rnjintQs kn. een hoogte, bergachtige hoogte, heuveltje , lager dan groot er dan ijm\'nw ook cle top van een berg, zva. i j tJ) wij {vrg. rfojif /)• — m 1 lyj ,ni/j\' een bergaehtige hoogte in het algemeen, berghoogte. — im/j\\ gelijk een heuveltje, zieh als een heuveltje verheffen; fig. van hei hart, opzwellen van trotsehe blijdschap

(een ander zie hi; a^i nn mi/)). (Fjionmmi rw nun\\ x ^ iv.i -\' I Lojli Cljii\'v -J\'

zich verheffen , zooals van een hergheuvely hv. \'f j

am uyiorrn mi i ivxsn ? }

(c// Cf) id quot;C It

gt;i!rja\'jrr)(ini^ kn. naam van een vogel, eenigzins gelijkende op onze lijster, doch grijs van kleur, (Tj.) RIi.

j i lyn kiji kn. vlug en vaardig in het spreken, meest van kinderen gezegd, Rh.

1 j ninrtJiji -zz } van het denkvermogen, ver

stompt.

~) Ct .

nji V)2 kn. ; ioi lt;iji tj\'rm2 rj t n nnjj\\ met

iemand of een heest ergens onverwachts eene onaangename ontmoeting hebben. 0tfjiiJ)on/j\\ een tijger tegenkomen.

iJoni iu/j\\kn. 1. klein bloemknopje. 2. (1.1 flut . ? rn j\\ ki.) tepel, speen, vaneen horst {org. njijm ru/j en iu rjym tu/j). luyrjtu/i\' als een tepeltje; klein knopje, klein puistje; een klein knopje zijn, van een hloem; de tepel van een vrouw tusschen de vingers houden en daarmee spelen, a/n ib?i n ui erm

\' Cf CO

hij wordt kleinmoedig, het hart krimpt hem in liet lijf. — fi?)ïnjny^j iu/j\\ overal met kleine knopjes, puistjes of knobbeltjes; in kleine knopjes, enz., op een kleine afstand van elkander hangen, zooals pluis knopjes aan franjes.

ti.titn^ kn. knobbel {vrg. u tu/j en tüi vj yn2 tm/j)\' m t] as}i (Ldrrnj ru/j\\ een soort van saté in de vorm van een holletje, van gehakt vleesch met

klapper, suiker en specerijen, i n ii u tin tu/]\\

(I (oJl —\'\'

knobbelneus, neus in de vorm van een knobbel.

Zulk een neus heeft een persoon hij de tj 1 id ij li\\ een bediende, die daarom Jtn nn.ruji heel.

inj tu/j * zva. i?n iiyrm tM/js maar van wat grooter voorwerpen; zoo van vrouwenhorsten: Tj.

iy/ rj nn 2 kn. een wat dikke knop, zoo als van een deurslot of wandelstok, en elke ronde knopvormige dikte of knobbel, zooals een knoop in de punt van een zakdoek (v)g. nyi en w rjopiirj Hiurvtji).

— ïlrjnmttvi/j^ als een wat dikke knop zijn, zulk een knop of knobbel hebben, met wat dikke knoppen ergens op of aan zitten. — iSn 1^(11112111/js overal met knoppen of knobbels.

rj nji 2 nn hl/i/js kn., 7. nrj uji 2 mn rj )ii ^12 nn n.yj \\ zich haasten, maar met moeite voortkomen ; zich te vergeefs reppen om iem. bij te honden. AS., Men. .u)jnngt;jru\\ kn. opgeblazen , overmoedig, vaneen jonge of iemand, die veel meer meent of zegt (c knnnen of te wezen, dan hij werkelijk kan of is. ^ yn /l-/ij) tj innj n t\\ opgeblazen en overmoedig.

— k\'i ij am ij rhi \\ zich als oji ij n^rj ij tui gedragen.

frj}mn tuiisiifj\\ kn. erg. om heen gestre igeld , geslin-(l)

gerd; omheen geslagen hv. van een touw. —

am ru(vn)/f\\ zich strengelen, slingeren, slaan om;

CsJ —

ook fig. nrn rvxisv/j of aji rrr) futinunjj van een proces dat met allerlei omwegen en draaijerijen gevoerd wordt, mn ojii 7^°% loos, listig van aard; vol streken.

minn rj n 1 ivmji\\ kn. — irjiani tj iD ^d/j^ door sterke drukking of persing oppuilen hv. tan een strak aangehaalde buikriem, zoodat het hoven- en heneden-lijf oppuilt, opzwelt.

ajnjjruryi of ij nn2 ij n.t2kn. kaal, schoon van een terrein, daar niets op groeit, of geheel zonder haar van een hoofd; glad van een gezigt; fig. aan den dag komen; zich duidelijk vertooneu, hv. v. iems. streken.

wrnn i j \\ of D kn. wijd opgezet of opgesperd

en stijf starend van de oogen, en met groote, wijd

opgezette oogen, stijf zien of aanzien {van li gt;\'j^

17 1)1 o . O . 1 O

Vrg. n.D iui tu tmfj). oji mtj nji nn rn\\ zva. (u iCjJ.i

1 . \'\'.in. j. n n ■ ,1.

trm i j ui ij) fji rni r jw tuierrn i i\\ of ifjiarjii vjs de (d 7 (d 7 (d l \' (d J

oogen wijd en stijf zetten, ook van iemand die hoos is; stijf kijken; staren. — mn 1% \\ iemand met groote oogen stijf in het gezigt zien; op of naar


-ocr page 807-

723

■ I

O O O iiyiairj (i7i IUJI^

iels staren. — .uyniyrim/j mot groote oogcn zitten of staan to staren, of ook rond te zionjolk-

audor aanstaren.

n . _ O

ibi irn n ilh^ks. - u ip n i.m n.in\\

Lü \' ) gt; .

iCjij tm tu\\ ks. — .ti nrnji n.i\\ driest en verwaand \' OU \'

van houding, WW.

kn. ; M i ni\' iets y zoonis een louw of koordy (.d (O • 0

sterk en strak spannen of aanhalen ; poel. zva. n

nitj\\ een hoog door het aanhalen van de pees stijver spannen tot het afschieten van een pijl-, ook fig. 0ii/i (m rf u) i vKinjjs met inspanning een werk doorzetten, zich daaraan geheel wijden.

y\'n k kn. ; \'ï-i ifrj \\ iets spannen, uitspannen, bv. lijnwaad om te droog en; ie.\'s, zooals leêr, door spannen uitrekken; een boog door liet aanhalen van de pees stijver spannen tot het afschieten van een pijl: een pijl op de pees van een boog aanhalen, om die af te schieten, iemand (stnande o/liggende) met de armen, of ook met de beenen, uitspannen aan een liont of bamboe, o/aan een kruishout {een tentoonstelling tot schandstraf); iemand kruisigen, als schandelijke doodstraf {vrg. ajDja^rjs (uyn\\ en i iiin\\), volg. Rh. is de grondhet. de beenen wijd uit elkaar zetten, zva. *1 ip 1^1 w —

m Qrrn\\ het uitspannen, enz.; kruisiging. — .lï

~)

ihhtrn man/)\\ iets om iemand met de armen, of ru

ook met de boenen, tot schandstraf aan vast te

binden en uit te spannen; kruishout.

(Ci t?n kn. hard in het oor schreeuwen, zooals tenen iü J \'

een hardhoorige; fig. streng bevelen.

.u m\'h kn. knuppel, knods {vrg. n mnj). u ij lt;rm\\ knuppel in den ruimsten zin van het woord. — knuppelen, iemand met een knuppel

slaan; ook iem. bedriegen, in den nek zien; vrg.

O . /.. ) O . o o

Ji ei .»\\ (ju i,n u . i a — ! i mi ri\\ mv. — i i quot; J Ca//

\'[quot;l11 7 ian een knuppel, of om te knup

pelen, gebruiken.

kn.; iets, zooals een stak doek of

zeil, uitspannen in de lengte en in de breedte {vrg.

O . . O i,,

\' 7 \'/\'ƒ 7 \'•\'» 7 cle oksels spannen ,

door de armen te krommen,* oen trotsohe houding

aannemen. — u rj yrj i i m/j ^ uitgespannen, liet

uitgespanneiie.

7 U \'I Cl] 1N KN\' ^01\'l\'e^V0e^

kn. met in vakken afwisselende kleuren.

zooals een in vakken met verschillende kleuren ge-

verwde piekstok {vrg. iuw\'1lÏ\\). (Utj} 11 tuid im\\

\' (\'iüi

een sabel, waarvan do schee gedeeltelijk met koper,

zilver of goud omkleed is. iji (kgt;i w ti (Lu ini ■gt; een

\' (d

karwats met zilveren ringei?. ilii hu tj iiJii yij\\ een

takir, waarvan de randen en hoeken met jonge

(gele) kokosbladen versierd zijn, in gebruik bij of-

fer malen en voor presentspijzen. —gt;i iLu^ngt;\\ iets

(d

zoo versieren, dat het n.ijuniii wordt.

- t*-1

d: i yn 1:1 /ijjj\\ gehard, stevig,

1

VI ijII i:l li 1/1 KN.

(U -Jf Cd

sterk. ongevoelig zijn.

O 3-

(M }(! \\ KW. ZVa. (IJI \'KIW

ij ui (Hi \\ KW. zva. kii i.y\\

ui zie bij (ijii\'^w

kn. naam van een boom, de Morinda Citri-folia. Nat. fam. der .«Hut iaccae, waarvan de vrucht zeer onsmakelijk is, maar toch wel gegeten wordt {vrg. ia); volg. Rh. heet meer bep. de vrucht lui rj mi \\ en de wortel en bladeren in^iyw i.M gt;\\KN. voorspelling, voorzegging, van iets dat ge-beuren zal {vrg. iüi ij ip unfj). — duis iets voorspellen, voorzeggen; iets voorzien, of gissen {vrg.uv ij tji\\). — vi ri to \\ het voorspellen, een voorspelling. 11 zva. \' \'h ^h kn de knop van een gong o/kënong. ij.vi ij iji kn. blind aan één oog, maar met één oog kunnen zien {vrg. vlrj ip* ). — n (Ui irici alt;Tjj\\ het éene oog digt doen.

ij vu iji \\ Holt. kn. potje, klein trekpotje.

i

m

1 I

m

O . .

iVi iji\' \\ KW. zva. (i ii iu v

tui ii is iVt (KI ivt \\ iCi ij ili j ij ik? ijtji en (vi ujis\\ kn. 1. stellig of uitdrukkelijk verbod ((;ƒ gebod Rh.) {vrg. n i p en ij vi i /t? n). vi ,ui(hji gt;\\ uitdrukkelijk, stellig verbieden {of gebieden, Rlh). — li i .uil \\ iemand iets uitdrukkelijk verbieden {of gebieden Rh.). — (Eidijpa/ii ij irii\\ iets uitdrukkelijk verbieden of laten verbieden aan iemand {volg. Rh. oö/c gebieden). — (um y gt; mi osiji of ivi.7^ t:i :in,j\\ uitdrukkelijk verboden {of geboden Rh ), iui i :j vi nn - i (k^ ui a-njj in vorstelijke nawala\'s zva. ij vi? li ij i n iu\\\\ en zoo

ook wel 11 iJjj ui ii ia ~i z li w 2 ook zva. lt;u rj i \'i dqw ) ■

(ui n i i f v \\ zie tui ij ui 2 gt; w

rtvigt;ui j\\ kn. stukken, in stukken , gebroken,

iets niet meer heel is; ook gespleten, en opengebarsten; open, van de huid, door verwondinglt;

40*

\'li 11

li f i

p

P

\'■m ife

•II

hl

lil

•\'i

I


-ocr page 808-

724

S

M N

O

hji q /0) i %

iu stukken brukon; splijten; spleet; fiy. in zijn deelen of bijzondere punten ontleed, ontwikkeld, uitgelegd of uiteengezet (vrg. rn ihfjjx ly r^siu tisnji\\ (ijl \'f j nn/j en n^njt io)^). V) {of iaa m^)

kleingeld, kopergeld, (t/?ontwikkeling van den geest. — £?/j) ^n iets in stukken breken , splijten , openbreken ; zieh breken; zioh openen; opengaan of openbreken , en opengegaan of opengebroken, hv. van een zweer. — i ?i\\

inv., oo/c 0jhr yinjj\\ een raadsel oplossen. — tQuj) % (un n iiii \\ maken dat iets breekt; iets doen breken; iets, zooals een steenpuist y open doen gaan; iets in zijn bijzondere punten uiteenzetten £gt;ƒ ontwikkelen, ook 0 f:ria\\ een geheim openbaren.

— aJjj).gt; unKijj\\ een gebroken stuk; gespleten; breuk, spleet, a?) w iji in/^\\ gebrokene stukken.

en pikken, elkander pikken,

van vechtende vogels {vrg. en rjam q\\).

— lu rj of lt;e? y ïo)i j \\ zijn tegenpartij pikken.

— of rj ?jjgf/un\\ mv.; fig. iemand door een menigte beleedigende woorden zoeken te grieven o/te wonden, JU.

•rj iLiy .hj) zie hij rj ,ui7j(hj}\\\\

KN. de toestand van ieioj^oj^w ihn freq. van Tj. — de mond voor

uitgestoken hebben en de wangen gevuld, hv. door te veel eten in den mondt Rh.; door de lippen spits vooruit te steken, en zamen te trekken, een tee-ken van minachting geven; ook een (spits vooruitgestoken) lip zetten, uit ontevredenheidi WW. {dit volg, Rh. wtiuii rjao) i\\\\) en kegelvormig met een punt vooruitsteken, zooals een bloedvin of vrouioen-horst, een hooge spitse buil hebben, hv. v. iemands hoofd, oo/c of bij

O quot;gt; amp;

mi tj ui ij vj) \\ zva. mi tj) ij vLyjs

CUTj } J) rj IJl \\ KN.

maar van kleine oog en, Rh.

iQrj hi)2rj(}j}2\\ KN. de toestand van o 7?j)?\\ opgepuild zijn van de wang zooals door een groote tabakspruim, WW. volg. Rh. {zie hij de

lippen vooruitsteken en zamentrekken uit ontevredenheid enz.

£t iSl iS rvt/js KN. opgespalkt, wijd opengehouden, van

O o o ,

(ti ij) jj) rui/i\\ de

oog en {vrg. m fn n?i uv/j).

oogen opgespalkt houden, de oogen niet neerslaan;

iem. brutaal aankijken; ongevoelig zijn voor vermaningen, slagen, enz. — mw w cmjj of ^ aj) nt iij) injj^ met opgespalkt gehoudene oogen.

iji iji KN. naam van een hoorn met welriekende bloemen en een kleine ronde vrucht, cu}aj)jjI hj \\ of 0(kii /igt;7 \'Mjj een bijzondere soort van patjar met kleine welriekende bloemen. Ojiui \\ een soort van patjar, waarvan de bladen gebruikt worden om de nagels rood te verwen, Lansonia alba, Lam. Nat. fam. der Lythrarieae, (u ij)im arjjj {of rjihmdi/i) een soort van balsamien; ook nm. v. e. gënding. ajt ui i j hu % v schroot; schiethagel; een hagelbui {groote menigte) hv. van pijlen {vrg. % gt;j\\ en rjemi— mhjis de nagels met nji ij} kti i\'ii rood verwen, ri iji mi ? \\ met uioogt;

««J? schieten, als hagels in menigte vallen.

^ O o

(Lil OJ^ KW. zva. d^l (LIw

OCY / o o o

(Lil lt;70) \\ KW . zva. (K/7 -TIN (UI » \'77 77^7\\ (UIKYHI ;• W ü Cxi

dji ij) ni \\ verkorting van (Uï^dJidJi nw

(ül rjq of nJ % - (Ui rj U) z j of iiji tjU) 2 {\\\\

O . O o

•ui (ui rj n nnjj \\ zie (iji quot;vi \\

Q^mi/j of (U^nm/j\\ KN. 1. naam van een zwarten watervogel i die visschen eet. 2. — (f i^ ui^/j of (Ei un ij \\ meedoen zonder tot de partij te be-hooren WW.; 0(ur^ i\\.i\\ een grooter soort uinjjnv/j met lange hals, Rh.

n -O

ui {OJj Kijj n zie (ui tUj a^ijj \\

lUifiJ) },jyj\\ KN. of Mwnrrijp zva. oji ij op 2 wjj

Cy\' ry

of (i/ijiriiiiUijj(ïii\\ een in den grond vast geslagen paaltje, enz. om hv. iets aan te bevestigen of vast te zetten, Rh. van daar vaste regel of voorschrift; de vereischte of voorgeschrevene vorm, houding of beweging; naar den eisch, naar de voorgeschreven regel, volgens de regels van de kunst. (ui(iJiini/j\\ gew. oji cuidJi im^ verordening voorschrift, om zich daarnaar te regelen, nuiü dji uiuiirn/fs ordonnantiën van den Vorst of van

cy » cy

de regering (vrg. 7 m ern 1 /h in ni anjj). (ukiji ifl^rip een wijze van het hoofd heen en weer te bewegen hij het tandakken. cukijidnin 1 uiij\\ ergens gestati-onneerd, in geregelde orde op een post staan, van troepen. (E/iu}furijj\\ verordenen; tets fatsoeneren, er de vereischte vorm aan geven; iets ergens inpassen, inschikken lt;?ƒ aanpassen;naar den eiscli of met kunst schikken of zetten hv. een


-ocr page 809-

iL1 \'/Ol MVJJ \\

huis zeiten-, ook tep. bewerken der sawali\'s iu liet algemeen, SG.; zich in postuur netten, een deftige trotsehe houding aannemen, Rh. — of

mv., en iemand een bepaalde order of orders geven, ook erg. een woonplaats, /mis,

stichten, vestigen. Bh. ook zva. minitKi bij

, O n \\

M-yiMp {Zoo OOK IU - (VtlEt(IOt Kiyi\\

het iu de vereischte orde schikken, e?iz. — hjiw

,},»ƒ .7nrj of (Li tci nv iw/i\\ obj. den. nieuw aangesteld,

van een ambtenaar; kleine piek, kinderpiek. ^ v.n

n wi i Aj)(Lijmwq\\ ijzeren punt van een pijl in de

vorm van een klein piekijzer.

ihiaQnti^ dial. zva. (Lnwunqs llh. — (amp;iQ(H?)\\

iem. iets iu stilte verbieden, WW. welligt - (t/

A j) h?t w springen, dekken, van dieren,

ik m (hi iti.amp;} (hh/j\\ een springheugst. 2. naam van een ziekte, kortademig met stekende pijnen inborst en rug, Kr. volg. Rh zva. pij11 iquot; den

buik hebben.

utn^ iw^ oj (uilt;rjm2 unji^ KN. bemiddelaar, iw//rtw-delszaken; zoo wordt ook genoemd de persoon, die uitgezonden wordt, om op een bedekte wijze uit te visschen, of de ouders van een meisje, waarop de keus voor een soon gevallen is, genegen zouden zijn het ten huwelijk te geven. — o^ianj hu \\ enz. iemand aan een ander koppelen door het aankuoopen van connexie,en zoo een huwelijk tut stand brengen.

(UiW) un i\\ KN. 1. het zetten van den voet op den grond {vrg. :l,ii (uiihiyi); mansvoet, als lengtemaat {org. hoi h n\\ 11.) j rj (Lil m f ^ a^i 0\\ geen voet terug treden. 0ajiwmi/js eerste voet, dien men zet. iLinrn(LiiJ)mi ^.ku)(htjjs pas voor de eerste maal, bv. ergens komen. — iQ.jjiergens of op iets den voet zetten, op of in iets met den voet stappen of trappen; met een visschen. /£?dj) mi Jy*oji k) \\ voor de eerste maal den voet er gem zetten, xl) qï-) ?.-);/ƒ n pas voor de eerste maal iets doen. (tfn iu ij} iuvjj Ijij ongeluk in of op iets trappen, WW. doch zie bij rj id ,9o» y ). — iïJvj) }flj\\ met de voeten afmeten; 2. een soort van vischnet, schepnet met een korte steel (\'mÊi*) 3. een mengsel van zout, tamarinde en andere ingrediënten, om dend eng in te wrijven en dan te bakken. — ihi ut un/j den-(tri ojj aniji \\ 725

tfèng met inwrijven en daarna bakken. WAV.

dial. zva. (UwtLyj Rh. 4 ook zva. ij in z rj i-m ?

asii/p gehalte, AS. rj (uri i ijiu) iei rjpiqrj au oa

o O o CY o , .

0.1 (Lil n «v i i:i o. 11:^ mi ^.i jri )j i n i -gt;7 r.n w gt; la at

staan dat iemand van uw gehalte het zou kunnen,

zelfs iemand die als knap bekend staat, kan het niet.

O • O quot;)

(ui Kii/j\\ zie ui(Hv/j\\ — f.i (i-J^ ïo)^\\ zva. nrj.

iti ij(hJi2(iniji\\ KN. TP. kapmes. lt;u rjtu)? khtui)\\

naam van het fatsoen van een piek. R. — «7^

d •

ijdJithty iets niet een kapmes kappen of doorkappen (vrg. ij (ijl rjiJiiiw^ £?*m en (iii^ikii (KD/j). WW.

iuv-ji(xnjj of iiJi tii im/f \\ KN. blind, van mensrhen en

beesten, en van een oog {vrg. ij (iji ij tui ^ (iji lt;isi! \\ am

o . o * et C\')

!1lt;J \\ en 1\') 1711 L\'ll liJ\\). - ILI »JI Kil Ij lill\\ of L I UI y 11

\'rji,n\\ iemand, of een oog, blind maken; iemand

voor blind houden.

o O .o

iU ihJI hll /ƒ \\ Zie (LH i gt; khji \\

(hjitfnjj \\ KN. de top of kruin vm een berg {vrg. d j

(hJiurij). — *jiJidoiqs tot aan den top gaan of

klimmen.

(Uja^hn^s KN\' de punt, top, spits, tip, liet toppunt van iets, bv, van een naald, doren, piekijzer, pen of potlood, laars of schoen, vinger, disselboom, enz.; ook het toppunt van een berg {vrg. l^ (Kii. njj), ook naam van een boom, waarvan de schors als medicijn gebruikt wordt. G. volg. Rh. naam van een plant, waarvan de bloesem als medicijn gebruikt wordt, quot;jj het eerste begin vatiiefs bv. van een twist; de eerste, voorste, bv. in een gelid\\ een voorvechter, die een gevecht begint, cru ij (Li * ft V/ \'\' \'N aanleiding tot oorlog geven

door de eerste vijandelijkheden te plegen, nudü

i

\'l inip cen

tot aan den top gaan; de uiterste punt of liet toppunt bereiken; gelijk de punt of top van iets, bv.

^quot; ~7\'^doornpuntjes {zóo fijn van topjes, van vingers). (Ei(hjjn?i\\ met iets een eerste begin maken; ook meer hep. v. e. nieuwen dalang, die om zich te oefenen, een wajang ver tooning begint en na een paar uur door een geoefenden vervangen wordt, Rh.o ^ n seVw^w^aanleiding

tot oorloggeven door hetbeginnenvan vijandelijkheden. fj (ui (iji mitj dial.--liuhinyj ook —- (Li iji mhjjs


-ocr page 810-

7 36 ^ lj rj 00) ? \\

ifai ij n i aj) mi erg. bij ongeluk in of optrappen, nl. op of in iets weeks, (volg iUi. niet ihn ibi

rj .n ij j istfn p kn. een ijzeren hak met een houten si cel, in de vorm van een lim m er man s dissel, maar (jrooier, waarmee de grond schoongemaakt, gespit en huilen gegraven worden (yrg. luthJinijj en aii ij ui li. ii ij). vj 11 ij (ui i Ji i) /j \\ met een vj ai} iinjii amj werken. [Een spr. zie hij ijii rj m ^ i t n i/i^, JR. volg. Rh. ~ luivjrimw

rj u? iju) i h ti/js ij ! 12 ijiuiz hii p poet. zva. nj gt;iii n i js na cfn n i AS., AVP. J43. kn. po ét, zva. £jiiji.:it /. ii/p if. i ij tui t n anders afsnijden, doch alleen van lijnwaad\', en invallen, voor een tijd hel werl\' van een ander opnemen, hv. ij a n ij i:,) ? /.ij i.ij n legen betaling voor een poos voor een andur een last dragen. ■gt;ƒ ni tij f 12 ij i n /.n j (of ,/1 iji ê »ƒna? i n ]) een ergens metterwoon ingekomen vreemdeling, WW.11. — ij 1amp;12 iji)} t ih?i\\ mv. ook zva. if i i i h?\' of ifjtniajf J]\\ zie bij li rin.ip 1. van eên klapper noot, Tj. — t.u rj m itii ij i, n \\ een werk of VT /cht door een ander laten opnemen. —yyxju ij ijin.iijhi j\\ obj. den. i?i ».»/ ^0\\ gold voor het tijdelijk opnemen van een anders werk. y ij r ii0 tijdelijke inwoner. yiu0\\ tijdelijke lastdrager.

n i iji mii J\' kn. een kleine soort van bloedzuigers (vrg.

Uiriido Zcylanica IJlainv. — riirhnj vast en diep erg. inzitten, Rh.

(Li ij! i ii j kn. j (i ii foil j\\ geslaagd in een l wade praktijk, van een dief of opligt er, AVW. — .l/ u i gt; iuu/j offn iltn/js miijimimiq gebruiken, Tj.— .i / ii^i^nhijs wat nis ii i i i i.j in J bij liet rooken van opium gebruikt wordt om liet genot te verhoogen , vrg. i:ni *1 im(in/j\\ — ook naam van een regentschap op Java, nl. in de residentie Ma-dioen,

Iüiij)(inifis kn. ontbonden afgescheiden; ontbonden, afgeseheiden worden, van iets dat aan iets anders verbonden en er meê vereenigd was; ontbonden, van een verbindt enis; los geworden, van iets dat onder vtrhindienis lag, zooals een pand {vrg ij.w? rj uitasn/j). iTin ajgt; y pj u i i asiy \\ de ziel is gescheiden , hij is dood. ii/i i i i^n asn \\ iiy ^ ri »ƒ gt;» ifj\\ tot aan zijn laatsten ademtogt heeft hij er niet mee

O

u i (KJji \'vrijp

opgehouden, Rh. djiaj)nqifii i n i,jmi/j\\ de titel of naam van kind wordt ontbonden, hij verliest den titel van kind. (binj) tpii (it?i asiin\\ afspanning van het trek vee, zva. iLrui ilii ujlubiiq (zie bij a-i loiihiip. ili ui ij ■i^igt; ?ni11 zie bij ij tuiitain \\\\ — / DJKibvp iets ergens uit of van losmaken o/lostrekken, een ring afdoen, Rs. iets ontbinden, ook fig,; oen gespan afspannen; zijn kleêren uittrekken, WW. vrg. ny:ifi£ii/j\\ — liihiJJs mv., en

met de dood te wor telen liggen, «Vrt. .rv ?.7i 07

O o , (~)

en ! 11lt; 11.1.1 ~iyi •- bij iV) i,ii,r.ii\\

^ quot;) o

ii.iQjpi ii j\\KS. /.wee]), voermans-zweep {vrg. 1 l iii f ).

— .f ïaji .in/js zwecj en , met de zweep slaan; als een zweep zijn, nl. dun, lang en puntig aan het eind, zooals bv. bamboe en rul tan. 0iiiiil ?ï\\ een zijde-lingschen blik op ie?n. slaan. — «f /is»)\\ mv. van de padi, uls de aren maar even puntig komen uit te steken; stand van liet rijstgewas voor ? ?•»gt; lm ».»»ƒ.

N frcQ- ook wel gt;niiin?i\\ Rh. zie er//-

\'K V • \' M, ( If

ter hij m x iii hu p tj 1:1 fan.p of ijiiiiip kn. bleek, bleek van gelaat {vrg. (i:n i ii.h ip 1. y iui ; 1 j) ; (ook de gcelzuciit. O .). 1 ƒ 11 aai/j zie 11 i t fcii/j

ipmifuu.Liij of -iji 1 i rpu ? nuip kn. los, niet meer in zijn verband, losgegaan, nitgétrokken, van iets dat ergens in vast zat, zooals een spijker en een kurk van een flesch , of waaraan iets vast zat, zooals een schoen aan den voet: uitgetrokken hebben of de schoenen uittrekken, afgezet, van een hoed of hoofddoek; uit zijn post gezet, afgezet, van een ambtenaar-, atzetting {vrg. njiji(lii/j en lui itnj).

— tj (in ij uit \'huij of rj,nm ij (ijiiaai j\\ iets, zooals een hoed, afzetten, een ambtenaar afzetten, uit zijn post zetten; zijn post neerleggen, uit de dienst gaan, van een ambtenaar. — y m ij ijiïi?i\\ mv.

— rj ii i ij i i f rn jnjj of ij ui2 ij 112 ro anjjs afgezet, ontslagen;^, ni^ n.i ihn gt;ƒ nji 2 ij 112 1^1 iin/j\\ een ontslagen regent; ij ui 2 tj (ui 2 luri i.ï ri \\ een afgezette dömang. — ui ij .• / 2 tj 1 12 ,Lni/j\\ afzetting.

iiiajjjtujjj of Milt;ujiui/j\\ een plat woord voor (O11 ij 1 j\\KN naam van een oudquot;, munt, waarschijnlijk het Uoll, pietje, pietjes (een achtste van een Zeeuwsche rijksdaalder); volg. Rh. een oude Chin, munt, ook wel gen. lt;iy ii(linnen* ook geld in het algemeen {vrg. (toi ri (ini/j). uiui Siuiiui/j\\ goud en


-ocr page 811-

it i O) .m j ■

Oil

.III)

727

geld. SitSy*-u^igt;C.t^ looilen jieuningcii, j-oo.ycoo/ als fen rijksdaalder, met een vierkant gat in liet niiildcu, die tot behoedmiddel aan de (juenoentjans op de yroule feesten geregen worden. ■— cm ij i t luwa-ip zulke jiiutjcs mukon; en valsche munt maken. — .fhuia-hj\'* als [lietjes; en iemand \\ivi vleesch in kleine stukjes van liet lielmam snijden, een doodstraf voor valsche munitrs in vroeger tijd, thans nog voor doodstraf in het alge meen {vrg. i.\'i i i i-i/j). ujuS!:i^ihii j •. als gestorte pietjes, voor mot fraaije, fijne krulletjes uan liet voorliool\'d.

■gt;0 O I I J. ) KI N ZL\'Cl. x/tl (M n

(uoj^oan/j zie

,l/7»7m,pk\\v sva. (kia^iiii i/j\\ kn. naam van een rivier-visch, ook een youdsmidsbeitel, WW. voly. Kh. een soort i-ëtèl om hout uit te kappen. —

hout daaruieê behakken. — mv- of gt;f

ij ! i ijihi}tins zva. van een ilapper-

ïiout, Rh.

li i nt i js (lat wat men gebruikt om eeu losse ruiuite

aau te vuDeu en iets dat los /.it vast te zetten;

een soort wig of keg, hv. om de sluiiboomen van

een buffel- of paar destal vast te zetten; enz. vrg.

(b}gt;lt;nn\\ 2. en (iji y ,i, n j\\ oo/c fuj. zva. nsu a?n \\

1. iemand die tegen een ander is opgewassen. —

f ij -I n i\'jn met een (lhij)n aanvullen, vastzetten,

enz.

C\\

iliki in J- zie oji i t n 1

iLin^ tu^s kn. een tjroote hak met half houten half ijzeren blad en een wat gekromde houten steel, die bij hel bewerken van den grond tot spade, schop en schoffel dient, tol onderscheiding van een tui ) ij(Ki11, n j ook. wel (Li KJj li y /1 /. u j genoemd. 3/ƒ mè i i \\ naam van een gending; ook zeker fatsoen van pendnpei of iiiijmiii uhjs ri ajj^n i j\\ kn. nut de patjoel werken, hakken, den grond omhakken , omwerken of schoonmaken, ili ajifQiiti -1 • een toem-peng met een patjoel doorhakken, een ceremonie hij de eerste bijeenkomst van bruid en bruidegom, indien de bruid in graad van blnedverwantschap ouder is dan de bruidegom, .inuyii -1 .lj h. ) ~i \\ een pipisan met een patjoel doorhakken, een dergelijke ceremonie bij een huwelijk van kleinkind er s van twee gebroeders o f gezusters. igt;ii iLiiaJi n i j\\ met een patjoel geraakt worden. — (Eiojihi^s meervoud.

LiihJ) au/js kn. naam van een kost, gemaakt van verschillende groenten met een bijzondeie somhèl-saus. ujiJin.i - ] (Lgt;h ii.ii j\\ pet jet van aan vezels gescheurd kippevleesch met een saus van sambU en kokosmelk, .l/ vc/.n i ^il ,u ij ihii ? gt; \\ een dergelijke pet jet van visch iiec n^un ^utii .iit/j\\ een soort van kleine citroen, gew. Hmmctje genoemd. tLihi ni^ti up spr. of scheldwoord: stugge vent. 0tLi.ici:Ki,j\\ heet het zonder tussehenpoozen piotgen*, spitten , eggen en beplanten der zaaibeddingen van de padi. — u\'m in i /J n pëtjel bereiden; iets zooaU een kip, tot jielj^l bereiden. lt;1 hi i .n i \\ zia. «LiViii i^iini^ — hij i-i:.\'. tUjf. een jonge kip, juist gesehikt om er j.ötjel van te maken.

iLrriK)HI/j\\ kn., IjiU Ij KUL^/jsT]1. zva. tjioi Ij KIIUjI

■) V O

{vrg. 11 ij li n.i,i)\' — u ni^iitu/j en ij.tilt;rj(iJiiiuji\\ hout kleinhakken. — n en lt;rjtbitrjOJiirfi\\

mv., en iets kleinhakken of at hakken. — liJijtui /M ijlt;nii \\ en ij r i rj Ki ii^i ij kh \\ met iets, zooals een p) Ié tel of bhido, iets klein- of afhakken. — .i.irjii \'rhlquot;l!J)K stu^- — (Li ijm rj K) lu/j of ^(iïj

ij ri n ij\' met veel inhaksels of kerven, ibïnuvjn ij:ioi iLi j\\ overal met inhaksels of kerven {vrg. ij i imq).

■)

ij ,iji ij ui u i j\\ ij f i ij ki ii i js enz., zie ii tj Ki iu^

o

ij it / ij tui in n zie (Lii:iiijji\\

rj .i u ijKii n i j\\KX. — ijiLi2i):isJiiiiixianji\\ kwajongensachtig, (PJ.) WW.

nji j?, i i j en J i i?i;(i \\ kw. zva. i.ij iju n ernjj\\ (Skr.

pas (j i m a); zie [tvi / luw

O • o ili i i .t l ■ zie ii i» ) • i/]^

ij (iju ui \'ii -i tie) jn zie bij tuij ki ij/i\\

iLi.Kis kn.; iii\'n zva. i:)))uis\\ — .lki i .i i ij ii)i\\ iets bestemmon voor iets of iemand; een kind bestemmen om later te trouwen met een kind van een andert verlooven. ili kjhjin verloofd om te trouwen met een meisje-, ook zva. ouKji i\\ vooruit bestemd bv. van iems. lot, K, IC, 20. utn^uuilt;kd\\ door wederzijdsehe ouders verloold. — .iiiiu-in^ij^ wat voor iets bestemd is; verloofde; verlooviug. (liimi (i gt; iiii u i ii ii \\ voor een onheil door het noodlot

(O

bestemd.

(L\'I:kjÏ\\ kn. naam van een teer struikgewas. ahimi Ki ^i


-ocr page 812-

738

(Kn\\ als patjiug (zoo gemakkelijk en ineens) afgehouwen, hv. de hals of een hand. ,l?i rrn jj) üï\\ of cnxm .ixijj0 \\ een fiy. uiidr. voor verslageuen of gesneuvelden, Men.

aji(Ki}\\kn. 1. zva kv u) \\ {org. iLi kï ); iets stinkends dat dienen moet om wilde varkens af te weren, of ook om booze geesten te verdrijven. 2. — u wi

O _ O O\' O ... O i,!

(C? —— ei i.m n)\\ on mt i:m \\ ICh.

- Cfr J O

dj^(#0)v kn. de stam van «e» pinangboom (^.6»

^(/j)cm to»quot;\\ een pinangboom, die licht gele vruchten draagt, un/j een pinangboom, waarvan de vrucht, als die rijp is , een groene schil

heeft. G. — tui ij) . en (UKE^tctiin

o . r» . -gt;

or)jl n kw. en kd. van rji hj ^ njt in en uinn

«narys

kn. 1. naam van een Uooge boom, Paugium j edule, llwdt., een soort van m/j, de zaden i van de vracht worden als ze bereid zijn mt ci irny ; genoemd) zij moeten nl. eer it in den grond gelegd en later geweekt worden, anders werken zij bedwelmend. 2. naam van een zangwijze, zie nJ n nrnjf 3. een \'soort van Spaansche vlieg. G. inn ij ijccm l^n^\\{volg. Rh. x.rt im i j )volg. W W. i:») li tfin/j0 naam van een kleine roods zwart gevlekte langwerpige vliegende tori een diertje, dat bijt noch steekt, en waarmei} de kinderen graag spelen-, fig. mi ui2 » een sul.

y iUii to»d\\ 1. kn. bosje, zooals van rijstplantjes, sirih takjes en gras; twee ij m tf padi te zamen gebonden vormen éen gèdèng. 2. ki. zie ^ im i tj xjiwiw — ^ fjii Tj icit \\ iets in een bosje bijeeubiu-den, ook het hoofdhaar bossen, in een lange bos bijeenbinden, %oat dan \\gt;u mi Jij .ui gt;j iji2 genoemd wordt; ook een lijk i:i een linnen wikkelen en aan het hoofd- en voeteneinde met een kuoop toebinden. — f.n ion in\\ mv. uit n.ioi f i:i in een bosje bijeengebonden; bij bosjes. ajt hjiihyi\\ zie bij ioi hgt;n e/i\\\\

(L^\\ of Sis ook wel m geschrevent kn. I. een voorvoegsel tot vorming van zelfstandige naamwoorden, een wijziging van het voorvoegsel gt;ui\\

maar altijd met active bet eekenis, zooals in ae^nri(unji en tisndnrn {vrg. u n\\ III.). —

In Sanskritsche woorden, die in het Javaansch zijn overgenomen, zooals en r.ri.ui \\ heeft het die beteekenis niet, maar komt het overeen met de Latijnschie en Fransche voorzetsels pro, prae of pré.

amp;

II. verkorting van wn* 1., bv. in itit nr^/j {zie bij tunny*): in poëzie ook van njmis II., bv. in [(Lj^ ni \\ voor iui -gt; i ni xsr^ w

III. KW. zva. wins en \\J?i rüw zie ^s\\

1. gewone uitspraak van oj^s wegens een volgende (Lii\\ bv. in ^ilm j.un en rutvnw —

2. verkorting van (u lvi vus in tj uiii irtri \\ GR.

3. verk. van tLi n \\

tuin KW. zva. mni hil en HjInn fjijj {vrg. [M\\ III.).—

■ / o

iVi ui\\KX. zva. \'n ijjasiiw en naam van een rivier-

visch\\ volg. llh. het met den boord gelijk staan,

zooals van het water in een rivier. m xji \\ kn.

niet den boord gelijk staan, als hoven, Ilh.j iets

effen of gelijk maken, (hakken, snijden, schoffelen,

strijken; zva. [xr^tun lt; Vrg. (uoji(Hiijj en (uojiiwij).

— tamp;i vrri \\ mv., en iets; zooals een boom of haag,

scheren, afscheren, gelijkscheren {vrg. iamp;i(uirij\\).

ry

D \\ zie (Jjw

(U\\ 1. KW. zva (hu iJiKi\\\\ G. — 2. ïloll. kn. veer, zooals van een rijtuig of van een horloge. — m»

Q/ y, quot;» o O

L/ yi aojj of un xjmkhi^ N., un iji .\'J^i^Jjv k-gt; ie-

leurgestcld , in zijn verwachting bedrogen, gefopt {vrg. ihjji ui ). — xn urT) uj\\ ^ 3 w ijj \\ iemand teleurstellen, foppen; teleurstellend, aan de verwachting niet voldoende.

1. kn. gelijk tegen gelijk, gelykop, kamp , kampop; onbeslist, wie het gewonnen beeft; vereffend, verrekend; vereffening (v/y. ijasii?ivi/j).

— in i^ fis iets vereffenen, verrekenen, met iets anders er tegenover. — di.» (Lj m ij ihv \\ als kamp o/ gelijkop beschouwen; een schuld voor gequiteerd

houden, als gequiteerd beschouwen, kwijtschelden.

/ - z\' D /

,yr}^As 0\' \'lJl lJ1) \'h \'ri!y2Jls zamen quite zijn,

het met elkander vereffend houden.

s

ij .u \\ k vv. zva. rj hu (u^ j (un xojj \\

ij iui2\\ of (Lit YjiCi2\\ J. kn. het dwarshout, waaraan de draaijende as van een pëdati met touwen gespannen is, JU. en een houten, met een boog in liet midden ingesneden, boom, dien de wever (ö/weefster) achter in den rug heeft, WW. (dezeK\'»-x/n nn s L7» un ^ vgt;) met de asii tu n dji 2 aan de (u xn

z\' e O s •gt;f of


-ocr page 813-

CUll)

729

(u,hnji verhonden gt; en waarmeé de schering van hei weefsel aangetrokken wordt, JU. — 2. mi

ij in 2 \\ en iunigt;j(uii\\ slap, in de leden gt; van een

mensch door ongesteldheid; ook van trekbeesten.

Cy

(u^i\\ 1.» ook verkort (M\\ (u^s of (ui\\ mzamenstel-ling met telwoorden, kn. deel, gedeeld, gedeelte; hv. (Li \'yiafnovi\\ in drieën ; iu n (b\'u rjihj \\ het derde gedeelte; (ki(wynhitmis etii derde; en Liti.i ni (tin ij (TLi t in/j of aJ^vyi-n ij itL.n eenderde gedeelte ; (h.i/i a- Alj mL)ihii tu)(Hijj\\ een vier-

O O O quot;

de; (Ki/j\\ (KtnjtnMiHiitniHjimji eeiivier-

de gedeelte; wnua*)an/j\\ een twaalfde

gedeelte; nJMti^1(15^^-tjtn^/j\\ een honderste deel.

— ihirn\\ iets deelen, en zich deelen {vrg.

ajt Jn(inM/l) i hv. iamp;in., lEimihu

iru?\\ k., iets in tweeën deelen; zich in tweeën

deelen; in tweeën; ook ieder een van de twee. (U

O o o f cy n

itLy (*ja5/itrL0\\ /Fjtgt;naip of iti iL,nnj^ \\ en a i niibiicm\\ enz.; iets in drieën deelen; zieh in drieën deelen; in drieën j ). uhin

na id o Ti \\ of mi gt;fj\\ (ei ii \\ W. 1,30, de Albesehikker?

0 hcj

iel ii cio ttijj of , ?jy kjiji \\ in zessen deelen, enz.; ook een zesde uitmaken, hv. van het loon bij het padisuijden. ili • n «t]ii\\ (hgt;i n iCi kn naj^\\ een hoeveelste deel maakt liet uit? /w?w iifl ili n \\ deelbaar zijn. — (Uinjn iuiii\\ in verschillende deelen of rigtingen verdeeld, W. 1, 25. — /i./? »y \\

van iets een derde nemen, bv. can de opbrengst voor \'pacht.

II. (ui ii \\ KN. een voorzetsel vóór benamingenvan

standen of rangen, wanneer van een bijzonderen

stand of rang collectief gesproken wordt; eig.,

naar hei schijnty zva. de divisie; bv. (umvna.i

de regenten; (ui n izi ■ an \\ de mintri\'s; .lïh o ^

lc)j gt;gt;gt;h!l/lv ^l\'yësliedcn ; gt;1,1 uw quot; i }j.\'£ \'7l \' kh/J\\ de

geringeren van stand; WW. lt;li n t)(huz ^\\ de spelers, fan zulke benamingen worden sommige ook als enkelvoud gebruikt. Zoo (uin itj ^.1 n een prinses, en ajin \\ een hofdame, holjnffer;

ook voor eonenbine. (liet wordt ook toel gebruikt voor andere collective benamingen in tegenstelling tegen iets anders; bv. uinn.i ) ti^ii nnjj- de schulden in tegenoverstelling van Mii(isun^i(rhiiii}nn\\

de nalatenschap, van een overledene, en (uin Li

0

\'Viui /M injjs de regtbank, in tegenoverstelling van

de gedaagdeny BM. K.)

III. cli \'n \\kn., ook soms lt;ui i] k., een verouderd woord van eenig zins onzekere bet eekenis in z am én-stelling, zooals in (un n., urn (uiimaojj of mi rf) oji.i:7i (inq\\ k., een twistgeding (proces) hebben. (uiom (ki ^i rti m Jti joji\\ met elkander een regtsge-ding hebben. De bet. in deze spreekwijzen is wei-ligt te verklaren uit een zva. (uitji\\ zoo het. a i ii ui n \\ zva. (ui ui ui (ia \\ in spreekwijzen als il i ti ui 11 {of ui ici ui .ij) ) a^ern ij uv z n nm (lli ern iHiiLinfj^ van al wat zoet is, is er niets zoo zoet als honig, en ui ii rj (un iui (hnjj WP. 211, welligt een schrijffout voor ui n rj (un (Ki in \\ Wanneer in het woord nog een r volgt, dan wordt het gt;ui 111 \\ zoo als in ui ui (i5i ^ n ui r 111ki^ f i \\ en andere. (Waarschijnlijk is het de oorspronkelijke vorm van (^nI.R.).

IV. 1. kn. v%erk. van afncLinw — 2. uiii\\ of iCi ui ii \\ met waren rondgaan om te verkoopen, vaw een bakoel in goud- en zilverwaren of juwelen en

kleedjes (tui ï^do). ui ui n\\ ook zulk een bakoel.—

0 m ,, j, nO oCy

o. u/i (ui n\\ ki. van uj tii^ ei (in/j of iui na iuaci\\ een

toertje of toernee maken, van een Vorst, Prins of aanzienlijke [yrg, uil tin mi ïiii ^). — iEtii\\ 1. kn. naderen, nader treden; meer nabij komen; ergens verschijnen (vrg. irnn uti^/j). 2. n. , (kjojiui\\k. , (ia (vioiyjs Md., kom! kom aan! toe! (vrg. uiiii\\). tinrjan.mtn inns niet meer komen (verschijnen). — ij un mi ui ii im (in :iji \\ het woord rjun nai komt na aan ik}.i?ius\\ d. i. vfajuMi is zooveel als an .#51 ik \\n ui »i tun oji m/j gauw met zijn handen zijn, altijd gereed om te slaan, Dam. Woe. — fïii ui n \\ en bij verkorting uin\\ overhellend tot iets, bv. tot drijt; en in zamenstelling met een ander woord, om te bet eek enen, dat iets meer daartoe overhelt, meer daarvan heeft, dan van het tegenovergestelde of van iets anders, bv. ih^uui\'rixa uis aan de lange kant, eer lang dan kort. n^jviaa(iai (ui^ ui ii nii iJ7 ^ (of m n rui ui f \\) zestig jaar en wat er over (of eer er over dan er beneden), nai ui ii rii crri\\ eer gelukkig dan ongelukkig, mji um (of (uin) (iniui\\ wat naar de linker kant, een beetje meer links, (bv. zetten), kii ui n in (u uijjs wat naar voren, wat meer naar voren; volg. WW. ook fig. zich wat veel op den voorgrond stellen ,


-ocr page 814-

quot;\'\'T

O

il l \'MN

wat te veel één van de eersten willen zijn, ecTznch-

tig; in dezen zin volf/. l?!i. u u u i nij) v. .n ,r-- bij

C quot;) o o a 1 \' i ♦

r.)! r.) ij yjama.i(L-m) tj ihinyri s nachts

nog naar de kant van den avond {wij zeggen:

\'s avonds, nog al vroeg). spotachtig,

en zie hij (kji (F.iq \\ eer vlak dan hellend van een

dak. (wnoj) ieji qtim asi.p spotachtig vau aard. iïn

tLi t)nin ern \\ wat gelukkig (bu. in het spel), ,» /

rtiiL=iilt;v)(Ki/j\\ wat ongelukkig, hu iu tidnif ii}\\ n.,

O ^ O \'quot;)

n (L; \'n mi (Ui 4 \\ en gew. ?. // i.mi ^ ajt aa .m j k .,

vrij bemiddeld. —• hti cu^i un rj (L/nf^ns te veel ol\'

te weinig; te groot of te klein; nooit van pas! i n

iLim(urn \\ zie hij iuitjlt;rn^\\ — teinis (voor itmt

ojIï^ in officiële taal zva. it. ?aij j \\ of ii nih jfi?n w

ook in deftige spreetiaal, doch gewoonlijk alleen

als voorzetsel, of wel bepaald in den zin van

in de nabijheid komen van iets. — en ^ty

.. . . a..

TP. en in poezie, zva. itmtw ^rnilt;gt;/j\\ zva.

. i.

en n zva. itrri.m iniw —

0 . -O , n

001 mn • v \'in i, n (Li gt;) gt;1 angt;; verb. v. /. \\i n ■»/ /ƒ p\'* t zie bij (Li ni Hijj \\ — (L/rnnrijjs iLi n i.j en it r n alt;)i -ju ijihn \\ zie .lid anjj\\ ben.

V. (lh en \\ en ieih\\ n. , verkortingen vani.iUu

o o o o.. . .

itym en rn.j rw zva. n.i 11 \\ en 1 niLj anjj m de

hoftaal tot jongere bloedverwanten, die eenige

waardigheid hekleed en; bv. a/i^ f 1 r j ■ n in uj «• 1. ? thj

(tljihüi(lini\\ Ik heb ontvangen een brief van n. 1^1

(is(uni\\ uw jongere broeder, li iy.i 1 gt; j Mn ij n

Hoogheid.

VI. LitiViN. van een minder waarde of slechter

soort. ttlt;\'n (ilt;i^1 m\\ een paard van weinig waarde.

(waiiivitoi-^ini^ klecren van minder waarde, a.]

)

du (li ns een mindere sëlir, die onder een andere staat. iJdiKLims zie bij lt;fi rrn \\\\

(li n\\ 1. zie (Uinn III. — 2. KW. zva. ain\'.j i^^

n O . o

lt;üh i£i\'ilt;ijj\\ i~nrn\\ a 11 di j \\ iijtiiLj 4 \\ (i:ii :i.i\\ en (li (lijrj tamp;i f (hiij \\ {In het Sanskritsch is het een voorvoegsel, het Griekse he neyi, om, rondom, van alle kanten; in alle ojjzigten, enz., doch even zoo in Javaansche woorden, bv. in iui \'fï ij li ? itli q \\ (ijih(ihi^iu\\ en andere II.). — 3. li • m ^ n. , li^7 k., rijst op het veld of nog in de aren, in \'t Mal. pa di (vrg. on trti j \\ en r.n 11 (i^ii). Lrn LGig.ajjj gebruikelijker dan (Uiiukijiit\\ een beste soort padi, die laat rijp wordt {na 5—8 maanden) doch op lage gronden eerder dan op hooge, L\'li.

— li ij m aruj \\ kn. een soort van wilde padi, een grassoort, die veel op padi gelijkt en waarvan de vrucht bij schaarse hie ook wel gegeten wordt, JU.

11 ij gt; kn. gebraden longstiikken van een bulTel, bij

de rijst gegeten (vrg. \'i.ii hii^/j\\) Tj.

inj 11 n kn. naam van een slinger gew as, met een biltere langwerpige vrucht, die rauw of gekookt bij de rijst gegeten wordt, het blad wordt als medicijn gebruikt,{zie(i5)j n i\'r 111.) waar van verse h ill end e soorten zijn, als l i tj 11 un 1 lt; 1 a-i/jn N., li ij 11 iui an \\ k., wilde jiaré, Momordica Balsamina L., Nat. f am. t/\'T Cucurbitaceae; ook naam van den zetel [van god Nar adii, WP.ll.) van do goden zva. 1,11/101) (in/j\\). li ijii lil li 1 ift/j \\ M. Charuntia L. li vj d

ii li ^ (lii/j {niet bitter, met gladde schil, Rh.) en

o o

LI Ij1l (Yll Llt; J OJ LI Ijl) LllUjW Xj! Ijlldillll ^Q(l(ljj\\

een zeker fatsoen van (rti Lijj \\ met hangende uiteinden, A. 35 j AS. — iui ijrnn/nij(wj/iamp;iji^ N., - 1

LlljlKLV Ij IJ lUJj^ Is. , OJ L111 Lil tj \'Lj 2 ij Cil (l 1

rn d/ii rj uj njjj \\ geel meteen groene streep erdoor (de kleur van de jonge paré), zooals het vaandel van Prins Mangkoe-nagcira, en van den vroegeren pajoeng van den Rijksbestierder, verguld met een groene streep in het midden; ook naam van een ghiding.

li tj-m n., li iiïjsk., helft ij ni^). (kim rjii2\\ een helft. i ui ij nf ij in \\ de helft. — li )jiid\\ (uili?\\ iets halveren, in tweeën de el en j splitsen; zich in tweeën deelon, in tweeën *bv. scheuren)\', om de helft {van de opbrengst of winsC) iets doen; voor de helft van de opbrengst land bebouwen. (üVm ander f 11u ? \\ zie hen ), .riij ni i?)i\\iLi/j\\ en n djm (v,?ii i tLijj\\ spr. het oog op twee dingen of tweeërlei doel tegelijk rigten of gevestigd Jiouden.

— (€ji ij ii 2 (in \\ r i) n jl\'Iis de helft van iets {bv. van de opbrengst) nemen. — (fitj iiimii ^ritj i.ii\\ Li iu^L ii h» alt;)fj\\ iets in tweeën deelen of sj)lit-sen j land voor de helft van de opbrengst laten bearbeiden. — li f.i ij it?\\ (ui l i iu ?\\ liet in twee

helften deelen; splitsing. — (uirjmapjj of (ULidj

o o r ^

\'lj1)2:HI/j\\ en Llll l JLII (hljj\\ LJI ILI (LLI dOJj 0] LI LI

dLiLii(hi,i\\ bij helften, voor of om de helft j ook (uidULLianjjs kn. medeznigeling, zoogbroeder of


-ocr page 815-

731

zoogzuster. — lt;bii n i /gt;•gt;)? n aïn (Uvviq\\ zie hoven.

,i.ri)\\kn. droog en niet kleverig of aan elkander klevend, zooals \'van gekookte rijst y als de korrels van elkander vallen; niet klonterig; niet klam, van hetllcJutam{/iel tegenovergestelde van /. u i rn i j).

I in \\ Vers. kn. een soort van sehooue en goede nimt\' of fee, toovernimf (kw. fraai, schoon; behoorlijk. G.).

)__ O

dl n - ii iiifi-rtjw

inj gt;i\\ of .•/»/ m\\kn. 1. r^ieli links of regts wenden van een vlieger in ile Ineht, {een ander zie ben.). 2. ui)■n\\ zwak zijn, niet bestand tegen vennoeijc-nis, weer of wind, enz.; ligt ziek worden of sterven, van dieren, fig. van menschen, lib.

iu n\\ n., .u w (Hi/I\\ k., vragend voornaamwoord van quantiteit: hoeveel? of ook hoe weinig? Vóór een naamwoord in benamingen van hoeveelheid iu gt;gt; \\ bv. aurf\\iKihoeveel maanden P vu fUj\\

hoeveel duizenden! d. i. vele duizenden! al n n ij\' gt; 12 (uj n hoeveel is zijn kracht? wat kracht zou hij hebben! (ƒ/. i. hoe weinig), tj i/nm u-n in\\ het zal wel niet veel te beduiden hebben , het is niet bijzonder veel. hj)i hi ^ i i ni \\ poet. hetz. i). W. 433; hij PL 11.130, * n rn ij nm ^ het is zooveel bijzonders niet. liJ ums ^ u yj m ^ hoeveel? hoe weinig? wanneer er spraak is van een maat of graad, hoe veel is de

hoogte er van? j n rj j i.t i; n hoever zon het wezen! (de afstand is zoo heel groot niet). \' ^V 1 quot;n wat \'\'ij «31\' blij mee! uquot;n(tm\\ hoeveel het wezen mag! — .u n iJns ook (un\'i

0 ■ O , O O * TIM

(trns n. , ui mi in ^ on/js k. o zooveel! ik weet niet hoeveel wel! ook het is al heel veel (men mag er tevreden mee zijn) dat, e?iz. men mag het als een geluk of wonder beschotiweii, zva. ivi iüiu tu zie bij (u /uv ;/,/.»,] gt;j,i j\'»j\\ enz. hetz. — .\'lus of i in ,v, t)\\ cn iu iinin/f of i in il in,p hoeveel elk, in deze het. ook ,lt;1 gt;n.j\\ Tj. naar de hoeveelheid of den prijs van iets vragen. h mz/.u hoeveel voet elk? ..lt;/ »».•] gt;»x een hoeveelste ieder?

O

M 7 quot;x kn. op zijde gaan, wijken of ontwijken door op zijde te gaan. — rirjii /,»} 7ï i,}i\\ doen op ^ijde gaan; van water ter zijden alleiden, hv. regts en links, Men., ookzva. i d gt;/ ij tii.n y /lt;»n afzonderlijk plaatsen, Rh. eniem. links laten liggen, on-versehillig behandelen.

njiTis kw. en kn. zva. en i.niotjihmcHijis

rijksstad, residentie of paleis van een Vorst (Skr. jto er «). i.jj t) ? ^ tj \\ zie hen. iu i i zva.

iu (ij rr^ivninhici ij Mit lt;tn yn leeglooper

IMi. — l fi n,s zw 11- — (Ei^k^ ergens

zijn hofzetel of residentie hebben.

11 ip kn.; een soort menie, roodaarde.

»ƒ dj yrn kn. utun iui irn y li )jn \\ bals over kop iets

najagen, zonder het te krijgen, Rh.

rj iuê n\\ verk. v. .un iu rj ia , //?\'n\\ zva. w? »ƒ k« nnjj \\

of iïinj.vnjnjjs laat maar! L. 330, Rh. (lyw. zva. (V)ni \'isii\\ en (volgens G. dood).

ii. i u i ij ui \\ zie hij n i ij ui \\\\

O /? quot;) 0 i „ ■ o ,,

iy ^ oj (li n^\\ 1. kw. zte a i \'djw z. kn. pijn,

smart, zooals van een gekwetste huid; bijtend gevoel, zoods van azijn», in de op ene haid\\ zeer doen bijten, sehreinen; hongerpijn, liet gevoel van honger {yrg. i.n fi \\ en in gt;1 ). — 3. of ij naam van een hooge boom , een soort van tv ar in-ginboom, maar kleiner van blad en vracht, en met een witachtige schors, door de bergbewoners ook hoi i.i/i\\ of tj hi^iiim genoemd; hij Vil. twee soorten, ürostignm eanaliculatum en Ur. macrocar-pum, IMiq. Nat. fam. der Artocarpeae, — avrnf ij liti gt; i.j iii.jii^i n j runi .nm\'i s allerlei ongemakken en leed o uiergaan. — iui (injjsii.,

. ■) ) /. O ) o

(LH jï idj ? k. , 1.1 1. tl 11.1,1 Oj OJ) Kil H l ^\'11 m ILI

ki., bedrukt, bedroefd, neêrslagtig, treurig; bedruktheid, droefheid, ncêrslagtigheid, leed, harte-leed; bedrukt zijn, treuren; volg. Rh. meer bepaald wegens bezorgdheid of het zieh bekommeren over den toestand van een geliefd voorwerp, {vrg.

(Ui iji ^ \\ ennjiij ). i] gt;17/ iisii m/js volgens G. ook

... o o o o o

KW. vermijden.— 11 ,bquot;7 \'

rnii.n iu\\ om iets bedrukt o/bedroefd zijn; zich

onthouden van een of ander, een soort tapil doen,

uit bezergdheid wegens een geliefd voorwerp;

iemand leed aandoen; droevig, bedroevend. —

.vu ihniq 11 i.ii\\ enz., bedroeven, bedroevend. —uu

o n o O

(7Jgt;L/I iti(inm,j 7.n^{1/11 ijIÜII2n^i^A.WJI\\ 1,11 i i

ü 11 iti (hojj of un J hiiiiiftfliiï^ bedruktheid, bedroefdheid, leed. —dMii^ M2/lsquot;V quot;\'\'2 11 ^/i(mji\\ (i.i 1,11 iu;hitLi{\\ droefgeestig, ligt bedrukt of neerslagtig worden.


-ocr page 816-

öV\'t\'quot;*ir

■7 £3?\'

eva. (\'.Ir

. . CY n x\' .

(uit)1. kw. ams t^irDicv)(Kjcnis (V)mi

asnjien (uilt;i£j%\\ — 2. kn. zekere groote maat voor drooge en natte waren, WW. zie aJvm hiyjs (\'7i asnniini/j\\ BV. tu^i^ ili\'n^ \\ naar orde of rang, WW. vol//. Rh. zva. ligging, situa

tie. — (Ei\'T) J\\ kn. in drie of meer deelen of stukken kloven of klieven {vry. njims en iwn ), Gil.

volg. WW. met een (Lim^ meten.

O o . o (vimqs zie

(lh f]j\\ kn., («S/^Kw., poging, wat gepoogd, waarnaar gestreefd wordt, doel, oogmerk {vry. x.iirr)?\\

O O v O O

(KKujjjs en en (t?

^tj^nkw., kw. en kn., iets of iemand po

gen of zoeken te bewerken; iets pogen, bedoelen; zoeken of trachten uit te werken, te krijgen ; iemand aanstaan of zoeken te bewegen of over te halen om iets te doen; met oogmerk om of dat, ten einde, tot, om. (Lil z n Ku hj ut i j J i n vjj y iw\\ er is geen goed aan te doen. 011 ieji Si ru . j ? of 0iiji .Kjj\'nj\\ gemakkelijk te krijgen v. e. object, dat men op het oog heeft, am t ^ n j ■■ pass. dikwijls te vertalen door: om. — lt;lv n kn.; tui (^j \\ k vv. en kn., het pogen om te bewerken, pogingj bedoeling; (L\'i^^\\ ook in den zin van bijoogmerk, iw w—i

(ui^ss zonder bijoogmerk, belangeloos.

O /. o , o

\\ n.rn iU)^ \\ of ajiniwp n., (vmiLti (Lgt;ii\\ in.n

oj.) k., vaartuig, schip, schuit (Skr. wahi-

. ,, Cquot;). o . -gt; o

tra. gt; rg. a^j ijhviaj} gt;). nr^iï^ aj^ojr^s (U(ia r.ni/n

itgt;n\\ het Praoegebergte. — ajn ri^xjn abii\\ te

scheep ergens naar toe gaan, zva. (ü^erh(^\'i^ ;

en iets of iemand schepen of inschepen. — \'3 7

miifji^lt;imnniiHj\\ bevaren, met een

erg. oversteken, AS.; van een ^uyui^ voorzien. —

O o . .

y ftoi i ih t) ij M) \\ (uil imi ikd a, )) an/j^ iets

of iemand met een vaartuig ergens brengen, overzetten. — [(u^i^iii an^ i:ii im tui) anjj \\ een nagemaakt scheepje; en schuitjevaren, spelevaren, een togtje op het water maken; ook met een (oj^ayys erg. //een gaan.

^[wa/ns lloll. vrij.

OjI\'iKuns zie {nj^aji^w

i n ^ zie (iu^tun n w

n o .... o

{oj^ i (uri fan iin^/j\\ zie hij

o

^ (un ij (bil 2 j-1 zie

rjum injj\\ zie bij (\'LAtutps (ut \'ri t/n vj ij lEi/j en (ui n] n u ij kj z (uyj^ \\ zie hij (ui rj n ) w [(u^tun n \\ ^l,j ^ (uii t) \\ of ai (un rri \\ 1. kw. zva. aSï — 2. kn. storm, orkaan (Skr. praAdra,

slag).

[tj^mti (hu \\ of (ut rri ^7J js/; n KW zva. (it^ \\ {vrg. rr^ (un un^) {oj^cm ni/i (Skr. pr ahita, gezonden, afgevaardigd) en (V-rjj ;i7)^\\ {Skr. p ar a /i i t a y vreemden weigenegen, niet vijandig); volgens G. het

menschdom {van un iisn ).

o . •quot;gt;

(Ui n ui) asn\\ zie [^uiynamw

(L^ ui)iim\\ kn. onderwijzer, niet op een school, maar aan huis; onderwijs; onderwijs ontvangen, hv. (ujnyuwanifon£iiK(L))\\ onderwijs ontvangen in liet J avaansch {Skr. po er o hit a, voorganger bij godsdienstige handelingen, hnispriester. Vrg. err^ np

\\ 0 un o ij ^ \\ en ui errj rj n ^ ). — ie^ (un ild \\

zva. ii icryyi^s en (üncrt^\\ en zich tot leerling maken. — (Ej l/d iuii \'hj \\ zva. (uUcn^tfm o

\'cP

( M Ij (Lit i (KIijsK. , zie lO N\\

i r^uit m\\ ook wel eign. van een titan, palih

van Dasa-moeka {Skr. Fr a h ast a. pk.).

(ut m rj uit (Vi in (tnj!n kn. wat stuursch van rard (van

rj nnt (Ut (Ki/j en (ut n n IV.).

o .-.o o o . ,cl .

. jj j/n iu/i\\ (Lt n(un it tfj en ajt n (utt tu/j^ Ar. j ,

phardïzly kn. de volgens den Koran aan de verschillende bloedverwanten toe te wijzen aamleelen in een erfuis, en de kennis van de bepaling en berekening van die erfdeeleu (vrg. (titn-toJijj). — ^ uit iLiji of iui\'rt (iJ?t iLiji\\ een nalatenschap W£\\\'({gv\\g\\\\.

un(iM(LilnLtj\\ in kleine stukjes verdeden, W. II, 514.

O O O O

(ui i t (un nutji en (ut ti .utt 11.1/j\\ zie \\ fov\\ftt Y gt; 1 j (htji \\ Md., zie bij gt;tm (Ui\\ I.

y iyuti ijto/is zva.

{(u^Mt/js ook wel lloll. vrind! het gewone ani-

woord op w e r d a!

djt 11 (t-njj\\ 1. n. , i^n^(rti/f\\ k., een gang, togt, reis, koers, rigting, die gemaakt of genomen wordt ergens naar toe; ook een plaats, daar men naar toe gaat (pan iUt 11 \\ (utm\\ IV. Vrg. tl;\\ a-nrut ht^\\ en irujxn(mji). — 2. kn. verk. van mt^anj als vocatief -. Heer! Prins! {vrg. ij(utuanjj). — 3. kw. m \'rt (Kt/j of (tJtn (ut t» (tnji \\ zva. (utt (ut w wat ? hoe P


-ocr page 817-

M gt;1D nnji \\

733

quot;ri^-

oö/r hoezeer ? lt;li m .ji *n (tm chiun ruoj)/j\\ d\\v. bts. (vndo i i\'d tn/j - vn(hi(uniu\\ om wat reden, met wat doel? ajtmdvt \\ wat mag het zijn? wat soms? wat toeh wel? vnomi (of

oh/jun^i^) waar gaat liet heen? waar is de reis naar toe? hjh itnioii wr) onder weg, op reis, bv. derven, w tm t/tïit/I ni an/j\\ van een reis of togt, hv. terugkomen, tui gt;1 un tj tci g % \\ of ojj nirj tip g ^ \\ een verre reis. aji.vi\'rt^\\ al waar ik heen ga. w (ui \'T) an -J\\ nnjjs in alle rigtingen ; al waar het heen mag zijn , op goed geluk af. iuci:r^asii ^mian/j van velen ieder een zoo goed mogelijk heenkomen zoeken, bv. van overwonnen zich naar zijn

vaste plaats van verdiensten heen spoeden, y :u)i

aJim j~m xp: p ilm urn mq \\ een bereisd man.

O \' quot;) o

am axi aj) ni an/js kw. sva. int ^ ij om \\ en ui ni an ui \\

1 o

zva. a/ti (ut am a ut w .7(7? ui rri anj*\\ ^ oxt è ^ ver verwijderd raken, voor uit de familie raken, door het trouwen met iem. van een andere familie, aft] (ui nart ^1*01 anjj of tlv m Hiut rii\\ al verder en verder verwijderd raken.— nmtqs 11 aji\\ naar iemand of iets toe gaan; op iemand of iets afkomen ; een afstand gaan of bereizen; om iets er naartoe gaan, ingaan halen. — njtrtan Sta^ni arj.(tnjj en ajj^ r^amSt ar^am an/j^ ook ut nan Ja ty \'nonjj en uj, ^ irt Ja a^ tj op elkander toeloo-pen , 00/c elkander op dezelfde plaats komen ontmoeten, door naar dezelfde plaats te gaan. — 1amp;1 tj int -.fït rj int \\ ^ ny art] uu mj \\ met iets ergens naartoe gaan; een obj. ergens naartoe brengen; iets teweegbrengen, veroorzaken, berokkenen ; {ook iets aanwijzen, aantoonen. g.). — it/t ajintcjan^ 11/1 \' j, ^ \'jj] wjis een plaats daar men veel naartoe gaat.

fJï 7 ti anji \\ zie bij ut rrgt; w

m ty-nton/is 1. n. , zie bij ajt rtmiw — 2. KN. zie bij ut rut w

P

,rJrriian/i\\ KN. naam van een slingerplant, Ana-mirta Ooeeulus w. en Arn. quot;Nat. fam. der Menis-permaeeae; de zaden \'/Coeculi Indieiquot; worden ge- | hruikt tot het bedwelmen van vis s oh en, w. 1,7; vr9- 9rjiaianji\\

\'^• ïo^nkn* halve zij van een geslagt beest {yrg.w w^ituji), ojj ij^ m an t7ri \\ een heele halve zij van een varken, r. welligt voor i^ilirnin/j v. ij ajt \\\\

i 0 o O

*1 quot;^Ji (Hy}N K*\' v**n \'J}^ vari ~ 11

nVn^l \'^11 inJ\'

9nnjii)W\'jis en ,nrixrv^6Jf

ant ra zie bij ut hj \\\\ — \' i rl c} gt;nJ!^ z^e

bij ot hj\\ en bij yrt uijj\\

tj (ui m anjs verk. van (La rj ait m ar^/j als vocatief. Heer ! Prins! {vrg. ajtmanjj\\ 3.).

t o o n

[ojans 1. kw. zva. un astt \\ asr^ i^ s gt;ntan\\ aïttdZtOJtjis

n . O O , at *

irr^ ut ^ a ^ ai^ a.11 ibit \\ oji ut^ en 1 ^ dj^ h ny (bkr. pr a-na, vol; adem, levensadem , levenwekkende kracht; levensorgaan; zintuig; enz.)) kn. raak, op de juiste plaats treffend; doodelijk, van een wond; juist ter snede, snedig {vrg. an\\ en 7ax 1 / 7 n ); ook

zva. (Vt iiïrt uii/i gt; iemands aard; ki., zie a/tt un ili^\\

O 3.. O Qv O \'tl

\\a i a^ajti[(ij^(tn\\ kw. zva. ajt ac^ajnutfaa\\ nier. beantwoorden aan de voorstelling of wensch. n?tt n

a* n o*

a^t ^/n M an \\ kn. zva. jptt vkiji ~/tt isrjn^ een onge-

lukkigen loop nemen, van iemand die naar een kant gaat of iets gaat doen , waardoor hij in zijn ongeluk loopt; ook ongelukkig opgegroeid, van iemand, die met een ongelukkige kwaal is opgegroeid, (vvp.) 11. («jan \'t\'t m \\ kn., (Utnn rna \\ kd., ook wel (utanmmis en ajt in ti a fi \\ naam van een regentschap op Java. — ^ic)(9 ^\'3 an ifj \\ op de juiste plaats treffen; doodelijk verwonden; juist ter snede, bv. antwoorden, ui au

o o o i.

(tv itr^un : ani lAj^ay an ^STKhtt rj v^s uie

raiidgeving trof doel en vond ingang in zijn hart,

gr.

ii. (Uirn(tn\\ of u^ut\\ n., (Uthu\\ of [au^tm k., wat naar ginder gaat; het naar ginder gaan; ajt ij ijajz* of if ij tgi n., wn tn^quot; of\\M^

anj k., wat duur naar toe gaat; het daar naartoe

. 00

gaan; en (ut ij m rj r£j.\\ of ij iU^ijtq^ n., tuut ant \\

0f uj^hu^K , wat hier naar toe gaat; het hier naar

toe ga tin (van de grondvormen ■~nan\\ ajmrjafjes

en ijrrttj\'hn\\ zva. am an \\ ijtntirjayi^ en rj tm ^ \\

n., rfiim\\ en ia am \\ k.). 7 ;^3 v ^ ? /n je

hier komen, uiy aj^rjins an(iu^ tm \\ al den tijd tot

hier toe, tot heden toe. — (fJtnan\\ of [(E^an\\ en

iza 11 hit\\ of lt; 3 mi \\ naar ginder gaan, naar ginder.

- 0-0

(Ei^niirja£i\\ of ij rj ajj i en £» 11 inj \\ Of i

a.rj^s daar naar toe gaau; derwaarts, 0/

V\'3 7^\' gn lfygt; ^ n n quot;aar toe

gaan, hier komen; herwaarts {vrg. ij ui ij ig\\). vj


-ocr page 818-

i rj hj itn \\

ö

73\'1)

rj m this kom hier! naar alle kanten,

waarheen ook. — (3 \'y utl \'/ nn N i ^ \'•quot; \'•

naar ginder brengen; met iels naar gin-

, o O

der gaan. rj *lt;jz \'•\'»» -Jn^ nv \\ y /. n * /.»/ ~/n /. n

(Hi/jy iets daar naar toe brengen; met iets daar

naar toe gaan. ^ ntj i.j nn jnrj i.n\\ ^tj tm tot

),ti in/js iets hier naar toe brengen; met hts hier

naar toe gaan of komen.

kw. zva. int iQttn~jtt irt to^ {Skr. prdnt, levend, ademend, een levend wezen). i^ifLit u ij voor njt ti t tïj i t Manik-maja III.

V Ö V \'7N m N I\' •

^ [ijl2 rj hj 2 N rt^josll.

X * S S

(Lj ctn\\ kw. zva. lij, i \\ nuFjt i j ut m\\ (tJiizt ^

t/ijs en a^ tu^\\ {Skr. poörna, vol, volkomen, compleet, geheel, al), itrt ik ihit \\ in den vorigen staat terugkeeren, herleven. —HjI n rj tn \\ zie hen, — wzt\'j.ws zie hoven.

(Urj ni rj tfj \\ zie (V^M\\ II.

(L/trj n2 ij uj i \\ zie \\Mgt;,tlt;t\\ II.

(tul ijt uj \\ zie hij ajt pj w

Hjt cto (W. II, 388) =zr ^ tq; \\ out (tetany vt

ttpryf\\ (W. II , 104).

^ï^\'nkn. situatie, ligging, van een plaats in deze of die rigiing, bv. ten zuiden; betrekking waarin iemand tot een ander staat als bloedverwant; iot iemand in zulk eon betrekking staan; goede geschikt-te plaats; op zijn plaats geplaatst, zooals het behoort; ook zva. utn doodelijk verwondend, tfutu Tt njtj tq s (L/t tj mi 2 tq ij tq \\ of enkel tj im 2 11 xj^ iq s \\ niet op zijn behoorlijke plaats, niet op een voegzame plaats. vj tq gt; iTt^ ut \\ ouder zijn dan een ander, de oudere zijn. — ^iq?\\ zieh plaatsen of sehik-ken, zijn plaats nemen. — /.m gelegen, gesitueerd; tot iemand staan in een betrekking, bv. als bloedverwant, iemand bestaan, hv. als neef; op zijn plaats gezet. Zoo ook (uitr^tq^w —\'liqt i/n gt;1 tm \\ iets op een geschikte plaats zetten; iemand een plaats aanwijzen, bv. om te gaan zitten ofte vernachten i iemand de rigting aanwijzen waar hij zijn moet.

{^tqtfjtjin/js kn. 1. ras, van beesten; hv.

van een paard; van gemengd ras. hv. ;o»\'.y0\\ een halfbloed Chinees (van itm tq toijj), ook van in-landsch maaksel? Q xajI f tj)0s dergelyke kleine kanonnen, vrg. 7 t\\i 1 li w 2. volg. Ilii. ook baar moe -der, tim bt tu}^\\

\\ nq htt\\ zie hij dutasn\\\\

i riqnuts k.v. in alles met nauwkeurigheid handelend

, 00. o Cl v

[van (to hit \\ zie hui un \\ j.

1»tq Holl. kn. vernis, vernist {vrg. \' ƒ . o . O

(t ip. \'Ei^tJqitJtjis vernissen. — a nq Kt ±1 hi j\\ gevernist; verniswerk, lakwerk.

\'u )j tjj tJ)jj\\ kn. {freq. van tnt rj tqmet verandering van Kit in u t ). — (L^rj tjqw ^0.10fj\\ varia-tien in de muziek , wulpsch van aard en manieren; wulpsehe gekheid maken. JU. volg. WW. ontuchtige taal of anecdoten. i/tyK (uij ijj i j ^/1 w/j^ wulpsehe taal. — iamp;^tj tfqw £i\\ wulpsch toelachen, door wulpsehe manieren en gebaren zoeken te behagen, coquetteren, JU.

Lyrq ik\\ K\\\\r. bloem. G.; ki. zie ajii.j)\\ {zamenstellivg

van in\\ en ?).

iy m\\ of (liquot;rjiTtji\\ kn. gespecificeerd, specificatie, zoodat de bijzondere zaken , posten of punten niet te zamen hij elkander genomen en globaal genoemd, maar ieder afzonderlijk opgegeven of genoteerd worden. {Het grondw. firm het eekent grensafschei-ding van een bijzonder gebied, zooals van de kreils van een damangschap van andere Ü^mangschappen. — \'m yn \\ speciaal beschouwd in een bijzonder opzigt. Ook n rtn i, it^ beteekent speciaal). — j ;;j\\ iets afzonderlijk noemen of opgeven; iets, zooals op een nota of rekening te plaatsen goederen, specificeren; spccidiek ; in afzonderlijke porties verdeelen; uit jalonzy opsommen of tot inhetmi-nutieuse uitrekenen wat men hv. meer doet Of minder ontvangt, dan een ander.

i t u m\\ kn. verspreid, de een hier de andere daar

(vra. (üt i!ni\\). (ut ut gt; tn ui ut i m \\ naar alle kanten

^ 17 01- \' s (*\' S (Jty

verspreid.

o c\\ . 00 iit urnrt zie {Uinnw

11 tn of ft m n kn. zwak, teer van een object. •\' ibr- J

1 mi ij ui2zie bij umnnjs l yirp ij tq gt; zie (tjt gt; gt; ij ;tn rj rq w

1 t rn tj in rj tij \\ of Xj^ ij ut rj tq \\ en m i.-j ij tn rj tq \\ of gew. ut lj ij tn ij tq \\ n., u gt; 1 rj in21.1 Jt t j anjj of {ly tj itn 2 u) ^ tnjj\\ en ui ijjt ij rn2ut Jl ut tnjj^ of gew. tjj v^ij yii ki J] t rnjjquot; ook wel i j rj in 2 rj / /gt; k., {volg. Rh. kd), evenwel, met dat al, des


-ocr page 819-

ö

W If HU 1.1.ZH in^s

niet to min, desniettegenstaaudo, in weerwil daarvan.

o

[(Lyj KI 2 (Ui I j (Kl/J \\ IJl H Yj (KI tj \\\\

■S

(U ») ijrngrj ;, 7-M\\ en iui m q ap z iji ^i i j nnjj \\ zie xjirgt;i

V^PVc}NN

(,3y1 s KN- — iem. of iems. redeneringm

tegengaan o/* bestrijden. — im tj^ih i:i mtji\\ verlies lijden in het spel of in den handel.

[^kï\\ of iu•gt;»pi\\ kn. rilling, zooah bij een aanval van koorts y zoodat de huid zieli \'samentrekt en de

haartjes opstaan; kippevel krijgen, ook van vrees,

. o o* O : quot;) x o Qv o i , ,,

(vr//. \'min en uv un mijj). {t^ui tyin \\ Iierhaalue

rillingen hebben of krijgen. — iïyïs rillen, van

een lichaam..

zie 6ij nwMN

a o a o o o ,n

dji n v! \\ it.i \'ii (fn \\ en w n rj i j . zie hij ^i ^i\\\\

V U $ 1s ^ rlni NN

(u ij ni föi j \\ of ij [ »j? \\ kn. bevel, gebod, order, va?i de overheid of van een heer of gebieder; een bevel geven; de overheid of magistraat, het bewind of bestuur {org. cuiaoi m \'f kh ? \'nyj en hji ijj. % v). (Vi ij ni^njmn crii \\ de hooge overheid, het hoog be-svind, de hooge magistraat, het iioog geregt, namelijk van den Rijksbestierder; en veelal verstaat men onder aji yj h of tui ij n (un am ^ den Rijksbestierder zelf, onder iji ij ni .jn ? alleen ook den Wad ana. r/n hi rj m w gt; i^n f.i ^ ini m/j een vergadering beleggen. oj urn t ntji n ? rj i u j tui rj m un ; \\ geen order van de overheid gekregen hebben, een% registerm voor onbevoegd zijn. m (urj\'nan^s de con of andere order geven; bevelen geven; regeren. — ti gt;i ni j/i 9 \\ een bevel geven; iets onder zijn bevelen hebben, over iets liet bewind voeren, iets

beheersehen. /lt; n iu n ni in gt; \\ beheerseht worden; i \'ij

onder de bevelen staan van iemand, vrg. im im ui j \\ bij mn ui j w rj i/iu n un im rv f rj x/n ? m mi iui tfii ;|n^N onafhanklijk. — tE/i ijnii£1 \\ iemand iets bevelen, gebieden «ƒ gelasten. — fnf n jn gt; vn yf vjinis een bevel overbrengen, uitvaardigen o/afkondigen ; omtrent iets bevel of bevelen geven. — wzirj regering; de bestierder, rijksbestier

der, bevelhebber. — .ui tj j am a-nji gt; of tin ui rj V r} w.,n 1 gegevene orders ot bevelen ; het bestuur; heerschappij, regering.

^ kn. het geluid van een al verder voort-

ww, quot;ar

gaanden brand {vrg. 7 rj jf/ \'\'»/})• — ,a)\'l ^

al verder voortgaan en zich uitbreiden, va7i een brand , fig. zva. ij wjttn hu /j\\

}jia^ijiiriinijj\\K.N. het knetterend geluid van vuur dat aangaat en zich uitbreidt. — rj qp uiyj\\ knetterend van vuur, ook fig. zich uitbreiden, al verder en verder gaan, al grooter ot erger worden {vrg.

\'3 quot; 7 cn \' 3 f ? r\'nJj 0f \'tl\'I \'/?/j). (^J z\'ie hiJ li?NN

•ji^ini.i^ kn. kleine pukkeltjes, zooals kleine opzwellingen van de opperhuid bv. bij -roode hondquot; of de kleine verhevenheden op de schil van een nhinaaf,appel, eerste kleine uitbottingen van bladen, ook zva. l^h. i i u fn i i/j\\ een druppel,

ecu zier, Tj. iui titï ja i i/j overal met zulke pukkeltjes. — iiQiiï i i/j met tu^n in/j zijn, ook in het vleesch beginnen te komen; weer opgeruimder worden, van een bedrukt gemoed. Men.

{ijjj in uij!^ kn. — ^ I9f 1Jl/lN l)ar(^ei1 van het zweet op de huid, van de dauw op bladen; met pareltjes beginnen te borrelen, van water tegen den kook aan. — ^ i ^ -^ion^ mv. Tj.

kn. dikke ergens aanzittende of aanhangende droppel, zooals van olie of bloed, ook van zweet.

(ui uiii an \\ kw. tijger*

l (rr^

aqiiiiirn/j* kn. naam van een zeer vlug vogeltje, waarvan het geluid voor een voorspelling van een geluk of van de komst van een gast gehouden vjordt; van een vluggen strijder die vlug regfs en links uitwijkt , en die moeijelijk met een steekwapen te treffen is, of ook van een tandak kende, die vlug in zijne bewegingen is, Tj. wordt gezegd: (ini ujjj lj r ni ini^ uj ij u^ m/j \\ Rs. i

lu^dn ik ui1 kn. naam van een heester, Euchresta Horsfieldii Bennet. Nat. fam. der Papilionaceae, met geneeskrachtige eigenschappen, Fil.

\\\\j^ Kjjj hu j\\ zie bij ui njfj irnjj\\

ixj^drjjjmi zie hij \\rm mi w

u lipi kn. \'^ u^iuujjjs angstig, onrustig van het

gemoed\', zulk een gevoel hebben.

H nn ui n kn. do volle maan {Skr. po ér nam dh).

an ui l i ra \\ ( ?/^ v.i ui^s van de kleur van een paard, welke? 13. T. Dj. 171) of i^t in ui ki,iPi\\ en iiJivj

S (DO

rj i\'i? mi ui mui in ui\\KW. hetzelfde.


-ocr page 820-

«quot;•r

730

yrj

quot;i Yll rldJI^ KN\' k™!; fijn gekruld, kroes {vry.

v! YI\' \'quot;J m \'yquot;vny)- ~ vtè\'w kruUen\'

omkrullen; fiy. beginnen te knoppen;nieuwe spruiten krijgen; floreren, in voorspoedige omstnndighe-

deu komen, lib.

t .... O ^

(7^(yn n iq\\ zie bij iljlcr^ 1L2J}X

(uiirn tvt/j\\ zie b\'i u rrn runs t\' (.üb 4 Cc/^ — •

u^irnirujis zie hij iui rj yn i tu/j\\

ij ij) f \\ en cl^ rj hjt ? n^rjuji KK. vochtig uitslaan of doorslaan, 6v. van een aarden pot; lekken, in geringe hoeveelheid aanhoudend ergens uitvloeijen, van vochten {org.

KN. — kleinmaken, in kleine

deelen verdeelen (vrg.

zva. en km. leep, van de oog en;

leepoogig, hij een langdurige ontsteking (vrg. rj -n 2.).

n . o

fhj) ^ (yn \\ zie bij aj» ^ rwiw

terms KW. zeer hevig (Skr. praijanda), hv. rj mjt ruj^ w ij ui 2 rnn \\\\ ook zva. [nj^unnis en hji

iirnquot;n\\ \\^ m^rja^dirm\\ zie bij yjnmz

n • 7 •• amp;

)t \\ tui TLi [Oj^ rj ij) 2 trrri zie bij (Hi ruw —mi (u^

tj ij) t rm \\ wordt verklaard door im t?» f j ^ ^

run tis doch verg, {ij^ijw^ uilw

(Ujirn :Ei) \\ zie hij (hj^rniw

«quot;1

CyJ

(aJ

rjn \\ zie ^ rj iji tnrn Tv

[tu^tj kt) a nnfn \\ of rrn \\ k w. zva. is/) gt;:) 11^ ftn uj \\ rtm tfn Kj hj j en tisn is^ w — (^fKj^rrhi \\ zva. w i r^ rts»^\\ — fni }j)2of wn ^inj^irn zva. mi (kt) up ihnji en mi rm rm w (u^rltJinisKVf. zva. (wniTmww {Skr, paritjdra, bediende).

zie bij rju) rjmw ^ ^ r) \\ zie hij vjKm rj\'nw

uri/i of hii )u (Lj)j) ktj^n KN. toestel om vogels te strikken, een aantal strikjes van sëpët naast elkander aan een snoer en met stokjes in den grond vastgestoken.

(itjT^flvT) )lt;7i\\ KN. kunstige beschrijving, kunstige voorstelling door beelden, kunstige afbeelding of afschildering, kunstige bedenking; .kunstig woorden bedenken (Skr. pr aty aka, afzonderlijk, bijzonder). — (tfj ij ij) un n kunstig bedenken; iets kunstig in beelden beschrij-fen. — iij^ ijvj)ihii (htjjs tot kunstige beschrijving. tru Lii \\ een boek tot beschrijving van iets in kunstige beelden, of ook met dubbelzinnige uitdrukkingen, WR.; volg. WW. verbloeming, verdichting.

(17) 1.71 Tit

\' ijgt;(}jjjia\\ of heter ^vj gt;] ia KW. zva. w iici\\ {van

*t Skr. pratjoed, voortdrijven).

u hi ijxoz ijji of xj^ M) y ,ia i tJi/j \\ zie ^ tj) ui w ti-j ü) \' KN. klanknah. van het met kracht uitvloeijen, van iets weeks door een nauwe opening, hv. van etter, die uit een zweer wordt gedrukt;

plat voor geboren worden.

o o ... o ct

(Li r) ij) )/)) n omzetting van un ut u) n vnyj zie

hij W) -r] (isiiji Tj.

isnjjs KN.; ij) iisnujj(is)^ telkens op de een

of andere wijze uit de handen glippen {vrg. rj

rjajt Mnjj), [vj isnji gt; uit de hani o/handen

glippen of glijden; uitslippen, ook fig. zva. ijunt

niet tot stand komen, niet ver-

O

t) mi ia ia uw

vuld worden; afspringen van een engagement, im

O

0^15))^\\ uit de handen geglipt raken {vrg. mi

y L^rjuj)isii/j\\ KN. glimmend, glanzig {vrg. mi tiiyj en jjj(hj^ isn/j). ^m^^ ij rui^ijuiasnji\' een klein soort van kokosnoot met eenglimmenden dop. WW. — u)dsnji\\ ook spiegelglad; glimmen, glim

mend van nieuwigheid, van iemands kleêren, ook zva. (h^my}\\ rj iJinflf(Ui/i\\ verguld, niet echt van goud, WW. {vrg. uv^do uijj); fig. vergulde niet te vertrouwen ij dele praatjes.

ij r^\' ij ij) i iisnjix zva\' lj?gt; ^ maar van 9r00^e\'\'e massa, en zva. ^^vtyj\\ volg. Rh. ook interjectie voor het plotseling voor den dag of ter wereld komen, hv. gt;ƒ .uy tj iji t isp un ui ik nrh tm vS w en hen. van een district in de Res. Tegal. iQih)f [V^*rjwi asnn hen. van een soort ikiJj\\

O O* O 3v

\' 1 t) 11 zzi li m w

,y

(Li )j ui 2 m uyj\\ KN. naam van een melodie op de ga-mêlan. (WP.) R.

(L^ionutjl of tui tu )j) KN. een kikkertje, jonge,

half volwassen kikvorsch {vrg. rjui ij uh? \\ en )j mi2 rjijiz mij).

11JUls KNquot; zon^cr horens, van een bok of geit, WW. volg. Rh. in het algemeen van hoornvee.

ij ijl rj iji tu/j of tui tj-ti rj ij) )l^\\ zie hij .uiijiji •rut ijs

UJJI


-ocr page 821-

O

m n (7-.11 n .lt;-

737

dj?

fiji ij7^ rS\\KVf. zva. J nmjjs G.

, wwtSi asn \\ zie bij ki ru wi w

Lj/j)tu\\ 1. k\\v. zeggen, gelasten. G. — 2. w im\\

. O O (P) f, •quot;gt;

of unLU\\ en qew. (vitsnnMMl., hj) im \'?cn o/ k/i

(b»v rjim iKij* n k., lyj) tj im w/j\\ kd , vertrouwen, gfiloof; vertrouwen, gelooven; vertrouwd, te vertrouwen; öO/t /?;/. stevig genoeg /^y. een touw ; iemands vertrouwde, Kecomuiitteerdoj de grond van iemands vertrouwen {Skr. pratyaja. Vry. an kjnji/j). -toluH91 vui\\ niet genoeg vertrouwen, nog niet gelooven. — (uw \\ lt;7^w. famp;? iswitwx n.,

iSi.in)S\\ k. , iemand of iets vertrouwen, fmujiia

iu mtlvi\\ te vertrouwen. — ■ y/j) lw »^\\ «S

(i o (?) o a o

ibw n. , ei its?) «x i i \\ en f i di rj m ? \\ k .,

iemand iets toevertrouwen, iemand committeren , iemand iets in commissie opdragen, volg. Rh. ook vertrouwen op ; en vertrouwbaar, j. h i ,i iu in w y pass. enz. de persoon wien vertrouwen enz. geschonken wordt, ook het vertrouwen zelf. — iji o • O (?) o

ui ilt;v -ju ij un \\ m ib»ï lvi .Kil ^ti rj mi \\ iu isii irlt; i:i un nni of (éiinsnonaotm-üilin mn\\ iets of iemand toevertrouwen aan iemand; iets met vertrouwen ter beschikking stellen van iemand.

[lj^iSiEJt\\ KW. het oosten (S/cr. prdtjina. Vrg. (ut

0 \\

(KI \'EU \\ ).

ivï asii \\ KW. zva. rn j (S/cr. p a r drtha y belang

van een ander).

mi ui m m ■hnji\\ zie bij (U mw {oj^mijis zie bij ui rtim/j.

~ on jyj iniji A. 29.

turn iniji\\ kn. 1. ver/c. van un u rni/j in zamensielling zooals in cui yiuniy.fi ^ — tfi cn un^Kl. van m rui uiji^ in de nabijheid van een vorst, vorstin, prinses of aanzienlijke vrouw zitten tot opwachting {vrg. ut ui myj). ui ui ni unjj• eig. opgewacht worden, ki. van n\'^u^?\\\\ •- nn(uiquot;n kii/j\\ KN.de trawanten van den Vorst, gedeeltelijk pradjoerits, naar hun wachtposten onderscheiden in i.ii urn un n (injl en fJi u n un ut \\ die beide onder een afzonderlijken IFddanci staan. ilt;n ut m ;.gt;? n ni2 {of

O quot;) ck \'

v^irn uiyi) en tot ut n un im {of ik t.it\\) zijn vrouwelijke trawanten van den Vorst, waarvan de eesten binnen aan het hof, de and er en buit en, dienst doen. 2. kn. door het water af te leiden op de daardoor ontstane drooge plaatsen viseh vangen. — ut quot;n uit triji obj. den. en die drooge plaatsen.

ut ut tnt/j\\ ut ijl min en iu ici uit/j\\ kn. kort bij, dlgt bij, niet ver van iets of iemand af; kort op han -den, naderen {vrg. iQ iji utijj en Qniun/j). — ut ut urijis /f t 7^ KYijj en iamp;t lïi uii/js naderen, in de

nabijheid komen; o ut kiijj ook ki. zva. (Et uitf^

quot;gt; o a

en ut Kj ut min os. zva. ut iy-r, hn/js ifji ut in^\\

iets of iemand naderen. — ut iut touinjj\\ ui ui 1,11

iKiy of uunuii(Ki[j vrouwelijke hofbediende, zva.

vrouwelijke iuu ut ^11 (11 jj of ut ti inni/ït w {volgens

G. ook in iemands nabijheid zijn). — amp;Jt utngf nryj\\ o

zva. \'E t T) urn .ut SN ut iiKitijs kn. rij, gelid; laan {vrg. vuniKi,/; en (un iht n ilt; 11 ^t\'77 mi^ in rijen tegenover elkander, bv. van huizen; in gelederen. —/Etnl tiHfj\\ een rij of gelid vormen; zich aansluiten aan anderen op weg om mee in^de rij te komen, ut to utj liit/j\\ in regte lijnen of gelederen. —ut-nirtt anijs zamen op een rij; ook als een liedje gezongene zinspelende uitdrukking; (zva. uttJttut.ktjj WW.) zva. (humt Rh. en een als een liedje gezongen spreekwoord {ut yiimmw/j)i ook een cut\'ri i.n,zingen, \\V. 11.290.

iu rimi js ui t.di uiyj en iii ici iaijj\\ kn. nabij, digt bij, naast, bv. van een persoon die digt bij iets of iemand anders komt of is, terwijl ut ut unjj\\ ut ?j? nnijj en uilcii.iij van iet s gezegd wordt, dat kort O\'j is. ut n Kit tut ki fj of ut n iini -ju ui (ia 1 u injj{of utern \\) digt bij, o/ naast, de weg. ut uioj uit ^n^ Knfj {of ijini\'in ) digt bij den ochend. u^mt ju (isn\\ kn. ( ij Kit ^/11 rj un i iJ^/j k. WW.) beminnelijk, lieftallig, minzaam, aanvallig. — i£iniini/j\\ iQiji kii/j en f i ici igt;ii/j\\ digt komen bij {een ander

O • r \\ d 0 r

11 yi unj) zie ben). ;it ni mt asn\\ of (t^ kh^ii

(hn\\ kn. , {fi 11 mt ~at rj un? ki j \\ k. WW.) innemend; liefdewekkend — tot \'ut iji Knj of 1$ ajtdji fini/j digt bij gekomen; van den eersten rang, van gemalinnen; ook benaming van personen voor de dienst van den kroonprins en van ambtenaren % die tot bijzondere diensten geroepen worden. WW. 11. welligt dienstknechten , trawanten van vorstelijke personen en ambtenaren; in poet. Bab. 82 althans

ook van den Vorst {vrg. int ut 11 uit/j); in poëzie

O O . o O quot;gt; - )

zva. mt mi \\ en int ut rm gt; w — ui quot;n ini \\ ut ui

i,?j\\ en uijii.fl^ digt bij iemand of iets komen.


\'17

-ocr page 822-

O Cl

— it\'i ij) isrj in/j\\ zva. » ; i/J \\ni injjs (u.ij) i.t)ji dial. lurnKHQs

ajr-n tntji\\ kn. 1. een klein soort ^ ut ip im/j * 2. ongev. zva. pogen, streven, G. ook

zva. lt;in-rit het oog hebben op; iets bedoelen, hegeeren, enz. Rh. — /J gt;m.drijfjagt honden, JR. in ondiep water door a fd ij king vissehen, WW. (vry. ui n /. uj 3.).

(Ljl -n miji \\ kn.j t\'l*1 \'•quot;/ iets, zooals een ge slag t heest of een groot en visch, ook wel een nangka, in stukken hakken of snijden, ontleden. —• ajint subsi. den. — ij n inum/js obj. den. 1.1 f ^ \'r) wiiHyi\\ zie hij uiyn ook ontleedka-

mer, Rh.

l ynini/j KN. liet huis uitloopen, of van zijn woonplaats wegloopen, omdat men het er niet uit kan honden, zooais om slechte behandeling of voortdurende oneenigheid, zïe ^ isi\\ mi /j volg. Hh. ook wegloopen, wegblijven uit den huiselijken lering uit ontevredenheid, verstoordheid, ook bv. van een kind. (Ei\'fiinis om iemand of iets verstoord het huis uitloopen.

Tjui^ri imjj\\ Ml. zilver; ook voor gulden, zilveren gulden; voeg hij ^a/tiptni/j en cülipHiijj^ ook zva. Tjojt-riw ?! an (ui(Hiijl\\ wj. zva.

ij iL/i? rj-nd Mnji. Holl. vork.

of (W~ninn\\ mi\\ enz., zie bij

o a j. o c\\ o o ^ •/••

\\rij\\Kri\\ of iU \'quot;ti im\\ [G^hh\\ enz., zie bij • in w

^?3\'n?N U ^ \' \'P ^13erl\'z-y zie bij (iuynw (L/}rn^fn ig.\\ in het spreekwoord {of

Tjiwiinn/j\') uinihnhjs met gekheid iets gedaan krijgen, waarin Linri waarschijnlijk zva. im

l ) C-) e ^ \' O O CO

(^LJ \\cn u^\\ OJ (L^ KII Hj. \\ zie ui li n Uj ■

o .... o o

((M tj mii ittti •. zie bij m i u w

cy rgt; Cgt; 1 CJ- ___ Y t Qv rr.

(Ui i.ii ihi\\ /FjI un ui v - 11 h ii hi enz. 11.

S- «51, J

cy o cj« O\' *) o* , , p. ,

fu irn (h^\\KN. —• (Fji umfhs gekroesd, gelnseerd zijn v. haren, Rh.

■ L/^ini ij) r.ijj\\K.., zaak, geval, onderwerp, artikel, stuk; geschil, kwestie, regtszaak; ter zake van, aangaande, betreffende {Skr. prakdra, geval; gelijkheid; soort; wijze, manier. Vrg. mi ■ri\\ en am irrijj). tcj^ m /uynvus een kwestie of regtszaak hebben, mr^ uii ij^ inirn\\ kwestie maken.

jy; inimtu iwn/)\\ derde geval, artikel drie. m ;hi ij^ uu ni \\ zonder reden bv. iem. te lijf gaan, {volg. II. onsehuldig). w ijj im •~n\\ ten eerste, ^ ij ~h ? i ^ 7lt;77 -ti ^ ten tweede, enz. rj n g mi n twee verschillende, tweeërlei, ook van personen. Zoo ook (iQvvilt;Mfun-rïi\\ enz. — [(E^ihvti* mi rui n/js iemand een actie of regtszaak aandoen.— ( j / hii -yi (m/j» /7j mi f lui (hi/j\\ geprocedeerd; met een ander of met elkander een geschil of regtszaak hebben; procederen.

ii.11, il 11 \\ zva. 7,j hl) ni w

CY

gt;tj iu\\ nsn asn n mn tj lt;777 %\\\\ (Skr.

ij^ igt; n m \\ Kw. zva.

prakirna, verstrooid).

xji rn 10^\'Ei\\ of mtu Tji* kn. volkomen beleefd en beschaafd in zijn spreken {Skr. pa r ik r am a, rondgang : maar in het Javaansch is in dit woord aan [m^ ei de bet eekenis van /r» ei \\ I. gegeven. Vrg. (U -ri. 2.)

cr cy

li rj mi ij n 11 gt;\\ kn. — ei ij un ij un q \\ met vooruitgestoken buik en de dijen wijd van elkaar loopen of zitten, vrg. tirj ip ij ip ? \\

im ia/j \\ verkorting van cui m mi wtjjs t] irymijl mi .i.rfi i.ynsii Men.

1 mi un inyj of m miasii hiijj\\ kn. geknetter, zooals van iets dat in een braadpan gebakken wordt, en

van vele tegelijk afgeschoten geweren {vrg. ii?; iw

■gt; O . (TV

thii mi/j en iiji ij mn rj xsn 2 inyj). — ^7 nn ini unq\\

knetteren,- AVW. overeind staan van haren, stekels

en derg., vandaar volg. Rh. ook benaming van

het rijstgewas {in de vijfde halve maand, als de

vrucht uit de halmen geschoten is, WR.) als de

aren regt naar boven staan vóór de vrachtzetting

{ook iEjfisnnn/js).

iEit un m?kn. beweging, drukte; opschudding, WW.

volg. Rh. zva. hji tfn uïi

liji hii uü] hufj of ii^h?i riw imjl^ kn. geknittcr, en het

knitterend verbranden va7i haar of veéren {vrg.ui mi

o cy . c v o o ,

nsiihii/j\\ (uiHnum htip. eikumi mij^\\ knit-teren; knitterend verbranden 0/gezengd worden; fig. van het gemoed kitteloorig; volg. Rh. zva. u ihïï ïtjt\\ wh fig\' zinnen gekruld.

L^mynyiti,] en gt; ]m^ vjr^ laijj\\ 1. kn. ruw, met bobbeltjes, groot er dan schrompelig van de huid, en een uitslag, die veel op mazelen gelijkt. Sïi uyfïj im hyiji\\ overal dien uitslag hebben. 2. ook


-ocr page 823-

739

O

(UI ■•ƒ in\\ ij htt \\;Ujl

cl O ö

\'u m k»; j i

zva. ui i.rirgt;i^h n/i — j ook iels zoo

nis {/ras, ruw uittrek ken of uitrukken; iels met geweld afnemen. — \';.^\',r\'74 0^-

i i hii rjiun i.fii of m y y .is»/ kn. knetterend

geknap, zooals van brandend houl {vry. 11 i.n t /

O\'

».»,ƒ). — Et iji.n fj wi ini/j\\ knetterend knappen.

cyquot; \' , quot; CY

n IJ imz tj Mil h ii J o/ 11 IJ igt;imi i h gt; i. n firj i.n i

li Mm Kvjjs en* zva. u i.\'ïi tn i.n^ enz. WW. vol//. Rh. het geknal van kleine voetzoekers.

\'Y i v*

u\'\'\'ii \'\'h Lquot;i of \'■ \'i quot;]i n quot;*1 i:ri b\'j7x)

een soort tortelduif, Turtur Malaecensis, die door

de lief hebbers viel honderden betaald wordt, als

de stem hol en zwaar weergalmend is.

non _cX

.} i }f^ int -i i:j ni? * | gt;7 ij) i- y Lii/j\' fr angs.

op t) isTjihiirj iiii\\ \\V. II, 550.

n . n

jj mi v zte (UI \'i i nn

[.ij^nn ) i\\ ^rj inii i^js en N Kvv- zvlt;t l]\'yi2

^\\ r/» s v (^U y ».»»gt; KN.,

magtig, sterk (iSVJv. prakdsja, openbaar, algemeen beroemd), ij^ij i.iu i i\\ ook naam van een boom, waarvan het hout alleen tot brandhout dienty JR. volg. WW. mw. y/zw een plant, nixm i^ij i.iig Kia.iyrn {ini )Lt\\ een magtig vorst, rijk aan volk. rj n ty tyj hn m m gt; i.^rj i,n11 i\\ sterkeen magtige (krijgshaftige) veldheer.

I. klein maar rein; klein maar mooi. 2. volg. Rh. vroeger ook ben. van de koperen duiten.

lt;li urj iaida^Tji nr im ui ij i,n gt; hi/j zie rn ^ kiu j.i/js •

Tj.

w\'n mi -tA\\ hQhii ^i \\ li n Mn prisi) oy /ƒ lj

(Mn 1. kn. inspectie, exploratie, onder

zoek. 2. k. ki. :hi yi j \\ (Vrg. (Vi hnf^i\\\\ S/cr. par ixd). dm li li i, li \\ .u li07 itii gt; en i v li li ii hv^is onderzoek doen. —izrnini^i.\\ en 2i v#.* iets bezien; naar iets gaan zien om het te onderzoeken, iets inspecteren, onderzoeken, exploreren; iemand ondervragen, bij een verhoor. —- si n *oi^akj\\ of mi ^.9 i}j\\ 1. kn. mv. van leini

i »gt; w.\\\\ o 0 0 o

\'lt;»/^uyi^i ijj\\ en miKp k. eti ki. zie

bij l:i ^ /r»; » „7; rj i,n \\ 1,11 mi ~jii

Kiidn^ iets laten onderzoeken of te onderzoekeu

geven; k. en ki. zie bij Ïji t^w —lt; lt;iyi ai^ri iw^a.\\

of w^mihet onderzoeken; exploratie, na-

vorsching, onderzoek, li ? iris ki., zie bij m n gt; \\\\

n o - o

— 11 n L H -itk in/j\\ i^l iuji m/i of (ui ^ mi . 1 (ynjj

en iji ijni li m/j\\ onderzoek, dat gedaan wordt;

ondervraging, bij een g er eg lelijk verhoor.

11 riLiii$in/j\\ eign. van denzoon van Abimanjoe

{Skr. Parixit); ook naam van een batiks cl.

1.1 gt;1 mi 2 i.i\\ zie 1 1 mi 1 \\\\

1 ö O

W\'l\'dJl zie ,3,inKt*

lJgt; V ^quot; 1 dial, voor 11 ij mi tjW. II.

o /. o

Ly.n i:i 1 iji oj 1 n.11 11 li/jsK. , zie uyinr riw

LimiiLi/i of lt;vi Lii n/i/j\\ kn. een middelmatig groote

. o C.

bijl, volg. Rh. kleiner dan ui . li hi mi/js als

spotnaam tegew iem. met ingedoken rug en nitste-

( Y

kende billen. — \' quot;U,\'V mc^ zu^ ecn ^1\'quot; ken ; iets daarmee bewerken.

tj^mi ^mim/js kn. onrustig heen en weer loepen als van een kip die wil leggen; vrg. ik i 1\' mi^/j \\ li tj mi Sy kn. klanknabootsend woord voor.het geklets met beide handen op de billen\', ook zva. O

jj mi rj t i [ w

1 n ti.} kw. en kn. schudden, daveren; daverend geluid ; aardbeving («S\'/t. p r a kamp a, schudding,

beving. Vrg. uu n ^i hii\\).

n - i - ■ quot;gt;

( l^ mi f 1 \\ 1 hu \\ zie bij tlt; 11 .lt; 1 ^1 Lil w

ui- nijfi J^t kn. zva. cri^ iij ij wil in/j\\ grappen maken. iw ij n ^\'121 1 in ij 1 n i if 1, h i \\ kinderspel door mef de billen tegen elkander te stooten {vrg. [^Lyjmi ^\\).

O O n Z\' - lj^ 1. li 1:1 K\\v. zva. 1 fji 1^ {\\ 11^ } 1 \'in \\ (i^ £7 errj \\ ni

TO X .

rj 11 \\ 1:11 n mi mfj rj jiirj rns en niriijj\\ ook zva. 1 j i hiij (Skr. prakata luid), volg. CS. ook duidelijk, openbaar.

c^y

li i.ii iai kn. liet wijd uitstaan van do neenon. —

cy

\'f 11,11 uii\\ wijdbeens staan of liggen.

\' i \'■ \'I N KN• k1,ümoe^l\'ü^eu toestjind vau den rug. — met een krommen rug, een

krommen rug zetten zooals een kat; ook van een mensch een krommen rug hebben, gekromd zit\'en of liggen; plat voor slapen, Tj.

cy cy .....

(l/i rj mi ri 1,11 \\ kn. — f-1 ij mi rj mi\\ ecu weinig wijdbeens met gebogen knieën achterover staan.

cy o l i cy

ui ij mi 111 mi 1 \\ kn. — if.iij hu / rj mit m: iirjunrj

}jmi\\ maar voorover staan, Rh.

((ljionn , lyji/iièLi/j k., verguldsel, zooals op hout, leer, metaal, enz.; goudblaadjes tot vergulding {Skr. pdrada, kwikzilver. Vrg. lj i lj\\ IT,),


•17*

-ocr page 824-

740 aj^tn

van een schoone huidkleur, nni uj rj vn 111 ij n? 11 lis. -fljjdo i.jj zilverblad tot verzilvering. — («jion ^ritiniiw/js iels vergulden,

verzilveren, fig. 0i) ó)ii/r»7ivgt;\\ een slecht mensch, braaf noemen door zijn ondeugden te vergoelijken . — o nf» Ilt;7J ^ KT) \\ {g i 77 ?_hj /. i?

i(?/5 laten vergulden. — tyinyyis \\ajir^xm2 (ui verguld, iets dat verguld is. [(u^aa on ^

ib,?i j {of tvi uit \\) verzilverd,

d^tos ~ hj^ws {Skr. wrdd/ia, gegroeid, tocgeno-men, ontwikkeld); cu ujin\\ ontwikkeld; B. P. II, 35.

o cy o y n j. o o

ivi(in\\ of iVi (U(ia\\ kw. zva. (u ioi^aw

(Skr. wrë d cl/li, groei, toename, ontwikkeling).— i^(in\\ !m uo gt; of (Ft tinx kn. iemand aanzetten of dringen tot het doen van iets; iemand onder de tueht honden tot naarstig en gezet werken of lee-ren , een kind een goede opvoeding geven door gezet onderwijs; in iets gezet onderwijs geven aan iemand\\ o[) iets met inspanning en naarstigheid zich toeleggen, op iets studeren; iets bestuderen; {vrg. en wi m/i rj tvgt;ii w/f). ui j ru {of m ei

-t^ktï^) zedeleer. G. — (uQlta^ tucht;

opvoeding; naarstigheid, benaarstiging; tuchtmeester.

S n CY n o . o

(U .10 \\ iiJina\\ en (ijimms zie (u^ (ia w

oji f.iciai of mi rt hnij ks. vohj. Rh. een soort grove gekervelde vijl, hv. om \'paardehoeven gelijk temaken. — iamp;miiaji of pni\\ daarmede vijlen; volg. WW. solderen. •

(ui^fidci/js (kw. en kn. anker. G.).

(L/iT^taji {of (ui rri asiyj n WW.) kn. rasp of raspje.— ifji nnjj of {ffyiiisiijj\\ WVV.) raspen. — (u-r^tn an/j {of (ui Yinw/J\\ WW.) geraspt; raspsel. ajitijiw/js kn. stroef, niet glibberig, {vrg. (Mtui\'unji)\\ taai van huid, niet ligt te kwetsen; taai van leven , niet ligt dood gaan, tegenover i/trj rgt;i \\

C) o O o O . O

tui ij 11 i(in^\\ (Ui lij /ƒrj: lt;i7M uj rj n? zie r.n tj

Men.

7j (ui ij quot;ti 2 (in fj zzz ij rurj \'m dajjs

7j(ui2 ijmtirnjx kn. verminderd, afgenomen, ^öo^ay van metalen bij het louteren. — rj mè yjm mqs verminderen, afnemen als hoven, {vrg.

anjj^ bij if tui ij -ni zicii terugtrekken ö/*ver

wijderen voor den afloop, bv. van een vergadering.

(V

ajixa rjim 1 ijij^s

— rj ieiï ij-mwrj un^ cans.; ook tegen verminderden prijs verkoopcu.

QS O/ lt;V /.O\'

(ui :u) ij (lh i i-jiji \\ iui na iiyy rjiji \\ iui tj tn 2 ujijj of iui rj in i

Pers. Ar. fir d au s, kn. Paradijs.

(Ui (Ij) rj (ixi nnjf n k ., zie bij arj w (oj^ioihns zie bij (intmw

{OJ^rjiimaps kn. geschil; gescliil hebben of krijgen

{vrg. (uilt;wi(wi ).

n o

k i). van ru w

/ . a ooo. /quot;

(ui /io mi of jj ui mi \\ k w.zva.tui ik \\ uinx en zva. ok iui \\

verklaring, uitlegging {Skr. wdrttika, commen-

! v S o S o o

taar, glosse). — (ui(uioni\\ eti uiaci(un(Q,\\ zva. (un

/ ci S ci o o ci »

ïT»n ij) uj \\ — (ui (Ei (ui mi \\ zva. (ui t i ik \\ tui tui(uz\\

(ui ii ij an \\ en (Kj^ ne^ zifj \\ fi /ia vu \\ ook zva. Skr. ma hard dik a geestelijke, kn. vrij, niet in dienst, niet dienstpligtig; buiten dienst gesteld, geen dienst meer doende. — (Ui na nm (t^fj of u^ia h n jojj\\ kn. een priester of geestelijke, door den Vorst met landerijen beschonken, met de verpligting om vorstelijke graven te bewaken en onderwijs te geven in de godsdienst, oji w un an ~jii arn \\ hoofd-pardikan, hoofdonderwijzer aan een pësantren. (uina unjoin ni\\ pardikan op de hoofdplaats, dienstdoende priester hij de SoeranatcCs.

injiiin nii \\ eign. van een hoofd van Sr aw anti-po era. un Jlnn kw. een beweging, waarbij men iemand uit eerbied of beleefdheid de regterzijde toekeert en zoo hem voorbij of om hem heen gaat {Skr. pra-dax ina}. — un Ja nn\\ die beweging maken.

[ ui^ ia i5ii x zie bij aa 0511 \\\\

(\'V Q/\' . Cl/

(ui ij LmKi/j\\ tui rjdo 2 kw \\ zie (ui (Ui rj (un 2 (hJi/j\\

[Mfrjia(K\'i\\ zie bij rjiuidJiw

(iL^iUjjiLU (u^(icj(rui\\ of M.icjj rui \\ kn. zich laten gelegen liggen aan iets {Sd. pado eli, hetz.; Ar.

phozloéii, iemand die zich bemoeit niet dingen, die hem niet aangaan. Vrg. (iaqrj(U) (in/j). (Yjxjn2rn {u^\\c^rui\\ onverschillig zijn omtrent iets, er niet om geven. —

zich gelegen laten liggen aan; belang stellen in; zich bekommeren om, zich storen aan. — iu nnjj\' belangstellend van aard. —• ^1/112 m u ujij tui,iajj\\ onverschillig van aard, om niets zich bekreunend.

u^ ia ui of u^ ui (ui \\ zie bij m u \\

ijtj^da u\\Kw. glans, schijn; de zon (Skr. pradipta.


-ocr page 825-

O O dj} (K) itJ» ilbU \\

741

\'i \'V

ontvlamd, vlammend, flonkerend). — fon

kelend , blinkend, zooals goud.

to o • 7 • • 0 t

(iv^.rci (Udbiis en (M^ax» (ui a^jjj \\ zie bxj (unaxw 1.

O o

(flj) ijdmaxn zva. (tu^ijdCïithnw

kn. door zwakheid van lenden wankelend gaan; zooals van een kraamvrouw of een zwaar beladen paard; van aandoening overstelpt zijn, AV\\V. vohj. Rh. zva. mtéii a i;irn rood worden in het aangezigt, de tranen in de oogen krijgen; oo/c loei van ^opkomende zon, het morgenrood.

/ƒ aó 2 ern \\ KW. zva. cru k) ^ an/j {Sir. m r ? d a ny-

ya, een soort van trom; en geluid, geraas).

quot;) o Ox __( )

(l / u n ^4 (Ui rj in i ai i -mi .n j n. i ny h ti in .r. y ^ n n aa ?

als vogels die muziek maken, kwelen, zingen Ks.

— \'lV} 2 0111 gelijk een gamëlan.

(u^am/js kn. klank na h. van een harden veest.

— iti(M(imjj\\ dat geluid maken, als teelen van ongeloof, verachting, enz.

o . rt

[(t^ihiijj zie aJn (Eji ihn ,j \\

. n zie (ui (i,ii,^

V\'y1 KN\' klanknabootsend woord voor get rom-

netter, en van een vees/. — rj /ƒ uu ^ uii mi/j gedurig trompetteren met den aars; rusteloos en levendig, van een vrouw uit levenslustigheid; dikwijls uitloopen, om te spelen of een bezoek te doen

{vrg. ij ij ^ui ii\'jh .hiq en zie i.i ij n n tj Hj! \' -1 i n/j

} quot;gt;

iji \\ zie tui ij in*t un f.

(U^iuiis kw. zva. (rij ui^ u.nn i isr^awji nij

(i i(ifi\\ bijnaam van Ardjocna , den derden, zoon van Pan doe {Skr. P d r t h a , d. i. telg van P rotlui, va-melijk van Dewi Koenii, genaamd Prethd). ui (ijp iün wi (Lhi \\ Parta\'s zoon bijnaam van Abimanjoe. ui afi ui (in eign. van een zoon van Kresna.

ui\'y^aaiji - ikn uin (bii/j G.

^ iwj}\\ zie ui mi/j \\

of unji\\ Ml. de huik {vrg. .iui^i\\); kn.

omgebogen , tezamengetrokken, van een oor.

„9 ■» o

«-i\'gt;» Kw. zva. (Uï^n^hnr, ijtun in ~.i\\\\ urj in (i:i;j\\

kn.j cèioi asnji\'iets ergens langzaam doorheen halen, zooals de punt van een natten doek om het vocht er uit te drukken, of van kaarten, die men tusschen de vingers houdt, langzaam écu achter een ander uitschuiven\', fig. iets ergens uittrekken.

van ontleenen, overnemen; een gevolg trekken uit een of ander feit of omstaiuligheid; getrokken uit,

ontleend aan of overgenomen van tets; ook zva.

o *gt; . . o o . o- O o

\'ti1\'71\'blt;!yis {zte /fy rri ^JJ}) | m lt;hn ioi gt; if (i n ji n uj ui

(hjrfiui.i au tijj ajj uli (én (ijl n-crijj\\ uit zijn gedrag kan iets getrokken worden tol goetie leering, {zijn gedrag kan tot een goede les verstrekken). W. un

o o a. • . ,

in m un ^1 hii un ui(ij£ (ii^i (hj \\ ingevolge en naar

aanleiding van je antwoord, mh (u \'gt;ï nsu ^ nnïdK au (Hi^jj i-\'u ontleend aan den ouden tij.1 bv. van een of andere gewoonte. — ■rrilii^ns mv.nl. Z(jo dat de geheele voorraad opraakt; ook bep. darmen schoonmaken , zoodat de inhoud er geheel uitgedrukt wordt Hh. vrg. .y »]uu.j bij fig. ievi. kaal

plukken, geheel berooven. — m lurui asiijis subst. den. lt;i u iïuii (in^\\ obj. den.; volg. Kh. van den hvofddoek gebr. voor uj,n/?ƒ■»* uii ,?lt;iij\\

a 1 ui(uii/j\\K.x. geschrompeld, in zijn groei belemmerd,

zoodai het klein blijft.

uj nj un/js kn. benaming van een geurige djeroek met een schrompeligen schil {vrg. u/j ui lunjj), Citrus Papeda, Hassk. die fijn geraspt dikwijls ge-m engd .wordt m et ihn\'; V gt;\' -\' -{zie 13 V.), tot parfumerie.

ui uirini (hiin\\ kn. met een bles, lange witte vlek v. d. kop tot aan den neus {van karbouwen gezegd). WW. volg. Rh. een fatsoen van buffelhorens. — ij iiiiji ï uu ^ een weinig afnemen. — ij (EJirjma^s mv. ook iem. het hoofdhaar met een rand vau voren afscheren. — ijui ij\'rm^iuhyj obj. den; den hoofddoek zoo omgedaan hebben dat de rand te zien is; InTj. en eld. ij in rj ■ n ^iianjj den hoofddoek zoo om hebben. — un rj ui tj \'n ij unij m tisiijjs tp. zva. h o ij ui ij \'t lijn i tj n \\ zi^ bij ij ui tj

^\' M \\N

ij lt;i njni?uii/j\\ kn. 1. scheef, scheef getrokken, van den mond. — ij ui ij m uu^q \\ een scheven mond trekken.

lt;ïj (UI? Ijni2iun/jgt; kn. zva. dirj \'f i i^y x^njj spuit, ben. van hel teeldeel van een hert, en zva. oj m ij )j\'n?uij WW.

{^j hu {\\ [Sji\' 1 ^ m j \\ iets bv. spijzen in

kleine deelen verdeden — (k/juii qt/iiij in \\ hetz. Tj.

o .... O rf

{u^un ^n ni ili\\ zie bij ununjj\\


-ocr page 826-

742

{M^miKun tintzie (M^nsn a.iiibu gt;\\\\

„ - i •■ a ij^iy tj djnaojjs oj n.rif * anj^ zie bij ijn) i miw

(ui^i (tgt;}i fci\\ kn. wat tartend, snoeverig {van (un^s

met ii-ims zva. mii (Vin^), K.

{^*1 iü)it(ïiitn en (if^iLnnni ij\\ zie dij rjiL;u?mn*

(ui tvhll l^\\\\

O O • 7 ■ 1 ^

{oJ^it ncns zie uij i n ri^yin/fS

((u^ (hn inh -t* \\ o/ ; (U in j. h ^ \\ zie 11. gt; ,ƒ». u ^

regeling; voorstelling van een wijze van handelen, plan, raad o/ raadgeving, wenk om dus of zoo te werk te gaan; maatregel, wijze van handelen, middel om in iets te voorzien, hulpmiddel in zekere ornstamligheden; gedragslijn (yry. ij nnu\\ ) eeremonie, ceremonies, dv. afin hei hof of bij plegtigheden; in acht te nemen regels, bv. bij het dansen ; zitting, van een regibank. itJnni0 boete op liet niet verschijnen van een gedaagde op

den bepaalden zitdag. — ^fi^n hirn / p een ^i.i i n C~)

ahiirvhp uitdenken of geven ; en toepassen. —

o C) lt;*gt; o ~)

fan ani\'ti^is mv. een i^A.nhnnuj geven aan.—

(hgt;n aw iu ij mi \\ het een of ander door zijn raad,

wenken enz. leiden, de regels enz. aangeven voor

het een of ander-, een i././mm^\\. uitdenken

voor of geven aan.

s o n lt;V ■) f ) cis . v o ,) . . ^

cm lt;i4// u ii n.i\\ en ivi asn :hii u i \\ {m Kratna ook wet n

o Q o O . O O V . rT ,, . . (un hoi n i ifjjin/j en li lz: j uii /»n). llull. particulier, ook voor ollieieus, niet officieel, (vertrouwelijk, in vertrouwen). JR.

a it o

^.///ib//n kw. h^iji {itii (rn\\ ii£i:ij.iii\'ijibii.j\\

l.ii i, ij j \\ (i.i ij v/d,i. i\\ iijt^ üii 11w {Skr. prath i I a , verbreid, beroemd, prat it a, begrepen, verheugd).

O o

rvi\\ zva. ^j t.// ^/?/»:/»/ ruw

r» ■gt; . o o , .

iih 051111,11 :kijl\\ Zie .lil ln i i js 11.

o n CV

(j^lt;ii//(ki nnKw. zva. ,i.i li i.i^ li i,i^ i,i^.\'\\ cijiymxjn

(yti \\ (ui rj (in i,Ki\\ {Skr. pr at is ar a, amulet, behoedmiddel, beseherming).

KW\' *quot;*• \'7quot;/\'Tón \'T/T (Skr-

pr at isth d, plaats waar iets staat ot zich bevindt, woning: roem, vermaardlieid). ,/^ bf?/ƒ ^/./^/il\\ gezeten cp stoelen.

sa /.o

d/iitp uis of {O^ani li kw. zva. tilt;151^ \\ 11 mi,t?i .• / \\ en ui .Lu \\ {Skr. pdr thi w a, bezitter of be-stuurder der aardej vorst, prins; van ).

of.iaj^(Lnri\\ kw. zva. (i:yiu\\ de aarde, de

natuur, ook eign. van een godin, die over de aarde heerschi (Skr. pr eth i wi of p r %ihiwi, de aarde).

tuiiihj] zie bij r ij ui mi j .

(«jjtiJh uinrijaoji^ kw. zva. iLirj i,hiUjq\\ {Skr. prat

ban da, beletsel, hindernis, teleurstelling).

l^L^ihii hli \\ zie bij ihinruw

I^tu V Yj^ II n Zie /ƒ lt;15// 2 U I \\\\

( li^ij lu tl i\\ ^ij ten ii iihis f nj\'lu ili i,n ^nrjhii en ij Lii ii i (Khjs zie bij ij i /. li i a ij (lii 2 ni \\ of tjiynjiits kn. benaming van een bijzonder soort van Lmmi \\ met zilveren of gouden beslag {Skr. preihoela, groot, wijd).

((lyi ii ij n i2mtji of i i n ,lii ij n i2 uajis zie bij ilh ii^w :^l^iliiiii\\ wt/.?//,L/\\ / j lii ,li \\ iï.i rri ,b// ,li^ en [Oj^ilii (Li (idip zie bij (i.ini iw

O

((li ljjjj i, ii -1 \\ (lu u ii _iv» « (l il mi -i i s en li lh /. // \\ kw. zva. \'lkjl^i.kis en ijibnii(lh.ili\\ {Skr. pra-tgaksa, voor oogen, door dc zinnen waar te nemen; evident, perceptibel).

quot;gt; /.o : )

1 hin in ilii oj 1 ^ l a.n thii kw. zva. uman-i

o (\' quot;) 1 •gt;.. .0/ . j

ijdci ? ,Lii/j (i. i iuj h}i\' en ibiri\'i lis {bkr. apraiina-

lah, onverhinderd, onafgebroken, ongedeerd, onverzwakt).

(ui• gt;1 lt;ii7/ f 1 /j kw. zva. (Li ix i,?i\\ {misschien van (ui\'ri\\ 3. en tLiLU/j). G.

O ^ / C/

^ij.ts// ,//\\ kw. zva. Li ihi.ii 1 1 lhjj en .mlt;i5wfim^ {okr.

p r ai h a m a, eerste, voornaamste; hoofd).

{.i llii \'u i. k., zie bij w rj,lli2 jw — 3. kw. zva. a* :)

^lii\'his en ,lii ai li li~.i tui (tli i li (i^jj.

(iij ,lii it j s # iti n vu a 1 \\ zie bij azi /7 lt;tw 2 4 w n

{i^lii,i i\\ kw. zva. ij(Yn2 ij iliihitji en ,111:1 \\ pop; beeld {Skr. pratimd, gelijkenis, beeld, afgodsbeeld).

O • 7 .. O

1L11 nLHijj k.; zie bij .binii^w

\'n ■ ».. O n

(ii 3 /I *1\'/]N zu\' bij Lil f 1UJ \'hiijj N

u,l?i 1 ij ip kn. poet. zva. / ƒ ^ »m {Skr. prat idj-nj a, belofte, verbindtenis). — [tiiyL?i (rrjj^anjjs elkander heilig beloven. G.

00-) o O

/ƒ,/j?.b//lt;is//\\kw. zva. iL/v cru (rn rn w \'il^ li j au ij

ij ra w {Skr. pr ob h 0 et a, voortgekomen).

. ... a.

(fl^to//./. // gt; \\ zie bij (bii iirifw

uu,lii (m li(l?i \\ kw. zva. (k^rj (ln ij i:i\\ {van het Skr.

patang ga, de Zon, met pati, heer. i\'k.). .rji.^ij\\ kn. klanknab. zva. ^iKjj. ook van de slag


-ocr page 827-

743

van ecu in het water geworpen vischnetj ook op eens, in één keer op, verteerd, cn zva.

[(Lfa h] of kn. IcLanlcnah. van hel te mor

sel vallen of gestampt worden van een broos voorwerp.

of kn. de bronstijd van de tijgers.

(hji \\ zie iu ij n i m w

kn. kopergroen, Spaanseh groen

en (im^gris). — ^\\ iets, zooals een wond, met

proesi behandelen.

o

quot;/ ^7 N ^ \'^7,

kn. Perzië, Perzisch.

(u(va.\\ 1. kn. ^z; wpiiïitiriiiw — 2. k. en ki.,

o a\' t • / 0

zie tin iiqw — tutiyi\\ i. kn. , zie bjj (Lmmo) ^iw

— 2. ki., zie — 13. ki. iQji iri\\ of iu(iviiva.\\ hooren, door hooien vernemen, zie bij

q/ / • ihiU tijitiyis pass. en ki. {-ie

... O v cv o • ,O

öz; o n). — if/ï »gt;/ \\ k i., zie bij ■\' i ^ \\n t;

■v o

irtum ~jn ijCK}} \\ J. rt\'. [li^uri ^kku VA.van

ik.i nm ij inh \\ iemand iels laten zien {pass. hn

O/ , O /

aj) VrtiHV~Wlt;niK}t\\). Z. (ijl L\'l IHH *Jtl Yj ih\'U \\ ZVtt. it I\'Lil

i \'i hn -ju ijiHii \\ zie bij (U^s {pass. aai ^Li iyiani ^/n

Q/ v i

7j(Un\\ en (Kil om iyiikïi *jiitl ikii ). —(li it i i,i\\ ki. j. ibin^ ? \\ 2. ki. van (li ipa^iu)

(wyiaj)jj\\ 1. ki., zie a^aoiw — 2. kw. zva. (Litut een stukje afhakken of afsnijden om gelijk te maken. llh. {een ander zie ben )

wnojiJis 1. kn. mv. en meer bep. de schil van een kokosnoot aan de kant van den stengel afsnijden en dunner maken, om er een gat iu te maken, daar men het vocht uit drinkt. 2. ki., zie bij aj^ihip\\ — (ui iamp;i\'t t M/j en i^i lt;t i mtKi^i iKiq\\ zie

6iJ quot;y\'p

iti \'t~i Q^i/j\\ kn. een langwerpig schild, in onderscheiding

van (LiiTjiuw {Ml. parisei\\ ook Tamil, schild).

O .. o

(li(ti■/m/^ kn. uitgeperst. — (Pjiiua-^jj•• iets, zooals nat lijnwaad, door drukken uitpersen, uitwringen; melken, een koe melken {vry. in(L^ ^\\),fuj. 0iï;yaa\\ zijn gedachten of verstand (tot het uiterste toe) scherpen, bv. om hel een of ander te verzinnen. — lt;u(U(KiJii\\ mv. — du(ukkji1. kn. het uit-perssel, uitgeperste. 2. k. , zie ajj\'Kj. II.

o

\'l/ kn. turkoois, een groen edelgesteente {Vers.

XjjjjJ) — ee11 turkoois.

quot; j kw. zva. iLii^!Kijj\\

ti.j ij1. kw. zva. (Licii)(hjivn(ni j\\ — 2, kn. de pees tusschen scrotum en anus {de wortel van de aJ(tti(in(lij 171 7 algemeen een pees, die in\' verbinding staat met het schaamdeel zoowel hel mannelijke als het vrouwelijke, van deze laatste bo. tjnj iji i^ ijy i, (i-j .Qijfn i(KUji\\ ook fa spie of punt (het verdunde eh.de) van een balk, die in het gat van een anderen balk moet sluiten. — ~ïi(ui j\\ met een spie, van een balk.

n(litjii(kijj^ kn. gelijk met de rand, boord o/*oevers; a^i ij (ui lt;rj n een gelijk met den rand afgestre-kene maat. ■— ij m ij n (1^ \\ gelijk met den rand, van een maat van natte of drooge waren \\ (en niet overvol {vrg. iei rn» hij (uii rm ) fig. van een persoon niet ten volle bij zijn verstand, simpel, {bij het rij sim et en toch wordt gewoonlijk mei overvolle maat gemeten, enjs ij i ia-1^\\ geen volle maat; ook een maat gelijk afstrijkin.

rj (ui2*111?o^i/i kn. pakje van sirihbladen, zooveel als er gewoonlijk iu een peperhuisje van pisangblad (gt;ƒ «J)2 ijci^ii2) bij elkander gcotoken in een sirihdoos klaar liggen {vrg. acia/n l\',^\'//)• ^\'L\'? r}n\'? *1112 lt;i-12ij ii 2(iji/i » enz. ij iU 2 ij iu w/j\\ een pakje van sirihbladen maken. — vj (vu riii2(hJiJ*i\\ mv., cn sirihbladen in een pakje of jukjes bij elkander doen. — rj(L/i2rjii2(i^i(hn/js in pakjes, in pakjes te doen, van sirihbladen.

(Li ii ai^\\ en gew. tvi 11 my n iu \\ of lt;li (Ui n oij \\ eign. van een Djawata {Skr. F a r asjoerdm a, eign. van een halfgod, den eersten van de drie llamas, de zesde incarnatie van Wisnoe, die op aarde verscheen als zoon van den heilige Dj am a-dagni; van p ar a sjo e, bij 1); o^i of [Xj^ ij(iji f anjjs nm. van een fatsoen van krisgeves!, nl. met snijwerk in den vorm van een pop.

(Li iy (Ki \\ zie (vi rjnt i.iw

O \'

(LI 1111(ls.1 \\ Zie lU 11 1,11 i-i\\N

ti ij ii2 (Ki\\ (vi ij. ki\\ of 11 \\ kn. geweld {Skr. p a-rawasja, (in) de macht van een ander). iQti^i ihii ~jiiif (Kii ili ij o.i \\ geweld gebruiken. W. — iei i^ (k/i\\ of {ifjKi\\ geweld gebruiken; iemand met geweld dwingen, forceren. — cLi^tuis geweld, dwang.

ij ii.ki * kw. zva. (vnjvn \\ {Skr. poer t sa, drek)#

\' l\'l ^ ^ \' KW\' ;\'Va\' 1)1 \' rjs V]\' en ah \' \'quot;J\'N


-ocr page 828-

yVJ.u,nji\\

74i

poeroesa, mun, cüh man, pauroesa, iruune-1 ijk he id, kracht, magt). .1 (tu iti\\ een uitstekend man, een gvvoi hdd {S/cr. po ero d sólta-vi a, een uitstekend man).

kn. Hull, present; een cadeautje ,

fooitje.

tui ij -11 m aft/j \\ zie\' hij (U n }lt; n ~\'iw ii ^ \'u.i- / /y \\ kn. een soort van ijzersteen {1 m ^ .vihHs); ijzererts, (magneetsteen, Uli.). oo/t lt;01 a?i tjt u]\\ Dam. Woe.

( tyKi/i.j i.iiq en hjiiw itn/j\\ zie bij

ii i ijj h 11 /1 \\

[HjintKiiarn td. zva. .L\'lt; ixw O\' ai

\\ zie bij cm \'byjjw

Iloll. voorschot, vooruit ontvangen geld {vry. cuii lt;i 1 ^ïaziaaj]).

lOj^Ds.} (La\\ kW. zva. mi ij ah 2 \\ en imaji tj (üii ? (ki/j {S/r. yrdsdda, een tempel, paleis, hoog gebouw), x]

iiy(Kilt;ia\\ iu een prasdda opgesloten.

rt / .1 o

iL)(ly^nx)\\ of (l^iujuis kn.; ^fyK^iu)\\ enz.,

dringend, sterk, vurig verlangenj met verlangen

naar iets streven; met inspanning en ijver zich op

iets toeleggen; 0/\'op iets studeren {van a^uw en

vrg. Qkui\\). (Limi\\ het dringend, sterk,

vurig verlangen.

^3amp;i,x KWzva\'

(iji iu.) ihuji of urn lt;m Jr. p h irdsat, kn . li-

siouomie, iemands llsionomie. i] ii:}nuiurn^i(hii/)\\

f (yi (

gelaatkunde.

(UI 11 (V. t \\ zie (Lt lt;?Ï 7, X gt;\\N XHti ylfn

(^3ibi\'l,Ji\\ Kwzva\' Ln \'hl - , \'u\'N mi (U)iiJi/j en (uaci^n /ói (Ci on j (S/cr. j) r a st dw a, gelegenheid, gescliikte tijd). — ilJgt;quot;iü atl/l\' poët. zva. iti n.1^1 un hn

Ij uu \\n

zw bij hiiLjjijW (uimjTi (M emjj \\ zie bij d n ij n v, 1 /j \\

{uyuiKiiiiii/f\\ zie bij wi.)itn/js

iu r?i\\ (rtjjrgN (M nio p KW. zva. lt;ri^ trj \\ {S/cr. pdrsjwa, zijde; parasjoe, bijl).

{aji(kjuijt\\ zie (ki cvi \\ I.

f»?/ vAtrujjs lloll. perceel, .njif?) tu iln ijj\\ lui ui ot\' grond, die van het Gouvernement gekocht en perceelsgewijze in de verpondingsstaten opgenomen is. 11. volg. lUi. verstaat de inl. er onder particulier land, particuliere landerijen.

(itJOJia

(u^jsw. omhelzen, (uihji j^ pass.

w .7^ \\ k., zie bij (uifiJi w

00 ^ / 7

(uirnlt;KiiLi\\ kw. zva. M [waarsen. van ui

\\ I., en (UHamp;ts).

(J3 (■; ^//N Holl ^ r a n s c h m a n, Fransch. vj cm i rj

rfihi{^ ui(Hijj* een geneeskrachtig kruid, dat in

de hanen gekweekt, en tot genezing voor venijnige

verwondingen, zooals een schorpioensteek,gebruikt

wordt; het afkooksel der bladeren dient ook tot

zweetdrijvend middel, lih.

lUujj\\ verb, van Jav. \\V.

{tu^tu)anjjj\\ kw. behoorlijk, betamelijk {misschien verb.

van het Sir. pr a sj as ga, [; rij slijk, lofwaardig,

zeer goed. pk.). G.

[lu^^Kr.n(injj\\ kn, verwittiging, vroeger berigt of me-

dedeeling; vooraf of vooruit verwittigen {waarsc/i.

Kramavorm van {nj^thurri); ook gunst, genade {Kra-

mavoxm van prasdda, gunst, genade, pk.). —

^(Kiuiuigs iemand vooraf te kennen geven, doen

weten of omtrent iets verwittigen, — ifciwain t.i

^ Cf

rj urn \\ omtrent iets vooraf iemand verwittigen.

ij dj) 2 urn ihHjj of auivj ut 2 uu (uiyj \\ en oj^ ij ut i i:n ityi

w/J^ zie bij ijthwam asi}jj\\

zie

{ojylj}^ k w. zva. ^i^.r.nw

O ... O

(tu^ij uvs dial. zva. {.u^rjum

S

/ zva. (u^ajiw x - / o n

ci/jj Uis of u^,17/7\\K w. zva. ui 1:1 a^niHyj\\ .1.notj\\ en if ui (LiKHi/js de {of het) eerste, voorste, vorige, vroegere; ook het oosten, oost (Skr. po ér wa). .ik iu an —jj\'Vi\\KN. de voortijd, de oudste tijden, jli an tooneelstukken over onderwerpen uit de

voortijd, v)(Liiiiu^ uji\\ de poppen en figuren daar-voo r {vrg. art i ij uji 2 wjjj}. tui uii \':i jj vt \\ die poppen en liguren vervaardigen, (u oji wn(üii\\ naam

s~~\\

van een rijk, later im a rri jni n iti 2) 11 an/1 \\ thans cl\' \'

lilora? (B.) uj u»arncyn\\ zie ben. ujdWjiKjij ijii\'.T)2arn*jn(uvjj(fj^\\ de vroegere geschiedenis van jo oudere zuster, (WW.) R. umu^ u)(uiaPi\'i\\ zva. a/ii ui iun -y» anïw v a 1 am ifn mi n / n kn. de zonnebloem; ook naam van een batik set. lt;1^ arn .vi ij God

de schepper, tin fn a^j arn \\ of enkel u^a.n \\ grondwoord, de grondvorm van een woord — ^ (ui \\ of (f^x.ns kw. het eerst iets vervaardigen, de auteur

7lt;IK \\ Zie (UI (t^) \'lf\\ w


-ocr page 829-

{(Lf (tSU \\

745

van iels zijn; kn. scheppen {wy. ari \'tgt;n %

(unvjihii^ en zva. k-\\ jfij \\ onder zijn magt of bc-lieer hebben, bestieren. een ge

dicht liet eerst vervaardigen. (KH^nm\\ kn. de Sohopj)er. thh ^ rjr\'n ik mi(WJj^ de Schepper der wereld, (nii uw (e^xni(un iliyj uinuj\\ de Schcpper van het gezigt, of die het bestier lieei\'t over het gezigt, die het ooy van den geest verhelderen, van hel zinnelijke ontdoen kan. AS. 221. mu ^ it,a,/1 imtui} ij tvi a tj i,j \\ nog onder het beheer van zijn ouders staan. — tEj uinfj\\ kn. de eerste aanlegger of auteur van iels zijn. f^ i.ni^ iels bestieren, dirigeren.

(oj^tui(ki/j of (vi•-*!(oiaaj! kn., i.nihjj* KI.,maagd, ongehuwd meisje, van twaalf Jaar af en daarboven.

een meisje van over de vijftien jaar. hn^ivijnji zich het air van een 3-njj\\ geven,

Tj. (in)ri ri(m^\'U)(Hi/i\\ een Arènboom, die nog

nooit is (of voor het eerst wordt) afgetapt, Kr. (^ij

O / o /

\' i ffi run \\ laj^iVi ui-^a n] \\ en i \'i in ij spr.,

. ... O / o /

zie uil doiizni \\ i),j(iiii\\ en eni iirirmw

cv ^nlco

majirjm\\ kn., ajiiui rj itnz(ijijj\\ kd. , m de spreektaal

7 o O\'

zva. «ftuninnLynp oj ij v.rid nbin^i \'/^7^ \\ iti t:i ij yi

TSs zva\'

riyui ns zie bij wnw i ij 11 n \\ en tni ^uinjin^ (injjs zie bij iUi m w u i iUiwi\\ KW. zva. aiMnij en .ui i?i rn qnys (Skr. v o er w a ka, eerder, vorig, voorgaand, van po ér-

/quot;)•

T

w a, zie iL

\'li )l 11 UI 1,11 ihn^

I zva. un ui ii-ii(Hiij\\

^ ui uiiyn\\ kn. zaïneuvoeging, zameustelling, zooals van em ijamHan uit oer schillende instrumenten . en van twee of meer woorden {zooals i i tj ? r i a ƒ oiu)] ook een vers ö/verzen, zamengesteld uit een aantal woorden met gelijke klanken, die dikwijls niet veel meer dan klinkenden onzin behelzen; en naam van een gebouw ten zuidwesten van de prabajasa, binnen den ringmuur.

(ii^vfiuinawiw. ontmoeten. G.

ry

(li t)) iixi \'tin kw. zva. (u t in ■yiim/i\\

(\'Ji

(Li nviti^ivianjisKN. wat klikkerig ^/kwaadsprekend van aard {van u en IV.).

(U(Uinsn\\ of {M^tui fan\\ ook wel (Oj^tiiiiaw\\ kw. zva. (yrl *1N {Skr. parwat a\\ x.n ip n ui rui mi \\ en iJpjj (RJ^tuidsn Mtbn \\ namen van Batara Goeroe, {u^ ui auim i.tsi^\\ een vulkaan. — ^(icnijaxizasiii^fviasns sch) ijjfout? voor 0iufjp een breed uitstaande dódot, A. 20. — iukukuiu als een berg (zoo groot) en iui (ui asiin^j di// \\ of (Ei (O) asiiaïji (ij) s als een heuvel (zoo groot), vergelijkingen om een hoogen graad te beteekenen ; bv. vu Kij .tri? (ui q iti iui avi oj^ iun \\ hij was opgetogen {of in de wolken) van blijdschap.

((Lïoiii/M kw. zva. (uixrnjj\\ oorzaak, rede {van

o .

i .t ibn \\).

.-gt; r»

ii J (i» ten \\ zva. u.^ uil (uii \\\\

(Oj^i)i (Lil im^/j\\ zie bij *1 (ui (ibii .p

X

[.u^ ui i v ji \\ k w. zva. i n Kn foii/js en xm (hu jw

C , s o

[U^ ui I i \\ (uij tui i, i n (j^ ui /ui \\ of (Li (ui (ui \\ KW. zva. fon

a

11 - J % \\ {(Ui^ i s \\ :ki i, ii/J \\ fon forj v en am foil am föui i

(hi/j {Skr. parawasja, zie ai gt;1^1211 {). — ^amp;^ ui o

(ki\\ enz., zva. ((h^ isï\\a, (ei ijijii^i\\ ^ui 1-1 anj en o

na ij fon ? lij w

{li 1:1.7.; \\ zie {foij(Ui 0.1 \\\\

(Lirri ui(Kin kw. overmeesterd, overmand {Skr. parawasja, in eens anders magt. pk.).— ,t.jm(uiq^i\\ overmannen, overwinnen, bedwingen.

[fo^.uiiLi\\,zie bij 11 ruw en vrg. uiy uutuw ij ^iy)i\\ kn. — ouder den schijn van vriend

schap; iu schijn iem. misleiden. L. 190. — na ij ij iyui\\ pass., volg. WW.

ui ui Wip ook wel rj ? ui .ui anjj \\ een medium , een somnambule, een geest, die gezegd wordt iem. in den droom aanwijzingen te doen of raad te geven, hoe ie spreken of te handelen tegenover menschen die om medicijnen of raad enz. komen, Uh. xcj tj ui ij (rfj üi .11 Mi/p of enkel ij ui (ui aQp met den duivel omgaan.

rp^nup kn. klanknabootsend woord voc^r het vlot-seling breken van iets plats en duns, dat door zijn broosheid bij de minste aanraking breekt, zooals een slecht gebakken aarden schotel {vrg. ipij^i iu/j). — vj .Eivp uyii p van broosheid bij de minste aanraking breken.

tf iayruijj\\Kii. zva tj ^ nuy \\ maar van groot er voorwerpen; en vanzelf bij de minste aanraking afvallen of uit of van elkander vallen, itliiii^q zegt rren van iets dat zonder moeite bijna vanzelf loslaat, uit elkaar valt; ook jig. eww amp;m.\'die scheutig is j van iem. dien de woorden uit den mond


-ocr page 830-

ÖV\'L\'quot;^S

74fi

11 rj \' I a I !jj \\

vallcu. — ij ngt; bij de minste aanraking

door broosheid uit- uf van elkander vallen. tut ij\'yitiinfjs Holt. kn. parool, wachtwoord.

it r ofv \'ny kn wat noodig of noodzakelijk is; van groot belang; het Lelaugrykste; iets noodig 0/ noodzakelijk ie doen hebben; noodzakelijkheid, noodzakelijke pligt of verpligtingj groot belang; dringende beweegrede {Ar. gt; p/ictrzloe,

noodzakelijke 1\'ligt). (u crti rj oji nvt anj\\ verpligte religicnse handeling, die men niet nalaten mag. gt;1 mi njiLif if 1 ij ij (Hj uil (ui mi an hj^ rrv^ ij rhj \\ heb j e iets van groot belang, dat je hier komt? (un(hij (L^ fiL^ (hu (iw ff h ti ? ihi J?i ij hm »1 o s i k heb j e noodzakelijk iets te vragen, rjn))ifóian tj 1 li?(yojj^ een dringende reden hebben; ook fatsoenlijk voor aandrang hebben om zijn gevoeg te doen , Rh. »

ojtumni aj^rip onnoodig; iets onnoodig, niet van

1 cy cy

belang achten. — *lt;v oji ijrtitinjf of tui rjaviziinjj•

CY ^

overdreven mzijn; nuttelooze drukte maken.

(ij ij rvi dtini ~jn ij dm \\ iets als noodig, noodzakelijk, van ^root of het grootste belang beschouwen; van iets zijn eerste werk maken; iets als een zaak van de grootste aangelegenheid behandelen; {ook

nopen, dringend bewegen. G.).

o .... o

zie bij nijyw

n.i ij gt;yn \\ KN. wulpseh.

n * .. O o .

(li zie bij iiji iLiiHn/j\\ J.

(iu^rLinJi\\ kw. zva.

[ij^ rliilii\\ en (qtvklvis zie bij m iluiw

o ... o

iLt -ti nu (tfi injj\\ zie bij au m w

o . r)

rhi li asii \\ kw. zva. ii /n en li li rj1 ? aojj

W. leer, onderwijs; zedeleasen (Skr.pralapita,

gezegd, gesproken , verklaard). G.

[OJ^iWiiÈis zie hij rLt ri\\\\

ru urn ■. zie bij 1 li a w w

of 1L7 (U mjj kw. zva. i i^ (if^\\ (ui an kvjj\\ .15^ r»)?

O O

\'u/js ^^7 rnii iUj^ (bii iLt 1 ili en ni aji hiijj\\

r O O

0f lt;f-gt;M(Ui j\\ zva. cni LLijj

_ . O o Qv quot;) 1

an\'tl-,\',L,s en [W\'Uihvjjv KW. 1. in het nauw brengen, door al nader en digter te omsingelen; ook zva. ili (U (HUj G. m .pas

sief. 2. de vuist, een vuistslag, vry. azné]\\ (uicni ui !U (uji\\ een stuk vlecsch zoo groot als een vuist.

00 ^00 .00 .-gt;0 OJ iU! f \\ Zie IVI LI ^ \\ kn. - iUT}(L/l

of q \\ troosten, tot bedaren brengen, ter neer zetten, WW. votf/. Kh. wettigt met zachtheid, uf met zoete woorden iem. toespreken om hem hv. tot bekentenis te brengen, om hem te bedaren, ie troosten, te vleijen, enz.; ook wel streelen, eig. behandelen zooals uien met een (Ci cui % of lapje bv.

een wïrangka glad maakt, polijst, zie (uiajiqw

O O O ...

vrg. » \\ 11^ i.ifj en tai mjj d.i ~jii (n^ (i-jjj bij iri^ a^jj

tj (Li dnjf\\ zie bij mi m w

(0311 ? Md., zie hij (inilt;i?i\\ 1.

ILI T» LI (li (1(1 /j OJ ,IJl ^ LIJ (L I Onjl Zie UIJ (lil dJlW

li n ixjj^ m\\kw., /11 ikkii ~.jt)(}nijj\\ Ml., veinzen, voorgeven ; schertsend, kwanssuis, bv. driftig zijn {vrg.

m\\ (li (l }i l! ), W W.

op

(u ii t.ij (His kw. zva. ijiiLifs a)gt;(Ujj en lt;\\

{Skr. par ip oer n a , volkomen , compleet, geheel; voldaan, van (i^ ihn mei m nT) \\ 2.). — (Li rri Lj cm \\ in den vorigen staat herstellen; volkomen uitrusten , in gereedheid brengen, opschikken, uitdossen. (u kj n]Lj (Hi v uitgedost.

kn een aanhoudend geluid , gemompel. G. {waarsch. hetzelfde als rjia^mi^ct^iarijis hij

O\' CY cvn cy o

tui (uihvji en iu(u hhjj\\ zva. m (Li /.ujj en (u (li(hiijj\\

{vrg. (Li m iinjj). — (Li m m unj^ naderen, K.8, 28.

CY\' O • r O -4 , . amp;

li li urijj\\ l^ li hu/j of (u iu Ld (knjin poet. {vrg. Ld li

(hvjI enm aJi\'TiMnji). iu(ult;i£?i\\ enz., iemand of iets

naderen, op iemand of iets toeloopen, vrg. isdiu

(hm bij iu Ld tni/j enz.

(Li \'rj iu dm ^d n kn. dwang, geweld, geweldgebruiken;

gewelddadigheid, geweldenarij {van mei

Ld,ri\\ 2.). Zoo ook vjniz xcim\'l](utini~amp;t.\\ {vrg. bij

rjnizn^).

O O / c.t.

[(l^ l^kw zva. lii nu\\ (linhiidojj en isriasr^trri^ {o/cr.

prdpta-, bereikt, aangekomen, verkregen).

kav. zva. {Skr. prdpti, verkrijging,

bereiking, enz.).

luutelles zie bij mliijj\\

L/i iu Ld lii/js poet. zva. li an mi l i anjj (e) la Ld (isiyj

zva. li da un ui dnj vrg. lji iu \\

(u^mibnji\\ kn. ; het donker worden door opkomende dikke wolken; Wil. ook donker worden van iemands gezigt, WW. volg. Rh. klanknab. van het suizen in de ooren veroorzaakt door een snellen gang of loop tegen den wind in. iLjiuiui ^ou iLnjjs klank-


-ocr page 831-

^ HJ) nsujj \\

747

1*11 \\

nab. van een snellen gang of vaart. Rh. {vrg. hji (Lnjj). (hxcuthn^r verduisteron, van het gezigt j WW. en zich zamenpaliken van de regenwolken, zoodat de lucht donker wordt, Wil.

Ort - O O OO - O O

;u (hu/j\\ of (ut n) (Li fcnjfs en ^ ivi ubuj) oj f ie gt; i u i

. J .. O O

(bnjj\\ zie hij tijnu(i,njj\\

i^j,j.|(isnijnkn. — v°or ^ae 0,1 dauw uit

gaan mi of ander doel; in den vroegen morgen iem. overvallen, iets wegnemen, enz.

dj , y ^ (L/i nsnjj rj {^j ^ (U teiyj \\ ^ y ^ «./ƒ )ƒ (LD aniji • M\'iï ij (LHm i j\\KH. de geheele gedraging, het doen en laten, van iemand {van ijiuniLiqs met (uirn\\2.). ui ) i ij iiji ait iHijj\\ kn. de betrekking tusschen zwagers en zwagerinnen, namelijk tusschen de mannen van twee zusters of de vrouwen van twee mannen; aangetrouwde zwager of zwagerin {van (i/nrj(Li\\). {(uaiï {^ 1. e» w. zva. nni(L0) {\\ en nrix-hw — 2. kn. gul, mild, gastvrij, W W. {Shr.p r a da h, een gever; gul). — 1. k\\v. zva. djii /f2ici q \\ en in ^

a-.ïiw — 2. kn. zicli een regte baan breken, door dik en dun li en , de kortste rigting nemen. Kh. ihvinj^dJiq\\ verantwoordelijk gesteld zijn. in spr. (unhj rj i(ji rn i gt;\\ un lut uii[U^rji gt; \\ volg. \\\\ W. het kind handelt, doch de vader is daarvoor verantwoordelijk; {doch zie verkl. AV. in Z. II.).

KW. zva. anlt;mm\\ {Skr. pradja, volk, onderdanen. pk. J)och in het Javaansch schijnt hef woord genomen te zijn in den zin van tui gt;i ik \\ van r7i:u^\\ dus: vorstenzetel, residentie van een Vorst), ly uit urt le:\\ stedelingen tegenover rj uu asn hjs Us. tuiu?i \\ zva. icen (Skr. pr adjd-

pat if Vorst, koning, enz.).

Sn x ^ i • » i • 1 * i

(uikn oj ui itlt; \\ Ar. \' p har dj, de schaain-

deelen.

nuiijpKN. strijder, krijgsman; held {vanae^-n (üu/j met {u^\\ l. Vrg, ui * nao)(Uj\\ en inj^ uims). uiyri(im^\\ voetvolk, infanterie.

paardevolk, ruiterij, cavallerie. —

o

n)quot;Ülcorps pradjoerits; (de krijgsmansstand,

JR.), de krijgsmauskleeding, als krijgsman gekleed;

{tegenover ij iw è tj na ? un mt/j \\) een soort unifiarm met

unr.nnci/i en aQ.iu on \\ en uii \'éla5) j 7; ui ^i and uii ^ \'Kco ll

ciji\\ een kris in den gordel, en een hangende aan een koppel, ook benaming van een soort van beambten in dienst van een distriktshoofd: distrikts-bode. JK. — in de klecding van

{nj^ii^ri^ii (inp bv. te paard om autoriteiten af te halen. —• de stand van pradjoe-

rit; (als een pradjoerit gekleed zijn; wanneer men op reis gaat. G.).

\\nj^w: mi \\ knv . zva. ij ninrjinnuj anjj of

(Hi/j {Skr. prddjaka% voerman).

u^ ik uvjj\\ 1. kn. — (isii^fj\\ in kleine stukken scheuren, verdeden, WW. vrg. (uu/js 2. een soort watervogel, een kleine snip, kleiner dan {O^

(Uj (ILI/j\\ Rh.

7/ tidtij ik ? iu),j\\kn.— ijiOLyvjiiamp;iJUf^ lt;?r^. doorheen dringen, kruipen of zakken {vrg. rj^ur^njdKidUjj)\', door een kleine opening dringen, enz. meestal van binnen naar buiten, door een opening ontkomen, ontglippen, ook bv. v. woorden uit iems. mond, A. tj ij its ?m Ji\'uiti(tin ui (Lijj\\ (door het digte heendringen) spr. van iem. die door alle gaatjes kan, op alles een middel weet te vinden of overal achter weet te komen.

ui ik iui(i^i (Hijj KW. vleijerij. G. (ï\'rg. uj ult; ui u^jj).

tUIK(LU\\ [UI^IK (LLI\\ UyiK (LU \\ Ctl (U\'rilG ilUISKW. ZVU. O O O ^ ) . \'quot;)

un vi(ijiji\\ (cn ili ld ihii ihj \\ iUilix \\ en un it i ^ \\ [Skr. parddjaja, nederlaag). — u*^uwv enz., 1. poel. verslaan; ook zva. of (hhamp;i~ju\\s

— 2, ityif: ur kn. twijfelachtig, onzeker, WW. (Skr. a prat ga j a, t wij fel).

ui n ik ui n kn. een op de her gen groeijende heester in 1MI. spec. div. Medinilla jav. 131. etc., waarvan de vrucht, in trossen van gr ooi e, roze-roode zuurachtige bessen, door zwangere vrouwen gegeten wordt, in de hoop van daardoor een schoon kind ter wereld te brengen.

ij[U^ ij ik \\ kn. ; ij[vjj ij ik \\ een ruwen boomstam vier kant behakkeu; schetsen, ontwerpen, WW. een goeden vorm geven aan iets. 0un up winnj) 6611 l)a\' troon voor een ba^iksel maken, WW. — nrj ^ if rj ik ui \\ 7nv. en volg. R. (Waj. Pr. 50), iemand verhinderen iets te doen; welligt. iem. iets aangenaams zeggen, of iem. voorkomend aanzien {vrg. um ijuiiuj hij ai tj), ook iemand indoor de uitdrukking van zijn gezigt te kennen geven. — ij {u^tj.ik ui quot;,i/j\\ obj. den., en iemands uiterlijk voorkomen of gelaatstrekken.

,yuj^XK\'\\K\\ zie hij hlt;ult;\\\\


-ocr page 832-

74.8

07

0lt;LI

11 ii i£lt; ? n i \\

^ )j irlt; 2 cï)I \\ z\\e bij if *k ? mi w

■gt; o

au\\ I. kw. gva. (iir^iizs ikh(li(ti/js wiajt

\'if (Ki2 fj t)2teMJI en tui j (iliw — 2. kn. tie gestalte, liet voorkomen, van een paard WW. (lt;SXt. prdjciy lijkend, in z«wenstellingcn^. a.ir)nm(hen {0^(lui \\ kw. zva. asij, crnitLi^tihn (u (ui(w ccrn(ia (lvi\\ zva. (Uï^xn mh fojcur^\'V) nnjjx ie nis. glans of glorie verminderen, m. a. w. iem. vernederen, ook

zich vernederen, Rh.

o o o

\\kw. zva. {oj^^ (Lz/^j^N n.jiUdiis enpoei. zva.

auiHj,\\ en nth n \\ {S/cr. p r ij a, geliefd, bemind; de

man van een vronw^). — ern \\ zie bij (^^luiluw

o • I •• 0 T

iM^ tjdus zie bij hu ax) \\ 1.

o . o

K., Zie lOJ^lLLKlllW

in hi (hu n of ^urj iiii 2 (yi ?. )i v kn. bcnamiiKj van een

corps prad/oeriis van den Soesoe/ioenan (van j )

(Lu \\ en a/n an uit \\).

(b^ \'

o . . »

mi skw. zva. iflt;iJi2 ii.iiuj\\ oji lt;n i ay tw (HT/j

a _ o

[iij^dA^nii/I - .n^dVjun/jw

laj^i.ii!hy \\ (ii yhuiijy\\ en gew. i n nj kn. voorzorg, hoede, omzigtigheidj oj) zijn hoede, behoedzaam, bedachtzaam, voorzigtig, omzigtig, voorzigtig zijn, zijn voorzorgen nemen, op zijn hoede .zijn ({Skr. pr aj a iti a, aanhoudende inspanning; omzigtigheid ; hoede, vrg. au (l ij \\). i.u ,iy tij \\ op zijn hoedo zijn, zich in acht nemen voor, voor ö/*tegen iels voorzorgen nemen. —r ^ behoedzaamheid, omzigtigheid, W. I , ö3, 8.

O

^avi mij \\ zie (dj lu (hij \\\\

o

(Hi i»itniji KW., zie {Qj^ gt;1 nu 2 nrn \\\\

o O

.ui 21«: an \\ kw. zva. lt;i:n.uiN mi (U iliijj en :/./ ik \\

{b/cr. praj o dj ana, motief van handelen, doel,

bedoeling).

0 o o a o a o -(LU lu \\ (lu (lu \\ of 11.1 x.l1 lu \\ N., 1 (f^uhl üf

(Viiixi, ambtenaar, beambte; man (?ƒvronw van rang of aanzien, aanzienlijke (waarschijnlijk voor (liii (lulu\\ de jongere broeders (^namelijk

van den For sty ^lli (Luiuii crip en verkort [m^lli

1 o o o o , ,

\\ nooge {l^lli lu \\ (il^lii lu cm gt;ƒ ui\\ ambtenaren, voor de gewone dienst, in tegenstelling van

r» o

lu if lj2.ui -ju ij i jitoi\\ [oj^tiu(lli71*1(112rins en verkort [lu^rj l n 2 nn \\ kameraad, medebeambte, ambtgenoot; waaronder verstaan wordt een aan een hongeren toegevoegd of ondergeschiht ambtenaar.

o o rgt; , ....

•— (if^,LU(Lu\\ (^3\'u\',ifeK\'W7y/N {quot;0 een prijaji, zoo welgemanierd en fatsoenlijk; zich liet air geven v. e. prijaji. — (is^amp;u rj (lu(hj\\ ^(LL; ^ifly\\ fatsoenlijk voorkomen, fatsoenlijk, bv. van iemands klee-

, o o

amg en manieren, (kv ^l^lu ij lu (kiq\\ (mi {l^lu

llfty*yw/ls rang, ambt of stand van een prijaji;

iemands rang of stand.

no. o

[lj^lu lu * Zie ^l^ lu a.u\\\\ #

i /% o O

(O (LU tiLci \\ of [n^Lii (f^nsi \\ KW. zva. i^

liefkozing {Skr. pr ij a nnv ad a, vriendelijk in het

spreken, vleijend). — ifulcis poët. zva. (vy

(5^im^/j en ii ru f .1.11\'il^ii i\'i2 fJiLj(102(1(1/j).

[OJ^ Ij LI i 2 mi \\ of [L^ Y tl il / cru SN., ILJ^Tj LU 2 OT) \\ of (rtj

\'n(LU2irri\\ k. , best, best voor het gebruik o/*om te gebruiken; het best, wat het best of geschiktst is om te doen; de beste wijze om met iets te handelen; wat door iemand het best geoordeeld wordt te doen (Skr. praj o ga, gebruik, aanwending; van ^ n 12 nu met (Ljigt;\\ pra), lajn\'i^ylu2nn\\ minder geschikt, niet geschikt genoeg, nr/jii j (uu 2cru\\ of ^ij ^lu2nua.ii i~i(imfl\\ heel best, uitmuntend. •ri(hJi(lu2crii\\ volkomen geschikt, onverbeterlijk. du2cmhet best is \'t. (uti ckilt;^u2 nu if /y N zooals liet best geoordeeld wordt, a/nrj oji f (l^ ij lu 2 cru een geschikt middel aan de ha.id geven, een goeden raad geven. — rj lu 2 cm \\ ^ ij lu 2 cru \\ iels op de beste wijze schikken, regelen, verordenen; naar omstandigheden bepalen; aan iets de meest geschikte vorm geven ; iels op de meest gepaste en bevalligste wijze voordragen, ook iets het best keuren; en iets naar zijn oordeel als het best bepalen. — lu 2 cru wi ~/ii rj aw \\ qtj^ilu? rj mi ilt;ii -ju (ïoi an^ iets als het best 0/meest geschikt beschouwen, best vinden, heel goed keuren; iels naar zijn goedvinden verbeteren.— oji ^ rj au 2 nn\\ iui^rjLLi2nil\\ goedvinden, wat iemand het best vindt; wat het best geacht 0/als het geschiktst

voorgesteld wordt, een goede raad.

o

(rt-j lu 2 en) n K., zie ij lu 2 cru w

o O rt

(iL/ gt;1 lu2 nu n en (lj^ ij iu2nu \\ zie {lj^rilii2 miw

aiiiü \\ kn.; {l^aci ilj^lu \\ een koortsig gevoel, een

koortsig gevoel hebben. — ^lt;iün ketz.. en de koorts

voelen aankomen.

rj {oj^llis zva. ifnidiis Kh.

ij (11^2 ij lu 2 kh. met het ligohaam eenlgzins gebogen, v. e. zwierig en gang, vrg. ijam ijLU2\\ J3I3.


-ocr page 833-

1.11 (LW s

740

^Agt;(iM(L\\n\\ [^riKLVis zie bij wjjj*

faA^ htjn(m\\ en njrini/j\\ K\\v. zva. n^dn rfw^ of

(u ^lvi/f.i unyi (van ^(uhtcYii^ of fi/h(m\\ en im - t met ^lms dat in het Skr. ook in den zin van eigen gebruikt wordt, vooral met t anoéh , lichaam, pk. Vrg. (rn zva.

an zie bij MJJj* — ^ ï.u rj ,m/j\\ zich als een prajangan vertoon en.

irm\\ KW. zva. irnmirvyj (vtcrrjjj^ (Skr. pr adjnjd wijsheid, pr ddj nj a, wijs).

KW. zva. ^ w — (j en qs zie bij

(u iamp;i/j\\ — nj (Ui amp;j (Hi J\\ zva. (u isrji [oj^ JjIn kw. zva. tSI%\\ en i ^ isr^ Mjj {Skr. p a r am a ^ beste, nitctekendste, voornaamate,eerste),

tj)\\ een dichter, ui ^ naam van een hoek gt;

dat regels bevat voor het Kawi of de dichtkunst; ook voor spraakkunst {vrg. tjjj hti-n m\\).

njiiEis kw. zva. \')oi rmi-\'n ui \'js bv. ojj (f iali r^(in tJt \\ de zegen der goden, xn r t ujhi n^s door Gods zegen. — /1^1 \\ zva. yr^ ut) \\ en \'Cn ruioJijj (zie ook (Ei foi\\ benï). — (ui 1 tj f i (Ei \\ zie beneden.

(iji\'ri(EAji\\ kw overtreffen, tebovengaan; meer dan; alles, gelieelenal (Skr. param, para, verder hooger); verste, opperste ook als voegwoord maar.). G.

(ui(Ei^ kn. medelijdende genegenheid, genade, barmhartigheid, volg. Rh. ook toegevendheid («Stfr. md).— iul fji\\ medelijden, barmhartigheid betoo-nen, enz. jegens. — (ui tamp;i (F\'! \\ subst. den. —mi vut lt;li (ei \\ zie ben. I

kn. stillend, verzachtend, pijnstillend middel, een aromatisch smeersel van allerlei ioC poeder onderelkander fijn gestampte kruiden, dat men op een lichaamsdeel smeert tot geneesmiddel. Het wordt in balletjes gekneed, in de zon gedroogd, en dan bewaard, om in water of gedistilleerd opgelost te worden, wanneer men het gebruiken wil

{van (uiiEiiji), (ui i(j (IA Ej(Kyi -- (ui kj rr)(in\\ W. II

27. (ui (uj (ui vj E^an ei (kijj gegalonneerd met goud ? DW. 180. — (amp;7(U(fj\\ iets met pè-röm smeren.

het sluiten van de oogen; ook van een die in blinden woede amok maakt, PJ, zie nji ea^\\ w/j\\ Pers. , hoog bevel, vorstelijk man-

(UI El

I o C) o lil/ O o .

[(u^ E.iinji en (U iiu^iEjI ariq kn. bedelen {vrg. n.i ei i^)-

rui 1,1^ (ui idj^ ei (ui q \\ het bedrijf van bedelen, bv. als

tap a of kaoel. {iEjgt;(EjiHj\\ b\\j iemand bedelen,

iemand om een aalmoes vragen. — ejiun rj h u \\

voor iemand bedelen j en met iemand bedelen,

iemand, zooals een kind, bedelend rondleiden, bv.

tot voldoening van een gelofte.

((uigt; F,t (in\\ of (u^ei (in\\KN. 1. het kloppen van het hart,

als bewijs van leven. 2. duidelijk en van nabij , bv.

iets zien [vrg. ten \'eji (üh/j) ; öo/c duidelijk blijkend o/

bewezen, bv. van iemands schuld {vrg. a^nviastitu ).

3. goed raak, op de regte plaats getroffen, van een

wond (Skr. pram dn a, rede, beweegrede; grens;

bewijs, gezag; maat, hoeveelheid, enz.). — uc-^d.!

(iq dfn ~jii rj (Kti\\ maken dat iets met juistheid en

nauwkeurigheid geschiedt; iets of iemand nauw

keurig opnemen. ^

(ui - n ei no \\ kw. maat, grens {Skr. pari m d n a); {ook

vrouwelijk schaamdeel, Rh. in schijn zich tevreden

toonen. G.). wik im(uj. lirri /eiihn\\ spr., buiten de

verboden grens of kring blijven.

o

(ui rj ■ 11 (Ejino \\ zva. (ui Tyi o (in n\\

(Lj (Ej^ kj \\ of (u^ ij ei 2 \'Kj \\ b ij 7i (ia in van Boer ga.

o . rgt;

[OJ^ IJ EU }n \\ zie (dJ^ (EA uj w

O .. r) O

{aj^(Egt;i nj(Eyi\\K\\\\. zva. (irr^Kii iUi/js en {^i^kijj ej^ zva.

. O ^ c\') O

CCl\'ll \'t!^\\ N r:m (IJl (EjI (EjI (KJ (Eljj \\ kn. spr. voor

een gepleegde moord of verwonding verzwijgen, niet aangeven; ook voor een doodelijke stilte van . ee.i menigte in tegenwoordigheid van den Vorst, W. I, 140, {zie bij o.I iji eij\\ maar waarschijnlijk is ; (u^ \'E.i tij (Ei^/j het Skr. pr a md na of pr a m d-nam, bewijs, zoodat het eig. beteekent de bewijzen verzwijgen).

w\\KV/. zva. crri if z nn 4

{vrg.

[cuyj uii

(Uil X ).

S * /

(ui\'Yi-Et vni\\ of (UiniiEji(nu\\ en (ui iwekuus kw. zva.

o ifquot;) O o . jv.

gt;vn u^ quot;Ti \\ nm un xrr^ imici izyj en w ia ^j\\{ökr.

par amdrtha, in den hoogsten zin van het woord;

het of de ware en wezentlijke) nm ^\\(ii ^i \'n e i (in) \\

of r/n eJkh - / ru ei mi \\ kn. edelmoedig, edelaardig,

goedhartig, j ijjj w -n Slasn cm ui \\ naam. van Batara

Goeroe.

t Cl/ . o as

ti/t ni ki if. i\\ zie ui n.i iE i (eji \\\\


((U E-ymsKVf. zva. (Ui ui iui unfj\\ ru^ni^ \\ ,

daat.

rj(K}i \\

-ocr page 834-

tu ru ij f t i aajj n

750

rj Lil gt;tci \\

{Sir. pramoe/c/ia, hoofd, voornaamste, rnz.y (rtj f l ton kw. zva. rj HDj \'£1 KttJI nihil \\

(Lj h i ix) \\ zie h ij (li iqij w [kjTjlEit ic}\\k\\v. zva. (kJt^cfn ijj^ m gt; Mtui hyw

lt;1*0 c-) . . o

{.Lj r? io |y \\ of (Li f i ui nj \\ zie ( ^ n ia uj w

o o rgt;

iil^ r^ uihsii\\ en [ij^^jnaiisgjj\\ kw. zva. nyui^\\ ifium

imrjiim % \\ ,i/^ jfi?N (uzamdciji en ik rn uj y ini ? lt;• {Skr. pramoedita, verheugd, gelukkiu;. Vrg. iuiMn\\). ik mi ta^iEjdxlihiis poet. de geheele wereld.

o . CD

f ia vyij\\ zie \\(u^ ta (Lgt;7i w

(M^ f iihiikw. zva. :ui!K,i~i(ia\\ nji{Skr. prain it a , bewezen).

nihiï of (L/{iE/1 (isil\\ kn. bijzonder uitstekend, puik (5^/. Ml. p ë r mat a, juweel), uh rij (u^ m (tm \\ puik van wijn. \'rj hi iea am \\ een pracht van een paard.

t a o o o

(Uni ft li,/) \\ k w. zva. rru^ ui J \\ li II 11^ LI t 1,7) .?lt;!Jj \\ I7J IJ) ^

njri\\ lyw (Kjn ijij hn(amp;i\\ en ijibimi^is (volgens G. oo/t medelijden. aS/t. parimita, gemeten, geregeld, apar mit a, onbegrensd, onmetelijk. Dy.

o o ui t) f)(hn\\).

(«j 7-).ki\\kw. Vorst. G. (yr^. (ui amp;im).

^ x kw. zva. i/)) f) ftj rn bi) \\ rj i/m f^w (yi iEjI kw ioi ia in n \\ ( SXt. p ar am as tri y

uitstekende vrouw).

«ti-t) f )ist)\\ kw. zva. (Li io^£)(5^r. para mast o etiy hoogste lof).

CJw

ui:Ki\\K.w. zva. ik ys gt; iw rjan 2 f i\\ cm ui iP!

^ .io i \') n i/tji im ui ik ui Laji\\ mi rj im j \\ rjuni f i\\\\ ei y n\\ kw. en kn. zva , d no nn FJiriyiii kw. Vorstin, gemalin van een Vorst {Skr. p aramésjwar a, opperheer, het hoogste wezen; Siwaj en P ar amê sw ar i, oppervrouwe, ook benaming van Doerga, zamenstellingen van p ara-ma [zie bij ] met isiwara, heer [zie \\:n

gi.77\\], en iswari, meesteres).

lt;Ü3V r,£3N bijnaam van Batara Goeroe {Skr. T ara-mest hl, een naam van Brahmd, van par a me s-tha, hoogste). Zoo ook u(rii\\\\\\ {tij 11 (iui\\ zva. (Ei ruiw [iu^t^ruis zva. \'ejiuiw ((ui (Ei rul n of u^ Éi ru \\ lloll. f a m i lie.

(u^iei ^n tianfis kn. toeloop van veel menschen, als bij een feestelijke gelegenheid {vrg. n/n f i ~/j gt;

urn iryi).

(IJl .LI Yj E.l I i .)lt;T^\\ Zie bij .171 El ^Jjj A

i.i n ei^ian j of ^ ei Zi jn/j\\ kn. goed bewaard, zoo geborgen dat het niet gemakkelijk te vinden en veilig is {vrg. ul ei ^umjs

(Ui \'ii iEjI ~j^ m /1 \\ kw. zva. tui öji w

n ^yui/jsKN. het zich tot een blaasje zetten; blaasje , zooals van de huid als men zich gebrand heeft. (L^ ei ^ rui ^ j ei ^ iu/js blaasjes of builtjes, bellen vormen; naar buiten uitpuilen, zooals van darmen uit het ligchaam. ^(Ei ^rujjs zich tot blaasjes of builtjes zetten; opkomen van waterbellen.

[ \\y i ji\\ kn. 1. een prikkelend gevcel door sterke warmte, zooals in de hitte van de koorts {volg. WW. het warm, drukkend warm hebben) {vrg. mi t) gt; n). — ei \\ dat heet gevoel hebben ; oo/t heet of warm worden van drift {vrg. u^foi Si\\). JR., — volg\'. Rh. 2. («j\'C) J)\\ met gaatjes doorboord, doorknaagd, beschadigd, zooals van kleê-•ren door muizen of motten.

i/i m 5\\kn. het branden in een figuurlijken sin, zoo-als van een brandende begeerte of drift; daar men warm van wordt; ook van de oor en gt; als die iemand warm worden [vrg. u^ n Ji); ook brandende drukte, h\'.\'t drukste, van een werk {vrg. I?ei ??\\). —• if^Ei^i\\ brandend zijn, van een begeerte of drift.

o o .

(Lj ij f i (tui\\ kw. zva. rij ui ^ ij ui n \\ en i jj ni ui \\

{Skr. pram ej a, beproefd, wat de proef kan doorstaan, of wel apravieja, onvergelijkelijk, pk.).

ryi e i iiiiHyi zva. it/i n i^ejI rui zie n ij ei \\

.i.jT) ^^\\kn. met bultjes van ri^Ji nnj zie bij hj^uw d

ig /j gt; N\\

i ^ ij f ii ij eii\\ xj^ij e\'ii ij n f \\ kn. — ^fi ij èii enz. gloeijen, schitteren, van vuur, edelgesteenten, (Tj.) Rh.

a /^ijkn. ongeveer zva. rj ei ij ui ioi/j\\ den mond of de lippen vertrekken zooals van een kind, dal Vi\'il gaan sohrefjeu. — \'-■! 70f du irifi freq. volg. WW. een angstig , o»itsteld , verlegen voorkomen hebben.

d • O

.171)) f I2.1fl,l\\ Zie ■\'») f ïW

^ J \' ( O - \' C(l

, IJ f 11 ij (Hijj \\ zie b ij rii) in /j


-ocr page 835-

[Mnrn.itii \\

751

(ê^wtl), zie quot;hamp;\'w

uf^ \' \'r\'!r

^ f ivj nis of W 171 ^ zw bij i:n rj rm w

t / o

(OJ^ rj £/) t7ï (Kï) n KW. rn j \\

m\\N., liij^ rn K. naam van een rivier op Java.

t ui rn\\ KW. vi mijjw

Tv CY ^ cr

(unjnmts KN. hoi \'L// ^rm?n . «rw l/; rj mg h)i/j {misschien naar de uitspraak van wj.).

iLini{iii/j\\ KW.; iEi rYi cniji\\ zva. \\M^\\k \\ en ïn-ri }ni,j\\ — un m ni mji en nutuj_ \'rj cm^fj\\ km. aangetast, overvallen worden, bv. door een epidemische ziekte, door een storm, door een ramp of ongeluk.

\'lI i ^ \'Fi ixft^ ^\' 11 w ^

K., zie wnui/js

a a /gt; O amp; n O » CY

iuiryt(m\\ of itinicwsKVl. zva. (K\'t(rm\\ njj, yr\\ m

nmmisr)\\ KW, put, oen gracht om een vesting.—

foini cm\\ of Q\'r) rrn \\ een vesting of fort omgrueh-

ten, er een gracht om maken.

(ut)rgt;7nKW. zva. ninmifflcmtnjjs tooi, tooisel.

rj crm kn. de lengte van een arm {van lynz

rj(rndf\\). oj)rj{nj^trfoni^\\ een arm lang, zoo ver

als men met het insteken van den arm reiken

kan.

(tL^rtiirnjj of ivi n nu.ti,j\\K^. de stomp van een af-gehakten tak aan een boom, volg. Rh. de vork-vormige aanhechting, de hoek, die een tak met den boom vormt.

t/j ^ 777 ? kn. ; utt iijj rf 777 2 tntjj \\ iemand of iets

£ (.y onverwacht ontmoeten (yrg. tni u rj rm). — yf

^777? )^\\ een obj. onverwacht tegenkomen, ontmoeten.

cy cy

\'Ut 777 mi/I\\kn. — wcm uttji\\ stuiten, tegenhouden.

O

tot (ui eni tot ij \\ tegengehouden worden, Rh. ; volg.

CV

WW. ^.)777 uruj\\ op iets stuiten, van schrik stil

blijven staan bo. van een paard, terugdeinzen; zie

cy

tl 777 lt;m fj \\

{Mf(rrtinjl\\ zva. iij^rtrt iisnjis

{^rrtiv,iijl\\ kn. doorgesneden, doorgekapt, afgedaan, afgeloopen, van een werk y plegtigheid of gebed {vrg. tjt Kyj en rt n J^n). — ^ m isn/j iets doorsnijden; een beest üe keel doorsnijden , slagten (w^. 17171 corfrl/;?\\)\' een zaak afdoen, afmaken. —1 ta (rn^x mv. [(u^Ttn imnnfjs slagt, een geslagt beest; om geslagt te worden, slagtvee; een afgedane zaak. ny iw utitn {^(rn aqi (iiyj\\ slagtvee.

(ia777inn\\ naam, van een berg, van oen hoeta en van

een patih van Mandoer a.

ijurrt i.i/f of rj njt tj erti ki jsKN, kaal, van een hoorn til. als de bladen afgeknabbeld of afgeknaagd zijn*, van een haan , welks veer en aan de top zijn afgevallen, zoodat de schacht te zien is\\ Jlg. verminderd , achteruitgegaan, van iems. bezitting of fortuin, vrg. t) errt kij en rj\'*1 rj nm iKyj {jut nj i^tji of ^[itj^d tj rntMjp kn. afgevreten , afgebroken ; afgeplukt van hoornen of plantsoenen in het groot, van stijlen en hoornen aan den top of ondereind ingevreten, vergaan.

[Oj^attMs eign. van een van de rijksgrooten van Vorst Basa-moeka {Skr. Pragasa, en vrg. ^rj

rj TT) 2 K I ^).

ij (777 2 (hJi\\ zie { rj nrit ? ki w iLjrtn ut\\ eign. van een dochder van Ardjoena, een

kleindochter van Bagawan Sidik-vmtjana.

(L^ cm ut iisti» eign. van de jongere zuster van PrVgiwa.

cnt2 tujs iF^rfcrm tLi^ zie cut tj nrmrijtjes ■ iïj^rn tLyjs kn. handig, knap, behendig, vlug, goe*i geoefend, goed gedresseerd, welgemanierd, W. I.

263, (vrg, ih^ h!en i?t tot uujj). — tm^cfn

- o O o 1

/ri.»of vt ,r^777 rtjianjjs n/tt ^ goede

manieren van een groote stad W. I. 231.

cy o

njirrit tujiWiVf. zva. ui-nwjj^

\'Y

n/i tt^tu/i^ kn. Ho 11. verguld. —ivt n^ ti^itnjl verguldsel , verguld.

iiji tij tijjj\\ KW. zva. t^t^tt.tji dut ip tntji^ Mal.iQ\'rt

mj /l^|\\ een vrouw of maagd schofferen {vrg. mn

o .

rmt it ict/j en vrg. jiy ru/jw

O 7 »

{nj^tj\'trti2tnj\\ KW. zva. i,ii .v,ti/j\\ bv. ihttani ajy^iu^ rjerrti tui \\ en rj cm ? rvi ryj w {Vrg. rj cm i

rus). [iV^tj (rn2 ruim -Jjjt is worstelen, zoodat men met de dijen tegen elkander komt.

{(L^ort nj KW. zva. 7jni2nji\\ cm rui tnyj en trjKtJt ook eign. van een hoeta; in W. 11,38, [try cm \\ {Skr. pragalha, stout, stoutmoedig, driest). — (*j777 n7\\ een t\\jger nabootsen; ook ingaan, binnengaan. G.

yrjjj^ KW. zva. /-;^ \\ en iJt ij} f w (rt-j7)7^7^N KW. zva. ,vyi:if\\ en t.ttM iïi rjtjf\\ maar volgens G. behoedzaam; voor/.igtig, zoo welligt in JN. (Skr. pradjnjdna, kundig, geleerd; kunde, wetenschap).


-ocr page 836-

rt j Y cm l rtyj\\

tu^if mirm/j\\Kfi. eensluijer; een witte doek over liet hoofd eu langs de zijden van het aangezigt tot op de borst, bij vrouwelijke hadjis in gebruik {vrg.

quot;T) )\' JR-

{(u^ijnrh?DJis 1. kw. zva. ihirj tp w/js ook eiyn. van een boeta {Skr. pragasa, verslinder; vraat; een daemon). 2. kn. personen, die in een hoseh voor-ui tgnan om door het weffkappen van struiken en boomen een weg te banen. — if^rjarhzws of f j 11 miKi\\ benaming van zekere beambten in de kraton i pionnier.

nji\'tirh Ki )u zie bij tvi w a

iiij^rm \\ k w. zva. yj ïki t ij nit iisnjj ^ aji q im \\ rj tisti ik \\ tu fij)\\ en im LJirjitsn?(Hyi\\ ook kn. benaming van een naar een vleugel gelijken den opschik, die aan den rug van sommige wajangpoppen, zooals aan dien van Oatotkatja, uitgeslagen is; dient tot ondersteuning van de \\ in VV.

Pr. 1G, en in Waj. T, 23, v. d. [Skr.

prab\'d, licht, glans, luister; hm7j)\\

eign. van den jongeren broeder van dhoi Arimbi. im hm en {nj^ im iu mi \\ zie ben.

i . O

loj^ïiTï^\\ 1. kw. zva. hji i7irjcmi\\ (ui^nsn/j en ki

(inn\\ — 2. kn. Vorst {Skr. praboe; superieur,

opperste, heer, meester).^! de Vorst, [cuyv^un rj

\'l^}2 fIHS vroe9ere van den Kroonprins {thans no.

.ty* 7i (ei \'n in ~jn an iji mh \\). ^ \'\'\'1X1 }n N naa m

van een regerenden en van den Soesoe/wenan onaf hanklijken prins te So er ak art a, dien bijdraagt als Kroonprins en ook later behoudt, zoolang tot dat hem de meer vorstelijke naam van Mangkoe-nagara door het Gouvernement verleend wordt. iiA iQ isns naam van eeu bloem, Tj. — imipj\' zich vorstelijk voordoen; vorstelijk, prachtig, bv. van een gebouw of gewaad. — rj trm ihn/js zva. (irn ui an \\ {yrg. irng (isnyj). — nni M^rjjrngrHTjj* 1. kw. zva. xn rj un? n-njj— 2 kn. de regering als Vorst; de vorstelijke waardigheid; staatsie, van een Vorst; en staatsieklee-ding in het algemeen, h n rj nn t t±J u to (of rn foojf), krijgsrusting.

(ij^im\\ en ritrn \\ zie ijj ui \\\\

iu -yi tu ui\'Tum/j kn. ,n]J}^ 9ew- nJjj

nrnjf of fx te? nj) wnji\\ ki. een naam, die iemand door anderen gegeven wordt; een bijnaam; bijge-

i o a

naaind. — fi ni m \\ of iti fa m r.n \\ im iirt ru int

co y co en, o quot;C

of i \'n rr^n nj^ inr\\ iemand een naam geven, iemand

dus of zoo, met dezen of dien bijnaam, noemen.

o o o

uii u quot;n irr» ions (ut ia ri im hi/i en (inxjKUi iir.n\\ co (T co M co

pass. mi iwri ri^injjs dezen of dien naam of bijnaam dragon, dus of zoo algemeen genoemd worden.

(ij^im rm in\\ kw. zva. (un rnnnjj (Skr. pr ab\'andja-na, eig. breker), rm on un \\ zoon van den

wind, bijnaam van Anoman.

: (Li Tj vm (ixi \\ zie bij rj i:ii ia \\

[Ir^rmiUis kw. en ki., zie rj ici rj uiw (vrg. ^rjijint

Oil ).

kn. tuig, zooals van ee?i paard; txüga-ge, zooals van een schip; ameublement van een huis of kamer; garnituur, versierselen, hv. van een kris; gereedschap, zooals schrijfgereedschap en van een goudsmid: ook pak, pak kleêren, kleeding, costnnm. — {F^ ijizn? nni/j zich kleedon in hel een of ander pak, gewaad of cost mm, fraai, volkomen in de puntjes, van een gewaad, daar niets aan ontbreekt; fraai, volkomen iu de puntjes gekleed, — ^rj inif isn\\ iemand of iets van gereedschap ot tuig voorzien, optuigen, meubleren, garneren, equiperen, uitrusten; fraai, volkomen in de puntjes aankleeden. — ^ rj xmz^irj ini\\ met iets tuigen, meubleren, garneren, équipereu , enz.

. /

, i n isn\\ zie (Ut ut 1511 \\\\

(utnt rn^(isn\\ kw. vernederende, minachtende behandeling {Skr. p arib\'oöta, met minachting behandeld). (L/nnt ^(ut n t7t^ tsrt\\ tirannieke en vernederende behandeling.

cy

{iji ert i5ii\\ of ut ui 1511 kn. een omgevallen boom; een op den grond liggende boomstam, WW. zie dinip \\ {ook een dood ergens liggend Mt.batang

stam; enzva. ut igt;ii\\ en i n ip\\ WW.II.). — rn vgt;ii \\ gelijk een omgevallen boom.

.? j-n »ttï w\\ kn. conventioneel, algemeen aangenomen (Skr. p arib-dsd, algemeene regel van interpretatie. pk.); II. of \\jt ni rm (t^opji s een spreekwoord, beeldspraak, overdragtelijke uitdrukking (klanknabootsing. G. Vrg. iii!tJi\\ en amp;n im ut nnjj). — 111 rri im ui to \\ op iemand een ut -ri im ui toepas-


-ocr page 837-

Ct

(rurjs

753

am (ka (IjLI (k.1 \\

[aj^nrrKKJ^

sen, ten goede of ten kwade, in het laatste geval te vert. door hekelen, gispen. — witncu)am Yj(hft)\\ omtrent iem. of iets een (ui n im m ihyf gebruiken, iem. of iets tot een tui ^ 17/7 0^1 thnjj\\ maken.

O

IU^ 177? OJj (LUI (KJ) \\ Zie («.J ITU hl) Ut) ^ W

o\\ o/ lu^dr)) 2J)\\ kn. superioriteit; do wonder-magt, wanrmeê een wezen werkt, indruk op iemand maakt of imponeert door zijn meerderheid; (00/c zva. (u)\'nn7ï) ui\\ G.); en e\'ujn. van een patih van Mandoer a {Skr. prabdwa, superioriteit, meerderheid, voortreffelijkheid, magt; superieur, magtig.

o O a ci . c,;

(u rt r.n (U) . KW. zva. aj) xn tuajjjf en aj) rn r/y ^ \\ (b/cr.

parib\'awa, verachting, minachting; en nederlaag). kn. oorzaak die iets goeds bewerkt, zooals de verdiensten van een vader, die de hinders tot zegen verstrekken; of van iets, dat men in zijn jeugd geleerd heeft en dat later nog te stade komty 11.; volg. Rh. invloed, wonderdadige werking, on-gev. als [lu^ irn iu) en hetz. w w n.vi) u)\\ dat slechts

bijvormen zijn.

r n o ^

h^I i.n(Lii) oj t^yfrt)2iiii LiD\\ KW. zva. onasn(L/)~ji . o

\'K JK \\

,irr?KW, zva. n^xn^trnw ook bijnaam van Oa-

totkatja, Rh. / n o o /

^ ^NKW- ^ 01 \'\'Mi !gt;[yi zie *1 N m

(U^ (V) \\s

im nu\\ Kiï. onkosten (y«« )fi^) tt)\\) ;bv.^Li^ ii) imSjo (in i(^\\ de onkosten van een proces. {Mgt;K,!)M Hr)^\\ of (K)\\ ook wel ((u^y^aj^nij)

aj)\\ kn. het sérail, het door een muur omheinde hoofdgebouw in het binnenste van de kraton, het verblijf van de vrouwen van den Vorst {van rfljj i;n\\ (tv)ihv^a.\\ of hu

\'K* ttï TvT? \\ ; :ij^ v: ajiji ur) _iA\\\\

v)i§)\\ of kn. meestal herhi. iu rn m ifn of

cy (T) 1 ,

faw}\\ vochtige oogen krijgen, door opwellende tranen; rood in liet aangezigt worden, door dat het bloed naar het hoofd stijgt, bv. van opwellenden toorn, van ergernis y enz. vrg. rj y 7 Ifl t w

[bj^rj i;h ê m n zie bij n nn ? \'tw w

fflKW. begeerte, verlangen. G. {Skr. p r at his-tha, zeer wyd).

no .,,.00

zie bij n i ip nj)jj\\

zie

rj \'il^ rj ip /u^\\ zie bij rj ij) rj ip i\')j\\

rj ((1^2 yj ip 2 iuji \\ zie bij y (U) 1 ij ip 2 1 u/j \\

kn. 1. klanknab. van het breken of vallen van schelklinkende voorwerpen, als porcelein, glas enz. zie -rVjv 2. of lU-\'n\\ gevecht (met wapens), oorlog, krijg, strijd {eig. gehouw, en oor-spronklijk hetzelfde woord als cuun w R Vrg. oj) 01 \\ 3., \'lj lq q\\ ihii \\ en (kn (u ldihi/j\\). iu•gt;»\\ of 1 v vechten, strijden, oorlog hebben, oorlogen. vn[ n))\\ al dansende vechten, ook zonder wapenen vechten 0. a. W. II, 478. iu■Vrijjuiunjjs elkander door geheime middelen benadeelen, zooals door too ver ij , vergif, een gehuurden sluipmoordenaar , e7iz. l^u) (ia (hn\\ zie ben. — unhs en n iQ^s houwen, een houw^even, hakken, kappen. — (Q^1 (él\\ mv., en iemand beoorlogen,

asnam iufl\\ haarkloven, muggeziften, spijkers op laag water zoeken. — (lu^vn tw/js aJ n oj) onjj of (u iüi ryi itï oüji \\ een gevecht, een strijd; meteen ander of elkander vechten, strijden, oorlogvoeren, oorlogen. ;— iu u a-nj^ . oorlogsveld, slagveld. — (ub)rr)\\ het houwen, enz.; houwen. quot;3N 0/ M) {maar ook wel in Krama), dn ius

k., tj ni 2 h) -ta ui/j \\ kd., bamboe, bamboeriet. (flen ander zie bij

\\ of fo) orr) een uitroep: xoQt\\ voort! van wat

plotseling wegvliegt of wegsnelt {vrg. iu d ).

(U^nxKN. 1. scherpe, puntige rots {vrg. uui(K)/]).—

2. hakmes, kapmes {vrg. r/ry »//»* . en n imni\\),

n

(ij)•gt;gt; k) unjf \\ (ü) -n ij. k) ijm\\ wn t^ h)11;/ /

n .0 \\ . z\'

fipHt)/j\\ (um )jiV) (uirnu)yi^\\ iu :)o\\ en

1 / quot;t? ?.ij b) \\ namen van bijzondere patronen van

batiks el. (U ri }m \\ hj) t) mi nj in \\ en andere, zie

ben. (u r) (hi) •gt;? hu \\ druipsteen, W W .yvolg. llh.

een batiks el. m rr) c.) (mj^\\ kw. rotsen.

iU u) \\ 1. kw. zva. (i.D (ij) \\ en tu cm\\ — z. ki. vaic s s

fi/nvj u) f\\n., (9j^ ut)n k., iets willen geven, toestaan, goedvinden; van gt; nïj vergenoegd, tevreden; behagen in iels scheppen; m opgeruimd, ydw

het hart, van d) ïji ut)\\ iemands goedvinden, en

O (P)

van DaifKi ui t2) 3nn\\ iemands behagen of weibeha-

. , , O O . , CY gen. tjuj) to -/) (U {of ifj) rnit?) V) lt;u \\ J nn rit.) u

ikd ofijj\\ of korter rj vw w ^) u \\ of i t im vtiu us


48

-ocr page 838-

754

a-

Tgt;\\

als U het gocilviudt, en ook in flgoko aeijt hv. een oudere in jaren legen een jongere van hoog eren rang: ■t] ilvi ij mi r] vi mi tui s luiiuijirm iSi mi iüi xn \\ het mag behagen of niet, {dat is in alle geval), iiti of verzoek ik enz. — utri iüi iüi \\ toevallig, gelijktijdig (oi) lietzelfde oogen-hlik) gebeuren; het kan toevallig gebeuren; het is gebeurlijk; juist op het oogenblik van pas komen

cy

of gebeuren, ook soms zva. ihii hi}iJt\\ herh. soms llh. lytiMM ShHj(ui\\ als het juist in de tijd valt dat...; ook als het mij gegeven wordt, als het mij gebeuren mag. — n iivi aPi\\ 1. kn. treffen, juist treffen; juist (viy. tytj ); op hetzelfde oogenblik aankomen 0/ iets verrigten; e/i, even als isn 1L1 ijj\'*]\\ op een bepaalde tijd, hv. djicu wiünaxï (hj, ifr!aJijj^ juist op een Donderdag, h t) (ui m iiw/js juist van pas gekomen of gebeurd. 2. ki. aan iets

zijn toestemming geven, iels toestaan, vergunnen.

O O

1amp;1 (Ui wrj tms ki. van \'r.i ern hv vd rj jrn \\ en rm

G) , p o . n a-cy

IHJ Cl Tj U n W OV. (Li\\ tfj IJl \'Et (UI W iHV (1(1 -JU Uil (UI [OJ (ëi m ihi^) indien ü het goed vindt. (ui iaMm rj v) im \\ of kii (lh (u nn ij nn \\ iemand vergund worden {door het godsbestuur). — (u (ui in onjj of (uuku

(Ln(HTjl\\ poet. zva. ook bij wijlen Rh.

a» O O- o O a- o Ou

(i/irri\\ (Ui iUi ti n (Ui (Cï \\ (ki (Ui m ci \\ un iui m ui

Qv Cïv CJv Ov

(Ui \'ri uirjmi \\ tui m tui ij) mi \\ en iui ■gt;) ui ki.

. ,.. ;) Qv . , o o

zie bij rjtui^w iukuitims ook ki. van tui urn /. o o o

(UIJI OJ (UI Kil !UII tl tfvlJI \\

(Uinr^\\ kw. zva. (i5jn^iiwjis kn. bogtig, slang

vormig, van het lemmer van een kris of piek; een geslaugelde kris. (wtiuirls benaming van een bijzonder fatsoen van kris. a^ -h tui of enkel (ui-rj\\ een niet steil, maar eenigzins trapsgewijze naar beneden loopende ravijn. G.

lt;£) ^r) gt; zie ((uyb

s ij kn. met afgesneden oor o/ooren. — iu ^ \\ iemand of een beest de ooren of een oor afsnijden. (uiiajinr^\\ de ooren afgesneden worden, {een straf in vroeger tijd hij de Javanen in gebruik). —

(i7i aajj \\ obj. den.

o » . j .. o (urri\\ zie bij luinw

o . o . o . o . O 0 »

(ui iUi\\ tti i tui \\ aw (ui (Ui \\ -ui (Ui dj) kti anjj\\ tui tui ai cmji s

quot;) o . rgt; » 0 » O 0

tui ui (Ui i7i (Hijj \\ (ui (u vn (inji \\ (ui (ui H7i anjj \\ (ui ui iui \\

Do. no.

irn (ui (ui ui (Hyi en arn (Ui d/i vn (Kijj^ k., zie

lt;ui\'rï\\ kn. bord, tafelbord (ook zva. ^(urf^ris G.

Vrg. tui urn \\ en nq un \\). nji rlt;?ï:i ^ v iets kleiner dan ui iTrn ui [wis ook wel voor tegelwerk Ks.

(j •-—y

— tui • gt;ï ut \\ op een bord doen. — (Scui ttaj^s op een bord of op borden gedaan ; ook een bord of bordje ergens onder, bv. onder een karaf. -

O O a* C\\ CJw CJ O O Ov

iui • n \\ u i \'n it? kh \\ ui ui • ri m \\ en tui tui n .vn (mj^ \\

. ... O Ov

zie bij (unw x.j li\\ kn. naam van een heester, met geelgestreeptc bladeren, die wel tot versiering van graven wordt gebruikt, (Tj.) llh.

tj.wr^ kn. afgescheiden, afgedeeld, zoodat het een van het ander afgezonderd is of blijft; zich van elkander afscheiden of afgescheiden houden, zooals water en olie; afzonderlijk deel. 7^ fc/no elk

afzonderlijk. — ri tui\'hs afscheiden; afdeelen; in afzonderlijke doelen, klassen of soorten verdeelen.

— rj (ui-h ki (htji of iui rj (ui rri (in (hijis in afzonderlijke afdeelingen; elk afzonderlijk; afdeeling; klasse.

tj (ui rj ti \\ rj (ui rj gt;1 rj (uirj ti \\ en rj rui ij\'f}\\ zie bij rjhjii rj rri\\\\

tj ui 2 tl \\ KW. zva. rj ruil rj crri 2 urijis kn. {volg. llh rj nmti) ben. van een soort van wormen o/maden in de ingewanden van een buffel, en van een daardoor veroorzaakte ziekte: ook zva. a/n-n oJ ti ? een soort wurmen , die voeteuvel veroorzaken Tj. — tj (uid tl (i^i (inji\\ die ziekte hebben.

ij mz )jti2\\ kn. 1. hier en daar zwart gebrand, bij het bakken of braden. Zoo ook rj nmiri rj (U12 ij rf\'ri2\\ JR.; volg. WW. aangebrand 2. de sleep van een aan de heup hangende sjerp. W. volg. G. de heup van het ligchaam. — Qirrn ru niHi-Jii rt rjfns een zwart gespikkelde soort van rotting.

— vj(ui2rjti2\\ iets met zwarte plekken branden of zengen.

O

{ij *1 un2nn/i of (Lnt^rj W2(Hiji en iHii^y^rjdJit(injj\\ zie bij t^tyw

aji rj (O2 (Hijj of iui ti rj (i7)2 dnjj\\ Ar. gt; Phir-

\'aun, de eigennaam Pharao.

o . 0/

(Li riTj 1712 (Kl/jS Zie (UI rj UI 2 (UI fj\\

[x^ini i5njj\\ kn. stel, bij elkander behoorend stel, Af.

van knoopen, een compleet theeservies, enz. {van

(Cn tun nsnjj). (iJi iu^un unjj^ een stel. oy^2 n^un (imjj^

twee stel, enz.

qv . j.. a*

11 r\'r/j^ji zie quot;y tvn


-ocr page 839-

n n

ajinivnojj anjj \\

\'Si

755

ajjj! fig. van het vreesachtig, »^/7

spr. hetz.

iü hy irujf \\ zie bij ^ritn^itu/jw vvi/j kn. een

klein breekijzer, G.

(L/j kn. het zich tot een knobbel zamentrck ken

van een pees, peesknobbel (yrg. {nj^nn tujj).— tai.r^s tot ecu knobbel zich zameutrekken of op-loopen, van een pees; van het hart, erg. ontevreden (zva. (M\'iïiHiyj).

O,. O a« O Ov O

^.utirujjs — iri^onjis zva. (Ui un zie

bij ■^iafniru^\\

(iSjrol tufl\\ kn. klompje, klontje, balletje (vrg. (l^ hh i O o- o

nu/I en tj [ojyri (Hm ainjj); ov. (M {ój^ihv rujj \\ een klontje suiker. {^kv rujis zich tot klompjes of klontjes vormen, klonteren. — ^n71^1 ihnjj\\ bij klompjes of klontjes.

kluit, bv. een kluit aarde, verder, tj un iruji en rj vj xn 2 iu/j\\kn. klomp, klont of harde knobbel (vry. tj(iL^dhnrj.ii/i^J^i

tjiHJi2 rhtjis ^omPen cn knobbels. — tj /y }.n ivyj en ^[ièy\'r^ Hti2(wtjis zich tot klompen of knobbels vormen, rj 1^2un tjCy*\'/ w i rLyjs met klompen en harde knobbels. — rj (11^2 ^ hm tu/j zva. uu van het hart, Tj. — 1^2 un vi?i\\ en rj ,ry uii i iri/i \\ iets tot klompen of knobbels maken; bulterig opzetten. — rj(tu^iun ruanjj en ^[nj^2lt;rj rjuii2thnjis in klompen, enz.

^^\'h ^ïl/t 0f ^ ILs ^ ils.rgt;JIN onjebr.; o hj) otj lunjj\\ w (unTji^ns en cu (ut zie bij (Ua^ i-.n/js

gew. iijI^w/j\\ kn. stank van een bok of geit; stinken als een bok (vrg. iuivyiunji).

kn. ; aP)cka ^ lii Mjj\\ ^ iPi ckji uyj of j ^ ziaji ^ktuiji\\ fig. de tanden laten zien bij lachen of van pijn\', grimlachen, grijnzen, grijnzend den mond bij herhaling vertrekken; een lelijk gezigt trekken (yrg. (u.tii itIwjj). vn iKJijj \\ de tanden laten zien door vertrekken van den mond {yrg. r; ^ (iamp;^ ri ivn ajtji en ij ^2 ij un 2 M/j). —( ijyiPiiM -iAonjj zoo grijnzend.

^(^^(in^NKN. grimlach waarbij men de tanden laat zien, zooals van iemandgt; dien men op een leugen betrapt heeft {yrg. [M^xnaj^en rj i rj ii\':i2aj)jj).— (vnajyis zoo grimlachen.

het uitsteken en zigtbaar zijn van de bovenste tanden door dat die te groot zijn of de bovenlip te smal is (yrg. (cu^ i?i uijj en ^ nj^xn w/l)- \'rji**)2ylt;ai2aJijj\\ zoo uitsteken, van de boventanden.

00 ....on

i^^rixn (k/7 (htji\\ zie bij (tu^ .id ,7ji^.

Q« O .3« O

[(L^iki ir^t ihi/i\\ zie *gt;»a. ) rui (hnjj \\

. , \'o .0 o n fCy o

ri)(iaiHj.\\ ((ü^\'Ui to \\ (oj^ibi(iaiuj\\ oj ut f.ï ax\\^n kn.

gebloemd of met goud doorstikt tapijtwerk.

ui ri \'Eg ut) \\ k w. zva. «jj {\\ en aj) \\ (S/cr.p ar dn g*

moe/c ha).

(u^nms Pers. fringgi, Frankisch, Frank, in werken uit het Arabisch vertaald voor Europeaan. i ijgt;lt;ni\\ kw. gevaar, gevaarlijk (van %(nt\\\\ vrg. rit (ivts en ajitjitw(Ujq\\). ij)ut l^oii\\ k., huiveringwekkend bosch. un uj m \\ benaming van een corps pradjoerits van den Vorst van Soerakarta. 01 zie ftjjj \'n im ihht\\ [tt^nts huiveren , vreezen. — jE^cni ut n vreeswokkend; ook op zijn hoede zijn, bv. tegen gevaar of misleiding, Rh. (yrg. it

or)), ccntiu\\ zie bij tirn(in)n\\

^ zie

ut n^(rt^\\ ut nr^(Yt^\\ of (uyrr^s kn. klokkemetaal, lt;?lt;?w compositie van één deel rood koper met vijf deelen zink, waarvan verschillende instrumenten van de gamêlan gegoten worden, W., ook wel gen. ° m » m naar het bestanddeel aPn (amp;Iqwfis Rs. Sri T.

tut \'vj y cm2\\ kw. zva. ir.ttj mi2\\\\ (t.

o » . ^

rt^ q n en (ijt \'*i lt;rr^ ^ \\ zie [(ut^ »^ tu/j\\

Ov O . O.. o

[(u^rjcm2cutiu^\\ zie uyrtuut\'tijw

n^t nt rti rot \\ (Arendrots) naam van de woonplaats van Somba.

uycYï^ un ij \\ kn. — it\'l\'rijj l,nl/lx geraakt, verstoord van verkropte toorn of spijt, die op het gelaat te lezen is.

[uj^ i 11 ut fuj,\\ of (U^ ij wit 2 tut uj \\ naam van lt;£e woonplaats van Gatotkatja.

ut rt ij (vn 2 ut (uifls kw. zva. (i:r^ uit ij ut tyn/js {iL^cm tu/j\\ 1. — [^(rn iu/js zooveel als rj uy rj cm i ttujl vj [U^2 rjlt;1112 ttijjs van takken, Tj.; volg. Ilh. ^\'yrrtiruji {U^crrttrijtj zva. lu^ut iu/j^ enz. 2. slaan zonder vooraf te pikken, van een vechthaan-, dadelijk op de tegenpartij aanvallen; fig. iem. hard aanspreken, atsuaauweu.

(^3 ^ tujj of ui rt ertj ruji \\ en (U^(ri^\\ of uutt nj ? \\ kn.; uniu^ rr^ tu/js enz. (ook ^ ^• \'I j 71) buiten verwachting ontmoeten, tegenkomen

AS*


-ocr page 840-

75(1

O O O v

(vrg. not iüi (E\'i \\ mi (ut m cmjj en (ilt;n gt;\\). —

\'3^ \'\'VN iemm(l ontmoete» \' tegonkomeu. ^ ? (.■gt; . a o

riTHN it.i

■^j n^i tthijj of nyuJls en quot;l ,UJI 0f \'lj\' tynjl dujj\\ zva. tf ivy tj crn? rujj en if w* \'f orn2 tujj\\

n\'ynj ïu/j^ ook jig. iems. rede verkorten, iem. in de rede Vftllen; ook iem. met geweld tot dwingen, foreeren, overmeesteren (Us.).

dj dy tj eni2 rLiys kn. de kruin of top afgeslagen , een hoorn of \'plant {vrg. \\jijj ti^iru/j en n\'/jcm oufj). — ij (iê^2 rj nrit iiujj\\ een hoorn of plant de kruin of top afslaan. — ijnrnta^s meer

voud.

jw (isnjjs naam van den ttsten zoon van Watoe-goenoeng, e7i van de 24este woekoe.

tui 11 rj hiïi ojj (Hiji en cui n 1 ij urn n^i tin (HTjjn zva. (uirf i

rj vm oj) (HTjj en M^yirjcvni w (HTjj \\

(l^ w iki 4 \\ kn. zva. (u (1.7 (ct % v gloed (van n^v tri ^). iyi Sïi(ij^anan^\\ overal schitteren van goud of juwelen. — (f.i(aan9\\ een vuurrooden gloed heb-ir

ben, zooals van gepolijst goud; volg. Rh. ook gloeijen , gloren; jig, blozend, blozen, van gezondheid, v, vreugde, van drift, van schaamte, enz.

d^l r:i rj rn gt; of tui rj ivï rj i.vn ? -- tri un f \\ enz. ifJ} ij

«1 imian^ gloeijen, smeulenj mooi gekleed zijn , er goed uitzien; lagchen, {niet schaterend maar zoo) dat de tanden te zien zijn.

^ ij in 2 ij (tri z q of i\'iJi tj «n 2 rj nn 2 ^ — m 2 ij in 2 $ \\

ZTT irpij an rj nn 4 \\ maar van een tandèlooze. (iL^anonjj\\ zie hij ((ui\\\\

• • C) - V

an nojj \\ zie bij cli nn (Li ini/j\\ 1. zie om aji(urijj\\— 2. cui(ilt;yijj of tt/n (ui wrijj\\ Holl. pacht; ook pachter {vrg. tun op \\). — 3. klanknabootsend woord van een slag met de vlakke hand. (ui un ^ni opiumpacht; opiumpach

ter, anders tm (ui nn ~jii (i^^finfj\\tun tui\'irjjjhnjj\\ pachterij, opiumpachterij. — in lui unjj\\ 1. pachten, zooals de opiumverkoop. 2. veel tegelijk koopen, in massa o\\i\\ioo\\)m{niisschienvan (wwnjis de grondvorm van cui (ui .inifj\\ of wel eig. pachten, zooals de opiumpachter de opium in massa van het Oou-vernement als het ware opkoopt). 3. — fcn (ui unijjs een slag met de vlakke hand op de kaarten geven, in plaats van \'/couperenquot;. — ina i irnjj of

(ui(inijj\\

Qnji un Sti (ui{Kiijj\\ met de vlakke hand kloppen om te streelen of te liefkozen , hv. een kind of

een paard. 0(Snon(naJin\\ op het hoofd kloppen, fuj.

C\\l — \'

zijn meci\'Jcrhcid toonenj iem. bcleedigen, hoaen, kwetsen.

). kn., eensklaps, iv. (iJirn-n^ eensklaps ziek worden. 2. kw. zva. aïti mi i-jj] en iji} w — itiinil eva. nacmaJtj^s —itfn nji(tfr^njl zva. mn uu (rn \'Kij en wimiiji fajii ihtji*

aui utyi of n.ii a?rimjj\\KH. — fn itji \\ erg. oen ziertje afnemen; volg. lill. ook eeu klein gedeelte overnemen oin te verkoopen. nin .vi hdj een weinig verminderd , door dat er een weiiügje afgenomen is. —- il] i l ii ti j1 lt;Ci ij aoifj*. voor een enkelen keer plukken ; voor een enkelen keer koopen, om te ver-koopen, WW.

Q-j htiji\\ kn. 1. (mpoek) zie mi— 2. (poet) klanknabootsend woord voor een wal doffen slag {vrg. en ai?i ieh^jiihvjh). — 3. i ^ imiq offn) ïjj Ilt;njj\\ blok of blokje van hout of bamboe {vrg. amitois en rjt\')t£n (koj twee blokken. — én«-J trnj) in blokken kappen of zagen. — nhjmi kh Jtl i j aan blokken gehukt of gezaagd.

, P \'

tf ut }nijj\\N.; i/nTj iugew. ) II \'II )}.I!fj\\ N , I I.iin ainjjs K., i\'.ymjKnjj\\ KI., nemen, halen, gaan halen, van iets dat men hebben wil (vrg. ttnnJiM/i-en n.t-niy*). fngt;j «Jiirnjj\\ zich toeeigenen wat men maar vindt, voor goeJen prijs verklaren, zich wederregtelijk iets toecigenen. il» ïj /einm ~in «Ikvj)* viach vangen, visschen. ij ili; lunrjITJI een houthakker, lunti^iruhm rjiK/\\

een vrouw nemen. ivgt;i ij (Ei k.().ilmji n een voorbeeld nemen, mnvj(enimyiji en wrjiamp;i;Hvjj\\ ieti\' ergens uit of aan ontlecnen. (im n iuimh-mi) (Utfn of

(71 ij;) i, i) ^ n ij i ] Kn ^ii mil \\ iemands hart zoeken te winnen of in te nemen, VVR.; dit volg, Rh.

QtidjiumSnijdJiKiiji of li^r^ li -11.ii .li ij li -i i.nj

n \\ pon

{vrg. i^\'i rj igt;ii/j). — 7 ; 7 \' i\\\'iylx 1 !1 iiiiijj\\ nemen in het algemeen j ook zva. rrjiamp;itj (bi mn/j zie bij rjifjiitsii/j* — 771 rj i^i iririj ini \\ rjiyniig^ Kiinnjjs (E| irrij njfi rj Kil \\ voor iemand iets halen of nemen; eigens iets voor nemen. — mimjicjiihiiji of tut (w ijiamp;iMrjl en (U \'Mnrrn iisiyi\\ ontneming, ontleening. — (V?ij li hvjj\\ luir^n (i£iiji\\ iets nemen om


-ocr page 841-

Vj (IJl t iHVJI \\

757

(V) ri .nu

het te hebben en te houden, van iets zich meester maken, iets zich toeeigen en iets dus o/* ^Jo opnemen of beschouwen, tiarj mi Kiijj n pass. wvj mikh

Hf ui)als kind aannemen (adopteren). — iirj

o O O o a O

vaji quot;iY n \'Y\'1 N mv\' v -1 gt;1 icj (hi^ (li

hm dbii ~Cgt; crïti igt;ii (m/j\\ elkander berooven. — oj! ( j Ö U) ^lt;Jt

w/j\\ ontleend, leenspreuk, uittreksel; afgeleide beteekenis van een woord. — nrjcuiijmiituru (m/j\\ om ie/s {bv. om elkanders hoofddoek) met elkander wedden, zva. rjM n\'iiici !in/j\\ nl, zoo dat degene die wint, wat een ander toebehoort neemt. 0/i/m kh om eikaars hoofddoek wedden.

ijMiaoyis 1. klanknah. van een slag waarmeê bv. een vrucht van de hoon valt: pof! 2. w ojiiaai,] of iQijiuiWi/j* kn. dat gedeelte bij den wortel van iets, vooral van een lichaamsdeel {bv. den hals , een vinger, de staart), daar het met het geheel vereenigd is; het onderste van een tak, waar die met den stam, en het onderste van een stam, waar die met den wortel, ook van een paal, waar die met den grond vereenigd is\\ (ook zva. 11 mi ^ (uu }(t)ij\\ G.). ij m2tyrfru(i(ï\\ waar een mes in het hecht zit, bij het hecht. — ij tuti nu .i? hu/)\\ kw. zva. (r)i(w rnjwmi/^ aanhoudend liet hoofdschudden. — f.i rj\'Vid ;hntjj\\ iets bij den wortel afsnijden, afhakken, afzetten, afmaaijen, enz.

(li hip kn. [ijzeren of koperen) spijker of nagel {vrg. wrjftfwiiijl). 01i^ (amp;! \\ een ijzeren spijker met een breedeu kop, ook zva. (li im iijji 171 anjj kleine koperen spijkers. cUcurrr^s spijker in een Jig. zin. (li injajJttm ruspijker der wereld, betiteling van een Vorst als die de wereld vast doet staan en bij elkander houdt, (uiKr^xm(TL)(edq naam van een van den bultan onafh anklij ken Prins te Djokjokarta naam van de Vorsten van Soerakaria. ifLhrnp spijkeren, nagelen; «Wjvastspijkeren. \' vastnagelen aan iets, iets aanspijkeren. ny^,nyyi\\ poëf. de stem vastspijkeren, iets beloven als iets «lat spijkervast is. G. —- riipnii ujV mv., en iets bespijkeren. — (li aj)00^ vaste, gevestigde, ajn mi ihi tui urn aj) (hnjj \\ een gevestigde godsdienst, be-naming van de godsdienst van Wisnóe. Zoo ook (im mi (Ei !u jcr^ n y dj) (in/j \\ als ware het voor cuKij

\' \'l\' (yyivan tnjj inji ? n (Lirj (un \\ (t\'iij (kv\\ Sd. Ml. gebruiken (vrg. li rrmx).

— (L/j rj trn (in . tuig, ,-ooals paarde- en wa-gentuig; bagage {vrg. (ia ^\'ij)\' ^(J\' Ma-leisch.

(Ui ij (hu 2 \\ kw. zva. lt;vn hji tzj/j •

(üjihm\\ kw. zva. aJii (V! Kti(Kjp visch {Skr. pika, dc

Indische koekoek).

Ljuns Ml. het vrouwelijk schaamdeel, (h?iam(ém\\

kn. naam van een vrucht de (hngw/j )j ui n m n \\ of ij (ui ij rm \\ in de spreektaal zva. % urn (ijl

ij ui (hij\\ laat maar.

ij (Li y nrn i v dial, mquot; ij (ui )j mi d

rj (ui 2 rj .1012\\ Chin, naam van de kruizemuntplaut. ir:Y

(tri0 de olie daarvan.

1l1 hu j\\kn. zich in twee of drie ongeveer even dikke tukken verdeelen of splitsen, van een boomstam of dikke tak; en daardoof» gevormde gaffel «ƒ hoek.

— (Eniiiii j \\ zich in twee of meer takken of stammen verdeelen, (volg. Rh. i?i onderscheiding van [dj^o\'n(H)i j\\ meer van de groote takken), fig. voor zich aan twee zaken, betrekkingen of personen tegelijk houden, twee tegelijk honden, volgen, dienen, tevriendhouden , enz. iei(hh jihïi(énmv ili(hi/j\\ twee bëkëlambten hebben, éen in het Soerakarla-sche en één in het Djokjokariasche. (ei aai q iji oaji ^ n twee vrouwen hebben op verschillende plaatsen, iei hu {tui rj 711 (hi/j\\ bij twee meesters tegelijk onderwijs nemen. iEjI hu j ili on rj mn g (i5n\\ twee ambachten

. uitoefenen.

(ui gt; \\ kw. zva. oji mi w

iLimi % \\ kn, de opbrengst va?i vruchtboomen, de winsten van een handelaar, de inkomsten van een ambtenaar {Ar. ^l.Ci, phikdh, het vruchtgeven

van hoornen). i

O () o

(ui hu ^ \\ kw. zva. (iji mn\\\\ *

oji hh 7\\ Ar. 1. pki kh, regtsgeleerdhcid. 2. jjamp;b, p hak i h, regtsgeleerde. im mi mi nn {\\ titel van

een werk over regtsgeleerdhcid.

n o

tui hu gt; \\kw. zva. cuiojj j w

y ui ij hu 9 \\ zie n.11 nnjjs ijfcivj h n gt; tj (egt;i ij hu j \\ met wijd uitgespreide beenen loepen; ook wel met het bovenlijf een weinig zijdelings gebogen door een zwaren last, Rh. zie ij ri Hti^w 7jii7j HH2.gt;\\ kn. kromme beenen hebben met buitenwaarts staande knieën en binnenwaarts ge-


-ocr page 842-

ni (Ui ? hii f \\

758

l)ogene voeten {org. rj (l,i ij r/n i x ^ il/irj dit 2 tnijj — rj (uiijiHiiiqa./nonjjs met kromme boenen loepen.

kn. met een breuk of geknakt aan de rj ojii im/is bv. van een tak, volg. Rh. met een kloof gebroken, gebroken, geknakt. — 11:12nm%\\ aan de vjh/i2ihvjj\\ knakken, ook wel met geweld van elkaar rukken, van elkaar trekken,bv. de gesloten armeu van zijn tegenpartij bij een worstelquot; strijd. PI.

Mi rjilt;u9 kn.; noi n (Ui? tj ■)ni2 qs tegen wil en dank genoodzaakt zijn iets te doen.

(ui yj Kil ?(im iinji \\ zie bij vj m n f w

(ui dm don \\ kn. voer van Leesten; aas, lokaas, zooals bij het visschen; liet garen om een weversspoel, de inslag van een weefsel {vrg. n\'pj (ki (}aj]\\ De grondvorm is Mnthijjs waarvan (un(Hti(Hin\\ Soend., en (nu(mion^ Mad., eten. Van de werkwoordsvorm a.iarijjs in luiaiKi/i afgeleid, en bet eekent wat om te eten, om van te leven, is). — wihnan^ of •et (inii?j\\ {ook uianian/j Tj.), een beest voer geven, het voeren; in de schering den inslag slaan. — mi am mi ~jii )] uti \\ iets tot voer geven aan ben beest; een heest ergens laten eten. — (un nm nrj nnjj\\ tot voer. — (ui li i,ii(njtn/js plaats voor het voer, voederbak , paardekribbe.

(uiiiomanjjWi.y zie bij ij mi 2 n n tj mi 2(in/j\\ zie bij rj mi 2 nn/j \\

iui (f( 11 (Hiji\\ kw. zva. (Ui mti (Ui (U i (injj (uii rj cm 2 on/j om

ili^ii^ iin/i\\ k., zie (uituw (ui iai anns kn. stokoud, (suf van ouderdom G.) {vrg.

.IOMOJN).

(uiiituhj n\\ n., voornaamwoord va7i de tweede persoon in officiëlen stijl van ambtenaren tot hun on-dergesohikten, ook van een zendeling van den Vorst, wanneer hij een last van den Vorst overbrengt, zelfs tot den liijksbe stier der {vrg. (E/iihjrri\\ en (Li nis).

tijionuujs of tui unpj\\ kn. het zich opzetten of zwellen van pezen of üren bij sterke krachtsinspanning,

O CO Ov 1 a 1. i (u^oni tij un rjojirt ij (uii2(bnj^\\ net opzetten van de pesten of Aren. — ^ \\ zich opzetten of zwellen als hoven.

(Uimi ffltniji\\ k., zie bij rja/n2 tjrviqw

o o 000

(ui om \\ lt;amp;imin^Hiijjs ,7 01m (fiuicn \\ en iui im^ om mi (hi/j k. , zie bij ijn/n 2rj tui % \\n (Ui[onx\\ kw. zva. ono/j \\ kn. er goed uitzien, bv.van iemands kletren of huis; zich vorwezentlijken, tot stand komen, bv. van een voornemen (vrg. aci (ij \\ WW.) ijo/ii2^1 (ui(on^ niet zooals het wezen moet, ook zva. ij om 2 ni(in i^\\ Ks,

(Limis Ar. üj, phakir, kn. een fakir, bedelmonnik.

o cv . ,

(uiom • kn. , maar veelal tui f ioyqs k., (ui mi out j \\ ki. gebruik van het verstand, overdenking, gedachte,

gevoelen, overleg, oordeel (un

. rgt; a/ n o ei/ o 1 •• i ri. 1 1

on ojuhii yns runihJi 011 ^1 otti •gt; 1 ojj onjj\\ nij iieeit het

gebruik van het verstand verloren, asiion ^i(uo?ii\\ zonder overleg, onbedacht, ligt vaardig, on^ ni oa om \\ on nadenkend, or^ -ij (un S! om if -n if aoi rj a11 \\ zijn eigen gedachten volgen, eigenzinnig zijn. — mo?n\\ ai ysj (uti mi ou denkeu over, aan of om iets denken ; over iets zijn gedachten laten gaan; nadenken, overdenken, overleggen, overwegen, beoor-dcelen. — (Uim/ n n mv., iemand iets in overweging geven of aanraden {vrg. ili^)gt; volg. Rh. in Banjoemas ook bep. een vrouw een huwelijks-voorstel doen. — (ui (ulmis suhst. den. — cut mi nionjjs met een ander of met elkander over iets nadenken, overleggen of raadplegen, (in dezen zin gew. (üt(timinionji)volg. Rh. ook oordeel, overweging, verstand; gedachte, gevoelen. — (utmin o/i/js kn. nadenkend van aard. i]ayn2ii (Limin(inf)\\

onnadcukend van aard, onverschillig. — oniojiom ■n onjj\\ kn. trans, pass.; ook zva. ouionimon^ oordeel, enz. tj om 21 J) q mi ar^ ij ac^ ij iut om ui mi 11 on/js een kind, dat nog niet op de jaren van onderscheid is gekomen.

(LO om n\\ kw. zva. ofn f/i w

O • 1

(üionrns i7i de spreektaal zva. (u^utni^

(V • 7 .. cis

oy (U12 tnrri on/js zie bij (Uil olt;ti \\\\

S o • 7.. o

ui mi ox\\ \\ zie bij m^obiiw

iLj^mioiJijj\\ lloll. procureur {vrg. lt;ijih?iou/j).

o* ■ j Qv

(ui ij mi n \\ zie bij rj ojn n \\\\

OO O

(ui om mi/j kw. zva. ojmiomjj en een soort van o.n

Qv i O O O

(^) w (ui mi inuur^\\ zva. mi oui tHiuiytp\\ (Ki it/uhiimi/j\\

kn. als met duim en middelste vinger van beide handen omvat kan worden, zoo dun {van den middel) R. — (Qmionyj\\ inhouden, tegenhouden, weerhouden, bedwingen, intoomen, beteugelen,


-ocr page 843-

O O

iu un wyj \\

759

^rxys

O

(UI Mil (hl]

asyny).

^\'njr

matigen (yrg. aj) om (tfn/j \\ êlm HYijj en irmcr^n (isr^ij).

_ iuiQtKn nnjj^ l. het iiihcudeu, 2.een vestje

met écu rij knoopjes van voren, door meisjes gedragen. 3. Ki. van ivmrjfHvtffWfiji middellijf.

kn. poef. {ook wel (i3iqMrtwnjj), o/kf.

.no \'T

van icn ot^ wjf \\ \\(hi(ui unMVjj\\ zva. (ki.uh cn^■

n O o ,

van een jongen prins. (w tnhhnjjs be

naming van een stuk geschut, anders Masnfoi genoemd.

riOji tj zie rj cui rj in. w

ijiVUMUMnjis een plat woord voor duod. Zam.

II. W.

rj (li 2 rj hoi i uvji \\ h N. het onderste van iels, voetstuk, stam {vrg. ij tui? ); fig. bv. njuinjhtiz ij Wjwï (Ki rus van Solosehe herkomst. WW. ü. volg.

Rh. Maleisch.

O • ^

iu ilt; gt;i ij un anjin zie bij hu lt;hii \\\\

miilUiiKHiijjs kn. kleine holte ot\' denk, bv. in de wang\', als scheldwoord domoor, eig. iemand aan wiens verstand iets mankeert; vrg.

luunizva. tün int m) a^i/j\\ (5^/. Ml. hetz.).

(Uicn hr^dJ)zie bij tut h-yw (uthQ^ KW. zva. (*j^(hïi\\ {vrg. volgens G.

verraad.

O o rgt; . . , ,

kw. zva. tLirf lonn^/j en (iniijjiijj\\ {verlc. van

O o \\

iuyhtgfs).

\'l jjN Kw. zvaquot; ^ n fonj] \\

(li hiiiisnji\\ kn. lokker, lokvogel, de Jluitende vogel, in de knip, terwijl de andere \'^/j)

een eind van het gomhoutje af zit om de vogels te lokken; [cu^^iutiKnlunqs gereedschappen om vogels zoo te vangen bv. de knip {vn tij) wjl), het bamboestaakje waardoor hel gomhoutje gestoken wordt, de gom {van de a-fri enn \\) een zakje voor de gevangen vogel, enz. {vrg. ojIki^iüh/js nvyrrtjs II.,

O v 7 ^ O o n ,

en tosivmmyi); ook (Vi kh (vnyj en tut (L/ituy) lok vogel, in een fig. zin.— lt;b«^N vogels ineteen

rgt;

^i.unasriji vangen.

o O O 0 o

kw. zva. iKitiH lil/I {vrg. (L/iiHiidsnjj). — n

7,^\'l^//N zvaquot; kw wi ili/i of a:w inn uti/j (yrg. in

quot;r^)\'

^awfln kn. — iEjtlt;nasuji\\ zicli wikkelen, zich kronkelen om; ook zich zamenkronkelen bv, van een slang % en zich binden bv. van een vloeistof die gekookt wordt; vrg. ^r^fn (imjjx en asiijj\\

. zijde, kant, flank {S\'kr. pa.vay TJ. SVngk. twee. (uihii-z* of ojuhh^as kn. volharding, aanhouding, doorzetting; geweld door maar te blijven aanhouden en het niet op te geven; met geweld of volstrekt iets willen {vrg. ühu (uiry] iiiinnen j.T^r^v, Skr. paxa, gevoelen dat men verdedigt en volhoudt, assertie; partij die men kiest of omhelst, pk.). In zamenstellingen ojimii ons: over-, (uiuii^i tLi.riii\\ bijzonder vrijpostig. Lii (iiU^i L)ihj\\ zich overmoedig toonen, overmoedig.

ii iïi2 (Li7ni ^fi TLiain\\ iemand, die zonder bevel af

O

te wachten maar zijn eigen idee volgt. — li mi -^i\\ aan- of vol blijven houden, met geweld bij iets blijven; iemand dringen., dwingen, verpligten, noodzaken, forceren; verkrachten {vrg. (uninum (iw/l)} ook steeds maar, al maar door, (niettegen-staande of ondanks), ^ gt; /u j ioi ij (i:m (tfn (in Sn (iJi(i\\ in\\ niettegenstaande hij weer met de piek naar haar stak, miste hij maar al door; Adji Saka 140. !tA Mn a i ij cci (uu osi/js volstrekt oostwaarts willen, ntui hu .ui kiieenigzins gedrongen, eenig-zins met dwang, half uit dwang. —ibi hii^imi ~ni njkil\\ bij iemand aandringen om iets te doen, van iemand iets volstrekt gedaan willen hebben, ook in het alg. iem. of iets dwingen tot het een of . ander; een obj. met geweld erg. in willen doen of uittrekken, enz. bv. een dikke kurk in een naauwe flesch, enz. — am £.? dan ^i \\ volhardend. G.; liever zich aanstellen of men iets dwingen wil, sterk op iets aandringen. — (uituimi ^i\\ poët. zva. (bi (Kn — (ui \'Qwii^a.\\ het aan blijven houden, dwang, geweld. — iui kii -y»m j of (ui tui hii ^gt;i (in^t \\ gedwongen, niet vrijwillig, -r»x/nu:iril(u(nunnjj\\ gedwongen of gemaakte ingenomenheid, familiariteit.

cui(Kii^i\\ zie bij (ut^ctn(kh d/t.ini^s (UiHii^a enz , zie (ui un w

iUi(HiiJït.\\ 1. k. va7i if in^iKiiji {Skr. paxi, vogel.)

^ o . - ,• O o o

iUi idi ^i hj^ (L^\\ 7im. van een genaing. (Ui mi ^ i n i n

•mid/js .ui h ii Jl (Ui (Hj irYi\\ enz. ben. van verschillende batiksels. — 2. kn. (uimin of uim\\ kn. de ijzeren stift aan het lemmer van een mes of

•. O zie iim tm

iui(hn^\\ kw

llh. ook fig. 0ijïi rj uj vs^ n zva. ons «in het hart gegrifdquot;. B.

-ocr page 844-

O

(L/l iti II \\

wu[ en, dat iu hot hecht of gevest zit.

(u iilt; n -i-i \\ k w. zva. ^ \\ {verkorting van gt; 2.

o o . o

Vrg. (ui (hu ~i\\ cn ivi mn ^i\\). n^i lt;hii ^ i \\

kennis geven. — \' r^njtaoi^ks zie loven.

ojiiiina.ii/is kn. naam van een plant een varensoortgt;

waarvan de tophladen als groente gegeten worden.

(U ini iu ~/n \\ reuzenvaren, waarvan de stam tot

stijlen van kleine huisjes dient. naam van

ro

een batiksel.

d^i.n^s naam van een soort van oorlogsbekken in

vroeger tijd {yrg. ij crii i \\ en dhi rjnrttx).

ti (Li? gt;i an) ? \\ kn. naam van een geneeskrachtig blad. WW. J.

O

.ui h )i .-I i i \\ k w. zva. ./1 am \\\\

h Cx)

tui ij mi fijj, % \\ zie bij rj ii/najj^ \\\\

quot;gt; . 7.. n

(ui ihtuui (HTji^ zie bij igt; n ui\\\\

(Ui(Vidoji\\ zie bij (uid.yw

(Ui (Hij rj oi 2 dn/j zie hij ./. a y \\\\

(Ui tj i.ii i;;ia/j\\ k. , zie bij ij i n o^u

(uui:u.ui(M^a(hiji\\ ku., van iUKHimiin(i-njjs zie bij

(Kil \'tl \\\\

(uitun\'iu/j\\ werk om te breeuwen, Ml.; ?imiihu^j\\ reten of naden niet werk stoppen ; breeuwen {vrg.

O \\

IL7I i n ru

tui\'ij (hti n i/i \\ kn. een wilde soort mangga, met een

terpetijn lucht, even als de rj i.^/

\' ~) . y co

tui ay ili/j\\ kw. n in^n i/i vrg. (Ui

(ui ny ili/j^h. , (ui vi^ lunjj \\ k., een schouclervracht, zooveel als aan een draagstok voor en achter, of aan beide einden aan een juk, over den schouder door een man, of door meer personen aan een draagboom op de schouders tusschen hen in, gewoonlijk gedragen wordt; in den handel ook voor een ge-wigt van honderd kuti\'s {vrg. tioi iJKHyi)} (u (ui i.ii {volg. Kh. ii^ i.n f i i.tiduij) een lastdrager, R. (ijj^ nn (di 1* ui i, y iliji\\ een pikoel gras {wegende ongeveer 60—70 Arnsterdamsche ponden). Zie ook bij — Pi hij iu^ (i:^ (uii^/j \\ iets over den

schouder of op de schouders aan een stok ö/\'boom dragen; fig. iets op zijn schouders (tot zijn last) hebben , of op zijn schouders nemen (voor een ander te ver rig ten en te bezorgen), hkut^ ^ ij iJi\\ verpligt werk te verrigten hebben, hkhtj ru Tn een zaak van een ander te bepleiten, hebben, oj) zijn verantwoording nemen, WW.; volg. Kh. een zaak te verantwoorden hebben nl. zijn eigen; (voor een ander, zie cans.) {vrg. a^rrihuiijj ir^cijnni^/js oji ofrj i ui^/j (él (rij 71 ijjx nrj oji ? cni \\ rj min z cni \\ en (uii tj (rj 0112 7] rb» i\\). (Ü(£1 i.r^ (iuiji\\ (uj(u if i^(isiiji\\ dragen als boven, in het algem. vj üneen lastdrager {vrg. ik (rij iuiji). — (U i tj i^i tj im \\ r i^ (iju ih ii an/js laten dragen als boven, voor een ander dragen, enz. ook fig. voor een ander op zich nemen, o rgt; o

il H, Ij I rj h li (U^ Kil \'11 rj (UJ .KI (Uil Kj \\ - (UI li rj I U (Hl/I

of (ui (L/i (Kil lt;iui on/Is en di lt;t i quot;■»»(mi of (LULUhKun

tl \'K s co \' \' s s co

m^ stok of boom om iets over den schouder te dragen , draagstok, draagboom; wat over den schouder gedragen wordt of te dragen is, zoo te transporteren ; ook fig. wat iemand als last te dragen heeft, last die op iemand rust, ook zva. oji om ann

r ^ * o , ,

oj i i n on (Hyi * (K i ui s (limj ; (Hi/i\\ sawah s vroeger verlaten door de daarop regthebbenden, en dien ten gevolge ter bewerking afgestaan aan

desalieden, EU. (Ui hn i,n ^ji aji fciti om i cru Jiïiu

f UI

I.ij ui oQip spreekmanier voor het zwanger worden of een kind krijgen van meisjes, die nog inwonen bij haar ouders of oudere bloedverwanten, die belast zijn met haar onderhoud. WW. (ter plaatse Adji Saka 258, waar verhaald wordt, dat de menschen geen vaste woonplaats hebben, schijnt het eer te beteekenen lett. de kippen leggen hun eijeren op de pikoelan\'s, m, a. w. niet in hun eigen nest, Rh.).

(lj hij ivji^ kn. iets om mee te slaan, te kloppen; de voorhamer o/*(groote hamer) vaji een smid, JR.; deze volg.

Rh. (U (rui \\ en de tweede hamer (Uian ^i rui/i zie aïïuu c cj co co

en klokslag, uur,bv.ie:tuiininjCLii(iii(mji^ of enkel ij Hij r^ti,jijruijim^s om drie uur nadenmiddag. — foj nrj ili^ op iets slaan om geluid te maken, G. met den voorhamer slaan, van een smid JR. {volg. Rh. m(i:ij* v. tbiiam^)-, fig. poet. kloppen, vechten {vrg. (Uj(Ujq\\ en iiJquot;gt;gt;\\); ook zva. (uiioyt(tsii (Hiyi of lt;i/ii oQur^crii^ vijandelijk, gewapenderhand aantasten, vjinjaui^s hetz.

ij nji 2 den trui /i\\ kn . werk, toedoen, meestal in een hva-den zin, iets dat iem. gebakken of gebrouwen wordt, list, vond, brouwsel.

(Lii mi ni/pKN. winstje, voordeeltje; op kleine winstjes uit zijn. WVVr.

tj iun ii urn iuiji\\kx. knoest, knoestig van een boom.


-ocr page 845-

(i// gt;i /. n i tj i li 4 \\

o

(l/ian \\

761

(uiiijunii/rij/i\' knoestig hout, en wid niet hruiHaar is voor timmerwerk.

u t ij hTi2 ijiui zie bij ^ami ij nu^w ? j ut^ tnj^ (tnqn k\\v. .rfa. nijapw kn. liet wordt ook als voornaamwoord van de ticeede persoon ycbe-zigd. (Hi\' ^i j f\'^ln KW. zva. nni ik kjw ij (ij i ij (Hnjls zie tf alt;i) è ^ nat (inij \\

tj lu tijwi ^}2.ni^/j\\KW. zie bij rj ivi2(hn}/j\\

(umnnscs of cCi un n KW.zva. oln \\ tj mi i^p

*1 s cn \'E1 ■?x {Sfcr- $ a n y k a di a, een lotus). il/l Mlt lamp;IJjS kw. zva. (LI CIJT^ cmTl aojj \\fn CVY) to-l Q nifhj (rnwjj 1. kn. korte inhoud, kort

begrip, handleiding, (van den stam i.niij). m cu (to!j an au tï n korte kroniek van een rijk. lt;li ih)i^ji(initü\\ korte inhoud van de lakon (loop, intrigue van de wajang), tot handleiding voorde da-langs. (iv? (ui (un iivi/j is ook de naam van een boek, dnt de grondtrekken .van de wetsbepalingen voor het beheer van de justitie in het vroegere Tjeri-bonsehe vorstendom bevat. 2. ni h n iD p kw. zva. (cntrjtiznnjjs kn. stijf den mond sluiten , op het gebit bijten , van een paard, dat niet luisteren wil naar de werking van de statig, {in tegenstelling van fig. hardnekkig, weerspannig, stijf

hoofdig, eigenzinnig, ook onder het wisselen van geld eenige centen wegmoffelen van een geldwisselaar. — in het kort in een tuimu avijj

opteekenen ; noteren , enz.

O o , (quot;) O

(uani ap (Lflji of tLï hii ïj ip? i i p kn. zva. ,i i i i Kriutyj

zie WW.

t.HHns iumi{\\ een gaffel, volg. JR. kn. dikke

tak, van een boom (vrg. iu\\).

(Ukhskw. zva. aytimw

O

(Lihij\\ (Ei\\ kn. ongev. zva. (viiirian/j\\ — if.i ii7m w/j v vooral bij koop en verkoop.

kn. naam van een soort van bijzonder kleine

O o oi)7i tip(Krin\\

M!HYj\\ kn. naam van een watervogel, van kleur en

grootte niet ongelijk aan onze patrijs.

njjiini\\ kn. 1. bout, boutje, van een beest, van een koe, schaap, kip, kikvorsch, krekel, enz. {org. n itEiSitxjiji). 2. — isr^Kus 2.

t/ïdon 1. kw. en ki. zva. of aj^hi^s voet

(yrg. wij (amp;}^niuon/i). 2. kw. zva. iS?rj nmd anjj of wrjarmihjunjis plaatsj ook zva. (uiirjr^iès en

^(i}2\\\\ 3. kn. een afdeel;ng van een dichtstuk: stanze, couplet of strophe; scheidteeken aan het einde van een couplet, en in proza zva. een pnnt of komma. {Skr. pdda en pada, voet; en vers-afdeeling, dichtregel; pada, ook plaats, plek, oord), (uac Ka wise he betiteling van

een God, gelijk oj) rj w _ i ilu m ccj i j van een Vorst, anr^fcrt^\\(uixa\\ kn. zich neerbuigen aan de voeten van een Vorst, tn ri q (in nu ry i ^ ui Jnï «./lt;-»» if i {of ii\'?i:li£\\) poet. uitdrukking voor njrj\\ 4. (ui7 / (Liiia\\ kn. hei menschenverblijf, de aarde, (uitui oii (ici \\ couplet, in onderscheiding van lUKuinu (i.i\\ {zie bij iPrnhi Over iji tia n \'n 11 :i m (hijj \\ tui (ia

n o. n (1 o ^

i \'ii (ia rij «o) in ^ n (Li (ia .ui ito an ~ii crti (Uj\\ ivt (ia m^iur^s mmn/iiajiii iu/j\\ tui(ici n i i^jj \\ (t\'ixalt;i:jinriijj i ^ ftn (Ui (in \\ ii i lujjj iui aa \\ en (Vi a i an ui an \\ zie men

de Grammatica. ^

n o

ui ia \\ — kw. zva. (ui^ iii^\\\\ — (ui ui \\ zva. uj m gt;w

o

,i i(in\\ (Ui gt;j ddiuj \\ (f.i tj ui i j. u „ii ij un \\ tui ij id ? iuyi en

ui cui rj (ui 2 anjj\\ zie onder i iuu^\\

Li na \\ kn. gezouten zeeviseh, voornamelijk of bepaaldelijk këmboeng- of lajangviseh, {die wel iets van onze /taring heeft).

hui(ii)\\kN. het uitvorschen, uitvragen j iemand uitvragen naar het een of ander.

lUKic!kn. zwart zalfje, daar de wenkbrauwen van een bruid mee bestreken worden. KI., volg. Rh, cosmetiek, ikiu j \\ een zeker zalfje dat tot ge-. neesmiddel ergens op gestreken wordt. JR. — /! (i^\\ iets met den top van den vinger of de vingertoppen, of ook met het einde van iets zooals een stok, drukken om het vast te klemmen of neer te drukken; iets vooral de knevels oj wenkbrauwen, met een zalf of verw bestrijken «iJR.; met luuins bestrijken, of uuuij drukkende hechten, bv. op het voorhoofd van een bruid\', met de duim drukken op iem. drukken, Tj.j ouder den duim of

klein houden, iem. onderdrukken, volg. JR. ook aan het werk q/quot; onder appel, houden SI.ixIn).

(ui uj mi i(un.t:») \\ met roode verw bestreken. W.

o

ij (Liiin zie (ui un m j \\\\

(u ijam cmji^ zie onder (i/nar^w o _ o

(li ui \\ kw. - (ui (ugt; v*

n 0 ï

,ui ad (Ki \\ kw. zva. lt;i/ij u y uyj en (in nrni \\ ( Skr .pid ana,

p|)niging).


-ocr page 846-

mtlci tu/j^

763

CU (IC) \\

mms k\\v. zva. imq.i\\ (waarsc/i. het Ar. öadr, de

maan, inzonderheid de volle maan). GR.

{ook wel (uw(Waj.) en

vti pi n-) misschien verb, van (uma nojn oo/js

van (ia\'-n\\ Skr. ad ara, laag, gemeen, (urimhn i? •.. o

tiü Ti tnijhiji \\ zie bij uil w kvjj \\

(um(r}}\\ poët. zaamgetrokken uit hjkuis en (unnm\\

voet v. d. berg, Tj.

o. o o- . ... :j.,

iU .ui n i 11 (hl/1 OJ iL\'1 (Kt r) .1 ;i luyjs zie bij i^iXjW

u(ixi hnj\\ kn. het met oplettendheid rond- o/toekij-keu. — iLhuihtt/js met oplettendheid toe-q/uitkijken; de oogen met oplettendheid laten rondgaan, alles goed opnemen; opspeuren, naar iets, bv. een huis, rondzien; het oog hebben op. — (uaïïnH hrj of iu u iw hfi an/j\\ iets daar men het oog op (gevestigd) heeft (vrg. ili i^cj wjj). y t-i (ui nu ^ avT^N op iets het oog (gevestigd) hebben.

1 o 7 . . O

Lhut iiti/j en { ilt;in.}i)i/j\\ zie bij t-\'uinnlt;n^\\ on a C) r o (Tquot;)

LliUIhnjj - (LI UI 1^1)11^ of Ijl (LCI htl (IOjI ki. 0. -h 11

o n

(Li xa h Dfj k w. zva. / ƒ iclt; w

quot;) ) o o )

(lt (Ut (HV \\ kw. zva. (UI it/l Jlt; H Ihltjl UjI UI (VAJ^ iLI (Hl \\ tl/ll

O. O..

(hi hji) qnw ibis

o rgt;

(uclcjji)w\\ kw. zva. [u)i li) jn (m i,ii injj en mrj d (luon/j\\ {Skr. yddoekd, sehoen en muil); kn. vooral in poëzie gt; voornaamwoord van de tweede persoon tot Vorsten en hoog aanzienlijken, un lji

(ij)(ir^)o)\\ Uw Hoogheids behagen.

o n • »•• quot;)

ui win) ^)\\ zie bij axi un ^gt;i\\\\

n

\'1 ïj(iai(injj\\ zie bij ir^ tlt;^\\\\

O

üs:

) n

ui (L ) Li zva. (ui ui \\\\

(i/i(in lt;l$[i)lt;yj\\ zie bij (ud u) iisnjj\\

iuj ïj (u) i (ij^/j \\ verk. van a rr^ (ui ij do 2 ci-^jj n — d tj ax) 2

(hiJ}\\ in de spreektaal zva. u yui ij ui? m Jiw (ui ij (io .m lojj \\ zie bij tj iui (ki w

(ui (U) .ui (Hiji \\ kn. groote waterkruik o/martevaan tot het verrigten van de d^ipi K^j\\ met een tuit van onderen, digtgemaakt door een iu^ li ii u i j, die er uitgetrokken wordt, om er water uit te doen loepen. — (fj) ax)(ui .i/j (Hijj\\ spr. Zam. II.

(ui.ic^ciji^crnjp zie bij I.

(luclc^ n) dojj. kn. achtergeblevene ziektestof, zoo als van de pokken, mazelen of koorts, die zich ergens in het lickaam zet en ■waaruit weer een nieuwe ziekte ontstaat y zooals blindheid, een gezwel in de bui\' ging van den arm, dysenterie, enz. {ook wel nji

(10I :U) (K)Jj\\),

(udnrujj^ kn.; hiMtu/j^ tegen iets duwen lt;?ƒ drukken , zooals tegen een deur of met de tong tegen het tandvleesch; een obj, terugduwen; fig. niet aannemen, bv. van iets dat een kleur- oJ verwstof niet aanneemt\', {ook (Ei (in rviji of (lhtklj) fo) (u) lu/j voor elastiek. R.). {vrg. mi apaïiirhiji^ cuj.uts en h-yj

O v rgt; n

/ui (in ti i/jj. t) dn tui -ï* (hii n ongev. zva. ibi ipti rujj \\ Men. 0n v\'it mi t-iuci \\ met kraeht op de stijgbeugels den voet zetten, er op steunen, Rs. 0iuuiu iim n plat voor den bijslaap uitoefenen, een kind maken, uh 0\\ de vader, d 10 lt;rutj ni ^ ^ \\ spr. voor zich verzetten tegen het bevel van zijn overheid of meester. (L ) ia rj ti^i 2 \\ geneesmiddelen weerstaan, er niet voor wijken, van een kwaal of ziekte. (tidfKnïjwns een gezegde niet gelooven. R. volg. Rh. tegenspreken; een voorstel vei werpen. (u (U) it li ^7 ui (tui (Hijj \\ spr., zijn zitplaats verlaten , d. i. naar huis gaan, fig. een dienst, bediening, post verlaten o/* verwerpen, \\V W. tui ax) tli -^1 a-. 1 ilii onjjs van iems. gunstig onthaal geen verder gebruik maken door te vertrekken, W. I, 9. — (En (Ui (tui7j hu \\ met iets tegen iets duwen of drukken; maken dat iets dit of dat niet aanneemt.

(ui iicjj tui out j \\ zie bij (tc^ojiw

tU) iUjjjn kw. zva. (L/)(U)\\ (U)axr xn \\ en G. miarn wook een priester, en bijnaam van Batdra Endra.

\'SIx cMN en \'ljl ci\'V KW zva\' Ll ^s enz\'

(ut(iij \\ k.\\y. zva. (ütiiLWTr) rm\\ {Skr. pad ma), (ukuuui oa\\ zva. hj) (uo ^i\\ de zetel van BatW Goeroe {Skr. padmdsana, een zetel of troon in de vorm van een lotus, waarop afgodsbeelden geplaatst worden: zie (uti jji OD \\). (uuictw )a \\ een naam van Wisnoe

en bijnaam van Krësna {Skr. p a dm and h\'d). .ui

Cl * Sn

(Uj\'ti (tt)\\ zva. isrj trftt\\ mi\\ en 001 (Lj ui--n\\

{Skr. padmardqa, een robijn, eig. lotus-

kleurig).

iui 7j gt; 0f (ui(Ui\\ {(Ui\'ivjs W. I, 154) kn. een gemalin van den eersten rang, zooals van den Vorst, van Pangéran\'s, Adipati\'s, Toemënggoeng\'s {Skr. pad mi, een lotus; een vrouw van een der hoogste kastes; de eerste en voortreffelijkste; vrg. (ut

\\ n t O SO

(»o\\). A00 ook tj um tui OfCjs kn . , crti .ui (Ui (£ij\\


-ocr page 847-

(Lllin IhAJI

763

(Uia5i)ji\\

ki., in onderscheiding van cnnonfjifuw

(Li(in\'MJJnkw. zva. no ruj of (U) w\\ lamp,

n

\'W^fla5WNKW- ZVa\' W\'tUMHW

o O Q O

(ui(tazva. oji(in(tot

Mdrj im nKi^n/js naam van een soort onzigthare hoe-tas of hooze geesten, verh. van (engt;iasn/j\\ G. (li (ii) \\ zie hij fiiiN I.

Mlt;Tj(ia\\ zamentrekking van (uimimïw u (W (rry-KVf. zva. ;£? uu on \\ en 01 Si mi ^ G.

bij het tellen, en anders alleen in za-m en stelling, als attribuut en predicaai a i n en in verbinding met een volgend naamwoord tot h en am in g van één hoeveelheid aji

uh \\ N., oQ (kïi (Ut anjj en mtruionjis K., vier o » O

tjuid iL\'HWLii/]\\ (hn (tilm nu v)nn/is vier personen

.o O c) ...

aji dm na\'Kj \\ mh 1» pjonw/j^ vier dagen, (utu))^

aai(Oipia.i\\ veertig, d/t (tgt;h {uf iHntumojj) (un

vier honderd, aji (hi^ii ia^\\ oo) itn im ilio ij\\

veertien, nn \\ ».n asi )/y ^ 24. ilÏlt;üi itnjj\\ ioi

(Li(hJiaw(U)aujj\\ viermaal, de {of het) vierde. gt;j.\'/?

a.iaji asr^ijs kn. de vierde mfingsH van het zonnejaar.

hi 2 .i7ni (Vi (unjj \\ ij it 12 trrn rm urn ui an/j n zie hij ij n.i i

O o . \' .

.i7»\\\\ (r;j clu ihn/j\\ (cm (tmfuionjjx vier tegen een

wedden op iels, hv. op een vechthaan.— r?tuinSI\\

i nidni(UKiys elk voor vier personen j ook zva. o

o O i •

a ^ni uiitgan/j met zijn vieren

bv. dragen. ieii ojin.; rnuniojiDnjjs K.,elk v ier. (li (uii lt;l^ av^ ^ \\ n (Ui mi w \\ elk veel tig. u i ihïi *l nh{tiiï\'hj\\ een ofierhaude doen voor een overledene op den veertigsten dag na zijn overlijden, — tmi (Li (briji\\ n. , mi (luiik i inn ivi iHyj \\ k. , de {of het) vierde {bij drie andere)-, ook un (u asu^ of rj ■rj iu2(Ki(nimji iiMifls kn. de vierde mangsa. am ti/i a^n (tri ^ \\ itni (ui fin (Ci ^ n vierdehalf, ani (l i ij \\ m n ui ij ^ ^ — /£/? iiji Ojjj s (urn im ui iui \\ iets met zijn vieren verrigten; bijtellen: bij vieren, in rijen van vier; voor een vrouw, die voor de eerste maal in de vierde maand zwanger is, een offerhande doen. — [(u^cutamji {voor aji (ui nasiijj), hji ji iJkh \'L»onjl\\ in vieren, vierendeel, (oj^oji(hiy of tuuui kn. benaming van de hoofden van de 11 ui2

^ N 00^ we^ me^ inbegrip van de ij (e.i t inn

0 O . 6

vli hiw lt;m^lj(lfllt;isw^\\kn. een vierde, een kwart;

oen kwart .t)i \\ een groot, 23 duit. (Q (ui (un ^ ?

een kwart paal. lt;iin iui ^(li ^njj\\ drie vierde.

— (Ettkui (bnys iamp;i ni aji asn/i of asn/js en ibi ti,7:7 ini(uianjj\\ in vier portiea verdeelen.

kn. in vieren deelen; naar vier kanten; kruisso-lings. — tuiti (ui (ifii inji of iHyj\\ en lui\'n

nJuniUKHjMi^ in vieren gedeeid; vierdeelig. aji .m» (inji\\ kn . kruis ; in het kruis, (kkuitkui agi anjj n. 1 (Li \'ikki mi (Ui (H^ dnjj\\ een vierde, (in lt;iui on 1^(ui (igi vnjj\\ ^nrft[oj^oji (^ijinji\\ kruisweg, unojvi {of nni\'iè?^ :i:ri rj ruiimi ^ (li tiw onjj\\ kruisbalk.

(Ui lun/j \\ KW. klanknabootsend ivoor d voor //^opeens en geheel uitgaan van licht; ook van het opeens ophouden van een stroom {vrg. tuiuuunjj en om ti ^iiun/jy aJït^ij (hu\\ ineens uitgaan, van een lamp. aryjj tiii (unjj\\ nu licht en dan in eens duister. — {li (ifii on/j\\) r.11 iui (in aJ (un (iQ\'is ineens tegelijk uitgaan.

ij on (isiijj n tj z i OjHJj ^ ojh oj u iltnji en azivj ibi asrijjs poet.

ct

zva. ij .ui ini/j\\ ojii tj iei omj en ».) tj n. 1 unjj * ili ijo.j

... O

iU))^ pass. (f dj (t i onijj\\ poot. zva. on ij iuionijj\\

— (ui ij iui o^n \\ mv. tj i iij 01 (ün/j kn. zoetwater-visch vangen. — rj tui tj o o^U zie beneden.

ij uii ihii/j of n.ii ij (unosryi^KS. 1. geëindigd, ten einde; verloopeif, van een bepaalde tijd; het verstreken zijn van de voor iets bepaalde tijd; met iets, zooals geld, ten einde zijn, niet meer in kas hebben; ook zva. ijr:i)Zonfj\\ \\7jon12n1 tjiui2(uiijj\\ zva. tun

on -»111 onijj\\ \\ ij 1112 Ti ij tui 2 dm Sn ij ui 2 asnjj\\ gere-1, 00 o\'

ge hl, zva. osii on ^ itn tun _ 1 gt;111 mv/js — or.i ij 0^12 ow quot; ojuns iets in zijn gewonen gang afbreken;

doen vervallen. — vj oji 2 ij mii ^ 12 o^iinn^\\ geheel geëindigd, Rh. — 2. TIoll. pot, bep. bloempot.—ij oji 2 ij osn ^,7 2 iifi 10Ojj\\ in potten va7i bloemen.

iui 0511 \\ verkorting van fin oji 0511 \\K\\\\. zva.

on (uiasn^KH. één, eenloopend. r.nonon j\\ 0i een een-loopend persoon.

(U(bn\\ 1. kw. heer {S/cr. pati, patih). — 2. ui

o O n O

fan \\ en un ui O\'iii \\ n , tui tj 05n 2onjj en oni oji ij tun 2

»O TT O ^ ( ^

on/j k., zie bij om o^n \\ 11. —«5. on oni \\ n., :ui ik q \\ k., ij on on \\ ki., de dood; iemands dood; het uitgaan; uitgebluscht of uitgedoofd zijn of worden, van licht en vuur; het einde tan een maand. 011 o.j, o.i) J!ï0-0 un \\ onsterfelijk; tj UTi 2 ti 0 sterfelijk. (L7 iun (tyjjj ti ujj \\ dood en leven, tui uj. an - gt; o-.?) \\ bloed -wraak nemen, on mp iui 05?) \\ het toeleggen op iemands

dood. oji tun mri oil \\ kn. het vuur uit, voor zonder a


-ocr page 848-

701

0

1 t rj uw \\

feestelijkheid, Iv. een kind uithuwelijken {zie ook bij ijmwj\'óiis)\', ook streng vasten, in het geheel niets gebruiken. •— (liaS]\\ ajiunfzqs doode, gesneuvelde, sterigeval, zooals hij een epidemische ziekte, tjdiig rj m % (u ti.i nt,n\\ dooden krijgen, vijanden doen sneuvelen in een gevecht. ij!m v,n\\ bidden om op de een of andere wijze te sterven. .T/asn *-») ^ikii nJ(ui itiï\\ zich overgeven oj) leven of dood, 11.; een doodstijding berigteu. — *.nvgt;?i\\ aï /ƒ.7siau\\ dood, gestorven; doodgaan, sterven (fry. n^nnnni/j en uitgaan, uitdooven,

va7i licht of vuur: fuj. niet meer in wezen of in stand zijn of blijven j opgeheven, niet meer gaan, hv. van een horologe\\ (er te kort zijn, hij hel nawegen 11.) dood loopen, versperd zijn, en niet meer begaan worden, niet meer passabel of oubegnan-baar, van een weg of passage-, geen water meer hebben of geven , van een rivier, wel of put; geen zog meer geven, van de horsten van een vrouw; geheel verlamd, van een lichaamsdeel; uitgedelgd, uitgeschrapt, van schrift; uit, ten einde, verloo-pen , hv. van een jaar \\ zoo ver, dat liet niet verder kan j vast, niet meer los te trekken, van een knoop ; vastgesteld, voor vast bepaald, tw» mz f?rt/s; vast in elkander gezet, vastgespijkerd, vastgenaaid , vastgedraaid, enz. wnin ndcmmj staande sterven, zonder dat men ziek te bed heeft gelegen, plotseling sterven hv. van schrik, W. II. 480. (asv (ui am any \\ niet meer gaan kunnen, waar men wil, omdat men overal vijanden heeft. K.). rtj) (iy,M(bn\\ lage oogen hij een worp in het dobbelspel-, {ook valsche dobbelsteenen, daar men altijd lage oogen mee werpt. R.). nr^E)grond,

daar men niet aan heeft, onbemestbare grond,

n o o : ) o

lhl\\ gt; » (YM n., (Tl (hll ni ent k. , zva. :f I (FjI (l,tl 177 (1»

ihïi/j\\ het lichaam zoeken te dooden, het vleesch (de zinnelijkheid) dooden. doormiddel van ijsïja/iw {ook met opzet in de dood loopen. JK.). — iiw /bn\\ kn., tiiihvixnk., zich, of het lichaam, zoeken te dooden, zich kastijden. acltQiji(is?r pass.

o O a o . , .

— (f:i y dbn !hj \\ (F.1 (u? % n/n \\ tjrmaonjj \\ iemand of

een heest dooden; een licht 0/nitblusschen .

uitdooven; doodend, doodelijk; iets vernietigen,

maken dat het niet meer bestaat o/in wezen blijft;

iets verdelgen, uitdelgen, nitwisschen; zijn lusten

of begeerten dooden; een weg of passage versperren of digt 0/onbegaanbaar maken; iets, zooals een wel, stoppen, zoodat het geen water meer geeft; iets op de een of andere wijze vastmaken

of zetten; de wielen van een rijtuig remmen, i?

o O O o o

* i ij (is)i (uj \\ (t i ifji ik f ayri \\ mv. — mi (u rj (tm (Hijj\\

o o

11 tnj if mii ihn /j en h ti (ijl Yj(i,ii wj nnjj \\ n ., tsn tui ik q

(uri w/j k . pass.; den lj ij asn an^ j en ifn (ViHK q (un onqs

de persoon of zaak voor wien iemand of iets is

o o /.000 , ,.

(hinsns .hiyijiïn/j oj \'(Vkiks geen nakomelingen

hebben , kinderloos; een verlies lijden door den dood,

hv. van een kind of bloedverwant, iemand het

licht, hv. zijn fakkel, uitgaan; ook de dood; volg.

11. de staat van de afgescheiden zielen, die, van

het aardsche leven ontslagen, het bovenzinnelijke

leven deelachtig geworden zijn {anders kh (un n i in

lyn/j). (ut (tli 4 iamp;ti (Li rf asn onq een ongelegen dood

sterven, hv. door zich zelf van kant te maken ,

„ O X O n

Ks. u ti 11 tj asn 7f on ju ? rjivn ? \\ spr. (nu hji tj asn ni n.i j \\

spreekwijs voor de hoop verloren hebben van een ander bij zijn leven terug te zien. CS. volg. \\V. Zam. II, echter door gebrek aan voorlichting, het spoor kwijt zijn; — $\' 1 vj asn nn yj im \\ (tjiaes^a/n ihrn (hijj \\ een ohj. een bepaalde bestemming geven; hv. iem. belasten met een bepaald werk (met uitsluiting van ayidere werkzaamheden); houden of beschouwen als wasn* iemand ter dood laten brengen, II. het lichaam {het vleesch , de zinnelijkheid) dooden G. — a itj asn (injj\\ iLti ix 1 tun nnjj\\ 1. vastgezet. vastgeknoopt, vast inéén, enz.; voor vast, voor goed; ook vast slapen, L. zie a.nasn\\ II. 2., en dan ook a)i ij am ? an/j en (Knanajyi of oqiww an/js k., ajiao)an/j\\ kw., naam van het leestee-ken (eig. om te dooven, dus klankdoover). R.

{volg. WW. ajiijasnanq n., aJt asqa/nan/js k.; oji rj

n \\

ijam ? (injj en am (i.ia. i/js kn. j. —ajirj asn an ^ ij asn

anjj\\ slagtoffer, zondebok, bijwoordelijk, als uitroep-.

in \'shemels naam!

(Llrjasn\\ kn. volg. Rh. a^cmjOfnan/i k. naam van

een groot soort van hoonen, die aan een hoorn

groeijen: stinkboonen {vrg. $(isii asn/j). 0ij i.jivj (tut

_ O Q- 7,r • • _ O

— hn irymiii r:i anjjs Wangs, ihimci - ajiij

^ asn w oji rj asn ui an of a /j aj) ui nut asn ~ ani an njtw

al(bnn 1. kw. zva. {Skr. pita, geel). 2. kn.


-ocr page 849-

O

(Li \\

705

(IA

lint {Port, fit a). n?i asii tur^iSjs geel lint, oranjelint. (M asn (utasn \\ zin bij (hi ilt;m\\\\

njl i3rj\\ en vóór een naamwoord in een benaming van één hoeveelheid (u\\ ^ \\ als attribuut of complement ook wel mkn. zeven, lütcultoyis met hun zevenen. (itsninn Siasr^ \\ zeven paarden. (3 hïj in /.y \\

zeven dagen, oj! is^ t ^ ^ \\ zeventig. ^ va ij avx/n

O o •. .1 o

i}niviiUi ^\\ ze zijn er met hun zevenen, lui isr^ id

(}j)jj\\ zeventien, (u ^ tu i.y \\ zeven-en-twintig. lt;3/ cLhvnrjj\\ dé {of het) zevende; zeven maal; ten zevenden. iu lt;5^ast/ ei ^ n zevendehalf. in^\\ zevendehalf honderd, oji asi^ tj ash \\ zevendehalf wang. iuid5i^(K/iam\\ zevendehalve duit. (m niJi \\ een zevende, mmiuvny \\ in zevenen deelen. — (Eii vn^\\ elk zeven. (Ejiis^inirj\\ elk zeven dagen; ook voor een overledene een offerhande doen op den zevenden dag na het overlijden — (}mnjiii5r^\\ de (o/het) zevende {bij zes andere), rj gli2 kj} un cui isri \\ de zevende maand van het zonnejaar, waarin zware regens vallen en sterke winden waaijen. (un ojlasriiifn w % \\ evenals iu Mrj am ci ^ n zevendehalf. tu ié!^ turisys al do zeven hemelen. 11. volg. Rh. de zevende hemel, mh m isiy de zevende, of alle zeven, Rh. — \'U rj tumlu^szetsmet z§\\\\ zevenen doen; een offermaal geven in de zevende maand de\'r zwangerschap.

\'I^nkn., \'Oi hm KI., kleinkind. klein

zoon . ilq is^ ij) rj no 2 ihnji\\ kleindochter. (ut dut j da i j iM/js Uw Hoogheids kleinzoon of kleindochter, tu) (ltd q itni inji \\ noemt de Gouverneur-generaal de Ja-vaansche Forsten. (eji iTrjj\\ iejihv} j\\ kleinkind noemen, tot kleinkind aannemen, als kleinkind bestaan.

vjMosns rj iF.i(isn\\KVf. zva. (Uftp\\ Mjips II.

o

fj(Uiinn\\KW. zoeken, G.

(uias))^\\ 1. KW. geknakt, zva. isrjjCm rujj en L^asr^\\\\ 2, kn. behoorlijk verdeeld, van een arbeid; ge-rangschikt; G. bestemd tot een bepaald einde; ook benaming van twee meisjes, die, even als de bruid opgeschikt, voor in den draagstoel van de bruid zitten. {Alleen dochters van een Forst, prins of regent mogen zulke pataKs bij het huwelijk heb-hen), (u(üi}%tédij)Hiyi\\ van goed ras, bv. van een \'paard of vechthaan. — (EA asn q \\ iemand iets bepaald tot taak of te verrigten geven, aanwezen o/* opdragen; ieder zijn bepaalde taak of zijn bepaald werk geven; werkzaamheden regelen (en verdoelen G.), schikken {jets rangschikken. G.). knisnq \\ bepaalde werkzaamheden aanwijzen, in het algemeen. (h)it,)}{un\\ als patah dienen bij; iem. een bepaald werk opdragen.

O / o

(V! (is// ^ n K w. zva. lt;t i ^ gt; \\ ivj \\ t n x u \\

of :iji tJHLn{\\ kn. een ambtstitel, vezier of eerste minister, bij ontstentenis plaatsvervanger of vertegenwoordiger van den \\ oxsi. Sommige pan-gérans in de vorstenlanden, en alle regenten in de Gouvernementstanden hebben hun patih, die hun eerste minister is, hun raad en medehelper en de uitvoerder van hun orders, en die hen bij ziekte of ontstentenis vertegenwoordigen. De Patih van den Soesoehoenan van So er a kart a of Sul-tan van Djocjokarta, isAgt; de Rijksbestierder, do Ruden-adipati. {Zie ook bij iamp;i iamp;itbii{\\).

(bti j \\ en r) tui iuyjj\\ kw. Vorst. {Skr. rddja-

... o o o

fa ti) (En di// ^ n (iJtKuiihn^ u (un ^ s kw. zva.

lEiiun^ kn. Patih zijn, als Patih fungeren. (amp;i(Miuriorder o/orders geven, iu /j/ uji \\ ook van een Vorst {waaruit men zou kunnen opmaken, dat (Uiilgt;?i% eig. bcvelgever of bevelhebber beteekent). ii teil q i n\\ als Patih bestieren. — hu (Ui Mn ibw (hij\\ het gebied, en de woonstede of het hof, van een Patih, inzonderheid van den Raden-adipati; ook de paséban vdór de wo-. ning van den Raden-adipati, en de regtbank die daar gehouden wordt, anders Balé-ma ngo e genoemd.

tuii\'ny^ kn. het bestemde (G.); dat gedeelte vaneen dorpsland, dat aan het hoofd tot zijn inkomen voor zijn administratie is toegewezen, n 4 gt; \\ zie bij (nyrijw — gewend, bv. van

iemand die van jongs af iets gewoon geworden is; gewend, door het veel doen en oefening bedreven, bv. in het hanteren van een instrument. 101 aan iets gewend geraakt; aangewend, vooral van een lelijk aanwendsel. ij .uidUn ajii5r^{\\ iemand met een lelijk aanwendsel behebt. —• ej!

iets zich hebbelijk maken; in iets door het veel te doen zich bedreven maken.

1 j. .un4 \\ N., (t/i ip Knjjs k., wit; blank; rein, zuiver, van iemands hart en bedoeling-, {Skr. poêtiA


-ocr page 850-

(Ui fan (hüji \\

7C6

dj} (L,n an ^

zuiverheid; zuivering). — ^ itïj a ojj mi nlvn ~Jjihn j \\ ! blanke, blanken , Europeanen, njt .b/I ^ n zilvergeld.

iU iu q 11^ (bil f \\ blanke ropij, gulden zilver, van twaalf wang. (hltuwn wit zilver, zilver

van best allooi, daar weinig koper in is.

Qifji-jj, {volg. WW. ook (Ij^ asn {wit en luchtig va?i gebak. iQiLj asu q (gewoonlijk cni isn ^ vi (b?i %) de witte vloed. — (Utm,nq\\ iti lt;i£i!H7ijj\\ katoen bleoken; een kris met limoensap blank maken, om hem daarna met arsenicum ie vergiftigen, {volg. Rh. if jii,?ê%xjn\\); voor eenige dagen enkel rijst eten, een wijze van vasten of onthouding, tKii asii q bleekor, wasehman £gt;ƒ wasehvrouw WW.; yofy. rh. een baas in het vasten, (vrg. hij ilkk^\\). — ^ aw % 1/11*1\'hi) \\ d\'itp tni lt;ilt;n (hnjj \\ iets wit maken; bleeken; rood zilver wit maken, louteren; geven om wit te maken; het hart zuiveren, heiligen; (en een priester vrijstellen van pacht. G.). — tut iaQ/L,n{\\ (u .f.inpu})jj\\ het bleeken, enz. —

am (Hyj\\ (uup»ni(hn/j\\ witgoed, wit lijnwaad, wit gelaten va?i tanden, die niet zwart gemaakt zijn; van een kris of piek, die blank gelaten en niet met arsenicum zwart gemaakt wordt, tülap h-p onj\\ ook k. van Qrviihni \\ in tegenstelling van iamp;ijihi voor goud. ij w z uj il,?i j tim onfls oftj ói t nn ijj «ism ^ njii(Hijj\\ de reinen, de vromen, in tegenstelling waarvan zij, die het niet zoo nauw met hun gods dienstpligten nemen ij (V) z i/n lin j:) anjj \\ worden genoemd, zie bij a/n ,irf» w — ^ tun % cun an/j of \'E^nw (LM!m/j\\ en iinp een geestelijke, dc geeste

lijken (eig. een in het wit zich kleedende ; volgens anderen van het Ar. moefti, een wetgeleerde); ook van iemand die als een geestelijke ingetogen leeft, iry iLu anjis landerijen tot onderhoud van de gcestelyken, die de vorstelijke graven bezoeken. — oj] dsn (LU] anjj \\ iu /u np uu ijnjj \\ bleek of waschplaats; werktuig om wapens blank te maken; {mi t:iq een bakje daarvoor bestemd), corps pradjoerits uit geestelijken bestaande, (volg. Rh.

n^Lti soldaten van Dipa-Negara), (irr^tu cut

o no xi o o

aan iiM (HTjj\\ zva. tvyiE/i njjasn tui anjj\\ It.— ihii mi aai

o

(LU (Hl/I \\ zva. IJl (Uil (LM (HTJIW

^ o

(ut hn nnji \\ k w. zva. asn 11 % xm (mjj \\

(U rj dsn zie bij (viiunw

rf iui (v,ii kn. , i/ij iu kt. , luizen of vlooycn {in

den zin van luizen of vlooijen zoeken); een kleed luizen, de luizen er uit zoeken. — rf w nsu(ty \\ ,n/t(H7)jj\\ iemand of een beest luizen of vlooycn ; ergens de luizen uitzoeken; fig. iets nauwkeurig

onderzoeken, uitpluizen, doorsnuffelen.

o n . o ,

ui iisii (m \\ kw. zva. urn (tA \\ m (ie? (lw (ui lun an \\ bijnaam van Vorst Soejoedana, volgens de verklaring van een Dalang.

of (ui£ii(h^^\\ kn. duivelsch werk; berokkening van kwaad, kwaadstoking; betichting, laster, kwaad berokkenend; snood, verraderlijk, duivelsch. volg. Rh. bedekte aantijging, insinuatie, insimu-latie , (Ar. phittia, eig. tentatie, beproeving), ij ij ui ? ^(vi m (uiiMjfs duivelsche oude! (óirjarnthj fli(u^(ujj(u(kii\'Hjqs een veilige, (niet verraderlijke) plaats. — iS(aiitHjf \\ kwaad berokkenen, door lasterlijke aantijging of snood verraad; iemand verraderlijk kwaad berokkenen, lasteren; betichten, bedekt aantijgen, insinueren tegen; iem. ongegrond beschuldigen, Rh.

o

l/i (isn lt;nf v kw. zva. (lii ij n mjj \\ (uioji ik (vi anjj en ij au

\'v

ij li si w — (Ui (isii hj an\\ td. zva. am z rj im i rn

anjj\\ staatsiebed; volg Rh. ook zva. aStasn

j .. o

zie bij (Uiipjw

■gt; o _ .o ui (vgt;ii uj t n zie ui (uy.^ w

ui (uu ij i j m,p zié bij (ui ihii ifj w

(ui uij hj (mji\\ zie hij asr^^w

a i ^(ur^s k w. zva. rimz ij kji i \\ en nu (lvi \\ {Skr. patra), ook zva. rj ik t ij cm xnjj\\ en fatsoen van het gevest van een kris. (hkui ili ui brief op palmblad geschreven, un ili ^7 ui ^ un 2 wn (in (ei\\ brieven (geschreven stukken) en naamteekening wisselen (stukken over en weêr zenden en wederzijds on-

derteekenen), ii.i^(ui \\ zameu corresponderen.

o

(Ui i(i5ii vui(ici\\ zva. (V.11 un ^.(lA/ijui^ (im ani (m (in w

\'I {051^(1/1^

G)

(ui (hii \'t i om tli \\

lEiniynanjjs een plant, Tj. — (ui ij mi iui iui \\ beginselloos, karakterloos, den stroom volgen, daar de ij mi hvhiji of (uy rj ivt anjjs de kleur aanneemt van dat waarop hij zit; zit hij op een of ij m zija.ji 2 \\ dan wordt

hij groen als dit. (ui^ asry in de vorm van een blad, een versiersel op de beide punten van de nok van een huis. Tj.

iji^aSy kn. , (u ij^uiy (ijijjs kd., soldeersel {van omdat het uit drie hestanddeelen bestaat R. (vrg.


-ocr page 851-

767

O O (ui :n5n\\

/

orj (ui ^ asri 2 \\

(biinrtis KW., bij (ifiirhn «\\ en (ici\\).— o

(Ei r^nsr^tihjjjis solderen. — (hjt 7j[a^iuj\\ itnj

o o . .

ij (03^8 aji^fis mv. — (ui 1E/1 \\ \'t-i 7^ oj)ji\\ het

solderen.

O o O o O C) o . . 1

oji KN.; en (Egt;i ui■lüi^s iets, zooals een

kris t of iemand, zooals zijn vrouw of dochter y zorgvuldig in cere houden {vrg. 1 ^ ir/7» \\ en njiiu uw//)} volg. CP. zva. rj ru\\\\

!• KW. zva. xjïitiyiniiHjs {Skr. p oet rayVxwü., zoon). 2. KI. van (unluj un^ ^\'£|^3N

en iw ;u^{asr^(injj\\¥il. f zie bij (iJn!Uj HYjj^\\ — ^ «SM \\ het jonge heertje spelen ; op een leeftijd dat men de kost kan verdienen, zich door zijne ouders laten onderhouden, iui mooijer

vorm voor ui //iemand van prinsenbloedequot;.

Ki. dochter van een Vorst, prinses {Skr.poe-t rt, dochter, vr. van poetrd). oji ij^ cSy de prinses. [as^iia a^if \'i ^ u^ (ia (vui v al Uw Hoogheids kinderen, prinsen en prinsessen.(«rtj uj Zijn dochter de prinses. — o-jj zijn van of over een land; in Men. bv, 0xm\'yii lt;e^n van Syrië. — (ujij kn. een poppetje,

ook jonge aar van maïs, die nog geen korrels bevat. — aai uj^rj^ist^(Hyi het verblijf van de prinsessen in de Kraton, het prinsessenhof. — mis (KTKu^ ifinsn an^ hetz.i en bet gewaad van cei» prinses of bruid.

(unsns kn. groflfe vijl, om de hoeven van paarden, of ook hout) af te vijlen (yrg. k?i Hn\\). — miun\\

met zulk een vijl vijlen.

CY

(uinsri\\ kn. schrikkelijk zwaar geluid, zooals van den donder en van een zware branding van de zee, orl \'Ui Sis schrikkelijk bulderend, cm kYi nji kn\\

o cy

zie bij cm lun w

CY (p) , CY K

^ dsn\\KW. zva. (ui^ktis {van (u^(ii,u\\) kn. (e*ik^ioi ^

fons houtduif, wilde duif van een grauwe kleur met een ring om den hals, ook i j ^cfn uj\\ gen. Rh. 0cm ili\\ nm. van een toovergebed om een voortvlugtige terug te doen komen, WW. — ieï fon\' poet. zva. en (^hiaw kn. in de rondte

zwaaijen; draaijen, zooals een olie- of suikermolen, bv. van een buffel {zva. rïn m rjim \\); een boom of plant, met de aarde er omheen uitsteken om te verplanten, (fj^ Silüt(ih \\ met een zwaard rondzwaaien. fij/ een horologie opwinden. lt;11 fun an cm gt; 7 \\ een rij k regeren {vrg. wnfywan uii(i^\\). — £n^idn/js ohj. den.; een molen, die gedraaid wordt j (een windas, PL.); met de aarde er om heen

cy

uitgestoken , — (tlt; ^ asnrr)(ho^\\ poët.

van golven draaijen, Tj.

ij (ui ij dsn ? \\ Port. feitor, factor, onderkoopman; vroeger een Europeaan als eerste cWile gezaghebber op een plaats , een llesident, of op zich zelf staande Assistent-llesident. ü Ar. . phitra, kn. wat aan het einde

van de vasten in de maand Ramëlan als een hoofdelijk offer aan den priester gegeven wordt, hij aanzienlijke Javanen een maat rauwe rijst vaa ongeveer vijf kati of 85 realen gewigt {ijiaji^a^^ ); bij de minder gegoeden 12 duiten, of de waarde daarvan in rijst\\ dat offer geven. {Te Batavia wordt de pitrah aan het\'JcampoenghooJd gegeven igt; \\ O 0 ^ 0 _D 0 O

K.). cm iiiii j (KI (ui s \\ zva. nm .b» ^ 1 nr) v en dit zva. cm ihn j nJ tj (un rj nsn a-Jijj {van nn ^ \\ het Ar. ij iai\', kat r a, droppel, verward met dw of zie boven), W.

(ui \\ zva. (ui nsn tj an .

(ui iLjïi rr) dn \\ .kw. zva. (ui nj gt;7^ ? (un aof/s (ui tui ^?n en ^(Ei{Prdkretsche uitspraak van het S/cr.

p r as tarana; zetel. pk.).

. 7.. O /

rj mi {nsrj^ K11J1 \\ eign, zie bij ojimiw

^^jwwnkw. zva. {Skr. poetraka, ecu zoon

n V

en zva. ui ^ (ur^s).

o/ » , ClS .

(Ui tun nsn (uyj \\ KW. zva. iui rjcmd i^ m ^Jjj^ {van tuti asn\\).

rgt;

iL4/f\\ m ju}^anji\\ (FJI 1 fórtui n KJIm wi\\

(li i ibfj ui ~~i (injj \\ zie onder uij^ \\

(li rj njjj\' JIoll. patrouille, kn. gewapende nachtwacht, die langs de groote wegen rondgaat, met een beambte tot geleide-, JR. patrouilleren. oji ut^jyi kn. kleine dolk of kris, die door vrouwen gedragen wordt (Skr. pat r am, nom. van pat ra, ook lemmer, dolk, mes pk. Vrg. (ui[ivgt;i^\\). — 1amp;1 lt;i57jlEA/jgt; met een pi\\trëm steken; en gelijk een pó.-trëm.

(ui [£gt;)] w/i x verb. van het Hall. patroon, p a t r 0 nen, voor schietgeweer {vrg. n^mycci injj). oji met patronen.

oji nsn tunjfs kw. 1. zva. nm(C^rui\\ en nm irp \\ ook als

nederig voornaamwoord van de eerste persoon. 2.

0/ o

zva. ib» ^bi^njiji\\ \\ iui nsn {nrn \\ zva. n/n x-.n iict uj.\'^7 ^

n. i nsn en


-ocr page 852-

708 (Lil ibiyuiij^s

«uw hi Waj. I, 5, zva. (u i^p in jpiv^iuj^ vnj.

o

il^ ncn (ïl^ nn/j\\ u i lii hiijp kn. zva. imlijj {vrg. *1 [iiqvj tel}ajjji). igt;ii tui tLil im/j of iL?i i.j iLn ntijj\\ ook 7net omzetting \'U?i iy iL?i Waj. II, 10, ingezet, bezet of ingelegd, met edelgesteenten of goud. — il/iMins Euphorbia tliynüfolia. Wild. naam van een plant en van het melkachtige sap er van, dat tot geneesmiddel tegen oogziekte en zwellingen gebruikt wordt.

(LI Ibïjj kw. zva. \\ llt;n 1 LI lt;• \'.UI dSY^ KHj] N N • gt;

.1,11 ij Li?.hi unj iw/j^ k., het verliezen of de minste zijn in het vechten niet den snavel, van een haan.

— iu^hji(Hiji\\ plaats van de wel, zie isr^ •xii/js Tj.

(ui ij iisii uv/i en (ejiij.isii kiij^x zva. (ui ijtuihiiji en tui

oüi (imMi/js kn. hard schreeuwen, zooals hv. Amhyah doet, met een denderend geweld, zoodat zijn vijanden in zwijm vallen, ook zva. ui .uilhn^/js iuuni0 of 0(uius» kh,j\\ een verticale aardbeving, (Tj.) Rh.

, o cT . n v \') o

{vrg. (Ui iLii hiiji en un m lii nnjj). lumsn mi ^i un

O S O . • ,)

zva. tui(ijiif\'i\\\\ — dl(isii in^/i\\ ki., zie bij (ui

n r C% O \\

quot;J\'fMjj {en vrg. mi (liii iw/j).

o h , o n ■gt; o n

ui tun Hiijjs kw. zva. (uuuii iuji en uunn fji^\\ — i i (Si Hiin\\ 1. kn. iets met de hand drukken of indrukken; op iets drukken; {fig. een gedempt maken, er een gedempte toon aan ^wq\\\\\\ een muziekinstrument een gedempte toon doen geven ; gedempt van toon; JIl.) ook drukkend, zwaar; en gedrukt, neergedrukt door bedruktheid, i^Qtuii

O rr r.j O ^ O O

iUn nrijj\\ r rg. bij mi ihi lu/j en un tij ibiyj — mi .ui uiuhiii/is of un (ui Ln mi/j\\ gedrukt, geprangd,

overmeesterd, overweldigd worden, door een aan-

/ • O ^ /• -t \'1 o

doening. iejimii i^r\\ k. of ki., van ui i\'f\\ .lyiw

O O •

— (Ui (isnii^ii iimi iets aandrukken o/indrukken.

tuiiunhnjjs kn. geroep, hard geschreeuw in het oor, zoodat het tuit, ook wel van iemand die in flauwte gevallen is, om hem weer hij te brengen {vrg. iQ asn unj). ibi.un nnjjs iemand in het oor roepen, schreeuwen; ook fig. zva. ui aSl uiiji of .ui i?) i.njjs gt;Ci rj .un i,yj\\ kakelen van een jonge kip.

(Uirj unrhiil of mm gt;f un2 ini/j\\ kn. gekakel

kij). ui ij un 2 hu -1? ?ƒ un ^ i. iijj\\ kakelen {vrg. £imi mji).

o {■) o O i

(ui un iiiy\\ zva, if (ui (un unjf\\ —• ui nsn ilt;nj}\\ als een

a (Ti (Ui (un irnji

n D . •

(uivu inyis nm. stilletjes zijn gang gaan, zich door niets in zijn werk laten storen, Rh.

ui Ln uiiji^. , (un i li uijj \\ k kip; un ivi eajj \\ kn. hoen volg. Rh. (uiun hiiji\\ kn. een kuiken, (un lui iBijjs n. (uiaj^\\k. een volwassen kip, een klokhen,

00 \\ O

n/ii (isiuini/j en (iji a5n\\). n/n in (ui rj iuid (hn^H., un m gj i li (i/i n k ., een kalkoen. um ihii (Ei -ju (tli mjj \\ zie bij iun iLi(iJifl\\ \\ un uu ui ^ndu(iJ)ji\\ gelijk een boschhoen, bv. i?i de wildernis tapa gaan doen; ook snelle telgang van een jpaard, Rh.

hiuhiiji kn. gedrukt, van het hart, van het gemoed of verstand, zoodat men niet denken of spreken kan; bedrukt, radeloos, {vrg. (uiéninijj en ik.cii cmj).

O

i j tLii im/j kw. zva. ï ^ uijj \\\\

n (U Asndfii/js kn. 1. horzel, brems, een groote vlieg, die de buffels en koeijen plaagt {vrg. (iji ip inuj). 2. kw. zva ui ii ii/i (un \'yi uj rn m ui (kij \\ Ml. kn. afgeschoten vak, vertrek van een hu\'s, kajuit van een schip {vrg. or^dpiniji en i ]ij yn i un — rj (Ei iisn ri iQ isn doijjs in ondersciieidene vakken afschutten, verdeelen.

11 iui i rj asn d unji \\ k n. — ri (Ui 2 ij un 2 unjf \\ zamen voegen, zamenlasschen, gewl. van iets, waarvan een sink in het midden uitgenomen is.ij (uurj asn ?

ohj.den ; volg. Rh. ook zva. i^vii ri^tiajj een stuk. (Li nj (ui i ij (un 2 hiiji zz: ïIjsyi rn iu/i bij telling bv. een stuk hout.

o o . o O o*

ui (un ifn \\ kw, zva. un ili un\\ {en (uniQvni^

ili ih\\ G ). {Skr. pdtaka, zonde, misdaad).

ui un in) {\\ of (ui rj ijii ui) j \\ u4r. , phdtiha ,

voluit t naam van het eerste hoofd

stuk van den Koran.

o .... o

ui (un ij mi dfjJ!n zie bij dsn nmi w

ui uy if (ini2(Hijj\\ zie bij isr^ in^w ui asn rj mi ihi^i \\ zie bij asn ij mn 2 anjj \\

;ui un Krj kn. op de hurken zitten met de armen op de knieën over elkander geslagen, het hoofd voorovergebogen en in gepeins of aandacht verzonken {misschien verbastering van ifn hji kt^ \\).

UI (1511 Kil ~^l. \\ kw., zie [tu^ LIJjj Uil -iaw

Q Lquot;) ClS . x o lS O/

ui a5n mi ili \\ zie (ui asn nn ruw

o/ . ... o

uiii5n(, un\\ zie bij (Ui un unjj \\

n . o

ui asn ij (ici 2 i^ff n k., zie oji asn lviw

(uuisij (üiiji\\ n. , m (jQiJiji\\ k. , {beide volg. Rh. ook


-ocr page 853-

O O

(ui (un mn/jy

C)

(Ui rj fun i ij ivn t \\

7c/j

kn.), wat iu harmonie is, of in harmonie cn overeenstemming met iets anders beschouwd wordt; gepast, gevoeglyk, voegzaam, hohoorlijk, betamelijk; welvoeglijk, redelijk, fatsoenlijk; voegzaam zijn, voegen, behooren; begrijpelijk, te begrijpen zijn; waardig, waardig zijn, verdienen.KN.in harmonie met elkander, eendragtig, eensgezind; ook wel zva. (un(isr^asnj^\\ vleesehelijkegemeenschap hebben {zie onder (isr^ iu))j\\ en vrg. (Qm iia \\ en vjumni(uuisr^nsrijfs onbehoorlijk, onbetaamlijk, onwelvoeglijk, onredelijk. iu) vny rj \\ als het is zooals het behoort, redelijker wijze, oji (uixsYj^ ri a^ys al naar behooren, met redelijkheid, tl/ •quot;nit?/quot;itj)m(iFr^rjredelijk duur, niet al te duur. — (ejicisy^ fómjjn 1- kn. een muziekinstrument, zooals een citer gt; stemmen (de toonen van de verschillende snaren in harmonie brengen). 2.

O

(isrijj\\ KN. {doc/i ook wel ie,i

schikken; een zaak of geschil schikken ; partijen tot een schikking brengen of bewegen, {volg. llh. in deze het. niet iets in evenredigheid

brengen met iets anders, iets in behoorlyke orde brengen, iets opsieren, ga tEJtnsiQnsnjj\\ m iej(ftiM/js iets zoo inrigten, schikken of voegen, dat het past of in overeenstemming is met iets anders. — /ti vn^im fauK)Ji/A in overeenseemming handelen met iets anders; als behoorlijk gepast of bevallig zich voordoen, goed of fraai staan. —

Tiiuns partijen tot een schikking of transactie bewegen. — kn. liefdespand, voor een bij een man, of by een vrouw, gekregen kind; liefdespanden, kinderen krijgen. Zoo ook

ook transactie, onderlinge schikking van

een zaak.

O O

(U(isn(iitijj\\ kn. naam van een heestery waarvan de vruchtt een soort van stinkboontjes, bij de rijst gegeten wordt (yrg.

(^(biia5nji\\ kn. naam van een wilden boom, Plan-chonia sundaica, die bloemen draagt \\ de jonge blader en, die zamentrekkend van smaak zijn, worden gegeten als toespijs, llh.

rjdsntjnsnn kn. het uitpuilen of uitsteken bv. van een nangkapit door het vleesch heen, enz. ciji ij tfiunvjnsns uitpuilen, uitsteken enz. zva. rf iamp;t rj nsn bij tjtururj asn w

\\ k. WW.), iets

a. 1 gt;1 uw t rj nsn t kn. —iQrj nsn t tj asii z \\ zva. njlrj dsn ii nni \\ enz. maar van grooter voorwerpen; bv van een manggapit die uit de vrucht \'puilt.

Lirj obii y ash\\ kn. gemaakte houding bv. van een oud zwak man, die nog krachtig en flink met de borst vooruit wil loopen, en een belachelijke manhaftige houding aanneemt. — (tjlijasnrj nsh\\ zulk een houding aannemen.

(Q i^(is)it r) asn

(tJii

9\\ (Qrj asn2 Tj nsh i\\ zva. (uirjurm tvnus i tj nsn t ij astt t v

(uiaaitmjjs kn. een ring, die een hert door de bovenlip gedaan wordt. — (Ejuxsua^/j een hert zulk een ring aandoen; vrg. (hfnn^w (AS.) Rh.

(U rj nm2oj)ji en m rj nsmnJij^s k. , zie bij mi asn \\ lï. (Ui ash a^i/jn KN. een soort gelei van met zout gekookt vleesch, visch of garnalen. — nsii(Ki^s van

iets pëtis maken. A%

1 »0 tquot;)

1. kw. zva. (Urjajit (unyj\\ asntio

(uicm ruji en m (tii(mjj\\ — 2. kn. volkomen bedreven, volleerd {vrg. tuiieji^iwjj); volkomen voldoende, zoodat het niet beter kan ; afgedaan, beslist. — (E^ xsrjjd^ en gew. \'amp;j 19^ w \\ zva. ^ (amp;i Jytuls een zaak afdoen, beslissen, er uitspraak over doen. — (L^ inyiKi^innjis ki. zva. (ui^isr^ ^i^i (injj\\ zie onder rj ioid (htjj\\ hii ^uinjj\\ zva.

dni ti (Ei -ji in ^nj^\\ beslissing.

lUiasnaji Jr. ^ nitsj)raak van de be

voegde Mohainmedaanschc regtsgeleerden, KT. (ui (hn (ïviji\\ kn . scherpe harde stekels aan beide zijden van den kop onder de kieuwen, {aan de borstvinnen Rh.), van sommige visschen, zooals de lélé {vrg. (U\'riuTiji). Miwiwhf\\ met de patil steken; fig. van paarden dekken, bespringen; ook plat van menschen den coitus uitoefenen. 4

iijidsfi rlijjs kn.; (Qdsn(rujj gt; met de hand of iets an-ders, of door zijn zwaarte, drukken, op 0/tegen iets drukken of dringen, ook fig. drukkend bv. van zwaar werk, Rh.; iets indrukken, zameudrukkeu, persen, zva. (Qdsnun/j {vrg. dsn as nt lijj). mi kji asn itvi-jnicr^(isr^ %\\ door den nood gedrongen {vrg. tnn nrn fin iijji). iQ.hn t^i rj im ^ met iets drukken ; iets tegen iets drukken (ff aandrukken; iets met kracht drukken, mot de hand bv. ook op het lig-chaam, bij iemand op iets aandringen, 6. {Vrg. (Li .th? anj \\).


49

-ocr page 854-

)

nj)(vn^ ■

O O / iL/i isr^mjKr^ \\

770

O O / 7 •\' 0

üji isn ru hr^\\ zie bij ini^w

miisrj ru 7^ijj\\ zie bij m ii^w

tui ib» (u ihnjj\\ zie bij ihutuiw

djj 1] mi2 ui Mys zie bij rjnsmnji nofl\\

(VI Ij (bil l (IJl «s» ?

O

(lji ihiitioi (Hi/i Ki., zie bij rj ui rj m { \\ onder rj m { \\n oji hndJi (Ki/f\\ KI., zie hij rj ui ij (Ui % \\ onder if 1 n % \\n

ij (u(^11151^\\ KW. zva. ip^ncni on/j G.

o CO O quot;gt;

tjiit,n\'iK\\ K., zie (nj^dji ilvi\\ en bij xjn mrvi^ — 111

Ft o o p) o quot;0 O

mn ia 1:1 \\ im ui (isii (ik m (Kijf en ifj itsn \'wc 1:» rfti (mjj \\

zie bij («jï iW) (lui w

(uiasjjj^s KW. 0«;«. (uifans en (ui(L,?is\\ (donker, duister.

G.). t) ,1/1 \\ bij ui (i5ti j w

0000 o

(Ui b» (Li ? (En asn ia/1 ijj \\ un ui asn ii u onjj en ftgt;i nsn oaji

o

(nn ~ii ij un\\ zie [lu^tui (ivi * [lEr^aji dAJi\'ijjs enz. (uiit,ii(tvi\\KW\'. zva. iun(crl\\ Men.

tui nsyjinJisKYf. zva. y (ön awifnazn rjwjss G. oji isy^xnj/^dn!) k\\\\ . zva. (UKisr^rfyii (irijj\\

(ui 1«) \\ en (tl asn rjiamp;i9(Hiji\\K., zie bij gji y uji 2 gt;\\\\

o . 7 .. O

(ui asn lUj (Hi/i\\ zie bij (bV(Bij\\

(ui ij nsii 2 jfj (Hiji \\ zie bij ij asn ? iuji \\

(ui (hn w iwi \\ zie bij (hii iim w kn. een uitroep: eilieve! of ach, mijn lieve! {bv. als men iemand om. iets verzoekt). GR.

(ui ihii ar)/! (Hiijs KW., zie bij nsn crfi f nn

O O

(U) nsn cm tui (Hi/js zva. ui bii cm q (un on/j\\

(ui iv,?i verk. van uinsnCio^ zie bij ui (isn (hiiji\\

O • j.\'

(ijl (un na (W/is zie bij uuun/is

(UKisiis zie

1 (UIIJI^

-jv . Cjv 4,

(Ut asn \\ zie asn\\ 6.

(uiiisr^s kn.; (amp;iisr^\\ geld bij elkander brengen, van velen, om daarmee te handelen of een zaak te doen {yvg. dm rj npzaaji). oam tip \\ zamen in de winst deelen. (Eji.\\5Y^\\sr^i^\\ zamen in het verlies deelen.— ✓E/MiijjïCïtintin aan velen tegelijk één zaak of hoeveelheid verkoopen. — (uiasn ivn an/l^ te zamen als deelgenooten koopen of handelen, voor gemeenschappelijke rekening koopen; compagnons zijn; in compagnie met vereende krachten; compagnieschap, deelgenootschap.

O * O

cm ii7i\\KW. zva. irn(Hi\\\\

(/h

(ijitaSi\\ kn. donker, duister, {ook onveilig van een weg, WW.), ook duister van zin, onduidelyk; duisternis; in het donker, in het geheim, tersluik {vrg. ^ i ij vn/j en mh.^w/j). un asn (ui a£i\\ een donker hart of gemoed, waarin het donker is, dat geen licht ot\' uitkomst ziet. loj^ jsn\'yi £tasn\\ een duistere zaak. un ^ia^is sluikopium, smok-kelopium. •rvncya/i asn\\ donkere gangen, zooals van dieven en smokkelaars, lui (Oi hn \\ of oji nfn (u asn \\ het donker. a%ïlutuiafïi\\ in het donker. —iQasns in het donker zijn of blijveu, Rh.; volg. WW. op een duistere, niet eerlijke wijze den kost verdienen. — ika ibnw \\ iets verdonkeren, verduisteren, ook bv. een weg, onveilig maken, WW.; iemand of iets het licht benemen, door bv. in het licht te staan. Jnm 17hii\\ donker, duistere/ duisterder maken; verduisteren; ook fig. van het hart. — (Ui iêii an (hiji\\ zva. tüf£iafn\\\\ ook de donkere nachten, waarin de maan laat opkomt of vroeg ondergaat, en volg. JR. \'t hoofd der rondgaande nachtwacht. — ilt;n ui (èn (in \\ door de duisternis overvallen worden, (hii aJ(èn a:iihi/js (oji (kitiuii aTKHi^ of iQ(iïri in anji\\ WW.) geheime politieagenten, Rh. — tui ani an (hi/is dienaren van de politie, die \'s nachts de ronde doen. G.

uasr^\\ kn. naam van een soort van groot en dik bamboeriet. .l/j ashajjria^ naam van een zekere gënding. — fatasr^\\ als een pëtoeng nl. zoo groot

en dik.

a * * .0

L/M57jj\\ 1. kn. , zie ajiasr^w —

zie onder (unasr^w i jkn- gebroken, breken, van iets dat eenige lengte heeft, zooals een draagstok, arm of been; stuk, bv. van een stok {vrg. ïQiji q \\ dji ijdjig asn/js nJioii asn/j en asynii iuji) ; fig. van het hart, gekrenkt. — s iets breken; fig. mokken, van iemand,

die zeer ontevreden is, omdat h\\j zijn zin niet krijgt of teleurgesteld is. — ^ ^ ,0v mv., zich geraakt of gekrenkt toonen tegen; mokken tegen, {en iemand verhinderen, teleurstellen, R.)

iasrfs

\'quot;I1

(iri asn a. Ci\\ de masten kappen. WP. — hn ,1^ an pass.; zich door het afbreken van iets benadeeld zien; 0.n.nry\\ verhinderd worden inde voortzetting van zijn reis. — (E^ isr^ an if hu maken dat iets breekt; iets breken; iets, zooals een tak van een boom, afbreken. 0a/n ru(hJifls de wenkbraauwen doen fronsen, verdriet aandoen; vrg. asn nnrvi^ (7yjasr^ uum/is afgebroken stuk, fragment, ook ifni^KHijls het dubbelde van een prijs.

o O zva. asn quot;


-ocr page 855-

rjajitui/l

771

rj L/I dsn \\

llh. xnvi-jnrj nsn anjj \\ ligt geraakt.

rjiuiibh^ en ^(uasiicoH}j^\\ zie onder nwtshw ij cm isrjj \\ en ^ (u isr^ vn m^ zie onder (i/n w tj (L/itfi5h\\ iamp;i* lt;iiquot; vj nn \\ en n.ri rj uit i*n ici 10/j\\ zie bij ajyashw

(Tj njitaOrï\' kn. ben. van een duivel met een verbazend grooie tm rvt^m (hiji\\ Rh.; inde Tj. voor een zeer groote penis.

■/ƒ iuii tjiufi2n Ml. snijden, afsnijden, kn. stuk, bv. stuk katoen II. iyrg. rj cnt y iisnz ïoiji\\) tj ivt2 rj isïi 2n/n mji ibijs een hoen den kop afsnijden, voor een eed doen, van Chinezen. n tamp;i 2 rj nsii 2 \\ iets korten, er van af- 0/ inhouden, bv. van\'iemands trakte-

(z)

ment (vrg. rinrj /0»2\\). — vjiunrjnsii2 vnw/j gekort , het gekorte; ook snit bv. van een buis, Ml.

. O zie xniaj) fojn anjfs

(ui tish un •yt\\ of cut xsh in nï\\ n., un u) ui ni\\ k., naam van het {fijn van hamboe gevlochten 11.) schot, {aan weerskanten en boven de 77 *012 rj xrh 2 in ihi/js R.) waardoor het achterste vierendeel van een Javaansch huis van het voorste gedeelte wordt af-geschut, {en waarin de deuren van de achtervertrekken zijn-, misschien verbastering van (ui nsh un .,ïh R.).

gt;■ O » O » O .

(ui tsrjjten mji of ui tsrj un mjj iui nn Kijjs 1amp;1 im

00. o .

(uiiisr^urinji ^Arj Kn\\ en cuii,r^ ^n ui

zie bij O! iim (ijiji\\

(ui rj am ij rri \\ kn. — 1E/1 rf asiirj orhs acliterover zitten,

tegen de leuning vau de stoel aan of rustende op

de armen, gew. van vergenoegdheid, Rh.

iui rj ash 2 rj mi 2 \\ kn — ifjI rj ish ? ij rii 2 \\ van vorbazing

stom voor zich heen kijken.

• qv . », 3v

(Ui isyi (vnrns zie iui .un un quot;n \\

m wji 1. kw. zva. cu\'HjJh 3. of ïm m wjj\\ IIoll. pas; reispas, ook rutvi {of ït ntsryj) cui

(k^s

Mw/js {uitspr. pies) kn. interjectie om katten weg

te jagen, zva. it3 un tnin \\ bij honden.

ijmijiji of a/rrrj ui wj]\\ kn. pakje van in een blad gewikkelde en geroosterde uisch, garnalen of andere kost {vrg. rj rui 1 rj i^rj 2 \\ en rj irt^tj un ui/f). vn uitj xn zoo toebereide visch. — qijcui

w/l\\ iets in ee:i blad gewikkeld roosteren. — rj fji rjamp;iMjis zóo in pakjes toebereiden, in het algemeen. — ij iui kh of rj cui n ui 11 ^4 anjj zoo toebereide spijs; of iets dat zoo te bereiden is.

rj cui 2 iJijj of luirjurn ^,12 gt;ijijj\\ kn. 1. interjectie waarmede men het op niets uitloopen eener belofte te kennen geeft: fuut! ^ cm 20^ of (ónij iui 2 cMjj^ 2. IToll. kn. post, brieve- of paardepost. irjcuntcsji^ ij cui2ciJijj\\ posthuis. postpaard.

iijiniiri (u12 i-jiji\\ een post ver, {ongeveer vijf paal). — (Qrf iui (ui ^firj icn \\ een brief op de post bezorgen, met de post verzenden.

cui (ui \\ zie lq ui ui w

ajinj^s 1. kw. zva. mi ij cuii2rjcun ui (uiij {Skr. p a sj0 e, een beest in het algemeen}. — 2. kw. zva, quot;n

imn en nm(imcHi\\ G. — 3. de wortel van de neus,

cii

WW. {vrg. (uiiiji\\).

X

(ui Ij ui \\ KW. ZVa. (uj /e^ w

(ui ijiJitMLiï. een naar beneden spits toeloopende pot daar de suiker in gedaan wordt om te kristallisee-ren, WW. deze volg» Rh. rj (ui 2 rj (ui 2 \\ maar cutj ijcuit\\ een wijde aardenpot, (cui ij uj* een van

hout gemaakt}.

O o . O 0 o

cuiui\\ zie (ui un \\ 2.

O O

cucuj kn.; (bitKQ bedwingen; met alle kracht en ijver een werk verrigten; den geest {r.r^ia) inspannen; het lichaam kastijden door onthouding; ook het lichaam afmatten, door sterk door te werken; sterk op iets aandringen, met aandrang, bv. bidden. — Li rj(u)2 iajj\\ obj. den.; gemaakt, geforceerd, gezegd van wapens, waaraan een oud aanzien is gegeven om de hoog ere waarde die er aan gehecht wordt\', waarvan het lemmer van staal is zonder (ui ij o? • WW. ,10^ 1.1 Q rj (ui 2 (hc^/j^ een kris van gelouterd of doorgesmeed ijzer of staal, Rh.

0 /1

fUQ(i.i\\KW. zva. .cmnn cisnw U. i

rj (ui tj ui 2 \\ Sd. Ml. kn. zva. iuisïw kw. zva.

ij iui2 rjih/i2s kn. plat zva. ij Eji2clci\\ sterven, creperen, Tj.

(ui!ui?t\\ I. kn. schaaf, (geschaafd, bezeerd, R.) en (l?in Ki.),volg.R\\\\. (uiw? * en asnasn^of (uc^skh. f imipilt;njj\\ ki.: gevijld, van de bovenste

rij tanden.; zich die tanden laten afslijpen; oo^ Shui uijj\\ gekwetst raken; uitwerking hebben, v#» een medicijn, trekpleister of vergif;

den, bv. van lijm of van pleisterwerk op een muur. JR.). ijx/nt n cui ui^\\ niet bezeerd o/gekwetst ,


49*

-ocr page 856-

(Ut (h l CHI fl \\

772

(UKKl^

geen uitwerking hebben, en geen uitwerking ondervinden, bo. van een steek met een wapen; niet willen snijden, ho. van een mes.— iamp;iajtjs ook wel dtiUj schaven; de boventanden van iemand afvijlen of afslijpen; goed werken, raken, treffen, uitwerking hebben; er in gaan van een wapen {een ander mw%\\ zie bij lunw^s). (\\jiieickjijmnanjj of nin u)^ m iEjI^tun :uijj\\ schaafbank.

II. kn. wettige echtscheiding; ontbinding van een liuwelijk door den priester. (Vrg. en

oji (m (un.j\\). hjI ^ \\ een huwelijk ontbinden, man en vrouw wettig scheiden. — lui tamp;iujq \\ het ontbinden van eea huwelijk.

iukk]en (uitKi{9jn(Kin\\ zie onder (M^n\\

(ut ;}j) j \\ kn.; (uurrn ki. , gesclieiden 0/afgescheiden Ct\'

van (ui) ^ tï 2) iets, Of iemand anders; scheiding, afscheiding; scheiden, zich afscheiden; zich vaneen scheiden {van w1.). (ui(M{tfn tjurm\\ buffelschei-ding, voor een scheiding va7i man en vrouw, zonder tusschenkomst en wettiging van het geregt, door van elkander weg teloopen. (uim ^ cS(tJt^ afzonderlijk, elk op zich zelf en afzonderlijk, niet vereenigd. — scheiden, van elkander schei

den, afzonderen, afzonderlijk plaatsen; uitzonderen; zich afzonderen, zich afscheiden , zich van een ander of de anderen verwijderen; afgezonderd, bv. zitten. — (tn (tJi % ttm \\ inv., en van iemand zxcXv afscheiden. — iuukiiets afgezonderd houden; scheiding of afscheiding maken of veroorzaken; verdeeldheid teweegbrengen. — (iiwftuti (m/j of ui (uw fun van elkander scheiden of gescheiden; ook, en dan uinrn4Myj of iiJuinrrn? (un (Kyj\\ k., echtscheiding van man en vrouw {vrg. ut mi iiflt ttn/j). (ut ut f ut K t { uv irtfj v wederzijds van elkander scheiden, elkander verlaten, zoodat de één hierheen, de andere daarheen gaat.

tutojj^s of out ui (tjj ^ \\ kn. gescheld; scheldwoord. — (Ei(tjj%\\ of i/ttSiKr^{\\ schelden, ut% iu!?selkander uitschelden. — utnj^^uris iemand uitschelden {vrg. d n rjojti nm ij (int \\).

^*^\\kn, I. gezuiverde en ter lengte van eon span zamengerolde utt ui (kju , om gesponnen te worden. — poesoeh maken, door de gezuiverde

kap as op een rond houtje gelijk te trekken en te rollen (zie ifpaws). — .ujriwi(wijj\\ verb, van ^

- O

ijoJtianji oj van n^a^q i/rt ihi/j\\ m cm ti/t (in tn TjttJti (tnj\\ een werktuig dut gedraaid wordt en waarmee de allereerste kaarding of zuivering van de kapas geschiedt; waarop dan het Eyi^ti (van volgt, en dan eindelijk het II. !U^(*j^^\\ long; longen; vrg. (utnut.yjs Moe.

ui tut (Kt/t\\ kn. , uiairi ? ki). , heelemaal, t\'eenenmale,

CaJ

allezins; heel, gansch, ganschelijk, metéén , tegelijk; wol zeker! {Vrg. m iji anjf). (ut^utm(tnj^\\ alle zeven, ajt un vt rj jjtt mmcmjis en al wat daar beneden is. \\/n ijnct i j ut ut (tn/j^ heel ver. ojtutt r/ na i f (Ut (Ki itft/p de {of het) allerverste, tf urt tn ui mt of rj urt 2 n uiu 1 cm Si ut wji \\ in het geheel niet, geenzins , op geenerlei wijze, ij un in ut (ui rjihiw tny^rmvjiit ^(un\\ het is in het geheel niet (het is in het geheel niet te denken), dat ik onwaar heid zou spreken. iif^-y^uKhJiartjj\\ in het geheel nog niet, nog nimmer, rjojidirj un tut tffi (tvt ui ui (kji onjj\\

de persoon, en meteen de brief. (£1 ut cut (tr^/j \\ een

1 c O o \'\'\' i (T) o

keer, eens. (È^thnui ijian/js maar een keer. (utajtw

(HiJn tlt;it\\ of mtu tvu\\ deze keer, deze i^ene keer ook eenmaal bv. zult ge een ongeluk krijgen, w(inw(Qrjeen andere keer, nogmaals, ui tui ui (tn Jïi iun ui/j - nóg een keer. un {of (int hii) (Ln (utoji (Ht/js de {of het) eerste {in tegenstelling van de tweede, enz.), ut {of am ut) njt ut ui (tnjf\\ éénmaal; ten eerste, uit uïut utut (tnj^s de {of het) eerste. — dn(tJt(Hijj\\ de eerste zijn in rangorde.

Zoo in un ihj un ut (uijj \\ zie b ij ut ihj uiijj \\ n /un ui

a Sa o

ut un (utji\\ kw. zva. vm urt utui (rn^fj\\ \\ uit un un w q

of tuh un ut ui (uijj^ de {of het) eerste. {Ook uitui ui (uyi voor h n tul u t q un (Hyj \\ van elkander gescheiden worden. U.). — w(tJt(H^\\ utarn{un\\ in eens afdoende, zoodat men het geheel afmaakt, (ur ut ut \'hjih)ji\\ iilt; 11 marfn si/n (hyi\\ ineens afgemaakt, met één steek of slag gedood. Zoo ook ut uii (uit ut ut mj !hij^\\ — tnn ut ut uj\\ i~irt iUt afn ^ ttm \\ in één keer afdoende, zonder dat er herhaling noodig is; met één steek doodend, van een kris. (Stajuut w/j of iQ\'Siui (tg. (utji\\ elkander als volle neven of nichten bestaan, utut t^anj^s tp. zva.

l

uji ijumtui/j\\ zie bij u^uj^^w

ui un un \\ KW. zva. u.r^ trn un urt (hijj en \'t uQ tas G. (Skr. pisjdtja, een soort van démon, geest of spook).


-ocr page 857-

n., oji wi anji\\ k., bazaar, markt, marktplaats; marktdag (Pers. hdzdr) ; oo/c week vau vijf

dagen , naar de vijf markten, die op vijf verschillende plaatsen in de buurt dagelijks bij beurten

gehouden,en met verschillende namen benoemd wor-

o a* a

den {zie (L/i(un\\ ij (ui2 anjj\\ tij)mi\\ en am

ij,viz m \'-i ^ een pasarweek. ^ -r)? ui(ki \\ twee

pasarweken. X?cu iki quot;rTcui ixn rj qgi (mjj\\ de bruilofta-

week van vijf dagen na de eehtvereeniging (dsrKF.i).

ix:i} (Ci L1 (Li oji^iasn ^ nfj\\ op den vijfden dag na de

eehtvereeniging. (uojtj (uit olt;yj\\ de markt die op

den pasardag Pon gehouden wordt, mcm chi vj(in \\

naam van een plaats in het Djokjosche, waar

vorstelijke graven zijn. Te Soera kart a wordt de

dagelijksche markt (uithion genoemd, (t/ntvi

Dm ^»wn N., tu)^m.i (EJi (hi \\ k. , sehelpviseh. G. —

nniuiojis telkens een pasarweek lang, 0/ ook: om

1 1.1? i - ^ o OO^

de vijr dagen. — wn (U.Kirt)\\ ,iirt tut hniujs voor iets of iemand na vijf dogen een offerhande doen,

bv. voor een kind als het vijf dagen oud geworden

S OO 1.1 -

is. x.iw~ncH)j)\\ oji(hturij (hnji marktuag./1;/lj v. /

Ttitnjis ut (UMvnnMijis van velen zicli naar de

markt begeven, Tj.; marktje spelen, een meisjes-

spel. (U) osttui tui(W\'~n een marktgerncht.

cy

^kmnKN. de wijzer van een uurwerk of compas {erg. (isr^na\\ en de schacht of steel van een

.. cquot;) c~y

pijl {vrg. tutna\\ 2); harpoentje, een puntig ijzer, aan het éene einde met katoen of iets anders omwoeld, daar men door middel van een blaasroer meê schiet, zooals op visschen, oudtijds en bij ivïl-den ook in den 001 log in gebruik. (t.tM\\ met een harpoentje door een blaasroer schieten.

(lij.i\\ 1. kw. zva. (U(M(kit\\ — 2. kn. fijn zand (vrg.

O O \\ Q\' 1 n 1 O o

njttut w). (amp;i(Ki w \\ kN. storgoud. o n mn w -»

cv

(M\\ broodsuiker, (uio.hmixr^ n ip het zuider zeestrand. (jy^trKt ojtHjts een fijne witte mat van pan-

dan doeri, Rh. (uiS^uridJ^trns kw. strand en

v • C)

bergen. — utojiTtcmj^\\ en eig. unrjanucm^iw

schildpad-ei {omdat het in het zand gelegd

wordt), ei van de iu (hj^ en van de (1:1^(Kvjj\\

Ooh wordt de ut (hj^ wel utattni (Htji genoemd.

(li \\ kn. geweerkogel {vrg. diiStoJt^).

CY

)\\ 1. kn. het middelpunt, van een vlak of cirkel; (de middelste, van iemand die in het midden van een kring staat. JR.) 2. k. en kt. van irjjiatu/j {dat echter ook wel in Krama gebruikt wordt, zoo-

Cy

dat il^ (k 1 \\ alleen maar als een eleganter uitdrukking te beschonwen is. 3. uyi^is ook ben. van de ziekte door (trt nrtj^ant/js veroorzaakt, als de padi-plant iwg jong is. uj^ oJj ^ n het middelpunt

van de aarde , waarvoor de Mohammedanen Mekka c^\' q«lt; .

houden, a ^ (ki •gt; jquot;asn (Uj q ik rut \\ het middelpunt van Java, waarvoor Mat ar am wel ^gehouden wordt. —

cy

iFj,iK\'i\\ gelijk een navel; in het midden van een vlak ot kring zich bevinden o/vertoonen; iu een kring snel ronddraaien; zoodat er een kuiltje in het midden komt, zooals van water in een vat, als er een lek onder in is. n^w^tunjp een kring als een ujaits bv. in hout, en bv. zooals van water van een draaikolk, Rh.

!iyKi\\ kn. bewusteloos, flauwte (vrg. riund^iifutt G.

uq njj^ kw. zva. utyy^w

/ _ o /\'

ttutr^n^ts kn. (i.ttj utrjtkji - (ut(t.i(m\\

o - O o 0*1 n \\ k w. zva. UD.tu Of ast) Mtt (TLt \\ enni(rjijgv\\ —

o

(Z^(hini\\ kw. en kn. zva. (mr^iuKHjs en 7 . 00

bv. rj .ut 2 niiitt U7i hrj (U^im oji * j. m \'r) * — Q )

\'rtitjjs iets vastbinden.

o

ui((K^?t\\ (Et((K^jutts en ut[tt^urttjtms zie ut tj [(tj^cmzie bij

(LirjM\'nctn/js tp. kn. droogschuur, droogplaats of bak om iets, zooals koffij en suiker, te droog en, met eeti soort van dak of deksel tegen den regen {vrg. (ut ij (Et tj ut itn (Hyi^ onder 7j ut ).

ut tj (tsrt-n kw. zeggen, spreken. G. wel ligt verbastering van (Li(tjj^ott\'ti\\ kw. zzt DVV. 447.

ut (K/t not/j of uifi l\'Kit pKX. 1. zich gelijk bly ven, er bij blijven, zich aan zijn woord, voornemen ofibegin-sel houden; vast, bevestigd, bewaarheid, overeenkomstig bevonden; onveranderd hetzelfde blijven, van een toestand, zooals een ziekte {vrg. utt^errtn en a£tt uit ut/j). JR. 2. ut(tJtasttji kn. sirihbladen met toebehooren tot een pruim in den vorm van een peperhuisje samengevouwen. — w(tjt(trnjj\\ de iutuitntn\\ bereiden; ook de ut(kitnyj\\ tegen betaling aan de dansers aanbieden, zooals rong-gèng\'s doen op een publieke tandakpartij (.1^

sm\\) en zva. urt f?nmti\\ 3. Rh.

^ t ca 1 ól

ut!)Ji,itj\\ 1. kn. stijf ineen, stijf in een gedrukt, ge-


-ocr page 858-

774

o n

ui K) \'Uiyj\\

stopt, gepropt, gepakt, gestampt, e?iz. 2. kw. vereniging, gezamentlijke aanval. G. {Zie ook uia^i toD/js en vry. (uaj) nsriji). — djinhjj\\ iets stijf inéén drukken of stampen; door proppen 6gt;/stani-pen aanvullen; zva. iEji(iiïMnjj\\

uio-j^(HVJI\\ zie bij — ktï li\\kw. zva.

tim (Hii ^ /N

tiyiijojiiKTi/^\\KN. ongodsdienstig, goddeloos, G., hei-densch {Jr. , p/i a s e/c); ook benaming van

een bijzondere Boedistisehc secte onder de Javanen en rj m ini ys de wetenschap van de leeringen en spreuken van die secte. m rj i) yn n i jgt; zie bij /u^s — (Ei ij(Kian)^ pasèk zijn, tot een liei-densche secte behooren. JR.

^ —— Cï v. 11 1

(L.1 n-j) a.Hjl - (Lia^iunjjs Kh.

it}/iiJuhji of (Uiiiïi crnjj\\ kn. ingedeukt, van den neus {vrg. ij ui ij w un/j en rj ,ui rj h i è uii/j ).

(i.ii{ii/i kn. zva. ij-

O O v )

(L^ (i^i kv/i\\ kw. zva. (h.\'ihn ryij lt;

*1 (urjjJUHTijjsKU. plat, va?i den neus {vrg. lkLi hh/j). lt;rj a i ij\'Kiimi^ kn. deuk, gedeukt, door indrukking, zooals een hoed, metalen krisschcê, koperen ketel, enz. Vrg. (QijdJizhiijs

Cl

(ui (uiaai \\ kw zva. (ui.17777 hn \\\\

(Ljiuiinis kn. erfstuk, iets dat in de familie bewaard blijft en niet vervreemd mag worden; reliquie (vrg. ui (Ltï n iiji). 11.1 ah iL0 m 101 \\ een testament. ói t (u^ ii i(nn\\ iemand die om zijn groote waarde hoog geacht en in eere gehouden wordt. —

een poesaka geven aan. Men.

(LjMjrrrKW. 1. zva. 7on\\ — 2. zva. in^ KiKiis of Jiijiuunjis

(ui\\ benaming van de plant: kruikje roer me niet.

(uirjMiiyn(Hiji\\ zie bij xm nywi utijf ^

uirjiunw asn/js kn. goede uitspraak , bv. van het Arabisch {Jr. gt; phasihat gt; eloquentie).

o

Myi^ zie vjunfe£\\\\

vj ui of u!fe£\\ Port, f est a, kn. feest, feestmaal,

diner. — rj m^o^jj of feestvieren.

ui(m(iniji\\ kn. snel wegvliegen door gespannen veê.ir kracht, zooals van een pijl van èöoy; met een wip snel zich verwijderen van zijn plaats; (veer yötw een uurwerk W), veerkracht van een schietboog {vrg. vrn w iini/f). — Ö(iJ) {poet. (un iQihJi unjf^)

I03 springen, uitspringen, afspringen, losvliegcn, wegvliegen, door veérkracht\\ met een wip zich wegbegeveu, snel weggaan of zich verwijderen, ui (frj (Ki ui}/j\\ afgeschoten, van een pijl. un Li iki n afgedrukt afgaan, van een geladen pistool. — ft» (kji(iwij kh\\ doen losspringen, enz. — jj(M(isv/i of m(Uj.(iJiasnjjs het losspringen, afspringen, wegvliegen, daarheen vliegen. (SiiUi^wasii/jy naar alle kanten daarheen vliegen of stuiven. •— i^(K) uii/j of ri .g.(i.i uil/js losspringen, wegvliegen, voort-vliegen, daarheen vliegen. (i!hi i.i(k/iAsiifj\\ hetz. als acc. pass. ui(ki (^r\\ fnv., en op iemand of iets vliegen, iets losspringende treffen.

ui(i5i (nnji kh. i \'fjk!unjj\\ bedekken, verbergen, G. ijuii :iCiunjj\\ een plat woord voor ui un \\ kreperen (vrg. 7)

ui(i5i (isn\\ kw. zva. iiyirijuiqiLTis volgens anderen zva.

uil (hpyui\\ {Skr. p i sjit a, vleesch).

11 ij un anjj n k ., zie b ij un lt;114 \\\\

mm ij as^arijis uizie bij 1 f \\ kw. zva. 111 (tin \\ (en tS li asn/j^ G.) {Skr.

poestaka, een boek, een handschrift).

(U ui d^ti iifi/j \\ zie bij (ki asn/j

kn. Jloll. pastei.

O • D

ui ujiLi/js zie ui f. i n 1 q \\

of iui:iyi.i(j\\ en verb. Holl. kn.

pistool. — ui\\ met een pistool schieten, op iemand meteen pistool schieten. — (St^r^\\mv.

O

ui ui cm \\ kw. zva. iu ij oji r.n nnjj \\

Ij (ka uyj\\ kw. zva. (tn^ thi \\ (uryji\\ u^anaxyj en ni ui naijl gt; {vrg. fm \\ kw. zva.

O^ cy i) n o

(E^ (LU mi/j \\ Fj (t 1 \\ ui (in laji (17^ (til lt;ilt;nj( en u 1 un fj \\ kn. iets aanhoudend in de rondte draaijen;. iets tussehen de palmen van de handen draaijen de wrijven (vrg. it^u^ui/i), ook zva. lt;f^(Kn\\\\ 0i 11 un of ui^i?i\\ den geest inspannen, enz.; ook intr. rond-draaijen, bv. van speeksel in den muil van een woedenden tijger, Tj. ili u^a^uij of irn u^ijj Kijjs door een wervelwind in het rond gedraaid; (verdwenen, uit den weg geruimd. G.). tm lu ui (k^oj^ (1jijI\\ alsof het door een wervelwind door elkander gezweept wierd, va71 een zwaren regenvlaag en in rep en roer geraakte menigte. — amp;^(k^ki Ji\\ rijst {of kad\'ëlé enz.) vóór het koken in een mand {of pot), met de hand draaijende, met waterwas-


-ocr page 859-

O

(1 t Ij ) } (LI (L il \\

775

IJl (IJl

scheii (het hiervan komende rijst-water heet — draayiug, wrijving; een wervel

wind (vrg. rjitviojjojiji).

zie bij 11.

ai(ijidji \\kn. het zeestrand, inzonderheid het noorder

zeestrand van Java, do. stranddistrikten

o a\' o quot;» . a cv\' Cgt; s

lijk van ik) iki \\\\ vrg. crn ik i fni/j). OjI ikji i^i cun rj n u

het noorder zeestrand. ïliaS!wafli ru^ n het zui-der zeestrand (vrg. bij tu ). thila^i nCi !k)\\ dc taal van de stranddistrikten. — de

stranddistrikten. x/n ai/i j iw annèr m iMoti m mij \\ een commissie naar het Padjaugsche of de stranddistrikten. \'thikfoiaSilt\'T)commissies doen naar het Padjaugsche of naar de stranddistrikten, GR. {volt/. Rh. zon (hi(i?i (Ki -y) daq\\ kunnen het, op dc wijze van de Pasisir).

uuiu/js Jr. hoofdstuk, afdeeling, artikel,

vrg. .r.namp ^nninis m (Kij .ny (Ui iki^/j \\ zva. (li j uii (hnjj \\

ij fK) n KW. zva. \' {en (vicrfii asii \\ G.) {S/cr. jtoe-sjj) a , bloem Vrg. tim ikji ^e-i \\). ^ o^i ^ i ici ^\\ naam van een olifant {amp;kr. , de olifant

van het noordwesten.), rij ~ji(Oicrr^^js zva. iUirrm o* n

.isii (Hn asii ^ iu cm -m ij xn a^s Lr. iki rj (l,ii ik \\zva.

r. 3

^(Kitrfm G. (Lj^ik)-..idTin[axrgt;\\ KN. naam van een

sierplant, met roode en gele bloemen, een Can-

nacea. (hn cm djj dJi \\ een (uii ij w t arn soort,

(Tj.) Rh. (L/j^(kh.^ïiifiitigt;ii\\ nanw bevriend. WW.

(Ki ,uiik \\ {of i.v ik\\) naam van een groote slang,

de boa constrictor, een kwaadaardige soort, r O

(i^iki ^i ri cni\\ of lun it^ihi^jja /I ^iryi lt;rn\\ naam van een soort van buikriemen, geheel van getwijnd garen.

O • O o

u (ui ij xji mi/i\\ zie bij (K i ,1/1 w

m a«i rj (L/i 2 afijj\\ zie bij (ki ^ w

ijjiM ^inn\\ naam van een uit den hemel neergedaald rijtuig gt; in de Ram a {Skr. poe sj p a k a yfo yfbgvw van Koewera).

(Kt Si ten \\ KW. zva. hn r^\\ {Skr. poesjpita, gebloemd, met bloemen), iici rj(rrn o. i ibii n kn . naam

van een zijden stof.

o o ,

iükk^iu asii\\ KW. zva. iamp;iiiJtwji\\ en .iint^.ui (hn \\ of

njpijuyiny.li .i5?i\\ een naam van .Batara Goeroe

{Skr. p a sj o ep at i, een naam van Siwa). itty*

ijKvn (ui mn \\ pijl van Pasoepati, naam van een door

God Goeroe geschonken pijl vün Pala-asra, cn later van Ardjoena.

(ui rj (Kit (ui am \\ zva. (uiov^iui a5?i\\ ook naam van het

fatsoen van een kris.

iui(kiik\\ en {AAtKsitiK n kn. eenvoudig, eenvoudig maar; onbewimpeld, opregtj opregtheidj dc eenvoudige uitdrukking, in tegenstelling van een figuurlijke {vrg. ij ilh tziiij mM j en (iv|jqkh w Het is van (K hlK \\ of , i- ItUII\'lKS KW. Ml. zva. *\'■gt;! Ijl ll v). IJ I I ■ik .u iin gt;i nni ij pj\\ eenvoudig gekleed. — ivxmiik iemand ids onbewimpeld oj openhartig zeggen of bekennen, i t i.i ik )lt;i ^ i hj i-1 is J.y j,\';y\\ wc-derzijdsehe opregte bekentenis, W.; openhartig tcyen elkaar zijn. — ,? im is n ,/ii!ƒ hn\\ iets eenvoudig, onbewimpeld of openhartig zeggen, uiten, verklaren, bekennen, meêdeelen of voor iets uitkomen. — op een eenvoudige, onbewim

pelde wijze.

O (quot;gt; \' L •• n

(UI (KI (lil IHlJj\\ zva. (L ltKIftUll (HIJj\\ Zie OtJ KlfW

O o s \' O lt;*gt; ^

iui (Ki au n zie v.n ki (lii vgt;

O .... Q o

(ut (kiijiamp;i osiJi\\ zie bij (Ki(hiiw

(ui (ki rj il i i dajj \\ zie b ij (M (ea w

iui (ki -f j ui dnjj\\ 4 zva. (lkkke^uti wjjs zie bij

(unw

(ui rj(K\'iian/j\\KN. j lt;evrjlt;Kucm\\ iemand iets ongevraagd of tegen zijn wil voor zijn rekening geven o/* bezorgen; iemand iets, zooals werk, op den hals schuiven. — lt;ei ijikult;(rngt;j hn\\ iets voor zijn rekening geven, enz. aan iemand. — ui rj(Kii(rniirijj\\ wat iemand voor zijn rekening gegeven of op den hals geschoven wordt, WW. R. (een geschenk voor bewezene diensten. G.); ook al ge mee ne of publieke pleisterplaats, aanloopplaats; ook voor herberg en slaaphnis. JR.

o O o O

iUKKI (111N Zie (UKKI hVJjS

(ui(KKiri\\ of .Li\'.ki(jii\\kn. vierkant; een vierkant(3//. sagiy zijde van een vierkant, Vrg. lEia^nji (unjj), (Q uw .h?i di (KJ crn \\ een vierkante voet, een voet in het vierkant. — (Ukiji crn \\ vierkant maken.

ui (Kn (cn (Hijj\\ zie bij ki am \\

(ui rj (ki tun m/j n zie bij ij (ki ui \\ II. mof KN- wa* eenmaal bepaald is, vast

staat of vastgesteld is; noodwendig, noodzakelijk, onvermijdelijk, onherroepelijk j gewis; vast en zeker, voorzeker (vrg. isii^ ). {Als je dat doet), (Li


-ocr page 860-

770

O O

ii.i i -i i,n \\

(xJ

n^aaiivi(uii\\ dan zal je onvcrmijdelyk eeu onheil wedervaren. het door Allah bepaalde. bepaalde taak. GR. (mli^rjry.\\ het is nog niet de door Gods raadsbesluit bepaalde tijd er voor. — of ook wel 1- bepalen, bepaling maken; iets vaststellen, bepalen, bestemmen; voorbeschikken. 2. bepaald, zeker, gewis; het kan niet anders of, het is niet anders of; het is niet anders te denken of, men kan verzekerd zijn dat. ..; het is noodwendig, noodzakelijk, onvermijdelijk; het moet volstrekt; moeten, volstrekt moeten, als physische of logische noodzakelijkheid {vrg. en

o :quot;) o o o j) o cj„ o ^

dj)(K7 iyi• pass. (V/.k) }ft ii\'i n na mi ari o-Jta^i n i ?\\ een-

cra) 1 a(x){ d i c* \'C

maal door den Heere God zoo voorbeschikt, ym

o C) O o o ii^

op^iii ij iij ihn/j im lt;h\'7£ cim iti a. i iamp;i tn^ \\ ais net

overmorgen is, dan zal ik voorzeker kunnen meegaan. — \'amp;i ijui) mi \\ iets als vast en zeker beschouwen; voor vast op iets rekenen; omtrent een bepaling maken; iets bepalen, besluiten, bestemmen; voorbeschikken, bv. voor iemand, u ij itQ yvïiHn iets voor geheel zeker houden,

er in alle geval vast op rekenen. —

m (U rj of ili M ij iyitfiji\\ het bepaalde, wat

voor vast bepaald wordt of is ; het voorbeschikte, bv. door Allah, Gods voorbeschikking; iemands voorbeschikt lot of bestemming {vrg. asn(up\\\\ — het vaststellen, liet zich vast voorstellen;

CxJ

vaste onderstelling; (vast besluit; voorbeschikking. R.) vaste beschikking, bepaling.

^ o O

(uigt;i\\ zie (ui iyiw

o ul o n n o

v#\' KW. zva. ooi uil iihi^ wi iHii ju nlt;ijj\\ n n ijoni2\\ (ui xh ij ern t \\ tuii ijcrm an Jii ij nmi ar^i ^ en \'Ej \\ {Skr. poesti, het gevoed en doorvoed zijn; dikte van het lichaam, van poe sta, doorvoed, dik, vet, vol. pk.). — ^1. KW. handteren, een wapen ter hand nemen; ook zva. {en vrrin^w G.)

{Skr. moest it vuist, en handvat of gevest van een zwaard, pk.). — 2. kn. zva. en het oog

van den geest (m tjkj ? anjj of (éii (tn (rUjj)

strak gevestigd houden, voor met diepe aandacht bidden.

o O ci j, o

(u r* kii \\ (ui ïo) \\ of (Vj vq nu \\ KW. zva. rjOJii

lunpy en j.nhyizjfls {Skr. sphaiika

kristal). — (fji iy.in)\\ iQ$im \\ of itji ï3101 \\ (ü Cd vuJ

kn. bezoarsteen G.; kostbare steen, ^.juweel, pa rel, puik va7i iets; ook een versteening, zooals een versteende vrucht, bv. van de waringinypidft-tan of langsép, en versteende pit, zooals van een d*iroek. (Uj hni(irn (hjjjj\\ versteende rijstkorrel. ,Ell C^)uriilJ)}, \'rL\'s 8^ange8teen, die in den kop van slangen gevonden wordt en tot middel tegen vergiftige slangebeten gebruikt wordt. ^ (v^mii ay cu nsy\\ puikjuweel. — tu^i^ws poet., als een juweel

of als puik beschouwd.

O o o O o

liiqiws en — (ti(^nni\\ enz. zte (u

KW. zva. i-1 in ïy ^ {volgons G. ecu koebeest).

iLiuj .KN. 1. liet op een gcjiaste wijze o/met een doel ingerigt, gcseliikt, gezet, gelegd »ƒ gerigl ziju of worden van iets: er op gerigt »ƒ aangelegd. 2. (lij olkancler gevoegd) paar, iv. van kousen of schoenen {vrg. mtAtainjj). 3. inzet in een spel; een inzet doen (vrg. 4.«.\'». eva. icnoris vloed, liet opkomen of opzetten, van de zee. G. Mal vrg. ijnnnrnjjs (5. tijdens, toen, wanneer. G.). .wo\'ittri irn ni\\ het gelegdo/gespannen worden van een strik. :f] iUi(KD\\ een paar. irfruiuiM- twee paar. IJi\'iIjm\\ de weerga, de andere van een paar. JU. dit volg. Bh. 11 i\'i i:} tj i:j\\ en iui!Kiijai\\ is zva. \' / I j\\ naar het sehynt, enz. ili u\'i i.] iamp;p iemands ge\\aats-vorm, gelaatsstrekken of nitzigt. vi i~t ■ n h?i .ln ,7 x do bouw en geheele inrigting va7i een huis of too-ning\\ (de vorm en trekken van iemands gelaat-, R.); de gestalte van iemands lichaam, liehaams-bouw; (de vorm en uitdrukking van iemands oogen. R.). ui.^i i ide bouw, arehitectunr vat. een huis. zva. lt;LiM-nHnasttjf\\ uitzigt, voorkomen, iuiajteen geschut afsteken, (Mal. org. \'y i.iy n). (i gt;\'rtj u n in \\ (; / i\'j /ƒ tu 1 oij^n poët.) juist geschikt, juist van pas (Sir. sangjoga, verbinding, connexie). — tl.r\'t\\ iets schikken, rigten, inrigten , stellen, zetten, leggen , aanleggen, teregtzettei^, in orde brengen; iels, zooals een toovermiddel, in het werk stellen; 0 iu •\')quot;gt; schuinsche blikken werpen. VV. I, 13, CP. een net of strik spannen j een val, zooals een muizeval, zetten; een tent of tabernakel opslaan en in orde brengen, een trekbeest inspannen. ?\'

}U\\ een slagorde regelen, tamp;io\'i(kinri\\ de ho-


-ocr page 861-

if .Ui rj i.)t \\

(?) (LI M \\

777

reus, in go rued lie id brengen, vaardig zij u, om te etooteu. foioj) (U) 11 (un am \\ listen in het werk stellen., lagen leggen. — g/imihh n;i\\ spr, iemand een strik apanneu. (U(Mlt;hni.ruancmijam\\ een ylegtige wijze van begroeiing in de wajang verhalen, mh (Lia\'jw ti/? rm\\ N., (Hit (u (M ij in t nri \\ K., spr., juist van pas gekomen j eeu schoono gelegenlieid zijn. — lt;e,i(k/}h?i ergens iets op schikken, stellen, oprigten, inzetten, enz.; een heest of mensch een strik spannen, of een val zetten, iemand een kuil graven; een rijtuig of trekbeest inspannen; ergens i of voor iemand een lamp of licht zetten, om te kunnen zien; ergens iets, zpoals voetangels of strikken , leggen; ook op iemand of iets gespannen zijn aandacht vestigen, aanleiding van ÜS. 631, doch kan daar eer, hetz. het. als iljxw 7un den bijslaap uitoefenen); en aan een aksara een pasangan aanvoegen, — M(Ki w(hi j\\ obj, den.; bij paren; val, ratte- of mnizeval, vogelknip; juk van trekbeesten; (disselboom G.) {vrg. ijiiui w anj): wat op het spel gezet wordt; ook aanvoegletter, benaming van de Javaansche medeklinkers, zooals | zij aan een voorafgaande aksara worden aange- ; voegdy als deze zonder vokaalklank uitgesproken ,

moet worden. ajï za ïki suhst. den.

(?)

(1/ïlt;mnKW. zva. wrioa/js

kn. de wortel van den neus; en naam van een soort van gebak. (egt;)\\ dat gebak bereiden.

M(Ki\\ kn. pislucht; die lucht hebben {vrg. hn ^i\'\\); {ook een stuk wit linnen, dat bruid en bruidegom bij het trouwen aan hun schoonouders geven. G.). — (ui iQSiï\\ een stuk wit lijnwaad, dat bij de sas-rahan van den bruidegom gevoegd wordt, en dat gegeven wordt aan de grootmoeder of aan de ba-boe van het meisje, als een schadevergoeding voor de kleuren, die het in de eerste kindsheid bevuild had.

o » O .

M(ki\\jl. , zie cm u» w

Hj fM\\Kw. zva. rjam2(in w

\'I MN of (Lijfu\\Kw. zva. r.r^uj^/j\\ kn. iemand om-loopen, van het hoofd, of wel gespannen en dof, zoo als door de moeite van over iets te peinzen of veel en allerlei dingen aan te hooren.M. — ^ ki\\ of alle moeite doen en zijn hoofd inspannen

om iets op te sporen, te bekomen, te bezorgen of te begrijpen; iemand op alle mogelijke wijze zoeken op te sporen, aanhoudend, overal een object zoeken. Miw\\ op iets met alle inspan

ning studeren.

?ƒ (Liirj!ko2\\ TP. kn. 1. een soort van fuik om garnalen te vangen (vrg. ailihüw uj (ijj\\ en (uh tei~~i(M/j). — n r.i2 rj (Kt2 \\ met een pósóng visschen, JR. 2. een aarden pot met een gat, waardoor de stroop van de gekrisstalliseerde suiker afzijpelt, llh.

iVi (Ki gt;ƒ it/ 2 Wjp zie bij v. i n:^ \\\\

zva. iLia\'^u\'i w G. (misschien van

aufl).

\'fijo\'i\\ zie bij

6quot;)

(t) (K/i cm {\\ zva.

n (O t .

(177? li u— .i/,7./ 7?.to^nkn. benaming,

een naam die iemand door de menschen gegeven

u (?) O

wordt. — (Kjion {(Lii (H}fj\\ km;, zva. gt;li

{Het grondwoord is riants zva. ojiwlt;riis\\) G.

en W.

li 7or) no n kn, plegtige bepaling van het een of ander y dat men zelf willekeurig stelt y als voorwaarde of vooïteeken van iets, dat plaats zal moeten hebben, wanneer die voorwaarde of dat voorteeken vervuld wordt; een plegtige bepaling, waarmeémen of zich heilig tot iets verbindt , of de beschikking van het noodlot meent te kunnen bezweren {verb, van sanggara, 3. pers. sanggirate, met een gelofte of belofte zich tot iets verbinden, pk. In V Javaansch zal met de verbastering aan het woord de elg. het eekenis gehecht zijn van zetting of stelling van een berg, van iets zoo vast als een berg. Vrg. lofton errjipy — (Liaïinrnni\\ plegtig zulk een voorwaarde of voorteeken bepalen. mmwanerti rn\\ voor 7 ]■ n (Ytt tj l i 1,17.17^\'7(rn m WP. ^27. — if 1 erf! ij \'ri ihj \\ voor iets plegtig een voorwaarde of voorteeken bepalen.

ili\\ KW. 1. zva, djKKj!}-.i/j\\ — 2. een woordje dat ongeveer zooveel bet. als rj in \\ of lt;lv ui tj (ia ij i\'j\\

{zie bij (lv an) V Zat. autem.

o

ili .1:1 \\ KW. zva. d-Tj, (utiis) -n -■ iu 1:1 ij mi 2 w Lj lji KW. zva. y dj}(isi 1 o-n/j {slechte uitspraak van lj (V)\\). G. (ij^ 01 nj^ ui\\ kw. zva. (l/i (Liun 1.1 _^7cmji en (bi (EA(Kj(KiJjw kn. zva. (MiQ\'t»iHj\\ zich alles

veroorlovend, willekeurig, tiranniek {vrg. (i/i\\ 1).

o O o

f» 77 uidj^ ui :u£ ui \\ zva. (hyi til u) ,gj O kj (ki (LH

.Lir)(n).gt;\\ KW. zva. (Li ai \'gt;)


-ocr page 862-

\'UV\'L\'(Ü\'

778

,urjU}^\\

foh {of \'ti ijj j) iw (in it n /LQ iV) ij, i ) i hi^ :u f i ri \\ eeu vermetel en zich alles veroorlovend hart. GR. volt/. Rh. (Lj (Ut I J tVI ZZZ (l.J Ut f I j lUt f N a.tvjfutqy zie bij ■»gt; ut jw

iLJ \'Ut j w — i.j ut j LJ ut % \\ kn. zva. ittjuts Sd. Ml.

een neger, eig. een Polynesische neger.

tLt (*jj,{tLtt (tn/js zie bij (Vj j w lt;vt tf ut 2 {(uit (Htji \\ zie b ij tj ut i f w ut rj uti(tnjt\\ zie bij uit •lj ut ttnji \\ zie bij ut f \\\\

it-i ut(Hi\\ Kw. zva. mt ut (Htji {Sir. jp aw a na), lut ut tn

(tjj htt \\ (zoon des winds) bijnaam van llanoeman en

van WrUkodar \'a ( Skr. hetz. i\'K ). — ,ntt ut.ut tj jn j-o

zva. (Hit Ut (HJ (tOj\'l \\

IUJ \'VI (Hl\\ zva. (Ut (LH iHt NN - lt;t(1t I J (Ut tij (Kt/j \\ ZVa. t, II

xjt tut tin (HTjjs G.

(U apjj \\ kw. zva. ur^ iut ut ij uj \\

uj [at\\ kn. achterbout, zie t t ut J] n t/js

n o

(Lt ut \'7i \\ K w. zva. urt tut ^ t tut anjj\\

(uiiutms of i j .i/tun\\ kw. 1. zva. (btui)w oafj en

O c\\ s /

dsn (Ut f (itt (taji \\ — z. zva. ku ut iutt \\ urt (ut dm ,i /it uit

rjtnit en ttat iuj — uj ut n ^ of \'uj un

\'n\\ (in de spreektaal ook wel iamp;iiu*) kn. ree-

de {vry. (ut m (u.tj z .i Tt act ,^) j KW zva. ht htt ut ^t

M/jS

n . .... o njt (Ut rj ni \\ zie bij ut 1)\\\\

(UtiUttnts kw. zva. (Yttlt;uj\\ als Tj. Sényk. drie {Skr.

pdwaka. Vr. ut uit s).

(Uttu^rj tati (tn/js zie bij (ijj t,ij\\\\

ut (Ut uit (tlt;t/j\\ zie bij (urt gt;ut Httfls

(ut ut iip (trtfj \\ zie bij uit ut u^/js

(ijj asit \\ KW. zva. (t^ nrt (Ht/js

O ■) o . c,

(ui gt;ut inst^sKVf. zva. (uiuujs eu ui n {okr. pa wit ra,

zuiver, rein).

O .... O

(ut tui (i^ijjHiji\\ zie bij (ut (i5tijj\\

O

0 O

1 ; rut nrt/j \\ :)

aj uit it^jjsKW. zva i

tj ut (u^/j\\ kn . zva. ij urt ? ui(trijj\\ iJt cm ? n urj ut t.tj \\

overvoldaan, beu.

(uj (ut (h t \\ en veelal verk. (ut ut ^ N., Wiiit k., vasten, de vasten; het vasten; de vasten waarnemen (Skr. oepawdsa; Ar. , sijatri); ook zva.

(Uiui utnutnt Jlm ziJI^ (^e vastenmaand {vrg.

On 0 /■ a a

•n (Ui (rut (injj). — iZ-J ut :ki hj \\ of if.i k t tjj \\ en ut tl uit

£j\\ vasteu om of ter wille van.

)

(Lt t] uten (Utij ut rf^iHi^s k. en l.j zie bij ut

quot;T

ut ut (ut \\ kW . j tut ut ut \\ zien. (ut lt;hj ut (ut \\ gezien worden, zigtbaar. G. {vrg. iukvis I., en

Ut iUt\\).\'

ui rj .ut tl ut s \\ zie onder i^ ut j w o a

.utui rutji\\ kw. zva. (inwint ru/j ut ruw

n .... O o ^

.ut ut rj iet nrt/j \\ zie bij ut act w

1.1 uit \'f t nkw. zva. (ut uit iut/js iütij ut z \\ zie bij ty utdw uj (Vj \\ ej uj \\ en i j (tjj ut (Ht;) \\ zie uj utj w ut ru/j of i tt (ut ruij\' kn. IIoll. paal, mijlpaal; afstand van een paal {een Engelsche mijt). — xn .ut .rLt,i\\ iets bij gissing bepalen. WW.; tegen den wind laveren, nl. telkens met streken van ongeveer een

mijl lang.

\'1 . o

ut \'tii^ \\ zie (urj ut t ijjj \\

i^ iuji of uit uj iLiys kn. eenstemmig, eensgezind; intiem met iemand (verk. of grondvorm van utjiui—y n^s verg. ij ly uiijj)-ijutiu/)\\ Oud-Ho 11. veil, veilen; nat met een

drooge doek opnemen.

s O ! . O

I/ Ut i (IU1JJ 0J (Uit iputt ILIJI\\ 1. Zie X/lt Tj iUI ^.11 IhtJI —

2. verkorting van uz.iiiamp;i.ruji\\

ut tui \\ I. kw. zva. rj.vti{\\ tj \'Ut i tj ut i (tnjj en ut ij Hit 2 iji li ^ w kn vrucht, alleen in zamenstelling, anders notemuscaat; muscaatnoot (Skr, yhala, en verg. uium n is), (ut luurtj uijföi^\\ boomvruchten.

.li rii mi iL/ticiiit (U/js aardvruchten, cut tui hii (ki m Si \\

a\' 1 o S

en (Ui rvi.Htt (tfi\\ zie bij e7i int m w smili

iuiigs zie ben. Hit ót (of (it hu) (ui rut\\ foelie, ut ro v 7 \'

ut hii 3.11 \\ een soort van boontjes, die tot pur(jeer-middel dienen, volg. Rh. ook (M.uhhu(iAJj\\ of hu (hvj.(uyinj(Hiji\\ gen. waarvan Cauvin pillen gemaakt worden, ukukwis en ut iut .in\\ zie boven, (utmhu .isij trj n naam van een slecht teeken in het haar van paarden, W. volg. Rh (utrCtihiiisrj ij hjichijj\\ van een paard waarvan het r egt er achterbeen wit is, beginnende van het koot gewricht naar hoven.

n a

quot;.r

uh an u.n hiJ\\ of .un cin\\urjcr^i \\ en iemand, door slaan

mishandelen {zie nog umaotii ut wt\\ èn vrg. ut ut

----------

ii \\ en mi uu (hi (in w Een ander (Et vu \\ zie i — ut (Ut ru\\ mishandeling.


-ocr page 863-

1 Vquot;-\'

O

779

III. orin (ui ris in zamenstellinyen, wanneer in het tweede lid een r volgt, zooals in (li

VU fïS nJl gt; tl if i

o quot;gt; O

iuru\\ (ui njj^s en tui (lilt;rt/\\ KW. zva. iUi uniEi/j en

ihO) ui chnjj \\ m (ivlt; injjj\\ benaming van de Fa-ge dé. tui ui itu\\ naam van een gedicht, dat zedelessen bevat, van ICjhï- G$dé SVséla.

ui up J. KW. zva. nm iis?i(Hrijf\\ — 2. kn. hamer, ijzeren hamer, moker (vrg. rmrjarfnaojj lt;?« amnp). wthHiii^unp van hoofdslapen: eenigzins hol, W. II. \'127. gt;ut n^nrhe.\'Ku kleiu hamertje van ijzer of hoorn om op de gamëlan te spelen (vig, wiunj \\)j ook naam van een van de zangwijzen, die thiga-

han genoemd worden, G. en eign. van een boet a.

(quot;) o o C

tui lt;n^ cm nuj \\ kw. zva. om ani mn nnjj en ui (hJ^ n.tt/j.

— if in^\\ met een hamer kloppen, hameren, beuken; smeden {vrg. iui r^nyn\\). — ui ij ili? !in/j\\ iets daar met een hamer op geklopt wordt; gesmeed ; geplet metaal; ook cm ij n 11 an/j en qew. ui rj m ? m i/j \\

aanbeeld {vrg. lt;ni(rniui^iia/i), volg WW. ook 0 . tgt;-\'

zva. (i^i tvi \'n nn/j\\ volg. Rh. de hoekstijl van een

baffclkraal, gewoonlijk met gaten, waardoor het dwarshout of de sluitboom ingeschoven en vastgezet wordt) door middel van een dikke spie, die met een iLirty of cm tjiyn i(},j\\ in het gat geslagen wordt.

ui thl\\ n., plat woord voor m 111^ itï dn/j\\ — Sijiu ihtjj 1. n., met uuiuw {bv. Usni(m £i ^ iut(mjf\\ voor (ix.Hp!hj\\ WW.) en dhi rjtrn iyd(htjj\\ {volg. Rh. ook zonder im rjuru) voor un tjiirm vu uj\\\\ — 2. kn. kraan, kraantje, tap {vrg.

uin^s ongehr. — ut rj nu cm y partijdig, Rh. zie cun

o . ) ,.. quot;)

tlimd^vjiruiiih^cmji bij lunirijw

cuj tli \\ k\\v. zva. ieji en ujj. ij^ % w

u^iwi\\ kn. gekookte rijat, die gestampt, met kalk water gekneed, iu vormen van bladen gedaan en zoo koud en stijf geworden, met geraspte kokosnoot gegeten wordt {vrg. (hn/j), JR. volg. Rh. is het kVtanmeel gekookt, in schijfjes gesneden, gegeten met geraspte klapper- en Jav. suiker, en heet het door JR. opgegevene cmifvrn? vnjj\' iamp;irLis poeli maken; rijst tot poeli bereiden.

^^^kn.; {of (tJi icii) u^ rijj \\ naam van een

bloem, die tot medicijn en tot verwen van oranje gebruikt wordt; {en droog verkocht wordt, gelijk thee, Rh.), saffraan.

(L^rj rLisKW. zva. (MriHK cinjis kn. naam van

een hoog en boom, met wit, hard en ligt hout\\ de bast wordt tot versterkend geneesmiddel gebruikt. rj li,/ (uimn (i,iiji\\ Ophyoxylon serpen-tiiium, L., Nat. fam. der Apocyneae, een plant, waarvan de wortel een sterk laxerend middel voor paarden is.

i^rfiius kn. 1. eiland {vrg. ic^ws). cuj ij vuiix (Vi\\ het Eiland Java. i.^ cijvjrLn\\ tot een eiland maken , naar een eiland gelijken , bij een eiland vergelijken , G. ih ij niiui u\'i of uyj n n iktnis de roede arènbloem met een zweempje geel aan de punt, Kr. zie itcuvr^w tjirhid een zoogenaamd

eiland of eilandje. 2. naam van de arènbloem, Kr.

rj ui rui\\ kn. ; rj m n i rQ \\ de kam van een haan afsnijden, {vrg. (i:.nijuirvi\\). — vjmirumi/js een soort watervogel of waterhoen, zoo groot als onze

kievit, met roode hek, roode kam en roodepooien.

s

--iL,! ihCJ \\\\

O..

tj ui rj trti\\ KW\\ zva. uiiti i uj i^cu^^i^ii^s \\ ui rj ui

rj.tuis zie boven.

rj (Li rj jui \\ kn gebrekkig van uitspraak of in het spreken , zooals van een nog gebroken spreekt, of van een dronkene, dien de tong dubbel slaat {vrg. rjtuinzi iuji ij }cn 10 iruijj rjwrvKuijj en rj ui /rui(hvji); spelfout in het schrijven; (gebrekkig schrift. G.

Ti (ui t m) n kn. model, voorbeeld, voorschrift, staal, monster, patroon {vrg. tisyrui(ipchtjjs ,rsr^.rui(ict\\ nl tjftnjwq en lt;i3i ijiHmiHvjj). rjv.iiru^ iets tot model ö/voorbeeld nemen, namaken; nateokenen, nadoen, nabootsen {vlg. nnn^s).

tj ui 2 ijnli2 - kn. een wat plat woord voor cuncin hersens, fig. brein, n ud an ^iy ui 2 fjrii2\\ zonder hersens, zonder brein. — rj imtrj 11.12 \\ zie beneden.

un(^?\\ kw. zva.

o o o n

ui ru f\\K w. zva. iji tsr^ nsvjj\\ wrhi^ iegt;i ru4 lt;unuw

nnjl k., zie .11 ij\'Ti2\\

ui tui ^ \\ kw. zva. ir^ivnisiyfs kn. diepe modder oj

slik op den weg-, dik modderig, erger dan ajviSn\\

en tez rj upp 2 cmjj {vrg. cm ij tp t rujj^.hri ui ru^ f ui f \\

al verder en verder, al dieper en dieper in de


-ocr page 864-

L )

(Li rjnu^

780

arivs

modder zinken. — diepe modderpoel

of moddergat.

njitrjiTLii^ of ajlax^s kn. impotent, van een inan. tui iiLt4n kn. het geplaatst zijn in groepen , gelijk bij gelijk soort. — ttl.niJ \\ menschen of dingen in groepen , gelijk Lij gelyk soort, plaatsen.

o o r» o O i • •

hjiid^s KW. zva. im7L/fn ,Lircj.vt\\ kn. vevkiezing

hebben, onderscheid maken, niet ieder even lief willen hebben; ook schaarsch, zeldzaam {vrg. nn rr) \\). ,1.7 ni ? as)i enn (ook wel nrn \\) niet ieder

een tot partij willen hebben om mee te strijden, van een dapper held, ook van iemand, die schaarsch of niet ligt zijn wederpartij vindt, om mei hem in het een of ander te kampen. ajJ(i,n qdm0°}j\\ partydig in begunstiging; met vooringenomenheid oordeel en; vooringenomen, ?ƒ a/n i *gt;7 iCi) u q \'yj ói i \\ geen onderscheid maken tnsschen mensehen,

voorliefde of aanzien des persoons, of zonder

, j . . a. n o o -gt; d ,

iemand te ontzien, tun urt (hii l / nu hji \\ tegenwoordig zijn de kwèni\'s schaarsch, niet ligt te hekomen, 11 — kiezen, een kens doen,

uitkiezen; ook iets verkiezen, verkieslijker achten, in vergelijking van iets anders, t iou^aj) (üiw/j\\

plaats of gelegenheid kiezen, in acht nemen. —

Ooo * o o o , .on

MtiiLi iLij of ajiw^irufs uitgelezen, zie (uiaudi)

(hnjj\\ S(f?iru^\\ uitkiezen, uitzoeken, z» het algemeen. — /Eiirufajn\\ wv. uitzoeken, öv. de koffie-boonen. (tni ajl\'tu.lvi iht/i\\ voorkeur. G. — tj iu? vnvj hiis voor iets of iemand kiezen of uitzoeken. — (u iufiuntrnji of (u rC/ lu anjj\\ iets daar de keus op valt; liet gekozene; keur; uitgezocht, uitgelezen. — ojj hiruj\\ het kiezen, keus, verkiezing. n.j if]kn. hersteld; zich herstellen, in denvorigen staat terugkeeren; weer tot zijn gewone gemoedsstemming terugkeeren; zich herstellen, weer stand lioutlen, bv. in een gevecht\\ wreken, {in deze zin volg. Rh. rjitjiimi rj ruq\\ bestand

zijn tegen, A. 25, Rh. {van en vrg. (e^

. rgt; o o.,

nijjj en dj ij \'/D s (u (Lu i}ij irn ui \\ zijn va

ders dood wreken, ajj rvi {cm /bil ? n kn. bloedwraak nemen. G. — ^ iu^\\ iets herstellen, l5J.;oo^zich herstellen. — zoeken te herstellen, ook

zich zoeken te herstellen, Rh.

Asm iemands gevoel zoeken te herstellen, bv.door een beleedigde voldoening te geven. — (FAiuiqam rjitms iets herstellen, in den vorigen staat herstellen ; heelen.

1. KW. zva. (iïniw — 2. n.,ao^\\ k., tiental (vrg. (inw\\). (ijn^\\oj aJ^N., tklmv,j\\ k., 1. gewoonlijk met volgendenquot;juss. hoeveel ook , hoezeer, hoe . . . ook ; ongeveer zva. anjjx

al is het dat, . . .het kon toch niet helpen, i^ \'n^(U)i\\ 0.)nahoe veel {of groot) ook wezen mag {bv. wijn trouw), ^ x:n\\ de pacht, zooveel die ook wezen mag R. yoA/. \\V. belasting of opbrengst buiten en behalve de vaste pacht. 2. tien {eig. de hcele hoeveelheid, nam. van al de tien vingers, waarbij men telt R.); bv. x/n ty tun Q i jigt; tien kinders. u. l i j hji hm f \\

tien gulden, iimvuqxnws twintig.

o . o . ,. o* o

oji tsr^ d j n (i i tsy (ia o.) \\ zeventig, ili a. i a ^ ny f \\

n-n (Sf«o?(in(ui\\ tienmaal;* de (of het) tiende. Ook

(isjidj(n^%\\ en ixaa^i\\ als uitroep: wat is er tegen

te doen! w (L^au^^aS i?i {im tu ncy \\ K. 22, 20, wat

je mij ook doen moogt, (ik onderwerp er mij aan)

of (ik kan het niet helpen, ik heb nu eenmaal

erge trek) wat helpt het, wat is er aan te doen!

in \'s hemels naam! W. I. 121. En zoo ook ,i^^

A O -O

of ki x^ti\\^(ijinjgt;\\ en aci (Kixa (ki\\ of i i

(U)m(ui(uiw hoe het ook zij, ik berust er in, Rh. {en ili x j nw ^ afn (il^ (in \\ of £ixn i.i rj .ia t (i.i^S)\\\\ R.) (Fji^^Qhj^ officier van justitie bij de Balé-mangoe, zooals de xk uu^as bij de

Pradata {zoo genoemd, omdat er vroeger tien

v .on waren: nu zijn er meer). xsn(yiiojin^

de wettelijke bepalingen voor die officieren van

justitie; naam van een wetboek. — X7tri(i^n^\\ xmi

xn(i-i\\ elk tien; en tien tegen een wedden. — ogt;?

uj xiJj{(tJi \\ (iTin xxim(hj\\ iets met zijn tienen loen;

{en bij tienen vermenigvuldigen. R.).— xjjxru^^x/n

(ia(K.i(inji\\ tientallen, de tienen; bij tientallen.

O r

1 xjini ajixj^xi j^ x/n (hn/js en x.x xo i.i xojj of xn

ni ifjixa(ui iinjj\\ tiende gedeelte. nJx.i m njjxj mj %

XjV (la/js een tiende.

rjxjKwiqs kn. naam van een zeer fijne soort mi rp

fijner nog dan xji\'rï\\ WW. x.r^iu/J0 xjj.\\ een

bnis van dat goed gemaakt, PM.

xj (Li ij nu kn. buigzaam, slap, ook Jig. van ecu

zwak karakter.

xjxjit n-i{\\ kn. beweging van het lichaam of een lid


-ocr page 865-

1^1 (IJl t Ithl %

van het lichaami zich bewegen, een lid verroeren; iemands doen en handelwijze; de wijze waarop iemand het stelt of maakt in zijn omstandigheden {van rjd/mituqs en vrg. tjuiinjt rj i/n i rj nrn tsnji en (hi}tni%\\). lt;ér)(H7i%7j[uuirvt%\\ handel en wandel.

(Lum{ hir^ \\ hoe zal ik het stellen of maken, (Jjv. als jij mij verlaat).rjiamp;u ruf\\ beweging met het lichaam maken, zich bewegen, van een mootje vrouw /l/ nm fMtTWru ^ \\ Rs. met beweging iets doen; zich gedragen. — rftrjirru^ ojnriiHin met iets beweging maken; iets, zoo als de hand^ bewegen, er iets mee doen. — rjnjnru^ (iTH iemands doen en handelwijze; (voorkomen, gestalte, gedaante. G.).

7jMi ïU{\\ en tj(Mt rhitsKvr., zie onderrjcum rjvvi i\\ji ajy\\ of (Grvtdnp kn. liever; liever willen; öv. tun tfrjci^aJyiamp;iibus liever wil ik sterven (vr^. (tui (S.m »1^ x bij irun^s en tvlruiiru^n). — pi i\\ i/t

nvmJys of wiru(un\\ iets liever willen, öv. iniQ

\' o - o O / O irviCIJÏ^ E*! (157/ N 0/ (UI iL^ (Hl )L) (LI q \\ liever Wil

hy sterven.

(l^ï lUT) T) N zva. (OJ^dJtl n-)\\)

(li ylidsn nkw. zva. (rh \'yr^\\ of mmi m\\ (Sir. pari-hdra, vermyding, vrijdom, schenking van privilegiën, oneerbiedigheid, inbezitneming; omringing; goedheid, mildheid. Vrg. aji(i/un^. (Ettuiun

,vi\\ kn. zva. (irnrmnrr^s bv. o rui (Lm ni Lni lt;tj^ (ist^ \\\\ o

vrg, dj) wnw

1X110 ^N vofy- ^ W. zva. isijj ut 15)^ \\ ofasy (Uj w een soort geweven zwarten stof voor arnxfn (tnjjs met een hreede witte rand, Rh.

-qrLiicmji\\ zie bij (uvl^w mrjitvt(hiji\\ zie bij £t ru\\\\

en gebonden, zamenhangend;

niet rul of stijf, bv. van gekookte rijst en aardvruchten ; zacht, van grond, die goed te ploegen is; en van hout, dat zich goed bewerken laat; volg. WW. ook fig. verkleefd, gehecht aan.

• d/i rut rnjj zie rj ivt rLt w

kn. zadel van een olifant of van een kameel {Skr. palydna, zadel. pk.).— iamp;t tui cm \\ een olifant opzadelen. — m wiMjfHTjjs gezadeld; (op

een olifant rijden. G.).

o 0

lt;^ rLliHj\\ zva. 1,7j TLKH^W

^ ^ ^ W en ^ ^ v K w * zvaquot; \'Ini rlIU\'2 V

Qjsjwi/l 781

™J\\S

spikkel, spikkeltje (vrg. isyasrjru/i). fa! ihjuu ylvjutt/is gespikkeld, met spikkeltjes; bv. van sits of gestreept {vrg. hh cu)jjj\\).

jyi iij mmji \\ kn . het door drukking prollig tevoorschijn komen van iets weeks; prol; drol; ironisch voor

kind {van en vrg. (ij!^hjani/j en

C~) O •

rj in i ^j). — ^ iets met de vlakke hmul

drukken, zooilat de weeke inhoud er uitprolt; zijn behoefte doen ; ooi zva. Sti^iunjjs drukken, persen, neêrdrukken, ook van een zware last.

\\ lijuj in-j kn.; I/ gt;\'J \\ zva. ïltfasy, {vrg.

\'/ h\'\'! $ quot;vyien r/r9 uiI/I en ^\' \'i

kn.; rj^asi^/j iets plat drukken, pletten, iets of iemand verpletteren, bv. van een omvallende muur of instortend gebouw {vrg. tijirj quot;jywji).

kn. rond van kleine vruchten.— i lpjiMji zich zoo vertoonen, Rh. vr/j. jjiHjnnjjW gt;1 iT^i l ij Kin i \\ kx. heel jonge j.? if i\'lt h » ^ — rf ? ?/ ijirmi\\ als fj (j^itr^ irrnts fig. kaal gekleed, bv. alleen in een un

rj irrn 2 f \\ kn. een in den grond gestoken staak, bv. om een vaartuig vast te leggen-, {ook van de mei touwen verbondene staken om hoog gewas, zooals suikerriet, om het aan de kanten voor omvallen te behoeden JU. {vrg. én tl ut*: nn/j en rLt i:m *» chn/j). volg. Rh. een stok tot steun van een plant. (ut ru i7iii\\ zie onder oj^w

mt /tvrytt\\ kn.; tF/t tCturrt of /fj f7?i\\uit luiheid of on-

Oh Oh J n.O*i

wil niet op het werk komen of het werk verlaten; zich weg maken, om niet met iets belast te worden; spijbelen, JR.; volg. Rh. zich afzonderen zich verwijderen, uit vrees.

cut lt;c[j, ijfft iisw^\\ kn. met een sprong {van ut (bitjj). m vj. x^tt(urt ~t vj,trtn (tni j\\ gedurig met sprongen, niet geregeld. (Sn w ly tTrn wijj^ overal met tusschensprou-gen of gapingen, niet op een geregelden afstand van elkander.

ijl i:m ymji of iut uyirtit kn. poet. het losgaan of losschieten van een pijl uit den boog (vr^. (utm tJt (istyj). izt^tritt (bn/js een vaart hebben of nomen, als een pijl uit den boog, zoo bv. bij een sprong. — ^iuttt(^n\\ of (uta^,irntayls geheel uit de


-ocr page 866-

782

(tri i:m\\ , 0*1

O o

Cxgt;

aren geschoten en haltrijp, van de padivrucht {yry. rijen hv. ter planting aan te geven; vrg. wm

afn (Q(Bi 3quot;n van iyniu2ï\\). Wil. volg. SG ook (Q^-yistand van het rijstgewas, voorafgaande aan {Ty^un ivi en zie opgave Rh. hij

O

(L/i-txn (isn/i\\

ch

tif itw\\ kn. slinger van bamboe om naar de vogels

in de sawah\'s te smijten, SG.

0^1 rj trm i \\ ii ? / i.i rj vrm t vn ihnjj \\ zie n ri^mruw

kn. 1. het wegloopen, vlngt {vrg. ;ijhvi^s).2.

het jong van een rhinoceros; (en een kind dat van zijn ouders weggeloopen is. G.). — n of tu

wegloopen, het hazepad kiezen.

rj xyirj rhiz \\ kn. wending, schuinsche zywaartsche rigting, afwijking van de regte lijn. —V W\'l van de regte lijn afwyken; zich zijwaarts afwenden, vrg. 7^ un rj trm i \\\\

itj rif ijijpt\\ zva. fj ijl rj iMikn. — ijjjirjthp? of ^ipfrrfwitisnjis intr. krom buigen; fig. afwijken, niet uit komen met, bv. iems. verwachtingnakomen van een voorwaarde t van een belofte, Tj.

ocy a o cy r o cy •• i i u

of (u .nj) pisKX., foiiruï tp\\ pijn hebben op een

plaats van het lichaam, zooals door sterke drukking, {volg. Rh. door drukking niet in de. rigting van de spier, maar dwars); door ongelijkmatige drukking, hv. bij {volg. G. rheumati-

sche pijn); en iemand tot bekentenis willen dwingen door strenge woorden, volg. Rh. iem. met dwangmiddelen of strikvragen bekentenis afpersen. uinjioh \\ of £lnji!ih\\ kn. grondvorm ook Qiuahs oj een persoon, die de bruid en bruidegom

bij huwelijksfeesten bedient. — oh \\ zijn,

of als fungeren, kw. zva. iririnvitrvi/j tTrn

en nsnui\\ (laten vallen, slagen uitdeden; aanvallen; tegen iets of iemand stuiten. G.). zva.

L. 44, losgaan op, iem. aanpakken; zva. bv. om te gaan tandak ken, Tj.

(l/igp7*m kn. dun, zwak en slap van ligchaam, Rh.

Wi\'Wf cn zie IV

amp; ns * O amp; cv O o . ... a\'\'

ut rh7 fei\\ of (u ru^\\ en zie bij uyrQ\\\\

o aS o a/\' o ^ • i v

(U^nuc^ (fjj rut m \\ en tJ^ lU ^ri tHyj\\ zie bij utj |^\\\\

kn., de koorden waarop de rfirmrijs of andere instrumenten rusten; ook naam van een koord van een trekvischnet, en lange koord om over den grond te spannen, ten einde evenwijdige lijnen of

O o O na p

lib} n i n n (utj) \\ (PA ivt nhi iKijj

zva. iQ /uarrn \\ ook fig. met aandrang bij iem. navragen. — tfn CL^armw jttrjniasins onder de rijtuigen raken.

(uti^yns {eig. nm \\) kn. dik, opgezwollen,

den buik; dikbuikig (vrg. JR.

en ZVaquot; en

en vrg. fynrrn\\\\

CY ^ (.y . CY (L/i nns en zie uti rrm \\n

^.ï^fcTï^KN. — m^cHj^2ur)jj\\ klibberig, kleverig , vochtig, nattig en week van grove vuile dingen, volg. G. indrukken, een deuk maken. — m?

beklid raken, iets klidderigs aan het ligchaam krijgen, door er in te trappen, te tasten of te gaan zitten.

kn. het eenigzins opgezet zijn, bv. van den buik; bol staan, van de wangen {vrg. en

mi \\). — ij-tarm\\ of irji(pj(i£n\\ eenigzins dik opgezet zijn, bv. van den buik van kinderen.

en rnj \\ zva. jjicrpji en \\ maar dik

ker. — vi ^ crfn 2 miji \\ een vorm van tjapil. CP. rj iji yjn^n \\ kn. wuft, van een vrouw of meisje % in woorden, kleeding en handelingen. — *7\'/N hetzelfde.

w ftjsK*. — beginnen met ploegen; de

eerste voor trekken, SG.

(~) O O O

/V V YU en fx 7 quot;fij \' zva\' Mcnirjri\'n/itettji en

C~) i ^

iijrrniwji zva. ^arn\\ Rh. snoeverij, blnffery. (fia^tj oji £inrnju)/j\\ (B.) zva. lt;ï/tanrr^ mijl \\ snoeven, bluffen, ook liegen, zijn woord niet houden.

zva. rjfif arnjM/is 7~j(i^n^rj wjj of (u ^ een glad kale plek.

— of iamp;i tj rutmet een glad ka

le plek; ook glad kaal, bv. geschoren, van het hoof\'1 (vrg. i]ynj*MJ} en ieji(yij tuwjf).

ge^ee^ kaal» zonder haar of vei-ren, van hoofd of kop; geheel geschild, hv. van een kokosnoot of aardvrucht {vrg. y (tyï rrno-^), fig. zonder hoofddoek, hoofdsiersel of hoed. (kit» ,1^71ri^j t ojij!\\ een duif zonder kuif. — tj fftrj rj(Yvrj t TJt/j\\ zva. ij t rj arni w/j ook iets geheel kaal maken, kaal scheren, plukken, afschillen,

\'til, O o O Torn CJ .


-ocr page 867-

p ^

783

enz. rj ri ? ij rm ? .m n Witf. — gt;ƒ J(? ? tj nrpj ? oj) _yi (kt^n oi/\'. ö?^m. kaalhoofdig, zonder hoofddoek, enz. volg. llh. een wijze van de hoofddoek te dragen. TP. zva, w rj trm tlt;m uifi\\ BV.

kn. — \'W7/\'! no£Jls droogrek, Rh. rt7igt;m\\KN.; tfyicyns en n/hyitj 1:1 rusteloos, lastig door erge woeligheid, van kinderen, ij (int yn u irnjs rusteloos eu woelig; (wispelturig, wuft. G.). $lt;rfrj\\ 1. kn. puistjes 0/ puistige uitslag op het lichaam (vrg. 2., en (ui \\)• 2., zie ijï hn w 3, KW. zva. dJajij \\\\ — tin onji\\ 1. puistjes of eeu puistigen uitslag op de huid hebben. 2. zie bij

s

OJi KT) \\N

njtrrr^\\ kn. blaar, gezwel, etter o/bloedbuil; bel, waterhei; het bol staan of opgeblaasd zijn, zooals door windt bv. van een zeil (yrg. ^rrm \\ ajia^ir/rp

en iff ijj f). — gezwollen of opgezwollen

zyn; zwellen, opzwellen, een blaar krygen, opbollen. — \'i\'VJi171 }t2JI — rri*ijini/j0 gebombeerde knoopjes, Tj.

^yiü?\\ KN\' — $V(yij2s 0l,^0mei1 van zon en

maan, vrg. tipuiijj\\ Rh.

kn. een soort wapen, een soort slinger? Men. — ^ afn \\ een steentje of pitje, dat men tusschen de duim en wijsvinger geklemd houdt, met de andere wijsvinger wegslingeren. — Vquot;yil\' \' W/Is volg. Rh. een zeker fatsoen v. vlieger; vrg.

tj (UiEiïjri

., Qv CJv O Ov O 3.

en rElt;tl^n^Js zva- en \'rf\'Y.\']*

eu *quot;*• iïvüen hm quot;/ kn- sm- 1?^

van de mond, zoo met vooruitgestoken lippen zijn; stil zyn, zonder iets te spreken 0/te gebruiken. — uit ontevredenheid

mompelen , pruttelen, binnensmonds mopperen, zich boos toonen.

kn. — mocdernaakt, vrg. xry iia/j\\

ook zonder kris v. e. man, zonder slendang v. e. vrouw.

Wwnnjj of yJi u t 1\'} i. oji —— i n id i/z huji of hn

\' \' j uy ook en oorspronkelijk ).J \'*l i ?} 10 \\ en tm (Li.ionKN. valsch, bedrieglijk o/oncerlijk hun-delen (cm. 13 la^n \\); ook moord plegen, vermoorden {zva. ini i^w Sir. p a l a ij i dra, fout of gebrek in een ander).

iijtutnayi kn.; k^iS.hii,p iemand steeds vervolgen, achternazitten (vrff. £tr en iurv^ta^).

tjt - ut ijt.tn lt;11.1 ijj\\

o _ o

j.iiji hnj rj .lyl ij 1 jihiyj q .i,t! tj ttgt; t.ltj - ivi IJ) ilsnjj

ij ru rjijï mij ij wurju, /1511,/ ij ibi //hoi iijji\\ schillen, ontholsteren, met de vingers de schil o/bolster er aflialen j en fig. zie ij m i/171 i ii/jy — rj MirjitJi 1 (ig^ —■ 0.ui ij iip tmj óf pokken of schurft

afwasschen , dat de korst er afgaat.

iuiru\\liVI. zva. a^nyinjfs luiirnrn riyntjjs (volgensG. geluk, voorspoed). — iairvt\\ Kt), zva. n wi^ ajn \'i.| li hhi\\ kn. voor een under om ieis . vragen. WW. — ;l) iu-ituij\\ kn. naam van een

variatie van de zamjwijs Dandang-goela, WW. 171 u\\ 1. IIoll. pilaar, kolom, van steen (vrg. 1 1 tm ). 2. — ,é]gt;vi\\ iets, zDvali hóut of bamboe, in de lengte kloven of Sjilijjcn (vrg. vin rmw Een ander zie bij ajn iu\\). mi hj! iui \\ ook wel iiii iiji rLi\\ pass. — jij! rvfn tin/j\\ in de lengte gekloofd. — djiitiiLu het kloven. 3. zweertjes aan de oogrand

hebben, van pirkoetoel\'s.

os . O S iiji zie (uil wj.w

a/quot; a/\' , . _

zva. ifixi] t» \\ — */iru\\ ku. iets, zooals

den neus of hals van iemand, knijpende omdraai-

jeu of afdraaijen {zva. ^ i{^ \\ zie bij ^ en zie

os \\

j.

rj mi rj njn\\ Ml. kogel, vrg. ru m\\

7 W\'7^ KN\'» 7 ,V 7 niN zva\' 7 Ti17:,J)(van V ^

•\\ o \' n D

rf gt;1\' ). tin tj Y \'/N zva. h\'ti ,f rj m icifj en un

Ij tl\' Ij\'quot;\'* of \'I \',\'j\' rjquot;quot;gt; quot;Iff KN. - rj iT.) tjTll\\ of

rj fyi rj • iiiiHiifj\\ zich afwenden met een zijdelingschen blik van afkeer, minachting, ent. rj ij^i tjfnt ia of rj ui rj-rn lal \\ van iemand zich zóo a\'fwen-den, Rs.

i^f -nintjj of ij!ijï i.n/j\\ kn.; i^niilt;r)jj\\ of\'jbiMittijjs

ecu misnoegd of ontevreden gezigt zetten, bv. van een kind, dat iets geweigerd wordt. n n ttn \\ of ijl iui ij» gt; tegen iemand een misnoegd «/\'ontevreden gezigt zetten, (vrg. ij ry.vjj enz. en iiji

/) . O

ƒ {l .\\j\\ nngt; zie avi rr) urijj \\

W quot;quot;J!^ me^ ge^0Ken hoofd naar

beneden zien, bv. uit schaamte, verlegenheid. —


-ocr page 868-

784.

O O

O

O o . / 1 ..i _ O

naar tem. zoo kijken; en — hrt^

(hi/j\\ mv.

ihi-niuHij* kn. irl\'n}itiyj\\ de oogeu stuiptrekkend 0/ zenuwachtig naar boven slaan; (Qntinumjimu. 5, 50, zie ook 7 ui \'ft utifj \\

ir^ )fn)2 iun/js kn. Tj tjMt rf nniKH/j\\ staroogeu , met groote oogeu kijken. — rj njt tyyii w onjj\\ freq. Tj. ij^l-nio^ of • n ihn^\\ freq. van cu\'ri nsnj^\\ kn. schuivende uithalen, bv. geld tut een beursy darmen uit een kip^ uitdrukken, uitpersen, bv. bloed uit een kleed. La kon; gelijk strijken van Jcleêren, fig. iri asn zich onthoudeu van voedsel.

^ ofdJi^nLi ^-^j/i^nkn. iets dat dient om iets

er over of bij neer te doen glijden; een hellend vlak van een dam, daar het overstroomend water bij neer glijdt; een overlaat {vrg. ijcuirjn^s). Zoo ook (ui rjrui rjni m) maar w iu ij rui rj ni (ui (injj \\ zva. ki nn (Hi j {van ^ tui y tï io^n). ^ 1^1 a^JIs 00^ een van een breede plank gemaakte slee, JR. (yrg. ri \\ 0

\'Y w\'rj n (injj). isyijui tj (ii Yj 11 nxi/j\\ naam van een piek van den Sultan van Diok/o. — frj (fa rj nafl\\ iets, zooals padiplantjes, met oen rj (tfirjn ta/j slepende vervoeren. JR. ri ci^vjmucins slepend, glijdend langs iets voortgaan. 1^1 rj -tiinjj of rjx^ rjniasrij^ kn. naam van een lekkernij van rijsimeel en klapper melk, (Tj.) WW. een soort droog vulsel dat in de rjnuir^(cu^\\ gedaan wordt. (Tj.) Rh.

vj (lp i rj nu xoji \\ ijfffn rj t» g ,ict /j en tj ui 2 rj-Tiuip ^ mi \\

zie bij rj rui irj-m injj \\

0 n . a a

r^unasti^ zie tif\'rixnjjs

rj x^ iiy-m dsTj^ en ij r^rt rj ri ? nTn/j \\ zva. rj n^i i rj ? (uijj

en tji^itijnii(i/i\\

iVJ^ » ri}quot;^ \'l^r bv\' van een stom,])

mes, dat uitglijdende schampt {vrg. ij rj trjmz mv/f). ij tui ijti (u/l\\ kn. een witgekalkte plank, die men bij het visschen bij nacht aan het buitenboord van de prauw bevestigt, en waardoor groote visschen aangelokt hinnensboords springen. R.

(ÜKWiunjfs Ar. \' \' lt;[if. de hemelboog of dierenriem.

rj (ui lt;r£j (ui rui irn/f \\ de astrologie.

tur rui uiijj\\ kn. 1. zva. chi ruiaaijj\\ —2. benaming van een jonge kakapvisch. — iamp;iiu)irnj]\\ een object aanzetten, aansporen; den gang van iets bespoedigen; met iets spoed maken; {vrg. (ürutrhVjj). o n 00 n

(ut m /j en kh nji N WOquot; M w ^JJ ^

enz. Ook SJ^hnjjs blijven, blijven hangen, van een geur ergens {yrg. (ur^ r^mi^.

u}iiii/f\\ klanknah. van een plotseling en slag, ookbv. van iets, dat in eens juist past, of sluit als een bus.

kamoji klanknah. van een doffen slag, een hap, met een doffen klank. lt;1^ ion herh. — xn (mjj0

spotnaam van Bima, die kort aangebonden is en gauw met zijn handen, W. II. 560.

(un ifji rl/| myi \\ enz.

ij j^i i\'Hjp tusschenxoerpsel, klets! stam van Sn rj w ^1

iHv/i\\ ij (un ij (Ei yji laijj \\ enz.

rj mainijj\\ klanknah. van iets, dat met een doffen slag erg. tegenaan plakt, pof! plof! stam van ij rj dsn rj iui i imji \\ rj asii rj tui - ï i kijji \\ (tri rj (ui t iimjj \\ djirj ii^i2 hnijj\\ enz. ook klanknah. van een hap! zie (imijM yu uiifj (w rj n/n(hiiji\\ blanknab. van een geluid, dat bij sterk beven de spieren van de billen maken, zooals door koude, enz. rj Murjii^i zoo beven, dat het een geluid geeft, rj (i^nrj (un ^t \\ freq. of mv. Tj.

iiirunfrij^\\ kn. het flikkeren of glinsteren van

O o

iets kleins. (Uioji rui hmjj\\ een flikkeringje, vonkje; een vonkje vuur, een sprankjeyowrf.— Qru(hti^ I. zva. Qrjiui2turyj\\ ■— 2. mineralen, me

talen, bijzonder goud, in de aarde of m rivieren zoeken {vrg. rjunrjdrn? ). (amp;}(Qruitioijj\\ goud óf diamanten delven, in het algemeen, iti ru!itajruiaaij aanhoudend flikkeren, schitteren, ook van iem. die den slaap niet kan vatten, die de oogeu niet kan sluiten. X?(ui \'^ ruiirnjj\\ zie hij iji itAjj\\(ui (li rxi Krijj^ (ui (iSï(ui (ui lui uri/j\\ overal flikkeren o/schitteren. — (EJi (ui ruinrijj of ^ruinyis schitterend flikkeren. — nJrwKyi(Hi/j\\ uit den grond opgegraven; delfstof, erts; {ook een bediende van de laagste klasse. G.). —m £1 ruihmtmjjs plaats waar men mineralen opdelft; mijn, goudmijn.

O O „ r • » Cquot;)

(uin^inijj en (tiirnjj\\ ki.. zie ruijj\\ \\oji(ui

ilv kn. een vadem of omvademing dik.

ii/?ij ruit urijj\\ kn. 1. pit van een mangga, manggapit;

ook de glanzig blauwe ronde kring of het oog aan

het eind van een pauwenstaart, en zva. (ürrjtut

irn/f\\ (Qrj rmtunijjx duidelijk en geheel zigtbaar,

blijkbaar, klaarblijkelijk {vrg. iQ,ruiurijj\\ 1., en

ojti/n rjruu(i(rijj\\ TT.). (Qrjruigtjiw^ het duidelijkst.


-ocr page 869-

785

O

tvi (rtj.\'HIIJI*\'

— (tiTjntga^jtin.i2(io)/j\\ in betoog vallend; uitblinkend. a ui m ituaui)^ — ffji (isrï(uiurj (TL) t ihrnjj zich overal glinsterend vertoon en , als iu y ru t (urt/i op een \'pauwenstaart. 2. hen. van het rundvleesch

achter de dijen, WW.

o • o

o mi fi \\ zie njt crryj \\

dj innji\\ kn. wat de Javaan van rijst of ander eten tusschen duim en vingers neemt om in den mond te steken, een hap of greep {vrg. (xn £1 rujl en iïi r^aniji). fcjjfti/^ mvj!\\ met de vingers rijst of iets dergelijks eten; iets met de vingers uit den schotel of van het bord nemen en in den mond brengen. — greep, mondvol, beet,

als hoeveelheid.

ijivi t rjnuiuniq of tiJrj (uii rj ttLitnoi/js kn. de knokkels aan de buiten- en binnenzijde van den voet, de enkels (vrg. cift!

kn. opengescheurd; gebarsten van vruchten, van den grond, enz. inn % uk vj ai ^ spr. voor een kort oogenblik, nl. zoo weinig tijd als het kost om een pinang door te snijden. — viig unq * barsten, scheuren, enz., ook plat voor baren.

tuiirutHH(L,n\\ kn. toestel voor iets {voor uirniu/ti nsn\\

S C\\ * O .

van iHnmns oj «k.\'jasitw vrg. {(L^ridim(hujj). ojioji

niJXHiiicgt;t}\\ de geheele toestel {vrg. s ook

alle benoodigdheden voor hv. voor een reis, .Men.

in Kr am a ook wel (ui n \\.i w \\ het huwelijk, trouwen {voor (uini(^(F/i\\ van (iHr^(amp;i\\ II., en vrg. (uonw\\) zich in het huwelijk begeven.

o

mui \\ zie nji .ru\\frn^iFji\\\\

Ct . O

(ui 7ii (Fjj \\ zie (ui\'thtHi^tF\'iw

tjl mhji n KN.; ay?uti (ilt;mS/i nn^ tHii/j \\ en ij i i. ^ wn/j \\ ko-rew; misselijk worden {vrg. (uï^ ij (Fi2\\ en (amp;iijnni? im/j). JR.

fyiKyi asnjis kn. Uoll. plak a at, bevelschrift, verordening.

fyi(Knnsuji kn. kleven, aankleven, kleverig; fig. gehecht aan iem. of iets. {grondw. ihn(i,iij)\\ vrg.

O O p x

•ri (tfn (ksrijj\\ noKHH asnjj\\).

ajiiKn \\ kn. voorbeeldige straf. — fF/idm^nans iemand straffen tot een voorbeeld voor anderen; voorbeeldig straffen (waarschijnlijk van mjtioi

(tn\\ het Skr. lax ana. pk.).

o * n

ij mi i ihvjj oj (ui gt;1 n^i 2 iw/j \\ kn. naam van een kinderspeeltuig, een fijn glazen flaconnetje, in to elks halsje men Haast en dat dan het bovengenoemd geluid geeft.

kn. erg beven, beven dat men schudt, van angst of koude {verdut,heling met verkort ing van nj lt;ei 2 rja^i 2 om rf).

oj) (Tiji alt;?i (hti \\ zie hij (ui nvi w (ui ru nai (bii j \\ astrologisch ? B. T. I)j. 17(gt;.

n . n . . amp; .

(1^1 Mn \\ en (ffi (mi \\ zie oji ii, ti \\\\

rf (tiitrj {0x^2 rj (i^ii r/[axtgt;2\\ zva. rj ij (ia 2 Tj faji t rj (in 2 \\\\ (u^(iau}iji\\ zva. (vilt;tyTiop\\ (Tj.) Rh.

iQ ru asn fj \\ Uoll. p la at, plaat op de borst of den arm tot ambtsteeken. JR. volg. Rh. (imcui(amp;tjf\\

o O O O O O

(wv^mii/j en foi(c^nsiifj^ kd. van (ui ru j \\ en foi ru q \\\\

nj^ ïcjasitfj^ kn. ; (E^a^asn/j^ iets omslingeren, omkronkelen , zooals eeyi slang doet; (zich kronkelen in krullende lokken, van lang ^hoofdhaar; WP. R.) KW. zva. (L\'h asnj\\ {vrg. n^Kjusn/j onder ij lui/j). — (Uj/j\\ omkronkelen, omslingeren.

ohicmr (isrin0 spiraalvormige ring om het een of

Ci.1 \'

ander: (Tj.). (L^a^nsn^a^awMi^ omslingering, kronkelingen.

rn,](uijj\\ kn. kleverig sap van sommige vruchten, dikker en lijmig er dan asti irujuijfw vogellijm, ook ruj^ (nu i en i ^ auj ihh /ru nri/j namen van twee soorten van pisang, nrrlhsii ;(L^ (huj} kleverig, dik bloed, nl. zooals Gatoet Katja heeft. — ijjonwfl\\ iets met poeloet bestrijken; vogels (o/kevers Rh.) nipt poeloet zoeken te vangen, ook fig. iem. zoeken te lijmen. — ^(igl\\ mv.; van iem. die wegens slaperigheid zijn oogen haast niet kan openhouden:

o a/ a

ajn\'najtfj ...... (amp;) (isiivf ojjiru cm on\\ Ij.

— oi oio^i on/)\\ obj. den.; naam van een heester; van de bastvezels wordt een soortgoenizakken vervaardigd.

oj oj) (rvt omjl \\ zva. tj (ui rfirvidw

tj ajiri ou(uil/j^ kn. gevlekt, met zwarte of donkerbruine vlekken, van hout, meestal om nw Moms voor wh\'ongkcCs-, ook een zwarte vlek op het aan-gezigt of lichaam, een ^öor/moedervlek.

oj oji ij iu (uu^/js gevlekt hout. (^ivnoj (uivjoudsi^j naam van een olie, waarmee men iemand, door hem of haar die even aan te smeren, op zich verliefd zou kunnen maken. WW. doch zie BV. — oj ihuj o u (fin gt; met die olie besmeren, en zoo trachten ver-

50


-ocr page 870-

786 ^ (L/i 7y/rm

liefd te maken, (en iets met den vinger afvegen. G.). ij mi rj ru i nsnji \\ ook vj (ut rf np 2 asujj \\ kn . omgebogen , bv. van den rand van een tinnen bord\', omliggen, van de snee van een scherp werktuig, kromgetrokken lip ot mond, (vrg. ^ n tj i u 2 nsn /j \\ in dien toestand zijn ; ook ir.; iy. /^/76\'w kromtrekken, Men.

ij (ui 2 lt;rj uw nmji \\ Fr. Holl. epaulet.

kn. de samentrekking van een tongtriller of halfklinker met een vorigen medeklinker, zooals in

\\m\\\\ voor kjinjn ihmihvinnjj voor vhiiru(iaji (htjj\\ ^

o o o r

oji\\ voor tilt;n(U)(m\\ en tujjjuvi voor (ui u/tilli- {vrg.

cun (ui (ui (ini nnjj \\ z(5oz amen getrokken.,quot;VV W.

tiïrtvj^ nsn n kn. —le/i (uii \\ aantrekken, tot zich trekken bv. met zoete woorden; voor zich trachten te winnen. ojiiui(i\\nasii\\ suhst. den.\\ gehechtheid. W. II. 188, J 89.

CY O n CV . .

(uasii\\ kn. zva. (trnan w — (hii (i^ (uni\\ m cenmoiiacï-

plas geraken , vaat raken.

.-) O\' ncr n o

(ui(isn\\ kn. : (f-i (im\\ zva. (f/iao) asn/)\\ ix \' ri% C/f

Holl. politoer; gepolitoerd {vrg. aj^nxnajijj).

— politoeren. —c^i(isr^^ncmjj\\ politoerwerk. isijjiHïijj\\ 1. kw. zva. — 2. kn. de haan van een geweer, (fji mi asr^ dayi\\ de specht. ^ nvfj ihii (ói \\ en ii^i (isr^ to) \\ of a^i rj iun ,iA ru \\ verse/lillende soorten van specht. — asij uhjj overgaan van de haan van een geweer.

luitunthv/f^ kn. 1. sprankje, spatje, spattend vonkje; het sprankelen of spatten (vrg. cut.iviattijj). — ^ (igt;nilt;njj\\ spatten, sprankelen, afspatten,uitspatten; een spatje of wit vlekje op den appel hebben, va9i een oog; als Tj. Séngk. nul {vrg. Fji^npunjj). — (Ïi(i5nnj}\\ iets bespatten, op of in iets spatten. 2.

kiiuiï wiji springen , bu. als vlooijen, als Sn om if nsij 2 am \\ enz

ktï^vkn. het opstuiven van stof {vrg. ,r^(i^orgt;^); atoltijne korreltjes om den rand van een gouden of zilveren oorkrab; kleine witte vlekjes of stipjes;

witte vlokjes of haartjes. (unaM^j^srituvi^s heel

n. lt; cy \' y O

lijn zout, zva. ^ nsn (En ^iw — am ^

stuiven, van stof, meel, als het stuifmeel van de

poedak, (Sri T.),ö5/5 asch, faazels katoen, enz.; er wit

bestoven, of als bestoven, uitzien; vol kleine witte

vlokjes, enz., als met kleine witte stipjes hv. van

een menigte melatihloemen in het haar, Sri T.

(UI (Mj}\\

KN, klanknabootsend woord om een plotseling voortgaan of plotselinge verdwijning te kennen te geven: flap! {vrg. (i~i\\ flap! daar

ging hij weg; ook het verdwijnen, het eensklaps weggaan, (uim^ioji^^s telkens verdwijnen. (La (hJi/js kn. klanknabootsing van het op eens uitgaan van vuur; van het ineenkrimpen van iels, dat men knijpt, bv. een vlokje wol.

VWflesch; bep. kelderflesch.

(iJi (k/1 \\ of oji a li oji \\ 1. kw. zva. (ui (ui w — 2. oji w\\ kn. naam van een sierlijken wilden boom, een kurkema, Butea frondosa, waarvan de bladen gebruikt worden om gekookte rijst of andere eetwaren, die men te koop heeft, in te leg gen of te vrik-kelen {vrg. bij oji rui cui w Skr. paid sj a. pk,), din ^ (i^i (ui \\ de bloem daarvan \\ zoo he eten ook de punten van een buis {ijn/noj^ rjru^ ri^iuijf ); volg. Rh. zijn er twee soorten n^(ui\\ nl, 0(ini i:h en 0iin^(h(J\\ nl. met roode en gele bloemen, (uuiuiki {of (i^kko ) (iKpj n naam van het rijk van Tistawa, den vader van Sakoeni.

(uiirujoJijisKii. naam van een soort van aal of paiing-, en van een slak, die veel op een bloedzuiger gelijkt JR.; zie echter (ftiaül {vrg. (\'imiu^ asnjj) ; ooi-

een plat woord voor het mannelijk lid. JR. — aji

n

m^(KJi^A(irijj\\ naam van een nenskwaal bij buffels, veroorzaakt door een pêloes. JR.

(ui ilkijijis kn. (rui\'r)tuvjj ki. een zalf waarmee de slapen van het voorhoofd, of het voorhoofd vooral, besmeerd wordt, tegen hoofdpijn, {ook een kleine schep toe, bij het geven van een maat. JR.\\ (u vuiojiji of iQ(ui tu(Kj}jj\\ het voorhoofd met zulk een zalf besmeren, (uiauiaji (im2(ki -jnrj (hii2 (m^j\\ {of

o ^ -|* i, \\ ^

(uiintjx^2 Jvn.) (wiTKini dn^/nrjoAfit(kiij\\

ki. een gekleurd voorhoofdsmeersei tot verhooging

van de schoonheid; van geharde strijders: asnvjnsn

am (ui (uuru (kp iuu wier voorhoofd of slapen een slag

met de cninn kunnen verduren, AS. aln tui lua^ijj

zva. (ifn(^nm(ulir3(iJijj\\ geraakt, getroffen, daar

waar de ojiiiui(ij}jj\\ gew. gebruikt wordt, aan de

■ ) (TV

slapen. W. II. 49; fig. zva. ihi.uj_r.i\\ llaanw vallen van droef held, u n aa w aw ain uj a?i a m (kijj \\ het hoofd laten hangen, Men. — (Sinfuioji^s bij eenmaal een schepje toegeven. JR.

(Ui (rui a jij] \\ kn. verf, {en gekleurd lak of vernis, G.),


-ocr page 871-

htf-rji

a as ftp fut \\

787

ooi\' goudverf, zooals waarmee de wajangftgxaen gelieurd worden, E. [yrg. tj m iaji)iui\\ en n/tj mia.ijf). — iets- verwen, (verlakken,

vernissen, met lak of vernis kleuren , G.) met goudverf vergulden j aan iets een voorkomen geven, dat het mooijer of van meer waarde schijnt dan liet is , KT.; fig. aan een naak een mooijer tint geven, iets verbloemen (iemand verlokken R.). — latnji iets met lak of vernis laten kleuren. — ajj rudjiiHTJis gelakt, gevernist of met goudlak verguld G.-, fig. schijnschoon, van woorden, om iemand te vleijen of te verleiden. JR.

iij.vjiMji* kn. iets, hv.touw, wringende

onulnialjen of ineendraaijen (yrg. en rj

fig. iemand presseren, dringend bij aanhouden met verzoeken cn bidden; ook zich draai-jende warlen, bv. van een dwarlwind {vrg. rr^j Mnjj); en kramp in den buik; buikpijn ; krampachtig pijnlijk, van den huik; zva. iEjiiQnitjj\\ bij mt i.rijj\\ — volg. llh. de armen slaan

• om een obj. en het wringen ; ook omhelzen ; fig. A l rj aj) m ij (ut (Ki ^ 7 7 \'lJ} N zij11 schoonheid houdt hij voor zich, is hij zuinig op, A. t/ebr. van een niet ligt genaakbare schoone. — (amp;n (ij^ ty omgedraaid geraakt, verdraaid, verwrongen. — anajikramp in den buik veroorzaken.

rj (ui ru ujiji \\ kn. een toespijs uit ladelé of garnaaltjes met geraspte klapper en andere ingrediënten in een \'pisangblad gewikkeld en geroosterd, ojnnfn w *j(ip2rf(Hr}^iri/i(M/i\\ een smalle bëbëd waarvan de einden elkaar maar even ontmoeten. rjMivjiïuziM/is kn. 1. glad, niet gebeiteld, bv. van een p\'êndok j ook van een muntstuk, door slijten glad geworden. 2. naam van een soort van gestreepte zijden stof. — cut ij hj ?^(nj)2 \\ v. katoen met zijde doorweven.

\'M »u nj) \\ zie ay? cui w

o __o „

(Vj rhi(h/) (hn \\ _ ijj mthJ) (Hi \\ lts.

C)lV /• i) a/ T. TT ï, 1 • * 1 • •

of Fr. Hnll. plaisir, pleizier;

kn. voor zijn plcizier uitgaan (vrg. (vt(iJiitvi\\ en , Oef .

quot;jiuii ru rj iipi mitn p. voor zijn

pleizier een toertje te paard doen. — anj)

of lijlinji 3a\'n anjj\\ wat voor pleizier gedaan wordt, i )1 rij fan ) tyï fcylrcl.h ij]n voor zijn pleizier op de jagt gaan.

of mtumn kn. aangezette zoom of boord, zooals van aangezette kant; garnituur, garneersel, aangezette of aangehangen rand van zamengebonden wilit aan den rand van een dak; planken rand onder aan de daksparren gespijkerd, daar de onderste rij sirappen op liggen. — iei«gt;3im\\ van iets een rand 0/boord maken, ook garneren. itni^Sj\\ met een aangezet boord omzoomd. — a.)auSji-rl\\ aan iets een zoom, boord of garneersel aanzetten.

m ruu-nii eig. van een Bagawan, vader van Abia-sa (Skr. P ar a sj ara).

iLQiwiwrt\\ kn.; (Bj^iwiajims voor iemand zorgdragen door hem van het noodige te voorzien; een zieke verzorgen, oppassen; aan iemand zijn zorg besteden door opkweeking of opvoeding; een kind op-kweeken, opvoeden; aan iets zijn zorg besteden door het noodige er aan te doen, bv. aan een stuk grond door cultivering, (ook iets, zooals een huis of kamer stofferen, opknappen G.); Skr. poe-r ah sar a of poerassara, voorganger, voor-looper, begeleider, pk. — m tj iu kvun het verzorgen, enz.

(n.) \'Ki-t 1 \\ kn. naam van een grijze boombast, die een groote rol speelt onder de inl. medicijnen. (Ook de rankjes en bladen worden gebruikt. JR.).

7 \'i\'17:gt;\'u \'\'\'\' r KI\'\' —7/Tj\'?V 1,11 inzakken, in verval zijn door langdurig gebruik of ouderdom ; fig. verzwakken.

Mij^iio^nkn. het kruishout van een timmerman, waarmee /tij een schreef in het hout langs den kant maakt voor het afzagen. — met het

kruishout een schreef maken; ook ontglippen, ontglijden, afglippen (»»y. ij ifj)\'ijlulling gt;1 ifj)ny rigt;mjj\\

ijtifrjojikn. uitglijding, of uitglipping, afschamping, jft/. faling, ontwijking. — ^ m ij m najj \\ glijden, glippen, slippen; afglijden, uitglijden, af-glippen, uitglippen, uitslippen, afschampen, uitschampen; fig. ontwijken, afwijken, falen in de vervulling van zijn belofte (vrg.

vj \'Fj/I ? yj -r) t naji en nfnij^r/

ijwaiUjs ook tui rj ^irjiuis raken te glijden , enz. ook strijken, schuiven bv. met de voeten over den vloer, AV. I1.2fi5.—y i tyi 1/ gt;.it doen glijlieu,

60*


-ocr page 872-

rt

iL/ï JU (U) IK % \\

Qojxisiyi

788

uitglijden, enz. rjci^ij(kiw (mjj\\ gladde, glibberige plaats; fif/. ontwijkend; van woorden die van het onderwerp afwijken o/afwijkingen hv, van den gewonen regel, L. 330.

a^ajiasnji of (uin^wzie bij ojiajiasnj^\\ 1^(3iamp;nfl\\K\'N.i wthjtunjis afgezonderd, niet bij de anderen, daar men bij behoort; onder vreemden (w*/. littTirt irtiff). — (toi (i^(M (isr^p afgezonderd, van elk ander of van de anderen af, raken.

iQrj(Ki\\ Holl. pleister, gepleisterd, geplaveid van een vloer, nl. in kalk en zand. —

pleisteren, enz. — gt;^]!hl^r,i^2Jls oo;. den.

en KW- zva-

(amp;i(L,n\\ (S£r. paratra, in de andere wereld, pk.).

kw. zva. rr) iu ~j^\\ en (un q (L/iryxKW. zva. (amp;kr. plawa, vlot, boot).

(Lii (tj n.i i (O) \\ KW. (ut njj yi^ j (uii u^ ri xsr^ \\ verhonden

niet ^ ik j d/n anjj\\ Men.

tui 1. kw. zva. {zie onder (Vims)

en zva. (ui ruajian anjj of rj inwiis (Sh\'. p ariwd-ra, omgeving, heining). 2. kn. aanzegging, aanzegging doen {voor nji nr)ajim\\ van uin^i \\ II.). /iyltuiasiyi of (ui(ui(biijj\\ kn. — (ui0\\ ter loops, in het voorbijgaan, Rh. — uiasnjj\\ rakelings treffen, L 293.

Tj iif ui (i5ii/j\\ kn. ; rj o ui gluipend, gluiperig ,

gluipen, iemand niet goed aanzien, va?i den blik

a ci

{vrg. (E/iiLKViasnji van rui w asit^ en /ui rn innj van

nuinianiji). — tj^iiuk^s iemand gluipend aanzien. JR.

(uiau!(uiof: \\ kn. 1. tweede gewas van alle velden en akkergronden, zooals maïs, erwten en boonen, kV-tela, enz., met uitzondering alleen van de rijst {eig. zaadvruchten, van (ui(rui\\ I., en uiiks S\'kr. iü i dj a, zva (oi(amp;\\). 2. benaming van een belasting , ten behoeve van den Vorst, bestaande in de levering van verschillende soorten van vruchten, en in duiven en andere dieren, zooals nmnks afn

O » O . O Qw

(HH(W\\ (ui ru uil (ui- nst^mi aui \\ en

andere, als benoodigd voor offerhanden of feestelijke gelegenheden. Ook worden mismaakte personen, zooals dwergjes, bultjes, albino\'s, enz., die de Vorst er op na houdt voor zijn vermaak ili tin (hi (injj), pamp;lamp;widjamp; (Men. (ui iuioR ui \\)genoemd. {In plaats van genoemde belasting in natura wordt ook wel van de landen een kleine belasting in geld

gevorderd).

d o

(ui -ili (ui us % kw. zva. (ui (1ui (ui ik

(ijl ui eni \\ ook wel (ui •ii.j cru \\ kw. zva. mu tj ip Hii/j {Skr.

plawag a).

(ui(nivu/j\\ Jr. de wil van God. {Ar. , voortreffelijkheid , weldadigheid, goedertierenheid).

Cl

mi li n en (ui i u \\ zie (uiiliiliw

.ui(iui(iu\\ of (i^i ru \\ kn. iets dat moeijelijk op te zoeken is. GR. — lt;S tu ru \\ of (Bi rui \\ alle moeite doen om iets op te zoeken of te bekomen j voor iemand bv. voor een kind, alle moeite doen, daaraan alle zorg besteden; {ook iemand vriendelijk bejegenen. G.). — (ut t ut ru (trt/i of ii^utL, (hn/js met moeite opgezocht of verkregen goed; (een zeldzaamheid, iets vreemds. JR.).

vj (Utityf iLiisKH. uitgepuild, van de oog en {vrg. yntt ijitui^). — ty(1^2*1 tin\\ uitpuilen; {en snoeven, zwetsen, pochen WW. Een ander ïi ij luuy iilii\\ zie bij ij tuiir^(tui?\\).

o

(Ut iu ? en (fjt tu ? \\ zie iu tLutup\\\\

ut tut au f \\ of (uttufs kn. liever, liever willen {vrg.

/ \\ O

(ruruiq\\ iii tn^\\ (truuFJt ^ en (uuut^).— (U turuqs of ^iiuj\\ iets verkiezen, liever willen, dan iets

| » O Cl yt O

anders; bv. axi un ^t luvuiqw(hii\\ oj (ur^ru(ut (tut iu% (tjtiK gt;\\ liever wil ik sterven, dan enz.

Qtu^uiiji en (Uj. iistiji \\ zie bij ujLyfoiyjs

o o . ci n

(U ru ibtijf^ zie ctu (trut (istijj \\

(£1 run-jiji kn. een groot touw, een kabeltouw, Rh. vrg. \'ijkljis

ftfu\'lj. of iUt L^(ap kn. — (FJtur^r^y strak naar een

punt kijken; vrg. kt^ bij (ukujw (ut n u^ (ui \\ 1. kn. voorbeeld, exempel, tot navolging. 2. kw. {ook mi tij uy (lw/f) zva. (tsijtukk^/f {vrg» ^.(ul vut anji bij lt;g rj oji j \\). (rj ui ui ut 1ut {of (un tu^ (St \\) eig. van een dochter van Ba gawan Soetiksna, of van zijn broeder Kanwa, de derde vrouw van Ar-djoena, in Kawi (ut^ ru^ ut \\ en (utyu^i ^ uiijj {Skr. O el o êpi).

(ui (ut {\\ kn. iets dat bij de bereiding van iets er bij gedaan wordt, als een middel, bv. tot verbetering van den smaak. WW. (i^ui een zeker mengsel van kruiderijen voor spijzen, (utarti a^t (ui ^\\ visch-of vleesehsoep met die kruiderijen bereid. JU.

(jji ut {\\ of ut uj u^ p \\ kn.; ut (UÏ ut :u^tuy^\\ overal met


-ocr page 873-

789

blaren, vol blaren (vrg. n^lnitj\\y —$ Is 0f \'Fj1 !c^ {\\ met blaren, blaren hebben o/1 krijgen, zoo-als door brand, of in de handen door ongewoon werk.

kn. opengespouwen en daarna platgeklopte bamboe, tot beschot, zitting van een rustbank, vloering, enz. {van i j q\\ zie aid?). — w i^\\ ploepoeh maken ; bamboe opensplijten en platklop-pen; ook ri uj j»of f i 1 N., ffji iu s \\ o/V? i j iui ■gt; \\ K.yfig. zich verdemoedigen, spijt betoonen {vrg. ƒ .| nj y\\). (li ^ j ?N ^ ff ?N verdemoediging, betoon van spijt, WW. volg. Rh. fig. al

lerlei beleedigingen verdragen en bedreigingen aan-hooren, maar toch de opgegeven bevelen niet gehoorzamen j zóo ^ijdeiyk verzet betoonen.

ij}(ui f verk.v. ah ie/i ^ojij kn. — of ri i j

en ^oor^evo^gt; ^j- o^iofnan

iQ vyafijVu/js een pot volslechts.— ri (E/i (Ijiji een obj. onder water zetten, visch of vleesch onder de pekel zetten om te bewaren, iets bewaren, voor zich houden, L. 203, 3.; vrg.

^ï.l/i kn. — fi (ui. vloeijende zich uitbreiden van water, overstroomen; van\' een zich uitbrei

den of verspreiden, over de grens heen j vrg. hui nidmw

tuiu\\ klanknab. van het vliegen van een vogel of ocy

snelle loop of vlagt, {vrg. k^i hi \\ ).

iUiU\\ of n^i ru o\\ kn. kant, rand, zoom. G. {van aji Zi\\). — (E/ittu(iji\\ langs de kant van iets gaan, zooals van een ringmuur oj rivier, fig. uit bescheidenheid, niet regt op den man of zaak af, maar met een omweg zich uitlaten, llh. (— fliuinis ergens een raad of zoom aan maken; langs den rand er in snijden, een snee in maken. JU., waarschijnlijk (ij aji\\ verward met (u :ui\\),

rj(Ui?rj f/i?\\ of (ui ii rutrj !ui?\\ kn. 1. het geheel stuk of verbrijzeld zijn, van het hoofd, zoodat de hersens er uitvloeijen. — zoo stuk of verbrijzeld zijn van het hoofd; zie ook hen. 2. y V »V2 7 111 Holl. voor loop er van een rijtuig. Mtu iayi kn. belemmerd, van de ademhaling; benauwd, gestikt. — (tn irn rj hm \\ iemand doen stikken. — uti tiJ ci kji finfj of ini iliJt.ji stikken , verstikken.

o o ^ _

(u {en gew. iiji lt;uKia mijs WW.) kn. boordsel, aan- o/opgelegde strook aan den rand, aangezette zoom of stootkant (vrg. ifn ru injj en tu iui (hryi^. — ^(u(uj\\ zoomen, aan iets zulk een zoom maken.

ij iijirf (Litinjiww. elk werktuig tot drukken en persen, pers; de drukker, gewoonlijk van bamboe, waarmee twee këmirinoten op elkander vast gedrukt worden, om vervolgens met een fcnmtryiji geslagen te wor-den\\ het këmiri-spel {vrg. ij aji tj (iji hsiiq en ru iS isn/j). ij (Mrj (u (laj\' iets met een werktuig drukken of persen {vrg. {u u isnjj en \'ém £i asnft). — 7j (i/irf it/tiici!in/j\\ obj. den., het toestel om këmirinoten op elkander vast te drukken.

xji ,li kn. zva. rj 1,^1 r.n iisiyjw iji (u rj am \\ naar het schijnt bv. is het die of die, dien ik voorbij heb zien gaan. — u(linsiij zva. Xi bespieden ?

L. 290. — fi u (i.?i iem. iets vlugtig, bedektelijk, ter loops, met een zinspeling te kennen geven; eVw. een wenk geven.

O O O O .... O O

/iji u (Uii /j v iu ui asnj \\ zie bij (u (ui nnyj gt;

ij (if gt;i ui uyi\\ rj ui if (ui fonjjs zie bij rj iji iui nsn/js

na ■ ,.. O O

iui iui i jjl^ zie bij (i.i ui tyi\\

o ci o a . j.. o o

iiyi i ? ?v 1,^ |F/i iui v.iji \\ zie bij ui u (h i /j \\

ij (iji irj (ui tki/j \\ k n. — ^ iui i ij (u z n ijs looze beuzel -achtige praatjes honden; aan zijn belofte niet voldoen, Rh.

O

(uini ui kw. zva. n i ij uit(injjs

ij iui iuirj iuiiii\\ kn. het slijmerig vocht, dat een

zwangere {vrouw of beest) legen het baren ontvloeit

{van i/n ix/^s). WW. J. ij uurj (iji u ufijun iem..

die met alle winden meegaat, beginselloos, van a

(i \'ll \'ÏU1 N (l

(iji(Sï\\ kn. het ontbloot zijn van de billen. — kj

(tjï^ met bloote billen voorover liggen, plat* voor

slapen. Men. ir^ui ■\'n ij ifji» n\\ (ui rj nsiiujj ij

ri ijig0y zva. ons: het is laf, om een haas in zijn

leger te dooden.

o

ui rujji \\ zie ui rui w

uiirnuiiqn kw. zva. ij(uuji kicijj* (FjIayya^ji^ . zva.

C O \' • gt;\'

V \'n 1K) \'tXiP — uri \'L\', ii i u \\ zva. i, u // ui rji^i ixi/js

O o . , .. \'

ui ru(lAji (inji\\ zva. (uum jmn (in/j\\ zie bij iji r/ m\\\\

O O .... O O

ui itLKLi/i (in/js zie bij (ui ruqw

rj n^i2rjmii ioi^nkn.; ij \'wrj(liji2iUiiji\\ wankelen , waggelen , overhellen, dreigen omtevallen, bv. van een huis {vrg. ij 1(112rf 1112\\ en rj inu ij ivi2\\). R.


-ocr page 874-

ij i^i rj ii) i iisn/js

790

u n ru •? ). \' co

rj ii^nf nn lt;uiijj\\ kn. het krom gebogen zijn, zva. rju

(Yj ivn (Ktyjn — y wij (tui i nw/j\\ krom , gebogen zij n.

au

(U n.i (tjTjj\\KVt. zva. (uicniw

ivi kn. naam van ^ Mangga-vrucht, waarvan

vele door verschillende namen onderscheidene soorten zijn {vnj. iui tl;n I.). ivtasri demang-

gaboom.

/quot; . s\'

tui 71,; (Eii asn \\ zie oji ieji nsii w

O / . , O O/ O CS/ /

ijl lt;rvi iamp;i iamp;i n oo/t wel (ui gt;li iamp;j üjI \\ en wtxejiiEjis k\\v. en kn. zva. lt;yi lh tu cmjj en oji tj nn i i ook genadig , vergevensgezind (van ha li\\ mei ivrris). — fatiiStEiiamp;t\\ met iemand medelijden of deernis hebben.

nj Holl. kn. volmagt, gevolmagtigde (yr^r.

v)mitruji)gt; ook voor executeur van een testament en curator in een boedel (anders m

,ijifjt n KN.; ijl ifji ij iSlt;fji-3\\ of (S m Ji (£ji ^u benauwde hitte, benauwd heet, van het wéér en van

hel lichaam, vooral door verkoudheid(vrg. (ui(ejiSi\\

;quot;)(?) v QO G) O 600 1, OC)

en mii icji n )• — Leo gt;iji w - ; n ilji w ^; u;; /.»

li Ji li in/j\\ in de benauwdheid zitten, erg in nood zijn; vooral door gebrek aan het noodige. JU. (^(eh -jj^ kn. blaar, blein (vrg. ajuv^\'gi). thrï aji tfji ~j^ \\ vol blaren. — tt,i~jjj\\ een ui^in~j^\\ worden. ijl ili fVn kn. zva. n?in?i(iaji\\ Rh. volg. JR. rand, omwoelde of anders gevlochtene rand, öv. van een mal

of mand\', lijst, afgehakt o/afgeschaafd kantje {vrg.

na/ o o v o rgt; . . „

(U(Kgt;i\\ en vi ui injl). — lt;amp;;- i r.;\\ aan iels zulk

een rand of kantje maken; volg. WW. zva. whji

,iflj\\ iem. iets onder bedekte termen te kennen

geven.

pj/j/fyi-JjN ook KJi~jj\\\\ kn. naam van een hooge rietplant , een dikke soort van glagah, waarvan wel ern rjiui emfl gevlochten wordt; op dunne hamhoe gelijkend, van kleur als de rotting; vandaar de kleur van sommige paarden, rietgeel, isabel, {anders (hv\'èi)ax\\ijrri(inj^\\ de kleur van de doerjan. WW.); het beweegbare \'plaatje aan het mondstuk van een klarinet wordt van gemaakt,

vj cuvjamp;i ~ji\\ kn. — ij wrj iamp;i-J;n een zijwaartsche rigting nemen, fig. afwijken bv, van een last, van het regt, B.

■i^i^giNKN. het opgeblazen ö/door lucht opgezwollen zyn, zooals van de blaas, wangen of buik {vrg. m

wm*en Kquot;Sjis)- ~ quot;quot;ê\'èv of\'klSgt;i\'01,geblazen of opgezwollen zijn, zooals een zeil door den

wind. iEji asn lijg; n sterven door opzwelling van den

buik, zich opblazen; zicli door uitdijing uitzetten

ook fig. opgeblazen zijn, snoeven, pogchen. — lt;l;

kickiij of (hnjj\\ de uitgehaalde krop van

een kip of eend {vrg. awnuqs); de blaas, pis-

blaas, va7i een mensch of beest {vrg. (im iamp;i^ji (m/j).

(uijrLiièis 1. naam van een rijk aan de oostkust van

Sumatra. 3. iamp;i n ili èi \\ K. 8, 8. o f riariièi zzz \'co gt; * j i ,icn

in ilji\\ v. m i ièi w van de eene boom op de andere \'Vro co 1

overspringen. BV.

(U(ivimi/is kn. een schut of boom tusschen beiden, zooals tusschen paarden in een paardenstal, (lan-tierboom, ook rjcmnjertn hlijj\\) h u djiirLi ernjj in zijn vaart door iets, dat regt in defi weg staat, gestuit raken, blijven hangen of steken, in het naauw raken, in de klem zitten; ingesloten zijn, df. tusschen de vijanden.

(Ui cnyj\\ ook wel ^^k^nkn. verkouden, verkouden zijn; verkoudheid, in het hoofd of inde keel; droezig, de droes, van een paard.

rj uiirvicm/j\\ kn. rraai, schoon, bv. van een paard. gt;1 tui lunii iui rj uj \\ van een vrouw of meisje, {vrg.

tannrniiJiji en iuii(ia^s).

. ) , .. , ) ■

vj (vnj iLn (yii/j\\ zie mi ihi lt;r\\.i (injj \\ o/j mi (Bi illj \\

(ui ilini(nyi\\ zie hij rvicm\\

(Ui dlyj cnit nnjj\\ zie bij gt;ij \\\\

tui een hijnaam van Ardjoena (Skr. F halg o e-

na of Phdlg oe n a). -w \'typj de voortreffelijke

Palgoena. ■— iamp;i ^ »1» Palgoena, nl. zou

schoon, Tj.

(ui 7 oVI2 \\ K w. zv$. dfn rj np Lnyj {Skr. Pr ag as a is

de eign. van een aap in llama\'s gevolg. pk.V iUirj iiKti^s kn. rj tf^tmj\\ in de schaduw rusten van dieren, ook fig. van mensch en. — rj ajicri^tji (Hi/j^

lommer, schaduw, waar dieren rusten, (Tj.).

quot;) rn

tui immi KtiJI* zva. (irri Ln(Lni iaiji\\

Cl n o /.on . ( quot;) o

(ui ili izrjj iji mi jj of airj i.; iviijj \\ zie uw rjgt; tui q v

iLp ijnpz mifjs kn. , (*ji rj op 2 uriji \\ hakken, slaan, met

iets scherps, volg. Rh. ook pikken en slaan, ^oü-

als paauwen. un (ui rjnpz uiijjs een liak krijgen. —

\'Ifiy ipZiifljMi/js een hak of houw.

ijjip utifj of tij rj op iilt;njj\\ kn. het springend scheuren,

knappend bersten, bv. van glas of porselein, a

(U mi\'(ui (Ui ij up (hyijj\\ overal een knappend geluid ge-


-ocr page 875-

791

L ) O. (U.tll*

ven. — lijtiipmhji of tij ijnp(k/ijj\\ springen, sclicu-ren, bersten, bv. oan een muur.

) p 1 .) O

\',Y \'/ \'P quot;HJI J V quot;quot;//N KN. i. ^26\' rtj-; ^ \\ —

2. het doorbreken, aanbreken; opkomen van de zon a-

ojioprjluiijws zonsopgang. —imuy \'rinplt;HV/j\\ doorbreken, aanbreken, te voorschijn komen, opkomen van de zon, ook van tanden opkomen, van zaadjes ontkiemen, fig. ook van het verstand uitkomen, voor den dag komen, vrg. lij

n C~) C) c\\ r) o

/j\' 7 nP 2 en (ft1 7 «p 2 MVJj\\ zva. (IJl up IHVJI \\ ^7 tip i™,J \\

///««r mi doffer klank.

ijjop(isn/i\\ kn.j iip (mifj\\ iets, zooals een citroen, in

de hand platdrukken en uitpersen {vrg. f-a tj ipz

asnjj).

rj iiji ij (ip lunji \\ W/P van pisang gezegd, Tj.

^ ir ji 2 if ip d nwj) \\ ^ (1 \'i ? \'Y np 2 uw Ij \\

-gt;ƒ jo ? ^ idnsiijjs k n .; ij (Tji njdpz n iiji \\ iets, dat een weeke zelfstandigheid bevat, stuk drukken, open-drukken, uitdrukken, uitknijpen; opengaan, zoodat de weeke inhoud er uitloopt; er uitloopen, van den inhoud {vrg. njtip nsri/i), fig. van een belofte, niet gehouden worden.

lUinpi iijs klanknab. van krakend breken, onder een last; ook het op eens uitgaan, van het vuur; fig. op eens, dood.

j^i ip KN, uitspraak plëties, klanknab, van het open knappen, open spatten van iets kleins.

zva\' $$ti^!AN maar van Orootere zaken, udjapzajijis klanknab. geknal, ontplolling, bv. van een voetzoeker, ook uitpuilen van de oogappel door ziekte, — knallen, ontploffen, enz.

klanknab. van het op eens verdwijnen, zie (ih\\ 4.

/(|\\ KN. klanknab. van het vallen van een voorwerp

in het water, vrg. «b) t? \'»\\ enz. en n.h w ( • quot;l

rl j\'/itn KN. klanknab. van het op eens ontstaan van een gat; ook fig. timthn rj ^ ij jji ? zva. (ig,m\\ vrg. ij irn ? tï nli t w

hjiius zie bij tmlt;rüw

.. Qv o

iiiiru\\ kw. zva. Mniruiv}asnjj\\

(uiirijy KN. naam van een grooten riviervisch.

\' i\'p KN. de bepaling van de gedachten op iets , dat

men voorheeft of zich voorstelt {van (óy\\ en vrg.

O . v , cquot;) . o» O ) », Ox o

bv. (ui ^an a i ujjj\\ en iiji r^j i i ki tvi\\\\ — (kt (éj. \\ 1. de aandacht geheel op iets gevestigd hebben of houden, iets alleen bedoelen; met onverdeelde aandacht, met ernst, zeer aandachtig (vrg. lui cm \\ en i^ irys). 2. zva. 2., ki. rati im vJ

zie ben.cuiQ^\\ de blik, de oogen. G. — (uidjinhs ernstige, vurige bede; sterk verlangen. — (ua^azi dojj of (i^itnanjjs zva. rjmi 2 rj «jj» 2 \\ \\ nsii rjiui2 an^dn (ipjj\\ soort van kleine hommelbijen, die zich aarden hangnesten maken in de vorm van een pVèngan. JR. — kn in ,inji

of (Liuimotionri het voorwerp van ietns. aandacht.

. ^ CO quot; . x c\') . O

nji (ni ijl w (infj\\ zva. o^i cm iui a i xrin — w amp;Ji

(Vj.M(Hijj\\ plaats van aandacht, plaats voor vrome

aandacht, bidplaats, bedehuis, a\'i cni nji

bidkapel.

(u nï kn.; ikt iu ir!\\ iemand schrik aanjagen, doen ontstellen » k., zieAbij ibinma^ijf). iiji i,jnï

(iji nï\\ zeer ontsteld, onthutst, G.

lihlj^ \\ kn. 1. naam van een watervogel, zva. rjtui rvi(injj\\ 2. of ajini^vidfij}^ een soort gestreepte zijde? (Tj.) WW.

(ui(Wi\\ kn. 1. naam van een zwaren wilden boom, waarvan de bast door de leêrlooijers gebruikt wordt, om aan het leer een bruine kleur te geven. 2. (ui (in crii \\ een uitroep: reken eens aan! ook dj}iru(Uiru\\ (Tj.) eig. un uinil\\ beschouwd, gerekend worden (w/. ellipt. voor 0a:ri(rn\\) als een geluk; een uitdrukking overeenkomende met (iuti (isnni\\ je mag het als een geluk beschouwen, het

is een wonder, dat; het is al wel, dat; vrg. (uni o

(vi rn\\\\

ct . no (D (P) 3* Oquot; O

(li kw. zva. en (Ui (t/i i~i in^ uiw — (hu

uiiijsKN. een verdoovende suizing in de ooren krijgen of hebben , zooals door een zwaren donderslag {vrg. — o(u^iui\\ oorverdoovend. —

(fii (i-njjn kw. hooren. G. — ah}ui^(tii ari/j\\ kn. half bewusteloos of verbijsterd door eeu verdoovende suizing in de ooren.

Morus kw. naam van een wapentuig in den ouden tijd, (een soort van kleine knods. G.). — m iu iti (hnjjsKN. de slapen van het hoofd, de plaats aan de zijden van het voorhoofd {waarschijnlijk voor ui %

O Ov V

ui (injj van n v -n rn (injj j.

i ^ rii \\ 1. kw. zva. un ij ui 2 \\ itn^ np % \\ en u^ ru ^ w — 2. kn. met iemand vertrouwelijk omgaan, intiem


-ocr page 876-

792 (uj^

, o . t \'

zijn. — iL^ /lt; iiLjI\\ Lj iruA.ni»)n i^ mnjy^an/f \\

(ft/ r»Tié1» /ruai^asHjj\\ zva. u^ia^\'t^/uiw

» O o r Ci

sn^tunm\'uj 0/ (t^au (rn^iij^\\ zva. % (b»

o

^ ? or» dj wi \\ rt. (itïi a \'gt; j ^ 9 cm (L| tu jw — ^ trliivnorijls kn. een dwarsplank met ecu vierkant gat, waarin het onderste gedeelte van de mast vast zit, Jih.

■Li^ lt;nj^\\ kn. J. sva. TjrKjjfbT»^ en lt;rr^/tLp\\ — 2. verharding in het hart van het hout, dat zich afscheidt van het overige hout y waaraan een wonderkracht wordt toegeschreven, ook iyn\'jjcrnons ge-heeten. Rh., verder een uit den hemel op iemand neerdalende lichtglans, die zijn bestemming in deze wereld bepaalt {vrg. en ixrrp), bv. hj^ (nj^

o* o . Q.. /• . Ov

oji (crj XjI (Lgt;ii \\ en hiq ui t) isr^ \\ o f i ^ ai^ ui aai n^ mh (hnjjs \\ (TIJ \'Uil tt,u \\ n., ^ IE11JJ{\\ k., de

hartkuil, en geheel de borstholte. —\'fh\'ri^

en — 2. iets, dat haten te

luchten of te droog en , binnenhalen, inzonderheid de padi van het veld binnenhalen j ƒ^. iemand uit deze wereld wegnemen {vrg. iijtnamp;iirm (uryj). — .i jiiï^ui itn/js ï. kw eisch, vordering. G. 2. kn. het binnengehaalde, door God .uit deze wereld weggenomen j {oo/c de afval van gesneden padi. G.).

^ ui (iu\\ kw. ni i iii njKioi q cm ij o* ■ i ■■ Qv

ij üji 7Li \\ zie bij ij \\m aui w

ijoji2 ^ wi\\ kn. geruit bont, met ruiten zooals een

dambord, van een kleedingstuk.

vj (Li t if n.i i \\ kn. verb. v. lloll. peulen.

«i^ ïv/vKN. 7iaam van een met kleuren bont gespikkelde zijden stof, gew. voor wn^en a.uui^uiiij (jji ij tui i\\ kn. — ij (fj if am \\ krom gebogen, bv. v.

wapens, Rh.

o .ïS

(j.jj (rui (Ui \\KW. zva. uj ^ en yun r) crrijj\\

qa^i9rjtui9\\ kn. het openstaan o/* wfld gapen, ^. wm

een deur en van den mond van iemand, die met

open mond van verwondering staat te kijken (vrg.

Ij (UI 9 II UI 9.Uil/j), TJ (1^9 Ij UI l Ij UI 9 rj UI 9 n Of (ÏJ (1^19 ui

rjajn ijuus verbaasd of onthutst met open mond staan te kijken. — ^f^9 rj ui 9\\ of ha (tui9 n ui.2 \\ open staan, bv. van een deur of ingang j met open mond staan te kijken.

lij) if (in f \\ — ?7f ui j ~ yW7/ \'Ui^ W. II, 398

zie \'If tUTf (177 q w

rj ii^i (Ci ^ -•rj ii^i rj ATI zie 11 a u y ui { w

o n

(^1 UI unj\\ (L/l (YJ UI tHOJj Zie (UJUI \'UÏIJI\\ (Uj tl UUI( II0\\

Vj (1^19 Ij gt;1719 Ml/j\\ zie bij lJilLltri(l719MllJI\\

ijam\\ of m ij iLUdnu 1. kw. zva. Liali\\ yam9

.rtiri a7ii9 au \\ en ai oji9erin w — 2. kn. bont met \' \' Cd

groote witte vlekken; alleen van een paard of koe. oji fj au 9 (hu oji (t,/i \\ naam van de woonplaats van Ongka-widjaja.

oji asn \\ of tut ou aai \\ Hind, kn. palanquin, draagstoel o/draagkoets {vrg. tua^ ^ quot;^)-(^(nnoa/l of oji (rui mi anji\' kn iets om op te zitten, zooals een tabouret of aci tui ^i w iets zooals een standerd, stel of rek , om iets op te plaatsen of te zettcu, bv. een piekerekj {Skr. parjangka,?^-bed, sofa. pk.).

y kn. — 7N zitten met opgetrokken

beenen, een onbeleefde houding \\ Rh.

ojuyaa^iiji — uaujaap

o a i o . .

11 au (Ui 9lt;iir^jjjau (Uji Mnjj zzz \'Ui au ui aai Jurwtnini/j bij

auiu^unji \\ regts en links zien, om zich heen zien van verlegenheid.

uuii h \\ of ojaai \\ kn.^ iamp;iiHris of ui iai \\ met de beenen of pooten wijd uiteen staan of gaan staan. — iln o^aais of \'laui^uuii \\ met de beenen of pooten wijd uiteen raken, schrijlings uitglyden, vrg.

•r/n bij (urriiiw

CU Cjü

N of ojKu^ia^ \\ kn. boog, halve cirkel, eereboog; halfcirkelvormig hengsel, bv. van een emmer; boogsgewijze {vrg. ofri am \\ en Mofnaüp). — ui uj (Hrjj\\ gebogen, met een bogt, krom; een boog of hal ven kring vormen, in een hal ven kring.

g^v. jp ijzeren beugel. —(ta uja. \'y uirj hii\\ iets buigen , gebogen maken, boogsgewijze vormen.

aj (ijl if 07i 9 a-ajj en ij ui(tj ui 9 o-ji/j \\ zie onder vja 11*1019

W

o ^ mu^ aai (Hi \\ zie 0 j a i j w

uictX\'n(hiji\\ kn. reglementaire bepaling, vasle regel,

\\ CV * cy . O . O .

{voor oji om (rti non^ vrg. ui nu ■»»aa/j van tun am \\).

kn.; (^i {any z()o liggen, dat liet aan beide einden een rustpunt heeft, zooals bv. een geweer of pijp op een rek; volg. WW. zoo uitgestrekt zijn, van de beenen van iemand, die op een stoel zit, dat de voeten ergens tegen aan of op rusten. — acc. pass. tussehen iets vastraken, bv. van een tak die komt te vallen tussehen andere


-ocr page 877-

\'If (VI Ij (Li \\

79«

takken en zoo opgehouden worden; fig. in zaken gewikkeld worden, waaruit men zich niet kan losmaken. — [ern a^i rj hd \\ iets zoo leggen of zetten; iets op iets, als een treeft, zetten. — aj* jli(ht/j\\ iets om op die wijze er op te plaatsen ; een treeft.

\\ KN\' — (U rj iirr^d (in op/J een zitplaats gemaakt in de takken va» de boomen voor jagers, Rh.

rifurf^s kn. een waehtplaats op stijlen, maar zonder dak, SG. zie ct^r^ iiyw

iu nij cnjji (tojj\\ Kw. zva. aj) n\'j gt; d/n (inq\\

qv b • ,.

it/i n i cm lli ar^/j \\ zie bij tri/^ crr^ j \\\\

KN. plotselinge verstomming, zoodat men zwijgend blijft stilstaan of zitten te kijken; door verbazing of andere sterke aandoening, lurmff fiimts verbaasd en verstomd staan te kijken. — ikryerh2 ^ plotseling verstomd blijven staan of zitten te kijken.

(ui(li ■ kn. ellende, armoede; ellendig, armoedig; armzalig, van iemand die vroeger in gunstiger omstandigheden verkeerd heeft; kw. ook zva. (nmi ih))\\ {Skr. p dpa, slecht, boos, gemeen; slechtaard; slechtheid. Frg hii(bïï^\\). — {iejklhs het ellendig hebben, in een ellendigen toestand verkee-ren. — mi li\\ kw. hetzelfde. G.).

ivi(li\\ Fort. pipa, kn. pijp, tabakspijp.

o o T O r, ~

(viivi\\ 1. kw. zva. rj^ ivi iHijjj n G. — 2. kn., iLii.rrn

w ki., wang, koon. — 3. zva. i3iVm kn.

de kant van een deur of venster. u ivi \\ aan of by de post van een deur gaan staan of zich plaatsen.

\'li ^ 1. kw. zva. HJiaStisn/is — 2. kn.,

ki., dij, de dijen. — \'jjN Kyv\'zva\' 1 3 — 2. kn. (utm^ l^ \\ zoo groot als een dij. — nelk

zoo groot als een dij. Men. — tri ijj, \\ kn. bij de dijen pakken, G.; [volg. Rh. op de dijen slaan) en iets voor zich pakken en nemen; iets wegpakken; tol of mar kt geld heffen of innen; een arme of een ouderloos kind opnemen (vrg. bij i.y

00^ ^ sc^oonzoon aannemen, AS. /.n \'i l n mat gezet worden of geworden, van den koning in het schaakspelgt; fig. van een veldheer in een slag, en van een speler, die meer dan alles wat hij had, verloren heeft en niet heen mag gaan vóórdat hij zijn schuld betaald heeft, R. verliezen, slaag krijgen, overwonnen; gevangen. — Y lt;li u \\ ergens de tollen of marktgeld^n heffen. — (ui^ :iji \\ inning, heffing. — u^iun nnjjs obj. den.\', (bti.7(ui?anj met sporen van de dijen bv. van iets, waar iem. op gezeten heeft, Tj. *7 tui lt;rj (ui\\ if WYj (ui\\ enz., zie lij lt;r) (Ui \\n If (UI2rf (Ui2\\ kn. niet meer voort willen, omdat het van vertnoeijeniSy enz. niet verder kan, van een trek- of lastdier, rijdier; geheel verzwakt, do%or ziekte\\ vervallen, bouwvallig, van een huis; fweigerachtig. G.).— gt;f (ui2 ijiui2\\ nietvoortwiHen, een trek- of lastbeest; fig. weigeren, moeten weigeren omdat men niet meer kan of er niet toe besluiten kan, daar men er bedenking tegen heeft. tui n ij iui 2 ij iui 2 \\ weigering, vrg. ij ui 2 tf mi 2 w/j \\

(Ui (Ui ^ kn. de steel van het blaÖ van een palm-, pisang- en dergelijken boom, die midden door het geheele blad doorloopt. ^ 1112^x01 zcifiaoi ^\'112 (ui aj{\\ twee heele Pisangbladen met de steel er aan. — ui iui^\\ als een steel. O(rnaoi \\ als de ui (ui j van de pisang, nl. met een mooije bogt; op de steel komen te zitten, bv. van een die in een klapperboom klimt. — (Ui ui j 1/11 an if \\ de kroon van zulk

een boom, daar de papahs aan den stam zitten.

a a a Qv O a

iui ui j \\ kn. volg. R. k. van (unnrrnw hn ut -ui un (ia f

O O \\ O 00 / 0

is ki), {vrg. .untuij\\). ikif iun ^1 tuiook ik iui un S^.li^ de inding, die door de moeder gedragen wierd, toen zij voor het eerst de maandstonden kreeg, en die door den zoon als djimat of behoedmiddel tegen onheilen gebruikt wordt. — ilkuijs scherp gereedschap, zooals een kapmes, grasmes of patjoel, als het stomp geworden is, met een hamer kloppen en uitslaan, om het weêr sèherp te maken {vrg. u^ {volgens G. indrukken ,

een deuk maken). — ^ ui; \\ fig. scherpen van het verstand, PJ. een ander zie boven bij ui

O O

•-n (Ui j w

uj kn. i. geklop, gebeuk, geros; iets daar men mee klopt, beukt of rost; slag, bataille (vrg. u^ \'Hii tLiji en (ui gt;is). — 2. dichtmaat, versmaat of zangwijze van de kleine zangwijzen {vrg. 3.). —• 3. oogwater, oogdruppels {vrg. w n/i tisnn 3.). — (unxc^u^L^s hanen tegen elkander laten kloppen zonder sporen, ik if mi i ui ui ^ \\ een haan.


-ocr page 878-

gt;1 u vj iv) f \\

794

(Vi tui \\

zonder sporen. ajj q\\ kloppen, vechten met een strijdknods; iemand kloppen, hard slaan, rossen, afrossen; een vijand klop geven. —

.iz/jn iemand iets in het oog druppelen, o/het oog met iels betten.— (Udi^d^^s (amp;irvj^\\ freq v. ifji {\\ Tj. zie ook hoven.

»ƒ aj) ij ui f \\ kn . j tf fji n tvi {\\ goud door kloppen, onder het wasschen met zeker preparaat, zuiveren ü/*louteren. WW. Vrg.

tj n.12 tj iliikw. botsing. — Mnvj(utri (vukn. gestuit, in den voortgang of doorgang belet worden {vry. ihtthnGR. — ty iamp;titj cuii j t/n\\ iemand met ieis, zooals het ver rig ten van een hij zond er werk of met de zorg er voort belasten; iemand zoo iets opdragen {vrg. (uil(i:r^j(vn\\).

iu oji (km\\ kw. zva. nn oji \\ rgt;i nsii \\ kn. plaats voor iemand of ie/s, ho. plaats of plek voor een huis, post voor een schildwacht\', bord, blad 0/schrijfboek, om op of in te schrijven\', ook boekdeel {vrg. ir?

en het bord ö/deksel vau een gebonden hoek\', en houten plank {vrg. a^in-nimi/j). jui (ia (udji(injj\\ blad verguldsel, W. 11. 31. (U(ui 11 n ivrrjj\\ schaak- of dambord, luiuanitois bord voor het tjoekispel. oji oji iui(in^ \\ ecu lei. cni ru jm (ui il i mt/j of a.i afnruw iu (U (Hyj\\ een volledige krijgs-magi {eig. een geheel bord stukken, het volledig aantal verschillende stukken, dat op een schaakbord uitgezet wordt), irrr^iui ,li an^ zie hij in w

— (Eu(ui(Hifj\\ zicli plaatsen, posteren, in een positie stellen 7net eenig doel; zich posteren om tegenstand te bieden of zich te verweren, r^\\ zicli schikken om te slapen, zich te slapen leggen.

— itni hji (vi (injjs in het nauw raken 0/gebracht {eig. in het schaakspel), en van planken; met planken gemaakt; met planken vloer o/* bedekking. PL.

o (ui tuj ij noi n iemand of iets ergens plaatsen, zijn plaats geven; iemand in een dienst, post of betrekking plaatsen.

(ui(ui(Hi/j KN. in tijdelijken nood zijn door tijdelijk gebrek, van iemand die hei ruimer gewoon was. —

O 0 OO /. )

dm (UKUiihj nnjj \\ zva. (Hti (uiirf (ui na/j oj (rfn 7j ihii i rj

\'ïj flji2 (ui (hl/js WW.

(Ui tj (Ui2 anji^ zie hij rim (iwjjs — ui ij iü) z tuj (Hijj\\

kn. naam van zeker geneeskruid, WW.

0f zie hij uj^ nrnj w

(Ui lt;ui \\ zie bij mi w () cy

(üi tui \\ kn. afgestompt, stomp ol\' bot geworden, vau een puntig voorwerp, van de sneê van een snijdend werktuig eti van een pen door er lang mee te schrijven {vrg». a^n (Ei ^1 iiotji en wi (ruji); ook in kracht o/krachten verminderd, hv. van een hevig en wind,

en van een sterk man door een ziekte, R. en stomp,

OO\'

sut, van geest of hegrip. JR. — ifjuui gt; iets sto\\\\\\[) maken, {iets in kracht of hevigheid doen verminderen, R.) iemands drift tot bedaren brengen; begeerten iutoomen; iemand neerzetten, in een figuurlijken zin.

o 0/ a* ci/ a a/ o* a/ ,

(ui (ui \\ KW. zva, (uurnw (uiiui\\ zva. (Uicniw (im

o Q/1 o a/ _ o Qu _ C) o o* ...

•ui ui) — (in ui (ui n - m (ui ui - ik (ui (ui \\ bij

het spelen op de lerbang. — (uuru ui\\ of (U (ui\\

zie hoven.

iLj t h \\ 1. KW. een aanhoudend geraas. G. — 2. kn., nsnluimiiji\\ KI., blanketsel van rijstmeel gemaakt, zva. hmjuHii/js en zich blanketten. poepoer gebruiken. (iJidJi.Kn -jj u^ 1 zich onophoudelijk blanketten. 8. i j \\ het afbreken der bibitpadi bij de wortels tengevolge van het trekken uit de zaadbedden SG.

7^ (i.i(K^ xm 1^11 (un/js een spr. ongeveer zva. ons schreeuwen voordat men geslagen wordt; (K. 2%, (!6), maatregelen nemen voor het ongeluk, hoi tegenovergestelde van 1^ (i. 1 (un (#5) tj (ui ^1 .i.ri ijn (lgt;ii/j\\ \'/de ])ut dempen als het kalf verdronken isquot;. — iemand hXawkciiGw 1 ook al\'vullen, van

horens, zooals van herten, als ze daarvoor nieuwe in de plaats krijgen.

ij (ui tj ui \\ kn. den aars of het schaamdeel na een ontlasting of waterlozing afwisschen zonder water te gebruiken; en iets waarmee men dat doet, servetje {vrg. (uitj (uit(htiji). tj (f i rj iUi \\ langzaam over den grond voortschuiven, langzaam vooruitkomen,

uit hlooheid of vrees.

/ , O » 00 - ; )

ij oji 2y ui z \\ L. KW. zva. iui n \\ mi hu iimjj of mi

(rn^\\ — 2. kn. de kolf met of zonder lade, van een geweer of pistool; [u^ ij ui itj ajiè \\ zva. iuq K. n,i (Ui rj an ji 2 rj ui 2 \\ po\'èt. zva. (tui oji an — irj iu 2 rj (ui2 \\ met de kolf van een geweer slaan.

M (UI 11 \\ o/U (uirn\\ zie bij (uirri\\ IV.

ij tui 2 wj [cuy (kh/j • kn. uit gebrek aan krachten niet verder voortkunnen, hv. van een lastdier of lastdra-


-ocr page 879-

\'nw

795

(/er. vjtMi\'rf krachteloos of van ver

moeidheid neerzijgen of daar liggen.

m (u^ jpj mi/j \\ poiit. zva. (ut (ki tj n .lu (hifl gt; bed, ledi-. kant, slaapplaats (van (unamp;ijj).

ui (ui utij ^ kn. effen, vlak, gelijk af, vlakaf, zoodat er niets uitsteekt j stomp, zonder punt; afgestompt, ook fuj. stomp van begrip, afgevijld, van de tanden \\ gelijk van hoogte, zoodat het een niet hoven het ander uitsteekt: gelijk staan met iets of iemand anders, hv. in ouderdom of krachten; een liaan met een stompstaart, zooals die van een hen zonder pluimveeren, (Li (uiuji m\\ gelijk staan met den rand, van water, iu (unj mij if * i\\ jou\'s gelijke, iemand die met jou gelijkstaat. (ui oji mhjj\\ in den oorlog gelijk staan, met gelijke krachten strijden. cni (Ki (ui iui een wijze v. vijlen van tanden, gelijk

met liet tandvleeschP Kr. (ui oji hii vrin n zie a i vin \\ —

CJ uh üh

(U(uiihrijj\\ iets gelijk zetten, gelijk of vlak afsnijden, afslaan o/* afhakken; iets evenaren in hoogte, even lioog zijn met iets anders; kw. zva.

(un rn { w n it i (Si iamp;t (ui nnijjs of enkel (eji (ui nojji \\ benaming van het rijstgewas, als het in de aren geschoten is en zich overal even hoog vertoont, een halve maand verder als eni if-jidbiw {volg. SG. volgende op (vzj.iEArr}\\). — o(uiih?i\\ iets afstompen; gelijk maken, ook meer lep. van de yadistengels, om ze daarna in bossen te hinden; iemand evenaren, hv. in kunde. tui w (uimii/i\\k\\v. zva. mi icj

O O C\')

tiqi/n\'nq\\ en (utamp;KLnw

(i/i(uiwnj!\\kn. bijeen, alles of allen bij elkander; vol

ledig, voltallig byeen, compleet, {vrg. luituhn/j

i) O \\ o c)

ƒ(»gt; (hi -Jjj\'KHJj en mi iwj mjj ). ui i i ^ i .ui urn rj ihj \\

al geheel in de veeren; van een jongen vogel\'. — tt}ojiaaiji\\ bijeen brengen, bijeen verzamelen; ook zich verzamelen, bijeenkomen. — tel minis mv., iets completeren, volledig maken.— bi miiflvrf ihti \\ bijéén doen komen, bijéén roepen, ziqji laten bijéén verzamelen. — (uojiwijhi/js zamen bijéén zijn,ge-zamentlijke bijéénkomst; een gezamentlijke bijéénkomst hebben.

Ü iui mtiji \\ fea (umrij enz., po\'èt. zva. (\'ui oji mijj \\ ki (u(iwji\\ enz.; w (Uiini/j\\ ook zva. i£i iui amn \\ — x;

ook alle bij elkander daar zijn, hv. van alle vruchten van het saizoen.

ljJl Mooi/In kw. zva. (uri ri ip2 ihnji (is)i crniïLyi Li ijiJid iüii/j\\ (lqafliiruyj kn. {luid/i^dinji^ ki.) uitvallen van tanden, voorat van de tandjes van een kind; de tandjes wisselen, {vrg. en (uii rj

luuii(rujj); afvallen, van den navelstreng van een jonggeboren kind {vrg. (Ljd^nsiijj). iui (kjI -jj nji mi\\ de tanden al gewisseld hebben, of van een oudere de tanden verliezen, m i muu^ ojiihiiji \\ aan het tan-

dewisselen zijn, van dien ouderdom zijl., dat liet

CY

de tanden wisselt, ajj (ui kii ^oji \\ afvallen van den navelstreng. — (fj^ojicifys met of zonder (iji^^\\ tanden uittrekken. 0tui kh \\ spr. een gevaarlijk mensch onschadelijk maken, ontwapenen, Rh.

(ui ui muji\\ kn. 1. goed in het vleeseh, niet vermagerd. WW. 2. zalf, pap of papje van medicinale kruiden of wortels, zoo als op een wond tot genezing; inzonderheid zulk een pap op de fontenel van een klein kind; zulk een pap op ^et hoofd hebben {vrg. ij (uu ij HjidMi/j); ook een roset of dergelijk versiersel bv. op een bol deksel en op liet voorhoofd, W. II, 554. (u^ujiin^ajis een pap van uijen j ook spr. van iemand, die, als een klein kind, nog niet meegerekend wordt, (ui aai nji^ojhi^ een pap van lëmpoejang. im ^ lt;gt; iuii ^ (101^ nog naar de poe-poek riekend, nog maar een kind {vrg. hij asnaji nijj). (f^ lj ;i(tf \\ van een .1^ 1 ^ voorzien; iets besmeren, ergens een pap op leggen. — lt;f j 1 ^ iflt y ij kh \\ iets tot een zalf of pap ergens opleggen of smeeren.

ij (u ? rj (un (hvjis kw . zva. iu^ahiiuijjs kn. 1. smeersel, pap, zalf, pleister (vrg. .1^ 1 j.(kiij en rjxni2^(im2 wij)), slijk als pleister tegen de dijkjes der sawa/is aangekletst om die te herstellen, WW. 2. windsel voor een klein kind, luijer. — i]iuiquot;rjoji2 iets ergens dik mee besmeren; pappen, zalven, met pap of zalf behandelen; met kalk dik bepleisteren {vrg. jji (i:r^ \\); de suiker kleijen , met klei beleggen of behandelen, dijkjes van de sawali s met slijk of modder bepleisteren, als boven. ij ivi 2 t)(ui2 itflU mv.,en fig. het tekortkomende van iets aanvullen. — *1 (U12ij (U12 Hjirj iiiis met iets pappen of beleggen.

iiji tj (ui »lt;11 \\ zie rj (ui rj (ui mi \\\\

(ui (ut iim \\ k w. stomp, bot. G.

rj (ui tj M mi \\ of gt;ui rj (ui (ini \\ KH. achteloos, enverschil-lig; achteloosheid, onverschilligheid;achteloos, on-


-ocr page 880-

trf (ui rj (ui (isnji \\

O O

(Ut il-Jl ltd fjs

796

vurschillig zijn, bv. in de dienst, of voor de liefkozingen van denman (yrg, w ihi \\ en rj .ui lvi ^); ook de culpa lata (schuld wegens verregaande achteloosheid) bij contract en y KT. ^ u rj iji Kn rj gegeven bevelen niet achten, niet getrouw volvoeren, aini ui ijui ii(uitnn\\ zich onverschillig betoenen, doen alsof men iets niet merkt; ook

maken, dat iemand of een beest het niet merkt.

O O i \' \'V\'V

luiiuiinjjs kn. bot, stomp, zva. (unuiw volg. Rh. tot

den grond toe afgesneden, afgebroken.

rj m ij iU(Wjj en rj bi ij ,ui(ici/j\\ zva. (volg. Kh. gebruikelijke spelling voor\'} tj 1.1 rj ui (ijnjj cn rj e/i vj oji thnjj \\ ui M ihiyj \\ zie bij .ui (»s7}^ .

ui ui unfi v kn. versperd, verstopt, afgesloten, digt, vol, zoodat de doorgang of voortgang belemmerd of belet wordt\\ geen gevolg hebben, in de steek blijven, van een zaak {vrg. iui uriji en un ui ^asiifj)-, ook ui ii/iiisnji (of (LTQ iijjjibi ui ihii/js WW.) naam van het klankteeken L \\ — w ui hnji* iets versperren, digt maken, digt stoppen, verstoppen, stelpen; maken dat iets niet verder gaat of loopt; stremmen; ook digt op elkaar volgevuld zoodat er geen ruimte meer is bv, van vischkuit, {iemand in de weg stnan, de gelegenheid benemen, hem verhinderen iets te doen. JR.). — mm wis

\' lUi

mv. f.n ui ui kiji versperring ontmoeten.

.ui mi \\ kn. digt aan elkander, nauw in of op elkaar gedrongen, digt aan elkander sluiten of gesloten zijn {vrg. ici iti isiijjs un .ui en jji m ishjj).— im ui isnjj \\ van weêrszijden iets of iemand dnikkvn , dringen, klemmen, persen, vast geklemd houden. — hoi ui (Uiünjj^ in de klem raken.— ui ,/3 ui iUii/j -hei klemmen, enz. — .u ui ihnjj een te nauwe doorgang; een pers, persmolen, oliemolen {vrg. iwrj — {(^(UiV,ii^\\ digt langs de kant

of rand van iets heen, bv. van een pagër of weg; een engte vormen, u in n iji iajjj\\ digt omzet, bv. met juwelen. R. — ri ui isiijj^ iets klemmen, persen, pletten, platknijpen , uitknijpen, netjes, met de kleêren netjes om het «lijf en met de armen en beenen gesloten zitten, zooals deftig en fatsoenlijk is. JR.

\'Jj ljj hr!JI KN\' ^011 c\'u^eJ ^611 einde toe, geheel aan het einde, geheel uit; het laatste, uiterste einde, uiteinde {vrg. i/y i ^ istifj en ini ui \'4 \' l \'J niiiujj \'ruji\\ met het eene einde geheel ten noorden en met het andere geheel ten zuiden.

het einde van den dag. iui^ij n zijn le

ven is, of loopt j ten einde, tu^ trui ij (ini d ij rny het einde van het bedrijf, de dood.

zva. i.jiUiiini ook u^:i^asn^\\ alleen, B. T. Dj.

35. — \'E^u^fhnji\\ iets geheel tot het einde toe doen of brengen; iets zooals de teugels, geheel bij het einde nemen, m (tn u^\'E^ lq iisrtjf of ifjj uy mi -^uui hj \\ den geheelen dag door. u^ (isn iti (uitui a-njj de geheele nacht door (vrg. ^(b/rM^); tot het uiterste gaan of komen, ur^ ui 7^^ ^ den hoog-sten leeftijd bereiken. — (ui tyy unp het geheel tot het einde toe brengen van iets; {ook ten einde gelSracht, gedaan, afgedaan, beslist. G.).

ij ui ij uihv/js kn. 1. eig. zva. vj f iny (ui(un/js fig. gehecht. y (ui ij ui iUii ~jiï rn tj ui, steeds trouw aan het werk, er nooit van af; volg. Rh. ^ ,uirj cm ij f » \\ het drukst van het werk. — vj iui tf (ui Mryj \\ stijf of plat tegen iets aan staan of gaan staan, liggen of zitten {vrg. ^(uuuijj ui tui iuii/j) ; ook vlak tegen aangrenzend, ama^n ^ ui ij ij oji iuiijj\\ plat tegen den wand staan of gaan liggen om uit het gezigi te kruipen, uit vrees of ontzag. WR. ^ ui dj iUi asnjj volg. WW. ook naauwgezet, trouw op zijn post zijn; in een gebogene nederige houding bij zijn heer zitten, nederig, ootmoedig van taal of manieren. — o a

V \'3\'7 \' I \'quot;//N [ u IUII/JS — rj(MftiIUI asnji^

zva. ruui üiyjs 2. de vinnen v. e. viseh, Rh.

mi ui i^i/j. kw. zva. ij ii^iisii/js itiuii.i/j\\ ]. kw zva. rrrj iifnji en \'Ui cm ni^ gt; — 2. kn. iets knotten, fig. in zijn voortgang tegengaan of beletten. — iUi 11 dl i i/js liet knotten, enz.; {ook mes of werktuig, daftr mee gesneden wordt. G.). — tuiiuku~^i(Hyis afzetter, van een plant} G. en naam van een slingerplant met roode vruchten; de jonge bladeren worden als. groente gegeten.

11 ui i i/j\\KN. gekneusd, geknakt, gekrookt, zoo door kneuzing gebroken dat de deelen nog aan elkander zitten , zooals van arm, been of rib; ook van ui iiuis netjes, fatsoenlijk zitten. — .uuu i^ijp hels. — iQLuijiji of juuifi.iji iets knakken, kneuzen; ook in een geknakten toestand zijn. \'£» oji(iji^n ook fig. beteugelen, onderdrukken, van driften of hartstogten en {volg, Rh. van een gang.owbfyvhïo-


-ocr page 881-

797

n O (UI (UI(hJ1Jf\\

O O (Vi (Uirv)^

ken, bv. van een telgang). ^(Oiojijj\\ fig. tegenspoedhebben hv. in den handel, in het spel, — ki aj(Ki rj (hm \\ of (Ff (u (ui nm \\ makeu d at iets gekneusd wordt.

(u iu a-Jijj\\ 1. kw. zva. (vi out — 2. kn. naam van een in pisangblad {nl. rijstmeel met pisang, Rh.) gewikkelde en gestoomde lekkernij, waarvan verschillende soorten zijn. 0m^ t rj

ijijjjts Tj. nynmirj rvi t oji (u wjj\\ spreekwoordelijke uitdrukking voor in volmaakte eenigheid. R. — (waSoi^ iets, zooals medicijnen, op een steen met een om arm (hvjj fijn malen, wrijven o/stooten.

— oji (ut m een vlakke steen, waarop iets fijn gemalen wordt. — iets doorerover heen te rollen of te schuiven kneuzen, fig. ook

iem. i»» het nauw brengen, door dringend navra-

rt O O o o , ,

yen, vrg. nnim /arrnwp — gt;.»? i^i aji geknensa

raken door iets dat er overheen komt of door onder of tusschen iets te raken , waardoor het gekneld raakt.

itjj nj^ kn het jonge blad aan de kruin van boo-men, zooals de kokos-, pisang- en pinangboom {vrg. luid/ifs); de nog niet ontloken blftren, de topbla-ren der padi, enz. van grassoorten, Rh. (het bovenste einde, de tros, van een zegen of groot vischnet, dat op de schuit vastgehouden wordt. JR). — ^ ih^J\\\' jonS krijgen , van een boom zooals de kokosboom; boven in den top van zulk een boom zitten of er naar toe klimmen {vrg. ^ fig. op het uiterste zijn, bv. (crmajivjihj. {of n/rj, \'tjj 7jm) dj^ (M/i^ ook het zich eindelijk maar getroosten, er in berusten; {en de tros van een sleepnet vasthouden , trekken of optrekken JR.).

iw lj lu^ /^\\ tot berusting komen, het zich maar getroosten. — (ijj ^ ihji ^ui ojittnjj\\ een rol (net als de aj) i ^ (ijijj van de pisang opgerold) zooals papier, zijden of satijnen stoffen, in 1001 N. voor satijn (yrg. tfrKfoj on/j).

7 vi ij (ui (Ki/i zie rj ui t^ijj \\

(ui(ui(mji\\ 1. kw. zva. i^nnnvtjiw 2. kn. gekort, afgepunt, van het haar. 3. zich het haar korten of laten korten {zie tfti vj np i ^ \\ en vrg. ojkuis bij (uis). ifjI ojiluyjn en mv. cF.icuiir^i\\ het haar, de knevel of de nagds korten, een tak of de takken van een boom \\ximoQ§t\\\\\\ lt;11 m iCi\\ ook izypxi iemand zich verzetten; een meerdere tegenspreken, tegen-mi meerdere zich doen gelden. — jf i^tui(rujis {volg. Rh. beter \'(uwttujj ) het slaan met de poo-ten zonder te pikken, vati een haan; iemands verzet tegen iets door tegenspraak. — [x^iui/ru/jx iets zooals een heg, scheren, {volg. Rh. cok een snellen telgang hebben, va7i een paard, zva. imu (eji ~fn (ïli met de pooten slaan, van een haan; iemand tegenspreken; en [ita^ïuifreg. van (Bi (uiiru/j\\ punten, korten, (iemand zijn fouten onder het oog brengen. G.). — (twmiin^trut^\\ afgepunt, afgeknot, Rs., AS.

If O o O

tui (ijiitLiji\\ kw. zva. (im (im ia/f\\ kn.: (UKuilt;tuyj\\ peuzelen , peuzelend iets doen , peuzelwerk doen ; maïs afpeuzelen, de korrels van de aren losmaken; fig. gunst afpeuzelen , een weinig gunst verwerven. — volg. Rh. bij kleinegedeelten indoen, ^.korrel voor korrel maïs van de slengel afpulken, bij kleine beetjes afbetalen, «51^ — (ui ihj (ui vujj

stuk voor stuk verminkt. Men.; bij kleine beetjes stuk voor stuk afgenomen, afgesneden, Tj. lt;£iiuii)u\\ mv. — tui /ui tiji (Hijj\\ het gepeuzelde, af-gepeuzelde; pquzelwerk. JR.

(u^^ru/is 1. kw. zva. en (tJi (u^ nu/}\\

zva. lunMyfoi^jjjVuijs — 2. kn. zva. rj ui rj m (Kyj\\ en zva. tai(Uil irua^i\\ 3. w , s volg. Rh. zva. ii-^ Tj., AS. •—1. kw. zva. nr^if.i (3. kn. naar boven trekken. G.). kn.

zva. Qplukken, oogsten, bv. kadëla, dja-goeug, Rh. vrg. bij i

ij oji zij (ui i irujj \\ kn. ; oj (ei 2 tj (ui t nu/js murw; lialf vergaan, bv. van papier dat in het water gelegen heeft; half vermolmd; week geworden; ook malsch geworden, bv. door koken. JR. vrg. rj{oj^?^ ij (EU nj (tu^d (Tujj ook fig. versleten. Men.

(Uj (UfJj\\KW. ZVa. (L^ (UJ w

(ui(uinmjj\\ n., q^(ujij\\ k. en ki., het tegemoet gegaan worden om te vj or den afgehaald ;\\v\\%, zooals rijtuig, paard, vaartuig of geleide, dat tegemoet gezonden wordt om iemand af te halen, bv. (ukui cnirj-yi(isii\\ een rijtuig om iemand af te halen, doch volg. Rh. tui (ui ^ nnjj (hti rj nasn \\ {vrg. tun rci wti/j)- ivi iliji oji (ii arnji^ of enkel (ui oji rnuj\\ qui-tantie. oji (ui rj crji? gt; geneesmiddelen afhalen, voor op nieuw zich verheffen, van een ziekte na


-ocr page 882-

798

O O

tui (ui mj) \\

één of meer dagen geen geneesmiddelen gebruikt te hehhen. JR.). — (^(unrn/js (StiniHv/is iemand tegemoet gaan om hem af te halen; handelsartikelen voor, die op de markt aankomen, op weg in-koopen, in deze laatste het, volg, Rh. liever ced crii \\ een bruidegom, op den eersten dag, of de jonggetrouwden op den vijfden dag van de bruiloft, tegemoet gaan en afhalen; een geschenk, zooals bv. een metalen krissoheê of oor krabben, bij die gelegenheden tegemoet zenden, gji m van een vrouw een man tegemoetgaan met bloemen, uit liefde of achting-, vrg. W. II. 571, ook m of L nrrrjiKv^p kn. een ring om een piekstok onder het lemmer, (eji aj) cm h {of if i (ui (ffXiin n ), iemand tegemoet trekken of trekken ten strijde. lt;amp;? (ui cfy mi

tujj^ {zie ook regen tegen het opkomen

i • o . nn

van de jonge maan. — (hji (ui (u cm/j^ wi (m ^ (hrjj\\

iemand op weg tegenkomen of ontmoeten, {vrg.

no o• v o o o

(hn (ii,n (amp;! \\ en (hu m i/j). — (Eli (u arfl \\ (ti ^ wi

iem. op weg ontmoeten, (ifnaji (unrfltmjjs (tfn nJi ^ cmjj\\ pass. van de persoon wien iem. op weg ontmoet. — (ej) (ui crri^ (hm \\ (Q^jw^fai (Hyjs iemand tegemoet gaan met ecnig doel; iemand tegemoet treden om hem tegen te gaan, of tegen te houden, ook een gast om hem te ontvangen; iets, zooals een paard gt; iemand tegemoet zenden, of met iets, zooals een rijtuig, hem tegemoet gaan, om hem af te halen. — (tn (rA cui arnjj^ subst.

den. voorbehoedmiddel om een ziekte tekeer te gaan; JR. en het geschenk, dat anders (uihiLi astyj genoemd wordt, wanneer een dochter van een Paugéran met iemand van minderen stand trouwt, als ook bij een ni(im i-nnijmw oji (ui nm an/j of

P O * OO

(Li (ui (\\j) (yq an/j\\ en oji (hm onjj of (ucln(i^(i^j(mj^\\

elkander op weg ontmoeten, ook (ui (ui cm ^ cut om

O O O

(hnjjs (Ui^aw ^JI ^ \\ (UKUinrflanjjs oji ty (W

(Hi/j\\ wie o/wat iemand tegemoet gezonden wordt om hem af te halen; plcgtige afhaling o/* inhaling.— (ui ffji (ui o^j (hnji\\ (ui (Q(tpj (isii iHi/jn plaats van zamen-komst voor de bakoels en marktwaarts gaande dorpsbewoners, waar de waren, vóórdat zij op de markt, komen, veelal opgekocht worden {vrg. (ui andji tui (hnjl JR. en zie o cri\'r (uituicmji KN ; tïjï(uicmji\\ 1. iets tegen honden, iets, zooals loopend water of een paard in zijn loop.

ophouden, inhouden, tegenhouden; 2. volwassenen weldra geschikt om gebruikt te worden, zooals van een kip om geslagt te worden, ook van het padi-gewas, vol staan nl. niet met leêge plekken. Qaui

r-\\ lt; ^

chi ijdJi ^(Hj ^ van vruchten, die volgroeid zijn en weldra r\\jp zullen worden, njlit-jóJi rrn aJi \\ al huwbaar geworden, van een meisje.

(uj^u^cmjjs kn. en kw. zva. oji(Ei-j^nni^ kn. zva. a\'i cm rui (j en (U^ (rn (isn/j^ bv. bot, stomp, maar breed, va7i een hanekam; ook gelijk staan, niet winnen en niet verliezen G. {vrg. (ui (ukhiiji en ij (uurj (uu 1- zva- wiu}(tflj\\\\ — 2. zva. (L\'l (iTrjj nJiji\\G. — (E/jj Ij nrfl ^kh\\ de punt van iets afbreken, G. — ^ afgebrokene of overblijvende eindjes, fv. van een atüpdak. JR. volg. Rh. kn. stomp, afgestompt, bv. door lang gebruik, van een scherp of puntig voorwerp; vrg. iki f i -jj cmjjw

rj (utoy (uiicni/i\\ kn. gelijk om gelijk met een ander ruilen, zonder dat de één of ander iets toegeeft-, niet winnen of verliezen met verkoopen, gelijk op, pari, tot het hoogste punt gekomen, zoodat men het\' niet verder kan brengen {vrg. tj (uitcmjj ij tuj mi/j). — vj(f urj (uizariijs zijn hoogste punt bereikt hebben, niet grooter kunnen worden; niet hooger kunnen komen, bv. met bieden\', met iets niet hooger kunnen komen.

dn (uisKVf. zva. (ui (ui mi^

TT *ie quot;VV

o

iUI(l.y]l\\ kw. zva. UIKLVIS (Ul^dJI fl\\ n., (KI (Ij! k. , /m (Ejjjs kw., gelijk, even, van dezelfde gedaante, vorm, grootte, gewigt, waarde, enz.-, gelijkelijk, gezamentlijk, mede, gelijk met een ander of anderen {vrg. ojkejis): ook als redewoord voor een predicaat of predicatief attribuut, om uit te drukken, dat het gelijkelijk en gezamentlijk van meer dan een genoemd of voor den geest staand onderwerp gezegd wordt, en dan gewoonlijk enkel door ons meervond, soms ook door beide of alle te vertalen; bv. am irr^ rui ui oji n.Ji ij iui 2 if\' (vi vrj

(rjoiJian/js ik en jij zijn beide echte Javanen, (uiaj) (urjcm\\ om \'t even , geheel om \'t even. (uidJKMij rjdji (tui\\ op hetzelfde oogenblik, in een oogenblik. (uinnojiM\'nrHm\\ op ditzelfde oogenblik, terstond op het oogenblik. n/iajitj.uits een medemensch.


-ocr page 883-

799

. . n o o

(U tij) \'amp;1 n \\ soort sajoer. (uti rj gï? ^ (U) am (w

KH/js is je moeder wel? {eig. mede wel? d. i. wel gelijk ik ben?). En zoo vraagt men aan één persoon : y Kv 2 vj (Ut tui (i.j) (Li inj) if a (hiiji {of fly; ttj lt;ifli (inij ijn/n^) ben je welvarend? R. waarschijnlijk liever te verklaren aldus: is alles wel bij je, jij en je familie en*, zijn jelui wel. (Lidnydavji}^ (ki (Fjity 7fW)fihn\\ gelijk, gelijkelijk, de. een gelijk de ander, evenzeer; ook oji(tütvjlt;ia rjajj\\ zva. ïïn tj mizrjtkjz njijcriis intnsschen, met dat al. ajiumns (mckkzis iemands gelijke, evenmensch; hei evenbeeld van iets. (w zijn evenmensch. (ki oji mi

nn rj tys {(m(m (mlt;1^ (htji) en al wat daaraan gelijk is, en alle (o/ al het) dergelijke, et eaetera. — (in 10) (Ut (ij) (t.t tnt rj (Htt (urt (ut (tnijj irj(Lit art rut -jji ^t Mtnyrtztun (ujj^wjis verwoesten beide gelijkelijk het

lichaam, de arak (doet het) spoediger dan de opi-

n .SC)

um. (Ut dJt (ut (tJi (urt (H^ (Hijj n/n (ri^ ilw tut (Ut ~Jït (trrj rj (ia 2

(uvtvj(ut\\ zijn het gelijkelijk dranken, van de rijnwijn houd ik het meest (van alle dranken hond ik het meest van rinschewijn), ook in beide gevallen of in ieder geval. (ut (U) (Ut (Ui (ia cm rirt ctnirt nrtt

00 /■ a o njj, Mn (uit (ut ajt (urt (Hit \\ (utt (üj^ (tJt (utt urt \\ wordt men

in beide gevallen, hetzij nu, hetzij later beloond, dan liever nu. En zoo ook enkel (utaot (ut(ut \\ staat

liet gelijk, het één met het andere vergeleken;____

\'tj (im ?\'n (ut (ut (ut (ij) \\ niet gelijk, vati hetgeen tegen elkander gewogen of met elkander vergeleken wordt; het is {of staat) niet gelijk voor beiden of allen, ook het is 0/staat volstrekt niet gelijk,

ook wel zva. w (ut iut (in \\

Ij (ut(ui \\ (ütrt (ui n iets gelijk maken als iets anders hv. als het model \\ iemand of iets gelijk stellen of behandelen met een ander; iets of iemand gelijken; gelijk zijn. (Ut (iet ut \\ van gelijke n^njt zijn; iets vergelijken met iets anders, r) (uti 2 m tut dJt (ut a jj \\ volstrekt niet met gelijke maat meten; geheel onbillijk zijn. — (tj) (UtdJt \\ lt;étrt (ut\\ iets, zooals het zegel van een ander, namaken, evenaren; zich gelijk stellen met. — (£Jta.Ji (Uj \\ n:w rj (tt itij\\ iemand of iets evenaren; met iets of iemand £q\\\\]\\ staan; aan iets gelijk beantwoorden. (Hit(UtdJtnrtjjs

mrt(t.i rj (Tjt (t-njj\\ ace. beantwoord worden, W. I;

IQ C)

j ö. — (E\'idüi itnt ~/rt tj tdft \\ utrt rj fot not ~rtt (tnt (tn/j\\

iemand of iets gelyk stellen of achten, als gelijk

beschouwen, met een ander. — (utdJt itrt/j of (utnjt (inctrtfls gelijke W. II. 479. (utajtajt(trt/js zich gelijk stellen met. 0^(fc7(WT/^N zich een air geven of men

gelijk stond bv. met zijn meester.

O 00

(utfrj(ijt\\ kw. zva. (utt (tstij\\

irjiutgdots kn. losse, niet gezette, edelgesteenten (7Vï-mil hietz. pk.), rj(ut2dJi(K0rfi\\ nm. van een medicinaal kruid, y(F.t2dSt^ losse juwelen op een plaatje van zwart was, tijdelijk vastzetten, zoo-als de juweliers doen, om ze niet ligt te verliezen.

o 0/ O C) o nv i

(utdjts KW. zva. (Et(ut(ia\\ Ij. — (ut(iot\\ als een

a aS

(Ut (Ut w

O Qv O • 7 .•

(utdJt ni\\ KW. zva. orrj^ (ruw tnt (Lt ut 11 \\ KI., zie bij (u^ rfTw — ut iijjaot rrt \\ poet. hetzelfde.

S \' • 7 .. /

njtdjt 11 (hiji^ zie bij djuurtw

(lidot(ttrt(ut(tot(Htyi (utquot;n(trtyj \\V. II. 569, vrg. nyrt dJt iKtyj \\

O O O \' L -

(utdn (utt /j v (utdct itotji en tutdjt iHjt ihi/j-s zie bij ut ut

(Hltjjs

(ut ojj. urtji\\ kn. — (trrt (ut(iy nrtjj tegen iets aanstooten.

— (ut(iy iHfijHt/j zva. (hJtn^tjim (Htjjs fig. steen des

aanstoots , Rh..— ut(ty i^jt \\ iem. in den weg liggen,

o

vaneen voorwerp, enz. zva. urtnrrrtut\\ v, (tJtnmw

Cquot;) O O ^ /.• O

uuidt \'Hri^\\ (KtdJt utt fj en liitdjt (hQUi zie bij ut ni utijj \\

O ct . % O O* Q». Ov

(tjt.tJt itw quot;ïjï lt;Kt ~Jt rj (f^2 \'tK (Ht tot (ut ent q (urt (Ut (Htt \\

(digtbij, spoedig of) gemakkelijk wordt mijn bezoek

herhaald, en dan het feestelijk onthaal genoten,

W. J, 9. CP.

00 on 00 o _ no

tut dot (Hrtji \\ (utdJt itot/j\\ (ut iJt (Hit \\ en (UtdJt (tot (Ht/j\\ zie

hij oji Tt (totjis (UjdJtiHnjjMiii. I. zva. (t:r^(tdt(Hrt/i\\ — 2. de welriekende

bloem van de njt cmt (rn Sn rft \\ (den Pandanus mo-

. n

schatus), die een kegelvorm heeft, zie ut tt

f3. \'k t ^ utt -j^ijt (Hrtji\\ naam van een soort heel kleine, lichtgele stinkende rcnexva, die op zoet azen.

— 4. naam van een gebak van rijstmeel en bruine suiker in am (tut ^ gewikkeld. WW. — 5. naam van zeker fatsoen van krissen. WW. wettigt (tJt(Httitjj dJt(Hrtji\\ van de pamor gt; gedamasceerd als de poe-dakbloem Rh. — (izt(tot asrt/j\\ benaming van een wijze van staatsiekleeding van den Vorst of een prins, waarbij de dbdbt aan de regterzijde tot iets hoven de knie hangt, maar plooi jen of vouwen heeft en van achteren op den grond sleept. GR.


-ocr page 884-

800 (V) (tQ (vnTjjs

kn. vast, niet los zamenhangend^nsX\'m-eengedrukt, ineengekuepen , vost gestampt,* — (Ejitij) asnji\\ hetz.y en iets vast ineendrukken, trappen, stampen, {wrfcii iurn/j\\ vaste grond, daar men niet inzakt. — (ejkiv iets vast of vas-

ter, meer compact maken of doen worden, èy. grond door er veel op te loopen.

cüilt;uja\',njj\\ kn. mist, dikke nevel {vrg. tm a/i -7(nn (M ~ji ihiiji en iloi famp;h an rfjj fci/i). — ^ (b»^\\ gelijk een mist, zoo duister; van de oogen, als een wolk of nevel er voor hebben.

0/17]a.jifonjj\\KN. een jong, nog niet geheel volwassen, rund {vrg. (rr^rjdn

kn. gebroken en hreken, van een touw, koord, handy snoer, hoepel om een vat, cingelvan een paard, enz.; fig. afgebroken, afbreken , van iets dat in de lengte of in de tijd voortgaat} af, afgedaan, van een zaak, volg. Rh. in deze laatste bet. heter (L^asyaJiji* (vrg. Li op ? ns^/j \\ nhiarpi nJiminsvji enrknncm 2 asn/j),ookzva. un tu^\\ hetverliezen. (1/1» /l) t) w flüi iftim de wenkbraauwen niet meer ge-tronsd hebben; niet meer kwaad ofmisnoegd, WW. volg. Uh. echter 0u^inijijf). — (tiyam inyi\\ iets breken, afbreken; ook intr. losbreken, bv. vaneen paard, uitbreken, zich verwijderen van een gezelschap, uitsnijden; er een eind aau maken, ^5 couperen voor goed mee uitscheiden, iets staken, hv. een gevecht.

zich verwijderen voordat de strijd afgeloopen is, W. I, 125, — Qrjdmn£^\\ mv., en een zaak beëindigen, afdoen, beslissen. WW. een zaak staken, Rh.— lt;u rfWinftt(injj\\ obj. den.\\ afgebroken stuk {touw, bv.)-, afgeklopt, van een haan, gemak of krekel, die gevochten heeft. WW., volg. Rh. afgedankt, niet meer geschikt vtfor het gevecht, ook fig. van een persoon. Men. — mi(bvji\\ het breken, enz.

v kosten voor het in- en uitgaan der partijen van een geding, in en uit de afnerjn , die in vroeger tijd gespannen was om de regtbank. volg. Rh. gebr. dan rnn \\ rjoji:jfiutasnn^ kn. een kerf in het bovenste ooglid, zooals het lidteek en van een pok daarop, WW. vertrokken van hei hoven ooglid, zooals door lid-te ekens van pokken, puisten en derg.; vrg. nfnrj

■vgyïïr uk.

(ui djt 0511 quot;

(utij) (in]\\kn.; lt;iji(t.j) tj (isit 2 wji n ki)., een kar met twee wielen; een buffelkar met schijfwielen (vrg. n::namji); in den ouden tijd ook een groote koetskar van den Vorst, die door een groote menigte buffels getrokken wierd. R. — tfJtiJifons in een

aJiriJiam rijden o/laden; volg, WW. ook met een

o o

MiMas)i\\ vervoeren.

(uidj) (mjj\\ kn. steeogrond; harde steenachtige of rotsachtige grond {(umKMji). wwajy als (uajtajyi d. i. hard bv. van het lemmer van een kris. — (lddj)aj)aojj\\ een steenachtig terrein.

fcji(ijl(kiqs kn. scherp, bijtend van smaak, heet op de tong, zooals Spaansche peper en gember; ook staxV. op de zenuwen werkend, zooals van de lucht van eau de cologne, of lavendel, een scherpe, bijtende

vinnige pijn, bv. in den arm {vrg.

c) v oo qv en (fj^tïj) (ij)/j). (U)dj) 11 -in nm rjaj)\\ W.

11, 70. ij vorig zijn bij het werk; WW. volg. Rh. het drukste van een werk, het zwaarste van den arbeid. — (amp;kiZ)(u)Ja knatnnjtjj makend; fig. gestreng behandelen, erg. kracht, gestrengheid bijzetten.

y (LiiJt(Kiji voor (uidj)(hJi/j\\ en dit njiapojijj? Mei.

stuk gedrukt.

(u)(ui ij)(hi,*\\ zva. (lnac^ ut(hiji\\ parasiet, PJ.

cuidj) nj) 07) lm/j of obo.lt;j) (U)a7) (Hi/i\\ KW. een groote oude schildpad, ook ben. van een kolossale pop, waarvan het ligchaam een geraamte is, van gevlochten bamboe, met een of ander soort goed bekleed, waar binnen een of twee menschen die de pep

dragen, zooals bij barongan, bruiloftsstoet, ent.

a » .

oj) (ij) ou n kW. zva. oij^ oi^ or.) arijj\\

ojtoyoj)? n.isKW. zva. o^o:rj.\\ en tj^rhiiiu) (hijj\\

* quot; Qv

Oj) rjiu) * (t^/i \\ oj oj) ij o.j) 2 oijjj \\ kw. zva. i j (yt) 2 o.in ^ en rjojn?lu(y}yj\\ (Ükr.. dola, schommel, schommeling. pk.).

oj)oj)oj)\\ aj)oj)oj)\\ {volg. Uh. ook (hthuiojioj)) zie ojto.j)\\\\

(Loo.Cjo^\'Hv/is zie bij (u^a^ Hujjs

o o a- L ) o

(i/)(ij)o.j)\\ zva. orn oj) o.j) w

oj) ijoj)2 \'no,ij)2\\ of xvn ijoj) 2 oa ) 2 \\ gekookte komkom -

mer voor ^oxrDrnjj\\ Rh.

a o .

oj) oj) oaj) (hl/js zie o.j) (iv) \\\\

o *r,.r oo o o q/

0j)0j) (mji \\ kw. (hv ih)) (mji\\ oj) ovi \\ (f.l tlsh \\ lt;?w (ki) ch) w

{van (fü) camp;iji of tuncQ (M^ dus kond, om koud

i \\ O o 0/

worden). — wcij) eojj\\ zva. (amp;i rjonipi \\ en vrmoa wn


-ocr page 885-

il/tilJl (E t\\

,j i. ii \\gt; — njt itn (Hijj\\ Kawische benaming van het

leesteeken Patèn.

O o . O en (L/i ijgt; iE/i \\ tvmdJtamp;is

ui \'ij) \\ kn. licht, donker of duister, helder, /^/// 0/ lucht; licht, ^ow ü/ waan, klaar,

duidelijk, als de dag; open, niet door schaduw verdonkerdi schoon, opgeruimd, gezuiverd, van ruigte, onkruid, wilde dieren en roovers of slecht volk; en zoo ook veilig, van een weg of woonplaats {vrg. -/ /? ook wettig, bi. van een koop-van een bt vel nl. bekend bij de overheid, vrg. ihn rti\\ ook naam van een gewest e?i hoofdplaats op de westkust van Sumatra, (uinj) $1 (171 rj tvn \\ het licht van de zon, zonlicht. lUKiot uïww\\ (Uj^uiui/f

of (ui imrvihi.p het licht van de maan, maanlicht.

•\' s CQ, --l

iijiij)(kiiK^n n., ihmh(uiirvt(hiji\\ k., lichtemaan. tui ih iij, iLi (ui\\ kN. ((ij)dh arr^ru (hn/j) benaming van een pajoeng van hoven en om den rand verguld, in het midden wit, van een Pangeran-stintana. {tut ifj)i\'ti(Ut het licht van de lucht, het daglicht, tut nit njinjiimm\\ het daglicht zien, ter wereld komen. WW.). n/n.irirjitJiMahvniHiam\'-ns de veiligheid van het land bewerken, injtxiin {of vJ *} ihn/j)\'Uitois een open brief, een geleibillet, pas. ilkuji (ui m ij)o-ji lt;viah \\ open magtbrief. G. (wwtdn m lt;M(hrn\\ {uidj) (ijti (ui om tSn Ki ) helder van geest, (tnahdmas?rri^s opgeruimd van hart, van kommer en zorg bevrijd.— iijKuialn* het daglicht, een open plaats, waar veel licht is, die niet begroeid is. — Mfijis inde spreekt, zva. ifji 111 wj!\'\' zie bij (utajt\\(Etah ir.i \\ (lichten, schijnen, G.) beschijnen, verlichten; verhelderen. — iamp;iajt lt;i7ivj(Kn\\ iets licht, helder, duidelijk maken, ophelderen, verhelderen, verduidelijken; een weg of land veilig maken. /Mafh iw ri-hrta/n tbtè (ofunastt (u hn \\) het havt van iemand {of donkere harten) verlichten, door het van zorg en kommer te bevrijden.

(uiji\\ kn. een zijgeweer, zwaard , sabel, houwer. aJ

.0 o t . /-gt; »

ij)iv}(tut{\\ een regte (i/i(t.j)\\ een rapier {vrg.nji^n

7 YJ* ut \\ eti qji(un (isujj dat een wat sierlijker uitdrukking is). (i/i dj) \\ sabelen, met een sabel houwen, met een zwaard slaan; 00^ gelijk een sabel zoo krom , van kromme beenen, zooals door En-gelsche ziekte, II.; volg. Rh. uuih (ti 1*1 \\ of

O O li/..

w^nasnj! sabel- of aritvormig van de dijen vaneen

-) G) OA1

(LD (IJ! \\ 801

paard. — it a hh an \\ mv., met een sabel hakken.— aj} tfiaj) \\ het slaan met een sabel, enz. —iLaaci ivi ari/i^ met den sabel tegen elkander vechten, duelleren. itjtdji (wanji of fütaji (utin (ei nri/js een nagemaakte sabel, kindersabeltje.

kjioji \\ kn. in de volkstaal zva. iJdjiw Qw an an/js

O 0 zva. oj)U)ri(Hiji\\

tlMt(ij)\\ kn.; iu ijtj v.1 ?dei een soort van mang-

ga. JR.

o O o _) o zquot;) o ajiaJi aj) tjiaoi aji \\ fa aai an o^ijhii mi fj \\ enz.,

ki)., of wel meer sierlijk dan aji ajt \\ t/a »\'/ \\ enz.*,

zie bij (\\7^ \\\\

(uiax \\ kw. zva. tj en lt;1^ hn \\ y ayn i hm

{of aj tun i rrt(ui mï oji iix \\) n., rfdrn ? (tai dn gt;; ok {of aj) uc ajta*:\\) k., het lijkt er niet naar, het is er ver van af. {of rj axt rj^ri) ajim^ {of uiatstu

axs) het lijkt er nog niet naair, nog op verre na niet.

(Uid^\\ tfjia«i \\ en (EjIrjatr ?am un\\ zie bij en onder lunafjw

djl.i£\\ kn. naam van een wilden pinangboom, een kleine soort. — (ia a£ \\ iemand of iets {één uit meer) uitkiezen, uitkippen; iemand afzonderlijk bij zich roepen of laten roepen; afzonderlijk of op zich zelf staan; onmiddellijk onder de bevelen van den Vorst, Kroonprins, Rijksbestierder of andere hof-groote staan {van vrg. iij)a£\\ en als pass.

vindt men ook wel un ajj iM\\ en aa t^a a£ - rjam ?■~r) dn un Jin? {of ui yjaa?\\) ik maak geen onderscheid

tusschen je beiden, het geldt beide gelijk, xj)aS. aji

ca o 00000 , ) ,

en iya ik aji (hj aai s a^am asnj^ \\ benaming van

twee corpsen pradjoerits van den Vorst. Vrg. ook

OO OO O • \\ I quot;O v.

.w \'iK (rnji n (ha ali % \\ if.a vji q\\ en wmi ■); volg. ith.

bet. lt;Fa ik \\ op sommige plaat sen van Java, zva. in ary n

00 o ^

vrg. nog \'hanrjaj\\ kw. zva. kuikw (fji rj ik uai ~/n

ajini\\ aan iemand boven anderen de voorkeur geven; iemand onder zijn, 0/iemands , onmiddellijke bevelen stellen. — (ui wrj ik (in/j \'/onmiddellijk onder de bevelen van den vorst staandequot; ? B. T. Dj. 035.

aj^ok\\ kn. (\'^ 00^ we^ L\'li^JI KW*) liulde, vereering, aanbidding {Skr. po êdjd); ook (uiaK\\ of 1^ Lj ik\\ iets dat aangebeden wordt, aangebedene, bv. rj iJi ? ut rf ia 2 an ~j^ ik w r. — ^ n iemand of iets aanbidden, goddelijke eer bewijzen; ook zva.

51


-ocr page 886-

S02 njj ik

lijm tui\\ door bidden scheppen 0/ voortbrengen. — 1,1 f j Lr \\ het aanbidden, ^x.n{iui^hk\\ bidjapou, zonale do priesters dragen. — i.jiKmq of i j i| k mi/)\\ obj. den. door bidden verkregen, enx., voorwerp van hooge vereeriug of aanbidding; aangebedene.— (U\'tl ikplaats van aanbidding, bedehuis, kapel. Zoo och- vj lt;m lUKamp;jae;

kn. lof, en biddende wenseh, bede, gebed, vooral voor een ander {waarsch, van ik\\ waarvan

• o v Ov / * Qi-* o

ook .11) i.-s n ). (\'M ij ii n * vn {of m u u vi j (un) i ^ ik lt;hn d.i gt;1 i.h nïït nj rjj-t 11 j j \\ alle lot\' zij God! njj uj ik nyniw loven en prijzen. — loven,

bidden, biddend wenschen. — ^ok hu ^ri »ƒ kn\\ of (£0 t j riiik i.n i\' 11 \\ voor iemand bidden, iemand toebidden, biddend iets toewenschen. —

lof j het biddend wenschen, bede.

quot;) .quot;) O 0 O O

ui i/T ^ \\ fa w: {\\ (M lc % (Uii iamp;i (ik ^ (i n \'H n im/j en cut ik $ o

n/n (hnji \\ K., zie (Ui itgt;ii w tui uk j \\ plat woord voor hiiui of fif^un - ) j gt; (vrg.

ook plat voor kind.

ui us (Hiji \\ zie bij uj ik ^

(uik (hn\\ kw. zva. ui in uiihjwjl {vrff. wikihj^). G. mikx 1. Jr. , phadjr, kn. zva. tx-niir^ injs — 2. hj}.ik\\ zie hij \'ikw m iks ook zva. miih \\ helder, licht, (of u)uvi%) ui uc \\ de tijd van

het aanbreken van den dag, wanneer het morgen-

/ O

gebed verrigt wordt. (i i i.T ilt; tj M1 \\ de nanacht, van ongeveer drie tot vier uur. luiaKrjuirjapinn/i

of (Ui tKorf ip unjj het uur daarna. JR.). — • 1«\\

X o / . i .. s

(MiiK\'n\\ en foi(iknivj un\\ zie bij

o C,\'\'y • •

kn. 1. iets alleen doen zonder aan iets anders

te denken, zich uitsluitend met iets bezighouden j niets anders doen dan, ongestoord, ongehinderd iets doen, B. T. Dj. 328. — 2. naam van een hars, dat bij het solderen van goud en dergelijke gebruikt wordt, misschien borax (vrg. asiïiHnvu/j). — 3. hamerslag, schilfertjes van ijzer. — 4, naa7n van een soort kleine sprinkhanen {volgens G. kapelletjes), meestal aan de suikerrietbladen te vinden , en die tot medicijn tegen de spruw bij kleine kinders gebruikt worden. WW. — /t)xk\\ in een gloeijenden staat zijn van ijzer, zoodat het vonken spat. — iSuiK ui\\ bij het solderen u? ik gebruiken; een obj. solderen, Men.

ei o/ rgt; . ... oa\' ,

u i ik \\ /ei (ik \\ en ui ik n (hi^-- zte bij H/n usw

rj tui t uk \\

rj ui t (iK en ij ui 2 ok \\ zie bij (ut^ikw Ij un (TjiK 2HIJ^ KN. hoek, buiten o/quot; binnenhoek, 2-oo-als van een tafel, huis, kamer of lade\', ook uitstek; en punt van een kleed {vrg. ui ijdcu (Hijj en tj ojiiijwriitu/i). ij ^it ijiK? itfirjquot;■gt;? kanteel.

(ij uurjiKi (Hi^ij\\ een hoek vormen; in een hoek, bv. zitten; uitsteken, uitmunten; uitstekend. — ij tui ? ij ik i ifjj\\ ergens een hoek aan maken; de hoeken van een sawahveld, daar men met den ploeg niet bij kan, met een patjoel omspitten {vrg. Kinp 7fy\\). — ijiiJigrjiiG2 im(mjj\\ aan de hoeken G. en zva. ij (i/i2 ijiKi(Kiijj\\ hoek.

tui iKHii -ïAMijj\\ zie bij iK uu ^ w ui (ik(if^j^(iajj\\ i\'w. zva. nytfj^ unvj huw ij^(ie^(uifj\\ kw. gebroken, afgesneden, doorgekapt, G. kn.; lt;E^(ii^(i(ijj\\ iets snijden, knippen, zagen of behakken, om er een bepaalde vorm aan te geven, zooals bv. een kleérmaker van een stuk lal en de

mouwen knipt, R.

o O o 0 O

IL/I ItC HilljjS kn. i. zva Ij (UITj lK Ull/j\\ .— z. (UI IKdSHj)

kn., ij un-uiij \\ ki., de manipulatie van met duim en vinger, of met de volle hand, ^acht te drukken en te knijpen, namelijk de matte leden van vermoeiden tot opwekking , of de slapen van het hoofd tegen hoofdpijn: het pidjëtten, als kostwinning, en zich laten pidjëtten. ajn oji i?am ^rri un \\ voor *?i us un ~7iih?i\\ het hart drukken van erg lachen, ons: den buik vasthouden van het lachen, Men. — (sik unjj\\ 1. iets drukkende knijpen. 2. ui ikuii^ kn., (btihinHvjj ki., iets , zoo als een dij of arm, tot herstelling zacht drukken, als enkelvoud. — ik ii^n\\ en Lintiiihjj mv., en iem. pidjëtten. — u ^ Ww/j^ obj. den.; indruksel met de hand of vingers ergens in gemaakt JK. en een andere benaming van de (rui LInjijj .

Yjuitj iK (isiijj\\ kn. het drukkend knijpen tusscheu of met de vingers of met de volle hand, of ook ius-schen de handen. yj ui ij ok asiijj iets knijpende

drukken, toe- of opendrukken {vrg. uii^uii/j)

o a

UI kw. zva. it LI III w

ui ik ij tvm (hi/j \\ zie bij ik uij w

(ui ik(ijjirHyjs zie hij hiixK:uiijj\\

ui (ik: ruji \\ in 0(ui^ \'iu ^a/n (mji\\ zie onder un uk (iti/j \\

(ui\'it^ui unijj\\ en uuxf^ui zie onder mnae^w

ui ük *ni/j \\ ui \'üJflfl n 1ij nn \\ \'Ui Rftft ^/j en u


-ocr page 887-

oj! IK mijl \\

808

u rj a ii t \\

zie onder \\rni^cniq

m kn.: iamp;i tk (riyj^ uitkippen , uitkiezen; iemand

uitkiezen en beschikken tot een bijzonder werk {vrg. iSik\\). WW. welliyt dial, voor wik* ,u ix cm (inji \\ zie bij ik m w

ivi ik\\ 1. kw. zva. (uitij) en (ui -m oftuiyrmn-jw — 2. kn. , (ui iiium ki)., naam van een distrikt, waarvan Soerakarta de hoofdplaats is, vroeger een rijkszetel. — 11 \\k kny. zva. mow en rj m \\\\

— kn. iets draperen, met draperie versieren; een bed opmaken {vrg. (hiasii ). tu^rj ki iJ hj ik (ui ik \\ met behangael en draperieën. ik ajiw-n an^ zie bij (UKhUww iamp;ink enz. zie ook Diiik\\ —• (Ui ikiiTidfiji of (Lnm\'ik(w(Kijj\\ gedrapeerd; het gedra-peerde, tot een slaapvertrek met behangsels gedrapeerd; het bruidsvertrek; ook het staatsiebed in een Javaansch huis, zva. fjMiiirj(uh2iri(hn/j\\ en het Padjangsche, de Padjangsehe landen; volg. WW. ook dienstreis naar liet Padjangsche {of So-kamp;watische).

ojï ik n k. , zie (ui ii£^ \\ {onder t/n \'Wy N) llj1 ^ en m nN

(F) G)

— u ik \\ en ui ik (ui (Hijj \\ zie bij (uid/u^^

i/i ik\\Kw.; (fjiks iemand van iets af houden

C ) • » lt;3 (. quot;) » • .

h:i ik\\). (ia (ui ik rj un i rj iui % rj tm ei ui nijj gt; van het

eten afgehouden worden. (Waj. Pr. 50) GR. zie

O .

ui ik \\

ijy ikd geleerde, taalgeleerde en dichter {vrg.

(ür^ r^dki cm\\ en uKrïjjjW Vroeger had de Vorst een aantal poedjangga s in zijn dienst, met een (ijiaci a,) ijiik ? crn aan let hoofd). (Uj ik cm ^{Oj^ ik \\ hofdichter, een geletterde en geschiedkundige aan het hof, die het ambt van Ryksgeschiedschrijver bekleedt. G. (Uj (fjdkt om (uij quot;ti ti \\ naam van een goed teeken in het haar van gaarden. W. volg. Rh. ij i] nk i am uyiE* •gt;7 n een zwart paard met een haarkronkel op de bovenlip, een goed teeken. — uj, tjiki (rn i?i naam van een ghiding. —

un ujdkcni(Hij\\ taal- en dichtkunde.

kw. zva. iuitui\\ (waarsch. verk, van if \'iuiufjj ). ui iiLi\\ kn. verkorting in de spreektaal voor ijy^oji iah \\ in den zin van ijom ij rui liiyj en r.j iuivj tenm/j\\ Zoo (isn hrj (Ui ii vi\\ (ui mi ^i uia \\ en un iu ui imw {vrg. (uiTjamiJiji). R. (WP.).

\'tfi(i/i/^\\ I. n.gt; (ui iKyK., gewild worden , een kooper o/ liefhebber vinden, verkocht kunnen worden, van I

een koopwaar, ook wel fig.\', geld kunnen opbrengen , kunnen gelden ; gewild , gangbaar, van een munt. (ui(vv^ruiuii\\ gewild voor het huwelijk, gemakkelijk aan den man komen, van een meisje {vrg. (uiküi^\'. I.). — 2. kw. zva. (in^ac^s en (ui iui (Wj,\\ zva. (Ui r.i lt;»/jjj r»(hn/j\\ — (f.i(iA^\\ N., (ZjIïk nK. , een dak maken of vermaken, vernieuwen; een huis dekken, volg. Rh. meer bep, met atëp; overschaduwen, beschermen. — /e/ï q(Lvit uj\\ kn. ;(£■)amp; iki\\ kd., iets van een dak voorzien, ergens een dak op maken; iets onder dak brengen. — iniri ij ,i.ii z un *jiirj hii \\ I. n ., (fji ik (ui dfn (Hi/i \\ k., maken dat een waar aan den man komt; iets van de hand zetten, te gelde maken. 2. iamp;i rj (hui t uii rj ij un \\ kn.; (FjuiKm^ii (ui/j\\ kd.; iets tot dak van

een gebouw gebruiken o/doen dienen. R.—

(P)

1. n. , (ui(iamp;(un(hiji\\ |c., een gewild enz. voorwerp; volg. WW. wat iets heeft kunnen gelden of opbrengen; geld dat men heeft kunnen maken ; geld maken door ver koop en, iets te gelde maken ; {ook een gangbare munt. G.). 2. uyiwn kn., (ui\'iiK n kd., dak; kamp;\\i van een wagen of kar.

(fji(Lvi\\ van jongs af groot

(Ui r) o n 2 \\ zie (un ri .lui ? w

o a ___ o o (ui i.i/i \\ - (UiiiAJi inijis

brengen van duiven.

o • 1 quot; ^ r

(ui rj m \\ zie bij nm (icw I.

(ufjj-(\\ kn. klanknah. van iets dat op eens in tweeën breekt

O S ï

(UJ^ f KW. zva. ui FJI \'Uil(f^ (Uil (Tji \\ ii /li :^JIrri\\

en ijti\'i^(u2din/js ijkfji^j^ kn. zie boven.

een uitroep om m/plotselinge bevangenheid of schokkende aandoening uit te drukken,

waardoor men zijn krachten verliest; bv.

O n rquot;)

un rj cm lunjj \\ if (ujjj2 f ui (in \\ rj (Ujjj2 j (uj,iamp;i (iJijj {vrg.

(ijjl ^.i rj een plotseling gevoel

van zwakheid en onmagt door een schokkende aandoening; zulk een gevoel hebben. JR.

m i vis kn. uitgeput, zooals van vermoeidheid, zoodat iemand de krachten begeven; uitgeput, van een zieke, wien de krachten begeven ; ernstig, bedenkelijk ziek {vrg. volg. R. vwu (uklxji verval van krachten. 77un t ij iuiq(ur^ ^(m2 rj 1 ui iui uihju%\\ ik beu met zoeken van land uitgeput, kan er nergens vinden.

a/i^nkn. het wijfje van de xfnrj uin \\ zie ook en op


51 *

-ocr page 888-

119 lt;111 j \\

o

i.i iijvt

804

rrri (EjI hnjj\\ kn, naam van een \\

Hein soort van e enig zins peervormige kokosnoot bijna gelijk uu ui cm ijï\\ maar groen en van den hoorn, die ze draagt, die veel kleiner is dan een gewone kokosboom en fijner van blad. ^ * gt;/ gt;quot; ? n

een soort patrijs. — i j zie bij (ut^

ilAJj gt; \\n

CY

ij ut ? i.ii ^ kn. een groot e soort Mrjhmtm/j Rh.

ujj(hijj of tii ujjjm/j\\ ku. beschot van een dak, zoo-dat men geen dakribben of \'pannen kan zien , eon soort plafon\'1, gew van gevlochten bamboe.

ui rj (lm 2 (hi/j zie (iji ifuj^ w

ij ui (til in^ verkorting van ui ff if-i (Ijxji (w/j in de famieljare spreektaal. 11.

ijuiiiiKHyj of ijlrjm2 Lil inqs kn. zva. of i t

. o S O

\\ m^ ook zva. ajiifytéïjw ijiejIihji(Ni/j en ai ij

lyj (u 2 ijvi (injj\\ hetz. G. — rjihu Lui ^ zva.

asijj \\ en ih^ isrj^ Si v W W. (bij Winter rj tui i lu nrjj

zva. (isri 15^ v), volg. Rh. rj n.i t xn in of ui rj ui ?

lu (hijj permissie, vergunning, toestemming vragen

(W. TI, 549).

ukwi/kjin/j\\ zie (U(u^i^(mj\\

a O • ^

ui uii m tli/j \\ zie bij mi in ru^\\

of) o O • o

ui (lli i^i in ^ ifi ilii ifli in/js zie ui lui \'n\\\\

lj j\\ kn. zva. hntujji^ als klanknabootsend woord.

r\\ 1 S S C) S CS

(Jok zva. kh uf ^hnuj jw

tj uirj uu2 \\ kn. 1. krom van de beenen gt; met buitenwaarts staande knieën, zooals een varensgezel op een schommelend schip loopt {vrg. rj uirj \\~rm\\).

2. tp. zva. vjamdrjcrms

c\\ o ct C)

(ui lli rj n kn.; (f-1 lu quot;gt;7 \\ kn.; (El (lu (fn injj \\ ki), zva.

i?i vj\\ er op nahouden, zooals ganzen of bedienden i en mainteneren zooals een kind, vrouw 0f bijzit JR.; volg. llh. Mal. (pëlihara); vrg. Skr. pa-

rihdra, hoede, behoedzaamheid , enz.

/ o/ . c* / as\' ox

ujjj uji\\ ui (lu dyi\\ of ui un wn (eidvt vas (e,t (ld vaini

o S o / o /

ij im \\ (fyi ijvi va injj \\ ui ui nu iyt. \\ ui ui (lu va (Hifi en

o s O • /

ui ui (lui lyKhj injj gt; Zie bij Tj Kj \\\\

s s q s q s

ujl (Liy m ajhj, \\ kw. zva. ui i ^ NN iujjjini^/j\\ 1. een klanknabootsend woord voor een geklets , zooals wanneer men een net in het water werpt {vrg. \'fJ 2. poet. verk. van ui (lukiijs

of uii^jiifiijj \\kn. gepiep van een kuiken (vr^.

O Cl O Q .

UKLVI h lIJI en Kn (LVKHJIJj).

kn. klanknabootsend woord voor een geklets

of geklots van water {vrg. i n ujj^ mi/j en mia jj ini/f) ; volgens G. ook verk. van (m (^jjini^).

cui 1.1.7 icn \\ k n. zich vaneen scheiden, en zoo ee7i opening of doorgang maken; vanéén wijken. —ui lu kiiji^ iets vanéén scheiden, ergens een scheiding in maken , woals in het haar; zich zoo een weg banen bv. door glagah\', een menigte enz. (vrg. bij uinjvimi/j\\ ook fig. een geheim of zaak openbaren , of aan het licht brengen.

op _ quot;)

ui li i kii j--ujji kn/jy

o o

ia lu khji kn. kuiken, kieken, van een duif (vrg. k?i

o O ,

i.u kiifj en

ij ui ij lu ? kti/j^ ook rf ui rj (lvi 2 (kii/j; kn. deuk, gedeukt, een deuk hebben, zwaarder dan ij uivj^nKii^ ook wrak, wrak staan, niet stevig meer staan. — rj ui rj (lm ? Knjj deuken.

rf(ui2rj(LU2(Kn/j of ui rj uitrj (lu i kii/j \\ kn. spot, spotternij. — ij ui 2 rj (vu 2 Knjj \\ met iets spotten. — rj (Fi2 ij (uu2 Kn n iemand bespotten, bespottelijk maken ; met iemand spotten, den spot drijven;iemand honen, aan bespotting blootstellen. — rj ui 2 rjuvt 2 ini m/j n of (urj ui 2 ij iu.i 2 iw(injj\\ gespot; elkander bespotten; tot spot; spotnaam, voorwerp van bespotting.

Mjlini\\ kw. zva. n/iirrriw tui (iaj^ (ia injj \\ zie bij (uu^ ui w

(UKWjjdci^ns of ui rj ijl/i 2 (ici ti ^ k\\. van II. («S/ir.

pajodara, de borsten van een vrouw. Vrg. ui

\\ / : ) a

ui^tiAJjjinrj\\) \\ ook ki. van ui nn ili/j\\

o i-gt; o ___

(ui (lu (1511/js ui uu (151!fj n (hu ui uu uii/j - kk otj uu 2

anjiw

rj ui ij du 2 un /j — ij ui ij uu 2 mi ,j \\

o . o »

ui(lAJjun\\ zva. uKurjuns zie (Ui^asnw

vj ujjj2miji^ ook zva. uj^hiiji en oiKQ^un/js AS. ui(vi^i^/j\\ kw. of kn. zva. (vm(i/vi(mji {Soend. utuu

vj)-

(uiaiuiruyi\\KK. een vischgeer met drie punten. {Inhei Lamongansche zegt men (iji lu njijj\\) JR.

\'quot;gt; o . ,..

ui.lliiui\\ zva. (uiuviui* zie bij i/nruiw

(ui (lui (ui uii/js Jr. gelaatkunde, phisionomie {Ar.

iiUj\'ï-

ujjl uu \\ verkorting van ui uu lu \\\\

r» 0.0 o

1/1 uu uu gt; Zie {(lri uu 1 ui w

o . o CY

ui ULIIAJ^ kj n kw. zva. ij (kii 2 ^ (El im w G.

iujjj lu (ei\\ K\\v. 1. antwoorden. 2. vervolgens, daarna. G.


-ocr page 889-

805

rgt;

ui Ij itu i \\

UI lil flhlI/È. CD

n ^ O 0

i i.iii n hn/l^ (Ljij f iKn/) of (L/im f i\'Kvns en ut tu* i co -J\' cyfco 1 J co ^ co

MI,if ij\'K , m\' rfdn ijiViw lUiiMrm f.yi\' zie bij (uiichnitj}j\\

rjj^s kn. (vjjlvjjjwvn/j\\ wispelturig, onstandvastig,

Tj., vrt/. 7uujiiw rj\'LJJIls KN* klanknab. van het geluid van veel heiletjes; zie ri^iwi rf iamp;iJjjjz\\ BV.

,lml;\\ wj. kn. naam van een soort van lang trek-net. — .f. ï \\\\ ((L^(uniui(LLi\\ naam van een soort van vaartuig van middelbare grootte. — iif.iin .171 Mijj\\ {en verk. hjI lli i i anj Rh.) naam van een vaartuig tot het visschen met een (ia i.li ingerigt. — iitn iti ^ i nu w y iói i iini ifji .i li \\ in Banjoemas, een visscher, volg. Rh. die met een l; ieji iCi uin-nji uitgaat, {maar het kan ook bef eekenen iemaud die tëmpajangs verkoopt, zooals ons pottewijf ü/potte-meid. Zie (L,n iF,t ^iojCi boven R.).

ii;haj^\\kN., ui 8ski)., (Tj Kiirj,min Ki■, regen- o/ zonnescherm. {J)e pajoeng behoort tot de onderscheidingsteekenen van den Vorst, de \'prinsen en de ambtenaren tot een mantri-panèket toe y en verschilt tot onderscheiding van de rangen in kleuren en strepen). iL\'i mvj, {of ij iki 2 y ki ?) un ny een groot zonnescherm {dat volg. Rh. niet kan gesloten worden, vrg. iityi cifoiyj) met katoen of zijde overtrokken, met snippers klatergoud beplakt en met hangende plooijen om den rand, behoorende tot de i/r^iU i.i\'r)\\ van den Vorst, den Kroonprins, den rijksbestierder en de régenten. H-Kui^ m n i ,i ij\\ gouden pajoeng; van den Vorst, {of vorstetijkepersonen, volg. Rh. ook van residenten, en bij hooge onderscheiding ook aan regenten verleend), vorstelijke pajoeng. ^ {of a\'Jun) {of ijridij iji\'iis) van papier gemaakte en dan met kleuren geverniste pajoeng, die tot vereering over een graf of iets heiligs geplaatst wordt, R. volg. Rh. is dit een gebruik te Batavia , en wordt daartoe een kleine van papier vervaardigde en gekleurde pajoeng gebruikt. li hm \\ rj nht ijw2\\ gelijk een pajoeng; cn de pajoeng nadragen, als pajoengdrager dienst doen — haaAjj .i?i \\ y vitrfa^i? if!\\ iemand een pajoeng boven het hoofd houden. ook iemand tot bescherming iets boven het hoofd houden; overschaduwen, zooals een wolk; beschermen {vrg. r:i

v1112 en \'\' }jri quot;fquot; n ^ ? 1\' i rri fsj \'3 ^

foii/j de al\'togt van de soldaten dekken, ^ (M? ici nnjl eig. zva. uu rj j iiynjid w (hi/] n in ihïi mi ijWi tr ,hi Jri ui£uii.i ■.Hyjs voor het ondermaansche R., doch ook elders, bijv. in Men.; 0.riïlt;rj«in \\ 0.io th i, n •gt;» ^ o?n een luisterlijken glans voor te stellen. — 11 r^uid if i%ii\\ pajoengdrager, B. T. üj. — lt;u ivi^ rn .ui q \\ tjti\'ii if .i\'nui/hlt;i/j\\ de pajoeng op hebben, met de pajoeng op; ook nagemaakte pajoeng; bv. u a.\'i/i. intniini .ki/j\\ van papier gemaakte pajoeng. (ijl ii .f .•\'/ ? \\ KN. een klinkend geluid. G.

(?) G) Ci 0 ».. t^) .

iüüi \\ iii in \\ en :i^ i iur.i mfi\\ zie bij i/i^tuw

rj oji i itu \\ kw . zva. cfhdj^^ WW. — 7 ^igtiü \\ kn. in

de war zijn, verbijsterd rondloopen {vrg. mi.lli . 1.).

rj (f ig lli oj ieq lli KW. zva.* aVj(M \'n ifi ï lli n een

vraatzuchtig, gulzig, schraapzuchtig vorst. B. —

rj (li 2 illi (li .u i .171 (hl/j {ook Wel Verkort li i lli l :) IhClfl \\

G.) verward en verbijsterd rondloopen WW. {of zich op den grond rondwentelen, bv. van pijn of wanhoop i telkens heen en weer draaijen, van den wind; geheel in de war liggen, van omgevallen padigewas; JR.) verward en verbijsterd, van iemands gedachten \\ woelen, onrustig zitten of liggen , (door allerlei gedachten geslingerd worden; zich in allerlei bogten wringen; bv. om zich goed te houden. JR.).

o . O . . ..

aji lli hm j , zva. vi\\jn 1.11 ?\\ zie bij i/n tifw

lji lii iry gt;\\ zva. (ijiish ilt;rjf\\ zie bij (uhin^ js IJ.

(ui (llï 1:1 hi ij \\ zie bij tj vu lu w

•ui 1amp;1 \\ ivi .tl \\ zie bij iL/ij (ui 1 is\\

tj ui (Bi \\ zie vj ui i (Ei

rj U12if?n n., ij uiir-ii\\ k., uitdrukkelijk bevel, het is mijn uitdrukkelijk bevel, als toeroep, om uit te drukken, dat iets volstrekt en ten stellig sten geschieden moet; en zoo gewoonlijk tot nadruk rjuii

*

.t» ij ui2 ui \\ gt;1 ui (Ui tj ui ui {vrg. ui ^ ^ (un trn/j). tj rfui2(ai : un tfï (isii rj (hj 2 t un n i rj am 2 onjj \\ vol -strekt; zonder mankeren, moet het geschieden, nri

{of ij in MTjf) ij vi 2 ifjt \\ volstrekt, hoor! ./] 1 li ij ui

G) \' S i

tu ij (ui (ui (hu (Ukvi^ un a7i 1, n un un s en uaarom 1 s

het mijn uitdrukkelijk bevel, dat broeder toch naar

Kürta-ardjd korae! —rj (amp;i 2 (Et n (ui d (t i tj ui tui rj ui

ihi\\ iemand uitdrukkelijk en ten stelligsten iets

bevelen.

tui n ^ KW. zva. (rri hiji uiyjw kn. oud, van een oud tandeloos man, die veelal zit te kauwen, knabbc-


-ocr page 890-

^ iL\'l è U J XjV WJI \\

806

M rj if as

leu op de hunnyns van een \'paard, ai.u^dart^ bijnaam van Narad a. R. — ihHBijs kn., «/»ï (rhm/jnsriji en rjiamp;\\ Kl., kauwen, met de tanden of kiezen kauwen; (ooiï kieskauwen. G.).

en ïoi tv) iei pass. iamp;namp;t j lt;unvj wi \\ voor een ander bv. voor een kind iets kaauwen, W. II, 888. — (ijl iti % cun w/j en tnji^ wat ge

kauwd wordt.

ij u ? t i gt; i n tj iu (f.i % i.n (hij zie rj n n ? iE i j n\\

.i.\'i fiMi/js bij verkorting , vooral als vocatief, ti (hijs kn. oom, jongere broeder van vader of moeder, in onderscheiding van v w Het wordt ook gebruikt door jonge menschen om een bejaard man vriendelijk aan te spreken. En zoo noemt ook wel een bejaard man, tegen een jong mensch sprekend, zich zelf oorae, ook tp. als vocatief vriendy vriendlief in pl. van mi (ktJ) of tj tun (Hi^ of tegen

jongeren, en of un tegen oxideren, u f irf

\'Ien veelal m zijn (pf haar) oom.

ftz/OffO/i iemand oom noemen, tegen iemand oom zeggen, .m^ f j m li {hnjj\\ oome genoemd worden, uit genegenheid.

i l. N., zie bij — 2, k., zie bij lt;v!

Cl\'

ten \\n

O s\' „

vt tuwju i KVt. zva. ui tj uu r) ij htiw (r.

iL\'/ £i t~ni m\\ of li .{i rni thn\\kw. zva. u rj rut in \\ (van

£ Inn an\\ zva. (t n w vrn on\\ en dat van hkr, w a n-

( l fo CA

tj ana.

ut it I irf h \\ zva. .UfF^tJtw en ui / ^ i .nt i i jn/j gt; zva. i i

ramp;h ii i.i mjjs zie bij L^riw

LI f 1 I Jl (Hl \\ ZVa. I I fi I im (Hl Ygt;

(Jb

iLii ijtEi\\ kn. pronk, iemands pronk {misschien van ti fi. zie bij ii on). — ei rj(Ei\\ iemand iets uls iets moois, of als een pronkstuk, laten zien. — lEAriw-nriiHns iets als iets moois, om er mee te pronken of om het te laten bewonderen, laten zien of vertoonen; met iets vertooning maken. — (Lirfwricmjjs in de pronk; tot pronk, oo/r pronkzuchtig. Rh. en een pronkstuk bv. een mooi paard, dat men laat zien, om bewondering gaande te maken, ij ii?0 een pronker d/i r\'irj cm2 m ij (Ei nii)iyi\\ pronkpak (zondagspak).— ilhjieiiua?im hi(j\\ eig. dagelijksch en zondagspak, een uitdr. voor onderscheid tusschen buitengewoon en dage-lyksch, goed en slecht, enz. W. 11. 899.

ui ij Éi i \\ zie bij tj ui z w

a ■ § o

ui [iEj{\\ zie bij iyn^\\\\

(Ut (e/i iü (hi\' KW. zva. (rnföi nifls G.

t/i fio \\ of ijj lEidb^n?) \\ zie bij (iL^duj iaw

O • » o

(Ut (Ej^ n cm rviji zie bij u^ iimnui/j ^

(ui(E/j-r^s zie bij t j■ij w

(LtiE^nrnjf en tuiiej^ myj\\ zie bij wui Hii/j

ut rj ui (hnjj \\ zie bij rj i ? hhjj \\

ui ki (hu njjjjs zie bij ibi un i)/j\\

ui (EjI ij (ui \\ 1. k. , zie bij ui tj na a — 2. kw., zie bij

\'Ui iUjjj\\\\ 8. bijn. van Ardjoena.

O j ,. o

ui ei iichun/js zie bij cunKunnns

O o

ui (èn(ui nil an/j kv/. zva. ut iei ik aaj \\

amp; quot;gt; o a • ... o

\' i \' i t \' lt;\\$tn en li ei (igi Hi/j \\ zie bij a n e i

asn/i\\

u/trj lEtifónjj en ut ij e i i inj^ \\ zie bij rj ui gt; unjj \\ \'1 \'\' f l en 7 Li \'ffi injjs zie onder

Qv

gt;ƒ un ti i w

ut(etcm\\ kw. zva. ^i isr^\\ {van (vuuts dus magt- ol

geweldhebber).

ut (EjtrjiKtn zva. (L\'tiutcmw Zoo althans mut eiri ki\\ in het rijm.

UI lf UI (Ut K W. ZVa. Ut IJ UI 2 Ij Ut (HIJ

ut ui iu(j\\ kn. iemand heimelijk de kris uit de schee

trekken. G. (Frg. ieiiii^\\ bij ivnif ui \'E t tut ut \\ kw. zva. i^n cm (in/j

gt;1 i t 2 Ei^.t of uj (Et~~i \\ Holt. pomp, spuit, vooral brandspuit {vrg. (Li rj ut ? ufj tojj); iijutn uu 0n windbns. — ii(eh2ut \\ uitpompen, bespuiten. iL/.£/y\\KN. naam van een visch.

ut ut ui tcitji\\ zie bij ut ut uttn\\

O O o .

ui ut ^ i unq \\ le t ui ^ i unij en ut ut ^ t nw ij (hu \\ zie bij

quot;S

un ut ^t un/js

utut^i t^ kn. schoenen zonder hakken, met platte hakken, van zacht leér {kh ujut/j) of van stof, zooals everlast, voor pantoffels of dansschoenen [Pers. pdpoes, schoen; Eng. dansschoe

nen. Vrg. ki ut iistt \\).

ut ut —\'7 KW. zva. ut (Ut amji ut 111 \\ rj urt 2 (rn \\ 11 ut 2 ij rj cm i trnj v VV. kn.; ut iei Ji \\ tegengaan; zich verzetten; brutaal {vrg. rj ie/i 2 rj cm 1 uiijj en iej, ut J?\\) R.

7 (ut i 7 e t - t 2 ut (hi/j \\ kn. een soort van schelf krabje in zee, dat, naar men zegt, geen eigen huisje heeft, maar in het eerste ledig gevonden schelpje of slak


-ocr page 891-

■XI rj \'rn t m j \\

O

(ut f itx (vgt;r}\\

807

kehuisje zich nestelt. JR.

a o (3».Vk

(IA ieji (isn v kw. zva. u

M Kw. zva. in nsn vj (irrj lt;r) ihh \\ grooto baksteen. (G. heeft vj (i~n rj nsh irn mi \\) welliyl li i i rn \\ van ^ rm nn

(u^rj(uni(H^\\ zie bij urntvyw

V z^e ^

ii/t r i^ hhjj wjj n ook (iv^ ivuj. (Hij^ v k l., 1. van m moji ajyj of 2 vau \'* j** ^ {oati .vnaA^H^s kw.

zva. vn ivt iLyj\\ en dit van (un \\ zva. njn

(L^n) \\ am d Mi] ivi ivv^ aoj \\ kn. naam van de oudste dochter van den Vorst hij een echte vrouw, als zij nog ongehuwd is. ni isri xi ^^ w/j of rj firn i moaqihtjjs naam van de oudste echte dochter van den Vorst, wanneer zij gehuwd is.

M (171 (HT^/j K., zie hij (L7l rii w

vi tj ir.i (i!n inyi \\ zie onder ij i/n niw

kw. zva. en ij-huw — (utuucm/j

O r PO - O

en (Et ui ern /j of 11 m nn/j \\ zie lt;un rui rm^v

n uintnj\\kn. eind, einde, beëindiging, afgedaan, geheel verrekend, van een schuld {vrg. r^ajiz^m^ en if tuit nsn/j).

O* O . ,

(uan\\ kw. zva. tuinwMryf ao tfli inijfs kn. een in de hoogte gemaakte gelegenheid half zoldertje, rekje of \'plankje, boven de deur of aan den wand van een huis, in een keuken, bijgebouw of draagkoets, om iets op te leggen, een opleg; volg. Rh een soort stellaadje, vooral om keukengereedschap op te leggen.

(V

u rijsKw. zva. rui/cw

i/rrm kn. rook, benauwende rook [vrg. i / ^)j

poet. benauwd, van het hart {vrg. u ^u i n/j). net vu (in tl nrn \\ of rj r.n i rj t u 2 in an ^ i rm \\ GR volg. Rh. benauwd, bedompt vooral door rook; vrg. tii nrnjl uh in :l(tii/f\\ — iQnrn rn\\ iemand door rook hinderen of benauwen, de rook in het gezigt doen gaan. uuijlnm(hiji\\ de rook in het gezigt krijgen. WW.

if ii rj crrits kn. uitspraak van het Javaansch met west-javasehen tongval, zoowel wat uitspraak als

accenten toon betreft.--y t//^ ir/»?/r/^\\ met west-

javasehen tongval spreken\', en Javaansch met Arabische karakters, van een hoek of geschrift.

u Tn ^« zie oji \'m j w

o cv quot;)

\'Uoii?\\ kw. zva. i^ciïiam/j •n.ii^\\ ifnnw?\\

KN\' maur volhouden, stijf doorzetten,

doordrijven; niet van zijn stuk te brengen, stijfzinnig (vrg. ivïii {\\ en hji cm js).

tui if art 2 luijj kn. zva. Mvydrnj en i jniT-n tui/js iets om iets vast te zetten of te leggen; een blok hout onder een aambeeld.

rj cu ij cm t (hi ff \\ zie bij tf ili tj tmw M rj rm rj (Hj_\\ zie bij rjimtfi^^

ui mnkN. heining, heg, haag, wand o/schutting tot afscheiding, scheidswand, scheidsmuur;omheining, omtuining {vrg. (iJ)(tJif\\). tui cm r.n(üii {of x^vj i^i Mifj) steenen heining, ringmuur, muur {vrg. \'q•mi\' if tunn/j). (ucm(crj,(amp;i\\ stadswal, vest, ringmuur om de këdaton. ii mi ? ui ui rm \\ zva. rj mi g tui mi (Eji-Ïiw (Li (ui cms een paggër hebben of maken;

voorzigtigheidsmaatregelen nemen; voorzorgen gebrui-

(y

ken. — (t-imi\\ een pègërmaken; en gelijk een pkgër.

CY n u cy

fji cm nm (Li \\ omwallen. /; rm(im iirn ^ een ringmuur

, n CV o T CY

optrekken, ommuren, li nn (i.irn\\ n. (FjIcm w^(hn^/j\\

k. {eig. gelijk een bloemepfigër) mensehen die op

het erf van een Javaansch hoofd wonen, en wel

niet tot de eigentlijke bedienden behooren, maar

toch tot zekere diensten beschikbaar zijn en in

zjjn stoet van volgelingen moeten meegaan; {ook

de personen, die, behalven de priesters, om een

vorstelijke begraafplaats wonen. II.). rn

(hito n lijfgarde. — ilimi ■ n\\ iets van een pamp;gër

voorzien, omheinen.

(uirm\\ 0m^^\\ berghelling, zie (uturn te M. vrg.

o as\'

uil on w

cy% cy , cy . ... rv

rm^eti Lj^ mi n (Ki/j\\of »ƒ ui i mi t» nii)\\ zie bij unj cm w iuicmiuiifi IZZ (U^ m HH/j\\ r um h}iQ\\ als een tumi

(Hii/f\\ van buffelhorens, overeind staan Tj.

rf iuiê ifnmiiioi/js KN.; tf ut ijmn ini/is stil staan, niet voort willen door koppigheid of weerspannigheid van een dier, zie rfiitif in* Hh. onwillig, zich onwillig betoonen, bv. om te komen op een oproe-pingi weerspannig zijn; weigeren; weigerachtig; ook blijven waar men is of staat, niet voort willen , niet terugkeeren, niet vlugten, staan blijven, stand houden, volg. llh. ook niet te overwinnen, van niyi(fji(Kvjin zva. van vechthanen {vrg.

) »i an /J en tf * i ? i/ m 9 ). — if tuurf ni? i.ii \\ je-gens iemand of een hevel onwillig zijn, zich onwillig of weerspannig betoonen. — unf ruif m* kii/j\\ het zich onwillig betoonen onwilligheid, weer-


-ocr page 892-

n

dj} rf crn g nm \\

808

li in ILH jn

spauuigheid, weigering.

kn. aanval, attaque in den strijd, zva. iM—jjiNjj en (t^i !Lihet zanientreffen , het gepast zamenkomen, óv. oan tijd en ómstandigheden (Tj.), volg. WW. oo/c 85 dagen oud, van zaaipadi op de kw eekbedding en, namelijk zoo oud, dat de dag van een week en de pasardag weer zamentreffen. ij) (ïtj ihnjj {poët. ook d/)) 11 gt;/ƒ fouji enxji^ti h^il,h/j\\) dikwijls verhonden met n mi/j aanvallen, ten aanval oprukken, verder zamentreffen, ontmoeten, bv. een anders blik, Tj. /. w.li ontmoet

worden, beantwoord worden bo. van iems. blik door dien van een ander W. I, 157. — iLi rn.i iï mv.

(j «I,

overeenkomen zva. if m ? ij uid on/j. Tj. — ihi rtj cans.; een leger den aanval laten doen,

enz.

ijl mi asn/j\\ kn. afgebroken, gescheiden, van elkander gescheiden; scheiding, echtscheiding (vrg.

o O ) x

M 1.1 (Li vj crn ?. ihnf \\ i j ivn j en 11 rj HJ) i ,«//,ƒ).

iU mi Mn uk \\ ben. van een kris of ander wapen, in welks lemmer een ooerlangsche scheur is. mn (li miayj L:)\\ den geest geven, (ui nm isiijj\\ af

gedraaid worden, ii.imi,1^.1 ibii tjvan een afwezige , van wien men geen berigt meer ontvangt {vertaling van het Ar. ^ oU^ KT. tbn (Hi Han mij of ij mu-h (of t]mn 2 mi nn/]) Li cm (ini/j\\ onafgebroken. (Ucrn ihii ^irnivgt;iijj\\ gedurig (telkens) afgebroken ; onbestendig, ti mnLgt;nJX)\\ naam vaneen medicinale boomschors. WW. — kian^u^ afbreken ; scheiden , zich van een vrouw scheiden, .iviï •f Jmmiijjj\\ of .\'ki nm isiijj breken met, zva. iti ritij) i

ook in de weg treden G. oj zva.

tjuns dial. zva. itwmi v. aj?miiLii/j\\ /^7. verhinderen. u cm crn usnjf \\ overal tegenloopen , overal stuiten. G. telkens het vers afbreken onder het zingen. — ill nrn ^\\ iemand in de weg treden, den pas afsnijden (zva. aiaj) 171 \\ en nticm

o O , O o

oij tij) mi nsnji\\). un 11 cm tiyiy \\ geïnterrumpeerd in de liefde, van iemand wien door het verlies van zijn geliefde de liefde als het ivare afgebroken is. — scheiden, doen scheiden, van zijn echtgenoot. hji ki cm (bnji ^ het scheiden. n.v oah iuj tti crn tun/j\\ scheidbrief. —iQ n.9 (um 1 (un(mji\\ k., echtscheiding; gescheiden van zijn echtgenoot, van elkander gescheiden. dJi mi a^n (in^/j\\ kn, gescheiden van een vriend, door afbreking van de vriendschap, WW.

volg Rh. in dezen zin u i 1.1 ^(uu in/j

n O quot;cï O

(L/irj midasiijj\\ (Lirj erm ih,ii!j\\ enz., zva. (Ui (hiiji\\ *1

tj ij) 2 iisnjj \\ enz. {Vrg. ook (kn ij mi 2 (hiijj en ili

crn

^ . o p n

iijj^ m^ kw. zva. tufls asn asn(M/js kn. een

weinig aan de punt afgebroken, afgestompt, geknot, afgeknot; afgebroken aan de punt; afgebroken, van het leven. iLj ttj n^n vuq wi .1^ ernj belec-digd, gekrenkt; bedroefd, verdrietig, {vrg. tui mi

^ .0 Ó o

nsrijf \\ lui tj cm i tunji \\ il^ crn irufl itsn (Ei utifj en l ; li-jjjCrn/j\'). — (Fyn^aiu^ iets een weinig afknotten, aan de punt afbreken 0/afsnijden; ook snijden van de crn cm \\ volg. Rh. zva. ioaJM/j zie ook op (t ri chJ ^ {vrg, clw ijjn m (Ujj van de sawahs).

— un err^ 11^ w/fs poët. zva. icn ,11 cm ^i an^/j- hh

\'ilt;rtm^rzva\'

00^,

iLi cm nsn \\ kw. zva. n^j (hJ^^thn \\\\

(ut mi (Kijf \\ kn. geheel af- of door-gehouwen of doorgesneden 1 bv. libjdJi (ijl cm(ki/j {vrg. üh mi (kiq en

o X , ^ .. 1

MiKm.i^insy (bilasn(tm^j}cmo^v/j\\ een wijze van besnijding door den voorhuid geheel af te snijden.— (Ij! cm (ki ^ iets, zooals een tak,bamboe, een pisangboom, den hals van iemand, afsnijden, afhouwen, afhakken o/quot; doorhakken {vrg. Kycm ru/j^ fatj ipt KHfj en nn nninjin).

i j mi i.jjs kn. bij den wortel of bij den grond af, gelijk af; voor goed afgedaan, daar niet meer aan te doen of op terug te komen is {vrg. 1,1 cm 1.1/j).

— Ej nrni ifjs bij den wortel of den grond afsnijden of afkappen; iets voor goed afslaan, zoodot alle verdere hoop wordt afgesneden; een zaak voor goed beslissen en uitmaken {vrg. \'i.y fii.Ki J?i \\ en het Soend. miajiji). (L^crttitj)^Aan/j^ een voor goed afgedane zaak; beslissende uitspraak. JR. volg. RL ongeveer zva. (umn ki/j of iLyrma.iqs

r) (ui ij im !K/)/i\\ kn. schuins ingesneden of afgesneden {vrg. (L/imicKi/j en vjanrj 171 n-JJf). — tj ibicm(Knjjs ergens schuins insnijden; iets schuins afsnijden. Jw Y .17/ ij m (Ki -htS gt;1 (uj \\ een schuinsche sneó in den vinger krijgen.

*1 M i! cm 2 uyi zva. ij n/n ^ 1:12 (Kijj en rj tu rj x:i2kiji\\ iLi mi (Ui (uijj \\ zie iim cm

ivi rj cm2-yu/is kn. (U (uiij cm9 (tv)/j of (vi rj mi2 iru (hn/j^


-ocr page 893-

O O

\'Vi rn ru j ^

iets dat in de weg ligt en tegenhoudt, hinderpaal [vry. tjdiittnjjj en ook steunpaal?

en fig\' WW., verhindering, beletsel, iunajiriam riys verhinderd worden, Tj. — wrjamtitff\\ en !utenrjamivif\\ iets, bo. een rijtuig, tegenhouden [van iets dat in de weg ligt of staat); iemand tegenhouden , in zijn voornemen verhinderen. // [^y] ijcrtiirvijj — i tj^fmjtu^slagenafweren, pareren,G. ,8lt;rn rufl\\ kn. vo/g. Rh. een pijnlijk gevoel in de leden of spieren hebben, óv. van vermoeijenis, of ook door een val; jig. van het hart, zich gekrenkt gevoelen, hartzeer hebben. JR.

lujirnirvt/i kn. contrariëren, weerbarstig, weerspannig, ongehoorzaam, in de contramine zijn, niet volgzaam, öv. van een vrouw of kind, {volg. Rh. driftig, kort van stof, norsch— hj^ rn runn/jeen driftkop ; ziecuï^ cvn n.i (in ti^i mtjj en cm n-ifj); ty (m

ru^N en zva. (im cmrj njiw^ G.

O ».. (.) a

,li nktj tlkhiij\\ zie Dij mi n i w

li (n^ tj (li dihi /js zie hij ^

quot;) o

li crn n k w. zva. tj kii crpj rj .mi crrn \\\\

iLi(njjj(ibiijj\\V^N. zva. [Qj^^aTi Ki/jy Mona-n^NKN. afgesneden, van een tak of rank-, low-der top vaneen berg 0/zonder kroon van een boom (B.) zonder punt of top , afgeknot, afgetopt, afgepunt. \' ?lei11* ^s een oem^oe^ oemboel die niet in een punt eindigt, (de onderste stam. G. Vrg. ij mi ij cm 2 (rnjj). — nrn am/j \\ aftoppen, afknotten, afpunten.

^,lii ijcrmm/isKX. de tronk van een boom, een stam daar de takken van afgehakt zijn, zooals van onze knot willig en; 00^ een uitgestorven boom,^. ij (lh

Ci

ri cm i rn mi w ) ^

M^cmt rj cm ? urifl of irft ij cm cmiih n/is KN. h et zich vertoonen als iets onbeweeglijks, dat zich niet verroert, onbeweeglijk daar zitten of hurken {vrg. urn (r,}i r,(i 7 011 *\']cni? }n,JIN onbeweeglijk blij

ven zitten of hurken.

vcfn^cmji\\ kn. besmettelijke o/heerscheude ziekte, zooals pest en cholera {Sd. wcm imcm/j\\ dus van cm(€r^cmj\\ Vrg. mitrn^ï^j.

mcrnn ki. van (in iTjI (vmfjs w cm\\ ki. van ui iamp;i^.1

o

turijj en wn ili j w 7 u0f kw. zva. irn i.y w

mums kw. zva. ij (ui2 tli\\

1.1 TT» i,\')i/j\\ 809

l iitrr^hii^ ook wel r.71 arr^.hcii,j\\ Hull. kn. fabrick.-

(liup\\ kn. het zetmeel uit wortels, boommerg, enz.;

(UiafiasniEp zetmeel van de iiiiicj^\\ fig. de fond, in den zin van het beste van iets. (iji op cm 11 dsitjj arrowrootmeel. tui ip (un rj (hi^ \\ sago van den arenboom {zie tj-vhi ijcrmnw/i). — zich tot (liap\\ zetten, zetmeel maken; ergens het zetmeel uithalen. {Een ander zie beneden).

iUi \\ kn. ; \'f-i vy met zijn tol op de in een kring met de punten naar elkander toe op den grond gelegen tollen van anderen slaan — dji rj up ? trajj of iijirj\' tjnptjfonmoj(Uian/jgt; dat kinderspel met tollen.

(bi up \\ 1. kn. de voorstelling van iets door zijn gedaante of een teekening; bv. die wolk, of die tee-kening, hi ip rj pj mi iai ieahji (H^r( \\ lijkt wel een tijger; ook schilderij, teekening en model {Skr.2)a-ta, doek; een doek voor een schilderij, pk.). — 2. kw. zva. lU^crrn Kinjrj y en ijjtrfnr.n volgens de Dasa-nama water dat schuimend opborrelt {Skr. fidtha, water). — \'itiop\\ iets afbeelden, zoodat het dat voorstellen moet {vrg. ^ m 111 nn/j en m iich ,mi (ly? op a/r^ rui\\ zoo gemaakt, dat het een slang moet voorstellen. WW. 11. ip\\volg. Rh. gedaante, vorm, afbeelding. — trip afbeelden, afschilderen.

(urtp\\ kn. kist, koffer, kelder voor /less c//en {vrg. up \\). — lij ij (ip(mjj\\ kistje, koffertje, keldertje , zooals een geld- of naaikistje en klein flesch-keldertje.

itjlttp\\ kn., {ui ij (ui? an/js tp., R. zie echter BV.), een kleine rijstmand, als maat bij het koopen van bëras, inhoudend gemiddeld 5 kali {Skr. pét i, korf, groote mand, kist. Vrg. Q up ). lt;igt;n m^ tm Si ó\\ naam van een soort van kleine muizen. WW, ui Ups volg. Rh. een vierkant mandje van gevlochten bamboe, bv. voor voqelzaad, enz.

ha i;^ \\ kn. koek , koekje, koekjes, als (ïpëm, maar van droog deeg; ook koek, koekje, van een andere stof in de vorm van koekjes; volg. Rh. koek van rijstmeel met suiker en klapper; ook staafje, bv. van goud.

— dj] tj ip? injj of tutui ijfip?(Hyj\\ tot koekjes, in koekjes; tot koekjes of staafjes gegoten metaal,

.1.1 ^ rj ip 2 im/j \\ goud tot koekjes of staafjes gegoten. i jl rj up 2 ïq cm (Ki 11^1 (mij\\ het tot koekjes of staafjes versmolten metaal van een gamölan. JR. — (ui ij


-ocr page 894-

/ a-

2 £Ï L7 777

H10

/7 Vl i ip N

r/tptiHyi in den vorm Van ^\\ gegoten

goud.

•rj 1 napskn. ; ^ /1 lt;?»- / \\ c/ /ƒ f. 1 i vi rj tut vi \\ een vrouw lastig vallen en door allerlei middelen tot ontucht dringen {vrg. ij i li % Een ander ij i imp zie hen.), ^(ugijnpts kn. naam van een boozen geest, die voor de oorzaak van de poto-ziekte bij buffels en rundvee gehouden wordt. WW. wriijtLnrfifits die ziekte, misschien het miltvuur. JR.

^ Lili ip{\\ kn. 1. lastig door aanhoudend om iets te vragen of op iets aan te dringen. — y wtnp { lt; ook wel tj tamp;t 1 nm j\\ iemand lastig vallen met aanhoudend om iets te malen; lastig zijn met huilen , van een kind {vrg. ij it id ip -) — tui 11 imlap het lastig vallen, enz. dringend verzoek; een lastige verzoeker. 2. ^ljzi^vkn. ontevreden, misnoegd, W. — iem. aanhoudend zijn misnoegen

of ontevredenheid te kennen geven, Hh. (ut kn. 7iaam van een groot en visch {Skr. p d-

thin a ^ de Silurns Pelorins. pk.). G.

dn rj ip 2 ,/ƒ 1 /j\\ zie bij (Li ^ w

cquot;) •....) o

(u vj up iHiji \\ zie bij tu op w

quot; 1 \'tyrj KN- — i^/MJ- *1 yy verquot;

troetelen gew. in het pass. hu ,tji na V6rquot;

troeteld worden, vrg. in w ismn ie,i \\ bïj na tv) v en ct

(ia ij a n f 1 rj thn ^/»1 r 1 on/j \\

. - O . .

n lt;r)n \\ oj (ij} ^i ip\\ zie \'ip ip w

^ o o,. * quot;) o* . a- a-.L? xp cyif \\ of ui ip ap ^ zie i^ i ip \\

\'■\'■■fïi\'l °féïp quot;e 1 . . c) .....

vi tj i;i ij my \\ of o.) gt;j t.i ij tp \\ zie \'j t.1 rj i;i \\

■U \'s of m rj xp \\ kn. vanéén of van elkander wijken , zoodat het niet meer zit of staat zooals het wezen moet, bv. van het koord van een strik, een hoepel om een vat, de punten van een schrijfpen, en de armen vau een tang, zoodat de bladen of

bekken niet meer goed op elkander sluiten [vrg.

■ gt; O ; ) v ^ s - *

m ip dxyi \\ iL/i up ihnjj en irt) tpanyj). if.i y :\\p \\ iets

vanéén drukken of buigen, uitbuigen, dat het zoo blijft staan. JR. (u rj ap\\ kn. —• zich uit

zetten, uittrekken, wijder worden, WW.

cy (y

(tulips ook wel i|irpj)\\ kn. te klein gebleven in zijn

groei en daardoor misvormd, zooals een pisang, koolplant of lid van het lichaam, zooals een vinger. JR. krom, verdraaid, misvormd, vooral van de vingers. WW,

/\' Q\' / Ck\'

rj (ui i ip a.i up \\ kn. zva tji/m w njnw \\ verspreid,

vermorst, verkwist; fig. van gedachten verward,

... na/

zie bij ii/)itKj}\\

(u(ip(hnj\\ kn. de schedel, het harde been vau de

kop of het voorhoofd, van een viervoetig dier,

ook van sommige visschen; ook de kop met de

kromme hoorn van een Kivvinjjs met verachting

de kop van een mensch, als scheldwoord, J)W.54(i,

ook (unarm r 1 \\ {vrg. scheldwoorden als bv. .rn

C\\l CV/

it\'u (17) (eji n je moer! van het hoofd, nl. als een edeler deel van het ligchaam mag {evenmin als van de moeder) zoo maar ruw weg gesproken worden) •, vrg. en a^narn(WJj^ — (MaptKH/js tegen den kop goóijen , slaan of schieten; ook gelijk een nuptrn/js bv. wfip^nvitójv — (kri(unp voor den kop krijgen,/y. bv. van een dief, als hij als dader van een diefstal bekend wordt door het gestolene goed, R.

(U) w mi ij\' kn. uitsprong, uitspringende hoek, bo.van

een berg of rivier, WW. vrg. tui.v^ isv/j\\

(u ij tip tuil/js kn.; un iosi^ tui 1 wj ki., de Javaansehe (volg. Rh. /Spaansche) pokken, aardbeipokkenr {vrg, unj iptiup ickkhs). — mrj aptfdwrf» aan tui ij ip (hu!j\\ lijden.

(U ij ip t(urijj\\ of (ui ij ip ? i\\f)Mi/j-\\ kn. vast in den grond geslagen paaltje, zooals om een buffel aan vastte binden; iets daar een vaartuig aan vast gelegd wordt, in den grond geslagen paaltje of anker; m rjiptnny^ fig. vast, vastzittend, vast, vast blijvend, niet variërend, van een marktprijs. — itirjipKHnjj vastzitten, vast blijven staan, voor vast ergens blijven «/quot;blijven zitten; voor vast bij ietsblyvei.. — (t.i ij rip i (uji \\ van urj apt w/j voorzien; iets met in den grond geslagen paaltjes afperken; voor iets een vaste basis of regel stellen; erg. vast op rekenen. — iuiij Hptnoj on/jx obj. den.; vaste basis; iets tot vaste basis hebben; een vaste basis ont-

leenen uit iets.

O p p .) O c)

(ui ap mtiji \\ (ti ap kvjj\\ f i ap (kii h ii dfij, v u f 1 ip ihti/jn 11

C) .O quot; .

ap mij (hnjj \\ (Ei ap en (li ki ap rii ar^jj k. , zie

n

:Lj(i,ii gt;\\ en vrg. ijiuapmi/j en rj (ui n kiijj ajmp kn/js kn. schroevedraaijer in de vorm van een beitel; (steen- o/karangbeitel; ijzeren katjangsteker, in den vorm van een beitel JR.); ook ijzeren hamertje van een zilversmid bij het uitbeitelen. -•


-ocr page 895-

Ij li? rf tpt k »7 /j \\

811

ui mi /j

1. met een l.i ip nujj weiken, drauijcn, steken, enz. 2. iets, zooals een bloem, vracht of blad, met den stengel plukken of afplukken, iets, zooals een woord of plaats uit een geschrift ,o\\\\i\' nemen, ontleenen {vnj. fintq en vrjarn^^). — \' ^ x mv\'\' bloemen of bladen afplukken. — (L; t het j)lukkeii, enz. — ui tp un w/j of

(ui ivi tip hfj w/j\\ ohj den. versch van den boom geplukt; uitgelezen; uitgelezenestukken,bloemlezing, voly. Rh. ook extract, uittreksel bv. van een acte, besluit, procesverbaal, enz.

tintui i^ixnj^\\ ïluafös MKi w

O O

ij un \\ (UI Ihil ^ iHtl /J \\ !L\'I ^ lOl lHI^I \\ L I hH ^ l Ifj htl

injj en .ui ill i^ Htuinji\\K., zie tui iui rrnji^

dj} ij if i twjj\\ kn, voorspelling, voorzegging; verwachting die men vau iets of iemand heeft {vrg. — fAfjifi Kn;i\\ iets voorspellen, voorzeggen, vooruit zeggen, te voren als zijn verwachting zeggen, onderstellen dat het dus of zoo wezen zal. rt tui ij vj i,i HHji voorspellen, in het algemeen. iui 11 rj ipthrnjs het voorspellen, enz.\', (hij lie een voorspelling doet. G.). — (Li rj np igi tHij of u/ldJrj np i^n in/j\\ ohj. den.

ui rj ip2 unjj\\ kn. de derde hamer van een smid; All. dc wig, daar de sluitboom van een buffelstal mee vastgeslageu wordt; het inkloppen van die wig {grondvorm ij ipi hh/j) WW. — tki tjnpKnn.p de pëtok gebruiken, van een smid. JR. — uifupi ini\\ een buffelstal voor goed sluiten door het inkloppen van de wig. — hjj iftipiajnan/js voor goed

gesloten, van een buff eist al. WW.

«

7 uixp uuj1\\ kn. bles of witte kol voor den kop, bv. van een paard of koe\', met een bles {vrg. rj uitjj rjniasiiji en iui up tHiijj).

^ ui 7j imi/j kn. 7i a am van een kleine zeevisch. an rri { rf tui rj op (ilt;iijj\\ gezouten en gedroogde pëtèk , niet ongelijk aan onze kleine scharren, Rh. ook ben. v. haarvlokjes boven het oor bij kleine kinderen, die overigens kaal geschoren zijn, en ben. van een schuins ingeslagen houten pen om het afzakken van het dak tegen te houden, Rh. — vj ifji yinp vu/jx den vorm van een »^1; heb

ben, van een slangenkop, nl. breed en plat. —

7 u 7 XP \')//ben. van een fatsoen van vlieger,

O o vrg. dj) r) iniijjs

ij ui? rj ipi imp kn. pal staan, niet wijken; pal aan het werk blijven {vrg. gt;ui 11 ip lunfi). WW. —vf un n up i h n tf \\ ergens vastzitten, zoodai men niet weg kan, bv. uit gebrek aan geld. unrf uu tf ip* unqs vast raken, zoodai men niet weg of verder

kan. JR.

cquot;) o \'.quot;) ■gt;

iL/inp I II k n. — lt;f i lip h n n 1 f zva. iV) lp rf u 112

ru/i^ lunfiif Hiuinp bv. van een kind over allerlei hindernissen klimmen door er de beeuon om te klemmen of te slaan;/«y. ondeugend, uiitphn li^iw,f\\ freq. W. I. 94.

iiaiip tfunt nuf kn. — .Onp tf iUin iLi/f\\ met een of

beide boenen omklemmen.

iLiï.ip hii ii.yj\\ en m tputitii/f\\ (volg- Rh. ook u ^ ihutujf) kn. korten breed, gedrongen, gespierd, van statuur; (opgezet van een lichaamsdeel of het

geheele lijf, vrg. uj tf ip tfj i 111 j JR.).

O ) \'

iui rf np uii au/f kn. — •{ 1 tf tp .i.ti m/f o f uirfvi \' ti ttel

(Hijf\\ gaan zooals iem. die mank is, met kromme

beenen en slingerende armen, Rh.

(üi tf tp 9mnirujfs kn. naam van een soort van wilde

djamboe, ook verk. rj .ipi i.ti irui/f\\

ti tfipt /ƒ/.»;?.rt/^NKN.een hard gezwel. — 11 ifiptrf hm

ti y,y\\ zwellen; opzetten , gezwollen zijn van de spieren.

ui ip luiijfs kn. toon, bijzondere toon, in de muziek

O •) / /. ^) O \\ Cï {vrg. urru uf). .ui vi utj f-1,7 {of hiuj lijf), (udp

un ~amp;i ui \\ en ui ip n \\ drie verschillende to

nen door verandering van greep op de snaren vau de rëbab. — m ip asnjjs een muziekinstrument op een toon stellen {vrg. fusr^asujf); stemmen, mond dekken net de tf uiarrn\\ bij het zingen, en zoo de stem inhouden. Tj. fig. voor beteugelen, inhouden. — ,Liipngi\\ een toon aangeven aan een ander, Waj. I, 14. — ui ip (uiump obj. den. het voorspel op een viool of gnitarre, voordat de eigent-lijke muziek begonnen wordt. WW. zoo bv. W. 1. G; dit volg. Rh. eig. ui tfirrri i aji ap iLitufs 1. kn. afgescheideu , atgebroken,

iets niet meer aanhoudend in denzelfden toestand

blijft of voortduurt, tijdelijk ophouden bv. van de

O Cl

regen, in den regenmoeson, {vrg. ui 1.1 uun^ xm itj.1 iUti/f en (iji tp ui/f); ook fig. bv. uuip un tuii

o • • ■)

cf\'rf ciNNKI\' zie ^ \'lJ,1 — f uip un f\\ iets afscheid\'n, van iets atnemen, zooals een kalf van de moeder, of een gedeelte van het geheel om


-ocr page 896-

812 ii ip isii j

het elders te gebruiken; een draad of touw spouwen; een naaisel losmaken j ieis van zich scheiden, bv. zijn kind, zoodat men het niet meer bij zich houdt. (Cl(ini/]\\ kn. aan de punt een weinig afgebroken, afgesneden, afgehakt, afgeknipt {vrg. Mnpcuu/j en ihiiip hnjj). — (kiipasn/is iets aan de punt {depunt of punten er van) afbreken, afsnijden, enz., met de nagel doorbreken, bv. de aren van depadi, Rh., van iets een stukje afnemen. — iQop agj meervoud. .Li 1^7kn. de punt, het uiterste einde van iets, zooals van een wandelstok of karwats; de eenig-zins opwaarts loopende punt van de tjnmzxm van een kris; de staart van een slang; de uiterste punt van een tak; het hoogste punt va7i den top van een berg {vrg. m i.nitt,n/j en — tij ip

dun, met een punt, uitloopen; b\\j de punt iets vasthouden\', gelijk een slangestaart; tot de Li ipns})/f\\ gaan of komen; vrg. hettop-

punt bereiken, ook fuj., uiterst hoog, van de stem of een toon\\ tibii/j\' met de punt geraakt,

bv. van een karwats; fig. pijnlijk aangedaan van het hart, Tj.

kn. een piet of eerste baas onder slecht volk {vrg. yli rrn n ); ook dial. zva. ^ iQrj(ifinai/i\\ kn. 1. zva. dQrj tp — 2. zva. (Jup isnji of iiJrj /;? ? (isriji\\ \\uè^(u tj vi nsnjjs zie bij — 8. een bamboesprietje of iets dergelijks, daar men de krekels zachtjes mee tikt, om ze tot vechten aan te zetten. — ijiipasntj\\ een plant of afleider met de aarde er om heen ergens, zooals in een bloempot of tuin, in den grond zetten (vrg.

mu\\ en m yn\\), en zoo ook wel een loot of stekje {pok wel van vruchtboompjes Moe.) ergens in den grond zetten, om het te kweeken. —

mv., en een krekel met een pëtèt tot vechten aanzetten. — m rj ip miji of (ij) ij tj op awMyis wat zoo in een pot of \\n den grond gezet wordt; pot-gewassen, bloemplanten, planten die afzonderlijk ergens gekweekt worden, ajivjiptiyi iinif^aztmiqs bloemgewassen, bloemkweekerij.

Ojinopt(unji\\ kn. gebroken, stuk getrokken, bv.van een ketting of touw {vrg. lu ip ihiij)\\ djtasnjj en ifnrj ip g ^\'/ ip ? iets breken, stuk

trekken; ook zva, fei np (isiiji \\ 0\'rj(umctj} een kind van de borst afnemen, spenen.— ktrjnp?(^n tj hn\\

a

Xj! if j n ij

fig. breken het hart Tj.

(u^am/js kn. genepen, zaamgenepen, vertrokken van de oogleden, lippen, het vel en van naai-werk; (genepen oogen hebben, door gezwollenheid van de oogleden of door slaperigheid, ook van een klein kind, dat de oogjes nog moeijelijk openen kan. JR.) vrg. .7^^ (ijl/j *

kn. bediende of leerling van een kluizenaar. (Uj ihn (H^ Kn \\ eign. van een boet a.

zva. (U) (Hl tui IHl tVI/j\\ R.).

ij ut tj y.) 2 HbD/j en rj (ti rj np t amjis zva. tj uirj wid vj \\jii rj np nsnkw. zva. n/n tfrt ti i nn wijis Men. (utnp(k).(\\ kn. tegen elkaar aankomen, elkaar aanraken , van levenlooze voorwerpen; ook van voegen tegen elkaar sluiten , Rh. van daar ta/mp (M/js behoorlijk geschikt, geregeld geplaatst, netjes, sierlijk, goed gesteld, ook van een opstel of rede-, regelmatig, symmetrisch.

o r/ ip ihi/js kn. ; id rj np (Mjjs iemand, een kind of zijn

bedienden% onder den duim of streng toezigt hon-

i / 0 O o .

den \\yrg. (utnpM/j en ieuui ).

(ul$t)^ij)\\ kn.j wnpajjji* iets tusschen duim en vinger stijf knijpen, drukken of stuk drukken (vrg.

O O

/j) ^ ip 2 nsn/j vm rj ipi (hv/j), fig. onder den duim krijgen, overwinnen. Men.

ujj ^V^NKW. zva. u*!nrnj(j.yf\\ ten einde, gedaan.

ii ui iiip(Kjjji\\ rj Eiii ip(Ki/j rzr ui tp i-i/j enz. Rh. [\\j\\ rjiip )j(M ru/j of ifJrjop yjuiin/j\\ kn. klein, maar

stevig, vooral van een jonge {vrg. (ü!fyuifntuyj). uirjdpi i} i/j\\KN. zva. (U(n^\\ en een plat woord voor (U /7 (ip tfn/j n (— (Eji rj op ? ituyi \\ diep modderig zijn, bv. van een plek op de weg; in den diepen modder staan, waden of gaan staan o/waden, aauu r)npirun\\ in den diepen modder raken opblijven steken, bv. van een kar. JR.).

njiup ru/jskn. los, losgemaakt, van iets, daar het aan vast of mee verbonden was, of daar het door vastgehouden wierd {vrg. lur^ rKru/j en iJnp nyj). — (ïjinpnuifj\\ iets los maken, van iets, daar het mee verbonden was, afscheiden, iemand detacheren; iemand loslaten, vrij laten loopen; volg. Rh. bep. een mensch of dier afscheiden, afzonderen, van zijn medgezellen, makkers, kudde, enz. (èJnp ru/j en ifJInp tyu den grond van een sawahveldmeiww cui (ij^mjis losmaken in de hoeken daar men met den


-ocr page 897-

•rf (i} ij tip n )/! ^

; O (ut £1 m/t

813

ploeg niet hij kan {vrg. i-j foiirj ixi — ru up

tijim/js losgemaakt; gedetacheerd; met de patjoel omgewerkte grond.

Qip /u^nKN. 1. ijverig eu vlijtig in zijn werk of beroep; vlijt, nijverheid {vrg. aïnn ivj nsnaajj). ^tJti üiSpru/ts een nijver man. — (Miipr$\\ iets met vlijt beoefenen, aan iets zijn vlijt besteden. 2. — ktip\'tujl gemakkelijk breken van een touw of rottan\\ vrg.

(Tquot;) iT) o ,

aji ip m/j KW. zva. aji vt iu/j iut thiyf n kn. 1. los,

losgeraakt door loslating, zooals een bloem of vrucht van den stengel\\ den tepel loslaten, vaw een kind aan de borst {vrg. Q ip 2. voor

een oogenblik met een andere zwakkere vechten, pikken of bijten, van een ghnak of krekel, waardoor deze moediger wordt om tegen een sterkere te kampen. GR, 3. tp. zva. L/i\'^np nji/j\\ 4. een kleine hamer, en volgens sommigen ook een karwats {vrg. (u ipibu/i\\) WW. — ij}tip tu/js iets los-maken; eeti vrucht van den stengel afplukken; iemand uitkiezen uit een menigte of een corps; uit een massa uitnemen, bo. bij verkoop van een -pak kleedjes, tp. zva. up— iJap luw/} afgeplukt; uitgekozene} uitgenomen, uitgekipt, uit een menigte, enz. utkiupnjj/j\\ het losmaken, afplukken , uitkiezen , enz.

(inij tp \\ kn . aen timmermans of kuipers dissel om hout te bekakken {vrg. —(ï^rjup fu/js met

een dissel werken. — ijiti ap ivi - iets met een dissel bewerken. — (urfnpa^Kmjj ohj. den.; ook zóo verkregen spaanders. •

auiip7Uji\\ ongebr.; tp tujj\\ kk. afgeplukt, afgevallen , uitgevallen, van vele kleine voorwerpen, zoo-als blaadjes, bloempjes of ooghaartjes {vrg. Li ip wys hjj^ ^ en *1 :vi rj n£} 7L^). •— up \\ blaadjes, haarties) enz., afplukken, uitplukken , aan het at- of uitvallen zijn.

^ip w^\\ zva. !gt;7?7t7^N-stomp, bv. van een vinger of arm-, ook fig. afgebroken, ten einde {vrg. i y i^j IUJI en ty^omirLi/j),

en li iAjj \\K N. er af, er afgebroken, er

afgesneden oj afgereten, van iets dat aan iets anders zit, zooals takjes van een plant, eenige of alle vingers van een hand, de tuit of het oor van een kan of kruik, het hecht van een mes-, geheel of gedeeltelijk kaal, zonder takken of bladerloos , van boomen, enz. fig. verarmd {vrq. (u tpru/f en 7) m 2 y op ? rvi/j en ^ om^ n i ff O • — \' ^ ^ H* w/j en {(ta ^ iijt non\\ afgebroken stuk van gebrek

kige stompjes van ledematen door misgeboorte, rj cuvfnp lu/js tjtMTjnp lU/fs kn. iir^dp iujj\\ enz.

afkappen van takken, wortels enz. (Tj.) Rh.

rj Mi q ip tu/j\\ kn. zva. rf vi 2 ij (ifi ? in i /j\\ a fgeb rok en. ti(un tjapg m/j^ kn. er af, afgebroken, van den kop of knop van iets, het blad van een lepel of roeispaan, de punt van een tand, en van alles wat als hoofd ergens op zit {vrg. i.jj t,j7\\j}jf). — ^ 7jnp27hiij\\ zoo iets afbreken, ff tj{^A27j iptrijjjx — vj \' hy }f up 2 tu/j\\ freq. ij tj tp2mv.\\in K. 21, van ingewanden, verkeerd voor rjnrnt 7ujj n zie bij tf j i tj iim ? n/^/j \\

(Ui if (tp2 7i i \\ 1. kw. verwoesting G. — 2. kn. een soort van fijne zijden stof ?j»7f rrnt of zijden ba rège, rood, groen, paarsch, of ook wit (Skr. pa-tola, een soort van geweven stof, een soort van sits); ook zva. a^Tfapg n.iw (L7 ip ru \\ eign. van een Widadari.

(ijltf(tp tf(tpn kn. een stoute, brutale, drieste houding tegen iemand over. aSi Mtf np rj tip \\ algemeen zulk een houding aannemen, van velen. —ifji tfnp ijnp-zulk een houding aannemen, brutaal van houding. zva. if-1 tj tp Tj op bij tj tp rj tp \\ maar van iemand die dit slecht afgaat en zich daardoor bespottelijk maakt, zooals van kleine nietige men-schen, Rh.

cütrj(iptp^\\ zva. eu7j ip 7jup \\ Tj. maar wijder van be enen.

p p _ O O

(ui ij tp Tf tp q \\ — (E i yj tp Tj tp 9 - (lh tj mi tj kii f \\ if-t

Tj iHH Tj IOI { \\\\

n Q O O *

(ijl np tp Knjj zva. iui ^ tjj un /j en tui Tj tp 2 tj tp 2 uti^/j

maar van kleinere hoopjes. — w tp tp ttn j ook

uit vrees zich inkrimpen, in een gebogen of in een

gedoken houding zijn; vrg. iu) tptpurijjs

aütnp tp Kiij) v kn. — np tp nti/j\\ met de beenen wijd

open; zoo liggen, vooral van vrouwen, Rh. vrg. O

(tn n^i (Yifn n

(üi^i^Tfri/j kn. liet op een hoop liggen; ook zva. (Fjj tfj nnjj\\ op een puntige hoop liggen, een puntige hoop vormen {lgt;ïi iu t~j ^ tatjj B.), zoo bv.van heuvels, Tj.; van vrouwenhorstenVLbw ; ooX-trotsch


-ocr page 898-

814 Mtltlp gt;1 ftp Kllfj

opgeblazen, van een mensch, G.

» 7 /ƒ p »ƒ p »v — .l9^ dp If dp NN

ip 2 tj ip i \'hu /j\\ zva. u kj ij n hJi maar van een \' hoop zonder punt, bv. van srabi, die hij het bak- \\ ken uitzet en rijst. — \'; y ip i ijiip gt; kh ,j\\ zulk een hoop vormen; ook van een vrouw, zóo zitten dat

haar schaamdeel te zien is.

O .o o

uiipipiu/j zie xpn7i t\\j^\\

iüiip\\kn.; tiHp\\ iemand of iets uitlezen, uitkiezen als de {of het) beste {vrg. iQip wi/j).— iJnJ w i i (iaj \\ puik, vau ietsy zooals van juwelen of wijn; alleruitmuntendste.

iTiSin en iv.jjiffi\\KN. een soort van groote krab {vrg.

v O Ov \' ) O Ot, ,

■r) r.i afi/j en (lAJj \\). — if ? /ip \\ en 11 (i n rp als een krab knellen; aan iemand zich vastknellen, iemand in de armen knellen, ook iemand de armen stijf tegen het lijf binden, knevelen, zooals een krab gebonden wordt.

m rj ip?n gebr. voor K) ijip2\\ blind aan een oog, als

het oog ingedeukt is.

ifijiiifaps kn. — ij \'77 2 ij ip n ontleden, lid voor lid afscheuren o/afsnijden. ^ w? rj up rj (Fji ? tj op \\ freq.

ook onder velen verdeelen.

O . n . . •

(wlt;ipvjMrtji of (uipij v hji n i ij(iny zie

lt;u rj (nhy w

O o« o . O.Oc o . .

077opixinjj\\ kn. — wnp[W^Hnjj\\ zich op een

hoogte zetten, een trotsche aanmatigende houding aannemen; door bv. op een stoel of am-bèn ie gaan of te blijven zitten in tegenwoor-

digheid van een meer voorname.

O • 3quot; _ quot;) . Qv , .. . CK

viip iin^ — bij

(ui ip • kn. — .■ i ip io^\\ een gedwongen houding

aannemen bij het zitten, uit beleefdheid. Rh. Qnp uti\\ kn. — \'Q.ip[in^\\ op een ongeneerde en onfatsoenlijke wijze zitten, zooals met de éene knie in de hoogte of met een heen op de tafel. M\'jV 7 ^ KN- — ^nj ipvj uy zitten op een bil, met het èene been naar boven, een aanmatigende onbeleefde houding aannemen.

(u tf (ip2rj hn^2 \\ KW. — d7j rip trji^jry \\ hurken.

(ui n of i n dji \\ kn. tak van een boom of plant; met takken, getakt, vii-nn^ met drie takken of armen.

\'Mn kw. zva. f i irn(ibiijj ii^(if^\\ of n/n /u\\ kn. klank-nab. van hef suizen of tuiten in het oor. — «ii i.)

o.

(i/i \\

injy herh. in het oor suizen of tuiten, bv. door een haf den slag van de bliksem of een geweerschot * ook zva. (un üi iv uri !Hijj\\ (zie (im tu) uitmuntend , voortreffelijk, keurig , werken, zich klee-

den , enz. {volg. Rh dial, van Banjoemas); zie ook

(P) quot;) CO (U^ii i en (Ei (fji -} w

(Li \\ of im uiskn. {doch het eerste gew. in Ngoko, en het tweede in Kr a ma) in z amen stelling met telwoorden om de {of het) hoeveelste, en hoeveel maal, te beteekenen\\ bv. (Srlt;i/ïn wi luïïJini iji iHi/j de (of het) vierde, en viermaal. Sidj}cui(Kian^

de eerste {vrg. b\\] (ui i anjj). iuu\'iji tjcrrn 2 \\ zie bij

O » Qv o . Qv o 1 / /.

(ui rj en a êw n hu (ui nm hj^ un uw iji aui cm ^ cl e (oj

het) derde; en ten derden, wn(uiénri^ rjiHj\\ de derde er van, de derde, lji tut ni \\ ini amp; (ut (j$(Hijj\\ de {of het) hoeveelste? hoeveel maal? njiiajinKui ns hoeveel maal wel! o zoo dikwijls! — SiSi^ vermenigvuldiging; ook herhaaldelijk zva. Sï lji ni w m gt;, (— gJTn of ».7Sm tot de hoeveelste maken; iels vermenigvuldigen met een getal, in de rekenkunde.

(hJi ilii (il^ n m lui tisn nrn \\ ten derde male, b v. iets zeg-

O * Q* O Qv o o gen. w imrLiqs of (Lu oji kii rui q \\ (Fjiomirui qa/ri\\ en

3v o O ... (1 Cïv

f.iiHTt ju %rAt (Hv (Hi/j\\ k. , zie bij (Ui rj mil 2 nn — iui iijïin (infj\\ wat vermenigvuldigd wordt o/te vermenigvuldigen is, in de rekenkunde; ook Ac tafel van

vermenigvuldiging. JR.)

O *

l £ n - (lh i j v

oji am n k w. zva.. in rui ri w

o , )

(Ui rq -• kw. zva. m u i un \\\\ \\ 1.1 .ui r.^ \\ zva. a-i rjooi wiw

q , o

xji Ij (LH n kw. zva. Ljiisn q n tj i:n2 Ij (IJl 2\\\\

a\'

i.ja.\'HM/js kw. zva. (i.(i cm \\ 1^ i/j asiijw rj (ui ? rj (i.7ï ? gt; kn. sullig, een sul of domme hals zijl {vrg. ftj iji2ij(L:i2\\). JR. volg. WW. dom, zva. ij

71(17112 Ij (IJl 2 w

o a

(ui (ui ^ k w. zva. ui u^ 1 ilt;\\ en /ui m ihnjj \\ — ij iui 1

iin%(uitvil{\\ kn. onrustig, bv van een zieke. — rj rj (eii 2 (ui ^ (ei tui f n kw. gekheid maken, schertsen. G. (iArj(Hj2 tun % (ui arn zva. dii ^ ilï rij 1 li in rj im \\ telkens omgewenteld worden, B. P. TI, 31. —rj ii? iTi ^ fui n % (un atyj\\ kn. onrustig liggen te kreunen en te steunen, zooals een zieke, WW. onrustig liggen te woelen als een zieke of verliefde \\ vrg. rj (ui2 (ijvi (ui (Lvi (i7i arijj bij rj (ui2 (vi/i \\ Rh.

ij (in 9 171 ^ n kw. zva. ij 17112 rjrJi 2 \\ \\ rj (ói 2rj (U12 r.i gt; voor een kind. WW. volg. Rh. kn. zonder neus


-ocr page 899-

tlji it? (h1ji

a

rj ui ki

815

u K., (ifniiiï\\ Ki)., QJ)iun\\ KI,, voed

sel , eten; daar iemand van loeft {vrg. \\w r.i(hnjj en

. ... \\ O X O s r\'

zie bij gt;Liun mi/ij. iki cm a.J) (im \\ wiot q(iJ)iyn\\ njiie

rijst, fijne sirih voor de heeren om te gebruiken tegenover (ut nx voor minderen of bedienden,

iwrt\\ II. rj cmt rj nv)uti vn wjj\\ de kost zoeken.

c) oo s . . .

— wcciiHijjs ihiijis eten, wat eten;

iets nuttigen, eten, gebruiken; gras eten, grazen,

van weidend vee (R. in deze bet. volg. Rh. \'itji w

rituTj\\)i medicijn gebruiken {vrg. rj rhi?rj ixa?^\\

en MjOAJj i ; van iets leven, iets tot zijn onderhoud

hebben, iamp;t m in n tut nn tp. tractement verdienen, co \'

bv. zooveel in de maand, iamp;i w im asn \\ het hart opeten, oo/c het hart verteeren , verknagen, kwellen, va?i bitter verdriet, van bezorgdheid over of sterk verlangen naar een geliefd voorwerp, (ia tui whj of (fSJin hji fci mjjj\\ bv. 0irf)lt;w).iJ)jf of ^ Ki in \\ een verwensching: word opgevreten of gekweld bv. door een sétan of een venerische kwaaV.

Qtel kri oQ/js \\ (S(Kn(un\\ eten in het algemeen . Jmw an rj mi ~snih^ jm/j \\ zieh vergasten , smullen. — iamp;t nnrj^rjvj xn thnji of rj (Zi i in ij^i y 11 anjjs eten of iets gebruiken. — uwhfjs kn(ij} i/j\\ HivjdouHjs (vnngrt(tmrfi\\ mv.t (en op eten o/1 lekkernijen gesteld zyn; op iets, «000/5 bijzonder gesteld zijn WR.)j ook iemand iets te eten geven of ingeven, {volg. Rh. amvj u)^lE\'Kci^n\\ of Fiiun tjj\\). — foi vnmi rj hni\\ mi(iji tni ihi (ynjj\\ :Vn(1^f\'vnrn \'I ht1s wt* gebruiken, te eten geven of ingeven aan iemand.— hjhbi m (kjj\\

w«mi x/n \\ het eten, nuttigen, enz. — nj) (i:gt; ihi crnjj of

o O cquot;) X \\

(ui m x.\'i Kj iHijj\\ (bil (i!gt;ii(in mi/I \\ (in (t/Ti\'n Hi/fquot; wat om

te eten of te nuttigen is, zooals het eten, de ge-

regten op tafelt gebakjes bij de koffie, thee of

het opium rooken; versnaperingen buiten de gewone

maaltijden \\ een eten, een kost, bv. een slechte

kost. ook kn. voor snoeperijen. —

ayin/n m(hn/f of (inan xm quot;xi cmjj\\ zamen

eten, gezamentlijke maaltijd, eetpartij. — (uiwtn

lurtijtijiihjihiji\\ (uijkun^itn^ voor het

eten, bv. nji,?7m oji(ei (iripi(hijj\\ etenssehotel. (:ui(iji

s \' ^ * d g) s

^ gt;7 \'yc}J\\ zie 00k bij (Ui dih). — :fyi (ui (un quot;» »tn^/j \\ kok

va» een aanzienlijke.

7 }:n \'hyjn rj in 1 (Hijj\\ zie bij (unrj (ui 2 anjj \\

lj vlh!lJgt;x 0f ^ ^ en Tl Kl

/ -j sgt;k O cl :)

Ki. [poer. r) van vn cm cm m cmj^

o d

en in cm m p

o o a j cï n

ij (ui ickhi/js van (unanihyi^ ongeor.; 111 ij oji manjj^

kn. lust, begeerte, verlangen; lust hebben, trek hebben in, naar iets verlangende zijn, haken, hunkeren. — Qri (eh an (Hyj \\ iemand belusf; maken, verlokken. — ij(amp;i innjij hn\\ belust makend, verlokkend, begeerlijk. — ij (ui riiq wjj of xji y ui in ijjcki/j telkens trek hebben in het een of ander; op alles belust zijn, begeerlijkheid, hebzuoht; hebzuchtig.

o .... o

(ui tri hj v zie bij (L,ri w

(ui in iq (hi/j\\ zie bij n m m/j \\

iQ(i7i(Hj(uiji\\ zie bij (hni i£j (hnjjn (ui y mi. yi (Ki !ki \'n\\ zie hij rj x/n (hi \\\\

mi rj ui ((Hi (U\\ nn \\ zie bij rjunCnd w

iquot; a

ui m ij (££i (hnjj \\ zie bij x.7i(fëi\\\\ ^

iui rn (iqji KW. zva. ui 1 1 ij tf^ nn/j \\

oji (iTi inn \\ KW. zva. ui uti ijn w G.

cn

ui(i7^\\ 1. kn. een kleine beitel \\l. 2.tp. vva. asiiasn en ui w 1 nn

(qi7i\\ kn. scherp van reuk, sterk prikkelend in den neus, zooals van uijen, mosterd, rammenas, enz., WW. volg. Rh. heet dit urioi Ki/j maar is ui r-i ^ scherp van reuk, zooals terpentijn, vrg. (fjülnw

(ui (171 ZZZ ,Jt r:jj 0f \' 1 *1NN

\'fj umj .1711 n KN. — rj iFJi ? ij un ? ij \'f 1 i rj ri ? \\ {ongebr.) pass. ui rj ui 2 rj (itïi ^uni^ m i beknord worden, afgesnauwd worden; vrg. (Kn^umi/js ui ij rn^j \\ zie bij rj-n

ui i7n)(inj)\\ verk. van ui rj rnrn (tn/j {vrg. ui\'riw/j\\2.,

en vj xji in (m/j), bv. in ui luntf uu^uti n voor (ui^ ui o

n ;}n ~jii ui rj im ^ (un (Ui un tj n2 inji\\ zie bij un w

ui rj m rn anjj gt; kn. Heer, van de Godheid, en Prins, als titel van de zonen en oudste echte kleinzonen van den Voorst {eig. ui rj üi\'ri un/j van rjux ) Deze titel kan door den Vorst ook uit gunst aan zijn verdere afstammelingen verleend worden. De z o-nen van den Vorst worden uirj wnnande kleinzonen en verdere afstammelingen, dietot dien titel verheven zij 71, uiijumnnn ±4 (fëi on \\ genoemd, ui rj rn nn an -jii ta ui u?i n een meer vorstelijke titel, die aan Pangerans van hoog aanzien verleend wordt, en ook door het Gom er-


-ocr page 900-

816 lt;rf (uwquot;*! (m/j

nement verleend is aan de vorstelijke prinsen Mang-koe-nagara en Pakoe- alam. u tj xit •gt;) tm -./»»do tui asritun is de naam en titel van den Kroon

prins; (UTjiv \'ti (hi act ij urn % tvn de naam en titel van den oudsten der onechte zonen, (ui nwn do ivtdj) i h {\\ ook wel ui rj vn •gt;gt; (idh u ri i/j \\ worden, met uitzondering van den Kroonprins, die prinsen van het vorstelijk huis genoemd, die het hoogst in rang en hoofden van andere prinsen zijn, en die hij gelegenheid den Vorst vertegenwoordigen tui rj i7) li hl iu nD/j heeten de prinsen, die geboren zijn uit vrouwen van den tweeden rang, en niet den titel van il/i y iquot;i • n hi -jïi ia m ast! \\ o f njt pj tamp;i aoji gekregen hebben: deze, en aide andere prinsen, noemt men oji tj mi ^\\n — tw tj wn nijs iemand Pangéran- roemen, als Pangérau of Heer beschouwen. — tamp;i rj a?) m uj rjiKt) van iets een afgod maken. quot;

CY . ... o O

ij (Lu m ti (hi/j zie bij cun m w

mi in\'DKH/jsKH. 1. zie bij (un n uitjes I. — 2. de kleine steeneu rondom den middelsten in een ring. R.

o - O o ... O o

oj (ui (CnniHtyj x zie bij xm^cKnj^s

(Uimnsnji of m (bi tut (iwjfy zie bij (Uri iu \\

nj) tj (d t ti (MJJ\\ 1 • zie bij ^ un 9 n (hjjjjs — 2. zva. (ui

arjl^nM/l van i^noji/js

ajiivnvA.\\ en foi d.} va . KI., zie bij (un m (utn\\ I.

ojinnnr)(M(hf)jinKI., zie bij tun^tw

(ui ii.i iu) (uijj\\ (FjI un (ut (tJijj\\ (K»j (ui un tui tu ^ i an/j en w (ut

tn (ut xjt zie bij turt iu (Ut^ I. — (ut »;»dJt (Ut ~.\'n

njt (ui^/js zie bij (trt (ut (ut/j\\ II.

o o o

(Ut iv) ni am i:t\\ KW. zva. nJt ajiirjn {\\ en tut a:tar.n n

volg. Rh. zva. (ui • n(ïw ut en i^am utw ook bv.

invloed van iemand op de natuur, door het

verwekken van storm , van een crrtTtcrrttis

enz.

tut iTt n t \\ en (F t a-.t • h \\ zie bij (tot quot;h w (ut t(t^\\ KW. zva. tut rjtfn?(Hi/j\\ — ita ten\\KN. op den schoot hebben, dragen, houden, {org. a:t ajtajt-.I rj tjants onder (un (ut (ut/f\\ I.); volg. WW. ook zva. m ii/i (Ut ^irj (tot n fot tsrjj (ia tu (toji \\ of (èt un avt \\ \\66r, met het front, aan de weg of aan een rivier staan, van een huis-, fig. iets onder zich hebben, onder zijn beheer hebben, over iets het beheer hebben {vrg. ti \'• Nm Kit ni ,i^i an? i^ ,ut \\ het beheer over

O

it/l iTjj aot /j \\

géheel Java hebben, aw (tai (ut /;/ ^nii en i.n u t i\'i^ m ij 11 (uji \'rt itcj l^ n J\\ die het goheele beheer over een bruiloft heeft en die alleen bekostigt.

a:r^ /S\\ eign. van een Prins. it\'iKtyt) a,ii/j\\ eig. van een vroegeren Jav. Vorst, (ètafnthi (rn n\\ naam of titel van een r eg er enden, van den Soesoehoennn onaf hanklijken Prins te Soerakarta. riaa^ t y ut ao naam of titel van de Sultans van Dj\'okjokarta. (txtt(Cthïp pass.; ook iem. passen, goed staan, op zijn plaats zijn. oji r.n rrt hit tia am rj cm? alt;tt a\'Jti.t^ alles staat haar (of hem) goed. mt ajt nr^axt a.a iJi io iHt\\ hij is als wëdamp;na op zijn plaats. — (uirthitt (Htfjs obj. den.\\ wat iemand ouder zijn beheer heeft; schoot van een zittend mensch; ook van muziekinstrumenten, als telwoordy zooveel als door een persoon, bespeeld wordt; bv. (Ktalt;ialtijioti iHi/j* een stel sarou, nl. voor een persoon of an OjVtams Rh.; ook k. van cut tjasrt(hijj\\ 2. antiF\'t htj iHinrrtnKhrt^ het Mangkoe-nfcgarasche, het hof, huis o/gebied van Prins Mangkoe-nëgara. — i,n (ti htjdTt^ rj iM(ht/j\\ het hof o/huis van Prins Mang-koe-boemi.

rijtasjj htt/j\\ zva. ut(tr^ojijj\\ zie cu^a^ojti^\\ WW. rans.

sterke lucht van vet, olie enz.

(utam^KW. stevig; stevig gebouwd, bv. van een huis, ook van een stevigen kerel\\ stevig staan; pal staan blijven, niet wijken {vrg. ilt;t^ t,ngt; en (utnrrt^ ).— tui\'tpaJii\\ tegen iemand of iets zich pal verzetten, zich er tegen staande houden; zijn woord gestand doen

ut titp 1. kw. zva. arr^^abitjj\\ — 2. kn. naam van één van de kleine zangwijzen. (tAij axt nn Oij am — aai hij \\ zinspeling op die zangwijze.

oer G)Cy (ptcy o pcy o ^cv

(ut alt;n ^ (Hit (ut ■tot n (Fjtaftt \'rt \\ (ut Hit ■ n uit (hn/j en cut tat

TKHi/jsK., zie bij (ui^iiryw

» S . s . s . / o . /^

ojj Htj \\ ^ Hi^ \\ tot aJ^ ht^ \\ ihj a, ^ ti \\ ifj^ a/i^ T) aj am en

- X . . /

1lt;7l alt;Uls zie ^?NN

aj^j Hii/js kn. de hoogere toppen van een gebergte,

in tegenstelling van de lagere gedeelten-, {ook zva.

afitdrtv). JR.

/. » O

(Ut Hl^dO/l OJ (Ut (Hit (UI (LCt/J\\ zva. Ojt HI^IUII^

. ) 1 (ut m^ hii/j of (Ut un (ut (hn/i* kn. het ingekrompen, zaani-

of inééngetrokken, geschrompeld zijn, iets {vrg.

(Ur^Hl^dSlt^y - (fJt HT^ (ISIIJI \\ (hl Hl] (Ut (hl iff of J t hu aj

ihii/j\\ krimpen, ineenkrimpen; gekrompen, inge-


-ocr page 901-

tui

klompen, geschrompeld, verschrompeld, bv. van \\ een blad van een plant; ook fig. in zijn schulp kruipen zich terugtrekken. — /v 1) nji 7^am \\ iefs doen ineenkrimpen, iets tezamen- en ineen-trekken.

.o- . qv ov . o.

M hii\\ en (i/iMjiKN.; en iehtw)op

ie/s in de hoogte, zooals een tak, kruk of nok van een huis, zitten of blijven zitten; op stok zitten, van een vogel [vrg. foi ru ij aim \\ en rj u irtn z iKH/j van ijnm^irrniiKnjj); fig. als spr. bij zijn eisch blijven, zich niet laten afdingen {vrg. tnjM)/ iujj), {en zich op zijn gemak ergens neêr-vlijen. R.).

mij t\'ty\\ en m rurjiinys kn.j lèii^juiy \\ en iE/iiru op een boom zitten, van een grooten vogel, aap of mensch \\ op de hoornen leven, hun verblijf houden, van de apen {vrg. aji^u^y, (ook op een stoel of bank zitten met één of beide hielen op den stoel of bank, zooals de Chinezen gewoon zijn te zitten {vrg. en zie

rj its rh w 11.).

C-) £)

(U iojj mtji \\ zva. ±ni ^ mijl \\

m ij KmnHjjs kn.; 1amp;1 trj m) 2 iemand of een beest beletten zoodat hij niet voort kan; inhouden, tegengaan, stuiten, in het nauw brengen, Onrnoj\\ iem. in zijn rede stuiten, WW.; volg. Rh. tegenspreken. {vrg. curmtHnji w hd Ktyj en Mtjam? unj rrn i wnjj). vj Mn 2 tnifls ook plotseling doen halthonden van een in galop of in ren loopend paard, dat daarop gedresseerd is. —iini Mrjh 112 :inijj\\ tegen of op iets stuiten, belet worden om voort te gaan. l/],177» 0\\ vallen, zoodat men komt te zitten, Rh. — iSri tf /. n i hjj \\ een ohj. op zij n weg ontmoeten waardoor men gestuit wordt. — iem. tegenspre

ken , in zijne rede stuiten, W. 11. 504.

MtuvasHjj en dn uit asu/j of iQm hd (isujj \\ zie onder (uh mi (isiyj \\ Ook is iCi h*i i ijj de benaming van het rustteeken t.

\'l,mwa^ naar ei11(le gaat o/loopt, bv. \'1,0gt; 7 \'Ü2N het noordelijk einde, noordeinde, vrm een stad; het laatste, uiterste; ooA* geheel ten einde, tot liet laatste toe {voor (L^ ïoj/k^n e7i dit voor Qhluoinjiji of oji tjiun w/j\\ van uimi w/j).—ihi mifiJi^x\\ iets beëindigen, ten einde brengen, voleindigen, afdoen, beslissen; file trein sTuiten. tr.).

oji urn (tuji \\ 817

— (ijjl 101 (i.ion/} het einde, uiteinde, slot of laatste van iets. tu (tl am ci-jjjj\\ de laatste die ecu reeks besluit; het non-plus-ultra, daar niets boven gaat {vrg. nji iJun Q^yj)\'

ajhuniiu/f\\ ongebr.; (ui kii (hijjn kn. beletsel, hindeT-nia, wat iemand verhindert {vrg. oji nu nri nnjj •). — (èi mi (ru \\ zie hij (ril mi auiq \\

(i.ifKijj rvijj\\ k\\v. zva. \'t\'i Kiyti i/j en (aj^m^ai i^Ki.vati

(Kii ifn (ujj\\ — lt;£i(injj iuji\\ ki. van (tiiïïnajijjs (UKKYIdUJ^S Zie y (UI IHn (11.1,1 \\

Si dm njiji\\ 1. kn. naam van een soort van stiuktor,

(T) o •. •

op de hii (Uhnnji\\ gelijkend, en die, geroosterd, ingenomen wordt tegen kramp- en kinkhoest. JR.—

0 . q- O

3. kw. zva. (ü^iini tujj\\ — (iji(H7i (iu/1 kw. zva. I\'ll

dfn ru/js — dhi tiji t n ili/j kn. met een kromme rug van hoesten of laychen. crntuijj ini (uïiw iufl \\ zich een bogchel lagchen. (ui tsr^ h njuï ihi vijifl kramp-hoest en kinkhoest mnnfn iu li\'ihi1111 ^ihn iu j\\ stijf en bijkans stikken van lagchen.

rj ojimn irujj of (uïam ilijj\\ kn. naam van het leestee-ken , eig., naar het schijnt^ de achterpoot van een heest, zoo als van een buffel. — y ili kii nuij met den achterpoot slaan of schoppen, achteruitslaan , achteruitschoppen, alleen van beesten {org. if d.i oji(uri/j\\ ij inn (Ui 101,1); ook een letter met een Péngkal schrijven.

(ui ij mi 2 tliji zie bij ij uh ij lunz ili/j (u hii(Wjurijjs kn. het gebogen zijn van iets; (van iui irrjjiU^fls cn vrg. (unn^Kn /j^ MHnnij \\ en ^1 rip).

— iui un (njjiniji buigen, zich buigen, hv. vaneen tak door den wind-, gebogen. —iri hun^un r^in^ iets buigen.

lu ifnnriji \\ kn. zva. (ui imnu^ im^ {van tut ^ en vrg. tfrjp). — (Mdinorup zva. iMhduiu^hnji^ — lUiKniL^ lt;tn rj un \\ zva. (ui iïn (n^ h n ij mi w (ui dm tux \\ zie luuwniK^

tui nip zva. tun ing\\\\ {vrg. lëi i,y myj). — \\ of

(uirjnip en (uiinirnjp zie boven.

; ) quot;gt;

djim\\ kw. zva. iUi iK\\\\

O Cd

(Ui (Ui asiifi \\ kw. zva ui ui; w

(ui rjcuntsnp kn. een krommes, een krommes, ongeveer van de vorm van een tuinmans snoeimes . maar met het scherp, niet van binnen, maar van buiten, en waarmeé men dus van zich afsnijdt; een nies, daar de Javaan allerlei meê besnijdt en

52


-ocr page 902-

o o

(ui i t asnj^\\

«18

quot;h

knutseU; ook wel gébruikt in plaats van een nji itvi\\ II. volg. Uh. in Banjoennas ook zva. ij riermci:h (jrondv. ^(un hujjs vrg. ijimt rj tn? fonjj).

— in*) i:ii (hiijl iets mot een pan got besnijden.

o o quot;gt; CY q O O ■»

nji m fonnx Kvv. zva. uv ui}\\ (hJi foi -? (Kijjs u) m asrijj en

Cl y O O . O O ■ .

njiw ifHjj \\vrg. n r.i fonjj). iti rn (vnyj\\ kn. tets zorgvuldig geheim houden of bewaren; vooral èen

dochter) meisje of bijzit opgesloten houden. /*3 /5

o o . . quot;) o /. O ^ o

a*n an ihnjjs zie ben. — u vi wt anjj of mt tu r;i aw

(hi/j\\ wat zorgvuldig opgesloten of bewaard gehouden wordt; ook zva. nu iUTj it.i \\ Wil. a\'i .Li hji i?i tim anjj \\ of enkel (fji a?i i n titfi ihi/j \\ worden de meisjes genoemd, die in de harem opgevoed worden en bestemd zijn tot bijzitten van den Vorst. O o

fir/ ihjyfj\\ KW. zva. aji ip Hn^\\

\'i r ) o quot; Q ^ Q

\'ij ivj (171 ihnjl^ rj (El t :i ïj iïji (un (Hl/j en (UltYj (amp;) d;)

/igt;r»^\\K., zie onder vjtvn iviw

tui iKi (hu ,yyi en (FjI rj»i (t n zi# bij tf (tJi ast) (hnjjs

(Vi \'irji (Kyi\\ KW. zva. volgens anderen zva.

o

H7ti (h ) n^o.:i (ui^

(cjjWjls zie

ij (ui rj mi (ui/j \\ im ij 1.7? (iji/i en amq oji tj i i (uiq - zie bij iïj(ijnlt;rj(Knajij^\\

(rj (L/i rj (vntaJijj en rj tamp;i rj vji 2 m/J gt; zie b ij ij (i.ni ij i :i è i ijj \\ (ui iiquot;?m %\\ en (ui tvniKijd/n nn/js zie bij i i%\\\\

(ui rirKa \\ zva. ui ij i:i \\ zie bij rj im r?i\\\\

O O

oji nn ui (lxji (Hi/j \\ zva. (ui m w q nm (hn/j\\

. (?) c (?) . (?)v

(u^(iji\\ (amp;! oji \\ zie nj^ihiw

oji 17^(^1 in anjj \\ zie (un ajj ^

o . j .. a

oji (iTi (ui \\ zie bij aai ui w

rt • / •• ^

(ui (i7i (ui (uj (htji \\ zie bij (\\lt;n dkhtjjx

(ui ij (i7i (rn rj an *jii (Ui (H)jj \\ zie bij vj in n w (ui (ci ui hu an(j {(ui 171 ui inijinjjlis.) Kvf.zva. (ui oti^^ mi iui wetenschap, kennis.

(UI (171 UI (1577^ KN. zva. 1/77 UI (ISYI -JÏ1 (UI (ISlljj (zie bij (UTj .uinsii/j); ook de aanvoerder, het hootd, bv. van troepen\\ ook wat iemand of iets regis en links naast zich heeft of daar men of het tusseheu zit, of zva. hiKun ajuuii/j\', ook zva. (ui rm un tu^ijjs bv. (Ui (i7i ui (lifi ui un (Q(mji\\ de linker en regter vleugel. — ei i:i (ui (mifj\\ zva. (iti ui (uii^\\ links en regts tussehen zich hebben; do flanken formeren of bezetten.

(UI IJ) \\ (UI (171 UI (K1 \\ of (UI (17^ UI IJl \\ zie bij uii ukkiw n,i ui i^m/is en uuuiu^iu(hnji^ zie bij un Vjirtiw ajiir^dui/jMm. uithoek, uitspringende hoek (vrg. rj un ij i i2 iLi/j); ook kaap (vry. ayijii^). (Ui(fU)jj\\ uitspringen, uitsteken, bv. van de borst of het voorhoofd {vrg. ij(mdrjiHit\\).

O

luirjivm iLyj\\ kn. omslingering van een been of arm om een been of arm van een ander 7^77? 717^\\ vrg. wij nmtn/js tui^(vrj.teii(j) \\ kw. zva. (ui ri^tini iujf\\ Ook volgens G. het gewricht van de hand (vrg. (i/i^cmvvi-jr^crrl wijl). — irj (ui2 ru^\\ Kn. iets, zooals een been of arm^ omslingeren met zijn been of arm. JR.

C ) O (?) :) .O Qv O

(L/ 7.» 7 7 7^\\KW. ZVa. ihll 7« 77 d Ll/j tèj^hll ILJiJj dOl\' U iKn\'ILI/jS

iui i?! trijl\\ poet. zva njj(tJii^(iafjs VV. II, 413: quot; an -fi tui (Ui (i7i 7Lijjn kN. voordeel, dat iets. bv. iemands hof y geeft {vrg. rj (ui2irn rui/f en ani ij iuijj\\ misschien het Ar. , phi\'l R. vrg. (uuun.ni/js). — (ui Sirui voordeel geven ; uitwerken ten goeden.

O 1 „ ^ Q Qv o ,

(lh (iTj(ruijj\\ 1. kw. zva. x.yhn gt;\\ en (ijj iunq(un wojvi* {volgens G. de scherpe tanden van oen olifant). — 2. de afgekante hoek van iets dat vierkant is, bv. van een tafel of vierkante pilaar, afgeschaafd . afgerond kantje. — iets af kanten, af-

gekant.

(ui2 ij (1712nuin^ kn. iets dat eenigzins lang uitsteekt of uitspringt, zooals een uitstekende rotspunt, een • uitstekend eind van een tak van een boom , lang uitstekende hoek van iets y ook een landtong in zee {vrg. (UKi^ruij)

(uir

zie ook (Ui in j \\ hen.

(ui !t7i rj (rui (inji \\ 1. kn. zie bij (uniui\\ II.—

zie bij nn rj ru2 (hnjj •gt;

tui u^i 71.12 (tn/j\\ 1. kn., zie bij aji^iu^s I.

zie bij na^rj nn(ynfl\\

(urjrjyHnq\\ {to el ligt (unj i^irj iHiihii/i\\ v. iiurmjini Mvjj) kn. belasting op het geslagt, te betalen can den pachter van die belasting, JR. volg. Rh. m rjonn2rj\'rii(Hiiji\\

Cl

kw. zva. ^nmuisiyiy u)i^\\ zie wnij ui{ zzi t.n rjtuis BV.

(u i^aji\\ KYf. opstel, geschrift. G. {vrg. (ui ru^ ui ). (Uirj(i7i2 rj iui (tui (inji n., het verkregene, een verkregen goed. G. {van ij (un 2ifj(iui^\\), i. pl. v. (uirjumij ij iti s w (hi/j\\ zie BV.

, O • ,O

■Jj\'?N 0f (uuuiirvn \\ en iuiiy%\\ zie bij (HniLiq\\ en

2. N.


-ocr page 903-

(ijian?\\

819

IJÏ »71 O N

O .... O

m ij fjj\\KS. Zie bij 7 Ij} hl w

/,»f-/ n km. liet gevestigd houden van zijn aamlaoht op

iets als een doel; het vestigen het oog

niet een doel, (de blik van een vrouw om iemand

verliefd te maken, G,).

11 rï\\ 1. KW., zie bij ilïw —2. k., iemand

m, J fq,

of iets niet herkennen, niet meer herkennen; iemand zoo vreemd worden, dat men hem niet

meer lie)kent {een ander zie bij n ilÏ^) itn

Ci)

i i rï\\ pass. gt;1 im2 n ut rï\\ wel herkennen. — \'amp;t

\'V/7\\ tamp;iihh it}\\ niet herkenbaar zijn, zoo vreemd \'K (h J

zicli voordoen o/1 voorkomen, dat men niet meer te

, , • □„ c cquot;)

hericenn^n is. — iamp;t i i rnr) hn\\ *1 on rn isv in/,\\ iemand of iets onherkenbaar maken, maken dat men iemand of iets niet meer herkent. — ui Ïlï j ioïijjs vergeetachtig, als men geen herkennings-gave bezit, volg. R. de verandering, waardoor men iets onkenbaar gemaakt heeft of maken wil; wat men niet herkennen zon; en volg. WW., een benaming van de P a s a n g a n, hv. lt;u) in in on ~ i w m rj ip i \\ zie b ij ij 1 i/i 2 w

\' ■ 7 ••

ui ij 1 1 iu\\ en (uirf ui 1 u in tyyi \\ zie bij ij\\nn 111 w ui in 1 h \\ kn. kreupel loopen door een krom been te hebben {org. oji n 1:1 rj uii\\). GR. zie echter /url

ui ui \\ en tui oji uuin/js zie bij ui w

tt quot;S\'iT en TV of .e-yfengew.^u^ kn. middelerwijl, terwijl het nog; zoo lang het nog, eer het voorhij is. u^unniuijj^ terwijl, of zoo lang, men nog leeft. ui unnnjj\\ terwijl het nog oehend is. in ik;ü^ jJj n het lt;1^ ij op prijs stellen, gebruik maken van hetgeen er is en zoolang liet er is, en men het genot er van hebben kan, van de gelegenheid gebruik maken.

urn ui \\ volg. Rh. ZH.\' iin zi iji \\ — 1Q11 iji \\ (u in tins maken, of een hoofddoek zoo klaar maken, dat de iu 171 iji\\ gezien wordt, Rh.

ui S vj lEii ^jI nnji zie b ij uil ui J} a gt;j iLJidrj cm\\ kn. pit of pitten van een doerjan.

ui rn f \\ ook ut m fs KxV. standvastig, niet te bewegen, onverzettelijk; pal staan, niet wijken {vrg% uj^ rn ^ n (un \' en u?r ? \\).

iivi Vn^N KW. zva. (uicmt\\ (vrg. (L/icrn\\), en zva. lui o

nrn {\\\\

arn % un h n (Hyjs ui rrn^luiuinjjs ui u riiq\\ en ui tui

o • 7 .. O

rn ^ii/n inji\\K., zie bij un Kp\\

ui rij ; n rtj gt; nrij rij gt; \\ en r 11 ui ni j • KW., zie bij

ui m j \\ KW. zva. (un (ti i uunji uioiiw •uicmq zva. ui

O (?) . ) .

ui ^ 1 un/j\\ .• 1 rn ■gt; f 1 111 ? zva. n 1 ui un 1 n.rn

gt; n nijj n k n . — i] m gt; stokken in het spreken, in

zijn loop gestuit worden, plotseling stilstaan; .1/1

unr.m hn rj rnz { i rri ^ een wijze van tandakken.

Tj. ui m j 1 \'ii ril ij }.j\\ vol van gemoed, zoo aangedaan,

dat men niet spreken kan. ui ni q ui cm s \\ telkens*

stokkend, telkens afgebroken, bv. u^i^0\\ vaneen

vogel.

ov

ui rn gt; un injj \\ K., zie u^ m {un (lii/fs ijj in^cun iW7^\\N., uï an j .un nnjj \\ K., een optrap, Rh.; de reiniging bij den aanvang van de vasten {van (lA^nrifs). ^

iuïrrniajj KN. een diepe kom van aardewerk, groot er dan

ui gt;f crruuj tnji gt; ui ij cm i uj un/j zie hij n /n ijcmtanjjs uiquot;cfn\\KN. rand, kant, boord, zoom; ook benaming van een van Balamhangan afkomstige klasse van menschen, waarschijnlijk krijgsgevangenen, een soort van lijfeigenen van den Soesoehoenan, waarvan de vrouwen veelal tot minnen aan het hof gebruikt worden , terwijl de mannen een handwerk uitoefenen, uï crn -rïwi «t? iisn/j \\ de gezigtseinder,

horizont.

(êimi\' naar de kant of oever, of

langs de kant, gaan; naar of langs de kant of oever. — kj?ui crn ni injj\\ van een vechthaan, xokQ-lings getroffen door de un iS van zijn tegenpartij y Rh. — Surnni ij nn\\ iets, zooals een vaartuig, naar de kant of oever brengen of sturen. — ui ui mw het naar de kant gaan, wat de kant uitma ikt; een vrouwelijke bediende, een crrnuryj\\ Men. pi. — m uï (rn ni injj of ui rn \'n (in/j \\ langs den oever van

een rivier liggende landen of wonende mensche?i. --

0 cx^ .

i, n uï rn ui injj\\ te veel of digt aan de kant.

uj kn.; (f\'h iij\\KN. hoornen toppen, aftoppen {vrg.

m iLi/j\\ Een ander zie beneden).

irvT Ov 0« o. Qv . o.. o. .e ,

ui .crn^s kn.; ui crr^ui oj urnrr^ui{rn^\\ weitelen,

huiverig zijn bv. om iets aau te pakken, vreesachtig, Rh.

uirj milirnjj\\ ^i\'i ij cmzuiijj\\ volg. Mh.. zva unj un^i\\ (Moy n^ts — ui tj cmd.}^jHijj\\ een verheven plaats


52*

1

o .0 0*0 r» . o 00»

iui am ^ \\ ui lt;m q \\ mi ui m 4 \\ ui cni 9 \\ ui cm {(un ^ ? /

-ocr page 904-

820 cu am n

waar men op zit, bv. hij een drijfjagt in Midden-Java.

nil m hu/jku. ; (Mail nn/f\\ iemand of weêrhouden

tegeulioudcu; beteugoleu {vrg. ajitmi /• \'kgt;tinn igt;igt;jj^

O (1 \'

i \'in th h/j\\ rm nm hu/j en (W (ea q ).

O7) quot;gt; • 7.. 1 tO -i

njinrti Kiijjs zie bij x.it yiiunn\\

(Uiiijdsiyis kn. ; \'f\'i rr^ tunjs met het liootd knikken, door zenuwachtigheid {vrg. n/rnrnj uvjj). tri 0 rtjMi/js aanhoiulend met het hoofdknikken,^.^/; hel lachen, R. volg. Rh. tot tee ken van goedkeu.\' ring; ook door onwillekeurige beweging hij het rijden

nji nrn ihiij\\ kn. imlruksel of indeuksel in een zacht lichaam, vooral in het vleesch, door het sterk binden met een koord of het indrukken van de nagels, ook fig. van het hart, zich gekrenkt of he-leedigd gevoelen.

(ui ij cni 9 1511 \\ zie hij frn q a/ii 2 a.n w

i\'l arn vis kn. rijksgroote, rijksgvooten, grandes («S^r. po etigg aw a, de bul van de kudde; in zamenstel-lingen uitmnntend, uitstekend).

(L//nkn. iets daar iemand mee gooit, zooals een baksteen, scherf of saw op it {vrg. im iu\\ en r.n pfn itij); volg. Rh. tp. tol. — wnm.tu/js gooijen; iemand met iets gooijen; iemand iets toegooijen; naar iets met iets gooijen. — (èicmlu\\ mv. — tfji mi nirjam \\ met iets gooijen. — oji cmniianjj\\ iets om mee te gooijen; malkander toegooijen; afgegooid, door er naar te gooijen, bv. van een vrucht van een boom, volg. Rh. tp. tollen.

(ui errilt;iu,j\\ kn. kort en gedrongen van hals, hv. van een mensch of paard; {pok onderkin. WW.).

O Q c o

(m 071 irM/l \\ KW. zva. ^ ik \\ ihi^axis tfJ) tru q \\ n/imi-n n\\

o s.) . o ij\'ri ui rj li 11 \\ en nm iLiw oji oji cni ili^ \\ kn. voorwaarde die gesteld, of eisch die gedaan wordt, om te bewilligen in een huwelijk; ook de persoon, op wien men zich beroept, om zich te verontschuldigen, zich in schijn verzetten, W. T. 52. — harm » o *

vu/p KW. zva. (i/n \\ a:^(ia mnrnpiij^ nnjj en (Hiw — (umerri rvtjis geroepen, ontboden worden.

h\'i iLifj kn. schoudervracht, zooveel als men op één schouder dragen kan {vrg. iiJ i.y nyj), bv. (vyujuhii tfji J? ri^i (in iui (rr^ luji; ook wel (ucni^ — w mi iM/j\\ iets op eén schouder of den nek dra-, ■ i a.jcyniu \\

gen o/* nemen om te dragen {vrg. liï uyiru/i en f j niii hii/j); volg. JR. ook een zeker mengsel van kruiderijen voor een zekere toebereiding van vleesch, visch, enz., en een daarmee toebereide kost.

een soort van rijstpap, {misschien verward met é?hj cu oij nji/j\\ d j 6 n a n g van Pang-goel, {een plaats in Patjitan , waar zeer lekkere dj\'ênang van daan komt). WW.

dji rhiiLijj\\ kn. getopt, afgetopt, afgepunt, de top o/ punt er afgebroken {vrg. (t^ up aj^ auj en \'/[tty rjermlUfj); fig. afgebroken, niet ten einde gebracht of verijdeld. — fWn ihi^\\ van een plant den top afbreken; iets aftoppen, afpunten; een bloem met een eindje stengel afplukken; iets afbreken, niet ten einde brengen, verijdelen. — (é^anii^rjdm\\ iets aan de punt gebroken maken. — hji dn ti^jhip het afgebrokene of afgetopte, ui ij^ dn yiiiu^ (M d?ii \\ voor het besluit, eig. tot afbreking van het overdenken. ibiiCj crntij) rui (ui ia \\ einduitslag, K. 1,9.

Qv o

(ui cm tyut\\ kw. zva. ^rurrn/jw

tui rnjjj \\ poéf . voor (L/i (rii gt; w

. a .o

iui ern in (inji \\ zva. (uiani^ xm Mi/j -

(Cu ij cyyi q cm \\ zie hij if on \\\\

(ucrhs kn. boven o/tegen het vuur, op een rooster of aan het spit gebraden; geroosterd {vrg. \'iiomi ri\'ri\\) ; ook naam van een wilden boom. ajicrhiu «wiinjj\\ geroosterde jonge kip. —• ttierh \\ iets hoven of tegen het vuur braden, roosteren, aan het spit braden; {de oogen van iemand verschroeien door er een gloeijend ijzer tegen te houden. KT.).

— am ihi nrh \\ of Hiyrivhs geschikt om geroosterd te worden, van de leeftijd van een jong hoen. — (ui cm lt;11 nn/I volg. R. ook iu./\'/ cm tin (ifyj n kn . roos -ter, om te roosteren.

(u nm \\ kn. zonder verandering o/beweging, onbeweeglijk blijven {bv. staan bestendig, in denzelfden

toestand blijven, zonder verandering op dezelfde hoogte hv. van het water van een overstrooming of van den toestand van een zieke {vrg. w am nj) am ? s en .iAi ri^ \\).

— (uam\\ iets of iemand ergens zetten o/ plaatsen, om daar permanent te blijven staan, in denzelfden toestand houden, bestendigen; ook bv. een waterketel op een komfoor voortdurend laten staan; iets onafgebroken voortzetten; zich ergens, zooals op het landgt; vestigen om daar permanent te blij-


-ocr page 905-

(L/l in \\

ven wonen. — m cm w ihiji\\ iets dat onveranderlijk vast staat, of ergens geplaatst is om er permanent te blijven.

xji rïj\\ of tuiciiyvn(kiji\\ kn. een op vier stijlen rustend gebouw, met een dak er overheen, waaronder meu voor zon en regen schuilt, en waarvan men uit de hoogte zien kan; een op vier hooge stijlen rustende toren of koepel, dat niet tot woonhuis dient j ook het scherm {(H)i ili) , dat voor den dalang staat als hij zijn spel vertoont, tvt tin nu -j \\ zie bij (U irm rujj \\ hji rr^ y ni 77 iTfn i \\ naam van een slecht te eken in het haar van de heenen van een paard. W. volg. Rh. bestaat dit niet, wel orr^ r/q^rf(i7m2crrijj\\ hen. van het zuiderkruis. (Sm) (Ult;rri \\ zie bij w ruw di(rn\\ beginnen van de wajang vertooning, Rh. — (tn :r)^ aji k)/j of (u (iïi 1 iiHi.p wat tot een panggoeng behoort; de plaats waar een panggoeng staat.

(U i}^ \\kn. naam van een kleinen wilden boom, waarvan het hout wel gebruikt wordt om er stoelen van te maken, JR.

tvïcrii\\ kw. zva. tvrïjuif/r\\ en {volgens G.

kn. gordel). — wvï\'inWLii de zijde van het lichaam boven de heupen. G.

j.jj tij\\ kn. onnoozel, dom, niet schrander van verstand; 00/c zva. ajj^ m G. {yrg. (Uitrn^un/j). vjaaut ui rip is de naam van Siêmar, nadat hij gestorven en déwa geworden was.

\'i/7 tj crn 2 \\ kn. uitgelezen, uitgezocht, het beste , van zaad of stekken, JR.

(u rn ni\\K.y zie hij am ^ 1 jï w

(?) / / 0 (uitïis zva. (U(Ci(i:n\\\\ G.

(Li .1,7)/LM? \\kN. het vermogen om een wonder te doen. G. — iui u) lin T) (HTJi n een wonderstuk, iets dat iemands wondermagt toont; ook een soort uniSs bv. om

vrees of schrik aan te jagen.

quot;) 0„ ,

(ij)m\\ kn. verboden, verhinderd. — ih)ij)\\ iemand

iets verbieden, beletten te doen; iemand iets afraden {vrg. 1:) n (U)\\ en (EA\'inrri\\). ■) % ^

(t/i in \\ kn. dom, onwetend {vrg. 2 \\ en n).

(Ugt;u}n7i\\ iemand dom noemen.

O o _

U) ij 1.) rj r.) ^ \\ dj) rj r.) i rj (cl ? ^--l/i 17? vj m % enz.

rh m iu(hiji kü., zie bij 001 rj ru2 w

(in\\ 831

ui \\

.ijgt;\\ kw. (Ej)(ni\\\\ I. G.

Cl -| • \'quot;gt; o quot;gt; /

«an j. kn. , zie (ui)u)w — z. k\\\\. zva. {vrg,

(ut) do \\) en zva. 1/)) u) (Kijf ^

(i^ I. kw. zva. iimryiaj)jj\\ G. — 2. kw. een ziitroep:

och ! wanneer men iets niet geraakt heeft, vj(10\\ 1. kw. zva. tjdi)\\ II. — 2. n., verk. van nrii tjdJtw — 3. verk. van i )) fujij)\\ of an•mrrjajtw ^(ijid^ 1. zie xmiyqw — 2. kn. een uitroep, als men iemand of iets dreigt te treffen, haast getroffen heeft, (in een dreigende houding. G.). — 3. oor-spronklijke vorm van ^ n2\\ nog over in a i tjnrnis. en in 17) rurj un \\ twee zusters tegelijk tot vrouwen nemen j twee meesters tegelijk nemen. {Het is een verk. van ^ of u) \\ zie ook rj aj) 2 bij tjdJi z u — (ld rjoj/)2\\ zie boven.

rij)^\\ kw. wora\' verklaard door en is mis

schien wel hetzelfde als R.

\\ zie (un (Uj. j w ,f tj) p \\ 1. kw. zva. au^^xjt) aS) onji\\ g. — 2. kn. een interjectie (in Banjoemas} zva. (is)i\\ I. {vrg. »ƒ

dj) ij (un 2 jnjj 1. kw. zva. ij cm2vj(iJt 2 \\ blad. — 3. tp., k.

o n

van ij cm 2rj(1^)2\\ on (U){\\ en — (in rj un i ihj

(nyj\\ tp., k. van rfn rj cm 2 ij ah 2 un

(in % or) \\ zie (to % on w

00 o gt;1 / o* o \\ • ;

(immon/j en gew. ao rnonq {voor nj) u n (ntjj li.) m ae

,. 1 , 00 a o 00

spreektaal ook do fc) on/) en dj» wow/js n., ^ »uu onjj {van het ongebr. \'iïtLW Hi/j) k., i in^x.ii onjj of 1 kTj l vI onjj n Md., nyïjj ~hi fj \\ hd ^ (ur^ in^/j \\ 00)1^ ajjon/j of KiipjcLrrjjOnji {van het ongebr. i/Tjor^/j) kw., eerst, eerste; eerder, vroeger; alvast {vrg. oiï u lunjj). ij\'ij) osq mi ifo in onjj \\ een vroegere Zondag R. volg. Rh. verleden Zondag, .177 jongst

leden Zondag, n\'mj) u) oojjs njn h h (U)lt;iv) onjj\\ de

(0/ het) eerste of vroegere; in de eerste plaats,

00 /. 00

ten eersten. ij ui nn n on/j of ij iji o^n u) if iy \\ en

o T L - aan

un \' ^ 111 wtf of 1, n wi iLDoy tj o/)ij \\ eertijds, weleer; voor eenige tijd, ecu tijd lang ge-


-ocr page 906-

rjdj)? un MTjjs

832

(10) xmn \\

leden. tSi (Hiijs al reeds vooruit, ct iiitnyn ^xziutfj\\ ik wil eerst of al vast gaan eten. (i?t iai an in de eerste tijden, veel vroeger,

voormaals. Jlij Imperatieven: eens, ereis, eens even!

n a i , , o o

(is» r.) iiLidoi ui on/j\\ sta eens even op! — (uncrrnai

n rt a n ocio - ooo

uj \\ i ) i i t \\ n r) (vu \\ of 0 a hi iij \\ en {(gj

ifjdjijnj\\ of (j.\'\'1/rh*sjs iemand voorgaan, vooruitgaan , voorkomen; iets alvast gaan doen; iemands

wensch of plan voorkomen, door maar alvast te 7,i o a n n quot;)

ff aan handelen, — a/nnm aniijj ij tm \\ ^ fian ij i,n wj iemand vooruit laten gaan, vooruitzenden, voor laten gaan , de eerste laten zijn ; met iets hot eerst aanvangen, van iets zijn eerste werk maken.

n iet 11 n nriji\\ zie rj ut t cittn j\\

doivtis ki., zie njicciMi/)\\ — ti/n lt;ijn i /tt \\ kn van een voorstel of raad gebruik maken, er acht op slaan het ter harten nemen, behartigen (^r?.

GR. volg. Rh. ongehr.; wel het pass. r^nij) rfn\\ bgt;gt;. ij au m -jnasrjj m nvm aJn \\ als mijn voorstel aangenomen wordt. —unenn un n ti/)i n^n im n tj un\\ (iji un n un /j« njtaj) n/n onjj en n fu) i iin-} (in/js ki., zie bij nji ati tn/j ojiiji(uii 11 (Kiji\\ zie ook bij b]rn\\\\

«vt zie

a.jgt; djr^ i5)i/j en u n it)}.\\ i^x,)) j\\ zie (ind/nns))^

aoi/n hi/)\' kx. kaal of dor, waar niets op groeit, zooals een kale rots en de top van een hoog en berg; droog, niet slikkerig of met plasseni van een wegi met weinig water en vasten bodem, van een rivier. WW. 11.

(Tj (1.0) )J 11) ? I.yj of Yf 10) rj m ? (Ki/j\\ rf in rj ilu 2 iJin

- WW.

■loiafnp kn. een soort van slang met twee koppen {aan beide einden, maar de eene zonder bek, terwijl hij toch met beide vooruit voort kruipt), {xoaar-schijnlijk v. yjiod en twee koppen), fig.

ook dubbelzinnig, en met een bijoogmerk Rh. en gemengd van taal, nl. Ngoko en Krama door elklt;1 nr.

/-m ?/i7)^\\ kn. in den echt vereenigd worden q/trouwen met iemand \\ echtvereenigiiig, het trouwen of huwen, met iemand (vrg. niikw\\ n nnis (tsn f.i en a?)),))^\\y —(tolinay^iij)j\\ in den echt vereenigd, getrouwd of gehuwd met. — \\m \\ yui tj un \\ iemandy bv. zijn kindt in den echt vereenigen.

dj)KW. zva. O-U m\\ en ithyii wn {vrg. aj)rjnA) en to) (Kpj\\).

(10)1)) (f--ijj\\ en yao) ijxm lt;f kn. hem! gemaakte kuchj hemmen, kuchen; met een kuch roepen gt; waar schuwen of een te eken geven {vrg. ^.nio^s).— nm rnn im vy \\ enz., iemand met een kuch roepen of een teeken geven.

^ (io) ij un (Eiji \\ zie (tot t/tt f //j \\

aotqnrts kn. gulzig op eten (verk. van auinnq of f i (io) en (Li om ■). WW. welligt V Mal. dVhaga, dorst.

(10) gt;/ i ll \\ kn. een titel van rang of geboorte bij de Makassar en en Boeginezen {vrg. rj ui) ■ en / » «Alp)\', ook benaming van een corps pradjoerits van den Sultan van Djokjo.

(Uj.tnp.s grondvorm van (i n(idj.onjj of uijd^m^

/ . quot;) o

io) m\\ kw. zva i d dis (ui(Miri/tmt^ en igt;n gt;) r.n t)

injj {Skr. dana, goederen, bezittingen, rijkdom,

have); ook zva. in mw

O

io) i(^\\ en ifi)irniilt;^\\ zie iet inw ly(totij Ky ^\\kn. met den rug een weinig achterover, en borsten buik vooruit, yun i^; tjaj) i] ilt;j y \\ deftig en parmantig. — tiw tf (trrj y ij {\\ met den rug achteroverhangen, bv. van den rug van een stoel-, deftig en statig van houding en gang. — in t^lt;ntt kj ^ imrj Kit \\ de vooruitsteken, it.t m^tjirjicniiot

^ia^ajti )jilt;tt\\ hij loopt parmantig met de borst vooruit, nl. met gemaakte deftigheid.

ty nj tni.pKX. naam van een soort van vierkante mand van gevlochten bamboe, onder nauw en van boven wijd, en zonder deksel, {grooter dan oj)in^ tu/j^ Rh.).

gt;1 tot 1/lt;quot;22 f kn. dik en mollig v. vrouwen; ook van zaken, die meer dik en breeddan hoog^w. y

O

\'VJv/N en V(;r^\' IHr/fSJtKquot;,] of ij (tm ut^fj worr* ook gebruikt als locatief om een meisje aan //

spreken: juffertje {vrg. i^tt iji-.i) ■ en i^ncrrtt toi/j),

ct j, . n

tot lij hl rt \\ Of (IJt *11gt;j hl\' tl \\ Zie (LCt

tjdotrjirirt kn. op zij of hand aan hand, met een an*

der; tot een paar, trits, rist of tros bij elkander;

twee aan twee; een rist of tros aan een stengel;

met iets anders gelijkvormig of eensluidend {vrg.

7™/%quot;)\' — (un rjnrrti yirfns een paar trits, rist

of tros vormen of uitmaken ; twee of meer tot een

paar, trits, rist 0/*tros bijeenvoegen ö/zamenhech-


-ocr page 907-

£gt;

an lt;n:n \\

823

lt;u} quot;i

ten. — ^dj)trjirfniü)anjj\\ aan o/bij pareu, risten of trossen, ^ m rntinjj of nq(iJ)oq rin ij irj J7/V) in iifi/j\\ zva. iu tr^ azi ihijj \\

(Ujj. i\' tjjj zva. oj (tot if ^è (urtjj \\

.uidin\\ kw. zva. (Siamis (ui (tnurn quot;^nonjjs iuti

(aI Ci)

(amp;/föujj\\ xm (èvun (c)chvji en lt;hh o) (ui\\ {volgens G. schaarsch, zelden j duur). — «jxrrr» kn. steel of stok van een zonnescherm. (Skr. danda. pk.); oo^ een heel dik touw, zooals om balken te slepen, JR. {Vrg. (icia^.s en ïlrj n). lt;u.n nia.j)arrn

(HTjjx dik kabeltouw. PL. aoiarni}^ru\\ vau leer gedraaid koord, üjtm.

(sinn\\ 1. kn. kuods, strijdkuods. 2. kastijding, straf,

C\\.l

U. boete als straf {Sier. dan da, stok/staf; een wapentuig; straf, boete); ook naam van een van de zangwijzen, die men ihigahan noemt. R. w»

lt;U (hiiiut (Hierin \\ in de boete geslagen worden.

Cd CxJ

im am ij» arn een sterke arm. G. volg. Rh. magtig

bv. van een vorst, groote magt hebben; volg.

RW. zva. amcLa riAj)\\ (ljianm ui iia\\ zie hij i ina w — 6J

O . o o 0

.t/najnerrns 1. KW. zva. (un cm tun un/is 4. KN.

CJ CxJ

iemand in de boete slaan , beboeten. — (imcnnniri

CxJ Ca/

uj\\ mv, — (titarmMi/js ite opgelegde boete.

Tj ui am n {denda) gt; zva. hji mn \\ als naam van een zangwijze, volgens de uitspraak van Banjoe-mas. GR.

uiain inyjs zie hij .wxirnw iXiin wjj\\ zie bij iciain .\\

o n . ) n(x Cl amp; , . j-

i:iani ui/js ixma^narri(ynjj\\ zva. t/nn^niyns {misschien een schrijffout R.). WP.

lyV\\ïgt;l(i}lt;gt;ryi Z\'ie \'urhlt;l0lj(^2As

x?innj »t^\\KN. weggedaan, van waarvan men zich ontdoet, zooals van een huis door verkoop, van een vrouw door echtscheiding. — (tni crfliain uujj\\ iets

wegdoen, van iets zich ontdoen.

\') i gt; . ...O

tui cirn .hiji \\ zie bij aji (EAjj\\

uianrt) \\ of dtnnh\\ 1. kw. zva. mi (rn /. iijj en iun it\\ .i^^\\ — 2. kn. zva. (t^j^hiyrnu (zie bijoj^ctjjKtyfi.an lt;n)i ijun v naam van een goed, WW. en

ij» lt;iiii in) ?/quot;,»/?/ ri \\ naam van een slecht tee ken in t het haar van paarden, iji ernj rij iu {of mi am aJijj ) tiaatn van een kruid, dat gebruikt wordt tot blanketsel, WW.R. en van zekere zangwijze. — i/Wfrmrmr kw. als een raaf of kraai doen. kn. zva, m us (uyi \\ y ojn n^n \'t/n (ü) ili imiijj of iuiiam nrrn n nm. van een slecht teek en bij een

paard of een pürkoetoet, spr. voor iemand iets kwaads toeweuschen, volg. Rh. ook zonder itiiri/i ihvjI zva. antn^aji/js — ». i^ (ici erin tvn nnj) \\ of aai ah dh (ui mij] kn. zijn wensch erlangen. R. volg. Rh. sterk verlangen naar een of ander.

aciam\\ kn.; (uncnrnain\\ onafgebroken aanhouden; in

C*) Cxi Ca.1

een onafgebroken reeks zich uitstrekken ; onafgebroken (vrg. (un apiafy n ), volg, Rh. in Banjoemas

ook zva. inn.rwt zie bij n ni irin i \\\\ »C \' c i \' c fquot;

iciarhs kn. sierlijk en vlug van een slanke gestalte,

Ci\'

van goed sluitende kleeding, enz. tegenover tf tun t rj [cuy q \\ en npi? ilm nn W. I. 29ö,

dij)aan \\ kn. uitgestrekt (vrg. ikii(wi\\). u najnahi \\

CxJ CxJ (i\' C\\J

zich in de lengte uitstrekken; en traag, langwijlig, voortmaken; traag gehoorzamen o/* doen wat verlangd wordt {vrg. .unarmarfns).

CxJ (igt; ■\'gt;

ujirjaj\'n2 \\ kn. door het een of ander oubeteekeude woord, de wijze van een lied aangeven; de klank waarop een vers eindigt, zoo bv. K. 22, 36: n(iji

afn nuiaiii\\ nl. wijzende op de oe, Rh.

Ca.) \' C.\'t

0 » - Ou

uiarn . of (iJimnMLW. zva. m-muis en (un lucunhliw U) \' Cx)

i/uiain kn. nm. van een soort Mal. ghiding.

1 Cx.) *

ij ia ij arn \\ of ij ici rj i\'i \\ kn . in dunne lapjes gesneden vleesch, dat, gekruid en daarna gedroogd,geroosterd of gebraden wordt, om bij de rijst gegeten te worden. (amp;i ruvjui \'ƒ lt;yn \\ spr. een dcndèngdief, een overspeler o/minnaar die heimelijk in het huis van zijn beminde sluipt. —tm i^nn ijcrnis dèndèug maken; van iets dèndèug maken.

o r,

ij) iHjjj kw. zva. oj)(UUjj\\\\ G.

loih/js {ook wel \'rKHj js R.) kn. ; dhd/jj/^ en (ij)ciAjj^\\

kw., beschermgeest, van een landstreek, rijk,

rijstveld, plaats of huis, die als de eigentlijke

i

heer er van beschouwd wordt en dien men wel offers brengt; ook schoor tot steun tegen ecu huis. 1 {De oorspronkelijke vorm is jhvyjy ook wel voor (i.j)(bin\\\\ n ij) ïrtJjj2aan ^kw. , aji (t^ jujarn \\ betiteling van den brahmaan Drona. (U) (ui (Hi/j ra (hn/j\\ boek dat over de verschillende danjaug\'s handelt.

(WiiJifs kn. in groote hoeveelheid over den grond of ergens op verspreid liggen of neergelegd zijn, zoodat lid er vol van is, bv. van vuiligheid, en van uitgestalde vruchten-, ergens vol zijn van ine us ch en


-ocr page 908-

Q O fWï ni \\

824

IJUxD

of /einders (vrg rj iwt rf vj) ^ n ). / ^ j

ovorul in menigte uitgestald. — n/n arn iels in grooto lioevoelhodeu uitgespreiil neerleggen of uitstallen.

/j) 0O) ^ \\ KW. s\'yöï, ^T) 7^ 7j)» N 2.

tunS ai^ijs Chin. kn. een unster of weegstok {gewoonlijk om le wegen van I tot 100 kaligt; Rh.). Onder aan verstaai men een gewigt van honderd katis, doch van gras beteekent het zva. wcu*iirn iu/1, d. i. ongeveer 50 kati. ^ nj 2/n^ j jji an/j\'

2000 kati\'s. — i/nwiKiS (hn/)\\ iets met een unster

Ui 1

wegen of afwegen. — mnrti w an/j het wegen of afwegen met een unster.

tj uit mj\\ kn. naam van een toespijs bij de rijst y van kaMlé of fijn gehakte rauwe groente met geraspte kokosnoot en Spaansche peper. J R. zie ij gt;1 vJ» 2 !}J) bij u/ ri ,7,7/7 amp;?/j \\

dCj. 7^n KW. zva. itT^ 77^ ryijigt; \\ (ui(in^ii,n^\\ N., ft/77,77 ivii^dji\\ k. , spr. zva, uji r.r^ by lt;u (uij\\ ook zieh beijveren om de eerste te zijn en anderen te overtreffen in kunde of bekwaamheid; en gejaagd, erg gejaagd, van de ademhaling en polsslag,

ij ui ij 7J) i tujj zzz rjcnujrm i u/j \\

rjlt;IJ) 170» zie (1377 \'77,17777 N

(toi.7jinkn. nu eens los, danweêr stijfo/gespannenj

fig. nu eens ijverig, dan weer lui; wispelturig, za-

metigesielde verk. van hii rjenni\\ hi)ijïn \\

(Ui\\KW. zva. (7.7 imw G.

CY,,,

7o» klanknab. van een trillend geluid zooals van een

schot, dat weerklinkt \\ vrg, iJi ni/js Tj.

a*y KW. zva. ^s\\ G. {waarschijnlijk verk. van het Mal. Mii(ioj,\\ waarvan ook ani lyityj een Krama-vorm schijnt te wezen\\

r^UI\\ KW. zva. 7777 ij ,7/77 ^ \\N - 7/77 ^ (177) \\ KN lUet Zijll

velen in rijen geschaard ergens zitten, ook van zaken in groot aantal, in rijen (Rs., Tj.), vrg. ia mtay.

dot ~n \\ 1. KW. zie iui\'rjook zva. •fï n { \\ (Si\'r. dh d-rd, regendroppels). — 2. kn. halfwassen, nog niet geheel volwassen, van een hen en fig. wel van koffieboomen; van middelmatige grootte, niet groot en niet klein, tusschen heide in, bv. van wajang-figuren gt; {deze heet en volg. Rh. uumi un rin m) — (Wï\'K) (Wï Tï N KW. zva. iiw (lA^tlA^:in/l\\

n!nrri\\ 1. KW. zva. na ni \\ 1., en ij (in m\\ 2. kn. naam van een visch.

O O | , )

IJl 77 » 1 . KW. zva. 7/77 HXI (777 /j \\ Utl TJ) 7. #)^ ^ ^ 7,7 )ƒ 7 7\\\\

^7(7777\'77\\ H7i (ui myi en - 2. KN.

hoogmoedig, trotsch {vrg. (uh i.^\\ en crr^iQvjdjix).

— cun enn n n nm ~jn 11 om \\ iemand trotsch noemen

ca.\' \' \'

of voor trotsch houden. /1/77^777) 7^ ni^77 ^/77 rj uw mn .7 ))i77^\\ zich zelf verheffen, zich trotsch aanstellen. ciji\'yianjl Kvi.zva. mj i.i^w

hijiiiin \\ en run (en n afri \\ kn. door snel en aanhoudend

—^ 61\' ( \\\' C\\J

op elkander volgende slagen luiden of dreunen, van

een zware klok of trom\', ook freq. van (ijiwii\\

/ . . xgt; Rh. {ook (vn((rrti(rin\\ met drift voortsnellen, JR.).

cx) ca.\'

— {(L^cr^n xn anjf\\ met snel dreunende slagen; (met gejaagde schreden, JR.; ook aanhoudend doorvragen G.) vrg. tj tjrm) in (hnjj\\

rui dJKi m \\ zzz. ui erin \\ Ti.

s Ca) ocj j

ij icyi ini i.ii}nj)\\ aanhoudend doorvragen.

quot;gt; o jgt; n

70) m 7/77^\\ zva. npniiniji en )L7 en wnmi

t -gt; o 0 0

•ti i.n/js zva. op ni li^ni irn/i en itr nhn -n mifls

.iji^iini/j\\ kn. in menigte in ecu troep ergens zitten of staan, menschen of dieren; ook van voorwerpen, bv. van een menigte stoelen die ergens staan {vrg. mniycrrns).

(inifmmi^ kn.j (i/iitrni ij nd ini/j\\ zitten o/* staan te kijken of te gapen, niets doen of uitvoeren (ici ri ruzurijj). JR. volg. Rh. erg. afgezonderd zitten of staan kijken.

^ poët. ben. van een soort booze geesten, Tj.

i] ui ij 11 mijj\\ ,7v7 7^ 7.0) rj m i, 11 q en ij (iji ij uri onjj of

O . 7.. ^

\')-) rj to) tj \'ri ini nnjj\\ k. , zie bij (ic^ruj n\\ en ij (iji rj -ti

ini injl ook bij kv o *77 w — im rj urn tj *gt;7 707^ \\ k 1.,

o O Q„ /• O a

van (M(ix^\\ h 11 \\ of nsri,^ en un

ijnrn rjTi i. nji of 7/7) rrin tj iji y 77 mijj \\ KI. van i:w •~n {\\ 2.; e/oc/i het wordt ook wel als Kr a m a van tr i nfj, gebruikt, nevens «5^ f 7 (b^\\ w er k-

woord in den zin van méégaan doen. R.; volg.

Rh. Kraiml van uj nsijj^ of ii?i en arm

\'O j? - O

Tiq\\\\ nu (i/iirferni ij-Ti hiifl of un tJi ifdJi iyn i,n/j

het gevolg, de stoel, (iji rj(ljiij ni ^^ lieveling. — n/n ija^n ijm u^s 1. ki., van Si rj ilh iy\\\\ en 2. oj. k. van 7^ (^w R.). — tun ijami ij n ,

o \' -gt; □„

\'iV1/ Un \\ 07/ 77.727(7) V7) 7/). 7) \\ lt;?W lt;) ,)\'») 7.)

gt;1 i,n\\\\ en oj, öo^ k. .tsr^)/7aj\\\\ R. —

Miftnn ijm uii/p Kr. aj n %\\ gevolg, stoet.

// 7/ ,70) Y quot;7 7 K1IJI \\ KN. 7^ 70) 7^») 7/ /.7) )ƒ gt;7 lt;7(77^ N /07


-ocr page 909-

(Qihv ruji \\

825

nicundrj ri\\

^miiru/js kn. drukke eu haastige beweging van iemand {org. ^ ti^i met haast

011 drift loopen of druk in beweging zijn.

tu/j en \'if {ac^ttrn in )nj\\ zva. ^uuirvy en^

itu/js kn. ; ^ un ni (Hifj met moeite en veel inspanning, bv. ergens op- of af klimmen. lomthD/js kn. land, in tegenoverstelling van water; het vaste land, de vaste wal; te voet, niet op een voertuig; ook op den grond, in tegenstelling van in de lucht, lïi^tin\'-rmsn/is over laad gaan of reizen, (ie^rfi ^\\ voetvolk. (h^cm^Sftiin y)lünjj\\ aan wal gaan, landen. —wiam nasn^ voetéren, te voet gaan. rj tio (i:) am nrn ni tiwjj n een op aarde komende god, Adj. S. —aginajis het land, vaste land, in tegenoverstelling van de zee. ruiihi0\\ bv. van iemand, die zoo vast slaapt, dat hij vergeet op aarde te zijn. — i»tui ni a^n

te digt bij het land; onder den wal raken.

) O , ) . O ^

^ i i tu/js am nrn uj) n zie aji k ) iu/j\\

^3S5S (l^ Ojs Kw, zva\' ^N (fikr. dans tra, groote vooruitstekende punt).

O o o

^foirtsri^N tumji ^ }j(uizie

rj ij) nan asii nw

?Aj/w»fiM^\\KN.; tanojKK ) verlegen of schuchter,

snel eu gejaagd heen en weer loopen; ook van

iemands blik {vrg. (hij). WW.

^ o . o rgt;

Zie dJKLJ)

O O . 7 .. O O

\'dy Ki w/jn zva. i w (mji\\ zie bij a j) dz\\ u)^\\ Wl^ruj, ^jx^oru/fs B.

tcrndncrnp kn. het met een zware scheur of groote scheuren gespleten zijn, bv. van een muur, houtwerk of den grond. — am (nrn dJt oiijj\\ een wijde kloof vertoonenj met een zware scheur of groote scheuren gespleten zijn. WW. volg. Rh. zva. aotrj rfyiirfdJienrji/i tin \'Udjurnjjs zie bij (Siigt;jl(rnjjs

m tl\'m ifdcti (rnjjs zie bij vidod ifdm (m/j\\

/ o

tflt;ij) xAjjj\\ Kw. zva. xnn aji\\ nn uxk/iw {Skr. 1. dhai-

rga, verstandigheid; 2. moed, standvastigheid).

fW) n \\ kw. zva. rj iUi 2 nu q trn aSikiijj en aj^ uk oJ dhi aa \\

(maar is wel hetzelfde woord als an /ea\\).

i/d-m\'h\\ kn. naam van een soort plat ronde visch

ook am no) n.]ji\\ genaamd.

ndci2tf\'V}\\ kn. strepen, vlammen of dren, in hout, marmer, agaat, enz., die van natuur daarin zijn; met vlammen, strepen o/ftrenj gevlamd, gemarmerd, gestreept {vrg. tj im ij ■»\'» n e?i tj ivitf tuKbiyi). vj do 2 fj quot;Vi ? \\ kn., (trn ij(nnt roerloos zitten, of

zitten te kijken; als een beeld.

dct Kiijj \\ zie ^ am z a.iï Kti /j \\

O . O

dJt zie

dnanijis 1. een uitroep: fl! foei! {Skr. dik), (r. 2.

verk. van am djJ im/j {zie am dn ).\'6. grondvorm van

; quot;) O . . n o r) r,

anidjt 001,1 (zie djiajinn/f en afi op awj})-dxy hup grondvorm van uj,ay mi/j en in ajj, hijw en

verk. van ajiiarnj mi ^

ijij) kii/i^ 1 n., aai ru k. , tijdens, tijdens dat, toen, vóór een benaming van tijd of vóór een zinsneê, daar een tijd meè omschreven wordt {vrg. ru (Ai \\

en an n?/mi^); bv. rj iji tm x/r^\\ vroeger, voorheen,

. . * O O . , o o

laatst of zoo even. rqdJiarnau^ gister, tj dj) anaj

in \\ eergister, ^iiuchis toen ter tijd, op

dat oogenblik. rjajiam \'Ui \\ of ijdji im aji (hn/js wanneer ? 2. vjinan^ kn. uitroe}) van kinderen, als zij iets gevonden hebben en voor zich willen houden: mijn! zie /rjiJi rj dJi nu^ 8. verk. van im rj dJi in ii/l of a iiajdJiani/js ^dciinn/js kn. het verblijf ergens van iemand, de plaats waar iemand zich ophou It of (en eigentlijk) zit; (grondvorm van tjdJidrjdji\'énn^s rjojidrjirin2

quot;) . Ou

miji en am ij 112 kii/i^ en vrg. ijdJi 2 uij mi

amiBt~jjt\\ de persoon op wien de schadevergoeding

neerkomt en te verhalen is, KT. — a/nrfcymamjjs

(ui nrrn2ani/jgt; en d.i ynrn2 Kii/j\\ zitten, voor zich

ophouden; ook blijven zitten, blijven plakken. —

(bi tj ij» 2 utj \\ of a:i ij rrrn 2 tni ergens zitten of zich

ophouden j bij iemand zijn verblijt houden. aPirjd-Ji2 o

a^v \\ en 001 ij iji 2^00,^ pass. uii Yjdji 2 im aa ~\'n (ijj. truernn aoj^s de persoon op wien een schuld is overgedragen, KT. — an if erin 2101 tj mi ^ iemand ergens laten zitten (in den zin van blijven), — am ajani2(hflij}njj\\ een plakker; plaats daar iemand blijft plakken.

düi uil n kw. zva. a-mayjiw (Skr. oe da k a en da/ca, water).

ilci my Ml. zva. am tny* immii mpKN. zich iets

wederregtelijk toeëigenen (vrg. 11 WW.

iLJinrj \\ kn. ; amcun irrj \\ zich eerbiedig voorover buigen


-ocr page 910-

ui ij mi i cHiji \\

826

of bukken, bv. van iemand, die in tegenwoordig- | held van een meerdere zit, wanneer hij tot hem spreekt; ook van een paard of viervoetig dier knielen, geknield, de knieën van de voorpoten op

den grond gebogen; en zoo ook ajtdniin^w {vrg.

O t O v

tf .tj)^ ij hii2n ui hij(ilt;ij triiji en (Madi i.r^).

O - O O O O

ict nir of ni(Hii\\ KW. zva. en ii-j

^\'^N (^r- ad ik a, uitmuntend, pk.)-ddi hi^ \\ kn. naam van een kleine ronde vrucht, bij\' zonder aangenaam van smaak, Lansium domesti-cnm, Jack. {vrg. tüajciaji). cüiii^ii irrj\\ doekoeboom.

irjuid ij h)i2\\ kn. ; i v ij (yin ij h}) 2 \\ krom voorovergebogen zitten, {of toopen PJ.), bv. van iemand die pijn in de buik heeft {vrg.

ij) im ^ \\ kn groot, van een boom of vrucht \\ {ook groote wortels van een boom, die zieh onder van den stam halt\' boven den grond uitstrekken. GK. {Vrg. a?) /7 ?n); fig. een groot man zijn, gegoed en van veel invloed; vrg. rui k»^n\\ Dit noi un q en wordt alleen gebruikt van de waringin en shnangka; de eerste is een groote {doi h n q) boom met kleine (i?i hn ;) vrucht; de laatste omgekeerd een kleine \'plant met groote vrucht, zie het raadsel daarop gemaakt 13. T. Dj. bl. 8. uthn^ dji un s \\ eigenmagtig, beschikken over een of ander.

(A)

(ioi iai?\\K., zie (i^ hTj.*

(ui h?i{ ■ kn. klein, van een boom of vrucht, in het

geval vermeld bij (ij)iniq\\).

(icj,hijy\\ n., iJhnjsK., gehucht, buurt van ecnige bij elkander staande huizen {vrg. ijiwa^is). (in\\ liJitui irri j \\ een gehucht aanleggen of bewonen op

een onbewoonde plaats, zooals in een woud —

o fquot;) ct i-,,

a licriij hij s (vii \\ (tm arn mi q n/n \\ ergens een gehucht

aanleggen. — (ijluji i. tj j im irijj\\ (vidji mi q (un Dojj\\ plaats waar een gehucht staat of gevestigd is; aangelegd gelmcht.

Y hiz if i.mss kn. met lust, gretig, gulzig eten (Tj.) met lust, van harten en ijverig bezig om bij te staan of in het werk {vrg. (i nnjiLojj); van werk alles maar aanpakken zonder onderscheid, vuil of schoon.

IJIW riilt;n n\\ zva. inj(Ui(FJi\\ (IjIdiinji n ? K. 8, 20. i WW. heeft: indien, ingeval, wanneer.

in }jlt;Hmihnjjs (tp. ook wel M}y .ini2(Eijj\\ Rh.), kn. een langwerpig ovaal houten blok, ongeveer drie en een halven voet lang, met een groot gat aan beide einden en twee rijen kleinere gaten in het midden aan beide zijden, waarop men met zijn tweeën een zeker spel (het dakonspel) speelt, gew. met sawopitjes.

(i^itoian/js kn. inlandsche arts, man of vrouw die de geneeskunde uitoefent {ook wel als duivelbezweerder om door allerlei kunsten booze geesten te verdrijven); heelmeester, vroedvrouw. — am(ilt;ii (m/j en fejiaoiini (Hi/j\\ de geneeskunst uitoefenen, als doekoen practiseren. iiajjinjan/j ook docteren, de geneeskundige hulp gebruiken van iemand. — vn aiii in/ ihj \\ iemand cureren, als arts behandelen.— (Hierna hij iyrj uns iemand door een arts laten behandelen, onder doekoens handen stellen; en iemand als arts gebruiken, of als doekoen erkennen.— (ui (voj, hij\'Kj nfij of rjw iPiMfiy inj(hj(m;i\\ de geneeskunst of geneeskunde. — (tia^hijiujH^ geneeskunde uitoefenen.

r^Jï ij tnj. \\ en rj ui rj inj iirijj \\ zie bij ij lci ij ui w

/ . /

ici (hv \\ zie ru .un s\\

X ^

(IJl H1I\\ zva. tp HljW

nCY Ci CY O CV ,

iiji nns — (unniii im\\ ongeveer zva. (wnpiKn\\ zie hu

(^j iw w

a/\' . . a/quot;

dCj.uns zie un a

(Uj, h ij \\kn. een verhevenheid van den grond, hoop aarde G. {vrg. (i3jj\\jYj\\ (rrj tj unjj en liyrun hij n ; ojj. hij ij ni (in(un hji\\ boven in het luchtruim. \\VP. OJ. zva. (ijnc^rr^QOjs ophoopen. G. — hn

(ru* inj \\ een hoop. (tn(t^ïnïnartr^ in^ \\ overal bij hoo-pen verspreid. — dïiyij /.ij\\ zich ophoopen, opgehoopt liggen; zich tot een hoop verheffen. — a i ernj hij \\ zva.

ij(idi nKN.; ii/nijciimvj\'imis zoo maar plat op den

grond zitten {vrg. tj iLnjtum\\ en vj iji ij iji2\\).

ij (in gt;tj hns zz: »/ (iJ) i oj (Hn n\\

iQn.hm hii/jsKii. holligheid of deukje ; met een kleine . holligheid of deukje; hol, zooals een groefje ergens in-, holoogig G. dit volg. Uh. lt;iiiijni2 {vrg. (mij ij ihm un/iy — lunmii ij Hn?(i{iijj\\ met ingezonken oogen, zooals een blinde R.; en een plat woord voor slapen.


-ocr page 911-

827

O dj) toitji \\

O O m un iHnji \\

n o quot;gt; quot;»

wmiitnt/j n., zva. jci j.iiH7i/j\\

7 ?x verkorting van n/» ij lt;rt n t ^,/ ? k jj n op de hurken zitten met den rug naar iemund toegekeerd, zooals in sommige streken de geringe Javanen wel doen uit eerbied, als er een aanzienlijke voorbij-Vomt, {volg. Rh. een eerbewijs alleen tegenover Jav. vorsten.).

(?) kn. met gohogeu hoofd staan of zit-

.O ; quot;) quot;) O

ten {vrg. an hip en i /

mq). — (uiicYpjurjjUi^rujl^ niet gebogen hoofd

gaan staan lt;?ƒ zitten; zicli voor iemand buigen.

ici nhi nsnijs KN. digt aaueén (bv. van vlechtwerk); com-

pres (bv. van schrift); digt bij een ander, bv. zit\'

ten; digt op elkander staan; nauw, van vriend\'

schap {vrg. nitwtiwj en w.nn iKhjj\'). WW.

zie ulia^ ^JJ}n in ini kn.; luncrtn li» wji\\ tegen iemand aanzitten «/liggen {vrg. tiyiyj en a.jia}n ttw/j). — j,i) te) hn\\^ — (LnchnhuMjs tegen aankruipen van koude {vrg. )fn itnio^yjs). JU. volg. Rh. ineengekrompen zitten of liggen. — xjn nn/js mv. Tj.

^ Ov O v

hi i.y njij^\\ zzz (in iM.js vrg. (in /.tj /1 t/j).

o r, l ) O

itn/js KW. zva. n:nitJ^\\ tr. lumn n iq en ili

(yij zie hoven.

m7lt;wo^\\ kn.; nmatn uti iiijs ineengedoken op den

grond zitten of zich koesteren, van een kip, eend

of vogel.— am (Yin w fj \\ ergens ineengedoken zich

neerleggen of neêrvleijen; op een ei of eij er en gaan

zitten. — nm(riri im \'f 117 uu \\ verschuilen , verbercen.

OO 61\' V

/j) ut) £jj anjj 1. in het geheim bij elkander komen, zamenscholen, van menschen. 2. kd. zie lt;1.1 rj rij)\\\\ 3. een wijd gevlochten krandjang van gespouwen bamboe en met steenen gevuld die men in een dam tussehen palen neerlaat om het water te keeren, Rh. vrg. rtj )u\\\\

lt;Uj. uhquot; of ij .ij} ? lt;uh \\ en /. ua^. h h \\ of hn tj ui t i,\'h\\ kn . naam van een zeevisch, in vorm gelijkende op de un cm j of asnrjnmfW Rh.

(unasiiji of ii) ijtnsii/j\\ kn. ongeveer zva. (Knnni,^ bv. i ~jit iuwnasn ~\'m n\\ nu eens bij zijn bewustzijn, dan weer niet. — w of iin tiin ~!/ri icn 7n7x onbestendig, niet vast, bv. van een slaap; van tijd tot tijd wezenloos, uiet goed bij de stukken, van een mensch. — ij) mrijjibn/js wispelturig.

luimig, grillig {van tiMu/j en 3\\\\. volg.

Rh. n?) iLiJ/j\\\\

dj} (L,un\\ klanknabootsing voor het breken van een

\' C)

koord of het trekken daaraan: trek! stam van tin

n n :) n

t \'Kisn/i (i/nairrt J) (isn/t (tnnrn lvgt;n/)\\ enz. \' CxJ CxJ Jl

antisij\\ kw. zva. nicisr^s {vrg. ajins}^ wrijj) en 011 mrt\\ ook zva. (amp;iac^\\ n/nuyps ^ ttm(hyj\\ arrnnp \\ G.

{S/cr. ddtoei element, grondstof, mineraal, pk.). an (isr^ gt;1 u (tiD \\ zva. hoi an rj aw 2 \\ tu n act rj am d an/j\' kn. vorstelijke hofzetel, vorstelijk hof, vooral het binnenhof (vrg. am vjani2 cuyi en nirjax) an ~jr}aA/j kn a.n rjavi? anjj\\ titel van de oudste dochter van den Vorst, en nmsy ooi an rj (mi i an/j titel van dezelfde nadat zij gehuwd is nhak^n ^ lunan fj ihtn anji is ook wel de titel van een gemalin van den Vorst. ai ti an ij a 112 pjtiao an ff \\ het hof van de tijgers, een uitdrukking om pen van tijgers sterk bevolkt oord aan te duiden, ojii am antj asm on/j\\ zijn hofzetel hebben, zijn hof houden. — an an ij asn 2 anjj \\ zich naar het binnenhof o/paleis begeven , naar het binnenhof of paleis; zijn hofzetel vestigen. — winrjiutéOijs ergens zijn hof vestigen of gevestigd hebben; — (tm an tj asn 2 atjan^ tot het hof behooremle, van het hof; de personen die in het binnenhaf wonen, ook zva. an an ij aiii2 anjj\\ naar do kedaton gaan, in L. passim, an aw anjj \\ k.\\\\. zva. ij an2 ,rui % w an ivnj mifj \\ zie in isr^ imfj \\

in (Ui abii an a\\ zie an asn/i\\

Cj ^gt;1.»_ I lt;J(

aji foijfjiunjj zie bij unhit ^

anaiïjjj\\ zie bij an asiijjs an ash \\ k w. zva. an (bit w

an ain \\ k. van a n ini \\ en van ila uj fj ^ of a i *t ^ en van «5^ ka \'hu n bv. in i\'niaia.iiK Ook wordt het gebruikt bij woorden , die een gehoorzaamheid of gewilligheid y of ook goedkeuring , bet eek enen, hv.

G) . G) n CO

1,1^ n ian asn a.^ tj iï. 12 :rii \\ mj n i.in Obna a an ihn

gt; o* o (\'0 o . .

ajn ya *1 ^.1 % tuil \\ a 11 m a n au anTj u i 2 a n w in deze

bet. ook wel ajj,néu\\ ii.; in AS. bij omvïl amtn

a ii^ia \'^cm an\\ {In Ngoko gebruikt men zoo ook

■ u \\ ( O gt;0 o G)

(i.i m \\\\ Jv.). — (ioi,hiahn\\ a/rimni it,ii ai\\ loianibn

lt;17/ anjj en aman 1 a(i/ t .i n a(j j\\ K, zie bij ihn uvw

G) ... G)

— an (Lu 1:1 .ui/j\\ poet. zva. iikfiw — ifA \'mn tbii\\

z. lt;y CO O quot;) O

of a lan a in k. van majims en itim gt;j aia2qw

an a i/I (ndas), zie a 11 rina.i/j\\

—\' * Cu • ^


-ocr page 912-

828 IJI.mji

(iStoJin\\ Hull, dienst, militaire dienst; volg. Kh. dienstbeiirt.

tjj ojij! s IIoll. doos. tuy tj z hu \\ passerdoos, 11.

^ tjj?rjk^NKvv., kn., algemat, WW. volt/.

G. dun, mager, vermagerd, tenger.

rj imrituts kn. norsch, onvriendelijk, in toon van

spreken en wijze van bejegening {vrg. ijiun i tfw i \\

tj(M2vjtuti en (h^crnirvtji).

tjgt; hiihn/j kn.; verbastering van ikiji(tyj\\ a __ o

o

/j\\ i/// »//ƒ ihj i j % en rcjan/j K.fzie ij(in

thJlW

kn. grond {Fr. fond), bodem, bv. van de zee; bedding van een rivier \\ grondslag, fondament, onderlaag {vrg, asn i^dJifi); wat tot grond ergens onder gelegd wordt {vrg. (bv n i(Ki\\); een grondlaag vrg. to) mh \\ iru i n \\ leggen (in de maag) met iets te eten, vóór men drinkt, of te drinken voormen eeti ook fig. ten einde later gelukkig te zijn, beginnen met behoeftig te zijn, rn tu tp vm (V)\\ },v tj] tn iilt; i ij) i\') xj! li \\ GG.; stof, grondstof; grond, grondklenr; grond, natuur, natuurlijke geaardheid, aard; uit zijn aard, van natuur; plaats, daar iemand met zijn waren op den grond of op een matje uitgestald zit; uitgestald zitten met koopwaren {i?i deze het. meer i^ioxm of act i.i \'~n ) beker of iets anders, daar men drank uit drinkt; (ilt;j) o.\'i \\ gt;?j» (Ki rj ■quot;» ) \\ of an (iCi-f] L/j (hiji \\ wezentlijk , inderdaad, daar eigentlijk; ook wel (inw(h/nxn\\ op grond, dewijl, omdat, (vrg. iwi^ri en (innn)} ook en daarenboven nn i 1.7^,zijden stof of grondstof, ij in i gt;j f ^ n an ,^n (ut m \\ tot drie bekers {of glazen) ledigen. jong van wezen, jong van natuur; en daarenboven jong.

(of arii) anaji de uitstalster, de verkoopster. — (im(inw\\ tut grond hebben, enz.; ook volgens G. afgrond (vrg. tun mnoji\\

laag bij den grond; fig. onderdanig, nederig. — tunrpj uinn ij hn\\ iets tot grondslag maken o/leg-gen; tot iets den grond leggen; (aan iets de voorkeur geven. G.) koopwaren uitstallen.

Cl/ _ . v

iuj(ij}\\ enz - dor i.i\\ rL.

) • O :)

,7.ji\'Kfiamji\\ zie Nmnn/j-

rquot;) vquot;) o ^

iijt Li Ktiyf \\ :iji ,?j) ilt; n/j {en lm ctj^ khji \\ w \\v.). kn., 1 gt;1 iyn iJiniijj \\ enz., dringen, tegen iets of iemand

)

iW) njj^ èlt; riji

I aandringen; zich digt am iemand aansluiten; iemand digt op het lijf komen; verdringen; uit den weg dringen, hv. om er door ie komen-, iemand dringen om iets te doen\', dringend, va7i een verzoek\',

op iets aandringen lij iemand {vrg.

O O O O v O O i

(icthuMfl en aji (utM/j). (im (in w (hï)ji\\ gedrongen,

digt in of op elkander. — aansluiten;

ergens opgedrongen, digt tegen iets aanliggen of

zich aandrukken. — aj\\nriii w unjj\\ het dringen ,

enz. iijiiKi inwnji 0f idicij)ikJm)(hij\\ gedrang;

elkander dringen; op elkander gedrongen staan of

zitten.

D • O O

zie (KJiwwi/j^

ui rj a.itHn/js zva. ij (ut ajt z amji\\ ook holte. G.

lt;quot;gt; o 00 ,

(WtM Hn/i n., nvianjjs k., eerder, te voren, vooraf, eerst, vroeger, vooruit; al vast te voren; zva. (ij) ie»(Hijj\\ dat echter volg. G. meer in een plaatselijke heteekenisu gebruikt wordt, terwijl men

met ió)(O)tyoi/f\\ gewoonlijk meer op de tijd ziet

, .00 O O . Q* ... O

{vrg. ook toxDunjj en dj)(utiHn/j). v.) {of hï)) inn

ayniHVJi en o?) gt;ulrnjj), (kï {of i/oi) ii\'j) ;)5jJfwjj\\ de (of

het) vorige, bv. de vorige Zondag, het vorige jaar\',

te voren, weleer. ^.tj) niï iSJxdjj\\ toen ter tijd. (unaamp;dS

0°) vooreerst nog niet! niet dadelijk. — iuny))(u

ih?i \\ tS (LL) !H^\\ iemand voorgaan of voorkomen met

iets eerder te doen. tauiSw Hnanjis voorgekomen

worden, bv. in zijn wensch. — xjï) am )) xju\'j ^N

iets het eerst doen, van iets het eerst zijn werk

maken.

»7 ij) 2 rj m 2 (hv/j \\kh.; (un rj in)u rjrhji 2 h hjjn al dringende duwen, stuwen, voortduwen, wegduwen, van zijn plaats duwen {vrg. ^j) ojj ifD/j). h u tj lm 2 rj oj) 2 hd j er in geloopen; in een moeijelijke positie geraakt. — (unycnridrjnjigföjïi mv., en tegen iets aanduwen . — ilii fj ijr) 2 rj oj) 2 /rw ij hd \\ iets voortduwen , van zich wegduwen ; met iets zooals den elleboog, duwen. — y nj) 2 y oji 2 of (bi ij iJ) 2 rj oj) 2 nfif

afyjs geduw; elkander duwen, over en weer duwen.

(ij) aj) ou)(lj^oJj ov)ji\\ kn. — {(un nr?) ol) tuji tun am oJoujjj {ook wel amCyo^oj^tuji) zachtjes dringende zich tusschen invleijen, in, onder, tussehen of bijkruipen, of bv. tusschen een doordringen. rj ij) ijui ruij^s kn. — un yarnrf u) no^ een menigte spruitjes hebben van aardvruchten\', ook jig. me-


-ocr page 913-

C )

7 J» » \'* \\

rj

830

rtJ) O q \\

nigte kinderen o/* dieren, Rh.

y KW. anirni nijj\\ kn. naam van de elfde many sa {Skr. dj y aist h a, naam van een maand, Mei-Junij). tui v^de^Q(hj.\\ zva.

M^ yKW. zva. a/n irvi wjjs G. bevalligheid, be

koorlijkheid {Skr. doesti, slechtheid, bederf). 07^

7.170?» 7quot; en ij (Eid.iHiij) tyiui (rnaS}?\\ benamingen van 1 Cd \' ^

tooverspreuken om liefde te verwekken. — nmnrn

r^\\ KW. zva. inonytjiw volgens G. iemand bekoren , betooveren.

rt^,rvji\\KW. zva. (utivu\\ uukius en nSi{m\\ (Skr. does-ia, gemeen, slecht, bedorven), zva.

iu\\ r/itp: ihmnw — CLiinrri \\yk\\ kwaad doen, stelen;

L^CKJ V a CJIOJ

en zva, in den zin van heimelijk ontvoe

ren, volg. llh. ook heimelijk bespieden, heimelijk erg. binnendringen.

O

o r /A zva. (vj)

) /quot; o O CY O S

KI. van run hnfcn/j en (Mmn anj\\ — nmerrr) r#

o quot;) O / , o

■n \\ zie bij un uti tgt;7^\\ — aot ^ r)(H2/lK ki. , van mn

a n

} G-

i, ti 11511 -ru Hïi (i

avCfts zie

tji m nnsns eign. van den oudsten zoon van Alnjasa ,

CO

den vader van de Korawas (Skr. Dr\'êt ardsir a\\. aj\\\\ of hati ui\\ KW. twee (Skr. dxod, zooals in dio d-

dasja, twaalf. Vrg. en m ).

tiJirj*Ji\\ kn. naam van een soort van wilde pisang, WW.

1:1 \\ zie g w

7pj» 1) (IJ) \\ N., (UIXM ifjltUllJI of lUJjj ook wel HU

1 O \' - ) (lui iF.run^s en oj. HjI hui tlt;n/j oj (uj j ; K.,

KL^imnirjN ki., alleen, zonder een ander of anderen\', 001 hJi ipi ihn Ji uil ^7 mijin (de Ratoe Kidoel) zeide tot zich zelf (niet tot een ander of anderen) B. T. Dj. 140; alleen op zich zelf; in eigen persoon, niet door middel van een ander, eigen, hv. (im(icnfrjdüiri\'Ui\\ ik zelf, ik in eigen persoon, au •iq ijhti iftijitj ajt\\ zijn eigen kind, zelf; van zelfs; is ook een hnlpwoordje tot vorming vati den Superlatief, liet meest van alles 0/allen, allermeest. hv. urn iioi ij un i- ui \\ allerbest, ici ij ui tf Hti \\ n . (ijl(tui lEii^(hflj ijj (hnn\\ k. In de spreektaal zegt men

ook Ij (IJl Tj /IJl )J (IJl T] IJl IJ (hO^ (Hl fj of rj IJl ïj 1. IJ

lt;hiji\\ n., (ujjj^ ih injp K tot benaming van een bijzonder e?ikcl persoon, zooals ons de man, de vrouw, het kind {vrg. ^ nu ^ \\:i\\)\\ hij, zij; hem.

haar. (In den Oosthoek rwrdt hei ook wel gequot; bruikt om in plaats van ici of ui i ^ui p de derde persoon van het subj passief te vormen. R.). ij rj ijl ij ui ij io^ ij.ui rjdjt \\ de man alleen, rj uii ? (EjI ^ ii j ij dji ij ui\\ n/n ij 17) ij ru rj 1:1 het allermoeijelijkst. njn rj tun ? rjaoirj ui allermeest, ij ui tj ui ij \'jirj ui \\ ieder afzonderlijk, ieders eigen. — (uil ij (rrn ij ui \\ v] rui fi iiiijl\\ afzonderlijk alleen, bv. zitten\', alleen op zich zelf staan, hu. van een huis. t/ntjirm ij 1:1

ihh^iiwi\' volg. Rh. ijajirjtui(mi *11 ii?i\\ m ij n per-

00 a o

soon. — i/iï 11 irn iiaji mi \\ 1111 f 1 mi \\ ui 111 111,11

\' Cx1 \' lt;0 quot;L cr\\ quot;i.

er alleen voor zijn, er alleen voor staan; iets alleen verrigten j iets voor zich alleen hebben; zicli

alleen iets toeëigenen; eenig, zonder weergA , zijn.

rgt; O a

— 177 gt;1 ci7n li ui mi 11 mi \\ if 1 111 f 1 nu 1,11 nn/i \\ ui 111 \' (J \' \' Co \'K - \'\'

^vi uïj^uii Kjjj\\ iets afzonderlijk of alleen plaatsen ,

zetten, stellen, nemen of doen. —jj tui ij ui inj mi/j /. cquot;) o -

Of (IJl IJ IJl rj UI .l(IUlfl/J\\ (UI (LUI ui».» ildj of h 111VI ! 1

(Ktianjfs afzonderlijk, zamen alleen, met een ander

of elkander alleen; onder vier oogen; volg. Rh.

ook geheel alleen zijn, zonder metgezel, in zijn

eentje. — ij ui rj ui ij trrj uifj en ij iji rj mj imjj\\ in de

spreektaal zva. rj aji ij ui rj mi\\ en ook voor jij of

jou; en voor je zelf.

o

(ui ui f \\ (un iin uiqnjns mi ui ui q am an(j en urnm n ui j

O A • o

1777 mi iui/j^ k. , zze asn ini \\ en ui ^ \\ — ,1 /n mii ui .gt;\\

en ajjj (E/i ui q \\ k. , zie bij aniun w (ui aji ^ ki. of poet. ui m gt; k.. \\.u?i im \\ vallen, neervallen, fig. neerkomen op; uiunmji(uis (Sri T. AS.) met zonsopgang? (eig. het neerleggen van de ploeg op het veld, het dagelijksch begin van het ploegen; vrg. irutui^s Rh.), verder.

uiajj%\\ (f.Ji(U}q\\ ki. v. ur^isr^s (ui ru i^\\ ij

{vrg. (un uj un \\) wat door een hooger geplaatste tot een mindere gezegd wordt (als ware het iets dat van boven oj) iemand neerkomt), bevel, last; zeggen, bevelen,, gelasten, gebieden. Zoo in het opschrift van brieven van hooge personages en van aanschrijvingen of bevelschriften, ijuu^^un {eig. iu^, f i (U^fdm) ui *gt;7 *71 (of ui (un uj m \\) voor ons aan u. (uku^jici i j uifj\\ (iji ui ? axi uj t ijj \\ Zijn Hoogheid zeide. mi 1 u .ui (Uj % ui ut m un an uj ceh JtraPi fói an ^A.ij(^(hnjf\\ uitgevaardigd op Maandag {in de dagteekening van een piagem van den Vorst), uh S* fj 0f 1,1 $ nn N Socna11 zeide. mn ui


-ocr page 914-

(i*n (ai (Hu rj \\

880

ff I 2 Ut % \\

rrn f igt;n ,Jt gt; 7s dj t.i -1 ru lieeft wel gel ijk. ut

,7j) uj.^ in in ut gt; \\zeggoi), bevelen. — i ti rnjaj^ fim \\ (un yn u}^ i\'/n iemand iets zeggen, opleggen, opdragen of bevelen, rnn ny un infj\\ mij wordt van hooger hand gezegd of opgedragen; ik krijg

of heb in last. — \\m irn ui? un ij K)i\\ en imam u)%

o

m rj un \\ zva. tj \'\'J,]# ^17/11\'/,lt;n s en ,n irn un -Jn \'/ rj u li m ij n wq * omtrent of tot iets bevel geven; lt;?« een bevel meêdeelen, overbrengen of uitvaardigen. am yn a ? i n un m nlt;ri m (inji\\ vonnis uitspreken of vellen. — in ij^m lajjs kn., (iji ui jmn joji\\ Ki)., JU.) dam in water, om hel af te lelden {vrij.

O . \\

v.u in r:i .in,i).

Oh H\'

ii iji i kn. een groote platte aarden pan, groote

m i i/i q of fi-jji ij urtw JII. — ij iji a m gt; ij mi ijij\\ of

ij utè 11 ij iny ui mi/js groote opene wond; met groote

wonden; met groote gaten, bv. van een kleed, n a r

rj hi i ui j i n ui s \\ oj ij ui rui { ui ij ui q \\ zva. ij m n

(ui hii ui mifjs

ij in2U) inji of ij ij)d mn kn. naam van een soort van kleine bijen, isn ijuu tj in èui anjj honigbij, groote)\' dan nnniw Rh.

^7) ».y kw. zva. i en (vimi hiijj {S/cr. divanif

geluid).

,^1 \\ ook wel i-j^xyr^s n., iw lil n i/j k., hoog; het hooge , hoogte (vry. quot;fl\'y en ^ n) ; ook voor lang (hoog van gestalte) van een mensch, en verder fig. ver, vergevorderd in wetenschap, ook v.

e. verhaal dat bv. verder loopt dan een ander;

r i • i. Q„ Z\' 3« rgt; - 3«

of vroeger begint. — xjiiui.(Ui\\ x n m mjj of n

cmiiujj\\ boven, boven aan. — i(tgt;i.hijjiA^tj^\\ lji hn

uirniiyj\\ naar boven, naar de hoogte, opwaarts.

fij^ ij^ rj \\ ook zva. \'Uj. 11 iy ij n \\ als het

bijzonder hoog is, op zijn hoogst, u of oji

s Qu i s o o* a o

^i^n\\ boven op, over. — un yn »i\\ ui rn ii^is

aan iels hoogte geven, iels hoog of hooger maken; ook hooger worden. — un yi^ nrjun rn tn ii^ iïn.uyi* iels hooger maken; iels of iemand hooger stellen, verhoogen, verheffen, opvijzelen, inde hoogte honden. — iui ni^ \\ u) ijï m i^jjj\\ wat naar boven gaat o/loopt, wat hooger op gaat. oji mi yr^ enz. al wat verder naar de hoogte o/hooger

op gaat, al wat hooger in rang is. lt;un iji oji yij y rt\\ al hooger of verder oj); in of voor het vervolg. — tvi yiju^s f-itn i?) nyj\\ bovenwaarts, opwaarts, naar boven, naar boven gaan. — a^uj-n tin/js ill tn iriiin/j\\ een hoogte, verhevenheid, iji

/ -ïv -■gt; Q« O . .

^ \'Iquot;*1 \'l,^N ,/n )1) quot; \' -\'n \'h*\'in/lN iemands superieur, ehef, (onmiddellijk in rang boven hem geplaatste. II.). (vsj.^a^u^ ri(hifj\\ met elkander wedijveren wie hooger, langer; enz. is. — nmruyinijt

(Hifj\\ un iji) rr? iu m /j \\ te hoog, te verheven. —

\' ov o Q , ,

uri (u rn^ vj^dj inji\\ un oji ui m ii^(hij\\ te veel naar

de hoogte, te veel naar boven.

(ijiU)Hn[j\\ kw. zva. ij iji ij ui \\ of ij ij) ij ui inijj \\ s/ui

ui isn ui mi/j\\ zva. ij iji ij ui ij ij) ij uiw en kn. zva.

rj Ki ? i\':i ij (Ui i ui w

ui uj inijj\\ kn. schimmel {kleur van een paard); scherl-

send voor grijs of halfgrijs van een mensch (vrg.

tmmtHijj); peper- en zout-kleur, van stoffen; volg.

Ilh. spottend, oud, oudjen!

r^uiinijjs kw. zva. iijj ijiuiniijj\\

ij ui ij uimijj\\ volg. WW. plat voor ij rj) ij ui \\ volg.

Rh. \\vj .

ij ij)2 ui mjjj en ij ijit ui ij iny ui inijj\\ . zie bij ijtim u)j\\\\ (volgens (}. ij uit ui )j iny ui un js een spoor, een voor, een groef).

ui \'ui i n/j kn. naam van een lekkernij van klonters van rijst meel of de geraspte kern van aardvruchten met een saus van kokosmelk en gesmolten suiker.

nj) Vj iisnjj kn.; ii.S Vjj\'h?rtjji.n/j\\ ruig, behaard, met

veel of dik haar, heel harig.

iixjjUi ii,i)jj\\ of ii^hiiunji kn. naam van een kleine, eirondey smakelijke gt; zoetachtige trosvruchl, waarvan twee soorten, paarse en volg. WW. ook, doch zeldzaam., witte. naam. van den boom

die deze vr ucht draagt, jj un tut tui mnjj . zie boven, ayui biyjs 1. IIoll. kn. duit. — 2 ulasw^nn., tw en r/n b))\\ K., {volg. WW. (lij) oj) ia m \\ k. om ihii kd.), geld in het algemeen, un nsii\\ schijnt voor mooijer tv oord dan lui * gehouden te worden, en wordt ook gebruikt als Krama van u)\\ in am nsn un ,i5niiJjjj\\ {Skr. art ha, rijkdom. Vrg. m\'ia rn—« i/nniij ui ihnjj\\ r:)aai\\

geld geven, betalen; voor iets zijn geld geven. G. li. — i/n yij ui r ujjj it? un ig,\\ betalen;

iets betalen j voor iets het geld geven, iets bekostigen; iemand van geld voorzien, rm^ ui r,?i \\ periode van ontwikkeling der tabaksbladeren, als


-ocr page 915-

(ij) nn mhji \\

831

IJ) OJl K tl IJ\'

cuno duit, SG.

kn. act nji^rtjjj iujjs verward, en wild door elkander, door elkander, van het haar en van vi\'Cr en, ook van takjes, stroo en ruigte gt; en fig. van iemands rede. — iwncrln tj) i^ r^\\ iemand verguizen; zijn eer bekladden.

u\'n h) rujjsKiï. naam van een soort van slang (vrg. (voj. h) inA/j).

hjq(ru^\\ kn. 1. 0/ (irji i-x ru/p naam van een kleine slang of adder, die zich in de aarde ophoudt,

^ o a . ,

van een woning. — un tlir) tu tnU ergens zich

verschuilen. — om ml /u un\\ iets of iemand \\

bv.

O

Kh. zva. t/J) ibi JU/js 2. — nmrrtrj ht rvi/p zich be-atendig in huis houden , in huis hokken, niet uitgaan {vrg. intin iamp;i/j).

tj ij) 2 rj fj) tuij zva. tj D.f) ? m ^1 iru/j tj) t\')\\ kn.; tfj) tj) do / u \\ naam van een godheid, die de gedaante van een schildpad heeft. — \'buj).tj) oian/i of (fmdj)nj)(Lnnnjis een groote oude.

oJijj- {ook (id) ó)^ lis.). G) G) _ lt;?gt; „ amp; rvi

iyu)\\ zva. {unMjjiJ)--m•• en aj)^aj)\\ Jj.

o

en dynjjjKiaaij - k., zie ift)irujj\\ of (ic) )\\j}jj\\ klanknah. zva. an emfj cv (i\'jt\\ (ij)iwiji\\ ook zva. (ip rujjs ook fig. roef; in eens, bv. uitscheiden met opium rooken.

n ifjs {dit) of op )) )jjn kn. klanknabootsend woord voor het losgaan met een ruk van iets kleins, zooals van een tand of spijkertje, als het maar even vast zit. Zoo ook in — (tS n^ir^ttrnjfs

van pret opspringen va7i een kind.

w ru\\ en iij) ij) )u\\ po\'èt. gier, een roofvogel. — on ■u i w ao naam van een berg waarop llanoman zijn verblijf hield.

vj iu\\ n. een oogenblik, voor een oogenblik, zva. )Jrj ij) ru\\ {zie bij ilt;t) in (Lyj).

S rhixnns kn.; (un affuru «ti/1 \\ het hoofd achterover

C\\)

en den mond of bek open houden, zooals een jonge vogel die om eten vraagt, of ah men een glas water door de keel giet, of als men naar boven slaat te gapen om tiaar iets te zien {srg. (Q r;i KTi/j), ook fig. happig zijn bv. op eens anders goed.

ui ru 1. kn. ; i nr) nn ru zich verschuilen, ook van de oogen achter de oogleden, K. 3, 64; zich verschuilen in een hinderlaag; verscholen liggen.

verscholen huiden of ergens verstoppen; in een hinderlaag leggen. — i\'Jr\'ri \')r)on/)\\ schuilvinkje of verstop j)ertje spelen; en zva. oj) y}) 1 u hoi (H) p schuilplaats, schuilhoek.

(tj)olq hvjj^ kn. met gekromden rug en voorovergebogen hoofd {vrg. dn ov^ tw/js i ji.ip aj) /lt;» un j on oj) i;y — o/nooi) ru/js zoo zich buigen ; zoo gebogen zitten of staan.

(is?^^\\kn,; 0.11 nm ^ zich verschuilen 0/weghouden j zich buiten het gezigt of buiten schot houden , JR.; zie odo^ujijj\\

(ij) v^rr)jj\\ kn. verstomd van verbazing {vrg. ru m ij)^(rr) t^ern/j\\ verstomd blijven staan of

zitten.

quot;) 1 O

oj) tj ou? oT)/j\\ kn. j ij) rj ruz an tj ou2 oiiq\\ zva. rj 0.)

:uVaTquot;r en

oj rj)* tj )u? rnp kn. een jonge djatiboom , WW. volg. JR. een dunne djatistam of dun stuk djatihout; kort timmer- £gt;ƒ brandhout, ook van andere boomsoorten {op Java in het Iloll. ook dolk genoemd) fig. plomp, vadsig, Rh.

oj) ru \\ kn. de wajangspeler, die het wajangspel vertoont; fig. de leider van een zaak; ook naam van een visch. .rrn Kjjj un ou\\ zie bij (en agjj Knjj\\ —011

(ïyri)ü^ als dalang ageren, de kost verdienen; de

CxJ

wajangpoppen vertoonen; een stuk vertoonen. — un rmtu i^s iem. voorspreken j zijn les voorzeggen , bv. hoe te antwoorden bij een regtszaak, volg. Rh. ook ecu air aannemen als een oj) )u\\ — mi om ou vn rj toi \\ iem. voorspreken, een goed woord voor iem. doen. W. II, 168. — luiuxtütaonjjs buurt der dalangs. — dalang taal, pedante

taal.

.ui tu \\ kn. een groote koperen pot om rijst te koken,

(quot;) o \'

een groote nr)()rnru/)\\

CxJ \'

oxMnji\\ kn. een houten schenkblad of bak voor eten of drinken, meestal rond. — o^ou iji(Hiip personen belast met het presenteren, om met de oy u rond te gaan gt;7 oj) 2 crti oji ru \\ vorm van buffelhorens, met de punten regt opstaande, Rh.

oj) (LOfjs in poëzie zva. ojii.im ojijj\\ en misschien de

grondvorm er van.

oj)U\\ (ndapa) verkorting in de spreekt, v.

iJ)(rrt) Oj) W

Cx)


-ocr page 916-

833

(n cl up i) vcrkort\'wy in de spreektaal van tu

O

o »7» il l \\\\

. Cl\'

i?j»fljiNKN. vadem, cle lengte van de borst on de beide

uitgestrekte armen, ajxLt njt\\ een vadem lang of

breed. — 111 n) nui^ vademen; met gestrekte voor-

(xf ^ ^

poten liggen van een hond. — (ijtur^n nji kj iets

door vademen afmeten; ook iem. minachten; vry. spraakgehxuik ? ^ hij njr^ nn\\ en (Sm

iHjiicn(ün\\ Z. II. eig. icms. borst bespannen, hv. iems. moed, bekwaamheid enz. in twyfel trekken.

\\fcu)\\ kn.; t] 7jj rj (wrjdjirj iu\\ door kruipende onderdanigheid in iemands gunst of vertrouwen zich zoeken te dringen; ÜikÜooijen, kruipen (0^7. lt;1:^77^

77 (u) f\\).

Knip kn. 1. gestalte, de bijzondere vorm o/het fatsoen , waardoor iets of iemand zicli van iets of iemand anders onderscheidt (yrg. ny tu en ivnvy (hijj); bv. het fatsoen van een /mis, het stel van een paard; inzonderheid liet bijzonder, aan zekere kenmerken te herkennen gt; fatsoen van een krislem-mer of piekijzer; {fig. de gesteldheid hebben, in de gesteldheid zijn , zoo er mee geschapen staan, dat men er dit of dat van zeggen kan, te vertalen door om zoo te spreken, en zoo ook an WW.); volg. llh. ook oorsprong, aanleiding, we-

o o y

gens. (hJ)(Kii - (D) Obii/j oj its wn (in \\ naar

aanleiding van; verderzva. tj/ agichn/j het begin van ecu zaak; vooreerst, B. en zva. vn t» asti/j omdat, rj (vn ? n^(iOKUi\\ niet naar den vorm, niet welgemaakt, WW. fig. onfatsoenlijk. — 2. stoel van bamboe,suikerriet en andere gewassen, waarvan de stengels za-men uit een wortel opschieten, als hoeveelheid-, bv. (hidütou^s (hti aci \\\\ — 3. Ml. keuken of kombuis, en achtersteven (vrg. hji (Vizaoj en \'-nibiiji); kn. de plaats geheel achteraan op een prauw, daar gekookt wordt, JR. (uxukuis tot een stam behooren, lid van één familie zijn met een ander. — (unormt.^ iets vormen of fatsoeneren; aan iets een gestalte, vorm of fatsoen geven; een onderwerp in zekere vorm behandelen; ook tot één hoop of groep verzamelen; soort bij soort zamen-vatten, en volg. WW. ook de geheele leverantie van iets aannemen. «jï nj tui njrïcm voorgesteld in beeldtenis, afgebeeld. — (iji ijj n-) (Ki/j\\ stoel of stoelen van riet, enz.\', volg. WW. ook fig. klasse,

^ lU! If (UI ? \\

familie, waartoe iem. o/quot; iets behoort,

ihi/js uiterlijk voorkomen van iemand.

S s s

ij dj) if hji 2 \\ (uti if o / /7 rf (ui ? \\ zva. if iji if hiits 11/11 tf o mi

lt;Yf k m {yrg. vf in rf amji), JR. rf an rf tui i \\ volg.

Rh. dik aan het uiteinde, bv. van de kolf v. e.

geweer.

7f rio) if M lijf * kn., run if am if tamp;jy mijj \\ plat op den grond zitten van een mensch, liggen, doch ook fig. zva. \'ïk wijf v. e. dier, li. Men. (vrg.ifnnrf iuid\\

\\ a en rfaovfajit iw/i). (un if errn if iun hQf \\ zie (uil if (mi if

If (UI 2 \'Hn bij If (IJ) 1f IL\'12 7v7m\\

an dj thmjf \\ kn. hoop, bos, stapel, WW.

(ui (Uji (uriji\\ zva. (Qif (U2(ini^\\ G.

O • O

dj) rf (ui 2 rsnjj \\ zte (iji rf (FjI ^ji i (h/vjf \\

a3aSiwnjfs kn. in de spreektaal zva. (U)oSi(Kiijf \\ (iji-itJ

/. 00 . 00» 00

(Hi/f of (Fjimi (hnjf\\ {yrg. aj) (tianjf).— (unyii (Iji

a 000 00 (Hn zva. a/ncnm (Mirn \\\\ — n/11 arn (ui uv 11 hu \\ zva.

UI Ca) lt;

n a

(un erm (k i un 11 un w UI ^ lt;

(Uj,iji(Knjf\\ kn.; (unnrtijnjiiwjfs schoppen, met den voet vooruitschoppen; iemand of iets schoppen, een

schop geven, fig, van zijn plaats dringen, verdrin-

O O tD \'

gen, {vrg. (ic^crh\\ (L,iinrn\\ iusok(ini/f en ifoji(Utihvjj).

(io^(Ui(tni(Hyf\\ elkander schoppen.

if (ij) rf tui 2 htijjs kn. plat op den grond, niet op een voet of voetstuk of niet hangend; po\'èt.zva. (Umsn (uiarijfs (iji vf dj) if (ui 2 (nu/f^ klanknab. v. plat op den grond te zitten: pof! K. 4, 39. cm rui rf (hu if ui 2 (nnjj^ een glas zonder voet. an iuirfciJirf ui2Kun\\ een staande lamp. cljirfajiif oji2unjf\\ ergens zijn (Ui(Ui (ui(Kijf hebben, ergens als asceet o/kluizenaar gezeteld zijn. — (i/n if (rrnif oji2rnijj\\ op den grond {niet op een stoel of bank) zitten (yrg. if iJi if {(uii afnjf en kh a^i (iji uiyf), ï:]rf iiji if oji 2 utijf \\ op den grond neer gaan zitten. GR. — (un rfam if (ui2 ini\' voor iemand, die op een stoel of bank zit, op den grond gaan zitten of gezeten zijn, WW. {volg. Rh. in deze bet. un if nrn if [(U12 icn). ergens zijn klui-zenaarsverblijt vestigen of gevestigd houden, n/nrf if crni if (ui 2 uij(w^ Ti^vfdfns volg. \\l\\i.fig. zich onderwerpen aan het oordeel van zijn loerah — (utn if dj) rf (ui 2 hn (mjf \\ kluizenaarsverblijf, zva. (ui un ui (nyf\\ (een woonplaats van een pandita ook rfdJirf

if ui 2 wtijj\\ W. I, 87).

rf(iji2rf(ui2(iaijf\\ kn. (iji0\\ zich op den grond neerzetten; op instorten staan v e. huis, WW.


-ocr page 917-

833

O

IIJI gt;1

(tj) rj iui (ijji\\ kn. meer of rnin plat gedrukt of gevormd, aan ééw of twee kanten een weinig afgeplat, van iets dat overigens rond of hol is, WW. U. — \\\'n (Wi ergens zoo plat als mogelijk gedoken

of weggedoken gaan zitten of staan, of blijven zitten of staan; tegen iets of iemand plat aan gaan staan; op iets plat neer gaan liggen, fig. van zaken, erg. plat tegen aanzitten, Men.

O «sHyflN zva. m njt nnyj w

(tui kn. goed gesloten van de ooge\'n , aan elkaar kleven, van de oogleden door ziekte; fig. zijn oogen sluiten, bv, voor een anders ongeluk\', niets voor een ander overhebben.

«3Holl. divisie, afdeeling, afdeeling van een

distrikt of legerafdeeling.

iJtMm/j of aji ijjjitmjj\\ kw. zva. ru/amp;iilt;y)^ G. (vrg.

iciTj lUitLyfs zie tj ut rj if -i ^ i irhifl \\

rj ut rfaji ruj \\ zie rj ut rj wi rujjs (in rj (iji ? nnyi \\ N. oud; oude, oudje, met minach ling gesproken , volg. Rh. plat\'y minachtend w iji un/j\\ kn. in een v(jzel gestampt (vrg. ^ wjJl)\' — (lynnTrrnj iets in een vijzel

stampen.

vol!W*™/ls kn- een koker, waarin de sirih mettoebe-hooren door middel van een scherp of puntig ijzer gekneusd wordt, voor menschen die ze niet meer kunnen kanwen, vrg. ^ tj ? w ik tjw ui jji \\ of ij) uti n kn. naar beide zijden regt uitgestrekt of uitstaande, vaw iemands armen en van horens. — fi \'Hlt;rrn ijji * njn yn t :y \\ (of dji in ti^i \\ Soel) de armen of horens zoo uitgestrekt of uitstaande hebben.

of (Eji rj j,i \\ kn. naam van een kluchtig straatdeuntje.

w vjji anjj\\ zie

1, KW. zva. it-Kuij Hi/j en O) tisn luijj\\ — 2. kn., irr#*c\\ en ki., de borst; ook het

centrum van een slagorde, asnvj iamp;inn hji \\ de borst als schild gebruiken, d. i. een aanval moedig afwachten . nr^ ij» (in tit) Wiuj nsnjj\\ spr. voor hard zwoegen, an an ha n

1 (Et (H^ HVJjS N. , IJ) IJ) (Ol (Kt) \\ K ,

kippeborst, smalle vooruitstekende borst. aj)ij)ijl nn km. middeldwarsbalk of middelstuk met snijwerk in het gebindte van de soldering van een huis of pandapa , van de vorm ihft liïrtriiHyjs tus-schen de — nm art) ij) \\ iets ter har

ten of in overweging nemen (vrg. (im nn i//j ); iets, zooals den zin van een brief, een wenk of onderwijs, goed bevatten ö/begrijpen ; iets bevatten of beseffen {vrg. r^tf n\'tt ^i\\). i n ij) ij) zoa. i.)i w nj gt;\\ overwogen, overdacht, ook zva. nrn noni toijjs begrepen. —- njtxrn) ij) )ij\\ voor iemand instaan of zich borgstellen {vrg. nanrn^). — (tlij)U)\\ of i?i dj) ui \\ Sonueratin acida L. fs. en dj(ouj) n m ^ (fAjl namen van boom en en van de vruchten daarvan. nj)mi)a.j)\\ de derde in rang; liet derde kind {vrg. (Lnorr^av^ ).

(ij)(iy\\ Port, dado, kn. dobbelsteen, teerling. (ij)(iy\\ of (unznao^s met dobbelsteenen spelen, in i n ioi ^/)) rj (Hi)dj) (Uj,«i volg. Rh. geio. (tm *1 V) / j) (iy \\ er om gooijen , de teerling werpen, i ini rj)#» . zie hoven. (i/n(rn)u^\\ gelijk een dobbelsteen, G.

mn uj) nacm (mjj\\ cubiek P)

O O

(ij)u) \\ KW. zva .1-1 ni of) w

dyJiij). kn. weduwnaar; ookww man die van zijn vrouw gescheiden is; ook een term hij het ktiplïkspel, als van de vier duiten, die aan éene zijde met kalk zijn hestreken, slechts ééne met de witte of de bruine kant hoven ligt. rci ij)(!$(f^ {of j ; i\'n ) spr. een jonge weduwnaar of van zijn vrouw ge scheiden man zonder kinderen; zie X?)t.) irw\\ ajtdj) (K\'thiii\\ een man, die zich houdt oj hij do^u) is, en zoo met het een of ander baatzuchtig oogmerk een andere vrouw trouwt. (u^iJ) ) j) runnjs een man wiens vrouw wegens huiselijke oneenigheid tot hare ouders vlugt. ^ ij) oii n/^ (isnjj\\ naam van een batikkan. (Ujj ij) (ui i^i y)ij)n hen. van een padisoort. ojj dj) wrj w2 \\ spr. een oude weduwnaar of van zijn vrouw gescheiden man. 11. volg. VV. Zam. Tl, een weduwenaar arm aan geld, maar rijk aan kinderen. (Ui KJ)ofj im 2ui s (of (thi \\) een verlooide en nog niet getrouwde jonge, waarvan de verloofde overleden is, R. (ui-ri(Mjj ui \\ een doffer die geen duifje meer heeft. a-Ji hrioj^jjis een kopje, daar geen schoteltje meer bij is. iwjj i nay ui naam van een oude staatsiekoets van den Soesoehoenan. — (t^dji^aji (hijj\\ een onbestorven weduwenaar zijn; ook als ay . tij)\\ leven.

tuktdi\\ kw. 1. zva. (i-Cj^u^w — 2. zva. (i^dy unjj of tj un

53


-ocr page 918-

O O

dJt \'in iniji\\

8;u

t) IJ) tj Cl

if icii HH/]\\ G.

y v ijdiï kn. zich in de zou koestelen of liggen te koesteren, van een heest en van een niensch {yrg.

\\ -gt; O

ij li ij u\\). \'rj Ki un.Jti Ki /• »j i ) if.Hivf tjtw zva. ons spr. slapende houden wakker maken.

wi ic,)^nkn. levende haag of heg, zooals van ik n i *ii iuj oj van iijicriniHijjs ook tot omheining van een woning of désa. mnn ni ; lt;i mj hu \\ niet in huis, of omlur toezigt houden, maar vrij in het wild laten loopen.

(ioitij) f \\ of i?i ij i.i^ kn. {volg. W\\V. ook i /•tj n hi/j\\ kn.) geronnen, gaar gekookt en toebereid, en in koekjes gesneden, bloed van slagtvee, om bij de rijst

gegeten te worden; ook bloedbeuling.

a o ■gt;

dJi iioji q n zie (Ui i. i j w

\'/^.tji^KN.; iiiiim(uiq\\ iets, zooals een kast, uithalen, geheel ledigen, al wat erin is, er uithalen; iets ondersteboven halen {vrg, a inaji ^ \\). ook hv. van een tegal al «ie aardvruchten uitgraven ; ook fig. iems. hart overhoop iialen, ontroeren. — tun a i ij ui {(v?i - m eervoud.

tiOj. ic^ m kn. — i iiiyij^ ) omkappen van rijststroo en grassen, SCI. nl. om. vervolgens palawidja te planten , Rh.

(ui(ui\\ kn. het opkomen van de maan {vrg. ibinsns). — (utkwiuji-mn opkomen van de maan {vrg. in

\'mriapaw/i).

Oer O O\'

(Ui(uin kn.; (uil(mi(ui poten om te kweeken, kweeken; ook fig., hv. zijn eigen ongeluk.- ii/nanifiJi r]\\ mv.y en ergens poten, bepoten. — cui

cy

rui rKHi/js kweekplaat, poteling; ^ kweek, kweeke-

rij, pepinière.

/ x s .

Tj(ui yjlt;ui \\ kn. (tm 11 ui \\ zva. r:irj ui ij iji\\ zte mi

ij ui IJ\'UI

ij ui 2 rj.ui kn. hmi iji zij iji? zie hoven.

njnut (Nn fj\\K\\\\., volg. WW. kn. het kleverige schadelijke vocht van sommige vruchten, dat brand, jeukte of zweren veroorzaakt. —ui ui ini on/j zweren hebben ten gevolge van zulk vocht, ui iji wi cmfj\\ aanleiding tot iets, vooral tot iets onaangenaams {vrg. :rj(in^ioiji\\). iuihjitfljan ^nrj^s aanleiding tot een

^i\' twist.

(ui (vjjwujj^ kn. het dry vend vuil op ondiep water. JR. (fjiiji mi/j\\ ook wel ui iJiam/jx kn. kaf, zemelen; WW. ook de witte binnenschil van de rijs.korrels;

deze fijnere schil heet volg. Rh. cim(htkisy^ iu/j {zie

ook ^3\'ffi,L^J hi3 nui \'Jquot;\'iï\'

n 1 ! • quot;) o n D

tui ui iiii/j\\ l.zte (ui(ui hii/j\\ Jd. (unnr/ii ukhvjjs zva. ii

(tjji un tui \\ \\V W. ?

o o O o o O , ) n )

UI(Ulhll/J^ kw.; (KI.UI.UI hll/J\\ zva. (t I hiliUI KH/J of II

no . . o .

op ip i\'iiji {zie (iJiiiiii/j\\).

uy (UI It\'ll fj n k w. zva. t»(LI/I (lj J\\

(mjjdjjjuiiij\\ kn. iets om mee te graven o/quot; te delven, een graaf of spade {grondv. (u^unjj); uw. zva. nCj di^ q \\ {vrg. ujdo^ 2., en ij\'un ij(uu un/j). — (un (rnido^ igt;njj\\ kn. graven, delven; uitgraven; opgraven. — (im yii(uyni\\ iets uitgraveu, ergens den grond uitgraven of opgraven o/*opdelven; naar itV/j graven ; voor iets een gracht, kuil of loop graven; fig. iemand een kuil graven. JR. —(ui(yi^iy.hii/j\\ het graven; nitgraving, opdelving. — lUd^djiHiijj kw. zva. lij j \\ en o-)(Ujui \\\\

tj ioiijujitunjj\\ kn.; ti/ii ij(yiirj(Uiit.jj\\ naar het bezit van een obj. een grootc begeerte hebben en in het vooruitzigt er van zich al verheugen; vjajiani^ rj(uit\'ïjiUiè(Hi}ij\\ kn.; (ui) ijniin ij (Ui e ikiijj \\ hurken, op de hurken zitten {van ijiUiiuiijj). lunn^rjaji? ijdJid mnjj^, gehurkt of hurkende gaan {vrg. nii.i^ ij i.nè rj hii?\\).— (un ijnin2vj(ui2o\\n of \\oor iem. o\\) de hurken zitten, W. I, 207. — mnijarpi2ój(ui2 nairjmn \\ iem. gelasten op zijn hurken te gaan zitten, L. 154.

tui(Ujivii/j\\ kw. zva. (Qlu(io/j\\ kn. dik van buik; va7i een paard ibifon0 een grasbuik, volg. WW. li. ook veel kunnen verdragen of verduren, van den huik y als men van alles verteren kan, en van iemand, die niet ligt iets kwalijk neemt.

iji 1^1 •biijj\\ kn. stikdonker; {fig. zich in groote verlegen • heid bevinden; G.) (vrg. im rr)rm 1:1 ihi/j en ij im w u i (hi/j); £1 £11 Ji(ui (anjj^ stikdonker, (tjlnni ijinajl n\'Ji (ivij\\ duister door een betrokken lucht. — lt;im lyn iji dsn/j\\ aan zachtjes trekken hv. als een visch aan de lijn. unmtuji ^n \\ mv. {volg.SG. aantrappen van de galerigan s) (ioVkv\\v\\\\ G.). — (tmarniiji .1^11 ij rj un \\ iets, zooals de lucht, verduisteren, verdonkeren; {ook betrekken, van de lucht. G.); en aan iets zachtjes laten trekken. rW) (U)(Uiasiyj\\ zie tj unj

rjiJi (isiijj\\

(u^iui thiyj \\ dial. ~ ij:ui 2 ij .ui iisiijj\\ B.

my, rj ui iisn/j\\ kn. ; (L/nnn^ rj iJinfiis iets, zooals een haal,


-ocr page 919-

y fj) «O) \\

kussen of matras, opensteken of opmsuijden.

T O» O n

vjdJitjdnasi^/j^ i. K.\\v.zva. v^ynihj rui rn.isnjjs — ü. kn. aanhoudend, van een geluid, zooals van een vogel

en van yew eer schot en; en gcsohramd, van de

... o Q„

hmd. — ^ mrjao} tj iisii n ■iji aui \\ KW. zva. tm iu

( ) /\' O O Ou . O

iitt n.i iiJl -Jn gt;! f.lti\'n :i :i en foil x;i ; y . mi

■})\\\\ Zoo in Tj. — {id ij yii ij m kn. een ge

strengelde stengel van een slingerplant losmaken en aftrekken. — am \'/\'^y mv., slinger plant en,

zooals katjang rooijen. JR.). -- i noj uu tf u)ij nmi \\ iets achrammen. fjti.ot n / Jtunjj\\ u.»(utdoi hn/js ajiii\'n n ici Mun 101 asnns klanknab. van

hel aanhoudend en snel op elkander volgen van geluiden, waarvan het eerste het minst zware, en het laatste het zwaarste is; ook voor zenuwtrekkingen, zoodat het eerste den minsten graad uitdrukt, of ook van kleinere ligchaamsdeelen hv. het oog, het laatste van den hevig sten graad wordt gezegd of van grootere ligchaa ms de eten, hv. v. een arm of been. — (vnnrn^ntiJi lunjj\' enz. aanliondend en snel aehter elkaar die geluiden doen hooren of die zenuwtrekkingen hebben, a/nanrt] i?iaanhoudend en snel achtereen vloeken, schelden, vermanen. cun(yn o. a. van veesten, Tj. v. oprispingen, Tj. v. sanlris die gebeden opzeggen, Tj. tm nf/n ojidn iLgt;ï)/j\\ van trillend stemgeluid Tj.

kn. een gapende wond of snee hebben , van de buik. ij ? rjaoi of ij io) 9 iio

ui vol gapende wonden; overal openge

reten , zoodat de boomwol er uitkomt, van een kussen. — nm tjn i tj in tunjj\\ openrijten bv. iems. buik, PJ.

tjuitrj rjig tbkn. ; (uti tjnrmt rjciJ)2iib7gt;^n in een sehuil-hoek op ile loer liggen, bv. van een dief; in hinderlaag liggen, van vijanden; zich gelegerd hou den, van wilde dieren; zich verschuilen van een tapa in een Kvtji?\\ poët. Bab.— ivniynnjnm schuilhoek, hinderlaag, leger, jf ^ \'i} ri i\'/ i]aji2(istyi\\ zie (fniiï Kyj\\ kn. ; tvrtnhrtj iets door aanhoudend en

dringend vragen zoeken uit te vorschen; iemand uitvragen, door aanhoudend en dringend vragen van hem zoeken te weten te krijgen {vrg. nn t n \\ (iw ckjm(ij) Jïl en \'Vny y n (uijjs)»

\'iO):iS(iJijj\\ kn. zich zeiven met zijn vingers op het

[ttyjidji/j, 885

gevoel .op het hoofd luizen, of luizen zoeken te vangen, op het hoofd {of in kleêren aan zijn lijf, WW. in deze laatste bet. volg. \\\\\\\\. ihi *i in ^)\\ volg. Hh. bet. /.i(tJiM\'iy\\ eig. de neten q/*de luizen met de toppen van de vingers aftrekken of uithalen j vrg. ij iui ih)i (Hifj —(i n (rni 7] iemand (of iels WW.)

zoo beluizen. — rm tni /c»mv. volg. Rh.

CxJ

beluizen, ook fig. iem. plukken, door hem telkens om het een of ander te vragen; zie hier achter m

gt; o 1 , T -gt;

111i\'i \'i-1 j \\ ij \'Ui \'t t gt;. ) I fj J.— i ixy)) n i:i i.iys gauw en begeerig zich toonen of te werk gaan, bv. in het werken, stelen, snoepen, zoeken of vragen.— i J i?)i i i-ii)nj)\\ op begeerige of nieuwsgierige wijze; nieuwsgierig of begeerig naar alles pakken of snuffelen, futselen;wegfuUelen, 2.ploegvoor,SG. r i x^.ijï n )/j\\ kn, muskus, civet {vrg. ricmtnn^ enn tfijs). — i/n rflt;ni) )fiji\'t)jf\\ de muskus uit een muskusdier halen, WW. (in deze bet. volg. Hh.). a/)! rjarnni ij){i.i ^yi\\ ook rj ^ ?j) (hjjjj van zich afgeven, met tj lorjaj) ).ijj\\ parfumeren, ook fig. iem. uitplunderen; volg. WW. uitgeplunderd, kaal worden ; verminderen; dit volg. Rh. u nu ui ij m)

\'Ki M ) fj \\

ijim rjumcKi^ kn. iemand met den kop een duw geven , van een bok, WW. of iemand met zijn snuit aanvallen of willen verscheuren; als ook wroeten en in den grond woelen; van een wild zwijn, met den snuit een gat maken bv. in een pag\'èr. igt;iio))li/js kn. weggespoeld, weggeslagen, weggerukt, zooals een brug, dam, dijk of bank door den stroom van het water; weggevaagd, bv. van een leger door de overrnagt van den vijand, van iemands geld b-j het spel-, weg en verdwenen; uit de weg geruimd, van schulden; wegspoelen; weggevaagd worden, geheel verdwijnen. — nnnin an )L)/j\\ verpacht land van den pachter, met gewold terugnemen, terugnemen wegens slechte betaling (zva. ft/)) rjnii) tj in n yj).

tj) ij))) )/i n KN., verstopt, zoo als een buis of tuit, een dg aar y enz. (vrg. , ook fig. zva. r.r^ t^i\\\\

fOioj) kn. geschaafd, afgeschaafd, zoodat het vél,

de schors of de verf er af is {vrg. mj)) ) mi j). tj)dj)n/i/js kn. ecu weinig verminderd, zooals van een

voorraad of van een schuld {vrg. (ij)(ij) iuji).

Y v.j) tj ij) n/i/i \\ KN. losgerafeld, losgetornd, bv. vaneen

53*


-ocr page 920-

o n

«J» rui

8;i6

(IJl tvJl

naad; losgegaan, bo. van den zool van een schoen} I opeugereton, van den huid (vrij. tu/})-, (nit-spvingen, Cr.). — i n rjcrin ^ ijtuLi/js iets lostornen; iets van liet lijf trekken , aftrekken, uittrekken; vernacht of in leenhezii gegeven land terugnemen, weer afnemen {org. i n yii m/j). — a/nij yn^tj) uj\\ tnv.y en iemand alles van het lijf trekken , van alles berooven.— *jj tuonjj^ het losgetornde, ternggenorncne, geroofde; (roof. G.).

1. kw. zva. fcn gt;i .\'\'iw — 2. naam van een

willig en spoedig groeijenden, hladrijken hoorn,

die in de koffietuinen geplant wordt, om aan de

nonge boompjes schadwo te geven: schadnwboom,

Brythrinae, L. spec, dioersae. Nat. fam. der Papi-

lionaceae. (ukiji u ^hji,^ E. fnsea Lour, ut i.ji tj

11 hji2n E. Spathaeea I). C. (wr/j» ujj i vi / m \'co \'

(meestal als schadnwboom in de koffietuinen

gebruikt y lili.) en ooi aoi ^ n E. lithosperma. (Het blad van de tijmi iui ^(u/j wordt tol medicijn gebruikt. De an act jyi s met dorens en fraaije roode bloemen, geeft geen lommer), /ijiiji iji ^auji\' naam van een Ka wise he zangwijze — rtji h i^ iJi iJi (Lnji of njiinrrn ui lt;l/iji\\ eenigzins gebukt gaan , met de beide einden van de dodot een weinig uitgespreid. — amanmtici tti ^ i rjinis iets aanbieden of overlaten aan iemand, bv voor een schuld. — 3. kn. een in leer uitgesneden tak met bladen en daarop in liet midden een wajangpop ten halven lijve, uat de dansers bij zekeren dans in de hand houden; nu un -ta lji iji hjiji \\ naam van

zulk een. dans.

O O o

(ijl ijl iuji \\ kw. zva. (ijl (ui (uljj ki (ijl ijiji .ijl ui fj \\ k n.

stil, (volg. Rh. doodstil), stilte, geen rumoer(vrg.

(uifj n (ijl (ui (UlJl en (ui ui vjijj). — a/ri nryn aji (uijj \\ op een stille plaatsof in hinderlaag zitten omtehespie-

den. — i n dpi (iji (ui J» \\ iem. zoo bespieden o/beloeren.

ct (p) j . ana

njiij)ajiJi\\ plat voor i,iimis (huhi\\ (irr^/i/uinwjp en

voorouders.

O O O O n

(ijiiji(eaji en (fjkijiiji(amp;tjj\\ kw. zva. (ijl (iji(iji anijj\\ kN. zieh eordaat groothartig o/ roijaal betoo-nen, bv. van iemand die zich niet bevreesd, betoontgt; als hij uitgedaagd wordt, regt voor de zaak durft uitkomen, of die zich onbekrompen en gulhartig betoont in het ónthalen van zijn gasten (vrg. ten am rm/j en ir^iam ). — (i/ii^rriiiJi mji^ een plat woordvoor eten o/vreten, WW. vrg. r.ti ijnjigcnijjs (ijiiji cniji\\ kn. 1. naam van een hamer bij gamëlan-makers. 2. ergem in een digte drom, opgepropt bij elkander staan, zoodat het er vol is (vrg. luumq en ui n mi/j). — (imyn iji (nyj\\ iets met een hamer of iets anders tikkende kloppen. — w iji iji nyj\\ zva. tuil lt;wÏji ijurii/J \\ (imwiiJirnv het ergens vol maken, van een menigte menschen. —

i ) quot;) O O ,, ,

(ui(iji lt;rfl(mjl en (ijicrnfyflihiji\\ kiojipen, bonzen, van

het harty {vrg. ten ti (uiiteiijj).jj ui ui lji n jj of

iji (til i j(rn/j\\ het beven va7i het lichaam of van de

ledematen; bibberen, zooals van koude (vrg. ut

~ O O v o

vymrj hji 2 anijj en i, n ilt;ri ). — (un nn i (ui / ji an\\

beven, bibberen.

ijdjid ij /ji? t/\\ kn. iets daar meê geklopt wordt,

als een klopper op de deur (van rj ui ? ni/j gt; vrg.

(ijiüicrnji) y gegoed, solide, WW., volg. Rh. breed

en gewelfd van de borst van gëmak\'s. — nn ij

tj yii 2 rj kji 2 arriji\\ k 1 oppen, op o/tegen iets aan

kloppen, dat het bonst; aan de deur kloppen;

zieh op de borst slaan. — d/n n(11112 ii(Uii rni \\ mv.

^ \' CJ I nii

II(ijirj\'n2rj(i.ji2cm j of ij ,ui? ani(j\\ het sidderen of rillen van het geheele liehaam (sterker dan .ui ui ui ani/j). uii amiirj ri t rj ui 2 rrn/j over het geheele lichatim beven, sidderen, rillen; hevig kloppen, van het hart. (lji ij rri grjajii ^i arijj gt; sidderend; staan te beven.

ijifL^\\ kn. een dik, veelal van bamboe gedraaid, touw, dat een beest om den hals gedaan wordt, om het vast te houden of te leiden (vrg. ten iu vu iui\\ en idi tni a tenjj). (unirriidy een beest, (oneig. ook een mensch), met een dik touw binden. — (unnrrndj} ri\\ meervoud.

O ^ )

(Ui (ui \\ KW. zva. asn Lj \\\\

(uid^ i/iKijj^iijj volg. Rh. naam van een geest, die in het bosch de vulde dieren bewaakt, en aan wien de jagers offeren.

iji ijdji 2 ui ijui2\\ klanknabootsend woord voor het ge1

luid van Hollandse he muziek.

a • i ••

tui ik(Mjj\\ zie bij asiidjiqw

(ijiijdjia?^\\ n. , asnifj^sk.y (wi (h\'in kd. , gast, oók iemand die een vriendschappelijk bezoek bij iemand allegi; logeergast; gasten, gezelschap, (uinidji ijavii^s tui \'riasniE/p of (cu^asn(fjj^s de gasten, het gezelschap. (ui ij ii-ui2 ? \\ of (iji if iijnui ij illi2q \\ gastvrij, G.).


-ocr page 921-

O

do» iLl? anj

837

fiy HJVj. \\

— tfjidj) tjtiA/jg zva. rj lt;hvi?% \\ — nmcmirrj

tj LH of :\\j7) cm\\(IJl Ij (LU ? ^ \\ (KI f ^ N of dnlfj ihiii$\\ of (ui kj(ui\\ een gast ontvangen, onthalen,

0

Jt. — (ia 7j a u g q (i/n o/yj ■ (isii (Uj (Ui (infj en tun im (lui

(i(ijl-\\ een gezelschap van gasten. G. ^ en zva. vfu

O O lt;-gt;

m rj (Lii ? fn .ii wjj\\ nnt (un (E^ (Ui (injj en in tt (in (f i (ijxji (hi/j,

iemand als gast bij zich krijgen of hebben; een

bezoek krijgen van iemand; gezelschap bij zich

hebben. — ajj ui yj(tuiy tuiasii^^ gastmaal; een

gast onthalen; gastheer. G. —ajiacnrjayui?qnyn(hijj\\

mmh ij(amp;i2(inji\\ plaats waar gasten onthaald wor-

c y

den. — m ninn ij(l\\j)2? \\ of maai rj om2 ^ foi ni a-ni

O - cy

f jj \\ of /E/j asn (E/^ \\ en im asn (M \\ of asn iu\\ als gast komen, een bezoek brengen of afleggen.

o O ei . ...

rto» (lw (htji kw. zva. om ij (in en (ui a.ji mi (rnjj \\ sie bij

a »

(IJl (LU \\\\

«ei iiu thoijj\\ Dajak, Dajakkers, een volksstam op Borneo.

ij(iciijiindnijs kn. een weinig achteroverhellend, van

iets dat staat (vrg. ij icu ij hjU2 ij(iji2rj(liji2(hvji kn. (volff. Rh. t/ew. //erh.) een weinig vooroverhellend , een weinig voorovergebogen, zooals van ouderdom {vrg. ij(ijitj (iii2lt;i(ii/j en nam

Ij (LU 2 \\).

ijdJirjajui asnjjs volg. Uh. (i.üi ij (ui 2 (isnjj\\ kn. puistjes

in het aangczigt, grooier dan (in^ ur^n )j)\\

rjdo) 2 ij (vu 2 fónji * gew. (ui \'jvrn ? rj n u 2 nsn/j^ k n., alleen in (Ki rj (iji 2 rj (lu 2 fó^Jj en (ko njt rj cirri 2 rj ru 2 awjj - met het geheele gezin en met al zijn bijhang, bv. verhuizen of bij iemand inkomen {vrg. (Kyn^unsnjj). (iji(iji^iilyi\\ dial. düiajuis 2. Rh.

rjajirjaAji2crrijj\\KH. mank door dat het eene been korter is dan liet andere (vrg, oui r.in \\ rjdorj 0^12 cm/j en wicr/s); ook scheef staan, doordat een poot korter is, van een meubelstuk.

ui (lu \\ kw. zva. .1771 tfstjj ui rj dn 2 w Jtï(vi «sr» (U icrjj \\ {vrg. quot;ji ujjjj \\ bij dji (Hijj \\).

tji(iju^\\ kn. 1. een roeiriem {vrg. di ruj). nj^^dJiaAjj\\ naam van een rm rrii\\ Tj. 2. ecnigc maanden, na omgeploegd te zijn, rusten om uit te zuren, en dan op nieuw geploegd en vervolgens beplant te worden, van bouwland. dji(ulj^(et(hn/j■gt; roeijen , i\'oeijende varen.

dji din n k w. zva. dJh an -riw — (u dSt (uu \\ 0/ mi t ji ru \\

(L I \\ IEjI (W1 (FJI

ook djidci (lu rnjj of d^n dji n u noj)^ en verk. dji du aajj kn. een aangelegd vuur om zich te warmen, of om muskieten te verdrijven (vrg. rj asii2 tj asn 2 \\). — dfndJidiu(cn()lt;ijj\\ plaats waar een vuur is, daar men zich bij warmt, (un iQiji nXi tui chi/j\\ zich verwarmen bij een vuur (vrg. (un(Ud./n(u\\).

d^ajüj.\\ kn. 7iaam van een groot zeedier) gewoonlijk de zeekoe genoemd Helicore doejong. (uj (uid^djij^ naam. van een van het traan van dat dier bereid vet of olie, waarvan men gelooft, dat het liefde kan verwekken; volg. de legende de tranen van dat dier; Rh. (vrg. (uy ui rj (Ut \'ij ru astyj). —(uiKrrn^ (idj^\\ iemand door verliefd zoeken te ma

ken.

rjd(n2\'rjdj\\/it\\KH. schuins of scheef staan, overhangen, overhellen, bv. van een paal of muur (vrg. ij d\\.i 2 ij nu 2 dJijj\' tj d Ji2rj d iu ncri /j en fig. tot het

kwade geneigd; niet strikt regtvaardig; wankel staan of loopen. — d/n rj mn 2 ij lu2 iUi rj ren \\ iets laten overhellen, bv. over een weg of den grond van een ander; iets in een overhangenden stand plaatsen.

dJifci/js Roll, d am, damspel. —aj» «/i *£/gt; 1 zamen * CaIOJ - \'

dammen, Tj.; geruit als een dambord, vrg. rjdji2 rj rhl W

iji (Fi/j of (Sn(fji (hdjjn kn. duf, muf, en ti dj {of in

dhriji) dJt(f.djj* muf ruiken. — ajidjiiïdjj en gt; i iJidJi

) cquot;) y O O C)C) (Fjl/j\\ kw. zva. UldJKLlfj OJ dJT) UldJl (Ed/j\\ --------

n\'i dJi

(FJtjjs zich in huis honden, niet uitgaan (vrg. d/n

crp^ ibt njfj); zich in het bed honden. — rnirn i^j

O O W -7 O Ï - .) (/)

d~i(riti (F.i js zie boven. dCKyn (Bi/j\\ of r^atii dd/j\\

verborgen, bewaren, een wrok voeden tegen; ook

zich verbergen, zich stil erg. ophouden; stil zijn,

stilstaan van water, Tj.

o , O O o *

dji (ui \\ en ui d-i\\ gronav. van dji dji iei n en (ui i ji lt;11 \\

zie bii d ji (Ei w

dji (Ei (ifi/j\\ n., dji (kiidcijjn k. en ki., behagen dat men vindt in iemand of iets; veel van iemand- of iets honden, in iemand of iets behagen of genoegen

vinden; genegen zijn; beminnen (het Fr. aimer)*

OO^ • Q O 1 C gt; 0

d.ji IEJI dfjjjn zie n/n itfjjj \\ — d/n arrn (Egt;i ïcj . rgt; (Ei dij \\

in iemand of iets behagen scheppen; voor iemand liefde opvatten, iemand liefde toedragen; op verlieven o/* verliefd zijn; iemand liefhebben, beminnen; in iemand of iets zin oy begeerte krijgen;


-ocr page 922-

tot lUan/i

. , , ) C.) \' gt;

26\'/.v begceren. — i.n im 11 i iy iui/j ^ igt;n ii.rri iij iki,^ iemands liefliebberij. — n/nniti iuuj ijhu\\ r.yqnn hiian/js behagen, behaaglijk, beminlijk, bevallig. (Ltierin (ti w .1}iij y kv\\ trachten te behagen. — hi (amp;l(Hi (htji\\ (U ik/i\'i£j (in^p het voorwerp van iemands behagen; iemands lust ö/* behagen; bemin

de j liefje; minnaar, minnares; minnaar van een vrouw of meid\\ ook o]) elkander verliefd zijn: een

amourette hebben met iemand. Zoo ook an ici it i

) ) ) ) O v ■gt;

aa/j \\ (U av (t i ■ i.)i / i .f i i.j asi^ },n dj (f i i j

(H)jj\\ erg vei zot of verliefd zijn op een of ander.

:i?) fl mi i en (Ui t i luis n. en Md,, in de spreektaal

O O quot;» O , gt; O \\

zva. na.inMiji en ru.i.Kiij {yry. «oi a i hh/j). —nm

a ct o quot;gt; ■gt; o o q o

en n nerin 11 ^ zva. i nmn en

Cv\' Ö Cl\' (y) d

O O o

(L //(gt; »/) flv/ /• n W

(xgt; h^

■) / c ) o

ILJI d l \\ kw. zva. CHI IL\'I (Hl I \\

(tn (Liiin} i\\ kn. voetje voor voetje van gang. .ioi tt]ii.n

) \' lt; ■gt;. gt; ),) , \'1 ■fiimii j\\ zva. i) icKtahuii/js liiKumlangzame en voorzigtige gang of tred. — utkiv (i/hidi/is zich zachtjes en langzaam, voetje voor voetje,

voortbewegen.

O o .00

no lI h nj)\\ zie (ici ha m/j\\

o / r i

(icj (fji.Kn fj\\ kw. zva. (utid^ms en lt;» j / n of, volgens G., arm, behoeftig; (jmissohien heter gering, van

Q ..v

ö.).

(bi rtldsn,!kn. verborgen, moeijclijk te ontdekken {vrg. (u m (bnq) •, ook y en veelal reidji u (bn^ - onzigtbare geest, die ergens huist. — nzl(tjjtifliihn/j\\ bedektelijk, heimelijk, in het geheim.

dj) (amp;} i-1 /j^ kn . regelmatig en passend aaneengesloten van voegen of verbinding van gebindten , Hh.; ver der behoorlijk en net aaneengesloten, van de lip gen, als de hoven- of onderlip niet uitsteekt; ook netjes, met ondergeslagene beenen en de armen aan het lijf gesloten, zitten (vrg. vjaot ook fig. van

stijl keurig.

Liii^iji\\ \\\\N.{volg. Rh. zamengetrokken uit nu ij ia en a^iMMjj) eig. groot en toch bevallig; net, bevallig, beschaafd {vrg. uiifii i/j).

irjcuid tï \' i/p zie bij li a. ij \\

dei ifJ\'n i/j\\ kn. nattig, klam, zva. iln fi tup d\'ji rj :t.\'i lu/j of ifdiï y (ti nLip kn. aan elkaar kleven, plakken t/v. van haren [vrg. ijun ii^rn ijj volg. WW. ook zich in menigte ophoopen; vrg. cm n ycrtirujis

ij»if. 1 js kn. de binnen enkel, WW.

dol ii (t i -; m kn. 1. een van aarde oj van meel met eenig vocht geknede bal of bol. 2. zulk een bol van rijstzetmeel voor 1 ^ lt; j \\ of ijiinvniji {vrg. jcih i j

■mi) ^\' ^7 quot; quot;lf en ^7(En~li,iirl N

namen van medicinale kruiden. WW.

tv » a (hj\\ -1 1. k w. zva. tiK it i ^1 iHi \\ en tsh cm (W in j. G. — 2. kn. naam van een huidziekte met roode vlekken en koorts (een soort van roos), een soort vrn ringworm, Rh. ryin 1 rt ^uut^m naam van een dergelijke huidziekte als een gordel om het lichaam: gordelroos, rjand 11 -.1 tfJItEi (hii/j\' naam van een huiduitslag met zeer kleine ineenloopcnde roode vlekjes over het geheele lichaam) JH. \'quot;^ \'y viaoid(Ej1^i\\ naam van een rups met lange haren, waarvan de aanraking jeuking veroorzaakt.

ij(ioi2 ij(fji^i2\\ kn. twee verkeerd bij elkaar, in plaats van beurtelings om en om; Jlg. niet volmaakt van iets waaraan iets ontbreekt, 1\'J. niet goed overgo-bragt van een boodschap, Men.; overtollige herhaling, pleonasme, asii ij tim ij u ^it\\ gelijk , gelijkmatig, Tj.

nji li ; ^ \\ k w. zva. ij an ij ii.i? hii )

(loi f 1 \' 1 \\ kn . vorstelijke zetel, g route vierkante tabouret met draperieën, waarop de forst in staatsie zit, en die tot de rijksinsigniën behoort, an .*; / (U (h^iu ui ^,1 an/j\\ of ook enkel do) .n \')\\ een lage schrijftafel of bank.

10) (t 1 -ujj\\ kw. zva. ijiU)),^

ij 101 ij r) ^ it )gt; j of if dj) )f .f) jjjj h 11 ? \\ zva. ij ik ij ).lt; \\n (Co gt;! gt;) .1? inijj of do) ij (Lj)?inn j\\ kn. platrond, z00aIs stompe punten van schoenen en de kop van een kat of tijgerkort en dik, niet rijzig, van een persoon-y ook stomp, niet puntig, bv. van een neus Men. (bot. G.).

(in ij (Ei ^1 è -HV/j \\ (un ij (ïjn rj ti ^12 uu /j \\ zva. ij no) tj iu ï (Hu js un \'tjart) tj (ui z nnjj \\

(to) (Ei Si ibit /j \\ kn. tweelingen, een tweelingpaar, van

een jonge en een meisje {vrg. lïn \'Ei\\).

ij \'lot oj ui ^1 ivgt;))ii\\kn. tegen elkander aan, bv. van twee huizen die fegamp;.n elkander aan gebouwd zijn; aa i elkander gegroeid, gekleetd of gehecht; nauw aan

elkander verkleefd, van vrienden {vrg. tjaoi tjdi 1

amp; \\

■tuj! en ni u ^ 1 ast) j). — cun \'/^/y11 j,tj1 -1 \'/ h11 N caus.y.iets tegen iets. bv. een muur, aanzetten.


-ocr page 923-

C ) . )

act iL/i ^ i ir}^Jls

«niL\'i kn. digt aan elkander in een tros of

groep; comprea, van schrift; tros, groep {vnj.

O O v Y /ij» itjin ~i i ruji en nu n gt; ~ / 7L^).

iioiamp;i^jj.vLi/jsKN. stopverwj een deeg van kalk, boomwol en djarukolie gemaakt, om de reten va?i iets, zooals van een vaarluiy, digt te stoppen; ookzva. (ijt n L\'i ~ji t \\ 2.; nm. van een cosmetiek, wtw hej). voor knevels-, {vrg. /WM-Jiri i/j). lt;Q

! } naam van de vrucht van den

heester no (tu^ iu \\ JR. — tim^ru/js iets met stopverw of iets dergelijks stoppen; gelijk een klomp stopverw of dergelyk deeg. — dn iu an/j^ met

stopverw gestopt.

o o . on

dn tji irxjjjis i. KW. zva. .lh kn. zva.

^nru/j\\ een ruw afgewerkt blok hout bij gebrek

van rfnunrtyi gebruikt.

o - ; ) o O

ifyl 1 7TJJI OJ ICt (IJj. lamp;l —ï 11 //^ \\ KN. ZVa. d.» ij (Li Ut t, II fj

of ij (Et w? tnt Jtt iLi ut itrttji \\ G. — /vrtnrftt (L t j] rvi/jn een plaatsje bij iemand vragen of hebben, om bij hem in te wonen of tc logeren , WW. K. volt/. Rh. erg. op een klein plaatsje tusseheu of tegen andere huizen aan wonen j fuj. bij iem. inwonen, logeren, vrg. rj ictrj u n ip en Ib l J? N\\

yf ict tj f/i . j 7i t/j^ rj ut Tj ,i) 7i en ht tj ui n tqs kn. vlak tegen aan (vry. rj to rj } ? - i xsiijj en if asurj ,• / ^ i n t/j). — tm Tjtrrn ij .u ut ru/p enz., togon iets anders aanstaan of zitten, hv. een keuken tegen een zijgebouw\', zie ook bij a-o^ \'f/i Si rvijj gt; — a^. ij l t vj f i

enz., hetz. — ij ut ij w tri anq en Lioyujt 7 juitap vlak tegen elkander aan.

tf ut tj ifji . 12 (n ijj \\ zva. lt;i^ r i St n t/p rj.uti ij(fjtmt kn. tros van vrachten of bloemen, als hoeveelheid; volgens G. ook druif. — lytm ij rj (Li ?(ri^ichnjj\\ tros, bij trossen, ook zva.

rf lt id\'tucmjis •id Li kn. naam van een groote pisangsoort,

Tj.; volg. WW. ook van een groote

statuur»

mi f i .ijj kn (gearmd WW.) naast elkander {volg. Rh. staan of) gaan; ook van dezelfde gesteldheid zijn met iets anders {vrg. ~n (Li -1 mt/j en

1\' iLlU}gt;^\' !,Jgt; 11 c^JI O f ? h t2/lN rÜ011 611 naast elkander gaan {of staan Rh.); volg. Rh. ook zva.

gt;1 iaJi Lt ^jjj uit j 830

(ui (Li ^ t dit urtjjs van een breede en bladrljke boom. tjajt iet tntij zva. 11 (LI ,7

(ioj(Lt^j jMiyj\\KS. hetzelfde of eender met iets anders; hetzelfde nog eens, tweemaal hetzelfdej in herhaling vallen {vrg. (iet (Lt j cn t^icn n ; i, n ).

itat (Lt iLt ibit mi (tot li tilt; n an (tt ojt \\ kijk, je hebt

^ l Ofl M.W, s Vty J \' J

juist hetzelfde voor als ik!

djt f t /j js en tjm tj (Lt Si j - KN.rnet twee of meer trossen aan een stengel, — zitten van vruchten, ooi fig. nog eenigzins verwant zijn {vrg. ij ictz ij if t Jj/ji\\). iet (Et Jjt^ kn. — r/thyii mede doen in het

beknorren van iemand.

(Q(frt iLt/j\\ kn. de opgezette toestand der spieren.— itnincirtitnjj\\ zenuwarhtig gespannen van het gemoed hv. door verkropte spijt, enz. WW. zie hji

O O enn (hu n-i/]\\

Cxi ^

;ui7jC}iirLi/j\\ kn. krom en stijf van ledematen, vrg.

ij i\'t rjilt;rt2 rvtjj\\

act ij rnii(iLt/}\\ kn. knoest, knoestig, knobbelig van een boom-, knurfachtige uitwas aan een been of arm,

tj 70» ?; f t ~]\'i \\ zie rot (Lt Sjjj \\gt;

ij ut 2 tj e zva- ^ 1) fJjjx maar groot er, in tj mti

tj i td rj um ijiEjt naam van een klein soort van

gowokvruchten, maar waarvan een grooter aantal

aan één stengel hangt.

. O /. c\'quot;)

iio e t - ; ut ij li \\ u i e t...»\\ o/ ra ij lt ^ t \\ kn overhangende kant van een rivier, ravijn o/ berg. — mrt a»»» e it\\ enz., overhangen va?i een rivieroever of de kant van een ravijn of berg; volg. 1? h. eig. met een holte zijn, vrg. i^rj (Lt J»n en tegen de kant van iets, zooals een boom, muur, jwst van een deur, aan gaan staan of gaan liggen, om ergens voor te schuilen óf zich te verbergen; fig. zijn steun zoeken bij iemand-, onder iems. besehenniiig

staan {vrg. ij ij Lt ny).

(la. . q«

(tct rj (Et . » \\ 7.i\'» E t . » \\ Zie (I.Jt (E t ^ » N\\

dot (Lt \\ kn. goed of duidelijk iets zien, hooren,

verstaan of hegrijpen\', kj ^ i \'i /quot;»\\ iets nog

niet goed begrijpen. — amant EJtanrj/tftt^ duidelyk

maken, ophelderen, Moelichteu. — ui r.t an/j v

welwillend, hulpvaardig van aard {vrg. tct rtatt/js

JR.).

i7jgt; (Yt i j n zie ij act 2 rn ] -

anan/j KN. klanknabootsend woord voor het geluid


-ocr page 924-

rfw ijnffg crr}jl\\

840

van een slag of schol van een geweer; en vol, geheel, in waxim (of (ujrb) i?)) ?j?an/j\\ don gehcc-Icn vollen ilag (of iinclit) door (vrg. tüiiHnj-. .QrQ niïjj en /ƒ/oj? lt;777^).

,7\'7?\'/N KN\' Mtonhnub\' v- c- slag of stoot, doffer

dan Ij 7 J) 2 (777/flN

^7vTï? .»77^vkn. Idanknahootsend woord voor het gehad van een zwnren slag, zooals van een grooten voetzoeker, of van een zwaar gestomp, zooals van een paard dat op stal niet de he enen op den grond stompt {vrg. i i in j en rj ani^fj 077 rjij» ? am/j

.enz.), ui gt;f nyoiij {freq.) v. paarden, Tj.; ook fig. wispelturig; nu eens zas, dan eens zoo, Rh. vrg. y uit ni/) tLI\\\\

wnp 1. kv. zva. ikir^ nvi/j — 2. kn. zva. na ij 77 ni t w

antymts kn. naam van een vogel, patrijs, of een soort van patrijs, ook r/n m n im ^ 1 iui^ genoemd , volg. R h. dezelfde als .u uh \\ aldus naar zijn geluid genaamd.

\'I \' * \'Y/N vau mannen, zva. ^mn-jt i^jj\\ van vrouwen {zamentrekking van arnrjw en nm .in cm Ji t/j\\ kn. zva. ui an tuji y in den zin van asii nrn\\ maar ten halve n; niet geheel voldoende.—

tut chi\'tM van ecu tussehensoort. nintriw aii iti

■) . O ro

,7lt;7,i\\ zva. 111 f- t x,}i ia gt;lt;1.11 (in,i\\ —\' co 1 I

fnaii ni/js kn. I. benauwdheid in de maag, volg. Rh. verharding in de maag, zooals na de koorts. 2. baldadigheid, moedwil, stoutheid, ondeugendheid (vrg. (tcjna» xai (v^\\ en .i:»? ^rnai ? 77 /^). — nrn

VajI/quot;\'n 1 Is baldadig, moedwillig, stout, ondeugend. — (io}fUjnii(n^(mjj\\ baldadige handeling.

O . O

^ 777 iv/j \\ zie r y a i, n i/j \\

yrarjaaiirup^N. krom door een knoest, van Ziout;

krom, van een been nr «Q ij au ? ira/j lt;rf Ki? ij rn? ru/j of ij ici? ij aai?aunnp kn. een jonge sprinkhaan; met minachting, van wenschen, afstammeling PJ.

(tin aaa an/f gt; kn. — i/nartn art cnins Jiet hoofd en-den (\\J *. \'

rug achterover buigen, Rh. vrg. (hii rnun/j^

(Li aai aii^/l kn. stom, in den zin van dom, stomp van geest, volg. Rh. aai.iQ cm/j vrg. tarn \\ tunnfn n mjlN /\',c\'1 8tom 0f niaar ^om bonden, geen stom woord spreken.

tjadirrj an rrnjjn KN. — i n tj rrni ij ajf rm^\\ hot hoofd op

zij buigen, een scheven nek trekken bv. bij het tandak ken, (Fj.) Rh.; vrg. vj am vj uit w ^rfjïT^o^arm/ysKN. erg mank gaan, door een te kort heen, erger dan i](intjclimaai^j^

O O

ri(ij) 2 au aai aai aai/i\\ zva. 11 turn an au ern aail\')\\ ,1sCAI \'lgt; - \' \' Jl

(hioVi\\ kn. aartsdom, WW.; volg. Rh. simpel. (fnerns KN. (Lvnrjmcrlis iem. die staat in dc holte v. de knie eeu duw geven, dat hij knikt, WW,

ij iJiTj crii \\ - y ui ij aai aayi \\ volg. W W. ook zot,

half gek.

ijimniy}nj\\ kn. bij tusschenpoozen zijn verstand kwijt zijn; {zie ao y aai 2 aiyi bij rj (ud t amjj) een verk. van tj oj) 2 arnjj en rj ojii iu\\\\

no • i.. 00

(ij)(rtyrr^iia/j\\ zie bij (untij)arnjj\\

__o

n^aninm^s TP. - ihuay.w

d.j) (irh \\ - o.j) n\'/) \\\\

»1 »r

tj dj) rj ijh \\ kn. een weinig naar achteren, met de punten naar boven gebogen van buffelhorens {vrg. ij) cuh \\) — rj ua ij i^n 11 nnjj een wijze van den hoofddoek om te doen.

ij) r.ijji KN.; 1 7»lt;77/j rajji \\ oj iJi) arn aj) (iTjjjj \\ mot twee of meer, iemand bij do armen voorttrekken wegleiden; ook iets, bv. een tafel, zamen opvatten en wegdragen, ook fig. iels met velen verrigten, door gezamentlijke bijdragen tot stand brengen. 77 ai 2 ijip 2 kn.; im ij arn 2 ij vi 2 \\ lui en ledig opzijn gemak zitten zonder iets te doen, WW.j ook bol, maar slap neerhangend, van de wangen. JR.

ij rj) rj yi \\ kn.; xjïi rj cr^i) ij up s zich in een deftig postuur zetten of houden , door zich regtop te houden met de schouders en het hoofd een weinig achterover getrokken en de borst vooruit; zie rjnprjnp\\ tj dj) 2 tj (ip 2 \\ K N.; rj ui 2 tj ip 2TJ1J)? ij iip2 v en mn TJ ai) ) 2 \'Yj(ip2\\ met eenige drift en ijver iets aan komen dragen of wegdragen, WW. R.

a.j)\\ 1. grondv. van am ij» n ,7 j» n dj) iw anjj \\ en van ij) tj) w — 2. tj) i^ndang) zie ajna^nw — iji an ao/j \\ zie bij tji aj) anjj \\ 3. (ih \\ iuji \\ rj ah \\ ay \\ yj a.j) 2 \\ kn. klanknabootsing der eindvocalen van padas of dichtregels.

(iS)\\KN. 1. een klanknabootsend woord, ongeveer zva. tj!anijs — 2. naam van een kwaal, waarvan men de oorzaak niet kan gissen, en die daarom aan de werking van een boozen geest wordt toegeschreven, zooals gezwollen beenen, jicht en rheumatiek {vrg.


-ocr page 925-

ao) 17) tui a.u \\

841

r^n/n y cnrt2wnj])*- Rh. die ziekte alleen in den vorm tTj» QcHijj\\ — düiwonji of (fjta-uanjjs aan die

kwaal lijden. (Mmi onderscheidt ($Qen WW- K\')-

«wjn n. , in de spreektaal zva. nJ)\\ of tuhw sSnajii^ zva. (MW* wie ook , wat ook. Zoo ook (i-hoji\\ Of tjdjii\'.uïiw en zva. (vm ir/j -V) \\ of a~) .im -Vï n\\ —cki ook wndji (i7i\\ en n^rjaji \\ onverschillig wat of welk. Zoo ook n^iijdn tm^(i/ntjiHj nui\\ of (K) imn vn s if w dii w /naJSnz klanknab. van het geluid van een voetzoe-ker y Rh. ook het einde van een vers; fig. de persoon, op wien iets neerkomt.

ij) i7i { \\ en gew. (indii qsKH. rijzig en wel gepro

portioneerd, een edele gestalte {vrg. rjaoitjw?

vj dj) iiTi fquot; zie bij deï\\\\

rj 7-j»rj (in ^ kn.; /jfdj) rjdTi j rjn.j} rj in % \\ zva. ij rwrj anq TjrLI lf 171 %\\\\

11 (IJl 2 rj 1712 J\\ en Tj (IJl 2 tj 171 g ^VJdJI 2 gt;1 (1712 k n. zwu.il\',

maar wel geproportioneerd, van gestalte {vrg. no

(17)^).

(thiAjjj^ zie dJiiHj/jW

dj)ii7i(Hi/j\\KN. zonder bezwaar of bezwaren, onbezwaard, geen bezwaar of bezwaren hebben , geen bedenkingen of verhinderingen hebben; gelegen komen, tijd hebben, verligting hebben of gevoelen, van een zieke of ziekte, als er geen bezwaar meer in is; verligting van een straf; gaarne bereid; gaarne bereid zijn, tot iets of om iets te doen; gaarne bereid tot iemands hulp of dienst. Men zegt en schrijft ook dikwijls i maj) n infj of xmih izi (Hiny bv. J. JBriev. p. 344, 10, en dit is dns eendenominatief van mnnjiMLW. zva. iioi niM/j en (kti ifj ki en (ijiiiti iifi/j\\ van de grondv. v. aCi \\ — un (rnii7iinj\\ en nnin iti uj \\ tegen iets, bv. een verzoek, geen bezwaar of bedenking maken of hebben; tot iets gaarne bereid zijn. — rmoin 1:1 uj ij maken dat iets geen bezwaar of bezwaren heeft; de bezwaren er van nit de weg ruimen; mi zieke, of ziekte verligting aanbrengen (^teweegbrengen.

O O . CO 0^171 anzie bij d.jiw

^ ^ . O O

(M) 171 (HTJj zie dj) (IJtl .1(1 /f V

ixi 171 (mjln kn. naam van een soort van uil of nachtvogel, met lang uitstekende veéren hoven de oo-ren, Rh.

djt (i7; ui i.hi \\ KW. zva. (uicnli tuil \\ (Vit dh en Skr. dtjd-rya, leeraar).

lt;1J) 171 \\ ZZZ dJI (171 (K7IJ \\

djisn kn. het onkruid uitroeijen, den grond schoonmaken door de aarde met het onkruid om te halen j wieden; de schoonmaking of liet schoongemaakt worden, bv. van een koffietuin. —roVjrn eerste periode van den groei van suikerriet, CP. — diicrnii i\\ een tuin of akker zóó schoonmaken of schoonhouden, van onkruid zuiveren. dmnrrniii 1/11

(xl

vu(iJUj\\ de wenkbrauwen opmaken door er met scheren de gewenschte vorm aan te geven. — d/i nrrna7i \\ het schoonmaken van den grond, enz. — dcioLi\'r)mijj\\ het van onkruid gezuiverde of te zuiveren; het werk daaraan te besteden.

dct i^)\\ of tj to i7i ■ n. , in de spreektaal zooveel als if ji ij, i.yi \\ vooral met ontkenning tj un 2 - ndlt;n 171 \\ niet weten, kennen, verstaan, begrijpen, er geen begrip van hebben. 0iui aj/iriti\\ voor: hij kent geen a voor een b.

O\' . vy

IJ (101 171 \\ Zie dJI 171 w

ijdCJivj 1,1 \\ kn. — ijürj(rtnrj 1:1 \\ regt op zitten of

staan, zie ,70» ui w

(£) CO i ■) O

dn hr^\\ (ijinrni inj\\ zva. ici in^s 1 nmn ki^w

ijdhimis kn. kot, verblijf of woning van iemand in een minacht enden zin; de kot van een hoela {waarsch. voor rjdji2hn\\ Kawivorm van vjimnnyi\' K. Vrg. ij un ijnriu Kiiij), dji dm iv?on \\ waar is je k ot ? dj ih 2 hii orj (H^ \\ bergkot, zie bij rii k i ifji n iw \\ ij dn 2 kii \\ of dei ij dji 2 mi \\ een kot hebben, ergens zijn kot hebben

(in 1:1 hn/j of dü n li ijj \\ kn.; 1 11 arm m nrijj of n/n nin irt (Hiijj\\ het hoofd achtcroverhouden, het aangezigt opheffen en naar boven wenden ; met het hoofd om-\'

hoog gaan {vrg. 171171 mifj en ijnarrri rciim f).

Cquot;) /•

701 Ijl.llilllj OJ Ijd.JI Ij 171 KlIJj zzz dj) 171K11 Ij \\

djj. mi ? \\ zie ij ih 2 mi 4 \\

ij rei 2mi % \\ of d\'j mi f \\ kn. niet meer stevig staan, door slijting of ouderdom, R. gekloofd, versleten, open, opengespalkt, opengescheurd, Rh.

d^mi\\ kn. omgewroet, opgewroet, van een boom ontworteld. — nu mij ilt; n \\ ie/s omwroeten of opwroeten door krabben of graven (vrg. nih2 ij ^m); ook zva. run(irt^ ^m^^w — inerrrj mi * gt;7\\ mv. — i/\\


-ocr page 926-

8-12 rij. H gt;1 N

lt;ntj uu\\ het omwroeten of opwroeten.

. O\' . ci/ . o/ n

n KN.; t ilo\'Y Kn\\ en njtnyij fin n\\ zvct. x/nnrn^

}lt;u\\ enz. {vrg. ook aijws).

ij i\'iiriMti\\ KN. iets om mee te wroeten, tnaar in

geringere mate. — ajn ijm\'iii ijims n n i^yiu ij

o . \' /

• t )\\ en (Urjnrn2 rj icn\\ zoa. nwytjhus enz.

en (iój \\ kn. overhoop, in de war

doorelkander, ondersteboven. — iets

overhoop of ondersteboven halen {vrg. (im (rnj ?/;; \\

. . o

en .Lil f i tl n i hi)P\\). — muim hti gt;iLn\\ mv, CO \' CJt ^—gt; \'

tfnh t h n/j\\ lloll. dom m e k r a e li t. — n/nrj aiii z

met een dommekracht opwinden.

gt;ƒ 1:1 ê ij Kiiy mn. achterwaarts naar beneden gerigt, van de horens van een buffel, JR. zie yja^ii

7^nN

. o .

n 101 n 11,m\\ zie iwit) ici? iiyHiuw

\' \' v__) \' \' s—^

_ 6^ „

,?v7) uji .im fj--(701 wi unji \\ 1\\ s.

kn. met korte ingedrongen hals, waar\'

door een soort bult van voren ontstaat^ van ga-

niélan instrumenten hun klank verloren hebben,

Uli. vrg% iiitojiw

( \'O , ) r , co (ïjj h )i itni/js chal. zva. aoi dm arnjj \\

O quot; r 6) CO

dei I,ij ifnji 01 .L.01 iifl^icnji ■. v.ii\'ui^uitj^s

i?i ijani unjj of uirjkn. aehterover gebogen,

bv. van den rug van een stoel {org. r/jry uh \\ en

(gt;quot;) x (?) * G) -

iiaij i.n i,iiij). -- iLmarrn ij 1,11 hnji of i myn tjit^ uuj\\

iets achterover bnigen; zich achterover buigen; utn\' 1 ij 1:11 i,njj\\ achterover zwikken of gebogen raken, bv. van het lichaam en de lenden, JR. 7ij)itj mit? j{njjn kn.; ay/?rj\'rfii? ij.imêmi/j\\ in voorovergebogen houding staan of loopen, Rh. iciihtirtyi zzz ri i.nm/j\' W. II, 330, fig. stijf vati

taal, K. 1, 1.

ihrfii(tiiruji\\ kn. dikke hoofdwortel of hoofdwortels van een boom, struik of plant, vlak onderden stam, vooral zulke die eetbaar zijn of tot medicijn gebruikt worden {vrg. n(in? rim? ici/j). WW. R.; volg. Hh liet verdikte onderaardsche gedeelte van de stam van een boom of struik, waaraan de wortels zitten, de knol van aardvruchten. — am (rfyrj ungt;ru/j\\ — (ihijdnurujjs uit den grond hulen.

(in Kn iw/j^ kn., i^tiitp KL, de knie, de knieën, m /o? ie ij een kniehoogte bereiken, tot aan de knieën reiken, bv. van waterstand. (inKrfii 11 jn tu/j eig.

Qv O

IMI li II H l/jX

op je knieën trommelen van pleizier, zich erg verheugen, Rh.

(i}ïtin .ivins kn. een vuurhaard tot behulp, van eenige bij een gelegde steenen , om er den pot op te koken noodfornnis, WW. {vrg. .15^tim \\); ook naam van een ziekte onder het pluimvee, die aan de werking van een boozen geest loordt toegeschreven. — \\mmïi ilt;i]ili/j\\ van steenen zulk een vuurhaard maken; zulk een haard gebruiken, er op koken, WW. fig. voor lyitnin i?i ili ^ in huis zitten bakken, niet uitgaan JR.; ook in een diep gebukte houding zitten {vrg. icïlii^ iu/i). f.hrin aii ~/iiafïi.ilt;n iii,1 en t nar 11 (\\ji nrnjiihi 1 u/j\\ zich tevreden met zijn staat bij zijn ambacht of bedrijf houden. JR. i*ï H11 m/j \\ kn. zich voorover bukken, bv. om iets van den grond op te rapen; voorover gedoken zitten,

bv. bij het schrijven als men te veel voorover zit;

/ Qv , co o

ook zva. hiinui {vrg. nci in^\\ en 11,1

n\'l /.ij iu,j\\ . zva. ^ nm iLijMiU. langs

den kop naar benedend hangend, van de horens van een buffel.

tj ici rj uiim i/j en ijxkrjiUYKtuns kn. vermoeid, verstijfd of verdoofd van de be enen, zooals door het lang onbeweeglijk zitten, zoodat men eenige oogen-blikken niet staan /can; kramp in de pooten van vogels, zoodat zij niet op een tak of op stok kunnen zitten; fig. zva. mi im \\\\ \\ ern iji m:ikrjaji rj^ 11 lt;7J^\\ naam van een soort van pisang. ^ ijnai fu(Hi^/j\\ verstijfde o/quot; verdoofde beenen hebben; de kramp in de pooten hebben.

rj tJi gt;1 tniirLifis kn. stijf en krom van armen Rh.; volg. te M. alleen van de voeten, rj (iji tj wi 2 \\ v. d. armen.

ij ijit ri 1,11 n i/j\\ kn. iets om mee uit te graven {vrg. ij ui 2 ij ihcn rviij en ij um ij mi \\). — njti ij ai m *j mi 111/j^ iets met een spits of scherp werktuig uitgraven of opgraven; fig. iemand van zijn zitplaats o/ uit zijn post werken. — (unijarfn2 gt;j nn .iu\\ mv, ij.Lcii yj i.ii2iii/j\\ kn. gewezen, rustend, van een ontslagen ambtenaar {vrg. rj i 1 ij n.i mrji/n^s kn. ; hirjmi j w rjnm j \\ slap en lenig van gang, Rh.

(ibj. ij i.-ii j \\ of ij ijj 2 ij kjj ^ n kn. uitstekende of neerhangende tronk aan een boom {vrg. tj a i 2ijcni2 crrijj en


-ocr page 927-

v W\'WU

. Q/ HO^ l . l\\

s-ia

.js^ !/lt;/.///ƒ); neerhaugeu van de vlcmjeh van een haan. uitstekend afdak aan het dak

van een huis. (KT.) K. vnj. ijn- \'m rj im gt; w V\':\'V\'W^N KN, ei 0^um biJ ncerliangen, bv.

van een geknakt en boomtak.

» o . ii i^) cO

i i hti inip kn. mi tniiHHWiita^\\ zva. ic) titniï ljivi

v v,\'ww-

ili.hvhii.p zva. (incnicni p Kh. \'6\'w /j ji kn. gebukt (yry. i/j eti

. G) Ov . ,

(tin Ij). — (i i)ir))hhiyigt; )i j en (ut) crnii zich

bukken door zioh voorover te buigen; zich bukken ow den grond iets op te rapen; zich buigen, een buiging maken, uit eerbied.

unj hy hn/js zva. (i^) hn h)) j\\ maar ook wel op zij neerhangend bv, v. h. hoofd, Rh. zie ook op ui tj )j kh ctni/j 1

ngt;i/j\\ kn. lage bank of bankje om op te zitten, of tot voetbankje; (Zulk een bankje behoort tot de staatsie van de quot;prinsen op Maandag en Donderdag\'). ttjïn?)am ^17^iiu(Ki_b9(H7;p een laag schrijftafeltje. — iijiiij) iets zooals zulk een bankje. Ov . CO

kh 1 zie l \'l Ij 11 kiiq\\

ijih ifihhiKii j- kn. hinken; zie (utnjttrn w/fs

1 ? 1. n\\ en .mom h n kn. sterk uitgebogen, achterwaarts M, CJ OO»

gebogen, gebogen, van gooien van een stoet, van de beenen van een kind, als die bij de knieën achterwaarts, {dit volg. Rh. Si iPii) en van de armen, als die bij de elleboog, naar binnen gebogen zijn, tv at bij vrouwen voor een schoonheid gehouden wordt. ,/oKjnKN. mank doordat het eéne been korter is dan het andere; mank gaan (vrg. 11 acirj(iii2am j en rja^i ij (rii2 (Yii/j) WW. zie bij tiMtim^

w.ijjy ben. v. e. straatdeuntje, Rh.

» O . Qv .

«j» iini \\ oj ij (ui mji \\ kn. zva 11 trrn w — loi |j gt; gt; mi j oj mi uï 101 m .7/»/^ mank of kreupel of hinkeiule voortgaan.

q„ .

ui iai \\ zie dj) nfli w \'ilt;i ij idiskn.-, isii vm ij uii \\ achterover staan «/hellen, bv. van den rug van een stoel\', v. e. paard, za-ilelrug {vrg. iiji )j hii hnij en lu n kh ), JR.

ihd.p kn. rondgaande acrobaten die met begeleiding van muziek om geld kunsten vertoonen, {te Batavia) gew. bij gelegenheid van Chin, of Rolt. nieuwe jaar, Rh. [org. xhi.i^s).

ici ui j \\ Holl. dansen {vrg. (vu ij rni ? ij ern gt;igt;ii/j).

. a/ * ^

(U^ih\'i\\ uj (i^,/ i\\ en tr^ i i\\kn.; n 11 (nn 1.1\\ a/n »»ij 1.)\\ en i \'n \' ^ quot;iet den snuit omwroeten o/uitwroeten , van een wild zwijn {vrg. a/nci^n ihii\\).

ijdïi ij (ui \\ kn.; rii ijcrhi ij ki\\ van een hoogte langs

iets afglijden {vrg. 11 iuiiiiki^).

ïJi inij\\ kn. ajtiiiinii7i/njjj\\ met het hoofd of den kop in eens oi met een ruk overeind staan bv. tengevolge van schrik.

.fj)v7 m ijj\\ kn.; inih] in iu j\\ onverwacht o/onopgemerkt te voorschijn komen of vóór iemand staan; uitschieten, uitspruiten, opschieten, wanneer de knoppen te voorschijn komen. — uiiJirrtt)^

het onverwacht te voorschijn komen 0/uitspruiten.

■)0 OQ O ( )

— (Ei ui .1:1 iru^ zva. i/ntyii m iru/j\\ jl\\. (l? /ji (in

•iiijj\\ kn. tusschenwerpsel voor het onverwacht opkomen of opdoemen en blijven staan als een paal o/* stronk. — iiiciii ni/j opdoemen, en stokstijf blijven staan, als boven, Rh.

O . O

ijijiiij I Itnij- kn., iu .fp ij ui z )j i:y 2111 /j n zva. ru

Ifji ,Lhik of in itfin0! ij\\\\ JR.

ad) ft.kn. half gek, mal, nar, zie rjui 2 cm/j i?ï\\

hlrns en É)on \\ kn. suf, versuft, suffen; {vrg. aj) ns

ij ti \'i.

\\ • O C-)

nj ilj en a:r^\\JiMjj) zie norrnw

dj)itj) \\ (uii(rfndei \\ en iiinfih iJi 1 KKi/js zie (Uinrrnw

. ou • j..

(ij) dji \\ zie bij ui w

O* O.. quot;\'.7.. o,.%

dji ui \\ zie bij u) n\\

ij i.j) rj ij) \\ zie ij 1 o ij iw ^

ow . »qv

ij (ui 2 dj) \\ zie bij u)\\\\

dj) rj mi 2 \\ ~ ui jji \\ mz gt;j \'J) igt; j ni\\

u) ern \\ zie u) »1 \\\\

\'i, \'i,

rê! n\'p dc beurt, mm dc beurt zij», vry. rjajitw (Uijjiiuyjs zie bij (ui\\\\

O O )

(Ui n (i7i rj (ci ru j iu 1 tj (1 \'tj » ) i\' ii /j en ij rj j »

VWJJS

IK \\

«ren 1. n., verk. van ti/ihiKw quot;Z. kn,, verk. in za-menstelling van is:(miw — 3. kw. zva. hhurns dJ an \\ e7i ajiKhj (Kii fj (Skg. dj a, gesproten, geboren, telg, zoon, in zamenstellingen zooals it tin a dj a en dwidja\\ zie (unasiiax en (wax ).


-ocr page 928-

rgt;

.l^N

n

% ui \\

8Jrl

(i£\\ 1. kw. ver/c. van n/ri\\ j. (of het Skr. dji, overwinnaar). 2. n., verk. van \\ in \'poëzie en bij hel tellent zooals ijnig\\ /nji\\ één, twee, drie, e?iz.

\'/\\ k n. naam van het vierde jaar van een Windoe. Tjtifzgs ver/c. van tutt ij iki\\ in poëzie, hv. in aSl ijnin

tjlKdW

^ \\ kav. zvtï. y njig tf ik 2 utijj en (uiijaxizarijis

Kw* zva- Q\'Vrg. ijtrLiijtTmq

2. in do spreektaal ik ^ \\ en ak tj ^ ^ \\ verk. van

ik ii(uiimmers toch.

ik t ii\\ kn. naam van een boom. Van de noten (^al-

noten ?) van dezen booth wordt een soort van inkt

bereid en een zwartsel om de tanden mee zwart

te maken kk(unafii ilï\\ of iiK iii) iu\\

jonge djuhanoten , tot medicijn gebruikt, iik tun avi

*111 0f \'^lt;njtr^(ui\\ hetzelfde, gestampt of aan

stukken gesneden. — (un ititin/n \\ zva. (unhülm

COC7

WW.

iKij(un\\ kn. gember.

o 0

^ ^ kw. zva, ainihfj j, (vrg. ik % ofi uis).

y ik 2xm (ki/i\\ kn. naam van een groene duif, anders

ilt;ii dp i, i)genoemd (verk. van im rj ik i ti/ii cki/j). iiikz

o o . .

i n uj itu kw. zva. i/ii i i .^nx/n\'f iit.i ij tril mi\\ (vrg.

o r , \'

i/n nj. nn waarsch. verb, van djaw dnila, omgezette zamenst. van het Skr. an it a dj a w^t, vaart (snelle vaart) van den wind. pk.).

kn. naam der hel; de zevende

verdieping daarvan.

ik q m l7/ \\ ook ik \'i{j ii.:i \\ en verb, ik in •SI\\ kw. zva. rn

^ \' n

w 1^ (Kiinjis en n.n idiuion/j (Skr. Djdhnawl, de Ganges, als personificatie, eig. de dochter van Dj ah no e (Wisnoé). iki lt;m ^nrjn i ? ^ .i£ hj ,/j] \\ een rijk met rivieren en stroomen.

IK l/ij VOOr ikdjii lQ ifjl/js k.

Z\'

rj2 lu\\ kw. zva. ^(tJitY^(KUiispj\\ kn. de planeet Venus.

iK i/n(ir^\\ Jr. zdhid, een devote, iemand die

zich onthoudt van het wereldsche.

ik (un (isiijj\\ 1. kn. (P poët.) barstje, scheurtje,

in een bord; met een barstje;^, van het hart, zva. iuia~i i iiji en djioww — 2. kw. Ml. zva. ui iruw volg. Ilh. kn. erg, zwaar hv. gewond of ziek.

ik un kiyi\\ ]. kw. zva. wnajijjs iv?tisii/j en nji cni(Kyi\\ — 2. kn. dun en aau de buitenzijde naar boven loopend, van de wenkbrauwen, WW. naar den buitenhoek smaller, dan naar den binnenhoek uitloopend, van de oogen, wat voor een schoonheid gehouden wordt {vrg. vunii —• xmrni (tm asiijis kw. zva. ilti cm -^n(imjj\\ \\ uk iiy (i/tlikujj\\ pass., fig. kn. pijnlijk aangedaan, van het hart,

als iets iemand door de ziel snijdt.

o gt;. o . a

(iK2\'L})\\ of (ik i m \\ zie uk n w

O

ik (un i-jjj \\ kn. Arab, » quot;wa^ kan of magquot;

13. T. J)j. 187. ii^jn-i \\ eeu stem, die naar willekeur mag handelen, M.

kn. nijd, afgmutj nijdig, afgunstig; kwaad-gezind, boosaardig uit nijdigheid. 0{Sj)iKn,iLi/j\\ W. II. 518, een zigtbare, merkbare afgunst til. zigt-of voelbaar als een un iliji\\ {vrg. (ij^iH?i\\). — nu rm (uii rQ ■. iemand nijdig, afgunstig zijn; iemand boosaardig gezind zijn; eerste periode der zigtbare ontwikkeling van padizaad, SG. {ook iemand opzetten, opstoken. G.). — kw (IK i fn ri^i (ynjj \\ nijdigheid , boosaardigheid.

o (_ )Cy o

ik % dji \\ kw. zva. iui kj (i~i ni (Kyi rj nrm rj\'ii t q \\\\

{Skr. djihma, scheef, loensch).

ikó-U rn^ verk. van un ikcsjïl vrijjs ook n ik (L/n itriyj \\

Ar. l ^r . kn. wonderlijk, wonderbaarlijk.

G.

i/j .ui^ \\ k w. zva. (i./i n Mn/j

iKtKij (iniKrjs enz zva. (Kjui-jjjiitinjKKi Jl-\\ etiz. WW\'. (ig\\ verkorting van its w tf ij \\ verkorting van iK rf ujw

nnjj of (un iktkifl en veelal ik ifjj of (iJn ik iUijj \\ Ar. ^^-5 djinn, kn, een genius, geest, onzigt-bare luchtbewoner, van het mannelijk en van het vrouwelijk geslacht , en goed of boos {vrg. ry r-j if uwijj). — un (ik tj n/yj gt; door eeu daemon bezield; met bovennatuurlijke begaafdheden.

i^dfifj of fiii ii^onjj\\ kn. zva. a:r^(i/vj\\ groote aarden waterkruik, groote ronde aarden pot met een kleine nauwe hals , daar men water meê haalt {vrg.

ik un \\ kw. zva. irj cijiz \\ {Skr. djana, mensch). n x^ik!ki\\ zva. rj iji ^ t:i tj na? onjj\\ \\ urn ijruitiai (of iun ij ilii un^ lt;ik(ki m uji\\ beroemd en vermaard (Skr. dj an apriy a, van de mensclien bemind). (i^ ik(ki\\ zie boven. (un i^m iki \\ zva. (ki iun a^i j

(vrg. .unnn iu\\). ikii ik w* zva. im ila(irii mi Jiï

c^U U)


-ocr page 929-

US h l} \\

li* \\

(LH (U/I \\N

i^hj 1. K W. zva. ijiirna ^\'i)^\\ en (oicun \\ — 2. zva. i nd.i) \\ Ook wordl er een zalf van gemaakt tot geneesmiddel tegen schurft en jeukende zweren ; {een zwam, behoorende tot de Stibaceï en voorkomende op de padivruchten, SG.).

jr-ijinpK. van en van lUtM/j {org. »fC?yn).—

C y . ... □„

7 ^ Kl)-» öy t.yiujw

ook i3(hj.%\\ Ar. lij, zindy kn. overspel; ontlicht {vrg. tm gt;jC}p{U^Jj en ijvmaot ^). — uw \\:w hj\\ of amcr.mwrjmet iemand overspel becrijven of on tucht plegen. — n/n irni ^.y ook tun wn ilt;j gt; \'i\'n mz. (Kn(Siuj(Hiji^ overspel, overspelig bedrijf.

zva. (Ytiihjqs WW. — ami~m jijsm ^ kn\\ zva. i/hcmtHj^iunrj i(n\\ W. II, 3(52.

1. zie \\ 2. of uk rj u iunfls ouderluug van een ilw rj fitm/js waarop de (VJ» WW. — 3. tiental een partij van tien stuks.

(Mirh\'iSnegen stuks, van dingen, die men bij tientallen verkoopt, uk tuj j n ti tj tip bena

ming van het Chineescli, op het tientallige stelsel gegronde; rekenbord.

nr^w(htji\\ 1. KW. zva. itmnsti\\ en njïitnw ook wj. in orde, zoodat men tevreden en gerust is. 2. kn. volg. Rh. rustig, ongestoord. — (Jetv\' imhr ,?^\\ niet wel bij zijn verstand, vooral door verdiept te zijn in religieus e mystiek {Ar. » dj o e-n oen , bezetenheid, onzinnigheid; . bezeten, onzinnig); ook volgens G. zioh bewegen; en naam van een boek over sierrewichelarij, — ^ i u(hfyi\\ N., tjar»)2iisri tp tu^ tynjj\\ vreemd , zonderling, of zva. (rjxjoid(\\jr^ 71 jjijj\\ WW. II. zie 2.

- quot;) S v)w \' quot;)

\'kt^nkw. zva. nr^ uj\\ {vrg. its rj hjs); kn. naam van een kleinen wilden boom, waarvan het hout gebruikt wordt tot krisscheden, wandelstokken, enz. JR.

^ 7y7 tin an \\ kw. een bijnaam van Vorst Krësna {Skr. djandrdana, een naam van Wisnoe).

bet stukje hout o/quot;bamboe (ons pink), waarop met de .1777orn un/j geslagen wordt, Tj.

D

^ kn. 1. het ergens of hij iets zoo naar zijn

zin en genoegen hebben, dat men er maar blijft o/*

er bij- o/ aanblijft {yrg. hnitJtonjf).

o quot;quot;

iK tij nnjjs kn. zva. nmiu^ hit/j of imkh/j mak en gewillig, tam, van een beest.

ik hj, h n \\ 1. eign. van een lie si, vroeger Vorst van Man till, ook ip: ij un ij i.iui genoemd. 2. bijnaam van Ar dj 0 end {Skr. Dj a na ka).

-gt; o . j • 1

ifC uj iici \\ kw. zva. iiii.i^ki/js eign. van een rat inde Manik-majct.

iiK ijj fonjj^ kn. een overledene, bv. n-juun(H^ojkLIij ihiyj\\

( ) * f) o y o , ;quot;)

7K 7/ƒ 7] llbll \\ OJ \'Irs UJ ihll Uj (ÏO/j \\ zva. KI aril \\ UV. .IK

I ,y ij ihii j!! ii h u ti n grootvader zaliger; ik i j n.n 7 j f ^ iuian ncj\\ wijlen de lieer N. {Is het misschien het Ar. ijirv., djannat, liet paradijs, de hemel

der gelukzaligen).

:) o o .gt;00 .

its. iHj\\ ook tn iiji i^\\ kn. naam van een boom en

van de zuurac/ttige ronde vruchten daarvan, die

op galnoten gelijken, en van welks pitten roze-

kranzen gemaakt worden, Miaeoearpus Angustifo-

lius, \'Nat. fam. der Tiliaeeae. OO • •

ik tijluiji kn. vuil, morsig, en tevens nat 0/vochtig. iKtjKyj\\ kn. geslacht, soort; natie, volksstam {Ar.

- dj ins. Lat. genus), volg. Rh ook zva.

II tui\\ gedaante, soort

o

O

UK Ui 7 UI \\ ilK li I ui \\ Zie \'IK gt; (Hl 1 gt;1 w

v cy J, .

ik ij wj ui \\ JIoll. jenever.

ik ijj(hijj\\ 1 kn. stil, bescheiden, zedig, «777 en ik hijnm zich stil en stemmig houden, verstandig zwijgen. — uiikijj fianji naar bed gaan, Sri fI\\ 2. kw. zva. (u tsïjii --men zoo ook ik iiJ

O ) o O O

/ 7 ju 7^ (f\'i/j en \'iK hj iFj i.iw vrg. ikazm iuijj\\ —ik

en. i n ik i.j£i(hn/j\\ politiedienaars; dienders. In vroeger tijd welligt, een bewaker van de harem, {vrg. (u}ui t?;anj).

ik (in xin (hiyi \\ kn. de reiniging na den bijslaap of een \'zaadvloeijing; ook volgens G. de reiniging voor en na het vasten {Ar. . dj an db at. onreinheid

door bijslaap of zaadvloeijing, die verhindert om het gebed te doen).

ik ifj\\ kn. pap of brij, {volg. Rh. liever een dikkegelei met suiker), waarvan veel soorten zijn, en daaronder ook die dik en stijf zijn, zoodat ze gesneden

kunnen worden, zooals de ik i j ij ia ? ij iio è ju/j

S O »

{vrg. 111^1:1^). 111 lim ij pap maken; van iets

pap koken; iets tot pap maken; gelijk pap. nu ik

^».7 : aoirji/n ij i:nt\'ri\\ het mag tot pap gemaakt

en omgedolven worden, van een land, om uit te

drukken, dat men er mee doen mag wat men ver-


-ocr page 930-

é\'

846

kiest. — ix iij iionjjs ohj. den.; ook van gesmolten glas vervaardigde kralen, zooals bv. van een roze-krans, (Tj.) Rh.

iiKin\\ 1. kn. staml, het staan {vrg. imtui vn,])-, en stand van iemand, als zijn rang of qnaliteit; stijl bv. v. e. beschot, een «.\'lt; gt;/ gt;gt;\'; paal in een wand; de opstaande seheringlatten in bamboe vlechtwerk {vrg. de ij i~i ui j bij weefsels), [yry. a/n

\' ) ) \\ O

(urm iici iïhjj en \'ik ij n?^). — z. N., it;i^,7\\ en n

in m \\ k. , aa it-t \\ KD., nuri Ki., naam; van personen, de naam van iemand die e enig en stand of titel heeft {vrg. itm ntin/j ); titel, zooals van m a n t r i of foemengg 0 eng (en in dezen zin alteen tmihi\\ k.); dezen of dien naam hebben, zoo heeten. Het wordt {evenals ^ (ui) ook gebruikt

waar wij eeu {van de soort) gebruiken; bv. (im^lt;

G)n . . ) CO v ,

\'ijHrt niHijjs een paard. /. n trlt; mj gt; j \\ die. den

stand heelt van Vorst, dwz. een Vorst; en zoo ook

CO q.. ) G) i- o . .

uk ijj 1 :rni^\\ en ikijj 11 iiii/ij^ lt; een moeder, een

ware moeder. 3. ki. ver korting van iui 1 in i\\j 1:1 nnjj \\

0 0 a. . ■) (O a?(

ii\\ tij i:iti.j tHi/j\\ ver/\', van tui ini 1:1 uj(Kj(Hi^\\ \\

quot;W 7. J ti. 1 n\\ in de hoftaal verk. van hji 11 n 111.1 nn (J ^ o^cJ LJ

:) CO O cO i) o

(lil »1 \\ en :its un iiji 11 \\ van li xrw nn 1 1 on 1». 11 ui n 1 w

O Cl CO ^

— r-i i/c hj\\ kn. opzigt; liet opzigt hebben; opziener, opzigter, die bij iets assisteert als gelastigde; fungerend; een bij een regtbank of regterlijke instructie als gelastigde van zijn hoofd als mum ^i \\

fungerend r eg ter lijk beambte, wordt betiteld- iei

„9 O Cquot;) (0 0 j , o O O O • / y

vj ik h n ^-ii\\\\ doch if. 1 \'/y n 1 \' 7 [of

tj hiit-ii ) als de (ihiiiJi\\ die functie waarneemt.

x\'n 1 mi ij gt;1 \\ 1. kn. van stijlen of standers voorzien, over iets of anderen staan , als opzigter of als chef; het opzigt of toezigt over honden, het bestier of beheer er over hebben — 3. k». van (1.1 (u 1 jij w — (if n ifa-ï 1:1 anji mi ruj ir 17y an /j \\ bet i-teld. — mi i:ni hj ajiiiiinis 1. kn. iemand, bv. een getuige, bij iets laten assisteren. 2. inn m lyviy vj li 11 \\ N., thn (EJidm ju nfn aajj\\ k ., an 01 iei uw -./11 mii (hi/]\\ ki)., met een naam of titel noemen, dus of zoo noemen, iemand een naam of titel geven. — (u^qihjs I. kn. in stand zijn, bestaan; bestaande,

bv. van een wet. 2. kt. van (FJiaXiarin en van tn

O 0(0 O

— (un rjr» uji 7,y a .i yj 101 \\ ki. van 17 an lt;rn

irfaoiw — iftj ki (in (iti anjj v ki. van im in jn in ^ en

OO O CO

Kfiinnam -juiui (r^anjj^ Milrpncj ri anfls ki. van

iij\\ in den zin van stand van iemand, als zijn rang of waardigheid; hooge waardigheid; en de regering, installering, installatie, inhuldiging,^ een vorst, il/i tTm pj 17 in ^1 ij iei ^.1 di i an/j\\ Üw waardigheid , een titel, zva. U Edele ot\' IJ Weledele; en zoo ook wel h ji i:ni /y n ihj i j i\\q i:i anjj \\ weledele 1 leer. oji i ni hj 11 .ui r.j ,}yjs zie bij iici 1 j 1 j 11 i n\\ i\\j 1 :i 7y./^ 11,yj M ij n ITooglieid, gebruikt een, Vorst of Vorstin van zich zelf. Tot den Gouverneur-getier aal gebruikt de Vorst hji 1 m igt;j 11 lij 1 j w i^ijnm iiji\\ Zijn Hoogheid Grootvader. i j verkorting van .ult; ifiw

1« hjs kn. .1. jonge kokosbladen {vrg. ry nmi/j). 1* 1^1 gt;if gt;\'1i \'im 7 *\'11 nJ)Wangs, op urn,txiaj}vj• 11 (hyi v — ik (Kj, *1 an /j \\ een strook leer of band, tot ij dm ij (ui un/j \\ gemaakt, Rh. 2. het middelschot van de nens tnssidicn do neusgaten.

\'/ \'elt; C\'if\' lt;gt; iip Holt. Generaal.

ir?nn i\'tijl^ kn. sodomiter , sodomie {Ar jjj » z *n\' dik, een Magiër, vuuraanbidder, heiden, godlooze.

Vrg. iclt; ifiiu (in/j). ili in^iKnnim^ sodomiterij.

ei . .... o ,,

iKiiniiii\\ k.; os. zva. (uiian u 11 \\ {zie bij (ici ini\\ ii.

Het zal wel eig. een verk. zijn van ik i?» an ini \\ 1, R. volg. Rh. zva. (uil in mi of ttninnw ^

t-j li ij \\ verkorting van ik 7y itniji

O O O ) / O . , ,

1 lt; jffi \\ zz: tm 111 dn \\ (u 1 li 11 (ik (fn\' kleur van een paard,

brandsehimmel, Rh.

\'ik(fry kn. een bijmengsel {vrg. uien iji ^ijin? ^ianjj). — 7111:111 *1 (ui z(uj bij iets nog iets anders ■ bijmengen , of bijvoegen.

uk/|vgt;nnjj\\ 1. ki). van w? n^12\\\\ — 2. kn., tp , zva.

nn gt;111-7?anfj van een inlandsch vaartuig, R. ik if^njirijp of ik ij fin uj nnq {ook wel (L^ d^ a^anjj ) kn. jonge djagoengvrucht; volg. SG. de klos v. d. djagoeng even na den bloei.

i^^ kn. komijn, komijnzaad waarvan een zwarte (volg. Fil. Nigella sativa L. Nat. fam. der Ra-nuneulaeeae), en witte soort, volg. Fil. Cuminnn Cyminum, L. Nat. f am. der Umbelliferae, {Skr. dj tra, waarvan het dus een oude krama-vorm is, gelijk ijn^n dnjj van xamis).

vj kn. rad van een spinnewiel, spinnewiel,

fig. zva. tjyr.ïiw {Skr. tjdtra, spinnewiel; //an-tra, machine, pk.), i 11 rjdKZgewone levenswijze? VV. T, 25; loop in een kring, ninyyiii


m

-ocr page 931-

\'rM:

847

ki iigühcele omtrek van een oord, G.

G) ) /)

»ƒ lt;;lt; i ij lt;iyn ? quot; w\'\' \' \'/ ^ quot; \'/ ; a.n »/ /. n not IJ

nn 2 iiun ri tui t ij(LjU iixi onjjsspr. Men heelt niet uau liet

spinnewiel gedraaid, en kijk , daar wordt men bezocht

door een gek! {Volgens het bijgeloof mag men

hel spinnewiel niet ih a ai jen zonder daarbij ie

spinnen). gt; j i mn.ivj u} q(i/n(f^ \\ ? W. II,

je levensverrigting, eig. ligehatnelijke beweging (%\'

te voegen tfj) isn \\ houdt op), ri tjigt;i; nl ZZT

run v. /. n ij hji \\ ici (tj i.j ?\\ wiel of rad van

een molen of machine {niet van een spinnewiel);

a a.. rgt; a„

vrg. erti uj ii :i ihnji (rriom i i iinjj\\

ikffo - kn. goochelaar, goochelarij, tooverknnsten {vrg. ajjiui/jj), — n\'ni:ni(ffty goochelen, tooverknnsten vertoonen; iem. naar zicli toe tooveren, een uk i^n ■})iHi/j geven tusschen de bedrijven, van een da-lang; volg. Rh. zacht spelen, trans en inlr. bv. een gending, of de gamelan, vrq. W. I , 32, 33; een krekel aan een haartje bij een van de achterpootjes hangen en draaijen om hem dol te maken, wanneer hij zijn partij niet goed aandurft. — (ikmn imjj\\ wat door een dalang bij een wajang-vertooning voor, tusschen of na hetgeen hij de personen spreken laat, onder begeleiding van een zachte muziek tot aanvulling en opheldering wordt gesproken (vrg. iiJicninnji van tucni ), ook bezig zijn met de llK ifoyi i (Hyj v. e. an iu gezegd. — nm (i:ni n i ij kh \\ zacht doen spelen, als boven.

0f quot;KV\'1urh:Pi^s KN. geregeld, in gere-gelden zamenhang, nauwkeurig, omstandig en duidelijk in zijn bijzonderheden uiteengezet. — n u n \'1 enz\'i iels geregeld en omstandig voor

dragen of uiteenzetten. — nm ij i\'nn ijrunaai \\ enz., iets zóó in zijn bijzonderheden voordragen «ƒ uiteenzetten, dat het klaar en duidelijk wordt.

Q /• ~) o Q/ )

(tttV\'üfl 0J KN\' zva- ,flt; yfN cn

\' euz\' zva\' mi/^ van de staart

van een kwikstaart, en derg.; fig. ving, levendig.

)l,^2ll(iWtl\'n/l KN- lokker, lokvogel; volg. Rh. het wijfje, dat digt bij de lijmstok zit, terwijl de ti?/ t\'na^iji\\ in de kooi zity waarop een knip geplaatst ts. — n/n rj vn) i (hi)^\\ een vogel lokken

KN 1° Soerabaja zva. ihrnnn.n volg. Rh. een soort van nni:in\\ gew. gen. nil imi[nstj \\ — imniCfoy maar stil staan of zitten zonder iets

te doen, volg. Rh. tneer bep. ten gevolge van

ziekte of van verdriet, ook bv. van een paard,

dat niet vreten wil, gew. ifisfaiw

KN. zva. ry miig {vrg. \'ƒ ltlt; 1s)\'

\\ spr. niet in geregelde volgorde.

iKijntiii/i KW. zva. aSl n inoi \\ en .i\'i i i-nw {Skr.dja-

laka, wedergeboorte), ook eign. van een zoon van

(uiii t uifnji\\\\ kh ik iin ii v zva. hn i\'jithj)m\\ K. ^ e t h (i

ul ihrn r \\ KN. zva. rUnhru^ een plat woord voor ergens slapen of schuilen gaan; volgens G. ophouden, uitscheiden, zwijgen.

ik an KN. de bloesemknop van de pisangstruik, die, na opengegaan te zijn, nog als knop verder voort-schiet,maar hoe langer hoe kleiner {vrg. tey ^yhiyjs); ook volgens G. de nieren, en een groote begeerte. \'iKory KX.zva. of ik ht^ w —ik ^ anrn zan/js ook

van vechthanen die zich moe gevochten hebben, doch het niet willen opgeven, en zoo maar met de koppen tegenover elkaar staan zonder iets te doen, fig. een tete-a-tete hebben, Tj.

lunjj kn. net, vischnet of vogelnet {vrg. li -m). G.

«k ir)n in/) kn. ; (unmnainmns stollen, dik oj hard

(v) Ui

worden, tot een klomp ineen smelten; (bevriezen,

WW.) {vrg. nii\'tni ii i,]); fig- als gestold zitten Cv \'

blijven, niet naar buiten komen, ook v. li^uis zva. tl uii zni (t/j (i7i iuifj\\ volg, Rh. ook erg. in vast-zitten bv. een kogel m een geweerloop. mh ik a/y /^/ooji zva. un iJui(ifiiHKyj versperring of vernauwing ontmoeten fig. ook geen uitweg meer weten, bv. van de vele schulden. — ikVim ru an/j\\ ineengesmolten klomp van metaal.

(ik am rug \\ kn. naam van een rivier visch; ook zva.*

uiajl) v — iijri ifmcini lt;n.)/i\\ dik en rond uitsteken,

K (d cp- Ul \'Ji

bv. v e. huiduitwas, een bultje, enz.

fiKor^ffu^N kn. aan beide kanten bol, niet aan de ééne kant vlak, van een khniri-noot, zooals die bij het ui)Sni\\ (zie BV. op h?iiamp;irn) gebruikt wordt, volg. Rh. ook van achteren nitste-

• -) o

ken van het hoofd; plat zva. n i rh^ \' - ^(»ir» tug zva. crii irn ly (irijj in TP. ook ,L,J}S Tj*

uitpuilen, uitsteken v. d. buik.

it\\ ajiyiit iLijigt; zva. ffKiiin iimaar van grootere


-ocr page 932-

848

builen, TP. ook liquot; ijunf ir^nitnifi of iu^nkN., vit rinyli tlljj ofi/n

ii rnnitrin liet aclitorste in de hoogte gooijen

\' lt;5-gt; Ciy c-^\'

en zoo met beide pooien tegelijk aehteruitslaan, van een paard\\ v. menschen, ook zva.

Tj.

O . O

ijHGzmii tuy zie

\'ie?tjcnt) }vi\\ ook (ij) ijcrni iu\\ kn. veuster {Por/, jane 11 n).

\'ifc j.7?ïn o/* (k i/c kn. wat afgösproken, toegezegd of

C-t-y *

waaromtrent men overeengekomen is; toezegging, belofte; voorwaarde; afspreken, toezeggen, beloven; ook zva. i\'HiKtu/j 2. nucuinnknQ\\ gesehre-ven overeenkomst, contract. G. tkxQ tjfuj of enkel

ikiK\\ onder voorwaarde dat, mits, als liet maar;

. CY a cl • j j- i i

vn/. iL/nmitfrri\\\\ bv ?y nu h ti rf hu yk \\ tot het

bepaalde levenseinde gebracht. —ijnrm iS\\ iets als voorwaarde stellen, volg. Rh. alleen in hel passief xn »/\' *.»»v als voorwaarde gesteld worden. — nmrih vfiKiijs iemand een toezegging doen, iets toezeg gen of beloven; iemand zijn verpligtingen als voorwaarden voorhonden, xk rj ^ ^ ik nnji\\ vveder-

zijdsche overeenkomst. — nm vin 11 ik nu .//1 n lt;. u \\

lt;?-« \'

iets toezeggen aan iemand; tot voorwaarde stellen ; omtrent iels een overeenkomst aangaan; voor \'iemand een overeenkomst sluiten. —

toezegging, belofte; voorwaarde, beding; toezeggen, beloven; bedingen. — uk rj ik lui {nyj en \\hj^ i/V y mi mtji x ook wel l/^ ik ik uiji ro/j\\ onderlinge overeenkomst, afspraak, verbindtenis, verbond, contract, zamen afgesprokene termijn of voor iets bepaalde tijd, met een ander of met elkander een afspraak maken of overeenkomst aangaan, ru liji u^dkrjdK 111 anjjs een schriltelijk contract. —

ik ij ik ilt; n -jnrj un \\ zva. im r.m ij uk 101 -Jfgt; rj i,nik rm \\ kn. een afschuw hebben of gevoelen van iets of iemand \\ vies van iets zijn; het ergens niet op begrepen hebben (yrg. erft ^). — un rm i.m u n . n n nn \\ afschuw wekkend, vies.

iKiynihn/j I. KW. zva. njiamp;i\\ KN. vaal van een kleur van een paard, zoodat die kleur niet zuiver is. Zóo ik vaalgeel, geelachtige kleur, ik irm

on \'it \\ muisvaal.

f.o [1

IT. kn. ?iaam van een visch met twee poolen y die zich in den modder ophoudt? WW.

ui. kw. zva. oj(cn(hJiy nm(hj^w tf i ik ini aa/j\\

hetz. (£j1 ik r ij) an jy^ ik \\ zva. ramp;i ru ~jr^ £? tui/j \\

sie

\'ie;(i7mwn\\ kn. mooi, keurig gekleed. Tj. zie ikhuw \'ik irmmii/i\\kn. op de teenen staan; op dc teenen/(;y-pen; met de teenen op den grond komen ©ƒ tippen, van de voeten; op en neêr gaan. van de wenk bran ■

wen, WW. wellujt opgetrokken; fuj. wankelmoedig?

. O Ov 0 \\ 00

{vrg. gt;ik rins en ii ik? i:in .hii/i). vmrmtiin tisnn\\

\' Crgt; \' CF-» —\'

en d/n rini:m itj) 11 mi\\ de voeten met de teenen op den grond zetten ; de wenkbrauwen op en neer bewegen, WW. welligt optrokken?

Y ik * rm nnji\\ kn. wippen of wippelen, zooals een wipplank of een tafel op poolen van ongelijke lengte {vrg. uk rm\\ vj 1111 tj un un ihijj). ook f ig. niet overeenkomen , niet met elkaar rijme.n, oneens.

iK irni ij]h\\ kn. rustig, bedaard, kalm; rust; ook van het gemoed; rustig ergens blijven (yrg. iknMijijj

n )

. :m rm lt;i,. . lt;?gt; r- CJ

tuj).

am rm rm\'M tj hns iets rustig

en nmiim

maken, rustig doen zijn, rust geven of doen genieten.

UK rm \\ kn. slank {vrg. (U rm \\ (i^gt;aju^\\ en iK irnr 2.); volg. Rh. het tegenovergestelde van rjdJi rfiHit(Knji

zva. tnrin\\ maar zoowel van mannen als vrouwen\\

et lt;?gt;

en naam van een soort van distel; ook tros Van kokosnoten en salaks, als een hoeveelheid, bv. dJ ik irm \\ rj n 1 ik rhi enz. {vrg. isr^ ernj Hi/j en 1:1 u i). — ik irm n un ij lt; tros, aan trossen; (de plaats waar aan den kokosboom de trossen zitten, de onderkroon, JR.).

ik rm \\ 0 f uk ik \\ kw. zva. nnrtid imi n en v) vn ? n itin

r? \' \' ^ 1

a bii (ut (j ^

o 0«. * O» Qv 1 a a o Qv

uk i:m\\ of uk ik\\ 1. kw. zva. uKiTniusnjf en itJi vtrtw

2. kn. zva. ik urm w

( i

3. het voorhoofd rim

pelen. G.

uk irm \\ en i/n rm riti \\ zva. ti uk f irirt \\ en un n irtn ? irrn w l éi

^ irjin \\ of KN.; u/n irjn rin \\ of (un ign (it^\\ (rt

iKnasnji k.1.) iets lieffeii, opheffen, optillen, oplig-ten ; iemand verheffen , tot hooger rang of post verheffen, volg. Rh. ook ophemelen, prijzen; bij schelden iems. voorouders of geboortegrond ophalen, op het tapijt brengen; vrg. o. a. Waj. I. 97. — (ü^xrjrt cct cmjjs obj. den., I. iun tot u^an/fs Kf., door verhelling geworden (niet door geboorte). 2., tuit nn hti Sn un utfi in/js KI., verheffing, benoeming


-ocr page 933-

gt;) ie\\ 2 irirt -1

849

l\'

tot hooger rang, promotie.

innx i r:m \\ KN. verminkt; verminking; door het a fslaan van hand of voet, als straf volgens hel Moham-medaansche regi {vrij. i* n tj (i~r*unjj), oor. naam van een kinderspel, \'rjtunrt^n tjiiK9 irn)\\ zva. rfa/ruurn M r:i rj tHivnjjs zie rjn/nz yn \\ in ff r:m ? rm \\ iemand een hand of voet afslaan. — tier2 irm r:i(mjj\\ afgeslagen, afgehouwen, van een hand of voet.

KN. nk^hi^hnjf0, een krekel welks schaaraehtige bek lang , maar naauw van opening is, naauwer dan rj ioi 2 uj! \\ WW. vrg. rj ru 2 tj

iclt; un \\ zie nxnuw

a cj

ik fi ieaji \\ KN. (imihnji \\ gewijd water uil Ar a hi ë.

(itlt; /.» r.rt i ii

= ^cj

ik wi\\ KN. kort en dik van iems. figuur.

is iins KN. iets hooger dan horizontaal uitgestrekt,

\' ■) nX

hv. van een staart, panty {vrg. ); ook nm.

(jJ

van een ghiding, van een hoofddoek enz.

O a/

; i»//\\

(U

staart van een heest. ............

( d

overeind staan, ook zva. tknm\\ en gemeen voor slapen, VV W.

Qnjirm KN. knap van figuur, (Tj.) WW,

GJ

ifi\'iïns KN. het in de hoogte overeind staan, van de

(d

zva. lit n ki 2

\'I (ip 2 h))Jf\\

O ^ 71 ik

njni:m,rnn2,lt;^

en ti/n ,r:iri rj ip i u njj \\

Cquot;) o 0 O o O o

nKynnnfl* KN. zva. i/nam hn ^iiyn inj tnjj — (lw

rw ini i.n/)\\ met den pink een veegje nemen; fig. lt;?gt; (ij ^

vooreen beetje afbedelen, {zie bij ik if n ^12 n i/j).

O a O aS

(i£\\ Tin \'hnji\\ zva. (usnjfijw

r» o

ij 1« 2 im Mn ij zva. ijiKznn n

verkorting van (Qihjw

kw. zva. i/?\'quot;n \\

zie hij quot;ƒ lry\\ zie lé\\ Y gt;7?\\N

/ ^ X .... /\'

\'U\\v ter rj -77 \\ en uk ij\' n ij an \\ zie hij ayti ik v

O /\' ^ /\' ... /

Tivjitrns zie itrnvsw — tui ik\\ poet. zva. nyniK\\ en

/ , S *

vij ^ \\ {vrg. ij tui?. ircn hij nm iK\\). — (ejkiks zva.

/ O X o x\' o

,ï5^ ^\\ (U) wr^w — if i iK n zva. \\

(1 00/

en wn rurj np 2 uj.w mu nj ik^i on/j^ pass. — ce,}

T) »j /kt? \\ zva. Qïasii mi ,//1») s\\

(TK gt; fy

J. m\' rLT \\n — 2. «ƒ (i/)riK\\ KN. toch, toch immers. Zoo oo^- en verkort (iKrj/ujqw

— zie heneden

11^ of km. hol verbrijzeld of vermorseld

worden; liet in water ojigelost worden o/smelten, iv. van een klontje suiker; het verteerd worden, hot verteren, het aan kleine stukjes gaan, (vrg. rj ix* en — 2. KW. zva. «tmw —3. zie

verbrijzeld, vermorseld, ojige-lost, gesmolten, verteerd; verbrijzeld zijn, zich oplossen, smelten, verteren. — kuiers iets verbrijzelen of vermorselen, iijn maken, in vloeistof oplot-seu, smelten — mo., en iets met water

of ander voeht fijn wrijven, tot een pap maken. JK. — i■) I:- n I/ i.m of \' gt; hj gt;11/ i.ii\\ maken dat iets verbrijzeld, opgelost enz. wordt of smelt. — ivtjiEitae^ jioët. gesmolten zijnde. G. — lUiSne^m /hnj middel om lij ik\\ te maken.

«n is-N of i\'iirj i\' \\ KN. het smelten; smelten; volg. Uh. dun, vloeibaar, (vrg. it^ );opgeruimdheid, van het gelaat (vrg Vjajiienigt; en irfl i:ri\\). — nu ij iK , gesmolten; smelten, vloeibaar worden, zooals lood of boter-, opgeruimd, van het gelaat. ériiJi{Sjixmi I/li ni ij ik (of n/n ij iKim (i« \\) door bovennatuurlijke ijlheid van het lichaam door alles heen, of in alle lichamen in, kunnen dringen. — Qiiis\\ of Ki ii ik* iets smelten, volg. Hh. verdunnen; vloeibaar maken. — a\'.i ij iK n ij mi. of in ijir. iiij ijion maken dat iets smelt; opgeruimdheid van het gelaat veroorzaken.

^ e O /

\'Ij IT/ ■ or :i ii ij i-: gt; - KW zva. t r^ I \'. ■. ij i l !■ II j\\ Ij iji^iiw KN. het tegen opbieden. — tiiij iki\\ zva. 1:1 if inn! T-ii ij h u i iem. geheel vrijlaten in zijn doen (vrg. KIHK-riri IIII\\ bij //n:iK\\). — iQrj iKi-ni hel bod van iemand door opbieden overtreffen, iemand \'met iets zoeken te overtreffen. — ïn tj IKI\'DU nu\\

O ^ / ■- ! • i

zva. itnijiLKiw ■—• y ik / ij ik 2 ri i Wji met iets, zooals met bieden, het tegen een ander volhouden, niet opgeven; een ander of elkander zoeken te overtreffen.

as-mKN. boor (vrg. iiJt^nritrOjj). uk -nrjiuiiij Miinjij\\

boor met een kruk. — ï n mi ■gt;?\\ met een boor

amp;

werken, boren, drillenj iets dóórboren uk -ri\\ Ml. en in poëzie zva. ik ii ik \\ (bij iugt; -Puik •).

O o o ,

\\ IK\'I IK gt;1 f l 11\\ ilo

O o O o

h.iiikti KN. zva. :i.I ml-ri\\\\

breedte van een vinger op de zijvlokte.

^ ... /

ikijrn\\ zva. ik ij \'ri i zie bij n/ij ik w

ij * u * ., (volg. Kb. i-«r t.i i-.i^/j kd.), houten of bam-


64

-ocr page 934-

850

n

(wzirj n? *gt;

a

VS 77 Tï ? \\

boezen paal voor de gëdèg van een pagör 0/ wand, met uitgebeitelde gaten , waardoor de dwaralatten loopen (vry. ik volg. Ril. een vak gevlochten

bamboe tusschen de twee djenenys {of stijlen) van een pager rondom een erf. ik n ? rm ij u) cnyj een dj ar o van nhi n n.ji cmjj een grover gt; ruwer soort dj ar o. 1« tj-yn hu n.i\\ een soort djaro als schutsel om het im.ïen van huiten ie heietien (Tj ). (vi (miKrfms of enkel (iFzijnns een pagër met ik tj n ? w

iQ ij m? \\ of ij 1^2 \\ N., g^.irS? asnK., diep , zooals een diep gat en diep water; diepte; liet binnenste: diep, hol en zwak van de stem, hv. van een zwakke zieke\\ laat, laat vruehtgevend van yexoas-sen en hoornen, ik*} rn2 nsn isj) ^1^10 \\ hij neemt het diep, zwaar op; ook zva. verte zoeken, moeije-lijk te vinden, fig. hoog v. iems. aanspraken,

pretentieus, mniixnut\\ late rijst {vrg. iiarn rms\\)

~ , a o C)

G. geor. cwnia^fEyj^ uw ii* rj rr)i \\ \\m i^r.i) ^njj\\

binnen, er in. SüSiinizs wat binnen is, het in-

1. O y lt;3, Q

wendige. t iiKijmt^s oj 0^1 rj en j.irjvm

,i$i\\ binnen iets, er in; in den loop van, gedurende, een tijd {vrg. run axivntEJijj). ikji q mrn\\ liet binnendistrikt van het rijk, de hoofdplaats; in het binnendistrikt, op de hoofdplaats, li. binnen de hoofdplaats. ij injrjhjd? (ea^\\

binnenshuis, w ij 1^2 luj iu(W) \\ in de brief. U) iui

.O O / /«

i}n {ini gt;gt; i-)2fHi/] li ij nj tjj en \'Li^r) rj i 12 {oj

w/iQasryf) binnen-wamp;Una {enz.) worden genoemd

t o o % 1 o n

de wedana s {enz.^ van de im vi m loi aji en nm oji

OO i Cquot;) * o \' Cquot;) .

T) 2.77 (Hi /j \\ en van de om ij iji 2 w ui en (rn ij (iji ?

ihnitn thn/f\\ — binnenshuis, volg. WW.

0o/, ij tui % vu an ^ \\ kn . het binnenhuis, hei achterste gedeelte van een huis, waarin de ij? rj am 2

s O O

11 \'inji zijn, — tj ^2 anji oj ok ij lt; 1^2 nnjj\\ N., ain iiflijifijj of 1^(^,(1:11 n^umjj^ k., het inwendige, bv. van een huis; ook ij 1^2 anfj \\ n. {uag^ nii .i$ïs k.) verk. van ajirj[^iSj\\ hv. rn^z(Kt(^cur^s in, binnen, binnen in, het vaartuig. — mi ik un (Cj.xrn (i5nji\\ naar binnen (binnenshuis) genomen, een bediende, die vroeger alleen maar buitenshuis werkzaam was, WW. ook volgens G. naar binnen

gekeerd. — im(diri mfl#\\ hirm (i5?i\\ binnen de 0 1 Cl ^

grens gaan, de grens overschrijden, 15. T. IJj.; dieper worden; dieper maken. — un wuri-rn Kn ij mi \\ (jtpfiTY? mi iw ()n/j\\ iets, zooals ten pat of gracht y dieper maken, uitdiepen. — o drm ^ ? n (bA(mxlrï(unj\\ naar de diepte of naar het binnenhuis zieh begeven. — wimiji of tilt;ij 112 ijkkij)^ kn. het ingewand, de ingewanden, eww m? heest en van een inensch; plat voor inborst; «?»

in i iK ij^iiriirjinjs v. e. slechten kerel, (vrg. nj)(u

X no O

art (tnjin i -i in ihi/j\\ \'UifiJi iu nnjj en aai ij ui 2 9 am

V L quot;) O 4. T

Ln/j) iw ik if quot;-tl t (Hyjy uircjrai (iflj (Hi/j\\ te diep.

ik rj m2\\ verk. 0. k]ik\\ ijtnjiirj ri2\\ bij tellen \\ ook een tegen twee.

kn., im it)7i al\\ net, mooi gelijk, van vlechtwerk en knoopwerk JR {vrg. im ^i\\).

/ ry

(i^ \\ {in zamcnstelhng ook \\k\\ en ;j^n)kn iemand die in iets bedreven of die over iets gesteld is , baas, meester, vrg. n^iuhmiwemigrr^\\beambten van den Vorst, die mei de berekening van de mangsas en tvoekoe\'s belast zijn, en die bij pest of hongersnood de vorstelijke pajoeng ronddragen om den nood af ie wenden, lïii hi *~nai \\ een groote en harde kemirinoot, die een scherpen rug heeft, een driekantige kemiri, {vrg.Qa^nruji iïri (uiitni/j\\). (i£^ijnm(ui\\ tolk, translateur. stuurman.

ti(ion rijstkookster, kokkin, {vrg. -aiiunhn onder tib). i^^i.yiTiris sleutelbewaarder vaneen vorstelijke begraafplaats o/heilige plaats, (uia^ rj n naar het verschil van rang bij elkander zitten, van verschillende hoofden van denzelfden rang, mantri s bij mantri s, kliwons hij kliwons , enz.\', ieder bij zijn wapen; mi aai gji nnj*0 hv. infanterie hij infanterie, lis. — \\jn rrgi ai axi \\ als rijstkookster haar dienst gaan aanbieden. — (utiriv ij om (Ki in \\ vertolken, als tolk dienen.

a

(iKij \'ai \\ kn. — (uniTntjms netten mazen o/breiden.

ij ik2 a]\\ nm, v. e. medicinale plant, (Tj.) WW.

O

^ \\ kw. zva. \'Ui -ai ihiiw (nj (Li tu \\ uii ^rni \\ (im ij mi j •

O / v / \'1

0^ tij) m \\ dbii asii \\ ni ^ (tl w — ijni trm gt; \\ kn. zich

overal verspreiden; overal verspreid liggen. —• hji

(i:ni2\\ het overal verspreid liggen.

^ij^nK. beschroomd {vrg. en iK\'iifs).

mi (Ujj rvi tim lt;uii ij im mi ~jii gt;ilt; 11 anjj\\ Beschroomd ben ik, daar ik in dienst ben ; een formule waarwié een beambte zich tot zijn superieur wendt, vjan-neer hij iets te zeggen heeft, dat het ongenoegen


-ocr page 935-

r^s

851

van den superieur \'~nu kunnen opwekken % maar dat hij zich als dienaar of ondergeschikt vcrpligt acht te zeggen; {dikwijls niet veel anders dan un .n innnj^anji). Zoo ook wel s irrj tunn om ijnj)2 ijn wyntujis Beschroomd ben ik als ondergeschikte; of J f\'U ru uw iu iun tiï tunjj \\ ik ben beschroomd, als gering persoon, nm. om het te zeggen. —

O o O ^ C ) o

amiiamp;y? a7n^^iun\\ d-?»^pn/n uv.injj^ lt;im

o

ariij en un [^ \'i/n ihnji\\ k. , zie bij nj) (lo w )j td.

?lt;t kn. J. schuw, niei maTc% van aleren; vrq. ihliï \'ini/j eenkennig van een klein kind dat bang wordt voor een vreemde en schreijen gaat. 2. het in bezit of in gebruik nemen van een anders goed (vrg. iriu rys). 3., volgens G., verkorting van (jjjfHCDfNN lt; flccn),1 hif \\ plundering en roof; het met geweld en eigenmagtig, zonder vorm van proces, zich meester maken van have en goed van iemand, van wien men iets te vorderen heeft. — tun mi T) p \\ iets bnit maken; iets van een ander in bezit of gebruik nemen alsof het zijn eigen was, {vrg. SQ % \\ heide worden gebruikt voor den Ar. regtsterm l ^ ^~.r g a s b). a. d »rm \'gt;1 j t ym s \\ of xmr.mm ?\\ iemand met geweld en eigen

magtig, zonder vorm van proces, van zijn have en goed berooven of nit zijn bezittingen zetten ; buiten en rooven. — nsn i.ni quot;n %cun \\ mv. — mnanjjs buit gemaakt; het bnit gemaakte.

of \'i(\\ /Yj rY) ? ^ n 1. zonder zamenhang, van woorden. R. 2. door een ander gehoord of vernomen worden , van iets dat geheim moet blijven. 3. schuw, schuw geworden, van wild en van vis-schen (vrg. m n) ^ \\). 7Q ik ti j gt; schuw, banggemnakt,

bang geworden, Rh. — tunirmn-i?rm* of nmiTn o (l \' ^

\'Tj n? ?fun\\ den zamenhang van woorden verstoren; menschen, die met elkander spreken over iets, dat een ander niet hoor en mag gt; door, zijn tegenwoordigheid storen , {wettigt verbastering van mi \'hN v- ), wild of visschen schuw maken; W W. K. — un rni ik ■ 1^ j .in \\ schuw maken van dieren, L. \'ilö, v. e. i/n 11 iw ook zva. (in aurn ifjw ? \\ zie \'itlt; Ti; w \'■lt; zva. j\\ en volg. Rh. gehr. voor at; nsw

D o

\'quot;c ij \'gt;■) q \\ zva. (ix-rijw

o o C)

\'s 11 ?\\ 1- of iK ti rifx kn. beschroomd, schroomvallig, huiverig, vreesachtig, laf, lafhartig, zonder moed. — aS\'riq/unMins lafhartig van aard, {vrg. riji ijiUinryi bij Q,iu\\). 2. zva. iS%\\ schijfje, stukje bv. van vruchten. (untrm^^s in schijfjes of stukjes snijden, (AS.) Rh.

kn. stroop of melasse van Javaansche suiker, soms ook met kokosmelk gemengd, tot saus bij gebak gew. bij apüm; (vrg. nu vü \\ en nc^

\\ 2.). — (unrmnyqs van suiker djoeroeh maken ; en als stroop, stroperig.

rj iiKrj quot;n { \\ en (im rj rm rj r) q ^ 1. zva. ij ik en djii ij inn rj ti w WT W. 2. ij tci 11 ijrj ik ij 11 q\\ K. 20 , 94, geregeld, in volgorde! er volgt vjtui(Hjxmkji -nirn^s volg. Rh. zva. rj uk *J\\M^ ^

ik nn (hnjj \\ N., mii (ui 1 u/j \\ k. , {(isn ij n\'i 2 eni \\ poet.) en

asn as?! { un nnjjs KI., paard {vrg. i.y (ia\\). ik \'~n ay ia\\

1. o O ^ ^

hengst, ik ni iip ij an i (ki/j\\ merrie, hu mi rn \\ ruin.

ik n ji^ rm en irn (ui n ijj iamp;i ~ji asri anjj rijpaard, ik t) am iu7uhtjj\\ trekpaard. (iK^nrj wnjtEii agi a-njj \\ lastpaard, vrachtpaard. (é^dK ^rinnjj\\ naam van een groote dikke rups. ik ri^dCi\\ naam van een to over for muiier om liefde te verwekken, uk - n w dj) uu/j\\ nevelvlek in den melkweg (WW.), volg. Rh. een vaste ster, {naast i-nifjtjïiuns); eïg. een schimmelpaard; ook een geweven kleedje van gespikkelde peper en zout kleur. — nK^rnu^ihnjjs

101 dj) iuonjj\\ te paard; nagemaakt paard; (lt;?w

. ^ o.»

van een kinderspel. WW.), ook nm. v. e. cmmrïis

ongev. zva. 11 ^ ui m (hn/j\\ ■gt;lt; 11 \'Kon/j\\ Odina Gummifera, Nat. fam. der Anacardiaceae, met zacht en deugdzaam hout, waarvan loajaugpoppen en zadelhlokken gemaakt worden. nji ik rri (hj onjj \\ (uiutihji luonjj\\ plaats voor de paarden, paardenmarkt. mi ij tui gt;177? in -7 (mi m hij an j \\ heet en de op pilaren rustende en rondom opene gebouwen op de aloen-aloen van de Kraton , waarvoor vroeger des Zaturdags de paarden van de Toemëuggoengs stonden om bij het tournooispel bereden te worden. Onder deze pasébans hebben de vier buiten-wada-nas beurtelings hun wachtpost, hij dag en hij nacht, hji ik ryi ij onjui lji 11.1 onjj\\ de plaats voor de paarden van den Rijksbestierder en zijn onder-hoorigen.

uk ij m ij tij \\ of ik ij »7 ij 7.y \\ zie bij (ur^ iflt;; w

(7 o (\') a„ o

(if^ih{i^\\ KW. (i^i-n \\ r.77 7y\\ ojiiiji


54*

-ocr page 936-

852

r)

t-. y i i. n j *.

^*10 K*.. ««• quot;\'1

- quot;wvook welquot;quot; \'k 1 \'v

verergeren, versliinmereu , bv. van een ziekte, kwaal of twisty of van rampen; tot overmaat van ram]) er nog bijkomen, JU.; vrg.

iit\\ rnci^rj h )/j\\ lum m niyn iujj en fyyn tu^\\ KN. gezwind en met haast wegloopeu of voortloopen, bv. van een hagedis of hert, ook fuj. van \'personen op een drafje, trippelend, Tj, — tK nyj freq. {vrg. cuh am(w \\).

irlt; tu/js zva. ir\\ n) ytj maar met den kop

vooruit, van een kip-, ook van een mensch met het hoofd vooruit, {ook [^j^ nnuj^s).

llt; y) uhji n kn., iik fel (bnji\\ kd., naam van een kleinen boom, de palma Christi; ook berekening, omdat door de dorpelingen de djarakpitten veel gebruikt worden om berekeningen te maken, lup ri ik -n hnji\\ djarakolie, (v. d. vrij dik en onaan

genaam van reuk, die gebruikt wordt tot branden in de lamp, tot het maken van stopverw, enz. {De van een bijzonder soort van djarak gemaakte eastorolie in de apotheek wordt itfn rjriï \\ of 1:1 hfrt rjnu gt; genoemd), ik ht) ?aj) rnjj en

fjp soorten van djarak. tK n ook

O / O /•

ifs. r) ^ crriji •~n ^ vut 2 of ik ■ n iun —ï

lt;rn\\ Rh.), genoemd, omdat de pitjes in de vrucht niet rammelen als men die schudt, een djarak-soort, die veel tot heggen gebruikt wordt en waarvan de bladen, gekookt met sambH, gegeten worden tot purgeermiddel, {deze welligt hu r)tunrj rj nm rm n nnjj berekenen, met dja

rakpitten, of ook met tamarindepitten, steentjes, duiten, enz. — ik n i)tuhnj^\\ nm. van zekere kleur van eenden; volg. Rh. gepareld. — m ik\'n(twangs djarakveld, djarakplantage; en naam van een gewest iii het oosten van Java.

o o

(ik -n unjj\\ zva. lt;ik ^ri (isrtjj gt;

iQ yi — unO rn rmji of un irpimi/j KN., voor

vast ergens gevestigd zijn, erg. plakken.

ik ni unji \\ N., nK \'r) lyi\\ K., algemeene benaming van de vruchten, waartoe de citroen of limoen en de oranje- of chinaasappels behooren, en waarvan een menigte, met verschillende namen onderscheidene soorten zijn, zooals ^ hnirvi\\ hu ^ ini /o) anji\\ de pompelmoes, (k tyai ben.

van een fatsoen van gt;kiiux^\\ eld. ook c^ii 1 cmruji^ gen. Rh.

O -1 . o n a o

1. Zie ltjgt; ri ikv^\\ - 2. of ik (ui hv/js kn.

naam van een boom, Symploeas fascieulata, Zoll., Nat. f am. der Styraeeae, de bast of bladeren wor-den gebruikt bij de nfn rj np iri^i chiji zie itfti tj tp u ujj \\

(un 1 nryiKii/is met djirakbast bereiden, v. d. «in ij 1^1 anjj \\

O . Ö . . * G) . . CY . .

ik nn (k n n ik h tt n n \\ oj ik h h mi \\ en nil itw ikïi mi \\

enz., met stijf van elkander gestrekte armen en bee-

nen op den rug liggen van lijken; nsii.i7n0\\ zoo

achterover vallen; als een lijk, 00^ onbegraven

op den grond liggen , van een kreng of lijk {vrg.

Q . v IK (Lil IL/I\\).

O j ) G) G) G) , ] 1.

iiK iiH hii\\ oj iKKiihn \\ kn. op den grond liggen van

een lijk of als een lijk (Tj.) Rh.

npjirri(ia\\ zie bij \\n o

zie ik nihiiji\\

rj [i^itsiyi^ kn. klanknab. van een onvolkomen schot, door te weinig lading, van een slag of stoot (A. 12, 10), volg. Rh. ook 7 0f \'I \'3N — V v3

volg. Rh. ook klanknab. van het neerkomen op den grond na een sprong.

ik n ^njjs kn., graf {minder fatsoenlijk dan gt;.y i.tj^ (üi (yjm iliji of (ej! hyi itaji WW. doch in Joes, van de Moekmins (vrg. ook mi rijjasnjj). — xji ik m (hn/js begraafplaats.

- n asiyj n. , «3 rm \\ k., een lap geweven {ook wel gever wd of gebatikt) lijnwaad voor een kleedingstnk, vooral voor een bëbëd, tapih of saroeng, die ook

wel zóo genoemd worden: kleedje. (Kfivip(ijIamj]

. o _ » o . o / _ c^) O

of (i^kw^ nftinn/lv — w nJ ^ Ui ^ rn

(injl —ik f) \\ wxyp vn chiji\\ lapje of strook

jes lijnwaad; stoffen, lijnwaden.

iKT^yid(huji\\ kn. gespierd, sterk gebouwd; ook de sterke draden 0/vezels van peulvruchten, tamarinde, kttéla, sommige manggasoorten, enz. — cun nn rjnii (isiijis als sterke draden of vezels, met sterke draden of vezels, draderig. —

(mhhiq\\ gespierdheid, W. 1,63.

(Qniasnjis zva. un rj ui a5iijj\\ bv. tj mu xrn dw ti (isvjj^ RP. 93). GR., volg. llh.zva. mirLi.virjvj) voor altijd, voor goed.

(8\'ri(isiyi\\ of ^gt;iigt;ijji\\ kn. schreeuw, geschreeuw, gil


-ocr page 937-

(IK (IJl (unjj gt;

853

gillen; harder dan crnrj ifu en cni iym {vrrj. am

/ o v O lt;quot;gt; i

(t)ihju\\ en ik rti? — d/nnrrn m ton/i\\ con schreeuw len ,

geven. — nm xwi m a^i ij ikti \\ om, over 0/tegen iets of iemand schreeuwen.— (u asn^ alge

meen geschreeuw.

in? (L/i/isH^ KN. strik, strop {vrg. am ruis 11.). — Q ttil (u (isnji» periode van het padigewas: de oudste blaadjes zijn naar huiten gekruld en gelijken op strikken, SG — lunvrn (u iisnjis strikken, iets strikken; afstrikken, vaststrikken , iemand met een strop wurgen {vrg. ^ ij(U)\\). — un \\:ni ili tisn \\ mv.\'y met strikken vastbinden, en een strik of strikken leggen, om iemand of een heest te van gen. — (un rw (u (kïi n iets tot een strik of

strop bezigen of maken.

o O . / v cgt;

HRtjdbiiji\\ KW. zva. ivmiy (vrg. (ia^.uis). —

rt5»^\\KN. zie hoven.

O\' o j. / 0 , o

iKosr^iwjojjji of iu cKyi\\ verk. van ae^ ny ,is^ rh)

ays

ik (ejjji KW. zva. *1 kh 21111 (Mjj rj un (U (EJ/j am ifm Tj

klanknah. ongev. zva. {v^kh/j of

maar een weinig doffer, Kh.

z^e ^ {^j)asr}/fs

\'7 v!5?\',^N zva\' rl ^^ en M^tKijjs llh.ook v. e. zwak geweerschot.

Y^,a^Jl of rjiKiylii/j\' zva. ihrrj ip nnjj {volgens W. het IIoll. J oris, naam die veelal aan een aap gegeven wierd).

O . O

ij ik i \'gt; » i i/j \\ zie (if^ ■ 1111 fj \\

ik ri\\ {ook wel ik.»j/)kn. verklaring, explicatie, uitlegging, wat iets beduidt, beteekenis; volg. WW. 1:111lt; 11 \\ iets onverholen zeggen. {Waarschijnlijk dient de r in dit woord, zooals in andere, om de syllabe lang te maken, en is het woord eig. dj d-wa; Javaansch, Sanskrit-vorm uit ikm\\ Java. pk. vm oj) ik V) \\ de taal van de hedeudaagsche Ja-vaaasche poëzie, m tegenstelling van het Kawi. {^(isiKw^dodK hji\\ de uit het Kawi in Javaansche poëzie overgebrachte Bratü-joeda. iKutoj^(un\\ een groffe explicatie van een woord, zoo maar op het gehoor af. ikh ikui\\ of (iKUjAn\\ aangeduid, en ~va. (mi(M(ur^u,nji\\ iyti irni.v)ihj\\ iemand explicatie, uitlegging of verklaring geven; iemand iets uitleggen of zeggen om te maken dat hel be-. . OO O /

grepen wordt; ook zva. 000111.1-^tw — i/n irpi vi

hu ~\'ii rjtHv\\ van iets een explicatie geven aan

iemand\', iets, zooals iets geheims, expliceren of

verklaren; en iets, hv. een llollandsch of Kawi-

hoek, in het .Tavaansch vertalen of overbrengen.—

(ui,?7ïrgt;(ui\\ explicatie, uitlegging, verklaring; uit-

legger.

(hij\\ zva. iik rj r-m ui ihn/js

^) . 7.. o w

dfïrini2tlj)(inji\\ zie bij iKrjnigw

o • » .. O o iKd/jfrujs zie bij

o n n o o /-

ik niijijj\\Kyf. zva. /ik ik trn rjnm riji^/j en oni ji.iw

n/ii i^irn iuyi\\ in menigte ergens zijn, zoodat

het er vol is of van krioelt.

(TV . O

xk (U^ d-^ \\ zie (iamp;: !L^ (iJ^ w

00 . 00 ik ti ik \\ zie dn ti ik w

irj iK z rj ik 2 ti (hn/j^ zie bij ^ ik 2 \\\\

rj 1*^*1 ^ MJJ zva. ij KiJ^rj ui M/P

IK T) gt;1^ \\ of (IK rrj l^jj \\ po \'ót. zva. IK Tl IK \\\\

O . O

(drc nv) zie ((i^xxn f n\\

tui famp;t^sKX. 1. nap ij n, van een slag of val, of ook na sterke inspanning van de spieren.. — (un iwnjiiM/i napijn doen, nog pijnlijk zijn, van vroegere wonden of slagen. 2. (K^nsii (igt;ri iu ifji/js een soort gras, met geneeskrachtige eigenschappen.

EjIJi\\ kw. zva. ij(u.i2itijjs nKi^^yjihnji\\ 1. KW. zva. iu ij no? ?i(ïn/j\\ — 2. kn. bemiddelaar of bemiddelaarster , vooral hij een geheimen of onge-oorloofden minnehandel, anders rj w 2 rj aai 2 nmp of tuKhJiiaiji^ {ook volgens G. tot verzoening); en iets dat men laat zien om iemand te verlokken, G. lokaas.

O • n

(ult; n r t ,j\\K , zie ik t^ tlt;rijj\\

\'Lk\'i^.ti/i\\ kn.; un i^p o /j \\ 1. op den grond liggen

of gaan liggen, van een heest, zooals een koe {vrg.

OO • • 1 *

(izikyi (EjI/j). 2. iemand uit jaioezij 0/eigenbaat door

praten van iets, zooals een koop of verkoop, af zoeken te brengen; iem. met oneerlijke bedoelingen iets afraden, ook zva. iim brj azn 2 rj/rvt q tim \\ en

ij [*t^2 (Ei ? \\ en ij i iK^i it i % (un iw/js zie hij ik ij -d 2 \\\\ O • i ••

LK ^ ? N Zle 0?J

o (quot;) . O O

[ try (EJt dbl) fj \\ Zie IK (h l asn/j w

^ Ofi\'7J^\\KN. stop 191 een kleed {vrg. iyjj rui ^^)- — (imCnijn pi(*sii/j\\ stoppen, iets, zooals een kous, stoppen {vrg. ook asn/j van (iwajiaaijj). — nyn


-ocr page 938-

ire ^ri iU (Lu

854

(rimM ihirij ilt;n\\ iets te stoppen goven w/\'latcii stoppen. — stopwerk, wat uien stopt uf te stoppen heeft; gestopt, met een stop (?ƒ stoppen. jk ■»»/£? hu \\ ehjn. van een hoofd van booze geesten {waarschijnlijk van het 8/cr. dj a r ouderdom, en dmaj a, ziekte, door den Javaan yepersonifi-ceerd. pk.).

iaq\\ of kn. de hoogere vloer, van een

huis, inzonderheid van het middelste gedeelte van een Javaansch huis,, hooger dan de ^ hlt;2cm(tnjjs ook een galerij G. (vrg. lt;u ayni iht yi av (ui njijl\\ voorgalerij. G.

^lt;77in td. , een amlioenpijp (a:n(u^(ipanj\\). iiK\'ncrtijj\\ of frc\'quot;gt;)frnanjj\\ kn. bepaald opzet, moedwil, (met bepaald op/,et; opzettelijk, moedwillig, G.) ook zva. aota.i\\ ho. lznivj cnu ij ui2 dom van aard, dom geboren. tK nan^rnis rijk, door (jehoorte van rijke ouders-, (in deze voorheelden ongeveer zva.

(ui (in »3n voorbeschikt ?) —• tw»in ni cm i\\ met be-

C7 CJ lt;rgt; -J\'

paald opzet of niet bepaalde voordacht iets doen (vrg. ihi lEJicun \\ en cu r.i k \\). i£ uj n nr^j niet voorbedachten rade gedaan, (zva. hh n i vi i?i ihi had a^i ij un\\) K. 17, 52. — aK\'ncmiHijjs met opzet, met voordacht, opzettelijk enz.

\'^ r\' (r^yix171 ^f)\' 0pjagen, bv. wild. i,n (i^mnmjj\\ opgejaagd, opgeschrikt.

o

iiyj\\ kn. zva. tf nn ij riz iaj\\ — nm yrinynis op iets afzakken, min^yr^nn^ fig. iets krijgen als ij ihidTfni w taf) (wat een ander aflegt en weggeeft) , R. volg. Kh. bijvoegsel. — nm^nA^rrns

o

zva. (EjfC^^iuii\\ zva. u^ajj^w ij irlt;drf\'moiyi\\KH.; d/nrj iitidrjTii enijj• dnwen, stoo-ten (vrg. vjrKidfrjrrid(rn/j\\ irj hid ij riii mjj en — njn rj irjnid am if nni \\ iets of iemand dnwen, stooten, voortduwen, voortstuwen, van zich atstoo-ten, (omstooten, omgooijen. G.).— rm

e^aar (luweu en~- Men.

Hfjj-n(rii(H)jj\\ kn., schipper, kapitein, dikwijls ook eigenaar van het vaartuig en de lading, handelaar.

: ) • quot;)

AKcrn ^J\\\\ zie [nx^im iti^

iiSnixrnji\\K., velen in een rij. G. {Vrg. :irlt; ai ri/j). ft^ajnojis of n^i-m i.n verkorting van nt^-n^rn i iw w^evnis kn. roode of bruine krekel, zie ikapw

1. of ifr-ris KW. {volg. WW.) ook Tl), zva. tj vj ik ijiHJu(riAjjs 2. a?? of vj i:^\\ kn. klanknab. v. h. gerinkel van metalen voorwerpen.

Qv

ijMr^\\ zie ir^\\ en vrg. ij[iit^(isoji\\

kn. trek- of sleepnet, om visschen te vangen \', net om vogels of andere dieren te vangen; net of web van een spin {vrg. \'irlt; n i \\). tun rm -rï\\ niet zulk een net visschen of vogelen, of andere beesten zoeken te vangen. — nnrm\'rij?i\\ inv., {ook een water met een djaring uitvisschen, WW.); alles niet een net of netten zoeken te vangen. %i:iasinx obj. den., 2. het darmnet. 3. ki.,

zie iijii(ij^\'iJiji\\ ook fig. inborst; vrg. iclt; ifrii(ui\\in/j\\

)

zie acs tfnidw

irlt; ij \'h2\\ kn. naam v. e. plant met geneeskrachtige eiqenschappen.

iJc n\\ kn. zva. (mi hlt; \\ een partje of vakje, bv. v. e.

j . o o

doerian ; vrg. (ik h\\ en ik tt j w

nt^h\\ kn. ravijn, diepte of kloof in het gebergte: ook naam van een boom van middelbare grootte, volg. Uh. mei groote bladeren, die geneeskrachtig zijn. (i^^rntrri\\ een rotsachtige ravijn; {ook naam van een rijk. G.; ut is de nm. van een district in Pand-raga, Rh,). — iuuae^ h\\ in een ravijn geraken, un i.^ ctiue^A}\\ van het eene ravijn in liet andere geraken, door afdwalingen in allerlei ongelukken en moeijelijkheden komen.

ne^ tï\\ kn. partje of vakje van vruchten, waarvan die door schreefjes van elkander te onderscheiden zijn, zooals van een doerian, pompelmoes, enz. {vrg.

/ O « * Qv .

(til telt; \\ en (i idA^ ). xirrnrns in partjes verdeden, Tj.

uf^-rj \\ kw. zva. (ij^ ^ w — un rjmi \\ eig. zva. irn^i-j n hi den fig. zin van werkzaam zijn om te bevorderen; iemand in een wensch o/verlangen helpen, bijstaan of met hem meêwerken, door beaming of er mee in te stemmen of mee in te deelen dooi voorbede, of, van de godheid, door gunstige verhooring {vrg. n/ihipri-r^ i i ua?) (of .f ^ iS\\) iemands pogingen ondersteunen door gebeden, iemands zegen, Gods zegen, toebidden; en zoo ook ■ enkel njn ipn ^w nyiy gunstig verhoord worden , iemand door God vergund worden. — ajo rw niyi:i\\ ie m. ondersteunen, een verzoek of verlangen van iemand, of eigen lust, begunstigen, dat is inwilligen, door er aan toe te geven of door


-ocr page 939-

Vj lt;l£ï IKHJI \\

855

^ L\\ ftj ■gt;) \\

verhooring; {iemand een geschenk geven als bewijs van zijn goede weuschen; gunstig. K.), — d/»irw ■rji in ylt;toi\\ tot zijn gunstige bewilliging geven, begunstigen. — deelnemend zijn met

zijn zegenweuschen; gunstig genegen 0/gezind. — iiztrrm f 1^.1:1 tj mi \\ zijn goede weuschen betuigen voor iemandy K. — approbatie, gunsti

ge bewilliging (vry. iun(W\\ en (vivjcinti vs) ; ook een geschenk 0/ bijdrage als bewijs van deelneming 0/ bevordering van iets, bv. in een krant: ingezonden bijdrage.

(rjtu^rj\'ris kn. liet uitgespreid worden, bv. van een kleed om hel goed te hezigügen, of van natte kleê-ren op de bleek {vrg. rjm ij ^ \\). — am rj i:m /ƒ - n \\ iels uitspreiden j fig. openleggen, bloot leggen, bv. een geheim {vrg. (tm cm (rui \\), zie nog ij (ik tj t» ^ w irjtuti n^iis KW. zva. rjakitjitnig\\ kn. buikloop, tifii ij lt;fC è ij \\ zva. (IW VJ tu i rjtit\\ i m;ir^ rf tK/i 2 ij rj r»? \\ bedwelmd wegens ligtlioofdigheid. — 2

rj-hi atn an/j \\ ligt in het hoofd, (Tj.).

0.0 ire mi \\ zva. (ia huw lj

iyniï\\ kn. schraal en droogjes leven , in den fig. zin van zijn dieet houden, weinig voedsel en niet

dan schrule kost gebruiken. — (unCirïrimï\\ iemand

(?gt;

of een beest schraal houden of honger laten lijden, bv. een zwakke zieke, die maar weinig voedsel mag gebruiken, WW. zie ($ rf nu rj \'t i kiij^ \\ BV. iW*! uiits kn. een soort van spoken, die zich ver-toonen {meestal oj) kerkhoven) in de gedaante van een witte kat, van een hond of van een geraamte. Men gelooft, dat woekeraars of die door toover-middelen rijk geworden zijn, bij hun dood zulk een lak^tniz worden.

7 ^ nii \\ zie bij vj ik kii v *ie

^ U^JIS iamp;ti 1« Kiyj en (iiii?\\ Kii/js kn.; un llt; nu ^/n ifï anderen uitnoodigen, aanstaan of aansporen 0111 iels mee te gaan doen, in het algemeen.— in mvji of (i7i icT -k 11 /j\\ zva. \'fji gt;1 ^ (U \\ iemand uitnoodigen , aanstaan, aansporen of verzoeken iets mee te gaan doen of mee te gaan of te komen; iemand dagen of uitdagen om met hem te vechten of te strijden. (i.?i ik oxi ün ik kii/j of na 1/11 ik l,{vjj^ pass. iknfy (HTjj \\ imp. m ru kii ik knj) . bewerken dat een ander meedoet of meegaat, in het algemeen \\ verleiden of meêslepen. — xjiuik kii . 11 ik ini (hd/js obj. den.; ook elkaar uitnoodigen,

als boven.

au ij ikkri/j en in ij ikMnjjszva. ik.kii/j\\ enz. in de volkstaal.

iktini\\kn. een jonkman, nog ongehuwd man (rr^r. ^ (V) (Ki/j). iKtiéï (kii \\ zva. ik am \\ en volg. G. als jonkman (ongetrouwd) leven, ircawnsy ui^ n. , irlt; kii (l/ % \\ k. , ecu oude vrijer {zva. ik not uk otj^ myj); w: kn asr^ jj»nKN. een kakatoe {vrg. (ikmikui

naam v. e. vogel. Tj. uklt;Knijiqp?7^(nn2nsnji\\ naam v. e. padisoort. ik un ru n {of - gt;) rj \\) eerste huwelijk van man en vrouw, die nog niet getrouwd zijn geweest, Rh. ajn (oi(knkiiasri tui\\ een benaming van den walvisch {vrg. rian/izaxi (hn/j). JR.

(ik k?i :ilt;i\\kü. (i n foi(hnj0 dierentuin, M. ; volg. Rh. (iSiK?iKi\\ naam v. d. kampong te Batavia, waarin die dierentuiu ligt.

QkhkJs kn. net van houding of kleeding, knap.

ikki^kiiji {dj\'é koek) kn. het gehad van het stoot en van een voet tegen den grond onder het loopen : bons! of toef! {vrg. iKvinoiKtijj). Ik Kn nfv ki^ Knjj \\ herhaaldelijk stooten tegen iets, ook klanknabootsing van het zwaar hikken {vrg. (ki kii Knj^ en (foicn^ Kn/j). (Kicrrij {of Kian^) irlt; irr^ Kn^\\ spreekwijs van iemand die in moeilijkheden geraakt, hulp of steun hoopt te vinden, maar bitter teleurgesteld wordt JR.; volg. Rh. een naam, die telkens genoemd wordt; een spreekwoordelijke naam zooals bv. Dja* ka Ting kir, wegens zijn kracht. i.y Kn/j\\ stooten als boven, bonzen.

{■lt; rj kii Kiij \\ kn . klanknabootsend woord van een steek {vrg. (ik nri 1:11 j). ik k h kjj tj ini knjj^ hetzelfde van een herhaald gesteek.

Zie kvjjs

O / ( quot;) O X , ) O

ik kii rf k n\\ KN. zva. 11 k n ij kii \\ — lt;111 inn k 11 tj kii \\

Ha X zva. mn kii ij kii w

(ik kii iisnjjs Ar. ï[£j,zakdt, kn. het geven van een gedeelte van zijn bezittingen voor de armen of tot godsdienstige einden, om daardoor het overige te reinigen ofte heiligen; in het bijzonder het geven van een deel van den oogst aan den priester; de zakftt «\'even. — rn nn kii uii)kus iets tot zakat geven of aanwenden.


-ocr page 940-

C)

(Ustifn (bfïdN

866

quot;TT

(Skn. rilling, koude rilliug (vrg. \'ielt;tiuMrj fonji). — vnvrmj\'i^hn,^ kilkoud, zoodat meu er van rilt (vrg. ivn o^/j iU/j). GR.

$mh lt;ifnihny^nkn. een kleine zenuwachtig zich zamen* trekkende of achteruittrekkende beweging met het lijf of met de schouders mukcu, zooals tengevolge v. vrees oj schrik {in Men. v. e. paard gezegd).

n C) O O O

isr^ \'bnjji zie t ) i, n i ,hnji \\ en vrg.

of fiscaal, officier van justitie,

regter ter instructie (Skr. adyaksat superintendent ; d ar m ddy ak s a, opperregter, president van de regthank. pk.). Ieder wadanay als ook de Kroonprins ^ heeft een djüksa, met den rang van pané-woe, die de regtszaken tot zijn ressort behoorende moet bezorgen. 8 Mn (u^tin asn \\ heet en de djük-sas van de acht wadanas en van den Kroonprins, die zitting hebben in de Vrddata {vrg. iik Qikjs). lt;v) tin an Q u}} \\ de Opperregter, heet de Voorzitter of het hoofd van de Prddata.

\\ llijksfiscaal, heet de Officier van justitie van den Rijksbestierder en van den Kroonprins. — twi mi \\ een geschil als djëksa be-nandelen, als djëksa fungeren; den djöksa speen. — luiiS\'hii de woning van een djëksa, flscaalswoning, en de vergaderplaats van de djëksa\'s.

kn. knak van een gewricht van het lichaam. am(i^(Hr^(iai^\\ knakken, van een gewricht. itayunjis ecu knakkend geluid geven, als hoven \\ zie nog

o o ~b ! ,

if i^n un/jx zva. iKihn h n/js dfj,li ij knak

ken, en vrg. Q^ uy utij DW, 173.

O • I • •

ixhiiiu\\ zie bij m (uti w

is tinlt;tpasnjjs kn. met de punt naar de hoogte, van een wenkbrauw of knevel. WW.

iK Hiinpkn. kranig, chique, v. h. omdoen van een hoofddoek,

QiHii n^i (ini/i\\ kn. Iclanknab. van het geluid van de srigoenting, die door kinderen ook daarnaar genoemd wordt.

Qti?i tï~ï\\ kn. krom getrokken va?i de vingers,

bv. bij het aanvatten van een of ander: vrg.

o o*

mi ifiw

ook wel h^ii,ïi\\ kn. canoe, klein schuitje uit één boomstam, volg. WW. met vlerken op zijde; volg. Kh. heet deze rjajitif {vrg. (fii rj mj ?

0 \\

(hJ}S).

O . » . CY . .

iiamp;imiiuiis zie tu?(Hit(Kn\\\\

rjax nüjj verk. v. W. II. 404.

^(UjnkW. zva. tj (hiutf 11,112 qa/n anji\\ dobbelspel (P r ^

krët djoêdiy Skr. dyoêta. Vrg. a/ïajij). —

ajiiiuis dobbelen.

óï

i^ao^nkn. 1. een onecht kind; bepaaldelijk een kind van een ongetrouwde moeder (Veis. gjlj , kind;

onecht kind. Vrg. ijhiuverk. van (Ui (ixiqw \\ a/n tu^ wi na q \\ {gebr. töi \'ii (tl net j \\ Rh.) scheldwoord^ hoerekind!

rf tus d tia (Hi \\ kw. zva. (ny ivi n toegeven (Skr. dj as, vrij laten, en ddnam, geschenk).

O S /• n / • 1 O S O y. ...

(ié\\ (ixi\\ of kn. liniaal. —a/ii rm\'icrr}\\ hiuarcn.

O z\' ^

— (its(ia(injjs liniaal (vrg. aji (u ttwarijj)liniëer-bord; gelinieerd. ^ aS clo quot;n anjis in lijnen, in linies.

o o o o

dKWhnjjs zva. cuscKi unjis

»ƒyiu»a\\kn. te kort schieten, het doel niet bereiken, va7i een pijl, kogel of iets waarmee men gooü.

iS(ic(iaji\\ kn. — mi irfnncjnnjj\\ door een draaijende beweging van de vuist met de rug van de midden vinger een tik geven, WW. volg. Rh. cni rj up z w

of TjiLsrinxis n. sterven, van een beest, gemeen woord van menschen, kreperen (vrg. artrjaci iisw^N lt;rfiamp;ii(in\\ en (ik (isnjj \\ KW. zva. (Ci imi ihnjj \\

tr?asn/js klanknab. van een schok zooals bv. door een aardbeving, iik cibj^^7 mij (Tj.) Rh.

i. kn. wezentlijk, wat het eigentlijke wezen is van iets of iemand (Skr. djdti, geboorte; geslacht, soort; vrg. iKn^jjs tén (£i (hnjj en (üin iini \\). ïik (bil tiy m n\'c^ w \\ wezentlijk een mensch {ofschoon thans gemetamorphoseerd). atz th/J 1N

een wezentlijk uitstekend man. iamp;asiitfMj wezentlijk, om de eigentlijke waarheid te zeggen, ajuru n^}te:min een echte, uitstekende dalaug. r.nn^ihJi

de ware wetenschap, die leert van de komst

, o DO

van a en m (un act i ujj (ugt; (bi/ (ui yj ihii eni ili \\

JU. iKi:tKtii?i(SjrjiCtz\\ van ineuschelijke natuur. G.

ifjinj/jMaz:Ih?i\\ in zijn wezentlijken natuurstaat


-ocr page 941-

iixvjdS))? anji\\

86?

hersteld worden, volg. Rh. volmaakt gelukmlig, (/oc/t (V)(ïuitin(hj)asn \\ tot ziju normalen toestand terugkeeren, radicaal genezen. — mn vrn ^ asn fiij \\ (uutwrj (ibtuaJ) Ja\\ iemand de wezentlijke waarheid zeggen omtrent of van iets.

II. n. , (vmzchJiji\\k., naam van den djatiioow, de Indische eik, en het om zijn deugdzaamheid he-roemde djati^owA «k ani am oj^ \\ ok asn vrj \\ itxtbutij. i.i \\ en (its foii ojjji\\ soorten van djatiboomen. ii ilj tx N groote soort van boschrups, die het loof der djatiboomen aantast, lx ast mi I.door-zigtige, kale, djatiboomen. 2. naam van een fa-heiachtige slang, anders (Hicrnibiiajr^tHT/j genoemd, en van een metalen vergxdden slang die tot windwijzer dient op den pang go eng in de kraton ie Soerakarta. 3. groote vierkante bak van gevlochten bamboe met pooten, waarop de offers van den Vorst bij feestelijke gelegenheden opge-discht worden, r-v hlh ki \\ zie ben. — ajiiusvjasn (LKitz tjasm i.i ^iKHijj\\ djatibosch.

(us(i5n\\ 1. kw. zva. (ult;(Hti\\ (yfr. l«« . zdtoe, het wezen van iets). 2. kw. zva. asr^a^s en (fni (ui lyiKtaon {Skr. djdtoe, soms, bij gelegenheid). 3. kn. iets dat tot de bereiding van iets er bijgedaan wordt, hv. de gist tot het hakken van brood, de kalk en het beenzwart tot het bereiden van suiker: noodig ingrediënt, JU. ikasri in^wgt; kn.,

zva. ij(tm2 its 2 \\ wanneer toekomstige echtgenoot bedoeld wordt; ook toekomstig huwelijk. (— (uttitmiyamiiins bij iets het noodige ingrediënt doen. — ^ vquot;iets tot noodig in

grediënt; en specerij; vrg. JR.).

o ... o

ut^ihns kn. poet. zva. n/n ton aj)((u^\\ en •ruihtqojnitliw

o .

Mjicmtrj lt;L})(ii^ torn zva. ui mi O) (uii rhi \\ (t. — oji irrn asrj \\ zie boven.

rj jkrj .isn \\ — d/i rj irni t-j (üh \\ zie boven.

\'/ ? \'I hu z \\ kn. 1. t/// y tmi2 tj am 2 \\ onbeweeglijk staan of zitten en den mond gesloten houden, een uitdrukking van stomme verbazing. {Vrg. am r.m\\ eti (Li inerrjj). y \'ngt;rj(hiiz\\ freq. Men. — 2. kj if vmzTj iL,tiz\\ zie hoven bij Li ijti asr^ w atc hij q enz. zva. (uiayr^^w

l i biifs {of is utt* Rh.), kn. dikke etter AVW.{vrg. h,£j\'s)* vo 9- 1^1l- de heldere materie, het heldere vocht dat uit een wond vloeit.

ir»- /ƒ (ibit z (inji zie bij ik (tst^w n

\'tj ifc ihn/i\\ zva. (K/i (tstj nriji\\

o • »..

ik ^im^(Ei \\ en i:lt; i^ iiri^ili n zie bij ik asr^w ct

ik 7 lüï} z (Kljj \\ k., Zie (ik «371 \\\\

O j i 1 \' O O

\'ik wji \\ kn., zamentrekkmg van a-1 ik o - i i/^ ih-ijj \\ //écu tegen honderd,quot; onevenredig; ook niet van gelijke krachten , in krachten ver te boven gaande, Rh.

7j(i£rztjasnz(iJijj\\ kn.; cuntyiiniiijnstitaji^s stompen, iemand met de knokkels van de gebalde vuist een stomp geven, van onderen naar boven, onder de korte ribben, zooals bij het boksen {vrg. rjxnnzorj tj (ipz y en (iftt tj miztj tui z \\), — u iz if mti z (Mjj\\ waardig om zulk een stomp te krijgen. — vj ikz rj ^ (igt;ti z oji _vi geboks, boksen.

iKdsiidv/oixKN. naam van een dorp, een marktplaats,

ongeveer vier paal ten zuid-oosten van Solo. — (ui

■*gt;

(iK(t5?i(ijiTi\\ wat te Djatisari heeft plaats gehad; nam. het vredesverdrag van den Vorst van Soera\' kart a met Prins Mangkoe-boemi en de verdeeling van het rijk, in 1755.

^\'c^x kw. zva. ikihii \\ (Skr. djdtya, echt pk.).

iik ^/j am \\ of ik d^ii am\\ kw. zva. (Uj van kokos-

en pahnhoomen; (volgens G. zweep).

(ik^\'Ioïn of ik^/jom kn. zva. stil, ingetogen, zedig; bedaard; bevallig en daardoor innemend {vrg.

G) O o O

(K/jj tj , j \\ (uti (ffi - i j ii.i tui ^,t tj uil ik iilt;j iwjj gt; en \'Kj.

)• adydtm ika en ddydtmika,

geestelijk, psychisch; inwendig). — /.imk.^i.ii anjj\\ minzaamheid.

\'ïk 157^n kn.; (unabt\\ zonder te spreken strak voor zich neer zien, uit versteldheid, verbazing of om andere reden {vrg. mi rj rntz tj(isiiz\\^. R. volg.) Rh. sprakeloos voor zich neerzien, van droefheid of n eêrslagtigh eïd.

iK(Kjj\\ Holl. jas.

o _ O e • I

lK(t.l/)\\ kn --roei!

kn. sectie, sectic van den Koran, gedeelte. 2. ktanknab. v. h. ontbranden van kruid,

ik(kïanjj\\ Ar. kn. lichaam; lichamelijk; per

soon {vrg, x.tt (ici anjj en (un ui imij). iclt; i i(ut(i^ ihi\\ mijn persoon, nederige uitdrukking voor ik of mij.

O ■) 4

(lts (ui (fjijj \\ Ar.

djism, lichaam; kn., turjivuz

(in/j\\Ki. lijk, {fatsoenlijker dan uhaVrg. act


-ocr page 942-

quot;Kms

858

O . (lil

(Kiaoji). i ) tfji ~jn nj(Mji\\ zva. am iui an ii j autlioriscli lichaum of wezen.

jk Kt ifj\\ of ir?t£jj uj\\ Ar. djismdn i of dj oe s m d-niy lichamelijk, corporeel, stoffelijk.

zva. (im ui (ijl(ici cyTit/j\\ het stoffelijk lichaam.

ik u)\\ 1. kw. zva. ini 1)(r/n \\ — 2. n., \'ik aS!\\ k., Ja-

\' CeJ ^

vaansch, oo/t zva, ire lh \\ en zva. .in asti \\ verstaan,begrijpen, in staat zijn om te begrijpen; voly.W\'W. R ooy{: eenvoudig, gewoon water, zooals de natuur het geeft, lot onderscheiding van rju)nci\\ en van ij imply {dit volg. Rh. azncnjjiasn(ui\\^ en eenvoudig, nog onnoozel, van een kind. {Een ander iet ui \\ zie bij ik r.n ). ui ui f ui {oftK /j] \\) J ava, de Javaansche lauden, ook in onderscheiding van de hoendalanden. nc^ ^ / ik ui (of uk.ui\\) het eiland J ava (Skr. Jaw a-d w ip a. pk.), ii ui i ik (vi \\ am clu \'ik ui \\ Javaan. vjmitkiuu opzijn Javaansch. ain AE\'/\'ifC iui\\ Javaansche uitdrukking, Javaansch woord, Javaansche taal. fEj ilkiktui \\ onderwijs geven in het Javaansch. lti(io^ ijiiui\\ geit, i?i onderscheiding van schaap (vrg. if ern rj v^ituijj en irnmn^/i). crri ivriKui\\ Javaansche suiker, in onderscheiding van rr^ ru im isy \\of rr^ n i uiIkiw ik ui quot;j-

ui ,7/7^\\ de explicatie er van is; dus, zooals het blijkt. — aji uk (ui \\ w ik ui \\ naar Java gaan {waarschijnlijk van het So end. mi ik tui \\ naar Java, naar de Javaansche lauden).

(tm \\rm ui iin\\ uii

CJ

als een Javaan zich voordoen.

O

i 1) ui iq \\

- 1 Cf

i:ni ui n n -jii ij mi \\ a /n i:ni tj ui un ^/n ifri (Hyj \\ iets m het Javaansch vertalen, overbrengen. — un ik ui (hi^\\ (mitiK71 uithfiji\\ door Javanen bewoond, het door Javanen bewoonde, van land, gewest of

aetlt;ui\\ 1. ik ui\\ of ïk ik ui\\ kn. wilde koe, het wijfje

van den tirn 11 trin \\ (zie ik ui \\ 1.). 2. k., zie ik ui \\

\' (ij

2., en \'iKxin\\\\

ik ui\\ 1. KN. de ziel die het lichaam doet leven , het leven o/ het bezielende van het lichaam, ziel, leven (Skr. djiw a. Vrg. um oi\\). 2. ik ui\\ ik yy

of ik j ui kw. zva. tv ru iui^ {Skr. d i i h w a). ik

O C) q.. •• • i

ui hj(Uj iuijj\\ zva. ii n nu uji {.i nqji mijn ziel, mijn

leven! ee?i liefkozende benaming, mijn lieveling!

ik/uk ui--iki thj^ e/l^ (hl \\ WP. 357. (ulllj tu2 hu

[tu^ u tHi \\ in den strijd op leven en dood ik ui

run roepen, ik uuuuly s naam van een Kawische

zangwijze, iktu^cm^ kw. de punt van de tong {Skr. djihwdgrd). ik tui ik i »\\ kw. zva. u i rf iKp 11 tui \\ (Skr. dj ê w a dj iw a, een soort van vogel, misschien ecu fezant, li. een paradijsvogel? Rh.), huik ui\\ po\'èt. voor beslapen, van een vrouw.

rgt; Ov O

inn ik tui uj (hnjj\\ zva. ik ui (Hj tu^ dnji \\

i:j(i?u. kn. een groote inktvisch, grooter dan vj i.u^

Rh.

2\\

7 Ml

o O

uk tui j \\ nm um ui j n/n \\ kh ik tui q a n iinjj en i/n (i nn t n ^

o T

tun ikn (hnjj\\ k., Z\'ie om axi tifi/j\\

a O

tiKdJj^s tun itnitiT^f n.\'ii\\ (Uii ik(U^f am\\k., zie am to en vrg.

(iK if ui2po\'èt., zie tui aojj\\

tit^ ij .ui ^ \\ kn. praatziek, praatachtig , babbelaar of babbelaarster {vrg. ij un ? tf tuiq^.

(iK tui (hnjj \\ kn. naam van een soort van lang gras.

Q o/\' e s o Cl/ /* , . , ,

ok ui \\ of ij ik vj ui \\ kn. j (uii um iui \\ oj {sterker) i/n ijuni ij \'Ui\\ aan iets dat e enig zins rekbaar is, zooals het oor, de lip of het vel van iemand knijpende trekken; iets zoo trekkende uitrekken.

dk(uiti- kw. verk. van ik ui-h {zie hij iuiik\\).

iit^uuns 1. kw. zva. ik ui hw — 2. kn. wat algemeen verbreid is, algemeen bekend geworden is, of zva. (bi (^\\\\ (van m ii\\ II., misschien voor tui tui n \\). — uil(it^tuirri\\ zva. mti(iJi(jtfi\\\\ — (untiTrp ui

ti i,ii -surf uii\\ iets algemeen bekend doen worden, y 0

tif^ ui ii q of df^tui rj m j \\ um r^ii .ui ni q xjh enz. zva. jk (i/n ik q n/n(zva. un tui ti \\ Rs.) WW. uiaxi^s verk. ik ui ^\\kn. een soort van uit këtan, kokosnoot en suiker bereid gebak.

dK (ui tisnjj \\ Ml. {ook dj a bat) kn. (uo um ui dsnjj\\ aanraken, aanvatten; ee7i vrouw , of ook wel een man, door een woord of gezegde te kennen geven, dat men het oog op haar o/hem heeft, (amp;« Banjoemas turn v. tui iuï). Zoo ook tun irm ik ui ihnjj\\ {misschien eig. iets doen om vat te krijgen), tvtt inn ui tm ~fti d.ii \\ zie ijii um ui y.ii uionns mi dm (ui iuin\\ de uiterste rand van iets. G. j de Üank of vleugel van een leger {vrg. oji w vinstyj); volg. Rh. ook de slagveer v. e. vleugel.

tK-\'Ui foH/ln kn. kneep met de nagels of met de top van duim en vinger fijner dan ui ij (ipi(isiijj\\ (vrg. irlt;

! ^ O ) . Cl Cl /»..

ajitruji bij (ui uuru/j). — ti/n uni ui foiij\\ zoo knijpen, ook fig. een sein geven aan, in het geheim wenken geven aan, om het een of ander te doen .


-ocr page 943-

fcC O ,r;w ^

859

C) ci o ... lt; ) o cio ,

it;i ^ /lt; »; \\ OlJ i. n ip u n/j \\ itj lt;t-1 \' gt; ihii/j \\ ZOO

klein, dat men het met twee vingers kun pukken. — ivn i:nri?)runs mv. en fuj. 13. T. Dj. 054, een sein geven aan.

i.-j r/m//#nkn. aanhoudend door dikwijls (?ƒ onverdroten te herhalen, alleen van verzoek, vermaning of iets dergelijks; dikwijls of herhaaldelijk iemand guun spreken of bezoeken {vrg. iuirm\\), WW. volg. Rh. steeds met meer nadruk of ernst iets doen; ernst worden door den duur, hu. van het spelen van kinderen dat na e enig en tijd ernst wordt, ook zva. {en naam

van een kruid dat tot medicijn gebruikt wordt, G. in Tj. icytniini oiyj\\). (Ktiasn^ volg. Rh. meestal herh. ihh(ip^/u)\\ iisiia^dj)(isn/j\\ beweging met de handen, van iem. die iets wil guun verrigten, bv. bij het opsiroopen der mouwen. \' ) 671 tüiijjs kn. beweging vun de lippen,

van iemand die beginnen wil te spreken, WW. herh. in B. T. Dj. 495.

ae^ u} asri \\ Kw. zva. d j {vrg. aa /j; asn \\ en nr^ti/ii Skr. doehitd, evenals poetr i. eig. dochter).

txrf LUMji - iikvitniiruji WW.

km. kort {volg. llh. omgekruld) van de

bovenlip.

iifjl i?i kn. dun en vooruitstekend van de lippen.

\'k r ivjibn/j of UyU)ui(ünji\\ kn. gierst, zva. ifvm

rj asn tun/js

^/V)(u^ahitji\\ zie (U\\\\

, P 0 ___ o ■gt;

l.\\ I I Dl OJJJI -

(it\\ gt;j vi iiyj ui 2 i^jj \\ kn . verwilderd, verwaaid er uitzien. jjcrwN kw. zva. an en irjwi rfn? {Skr. djwala en dj w dia, glans, helder licht, vlum.

Vrg. turn^ n.i\\).

isuini/js kn. dol brutaal oj driest; dolle streken uitvoeren, Jli, volg. anderen ufunnstig, nijdig;

volg. nog anderen ufgedwuald, bijster.

^ o .

\'k / mu^\\ kn.; om rniajtirujj\\ iemand met den

vinger even uanstooten, een tik of tikje geven; iemand op die wijze een wenk geven of waarschuwen. •

\'lt; riiu/j\\ luni ni rriu/js zie qShQ(ïl}j^\\

V \' \'2 KN.; yiv)i(g7 y iernjj\\ zva. u» ^ /1 j (lJl)\'t}dJls vooral van hoofdhaar.

l-lt; ui.i.ii/i yir. djawdb, kn. antwoord; beantwoording ; repliek ; het tweede lid van een wangsulun , dut, aun liet eerste beantwoordend, de oplossing en zin er van aangeeft {vrg. a^iajty en ^ ri^aa^); ook een woord tot verzoek aan iemand gerigt. — tun i^rn gt;tj) nmjj n antwoorden, beantwoorden, repliceren ; de djt\\w}\\b van een wangsaljin opgeven; een raadsel oplossen; (rekenschap en verantwoord;ng geven; JU.) zieh tot iemand rigten met een verzoek, verzoeken, (un rrn tu) rn (in (hnjj\\ de hand geven {verkeerd voor cun\\ ngt; .ut ajt (ny ) — l i rni beantwoording; rekening en verantwoording; in Ü. T. Dj. 292, voor aanvoerder {lt;uiari(O)asiyj) van een vleugel? — a/ti i~m aj).rii^rj (mi \\ een ander repli

ceren , hij een dispuut.

n:n(Hi ir.i nn/j\\ elkander de hand geven {vrg. u i m i

JR.

(te^(uï kn brok, stuk, als hoeveelheid, bv. tymnui i)Jnej Sï\\ een stuk brood {vrg, (h^iuKtu/j). — nm rm ncj ?) in brokken of stukken breken, W W. ^ ?ï\\ volg. Rh. reep, afgescheurd stuk. — (unagniuïiu^ trh in repen of stukken scheuren. (PJ.).

li? 7j ót 2 aii\\ kw., zamenstelling van iQ ut en nr^xmi

n n , * v o

cm \\ zva. ivi (L,ii mi - n gt;ujj \\ mui 1 \\0j mi ^ ; ) ik

ij riècrtis zich op genade overgeven.

iKim/js verk. van an iK tu/j {zie lun iK irsTMM kn., ik (f-gt;)n Ki)., werpuet om visschen te vangen {Skr. dj dia, net; vrg. (im ij rtti 2 \\ en ik ni\\). (kjiu.i hï) (m nj tj (ui ik tLt\\ met geld gevangen d. i. omgekocht, door geld voor zich gewonnen, (B.) Rh. uk 11 ) ik (Mi\\ netvormige franje. — a/n rm iu\\ met ecu werpuet visschen; visschen met een werpuet vangen. — tui rm ru(mjj\\ visschers kampong.

ik 111 \\ 1. (Eleusine Coracana, Grtn., Nat. fam. der Gramineae, een grassoort, Fil.) WW. geeft op ik iwi of ik(Yi) ik iiï\\ een gietstsoort. ik iu di i r^ ^ kn. een soort ik iu\\ met de kleine pitten van de vrucht spelen de tinders; zij worden ook als koralen geregen en tot oor ver siersels gebruikt voor topénf s,

o ■) o .

enz. ik iiriiii mi m/j\\ naam van een ik u i \\ met

eetbare vruchten. — (i/miTtriiru\\ iemand een piju-o

lijken slag toebrengen, tfn uk mi \\ pijnlijk geslagen. WJr.). .mt1 ij iisji {.ui (hiij\\ naam van een onbekende bloem, {een incarnatie van Abimanjoe, G.). — ik

i i n on/j


-ocr page 944-

n

ru ^ \\

8G0

irjirM(Hijj\\ zie ben. 2. ik tus gepareld faw kippen, 0iLgt;iA5ï^\\ zwart en wit gepareld, 0(kimi\\ geel en

•x o di quot;gt;(?). o o

wit, vrff. (V^ r) ia)j^\\ Itli. (ikiiliip {zva. ik ru(un

(u) zie aldaar; zoo noemt Bima Krësiiamp;.

uk nj\\ 1. KW.zva. n.i.nj\\ (yrg. ikvj\\) ; als Tj, Sengk.

één. 2. n., (ik /f7nsn/in k. , spoor van een haan^xw-

nespoor. (iKfriyw (Ei Jfi\\ naam van een plant,

medicijn gebruikt wordt 3 cactussoort, die

tegen een muur of boom opklimt — (urtaTniavis )

met de ik slaan; ini(ik(rui\\ fig. iets onaangenaams ondervinden; volg. Rh. ook zva. tiv tj a

tj fjJ n ik dsji i n w — (Lm irm nu^ io) asr^ \\ zva. aai

(iu (ui (ir^ tijnvi isr^ \\ in het spr. nn ip mi irm mj^ oji

1511 nn — ikly irun (mjj\\ kn. volg. Rh. ben. van de

drie bamboelatjes van ibithifoiij tusschen welke

de alang-alang uitgespreid en vast gekneld wordt;

verder ook een stuk welit van aaneengeregen alang-

alang. hv.\'. hi) li nsii uk \'ij ju 2 an^n \\ Rh. O O

lt;iK(Wj\\ kn. 1.; (untpi\\ erg geraakt o/gebelgd, zoodat men zijn ontevredenheid niet verkroppen

kan, zva. Eiarn ïhini.i/is van het hart\\ vooral we-

Ci\' ^

gens teleurstelling, zie m(uiiiKt]ruji\\ 2. — (uii (Ap / zva. (in nTi.iu^s hij pidJStten met de vuist naar boven drukken, (Rs.) Eh.

1. Holl. Juli. 2. zamenstelling met verkorting van (Li en (v:niiï\\ ofwel van vu ^(E^ n i\\ van iemand, die vooruitkomt, maar weldra weer terugkeert, die niet regt durft, GR. zva. (Eji(ii^t^nn\\\'ï weifelen, aarzelen, niet goed aandurven.

\'tj ik 21 li n kn . schok van schrik of ontsteltenis, zoodat men opspringt of opvliegt, of hei geheele lichaam geschud wordt. ^\\k2(tui rjiik2 rLi\\ aanhoudend geschokt worden, bij herhaling van schrik opvliegen. — d/n tj irpi 2 (tli \\ opspringen, opvliegen van schrik, opschrikken, een schok krijgen van schrik of ontsteltenis; geweldig ontstellen, {vrg. m ^ ik2jli\\kn. een groote palanquin of draagkoets, die alleen door prinsessen gebruikt mag worden en gew. door zestien personen gedragen wordt {vrg. ij iKt (njt\\ en asncrrr^w Skr. doli, draagstoel, pk.). G. een draagstoel met een kap o/tent, Rh. — ^okztj yiLi(Nijj\\ draagstoeltje, als kinderspeelgoed.

Ik ili{\\ of (ik ijiilikn. gil, gegil, gillend geschreeuw

z Oo Oo Clas . O n Ci n

[vrg, (ui ■ n \'gt;o/j\\ \'k »gt; iisiyi en \\k iji \\). ik tus ik n i {\\

C) O \' gt; O „ O )

(lrlt; ïj tli {(ik ij (wl { \\ ik itl i ? ik ui l{\\ of ik ilij lw

gillen, gillend schreeuwen; het uitgillen._

(un rfni ru f \\ of (l h liw ri ru gt; \\ een gil geven. — tu of iu!ihnn.rvi?\\ het gillen, enz. — ajiasi! iix iji na 1 \\ gegil o/geschreeuw vnu alle kanten, algemeen gegil.

is ijiitji%\\ kn. 1. zie rQni^w —2. door dikwijls zien hooren, gebruiken, eten of drinken, tegenzin . afkeer, walging van iets hebben; iem. walgen; volg.

WW. ook iem. vervelenj beu zijn van iets (vnj.

O . O .o ,.

TjtvmiWMyi). (unan^dK ij itli q ij u) 2 (un n die man

walgt mij.

^iKrj(rLi^\\ kn. zeere oogen hebben, een oogkwaal, waarbij het onderste ooglid vochtig is en druipt {vrg. TjiK^j(7U(i-jj/i en r\\lt;~ny}^n^J\\)\'

iiktj ulieen kleine soort ikiiu\\ 1. volg. Rh. of

O

oji ij /rui (hn/j\\ ook zva. (irn wij nu (Hijj\\ zie nog bij

0 o

(IKIfj^S Z.

(ik ij i li 2 anjj \\ zie bij ik (ru n\\

tj ik 2 ij ru (injj \\ zie bij rj ik 2 ru w

(iKVLUHj^s kn. — (tux-m(n.i(i^overal te vinden, bij

de vleet, (Tj.) Rh.

iik(ili(in(io\\ kw. zva. ik?cmni\\ de zee, oceaan {Skr.

djalani di).

Sauihi ^ \\ of hl. n i 4 ik (wihqj \\ kn. overschot van olie,

waar me ê iets gebakken of die in de lamp gebruikt

is; ook de asch van cigaren; en fig. zva. (bum

^i/j\\ (gewezen, afgestreden, van een strijder in

een gevecht. R.). — dm xQi ili q (un \\ ergens van

een kliekje olie aandoen, opdoen of smoren.

(iKrjULiij^s zie \'/^rj^w

ik (lj ijn \\ kn. van iemand, wiens krachten geheel uitgeput zijn door gebrek aan voedsel, zooals bij

hongersnood, R.; volg. Rh. dmnmi(w§n\\ zva. u cy ... a cy g-c7\'si,

(uns bij rLi (Kn w (IK mi féini \\ kw. poët. inniK irLi (fëin\') \\ zva. (3 ojj ajj \\ beroemd, vermaard, A. 30.

^V7U7^N zie

(iKTLKyn kn. lang en gebogen, van een taiajliiimjj\\ —

dn mn ili (fin n slank en fijn van leest, van een

£?gt;

manspersoon.

S S a S S

ik (ój, \\ iim irrti i^j ■ ri \\ ik ni inj en ui ik vy • n (rnjj \\ k .,

zie ■! li (u^ \\ en vrg. ik \'ips

ikiu\\ kn.; ihnikn\'is bekend of openbaar worden,

aan den dag komen, blijken, van wat verborgen,


-ocr page 945-

iclt; ((in hvji\\

a

iit\\ ri.i ■ rt \\

801

onzeker of nog onbekend was {ory. .mi urrj wt^y

— cun inn?ij)Tt 11 \\ iels aau deu day brengen, lt;?gt; \'

doen blijken, door een proef bewyzen. .l-lt; kn. naam van een hoorn, waarvan de wortel een bedwelmende kracht heeft, G.

kn. jonge uitspruitsel van de a^.ui ^

ILL/IW

Cquot;) O

ifC tu tj n s\\ zzz \'ixi ru ijni^w

iQijiLrè^\'r}^\\ kn. bevlekt, beklad, met strepen of

vegen besmeerd (vrg. trj iuz ij n hh/j). iui iui

ij ri%\\ overal met vegen kladden, (is? ij tuinf

ik tj irudrjnifs met vegen en kladden. — lw ilijj /ƒ

ijni2lt;rj\'n{\\ ergens vegen of kladden op maken,

iets bekladden.

ix tunanji of (i£\\i}ijryi(Hiji\\KN. aanleiding of middel

lol iets, om-iets te bewerken of te bekomen middel

of oorzaak, waardoor, {yrg. Ml. dj al au gt; zva.

ui ru als ook au en w n on \\).

)Lr~ncmji\\ met of zonder Knuri^ naar aanleiding van,

ten gevolge van, door middel van, wegens, ter

oor zake van. (ui ik tuik rij \\) nn : mi iki w d/n an

\' a (ü (i:nrja/n^ Wat aanleiding ook, het kan niet anders

of hij heeft er wel een, om enz.

itxaiïn tLgt;n/i\\KW. smal streepje, zooals een smal zwart streepje aan de toppen van de nagels door vuiligheid \\ en zva. van de wenkbrauwen. m / kn. j xm,v£nirurri(istyi\\ klein maar parmantig van houding, WW; volg. Rh. slank, fraai van gestalte van een man. (Vrg. ik iLKylj irc/l/ \'gt;)\\kn. naam van een groot soort van im .Sr\\

een wilde eekboorn.

{.) o q., /. O lt;rgt; Q- .

its hi d \\ of iu)iurn\\ naam van een klem soort van

krekel.

ik(wjofiiji\\ kn. 1. naam van een vogel bekend onder den naam van Martijntje. (ïid uniiax \\ een witMar-tijntje. ut iu hii (hjj^ een zwart Martijntje met een witte vlek aan de vlerken, ikquot;^ Y ^ een ander met witte borst, WW., volg. Rh. is de /uiKTïflN een vogel ongeveer gelijk onze spreeuw,

grauw van kleur, de ik /u ut) ut \\ - ii\\ irutrn gj)^

effen donkergrauw vaii kleur met gele snavel en klauwen, Martijntje geheet en, {deze kan leer en spreken), uk vu Mn Zi agj^ zz: .ik/u v ook

wel axiw)i^rj(vnd genoemd, daar die (ikjvhhvjj dikwijls op de buffels zit; deze is van kleur ge- I

lijk het Martijntje, met dit onderscheid, dat de toppen van den snavel en de nagels zwart zijn. ik ili im ij gt;»!H./jook wel llt; tu xn ajn \\ genaamd, is zwart met witte borst en witte vlekken op de vlerken. us ru tni ^jjjiLn J \\ gelijk de voorgaande, maar wit met zwart gevlekte vlerken. — 2. de schoft van een paard, ook rn0\\ zie anjtui(ka/i\\ itKnu (toiSjs zie :i?) hjw r egt af van krissen, vrg. (utru iEjI(Ui j en vjij tKz ru^\\ — 3. benaming van zeker fatsoen van krissen, waarvan ook verschillende soorten zijn, zooals op: ru im (amp;gt; tm \\ nes

G) O

au hhrr^ u \\ ik iliihïi ij rn \\ enz. ckh

{of (hjj(Kn) ik iLi }wjj\\ naam van de bloem van de plasa, die gebruikt wordt om djalaks te vangen door er een druppeltje vocht van de gadoeng in te doen, W.Jr. — unint) lu i^rrs dikwijls geel

afgaan van een jonggeborene, zie tj hm mw

O

ik(nj^ hnij\' n. , am i.mav^ ktj^nN., (Uian K., (urtj^nj^iHiijs Ki., iets vragen, verzoeken; ook, en dan ^

Ki. eischen, vorderen, a/nrrmauta^itu)\\ verzoeken de deur open te doen, om binnen gelaten te worden, an ui \\ wordt ook wel gebruikt in den zin van leh bitte: Met verlof! gelijk bv. in

de Wajang de vorst van Ngastina tot zijn oom Sangkoeniy anaji\\ ook komaan! o. a. W. II, 324).

intj) n poel. en in Waj. ook zva. an n ifn \\\\ — ojii

a non P _

i:m ikaijj^ uiijj\\ anayao^ arm agjjajjanjjs (M ^

iets vragen in het algemeen, het een of ander vragen, van deze of gene vragen; om iets bidden, bedelen, {en in dezen zin ook am i^ji av^ani J/n

O O Tgt; v • O

i m a Lj an)[j \\ an tin an ad) K,). n rj ui 2 aJn i:n) ik ru^ alt; njj \\ aw OjXj) an ujao \\ een bedelaar {vrg. iu an/j). ■ {toihQikav^ Hnjj\\ an^ruafiiafn(Kn\\ ik bid, wanneer

men een verwensching laat volgen, bv. maj(u~ji

o . Cy cy 0 /• „

ojü) » ui ifyi -Jjj an (IJl .ru mi q ajt) ^ i^i ij) ri^l {\\\\

... * o o o

R). — ajf) vm auj an mays r.rr^ tuj \\ rE|a77^

ih?)\\ mv., en iemand om iets vragen ö/* verzoeken;

van iemand iets vorderen, iemand iets afvorderen.

O

O

(un iTiii a ij mi \\ an aji ani ~jïi ani anjj\\ a.n^ aj^ ay,

ijirn \\ voor iemand iets vragen of verzoeken. —

O

aj)i^j) aiji (Hiijjn (ufuj ij)\\ oji agjj(ij^anjj\\ r/i (E^nrnjj tunjj het vragen, enz.; iemands vraag, verzoek, bede, eisch. iLjikjanaap mijn bede is, ik bid, ik hoop, zegt men wel in iïgoko, 20 aar men in Kr am a iui

tijdj) i.ijj tli zou zeggen, — (ui.wan \\ ook {vrg. ana

O


-ocr page 946-

862

o o

ik crxji i(ia\\

k. v. (i/fujnl(Fi\\ dank, W. P. 350. —

/. quot;) T 0 o n

ui inn vnjj of irlt; iïlt; nj tal n., t/n ij mi ?y itjnn \\

\' 0 \' quot; C ^ - O

k., un 7j cm rj anij (Uj^ anq en ^ ^inrnjj of tui

ijjl anj agi kt/i \\ obj. den. wat door iemand gevraagd verzocht, geöischt of gevorderd wordt; het gevraagde, enz.; volg. WW. ook vragerig, bedelziek van aard, zva. 7 gewone nh un liln(if? inyj^ volg. Rh. ook zva. Lrr.rnfrwalt;ii/j\\

ue^riQ Knjjs l. kn. het bovenste gedeelte van iets, en het voorhoofd. G.; het kuiltje in den nek onder het achterhoofd van een menseh, ook wel als kl. van (rri np ? miq\\ en van een paard, het bovenste gedeelte van den nek achter de ooren, dit volg. Rh. iS t?ï\\ ook de riem van een Javnansch hoofdstel die achter de ooren van het paard loopt. WW. — 2. en gew. (ïk^ ki. van m

nu a/J of n/iajimr.rt/js — tun tzjm njj rm \\ of urn

o o - (quot;) o

i:m ikh \\ K.\\. van (E riiarti^ of (uwminw —

iMnrtïi iijj hiijis hoog met het hoofd op de knssens

liggen; naar boven schuiven, o/opgeschoven, iy.

van een horstkleedje; naar de hoogte gaan, naar

boven schuiven, zich verhellen, Rh. het hooger

zoeken, tot een hooger magt zich wenden j ooi-

volgens G. opgaan, opklimmen; en in de hoogte

zien.

ik2 rj (ri/i2(tni/i. kn. voor de hand liggen, gemakkelijk te vinden; ligt iets. zooals een krijgen

(i/ntJt cn (i^i^crn iin/j). — ijia? ij n uihrj^on/js

wat gemakkelijk te vinden is.

iKvudajfs kn. 1. leeren band van een hoek; band, boekdeel {Ar. djild, huid, leer; band, boekdeel. Vrg. r^iumniajtn). 2. een geesel {Ar. dj aid, gee-seling). ir?jKici/i\\ zamcu ineen band.

ayrll \' l) *o 110^N S668^8^11\'0^ — uri i:m ru pi\\ 1. iets inbinden, een boekband maken. 2. geeselen. — vu (ui (hnjj \\ boekdeel.

(tK lunxin k\\v. zva. rf(stnm\\ en werrn\\ {Skr.djala-da, een wolk, eig. watergever. Vrg. uc nu (ia ni\\).

Cl i r» o

ik iwi (ui \\ 1. zva. iclt; /u ici n\\ — 2. ik iu ui \\ en ik n i (J^^kw. zva. (iJiamni\\ {Skr. d?\'a la di, dcoceamy, als Tj. Sëngk\' vier. — (iknuian uinnjj\\ zva. (Licm \'11 w

O . . O 0

zie iK.rij)(in\\ 2.

O .O » /

ik (Wi((u^^ kw. zva. tj mm (i^i (hi tyi\\ oy dj) 211 /, 1 vli\\ en (in ik on \\ {waarschijnlijk heizelfde als iK\'tiï i?y een kruipende plant zz= kh h doch fijner van hladen.

ik vu (in nis kw. zva. 11 ki cm \\ en Main \\ {Sbr.dja-

(nJS

lad ara, ecu wolk, eig. waterhouder. Vrg. v; vutin^).

iQ (ruij(fin aap kn. beslag voorgebak, met water aangelengd deeg {vrg. vm ij ia 2 an ^11 if to 2 anjj). W \\\\. ik vu (urijisKX. — (un rm tiï(i5njj\\ behoorlijk regel stollen op iets, op werk, op uitgaven, enz.\\ eig. een term hij het héngkatspel.

rj ifc i] au ajuj \\ zva. rj ik tj ru % \\\\

(ifjiu-u\\ Ar. zitten {Ar. djoeloes, het zitten. Vrg.

IK VU) Kl \\ ). G.

vk vm (iji ■ Ar. dj al a s a, zitten. (Vrg. ue^ vu G. fif^ iu(hj)\\ zamenstelling met verkorting van (fjuk :

•vm (fJi ru t ui iyi\\\\ G.

ik v 1.) ij ui \\ verkorting van ik vm 1 u rj hji \\ zie uk i m w (iKiruruns Ar. djaldl, kn. luister, heerlijkheid,

majesteit, van God. {Vrg. v,n \'fj^irjj vn/j).

ik ru 1 u dsn/j of vk ru vu) nsnjj \\ kn. het meer of min

wild rondkijken (misschien zamenstelling van ik

O

ruvK {s cn (tni ru asnjf \\ R. vrg. ia 1 li vu uyj BV. cn ik arri ni (kti ^ \\). — tun irri v u v u iun /j \\ wilde oogen opzetten, wild zien , zooals in een hevige ■ijlende koorts. nt^iuvuv(i/j\\ min of mcov wild of ook schuchter om zich heen zien, rondzien, rondkijken, ui (uÏikanivu(uruj^ freQ\' hetz.

ik vu tui \\ naam van een plant, (Tj.) Rh. vk ru[vji^vsrijfs ook wel vk(aj^tunys kn. het stevig naar beide zijden met punten uitstaan, van knevels. — xjï) uw(Wt{aj^(isri/f of (unr.nuvj^(isriji\\ zoo stevig uitstaan, ook wel van een staart, zie ook nn [(u^nsiip

Cl O O /

vir^rj 112 rj vji^a un r 1 ? 1 m rni iu[iui)(uiyj\\ spreekwijze

voor hij is nog iu goede omstandigheden, of hij

heeft den moed nog niet laten zakken {vrg. hij ^

tj VU* ljiLUI2 (UJf).

ik ruiij) n K w. zva. vk ru cia w

Ov

ik vi-j ij) n kw. zva. ern vji \\\\

ik v wdJi -ai \\ k w. zva. ik v u ia »»w

(iK rui ik 4 \\ zie iia trut vk ? w

OS- S

ruiiif^\\ zie nari^vf^w

vk vu ik tiwjj\\ zie va ruvk thun \\

n o d v

ik vi.j\\ if\\ iri \\ vk nj {voor i.lt; i^ amp;n) en vk vn\\ K\\v. ny. menseh (Skr. djanma, geboorte. Vrg. vi vit w uii.yis); als Tj. Sengk. één. ult; quot;j\'fi vyiJ)^ cciiiig


-ocr page 947-

mensch, R. de mcnsch in het algemeen, Rh. cm \\ -nhiToj) (Hi/J li^quot; i^nsi) (fn irr^(im (t?i \\ het spreekwoord zegt: een mensch mag niet min geacht worden. hk u) of (Kj(ik n zie hoven. — (Lrritrmlt;t£jj\\ im

rni ui ol 1. zich tot mensch maken,

lt;?gt; O lt;?gt;(J

als mensch geboren worden, zich in een mensche-lijke gedaante incarneren. 2., eti dan ook wQws als een mensch, menschelijk zijn, van een heest, dat een mensch verstaat, doet wat een mensch wil dat het doen zal, zooals een goed afgerigt paard, zevenmaal mensch worden. —

cT O A O „77^

dj) rtii rfj \\ aji vnii rrfjjs of (ijl vni nj \\ ook wei mhp: rij \\ mensch wording, incarnatie. lt;lj i~Sp ^ iijj o-.i (as)i ^ de incarnatie van een vijandelijk wezen. R. volg. Rh. (unvnptnjs mensch worden, een menschelijke gedaante aannemen; menschelijk zijn,jzoo verstandig zijn als een mensch, van een dier. — (urm dus mensch wording, nl. van een ander wezen-, metamorphose, gedaante verandering van een mensch

in een dier of omgekeerd y Rh.

r» O o

its /tj gt; \'iK ry n ik y \\ zva. jk nj w

ik m \'F j .rnji\\ kn. geheel ledig, zooals een geheel ledige kamer, R. ook naam van een zeewier {vrg. ru .TU.

iffiQasnjj en :i^iU(isrtjj\\ kn, met alle attentie, nauwkeurig, zoodat men op alle bijzonderheden let, hv. bij een onderzoek; ook met alle attentie iets doen, hv. schrijven, zoodat men geheel zijn aandacht er bij bepaalt, volg. Rh. eer pluiswerk, knutselwerk. — tunnx](Qnsïijis enz. pluizen, knutselen, heel fijn napluizen.

(isn/) soms voor {ji^ hji ikg^ï-^skn. ordeloos verspreid liggen, (u omiukvj. overal ordeloos verspreid.

o fj)\\ kn. — a/mfm rufEi met een zachte helling opgaan van een weg of terrein, WW. \'s /uof tfK«/i^j^\\KN. met lange haren, niet gekort of geschoren, van het hoofdhaar van een mensch en van de staart van een heest, hv. van een paard {vrg. nau)\\ en hfcvjivi ifji^\\ een santri met lange haren, die zich het haar niet scheren laat, voor een santri die niet leeft zooals hij leven moest. ^ zem.

7 (/*3*lt;rn?\\\\ RT. zie uk (F^i ^ tuil*)unji\\ zva. ^ (Tj.) Rh.

ii* hv) 863

(ikrut (fj)\\ kn. naam van de hloem van de wilde fjamp\'aka, van een hatihsel, en van een ghiding. n irj? )\' Jgt;2n kn. de staartveren van een paauw;het mooiste kind van de familie.—(tmirm tu yjn mooi opgedirkt zijn, WW. volg. Rh. freq. van ik

V(E1amp;S

i^ rj m? if /£.}\\kn. het misleid lt;?ƒ bedrogen zijn.— uil rrmtf n it rj o irtrj mi \\ iemand misleiden , door misleiding, bedrog of verraad er in laten loopen {vrg. on(ki ni rj tm\\ en y w trjmt nji ij

rjnffCwtHn/js freq. v. rj(ik(wMV/p GG.

i KN* hlanknahootsend woord, voor een plotse

ling naar heneden komen of van een plotseling verschijnen als uit de lucht gevallen (yrg. ij fff 2 ™fj)- hij plotseling als uit de

lucht gevallen. — un ihs (mqs am

irm^ £(rn/j\\ plotseling neerzakken\', neêrzinkeu; ineens ergens staan, als uit de lucht gevallen, fig. terneergeslagen van het hart, hij teleurstelling en derg.

KN\' Mdtoknahootsend woord voor een ge hup of gespring, «fwi/j (rnj \\ hup, hup!

7 2 CÏZ!Jls klanknabootsend woord voor een plotselinge plof van iemand die met zijn voeten op den grond neer springt of neervalt {vrg. iffni/j). — nni Jrm/? 7 \'ff ê amj) en 7/ \'jf1 frttx (00^ quot;^ 7 \'ff1

rrn \\ Dam. Woe.) zie hoven. — in r.mn riiitsz rrn r) (ni l i n , (yyi I

ijun\\ iemand doen afspringen; mei iets of iemand

dien mert vasthoudt, afspringen.

c ) O

iKn.irnji* KW. j njn int rucrnjjs zva. rj(iti?rj ik^kh/j\\ ook zva. (vu tyj tj) 2 eni/j \\

zeer steil, bijna loodregi, naar beneden loopend, bv. van de kant van een ravijn of van de diepte van iets {vrg. ik cmq am irm wi tujj en ikquot; * i.-c\\) — mi irgi\\ steil naar beneden loopen. — ,Kiiti^ L^nrriijj\\ van een steilte afvallen. —

cm (inji n steilte naar beneden, diepte.

7viaiyj\\ kn. slim, sluw, geslepen, doortrapt v. e. dief -, slimheid, sluwheid {vrg. (u^\\ en sluw van aard, een sluwerd. — (i^frunm(uyj\\ met sluwheid gedaan, ajjcie^rumet hoeveel sluwheid ook.

it\\ nxA (m s kw. zva. (V)dj) en isn cm itLi i \\ G.

iff in KN.; w m iff \'m \\ liksch opgeschoten en uit de


-ocr page 948-

1$

864 ti*iit/i.rn\\

kluiten gewassen, van een jonge of meisje (yrg. amp; i

Q (~Y

tuan\\). ihrïitlt;an\\ het\',,, van aide kinderen van

\'iy. cy

iemand, WW. zie namp;nmw ik jjj)cri^\\ kn.; veel hoog opgeschoten

spruiten rondom den hoofdstam, van bamboe; veel en reeds volwassen nog bij vader thuis of om hem heen, vau iemands zonen {vrg. \'ïk ruimi\\\\ JR.

. j.. n s

ut Cj \\ zie bij ik err^ w

liiJi rii \\ kn. , naam van een visch, ww.

iQiu irt of ielt; rn\\ kn. bezinksel van gekookte kollij, kollijdik, llh.

X • 7 • ■

iik itL/j oni \\ zie bij gt; w

uz if run} ail 2 \\ KH. naam ven een soort van groente.

n - o o

■u-lt; n i ^n\\ of i:lt; ij n nxar^\\k.l.i zie ni lu

nsnjj\\ kn. wild en woest heen en weer loopen , o. a. van Boeta\'s.

Do -no

\'^(rtidO) aiyjs zie irniJ) ern/js

;jf?rj aili 11 oajj\\ of i.lt; in tj nu i.i wjj\\ zie bij ik tj gt;h?. \\\\

O S O s\' • * i i i

ik ru cur^ n kn.; ik tu vr^n •hijj\\ iets dat na een maaltijd nog gegeven wordt, in de een of andere lekkernij bestaande, voornamelijk na een maaltijd, die men geeft aan lieden, die genoodigd zijn tot een of ander werk, of om te waken, ook nji tS ^i rj /li Oi nji genoemd. — un \\ m au i:^ gt;] n de lieden een ik tu i~tyn tnyi geven; aan ee?i maaltijd

nog een ik iu rm-7i in/j toevoegen, .Hl.

O / .... O X

ik dj i u ij mi \\ zie bij ik tf r.n w

iktj n i \\ k.n . lang zwierend, vayi manen of staar-ten van paarden, (l/iojnik^ njirn^\\ algemeen ge-zwier, van een menigte personen alle zwierig en weidaeh gekleed j {vrg. ik tj gt; u iamp;i ^ unjj .) volg. llh. ook lang, breed uitgespreid van ruige voorwerpen, van veren, haren, enz. bv. zooals het uitgeplozen kabelgaren van een zwabber.

(^lt;g.(ür^iwjj\\ kn. ; im x.m i^r^ ix^ pluizig, niet glad of glanzig, bezwalkt, bemorst, verbleekt, ruig, WW. volg. Kh. vuil, smerig, slordig,vuil.gemeen, onbeschoft, OW. 490. — tun i.rnnp^r.r^iai rj kus caus., ook fig. ongev. zva. {rr^ttj^^a/n^Kn\\ vaneen

land, rust verstoren. Men.

o lt;S) , o (?) , ( o 0 .

of iK iLi ip \\ kn. zwart [yrg. ui £r.), gewoonlijk alleen van een soort van krekel, die heel zwart is en hij zonder geschikt om te laten vechten, zie i^ .i:ii\\ soms ook wel van een mensch, zwart, gitzwart, {zie ook bij ik iuw).

rj ik i n

/ƒ of ijujiï n kn. klanknab. van een stap. — ij ik i ij ij ik i (in (inji of rj;ó) ? ^ ffó) 2 ar) anjj \\ stappen, heen eu weer stappen.

(iktiltnkn. ligt vrouwmeuseh {vrg. hj^miiuj).

ir? r3i\\ KN de nek van dieren, llh. (rn ^^2lt; v. e. mensch.) hu ik ru\\ op die plaats getroffen.

kn. ongelukskind, op een noodlottige stond ot te kwader ure geboren, bij o/* kort na zonsopgang, iif^rri^im f^s {waardoor men gedurende zijn leven gevaar loopt van een gevaarlijke ontmoeting te hebben met een tijger of ander verslindend dier); of bij of kort voor zonsondergang, (voorbeschikt, voorbeschikking, bep. voor het ongeluk, Rh.). au^ ui rj iu è uiyi \\ {waardoor men blootgesteld of door het noodlot bestemd is om door een tijger of krokodil verslonden te worden). Het wordt ook van een buffel of paard gezegd. (i^udJi .en naam van den zevenden zoon van Watoe-goenoeng en van de negende woekoe, en iemand, daarin geboren, is ook blootgesteld of bestemd om door een roofdier verslonden te worden, iit^ (rij^ ui nt^iojj\\ naam van den dertienden zoon van Watoe-goenoeng en van de vijftiende woekoe {De woekoe s a^rijitu) i?i en Lj:i*j/anjj\\ brengen volgens den Javaan altijd regen aan, die de dan bloeijende padi voos maakt, jji n unif^n^ Pac^ (^c

voos is doordat zij in die woekoe\'s gebloeid heeft, SG.).

rj iKii^ of iKrj tu^irij^ kn. zva. honk ! bij het krijgertje spelen. — (un ik h} rj ii^ r.) anjj\\ als het ware krijgertje spelen, van een oorlog, waarin de vijand geen stand houdt, BP. II. GO. 7,0 o wordt ook de oorlog met Dip a Negara (Oj^ ikij m ru rr? oriji gen. Rh. rj ik2 ru\\ kn. een soort groote n iKdiu\' (met een gaanderijtje aan alle vier kanten er om heen; vrg. Q(bji^1(hi R.), ook {of iic^ iu\\) naam v. e. soort hout, (Tj.) Rh.

ik (ij. of ik vy rtj (biyjsKN. im irn 0f

dmjj rr^ üujimet al zijn aandacht aan iets bezig zijn, volg. Rh. meer bep. zitten in gebogen houding zooals bv. een schoenmaker. ijj ij u an ^ r.^ iujjf \\

naam van een soort van batikiét.

S O - O D

i^nrji (ui/I of ^ KN-; of am k n

ii:jj (ijiji \\ {hn mijl \\ Men), voorover op den

grond of in een diepte storten of tuimelen; fig-


-ocr page 949-

IK AJ O tj \\

O *

865

in het ongeluk storten, ten val geraken. — a/n r m (ir^ (ui -ï gt;i mi \\ iemand voorover doen storten;

fi(/. in het ongeluk doen storten, ten val brengen.

. / - i- (P)

IK rJquot;p zie bij ixnrt^W

kn. vervaarlijk groot, (en dik WW.).

(ik ili wno/i.kn. een beentje uit den kop van een koe-

toek, of van een anderen viseh met een platachti-

gen kop, dat eenigzins een meuschelijke gedaante

heeft, en dat Jav. meisjes als een bruid aanklee-

den en er dan als een pop mee spelen; vandaar

ook zva. (ut d gt;ƒ {vr9 \'/071 ? y\\:n 1\' quot; /)• ^00

ook ij irlt; 2 ru if\\ ivïri (hi p J R. W W., volt/. Hh. zva.

ijmmrj lu un/j een pop.

jrlt; ui \\ kn. ; \'ik hji Ki)., toovergebed , gepreveld toover-

tormulier (Skr. djapa en dj dp a, gebeden, too-

verformulieren, spreuken uit de heilige schriften of

namen van de godheid prevelend. Vrg un ik \\ II.,

oj \'io ? (iv n en ik ieji ^ ? n ). Zoo ook in de zamenstellin -O o

(/en irc ut Yj tEtt iik iui i^j f i ,ui \\ en uz tui ij n/t ? (m \\

— urn r.iii :urin\\ over iemand of iets, zooals een J

geneesmiddel, znlk een toovergebed uitspi eken of prevelen.

Ilf\\ (IjI\\ KI). , Zie IKOJIW

) o Ct n Q c\\ O n o.

ik (i, it/j\\ kn. ; ik iU^ hti {(U^ h iiji\\ iuiixiïp i ^ gt;■ ii/j en (int

lt;ik u.y (u^urt^s overeind staan £gt;ƒ staande, van vele

haartjes, vezels, eindjes van binds els; ruig, met

uit stekende rafels.

ik ( iu^ uitfj en (uit (x m (ut asiyf \\ zie

tKyS\'h Kt ijl ^ klanknab. van het breken van een touw gt; (Tj.) Rh.

ik ij (iJij Utt/j\\ tianknah. v. e. slag met een zweep 3 of

v. d. veer v. e. slot \\ vrg. iK rj rt^iuiijj\\ ikrjffL^dtunjjs kn. het geluid van een steek in iets, zooals van een piek in een pisang stam, zva. tui tj tuy asttij y maar harder. ^rjiiu^d n^njjs zulk een geluid geven.

Tj (iK t ijIjtuitjj\\ eig. ij ik 2 ijuj^ imif \\ wettigt 7 Holt. jou vörrèk! (Tj.) WW.

neYl quot;tjp UÏLI™!/I en^t.tymji^.\',^^^^

enz., n. , (t-Jtaiii uttjin k. , (isttij\\ KI., iets krijgen,

nemen; iets dat kort hij is, halen; iets wegnemen

{vrg. uit rjiït tnt j en (if^Vji ~.^(unjj). (hii^ae^ajiihtijis

kn. ontfutselen en wegkapen {eeti regtsterm). — o

i/ti rin I / nit \\ enz., mv. — (uiiijn (ui,(trnrj(U}i\\ enz., (1 (l quot;L I

voor iemand iets krijgen, nemen of halen.

uk (ut (isiyj\\ kn. tang, vuurtang of nijptang {vrg. (ut iui


O o

rn/j). —

Ktijl

nnt iTttt iui i n

zva. 17/77 (UI

\'iflt; m (in/j\\ kn. oude he naming van Mndjnke, .\'ft.

O

(iK(ui.inji\\ kn. Japan, Japanseh {volg. Rh. f/etv. iv iiji\\). iji hn ii ti ui (tn/is .Tapansehe kip met fijne lange veêren {vrg. mt wn ).

i?ij in/j\\ Ml. Japan, Japanseh, volg. Rh. welligl Chineesch, {vrg. Q(ut an/j). u ii,ntw(uj (tnjj\\ zva. u i n t^ii (ijt injj\\ LuxsttiJi^da^ dun, doovsehijnend maar sterk papier, waarvan vliegers en pajoeng*s gemaakt worden. dJi^ ij tm? vlt; i^ nnrj\\ fijne gekorven tabak, veel door Chinezen gebruikt.

ut(ïn\\kn. zva. tj wii tjini [lt;u^ KiiHt/j\\ zie {(u^t^jjiHt^

(.) O

uk ut ifa nnjj Ki)., zie ik (ut w

iirlt; (ut\'n\\ of ik iui m kn., ut jn un j\\ Ki)., naatn van

een regentschap op Java.

^ mjn kn. in menigte verspreid, over een kleine uitgestrektheid \\ gew. van afgevallen vruchten en derg.-, fig. van menschen, ook van wilde dieren in een woud. Men.

u^uttjjs kn. nm. van de mannelijke bloem van de dj ago eng, SG. — \'t n i:m i^ij icnjj s uitgespreid overeind staan, bv. zooals de staart van een paauw; fig. ook v. d. armen, enz. Tj.

i it/js iets met een tang of nijper vatten of vasthouden.— (im urm (ui fo?t \\ meervoud.

ik (ui utijj\\kn. ; (Lii r.m (ut met het eene einde naar boven geslagen, opgewipt staan, losgesprongen zijn of uitspringen {vrg. (Lnni-iri in en (ik it^utat j). van zijn plaats springen of wipj)en, zoodat het verkeerd zit, staat of hangt; uit het lid gaan, bv. vaneen arm of been.

xk \'Ot inyj^ kn. — (utt rnt iui it tt ijs iets klemmen, inklemmen, tussehenklemmen, hv. tusscheu de bee-

. O o O o o o .

?ien {vrg, tjt ut (uiijj\\ um (ut nsttij en foi tn (unjj). —

tlit iK ut unji\\ geklemd raken. —(utr.nt (Ui nynjj^ het

klemmen.

nt^.u^ utt ij \\ i/nirm t yi5rtij\\ enz. t zie d^i.^Hïijjs irj iKy (ui(uty kn. naam van een platten zoetwater\' visch, JR.

ik (in t\'ttjjN kn. 1. klanknab. van een klap, bv. met de zweep of van een voetzoeker enz. (vrg. ik ij 11^12 itrnjj); tmiruiIkfyft Ktijj\\ slagknip , valstrik. — (un uni(i^iicnrj\\ op- of openslaan, op- of openspringen, zooals door middel van een veêr; een voet naar

55


-ocr page 950-

8 li 6 ïk

de hoogte wippen; ouk wel zua. ut) rm gt;u iL^\\ — leïii hiuiH]ji\\ val, knip {vrg. lt;ec in quot;jjf)\' ltlt; \'{\' ^,\'rl!^yis muize- of ruttevai n.i ijrix ivri^f (hn/j\\ een valdeur, deur met een op- en neerslaand blad. .utiihttthii u hti(ma\\ een hoofddoek zoo opgemaakt, dut de punten van achteren breed neerhangen en een driehoek vormen, die bij het gaan als een klep op- en neergaat, zooals de pandjïs en boogschutters van den Vorst in hun dienst kleeding en do dragers van de insignien van den Kroonprins dien dragen. vrouwelijke bediende van minderen rang;

Zie IU WlHHJjW

^iii)ji\\ kn. , ojii ilm ^ hnjf\\ van schrik opspringen of opvliegen {bv. van ten gemak); hevig ontstellen (vrg. iijtt ïj.v.trn n.) ); ook zva. maar

doffer; vrg. un Tj., W. 1, 110.

ik rj lu \\ kn. zva. h?uhnj\\ maar doffer, klank-nab. van een slag bv. tegen het hoofd; van het splijten van bamboe, enz zie tj (urginnjj i/rt i:m rj openbarsten, doorknakken, opensprin

gen (erg. i ?/ i m ik ui li \\ HZ Itlt;iUinji\\ VV. I. 461.

ik ui ui \\ kn. het uitgestrekt zijn van de armen {vrg.

. ^ • ) O Qv »

lt;.1) ui \\ ik im un q \\ % h n tw n eft ik ui ui\\). — n n i:m ui üi \\ met uitgestrekte armen liggen of staan. ■Llt;uiui\\ kn. opgestoken, van de oor en, zooals van een paard {vrg. ik ui ui\\). — a/n im ui uh de oor en opsteken; ook de vingers bij het spelen op de tër-bang optrekken, Rh. — un lim ui uïui n hn\\ de oor en overein d zetten. {un r.rp ui uï « ij nn uï\\ steile ooren zetten, voor zich boos maken o/kitte-loorig zijn, ook van een mensch, vrg. bij tin JR.).

O . * CV O * t ( y

(uz i ^ i ^ \\ oj ik i ^ i\'h \\ kn. , nm rni i ^ i of unxip

uj \\ ergens dood of als dood uitgestrekt liggen, van

een lijk of iets van dergelijke grootte) JR. volg.

Rh. opzwellen; op liet punt van ontbinding bv.

van een lijk.

ikuis kn. I. naam v. e. door Chinezen gelief de lekkernij van droog gebakken ketan met. suiker gt; Rh. 2. oude hen. v. Bodjariégara.

icc,tj)NKW. zva. tuiiry* v. e. onverwinnelijken vijand:

un lyriJi.iKJJis Men.

iKflSx of ii(ikfiJi\\ kn. een groote koperen, metalen ketel of pan (vrg. i.n vi iu\\).

(ip^.ui \\

L^d\'oi\\ KW. zva. u ri\\ {Skr.jodi, strijder), fif^^j» ui

un \\ naam van een land van Wrekodara.

o . o rfdKriJts zie i.Kdoiw

^tiKddJns KW. zva. (hli iuiiJijj en (urirfjjiiw {volgens G. met een touw binden; ten onder brengen, overmeesteren; ook zva. uiur^^un2 ikn om strijd trachten ten onder te brengen. — ifnnqiKiuns kn. het onderspit delven, overwonnen worden; ook verongelukken.

iidKi yfa.ji2\\ kn. paar o/koppel, van twee of meer die goed bij elkander voegen; gade, egade, wedergade, wederhelft; pareu met iemand, goed bij een ander voegen, zooals van man en vrouwy ook van een min bij een kind; goed op o/bij elkander passen van zaken, (^misschien voor tj(ljizrjhji2\\ van ijdoièw vrg. tjurnrfdKi ). hJrjdKdij (iJi2\\ een paar of koppel. \'Uni ij if\\ t ijnoi i * elk een paar. — un n ij i:mzrjaoi ? \\ zich mei mi paren, verbinden.

— unvj i:rp 2rj(in i ikn ju ij hu \\ iemand als eg{i paren, in den echt vereenigen, met een ander; laten paren ; tot een koppel of stel vereenigen met iets anders quot;f met andere. — uin^d^zirjaous zva. ïj iKZijiiJii \\ G. — z ijiiJiion/I of ik ijijxoiz anjl\\ bij paren; te zamen, man en vrouw zamen. tj i\'v 2 un ik rj ikz ijaoi ? (injj\\ twee echtelingen. Zoo

ook Ij UI Z IK Ij (IK Z If (IJl Ziy WJI \\

y ikzij7J)^\\ kn. niet behoorlijk gedekt, zoodat bloot

is wat bedekt behoorde te zijn, bv. zoo liggen te

# O o O

slapen. — un rrp tj ik ztj ioi { un , zva. un urn rj ik z

WW,

ircijn of Ue?de kluuk van een schelle stem.

O / OtV . ï s O S van een man. iKdJi ik iji \\ of ik ui ik rj iji \\ met een

schelle stem, bv. om hulp roepen {vrg. ain\'lt;j

Tfls). G.

\'iK(ic^\\ klanknab. i.s ^iji maar doffer, zooals v. e. kanon.

ik tj dj) n ik tj un t \\ klanknab. v. e. geweerschot, zva.

O G)r Oas an ficiw zie ook ik ijiw

if iKz^aoi^ kn. ontdekking. — tunrj i.mz rjdJi n\\ of

un i:m tj ik z ij ui ■ n \\ iets dat niet hek end moest zijn,

ontdekken, openbaren, verraden, zooals tranen,

die verraden wat er in het gemoed omgaat; {iets

afluisteren. G.). joivj ik tij ifin cmj^s ontdekt worden;

te zien, zigtbaar zijn. — un rj i nizii iji rivj ilt;n\\nw-

ken dat iets ontdekt wordt.


-ocr page 951-

O

ik rj dd) 9 iimji.

ik\' Y KW. IJ (Lil 2 tjOTtl 2 UI) (Hlfj \\

O — quot;gt; m*

tlt; rj ?J) (lüjl - ik ij ui 2 üiyi Ij.

Qi?tasn/j\\ {uitspr. djëdiet), klanknab. v. e. haal door

een amfioenpijp. — «k / jj mi anjj — één haal,

een trek.

^r?7ƒ ij}2(Vgt;ii/j\\ kn. het geluid van een geweerschot of

_____ O O

iets dergelijks — lt;fs y / j» v enz. ^org. l-lt; rj ipnui).]).

(ie^ fiij iJi2lt;hHjj\\ ploffen, zooals buskruid dat ontploft.

n. , plat voor sterven, krep eren, van een heest {vrg. ii£m\\ en nfE/it ui\\).

iimij) kn. zva. tj lt;U2 ij 112 hnji en —

nnrmiJttuji^ iets uittrekken, uitrukken, lostrekken, losrukken {vrg. (un nmiin iu/j).

(?gt; —

kn. uitkomen, naar buiten komen, bv.van Iemand die de deur van het huis uitkomt; vrg. volg. Rh. ook zva. it\\ ct}n ijj\\

o , . rt

is\' /y iuji^ n. zva. hji ti t ijj m inji i/ti irmaj^ n jj -

paren, van heesten; een plat woord zva. n/n^ni^

HUJjS

i^ö/u^sKN. zva. Q rnjj\\ van een weg, stomj) of blind loopen. — tt/nignw tuji\\ af, ten einde zijn, van een werk [vrg. JR.; volg. Rh. ver

stopt, zooals bv. een buis of pijp; ook zva. lt;ïJ(U stroef, beklemd v. d. stem, Tj.

i-\\ tj ui2tyj ui2 ini/j\\ kn. slordig, met niet net aan het

lichaam sluitende kleêren, gekleed zijn, GR,

„O r O O

i-lt; ij ui 2 ij ij)2 oj (itlt; tj u)2 rj u) 2 (tryj\\ kn.; un i:m rj

ij ui? ij ij) 2 (vin^s enz. maar onbeweeglijk zitten, zonder iets uit te voeren {vrg. tun rj ivn 2 rj mi crrtji).

kn. 1. naam van de aloë of een soort van aloë, en van de daarvan komende gom, ^ dicijn gebruikt wordt, {bij Fil. Aloë vulgaris, DC. Nat. fain, der Siliaceae.) 3. een plaatje van goud gt; zilver gt; hoorn of iets anders, in den knop vaneen oorkrab, daar liet rosetje van juwelen op vastgemaakt wordt; WW.; volg. Rh. email, \'u^ ijiikiji een oorkrab met een djamp;damp;m.

kn. een eerste baas, bv. van een vechthaan; ook een eerste baas in zijn vak of in kunde, ook onder Groovers, GR.;de voornaamste of rijkste, van een plaats, WW. vrg. rn 10^ yiijj.

ik ij) *iyi kn. — tumiirm) nyi\\ op zijn rug liggen;

vrg. nyj)?\\\\

OO

^ lt;j) »71^ kn. de plaats, waar het s\\)oov van iets, dat

Siincmji^ 86?

men opspoort, of van roovers, die men naspoort, ten einde loopt; de persoon, dien men bij het nasporen van gestolen goed eindelijk vindt als den geen, die niet zeggen kan, van wien hij het gekregen heeft, en die dus voor den dief gehouden wordt; ook de persoon, voor wiens reken\'i.g ten laatste iets komt, zoodat hij gehouden is het te betalen (vrg. crnjj en hiinpn (rnjj). — iun 1 m (ij)cniij de plaats aanwijzen, waar het spoor van iets ten einde loopt; en goed, dat men kwijt geraakt is, nasporen om den steler te vinden, mi ik (ij) od p zoo nagespoord, dat men eindelijk den steler er van opspoort. GR. — itm iQain rr^\\ ergens ten einde loopen, van het spoor van iets dat opgespoord wordt; voor iemands rekening komen, zoodat hij er voor staan en betalen moet. )lt;n itlt; fj) m J lt;rn

()njj\\ wordt gezegd van de plaats waar of de persoon bij wien het spoor van iets ten einde loopt; ook het voor zijn rekening krijgen.

ik i?) om ij kn. keurig opgemaakt van een vrouwenkapsel, of om het hoofd gewonden van een hoofd-doek, \'WW.; volg. Rh. slordig, onopgemaakt, verward van haren, enz. zva. ik cr^crny en ik

ikttjjjnmji. kn {of ht) itlt; fu^ ïiyj\\ m/. tegen aankomen of loopen , bv. tegen een muur, Rh.), ergens aankomen {)j(H12 rj051)2(rryi in den zin van £})omifi/j\'j, en ergens uitloopen, van een weg, R. {zva. tunrj

rj r.m 2 amji\\ en vrg. (i^u) (rnjj); volgens G. zva. ik

Cquot;) ^

!ij) (yyi/j\\

o quot; n /\'

ik ij ij) 2 (rnjj \\ k w. zva. amp;) mi w

iie^ u) m p kn. diepe plaats 0/klein ravijn tusschen berghoogten. — mn irpiw crr^q steil afloopen tot een ravijn; iemand of een beest in een ravijn doen storten; fig. iemand in een ongeluk doen storten/ en iemand den voet ligten, JR. uit zijn betrekking stooten of dringen, WW. io)(ii^ij)rmjj\\ acc. passief.

viiji n kn ten einde zijn, aan zijn einde zijn, bv. vag een weg, die niet verder gaat {vrg. ik dj) mi/j

en ifT hlrvyj); volg. WW. ook het uiterste, enz.

1 o o . .

zva. if i\'))2 1, at^ ij) cm ~/ii xi^M) \\ niet meer weten te bedenken, ten einde zijn met overleg of raad. — (un i^jndj) cmjj\\ zonder een woord te zeg-gen , stil zijn; zwijgen , Rh. —■ /hu rn

5B4


-ocr page 952-

868 rf iK 9 rjdJi 2 (rn/j\\

iu dien toestand komen dat men niet verder kan.

i vioi ri i l.iez icini) ihntius ik weet niets meer te be-(l \'O, l aii ui,

denken, ik weet er geen raad meer op. rj ^2 rjuiicrnji v kn. zva. (uniuzcrn ^nae^criyj^ lampestanderd. — run ^ r.rni ^ /jj 2 arnjj\\ maar onbeweeglijk als een standerd blijven zitten of staan {vrg. ti n

O \\

i :ni »|| ui 2 ij ui 2 wyj).

O 3quot;

jisr ijï\\ kn. gemetselde bak, waterbak en TP. zva. im

om zich in te baden.

irc^NKN. naam van een haarlooze rups, tv aar van de kop een weinig naar heneden gebogen is. —

lt;k iWjj \\ gelijk een x/tj vy i:lt; \\ van de bovenlip van een paard, als die e enig zins over de onderlip heen steekt, V geen voor een deugd gehouden wordt, Rh.

tj7jj\\KN. piepjong, van een kind.

gt;j hs\'2 ioi\\ kn. groote , langwerpig vierkante bak, waarin eetwaren ala ^ ? rj jt/tï 2 (hnjj \\ vervoerd worden, WW. volg. Rh. itt het algemeen om eetwaren, vruchten of ook wel borden enz. van de eene plaats naar de andere te brengen, meestal door tweepersonen gedragen. tun r) i.m 2dh , in een djodang

vervoeren, WW. — un n ittti 2 dh nn \\ iets in een \'

djodang doen. — rf 1x2 ih 1:1 wjj obj. den. Tj. met een ni ik 2 ici \\ of bij ij ik mjj \'snn ik ik \\ 1. ki., zie ijitijiw — 3. kn een rontventer van eetwaren en snoeperijen langs de huizen j volgens G. ook marskramer; en met koopwaren rondgaan {vrg. — *k ik ■inn \\ eetwaren of snoeperijen koopen, bij een rondventer, aan een waroeng of op de markt; snoepen; ook zva. tut ik UKiHyj\\ —\' n/n rm ik un ^rrirj uit \\ geld voor snoeperijen uitgeven; er snoeperijen voor koopen. — ik iiKunui^ koopgoed, op de markt gekocht goed, niet besteld, doorgaans van slecht soort en niet solide; snoeperij; ook snoeplustig.— u ik iKon/js snoepduiten, zakgeld, drinkgeld.

ikik\\ kn. vies van iets zijn, van iets een afschuw hebben, en zva. rjian {\\ (vrg. iKtrms), het tegen-overgestelde van ij 102 ij }lt;n2 lt; en ; 1 rj m? ^ irru \\ ^ vj vn 2 ni iiK ik ik ik \\ in het geheel niet vies zijn, wel durven, niet schromen of huiverig zijn. — i,n

V?1 ik tj ik nnjj of nn n ik ij iclt; i,j m/j\\ verbasterd tot

a o -or) ,

Kn (UHKi rj iji (mji 0/ un gt;f.i v gt; y iji y overdreven

vies zijn.

quot;TT

upj it^s kn. ; un een beest het voeder in den

bek stoppen, ook wel een klein kind voeren {vrg.

(unri rmi) ,}U2?\\ n/n hi nu \\ en un iui im cm/)) ■. ook

1 n. ( ^ (/1, UI\'

een gat met iets stoppen. — (unr^ri r^ ie:2 mv.,

— .un irm ij ik 2 hm -ju ij iagt;\\ iets een beest in den bek stoppen ; een beest het voer in den bek laten stoppen; met iets een gat stoppen.

tj l-lt; 27) ik 2 k n . naam van een slinger gewas, waarvan de lange, dunne, taaije stengels tot bindsel gebruikt worden, sterker en duurzamer dan rotting\', JR. Y) ik2 ij ikiiviK2oy ik2 \\ proberen , een proef uc-men (vrg. ikikiLijj); WW. in BS. 619, waar-schnjnlijk wegens het rijm, vf ik2\'^ ik2rjik2111^2 voor ik ik ik ik \\ met koopwaren rondgaan; vrg. evenwel Ml. djodja — doega.

ik -Ik {\\ kn. op een plaats wel bekend, doordat men er veel komt; ergens goed in thuis; ook het pikken of bijten in den snavel, v.m vechtende gümaks, WW.

11. — i/ni7)niK^\\ (ergens rondgaan om iets te zoe-

lt;?gt;

keu G.), (vrg. liet wordt ook verklaard

door i?iia een land of streek doorreizen, doortrekken; bv. om te verkennen, erg. rondreizen enz. in un ik{ i) in i i\\ een spreekwijs voor overal rondtrekken om rond te zien of te zoeken. — un jrmik q nm \\ mv., landen bereizen bf doorkruisen. — ik ik^un chi^s grondgebied, onder-

hoorig land, (zva. WW.), ook zva.

OX av

xm f 1; ii n f i gt; un m n \\ \\ 1.711.1 ik i c ; un uj ri 1,112 inn \\ ros -J* ^ ci 1 ch

zijn kameraden ruim baan of ruim veld bezorgen, voor behulpzaam zijn.

7jiK2ijiK2gt;y of rj ui 2 ifiK 2 ^ kn. een stok of iets dergelijks om mee te stooten of te steken, (vrg. rj w 2^17x2 %\\).— 1-11 gt;1177711 tj IK gt; ^ \\ of *11X12 7) IK2 %\\ een obiect daarmee stooten of steken, of er mee erg. insteken of stooten, nl. met grootere voorwerpen dan ij 112 ij (ui 2 ^ w fi/n rj irm 2 rj ik 2 { i n\\ mv.

— (Uïi rj inn 2 rj ik 2 { un rj mi \\ met iets, zooals een stok, op of tegen iets stooten , of een obt. steken.

iiKiK\\ kw. zva. ilt;n y7\\ kn. op een rij met of naast een ander o/elkander; van denzelfden rang, vrg ifiKiyiKs; (ook gemeen, gewoon, zooals in ^ un ik \\ gemeen soldaat, en 1,1 un rj r 7 2 irtti lift on\' 11 ik L\\ \\ gewone regenten van de Mantjft negara , in tegenstelling van hun ui ia in uy ut i n vn WW.).ivn irl)(Ld rri n ik ij) 111, n/j de gemeene klerken


-ocr page 953-

z\'

irj tct ij iclt; \\

8G9

van den Vorst, W. ïl^ of »rc l-c tui rr^ j \\

op één rij, naast iemand, zitten. — nn i.ni llt; \\ op één rij naast zich nemen. — (lii or» ^ -fl^ in rijen voor of achter of aan beide zijden van iemand gaan of geschaard staan; met iemand op één rij gaan. — ^ rij, dubbele rij van een stoet;

personen die in twee rijen een vorstelijken stoet vooruitgaan; hellebaardier, (imm(mjjs hellebaard , hellebaardierspiek. ik -n tu wj^ \\ rijen lansen met vlaggetjes aan weerskanten van de weg.

— (U /--v «re •gt;\') lojj \\ nm. van een rijk in de oude tjesch. van Java, voUj. legende, ter plaatse van Baioe Toelis, hoven Buitenzorg.— rt/ L-c

zoo woest en gevreesd als (de tijgers van) Padja-djaran.

y\'V

ult; i:lt; • kn. régte stand; overeind, van iets dat staat;

(op zich zelf staan 11.) {vrg. un xa ^rn/j \\ i--lt; iQcmjj ■ )Cy v .

en Mi(in\\); iets, zooals een tuinstok inden grond, om iets overeind te houden; 11. iemands stand, rang of aanzien {vrg. .ircjyx); dat waarmee een verhaal of gedicht wordt opgezet, het eerste waarmee het aanvangt of aanheft; basis , grond ; het ware, het eigentlijke; hoofd, hoofd-zaak, hüüt\'d-verhaal; begin, inleiding, ook, volgens G.^ tie titel van een hoek. de eigentlijke

naam van iemand, in tegenstelling van een alias.

O CV

— wiiTin Jrs \\ als een paal o/* stok regt overeind staan blijven, regt overeind staan, uriiik» ^ f . (of \'Vr/\'rC) ^^\'b7\'N dat waarmee het verhaal

wordt opgezet, de eerste aanvang of aanhef er

O Cy -gt;

van. — tun liit iclt; n te droogen zetten van padi met de halmen naar boven, als het bewolkt is, SG. — aynirmSf n ij mi\\ iets regt overeind zetten, maken dat het regt overeind staat. — gt;7 wat als \\^ult;\\ beschouwd wordt; dat waarmee een verhaal opgezet of aangevangen wordt; ook toestand van te veld staande padi, hv. ui nun op het veld staande padi koopen, llh. en Kl. van (injjs

regt, in een regte lijn, hv. regt snijden of naaijen; fig. regt bij zijn verstand; en regt door zee, regt voor de vuist, rondborstig; eerlijk, zonder streken {vrg. (ur^ii^\\ en volg. Rh. ook onbekommerd, onbezorgd. — (unxnri(i^\\ regt ^•j iets, zoo als een herg, op gaan. — ilt;iite^a^\\ zie hij a/t^.it^w — regt door zee gaan,

rondborstig spreken, eerlijk, braaf en zonder streken handelen.

ij.!*: ij i\\ \\kn. op écu rij naast elkander staan, zitten of gaan {vrg. itlt; ult; \\). ?ƒ ire ^ irlt;mi rj - n ? \\ cp één rij met een ander of iets anders, ij ikrj ik ru ?^ni2\\ twee naast elkander, ij 1.% ij ik rj iui2 tj rj nuid ^ 2 \\ op iedere rij twee. ^ ik vj ik oji uii \\ op écu rij geschaard als de wajangpoppen nl. van de gr ooi ere afdalende tot de kleinere, Tj. — mn rj 1:111 ik \\ op

één rij nevens elkander zetten of leggen; 071 zva.

s

(L n rm ik w

ij ik 2 ij ik2 \\ — u 11 tj i:x 2 vf ik 2 \\ zie hoven

^ * n ^ n ) n n

i lt; i:lt; hii/j of (ik ik mijjs zva. i . i.\\(rnjj\\ (r. — un i.tn

ik hn/1 enz. trappen; iemand een trap geven {vrg.

o j, o O v C) O

11 net h n fj o f i 1 (iet i. nji en ajti artj (uunijj). ik ik

hu(inji\\ drempel, dorpel {vrg. iu nrt ujt^jj).

nn ii) ■

ik ik im/in tun i nt ik unenz., zie ik ult; nat/j\\

iiejaf^ncij] KW. zva. (Ujim/j\\

iiQ.ult; t tij\\ kn. bindsel van rotting, touw of hand, waarmee bamboezen vlechtwerk aan de stijlen of hoepels bevestigd wordt. — (un um iK (hiijjs iets met djëdjët bevestigen; ook kil, ijskoud, va7i het lichaam hij betasting{tot versterking achter lunajt (fji/j0 snerpend koud); en smakeloos, van e^w kost

door gebrek aan zout of kruiderijen {vrg. iht l i \\).

o O ) ^ * rx

— i n i.nt ik 1^1 mv. — ik/ x (i^y wat inet aje-

dj6t bevestigd of te bevestigen is.

u^iu^utyj\\K.N.; :un utn icyunjjs iets langer maken, door uitslaan, hv. van een ijzeren spit, of door uitrekken; boomwol {kapas) als de pitjes er door de giling an uit verdreven zijn uitrekken, waarna de quot; bewerking v. uit iJ ia asn^ plaats heeft, enz. — iiKaejtiflj an ij gt; obj. den. verder 1. kn. benaming van de grootste soort van wajangpoppen. 2. K.,zie un (lkkiqs* iik ik n.jjjskk. 1. het beproefd worden van iets-, voor de proef, om eens te proberen; eens, tot proefneming {vrg. n mi 2 .uni -). 2. ikik tufj, en heter (ici ik tu/j\\ Ar. daddj dl, leugenaar, bedrieger; de Antichrist; ook ij ui un un ik t t^i utj nsnjj of ikikhu hijiutt/j\\ genoemd, ik ik tinais eign. van een Boe-

ta. ik ik \'tui ik ii !/J \\ tj Il-j) 2 iim tj Ut Z lütl \\\\ - u tl i nt ik

1 Lijj\\ iets beproeven, proberen, de proef van iets nemen; iets, zooals schoenen, passen, aanpassen. x tK vm (?(tjj v iets dat bc])roeflt;i, ondernomen of


-ocr page 954-

O O

ik ik ru/j \\

870

\'YTW

aangepast wordt; waarmee of waarop iets geprobeerd wordt; een proefstuk.

irlt;irlt;rujjs kn. propvol, opgepropt vol, stampvol, eivol, zooals van een \'plaats door de menigte van menschen, Jn ic?iru/j\\ fig. overstelpt? K. 4,50.— mn^iQ(n^\\ iets opproppen, ergens iets inprop-peuj plat voor iemand de kost geven.

overvol, meer dan vol, van een plaats of plek niet ruim genoeg om iets te bevatten; overstekend, Wil.; te lang of te veel; te lang hv. voor een bepaalde ruimte, wat er over of te veel is van een muntstukgt; waarmee iets betaald wordt; iets als te veel teruggeven, ook zva. ^.137)2^^200?^ toegift bij een ruilinggt; (fig. overvol, overstelpt, van vreugde; ovGwXonifcwamp;Q van dankbaarheid; vrg. «r? iQ tujj WK.). — iets dat vooruit

is, achterna gaan of achteropkomen, om het in te halen {vrg. iu^), WW.11.; na een, die vooruitgegaan is, komen of gaan ; ee7i obj. achternakomen , Rh. — ivn rjirtz tu\\ een bode of bood-1} n. J

schap een tweede achternazenden; aan iem. het te veel betaalde teruggeven, nnn^d^tu/js ingehaald

raken , door een achterkomende bereikt worden.

on •gt; n

enz. kn. zva. tintunu/js enz.

iisnji kw. zva. a/nchn^riw G.

irlt; dji ia- n verk. if i ne^ ik n Ar. j ddj 0 e dj a w a-m d dj 0 e dj a, Gog en Magog; volgens de Javanen naam van een duivel die door Nahi Ngisa in het laatst der dagen gedood zal worden, JU. volg. Rh. van oudsher, zva.

i/v /kkn. waar men grond kan krijgen, te bejjei-len, van een diepte, bv. met zijn voeten, als men in het water gaat staan; met een stok of iets dergelijks; grond krijgen, den bodem bereiken; grond onder de voeten krijgen; ook zva. miui ernjj goed gecvenredigd van lichaamsbouw, W. 1, 90; deftig, manhaftig ongev. zva. ernernf, W, II, 164.

ernjj \\ niette hepeilen, onpeilbaar — njitrm ifc\\ iets peilen, bepeilen; fig. polsen, beproeven, bv. iemands trouw.

q\\t}(ynn\\ kn. regtop, regtop staande, niet overhellend, regtstandig, loodregt; standvastig, vast van

beginsels of karakter, volhardend. {De grondv. is

O O OO\' O

vry. (un.ult;(Yii^\\ nt^ err^j\\ tui (ia \\ en /s

r-x \\). — iniinir? an ^ hh\\ iets, dat ligt of scheef staat, regt overeind zetten.

q \\ kn. de plaats waar iemand zich regt streek» naar toe begeeft, {als het niet is om er te blijven; waar iemand vooreerst naar toe gaat of naar toe moet R.) {yrg. crri^j en iWDtajjy — (tn om zich ergens (vooreerst R.) regtstreeks n?iar

toe begeven; tot iemand zich regtstreeks vervoe-

cy

gen; volg Rh. ook zva. itn ,hn \\ althans in Banjoemas,

\' quot;wj 11 a ^ cy o

zie VVr. en A. 1 n r/y zva. anten\'tis en

__o

a/nxnva^nriiiffois zva. iin mil m ij ihuw —tunx:m.tc: oh (jon I I }i

otj\\TP. om iets zich ergens naar toe begeven, zva. ii i ri np. of R. in Banjoe-mas zva. .1»

(bn n ir) ihrti w Rh. — a/n r:m(iKlt;rti tj uu \\ met iemand of iets zich regtstreeks ergens naar toe begeven , om hem er te brengen of het er te bezorgen, {niet om er zelf te blijven. R.). — (t^^ae^ernjs poet. zva. waar men di

rect (het eerst R.) aankomt; het naastbij gelegene; dat, wat vlak voor de hand ligt.

7^ /.s fj(ik ernjj\\ kn . korte draf {vrg. vjciKdrj^tarnjf). —

* )} if rm tj ik (tii/j\\ in een korten draf loopen.

tj i/squot; ? ik 2 ernjj \\ kn. draf (vrg. r^(ie:r^ne; amj^).— iUii ij tj rm z iclt; 3 cnyj \\ draven. — xyn irj .1:1112 rj k ? nrn rj u n \\ doen of laten draven, in den draf zetten.

ik uk mi (kij^\\ zie bij tj /\' lt;? an w

lt;iamp;(lvi\\ kw. overwinning, zegepraal; overmagt; heldhaftigheid, overwinnend, zegevierend; overwinnen,

de overmagt hebben; overwinnaar; geluk, gelukkig

, o . O • ^

{vrg. ni UKiihis xji^ irj n.iy\\ li n \\ i.i^ .ut

O ■quot;gt; v . . . o

i n/j en i«. ^ i ui ((L^\\ ie: rf(Lviae^\'n tenjj\\ ik

ifiLwnaas j-s ij i\'u hjiiii ij cm ? anj^ \\ overwinnaar in

den strijd of op het slagveld, (ikrj(lüiLitni \\ bena-

ming van de inlandsche ka voller ie. ik rj (iaji li^^\\

benaming van een corps pradjoerits in de kraton

te Soerakarta. i^aii ii i i^(m\\ naam van een goed

te eken { fji if) \\) i7i het haar van een paard, aan

de voorhuid {ajnmianyj). Andere zamenstellin-

gen, zie beneden. — ,1 n inn i.u \\ overwinnen. —

tin iniduiHtt ^/nrjiiii iemand doen overwinnen,

overwinnaar verklaren. — m^nLuw of it^ikihvi\\

zie (Iji ik wiw iijiik(WI\\ zie boven.

ik m m ris kn. naam van één van de twee omheinde S It

Waringinboomen op de aloen-aloen te Soerakarta {vrg. rj 10 ui mi ni \\ bij rj nn ui \\).

ik 111 yn 101 \\ eig. van den jong sten zoon van Batara


-ocr page 955-

ik (i/vi rn

871

Éndr\'a {Skr. Djajan t a, ludra\'s zoon ^ met het deminutief of verkleinend aanhechtsel ka. pk.).

,iS\'LLin^\\ Ar. Ü.bj\' zij drat, kn. bezoek, bede-

• • O

vaart, vooral naar een heilige \'plaats {vrg% u.hiec

een bezoek gaan brengen, bv. bij een heilig graf, ook wel bij een bejaard of aanzienlijk bloedverwant, die wat veraf woont. (PL.) R.

m MjI.h^ajj lt;£) \\ zie bij

(1 - o

,1^ihLi(iüjj\\ zie vkihti(isnjjs

irc iu \' eigennaam van Sindoe-rïdja {Skr. Dj aj a-dr ai ha).

ik lu? (isi^y of ik (hui (lojin kn. dwang, geweld (yrg.tüt

\\ 0 s n

ui) ^a.\\ en \'rt? (w\\). — i/n arm ihti (isnjj oj cisn rm

ui(La/j\\ iemand dwingen, geweld aandoen, noodzaken, verpligten; verkrachten.

«re (tw rtsn goj n (B T. ])j. 186) ^/7. ook

verk. ikföifhrn\\ naam van een keurbende^ ongev.

zva. thii igi ieji \\

o . j .. a

ik i-ii (li isn ihn n zie bij tut tun cm w

i.lt;uiii (fj^(bii\\KW. overwinnen of sterven! een krijgsgeschrei {ojj\'yi ihiiji).

ik ihi/t irin (ia/I \\ eign. van een Vorst van Ketfiri. niiu ik tui xm ii/i n naam van een boek met voorspellingen, dat aan dien Vorst wordt toegeschreven.

ik lt;yj ti i t) ihi n zie bij ik om

* O / ...

ik ïj (tui (ut (Kn zie bij ik (tut w

iKVjajuiajt^asns zie bij ikhmw

i lt; ijajiiinj^s zie bij ikituiw

ik ij xajI hji nuj^ tj cm 2 anjj \\ zie bij ik om \\n

o • f ..

(tui (if^ m asriji -s zie bij i lt; (vui w

\'^ y zie bij ikhiiw

of (un iK(Ejjp 1. kn. uurglas, (zandlooper), uurwerk, klok; volg. WW. ook horologie {vrg. ij rjnmrj tuniSs en n ntj ipr \\) ; nur. 2. kw. een waterpot. G. (Pers. • dj dm, glas; ook kop, beker, kom), ikgfl iuaji/js een zandlooper. ^ ru i:lt;

^wee urc11- ikrj rj niz \\ om twee uur. \'t^dji isn jiilik (amp;jj\\ een kwartier u ir. ik n -.1 m Hoe laat? — ik /fi mji \\ uren, uren lang. \' of (un ik foi/l^ zie i\\ i.i/j\\

0f Miine^tEJi^ en (un it/t» (eh/j of i-iueyn^ zie (imnpj^iEi^

,rlt; \'fjj - kn. , i.-s~ uji kd. , ij truidij (tvti kl, inwendig geneesmiddel (vrg. vj nsm (f i\\). ik ik if^ medicineren, medicijnen gebruiken. — i/n rw ij f iiluj \\ iemand of een heest een geneesmiddel geven of toedienen. — (un(cwi a gt; zmi ~niij am \\ iets tot inwendig geneesmiddel aanwenden.

n o

(IK \\ zva. (IK 7j n u q w

ik mi % \\ Ar. £^5»-\' djam\\ gemeenschap va7i een man met een vrouw {vrg. ok tamp;i^jf).d/ii i-mi (lu ge-meeuschap hebben met een vrouw; (inzonderheid een anders vrouw f WW. vrg. ukikj^ en (un chn idjj nwj). — (unrmi (E/i %njn\\ mv. (El ^ i/n (hn q \\ een vrouw om gemeenschap mee te hebben, ge-meeue bijzit o/quot; ligt vrouwmensch, W W.

(ik zva. (KjI(Hnjj\\

\'ik (BI % \\ kw. zva. (Ulllj !fjl\\\\

lt;tk (fa jr^ \\ kn. uitstekend knap en bekwaam, G.

Kn ajn ihiyi gew. ut^ an s \\ Ar. , dj o em-

\'\'at of dj o eind. kn. de dag der zamenkomst van de gemeente in de moskeen, Vrijdag. —ae^fFji cun of (u^(F^ (in j i/n (oji\\ de gémeenscliappe-

lijke godsdienst op Vrijdag bijwonen, den Vrijdag houden.

ik Fji(inji^ kn, tijd, tijdvak, tijdperk, eeuw; het bestaan van iemand of iets in de tijd, tijdelijk bestaan {Ar. ■■ z am dn, tijd, tijdvak, tijdperk. Vrg, (ijri au tfvi ij), woonplaats, vaderland, i^ cm trti (Ei anji \\ tijdgenoot, tui rui mi oji i :i vj kq ^i ik cf i hi xni i^iJi rjiHin^ t zoo lang als dit Awèu bestaat. • ij (ó) zoy (un 2 m ik (hi (hn/j^ iem. wiens herkomst of woonplaats onbekend is. vj iji2 ohi(ir^ik u rf •gt; iemand die daar niet thuis behoort, amiini ij ami \'n(k/j dj ^ u (ti\'/^ \\ ik hen met het bestaan er van onbekend; ik weet er niets van. R. ayrjaK {of nsii

(èi) tixjh2quot;n ik(F.iiKi/i\\ nonsens, onzin.

ui\' ( ^\'1 \'

ik iFj (hn un fj\\ nm. v. e. lekkernij.

\' quot;) ; O 1 O \' quot;)

.11 Mi oojj \\ en verk. (Li ^lt;1 uoji\\ l. kw. zva 1 n jn(Hi/j\\

— 2. d^iF 1 (fëiw[js ki)., van (tfjjM\'Tjiia/js {Vrg. hj 4

(Eins).

{vrg. (fKujjiföiTis). iW nrrï (ti föi\'fi \\ nit het luchtruim, bv. een stem hoor en, vrg. rivn ? ;fi r^in-tw

n o O

,#rx (Fl (TXAJIN ZV(tquot; 111 7 7

ilt;(ty kn. paddestoel, kampernoelje; zwam , zwammig

gewas; schimmel. ik(f^ {of un fi) nnii\\ spons.

ik wam (li \'l l.ui/j \\ naam van een groote zwamsoort,

die tot geneesmiddel gebruikt wordt; oneetbaar,

evenals ik s j ui^fi^ een roode dj am o er, ook uit-


-ocr page 956-

O

(bi iirttji \\

872

xoendig tot medicijn , AS. ik.L;\\ dunne oorvormige soortgt; VV 11, 427, muizenoor,

(uiiKifl-, soort witte schimmel, die doodelijk voor

1 * • s o o O

\'planten is. ice thA ikii hj^ ■gt; ij (hi) 2 ixiiaj) tj ,7u\\

eetbare soorten. irlt; lt;vj\\nsn(uiven fatsoen van WM ivys CP. ivtiul nji\\ (paddestoelevorst £gt;ƒ oli-fantpaddestocl) naam van den berg, die volgens de Manik-maja op den wensch van God Goeroe op het west einde van Java opschoot en met den top tot in den hemel reikte, maar die, daar zijn zwaarte het eiland deed kantelen, op) bevel van Goeroe door de déwas naar het oosten versjouwd wierd. Door de onderweg afgevallen brokken zijn al de bergen van Java ontstaan: het overschot, de top, is de berg Smèroe. -l* ih^ m im/j * schimmelen; beschimmelen j beschimmeld.

O ^ , o.

tiKiLi\\K.w. zva. (uriiunw

O s j. / C) )

oj if j \\ en kw. zva. tj ru; i \\ en i t)

( / ^ . o O / Oo

oilcui [vrg. amau^s), urn io) tuit js ^ itian ,/n iclt;

anjl\\ iu staat om zicli door oplossing te vereenigeu

met een djin.

c\\ / o / * o /

(in lEj\\ kn. ; (lyjjj iu »rs tamp;jj \\ of ojtj. ihi(Mjjy irlt; (t.^\\ naam

van een bontgekleurde giftige slang, JU.

O . ; ) O

afjjWtis kw. zva. {vrg. (ifzn tynjj en !■lt; i^i

of (LS\'Uh^nkw. een glazen pot. G. («war-schijnlijk voor ); kn. een meisjesnaam.

n o n n

^\'l} nl) xcys lleiIL\'{h^Jien Kn•»f 1 Af/

ihnjl kd., smaragd {Pers. Ar. zoemoeroed).

zva. ernj^s (volgens

G. zva. 07^^2^-2 07^).

i) hiijj\\ ook wel ts (Bi unjj\\ kn. algemeen, in de al-gemeene regel, gemeenlijk, gewoonlijk, natuurlijk, te verwachten, wel te verwachten of niet anders te verwachten; volg, Rh. ook redelijk, tamelijk, (Jr. djam\\ meervoud, meervoudig. Vrg. i j rj iei y a,ii \\ het is natuurlijk, liet is wel te verwachten. irlt; u \'i\'lx 0f lfj1 V \'(.■/N 111 (^e algemeeneregel, naar men verwachten zon of zooals hot behoort, oök

eigentlijk. ^ mmirj(^\\ zva. nuiijtun\\ of .i,h n quot; (^ry / ^

1\'quot; j 13^NN N ,fcsquot; \'E17l*tys zva- 11711 fü 7 \'r\'N men {of

je) behoorde, ijutiz quot;n .uu iclt; ikhji\\ of als uitroep, verbazend, verschrikkelijk, tund ti ic\\ n on-

o . r ■)

geniet n. — inn ie: o tun/j \\ in n^ x/ni ynun i:lt; en ij (uti rn hii in- ui hu ei hnjj \\ zva. rj mi z n ik li aniji en ^ im 2 n ik i hji r^ i hnjj \\

lt;ïk \'Bi ih n i \\ zie ik (Bi min \\

ik ^ tiiiji \\ kn. 1. (Bi(Q(Bjj (Hinji\\ benaming van een offer maal van ii mi ctr^n]^ \\\\ in den mor gen van den dag, waarop een huwelijk gesloten wordt {Ar. gt;

dj o em o c , coll. mv. van djavi, menigte, vergade-ring- madjmoe , vergaderd), ook zva. (uaj)imi^\\ W.I, 346, en een soort zangwijze, an n?n (Bi ik (B^ (Kiifi W. I, 50, 346. — on\'-v (tj gt;oi dfijp dat offermaal geven; tot dat offermaal bij elkander komen. — (Vi irlt; iBjtH^a^ \\ zamenloop van mensehen; vergadering van mensehen om met elkander tc beraadslagen. G. 2. ^ tn mi if^^ihh/j of gt;i:lt; iB^ Hitji naam v. e. welriekende olie {Ar.

atl Ar(ibië.

ik /ƒ (Bi.uufi kn. week en nattig, van wat week en nattig geworden is door vocht, zóoals suiker en kleigrond.

ik i i Ar. djimd\\ kn. zva. ik^i^w

(^(Ej üiijlsKVf. zva. (^na^ia^fm/js G.

ik (Bi (i% \\ of beter ikqaSinkn. naam van het achtste jaar van een windoe {van i£ (btj . - djim, naam van een Arabische letter, en cunaXty).

naam van

de zesde maand van het Mohammedaansche jaar. at^ f 1 zei tn ui i Uji\\ Ar. ^ ^, naam van de

vijfde maand van het Mohammedaansche jaar. ilt; gt;li (in Qij eign. vaneen liesi, den vader van Para-

so e-ram a (Skr. Dj a m adag n ï).

ikkn. talisman; amulet {Ar. \'azimat.

Vrg. •ni:s^\\).

Cl

ik BKKijjs i.y .i.s .na^i/j en ii n i ni in i^ - zie \\ihh(L1

(MJJS

iK^flk^v 1. kw. zva. (uii (Ci(ti^,\'M^\\— 2. kn. zva.

1

i-^ tij itji iufi of beter i^ iu ui tu/js kn. naam van het derde jaar jan een windoe {van gt; djim,

naam van een Arabische letter, en (utkiji(ru/j). ik.c\'mu^n Ar. . dj am dl, kn. schoonheid,

sierlijkheid.

O gt;■gt; o ^

ik iBi n i\\ KW. zva. cru iLgt;ii I\' Mfj\' — (Uil 1:111 a 1 n i\\ KW.

en als KI. voor (uiicrriun uu[j iemand slaan {vr). bi iu bij (Bi ii is II.). — (uii ini f i iLi hj meervoud.


-ocr page 957-

O

ik it i iru fin

. ï Ov

ik lti -1 -rt \\

ix it/iiru(jn(rnjfs kw. slager. G. {oude Kravicivorm van

irhi\\ of misschien hetzelfde als (kirti^(mji?).

llt; (U SI \\ ei ff. zva. ae: (ljw Kramavorm van aamp;(ui\\ zie O n

// (b/i ? ^ v fw w — irs i.-x \\ (L\')i nn tj iui

o O . 7 ?.

jy \\ t\'w (l7? mm ^ /ti - / lt;k m anji \\ zie bij ij nsn i

it }\\\\

cc\\

)

.klt; tj hl - / ? \\ Zie Ij ik l ij (li 2 \\\\

ik\'ïj (U .; \\ kn . doof, verdoofd, gevoelloos, van een lid

van hel lichaam, #0. «foor o/j te liggen.

(Tj llt; Vj lamp;l ■ J2\\ zva. Ij IK l If .hgt;l ^12 W H i:lt;2lt;t)M^.u\\ of iK\'ifiM^jii\\ kn. gebrekkig, vooral door ouderdom {vrg. (uii(hj\\); daardoor onbekwaam tot werken. — ikvjmmi^ als gebrekkig beschouwd, onbekwaam voor den dienst.

ik gt;i i ^i(ni\\KN. een groote palenquin vau een aanzienlijk persoon mei een gaanderij rondom {vrg. i) ik 2

IILI\\).

(IK tu Si dn \\ kn. nm. v. e. aardvrucht; ook v. e. boom? (Tj.) WW.

)

ik iu zie ik iu (tjl ^ ijgt; w

) t ) a ) quot;) o

(li ^l\'llfS kn. --- ik fl . / n^lilljdj zva. (ui (li rt)

:gt;-jiriJjP \' ziv \'b: (Li \\ BV.

ikiliiwy\\ kn. v. e. staart lang en breed, zie ilt; iLiiLi ^y ; ook ben. v. e. fatsoen van ui ij ii2.uii\\ met een blad, llli. in tegenstelling van milt;111

£|W

ij (Eu {-^2innjj\\KH. ruig, ruig en dik behaard of gc-vederd, ruig met vezels, wortels, enz.; vezelwortels, draad wortels {vrg. tiPi n uj^ nnjj), JU. zie

IK Ij (LI ( ^2 W

(ik li kn. zich uitbreiden, zich uitrekken. G.

ik (Li ^ im ili huppelen , zooals een kind,

van pret; ook vrolijk opspringen van een paard {vrg. n hum k jj i:in unjj en Kn L^ .nn .iij^ q \\ ). ik au (Li ~A\'H)ijj\\ freq. Men.

) O

1 * ij Ll ~llj\'ri 2 il(lljj\\Kfi.; (l/ll itmi ij (U - I ij *12 Kilfj Hink

en breed staan, vooral van een kapsel en van de

Vlo 0 ij en van een staatsiekleed, breed en sierlijk v.

kleeding, Tj.

k£.»t^j^(unjj\\ kn. Jieel klein, h^i ik lt;li ^^njj\\ - u}

ikli^iasn/js een klein beetje, ij 11/12 rj 1,11 li ^s] \'ühj) ^ zie bij u i?! ilgt;ii/j \\

,* fjiH(^2\\ kn. rijk behaard ü/* gevederd, aan den staart, v e. -paard, v. e. vogel enz., ftg, ook zwierig gekleed, en TP. bijnaam van Ar dj 0 end, Kh.

■ ) o» tquot;) a- lt;:\') civ o O

«is (l1 -1 ni \\ n n 1.111 .li ^rii\\ un 11:111 {1 ^ 1 11.1:1 \\ dm .1:111

a. O Ow v quot;) Q-

ili ^ i m .in in ti tui^/j \\ (Iji .1:111 (Li ^mi\\ en ik (Li rn lt;0 (hnjj\\K.i zie (uiinjsw (ik (Li Si nï\\ kn. naam v. e. patjoel zonder lt;vni(Oi ci(iiij\\ SG.

(iS\'LjI Sinsi)jj\\ kn. greepje met de toppen van de duim

en twee voorste vingers, als een hoeveelheid, bv.

no. s o

dj \'to 2 ik (Ei ^1 asiijj\\ {vrg. (U^ (Est -^jjjdsii/j). — (Uii i:m

(EjI (isiijjs met de toppen van de duim eu twee voorste vingers grijpen.

kn. greepje met de vingertoppen, drie of vier vingertoppen en de duim, als een hoeveelheid, bv. (i.i(u^(Lj!^jjohiijj\\ als maat van medicinale

,,, . . 00

waren, lln. vrg. ij u 112 tj ik2^en zie tj (hn/j\\ ik li 1

asrijj en (U^ 11.^nnijj), ijzeren tangetje om goud- of zilverdraad te trekken. — ajii rni (u ^ihnjj\\ met de vingertoppen grijpen j e7i met een ijzeren tangetje grijpen of vasthouden.

irlt;(ïj(D^j!(iJijjn kn. horzel, nl. op koeijen of duiven azend; llli. (vrg. rjajitoiHiiifl). !

ik (bi zi kn. het gewigt van een halve Spaansche mat bij het wegen van goud of zilver. i]iklt;li:i iii/j\\ een halve Spaansche mat; ook voor een gulden zilver {vrg. nJnn\\ en ihiilt;ihi\\).

ik ij (Eti ~ji2 /u/j en Q ij (EJi 2ni^i anjj\\ KN. de duim van

de hand; en zoo ook meer bepaald Q ij (Li^i2 iu ui

quot;gt; ci O /-O \\ n o

*» IK W \\ tK Ij (El . i 2 ill lij 0J ik Ij (El 2 (tij MTJj) W \'HU

ail ij \\ de groote teen. (»ƒ ojh ij 111 -12 ni nd S?i.ilt;n \'iw/js

L. 38).— i/ii i m ij (Li ^ u n jjjs met den duim een

veeg of\\\\k nemen, zie ik (int lt;101^ iquot;) O o ) o . O

IK (LI ^l ltr - IK f.l ^ I ILKUj - Llt; (LI 11 1 ^ Zt6 l lt;

(Uhri.i\\ J3.

O quot;gt; /• O lt;*»

IK (LI .lllllill/j Of H^lE/} ^1 \'H.ldiH/j^ KN.; n nt^ri (Ll ^l ltl

(Uiifj of (i ii rm (Li ^ i iLKun/js ondersteboven rollen of buitelen {vrg. li i?i uiijj en (Ki \\). i\'i(mi *i:m (E^ ttü i\'iijjs over het hoofd bviteleu, ondersteboven.— hirit^ li -i lt;ili hiijj\\ ondersteboven gebuiteld; duikelen, buitelen {vrg. iktn^ itia^apfj). ik li ^.i ili \'Hi(iltPj}s k0pjeover spelen, liggen te woelen, zich om en omwentelen, van iemand die ligt te slapen, onrustig zijn; (fig. van iemand die zich in groote

ongelegenheid bevindt. G.).

q • O o

dfj / / - jzie i lt;(Li ~i n.i iiii/j\\

IK (l) sis kn. luid geschrei met selielle stem, bv. van

een kind. ik (li ?ï ik .li ikx en mi i m li ~]ï\\ luidkeels


-ocr page 958-

t j IK 2 (L/t jJl \\

874

met een schelle stem sehreijen of liuilen, luid eu schel schreeuwen, van zingende sanlris, Tj.

kn. ; unyj irpi tm ^ \\ omwippen door liet eveuwigt te verliezen, bv. van een tafel of stoel; overwippen of achteroverwippen, van een kar; naar de céne zijde overslaan, van een balans of weegschalen, van een hoot enz. — a/n tj i ni i (En Ji w rj uti \\ iets doen omwippen, het evenwigt doen verliezen.

uk tb) Ji \\ kn. 1.; (tmx:rp (ea \\ op een afstand gaan staan om het oog te houden {t-rg. ttni m) \\) — uil inn thi éi op iemand of een heest op een af-stand het oog gaan houden, om toe te zien t waar hij of het heen gaat of blijft. 2. nm. van een lange grassoort, die vooral in moerassen groeit, Rh.

kn., doof, potdoof, en volg. WW. een on-derlegsel (van garen of een lapje) onder de këmi-rinoten, als men die op elkander zet om geslagen ie worden.

ij iK f if 11 Jii\\kh. i. het knobbclachtige been tusschen de ooren van een paard, WW. volg. Rh. demaan-top. 2. jonge djatibladen — unrjrvn 2 ij 2 \\ met jonge djatibladen wrijven om rood te kleuren, JR.

la ^ nkn., tiamp; tïJasn/isKJ). 9 naam van een boom en van de vrucht daarvan, waarvan verschillende soorten, Jambosae, Rmph. zooals de 0^o| ^ (inijj\\

O O

(m (HTJj \\ (ltlt; l£J (Uj ,L,II { \\ IK ihl 2 IHpj Hbiyj \\ Ml.

0\'r}\' V 0 —W Hii/js Jav. een wilde djamboe.

een zoete en geurige soort, geel van kleur; verder

3 /ƒ .• i ij un \\ {Bat. -rj lEi ij w \\) voor roedjak gebruikt

CY

met uitpuilend vleesch , zie lt;rj vn rj iv,ii \\ i.i v t tn n

o / o O a i • 7

gt;! rt\\ ijci-.nz «i y lt;ip?(tw ?tijj\\ bkr. dj amboe.

a a

IK (^2J}S zva. iKopiHn/js

n., Tjiimfd/n(hijj\\ gew. rj.cntun(mp k.,pi-nangnoot, betelnoot {vrg. ihn Kj\\). nm,n ij 11\\ pinangboom. (fnih iK^ F^ naam van een pisang-soort. am an ik ij m tj ,?r; 2 iJjj {of gt;ƒ / 7 ?; nu tj i,j : ijj) (Ui n 1,1 q \\ (volg. Rh. gebr. ./.»/ tui ik rj 1.1 ^5) n) tj ijitu? iyn2\\) als een in (wee heUten gesnedene betelnoot {zóo gelijk) WP. (ki hvij (iio.j ij ^ \\ een verwante gelijk de pinang aan de sirih verwant is. R. volg. Rh. dus geen echte verwante,

voor een korten tijd, zoo weinig tijd als er noodig is, om een pinangnoot door te slaan, Rh. — j h i m rfM als een jonge pinang-noot, gezegd van de kop van een gelatik of ik ^ rjcrr)2\\ Rh. (u^il^mtj w\\ behoort iot de medicinale kruiden, G. volg. Rh. (uinfj ui ikV(Cibotinni glancescens, Kaulf, Nat. fam. der Polypodiaeeae een boomvaren; het goudgele haar van den stronk wordt als bloedstelpend middel gebruikt.

kn. eenerlei, van eenerlei kleur o/soort, gelijkvormig, gelijksoortig, eensluidend, gelijkelijk, gelijktijdig? L. 227: 0.k» uj lt;gt; i^i rn ifjjj ni i?i ^ ook zva. ti(ik(Hnj\\ sympathiseren; en vólg. Rh. gaarne, dikwijls ergens komen op een plaats, die een persoon of dier bevalt, dubbel van dingen, waarvan het eene op het andere gelijkt, (gelijk van gehalte; eentoonig, zonder genoegzame variatie of verscheidenheid, zoodat het vervelend wordt of de keus moeijelijk maakt (vrq. ajidjinyui JR.

lt;bquot; 1XIN (^quot;e cenel^e^- — 11Jtl N Pcu\'

dant, doublet; aangenaam, gemakkelijk in den omgang.

ik1. kn. badplaats, plaats om zich te baden, zooals aan de kant van een rivier of een gebouwtje bij het huis {vrg. (Uitr^oji^/Kinji); ook afgang

aan den oever van een rivier, waar men bij neer-

*

gaat naar een veer {vrg. vm utti (rri ), om zich te baden of om water te halen {vrg. 9n/j\\).

— 2. ki. volg. Rh. K. van (ir^\\ G. ook zva.

(u(hu oanjts sekreet.

tK\'cAa£Jls KNquot; S^0^0U^» volgens G. een bejaard persoon (vrg. w\\), volg. W. kw. zva. hu mnjj\\

^ O i i. • ••

in v/ kn., un ik w u voor een ander te zien znn: iju-

co co J \' 1

bliek worden {vrg. rj ri.ijts); bv. 11 xm 211 afn in

n S

U tl IK if\'I A CO

frs v kn., ki)., uitgestrekt, ruim, breed,

zooals een kamer, huis, tuin, plein, borst of voorhoofd; uitgestrektheid, ruimte {vrg. tjojiiims *1 ii^is en iK)i/ti\\), ook jig. vaneen ruimen blik, niet kleingeestig. Men. rjttm2ni iQ,fj\\ het niet ruim

hebben, in het huishouden. — a/ii r.in 1amp;1 m 11 ani \\

co \'

(uit rin (ïjiiibiihii ui/j\\ iets ruim of ruimer maken,

co \'S\' J

verruimen, \'ejcn 11 ^ uj /i^im(tjtho^ n.r^rrjn.j oajj ik bid dat hem verruimd mag worden zijn graf; een bede voor een overledene, zoo als: zacht ruste zijn assche!

O / mi O -

ik f i n (injis tp. zva. ik lEiav (iii/j\\

(Cl

co

Jrv f in KN. vuil, morsig, meestal door nat vuil, vooral

co

van grond, {org. iji fi^). iKiQfr vuiligheid, Rs.


-ocr page 959-

875

o n ÜS (h i lünjj

cugt;

iTm• lt;?gt; co

len ; ook vuilmakeud.

verontreinigen.

ij w ^C*jwr}jj\\ zva, trj ^ggjj(ht^ij

a s

en ^fAjj^ \\lt;gt;\\MJ!Kujj\\ \\ ojin)Tj »rs(.\\ zva. iLi\'i] fjrr)MniUiiji\\ öoXquot; aji\'fiajynnj\\ padi met haartjes, onderscheiding van (u^ rinrninrmirujjs \'I KN\' hlanhiah. van het geluid veroor

zaakt door het ontsnappen van in de oksels ingeperste lucht, zooals enkele inlanders dat kunnen

doen en als een kunstje vertoonen. — ti/niMn-n

co

•ri0s dat kunstje voor geld vertoonen, zie tj i:n tj ili 2\\\\ kn. het gras, dat tusschen steenen of opeen begane weg uitschiet. G. — vuil, van

een plaats, door droog vuil, zooals bladen, spaan-de\\\'S , stroo t enz.; en, door gebrek aan onderhoud, met gras en onkruid begroeid, zooals een tuin of plein {vrg, en

ijicofC^ kn.; (vinj rwtr^\'F^y iets, zooals een doek of kleed, met de handen uitbreiden, uitspannen, en uitgespreid neerleggen, of zva. nmrjittd ^-tia j.s\\ kn.; (viix.mkuji\\ iemand met de volle hand in het haar grijpen of bij het haar pakken of vasthouden; in po\'èt. Babad; de manen pakken van een paard, in Tj. gras pakken; in het algem. dus met de volle hand pakken van haar, manen, gras, en derg., {en fig. van het geld van een ander voor zich gebruik maken JR.) {vrg. (un rjn crn lt;bnjj en ^ un wjjo/j\\ of t/C^ hJj im

\'Mnjl\' bij het haar pakken of trekken.

g \'^KW- zva\' i,}p\\ G.

\'iï-jji - -oo—\'■000

irc hido) nnn o f irlt; iclt; (Li CO J co

jJirnjis KW. nattig en drassig, van den grond {vrg.

^ O O O

i n *1 tun en ii /mt in

nattige, drassige plek o/* plaats.

^u\\UilA 0f ^cJ(i^!As KN\' een 8001^ vai1 s^kel of zeis. G.

V \'\'? \'w//n kn. van sawa/is die laag en dikwijls onder water liggen, vooral voor palawidja zeer

ongeschikt.

quot;)

rV/^^ K\' 0f KI)* Van ^ nunijj^ ielt; ttujs f ^ IK

(vn\\ I/s th) \\ en (iamp;vjmdw

ut (i i nmns Ki)., zie i\'flt; iu \\\\

fo -Ji co

^ kn. het haar aan de sehaamdeelen, de haar

tjes (worteltjes) aan uijen of knoflook, soms ook

ook fig. uitvaagsel, DW. 87, zva. rri.i hi ini.p —

) fV O OOCVa , ,

i in ni i r-n\\ of iw.inruil(FA\'-n\\ bemorsen, bevui-

^ co co , _

iets

wel fiet haar aan do maïs {vVg. ^jyj)-(t£it^asnji of ij(ult; (isïiji\\ kn. tijdelijk buiten het spel {tj mitcr.nonp) blijven; ook fig. zich buiten spel

houden, bv. in een zaak,

O • ,O o

\\k nj) anji \\ zie bij ^ o aan v

jk \'I kn. vertrokken van de mond als ge

brek , Rh.; vrg. rj (firjtViihTijjs fx\'fwn ttm \\ eign. van de oudste vrouw van Kresna , dochter van Sag a wan Kapi - DjÜrnbaw an {Sir. Dj dmb aw an, een fabelachtige beer , de schoonvader van Krësna)

ih\\ tEi iii i /js kn. naam van een groot en rivier visch, ook een soort soga bast, van den overwal, v. M. — iv/item (i) zva. a \'n (tii ij iet t \\ Rh.

(ifc i£^iru/j\\Kii. kuif, kuifje, zooals van een kip of eend-, kuif of vlok haar op het voorhoofd van een overigens kaal hoofd, zooals wel bij oude lieden {vrg. iÏc^i./u^n ih^xzm\\ en unj); ook volgens

G. een vederbos. o^) icc(h) ru^N plat voor oude, de oude. dis\'m ihip\\ zie (urjui(mjj\\ iu ibii (nu nuj. \\ een kip met een kuif.

.ik ru/j\\ kn. staande kwast, zooals op een muts; een pluim op het hoofd öv. v. e. paard, kwastje,

zooals de punt van een karwarts {vrg. iclt; lt;M^iUjj en

Cquot;) (?) v O o Cquot;)

i/s -ltmn). — luii nn (fji ii i gt; van een nfs t/ i (iii/i\\ voor-Cq. n, (q ^Jl

zien , Men.

j^xkn. met een schok opgestuwd of opgestoo-ten; fig. opgeschrikt, met een schok opgevlogen (vrg. telkens door de

golven opgesmeten worden, van een schip op zee; telkens een schok krijgen, ifi een rijtuig over zware steenen. — (unrjn pn run\\ met een schok op-6} ( q ^ f 1

\'springen, opspringen o/opvliegen van schrik (m/. (unv/wr 2 .i i.ix).

}l ^n1 *s V * ^/j \'/1,]1 *x maar halfvol j halfleeg, van een kokosnoot of k emir\'moot, door ziekte, bedorven aan den boom; fig. maar half

zijn geestvermogens hebben, half simpel yvrg. mi \'f

ij .IK 2 (E i fj ij i7|» 2 \\ zie (fjijj ij nrii i \\\\

0f ^ \'^Jilt;N ^r-(f J 0 e m 1 agt;

kn. de som, somma, het geheele bedrag {vrg. cri^ ). volg. WW. ij mi i ni m/j ijri j \\ zva. nrjeum n-i ij oo) rj .i~ji myj, wat het totaal betreft, y zie «YJJI


-ocr page 960-

amp;

\'le); quot;m\' n

87(j

(ik (tii/j KN.; n n^iii amp;]/i a^rynn/js dik eu rond

vau buik, zooals de buik van een theeketel; ook van een dikke ronde buik van een memch {vry. ihj) tD rt j liiij en -if? iamp;iji N).

\'tyi ^hjv2 nnj! KN. klomp, klonter; en naam van een oliemaat met een dikken buik, yeio. van dik leer {vrg. ielt; M/jr.nmift);\'[volg. Jli. ook een dergelijke maat voor zout, gew. van hout.) —• t//» rm if^jjrfa^it\'hrnji tot een klomp ineenloopeu, zooals van de was bij het batikken; tot één ronde klomp-zamcnkleven , geio. van twee tangköpans Javaanse he suiker y WW.

«cc .w /j ij lijn i, uj) \\ KN. volg. AV W. zva. iin ij n (ti hii p volg. Rh. zva. ij ru unj \\ scheldwoord tegen een vrouw.

ij ik iMjja.y rt/js KN. (tm rjaTiii den mond ge

sloten li ouden, Jig. niet praten, niet rooken, geen sirih kaauwon, enz,

\'ZIV KN\' z\'ju ^O JK^e bereikt hebben, 5:00^«^ het niet verder komt, bv. van iemands kunde of rijkdom, zoodat hij het niet verder brengen kan

JU. ujitb(ïji imji(rnjj\\ zyn heele leven lang, zie

_ O c ^

^T) ^32// en \'l\'n ^ alJAx

ik (LAjjifrii \\ KN. volg. WW. zva. (uifih \\ volg. Rh. een

kleine soort van n) ook een soort djéroek Citrus decumana, L., ook naam van een ha-tiksel.

tiKiLtjj^.iri \\ KN. zva. iikmaar dikker en grooter.

O Q. ) ...

fUI1»quot; \\ zvaquot; ^ maar kleiner.

itK KN. naam van een visch met een dikken

buik: dikbuik; spotnaam van Vorst M arm ad i in het hoek Jl én a k, wiens geschiedenis door rondgaande zangers onder het slaan op een tamboerijn bezongen wordt {org. ik itJij r-iyiOjj en int (in \\ BV.). — lunimi rond en dik, van iemands buik\',

en de geschiedenis van Djëmbloeng bezingen, elders wyvitin/i\\ Rs. ook zva, \\ BV. iKiijjitjajh2\\ KN. ingezakt, zoodat er een gatö/opening in is, van den grond) een overmetseld riool, enz.; een open, niet aangevuld, gat; een gapende opening, niet ten volle opbrengen of praesteren, wat het op te brengen of te praesteren heeft, van een land; ontvolkt of niet genoegzaam bezet met volk, van een land, om het te bewerken {vrg. tut) itjjj ij rn? \\ rjarm ij au2 \\ en vj (TLM ij thd \\). — tun \'M/ll rtjj) 2 \\ ingezakt zijn; een open gat liebben; (niet genoegzaam met volk bezet zijn, van een land-, JR.) open staan, niet aangezuiverd vXyti, van pacht\', de wacht open, onbezet, ledig, laten staan. — ireitjyi ij irh2 (i7i(rnjj\\ open gat of kuil; (onbevolkte plaats; JR.) het onaangezuiverde van pacht, i il\'j.i:y\\ KN., ik t Ki., sekreetput, sekreet; zinkput.

7j ik 2 im/J r.y \\ zva. ik r^ vj tnijj\\ en ij ih 2 rj ihv 2 erryj\\ vj *k 2 imji ;17jï 2 \\ KN.; (uil ij(17171 2 itljj ij 2 \\ met OpCll mond blijven staren, bv. naar een bekoorlijk voorwerp {vrg. oy fcp2(a2\\).

ik \\ ongebr.; ok i^n7i afi^\\KN. wijde kuip; tobbe of aarde pot, zooals een blauwkuip, badkuip ö/groote bloempot. — in een bloempot ge

daan, van bloemen, Rs.

ikti f\'i KN.; a/n.1:11111 (f\'ji \\ iets, zooals een 00nlid, den \' co \'co

mond, een vestjes zak, met den duim een weinig opentrekken of openhouden.

ik i(u \\ KN. naam van een plaats digi bij Klaten, waar bijzonder veel sc\'ildpadden zich ophouden; en een benaming of bijnaam van een (cr^nj^ i 1^ —ik ij dntinjjs omtrek; en a 11 ik ik^ieen omtrek maken. G. {misschien wel als ecu boeloes kruipen) R.

(iK\'/nKN. een diadeem; gouden, of ook wel zilveren, plaat tot sieraad op het (voor- WW.) hoofd, zooals van een bruid, een danseres aan het hof en vele Wajangpoppen, bv. Gatotkatja, Som ba en Bala-déwa; ook de gele puntige lellen achter den kop van een ivh ^lt;u/m {zie bij (ki(uij^\\). Qik (tn zva. ik (tii \\ of een djamang in den ruims ten zin van het woord, i-m ik iu \\ en (un ik ik (ïi \\ of éni ti cm2ok (m {of iik.ik(hii\\) met een djamang. — \'.-c iamp;} 071 (HT/js de staande voorlap boven de klep van een liet rottan of bamboe bandje als mond

stuk van een fluit.

(7^ in 4 \\ zie hf\\ f i nu mh/j \\

ut;(ïiijj\\k\\\\. zva. róntw(rn^\\ kn. klanknab. v. e. flinke stap of tred. stappen, tred, zva. (igt;?i an uiijj \\ t*

on uriji« freq. Tj.

, ■) quot;gt;

uk rïiijj\\ grondvorm van (vu ik \\ (ui\'ik nriyi\\ en i lt; ((k (rnjj \\ ook, volgens G., ver korting van cuni^ nrrijjs

n quot; __ ) „v n • /..

ik y - nni ik ij cni \\ ij. — oji ik cmji\\ zie üij


-ocr page 961-

\'\'T\'LT

877

I^C Ml \\

O O O __ D UT

m ix rrn/i^ i idK mi rj n--t.) t^rj .rns Men.

k.n. klanknah. vim het op eens erg. komen ö/* aantreffen, van een of ander, wat men bv. zoekti grondvorm van am ïjiKicmjj* klanknab. van het neerzetten v. d. voet? Waj. I, 23. kn. de plaats waar iets, dat loopt, op uitkomt, van een weg; oo^ waar een vogel zich neerzet, ook volgens G. onmiddellijk, oogenblikke-lijk. — (un rj nm^ zie boven. — rj iki anjjn verminderd, achteruitgegaan, ook zva.

volg, Rh. iiiumivtf \\ een huis, waarvan de helling van de nji am n\\ ongeveer gelijk met die

, . • O o . .

van de rm \\ is. — m ij uzi rm\\ ergens iets

opgieten, over heen gieten of bijgieten ; iemand liet

tekortkomende bijsehieten of voorschieten {yrg. x-ti

O o . o . ,

« kis hii/j en rn rj wi nn\\). — ininq ikian in/js iets

bijgegoten krijgen; een bijgeschoten voorschot schuldig zijn. — hi^ ustan/i rjnni\\ iets ergens opgieten, ovorheengieten of bijgieten. — rj rjri m/js zie ij ik2 eni (hi/j\\ ij iKirjcrpgMiiKijis wat op te gieten is; (waar op te gieten is, zooals koffldik, dat aan de dienstboden gelaten wordt; JR.) het bijge-gotene; het bijgeschotene; ook aftrap, afstap, aan een rivier of gracht {yrg. ik ion injj^ (t^in^ujHi^

en (ikifji(mfi).

co ^

O ,

nKcnis kw. zva. oji Kti(fi nn im/j\\ n., ikciii\\ k., KirjiundfiJijis of (hnrja/majyjs ki., bestemd, bestemd zijn, in gereedheid gehouden worden, ge-reed staan of liggen, met het oog op iets, tot de een of andere bestemming \\ opzijn hoede zijn, voor-zigtig, behoedzaam, een wakend oog houden, zorgen, zorg dragen, opletten; de wacht houden; op iets, zooals bevelen, wachten {Skr. djdgre, waken, wakker o/waakzaam zijn, naar FrakrMsche uitspraak als djdga. Vrg. iKimy r.r^ rij kijjj en ^ ^un(ikcmin\\ bestemd voor, dienende tot, ik au (o/* nKcrri) ij \'fj. \\ wat voor den nood bestemd is en iu gereedheid gelioudcn wordt; voorzorg voor den nood; ook volgens G. voorzigtig, op zijn hoede zijn. dKcvnrjihiii^nai2lt;i(j(hn^ als boodschapper te dienst staan of dienen, ik mi.hiiVA\\ benaming van beambten bij een regent, die als gandeks dienst doen. iknmaJi^sf^s zie \'M{tsjjw ik en ikom[M\\K\\ namen van twee corpsen praijoerits van den Vorst te Soerakarta, die als hof wacht dienen, ik rni quot;^71N naam van een goed te eken in het haar van paarden. dK cm - m i j ^ imam van een visch. WW. — xk ik an \\ ik ik cm \\ het ecu en ander in gereedheid brengen, voor het een en ander zorgen; zich gereed houden. — tunirm ernrn s xjiivrn ij rii i?js zich gereed houden o/beschikbaar stellen voor; een waakzaam oog houden op; iemand opwachten (aufwarten), te dienst staan, tot zijn dienst gereed staan; zorgen voor, iets bewaken , er o]) passen , zorgen dat er geen schade aan komt, letten op; voorzorgsmaatregelen nemen

O

voor. — uii rm cm n n ^ti rj un \\ tun rw rj cm nn ~\'n 1,11 mi/js iets in gereedheid houden of beschikbaar stellen voor iets, iemand ergens op de wacht zotten ; voor iets de toebereidselen maken ; voor iemand of iets iets bestemmen; op iets zich gereed of voorbereid houden, er op rekenen. — iiK/ti m \\ c i cm\\ waakzaam; op de wacht, bereid of gereed staan. — tuiirnicm\\ tuirniern\\ bewaking, voorzorg. — ik cm (hnji n iKif (m !hnji\\ en gew. (vi ik cm tmji of tui ik ij cm ihfij1 \\ wachthuis.

iKcrns 1. k., zie ik mw — 2. kw. waar , opregt, G. iKtirnii^ n., k. , haan, fig. een don Juan,

haantje de voorste, een baas, vechtersbaas, kam-

O ct a .

pioen, if lt;m ? /. n r.n »»\\ kapoen. — i \'n r:mij rn?

i n\\ i:mnjj m\\ een haan bij een hanegevecht naar

de kunst behandelen en verzorgen; fig. iemand bij

een zaak ondersteunen, helpen en aanmoedigen.

W W. dit volg. Ril. nm ij * i z rj (inrn rj nsii z % n w \\ ik vj

ijerm(vuuijj*. kn., (ui(Ui i inn^ kd. , een nog niet

volwassen haan; akycm2tmnm. v. e. soort

vaartuig (kS.) ongeveer zva. iQr.m /u\\Rh.; ook naam

\'van een grassoort.

jfytdn kw. 1. aanzien, aanstaren. G. — 2. zva. nrn rgt; o o

tj (un \\ gt;1 i,i ij dj) \\ ki ik n t ri ij ik (hi ij^ cm \\ en nn

Qv o o Q C\\Cgt;

(i:i \\\\ - (Ki rn \\ zva. (ki ik v en ojj ut ik \\\\ \\ ikh } i (uicmn één tegen één, man tegen man.

ti^ni ^ n kn. een term bij het béng katspel als de boon

juist een voet of nog nader bij het doel komt. —

O / O

cm {\\ zva. un tsy jninqs bv. a cm { j. i n- i

agjlrj ici (WP.) RI. zva. ic^ t^ cmw

cq ik cm iHijj \\ voor ijik cm \\ (W. T. 103. rj ik ij ik cm

(Hij).

ij ik d cm(injj\\ kn. vloer, de ongeplaveide vloer van een gering Javaansch huis-, in een groot huis, de la-


-ocr page 962-

nf^ nu T) \\

878

(jere vloer vóór en aan beide zijden van de hoo-(jere {waarsch. euj. ? rfl hi/j afstap,

ueerstap).

(usyrn^\\ kw. 1. zva. ik an \\ eji flhii _b« •gt; [Skr. dj d-g ar a, wakend, bewakend, bewaking. Vry. mw). — 2. zva. ij gt;)? )j wi rnjjs G.

(iKcm\\ kn. een big, grooter dan iiirfh

(fji (ïti \\ jong van hoofdluizen, WW. volg. Rh. ire in \\ een jonge luis grooter dan (ónij unis — nt^ EncYri\\

een big, een halfvolwassen varken.

ry

gt; M - 1. lloll. jager; kn. henamimj van de infanteristen van Prins Mangkoe-negara, en van een corps pradjoerits van den Rijksbestierder. 2. kn. groot en opgeschoten van een jongen; iKitu m\\ freq.

iitlt; crrj \\ kn. de achterzijde van de gebalde vuist {vrg. ti:n ip); ook naam van een hamhoe, hehoorende bij een toestel om vogels te verschrikken, zie if int i rj SG. — un rii) cvtp iemand, of op oƒ tegen iets, met dat gedeelte van de vuist slaan, een slag geven. — ntz *unrr^\\ zie boven.

klanknabootsend woord\' voor het geluid van een gebulder; en zva. ij) t/jw — zva,.

Q ^ irm )n\\\\

(im rrm i)j \'r} ij ntt \\ doen bulderen ; en

zva. (ufn (vr^ n rj urn w — nf^Qcir^s bulderen, zooals de donder , een kanon, de golven van een branding , een instortende berg. — /y algemeen gebulder o f geplomp.

rjrm\\ kn. 1. klanknab, v. d. weerklank v. e. geweerschot, gelijk bij een mis schot, anders innrruj enz. ook het gekraai van een boschhaan, {vrg. (f.innrj )/n\\). 2. ook jong. i.)i iai ihj^ di m/j0 als een jonge maagd, WW.

i^nrn\\ of (ij^rm\\ kn. i. zva. rm\\2. af brokken en neervallen, zooals de kant van\'een hoogte of heu-vel; fig. in duigen vallen, afspringen, niet tot stand komen j gebroken worden, van een spel, zoodat het niet uitgespeeld wordt. —ojï) \\:w mi

\\ iets doen af brokken of afstooten ; doen afspringen, verijdelenj een spel breken, vrg.

o)^ \\ kn. in Bagelen en Banjoe-mas zva. n?) )j rn ?

O

tj mt en mtrj cmirj cm f ixtyj\\ en zva. rj

rjcm^ £t)(Sit\\jjnr)^\\ algemeene onbeweeg-lijke stilstand.

rtf^ m-TiNKW. zva. lyi.tw

Srjtnn^iajjjis W. I. ^ , zva. )} i tnyi cmjjs

zva. volg. Kh. meer van ge

stalte.

rryjMH, 1. zva. (fj} K)^)wjj\\ 2 over-

eindstaand, van lange stekels {vrg. itlt;^n^ ir^/j) — iun ):m[ir^rrrtji\\ overeind staan, van lange stekels.

h* (YQCY))^ zva. ».-x - 07J mj!\\ (t. — !)/))rrm nyr)i/j^ uls

verstomd stil staan of zitten, zie ^ iKirjurngcmp

O o Do o

t lt; [^m^;mji en (in) izm mr^crn/j \\ zva. ik ^crr^rm/j en vn

iini rr^dijj\\ van kleinere stekels, zooals de borstels van een schuijer en stekelig haar.

(rr^\\kn. brekende «/bij brokken instorten, invallen, inzakken, omstorten, zooals van een berg, een put, of een ouden muur {vrg.*rr^(CY^^\\). om \'c\'quot;^])cr~JIN ^s* zooals een muurgt; afbreken. — d) igi [mjt ojj \\ 7nv.; iets, zooals een huis, afbreken of omverhalen; op iemand of iets neerstorten;

)nj^\\ afgebroken worden. )wn^aj^n^ (injj\\ door iets dat instort overstelpt raken. — am i7m ^irr])j)ii)\\ iets doen instorten, maken dat/V/.y instort, omstort, enz. — ^

brok; puin van hetgeen ingestort of afgebroken is; puinhoop.

rj ik2rj iir^i crryis kn. 1. —ivn rj iw ?ij cm/j\\ \\ei\\\\% stil zitten, Rh. 2. een groote gestalte; (iDr^r.nn ij ijeen groote gestalte hebben.

iKiorry 1. zva. (ij)yun\\ 2. klanknab. van een wijden stap, van groote personen.

of ^ ie\\2 rj\\ verb. v. rj irnd )i(i\'u\\ ook zva. rj ik ? ij Tj.

tiamp;amiia/j of iKnnasnjis kn. wereld, de wereld, de aarde (Skr. dj a g at, ook dj ag a d. Vrg. r.r^ 11 an \\ itmiuiMji en on\\ KW.zva. ik »»»

ihn njp de drie werelden , de hemel, de aarde en de onderwereld {Skr. dj a y at t r aja). ik m lt;10 . /

nxj(i^\\

(ui i\'mquot; de zeven werelden, ik cm

de Wereld-

bestierder, een naam van Batara Ooeroe (Skr. Djag a nndtha, een naam van Wisnoe). ik an . (un nan en ik an na «Pn un 4 \\ bijnamen van Bat ë ■■ ra Ooeroe. ojj ult; an(Lojj* heel (of al) de wereld, ook in den zin van het Fr. tout le mondo, of fj tj ril t m ik ni axijj \\ \\ ui(io) .ik cm ij tu) \\ overal veilig, van een land. In de Wajang passim: vrn r.n\\ ru /.


-ocr page 963-

879

r)

Irs* ^ (TH 2 Hüjj

n q

IK (ï)l (tU/IS

;ni ijiip ut Kiip ri\\ zva. wel hemel en aarde! o. a.

W. 1, 17.

O • ;quot;)

,lf\\ Y 1771 ^ N quot;le ^ rl (rn 2 \'MIJIN

tncigt )j(miiaji\\ kn. , am uti ki., liet dansen, het tandakken; «jn

Y V)^ y otïn (ijkui{\\). uy uwyixni rniinjj\\ een

danser of danseres; een liefhebber van dansen.

dansmeester. —tj ik i rj crti {injj

of un tj r.ni i ij rn (Lojj \\ ti:ri un ^a.\\ of imi f ? u« \\

dansen, tandakken. — ajri n i:m 21) cm ax) \\ d/n / i un \' \' K— co

bij iets of voor iemand dansen. ■— ^

pi (Hijj of irc rj ik 2 rj cm en (tn tun ^a. anjj of

xn xQi.ii_^i hij\\ gedans j een dans {soort van dans); danspartij; zamen dansen ; dansen voor of uit plei-zier. (iTnihnt (een dans van eigen danseres

sen of jonges aan het hof van een prins, anders ni cm nmchnjj , R.

iKcmiui n\\ e\'ujenm, v. Baladéwa {verb. v. Skr.Ila-la dar a), als jongeling, spottend i.pl. v. Djaladard. (iKcmn.njjs zie cm (UUj \\

Ls irj cttid Mhjjs kn.; (innirn cmi(bnjj o/itm rïnirj riliin^ geen voet verzetten, geen hand uitsteken, bv. als men geroepen wordt of op een hevel onbeweeglijk stil blijft zitten ? W. 1.122, {vrg. rj rrjii rj mmn j en LDrj mi?iisnjj). iQijcmimi rjirvi2asvj ook zva. nJvj cm i dsii cm è ibiyj\\ BV. CP.

if ik it) cmnstiji en njni^.r.wi ijcmaivfi\\ zva. •ijiKtvjcm

injj en (tm ?j| om 2^ cm doji gt;

gt;Hlt; rjcmz }-jin\\ n., een plat ivoord voor (ifrt(M\\ zie

i) o n 2 (Ui rmji \\ en rj -isu y li/i w l\'lt; niiuji\\ kn. slager, slagter, vleeschhouwer; slager zijn, als slager de kost verdienen {een bedrijf dat vroeger in minachting was (vrg. icj ttKhnjj). —/tjn vrncmiujis volg. Rh. een beest de vier pooten za-meubinden zoodat liet valt, en daarna geslagt. wordt, de voet of poot ligten; verder een beest slagten en uitverkoopen ij ut cm [tt^crn tiijj en cm y ili ^\\). — (t/i ik m }nj\\ slagers-woning, slagerij, slagterij; slagerswijk.

^ quot;l \'HjV kn\' eel1 mc^ eeu bovenaan, om

tot steun ergens onder te zetten. rjitj)2ult; ui of enkel blt; tU/p een lastdrager, die zulk een kruk bij zich draagt, om bij het dragen van een last met zijn tweeën den draagstok te kunnen stutten bij het wisselen van de schouders {vrg. ki iu\\

n . .

ihti rvin en 1:1^ ik\\).

(quot;) n O o .00

i.lt; rn iLi/j\\kn., !un r.w cm zva. 111 cm (rn iryf \\ erg

en aanhoudend met sehel geluid hoesten; erg en aanhoudend met schel geluid, van een hoedt ( ijmsw nnq), JR.

iKcnj lujjWLN een kwastje om bij het batikken de leege vakken met gesmolten wati aan te vullen.

(lt;]INquot;VLUKVJl).

^cmjLi/j of :ie^crn lu/js eeu koevoet van hout of bamboe, Rh.; zie ^ tn tu/jw

(u^cm tujj\\ 1. kw. zva (ic^ w G.— 2. kn. een kort breekijzer of pootijzer; een dergelijk werktuig van hout; een dievespaak om onder den wand van een huis door te graven {vrg. ne^cm lUjj (tj^nu tu/j en u ~ i cnyj). — mn ign cm irvtji\\ met een djoegil werken, breken, opbreken, graven, enz. — am

O O

iTjri cm ru \\ mv.

n\'

/iivi^N i. KW. zva. m^rjcicns en tjxmtv^najij^s — 2. kn. onwetend, onkundig {Ar. dj o e h l, of dj 0 e-ho el , coll. mv. van dj a h i l): rj .i3i 2 r^//N ecu onwetende (un ignorant), lu^crr^j^mcns eign. van een persoon in de mythische geschiedenis van Java. (tudua^crr^ i^cuts naam van een werk van dien persoon, dat wetten behelst.

vj ik cm tiAjj \\ kn.; iim tjrm mt iemand den voet ligten , door hem hij een van zijn beenen te grijpen en zoo te doen vallen\', W VV. vrg. cvn rm cm ruji en un rj rni cri^ \\).

^ ik 2 rj an 1 \\ kn. 7iaam van een bijzonder fatsoen van dak van een Javaansch huis, nagenoeg enncm(M ch}j)\\ maar langwerpiger en korter dan iijick^i

VÏM9™*

iit^rm iu\\ kw. zva. icn qjij \\ (hn ertn \\ (Skr. joeg al a, paar).

^lt;^crnjj\\ kn. klanknab. van het weer in het gelid * komen van een ontwricht of verstuikt ligchaams-deel, Rh.

\'rt\'jcrncrnjjs kn. klanknab. van het af si uiten van een steekt als een kris of piek niet in het vleesch dringt. (i^kirjcr^cmj afstuiten, VV. I. 280.

i:c cniji\\ kn. klanknabootsend woord voor het ge-

f . O \\

luid van een stoot tegen iets aan {vrg. ik^ti i^).

— /i/ii \\ m (rnjj \\ tegen iets aunstooten. — nw iQ

^ n n

cm/j\\ zva. iwnxm jQajyi

. ) . . • 1» X C~)

ik ij cïii 2 \\ {zva» llt; tja nis k.), kn., ilh inioy n^s


-ocr page 964-

Cf •

ik vj rrn 2 \\

880

,Kquot;T

iemamj, door een stoot in den oksel van de knie

doen struikelen en vallen; fuj. iemand zoeken te

O . O

vangen, zoa. n/ni-mtjcnigw —rjnpi?i:;anjj\\ zva.

n

(lts Vj nil ? Il7» (HIJ \\

itS^crii?\\ kn. hinken, op een been springen {vrg.in i)lt;y \\), JR. volff. \\\\\\\\. gew. i-lt; rj cm? i.lt; rj rriii \\ zva. tltc 3.

jQrjmiidJi j \\ of iQrj nr)i2(iJt kn. met een breede opening zooals van een kuil, een grot, enz. llli.

^n „xr n O

v.-c rn ui irtiji of on ilt;n aiijj\\ kn. —nn ion cru iji cru/j

enz. er keurig net uitzien, W. 1, 478.

irlt; crti tj) (Tti j kn. ; (un ern io} anjj\\ er keurig net uitzien, van iemands kleéren; dit volg. Rh. irlt; nrui

. 7 n Q O n o o .

aoc/t irc ctiidJt crnji* zva. irc miJ» stom

van verbazing of verlegenheid.

tquot;) o : ) O o Cquot;)

ik cm i J) ern/j n k n.; i/n irm aniw» ertyjs geen vin verroeren en zoo stom blijven als een visch, als iemand iets gevraagd of gezegd wordt {org. im tin ril cni/i). WW

i.-s rj rm 2 \'Et/j \\ zie rj ui rj rn 2 :)

irx nmijs zie

iQrj eni KN. — 1 m rm rf cm (nyj\\ zich in postuur zetten regtop met de borst vooruit (en de armen bij het lijf neer, zooals een soldaat in het gelid of vóór zijn overste, WW.R) en het hoofd achteruit, Rh.; ook keffen van een hondje (vrg. \'iKcrt^rnji). tie^nmcm/j en i\'n izjrt ernem/^\\ zva. aj^ rn-rnjj en r n^ cm omns

itj nym/j ook wel otï^skn. geblat, gebasj blaf-

fen, bassen; van een hond. im i^iincr^cm^ tegen iemand blaffen (vrg. ijii irm ^ cnicnifj).

\'quot;) o o • 1 1 (~) o o a

iclt; rn rm gigetielcn, zie oj) /. n ren ini/j en on

gt;0

arn

) O O _ ( quot;) Q» O

i.lt;cm ni(K 1/j - 1 lt; on m

n _

irs ij o n ij cm hjjf - rf on rj ern 1 1 /j\\

C) \' \' O \'1

iclt; rf cm 2rj rn 1 \\ kn.; \\jn ion rf im rf 0012 i.)/f\\ zva. d 1

of cm 2 rf cm 2 (Hi)/f \\ een plat woord voor n^ro^w volg. Rh. zva. rf itlt; ? gt;f or^\' cm/f\\

ik erh \\ kn. e^n gracht om iets, zooals een huis, tot beveiliging (vrg. (t» vnui/f), G. WW. een sehnin-sche stut tegen iets om het te steunen; beer tegen een muur, hv. van een huis\\ (vrg. a-ncm gt;lt;n/j) JR. stander met drie pooten; beistander vati drie palen; een steiger, Rh. ook een rak voor lögèn-kokers, Kr. met de vier pooten gestrekt, van een paard, dat niet vooruit wil, eig. van een kalf dat pas begint te slaan, if (un 2 errn ik cm \\ een ladder met een derde poot tot schuinsche stut van achteren, zoodat hij op zich zelf kan slaan, zva. if nou

_O /.o . o- O \' \' o.. ; )

nrn .171 in ri m un .10 hk iin w un hoi k 1 mi \\ zie n ot 1, n

UI \' I J l cr^

(K\')n\\ — (uni:/77nil\\ iets met een gracht omgeven

1—\'

tot beveiliging. G. WW, — i/n rm mi t~i \\ tegen iets een ^schuinsche stut of beer zetten JR. (utirm nii .1? gt; of un roriuk erh 17} ^ de vier pooten strekken als boven; ben.v. e. kalf, als het pas begint te loopen, zie 111 rn ooi rn \\ (wat eenverbastering er van sch ijnt te wezen). ik arn \\ kn maïs, turksche tarwe, Zea maïs. Nat. fam. der Gramineae. (ki(ui^ ïj rïiK rty met drie maanden (omdat de maïs met drie maanden (je-oogst wordt) W. rn rf n-n 2 rf (tfi 2 \\ de gewone Turksche tarwe, waarvan de vrucht tegen den stengel groeit. L-ïcrr^w ifnni nj/f* een soort, waarvan de vrucht of tros aan den top groeit, Rh. — ru rm-Tfjp een veld met maïs beplanten. —oji ik n^ itiiHi/f of ik (Yi^ (tri iui/f\\ een maïsveld of muïstuin. ik rf nrh 2 \\ kn. volg. Rh. zva. wï cm gt; zitten, e?i naast of tegenover een ander of in gezelseliap met anderen zitten. — i/n irni rf erh2 \\ een gezelschap houden of bijwonen, vooral hij de een of andere gelegenheid, zooals bij de geboorte van een kind, het afvallen van den navelstreng, des avonds vóór de voltrekking van een huwelijk, enz. — nnrnnf rfnri2tiri\\ bij iemand op gezelschap komen, hem daarmee een attentie bewijzen; ook volgens G op-pasaen, zorgdragen. —• .i.lt;rf ni12 m nnjj of ïtlt; i ; rf ifnrii2(in(Hi/f\\ gezellig zamen zitten, gezelschap. — ui ik if cm 2 ciTi an/f\\ de plaats, het vertrek, waar men in gezelschap zit; een gezelschap.

irlt; rf cm 2 \\ kn. kuil in den grond (vrg. i j erh \\ en ri\\ 2 ). iu i-?if nrh 2\\ een hol £gt;ƒ diep bord, soepbord. — èv 077 Qrf nil2 v met kuilen en gaten , wzw den grond. — amirin nnii2\\ ecu kuil graven; fig iemand zoeken te vangen (vrg. iuii rm rf rh2\\). — XJ11 i:ni rfcYhioci* mv., en ergens een kuil of kuilen graven. — Q rf nrii 2 771 an/fs of ok rf nrh 2 uti (m/f\\ een in den grond gegraven kuil (vrg. riyvuai (Hijf)\\ volg. Rh. een val om wilde varkens te vangen, fig. een middel om iemand te doen vallen of struikelen (vrg. rf :ru2 tfnit ui ^.lanjj).

u^crh \\ kn.; (umjrinh^ een diepe kuil in den grond


-ocr page 965-

ryj its cm n

881

\'iK gt;im f n

/ O . v o

graven (vrt/. lt;un cmri (rm\\). — cun tyn cm ms mv.

0 Cï-\\ \' amp;}gt;

(ïh(C7wji\\ ecu diepe gegraveuekuil, grafkuil {vrg. irij O) w (HTjj en nfnar^asnj^).

irj ik (rhgt; kn. zitten met de knie van het éene been omhoog en de hiel op den grond of den stoel tegen de dij, zooals een Chinees graag zit (vrg. imiliv

^ \\

en (isï»\'£/ï~^n).

tj i^ np zva. vj ik ofh\\ GR. — (un rjirm rrj \\ iemand met een touw of iets dergelyks een been ligten; een beest de pooten met een touw bij elkander halen (vrg. tun r.m cm cun rj .itjji cm \'ru/j), W W. iit?(Yt^ r}j ihYtjj —^ ik^hiyi\\ Rh.

O Q« o , p o - G) a* n

ilk cm rn \\ KN. j un vnp cm m (iJijf of nm rrn cm cm

ijyj\\ verminderd, vermagerd, er uitzien,

een ziekte; verminderen, vermageren; ook dun

worden, van het haar.

iieziüiis N., iie? ij! \\ K., buiten, iv/mi (hi { uri

en irnn buiten wödaua\'s (enz.),

benaming van de 4 van de 8 wadanas (enz.), die

hun pasebans huiten op de aloen-aloen hebben (vrg.

,..0 t~) v 3« O» o i .

bij tuiiixi (hi\\ en ik tïa n). i/n ik im \\ tun ik ui \\ buiten ; buitenshuis; uitwendig, uk vm \\ ook verk. v. inn ik am \\ of (uri r:m vni \\ w ik vil vj wis of wik im ihj\\ en (w ik toi uj onji of u).iK(iJ) u^\\ buiten iets, erbuiten. rMiiK.inu^rinn^s buiten de grenzen van de hoofdplaats; maar ik xm n un % \\ n., ik cut h nn % of ik\'ut rj (nm rl\\ naam van een distrikt in Ban-joe-mas (nl. in vroeger tijd). — unvmnn^ of hu ik*m \\ en (uilmn ui \\ of tw ik ut\\ er buiten te houden; met uitzondering van, uitgezonderd, uitgenomen , behalven, tenzij; het eenige is, het eenig-

ste middel is; dan moet het wel. i/n irtp imrju^s O o - O o

Htl IK ven \'I IjJ.^ um Ij CU) HJ Uj (HTJI Of Kil IK Ij U! llt;j

uitgenomen; behalven. — £iiKr.ï)\\ tiniK

lt;ui\\ zva. luiKumdin en iyti irm ui \\ in n .und \'myn lt;?gt; CFgt; \'

n o o ^

irm m \\ rj njm ni (Ciiknm \\ ij rm 2 thii mi (Gi ik (ui \\

» O (v)

zva. rj lyn ? ti fi/n cè^ \\ vj irn i hu m ~jn ibt \\ het eenigste

is; alleenlijk. — tun irm ; n u n -fii ij ncn \\ of in ik rm

GS

nol ^ii rj hu \\ en /i/ii irm rj ut mi hm cHijj of rn ik ij

O

ij ui im ^/n ihi (injj\\ iets of iemand er buiten houden of laten; buitensluiten, uitsluiten, uitzonderen; iemand uitwerpen, bv. uit zijn kaste. — xkxvh wjj\\ ik rj ui ;hi ,j\\ wat buiten is, buiten om; uitwendig, bv. uitwendig geneesmiddel \\ wat buiten de vaste inzet, verwed wordt; wat door de omstanders buiten de spelers om, verwed wordt, ook ik iwHi/jsN., (uiiKtui Hj[\\K., buiten.

!iKrni{\\ kn. verantwoordelijk zijn (Ar. dj*-

bah, antwoord; of liever verk. van ,wddji-

bah, noodzakelijkheid, pligt. Trg. (UiiKxirijj). —

O ^

thi im {\\ verpligt, verantwoordelijk, aansprakelijk ; verpligt zijn (vrg. inicui iSurnnnjj en (huaQ (ea ~jigt;\\). \\m i:m im q mn ij .hh \\ iemand verantwoordelijk stellen voor iets.

i^xrn q\\KN. tabbaard, ruime en lange japon met wijde mouwen, zooals door de priesters gedragen wordt (Ar. gt; dj o ebb ah. Vrg. xvn xm wnjj). rjiKlt;rjX7nq\\ - \'IK rj urn rj xm ^ \\\\ W. II. 159.

O quot;gt;

irzxmrnjj\\ til. zva. iQi rui rjasn Hijj\\ WW.

kn. benaming van een meisje van zes of zeven

• m- O O o » / O D O O 7 jaar, in Ij. ikxrn(Hi ~.i inn \\ {ik xm imxm xxijj\\ benaming van een jonge van acht of negen jaar. R.).

o o ^

\'lÉ^xm iinji \\ zva. tj uk ? xm mi/j .

rj.iKdnnMijj\\ kn. tegel, vloersteen. — amrjxnmxm

iinjj\\ iets met steenen vloeren, bevloeren.

(ikxm H) hvi{\\ Ar. de ingang van de hel. G. (^r.

zahdnijahs soldaten van dc lijfwacht, trawanten; ook benaming van de engelen, die de godloozen in de hel werpen.

xKxms ben. v. d. fat ha.

iKccr^\\ Ar. zaboêr, de psalmen van David,

(vrg. ieh^s). hiiXïiirmxiys het boek der psalmen. iKxm\\ of ik ij rm \\ KN.; un i:m in of xm rm rj xm \\

\' G-gt; Gr\\ \'

met een breeden rand naar buiten omgebogen, zooals de tromp van een waldhoorn i breed en omgekruld , van iemands lippen ; breed ook van de neus.

O

XKljlUtj

O r)

met wijde vleugels, (vrg. iKxm\\).

r

OS Ci s O /

ik \'Lm\\TP. zva. ik rr^ en x.11 rmi xzn ^rirj mi \\ zva. un

n x s D. s ^

tmi vr^ rYi rj urn \\ oj mn crr^ n rj mi \\\\

ik rm n kn. de kraakbeenige rand om den snoet (n rj ijii ij rm) van een varken en om het achterste gedeelte van de schaal van een schildpad; ook het

randje van de lippen van een mensch (vrg. xKxm\\

i o .

en ik krm^ijiji).

o / o s o yquot; _ o /\' . o z\'

ik (i71q \\ KN.; ik xm ik xrrjj \\ - nj* n xnjj zie ui r.!^ w

eig. zich vermaken met in het water te plassen; alleen fig. voor aan pret en vermaken zich overgeven , WW. II. waarschijnlijk alleen gegrond op RP. 130. (ui i:i ij an -jii uj ia!xtti ik xm\\ doch dit volg.


56

-ocr page 966-

\'7\'quot;T

882

Rh. ei#, lekker eten met allerlei sauzen ; vette keuken hebben, brassen.

,r.;r ^

y irey irri t\\ KN. — unrj i:m rjr.n i \\ smelten, Rli. — mirj tnri (vv2 n \\ aanmengen, vooral van batik-was, met zekere harssoort {wi (u ihvjj) of met nut t^ri \\ was, of (Bi h i rj i rf ah ? n Rh.).

riéc rn n^sKN. verhard zeeschuim G.

iQtf KN. klanknabootsend tooord voor een klet

send geluid zva. iQ tj uiun/js en van de bliksemslag. irj lirj vr^nsii/j\\ zulk een geluid geven; knetteren , van een donderslag. — i//» xim om den rand omgekruld en met splinters, zooals van de uit geloop en hoeven van een paard en van de afgestompte punt van een pijl, of van het eind van een lat daar mot een hamer sterk op geslagen is.

tietiirr^(KJijj o/eeu jonge, nog kleine lélevisch {vrg. uzcim een lip zetten, eeu ontevreden gezigt zetten {vrg.

ajjjj en itj{(vn^aj)ji\\ JR.).

(iS{ii^ Mfj KN. plat en breed uitstaande rand of lip, bv. aan de schaal van een schildpad of de onderlip van sommige visschen; spits vooruitstaande, van de lippen van een mensch; ook de rafelrand van een doek {vrg. £\\rnn); en zva. bv.

O O O O

hu rj ihv {run ctn; aj) — un r:m irn een platte breede lip vormen. JR.

KN.; xmfpti zva. vniw^oJj/fS

JR. vohj. Rh. het vooruitsteken van de bovenlip , van een mensch, het tegenovergestelde van wrj riftoiiHiyis BV.

irfiKrj h^i)j)/j\\kh. het haar om den bek van eeu beest. — d/n ij i~rp s lang over de lip heenhang-

en, van knevels: met lange en dunne uitstaande haren , van bakkebaarden.

dfj KN. een voorname vrouwelijke bediende. G.

(iKti-mni ilivi (rujj\\ (Dj a b a-v a\'il), eign. van den engel

Gabriël {Ar. dj abr d ïl).

(ucny / n.i/j\\ KN. klanknab. v. plotseling ter v)ereld komen, en zva. nq iryii^ van het in menigte uitgetrokken worden of afvallen van haren, veer en, enz.; van het met wortel en al uitgetrokken worden van een plant.

i/j ivi \\ ook KN. trotsch, hoogmoedig,

Irj KI)

O

omgekruld, zie iQtj Rh. ook van hart

wild uitstaan net als een ragebol? WW. zie Qrj

rj en nj (mi t cm/i\\

O o O o j, j

ik KN. — unrm (vnyrryijs van veeren of ha

ren overeind staan, Rh.

0 ^ /. o O /• * o (?) v „„ T .

ikquot;lin h tiji of ik (ew A. ik irn\\) KN. uigt oj»-

één gedrongen, bv. van menschen, zoodat het er

vol van is; vol of bekneld, van het hart {vrg, i n

n o O O v

vm (KTTJj^ (itcniu/i en ik ik ïu/i).

x.n (irtijin zva. a^im(HVJi\\

•IK (in/j\\ zie ik (üi^ihnjis

iKtinw/i of fK im(vrnjjgt; Ar. Pers. zabdel, c\\ve{,nm8-kus (vrg. y hji ij (in wjj en ijnrnz (kï\\). ^(Oiikccn xnjls welriekende, geurige olie «ƒ balsem, met muskusgeur. — (i/n irm am na \\ met welriekende olie of balsem parfumeren o/balsemen.— ik am aci ihnjl {ook zva. iK(i7n(U}jj\\ WW.) of *k ïknmax)na

geparfumeerd, zieh parfumeren.

O

ik rj urn 2 (injj\\ zva. (^(Cï)2n^ i\\Ktnxij^\\

(iaJi\\ zva. (iryiK(iajj\\

iik aw rj (i(\\)\\ naam van een oorlogswapen in den

ouden tijd, G.

ik (cr^ (isriji\\ ook wel ik (irr^(uyi\\ en /j) tr.r^ (isn/j kn. het uitgetrokken worden, bv. van een dolk. n/nrm amnsn^ kn., imirr^asii/js tp., iets, zooals een dolk, uittrekken; iets met kracht uithalen of uitrukken; het anker ligten of ophalen; fig.iem. ontslaan, afzetten, {vrg. ij vnn grj ajii asvjj \\ nndjiyh^ijs I., v. ? ^ en am f J ij am ruy?).

kn. de uitgang van iets, daar het op uitkomt o/in uitloopt; zijn uitgang hebben ; te voorschijn komen uit een opening; en zoo ook nnrw iTTjo^iji gt; {vrg. iQa:^ n \'jj^ iw enn/n ijrwizcrnjj). Q if am 2 ojiji \\ en d/n rm rj tim 2 a-i/f\\ zva. iik (inj oji/j en

d/n r-m njjj^ \\

ik (CYj^hi ^ kn.; (un rm een plat woord voor

(UÏI rm 7ii 9 \\\\

lt;?gt; 1

ik am nvi/j^ kn.; a/n rm^n aajijj-s kn. aardvruchten uit den

grond halen, rooijeu, volg. Rh. meerbep. de padibibit

uittrekken en in bosjes binden, {vrg. ar^ -rl a^n/j). —

177aTma.rt 7ijs mv. fin. iets, dat iemand toekomt, \'1, \'J

{Ar. dj abr ij ah, trots, hoogmoed. Vrg. mh ys II.).

ii^rrn^N KN. — (utriim^v^(Yn^\\ wijd, breed uit staan, bv. van een stuk hout, waarop geslagen is,


-ocr page 967-

883

O

tiK (i7r^ou)ji\\

maar dat een ander in bezit heeft, terugvragen of terugvorderen. —• alm rwcmflx (wn un {of tuji irjKHiinyi) rwMTjjs Soel. II. de geschiedenis

van het terugvorderen van het rijk Ngastina. Qamrufts kn. zva. fig. daar iets op uit

komt of uitloopt; bij slot van rekening; op stuk

van zaken, eindelijk, mj\\jniquot;nxmmiiigt;ca:r^rj(t\\^\\ er O

komt niets van. — lt;un(ann/ij^s ergens uitkomen, doorheenkomen; dc deur van zijn huis uitkomen , volg. SG. ook aren schieten van padi. — run rrpcurj r^7mi \\ iets ergens doen uitkomen; {iets tot een einde brengen, G.) maken dat het er eindelijk op uitloopt enz, — (v.r^ irui nn/j zzz iKtcn au ijs B. T. Dj. 589.

iS\'iiomiiwi/js kn. uit elkander geraken, v. iets waar dc bodem uit is; ook van haren, enz. zva. ijxvm lt;rjcimirvijj\\ los eu uit elkander scheuren; ben. van de tijd van oogsten vm unhlyfuiw SG. — (uti wnrj,1.77 2 ivijj. iets los en uit elkander scheuren als hoven; {org. (unrj — vn vnn ij

(ij i:nirjaai \\ iets uit elkander doen scheuren. (Sam(rifi\\ Ar. begraven. G. {Ar. zibaloe. wat een

mier of klein beest in dcu bek draagt).

O • O

x-i ij njn {\\ zie ii.ii rj ,/rj7 q \\\\

ifcr.}p nnjjs ongewoon voor irja^i naij W. II. 54.

(i£lt; (irri zva. nsn nw dJijj \\

/ie^im ojin \\ kn. klanknabootsend woord voor een gehad, zooals van een zweepslag: klets! een klets o/ slag met een zweep of rotting; een slag dat het kletst {vrg. rj iwi w/j); ook van een trek door een opiumpijp; vrg. nstjjs tun i\'nji oy zóo kletsen, ook zva. un iiiirji^i2(yrt/js\'/cijarn klets of slag, zooals met een zweep; hv. 1,1!nij^ lt;k^i7|ïdsji ^.ihiji . drie kletsen. — itlt;(U rj ir\\9$fwjls frecl\' v\' donder keilen, B. \'j klanknabootsend woord voor het ge

luid van iets dat harst, uiteenspringt of openbarst {vrg. ^yafh(M/i)} benauwd, verlegen, G. — nyn lÏV2barsten, openbarsten, openspringen, (vrg. (uniuijji^rj (in2 (M^); inzakken, van den grond als men er op stapt, en van een brug. ihii i^^xrtii quot;^\\ zvaquot; ni1 toeval in een gat zak-

ook fig. er ingeloopen, beet genomen, iy. door een slechten koop.

Q

kn. volkomen of treffend van gelykenis {vrg. (ui £gt;\\). — iimvmrfymttjj Ji.\\ op iemand of iets volkomen of treffend gelijken {vrg.

is vj r|» 2 cyyiji\\ kn -; (un v.ni vjiyriicm^ ophappen, zooals dieren met een grooten bek als krokodillen, slangen , enz. verslinden, opvreten van dieren; {vrg. tin ij (u 2 uiiji bij (ui \'rj\'tfi (ktiji); een plat woord voor (Eimem/j, van een mensch, naar binnen slaan. — ittï 20^70^ \\ obj. den.

(iQ ir^i rr77^\\KN.; a/n i:m nrn mi y\\ wijd ö/ waagwijd openstaan , hv. van een deur {vrg. tunxw(rrin\\). — cuti r-w irii rm rj nn \\ iets wijd of waagwijd openzetten of openlaten staan.

iiK (ijncrn/js {dj ë blo ég), kn. klanknabootsend woord van het geluid van den val van iets, zooals een kokosnoot, op een zachten grond, WW. {gew. rfn*™ ook barsten, uitbarsten, ontploffen, zoo als iets dat door hitte barst; verder {of Q ij aw fem/jx) klank-nah. van het stooten met het hoofd of den kop; fug. kloppen van het hart. Men. — mi\\~mcm/j

ook =11 (17/7 »7777 IJ .17|) 2 077 /j \\

xrlt; ij(i7|72077fj\\ kn. 1. zie lt;rv »7nott^n 2. modder, weeke modder; modderig, hv. van een weg {vrg. térirjop? (HY)JI en l^Vaamp;(\'?crflcyi/l* elkander

met den kop stooten, modderpoel, modderige plek o|) een weg; fig. voor iip nj)jj\\ WW. volg. Kh. in deze bet. (rn rj 1.0 2 (irrijj\\ mn ém rj 2 cmji \\ met den kop bv. tegen dien van een ander bonzen

van een buffel.

) O

ijl:}!lt;riijj\\ kn.; intpntyparnjjs maar zwijgen, geen

quot; stom woord spreken {vrg. rm^\\ (unvjinrn

£1 0 \\

xfiff 2 myi en un xrm mi xji amji).

trj xk 2 rf 2 omjj\\ kn. ; lun rj x^m 2 ij xrm amjj \\ kn. ergens maar lui bijzitten, geen hand mee uitsteken; bij een gesprek geen woord meespreken, als een stomme er bij zitten {vrg. run irrn^ify nmj). JR.

xtlt; xm cryijj\\ kn. een vogelknip {vrg. ik xji (un Mx/j); volgens G. een vogellokker {vrg. (unm luiyj). i-lt;(v:r^cYriJJ\\ kn. een oude, rijpe en reeds drooge pi-nangnoot. ukxnixk(in^rm/j\\ spr. een oude vrijer (vrg. (itjxmrnxji^. (hi/j0s een oude vrijster, Tj. x.xxk

a:rl cfy» 7^^\\ (^c vorst door drift vervoerd, ziet iedereen voor) niet grooter dan een .ik «7^077^\\ (zoo klein acht hij ze), W. II, 820. oj)x^xTYjojr»xmftyi

(urn nxn • een uitdr. voor heel klein, zoo klein

co \' (7

als een ^(üï^rtyi\\ zelfs met zyn schil er hyofbv.

56*


-ocr page 968-

884 ^lt;cw.rn^\\

met het doosje waarin hij gelegd is, W. I, 58; // vm •-mi hoe klein die persoon ook moge zijn,

met zijn ab- en dependentie\'s, Rh.

o O .o O

(its (in crryi \\ zie ult; 1777 (Hnjj \\

^in cnyi kn. oude vrijer of vrijster (vry.

zie L. 82.

«THkn. de volle uitgestrektheid

in de breedte uitstrekt, zooals van de uiige slagen vleugels van een vogel en een breeden rand van een hoed (vrg. —cun x m im imq\\ zich

in de volle breedte uitstrekken; zich met de armen en be enen uitstrekken; zijn armen fen beenen regts en links uitstrekken {vrg. ajn(éni Tjx-mrjnm en ik m (UI s).

7r?(Tj (1777 7^ .1771 f \\ ! IK (1777 .7777 ^ N Ril.

\'iêcij .1777 ? 7^ 177 i rrnjj \\ KN.; 7.7» im rj 1777 ? .1777 2 rrn^ \\ wild als een ragebol uitstaan, van iemands hoofdhaar, (iamp;i.ris en irs .i77ï (Ui\\ een nog lieel jonge en kleine lelévisch, kleiner dan of ^^c^o-j)^fk(kojj\\

x^r.hxd lv}\\ een pas geboren kind, een wicht; een klein kindje, volg. GR. benaming van een kindje totdat het veertig dagen oud is.

oKdrhi-n lt;Hyj\\ zie (cncik(cicm^\\

kn., it^^asn/js kd. , een donkerbruine hars , {meestal gebruikt om krissen in het heft of \'pieken in den stok vast te lijmen, Rh.); vrg. onru\\ 0(Sfa^(isnji\\ een soort hars door mieren gemaakt y Rh.— (umrm i^ iets, zooals gebroken vaatwerk, met 1^(17^ lijmen, aaneenlijmen; (vrg. (i7ivm\\). im vm (vyajn en iS ^ i:^ un rnj^ i^ijj\\ spr., fig:

iem. op een fijne wijze lijmen, foppen, (vrg. rn

/ ^ o .

annun ir.tirn\\).

Oh O** \'

ft?(i~H\\ poet. zva. isn^fÈn\\ B. kn. een kwast of pruikje garen in de plaats van een lemmer op de punt van een lans; volg. R. ook een pompon op een sjakoo; volg. GR. een lans, die bij het steekspel gebruikt wordt, (Adji Saka, W. bl. 146), d?is zva. vj nj) z rj (ia z \\ bivm \\ als (S(crt\\ er uitzien, Tj.

(vrg. aQ(M(rvijj).

(lïs 171771N kn. zva. rjopi ^.7L7\\ {vrg. (uri ^ 1777 \\).

o (?) _ o O * o O A

ik 1717\\ — ictiirnmyj of w:xmtrnjj\\ A.

KN.; i3vh^lt;ci^ofiQ(iS(ó^ii7t(HTji\\%emeenzfi\' me omgang, gemeenzamen omgang hebben met een soort van menschen, bv. met Javanen, Europeanen, vrouwen, enz. (vrg. i\\n imiEt^n^nnji en /ièn

\'VT\'

.13/; 1^ 177 onq), W.

ilt;^(t7^\\KN. kokertje met een platten bodem boe, metaal of aardewerk, om in te meten of er uit te drinken, R.; volg. Rh. een bamboekokertje, tot maat; in zamenst, met een telwoord, één of meer rolletje, bv. van dvbbeltjes, patroon, van buskruid. — 1^17^177rolletje, bv. van dubbeltjes; patroon, van een schot buskruid; bij rolletjes, bij patronen.

icc^ïn Kvv. zva. (7Tgt;^7itiy^ en (mojvis W. II, 320; volg. G. ook benaming van een soort van boetas {Skr. djatd, zamengeklonterd en verward haar, haarvlecht), üs op cm^iruij\\ L. met zamengeklonterd haar, net bv. als schapenwol. (U!:apojjm\\ eign. van een b0eta-vorst. (uniciK(ip\\ zie boven. (U) een stengel padi met de vruchten er aan; de eersteling van de oogst. De eerste stengel die gesneden wordt, wordt op een ^.itjtkï^n gelegd , en met bloemen enz. bedekt, en als offer hel eerst opgeschuurd in de loemboeng.

s s

ik(tp (huj!n zva. lA rjcrm iu^ — lyr» r:m ip\\ zva. amawijcmiru/j WW. {vrg. irm np wnjj bij wup

ik rj tip l Mtjix KN.; lun rrn rj ap i Hiiji of tun rw r^iini iuiijfs vlak bij, vlak V(?(5r het gezigt; heel kortbij; vlak voor de hand, gereed; kort op hauden zijn, vlak vóór iems. gezigt zitten of staan zonder er vandaan te gaan; (.vrg. fn r:inn ntmiiin). — un

CPrgt; \' *

17777 op 2 \\ iets voor de hand zetten oyieg-

gen, gereed leggen, Tj.

iSap hhji of iji^ ipnnj)\\KN. nat, vnil, slikkerig, gew.

, , on ofx 00 . van den grond (vrg. i.-; \'t r en ik

WW.

ijiik! ipiuti/j kn. iemands tijdelijke vijand o/vijandin, iemand op wie men boos is en die men daarom niet wil toespreken; vooral ook van kinderen, een an ■ der kind, daar een kind tijdelijk meê in onmin en vijandschap is. — nf» gt;] gt;:ni 01^1 \' iemand als ?ƒ ( - gt; ip hnjj \\ bejegenen. — ij meteen

ander tijdelijk ia onmin leven.

if?ifj (isrijj\\KS. Hanknah. van het knakken v. d. vingers; ook van het breken v. e. touw of hand. m\'i Tj-

.l-7 y (üiyi \\ kn. klank nab van het toeslaan van de


-ocr page 969-

v rj op t asnji

885

het geknal van een schot of iets dergelijks: knak! knap! {yrg. 2(isri/j), ook van een dag, A.

11, geluid van een opengaande deur, Waj Jr. enz. (ic^iQtynpdastijis zulk een geluid geven of maken; knallen; bij een belofte, zva. ryni^iwnn^ rrm gt; bv. oJtorr^^ridma^Q^apiasn^ hij beloofde het voor vast en secuur. — (unrmnsnj\\ iets hards breken dat het knakt.

kn. gerimpeld, gekreukeld, ongelijk met plooijen, enz. n/n \\:m éi een gescheurd kleed ruw zamenhalen, digtnaaijen, zie (im (^!hsvjj \\ ■Q^ ^ (i-nyj \\ kn. j am irm ^ nsr^i \\ koud of verkleumd

zijn {vrg. yyi am(M^lt;hijj en ihii (3Mitfn iify(Hyj). (lëiëis kn. ben. van een w jScHrijjs die hoog van rug is. — itmximnp \\ bij het itfn^S Kn/js spel den rug gebruiken in plaats van het holle gedeelte, Rh.

. kw.

zva. (Mitoi irv)ji\\ ook van een berg i {vrg. en

ih1)rj!Ej1 —1 (lid(yn/j). — 3. kn. S:\\ en gew. uhiK\\ voorzetsel voor den titel van een persoon, die betrekkelijk de hoogste in rang ist van den Vorst, een Vorstin, den Kroonprins, een prins van hoo-gen rang, den Rijksbestierder, een Heg ent of landvoogd, een Resident {als vocatief tegen dezen: hii iQhrjij)imjj), en een Propheet\', ook wel voor Zijn Hoogheid, bv. uh(ik^kiie,)Siurn/j\\ Zijn Hoogheid was al gezeten. É- {of \'uti ik) w\\ zva. ilïhn -n fji \\ als de vader met betiteld wordt. $ {of tih $) \\ Zijn Hoogheid de Kjfii. ik

injjjum (Ei (trn (ui (h^ nu^ of enkel hlt; Jnjjj«w n naam

van een kris van den Soesoehoenan. — m orl

o (O a ^

Kn \\ of (un \\tk (tr) (K) (Kn \\ beleefd voornaamwoord van

de tweede persoon, dat gebruikt wordt in de plaats

van wtj Ei^/tcLuwjj, wanneer dit als niet gepast

beschouwd, wordt; zie de Grammatica} {van i/n

o

bh Mils en vrg. ttn tun \\).

Qquot; Q.,

•\'SN zva. (Kl\\

n kn. een hoeveelheid land van vier xm cur^ \\ bv. oji of Tj^hd \\ enz. {vrg. hh tat ru/j); ook

bij verk. voor fJi^\\ bv. in kii ut ir^wiu y u) \'f \'Ti Liiiruji^ 25 realen van de djoeng; en

vier realen van een djoeng, van elke itd één reaal. ikSlrus of een djoeng van

veer van een slot, bv. vav een deur. qtj iipmsnji\\kn. klanknabootsend woord voor hei ge

zwaar stuk hout gt;

luid van het knakken van

1. verk. van (un hjI uii als vocatief.

vier .\\rn(\\jr^ijiinj)\\ d. i. een baoe van onbepaalde groote, W. Jr. en iè^ Qrj np nsnjj een kleine djoeng zie bij imt/yw — (viihj^s of (uttHji^vneen beambte die een djoeng land tot 01^07^ heeft {vrg. (i^\\ onder dQnu] \\ en w ruju?) wi rti/j onder

7UJI ,

O -

(Ui ihj rv^ afj

o \' o . (Kn ihnirLyj).

y vlt; 2 \\ kw. zva. ern tjirh 2\\ of tut (uvj,w kn. benaming van een groot Chineesch vaartuig: jonk; ook volgens G een zwarte vlek op den huid. irfiföivj £2 \\ naam van een gesternte: de wagen of groote beer. JR. 7jitki^ni(isn^\\ naam van een soort van gebloemde zijden stof. G. lt;yj \\k ? n (tin (irnjj \\ of ajij n (un n:nji naam van een plant (Tj.) waarvan de bloesem!s? een medicinale droogevij zijn, Bcackea fruteseens, L. Nat. fam. der Meliaceae.

ik (ei oap kn. groente, moes of soej) van groente, groentesoep, (vrg. ujioJv^s en KnrhKKi^), soep of saus, ook van andere spijzen dan groenten; bv. vleeseh o/visch, soms wel geheel zonder groente-, vleesehnat, bouillon, enz. Rh. (ur^rviit^(i7i(hnjjs naam van een niet vergiftige slang. (M iyiKi azi (hnjj\\ zie bij fjhUj ki/js ie: (i7i^ uijj\\ een kost van verschillende soorten van gekookte en met samböl gesausde groenten, daar men meê te koop loopt, w: Q(htjj\\ {of iKaiKK^/j tp. Rh.) in de spreektaal

cy

zva. (vzw

irlt; .fn(Ki/i\\ in de spreektaal zva. iQmjs 1.

kn.; unrmal^s stom, stil zonder te spreken, zitten of staan {vrg. iQQis), volg. Rh. van een dier, bv. paard of hert, stil staan.

ncy O CY . . , ,

en i7nrgt;n d\\KN. stom of verstomd van ver-

• O C*

wondering. (in (ia ern !c; Kn (lxji xsr^ \\ zva. xn

dnnm^ni rrn i^kh (ivi .15^ cny \\ stom staan als een paal. tj rj ut zn: rj \'Tmrj 11 \\ zie tj lirf gt;\\

tj ik 2 ij (in 2 \\ 7j(tj)2ri ijt2\\ kn. een snoet zooals

van een varken, ook wel van een door een val of stoot gezwollen mond of bovenlip van een mensch. (unrj\\m2rij r/m met zulk een snoet of open mond staan kyken. — rKnny 1x211 vn2\\ een gezwollen mond krijgen bv. door een val.

O

(u n ij ik 2

vn2\\ zoo voorovervallen.

tj 171

ik ij t i Kn/js kn. het hoofd achterover houden en hard

O O

schreeuwen {vrg. (hiTj W Knjj). un imitj 1.1 (ifnjj\\

plotseling het hoofd opsteken of achterover gooijen


-ocr page 970-

886 rji rj an d (hvjj\\

cu èh zeggen, wanneer men bv. bij onverwachte tegenspraak zijn bevreemding toont. — (un (iztri irj (L7) lt;ïj(ciiHv/j\\ hetz. enz.

(i£\\ 2 vj t? t MijJJn KN.; nj)i rj aiti ? rj an 2 \\ het hootd buigen en over iets heen kijken; (vr^.a G. zitten, van een hond, {van een tijger, L. 226) onbeweeglijk met den kop vooïxni, zva. 7j(i^2o^tcrry plat van een mensch, WW. volg. Rh. den kop omhoog houden van een vechthaan gezegd, in tegenstelling van rj nm 2 tli q iin tj (ki 2 \\ van vechthanen gt; die den kop naar beneden houden. —tmrrhi

lt;?gt;

dj?2 oti2ornjj\\ ook (un ^ngt;tjan2 ïj(tn2(K}iji\\ den hals uitstrekken, bv. van ven vogel, of als men naar iets zien wil, volg. Kh. van vechthanen, ook zva. rjtamp;drfamtHvjis S(ia^\\K\\. van cunvrnwi^s met de knie

een stoot geven.

(rjtik2(kh\\ kn. passer {vrg. ciknn^s)-, voorspelling van tijdperken of bepaalde tijden en van hetgeen daarin gebeuren zal; vooruitberekening. zooals van een sterrewichelaar. n/nriarmeaois met den passer passen, afpassen, afmeten; iets vooruitberekenen, voorspellen.

{ook (i3i(hm^ G.), kn. stap, schrede, pas, grooter dan (tiïtiynthwjj (vrg. tnutmi ^\\), fig. ook ongev. zva. ij ik2\'uii\\ voorbeschikking, bestemming, A. 07, en ondernemende geest, WW. — ajninh (kii^\\ een stap doen; naar iets een stap doen, fig. zva. of (i^fêtiHriqs stappen;

daarheen stappen; een deur in- of uitstappen,

^akunstap voor stap gaan; met groote stappen daarheen gaan, GR. fig. naar groote dingen streven.

(ik(uii\\ kn. 1. onvolwassen, nog niet rijp zijn. G.— 2. anker van een vaartuig. — run w tJiiikaai \\ liet anker laten vallen {vrg. avi azri {\\ II., 3.). — ayn ti.in mi\\ iemand, die al een anderen naam voert, bij zijn kindernaam noemen, vrg. cikcrn*.

axiHti kav. en ki. heengaan, weggaan, vertrekken, van zijn plaats opstaan, zich verwijderen; zva. (asntui iHujl en R.). (ur^KJi rLi/jy ook wel zva. d j rn \\

aK(irti\\ KN. knoest van hout; knoestig van hout, waarvan de draad niet gelijk loopt, zooals wortelhout;

knoestig van een sterk gespierden kerel.

- . ruil \\ — am azgi inn \\ zzz kii \\ d/n nrnr^ iun \\ ook zzz ajj.

. Q/

(Hit \\

^N )• ^ ^ ^ w/)N deftig, trotsch, G., in Rs. van

zwierige elegante manieren, ook bekoorlijk, Tj.

O o

gt;rj(h.i2 m {lt;L\'n ni \\

(ik(Hii \\ kn. op het hoofd staan. 0(Vi a-u (hnifl \\ overliet hoofd buitelen, zva. tifn (ilj a^i (Ki/j \\ —a/ii i\'-j (mis aanhoudend op het hoofd gaan staan en weer opstaan; — njnarniiuiis op het hoofd gaan staan, (ri^ (Bi ojji inji (uu \\ zva. vj am ami tj ajii 2 arm \\\\

^ izz w

ak{(H^fHiijj\\ kn. of 0(^l \\ een kleine soort krekel, die de Jav. kinderen laten vechten, doch 0ojja:^\\ (tp. 0\'i) erhrj crri 2) de groote soort vechtkrekels, Rh. de krekels die de Javanen onder het aangaan van weddenschappen tegen elkander laten vechten (vrg, crri(Ki\\). ak(ihl^ihni^tui\\ huiskrekel, een kleine ak die zich in de huizen in spleten op

houdt.

ok aai ny (isitjj\\ kn. gerimpeld, vol rimpels, verschrompeld (vrg. (ui (vm/js (ijl aaiasr^ nsri/js aji aai oji(W/j). •ui aiti ok (mi ajnji\\ overal met rimpels. — (unarm dw lun/is rimpelen.

^iunn5ii/i\\ kn. — ajni~rriaaiastyj\\ opschrikken, opspringen; opvliegen, bv. in den slaap of van onverwacht iets te hoor en {^minder erg dan ajii aj ami 2 ithi gt; of uil ami as» iu/j\\ Vrg. ok aai KHJj)-\'i^alt;nasiiji\\ 1. kw. zva* (étialt;nanjj\\ ook wel als ki. gebruikt. 2. kn., n\\ of aa-riasrijj en 11]apasi)ji\\

ki., kam, haarkam 0/kam in het haar. ok ak aai

O o y. 00 o O 1

lt;^7(Ujti of (KUKiniasiijjs en aji ojia^i amjj\\ kammen , zich kammen. (unitlt;.i^aaia^ajiij of a^aaiam ^jadJI me^ ccn 80U^en kam in het haar. — am aptialt;ii am\\ amjsrjmaïj of ahn tja^n\\ iemand het haar kammen o/* uitkammen, asr^uii (of am

ami aai a^] \\ volg. Rh. ook wöl a^nj of asrj am aej nai nsii/i kammer of kamster; kapper of kapster (vrg.

o C ) v o • __q-

oji (hjjj^\'ti en m (kjj^tiasn^). o. a^ aai ami^ - a^aai

(unjl^ (Rs.) Rh.

irytai foiifjsKiï.; am aynasn 0511/j\\ met het nchterste achteruit stooten. GR. volg. Rh. zva. af ak2 (nv a!,rijj\\ rj ik2aaiamj^\\ kn. met het eene einde opgewipt (vnj. (uil ami oji amj). a/11 a^vni 2 i/ïi (unjjs iets opwippen door drukking op de eene zijde, zoodat «ie andere in de hoogte rijst.

\'rjak2tf(HH2omji\\ zva. aj atlt; 2 rj (rrn 2 cmji\\ Rh.


-ocr page 971-

Ir^ iHll IhlJJ \\

887

w

.iKiniM/lWD. zva. WW.

Sït)!HruiriJiJ)\\ zva. irjitkrjiHnliwyjs j-j Kilnjiji en mn irjri ufn iru/j \\ KN. met )iet l\'.oofU »ƒ Jeu toj) naar beneden gekeerd; zrfo op den groml vallen; steil naar beneden, van een herg helling of pad (vrg. y^omji). —

O . O

— lt;rfn(if;lt;Hniruji\\ niet het hoofd voorover naar beneden vallen. — tunarjr) yin ijmt \\ iemand met liet hoofd voorover naar den grond honden o/doen vallen; iets, zooals een kan, met het bovenste naar beneden keeren.

\\k rj wi rijjj \\ zie rf (ij) Tj wi iru/j \\

rj llt; rj kti z (ïviji \\ kn. naam van een loom, die een ronde bruine stinkende vrucht draagt, een soort van kastanje, evenals de (Qijiun \\ boontjes, bij de rijst gegeten y Pitheeolobium bigeminnm Mrt. Nat. fam. der Mimoseae, {vrg. \\ en ij i;;; rj ^ ^ ^ ik rj (ijtui)2ni^iortji\\ ziek zijn van te veel of van schadelijke eten, Rh. CO G)

(ielt;irj 2kn. ; tunn.m ijnfli idlt;vjj\\ een mispas maken zoodat men struikelt. —i/rw^rj tw 2 mnjj of nni

ïf^tfu rj (rui 2 ih^hji \\ raken te struikelen, struikelen. o* o.

irlt; htiinn/j\\ kn. ; n/n,17111 /oiiw/j\\ opspringen , ongeveer

, v

zva. iunrji:tn2 trLi\\ (vrg. ik hïi astyj).

frj iKff hniiKnjjs zva. ijtiot Tj.

lt;?) Do\' (?) .O o \\ i \\ et

is hn niasrijj^ kn.; njnckiitrvtover het nooid buitelen, op de handen buitelen, een rad slaan, zooals een clown in het paardespel. — wn tu (iftfwjji zich met zulk buitelen vermaken o/daarin oefenen (vrg. i-j iu\'n f ?\'Y,K»/.rCn of run n\'nKN. over de eéne zijde vallen {vrg. (im it/t) 2 u i Ji \\).— h n tj hti n\'i\\ of afri ityrjMn.ru\\ het evenwigt verliezen; dreigen over de zijde te vallen {vrg. thi ij ik niis).

k ?n kn. boschmug, groote mug met ruigen kop {vrg.

\' l yj Kti ii i \\ zie iQij (tai iuw

* O . oo

igt;ii.uji\\k., zie (rii(Uj (ijijjgt;

kn. naam van eenhoorn, die op den wilden katoenboom gelijkt, en van de vrucht daarvan, die de vorm heeft van een half maantje, en gebruikt wordt als geneesmiddel tegen syphilis. {lief hout munt uit door fijnheid van draad en schoonheid van kleur); ook naam van een hoofdv er siersel van goud, enz., in de vorm van een half maantje met de punten omhoog {vrg. ik m\\), JR. schaal of harde schil van een ei, een vrucht, schelp; {vrg. (Kjiihh\\ BV.), zva. ru ook de schil van de kepohvrnchit, die tot zamentrekkend middel dient, {tunmiirüitni\\ de maan, als die zich aan den he-mei vertoont als nog niet half en op den rug liggend met de punten omhoog, ihi art nu(nh \\ tlie gedaante hebben, JR.). — uk(n\'r) m (htjjs naar een djangkang gelijkend, r) thn ? (unk() vn mi/j^ een hoed van boven gesloten, met een hoogen djangkang, schelpvormige staande klep, Rh., die door eenige pradjoerits van den Vorst gedragen wordt. —ik nhSiHi/l door te lang staan, stijf en gevoelloos geworden van de beenen, Rh.

uk wip kn. naam van een roofvogel; (Waj. Ps.) en van een fatsoen van kris met drie bogten; ook

voor den eign. Jan Koen.

a O * • \' S j

itu \\ en imjji(uri (ia (fyhiKiHn namen van twee

pala-widjas van den Vorst. nm i m htj \\ als een ik !}di op de wieken zwevend in de lucht staan; van een vogel, in de lucht zwevend naar i^glurcH, tv»

roofvogel naar zijn prooi\', over heen zweven, een geest-, {vrg. :unirw iu Ji \\ en au ). —(unxnh

fioi n?i \\ (op imrtwt/een wakend oog liouden, vooral tot bescherming W VV.) op iemandmiCiQ, hoogte het oog vestigen; op \'tem. een wakend oog houden tot bescherming. iKuh \\ kn.; uu f^uh n {met of zonder vooraf gaand, ihnn:i)\\) achterover vallen.

KN.; {een (ui dp (unjj ? Waj. 1, 195). nnrutK ton zie bij mi ni\\ III. — am ifni /w \\ met het achterste in de hoogte liggen of vallen of gebogen staan; zoo met liet gezigt op de kussens gebukt gaan liggen om te slapen-, van achteren hoogerdan van voren in liet water liggen, van een vaartuig; fig. plat voor slapen. — ^n ik kIï in den toestand

als boven geraken.

a* amp;

IKUÏIS KN.

iK hri iu] Kioj) keurige wijze den

hoofddoek omhebben, Tj.

ik mï \\ kn. klein, graan w van kleur, vlug loopend zeekrabbetje met lange pootjes of scharen {vrg. (uu^oaj^s), irj ko \\ kn. naam van een soort boomkrekel, licht bruin van kleur, Rh. nn ojttt)) cm een op

haalbrug, of wipbrug?. tj vn * y gt; / ?. if un i f n 2 al

njn ï.y uii\\ - Wangsaltan op erh )w Men.

/.^(7^n kn. zie hji.\'yw ihm^iKip onafgebroken zitten, voorover zitten bv. met het een of ander

o O . • . o

(ut lEihit-:i/a/ in (ui


-ocr page 972-

7ƒ i-V (K» \\

888

zijnde; met onafgebroken ijver voortgaan in een werk of bezigheid.

i\'jik k)i\\kn.j:jA7^ i/r Ji))^ en mi) iji^nrh\\ dreigen overzij (o/ achterover Rh.) te vallciuloor het ovenwigt te verliezen, van een zittende, vooral van een gehurkt zitten-de(vrg. nfntKiuir en ifnuQnwi rvi\\). — in u) m t, \'n

\' Cr\\

(ii vjrtais of lunrjtk an rj w \\ maken dat iemand het evenwigt verliest en dreigt overzij te vallen. — \'HfiA-ffo» (c? (mornet de armen spartelen in gevaar om het evenwigt te verliezen en overzij te vallen, bij het gaan sterk naar de eene, en dan naar de andere zijde overhellen.

kn. geknield, knielen. — njtirjirrnrjruh\\ gaan knielen. WW., volg. Rh. met gebogen knieën nagenoeg hurken.

\'rjaktlt;Hh\\ kn.; (tfnri ikiiU7i\\ zva. ofnrjnk ixii\\ — njti rjiirm ? ihv iiii rjwi \\ doen omwippen. JR.

lt;rj ak 2 rj mti i ^ kn. naam van een lekkernij van rijstmeel en suiker in een Had gewikkeld. — itfnnrjakdrjitshts voorover op de knieën en de handen of ellebogen vallen {vry. rj ik rj^h^). —nsnnyirm trj(hv2 (Wvjihti\\ iemand zoo stooten, dat hij voorover op handen en knieën op den grond valt.

c?) . . . cy * .

(IK (Kil (Kil \\ Zie (l/S- fKlJ |Kgt;Ï \\\\

kn. leêren riem. — amxim rnasnj^\\ binden met een B., een stuk leer tot riemen

snijden, van de kant beginnende naar het midden een spiraalvorm beschrijvende; een rijstveld, met spiraalvormige voren van de kanten beginnende naar het midden toe beploegen; een rijstveld voor de eerste maal beploegen.

akquot; (»77 \\ KN.; \\m iirm (U) (isii/js zva. (tm ow (ut nsti/js O]) -wippen, bv. van de voeten, van zijn plaats gewipt, naar buiten de rei uitsteken, van een tand; en plotseling het hoofd opheffen, overeind staan, regt-op gaan zitten of een regte houding aannemen, van schrik of verwondering.

O o o o n

(ik (en isnjjs kn. j (tmn-.m a-i zva. (un imt cun asn/js maar van kleinere voorwerpen. — nW lt;1.77 én (in nsnj\\ telkens opwippen, zooals bv. de staart van een kwikstaart, fg. met het l(jf gedurig in een onrustige beweging zijn , bv, bij vechten oj kijven vooral van vrouwen.

nfzanasnjjs I. kw. zva. 110^ en t/7?(rv)n\\ — 3. kn. een afzonderlijk vertrekje, alleen bestemd voorden heer van het huis om daar gemeenschap te hebben met een van zijn in huis wonende bijzitten of mei een geheime maitres. — een

vrouw in een a^n^mmjis plaatsen, Tsk. — tuur.

lt;i^^rt577^N of volgens G. een sekreet nabij een badplaats.

fi^iamp;fl^NKN.; dmn-miS(Knecht zwart, pik zwart. rjOKgrjvmw/j of y n* 9 én lt;tj) ^ IIoll. jon ges, kn. voor huisknecht bij een Europeaan, in Oost-lndie genoemd. èij (in2w/i\\ als huisknecht

gaan dienen.

Tj (tk 2 ojj t) (ihii /j \\ zie bij rjdkd^

(ikarts kn. niet huisvast zijn, gedurig uitgaan, uithuizig j gedurig van plaats, van meester veranderen.

O o O o O o

/IK (177 trhTfl \\ K N. J (L/77 17777 (177 tlJ/f \\ ZVa. (Utl (17777 (17gt; (UH/JS \\ (Ï77^

avi(L/77d^(i7»lt;n^\\ een naar builen uitstekende tand; volgens G. een losse tand.

(ik$\\ kn. zva. een barstje, scheurtje; zva iKunasnjj een kleine breuk in vriendschap (vrg. (ikmn (isnjj en (Q^crmasn/}), WW. volg. Rh. ligt barsten of scheuren bv. van hout.

(ik y rn2 Gelonium glomendatum BI., Nat. fam. der Euphorbiaceae, een heester? Fil. het hout wordt voor piek stokken gebruikt, AS.

» O .o . O

\'fcs \'IS\' N (ï /77 77777 \\K \\ 1777 (17777 7^ \\tlt; (HJ \\ (1.77 1771? IJ UK (KV -Jïl fj HU \\

[nj^(iKHK\\ iiK rjiK (iM((l^ikVj iK (ivi (tn/j ofinJiUK

C C .O

•ik (ijii anjj en ik: vj ik kh -jn ij mi \\ zie hkimnw o« . . o . ^

(IK ik \\ Zie (ik 17777 N\\

lt;?■gt;

Qu Q„ . O Qv

uk ik \\ zie ik 11*1 w

. » . . 4 O . »

7^ 7.^ \\ (imrgntifj s (un rm i^ dn \\ en irj iry.m (in^ zie dfj^drhiw

rj ik 2*1 ik2 \\ of 7^.7^? 7^ 7^77? nkn. lang van vorm of fatsoen , niet in evenredigheid met de dikte, breedte of wijdte-, ook lange bek maar nouw van opening,

van een krekel (?) o . .O 0

(iko77\\ J. zie ik ny cm w —SJ. kn. naam van een zeeplant , waarvan de vruchtpit, van vorm en grootte als een wanggapit, tot geneesmiddel gebruikt, en

hnvj (UI 2^ {of IJ (UI 2^) ik (T77 N CU 00 k 10 el (Ut IJ 7112

■nwrrn^ genoemd wordt, (iji arii an ik nfl \\ zie bij ui

(7777 (7/7 NN

CiJ ^

ik ij cm gt; kw. zva. nsn rn ^ kn. ook wel /k cms Chin, benaming van een Chin use he ge costume er de optogt of maskerade, anders (fjiijcrn^ zie hoven.


-ocr page 973-

889

(?)

jkquot; cm t)\\

O*

frC cm \\

kn. vermiljoen-rood. \'ufamirjttiiinsns een donkerder rood, zooals van rood Maroquin/^r. ifjiSi

CF-*

(m\\ hoog rood goud. ^iuiims zva. 0isn(U)\\ B.

\'rj ik?on\\ KW. zva. (rr^n^s en ania^j., 1. K. o/ki.,

zie — 3. kw. zva.rju-md (een huls?).

X Qv o

--WT^nKW. zva. TJ OJl 2 1J0J1Z ni (l^dj) (U) 0J1

{vrg. cikcmcHTji).

^ , X . Qv o

iik cm (ht/j gt; 1. KW. m asr^ rvi (üj hjïi oj) asn aji (ui/j en wr}

mïrun ik\\ (vry. ik ik cm (hnjj bij rj(ikzcm\\). 2. kn.

niet vast, niet voor vast, met vast op te rekenen.

(ui cm 77 (V) (in iio cm (kt^\\ een werk, dat maar tijdelijk,

niet voor vast is, WW.

amp; cm nj n eiffn. vaneen boeta van het vrouwelijk ge

dacht.

0

— luniwals een hoop zich vertoonen . {vrg. err^ ^jj (hrnjj \\

nkcrn^ of tjuktj (m \\ kn. een aankomende jonge, haan, zie irhKijpw (ikcm\\ {ook overrijp van padi, waarvan de aren, als de padi te laat gesneden is, weer spruitjes krijgen, Rh.).

Ïkart)\\ kn. grootsch en schoon, zva. cfyirja^cun^s lêtcrf^KU. klanknabootsend woord ~ ^cm\\ —

G) /

\'(njjN klinken als een gong. — (ld (érïok(ui rr^ \\ overal, aan alle kanten, met dat geluid zich laten hooren, van gamelans.

rj iik rj cm \\ ook tjchnr] cms kn . hanek am. rj iA~ ij cm t9i ri/f {of Oo^(iv}2(r.i\\) enkele niet dubbele (^«^£7 nir^) hanek am, Rh., zie ook bij tkcmw £lt;cm\'f]\\ naam van een verdicht of fabelachtig beest,

naar men zegt, een soort van tijger.

(?) o (?) r» ,

1^\'\\crr^i}lt;vj}\\ kn. — a/n op een hoogte

zich bevinden, Rh.; volg. WW. kwijnen, zoo

in Men.

kkn. nmr-m[cn^rcrijj\\ gebogen zitten, met een krommen rug en hangend hoofd, zonder iets uit te voeren; oneig. met gebogen kop zitten, v. e. rijdier, Men.

Rcniniasnji of (iw w cm nitvmjisKX. in eens het hoofd opheffen en opzien, bv. van schrik of bevreemding; of ook ineens het hoofd omdraaijen, zooals een hert, dat geritsel hoort; ook van iemand die ineens uit

een bezwijming ontwaakt.

(?) , G) S *

■iKvj cm 7j *T) ij 2 \\ zva. lt;7J) jj cm r^mrj urijz nn

iK\\crj^\\ kn. dansmeiden, die bij nacht, bij maneschijn

of fakkellicht, op straat of op iemands voorplein tandakken, volg. Rh. vooral op de aloen aloen, (yrg. amrjtwiycwihniji). —zoo bij nacht een tandakpartij geven, van zulke dansmeiden. — cik\\cYx^m(mj^\\ zulk een tandakpartij bij nacht; za-men op zulk een partij tandakken; ook zva. (ui ik ^cinanjfs plaats waar zoo bij nacht getandakt wordt.

hlt;cmrri\\ kn. breed en groot zich vertoonen. Men.

(?)

zva. iK Tt crmiYj niz\\

(IK cm (Ui \\ zva. ik rj cm z rj n i z w

rtj (vt \\ kn. ; (tmtvip nA \\ een gemelijk, norsch gezigt zetten.

(?)

nrj cm ij cto v KN — (L/w (Sri ij cm rj\'iis met het hoofd achterover en den buik vooruit, parmantig zitten, loopen-, vrg. r)umrjipp\\ BV. Rh.ilink, kranig er uitzien.

ik rjcmz kn. het voorkomen gestalte van

iemand of iets door zijn grootte, van grootere tegenover kleinere, {yrg. $ ij imz rj^rizs en rj cm z rj\'riz^). ik rj cm zij^izrjKnaJi cm (ik q \\ het vertoont zich zoo groot als een olifant, ik n cmzt^\'riz ^1 ui dj) (Ujjtvji ah cn^ \\ je bent al zoo groot als een ongetrouwde weduwnaar, 71I. tegen een jongen. ik{crr^ kn. met een hoogen voet, van een wijnglas of ander drinkglas, (tegenover ijnn tj (uzunjj). —n n n$P(crr^\\ een hoogen voet hebben, van een glas of iets dergelijks; hoog van den grond staan, bv.van een huis of kleérkast; hoog van een kapsel, bv. als een hooge ^ itt? ? rj icn 2 \\ Tj.

rjdkz^n^Sirujiims naam van het paleis van Bat ara

Goeroe in de Soera-la ja.

(ik crr^ myi \\ KN.; rr^(Hrijj\\ zva. x/n rjvrnz ij nsnz

nj)jj\\ maar met eenig verschil in de houding van

1 \' . f (?) » V (?) O

de vuist [yrg. d/n irmcrr^s). — n/n i-rm n^uyis mv., en tegen iemand boksen, JR.

(ik(rn(isiyjs kn. , (tfnki., kin, ben. van de afgeronde voorzijde van de (ut ijnhzwns asntu {of •d^ i^j) dk .miji\\ kinketting.

ik cm iisn/j\\ kn. ; n/n xrm cm nnijj\\ aan het haar met de vingertoppen vatten of trekken of het uittrekken

. v (?) o o .

ivrn. (x u rm (f.i un f}).— nsn inn cm tisns meervoud. x co ro

rjikifcmzwi/js kn. baard, kinbaard {vrg. iikcryjasn/js ii77^ rj inz Ki/j en lycm* rj(^ocmJj)•, een baard hebben. Órj ikrj cmz asnjj\\ kinbaard in een ruimer zin van het woord, een sik.


-ocr page 974-

ikcrS^^

890

IfS (Yïl tu\\

ii^r otï nfü ixi ^ n k n . een soort van spook of Looze geest, JR. volg. Rh. een soort aap, kleiner dan (tnyhiuj^ ti5H iHTjj\\ vj M asn tm/j0 een booze geest.

ik (Yll iTUjjsKW . ZVa. fl Tj /H112 (U,1IJJ\\

» O

l\\ mi(ruji\\ kn. de stengel van de maïsaar, daar de korrels aan vastzitten, de kolf of klos? SG.; het vleeschig gedeelte van de staart van een paard, daar de haren aan groeijen. een maïs-

stengcl; ook zoo groot als een maïsstengel, enorme bloedzuigers, Men. — ok cni ru onjj\\ nog aan den stengel, van maïs; bij stengels; voorwaardelijk, van een koop, die gesloten wordt onder voorbehoud en beding dat men er nog in zeker ge val van af kan zien. — wiik mi ru (hnjj \\ tot in de djanggël afgeslagen, van de staart van een paard.

ukvjerm ftl^n kn. ; ii/n(njirj eni ? tujj\\ zoo maar ongeroepen en vlak voor iemands gezigt staan, zitten, liggen of hangen; vrijpostig bij iemand komen of voor hem gaan staan of zitten; al gereed staan , zitten, liggen, enz. {vrg. (un rm ^ a en

timiz ujj). tmirrn y cmz ru\\ voor iemand gereed zetten of voor de hand houden. — am nh ■rjcm?(W)tj(Hi)\\ iets onder het bereik brengen, naderbij zetten of laten komen, AVW. JR. — uk n tjcmiirmnjj* wat gereed en beschikbaar staat, gezet is of wordt; {ook een uitstekend blok hout op een zilversmidswerktafeltje om er een gouden of zilveren voorwerp op af te ? ijlen, AVW JR.) volg. Rh. zva. tt5!iinj (Uns heeredienstpligtige, en een zeker soort van praanwen.

i^xki[cny. kn. buitengewoon slank of lang, een staak, Rh.

ij iktrf^cmts verb, van ^ x Waj. II. 228.

(ik cn^ ttu/js kn. een baas, vooral in het vechten, ww-voerder, hoofd; /gt;» m(i^cmj^\\ Men.

ukern *n,ifj\\ droogen van padi, zva. (irn r m lt; ! n \\ {bij

c\\Cy cgt;

(ik ik \\) maar met de aren naar boven; welligt ak

O «p

(lonruAs Sir.

ik rj m iu/jn kn.; !lii ij iTiii if cm lu/j\\ zich half of een weinig oprigten, van iemand die ligt, {in Men. v. e. gewonden buffel), bijkomen bv. uit een flauwte, van een slapende wakker worden, {vrg. (imx-wi) rj nmrj (i u 101,1).

7f ikt tj rm tiyj\\ kn.; un ij rm t ij mtiijjj\' onverwacht zich ergens vertoonen, gaan zitten 6gt;/staanj onverwacht voor den neus staan of liggen {vrg. {udiwitj ijcmini/j\'), volg. Rh. ook hoog opstaan bv. v. e. hoed.

(amp;cm(rv)\\ kw. woest, wild (Skr. dj dn gala); kn. naam van een distri kt in de residentie Soerabaja, vroeger een rijkszetel, ook Bana-kling genoemd. ik/i \'i) iamp; cm (tli n kw. zva. irnaniw R.

cJ « 1

dis cm (un fj zzz its [crji lt;101/1 \\

(Z)

(ikij cmvj (iuiin)jj\\ kn.; (urniTm tj cm ij n 1 ihi^\\ klanknabootsing van zich oprigten, zoodat men zit, van iemand die ligt; ook opstaan, Men., {vrg. aytiTj ij r^n/rj miru/j).

rjdk? cm ij ii i(io)\\ naam van een bloem. G.

ik ij cm iri (htji \\ ook ^ uh ij cm anjj^ kn. naam van

een plant {zie bij iiovja/ms).

$lt;rriiiycr)i/i {volg. Rh. ok (tiii^kh , kn. steil uit een dak terrein oprijzen, bv. van een berg; ineens opdoemen, te voorschijn komen, van een hoog en groot lichaam\\ me* cui(h)ï\\ W. I, ö8, (vrg. iKOj ri cm ij mj)(ilt;t)ji en rjuk drj cmz ru/j).

ikcn)\\KN. de vrucht van de djatiboom. — (unvipam\\ djativruchten zamelen, volg. Rh roerloos staan kijken.

kn. klanknabootsend woord voor een zwaar dreunende klank {vrg. ok ern \\) holler dan mianjj vjv — irjihicrfi^. eegt;i zwaar dreunenden klank geven, zooals een gamêlan of zwaar klokke spel {vrg. lt;ni Qanjfrj i^ ^).

iiKcrjcrys l. kn. — (imnSi ri crii\\ zich duidelijk voor het oog vertoonen. 2. kn. een soort bij. WW.; van daar welligt tegen een vrouw met een mootje taille: .iC] iK rjcm\\ Rh. 3. klanknab. zva. cm irw/j i^:\\\\

Ïk cm n kn.; lt;unxrtfi erh \\ zuiver, van een zuiver onbene-veld licht, van een zuiver onb e wolk ten hemel, van een zuiver schoone tuin {vrg. (i/nmn n^i\\), WW.R. iKcm\\ kn.; (uni$r)nfn\\ aandachtig en onafgewend de oogen op iets of iemand gevestigd houden; (met onverdeelde onafgetrokken en gespannen aandacht met

. . . Ov •

iets zich bezighouden (imccm crii uzi oji rr/^om\\ zitten te blokken met leercn {van buiten leeren). J li.).

, G) o *

. {vrg. iKcm^\\

iKcmn^s kn. sterk gespannen blik {vrg. (i/nrimcrii^).

ok cm 7ui iQern ^\\ met ecu sterk gespannen blik

links en regts rondzien, bv. om iets te zoeken,


-ocr page 975-

7JILL] CHTj, \\

891

irs* ï Ij \\

voly. Kil- %\'■ snel den blik op iets vestigen : on/.

./fv rmKN. een /klanknabootsend woord voor het ge-

* (?)

luid van een (jong of hïndo. — i n rni rij \\ met

liet achterste gedeelte van de vuist op een gong

slaan, zoodat hij een dreunend geluid geeft; iemand

met dat gedeelte van de vuist een zachten slag op

het hoofd geven.

Krmmiisn^N eva. Jk (rrt n asnjn kn. bij het tandak-

ken met een ruk het hoofd terugtrekken, (Tj.) Rh.

O (Km ele bij A\\

c) r \' , n __i.)

k v] rn rj rj h njj^ of ito (iquot;i ij xn unjj — ttclt; rj ai Qij (ci 2 tj lt;i~i 2 khji \\ zie bij tj lis t ij a n z nnijj \\

(tin 1. n. zie xsndinw — 2. kn. toeroep o\\ zooals in

(lvi rj tin (V) \\ en (ihianiapnis {Ar |j).

iu i\\ en yew. a w om \\ zva. txi i jn doch alleen als Vo-

caiiej; bv lt;tw(twbroeder Vorst!

Mjjx verkorting van lt;untvi^\\ II., bv. in no»hajj,\\ voor mi a!» .17»» diy \\ en (irti \'im^\\ voor rf im 2 un ~ii cijij^ w Go k wel (injj \\ als Vocatief voor ajt anj, \\ of nm \\n of

Vjda (Hl ^11 (üüjj \\N

(lm1. k\\v. zva. n^nji^ G. zva. amujjj^ VV. — 2. verkorting van rm (itiq\\\\ — 8. n., zie (uid/iiqw — majvi^s zie ben.

(Wj^ :gt; \\ KW. zva. :f / n / ki (isnji\\

ijilvi%\\ k\\v. zva. (r.n Mjjjs G. zie (iiiqw uiii/ys Ar. jxhj , eign. Jehova.

iUi(vr^^u\\ Ar. jahvödtgt; kn. Joodsch, een Jood.

Kii \'™*iu\\yiZ\\ de Joodsehe (llebreeuwsche) taal. uijnis Ar. , J a hj d, eign. Johaniies, Johannes de dooper.

l\'i(infj\\KW. zie vj(wt(hn/j\\

I. kw.; gew. (un hajj^ (ui/j\\ zie boven. — 2. grond-vorm van a^ii— irj(i/v^(hnjj\\ (hd(uuicm/j en aai lt;wla^JI^ zie bij (im anjjjiinji\'- — a.vj^(Uj \\ nn (Ui^afj \\ en wvpjhJ jx K w. zva. r/ (iji hji J? v en w t) ix ? \\\\ —

o o c)

tui nAj hj mi ij \\ zie a m (lij nn/j t — // ^ quot; 7N hn

d/L^ iiAjj (inj)\\ en gew. nm (vif iia^ (ïnjj \\ hekoord; betoo-

verd; bekoord of aangelokt worden, door iemand

of iets dat fraai of schoon is (vrg. iHiitKiwfoiji).

clï^^S^ bckoorlijk vinden. R, volg. Kh.

zva. (rii,jrj hu\\ iemand of iemands hart

bekoren; bekoorlijk, aanlokkend, betooverend, (vr^.

o G) »

(ÏJ CEJl flL.\'l Tj (HU \\ en CHl iK\'l t£i rjKll\\). --(lgt;l .j\\

zie bij uiKvi^in^

7j(Lvi(m/j\\ kn..{in Kawi ook en ^

.■hn/j\\ en dus denominatief van (in of nwdiis) zoo, 1. als voegwoord vóór een stelling van een geval of omstandigheid, in den zin van als of indien (yrg. tjanantj en amp;iwjttj)s*) f en dan dikwijls voor den nadruk zie Gr amm.blAW .\'i. aanwijzend voegwoord voor hetgeen men zegt y dat door iemand gezegd , gezien of vernomen, gedacht of gevoeld is of wordt, waar wij het aanwijzend voegwoord dat gebruiken {bv. a/ii vj nji ? dJi \' ^ » n tj oaji nnjj ... kennis geven, dat enz.), soms ook bv. na woorden die vragen bet. met verzwijging van zeggen of antwoorden ; zóo : iiïi (trj rj (Hii (hj an ^dci (M afi \\ Tj om afj (Uj h ii ij uj :ki hlïa/ii ia \\ ondervraagd zijnde , zeide S., dat lüj van liet gebergte kwam , zóo zonder rjttvi anjjs

wtd oil (-~y a c~)

W1\'. 211: h ii a n^ avi astt itgt;ii t (ui foi - ^ ij ? h,ii tti /jri an

Jli.im Si (i^i alt;ijj\\ door mij categorisch ondervraagd

zijnde: (zeide hij) dal hij er volstrekt niet aan

dacht. 3. zelden, even als Tjan inijj\\ ai hi ui ^ (II.

alleen gegrond op J. Br. 128, 8, uit een niet on-

berispelijk-Jav. brief), doch ook Waj. I. 98.) of

ijr.ii2ani(Hjlt;vi\\ in den zin van het is mogelijk of

het is te vreezen, dat... Tj mi tj m ~ iirii\\ zoo niet, of

zoo neen. tj (in an -jti ^ (ui \\ zoo ik het was. Tj ihviTj

ij an ^i?Tjrn\\ als het avond is, des avonds {met

nadruk), ij dia Tj mi dtjOfj t\\ zoo het aljns is, als

het zóo is, in dat geval, dan {met nadruk), ij du

an^ti nip ijojiu ncriid-jn tij\' zoo ik hot ben (als

het mij aangaat, ik voor mij, of met nadruk ik)

wil niet. Ook voor den Conjunctief, dikwijls te ver-

falen door: om . . . te. d/i fin Tj m §n ajii eni o \\ B. T.

Dj. 50, passend om gedragen ie worden; d/inir^j

Tj ui an m \\ RP. 25 {ongeveer gelijk aan een

a-mTjdJiieiasri t an(i^)) zij was bang om het te

zeggen.

(i/iiiuj_ \\ kw. zva. ivn !Hj;j\\ G. {vrg. it^qans),


-ocr page 976-

nv

Tj.

tj m / }.j\\ Kw. ma. iQn-ttb!asnjiw volgens G. afweren, afwenden.

lijncj\\ Ar. , Joéndni, Griekseh. rj.ijii

een Griek, JH.

Ar. • Joênoes, eign. Jonas.

vj (wi lt;Wft (ea v) \\ kw. zva. asii cm (rei oji wrx/i (KVjj\\ Ir.

zie bV wajyMTjjs (^ivnkw. (Qoh/jW G.

^ \' o. , O 0 ^. \\

(wi \\ kw. rj (iv) (hiji\\ (mirukn\\ {en orn tli(Mj^\\ li.)

maar volgens den heer Van der Tuuk zva. fia\\ tot

vorming van de derde persoon van het subjectief

passief.

as

(lmkw. zva. asnasr^w G.

/ O c

Tj (wi\\kw. zva. (ui fj.

O Ci

(LM (L/t {KJ)/J \\ k w. zva. cm

tj (lvi (hï) \\ in poëzie zamentrekking van (wmmitniw rj(Li/iwr^x in poëzie zamentrekking van nintLmrmw ihui(hciicHiji\\ ook wel (tvi(tot lEnjjs Ar. jakin,

kn. zeker, zekere keunis door nauwkeurig onderzoek {vrg. lt;1577(Hijin en ibuwns). itmarnwh (irjj^ciMiHvtEAjjs een gerucht, dat nog niet {door nauwkeurig onderzoek) zeker is. —

TjMns en g/^ ^\\ van iets door nauwkeurig onderzoek zich verzekeren; iets nauwkeurig opnemen.

(hu ton, 1. n., (iVjrj (igij k., waar {niet gelogen of verzonnen), zeker {niet te betwijfelen); zeker bewijs {afgeleid uit bestaande omstandigheden) \\ het is waar, het blijkt waar te zijn {Skr. wyakti, zie

aA^t}jii\\ en vrg. ohashn en nfn £1 ^Jj)- 3. kw. zie

o O o O o

(Lin nst) w \\ (lxj) Mffjf Kj \\ om vj Mild (ij}^A(Li anfjs in waarheid, inderdaad; naar de waarheid, om de waarheid te zeggen. (Kn tui iyri \\ m omrj wid (Mjj\\ volkomen waar, heel zeker; voorwaar. oj)(£l(h^^i^,\\ whurj vf urii.tj) Ji ih tm/jx de volkomene waarheid; eigenlijk , wezentlijk. — w i urj urwi/js

in waarheid of in ernst— \'^7 V N rj hgjioj) Ja.\\ van iets verzekering geven; iets, zooals een belofte, waarheid maken, nakomen , gestand doen; op iets acht geven, er op letten, acht geven op, onderscheiden, wie de ware

is, W. I, 18, {rjjri^U!hJiJi\\ zie ook tnrjnsn

,..00. O * O

O ij (i5)i ten \\). — ilt;7) ui rj teti w/i of icii iiaji rj loi (tn tnjl

en nw i u y 2 m ii-njj\\ bewaarheid, bij onderzoek gebleken, als waar bevestigd; waarmaking, verzekering. — ayjj tj ngij w _bi iinl (m/j\\ iets bewaarheid maken, verwezentlijken; bevestigen; naar de waarheid van onderzoek doen, zich van iets verzekeren, overtuigen.

kw. zva. (ifuctgrs en arnaSl(hcriji {Skr. joekti, het verbonden zijn, het gepast zijn, in overeenstemming zijn).

Lu 17 w7) 2 iQji rj thQjj (mJUs acn nQirjwnj (Kj) si ihnjj en

O ^ O . O o quot;

(l^rjtWilKl (H1JJ\\K. , Zie (UJIfrQfSS

O o • f

(VU (Hï) dj) quot;tl Zie Oil (VU 05)) w

nsi^ ^

(lu(ki)^i\\ of (iiuiKn^\\KVf. zva. dn^imw ook eign. van een boeU-vorst; als Tj. shigk. vijf. {Skr. j ax a, naam van een soort van halfgoden, de schatbewaarders van God Koewéra; ook naam van Koe-

wéra zelf), om uti (li(rfli (uni \\ boetamp;-paudiet.

O . lt;aJ

(LU(Ki)^i.\\ Zie (UI ÏCt) ^ \\

O . O

(LU (KT) (EJJJS Zie (W) iUt) (hnjj \\

(Lu (u^rnijjs Ar. t ^ ^ ö o gt;. Jakoéb, eign. Jakob.

rj (li? wh \\ in poëzie zamentrekking van o li afnachw

a j o o a

ajuaxyjK grondvorm van (i/najuanjj en (vut oaji (wjjs

j, o

vj (Lu 9 (Ln/j \\ kn .; y (lj^ 2 ax)^ oj (tn ^ (lu 2 (tofj\\ wippen; iets, zooals een plank of vlonder, doen zwiepen, op- en neerbuigen {vrg. (Qwasn/i). ff iLU2(i^7j(tin (iaj\\ poét. heen en weer schudden, L. Rh. (to ^i)(üi^(tOjj \\ en (w (l/l/^(ia ~jn (ui^ (lajj\\ rijzen en dalen v. d. stem. (Tj.). — n^njuitri^iananji^ wip, wipplank; zich met wippen of zwiepen vermaken.

(lmdonkw. ZVa. (KDftQMl^

00 r n

om aas (LUdaonj! en (llï^9^(w7^ of (lu (ia (lu (Hijjs kw.

zva. (ut \\ en tj (lu oryj (Skr. j ad 1).

(LU(ir^\\K\\\\. zva. (im(ij)\\ en (ülamw G.

(w^(ia\\ ook (ii^(i.j)\\ kw. zva. en rrn cm (ei (ht/js

{Skr. joedda, strijd, krijg, oorlog; dj0 eda; wapentuig. Vrg. tj (lu2 aa \\). (utxuu cias ook i/naAJtans

(ia(Hi/]\\ zva.

n

zva. un en cm cm (tl quot;

O .

(ut aj) ni ivn (mjjs (uivj cm 2 ihj ort

rj(Lu?.(ia\\ %ook vj(lu2dj)\\ kw. zva. {en

(UD (u^n )\\ G.) {Skr. jóda, strijder, krijgsman, soldaat).

O . O

(LUda (hn/jsKVf., zie au aa \\\\

(LU(U)jj(HTjj\\K\\\\., zie (Liinxiw ook zva. itntgjj(Hi/js

n . o

(lu na (lu onjj\\ kw. , zie (Lti do\\\\

oy (uu 2 tj 2 aa Myj \\ zie bij rj oju 2 m /] \\

rj (lu z rj ax) \\ zamentrekking van tj om 9 (ia (lii^


-ocr page 977-

(LVt 7J1 (HJJJI

893

iLui iv,n \\

(wiihiis KW. 1. zva. wjjtivis of liever en nu, en toen.

— 2. zva. (iniiAJtMn\\ of uwflsww G. — 3. volgens G. twist, strijd (Skr, j at t a, gestreefd, ingespannen). — :uiiLU){tsn\\ zie boven.

iLviasus kw. zva. ii-i arm am \\ {S/cr. J a t i, nsceet) ook C\\J O et rt

verbasterd in (lv) hoi \\ of (wi (hm \\\\ Zoo in (Luiamtu)

t) \\ ook LU jfri ui \'n \\ Skr. j atiw ar a, voortreffelijk asceet; en in {EinmnjMjn£\\ of (Mibiojïi u?frp\\

a o \' o ,,

zva. (KJ) tun (Ui (tut .rrj^(U) j\\\\ gt; im op rn iEjItun omlt;yji\\ een

van de negen hoofdgoden.

kn. 1. millioen {Skr. n ij o et a ^ millioen, ^ honderd duizend; aj o et a, tien duizend (vrg. dfti iip\\). 2. in de war zijn, ongeveer zva. (cntd^s G. {Skr. ajoeta, ook los, nietzamengevoegd), \'S. zva. (imrjniMjis eenvoudig, zonder eenig kunstmiddely list of t oo ver ij, of ook zonder geld bij zich meê te nemen. WW. 11. zz: (vn^drr^ati aw \\

WW. — m^(is}kk)j1\\ mi^ioeneugt; millioenen. rj rjn/n ^(U)d{i^(iwo;nji\\ duizenden en millioenen (ontelbaar vele).

(inihy\\ 1. kw. zva. n^(un(nJ)\\\\ — 2. (iwanis cixiai^s en gew. lui (isy \\ kn. zva. (tu usn \\ {Skr. ja tn a, effort, inspanning van kraohten, streven, poging).

Q O O O

N ZVa\' ^1\'1 (Hit (uimsijan/js

va. rftontucci

O c» / • Tï • v

(in (by \\ (Lhiasy s rjuviMj^ {m Banjoe-mas) zva. iiui

T

m.1 (hu(}-pjj\\ of (wi(hu(Mjj^ kn. wees, ouderloos kind,

weeskind {Ar. Ml. jatim).

(ivi asn dfi \\ kw. zva. an asn (un as?i. {Skr. j at ana gt; de

krachten inspannend. Vrg. (iv)ag,\\).

ivi^my k. van dy .umnijis 2. {Skr. jdtr a, gang; gewoonte; middel; het Javaansch genomen inden zin van circulerend middel).

m^n\\ en (l5^j\\kw. zva. ojna^ys (iyilt;w\\ 1. KW. zva. nmiymw (Hn^r^(t^cKij^\\ WW. G. (Lni^djnajins en rjiuntw^ (Skr. jas a, moeite doen, zijn krachten inspannen; djdsa, luoeite, inspanning). 2. kw. en kn. zva. nmij(ui\\ m den zin van iets maken, stichten, bouwen, op-ngten, scheppen, doch alleen van iets dat er nog met is of wat men nog niet heeft; ook ki. van (mvj.viw (ut ,ixjj diiji fc/j \\ kw. zva. oji (icihit rj mi tut n (wio.it rfnijaji2 anjjs kn. een paardestal maken, als men er nog geen heeft. (t.t ut{hm(tJt\\ nieuw aangelegd sawahveld, dat drie jaar lang vrijdom van pacht heeft. R. volg. Rh. zva. (utojt $ (tJjj hit ruji^ individueel bezit, awajt(Hit ki. vati (im vj rut ihii (ti w \\ ajjj .lm tut \\ en asn ivt ut \\ zie hoven. (ujjl^tii^s kn. mv., en ergens iets stichten of bouwen; ook werk maken van iets; iets trachten te bewerken. L. — itm ivjjjttJtMit ^ntvftots voor iemand iets maken of laten maken, stichten of bouwen. — ^ikkkio^ ki. van cm yj (ut (lxa(hiji\\ en kn. gebouw, gesticht, uu^cut^oJt(Htj^\\ die de eigenaar zelf heeft laten maken, een kris. oji(ut^oaji (IjkhijI nieuw eigen aangelegde sawah\'s, sawah\'s in individueel bezit, vrg. (hj^hn iujj\\ Rh.

(wi (ijt (hiji\\ (KJj rn (bTj (M (hi/j naam van de zesendertigste soera van den Koran, die met deletters J{1 en Sin, aanvangt.

(vi^(h,j\\ ook en eig.. van (ur^(vj\\ {Skr.

djoes, ouderdom, leeftijd; djoesyagt; het leven betreffend, het leven behoudend, enzï). (Eji^t-jjiuit MS \'~n (Eit (IJt iHIt (HIJ] \\ (M {(Uil (Hl MJj Kt \'l^j\'ll \\ BS. 509 •/terwijl vader nog in leven isquot;, in gew. Jav. nl. (urt (Hieuw tyj\'-yis of ook wel (ixi(ui(uiyi^^ ri\\

OA^IJJjS Zie (lAJ^\'K/lW

(iAjt\\ zie (unaji/tw O C ^

(Ll/t (UI \\ kw. zva. (1amp;(UI\\ \'fj^ HI1 n\\

a/ijl (Ui \\ kw. zva. ^(miiuji\\

(Uj QOjI \\ kw. zva. (L^(HtJ]\\

(i/i/t(Ut(m\\ zva. (lAijj (ut (hi w Lr.

(iA^(Viihn\\ 1. kw. zva. vri ij l ) 1,11 ,/lt;) tjitjl {Sir.

jauwana, jeugd, van joewan, jong, jeugdig). 2. kn. eva. j. 1 n} Ü hVj}^ ongedeerd, gelukkig enz. gespaard blijven.

n\'imt vims kw. zva. ik iKH-rn w (Sir. j au w una,

jeugd, zie hm d»now).

yiiiJii.L»asn\\ kw. zva. ^iuiihnjjs (Sir. jotwaii, jufvrouw).

«jjin1\\ kw. droefheid. G,

O

ivu iui \\ kw. zva. vry. iikojiw

LU :ij \\ JA1 :£j i-n p kw. zva. gt;/ H l mj of ii

ihjivi\\ (vrg. ,i/i \\).

wjjitJi\\ rj(ijimiLJi\\

wi i?i tyi\' i i \\ c\'kjii. van den oudsten zoon van Pandoe,

(J GJ

den Vorst van Ngamarta {Sir. Jocdistira).

of If KIK (Hl \\ kw. zva. Df M t f Tj lUTI IU iVf. ,mi-b»no?.ui\\ en i-ii \' {Skr. j o dj ana, een


-ocr page 978-

(yj ii/i/j 2 cm \\

894

afstand van uegeii, of, volgens anderen, van vier en een half of vijf Engelsche mijlen).

lt;u^\\ zie (uu iajji \\\\

(lu (lh \\ zie (lu (lui { \\n

o . a

OM iLLl \\ Zie illl w

I. kn. een klein soort van krab, rivier- o/ landkrab, ocel in de yalhigaris der sawa/is word/ gevonden {vrg. (unfï^). 2. kvv. zva. urftun (Mjl {van njup). G. — of gelijk

een krab zoo mager, met zoo weinig vleesch op de ribhen. WW. 11.

(in/i(iv}^\\ ook wel (Lui(tti \\ KW. 1. zva. hn(Lti\\ cmiu Mns en ojiamji {vrg. 1.). — 2. zva.nmnjiw

tiAjji ihn^/j \\ zie vj ihu (tn/j \\

Qv

(lAjjjih\'ijj\\kw. zva. (tmnjtmnw

iLii(ttiaxyi\\ kn. slijm, zooals slijm in den mond-, het slijmerige, kleverige, bv, van versch vleesch, visch

en sommige bladen {vrg. tLtmcyjs njn iwian/js iifn au)

v O on .. ,

isy {\\ en Lj m Mnjj)- fn rj an YJ\',\'/ J-0 N geeuerveeru,

vati iemand wiens levenssappen uitgeput zijn. —•

aM (Lu ax) anjj \\ wat van gekookte visch niet gegeten

wordt.

(UL^njo^nx)zva. OAJjOA^mn a

0/1^1/11 lt;hnji\\ KW. zva. (isn.ruw — /uv^/j\\ zva.

O r . r»

ton mnii tutmji oj an ni mi 2 asn u ui w

(uujjdAjjjdsiieign. van een zoon van Jama-widoera {S/cr. Jo ejo et soeh).

(LVfji\\ zie n/yjj\\\\

MJjj LW\\ of (Ui(i/L/^ Lhi\\ en tui(uin(lÏii\\ ook u:n iii0\\ hen. van een hond uit de fabelleer, volg. overlevering de Uamvader van de Kalang\'s.

\'f^Ji v — aAJ^(amp;j(His zie nm uv^ m/j \\

no. ,

hm uji \\ i .n (tpi yi lui T i\\ en lui (£i tui (ui tun \\ eign. van den

God der onderwereld, den Pluto van de Indianen,

R. de God van de hel? (ivi(ea\\ kw. zva. tf^iiti^i.\\

{en (uioijis G.). (lvi(Eji nrui2 un\\ zva. an nHuw \\

o |., o

(luithjitui(ir^m\\ zie hij vitir^ uw

(ULi iamp;i (in \\ J e m e n i t i s c h, Ar. ^ ■

(in^(Bi(hn\\ kw. goedhartig (van (ia^\\ en (Fjian v zva. m

n) , verb. v. (iaj won? ini0\\ gelukkig geslaagd, K. rgt;

(iai (f i ijj\\ kw. zva. (hinitnu \\ {vrg. (uukeis), verb, uit Skr. Jam ad Ani y Jama\'s gebied, de onderwereld, hel.

o o

(uu^ }gt;i a.j \\ zva. (lui d l uj \\\\

ni\\ andere schrijfwijze voor rj (lui 2 on w (lui2on\\kw., i., 00A irj luiienjjj\\ zva. (uiasr^ (isn/j en ii:»(w?tiiitji of [1^1 lui2(m\\ {S/cr. jóga, geschiktheid, gepastheid; iógya, geschikt, gepast, voegzaam, behoorlijk, bekwaam), oj) ij (lvi v cm \\ n., tj (lui 2 (m \\ k., (m rj (lui 2 trgji \\ kw., naar behooren, (uaar evenredigheid, G.) naar verdiensten; passend, voegzaam; behooren; het behoort, iji(uir^(Liui2enjjj ij wie mag hetzyuP wie zou het kunnen? WP. (ki (St ikj) (in ikji ij gt;lui i (ïii ïj \\ naar verdienste, bv. gestraft of beloond worden. (U) rj ilui 2 trn ani ,15^ - o \\ be-hoorende aangeboden te worden, beleefde term in brieven voor awasr^niw tn ijOjU!2 tijjj\\ kw. zva.

^ ij lui 2 1777 W

II. ij (uui 2 mi \\ of (l/n rj (uui 2 cm \\ 1. zva. cm 1111 \\

0 a n

asii asn q \\ (L/n thnjj \\ an asn j un rj mi \\ (Lj tuz \\ a^i rj i i nxiw — 2. kn. een kind verwekken , fatsoenlijke)\' woord dan azi an rj un \\ {Skr. j 6g a, ook aanwinst ; en middel j en godsdienstige aandacht, met oogmerk om zich door volkomene afgetrokkenheid van het zinnelijke en eindige met liet oneindig Wezen der wezens te vereenigen). waM? cma/i^cnj^anjj\\ Uw Majesteits kind of kinde-

Qv O - ....

ren. (U) (Via^iojii ij tim2 cm (hiagjjtun irr^\\ wie is mijn

1 n O O lt;7 vader H ij (lli 2 cm m (ui mi \\ zva. (e/j is a^i ij tn au \\

met aandacht bidden, an 7j ojui 2 cmjj a/n mii ^ \'en

verk. (ci ij lui 2 enjjj. naam van den vorstenzetel

Djokjokarta.

ij (lli 2 cm \\ kw. zva. tui crni tun \\ of ik/i arn (Ui \\ {Skr. jógiy een asceet). ij A ui 2 cm r i n \\ een uitstekend asceet {van rj ojui 2 cm en ajti iuj ri \\ Skr.

, . . O

logesjwara). — acnijcuu)2cm:l.i n(injj\\ zva. /.u o

tui erfn fon anjj \\

o . o

(lli cm ^jn (lui oiiji \\ zie a ju tuli arnjj \\

ilu ij trn ij (Kj.\\ zie bij tjcmrj ujw

rj illi 2 enjjj \\ zie ij lui 2 cm ^

oajI r;/7 am anjj \\ zie bij un lui a .njj \\

n .

ajV)\\ zie ajij/j\\ en amuli\\\\ — mi :lvi azKin/j en

(Ui(inji\\ zie bij (lui l\'ui \\ zie bij amnw Hel wordt ook verklaard, door a^ a^i (iji^a(hj 077 (M \\n beeldschoone I mlui . (lui amasrj 1 li i.ajj\\ bijnaam van Baf\'dra Kanin-djaj\'a.


-ocr page 979-

lt;rj vin rj n\'m unj)

895

f:»?N I. KW. zva. (unt) i))%\\ G. — II. i:in\\ of dm m^\\ n. , (ia tui crrijjs Md., nj^ui ni k., (*jj ij ifïi2 lt;m\\ Ki., daar! ziedaar! wanneer men iemand\'iets geeft of toereikt {vrg. . en rinj \\). — III. kw. aan-hechUel als voornaamwoord van de derde \'persoon zva. rj(L,r) of (unaj^iHij^s r.ni\\ 1. kw. zva. im n?)(irnjj\\ G. — 2. kn. verkor-tiny van mi uïi \\ ook als Vocatief.

G) ci/ 70) un w

\\ of(vniHjjjj\\ KW. zva. of

O o a„ . 60 ci/ O

■\\r,rr^/ui (fris zva. ^?j»\\ o/ aoj(kh lt;m tj» w n(i/;

moajitm^agj^anföi\\ of cijI^luj/^da^i\\ zva.

CV G) Cf Q„

njj njj ) u iJ) (mi cm (ui w

i 1. kw, zva. (uy rjojifw G. — 2. verkorting van

ij vinz nnj)?n\\ — 3. in de spreektaal zva. v.ins II.

O O ,

— i in f i :ni {\\ (Li (irjJi {cun iHj tj {\\ ook ry (Hjjjf (ur^ UjJ^ ? \\

er los of vlugtig mee te werk gaan. er los overheen loopen; er ligt mee omspringen; een boek maar vlugtig doorloopen; zijn ouders niet met het vereischte respect bejegenen. — rin{ imiq (un(hijjs maar vlugtig gedaangt; JR.

kw. zva. tjjcyw ij \' //»^\\KW. zva. ieh majijj\\ G. kn. rj un q ij i:in { zz: iin^i:ni^\\ slordig te werk gaan. slordig eten, Rh. i:ini/n\\ kn. I. vereerende betiteling van fatsoenlijke vrouwen van eenigejaren, gelijk staande met van mannen; jufvrouw, mejufvrouwj ook wordt zoo genoemd de huishoudster eu hij zit van een Europeaan. 2. zva. grootmoeder, nn njn ,ijj (ui

ons de vrouw van den koopman, ojini tin(t/n\\ nnim^ of vrouwelijke bediende van rang

aan het hof van een vorst of prins-, hofjuffer (vrg. (inrj ui2 nun/j bij rj nits), i inrtmtsn (Morr^ ^ een ff any ai met den rang van Toemhiggoeng, een hoofd van de pranyais die van de Sri-manganti de personen, die den Vorst wenschen te spreken, binnenleidt.

n . ^

vin % (Hi\\ zie bij (uiq an \\\\

vnn (un irnji en vm (un kti y ?lt; n \\ zie (ijkuïkh ii^ ijr.niijcumiKrijj ij i.im ijti/ntwnjjs zie ij i n^ miz nnjj\\ ij (ij) i rj (i/n z (hmjjs

o O • 7 ••

nnvjajndoji en » /// ^ tun t (iji ^ji .u ikki^ zie bij moi

o TT

(ui (ijvj en (M ij (un i n^ijj s 11.

vin (hi kn. vermoeden; (besef R.); ergens vermoeden of gedaehte op hebben , wanen {amp;kr. dny dnu, kennis , besef. pk. Vrg. (in ij(L/i\\ (iinYi^\\ rri(h/i\\ [Kji(Ki\\ en Un ^ o is). aai (Hjjjan\\ en (ia iinan \\ passief. a/m nimidiis niet vermoeden, er geengedachte op hebben; ook zonder er gedachte op te hebben, onvoorziens, bv. \'iemand ontmoet en.ten ^ ^ otvi N (^* 0(ui

inri(UjVj\\) Tj. ij (un 2 -ri i^n (hi im an \\ nooit gedacht hebben. (r.man miihi\\ allerlei vermoedens, verdenking, argwaan. WW. R.). — ojiogjjan \\ het vermoeden, enz. Li (in^oniinctns het argwaan krijgen, argwaan. WW. R. — iUr}vermoeden krygen, er erg in krijgen.

irui bij (v i ij j.j w

iMitju^s zie (bi7jiHj.\\\\

vin kv en vn s zie bij vi^anw

n (P) - O (?)

i.iiiHis zie (hjiffjw

tj t in ij njj \\ zie rj (i ji rj tij \\\\

ij iimCm^ zie bij rj (iji 2 ((in \\\\

sa\' . /o

T.U^i (Hl \'HIIJI \\ Zie flv^C KIIJJ ^

n ^ onquot; gt; on ,, ....

vin n 1 m [iiin\\ en r.m (fn hi i,n unjj\\ k., zie bij

S O (Uinsns (vi firi an/jw

c\\

v.m (fn^n^s K , zie vinniw

1:111 i^(Hiijj\\ 1. zie ui^^Ht^s 2. kn. ben. v. ctlle slechte te ekens van een paard gt; die van ondergeschikt belang zijn, Rh.

r\'m[Vns KN- naa1, gttr^alen visschen in een schuitje bij nacht, y ui 2 vmi(fh\\ zulk een visscher.

Cl • f Cl

vin (Yfii \\ zie bij (VJi m n \\\\

111 uni (in \\ zie bij dj) arm on w

1 nvrin hii/i en vinnjn unnimi \\ zie uinni 1, n.j\\

CxJ \' CJ ^

Cd

CJ \'OJI -- cü\'

.O

O o \' . ,..quot;quot;0

uiKim mi/} en i ninin innj inn zze bij vicrm J\'^n/js

(un (rm w CJ

(vn^avij imi 1 en (cn^anrr^ vn vj hii \\ zie (ij^ yivim^

Cxi

(urycrrh asnji^ zie (gt;^nrn(amp;n/j\\

rj nn i ij cnrn 2 \\ en ij 1 rm 2 ij rm 2 ri ij h n \\ zie ij r i t tj yn 2 w

vin \'rrri(i:i\\ zie

(a)

ij v.m 2 rj icjjj2 \\ zie bij rj (v/i2rj(ij)2\\\\

vm(Hjj^^\\ kn. iemands taal nabootsen. G. zva. hii (hjj^s 2.? (Tj.).

00 00 ___m.

J m (HJJJ { \\ (IfllllKHjJjJ - \'I \' ntrl Ij-

ij vmrj (H^^\\ kn. ichoreus, waterig, vocht opgevend.


-ocr page 980-

\'

rj i. m (rpj idi \\

896

rtniMj\'jt s

kleverig vocht afgevend, bv. van een wond of schram. Li y (kjj^ ij lujjj ^ ^ hietz,

ijanm (Hjj){\\ hij verk. ?7in^\\KN. getrouwde vrouw van een Chinees of Europeaan, Mal. nonj a: mevrouw. ii:m f ajrrj(Kjjjq\\ kn. als een blinde rondtasten; onbesuisd te werk gaan, (K. 3, 44). Rh.

o ci^ . ... cv

(cw(^j^\\ zie bij r:m\\

vermorseld, vergaan, tot brij of pap overgaan {vrg. n/nn^j\\).

O » o . ...

UTtn tj lujjj dyni iw \\ zie o ij y «j) ? 7^ rri w

kk. een obj. met een puntje van iets, of eventjes met iets, aanraken, zooals met iets dat brandt, zoodat het in brand raakt of zengt {vrg.

(tj^ tnijj en ij iin 2 ij (h^j^ t Kvjj). ihn an^ (Kj/j miiji \\ en (W(i:n^!hrj^nt)jj\\ passief. —\\ met iets zóó eventjes iets aanraken; iets eventjes tegenin aanhouden. — nnjj \\ zva. tj ti y inrj lun chijj

al tastende, bv. van iemand in het donker.

tj xiTi z ij (hj^zihiijj en irj r.im rj (Hjjjithrr^rj Mn \\ zva. (vrry en wij MJA w ij h})\\ {vrg. tjihjt 2oj uj) e ).

ziri^^anjl of i(ni (i^asnji\\ 1. kn. doodstil; doodsch; in diepe treurigheid {vrg. oj) (u \\ en m (^n). — mn doodelijke stilte, Tj. 2. kw. zva. (una^(ujj\\ fig. welligt bevredigend, vertroostend, aangenaam, liefelijk, komt voor verhonden met

(tl itnwji en itJi \\ DW. 371, 382.

on . n o

zie i.nnHjj^(iajj\\

O O

(} ,i n ui \\ en (Ki rui w

o co\'

min .7-Q /) i7u - zie

O o1

ijn kn. 1. het achtereinde van een pijl met

een keep voor de pees van den boog. 2. ook zva.

O O

r:ni fgjjiuijis

zie 6iJ

n-m tj (hgjj z mi q\\ zie bij (Uj bi .t:i q \\\\

r.ninrm xnjj^ zie

O -o

(om gt;f cyri z (Knji\\ zie oji tj yn z nnjj

it in ri rr/n n

quot;\'nryii

bij (U) ij n^rj rujj \\

O o

arinnrn trui jy \\ zie uJimn tuw

ioJb

en i.intj y ij tri tj h n \\ zie

(jül

(iTmnrfns zie (hn crfrt w

(.a/h * (oJv

O » • O c

a:m(rfij\\ zie (uicrfijw

o q« . n o.

dïïn apj \\ zie dJi (t^jj w

o » o c

(cinnrn^s zie doiarnjw

lt;tjum rj(tm z \\ zie tjiij) rj (tm ?. \\s

tjxnn zrjar^rj z\\ zie ijtuiz tja/n zw

O c O . * /gt;

rjuiiictiij (in\\ rjiminrn (ui\\ zie tjijicrfrj of rjrjizcrmw rj 17111 z tjrjiz rujj\\ zie bij ijrjizijh-jiz ruvj\\

(im^KYf. zva. (unayrys G.

(uin \\ 1. kw. zva. (Uj.isn %w G. — 2. kn. verk. van

S CO\' S • i \' S

tun (ü^/js (ui iamp;i (hj^s en oji (u zie bij r/ii (hjjjw »^/7\\kn. bange ongerustheid van iemand of iemands hart {vrg. Sj ). in bange ongerustheid

zijn, GR. — i-ïii tnjjjn en un (Hjjj \\ zacht op het gevoel, zoo als bloem van meel of gelei \\ ook mollig, poezelig {vrg. (un iti^nnjj). iuii ^jjj um heel zacht op het gevoel, JR.verk. v. rm\\ (Tj.Men.) zie BV.

0 / n \\ ^

rj urn \\ K w. zva. (Ui ifQ\\ (en oji ti li.). — foi tj ihj j \\

Sa O

foil] rq/) ri\\ zva. (Ui tj NN

zva. (ui a

(IJl Tj^ Mtljj^ (ljl(lJllHI1Jj\\

*. o vn\'quot;

uiii\'n\\ xmi \'ri u^\\ en mnnimi ~/iirj ntiquot; zie bij a-Ji tjn\\ i m\' n \\ kw. zva. (uiik »N., urn (jri^anjjs K., {volg. Rh. dial, zva. (Lo^ftiiS) vingerbreed {vrg. en dus wel

voor ndj arï). (Quiuri^ een vingerbreed.

rji7im ti q tun rj Mn \\ zie bij rjdJi z \'n % nn

rfiri \'n rj (mi z (ujji\\ K., zie bij n ,iji w

q o .... o n

(cmrj\'-nlt;hj\\ zie bij (iJirri\\\\

iTin quot;-ri nw/j en urn ^i itfi \\ zie bij a-Ji rti irnjj \\

o ... ct

uiriniKTijjs zie bij (khtirenjj\\

umT^Ktijjs zie

O

(cm ti (h\'nji\\ zie uiri (ui (utiji\\ zie bij ut (urunjjs rj uni zrjii Ktiji \\ zie bij tj (iJi z rj ti utijj \\

rj urn z tj Ti g iwji en tjumzrjTiz {h?j\\ zie bij rj.uiztj\'tu KlIJjS

Cy %

(um •un (Kii ^ n kN. zva. dJi un nn q of (EO(im(ioi\\ ook zich

wijd uitspreiden, va7i de takken van een boom en

van de horens van een hert.

(un^Tjjdsii/is zie bij

iSn ijTi7j(isii{\\ spreektaal zva. i:m tj uirjtun q \\ B.

O Cl Cl • 1quot; ^

17771 ti (un ijj,\\ en rui ti (unmi ijmi \\ zie bij (tji ti asii* (unj.(ui (ui^dirj am \\ zie

17171 tj ui ti (isn % \\ kn. heel zonderling, vreemd en wonderlijk, curieus, meestal verbonden met untjinj{\\ ook buitengewoon, Rh., bv. van het spreken van een taal, en van een pisang van goud.

cy . O

17111 Ij UI rj (UI ) \\ Zie (7J1 tj UI Ij UI q N\\

o o o o „ \'a

17171 ti rj (tin 2 (Ki \\ en um t* tj ojiji ? (k/i -l/ik n onjj \\ K., zie

hij (ui ti isn \\\\

uir^tj (Fj7 2tj (éi2\\ zie I j tj (t(}2rj (ti z \\gt;

Cl . O

(un^Tiams zie (Uj^rti rtn\\n


-ocr page 981-

i in vrn /j\'

897

nn i.,n

nn fj i m »7)?\\ en i in r.»rgt;y »lt;» \\ zie bij / ) ^

(cn^^

(i/iij ii v.njj en (i.n^n mi s zie bij wyu i ni)\\

unrj ni^ KN. bijzonder Iielder, va7i het water {org.

pa- .

■\'quot;£rgt;

o

rj,/y ,?yj \\ irnj u iv/ (hj^ uw

tj i in 11 gt; I ix?) \\ zie bij ij /j) m ? ^

gt;ƒ / nu tj ■ n tl \\ zie bij tj iiJitrj gt;»w YjOin ijKii zie bij ij ij^tj nhw

on . o o

I //r»i i-i a- ijj zie i ) gt;1 .r;i n^yi\\

i ui tj ^ ji -rj

j quot; rj lt;»;/ n bij ii-j) ij ni ij r.i i i/js liiiyj ir» ij r.) f \\ zie hij aa^ij i:tij m fw a ï,jj U^JI^ \'FJI KlJJj lOI/fS Tj i ni Kii/ji zie ha ij i, y y hiijj \\

•}jiimnnjj\\ zie hij iji.id hii/j\\ 11.

O • 7 •• quot;gt;

h ui n \\ (iTn^ij (kii \\ zie bij aj^i.n \\\\

) o o .... o n o

i ui ini.yïMnji\\ zie bij (hJi un\'in linjjs

i no .... ei i

riinwiHjintij^ i in nu unmi^s zie bij vo) i,ii}nilt;n^\\

0 ^ iquot; O

j m /. y (y »ƒ \\ öy i.t i, ij ar ij \\\\

im io^\\ zie bij tui iny^

/ o . /

1 nhnii\\ r.iii ^n n )\\ en i.nihii »i tj /. n \\ zie hji ioi w

o / . j .. o /

i innn\\ zie bij jji i.ii\\\\

(imjifys zie bij ^i.ips

s / c\\ . .,. /

ijimriuny e?i y mi ij mm \\ zie bij ij i i rj i. n ^

if i in 2 ij iSii \\ zie bij ij i.i 2 ij uu w

n • /.. O

xUnorjitny unjj zie bij iJiTj^in^? i.iijj\\

. 0 1 . o

i.iii ujjhufi\\ zie bij i i^u)j i,uij\\

ij i iii7j(in^ihtyi\\ zie ij i i ij i.iii. iijjs

O • ,.. o

au». ii unji zie bij» ^ n i. lyj\\

rj i imij hu unjj\\ zie bij (uiicnMnjjs

0 o S ~ n n /

i.iii unvj nn\\ zie bij ut mi ij i.tiw

^ o • ... O

1 in ij hin ini\\ zie bij üj} ij hui iiH/j\\

i in un lunjj\\ inn h n iijj\\ en i in hti ihii fin Ki/j\\ K., zie hij

O ^

/Jl (IJl UIIJj \\

i in ij mi ? ibujj \\ zie hij ui ij mi ? (igt;n/f \\

^ o o • )o

\' in igt; n tisnjj en i m ilt;n i^ii \\ zie bij dj) mi dsnn \\

O . )

\' m ij un lt;un/j\\ zie aji ij i. n iijinj\\

icnimv nsnjp zie hij un lt;isv/js

Tj i.im ij hmtetyj\\ zie bij uitj i.n t cnjjs

i in mi isïjj (bnjj \\ zie hij ii u n vn asn/j gt; ■ ^ /^\\ ■ \\ \' ij un2(Ui u nn\\ e7i i:trt ri unf ui ..n/i* z\\

ij un 2 ui unjj onaijis

) n

/j^ zie bij i i ij un2

0 o

1 n\'Tjun2 ij)unjjs zie hij ii tj un2 nt hiijj\\ \' m un(iJ)\\ zva. i:ni.i,n tSï\\ zie ia un viw

o . ... rt

l III I\' n quot; zie Uil i i /■ tl w quot;l J quot;/

Djj

\'I

zie » ur. n

n O °

) O

ijii un iLijj\\ iiii itn ii^i n en tin i,n n.it jam \\ zie bij id

O

nn u ijj^

r.inunm en i.inniiiifi\\ zie bij w ini :rui/j\\

i in nn n ijj\\ zie hij (ijj i,ij imt^s quot;) ^

i in ij ny nnji en i in ij \'rfi ij \' ^n zie bij nnij^n ■nnj\\

n

ij 11112 ij i,tn i, iyj\\ tj i in? tj i.n i^tt \\ en ij nmtj /.»/ /.y ij i. i \\

zie ij i:i2 ij ioi i\'ii/js

at . *gt;

i in hu iri\\ zie / t un nijj \\

iinuniiJijj\\ zie bij riun i i^

d\'in u n (ijijj \\ zie bij i luijit/ij

, ) n a \' ) )

ninuniij)/j\\ i.iii uniu^is en im un iu ^i un mjj^ K.,

zie bij (ijji u ij^ (Liifj \\

riv/y uy iJi.j\\ (i-iij uij tui - ;\\ en i nj /.^ ui t tj un^ zie bij

ojjunur

O ■ ... 1 ^

i nt uy ip u n ijn zie bij i 11,ij vi u iijj \\

mi uij Kj unjjn Zie bij i ) /.y

i in ij un tj v) 2 un ij u n \\ zie bij i ? tj u n tj u i ? u n /j \\

O o . C) ^

imuyipuij zie t ) utj i.i i tijs

quot;) O T ■)..

iniunuis zie ut) utunuiw

(i ~rn u n - en i

•) o . j.. CO /y /.»/ »;/ x 2/6\' Oij njj un w

Tj nn (ici \\ zie bij tjUKia* rjiiiiiciins KI. van ri

o / , 0 \\

tj hu (ly* {van tj u i lt;tc)\\K\\. van iuabii^).

i:nirating zie bij u;:np\\

o o o .... o

im uy en rin (u.y[j \\ zie bij i t w

i in isnjj of (tm iuijjihn j\\ zie bij inhn/js

ij i m nsnjj\\ (fji tj u \'\'\'/ \'• \'jJj quot;n/j

l lllilSllMLS., lj(IJI1jA \\ of UITjl 11 y.7\\K., lt;IO III i n \\ KW,

wcrkolijk, werkelijk waar, in de werkelijkheid blijkend waar te zijn {Skr. nii/ata, boj)aald, positief, • uitgemaakt zeker. Vry. iclt; hn- en i u un\\). i niiLn\\ of nn hn ij i u nnjj het blijkt werkelijk waar te zijn, of het is positief, dat... Ci^Aiu ^ u \'n nn asn de 4 werkelijke, ware. God. nn asn Tj ui n N., i.iii (bii in (ui/j en Tjiii utifuj ut j^ K., het in de werkelijkheid blijkende, het bewijs, de verwczentlijking o/het werkelijk waar worden, van iets; de werkelijke

waarheid; ook werkelijk, om de werkelijke wnar-

o

heid te zeggen, ui tin mii ^ zva. iUitKunw \\ !Ui nn

1 /* o

lii tj urs N., un in i n hj ijjj onjj oj i i )j i/n ^

(Hijjnk., z:oals liet in de werkelijkheid is, gansoh

positief, inderdaad. — i ni rit uj \\ kn. iets verwe-

zentlijkenj aan iets werkelijke uitvoering geven,


57

-ocr page 982-

il .111 LI) WIJj\\

898

T

c

gestand doen.

)

iriniisnim ~nnf n., rjij

\'tj2;k)-ut tfri(htji\\ k. , volg, hh. alleen k. v. i jjj ij h u . n ij /. )i n iamp;ls bevvijzeii of doen blijken werkelijk waar te zijn; van ie/s zieli verzekeren, dat het werkelijk wanris. — qui afjjjiisn(uti anjj\\ kn. de werkelijke waarheid of toestand van iets; de verwezentlijking van iets; feitelijk bewijs van iets, bewijs dat iets blijkt werkelijk waar te zijn. — laj^on/jibiis zva. riiifon*

i iiKisn \\ zie bij vo» s*

i m mi) p\\ \\ in de spreektaal zva. f ^ tuj w n nxi u ^ mi ^ ibii \'i.j\\ passief.

o ... D

i in zie bij i t -hij^w

i iii isri i.inisii m eu i in i.rjni ijm) \\ zie bij hji\\ II. i in bij^(hii.p kn. onrustig, in gemoedsbeweging zijn; zie aji ton n*

i innjt/js kn. een uitroep tot uitdrulclcing van het gevoel , dat men zich brandt, bv. aan brandnetels.

i imu/l oj ilii uj/jii/js zie il I I IJ — mi inpji iys

bevredigend, bekoorlijk? vrg. lt;iji K)i)\\

ii ui i .i j \\ zie fgt;jy .) ip

i in i.i ■ kn. ziel, iemands ziel; het bezielde; ook mijn ziel! mijn lieve! hij het aanspreien van een geliefd persoon {vrg. t-sr /jn). — n/i) (ifjij gt; i \\ bezield; bezield zijn, leven.

i ni ui - zie bij i mi w

na • t .. ii

unui\\ zie öij n i i i i\\ 11.

j /y \'i^J\\ zie bij ajJj

(V a\' . . .. os

i in ui\\ en i in\'i-i ii ii i.ii\\ zie bij i 111w

i in .uj, hii zie bij iJKUj^ini/js

(Liij U) i.nji zie bij (hj^ ui uti/j en hij d^ i i mi/j\\

o • / 0

d./y /1 h ii i zie bij ui nu p

rgt; o • 7 ••

i.in i i tnink\'., Zie bij ijiJitj i:)? hnq\\

vj 1111*1 (uii»ju \\ zie bij ij iji ij 111

ij i in? na2 i,ii J zie bij *11 ju ij u)d ilt;ii/j\\

a • i ..

i:iii ijiiui\\ zie bij noiunui^

i ^ i ■ ... rui l i fan,p i in i i ijiI \\ en im .ui iuii ij i, ii \\ zie bij i ji

n

IÜ111511/jS

O O o .... o

i in ui (Ki ^/i \\ en i iii iuiM -tti ij i\' ii \\ zie bij 1:1 ui m j \\

1 in ij 1J) ? ij ui g \\ (Crr\' y tJi ? ^ ,Ji2\\ zie bij iji gt;f u) 2 rj aj) 2 v

i.))iiviajiioi(CI11U1 (Uiirnjjs zie 1 i ui ui 1,11^ en bij

1.111 ij tj) tj u) zie bij \'ƒ ui 1, gt;1 j \\

ld) ijiu) iu/js zie bij oji ij (ui lu/js

o O . n O

i.m ui )L)/j\\ zie OJ) \'V) iu)/j\\

i./y rv (wij U) 11^1 \\ en Vs ~quot;-\'

o

OJi ui .iu/js d;//} ij tui 21 i i/j • zie bij (Ui 2 ou/j \\

1.))) u)\\ zie bij ut ri \\ eti bij ui üi w — 1.111 ui 1:1 tj hu \\ zie bij 11 üi \\

Oquot;

1 D) u)\\ zva. 1.111 ij ui\\\\

111111 ui \\ zie ()Ji ij (Ui \\\\

y 1:111 ij a \'1 \\ zie hij rj ui rj ui w

n ^ ■ 7.. o

i )))iu\\ en 1111 id ):i) -Hirjiii)\\ zie bij qj) idw en ui

duw BV.

ui)) ij n )2iii\\ zie bij (iJirj.iu*onjjw 11111^ijiHjt\\ kn een nitzondering maken in zijn manieren , wijze van doen of zijn, vermaken, enz.; een zonderling zijn, vreemde manieren hebben;

eenig in zijn soort, buitengemeen {vrg. i/n ifpj

O O quot;) . v

1:))) ij err) ij 11) \\ en ui un 7lin ).

i fin ij 1L12 ijuji^ zie bij tui ij n u if nj. gt; w

iniiL)(itri\\ kn. buitengewoon, zeldzaam, gew. van

vruchten die een boom. buiten tijd draagt.

Llll Ij 11.12 ij Uj UHfj Zie U) Ij li l? Ijlfj L))^

i ni n^ iins zie bij iwnyngjw

Diiiuj,^ zie bij uiit^w

1 111 ij rvn ij \'*12 \'i n.jn zie hij ij ui 2 ij n 2

i^fri ru) lauj \\ zie bij (iQici nu/j en bij uuui 1,1) j —

d ^ o n o . 7.. o

1.111 rui (Mi) \\ en ni) iLHtfi ioi anqs zie bij m ui ), nlj

n ■ iquot; o

umnvjKD/js zie bij ) i\'i\\^in)jj\\

(vmi^u 1,1 i,j zie bij a^iuom/jx

rt

Ij U))) 2 Ijl LI 2 Idl [j\\ Ij 1 1112 Ij 11 12 Hij\' dl Ij Llll 2 Ij 1112 1^11

(Yj (ku \\ zie bij \'Tj i urj 11.12 liii^/js un)itu Hilnns en i.m id uiuhii -JDtj),)) zie bij dji n i nn n

o o • 7 •• o .

(1.111 iD i,iuhj\' zie bij (hJ^ iui hii \\\\

i.iiiilik?i\\ zie bij ojiiuinijj^

o O O quot;gt; O .... O O

i m tiuihQu en 1:111 m irffijiHVs zie bij uhdu^

O • O

i in ij uiinjrj un\\ zie ()Ji ij n i

o j.. O ei

i.iDiupuii (Lii.j^ zie bij 11 n)uLgt;njj\\

i m nn/js zie bij iii.i^nphiijjs

quot;) o . , .. O o

lui luip (K)jj2 zie bij 11 /• n ip ui/js

n \' o o

Ltii ooi np ri.j zie f 11- n ip M/J*

n W . ; ■)

luiv^dxi/js zie i igan/js

ij L1112 ij iLi2(hnjj^ zie bij ijiJitfjrLntoiijj\\

i in out ui(ixi s zie bij aji iuw

i in iij^ ui \\ zie ui i i j uiw o a . no

Dl) TL/1 ID \\ Zie ) .) LUl lDW

uiiivvirv^s zie bij

/ mrj}li2 ijtliiv zie bij i iij iLi? ijirvm\\


-ocr page 983-

imy aid wyj?

899

zie wv^n^w a w zie hij \'ïtf iy *

i \'ni ii iJijp zie bij i nwiuijjx

.\'/ O . )

.i.iiinjiM/l en i:iiiizq(ui ij urn zie bij i t ny (uij\\

imniii if^(hnj\\ kn. zich ovenil in mengen, overal

haar neus in steken, meestal van een vrouw, Rli.

o • o

zie (uihij fi/j\\

n / . j.. s nn iLi fp zie bij (Kiirp\\

O n / • js

I III Hl IF] \\ Zie bij (IJl \'FA w

i mri luf ij -tu n\\ zie bij i:i ij n imj t i?\\\\

a • iquot; ^

i in Ly.i! i ntijj\\ zie bij dj) v^ f innjjs

i,iii\'uy(rji-jjj\\ en ririx^\'fji-j^iws zie bij n tyn

o » • z • •

i:m nu ifji \\ zie bij i i t i -iw

i ni 111 ifji rj mi \\ zie bij rrn th/i d i/j \\

0 quot;» ^ \'■ ^ O

1 in iu Ij lp \\ en i in u i ij ki ? h ii ju rj k ii \\ zie bij i )

flVlty*

i /y zie bij oj^r^w iji:iiimj\\ zie hij

. o . ,

iji.mrj(ni\\ en ij i.iniy ri.i t7i\\ zie bij iiud if n.iw

ij i ni? ij itu i n e?i ij i ni 2 1] tu? m \\ zie bij ij i i 2 ij iü? w

. cv _ rv

r.iiKiriiai \\ — njixnaniw

:L cy _ o. cy

I III ILI HH\\--(Ut ILI 1(11 W

Q. t • / ■■ Qv O

i.ui ui i^mi/js zie bij aji iLiiin^hHij O ^ ... 1

iJnruw (iJijj\\ zie bij noi ru (iti Mjjs

0

1 in rj 1112^11712 Liji zie bij i nj n 12 rj i 12 i i/js 1111 Ljun^ hnfl\\ zie bij ^i\\2JJ h quot;/j^

\\:n^ il^ \\ zie hij 1 ^ \\\\

11111 h fin nnjj\\ k., zie bij un i j, uw 1111 (ij^(hiyi\\ zva. (i/n 1 m(zie ii i iu^hhiji), e?i bëi eek ent ook stevig uitstaan, hv. van de staart van een kip, enz.

1111 ij ijy in/js zie bij 1 1 ij i^?iisn

. 1 a a o . ,o

1111 tL^.bii/i^ 1 in [ \\ eu 1:111 ij mi \\ zie bij 1 t

Mgt;(isnji\\

\'ïf i imij {M^2 i.yi\\ zie rj 1:12rj ■ n.y rjjj\\

0 n

1 nidj^ ^njfs zie 11 tui

,D o O • t.. O

1111 (Ui icn \\ en 1111 uji im rj nu \\ zie bij i 1 (Ui

z^e hij (hJi uiini/j\\

\' quot;\'V quot;ie hij (ij) mw

\'in (ui (Knjj\\ zie bij (wnjiani/j en bij oji(UMifj\\

0 o n o ^ . O a

1 in tui .uiiji en i.m (vi (tfl^rj .hi)\\ zie hij jo» (u nsiijj\\

Q -...O

L.mrj (ui2 n i/j\\ zie bij 1 1 ij (iJi2iiLi/j\\

n quot; o o . quot;c)

1.11111^11,11/j en 1.111 (tJi l 11 \\ Zee rji tui ilt;gt;i/j\\

lui ij (vi2 vm/j en 1:111 ij (1^12 hijs zie by ,101 ij lj2 i.n

O ^ • 1- cy

Linrj (ijl 1, iiij \\ zie b ij ij» rj n ji 1,11 q \\

0 \' O o )

lui rj tiji 2 unfj en 1 111 ij ui 21. y n zze bij 1 1 y iiji f noi/]

iLTtjiyiiKvji zie hij aj^u

rj lui 2rj (IJI2 Kii/j\\ zie bij rj (hu2 rj cld 2 mi j\\

O ^ j. - O

lui ifA\'iJi/j gt; zie bij r-Ji (l/i i i j\\

n quot; . 0

cinrj (if a i/j zie 1 \'i rjijp r ijj \\\\

d quot; O . h.: O

ij lui iji (ui ,1 \\ zie bij ij uji (i i 1 ij].

O quot; . n

1 111 ij 112 li ^ ij (hoi \\ zie (Ui rj (i^i2 li/j\\

; quot;) Qv \' . j .. O Qv

lui Cl \\ zie bij (ijiiijiw n \' . V

i:il1 (IJl rj (IJI 2\\ Zie (IJl (L\'l ij :1jI 2 W

n . n

1 in ij (ui rf (Ui j \\ zie a a ij ui ij iui 2 w

O CO Q (?) o -) (Z) /) . ... o

liikuis 11 ii (ui 17)n en i nuui 111,11 hjjis k., zie bij hji

nfn riJ)ji \\

O Cquot;gt; 0 :) ... o

m)ij) ui)/j\\ 1.11 lui hii\\ en liiliji Hvrj ld\\ zie hij (ij)

(13) IKllJj W

00 O O 0 quot;) D •,..()

Lin in .Knjjs i nn tij) iw \\ en liikij) oai ij 1. n \\ zie bij n

0 00 O .... O

f mijj h ii/j\\ 1.1111^ uil \\ en Linri^ inirjim \\ zie bij hji

i m io m/j\\KN. half of nog niet geheel rijp; nog zuur of wrangachtig smaken, van dj ambo equot; s en dergelijke vruchten (yty. rw (^ di/j en /ij(u asiyj). WW.

o ■ ,.. o

1111 ij) tui^ zie bij tun uifoi p

1 nu (iji \\ zie hij iji ah w Lihdh rïï \\ zie bij (l/iijiw o . . ..

i:iiiij(ij)2\\ en i.inrjui21:1 \\ zie bij fij)ii(ij)2\\\\

quot;gt; o j.. o , . o

/ in lm lui 1.11 \\ zie bij i i 111 en bij li.liiw

\' . ... a

lui d/vja^nrj 101 zie bij (ijkwiosii/i

rgt;

I in lui mi ^ un \\ zie ui :ui 4 \\\\

LiiuMjj\\ grondvorm of verkorting van lnogjj Li^ -1 iiuKj/jrian^ naar iets snakken, daar men nog niet op hopen kan.

unuup kn. lont van linnen gemaakt; vrg. ij(iji2ij

Ij )LI 2 li\'))/j\\\\

rin n /ei ? \\ zie iji rj ut % \\\\

(uiy ui tfli noi ^11 ij mi \\ zie bij rj ui 2 ftfi \\\\

lui (Bi j iun n nu zie 11 ui 4 w

.( )

O,


\' 7/ \' \' 216 \'fj H-A It»quot; j

a rr^ m RW/Ix (urr^ m ag] \\ en amj cüi a^i rj un \\ zie b ij aji li «M/js

^ l-iiL2ij iiji2 (un^/js zie bij ij mi 2 rj ui 2 lt;isiyi\\\\

quot;)

O/ 1 . o/\' ) in wn zie l 1 (ui \\\\

r!)ri iFjhnj)jj\\ kn. im n iqjjj F)hLijj\\ nat, vochtig, drassig, van den grond.

n /. O o .0

i.m (Ui iffjjni/j\\ 0/ uiv ajjjj 1 1 ini rn/j \\ zie (U),! 11,11 yw


57*

-ocr page 984-

900

rquot;gt; a» mi il l Tj/\\

/ in ïj i ij j f j zie (W

rm n hiyf KN., 1. \'amp;lCjn n ki. {doe// weïniy in (je-hrui/c), een knopje van gond of van juweel op een koeloek. 2 t ni n f )(hti/j ~ va. u in t.i nwp i in f J lii ij n kn. i in foil ij r ^ i\'i\' /jv iloov verren afstand naanwelijks te zien, vooral van voorwerpen die lioog in de Inolit zich nh \'l mare in de wolken verliezen, als vogels gt; een vlieger, en::, hv. v.sehe-pen en dertj. Tj.

n n • ■) gt;

/ m f i dsiifj\' ne bij i i f / hii/j \\

ij i nirj i i i foii/j \\ zie hij rj w ij f)? foii/j\\

gt;11 im ij (fi? foii/js zie bij iji urjriêfoiip tj i imrj n n ijj zie rj i i ttjci u i/j

ij i in ij fi ? \\ zie bij rj fijt ij irt d w

5) \' (r) • t- ^

i m .c i \\ en //»/.•; n /.mn zie nri i i .\\n\\ n n J( •\' n i

6) • / amp;

i./y /y/ i i ij i,ii\\ zie bij ijw

i ni (Ei ?dm\\ zie bij i t f i ~ i gt;\\\\

O . o

f /y rj (EjI üjs zie f i -i^

O

a /y ij lt;/; ^ï ? ».j . zie a-jj^ r i -^/jv

/ O • f .. ^

i in im ^jjn i \\ zie bij IJl r i quot;)

O

\'1.^

o o

bij /».•/

i in ei -Ujj^ri (^\\ en i in i ^ \'/ N

O • O

J.7/gt; \'El \'WJI 2W I I *1 - \'

rm ij ei ^i zie bij dJi ij ei ^iixip

O • cquot;)

(umiEi ^iiUi7j!iai \\ zie aj\\

Cquot;) quot; • ^

lt; ./i» \'Ei ^i foil /j zie ii fi^i foiijj \\

O o .... o o

J //» (f l . » \\ ül) IJl (E l -iw

n J n

n quot; .... ■)

M// f J ^ » \\ ^ ö// VJ1 f I ri gt; N\\

ij i ni ij i ~U\\ zie bij ij i i ij f}ii\\\\

i in ij lt;ei -irj zie bij ij (Ui ij (M ? n\\

n .o .

\\ ui (Ei yi i, iijj zie i i ?: i njjv.

O \' .Q r m f i ^yiii/j zie a i ei ^hii/jw

) W O . 7 .. O

i in ei , idi^ i^ij\\ zie bij ui (hi - r/L^

inifi^\\ KN. 1. pit met liet vleeseh er omheen, Vrt/J vrachten, daar veel zulke pit ten in zitten, zooals de nangla, lloeweh en rtoerian, iniuriJis

ii nn in i /\\

2. naam van een boom Ca-

lophyllnm inophyllnm L., Nat. f am. der Clnsia-eeae, met fijn, geel en fraai gevlamd hout, ^7 ew/ yöor meubellioutgebruikt wordt. ( Van de vrucht komt een vergiftige olie, (c^i\'-.i nu 11 Si^ genoemdgt; en van de schaaltjes van de vrucht worden water-scheppertjes gem aalt tot speelgoed voor hinders). — i iii -e i n la/js een pit met het vleeseh van een vrucht, zooals de nangka; aan of bij njainpjoengs,

hv. afgedeeld of verkocht.

O Oov

i m EjI . / gt; zie bi] i i ivi a f i J n

zie i i iei xyi w

G) • (?)vv

ivry M \\ öy ?.i (Ei j.1 w

Qv a. -) quot; O- .....

J./lï f» ^ M / /// » -.1 I I \\ /-quot;W I.Ill El ii I Hljj^ KI., JC7^ oy

^ ,.. ■•)

i u i ii ici/j en bij foii t i ? ^

\'ngt; *MVihn^ ~\'e ^

o d • ... ) o o

Km foi ieji* zie bij i i 11 ei w

i ni ij ei ij f\'y zie hij ij ei ij èi^w

n

i ni ij (El nj ei i s zie e^ ij e uij rit w

(i .m iei (in \\ zie bij (IJieuxiw (co \' Hees

rui ii(E\'i2rn\\ zie bii iiiiEirw \'cc* \' co

O /» - quot;) 0 __\'quot;gt; Z\' A

iint^i.iijj oj trinj^Ei^uii fjs kn.--Miiriis oj f i

\'quot;II quot;\'i,i

i mvj r^i(i)/j\\ in de spreekt, zva. rui iej^ bv. (K^ii/KUj/j

Ij Ehl.ll^l^l^ l.l/jS 1?.

rijijiry

V\'

i nu f iijij tu?.- zie 7)1 u e

(Ft O • ; .. (Pgt;

i in n i i \\ zie bi) iJi f i vN

co co

n ■gt; o n n o 00

i.iiiiEinp\\ 1 in Ei ij ip (Hj ^ lt;?/i 1.111 ei rj 1:1 hu 11 ij 1.11 \\ zie

r .. O ■quot;»

bij 1:1 ei ap \\\\

quot;) CO O G) ^ „ • 7 •• 0 • .

j m ei \\ / /// iïji iji 1* 11 ki fjs k. , zie bij uil (u w

i m ori f\\ zie bij i i (rri 4 w

rgt; o o .... Oquot;

j 111 mi \'i i \\ é\'W rm nrn \'riij ih ti \\ zie bij e i m w

O quot;) / quot;gt; O / • *.. 1 S

ini (ril\\ 1111 ii^ iis en 1111 nyn rj ioi\\ zie bij (iJi o^\\n

rj inm ij cru \\ zie ij ui 2 rj cru w

rm cru ». »//» /77 ihij \\ zie bij ui cm igt; 11 ,j \\

(i.ir^cni (Hii^ zva. (uijjmi aiijj zie bij (ij^ ru tiifj\\

~) quot; ) o . -)

1 m cru foiijj en 1111 infon\\ zie t 1 ruiLgt;ii j\\

n ^

1111 ij(1112foil/j\\ zie bij (tjirjini fouj .

O on w\' . ) 00

j./ï? cru ui 111 j zie i 1 (in iei (rii/j\\

(ürrj cru cin/j\\ zie hij 1 ij nru iu/j\\

(um.riis zie hij ij i i 2 i .nw

n 1 :in2:vm \\ en rj 11111 im mi ~jh ij un \\ zie hij nuji 2 inw ij 1.1112d n \\ Kl)., zie hij rjEi2 r.ii\\\\

^ s n S o rgt; s • ,o ^

inin:^ i.mtvr^ r 1 ^ en ini(r.r^ii-rjun^ zie bij 1 i ri^gt;\\

11111:11 mi/j\\ zie bij i ii:nilt;iijj\\

quot;gt; 00 o . ,o

1.111 (i:i^ Knjj^ 1 ni r.r^ /. n \\ en 1 111 (i.ri hn ij 1,n \\ zie bij 1 1

(Uj. li lljj \\

ij 1:1112ivmi miji\\ Ml. zva. ij 1:1112 i:n\\\\

) in r.rjfoiijjs zie hij iitz rMfaii j\\

imrïiunjjs zie unjii^

rin rjdj^i liiifj i.ni ij iru h njj zie bij ,/ gt; ij / »• 1. nfj

w

) O • f..

1111 rj ij^i2 ini/j en 1 m ij iin 2 yn ij u n \\ zie bij ui ij.t.yt

rmjjw


-ocr page 985-

n I in 2 \\

90 I

quot; rr) ,v} ugt;i1 en OJ7 \';J \';1VN z™ bij quot; ij v) 1

i en tj hti\\ zie bij

rj i mêrj i jn^ijp e/i ij i nri if r.n t i t ^yj ij ilt;n \\ zie bij ij

vithJit if r.n ?, j u j\\

) . . \\ .

I m vn \\ zw l i irfi \\\\

() * . . )

111» Oï if.|» N ^ i ) .1711 rji \\N

n n \' ■ i-. o

.mmp\' m rm up int ^rrt ti i. ti\\ zie oij wipw

a . ... o

I m if i:i f \\ zie oij a Ji if tp i v.

o • / .. quot;»

iff mi vt \\ zie oij if ui ij-i w

if I in ? if tp s zie if iji 2 if ip w

i

i nii:i i(iijf\\ zie bij u» ip i\' n/f

1,711 ij quot; f n en rm ^ »01 ^ (un \\ zie 11 tfj i* vj \\

.1 m if 1:11-11 if ^ zie bij 11 rj vi mijw

1111 if vi 2 mi f \\ en 1 in rf ip i inf *f 1.11 ^ zie bij tci if ip f i. iirf\\

n ».. )

vm^hhiijp zie bi)

) a . ) o

1111 ip lyn rf Hti \\ zie oij 1 1 ic 1 uujf \\

o a

1 in ip Kiyf^ zte oij 1 1 ip i-n^

1 iij ip 1 11/f\\ zie bij if 1 hn/f \\

o . ... ■gt;

ny ip imj zie bij gj^ l i \'iiiijf\\

»;» m if up t myf en if nn if ip 2 h?i zie bij if 11 if ip gt; i.u f^

t O o • 7 • • O

rui up it n f en 1111 op r n \\ zie oij ijgt; ip i n if .

1 in ip asnjf lt; zie bij 11 1:1 (biijj^

gt; O o ~ j )

1 in ry v nrj en i m ten n zi° bij .u» ^ isnjf\\

,) \' .) quot;o n quot; •

i in if ip tenjf^ .mi rf up teii \\ en 1 in if ip ii^n if kh \\ zie Oij

a

ajt if ip teii/f

Q w • 7 ■ ■ n

1 m if up 2 ivnyf zie oij iji nnp 2 ,r nji^

icnjici lt;isnjf\\ en (nn ip ii^n rf un \\ zie bij (u^.ipten/fs

if iTni if np ten/f^ zie bij if i i rf ipnsii,f\\

7f .171112 if op 2 tenjf^ zie bij if 1:12 if ip 2 ten/f\\

1111 i^i i.iijf zie bij mi if j (iJijf \\

o . o

nnnp rujf zze 11 ip

■J) o . j^ o

nn of 1 ryijf zte oij mnpnu^

n quot; .... n

i imp zyf zie bij iji np fi/f\\

♦\' \'eh N zu\' oij Vj N \' in iff {.j ini/f zie hij 1 1 y r.^ joi/j 1 iii\\ of ivti (ujj^ n., zie bij /linhjf \\ en bij tun n^jjw — 1 in 1:711 \\ K N. wci tele n {vf\'ff. 1 in 1 hi N) • — \' in \' in \' 1 ooj\\ weifelachtig, veranderlijk, zich niet gelijk blijven, JR.

nn\\ of djfi\'igjj. kn. klanknabootsend woord voor de opwaartsche beweging van iets zwaars, dat met ge viak opgetild wordt: hunp, het gaat! bv. if 1,112 a?i \'niJi 1 lan.ik ik t 111 in i\\\\ Zoo ook 1 u?n\\\\ 1 in rni\\

s- l h . n n

herhaaldelijk iets optillen.

; . . ... n .

I if nn2\\ zte oij 1 11 if i.i :\'\\s

I tf 1 in if 11 q zie if 1 1 if m j w

I i*n gt; \'1 n zie bij 1 11:1 w

i W . rgt; s

1 nn 1 is zie 1 1 1 is

a- ■ , i\'

I r.iy ns zie oij dj^ 1 is\\

of nn if 11 zie bij if 1 iif kiss

if nn i if ! 12 zie bij if 1:12 if m 2 v

0 cy a . )(gt;\'

nil 11 n 1 zte i n iss

a o

1 111 1 1,1,11 f Zie .101 r.1 1,11 f\'

r.mif 111,11 *s zie oij 1 1 if 1 11,11 }s

■1 nj 1.1 1, n,f zie 1 ^ i.j 1,11 if s

C) rgt; ■ , O .1111 lt;1:1 — \'•.......

II.

i i j I, if \\ zte oij \'i .i (ir^ i. n/f \\

(?)

.1:111 hm- zie oij 1..1 i.mss

if 1 in if h 1, j n en if 1 In if 1.11 ki ns zie bij if 11 if 1,11 gt;vn

rin h 11 uj gt; zie bij / 11,11s

CO v • / ••

i.iii 1,11 \\ zte oij 1 11, m\\

ilt;iijf zie bij 11 111 unjfs

1 in I. »j

S) ■ ... c)

1:111.mrni\'ii fs zie o/j 1 11,11 ij i n/js

£) ■ cP)

1 111 if nn2 if rn h ii,f\\ zte 11 if ilt;n 2 if n iiKjfs

o .....

i:ni[i.iims en nn in^nnj zte oij 11 in^ f.iss

1 in 1.11 in nf zie bij (i3i nn in njf s

O O • ..... o I 111 i^hiflKls zte bij ii i.yii dfiffs

. 0 ) . C . 6-quot;) l ) .

1 in 1,11 ifs zte i ikh yss

.1 in if 1,112 igt;n/f zie bij 11 gt;f igt;ii 21,11 fs

if rin if kiu 1,11 f zie bij if ijj rf 1.11/1,11 fs

1 in 1, n if i2i % s zie i \'i nj if tvi .1 ss

nn if h 11 rf ui i h 11/f zie 11 if /. n if ui 2 igt; r/fs

c-quot;)

.1 ./11 ii ddi 2 if ■iji 2 iinjf zie 1 1 if 1.112 if un h njjs

(p) o a. . ... o) o J..

nn nn r is zte bij i-ji i.h riss

,j iii if 1, n Ci \\ zie tji rf 1,11 iji ss

.nn if kii 2 n iff ■ zie bij i^i rf u 11211.1 fs

i$11,11 nji/f en rin 1.11111 if 1,11 zie bij i n. n n hf s

ijni if inis zie i rrf nnss

t in i,n i.n zie w Mil 1, n qs

. . ) • . O

1 in 1,111,in zte ki nn i,ii

n _» \' 1

. \' s (Pi • • .•)

1111 innnhf of nn ifiyni/f zte .1 1 i,iy,ri/f i n.n i.iyfs

teinrf i\'tn i\'ii/i zie bij rirfidii.nqs

(O \' . (Z) a

i in nn i,ii i. zte ui n 111,11 y m, \'i, — \'

r:iii iini ii(1ijf\\ zie bij ifuci ini h n f\\

if l imni h n/f zie if i3i /. ji nn/f\\

1 f x in2 if nru un/f s zie bij rfuhiï if ini 2 niij^

. o \' w

1:111 ikii 111 nn f zte 1:1 hn ri i nn/fs

(P) ^ ....£)

nn 1,11 n ikii ff \\ zte bij 11 nn n \'

C-quot;) quot;) o ( •) , ) o •(?) .■) quot;gt;

.17111 hii iu ten/f en 1 1111, n m.i ten if 1, n gt; zte a-Ji 1. n tui te njf ^

. c quot;) o . ;) ■-gt; . ... CP) . quot;) o

(f 11^ 1,11 ui ten if en (nr^ hu in ten if 1. nsziebtjui 1,11111 nii/fs


-ocr page 986-

rgt;

nrj t im rj uu \\

n it}\\

902

ij i !m ififn\'tu\\ zie bij rj ij) i if }:ii h.i^\\

vin ïm \\ zie bij dói unw

. G) • . (

i.7r? //lt; »/ \\ zte nat ihyi w *

zie bij uó» ij i^i 2 \\ en ajitïnw

(?).\'. 0 . %

lt; //;/ƒ/.j/\\ zie (?0) y k^\\n

(?) • / • • frquot;)

.17Ï/7 y KM ? \\ Oy ;/ » ^ M; 2 \\\\

tj i in i }(h \\ en \'ïj i in i uu li ij /, n \\ zie bij rj not ^ v. j/ w

rin oQ n\'i v zie bij ujianiw

i in i.n iri\\ zie bij iui uyw

CO O • N . o .

J //i (/.»; / \\ zva. »71/7 7. »7 flU v

O) . . 7 .. co

i:m rjmnorjnvn\\ zie bij i i ij Hm rj n isv

dTrrj i, ij ixjifl N ^i\'tf. a. /y /. lt;cn^ \\

CO ó • (.O o

a:ni kh yujj ZIC i i .n)icrnji\\

tj (irhi i rj 7.-77 # t-w lt; //»«? ^ .»lt;77 ? ^ tj i \'u rj

tj inn z cmji v

(U7^ ;.)^(C77^N 0$ ^ l.ïj.l n/j\\

* qv ..... ov

7 777 (flt; /lt; N 6gt;// (7 \'7 .J( »7 \\\\

ij.171112 n \'ifh\\ zie /ƒ j.»/nn

(?) . O .... CO - ,.. co .

.7 /// (ïlt;77 (t,7 \\ o/y flo) 7. ii \\ en bij 1.1/hh v

7^,i;7%7i i ij tni iPi \\ zie bij ij i \'t 2 tj 1.11 w

rj ,77777 2 777 iliTT^ N zie Ij I t 2 .177 ihlljj \\

j://lt; 2 vj tiquot;} 2 cisnji zie rf i ) t tj 112 tisn y w O o . O o

777/1 .177 iTvM flJ) (1,7

o • :quot;gt; x

,i7rn y (m (Kijj zie tui ^ dji ojji \\ N

O o • ... O o

.777 77 (177 7 ZlCblJ (IJl m IZI/p

\'17777 /ƒ 177 ItLI/J zie »S| rjlTI BV.

^ i7tn2 rj 2i}{iyj\\ zie bij vj-ui 2 ij (vridimiji\\

Vj 7.777 2 Ijl (»77 ? .7LV ^ltni v ^ 77 ? 7/ /

77771 (171 HjI ^1 rj 7.77 N ~2V ^y (ÏJ» (771 i»_7 fj \\

,i7rii i.in \\ zie bij r in w

. co . co

1711117711 N KN »77» w

.17777 771 ^ \\ ^y IJ) 71» \\N

O •. 7 •• •

.i7in rj cm f tun \\ zie bij thj) tj cni j w

* O • i-

,17111 \'171 Hljj \\ Zie öij (LH d/J j W

O .

»771» 171 If zva. (L\'1 171 irf \\\\

i7iri (i7i (iTj ucnjj \\ zie bij l i l.i (17^ ». »»^\\

.17717 (171 If 17 2 \\ zie I Jl (171 Ij (177 2 \\\\

if 1\\

ttii\\ 1. kw. zva. hii nLi 11 (hi j en foét. voorvoegsel, zva. (uiis — 2. (tii\\ {ma), anders iamp;ij ■ verkorting

van 7.» iyii n bv. in u j.kh^s {jnaséktï) en cutun rip

{maag o eng). — 3. {ma) zva. k) . verkorting

\' fi ^ i • » /.O

Ptfw «»\\ oj ili\\ bv. m iu(icicm\\ of .tuincms voor

CY

(LI (UI (Yl)^

ilis of (éi {\\ 1. k\\v. zva. (»7 tf »»»7G. zva. (K/\\ — 2. (£»\\ 67«w. vermicelli (vry. (Ujim 2.). /tl

(Ki\\ (mi-swa) of \'LLi.js\\ witte vermicelli. n:n.i/ii\\

CJ O o

vermicelli bereide host.

lt;fa\\ zie tun f iw

i£if\\ zie itin/ii\\ II.

o o

ifjiqs kw., zie (tiw g.

if (Li z v of (ün tf (M % \\ KN. bij na, bijkans; het scheelt weinig of; {vrg. \'icjun (ujf\\ tuil (^mn mji). if iei j(ts *1 rui\\ bijna drie uur. if (Li j ^7 asn \\ bijkans dood. »ƒ if (Li q (Ki (ip (ip Mnjf {of (U n /Oi .iiii/f 0f (fJ.ifn,dj} im/f\\) het was {of stond) op het punt dat... (Adji Saka, VV.). if /li j if (Et j \\ iieel nabij , op liet punt of op slag van , zoo goed als al.

if,i.i21\\ of (1/11 rf (Li 2^^ k., een uitroep van onwil: ik geef er de brui van! niet willen, niet willen doen of hebben, er een hekel aan hebben, het verfoeijen, R. in bk. rfivn 2,1.11 rin^(Lijf Rh. {vrg. vf(EJiZ(un\\). 2. if(Eji2^\\ kn. zie bij rf(Ui2^\\ a iiLif (Uirf \'Ki2^\\ ik wil niet meer hebben, ik wil er niet meer van hebben, ik wil er niets meer van hoo-ren. — (unrf(Lji2^\\ kn. geheel versleten, bv. van kleêren, aan vodden {vrg. a/n i^s en iCj^iiJuiyf). volg. Rh. ook malsch. d/n iKd/n if (Li2vermorseld cn aan flarden. — Qrf (Lji2%(vn \\ zie bij if d2 lt;\\\\ ook erg. if(FJi2q\\ op zeggen; van iets niet meer willen hebben. — QirfthJi2^(uii\'rf(ini\\ maken dat ieis geheel versleten wordt. — tf (l.i2vf (Li2 qd/n anjf\\ iets dat geheel versleten ia; lompen, vodden.

(Li (un \\ I. zie (bn (ui ,1/11 w —11. (LKuns ook verkort (E/i^ en (lji\\ {ma), kn. groot, hoog, in zamenstel-^ ling vóór een ander woord, om het hoogste en voortreffelijkste uit te drukken {Skr. mahd); bo. (t i d/n (ny ui ui \\ en (la (un (i?) if (kji n de Grootmagtige, de AImagtige; (Li (un ay rijj, {of tutïern iujf en il^ ii/ij) de Allerhoogste; (177quot;»A» ^7(i/7»/»i^,»j7^n God de

Allerhoogste; (uuunaji(Hn\\ hoogheilig, de Aller-

\' mtlt;

heiligste, (la(un(uiamanjf \\ alwetend; (ui(lh rujjf \\ hoogheerlijk, de Hoogheerlijke {Skr. mahdmoél-ja, kostelijk, pretieus). (Ui am om (iPi\\ allervoortreffelijkste; (f 1 d/n (un (rii \\ of (UKutioii^ de Allerhoog-


-ocr page 987-

11 ui n tin j \\

903

\'quot;T

st«; Tjx/n\'r) ifz \\ of M d ix \\ ook de Op-

pcrvorst. H.i qxw of l i tun ^\'r\'\\ z^e bij 1,1

if ruw Andere zamenstellingen zie beneden.

co

iMisipx., vu/y K.y vroeger, te voren, voorheen, onlangs, zoo even; zoo even of te voren genoemd; onbepaald van alle verledene tijd {vrg, tfjt ruh \\ en (17/7 Y ii/1.^). k»ji?y?^\\ ».»/ r\\j) nx/r^\\ voorheen, onlangs, zoo even. ^ in (ur^ li xji^\\ un n ixm kh ut

O

.ijij ui\\\\j7j\\ vroeger, te voren, iehrjpj\\ .utojtjiy iij an/j\\ vroeger, te voren, inniamp;i utp nm unwur^s verleden, fMayt^ rii ntuntLo(tij^ verleden (gepasseerde) nacht, van nacht, l i ojj^ rj xd oj^ i.rijj^ xjïxji^ »ƒ (tni xpt van morgen, vn ili xjt^ \\ x j ihj xm 11 \\ die bovengenoemde. cmxk imiuiji {of i xxyy ) die kleermaker van zoo even. nct.Li liwp of imtui^tui t-;n genoemde demang. xhix.iiLjix/t^\\ {of o.nvutnp) in vroeger tijd. xtn gt; i axn^xji^am \\ in dienzeUden tijd. Bij hei verhalen of vertellen is xj)xm dikwijls niet veel meer dan een stopwoordlt; soms te vertalen door: nu, dan; bv, w xji x:i xjy iamp;t ,tu ia , als hij dan {of nu) hoorde L. xsn i i xji^xm^ Q^) i n ij tici in lixjjjTUxnji\\ niet lang daarna nu kwam liadën DVV. (462); en zoo ook veelvuldig in poëzie, clu

Mil DIXjTJS bv. 0)f iHtllXJl Xj! ^ 1 of 0\'I(H X)l (lO X 11 \\ bij

den overgang tot een nieuw onderwerp; het vorige wordt dan als verleden 0/afgehandeld beschouxod\\ vrg. (in (isii \\ KW. zva. w (in cmji\\

7 lj2x/n \\ k\\\\. zva. vjjiHtis (faxji^s -^ixjjxbijji en ri j Lj gt; w \\rj ilj i ojïi irj 1L.12 tun \\ spr. zva. xl^cl^x

■Vs

\'L ix nxn^ kn. ajn lun/n in den zin van V Mal. b$rmain, zich vermaken met, DW. 5lt;!5; in V Jav. wordt (Bi xJn hnjj gew. lueer bep. van kaartspelen gebruikt en dan nog wel van het eerst uitkomen bij kaartspel.

* 1 ^ 1,7? (m \\ zie (Li tj x/n (xn w

o o .... o

li f i/77 • n iTi) \\ zie bij f-X^

quot;V quot;0\'ïïy?N quot;quot;l \'quot;t ijM/l*

\'fl^r zvaquot; \'f\'jj f\'Jli:gt;nJIN z*e fcn inxn/jw amp; • «..

•LX rjijniiïjjs ~ie xn

* J ij n/n * jijt zie lt;£/» 1;^ ^ ^ w

la rj 1/77(iui^\\ ook tu^^m{(hp\\KW. zva. ni x^ xn ij en kh xt^ (ui p x/n lifjn /5^ \\ (Skr. m a h i d r a, berg, eig. aardstut. pk.; m ah éndr a , naam van één van de zeven voornaamste bergen van Indié; ook van Tn-dra, den grooten Hemelheer; van .li nu en ijxjh

(im ).

xj.? 72 in ;}nj\\ KW. zva. hn m ihn/j\\ (Skr. m ó h a nat be-

tooverend, ontzettend), xjlEiê im xnx.r n\\ naam van

een wapentuig {van xjle/timan* en x / n )

o

(Lild/n an anfj\\ KW. zva. uji r.i xj xn xnqs (Lix/n\\ KW. een zeeroover. G. {vrg. cnxlt;rn/j). (L.1 xi afn \\ kn. 1. zva. xu li ^kki/js heel knap, bedreven, geoefend. 2. (L.ixi x/n n gt; an^\\ slempea , brassen.

o

(Eix^tvn 11 nKW. zva. (inxnw (f.

l^ x/n nx \\ zie bij x^ ur ixw

(L.x Y) x/n n ? n eign. van de vrouw van Bism\'akd.

ti.) x/n x x x.j \\ KW. zva. »1 isi^ x xvj xn i onjj s ( Vrdkrél m a -hdrdni, Skr. mahdrddnji, de Koningin, pk.). (L 71 n xn /•77 n K w . zva. XjI otjit isn \\ (Skr. m aha r d d i k a,

rj v

een vermogend man; een met buitengewone talenten begaafd man J\'K.). Zoo x\') l ix ti xn t,n w {vrg. / n

vi xn nn \\).

(Lixxn r-/\\ KW. zva. xntin) ts// xi^ m gt; \\ {Skr. ma harsig

een groot-; Rësi, van f ii n en tvixls).

ili fiï.r.nys Jr. l ^ ^ marhrib, zonsondergang, het westen; de landen westelijk van Arabic, Africa, Mauritanië, Barbarije; kn. het gebed bij zonsondergang. — lt;£/} % XXI xx .1777 \\ Ar. JjSisc \' m ar h rib i gt; Mauritanisch. tö)i?n:nx:n tx^x n nx.ns hetdeugd-zame Mauritanisch ijzer, 11.

(ex x/rj in r/ \\ zie bij x/r^ in ixw

(EX vn xi xn xn \\ een naam van Bat ara Goeroe {Skr. Ma hddew a gt; een naam. van Sjiwa ; van f 11 n en

7jxnxj)\\).

(Exx/nxjxn ini\\ een naam van Doergd, de gemalin van

Siwa of Bat dra Goeroe {Skr. Mahadewi).

(Ex xtï asnji en x/i li x n ^ an/j\\ zie bij a.i ixithn/js

i

tLji )j xxi2 iLgt;n/j\\ Ar. 1 1. ^. m a ut, de dood {vrg. xji

a .

iigt;n n ).

ttj if/i 1 xJn xsn \\ Kw. zva. x.^ x-1 gt; \\ {Skr. mohita , verward, verlegen). — nn ^ Dixjh xsn an ^ zva. ini.Kj (K) { x/n (ht/I \\

O . \'^ /• Mf

(Et x/n xsv xu \\ k w. zva. /. /^ (h / \\ zte oji itui xu \\ {AI a-

tali, de wagenmenner van Indra).

tLtx/n lt;Lgt;n xu\\ of tEi xrj x/n ihii n i\\ kw. zva. ti^tEis {Skr.

ma hit al a t de aardbodem {vrg. iinirus).

(EA x/n nw \\ zie bij x/n x^n w

iEXlt;i/niMjj\\Ky/. zva. xl^kxcli^ en nnj^ xn w vrg. (uix/nx. 1 j


-ocr page 988-

/F1 XJTl 7 1 \'11 \\ co

904

7.i gt;1

m a/n n/n w/jw

i ij ,i n i (tJiJi n k., zie bij 7 / /. /; / \\ / ; r»\\ en f.i ik nn

o . ) • / ••

— n rjanit rt^ns en i i tjuu?u i . t i,h }lt;izie bij

05)1 }lt;nji en hij i i irJm/j onder t/ri irlt; irn/j\\

; i in /1 \\ K\\v. uiit» ojinaw ma hi si. dc

O

voornaamste gemalin van een vorst).

! i ij i ii i i sK., zie igt; ii ijvn 2 w — / /ƒ iv i i i.i -j zie b-i

voi rj nri) 2 \\ en hij w ij i n ir* ilt;i/f\\

; i loj 11 i.i\\ voortreffelijk goncetmiddel GG. (S/r. mali au sail a).

it I)) i n.i.i -1 t n naam van een stad (Mah ism all).

n n n

;f l i n i :i n K W. zva. n j i ; j : i y i i )\\\\

a I tun ii I,j Jr. eeu geselireven talisman. G. {Jr. ma 11

inclinatie).

v

•ij ! i?i it ii Iijs zie ijiLti i,n n i/js a

i 11 ii ii r K\\v. zva. firj ij i gt;\\ en vr^\'i jw

i I IjHlll ILi ilfl\\ m Ij ILI? IIUIHIS Ii. T. I)j. »

lil gt; III I\'ll j \\ zie 1 I KHJIN nuyifici^ of mi tiun jui,p zie \'f^ix^tojfs (tIu I)ij Jr. , o\'l^-,, moeallif, componist, zamensteller van een boek. kn. bedreven in het verhalen, GR.

iMui/j\\ kw. zva. fj ij mw ; i(i/nn ij i i k\\v. zva. (UiiSi ir (S/cr. m ahapoeroe-

5«, een groot soort; van u i n en »-|i^7~?\\). lijn Jr. la.^ogt; mahphoedl, bewaard, in

het geheugen bewaard. G.

/ ; i n i j \'iij \\ Of m : 11 n i j tij ^ en verb, r11\'j iij \\ een naam van Daniswara, Vorst van Mendang-kamolan. s i ij i n itlt; in/j of ij r i i s on j \\ oo/r roei 11 ifi/n i.iihi,] of /yj naj)rinjis kn. benaming van twee paaltjes van hout, of van steen op een steenen gr af te eken, aan het hoofd- en voeteneinde van een graU^y- \' quot; hij nn i%quot;\\).

ii.i iiy)j i(j(iciji\\ zie bij i^ irjnxifj\\

JAtiAjjj hii in/jx zie bij iVtajgjjw iFjTun iijjj kw. zva. f i i i(L/ij.\\ {zie bij (uiuijs).

(fA (tnjjjWLW.3 zie bij lajjjw

o ~ o o o

if ihjii tuj kw. zva. (Uilt;rrn dm 111 i:j i i s\\\\ m nj f.im

o r . o\'* . o

ffq hj \\ oj i n :f gt; i n ({i lij \\ een naam van n i n ijj ui

\'tj cmiyi.\\ het hoogste Wezen van alle wezens {Skr.

mahamo eni i een naam van Boedu; van un

en ^g^)-

if 11 ii lEJi ij Hji on/)\\ k w. zva. nJjjj ny gt; i n (van f 11 n en

ifi vn f ins of fitun inluis zie bij m f.i uw ro J co

.fiiri\\KW. zva. otUi j \\ (vrg. *11/11 \\).

if.i 1 ?? n 1. n., in de spreektaal zva. rilt;1 1^ \\\\ —2. kw.

naar iets zien, aanstaren. G.(Fr^. uii v bij 11 i\'iw). iijun kw. zva. 1 nilt;ii 1. ifj en ij gt;11(ki\\\\ G.

fj oAj \\ 1. poöt. en kn. zva. f\'j^ \\ n 11 fj of ui ai maar met meer nadruk. — 2. zie bij 1 j nAjw

O O

f i Ki/jy kw. zva. nj 1) f \\ f.n 11 j ni { 111 fui/js kn verl\'. van 11 if i iti js vooral als Vocatief, fioyfp zva. zan

Cy quot;/ u \'-i\'iy-p

f-.i in yn k n. verkorting in de spreektaal van dtn f ion j als nit drukking van verwondering over een hoog en graad van hoedanigheid of hoeveelheid gt; bv. if i n (ijj ? iti ori/j\\ wat is liet moeijelijk ! — ij mm/u hj ifhn\\ zva. mi ifji(uj f iojj ij un \\ zijn groote, ernstige belangstelling toonen; met alle ernstige belangstelling.

fjiHiy kw. zva. ii?iii,j en in uw volgens G. verdwij

nen, vergaan {vrq. (nj ui/j).

ij i i ui/j verk. van (in ij m (ui/j zie hij ij f i rj oy w ij if i 1 on^ k w. zva. oi\'i oy re on/j .ea ihj ui\\ vrg. rui dnjj \\ u ui n 1. n., verk. van \'i. 1 ui on \\ als uitroep bij een Jussief om iets wenschelijks uit te drukken, bv. 1 n i n 1 n .■ 1 on\\ hij moest maar eens vallen ! (die jonge

die daar zoo aan het klauteren is), vj umtj in ?

00c). i

1,ij ij i ui y tun iji 11 on —O(un 1.11 tui\'Uj ui 11 on un \\ met

mijn dobbelen moest ik nu toch cans winnen, hè! R. eig. tot versterking van den vooraf gaanden Jussief ; vrg. het spraakgebruik van tf uizijiiji en rrif

, Q« O ) ) Q„

un i ij uj 1 bv. rj 1, n 1 :i 1 1 1 j tui un (bn on/j vj nn 1.1 \\ nu, k u n nen, ja het kan.

11. kw. zva. (Enojj^s tuii on \\ tui on a j un \\ kn. iemands eigen verkiezing, wrat iemand zelf wil [1SU. m an as 0 ek a), ij 1. n i tui tui tuiajj un \\ vrijwillig geplante koflle, R. u) lUiimn^uiiijdQs al wat hijzelf verkiest, naar zijn eigen verkiezing, KT. iln 111 in on tnojj oni hefz. xjv^ ui an zie boven.

O O O

fi on kw. zva. (lh un \\ ,ui \'ti 1 mi run ^

a. 1 ifj ? \\ en v 1 ir^ ? t/n rjiun . zie bij tui isj ^ w

ifui ocj 1 n\' gt; 1 zva. itiij /y 1 om ni w en vrg. tui tu^d/n ti nn

O i / c /

foitujy 1. kw. zva. ij tun ij mi\'Hji/j en uj ui un \\ {o/r.

manly m an i h, edelgesteente, juweel, perel; vrg.

o o C) \\ 1 a in

tuio^j un/j en t*i uj un tinjj). ui tui dij kn. carolijn,

carolijnen koralen, R. zie ijiun ij (ibn\\ —2. Jr. ^jXo

vi a n é\', kn. zva. iq lii j? .;\\\\ • — 3. kn., zie bij ui iÏj w


-ocr page 989-

ïj 11 ^ (Ki ^ a.11 \\

905

\'quot;I\'S

nj ij zie bij imi\'hjw

•]i.j 1. KW. zva. fonswitf \'■ imw - 2. kvv. visch,

o o s n O

jpa. f II I I Uli Hj mil I I ij Of .1 gt;1 ( I hll ion

11\\ (.V/r. viina). — Ji. kn. oveitollig, overcom-plect. i n f in iiiij\\ overtollig goed, dat niet tje-hrmkl wordt, ij i u ;1 i.j overtollige persoon, li. kw zva. irm\'yrn ufgezoiulcrrl, op zich zelf va7i personen, vrij. (viaijw — /ao fl i.j \\ het sterre-beeld der visschon (Skr mind).

? ƒ /.y \\ 1 zie hij i ƒ hj w — 2 irj of gt;f ; irijKW. zva. {van ;ifi^i,j\\). \'ƒ ij\' j wijze en toon

Vftii spreken. -- iM\'Uj ki.i.ii\\ zie hen.

fj ifj\\ 1. n., zie hij ij hj w — 2. kw. zva. iiini uiw a\'s Tj. shigk. zeven {Sïcr. m o e n i, een asceet, heilige wijze; oo/c voor zeven), n : j i.j zie hoven. iFjl ujCm\\ en •\' j iJJ rrn^ zie heneden. 3. zva. t m

} I ^IIHIJS

tj r n)Hj^ n. in de spreektaal zva. .■ un gt;ji.j ^ ook verk. van i Irj i tj en van »/(,/ » 7 ^ \\ 1)0k in de het. van geef (het) hier! {vrij. ij 11? i/ i.jt ). — ij un?v.l in ni gt; ij f i ij ijj \\ tot zoo laat. ^ • \' V \'.\'j \'\'\'v

(3 . o

zva. ij :yi ijjuaiw unrj iejitj uj\\ en verk. ui ij rj tu mjj \\ laat het dus zijn; laat het (hij, zij, ik, of laten wij) mnarl hei {hi] of zij) moet maar! hv. »f) y tui rj tuy ri \'/ vh 1 laat het maar digt! ook ongeveer zva, aji a ii\\ hv. ./cv rn\'ffy) \'4quot;^r/ ? wy gt;/f geef je paard gehakt gras en kaf

met wa\'er te eten, opdat het vet worde, vrg.nog Adji S ak a 245.

tjiudijs zie / ƒ v.y \\ 2.

ij i-ii ij2 \\ n. in de spreektaal zva. iu ij i.n ^ ij ui ?\\\\

ook verk. van / ;rj ifjit y uj? (vrg. tj n ij ijj\\) —ifl

O o

ij m ij \\ en mi ij f u (inij^ oj. zva. ki ij u ijiHj.\\ en

itO Ij lt;,6? CHIJj •

•Eiiujss 1. n., zie hij ojiijjïw — 2. k., zie hij nu

«s»\\ !.,lt;?» hij njtini\' {vrg. immi II.). —

o ....

nnis en tt.i i.j q un ij un\\ n., zie hij (Liwj gt; w — aji\'t-i

1. ny zie hij ii.nn sw 2. k., zie hij out i^nw

— \'Q foiiiaqtun (hnjj \\ k., i/iiiun\\

\'Lirj:Hjf\\ en /ynn., iriifi^*.; nog, nogmaals, nog

verder, verder, verdere; weer; nog wat, nog meer.

nrl \'JJ1 \'f lrj quot;quot;g «l weer, altijd weer. lt;1/111 . 0

nooit; nimmer weer! niminer, nooit meer! i -v / /

7^^ \'k nog te meer, ik vooral, kixji f iijiq gt; ?)

o o

wwnn iK.unrj mmf i)i\\ wie anders zou het kunnen dan gij? i/»*/.*/7/.y ; \\ zva 1 n .11 ij i.iij iij\\ en bovendien. //111/1 igt;j7 .r.i\\ en verder, n 7 tjj % \\ lt;?ƒ fiin;\\ met een volgende zinsneê in den Jussief en veelal met het voegwoord ij iiiafi/i\\ te vertalen

door laat staan, dat.. . zelfs . nPiyjim nïim ■ ifi

) quot;» ) quot;gt; ) C\',

Ij I j Vj 1 11 1(1 \' 7 \' quot; x (KI \'l-l III f I \'-n KI gt; I I-II/j

laat staan, dat {of: het zij verre, dat) hij vatbaar zou zijn voor waarschuwing; als men hem wil tegenhouden zelfs, stormt hij door. Ook wordt inj ij ijs of f 1 rj in een zinsnee gebruikt, die aanvangt met (\\niz\\ in den zin van laat staan! 10 ilt;(ijoj urn 7 /1 ! ipj\\ Laat staan jij; zelfs, enz., en hv li. Fir. j). 33 5: un 1 * in rn -y 1 i rri i itjiin^ ij 111 1.1 ^ n m i 11 Laat staan dal er in liet rijk van M ësir een wezen zon! .T / 7 lt;.y s of 1 11 ui,/1 tj i.j gt; w wel zeker; natuurlijk. Zoo in antwoord op een vraag als deze: 7 1,112 ij 111 n 11 11^ 11 1 i.j un ij * 12 tj i\'it 1 n nip Ben je nog een bloedverwant van dien man ? Antwoord: hv. fi: n .11 n 7 /.y ^ \\ / id^ n [ i-ij1\'! \' is wel zeker ben ik een bloedverwant! hij is mijn oudere broeder, tin 71.17 li tj(U2^ wat kan men er verder aan doen (laat ons er maar in berusten); wat wil je meer, (het is nu eens zoo), enz.

ij li ij ui f/iil\\ en ij t i ij uj gt; .1 n ij 1. n \\ zie hij 7 vi

TS^

it/irj ujii\\ n 11 \\ kn. welluidend, aangenaam van het gehoor, streelend, van iemands stem; innemend, aangenaam in den omgaiig, Rh {Skr. manohara* aangenaam, bevallig, aanminnig. Vrg. 11 i^lt;L/iini\\); ook eign. van éèn van de vrouwen van Ardjoena.

(tut(in un ru/j \\ naam van den 2\\sfen zóón van Watoe-g O en 0 eng en van de Wamp;ste woe koe.

(Li ij lij 2 nnjj n k w ; zie hij 7 un 2 ui/j \\

O . y .. O *

(EJI(Tj lUj (UJ,\\ zie bij lt;01 ,UJ\\\\

rj i.j(iii\\ of t ji ijuj(iip\\ kw. zva. djurnuLii rn ij icis {Skr. mo enindr a, een uitstekend asceet of wijze: van mo e n i, en indr a , in zamenstelling uitstekend. frg. t j J.y \\).

o ) • )

iamp;ji uj in iinjj ki)., zie iliuj uiw

nyy v gt;■

11 uj \\ zie bij iim njw

it.i uj\\ kn. lijn gebroken 0/gestooten korrel c»/*korrels of\' boonen, van rijst, dj ago eng, koffie, enz,; geiv. van lijn gestampte rijstkorrels, (tipji^crns aan kleine stukjes gestooten maïs. iKiin^yuj^ groente,


-ocr page 990-

900 (Eiih[j.rr)\\

qew. kélor- of hajhnbladen, met jouge djagoeng of t) /y / x »y gekookt, (t ) 11 {ij \\ (idi griezeltje (heel klein weiuigje). — : huy rt aan of bij gebroken ot\' gestooten korreltjes; naam van een lekkernij , een soorl van lt;u u j. ij van gesloot en rijsl-korrels en kokosmelk; ook naam van een kruid dat tot medicijn gebruikt wordt, zoo genoemd om de menigte kleine korreltjes, die onder Ixngs de takjes zitten.

o .

■ n., een voornaamtv. van de eerste persoon in

ojficiélen slijt, van een ambtenaar tot zijn ondergeschikte {vrg. ili haliij •gt;»\\ e?i \\).

kn. een toren, bv. van een kerk; of zooals een vuurtoren, een baak of baken {Ar. m d ndr a h.t een luchter, een lichtbaak 0/vuurtoren, een toren van een moskee, minaret).

zie bij \'i gt;i fjj i\' njj\\

1. kw. en kn. zva. 1. -2. kn.,

inij\\ en gt; t \\ k 1., het zwarte nüddelpnnt inden oogappel, pupil; volg. Kh. ook de adamsappel. 11 i.jhi)iLi\\ eign. van de twee eerste door ih tAjjj vj) \'I iyi geschapene wezens {namelijk Batara Goeroe en nJj/j (of aznupni) Li .uw en naam van een • dichtwerk, dat de Javaansche cosmogonie en theogonie behelst, n^t^yynv^ benaming vaneen Vorstelijke pandüpa. 0^1^ mihj 1,11/j en tiHj i.n ~ n

ii\'i/m 11 gt; zie bij n.n h*\\\\

OJ CJ CsJ

f 1 rjdn igt; n^i of tf in im/j\\K., in de spreektaal, 1 n n ] ;\\

k., in de spreek- en schrijftaal, zva. of

po 1

if 1 hj ri\\ en ij n u m i j \\

P • n

\'amp;ll IJ ^/j zie 1.7^ (Kj n )i fj w

\'I •\' 1IQ K^1S eign. van een held, Armir Ambyah, wiens geschiedenis bezongen wordt in hel boek \'f f-tifj hn/j {Ar. min ha, coll. mv. ^\\a^, mi

ll ah, geschenk; een woord daar veel titels van boeken mee beginnen), n 1 i vrif 11 injihn ij ns benaming van het eerste deel van het boek Ménak, dat de geschiedenis van Ménak als kind behelst.

Qv

tf WHjtni ni\\ etgn. van een Vorst van Blam-bangdn.

lt; \'\'/ \' J quot;gt; zie bij gt;i ui 1,11 \\\\

) O O . , .

/ /ij ini\\ zva. ij iji.ii\' zie onder \'ini\\ I.

7 nna i nn eign. van een Widadari {Skr. Ménaka, een hemelbewoonster, de vrouw van llirnataja). 7 t i ijj im ut iüjii \\ eign. van een dochter van Ardjocnd.

.U Ij KJ .HU ^\'11 7 Kil \\

... O

,• I ij uj i, 11 7 1.11 \\ zie bij * 1 i j i\\

gt;• 1 ij nu n\\ eign. van een Bagawan , die zijn verblijf

in de zesde verdieping van de aarde heeft (ó\'/r.

m a n i k ara, een juwelier, werker in juwelen: van

i i Kj i.nji en 1,11 n\\j.

ij .u KjKiitj iiii\\ zie onder rj 111 ij i.n/js n

tl KjKII l}.l\\ kw. zva. iVt^H l\\\\

1 ij 1.11 ; i j kw. zva ij hiz tj 1.11iisyji \\ Tamil m dn ik-

k a m; {Skr. m dn i kj a, m dn i kj a ng, robijn). _ :) ,) .... ^ Ci

l cl l fgt;l \'l} ^ \' quot; c)aai 1N

i ihj hij \\ zie bij tin i-ijw

0 /

I ijzcj i.ir n K\\\\. zva. i n rnrr^ajis {vanw.ujs).

.\'7 kj .Lujj\\ kn. schikkelijk; wat iemand schikt te geven of te doen {Ar. , m innat, gratificatie, onverdiende weldaad, gunst), kii ki \'^J^J zooveel mij schikken zal (bij te dragen). 7^ //» niet

schikkelijk, bv. vaneen al te hoogen prijs, 1?.

, ) . )

j nj t ip zie iUiKj^ijw

1 !j\'gt;\'P KN- zoet, gew. alleen fig. voor Wvi, lieflijk, vriendelijk, bevallig {vrg. ^7 ri%\\ en ivj.crri\\). in nj li itjii/j l\'*cf of mooi gezet van diamanten, Hs.

II ij Kt o iKi j\\ kaneel {vrg. ufn iÏj in gt;). kn .£ 1 kj i ij kaneelboom. zoete woorden.

n 1 mi ij\'Ki/j\\ een lief gelaat, wriiSlEiwjwp de ringvinger (vrg. bij i.\'lt; ifn i.ii/j). ayn ij h ujiki^ ook ^(iji nihj i.ip zwart (donkerbruin), maar toch lief van gezigt. ^ im ^ in^ rr) li kj iJijj \\ benaming van een vrouwelijke beambte in de kraton. —it in.i ij :i^jln met zoete woorden zoeken in te nemen , vriendelijk zijn om een doel te bereiken; liefkozing met zoete, vleijende woorden ; ook wat strekt tot versiering of opsiering, Kh.; de bekoring, het bekorende, bv. a rr 1 lij.Ki3iij. vn \\ het zoet (het bekorende) van geschenken tot omkooping.

s Kt I ij KjSfi.uti ij utt. de geschenken tot omkooping en de zoete woorden der menschen, WW. — iakj h i J* • en gew. 11 iti kj hj) J* \\ iemand met zoete en vrindelijke woorden zoeken over te halen o/tewin-nen; iemand liefkozen. Kn /ejhljhji^a.iKi/j\\ pass. U. — f ipjo^i ^i anjjs confituren.

i rij.Ki/js kn.; f 1 ij K)hj ki,^ mooi en enen rond, en meer of min zacht, zooals de ranti-vrucht, van kleine voorwerpen en lichaamsdeelen, zooals de borsten van een jong meisje.

f i kik) unnkn. iemand letten, storen , hinderen , letsel


-ocr page 991-

O ( -■) Cï / \\

ci

ü()7

aandoen, kwellen, Kh. in f j hits pass. —• aji 11 hj iki /. n \\ subst. den.; m h i gt;0 stovend gedrag, voly. H. baldadigheid.

* ^ of \'f lnj risii., ;hhjui\\ of K., /)

/ (fn kd. , welligt, misschien, mogelijk; het is

O -1

mogelijk; ingeval, indien; of, of misschien, ol\' welligt; het kan wel eens zfjn, wie weet hetPöO^, wen als \'ij(iu (\\aj( \\ dat, {vry. ook i/y \'i 1 i.jiriJiiijri gt; ligt mogelijk op de een of andere wijze; hoe ligt zou het kunnen wezen! in geval

op de een\' of andere wijze luw? inj ui \\ of ij

O o . /.. O i \\ o/y m tf inijj\\

0 quot; .

,/ / /.j UI \\ K. , ^«6\' .Lï O w

I hïfj \'U \\ of tamp;\'l rj Hj 2 .D) \\ KN. en van de vrucht daarvan {Mal. boewah n o n n a), Anona reticulata, ^ niw WW. y/y. ionj^u ww BV.).

) ) o .

II hj ri \\ quot; 1J) zie f \' NN

if Ii)ij 11}ni \\ KW. zva. tLKif}) ihn ■■ (beter zva. (ijlam in

ha ^ (a) cj

i\'i i i^njt f \\ van hj\\ 2., en m nis 2 ; {S\'/rr. m o e-uiwara, uitstekend asceet o/ wijze. pk. fry. f/j^J (w\\ en lt;f)(uïi iüiiKj\\).

inujnn KN. zva. !hihi\\ satiier. [S/cr. mahanila.

saffier, pk.) G. tu i n m z0 zie y o i \\\\

niil(vi k., zie onder tn uw

if.j uj djt n en f ^ (Uj hi hu ~ n i. n iin pK.y zie bij i n 11 w f j hj ijaji Hii!1! Ar. • kn. hypocriet, huichelach

tig, huichelaar in het geloof, iemand die voorgeeft te gelooven, maar iu zijn hart niet gelooft, een heimelijk ongeloovige.

ifj itsixsn/j\\ Ar, kn. ; ^ r./ m ^ dj ujns; asnjj\\ de wetenschap om iets te ontdekken, dat verborgen is, of dat in de toekomst gebeuren zal. ?^(is7)^n

iemand die met die wetenschap begaafd is, zooals iemand die een tweede gezigt heeft, ah?/ n een gebed waarbij men met de Godheid als liet ware in het geheim spreekt, (y/r. mo en ad jat liet spreken met iemand in het geheim, geheime verstandhouding hebben; ook gebed, als een stil gesprek met de godheid) R.

\' \' \' f \' \'lilN ~ie J (un ifniunji\\

.... ^ )

1 zie bij a n Hj vrn/j \\

f iiujs zie f irj Hjjw

\\ ttrrij unj hus en .• ut mi/j \\ zie bij

bi rij w 2.

nco . ... co

(fiijs zie bij anw

6-) • / •• CO

f ) ? lij \\ KW., zie bij If ii n gt; /.j w

,{irfitoz^i \'injj^ kn. tj(dti0 iemand, die geen vaste

woonplaats heeft, een landlooper, WW.

: quot;) Q. O o. O o. ,

.■iijiihn/j • u hj i nj i\'j\\ f, hj i i uj ii{i/j\\ verfc. n

ij hj of jnihjwjs uitroep van meewarïyheid of

medelijden: ach ! ach! Uh.

(.) iY gt; a \' i ■ CO O

{ ithj hn\\ en 11 ij i.n n\\ zie bij d ihniis\\

(O . ) . j.

f i hjiia^s zva. i i hj hij\\ bij i,n hy w

/ hjiui j v zie l ij f j d j \' w

Pihj sj innKN. dom, onuoozcl.

O O . . .. ) .

.i I hj I :l \\ Zie bij I 7 hjW

O -7.. quot;gt; \'gt;•/.•• 0

finii\\ zie bil iJiiinw — f.iri i iiihi\\ zie bti\'Vi irm\\ Ol J Cl 1 Oh O Ol

en bij lurinw ij f ivj i ini\\ kn. naam van een vogel, Gracula religi-osa, een soort van ekster, die praten leeren kan {yry. ij r.n ij uil gt;).

n 12 rm\\ 1. kw., zie bij iitunrmw — 2. kn. ver-\'

\' 6è J \' Ol-

schillend; een ander, vreemd, van een gebied, land

„ , /quot; s n

of dorp. tj.{.ii i^ni 11crui\\ N., ij i n irjii rinm \\ verschillend van kleuren ; {Ml. p a ntja w a r n a). ij i/lt;hji rin narns veelkleurig gemaakt (waaruit, vergeleken met hef Mal,, opgemaakt mag worden,

dat dit ii.\'ui nis met de bet eekenis van verschil-\' Ol

lend, ook van if ii i ivn \\ is afgeleid), ijiiz iini^i

rn\\ kw. veelstemmig, veel stemmen door elkander

{zva. cnyEin^\\). ihn hj {ij m rins kn. een vreemd,

een ander, gewest, ij ó)2 if {.12 rin \\ ihn 111 rj fiiun \\

iemand van een andere plaats of ander gewest,

een vreemdeling, tun utit} ,f 121.711 \\ ergens in den \' 01

vreemde, n ili2.rrwd/iïii~i n li ?un \\ het een of ander

( Ol J 01

vreemd land. ^ imnri in m m\\ {of (mnm\'ris) de van de hoofdplaats afgelegene distrikten, de provinciën; bepaaldelijk de oostelijke en westelijke yrensdistrikten van de vorstendommen tioerakarta en Djokjokarta, die thans na den oorloy met Di-panagara onder het onmiddellijk bestuur van het Nederlandsch gouvernement staan. 0gt;cn n iui nsn thn/j heet en de oostelijke, 2,?^ \\ de weste

lijke van deze grensdistrikten {Madioen, Kediri en Pranaraga ten oosten, Bagelhi, Banjoe-mas en Kadoe ten westen. Gewoonlijk verstaat men echter onder de rj f u rni (hnarnn alleen de oostelijke yrensdistrikten. ij 112 nn ui (üiyj\\ verk. iuaji (li hn/j (matjapat), en tf.idjiiunsn/j {■matj\'êpat) kn.,


-ocr page 992-

: )

if i ij in i tj n i

i)()S

doch ook wel ij .\'if I in t iisn i\'iii:i.}\\ k. , tie vior \' (I 1

oost, west, zuid en noord hel muist bij ecu dorp gelogeue dorjx\'ii, de uubuurdorpcu. y 1? i m in .lt; u «le vier daarop volgende, ij m nii ihin i p liet weer ;

daaropvolgende, lt;ti fmm n i it nj\\ liet vierde, en \'

) (\'1 quot;

il ; urm ïrihet vijfde, telkens volgende vier

. , ^ V

lal. i n !,) {oj i i i n) f.) / .\') .l i \'hu/] gt; zw hn i ii i\\gt;

f O — • (o 1

11 in ; \\ zie bij i •; mi; \\ t\'u hij i 11 m gt; w ( l ^ J ik\' J ( t ^

7 \'\' g \\\'{\'\'\' ^ 1 \'N zi# bij ij l i? i in 1.1 w

i* ; j in .in \\ k w. , zvo. .iitif ii:inifi\\\\ ii\'iimitis zie ( * CO ( h i !

boven.

if 11 in zie bij .i\'ii I in w

hi J t a

7 quot;1 ? 7\'I\'N ^7\'\' fquot;\'J 7\' quot; ^\'/\' \'ƒ\'NN

rirnims kn. zieh van ecti gezelschap of verkeer afzondereu lt;;ƒ ttt\'schciden.

KN* — *\'(i iii rnft 11(1111 cLii/js bij beetjes uitspuiten, uitfpatteu , van vocht, zie 11(1111 .j np (vnn een (jrondto. ^^ owjev, —•\' \' yi ii/js). fl lt; I- (~^6\' 1 1^(1 in ui/j ) z

waar in (jróoter hoeveelheid) Rli.

\'V \'\' V^VS7 ^ V \'3 \' quot; /N

7 \' \'/(\'■\'l\'2 Mjjjs zie bij ij 1 y n^y 7 \'V/\' ^ quot; Kw- weeneu. G. (^ry. m / / « /lt;/ƒ

1; 17* 171?? ifj /.).

\' (h^

O * r K gt; • • . .

lUIIHI.IS 0 f I t 111 iL/ \\ ^6\' / KLIW

s \' r. è ^ s

7 )ƒ r //j zie bij if ui ? ij n ? n\\

ww\' van 7\' \'■quot;// wy» 1 111 in 1.11 p

7 \'\' 7 71^7/ uiig uii^

V *11/ yifia: 1\'Jll *1^ yrit i^/j^ zie bij ijuii 7 i jiiiiji/j\\ hj 11112 7 /iV kn. eeu verkeerde weg opgaan, tv/w iemands gedrag , JR. i iri/nnt-ij ii\'i\\\\

\'l(l ill •tlLJs ( 11 ^

(Hi inn,] of 1111111:11 p zie n/ii i!)n.i:ii/j\\ B\\. zva.

;) . .. .)

iVriiriiiiiiirijp 0// i.11 rnii.np

! •) \' . . )

7 .• /»i ij * ne 7 » // /;//»

gt; ~) c) „ ) ) M o ... . ,

iiiniiiif,. kn.: ,/ Ii in riiiritiii:ii.}\\ tot den rand

ri ei Cv^yïgt; ^

tot overloopous toe gevuld; boordevol.

ti.iihi\\ kn. liet meteen punt uitloopcude of knop-aehtige bekleedsel waarmee dekokosblocscm (/701?) omhuld is eu waarvan men oepH maakt.

ij 1 ij rii 1 v zie 7 1 n 7 i:gt;n w 7 ,ti 7 ririz v A// 71 /»/ƒ r/n w {i ij 1:111 ij 11 kn. buiten de rijen vooraan komen, vrijpostig vooraan komen; op een plaats boven zijn rang of stand zitten.

i i vm 11 ? of f ipji 1 * zva. u j^ Rh.

1 rm 1.^ nij zie bij njj \' j n i/p f 7 7 i in? 7 » 7? /lt; bij iflt;iJii 7 1 is 11 iq.

f i /n n kn. tv/w groot soort van mëlati bloem;

knop of bal boven op iets, 6gt;/7 den nek van een huis of de spits van een toren, 0/; de hoeken van een ledikant, enz., volg. Rh. tw/r de knopvormigc tand tusseben de snijtanden van een rhinoceros; hel afwrijfsel in water opgelost, dient als tegengif; wegens den vorm ook wiuftfi genoemd. 11

s . • , ) O O / Q- / ..

ilt;l 1 rjtamp;i ^ i\\ zie iu iuu.iw iti i^rn n\'i n rosctten

op de hoeken van eeu dampar. 7,7.7 u i ki iq naam

van een soort van lijne witte steen. tKniiuniihp

fijn, gelouterd, zilver.


.//rwm^sKN. snaaksch, van iemand, die met losse 1

snakerijen zich ten koste van een ander vermaakt |

(vrg. inajj^iui]); volg. Rh. eeu grappemaker. i

f h / m 1 li/j \\ zie i/ij 1111 ni/i\\ BV.

/; rm nr. zie bij ui mw (l- ^

) O If 11 III III

(A ) C )

po .

inr.innis Kli.

) O • x.. O

if 7rm 7 11.*iwq\\ zie bij nji ij n i rii/js

\'f n/ rm? ij u n i 11 * of / 7 7 1:111 nj n n rnp zie bij 7

IjfUlt Ij iTLI i 7 \'M\\

.f 7 ?}» / ? ao/j ij 17 \\ (volg. Rh. lt;7^r. y 7 7 7ji ;

ij fian/i kn. zich zelf niet gelijk blijven in i

het spreken, gedurig anders zeggen, als een weêr- j hnan draaljen , niet te veitrouwen in zijn woorden, ! kurig, luimig, wispelturig.

7 quot; 1 tn.jjjitj \'Fjjihri/j ij 11.» eva. ■gt;!) Jy\\ \'J(i Mmq ij iot w if 1 iry zie hij r i \\\\

ifi i.n/j 1. kw. geest. G.

2. n.,

(i-i(hu k.,

vogel. if i nr^ mi -11 \\ Xji k 11 txi \'n \\ eeu d ui f. — 11 7^ in] \\ of i 1 f i ifjj im \\ als een vogel beloeren , iets op een afstand gadeslaan, (bep. iem. om hem te beschermen, Rh.); op iets of iemand toezien.

0/ . . oS

: ^ 77 n zie •Ti u 11 w

f 1 mv kw. , zie ij iamp;ii nn vv

f 1 iin n N., ei ij an 2 z.ip k. , krachtig van werking,

geneesmiddel, vergift, toovermiddel, vervloeking , tww woorden of wenschen van een door .mui met geestelijke wogt begaafde, ook van iemands woorden tot overreding; verder giftig , vergiftig, venijnig (vrg. xm fi-^gt; ); ook {volg. Kli. TP.) gelijken, nagenoeg gelijk zijn, zva. 7 ili fi n (vrg. ijnifuis). a rj tn un ~fii 7 101 \\ amp; 1 ij imt


-ocr page 993-

lijl (Hls

iets krachtiger van werking maken. gt;I w 7 JP n 11 7 \'•quot;N , zooals zijn beschuldigingen tegen iemand, nl vinniger en vinniger ma-l^en. — fin (f.\'ivjap im/i^ (tlt;n ni tj (tp 2 u \'h)jj giftig-lieid, venijnigheid, ookzva. \\ n ,u van een venijnige uitwerking Men itn rt ij (tij (injjs Kiï. bena

ming van sommige gevaarlijke zie kien , zooals ontsteking in borst ol\' bnik, en de krnamvronwe-koorts.

niHi\\ in de spreektaal zva. lUti tns A.

rn?!^ kn. I. zie diaow — 3. naam van een wilden. r\' . \'

boom {een Meliacea), waarvan het witte hout lot j meubelhout gebruiit wordt t ook wel in plaats van

i.iaj) tuij bij de kofjljplanlaadjes.

n . o tb) HO N Zie LI (lil w

(a C\'i\'n / I

rj if i m \\ k van \' (Skr. méndh a, ram. pk.). !

tj ui éhi\\ of (fji (Hi \\ (w and a). \\. KW.zva. i/rni iliz nn/js .lu ^if* {en (unaüia^js G.). — 2. KN. 7 f UiK)\\ of 7 u 2 (ui 7 ifi ? (H) n zva: \'tl mi \\ {Skr. man da, langzaam, traag; krank; ongelukkig; gering, weinig; zacht, zwak of laag van toon). 7 TjI 1 ihrnj n2tn\\ ook er iets van weg hebben, niet meer regt zuiver zijn, van vleesch; niet regt bij zijn zinnen. WW. 7 \'ei2w.\'Kj m x benaming van ^ scmivocalen // en ui\\ mil :i:ri ij ini 2 (ki ij in ? un ^ zach\'c adspiratie^ van de uitspraak van de n.v\\ zooals in M.?p K . volg. ilh. eenigzins.

■ti (ui j \\ en 11 lui {(un 77^ \\ zie bij 1 n ui gt; w o

111 in?\\ zva. 11 rhuis\\\\

\' /C-

ijiE/i(Ui j \\ en 7 n u) -gt; i n 7 zie bij i/ii an j w (?»(jr»\\KW. zva. !lv i?! ij(fli(iJjM/j\\ {Skr. ma ?idra, een laag, dot\' geluid, zooals het gerommel van wolken).

volg. Rh. 311 o a?) w

r n ^

\'tfCpu kw. zva. (uti dj) »1 iui j w

Ki., zie mniEAMHps fig. van vrouwenborsten,

de tepels, Pj.

ij mi ((hi \\ en 7 .\'1(10 ii^ \\ Kw., zie bij tj xjd (h» n tl.

\'V,f\' i ((jp n zie bij tj am 2 ((in w

H(ui\\ kn. zva. if-i iu q .. Alen zegt ook fci m % va ;ui \\

bovendien ook, zelfs ook.

aS s 1/\'

\'\' \'kj \\ kn.; li t l2 m (eh an \\ zva. 11 f i 2111 it i mw ^ \' C- K- 1

\'irv en *ie hió \'IM*

11 (ui t}\\ kw. zva. (vi 7uilijjjiN ij 111 trjnen ui

(ih n i w r

\'U(urTi\\ iuiiantis en tJian zva. un 1 if 1 n rt

C~ * /C. [j (j

ih (ui \'n \\ 909

(\'i

an^s {Skr. b\'a n (Jt ird).

* 1 an rt\\ zva. a 1 urnw

(ij ll

o

111 (in\'ti zie rf.i an ■ n \\\\

\'quot;o.

r^in ns kw. zva. i.n isr^ irm \\ (Skr. p0 en da r i k a waterlelie, pk.; moe dg ara, een soort vai bloem* een soort van jasmijn , naar men zegt).

. i(uiuii\\ of ij 1 u uvn ini\\ 1, 71 aam van het rijk en den rijks-del van Vorst Sal/a, volgens de \'Javanen de vroegere naam van het tegenwoordige Soe-mënap (Skr. M a dr a ka en Ma d r a k a, naam van

een. land aan den Boven-Indus). \'Z. kn. .scherprog-rt

ter , zva. (iji r:i da an - n w

/00-, / 0quot;) o / 1 rt

.■ i[ui 1,11 uj\\ oj ij f nipiHii uj\\ n^djiij .hug^an 1,11 i,j

O • 0 /00 .

en inijui2u^iiijYy\\iUii,uigt;j\\ w\\\\. zva. li ij m gt;

uj(ijyj f 1 :ri^n\\ naam van de plaats in de Pr a-

ba-jdsa , waar de slaapvertrekken zijn. (Vrg. 7 .• 1/

o o .

in iHiiiiiis).

C- (TT \'

ij irj (in i i/j\\ zie ij 11 ij u i,j \\

lt;f 1 (10 (Dl kw. zva. umf axt 2; 111 an/j \\

;an n\\ Kn. een pijnlijk gevoel door gevatte koA in den nek of in den schouder, GR. of an ri \\ zie

O O*

ui (Hm •«

n.112(^1 \\ of ij 112 n(in 1. kw. zva. bi iu im\\\\ (r. 1 1 * S- rgt;

— 2. kn. een zangeres, die zittende zingt bij de muziek van de gain61 an en daarbij met de armen gesticuleert, WW. volg. Rh. een vrouwelijke bediende van de tweede rang aan het hof; vrg. uj o

tri hu ;j x

o 00 1 o , .

if 1 an 1,11 \\ kw. zva. i klci j en liunnqw volgens ir. misleiding , bedrog ;\'liegen, lengen. — an 1,11 i j \\ iemand misleiden, beliegen, bedriegen. G.

Mj on }, 11 ~. ii it 11 anjj\\ K., zie bij 1 ƒ ij en bij m in w

o rt . ,

tj ut an hu(h^\\ KW. zva 1 11 ij iu 1.11 . 1 w 1.11 ; 1 . j ij ; 1 s an ani uj \\ kn. benaming van zeker fatsoen van gebouw {vrg. ij iEji 2 (at.i at n ujx 1

O

1 hi hu m \\ kw. zva. au ai n i uu *1 \\\\

\' ro

(1 „ O • :quot;)

1 an asujj en 11 hi lt;1^11 ij igt;n\\ zie bij 1 11 ui n.n/j\\

jjan mi/1 * new. 11 in (Lu hi uiia kn. in- en nitbnijjen;

Cl, J K- Ud Jl quot;

volg. Rh. zacht veerkrachtig; vrg. .\'l ui Lii/j rt

mi(Hiton/is k.. zie iLianw \'CxJ ^ (-

ij! 1 tjana i j kn. wnlpsch? zva. ij imj i.m gt;\\ Tj.

quot;gt; O • i o )

li h i luji \\ zie bij (lh m vii js

quot;) O . o quot;)

ij l i (hi lujjsnw zva. ij am hi we am an at.ijjw

Lipia^ LijjsKS. een groote böroek zonder steel, tot

bewaring van water; enz. Rh.


-ocr page 994-

910

) O o

lii) hi ij}p uij\\ kN. in gedurige vrees verkeeren van iets te zullen verliezen, dat inn. lief is, hv.eeneenige bediende, een eeniy paard, uitgeleend goed, enz. ii ikw. zva. iy/ï.ig^\\ nitstükeml,^^. * t uijj\'tiiii ihi rf ) i}{j ujji\\ kw. zva. (}^ ujji \\ en dit zva. 7.^ ^\\ van

in an (F hj en in on h i \\ zie onder

h (/10 f - \'

o c) o o • 7 •• v gt;

iM(ipiM/j\\ en .1) mi fj(injj\\ zie bij anurfi/js

n o CO quot; o CO • / •• 0 • gt;

n /E? (ui 1 :i rj i.ii\\ en 11 an rn zie bij xm in \\\\

O o ) • /

\' U?iN 111 1 2 \'y 6\'w \' \'\' \'/ \'y/N 6//

iFi(H^asnj^\\ zie onder ,isiifj\\

■11 no(isii/js Holl. m i nuu t, tijd.

kn. rauw, onrijp, ongaar, 6v. van rijst; ongekookt , bv. van water; ow^vWuGki, bo. van katoen; in een onbewerkten of onbereiden staat. (jmgt;/ «v .• / lp;, garen, dat nog ongekluwd is, WW. Rli. ongetwijnd garen);or, volkomen, onvoldoende, niet geheel overgebragt bv. van. een boodschap, niet behoorlijk verrigt van een werkzaamheid\\ nog niet rijp , om een besluit te nemen, van een beraadslaging (liet tegenovergestelde van f 11$\\). — ,1$? 1/11 \\ of u\' ? /1 fin; 1/7 \\ een beraadslaging, die rijp scheen om tot een besluit te komen, weer onklaar maken, door met nog iets tussohenbeiden te komen. —

mifts rauw, in een rauwen toestand,/yy. rauw gegeten worden; nog niet behoorlijk geprepareerd; ook, volgens G., alles, niets uitgezonderd, (rijp en groen).

.lifwijl\' zie onder

fi iindjii hi \\ kw. zva. i insn im in\\ zie bij fi/nns?i\\ ii.

ibl^ hl 45} J

•• imrjvnt i,i,^ kn. naam van een boom , waar van het hout 0. a. tot hei maken van wajangpoppen gebruikt wordt, ZG. (Tj.).

O i • ) o 0

ii 1 J • zie 11 quot;• T,gt;- ::va- 1,1 quot; \' \' ^\\

gewezen, ontslagen, llh.

-» ) .0

gt;\' i^a^JJ\\ N c\'n •\' \' Uiy. j i\'H\'i(i/*\\K., zie 11 ■ nw

quot; Z^e r-1 *1

v\'fjl2iQyyi\' md\' zva\' K,)*

Cl

van 00 (Ei 2 \'Ti s\\

f / lij\\k\\v. zva. 701V/ x {Skr. mith 0 ena, een koppel, paar, mannetje en wijfje); volgens sommigen het wijfje {volg. Rh. het mannetje) van de ini n\\

en vandaar het spreekw. 111 .■! m ui in igt;i in

\' O *77 . . a/ amp; ci o plaats van ru n 1.1 t i ifa i/j *

Kw* ~va- 7 f ,2\\^3ï vn ,an^\\ en iïiiqj)

(UI/is

.ri,^\\KW. minister en raadsman van een Vorst (ó/i-r. mantri); kn. ambtenaar van een Wédamp;nH, met den rang van (Ui onder een ri^yu ij i.j

.i.n\\ die gew. enkel u ij i.jtiy genoemd wordt en die weer staat onder een iu ij (ui? an/],

gew. enkel 1,11 iu rj nji t .ni/j genoemd. In de gouvernementsla nden is de .• een ambtenaar volgende op den 10 cd ana of ass ist ent - wedanli. ri^Mnjii 1/ lyt (fytj/\\ benaming van beambten in de Kraton die als ganders dienst doen j ook van mantri s van den Rijksbestierder, die voor het goede onderhoud van

de groote wegen moeien zorgen, en die onder een

o o . ci O

7.»/ / 7gt; (in^1 \'L7i rj uj f ; i.j staan. : 1 gt;1 i n \'quot; \'•\' j

en (f i^rmi n i^asm (in/i\\ benamingen van andere beambten in de Kraton. / (ia iiji ij ihii nnjj gt; be

ambten van den Kroonprins, a i^ijüij m {of dn p \\ ) of lt;\' \'(JfêjjH11 (i:i {of flt;n ri(h/} .i^ ^\\) eerste mantri, die de eerste is onder de overige mantr \'is van gelijken rang, en die de bevelen ontvangt om die aan de anderen mee te deelen. \'quot;(£^7 ?7^ mj? (of 11 mi()n\\) officieren van justitie, vroeger 10, thans 15, dienstdoende bij de Balé-mangoe, die de» regtszaken van de onder het gebied van hun Wadana behoorende personen moeten behandelen en bij deze r eg tb ank, of, indien het een aanklagt tegen een onmiddellijk onderdaan van het Ned. Oouvernement is, bij den lit side nt, moeten indienen, en verschillende commissies betrekkelijk deze regtszaken moeten uitvoeren. Zij worden gekozen uit de panèwoequot;s van hun Wadana. De instructies voor deze officieren van justitie zijn vervat in de Angg\'êr-sepoeloeh {of sëdasa) : 1 ijnit {of gt; j

1.7/ \'jjyy) en 1 i.mjukim {of ik ui ^) zie bij its ^N 3 )

en bij 1^1:11 \\ k*1 f 1 ^/f ^ mantriesehap, de betrekking van mantri; en woning van een mantri.

\'7 \'\'? littv KN. 1. 1^/1121111 ti uer niet naar lijken, er niets van hebben; en zie bij rj(un?— 2. tooverforniulier, toovergebed , zooals die gepreveld worden over medicijnen, ziekten en kwalen, amuletten , enz. {Skr. mantra; vrg. ik an en t/ii ik •gt;). ik ui ij .• r^jns toovergeneesmiddel, dat met een toovergebed of formulier gegeven wordt. —


-ocr page 995-

iy\\ over iet.s een toovergebed uitspreken of prevelen, — iin ni tj zie benflden. \'1 KN* ^^oem van komkommera ; en naam van een melodie op de gamelan, WW J.

zien , van een vrouw

die boos is. G.).

n on \\ zie hij tj mi ww o.v . ... o as

gt; i \'ilt;i n h) lu11

Cl/

ÜL.

O/

\'W *** bii

ij f i\'jfi zie bij rftmflnw iiit.i tjn^i\\ zva. f)ftpw G. KN. bloedrood, vuurrood van kleur; met een blozende, frissehe roode kleur; levendig, helder braudeu van vuur of licht, Tj. opgeruimd v. h. haii * Tj.

rj: ii ij mi ? n kn. yew. tj f ityjifij ij 1.12 ij ^i 2 \\ vlammend van brandend vuur; fig. inwendig vergramd , blijkbaar uit een gloeijeud rood gelaat, Rb.

i 7 \' 7 ^ 7\' ?N 0 f 1 1 7 ^NN zie bij in

o

nstiiij w

KNquot; ^alt;\' ron(^ en vcövkraehtig door volsappigheid of gevuldheid van binnen, bv. van gevulde. borsten van een vrouw.

n / j . O

ili i(inion\\ bijnaam van Ar dj oen a als ,1.111.1 of asceet op den berg Énd ra-lila, en naam van een gedicht waarin dat verblijf van Ardjoena op dien berg bezongen wordt {Sir. w it ar ay a, bevrijd van zinnelijke passies , boven zinnelijke neiging verheven door ascese. Men vindt ook tj} ^1 nims als

Kawi verklaard door li 1 1 m 1 1 m \\ en ik ik wji im quot;1 r\' l (l

T/quot;^NKWquot; zva\' V ia een blauwverwer.

11 fójN K •» zie bij Am 1 u % w

V\'rjt ftfi1 a^s Maleisch zva. n \'ifói oj /l qri \\ van

quot;V u\'

0 . . r»

1 i\'/fto?n y \'• n \\ zie bij .li ij ftp 2 \\n

l nl , zie ij i\'i2 li Til.

O quot; . )

\' quot;iil \'1\'] Zl(\' bij ti n jn 11 yw

KN\' goed gevuld, van peulen en maisaren,

ook van iemands wangen.

P . . \' Zle b\'j

*ie .unm tujts

1 IMgt;,KW- ongenaakbaar, onkwetsbaar, onoverwin-baar. G. {zeker hetzelfde als jj)rm iLi\\y ij(lv2 n iiftfLuis volg. Rh. zva ija/n2 n rj hu? iLj of rj lvz n lui cn w f ffjQ lu n ki \\ eign. van een zoon, den opvolger, van Vorst Arja-bangah.

o . . ......

1\' föi lN fin (1 ii\' nji 7 \'■quot;x c/\'gt; J 1quot; nlNN

c \' • / C\')

1 yi (uiji\\ zie bij 11.11 ilt;i 11,

hy *Amw

.\'^^i.lu\\ kw. zva. 1 .n(ifjji^ULgt;iiji\\

O o . • 7.. o »

i^qojvi^ zie fj/j (lunnjjw

/1 7 /f/i au \\ \' 7 fci rni\\ en gew. / ij lu rn \\ kn. boter

(Port, m a n t e i g d).

h\'j

t en ij f L2 frh 11 ij{j\\ zie bij 1 :i jn w

7rf t* 7 w2s ~\'i(\' 71quot;?;{//\'1

f 1 (Hl(ui\\ gew. lt;■ 1 ly 1 is kn. ; •\' 1 Kijj . ; 1 ki \\ en ji K^is KW. menseh, als soort van wezen \\ liet meuschdom (lt;S\'/r. manoe sa en man0 esy a Vrg. dKnli\\ en tj vu*). — k» ?ih^ mmi/j enz. inenschheid menschelijke natuur; de mcnschenwereld; ook zva. rj hu2 dj 11 nn tj li2\\ ontdekt, zigtbaar voor het menschelijk oog, van iets dat onzigtbaar was, ooi-

van een geheim.

^ O n

f 1 iHiM i,h\\ KW. zva. t n an anx u.

! I (KI LJ) \\ zie f. I (HJ L1W

n n .) 00

\' \' 7l]j nj!JI^ KN•\' ? \'\'Ij ([\' \'7; /U\'/N ZV ,,ni}fpjj \'U l]jj n ,/lS

1 Hl (171 (ÜHJj\\ tïj^ Hl J/ ii:i (Ltt/j of LI LI gt;htl/j v KN. Ullt,

nuttigheid, heilzame strekking, vrucht, voordeel (Ar. XstAX^c • m a nl) h a a 0- — •\'\'^ \' \' \'yjN Pnz., nutten, dienstig, heilzaam zijn; strekzanm, voedzaam, van een kost.

nmli v kn. , zie .i himw — 2. kw. verheugd maken, Cxi Ci\'

tot vreugde stemmen, verblyden. G.

irj(rrn2\\ kn. de opene handen nevens elkaar ophouden , bv. om te bedelen.

O gt;

; iiin\\ en v inn na \\ zie bu iniinw

Ci\' (.x) O J \'.,1

f 1 ij am \\ kn. rust, verpoozing van werk; li. volg. o.

kw. staken, uitstellen.

/Itjiyii2\\ zva. nu ijnin 2 \\ Rh. mislukken iy.

Javaansche suiker.

(Tfir kn. naam van een groot en boom en van de vruchten daarvan gt; zuurachtig zoete, met een gele schil, iw /«Vtf ongelijk aan onze afpelen,

Stalagmites dnlcis Cumb., Nat. fain, der Clu-siaeeae.

! 1 yn j \\ kn. marehereu , bij étappen marcheren van

militairen. ,niyti{(Lman/js étappe, Rh.

ij f 12 ai n in ij zie ij run 2 nrn m fj

CO

Li inline zie un iinw

Cxi a


-ocr page 996-

912

O -

ih\'zr

(f i »mgt;?\\kn. opziener, o^zigter , mcesterku\'ocht {Port.

m a u dad o r).

n a ) ■) rT) / o

a inrn m\\ k\\v. zva. i ria m f en {van (ht

a i \\

ni\\ j,).

(amp;irf(rfn?rnii/f\\ zie onder rj n gt;

(ï.n crm Mn/j zie bij i n rni nn/j en hij irnnhn/j\' —

c3) o ^ \' (\'

1iifii tihx zie hli ;l i (in11, iiti\\

Ci) J Cx)

o o • ,

d itmiuwjl en * imiiuii nn^K., zie bij i ^ \' quot;

ir^rni un/js zie bij ay^irit iw/j en bij ini i, njj —

nrni ini anj zie bij i/tj 11n ;.»,y \\

o

ij uninuu j./ï \\ kn. naam van een plant met yroote witte bloemen, Tabcrnaomoutana Coronaria, 1?. Br.

a o o o • 7 .. o rgt;

ncini nii irn hii/j\\ zie bi) nunn uiins CxJ O Cxgt; -J\' J (x) \'f

\'/ c\'V c\'K\'7 \'^\\ ZL(\' ^ \'quot;V

quot;) o

nN ^

ifu rin fi3 ii.u \\ naam van den twaalf den zoon van

IVatoe-goenoeny. en van de veertiende woe koe. , ) o 0 1 , 1 T O

ii inrrn iuji kn. hin n \\ keutels, zie ij^im wi^ .ï i yn id \\ kw. zva. am i \'u \\ i.t m nsii/]\\ 14 ij ru2\\ n

,0______ n

anys ijj ij njtis y ^ \\ ï iiij nrt 2 anjj\\ t i ijj nni 1. njj en /. riy r.n s\\ (Skr.

mandalay omtrek, cirkel, enz.), nain nicm n

.... ) CJ zie bij 1/11 /j» iisii fj \\

o \'

ij .• i2iriii 11.1 mi \\ kn. naam van een waterplant en hare witte geurige bloempjes, VJ W., naam van een boom met roodachtig hout, en aangenaam smakende zuurachtig zoete vrachten, Artocaqma rigi-da, BI. (Fil.)? volg. Rh. de naam. van langwerpige vruchten, die geconfijt worden, welllgt van de \\ ij rin mi ?. Hsihuii .u mi ij !; ?m 11 n i i, ii\\ kw. naam van een groot soort van slangen (afgeleide vorm van het Skr. man da 11, in een cirkel gevormd of gekronkeld; en een groot soort van slang. Vrg. t rnn 111 ), li.

OO . O ~) . . O )

fi\'irniini?\\ v. uhiiiniiiit\\ zie i.n iin 11 njiw Cx) \' ^ CxJ \' CxJ \'

gt; ryn ijijl en 11 i i rin u/j k. een beleefd woord voor

rn \\ (van irnyn iJifj).

r 1 mi ui . 1 fin/] of f 1 errn il/i itmi zva. 11 1111 u inli\\

cxj (xi cj ~j\' ;

zie bij M\'ijn .1.1 w

J CxJ hiin (rn/j\\ zie bij n 11 mi

(fj)(rrnnn\\ kw. zva vijjni.i/j en hjii k^w volgens G.

de welvaart van een Innd.

m \' \'Vquot; 11 ^ ^ ? ,n y\'lN (-n btj u ikw 1

iflnns kn. heel fijn stofje of stofdeeltje, herfstdraden, naam van verschillende plaatsen. gt; i n\'n mi ij !

t) \'1 \' \'/ f 1 ? ru tinjj (of 1,11 lt;Fjj 1L190jf), naam van een plaats

in Grab o (jan , waar men meent, dat de rijkszetel

geweest zou zijn van een oud rijk Méndang-kamn-

lan, ook .rn\'iiu n ij ki -^ionjj genoemd. Ook zou

er later nog een ander rijk van denzelfden naam

bestaan hebben, tirini/ii »/p /\'* \'

ini dm /1 ï mm 1111 (1/12 \\ en 11 ni\'rirj 777? iifijie\\ na-(xJ quot;7 Cx) W- CxJ 1 \'

men van andere oude rijken op Java wj/\'/mkn. regenwolk, regenwolken; met regenwolken betrokken, van de lucht. .• M/y y r. tun pi iu/j^ «le

(xA

lucht is zwaar betrokken.

regenwolk gelijken (zie ook bij ifiilt;rrngt;).

(aJI

o.. (■ , O

rt nu K\\v. en od. zva. i,iigt;ii n?\'\\

[(a) 1

ij 11 ij nii? ^ kn. naam van een soort van lang en sterk gras, waarvan een soort van matten en zakken gevlochten V) or den, Fimbristylis efoliata , Stend. (FJi ij izrn^ — mi m rj r? rj v.rrt \\ zie bij un ni\\ lil.

/ / in ik \\ zie bij inilt;\\

) o .0 CY n

.\' rinii (un nsiiji Ml. muujen; 1 y uu \\ zrr nn iKW

s .

!liin\\ Zie IL7I1:111\\\\

Cïs

^ r;/» mi/j\\ 1. zie (urj nt\\unjj 2. ki., zie bij iitii^\\\\ .{ unn (uii/js zie bij nmxnuisnjj^

O ^ r O O

iamp;i rpi 1,1^ , oj 1 ij ) ngt; i rj dbii 2 n zie hji vr^ \\\\

(f rij irnnj nsn \\ zie u ij i^ti rj iisn \\ BV.

tiriiiii-i (of inruiiru Rh.) kn. afgezonderd, het

een van Jut ander, niet bij elkander op dezelfde

plaats; zich afzonderen, door naar een andere

plaats te gaan j een zonderling zijn; vrg. 11 i:m gt;i\\

fquot;) O

rj f 1 i .m ui /J ^ ZV\'J. gt;1 1 rin iiji^

\'VéJl

f nyij^ naar een

kw. zva. f 1 uji i j w

(Fj^ irjii \\ zie bij i/ij tin \\ vrg. rin \\ bij r^ nnw rj .• irj rJ)i\\KN. wellustig, ontuchtig, v. e. vrouw, H. i 1 rrri 1 :i jn pin., ri 1 1 /k. , (groot) hert, hertebeest, het edelhert (vr^. uiymis en rniih ) 0 »Vrn ^ een mannelijk hert, )ui ij (ia 2 (in^/j hinde.

\' I quot;IJlS Tll m ^ K vvquot;\' Z^(J ^ iytJi p)s ^\'

riinqinj kw. zva. nji r.i injj kn. \'t is ligt mogelijk,

Rh. kn. alspreken, beloven; afgesproken, beloofd;

. o zva. i.Kit^w

ï 1 in f injj kn., ook wel rjunu \\ k. , benzoin , storax, een zeker hars of gom , daar wierook van gemaakt wordt (Skr. sj ail a.: vrg. inajis en rij m/j). fit\'j/jin -jingt;\\ benzoin, tot onderschei\' ding van ; ri.i j n ^n rïi * bruine mênjan , drake-bloed.


-ocr page 997-

•quot;hi\'3\'^

913

quot;iicJT en KN\' 0n^csc^0^\' ^ice^ oiinequot;

mauierd zijn {vrg. akn (igj^ irjj^ rrnjf). — w Mj jagjj iii iinjj\\ met onbeschofte en slechte manieren be-hebd.

n

\'! I Ij UJJj2 IJ ^2 \\

zwetsen.

athji KN. naam van een bruingraauwen vogel; het

mannetje heeft een gele vlek op den kop; volg.

Rh. gelijkende op onze leeuwrik.

O . ... Cr

*111 zie lJ iyïi quot;/ P

(f.iM jnis ook i£ioAf^ m\\ KW. zva. iei i^ni inyj (Skr. m ajoèrd); kn. (Eian^ Tw benaming van een (ui fytnsnji en v. e. inatn w (tv iij /binrj£ ri\\ met een mooi gebogen strot v. e. paard. 1 ij:i[jjj2\\zva. ii0!(iiiBi(ijvjj\\ zie bij iliojv^w

ij n2 iKjjj f i an j\\ zva. ij gt;. n 2 im Sjjj \\ volg. JII. kn. niet te vertrouwen , van onsterk geweven of gevlochten goed, fig. van iemands woorden, beloften, enz.; zie echter bij Sn a

^ y Cl

luigjju.n/l oj mi^kw. eva. \'Jii\\ en nnitsf

\'uyjj inijisKx. — (Li lijj utj i(i)ji\' volg. WW. mr

Cl O O O O \'1 ___ 00 nn 11 Ky/j u itH/j van 1 1 niiV^ - 1 1 ii^\\ volg.

Uh. nagenoeg op de teen en , zachtjes loopen , vrg. (1? r:m ilii/js).

f l quot;/ \'li algemeen e naam van het apengeslacht,

«iajgt;. (Vrg. nu tj ip 1, uy cn ni j \\). — ffj irj ^ ini^ \'\'W.\'/N KN- U1^ eigen beweging, ongcilOOdigd of zonder aangezocht te zijn, ergens komen, hetzij hij toeval of met eenig doel; volgens G. gebukt, krom gaan, volg. Rh. klanknab. gebukt en strompelend voortgaan v. ouden, (Men.).

ij thi injj }i rtjj \\ zie £i anji nn/]\\

n n .0 o zie

\'uttnnimjis zie bij 001 m/j \\

O. ) . 0 lt;!

\'hi m\'^l\\ Zie xmty un/js

kn. opslurpen, inslurpen. G. (yrg.ti*» w j

i^i).

V ir urJ i\'J/j biijs Sd. Ml. aap (vrg. h n ij ip ». n/j). ij rm 2 (?) J rj u 2 rj ijj i hiyi \\ schilderhuisje, iix w ij mrj (inj (uu/j zie ik— ij i v 2 1.1 % ij (Bi2 \'rj tin j (iftijinjj\\ een paviljoen voor apen of andere dieren , ook volière

lyt™/! KW. zva. ij r.nnjimw G.

O

(Q ij in/j? ij of iË/) ij (Kjjj2tj(yg^fj2\\ KN. met een buil opgeloopen zijn, een buil hebban o/\'krijgen, aan het hoofd, bv. door een val {vrg. \'Qqj)2rj

fu ij ui i y z^e by v rm v }sfj^ ?xN

k j ij agjj 2 ij hj/j 2\\ ook bl uITen,

voor vogels. SI).

O . O o ,

ibi n i.n j\\ of \'} 1 kn. een leguoanj mz

O

n.)m t)\\ vrg. un w ofjji ïUjj\\ kn. vooruitstekend, zooals van eenvrou-wenhorst 9 enz.

c) • n

quot;7 //\'\'\'nl(S Zllt;i ^1 lt;tJgt; N

ui kn. naam van een zecvisch, eenig zins getij-kende op 111

in aljjjs in de spreektaal veelal 1:111 \\ in deftige taal ten • gt;1 {volg. Rh. (EjI\'yi alleen als voorzetsel: tot, aan, jegens), N., ajiihïts en deftig (Ui fiiiS\\k., Md. gaan naar, ergens naar toe gaan; naar, tot, aan; jegens; voorzetsel voor een complement van voorwerp {zie de gr a mm.); achter een iqpord, dat geen beweging naar een plaats beteekent, zva. ow^gaan voor een verbum, bv. (isv^ Liiujjjui 1.1 \\ op de markt gaan koopen. {of ow) Siu)\\ waarheen?

waar naar toe?

O 0 • t .. n

y i u\'^ fifj en a 1 zie bij IjII ri/js

fl\'iin\\ kn. het jong van een 11 nm 11 lt;rni2min\\ WW. (sJ 4 \' 1 (d

O o 0000

zie a i n\\ — (iKiin 1 inn \\ zva. 1111 nmn ? ii li ii (d (d \' \'01*\' \' ij ynr maar van kleiner buik of krop.

•m of\'w \'iv

ij (T.12 11 n s \\ zie bij ij n 21;\\ ? w

n it nciiii gt;11 u 110111 ?\\ kn. terdecg gevuld me\' eten, \' \' (O \' \' (C

van da buik van een mensch, of de knp van een vor/el.

cgt; . ,cy

.• 1 mi zio bi) 111 tinw

CsJ J Cd

tf.imi \\ zie bij ki a iuji J \'ii

\'i.imil \\ kn. mooi wit of blank, van ongekookte rijst, WW. meel, lijnwaad, iemands aangezigf,

enz. eni 11 i\'i ïJlt;ini\\ bloem van meel, JR. zie

C7 I) u t

£1

11C1111101/)\\ zie bij hjdemi h 11 ,i\\

wl - \' J u l \'

n ) ( ■) o o ■) ,.

} Kim kii/j\\ KN. r 1 yn inj yn urtj\\ poezelig, mollig.

kleiner dan ij 112 ij(iin2 ini j\\

i id^rjmi/j en (ii yji i^ii (in/j^ kn. 1. padi die rijp is voordat de algemeene padioogst begint, {eig. div] ini/j (Liipim.injis u ipinijj\\ plukken, oogsten van padi, Rh.). Men pleegt ze, nadat ze gesneden is, niet naar huis ie brengen, maar dadelijk op de plaats te ver koop en tot verrekening bij de al-

58


-ocr page 998-

014

Q n c)

i£7 yn vi

tdfl

Vbl0\\ een hnyii iu\\ naar dat model vervaar-

O

(Ut \\ tut r

(IJI2\\\\

TJ (Ut IJ

O

iQrjcrfniuriji of (un bi /kinycyrjtrmjj\\ kn. een ziekte van het rijstgewas, door het bijgeloof voorgesteld als veroorzaakt door een boozen geest in de gedaante van een klein kind.

(Ejlt;rrr^tmyj\\ zie hij (ui^iijhii/j en hij i ƒ yi) im/j^

ij (Ui ij (yn i hiiji zie ij tuil ij cy n z .1, iijj \\

nj Lu rjiyij i.iw/j\\ kn. dik en gevuld van vrouwenborsten. (t.i 1 uij inj i ^ (yn 2 liiijj\\ volg. Rh. hol en bol, spr. van het omgekeerde doen, qf het tegenovergestelde doen, van hetgeen men gezegd had; hv. iem. tegenwerken in plaats van mee te •werken.

o o o o . 7 .. o

(Liiin midiii nni/j en uinniini.iin ii ii/i\\ zie bij (unani (xJ CJ (ci ^ U/l O Ui

(Kiyjs

ij (Ui ij cyrj ij ifw kn. bezwaarlijk en waggelend

goan, door dikte en zwaarte van hel lichaam, hv. van een zwangere vrouw.

(Licrpj iu/j kn, met ontbloot bovenlijf.

^ \' )

r/n (lt;J

Kh. zva. bij

(Sirtjn ihi/i en (uinniiruiiunuin^ \\W. ontbloot, naakt en

LoJt CJJ O (oJt ^

bloot, zoodat men alles van liet bloote lijf zien kan, van een vróuw.

rj(uirjcrmiivijj\\Kii. nuffig; en wulpseh, van een meisje-,

HZ. aj (Uinj r.hi \\n

O n s O C) o

(tjilt;yn n.i(i-i/j oj thirjcrrntrii:ijijj\\ zva. Mcyrjuui

a^/js

iuyijiiu\\ kn. ongeveer zva. (Q ijipij (Kiruj\\ hij ij

ij if irjn./! iuijj\\ kort en dik en stevig gebouwd. ij utrj yni ernjj\\ zie lt;ijn/ii ijojn 2 criyj ^

luinjiii \\ kn. — (\'t-i(yo \\ vol en rond, goed gevuld, bv. een goed gevulde blaas y ook ongev. zva. iLiap (y*js fiö\' sterk gespannen, ingespannen, v. d. geest.

iun^ij\\ KN. gebruikelijker oj huzenjj\\ zie (hiiarfrjw ui cyrj ruil crjin \\ Tj. lees: an n^n 1 \'ii lt; nn \\ aanhoudend uitgestrekt, hv. van de armen; ook reikhalzend op iets waehten, Kh,

gemecne padioogst. tui iti cyn !Knjj\\ een soott van (ui rfi if cm vw f\\\\ \\ iu ij ihj (i/jcyn awjj \\ de vdoroogst. (tb^on (iu binjn vvjj\\ naam van een veelpootig i/i-sect, dat zich hij aanraking tot een halletje in-éénrolt. 2. zie ook hij tuii(yrj v if i arij tiniji \\ zie onder mi cui cnyj \\

ifJajn in,i/i\\ KN. geld opsparen of opleggen , \\VU. voty.

/ i—f

im»(ui(tui/j\\ zie hij ofKcinujjs

LQ .... .1 sA .,„1 „

O

o no . ,.. ^

urnjn xmtujjs zie bij vKin ru^s drij npi lij (Cli Ju/j\\ zie bij ij uavj ui 11 ij^.j\\

(UiiKi\\ verb, van (Lionoyw (ui injj \\ zie bij (LI zie (El UI N\\

(ui ^d \'! ?N zie hij (Uj ojj, { w o^^\\KW., zie hij (Lidf^(uiwquot;

(Ui 1 » n en (ui ij» 1, ti ~jri ij uii\\ zie h ij ui iji \\\\

(Ui iji (injj\\ N., (iai (Li K., tijger. 0tj iui irj t\'ï 0/ rj 011 tj tj f\'n\\ koningstijger. 0ij ni i ij an i n de jaguar? een soort kleine tijger, Tj. (Lii^i a^i^xnonjj\\ zie cm aoi w (Q (Ui (iji aojj. kn, als een tijger, gelijk een tijger doen. in iiui ^i^tuuiajifejiu t\\ een gang ala die van een hongerigen tijger, een deftige gang met wijde stappen en de schouders beurtelings met eiken slap vooruit bewegende. — luinjiihjw/jwijn., iki iLiM/j of (ui (ui(in chijj \\ Ki)., de gedaante van eea tijger hebben; iemand die voor tijger speelt of ala een tijger vermomd is; tijgerachtig; naam vaneen klein soort van gespikkeld spinnetje met korte pootjes, {dat rondloopt en springende zijn prooi overvalt; JU.); ook naam van een soort van dam-spel. (Ui *0) yj (in ju hj ik \\ benaming van een corps pradjoerits in de Kraton.

(Li ui (üj, \\ zie bij (ui (ui \\\\

o c) 7 .. o O o O o

(ui iJi(^iarijj\\K., zie bij uuun^ci^njjs — (Ui ui ryi\\ en

o O C) • 7.. O

(uioji(mjj\\K., zie bij (UKivt^w

(uwjjjCrrrjiciijjs zie bij (tj^arrrjMHjjs

liiji (in n^j^ ben. van een bijzonder sterk werkende

paardenstang uit den ouden tijd; (ook spr.) (uy ij

m

digd.

0 n O o o . O o o

(L j ui :uiiru/j\\ zva. (Li iui (ut (ru/j\\ zie (ui ut iui iu/j\\

o .O (Ut(Uj.uiiri/t\\ zie (ui(ujiui(rutjj\\

(unuftis en (Ui (Ut rnjy\\ zie bij uttutniw

o . ... n

iti tJt nu -Jiirj (hit \\ zie bij lt;ugt;(ut n\\

O O O O l lgt; \\/

\\ (Ut utoih \\ zie ui(ui (Hiifj liV.

(UKtJt i j nv KW. zva. vj ut2 (uit(u^ ijijj\\

iS ut itLt j\\K., zie bij (TUInn \'€^!Ui (utjj zie (Ui^dji (utjjs li ui lur KW. zva. 1 ut tcu u» :ui anjj \\

LtitJt (ut (btijj of (fji fjt (ut ibttjjs zie hij vj 1 tt.utitw

(Ut UI (Kit j

C) o 7..

ut ui .1(11 \\ bij (Ut(Ut uujj\\

\'J (UI 2 ij

G.

(Ui djji TJjj \\ (Ut ij ui ij (Ut \\ (Ut rjajiirj ui ?\\ zie n Jt nj^ \\ m

-ocr page 999-

li: t OJ) (hl (Hl \\

015

lt;EI(W)lt;E1lt;K1NKW. zva. \\m w (ei cm w

ai» bij vrxüj!*

miuiiKj.rujl of iQ^^rUjjs zva. iGirmrij ru/j\\ zie hij

\'ww

q\\ 1. kw. zva. (ïjj.kt tuiu/js g. — 2. verk. van in

T) \\ in zam ens telling en: zie cut\'tis I.

,£i\\ verk. van wri in zamenstellingen; zie (uni\\ I.

n/

in\\ of (im (EjI \\ kn. 1. gevoel Van slapheid in de leden of een lidgt; van het lichaam. 2. gevoel van ongerustheid en van onzekerheid {vrg. (m\\). O.j geen gevoel he1 ben, geio. van lichaamsdeelen , hv. door verhleumdheid, Rh.

fiN 1. KW. zva. (i-mvsl(hiji\\ maar volgens g. zich heimelijk wegmaken, stilletjes heengaan. — 2. zva.

OCY . ,

il\\\\\\ — (uniEjis zie boven.

(V . O a/ X n a/\' ci/\'

iL i\\ of (un iE\'1 \\ RN. zva. (li\\ Z. (ci ili\\ zva. kj ■nih/iji of £! rC)L rüw een gevoel van ongerustheid en van onzekerheid, {vry. /i 2. van G.).

(fi\\ of (i/nvjs 1. kn. inyrrhe (Jr. mo err) 2. ^inkw.

o CY , S\\ o S . , a zva. (EDiini \\ {yrg. ). 101 iisii \\ zie oij ;./gt; (l,i asn

s ^

(hnjj\\ (ini(L\\nia^\\ kvv. zva. nnitun n.i cjan/js ó.

S S • o ^

i N lW ? quot; W NN

X „

rjMsKW., 2^ bij rjdj}\\\\ (wrjiamp;is (Eirj(h)\\ enz., zie

(U 7f (E l \\

^ r O s XO/OOX

rj .uis of (uti\'rjiEt9\\ en tun rjfo)i\\ rj (Li2 m\\ ccir^cEii

^ \' tquot; / n tj am \\ ij (ea zrj wis en (vtrj (amp;i ? n zie bij nn iv) z w

ratw zie hij fi/ï^m I., IV. en V.

o o » »

iwris Kw. (un iu\\ (uitins N., k., op

houden, uitscheiden; beteren, genezen, vatteen ziekte of kwaal. (Ei\'ri (Ei\'rit^ (tuihet houdt op, ja, met de dood! leven lang zoo

blijven-, {zie awrj iui tni/jq\\ hij ni iï). t in].u immer, mijn {of zijn) leven lang {eig. lut houdt op niet de dood). — (ri^ni uj\\ iFjI^ok^s met iets ophouden of uitscheiden, iets laten; zijn gebreken verbeteren; met iemand uitscheiden, hem zyn ont-

!»lag geven uit zijn dienst of betrekking, m 11 ri m a

n (hi) jj (hij\\ pass. — (li ij n mi ^/n rjhu \\ ïei tycf maken dat iets ophoudt, een ziekte

gonezen; maken dat men (zelf) geneest; met iets iemand genezen; iemand van iets genezen. — lt;£-1 V\'na^JI 0f ^irj-nthj cmjj en met iets

ophouden of uitscheiden, van velen, die iets te zamen doen; ook ligt genezend. 111 kn. mededingjjter, zoo noemen de vrouwen

van denzelfden man elkander\\ mededinger, hv. naar een en dezelfde betrekkingy concurrent, (u^ of (ihFinp van een vrouw een oti hebben. (U •r^\\ een vrouw tot maken, B. T. Dj. 2?.—

dïti (EiTjnit Mjjs ma roe schap, Rs.

s-tis kn. een jonge eend, het jong van ccj eend (rjunijnriHv/i). een sun^ri, die welde

godsdienstpligten waarneemt, maar zich niet onthoudt van verboden wercldsch genot, JR.

urjni of kn. krijsschen van ape??, Rh,

vrg. fi tj i^Hi^t {w

o . j .. a

iFji ni \\ zie bij f t w

iuij\'ri\\ kn. op zijde gaan, wijken o/ontwijken door op zyde te gaan {vrg. m(eïhii\\). — tj rrihii rj iw\\ cans.; van zaken, ter zijde stellen; volg. G. iemand- links laten liggen, onverschillig behandelen. As

(amp;y-n\\K\\v. zva. (ruj(ci\\ (int rtiw vrg. nnini\\\\

n O o7 .. o (fjyrt\\ en in*yn\\ zie bij (ijj^niw

(fyjjVjms kn. zie ayiyjiiw

tj (einskw. zva. rfi£ff(rri\\ G.

O O .... O O

rj(ei\\ en ijwrjmihj\\ zie bij lutruw

ij iei n \\ zva. (tj^ rj ei tjx (Skr. Méroet naam van een

heiligen berg, den zetel van Brahma).

rj(EjIt-rl\\ kn., *1 (Lii hltri/js kd. , Europeesch wit llju-waad. ijtEJizrf) iamp;ut {of (U\\) grot\' Javaausch op gelijke wijze in lange stukken geweven katoen. GR.

O O .... O

en (un \\ zie bij ajj \'n {\\\\

1. rn., zie bij (urnifs en bij (Utnifw — 2. kw. un(Lin\'izva. cunitrnn\\ \\(und)rn^drh\\ zva.

Ce^ — (El \'n j (un \\ zie bij cim^w

? «/•O H . rrJj^s J Ut1 11 \'f/?N

s 6 o

n o p

ii 1 fjfx/n\\ e?i ie 1 rit 1

1^1*1 kn. zva. dni,

iets gaarne willen weten of kennen. \\V. — kii)

of (Li£i r^\\ ongevraagd gebruik maken van i ee?i anders goed {vrg. njii cm eni (ei Ji \\). j \\

passief. kt.

l»J

\'U\'ri{\\ 1. kn. roh(jii (vrg. wngt;\\ 8.). — 3. k., zie -n fw — lief kozende benaming van

een vrouw door een man.

\'Tt, il-n?\\K,, overvloedigi veel en gemakke. lijk te bekomen; goedkoop; laag van prijs; een lage prija biedetf, ook mild, milddadig, goedertieren (pn/,

x O O 1

n/iidTti mul

frj,ix/u (Ei\\). — *j\'ti{(im\\ (Ei rii {uii \\ tem. tets goed* kooper geven ; mild zijn jegens. — lEj ti jd/n rj mi \\

p iniyii


58*

-ocr page 1000-

TV

/

910

(brnqiv iniHip de prijs van iets lager stellen; iels algemeen toeganklijk maken of stellen j van iets de vrflheid geven om er algemeen gebruik van te maken. — inn iamp;i tj ^ (tni w/j\\ KN.; (ini g. i ni q am aap kd., milddadigheid, goedertierenlieid. 6^1 Hii;!) Hji iflt ^gt;1 {iLTi Goeder-

tierene.

zie mj

djgew. tj li )j gt;i irj n )j rood van de lippen, zooals door sirihkaauwen gt; (AS.) llli. a:t) i}lt;i} ij tL)ni j vu £yF,p fig. uit dr. voor je znlt een wond krijgen in je zij.

cfj rjvnt \\ k , zie bij aj^taw

w t ) ^ »//? ? m(j\\ K, , zie iJ\'ri w w

o .... o

(ti ni ij vu 2 (iJiJi \\ K., zie bij oi m w w

/ a . 7.. /

(EJian- en (EjI nnjji\\ zie bij /uianw

CY O\' o X /quot;o

iliw\\ en ,Li.7n Hj\\ zva. ow\\ en if.icnihjw

oo \\ KN. van de beste soort, van best allooi.

(Li (u wji\\ KW. zva. (Liah w

*ie ryStg*

\'ril^(9 o/ (^g^NKN. zich iets of iemand of iemands zaak aantrekken; ook het grooter geluk van een ander zich aantrekken, ontevreden met zijn eigen lot dat van een ander benijden, ontevreden, misnoegd zijn over het leed, dat een ander wordt aangedaan. — amp;r)(3^ iemandgt;

hv. iemand die mishandeld wordt, zich aantrekken, zich ergeren over; ook iemand om zijn beter lot benijden; ook iets benijden, L. 380. {vrg. i^lrj

o o

y ii trj \\ en ij rj ij m .?y n ).

t . j.. : quot;) )

amp; j rj\'11 r*ifs xlc bij (Liii^ifi/js

o . ...

[(L^(in uj\\ zie bij [ii.ymw

S o S o . , /

(ia on uj \\ \'f ï »ƒ in hj \\ zie bij i ion w

o

tr.imiuj hjs zie u^rmnw

lei (Hi (Eiji \\ zie bij (Vi m T.

O O -7 ••

if 1.m im ,.7ihv on/jsK., zie bij ij iu\\\\

. O . , .. » )

(it^cniws zie bij [nj^ans en vrg. oj! n/imw zie bij

zie bij volgens G. ook een uit

slag op de huid.

74 \'-^/n 0f !J) \'7/ KN- verbasterd, ontaard, van zaden en dergelijke. JR., volg. Rh. ijl, niet sterk, ligt schenren van lijnwaad en derg.; ligt breekbaar van porcelein, glas, enz. vrg.

cy o - V\' o

Of (E 7 QJjj \\ K W. ZVa.HI

o^iüntnjl en oi\\

(l „u,

tara Goeroe, (e^jïhs iri\\ naam van een pijl van

o ^ CY

Ardjoenci. — (Eirja^ztinij\\ of ihrji^dinjj vuurwerk in het algemeen {vrg. ijOjIIiliiq\\ en ijiili?\\ 2.). if yijfKni cfrlin ni an/js kunstvuurwerk.

tli(ui\\ zie zie

\'tj}Ji vKW. zva. Eji ^\\ en inix^ajis als Tj. Süngk. nul

(Skr. mo ér tj h d, bezwijming, verlies van bewustzijn.

7/- Sn . o/z\'or) O

Vrg. iejJi ki 11,11 \\). (lh rn e^ ui h n ijj y w li ^ i n. u injj \\

B. T. Dj. 405. {of 0,k?ipjijui ui\\ ook wel 0(ilt;u i.j

7j(ij)(u/f of 0(ini uj ui (ujj\\ elders i. pl. v. (E^fKJi: Zi

iui\\ en dan ook to el voor aw in ^ fiJi mi ^.i ihii anjj t

iuiic^iL^ ) als men haar aanblikt, verdwijnt zij

als \'t ware (in de lucht) nl. zoo aetherisch

schoon van wezen is of was zij; ook zva,

quot;ér quot;vir

a^gt;11 Ji^ n., ieinn71 illiz(kjiji\\k., peper {Skr. maritja.

Vrg. flvi ij dm \\).

s CY •

n rj rij) 2 anji of // / ^ i i2 injj\\ zie bij a-^w

n (?gt; a *

11 i h n \\ KW. zva. nm n i ult; i, n w

r

/\' o

(el I Jl (Ü)ijj\\k\\y. zva. (BI 0511 w

/ O

To . / o

(e^ui (hii \\ KW. 1. zie cij^h-ji asii w — 2. zva. a^iji \\ (lt;S/r.

moert j hit a. bezwijmd, bewusteloos). — •*gt;. aardworm , regenworm; ook benaming van een soort van hagedissen. G.

li ui (ui (in ■ KW. en KN. de aarde, het verblijf der ster velingen {vafi het Skr. mart g a, sterveling, menseli; ook het verbiyr der stervelingen, do aarde, en (li aas).

lEj n;\\ ZZZ rillen, krimpen van vrees, Men.

o 3..

(Ej^tin y zva. (Ej^m nw

D

Lij u ii\\ zie (Em mi /j \\

o - O o ^ ^

[iyuiifj Of ei rmiiji KW., uil t y.iijj en (i^ e^i.ii/j^K*. zich verspreiden, op een afstand te ruiken zijn, iemand aanwaaijen, van een aangename geur; er-gens geurig of aangenaam rieken.

iei un \\ KN. onverzadelijk in zijn begeerte naar geld of grootheid, heerschappij of roem enz.; hebzuchtig, geldzuchtig, roemzuchtig, heerschzucMig; /y (M E^ mi\\ inhalig, hebzuchtig enz. van aard; inhaligheid, inhalige aard. (Skr. moerkha, dwans, dom. Vrg n^irifiqs).

o , ) q« n

ij \\ (Uïj^ (uajjji\\{i iij lurjni i^n i.n m / (unjj\\ nu m i. ti j\\

\\ G.) (Skr. m r e ty o e, üv dood).

uE^aj^in^rnis naam van den troonvanBa-


-ocr page 1001-

917

c ■gt;

n i, n/j

n * i \' 0

lt; / n i ujof^ n i\'H,} n kn. j . pauw. .^ï » ?. zzz

,?y»y.N zinspeling op de tembang cu^ (tjj\\\\ ook zva.

irmunihn,\'! 2. zie ook bij tb]-n —

n n in/j^ 1. wat naav een pauw gelijkt, uage-

maakte j-auw. 2. naam van een soort van lang

gras, met pluimpjes aan de toppen. m/Vj0 of a i

,\\n ï i crri ni. quot;gouden regeuquot;, Rh.

n o .o

:! I I I liHjJ Zie

V) C

r£^.ij hi^/j\\K\\v. zva. it) ynw

zie

?ƒ /; /ƒ 2 r/équot; rj n.m ij n ? ?. gt;j y \\

it.ihii gt; kn. ofnfihHw ook naam van een diertje, roo een nsv rp {volg. Kh. ongeveer —

oijii n,j\\) en grijs van kleur, (JioiuU ziah vooral op iti hef nest van een broei jen de hip, Rh.), dat aan den wortel van de horens vwn buffels zit en invreet, JR.

vrrtrj mi % \\ 1. kw. zva. rj n:i2 irn\\\\ 2. naam van den zestienden zoon van Watoe-goenoeng en van de achttiende woekoe.

a ? ti ud ^rtt ij ui) \\ zie bij (Ui n .mp

f s ^ O

a iinn) ibi)\\ oj i.i xt) .is))n K\\v. zva. i^ idj . / / /ƒ rm a rj n) i n oj^ rj iu s iy m osn fj en t. y .li to (Uj}\\ ook benaming van den troon van Batara Goeroe in de Sioarga {Skr. m arakat a en m d rak ai a, smaragd, do kleur van smaragd).

ui) ly.))!).)^

Oquot;

amp; rn ui) i:))\\ zva. 1.1) r) imin

quot;)

IV

Dhi) tj) in/js KW. zva. i iyi £ i,)) j\\

rgt;

if jn i.i) vnjj kn. — vj

O Air

if ui) i rj n\\ M.

cy . . . Oquot; » c ii 11,)) ui) \\ zie (U) Dot 1,11 w

(y . . . o . . .cv . .

ti) )a^ mj \\ oj id /./ji.tj\\ zie tu)

i gt; ij), h ij){)) ^ zie lu )j i, \'ii tj /. \'n n 0/ » 7» »ƒ i) tj ), )) \\

f ) . . . v . ! nj )(i)i )j h))2 {of i ) ij f,))Z \'i )\' \'m ) zie li ij i,i)z rj

t) i, h z w

quot;t\',uJjs •\'iLCj\\ of J^i i j ook \' ,lt(jj kw. zva. ,ry, Lioj)ji \'i n gt;) J ) ijj\\ 11\' \'/J en \'^ mrtidoe,

zaojt, niet scherp of ruw. Vrg. d iüli\\). \'}l n kw. en kn. zva. i wrtn hjjjs en zva. (ü) i.) ,ij) D j {Skr. moerdddy hoofd), (^aio) ^)niel(io\\

hoofdletters, kapitale letters, anders ö^iio)

O , s o o n i

nniij )i genoemd, riui /,i \\ kw. zva. (L) f )ii)\\\\

o * o quot; \'\'J

!in}l2/l 0f *1 (lj,yjs 1- KW- zvrt- ij ut)

^ en volg. (r. zva. xm ik^j )li) iiiQl^ — 2. kn. zu\'Ii onderwerpen, liet gezag van een ander over

\',r*ni zich erkennen. G.

iej-t)iiü^/l\\ Ar. , moerdd, kn. bedoeld; bedoe

ling, beteekenis.

ryylm/js Ar. Slj\'-c: woerul, kn. discipel, leerling (vrg. (v^aj^ rvj l:i an/j en i i ia) lh) (isvjj). — (uxryt) ito j\\ de scholieren van een plaats of van een goeroe, WR.

lE^i^ Kf j 1. zie bij in^ 1^LCLj\\ — 2. zva. rj.nzrjniz anjjs

ij linKinjjs l. zie )j.EA\\(^(ic^/j\\ plat zva.tru vn vooral in de gebiedende wijs: rj !L)ni(U)\\ pak jc weg! loop naar de maan! — 2. zva. rj (Li zrjmz (uyj \\

rj li z ij ^) zvrt ij\\ kn. zich terugtrekken; zich verwijderen {waarschijnlijk verkorting van rj ri? rjniz ic)jj\\ R. Vrg iLi in\\).

lirr^(in\\ of il] kw, , en Pm^ insKü. zva. (limi

o S (\') n . .

(i-D/js rj iU)iz r.m nsnji\\ id li \\ en ildjio \\ {ook oj. ,

e?i volg. Rh. K. v!) u m dsvjj {vrg. ij tiz rj nii da-j

o tv

en ui ^ iinjj \\ l ).

D o o o C) 7 ..

; rj to injjs ; tj ilt; • ij en to ^ i, n wj \\ K., zie bij (U)

quot;n (15)1 \\\\

CY n . CY o tLi rj(in\'hj,\\ zie muiw

S o Xo Squot; n o/\' o

lEJIiW htl\\ D .1 LI li) 1,1) \\ .D L.) hll hj \\ (LA tlü Llt;11 Lftl -Jll 7j OOI

S o o S o

en (ui iLi (in h))\\ zie bij ili ta h))\\ en vrg. (uiiunda

im \\ en BV.

Dicjiajjs kn. in verzet komen, bv. tegen een vonnis

of voorslag, er niet in berusten {Ar. mar-

do ed, geweigerd, afgeslagen).

.■ ^i rj in ii\\ of n i ~n tj ui )■) \\ zie bij rj an 11 w / ^

! ) U) V) KW\', zva. ! ? D)fj\\ ILTJ LI ).]/j\\ Xll rhj hljj 6)1

hi tij) a-Jijj (Skr. mdrdawa, zachtheid, van m r$-

doe, zie i rir} ).

n- . lj..

;.) ui (ui n zie Lij na ui w

cy . »• • .

j. i(ig j\\ kw. zuiver {Skr. m a r dj o e, zuivering R.).

/ O . ... o *

gt;i j ui criï\\ naam van een wapentuig van Abidsa en Joedistira.

11 if! kn. dringen, dringend aanhouden, er dringend op blijven staan, bv. bij een verzoek of elsch {vrg,

o cy n v

(vv .u\\\\ on .hit \\ en .t i mi i.

1 CV f S i / iis/j \\ (i i H\'jti\\ oj (Li ut)\\ kw. zva. (ijj, /i/ ij mn z i ^

(quot;) o \' gt; rx -) O o

tun ij) .i ijl .uiyri iui/j ld i,)) n:t) hj \\ tiy, ids Kt) v.n )n

(injmfj iruj.iJi^ {zie ook itu^.vi) en (uimi) u insii n //nectar en (maar tevens?) gifquot;, PK. verkwikkend, lavend; verkwikken, laven; gelukkig maken, zalig maken {Skr, amrVta, onsterflijk; godenspijs,


-ocr page 1002-

lt;u (1511 lt;l£tl \'Ml uii mi \\

918

cy

nectar, umLi\'osia, enz.), rjusu9iWiwasn\\ levend- ^ makend water. luiisiirijvtQusii^KN. benaming van een corps scherpregters van den Vorst {vrg. wcw an (in ni\\). — (Eii (Bi asii \\ zie bij in asti w — (E^ asti (hj\\ enz., kn. iemand verkwikken, gelukkig maken (zie ook (e^i(\\5iim\\ bij (ui(isii\\). — (UKtiasns zaligmaker, G.

lt;f ^(hn\\KW. zva\'. (Uihii\\ (Siïr. mr# ti, dood).

X / / o /

u 1 .tm \\ 1E1 itit (bil \\ dl dm uj \\ en ii 1 dsn (i. n ^ti ij mi \\ zie

bij (U)asii\\\\

cy . v cy cy o cy

ili 1511 \\ zie (Einsiiw li 11 (isii n iti 1U11 igt;i \\ en ei ten

d

iiiii ~jhtj un \\ zie bij (vi iisii w

iri ten\\kw. zva. (uiiiwis verdwenen.

S o X » .

ten\\ k\\\\\'. zva. 1/1111 tuis (iijijiE.n ij ii.n\\ ir^rnidii/js

O on O \'i r*

lm (tl (isiyj\\ \'iu(u\\(U}^\\ en (ilioji im/j en vólg. G.

ook zva. mi ten \\ en teii tennis {Skr. moerti,

lichaam, vorm, gestalte); ook een naam van Wis-

noe {misschicn door het verkeerd verstaan vanmn

ni ^ ten\\ zie bij (un 01 \\). yiS^(E^te?i \\ drieëenheid, de

drieëonheid van Brahma, Wisnoe en Siwa {Skr.

irimoert i).

o

ten\\ [iE^teii\'Uj\\ [ie^lt;i5ii un ^niy mi\\ zie ui 11 tenw (3^ j5ïjj\\KN. zeer kleine mng, kleiner dan hvke^ mi/j., een klein vliegend insect, dat op de huid, waar

het zich zet en steekt, jeuking veroorzaakt.

o , Cl o

(Ei\' ri ibiyj \\ KN. ^ f 1 i quot;quot;n tetj \' n cisit^ zva. rj ui g -rj .uii

iuiip overal met krassen en doorhalingen van een

geschrift -, verward van zaken, Rh.

) o O ci -,0

lErm njjs 1. zva. ±1 tl irnjj of 111 kn.

spits toeloopen, met een dunne top, bv. van vin-

/ . O o * C) o

gers, oak zva. (li ip unjj zie ui ip teujj of ui ili

van de stem enz. de hoogste toon uitha-

len, Tj.

O . O

L I 1511JI \\ Zie iLin^ IC1 /j \\

o 00..

(Ejj \'li isiiji \\ KW. zva. (un ui (un rti \\ vingerring.

u i iyni\\K\\y. zva (un w iM/i (Skr. mdro el«); als Tj.

Sêngk. vijf.

i*atei)q\\ kn. algemeen; overal te vinden, te zien, zich vertoonen, zva. Q\'ti ten \\ eji cn dus

eig. hetzelfde als i^Eiteiiw •— lt;vi{uj asn q \\ zva. ui

cy

(Ei ten uj \\ {of tel ten Uj \\ BV.) zie bij fi ten w (Ei ij ten uj \\ {of tel ij ten (hjs k. B V.) zie bij 61 ten w

(vj isn .?rr ^ - ^mi asn un/j {zie bij r^un ten im^,}) een

periode verder v. h.padigewas heet. asri (ét ur^ nLijj \\

S / \' Vquot; s

(L1 nm un asn mi ~ni ij uil \\ zie bij lumniw

cy

/ 0 (Ei 1511 tin

//gt; ^ AÏj*), moertadd, kn. afvallig,een afvallige, verzaker van z\\jn godsdienst; afvallig zijn

of worden; afval, rjajid(Ej^asn(uijj\\ een godverzakcr.

/ s o s

lEl rjasili U1JI \\ (Ej! (El TJtem !Mjj \\ (Eltj tent (MCU (firj

cgt; . j.. y

vj asii i(ui-iA un (hn/i^ K , zie bij (uiasiiw (Ei ni ut \\ zie bij «sw^jiw (tentennj^\\ of (Ei-n(énzie bij uQiiqw of Qi zie (E\'iijxw

1 ir • 1 •-

iamp;l Tl 1511 (E^S tel teil \'Ej^ \\ of tejten Tj \\ k. , Zie bij tel yj

IJ (Llfl tqw

y n * rt • /..

11511 IE1\\ Of lE^tell (E1\\KD., Zie bij (IJirfteVUfW

(eii ti aQn., wnxniojisK., iemand komen spreken, een paar woorden komen spreken, R.

O • 7 .. O

{tenten (Yii • k., zie tij ten(rujW

a n

(El Tl l£J) Tl IJlJj \\

o

quot; • 1 .. O

(EjI ti 0511 mi \\ k , zie bij 0511 (ih^ w

m-r)lyjn\\ 1, u., zie — 3. kn. ongevustj

angstig, beducht; zich ongerust maken, duchten

{vrff, tS\'rldJi/l en .in^vi ibn ). — 3. KN. de longen,

gem. van menschen en gevogelte {vrg. nQ^ntm/j).

— /,) \'n i.j Jgt;f\\ iemand ongerust maken. (Qin \'n

verontrustend. — tel rii nji^ rj mi \\ zie bij

tel Tl ijJJl \\

a o n . , z.

(EJi ti (êJijis tel ti (Ui \\ en (Ei\'ii .uj vj (un \\ zie bij ei

J\'dJL

11 \'ilT* kvv-j ^c\' bij t/n i^iKyj\\

ii1i!iJijj\\KN. ongev. zva. beangst, beangst

worden, afgcsclirikt, den moed verliezen {vrg, m

■quot; \'d4s en

ongerust en beangst.

quot;rr^en ~~ie bij ^ydJL

iEiTitei\\ n. , (EiTirjiund{iJi/i\\ k., neiging tot iemand hebben ö/gevoelen (van tiojis). 11. wettigt hetz. als tei ti i.i w

Cl . J .. O

(Eji ti tui \\ zie bij ui ti tei w

0f iL1 KN- fiju» mul» bv- door goede

bewerking van grond, goed gerezen, niet vast bv.

van gekookte rij it of beslag, Rh.

o o • / . o T J LI { tell \\ Zie UIJ tel] 1.1 j \\\\

1 e 1 lt;y

tel m ij (Ui I IJl \\ oj ui ia tem n i l 2 (ui \\ kn. naam van een soort van teiiX\\ JR. volg. Rh. de ui^iuiti\\ die een blinkende vlek op den kop heeft.

tei ti {uj^ tii \\ zie bij (amp;yiuw zie bij Titejiuiyi\\


-ocr page 1003-

/ O \'l ml*1

919

(Tl (U

ww/j KN- vroom, godsdienstig {Ar. s£jj lt;cgt; moer-

sjid, oj) do regto wegleidend).— vnvzitu)ooj)^

vroomlieid, vrome zin.

dl t) (tJinfj\\ zie lij ojtxc^w

(i{j miisn\\ zie hij fUj mamw

(Ti T) r? (Ki ^ (V) injj K., zie h ij rj 1.1 ui \\ II.

ity*iu/j\\ KN. weerspannig, ondeugend. — (Uui

nu/js weerspannigheid, ondeugendheid.

mni i ] i_| ^ \\ K., zie bij tsr^ ui

tr.irn(tJjaJt\\ kw. zva. tu iyq {of uiwi hn -j)

Mi/j en luivr^djiiiifi/j\\ BV.

o

if.i rj m \\ kw. z va di y n ui \\

11 ij a.i lm zie hij rj aji n.Ji 11.

tyihvi \\kw. zva. \'b tujjs

s KN\' cen wc\'n\'o \'ll wanorde, niet overal glad, vau het hoofdhaary WW. volg. llh. fijn cu wollig van hoofdhaargt; of manen van een paard,

(•quot;\'ff- 1f ^ \'O//)-if i vni,ii/j\\ zie bij if.yji nsiijjs

lt;e|tuinsn/jskn. waardering, schatting; schatten, waarderen , begrooten; oo/c zva. vj i n 2 rj i:n ê mijj gewigt, waarde, van een \'persoon of zaak, in vergelijking met andere; waard zijn, naar evenredigheid, naar verhouding {oo/c volgens usance, Rh.), waardig geacht worden. {Men zegt ook £1 r;i Mii/js en dit

waarschijnlijk voor if i^t^tbn/js Vrg. anxji^s (in

lt;V o .

KH-MN en an ij.te: vj ). (imr^rimnjis pass. rjuiid\'ri

/ j 1 gt;1 tisii rjmidai gt;1 ci iq\\ het loont de moeite niet. (i.iui rj .igis naar billijke schatting, of naar dat het in vergelijking met andere waard is. 71 hjhi •rivttTianijis niet evenredig aan de waarde, bv. v. e. prijs. — (fjj 01 ii^\\ aan iets bij schatting of volgens usance, een waarde toekennen, van iets bij schatting de waarde bepalen. — ilq (F.^rji (vrnjj\\ het waarderen; schatting. — \'*jj r)^s het gewaar deerde, schatting.

it 1 (ui x 11 \\ ^,! ) n ut \\ ^ i m (ui .Lu \\ en if 1 n t)i (lui (in j \\ K w. zva. (u tu\\ en a n rj (rnrj 11.1.1

7 {^yu^ zie bij iinriw o .

(Li rj\'tii ri\\ zie b ij ijn j \'1 \\\\

^ s. Cl .

(fhiiiui)ji of (f.i(IJlru.htijjs zie hij i 1 mmi,j\\ CV . ry

(Liij 1 li 2 M11 rj mi \\ zie bij ili li ^ w

(tnrx^ (iyi\\Kw., zie bij a 1.^ (lin\\

0f \'£im(Uji\\ zie hij h-^lip ai\\ d. i. wit? P. L. II, 132.

* i(U(Ujj\\ zie h ij (l ii nji 1jjj T.

O y, O quot;gt;

if mi (ui \\ of d.i\' l I (Ui \\ kn. naam van een vuur spuw enden berg op Java.

ii i\'ritujs 1. kw. zva. (un^^w en zie bij (ut \'~n ili f \\\\ iri(UiKi\\ verk. van iu iji(Li(in\\ Gr. {waarschijnlijk be*

ter van cfji ti ui ia •).

(L1 n (ui (ia \\ kw . zva. ani 1^1 mi nnjj-s {verk. van (un (f.i rn iui i; i \\ Skr. ar/iarapada, het verblijf der on sterflijken. Vrg. (t inutiij ui (in\\).

(Fituiiunfl kw. gelijken, gelijk zijn. G. (vrg. (1.111 (ui

(utyi), zva. 11 (iJi (Li (uiyi zie .11 (ui ui (t,n/j\\ llh.

{^eili (isiiji\\ kr n ui (bti/j of umuui gt;ur^/j\\ zie onder ui (lillfl \\

a \' n

^ ui (IS11JI v zva. (F. 1 »»iui unji \\

o O o /. quot;gt; .

(rj ui (UUJ! \\ fin ui l-iij Of f rtliiyi nsiijisK., Zie (Bl(bli\\i

00 ....do

(^£7 ui (i5iyj\\ zie bij ui ui (istiij\\

^nKN \' *ie \'j

F1\'» »ui unji of (hirri (Ul (Liij)\\ zie onder ui uvjj \\

rt • 7 .. o

ui T) ui uiyi\\ zie bij iuv(uiuii/j\\

(F/1 ti ui asriji of iki-n ui unj k., zie lt;ui un w

lamp;i(ui fu/js zie bij ui ui rup

(fuiuj) un \\ of ui rjij) un\\ k., zie bij (ia un w

cy

iFJidJirj xjli2 f of (Eirrmji ij 1112 ?\\ zie bij (Ui gt;jnu2 of (FjI rri ik \\ zie onder (Li urn w of (Uiti i£\\ verk. tan (FjI\'ikijiaez \\ van elk een, bij (Qun (Chin, kaartspel) zva. un 11 it?an ^nrj rujjs in tegenstelling van uni.^n/js Uh.

li ut (in/1 of ui ik (in fl \\ kn. koraal, roode koralen,

bloedkoralen {Ar. Pers.

{iLijikrni^nkn. zieh vermenigvuldigen, zich voortplanten, van een boom, die door het afvallen van zijn vruchten zich vanzelfs voortplant, G. volg.Mh. digt op elkaar en gelijk opschieten, hv. van wat gezaaid is, van jonge alang-alang spruitjes, enz. ook lig. rad, vlug in \'t spreken zoodat het eene woord het andere als V ware verdringt. \'I \'LUi/j\\ zva. ij [(F^2 tj iK 2 iui/j\\ A.

7V ^2 n\' /\\ eröcns doorheen dringen , door een kleine opening dringen, kruipen o/zakken {yry. rj. i-^2 ij iK2 \'iu/iy ri[!L^2ij irlt;2 iLi^ji i,n\\ zich ergens uitwringen, fig. rj uu tjlk2ruiidi un uiïojiar^ui m tj rj(Hj rij m rji{^ door een opening ontkomen,

ontglippen, ook bv. van woorden uit iems. mond.

O

Ö\'P vcr^\' v\' witmijis in kleur naderen tot un rj ty tj ik 2 lui JIïiti lt;ihi ui (uijj\\ (door het digte heen


-ocr page 1004-

020

/ o (i} in \\

O O öquot;n

dringeu) spr. van iemand die door alle gautjes kan, op alles een middel weet te vinden of overal aeh-ter weet te komen.

kn. zva. en hcp. vanplanteiiy graan

soorten enz. schraal, kwijnend, niet welig.

0 / /-1 v

au\'yjn\\KW. zva. (Ei\'ti\\ {en ü.).

/ o

(ejji (lu ^ \\ zie bij oo^aiiw

o o

(tlrn^nutihjgt;/j\\K., zie .Ernujiw

o C^) • o _ ~)

(lu .n/j \\ Zie IE 1^) All (El ij \\

ieji (in Eijj \\ Ar. , eign. M i r j a m , M a r i a.

(ei-n (Lu (ei^/j of ie^oLli ei ,j\\ KN. kanon, geschut, stuk geschut, (ui i T^ Lil} i f\\ pass. beschoten worden met

een kanon. — .e\\(lli eiihi/t\\ kanonneren, met ka-

^ i.J v

nonnen schieten; oo/c kanonnetje als speelgoed. \\J *]J\\S z^e bij M EI/]\\

(ei ei\\ 1. kw., zie (ut (eiw — 2. n , (ejims KW. en kd., iti deftig en stijl zva. (E^nis oorzaak, rede. iKjj -ei(ei \\ en !h/j n ei\\ po \'ét. Jietz, ei e? ^ uj\\zva. (ejj rui

r^ \\ rede waarom. — ei nsn \\ kw. zva. iei eiijjni w

Sa . /

(El (El * zie e.i.eiw

(ei (ut (eijjs zie hij (ut 7 i/j\\ (ei (ijt \\ zie lij .l? oji r.?^\\ (ea (ut rEijj\\ zie bij lut ,«• i/js

{(ei(ert(hnji en ^(^jyj(etkk. zich uitbreiden door verder te gaan, zieh verder uitbreiden, zooals van een brand, de kanker, een huiduitslag, delaster, een ondeugd, enz. Zoo oo/c (eiC^fi ei oei/j en ij r^EtijCif^Et(H^ijs zich hoe langer hoe verder uitbreiden (vrg y .w y ryi im/f).

ai ei fci\\ zie hij ui fji\\ II.

a/a- . j.. a\'

(Et ii.t\\ zie bij .Etw

iEt Et(isit\\ n/ijfi ei f i uns een naam van Balara Goeroe.

S O \' • y .. Squot;

ie i (Et i n k w., zie bij ; i i \\\\

iei (utlt;t?KN. naam van een visc/i, WW.

o a o o .... o o

ieirrtiei- )\\ en iet inj Et ^i uj\\ zie bij ilii ei .

iE?M^gj^\\KN. doorzijgen, zooals van waler dat door

een dam dringt; tranen, van do oogen(yr(j. aji n

1 CY quot;) s (:o

«» nv.na.tjf). G.

) rt

\'\' Co^^^N . nrtni.et^n/nw

ili m :i^ asiyj zie bij tjo • 7 •• O 0

^26\' ö/y m f t el ris

i\\co -Jl J ^ lt;o -V

Et om \\ 1. KW. zva. act lu :ifiji (bkï\'. m dr g a, weg, pad).

2. n., a.t rn\\ K.y middel of oorzaak waardoor. ^

(?/?ï it 1 oil \\ ^ ant ei lt;rti M tnt (of nsttKns) N., (urt / rt S o , , ,

ro .in \\ lt;?« fun ei ern itjtinti \\ K., van wegen dat, ([(jor-

dien, doordat; door middel van. — iei cm i!l \\ kw

C/

o /• / o

(l it (tp nut tij \\ of (El rj an En w

o / quot; O • » ..

iei cm \\ en (ei )j cm in \\ k. , oy na ili an/js

cy /■

lt;e i .m\\ zva. iei cm w

Cy o Cy a / o So

Eicm\\ en iei cm ij \\ zva. iei cms en ei rj cnihjw

ycmn 09^ rtyr}^ 0f xA-rty.KW. zva. d^icn^nitaojj

en (ut nnstifs (Skr. mrëga, eeu wild, wild gedierte).

* cy

f-llt;r}^N ö/ lEtcrtp zie r^cmw iu (iJi crrtji en tut i ? li cmjj \\ zie h ij ut .l/i aiyj \\

Etcm(Hi\\ kw. zva. (ut ujfW ook hen. van Ardjoena in zijn jongelingschap, llh.

CY . cy CY

eicminii\\ zie ii tcniim/l en .ei mem/j^

[iE^cmyin zie hij rymxn^\\

e^cyiixcjCLtiji of 11 m.irjnsiijjsKN. stijt en onverzettelijk zijn, zijn eigen zin blijven volgen of doordrijven (vrg. ir»ciiiamp;n .uriji), JR.

fj^cm zie hij [lu^cm astijj\\ — ;.7j m eii \\ zie bij

[cu^nm nsttj^s

\' a o

EtcmnjiiLgt;a\\KW. zva. lujnnvt luw kn. naam van een

kleine berg in de KV doe, waar een edel ras van paarden gefokt wordt, (Tj.) Rh.

Ejtcm iuuis 1. kn. groot, ontzaehlijk j tot eeu grooten hoop vereenigd; een groot bosehwild. 2. kn. op zijde gaan, uit de weg gaan, liet spoor verlaten; afwijken, overtreden. 3. kw. regelen, geregeld. G.

cy . .

eumcmj\\ kn. op iets stuiten; van schrik blijven

staan hv. van een paard; fug. weifelen , aarzelen,

Kh. zie (ui cm int/j\\

ei 11 rn\\ en ? t :ut cm ii ?. n \\ zie bi) rt iut cnri \\ s cm s in ( J s Y

r CY ....

[E t cm cm q\\ oj ei rn cm {\\ zie bij cm cm

cy . b o

E-Hi erm rjimt inhjs oj tuil ij crmiy cmg Knjjs zie ui ij

7i cm è ij cm t mi /js BV.

O 1 ) • quot;. . .. o O ; i ctii cm i n,- \\ zie bij cfu cm./. n /j \\

E^crii \\ zie bij ti cm\\\\

! I l il \\ Kw . zva. 11.1 l.EI EI ?\\\\ W.

t Oco *

.* 11:n n Kw. zva. (t./i ij e n tyrn iuiq \\ W,

j, CY , T o ,,

(f^L:ri\\ o! e i uit y K\\\\. zva. (utin\\ en .ut ij uit.i.i j\\ (\'■

volgens G. helder te voorschijn komen, (6/t pra-

hd glans); vrg. n^i.itw n n ....

etnjtmijis zva. f i iijt (ui/j\\ zie bij :l uuuj\\

na • 7 •• on

.Errrurt/js zie bij tun n un js

quot;I \'\'l \' ~ie hij

lyr.iyiiijis vyurt/j en tut \\:t^i(n^\\ zie nuninuj). 11 uri(uiiij\\ zie onder ai(iTtiasttjjs


-ocr page 1005-

\'T\'n

CY

921

.•1) ini»iisn^N kn. koster of lewaarder van een moskoe, korkedienaai\', die ooit hij do aaulcondiging van de uren voor het rjehed door den Uodin oj) de hedoey slaat (Ar. gt; marioet, gebonden , en he-^

naming van een soort van Mohammedaansche hei-

lijjen in Afrika).

\'quot;) (TXO O O

,• ^ r.n Ki/j of ! i tv}}(hJUJ\\ zva. 11 f t i-)fj van ri; i ijjj\\

(1 O O O Ci £)

\\ j licn t i tli\\ zva. (lit 11 (ki ii i w

tJ U CJ .

11nr.ti ij\\K. , zie ili m lii lt;li\\\\

n\'H (vrh V) on \\ of tim vni .in\\ k\\v. zva. 101 /j m injj (vork. van (mi £ i \'quot;gt; gt; ary di in \\ S/cr, a m a r ah-awa n a, het verblijf der onstcrfelijkeu. Vrg. K-imtutxc)\\). ^ jyrj i.m u j/1 oy v^ivjiirii iu/j Tj.

nr.iii.ip ook (U.i7ii(cii.\\ kn. naam van een berg op Java,

;i n.nvrn hiiji of ; i im r.n i.np zie hij (tri^nii r.ri ini vjryxKN. naam van een dorp j zie /. 11. V \'\'?\'p1\'//N of r i ij \'ti ? ij lp 2 in \\ loslaten en afvallen, zooals van ledematen; in een staat van ontbinding \\erkceren {van ij kh ri t^\\ zie ij ij li * ij (ipimjij).

i/)\\ zie onder mtis IV.

11 ti\\ zie onder (uim\\ IV.

n u\\ zie onder n/i n\\ IV., en bij -iiw -— ni■ nquot;

^ • 7-

uns en i i n l i ij im k\\. t zie bij rj ut ^\\\\

i t ij \\ zie bij (Uiniw

* / ij yi \\ Kw. zva. .i i rj iii \\ van \\ni ij iii w \\rj liè i.i.? i rjni\\ kn. de kentering tnssehen de oost- en west-moeson, wanneer de regens minder worden, de drie vianysas un i i ,io :gt; i \\ (üi i i en tui iin w \\ i/i^ ia m/j {of ii%) (i ij ti\\ de regens die in die kentering vallen. (Uij iu\\ kn. gloeijeu j vuurrood, hoog rood {vrg. ? / ui n j \\) Zoo in (um -^u i :h uij- ii i w — /1 ijni t lt;mfijj\\ een vuur van gloeijende kolen, een kolevinir, kolegloed.

c ? ;,x a O * o n ..... .

\'i quot;\\ i. un ui\\ en (ui 11 n zie b/j (uw — 3. kn. lialrnsteelen van de padi, padistengelj {vrg. »11/11? MM/j).

v 10. O . -gt; O . .

\' \' quot;N \' i f i n\\ / 1 n 1 1 \\ en 11 n 1 1 ij hii\\ zie bij

0 *

1 mw

.9quot; o o„ n 1 D.. . j.. lt;1 riv

\' \' 1 gt;\' 1 n .11 \\ en 1 n 1 1 ij i,ii\\ zie bij .111 uw

o

tnjiiis kn. een kleed over den sehonder om het lijf geslagen hebben of slaan; j^r. zijn ware inceiiing bemantelend, onopregt, 11. volg. WW. ontrouw, verraderlijk, afvallig, van den regten weg afgaan.

11 n \\ *kn. zva. nu r 1 ^1 w \\ ^ ni na ili m j \\ van de weg afwijken, zijwegen gaan of inslaan. (E^niciLii (i5ïi\\ onordentelijk, onbeschoft, fytniiweder-regtelijk. 11 ui^ u \\ de beleefdheid uit het oog verliezen, onheuseh. (F^ni ivi i.iy verkeerde stappen doen. ^ ni lai m \\ spr. voor tegenstreven; weerspannig. 1111 ni h rijj \\ zie bij (ut ti (Hii^fj\\

q« • / • •

Tt\\ zie bij (ijiynw

ijnni\\ zie bij ijni n\\ en bij rj (uitiw

ij n iji\'i\\ zie bij vjinr/iiw I.

ij m ij niK kn. Ti), zva. ^ui^iji^i.i^ een grauwe aarden koffiepot met handvat en tuit, J 11.

00 . rgt;o liAr

(tfj 11 inji zie ri injj .11V .

(EiTi 1$ of inmccii?j\\ zie bij umiw

ihyir^ïs of iFjTiTÏ\\ kn. rillen, huiveren, de haren

te berge rijzen, mr v. [x^m\\ BV.

.r 1 ij ti i hii n (f; ij ti 1 h u \\ zie (tl ij ti ^ hu \\\\

y.ij^i.i):i{j\\ en (vj^ini mi ~jii ij im^ zie bij 01 ijz 1,11 w

o. Oquot; / \\

(^j 1,11 \'i^jj\\ zva. (ii.iy i/j {van iiiin^ii.j).

ilyK?) ili/j\\ zie hij i^mi tij/js ^ f/i tïilt;?i lujj^ KN.

blijken, zigtbaar worden. G.

,?j kii \\ of 1 r gt;quot;) irii zie bij gt; 1 ini w

!\'ii,ii\\ of (ei (l\'i kii \\ kn. zich verzetten, wederstre-P ^ s gt;

ven , weerspannig zijn, Oojt mn zich verzetten tegen,

W. I. 41, (vrg ).

. (?) ..... ai

t iidis zie bn 1 1 i.nw

r iJ 0

if 1 cj urn ij of ei (Uicyhii/j en eim\'C^^is zie bij (u

(L^ (l.ll/J\\

Ö • D f 1 (ui ui iJij zie d l 111.1/j\\

. O ..... O

1 t^ 1.1 liiji\\ zie bij ij iiLiifls

lyrii^ kn. iemand, die houten scheedeiy maakt voor

krissen of pieken, {vrg. iamp;tj ini im mij). (// ni\\ kn. 1. zva. ndT^nir.y 2. waterdrager.

!Kiin\\ kn. zwak, enz. zva. ninn^w

O . Qw *

i n ij uit \\ kw. zva. nu lii (li un in (uil 11^ oiw fi gt;1 in gt; kw. zva. al ik\\ kn. niet in de werkelijkheid plaats vinden, alleen maar in de verbeelding bestaan; hersenschimmig; buiten gebruik gesteld; zonderling, \'/riet zooals andere. ijiJigfi 111 \\ een zonderling mensch, R. volg. G. iemaud in het onzekere laten, in de war brengen; slechts in do verbeelding bestaan. t^iii\\ in hel

spr. (Ei ij m ij lii 111».)w volg. Uh. nieuw aangelegd, nieuw gebouwd enz. hv. van een brug,111 ie-genstelling van een gerepareerde.— d i^ iii im


-ocr page 1006-

922 /EI (urn^Dm^

orjims ids buiten gob ruik stcllon. mr] nnm^n 11 im \\ passief.

: i (Ct ZZT ^gt; dj rj, tunjjV K. 20, 20.

mi tri) ^ kn. afweren, pareren (vrg. oh nn ri.i lij tuii iu\\). G.

» o i 7..

(£? ni i i \\ zie bij luimw

-Tj aT! IJ mi \\ 1^ 17} (in^/j en a i f j tj w zie hij ay

\'T

ff jtn t-iv.ip KN. grijnzend groolc tanden laten zien (wy. mi*jxn*!■gt;■:gt;» ij), tie ook 4y\' 111.1

w »v-

^ i 7 \'/ \'77 x zv*1\' 7 7 3 7 \' •\' I :i ? ?,ƒ \\

(Ejiihvjis kn. klanlcnabootsciid woordje voor een ander woord, dat een geluid of beweging het eekent om daarmee uit te drukken, dat plotseling of ineens dat geluid of die beweging ontstaat; en zoo vooral ook vóór een ander klanknabootsend woord, hv. in ui mt ^ mijj {zie hij hhnyj) en n

f-il/l 0f \'U *[*] l {Zie l l^li l] (17)05?!

n:n : ieini^rjhet bord viel, en daar rinkinkte liet! Andere voorheelden zijn: on^iC) ild Sn 7 i rrp ij?i tw liTiJi tL)^ (ililKnji\\ ft?) y n^ui r.n rü

(V) ITTj t ! ) T)? ,M l.^\\ (l/T) IJ AJ) % il/Jjj YL1 OSnjj IKI iftj

ij ij) asv/j\\ lt;un i.ij io na rj iei t iei uti ^ Sïw i n ^ n in/^ Li J uhji amp;) iw^.vm\\ Andere zamenstellingen

met éénlettergrepige vjoorden zie heneden.

amp; * C~) ci O r» , i .

(U hiiji oj ii/)iH)wj\\ kn. j (i-77 iLj) ioji \\ peuzelen, eig.

de lippen bewegen, zie lJiw^/j en verg. D^t f]

Dw/j^ — funj )nj (hi./js aanhoudend peuzelen; iets

om te peuzelen, zva. iu) u) ui ujfin/j\\

\'tl isiij]\\ zie hij n/n T^iia)jj\\

, -J

ij (eï Miijj of a))) yj (Lit in)n\\ kn. aanraking met de hand.— inrj eiiotjI een ohject aanraken, betasten, mot do hand voelen. — r;?rj li }ni Sn ij i€j) iJjj of ^nirjiEirj cen 0ty\' ^e^8ten, bevoelen; voelende rondtasten. — rj nrj irn inj an j of am rj 11 im Sn tj 7 f 1\'»?/ 7!l/l il\' ^stende , zooals een blinde of iemand die in het donker rondtast; overal met zijn handen aanzitten.

luuiis (maka) wj. zva. rjwixnw f)iw\\ kw. zva. 171 itiifj^uonij iïlal. maki-maki. .lt;• 1) \\ k w. zva. n rj lij t nn \\\\ g.

li-ioms in de spreektaal verk. van .di o)i. n i,n \\ zoo even, R.

o O O

ayni\\K\\\\. zva. ii un\\ i n rinri^ u) tooa\\ (üi.ijiidj

fD im ^ v

O . O

(17) ijt iu^\'I in^/j aj) n Hj) (Lij en zva. o i om fijj Cr.

{S/cr. moekha, aangozigt, mond, voorste, eerste ,

voornaamste, Iioofil. Vrg. a^upfj^).

iQ»o) ^\\ Ar. fa*, Ma kkah, naam van de stad

M e quot;k k a.

irymfs kn. iets daar men mee bezig is, zooals een werk of vasten of voorgenomen onthouding, afbreken , voor een tijd of voor dat het ge eindig d is; eig. hetzelfde als rj.ti?imp\\ van ij in nns\\\\ JII. volg. WW. ook (tiigymafwijken van zijn plan om te vasten of zich van het gebruik van het een of ander te onthouden, of van zulk een gevolgden regel afwijken, {zie echter miw).

tj 11 mi j \\ ij li mi gt; ij!) mi ^ n kn. met wijd uitgespreide

boenen loopen; zie hij lt;rj ui ijim %\\\\ (Tj.).

iei im rj unz\\ 1. Chin, de speelkaarten versehieten bij het chinesehe kaartspel, wat door iemand tegen betaling gedaan wordt; vrg, rjnm ijiJit vnjjs 2. naam van een soort Chineesch schrijfpapier, (y. Macao V).

i/i liti trn n i/j of ili mi r.n iw/J^ eign. van den engel M i eli aël.

f i iry\\ Ar. ma nd, kn. bedoeling, zin, be-

teekenis {vrg. nïn nmi-^jj en ik\'idis). — (Eiinjvjjs

van iets de zin of beteekenis verklaren, zva.andn

a * S o a n • *

oj) -bf\\ of vu iTm ui ijjw n ïo ei inj ifj\\ passief.

Efimian^ Ar. mak an, plaats {vrg. ili nn

njj).

O O o . ,.. t»

it) im nnjj en iej mi iHj\\ zie oij hdi un onij\\

lil inion\\ kn. naam van een hoofdbedeksel van Ja-vaansche Mohammedaansche vrouwen, wanneer zij hidden, en van vrouwelijke hadjis, bestaande in een over het hoofd om de kin geknoopte doek, die het aangezigt geheel of bijkans geheel bedekt {Ar,

amp;XjU). mikna\\ of mik na a). WW.J.

o • ; • •

ij li mi lij \\ zie on ij mi mi w

iflmiióti 1. kw. zva. otiin rmjj en rm iji^n z

rj m(iajj\\ —2. kn. vooruitkomen en optreden, om te dansen of op een uitdaging in een gevecht; ook halstarrig vooitgaan in een verkeerd gedrag, rniar geen vermaningen luisteren, 11. volgens AVW. met ecu uitgetrokken wapen den vijand uitdagen ; volgens G. woedend om zicli heen slaan, Mal. barkan dj a r, een wapendans uitvoeren , zie im i rni w


-ocr page 1007-

923

n

it 11gt; n yj h h i (hi j

iLiwi^ zavnenstelling van aLiamji en ^\\ bv, injj

amp;} api n\\

0*t

Mi$ta£/Is z\'ie bij

foj tajcnijj\\ zamensteiling van cbi im/j en fi rtnjj\\ ee7i Jclanknaboofsend woord voor een vasten greep of goeil pakken; hv. (inrfnafrivu/jmi vn nrnjj^

Q,wi\\ zie bij (untniw

itj nnsKW. zva. (M in tu(Skr. m o ekhara, voorste, aanvoerder, Vrg. iritws 2.).

Q/ . O/

Ar^ liH n zva. vy.nw

(Li im rn \\ zie (èi u n r) \\ 2.

wanrris zie bij (Sltm^riw

-dr. Xjjd** verfoeid, te verfoeijen, waarvan men een afkeer heeft o/* moet hebben; wat men vermijden moet, ofschoon het juist viet strafbaar is bij de wet.

(F,^ ro) Tj gf { n Ar. zamentreffen van een dag

van de week of maand met een feestdag, zva.mu

o „

(\\a lyixt ry n\\ K.

(n ^)^Hujj\\ zie iinr^!ilt;ri[j en vrg.

kn. half geopend, van een Wem, groot

en breed van een haarwrongi zich uitzetten, nit-

dijen, Rh.

(lj ^ wjj of rj (Ei) ni(icijj\\ Ar. ^

mïrddj, kn. hemelvaart.

a/ • y ••

(E/iMnnsgjisKw., zie bij (tfv nnjjw

triojmji of trrijjrrnijs Ar. i io. . bekend, ver

maard.

ij \\ naam van de Enfraat, te Soerakarta

bekend.

(i.tïtyM (isii/js Ar. m a* rip hat, kennis, G.

bij e 1 m o e\' s tegenover rjim n j trh irn irn/j llh. fcywn(mjj\\ Ar. , m oeh\'arr amy kn. naam

van de eerste maand van het Mo ha m m eda a nsch e jaar, ook genoemd.

zie (tjintjiL\'ip im\'n i:rijj\\ Ar. l ^ f.. moekarrab, genaderd , in de nabijheid toegelaten; zich in tegenwoordigheid van God bevinden. G.

,m\\kw. zva. (un an (in (htijis \'f I gt;) gt;niz(ini^j\\ ook lEivj nm ntt/jsKH. koren, kokhalzen, neiging tot braken hebben, beginnen te braken {vrg. quot;Il hll \' voty\' ^1, ketjes braken.

O O .

izii\'U(im\\ Ar. wezentlijk, reëel, werkelijk bestaande, wezen hebben, niet maar schijnbaar, van degeeste-l/jke dingen, in tegenstelling van (Tioji/j (Ar. ^ixSL^-y werkelijk, reëel, niet oneigentlijk). JR.

■nulij .uv 2 ooji en tfn hurt rj irn t an/j\\ zie bij ». n

(Ejtomirnjjs kn. zamensteiling van na^ en tai ihyijs een klanknabootsend woord voor het geluid van een kik; bv. (ia ifnwjiw^\'amp;iijp!,r7^Jls ir i im i ip kn. zamenstelling van ui unjj en (Kn:)^\\ een klanknabootsend woord voor het geluid dat

iets geeft, als het gesneden of geknipt wordt: bv,

o o-aa ttjan s ^

inwtnt imjjs Ar. kn. zva. normaal, gewoon,

zooals het meestal of gewoonlijk bij de menschen wordt aangetroffen {misschien hei Ar. ,

moe /rak kat).

O Cl O O

tnion/js zva. (u.};,tjh^anjj\\ {zie bij foiyijji).

0f (amp;tim(irjtJifi kn. een ^cestolijke, zva, (1.1 ^ WW,

quot;h vr quot;O «fWj*

quot;^ \'bVvKW zvaquot; vn iJi\'ifytjiinm\'nv\\ KN. genie

ten; een rijkelijk, heerlijk, onbezorgd leven hebben in liet vol genot van al wat men wenschen kan; zalig, gelukzalig {Skr. moe kt i, bevrijding, verlossing; eindelijke, volkomene verlossing der ziel van het zinnelijk lichaam, het toppunt van zaligheid; maar misschien wel, ook van het Skr. boekti, genot, genieting, pk. Vrg. am}gn). — (zyj iifl^nn rj un\\ iemand doen o/laten genieten, een heerlijk leven doen hebben; zaligmaken.— kh ^Jj1! K genot, genieting, geneugte, een heer

lijk onbezorgd leven; levensgeluk.

if j inij \\ of rrj \\ {m o e kt a) kw. zva. riiigt;n\\ en in irii\\ (Skr. moekta, bevrijd, verlost; volkomen

verlost van het stoffelijk lichaam).

O 4

(Bi tm (iw i^Jj^ K., zte (f.i un an w

(VKtwasrjanjp KN. alles, het geheel omvattend, als eigenschap van de godheid {Ar. laj^W) gt; moe hitoen, omvattend). G.

li.i }nt ihu an/j\\ K., zie iu unanw ifjtj mi Lu anjj^ Md., zie n\'i un an w

ki rj an) 2 hi) an/j\\ Md., zie (èi mi an w

o o r ... o (tl in) zie bij itj) h» (hnjj\\

,q:

if ))ni \')u/j\\ ook (Fj) om rujj naam van den negentienden zoon van Watoe-goenoeng, en van de een-en-twintig ste woekoe, ook naam van een door Ambyah

O.


-ocr page 1008-

921 ^ nil 11 ilSHjj

onderworpen, en la!er als brooder aangenomen vorst y Rh.

«yélfMA of \'tjasn.n .IS»,p Ar. mo n\'t a-

mad, daar men zich op verlaat, geloofwaardig,

een algemeen aangenomen gevoelen G.

n p \' o o n

iPi nnw^is itim)v.) hn\\ en u .• i nn

zie hij biinn )fl\\

^ hu ^jk\\ KW. verlost van het zinnelijke of liet goheele stoffelijke lichaam, (Skr. moxa, verlossing; verlossing van het stoflclijk beslaan); ook zva, ri * jw — (hii lEj hii \\ de toestand van t) in) \\ het

leven van iemand, die tot dien staat gekomen is

/ o . oS v

{vrff. fw i/li n / .in m/j en Mil iV. i (Hl w/j)\'

o . O o o O

IL1 loi OJ I I ld) f • efl IL } (hl) q ILW hu ihl/js K. ,

, O O

zie bij iiiiwsw

Ar.ina/izar, plaats waar mensehen tegenwoordig zijn. Cr. tunrn(Lnni vi im het veld waar Mohammed niet de zijnen gelegerd was. RW.

kn. , 1. zamensielling van luimj^ en inp 1. {vrg. (liiw\\)j bv. tui rja i2ifljrjihii i climi2. dilHcnlterend, met (innerlijkcn) tegenzin (Ar. gt; mas\'o er).

(Li rj };n (m j\\ kn. z amen stelling van (Tihii/j en if on j\\ klanknah ooi send vjoord voor het gelald van iets, dat met snelheid ergens op neer komt; hv. ttj? t te i gt;1 nn mi^ \\

\' • 7 •• O

it i h it -l i. hu/js zie bij I 11. )i/j\\

a.. 11, u ^ inji \\ Ar. ■ 1)1 cc\' so ed, wa t bedoel d

wordt, meening, beteekenis. — tikn. van iets de bedoeling of beteekenis opgeven, iets verklaren.

■gt; , , / o o o

vj s k hu iijjjn kN. voordeel {org. 11 t i n i j i n n n

0 \\

en ayyj rnyi).

vh hii ^i ii i KW. zva. iL j d.i ruw

ii / hu J* i ui iisuji \\ .ir. kn. zonde (Jr. , m a-

sijaty weerspannigheid, ongehoorzaamheid; weerspannig ongodsdienstig, goddeloos; {vrg. rj acyi/u ihi)\\). ti\'l i h ti /7 m ni^\\ de zonde, bij personificatie.

mi ^riifj^ k w. zva. it^ini^is {Ar. l . moe*-

zaby ver weggevoerd, ver verwijderd). GR.

;quot;) (O . .o

i hi^ ii iij\\ zva. u i i.y n i/js zie n i i.y /»/^\\

H m h)) nijjs ook wel i^lihjii iuj^s kn. ongerijmd,

onbestaanbaar; ongehoord, onmogelijk {Ar.

TI HU nu \\

moe hal. Vrg. if^HUwnifjen j^imi rri\\). —gt;ƒ ru (hiihu^iws onbestaanbaar of onmogelijk noemen, als zoodanig beschouwen.— Huijfcizamvij tin/js ongerijmdheid, onmogelijkheid; een hersenschim, ook zva. nTi rj r m:u ij hu \\ Adji S. 108. o

■i i iru iu\\ KW. zva. hu rir\'n 11\\

Cl- UI

«\'.mojnKN. zamenstelling van riKu^ en irj \\ verkorting

/ 7 o van i/ij iij \\\\ bv. dei iicj r^ HI J .7 1 ?. i| \\n

iC 1HÏ*! }iyi 0f J1 trnl U11 ]N ^r- ) m a c/iloe

geschapen, schepsel {vrg. mu lt;lgt;ii q ).

O ... O O . . , ,

,,]S Voet. zva. r^ui ^111 lu {Ar. vc»

moech lis y rein, ongeveinst. Vrg. vuimuij en

0 \\

a.^Kis).

00 o • ».. o

} i rni n.i\\ en z i 1:11 /m ^ mi gt; zie bij 1:1 hu h )/j\\

.ni:uiH]\\ kn. ineens is hij weg! zamenstelling van (Ei huji met tU(Li/j\\

n hij 1 i/j KX. zamenstelling van .n wi y en rj xjijj bo.

1 )

ilXI ICI.! 1 177 *1 IOI tin (HJ/j ^ 1 Hij

11 ij u ijji KI. van un .1^ rr)\\ en Qvn^ ni\\ {Ar.

m a kdlo em y ingehonden, bedwongen, van toorn).

o r)

— .• 11.111 KI. va7i (in ,ï j -gt;7 en .m 11 in an/j\\

\'HO (1

/1 hij mji\\ kn. zamenstelling van U hiiy en

bv. iwdjr^ in n ijiamp;i Hij 011/1 \\

11 im \\ kn. stilzwijgend heengaan, vertrekken zonder

iets te zeggen; zamenst. van nuu/j en ryw .; 1 rf hu ^ufhvjjs kn. zamenstelling van d-unu en ij 1 u mi/js klanknabootsend woord voor hei geluid van een slag, of van een vrucht die op den grond valt; b v. mu 1.11 i (Ei rj hu -11 ini/j \\

f 1 /,77 (Li Si \\ en n hu i i ^1 y im \\ zie bij (Vt uu lt;Lijj\\ ; 11.11 .jjj kn. zamenstelling van (Li Hii/j en 11 ^ bv.

r\\ \' y O O O /

(ICI I.) (Vj, 11 07 li Cl t 1 1.11 ƒ W

.11 hu i kn. zwaar, van iels dat stijf en vol geladen

is, ook zwaar het gehoor, treffend, zoo als een zwaar

schol (vrg. (im rjiut muq en\'n/u fp mij) y zamenst.

(\'-■) 0)0 cO

van .! 1 mi j en tuiw t i nn lt;hu ini hu ^1 \\\\

f 11.11 n i/j\\ kn. zamenstelling van 11 hu^ en aciiu/js

klanknabootsend woord voor het losgaan van een

schot en van iets dat breekt {vrg. nSni/j); bv. o O o O

KI l 11 ICI 71 IJl ,H1 u u IIJJjS

iiLuniqs zamenst. v. i.u.uj en ia n rp zie ili ni^ ! 1 i.uity i^ ?\\ póót. kn. in een nederige houding zitten of gaan zitten {vrg. am Li hu .u/j) , R.

fiini ji? gt; 11 j k n. zamensielling van nuurj en nrn j bo. \' \' quot;^1


-ocr page 1009-

(L I }. H lrlt; (15I\\

n

956

a2jV

(tywixtiiyi^ Ar. mo e\'djizat, kn. ecu

won der, woiulerteoken , ook wondermngt, RP. (v. d. Br.) {vrg. tww mcimit/)). — am (E/i h h m: ten lt;hn/)\\

door iemand vuvrigt wonder.

O

,£ƒ \\ kw. zva. tui m (ij) (laji {S/cr. m o e h hj a, hoofcl,

voornaamste), ieaiotiiliiojis de voornaamste man-

. o ^ o o O

tri s. — (t\'tiHj zva- I\'llilL\'n

a ) injjj J mi n zie bij (vnry/jjw

ii.i wjjltin/j^ kn. zamenstelling van t i uni j cn nmynt^ grondvorm van (i.nj ^ tni j\\ hv. axlcic^ ij i, n j j i inj j, (Kn /}\\

(M ijoajJIMnjis kn. zamensteUing van iei en tjr.in khjP klanknabootsend woord voor het geluid gt; wanneer men in iets weeks trapt; hv. (iahjti ui hiif) i i

dlurjnnsnj^^^. zamensteUing van migt;101 /j en i:in nsiiy\\

j\' O

ov. xn k) mi i if. i i. n j an^/j \\

lt;7 non\\ zie bij (hj^uj/js

lC0 \' • / G) ^

auwjjs zie bij (cmw

itji urn Ar. ma kam y kn. graf in het alge

meen , vooral van een heilig graf {vrg. amtiir^ en t) asnj^. — (L/i ,£/ mi un y begraafplaats, grafslede.

O O

w i ini.npKS. zva. rin ook onder het wisse

len van geld eenige centen wegmoffelen, van een geldwisselaar, 11. zie echter bij (ui itïiJ i/j ii.Jh?iAr. moekim, iemand die op een

plaats zijn verblijf houdt.

lLl ^r\' ij**}*\' mo e m 2 n gt; een gcloovige, een

Mohammedaiin.

y^\'- mam oen, door den Imam

voorgegaan in het gebed, bij het bidden den voorganger in liet gebed volgen, hem nadoen eu naspreken; een navolger van den Imam in het gebed. \'7 \'Ö *1)^ m 0 e\'m^n0 fin \'t Arab. mv. van a j injaap Palm v. d. Br.

Vhquot;0 ^ / 0f \'*] \'1111U linP m0eh am \'

mad, eign. Mo h a m med. onxm .i^ \\lt;ii y im j\\ de propheet Mohammed, volk van

Mohammed, Mohammedaan {vrg. rjfóm™wj). quot; \'^Vq \' w/n k^. samenstelling van n mi j en [V)* inijp

hv. do (b»i \\m iet) y .mt t tm\'• ^jJJ^

J1\'lSitn5!l/ls KN- samenstelling van /1 u n j en ni im p

hv. aci ^ ij ui}, H fj (; ipj (uhjiN

\'Ui».»j(M/^\\kn. zamensteUing van tiunj en Druiijbv.

ii ij ia ij tjj 11 int ?. ? j\\

C) 1 0

lUinri ii p kn. zamensteUing van tr i mi j en ir.n (un p

/ ■gt; D O

Ov. in\'Kj i in^ n.i h« umji\\

minriup kn. zamensteUing van en nQiru/js

i a • O

uv. tunj d/iil rj x.m : (Muinru/j

(Li.in^iti i/js kn. zamensteUing van (tkht^j en ry iup

hv. ia ui ij li i in - lU inni.t p

d l mi/jrn i^ pKX. zamensteUing van (hinc^ en Qi inp

J Ct vO O- Qu O

üv. ticidJjj i n (ui ~\'ii iLi (ixi : l i d.ii Kyjs u i im^ijiY^pKS. zamensteUing van mi dm^ en irjiM p hv. (txi ijmï2 rjlt;ikz % : (Li (Knjjrfn fi^ijp

O gt;• O

j i mi jini nip kn. zamensteUing van (f itm/i en ini

/ O Qv O

arip bv. (Ui nm iflii : li nn y i .ti aiip

Liinjnfi\\ kn. kroon {Sir. mak oei a. Vrg. tsiit^).

(un (Li(ini np \\ met een kroon op het hoofd.

O • O »

Ji zamensteUing van (Liofn/j en dp n i/p hv.

o O O

dn vrrj cm irw/j (L1 inrili/p ^

*:Ht = lV1(TT hij TTT

£1 ij uh 2 rj (ini 2 \\ -

il^ rj uil ? ij ini 2 nn bij (Vi y u ii 2 rj

T

mi uh (ui nvi \\ en ili uh m n^ uu m/p k., zie onder ijti/ii 2 \'II rti q \\\\

(Lj(ia/j of (fn ij icijP Ar. , mo edd, een zekere maat, eig. zooveel men in beide handen honden kan {vrg. \'ru ipvi,]).

rpLii(Ln,j of iiïnri Li2 injj en rj t/H rj n 2 (in/p KX • zaeht en elastisch op het gevoel, bv.bij het drukken v.

e. rijpe vrucht. Rh.

O o • i ..

(L i ui \\ (7 1 f i to n en /1 (ia uj \\ zie b ij ui m w

(Li i^nn., a i rn iripK., 1. zie onder (ijiku^w2. honing {Skr. madoe, zoet, honing). (ii(ic^inini\\ kw bij, honingbij; ook naam van de vwonplaats van Ar dj oen a {Skr. mad o ekara). (L i dc^ iuii \\ kw. een bij {Skr. mado ewr ata). (Liir^hi^a^ts zuur en stijf geworden van honing, gew. geel van kleur, Ilh. ; i xcj mi un c] \\ en lt;l i u uj i\'] i, u \\ gezuiverde of geprepareerde honing. (Li(ir^(ui asij\\ naam van een Kawische zangwijze. lt;li ijaa2 oli/p kn. zal-vig, zacht gekookt, van een ei, zie ook ajiiiuii (ui/p bij iJKtcjw (Ei Lj (ui ^ i, kw. zie (Li ujji w — 2. kw. zva. on ij ui \\ van rjta\\ i. — 3. k., zie hij —4. kw.

zva. ui u\'j^ np) (un u i p xn rj li^ anq en (im ij n.iw \\ mei ij ui .Lil 0.1 \\ zva. (lji (i7ii i ii(U\'i w { f i rj ui ij i/n 2 li q \\

O

n., ili ipio_{cn^iii\\ k. zva. /177? ij (tui ïj i/n i! i en


-ocr page 1010-

920

C) ^

If 1.1(1 \\

nm y 71/ -gt;?» iu w VV W.).

O ^ OXgt; Cquot;gt; o OO O

im .ui \\ (Li (tl iu in /£gt;; do \\ (t; y (u)iuj\\ en .t gt;. ƒ do

• ,.. O o ckh ^mr^(iai\\ zie bij (Uimiw

O • 7 ..

(fq(ia\\ en if j tw uj n ü/) c^iuiw ijtE/inn 1. kw. (Minuw j\\ en njiyii{Skr. m e-da, offer). 2. kn. zie rjdjmav (uil^irjfcKias een paardeoffer, een soort van groot Indisch offer.

O O O O

vj ja ui \\ k\\v. zva. riij vi q \\ en o^inu hii/j\\

ij ut ia \\ kw. zva. ujryw

(EidounAr. l ^Aa , madhah gt; godsdienst, in den zin van godsdieustsecte, bijzondere geloofsleer, bijzonder stelsel.

(Fi da2(hijj\\ zie bij uhic^ en bij foiac^w ij au(ici (Hijjs kw. zva. (Li(ui(mjf\\ {.ui y uaa vnjj Men.). ij (amp;i i ii?i (injj\\ kn. tempeldienaar, die de uren voor het gebed aankondigt; in een desa tevens voorganger in een moskee of langgar (Ar. moe ad din en moert i n, priester die de uren van het gebed moet aan-

cy

kondigen. Vrg. xjii w injj en (vi rjmmnsii/j).

s C) n a . T^.

(F.i ui an oj a. i ia na \\ en lt;li .to on tuj \\ zie bij vi in an \\

(Ej(ici3n\\ verkorting van (iji (Ejaxi tynw

dj f n ici on kw. zva. i?i ilq \\ G. en itj• n i ^ \\ (S/cr. m o-

dana, opvrolijking. pk.).

ai tjiauis 1. n. , zie bij (vixPiw — 2. k., zie bij ijin2(ivijj\\

: ; O O

£/»rjtai^y zie bij ui.uiw

u.i gt;1 na\' ZM ,Ji\\

o ö n n

(t i gt;i (ia hj\\ en (i i - ■

gt;-l LI . ... (I ft

(ti ij .ia iji \\ zie b ij (Vi iia w a j taiy\\ zie bij .tjj^iaw

II n zie UI KIW

n

0l1L//;È7/^NK*gt; zie \'\' i ianiw

nCV \' W nCYnCY . ... o CV \'Li ui \\ en (Ci ui u na \\ zie bij (uii ui \\n

^iiiia\\ ook n. kreperen, gekrepeerd,/?/^

woord voor (tn(£11 \\ van een beest, mei verachting

7 / o ^ O

van een mensen [vrg, ik aas ik tjaji uvji en 11 ij ui z

rjlütl ).

Q\' . /

ij li i ui« zie ij n i ui w

(Li ui n \\ kw. zva. rj Js/i iui iaj^^ t/ii ij ui t \\ en am rjui?

{van iia-n)-, kn. sympathiseren, zooals van man en vrouw en van vrienden; zie ook Z. II. fchuyri\\ 1. kw. zva voorns {Skr. tn a do era). 2. n., a iu^ i?ijnjj\\ k., naam van een eiland en van een vorstendom.

Li^ iaj\\ eign. van de tweede vrouw van Pandoe, moeder van Nakoela en Sadewa {Skr. Mddri).

^(Eirj^aji^ ook irj .a\'rj((hp(Kyi\\ kn. wulpseh in mw nieren en Heeding, van een meisje of vrouw. {Een maitresse?).

0 ... o

Liiuinaip zie bij uiiiniai^s

... O

1 ij (iauii ~ii ij igt; 11 \\ zie bij 01 ui \\\\

O • O o

f 1 rj ui (Kn -ju rj .iai \\ zie ui ui \\\\

li rj ia aai ^11 ofïi oajj \\ zie onder ij tat nu/j\\

00 . 7 .r o o

•liu) lajjs zie bij ^niu\\(lajj\\

\'quot;) o • 7.. 00

Li(ui iajj\\ zie bij ununajjs

ij (amp;ii rj na t (laji\\ zie bij ij un iif uu ui^

LKUKUiij rri(Hi\\ zie bij Ui ui ui nH\\\\

^ O G) • O (P)

ei (iaui\\ zie ui ui w

schouders optrekken; ook rillen van angst oj vrees,

. O ^ Ov O O N na* na»

{vrg. uii uji iji \\ en uii nn (ui/j). vu ui ui vu ui ui \\

durig zoo de schouders optrekken, rillen.

(Eiu^icp 1, kw., zie bij — 2. kn. onmiddel

lijk na den maaltijd zijn behoefte doen, G.

.Lirjui* ij (uii\\ en djn ^JTjuitrjahiWLH. stijt opgezet oj opgezwollen ; van het hart zva. (hii lai \\ en (iJdn irvijj Gil. volg. Rh. uitpuilen; vrg. ijunt ij uii\\ {ook volgens G. uitgestrekt op den grond liggen zonder zich te verroeren). ,uy ia?N kn. gokre-

peerd, zva. dj (Ei i ui w

O o . . O o .

(ti ui ui \\ zie (Ci ui ui a

(Eiiauiijjs kn. toebereide opium, zva. (isiirjiai\\ {vrg. un — (ti(uiii^s opium rooken, aau het

gebruik van opium verslaafd zijn (^r^. .i^ir^Tï/isn^). fiifa(isn/j\\ zva. fiuiuijs zie bij uti uixajj\\

ij(Eji \'j.iai(isrijj\\ zie bij ijx/nirjuiiuijjs (Ejuidbiis kw. J. zva. rri{uniiAjj\\ {Skr. moeditagt; verheugd, gelukkig). 2. zva.

{Skr. b 0 edita y tot wijsheid gekomen). 3. verk. van

0 \\

[O^ e^ui asii\\).

ijttHiaasiisnyf. zva. l^ ui uii - 2. (r.

o :quot;) .... o

(L i ijuuui^is (Ei rj ui i (ui -hi un onjj zie bij ui ui w

o 0 . O o . j.. n

li ij (ui z ui „ /j \\ en (Li rj ui 2 ui un oajj - k., zie bij ut ui w

O C) o OO .

(amp;i(ui\'iujj\\ iliui(ti.i\\ en (ti(Ui rj^iai (injj\\ k., zie bij

hi un w

po

ui ui ru/j. zie

bij (Qiui iujj\\

Ljui LUij\\ zie bij ui^ iariJijj\\

(Ejcu^iujjs zie bij (U^ 1 yru/j\\

riir^ iEr en f idc^iirrj iai\\ zie bij nirj iLi j

7WV\'

■•r 1 u)jj\\ ook i nj ia\\ kw. zva. uiiuiq

.1 hui ui n kw. zva. 11 ili lli luuiri 1112 ia

O (?) j 1 en ui ui\\ iincl-


L

11

-ocr page 1011-

(hi ia nu

92?

(Èldsns

den, middelste, middelmatig {Sir. madya), Ji it (ujp k\\v. en kn. zva. k? hu w q\\ en ik) ïj fo» \\ hv. dO) ïyi gt;gt; m (Et tigji C77 tj tun \\ maar middelmatig hoog. (thu^p ook zva. (chijhoijflnp/j middel, middellijt\'. x:nKi(EiiU)jj\\ kn. de middeltaai, de beleefde taal die het midden houdt tusschen Ngo/co en Krama. (Liig.L^mi(lOyi\\ het midden van de wereld, de «J(Mn) v\\ lutujjjiin^i\\ KW. e?i kn. de middenruimte bv. van een groot huis, 11.; en zva. (if)l o am jji (Ei (Ujjj om föi n ooX: oiï (£?/ os? 4 iuj ,0) n m li \\

en tin (Li ^ rdri (ij^\\ het midden van het luchtruim. dj(ujjj(ui(ia\\ KW, de middenwereld, de aarde; kn. naam van het teeken (^fJINN C^mw in poëzie,

(ui (ia (amp;i (U)jj\\ naam van het teeken n m o ^

vj(ui\\ ook de middelste, bijnaam van

Ar dj oen a, middelsten van de vijf zonen van Vandoe.

a manvis KW. zva. nOhVjfjn (LOjj en un fnjtn rm ii?j \\

1 , o 0«

m het spr. (bi axi (iw mi .ini cüi ru ~/n ^ (vi rjMjw

(£JijiujjijtnjjMi.W. zva. asirtuEJtw G.

(Li(ia a/ij (hfi/j \\ kn. naam van een residentie op Java.

(LhiarjaiisKW. zva. aSl ttc^\\ {pf wel zva. iamp;igt;usiiii(utï\\).

C) . rquot;)

vjMiiniU/js zie bij rj (uii (ici (tijj \\

n .

(Li la iamp;i ruji\\ K., ö// nmvjtuiw

fol ibi (rrijj\\ zie bij ojii (Cu (rnjj \\ .

. o • »..

(S.iitc^xn\\ zie bij (oiac^w

ij u ij tui i \\ kn. ij (Eji ij na t ri (£? ij (di 2 \\ onder hetloopen

de aars heen en weer bewegen, (Tj.) llh.

ij fjUias 1. KW. zva. (amp;ii7rmci/)\\ — 3. kn. met een

\' ob,. w\'f

wit of effen gekleurd ruit of langwerpig vierkant in

het midden, van een hoofddoek en horstkleedje.

— 7 (Ei z (ui tui (in/I met een ^ ei 2 (Ui \\ meer bep. nm.

van een pajoeng van prinsen, ougev. dezelfde als „Q o r)

^ ^ 071 ,ruilN

^ (Ei (ui (ei \\ v. ij (Ui (ui \\ zie bij rj (Ui w

zie bij (Ujjjhw

iMiisnjis Holl. mat (schaakmat) L. — x^ie-i (hu tj (ku s

mat zetten, GG.

o . 0

^Asiijj\\ zie (tm (Ei asii/js

en iamp;i rj iamp;iniiji* zie bij \'ƒ i / ■

yew. (Ut! ijiLiiasnipKN., ook wel icv K-, bevutten, iuhoudeuj beladen, belust, bc-zwanrdj de juiste grootte liebbeu, om ieta te kunnen beviitteuj de noodigc hoeveellicid van «Vm hebben; de capaciteit tot iets hebben (oau ij ui» I.). );?) ï.J(iyn rj mx,uj^\\ kunnen bevatte:). — tjt n \'tj Etitxsi):j\\ ivi^nasii^ met iels beladen, bevracht, van een oaartuig, voertuin of lastdier; zoo of zoc-veel laden, dragen; iets dulden, geduldig, vei-

I ci o

uraagzaam. rji tii \')x.ti i.! ij t ti )j j i11^11 ^ geen geheimen kunnen bewaren, WK. — Sr] (Eli IW/j^

iets laden, opladen, innemen. — mirj ei2

O

(Lgt;ii/j\\ ook wel tni(vti7j(Eit(unjjs en wi^am/js geladen, ingeladen, opgeladen; (opgedragen om over te brengen, U.) vervat in een brief of geschrift; ook iets kunnen bevatten. — (tiij eit(i^r\\ iets met iets beladen of bevrachten; ergens iets in- of opladen; ergens iets, zooals een verhaal, in opne-

n

O

O

men. — ^aai\\ mi ijfcuafi^ïiiiMi/js iets ergens in- of opladen; met iets een voertuig beladen 0/bevrachten ; iets in een als inhoud opnemen; of schrijven; {iels opdragen aan een bode om het over te brengen. Adji Saka, W.). — tj e^u

O , Cl .

tj eh (i^i\\ l. kn., (ei [ij^it^i \\ k., een vaar- of voertuig of lastdier met iets beladen. 2. een vrouw bezwangeren, GR.; volg. Rh. in dezen zin h?d^nnPi \\ N. (Ei{(U^rty]nK. zie bij Jüi.Lnw — ^(Eiiij^n tj hu \\ zva. hl ij e 1 i (i5gt;i rj h 11 \\\\ — (U tj ei i ij (EjI i asrjj\\ bevrachting. —- rj(Eiinrj(Eii(^l^jj\\ 1. kn. (ut^am (uyi\\K. vracht, lading, vrachtgoederen; 0111 te bevrachten. 2. zwangerschap {vrg. fjilt;h}i 11:1 an/j).

000 ekliis n., {~e^ eiiisnj\\ k., (huitTiiiu/j\\ (u hj(et itw/j en

vja^it(hijjinkl., oog, de oogen, ook van een dobbel-

steén; ook van een bloedvin, volg. Rh.

ook oog of kwast in hout of bamboe, zie vjMi

maas, bv. van een net of beurs\\ steen of steentje, bv. in een ring\\ pit van de pëtéboon, bij telling ook wel als stuk, stuks; lEi gt;hti de oogvormige gaatjes in de schaal van de klapper waar de jonge plant uitbot, ieiosii ij tEi rj iei\\ witachtige kleur van de oogen van een g\'êmak, in onderscheiding van Q.Èrrjiui tj vi .m anjj\\ ligt blauw; volg. SG. een periode in de groei van tabak: de blaadjes zijn als de oogen der ikan lélé, als Tj. SHngk. twee. (Q,ei lt;1511 \\ een maas. Eithti vn\'VhHnjjs kn. een soort van waterkers . G. (Eiteti i.ti i^i \\ kn. naam van een soort van hars, Dammara alba, Rmpli. Nat. fam. der AbietineaeP (Ei (üh iui iEti \\ {in 13. T. Dj. (Ei os?) (vt mil (Lit \\ een vertrouwde, aan


-ocr page 1012-

028 iUhiis

wien vertrouwd wordt op alles hef ooj te houden\\

ook een gids, die met het oord lekend is en een

ander leidt en ter egt helpt, GR. Pt uj hn in ri tii\\

voorzien, met oogen van karbonkel, W. I, 24.

\'LI (isn iLI ilS}1\\ KN., ( /| Jj) Kn., WW.ll.),

spion , geheinio politiedienaar.

(Tiasn\\ zie bij (U,i5?i\\ en hij f».i,nw (Fiisip zie bij ivh\\5rj\\\\

dji .üjjnKN. , (Ei iini \\ KW., woedend vooral van een olifant \'y woedend worden, fig. van een mensch opstuiven van drift, {Skr. matt a gt; woedend, verwoed; een woedende olifant), cni ik qiL) ini \\ naam van een zekere slagorde, % n MiitQamp;jty Kyunj rf i.n w/j\\ spr. zva. veel geschreeuw, maar

weinig wol, R.

0 ^ o p O

a dl yj (tsn2\\ iri rj (isn? Kti ^nt ij /. u \\ en n .• itsij^

zie bij iiji.tsri w (F^ isii \\ zie bij nj^ mi w rj F i ij asti \\ zie ij uti rj xw w

tj Ti 2 ij (i5)i \\ kn. glazen kraal of kraaltje, van verschillende kleuren {Skr. moetya, parel: vrg. (Ej i^jjj •r)\\). rj (FjI2 rj (isiiuil Kj kufj\\ naam van een rijk op

de westkust van Borneo: Pontianak, B.v.B. .

o . j..

a ^ dsn j \\ (Ey (isii ? (lm en (Ejj^ dsn q i n rj mi \\ zie bij i n s w

\'f ll V1l ^ ^ quot;N ^ {isn rj un \\ zie bij ijj, r:ij q w

if i uil q n/n mi w/j \\ zie bij rij ryi ^ w

/? i iisii un finjj\\ oude naam van een gewest op Java,

misschien wel van ainqyn^

ie i (hii»\'tl (in \\ zie bij n n (ün \\ IT.

iriabii ij i77\'77\\ kn. ben. van een soort open, meestal

gebloemd, vlechtwerk van een pngh\\ Hh.

o

(* ^ (igt;ii /I rri n \\ zie (Ej foijjj n\\\\

V o rgt; o

(7i(i,ii(i/iimis zva. (Eiasii tnitii im/j Ur. zie btj nu

a

foil Hll/JW

O

(f i (itii in j KW. zva. .Ki (in a i/js (71 (isij on ^ zie b ij nji nsr^ (infjs

kw. zva. iifti ii$t imjj {Skr. mrftra, maateenheid; atoom, molecule j een klein deeltje, een beetje. PK.).

O ^ \' 7 1..

W(Ei,nbiy zva. (i^i hu ui ini,i\\ zie ook bij (u(iuii\\\\

1 tïris kn-, vriend, bevriend. — (ei.i0iiilt;ni\\ vriend-schap hebben, sluiten, (Skr. mitra. Vrg. iixcj^

O / V ^

(ihir^n j^m nnji en [iukhj gt;•»/}). — in\\i5i^(ilt;iij of èl iw^.rn js met een ander ot met elkander bevriend ziju, vriendsebap. — n/i Pi iu^no^ vriendschap.

\'t \'3\'

! j aiy 1. kw. zva. lt;iJiju^\\ [Skr. moe tra pis). 2.

zie i.j (t^ b ij am uj u n ,j \\

! i \\ zie bij (Lii i ijw Jiasimis of (Qit^iini\\ zie bij z?i i n iiw

OS O . J .. Cl\'

gt;i i (Lu \'i i\\ zie bij ui (vgt;n \\

n

! i ii5n r u ihnjj\\ kw. zva. aji d nni/jn

O /gt; o

1 (1511 rl l (E1 J \\ (EI foil H IJl OJ E1 in • 11 E IJl \\ N. , (El 1511 t l

O O ^ O

(i^jjl\\ (Ei (1511 ui ij/j of T i in i i i ijiv K., naam van een.

dist rikt, vroeger een rijkszetel, op Java {Skr. m a n-

thara, mant har am % een fort, sterkte).

ei foil (i(iifj of (El foii iniji\\ zie bij ui i n imjj\\

Ejjfo?iini/i\\ kn. gegriefd, gekrenkt, ontevreden, bv.

door slechte behandeling of door beleediging\\ sterker

dan lynnnj 15. \'L1. Dj. 607. Tj.

i i foil mi \\ verkorting van foi ei un z i foil tmi w

f i iji mi ij (Li no/i \\ zie bij mi rj oji en mi ij ui (inp volg.

Rh. ter pi. W. I, 15 en 59 zva. im il\'i uil ij |y n

bedriegt mijn oog mij niet; \'t lijkt wel, enz.; in

K. niet duidelijk te zien, nauwelijks zigibaar (.■;

foii uw ij ui (Ni) zie (Ldi ij (iji vs

o

f 1 fol^ ini \\ UI .I51ji li II IJ li 11 \\ Zie ui uy^ li up j.. O

c)rt£»ïNKw., zie bij ui fon w

n Cl O . y.. O

ei fon i 1,1 en ui fon ui -^i\\ zie bij ni i-n i ip

ei fon (ijiji kw., zie bij itïri hi/j^ ÜV.

ei (isii J# mi \\ kw. J. zva. (mi iLir.ii \\ {Skr. maks ik a

en maksikd, vlieg, ook wel bij). 2. volgens G.

alle, alles.

o . a\'

f i ij fon ? (iji ~üi \\ zie ui fon w

f i fon ~t^ji\\kw. zva. i/ti vi ii hii2?\\ {Skr. matsy a, een visch).

a\' aS o • *..

ei fon ui fon \\ en (E^ (i5ii ui mi\'ii\\ zie bij in^ ui un w

f i i n 11 a nji\\ K., zie bij ui fon n \\ en bij ie i un n ■\' i jy . ,.. qs

foil ui 11 foil 2 uil] N K. , Zie bij h y I 1 foil w f i un\'tijijl^ 1. zie ui lt;mi ihifi- — 3. verk. van nj \'\' foil irij/i\\ itii f 1 fon m /1 of imf i fon iliji\\kn. half rijp, of half droog, van maïs, peulvruchten , gevormd aardewerk, enz. JR. volg. SG. v. djagoeng, eetbaar, van de vrucht.

Ejuy Kii^ Jr. , moet la k, onbeperkt, on

voorwaardelijk , algemeen.

ei un dl foil tu \\ zva. ie i fon ui uil \\ J3 T. Dj. 222, zie

(El 1511 w

f ifoti llt; ili?\\ kn. ketter {Ar , moe\'taz -

I a h, naam van een kettersche Mohammedalt;\'\'n-sche secte).


-ocr page 1013-

\'f\'®r

\'quot;gt; O „ a .

7»/^y^NKW. zva. f:iihn\\ fin nminhii/f ojri^ v)^ {van

! iKvv. zva. i isyw

n i.))^ KW. zva iu ij icjjj? Kufj {Skr. inif ln/ n, valsch,

trouwloos); ook zva. ili i.icni\\

cu volgens G. groote magt, bovennatuurlijk vermo-)

gen, en zva. nlt;istjjj\\\\

\' O

1} j ihijjj KW* zva. kunn — nn f zva. hu .lt; j

\'i

O O O ir

niHsniwftfnK.w. zva. iiHii/iuiqs vrg. nmuur II. \'li quot;JJI nN \'flil^\' im\'n^ KN. par(il. n/n tu tfjfj0

parellioen, poule piutudo, {S/cr. moetya: zie hij tj i i ?. rf (tsii ).

luamjj utiiü)s KW. zeer verlegen zijn. G.

} i iïijjj w., zie bij i^jjj i )/j\\

fj mi n:n thn { n en verb. \' \'f •\'1 in ■?N \'\'\' \'y f gt;

o o ..

11gt; mi ~n uj gt; \\ en (jew. htj .*; /.j^\\ kn. rustig,

bedaard, zachtzinnig, gelaten, tevreden, stil {Ar. ^AAaJq^o i m ol\' f m a\' w n a h, rust, kalmte).

} I (150 f I l IIJI \\ zie rf-\'l ui) IIISH 1 \\

(.r i .i o f # :i(i/j \\ zze bij ihn (M loqs

•\' f i ii i :ii kn. algemeen, algemeen bekend , overal verspreid.

fi.iasin 1. KW. zva. nj iii\\ e.i rjiin/js {S/cr. mat a intentie, bedoeling). 2. kn. zie bij lt;i:iashw gt;itish i oi\\ zva. ; i n i tj ij \\ of i.i i n7i r»n\\ {een ander zie ben.). — / / ibh »■» n zie bij rmsvw (fj lii\\ kn. rijp; gaar j goed gekookt, wel doorgekookt, van water en andere Icookseh {ook van bamboe, die voldoende geweekt is, CP.), goe«l doorgeploegd, van grond\'y^üwnnww , van bloed; tot rijpheid ge-bragtj voltooid; volleerd ; na rijp overleg beslo-ten «/gearresteerd, »»»-gt;ƒ /•; i \\(hïi\\ getwijnd garen, zie i tin q {vrg. -gt;» in). — .•; tn ij iets gaar enz. maken. 11 i ilii im i.n \\ maken dot iets rijp of gaar enz. wordt; ie/s tot volkomen rijpheid doen komen geheel vollooyeu.

•\'Khn zie bij iijihnw — .ï ] i.n i ] n zie bij iii \\\\\\ —

•\'i i n i i il nu \\ zie bij i rLn\\ en bij fiiiLnw quot;7 11\\ c\'u \'/.\'M.///7N zie bij i o ihw \'I •\' i eti ij : i r y 11 \\ zie bij n n isn \\n fiiisiiiin\\ KW., zie bij r.inshw ook volgens G. op

iemand wachten.

Whiicrni 1. KW. zva. au i?lt; s \\ (^Skr. matangga en m ütangga). 2 k., zva. aamp;i m w

ittisrrrip 929

v: ? js7^ »»^1 nN. , zva. rïj\\\\

{i \'i.yj kn. , ook wel i.lt; ij i js K.y goud, gouden ; gou-

dene! mijn goudene ! als lief kozende benaming \\ ook

een /itel van een fatsoenlijk man bij de Javanen.

s i i i ^iiit.i fiin gedegen goud. m / / i. j/j vierhonderd.

iji ji 2ii m,] achthonderd. So end. lligg. (ly 11 nj

Madoereesch vier gulden koper0), ni i^itië; titel

van aanzienlijke gel)ouwde vrouwen, .*; ki „ n i i i \\

von lag er en rang dan nrj i.i an -jntviy nog lager

is ii i ii t hu in of i/n n i? i, ii ui jis titel can fat-\' (. J \' \' ((O (J •\'

soenlijke vrouwen, die gelijk staat met dien van Mas bij de mannen. .• i i i n ti/el van een vrouw wier wan nrijn ^ genoemd wordt. H. .«/ jy? n ^ titel van een ongetrouwde dochter vaneen 11 11 ij i n i n en ij mi t ini ■gt;) van die van een •\'i i iq gelijk ! 11 i iij rij de titel van een nog ongetrouwde zoon van een f 11 ^ ij r.n i ^ en int i^jj of in i i j van een fii i/j is. WW. uniPutiuf/j of i i /1 i i/j noemt men onder de aanzienlijken zijn jongeren, en linnni/j zijn ouderen broeder, i.n f i \'i- iff noemt ook de vrouw haar man. /1 iP/pj i^n \\ naam van een gele bloem, met fijne bladeren, in de wandeling \'•AlVikaanquot; genoemd, Rh. {een andere

n O »

naam is i.n ; ; i n / / ij n.i mi/jj. m i.i ; 11naam van een klein goudgeel soort van banaan. — i 1 f i (Ki Jn iem. Mas voor en Mas na noemen;

iem. vleijen, paaijen. — ini .e/km goudsmid.

— f i Ki i.i ^ihnjj of f i Ki ,7? u Kiin/j\\ nagemaakt

goud, valsch goud; ook in goudwaren, i n ioi n i

h O

i i/.i-^i hi/j koopvrouw in goudwaien.

ri kis zie tj i\'n ki\\ 1.

o

i i r KW. zva. (Kij ij^ 11 j\\\\

fi ajj KW. zva. urn no w

O ■ )

(f i KI zie i.i 1.1 ~ifi \\\\

.•Mn 1. zie bij ui in \\ :}. kn. een kleinigheid be-\'

talen om uit iems. bosch hout te sprokkelen of

gras, alang-alang, enz. te halen, volg. Kb. zva.

s\'

(t ii f 1 ui n i.i ui,10 i

CO \'

o o o .... o

jiii en if.nj)hj\\ zie bij vinw

tjw\\ ook ij Ar. ^ Moêsd, de eign.

M o zes.

if ikkj! verk. van f i rj un kiw

o • / .. quot;gt;0 if f i (kji \\ zie bij i ii i i\\\\

11 (io gt; \\ zie bij n %i 1.1 j w

f i\'K^\\ i ii^y^ .r a if h ii \\ en u l i ijj ^ n u iio/j\\ zieb ij ut njj j w


59

-ocr page 1014-

(11 a. I \'h H/}\\

930

! I 11 \\

li tj in ^ zca. 1.1 hi % w \\.f i ij i it ■gt; i/ii (M ij rn i i (hii .quot;j n

dc godsdienst zuiveren (reinigen, verbeteren). G.

quot;) £)

it. 11.1 j \\ .rva. tiji 1.1 gt; - mp n j j w

■gt;0 O O

iamp;i i^i; \\ en 11 i jtiJii ij i.h\\ zie bij iiikisw

a -gt; o . j.. n j.. quot;gt;

(liojji^ en it.iiiji,%(uii\\ zie bij i?i i j{\\ en bij ukk^w

Ti

(K/)t?\\ zie iamp;i\'i-i gt;\\\\

rv\\.

r i fKi of ii Khi/ij \\ J. Ar. • kn. zvu. hoi tut

ti iiw — 2. verb, van v / ».»/,_•ƒ. 2 — riKrJij\'ii

ij h 11 . ZVU. f. I urn I- ii - ii rj /. u

: ~) / .

if. i k ) ijn \\ zie i ii . iiw

OS.... \'

(Kijjcuip zie bij d j \\\\

) ■) • . .. ) o

11 m i di i- i thii/j \\ zie bij \' i a.i 111 k i ihn/f -riw ^ii ii igt;\\ Ar. m a s • a I a h , quaestie, on

derwerp of punt van quaestie, zva. Ly,irn\\ ook in den zin van m r uj^ Zuo ook wel i km ~\'ii n.i q i n i n is

r i j.j iri ? \\ Ar. jjJj) [sc , ma sj d a-l l d h, wat

God wil! wat God behaagt!

verdwijnen, onzigtbaar worden {jto aar schijn-lijk verb, van het Sier. viuxana, loslating. l\'R.

I/ quot;* • Ll\' \\

r rtj. i,ii \\ tuil ii i\\ en ojicm••).

ihi iki ihiij\\ zie bij n u i.i ;hi,j\\

O O O

fi i.itui/j 11 (ui itj\\ en iiKiijtni/js zie bij ii.kihi,^

o • 7..

I j Ij (KH lij Zie bij :Lgt;I (Kj \\N

^(hi\'^ u/js ook (Ej\'Kiiy nip Ar. . moe-

sa unify auteur, schrijver, van een boek.

-d1\'• ysamp;.K) gt; Misroe, zva. .niiliw

a * o o jt O» o • j i i

f i ^ of r i ajn en ii i (K-ij n of riKy kn, iets dut

voordeel oplevert; ook dat laaft, voedt of verkwikt; WW. en het uit de opiumpijp verzamelde roet van u^nuy om nog eens gerookt te worden {vry. / »/.»/ i,n mi,!). JH,, vult/. Rh. de uitgeperste opium.

O quot;) . quot;ï

\'LlhKriS Zie I fKlW

(t i ih \\ Ar. i s-r, naam van de hoofdstad van

Egypte en can Egypte. .iiiigt;j^.{.uIi\\ Egypteland.

ij i\'id.f i ri\\ Egyptenaar.

»/ . a\' \\

^ i.i KW. zva. i ii j ; ij {van tijij i i\').

li i.i i, ii j \\ Ar. ^-c masjriky liet Oosten, he-

naminy van de landen, die ten oosten van Arahi\'è i

liggen.

1 \' ^•quot;\' m oesjri k, veelgodöndie-naar, heiden [vrg. mi itw).

iLi frytihiijjs Ar. (?) middel {vrg. i rnihn^).

lih?i\\ of kl i^iv. zva. i i i.j ik i,i;,\\ (Port, masque\'). UP? Mal. m as kip o en.

i ii.) iiiij\\ kn. dansgeld, geld om te mogen dansen op een openbare plaats (nrjj); de betaler krijgt na afloop van de dans i. n jy \\ of een strootje ici-gaar), Rh.

{lajj hiijjs zie bij ajnojjtuiijs

rgt; o o o o n

(i i(iJijii ii/l en ii i i.i ini \\ zie bij ui h i laijj \\

\'*1 \'* Holt. m u z i ek. — nj ij ». »ƒ Qfi/j m u z i e-k a n t.

\'ij .lii(k/i itiizie bij ij itni èwiixiiji\\

11 ;.■] h ii \\ verk. van l^ uj u w \\ iel .•; ui u n \\ passief.

^ mm/\\kw. zva. i n i.ij:kiji\\ rat of muis (Skr. moe-s i ka).

O • quot;gt;

,li li hll ~ ll 11 lill \\ Zie btj ..\'ll l- iw

i.l (hij of l rij inn \\ kn. arm, noodlijdend {Ar.

jS-^sC • m i s k i n 0f m \'i s h i n\' Vrlt;h 1 \' ni \'\' tbn/f).

o a .. . ) a a )

— i.ii ,/;vuj,\' armoede. — :i li uii,i;jgt;

te arm.

li (^u verk. van .• i i.i ^ i/n \\ goudsbloem, G.

.• ri. i kii ij iniN zie bij 1.11, n j \\

li klim injj^ kn. moeilijkheid; é-w moeijelijke omstandigheden , waarin iemand verkeert, ellende, nooddruft; nooddruftig {Ar. mo e sj a k k at, moeilijkheid, ellende. T\'rg. ui ijHH oji \' \\ e\'/i.iinij hiimiijj). — mi (Li (ui un quot;tfuiQl \\ ellende, nooddnif-tigheid.

^1 ui }i)i itJiji Ar. een oud familiestuk, dat bij erfnis

van den een op den ander overgaat ( Ar.,__

moes haf, een boek, inzonderheid een exemplaar van den Koran). R.

O i O o ■gt; _

verb. v. : i i lijiuïi\\ of iiiiinui \\ —

o

IM (ui -jn.iji i.i^ \\

o . O

(LI (IJ) KI \\ Zie iUI U j (UI w

Lifc-n KW. leven, G.

7 *\' !;,jx ^ 6\'

^ /* ï o • I ••

\'\'lifiy^ 0J \'\' quot;ij ^K gt; zie bij uii t uk ijl \\

) s\' ) X j n / ..

n of l i ■»i inji\\ Ar. zva. ik ioui uinji een lr-

nieerplank, een plank overdwars met dunne touwtjes bespannen, die wen op een papier afdrukt om het te linieëren.

)

\'{quot;IW

! u ui Holt. m e es t e r, geneesmeester, — ili n.\' i

■ Kihii n

im^n ijiiii iemand door een geneesmeester laten

l^ i j n\\ Ar. ^jXhU.o gt; m 0 L\'sj la r 1 gt; naam van de planeet Jupiter.


-ocr page 1015-

iQrn.U/js KN. oen langwerpig uit het kruis omhoog uaar achteren spits toeloopeude strook of lap, aan een broek. CP.

lu uhiin \\ of de top of kruin

van iets; KiV. top ol\' to reu van eeu tempel of moskee; kw. en ki. van nmttni.in of !/?j h ^ (Mr.

cij \'—j\'

mastaka, de top van iets; het höofd, de schedel). iu m t. o n i/f n Ar. » 7,1 o es I a h i l , kn. zva.

vjiEii hu n i/js ondenkbaar, onmooglijk\'.

i\' i.. O quot;gt;

s) foi i n \\ zie bij nj) vnj gt;i n w

ij tik \\ Jr. ^_q ^ ^ , m o est a p h d, de uitverkorene , een eerenaam van Mohammed.

quot;Utquot;*\'quot;quot;-r ooh wel Ar.

m oes t a djdb , verhoord {vrg. i n mi ik i njjs i. n

O O . .

uhn hji \\ tn l\'lt; hj, \\ ).

O * o O .O

iamp;l KI \\ OJ lï.l KI \\ zva. t ï ts»l : /I \\\\ \\ (UI VI 11 II (KI \\

. o o \' n

zva. tui (amp;! n.i itji (Ui w — amp;i u i. n -jii ij /. n \\ zva. iei

i, n uoi „jii ij aai SN

O O • ) O

iliiki ki/J\\ Zie hjii ki ki /j v

O O

iu(ki:ki \\ k\\v. zva. n/n il/i asnmi/i^ (}.

« » ^ KI (KJl \\ /E/| ^ M »v7 \\ rtE/J ^ K I (KI Kil -JII Ij I. II \\ en lUI

(Ui rj (ui Ki \\ zie bij (ijgt; ij (Ki K i w

O

(biijtiJiw\\ enz, zva. (Fi ij Kiti^is enz.

o

(utjoji(m\\ enz. zva. aivi ckiw\\ enz.

o rgt; .... o

if.i ki kiihj\\ zie bij (i k i k i m/j\\

o ( )a/\' . r . ,

(u ki ^\\ zva. i i ki\\ in de Kawische zamenstelhng

n?i ki de koning vau Egypte.

iamp;i(ki.t#iïi,ij\\ zva. •\'i(ijl u i s \\ of ihkihi\'w

a ^ * J (ja \'i.\'

(hi ij Kii (ui s \\ (\'hin. zva. (u i i s \\ (zie bij (i ]\\). 0 ^ o / . ,

eu 7 ,,h^ zie J quot; l ,;,/i A

} j. K) ,J) \'\' foii/j \\ Ar. Xjj , m o e sj dw a r a f, raad -pleging. — MiiJi ui ntisijs k\\. iemand raadplegen om zijn oordeel te vernemen. — (f j ui ivi -n a^irj kh \\ omtrent ieta een ander raadplegen, om /.rpi mee-ning of oordeel te vernemen; omtrent iets bij andereu navraag doen.

O . gt; . , quot;) n fjJ )ji zie \'vruuijiji\\

iegt;i Ki tui ihiï \\ (t i kjjj ui ,1$% \\ of i i k i} (i./i i n \\ eign. van

den Vorst van IF Ir at a, schoonvader van Ahima-

njoe {verb, van het Skr. M at sv apati, de Vorst

der Matsya\'s of Wirftta\'s).

\'t-ickji iu/j\\ Ar. , tn it hl: gelijk; kn. m k! iu/j of

P O r* O

(tjh%ji thijjs voordeel {vrg. 7j (eh ho ^i iu/j en i n k i quot;óf)- f\' ar. vjs*-], gelijk

loon, evenredig aan de moeite, ij imi (rm m ah

(^KJIIJ^ 931

Ji.iyfs voor het Ar. ^jl^) gt; mdl mithli,

goed, dat gemeten ot\'quot;gewogen, eu waarvan eeu gelijke hoeveelheid vergoed of teruggegeven kan worden, n/ii iu m n i/p kn. voordeel bedoelen, met het een of ander te doen.

(f\'j^ojiiiliq\\ Ar. kleed. G. {misschien Ar. ^\\}y^0imoe-

ddl, met een sleep, van een kleed).

f j ui ili\\ of fj Kii ^fiiLi\\ naam van een wapentuig in

oude tijden {Skr. m o es a I a y een knods).

i l iJi kii j \\ Ar. m ast ah ah, u uttigheid om

eeu heilzame rede; verleening van verzachting vau straf\' door den Vorst, om staatkundige ot andere gewigtige redenen.

(Fjida luiisn/js Ar.? een talisman.

\'f-\'jl i^i (M/j\\ Ar. ^,^0, m oes l i m , M o s 1 e e m, M n-z e [ rn a u, een regtzinnige (vrg. (i:n ki uij).

; ki lm kn. benaming van een soort fijn wit linnen, dat

in vroegere tijden ft Madoera vervaardigd wierd. (r.

o O ij- PO

!iki.i^gt;\\ verkorting van kh f ifi. i * ƒ ^ zie r i^ ui w

t idji ^ i ij i n i ki kh (in/]\\k., zie bij /1 ki ^i (ia n\\ (amp;! i / - jnkn. nutteloos verloren gaan, geheel vergeefs of voor niets, daar niets van komt; oo/f kwijtschelding van opbrengsten.

i i iji n kn. van glus nagemaakt edelgesteente o/* val-

sche diamant, W. verb, van saffier.

^(iiii\\ Ar. kn. bedelaar; bedelen; van santris en hadjis {Ar. gt; moes dphir, reizende, reizi

ger Vrg. ityt i im/j).

(h ki wïio mi ii i.ii\\ zie bij dim (iciw mdj^ki\\ zie bij ijiij^ uiw ook iemand boven anderen

in zijn gunst stellen, boven anderen trekken, 11.

o quot;) ....o)

ir.i ki (ui f iji zie bij (ki toi (fji/j\\

O . C ~) o . quot;) O O quot;) a O

if i(i./idcij of uw(ici/j\\ ook (f iki nnhii^ en kkei.ïii * ii/j\\ kn. moskee (Ar. \' masdjicl, of

4

volgens andere uitspraak masgid).

o

11 \' Jjjx K w ~va\' \' gt;j mi VN zie (uii (Kjij w n tiqji2 tilkn. naam van een boom , waarvan de schors tof medicijn gebruikt wordt, misschien sassafras, Fil.

(ui ki i i i \\ en /j ki tn ay \\ zie bij ui kiujiw ? i i\'l 111 m] n en (ui (iji tn tuil ij k ii x zie bij ui il i li uii/^

O o quot;) o • i ••

(ii (iji lui ki un/j en tui n (ki (lu ki bii/j\\ zie bij ui ivi lli

(ui(unji\\

quot;\'êjr ,!quot;lwss \'ie iij yr

(t i k^\\ kw., zie bij a-1 ej w

B9*


-ocr page 1016-

1} icvnxms

O

983

iMiJifi/j kn. (zie bij niiijn/i) niet meer «ieuw,al gedragen, van lijnwaad of (jehalikt {org. vij i)

ll-.U/j).

{)ii i f )q kn. vervallen, mager en bleek, can Iemands gelaat, llaanw, histeloos {pok can handelimjen,

Men.).

O • ... quot;)

Y / / r gt;: i/)\\ zie bij iftLmtKi .• )js

i / i i ifi\\ Vrq. \' moesammd, genoemd, ge-

uS

naamd (ü/\'^.

Vr. j^-^yc lt; vfiasm oèr^ kn. psalm, benaming van de psalmen van David {vrg. r-lt; ry ).

~ bij -i j i i hn/i\\

) o o . ■»

! i Ki lt;rti (t,n/j\\ zie {iiiixtj\\

//r)rlyj\\ kn. bezwaar lu bben ö/* gevoelen , tegen iets of iemand bedenking hebben ; zieh gekrenkt gevoelen {Vr. aiasr/toély geoeenneerd ; be-zorgd). — \'\' bezwaar tegen iels.

ï v.j hnij kn. ongenood ü|) een maaltijd meökomen eten, zieh indringen om mee te genieten {^Vrg.

lt; wasboé lc, geanticipeerd, voorgekomen). H.

O i 0 ir

tfIKix.tiihn/j\\ en verk. i.ii niii,^ I r, woe-

sihat, onheil dat iemand trett, ramp, vloek. /.n uj fFjj /l.im migetroffen ot/\'te treffen door een ramp, vervloekt, vloekbaar.

i.

ij l i i^jjj w kw. zva. j 11 in \\\\

\' \' uijln ^r\' m a ((\'bah, k n . altaar.

(hA y kw. ZVa. I I I n ^) nn

kw. zva. i3 n \\ (nl. ihj ~|~ (hu \\).

iri ui\\ 1. kw. verk. van ili uiu:i\\ {zie iuuiui\\). 2.

kn. en n., zie bij hji uiw n ui\\ k. . zie bij ui 11 w

i tuji\\ zie bij ajjw f.l ïj ri?\\K\\\\. zva. ininfi-lW

(Ui (Ui zie (un i i \\ vrg. ij i rm ojijj bij tj i n i in ui riuis kw. zva* \'fiuus en zva. t\'iun iuin\\

fj\\ Q1l(l

quot; u ^

iUii i:in gt; \\ ajtyiji iui i xi j en 111 ^ i i ui/j\\

\'ijtf-\'i?ui\\ kw. zva iu;ui\\ kn. ledig van een nest,

waaruit de jonge vogels weggevlogen zijn, llli.

tamp;iqv kw. zva. ij f n^\\gt;

,.\'Uij^p\\ en iui jjj; * mj i-iu zie bij uiajj j w /ui tf ut j \\ kw. , zie bij ij ui s w

fi ui 1. k. zie huuifw — 2. kw. zva. ij in (}-

1. kw. juist, tijdig; rijp zijn. G. — 2. kw.

3. kw. zva futnjijw —

i ^

\'l. ^ UI v \\ n., f 1 ui y\\K. zva. .1 Ij hll ui Oj IJtji ,hll (UI \\

en i uinjj {vrg. lt;ui gt; \\).

o .... o

.«11 i r n • zie bij lt;ui ui urn w

) \'quot;) O \' ) ....

j 111 gt; un en i ui gt; un i,n an/jsK., zie bij uj, gt; \\\\

f J tj sq/n . en ij uj, ■gt; i n tj 1,11 \\ zie bij / j nj f

ij .u y./ i {tun en ij 11 tj ui :gt; m ij i. n \\ zie onder ij

tj (UI ? w

.• i ij ui 2 (Kiji \\ Md.. zie tun ij mi w

quot;gt; »

(fyjtVjjdfi/is /1 i j uj x en u i v J uy t.j mi] kl , zie ui o

iUIWJis

O . Cl

(f.i ui ;ui \\ kw. zva. \' i in /tjjj i i \\\\

iui ui mi \\ zie bij wj/iw

Uil J t ij

(f 111 w J \\ zie bij ui 1.1 ?\\\\

tsi gt; J I I gt;

O n • 7 .. quot;gt;

•\'i ui i^i ui ilt;i\\ zie bij u) mn\\

i ui x kw. , zie uiw

J O

.• i ui\\ kn. roos, van de Pers. en Ho 11. roos {vrg. hji ir^ if n it ^). in mji {of vjiisii2 i li) f iui\\ rozewater (ook dat van de Jav. iui ii^ty ili? gedistilleerd wordt).

.! i(u^\\ zie onder uijw \\ ui u^ un overal wit (vrg.

uj iisn ; iff njj ui/j).

■i aS ■ ... o a/

tr i n \\ zie bij uuuiw

cy .... cy

^ j (Ui \\ zie bij urj^ ui \\\\

/ / o . j .. /

ii 1,1^ \\ if J 11 ti \\ en f i no^ ij i, ii \\ zie bij tjj \\\\

/ ) Sr ^

Ij f 1 IJ lt;UI \\ kn. zva. .li) tj ILI ij Ui \\ Of \\ — \'/

tjI ij ui ij r i rj ui \\ zie ben.

ij ! u ïj un \\ en ij f 11 ij uir zie onder tjuuw

/ o .

tiii n\\ zie 11 ui w -gt; . *)

ifi i )i n (idi \\ zie i i u iui /j gt;

CY o \' . j.. C V lt;quot;)

(Ui ui ui n zie bij ui iui\\\\

S-

I njjj(ia \\ zie bij .uj^uiw d l itJi(Uiijj\\ k. , zie bij rj unnhiijj^ — (Ei, ui^.u?i \\ zie bij

ij 11? ihnji\\ — li .ui(L,iihn .m/j\\ zie bij duliiw ifiifniij verk. v. d-j) ij ui2 ili j kianknab. van het met

de volle hand pakken van iets.

! i tj n i? iliji freq. Tj. vrg. i 1 rj11 ili/j BV. en mij

7 quot;quot;W

i(ui i\'ji\\ kw. , zie ui vnw

-gt; . i f ) i r n hjji \\ zie t i n n i/j\\

ys .)

ïj(LJi ij ui ij 11 ij ui \\ — kn. nokken, snikken {vrg. i\'

(oy^uii^^j l\'llj). (f.

ij.ui ijfui unjjs kn. den mond of de lippen vertrekken en verbroeden , zooals een kind doet dat schreit of schreijen wil.

zva. (fj^ n j r.ii ui it ufj


-ocr page 1017-

iF. l lt;VI HU \\

O

(Wf i gt; kw. zva. nu u u \\\\ s

1 o o

j i7i nihil pi \\ van i)iijnnii\\ zie ijni.ifw

/ iriicijj\\ kn. afzonderlijk, op zich zelf, niet met anderen meê, bv. i (Ui ij axi 2-ti { *1 itJi ij m ^ op /.ieh zelf wonen j 1 ui an r.i tj an rj ui\\ afzonderlijk alleen eten (niet met de huisgenoot en mee). W W. 11

i ui i;i/j en ! i iUJ aii ij i. u \\ zie bij a n fu^ici/p

gt; o ^ \'

j i riaxi \'H \\ kw. zva. a^u on ili . i gt; i an/j\\ (t.

ihimiteiiji of (f-i uiilgt;ii/j\\ kw. zva. acj\'n i.iiw G.

v i a ij aui/j zva. iti (Uj a :i q \\

na o

airiatn\\ zie gt;ui

0 o o .... o o . o

1111 a au zie bij ui 11 m /j onder ui asiijj \\

1 i ui hi/j en iri ui i i -\'i tj },ii\\ zie bij (Ui(Kijj\\

. gt; ( ■) . n (. gt;

\'\'\'1 \'cJJI zie \'V}\' \'\'V

•\' l \' l \' \'//\\ :,Ji * ^ \' 7//N

O O

7 i ij (Ui ? aji n KW. (f ;quot; ^ ?N quot; / f v.

\'quot;gt; . O

rt » / v v ; (bn \\ (Dj; i a3ii w

nr,ti,ip KW- zekerlijk, waar, {voor -n uiii i^ en dit

voor in uiteifs van \' 1 (^s pk ).

f-ia:i n,yj\\ {van (Ukuutiaj^s vry. asii tui ruji).

o O .... O

11 ut ii 1,1 en a i iui lt;ui m/j\\ zie b/j ui iyi ni/js

) • /.. ()

n ui ii j s zie bij \' i n,p\\

fidjjjfitjs kn. naam v. e. der paringJctilan s.

a 11 .L\'/ii ai njj \\ zie (E i ui i. n aslijn \\

^iiu/j\\K.w. zva. a/iii.i^w

a\'.i \\ ook irijj \\\\ kw. zva. tf j uiq of ui $ \\ ui asii \\ en igt;ii n i\'d asijjs

a i a\'a \\ (uii a 7i \\ eu aji ! 11 a a:n an/j \\ zie b ij i i üi w f i tj \\ ,«gt; tj rif i i uj /. oi iM7j i\'iz ui any \\ zie onder Ij IJl? w ij \'u zie a/iji on

*1 üp zie bij Uj a y ■■ en bij i ƒ uij \\\\

,, o o n

\'i\'i m\\ en f i ui ui 111,9\\ zie by i.i tnw

fini/j of i/ii if^i \\ gew. au ii n^ijp ooi\'wel uia.i

nijj\\ 1. Ar. • kn. g^ed, goederen, roerend

goed {vrg. whs an ariaii an^ en (intf ui im/j^ • oo/c

■i n •\' i n ij of a i tin i/j zich goederen of rijkdom

verwerven- fig. zich geestelijk good verwerven door

weldoen en goede werken, JR. —3.//o//. ni al, om

iestop te spannen of te vormen (vry./. |M y »:/»

\'ia ii rin ip. eenig goed. * rn r uui n ip zijn goed

hij uiterste uil verdoelen. •gt;! llt; ui n ins ^ ik(i/ri n

\'IJ/} 0f \'aiaKajn /FjI ili^ zie bij n i\\\\\\ — ui ! i in\\

goederen , rijkdom of voordeel aanbrengend, volg.

Hh. ook goederen, vermogen enz. verschaffen aan;

aj iFj! aa i/j 983

(vrg. r.» ir. tj ku i,j ). i.n f i i^ialt;i/js groot voordeel behalen; verrijkt; ook veel krijgen, een groot aandeel krijgen.

tj 11 n i/j of a iiij f i u i j\\ kn. bewoording van een gebed of formulier van bezwering.

/ . x

it i * i n zie (uuuiiw

!iiii\\ 1. zie hij (uunu II. — 3. ,fini\\ gew. f aim ■nis kn. euvel, kwaal; een gebrek hebben, kw ook zva. aj ia cru lt;:/ j {Ükr. mala, vuiligheid, onreinheid; zonde Vrg. ly an n\\). ui bh a j ^a/u aui iii?ijf i ai i\\ benaming van oen corps pradjoeriis van den Soesoehoanan. - /.// /; lijden aan

een iiii\\ bv. 0aiilt;tiii / ij een te groot of te klein hoofd hebben. — u ai i an na j\\ of i unn ipj anjj\\ aan een kwaal of gebrek lijdend.

iuinj\\ 1. zie a iiip\\ —2. il//. beschaamd,beschaamd worden {vrg. i nan in/j). ^

(in rjau? n kw. zva. (Ea rj t i i\\\\

o

ui iluk., zie rjvuw

o n . na .

i ii u zie bij nu nu I.

s un^ zie bij anai^w

fj n ;\\ n., /mmn k., oorsprong, waaruit iets voortspruit of voortkomt; begin; oorzaak, rede; oorzaak dat, reden dat; om reden, dewijl, daardoor, daar om, oorspronkelijk; ook zva. iJia.is wozentlijk, inderdaad; ook vragender wijs: is \'t mogelijk, hoe Is dat mogelijk? tympiy isiu (BP. 1, 30), hoe komt het dan? ^iniiiiu in die bet. Men. Isk.

{Skr. moe ld, wortel, oorsprong, begin. Vrg. a n

1 . ■gt; i a i a ii j en i i i.u i n j). } ^n inj i,j \\ a i n i i j i j an j\\

dc oorzaak van; de oorzaak of reden er van ; reden

dat; daarom; dat is de reden! daar zit {of zat)

hem de knoop! a5i au inyiu van klein af aan ij

ij in/ i.i gt; fj n u van kindsbeen af. ai uh im mi fj

(Z) \' gt;

nu van mijn aankomst afaan. } j n i i i ij mu iji^ji

/ y ^ v quot;» O lt; ) / /• ^ 1

{of ! nji h ij iyji\\), a i ui! i h it i ai an j {oj i i i i an

an ij of an ! ^uj uii\\) reden dat het zóó is? gew.

met volgend i ir.iur.nj of (un ui ani i, en dan te

vertalen Voornamelijk! o/te weten! (Fiaiaf^im

oorspronklyk, en eigentlijk. irun uina\'u wezentlijk

en inderdaad R. iriauu^inu ook n ai ru^mu hc-

gin en aanleiding, aanleidende oorzaak. — va au

n r o a n n a r

fuii\\ of \'f j ii-i^n/ii\\ H., fiauxms fin iqa/ii\\ of ij

auia n iqaii\\ k., Ml. en tp. zva. u ui a.yi\\ R. —

icn (fa au m ^ gt; k n. zijn oorsprong hebben; oorspron-


-ocr page 1018-

O

fl tj IU

9U

klijkc natuur. — m (tjirtrini ^hijmus iets van den oorsprong af beginnen, met iels van de meet af aan aanvangen.

.zva. ifjninnijp G. — .l/iinj\\KN. uitdrukking van het gelaat; uiterlijk voorkomen voor liet gezigi (yry. ajijixt asven a i ut» i aji

nfJJjf zie bij p T.

(f^ni\\ of it.i if.j ij \\ kn. achting, hooge achting; ook l i if j n i ter eere van iemand offeren («SXr. m o êlja, prijs; vrg, kw. nji nu\\ am\\ III.). M7V» i. h q \'ïirJ 7 quot; m cere-offer, offer tot eerbewijs. — huk.nr.yi in\\ vereerd, in hooge achting gehouden worden,* vooral door eere-o/Jers, VV. —

o O o o ,

y rult;Hj\\ liiff yi n i tn i ) ^ ij n i i j \\ ter eere van

iemand een offer doen. — 7\'/ kquot; N of

(iji ibi rj iriji ui) ~ji) ij in] \\ iels ter eere van iemand ten

offer geven. — ajuej^i )i i\\ achting, betoon van

hooge achting, in den vorm van offer hand e.

if \'Ei trty \\ zie bij n n n i) w

rj (F,i ij itx.i \\ zie bij ij lh rj uw tj tin if r^.i rj ru \\

nm. v. e. fatsoen v warong ka, Tj.

(tj :lii fn/^ \\ zie hij y tt» t n j w

vj (fjt z tj n i s kn. uithangen, erg. uithangen, bv. v. e. windhoos uit een wolk, li. Men. {volg. WW. grondw. i/ni rjn )\\).

lt;vj tl i rj (TL)i \\ KN. en ( lt;i/J0 )jj an/j of uj jnjj \\ tij.) nokbalk van een gebouw, de vorst; ook o^l .uj wj ojj m ^ \\ {vrg. ij tui dj tm\\ en a ). i}j)(ij)j Ei z nrjrii g\\ aantal nokbalken, voor-aantal gebouwen, groot en klein met el kan der.

viruss KN. wat meer is, bovendien nog, ten overvloede nog, daar komt nog bij, zelfs (vrg. iLiru^ en (amp;i ru % foiti) q\\ ja, wat meer isjazells

nog. if.) m j rtj / v ^ {rjnmi ni );y -r)) eer meer, (dan minder). — if i nu % un \\ zie bij gt;; ri i q \\\\ nu ^ \\ l. K., zie bij dj) rjdïw — 2. K.,zié iu gt;f nlt;j qN\\ — 3. KN. zich anders of in een andere gedaante voordoen, zich veranderen in iels anders; veranderen van aard, gewoonte, enz. {van (in nuq\\ zie f ) ru 111 (i.i {of wd?) ) zich veranderen van gedaante. — i) n ? nu j ituiï gedurig veranderen,

bv. van gedachten en handelwijs.

o ,..

if.n rj mi % \\ zva. itiD/qw — ,} itjnu^tni)) ).i)\\ zie bij

oj) rj nu q ^ p O O ....

f) ij ni) f \\ tin Y n ij mi ij nw \\ efi (Lt iei ij m 4 \\ zie bij

( )

(U) n nu j v»

n .... o o o • i-

(uni iq\\ zie bij vin i{\\\\ — iunu ^(uii\\K., zie bij f ^ni ;\\\\

O .... O O O

f j n) 1 gt;\\ zie bij nn^nu^w — (e^f^niji^s en itj ru^vn

irj ooi \\ zie bij x.j n i q \\\\

quot;l «l^ gt;ie b\'j quot;yp*

O

(F.!rjni/i{\\ zva. nujw

0 O Q . ...

(i ini 1 (Lii \\ irj 1L1 iLin/i) \\ k. , (f.yua/ns zie bij ie^ juw 1*1 (Eu 2 nu j \\ kw. , zie onder 111 n 1 rj ru ^ w

p o . j.. n

(U nu ^ (uii \\ zie bij aji nu j w

o rgt; ■ f ..

i^l tu juii \\ ij iin ml % (un \\k. , zie bij lE^ mnw

ici hi ij mi mi mil ,j {mal a.- hé k at) k n . engel, (Ar. \'*ÜU. in aidi ka t, coll. mv. van 711 a l-

ak, engel).

n nua/ii tvap/js naam van een berg {Skr. Mdl ija-

wdn, naam van een berg in [71 dié).

o • ». • Q Y \'furu^Einu^ zie bij nimi^w

(M iunn\\ of (Ei nu an \\ zie hij nuanw — if i nu na i[j

zie hij (ui no w

^ nu on \\ zie ij ei 2 nu mw en zva. ui nu nn\\

Ij (Ei 2111 un \\ ook wel fi umn kn. een Mo ha mme-

daansch wetgeleerde oj legter {Ar. , m.au-

Idndy ook wel moét ana, onze Heer, ee7i titel

van 7nagistraten y regters en wetgeleerden), rj iu

nu(m ii i 111 i/p een wetgeleerde van Koem.

o quot;gt;

ifiii nun. j^ zie bij ui nu w

uirm (iflj\\ kn. ben. v. e. stand van het padigewas, als

enkele aren zich vertoo7ie7iJ voorafgaande aan ( y

(Lii n.iiji Rh. vrg. a^i rm ani/j\\

\'f) y) rln 2 n of (Ei nu 11 t in2 \\ Ml., vra. ri l tluin 2 \\s \' 6 6 1 C l J ( Cl

11 ui 11 n\'i) \\ en ri iei n rin i \\ zie nt mi ijuin \\\\

1 quot;x \' (A ( n I (i- J I fa

tE i on kj \\ zie bn 1 111 nu 2 on w quot;,/CC7 ^

lE.j nu np \'l i \\ zie hij a/i^ nuan rt w

a • J n

(tftms zie onder 111 nw

quot; o -po . n o

ui of (EJi (ru §() injj \\ zie ui ru fai hi ij en ui nu

iir

na/ :) a a\' ^ o a/ cv

uiiruföis if iiu(fn\\ oj if^iu(fn\\ zie bij a/r^on\\\\

o/ . ... cv (Ei mh on\\ zie bij o/r^ tpi w

\' _ ) 0«

u) ai 11 an onjj - i, 11 ui an ri 1 1 on j \\

ui nu 11 r.iii2\\ kn. naam van de vrucht van den so-

\' r\'gt;

boom; zie bij ij uo 2 \\ (un om nu ii\\ Wa7igs. m a

nurjuni i w

0f fi\'Vc^l^N KN5 ontveld, wond van de huid, bv. door schaving; vooral een brandwond {vrg. nj nunj kj js\\ en rj n u rj O^jj2 {\\ of rj[^gt;2rj orjij? ^ n)•


-ocr page 1019-

I

fi \'i w \'ie ww

7 f,\'quot;I s 0f *-pjj\' \'N z\'e bij \'I nn

vulycns G. indrukkeii, oen (leak makon. \'I \' It \' \' j ,

iiinn/n* kn. , m n i j, /1,/ j\\ kd., lijnwaad blecken,

//67 om /iet schoon ie krijgen{vrg. renins

van inn/n*). i?ilt;itn/n\\ ook wel dot pain ^ passief. (c/ quot;^ (il (d

l Tquot; \'quot;i3S ^lcc^el\' iVl\'0- »quot;? »\'» ^ uj iij \\ en .! ]in isij ). — \'fi*yrj lt; i rj uit \\ tr) fn uj iw (m/j\\ iets

laten biceken, te bleeken geven, R.

o O Ó o /

,n gt;ƒ iiL))!)n KW. zva (I\'m r) cm asn tui (kmw

vrg. *1^™\'

O .O

; 1;tl)) ) ZW -n )() ) .ISliqs

O • O

j 111 tj (IJ) ii5)jji N ^ ; \'ji ibT»^ \\

/» ij )i.) ij DJ) nw/J en tj rj in (igi \\ zie ij )L) rj t.n

,i i iu\\ 1. kw. en kn. zva. ied n i f w — 2. vrg. kw.

(Ü) YD W

(ii )u\\ zie bij ru ^ 11.

o / gt; c\\ S o S o/\'

,E) )i)\\ zie bij (U)) ri ) \\ en bij i i )i.)\\ en vrg. m rus

o a/ n .... o o/

in )U\\ en it)))furj^ns zie bij a/n ii)\\\\

/ * s o

*1 ))) . of r]ih)g r) )\\ kw. zva. an »;) hi/j\\ »j» o rl/j ?

in,)),))^ en vj lt;L) 2 \'tp ^ (vrg. ni n is 2.). — (L/; \'fj rti \\

f s o

oj n/) ij f irms zva. tui uj o:) h)^ hj) vni iiyn).j en

M )) f ) ê l~l W

\'lquot;f eH ,f/;\'7 T\'7quot;\'n sie t\'j quot;j*

ij f i t) )i )\\ zie bij \'tf xm tj /uw

rjdj)i n )\\ zie ^ )i )\\\\

ij t ) t gt;1 u n zie bij rj o w i »ƒ m n\\

y //?7^ ru?N zie bij ri um rj n-nw

) O . ) O

■i )nr^i\\ zie i ) )) ruw

/\' o .....

(i ) \'i i \\ zie bij i ) i j w

quot;gt; quot;gt; ... ó o

t)),))j zie bij .t/ï \\

V iV 7 \'\'?\'\'7 J \' V rr)t i\'njj^

ih) n ) nih))/j\\ iamp;i)) id i nq of \'tjt tl ti t)rj\\ KN. behoeftig; inoeijelijke, bezwaarlijke umstandigheden , hebben, iemand die het bekrompen heeft, armoedig; ( \'im*£Lo • inazlarraty bekrompenheid, slechte toestand, schade, nadeel; vrg. ifirjon/j en f^Kl1

)ni h)igt;j). — 7i n h?i\\ iemand tot armoede, enz.

.U n lt;(si^ \'

brengen. — in)iri\'-ni^)(Hi^\\ bekrompenheid; (hindernis door nauwte of engte van passage, KT.), behoeftigheid, moeijelijke omstandigheden, het bekrompen hebben. in bekrompen omstandigheden verkeereu of verkeereud; armoedigheid; (de behoef-tigen, W ?).

f!,ijn rj v 935

o r» o t .no o o

f i -t i .ld,1 ww. v. (i,) n -D) j zie ii^i Hiin j en i.i n am/j\\

»I ti? if) 111) i\' kn. in liet hoofd ronddraaijen, van do

oog en, WAV. volg. Rh. ook met het ligchaam heen

en weer draaijen bv. v. e. onrustig slapende.

K ) o AV ei ij \\ kw. zva. ij i )/ .f.) ii i)) iiinifjs w.

o Qv O Ov

fj^iun is kw. zva. ch\'^m iisi w

(Fj i)ji\\ Ar. \' 1 lt;1^, moei koe, koningrijk, koning,

Vorst, ii) gt; ) v-j \'/ z^e bij \'tl / ) -jw f) i)) ).i)pKN. onverdeeld, van een grooter deel, wanneer dat niet weer verdeeld wordt, zooals wanneer vijf slaks onder vier personen verdeeld worden , dan twee stuks aan een persoon ten deel vallen; een portie geheel zelf houden , er niet van meêdee-len, WW. GR. volg. Rh. hebzuchtig, alles voor zbh willen houden. {Ar. w#£#£(«),bezitten; ook voor zich behouden), ad r m rvi ).,)gt; 11) \\ een

grooter aandeel vragen dan de anderen krijgen.

/ o

,f) )i) )n) ui \\ zva. i j^ hj u fiiLijs \\yrg. } i d j gt; m

W\' bij -(Mans). amp;} minis zie bij iiili hii/]\\

O O O O . . ..

f i m mi/js rj it n n i ini n i irnji en .*» n.) in) \\ zie Oij (Vi o

iminijp

) o , . . .. ) n 0 )

ifinD.njjs 1. zie b\\} dd ))lt;))] — 2. zva. fifjivi

. )

igt;))/j van i n ij)) gt;u)),js

) \' • ,.. CV I O

f i ri^ unj^s zie bij ui njj iniq en bij i n axj in) j \\

) • 7.. O

f i »ƒ niinij\\ zie bij mi ij d ) )n),js

o cï« ( ) • f

if i rj im/js kw. zva. r im (Uqs zuigen , van een bij. kn.

stil, onbeweeglijk zitten, als een bij die de honig

uitzuigt? Rh.

O O . -gt; ,

ifn niin)^\\ zie if f) nn.D js J.

tf j irj UD p zie bij uiyyi ii/p

(finjini/js zie bij en bij i^\'ii.jhnjs

a , o ..to

\'ijii i n i mi/j\'\' kn. 1. rj f 11) i hu oo/c eti eig. if.) ui )n) js

• eigendom, regtsbezit, regtmatig eigendom, wat iemand regtmatig toekomt {vrg. m ij m ini j en an ijni\'Dij)-, ook iets in eigendom bezitten of in bezit4 nemen. — 2. rjlu tu mi/js begeerte, om iets tc hebben ; iets bcgecren, naar iels begeerig zijn, iets voor zich wenschen, naar iels haken. — ij mm ini hi/is begeerlijk van aard. — mi ij f i )u inian j^ met begeerlijkheid behebd j begeerlijkheid.

ij EjI ij iLii ),)) v 1. zie bij »ƒ) )) yj iLn unjjs 2. blank

van blanketsel y Rh.

fvi n.rini\\ zva. mi ri mi ss

tLinniny fJiuiny of zie bij nii.ips

Jiny;n\\ of zie hij


-ocr page 1020-

93C j \\

tamp;i (Lii tm j \\ of zie aji^im^s of iuih n j \\

V \'h1 V7\'n 1N »V \'\'quot; 4N ^

) \' . , O

(BUtuiini ii\'Kns zie bi) ajiiuw

i,}i i,h J of ryjHH? i.n i mi\' it/n iM/j.ijyi litnn),!

of r/n f i/j.Kirri hiit liii-js zie bij \',/JV/J

y dm 2 ttoijj n

hu-iiiitin s zie bij bi n

li \') IU HH iLII J of (i fTj JUh n iLH/j \\ ZV(l. f I ILIIj I H /. 11 ihH /J\\

f i ili j. y nj ij uii ? \\ y/;-. i •• ) ( 5 {^ , 7/i a l-

ako e I m a ut i de doodsengel.

n ) tl lKr/j KW. ZVU. •■ i n 11.ijw

*1 .m n i i.nn i i.n j\\ zie bij iji n t n i i.u . n n i i.n j en o

U) H I \'Knjj\\

fEi ïlv (ici/j \\ 1. zie bij i/n maxi/js - 2. KW. liili nij

0f iiirjuij bidden, verzoeken; een begeerte hebben. G. — i u iii\'li\\ cfii ii itui. iemand, of om s \' cr/T- J

iets, bidden; naar zV/j een begeeite hebben. G. (jfeVw ander titv^ iPi \\ zie bij gt; i i j \'•\' /)•

(Ei miq\\ zie ii iui.ijs 2. ea bij i i

quot;) )

thurLilians kw. zva. i i i i i , ^i y

.quot;j niiui p zie bij iUy iLimp

ook en ci(j. i i of (Li i^vit ^111x0^

Ar. . m unloed, geboren , geboorte; geboor

tedag; kn. naam van de derde maand van het Mohammedaansche jaar, daar Mohammed in (je-boren is, anders Rabingoelawal (jenoemd. lt;ïh iji.1 n a^jnv^dcifj\\ liet groote feestop den twaalfden van

de maand Moeloed. in /. n m .11111 intriitciri\\ naaf\'

S v C l li - \'

loop van dat feest, wanneer de pacht gestort moet worden. ,tci \\ het feest van Moeloed

houden.

ijm ij n /,lc}/j kn. 1. eigendom, bezitting. G. — 2» zie ij (un ty ru i^\\

if i (i^dr^nm/j\\ zie bij mn a:.j ir^ m j \\

o . j..

inriianfj^ zva. lunmxi^ ieji ma^i\\ zie by 1:1

O O O

ifji tli asnj^s zie bij (ui ruasnj^s

O ^ . quot;)

(amp;i n ^ \'hu f zie ui 111 ibii js

ifyUihiiQs 1. zie bij njii iuiibiifp — 2. kw. kostbaar

edelgesteente, briljant.

fiywirj n i foiijjs zie bij ij am ij ruiunjj\\

foi wi hu \\ zie bij masnw

vj ri? ij «-.u t of 11 ij nn ij :hii?\\ KN. zwetsen, in scherts snoeven ^/pochen, grappig, koddig, klnehtig, in het spreken {yry. (tJitui in/j en iiilt;ijj\\).

7.V70N

7 ;V 7 KN- «quot;odder gelijk strijken op de galhi-jan v. »/7i/r/^N ^L,ts i^ts weeks, zooals

bv. modder, Hh.

(ti id fan \\ of fininbii\\ zie bij iihhiiw *h quot;i Kw* zva. ij i u ijil ii\\ (\'f l(t/iiiuij cn

run (h^ ij^dacnyi

O O . , .. O

7 I i-ij rtij/ \\ zie bij 1 1 i iiUi/js

\'l\'!J \'T ,f l!}\'1 ^x 7\'/\'\' ~/l V \'•t} n [ij\'fjn

zie bij 11 j i-1J \\

M ^ quot;o . 7.. )

(Li m 1 1 /j en 11 li n 11. i j zie bij ui 111 v i/j*

v kw. zva. •*] i?ijt] 11 i ^p kn. glimmend,

glanzig, gew. alleen van zwart, blauw en groen;

ook helder van gelaatskleur {vrg. li! fï 11/j). i n

D ) quot;) o o

lt;0,1 quot; / I\' J \' \' I ongeveer zva. n n 111 11 v j iu \\\\

on ...na

if i 1 l11 I ƒ \\ zie bij i 11111 1 j.

*\'/ nl\' \'\' KN\' /\'u\'vcr\' smet of gebrek, eerlijk;

gaaf, bv. van timmerhout, zonder kwasten of spint (yrg. .1 rjiij 1 ij); en geheel wit, zwart, rood, enz, {vrg. ïn .y kdj en Jiup).

ij u i.j i.i/j kw. zva. i n gt;f\'l(i r 1^

zva. gt;/\'}\'! ij

V »V V \' \'\'1 wdvr \'I quot; 1 ■\'/ \'f !■gt;*

(Li ij uKi^s kn.dehnidafstroopen. G.ld-v^. ii ij ili ,i?is). gt; j kn. zamengesteld uit d i \' J ij^/j en u\'v geheel schoon bv. van een grond, geheel kaal van \'een terrein.

V V tVN yew\' ^ C\'N ttoll. pleister, pleisteren,

ook \'.vVfet pass- — zie

.*ƒ m/xkn. naam van een vrucht, ook m if jliidis en tf 1 \'itojf \'Oi \\ i?i het Mal. b 0 eio a h no na genoemd, en die veel op de nangka-blanda gelijkt.

ij 111 of èJtrui rf tutd\\ kn. ben. van een vogel overeenkomende met onze ooijevaar; zie a-n yj n 1 w ^\\ cui n of n 111 tji\\ kn. onbebouwd, onbeplant, van

een perceel voor een huis of tuin, WW.

(Li 1111:1 \\ naam van een land (Skr.Malawa). li ut niiui(in\\ de Vorst van Malawa, een van de bond-genoot en van de Korawa s {Skr. Malato apati).

li if n u 11\\ zie 1 IU\\\\

/ O /

li n 1 jji \\ k w. zva. un .} 1 il 11:11 w co

(t 1 n.i D) k w. zva. (uniMn:ii\\ {vrg. iihuumi/j).

o .... o

(L1 rui li (huff \\ zie b tj .1 ui 1 :i ar,11/f \\

00 ...

f 11111111 f\\Kiï. naam van een soort van taling, kleme

wilde eend; volg. Rh. heet de kleinere soort meer

bep. 0.ui asn w


L

-ocr page 1021-

937

o (D n

if f 71J IK I 1.1(11 Hflfj .

j ci \\ m /^ #Ji n zie bij ny )t v

h »/ m n KN. on volkomen , ten halve geslaagd j een

quot; ■) o o

kapoen, {zva. hn iirrnn^j\') VVVV.

.; m^\\ kn. geheel, waar niets afgenomen is, ongeveer

2va.

mjnitu^ KW. staal oaKv). i?i 11 r^n.i ni\\

kn. een zwart, glinsterend zand. inr n ci tjmm / \\ een krissoort niet een lemmer van staal zonder pamor.

ij nu t/ fin\\ zie bij if im yj n ii\\ en bij ij tj nrtw vol//. Uii. zva. i ij iy \\ zie (ój. weer bep. bv. van een luiaardgt; die in plaats van fe doen waf men hem beveelt, maar onbewegelijk voor zich blijft kijken.

itimrvp zie hij m tvt^w

t) m|\\ KW. waar, wezentlyk. a n fji^ bevestigen, G. volt/. Rh. of\' \'^rn£\\\\

injii,iij of iti mti q zie bij rjrj.inp BV.

o .... o

(hi n i n i r n \\ zie bij 11 n i n.i ,Lgt;n js

. ■gt; . ... ) .

n ij ij\\ en zie h/j ii w

iLiiiiu? ij ■n\'.i2\\ kn. groot, openstaande, van de oog en

(org-

) Q )

ii i n/i 111 zie ui n^

tii n iaji/j^ zie bij m i ij\\

n ij iLizrj ajii\\ of ijcuijiifs 1. zie ij .i i ? ij u i v\\ — 2. spr. kn. bluften, grootspreken; op een vraag veel, en daaronder met leugens, antwoorden, AV. frn i n j of f i m 11 .ui j\\KN. op een bedekte wijze of maar even en passant, te kennen geven {/jrondw. li ni(uitigt;n/j\\ zweem van iets, dat maar even met een zwenk gezien wordt; vrr/. ij uti r:n lunn). — // / in ii ril\\ iemand iets op een bedekteot\'verbloemde wijze te kennen geven, zoodat hij als het ware een zweem er van bemerkt.

V\'j 0f a i^ zie hij iu,uti~i/j\\

1 quot;gt; ) o .... ) rgt;

ii i n i n i (u/js zie bij i.ii n nui/j\\

~ie W quot;quot;quot;UW

pi i i.n/i kn. zva. n n f.i n hui hu Rh. oo/c fuj. de grenzen oversell rijden ; een gebod overtreden.

KNquot; *va\' zie i.iKniidi

\'Hri/j\\ Rh.

quot; riy ij /,i) ?cnyi zva. x.n^y^ uiumj^s ali0\\ scheldwoord barst! Ks.

po

ii\'i ii\'ii/js kn. poederachtig, meelaehtig, Uh.

of iQ/iij ik\\ en n^ i-?i i iln ni j\\ k., zie bij

quot;vyT

t 0 ■) „ ... ,)

■f iiïi J ii^c iiquot;i i\' ii (Hi/js , zie bij v.m i f m-n/js

o /\'

f\'\'é^JlN V\' ~Va\' ^N en V™ \',clNN ^\'*\'1\'\'\'^Jlv

benaming van het vocaaltceken Soekoe, tot onderscheiding van de ij ah uu n ijjs ook it j i, ij ij (li i. ii n i/j genoemd {vrg. a.iirhjjj\\ bij fl-iiri]\\-{

lt;fl (TLJ/j KW. zva. \'fl\'ILQ^

*1 W KN\' ^100^ eerel, gt; ^eel,^j^ gt; IiooghecrÜjk, luisterrijk, verheven; het heerlijk hebben, in heerlijkheid leven {Skr. moe Ij a, prijs, waarde; vrg. ifyjin ). II. hersteld, genezen , weer gezond; lier-stellen, genezen, weer gezond worden, herstelling tot vorigen welstand {va7i a j /uj\\). if iiun zie bij im/nw — .u ianijjj\\ poet. verheerlijkt. — iamp;i\'t i quot; \'i ij \' \'i^ ^ iewand weer herstellen, genezen. II. verheerlyken, loven; veredelen, in waarde verhoogen. — i.u I. ^gezondheid, in gezondheid. II. heerlijkheid, heerlijk leven; luister, majesteit, glorie, nn f y^jjj hjii iun\\ de zaligheid van de dood, de hemelsche zaligheid.

if iniiiis zie bij lUdi/iw

f i liï n i m \\ benaming van een soort van wit lijnwaad, dat van Borneo komt, G.? Zie DW. 57,

O -1. o o.

i.»! ij en ixlt;rn\\\\

.ii(nj,ui\\ en 11 n ^.i n 1,11 ~ii tj mi \\ zie bij tJinyuw

,i i i^jjj\'mi, \\ benaming van het paleis van Bat ara

En dra.

.i i /♦ y m \\ K w. zva. i mi / awj•gt; {vrg. nu t i i \\).

quot;) Q-

i n i tj in KW. zva. iii n i (uv^ th \\\\

quot;gt; o S . r c\\

jiiinijs KN , gew. ru n inn/j* K., was. tin u {of iici

ii a.i iLUf i,j\\ waskaars, (tci ii i niru f / ^iul j\\ witte waskaars of spermaceti-kaars, lihaiyiu nuu/j* naam van een soort van suikerriet, ui tujirj ii iiu^

d] i i u iu /hip naam van een soort van Mangga,

. . . ».. * waarvan /iet vleeschige eenigzins op was geijkt.

f i iuj iUj kn. 1. niet goed droog, nog vochtig, klam (vr^r. » n u i i/j -ui iKj i^ijj en zie :fji iJ njjf 15 V.). 2. de nacht waarmee volgens de Mo ha mm eda ansa he tijdrekening een dag van de maand begint, de nacht die tot den volgenden dag behoort, f i^jiei^Jm-i i \\ de nacht van Dinsdag {waarvoor wij Maandagavond of Maandagnacht gewoon zijn te zeggen). —iuarj ■f i niip offers van spijzen, die tegen zonsondergang op vijf dagen van de maand Uamclan uitgedeeld worden ter cere van de vier eerste Kalifeu en van


-ocr page 1022-

O

.11 H.1 II,

938

1\' n \'J\'/

de Willi\'s, {op den 21 s/cu door den l\'ursl ter eere van uiboe-bekr i op den WAsleu door den Kroonprins Ier eere van Omar, op den 2bden door de Vangcrans aan hel hof ter eere van O t hm an, op den Visten door de Toememjyoemjs Ier eere van AU, op den Wslen door den Rijksbestierder ter eere van de Walïs: alles ter gedachtenis van Mohammed, die in zijn afzondering in een spelonk op die avonden van de voor hem gereedgemaakte spijzen geen gebruik wilde maken, waarop die aan zijn volk uitgedeeld wier den. li 111 j raam van de belasting door de bevolking voor die offers aan hun hoofden op te brengen. — ili li

ir}fllt;Hli.\\ ZVa. d.li j lt; I h l /J\\

CJC J -\'■* rf(J 1

nin.iip kn. loods, om een schip te loodsen; ook zva. \'i^i,^ikijj\\ {Jr. . nioe\'alliin, onderwij

zer, meester; Pers. lootls). GR.

O ( ) n

f I IJ 1.1 \\ kw. ZVa. MldJI j i jojis (i.

ij 111 j 11 j\\ kn. naam van een riviervisch, een soort van uimiw

S O /O ^

;i!i »i \\ KN. zva. van nu ftw

n »i »j,

.... ^ O

{in-ini/j^ zie bij itfini/j

: 11 li li gt;\\ of ilj li -i gt;\\k., zie bij nil, y w

li li hf.i ^v K., zie bij nii.iiw

11 »17i 12 ij li Si f \\ zie bij ij n u ij li ~\'i i\\\\

li ij m t i^liif]\\ zie bij ij n i irijii/js

•li n n i .i\'i \\ zie n ri.i ri w \' (n \'co

ijiorn kw. zva. uj(ijij\\ ui j \\ li. volg. llh. meer

bep. van metalen, massief, echt, onvermengd.

) .... O

./1 i jaiiji\\ zie bij » 11 j

ij \' j viyj zie bij iiynrjcrii/js

ij it tj n u m/j KN. — tal rj Lii ij ili2 criiMi/j\\ overladen, van de maag door te veel eten j overstelpt, fig. J3. T. Dj. (»79.

iiintj rn\\ ook i i nl\\ KW. zva. lUi ii j n^:gt; i n in/j en li t ij r i ui j (Tamil m dl ig e i, verb)ijl\', zitkamer in een vorstelijk verblijf), hiuij in Lirrni in t j »ƒ

nip een zetel (troonzetel) van fonkelend gond. — n

.• i u i t/m injj\\ zva. li u j iii^iai

■) / . ... ) X i! i ili //»gt; zie üij t i iu ruw

/11y j\'j \') kn. den buik overladen, te veel gegeten of gedronken hebben, overladen .overkropt (wy. (b) rj rnji i 11 j mq); volg. IMi. ongev. zva. /My ipi iy i.n J eig. zich niet kunnen bewegen door te veel eten. i i ii rr.n i, n \\ zva. f i n i i:n i.ii\\ zie bij li iliw li n i/j tj lm \\ li ij m m en 11 x j i^rh \\ poet. zva. /»

Q.

n yn n Yv

t ini i?i » of f ini iJl n kn. naam van een kleine, witte, zeer gezochte, welriekende bloem, een soort van jasmijn. Jasminum Sambac, Ait., die in het haar gedragen, in hel bed gestrooid enz., en waaruit ook een geurige vlug tig e olie bereid wordt, {Skr. mdlati, een soort van jasmijn). of lt;• 1 i ij li Ji \\ een soort melati met dubbele bloembladen, rjniitfcis nm. van eenhoorn, met welriekende bloemen , gr ooi er dan de melati. ■i i iu\\ zie bij lt;viirï/i\\ en bij i/n iliw — li ili ij\\ en

•L i if i .iii \\ zie bij lt;i li 7Li \\n /# /lmn., liiui k., 1. iemand die ergens binncnslui])t, een dief bij nacht, ook dief in het algemeen {van amiili\\). 2. nï\\ n., li ih\\ k,, sfelen bij nacht, ergens stelen door binnensluipen {vrg. ij 1:1112 ij tli?\\), LiiuijiJi rjarn\\ spr. voor een vrouw of meisje « schaken, Rh. i.^ nn f iili* zich in den slaap het vel sink gekrabd hebben; in den slaap stuk gekrabd, van het vel. tamp;iiai.i?ï\\ im ili ari\\ stelen

CV

in den ruim sten zin van het woord. — wiiïm

.f 1 li 1 n 1 \\ mv., en iemand bestelen. ». u 11 inJ itï .ui/igt; (\'h \'

i.n 11 im.ii m/j\\ bestolen worden, diefstal, ntiiimni ,1 l iu lji injj\\ w graken, verloren gaan , door diefstal. — iuiu n ï\\ ii.i 11 tui • het stelen. — ili jm

(\'b

an tui ij \\ 11 ia 11 inp gestolen, door diefstal verkregen ; gestolen goed. — 11 f 1 i?ï 1:1 jn^/j — iiiiiui0\\ een dieven mes. Men.

r}

} 1 /f / \\ kw. zva. \'ti 1 1\' 1111 i n w

l 1 m ^

. • ... O » ) .

,• 1 i j\\ n 1.11 lt;y \\ en jji ihi i zie bij — lihj

ijlths zie beneden.

) al t ) O. O O Qv ) )

11 m .Li nivnx ili ili j:i nu (injj en (UiE/i n.i\\ k., zie

7.. ) . ) o \'j.,

uij l)i ifii(kyj\\ \\ iIji ili if./ n kn. , zie bij 11 ru w

in iii\\ kn. de stem ö/quot; het geluid rekken van een gé-

mak, {vrg. ^ ook verk. van MYj Lurip ■—«

.f i iijiu lip iets, zooals een toon, herhaaldelijk

lang uithalen; vrg. iliajr^ )(ui^iisiijj\\

\'f 1 ij ij\\ kn. onoplettend, onachtzaam, zorgeloos, Kh.

O . • J .. o .

n iu \\ zie bij ivitruw

O Ov quot;gt; Ok O Qu o . o -Iw . 7 .. o

liiii 1 * if i it i (LjI li i\\ en i} 1111 iLjiiwi\\ zie ui/ n/n 111 gt; *1 rii\\ if^ tii in-rj ini\\ vi lj rii \\ en lut iptii n .vi/p zie

bij lU^ILlW

TT quot;quot;iiJ quot;TT TT en TT

.• I li I ij 1 I? pj\\ zie bij 111 ij d ? asi/]\\ en ii:)ïu n vniw/j^


-ocr page 1023-

ij I? ij ut },n J

939

f} i.i hn/t\\ 11 . J I

zie n^i ^i cunj^s jj i u gt;1^12(iwq of if; y n I? rj zie bij rjtu?

lltUI2(HV/l\\

(0 cr gt; cy _ cy

ij.n,n\\ van nj uHs -

ifj ruzie ^ij ntLi\\ I.

. )., . 7.. - a..

miujii^iy zie oi)

/1 it\'Iy ^hi^2\\ zie bij (Li if [t\'ly ^

11 iininidvimi/js zie bij d inii\\ J.

n fi ij in i :i. )jj \\ zie bij if a n if an ? / ^

ii i ijiiLitJ.i\\ verb. v. m i if ri2iiJi\\ en dit van k i ii i if /n

(Ki^ of (KJi n.i jtf di2iKi\\ buiten den tijd vruchl dra-

\'jen, Tj.

ifiiiiiifiia Vinkn. onbehoorlijk, onbetiunelijk. G.

i?ïihi\\ kn glimmend zwart, Rh. zamenge fro leken uil \' n . cquot;) G)

ii i jy en a n i~ i \\\\

. ) . . . , O . .

(.r / .rj / flv.\'/ \\ zie o ij a.v 71 id.i \\\\

nu rij a^i !f I (ivj a\'j i ;7 n of i^yi\'^djis zie hij tui rui u\'i w O ■ . ) - . . .

(?: gt; // I f l IILI\\ Zie 01) (Ul 11 1 w

(MVj.iijjiMs kn. blinken, zooals van olie i vernis of verglaassel {vrg. nniiïituM/f)-, ook volgens G. ver-nis (yr/y. /j iruw/f en ),zie n i if n ut i rj n r/w

f iij ni2 ii if n\'irs kn. glinsteren, fonkelen.

O- ci q« . ,

if hini.i 11 \\ en (ui rf ifini \\ zie b/j tf (un u i\\\\

Cl

if i iiIjI i7i if iitii (uj. n zie iiji ar i w

ieiiu\\ 1. kn., zie bij (unuw —3. KW. zva. i,ii tiw if iu(Lj \\ kvv. zva. (Uimw/f (van if Ai u^ hetzeljde);

volgens G. duister, donker; verlegon, in de war zijn. rjnif.ii\\ if ,! i rf iiji fan ^jii if i:ii \\ n(ti tf u in ihfi/f en i i

ij f. i if iL/i (in cmjf \\ zie onder if u i w c.iiVKirijjs 1. zie bij ii.i utnjj\\ — 2. zie ttnidjianfls — f i dJi iuj rf am \\ zie bij a i u nnjf \\

V 1\' V 1111 ]N zie b ij if ui^ n i/f\\

\'f n/if ryiivijf\\ zie bij if ii2iii/f\\

^\'ü imasnjjs ook en eig. (fj.11 aJihn ii,ii,f\\ Ar. iïüi vi 0 ew dph a k at, kn. overeenstemming, eenstemmigheid; met overeenstemming, eenstemmig, met algemeene stemmen j overeenstemmen; het met elkaar eens zijn, ook algemeen erkend, bv. van een bevel {vrg. ij it^i.iijf). u i nji 1,11 iets algemeen erkennen , met algemeene overeenstemming goedkeuren. — (tam 1,11 a^rif mi zWjalgemeen doen of laten erkennen of erkend doen zijn ; iemand algemeen erkend doen 7.§\\\\ ,VAivov\\w\\\\, bv. als T\'orst.

irj Ki ini if 1,11 cans.; ook omtrent iets met elkander overeenkomen.

rf f urf ii 2 (Hvjf \\ zie tf aj 2 mi f \\

(£ 1 (Ij! (LU \\ KW. ZVa. (l.J.Vl^ l i/fs

if.i itji \\ zva. it 11} 1 ^i \\s

)

f 111 \\ KW. zva. a\'ii •\' 11.111 niun 11 CO o. ^ \'

•tv de bij \'ii*

tf j iC) 11 u i i f zie if. 1 (Ui J ) 1:1 ^njf\\

f 11 \'1^ 07^ N zie it 1 it 111 %i 011 \\\\

f I (UI \\ K N. 1. j iamp;KlJI \\ ZZH [051^ (Ijl El IJl \\ of {Iin^

(u i irnmi^ de hoofddoek zoo o ingedaan dat de (ti niia\\ te zien is, of voor het gemak ook xocl zóo genaaide hoofddoeken. 3. een ander zie bij

djiiiji \\\\

C) lt;1 . ... O o if Kui \\ zie 0 ij diiciw

O O O .... O

iEgt;irf(ij)\\ en if irf ii. Kij \\ zie (jij nificiw it 1 rei \\ 1. KW. zva. if rrn 2 if rei 2 \\ en nnrfiiip {Skr. mocda, onnoozel). 3. Ml. zva. vnrfiiy2 f i^

O quot;)lt;\'). o ..

if 1701 \\ gew. of ny f j icis roer van een schip.

(ifjni\'fy?i\\ of i.-l fji\'Pi roerganger, die het roer

houdt; stuurman (vrg. ^{1 f 1 .vi f). -- f fan t js of

iin if j ifdJKiu^ sturen. — itj if a.Ji mi -jiivf wi n een

vaartuig sturen.

(LI lf (I Jl M K VV. ZVa. d/y dh Y\\ G.

if idcij fiici gt;d i]\\ en f 11.1 gt;d 11 ij i\' 11 zie bij nidjijw

Cl

f 1 if 1,1 ? djii \\ zie dji if aji j w

) a ■ i

if.i(iy(H)jf\\ if I aoi, dn if fj rji ia f \\ zie oij d/ijd^injfs

if 11.1 ki\\ uw. zva. d/nr-i ■ n\\ {verkeerde spelling voor (fi ia (in \\ Skr. ma da na, min. pk.). G. volg. VV. zva. a J i 1S \\ (Lil rif r:i) j s\\

f J if i :i2 i?j x zie bij

.)/ ^ \'quot;)/ • ... )/

ili dci\\ en (f. 110 n if (Kn \\ zie orj 11 rei w

/ O • . .. /

if jrci 11 \\ zie u/j djrj. ui w

iEj! (Ui ni (inn \\ zva. fiiod/n rimff {zie bij njid idnf) en

/ / • ƒ • ^ CO V

zva. (ViiJinianjf [zie o/j i i liis).

fiHJihiijfs zie bij ddiüiinirf\\

11 ifiioi 21, n/f\\ kn. zwellen, uitdijen, zich uitzetten , vati blad- of bloemknop, en van iets dat in het water ligt te weeken of te kooken; gezwollen , uitgedijd, bv. van gekookte erwten; spr. van een belofte, waar men vast op aan kan. Li rf ui ? 1.^1 vip een steen zet zich uit, een steen dus is niet vast, vergeleken bij die hnXoiie, en zva. ki uns zie ook bij iivdJj. igt;ii if \\

Ld if dji2d,iijf\\ zva. \'f i(U). 1, ii/f\\ AV W.

O O . j .. O

(fij ui uiiji en (fj ilt;i 1.11 ifuii \\ zie bij djtpnmi^

,f 1 ly ifjf \\ en lt;f idCj. i.if anifszie bij 1 1 (uj. 1. nf\\egt;i (liik^ j. njf\\


-ocr page 1024-

940 (f,1 h

(FiiJkn. zich maar altijd tot één plaats bepalen , niet verder of niet hooger gaan {vry. tamp;j mi rr» 077 077/ƒ).

iji to rj h ti tfiog t:u/j kn. maar op dezelfde plaats blijven draaijon en wakkelen, bij het iandakkcn.

■. i o . . • • / n rquot;) o

riici iw/js kn. karig, gierig {vrt/. i.tyti inq en hjiki

ru/j).

o w n

zie bij

iL i iJj. rtyi zie cun ooi n i/j\\

l) .... O

f riet dji/js zie bij

) quot; _ ^

.} t \'IJ UI Ij IJl \\ - .1711 Ij tJI Ij tJIJW

O O . c^)

a mei ici zie bij i i fi/j^

) _ p / •• gt;

if i ij ia i ij ui 2 \'iMJI - i ii f i ij iu ij iciê in/j bij ivmrj

ijuid ij:iciglt;rtyj\\

( )

■f i ici ili i \\ zvu. i n lt;t/i iji .n i n\\

, co

O . gt;

ihQ I Jl (777 j \\ Zie (Lij 7 v) (777 /j \\

i ih \\ ./1 iji / 7 ^ \'f i ij» (iquot;» ij i, ii \\ en lubi a ,m j \\ zie bij \'Ui dji \\ en (ui1 *i \\\\

(ti ij iji zie bij (i/ii ii ih \\\\

p . • p . .^ .

fiii\\ zie f hi in en bn rmiw CxJ J

(f i ici \\ kn. staan blijven , geen voortgang hebben, verhinderd worden in zijn voortgang, onbehandeld blijven , van een zaak) onverkocht blijven , van waren {vry. (intaiii rrnjj).

O . \' . 7 11

fiici\\ KW. zva i i i.n ihn/j lyrns kn. 1. volgens

een gelofte naar een heilige plaats gaan ofleren;

2. in BB. zva. ijn/tji G. (vry. tj ij n i ici\\). —

imui n aruj balk aan de lange zijde vanhethoofd-

gebindte van een Javaanseh dak, anders ui rrin

of (vkhi 11\\). \'til(iji n lajj of tui .fjiji i i anjj\\ 1. kn.

plaats waarheen men gaat om volgens gelofte ie

offeren, GH. 2. ki. van iinnhiii). 3. ook bor-

dnnrraam, (vkl. 111 iinn j i (Hi.^4m f i lui/}\\ amp; . (-o (d 1 C)

(f.j ici. zie bij d/i^ /. i w

v (li / \'in kn. voor zijn pleizier ergens heen gaan,

zich vermaken, vrg. rj un n i j(i/j\\ zie /; i\'iw ij li ij iji \\ kn. scheef, in een scheven stand; fuj. ontrouw; vry. tj rj iji \\ B.

■f iijii.\'ii in.iny naam van de iwhUiyste woekoe.

f i i c I. kn., f n/1 iig i i/jski)., naam van een vrucht, die er als een appel uitziet gt; een harden schil en een zoetachtiyen, slijmachtiyen smaak heeft, en waarvan verschillende soorten zijii, zooals f i irlt;

Q \' • TT

(rrir i\\ li ik inti^ii^ \\ en f i ire n/^ ^ hiijj— 11. Kw. zva. ki im\\ i n in\\ en \\ ii i.i.i(iijj {vrg. ik\\ 3).

O

\'fji d^r N

n (7

t i ifKajui n iisii/jü., (L iij(ijnia i , i un (i n/j\\ k., een soort van lt;(iik\\ die een bitteren smaak heeft?-, naam van een vroeyeren rijkszetel op Java, in Kawi ook /1 ik itSi i.(n \\ 11 is: 1111:^ en lt;f; is- i.n yenoemd. /1 ij,1 n ?,/./.? (bn \\ kn. naam van een dis-trikts-hoofdplaats in de residentie Madioen. lt;li i°\\ kn. in de spreektaal zva. ij lt;én 11 \\ vry. m ii/c v WW.

0 • l .. f 1(1^ \'LI Ij IS (» Lj \\ en f 1 Ij l:lt; 2 Kil jll Ij Ku zie bij I II

(IK w

0 (7 O .... (7 (7

(Lji ik \\ en : i ij ik i.n ~iiifj(uii\\ zie bij (ijl ik \\\\

ijtLi trts KN. tafel (Pü;Y. meza. Vry. aai rj (et ut \\ en

O CK )

•1jlt;f l2.lK\\ KW. zva. f 11.11 LL^

tLi(ir^t\\kw. eten. G.

0 . 7

(LjIlt;ult; gt;\\ zie 111.lt; gt; w

iff i : f \\ yew. ijLuiK.gt;\\ kn. kons {Pers. moezah, laars, kous; vry. hiivj i n? Lijj), en voly. WW. ook handschoen (yew. a i of ij viy iji\'it i u 171

gt; y 1 • i

f i ik rj i n i \\ of 11 ik i/i^ gt; kn. spr. voor nog niet zeker of nog in het geheel niet zeker {waarschijnlijk van het Mal. djaoehi, ver). WW.li.

f i iK ui j hiiaii^iKij zie viiüi iiijj\\ uit bijyeloof niel bij den waren naam i t i.i \'iianjj yenoemd, uit vrees, dat de verwerij niet yoed lukt.

1 i s Kifj kn. benaminy van een onyesteldheid, waarbij men gedurig aandraim tot stoelgang heeft, doch telkens maar weinig en met moeite ontlast, zooals bij dyssenterie of door aambei jen; voly. Rh. dys-senterie {omschreven ii (Kirrn tbn j).

Ij (LI 1.1 (tflJjS Zie (LI Ij 1 II IK 1il,j\\

1 i ik an \\ kn. 1. matig, middelmatig, niet meer dan

gewoon {Skr. mad y am a, middelste; vry. i.riïi ). 2. \'f riK un v en (f lik an in \\ iemand gering achten, minachten, met minachting, vernederend behandelen (Skr. aio ady dna, minachling).

Po. o

/ / IK hjs Zie l-iï^ I s Uj \\

7 O ... 1 O

11 ij ik i\'j \\ zie bij li ik w

/11 \\ in anjj\\ zie Lj hj i(iij\\

s S O S . i ,, s

f i ik n (Li.ik gt;i\\ en .t 11 s n ij ini\\ zie b/j i c w KN. ecu

ferm bij het keplèk spel, als de vier opyeworpeu

duiten alle met de bruine of witte zijde naar

boven komen te liygen.

fthlt;\\ zie bij i i ls \\ voly. Kh. ook zva. (li \'ik w

f i ik \\ kn. onvruchtbaar, van een beest dat y een jong-


-ocr page 1025-

941

Q

11-A (IK V

o rt (FllK .1111

en krijgt of een vogel gt; die geen eijeren legt {vrg. miTycnyi).

; ] irlt; gt; kn. trillen en beven, zva. t.n n dJiiw R.? zie

n y ocr

m ik n u/j u n i.k \\\\

00/ • , quot;) cw ; 11 lt; \\ zie o ij urn irlt; n\\

f\'j \\ en- re^ae^\'nrj zie hij

ij 11? r; • zie hij am ik w

1. zie bij tji\'H ikjw 3. kn. dwingen,

noodzaken. G.

if) kw. raadplegen. G. tijiih^ tni onq zie hij nj)

o

)nin\\

gt; „s ^ C) .O o . O

f j/lt;/.»,ƒ \'f- i ik i}(vji — .? ?lt;.% /,»/% t\'«~. zie oij 11

ik

o ■gt; -gt;

/;; /. »ƒ n ki., »2#? ö/y / ?gt;^ \\\\

: 11: ini !ioj\\ kn. naam van een hoorn gt; waarvan de vrucht {een soort van galnoot met doornachtige schil) gebruikt wordt tot medicijn {en om de tanden zwart te maken, vrg. i lt;i/n\\ G. CP.).

ni s.ia/j kn. natuurlijk, evenredig, iii evenredigheid met iets anders, erbij voegend, eigenaardig schljnlijlc het Ar. - m amp; dj dz, doorgang, pas

sage; passend, betameml, voegzaam, gevoeglijk. zva. \'f^mnsii/i vrg. xji,157/ ivij en n 1111 hii/j). *1 ik \'l^,s iM n ik ij yi\\ Tj. het zou natuurlijk zijn, dat enz. i.i \'Fjkik ijiip\\ of \'Oii 1.1 f i lk ij 1.1 op een gepaste wijze, behoorlijk, y ilt; n j tj i 11 ij 1 11 ? n 11 ^ iuij)\\ onnatuurlijk veel, meer dan men met waar-schijnlijkheid zon kunnen verwachten.

,}:\'jj ,fj l\\J} \'rcn(n^ terjriciififn\\ zie hij t j le^ rei/j \\ ij\'i-it ik ia/js kn. zva. ij fu ui w J11 *10 4N ^r- w 0 e dj ddd a h, ernstige aan

wending van moeite, strijd met iemand of iets.— *j ik ui 41\'ii \\ iets bestrijden, een lust, aandoening, enz., overwinnen of weerstaan (vrg. n/ri run in\\). niki i/j* i kn. uitnemend scherp en van goed sterk staal, van gereedschap dat bij het gebruik geen schaarden krijgt. 2. y^r. oneigentlijk , niet werkelijk, niet wezentlijk {Ar. m a djaz, overdragte-

ïijk, oneigenlijke wijze van spreken. Vrg. ■* 1 i.n JR.

\' \'n kn. aanporren , aanpovder, hv. bij een twist, door de eene partij tegen de andere gelijk te geven èn zoo meer optezetten (Ar. madjoesi,

een Magiër, sterrewiehelaar, toovenaar), JR. volg. de duivel, de opstoker.

00 o o O .... o o

thi iK iiJijj en n ik ikj(ifi/j\\ zie bij id uc riJijj\\

o

dl ik 111 \\ kw. zva hufj

On quot;) o . ,

\'fiiK iK\\ kn. ongeveer zva. ui 11 ik\\ eenigo waarde,

van eenige waarde; ook zva. w ij ik uj\\ of r^ in

(ifj]s (tf» ?ik ik\\ pass.y 1 11 li inni ik ik\\ iets dat

eenige waarde heeft, ij iviijurn n i Iik ik • iomand

die voor het uiterlijk geen aanzien heeft; diea men

voor het uiterlijk voor niet veel zou houden, WW.

\'itoyrKW\'quot;i\'\'\' 0S t!i

(Ti ik (f^ 1^ of f 1 ik !J\\ kn. hen. van een medicinale droogerij.

) ■) o quot;) O

m ik 111/1 f 1 ik ni\\ iiik in n igt; 11 \\ iui t l ik mii en (ui yi au rri ( . 1

c) • quot;)

(t.i ik m(Mijf^ zie bij i 11 ik hijs

ïriK rnsKX. het voorhoofd sehildcren. G.

ril

an a • 7 • •

■hikiii\\ en .HIK in n 1,11 zie hn iii^.r.ii/}\\ co ( O \' \'

(f.iiK^ zie bij ui ik en 11 ik w

tamp;i:ik\\ k. , zie bij i li 11 I i/j\\ i., i\'ii iflt;j\\ en (uiiaj^w —

(?) O . ... 1\' ) \' • / ••

■f:i ik 1:1 n zie b/j Lifi/i^w a i ik 1 11.11 :injj\\ zie bij (uil if^\\ en hij MMJjjW

X?ik v en \'1.1 ïJ ik zie bij «ji ik en bij u ik w

O Q* quot;) ; ) o.. ■ 3*

(hl IK \\ - f IIK .1 I IK.\\ Zie uil kW

O . . ... 1 .

f 1 ik \\ zie btj uiiKW

Fjjl ik \\ kn. als pandeling dienen voor een sehuld {van tijjiik \\ zva. .r ^iA\'N). — if i tk tn tj hrn \\ iemand als pandeling laten dienen; voor lt;?lt;?w als pande

ling dienen. — uuLjiks het dienen als pandeling. -- f 1 ik .1:1 .i{i/j\\ tot pandeling, als pandeling.— ui f lik gt;1 (ui,j pandeling, pandelingschap.

(f jgt; zie bij uiyè^w n ik MN en (i i ik r.i ij 1,11 \\ zie bij .unkw a ui.lh kw. zva. 7.7 ! i\\ ui i Li • i dojj en (Ui ijum miw

. quot;) 3v o n

maar ook zva. lUiuu 1.11 i.j\\ \'lyjis en njuiss \' {Skr, m aj a, bedrog, begoocheling der zinnen, illusie; ook het schijnbaar, onwezontlijk bestaan van al het zinnelijke, gepersouiflceerd als een godin, de gemalin van Brahma en de onmiddellijke oorzaak der seiiopping), helder, doorschijnend; be-tooverend schoon. — (f ULLi f.i i.iu un ij lk i (ui 1 n (f ui.Lu. doorschijnend groen hv. van de aderen door de huid. liuuulvi(ui/j . kw. zich onzigtbaar maken, un ik hii f 1 illi mij \\ een toovergebed waardoor men zich onzigtbaar maakt, zva. i/iiikiLku^ ui an ij , ook zva. iij 7.ƒ ui 1.7 114 to over for muiier in het alg. In W. I, 102.

(li/juin 1. zie (uiutj lluw — 2. kn. een oogziekte


-ocr page 1026-

i/ I nAjj.dnijjs

942

bij vrouwen, zooals door gehrel\' aan kraamzuive- | ring. ^ i lui j , aau die ziekte lijden.

O , quot;) O . O

Ifl IV) \\ kw. zva. iL:i Ij »/ m 2 ItJ \\ ZIP. I I LUW

(L i (hij {\\ zie hij id/ui gt; w

iti af ij x zie Lij ti.li Wj tin q \\

quot;) (D o o

ifjI hu (Hl ^ kw. zva. a | u i i.i\\ aji^ ru ?\\ r/ ui jijiiw

~) o

itA thLI jlQn \\ kw. lil IJl i.ll j\\

f■! ui \\ kn. verligt, minder zwaar vallend, draaglijker, van alles loal zwaar, drukkend of moe ij el ijk is, ook van leed en van een ziekte; varligting. — * itLwn ij mis iets verligten, ligter, gemakkelijker of draaglijker maken.

iamp;t rj(Lui\\ Roll. kn. maj o o r.

At?hm\\ kn. if?i.ui n ili\\ helder, zuiver vooral van

een Toode of gele kleur, Rh. — ii lu n \\ en tl

/ ) ....

ru u h ii in j * k , zie bij ij ij i/iu f i\\\\

imtijvis kn. (fcilt;lu tmma \\ s1j»|) , buigzaam zooals bv.

een dunne sabel, of een dunne tak van e^n boom \\

fi(j. besluiteloos, weifelend, vrg. ij \'fjnjij gt;j i / ij ujijtw

\'Ei iii of ij \'min \\ kn. on/.amenliangend , verward,

bv. van een verhaal; ook fig. van het hart. WW.

o o

Uj! lli ■ gt;)\\ kw. zva. (ij) i i\\ ii.^uimw

in(lA/i u\\ zie it )uw

ieiiiajjhiikn. voorover hangend o/ gebogen, voorovergaan, van een oud man; WW. welligt iioaji

myf zie (tilaAj^mn/^s

0 .... O O

(Fjt iiu h iij) \\ zie ui) ui ld kd/j en bij aj) lu uu/^

: ) i . quot;gt; \' ) a» o

* j^iu liiijjs \\. kw. zva. [iFj^i.niup i ij li -i iiiii i : ? \\

en f ilj li/js W.P. 117. — 3. kn. krielen, krioelen, zich in menigte ergens bewegen.

ij 11 ij lu i.iy\\ kn. , grondw. ijit\'ii ij ld jnyj zie BV.? ij f i ijuldij ifillqk^jfs kn. zwoegen onder het dragen van een last {vrg. tiPi /i.li cni Ji] lli \'ni/j).

in .ui hiri.i/j slechte spelling voor f) (uij/jui^an q zie

(IJ) dJlJIj \\N N.

!.in)).iin/)),)i/j\\ kn. ruiin voldoende, overvloedig van eten, /tetz. als f.i hl) rnj lu rin/j ? Rh. volg. WW. tamelijk voldoende , in gepaste mate.

O Cl

(Eiduicyjs zva. t) lu tl,))/j\\

o

IJ l \'hn/j \\ zie (t/i (lu nsii f \\

1 ) d/U) iudji ^ zie bij u u ii u thn/j \\

(tiduibiyj\\ Ar. t quot; ^, m aijit , kn. een doode, een i

lijk {zva. i^(iJ)(tj)ji).

o j. o

\'f i ui liiij of (uij^t iuji(hiijj en \'fj/jfoii/p kw. zva. i n pi i^_\\ of oncc) iLi\\ {verk. van n:^ u lu i np of.

even als iliilli i nji, van de grondvorm im (i.w a u j

0 \\

vrg. (i)) li thiji)

m(victim/j\\ kn. niet den top zwiepen, zooals een kokosboom, van vruchten vol en i» menigte aan een boom zitten, hem daaronder doen buigen. (i\\(lm \'bgt;?ij\\ aanhoudend heen en weer zwiepen.

O O O . ... O

) lu (t,ii \\ en (li (lu (tgt;ii uj \\ zie bij i i .lu ilii \\\\ a rt O o

} ) Ij I L) 2 (IJ)Jj\\ (Li) Ij (l i l 2 \'M ~ i \\ en ) Ij LU 2 KI -l* Ij (Kil \\

ki., zie bij ri i l^w iji rj(iLii Ki/js kn. ben. van een ziekte bij kinderen, beslaande in blaren op den buik of rug. — \'Z \'quot;/ ij i li2 1): r)nji \\ daaraan lijden, WW. d 111o.j^tl»\\kw. zva. (i.i) op rin. j lu\\ {Skr maja soe-la, Majft\'s zoon, een naam. van Boedda, den stichter van de Boecütasecte, van ma.u \\ en oj^lt;lgt;)i\\).

T . .

I ilAIjj iLL^ \\ .L I llAJjj a.tljj N Zie (UI !)AJ (UL^ \\\\

o : )

! IdJlj D/j\\ kw. zva. ij l ) I I I Ifjs

f 11 u 11ij v kn. dik , vet, ü. ./ / / u m i li an j opgepropt

vol, van den buik.

11 (lAj ni (Wj nyi zie i d (Uii^ mi ,j \\

Ij 12 lu (lil lu orryjs zie bij Ij (IJl) 2 (lu (ydIj li luiriijj\\ zie bij lu L.njj\\

fjjj \\ 1. kw., zie Si w — 2. ij ij \\ ook lI iu\\N.) in de spreektaal van verschillende gewesten, verkorting van (L?iHj.j\\ anders iln \\\\

!) lü\\ 1. kn. bloesem van de Areea o/betelpalm. ik) l/) au\\ een tros van de pinang gezegd; vrg. 67j (Tiry nojj en is i hi \\ {vrg. t i rn gt;). — 2. kw. zva. ijl i jn \\ {volgens anderen zva. ^ m tuiijj\\). — .\'i. zie bij \'in n u w — 4. zie bij (i.D luw mi il*) av) \\ K w. zva. (Ki) (U) tin \\ {volgens anderen zva. ooin^nji on jj), spr. zie bij /ji nionjj^ Zam. II. — ai lu

i]\\ zie bij i i.luw 1:11)mi n 1 lu\\ met een

^ Ui CJ

ruk, zooals met een hengel, van de aarde in den hemel ophalen, van de godheid, 11. iem. voor zijn tijd bij levenden lijve van de aarde wegrukken;

welligt in den bloei des levens {diü fig. genomen).

..... :quot;)

— f) ui to ij hi)\\ zie oij tU)(ii)W — ),ii tL*auiaz) oo/j\'

n rj . o ^

kw. zva. ir)) w(ijt \'tgt;(u))\\ kd oji w tj o u2 (in \\ en i gt;i

cm\\ {volgen* G. achtervolgd; op de hielen gevolgd

worden). 1 n 011 ofn 1 au 1.1 nqjjs spr. kn. een uitroep.

wat een groot geluk! wat een gelukkig geval! en

zoo ook wel enkel tn n au t ) onij\\

(O • ,..

,L)ii.i\\ zie bij 011 luw

(Lioji^^ en tDOjij 1?) n zie bij (uivi^w — hd lt;E.)Hjip zva.


-ocr page 1027-

iF I (UI tl ,II \\

94:5

(KU r)j i/l N\\

u yj n ui^ zvü- 11 gt;1^ — vin criyi0 ^Wnj.) Rh.

2.

óï CO o 7 •• •)

ƒƒ JL/N tf» (e^ iui:l\\ zie (jij .isyniw

ij dm nu \\ \\, zie hij rj tuiz .lijiw 2. nitsri ijiamp;i? lus zva.

■ nasr^(Ki\'i^\\ tegenover nuij-i i ihi^iii\\ H.

,lt;/,11110; »gt; \\ bijnaam van llanoman.

} ] «ia aiuj \\ ~ /»a/vj ojl^ w

gt;ij ihA 2 gt;111*1 m 11 nai ? n kn. telkens niet zij 11 boeltje verhuizen.

Pi ijaLii ni\\ KW. ry, tf m ui iifj,j\\\\

Pi(iiitj 1 ni^ kw. leguaan. G. (w//. en if i(njjj i 1

hii/j), (S/cr. wyanyya, kikvorseh) schrijf out

voor fi 11 a 11 ? mi ?n\\

. D . quot;)

(h) Ij au LI/js KN. j;i(riiajiJi\\

f 1 T./y r/»i \\ A. - (f i nfj/i \'irj^w

(Ei ■( I \\ zie bij lui (Ui nn

11 Mn KW. voornaamwoord van de eerste pers.

als óbject^ en als hezitt. voornaamwoord {vrg. mi (hl v). .\'/(Mn KN. w«(fl!w van de Mo la Is c he Ir ah, soor/ 6^m cirkelvormige schaal en stijve, puntiye , driekantige staart, waarvan het mannetje en wijfje doorgaans op eilander geklemd zit (en {alleen het wijf je en de eitjes worden als lekkernij gegeten); en niimischaal, als medicinale droogerij {vrg. w l n); spr. voor nauwe verkleefdheidgt; gehechtheid gt; van man en vrouw: 1,11 luin \'hi /1111 /gt;] wihj \\

T

CJ t-\'l

O a s-, \' / .* / KW. zva. mi 1,11 ibii (uii w (1.

fiii KW. zva. mi........

h l ^ IJ

lt;lJj)\' /N K vvZV((quot; 1111 ^ tNN ^ * •

lt;rj (hirjthi^ zie bij fjiuiw

tj 11.1 f ij / / ?(hii an\\ zva. ij tuirrf (hit j un unjj^ zie bij ij

Ij hli gt; w

o .

(hi ihi aa p k\\v. zva. rnuuiw

^ gt; • . .. o

it/i ui pj \\ zie hij ui kj w

m / / \\ KN. schemeren, van de oog en, zoodat men niet

duidelijk zien kan. — (Kithi us zie bij 1 1 /1 ,

^/v/. \'/y .«/ //\'/x .— /.y / /,// \\ vrtiw het gemoedy onzeker,

weifelend Men. {verk. van (iiin hi\\ zie bij ui ui\\). a a\' !

\'firuKN. rooile uitslag op de huid, U. volg. Rh. li^t scheuren van goed, li^t brekend, breekbaar.

T7 KN\' \'-VV\'VT

■gt;/ 111 rj f i f \\ 7, } 1 (gt;! ! i( i} N y (hi f ij iti f m nnjj\\ zie onder

ij uid\\\\

111 M ^ zie bij 11 gt;1; \\\\

/gt; 0 !\'

ui ui -ïi q \\ kn. iemand tcregtwijzen, zooals bijeen twist {misschien van ui n y w Vrg. Uni rn^ ).

s\' s o / . ... s

■f 1 * 1 (Lii \\ f 1 ui (bn \\ 1 1 11 ij 11111 iji \\ zie \'jij tui un \\\\

q.. ) ■gt; ) ,

■ui7n KW. zva. i.i ui\'i:ii ui hii/js km. somber; somberheid , van een plaats; ook fug. in (iie|)c zwijgende treurigheid {vrg. 1 in Kpj ryj en n yuuui j).

iftfji y^nKN. 1. galig, van weefsel, dat hier en daar doorzigtig is; vrg. n f i\\ 2. naam van een fabelachtig beest, naar men zegt, een langharig snort van hertebeest; ook van een spook, dat de gedaante van een orang-oetan zou hebben, ij it 1 yj 11 (hi(ir ijj\\ een beest van goud, dat de gedaante van een buffel zonder horens heeft en tof de rijkssierrad e7i van den Soesoehoenan behoort. — / /// ^ 11 gt;j

ij tf\'y zva. ij firj i%i\\ 1.

/ o

(ui (li.inijis KW. zva. n i rf j \\ iiji 1 i kiijj KN. if 1 if 1 k \'i^ fj mi js in liet blinde rondtasten, op de bol praten, vrg. (im (E^ihiiji ^ n/j \\ enz.— 2.aTI). zva. umui of (iin ui iUii/j\\

/ui(hj (unij\\ zie bij n/n i j kii,p

} 1 (Ui ini p kn. zva. k ii ihu iu/js digtj van het haar.

quot;) n O

■huuuuii/j zva. (Ui (Uiiiji\\

(uj^l k hfis zva. 1! 1 kiiji een gebrekkiggezigt hebben, slecht zien. iui ct 1 k // aA kiifj« (f.^ i 1 k // a ^ k n/j fug. blind bv. voor zijn eigen gebreken , Rs.

/ƒ a 111 (f i im/j \\ zie bij ij tui k iij \\

ij ui i ij (fji t k^ii /j \\ zva. ii-rm*! 1:112 mui II, Kh.

ij ti 11 f i .Kii \\ zie bij //11 miw

-gt;o on nn cv cv .IÏT , ,

/ ai (tafj zva. luiuiumfls (hi \'hiuuin ui jan \\ (IMi.) volkomen rond, R.

(f jj 11 (ixijj\\ kn. tot pap, week als pap of brij.

, ) ) o 1 :quot;) quot;gt; ■ . ^) o

^ / t l (ui \\ en (f 11 ij in kj \\ zie bij ui 1.1 \\\\

^quot;) . V ) o

f 1 ui gt;! un hi 1 en n 1 / »ƒ t:»?^^i.\\K., zie bij mmiw

fi ij ifi aw/f en (t 1 ti .f uijIu zie bij ij (iniiijis

Li! ui,iiji\\ kn. uiterst, zoodat het uit is, zoodat het

O \'

niet verder of sterker kan {van (ui un j), tot het

uiterste, zoodat men niet meer, verder of sterker kan , zoo hard als men kan bv. loopen, enz. zoo diep alf? men kan, denken, furuhii fl m un/j volkomen aaneensluiten, (WP.) R. aji i^iuiiju asn/js een onoplosbaar raadsel.

(Fjj^ ! I li II p Zie (jij lUII I I I li p ij riifL^uiifj en tj / f i ijjs zie onder rj i 11 iliw ii f 1 ij 1 foii/j \\ zie bij ij a i t//^\\ — .«i rj i i(i.ns KN. aandrang hebben om een ei te leggen , bv. van een kip, fig. onrustig heen en weer loopen.


-ocr page 1028-

TJ El ioy ru \'intJJ

944

amp;1 (E l HStlJI

y .•»?gt;gt; f i? asn/j ^ rj f iDj f )i \\ en rj f i? ij n? an\\

/ie bij n wt asnjis

on7 .. o \'f i M /isy v zie bij i m r iiu,n/j\\

rgt; quot;» o . , o

tïji f i \'ün \\ zie onder in fonjj\\

iamp;i ihp kn. week, /.acht, mollig op het gevoel; $7. liefelijk van faal, {vrg.

kn. geweer- £gt;ƒ kanonkogel, ook kogel voor

een blaaspijp {vrg. rj i.i\\). f lvl i\'n grooier dan

0 1 o \'quot;) G) , 1 o ) . loopers. i,ni.in\\ geweerkogel, i.nyiyi

miji een lange soort kogel. pnntkogel. —

- .00 j * 1 O

mii.in0.7/] of 1 n 11 f 1 hiys als een kogel. — ui

O O O Cl 00 iti (ut ^ti \\ v. e. f 1n 1/1 oj iets tot ii ui Kyi voorzien. — Sili/ijiQanji^ bloeden, van de neus bij een neusbloeding {waarschijnlijk van den

grondvorm nJi ii/j\\ waarvan ook tui i.ijj\\ (t,n

o , ) o )

(bii(Ki/i\\ zva. ij Lil if ihii !iJiji\\ Vrg. (riifoiiqn/ii

(HIJ 11).

rrjiTiij 111,1/*\\ zie hij ij 111 i/js

^ Cquot;)

if.{ u ij m poer., un ij mrj .• n 1.1 kn. in

ongerustheid verkeeren, (BS) 11 ; volg. WW inwendig door een onaangename herinnering lijden. (f ^ 111.1 n 1 injjs Jr. [4,^, moe m a t h a I a 1, onderlinge gelijkheid, gelijkheid van het een met het andere.

po __fn.

iful i I 11 Jj--gt;1 f. 12 IJ f.l ? 1UJI rj.

ij f it ij ut n i/j kn. zaeht, mulseh van vleeseh , vlee-zig, WW.

gt; • n

lt;\' I 1 .1 li^/j \\ zie bij i n n ^ 1 w

\' ) ) • . .. ^ ) . o

quot; i •\' 1 1 \'Wjj x zie bij lii 11 -i? va/p verb. v. t j m i.j \\

v. ijw^ni/i — ij mj v. ij? (iiiv^j).

fjjfi ^yMvN. heersehen, beheersehen f nun en

0 1 \\ n \' O )

(tii) hin i.j\\). z. k\\v. zva. r:iii\'n 1 • 1 ii\\ iniiciuii

\' CJ en\'

(lip volkomen meester zijn, volkomen bedreven, iw een wetenschaj) {misse/tien van ojii .• / in^\\ Vrg.

O/ cv .... (V

if i ! 1 I \\ m im.amp;i -nan/j^ zie bij 111 1 i\\\\

.\'jri.j^ kn. ])oeiïeraehtig. ihï/s0 poedevaehtig wit,

Rh. vrg. /7 \\ i \\ nu uw

y . ... cy

ij (i 1 n . t\\ zie bij »y \\jn .• / . /w

Jjn kw. kwalijk nemen, gebelgd zijn, (J. kn. onmiddellijk revange gaan vragen, van iemand die bele?digd is {waarschijnlijk voor uit 11 Sy van n

1 n] on i\'r) H.

!KN- wegsnellen, met een vaart wegvliegen (ook van iemand te paard), wegsnorren, voorbijsnellen {van (jijj \\ waarschijnlijfc voor n li in^is H).

O Cquot;) • ƒ •• .)

lt;f-ifi^i(Ui/j en (f 1 if.i iVjii ij 1,11 n zie bij hjii rj ^1 ii^ii/j\\

1 i n ^11/}\\ zie bij (un f 1 ^1.1 ^

o O ....-gt; )

(M FjI ^i lt;1.1/1 \\ zie bij un n^ KKifi^

O o O o .... O o

in f 1 ^1 Kj ,ri 1 Kjjf\\ zie bij 111 f 1 ~ i ii/j^

ifjj dl -1 111 ij\\ zie tj./^ f 1 ^i n 1

) . o quot;) / y n

• \' •\' gt;\'■kn. m i j t.n gt;11 - J i,n/j [oj if 1 u\' 1 ^1

\'im/j alleen. Men.) zuiver of helder wit, zo ader

gele, groene of blauwe fint.

(f jj f 1 A j ioyf \\ zie bij d/rj^ f.i . j (ilt;u rj \\

7quot;quot;/ •\' \' i,1quot;-quot;!} of 7quot;»7 I/W\' gt;lfgt;

kn. goed in het vleeseh, welgeroncl, van iemands lichaam, poezelig, meest al van vrouwen, Uh.

quot;lquot;iW ZVa\' V\'\'J- \'rl \'-OJ hii \'1J\'I

I.MON Ti.

CJl J

\'f f inf 1 kn. schitterend van Heeding, juwe

len, enz. Tj.

/ / 1 t i\\ kn. op zijn hoogst, op zijn best, in zijn volle kracht; op het drukst van een werk {vrg (U .• 1 i\'i\\). Men zegt ook u m m gt;1 i:i\\ zva. (bi f i l / rï 111 ij 1 ilt; zoodat \'u het grondwoord is. di luj ij i n 1 ln \' i\\ hij is in de kracht {of volle bloei) van zijn leven. luo-fi if i n i »1 i^i i.i t ui gt; \\ juist in de kracht van zijn leven, i^ij i irf 11 Li*1 èi\\ de zon in haar volle kracht, uiafi tui ()a.i 11 \\ hij is vol moed.—■(uin

•f! l\'i\\ kw. de juiste tijd.

; ) • 7 •• quot;) o-

tf 1 ti 1 -.1 \\ zie bij 111 (f i ~ 1 w

(£1 u 1 Zi\\ zva. (e^ fjiZi\\ 2. Hh. •

0 : i l\'igt; kw. middelmatig. G. ? wettigt foi ei ! 1 w (Ej f i Ji \\ 1. kw. zva. ^ 1 Si \\ en n^nrmw 2. kn\'. de winner zijn bij een weddenschap. E^tEiJiKii ii\\ spr. voor tegenspreken, zich verzetten tegen de uitspraak van de overheid, de wetten van den Vorst overtreden {vrg. iii\'^Et J,i iniïri iJim ).

(ej iei 1. zie bij ij i\'i \\\\ — 2. kw. vermetel. G. ff 1 ■\' 1 zie bij ti /11 ei w

J ca

; 1 .■ 1 of 11 .• 1 1 \\ kw. 1. zie bij ii vnnw— 2. kw. (O \' \' co \' lt;0

zva. ,/1 i\'n w kn. uit een verblijfplaats stil naar buiten gaan; uit (buiten) zijn land zieh stil wegbegeven, li. {dit is inhefJav. ijnmjiiquot; d ij). U.

(EJI \'f.1J\\ zie ILV \'LI ? NN

co\' co\'

o gt; o .... o

t i ; igt;\\ en tEi .lt; isn 11 \\ zie b// i n i?\\\\

ccr ccr • quot;r

El,f1\\ Zie bij (I/IIIMW J ro

(h i (E11,11,1 zie (Ijd if 1 it n/i\\

ro ■y\' co


-ocr page 1029-

(El ft}nu/j

945

\'f

O • O

i ini/i\\ zte btj mi tinmns

co ,~J{ Co

ziquot;hiJ

eiUuMfl., \'ie bij un uw

c_/f C(l

If](U ^ (W U ilWJjS

o 0 • O

^ t ruhnfis zie un^/1»^n

£} fjj:irplquot;i)jj\\ zie bij

O . ... ■ ■gt;

iu i.itm/i zte Oi/ nii\'i mj\\

(O tO

iamp;i!èl\\ en lt;f i iêi (él\\K., zie bij mr) tüw

co Co ^

KW. ontluikeu (van de grontlvorm aiïi *1 waar-co ^ co

Vö» öö/^

co ^

iamp;i (U \\ zie im it/i w

0 . 1 * o .

,£;» u\\ 1, KW. oJtWihvi en i n ljw —

2. kn. benaminy van de tv ar ing in-wort el, die van onderen weer loten schiet^ WW., o/* volgens anderen boomwortels die in den grond verward dooreen gegroeid zijn. JR. {Men gelooft, dat de n imi ij hu ? ££j (fi \\ dengeen, die er op weg over/eensiapt, in i\'.j maakt, zoodat hij de weg niet meer weet. Ook wordt er de bovennatuurlijke kracht aan toegeschreven om een vrouw, die hem als hn\'iiliihnj draagt, voor alle gevaren te behoeden, WW.Men begraaft hem ook wel tot beveiligingsmiddel vóór een huisdeur JR.) un tu un ri h ti {(trn gt;j njn t »ƒ xaa i afj ri \\ spr. alsof iem. over de ^ (ut) z ij tiuitiujtÈ/i k {een denkbeeldige wortel) is heengestapt, v. iem. die zijn weg denkt te vervolgen, maar telkens weer op dezelfde plaats terugkomt, als het ware aangetrokken door de kracht van dien wortel, Rh. tj hi ? rj u 2 \\ tj u2 ij (i i 2 (iTi anji en li ij n * tj d) 2 zie bij fj IM 2 w

n . . )

KW. zva uiti fëihnq gew. un f 1 m \\

kn. niet naar wenseh geslaagd; niet geheel gaar geworden door koken; ook incompleet, zie nn u i m ; verder zich in zijn verwachting bedrogen vinden. Zoo ook imnrtitj i t un\\ {van vf oji kh) bv. rjd/n2 tj m ; tj i n lt;u) tj aan uj f i mi y k i m \\ h ij heeft hem niet geheel terdood gebracht, WW.

1 Q* ClS O

n rn^KW. zva. xrm nn n\\\\

n., foj nu k., een redewoord tot uitdrukking van een bede, biddend verzoek of biddende wensch: ik bid u, wees zoo goed! {zie de gramm) Zoo ook met nadruk un (E^ (m\\ un nh / ƒ rm \\ en meer dringend dj rn(EjJi(»71 \\ of i,n )n i^(tn\\ en f ^ gt;ilEj rn\\

S -I.. . O O

Of Uil Kil Eji (YYt Ej .111 \\\\ (Bi(in\\K., zie (f^cm\\

if m lt;ni n k n. wolk , de wolken {Skr. m eg «). ^ ei (rn ] \'iin \\ regenwolk; ook benaming van een melodie op

KaJI

de gamelan, en van (\'hiineesch aardewerk met blauwen rand, en van een hoogen berg in het westen van Java. .injjjini^Eunmiii n\\ naam van een beambte of bediende in de Kraton. tj ei rn uui \\ grijsachtig blaauw met zwarte strepen aan de vleugels van tamme duiven.

ij ttiioni \\ KW. zva. un /51 (isn/j\\ 1. kn. te vergeefs, zonder effect, op nietsuitloopend {Skr m 0g «).2. kw. naam van een onbekend wapentuig,zie n tj ei2 ni\\ 3. naam van een soort van ceintuur of gordel. G. 4. zva. ern ij tjV)\\\\ G. en 5. zva. hnijumw G. tjuv2tjnli j n tj un un ui ij ui 2 tj i h 2 t:n nsn )j uu rn \\ van zijn willen steenen bakken is niets gekomen. ^

aan het gezigt onttrokken, niet te zien {bv. door dikken nevel). — un ij iei2 nn\\ zva. y lt;ee2 ernw ook onschendbaar, bv. van den Koning of Gouverneur-generaal (Skr. « m 0^ «, onfeilbaar. niet missend.

PK.). R.

p o O . ... ~)

tEi om s u/n \\ en (eh mi q un tj mi \\ zie bij ui m^v

O o Cl . j ,,

m 11 en iei.11^(H^ tij \\ zie bij

a o /. c» ^ o quot;) o

(El \'lij \'UJ. \\ OJ if. 1 1 11 ilfl Uj \\ OJ I I11 llt;l l;j zie bij IJl Ij w

tj iei mi föi \'f i \\ kn. wit schimmel, kleur van een paard,

Rh. zie ij ei mi oajj bij tj i i iii\\\\

L) S • , quot;) /

ii I (rii\\ zie bij a n 1 n \\\\

ifji tj cm kn naam van een kostbaren steen, (Tj.) \\V W.

ci o

(Ej 1 n n \\ KW. zva. on (Ui • (iii un i,njj\\

1 o T quot;)

iiin\\ en ui riirn\\ 1. KW. .1 n eim 11 uijj en u/n

(inxmmi^ — 2. kn. het opperbeleid voeren. — uilE^ mi nn kn. leider , bestierder, die de leiding van • iets heeft, het opperbcleid voert. f^ nitj n\'hj\\ en (Eunjmi ij niij\\ van iets de leiding en iiet bestier hebben. i L ij in^2 rnji kn. zich half openen, van een bloem

{vrg» ui nis); G. volg. Rh ; 1 ij 1,112 i.n/j\\\\

O Cl 1 ^

iEHjm}2 i(njj\\ .eitjmi2 1,11 ij(¥112*11,1 voor ij ei2ij

ij .iii2rjhn2rj mi2 hn/j onbeweeglijk, als een paal

zitten, Tj.

quot;) . .\' )

lE^ mi 1, nij\\ zie (E^ (in iiijj

o

ij iei 2 cm uil mi icnjj zie ijuiumi hn/j\\ o . O C) o o

lEitm^unji KW. zva. uv 111 lii ei/j\\ KN. - (Ei jy eii

cinasti/j\\ zich moeijelijk bewegen, van een wezen dat dik en zwaar is, zooals bv. een boel a


60

-ocr page 1030-

if I mi (hm

Ö4Ö

.«/ m ^ kn. naam van ecu zangwijze.. !\\ kn. naam van een ufdeeliiig/in tie res.

Mudioeu op Java. hn i imi^nnnjj\\ liet MagÊ-tansciic.

tj lt;f i n zie ij i.\'ii ij im ki/i \\

■gt;

if irrn un KW. zva. : j ^i.nw if. i an )f ki im \\ zie bij f i rnw

iamp;icm IJ l:i\\ en f i in tj ui i.n ~jn gt;j i.n \\ zie bij m tj 11\\\\

O ) a . . )

(U crn iuji\\ :• I m iri zie tuunt n ^\\

tj amp;.} 11 mi n I,J zie rj i ntj im njji\\

tjif u ij in n i j zie rfn. ni ij crn uUJJ n ij itn gt;1 cmi iUjj\\ kn. nwuir It alt\' guar, va7i aardvruchten , zouals aardappelen; niet tot rijpheid gekomen, vufi een voornemen of beraad {vry. fiinn i/j), niet geslaagd (Tj.), WW.; volt/. Rli. zieh verzetten tegen, ongev. :ra. tfonè t.t niniMijj\\ zie bij m n.iw tf f ii tf li»\\ zie bij tj im ij m\\\\

in m i\'Lj \\ kn. stijf volhouden , bij zijn stnk blijven, zicli niet laten overtuigen of raden, een stijfkop zijn, stijfzinnig (vrg. (unnn nj \'t; »»» \'Ij!ijs kn. ; ti tn cytn iuji^ naar den adem snikken of snakken, kort en snel met moeite ademhalen, zooals van iemand die uit zijn adem geloop en heeft, in zenuwachtige toestanden gt; als een stervende of als een visc/i up het drooge (org. f iij in gt;

Cquot;) V

v i tj any).

ili rrn tjjjs W. zva. }J tj li -1\\\\

\'fi ninij). klanknab. van het herhaaldelijk grijpen

oj\' pakken , Tj. zie i.) nian jy kn. aarzelen, niet goed durven, Tj. /] tn rnyvKN. niet van zijn plaats voort kunnen; zóó fj ni nltni rnjj\\ Tj. langs een weg, die verstopt is; volgens G. ontsteld, verwonderd (v;y. \' \'\'nJj en mmyi). in tn pj tn injj\\ van grooteontsteltenis bewegingloos blijven. O O O / \'quot;) O

,f h 1^ KN.; ^1 ,n nyni in j\\ ook i j rn Mym i. njj

en f 1^71 cn^crn nijj\\ aanhoudend op dezelfde plaats zich blijven bewegen en niet voort kunnen komen; ook met zijn bod maar altijd op dezelfde hoogte blijven {vrg. fl m mj); volg. II li. het. .] nl m/j en f ^ in tn j ook wel m tin. h/j en f i t n /. n/j meestal her/, helz. nl. zich op dezelfde plaats blijven bewegen.

ij tn m tn in rrt/p kn. waggelen, niet goed vast

staan of zitten, bv. van een paal, tand-, schuddeu op zijn grondvesten, Tj.

(Encmams zie bij inanw

iamp;inrii^ kn. op weg iem. die naar de pasar gaat, opwachten om van hem een koopwaar vooral rijst, op te koopen; naar een betrekking staan; met het oogmerk om een betrekking of postje te krijgen, bij een invloedrijken nmbtenaur zonder loon dienstwerk doen; iemand die met dat oogmerk bij een invloedrijken ambtenaar in dienst is; als magang dienen {vrg. mih) i.h ijkhi/j). iu aii i f n hhqs een adspirant {of sollicitant) klerk. — if.ioii om iets als magang dienen, naar adspircren. — •f Kï\'n i in ingt;\\ tot mail maken; ook voor iem. iets opkoopen van naar de pasar op weg zijnde kooplieden, IUi.— if i aii i i mq of iuiiLi cm i i anfj verblijl\' j

of zitplaats der magaug\'s. (Ui maii 1:1 irn,! zva.tui i i ilii nKins plaats waar men zich posteert om men-schen af te wachten die naar de pasar gaan, en bv. hunne rijst op te koopen; ook naam van een paw dapd in het midden van het plein tusschen de tweede en derde poort ten zuiden van den Kraton van den Soesoehoenan ; verder fji aii ui (hi/j als magang dienst nemen of in dienst zijn.

itji ari \\ K w., zie bij n i \\\\

way = nf .

Ij ifyl 07^ N KW. zva. tj I II t I IJIjI nhblIJI\' K. Ii, 47 V 1/11 in i tj if i nj zva. ,uii ult; i.in \'f i niet ontwijken, ontgaan, ontkomen, kn. zva. iini.i^\\ een bogt maken; zich om- of afwenden, li. .n i iivj tint \\ heen en weer draaijen, dwars over den weg.

:Ey .Vi\\ Ar. , moehdh, gemeen goed, iets

waarop allen even veel regt hebben; volg. \\i\\\\. verstaat een Javaan onder dat woord: rjiumm imm .mi .ui ij.i.i ui ij iijj\\ van het een of ander waarvan niets komt of teregtkonit.

tf (Bid rai q \\ zie hij if i n i i ai j \\

(t/ii.nihi/f k., zie bij f.idf^w i\\niiii/]\\ zie onder in tow

,■ / lay KW. zva. iuij am w/f\\ G.

ii\'jt^a^ KH.i Lj\'i:/^\\ van alles in overvloed hebben, bv. ui i:^ n iUi ^irftu^ dj 10^ \\ WW. in weelde baden V GG. (vrg. zie f i ia)w

1 i:)j\\ KW. zva. i n n.n\'rj^ i iiif niif i.riw KN. rijk in overvloed, bv. van een oogst) v. kleêren, enz.


-ocr page 1031-

947

itj bij (i-y N\\

(£lt;)rt77ï N ^

ihl r.n \\ ziü bij mi a

if 11 ii quot;N wiE^rni h\\\\

(f j I ii ui v z^/*. woch addi r , verspillend, verkwistend; KN., oö/1 verk. i:uu)\\ vruchteloos, zonder gevolg, voor niet verspild, twi \'pogingen of van werk, dal niet beloond of geteld wordt; volg. W. oo/\' zva. ij i/n 11 injj en ijt m iujj\\ volgens G. berouw, spijt. — if iin ïicrn ij hn\\ geld of goed verk wisten, verspillen, verdoen {vrg, Cnrjirn^qs en if i 11 rj il.i n ijvrn^t i n/i) , KT.

-gt; o . ...

ij f u i ii ijii fjetirj iLi g :i:n i^n.i:tliisnjl\\Zie bij ^ » z»/ I mibOjj.

u f u ijr.t)ihufls zie bij ij i/ru ij.i:niLiy^

fI j.ƒ)(ton .-//•. KN. zva. vai ult; tt.in/js {Ar. gt;

moe bt add, begonnen, uangevaugen).

lumy iu/js zie (una;!^ lu/js

Ifi I I V/I 1 l-fjj % A//\' il //^ I :H

iu ri» KN. geheel met wit of geelachtig wit stof {zooals meel of asc/i) bestoven, geheel wit uitgeslagen of begroeid, geheel vergrijsd, geheel wit in den bloei {vrg. (Mtvr) liiyj).

(hj ui i.iiji \\ KN. zva. iu«./j /. n/j v {vrg. /11* i - lt;».^);

n ii iLiji, van een vlam; volgens G. glans, sehjjnsel.

ijiamp;ii ij i.^ii ij f^ivjii.ygs KN. vol en schoon van gelaat, van een vrouw; ook van een vrouw die zich uit coquetterie sterk geblanket heeft.

iiJ

gt;11 n ij t i jii \\ zva. (fA rtjjjs bv. van door goud en edelgesteenten schiitterende Heeding, vrg. if i li ^j\\ en ijit i i ij Sjjjdw

*quot;amp;:ie bij \'èr

~ie b\'j \'v\'i1 jój . ^ • #.. 60 \' »»\\ bij (mj r:n\\\\

amp; • t.. •quot;gt;

finp\\ zie bij tun up w

11 quot;I \'c1^ KN• \'/ \'f-ï\'/ W 7 \'; 7 ^N ccu uitste

kende buik hebben zooals v. e. zwangere vrouw, ij biiips 1, zie rj unnp w — 2. grof doek, zeildoek,

zva. in t.y juq {Skr. poia, doek. pk.).

:.) . V . .....

Hx 1\'1\'\'\'x 0/ v ,-,NN

\'P \' of .} rCi zie np i*i\\\\

\'Tót 0J ~ie ) , / .

7 \'■»/ \'t-lt; 7•),»/ƒ \\ of f / Y ^ 7 Ci \\ \'ƒ \'• / // ip NN

O -)

van M\\l\'i™/Is zie

f jj v\' \'\'^//n kn. een klein soort hak- of kapmes, Rh.

»/ \'M ^ afè è h i^\\ zie y \' quot; 7 V\'\' \'•

) . o .

/ /ij hiii\'injj zie Liani ij n.iéw

ifyphniu/j Ar. (?) kn. begeerlijk\', baatzuchtig, inhalig, naar zich halen {vrg. i iuiji t?iiia^ en n ^ n iiii^\\ 2.). Jli; volg. Kb. een tegenstribbelaar, een dwarsdrijver.

O O . 7.. O

f i tip iisnij\\ zie bij li li ilii j\\

fji up ljji\\ kw. zva. mvBjijiji II ui ili^/j meestal van het spreken, van de taal, manieren, innemend, ook ongeveer zva. ui i in^jj Uh.

\'f i 7 W W lt;N va,i (te buik, Tj.; vrg. w im

ij ifi rj f i ij li w

o o .... o o

l i if l up ili Zie bij np lip ill]\\ p . .....

MiLTtj.hn^é zva. (li mil liy \\ zie (Uii^ni^

O quot;gt; • O o

ifjl lp h II ,ƒ \\ Zie lU lij! h II /I gt;

£-? iijt ij^iin^i \\\' zie bij iCi y w

n Qw . . )Qu .

(f.i ip i^\\ zie .u iifi i^iy\\

f iup Lij.1111 of Ljj\'p i.y\\ kn. verwaand in zijn spreken en doen, bv. zich voordoen en het aanzien geven van een geleerde.

o o ... o o

n np ui 11 ijjs zie bij np ui ii-i/j\\

n . . . . * n h tifi iip \\ iL^ (ifi (ip \\ oj ui ^uyii zie gt;ip np \\\\

C quot;) 3. Q. ) . . quot;) O . O. O.

f. i ip np \\ f i i^i Uj \\ zva. f i np nij \\ é?m^. zie ip ip\\ enz. i2t\\ zie hij uï\\ en bij Lj w

iamp;l\\ ook wel n., unulp ook toel n/n l\'i kn., ili /y \\ of tun lij i j ook wel ui iV of i n uj li\\ k., i/n ii \\ ki)., alleenlijk, alleen maar, enkel, niet meer dan, slechts {vrg. iamp;i njij \\ en ui n n ui\\ of mi ui \\ ). (m \'L Ï\\ gew. a/u hj ?ï\\ in de spreektaal ook veel voor (hl uï\\ of (uruHi. ui\\ doch , en voor ij uu 7 ip 7 i.j\\

of Ij ilU Ij hj ^ /ƒ 1.1} ? (Lil (Hl *11 f.I \\ OJ Ij Uil l Lil (LJ. iamp;l \\

\'en ii uiiia,ii(Ki-jii :Lis {volg. li. een uitdrukking be-antwoordende aan ili ^ niuiii. in het n.) alleenlijk, het is alleen maar, menigvuldig in brieven om te zeggen dat men niets te schrijven heeft dan alleen hel volgende; ook wel ij un ï

O . ) ij,

nsn^i hi^s en ^ um.liuki ^i^iui ^ in het n.,rj(unt

• ) . • /. O .

tuin ik un iijii \\ — n 1 fojj ui iju 11 \\ oj .1 1 léj 1.; ^ \'•quot; ^

kn., ook wel (ui lUiUi hn !in/j\\K., bij o/1 tot iets of

iemand alleen zich bepalen; iets alleen betreffen ,

dikwijls te vertalen -, alleen maar, uitsluitend.

y Lu? \\ 1. kw. zva. lU iJiMi/i ook N

Men. {vrg. hij (un • h if-i\\). 2. tj li? gew un ij ili t ^

kw. zva. rtn mjN nji^ ili{« kn. aan ^ets zich wijden


60*

-ocr page 1032-

94S

of zijn zorgen wijden, met iets zicli bezig houden, j aan «V/s zich overgeven tf ruu n ij /udo rh\\ iemand ■\' wiens zorg of bezigheid de handel is, een hande- , laar. d/n y w2 uof fiL^rti^ibvjjs) mu\\\\\\c plegen, x/n ^ ,ni /ai /.v uij\\ aan smart (bittere droefheid) zich overgeven, wi ij \'£i 2 ihii ^n en (ini ij nh 2101

o • / 7 .. o o

i;t hnjjs zie bij muihj \\ en bij o rKurjjs \\ t/n ij 2

u \'-s\'v Hijksvoogd, eign. van dfn tijdelijkeu hoofd-djëks\'a bij de Fr add la. — iemand zijn

zorg en oplettendheid wijden ; voor iemand alle zorg en attentie hebben; een kind oppassen. m -Cn) ijièi2\\ of iw ij li 2 \\ in poëzie ook / ] rj /y 2 \\ pass. — rj iamp;i? rjtèiiy of ij li2 ij \'\'-i2\\ een kind of kleinkind oppassen en verzorgen; iemand, die bestier of leiding noodlij heeft, besturen en het oog op /tem houden.

{volg. VV W. do rj 12 ij ifh 2 -■ ook) 1 v ij ijj 2 ij ui 2 \\ pass.

o

: i2 ij 112 ui nn\\ zva. ajij (ti.i j i/n uin/j voor zijn of haar ligchaam zorgen; zorg dragen voor haar toilet van een vrouw; alleen voor zich zelf zorgen vooral van een vromo, die ongetrouwd blijft. — ij it/* 2 ij ii 2 (ki aaji \\ iemand over wien het bestier en toe/igt heeft ö/het toezigt en bestier te houden heeft j iemands bestiereling; pnpil. hiK^rj (uilt;^1^/12 ifiLuinmp die {/tem) onder zijn toezigt heeft, die als lioofd (^patroon over hem staat. — uinMt *1 i\'i 2 \\ of tui ij li 2 rj t\'ji 2 \\ zorg , verzorging; oppasser , verzorger, o/* oppaster, gouverneur, gouver»

nante, van een kind {vrg. am iFjitm/j).

O c)

w (Li en li 1:1 oiij\\ KW. zva. f i

fci\'Lj kn. in bedenking staan blijven; in zijn binnenste aarzelen, weifelen, onzeker zijn wat men deuken moet, doen zal of te wachten heeft; twijfelmoedig; mijmeren; en zva. -nnH7j\\ {zie hij •gt;»

. r \' ) 1

\\) r.u7^ ft/ .• 1 \\ oj i ii ij iLi iEjI i-j 1. n m ln ?(L/11 anjj

ook il/I tj (h.) r:n pi il^ of li ij l 1 n u tvj (Lri q (tm

(i(i Ijs naam van de panda pa vóór de woning van

den Rijksbestierder en van de regtbank y die daar

gehouden wordt en waarin de Rijksbestierder zelf

r egt spreekt. (Ook wordt de wachtkamer binnen de

poort van de vorstelijke begraa fplaats te Kadilangoe

zoo genoemd), ijuti2 o /»tj\\ naam van een poort

onder aan de trappen ten zuiden van de Siting gil

in vroeger tijd. Tegenwoordig wordt de ij i.n ? n

^(iTrKtfC muD ook wel zoo genoemd.

O quot;) O ■) • ... )

(ia 1:1 \\ i(j1 ci in \\ en 1 1 li i.ii . »i y i.n\\ zie bij 1:1 t 1 w i?i\\ kn. aamborstig, aamborstigheid, als de luchtpijp bij de ademhaling piept met liet geluid van (i:i\\ {vrg. iijii ili cïn/j).

Cl

L 1 tj 1:1 \\ zva. vj (£ji rj (ui 2 zie ija/u ij i u .»

o

v- \\ Zie en ij la ij (Ui 2 \\ zie vj tm y ui 2 w

Ij iLA TJ UI J--Y iL l Ij (UI { TJ (EjI Ij ilTi q \\ zva. LI (177 ^ (LI UI ; \\

maar minder roode, een zacht roode kleur hebben . Rh.

o • / ..

.• / (ui 4 l I ui j \\ If (la 2 tui q il i lui q • zie b ij (Un ui q w

;quot;) O O o

(L iuKiri/j en (Li .ui \\kw. zva. iliitiwha.uiiijjs kn.,

zie bij (Uitinnjis

(l i u.ji (i( ijj \\ i l i (l\'! ui fj en iui ili (uj an/j\\ zie bij aji a:^ anjs

O . o

{( ij Li2ii^\\ f i ij ii 2 un ~n ij am van aj^ i.p zie iai iaw

(LinTj,ijj,^ of Liitj ajjiKhj J Ar. kn. de inagt van

iemand die op alles een middel weet om zich te

helpen {ook wel door bovenmenschelijke middelen)^

bv. van een gevangene, die, hoe ook opgesloten of

geboeid, toch wel middel weet om los te komen

(Ar. foySi*** ma\'oénah, hulpmiddel; Pers. ma-

oen ahy ook magt, vermogen).

O \'\' • i • • O

(LA (ui \'jtyMj\' zie bij mi fUj \\\\

o - »•• quot;gt;

(Li (üj ay mi i, ii. zie bij aj)ji ajj axi k ii w

ifjia^ hj\\ kw. 1. in beweging brengen. G. —2. droefheid, hartzeer {vrg. ajY^aJj\\ en tjuiu ijp) —\'3. kn. naam van een bloem gt; W.

(LA ui rj ihri 2 (injj \\ zva. ojii rj (Hl 2 anjj\\

an a • / ••

(la ui op Lfii (uj \\ en m as! (in aw (h n ~/n ij uii \\ zie bij i n

O

an mi w

\' i \' l kw. zva. aA i^ nj ilij en (uj..li waar

schijnlijk zamenstelling met verkorting van m j aniFns). ui nj Lia:^ /{^ \\ kn. een van den grond verheven opene zitplaats, zooals onze muziektenten. a.7)ia-i uAiu^ff^tiHi hn iLi/j\\ naam vaneen der gelijl e zitplaats van den Vorst op de groot e feesten, ten

noorden tegen de bang sal-wit ana gebouwd en niet

quot;) quot;) , , , Soa

ajiuryijunii lj bevloerd, l i i.j a^an ihii \\ naam can

een gebouw in het voorhof van de So er a la ja.

l i i j (y ii j \\ zie bij cuij^ nij q w

o CxA o i gt; . ... T gt;

; i n \\ en £/1 (UiT) n mi v zie bij uw i / nn

iL,ifrj{U^2\\ zie onder ij •ri2\\\\

(E/irj uy^ zie bij ijrn2^\\ II.

(Li man ui\\ zie bij mi in ut w

(LA (Ut gt; i (uifj n k w , zie bij un m w

iLt ut i i kw., zie bij ajtt i\\jt (Ut j^ 1.


-ocr page 1033-

ill vn (EJt 17} \\

,£» it (Ei it) kn. gloei jeu, van het aangezujl, ei/* inliet aangezigt gloeyeu, gevolge van zunnehUle, of drift, PJ. oo/c blozen van schaamte of toorn, Rh. {vrlt;j. if. i in {M (w lt;{ n en ^ vj vj \' ^ n ) •

fj\'u fy^ KN. inwendig boos zijn.

\'i \'l \'i KN ^oc\'jei1 0f lüü^ w01\'^011 \'ln liet aangezigt lt;/öor ongesteldheid, of zooals door teveel gebruik van sterken drank, enz. (vrg. u i iiv» id i.i \\) j volg. Rh. achnimbekken.

ij .n rj jti ij f t ij ri \\ kn. rood zijn van de lippen.

• (?)

tf l Ij Hll \\ K. , Zie quot;• I IfIHlltW

(X) co o C;quot;) ■ ... G)

{i i.ip f i ij uni nj \\ e?i aj) 11 /.^ n öy / m. w

!n tj i, a \\ Md., zie f ? \'ƒ .?lt;»/ / \\n

iu ij hiit\\ {in de spreektaal ook (ijnrj iim i \\ en tf joi z \\)

CO Ttr / • 0 (O

N, ifnimr K., (//»^1.»^ Ma., ! i !gt; ii tnj KW., lt;/;

iuntinjjs in de spreektaal Md. en K.; een rede-

woord om een eerst aanstaande lijd te he-

teekenen: aanstonds, zoo metéén, met een oogen-

blik, op het oogenblik (a rinstant); ook van nu af

aan en thans; als uitroep wacht! {vrg. y nu\\ en

CO v i.. (y) 4i (O

in-rjnm ij iijs\\). a n fi ij hoi z ^ enz. tiian 8. aj) iti ij

- rj„ CO , . Ov (O

ij i.ii z \\ of n/n \'M 11 ij i, n t \\ ook wel i n i i lt;/ ; /ƒ /. n i ij

\'VJ9N enz., op het oogenblik, tegenwoordig, thans. lüiïrj t\'i 2 j. i ili ij nnt\\ thans. W W. /U ij i. n z tj aji z ij ij ti \\ aanstaande avond, d. i. van avond, f i tj i,nz hi m \\ aanstaande maand ? WW. ilïij 1.1 ^ ij mti gt;j tj mi z \\ dezen avoud. tj n ii cm ij mt z \\ zoo even. ttnij im 2 lt;ïQvj tj» iu \\ zoo aanstonds ook wacht even! 0(un hu i.i j\\ wacht nog een oogenblik! ui rii(ui ijfjij mi 2 \\ tot heden toe. i iiio irj iti ij kh z heden ten dage. ^mi?n de aanstaande (toe

komende) wereld? G. tegenwoordige tijd; deze wereld. nrjimz ii rjimzs strakjes over een oogenblik;

wacht nog even!

o- . o.

\'iihii\\ zie (cnniw

ij i\'ii ilt;ii kn. 1. zva. if] rj ilj z mi w — 3 een voegwoord om hd volgende als een an der geval met een genoemd geval te verbinden: en het geval is {of was), en nu is {of was) het geval; en nu, en dan, en {met nadruk), vooral om in een conditio-nelen volzigt;i met een ondersteld geval noy een ander geval als bijkomende omstandigheid ie verbinden; maar ook wel om in den hoofdzin van een couditionelen volzin uil te drukken wat dan het geval is {zie de gramm.\\ Ook mi ij/iz i\'ii \\ i. iiij i\'u

949

mis en mnjicj \\ met meer nadruk, vooral in de spreektaal.

)

(iiMH \'s K\\v, zva. f imiw

O . ...

di in uw ^ \\ k , zie bij i. iii, n .gt;\\\\

ifiir^ia^fs en n a ^ mj j:tii iHi/j\\ zie bij i, r^ (in^ j \\\\

q.. • o

if i hiiivii n i/j\\ zie .\' i hu i n n i js

. ci (?) n . CO

/1 hoi (Hi tj - if i mi nnji n zie it i ij i, ii z w

ill 1(11 If! \\ poet. ; (11 tj h ll gt; Ij lujzs of \'l.7 »ƒ h Il2rj l i 2 \\ n.,

) CO ) /. ■) \' )

lt;11 ij hiiz i ii nnji, ii ij kiiz iun iiojj Of iiitj hiiz mii (injjs

/if i • C) (•\') /• \' ^ ()

Md. , ! I HOI ,1,11 (HI j , li I h ll III IHl/j of illth II Ibll Ilfl/j \\ k ,

o]) die wijze, zoo,alzoo, zoodanig; zulk; zulke; zoo? ei zoo! en ii ij hu ij hj \\ of iiiij hii n N.,

n co cquot;) r ^ ^ T.r,

1 ij hii iim (in/i, it itjihu (bikinjj oj ii ij hu n u (mjj\\ Md.%

; » CO ) /• P ) / •

i h iiil ii (1(1/j , (tl h ll tvhi (hl/j of If.i n ii osii ili 1,1 n k. , {hji

i.ii (in ook poet. voor iii ij hoi ij ihi\\ zie W. T. 7ö) op deze wijze, dus, aldus, dusdanig; zulk, zulke; {aanwijzend voornaamwoordA van hoedanigheid, van hiihos ij loizijih^zs en ij ioi ij tij\\ of quot;ng k a n a; ngk ón ó en Hg kén é, voor u il ■hii (to \\ enz.), hoi ilii n 111012 ij hj z zulk een. if m 1 \'iyij 1,112 ijiHj2\\ als het zoo is; dus {met nadruk), ij.ui hjtj 1012 ij hj 2 : (ici au . . . als het zoo is, dan... dus , bijgevolg, ij u i ij ho ~niirn ,iu ij hii2 ij 102(1/11 ^ als het niet zoo was. ihi ij 1012ijyj 2iuajij\\ of .t iij ij 1012 )jhj2nji^dii en dat wel, intusscheu, evenwel. fi? tj 1112 ijiHjz f 1 ij tj f \\ zoo wederom, desgelijks. 11 fo rrii.(1 ij), 11 ij hj mijn raad is deze, mijn voorstel is dit. £lij 1012ijHj2 il ij hh\'ijwjs zus of zoo\', dit of dat. li^ ? aPi ij ■10 2 iii ij 1,112 ijij 2 \\ zoo maar omlaag (op den grond, niet op de ambcn) zitten of gaan zitten. 111 .j 11 j trj 1,mijHjj z, zulke broeders (ö/* vrienden) als wij zijn. ij 101 z ijnjjzs enz. ook ter bepaling van de soort, evenals xmnoy enz, zie Gr a mm. 51,198, C. tj ó 2 hji^ ri ojj ijiHii2 ijHj* {of ij / 2 ij ij ?) de levenden; en zóo tot n a d r u k: ij 101 rïi 1 hii asii ij hii het k a n, of het k a n wel, (maar enz}, (iji ièi 1, u no k vv. zva. iih ij 1,112 ij not w 111 ij hoi ij lij \\ zie bij iii hii now

(Li ij 1,112 ij Hj 2 zie bij u hoi ho\\\\

(O . 7.. »

dl ij ioi ij hj\\ zie bij i i hhhow

CO o • / .. (O

it njioi2iHj\\ zie bij .i i Hip\\

iih ij 1, li 2 ij hj 2 \\ zie bij f \'i 1.111,1 v

CO ■ /

{ Hij IOI2 ljlHI2 HH fj\\ Zie bij rj HOI 2ilj HJ 2 hllQ\\

oer Srr\'n 1\' ) \' T ,

n hii \\ iiiHoi\'ri\\ en 11 hum hh lojjs zie bij

O»\' \' . Qu \'■ 1« 1 r

lij! hll ^ Zte (l/h h.h N 13 V.


-ocr page 1034-

948

L) O

ii-.\'l :C) \\

of zijn zorgen wijden, met iets zich bezig honden, aan jV/s zich overgeven tj rn i n ij rum) t\'n\\ iemand wiens zorg of bezigheid de handel is, een handelaar. (U)) y it\'i2 l/;{ n n hi/j of m\\\\n\\G plegen, n n ij n? irti mn nfhp aan smart (bittere droefheid) zich overgeven, (lh ^ i tisn «a ^ en (tm tj nli è •\'vJ

O • 7 O ...oo

(i n tM/js zie bij teu tuj\\ en bij o r i itsnjj \\ \\ am ij m 2

\\ llijksvoogd, eiffti. van df.n tijdelijken hoofd-djè/csa bij de Pr adat a. — in lt;rj(è)2\\ iemand zijn zorg en oplettendheid wijden ; voor iemand alle zorg en attentie hebben; een kind oppassen. nu iJnif ièi 2 \\ of \'Ui ij .ij 2 \\ in poëzie ook i v rj ?y ? n pass. — ^ o ? rjiiii2 \\ of ij li2 ij \'■\'i2\\ een kind of kleinkind oppassen en verzorgen; iemand, die bestier of leiding nood\'uj heeft, besturen en het oog op hem houden.

{voly. VV W. ti?} ij ,• a )j iM 21 ook) /1 ij ijj 2 yj tót 2 \\ pass. o

tj •• 12 tj li2 n n\\ zva. cunvu^lt;vt) ut t,n/j voor zijn of haar ligchaam zorgen; zorg dragen voor haar toilet van een vrouw; alleen voor zich zelf zorgen vooral van een vrouw, die ongetrouwd blijft. — ^ .£/?? »ƒ Ligivjiartjis iemand over wienhet bestier en toezigt heeft of het toezigt en bestier te houden heelt; iemands bestiereling ; pnpil. kïkj tj nj) nrf hei i \'if{i\'i2xnM/js die {hem) onder zijn toezigt lieeft, die als hoofd of patroon over hem staat. — tui tj (U2 \'rj i\'i2\\ of ojiniMirjzorg, verzorging; oppasser, verzorger, of oppaster , gouverneur, gouvernante, van een kind {vrg. d n en r 1 (i:i (hijj\\ KW. zva. /i) 17^w kn. in bedenking staan blijven; in zijn binnenste aarzelen, weifelen, onzeker zijn wat men denken moet, doen zal of te wachten heeft; twijfelmoedig; mijmeren; en zva. nmnmays (zie bij n ivjl \\) in tj ti.i f iiKisofm tu 1E1 (ui ,Ln q tun afyi gt; ook tu ij (im ip) of li ij ii.i.)) m n:^ ui) m) dS) jivn nnjjs iiaam van de pandapa vóór de woning van den Rijksbestierder en van de r eg thank, die daar gehouden wordt en waarin de Rijksbestierder zelf r egt spreekt, [Ook wordt de wachtkamer binnen de poort van de vorstelijke begraafplaats te Kadilangoe zoo genoemd), ij im 2 u / / n naam van een poort onder aan de trappen ten zuiden van de Siting gil in vroeger tijd. Tegenwoordig wordt de ij i.u? n (Ottki/c du 1) u ook wel zoo genoemd.

O

(ïa (cl

(Fj) I I

O ) . ... )

) )ij\\ en i)i) in) - li 1/ i.n\\ zie bij /;i f 1 j)(irt\\ kn. aamborstig, aamborstigheid, als de lucht, pijp bij de ademhaling piept met het geluid vuu (ifn (vrg. iinnamp;i ern/j).

o

ii)tj it;) \\ zva. \'*11E1) )f (ij) 2 zie tjom ij nj) 2 gt;•

o

v\' zie cr,lj071 ? eu lls))a.:)\\\\

ij (Bi rj (tri 2 \\ zie ^ tm rj r;/ 2 \\\\

ij ii.i rj ij) j — y it-? li i ) q 7f (Ei) tj (177 ^ \\ zva. i) cvn q (I I 11 ? \\ maar minder roode, een zacht roode kleur hebben . llh.

o • 1 ..

1 ot) j ) oj\\ 11 tt.) 1 dj? ^ ii. 1 (Ui % \' zie bij (ut) iU) q w

O o /fcl UI hj\\ KN.,

Cquot;) O

•1 gt; C) an/j en 11.1 »\\ KW. zva. 1 iri \'.n

zie hij fj) iin (injjs ih. 1 nrj oaji \\ f) f 1 viij en oj) m (Vj (hi/js zie bij o drj hqjs

O . O

}l ij 1 )2ihj\\ .} 1 ij J:)è kii ~j)) ijtii) van (u^ i.j \'\\ zie .lh a iw if i of .Dlt;rj vr)2ihj t Ar. kn. de magt van

iemand die op alles een middel weet om zich ie helpen {ook wel door bovenmenschelijke middelen), bv. van een gevangene, die, hoe ook opgesloten of geboeid, toch wel middel weet om los te komen {Ar. maoênah, hulpmiddel; Pers. ma-

oen ah, ook magt, vermogen).

O n • O

(hA(C) Zie quot;ij

(Ej) uj (ic) ji)) zie bij iq (U) u 11 w iF.iiujjihjs Kw. 1. in beweging brengen. G. —2. droel-heid, hartzeer {vrg. e?i tj L))2pj\\) — 3. kn.

naam van een bloem, VV.

uj) in rj ik) 2 najj\\ zva. (ij)) rj (Kh 2 ih()jj\\

00 o ■ 1 ••

cl) wtoi ons en ti (tn olt;) 00) i.n -jd rj ut) quot;\\ zie bij 111

o

(If) u 11 \\\\

/

M^^NKW. zva. antKi ti^ujj en waar

schijnlijk zamenstelling met verkorting van : 1 ».ƒ aoisi^n). ü) i)j fkl^ jf^kn. een van den grond \\cr-heven opene zitplaats, zooals onze muziektenten, n:)) ai u I fii il\'h i. »7 iL)fj\\ naam. vaneen dergelijke zitplaats van den Forst op de groote feesten, ten

noorden tegen de hangsal-wiiana gebouwd en met

) quot;gt;7 1 , Son

iu) i iyijiimi i.j bevloerd. f i i.^^iH) ihn \\ naam can

een gebouw in het voorhof van de Soera la ja.

i ) iüi cnit ^ \\ zie bij iijy n/ƒ ^

oCY x aCy * . j.. o. gt;

\'i 11 \\ en (ej) 1 ) ni tj Dm \\ zie bij d/n 11 \\n

(Ej)rj [1^2 \\ zie onder )j-)i2\\\\

(ej)ij i:)2 $ ^ zie hij ij\'ri 2 q \\ II.

(E.) (i:i (in ui \\ zie bij (ld :u) ui \'a

(Ej) iv.) quot;»1 \'). )jj n K w , zie h ij 1 //1 v\'/ n\\

ie. ) ii:) 1 ■)\' KW. , zie bij (Li) dj) (U) j\\ I.


-ocr page 1035-

11 LI tl II \\

940

I Jl h t)

ri iHEim kn. gloeijen, van het aangeziyl, of iuhet tuvugezigt gloeijen, ten gevolye van zonnehiile, of drifty PJ. ook blozen van schaamte of toorn, Rh. (vrg. i t n ^ /e,i i7) j \\ en lt;?*

:f11 ]^ Kri\\ kn. inwendig boos zijn.

}111} ji ccji kn. gloeijen of rood worden in bet aange-7.\\%idoor ongesteldheid, of sooats door te veel gebruik van sterken drank, enz. {yrg. \'U vn iei ».»\\) j volg. Rh. schuimbekken,

ij i nj r.t ij ! i ij m v kn. rood zijn van de tippen.

• (Pi

.! 1 n un \\K. , Zie i! I tf (Hll t w

G) (?) ^ c;quot;) . » ,, (*)

,i i i.ip in »ƒ h ii 17y \\ en iw f i r ij, \\ zie bij i i /• nn

n ij h ii \\ Md., zie ir i y -v n f vs

ihlijiiii2\\ (in de spree letaal ook ojiii^ am t \\ en ijim 2\\) N., *irj,ni- K., Sr) i.n, Mr/., ijmi tny KW., \'t l iPnm/js hi de spreektaal Md. en K.; een rede-woord om een eerst a an si a a nde t ij d te he-t eek enen-, aanstonds, zoo meteen, met een oogen-hlik, op het oogenblik (}\\ l\'instani); ook van nn af uan en thans; als uitroep wacht! {vrg. .u ijiuii\\ en

(.0 v i.. (•quot;) (y)

ii.ivjmi2 if tLjs\\). i ii fi ijin fit^ enz. thans, (i.\'i (t i y ij i, ii 2 \\ of (On jj) it i ij i, ii 2 \\ ook wel tun i i i / ij \'■ n 2 ij rf lü^ enz., op het oogenblik, tegenwoordig, thans. (uiïrj ii\'i i (Ki im 11 nn i \\ thans. WW. (Li y i-mtjajii ij nrn\\ aanstaande avond, d. i. van avond. Yirj 1,112 1.1 Ki\\ aanstaande maand/\' WW. i^hj l uy n ii ij

(.0

; i /1 cm n i 11 kh 2 \\ zoo

ij i.n2 \\ dezen avond, itj 111 cm n.j ij

even. fci ij mi z i. 1 rj ,ij» iu \\ zoo aanstonds ook

o G)

wacht even! tunmh Ki:j\\ wacht nog een oogenblik! id (n/i(K/i 1^1 ij nn ? n tot lieden toe. 1 1 lt;10 nj 1L1 ij nn 2 heden ten dage. ».»;lt;? n de aanstaande (toe

komende) wereld? Gr. tegenwoordige tijd; deze wereld. .■?rj mi 2 ëi ij 1.112 n strakjes over een oogenblik;

wacht nog even!

o. . o.

lt;ui,ii\\ zie (ut irn w

fj nakn kn. 1. zva. u i rj hji irn w — 2 een voegwoord om het volgende als een an d er geval met len genoemd geval te verbinden: en het geval is {of was), en nu is (o/ was) het geval j en nn, en dan, èn {met nadruk), vooral om in een conditio\' neten volzin met een ondersteld geval nog een ander geval als bijkomende omstandigheid te verbinden; maar ook wel om in den hoofdzin van een conciitionelen volzin uit te drukken wat dan het geval is {zie de gramm.). Ook uit ij j ii nn\\ /. \'n ij^12 nn\\ en Ji un rjiujs met meer nadruk, vooral in de spreektaal.

. ) z\'

(f}!Kil.gt;\\ KW. zva. fl (hnw

(quot;) •

ff 1 it) am :gt; \\ K , zie bij i.iy.i^ \\\\

}) (in i n gt; \\ en ii 11

lT-quot;l

£ m^ i.)) iHi/j\\ zie bij h y )ni ? w

if 1 )m(imn i/j\\ zie : 1 hn r.n 11 i/j\\

. o (?) n • (P)

f )0(n (hn,j\' t innnnjjs zie it ) ij i,n2\\\\

ifj to) ie) \\ poet.; /1 ij nn 2ijȣ2\\ of trftj), n 2 rjhns n .,

) £) ) r O O

lUtj hui gt;hgt;n onjj , * ) ijxmast) anjj of (Dij nm mni onns

nr J - ( ^ (?) O /. )

Ma., /) on) iisi) dü/j , ) ifn 1,11 hi/j of ,• 1 n n ih)) \'ifi/]\\ k ,

oj) die wijze, zoo, alzoo , zoodanig; zulk; zulke;

zoo? ei zóo! en :£) ij ifn ij irj \\ of ; rij ),n ijiiy N.,

) (\'•) O r 1 1 ....

1 ij ilt;n iuii (injj, ifi\'tjOi)) ibn onjj oj i ) ij hn i n o-njj\\ Md.,

: ) (?) \' ) quot; - C) ) ^

if 1 nn dn anjj , it) 1. n (U)) on/j of f.) un asn oerj \\ k. , (o

jtnon ook poët. voor id ij om ij on \\ zie W. 1. 70) op deze wijze, dus, aldus, dusdanig; zulk, zulke; {aanwijzend voornaamwoordAvan hoedanigheid, van un ii)\\ ij ). ))2ti nj2\\ en ij 1, n ij /y n of \'ng k a n a; \'wgkónó en ng kén é, voor a\'iï lt;H)) cm \\ enz.). ). i) (ld } ? ij dsn 2 ij rj ? zulk een. tj .u/ mij rn2ij(ifj2\\ als het zoo is; dus {met nadruk). ijiUi jfj\'ij i i)2 ij ),j2 t doa?) . . . als het zoo is, dan... dus, bijgevolg, ij ui ij on ~/)) irn Oirj nn 2 ijon2(\\/n ^ als het niet zoo was. m ij 1.1)2 rjifjè luajip of ièi ij ij i,n2 ij iij2ii/r^ \'))) en dat wel, intnsschen , evenwel. i ? gt;11, i) 2 ij iij 2 f) ij i_y ^ n zoo wederom, desgelijks. .uMiflj fiij i.mjoy , mijn raad is deze, mijn voorstel is dit. ito ij xm ij uj2 D ijiniijons zus of zoo ; dit ol\' dat. 01^ ? t l ij y\'/ ? i rrj gt;,zoo maar omlaag (op den grond, vliet op de ambèn) zitten of gaan zitten. ; /1 ^0 m rjmn2ij0^ 2\\ zulke broeders {of vrienden) als wij zijn. mij um gt;j!*y2\\ enz. ook ter bepaling van de soort, evenals x non^ enz. zie Gramm. 51,198, C. ij i\')2oj)^ n m ijnn 2 ij uj2 {of ij r)? ij i j ?) de leve n den; en zóo tot n a d r u k: ij )(n r.) f / kd (ut) ij ff) r:) het k a n, of het k a n wel, (maar ens\'). lt;amp;)0in on ■ kw. zva. itgt;t ij hm ij uji w (amp;i ij oni ij nj \\ zie b ij il 11,11 on \\\\

(tl ij i, n 2 ij ):j 2 zie bij ••\') om on w

iDij i.nijhjs zie bij mon) onw

(?) o • / f)

a 1 ij 1, n 2 hj \\ zie bij 10 0, y w

(?) . ,.. .

if 1 ij 1,112 ij hj 2 \\ zie bij 111.11 h 1

G) • / ••

f lij )n)2 ijpj2 hn/js zie bij ij 0,1120^1,12 ),n,j\\

e)cy cro iter .t c .... . .

moen \\ itoonrris en f 1 ),n 11 mi mjj\\ zie bij aytyn^w

o. \' . o. / 1j.,

om n zie ivn «s 15 V.


-ocr page 1036-

5)50 imuns

/m inj \\ kn. Fïi.lj ?ïhij \\ zich onwillig toonen door telkens ilen rug toe te keeren , vry. nJhi ^s Rh. i}i h)i ^ kn. 1. verwaten, verwaten slecht, onmensehc-lijk (Ar.jC^ gt; woenk a r, niet erkend, verworjicn, slecht, enz.). 2. vooruitgaan, voorspoed hebben, bv. met iemands handel {vnj. \'f j ?. , JR. zich uitbreiden, zich vermenigvuldigen van iems. bezittingen , vee enz. Rh.

ij )?)i \\ of (^i \\ ook wel kn. ontkennen , loo

chenen, niet erkennen, volff. G. verloochenen (y/r. jamp;sc gt; mo enl ir, niet erkennend, verloochenend. Vrg. jft) i-lt; (vnijjs en /. V n iets ont

kennen ; iemand niet erkennen, hv. voor zijn kind.

GR. — (ij? h! hn \\ het ontkennen, enz.

» /• t S ci . X

ifj /. tj fj r) \\ en lt; i h\'ijj\'vi ij hn^ zie bij

/ihn gt;t kw. 1. onbestranbaar, onmogelijk. G. {vrg. rj im rn ) 2. f i wr}* ofit Kt) ni \\ zva. uij rh ? (ir\\ni\\ ook naam van een windoe {Skr. makara, naam van een fabelachtig zeemonster, dikwijls afgebeeld met den kop en de voorpoten van een antilope en hel lijf en den staart van een visch: ook naam van het sterrebeeld de steenbok).

i n \\ naam van een slagorde {vrg. il tun . ).

(O • 7 .. vT Qc

if i uy nf zie bij i, n »k v\\

kn. 1. woeden, razen; of ri^n^unfj K. 11. 35, zie m^unji^ 2. /i in^i,))jj\\ de handen in de zijden, of ook één hand in de zijde, zetten, een houding van kwaadheid en dapperheid aannemen; ook veel gejoel maken, bv. van veel vrolijke memchen. en \' \'■quot; / zi# bij n \'nytnj k»lt;fj

zie hij (u^h^iuvjj* {eig. iijiy tmnn/j Rh.). » rnji en i) lal\'n inijj kn. fig. te berge rijzen

van de haren {vrg. il ijnaiz rj -tn 0)1 /j).

6quot;) o o •

iii.it »»mi/j\\ zie 11 not rrn^N

KN- bv. van de haren van een kat; ook opgezet, overeind, van de veêren van een vogely die boos of bang is, zie frwiKirtjjw iiï htidJi vu of f ri.ijj it r.ii/j\\ zie bij i.i^ii ii n p

Qv . • .

7 i zie cun

i\\i%ii] itiy kn. I. scheef zitten met een knie omhoog en leunende op de hand of elleboog; vrg. ?) ^kii^ bij 2. Tl», zva. tj n u ij f u \'

i\'nniun- kn. vuil, vuil wit; vaal, van huidkleur;

ook vuil door vuil op het ligchaam, AS.

i\'nj mu i. ti j kn. kom,groote ö/*kleine kom (vrg. tjxnz

(.0 C )

f i int imrjs

S » Qu t v

gt;ƒ». ii i \\ iv. r^ \'i:j,\\ i \'i nn finjj \\ ij n i ij ri tenjj en itoi •tni\\). fejmihinijjs kn. vast, onbewegelijk, ergens als vastgenageld zitten, WW.

(P) o . ,C*7) ^

(f i h it lt;kn/js zie bij i ii on i.iiji \\

ff\'l ij am i jnyj \\ zie (f j ij n n ? h it /j \\

tj (éi tj j. it z dm fj \\ zie bij tj uri tj h it 2 Kit^fj \\

tj /i t tj nm mii j^ naam van een ghiding ; en zie bij

ij urn 2 tj mt 2 mijj \\

Qv c ■) • I .. Of O

; i int nci/j \\ zie bij a/u ». itiui/j\\

tatanjj\\ zie bij iOr^.miiui/j\\

tj itij(Htii(ia,j en ij t\'t ilt;it ijii\'cttjjnt2 zie bij ij i it

tj (int 2 tinjj \\

o o ... i o a i mt iit\\ zie bij t t i,ii ut j gt;

r t ,}(ti lUit/j \\ zie bij en onder (i/it tot a tt/j \\

tj iét tjitiit2\'Uitfjn zie bij tj i ii ij i(ii2(ictjj\\

. ) . , ) • : )

t Kit (1:11 titjj \\ k., ,\'tljt()l(L,tilt(lfj\\ f I Ij 1,11 2 il li il(t,rj\\ *16

irli h ii nn w

amp; ) amp; L ) ro . )

!Li\'int (Lit itnjj . K., .f i Ij 1(110511 (tn/j\\ tf i tj iai2 tisn (infj\\ zie

t t nn nn w if\'i ij ddi 2 i^jj \\ zie bij rt tj,Kit2 ihiijj\\

ilijni1.1fj\\ kw. met drift iets verrigten. G. {vrg. tu

tntaJUj).

» n ..... o

(£■? k ii i-i/j zie bij \' 11, tt \'in/js

□ »,(-) . . .. Q.- O

if 11,it ij^f\\\\ zie bij 11 h n i ifj\\

a~ . ...

f i intn ijj^ zu- bij i n i.i^ t ifj^

\'^\'li\'\'\'i\'d/isw quot;-yydjp

rii.itiV)\\ zie bij i)i int uw

rii,nntfj\\ kn. zva. f.inm tup zie bij m nrn tt t/j ook een pijnlijk gevoel hebben in de borst of keel door een verstikte oprisping; lig. leed of spijt hebben door onbevredigde begeerte, Rh.

f%i(Kr^(HJtjj\\ zva. ifit rij n tj\\ zie bij (óiat^rujjs (fq inn it Uj{ \\ zie bij (ój Kit ti t /j \\

quot;/\' \' \'Ij UJjV KN* \' zie W \'l \'\'\'li \'wf

O.. Q

/1 ant ii / n k w. z va. i \'ii (Hi t u uttw Ij lt;amp;l 2 Ij Ji |i ? \\ zie Ij t it 2 ij tni % \\\\

f\'i nnt tu \\ zie bij ,i\')t hit tit^s

Cl o . ... . O .M int wi\\ zie bij ui tnttiijjs

tj (èi ij int 2 ii nui/j zie bij ij t/htj iinti tu^

* O •

f i hit 7t;N zie i t un tt tw

PïKtj i tfj\\ zie bij (urt /.i tfj\\

rt tlt;jjjj\\K\\\\. zva. fr\'jitj tat\\ zie / lij tdi2\\\\

Qui) 3.. )

ihi Kit f ifj\\ zte bij t tt i, it f tijs

n ri .... o

f} i t tnrr^t.n.js zie bij i n r.^ i,iijj\\

ifïi.ti crtijj kn. ?h.n rij in rit y zich moeijelijk voort-


-ocr page 1037-

H2 ij i, n ? onjj \\

) rgt;

if.i f t i i/p

961

bewegen, Rh. zie m mi \' quot;y/x n nnj\'un? nmjjs en iult;rj ri? ij .iai? ïn,p zie. bij tj v\'n ?

if hit i ernji \\

a, Q- • o..

/ ] i.y nj trrt/f zie n ttt.i^ iit/j\\

/, y ,»») /. al ij \\ ook \'fijj t. y ^ // /. y /.^ \\ KN. i\'olff. R ll. koren , kokhalzen, van iem. die moet braken — n/tt (linrj i.js (fiiititt ni^ (rrtji\\ van misselijkheid, zijn hart draaide hem in zijn lijf om, Men., misselijk, onpasselijk {vrg. f^rj i.n t t.ttq).

ro • ,.. 0

iLt tnt zie oij nit tut r.tt /^\\

.n ij h n i tj tip i utijj \\ zie hij ^ tot ir^acti vttt /j \\

.o. . ,c o.

iiitm\\ zie bij ijimhw

(y) . CO . • / •• ^ %

en u iht int \\ zie bij njt trtt \\\\

.o , o

! iiict \\ KW. zva. anoaj^ tut^\\

o o -) o o o .. .. .

iHi tiaji KN. {t i i \'.ut.p spits, puntig; scherj)

o .... O

int irj iup zie bij t.tttir^.n i/j\\

7; /y rt.^\\KN. naam van een riviervisch; ben. van een

spijs van \' die visch gemaakt ?

oo ... o o too o

nrt.htt/p zie bij ut lt;i :t Hitiji \\ — it rti » t

o o o o fj (üi(ict art (in/}\\ C) Jl

1\' .... o

(tsj; j \\ zie bij i n rj ihnjj \\

itj ij i t i it M/js zie bij /ƒ /?; itgt;n in/j\\

) o ) • / •• o.

/ƒ//(/ ty \\ ./ ; /. / » i ,6/)^ K., ^^6\' ö/y tj in n i\\\\

) ) ....■quot;)

.f t i t ihij r:i Hii p zie bij lil i:t htt/js

\'t\'tii\' L. KN. inkt {Skr. m as i); üo/t het zwarte vocht

van den inktviseh (iit unitt t in). zwartsel, Rh.

v cJt -\'

2. Ki)., iji\'\'iii.i\\ III. — f i ilj i t met inkt of zwartsel zwart, gemaakt — it tj gt; ttn^ met ntn zwart gemaakt, bv van knevels\\ en {euj. li hi tj htmjjs) inktkoker.

11\' zie f j i.. t w •\'Vmxkn. kar wij zaad, een medicinale droog vrij, .IR.

vuig. Fil. Anethnm gvaveolens, anijszaad. \'/••Vm- of ook u i i ts 1. kn. tijd van of voor iets, bo. Zijd van elen, etenstijd, regentijd, jagttijd , enz.; getijde, jaargetijde, saizoen, moeson {Skr. viasa, maand, twaalfde gedeelte van een jaar). Het natunrlijko zonnejaar wordt door de Javanen voor den landhouv) verdeeld in twaalf jaargetij-don. waarvan de drie eeiste ij f\'n m t.u aut ni\\ de droogc moeson. de vijfde, zesde en zevende ^it? 1 gt; t t nn genoemd worden, — benamingen, die evenwel ook in ruimeren zin genomen worden voor twee saizoe.ien ieder van zes mlingsaSs, zoo dat daar-uieu het jaar in twee saizovnen verdeeld wordt, i i.iii (tftiLi ij /tl h\'i\\ of hi rit tj ut ? i.i\\ met de termijn van elk half jaar, telkens als met het half jaar na de feesten in de maanden Moeloed vu liame-lan de pacht gestort moet worden, a.\'i ntt int n i ij tj f\'iê his om h^t half jaar. \' t ij v.\'j2 ij /nw«.ilt;n\\ al tleze twee {halfjarige) termijnen saisons. y t.n (i i .1/ ij nj in p de oogsttijd, ij it\'t 2 i i i tt if ui de tijd van vrneht geven (van hoornen en plantsoen). i / i ^ t y m ~ ]) ij ;\'iri i tot de tijd {van bevalling) gekomen, van een zwangere, riyyhyii^ al voldragen, vaneen vrucht {itiniTiMij). (tcj^ -it ij rt i i-1 \\ ontijdig, vj Lti hi li ihn n i i.i/j\\ op den veertiende {van de maan), f\'t 1.1 y/y ij ii^i tn de lijd dat de mensehen eten. rti.iriij\\ i\'i i.ihj tj ort/js als voegwoord wanneer t torj ru rr of il\'t t i

% . .O

\'ij } 11 it\' en lift :h\'l tj ilt;y \\ N., t KEI ^ \'ij ll11(1 /N K gt; i ]tij i it 11 t/jofu j f i rf 11) 2 i\'i/j^ K I), {dial, tl itft i n)

zoo wanneer. 11 ij .-\'t2 i.i tj f i2i i\\ 1 ïi 1 1 tj 1*12 i t tj

tf {\'l 2 th I ^ hl Ij itl 2 1 I f\') I I Ij lil \\ Of ill l~ I Ij .\'\'tt I I l\'l

a t ij ij^ ten alle tijde, zoo dikwijls als, al wanneer maar. — u /111 mjj\\ bij tijden, van tijd tot tijd, bij buijen.

Iï. kn. verslinden, opvreten, van wilde dieren en boetas, eten van dieren, BB. ini ij 1*12 i.i\\ en Aiji\'jtit passief, fiijfi2.ii\\ hetz. met onbepaald object. fi hitinjj of 111 rt 11 tnj^ iets dat verslonden wordt of te verslinden is; prooi {-Skr. mdngsa, vleesch).

III., ook wel !%t inr k., li tj int Ki j ki)., met volg. Jussief: het is niet denkelijk, niet wel denkelijk, het zal wel niet zijn, dat. . . tj .\'\'1211111 t t.j i tj ij\' ti hij zal wel geen mensehen eten. ij inu ij 11 ij li2.1.1 rjiL/iuntih 1 :1 \'j.11 - \'N j(; wel niet

onbekend wezen.

IV. kw.\' zva. in\'os matig {Skr. ma sa, maat). /,/.ƒ ij !*i2 i t kn. naam van een lekkernij, een soort van koek {eïg. matig zoet), nij ittd i 1 ; ruj^dii tj ut ijimth] 1 j^jt\'t ~ t * tnt {tKjjij fit 1 hij gevoelde zich alsof zijn hart met aangenaam zoet overgoten wierd.

f 1 iti tj\\K.w. zva. iji 11 kn. gitzwart, bv. zwart

gemaakte tanden.

lU lil ljj\\ kw. ZVa. hn 1 n 11 tl I j ij 1 1121^ 1 llt;j\\ kn. 1. gedeeltelijk ontbloot, voor een gedeelte zigtbaar.


-ocr page 1038-

932

; )

h l (C/ I I/j\\

ei

K / /U^\\

Vrtw de borsten van een vrouw {vry. am un ti.i/j), ook zva. ili i.m 1:1even met de punt er uitkomen; te voorschijn komen; fuj. bv. goede of lichtgevende gedachten in een soitihcr gemoed gt; K. 5, 73.

/ƒ f»i m//ƒ\\ kn. wielen, dwarrelen, hv. van water

of van wind {vrg. f lrJ \' ^^•

ij s) ij n it //ƒ \\ z ie bij tj (\\ n ij m t^/j \\

\'f*i ii zie bij /? \'n ai j \\ en bij uii^ I.— ti ki % ai

o . o

fan \\ zie 111 i .u d.n \\\\

O

. C) .....

u i I i\\ zie bij i u ,7.; w

of li ij i.i/{ kn. zva. uki% van i\'n i ijw

^ ^ K., zie fi thJj j w

0f 11111s of yliuijs K., vijand,

tegen wien men te strijden of te kampen heeft,

vijand in een strijd {vrg. ). f 0f 111

iemand tot vijand hehben, tegen iemand

te strijden hebben, iemund- bevechten. —

nii\\ een vijand bevechten, A. 44.—

of rj ,lt;1; I ? (i ii :}i^\\ en ïn w ^ (un mi ^ of •f liËi i iq

ari injs zamen vijand zijn, in vijandschap leven

me/ iemand; vijandschap. — anu^i^ys en itirfj

(hj^\\ vijandig tegen iemand gezind zijn. G.

,/Vm i.ii mi mi J Ar. kn. iets dat duister is, dat iemand

in de war brengt, zoodat men niet weet wat men

er van maken moet mo esjabbih at,

of tóU.c 7noesjabihat)\\ bv. o ƒ gt;» /./ tj [ jtin

o . rt ,

1 // i.y i n cru ij ui f i Ki trn t n (un/j van den zin van die uitdrukking weet men niet, wat men er van maken moet, R.

Qv Q. O O

dji v7j v hi /iJ\\ zie it\'i i iw

o-o . j.. o.cy

111 i zie bij (til j i w

. ry . . rv

\'t jl i~i\' zie iijr^ (K i v

\'tji uiiji \\ zie hij a n njj niijj \\

ov , ) qvo

hi ijnajji\\ zva. it,i i t nijjs hi i.i kw. zva. Z. 11. \\\\.

hi\'mtiaji\\ 1. Jr. kn. een gelukkige of gewenschte uitwerking hebben, gelukkig slagen; gelukkig vol-bragt of voltooid; gelukkig, bv. van een echtver-eeniging {Ar. . mas\'ucd, geholpen {dooi

de Godheid) in het gelukkig bekomen van iets, door Gods gunst gelukkig ; gelukkig) i.ui ^asn.j

van .Kiia ^iLiijj). R.

o* cl • O

hi (ui itaji\\ zie bij uh .k i

. O . O O .O . | ... O

hjtttjj naijj\\ n h i ihii \\ en /. i: ui hi itsiyj \\ zie bij ui hiiigt;i)jj\\ (ti(ktfuji^ kn. het gesponnen garen, dat zich om de nïlw gewonden heelt, ats een hoeveelheid, iJ/i o-i iufis een kisi vol.

hia.^ ifiti.^ hu\\ en fm i i^i rj mi \\ zie bij t m gt;

! ) . O

— hid.j ihi (ini (hfi,^ zie bij arri nuw .wquot; (li kn. goed in het vleesch zitten, welgedaan;

van een vis oh, vol kuit zitten, Rh.

a- ^ . ... a o

hji h i njjj \\ zie bij fih/ni^

d ■) • ... ; )

(t i m iijiji \\ zie bij (Ijii i^i lt;i Ajj\\

f i^ (lAJjn kw. zva. hij^ hln\'.i^ {vrg. lÈia ^.twj) bij a u hjunj).

o . o

(El hl/1 (Lil (L,ll \\ Zie h 1 hl UI ihll \\

. c) . . oJ

(Lia.i tnj zie an/ i(yiiji\\

Qv O . . .. Q. 1 )

f ! hi (inji \\ zie bij i/ii i i (ïiiji\\

n éi2ui\\ zie bij ui.uiw

^ \'ie b\'j \'gt; n «Jl 1 *

c.l/\' O\' O C.V . ... O\'

(hi fi:^ Dih/i^ ri\\ zva. i j igt;i i/y iji\\ zie bij j/y i iw hi ui \\ zie bij ui üi \\\\

h^ Ujj \\ zva. n ^ hj \\ zie bij ? j uj w hi(ip\\ kn. hi!i.i^ \'\\ ben. van een groot soort suikerriet, Rh.

fjiinijs [. kn. , zie bij uiy:iiii^\\ —2. k., zie bij f \' \' quot; \'/N zie ben.

}h » / /li^iv k., zie bij .1 /y \\ 11.

o ....*)

hi r.i y \\ kw. zva. ii\'.\'i T7 ui \\ f i L:ntj\\\\ en zie bi) i.n quot;gt; CJ CA J

hL I f W

hi ^n k.. zie bij hi ij ry\\ onder vjè*

o • / ..

(U ivi uu (injj k., zie bij aty ij n is tiojj\\

hi il^ if ini 2 cmji \\ zie bij ij nu mij \\

hl rj i n n i rj an ? / li an/j \\ zie bij d/i^ n i \\\\

\'ti r»\\ kn. 1. (ili krijgen, van jonge krekels. 2. zva.

o S O \' r.

if i ui * en ,7,; ij; w (r.

o ^ Q quot;

; »i \\ zie bii .1 // f ï n\\

-»1 ^ u ^

/1 vn rj m i gt; k., ö/y y n i2\\\\

hi an rj ili2 zie bij if tli a\\s

on . ... o .o

m ui (La/is zie bij u il uhihjjs

i j ui hpi (iji iLyf\\ kn. (li. P. 11, 40) volg. Rh. beter, ij hi2 ui njui vLi/j \\ niet vast op zijn plaats, beweeglijk ; jig. besluiteloos, weifelen.

0 O • 7 .• o \'quot;)

1 ui uiiij s zie bij uii y^idji^

hi r\'; gt; kn. voorover; zich voorover buigen bv. om naar iets Ie r.ien of te luisteren; de takken gebogen uitsteken, van een boom-, met den gebogen top uitsteken , bv. v. e. berg, Tj. {van tuil 7v» zie bij n\'j s). hi hy\'h \'n j den hals gebogen vooruitsteken.


-ocr page 1039-

/!quot;l iiquot;x

953

L ) Ij (Yll

,i i ij»;»i\\ zva. ii i rty-j Y it i tj 1 ■/ 7 tt )rj rj ? v volg. Rh. voor

een deur of venster staan kijken ot\' uitkijken. rinrjems kn. het hoofd, den kop of kroon op zijde neigen of Isiten hangen; het eene oor naar den grond buigen om te luisteren {yrg.

m li ivifj \\ zie bij i n xn tiji^ \\

O O O

f i zte bij njn u .ut j

\'lij quot;P quot;ie bij 11

iti li j i ƒ n k \\v., zie hij n/n (iajJ \\\\

o . a

.n t.yA^ kw. zva. ii hisr^iHj^iw kn. zva. : i(imn i

o . a . .

nni iiiii \\ {van M^ajvjs kw. zva.

/ (in it i (Ki -jn if h (Hi/i\\ zie bij i ii (Ujj anji \\

,•\'» uii/j\\ zie bij (uniE^ huji\\

-/1 ii:i f ji uh/j\\ zie bij am lEij j.njj\\

. ) . , )

■t i n i t i, ii/j\\ zie bil ii/ii in (h n i\\

co \' J co - •

if\'i i\'i\\ of (H its KN. twijfelachtig, onzeker, ongerust,

nog niet vertrouwen {vry. dnhlitQatis en ^ ij n gt; tj f\'i 2 \\ en nji ij nj ? ij it\'i ^ \\ zie bij vj it- i ? \\

f\'ian\\ kw. zva. iiin nrii (rnq i Jvj (Lirn lEnjj a^i

ij ii \'ii an s (Kt rj \'hfi 11.1 w \'\'quot;l\' kn.; .li(tt^if\'i rip (/jlt;nïóon\\ besluiteloos (quot;?lt;/■

nrrijs \\. Ml. Zondag {Port. Domingo. Irg. mij), zondag houden, niet werken, stil zitten, Hh.

~) (Z)

2. kw. zva. iamp;iihjw iti ijcrmdnjj\\ kn. Zon-dagseh.

il* it r)i \\ 1. verk. van rj f\'ii rn\\ {zie bij ij i*i2(m\\). 2. kw. zva. ten rYi anji i-i tj^nihii/j (uh ni ri \\ .l] i.i w\'/N KNl\'en 111 hebben iets te doen G., in staat zijn, om iets te doen, {vrg. (Uku^s). — di \'imap stout van aard, van iemand die tot alles den moed heeft. W.

if icnif\\ 1. kn. zva. imniiw — 2. kw. zva. iCiamqw ■f 1^ \\ kw. zva. i£i ar) ^ n k ., zie bij mii \'Lj w wij arm zva. tticri^ w

(Lhrn^\\ 1. zie bij ëicrrt^w G. 2. k., zie bij tAj ti^w if.i ij nrri ^ n kn. ; amp; rj cm { £i ij m qs hijgen, vanvermoeidheid {vrg. iQmi pi (Yii lui/j),

..... ^

ibhrtn k-j zie bij ,i/iym.f\\\\

\'fj quot;)^\\ zie bij am tnij\\\\

z^e bij n/ï^cn^ ^\\\\ — 2. kw. zva. n/niHis in

\'l quot;l\' \' quot;NKN- {\'l \'fj\' \' f \'/ \'lN *\'/, ™x of f\'j ij ert i \\ poet. zva. (uncKiojtis of xjii ijih^ Zoo ook bv. ij mi

O O .

ij11 li ern (yti ili ili w quot;• i (n i uij \\ zie bij ij u g rn w

o 1

,f.i ij nr}} (Hijjs if.itj miuj s en HjIrj mikigt; anjjn k., zie

bij tjnti om ihiqx

,f\'i ij rnn i.\'i/j\\ if\'i rj an en ^ nn ? \'Iquot;N z^e

(O

a ii ij eni è anjj\\

Pi n^mi j kn. zwaarmoedig, droefgeestig. G. {misschien

wel veric. van uj, fcf lt;rr^ (hn/j\\ zie bij rl n^aa j).

ci. . ... o.

It.l (rj (Yll 2 QOjj \\ Zie bij lE/l (Yll W

if.ums nn de bloesem van de kokosboom {vrg. ii xii n ).

iM(tn\\ kn. I. zich tot een hoogte of als een heuvel verheffen, van den grond gt; hooge grond, het tegenovergestelde van Lj ij iciihii j\\ {vrg. tén dn \\ en f\'^ nj ). 2. zonder zich te verroeren opeen plaats blijven staan. G.

. /- (.o cy n

lij tljs kw. zva. li ni\\\\ (r.

lEir^^rr^i kn.; gt;f\'i ij[air^? f\'i ij (iiy \\ zva. \'ti ij iliu\\ zie (Cirj\\ zich groot, hoog en dik^vertoonen (wy. dk tj in 2 nrj n i 2 \\ ) y bv. fi ij riu iu ij\\cny(Uii(Lii

nrniiezfw R.

(P) o . ... (p) o

ivi (ïh ilt;iiq\\ zie bij tun mi hii p

ij ifji -rj (Yii i h n ^ en if if-i cm ij i n ij cm i, ii/j\\ zie bij ij i n ijcmiKiy^

O. . Qv

ili (yii (bojj\\ zie bij (urhcm nsyiji \\

(Zf ni iiiii (j \\ zie bij ii/rj (i n/j \\

iliamajtji^ kn. naam van een zeer smakelijke boomvrucht , (v. d. Garcinia mangostana Nat. f am. der Clusiaceae), die een dikke van binnen purper- of karmijnroode schil heefty waarin zich zoete vleesch-achtige. witte pitten bevinden: dc manggistan. — Jn it i cm i i/j of ook enkel iu ini \\ gelijk een manggistan. n i ij it^iun^iciy^iu a i ihii/js lippen als ingesnedene manggistan, voor purperroode lipjes. — h\'jI erh a.i -irf (ici/j v versierselen in den vorm van manggis, bij loijze van charivari aan de punt

van de zakdoek gedragen, Hh. vrg. hn lj y nwq

: gt; o zie ani iHj iiw

Ij èi Ij cm 2 :i. i fj gt;! ILI Ij (Cl 2 a^jj zie ij i ju ij n 2 ijjj ■ Tj.

. Qv • • o

iLj enj \\ if^i\'rj (m\\ k\\v., zie injj ii^s 6.

ft j (tn iLifj\\ zie bij

ij .•\'/ cm ili^ zie bij ijdii cm lt;iLi j\\

o (quot;gt; ( ï . Cquot;)

iti am n i\\ kw. zva. n 1:1 (iw mi jn oji i i oji ijjj. i i rn

ijdji\\ [O^iie^^Yirj\'jyj 2iK)\\ cmnts { \\ en (ur^\'Yis {Skr.

nianggala, heilspellend, gelukkig, gunstig; en

plegtige opening, d. i. aanvang van een geschrift.

i\'k.). iii nn a li cm dsn naam van een Katoische zang-


-ocr page 1040-

o

,/ / /ƒ»./ /ƒ 11 / ) p

7 7^^

954

O O O O

«;/y*6\'. — (# i irmi iihjs zva. ! 11 ■/ lt;1,/lt; \\ en ./»»

W.

t\'i .777 m ; n hoven.

bij tjim if niw

)

CO ( ) O . ■)

rtï a/i (L^\\ KW. ^lt;7. /I ;; /AJN ; / / 7 lt;if) \\ .L; / / ƒ

niet meer praten, den mond houden, 11.

if\') gt;/^ n (LTicins en l; »^n\\

O . • ,.. (0 .

quot;in? bij i iyti(CtjW

(Eji o il \\ zie gt;i u i ail w

► q« . » . . 0

itjcnr thj ij mi \\ zie ^ ».

*1 ,f\'i u^kw. zva. a») rnuhiij en J

ij iti i ctii \\ of (ij(rii\\ kx. benaming van een wijze van op de (jamelan te spelen^ zooals wanneer de Vuist in staatsie buiten komt en bij het tournooispel. WW: tv// gamelanstcl, bestaande uit drie

gong\'s en twee stellen bonamj s, ieder op een rij, cw grootte iLn i n rn/j of i m j {welligt 7 7\'77(17»; y n iiihjs) Rh.; yofy. Rh. behoort bij hel tournooispel de t ] mn) lb}ialt;ijj\\

ihi i j n kn. niet toereiken om iets te omspannen o/* te omvademen, de hand of de beide handen of armen) niet geheel kunnen omvatten of bevatten? van een ruimtey Ij.; fig. niet ten vollü, niet geheel durven. (li.) Rh.

T

) (.0

(M I l\\ KW. ZVa. IK) KI?\\\\

; 1 (Pi -1

/i7 / ;n 1. KW. zv

kn. duister, geheimzinnig, moeijelijk te ontcijferen, WW. kw. zva. a^jinw •fl rï\\ kn. een aangename geur verspreiden , zooals

bloemen (vrg. rn.fi\\). G.

.«•: j 7-7 n zie bij ij i/ti ? 17 w n ij r.)\\ kn. zijdelings kijken, om zich heen zien, Rh, verder poozen, van iets dat men doet oenige

oogenblikken afgaan om iets anders te doen {vrg.

, . . )

ij ui ij ntin/j). ij lt;1/112 »7 mj rnt ijt 1 ij .111 1 ij 1 1 n i\\

zonder zich een oogenblik tot iets anders te gunnen.

7 it u t \'i zie bij ij 1 n i r.i w

it 1.1.7 7 7 ^ \\ inuijw

a } ij 17 Y \' \' ■{ \\ •\'\' 7 \' 7 7 \' 7 v y. (♦; gt;ƒ f 77^ » J J gt;N Rs.

Men.

o :quot;) ^ ) ) .... )

77 » 7 i.jtfn ,?/ 0f \'\'\'\'\'\' \' y \'\' 7/7 6/) / ;

0(1 fj \\

Jirj i.\'ip kw. I. {ven \'\'\'hdroef

heid j boetedoening. (J. 4., misse hie n wel

voor ! 1 i j ffXy-(} i ij j t rj r. zva. // ryj » / ijjj v. y tyj r i jjjj Tj.

(V) tO (.0 (.0 . . ,

hjhi lt;ti v.} an/j\\ KI., «y/ï. i n i m/n iti n [zie bij

ia ? 71 / ; ÖO/?quot; ^^lt;7. 7.7J /lt; / (i/y fjr; p

«t? i\'; rj077\\ en r i i:i 7 071 \'y K., ^071 ? w

o . ...

.111 1 ij rn i \\ en 1E1.1:1 ij (ni 2•Hj\\ zie bij i nrjcrmw .11 rt tfl hjjj\\ k. , zie bij dJ) t Jw

(777 \\ 1. KW. Cfrt. (YIDJIvlS {vrg. (777 \'777 N /\'W (77*7(777 ).

G. — 2. verkorting van rjit/hiaiiw — 3. n., frtw (unrrris mi ... .777 ., . nu eens, .. . dan weder, soms wel,... soms niet; #£\'. mi luuniij .yii(rn tjnj) niii?) tiï hu j\\ de rivier is nu eens hoog, dan weder laag. cni 1 rt oj ui j : mi 7 mi ? \'n soms geeft hij, soms niet.

(777\\ kw. zva. ijmi\\ of rpjjw G.

ij nis {nggé) of *11 rj »/»nk., zie bij 1 h ij mi f\\\\ mj in\\ uf lt;1/1)1/ 777 n ó\'w njjj of t n mjjj ook ij 111 ij mi \\ KW., 77» y i/in n., {volg. Rh. (70/4* gt;777 7 1 n \' 11 jn/j) in de

spreektaal, vooral als toeroep, spoedig, gezwind,

/ ^ : ) o \\

gauw 1,111:11,1,11,j en miniiijj), ildi^uhij

ij m zva. 111 is iï il i.n j (Djo ) niet vooraf, niet

dadelijk; niet te gauw, niet te vroeg, DW. 71. m o )

iiiijnis zva. tui 1,11.1:11 tbn/j\\ — 111 ij rn mi tj mi {zva. i~, 11 d jn.rj\\ te gauw, voorbarig G.). 7.77 jy|\\ (q/* Yjtsui.ui) ij 77) y 777 n benaming van een water, daar men bloemen in deed en een toovergebed- over uitsprak, /y/^w ^/t\' kracht aan toekende,

t7w« t\'i\'w kind y dat er in gebaad wierd, spoedig groot te doen worden , of ook wel tegen den ouder dom en den dood te beveiligen. Tegenwoordig zegent de moeder of de vroedvrouw het badwater van een pasgeboren kind met te zeggen: mihcji / (Kjiijmi rjmi t in in r^ij iciw volg. Rh. wordt dol quot; water soms gedroogdy met hetzelfde doel. {ij 111.gt; ij mi ij (777 * heet water voor de haast, heet water, dat nog niet kookt, doch voor de haast maar gebruikt wordt. R.). — in in ij nis quot;f i 11 rj mi ij rn kn , iets, zooals zijn eigen doody verhaasten.


-ocr page 1041-

(O

miin ^i\\

955

rn ?

zoeken ie bespoedigen, i ii tjcvnvjmitj r ui i \\ en ook wel alleen dj\'n ^ mi y on \\ de tijd voomitloojien. — i ;/ )ii rj mi un ij un \\ zva. 77 i\'i (rn vu rj 1, n \\ l)cs])oe-digen, L. 109. trrt ij miinj\\ maak er haast mee! — n 1 rj cru u 1 (Hi/j met spoed. —m ij mi rj mi \\ liet verhaasten. —- nnti cm m mjj\\ te spoedig, bv. hti ij rj m 1 ili; i:j li AV li.

11 n)?\\ (ngr/o) of intimus zie bij \\m vj on 2 w an ; \\ lt;?ƒ 1/ (rn2gt; kw. aij.i.iifiw volg. G. mi j \\ eva. !Ki a i\\ (SAr. (jö , (j a uli).

tni gt;n {liggUi) of xm rn gt; \\ en i 1 onq on Md.,zie .1 n ui\\\\

o - o* o tj o/n ^ BK. zva. mi q oj lt;in on gt;\\\\

ij ont gt;\\ zie rn gt;\\\\

a

on.iv\\ kw. zva, (KiiUi\\ m^iLJ)\\\\

o O

on 1 n \\ kw. zva. a^n nojnjs

otm/^nkn. het gehuil van een hond {vrg. t n i ). o

lt;rni n\\ kw. zva. m^.V)\\\\

on mi \\ kw., 07^ /?/ n kn., grot, hol, spelonk ((«S\'/ir. g 0 e-ha); Tj. scng/c. negen, oo^ non i\'ri) \\ zie bij mi.rnw 011; 1 ti in/j kw. zva. iult;(rr^\\\\ G.

o ^ n ■)

(rnt tt (tn \\ kw. zva. him.his 0- i^tt \\ i.lt; -»i \\ k; int jji i\\

isi f ^Jl

(S/cr. gahana, ontoegankelijke plek, digi struikgewas, afgrond).

nit/yji\'ris KW. zva. 11 01 v. {Skr. g a hw ar a HZ g a-

h a n a).

on ij tuï)2 •intn\\ kn. gekras van een raaf, volg. Rh. zva. o n mi tilt/j of totont n naar hel gekras genoemd on ij i n?n?. anji\\ of 1 \'n n 1 tj 1 n ? 1, n j krassen, aanhoudend krassen, n/n ntriwidhtiq volg. Rh. zoo zwart als een raaf; en zva. ii im^tyi j vrg t // im un\\\\

O /. . O . \' \'

nt i nihiiji oj (tm rnim iibtt n\\ kw. zva. (inij on tj 111 i n /j \\ WW.

011 ii \'ti ,j tt \\ of mi vj n ii t nsn \\ ver/c. van 1 \'n mt tj in t x tt \\ de kost winnen, door een bedrijf (lt;S/r. angga-wdrltd, lijfsonderhond, pk.), fftuidi/ncrniix/iig \'iot\\ iemand die met zijn handen of met nering de kost wint. — tC\'i mi tj»11 ? ihtt \\ ook wel iij/ rtt ojy^ itt \\ en 11 ij om Mn 1. kostwinning, bedryf {vrg. .un:i u tflt; .ni\\). 2. leden, ledematen, als organen gt; bv. de handen, voeten en tong {Ml. anggöla. I rg. \'I r\'2\'/ ?\' 1 -dianq en 011 iti iiï i^\' my). KT.

001 rj t m u uji -1 o nx/r^ in tjjs

in \' ij iu/j\\KN. meelklonters, knoetels in meclpa]). m \'\'L\'7 inommele11» zonder tanden kauwen, zooals kleine kinderen en oude nunschen. — 1 it 011 i.iin ijj\\ op iets kanwen, als boven.

rt Kt/ti t^t ^ 1 \\ quot;f o ij iX/n fi - i\\ zie bij iur^ f 1 . t\\\\

oTix nuiiji of ri) inirn^ sir. l . cha\'ib, kn.

verborgen, geheim {vrg, 1.111), — mi t y aJn rrt^/s verborgen, geheim, gehouden, bv. door de goden.

rtj^ ifjih/ii imfj\\ zich dooreen zekere geheimzinnigheid een voornaam air geven.

0111 ij \\ naam van een beest dat omtrent de gedaante

van een aap heeft. G.

dm y » i? kn. ; xh ott tjitiis aanhoudend huilen, jar;-ken van een houd, zva. vnn/i rij\\ huilen £»ƒ dreinen , van een kind, zaniken; ook loeijen van een

koe, WP.

c\\ . Do orn zie mi \'itj ^

on an /j of x n rij un/js kn. weverskam, om de schering ie ver de eten , wanneer de schietspoel ingebracht zal worden {vrg. quot; f ^ • gt; de busjes waarmee

het web aan de x n 1 m hangt, WW.

*1 on (Hij Cnggen) k., ijomwjf (nggon) zie xnrj 11011 2xnjj\\

mi (hi\\ 1. kw. zva. (tj r 1 am \\ {Skr. g ana, een wolk).

— 3. kw. m an\\ en (un 001 on\\ en volg. G. zva, lt;gt;ƒ /.:)rjii:i\\ ook zva, xx.t uj w — 3. kn. wat bij boedelscheiding aan den man toekomt, in tegenstelling van oii\'ijj\\ wat aan de vrouw toekomt, man on hj \\ het aandeel dat aan den man en de vrouw toekomt, een regis/erm. — kn. de materie waaruit iets bestaat {Skr. gana, materieel, solide, vast, enz). 5- kn. iets dat een gedaante heeft, die niet volkomen de gedaante heeft van dit of dat, maar waarin men tocli deze gedaante mot aanvulling van de verbeelding zien kan; stukje hout of steen, door de natuur zoo gevormd, dat men er de gedaante van een menseh ol dier in zien kan, en veelal als talisman gebruikt; volg. Hii. een stukje hard hout, dat los in het hart van een boom zit, in de vorm van een pop , {ook van een onvoldragen vrueht, die nog niet de volkomene mensehe-lijke gedaante heeft, maar waar men toeh die gedaante i\\i erkennen kan; en een stompje van een lid aan een misgeboorte, dat bv. een poot ol een arm zou moeten zijn. R.). — ö. masker, pop of popje van een insect, bv, van een rups. - 1. eign. van een Jfatura, die de bosschen en het wild beschermt {Skr. gana, een wezen behoorende tot


-ocr page 1042-

rm7$n

956

het gevolg vim Siwa. vk.). aw u nii Miaytut thn/j^ of ook a u v / u / rrï j an ,»; .1J) .b^ \\ i n oy met geld betalen, en nu inxi m nnx.u met goed betalen. R. cni (Ui rj ui lijs een onbedaehtzaum wezen, eeu onbedachtzaam menscli. R. rn imi ntuiy een schoon wezen. R. — i h an vy ;y n iemand een schuld of belofte betalen of voldoen {vrtj. f ij },n\\y

) o . ... 7 o o

crti ujs {m poezte ooi\' cm\\ en n 11 an\\) N., lu ^n \\ {ui Djolrj\'o j oj. tun iU\\) k. , vnur; de vlammen, brand, Ar. van een huis of bosch dat in brand slaat

[S/cr. ac/ni, vnuv, en eign. van den God van het

\\ ï n i / O o

vuur), m(isijanitjj\\ vnurstcen. naam

van een rups, waarvan de aanraking op een zacht gedeelte van de huid jeuking veroorzaakt, (ijquot;ar» /y\\ naam van een soort van bamboe, die men hier en daar vindt (volgens sommigen dezelfde, die anders uajijiict of [njj^hi^w genoemd wordt}, naar men zegt, door pand it as of kluizenaars in den ouden tijd geplant, en die vanzelfs in brand zou geraken, als die hv. voor huishomo gebruikt wierd, JR. — i/ncni(uj\\ als vnnr doen, spr. voor al meer en meer begeeren of vorderen, WR — a 11 an rj uj jy gt; r;» ij lii i ijj \\ vuur stoken , onder iel* \\u\\M\' maken, iets oj) liet vnur zetten. ruKiini^n nip al verder en verder voortbranden. —an //?y wyi of in an ^ i.y i j nu ij un i any \\ zich bij een vnnr warmen, bij het vuur zitten of staan {erg. nai (Lia/n , JR.; (volg. Rh. ananin) vnnr aan hebben, in de keuken {chir^^anan^ zamen bij het vuur zitten te warmen. JR.).

au kj \\ kw. zva. ar^ lt;uj\\ en lünjhdn^ i». ii(i5im i/j of hji rf umijiivij\\\\ ook zva. iua!j\\ of amanw (vrg.an (tn\\ 2.).

aii(Uj\\kw. zva. rjg an/j {vrg. an an\\ en aiia^j \\ 2.); kn. zie bij tnan\\ 3. — an aai an i^j\\ vaam van de vrouw van Biina, verb, uit Skr. nagini, vrouwelijke slang.

nll cfS kw. zva. cïrruj i n an ■ n anj . als Tj. Sengk. drie. 2. kn. buitengemeen bekwaam of vermogend, kunstig, builengcmeene bekwaamheid, kunst; bui-tengemeene, betooverende invloed; nut dat iets teweegbrengt, baat (Skr. goena, eigenschap, hoedanigheid ; uitmuntende hoedanigheid, voortrefllijk-heid, verdienste; ook voor drie. Vrg. ininj\\). aai an^aaiyn\\ zonder nut, van geen nut o/belang.

(1.^an{ n^iKj il ^\\ rijk in kunsten en middelen, rijk in allerlei tooverkunsten. gt; onder

de magl van een toovermiddel geraakt, betooverd. ai^ i.jan.fcijL?i\\ gaaf van oplettendheid. 7y xn m \\ inkomsten, middelen van bestaan, ai^ay ijan 11\\ eign. van een zoon van Ardjoena. ai^i^airiau^in^ ris bijnaam van JoeUistira. — ojo ai^ rj ijj\\ be-tooverenden invloed uitoefenen , iemand om gunst of liefde betooveren {if ihd goedgelukzeg-

ger. R.). — n/n 0^1 in am ^rnjams alles in het werk stellen om voor iemand iets te verkrijgen (vrg. na i\'l ui rt ij hii ). (rti i ij /y \\ zich als bijzonder bekwaam voordoen of aanstellen, eigenwijs.—aij ojj an/j\\ touverij, betoovering, G — inianvjanjjs bekwaamheid in kunst, kunst. — al ^n nut, nuttig gebruik, bv. oj! ai i hj vj a/r^ liet gebruik van de tanden. — quot;(rrlcj^ft^en gt; van nu^ ^U11- — adiajiai^ ijjanj^ knust, kunstbedrevenheid. — ! o/^vyN zie boven.

rj an ^ ^yN ^aiiiji^j\\ (\'nggètie) k., vooranij m vjwjy* — 2. poël. zva. ij tui ij aij \\ ook zva. i n an rj axi rj a^j \\\\ — irjaiiijan\\ gew. au ij rn^alt;j\\ of aai a.u ij an ij ^y of rj an ijtHjOjiis ook aai ij an ij hj au \\ n., 1^ kj ajia. ii \\ k. , an ajia/n \\ Md., wat moet het? wat zou het? hoe komt het dat. . .? wat scheelt er aan? waarom? met bevreemding, ii uan ijiui uitj ij an ijajj \\ of rj an rj ay uil vj tnu ij vi gt; wat scheelt je! — aji rj au ij an \\ voor ojii li ij aani^js hocVomt het dat. . .?

ij rniann kn. go ui (IIoll. goeni, bv. voor zakken), de jute, M. de Corchorus capsularis; vezelbast meestal van 1 h neen soorl heester, Rh.

aai /y ^n kn. goed bepaald, goed bekend, goed opgenomen , zoodat men goed weet, wat, hoe o/waar het is; goed duidelijk; nauwkeurig; vö/y. R. behoorlijk, zoodat men nauwkeurig op zijn uitdrukkingen let in het spreken {vrg. aai an ^ ^ 2., a ji ips en ij am ij Obii ni\\). n ^\'M.y ^ \\ nauwkeurig bepaald of opgegeven ; iemand of iets goed opgenomen hebben.-l/» niet goed bekend, onduidelijk. — a\'nan - aii an iem. cm bepaalde taak opdragen, Tj. •— a,ii an ij bepaald of nauwkeurig opgegeven of aangeduid, oj.? WP. — ojii arn an ^ ajii ij mi \\ iets meer bepaald of duidelijker opgeven; iets of iemand bepaald opgeven of noemen; iets constateren; vrg.


-ocr page 1043-

a

an tnj ivrj \\

957

(Hi if m

uttdSHiHit~/nrj!hH\\ iets een bepaalde plaats, en

iemand een bepaalde post, geven.

o .o et ct

mgt; ihj .uij n (mi im inj i/y n en crn uj^dni 2 (hojj \\ zie gt; t ilt;j

ni y ijivn * zie bij lt;m^xjrj ^

,niH2rftlt;rn\\ kw. donker vuurrood (van nnhj\\ en het amp;kr. ra ga, kleur). G. kn. naam van een vuurrood geverwdy met zwarten grond, lijnwaad, en

van een vlag.

O o o • O o o

nn uj^iy zie

(rnihjjjjj\\ kn. 1. ruw in zijn doen en spreken, //et tegenovergestelde van gt;ru?N 1 • {vrg. mii2. sleetsch, van iemand die spoedig wat hij gebruikt of draagt, verslijt of verbruikt. 0ij r.m tjixts vrouw- of mausleetseh zijn, veel vrouwen of mannen door den dood verloren hebben, WW.

tjom kn. lief, aardig, net, bevallig alleen

als een soort van refrein in liederen van rong-gèng\'s, WW. volg. Rh. lief, aardig van manieren van een vrouw.

tjor»2(Uj^^(hj\\kN. levendig, spraakzaam vaneen vrouw.

nj i.j ij} ihi/j^ kn. alleruitmuntendst, uitstekend schoon, fraai, ijverig, enz., allervoortreffelijkst; en eer. bijnaam van Wibis\'ana {Skr. g oen aw a n, deugdzaam van goede hoedanigheid, en bijnaam van Wïb\'isa-na, in tegenstelling van zijn boezen broeder Rd-wana. i\'k.).

(rniijni/js kn. 1. spoedig, zonder talmen, ajn mi dij iLjjjs zonder talmen iets gaan doen of verrigten. 2. groot, grof bv. van korrel, (kw. zva. on ij/i.ji.

c O . C)

lrlt; I, li LIK. , IL1J, II

gt;js B.).

d o , . n

(tn ij .11^ ook wel mijj ilyj\\n.

O ■»

(yït uj ui -jinnjis ik (hii il/i ^khi/j obj. den. • ook zva.

O C)Q 1 ) » Q »n m ^ cuij^s is Llt; h n (iJiji\\

ajyjsKD.i vol, van een hoeveelheiét of aantal; voltallig , volledig, compleet; volwigtig; ook even, van een getal, rj 1 112 ncrntuj djijj\\ incompleet, onvoltallig. i.i ifji cfiipj (u Lyu^\\ tot volle tien toe. — (ril JiJicjf ?it\'lt; .1) 11 (Mji\\ iets tot completering. — (L\'t\\(til (kt li Si \\ (uil aniixj ui Si. d/ii 1111 /. 11 (ui 1 \\ nh i, »1 m \\ iets completeren, aanvullen; (compleet, in alle opzigten, voldoende W.). — (uh ïiiHfiLi^iijihrns enz., maken dat incompleet wordt; met iets het ontbrekende completeren. — 07» kn. inderdaad, volg. Rh. interjectie \\ quot;\'t

is geen wonder!quot; zva. ili.lli unj)\\ (vrg. hjiu^i\\). — an ij uj a u }njj of (ni hj i.ii iuifj\\ hetz. {volgens G. erbarmlijk, beklagenswaardig).

tj cni ij ihj (i/ii \\ zie bij ij cru ij i^j w

o • 7 • •

cirri dij iijLi (tn/i \\ zie bij ynvjiiniLiiw

cm ij uj (li/i nnj! \\ zie b ij an ij ^ hm v\\

O o f. v quot;) o .

(rilihj lui ri\\ oj (un(vuluj u.i gt;) \\ kn. benaming van een

bijzondere wijze van ibnajiw

quot; O . O

omïnwji k., ^ «ivm^

^ Lj....................O )

l (j lcUl \\KN-\' maar gew. an uj f i/j\\Vi., discours; gesprek, redenering, over een onderwerp, {vrg. tl

« O s

thjinis (l\'i(ilt;jirr)\\ aji \'Kianjj en ui la.vnni ia,]), tij

ctlj \' 1 P0^- ineeni11ë van een gezegde,

onderwerp van het gesprek ot verhaal.

on hj ij (un i (I-jijj \\ met elkander spreken, overeen of ander onderwerp —1 \'11 1 h an ijJip

spreken of discoureren over; iets in een gesprek behandelen, hu uiizi in n^ ^j ^ijj\\ het onderwerp

van hun gesprek. — (unai^tujifSi\\ ojii(vn^uj^s mv.

O o C) C)

mir/tllt;quot;N ajn (,n^ jtj quot;quot; tnj}N iets tot

onderwerp van een discours maken; over iets een discours of gesprek houden. — oi^iuj (vil

zamen, met een ander of met elkander, een discours hebben, over een of ander spreken. Zoo ook ui ai \'hj do/j of tu (vft i.j ook ge

sprek met elkander, en plaats waar over een zaak of zaken gesproken of gehandeld wordt (vry.

\',wfin equot;

ni igt;j\\kn. hoog, van een heuvelachtig of als een terp

zich verheffenden grond; hooge plek (vrg. n 1 \\

CO ■ ^

en nsiKvin).

o

\'miLiiis kn. een soort van roode mergel, waarmee getjapt of gestempeld wordt \\ volg. li li. een Chinese he roode verfstof {vrg. an n j m ). otjm// kn. vervolg, voortzetting, in een doorloopen-de reeks; {vrg. uij (hnjj en n\'gt;~v^ v^ Ki/j). on 1 in flj) rPi mi \\ het beloop, de korte schets van een verhaal. — uii mi un \\ iets vervolgen, voortzetten, (Jt

schetsen; in een korte seliets het helooj) van ie/s verhalen. — n il mi i^n\'gt;\' ijint \\ Vfiu ifts de volg-onlc of liet beloop opgeven; van iemand de linie opgeven, waarin iemand hem in bloedverwautscliap bestaat, li.; liever iets uileen/.etfen, bv. den ijraud vanbloedverwanlschap? — mi i.m\'rinnjj oj mum


-ocr page 1044-

958

■\') V

ni t in \\

(I-

gt; ö on in hi \\

t-c/

I in n i.i/fs in écn reeks voortloopend. Mn i?i i.i ^ \'li n:n)jj\\ proza-geschril\'t, niet in verzen afgedeeld , gesohrift in ongebonden stijl.

in rin \\ KN. ids met vlijt doen, lt;?;• vlijtig mee aunlion-den ; iels ijverig doorzetten; gezet, JK..; volg. Uh. auu het een of ander met kracht en onafgebroken werken; erg. druk mee bezig zijn.

07» ij un KN. aan elkander vastzitten, van parende

honden {vry. :inrjlt;yn bnjj bij i,ini yn gt;l,ii/j\\).

\'ij tn ij rin iu/j\\ KN. zva. cnii.muyjs incompleet van een stel of dozijn. uu ij m ij i-in ili/j^ een stel of dozijn, enz. schenden, door er een gedeelte van te kooien. — ij m ij i.m ti^iim/j ^ wat afgenomen is van een stel of dozijn; ook liet overgeblevene van . een stel, ens.

cm i inji^sKH. glimmend zwart.

rn un KN. groote spoed; ving, in het verr\'ujten van

een of ander, {vry. ib/, /ƒ lt;»r» i un \\ m ijn rïrn n

(Lii\\ tot bespoediging van liet verhaal, om kort te

gaan.— au i.in xn iKijj of cru tn i In i.» /^\\ met groote

spoed yaan of weggaan.

an un\\ een koord, lijn, tonw, ongev. zva. i n u\'n^

KN. — (i/h.nii n\\\\ een tonw, enz. vast maken:

Ot

hjd (t i i:jn w co Oh-

ij ni/rj un\\ KN.; i h ij on/ ij u\'n ^ achter een ander op een paard of rijbeest zitten j ook achter op een rijtuig meerijden ij i ntij t.inw on ifj myj^ KN. een kleine vooral om water

of ge stampte rijst in (e bewaren.

ni ^Vjj^ KN.; in K^hnuy.n j) log, zwaar en lomp

dik, van een mensch, \\\\. Ir. in K. van een kar-

. a n a t

üonv) : \'rn vr\'J- \'f|i ijj i. n/j tn hji /. n/j

{vry. lt;ni^ Sj\'

(in ik) \\ en un (rn ihisKI., zie bij njiy 1^,11^

ijerntmi\\ 1. KN. genr, lucht, renk, van iets, {vry.

ttjiiry); (balsem, welriekende zalf; GK). ook naam

van een soort van manyya. 2. k. voor ij iju/ ui l y

^amp;kr. yanda, reuk, reukwerk), nuj imp)\\ ki.

voor jj; 11 nu n t?i\\ geparfumeerd; zich parfumeren.

ti an / m ki Lu \\ naam van een slecht te eken in het 1 S

haar van een paard, W. ^ nu hi ^ hi\\ naam van een heester yew as, dat tot omheininy yeplant wordt, met geneeskrachtige eigenschappen, ij nn m i] lu\\ naam van een hooyen, fraaijen, hladr ijken boom, JJmiea Gandaria , BI. Nat. fam. der Amarcadiaceae, waarvan de rijpe vracht in vorm yeheel overeenkomt met onze yele pruimen; de jonge groene vrachten worden in pekel gelegd, en bij de rijs/ gegeten; van het hout wordt houtskool gemaakt, of mi in i^Hii i.i/fs kn. borax, een hars die bij hel solderen gebruikt wordt, WW. ifinitHi ny naam van een Kawische zangwijze.— ii/n ij un/ihi ■ rieken, (een onaangename lucht geven, bv. van iemands adem, BS.); ook wel zva. 11 ai \\ ruiken,

en volg. Rh. welriekend. — :u\'n (rn an pi ki. van

o .

mil hi iui ihj w — mi ni hi (hijis iets tot reukwerk;

iets tot reukwerk bij zich dragen. — iu m reukvat; reukwerk. G. ki. van i?i^njiiarijf ^ in ,hipj kn naam van een kleine bamboesoort, (Tj.) en van een batik kan. {S^dii hi /y \\ nm. der verblijfplaats van Gatoetkatja..

in.Hiy kw. zva. iii\'nw kn. 1. de houten steel van f

een pijl. 2. de houten schee van een kris, zie li if ij nn/ hiiQ {vrg. tui if ii/mi \\); ook fig. het omkleedsel ö/* omhulsel van de ziel, voor het lichaam,

G.; verder *\\w\\\\k gevormd, zva. ius m.iiinsiijf\\ lili.

gt;v

07) H) \\ KW. zva. ^ \\N

m (an \\ lloll. gaanderij; kn. voorgaanderij van een

.\'V O » , quot;) quot;) ,

(M rrn .vi iamp;t i 1 in/f \\ {vrg. ni ui n en if un tf u . 1 ); kn. naam van een heesterachligen boom, waarvan de kleine ronde vruchtpitteu door de kinders in proppeschieters gebruikt worden. 1)6 Javaan meent, dat deze boom den bliksem afweert; en als het bliksemt, dan roept hij gandri! en zegt iiu.i^ui

Cl L\')

1,11 \'1\'pJ Kyjl ljn l/n ,rr\' 7I (rn(ap\\ kw. zva. if m ym\\ rumoer, opschudding,

(P.J.) Rh.

in hi\\ kn. een karwats, l(s.; vrg.

\'hi if an \\ kn. 1. naam van een \'muziekinstrument bij de gamélan, dat gewoonlijk door een vrouw bespeeld wordt, en uit dunne koperen toetsen beslaat, die met koorden aan elkander geregen boven een rij bamboekokers hangen {vrg. nii\'u en hi ij n/m/j). — 2. lii inif ni de géndèr bespelen ; naast elkander plaatsen en met elkander verbinden als een m 11 (Hi ^ bv. bamhoè\'s tot een vlo/, Tj. — (uhcrni\' if pi-ns bij iets de gëndèr spelen, iets met de gën-dèr accompagneren. — inif in namf zich met het spelen oj) de gëndèr vermaken; als een gëndèr gewonden, van een wijze, waarop de xtÏi 1.11 om de


-ocr page 1045-

lt;T)gt; dn iiiin

\'ck\'JI

959

gt;ƒ tmi op \\

onderbuik en heupen gewonden wordt; ook voor bedding bo. van bibit voor suikerriet; vry. rjdm 11 10) w

ij rm(tM}\\ J. KW. kracht, sterkte, waarde. G. 2. moeilijkheid, wederwaardigheid, ongeluk. G.: poët. zva.

ii r.ïi i tj im t of ij ir.h i cm \\ bv. ij \'Ui i m (un ij

/ o o o

ij nniim (u r}\\ en .un ijtun rn * tj dn an -/»] lt;iji w \\

iJlt;rii v,\\tf (ïïii((ip (u n\\ wat weerstand zou lilj kunnen bieden; vry. tuh miaXw (nilt;rj ihi n\\ of (inrj iirms zie .r/; vj :h.i gt;}\\\\

(inlt;in\'n\\ e\'ujn. van de gemalin van Vèatnraia, de moeder van de Kornwas; zuster van Sangkoeni ^Skr. G d n ddr i). uii it n m n lii \\ bijnaam van Soejodana.

(mijCtn%\\ kn. schoon, deftig eu edel van voorkomen

en bewegingen (hoviseh), van een vrouw.

in(\'hj\'hnjj\\ kn. mollig, poezelig, Rs.

tj rm(in inyigt;fuè\\ naam van een slechte ii.inpw VV.

m n(i.ui\\KVf. naam van een soort van hemelsche we-S

zens {Skr. G a n da r w a of G a n d a r b «, naam van halfgoden y de toonkunstenaars ^ muziekanten en zangers van de goden in Indras hemel; ook de

ziel in den staat der afgescheidenheid, de ziel als

4\\ / x )/

geest); kn. oftKHjuts om in rj i:i 2 ^ ij rit\\ en

gew. n 1(1111/ un\\ naam van een geest, een nog niet weer geinoarneerde ziel, die in tuinen of bos-schen waart, een tuin- t\'w boschspook van het mannelijk geslacht (m/. —cr)i(ynrj iun vnji een nagemaakte m fj) t als vogelverschrikker op de saw all s; ook een reusachliqe jtop, bij Chineesde optogten en feesten.

ty)(hfi ij uii\\ (rii[ ni yiiJ)2\\ oii[iin ij i»?\\ zie bij mi

s

nsi ui w S

,rgt;\'(\'jii kn. of ii ii ni(jn\\ van verliefdheid of liefde als gek zijn, vooud na den dood of het verlies van hel voorwerp der liefde, daarover mijmeren, ijlen; daarvan kwijnen, verteren ni(in(rn Cji\' • O\'in/. \'UI

([lt;gt; f i ijj i-jjj n naam van een yending.

) /Qw . O/\')

\'quot;(mn kn. ; n ii ni((iiï\\ met een vaart in haast wequot;-

r- V-

loepen o/voortloopen (vrg. !?lt; nuiii n.i/)), ftg. het

(ij \'

hazenpad kiezen, Rh.

\'/ Cm * n kn. n\'iam van een g ending en een wijze

van dansen, Tj.

o quot;)

tJmm/^nKW. zva. ij 111 ij 1:1 ini/j\\

1,1 {wig- l^li ninni iy) kn. natuurlijk lief en bevallig in het spreken en manieren, van een vrouw of meisje.

mi (hi ii\'mn kw. een wind, die de bladen van boomen

Wl

afwaait. G.

ij rm an (ui nuts eign. van een vrouw van Ardjoena

{Skr. G a n da w a t i, eig. van de moeder van Abi-

7/ ^ o 1 j .. s \\

asa. Vry nrn an i,j\\ bij i(^iii\\).

inannyi kn. bottel, lleseh {vry. ij 1.112 ij ,lii i n 1 ^ en

ani.u\\). in:in ii iafi/i\\ bij bottels; op bottels,

0 (^t *. -

gebotteld.

vj imapiui n\\KH. naam van een plant, Abelmoschus Uculneus, Nat. fam. der Malvaceae, die op hooye bergen groeit, en van een welriekende olie, die er van bereid wordt: abelmoseh {Skr. g a n d a p o era, overvloed van geur. i\'k.).

aiI ai ijj \\ k w. zva. fij^,dt^ iü/j\\

nrn in i ijl\\ kn. ecu zachte eenigzins dofle stem; met zulk een stem spreken {vrg. \'Uiju/j urhi 11 j en

00 V

III KI it IJl.

n^/t- J\'

(in m i i/i kn. tarwe, weit {Vers, g an do e m). 1111/0 imj)\\ kn. toovergebed tot bezwering (vrg. am i.% \\

ï I V \' t 1

11., il\\ iL7 n en 11*12 an\\). m ati f.a ~i 1 11 1 stt-n ),yj\\ bezwering om liefde te verwekken. 1 ij u \'u m an iliji zoo noemen de int. een toovenaar, die de magt bezit om kaaimans te vanyen, Rh. —• a.\\i inni ! ijp door Qew toovergebed bezweren,/^, betoove-rend van iems. taal.

011 uiif.i^\\ kn. ; i n n^an ilJ|^ met een gil o/\'schreeuw opvliegen van schrik {ook n^yniMji vrg. ij ix2 iu\\). n^hi f^aii f ij) bij herhaling schreeuwende en met de armen slaande opvliegen; misbaar maken, misbaar.

ij mi2 an 11 ii kn. zamcnlijming of lassching met lijm en pennetjes. — n \'n ij m2an 11 ij iels met lijm en pennetjes verbinden.

ij m ij m kn. ; a/n ij in ij hi \\ trekken, iets of iemand trekken; ook fig. voor vervoeren, verleiden, innemen {vry. ij ui \'f Jiij K if11quot; 1/ \'y/1 quot;n kuj en t/n yn (1(^1 in/f). vjem ij tin ij mi ij an ilw (Lii \\ harten winnen, voor zich innemen; verlokkelijk, verleidelijk. -(uh (in rjmi ij tin \\ iemand trekken, aantrekken, innemen, verleiden.

n O o O

ni(ffi\\ en mi kw., m 1 gn\\ n., mi ij^ ij i-jjjjn k ,

wisselen, atwisseleu, vervangen {vrg. Kiiuan/i en

1 v ■) -gt; /. /)) -» D / O iLi iy). rn jjr of 111 ni ilt;n en a 11 ij i^ij w/j Oj (rti


-ocr page 1046-

n -t quot;quot;è?;

quot;l4

900

zetten om die geheel te voleindigen.

zva.

IU) ! )

T

Of

1^

en tui au

nn (FJ) ^) T) on^j

cv • cy

lt;m^n\\ kn. anan

Cquot;) a . O o

vmUC i]fëlW (•gt;

rj (JN zie aiiföjw

cm on (lgt;)) nKW. zva j an tugt;)\\\\

^ O

OTJW.b/n KW. zva. OlltHJU/l (Uiyj) (UJI

hl) ii^pjan uy?!;*

ail ij an tnuj \\ ui) au tj \\ tui aai rj fin tnyj

o .

1/lt;£_)thjanjj\\Kl. zie huihjw

O • j •• 0

tm rf fin Dn /J \\ z: e bij au jfn \\\\

0f ^an8e 0l, stok van

bamboe of hout, om iets over iedrooyen, om vruchten van den boom af te slaan, enz. — ui ii zva. a^rjiuufr^ t)2\\ snel vlieten van water, Tj. {vrg.

\' O-

mfau zich kort na elkaar herhalen bv. van een geluid.

anfay kn.; ai ^ tui jn \\ het geluid van iets dat valt,

een ploffend geluid. G.

(mljfi^KN. iiuHi nuiti • zich kort na elkander herhalen , bv. van oorlogskreten, yejuich, enz. Rh. (uhdiiM herhaaldelijk, sterk op iets aandringen; herhaalde lijk met y ene es middeten behandelen , enz.

\'rnffty kn. zva. iai (ij\\ voltooid, volbracht, geheel tot rijpheid gekomen of gebracht, van een .duuiw — tutiaii f^y met iets zich geheel blijven bezighouden {vry. ieji y - uiitrn fiuntj i\'ii^ een u,)) aj) voort-

(mijiijni t-iffs vervanger, pliiatsvorvaugor, opvdlgcr. anjgtK ntojf\' van paarden wisselen. lt;rnj^txi\'j\\

zvct. a^i tu (inp2\\\\ \\ on cgjuj) tin om over iets an-

1 i ^ I \' ■) rt \' 1 rt ■) o

ders t(5 praten. — m w an ^n\\ lt;ni rj i/r/ ? w ^ ^fi2

■Ki/j \\ afwisselend, beurt om beurt, beurtelings. — (uu cm rn ij ftni ki J?i\\ iemand vervangen,

opvolgen, aflossen; in Iemands plaats komen j ooi\' fig. in plaats van iemand iels dragen, lijden, ondergaan of doen; van iein. ieU overnemen, u ti on

ojfipan^nnnsns door een anderen Vorst opgevolgd

.o . ■)

worden. — ti n an ij w hu - n tj ». n \\ ti n an rj jn a m i

iitKHi/n iemand een ander doen o/laten vervangen, een plaats of post te? vervanging geven aan iemand; een ohj. overdoen aan iem. — ai^ iamp;i ^ \\ aa^ tti ij tjt^fj2(iJjjj\\ opvolgen, bv. at^^i^ShiCTiiu\\ zijn vader opvolgen. — lt;7l\'i89fyis of aiiaitrj an/j en an gt;1 (M i m on/j of aai ril t) M i iki ^a.(HTjj \\ beurt; beurtelings, op zijn (mijn of uw) beurt, bij beurten, om de beurt, fu)ij w i)n rj jm nn/i\\ telkens bij beurten, beurt om beurt, de een na den ander.

Hl) -Jll I) HII N e?l 11)

O

iwf kw- r,mquot;i

/j en aai cèj)rnq\\\\ (rr^j^nionjismv/. een aanhoudend bulderend geluid. G. kn. iets dat afgestort van boven neerstroomt, zooals bij een aardstorting, bij zwaren regen in het qebergte; iets waarmee

iemand als het ware overladen wordt.

X . ^

ny cm vj fö) zie crn.H^w

X S , S .

ij an i)j ;|Vï i n zva. ai^ww — (uu ij aai 2 rj gn ? \\ [zva. v

?/ ra 2 rj wi zie bij BV.) water wegspoe

len oj afspoelen; ook fug. bv. oPi ij cmi ij ^ mw iu TiNmetpynen o/kwalen overstort worden, (om ala liet ware afgespoeld of gereinigd te worden, R ) Rl\'.

aai rj ftp 2 iKi/j\\K., zie cm ij tij) \\\\ ook zva. cmvj (ft) 2

O ^ ^ O (m ify\'iïJI

O » O O . Q O

an ij i^uo.a/j\\ (UT) en i rj w i oj) -li \\ (un cm rj an i (K) ~amp;) x nij

O \'i

en a)) ij c^i2aj)^i) (Hiji\\k., zie an ftn w

(m rfi mji^ nN. een van een sirihblad gemaakt peperhuisje met een heel jonge pinangnoot er in, volg. Rh. alleen gebruikt hij: na) nu na (^i(^i il)/j elkander zulke gantals toegooijen, een ceremonieel gi-

bruik bij de eerste zamenkomst van bruidenbruidego n. O • O .

hi) ril {ii (H-) j zva. hd i) ij om i ij tan ij on - // 2 ij ^ ij\' ihijjs R. — (in ^ n,) uuj n de wisseling vaneen duj, maand of jaar, met ecu volgende,

aii jn n i j^ kn. ; a/i) aa) a),)jj\\ als maar aan een stoeltje vastzitten of hangen, bv. van een balk, die bijna doorgezaagd is {vrg. amaniaujj). — in\'M onjj \\ {of m rj hu)i^) ih)/j\\ Rh.), steel of steeltje van een vrucht \\ bv. van een mangga {vrg. au ari - )•ƒƒ/• 0 Lil un n lieveling, Rs.

m IfJaiajj \\ kn ; ui) trn ru)/j\\ volg. WW. zva. \' \'/

\')j y.) l ia ijl bij in ij ui? Higt;n/j\\

o

an H\\fi KW., zie min*

) . ■gt; quot; . n

ar) föui i) zva. aai ij yij rj uu 2 ^ vrg. un ld w

O 3- • (V quot;)

o^/^kw. zva. ^^riijs * f ™*:m*ii

)%)) a ij iHjj \\ en na) cyii f AJI n KN. zva. cm auajij^\\ en een donderend geluid, gedonder, bv. bij de uitbarsting van een vuur spuw enden berg, (uitbarsting van een vulcaan, Rh.) t)^ ^aauHj\\ naam vaneen stuk geschut. dm f i\\ kn. overstorten, geheel bedekken. — mi) aa^^n \\ zva. s eu fuJ-

iemand als het ware met iets overstorten, overladen, overstelpen, bv. met gunst, minnekozerij of aai ri

vleijende woorden.

.*) t .j r:i an/j.

(L i nrriDH n 1 V

-ocr page 1047-

901

\' ) . rm (Ki \\

C I »

o n ^ ff n gt;1;? 17 2 \\

crn 11 {•/ gt;/quot;\' ^N KN. — tun nrnnq nri vj i ii i \\ buigon, zich neerbuigen van een iak; cry. sclioramelend aan hangen.

\'/%(**Vur*\\ KNquot; van een beweging erg.

heen ; het zich in een rigting érg. heen bewegen.

— oV»7 zich heen en weer bewegen.

nr)n\\ KW. zva. ihi iyjj mfin\\ {zie bij (Eilujjj\\); Ml. KN. 1. een maat of gewigt voor rauwe rijst, volg. Hh. van ± 50 kati\'s, {vrg. tunp\\).—i r»mw rj\\ bij gantang\'s afwegen. — cm fib w an/j obj. den. bij gantang\'s. — 2. amrniw\\ iets in de hoogte hangen , zoodat liet in de lucht hangt {org. a/h crn w \\). 0(uin^t5r^asnji\\ een përkoetoet in een kooi door middel van een katrol ophangen aan een staak. — mi jó ir; (tnjj obj. den. \\ en de staak ah hoven gt; Tj.

KN. de toestand van gehangen of opgehangen zijn ; bv. 10 tut mi jih \\ hanglamp ; ivi i. y ri an i)h \\ de straf van opgehangen te worden, mt no^\\ voorvader of nazaat in het zevende geslacht {vrg. (U)^ Li am ~jn«J) mijl). — iy?» rn iets of iemand hangen of ophangen; iets tot nadere beslissing of uitwijzing suspenderen, hangende honden, in beslag nemen of deponeren; iemand tot nader order in een betrekking schorsen; een voornemen opschorten, eenigen tijd uitstellen. met het oog op een aanstaande bruiloft de gamëlan laten slaan, Hh. 0.tu:trn\\ zich voorbereiden of gereed houden voor een aanstaande reis, W. II, ,\'JG. O^o zijn inzet nog schuldig zijn. — ihinfnils ergens, of aan iels, iets hangen of ophangen; ergens iets tot nader uitwijzing deponeren; iemand iets in de toekomst als belooning toezeggen of met iets als straf bedreigen, ui \' i ui tuitjii i i ij V \'l \'quot; \'y li\'i\' 1 r}\',\',^ //,|1 y ,n/lN aau een der dwarsbalken van zjjn pendamp;pft is een vooze kokosnoot opge-hangen {als onheïlwerend). miirj iy i.i o-njj\\ pass.; ook iets in de toekomst te wachten hebben. — am cm (k\':l 7 n iets doen of laten hangen, ophangen of in beslag nemen; iets ergens tot nader beslissing deponeren ; iets in de toekomst toezeggen aan iemand^ bv. een geschenk als legaat na zijn dood.

— *7\' V/iy bangende, in een hangenden toestand; hangen; hangende blijven; nog aanhangig zijn; hangende gehouden; tot nadere beslissing in bewaring blijven of in beslag genomen, afhangen van iets, af hanklijk zijn. »/ƒ ; i ana.m rfj jp i ti^i^ het hangt van God af, in Gods hand zijn. — m jij/ i i kyi of (tn in i\'ni i hi/js iets dat opgehangen oy tot nadere beslissing gedeponeerd wordt; iets dat tot waarborg voor iets toekomstigs gehouden, gegeven of gesteld wordt; het geld dat in regt.szaken over eigendom bij de regtbank door deu eiseher en den gedaagde tot nader uitwijzing en tot waarborg voor de regtskosten gedeponeerd wordt; iets dat voor iemand in de toekomst bewaard blijft. — a\'i (m^ï\\ het ophangen, enz. — tui on fa i i an,j of oji mihqrnanj^\\ plaats waar opgehangen of gedeponeerd wordt, iets om op te hangen; rek; galg, galgeveld.

) . . ) . . ) . ....

mio^ys. i n mi in\\ en iiiii in\\ K., zie bij asr^^w —

. O » o . j.. o os , )

avn mi jn i i \\ K., zie bij hui luw ook mv. van a n m

) • • / •• ... O O\'

,ni\\\\ — mi ar) n (hi/j^ zie bij i y isy n en bij ihii asnw niföji\\ KN.; lAianifrh op de een of andere plaats dnn, zooals een paal of touw , door uitslijting enz. {vrg. oil rjiquot; \\ en ikhiiii.njj). in^itr.i hi/}\\ uitgehold, uitgesleten van een bergrug, Tj.

m N KN, naam van een soort klimop y met een

dikwijls dikken stam., Rh.

o . o

m i i KW. zva. ij m è gt; i.y (ui 11\\\\

mi [fi\\ KN.— ^ f /(f{i\\ weergalmend, doordringend

van een geluid.

mi KN. schaar, knipschaar. m^rginu kaars-

snuiter. it: tii iij j!ï\\ fwee in de vorm van een ope-

ne schaar zamengebondene bamboezen, om er een

balk mee op te werken of bij het neerlaten tnsschen

te vangen. WW. JH. ijim nn zva. ijnn

n m üi i ij in in (j IMi. in ij ij fa ^ met dezelfde

schaar knippen, fig. zva. (KirjmniAsi^^ H. — i\'n

in ffp\\ iets knippen; een kaars snuiten; {iets met

een L^ mi ttj ^j opwerken o/vangen , WW. JR.);

en gelijk een schaar, zoo bv. bij het dragen van

een balk, als hetzij om plaats te winnen, of voor

het gemak der dragers, de draagstokken niet den

balk scherpe hoeken maken.— u h mi $i .i?i \\ mv.—

mi filj ui i}njj\\ obj. den.\\ geknipt, afgeknipt; knipsel.

mi \\ ook rti) ^lt;7 v KW. zva. uj i(j asriji\\

miam\\ kw. zva. iimnanw

CU \' s

ui 11ii\\ KN. naam van een soort wapen uit deu ouden

tijd. PJ. W. li, 38,4.


01

-ocr page 1048-

(mrjnriTihiyis

962

ODOT^ N

yn yiis kn. de knieschijf; ook de plat ronde pit van de vrucht van den bén (la-boom , en van een spel dat de h inders daarmeê spelen { rj n-ni m) asti/f yam ru tl\'.), iisiivj iljid warrrj \\ een soort van wesp of hommel, waarvan het nest in vorm ojgt; een (jan-doe gelijkt. nnrjmn?^^ spelen met de mi mn w

(J

oii yn\\ kn. f/ew. m tfyn?tnyjs ile rottan of sftlak-wurm, die gebraden of yehakken gegeten wordt. nn\\ kn. naam van een plant die meestal op sa-wah\'s groeit, de Sphenoelea Zeyltmica, Grtn., iV«/. fam. der Campanulaccae; de jonge bladeren in stoom gekooid, worden bij de rijst gegeten de bloem bestaat uit kleine bloempjes, die zamen een langwerpig ronde, spits toeloopende knop vor-men ; ook hen. van een knop tot sieraad in die vorm gemaakt (Skr. g o en da. zekere grassoort, pk.). JR. — iij f jgt;uii i j i n\\ {in Tj zonder ijn rr}) benaming van het r ijstgewas als het een maand gestaan heeft en al fraai groen is, tusschen jy ii i en cm i inbj, (SG. geeft op na ctj (tn tjcymj . kn. naam van een kë tan soort, WW. ut ij nii (hi/j kn. een houten hamer; tp. ook voor el-ken hamer {vrg. ui \'itji\\). — tuit lt;rii ij im K)j^\\ met zulk een hamer slaan o/kloppen, ook gelijk een mi ijmnanji van een uitstekend achterhoofd, ik (rin dli/j ■— ii\'h cni ijfyin ijj\\ op iets met zulk een hamer kloppen of beuken.

mi ij nii! è (Hij)\\ zie ctmyij w een fatsoen van Ciij iis

hn zva. m iLi fjiNy Rh.

an if uiu kn. rottauworm, arènworm, ee?i groote dikke worm in rotting, arhi- en kokosboomen en suikerriet, die gebraden als een lekkernij gegeten wordt. Vit het masker komt een groote tor 0ui m i,n/j salakworm, een zeer geliefde lekkernij; zij worden gewoonlijk op stokjes gestoken en geroosterd gelijk onze paling.

mi ii (tm i \\ kn. broos, onbruikbaar van bamboe, on-\' Cx)

vast, van pleisterkalk die gemakkelijk loslaat, WW. papperig vet vooral gezegd, van een meisjegt; Rh. ij cm if yn ij ni ijnnê rj mi rj in n d \\ lillen, zooals

bv. een waterachtig gezwel hij beweging, Rh.

ni ij nm n kn. hen. van de jonge waloehvracht. (Tiidyii hi)jf\\ kn, rolsteen of wrijlcyliader , waarmeê op een iti li i.iin/j iels, zooals medicijn, fijn gewreven of gemalen wordt; ook krolsch van een kat; verder naam van een soort van mangga. — (ïinmi ini thijj de vorm van een nunrn kiij hebben, van een pooi dak, Tj.; naam van een zilveren kist van een hij zond er fatsoen, die tot de (ur^cun rgt;i\\ van den vorst behoort; ook de naam van een zakje in het voorste gedeelte van de kop van een Jav. z a delo ver treksel {hu i-j *) \\V W.

mir) an]iHiiji\\ kn. J. benaming van een corps beambten van den Vorst, niet een kliwon aan het hoofd, die, behalven andere functies (p. a. het dragen van de bovenvermelde kist en andere uniuwn) voornamelijk belast zijn met het overbrengen vnji boodschappen en brieven, en die ook uitgezonden worden om onderzoek te doen, als er ergens onraad is. 2. naam van de vrucht van sommige hoornen, zooals van de tjëpaka- of kalak-, khidagii-en nagasari-hoornen. \\VW. 3. dubbel van een kë-mirinoot, twee pitten in een noot of koltioboon, {het tegenover gestelde van riryij ni/j) — lt;ni ij irjnrimHHjj^ Rh. njiicni lt;f nrni Hv/j, als gandek dienen,

, 1 o o .

ov. (il^ (LU a i i (ini am if erm mi/j \\

rrmi yht hii/j\\ kn. zijgebouw aan een voorhuis, doch ook wel achter aan een huis, niet een ijnm ij (hi ~ / {een soort veranda), of vóór tusschen het huis en de pandapa: zij-, achter- of voorvertrek.— i\'n aii fjinriz Hojj iets erg. vlak tegen aan zetten. — omiKjijiirm Hnji\\ ter zijden aan een ander gebouw aangebouwd.

/rrnyii i\'Ojf^ kn. 1 niet lang pleizier in iets hebben, van iemand dieu iets spoedig verveelt, die wat hij heeft, spoedig verdoet, verkwanselt, vernielt of doorbrengt. 2. zva. Hincrni Htyjs 2. (yrg. aoiitji Hj^) — cniiiii hti JJi h n n s iemand of een heest kwaad

Cx)

doen, zonder dat de persoon of het beest iemand kwaad doet, R; iem. kwellen, plagen, storen WW. (yyknij hii^ kn. meisje, als vocatief, zva. unnrtj hiij,

dat een verkorting hiervan is.

rrni] yin Hiyj\\KU. kleine aarden pot, kruik of nir^aAj om rijst, water, enz. in te bewaren; ook wel voor schenkkan dienende, maar zonder tuil {yrg. (m(Hl \'■»/). JR. rh ij lin/ hn^\\ twee pitten in een schil, die bij elkander behooren; twee pitten in een noot zooals de këmiri.

njiyn kn. bijzit {vrg. ij iu\\); de koningin


-ocr page 1049-

q cm2 rj vni i hii/is

O a

07/ 07r» 7

063

de -riiLn iuiji of rurjmg nn/js die meestal alleen

in een bolvormige kluit ligt. — ui) i}»arn iku n\\

(j (,il

iemand tot bijzit nemen.

rjcrn? ^yrifnriji^K^. kropgezwel nan den hals, zoo als bij sommige bergbewoners; krop van een kr opper-duif (org. (rti? rjani\\ en rj (ïii? ii rm2 vvjf) ; een kropgezwel aan den lials hebben, oym? tj ytu nni anjj een krop hebben of krijgen , zoo in Tj.: 0\\ door het huilen op te kroppen, tfn icl ij ry i rjnrtni ani/j\\ een geweer, waarvan de lade tot aan het einde van de tromp loopt, zooals de oude infanterie geweren. aj) (Li Knrj cm2 rjirnii\'iwji\\ een dikke tjëpamp;kil bloem. — 1) \'Dit rj om i rj m» i rj orn t ooi \\ een uitroep in Këdoe in gebruik, zva. rj asn 2 drn rj // 2 ojn ru/j ^ tij) (Mènw rj quot;-n 2^0^112 h))ji\\ algemeen met kroppen (kropgezwellen) ; ook van veel menschen, die het huilen opkroppen, verkroppen.

an )fn7)i2H5})ji kn. zva. uth tch jun tos een voorzinger,

nm. van een gending, (Tj.) Rli.

o o O

Oj 771207)1 (lS))fj KW. zva. 77) ! / )Aj) i^njj \\

Tj ar) )j rrtn 2 (luyi v zva. rjcmiymtn lujjs — am tj 077 ij

ijoTina^ = njhvjcmrformtvffis Tj. ( ) quot; . O

0710771 ()J)JI\\ Zie cm CH) 7J)JI \\ llh,

o71^.\'w»?^\\kn. broodkoekje van grof rijstmeel; oo£ de {eetbare, Jlauw zoete, sponsachtig ge word ene)

kern van een nitgeloopene kokosnoot.

0 o

o))07)):)^ k. , zie 07^ ruw

oTDjom ij)\\kx., vbiw) i)-7/j\\ KI., een boog, schietboog {Skr. g dn diw a of g d n d i w a}. ttm 7.) ,777 tj t))) nj) armen als een boog zoo fraai gevormd of zoo le-nig, of dj)) ok ) 077 ^ ny 7 n fin \'[n \\ zoo blank als een ivoren cm tjerm, ,1»w

001 ij y)\' 2 ij) t) \\ kn. naam van een zeker fatsoen van !i\'7nj(ij)2\\\\ in Waj. 1, 104 en 295, een fatsoen van n j IE) ^jiw

071 c!3J\',Ï3?nKN\'» wKnij 7^07)j 7u/js aan hangen te bengelen, ij 077 2errn 7^otij dujj\\ heen en weer te bengelen hangen. anooio^Dj tujjs benaming van de Nü-imsangan {yrg. tj m rj nn 21 ujj * xd y n 7itjj en \'l:,} (tilcmorijitLijis aan iets hangen; hangen, van een hang kin of hanglip \\ bengelen ; [pok bij het spel schulden maken. G.), ooX1 achterblijven, bv. onder het gaan met anderen. — 711 111 z*c*1 va8^ondendc hangen aan, hangen

aan. — 11.71 orn0771 luvf hiis iets laten hangen te slingeren aan iets, bt\\ aan een draad. — miFn oi)in.iji\\ hangend, hangen aan iets, bv. aan een touw of aan een tak, zooals van vruchten. — ih)ï[or^o7)i )i 1/jy overal of vol hangen, be. aan touwen of steelen. — rm071 ^717\\ iets, zooals een touw, daar iemand of iets aan hangt; iihngen (c bengelen.

O o . :o . .

077ent) n i/j kn. — 7 11 oi7o)))7ij/)\\ aan een boom liun-C\\i CvJ —

gen van enkele vruchten, Rh.; steeds in de armen of in de tm *0 /y tnjj hangen, van een kind, dat altijd gedragen wil V) or den, 1M.

cmoii) H-i/js kn. zva. los, losgeraakt en

(u i ivan elkaar gescheiden, Rh.

(mof?) n 1/1 of 71 ent21 m) /l/,i\\ kn. kaal, zonder haar o/\'

(I Cx.\' C lI

vcêrcn op Iiut lijf {vrff. quot;ijnrttj ivijj en n i/j).

iLuntijtriniUi] of ij rmnium j/j\\ oiihai\'igc jiiuli, een (jrooter soort dan LI m f ^ (y?y/. t/ i.;

V-\'— ivii rij mi niq\\ Itaal worden, foarberooid, urm worden; geruïneerd zijn.

ngt;^afii iuj\\K\\, Icnal, kaul geschoren 0/Iieel kortgeknipt, vcm Jiet hoofd, njfyij 11/ gt; h\'j \'1 \' j geheel knal als de njjiuyu/j, spottend gehruikthv.v. Chinezen, Rh. zie iiKi\'gt;v£iniq\\ BV. (trff. \'riuiiiLiu/j en 1/1.1 / tj nm — quot;l(quot;i \'V }ny1 \'\'\'ootshoofds, oot met een kaal geschoren of kaalgeknijit hoofd zich vertoouen, in tegenstelling van »\\

met loshangende haren of vn tifiagi na/j-, niet een hoofddoek.

rjcm\'itn iuff\\ kn. voelbare zwaarte van iets bij het optillen, opligten, optrekken, enz.-, vast blijven zitten, van iets dat ergens aan of iu vast zit en niet dan met moeite er af of uit ie trekken is (zie hij rj m rj yii iLijj ij ,rgt; Ij ytu ?IJ J en \'/ \'11/ Jf rj.yn lyijj). royiinjirrm gt;Lijj\\ met eenige voelbare zwaarte ergens aan hangen , trekken of vast zitten.

rjomynrni iuji\\ kn. 1. een pak weef katoen, ongeveer van het gewigt van een tcuti, WW. (dit volg. Rh. ycrn trn ru/i ). 3. een weinig opgez(vollen door congestie ten gevolge van een verwonding, bv.vande oorlellen als er gaatjes in gestoken zijn. Ii. verward , zamengekronkeld van haren, en daardoor moeijelijk te kammen , Rh.

Tj \'in ij nut ujj\\ kn. — i n 7ƒ iimj yiu n \'fj\\ iemand aan het lijf blyven hangen, zooals een kind dat

61*


-ocr page 1050-

H cnii rtn

904

niat van de moeder gescheiden wil zijn. — \'»// gt;ƒ Y ut}} yitt tu\\ iets, zuoals een wagen bij het afrijden van een hoogte, tegenhouden dooi* er van achteren aan te hangen; iemand van achteren vasthouden om hem terug te honden of niet van hem gescheiden te worden, ook zva. (uiicnuyij ifl\\ Rs. fuj. iemand zoeken bij zich te houden, zoeken te maken dat hij niet weggaat; iemand iets sterk afraden; iemand aanhangen, bij hem blijven, zich aan hem. blijven honden, tot steun en bescherming, om onder zijn hoede te blijven, hji (iJïcrn rj ni ijmn t /i^\\ er overal aan hangen. —if mijmma ry Diyj\\ zva. (rtimij if.nnfj Tj.; iemand dien men van achteren vasthoudt, iemand aan wieu men zich vasthoudt tot steun en bescherming, steun, beschermer. Zoo ook u ij mrjctnii w/j • iets waaraan men zich vasthoudt, aansluit, of te houden heett. vjmiicrnyuji\\ KN. een geleider van een huurrijpaard, die naar een volgend station meegaat en het dan

weer terugbrengt.

o .0.0

gt;1 oniirni n i/j en -l-/? ^aiiz mi 111^\\ zie

ij am \'llt;y,l\' ongev. zva. (nxyn iLi/js kn. neerhangend, bv. van een op den nek hangende armrCi* ook ben. van een soort lt;1^ fa\\ elders rj/hii2rj 111 Myi gen. lil». — tuiirj^nmvjryti rrt\\ aan iets vast hangen; aan iets of iemand zich hechten, bv. aan mi die vertrekken wil, hem zoo tegenhouden. — mjcrni

nain n 1 (hn/)\\ waaraan men zich vasthoudt, waar-f (yll m, J( \'

aan men hangt; zich aan een ander 0/ elkander vasthouden.

cj jr KN\';

als een prooi, in den snavel 0/bek dragen ^/wegdragen ; zijn bruid na de bruiloft met zich naar

zijn huis voeren.

O O

nrnnni n CiJ

) ■) o o Qy o n

zva. i.ihiinmw 1:1 ki fci nu n riiiin m \\

(A) co Cl

een schertsende vloek, Rs.

ni nh iu kn. malle kuren of gewoonten hebben , bv.

C\\i O o

varl een paard, ij i\'ii riKyii iu\\ een malloot.

ir^ y 111 l.)\\kw. zva. iisi^r il\\ (Skr. go en da la, \\wt geluid van een kleine langwerpige trom); kd. alarm-

o Cl^ o

sein , zva. ibn 111 w 1:^ tj uj mi -jii gt;ƒ mi cm lt;yrt 1 u 111

(Sn\\ J .Br.; van een die overwonnen heeft\', vu tij,

yii iLi mi (Vi lij 11 -ui in/j gelijk een ri^ yn n 1 die

men in de zon heeft te drogen gezet, en daardoor

strak is geworden-, ferm, flink van houding, zva.

itbi ipmn \\ h. kn. halskwab van rundvee. 1?- tj cm è0 een haan met een breede lel aan de hals.

cniayn lu hh kn. naam van een wilden boom,

in den vorm van een regenscherm ^ itoiayn i.u hiinnjj (AS.) Rh.

niy^i (ijj n kn. het voortklinken, va?i een toon van een muziekinstrument, 11. aanhoudend geluid van de gamëlan, G. ook een crn lt;yn \\ L. 178; volg. Rh. na het praeludium {1 nj ytuan/j\') te gelijk met een dreun zich doen hooren van al de gamelan-instrumenten, bij het begin van een rhi(un\\ ook een uitroep om aan te duiden, dat iemand eensklaps voortgaat of weggaat zonder iets te zeggen,

) n (D . ) o ..)

vrq. i )ayn i-Li \\ of 1 hun i uw J U) J Cd

rtijjayn Mf) of (uil crijoyn zva. i\'n m^Tfi n/j\\

O

midin 011

(a.I

liihiin (rn\\ W. I. 202.

(a./

011 yn \\ kn. cm yn cm yn met een heldere, krachtige, luide stem spreken of zingen. JR. volg. Rh. met een trotsche of fiere houding loopen, gew. van

vrouwen. • ajiicm inis luid , fiksch uit de keel

CJ

zingen, iiicrii ijoy\'n \\ Rh. — nj f^yif \\ heldei\' van de stem. — eni yn r:i nnjj\\ een Javanusch gezang, zangstuk; ook te zamen tömbaiigs zingen, JR.

mi)(iin\\ kn. 1. arm in arm met een ander, tian-

\' CU

een ; aan elkander verbonden, tezamengekoppeld; aanééngeschakeld; geboegseerd, op het sleeptouw achteraan geliecht; {vrg. cmirjcyn(tgt;ii/j bij mniiayi Myj). — «7? ern rjarm \\ twee of meer dingen met elkander verbinden; iets, zooals een schuit of balk, achter aan een vaartuig, of wagens achter aan een locomotief hechten, op sleeptouw nemen, boegseren; fig. zamen verbonden, van harten, ee iemand meeslepen, meetrekken, bv. op een togt of wandeling. cm \'j yn 1 1 inj)\\ zamen aan elkander gebonden of verbonden ; aangeschakeld, achter aan gehaakt of gehecht, op sleeptouw genomen. cmrf yn nföi 1:1 nn/i^ gearmd, hand aan hand {vrg. tioi tj im tnji). 2. (plat) interjectie om het zwijgen op te leggen , zwijg! am i.-c unjjem rj rni w

(iji yn- kn. simpel, dom, dwaas; domoor, botterik;

simpelheid {vrg. en (m ).

»n yhn kn. wijze, air, op de gamëlan of een muziekinstrument; ook naam van een dist rikt in Krak-

san. 1 ini m icri nn \\ of enkel m n 11 \\ gamölanmuker.

■—\' Cx) Cd


-ocr page 1051-

965

Q ■ i n a in \\

(J

ii quot;Yt n i n) 1 (xl

(/iJd-u j u aiiiirns een ganiëlanintiker in dienst van den Vorst — wijze van doen, van behandelen. ? ;

) qv ^ ti

,)jain\\ een ana. i innimiirjii-n\\ op alle wijze, voor al wat iemand vermag, in het werk kan stellen, met alle kunstgrepen en middelen. Zoo ook W. uit] h 111(Uil .rncyï) ij l i\\ en) hl ij fjn un .J)i gt;1 i,ii ciii yn rj i.7w tun i?i ,{V7fm»\\ fo Vroholinggo naam van een sterken ooslewind, die door het opgewaaide fijne stuifzand veel oogziekten veroorzaakt. — am mi (nh \\ een air oj deuntje spelen o/\'zingen , G. (zie iirijym) ook zva. ij iói % mn rj ui cm Xi iri thnjj \\

— t/h amirjfn ws erg. een middel op vinden. Men.

— amcrin xn (tnjj\\ een gezang bij de gamëlan; een deuntje, airtje; een deuntje of airtje spelen of zingen, ook een muziekpartij geven.

rmahisKN. 1. zueht tot ijdele bluf; ijdel, verwaand;

pedant, ijdelheid. — iiihiaiii\\ een ijdele bluf li (\\jl

slaan, verwaand zieh gedragen. — rtiinrn ii in ij

voorwerp van bluf, de zaak waaroj) iem. bluft.

2. ook ktanknab. van het holle geluid van een

liiinin- Rh.

r. i

a-n ij din \\ kn. 1. steeueu dakpan. — cuh nhi n erin \\ \'Cxi \'Ci*

met m i ij irm \\ dekken (vrg. au im \\ en rrn (lh /p. ru if ani rri ijvfn \\ de stem verheffen onder het spreken of zingen. — nj ti irjcrrn een luide hooge stem hebben. 2. klanknab. van een slag op een klinkend voorwerp, a n nrii ijrr/n \\ dat geluid voort-brewgen, een air zingen, W. TI, 481.

\'hi rjafnts kn. het geluid van een slaan in het rijstblok op een van de titir verschillende wijze; het sein dat daarmee gegeven wordt, wanneer in een dorp iemand vee kwijt geraakt is of onbeheerd gevonden heeft {om namelijk niet van diefstal beschuldigd te kunnen worden) i als ook bij een brand, een soort alarmsein {vrg. .iïu ?\\), of on inrj rins\\ dat sein geven, on ijoin t ij hii t ii ^i loyj\\ verk. ij gt;1 itm rjnp un/j\\ bepaald het sein dat men eenig onbeheerd vee gevonden lieeft; volg. Rh. aeeompag-neren bij y i:ii i rj ip ini in/^s aJii o n ij oin 2 » ] v om iets op genoemde wijze in liet rijstblok slaan. Kw- zva- \'gt;1 lt;yn2oin w V quot;quot;/y\'nis kn. een draagband ofdraagriem, om iets, bv. een jagtgeweer of opgerold matje ^ over den schouder op den rug te dragen WW. zie ij t/ri ij o in i \\; volgens G. een knapzak; het dragen op den rug. isiiipiorjcviivj ij oin t \\ iemand wiens werk hei is pakken enz. op den rug te dragen, ij mi 2 hii/j0 een rondvenster.— hoi tj mi ij a in 2 \\ een object als een pak op den rug dragen. — (tm ij mi ij i in ? .iv7 \\7nv. en iemand een object op den rug te dragen geven. —(uii ij cm ijoni z ir;ij ^jiciis een obj. op den rug te dragen geven aan iemand. ij cm ij erin i m nnjj \\ obj. den.; vracht op den rug, de rug, als de plaats van den rug,waar een vracht gedragen wordt, tot vermaak elkaar op den rug dragen, fig. last, bv. van kinderen tot last hunner ouders zijn.

ij micrnis kn. 1. plat zva. orj ip het keelgat. 2. naam van een grooten boom y waarvan het hout alleen tot brandhout gebruikt wordt, en de geelachtige roode vrucht veel op die van den lo-boom gelijkt, [volg. Kil. Ti», zva. ij n 12 maar een groo-ter soort), ij icn // l ii 1 ij cm 200*11 \\ een groote soort ij uii ij .111 2 \\ l\\. 5,59. ij cm 2 errn mi 1°/ gt;\\ spy. voor afsteken, van elkander verschillen van klenr of geslacht, zooals een blanke (\'hinees niet zijn bruine favaansche vrouw, of een mensch met een vrouwelijke boetd gepaard, WR.; bij Fil. naam van een kruid Aërva sanguinolenta BI. Nat. fam. (ter Amarantaceae.

ij cm 2 tj errn i \\ kn. 1. een kliergezwel (van de oorklie-ren, Rb.), op zijde van den hals {vrg. ij0012 ijonu icnfj). 2. de naam van een rond. stokje bij het weefgetouw in gebruik. WW., volg. Rh. eer een groote ronde stok zie x // ioïi\\ — ij )n2 ij iiiu / /m/j^ een kliergezwel aan denhals hebben 0/daaraan lijden.

lt;rn n i~iri n kn. naam vaneen heester. Cannabis Sati-va, li. waarvan de bladen door aamborstig en gerookt worden; en van de vrucht knoppen en bladen wordt een bedwelmend vocht bereid. 1,11011 )j

11 rui mi bedwelmd door )niiriii\\ Rs. \' gt;

ij 0112 ion \\ kn. het bovenstuk, VayMwX, van een pilaai of kolom ; het (breedere) bovenstuk aan het lemmer van een kris, dat aan het lemmer vast geklonken zit en soms met goud versierd is; ook naam van een soort van slingerplant of klimop, daar touw van gemaakt wordt (Skr. g o en dj a, festoen; g 0 en djd, naam van een slingerplant, pk.), volg. Rh. is ijnn? 1:111 s ook een snij- of lofwerk in hout op de (isti,iiOi\\ — 1 7i ij m 11011 \\ snijwerk maken; van snijwerk voorzien.


-ocr page 1052-

cmrnuuys

966

77tn q \\

on rni^ \\ kn. het nest en de eijeren 0/ jongen verlaten, vau vogels, die verstoord worden, JR.

rjon rmp\\kn. vroeg rijp, vroeg vrnehtgevend, Zw. tww rni vruchihoom j jhj. van een meisje dat vroeg de maandstonden krijgt; spoedig vruchtdragend, hv. van een vrouw, die spoedig na haar huwelijk kinderen krijgt. 1 rn ij rn i:nivroege, vroeg vrueht-gevende padi {vrg. bij i lt; ^ ij rr\\imt ^ vrjfia %

wispelturig, ongestadig van aard, \\VR. —luiirjcni .1-111 q\\ een sawahveld met lï mij 111 i m j beplanten, m r:ni\\ kn. : i h rn 1 ni \\ iemand iets schenken tot be-

Os

looning of uit gunst, van de Godheid of een meerdere aan een mindere. Ktii ni ni (of rn in. i~ni) trnr)^i^n/j\\ met gezondheid gezegend worden. i,n rrn iTin 11 rn gezegend worden met een ziekte, et71 uitdrukking van het vroom gemoedgt; dat alles ma! de Voorzienigheid over den menschi beschikt, als goed en als een gunst beschouwt. — \\jh mi im ■ »j\\ mv. — lt;ni rvrnKhyis geschenk tot belooning of uit gunst. — itj)ttot-mmi\'ii(Hi/i\\ (of hjiau i)(iji

CPs gt;—\'• \'

in hip Rh.), de natuurlijke pokken {vrg. bij ij hti f [iuijtivi 1).

mi 1^11 ^ kw. A va. ijasiuri m mijs volgens anderen zva. 11,1111 f r kn. naam van een bamboesoort, Tj.

111 ij 1111 ?N KW. zva. rniinir

quot;) X __. / __ ,quot;) /

dn inti ^ — li 11111171112 en — riKfiiw lt; / \' \' lt;?gt; cq.

O / )

mi) i im\\ kn. — rn 111:111 ?\' 11 an 1 n naam van een \' \'

zeer goede grassoort, Rh.

ij m rj 1 m ? n kn.; 111 ij rm ? ij rn ij 1 in ? \\ slap en weck op het gevoel hv. v. een vrucht, die overrijp ia, of van een rijpe steenpuist.

( )

1111111 quot;ri \\ iiii7iirri\\ zie inrnrnw

v ll r gt;

rn rm asiiji -^ rn fi nifl \\

in ijCi m asiiji\\ kn. met een vaart, zonder zich aan

iets te storen, wegloopen.

) / CO O

rn ijii.111 \\ zva. 1111111 j ij ik w

m ij rm? ilt;iijj\\ kn. lager gefundeerd van een gebouw

dan een ander, Rh.

iri(in 1 liiijjn kn. big, bigge. Jong van een varken.—

d/u ui 1 ni riijj\\ gelijk een jong varken.

ij a m 1 in mi /j kn. gekheid maken, stoeijen, v/m

mannen met or ouwen. nM ij m ? 1:111 un /j \\ met

iem. stoeijen, PJ. ook iem. toppen, voor den gek

houden, Rh. — iuiiri im 1 m i,?i\\ mv., en met \' rgt;

iemand gekheid maken of stoeijen. — ijmt 1:111

rii on J \\ met elkander gekheid maken of stoeijen. cm rnmci/jsKyf. zva. imvi^of icj^tiw cru rj nu i osiijs kn. J. een beweging, zva. (inrjinit

O O /

Miiy — ry (Ei ij r ni i iw/j \\ zva. nn ij rin 2 Klip 4. tp.

zva. 1 w ij i7i 9 Kiijj s {vrg. oji naj]).

m nn a,11 n 1 ru \\ kw. de afgrond van de zee, ook de

zee zelf, de oceaan.

n

ij ni217111 Hirrpi Mi}jj\\ kn. op en neer\'gaan, op en neer wippen, waggelen, Tj.; vrg. vi 1112 rin cm i In w cnirni nip kn. iets wat ergens ond(!rgestokeu öy ondergeschoven wordt, om het vast te doen staan of ook om het aan de eene kant hoogerte doen staan; ook iets hinderlijks dat ergens oudergeraakt is, dv. onder een poot van een tajel, zoodat hij wihbelt, van iets onder de voet of onder een ooglid; vvib-belend staan , bv. van een tafel; ook cnirm rii/j of (uh nu 111 nip een hinderlijk gevoel hebben alsof er iets onder zat. — n/h cm rrn •tu/i en n h cm rm n r onder iets het een of ander leggen of schuiven, om het vast te doen staan. /im 011 ripnriji\\ fig. nietregt tevreden, niet gesticht, verstoord, van hef hart.

ernrm(irijj\\ kn. oneven, van een getal [vrg. cnirjri

^ O O v 191JI en ■ni rn l yj)-

\'111 iTm 11 ip kn. ; nn rm ify r m n i/j\\ met een of beidc beenen aanhoudend Tn de lucht spartelen.— vhcrii rm nj/js met een of beide beenen in de lucht spartelen.

r}i vmen i/jskn. de milt, (W.); volgens WW. de nieren , van beesten (vrg. n i ti ^i\\). m n rti imi n een ziekte van buffels of rundvee, v)aarbij de buik pijnlijke knobbels of opzettingen heeft, JR. rj mizijirin2rujj\\ kn. 1, verharding, knobbel, op plaatsen daar bv. bij trekbeesten het juk gedrukt heeft, of op den schouder van lastdragers; ook een daaruit ontstaan ettergezwel; ciok over of te veel, bij het toetellen van geld, meer dan iemand toekomt. 2. zva. ijii m j 2.— ii/h rj cin 2 iji7m? ni^i. iem. meer geven dan hem toekomt.

in rm/j i-V nkn. een klinkend geluid, zooals door hei stoot en van metaal op een hard\' voorwerp, zooals een steen. — cri^ ii 1 rmpj ik \\ of \'t j ilt;j rr^ di 1 irijj ij ik \\ klinken, een klinkend geluid geven (vrg.

(?) \\ V

mi 17m\\ kw. zva. it-i (inm,is Cl l \'

Cl . . n .

mii)riii2\\ kw. zva. (Khiuw — xni mirt 1:1112\\ zva. \' r gt; \' lt;?gt;


-ocr page 1053-

967

O

cm (Yin \\

Cv)

077 Ijr» v 0

IJ O ? J (IM N\\

, gt;^ rm \\ k w. zva. yj im ? y ? j. ; ^

ij mirji mi\\ kn. naam van een g\'ênding; / lt;?ƒ

0nfim tj t n?\\ een g\'ênding van Nar adv, B. 7j(tdn kn. kantelen, over één zijde kantelen, frt!» een boot in het water, rt rn i r:in mi In n heen en weer kantelen, wankelen; oo/c {of mitjnjzi^ïi) naam van een ghiding. nm rj mi ? i:m \\ iets,zooals een schuitjey in een kantelende beweging brengen. — ,i h rj mi ™ii rn rj not \\ iets doen kantelen of waggelen. ij infi/rhis kn.; 111 ntmij i^rn\\ van achteren vastbonden, {zóo L. 304), ongev. zva. rj ern? tjint ili/i aanbonden, G. of ^ m 2 rj 1:1 ioi/j van jongens die de boven een 0111:11 cnijj gespannen vasthou

den, daaraan trekken? Tj.; aanklampen

of lastigvallen oiu een schuld; om iets zanWeu {vrg.

en lyiamp;js).

mi? rj?\\ kn. zva. ij (Ui2 rjiiri ? asiijj (en

avw. i/n(hi rni\\ w.). kn. een soort van qe-\' CO(ygt; J

batikt. G. — rj imt ij 1 mg 11 on/j\\ met een pnntig., kegelvormig dak, Tj.

mii^qjj^s kn. — mi mirf xai nnji\\ lijfdenntje (Tj.) Rh.

7mi zva. rfrmyiHjjj^ Rh.

tj mi 2 rj njjj ^ \\ kn. 1. dm» van vel, dun van schil, bv.

van aardappelen ; volg. Kh. zaebt van Imid of vleesch;

flg. ligt kwetsbaar. 2. rauw bij het doorbijten , bv.

van aardvruchten die niet goe\'l gaar zijn ; vrg. O

». nrj ftn/j2 s\\\\

-» O . o gt; .

miifjjjs kn. ; nnnrtKHij)^ iets met den duim, de handpalm of bal van den voet drukken en er mee heen en weer draaijen, WW.; volg. Rb. mrt de top van de vingers draaijen, bv. een khnirinoot, zva\' en mi 111 Rh.

mugkn. (üii lt;ti.\')/j0\\ in de Wajang zva. isn 2

a .

rn u ij\\ een uitroep van verwondering van Seng-

koeni.

miihij* kn.; t\'ii mthj/js iets knauwen; iets opknan-

wen ; ook fig. iemand knauwen {vrg. r)fi;\\ van

m/ M-m). — mufji n ki,i\\ wat geknauwd of opge-

knanwd wordt; iets te knauwen of op te knauwen;

ook figuurlijk, W W.

nmwm!Uj\\ zie bij miiui \\ 3.

o

mi yns kn. naam van een boom, waarvan de vrucht tot medicijn gebruikt wordt\\ deze behoort tot de i h cm im cm w (Skr. gantd, 71a am van verscheidene planten, pk.)»

rnmns kn. bel, een huisbel, scliel, klokje, zooals ( O

aan den hals van weidend rundvee-, {Skr. gh a n-

td, schel, klok) vrq. htln/ns — urmtni/j\\ een quot;, (. J (ij s\'

nagemaakt belletje, bv. niet van metaal; — nf iui in mti lo/j Tj. naam van de vertrekken in de bijgebouwen achter de prabnjasa, ivaar de bijzitten van den Vorst haar verblijf hebben.

mnmn2\\ kn. schelm, schurk , schavuit,boef, woon// \' (u

als scheldwoord; {vrg. i:gt;i i i mi ]).

Cquot;)

tncr/nfo/)\\ zie hij m rmw CiJ -y\' \' u

O

cm y nmnvn/j\\ ti/n inynn tisH/j en au mn/mn zie

crnijcyntirLi/js kn. een haak waarmee men iets naar zich toe haalt of waaraan iets vastgehaakt wordt; ook een branclhaak {deze ook i/u ni^i/j)\', vrg. 11 ijomji n i/j en iii vjmn2n t/j, 1 \'h 111 rjmn2 iets met een haak naar zich toe of omver halen; ergens met arm of been zich hakende en vastklemmende hangen. — nat m tj mn 2 tj^i aan iets vastbaken, iets met arm of been als een baak omklemmen. —- cm 1)ifn 2 n i ofi.1 aan iets met de armen \'Co,

of beenen vastgeklemd hangen. ) ) ) ) ) O . /* •

mcnnii n i2\\ kn.; mimn ,)iii2 m tnni n i2\\ oj H\'ii (O 1 (. \' (d \'

mrrn rj lt;rhi2 \\ er goed in het vleescb , mollig en

frisch uitzien, van een naakt kinderlichaam, thiï

rmmn nnj2\\ van verscheidene kinderen bij el-

Cd \'

kander.

Snerp) in\\ kn. naam van een klein vogeltje met een CxJ kuif.

gt;n(rm i j . kn. helder uit zijn oogen kijken.

quot; merrnnnn kn. naam van een zekeren vogel in de wa-(u li

jang ver halen, {verbasterd uit Skr. dj at dj oe, naam van een mythischen gier).

)nmnni\\ kn. 1\'n inintins er dik, stevig uitzien,

(u (a)

van kinderen en mannen van een kleine gestalte.

cm mi i \\ k N. een gespannen lijn; een lange regte reeks;

^ ) \'O O (0

een bergketen {vrg. inimn ^ ». » gt;»/; ). gespannen

van spieren, PJ. strak, {v. d. blik} del tig. Men.;

ook kranig, flink van uiterlijk {van mannen) te

M., — uh immn zich in een lange regte reeks (d

uitstrekken.

ingt;!tyn?\\KN. groote iiftvdon pot ot kruik, oiu water , of oo/c wel rauwe rijst in te bewaren («cy. rn gt;a


-ocr page 1054-

tn ij /j),? n

908

rn u]

. ) \\ ) • c quot;)

lt;?w cm tjiyni i,np. on rjoiiu t : 11 )^ lt;i n^iïj

ih n.ï\\ gelijk een mi ijlt;tjn ? die water doorluut, of een put die scheet\' staat, spr. van een voor vrouwen gevaarlijken man, Rh.

n) kw. zva. kn. de binnensteel of het

hart van somm\'uje vruchten, als de n any ka,, 5/7-Icaja en ananas, JR.

N gt; k., in.id\\ póót. berg, gebergte,

, quot;) cO o o a . .

(yry. cm tij \\ .1-7» (Tox t\'w oo/c zva. uj i^ i i

Dnjl hij de waj any ver tooning; verder benaming van magistraatspersonen in liet clorpslaud, politiebeambten , tevens l anionregters, c/ü/.1 belast met het toezigt over de wegen en bruggen; als \'IJ. Sentjfc. zeven, a u tj /rtj i^^ of etiket »\\ kn.

vleijende benaming voor lieve! Waj. Pr. 55, 5()j volg. Rh. evenwel op te vatten: berg-zusje; vrg. Ib. 01. i ijj\\ een berg van vuur, bv.

van een grooten brand, t)^ ri^ vn il\\ een vuurspuwende borg. yij m i./ii?i in^ru/i kn. benaming vaneen soort van ringen met drie steenen op éen rij, waarvan de middelste groot er is dan de twee andere. — i \'n i bergseh, als een bergbewoner in zijn manieren zich voordoen.

i i mfj\\ kn. J . ook ni nj hj r.i jn/js eerste, voornaamste, aanvoerder, van een troep {vrg. li r.i i i

ii j en ü (rn ij ?o) ). 2. piramidale iigunrj een naar boven spils toeloopende, met uitgesneden boomen, bloemwerk, apen en wilde dieren bosehaehtigen berg, maar ook tevens door de iiguur van een poort eeii paleis, voorstellende wajangfiguur {anders hu Yj iui2 i(i/i genoemd), die door den Dalang vóór en na het spel, en ook tussehen de bedrijven, tot een teeken in den onder tegen het scherm liggen-den pisangstam gestoken wordt. 3., ook in Kr am a ii rj tin injf\\ piramiden, als het ware borgen, van rijst met toebehooren, waarop, tot offerhande op de groote leesten, door den Vorst zijn ambtenaren onthaald worden, en in ronde, piramidale van bamboe gevlochtene machines in staatsie naar de pagëlaran gedragen worden, u.i ijj s dergelijke piramides met) ! njxcilt; mi zonder top. 4. n. , iui n rj.ui m/js k. , hel gebied van een Goenoeng of dorpsmagistraat. — iU! nj ilj l i .m j (ui (iJi ij no tin/j\\ gebergte, bergland, berg- en woudstreek {in tegenstelling van .»;//ƒ Mn); het voor de Goenoengs op

te brengen geld, één reaal per djoeng. d n m r j . i (rij r i iinji \\ bergwoud.

rnri(ij}2\\ {of ar»lt;7^?) kn. de geslepen kemirinoot die gebruikt wordt om de andere te treffen. (iiivj(iji2 een puntig van onder en gevuld met sajet oi\'

kapas. mi ij(tgt;ji2 id^iui(vm/i — plat van onder en gevuld met hagel of lood. — mi ij nj) 2 anjj hetz. Tj. Rh. myi?i\\ ML kn. 1. een verglaasde put óf kruik. 2. mjiS of isii rumjii \\ het vliegertouw, waaraan het trekkoord bevestigd wordt, Tj.

tj mi2 ij ij}2\\ kw. zva. (i^ncyin/jw \\ o^i mi rj nm 2 tj2\\ kn. zie bij (ni.nw —n/ii y mi 2 ij »0» 2 \\ kn., iemand met de vuist of met een wapentuig een stoot geven , stompen.

lt;niuji\\ kn.; n/ii m » j» \\ iemand naloopen, vervolgen,

WW.; vrg. (ioiw\\ JiV.

tj lt;rn2 »0» n\\ uw. zva. .ïn »k en ,»/»»/u 11 v. i\\\\ {Skr.

got j ar a, bereik , gebied).

rn / y.iip klank nab. zooals van een pat joel die legen

een steen aankomt.

cnng^ un/j kn. — mi »a gt;lt;»» klanknah. van

het herh, hakken of houwen met een adi i?). K. 22, 52.

m tj (i-i? i\'Hji -^ m 1 [i^■».\'»»,\'1 — ni ii i \'y gt;ini ihn/j dal

geluid herh. doen hooren , Tj. iji bn (rn n i ij \'isy .un/j. hels. /gt;•«/. \'J\'j.

in lynnji of rn ij 1 yi.iijj Tj. klanknab., zooals v.

een pat}oei in tossen grond.

nnij i ^ioi^skn. klanknabootsend woord voor /ietgeluid, dat door het werken met een patjoel, wa-doeng of p\'êtel veroorzaakt wordt,

.ni iy uit i.hjj .—: mi tj 1 u ini^

) r L) ■) . Cquot;) z\' • 1

nriJiiiiin of nniihiiy- kn.; a/11 ern gt;rii \'it n ,j oj 1 /»» m 1 11 uiyjs iets lijn stampen of stootcn; tot gruis of te pletter slaan, vermorselen, een vijand zoo

slaan, dut hem alle magt benomen is.

) l ■) . ): ) . O

mi ) Kii/js 111 trr i.:i Kn p zie miw liiijjs

inrii.njjs zva. .1,11 jol mij ook een steekpil, Rh.

rn ij 112 Hii/j kn. naam van een soort gekruide vleeseh-

. .. o ■ ) /. o . ..

spijs. : 1 jfi; oj i:yi \\ gew. van lappen, vooreen

offer (gt; i gt;i itlt; ni j); volg. Rh. nl. kippevteeseh in

kleine reepjes gescheurd, gekruid, in klappermeik-

gelegd en zoo ongekookt in een pisangblad ergens

aan een boom gehangen; volg. Jav. bijgeloof als

off er maal voor den bosc/iduivel JJadoengawoek, die


-ocr page 1055-

trj onl ijiiJ) nn.p

9()9

(/e wilde dieren betvaakt.

) O n . a iti cni i tjd t MïjjjN K W. zva. (isi i}i n irnji \\ Cr. n igt; n Tj mi t ij

iri innn p kopje met een hanclvatsel (oor). — (Lit tj ijnm gt;f I ) ofljs iels of iemand met de liaml vast-hoiuleu {zva, .x.wuuiu ). —nf mi?rj 10 tw iiajj iets daar men zicli met de hand aan vasthoudt; liaud-vatsel, en zich daaraan vasthouden.

ij mi tj iJiiiisiJJ « zva. rf mirftKiz asujjs an ifwHMJji kn. klanknabootsend woord voor het geluid van een homo in iels toeeks {vry. ifiij)?i.i,y). crniKi i.lifii-nd j its spr. er maar inhakken, en fuj. ronduit, rond voor de vuist. Men.

aldus te lezen voor mi t?if aj) %tMjj k. zulk een klank geven.

mi hinu/l^ kn. zva. hji i:lt; ii n/j\\ maar bepaald van het

hoofd en de hals- en nekspieren. —ihmiiiuijs

. O n o o O 1)0.,

en i n du 11 iri \\ zva. f i iez astt/j en i i iclt; ,?}y \\ in dezelfde speciale bei eekenis.

; ) O -

mio^injj\\ ongeveer zva. n irm tu^ of (ifij 111

rn 111 (hi,i\\ iemand die zich door groiTe en lompe

snakerijeu ten koste van een ander vermaakt.

in i ^tu/js Ti\', zva. mii i nj/ts ook draayende met

de duim drukken bv. een harde kliery IMi.

ifniifriniip kn. ongelijk, oneven, niet gelijk, niet

gelijk verdeeld {vrg. mi i:ni n t/f en of ivi if rmi 11 i/j).

miii kn. naam van een bloem.

irniSw kn. zva. ninrnj/fs WW. volg. lih. zva. chi

(p\\ hard wcgloopen uit vrees.

iii\\ KW. zva. (i n 1 ernw

gt;

(rn \\ KW. zva. tin m of if tun o 11 \\ it?i om en anmiw

CY

ni\\ kn. klanknabootsend woord voor het geluid van een luid algemeen gelach. —mt nrni i/j\\ luid algemeen gelach. Zou ook )y ^ uaj^ m m nunjs \'HixKW. zva. 11 iuidi \\ fJ. {vrg. (in m en 1 n i]i\\). iijs 1. Kw. zva. n^iifu\\\\ G. — 2. N. Md. zva. i.ip

0J ,l/)y\'ip iu don zin van ifmi\\ l. zie bij 111 ij cmw — 2. verkorting van if m

7 bv. (ij til\'ii lf im\\ kn. 1. zie 1 n if nrtw — 2. niet geslaagd; ook niet meer onderhouden, \\cvh\\ici\\ van plant aad-\'/es, Kli. volg. WW. hei (precies) gelijk tnel iets anders; precies in hetzelfde geval zijn. — »j int if 111 i\'linap afgeschreven pluntaadjes, Kh. mi i)\\ in (YiTyi im0°)zie bij i\'n tirii\\\\ dim ui\'n\\ zie beneden.

(in\'ii\\ kn. 1. eg, egge. Ze bestaat uit den penbalk ,111 (li in ~/ii tui an f, de pennen (1 ij w), den balk voor den iv er/man om op te zit l en ry tti j \\ en den disselboom. (iJ) (ui (ui df^tf \\ De werk man houdt zich vast aan een opstaande pen {i n 111 ^ nmi/j^j SG., ook zva. asii/j en iKr fi lun/j. 3. (imp of ikii

(Vi^ tn ij \\ naam van een welriekend hout: aloc-hont, agallochnm (ó/r. agaroe). — xm mi ni \\ eggen. — cru iftiianjj of an n 1 rj 112ariji obj. den., een hark, AS.

lt;gt;/ lt;ijt)\\ kn. droog, niet drassig, van den grond,

volg. WW. schoon, zuiver, zva. a0 i.iifii/j\\ an if\'\'1)2\\ kn. geschreeuw, luid geschrei, Kh. gebrul, zoo als van een tijger, G. WW. dit volg. Rh. in nns \\yrlt;j. an if m mi f en 11111^1 \\). nmifm cnirfrits of (i i) in if ■ 112 on if Tm l ruilend, bo. van een hard en luid geschrei of geschreeuw. (ui) cin ifnts brullen en luid schreeuwen, zva. ciiiif f n \\\'— (Ci crn ifiiz\\ het brullen, enz. het schreeuwen, luid schreijen. — (liibiïmrjif yi2\\ overal, aan alle kanten, gebrul en geschreeuw.

(ïii i] ii\\\\. zva. (Yi^ (ih\\ als Tj. Séngk. zeven (hkr. gi-

.. . n a a 1 r* n n

rt). iijjmi ii\\ (im np li an ti\\ cni quot;n in asn \\ en 111

i)rriiK \\ bijnamen van Batara Goeroe, kn.

spoedig, terstond, dadelijk; (tnix0 zva. 1 i)i-lt; i?i

o ,,, 0000 . o quot;gt; o \'gt;

1 1 itii,f\\ Kil. — lt;ni\'ii mi\' ri\\ KN.; if vi 2 111\'ri nin\\

iemand die grootspreekt of pocht, om te imponeren of bang te maken. n u in-ri 1 n ■ fl\\ tegen iemand grootspreken. — i.n on n /n\'#7\\ ontzettend groot of dik, om bang voor te worden, vervaarlijk, verschrikkelijk {vrg. n/h mi in -n 11 \\). — 111 in if -111,11 ^fii if mi \\ een lastdier of werkvolk aandrijven [vrg. n/n dn (u in if i(n\\ en n/11 onns). WW. ni n i)2\\ en kn. van angst ofschrik

schreeuwen, gillen onder het maken van misbaar of angstige sprongen inifni \\ bokkesprongen maken van joligheid of schrik, W. 11, 173. miirf

1 ■ , ) .00

if nn 2 tn if H2 \\ zie bij 1,11 n 1.11 2 w — 1 n 111 mif n 2 \\

iemand met gebaren bang maken , van schrik doen

gillen, {vrg. uil tn tn ni^)

1 * s

nj 11 \\ kw. zva. c\')l

nj 1J ^ kn. 1. de {of het) uitstekendste van een soort. WW. 2. leermeester, leeraar, onderwijzer; ook voor leeraar van toovermiddelen en tooversprenken om langs een bovennalnurlijkcn weg iets te erlan-


-ocr page 1056-

nmi\'-n\\

970

gen. {Skr. goeroe, zwaar, gewigtig, groot, uit- j stekend, eerwaardig, cn leermeester, leeraar). gt;»ƒ n-j ijii)it(isti(iaji\\ uitstekeudstc van de sehoouen. W. (hj(urj (ui a^iji^ allersterkst vergif. G. lt;r^ nnyn? (Hi/j de koningin der mieren, on ni mn ij iHijl -der bijen, *7|\\ ookzva. gt;m\\ vaste grondregel. rtyy^iam zich regelen naar de goede ot slechte dagen, bij het een of ander werk, of on-derneming enz. nn of enkel \'rui^ \\

eign. van den oppergod, den Vorst van de goden, in de Javaamehe mythologie. rijnjMi verb, van x j ncmlofbejagend, van

iemand dien het om loftuitingen ,1e doen is. «jirto a,j.1y naam van het teek en jj c u , anders a/ij chii/r^mi genoemd. JR. crn ijnmjoi ri^fj\\ onbewerkte stof, daar iets nog van gemaakt moet worden, iets in natnra, e7i meer hep. schatting in na-tnra. gt;7^ tian ua\\ bewerkte stof, wat van een stot vervaardigd is, ook belasting in geld, Rh. {Waf het vjoord otj rj in de laatste voorbeelden bet eekenen moet, is niet duidelijk) n^-yj ij) ti.i n aa/js tel wet, tel regel; hot bepaald getal lettergrepen van ieder vers in een strophe van een Javaansehe zangwijze, nrijmwet , zie op (txa nr^ \\\\ — a m

O -

(rij \\ tem. nyr^\\ noemen. oiyr^iHiw of rr^ ihii:ii\\ v ere erende fit el, dien de vrouw aan haar man geeft, als echtgenoot en vader: heer en meester. — (\\ ii ón quot;n \\ iemand tot leermeester gaan nemen, bij iemand onderwijs krijgen; iets (quot;bij een leermeester) gaan leeren; zva. en i iii£\\

leeren. — i w crq /^n ? »y \\ iemand tot leermeester nemen; ergens, aan een school, of in een vak als goeroe fmigeren «/les geven. — (fhcrt^r^m ,un ~fn ij uii \\ {poëf. kyij ij ~n? im ^mij kus Soel). iemand, hv. zijn kind, laten leeren hij een meester ; in iets les gaan nemen. —a i rij nj\\ of i]

. l ^ • o

zva. i n njw ij uiz u i rtjrjnn n ij

rf i tiiiisii/i leeren ismoeijelijk rj ahi nm^ Tj rj (thi r.i\\ de gong volgt do gamëlan,5^r. voor de mindere schikt zich naar den meerdere. — (L/inii ri gt;12 nn/i onderwijzerswoning; school, de plaats waar onderwijs gegeven wordt; {en de persoon bij wien men onderwijs gaat nemen, leermeester. ^ )iini cn^rj 7j ti?anj\\ van denzelfden meester onderwijs krij-go», WW.).

)yr)itni\\ kw. 1. zva. asii rj n ? chijj {waarschijnlijk de asiivj vu foy)\', als Tj. Sëngk. zeven. 2. zva. arh) ij ici \\ en xj\\ an tj 10 \\ {vrg. tf rrm rt x.hi gt; ). 3. zva. 1 / m an \\ of ti/nraihiHnq {Skr. gora, schrik-kelijk, schrik aanjagend). au fti (17 tj»0»2ni))\\ een verschrikkelijke storm, rjcrn?■»»w irtt\\ woest geschreeuw.

ij rn2quot;mn kn. een onrijpe nangkavrucht, als groente gekookt en gegeten, zie )mif tisn ijdiii ifj\\

tnyi en nnnTn i\\ i/j\\

zva. artnifW an^/nan^ kw. zva. itoini

\'t7 (}lt;1 fj \\

: -)

tj/rri^?\\ KW. zva. rrn ti iiui/ji

rn ij\'titq \\ kn. ft]yn2een kokosnoot, daar

men weinig pit in vindt.

rn^iqs 1. kw. zva. on aiiji en hl na /uil \'n ij itaw ook kn. gebulder, geraas,in annij»niwan\\ storm en regenachtig weer, weer van de negende mang-sa. — 2. kn. benauwd warm of heet, door benauwde, drukkende lucht-, het benauwd warm hebben {vrg. njihjoj),\'! en j ki. zie in

, . , gt; o . i )

■T) n 1, — am mi\'ti9nm\\ en i/n rmni qmnri K\\.,

zie bij nrtt^ \\. — dn n ja.n thn/j\\ kn. het be-\'

nauwd warm hebben.

) a ; )

crn\'ti zva. crnti \'ri q\\\\

cnirj-n^ \\ kn. gezouten en gedroogde viseh, vooral zeevisch, {vrg. ij crn rj oi ikoij). Zoo ook lt;1 riijltf ij ti { w — n il cm ij 11 ? \\ gërMi maken.

ri ?\\ kn.; n\'11 angt;}?\\ iets, zooals lijnwaad, klec-ren, het lijf of een gedeelte er van, in water spoelen , uitspoelen, afspoelen {vrg. 17^111^ kj?n

CY n .

11 n aiy \\ n::i (ui^turw en arjn

oij m^Kl., zie \'hrn \\ — 1 /11 rnj 11 ? \\K\\y. zva. n:j 11 ? \\

en thi rds {vrg. an n^n).

rnntps kn. zacht zoet, de tong streelcnd, van

smaak, kernachtig, vetachtig zoet, zooals de

smaak van amandelen, een rijpe kokosnoot,

boter, enz.; ook lekker toebereid, gekruid en

gesausd.

7^\\kw. zva. n hhy 1 n j \\ KN. rrjf^nj^ gedruisch, geraas, gebulder; gedruisch enz. maken; bulderen, onstuimig loeijen.

rj m rj - r 12 in de spreektaal zva. ij tn2 ij ru tj an2 tfni ?\\kx. beweeglijk, niet stil kunnen zijn, zitten of liggen, onrustig, ook van een vaartuig, dat


-ocr page 1057-

o

711 ni (171 hll \\

y7J

tj mi 2 rjnii

niet vast in het water ligt, en jiy. van het gemoed {vrg, en rj-T)? ij itijs).

ncwt^nii i ijictimsK., leugen, onwaarheid; liegen , onwaarheid spreken; leugenaehtig; valseh, niet trouw teruggevend, van een spiegel {vrg. u.n \'iiü\\). (l/i ivj 7-7 ij ii ji ? ij ry\')? ^ n een leugenaehtig schepsel, aartsleugenanr. nammw-ns kn. leugenachtig, lasterachtig, bv. rj nj) ? rj tui 2 -n,? m \\ en nm .ni rjomquot;71ihj)-n\\ (vrg. dn ij)m\\ bij (up). Tjaai\'ti ii rn ru\\ naam van een hijzonder fatsoen van piek. tyjum\'niJ{zie hij ajirriia) een lictie, die cenigzins of in schijn met de waarheid overeenkomt, (W. I, 130), schijnwaarheid, een noodleugen, B. ï. Dj. 228. — nji) Tjcnid q iJn ^ n/ntjam •M/.y\\ iemand beliegen of voorliegen, tegen iemand onwaarheid spreken. — uh ») mi tj\'mqnwrjmi\\ awrj ui2 yi wi ^/ii ),n iin/j\\ iets als een lengen oy onwaarheid beschouwen; iemand een leugenaar noemen, van leugen beschuldigen. — if m? qitjn anrf uit scherts.

^mi/iï\\KW. 1. zva. ij i7i? lt;f7 j \\ itni in tf dsn? lt;in/j\\ ij/M2 if ij (i:n 2 n \'ik 2 \\ of errt lt;*J) \\ {Skr. gr\'éh a , huis, woning; en huisvrouw. Vrg. K(n^itu\\ en ern t7\\). 2. zva. ia inj \\ en a \' yN {Skr. gr ah a. en g r d h a, nemen, vatten).

of kn. eklips,zons-(?ƒm-ians-

verdnistering {Skr. gr ah and). ;rni/ti nn £i n i o

\'• [/JM\\N., m/jy?) ao i. ) r i \\ en [irryxrn lo aj^ n i in/j\\ poel., maansverduistering. — nu 7iy\\iilt;tij an verduisterd, verduisterd worden, van zon of maan-, door den invloed van een eklips gebrekkig geboren. — inrr^d/n w(fy Tn^/js door een verduistering van zon of maan getroffen of schade lijden , van vruchtdragende hoornen en gewassen.

v3\'y^\'b^N » i\'ii 1^1^! n/j^ met de nagels krabben, van een mensch, ook wel van een hal {vrg. i n ni i^Ln ^ rm ini \\ irrj \\ en r.y.rp).

, »n i ii nu n k w. verheugd, verblijd, zich verheugen. G. {vrg. m»*r(ii7j\\). viiininm •iw\\ kn. vatten, be-

O \'

grijpen, beseffen, vermoeden, bij zich zelf denken,

vafi ren gedachte die hij iemand opkomt; een voorgevoel van iets hebben («S/r. 7/2vattend,

grijpend; g rïh it. a, gevat, begrepen). — nm rrt i -gt; . .

in,Lii},j\\ Dan iemand of een zaak iets denken,

vermoeden. — ^ ny n hm het vatten, begrijpen.

enz.; gedachte; voorgevoel; doorzigt.

rniiinm •igt;ii\\ kn. naam. van een geurige welriekende pisang.

ijcni2m ui kn. gekerfd en gekrabd, met ker

ven en krabben ? (AS.) Rh.

Ov

rij ij un \\ k w. zva. 111 quot; ^

cmnian/jsKN. hecht of steel, bv. van een mes, een waaijer; gevest, hv. van een sabel {vrg. in\'»\'» n 2.). (— rn m^yan/js middel tot iels, middel dat men aanvat of gebruikt tot iets; vrg. a/nwnMnjj en i. rri (in \\ WII.). — i ?» in ni*lt;fx van c.n hecht, steel of gevest voorzien. — a/h wnnjijmi\\ iets van een hecht, steel of gevest laten voorzien, geven of bezorgen om daarvan te voorzien. — mi TMynnji^ iets dat tot hecht of steel dient; steel, bv. van een ih]i riitujs

O .

mi in KI., zie am riw

7ii ia\\ kw. zva. ui i7i\\ nrr^ i,js isrjjW {Skr. gh rn d, mededoogen).

mi ni a/j \\ k w. zva. mi rn \\ {Vrdkrel g a r in i, Skr.

grëhini, huisvrouw, pk.).

min.hij\\ kw. zva. wtin\\ (ij^nxiw kn. lust aan of

tot iets hebben {vrg. dji if ianji en a jlt;in\\). WW. {Tyj Uj aii /j ( oy i,j int j k n. volg. Rh. m^ rcj (ny i, 11 fl \\ zva. riij^j ri/tljs gemor, gemompel; murmureren, mompelen.

rii uj* kn. hallluid gepraat, gemompel binnensmonds; ook gepruttel of gemor {vrg. ni i\\J\\ en aniarj^ 11 iiijl). mjiujmyuj* prevelen, mompelen. — a/hmi (in\\ hetzelfde.

[ inhjs kn. — mooi, schoon, fijn, net,

sierlijk van gestalte, {in I3W. 278, oneigentlijk van • taal), Rh.

vW^nkn. gemompel, gemor {vrg. rinj\\).—

O ,

iianjs zva. ui ii^i an^

7 \'yi quot;JN KN* haak, Dam. Woe. — iii rj -rrjrj nj \\

met een haak tot zich trekken, vrg. a/h mirjmm

ii i p Rh.

iii t iii \\ kn. freq. van 7ii t:m\\ (een strak gespannen touw). — (7ii rln i:ianjj slijt, niet los, bv. in het tandak ken, (Tj.), stijf en strak ecu opinie volhouden tegen een ander; zamen redetwisten, strijden, Rh.

(crnitn\\ of ni m in\\ kn. ronde slijpsteen, draaislijp-steen {vrg. aj^^u quot;\'//). i0/i j ^ het overge-


-ocr page 1058-

0«\'.

n

cru HIS

972

tn on iU) \\

blevüiiü van den alijpsteon, vuur ecu geslopen wapen. — .iAi^tin\\ leis op een draaislijpsteen slijpen. — m ip w/j of nyn ininji ohj, den.\\ ook naam van een nachtvogel, Tj.

) Y \\a n kn. naam van een soort van grof geschut, onderscheiden van n^ in ni p misschien wel houwitzer. o

a»^ m.ui zie w

(iqtincujjS verb. v. Port, gob er na dor.

nj^7L^NKN. knoedels in meelpap.

1 /) ^ „ O

\'UJJ of rgt;r^ in id/js KN. gemor, gegrom, ge-

mnrmnreer {vrg. \'y O- — ih^jtyiin/js inor-

cquot;) ^

ren, grommen, murmureren. — turv^ti^ ui /mn over itVj ö/ iemand morren, grommen of murmureren. — quot;Ij^ \'h1 inIIs loopen of zitten to morren, te grommen of te murmureren.

tij iyin ius of »y ^ ia ui \\ kn. eoi benaming van de klipzwalmv, ^ eetbare vogelnestjes maakt {vrg. i^mis en i rhiuis); ook naam van een zekere slagorde.

(ïi^.pr; KN. ; .\\ h origin tiij^\\ op een doffen toon sproken , brommend prevelen {vrg. nn ui fjjj)-

in 1 1 i.n/]\\

Cl 1

ni iiihi iflWiW.; i ii ni ij ui f i^ zva. 111(1

) rgt; . . Ou

gt;11 n ui f ij KW. vkl. in riujunup en 1« np\\

in n.ui\\ KW. zva. .u n hiw S w.

m u i itn y Of nj ui dsnlloll. g r a n a a t, soort van

geschut kogel {vrg. ni an nn \\).

ay in un/j\\ zie mi tin nsn/j \\

/111P1 (Lil \\ KW. een geluid als van een rollenden «Ion-der {Skr. goérnita, rollend). — u\'n n^ inms zulk een geluid maken.

nj jn i i/j\\ {volg. Rh. n^u^ihj\') KN.j i/h in^uui i/j\\ leedgevoelen, gekrenkt, gegriefd zijn, (bezwaar of bedenking tegen iets gevoelen ; tegen iets hebben. iji/ni 771 /1 on in hi/js er niets tegen hebben. GR. volg. lih. geen leedgevoel hebben , zich niet gekrenkt gevoelen). — 11 nj^njui/js het gevoelen van leed, (bezwaar of bedenking. GR.). 7 gt;quot;/\'1 kn. naam van een kost van gepelde

en gekookte dj ago eng met geraspte kokosnoot bestrooid. i/ii ij ii^t ii^nt n i/jx grontól bereiden; en zva. m ij fyipnini/j\\ als grontól, als grontól zich vertoonen, van een menigte zaken, G.

of m n ui KW zva. hu Ijii n ij,; 1 11 nnjjen on f i\\\\ ook, volgens G., naam van een Kawische zangwijze (iii ia i j \'i tfi of nrri |^/n een geluid in tie lucht

I als van vallende regen, (volg. Hh. til. hoort men soms op de bergen, eerst in de verte een geruisch als van vallende regen, daarna een galmend of loeijend geluid in de lucht, vandaar hv. iwA.58.

tij n iu lii0). nrr)^i\\ jlg. herhaaldelijk, aanliou*

kond over iets klagen, jammeren, Hs. Tj.

O O./ j* \' J O

iiihi hx. naam van ven jijn soort van gras. — gt;/»

CH1AS K®^1\'00^ K,,as» \',ü01*-

kn. j i/n Ij onophoudelijk, of ge

durig, of tot vervelens toe zich laten hoorei» of luiden , van een geluid \\ iets tot vervelens toe zeggen of herhalen; zanikkou, zeuren, JK. {bij WW.

gt;1 m ijff/n kn. een kermend geluid, dat des nachts gehoord wordt, zonder dat men weet vanwaar liet komt. G,

gt;1 n iq of on tj n rj miu du^ \\ zie bij tj on

Cxi

nn in mi/j of n^rni i,i}/j\\amp;N. fluks opstaan, meteen vlugge beweging oprijzen, L. 92. 0iiiiï/nasi]\\ opkomende neiging of aandrift bv. om ergens heen te gaan, elders m x m umi/j Rh.

riii:inn5ii/)\\ KN. zie n\\tmiini/i\\ t* - i iJczgt; —\'

freq. van rti rm n^jj een hinderlijk gevoel hebben , enz. j zie aid.

ij iry i:ni n jj ofrnij »11 mji \'njijj \\ zva. ij ni/j\\

ook stuiptrekken, en volg. Rh. ook plotseling oprijzen, opstaan. — am ij rn? irm trviq\\ zva. tj ry nn ii i/j\\ — iu rj n^i i:m n ip sparteling, stuiptrekking. — i^cn^g i in ii.i,in/j of m ^ \'n? rm nianj\\ zva. ij (Hiy rmi nj :\\ajj\\ en stuiptrekkingen van liet liehaam, (pok op en neer schokken, horten en stoo-

ten, van een rijtuig over een oneff\'ene weg, PL.).

n o civ o

m t iii\\ kn. rtn •*/\'/// \\ zva. i.ii .• i i m \\ maar va.i O r.gt; h J l -J ( h

gr ooi ere voorwerpen, Rs.

ujY»7»j\\kn. klatergoud, dun blad (valsch) goud. \'7 V \'3V \' \'quot;n ^^l^ercn» kletteren, zooals van regen op een blikken goot. — ij ^inyj rln r i ,}nj\\ stukjes klatergoud j kletterende stroom, WW. J. volg. Rh. ij m rj i:iri \\ dun blad koper. — nj ij ij fyji ins klateren als dun bladkoper; ruisdien van snel stroomend water ; vrg. syui i, rijj\\

\'0gt; 71J, \'

nui 11.1 :injj\\ ka. zva. quot;kV. \'nr

na 111 inn en 1

\'!!gt; hJl^ kn. \' i\'iisnoepachtig, snoepzuchtig


-ocr page 1059-

cm *1

973

_ iu/mihgjjp\\ anoepzuoht, snoepachtiglieid. WAV.

volg. Ulgt;- veel \\an scliimpen en sohelden

houden.

in Kjjj ri^TV. zva. if i/n i tji gt;\' {Bavjoanas) en a i fi (loji \\ HIi.

wM.y^N kn. I. — (D^a/picrnal to snaaksch, al te vrijpostig, onbeschoft. 2 het gevoel van tegengehouden ie worden, veroorzaakt door oen touw, waarmee men is vastgehouden, Rh.; ooi\' fig. zicli getrokken gevoelen, een neiging hebben, om dit of

dat te doen.

/ . . O O /

»/^ 717 \\ K \\\\ . (iJlJ, \'f-Ji \\ ytj \'f l Ti f N v / ) Y \\ ^ 177} ^

inm/js ook volgens G. een oorlogsbekken, de

go»g-

) O 7 O

»7m »».»7^ .* j / »7^»//^ ongeor. voor in^ / ;»o) /.n

fig. van hevelen gt; die elkaar opvolgen als regendruppels, Men.

ij Hti/js kn. een snaak. — lt;? h tj jrn^ ti^j)

veel van malligheden honden.

7/ OT^ ij 11? h)ijj\\ k N.; nAi ij lt;rn rj oj} t hhjj \\ iemand fop -pen, voor de mal honden; hv. (uh ij, m iiucid tj i.^it Volg. Rh. Jïat. Mal. zva. ij r\'J\' yunhnjj veel praatjes maken.

gt;1 (r^ih)ijj\\ kn. klanknah. van een plotseling gaan zitten of hurken.

im ijm i,n/j\\ kn. een schrapend of schor keelgeluid imiken, met de keel schrapen; volg. Jih. een rog-eheleud geluid inde keel; ook een ziekte bij kippen [vrg. hu ij-ntunj en tjoth nn/j).

ni kn. een merk, een stukje bamboe, een

looden plaatje enz.; gew. aan werklieden gegeven, om op vertoon daarvan later hun loon te ontvangen.

^mi lyr) kn.; and ij n imanjjs slecht, on

bruikbaar van këmirinoten, fig. gemeen, bv. ij nu *1 m? ij tt een gemeen mensch, iemand van

geringen stand.

\'»/od?y 7»?,ïo^nkn.; de naam van een \\«Pt aan do keel van een paard, een slecht te eken. ^or^iS ij een liaudzaag. — (viirj im ijnig nnjjs een beest keelen, de keel afsnijden {vrg. i.tn li] 7\'u?N)* — tj cm g tl }) rui^ui/js de gorgel, keel {vrg.

\'tj \' \\ en ntn ij nn ?». ti/j). — (U tf rn / ij m Knjj^KW. belasting op het geslagt. — rj mtijm w/js reutelen, met een reutelend geluid halen of spreken {vrg. m iiji(ilt;i//j).

rmyhnanp benaming van een zeer mager beest. (ï. mtj \'m nyan/i zva. hh uhhv^ gew. van apen, die van ouderdom grijs geworden zijn, ook wel van herten, Rh.

ri^ h n ~\'i\\ K\\v. zva. cm tl i ivi/js 777m /.77.7.7 {\\ zie bij hjii muw

S O O / C\'/ * ^

J/ ) mi \\ kw. zva. (U) ihu rti J i (inji^ (.SXr. nyagroda):

kn. hen. v. de waringinboom.

cm(U)(ilt;)/j\\ zva. m (uG.

il m il riti.i/j* kn. gesleep, liet gesleept of langs den grond getrokken worden {vrg. ijcun iy~n(ixi/i e^i \'iii^i lynnci/i). — nAi ijin ii\'tKin^ iets slepen, langs den grond trekken, wegslepen.

tj mvi m ici/j^ (L/ii ij nitim uiy en ij nnj m ui an/js

zva. ij cm ij i n tun/js enz.

ijcmi\'y)iui n of ij mi\'iinJi\\K\\\\.zva, (iiifn^nyanfl {vrg.

tj mi\'ii cm ici ).

O * / s r

mici hii\\ oj n£iai,ii\\ KW. zva. /.y/./N Of (ipi ijiw

ïiuici (ijnb?i\\ naam van een Vorst van Kasapta of

Kapitoe, een bondgenoot van de Koraivas (verb.

van i iM iiiiisn oji ani \\ Skr. Tr i g a r t a pat i, de V orst

van het landschap Trigarta).

»77 rri LCI :ll1 \\ zie ctlj IJ UI (LUI \\\\

) - ) ) .

t niici injj of m oji tui ciiiji en uj r.ia tiijjs zze t j

riifi\\

ily \\] m/j\\ zva. {cryrnjj maar van kleinere voorwerpen, bv. eenden. — »y /jdu m^\\ Tj.

^ ) r , ) m/j of m ijcic^ m/j\\ en inilt;i m/j oJ miiji^ui

m/j\' kn. het geluid of gedreun van de stappen van een drom mensehen of betsten; een zich bewegende drom {vrg. tii^j tnj). \' ^ met liaast ,

\'overijld, holderdebolder iets doen. •— \'quot;7

en ui r^iw :iiiji\\ een duf gedreun maken, van de slappen van een menigte\', met een menigte te gelijk of in een drom toestormen, instormen of bestormen. — am\\ci)\'^cirjj\\ iets met groot vlammend vuur koken-, iets met liaast enz. doen. — iLiiKopjzcj(jj|N ergens, bv. in een huis, met een

menigte te gelijk indringen.

\' )

■ iiiojiki m/j\\ ern ij.uji m/j\\ zie ^y^j, mjj\\

rn (Ui mi gt; ook cm in iii\\ kw. zva. in mini \\ (Skr.

\'Ks- N

g ar dab\'a , ezel).

| i,7^ of rrn nihii/j\\ kn. een door schuring veroorzaakt knarsend, piepend, geluid, gesehuur, geknars


-ocr page 1060-

974

gepiep, enz., zooals van een piepend kar re wiel, m* (jepiep opengaande deur, oo/- //^ /7^-schetter van een trompet; geluid van de wapens in een strijd: hirjm?.i-,}/y Men. {vrg. tnij

vfnitasn/j). — tn lïi f) nsrij^ zulk een seliurend geluid geven, knarsen, piepen, enx. — ui)

of \'tm om rr] nsnjs zulk een geluid maken, zoo als een bamboehosnh, als het riet. tegen elkander schuurt; ook een wijze van jagen op een hert, door op een piepende kar, door karbouwen of sapi\'s getrokken, rondom een hert, dat er naar blijft kijken, zich al nader en nader te bewegen, totdat men het onder schot heeft. — 2. een op een in den grond staande spil draaijende en piepende kruk, waaraan een kind leert loop en. — (L-/ n^iï au (i:i \'m ^ojl \\ van alle kanten gepiep, enz. gt;u ^1 lo/js dat piepend geluid voortbrengen zooals hv. iS^mn.i rj

\'tj \'KH (ÏO ^\\

inrr^(i\'.n\\ of kn. een bastaardeend, (nl. liet

mannetje) van de vfnnijynt ni/j\\ bergeend en de tamme (vrg. ti isii^un\\ BV.

(rniu(utitjj gew. (?gt;(ukn. rimpel, plooi, ingesneden groef bv. in cilindervormige voorwerpen, bv. posten van een meubelstuk. 11 iui/j cm n

nsrijj \\ enz.

cru kn. kerf, inkerving, een door inkerving

gemaakte streep, zooals met een nagel of iets pun-

*\' / ^ o . ,-gt; cy

tigs \\vrg. mtu) i nji en cynma^jjj). (m\'ai \\ ccn

door inkerving, bv. met de punt van een passer, gemaakte cirkel. — wyamp;i •■ï] nnjjs een m Phuh/j hebben; jong van de dj ago eng, als de jonge erwten door lijnen zigtbaar zijn. — tn n r,n/j\\ een inkerving o/streep door inkerving maken, fig. iets ergens in griffen, bv. in let hart.

crn-r^nsn^ kn. 1. streep met de vingers gemaakt, krab, gekrab, met de nagels; vrg. {n^(vy(utijj en (vm teojjn 2. Eng. arrowroot. — am m -gt;) (ho/js eeu streep met de vingers maken, met de nagels krabben. — m on/js obj. den. tj rut if-r} q i/nao/f0 (Tj.) met ij i:rt?rj t) ; streepsgewijs bestreken, zooals bv. de imiytiajj\'s met garïbeg, als of de y irm met uitgespreide vingers kraanwende op hun lijf gestreken is ; krabsel; elkander krab- 1 ben; met krabben.

ctii rjni .hiyi* kn. elkander aan den bek vast hebben

m i/i nnji \\

en bijtende vasthouden, van vechtende kwartels of krekels, WW. — nm ihn/j\\ iets hards of

taais tusschen de tanden knabbelend kauwen, zoo-als een stuk suikerriet om het uit te zuigen. — ui ij n ? uw obj den.\\ wat zoo tusschen de tanden geknabbeld of gekauwd wordt.

n r~)\') OO ,

m m ast)/j\\ zva. onnp L iyjs m (iji hji tvnyjgeker-

veld.

quot;) quot;gt; :quot;) *gt; . \' ) o O 0

})irr)is7J/;.\\ ri] 11 t} hn^\\ i//gt; m)\'i)Milfj en nn\'*)(Kip

-ó\'r quot;\'i\'\'

o

zie {o 1 { hujj \\

riini(L,}i/fs zva. ern ij- m ivi/js maar minder hard en doffer. —• mj iinyiMji dat geluid geven,

r)^TTVrs Men-

o ■gt; o„c?

111 ij-ti a.it/j en / /rf -n tiMjf \\ zva. ownnso/f en nj fl fi iinyis maar iets zwaarder {vrg. ook antj u? (ivi,)), ook klanknab. van het haken van een of ander aan eeu haak. Rh.

ni ij-ri2(i,n/j kn. een door schuring veroorzaakt knarsend geluid, zwaarder als iu n a^ri/j en rfnrjm bv. het geknars van de zware deur van een poorl {vrg. ook hu (uvjf). — 077 ihi tjnii fonjj\\ zulk een geluid geven, zwaar kraken.— nrr!rf^rnn^iihij

of (tjr^ (ia i/7 rj ii? mi on ^ eeu zware, door wind gedreven regen, dat alles kraakt, uu n 1 u ij m (tm iinjjs een digt bosch, waarin de hoornen bij wat harden wind aanhoudend schuren en kraken {vrg. ni rtagi tfijj).

o \' a . o

mj n iL^/j s kw. zva. gt;j -ruun \\ kij hli 7^ {vrg. crij ri

agt;)i\\) en volgens G. verhaal, gedicht.

— amcn^rrjtunjj\\ kn. ie/s in dicht brengen; een kinderdeuntje maken, zooals quot;paardjes in de haver, schaapjes in de klaver,quot; enz. —nJn nj iïtiQ) i^hv\\ van ecu onderwerp een rijmpje maken, een onderwerp in dicht brengen ; voor iemand iets in dicht brengen; voor een kind een kinderdeuntje maken en zingen.

tj 111 ij m 1LH/1K.N. 1 fuh ij riiij ti2iL,iijj\\ iets, daar wen tegen aan leunt, schuren; (de tanden op elkander schuren; de tanden tegen elkander drukken; ook van een zuigend kind dat in de tepel van de zoogster bijt\\ vrg. n h (tnrj ni f iisn/j J R.). — 01 rn »ƒ n 2 ^

nnjj\\ tegen ieta aan zitten te schuren.

0 ,00 * o o

ongebr.i ^rntun n of m n tui) cm-tn.ip

kn. doldriftig.

D^\'-fidnis kw. zva. iisn aLi (iJiji en ij lt;l/^\\ volgens


-ocr page 1061-

^ \'bn *s

Ö76

dfi T)asiï-nlt;ima schrift op metaal (yrg. nyniisnjj). n^mrj tun f \\ KN. ruw, onvoorzigtig in spreken of

handelen, (Men.) llh.

njt/Myw/j v. [(r^tbys Holl. groot tenue.

ijmiiinrxjj if ^gt;j wji\\ gekleed in groot tenue.

77) ij in? n! fj \\ kn. naam van een fatsoen van een haarwrong. g.

I^^xkn. zva. nvJ\\ een griezelig, onaangenaam

gevoel hebben.

lt;777 iUM,p KN. de scheen. 077^/1,^ het schoen

been. or»(Un-iji hard, steenachtig, moeijelijk te bewerken van (Jen grond, fig. beleedigend, krenkend van woorden ot taal. (unwiwligt geraakt, zeer gevoelig zijn, g.

\'rnrfij)/js KN. lijn, linie, streep {vrg. .i:n n/ i/] en (WTKhnji). — uii nrna.jjp een lijn trekken. — nyh nrrlw J3\\ ergens lijnen op trekken; liniëren. — tn nulgetrokken lijn; gelinieerd, liniaal; liniëermaohine (vrg. ik ici -*1 nnn).

f»77 m o-Jiji of (T7^ qj) /j \\ KN. klanknah. van hti d oor snij-

den of doorknippen van iels zachts , Rh.

. )

HsAji \\ k n .; (uii on\'-n ojj^j \\ 1. iets met een steen , lepel of iets dergelijks wrijven, wrijvende fijn maken , gelijk strijken, uitstrijken, met een strijkijzer strijken, met een glad steen of iets dergelijks glan-

/ ^ amp; ■) O ■gt;

zen {vrg. / 7ma^/j\\ ,i:ni[ih^.hn\\ en jlg.

pijnlijk aandoen, grieven; ook zich gegriefd gevoelen, (Tj. e/i W. II.) Uh. 2. glad, tot den bodem toe, op of weg, bv. van een voorraad zout of ohei tot den bodem toe opgedroogd,, van het 20a-ter van een rivier; geheel leeg, van de huik. — i/hm 111tot den bodem toe droog doen loopen , nitdroogen, leegspoelen, wegbranden. — 11 nrr^Ufjs het wrijvende fijn maken, enz. — ,l-\' gt;^11iets, een werktuig, om iets wrijvende fijn te maken of glad te strijken; een steen om verw mee te wrijven; strijkijzer, m in Tji i Vl/V 8^mmend gestreken, geglansd, Tj.

kn. schuw, wild, schuw geworden of nog schuw, van een heest. — uh in in nKi^l\\ wild, schuwmakend. — uit in h m ^ ij }tn\\ iem. of een dier wild, schuw, bang maken.

O O

kn. vervaard, van schrik bevangen o/ontsteld; vervaard, van schrik bevangen of ontstel l worden j gruwen. — nm m 7n -quot;n mjj\\ iemand vervaard zoeken te maken.

vaarlijk, verschrikkelijk, gruwelijk.

^wi\\ maken dat iemand, vervaard wordt, iemand vervaard doen worden, doen gruwen.

ongehr.; ^ ^N 0f 13/^ \' * /N KN\'

wild, onbesuisd, zonder overleg, te werk gaan.

■) o o ■gt; quot;) )

(r)rn(Kt\\ kw. zva. urn rif en i.n 1,11 i.i/j\\ kn. naam

van een Kawische zangwijze, die evenwel ook onder de töm hang - ma tjapat gebruikt vordt.

)7jnj) ^ \\ kN.; njh tn.i. 1 % gt; klagen , uil ontevredenheid of over zijn werk, wegens vermoeijenis, (Tj.); ook wel zuchten, zva. nrlnJifs Rh. (vrg. iu\\ en i j

[nyiw%\\ iijui^\\ —(ld rn ffyj ui % \\ zuchten, Tj.

o - \' )

nijM it 11 /j of an ui hi lai/jsH.y uiilt;yn 1. i/j\\K.,7iaam van

een plaats aan de monding van de Solorivier, gew. Grissee genoemd.

vjiOT^rj witfriji\\ kn. — n/hrji^ii^ri ui hn/i\\ nalezen , een padiveld; nog eens doorzoeken, hv. een hoop hlaren, waartusschen of waar onder vruchten gevallen zijn»

or)[oy (Miiunji ongehr. voor ij^ny m hn/j BP. II. 71.

rj gt;ij kniiiH/j--ij, hty ijihitiunjj van zand, grof;

grol grint, vrg. iji/ijiw

fn.u}\\ ook wel nnvis en [ ii^ui kf. van ijunnq\\

O • f .. o . /

71.1777 2 r) n?\\ t \\ en 777777 \\ zie hij ui uwuh iiii.i\\

-)

ki. van I Ct tl urn na \\\\

y . /

Ut tJl \\ zie lil 7-7 w

O . ^ O

m 11\\ ki., zie (ut ui n jji en m ij ifit rn ^

\'j)i i i\\ zie rn 7J7\\\\

/ƒ gt;772\'t17j7v k w. zva. n^ti^ u/i^ volgens anderen zva.

(iJ^ (tj^ \\N

i of fyot ? \\ kn. gedruisch maken, druischen

of bruischen, van water, hv. van een bergstroom hij stortregen {vrg. t) n^2 ij 1^2 \'quot;/f)-if rn^2 tjifs kn. de toestand van iets, daar een groot stuk van af of uit is (vrg. ij ni2 ijiVi rujj). ij ny tutfn/rïuntori\\ een gevoel van gebrokenheid of ledigheid van het hart, hv. als iets daar men aan gehecht is of een geliefd voorwerp als hel ware van het hart gescheurd is; ook van een kemphaan of mensch, wiens moed gebroken is, die niet meer

vol moed is.

■) _ O O

\\oj^ i i iHnj\\ - lij^vi i,ii/j\\ bij i7i tj ui h 11 /j\\

/ o o quot;)

in ut un\\ kw. zva. (Wi ui j(iji »n 1 u,]. mi mir-yj* \' ^ en


-ocr page 1062-

O

an 11 ut vrjji \\

O CD

«h\'Vt

970

011 m mi/i (Skr. y ar io it a, trotsch, hooghftvtig, ingebeeld).

D O O O O O

nyaiajijj\\ KW. zva. in n kn. — a7

n.i/js zva. Dj^jiu^in/i^ krielen van een menigte, (W. II , 455.) Rh.

jrj(U) h ijl of ui nut nifj\\ zie nj n n iu/js iniSini/j of vi^ri i^t lujjs kn.; de toestand van iets dat niet vast zit, dat bij de minste aanraking losgaat, zooals hv. een losse tand; freq. v. muSi hujj n/h(ii^liiviji iu dien toestand zijn. n^jnij* kn. r/ nj^ni j oneffen , bij stuk

ken en brokken, niet gelijkmatig h (merkt; met horten en stooten gebrekkig, hv. lezen; in Tj. nyui

) O

ii n zva. {^jj / i ii i/js

\'Vl

itM/l^crr^aj^tLi/jx hetz. nuu/j en uj

ijhijj\\ krioelen, Tj. zie i.i^ iiiu/j^

ij nyu) n^jj\\kn. zich eensklaps kantelend loslaten, van een straatsteen, wanneer die aan één kant uit den grond gehaald en gewipt wordt, i.i in ij ij^n (U) n i/js wëlit van alangalang op een bijzondere, maar niet stevige wijze geregen en tussehen latten gebonden. — y O)vj^)(l» iLijj\\ ook ongeregeld oi\' waggelende galop, van een paard, en (i/hif rr^ciiu^ van den grond, als de ploeg door de hardheid van den grond al op en neer gaat en soms er uitspringt. Ook i h ij^rn o)ii )/j\\ iets, zoo-als een steen of kluit, kantelend nit den grond halen of aan de éene kant er uitwippen; en lt;ü) lutj^yi(uiiuji maken, alangalang tot \'\' quot;\'r/^// u)jtu/i rijgen en binden. — Hnrji.rni ) ni/}\\ kantelend uit den grond raken of wippen, bv. een steen uit den grond, als de ploeg er tegenaan komt. — V ^,yj} \'h\'^\'/l^ el\' uitgewipt; tot i.i luij^i) / i ddji geregen en gebonden.

ii^i/\' i m/l kn. ligt (gemakkelftk) losgaan, afbreken of uit de hand glijden of vallen (vrg. ij; (rj rniu/i), — nivi fytj(uxiu/js hotz.

ij[rry V) i).)^ zva. rf i^t u)ii ijj\\

m^T) (U) i)lA/J\\ KN.; (L/)l ii^ ni (V) (TUJi \\ dl) Oil\'T) IJ) iDjj of am 11,?u/i\\ zich reppen met iets zonder toeven te doen. — »/ƒ nuiiuonjj enz. zich reppend, met haast, zonder te willen wachten, hv. naar huis, loopen.\'. Gil. volg. Rh. nngev. hetz. ah ud 1,1 ui .) \'h\'iUl/ls lne^ \'IUIU\'en en voeten zich wegmaken, verwijderen.

in n D) lUfjs zie lt;011 ai )M/J^

-) . )

\'j^y i;)in/j\\ 11 11 yj 11 injjs zva. n tHiifjs (un {mi 11 om/j^ W.

kn. 1. zonder neus, geen neus hebben, vrg. uj f 1 2. zva. ij Hj? ij i\'ids hol, ledig, ook zva.

Jig. van het hart moedeloos, Rg.

(yj ïiy ij l»i\\ kn. hol, uitgehold, zooals een holle boom; holte. — ij ij ij) ê 1:) ihn/js iets dat hol is, een hol ö/* holte, ij i\'i* ij irnrj ó)? a:i injj\\ eeu domoor, weetniet, WW. in L. ook zonder rj i\'itw — (utrj{(rr^grj (ó)z^ of iu) ij and ijij)z\\ totale zon- of maan-eclips.

nriiiujjs kn. wijze van met de handen betast worden , wijze waarop men iets betast, onder handen neemt. — (ui) qi ) n (un \\ een obj. betasten; onder handen nemen, onder handen hebben , aan iets werken; werk verrigten; een vrouw aan het lijlquot; komen, door betasten s bevoelen, enz.; ook zva. 1 n ij \'ij.xiaw beetnemen, bespotten, plagen, A. 24.1/» on ri .u ^gt;) n\\ KI., zie bij (hj)i)\\\\ — am ui n (U) 1 ij hi)\\ een werk te verrigten geven; iets, bv. een rijstveld, laten bewerken, te bewerken geven aan iemand. lt;l/i Di\'i\'i m/js het onder handen hebben, enz. — an rnui (Ki/js wamp;i iemand ouduv handen of te verrigten heeft; wat iemand vörrigt, iemands werk.

O O O

)iiyi(U)/j\\ KN.; 111 n iijr i) m/j^ zva. gt;y ^,nJ van een mensch.

ij t))g\'r)(ujjs kn. naam van een soort van vaartuig (vrg. (KtrfKmiïs). AVP.

nnij) i.ii/i\\ voorvader of nazaat in liet. achtste geslacht, B.

ij tiy iu hujj of in ij m uj) lt;)ti) fj v k n . gek ra k van iels dat breekt, bv. een dorre tak onder den voel; unit gekrak breken (vrg. m ijiit mjj xd/j). —imvj iy iv) )i))/j\\ iets krakken, krakken dat het breekt; siii kerriet krakken, met een ruk van den stoel al-knakken, niet behoorlijk snijden (/Vri.»V bij m :i:))\\). — dj ij^t u i.ii/j^ een krakkend geluid geven bij het breken.

mi?);Kijj\\ kn. dun geworden, klein geworden, verminkt, geschonden, gesleten, ingevreten enz. door roest, vermolming , afknaging enz.

in i jjj nnji\\ zie bij igt;quot; /n

nj^i vj/j } i)/j of 111 ij iit xjjihD/i^ kn. het geluid van


-ocr page 1063-

977

ni/i

7

rammelen, kletteren; He ^ «ijj unjjx ij hquot;/)\\ kn. — vitij uyrj-lijf i. uj\\ met

veku een drijfjacht houden; een si\'a/c wild op-

drijven, VV. II, \'JS.

CY

ar^\'LC^ of 1. zie hï^fuj^w — 2. kn. wacht,

Wttohthmsje uau de wegen; oo/c seliiltlerlniis {waarsc/i. iwrh. van het Vort. y u ar d a, of het Franse he g a r-(le); de wacht aan de wegen honden, (eïcf. Mal. voor JcCv. (uil ■h)) /. nj! (U ik m wjj).

,,, ij /j)n kn. gntlioen, naam van een fabelachtig en vogel, den koning van de vogels, hei voer tuig van God JVisnoe {S/cr. G aroedu); ook een (jouden of vergulden vogel tot sierraad, in hei kapsel van wajangpoppen , ook wel door hofdans er essen gedragen. m ia i:i u i \\ of enkel m \\ naam van een zekere slagorde, m ij i.i{fK/)\\ naam van een pijl hij de wajangveriooning.

tj t n è rn i o zie ij rm i) na \\\\

^ -gt; o o -gt;

ui ui \'i KW. zva. a.j n.jftiyn

ii tins n kn. zaag (Ml. kargadji, Skr. krnkatjt).

O . . . O

iii[cmies \\ zagen, tets zagen. — •m nyiilt;ijj\\ mv.; L^tKT^N gezaagd; het gezaagde j zaag-snee. — (Lirj (hri/j\\ middel om te zagen.

on i\\ n 0/ »n i.?\\KN. kleermaker , snijder.

jni^\\ kn. kerk, Christenkerk , (Por/, iyr e dia).

— n \'/(^V n eeu quot;iiiseh.

/ quot;gt; i ■gt;

■in ikiMis oj tun iiair?ihiiskvf. i. zva. ui lci un\\ r.i

) 1 O O\' t,

(»nihj (i\':i (injj\\ }) hii\\ en z. zva. a^ïj v.i j maar m heide hei eekenissen nog ivel in gehruik {Skr. g ar-djiia, gebrul gejuich). —(ii tn i lt;iun^ liet zich verheugen, ho. Ci m u\\(uiiujni tf] s \\\\

\' \'aLlt; KN\' Munhnabooisend woord voor hei geluid van neerplassend of snelsiroomend water {org.

i h^ nj^iK jn\\ op iets neerpiassen.

— oi^ .«jL-v nyi\\ zva. mt ij ih^ij i ni\\ zulk een ge-druiscli maken van een rivier hij zwaren siroom-, ueerplassen, van water. — fre(l Tj.

nM.-x yyifi of »»»iL/iit? kn.; ivii ini ^.tnp iemand

met geweld tot iets noodzaken (vrg. gt;u hu— |

quot;i iiijj\\ kibbelen. — l ëe^bbel;

met een ander of elkande.i kibbelen (vry. n tn i ?

ViVflft) gt; 0f vccbten zva. (isn^ii mnijs Men. o ^ ^

»n^\\ kn. — i ii nj^iK iii/f\\ ruw weg den voet

zetten op, Tj. Jlg. onbeschoft zijn.

/ y it^ 11 i/i quot;f m rjirj iï)/J\\KN. zva. i nis: in/l\\ liet geluid vau neerplassend water. 1\'i\' in,^

een stortbad gebruiken (vrg. rj\'j\' gt; quot;\'7)\' — ! \'n i gt;j itj yii,j\\ o]) iemands hoofd of lijf water storten; fig. iemand overstorten, overstroomen, overladen. — \' j z quot;\'//N \'l(^

gedruisoh maken van een waterval of van hel storten van water; rnischen, bruischen of klateren , van neervallend water; {org. /. ij ^ ;itlt;j tn/j

en \'V\'M\'^

Y ik? m/j of iiirj m tj ilt; f gt;//y\\ KN ; i n gt;i ir^gt;

V \' ^? inc^ r?0l^us cn godruisch zieii neerstorten, van hei water van een waterval; breed en krachtig ueerstroomen {vrg. tr. ni/j en jy \'-\'j m/j)- — *7 7 ifiKt tn/j of m y y ij iilt; ? m/J^ zva. ni^ijicL^ m j\\lt;gt;1 )^y ij 1.1 inuijjs een waterval; met kracht en gedruisch neêrstortende stroom; {in So er ah ai a CP.) ook fatsoen van een

/1 nis. vj \'y*! 1 o * ri i\'1 (}

o la o )

ui \\ 111 11^ li n 1 n in^i n hj_\\ 1 n mi 11 igt;ij ~(ii /, n

(in/i en 11 nj^ i ii irifl \\ k., zie 1/111 ? f i gt; {erg. 11^

1jii\\ 1.). — m n^ iihl\'i/js (of i ^lllf,j(hnji) K. ,

zie ook hij ij lt;1 v f ir 14 \\

tj })irn in kw. zva. 11^ ui j in ij n \\ {ook m ria.hi \\

... o. . o

i\'a Art.: m gt; 1 lli /./ 1 n hu 1. )^\\

{cmiiül zoa. nj^i u \\ of in iihigt;\\ KN., — \'7 \'3 iLii s \\ in menigte bij en door elkander krielen, krioelen, Jakob\'s kleinkinderen. Joes.)j kriebelend kruipen j krieuwelen, een krieuwelig gevoel hebben, ook volgens G. door een grooten hoop omringd worden {vrg. quot;ƒ ^ •\' \' \'

iJjdJV^ J \\ of 1 n 1 jivj ;inn i Li j m r^djVjs \\ OVCY-• al met de handen rondtasten. — 1 \'11 rj^LVjy s tastende zich voortbewegen, voortstrompelen, vaneen zwakke oude; ook zva. 1 11 ifi ij?^ — iu ../.y tiy -• \\J gekerm, zooals van gekwetsten op het slagveld.

-gt; .... o

iiimilii 1,iijj\\ zie bij m lli i,nji

111 yj n lii iiiiji zva. urn lli un/i\\ ww.

ij ny ij int m/j of lil Ij mij ilu 2 kn, I. hakkelen,

stotteren, stamelen, eig. een organisch gebrek li.

202, doch ook wel van een dronkene uit drift,

AS. uit vrees of verlegenheid {vrg. m 111 uijj en

ij ui ij ui? gt;). 2. een soort zeevogel, (Tj.) Rh.

^Y lliiiiijj. en iyi m^ m/ »ƒ lli l^\\ piepend, kra-

62


-ocr page 1064-

I »gt;JLWO^\\

978

[crn(i.iio-jjj\\ zva.

teevd, Uh.

cni (lAii\\ o f m iJjjj n kw. zva. nain^ mnsnjjs G.

nn^ii/ij rhiji\\ Kgt;f.; i h ni^ iemand onder den

voet komen en voortrollen ö/kantelen,/0.9-amp;e rondachlifje sleen; onder hei kauwen tusselicn de tanden komen, hv. een steentje (vrg, 7 ^gt;3\'\' uii)). — uu u ijs op iets ronds oj kantel ends

komen te trappen, zoodat de voet uitglijdt; op iets hards komen te bijlen, iets hards tusschen de tanden krijgen.

lends, dat men ouder den voet krijgt; iets hards dat men tusschen de tanden krijgt.

zie

111 iM \\ kn. ; (uh \\ tasten, voelen; naar tastende voelen; den pols voelen; iemand verdenken 11.; volg. Rh. Jig. polsen bv. waf iemand wil. — 1J1 iiPi\\ mv.y iets betasten, bevoelen; naar iets zoekende tasten. — miu v;) ht/j^ freq. tasten, voelen, rondtasten, enz. ook jlg. zva. nrniuui nn/j wat van iemands hand is , zijn werk. — (u subsi. den. en volg. WW. ook {of 161 rn ah 1:1 (nip) verdenking.

kn. klanknah. van het optillen en wegbrengen van een zwaren vracht: hnnp ! — nj ./j/m zwaar, wigtig, neerdrukkend, ook jlg.

mi \'11 (i/vi \\ ni axn \\ uh lt;r/ï \'n hm n enz. rm crn tt/ \\ eiiz. zva. inrr^i/Vf \\ .1 it uia\\ enz.

\' y

7\'N KW*zvaquot; vam l} 1 -\'N vf i\\

un * gt;\\ otj ei\\ of \'Ytj .r)\\kn. jager, jager van beroep, geoefend jager {Skr. mrüga, jagt, het jagen. Vrg.

\\ ^ nii.i

in O.-Java, ook houder van dansmeiden, lioerewaard; ook jlg. wegwijzer Tj.— djn tn \' 1 }?j\\ tem. den weg wijzen, Tj. VV. 11,240.

011 ij) :} ijin k w. zva. t/n ld { en 1.1 u ri/j\\

, 11 • 1.1 O\'

in kn. een heel kleine kippevloo (vrg. hu n

a \\

nut \\).

\\ k. van iici »/r kn. {waarsch. van hef Skr%wa-n ig-g r dm a, handelaarsgezelsehap. pk.). — /n tjiF.Kmj! of mi nyYj ruuiji^K. van xa oh 1:1 n.yjs bv. am am ojii cru 1 gt; n tf tf i een koopvaardijschip.

kend geluid, zoo ah van ren draagstok of eev ham\' hoezen rmihanlc.

geivgi-

tri icts Voiuls of kantc-

^rrn^if,! % \\ of nyinrj nkn. naam. van een smakelijke , kostbare visch, die in zoef water leeft en

lt;lt;l op enkele plaatsen met zorg in vijvers geteeld wordt, Mal go er a mi. — am lt;f i ? \\ ZZ: a h ti (i\'i iti (Èa w

\' V__/ \'

\\rr)^ j t\\ kn. zva. (Uitj gt; ryaajj gt;\\

voortstrompelen/\' WW. volg. Uh. vj? zva. ,u voordeelig opgrooijen, gezet, zwaar van een kind.

nj \'rgt; ^ n \\ zva. (or^ rj {amp;iq\\\\

gt; n ui a 1 inyi^ kw. zva. n tin imji xm m j w tiyf\'i am/j\\ kn. kruipend, van kruipende insecten met

kleine pootjes, zooals een rups, dui^endheen of

O O ( )

mier, ook of rn f 1 a^ ui (tniji\\ kriebelen,

een kriebelend gevoel, op of in het lichaam {vrg.

n /■ xquot; / N

^ am /j \\ anrj tu? ijwds en a^avp van (njtm.y).

— ajh (imQiimfj-\' kruipen, kruipend zich bewegen, van insecten-, jlg. langzaam vorderen, treuzelen.

— a/n iim\\ naar iets toe, op, over, in of om iets heen kruipen. — aij if asY}j^\\ kruipend zich bewegen j krielen, wemelen {vrg. asnjj).

— kruipend, kruipen; ecu kriebelig gevoel hebben; ook kruipend gedierte, insecten; vrg. [vlt^nh t 1 ihi/j\\

-2/,*ll1quot;^ KN ; ^/1

amji \\ voortkruipen , gebukt en als het ware kruipende, voetje voor voetje zich voortbewegen, door ouderdom of zwakheid {vrg. op ; 10biyj). — ajii 011 t j L,n/j\\ iemand of iets zachtjes en stilletjes naderen, bv. om iets stilletjes weg te pakken, ook zva. rjrjxvi2mh/j- met

zijn velen aanvallen op, maar van kleine diertjes i 0 . V

bv. 01^ rui ij fHj ax) ^ ^ aso asnjj \\ — [rpji^a^) in ecu gebukte houding, als het ware al kruipende, zich voortbewegend; ook met verachting voor gaan o/loopen; bv. on ijhdi if^it\'i[o)^ (tj a^iofy^jj^r^ashtoiis je doet niet anders dan bij de buren te loopen of rond te loopen.

kn. stofregen en motregen; stofregenen, motregenen, {vrg. anj^ ia wp -n 1 \'o%\\ en ni iïhij). 7v^3? 7 \'\' \'-\'12 rvj/ls KN- zva\'- gt;l jmj\'\'f * 1 ~ inuap ook benaming van een zeker fatsoen van oor krabben met juwelen\'f {en van een wilden boom , waarvan het hout alleen tot grof timmerhout, zooals van kisten, en tot brandhout gebruikt wordt. WH.). (OTj \\ kn. moeijelljk te onderscheiden van vormen of kleuren, hv. van gekleurde sits, of van geschrift moeyolyk te ontcijferen. ZG.


-ocr page 1065-

97«

dittt

i n }n ■ i ti i )

lJCO \'

1» tn i i

mj

,:y,

ïi\\ gt;1) j ^ kn.; m gt;)i gt; in? aarzelen, nietvastbe

3 quot;\' \'■/)■

(O ) ■)

jj /N en ni; gt;\\

•r

hot sohcmoraehtig in het halfdonker op een afstand zich vertoonen van iets (vrg. n.i /quot;A en m i r ).

;•) ;.) • / Hl ! )\\

■va. ni hi ui /V/n en iots schemerends

y niys

do verte. — tmotif l en i}) )\']\\ zich ondnido-

r Ir*

\'ijk in een soliemerond linlit vertoonon. •

quot;IVquot;

zva. fpifi\\ 1. volg. Rh. ook zva. n^ f\'^ inw

vuii loof of binden, digt gebladerd. — otj t) freq. ook bij bosohaadjo\'s, Tj.

—jh\\ndJl KNquot; con ë1\'()Cl) struiken, struikgewas; kreupelhout, kroupelboseh. — ) Vj\' ,,e^z\'

\'l quot;yrM\'3? zva\' v vJ3? vf7 -

\'quot;f\'r KN\' Wa^er\'^\' Wl^erac^tig. G. — {i h^rr^rjij\\ roffelen, op do gamelan spelen of een zangwijze zingen zonder gevoel, WW. H. welligt hetz. als brommen, zoodat de melodie niet duidelijk to ondersehoiden is.

in/ jp KM.- Jdanknah. van de gamelan, die zacht bespeeld wordt, of van een menigte, die zacht zingt. — gvon, Tj.

mj /.ƒ i\\ of \'/ /™y / /kn. klanknah. van hei rinkelen zooals van porcelein, glazen horden, enz. — gt;\'IIV quot;J)2 cXls geluid gffvon, W. 11,

370.

£jU\\ kn. het klinkend geluid van de gamelan, als de verschillende instrumenten er van tegelijk bespeeld worden, ongev. zva. ma»?! iüw \'I frel\' van ij rm gt;i fijtw zie ij rn? ij

mi fis vrn. mi ris kn. oen rol met dwarslatton, die

Sich J ui

over de sa wall\'s getrokken wordt om de / v plat te drukken, SG.

n^u\\ kn. een klein soort van roode mieren mot lange pooten. — (ifo oen verbleekt of met

bleeko inkt geseliroven schrift horstellen, door er nog eons losjes overheen to gaan of te tonelieren, duidol\\jkor mnkon, (de n \\ nl. beweegt zich over den grond, zoodat hij een bijna niet merkbaar

/j j x kn. klanknah. van het indistinct geluid van veel (jamelans ; /w Tj. Vrtw hel zinyen of juichen van velen.

. hot di^t mot loof on binden zijn, van

4 C0 O

een plant of hoorn {org. U)y v j u gt; j), ynf i^ ii^rf

spoor achterlaat, {yrg. n ri\\ hij n en

6quot;) .

n\\{ \\\\ kn. 1. zva. au»

do bladerkronen.-

a„ o i.. rt i.. . o ctv i . ,

! kn. i{-rn if )\\ of gt;/ƒ iys t\\ gekneuwei, een jeukerig of kittelig gevoel hebben, bv. alsof iemand een mier over het lijf loopt. xm i~n Pi zachtjes met de top van de vinger aanraken, Tj.

{ajj (f\'i - oj in tj .-\'i \\ kn. gegons van een menigte stemmen of van een menigte pratende menschen of v, e. menigte te gelijk spelende gamelan s of zingende menschen, Tj. {freq. van n/y fy \\). — tui) [cm (éj \\ tegen iemand met zijn velen tegelijk praten; ietn. met zijn velen begrommen, B.; volgens (r. aankeffen, aanbassen ; van allo kanten aanvallen, omsingelen. — gt;7^/\'\'/N n}^l1 p 0f \'7 \'J*)\' quot;onquot; zen , van een menigte stemmen.

)f wartaal, onverstaanbare taal; gonzen,

mompel jn.

m z*e *1} 00^ zva\' r ^N ^s\'

ij ny (Y)i/j\\ kn. 1. klanknabootsend moord voor het geknor van een varken, WW. zie n\'i ij rty unji. 2. Eng. grog.

mtu) kn. het voortdrijven, aandrijven, aanspo-

iu ai)\\ zva. iA) m rj\'i) hn (van »/lt; gt;/ •.).

o o o o

ui D rmji n zva. kh n jnp Ct.

ij )))i\\kn. 1. niet vast; niet met een vaste hand, bv. iets aanvatten; niet vast van /;w/, Tj. nu eens sus en dan weer zoo ; weifelen , aarzelen, (oo£ van een visch. /. 2. W.).

(OTj^rm^NKN. rank van sommige slingerplanten, zooals de waloeh en parégt; die om den tak van een hoorn, daar zulk een plant bij opgroeit, zich heen krult {anders dan een i\'^ )• WW. — li) cry ij gt;1 gt;)i gt;\\ do hand of handen uitsteken (vrg. yj)))^). — gt;/ƒ lyi gt;)) gt;\\ uitgestoken gehouden, van de hand; de hand uitgestoken houden, ^. ow

iets te grijpen , GR.

gt;1 tn iu m/j bij h ij m ?\\ WW.

gt; o o

ly^ gt;i) ^ kn.; m gt; i i

raden zijn, WW. volg. Rh. eig. iots uil viesch-

heid, niet goed durven aanvatten.

/?» gt; \\ kn. onvast, wankel van beweging, gang,

enz. Tj. gt;11 j gt;lynji\\ kn. onvast, kreupel van

gang, Tj.

)j rygt;ii%\\ gt;))ii ») in ; \\ of ti^rj ti rni^\\^ H. Tj. K. 30, l.), kn. öensklaps oprijzen, overeind komen,, vrtw iemand die ligt te slapen\', eens-

quot;) ) ren. -— \\ » rn ucm js zva. au ; / \'\\j) m j

iiit] in ID

62*

-ocr page 1066-

(or) (rn (ui j\\

980

orm crn

klaps opvliegen: eensklaps ontwaken, van iemands gedachten.

nrn in y}\\KA. een buitengewoon oproer in de natnut,

zooals bij storm met zwaar omveer , zware regen en overstrooming, veelal toegeschreven aan den invloed van vorsten of heilige personen , hv. Ij ij hun

afsterven {vrg. t n gt;) ; )

O CY . . .. (\'y

in in\' miti j. zie bij mw

) , O ) ) • / ••

inm i n/i of in i i min/j eu in nii.n ui/j^ zie ut)

1

m j

irj^ in nj liiij\\ mi iU iij i o ) of gt;/» ly \'

zie bij ui ni i^ii/j\\

n -» ■. S n n

. in .rii(Lnjj\\ KN. 1. l\'lt; lf j quot;J iiinni/j\\ naam van een

eetbare paddestoel (\\V. II, 571). 2. — i ii m »D ivgt;iijj\\ knagen, van een muis; grazen van een tiaard, nl. als hei gras heel kort is. Kli.

KN. — i \'n mi.ijs onvcrzadclljk gulzig, vraatzuchtig; liel»znehtig (vrg. njiu.\'t\'s en ij i\'i? ki ijaii ? i.i ). — i)ii.i,j\\ vlammende be

geerte , licbznclit.

in in Ki) k.n. I. naam van een soort van bosohsoliild-t* \'

pad, (t. {vrg. /.y \'n). 2. een inwendig pijnlijk gevoel in de leden zooals van rheumatiek, \'Tj. ook gelijk i j ^ n grond met steentjes

en grof zand vermengd, S(r. vrg.. iiiuw/j^

o o • #.. o O

in^ 111\\ zie by in m i i/j\\

in niKis naam van een groot en , onbekenden vogel {ML een soort van démon s of booze geesten), (r. WW.

in innij^ kn. het gevoel van tegenstand door het wrijven op een oneffen vlak, fig. van een hinderlijk, spijtig gevoel, Uh. het trillen van afwis-elende tonen uit de keel, Tj.

^Oi( yr,\'rL!J}s KN- l\'lt;: band glijden, ook afvallen van bloemen, Tj. volg. Hb. een klanknah. v. ij\' 11 ij 111 n i j roef! {vrg. ij m ij ui ili/j en \'Sj^ i o j). — I;/ Ij nyi in ter ergens af- o/\'tusschen-nit vallen; iemand uit de band glijden «/\'ontzinken , zooals uit krachteloosheid\' van de hand of door ontsteltenis.

v ini ii ) i kn. palisade, palisadering, omheining van paalwerk; een met palen of palisaden omheind perk; «o/ een omheinde plaats in bet bosob om de wilde beesten in te drijven, Kb. {vrg. .i\'^J \'■quot;/) — tAi i\'iicnii)] iniiu^/j\\ iets met palen o/*palisaden

omheinen. — V 7)gt;? wiiHijj of (ui rj^rny rj m?

iri uijs met paalwerk omheinde plaats, park. ((n^QDOji/js kn. bedremmeling {vrg. mqdMjj). —

u h m uiaj)/i\\ zich bedremmelcl voelen, bcdrem-

O _Y

meld zijn, stotteren nit verlegenheid, lis. — in m li ) h) J of in\'ui . i hijjs bedremmeld; ook

van iemand die nog half in de slaap en nog niet goed bij de stukken is, volg. Rb. met do banden overal rondtasten, zva. myiAj) n.» — [tr^oniji ninp beteuterd, geheel van zijn stuk zijn.

mi n lii tuiln /ƒ n miL/i . ) ui ^ zie bij [^rr^ id iuijj gt;

/ ) .O \' \' ) ,0 ^ )

om mi \\ kw. zva. i)Li)\\ en i» lui w (in/j\\ n ).)) i.i jw

kn. zamenvoeging, zamentrekking van twee woorden tot één; algemeene term voor verschillende daaronder begrepene zaken of personen {Skr.gar-tra, de buik, een foetus, kind in de,baarmoeder; het binnenste, een binnenkamer, enz.; ook zamenvoeging, vereeniging). iii uicrnvms kn. de bnik-liolte, bet inwendige van de menseh; het ligehaani Rb.; (de baarmoeder. R.). — (lAiinrms knt. twee woorden tot één zamentrekken ; veel zaken onder één algemeenen term tezamen vatten.

min i n in i n zva. in I i) \\ en n/n mr.iiw r* ti

j.y rns kn. nm. van een gebak, (Tj.) Rb. mi.n^KN. grof aardewerk, potten en pannen; aarden schotel, enz. vrg. i n n iain ki %\\ ; {vrg. ayiir.in in/j bij cn ij m? ij nu gt; ). — uh m

rn^dms voorloopig ruw bewerken, zooals bv. van grond, ook van een stuk hout, om later fijner af le werken; en ook zva. n/n ij inio^iun ■■ Rh.

of in iji i.yy\\KN. algemeen gevecht van gc-beele legers, tegen elkander, in tegen stelling vau {li/^for)(nil\\ {vrg. rr.y ;r.y ^ ). Zoo ook ,j/ l// m ij — aA) Tj) iry gt; i.n ^ zva. rn n W. i.i

177, en B.

iji m? ij rm jskx. grof van maaksel; slordig, knoeije-rig gemaakt.

mi V pi of Hj \'n ni i n )?j \\ kvv. zwanger, zwanger zijn of worden, ook wel, even als if in/ ij i.urhnj-, ki van 11 un (Skr. garbini, of ingrediënten, ecu zwangere vrouw).

ini.iiKij en nydu)(uiij kn. algemeene benaming voor allerlei kleine benoodigdheden voor het bereiden van eetwaren of voor de tafel, als koopwaar.


-ocr page 1067-

981

!lil ;f ■ :.

..j; i

C)

\'T/j i./; (YtI JS

n ■ \\ gt; co \'

(un ij (ui i .rj.i r.n aci mijj \\ zulke

oj.? 2. zva. in f i ij to? n iji en

ooh\' uunsens verkou-

J) . ; )

in i)) )n zie rntuiun m j

Kb.

hv. trast, oejah, m waren verkoupcn; filt;j.

peu,

dan een m \'ij \\

tun f i i n \\\\W. lt; l

111 fir ,jy m \'cj// G\'

ij tiit \'j\'wjijt i i j kn. het ongemeen sterk uitbreken va/i het ziveot {verwant mei gt; — gt; y

7 ongemeen sterk uitbreken, vau

het zweet, {org. mj

KN.; (i/n in in massft of met

groote golven aan komen stroomeu , bv. van het water van een hui of van een branding naar hei strand. i.Hni/j\\ door een massa water bestroomd of overstroonul worden. — {\'{

tn j\\ overstroomende golf of vloed van water; óo/i-vlaag van harden, wind\', plotseling opkomende drukte van werkzaamheden; algemeene oproeping bij oen plotseling opkomende drukte. gt; gt; njinhj i;/ in,j\\ een aanstroomende golf, vloed, stroom of vlaag; een plotseling opkomen, de drukte, JR. in^injij )nj kn. geraas, gedruiseh vau siroomend water, gerammel van een wagen. — gt;gt;ƒ ty^j\'j \'quot;,/N dat geluid geven. — rn^i^jfj rn infl ondiepten, waar het water kabbelend overheen stroomt. — j / lt;rn

\'■—S

l ijn Jtg. een algemeene drukte voor een

oogenblik of een keer, Rh.

)uj\\ klanknah. van hei gedruiseh van

velen, \\V. I, 24, 4.; ni i:j iu.irij j rn/j ~va. n] /.y Li irn rn/js njlpllj :tn/j\\ zva. ij gt;iy l ijfl gt;quot;//1

of I KN- dreunend ge

luid van liet getrappel, gestommel of geloop van een menigte menschen of paarden {vrg tj ny \'clü etl /)\' trappelen, e/iï. ■—

met zijn velen aan komen, dat de grond er van dreunt, een derg. gedruiseh of gedaver veroorzaken, zooals bij een m n m yi\\ 15.al trappelend, enz. getrappel, enz. bv. quot;h •\'} quot;J jy JW] K\'tJ oau een menigte men-se hen ie zamen.

7 quot;y \'^il \'quot;/j 0f \'quot;7 \'»lt;• i »»/ƒkn. het dreunend geluid door het vallen of tegen elkander stooten van harde voorwerpen , ook wel van een troep vlug lende die met geweld een deur of omheining open- ofom-stooten . B.

tiijj\\ kn. I. volg. CP. een soort eg, grooier

nj i II ni^ tl\', zva. i \'l lCl »»)/ƒ\\

digtgevloehten bamboe, Tj. {nl. van de n gt;i ij lhlt;iuj ij^ii uip de tilnoï in j kan ook van de /in i n j gemaakt zijn, Rh ) stijfen sehraal, niet wollig van haren

of manen :an een \'paard, Rh. — i// nrfl r.u any

o o , TO ....

1 »quot;/ maken, aan een ^i n mq gelyk.

o ci o a a . . n

m ij n r.ii injj v. in^i n 11ijjs voorzien. — i n

inin\\ een obi. v. nir.n mi voorzien, W. I. 88. ui J j \'

)

/y mj on zva. in mj en nj

■\' j i n in j maar mei sterker geluid: loeijen , van den wind en van een sterk vuur, zooals bij een z war en brand} zie ook op imi /mw ij mm.n hi/j\' kn. een vraehtkar op twee wielen {vrg.

O S O Qk • ^ O .

i ihii \\ iylt;rin\\ n.ii it:ii\\ en tj n^iij.i.iif m j). — i hij nitrn mp iets met een kar vervoeren, WW.

m\' i ii in i vervoe

o

n ij ny i;n jn m een

7 ny

ren. — ii ii tj iiyvn njyMjN een trekbeest voor een kar gebruiken, zetten of laten trekken; tot karre-paard maken of houden.

y ny ij i n i m p kn. groote langwerpige vierkante kist, om geld en goederen van waarde in te bergen, veelal op rollen, om, hv. bij brand, spoedig weggesleept te kunnen worden; kistvormig hok om een gevangen tijger te vervoeren en waarin ook een tijger zit bij het rampokken. — i /»/ƒ ny ij iji rn up iets in de goederekist bergen of bewaren . — y inirjv.iii )///./ƒ van een ij i^iji ut in j voorzien, ook naam van een dist rikt in de res i den t i e S a m a rang.

) gt; /• quot;gt; i \'mrir.n ni ƒv nir.n mj Oj n^in ni^\\ KN\'. I. gesuis

of gezqÖè, liet suizen o/* soezen van den xoind\\£C,-suis of gezoes in de ooren; het soezen of loeijen* van een groot vuur (vrg. jij ry n\\ j). 2. benaming van de drie groote jaarlij ksche feesten {den twaalfden Mocloed, den dertig sten Ra iiiélan en den tienden B\'ósar), waarop de Forst, omstuwd van zijn gevolg, oj) de Siting gil komt, en waarop alle ambtenaren, ook de dorpshoofden , op de hoofdplaats moeten verschijnen om den Vorst hun hulde ie bewijzen. — ih m iriii inji een vorst of aanzien-lijk persoon, ook een bruid, met een grooten stoet omstuwen o/begeleiden. nj .^ii! m j\\ suizen,


-ocr page 1068-

982

CY

on 71 ril ? \\

Q-

irnii ,

soezen, louijen. — nyi n nym/js op gurëbëg verschijnen om het leest mee te vieren.

ry

ui n rh2\\ kn. een niet doek of gordijnen oniliangen rijtuig; een huifkar j een tentwagen, een palan-(juiuwagen , 1?. {vry. ij in^i ^ miji iiihn

ani Mfjs henaminy van een wijze van diens/Hee-ding van Javaansche ambtenaren. —.17/ in if i.iii\\ iels, dat open is, met doek of zeil geheel omhangen, PL. i. pi, v. uhij tj on hj*! i )i2\\ van een -Javaansche lettery omhangen met al de san-dungans oj) één na, terwijl juist deze éóne uitgesproken moet worden, een soort van geheim schrift, IK.

1 ) )

kw. zva. (uij m n.i ~ i^ 111 hj/j

111^ ij li gt; hn/js zie bij m tj tip 2 mi p

{(njj 1,1 ni/j\\ zie ij aiy ifi lUjj\\

ij t/j tj ci lu/j - kn, weerhaak. — i \'n ij /r) y n ,/p fequot;0* lijk een weerhaak; eeu weerhaak of weerhaken hebben, met een weerhaak naar zieli toehalen. — ^ rj .iyi ifi ifrian/j\\ wat dient om te haken, met weerhaken. Zoo ook m ij riiz tj nfiyj iji \',y \'xyj^

\'iZ!j\' vquot;JUquot;fv quot;ji™--\' \'i quot;y v^\'vquot;JA*

lomp, ongemanierd; vrijpostig, 00/c ondeugende» hinderen.

. . ) , ) . . Qv

rms 1. kw. zva. 1.11 cru wn i\\ [Vi\'g. ni hi ). iit/int

iJ \' N V_gt;gt; \'

Ci » »

n\\ ij 1 in ij rni? ii^niriJl en ryn^icijis — oiy ii^ i i axin\\ loeijen van een stormwind {zie m us) Tj.

— 2. kn. in xjIi )i.irKi\\ / :i m cn^\\ eeu digt ü^statig hosch, ook van bamboebosch [yrg. 11^ ). — \\n cm\\ zva. mi \'li^y\' G. ni volg. Rh. 1. de breed uitgespreide takken van de bamboe óri, die zich in elkaar slingeren en door hunne dorens den toegang beletten. 111 n i ^i/i0 een hosch van hamboe-ori. 3. klanknab. van hel optillen van een vracht gt; huup!

— 1.1 tn 11 hi js ongev. zoa. 1^1 ij mi ij i:nti i^ii oriji\\ een lastdragens ver, (Tj.) Uh.

o.- _ ; ^ Jv

rn^ \\ — cm ■ n n\\

, . \') . oy(ojjx K\\v. zva. Ln.1.1 .hu/j [zie arhyn envrg. cm n\\)

a/

:ij)(hn\\ en ij hi^ia/js rn 11 \\ kn.; tuil m\'ii\\ iets hoog hoven of bij het vuur plaatsen, zoodat het droog of berookt wordt, zooals bo. tabak of thee, natte kteêren, enz.— nu h iiniHi/j obj, den. en naam van een soort van kleine vos {met dezelfde kleur en looze streken als de vos). niifi\'ris w ivi rr^ f ?t\')\\ een rund met groote horens van de kleur van eeu nwri cnni,j\\ Zulk een rand komt ook te pas bij de woekoere-kening, en is in de wajang het rijbeest van Ba-t \'ara Goeroe. /. n 1.11 l i gt; 1^ 11 ■ n \\ ^ ij hj il uii ~jii ip ^ spr. voor iets onmogelijks, Uh. rni\'i\\ kn. droog, va7i iets dat vochtig geiceest is, opgedroogd, uitgedroogd, verdroogd, van planten, bladeren, eu derg. verdord, dor; en croquant, droug gebakken, van gebak \\ droog * niet vleeschig van de be enen van paarden en vechthanen, een te eken van kracht en vlugheid, {yrg. 111 kiÏ\\ 1,11 nis en .1511 i-Jjjj\\ 2.). — .v\'n 111 rï 1:1 rj h 11. iets laten droegen, maken dat iets droog, croquant, enz. wordt. — •ni\'ii 1:1 :in/j\\ droog gelaten, gemaakt, gehouden , enz.\'y volg. Uh. vooral van droog gebak; lt;1111 chnjj0 rijst eten zonder saus, Uh.

cru ij\'tis kn. 1. naam van een klein vliegend insecl, een soort kever, iets groot er en langer dan onze paar de vlieg, die tegen het einde van de regenmoe-son {in de ij èn 1 1 lin\'1.11:1) in de boom en zit, en een langgerekt schel geluid laat hoor en. 2. zva. (in n 1 in ij -riw ni ij ni 11 op zijn Garèug\'s , nl. klapachtig, Rh.

(\'rn 1\') \\ kn . door langdurig gebruik gesleten, afgesleten, uitgesleten, versleten, van min of meer harde diw gen, zooals messen, beitels, bezems, ha kb or den braadpannen en dergelijk gerei {vrg. xni y tu j \\ en nij Li liti/i); ironisch\', van een mensch al-geleefd, oud {vrg. ui ncuu kh/j^) lt;i ixii inrri\\ van

ouderdom sterven, n ói2 in n imuniijii irn 1:ti iii\\ \' CJ C\'l

vervloekte oude! — cuii arn n ui rjicu\\ iets afslijten, maken dat iets versleten wordt, m ti 1:1 an/j* plat voor oude man of oude vrouw, W. II, 550.

cm xa v kn. gebrom, ni.iji crnu\'ji\\ aanhoudend brommen, bv. van een hond die kwaad w; erg kreunen of stenen, van een zieke, of van pijn. — l ii in ■Uin brommen, zooals een hond of tijger; ook ven een mensch: met den mond een brommend geluid maken, brommen. — lt;vi,htï:mfij.ivi\\ overal, aan alle kanten , gebrom.

ihi \'i)\\ poet. *va. i/ii^iy ziekte; kn. kwijnend en schraal, van planten of plantsoen; uitgeteerd, schraal en mager, van mensch en en dieren ; {ook wegkwijuing door verdriet, WW.) {vrg. ln\'n\\ en ni n\\). in ririïs of lt;l/i m\'n\\ een besineUelijke


-ocr page 1069-

O v

ziekte {vrij. itn (fn tm cnU), —dii^i in iin,p ligt vatbaar voor ziekte eu uitmugering, vooral van een ■paarde dat slechte spijsvertering heeft, llli. (rn rï xn7^\\ doodmagcr, vel en been, Uii.j volgens G.

\' ^ ov l ) •

hartzeer. — dn -yiw anjp ziekelijk.

ön ^\\ kn. brullen, als een tijger.

intj\'tys kn. ; i v kiihn ij ii\\ geheel uitgedroogd, kurkdroog bv. van een. rivier.

in ij \'rtt\\ kn. ceu holte, kuil iu den grondj hol, hol staan, van de oogen. — dm y wyN volgens G. boven het water uitstekende rots; zie BY.

nw-rw kn. {(jew. herh^ uitgelaten blij, jolig van blijdschap, ook naam van een struik Leca rubra, BI. {vrg. ti:y 1:1 {\\ en dhiy cïrt\\).

cni V;\\kn. l.j (M(rnrlt;tï\\ een gewigt van twintig kati\'s bij handelaren in sommige verwwaren zoo als sandelhout en andere boombasten, en J kodi bij han-delaren in lijnwadeny WW. m m naam van

een wortel. Curcuma viridillora, liab. die tol medicijn , en jong als toespijs bij de rijst (je-bruikt wordt. 3. lt; i j ijaiti aaoi q rn tijd (/us-schien 5 en 0 uur \'s avonds) om het vee naar huis te diijven, K. 3. 8Ü, ook wel lai^j imt rjinrin \\ v. het vee naar het hok gaan,yt?». ; zie nn rinw — .1.71 (rn^rï\\ vee drijven naar huis of naar stal of naar de weide; vee ot wild opdrijven; fig tn fy •Vjn voortgedreven worden, bo. vuur door den wind Ks. {vrg. i ] ■ n an/j en vh nri rj \'gt;i uu ~\'H tj /. n ). i/\'n tn tn n\\ opdrijven, zooals wild bij de jagt.

tj kn. de strot, de luchtpijp; ook het keelgat, de slokdarm {vrg. i. n n.i iQinn \\ ij mi ntyj en

gt;gt;l ^ \\). — \' 7 171 ^ \'1N hetzelfde-

rj niiu\\ kn. klanknab. waar mee een trelFeu of pakken aangeduid wordt.

iji)irjr)2\\ kn. nm. van een ij ending, Rh. ook een

langwerpig soort vi )rp\\ quot;NVW.

rj rmtj\' n \\ kn. gebraden, gebakkeu, gefrijt, zooals in tntj yin n\'T)\\ iu de pan gebakken rijst, koude rijst met zout, trasi, uijen, lombok, eijeren en kokosolie gefrijt. ki ; 1 ij m/? tj■ m . gefrijte sambël,

waarvan verschillende soorten, als / 7 .• m; n iz ti gt;gt;

co \' gt;n (

\'/MM/iN n.) fni n 12 trn ijioridin\' en K) \'i i tt n}2 ro \' quot;gt; I ( 1 (Ai co \' n\'

V quot; w Lu \\ get\'ryte kippelever. — i h tj mg ij h\\ ^ets in een pan braden, bakken of frijten {vrg. cuh m ns en i fi f inn ui ij rrtiry*t uinnjfs braad-[(fr^cMS 983

pan {vrg. uinxanjj)-, volgens G. ook braadspit. mi\'is kn.; vh nrr^i\')* happig, gulzig zijn , gretig schranzen, gulzig eten, ook wel wellustig. —

\\ zva, irn i\'y \'jw — [Sr^ i\'i w anjj gt; zva. cuh gulzig, wellustig van aard {vrg. i^\'ri i i (Hi/j bij \'r» Ki \\ \'»77ih^ i i ^ i irn\\ m an j n eni j \\ en ui xm LI q n ).

i\'ij i r kn. klanknab. zva. tj tn^tj ;\'n maar niet zoo

sterk; ook wel zva. ajh nyCiw ?^lÏ\\ kn. naam van een soort van batiks el.

ycri) i\'i\\ kn. een voorwerp hartstogtelyk begeeren, Rh gt;ƒ iu tj .Ki \\ kn. het gesis van iets dat gebraden wordt, iiyix nnjl\\ of uj ij Ls i i.ii p kn. zich snel wegbege-

ven, schielijk opstaan en heengaan. G.

fniii ii.js kn. happig op o/sterk verlangend naar een of ander, llh.

njiiis of »»r»» »/lt;\\kn. ecu gepunte bamboe, die tot lans dient; {ook naam van een visch. W.).

cn^ ins kn. zva. rij \\ maar zwakker en dof)ér.— ctr^ f\'i in\\ hol en dof klinkend, van een geluid of stem, tolg. llh. gonzend bv. van een bij.

ïn^ in\\ kn. het tintelen eu prikkelen of zoogenaamde slapen van een lid. ;^mi.tiin,p slapen , van een lid van het lichaam, vooral van de voeten, llh.

»y \\ kn. een hol broimncnd , zooals van een

bromtol; een hol klinkend geluid, zooals in een ledig vertrek; ook naam van een klokvormig zeekwal, ook tij m i i i ti hi j genoemd, waarvan roedjak gemaakt wordt, (vrg.

ah \\ zwaar en hol klinkend, van een geluid of stem.

ij hy tj in2\\ kn. holligheid, zoodat iets ergens een

opene ruimte heeft(vry. ij gt;)2\\ 2., en tj ine ij rus).

— a h tj ij tiii^ hol zijn, bv. van den grondt

onder een vloer, of als een boom {vrg. tj 112 tj ri 2

wnnjj). if ^n2^ rii2tui unjjs holte; volg. WW.li.

ook de borstholte, ribbekast, van een mensch of beest.

(quot;) .

nii.ii^ kn. zva. i ntiii tiij* — 7;» in Ki^j \\ j. zva

a ^ 1

ui riinii/j\\ — z. 7 1 yrihiifj en 1:1 lt;111 ilt;iifj\\ zva 1:1 tt^iJJJ {vrg. mi 111.111,1).

1 n h hjj \\ kn. klanknab. van het drinken: slok! ook

) ) n )

in niiiii/i en in 111 ui 1 j Kn.

ni igt;n/j\\ kn. in de spreektaal zva. kant, in den zin van windstreek,bv. invj /.// 2 aan de noordkant. A7rg. i;hw


-ocr page 1070-

o

rj nrn 2 .m

984

rj ti n mi/j

tj an hn/j ^ KN. een uitruep van twijfelen, Af.

\'ij nn i\'iyf ocli kom! WVV. zva. rj i »? ^ic] ni\\ of (»7^ nnjijw bv. 0 ij nm t •*) ,ii}\\ welligt zul het niet doorgaan, Uh.

ij nnr ij int htijis

au in n KN. 1. knods, strijdknods; S/rr. yadd, heiz, \'l. tros van sommige vruchten, zooals van den arenhoom i en stapel van kokosnoten twee aan twee gebonden en rondom een in tien grond gezetie staak opgestapeld \\ bv. )r*i? mmw — r \'n »/1act\\ niet een strijdknods slaan of verhton; iemand met den strijdknods slaan. - mwan/js bij trossen of slapels.

9*

\'I »ƒ gt;gt;1«

ui i.i m i i

r/ k\\v. «va. \'if

\'1 gt;gt;f quot;gt;( \'

KN. lievige ontsteltenis met beweging van

hoofd {vry. i.mf inmn/j en tn in 11,*). i it ntdct

in xin enz., lieviü: ontstellen.— ninxt nn li t nnrt^ s.\'Ji c r i

enz., hevig ontsteld.

rnin n KN. drnk en luid gepraat, geraas, gerneht, ruchtbaar {vry. in i ii\\ ?j ,{^J} en \' —

ni f ]\\ii \\ gerneht , geraas, leven maken luidruchtig zijn, zooals van nicnschen in een levendig gesprek of bij een twist, en van een rumoerig spelende troep kinderen.

nj ia\\ KN. 1. naam van een soort van lekkernij. G. {volg. Kh. andere uitspraak voor iii m\\). 2. levendige strijd en inspanning, bv. om elkander iets i af ter uk ken gt; of om iemand te grijpen y vooral wan- j neer het niet geschreeuw vergezeld gaat; ook groot • rumoer {yrg. tnt.t^ en trtjfi ).

\'ij i i\' kn\'. een soort van zeemos, dat op koraalbanken groeit, koraalmoes; daarvan gekookte gelei

{vrg. nifp).

het

\'n ni,ut \\ zulke gelei maken.

— nj i\'.tr) nagemaakte, maar niet eetbare

gelei, bv. door kinderen gemaakt, om meê te spelen.

-gt; o o /• 1 t

rtrj^iKH. •, nni t.y tnij uu\\ oj ttt ttt ij itn^

stampvoeten en met de armen slaan, bv. van een kind dat zijn zie niet kan krijgen, van iemand die zich woedend driftig maakt, van een wanhopig bedroefde, van schrik en ontsteltenis \\ ook van een vurig paard, dat als het bestegen wordt, ongeduldig veel beweging met de poten maakt-, telkens opspringen van blijdschap, Ks. (vrg. mVr.

) ) V

in^ en in i* aittiK t ti j).

n r,

gt;iarnt j mKW. zva. (t\'it n I / lx.

tn kn. overal veispreid neerliggen, (Tj.) Rh. nt i:t .gt;\' kn. in opgewonden vrolijkheid veel dartele beweging maken en huppelen {vrg. i*niit^\\ en m — \'Uiiïïï ïniu iiQ{\\ of n^ ui hetzelfde van velen, bv. in een opgewonden vrolijk yc-zelschap.

Hl uy s rr: Ij ,nr i;t^\\ \'l\'j.

tf tm kn. ruchtbaar {vrg. rni:t\\ inriii jnSitlij lt;?\'|v en i.u 11 rj \\) WW. volg. Rh. bevuild, bemorst met bloed, Ti\', zva. rj tn* irn gt;\\

t n m ii \'n .in \\ kn. bijstand, het bijstaan van iemand tot het een ot\' ander {vrg, isr^nij)^ en tl i y n\'p). WW. tj mf ij .10 i/jnkn. bemorst, bevlekt, met eigen bloed {vrg.

: ) o __ ) ...

m i^ntfj - nti^ tttmaar van kleinere voorwerpen, bv. van een kantjil, enz. Kh.

tn\'^i tifj\\ kn.; ,,\'/N herhaling inet

den voet oj) den grond stampen/stampvoeten, trappelen {vrg. tn tj in * inij ixi ê att j). —nat tn^x^mj met den voet op den grond stampen. — uit at rij ntrjrm met den voet oj de voeten op den grond stampen, bv. om het stof van de schoenen te krijgen, {vrg. ^.tjn-nj raj^ anq anyr^-rttj).

ttt(ia i:ii\\ KW., zie nt/incimw

iniJ ict itt,j\\N. zyn beboette doen. G. zoo in Tj. welligt zijn gevoeg doen staande met de beenen wijd van elkander, vrg, in in no att/j\\

■) . n

t n ifjj tij. \\ zva. i. ti icj (tj^w

ni tjdn yu/js kn. een jonge, nog niet volwassen , buffel, een buflelkalf (vry. nnt tjaims en a i tiact nu,1)) int ij i n ? nn aïinrij ttt tjaxi n twee buffels en een

jong.

ni i:t:! } t .i tïii\\ naam van de kluis ran Panemhahan Ka pi- Djembawan (Skr. G a n d a m d d a n a, naaM van een berg. pk.).

tn ui ni js kn. ; \'ih) \'tnact an/j\\ zich verspreiden yrtw

een geur {vrg. i l(f»(la rn/j en xo /i ).

C O \'— * f O

ntdc^tttj of ntM^iitip kn. ver genoeg reiken,/\'^\' kunnen bereiken, er toe kunnen reiken;toereikend zijn. i it tni i.jij t tuni nt nj nt Jiïrti kjp de putemmer reikt niet tot aan het water {vrg. i ri lt; y ntj ir^ riKtn en n^i.t^uy). a.ijm zooveel als hij bereiken kan.


-ocr page 1071-

hi I:I on/I\\

985

irr,*

(ïij^ wcrrijj^ kn.j 17i gt;tj in ui^n op iemand afkomen of iemand luiziiteu t»/vervolgen, om hem te stooteu met den kop ol\' horens van een gehorend heest {vrij. im nip i.n^y\'n \\); ook wel zva. iijy^ ia crn/i ÜV, L. 210, Rs.

ticmzdd r)}/j\\ kn. plat voor r.iiws vrg. lytiv

r\'V

cis

y /»)? y l /? quot;\'/?n kn r/1 it i] ii i* i iyi^docfiweer

he)i. van djarakpit\'tn geregen aan stokjes of bam-hoepennetje\'s. ikh^0 of i^ n j ij n ,j ui \\ ristsporen, stompe sporen die op een rij aan een hanepoot gegroeid zijn, maar klein blijven. — nAi rj nrm ij i:i 2 I ms trekkende terughouden, hv. een sapi, dat j loeg wil loop en, door aan hot touw te trekken, tegenhouden; ook fig. iem. die vertrekken wil, Rh.

O ^ ^ o

au icj rn\\ zva. nntir^mw

(Y)i in m \\ K\\v. zva. i.n ij m \\ mi rn/js

tu\\ en {Skr.gadgada, het geven

van een onbestelnd of onwillekeurig geluid, zooals

gesnik. Vrg. aai iri i:\\ \\ ).

iii lizva. i^r?iii,i stampvol, overvol, hv.

wel menschen of dieren, (Tj.) Rh.

) c) . )

rn i.» //^\\ n u iiimiki})^ i )^ zie rniü vr^o.) j\\

in yao? ij i of ia] i.i? ij i\'rni ni/j^ KN. een wind

O

veest; een wind, een veest laten {vrg. i ntjo ook plat woord voor iiftw — i/ii mi rjim ij * iy n ij of i 1 gt;i icit ij i-r^d ii i/js winderig spreken, snoeven, zwetsen, spr, voor dingen vergrootend vertel-hn; groote beloften doen, zonder dat er iets van komt; sprookjes vertellen, nonsens debiteren {vrg.

V )

\'/m/\'y \'lyiiip- — m Ij ui lij xy ^Ktnjjs verdicht c naam van een plaats, in een verdichte vertelling.

gt; ; ) . . )

mnur.ï^jijj en mimnrni i ) j\\ kn.; (ï/ziod

i h in i,/(ivn^(i^ijj\\ zva. i y unq of ,• rrj n it ij i^iuw

volg. Rh. zva. nrihj i.tiij * iy njjj\\

rn uii ij tujis kn. zva. \'rn wriiniQ en ni iai ^r.i/j

(lis.).

mdxu n n iji en i\',n r.n n i/j\\ Kn. aarde die aan de voetzolen vastkleeft o/1 gepakt is; aankleven, zich aanpakken, van aarde aan de voeten, fig, onderdanige dienaar (?ƒ dienares, \'m i?n:ii ru^n rj ; i ~ i in !ilt;ijj\\ en verk, mi wn n ifi {of i n n ifj en ook i ri ii^i yi-iij 11 , ii i an,] WK.) Uw onderdanigste dienaar of dienares. — mi nu nni^ nederigste dienaar.

mi\'icyij iry g \\ zva. \' ^ 7 ^2 SN 0Ü^ dwaze praat, malle

leugenachtige praat verkoopen, W. I I, 399.

O ) ./• jD\' quot;) ) , ~) ^

dn i.i i n nijj oj niici i n in(j^ OOK Mil i:i i.ii kn.

het doffe geluid van op elkander volgende voetstappen ; ook van den gang van de raderen va.i een stoomboot in het water, PL. {vrg. mi t.rry mj en

^7^0,1™;])-

) , )

in 1:1 inf ill,j oj niiicir.rj ïiijj\\ ook igt;iii i i 1^111^ Kti.

het dof ploffend gelaid van iets zooals een kokosnoot, die op den grond valt; ook zva. nm iicii iinmj maar doffer, mi icinn 1.1 (i:n m j\\ tof, tof! van zware stappen op den grond. rn 1x1.1:1^ mi lt;infj\\ door ecu stompen met den voet geluid maken; met de voeten te stommelen liggen, van een slapende, die telkens de voeten heen en weer gooit : zware stappen maken ; overal loopen , bv. om de kost te zoeken.

in la ijirm my en mi larj ru i kn. de pisangstam, de stam van een pisangboom, lun 1 u nnia ijinii nijj\\ {onsterk) touw of band van pisangbastvezels.

— nAi mici ij i:m mi/js gelijk een pisangstam , zie

/. 11. — iiiiia ij tintmntin,1! of uuiJrjr.n f iiiifij\\ _ ■) )

— iridooj 111 i iufi enz.

mmini 111 jj\\ en gebr. mi:n iiifl\\ kn. grof vlechtsel,

grove képang , gew. van hamhoes.

iiiiji.ii.ii riirj\\ zie bij ij 1x11:11 nio- mi rnrjiici 111 )

iiij\\ zva. 11 ijiciim m 1 /j\\

nj ijacii.n mifj kn. een soort van wapentuig, een lang breed zwaard of lang lemmet, aan den stok van

een lans vastgemaakt.

O . 7 .. o

ni(inr.ii\\ zrr, (lij ri, \\ Or/ inujw

iiiuïui zva. unixiyi\\ bij het tandakken, Tj. \'iij in] grondw. van ^^rr^ibii/] en yi^ mjnsiip — i-n hn ihi,]\\ zich verbijten , de tanden op elkander drukken, van gramschap, wraak of strijdlust.

O ... .. 1 hiifj 1:11 \\ zie bij 1 iKtrj^w

7] 1111,11,] zie bij i.nij inihii/js

ij mil vm/js Uoll. goot, yoo?* greppel unjni

V ^

(idfj en 1,11 ij 111 ui nxyj). ij in t ■» ƒ/ kN. naam van een soort van klimgewas met veel doorns en kleine harde bolvormige vruchten, zoo groot als sehietlia-gel {ook zonder gt;m AS.). rii n mid hiijj\\ doorn-takje van de gótriplant. ij rnrryij uis naam van


-ocr page 1072-

n

) 11 isr^ ihnji \\

986

on lun

een klimgewas viel een draduje baai en zeer fijne | blaadjes, JK.

(ui .igt;ii \\ kw. y (ui) crnobu \\ zca. an ij mii ifjw WW.

lt;1

mi hit \\ 1. KW zva. j//I \\ en ilgt;h i ui/j\\ en i n }lt; t) % \\ (hit nsn \\ (uijiwiq («S/r. ff at i, gang; toestuml, wezen j ook middel, pk.). — 2. (m(uii\\ in.,

j\\ k., belangrijk, van aangelegenheid of aanbelang , van iets daar noodig voor gezorgd mo; t worden {vry. iUirLp); ook zva. cr^.\'tmhw \\gt;gt;)» iisn gt;11 i n \\ iets van bijzonder belang. — naam van een fatsoen van kris, naar den naam van den smid (niasu \\) t door wien alleen dal fat

soen gemaakt wierd. J11. — am nni nn /. n /; un \\ \' gt; i

ihti atirj ihn 2:i.) -id J. ii jn )\\ 1. zva. i:iii hii hu - n ijiiitw

— 2. zva. ir^ij iui kh kus — igt;j iaihm uj f iifiistidthj)^ uit belangstelling, liefde 0/* genegenheid zorgen of zorgdragen voor iemand of iets; zorgvuldig, zorgvuldigheid; met zorg en belangstelling verplegen; ook van belang zijn,^y«. (u^ruw

o . o . .

— 1 n rt^ t? tj (is?j nj\\lt;uti(r 1 rj 77/ 2 7.; -^\\ voor iémand

of iels met belangstelling zorgdragen (ynj. nam

O N T ) )

rf hji 7^\\). — lt;771 ij foil an\\ 1. KW. zva. hu li uj anq en uh oji ,hii anjj\\ — 2. KN., ook wel (tn ij bii?7.?

an/j K., belangstellend, zorgvuldig van aArd.

O o O , ...

cïTtAi}i \\ KN. zva. cm ihn i.a p ook naam van een lekkernij , een geleiachtige pap, van widjen met suiker gekookt, WW.

cniibns 1. KN. agitatie; met agitatie, geagiteerd, met groote, gejaagde haast. nna^iijn\\ gejaagd, K. 2, U. Vrg. am rjancn^i^\\ en n im biiij, 2.

)

o .

KW. zva. himr

(U aji ij iLa anjj \\ a ai inany en ilii (amp;kr. git dy lied), o /1 asn a]jui (ujjj \\ de agitatie van het volk. — tvh rrn ibii \\ KW. zva. ah aai

O )

ern(bti { \\ KW. zva nsn irip rf arid i,aiy en ij ia

tjnio^jdfiji {vrg. m 1 ibïij\\).

(Tnibai^\\n.j of aarrijsK., bloed (vrg. gt;w n^\\); a?i .kïon ai:n {\\ bloeddiarrhec. cm hn a a ^ hn j \\ zie a ^ aw j s\\ am ii ajidnitenss volg. Ril. gew. gezegd van een die lijdende is aan dyssenterie gt; slijm met bloed gemengd afgaan-, bloed mengen, zijn bloed met dat van zijn vijand mengen, op dood en leven zamen veehten. l/w verseh, nog niet ge

ronnen bloed, a.a a/i] 1 11 i n j \\ L. 00. t/ebr. a a a n i n (in s •\' ern

V r/ , i \'quot;) o O )

(huw A. li — ern thii s (un aoj^i KN., d ^a^n anjj^ lil)..

bloeden, door verwonding\', bebloed.

nia tjan.p i. KW. genegen zijn. G. — % KN., a.j7:1 anjj\\ Ki., getroffen zijn door leedwezen c/door verwondering; leed gevoelen; zich verwonderen; spijl

quot;I

hebben; leedwezen. Zoo ook 011 naai.

: ) an a 11

ihn ~\'n i.j a^an/js getroffen en aangedaan.

anab^an/j\\ getroffen en verwonderd. — a/h iiia^ /.y\\ a:^L^i.j\\ van iets getroffen zijn; over ieis verwonderd zijn of leedwezen gevoelen. — (uhaaia ij !Hjlt;rjwi\\ maken dat iemand getroffen wordt; verwonderen, zeer bevreemden; zeer bedroevend; zeer bevreemdend. — aji a^anan^^amp;l. van ina y any in den zin van leedwezen.

ni a\'ij in/js verb, van het Uoll. grootkruis, ridder

grootkruis.

G) • ,..

m ^iiiiin zie bil wirnw (1 (jü J

m ibi^sKW. zva. . tun (U) Htiji rrn KN. schets,

ontwerp, project; iets dat nog maar in een onvol-komone gedaante is en zieh nog eerst ontwikkelen moet, onontwikkeld lichaamsdeal; 0(iniajiai(1,112(hij den vorm o/* gedaante beginnen te krijgen van ecu ködaton, 15. T. Dj. 305. {Skr. , lichaam.

PK. Vrg. mans). (rii^hi^i:rionontwikkelde armen, van een misgeboorte, ijajmr7i(rii a^\\ niet naar een behoorlijk project aangelegd, bv. vaneen woonstede.

\') /

ij 1112 iisi^\\ KW. zva. ijimws en a i nj un^itic^ri^ {Skr. golra, familie, klasse). 7.^7zva. 7. y 1 li ui mi ? 871. a^i ij (717 gt; arr^ zva. ck 1 arj cna ?ij aui ai an ij en aniijan^ {Skr. sagotra, van dezelfde familie).

aj (mi ,l7/\\kn! hagel, schiethagel {vrg. ojia-Jiojjasnen

n , . . o

aj 1112 dfip^ \\ bij ij ivm (liVJi). — (i/ri ij au ? aj 01)

een geweer hagel doen.

gt;»m i7/nkn. sterk en wrang \\k\\\\ onaangenamer

dan ern a^n {vrg. ini uiiisiijj).

tn ijiin kn. geweldig geraas om van te beven; hetsM-

deren of beven van angst, schrik of ontsteltenis\',

ook het trillen van de rebab, Tj.; het kunstinalig

trillen van de vingers bij het t and a k ken , Tj. {vrg.

ry , y^y , -j ( Y O\'

ani IjH \\ en 7111:1 \\). ni isn aji am \\ schrikbarend gebulder door regen gekletter en vreeslijk gedonder; geweldig gebulder in de lucht, vooral als te eken van deelneming door de goden in de lucht gegeven. — aj\'n lt;tn in n \\ of a ai an n 1 aJi ■ n iemand schrik.


-ocr page 1073-

gt;1 tm tj.ÜII hn/j\\

O -v crn (igt;n \\

987

sidilcring of beving aunjageu; sclinkbarcud, om van tc rillen en tc beven. — een geweldig ge-

raas rnaken; beven, sidderen, vu/i zwakheid, on-gesteldheid3 schrik of ontsteltenis. enz.

inui\\ kn. bitteraohtig sterk van smaak, zooals enkele kleine ijhnrjiiê soorten (vrij. gt;n i n\\ en tui vnuij).

ij mt zoa. gt;i cni 2 , \\ k) rj zva.

i ) ij )n2iMn\\ — .itï?) ij iemand met wel

willendheid en toegevendheid als lid van zijn familie behandelen of bejegenen.

an.6»niiji\\KN. i i h ni :i5ii t ^i\\ iemand, ofhv. de vogels in de rijst velden, {in deze bet. volg. Rh. (Wi nj), door een plotselingen harden schreeuw doon schrikken o/schrik aanjagen (vrt/. tnn ^iw/i van icm. overrompelen hv. in zijn

huis, bij huisonderzoek, ook een vijand of vijandelijke plaats stormenderhand overrompelen, 11. welligi onverhoeds aanvallen, (im ut i,rt lu rn\\ tot vermaak tamme , duiven door geschreeuw en handgeklap in de lucht jagen, waar zij in een kring rondvliegen, Tj ; prikkelend steken zoo als peper op de long; ook van de zon zva. i ry

o r, O O quot;) X - ) n

niinuny Oj cm rn i,n HtijjWiH., lt;m r.r^ tnjj of m m

i.ti rti/j N., nu n mj of tn in im an/j K., iets zou.ils een stok, rotiliKj of roede, om meè te slaan \\org. u nn ). — t n nt un i n tn 17^ ni/J en

vh m gt;n^\\ naar iets slaan, iemand ofiets slaan met een stok of iets dergelijks; een vijand of vijandelijke plaats aantasten {vrg. irii m isn een worp doen met dohh eiste enen. lh in i?t t*» ge-wapender hand aantasten, den oorlog aandoen. —•

• OOI . o . O

\' quot; mi iii ii\\ lh tn lh tti\\ i ti tnrtt tn mv., 0 .m tn

iemand een pak slaag geven , iemand afrossen. —

■ on . o . )

tn tn i it int it t,n \\ i ii rn im ninun\\ un ni i.ti nt

^ quot;l. \' O m I til

kiilOjp iets bezigen om te slaan, met iets slaan.

O lt;quot;) „ ■gt; •)

ii m.isnirnj^ ni t ny li nt i.n titj. het slaan, enz.; slag. — m in /, ti injj \\ ïii i:n tn in/j en tm ti \'ft Kijf \\ obj. den., een slag, slagen, als hoeveelheid\', voorwerp om te slaan of te rossen; elkander slaan, ook maaksel, fabriekaat {eig. hamerslag) van een kris, klewang, enz. Rh.

n( v ,li\'\' quot;Jj1 1- kw. iets om mee te gooijen, doch alleen van een steen of heel hard voorwerp, zooals een stuk ijzer, ook van kanonkogels {org. iiiiü\\).

2. KL, zie ?! un i tf n Jt g w s trj im un .ui\\ bom of granaat. — tiAi t^ i 1. iemand niet een

ti^ hihjs gooijen. 2. voor liet stuk van een aantal voorwerpen door elkander gelijk geld geven of bieden, bv. een cent, een halve cent of een dubbeltje. — t^hT^ ini tn/js een cent het stuk vaneen koopwaar.

ij rmrj hiiKn/j\\ 1. zva. ijuni\'i^ty Tj. ni ij nu rj m im m^ 15. v. B. II, 159, onderwerp van vertellen , M. kwinkslagen of grappen verkoopen om den tijd te korten, RI. 2. — :uii tj mii^iisri h^is zva.

i n tj tnèr)}uim \\ ook aanzoek doen om een meisje.

■gt;

tn tj vu i m^nK. , zie tn un w

tni.nijjj, kn. bros, breekbaar, van iets hards, dat ligt breekt, zooals van glas of porcelein, ook ben. van harde koekjes {vrg. tn hn\\); ook helder en duidelijk van de slem, Tj.

ni ijn ijyis kn. i n tm hn \\ met de nagel van den duim dood knijpen, dood drukken, zooals vlooijen, zva. ij ui ij ip k)/j\\

Ct Ct

• Uil :K1 /\'J\\ KW. ZVa. I.I l.t^L,))

m,Lgt;niLyj\\ kn. jeuk, jeuking, jeukend, een jeukend gevoel hebben {vrg. hn ~n\\). — tijribnui/j of ti un n.i Lu ni/j prikkelen, beginnen te steken, van de zou of zonnehitte in den voormiddag van tien uur tot wat over elven {vrg. aji ii tj n i lii/i). tn en tu m/j aan jeukte lijden , jeukte gevoelen, ook van lust tot paren of bijslaap, {van een

vrouw , Rh.).

o quot;) ♦ . o o . o :quot;) cy . quot;» )

tn feu ihijj in ni^nniq en un cyii i.n n.i \\ zie rn ja

n tys

tii hn li/u kn. spoedig schrikken, spoedig verschrikt • omzien, toeloopeu cy toeschieten {vrg. 1,11 rj m lii/j en niiamiuji). — :rnun tu} -1 injj gt; schrikachtig,

spoedig schrikkend van aard. schichtig.

o

tn ihijjj ^ KW. zva. in un en u mi mt mi i?i i n kn. j i\'n nii iifi^ op de tanden bijtenj een hartstogt of sterke begeerte verkroppen of betlwin-en j een lach ondeidrukken, ook een vondst of iets lekkers, dat men gekregen heeft, voor anderen verbergen «/quot;weghouden, voor zich zelf alleen houden. ui t il; i in/js freq. ook gqw geluid inhouden, binnensmonds zingen, Tj.

tn n n iia gt; zva. tii hniciw • rn m

nfi ,n/ls KN Z*\'6


-ocr page 1074-

nt i ) ]

888

m in \\

mi Lu- kn. naam van eau visch, WW,

11 nir gt;i i n\\ kn. 1. ben. van een kwaad aar ditje wilde zwijnen soort, ligthruin van kleur, {org. ij ii n an / /ins). 2. voly. Rh. ook ben. v. witte miereu met groote koppen.

n m gt; ij ih t\' kn. ie/s zumeu met zijn tweeën urineer te verritten hebben; een vracht voor (wee of meer personen {ory. n i.y mj). tj rnê if hiu tj ntn.ni] een vracht voor twaalf man. fj gt;m ij i iit;} in i np oen lijk te dragen, WW.R.; een lijkdrager, G. ni i.y rj gt;1 tm tj i in .■ t i n i a ] spr. vooreen reis langs gevaarlijke wegen van niet meer dan drie personen, asu /v /ƒ nu ij ui t : 11 u ihii/}\\ zva. ij bn / . i.\'n i ili\\ als (je-v aar lijk. ij nn 11 gt; ij m g yj th t .lt; / iu in j eenlinisdat de denr niet aan één van de breedere, maar aan ceu van de smallere zijden heeft, of ook een huis waarvan het aan een breedere zijde aangebouwd bijgebouw de deur aan de smallere zijde heeft, heide ook als gevaarlijk beschouwd, ii) ijnj .mniiuht .n ini ii/js naam van een gesternte, i.l hj ij nu gt;1 inigt; . /1 u i;iiy\\ of verk. i »/.y rj mi ij i-h ? een gevaarlijke dag (óv. voor een huwelijl}, zooals Woensdag-Pon en Zaiurdag-Kliwon, waarvan de cijfers bij elkander geleld een oneven getal uitmaken. { Van sommige ver rig ting en, zooals zaaijen en planten wordt echter zulk een dag niet als ongelukkig beschouwd}. WW. JR. — lAirjmil n h\'m\\ iets of iemand met zijn tweeën of meer te zamen dragen of wegdragen. — ty mtt ij hhi r i ihnp obj. den. en te zamen aan het dragen zijn. i?n.nii.iijinnj.ihi

m 3/1/1 \\ drugten en vrachten.

O

)nrij of in rnirjijj\\ 1. kw. zva. m ij mi t:i\\\\ WW. 3. kn. een halve vadem, ongeveer een meter {vrg. infers), Ver::, «x, zekere lengtemaat. — m bij halve vadem\'s. — 3. IIoll.

gaas, gazen, van gaas {vrg. n hitni/j).

O I

th / ^nKW. zva. t?i fri y \\ innii.nw hj i i p kn. verk. van i n i iq of i n ti^ i i j\\ betiteling van fatsoenlijke jonge menschen {vrg. n i i j). yj m Kiij kn. klanknab. van het snijden met een mes; zie ij i.i ij in i ij vrg. ij rn i i/js

quot;gt; S rt

rn/.7\\KW. zva. i:iiiiii\\ iqniw (/ h

njKi\\ kn. tandvleesch. — ij i i m/j wat op rr^i.i gelijkt, bv. de schuins afloopeude zijde aan de snee van een beitel.

mi iJ gt;\\ kn. ni niKt^ zich wrijven, afwrijven, schuren , zooals dieren, bv. tegen een boom. — x h rn i ) gt; \\ iets, zooals een geroest mes, afschuren ; fig: aanhitsen , ophitsen {vrg. r.i 11 en

ni ij tiii en zie bij ij mi ij /.u i,njj\\).

quot;) quot; * ) - O

til i\' i j n i n )iiiii\\ en ininiii^tn zie u^inw

volg. Rh. zva. »/)/ ^\\ zuchten, klagen.

-) 6

uyigt;\\ {en ini ij\\ WW.) kn. ; i ii n gt; {en x h ini-i.gt;\\ WW.) een beest wegjagen {vrg. .\\/iji ip

\'1 n h^JI en ^

ri nnjii\' kn. verschil, ongelijkheid, afwijking, hu. van de waarheid, oneenigheid; verschillend, ongelijk, afwijkend, anders; verschillend, niet overeenkomen, niet strookeu j oneens zijn, er ver van af zijn, bv. met raden of gissen {vrg. ijin.i.i^ ui n i ili\\ i j i i ttyi en / ). — » n ij m ij i in \\ van iemand of iels verschillen; van iets, bv. een belofte of geuite meening, verschillen, als het er niet meê overeenkomt. — ryrn rj i.i { i/n an j of gt;n ij m ri 7.1 ^ii m/jy met elkander verschil hebben ,

niet met elkander in overeenstemming zijn.

) ^ o

in i n ij zie ki

\\rii uimiiij kn. gew. herh. zwakjes, llaauwtjes ieM doen, bv. van iem de een slecht gebit heeft, mmnm^lend kauwen, Rii.

nj it Ml. kn. 1. boos worden ; ook van iemand die iets kwalijk neemt {vrg. rn yijj). 2. k. of ki. v. n ris Rh.

a\' . .v . a/ i . 3^ )/

ui i.i\\ i n i i\\ i ii i i n\\ en li nj i.i\\ zie gt; iw

ij nnidjii kn.; rïi ij iinjrii\\ op den grond zittende

voortschuivon, zva. rrtLKhp zie bij ilihjis Rh. tj mij Lyiijs kn. ongev. zva. ij in ij i.yti^/js klanknab. van het tegen 6lk ander schuren-, ook strijken bv. van de. strijkstok over de vioolsnaar, en van zagen, of wrijven.

in ; 1 mi /js kn. schoon, niet nat of modderig, «vm grond; schoone grond, schoone plek {vrg. 11 ii un j).

ui tj 11 ii ii j \\ tp. zva. ni iï ini/p PL.

no j, ~) o c\\ .in y 1 1 quot;!

mi ihii/j Of in in li Klip OOlc hii v.l i,ii/j 0/ i.ui..111

i.up kn. strand, strandvlakte, zeestrand; vlakke

drooge kant van een rivierbedding, rivieroever

a cV n v\' .

{vrg. ni i i Kiip li m en (li ki ki\\).

ij 111*11.11.11^ kn. opengesponwen en gezouten en ge-

droogd, van visch. i n ri ij i,u tj i gt; hii j of alleen

ij m n i i h zulke gedroogde visch (vrg. niij \'\'O*


-ocr page 1075-

ijin/iifhiKn j\\

__th ti nirjwini,^ gi^sèk maken, Wsr//opoilspou-

wen {vf\'ff- wt ni quot; i vise// /.outen en droogon. ii tin t kn: doorzoeken, doorsnnfTelen, hv.

slrnHcen , blader en, enz.

gt;1 in\' ij i i? i.n/j i h ij rn? ij umuriji^ iets wrijven,

sehuren ; o]) een platten ste n slijpen of aanzetten, poetsen door sehnren ; ook wild opdrijven naar een zeker punt, hij de jayf, en zva. i h m v.; ^ (m/. ij i.iigt; gt;i kji? hnqtj l it ij uit i\'iijj).i/ini mt if w* ini \\ zva. vil ni i* igt;\\\\ i.ii\'ïf m? rf \'Ki? hif if hn \\ honw-sleenen met water tegen elkander sehnren en dan laten droogen , in plnais van metselen met halte, {clU vohj. Uh. iii(Kifn/n if nii\\).

nj m n n KW. zva. (i^i: ƒ n {Ster. poe ste ar a, waterkom, vijver) — i /j quot;ƒ ]:/ quot;N zva. wijmp i.ii i uuji^i spr.

ki. van ril hi gt;i \\ titel of hetiteling van God, oen l;orst en vorstelijke personen* {in de Gonv. landen ooi: de prinsen of prinsessen, IUi.). quot;ƒ

j-\'i ii i\'\\ de Meere God. nr) ui hi n of in i ]

\' t)C J \'(

mrfp titel ean de echte zonen van den Vorst gedurende hun kinderjaren, i. \'n i : nj i^i \\ titel van de echte zonen van den Vorst {met uitzondering van den Kroonprins), als zij tot den mannelijken leeftijd gekomen en tot den titel van Vanger an verheven zijn. i.i n ^«quot;\'tjti\'s ; en zoo wor

den onk \'s Vorsten vrouwen van den tweeden rang en de hoofden {de. Toe meug go engs en Ktiwons) van de li n mi i n betiteld. — nsn /// //\\ iemand Goesti noemen of als zijn Goesti erkennen.

if in if i.u a ii/j\\ k\\. — i\'n if niïfi uiiif verselmiven,

intr. en hv. een object verselmiven, Rh.

o ^

if in/t.i .liijx kw. zva. iijWjiif\\ urini/j\\ zie if

■-gt;

11 iii/ va w \' (d

gt;11 i-i i.i ^\\ kn. weggevaagd , zoodat er niemand of niets overblijft, hv. van vijanden op een slagveld; van den geheel op, sehoon op. poet. hetz.

DVV. 70.

ij ui ij ki/I\\ K\'v. in de war, in verlegenheid zijn, G. in ij n y,^\' kn., i h ui rl n i,f\\ bij kleine beetjes opeten of oppeuzelen; ook bij kleine beetjes winnen. —

m li ii^i injf iets om op te peuzelen, Jil.

^ ir it ) o .

ifimi i iLoll. gesp, gespen, zie i.ninnw

mi i.n.i ^ .ui/j\\ kn. 1. gretig, gulzig in liet eten ;

gui/.ig inslikken, opzwelgen, verzwelgen {vrg. in

rn K)jf\\ inw v.) ui ff). \'Z. zie ook bij m i iif\\

mi,nis 1)89

(d

nu] KW. steen, rots, G.

Cd

^ V KW* ~va. nijj ui a

o ^

ui vu\\ zva. ii in/ i iw

I (K \' ro

O O )

if in/{gostz) oj Hf v-i\\ KW. en KN.zva. ^ / m/j en ?/gt; (Mkr. g ó st 11., gesprek, za-

menspraak, onderhoud). — lt;im if in/ ^ / zva. i.gt; t;

ni/js over iets raadplegen.

O . . ^ (quot;) c . o .o n .

in i.i\\ iijii in ui/ j\\ in ui a^ji i.i hu in/ui i, Ki/f\\ u/u

quot;) . ) . ) . . ui i i ri i. ii hi/j\\ ui i i i:i ui if ^ ui nn^i i i im/f en ui

) . . n

ui hi i i i. i/f K. , zie il/ijm tLi/j\\

in ii\\ kn. i. zva. if iii/tfi\'n\\ van de tanden zvait lis. 2. oj. en poet. zva. rf h n2if!i:iit\\ hv. van een huis of hoseh. a/h in£i i i n min oj., en poët. zva. 7f i 12 if v.ii i ui if a ii \\ R. •). ini^\\ ik geef het op! zva. thii dbii \\ bij het een oj ander te zoeken, in een kinderspel, het opgeven , van een die niet meer weet waar te zoeken, (N.) Rh.

if in/ si kn. een vrucht zonder pilten. G.

ni/rf i\'n kn. gezengd, gesehroftid , aangebrand, zwart gebrand; zengen, sohroeijen, verzengen, aanbranden, zwart branden: oo/c blanw, met blauwe plekken, van ,(le huid, door slag oj stoot {vrg. in hix). — i n if ni/if hi/\\ 1. iets op het vuur zengen, zwart of tot kool branden. 2. kw. zva. (t/nn if in / if lt;lgt;Ïi?n it ij li KLi\\ en i ihim rifijw — i \'nif if iii2 if tin i?t\\ mv. lil rf in / if li? i.irf hu \\ iets doen verzengen of aanbranden, maken dat het zengt of aanbrandt.

in . verkorting van nj uiw

m quot;is l. kw. zva. i n r\'iw G. —2. kn. meegebracht,

alleen [n 11 l, m ^/j./#y gt;i}f i n .* m / ; m if i:i 7^JNN.,

o ^ .

i i if i n2 li iii ^ i ii 1injf m llici 11 ivi 11 hi f k.ae

pacht, zooveel als die wezen mag, en de meegebrachte werkzaamheden (de werkzaamheden, die het land meebrengt, de reeds van vroeger aan het

land verbondene werkzaamheden), K.; volg. \\\\\\\\f

) ■gt; 1 in \' i in if li if i j \\ n. i n 11/kl! i iu i J (i(ijf\\ k., ile

verpligte geschenken die de hunrsehat vergezellen.

— ih in ui \\ n. , (iii,\'n.ii\\ (ook wel xni) i gt;lii\\ of (n \' L N ro \' i. \'

iiif i hiis) k. , iels bij zich luibben*, van iemand die gaat of reist, of thuiskomt; /lt;?/* meebrengen of meenemen; meevoeren, hv. een pas. reisgeld, enz, {vrg. ui ui\\ IV en lt;bit i\\ 11.). volg. Rh. ook vervoeren, zva. i.^ i p rii m / i rh rj \\ mee naar buiten nemen, naar buiten brengen, t.» m li


-ocr page 1076-

im if o) N

990

tnL)}\\ min of meer meegonomon worden, er ff. in

hetrokkcn worden, er ook wat van nice (of langs)

krijgen, hhoiio dilcwijls te vertalen door-, ten

gevolge van, naar aanleiding van; wegens. 15.

\\lt;u n)(U)oj) nuxii trjif ??\\ liet wordt nicegebraelit van

den grond , de aard van den grond brengt het

mee. II. — li) intnri- in im i:n gt;, t) \\ iets, het een ro \'isK \'

of ander, ineenenn-*n of bij zich hebben; iets mee

brengen; oolc fig. met zieh slepen, na zieli slepen,

VV. IT, 282; aanleiding geven tot; iem. erg. u\\

betrekken. — i/»/ in /?»?.?^ X?/. j/7.y mv., en CJ coA\'i-J

iemand iets meegeven , ook aan een kind bij de

uith uwelijking. — cuh rn / gt; /. n it .n o \\ (un amp;Jnn

;) • .

} n ij /.\\ r ?? »/• y »j ^rn /. n (hi/j \\ iets meegeven

aan iemandj iemand, of voor iemand, iets meebrengen. — nji nin)\\ lU fihw het meebrengen , co

enz.; en wat iets meebrengt, wat iets als middel teweegbrengtj de reden, het gevolg van, de eigenaardigheid, eiseh van, de uitwerking vaneen middel y wat de aard van iets meebrengt. — gt;n n\\ an j 0f } en i n int ?/; j of t n r:t) im(Hyj\\ Wbi

meegebracht o/meegenomen wordt; wat iemand, die gaat, bij zich heett; wat iemand met zijn geboorte meebrengt of meegebracht heeft; wat iemand aangeboden is; aanvoer; uitzet, ivat een kinU hij het huwelijk meegegeven wordt, i n uj i. /t t) m j een aangetrouwd, door man of vrouw uit een vorig huwelijk meegebracht, kind.

gt;r»^/;gt;\\ n., na .• 1 h i j\\ k., wat iemand te doen o/te maken heeft; waar iemand aan bezig is; iemands werk; iemands diensten, als beambtei dienst, hulp, Vi. II, 492; ook nut, voordeel, doeleinde, {rjn/m vj iu gt; ui tj f.ns zie i m rj ru ; ^); iets, dat iemand werk geeft, bv. ee i feest, een partij, die iemand te geven lieeft, zooals een bruiloftsfeest; maar ook iets, dat moeijclijkheden of gevaar aanbrengt, b\'). een te leveren gevecht; iets te doen of te maken hebben. — on ij m of \\m rmj \'mn. m . in /y of i/n (in i hiun^ K., bezig, bedrijvig, van werken honden ook kundig, bekwaam in den strijd, en met bovennatuurlijke magt begaafd, zva. i 1 i/ij^ }j. .quot;M-l ; iets doen of maken, klaar maken, vervaardigen, stichten, bouwen, aanleggen; zotten bv. thee of koffie ; te weegbrengen, veroorzaken , bv. ongeluk; aanleiding geven tot bv. een regtszaak, ook zva.

1 ) Ou . o

caus. (jv. inrj f i on ij ri lij ij^ii ti ns zva. n n nt ^

if in in .li tf i,ii i yi,iin\\ ecu zaak vergrooten; iets

tot iets maken, bezigen of gebruiken; van iets,

van een stof, iets maken; ook iets beschouwen als

iets bv. een zaak, die het niet is, als groot; iemand

iets, tot iets, maken, aanstellen, benoemen {vrg,

) o

lll:l)\\); ook zva. I.ll 111 Tj tJI \\ of (li) III »^/7^ of

verk. hiervan, om te dienen, tot, voor: als \'Ij.

sengk. vier. ia7iiirjtji\\ de maker, enz. miiiiin

(lis waar voor? waartoe dient het? waartoe moet

het dienen? an(Hi ni ij ui yrin/un ajt\\ wat is (of

was, wat heb of had je) er te doen? a/nan mij

(tj ui rj in \\ men heeft (of ik heb) het van doen of

noodig, het is hier of daar voor te gebruiken; men

heeft (of ik heb) iets te doen. nnj n n 11 ii\\ een

brief (of acte of stuk) opmaken, ic^ij ui niij i r

(of ; i t\'i nirj i i\\ Rh,) een partij (feest) te geven

hebben, of bezig zijn te geven, ia^ rn ij iji\\ moeije-

lijkheden, gevaren, enz. ondervinden, inihri^ini

ij ri\\ onnut, nutteloos, vergeefs, ij i/n in njii an on

rj ui rj i,j . nergens toe te gebruiken. 111 ij ui mi ui

zva. n\'i ui \\ iets als gelijk beschouwen of behaml;-

, . ) i a . j

len . nnj ui hj tj uit\\ m ,lt; i rvi i j gt;n i u met een-

volgend telwoord, een werk voor (één, twee, drie, twintig) man, zooveel rijstveld als bewerkt kan worden door (één twee, drie, twintig) man, d. i. één (twee, drie, twintig) bouw {vrg. im lvi\\). — i // i.i^ rn ij ui ri dat is jouw werk, daar heb jij voor te zorgen, in in in ij uii nten laste van zijn moeder zijn. a/iirjim iri rjaji zie rj.in? lu/j inrj.ui m ij i i\\ verzinsel, verdichtsel, voorwendsel, gemaakt vertoon, valsch voorgeven, verzonnen, verdicht, met valsch, gemaakt vertoon; verzinsel, enz. am mij ui mij ni of ahmiij :i niij uis verzinnen, verdichten, enz., n i iry rj iy i?i nnj ui in rj n\\ hij loopt gemaakt (niet eenvoudig of natuurlijk). — in ui cru ij rui \\ a i ui in rinij op slecht bedrijf (zooals stelen of roo-ven) uit zijn. W VV. — nj s i tj n\\ (u^ n .• i nijj \\ zich aanstelen als ijverig, werkzaam, gedienstig, (vrg. i ii rjam ii.i ij \' iw i \'n tn tj ui.) au in iki iLi/j (in hef spreken vooral met hoorbare neusletter voor nnj tj ui in ranij) iets gaan doen, maken of tot VA? bezigen; iets bewerken, veroorzaken, ui intn mij tj ui\\ het wordt o]) \'t oogenblik gebezigd of ge-


-ocr page 1077-

a n uis

bruikt; of liet is op \'t oogenblik in de maak. —-(HtKiatot iets dienen. — (uii (771 ij i-i hv -jtt rj iun \\ aw (hi M#y /. u niet iets het een of ander maken; iemand, voor iemand, iets maken, klaar maken, enz. — ajimioj i )\\ .n jj\\ yew. njimirj t:i\\ (tmui kgt;irujj\\ iemands daad, werk, bedrijf, toedoen. (C/) nu rj (U) aw anj \\ betoon van hoogachting, HP, — ir.i mi ij !Ut\\ of u i mi }j r:i \\ en ir i na (Pi ruji °f tFiap Q tujj y iets (Jcwaads) bewerken, door eenig (slecht) bedrijf bewerken, bv. door hetoovering, door het ingeven van iets, enz.: ook o .)/ en waoLi njjjs veldarbeid verrig-

ten mot ploeg of eg en trekbeesten. — (w mi tj ni hiï ^nt) hh n \'£•? (ui ki y? ifu an ns een trekbeest tot veldarbeid voor den ploeg of eg gebruiken.

cm ij uum :}.n\\ passief. — am rj w m ann of

) ) r n O ^

ui m )j ii iaji en ia i ni^i ia ij of nu ui f» n i nn/j\\

wat door iemand gemaakt of vervaardigd is; gemaakt, niet natuurlijk, niet echt. njj ajiasii miij i:i iUinnjj\\ valsche eed, een zoo geformuleerde eed, dat die voor een andere uitlegging vatbaar is. — ui fin ij (ui ui (hijj \\ kcidxi tziru anji verdichtsel, verzinsel , enz. Rh. — tui m ij aj) 1.11 (mn of aji in rj nji

O O

■uiihi j\\ en (ui(in (tji iviarijj of oji(Hi it) ii^an^ wat

iemand tot bezigheid, bedrijf of gewoon en ver-pligt werk heeft; bezigheid, bezigheden, werkzaamheden, beroepsbezigheden, beroep.

\'gt;1 (tJi\\ ook en eig. m^djn\\ 1. kn. hol, spelonk, grot; {Skr. goehu).

Jn kw. zva. nmx:n/i (yrg. iamp;i ni q ^).

) . .

ni i i(inji\\ kw. zva. ij ij ingt;\\\\

(riiiiji\\ kn. volg. Rh. zva. (ini ris bv. een touw om de sawah\'s gespannen, ten einde de dieren te weren; er worden ook dikwijls strooken van boombast of klap-perhldren aangehangen; en dan verder ook een merk of teeken , dat men ergens aan de wegen of paden plaatst, om de voorbijgangers te waarschuwen, dat zij onbegaanbaar of gevaarlijk zijn — v\'n ni ui ergens zulk een merk of teeken

plaatsen.

■ y

\' mkn. van eenigebeteekenis tf/iets noemenswaards ^ijn, iets helpen of uitmaken, cenigzins baten of deren* er iets van belang van voelen;7«^ ow/-kenning, en in uh mi dii n n {of il r* of iJ i?i VVR.; volg. Rh. een sluitboom, liiudernis,

oiii?^ 991

bestaande in een lijn of ook wei boomtakken om

» O\'

den toegang te beletten (vrg. mi i:i\\). d/h mi i:i\\ tot cm 11 dienen —(uh crn \'t i n\\ verhinderen, iem. uitsluiten, fig. hinderen, vrg. am iii\\ i*/ii iSn w

Cl S r S . O / t X

mi.tj)\\ of rj ii i ui v kn.; n/n cru i :i\\ (un ij an ui \\ opzij springen, een zijsprong doen, bv. van een paard dat schrikt; met een sprong of schrikachtig, op zijde wijken, uitwijken, ontwijken.

mi ui\\ kn. met de pagaai het water wegduwen , in

tegenstelling van KiiaAJi? of mi/i^w ij mi? tj 11\\ kn. klanknab. van het huilen van een

jonggeboren kind.

o . o

a/i -11 \\ zie y ij i gt;i rr i w

:)

mi uirri\\ kw. zva. (bituna:iy\\

mourns of cm al \\ kw. zva. mij m\\\\ G.

mi i j muj\\ kw, zva. ij 11 mi \\\\ G.

mi rj tun in]ij\\ kn. {volg. Rh. zva. rji/m-iiiMq) verbaasd, verwonderd, ijnmi n unj un ini/j of ijn/n? n mij^12.Kt)(}-njj\\ geen wonder! natuurlijk! — mii mi ij I \'i i mi j \\ hetz. als cm ij ui i ilt;vjj G. —(imcni ij \'Ui2(^?i\\ verbazend. — (ifii in i/ ui2 uir (ynjj\\ door verbazing aangegrepen, overmeesterd, WW.; verbazing, verwondering. — m ij ui? hn ni j\\ tot verbazing of verwondering geneigd, van iem. die bijna over alles verbaasd staaty ook als uitroep: \'t is vreemd!

iy ut imjj\\ - un li hii j-

) ,, oo Cl )

nnj i imni/js of m^ij\'Uiti.n j na \\ zva. ki nj i:i kii/j

als scheldwoord, A.

mj uiun.j of mi uiiLiijj mi ui of (iiy ui\'b in uiiwij ^ {uitspr. goewiek) of rj rmij i i im^ kn. klanknab. van het schreeuwen van varkens. of biggen als ze aangepakt worden, ook van het geluid dat men maakt, als men met geweld een jluim wil losmaken. Rh.

ijmnuiHwjs kn. een op een ui i i irnjj gelijkende j nacht watervogel, zoo genoemd naar het geluid, dat h ij maakt.

tj innj 11gt;igt;ii/j\\ kn. gat of holte in een boomstam, zooals waarin vogels nestelen, ook naam van een boomgewas Jambosa caulitlora, l)(\'. Nat. fam. der Myrtaceac, en van de rinschig zoete vrucht daarvan met een donkerroode schil, niet ongelijk aan onze kersen, liet hout is fraai rood en sterk {vrg. ijiiifijuirurijj). (isiiij t:i?ijihi2rjri? iiiifj\\ bijen die


-ocr page 1078-

OU IJl d u/)

O .

m i ui \\

992

in gaten vun booinen hauv nest maken {vrff. ij in? ij ici ? m j).

ui 11 ihiins kn. gevaarlijk, ?;a?i een weij, die (/oor roo-■ vers of wild gedierte, onveilig gemaal/ wordt, ca die men vermijden en niet begaan moet; ook gp-heimzinnig. ij)(hii hn i\'ilt;i,ii,j\\ een gevaarlijk karakter, van iemand, met wien het \'/ heat is xich niet in te laten.

oil l?i nj/i\\ kn. --ti v m tji n.i/i\\ maar even met het uiteinde ergens inzitten, van iets gezegd dat op een kleinigheid na, losraakt, hv. van een tand, heel los en bewegelijk zitten, Tj. {vry. m n-.in i-o hn/^ fj nuii:rn i n i/jw 7.00 losjes zittend omhangend zieh heen en weer bewegen.

(r)i)l i iiLifp kn.; i\'n niyi ri ii ip t zooals van

ren hond; ingrijpen, vatten, van een gesp {vrg. ny i.tmrj iwd asiyi en wn ayn iisiyj ). lynirti m ij n m/f geen mond opendoen , niets antwoorden op hetgeen een ander zegt. \'ui rj u gt; h n ij 1111 y \\ zva.

»i / I. n (Hi/)\\ van n ) gt;li h u/js BV.

) quot;) . ) ) . nj i j n i j\\ zva. nj i n n.i p — i n tn iij i:i )i i/i\\ niet

de armen omvatten, omhelzen; met handen en voeten omklemmen; oo/r wel van een tijyer, met de pooten omklemmen.

ij in 11 tD/ïs kn. Idanlcnab. van een hap of heet, Tj. ij m ti i i? ii i/j\\ kn. een. soort grof gekorven inland-

sche tabak , VV VV.

tn i hu i/jww. zva. m ij riw

gt;y iij) (lvi n of niutiiis kn. het waas van het gelaat,

gezonde gelaatskleur, gelaatsblos. i n n\'/ ui ei niij

rjiin\\ zijn (oj haar) gelaat is verselioten.

)

ni kvv. zva. mvi io vrg. (rij w mi\'i 1. kw. zva. vj) ) n\\\\ G. 2. kn. raam, zooals het hout van een venster. —Oo/r de tusschenruimte van een van bamboe govloehten pagër iussehen twee stijlen, Hh. — /;n duidelijk te zien, zoodat

het open en bloot voor het gezigt staat ot\' ligt en hot ge/.igt door niets belemmerd wordt. — m ó \\.)(hnj)\\ een rak oj) pooten, om het batiksel, over te hangen, terwijl de vrouw hel andere gedeelte op de hand heeft om te bat ik ken. m iji nii)i gt; i ),i I duidelijk en klaar te zien, (of te hooren. iih.). an i.\')\\ kn. klein oversehot o/\'restantje, hv. van rijst of vleesch. GR. volg. llh. rand, steile rand, hv. van een puf of ravijn. i/h m iji zoo op een rand of kant staan, dat liet er ligt afvalt, zóo ergens op liggen, of zoo vastgehouden worden, dut een goed deel er buiten uitsteekt {vrg. i i r\\\\). m i\'i\\ kn. I. deelinatie, afwijkende beweging of afhelling naar de een ol\' andere zijde. 2. met hout van een andere kleur, paarlemoer, zilver of verguld koper ingelegd; hv. Xru gt; n iiji n zulk een ingelegd kistje, tn i\'i hu *) kw. zva. lt;ia ih liD-tu {/00 ook n ij/j m ih lat n \\\\), ook fatsoen van een r.ti y ^ tcits VV. I. 295. -— declineren, afhellen,

afdalen; van het toppunt afdalen, van de zon; geen stand honden, wijken, onvast; ook volgens G. zva.

— i.n ini\'i\\ van streek 0/van zijn stuk geraken of geraakt, door sterke gemoedsbeweging, zoodat wen zijn bezinning verliest; WVV.U. aan het wankelen gebragt; door aantrekking overhellen tot een of ander.— \' zie beneden.^, volg. IMi. ook een soort oor krab met een schroef van acht e fee. /V en 1 /haij ó) \\ in de spreektaal zva. »/yf l))\\ en 11 m i ) iij) v\\

q 1.

tn ï])\\ kn. gespleten, van de lippen {vrg. \'i j \'■•i );

volg. Hh. ook een kleine scheur of barst, of met

een stukje uit den rand van een voorwerp of snée

van een mes.

tj tn tj lit kn. — (uh(ït) ij yyi )]met zijn vele 1

trekkende en sleurende iets vervoeren, (Tj.) Kli.

»ƒ tngt; ó)\\ kn. schaarde; een schaarde of schaarden

hebben, van ijzerwaren, ook zva. tj tn? tj ij)\\\\

tj tin t) i\'i\\ kn. met een stuk of stukje nit den rami,

va?i aardewerk {vrg. n nu iji\\ en rj ni\'ri ui iui,)-

ij 111? tj oj) 2 \\ vroegere he naming van het distrikt lie-

dok in Bag eten. — oj) gt;j ttt? tj nj) i \\ zie bij tnf

\')) ilJ) t N

tti)i )/j (nggal) zie bij ijci h ntnyj*

an t njj \\ zva iQcn^ nyj\\ ook volgens G. verk. ren

v\\vtl n iQ \'7/ quot;/ quot;

*1 tuint j of * n tj tnf nip ook tj tni ij tnèiu/j* KN. hefboom, zware spaak om iets op te ligtcn, omU\' wentelen, te verscludven, enz. {vrg. nAymui\'] lt;\'quot;■ ij•i.mni lt;h))i tu/j). — j.) tj du )u/js iets met ecu spaak of hefboom ligteu; omwentelen,/?^.; rquot;\'1 vaartuig met een pagaai wenden of sturen, {vrg. ern 1 )\\ — (iiuij tni )\\ )ft\\ ht) tj tn? 11.1,1 en Mij nu/j^ zie boven.

ttiius kn. 1. iets, zooals hars, was of lood, waar-


-ocr page 1079-

cni ni \\

meö iets van binnen tot stcvi^lund , vastigheid, of om het sterker te maken, wordt aa-igevuld, zooals uwl een saioopit of luhnirinoot, na die uitgehold te hebben, met de een of andere substantie wordt aangevuld om hem sterker te maken hij het spel daarmee, of zooals een van huiten zilveren hecht of kandelaar van binnen met hars wordt aangevuld, WW.II, een soort lak bij de juweliers en goudsmeden in gebruik om er het te bewerken voorwerp op vast te zetten, Kli. 2. kw. zva. i n n (imji i i aii \\ volg. H. een wapen, zooals een piek of lans, dat men tot zijn veiligheid meeneemt, iy. als men hij nacht reist. \'U) m n i\\ hetz. in een ahjemeenen of figuurtijken zin nrrieni au kj ivi riitDap fig. voor de dapperste en krachtigste strijders, die de kracht van een leger uitmaken in ecu gevecht {vrg. xm tin ou ,in i). ijij i,\'lon tu\\ merg van miiti.i in het gebeente hebben. — (i/hmi ti/i\\ iets met hars, was of lood van binnen vullen tot stevigheid en sterkte. nAirnim {of i h (rntn tu) ij r.i n ^\\ iemavid door het leeren van een ij tm iUj sterker (Li un) maken, a h ru n i (of i n mm tu) (mi \'fx \\ door versterkende middelen het leven verlengen, R — mi iLi m/js van binnen met

giila gevuld.

■gt; o

nmrus kw. zva. (f^^kkiiw

(m ms kw. zva. ilt;ti\\\\

/

Tn/wLn kw. zva v.)jrnw

•rntj ims kw. zva. x/n ritiJi/jajiytJi/js 1. kn. een groot soort van spadel, schup of schupje, meer hep. voor rijst; vrg. 11 urnj n/ici/j\\ 2. volg. WW. lyniu rniini\' . krisscheemakers in dienst vau den Vorst.

lt;nnii\\ kn. leed gevoelen, ran iemand die zijn wcnsch niet erlangt; en zoo ook on m n.iw niijun/nuni.tp het doet mij leed, flat spijt mij\' VVW.R. volg. lib. min ol\' meer afkeer krijgen van een geliefd voorwerp door onbeantwoordde liefde; van ecu objeet door dat er een gobrek aan ontdekt wordt; door een teleurgesteld verlangen

ontstemd worden.

O o ^ )

mm kn. — m tn ij hi (hi ^ 1. kw. het mannelijk

Ihl, {vrg. li Jn niJjiKinij en iiJin \\\'j (J. 2. » / n/tj

^ niim/js gew. irn mlif )i,i naam van een residentie op Java.

oy)rnji\\ 998

tn ei ui \\ volg. \\V W. zva. uu m j \\

i ) ) \'

mijni\'s KN. Tl\', zva infnn/ji oj inrnt.ijs naam van een aardvrucht. tn ij ru? u ij ri \\ naam van een soort van tales, JK. volg. WW. zva. 1 n tj ti 1? rt mi ij ntgt;t)i.igt; klanlcnab. van het trompet-vormig met 1. /y omwonden fluitje. (tj i t (baf)).

o , et c. .

omjuskn. een algnjzen, gruwen {vrg. »/» kii/j).—

t.n m 111 tn tii\\ gruwelijk, om van te gruwen, ijse-lijk, vervaarlijk hv. groot. — 1 ït nl nl n/\\ iemand aangrijnzen, zoeken te doen gruwen. — »J; ir /n

tit tij afgrijzing-, ijzingwekkend; afgrijselijk, A.

on ) quot;) o quot;) o ,

cVi. — hti:! int ntanjj oj Kti f t tn n 1en ver 1.

rl t n t hi na /j n akelig zijn of worden, door afgrijzen

vermeesterd, aangegrepen worden, M.

n n ■quot;)

tn ti is KW. zva. ijtnihtij m t.j nj ; j igt;ii ) ij tj titmw kn. tp. een bergrug; een boven den waterspiegel zich verhelTende bank of klij) in zee, Jlf. TP. een weg; kn. een dijk langs een waterleiding, Rh. — I // tnnr 1. in een onafgebroken rij maar onophoudelijk op elkander volgen of voort-strocineu. 2. tp. een bergrug vormen , zich tusschen twee laagten in de lengte verheffen; ef? even boven den waterspiegel uitkomen, van een bank of klip. JR.

O

ynrj tut \\ KW. zva. unv-ij fiw

err^ tus of tjrvii\\ kw. zva. ru y/jia/js 1. n., on (tin k., suiker {Skr. goela. ruwe, ongeraüi-neerde suiker). 2. kn. bed, bedding voor plantsoen. ttj n 11 \'iitj t} in/j\\ arensuiker , suiker van de /y ^ »ƒ ntinfj van den arenpahn. quot;f quot; 1 \'•\'/ -I tuji {of i,ii maji ) kokossuiker, klappersuiker, cyi^ tu hti n 1 ^..ƒ^ met zilver en goud beurtelings bewerkt of ingelegd, hv van een krisschêe, vrg. iij 110?rn zie bij Ki n 1 w n^ n 1 i n i.ijs rietsuiker, oij thiii uo \\ rietsuiker op de Jav. wijze bereid, Hh. ni tii 1 rf klaj)persuiker met geraspte klap

per vermengd. rn n 111witte gekristalliseerde rietsuiker nj n 11n i tj kandijsuiker, ni n i. uy i\\ gesmolten suiker, ook ben. ran de tembang Dan-(lang goela. ti i tlt;tj iiii\\ Javaansche suiker in een puntig bolle vorm. iisti f\'t tt^ tu suikermuisjes. 1 y rhitii\\ ook inmjttti.is en nt n] kokinje. — a it njtii een bedding maken voor plantsoen. — t tt suikeren; een tuin in bedden leg-63


-ocr page 1080-

(ïl l ui il ll /j

O .

m i u) \\

992

in gaten vim boomen liaur nest maken {vrg. ij rys ijui? mi).

ui i i Lnj)\\ kn. gevaarlijk, va71 con wey, die door roo-• vers of wild gedierte onveilig gemaakt wordt, en ililt;; men vermijden en niet begaan moet; ook geheimzinnig. u) tn i.i^ 1 1 i nij\\ een gevaarlijk karakter, van iemand met wien het 7 heat is zich niet in te laten.

m ui tlij kn. --n h hiuiiliqs maar even met het niteinde ergens inzitten, van iets gezegd dat op een kleinigheid na, losraakt, bv. van een tand, heel los en bewegelijk zitten, Tj. {vrg. m a i/j ry ilt;iijl\\ ij 111*1:111^ ri n i/jw zoo losjes zittend 0/ hangend zieh heen en weer bewegen.

(ïii ij 11 /l 11 \\ kn. ; 1 ii mij i ) ru/js happen, zooals van een hond; ingrijpen, vatten, van een gesp {vrg. vj 1:1mrj uiig ihnji en 1:10 ayrjibii/j ). tjnm n .111 ij 1 1 n i/f geen mond opendoen , niets antwoorden op hetgeen een ander zegt. (hjirj ti^i11,11 y f 11 ».»/ƒ n zva. k»

riu Ki)(Hin\\ van lt;1 iiuhiip BV.

) quot;) \' . ) ) . iij 11 n.i zva. 1 ij i.ii n./jp 111 tn iij 1 1 n i/i\\ met

de armen omvatten, omhelzen; met handen en voeten omklemmen; oo/r wel van een tijger, met de pooten omklemmen.

ij in 11 tu/ïs kn. klanknab. van een hap of heet, Tj. ij 111 ij 1 1 ? 11 in \\ kn. een soort grof gekorven inland-

sche tabak, WW.

m 11 ilii/ikw. zva. mij t:i\\\\

nj un .1.11 ^ of gt; 11 ut ui \\ kn. het waas van het gelaat, gezonde gelaatskleur, gelaatsblos. i n iu gt;11 li 11 iij ijiigt;j\\ zijn (oj haar) gelaat is verschoten.

lt;ni KW. zva. intjtci vrg. er ij w in i\'i \\ 1. kW. zva. \'b) f rnw G. 2. kn. raam, zoo als het hout van een venster. —de tnsschenrnimte van een van bamboe gevloehten pagër tiissehen twee stijlen, Rh. — u^ni\'i duidelijk te zien, zoodat hot open en bloot voor het gezigt staat of ligt en het gezigt door niets belemmerd wordt. — m 11 1.)(hnjj\\ een rak oj) pooten, om het batiksel, over te hangen, terwijl dt vrouw het andere gedeelte op de hand heeft om te batikken, m iji ni.ói 1} j.i j\' duidelijk en klaar te zien, (ofte hooren. Hh.). iiiii.\'i\\ kn. klein overschot of restantje, bv. van rijst of vleesch. GR. volg. Rh. rand, steile rand,^v. van een put of ravijn. — ivii m uï zoo Op een rand of kant staan, dat het er ligt afvalt, zóo ergens op liggen, of zoo vastgehouden worden,dat een goed deel er buiten uitsteekt (vrg. / m0)\\). ni ri\\ kn. j. declinatie, afwijkende beweging of af-helling naar de een of andere zijde. 2. met hout van een andere klenr, paarlemoer, zilver \'of verguld koper ingelegd; Ijv. (i\'i 1/1 gt;m nt\\ zulk een ingelegd kistje, in /\'ii-n n kw. zva. tta ui liirm {/do ook nAjjj m ij) hii mw). ook fatsoen van een i n y \'ijuits VV. 1. 395. —- m fCi t\'i\\ declineren, af iiell(M , afdalen; van het toppunt afdalen, van de zon; geen stand houden, wijken, onvast; ook volgens G. zva. oij m uw i.n in i\'i\\ van streek of van zijn sink geraken of geraakt, door sterke gemoedsbeweging, zoodat men zijn bezinning verliest; WVV.R. aan het wankelen gebragt; door aantrekking overhellen tot een of ander.— / 7 zie beneden, quot;i. volg. IMi. ook een soort oor krab met een schroef van acht eren. m 1 i)i\\ en i/h07^ iji\\ in de spreektaal zva. ry vw en

(Uï) 11 iÓl A

(ïii rh kn. gespleten , van de lippen {vrg. u yii ); volg. Rh. ook een kleine sehenr of barst, of met een stukje uit den rand van een voorwerp of mêe van een mes.

ij 111 ij \'h kn. — ï o ïii ij nigt;j iJ)\\ met zijn velen

trekkende en sleurende iets vervoeren, (Tj.) Rli. ij nu i\'i\\ kn. schaarde; een schaarde 0/* sehaanlei

hebben, van (/zer waren, ook zva. ij yn? ij uiw ij nii ij i\'i\\ kn. met een stuk of stukje uit den rand, va?/ aardewerk {vrg. ij mt ui\\ en ij mxij ui 1111,). ij m? ij üi i \\ vroegere benaming van het distri kt LP-dok in Hagelen. — ui ij imij uns zie bij ïj u \' ii ui t n

in n.i/j (nggal) zie bij ij 111 mnijj arn rnjjs zva uncrr^ n i/j\\ ook volgens (i. verk. on

iXJ\\ vtl quot; \'y/ f l quot;h \'tJI

ij in?. 11 /,7 of n/n ij in? n ifj\\ ook ij nu ij nu iti/j gt; KN. hefboom, zware spaak om iets op te ligten, om ie wentelen, te verscludven, enz. {vrg. iin^inini] ïj ■hiid\'ïj lgt;h2iii/i/j). — \' iij mtiu/j* iets met een spaak 0/ hefboom ligteu; omwentelen, enz.; een vaartuig met een pagaai wenden of sturen, {vfj-lt;rï^ ui\\ — (uil ij tiii.iuj)\\ i\'ii ij in? n.ijj en iU ij zie hoven.

iiiïuis kn. J. iets, zooals hars, was of lood, waar-


-ocr page 1081-

. i ,

tncö iets van binnen tot stevigheid, vastigheid, of om liet sterker tc mnken, wordt aaagevuld, zooals wel een sawopit of l-ïtmlrinoot, na (lie uilgehold fa hehhen, met de een of andere substantie wordt n(ingevuld om hem sterker ie maken bij het spel dn armee, of zooals een van bulten zilveren hecht of handelaar van binnen met hars wordt aange-vhld, WW.U. een soort lak hij de juweliers en goudsmeden in gebruik om er het te bewerken voorwerp op vast tc zetten, Rh. 2. kw. zva. i rj nun;) volg. R. een wapen, zoo als een piet-

of fans, dat men tot zijn veiligheid mecneenit, nis men bij nacht reist, rm rn/i n hetz. in een algemeen en of figuurlijken zin — dii amiuru] cut fig. voor de dapperste en krachtigste strijders, die de kracht van een leger uitmaken in c(!ii gevecht {vrg. i/n m 0u •in nyj). v j i j iLin merg van mint in het gebeente hebben. — lt;ijhmi rLi\\ iets met hars, was of lood van binnen vullen tot stevigheid en sterkte, n/iimim {of n/n (tn inn i) yrru/N iemmd door het leeren van een ^ j\'/i ru sterker (j m?i) maken, a/h m rv) (of r 11 nn riDu) Myrjs door versterkende middelen het leven verlengen, R — nm 1 lik»q\\ van binnen met

gala gevuld.

a ci

miru\\ kw. zva.

m )Lp kw. zva. (Lyrjio) )ai\\\\

s

eni)) )li \\ k w. zva ) ir:)) w

(rn)j)Lii\\ Kw. zva. 1 d) ^rrjrj,ij) j\\ j. kn. een groot soort van spadel, sehup of schupje, meer lep. voor rijst; vrg. lt;r)2ij timap 2. volg. WW. m (i.v) cm r) ffpi f \\ krisscheèmakers in dienst van den Vorst.

(h))ii\\ kn. leed gevoelen, van iemand die zijn wensch niet erlangt; en zoo ook rhlmrww ii) )i)f)jn i^n i,))\\ het doet mij leed, dat spijt mij! WW.U. volg. Uh. min ol\' meer afkeer krijgen van ecu geliefd voorwerp door onbeantwoordde liefde; van een object door dat er een gebrek aan ontdekt wordt; door een teleurgesteld verlangen ontstemd worden.

I. kw. het mannelijk

quot;)

11) ui ij ut00fj lilt;l, {vrg. L) 11 idij i )Dofj en lunl ^ (i. x. 11 ,nif gew. nu d) ij n iacyjs naam van een residentie op .Java.

»quot; \'Us KN.

071 na \\ ÖÖ 3

crii(rij)\\ volg. WW. zva. m)) 11 j\\

, ) ) \' ,

)iiifiu?\\ kn. Ti\', zva t n 10 )i )j\\ oj inryi ij\\ naam

van een aardvrucht, \'iii 1/ ili? ,l/ y naam van

een soort van tales, .T!{. volg. WW. zva. 1 n ij u r?

rj it a 11 int)) li ^ klanknab. van het trompet-

vormig met /./y omwonden fluitje, { i

(Hl/l).

O , 00,

lt;111.11 \\kn. een algnjzen, gruwen {vrg. m igt;i//j).—

( 1 O O !•., .

hiimid 1 in n i\\ gruwelijk, om van te gruwen, ijse-lijk, vervaarlijk bv. groot. — 1 h tn in n 1 \\ iemand aangrijnzen, zoeken te doeu gruwen. — 1 h »»» »n

imy afgrijzing-, ijzingwekkend; afgrijselijk, A.

on ) quot;) o ^ n

oVJ. — /.»; .• 1 in n ).v)/j OJ hl) ! / m 111 i.i/js enveri\'.

if) in lunn/js akelig zijn of worden, door afgrijzen

vermeesterd, aangegrepen worden, M.

o quot;gt; \')

111 d is KW. zva. ij inihii j n 1 \'lij ■ nj t j mi ) 1 j rj iiintw kn. Tl\', een bergrug; een boven den waterspiegel zich verheffende bank of klip in zee, .TH. Ti\', een weg; kn. een dijk langs een waterleiding, Rh. — i/h lïïnls 1. in een onafgebroken rij maar onophoudelijk op elkander volgen of voort-strooiuen. 2, Ti», een bergrug vormen , zieh tussehen twee laagten in de lengte verheffen; en even boven den waterspiegel uitkomen, van een bank of

klip: JR.

o /

yn rj rei \\ KW. zva. hiuugt;7i riw

n^)L)\\ of njiyj rut \\ KW. zva. (U ihgjjthi/js 1. n., iil nni k., suiker {Skr. goela, ruwe, ongerafli-neerde suiker). 2. kn. bed, voor plantsoen.

nj n ) i nij i)\'in^\\ areusuiker, suiker van de 1 jij ij inmij van den ar en palm. nj iiiyrru .Iwi/j (of in) 11 im) kokossuiker, klappersniker. on m ifn n / viN mot zilver en goud beurtelings bewerkt of ingelegd, bv ran een knsschêe, vrg. ki ijifipun

ffï!

lil llif

;j t

f\' N

1^1 %n zie bij MiiifW rietsuiker, «ry

iDi nn) rietsuiker op de .Tav. wijze bereid, Rh. rnrLi i iw hiijj klappersniker met geraspte klapper vermengd. ni)iiiii\\s witte gekristalliseerde rietsuiker nj n 1111 i ij kandijsuiker, ni n i 11\\ gesmolten suiker, ook ben. van de tembang L)an-dang goela. 11^11,1 i.ij vins Javaansche suiker in een puntig bolle vorm, /.gt;;ƒquot;/ n i snikermuisjes. ni tLi iiïs ook in iui iu\\ en ninr kokinje. — a/h n)))i een bedding maken voor plantsoen. — nm vrl ngt;(Ux suikeren; eea tuin in bedden leg-

03

I ;

«K JP

ir l H 1

■ A

18; h li 1

if l

l [L |;I,

i

j I

V


-ocr page 1082-

)

(HKtUfS

1quot;quot;

gen. — n.iMi/j of tuorij^ een bedje,

tuinbed ; met beddingen.

O | . t ^ O

i/j i li \\ J. K\\v. zva. in ïihuh mw z. ujiiis of

\'ui ij ni\\ kn. Iknggaalsehe ko ij iiw n^\'tLpHN., tftk? ni ki., l\'ülff. Uil. n.

ij ik t ui k of ki. .Hn inhH/js of ii^ i i ill \\ poëi. de hals, ook fuj. van levfuloozc din gen {ory. II en \'hntiihn/j). nj n I i n I Ijl i. n j liet

onderste gedeelte van den hals van gevogelte, WW. (ttn tie hals van een /.n iji \\ hoven de i n w JU.).

i n i.jjj i\'ii ^ ganzenhals d. i. de groote stengel v. e. pisangtros, WW. volg. Kh. de strot {vry. in

Y nu hn}j\\ enz.), ui ij nit iKi/js kn. een kraag, hals-

i / o gt; T y. . o

kraag {\'fff- I n i,n i n III). in nj tj n t n.j \\ V. e.

O

inij iLit i.i/j voorzien. — 11 i ij ri-j \\ kn., i rm m i.n/j kl., de tweede in rang; liet tweede onmiddellijk op het oudste volgende kind.

. o

iij tj n i \\ zie nj iliw

tj 111 ij ii u\\ kn. ij mn i\'tj ni)fnis\\ of if 111 ij m? ij ij m ij ii u - liet hool\'d telkens heen en weer bewegen, Waj. II : 899.

fj m /ni \\ kw. zva. ij nt ii\\ ijhiiinjj /ƒ///»ƒ

1.n/j en t i t iJiw l i ij im ilis zie boven.

iiiilij kw. zva. i i hïi {vrg. mni 2.).

iiiili\' 1. kn. het hart, het binnenste, hardste, /ware hout van sommige booinen. niiiïqiwi rrifj het hart van de tamarindeboom meestal zwarteer worden wandelstokken, knuppels enz. v. gemaakt.

2. kl. van \\ ii i n en j n ii itw aïiq {zie n/n .hn J.).

in iliiili.gt; 1. kn. als galih . zoo hard. 2. kl.

o V .o

van 11 nu en van i n hi n iq w — i.i .m iligt;\\ Kl. ;

o -T o .v rt o

van i ii.ns li i un en li ui ili gt; w — m ii ijini

hij volg. WW. bloem, puik van rijst of meel;

, ,,i o i )

volg Kh. zva. in im/n m sjiecerijen. — m m

ili gt;111 hi^ ki. van wrj ,i.n m ^nif isn (injj [zie bij

-gt; , . __o O o

Lil (bil s J.), en ---- in ili s un m/j — li muis

* •) o O

(ini-njj\' Oj ii ili iii\'i n i/d fj \\ ki. zva. ui m

lUft\'HW^ maar ook van .in uïi en in

den zin van gemoed, gemoedsstemming en gemoedsgesteldheid, WP.H. {aldaar onder den invloed van het Madoeree ch, zva. miiï? Kl. van

n \\

i n a n\\).

o . . s\'

nii li .KW. zva ij Ln^\\ /ƒ ui 2 n ij im tf i.y ki nj uij \\

en nuin (Skr. galoeh, een soort van edelgesteente); kn. naam van een regentschap in de res. Jjirebon, in oude tijden een rijkszetel. ) ) ^ ^ r\'»

mnif kn. zva. iLI III\'ICIJ Of \'\'s\' \'-s\' nni.i j\\ i j 1.1 i,n j

r O ) o ^ - O O o / v

o/ i j i j dp h ii \'j \\ en i i n oj i i t i n \\ {vrg. uj n i gt; ).

m ii i si n llt; niilijj\\ i \'n tii

het uitvaagsel der wereld.

, 1 o gt; N zva. :l I lil L.lW

o

zva. mnisw

)

nj nj^ gt; • kw. zva. miLiqw m iii ■ ij m nruyj\\ zva. rn n i Jij ni J\\ rn iLKinjjs zie bij iiiiii\\\\

nj iui(mji zie bij njuiw oij ij ui/i,ifl\\ zie bij njiL^w

iiiifi\\ of in i li (mi \\ l. kw. zva. (ljj ui s \\ qjj li en vohj. G. zva. lS] ii js en ninihn/j {Skr. g ldn a , ver-moeid, algemat, verzwakt). 2. kn. naam van een roofvogel, kiekendief {vrg. (UinLj ) (r.

in i.j h n ^ kn. ; i \'n in /y iemand met inoolje praatjes ot\' beloften tot iets zoeken te belezen, met iemand vertrouwelijk of in het geheim spreken, bv. om hem voor zich ie winnen, of tot het een of ander over te halen. m ljihuhi^\\ een vertrouwelijk gesprek hebben onder vier oogen, mei voornoemd doel; zva. n f j im p {vrg. m

ni hj i. n j\\ kn. i^i Kj /i ii^ in z\'c\'1 waggelend

voortbewegen, van dikte Kh.

iniiji.i j\\ kn. , i \'n in ni li \\ met zoete woorden van nj! gt;\\ cJ - •

iemand iets traehteu te verkrijgen {vrg. i.ir in ij i.n/j).

in hi n j\\ kn. \',y 1 ^ p\'\'\'Jj] ^ zacht en hol klinkend, van stem, (Tj.) Rh. vrg. j i jw

ni(pinkn. pil of balletje als een hoeveelheid {bv. i n

a ^ . . o a . ^ .

rimivi-m »/;\'{^\\); ook zva. i /; i.% ov. t il lsii ij nt

in /I / \\ om een kleinere hoeveelheid uitte drukken. ij

— i n in ffi \\ iets tot een pil, balletje of rondt klont draaijen of vormen, ook zva. m j?M een cigarette oprollen; en in de vorm van een pil ol\' ronde klont zijn. — i \'n ni fei n n mv. — Vi\'(V quot; hi/f\\ pillen, balletjes; ronde klimt; in pillen of ronde klonten.

\'/ 7 IV KN-; \'/ 7 ; ; ^ 0f wern Ij n I 7 ^n zonder \\ n ; rm/j zieh zelf bezig houden, alleen spelen, van een klein kind. — gt;j ni ij pr n hjjj^ alleen, zonder 111 ! i ni/j, loopeu te spelen; geen oppassing hebben : ouingevat {zonder 1 n .■ 1 lj m/j), van edelgesteenten , WW. zoo maar liggen te slingeren,^\'»-


-ocr page 1083-

|i|j cl

?

If \'i i |\' l\'.

II ; f . ■

o .

I // .TM h I \\j. n .Mi \'

ui ^/ ƒ// plat da

1!

jl

11.! ■ ■: Il

f ■ . il

i

i? 1

zva. i iiiiini\\ 2. kvv. zva »♦, f ( i

gt;1 l \'U l II Ij t.i gt;. /11

ï:\\m\\

quot; ij:

an Wiiin^ met een vaart daarheen P Cd

; li

15 ■ gt;

;{l

li:f

li •f t m

1

!

of l,

7

7 quot;quot;/KT

der behoorlijk- opyehoryen of inyepaii te zijn, van \\ andere dingen, JR. \\n tj n i tj t{lt;i »\\ mjj in L. 42, O, van een kind, onverzorgd op don grond liggen, (te rollen of wentelen).

quot;/ 7 quot;\'7!L{1gt; quot; quot; v,l \'1 quot;quot;I jVn ~ie 7 Vj\' 7 lri\'

r\\ Ov /t Uu O | |

in {gt;i^ oj iij ruiH)\\Kii.-, vi i.n n^iu hi overal op den grond plat daar neerliggen, (eiy. op den grond liggen te rollen en wentelen), zoo ook in Tj. zva. ui

s . O - ■) Qc ,

tmwn mjjs — in / n ^ \\ of i n n^nnhy op den grond plat daar neerliggen, {vrt/. n/h en ni

ri„ . Of .I ; quot;) lt;D • , |

— cry f iV 0/ nj tin i i.i plat op den

grond daar neerliggend

ni MN kw., tn hi \\ kn. stuks, als telwoord c.

quot;/•\'/ t)l,l

groote eenigzins ronde vrachten gezegd, bc. kokosnoten, nangkas, — 17/ j)lat daar neerliggen, iy. van een zieke zonder hoofdkussen , or;X-

neerliggend. — Tf]fóy N noo \'u /*yu r?c^ee^ zijnde, onaangesneden. t iitcvp

een geheele watermeloen.

in mi gt; iniiiinss kn. treuzelen, niet goed voortgaan wlt;?/ /*7.9 gedaan moet worden, ook met het gaan ergens naar toe\', schoorvoetend iets doen, Rh.

ij i^i ijmn \\ kn., r.n rj tn innr \\ gaan glijden of voort

rollen, van iets dat vast staan moet blijven.

iiiii\'ii\\ kn,; (uh niciin of »/gt;» nil itiiin ^ 1. iemand \'KCJ * (ii

of iets niet geweld weg- of voorttrekken, voortslepen of voortsleuren, volg. Hh. oo/* ti». pierewaai-jen

irnqw R.

rollen, van een sterken stroom gezegd-, ongehinderd kunnen voortstroomen, van een rivier, niet door dammen opgehouden\', van een weg vrij , zonder hindernissen; vlot, hv. lezen, zie ook op m nn\\

) .)

quot;/j

V,\'ingt;in\\ maar aanhoudend wat binnensmonds

\'l~Ui \'«, CxJ

en langzaam mompelen. — nh in u/i \\ mompelend, binnensmonds en langzaam iets zeggen of praten. i^i nli \\ of ui/u kn. een karretje op twee rollen.

quot;f rn 1 ij nn n kn. naam van een visch . k. -

loopen, leegloopen, Rh.

Ln^Y(\\V ^vr(J\'

firyii kn.

het werk wegslenteren en rondslenterend zijn werk

o . n . . ,

verzuimen Ivra. m ini m nn^ en i.u niii.n iiii\\ Ijn ^ quot;.6,/ \'\'.CU \'K(ejl •

ni jfij i i m p zonder werk rond-

\'.liiin ). JR.

trKnn 995

(J

ligtrollend karretje, door een paard getrokken, hij de Chinezen en inlandsche reizigers in gebruik {vrg.

ij msin m/j)\', ook een kleine bol of bal, bv. nn

o a* , v o cv ,

i ni in nn \\ {vrg. gt;/ nit ijnn s \\ en m/mn). »ƒ

(ULiis nl ini\\ eig een rollende gulden, zva. ij ui 111 \'i I i n gt;\\ een uit drukking bij de kooplieden en ba koels in gebruik, in onderscheiding van m ;

ii int. iin\\ — i \'n /il iih rollen voortrollen, weg-\' \' i f,

rollen, afrollen, enz., gew. van ronde of schijfvormige (of volg. G. van kleine\') voorwerpen. —- nj f(i yn rollen, bv. van een knikker of appel, erg nj

■\' i in^ook wel van een paard onafgebroken voort-quot;IU/ \' 0

gaan, niet telkens stilstaan, — niuniinip

wiel, rad, bv. van een rijtuig {vrg, ij m i:i\\); op

wielen; en een rolwagentje {vrg. nn n ni/j).

ni nn\\ kn. gt;/) nu in nn slenteren , ledig rondlooneu (, I, \'I .(yl quot;.( I \'

(vra. iniin niim ). J K. (rro. m f i). v J r, r. /■ ■ \'i (.1

in nn kn. klank nab van een hol, dof eenigzins

weerklinkend geluid. lt;4|

in n\'n\\ óf in ui nn kn het rollen, van t/rootere bot-quot;l Ut J ll (, t 1 J

vormige of cilindervormige voorwerpen {vrg. nj n\'^ ). ~ i h i^i nij rollen, voortrollen, afrollen, enz.; zich laten rollen of afrollen.— i ii ni nn m gt; iemand iets toerollen ; op of tegen iemand of iets neêrrollen o/ aanrollen; ergens tegen aanrollen of wentelen. — x \'u ni nn i i n i,n\\ iets doen rollen;

•\'l(J 1

iets voortrollen, afrollen of afwentelen. — quot;/\'•} ain x of nifinin\'n rollen, rollend zieli bewe-

(,! •\' I, hut

gen; als een rol op den grond liggen, van een

mensch. — un innn\\ komen of raken te rollen, \'UcJ

af te rollen, e?iz. — 01,1 nie^

te rollen; heen en weer liggen te rollen, woelen;

als m nn i i i.ij\\ quot;rebruiken , \\N . 1 , 2gt;i5. quot;/(J -Y 0

ij in n\'n kn. lediu;, van een voer- of vaartuig; het lt; \'i ( x quot;

ledig tliuiskomen van iemand {vrg. xjij m • en rj ni?nn\\), volg. IMi. ook bloot en open van een terrein, {nn i.u i£ i.j) ij in\'n \\ onbebouwd, onbe-plant van land, BB. —i h ij )fn ï//n zonder lading varen, van een vaartuig; ledig naar huis gaan of thuis komen , niets opgehaald hebben ; leegloopen . ledig zitten, BB.

zva. innn Hh.

quot;.(J

ij iiigt; rrn \\ kn. klanknab. ran het holle ijeluid van een ledig vat, enz., h^t ledig zijn, van een vat , kist, huis zonder meubels, rijtuig tiaar niemand

03*

!•

«•

-ocr page 1084-

996 Vyp*1!0^9*

in zit, voer- of vaartuig zonder vracht, enz.(vr(j. »1 \\yygt;t en rj i h gt;ƒ \\ leeg,

ledig zijn (y;y/. »n? /gt;» »/»ƒ).

rf %n? rjn\'n ^. i. groote bol, van opium, zooals die aan de opinmpacJifersyeleverd wordt {vry. in nigt; ). 2, ruwe balk, gevilde, maav nog ongekante boomstam. -S in Ihn/élen, henaming van een dorpshoofd, dat als de eerste van een vier- of vijftal andere dorpshoofden beschouwd wordt, een soort sous-r/rf, die de hevelen van den mantri of we-dana ontvangt, om die aan de anderen mee te de eten. — ym? »ƒ ii fK^p in de vorm vaneen groote bol, als ruwe balk, ongesjdetcn , van bamboe; aan groote bollen; aan ruwe balken; {ook henaming van een soort van gestreept goed, GR.). (ffi n/t(KJiiun nn/j\\ kw. zich haasten, spoed maken {vrg. iinnJiv-j ). G.

leggers van naast elkander gelegde gespleten bamboe (of planken WW.)• onderlagen een ledikant] vloering van een hrug, ■lavaansehepaarde stal of iets dergelijks , nl. van in tweeën gespleten en geregen hamhoe\\ vrg. hyj\' lt;gt;n iiwKOfj (de planken van een zoldenoerk; (t.); de zitting van gespleten bamboe van een i n y ƒ j xi/j , daar de mat op ligt. iijn.n ^nu een soort iinan/j Tj. gt;n n i ij tiUgt; \'},\'i i iip gaas met daarin geweven digtere strepen . VV \\A . in Tj, gt;n i j ij hut i.i j — eni iu rt,hin met tn n t, van tn )n voorzien. m i j kn. streep of l^n in de palm van de hand fl/1 elders in de huid; ook streep in het zand of de aarde, bv. door het stroomen van water veroorzaakt

(vrg. innis).

as ciS

muis kw. zva. f.»111 nn

m ihj^Kïi. lange streep, reeks ; geleidelijk voortgaan en op elkander volgen, (poot. in uj i\\ \'Pj) van een verhaal of voordragt, (de bonten onderlaag, oiulerdrempel, ran de posten van een deur van \' een bamboezen huis; de onderlaag van de wanden ! van een planken huis, KT.; een middenboom van i bamboe of hont tot steun onder de uin n.n ook rolhont onder een zware balk, steen of iets dergelijks, om die gemakkelijker voort te trekken. — i hmi naar volgorde van het een op het

andere overgaande, geregeld vertellen, K. 20, 22. ook het regte pad betreden; geen slinksehe wegen

mi nu

gaan, K. — m iijjn }n/j\\ een lang in don grond gemaakt spoor , en de zigtbare sporen van den ))loeg van een geploegd veld, d. i. de, als een lange lijn vormende, vore, insnijding (van den ploeg).

niiir kn. uitgespreid; in orde u itgezet; tentoongespreid; vertoouing die gemaakt wordt, om te misleiden; list; taktiek , (ongev. zva. n/n i.ii n iq ). krijgslist; slagorde, {en zoo ook (rilm ij 11 tniu\\ een vertooning maken om te misleiden. Ki in ili \\ zva. h/i mn ikiiw zie ook hij uajiin/j. — i n in\\ poet. in orde, ieder op zijn plaats naar rang, gezeten, ook in orde geplaatst, geschikt zijn van spijzen, I?s. — mn tn n i iets, zooals een mat op den vloer, uitspreiden; een bed spreiden, dingen in orde uitzetten of schikken, regelen; de stukken op het schaakbord in orde zetten; en vervolgens uitzetten met een doel; /VA? uitsteken, tentoonstellen. — (uh in iu n\\ iets, zooals een vloer met matten, bespreiden; ergens iets uitspreiden in orde uitzetten of schikken; iemand iets tentoonspreiden ; tegen iemand een list gebruiken om hem te vangen of te verschalken; iemand listig begoochelen of verlokken. — tuhtrniu n if un met iets bespreiden; met iets begoochelen of verlokken; «V/f ontwikkelen of ontvouwen, uitspreiden, tentoon spreiden, 0i3iuiuinson publiek strafuitoefening houden, B. T. Dj. 285. i h in tCrnrjmn hiiiisii i: im/i\\ den Koran ontvouwen, de leer daarvan ontwikkelen en verkondigen, mh oli ru-yirj(hu livii irris leeringen vermaning ontwikkelen, prediken. — ui tin i uitgespreid; in orde geschikt, uitgestald of gereed gezet; tentoongespreid ; opengelegd; voor oogen gesteld om te begoochelen ofte verlokken.—. oji rn ili\\ het uitspreiden , enz. inn nonns wat uitgespreid of tentoongespreid wordt; kl., zie hiiijiw . u fniu \'n ui/j l. kw zva. li (Lji n i ^ i i\'ji^ l:i in J — 2. kn, //aam van een phut* ten noorden aan de oostzijde heneden de Siting ft met een plat dak van hamboe overdekt, waar vroeger de ambtenaren op Maandag, Donderdag en Zaturdag, op hun matjes naar rang en orde gezeten, hun opwachting maakten bij den Torst, die dan meestal naar huiten kwam en gezeten was op de Bang sal- pangravnt. ui inni niitfj\\ naar de pagëlanm zich begeven.


-ocr page 1085-

907

1 •:

II

) / mini

zva. tl 11 a

li |lj,i \'■ tr\' \'\'

\'j I f ill

1

li

«jf ij ||

1,-l

! !i

m

I,

illiH

■ li UI! li

algemeen

in rn ui n

11-gt;. !l

li

l

tun/j run kun, snorken, DW. 309, tfTO.

{rh n/\\KN.; rt) in rn n.i\\ cn »/ƒ .• i n i\\ iloukercn , van do oogen, ho. van blijdschap {vrg, m iu\\), uok naam van eon ghidiny.

,n n i1 kn. geregelde afwisseling, óv. van land- en zee-wind up Java; geregeld op zijn beurt dienst doen; geregeld elkander afwisselen en nllossen, hv. van wachten; op haar beurt één van zijn vrouwen bezoeken. — (niiuius draaijen l/v. v. de wind, Kh. hi Dam. Woe. van de oogen; fig. overgaan hv. v. een eigenschap van vader op zoon.— i.h aïl ih n\\ ionand op zijn beurt vervangen en nllossen. — i// ri] iu r}.ii,7^ ti^ hii/j op zijn beurt de wacht betrekken. — i7i rPi fn rin HHs op zijn beurt laten vervangen o/ allossen. — in ili n jlt;i/j\\ bij geregelde beurten; om beurten met een ander of anderen j beurt houden of bij beurten afwisselen met een ander, iemands beurt.

of ui n kn. gewarrel door elkander, zooals van de golven van een onshdmige zee, die \\ door elkaar woelen of hei in massa met geweld afsiroomeude water van een hergsiroom; verwarring of verward door elkander, zoodat neig ens ge regelde orde beslaat, hv. van verwarde gedachten cn van een land, waar alle maatschappelijke orde verbroken is, geheele regeringloosheid; oproer. m ij tj })/, zie hij m ij^niw an ru \\ zie (in nw

I) quot;/

rn gt;ij\\ kn, gekerm, met een fijne stem; gekreun , hv. van een zieke {org. Tl] *7 ^N)• \'V? ^^ \'N C\'H

gekerm.

»]y»7^KN. gekerm, met een zware stem, ook kreunen zooals een zieke \\{vrg. tn n gt; \\ on i h [rnjnnj j ). \'•! \'/j\'N en /A)0 kermen \'\'» {/»

ook met een schorre stem spreken van zware verkoudheid, zoodat het reutelt in de keel; een I onderdrukte kreet van verwondering slaken, W. 1 .

(\'), ook van bedwongen drift, Rh. ) , )

V,\' V \'•quot;// 0J gt;n \'7 ij KN. j lt;ty ii i.in jll l.ii js

rochelen, zooals van iemands stem door slijm in |

de keel, en van een stervende {org. y nu ij w i.n j

eu \' quot; \'IJ — i h ni ij i.ii/j. gerochel maken,

rochelend , van de stem.

/ r ^ /

of crn fti.j\'n itnjis

j h ni n yn zoo kermen.

■) /-)n n I

ij tnê ij minjs zie.üij ij nu ij m r i 1,1,1 \\ kn . j in rn m My\\ schrikkend en stuipachtig de oogen opsperren, zooals een kind dal sluipen heeft. tn riLi^i iii/j stnipaehtig sclirik-ken.

(nirn u\\ zie hij rrn u w

m ii i ilt;ii /j\\ kn. tut bijten, stooten , steken, enz. geneigd, van beesten gezegd, als tijgers, honden, buffels, bijen, enz. wild, woest; vurig, vulpsch van de oogen, van de blik, Rs. schitterend stralen van een mooi je diamant, cm n i Hii^/ti ili i-n,^ vurig van blik. — l;» rn.inrijuiijis wild, woest enz. maken; een beest tergen, plagen, zoodat het erniiu.Hiiii\\ wordt; fnj. toorn aanvuren, aanprikkelen, aanzetten meest tot het kwade. i n rn m i)(gt;iij hii\\ maken dat iemand of een beest, wild, woest enz. wordt; met iets wild, woest enz. maken.

kn. ern in i.n iiï luW zingen, zoodat het op een afstand te hooren is, Rh.

ni ij n u hiifj\\KH,-, m ij mèmi ij tlu un i\\ aanhoudend

luidkeels schreeuwen of zingen, W.

in n i igt;iifl\\ kn. met rusteloozen spoed; zich rusteloos spoeden {vrg. ninii,ii.j\\ hji ili i.n/j en nj i i j ).— L\'it mi ju ilt;ti/j\\ tot spoed aanzetten, aandrijven. — in n! n i ini ij im \\ iemand spoed doen maken, maken dat men zich haast, zeggen dat men zicii haasten moet; met iets allen spoed maken,gauw voortmaken , gauw gedaan maken. — xji rnniHii/js het aanzetten tot spoed, enz. — m/i//.»ƒ in haast gedaan of gemaakt.

innihiijs kn. i. moederziel alleen.

) o . ) -gt; _ o

6. an nihil,p ook i, ii n i ilt;ii/j\\ - nnni.ii naar

hei geluid zoo lt;jenoemd, Rh.

nj nihil y kn. nj n i i,nii i inti/]\\ opborrelen va?i kokend water, Hh. — n^f^nihn/j opborrelend. i (tjanii ij n i hu/jn 1. kn. pop {vrg. i n ly hij mi j 2. n., li ij uu i i J ook verk. lirj icm i i/js en L^ijirj Mit Lt/p k., zoeken, zoeken iets te verkrijgen ol\' te bekomen, naar iets rondzien {vrg. du iininn,j\\ .uij 11 i lojis II, en i i rj/tj .^u

t) n i h ii/j, naam van een groote soort van mangga. ij niêij nihil i !ann\\ ile kost zoeken te krijgen , te winnen of te verdienen, y m* 7\' hnjs fï\'e\'q. bij dozen of genen zoeken naar het een

V Vi} 2 rrr}? h,,fls

ti !«

ï I I

\'

-ocr page 1086-

998

P

T\'yi

tj tn* ij hi/ I. n

ol\' meestal naar een uwuije vroiiiv, HIi.—

i // ij rnfrj n i». »7 n e?t xn aji tj i.iï j i Si \\ ou/i i i ij i.i t r/JJ\\ mv. nuar iets of iemand zoukcu, iemand of iets opzoeken , zoeken to krijgen. —i\'mi mg ij n i iini ij i, n \\ li rj u: ? i ivoor iemand of iets hei een of ander zoeken of naar iets rontlzien. — ri ij:rrit ij n i i.h/j\\ m i j 11 ^ i.i11 i,j het zoeken, enz. ij nu ij n i i^i arijjs 1. iets dat naar een pop gelijkt, zooals een St. Nlclaaspop. 2. en n icu i i ~ i .ui/j\\ K obj. den.; iets of iemand daar naar gezocht wordt.

^ann nn igt;u kn. een breed kapmes met een gevest aan een bandelier ot in den gordel gedragen, vooral in IV est-Java in ycbruik, in een schee. }jcïtiinihn\\ kw. zva. mn en uiwnw

of rrr^n J i.i ,hn/)\\ - tij ut n i 1,1^ 2.

bed, bedding.

cry i.^\\ of min II oil. galde.\'ij, galerij, builen of binnen- of ach ter-galerij can een Europeesch huis {vnj. rii(u\\).

ij ni t ij i:y\\ kn. klanknah. can het losraken en naar beneden sc hui oen , be. can een kind uit een draagband, Rh.

) , • * . )

nt 11 1 uy\\ oj nj n 1 i.y \\iS. ; 1 11 m 111 ■ CV^eua

op den grond neerliggen, bo. voor de deur eau.een

tempel; ook vati velen die op den grond liggen te

slapen {VTg. Ij M I i tcij)). nj 111 1 11 iti/j op

den grond liggen te wentelen, 2Ó0 wel in Men. G.

vohj. Rh. oj) den grond verspreid liggen, van

urn of ander vocht, zooals olie, ook wel modder.

enx. (Tj ).

^ O • . T

m uj (in? zie 0ij m ui fw

) 11 1 li \\ r.ie ui 111

-gt; . .. . T

mui i .\\ gt; \\ zie hij in

ij ni 1 n »;»y

__)1

quot;V

7 M\' \'V\'1

nu n I cnji^ kh. lid can de ledematen {pry. y mijj/y,

ook colgems G. afdeeling; en korf, insnede {vrg. ) ) ) o , ) n -»

inipuiJi). — 111 111 ijyui/i Oj 1 n 111 111 i\'ij in j\\ ga-

wriclit ran de ledematen {rrg. iirij in n i y 111 n i/j en 1 111I1 i.n . 11 ip hii verband, zamenhang, van een verhaal\\ WW.; afscheiding, atdeeling in een verhaal Rh., volgens G. (w/quot; oorsprong, begin. nn7LQibn/j\\KN. worstelen door elkander om het lij 1 te pakken en op den grond zoeken tc krijgen (vrg. nj \'y \' quot; /)• — t \'n in 11 ^ hii j^ iemand om het lijl of om den hals vatten, om hem op den grond te krijgen , of uit angst om bescherming bij hem te zoeken. ui n ji^i uijjs elkander om liet lijl\'vatte nj

met elkander worstelen.

-gt; .0 , ,

111111 111 f KX.; in miijihiiji J. kn. kauwen oj) iets

taais, Rh. kl. van 11 ilisw WW. — 2. poet iets verslinden. - 3. kn. iets overwegen bekanwen),

. quot;) O * Q., O .O

Ou. i.i )nnjj \' quot;it^rijjimiiiw — .l/ m iijhiij ki. het kanwenj kn. het overwegen, overweging. \'7 \'/quot;^kn. om elkander geslingerd, zooals bijeen worsteling {vrg. Lj ij.uujj en in u^ ^ij) i handgemeen; door elkander woelen van vechtenden, gemeenzaam met anderen door fa miliar en omgang. — i \'n 111 zich slingeren om; zich hechten

aan, W. II, 362. — omstrengeld,

elkaar omhelzen, bv. eau minnend en, B. T. Dj. m ij n 1 i i/j * kn. hard, vast, compact, niet broos, niet poreus, WW.j voly. Rh. aanhoudend blaften van een hond, zingen van een vogel, fig. aanhoudend praten van een mensch.

m n iKijj Holt. kn. glas; van glas, glazen; {ooi-voor beker van zilver of goud. WW.), ecu vlieger-touw met lijn gestooten glas en lijm bestreken, waarmede de eene partij het touw van de andere tracht door te snijden. — m/1./ m- j ,/^n een dergelijke vliegerwedstrijd.

in iu 1 i,j\\ poèt., en in de spreektaal n., in poëzie

ook in m iifjs zva. ijxA} innigs spoedig, dra,

quot;» ) o o % ,

gauw. (tc 1 m n 11 iji^ ij ia 1,1 , 11 m 1 i/j ■ spoedig !

gauw!

.-gt; ^ ^ o .1 -.00

111 1 j 1 Jjj Of in h 11 i/J kn.; i 11 in rj 1 i j oj 1 11 m 111

1 ijj\\ iets rollen, bv. tusschen de handen of vingers

om het dunner of eompresser te maken; over ich

met iets heen rollen, bv. om het te kneuzen of t:

... . ■gt; o .

pletten. — xjh mi^ii ^ji \\ ?nv. — lji in \' y 1 i -J

inn\\ rolinachine; een mangel, WW.; volg. Rh in 1 j 1 i/j — 1 ii in i j i ijj\\ plat tegen den grond drukken , bv. de alanyalang op een veld, ten einde verder te kunnen zien.

miiii:i/j\\ 1 11 ui 111 ijjj\\ zie 111 uja^jj -; ij\\ — 111 nï iu 1 ijj\\ met de handen of vingers rollen, bv. deeg, enz. Rh.

\' )

au ij 111 ? ij i n \\ kn. zva. atj ij mtj 1.1 \\ 1 j rj mi ij Ij I uw

, ) ) . ) /. ■ m iiii i^s en i.ii iLi h)KN.; iiilt;mn.n*)^ of » quot;


-ocr page 1087-

V\'.Vquot;

ui fiiu.Ki^ in menigte op den

grond verspreid liggen, zoo ah bloemen, appels en van lijken op een slagveld(vrg. » n ni y nifrjajit).

_ rn n.i (Mf n n zva. ni ruiKrn on/}^

® . . (quot;)

itjn*nniiMt\\ zie tniuiKifW

f gt;

r/irjruij\'M%s zva. m mi^jw

,m;m kn. — ? » heel lang/.tium vooruitgaan,

vooruitsehniven , zooals een slak, 11 h.

cmruDJts of rniiniis kn\'.; in n n.im imj of r^n i h) t ook \'j\'1\' •\' tfijj of in iü iXi ni Mijl\\ op

den grond liggen te woelen «ƒ zieh te wentelen , bv. van een gewonde {vrg. nnn.KKi^s i

i.ii.ii en tj rn wi ƒ); oo/i\' daagsch. alledaagscli; iets voor dagelijksch gebruik, zooals Ttleêren of borden, die mén niet behoeft te ontzien {van

flLI.Mv).

) / . /\' * - ^ /

.Win^i p kn.; iy?ï m nl\' l\\ 0J »met

de hand over iets heen strijken of strijkende lasten en voelen, zva. annuia.j \\ WW. volg. Rh. a ii rnti^rp zich naar beneden schuiven, naar beneden glijden.

/ x . ) /

i tj u i ii\' ili ii ni.i/j\' zie rnnivtw

crnrjiu KW. zva. i.y 1»vn in^\\

niyi 1:1% of tnthirj.uif KM.; {IJ7\' \' }/| ^ 1Iial

en gekkolijk, van iemand\'} praten {erg. i i(f Kni^).

quot;\'/.J\'/0f *Y A}\'7/onachtzaam, achteloos, achteloosheid, uit ligt zinnig heid \\ ligtzinnig.

— of ui ari^rj iHi/js achteloosheid, malligheid, gek scheerder ij.

cnj^ n i wmrn gt; gt; KN ; i ii rtj ili \' ryn gt; een kind opvoeden , grootbrengen {vrg. I{j n \'1\' quot;quot;x en •\'\'il^s )• — u ni ii i in iui gt; \\ het opvoeden , het grootbrengen.

.IK. zie i.n tu ? 11 in HV. 6 ij j.nnu\\

ry _ \'\' ry

- j^huiw

in namji of tti m ai asti/i^ KN.; i \'n iii ui asnjj of i ii nn m ui thii/j een arm of hand of de handen, of een beeny bewegen, verroeren of uitsteken; een hiind of de handen uitsteken om te werken of te helpen.

hi lgt;i liiji\\ am )ij n i i:i huzie niri.lii j\\

iïi ris of »ƒ in i\'i \\ KN. benaming van de tijd van den dag dal de zon na den middag zigtbaar aan het hellen is, zoo wat om een uur (vrg. nl i\'i\\).— i ii iji ur of t h ij iii i\'jis omkantelen, omslaan, bv. van een rijtuig of vaartuig; wei Telen, van iemands hart. — in ij ni iji i i ij i.n iets doen omkantelen; iemands hart doen weifelen. — of rn

Dinihi^

Y ^i rr op zijde liggen, omliggen door omkanteling oo/c zva. ij rn iji \\ W. 1 , 211.

o .

ii m i i \\ (Lil ii m i is enz., zie m I i In \' \'i. quot;

O 1 ^ /* O . / ••

inni\\ rn ui ili \\ Of nj m ili \\ zie üij iijiiiw in i j i JJ of in i j i -ja i js kn.; i \'n » /1 11 i rj of i \'n m wegsluipen, stilletjes weggaan, zva. .lii ij rur/n u ui/j {i^ijijiiy enz. hetz.),

ij i^ivj u i ij nn/n\'n kn. gemaakt, onnatnurlijr , van iemands gang, \\l. ij in -y n\'i zva. i ij ij ng ui j\\ zich ergens neervleijen, Rh.

in ij lis kn. ni ij ivi ni ij dji slapjes, lusteloos if/.v

verrigten , Rh. fig. koel, niet hartelijk zijn.

au ili li/js 1. kw. zva. hu ij n i ij li? hi/j en i.i iiw2. kn. zva. i n n i Li,j\\ zooals in (rniu ijijw opvliegend, driftig van aard, (PJ.) Rh.

in nu. ij kn. de bliksem, voorgesteld als een vurige of glocijende, uit een donderwolk vliegende keil, en de ergens inslaande of iets treffende bliksem {vrg. lii rj i i mp. ijii /n in n i ,i i/j donderkeil, dondersteen. i?i j i : i ni n i li j\\ de bliksem haal je {of hem)! een verwensching. i\'n in n i ui/i als de bliksem in eens op en wegvliegen, bv. van een kip, die men onverwachts nadert; ook van een mensch, die iemand ziet naderen en zich als de bliksem uit de voeten maakt {vrg. tLuijijf).

)

ninjiij^ kw. zva. ij i i quot;ij i . i gt; lii p ihni li/j\\ kw. zva. nj 111 i.i/js kn. 1. blinkend en het blinken, bv. van een zwaard; glans; vernis {vrg. in ili en tu\'ifrrhs). 2. schichtig, schrikachtig, van een paard {vrg. on lii 11 -. i inji i.n ij m .li, hijs en in iii i/i). ili i/i/i rn n i (L\'i/j een geheel vergulde zonnescherm, zooals alleen door den Vorst, zijn echte zonen en een Fangeran-adipati {of sommige liaden-adipatis, of F anger an s in Gouvernementsdienst, Rh.), gevoerd mag worden. — /nu ii.i/j blinken , glanzig.

in n i ^ii lii/j of nj n/[i j i n j kn. overal bemorst of

beklidderd, bv. met slik {vrg. nj i niij).

) o .

m 11 Liir.s zva. i i f 11 nis 1.

(i —\' co —\'

rn 11 i-n/js kn. »»» 11 hu J {}»/gt; ii\\ ongeo. zva. in tn u j met groote haast en gejaagdheid iets doen; bv. door onverwacht bezoek van aanzienlijken.


-ocr page 1088-

1000 (TT) IJ

rrn 1t-ij/j of en wy zoa. jy

Jci/? quot;n u i^l ^ii/j^

lt;m iy \\ kn. , »// \'y o n kl)., meel. «\' / / n lt;r)i rj»| \\ m/ * melig suorl van mad ja. ii ij zooveel

als een vliegend meelstofje, zoo goed als nieh {vrij.

o , ) » •

»n,bï^\\ f/ \\) / i nt li\\ een ziertje, een greintje, A. 13. — iVi miji\'i* meel maken; zV/.v tot meel maken, vermalen; ook als meel, als poe-der, (Tj.).

m tÏÏs of\' nin rtjis kn. exoi\'ceren , zich oct\'enen. m

n •\' \' \'

lichaamsoefeningen, hel dansen, den wapenhandel, in hel handig bedienen, enz. {vrg hj ). lt;/» tlfjtn/l\\ exercitie troepen. — i hcni tcis uf i /I tn n 11?)\\ iemand oefenen ; hrijgsvolk exerceren, drillen.

O /gt; O

ini oj ijnnn ^s enz., zva. ij enz.

V 7,quot; \' \' ^ 0f »\'» gt;/ »\' \'\' \'^nkn. nauwkeurig doorzoeken oi\' doorsnuffelen, be. een huis, oni gestolen goederen op te sporen. i^i^jau i:i^ \\ iels, zooals een bed, om en om keerer. om er iets te zoeken (vrg. i y \\u\\un^ \\). — / )\\ tj m ij) j * n \\ iels, zooals een huis of vaartuig, overal nauwkeurig doorzoeken en doorsnnfTelen; ergens huiszoeking doen. gt;^ / k?^\\ Iloll. gulden. -

mi tJi hr})/)\\ zva. mi tn tn/.s »»x a (

miuictrijj of q)) tLriJilt;trijj\\ 1. kw. een korte lans waarmee men op herten of wilde dieren jaagt. G.2. kn. gekloofde bamboe tegen een omheining aangebonden tot stevigheid, WW.j een onderlegsel van naast elkander gelegde bamboe\'s (als bevloering bv. van een loemboeng) waarop gewoonlijk a.i / i h ii/j \\ gelegd wordt, Rh. 8. kn. naam van een plaats buiten de noorderpoort van de aloen-aloen, waar de transport middelen (lastdragers, vracht paar den en karren) voor de dienst van den Vorst geleverd moeten worden \\ in de g onver n em en t sla n den ver-zamelhuis voor de koeli\'s voor \'s lands dienst op elke plaats langs de groole wegen, ook tot nachtverblijf voor doortrekkende militairen, ij gt;gt; n i gt;) lt;m m nip naam van een j)oort in het midden van de gladag. tj ó) ? rn in mijj \\ een lastdrager voorde dienst van den Vorst-, koelie\'s die aan de gladags gereedstaan voor gouvernementsdiensten.

i)11.1 cmji of ■\' gt;tn /.) ii i j benaming van de ambtenaren die de transport middelen ten behoeve van den Vorst moeten leveren , en daarvoor met landen in leenbezit bezoldigd worden, ui;ui ui oti iji 011 p het opperhoofd van die mantri\'s, de opperleveran-eier van de transportmiddelen ten behoeve van den Vorst, i i n un n m iiitw ernjs de pasebans van genoemde ambtenaren onder pandapas rejts en linies binnen de gladagpoort. 1 . m k? n nci ()iij\\ een lastpaard voor de dienst van den Vorst; iti de gouvernement standen een voor het postwezen en gou-vernemen sdiensten geleverd en aan de gladags gereed staand paard j meer bep. een bediendepaard, in tegenstelling van ti mi -11 quot; i of 1 y rrn )lt; 1 neen heerenpaard ; ook voor een knol, gevj. een gladdakker genoemd \', tevens als scheldwoord, ook meer bep. tegeneen vrouw, straathoer! Kh. — djn ay ui ernjjs met korte lansen op herten of wilde dieren jagen {vrg. (un rruicrn/jy — yii 1:1 a»» mi/j\\ een piekerek {vrg. (lji iu (óim ar^ij) •, vroeger ook een kapstok om linnengoed op te hangen, zva. u i u h u jfi/p G. — rnici\'in ui/j\\ zieli gedragen als een lt;rrrtc) rn,p 4. — tij \'^1 r i onqs ratelen een zwaar rijtuig {vrg. (itj gt;/ ij ui t^jj); ook nu t een dikken langen straal hard stroomen, va?i iva-ter {ook 1. n rn n.i ici eni }\\ ïj.).

iniinijs kn. 1. een ouderwetsehe etenskast, laag kastje op hooge poolen, WW. volg. Rh. zva. ij mt ij i n t ern p 3. zacht gerommel van den donder en van kokend water {vrg. vy^ïn/j en »/» (voj. rn/j). iAj an.bn ern/] «V/j met groot vuur koken, bakken enz. zva. \\crn(ir^ nij^\\ — n^ wi/j of oii .u iici an/i \\ zacht rommelen, van den donder \\ ruischen, van kokend water \\ fig. koken, van het hart.

jnu^inp kn.; klanknab. v. gedonder, gebulder. rn :ni j in ni j \\ in de verte bulderen, van den donder en kanonschoten {vrg. rn Li rnjj en r(j quot;Of tnj).

ni / 7 m/j of niin ici(rnj\\ kn. werkman, werkvolk, voor werkzaamheden, daar geen bijzondere kennis of oefening toe vereischi wordt, opperman; ook tijdelijk geliuurde arbeider, als opperman werken, de kost verdienen met oppermanawerk {vrg. 1 y -n^v). i?? in 1 \'1 rii/j\\ naar alles wat men ziet de handen uitsteken en liet in de hand nemen, zooals kleine kinders doen; zijn handen niet thuis kunnen houden en overal aankomen.


-ocr page 1089-

71^ 7 \';^N

1001

flj/\'j ni/i ntjj of m\'n^uyrnji KN. doiuler,

«\'ciloiider, gcroimnel cn geratel van den donder (vry. in te}au/j\\ 2., nKiJi rn j en inrna^nyj). — ttj .■riyiH/p donderen, donderend; ruisehen, van kokend water) ook zoo heet zijn alsof het kookt, van het lichaam., WW. voly. Rh. vlammen v. o. (jroof vuur, en dan ook zoo heet als vuur van het liychaam. — i» ::üa\' xin\'\'V v

tj in i i ih/j^ na. achterover vallen. —im/j»

gaan achterover vallen , zich achterover laten vallen, /jv. ld een stoel.

)

V m\' V\'\' /N KN\'; quot;/ V iV 7 \' \' \'ü? 0J crn 7 ;V 7\' \' oTiji^ ratelen , öv. van een rijdenden wagen {vry. tn i^ innrtyj). — ij v\'(gt;\'/1 ) tn w/js rolletje, wieltje, een rolwagentje {vry. in yn i ) injj). m ri {of ijhtu n) \'/ yirj jjt rn (hi/j\\ openslaande deur die op rolletjes loopt; ook naam van twee zijpoorten van de aloen-aloen, die vroeyer waarschijnlijk op rolletjes liepen.

crti/p KN. gestommel, r.ooals dat wat door een paard op stal yemaakt wordt {vry. tj tnii^iuu^en tj iflii ip ifH/j). — i ;gt; gt;1 rnè ic) mq\' zva. thijnid

(irn\\ een ledige ruimte of vak vormen, bv. rj i tn

(\' O o CY . ...

n { i i ili mi fcntLTiri npt in (rnjj\\ een klein en

schaarsch van meubels voorzien huis; üo/- ledig, van een veld tusschen beplante velden {vry. ij m gt; i i nij). — nidici iij\'Kiq\\ gestommel maken, stommelen , tegen elkander klossen of rammelen. ij nii tj icie rn/jsKü. een bamboekoker, horizontaal in een boom opgehangen, of tusschen een gaffel vastgemaakt, om een rijstvogeltje of musch te lokken er in te nestelen; een bijekorf, of lie oer elke holle machine met gaten, horizontaal in een boom geplaatst om de bijen er in te laten nestelen; ook een houten, door twee personen gedragen kast, waarin de oepatjara\'s van den Vorst en van den Kroonprins gedragen worden, nsti ij ni my rj rnnj iji it ui j\\ bijen die in een glodog nestelen.— i//»ƒ 7 7 \' gt;* ,quot;y/N er yens nestelen, van bijen; hol, uitgehold; hol zijn. — » h ij \'ft*\'/ 1 \'* vervellen van een mensch {vry. i i quot;j11^ 1 \' bij i i n j i j ). quot;li 7 i,u 7 \' ziv bij ij nu y \' i? ui js — ij rilt

7\'quot; {{{\'quot;\'/ 00,1 gemaakt bijëhol; een groote holte, bv. in een boom en in een mi ij lt;ii\'iit ui m/j, (de holte van het lichaam van menschen en beesten , de borst- en buikholte, de balg, .1 li. voly. WW. Tl\', de holte van het menschelijke ligchuam, bv. de buik).

lt;tj crn t ijir^iyi. zva. iji nu ij ~va. ■ jij nu rj ilt; i\\\\

ui ij n 11 u ^ of rr)iU\'if\\ kn. een\'gzins wagge

lend voortgaan van zwaurlijviye menschen,

ij 7)i2 ïj u i lui ^ \\ (herh.) ni rjiiXf i u%\\\\ l?s.

/ . / r S

in ui ■ kn. — in muis o niiii ygt;}n/i\\ onzamen-m, J gt;L -f

hangend, verward, van iems. spreken, verhaal\', enz.

(~ie \'W\'lJJp-

(iii iii\\ KN. klanknab. van een zijwaartsche draai of wending, met een draai. i/ikui.ilu aangenaam

bedwelmd, soezerig bv. van drank.

quot;gt; ^ a Cy ci -

111 (Wi\\ kn.; onyev. zva. rri.ui. — /vu riixitj\\ soezende zich bewegen, Rh. vry. ij uit ij i luw

s . / . /\' . /

liiiuvj\\ of ui iijvujj\\ en iviion n^vujs zie i.iuia^w

kn. 1. naam van een katjany soort, k. 9,84. 2. ij ui ij nu ii in ij iiu\\ waggelen, waggelend zich bewegen, zooals een zmtarlijviye. s r / /

gt;ƒ»/)?gt;ƒ oj ui ij nu ij uu\\ ij nu ij hu ij uu

rj Li-U\\ en i/ii m ij nu ij i ui\\ zie bij igt;»»ivi^ \\ ook

tuil ij \'i i\' i *\' of ij ni i ij uu * i (hi,j NVaj. 1 r. niet

vast op zijn beenen staan , zwaaijen of zwenken.

O ^ .Cl .

in i.u Kii/j of ni n i i.li i. ii j\\ kn.; un in m kiyj\\ langzaam op zijn gemak gaan.

rn in xiïji\\ poiit. naam van een vaartuiy, AS. (galjoen ?).

in iuii/j\\ kn. — un iniiiiiq zacht en traag zijn-in het antwoorden of spreken; als iemand die Ini of onverschillig is; ook freq. v. rniu i^ her-kaauw.en.

min.iiip kn. naam van een boombast, die tot medicijn yebruikt wordt, en ook tot werk, om mee te breeuwen en naden ie stoppen (vry. ij lt; i - j. u i ), v. d. Melaleuca minor, Smith. Nat. fam. der Myr-taceae. — i\'n in m.{i/}\\ met gelam de voeging, naden stoppen {vry. i i.n n i j bij ui i.n n i j). niijfi:j\\ n., /1 r^ni/js k. , willen, iets wel willen, wat door een ander verlanyd, vooryesteld of verdocht wordt; gewillig zijn; ook iets willen doen, waartoe de lust of aandranyKbij iemand zelf opkomt, er toe kunnen besluiten door die last quot;f aandfany op te voly en {vry. \' i /y \\ waarvoor ook in Krama ij ij ui,j). ijiiu n ini y •niet willen; onwillig zijn , weigeren , iets te doen. in ~


-ocr page 1090-

1002 oil ill

n. willens ot Diet willens. — ctrm^ f iin,^ ^ \'ƒ

I.J in/j\\ gewillig alles doende wat men verlangt.

) o ) quot;)

(in a i ijj\\ kw. zva. i / i hiciw

1. Kw. zva. (U)^ u tuil ij {S/cr. (joel m a, struik, struikgewas). 3. kn. getal van duizeud inillioen (•S\'/t. (joelma, een legorafdeeling, bestaande uit 9 olifanten, 9 strijdkarren, 27 ruiters en 45 voet-kneeliten). » / duizend inillioen.

m ij tuu ij zva. m ij n i? rj i u Ij.

yji n •hnjl of tij n i ii kn j\' kn. doorgevloeliteu zoom van mat- of vlechtwerk gt; zooals van een mat van rotting^ waarvan de rietjes aan de einden aan elkander (jevloc/iieii zijn. — uil rn sl i n/j of uh uj lU f\'l hii/js mat- of vlechtwerk op die wijze zoomen j fijn lat- of draadwerk aan de einden ergens in vastheeliten; fig. iets) hv. een bevels vermaning, waarschuwing of klagt maar aanhoudend herhalen ; bij iemand er telkens weer op aandringen , JR.

o o V n

au ui ij i i .jiji\\ kw. zva. * n iuLciw u.

in !i i\\ klanknah. van het op den grond vallen, kn. — t/ii ni 11 Jn op den grond neergerold liggen, Rh

on ; i ^i\\ o inni ri^i\\ kn.: i.n iiiiii!i~i\\ overal \' i J \'

neergerold liggen. — .vhomii-is neergei;old ergens liggen of gaan liggen; zich ueêrrollen; omrollen, omkantelen {vrg. i h ij rn i n m/j). —.iAi

ni 11 .quot;/ n ii ilt;h\\ lefs. hv. een wafer kruik, doen om-n f *

rollen of neerrollen. — on n : i Si\\ omrollen , omkantelen. — rn f i Ji imn/} in een rollenden toe-

M, lt;.Ji

stand zijn; liggen te rollen of te woelen.

O

n rn n ^i\\ iiiiiinii.i\\ enz;., zva. ni!i~i\\enz. t n I m, \' n

ij oinrj u Sii\\ kn. 1. de naam van een ghidiug. 2. ij in t nj .\'.i Jigt; ij nmj f i Jus mollig, goed in het vleeseh, van een kind; vrg. vu iuwsw mijijfu zie bij ni ijf uw

in • | /,ijj\\ ziekelijk dik, opgezetvan het ligehaam, Rh. oii ij ! u i^\\ kn. dik en slap , sponsaehtig, er ziekelijk uitzien, van het vleeseh van een ongezond

menschelichaam. Ti. JR. zie iniii.i/)\\

( (}, Ji

gt;ty/jj kn.; i \'n ni ijjjs niet genoegzaam verzadigen, van een kost; smakeloos, laf; zich onverzadigd gevoelen van spijs, weinig smaak van liet eten hebben, bv. van kost, ook zva. im inm- Rh.

\'i wfvhKS \'quot;i\'K\'imquot; of

7

i.\'n ij onê ij slobberig, slobberig hangen of/it-ten , van te wijde mouwen; ook van iemands vel,

als het slap hangt {vrg. ijypg ij^trr^i

/ . s . s

ii iiii ri f iï\\ i ii 1) im ii f i? \\ zie n ni ii } i.itw f n (co 1 \'co 1 \'i. i\'dJl

infis of »/»/m/j ^N. hulpeloos, G. geen werk kunnen krijgen om de kost te verdienen. WW. on Vj zonder hulp of bijstand; hulpeloos zijn, G. geen oppassing behoeven, van een kind. R. — infyiHip in hulpeloozen toestand, G. volg. Uh. naakt, zonder kleeren loopeu, bv\' van een groote jongen.

onf ris KW. Mal. zva. i/n iiiy ifijj\\

^ K A. zva. itlnumiw G.

ni ni nifi^ kn. zuiver rond, zonder oneffenheden, van iels dat zuiver cilindervormig is; langwerpig rond, niet plat aan één of meer kanten; fig. eenstemmig, eensgezind, eendragtig, waar allen het met elkander eens zijn. WW. volg. Rh. bep. zuiver cilindervormig, ƒ// vastberaden, vastbesloten, na eerst goed gewikt en gewogen te hebben ; de aandacht op een vast punt vestigen, on iu gt;n Jo i?n\\ onveranderd van gevoelen, BS. tegenover nni rj i~ri ij i in iuini% 5-17 j 5 t2. i li ui » ij ni jf» iu orrijj\\ eendragtig, een van zin, BS. 5 17, volg. Rh. minder juist y o o . ,

voor ijio m I ^ | mj x:y^ in ni iu ni/j\\ zuiver rond van iels dal langwerpig rond is, maar ook van iets dat geheel rond is, zooals een bal of knikker. WW. in //) m jii n ; i ?ï van iemands lichaam, (Li in viHfl incrnjjs slank, niet breed, maar goed in het vleeseh van het lichaam. liii ui ifi Kn ii)ioiyj\\ in ronde staven gegoten. — ti] iii in sta

ven; ook naam van een visch , anders ui.ïci tiiin (Yiiij genoemd, {welligt een Wangsaltan op ilin). i:i il nl nl int in/j ijzeren staaf, ook al is die langwerpig vierkant {v)g. ooi n rrj rnanjj).

on iii\\ of tn ij ni\\ Zie ff» njw gt;1» in of in\'Ti/i tiïnkn. 1. naam van een fraai roode verwstof, uit de vrucht pitten van de .i.iin j gt; i ijï bereid, in njj m i / ^ ij {of *1 \'Jj sPr-

voor mooijer als mooi, allerfraaist, tvy. donkerrood gewreven of vermengd met geel, hetgeen een purperrood geeft , voor wat mooi is, nog mooijer maken, {sari nl. de bloem van de naga sari). — i \'h m nim als gloega zoo rood; iets met gloega verwen.


-ocr page 1091-

WT

] 003

mirvji

\'I\' quot;IN 0S quot;/N kn* 1 • ucidin V(tii emi dïkkcti

hoeder y Broussoneria papyri fora Vent., Nn(. Jam.

der Artocarpeao, van welks schors hef Jav papier

i») bereid wordt. nrm\\ of Kl).,

3. de stam van den kokosboom, en Arenpalm,

kla])a-stam (vrg en

,,,^kn. naam van een hoo(j dik riet, Saccharum |

Sponlaueum, L. Nat. fam. der Gramincae, dat i

veel op suikerriet (/el ij kt, maar smaller van blad j

is hil \'i mrn;\\ naam van een batiks el. — m | co \' quot;«

Di fam w/j\' of un n.i tu tnf in }:iji gliigah-boscli.

»ƒ »gt;»/ƒ rn{\\ zva. rf n^i ij rn i i/j\\ Hh.

rn ij tn injj of ni m ij m hij\\ kn. staafijzer {vry. tn ■

iiituntrms zva. hu n.i rn imw

) V

,n ,)i\\ of rrtryern kn. gebulder, zooals van den.

donder of een kanonschol, ook gebrul van een

ïv , , ,, quot;) CV )

hjger. l/i.l-h m»\'y m. overal gebulder, crymiy

m met een sehorre stem bulderend spreken, van

een Boet a , WP, 134.— m an \\ of nj n »y gt;m\\

bulderen.

n v . ... o aS in m Zie bij rn niw

)j \'quot;tij n)i\\ kn. 1. steunbalk onder een draagkast , j waaraan de jukken met touwen ot\' op andere wijze bevestigd worden. 2. hi\\\\k van hout of batnboe onder een houten ol\' planken vloering of zoldering {vry.

) V

(1:1 II I I Ml IJ]).

gt;»»» in i,njj^ kn. klanknah. van hiel inslikken van vocht-. slok!

o o _ o rgt; o o

an iiihii/j\\ - vn mnnt/js en un hii in)jj\\

rj in ij rn i,n/]\\ kn. 1. i/h rj anrj an t:n/]\\ met luide }

stem lagchen: he, lie, hè! ook ij an an ij i\'iyj gt;j ni

ij m un j\\ freq.

7 rnt ijimhii/js zie bij rj mt ij nu un j\'

n* n^ mi/js zie n^ iij

in in I i/j, kn.; i h m in ii/j* binnensmonds sissend

laehon, liet geluid van het iaehen inhouden. 7 »»» Y mujj/is kn. t ii ij in ij m i ) j\\ aanhoudend lag-chen. — ij rn ij i^tiaiin/ï mv. Tj.

0 O O \' {)

\'tn n i in n i/js kw zva. i ii,iin i/j\\

O O Cl O

\'in \'I\' \'0//n kn. zva. ia n i /m ui,j\\ \\V \\V. van blijd-seliap al huppelend loopen , zooals van een kind; i groote haast maken. hv. om naat huis te gaan. M.\'u^ of ,n n, in i ipKS. het open en digtdoen ^ of de beweging van den mond om te spreken, zonder dat men nog spreekt, zooals van een hakkelaar {vry. yti i n i i/j). jji iniui ^ nn j of ni n i rn lui ~ i in/]\\ den mond aanhoudend open en weer digt doen j blazen, proesten, bv. van iemand, die in het water liyt, om het uit den mond te houden.

Cl s Cl .O O

an m i i/j of rn n i in i n in rn i yjs . n m li -1 mji en an rn i i . i.inj^\\ zva. rn^ rn u/js enz. WW. voly. Rh. opstuiven, opspringen, met opgesperd o oogen en opgetrokken handen, van schrik of ontsteltenis.

: ~) .... )

n i m i i . ) Ki/j\\ Zie O ij iii rn iia /j \\

rjrnt ruifliu rnjis kn. zich heen en weer wentelen, Tj.

a o ^

ern n i\\ kw. zva. iirn en n.\'i\'i.nni) li.

Ij co co \' \'

o .... 1

an n i r^n gt; zie bij aai.ri^jw

rj nii ij i:iy .gt;\\ zva. ij inii 7n j {vry. ook an tj 111?

\'I\'M\'1

airiai ici^ kn. een dun glimmend •\'vlies d it zich bij koking van heulsap afscheidt; vry. rti 11 1. Tj.

a ) . o quot;) o ) , ) ■) quot;)

rn vu icijj of 111 n 1 111 inj^ KN. ; rn m n i.i:riiw^/j\\

» O O o O Q v

(Lii 111 r.11 ici/j en rn 1 quot; \'lt;gt;] (vry. rrj im icyj)

rondloopon, van nabij rondloopen, erg. ronddron-

telon , rondwaren, {vry. \'jpk»); ook draaijeu ,

met draaijerij omgaan. — iji tm r n ui inj\\ plaats,

waar slecht volk rondslentert.

»|) rn ui ij en ij 111 è ij rn è ia,] ^ kn. slordig, bv. yekleed

yaan\\ liederlijk van yedray {vry. 7 ra 7 m \\ \',7j\' ^

iicifl en i-c fy ♦ y

ij nu rj i.nt 1:1/j\\ zie

anijiajij\\ zie bij mrijjjs

aniniii/^ kn. schijfwiel, een wiel met een stuk

plank zonder spaken, WW kar met zulke wielen,

{vry. innn gt; of ij iry rn cnijj). — 1 n 111 rnin j

met een nnnm/j vervoeren; met schijfjes aan eqn

stoel op do »mmn slaan en trillende tonen voort-1 co

brengen, (Tj.) Rh.

tj 111 .un 1 nn kn. oinkanteling, vooral van platte voorwerpen, als planken yCnz.— » \'n ij ni m omkantelen, kantelend omvallen {vry. i iirjaii i)i\\ en 1 \'n ij in : 1 Ji). — 1A1 ij »m rn in\\ ergens togen of op omkantelen. — 1 h ij rn 1:11 niij hii\\ doen omkantelen. —■ n mm 111 ui i\\ ook lt;1 \'n n innrj en / \'i an I \' \'\', \'

111 ij f nai rii/j Tj. om en om rollen, zich weute-


-ocr page 1092-

V quot;n V \' quot; VIV

1004

7 %\\*

leu, licen en weer rollen {vry. tu n uji h ui,])-tj rn ijrnicrrij}n KN. — i/h ^ rn ij rn het hoofd

Ier zijde drauijen. — 7 ^V* V \' quot; ,r,7N \'l0ü^ heen en weer zwauijen. — y r.n nni ( ij y i n wip onwillig van een paard; ook van een meusc/i, hv. om ie werken.

nit yjip v KN. ni tj i.) turj i:i \\ niet ernstig, oi\' meenen

van wat men zegt.

ent tj li i \\ KN. — i \'n ,n tj li i \\ met een drauijeiule beweging van de vnist een slag geven met de knokkels, Rh.

7 KN. ruim, wijd, van een vertrek, een ton,

koker, ènz. li.

O C)

V\\ \'P \'::va\' l\'P\' \' lt;rn^N maar meer van groote

menschen, Kh.

mfii,H/j of in tufi hti/j KN. een kleine vogel., rijstvogeltje of rijstdiefje, \\r\\ h]ï xn of \' i een geparelde glatik , Rh. m tpi lr.j een glatik, die met zijn roode bek uit een // crtii ijajiicmj^\\ kijkt; van nagels gezegd: alleen aan de top rood geverwd, {zie lkiji). i ij i ;». n j \\ van een lans waarvan de top van de sc/teé met koper beslagen is. cni f^i iPi hiiji\\ een weinig uit den mond uitstekend, van slagtanden, vooral van een varken] half volwassen van een varken.

\'/V \'\'( U^JÏ uf vn iu j KN.; i/h on \'gt;n/j\\ aanhoudend voortgaan, ook met iets ie doen.

)n 1J \'p \' quot;/J 0f \'j \'P kn. liauknab.

van het kletteren of rammelen van harde voor- !

I

werpen; gerammel, kraken van ledematen, ook van het geluid, veroorzaakt door het heen en weer geloop van velen-, zoo tn \'p ïl\' M/N frelt;l-gt; stommelen, enz. Tj. of (ui^uaniipiuvj^ overal stommelen , enz. fig. van het hart inwendige neiging, Rh. vrg. BV.

rjinipuiij of nni tf ni kt mijn.ü. klank nab. van hel plotseling op den grond vallen: pof! plof! aw \\ n 0\\ — i h gt;1 m i:i i.n/j onverschillig op den blooten grond liggen; ook wel van zaken, neergevallen roerloos op den grond liggen; ook zva. rj on gt;ƒ tip it(tijj \\ \\ m ilï nnj n i li i,n J overal daar maar neergegooid op den grond liggen.

I/ ni 7 li i.n/j\\ KN. 1. het bloot, ongeborgen, onbe-waard neerliggen; bv. op den grond, op een weg of veld, alsof het niemand toekwam (vrg. ij ni ip

HHj), ookfy. klaar, duidelijk, 13. — quot;/7m\'7\'-\' zoo daar neerliggen; voor de hand liggen, klaar en duidelijk zijn, WW. 3. droog, kurkdroog, K, 10, 8.

71Vquot;^ \'c1 hn Ix 7 \'n 1 h quot; /

nt i i/j m ij)nuf jiLihp Rh.

oii \\ of tj gt;n\\ KN. klanknab. van de gamelan. cni\\ KN. klanknab. van de gamelan; ook: •pions!

als een steen in een diepe pui valt.

tj rhi \\ kn. klanknab. van een plotselinge buiging, bv. van de ktiie. (vti 7 nrrtt \\ het buigen van de knie bij het tamlalsken. — mi^ rm2\\ knikken van dc knie, Tj.

gt;// h w 1. k\\v. zva. i i KiMH js verhemelte. 2. k\\v. zva. iU iu\\ iiji 7 nu n i/js kn. dwarshout, koppd-balk bv. bij oen steiger. 3. kn. voorkomen, gelaats-vorm, WW.

07» ry.\\ kn. streep, lijn, striem {vrg. wi iy\\ ern n Li/j en /mttJnuy); dijkje of rug van aarde ivt begrenzing of afscheiding, ook opgaande of neergaande linie van een geslacht, tj mis tj n rui n 11 (tyjj.m rj Di i.y f l 7 fu n mi i\'j gij sterft beven en ik ouder den dijk, d. i. te zamen, ee,L uitdrukking oan trouwbelofte, Rh. — i/n m i j een dijkje of rug vau aarde maken; gelijk een dijkje of rug in de lengte verheven zijn ; striemen hebben bv. tengevolge van slagen. — nh m 1 r mv., en een rijstveld van dijkjes { miih 11 acyj) voorzien. — »/»gt;7 uiinjj dijkjes van aarde om een rijstveld tot bedijking, en lasso hen de vakken {ij nu? li i.n/j), om over te kunnen loop en. m tu\\ kn. een veel voorkomend klimgewas mei knolwortels en bladen, die geneeskrachtige eigenschappen hebben, Vitex trifolia, L. hal.fan. der Verbenacceac. t itbjcrnnh een gouden haan, behoorende tol de rijkssieraden van den Vorst. — n yn?iu mi\\ï\' waggelen, dobberend zich bewegen. (J. dial. zva. 7 triè rumi ij iCi van een tan dak kende (Tj.).

in ni\\ kn., i?n rn tiojj ki., bracelet, armring om de polsen {vry. \\at n nibivun). mi in nn jn \\ een soort van armbanden, met figuren versierd mm ƒ in iüs of \'Uquot; * J, quot; ^ ringvormig met de ein len aan elkander komen of raken, bv. van een ergens omgespannen koord. — lm//mm 7 k/.i/m 7^ m


-ocr page 1093-

100b

tj )i it unj m ii i I )-ï* (i?i\\ liet ITollaiulsclic jaar heeft twaalf maanden, ei ff. er is ecu tijdkring van 12 maanden noodhj om van Januarij weer op Jannarij teruff te komen. — cm n\'t m ann. onder-schenkel , gedeelte van 7 been iuaschen kuit en en-{■el y waar de Javaanse he iinderen ringen (/ƒ tlt;in iji iji?) dragen, ook ajt \\ de pols o/* enkel, Tj. tn ii\'i v:nhijj\\ ook de ringen aan weerszijden van de

i,n m) iiï n i i doericstan*\'; en wat bli een on n\'i

U\' \'

te vergelijken is. ij y «m? een sleutelring.

) . . , ~) o -

iL/n in u i^ een armring dragen, nn mn/s naam van een landschap ten noorden van Vranar\'agay vroeger een Vorstendom, GK.

crti ij.\\ 1. KW. verklaard door ni (in in i i^. H. J. Krt. VII, 8—10; XLTV, 3—14. 2. kn. zva. t.ij

. . . o ciS :~) .

{vrg. y ij lu?.). hji inirj n nurns zijn

gedachten op een pnnt concentreren, tot een besluit komen, en daarna ook het met zich zeiven eens zijn, vastbernsten, vrg. rrn iu ttmn en zva. oj cm? tjoi if \\ eensgezind vanvelen. nfn i^ij w\\eva. i.n 11 ^jj 7 ryw — nAi in i j \\ zva m ri ^irvt/j\\ hv. een som hij een andere som optrekken. — i h nlr\'n infuus

zva. ?:/ 7 } ^jjtij 7 no\\ \\V. I, 35. — in i.[j i i on j

./• : ■gt; tquot;) .

0/ ni an i jCLn o-njjs zva. rj cr}}?ri\'n.r? i.i iHijjs

:) . S . - •) ^ ,

mioijs cmiuj. kn., KI., opgebon

den cn opgemaakt haar, haarwrong, kapsel; zich hot haar opmaken, zich kappen, B. J. ^ II , 10, 2.; zie li r^ni/j\\ — i ii rn njs i.j hii Ki., iemand hei haar opbinden, opmaken, kappen. — am \'in n\'j i?i\\ r.j uu ill\\ iemand iets, zooals hloemen, in het haar knoopen, bij het opmaken van het haar er iets indoen. — miicrnrr^ 1:1 \'j ilt;n itj i it 7i rij hu \\ een ander het haar opmaken , iets iemand in het haar knoopen. — m in ü\' h}quot; ndQ van h(d haar;

kapper, kapster. — nriLj i iiHiy. tjijhu zich liet, haar opmaken; niet opgemaakt haar; bijzonder fatsoen van kapsel.

o

071quot;kn. glimmend, glanzig; glans(^;,lt;/. ihilhui/j). vinsrjj [of ij(hj) 11 /) an ili\\ een groote, zwarte, vlakke steen, anders m vr^ /. ^ .y /,/ \\ {vrg. hij urm w).

ni iCian tu\\ 1. blinken, glimmen, glin- | stèren. 2. ontbloot, onverzorgd van een lijk,

op den grond, in een put {La kon, C. S.), opeen 1 wagen (15. J. XLIV, 20, 5), onverzorgd verlaten, liggen, van een te vondeling gelegd kind, enz.— Yti ii i} ü \\ schitteren, n) njucrri n\'n aanhondend schitteren, schitterend stralen, van de zon en van een glans. — »n tli in nnm(in^ onverzorgd, van een lijk.

quot;gt; a- , on*. ■ v o

on it li \\ I. KW. zva. gt;n» m {vrg. njiij). Z. KN. malen, bv. ern n1)(hnrr^ suikerriet malen; moHitj rfhii?(u\\ kollij malen; on no ijiJi iüd p verf malen (op een steen), in iu * ri?i\\ een rijk in de oude mythische geschiedenis van Java. lh . n n \'i\\ iets als een zeil, oprollen; iets malen; kapas in een klein molentje van bont van de pitten ontdoen; ook volgens G. ronddraaijen. — (Vi on gt;?/\\ hot oprollen, enz.; gaftel boom onder aan V zeil van een inlandseh vaartuig, waarmeé het opgerold wordt, 7n i?ïngemalen {hv. .ry

i.Trni i i t;i p gemalen kollij); iets dal in de rondt e draait: rad, molensteen , molen ; zooals suikermolen , pelmolen, kapasnwlentje, ftnz. hji on n ï

ii.i iui/j^ of tui r?i 7ii i :i /Hi j iets om mee te malen. lt;ijinsri (ui in nïi xm/j molensteen. — hji m nï / gt; Mijj\\ rad, molen; fabriek daar met een molen gewerkt wordt, nji nn i?ï ii ^an.i\\ suikermolen, suikerfabriek. iL/inn ni L;i i.injnri/j katoenmolentje.

(L,i on 7?) i :i (Hi dsn n wagenrad , H. J XIVI , 9, 3.— n 0 \'

a\'imi LLiin(inj als een molen draaijen.

o\'ij iCi\\ kn. 1. oefening. -— i ii on no of i n cm nj Iü zich in iets oefenen, iets door oefening zich eigen maken, leeren j ook iemand in iets oefenen, africhten. 1:7} i m „iicrii nj n i\\ leergierig, (vïi on nj 1 i\'t(Vi(lq zich oefenen in het redetwisten, noiot^ n\'n 1111*1 ni\\ en (ia m nj ili\\ geoefend worden, ook door eigen oefening {vrg. oo lj \'^)• — a n quot;j 7i\'o li y I,ii iets onderwijzen door oefening. — m

in 7Li i.i(iii,i \'c^s waiU\'\'n 111011 ^0\'1 0(;l(-\'n^ 0f geoefend heeft. 2. kw. zva. ij Ln?. no? i i n/jnrn ir:inri^ 3. \'rn lii njtus volg. Hh. TP. een politie dienaar in vroeger tijd.

iij tLÏ^ J. kw. zva. roy7y\\ — 2. kn. rolknsscri, lang rond /russen, om te bed hel lijf mee te steunen of om tusschen de armen en he enen te //ouden; en zoo ook in ni iliw een krandjang of lange mand met steenen of zand gevuld om water af It dammen , IMi. — m \'f j i?ï\\ nederliggen, zooals op een bed-, loi l iicyii r i 7ij\\ neerrollcu. —


-ocr page 1094-

o » /-

i/» nm i \\

1000

TH

i \'n uj u \'i\\ inlr. oinrollen, omwentelen, neerrollen, zich omwentelen zooals bv. een paard, vnj. irhm

Pis — 1,11 ui iu\\ neergezegen 0/geworpen, li. J. XXIX, 8, 5; LX, 8, 5. — \\ doen

rollen; le slapen leggen. — uji iiiiu(i:)}nji\\ kw. zva. (ui un /ƒ gt; i i m y \\

mi \'rij \\ kn. rol, van iels dat opgerold is, zooals een [of meer) rol papier, laken,, enz.; i-; ly^rii^s of .\'ii iinij naam van een (jroole djeroek, pompelmoes; «le naaf van een wiel {voly. Kli n\'i.nyiiij). iij n\'i nn aiquot;! \\ onafscheidelijk hij elkaar; vrg. ij nu

ii i ij nu ii ti\'i?\\i — n/n nj i?\\j^ \\ van iets ecu rol maken; iets, zooals een vel papier, mat of zeil, oprollen. iuu »y nu »/ƒ neergerold raken, bv. van een steile helling, — (uii(ii^ii^/]\\ uiv.; ook zich rollend over iets uitstorten, li. J. XXX\\ II, 15, 1; ahs. er op losstormen, van troepen, li. .T. XLI, 9, 5. — *7 ailN \'\'l\'ë01*0^ gt; bv. van een mat of zeil\', rollen, van wielen, steen en, golven, enz., li. J. XXIV, 5, 5, en elders, (J. S., lig. aanstormen, bv. ten aanval, li. .F, XIII, 0, 5, enz.-, t\'/y. aanrollen : li. J. Kw. XI, 10,3. il\\ hfi (uiiLiiii n laitLii

P CiJ CJ

iij rej iilj n j 1 ) j.j jhi ihi\\ ook van enkelen gezegd, li. J. XVI, 2, 5; XXVIII, 2,1; —

t\'uj dij (Fj iLj B. J. li. Krt. XXIV, 5, 5. — quot;/quot;/ iKKiq of an iij nvj 1 1 iHiq\\ o\\)£Gi\'o\\at bv. van papier; opgerold pak; kluwen van garen; zich op den grond

rollen of wentelen.

o gt; gt;

lj(.\\IIIU\\ kw. zva. UI lll\\ kn. zva. Ij 1,^2 Ij l, 112 iLIIJj een soort groente, postelein, Portulaea olera-oea, L.

ij in ij iLi kn. balletje van ten nuns vijf of zesmaal

o (vquot;

zoo groot als een »n |y ongeveer zoo groot als een druif. — x/u ij mi ij nCi l]\\ znlke balletjes maken, Tj.

rfnm iLh zva. uj nï\\ omrollen.

y imiijli\\ kn. — uil ncnu ij tu\\ waggelen, op een zijde kantelen, niet vast op zijn bodem staan van een praanw. ikaij^iyi breed vooruitstekende kin, gevormd door wijde onderkaak.

^0112 ij iu2\\ kn. met elkaar vereenigd ; mei anderen zamen vereenigd, hv. tot een troep of partij\', met elkander eens geworden; een met belde handen tezamen gedrukte bal, bv. izruf) in ij int ij ifiuz\\ twee ballen aarde. (Mmi^lt;711211.1 ii2\\ rijst gekookt of bereid tot golong\'s; tegenover Licyiix n

rt 0 O ) ) . \' I ,

f-i -1quot; oj 1111 i i.njjs iKi tnd i riann ijiiuds een bal gekookte rijst. ij 0112 in ij 1112 ij n u \\ gezellig

verkeer; gezellig verkeer hebben met iemand vrg. iij n\'1 iij ii\'j \\ — n ii nj mi2 y/ iu?\\ iets met beide handen tot een bal maken, hv, rijst; zich met een ander tot een groep enz. vereenigen. — nni ifdiif n ii 12 1 1 gt;11.11 \\ iets vereenigen met iets anders-, iemand onder een zekere {een of anderequot;) afdeeliug of bij een zeker corps plaatsen, hem daarbij voegen. — nj ij 12ij 1 t\'.i2 of mi ij f 12 if ili2 \\ tot eeu bal zamengepakt, tot een troop vereenigd zijn; in een troep of in troepen bij elkander. — if011211 if u i2 (i7i in/f of in if mi2 if Ili2 ui uuf met een ander of met elkander tot een troep, groep of at-dceling vereenigd; troep, groep, corps, kudde, school van visschen, ook behoorende tot een categorie, bv, Jif ij)2(ijn ili\\ hij behoort tot de sleciilo lieden. Zoo worden ook de vijf groote afdeelingen gtnoem cl) waarin de ■Javaanse he maatschappij van het Soerakartasehe vorstendom verdeeld is, namelijk de Kadipat en, de Kamisepoehan, de Kapt -tl an , de Pr adj oer it an en de Fangoelon.

n . / 1 / \'

m ilili ^ ni iliiih ini/j^ zie uiiiikiw

n . / . o . . quot;gt; xquot;

nni j i jj \\ (Lit mizie 111 \'iLjujW

mi il) i.V\\ of mi i l. kn. glimmend zwart, Rh.

ifimili mitfitln kn. heen en weer slingeren, van

een praanw, die niet vast op zijn kiel staat, Hli.

tnmi.\'Ljs kn. ktanknah. van eon slok, klok! klok! n CJf

mi mi \\ of in mi \\ kw. en kn. strijdperk {vrg. un til 11 mi ff). lI) cm nj n i 111 \\ of if 1 i2tf-iLi2 ri) 1 i 1 het strijdperk verlaten. — kn. een soort van lant, riet, een soort van ni 111 q w micrn\\ volg. lib. ongebr, zva. in inu/f\\

?n ni\\ kn. doode uitgestorven boom.

ifmiifiii * ktanknah. kn. — ain if «rjiif rri 1 \\ janken van een hond, plat voor, luid zingen, Uh. volg. SG. vol water laten loopen van de këdok\'s. V viquot; V KN\' naa\'n van een soort dik riet, heh. tot de familie der mi m* en 11 N hetgeen meest op waterachtige plaatsen voorkomt.

mi ii j i:i ia/f\\ naam van den negenden zoon van Wa-

toe-goenoeng.

nili\\ kn. een hartelijk onthaal, vriendelijke ontvangst, Rh.


-ocr page 1095-

gt;11 11 UI \\

cn]^/

loo?

nl1j (U * kn. 1. a/n lt;ni gt;i iu\\ iemand aaiilialen, door vriendelijke toespraak voor zich trachten in te 1 ik men. WW. H. tl*, zva. mi iui ? \\ 2. lijdelijk i lam van de armen, door jicht ol\' rhenma-tiek.

tij li n kn.; n/ii »gt;ƒ (ui n iemand verzorgen, hulp en bijstand verleenen {Ükr. y op a \\ koeherder ; verzorger,

helper), U.

o o

irn uin KW. zva. (U u liw

^\\ kn. een onderdak, schuilplaats voor mensc/i of dier. U. —• (üi nj rj tuid an/js ook inrii tj tui? (in,^ een duivetil, dnivehok.

nn tj iuu kav. verkl. door \' \' \' \'/ N 1! ,

12, 5, en Krit. aid en M, 5,7—6,4;LV1,]I3; LX V , 7, 2-9.

O

an iui^ zie iif ui ^

o n

(in li ^ zie (Yll LI {W

quot;Vl

on (i?is\\ k\\v., haastig; haastig

zijn, zich spoeden met iets te doen {vrg. »/j011 (uijj\\

_ . . rt

r/.i n un ij iLi ~jii nrn ii^i hi j en muit \'Lii/j). o i ƒ gt;

iij rps bijzondere haast maken met itts te doen, (al te haastig, wai iij Lj gt;\\ niet /00 haas

tig! 13. «T. XLV, 10, 7. It.). 1//? l-s: j ay (Lj q \\ maak niet zoo\'n erge haast! ook ongev. zva. uii L\'lt; of! n ooi n \\ vooreerst niet; niet dadel ij k ! tun nj Ljqtuiiriiai\\ iemand haasten, haast doen maken. oijuiih)\\kw. zva. (icixaw (r.

011 ui\\ kw. zva. ikiojiw

oer -)

(III UI \\ kw. zva. IKhJKIIJ IJl UJj j w oiiLjrris kn. ij iTidui\'ns kw. (H. J Krt. V, 10, 8—10), poort, groote ot Iiooge poort, poort van een kraton, regentswoning of vorstelijke begraafplaats (gt;Skr. y op o era, poort); i/7/y/y m v. e, nn 1 yn voorzien, volgens G. onu^ ii\\ ook kw. een uitstekende punt; hoog, in de lucht zweven. oinyoifs kw. zva. uil 111 lt;gt;l i j tiJiiid/j kw. zva. nn ij niiuu j\\

ui of u^ ujj\\ lloll. go e v er n e u r. nj üi uj *1Go ft i/js G 0 e v e r n e u r - g e n era al. gt;11 ^ hii/jsKN. klanknabootsend woord voor het geluid van slaan of te hersten gooijen {vrg. uu^Lj lijjj); kletteren va71 tegen elkander rakende wapens, fig. het op iem. neerkomen van een zaak. — nj 1 ijjj

met zulk een geluid tegen iets aankomen, n )

011 hoijj\\ zva. hu. m i, 11 \\

ill I I gt; N. . lil \'UI ^ N K.

001 ^1 hlij\\ kn. o 1 lu^Lo^iLj slaan en breken»

Men.

quot;l^i\'iyj^ KN- zi;a- \'i1* i\'i\\ van een groote drukte,

van een levendig , Men.

_ )

ij om{iu^uii jkn. - ij hu* Hj^iun j\\ 111 uo iifi ij tint(iuj^

kinj de gamelan nagebootst door het klappen in de

hand , of op een of ander te slaan , J{.

1/o muj n iiH» js kw. zva. ijti 1, tnp if ini , // i :ui uiijj\\

)

001 Jj^uu qs iquot; gt;1 1 y uiij zva. m n 1

tisnji enz.

iiili ij n in/j of nj unj f 1 in J lloll gouvernement; Gouvernements- Kesidentiehuis.

!»ƒ m ij f 1 1.1 j\\ het (Nederlandsch) gouvernement. 0111^ hii/j kn. zva. on ril voos, poreus, van hout, en innoj, in/jquot; voos van veldvruchten-, zonder vleeseh van klappernoten, enz. (tot molm geslagen, H. .1. XX, 10, 4, van een hoog; vrg. inijtmj).

du li l n j \\ kn. aan een zijde plat van dubbele pitten

van kemirinoten en 1.010 l iij\\ (piet dubbele pit,

j ) o n /.o ^ , )

tegenover i i- f 1 n n 1 uj of 101 nii n /y) a noni 1 1 j

plat van het achterhoofd, Rh.

O v, . )

on ij KHJ]^ kn. zva. 001 u^ 1,11 y — 1 n ni uj 1,11 /ets

een slag geven, beuken, bv. met een steen, om

het te verbrijzelen, te openen, week te maken, enz ;

bv. een noot met een sLeen of hamer stuk- of

openslaan, te bersten, te pletter slaan, een vijand

of een plaats of rijk aanvallen, klop gaan geven,

gaan teisteren {vrg. 111 uM.y »m^). hwoiui j ij lh ij

ijtnii dèndèng malseh kloppen. — n 11 on / j /.»/ mv.

m i jj ihQijiajj\\ geklopt, gebeukt, ifui on 1 j

/.y iii/j\\ malseh geklopte dèndèng; vgl.

\'ini/jW

onoij u 1 Mii/i\\ kn.; iii in ij 1.111.11 j\\ iets of iemand aanraken of aanroeren; ergens, met de hand of met het lijf, aankomen; volg. Rh. pijnlijk aandoen, bv. door schuring of drukking bv. van een za-del, dat de huid van een paard schaaft, fig. iets aanroeren, door er van te spreken \\ iemand of iets raken, aangaan, betreffen, m/rn y^ aangetast worden door een heerschende ziekte {vrg. h 11 11 Liooiy); in een zaak betrokken 0/* gewikkeld raken, un oorrj tui 1 {lt;gt;?/. 111.1^\\ aangetast raken door zeltverhefling. als een ver derft ijk kwaad. 1. n in 11 iui? i n li\\ door iems. woorden beleediird worden. — onn

co \'

ij un ini :ui/)\\ elkander aanraken. Zoo nok uiuion


-ocr page 1096-

1008 (rri (ui hiiji

) - . ) gt;1 U 9 ffll (HlJjS - f 1 Of tl )j (Ij) ? /i/ƒ ,ï, i /j Oj !1 on ^ IU2

i^ii hi js iemand of iels betreffen ; betrokking hebben op, betreffende, rakende.

rij a ilt;kn. bemorst, bv. met slijk of bloed; zirli bemorsen o/vnil maken {vnj. i ^ e7i nij x.)^

li*)/j) — i/n ntyijt nn/js zieb in een modderpoel wentelen, van een buffel of zwijn. — uj 11 tnrui hji \\ modderpoel nl. een groote knil in den grond, met modder waar de bnltels in baden; .7«/* wel ran rhïnocerossen, W. !1, 37.

oil l; kn. afgeweken, (r. — nm rjem (ijiuun\\

(links, IMi.) op zijde gaan, wijken; ontwijken; een andere weg gaan ; fij. in meeniny van iemand afwijken, verschillen {vrg. rm in J?).

ij am rj dj] t hhj\\ kn. van sleelit allooi, bv. van goud of zilver \\ valsch, van papieren geld; gemeen, van sleelit soort, onbruikbaar, ook van een mensch wegens onbekwaamheid of gebreken (vrt/ en

/ o.

quot;rn).

(Yïklji nsn j kn. al wat dien/ om ie/s iusschen te klemmen of geklemd \'ie houden: klem, klemmaeliine, klemlatten , klemstaken , tang; inklennning {vrg. i n ii?i httjj\\ ihj) n?i i n/j en tjj u t n j); ook zva. t I n j n-m/js en bamboezen steel met een spleet, waarin de vin geklemd.wordt; (vanwaar m i^i tn .i i ij een dikker en steviger soort van tjempocri/, daar de zwaardere wajangjlguren, zooals de iu n i/ n nt nj lm ij in geklemd en mee vastgehouden of vastgezet worden, WW.). gt; / tn(i?i in^\\ een hoeveelheid brandhout, die tusschen vier staken opgestapeld en geklemd ligt, een vaam. mi a5i r nrj ijri- een groote vaam, ongeveer vijf voet hoog en breed, ti ni Uihn nl een kleine vaam, van verschillende afmeting, ii i riDi n i n/j knipmes (rrg / i.iioj^ m iu i n/j^ een zakdoek die in een

knijper tot staatsie voor iem. uitgedragen wordt. n 11)» {of iii.tit n) tti 11 t\'tijj\\ naam van de eerste poort die van de Siting gil naar hei binnenste van de Kraton leidt, voordat men aan de nn gt;u

komt, de eigent lij ke buit enpoort, die ran buiten en binnen met ijzeren banden beslagen is en quot; s nachts na tien uur gesloten wordt. — vit gt; tin ii n/js ie/s met een gapit klemmen of persen, in een klem vastzetten; brandhou/ iwsschvu klemstaken opstapelen. — i//»ni n r n \\ mv. — i h rn n

o

077 (U) imji

(v.ti ijirrts iets tot gapit bezigen, met iets vastgeklemd houden. — m in lonn/js obj. den., vi\\\\\\ ecu gapit voorzien; bij vamen, van brandhout, i.n/in mi (ui (in/]\\ brandhout dat bij vamen verkoclit wordt.

tt^ n7i wi/js 1. kn. zva. rtinihti/j\\ en slaapvertrek.

tl o )

*3. KW. zva. tyn^tuti en itj.i iii.ii o. mi ij rt? 111 njt x^ijji\\ de vertrekken voor de vrouwen in do Kraton. — ai itj iuhsii/j\\ zva. ti ~ iikiiw nij n iti\\ of ij tin ii?i ihii \\ KW. 1. prinses. G.

eig. zva. n ii ^iianji). 2. sehrikaebtig. G. 8. zva. aj)ikj n] .mi\\ (R. ie deze het. eig. tn hj w nsti, i ii t tl in ij en \' i J n - / mi \\ (Skr. goepita of (f o-pita, i. bewaard, bewaakt. 2. verward,verontrust. 3. gesproken, gezegd.) — 17» ttixjims zva. (uti nj

■gt; O % Cl

\'.y n/j\\ ntti thhtts ininihtti en ^ m ^ i im w

_ o rgt;

ij iii2 tj n i.i[j - iiyn i\'Hfj\\

ij tut ij li n i/j\\ kn. volg. lib. gebr. limit ij n ~i n gesehonden, met een stuk er af of uit, bv. van een aarden kom {vrg. ttin^nn/j en t^nny n gt; ].

O s ) o Cl

rriiLhin^ oj erti iin zva htiinniw

nj i i tn\\ of ij mdanin KW. zvv. vn ni\\ (r. (.S/r. g op d la , koeherder; herder; beschermer der aarde; ook bijnaam van Kresna en van Siwa). hjiiijuiii ii in\\ kn. groot monsterachtig beeld van een wachter, voor of bij een ouden tempel} H. een reusachtig afgodsbeeld, Rh.

O 0 0«

tn li uti j zva. ui ; i ji-nKti/j en rn i.tw rn i^i hufj of in nuny kn. 1. klanknab. van een doffen klap of slag, doffer dan on tj iii?. imm iiflintq een korte knuppel. — tmnm ry iyi of i h nrti i(n. n/j\\ slaan, kloppen, stampen. 2. nni^ htt j dial. zva. lt;r t nj) mi /j\\

tn ij (un hii/js kn. klanknab. van een klap of oor veeg; ook hel geluid van een hak op iets hards, hak, houw. {vrg. i.n tf in i.ti ni ly;». en mnjij i\' ti j). tj ctti f .ii i\'ii ij ri f gehak en gehouw; hakken en houwen ; de eenvoudige, naakte waarheid vm iets zeggen . i/hcm ij r n mi/j\\ er op toehakkcn of toehouwen, er op inhakken. — ui ; itt (i^i? hii p raak, dat ket klinkt en dreunt, bv. van 7 hakken.

tn ii i, ii ^ \\ kn. klanknab. van een slag met de vlakke hand; ook een werktuig bestaande uit een stuk leer aan een langen steel om sprinkhanen te can-


-ocr page 1097-

7 m\'^Jl

1009

en t rj ui \\

fjQl( • en ccu soort van koekjes van (jeraspie klapper met suiker. vyn» tniutmy leom, SG.

) o

Ij ml Jij en tn Ij Hl LJij KW\', zva. Ill III lij

(Ytutjjji.ii/j (volt/. Rh. [ nyvjjjhit j). kn, gemeenzaam in hel spreken, spraakzaam, minzaam dour spraakzaamheid, meer hep. tegenover een gast.

li\'11 j ^\\KN. klan kn ah ooi send woord voor het za-menkomen of zamentreffen, hv. van twee knodsen, li. J. LX, 3, 2; van worstelaars, ih. XXVII, 27 , 2; LX, 5, 4; 15, 2; bij omarming: ni.\'ji.ij /M lj f hit^w ook fuj, de hij eerste ontmoeting terstond goede maats zijn en met elkander sympathiseren {pry. uy.ii/j en hit — gt;\'1, \'\'\' ^ i,it/j\\ bij de eerste ontmoeting sympathiseren. — t it m ii^ i ini ij ini\\ twee personen met elkander in aanraking brengen {vrg. ia t) » »ij i,it).

in y.i i^i f !• ii/j\\ kn. iels waarmee men met een kletsend geluid\' naar iels of tegen iets aan slaat (vrg. uu

) x • gt;

ljjji miji en mi lj j.i\' it i). — t it in gt;1 uji*!\'»naar of tegen iets op die wijs slaan, hv. met een stok legen de takken van een hoorn, om de vruchten er af te doen vullen; vruchten afslaan, tegen iets

aankletsen, hv. van de zee tegen een steenen wal\\

/ : quot;) » quot;) r»

ook zva. i :t ij ivjjjtiKtt/i v — uit m ij L/jji hn ^ meervoud.

iij 11 j i. ii/j^kn. veel gedruiseh maken; velen die tegelijk een aanval doen , vereenigen. G.

ij (tri ? Ljjjj h njj \\ zva. ij initiaj^ h Hjj\\ WW. — ij ny Lj j l n ^ zie hoven.

\'I quot;u \'I h\'t\' L\' quot;\' 7 quot; * \'I l?1 ? 11J1 quot;\' \'?/,7N

(rnili i\\ of ij nu/li\\ KN. plat 1111.) // i^t en

ij tot ij u). ip 7j mi ij iu \\ platrond. r / .• ? nj tj u -snmhel van half guar gebakken en met Spaansche peper, zout en frasi plat gestampte katjanghoon en. — 1 11 rit gt;j u \\ of 1 11 ij in 11 uit\\ sambëi-gëpèng be reiden. — naidit ri li 1 trj hii\\ maken ilat aV.? plat wordt, iets plat maken.

»1 u\\ zva. i?u\\ WW.

\'ƒ 111 ff li * zie (tit ij (la a

mfj»\\Kw. verschrikkelijk (.S/ /. gddha, hevig, streng, hard), ij nii nnm tot woest en rnw , hv. van behandeling. 1 n 111.1,111 n nt 1.1 \\ rnw en woest geaard fo •

Of gestemd.

wit^s kn. , rrt i n injj^ k i)., bebouwing van de sawah\'s in de drooge moeaon {org. ct ili i.iiinji); in de drooge moeson sawahs bebouwen. — 111 ifjjt?in/j\\ in de drooge moeson bebouwd of bebouwbaar. / 1 11; hui 1 nrnin sawah\'s die de geheele drooge moeson door van water voorzien en bebouwd kunnen worden [org. tj nt ij n* lii 10ff), u.t ij t.j wij uit myi oogst van de sawahs in de drooge moeson. WW.il.; volg. Uh. Li i if itttvjj. of 1 11 t • nt ij i jts hij sawah\'s die tweemalen in hetzelfde jaar met pad! beplant worden, maar met tnssoheneiiltnur hv. van kade té quot;f katjang enz., na den oogst ran padi gén dj ah ; vrg. vt 1 u 101 iajj \\ {die in den : eg el met padi daUui beplant worden. Éénmaal in het jaar met paai beplanten heel in ni i/j zie bij 1.11 iii-jjp). —- 1 11 iii^\\ als iitto^ bebouwen, nl. sawah\'s, l\'j.j vrg. nog i ki^w

nt ij /.mn., (nt iji^njn.ip k.; ili hn ij ui \\ de lombard-pachter, lombardhouder.— t it uii tjajt \\ i it m 1/ tp tt 1 in pand nemen, rïi\'it in rj 1:1 \\ de pandnemer. 111 tj iet rn i.j ij 1 i\\ panden en verpanden. — \'i \'n (nt ij 11 i j i \'n nt ij ifn^ki J] iemand iets te pand-geven , verpanden. 1 it m ij ui mi, n tj hu \\ vh m ij M211 si mlanjj\\ iets verpanden aan iemand, li l it in tj i.ct mi ^11 ij uh \\ de verpander. — li m 1/ tj ïjt 1C1111 tj fei11.1 j\\ het in pand nemen, li ci nt tj ioi tj i.j zooveel als waarvoor het in pand genomen is. — 111 tj.ict 1*1 fj of Yit fjdjt llt utfj rrt ij ij feu lisiinjj iets tot pand; beleend goed; onderpand ; gijzelaar. — li m ij hi?mlijjs staat van verpanding; pandjeshuis, lombard.

itiijin?\\ kn.; 1 it iiiijim\\ iets dat anders bij de rijst gegeten wordt, zooals vleesch, visch, sambal of lombok, alleen eten, zonder rijst er bij-, vrg.

ook l/c f t ili/1\\

co

trit ij 1.1 \\ n., nt nt \\ k., groot van omvang of massa, dik, hv. van een menscjt, boom of slang {volg. Kh. groot en dik 0/zwaar lt;?ƒ breed v e. voorwerp)-, groot 4, opgeschoten, in groei gevorderd, van een kind-, zwaar, hv. van den wind, van golven en van stem-, grof of sterk, hv. rnij ut tn ij nijiii hij schuift sterk (amfioen); hoog, van een rivier of het water daarin of in een put-, aanzienlijk, voornaam {het tegenovergestelde van iniutni j in y 11 t n nn y ij ut :-i koppig, bv. van een kind, ook onbeleefd. oirt rj 111 tttut Lj dik en hoog {van gestalte), intj ij ut ij lii ij my.it j^ dik, maar kort {of klein). 1 n

04


-ocr page 1098-

n rj fJi

i n rn ij / J)\\ hooghartig, i »/ ;.»gt; min tjnon zva. i n hii~igt;}fjiui\\ liooMletlcr. ajiwrn gt;) i~i^ nn m ij gt;1 ut hUi i.i lt;Ui grootcu , ile aair/icnl\\jllt;cn , Ae nuto- , viteiien. m ijj on if i i v ecu feefttilag. i^jijn h m Hiel van ften ((nnzievlijk (jo.t\'amp;lelijlt\' of hoofd. gt;»gt; ■ op zijn grofst, in liet ergste geval. j iii in ij i)ilt;j\\ i i li\' 1 i iff fa grooter maken (tinii iets aiulers); ieis op een grootere sehaaUloen; Rh. ook grooter worden, zieh ontwilvkelen. n/n ni ii i.i lï] ij i ns gt; hooger inzetten, hv. (hit (jewoon-lijk. of dan een ander. i n m ij m igt;ii -n i/ i n^ i i til i i i.n i.i;j\\ iets grooter maken, vergrooten ; 1 maken dat iciy groot of grooter wordt; ids aanzienlijk of aanzienlijker maken; hei viaier doen wassen : ïcis als iets groots besehouweu , oj) lioo-geu prijs stellen, i // gt;n gt;j i i mi ^/7»/ƒ i n i n ibn het hart groot (hoogmoedig) maken. — rn rnjnis oj in.-nji n KN. {of hiitn »/ƒ ii Mi/j Uh.)» zicli als een groote of aanzienlijke voordoen, grootamp;eh, lioogmoedig (vry. n iii.ij^). — ahiij ici nij]^ in in i i inj}\\ in het groot, oj) een groote sehaal, omslagtig; grol\' spelen, {in W. II, «iOO,

rvn mii ni ni/j\\ ia y(iQ\\ praats). i.n m ij i i i.nj i n m 17(kiij of i\'ii \' ii ui\' 11\'ijlx te groot, over

groot. — iri inrfici\\ i m » in voornaamste m rang,

.... o o v )

aanvoerder, hootd ; en zie hij i 11111,11,1 ii mii

i/i.i liet groote dak beneden de \\xjjgt;jv, boven de |

) o i,0 o , ,

ij 1 n ij ! I ~ » ...... •\' I n 1 ij 1 1 lij ^ f I 11 ciii 11 \\ mS VOOl -

naamste, als hoofd het bevel voeren.

111)1! 1 KN. naam van een heester en de peulvrucht

\' ■)

daarvan {bijna (jélijk aan ».»;/.»»//m). de jouge vrucht wórdt door de Javanen als sajoer hij de rijst fie(jeten Cyanus indiens, Spr. Nat. fam. der Papilionueeae.

lynm i KN. het in zijn gemoedsrust gestoord 0/gekweld worden door aanvechting of verlokking tot eenuj kwaad; aanveehtilig, verlokking ivrg. \'J\'J\'j _ n ii ij in? i.r iemand in zijn gemoedsrust

storen of kwellen door aanvechting of verlokking

quot;)

tof iets verkeerds; verlokken, in mij innis zoeken Ie verlokken. iiijinti ^ het aanvechten, enz.; aanvechter, verzoeker; ook de zaak die verlokt, enz.

ij ni2 i?i\\Kli. omwindsel (rrg. 1 ij 1 nm . y j om

windsel van hei bovenste gedeelte van een piek om

1010

ij rn gt; ij ui }n/]\\

het splijten van het hout te voorkomen. — ihijmt i?i - iets, als een stok of steel, met baud omwin. den ; {iemand zoo hinden met de armen tegen liet lijf, WW.). — ij in? ij(i:i in.j\\ obj. den.; mik

wijze van zoo te binden, hv. 111 lt;111 1] 114 n^n j Hli.

) o quot;)

mm; 1.11 iiiiji ?\\ 111 mia.ji ^arn \\ 1 11 111 noi s 1 11 h n 1 , j

en 111 m (a \'ii O\' i/j\' k. , zie ij 11 n\\

cyn i\\i ? kw. zva. cru ; (vrg. nuir.Jis).

infill ^ KN. — i n )n \' j\'. \'u\'ts \'11 tijdelijk hezit of

gebruik, in leen, hebben. — in inay ■i/n\\ iemand

iets, hv. een paard, in tijilelijk bezit o/* gebniik

geven, leenen; iemand beleenen met iets, hv. met

land in vruchtgebruik of met een acte vfjn aa/i-

stelt int/ tut een tijdelijke bet rekking: iem. een nhj.

tijdelijk toevertrouwen, \\V . 1 , j iiih iy ; 1 n

iji.n\\ in tijdelijk bezit, gebruik of leetJ geven;

ter verpleging toevertrouwen. C. S. —- mdoj -1 n

i.i j wat iemand \\\\\\ tijdelijk bezit, gebruik of leen

heeft; iemands leengoed, leeubezitting, apanage

{vrg. n\'i quot;li): toevertrouwde gast Lak on: ui.j

3- 0 n G

n 1 1 m 1 1 J ti n dn ~ 111,11 n n 1 \\ v^.

/ \'

ninigt;- KN. glas; van glas, bv. vdn een kommetje, schaaltje, presenteerblad, enz. n ni^ an 1.1 gt; sjiic-gelglas. nn i i ^ 1 j r.j |)aars gekleurd glas. — m 11 1 n .lii- lt; lichtblauw gekleurd.

»7i^fNKN. een jeukerige huiduitslag, een soor; roaik hond, Wh. vandaar icelligt ? hindernis, bezwaar, waardoor iemand belemmerd wordt in zijn doen {vr(j. ij 1 i\'1.1 j). — ii ii m(voj^ [ vu iemand beleai-en of verhinderen. Zoo ook liiintyftinin

merci 1

1 n\\\\

ij 111/ ij 11? 1 nKN. oorlel, van een mensch , de lel ter j hoogte van het oor bij een haan, volg. IMi. c\' j slobberig, los van klecren aan hel lijf.

}n ij 11 ? 11 11 ,i,i,j\\ KN. ingewand; aard , inl; .rat (^ | (II. .\'{82); ook wel irDninj iJi?^ Tj. {vt\'/. 1* ij

onder

•r

7 quot;O-

) ) o 1 • ^ o. • / \' 0 pil

1111,1 1 1 n 1 1 1 zva. 1,111.11.111,1^ zie tnj i.n/.ir l\'•

inijKino/j\' zie bij ni ij uiw

■) quot;quot; . ... . )

; m Ij I i nn j\\ zie hij 111 ij i:i\\\\

mi iin\\ KW. zva iiii,\'j\\ {Vrg. mm en mui \'yl

111 (ijl rn n K w. 2 va 1 iij 1.1 f n, ij {vrg. mi 111,1).

(niii\\ KN.; iets trillemls; zooa/s iets s/ijmaeht ii/st

iets weeks, inii m\'ni, bij aanraking trillend,

iels derg. bv. zeekwallen.


-ocr page 1099-

Ill IJ) 1.1)1)

) ) on lo

1011

oil I) /.»y^ KW. iinii.Dp (r.

■ gt; (quot;) gt;

oil i:) h)) )il/jx rn 1C) HjI iil/j en i.di iinnij\' KN. met fiaudeii en voeten, met moeite voortkomen, met moeite voortseliarreleu in het loop en j met korte poolen hartstiji; voortseliarreleu.— i ó ut in in) ili/is p/i::. hetz.— oil m )gt;n i^im/js enz. scharrelend, »1 seharrelend zich voortbewegen (f;y/. in i i f i. i anj).

kn. van grove stof, //eiv. op Javayeioeven,

. quot;gt; 1 n igt;i

tegenover gt;j .* irn\\ vry. i n diny to/j\\ Kn.

n — i.n IJ) ris I j.

iDtj^.\'i n\\ KN. zeker fatsoen van j ƒ • » V \\V. II. 441.

tni kn. eeu kleverige wortel (Pongamia Seri-

(•«\'u, Vent?), die een bedwelmende kracht heeft, als i-ï hj maar vütachtiy, ook gebruikt om vissehen te bedwelmen; wordt ook een kind om. den hals gehangen, dat last van wormen heeft. * hernia ii iis kleverig, smoezelig, van de handen, U. kleverig, klevend zieh hechten hv. aan het verhemelte van kHan^meely en derg.. Rh.

id iJ ii i/j\\ KN.; 11) in in ii) j- met de slagtanden slaan

of treilen, bv. van een wild zwijn.

DiiyiLip KN. het vnil van de tanden. i/n nniy. iii;j\\ vnil zijn van de tanden \\ volg. IMi. »\'/ )ur

yij in ili/j zie iiihy ii.)/j\\

\' . ■) *

ui in ijin zie i.u in n n i\\\\

o quot;) o

tijinnis zva. i.niniuw

) . )

mi lil ui fj zie \'in m i.n iu/js

•iij i i in i i ),),j\\ ziquot; onder inoïn -n if iiif in } i/j\\ KN. oude benaming van een driegulden-sink, R.; volg. Rh. gt;ƒ cmi in iti/j of nj in laq--

mi in f i . / m.lt; j ^ \\ WW. ), i) m n i iu in,j of mi in gt;) i i^iiinjs KN. met moeite voortscharrelen, mei moeite zich voortbewegen {vrg. mKicj k) i i lui/j en

in in mi ii i my).

nrnaji nij^ kn. klank na b. van het stooten tegen iets hards: bons! /ƒ mtin \'quot;// stooten en bon zen, K. , 28. — njfKu^ni/j znlk een slag geven. Men.

m i i n) j kn. bliil\', om. iemand te overbluff en

\')) i.)) )n)/)). — iii m m nij\\ hlnffcn , iemand zoeken te verbluffen, groote woorden spreken om

iemand ba

ni }V

) O

iii in ni/j\\ KW. zva

cr gt; n ) .(\'y ,

.\'i\\ cm mm )n/i\\ uitvaagsel.

2. geklop als op een houten blok; een sein op con rijstblok om kennis te geven dat er iets vermist of t?rnggevon-lt;lcn is; niet oj)komen, van geplante zaden of pitten, WW. niet breken, van de khnirinoot bij het op elkander staan om een weddenschap. — 8. ook zva. if ni ij ui n) j maar minder sterk, br. van verwondering i ij. — nim {{gt;\'gt;\'» my zva. ij ij in if i i tj in ij in in/j maar minder sterk. — (\\ \'n m in n» !\' een obj. selindden , heen en weer selnul-den, bv. van gVmak\'s, die elkaar met den bek vasthouden en elkaar heen en weer schudden.

(in in ui fj \\ KN, rng van. eeu kap- of grasmes. volg. Rh. klanknab. van het staan van metaal op metaal, hv. met een ijzeren hamer op A,een spijker, m

) O

rquot;) i

nil i in )\\ lil (

grol\' en rnw er op inslaan, m in n muts zva. in nii^mj de piet, de baas, B. (eig. van iemand. die tegen een stootje kan, Rh.). — in nigt; i ni/j met iets stomps, bv. een hamer, den rug van een hakmes of een dikken stok, kloppen, peulvruchtea met. een .v/o/-uitkloppen dorschen. WW. {dit volg. Rh. m njjj j\\) ook zva \'Hij in) smeden {vrg. in iftj) gt; .in/j\\), — in in »1» obj. den. i n i/in / n i,j met zijn kracht of onkwetsbaarheid pronken, Kh.

in^: mp kn. klanknab. van het bonsen o/* stooten tegen - iets; een bijzondere wijze van slaan op de i, ii nn \\ votg. \\V \\\\. uiterste grens , waarop iets stuif en niet verder kan; tot de niterste grens gekomen, ten einde toe W W. in m.j voornaamste, eerste in rang, de piet, de baas, voorat in kwaden tin \\ de belhamel, bv. van roovers, muitelingen , enz. O;* ii nni in en J i ri m Uj I. in m Uj n)j\\ (volg. WW. zva. 11 n i nt i)) j\\) tegenstooten . bonzon; slaan op de këndang.

in ij m in)\' kn. grof vlechtwerk van breede reepen bamboe; beschot (//\'omheining daarvan , wand

een •lavaansch huis (vrg. m v y gt; gt; \\ r/j ij ip ). d/) en quot;gt; )

nhiiLi). ii ni ni ij ii i )ij) omheining of wand van gftdèg. ij i n f: i; m n in i ii,j\\ hnis met wanden van g\'édèg. n i n tnij in m ^ spr. voor een onbeschanmd

64*

te maken. — //»/ i

) o gt; ) . )

mi i m,min ^n ij in ^ tnq zie in ij m ?

i / 1 r» quot;)

f 1\\ KN. I. ZVa. IJl.) l.lij ik


-ocr page 1100-

. ■)

m Y ui ? m /j^

n

ij tn? to ju i i m/j^

1012

i))? i ii in i n in

i i i ■ h 11 j

ook

\'ji quot;f

m i i m n

\'1

wegen, als ie eken van vergenoegdheid. ijiDiit ni 7 Hl ij i \' \'quot;\'P aanhoudende hoofdsehudding; aanhoudend hot hoofd sehuddeu.

ij o\')) ? ijiD) j kn. 1. vak, open vak in een besloten ruimte \\ ruim vertrek, hv. in een fabriek {vrg ij ij i.i) ? Ki hii/j en i i) ij )))? m )))/i). i i ij )))* i i rn/j een vak — ihij nun nij\\ een vak vormen of uitmaken. — ijinnoi muhj afgedeeld vak ij intin nijj\\ kn. i ii ij in\'i i injj^ sehndden. ook het hoofd, maar hep. bij tan dak ken , {vrg. ijmijii (riijjs). Kh

ij ui f ij ui in/i kn. bakkebaard ; ook een koperen versiersel aan de einden van een teugel, dat aan de ringen van het gebit gehecht wordt, m )j nii rj i i aDijj ij mfiji i {}{\'gt;\'/ \'f \'/ bakke

baarden hebben.

ij ))igt; ij ii? )n j kn. : ih ij in? ij ii i injl wat er {ij ii i.i) of andere vloeistof, of ook spijzen in 7 water enz. koken. — i h ij m t ij ui f int ij iii\\ voor iemand iets koken. — n ni?ij ui f }{] ^• gekookt, kooksel. — ui ij mi ij tm »#»/.^n gew. uij nu ij ij ui 2 yp in ij een kookketel of pan

goüigt; brul aal kijken.

tji i in I voorzie».

in tj ij)? m i kn. !. stampoii, van een paard op s/al. 2. soort eau gesircept zijden slof, vooral voor gordels van niannen en sléndang*s van vrouwen. ui lit rn ij i i\' infi henaming van de wajang-

verhalen van Had en Vandj\'i tn van de wajangf-

. x . o quot;gt;

garen daarvoor [vrg. i.) m i j i i- i» i u i.d )i /1,1

1.11,1 ui in ij idiij )u hHtjj\\ en i ) i ii ij i n ij i n). —

~S ^ quot;) . ■)

mij ui\' ,{{ iji if )iij en mi i )/j iji) ? Dijj aan-lioudcnd stampen, van een paard op stal; trappelen [org. 11rj^ gt;jj i j m j). - ni ij ic,)? m m/j of

i n ij i i? in au :j\\ paurile^tal.

) _ ) •)

»/ƒ / i in j - rj; nj i i ni j

))ii?i nij kn. een ilroogc puistige, jeukerige huiduitslag, die yekrabt wordende als poeder stuift.— i^i daaraan lijden.

Ij m ij i i Dijj KN lioofdschudding : liet hoofd schudden {vrg. ui i i ni^ 3); fig. weigeren, niet willen.

een der voeten zoo heen en weer be

ï quot;gt; ) t II (7)1 I I ) J J V. J/» \'ƒ

) ■)

l.ll I 1 ))) )l i/j

: ixïcii ni ii ijj\\ kn. ontevreden, misnoegd /ijn als ge-steldhe\'.d van het hart, /^/.9 verkropj»enj i i m n ij

in ij)\\kh. •, i h in i\'i\\ van iemand of ivts het vooruit-

zigt, de hoop of verwachting hebben, dat liij of

het dit of dat zal worden; een obj. tot het een

of ander bestemd houden ; iemand vooruit tot iets

bestemmen , voorbereiden , grond vooruit bewerken

om beplant te worden {vrg. ,imia.j)\\ van /»/\'»).

i/n ni tii in ij)\\ hetz. — ci))ij) rn Mi/js ohj, den. wat

men van iemand of iets vooruit verwacht, dat hij

of het worden zal; iemand die vooruit tot ten

waardigheid bestemd is; wat iemand te wacht en

heeft; iemands vooruit beschikt lot {vrg. iu ui ij i /

t-ajj en in iikhi n m j). Zie ook bij ni.uiw

ini!i \\ 1. kn. slagtand, van een olifant \\ elpenbeen,

ivoor. \'I. kromhouten van een vaartuig. 3. ki. van

1^1 frn),p — (.ij ni ij\'i soort van gele bamboe, i.n

■; mm ri\\ in nil uï \\ soort van kleine, (iele kokosnoot, co\')V» J

{vrg. \\ ))fx:)(i£) bij d/y). ./r; \\ op die kokosno

ten gelijkend, van schoone vrouweborslen, 13. S. 207. i.

)))!lt;}) idi :i£j in/j\\ in i i i.ii rj n ii\\ en inuii.in verschillende kromhouten. JR. — (oil (riKuï Met de slagtanden treffen, van een olifant. — on rï i i:hijj als ivoor, ivoren , met ivoor ; gulzig, schrok-kig {vrg. in^i ii i uij); ook een soort van ongedierte of worm in het rijstgewas, WW.

»j)(ijj, soort van groene kleur {vrg .iDij i .\'); een wilde aardvrucht Dioscorea hirsuta, een knolgewas of soort van ohi, die een bedwelmende krocht heeft, doch voorafin kalkwater gezuiverd, en daar tin gekookt als lekkernij, of ook als nood voedsel gegeten wordt. -- {of i.i uii) Didb) gadoeap,-bloern , zeer geurig van reuk, K. ook naam ven een batiksel, en i imi indoj kn. van een g%nding evenals lij mabp slingerra.uken van den gadoeng, H. J. XL V 111 , 30, ] ; L 8, 9. n\'i iiKiynji tyj ni on ij. van geliefden om elkaar gestrengeld al» lij nj(ici,\\ \\V. 1, 32, 8. rnri\'up een zeer ter-giftige aardvrucht, die evenwel als geneesmiddel ingenomen wordt tegen syphilis en verouderde wonden. i y ii i cnitiy een lichtgroene slang, li i j een soort van mangga onnhi^iniyi de derde achter poort van de Kraton te Soera kart a; naam van een gen ding , soort van batiksel. — i n nmy^ iemand met gadoeng bedwelmd maken ; fig. bedne gen, opligteu . afzetten {vrg. »,.»Va i.y ).— : iiJj

ii nis i i in ui in

-ocr page 1101-

of rt) groenachtig als gailoeng, benaming

eau hel rijstgewas als hel ungcoeer anderhalve maand oud is, en van vruchten die geheel groen zijn en op hel punl van geel ie worden, bijna rijp , ■ zooals bv. hu ij lii i^ijj enz. — mtiji

iija/jv niet elkander zanienspannon om tegen een derde valsch te spelen; WW. obj. den. de bedrogene? oo/c een vennonule, PJ. en in W 1, 270, uo/r bedriegerij. •\'11 •^ een menscli die zieh

door tooverij in een tijger veranderd heeft, en als zoodanig dikwijls zijn désa bezoekt, ook wel een

tijger als een niensch.

) . quot;gt; ■

tn l i N., i/l fJI

soorten, door bijnamen onderscheiden. gt; i yii in \\ pisangboom. m i\'i i ii « benaming van pisangvruch-ten, bij offeranden gebruik/, gewijde pisang {zie bij \'y/O- quot; nlm een ongetrouwd meisje, dat zwanger wordt. G. mi\'ii iin n\\ zie bij in ii\\\\ — ni ihii.Hiji il j\'i i i m/i volg. Kil. ook een plant als de pisang, maar kleiner an zonder vruchten ; een pisangplantage; {ook wel /./; n in iv.). 771 ij ia i kn. 1. gebouw van steen, ook zva. niih\\ voorraadkamer, pakhuis, magazijn, gevangenis. :l luijcr, zwachtel; doek, waarin een kind na de t.M.M met de armpjes tegen het lijf stijf gezwachteld wordt, ii/ii iJi j ij i\'i t \\ zie lyij^nijj 4. benaming van beambten voor inwendige dienst in de Kraton. rn ii ijt i iji /1 \\ een gëdong of goedang van ijzer, in n tóit m m f i i.i/j\' wapenkamer, tuighuis. ui ij ten ij hu2 a?i koiTijpakhuis, in ij ia? i n ii mj en in tj üi ? i. n ui \'■ naam van twee gebouwen, de voorraadkamers van den Vorst. aan de r eg ter en linker zijde bij den inganj van de Kraton, i 1

-)

ui m hl m ij i i\' hu t /

) . ) O m m rn ij ui gt; i n i i i.i j

naam. van twee binnen-w \'adana s, die het opzigt \\ over de voorraadkamers en beurtelings over de huishoudelijke uitgaven van den Vorst hebben: opperpakhuismeesters. lyit^ n rii ij i\'i de pra-

djoerits van de gedongs. namelijk van de iiiijiht

. ^ o quot;)

m \'1 m/j en van de rn ij m gt; ilt;n \' i^ ,n \'/

iji\'ir. zekere beambten xvan den Vorst, mantri\'s

k:: I , ^ • O quot;) quot;) -) ^ )

quot;ij oe nni in i.n i i en i n n ni,p\\ . i j.y n ij i.j

K., banaan, pisang, loaaroatt vele

zekere beambten i

)

tn ij i

van den Kroonprins. i\'n rn ij i\'i i\\ iemand in een gëdong gevangen zetten {vrg. i.^ i.in »;); een

rndh\\ 1013

kind een Inijer aandoen . 15. in rnri i\'m il\\ in (jen gëdong bergen , opsluiten. — nlij iht ii(m i\\ vertrekje in een gebouw van steen of van 2)tanken , WW. obj. den.; urrestkamer. iiinriihzii uiji plaats van arrest; achter het scherm, wat acliter het scherm door den dalang verteld wordt, zonder het met de poppen tegen hetsclnrm te ver-toonen. 5. ^ in rn ij i i gt; klank nab. van sen zekere wijze van staan van een tortelduif, Itli. »/ƒ/quot;) 1 K.N. groente of eetbare bladeren, met geraspte kokosnoot en de noodige specerij klaav gu-maakt. inr:i i:r^\\ gekookte bamboesprniten op die wijze bereid, WW. 2. magazijn, pakiniis. n^iiii ti . i n 11.1 een schuur waar de un.rniiij wordt opgeschuurd {deze nl. moet droog blij ven). Ij.

rnriris KN. schoof of bos padi, van twee garven {gt; n n ivolg Rh. van twee ij ijiê ij ijuw vier ij rj m ij /.quot;) is een lt; n y gt; igt; ui/j, vijf ifnn ij i\'i een ij i\'it m vierentwintig gï\'deng ziz. \\ a met. — friii^ij n )n ij i\'\'i • een bos padiatroo , waarvan de korrels afgestampt zijn, Men. — i \'ii ij m n / \'/ \\ padi in een schoof binden. — i ii ij in ij ioi i ]\\ mv. — gt;ƒ m n rj/quot;i i.i i,i/j\\ in schoven, bij schoven.

n mi ij i\'i i \\ kn., /,1 Ijl iuinji\\ Tl\'-» K- blad, vaneen boom of plant; ook van een roeiriem , of van een ui ij iigt;i.iii:lt;ii ~ i !gt; ii /j. i i ij mé ij i\'u een blad, als (jewigl van \'/m tail, gebruikelijk bij het verkoop ai van amfioen, die op een djeroekblad gelegd wordt, Rh. \'ƒ mnj / igt; i\\ ri itii/is naam van een batik set, Tj. — i h ij ij i \'i t \\ gelijk een blad. — rj ni/ rj int i i i.i i of in ij rnt ij i\'i ( i hl Qs KN., ui ij i n / ij Ti\' k ., gebladerte, loof; kruiden, kruiderijen.

y intrirn KW. beproeven, toetsen. G.

kn. olifant {Skr. gadja; vrg. My i\'it nif en nj ninjj); — in \'t schaakspel, het kasteel, C. S.; - - ook benaming van het middelste , steiler gedeelte van een Javaansch dak, dat op de i ii.n tij ij rust: topdak. \' ^ 1 £\';/{\' N topdaksparren in i i hii i-\\ j \\ walvisell, {zie tj n it ixi i.i j). I.n i i rn ik j \' de grootste soort van in ij, meestal zwart of grauw van kleur, Rh. rn lt;lt; j f rti.js gouden olifant, een van de rijkssierraden van den Vorst en van den Kroonprins tni-lt;gt; ii^ii N., m r:


-ocr page 1102-

mi vs % \\

1014

rrn

u ilt; gt; \\ k. , een bij «undo re, van Ue Juvoucii under- j

idieidenc, /dassc van menschen, f/t\'w o//i- j

it\'ok can Karta-soera iconen , en waarvan de vrou- \'

c/t\' „weepen, sint/els en aadcr paardetuhj voor

hel hof van So er ak aria vervaardigen, Ier wijl de

mannen eeniy ander handwerk uUoefenen, mis.;

om of is ƒ/ƒ!//lt;» m / s 6V/w verhlijfplaals van

Va la-sa ra en laf er van (fc Fandlxwa s en de Ko-

rawas, In de nabijheid van de plaats waar Nya-

stina (jesiichf is; ook bijnaam van Ngastimi {Sir.

g a djdh w aja, bijnaam van llastiuu-poeru). in

ir\\ \' i.j i?ï\\ naam van een fatsoen van rj ; i ^i. —

gclyk een olifant. — m gt; i n hi j of

m in j-x \' t n K)/j\\ op een olifant gezeten (^/quot;rijdend;

ook naam van een yroole soort watersnip-, krom-

bok, Rh. — n iiij\\ olifantebtal, (vrg.

n

1:1 iW iu i, i j).

(rnil;\\ 1. kn . vet, reuzel (vrt/. hn.nn n i ]).2. lloll. kn. gage, bezoldiging in geld, traktenient {vry. i;nrj n.i11 in). — /.»?lt; ;/soort van letan. tin? gt; i ook uniinyiJi een onbezorgd leven leiden; ook trouwen, Winter, C. S. — i// ni ik {\\ bezoldigen. — t\'n iiiisgt;iJi)\\ mv.j

en iemand een bezoldiging toeleggen. — i ii m isj iniihn iets tot »/m besteden.-- m i/m grond | aan de kant van een rivier, die alleen in de drooge moeson bebouwd kan worden. - m i.^ j u»im/js \' bezoldigd, ook tijd van uitbetaling der m i-lt; \\ en | de deugd van het staal vau een snijdend werktuig tegen die van een ander beproeven door het seherp op elkaar te slaan j naam v. e. soort van t/ras, lUi.

i n ij ifC * { . —- \'/1 \\i ij i lt;i -i ^

ni lt;-?of ij m t tf 1.\'t\\ kn. /.wak , g,woelig in (ken buik, (Tj ) WW.j telkens op hetzellde punt terugkomen; zieh met allerlei kleinigheden bemooijen; op de kleintjes letten, karig; -ie j i.l/w m ij i sihi k\\\\. on Sir. tj a dJ e n dra, olitautenvorst, groote olilant, of eenvouduj olifant, li. J. Krit. XVII, 19 22.

ctnixs kn. » ii ik \\ iem. met kraelit en lang vasthouden, vry tri ik w rii i^i ij kn. klanknab. v. h. doordrUujen van een pant iff oj snijdend voorwerp in iets zachts \\ W.

1, 7.

(7TÏ \\ — i ii in ir^ ai j \\

n. O 11II I i \\

Ci\'

quot;\'»? \'\'yl (;i*\' rii\' * WW.) klanknah. van een

sprong; vrg. lt;■?

m i \\ .i i.i //nkw. en S\'kr. — rn if iK (hi B. J. Krit.

XXXIV, 5.

1 \' . . .. / •

iiii-jij\\ ::ie bij »\\n

) / . , V /

IH Ij lrlt; ? Ij i \\ Zie rii rj lrlt; l tj K iW

in i \\ ut j\\ kn. waarschijnlijk, denkelijk, inogel\\jk, misschien. — tn in ij ttii\\j ui ~ n i n\\ misscliiru

OCJ \'

zal hij durven, misschien niet; zal hij? zal liij niet? van iemand die staat te weifelen, volg. Uh. Soms durft hij, soms niet. «rrr/.y /ƒ j/j\\ ook i.ii ir? ij nfn\\ naar liet schijnt, naar gissing, naar alle waarschijnlijkheid, mogelijk, misschien enz. ttt.i\\ jnr-s: tn/j\\ weifelend, besluiteloos {vrg. n r.j ii up.

nniKrii/js kn. ; :i iirriii lt; iti j\\ iets me! een stuk houl of iets dergelijks «tompen, uitkloppen of kloppen

l(lt;j HIJ

{dit volg. Uh. tti i tij m^y,

0 » ) --)

7I11\\ - 1 11 ttl l \\ crtl \\ 7HV. ~-

^ ( til

zte 111 riijj \\

) y •quot;) quot;gt;

iiiic rti/j oj 111 is gt; \\ zva. hli lk \'riyj\\

ditr? tttj kn.; » /» aaiihoudeud dringen

vragen of verzotken {vrg. lii ii^jkih j en ii gt; i ii/(). — i.i rn.inji aanhoudende aandrang, WW. — i\'n tni ? iii j\\ volg. Rh. aanhoudend en druk het itü of ander doen; ook het tempo sterk versnellen {vrg.

U) s ll.lihJ) till ).

tn lés cni/j^ kn. een koevoet , zva. n \'i tniis - — i»» \'tniri daarmee werken. — (tri aii / % »jj\\ (\'.\'w

1 it tin? W W.), iets, als een muur, met icn

-) o )

I I l.ll n i Irquot;, til] OU l -yl

ook

m ir? tu I afbreken.

\') ï n W \\\\\'

111 lc\\ till kn. zva. (til l-s (lll/)\\ \\n \\\\

gillij kn. zva. (til I-s (lll/j

een gebrekkige voet, daar de hiel van ongetrokken

is, zoodat men op de teenen moet gaan. — »h

jnifj iiij\\ met de voeten stampen; o»k iem een

trap geven, nl. van een heest met zijn voorpot,«mi.

— time: tnin/}\\ n i i:i tnir. tttifii\\ een valdeur, lm -1 lm — I

die op- en neet geschoven kan worden., zooais die van een sluis, WW.

) . ) ■ ^ i»i ^ is i ttj\\KS. -, i /I »y i s t li p zva. i ll t tl .lis tti j\' Ml-

aandringen hij iem. om een of ander, B. T. Dj.

37. Tj. itj is Ut j ook zva. i.y ijiint i^ijj\\ .IJN\'. om

strijd.


-ocr page 1103-

1015

rj m fj

} lt; ? Tn [) \\

m? nnu\\

ij mj km. y /u/ ocrmuuk la

-amen met dun rijststumpor up «Ie imuii iit hul rijstblok shian , van meisjes {cry. tj i. n gt; ij li i.n \'■\'/)• — i n gt;1 mt/i ^ mj plat tooorii oour een kind verwekken. VyL ij mi ij * lt;gt;. m j*

,ƒ yn11. tn,j lt;i iiii mti ^ injj volt/. Uli. betere spel-limj dan ij nu ij i lt;? y\\ n/. in da het. van met water uitspoelen en 5ollOonmakel^,«oo^r/ó,^/6»(;i• eerst te schiulden en dan het water uil te gieten ho. een ftesch en het, y ïïm gt;f lt; . ? met water schuil

den, omschudden iets als een mcdicijidrank en een üesch van binnen met water spoelen.

ijnitiji * hi j kn gt;i in* iji* rn^hij met elkaar stoei-jou, IM.

III f gt;1 I* 2 lil\') ook I il

\'ij in f ij i lt;. t 1111\' KN ; i n ij in /ij

/-c iri/js iets, ais een medicijndi\'ante in een Jlesch, omschudden {vry. ij i.luni 11 /.n.;). (Volgens Winter zva. pompen; en fuj. als tjemeene uitdrakkintj voor: eene vrouw beslapenj vandaar) als scheldwoord-. i?i in ij im ij i s i m:j\\ sc. r.n i u \' \' Lakon, C. S. y ,n*\'/ \' ^? V\'\' / üf gt;gt;i\'/ nu ij i ^ gt; yi * j een scheldwoord {zva. hondekind? C. S.). Vijl. \'/gt;quot;*/ \'tjilt;êiiii\\ — i h ij inni cnij] van binnen met water spoelen, hv. jlesschen. — i ^ »/j\\

iets, daar iets in is, zooals een kruik daar water in is, schudden, omschudden, doorschudden van

binnen omspoelen of uitspoelen.

o . 0«

ij nu ii mi ilt; ni/j^ zva. if nui in inline

O

»///.-gt; . i ii in ui

iij ielt;\\ i ii uj quot;i\' * i H quot;ƒ i lt; \' \' enz. k., zie — i ii i lt; i l\\ ook kn. met de hand of handen vasthouden; fuj. terughouden, verhinderen / m i n i^i en 1.7) /L7 i // 1111 i). i j n j i.i ij igt;.i t n yn ij i u i h n^ i\\ / 7 / y ij i^ii \\ spr. voor met weerzin iets geven of afstaan ; met de eene hand geven en met de andere terugnemen.

\'gt;Jjln KW., zie hij ij mw ook njjioq zva. .i:iii)n\\\\ iMj N., ni i k. , lachcml ge/.igt, lach , het lagchen uiei of zonder yeluid. ƒ quot;f* x \'\'Ü \' / \' jv •— l il n^ quot;fj11\'!! 0f 1)1 ni nj i ij \\ en i \'n rij /y / . of i h in nj i A togen of om iemand of iets ecu lachend gezigt zetten; iemand uitlachen. - ihnjiinu

i\'j\\ iti n^ i ?ils belachcn, bespotten (een ander

O o • , •).

i n nj i ii zie Ijij \' O- quot; i ii nj if 11 u i ii , a if

•finis i h ni ïrt i n,n ni/j aan \'t lachen maken;

lachwekkend, helachlijk. — quot;/ fin(/ quot;/ h\'* lachen. — uh ngt; • j if i i-u ij in nj ti i\\ ii\\ om iets lachen. — njijiii/iof of rn niif i.i u in j en nj i i in/j of in ni !?lt; i i in]\\ grap, scherts, korstwijl; voor de grap, om te lachen; iets lt;•( iemand daar men mee lacht, speelbal; met een ander of elkander schertsen, gekheid, maken, «wA/. Hh. ook stoeljcu. — li n^ If nu li nj^ !•lt; ii iij vrolijk gekout; vrolijk met elkander kouten, GR. in AS. met elkaar stoeijen; volj. KI\', bespotting, belagchelijkheid ( t l nj if uu i j ; i nj i . il schertsen, boerten, GK ).

) . ) if nu if i LU ZVU. m d.CJ, w i II in If nu If nu » n in

ij nu i ] iu/i^ halt\' schertsend liefde betuigen aan

iemd. van 7 ander ijestacht, coqueUeren. IVajanj

Préj. p. , 11. 11. vohj. Kh. wellujf een (jebrek-

ki(je uitspraak voor gt;■ nuif iult;gt; en ij nuijnif

«bedriegen en bestelen.quot;

/, O ) O

nji • \\ OJ m iij KW. zva. 11 i i t r^i.ni.ifj en / »

/,/; rnjj — i in ujif zva. G. hetz. als

)

i n iAj^ gt; w

imir {s kn.; i \'n m n^.f\\ 1. reiken, naar een object niet de hand of iets anders reiken; naar iets streven, zoeken te bereiken of te verkrijgen; (vatten , begrijpen; BM ) — i \'n in ivif, i n if i ns fuj. een object naar boven brengen, \'i\'j. in de hoogte plaatsen. \'1. i ii in iii • of\' i i i hj,; v. i n iti ■ als scheepsterm , pagaaijen, met dc pagaai (schepriein), roei-jen; een vaartuiij pagaaijen, nl. het water naar zich toehalen, {vry (t^ / .j en n/ ri\\ Vry. i:ivii{\\

V ) o Q. O

van i.HiIjVJj\' ) ifiiu n mi i,j ni i j gt; .i n i ij i.i \\ on-boreiInbaar voor het verstand, onbegrijpelijk. WK. — u ni ï l/Jj gt; ■ zoover men staande met de uitye-strekte hand bereiken kan, li. Tj. voor een maat van hooyte , ook in n i.i.j Tj.

ni ii I • \\ Kw. neerslagtig, bedrukt; i n0\\ uitgeput, afgemat, vry. »^ ƒ mn f i nÏiaj^ i n iki j\\ vit. \' quot;\'jy iiji j i.n ui f IV .1. Krti 11 . 10— 11.

Cl 1

m rij \' en ;i miij ■ zie nj j

i /•

nj.j i.i f KW. I. zva i ii ij in lil,j 0/ i il if mi txi y

\'Z. kn. zva. in,i\\ in den zin van mm/mw ( Jl c /

.y if nu,nf zie bij »y viij w

in in i^i kn. {of i s ij) een kleine. I)ooi/i met paar se he of ook wel paarsch met yeel doormenydc bloemen en dunne lanye peulvruchtengt; Kh. en een plaats, twaalf paal beoosten Soerakarta, waar iquot; het Jaar


-ocr page 1104-

1016

O m ui \\

rt

om i li fcnjj*

1?55, na de verzoeniny van den Soesoehoenan Pakoe-boewnna III mcl ~ijn oom Manykoe-boemi, deze laalste van wegc de 0.1. (\'ompaynic tof Sultan over hei hem afgestane y ode cite van het rijk verheven is, \'hetwelk sedert den naam droey van •J o y i a k ar t a. n hel te Giauti voor

gevallene. — iniiifyit.i f)\\ naam van een rijk. G.

V . y

t/Iilunkn.; i ii rrrm^ altijd uoov, ouophoiulelijk,

doen, Tj.

m ij ifu kn. !. sliigiaiiden van een kid any. 3. stellage , waaraan de yony yehanyen wordt. — ii \'n rn n ijimx met ile slagtanden trefTeu, van een kid any. \\\\ W . zoo I?. T. Dj. 258 , en in B. van een wild varken (mi\'ïnij). 3. voly. Kh. een vooruitstekende kin hebben.

cru ru \\ k.\\

ry

. -gt; lt; v . ■gt;

i ii m m zva. i ii ui i iiw

r/y in kn. — i n n^.ni\\ draaijen, \'J\'j.

(tJ|\\ KN.; i n ti^r/Ajj door diep water waden, bv. tot de borst toe {vrg. lt;1} l(V jj) gt; louwen, alsoi\'

men door diep watar waadde.

■gt;

HJ j ~va. lil .1 11 ^ll/Jy m (bij, itiij zie rn irj in j

niiiihiij1\\ kn. gejuich, van vrenyde, of als toejuiching, gesehreeuw van velen. (vrg. en kicin hiiji). ii] i lijji! ui hii/js of quot;l \'tjjj juichen, jubelen, schreeuwen. — niuïninim.i,ii/j\\ algemeen gejuich, geschreeuw.

.r^.Li/^Kw. J. ij uuhiijp yv. v. i.n njjj ui/j en i.ii ij in in j\\ schijnt eiy. ie beteekenen plotseling, li. J. Krit. I/.VIII, 11—12; zoo ook i~ n ihii j ib. Krit. XXXV II, 1 — 4; vandaar mi ijjij^ii/1} door iets onverwachts getroffen, schrikken, li rrjjj i njs plotselinge verschijning, bv. van den bliksemy 15. J. Krit. XXXIV, 4. — rpji^ns ei ^ jii

i /in G. 2.

nj j i nji ook zva. in rjj jw

niliiilii/j kw. voly. Rh. verwijl, vertraging, lang duren, vertraagd worden, A. 18; VVP. 85. Kw.

Lii liern{/vn(Kiji waarheid; ook voly. Kh. inderdaad, wezcntlijk.

nirmi.i n/js kn. ; i \'n iniA/iMiLj omvatten; {vry i ihlj, .üiijlkh(iaji isiijj\\) omklemmen, aanhaken, aaneenschakelen; een obj. verbinden met een ander, bv.

h1lquot; \' quot;\' quot;\' /y M\\\\ Mi ^l) ilquot; i fio- ,net-

zich meevoeren, meetrekken.

in elkaar gestrengeld, aaneen geschakeld rii i li .hiiji\\ kn. — \'ij\'n au ui nsiiji\\ van de regte rig-ting alwijken, aan de eene zijde hellen, van ye-wiyi j fiy. het doel missen, talen, Tj.

ij(iii rjadibiifls .iAi tj tn ij luiLiijjs enz., zva.

ibn/js tj mi ij m Lii/j enz. {vry. (rn i n .L n j).

o s \'1*

(tn ijLLU ihti KW. zva. i h}/y\\ of i/) n i.y ly.ips ~\'0 b\'j

r\'l \'cj n cn p0^\' zva\' quot;i \'11} *

(Yti tj.uit ti i js kn. werktuiy waarmee men den yrond

schoon maakt, zva. iibigt;hu iun^ G.

oii.ui ii ijj\\ kn. klanknab. van kauwen of knauwen,

v. iels taais, Zie tj (rn iiiiui

ij mtj in t iLijj\\ kn.; / / ili ij ^ili^ iLi/j jonge Sa-

lak, WW. voly. Kil. klanknab. van hel kauwen van

oude i/tenschen of van tandeloos en; ook van hei

kaauwen op taaije voorwerpen.

ni 11jij gt; kw. zva. rn ij r I w G.

\'7 quot;Jy^ N ll^lllW G.

tu ni i/j\\ kn. een yroote boom (Inocarpus eduli^), met breede bladeren cn ycuriye bloemen, de vruchten smaken eeniyzins als onze kastanjes. miV/ m in t~ijV naam v. e. batikkan, en een gendiny. mm iyKijjs ben. v, h. fatsoen v. e. wctronyld,

nl. zonder blad.

) . ) . ) o .

111111} ijs kn.; inniiiiiMjj en (mi in .lli 11\\ lier-

kauweu.

o -

rnmrf m\\ of ij niui ij cms zva. t n tj nii/n .]

Ij (Yll w

i *)

tri i li nm ^ \\ kw. zva. rn n i i.i j w — in tti iuingt;\\zva. )

mi i n nil IJ \\\\

ind/i/ii^ii/js kn. het zich met elkander vereenigen/o/

het een of ander; zamenrutting, zamenspanning;

aanhang; algerneene onderlinge overeenstemming o/

overeenkomst; zamen overeensteimnen, eensteimaig,

eendragtig, eensgezind , eendragt. — .i/n tt^tui^ iiijp

o

zamenspannen, zamenzwereu — (un ni(iA^Lii\\ zich verecnigen met, er mee instemmen; iemand aanhangen. — tiidji^ i n in j of in n^LL^.iirunjj - in verecniging met elkander; zich met een ander of elkander tot iets verecnigen ; yevormde vereeniging, karavaan, complot, genootschap, (gemeente, W .)\\ partij, club, enz.

Yti 11 / \\ kn. ZVtt. min n

o (-) n (V) O ,0

ni Lu\\ i.J ui \\ bij mii uw

o . o c .

ni iiy kw. zva. tj (un i i_i lt;Yn /j n kn. niiijiimij in


-ocr page 1105-

riint 11 f- i\\

1017

nj I ii \\

de luclit /ich bewegen v. zwaar /lanyenile regenwolken, Tj.

fYfI iii\\ kN.; ril itj I ii\\ een heeü ba len o/quot; Wiisselien

\'in een wed, ruler of up si a I; oo/c wel van kinderen ,

eu plat cun utenschen, i] i ^ »/ hi i ii\\ naaui v, \' (aj quot;I

e. ioocenjehed, om liefde te verwekken, tja v mi i.nii iii u^ilü lUiLLige(Mi schotel kunnen afwas-sehen, sj)r. voor niets te eten hebben,

ij m ij u\'mKN. •, gt;i m ij ui rtj n) ij ,LLig\\ hangen te slingeren. of te schommelen, (zva.

uttjurjiiu Zietz. K. 22, 38, ajam ij (U ij uii\\ spuitend tegen een tandelooze. — ,» h if ni ij ij iiii\\ ergens aan hangen, zooals van spinnevjebben. - ij nt ij nnj til t m jn/js waar men aanhangen kan, fig. steun, Tj.

ijcrm.ui ^ km. zieli heen en weer bewegen, sehommelen, d/s de slinger van een uurwerk; seiiudilun, bv. van het hoofd\', Iniilen, van een klok. i.y ij nu lii \\ wip- uf sehommelstoel. — uh ij nu i.ü \\ iets heen en weer bewegen; een klok luiden.

on i in kw. zva. i f ik \\ en m ij um\'inj/s G.

, ) n

mn inan\' kw. ~va. i ?» oi hyj en i n r i an ~ii it; in jn G. IVellïchl ie lezen cni j ms Skr. dj n j ft n a, kennis , wetenschap ? C. S.]

(w ; i/j of i n tu 11jj \\ 1. wat men met de toppen van den duim en voorsten vinger omvatten kan, bv. ij t) 2 ij mi 21. ii ^\'i cm ijjj\\ een maat voor natte padi, SG. — 2. .171 in f i/j\\ ki. zie \\ ii ij nitw — mi ni

I ^ ^ quot;) quot;gt; O

im.n j. zva. mini nnii) en mi di i i n — x. ki.,

\' ru

zie bij uii rjai12w —;i mmeen greep tus-sehen de toppen van duim eu vinger {vrg. id 11 bn;j en i ~ j .Lgt;n;j). ininD^ninjunj bij zulke grepen. — nncfnizyjs zie beneden.

ij in* fi) of i ii ij iii2 (i ij kn. spruw, een mondziekte bij jonge kinderen. — ijcm? Pym.j of dirij niti i \' ile spruw hebben.

(rn {i of i ii m i\\ 1. kw. gang, loop. 2. i n in lt;• i\\ n., in,ui ii k., godsdienst; vrg. i^ii in ki gt; \\\\ (Skr. \'J a m a , gang, marseh, weg; dgama, aankomst, aan nadering; en een werk over godsdienst en gods-vereering). ,i tum 11 rn i^i gt;ïi/j\\ de iMohammedaansehe godsdienst. Liigt;jiii.ni.i)\\ zie bij .hiuiiw rnti\\ kn. spaarzaam, zuinig, matig in het verbruiken; fig. iets zorgvuldig voor zich bewaren, voor zich houden, er niet van spreken tot anderen;

van alle kleine i)iJzondcriieden keunis nemen, Ks.

, quot;) o ) o. . ) a

{vrg. i ii uiihhjj en X i rri n ; i). lii in ij f i /y \\

iets bezuinigen, zuinig met iets te werk gaan, met

iets spaarzaam zijn in het verbruiken of meêdeelen;

van iets weinig willen vertellen; iets uitzuinigen.

cmijiimij\\ zuinig, spaarzaam, van aard.

ij rn ij .\'i kn. gretig, begterig. WW. 1*. volg. Kh.

zva. inrKt inijjs tin i:c0 niet dadelijk! /oorloopig

niet!

ij nii(li\\ kw. zva. i j iniw G. — ij mi i idn\')* kn.

geschenk, belooning rjr.m liihn/j). WW.

ni ij ! i2 y- kn. zacht bij het drukken of indrukken, malsch; ligt te verbrokkelen; broos, (zacht, moe-gaande, gemakkelijk om mee om te gaan, WW.). m : i»\\ k n . 1. volkrijk, goed bevolkt, door veel mensehen bewoond en bebouwd, en daardoor vaneen plaats of land. niniqiviihlt; {of unuit; bloeijend en welvarend — 2. of inrjjs zoo men zegt verkorting van in\' ni^j ri A {inijj i mm^i^\\ Rh.) die aangrijpt en verslindt: als schei tsende benaming vaneen tijger, Lakon: i y n .• / \\jh ih i 11 if i j \\ quot;achter u is een tijger!quot; l;gL o h./\\ dat gezegd wordt evenzoo gevormd te zijn uit irlt; ri n i j en m ui\\ (/. S.

ni f kn. poezelig rond, van vroaweborsten; poezelig dik v. e. kind, kluwen garen, in ni tu een kluwen.

n/fj\'s of i ij rj (i2 ^ kn. opgeven, uitgulpen, inz. overvloedig ~og, van een kind; ook van weewater

of slijm uit de maag.

f ^ ) ) . cm 11 hhj o/ m in f i mysti., ici.lii .■ i u i j k., scuerp

of snijdend gereedschap of werktuig, voor akkerbouw, handwerken enz.\\ wapen, wapentuig, gewa-penden, wapenbenden, imm uun ^.nSiis een groot leger, B. T. Dj. 2. — t ïi in m i i iij^ een wapen gebruiken tegen, W. 1, lil); van een wa^\'n voorzien.

cm ij i}cmfjs zie bij rmnw

nj\'i\'hyjs kn. verwonderd; zich verwonderen; verbaasd, verbaasd zijn , verwondering, verbazing, {vrg. ij i ii ii ! ijj en nii ïl\'hn/j). — i h nj ij /.y\\ verbazingwekkend ; over iets zich verwonderen of verbazen. — i \'n quot;f \'\'! jij \'/ of 1 quot; quot;J •-/ \\yj \'/ iemand verwonderen; verwondering wekken «ƒ wekkend, verwomlei lijk. — \'X\'/ i\'Jlgt;n\'1 0f \'quot;quot;l\'/l


-ocr page 1106-

rj nit n hn/j\\

1018

i j ni;]n li^t vurwoiidtii\'d, geneigd lot verwondering;

uo/i\' vu/yens (ï. verwondering.

t) oni.ti (Hi/j zit\' hij ij nutf.iw )

m fmn KW. zva. hui i n gt; mii w \'y \' \'

oij.f mns kn. Jtls een num zich voordoen of er nii-zien, nog niet ontwikkeld; jonge, nog niet ontwikkelde 10esp of bij {vnj. i u li lu).

) ) ) . ) in ■ i ij i.i ft quot; \' I zvflquot; \'-ij • i\'/ pj.il* quot; \'/] ^10\' \'/ \'ij\'j\'

n ijs

(tn ij f n 3 i\\ zie bij ij i .nrt.i ; nn /?» .• i kn\'. zeker dobbelspel met ecu stak geld, t!ai met de vingers rondgedraaid wordt, cn waarbij de Lans afhangt van de zijde waarop hel val/y krnis of in nut j gimër apelen. — ah iii{/\\ een slui: geld als bovengt; in de rondte dmaijen ; tollen, vrg, nj hj/j of i i uiijw mi li kn. bewogen, geroerd bv. lot deernis door iemands geschrei tol liefde door bekoringgt; tot on-slandvastigheid door verlokking, enz, ij i m n rn i i tntis niet te bewegen, onwrikbaar. — in in ?i\\ hetzelfde, in hel algemeen. — \\ u rn/ii\\ bewogen, tol onstandvastigheid, tol liefdegt; enz. verlokt raken; ontroerd worden. — inJi nnhtn bewogen of geroerd maken, verlokken, WW. J{. volg. J?li. inils begeerig, begeerig zijn, om een voorwerp te verkrijgen , of in zijn bezit te hebben,

zvu. i.n ij 11 i iihi ^ n ii i i i. i \\ hu in •\' / n helz.ook \' (l \' d

zieli aangetrokken gevoelen. — »/lt;.\'/ gt; i au j begeerig van aard.

K /

KW. zva. nj .\'Ki.i en ir\'.\'/tyw kn. »/ƒ

\'A/quot;» (Vgl, »quot;^) tij {i n i n ij i n gt; \\ volgens alge- ,

meen gerneht. »/ƒ / / »/ƒ f.i\\ luidruchtig (vrg, n ij .lt; i),

bv. v. e. algemeen gelach en gejuich.

\'VJ \' N (\'\'1 quot;I \'f \'Xx

}\'lff *1\',^ kn. gedrnisch, geraas, rnnioei ; gedrniseli

maken (^van nj »)^\\kw. Jlll. l\'rg. quot;f1 \' ,}l)-\'7 W \'J\'7N KN. zindelijk, net

een tuin of plaats\'y ook netjes, fraai, bekoorlijk, van een huis, Tj. een persoon % W. I, 296, vooral van vrouwen.

rtj KN. iii ;ii.i\\ Hh.

111 ; i hji i,njj kn. vele stemmen, die zich tegelijk laten hooren. G*.

// of

i • i

m 1 y I kn. krioelen van een

. , O O

menigte, zie nyii ij\\

O ct

\'7 cru!»!ƒ /gt;// -/ quot;\'\'/N

y fyiji^t iii,j\\ zie bij ij ny ijiK/

gt;/ƒ .\'j/i/1 kn. zwaar, wigtig, neerdrukkendj onder een last gebukt gaan, ook jlguurl/jk.

•quot;•dj, \'\'p \'to 6\'J ^\'h \'P

uj n irj\\ zie » y m iq\\

) ) \' ) •/ quot;) in f.^in injs zva, tij.^iji n in,lt;\\ ~ie hij tn i.iii}

nip

ttj ; I n kn. naam van een fabelachtige koegt; die hij de woekoeberekening te pas kond.

I iJ

n\'i.-ii.n/j N., / ^ iLi^ ^ \\ K., ILeinipodiiis pugnax , m wibbelhoender, e enig zins gelijkende op onze kwartel , inzonderheid hel wijfje dat men onder weddenschap laat vechten; zie i n ij rinw inflhH/js zva. i.nniini/j kn. vet, smeer, gew.gebruikt om bussen vaa wielen, enz. in te snieren, nrf f i.n f kn. hoogte van aarde, groote aardhoop; mie-renhoop (vrg, \' f y\'!gt;7 ^ \',^N \'lü03^e) heuvel.

in .\'1,1.11,1 kn. volledig, ten einde, op, zonder overschot of overslaan; met de grootste nauwkeurig,iei(l onderzoeken; i n if i.n ,■ lx glad op. — i\'n nl } i.rn\\ iets zoo doen, dat er niets overblijft; a\'les wegnemen of uitplunderen.- ui ni u thii Mi/j\\ zonder overschot, i,ii *j micKJi in in Lri.y an/p geli(cl uitgeplunderd. — hui11; i gt;i;ii /•jjj\\ al te nauwlettend , bv, bekijken of onderzoeken,

nihHKiis zva. njMibiis zie nnbnw

tn ni i/j 1. klanknab als v. h. vreten van gras,

__\' o ) \' )

— ij in ij 111 i]\\ X. zva. i n 11 i,n j en (\'y

Lutf\\ malseh, zacht, sponsachtig, enz.

ij mij 11* jij\\ kn. — i h ij in ij (11 i i;j\\ met graagte

vreten va?i beesten, plat van menschen, Tj.

nj 111 i

zie bij i a i i\\\\

nuf J 11 li ii/j\\ zie iij i i i,ii j\\

, ) •) t) ni iiiu/is 1. KW. zva. i ii.ii njji en mr.r^w — i.

kn. stalkneeht. x \'n nifinij 1. kw. {ook //

■) . ) , ) c) O

111 f 111 i/j\\ en •\' i in .* i ii ijj) zva. i in i,ii n i j » — amp;■

kn. als stalknecht dienen of gaan dienen. •— i ii

) o i 1 i 0 1

in ii ui 1. kw. zva. i in i.ii ii iw Z. kn. ais

stalknecht een paard of de paarden verzorgen. —

•}. kn,, ongebr. zva. uiu.i^; lu zie am.trjp* —

) ! ) ) 1 o v

niiin^i iajj, 1. kw. zva, i i i i i,ii h/ nyi - 4gt;. s,t gt;j i \'m un K., orchest, volledig stel van bij elkainler

i quot;) . ,0 \' cO

in ii.i in zva. ni ! lt; tnw


-ocr page 1107-

11 j u Qmjis

1019

ui rj tit iu/i^

belioorendc inuziekiiisiruinunlcn ibn i // m j).

vohj. Kh. m.f 1 kn. uo/c guinclammiziuk,

gt; / . ) air. / iifnin~i if in ij? t\'w //»/; »ƒ .70

ij 111 f nt J lt; verschillende (j a melons, zamentjenlcld

ui/ dezeljde sour! van ins/runienten, tnaar ver-

ac/iUend in het getal der toonen; c/^ VéUxj heeft |

6T meer. VoUjens Rh. Is deze meer hij de aanzien- :

l\'i\'ikcn in (jehrnïk; de sa/éndro ahjemeener, uu/r

hu, hij tand alp ar tij en: de eerste wordt hij de Wajantj-

poerwii, de andere hij de Wajany-ifédoy bespeeld.

di) ] i^i i] ?n een yam elan, tas sc hen die twee (ja-

met an s in, hal/ sal éndru, half [elog , die hij de

IVajang-kHtilc bespeeld wordt, tn t i /m i.j . i /.»;/ƒ

lliUKHlflS X^e 1.1,11 ij l II ilt\'l fj \\

oii n\'f tt h hj\\ kn. smedig van eten- ook poezelig;

vrg. ui ij i.ii iuji BV. en ijiinjLinij- KW. j 1. uil ij m ij fi ii^\\ iemand van achter vuslhoiulen, terugliouden , tcgenhoiulen, (.• Jo j Us.); toeroepen , lenigrocpeii, wuarscliiiwen, zoo I/. 202? G. 2. zva. tn.-iiuq en ij »ny Hli.

(Vr!/. h in 11 iu .1.).

iij ij.} iiii\\ zie hij ij.«\'i u i \\\\

ZIC by uiniifnjw ui ii i:i 111ij\\ zie utj

lt;in ii kn. aangenaam van smaak, zooals van goed droge ij i i ij i i ii-uuu^ hv. geroosterde \\ visch.

in i ); KW. zva. i,iii ij nn

s . s

ui f i i \\ kN. j (i n in ■ i .. gt;\\ zva. i i i i . i\\ van m s /

— m n i m m j houten sandalen met een knop die tas sc hen den gr ooien en tweeden teen gehouden wordt. (Vrg j gt; ij i. n ij ki i, n j i n ij

) i »

(t) i,ii a ii nii i lt;/,ƒ \\ m i n i, ij/j ».n/j ),

■» x * .

m 11 . j\\ kn. geheel vernielt! of venvoesi, zva. ijii \'iHV1quot;!* — (l\'n p iets, hv. een tuin, ge- .

heel vernielen of verwoesten; een huis sloopen, afbreken {vrg. nu ; / \' w ;); fg. hv. de hetanielijk heid schenden, H. ,T. LW III, 10, 2. — i/; in

) / O

rnw^jj its mv.

.) s\'

quot;»gt;1 n u n hij kn. zwaar gedruisch , gebulder, als

van geschat in een gevecht {vrg. tn ij ; ;?). k . *quot; 7 n kn. — in in ij }.i .\'y\\ brullen als

een tijger. — »/»gt;ƒ.-; SitiiKi,] ook zva. in ij ii i.i j\\ op («en zekere wijze in het rijstblok

slaan.

quot;I \' \' ii/J KN\'- sva. ui\'li ij Kn. vrg. \'

O

ui } i .» ii i j\\\\\\., zie in i i iw

in .\'i~i ii i/j* kn. brok j in brokken ; gebroken, mei een groot brok er at\'; Jig. het verbroken worden , verstoring, van geluk, welvaart of goede orde; en gebroken, wanhopig geworden, van iemands hart of moed {vrg. ni l i n i j i^i i i ^i n i/j en ij rm ij i.i ii ij); ook volgens G. zva. in rj 11 ^i? n i/js

— i ii i ij in .•;./// i/j\\ regtsterm voor een verklaring die strijdigheden bevat of niet klaar is. G

. . O O quot;) ) O »

/.j in mil \' ij i li i ii i ii ij.1.1 \' in gt;1 ^i ij ti.i i i -i igt;ii

ij iji\\ spreekwijs voor iemand borgstaan dat hem geen leed gedaan zal worden, in ni m t.i \' \' \' hji ii inn spreekwijs voor instaan tegen de verwoesting vaneenlandot\'rijk, o/deverderllijkegcvolgen van een te vreezen oorlog. — xii infi-im/j iets breken, een stuk er af of uit breken, th n! m .• i 111 ijj\\ iets verbreken, bederven, sclienden , iets, hv. iemands genoegen verstoren.— i// in n i ii^iij /.ii\\ iets, zooals den luister van een Vorst, of een helofte. schenden; verstoren , hv. iems. moedige stemming, \\V. II , 125. — inri.i ii^i \\iyj\\ afgebroken stuk of brok, groote scherf.

) a . ) i o

in f i ~i nu/js i n in } i ^i n i/j\\ i ii in ni : i . i lujj I n

gt; ) n O Q )

in 11 ^ i n i yi hu en nifi ini.ni] zva. nifi-i n I n, wY

iiijj\\ önz., maar in geringer mate of van kleiner en fijner voorwerpen.

in ij r i-li iuji\\ kn. naam van een regiopgaande hoom , zonder zijtakken met hreede ronde bladeren, en witte kelkvormige bloemen, i iij ip ini ij i i .n ii i j\\ een soort van gevaarlijke aardbeipokken, Spaansche pokken, Rh. niijfi unij een lekkernij van meel met kokosmelk gekneed, in den vorm der bloemen van. de in ij f i ~ u n i/j in ri kn. klankuah. van een slag. die suizing^/f weeg brengt-, dnciitig, fel, góed raak, hv. vaneen slag niet een knuppel, ij mnjibiè mii - r* geneeskundige benaming van katès- tgt;/pepaja-bladen -IR.

— vu infili\\ iemand een duehtigen slag met een knuppel toebrengen; duchtig op iets of iemand neerkomen, van den knuppel gezegd.

\' »V fel, van een slag met een knuppel, ook zulk een slag waard, of van een drukkende zonnehitte, waar men hoofdpijn van krijgt.


-ocr page 1108-

i ar

1030

rn n KN. helder, lel van het zonlielit — \'

/ quot;/v hraudeud (/u zou, Ti. - i ii ni ; i \'i \\ »/ gt; j

object in de zon drougen.

m f i KN. — in ut.{i \\ ledig, verlaten zijn,

v. c. plaats, (jcw. verbonden met rt Jj \'J,\' — quot;1 \' f )

tn i i\\

rn ■\' / /ff N OHf/cbr.; tn t i ri j.i j\\ KN*. , iets dat plat is, een plaat. G. (AVy. nfi fi i i jnjj en tn ij ij MS).

mm.-# 111 gt;\' i . 1 n i j k. gemakkelijk, zonder moei

te of bezwaar; handelbaar, gemakkelijk om te behandelen of mee te handelen of om te gaan. tti i.t \'V ttt .• / .\';n meer dan gemakkelijk, ut : i -\'/

ii/nri ij in van ie ui. die /wisi\'uj is, Tj. — \\ n

) . . ) o

m .\'-j-jN yew. i n tn ttt n . i\\ en i/nmtn-Li^i

ii i j^ gemakkelijk ai-hten , ligt over jWó heen stappen , geen zwarigheid in vinden; ligtvaardig de handen slaan aan een anders yoedy als het zijne beschouwen of gebruiken {vrg. ; 1; 1 »ƒ ;). — ih rn tl Si i i tj i.ii\\ itn ; /*1 in i.n hi/ts iets als een ligte zaak beschouwen of behandelen; iets, zooals iei/ids. werkzaamheden gt; vorligten, iemand ids ge makkelijk maken. — nt n lt; i Ji\\ of nt ; i ; i Ji\\ en n i i Si tup ligt vaardig.

tn n ?ï\\ KN. ongemengde, ongeblusehte kalk gips (vr//. t n un i n J en nnij). vohj. Uh. kalk van de kalksteen {niet i.n i ^ die van de i,tr ii ijemaall wordt). 11 hy tn {i 5V\\ kalksteen, »/ƒ \' ^ 1\' ^ kalkberg.

cm ! i Stj,\\ KN. i iï nt m Je padiaren afplukken,

aftrekken {zonder i iii.jnni.js).

m ij 11 Ji \\ KN. hol of holligheid in een steilen of onder een over/tang end en rivieroever) ravijn of

bergwand i zva. i j tj ; i Ji \\\\

) . C ) .

tn.\'i.i kw. zva. i t^ 11 ^ 11 11 o/ ij i i i.ti/)\\

) • i • quot;gt; • i Ll (ttt .,\'1 ^\'h \'• KW. tn i i ^ i\\\\ en »/ƒ/// — ü. zva.

i.ilt;ni iiJjI of mi i,ti\\ van het hart % WW. — .t \'u

tn .• i .\'/v KN. goed zwart, geheel zwart, van een

1:1 eed dat geverwd wordt, JR. kw. zva. lt;■ i i i ryj

quot;) ( O

OII I 1 V

) a„ ..

»/ƒ.■/ i\\ kw. zva. ibii ; i\\ rand van een ravijn.

) ) .... )(n mi ; i tj 1.1 zie bij tn ii inw

tn \'■ i(ioi\\ zie bij ttutotw

tn • i i\\ \\ tn ; 11 \\ « zie bij i n i\\ \\

-^mkn. zich verspreiden, van een gerucht y Inid-rnchtig, geluid van gamelan\'s die bespeeld worden, lis. tt^ \'JjH »ij, \'jjj ,*x juiehen van velen .tiiiiiithn^ zich algemeen verspreiden; algemeen bekend; van algemeene bekendheid. — i// n^ t ij, un gt;iiiti\\ ruchtbaar, algemeen bekend maken, P.J.

\\t^!)j\\ kn. 1. ontstellen, schrikken, zva. i. y; /

fj}\'l n/i \' */ \'\'N ^\'quot;^^njagend^Men. 2. schitterend van dos , prachtgewaden, enz. W. 1, 107.

3. ben. van een fatsoen van oor krabben, 1M.

j .7

m ri rijsKW. wj. weifelend , angstvallig {vrg. i n m

, ) )

ttyrt ii.i btt j KW. zva. i ^rnt-iijs

ctn 1.1 n Ji \\ zie bij tni J; n\\

\'ntiLi tij i ifj\\ tij n ttj i t/j zie bij i:ii

tn ongebr.; nt ^ i i^an^ of tn ni tj;^ injj kn.

voornaamste of eerste in zijn soort, ajj^n\'i tn tn ij

tj f i m J een allervoortrelTelijkste les. in tn tj ■■ t rj

rji iê i\'l^iïi ijjj\\ een eerste babbelaar, WW.

tn!u\\KK met iets of iemand goed bekend {zva. n.i

/ƒ lyjs en i^ ntu); ook benaming van een soort

van Madoeresche dansers met schild, boog of da-

dap, en gekleed met een saroeng en een taugé

sjerp, sondé genoemd; en vaam van een van ae

zangwijzen: die teug ah m genoemd worden. i:n m,

ntiijs een krijgsdans, t i tii tn 11 /\\ een soort CiV Jb (lt;l

van sprinkhanen, waarvan het wijfje gr not er is

dan het mannetje. iitLitnii^in W. waarom

\'niet, u n\'i tnt ?)spr. van een paar., waarvan

de vrouw grooter is dan de man.

in: i kn. afbeelding, afbeeldsel, afteekening, prej\'t,

schilderij, tafreel, beeld, portret, tn/rryn

landkaart ö/1 wereldkaart, tn /^a i il i tiy eign. van

een dochter van Karna. ihdiiin afbeelden,

ro

aftoekenen , teekenen, schilderen, een portret maken, portretteren. — i i rn subst. den. j ook teekenaar, schilder, enz.

tn //\\ kn. gambir, naam van een slingerplant Un* caria Gambir Roxb., en van een soort van cachou, die uit de bladen daarvan bereid en met betel gekauwd wordt: ook de naam, waarmee de inlan-dm s te Batavia het Koningsplein gewoon zijn. te

noemen, un f\'i ttt j1 i naam van een welriekende ro r o

loitte bloem met gelen rand, die aan een andere


-ocr page 1109-

1021

) / m tji : 1 \' fo

slinyerplant groeit, ni ? u i naam van een

zekere (jending; hen. van een geheel pal\' van dezelfde slof en lieur. quot; \'/ \'J1 \' \'/N naam van cm looneeUluk. — mvVu«/)^\\ naam van een (jroolen hoorn. ^ Urostigmn obiusiloliimi. Mi(j. Nat. /\'am. der Artonarpeae, {10 aar van hel hout tul hrand-hoat en soms ooi\' wel lot meuhelhoul gehruill wordt. Vil de schors zegt men, dal door de berg-bewoners een soort van gambir bereid wordt voor eigen gebruil\', JJi.).

kn. gemeen, van slechte kwaliteit v. stoffen ; fig. gemeen van iems. uiterlijk.

an ij-i\' kn. — \' \'V /\'\\ s^nl) ï\'fti\'gcn van de. on-der tip, Hli van de horsten van een oude vrouw,

WW.

) / ^

»/).■\' - H tn gt;1 rnifw

cq--I I ^

(tn if .w \\ KN. llanknah. van het geschreeuw als van \'

een schreijend kind.

1 nil! if kn. harde .schreeuw: hartl.schreeuw en fr/v/. uo v \'

I m tj 1:11 i\'Ojj); ook huideren, van gesehui. 2. een

tuiiiirieter. Hh. tu f\\ schreeuwen en hal-

0 co \'co

kon. — li i?iï tn ijtj ! h\\ algemeen geschreeuw,

allen om liet hardst schreeuwen, tin \'ji ni ti f u |

\' co

naam van een soort pisang. Rh.

i)\\ 1. KW. zva. .ix ij-tus en tf i:ti 11 tn,^ {tikr. gamb\'ira, diep, eig. en fig.) 2. kn. dartel, uitgelaten van vreugde, dartel en jolig, van een i paard, onstuimig, van de zee {vrtj, rniij tt); ,n I

0 1

II t) n 111.11 \\ KW. de zee, oceaan.

ro

tntff: noijis KN. nt tfCrLi,» tf(t i i,ii^\\ VV. II, 147,

*va. tnrf(i / hn ^(i.Uhiiji \'I kn. gemeen, onaanzienlijk van een

persoon? Tj.

m ! !asnji kw. zva. ittt rf uj ii/j^ kn. sierlijke bewegingen in het vliegen maken , nl. bij het uitslaan

\\

en sluiten van de vlerken , van op de kruk afye-r\'igte rijstdiefjes: ook naam van een visch, /.

II, W.

quot;quot;•ffc* KN-i-

ttt rf ! i\\\\ amp;. hjh tn ijl; 1 i\'ti/j - tn n 1 ^trt^ijit fjs

ni i/f: y ,ui/,\\ kn. !. naam van een toespijs hij de rijst, bestaande uit bedorven tempé, met geraspte kokosnoot en specerijen. , in een insangblad gewikkeld en gebakken , een kost voor koelt s en derg , een armoedig eten , cry. if ntf li ki .-a i\'* m\'aj-

1, 208, van g erne ene onaanzi\'mlijke boetas, ry

) ) /

ii iiiLn i 1 1. n it, 1 1 /.i n ]\\

ini lt;, gt; f

in •\' 1 tn j KW. naam ran den Asden zoon van W aloe-Ooenoeng en van een derwoekoe\'s. nn.\'iciii ni/j\\ een offer in dexe woekoe, door den inlander gebragt voor het welzijn zijner buffels, Z(J. 18S2, 101.

tn fi \\ J. zwaar of dik, van baard of knevels {erg. nifi\\ en igt;r Ln iliji); maar volgens anderen hij vrouwen of jongelingen, dun of llanwelijk te ouderscheiden, van knevels, ook van het donzige haar op de bovenlip of wang {org. 111:1 t.n : 1*1.11 j).

2. naam van een soort kleine torreu, die een gonzend geluid maken , en dikwijls in groote menigte in de lucht zweven, Kh.

tn(fi kn. gebrom van een houten tol, VVW.; volg. Kh. een soort spel waarbij de tollen te gelijk op den grond gegooid worden; vrg. i\'ii\'^w {erg. iy »/ƒ \\).

tn{:^\\ KN. een rinkelend geluid, zooals hv. bij het

vallen van een schenkblad; vrg. hn .\'r \'i^ —

zulk een getuid geven, VV. I, 97.

niC?}\\ kn. ijl, galig van stoffen-, gew. van katoen

{n;u n); volg. Rh. ook doorsehijuende stofleu

zooals neteldoek en derg.

ern n(n kn. groot bekken , zooals dat van den om-\' cc* 0

roeper {vrg. i.n ij yn); m \'fij^ gt;fL^ fig-snauwerig van vrouwen, Rh. r ij, i,ti an if(if\'i ^ omroeper, bekkenslager. — vhdhi tfCu\'i \\ klinken als een hekken. — 1 \'u m tf (; 1 n\\ aan iemd. of aan hel publiek iels door bekkenslag bekendmaken. —(t\'n in \'fC?^ \' i^f \'\'ii\\ iets, of voor iemand iets door bekkenslag bekend maken.

/ƒ(/*.» n kn. ; tn 11 m ff leven door veel in en-

schen gemaakt, gewoonlijk alleen bij onraad, twist

of der gelijk en; het geluid van het kloppen in ef 11

rijstblok; zulk een leven of geluid maken, vrg. ■)

#. n tf ; 1 -it*1

ui f i kn. , i \'n »y fi binnensmonds knorren , morren;

iemand beknorren (vrg. n^i\'j).

tn; ii.ti/j kn. ook een soort rolkussen onder het oor ui (

of de voeten gelegd [vrg. ni ilÏ\\ i.iijnnij) WW. nt 1/ ■ 12 mi f kn. het sleutelgat, Uh. hangslot, {volg. Kh. tti if ^ n mij ). Ook de vrouwelijke schaam-deelen {vrg. tf titnrf nnf ti^ uty).


-ocr page 1110-

rn ? ! t }.)i in

rv/\'

ij tn/•\'i kn. voiulc kuil\' o/j Iruin van een

overitjcns ladlijcscliort\'ii hoofdgt; zooals hij Jaoaaa-sc/tc kinderen (jezien wordt (vry. i. y /1 hijiiy); ook als naam van een kind, rtW \'/;/lt;•/ een kuif op de kruin van hef hoofd geschoren is. — i/j n tm rihns een kind zoo scliorcu.

:tn kn. na a ui van een slint) er plant een (quot;u-

cuvbitaoea, waarvan de jonge bladeren als groente en de vrucht gekookt hij de rijst gegeten wordt, zachter en zoeter van smaak dan de i nt*./ m \'f 11 gt; ^ ntruihn/j* Wangsaltan op \' S.).

kn. do kop van een balk waarom een inkeping gemaakt is voor den strop, om hem voort te trekken.

\')n ii } 11.1fl\\ kn. metalen tabaksdoosje in den vorm I ( o

van een horlogiekastje {vrg. / gt;/ƒ;.gt;lt;/gt;). en vooral

door (\'hinesche vrouwen aan den gordel gedragen.

o o . .

ui 11 n ii\\ kw. zva. i.n i-i mi kn. ; i n m / i u .

(.1 J! I (gt;i I

«Ie horens tegen een hoorn, paal of den grond

sehuren ; iets in de hoogte gooijen ; (r. zie i.n(t y

/lt;/;?gt; i \'n m .• i ■»/N met de horens aarde gt; wor-Ji (.( »lt;.

tels, struiken enz. opgraven, opwerken, om hoog werpen, l\\. IJ , 35; ook fig. bevoelen, betasten, kun Helen, enz. Us.

(htif imp kn. i. een soort knods of knuppel van Petroek W. II, 157,482, 2. volg. Rh. bladrijk

zva,, uti n t ]

/ gt; ( o -

m ) n;/i\\ kn. dik, bol, van de wannen.

(O

ui.\'t iirrs zva. i.niim/} B. T. Di. 330, WW. o/ \'f lt;i \'(

kn. aan elkander kleven, van haren, vezels, wol, veêren en der gelijken; in kwabben of klis-sen , kwabberig, haarkwabben, ve/.elklitten {vrg. gt;1 tnrj ; / n i/j). {In een Wang sail an wordt het om

en als

schreven Uoor i gt; i. n igt;)i 1n\'i nj ni antwoord daarop /. \'n ij ia ui n gt; in i ini, /» ij n\'i i.?/; , zva. verkleefd door liefde of lichamelijke gemeenschap, V. S. Vrg. /»/./lt; »ƒ \'•quot;-/ )•

m ij ; i ii ij kn. een kwab, iets dat zwahherend ergens aan hangt en meer of min dik is, halskwab of kossem vau een rund, kwabben van een geit, lel van een haan {vrg. ij gt;n\'\'j • y\'i}), ook wel voor haarkwabben of wolklitien {vrg. rnii iuj). i /ut ij i.^ ij .• i \'U/js schaap, in onderscheiding van i 1111 i i \'t\\ geit.

i) mijfiiilip kn. wat ergens bnlterig aan zit, er aangegroeid of ingestoken ; bepaaldelijk boom knoest of uitwas , waarvan het hout soms sierlijk gevlamd

is. i.n (11111*1 m ij !u n iq\\ knoesthont, wortellionl,

, lt;0 S .o v

{Vil/, ij (IJ) ? ij i.ii f ut y m\'iU/js ijl is ti i i. ii \\

thit if t rj tm^. — (i.7t tj nt tj .• i? n t/js een obj. in liet

kleed, of in de doek die men aan heeft, (vaa

voren, WW.) steken o/\'dragen. — 1 tj tn ij i u

ii tj van de vruchten van de waioelfs\\ V» t^u

/I n i ^ u t fj als gembol\'s nl. zoo groot {de bruikbare

ij itt rj if.u tLi/t\'s zijn tot een meter in doorsnede).

— ij ttt tj i ti tt^i t ./js wat iemand aldus draagt,

volg. Hh. ook ruimer voor pak, pakje, vrg. \'t ij j.!

ti i hi/j\\

■n gt; J/(

tjortt it nt/j\\ kn. vod, lomoen. — i h tj ttti .lt; t n tj arm, behoeftig in de kl ear en. — ijiit*/t thnm,] onde lompen; nit vodden bestaande {vrg. tj ttt gt; ij tj f i t tt ihi/j).

rf tngt; ij f t tt i j\\ kn. lelltn van een haan {vrg. ijm iji t ti i j), tj 11 rj i \'i0 boschgeesten met zn.ke lelica, W. 1, 317.

rj ut? tj gt; tgt; tt t/j\\ K. 9, 58, of tit tj n?ij .• i * ti iK.

2 , 48, zva. j))! y* * Rh.

m P) ii i\\ kn. naam van een soort van aardvrucht, die langwerpig rond is {vrg. i. n .• i n), in smaak overeenkomende met onze aardappel.

n) )j i nj m? kn groothoofdig, dikkoppig;/7//. tran^, lui, Rh;

n\\ ij tnj tt 11 kn. naam van een soort van aardvrucht , G.

itt .• f] tj r.n gt; o f d) f )/irj\\i)\\ kn. i i) i)).\')jiji:t)^

enz. neerhangen van uitstekende voorwerpen.

rrii ytjj r.n gt; tnnjjr.ny kn. dik, goed in het vleesch {vrg. volg. Rh. eig. vet als een gen est

varken, zoodat bij iedere beweging de huid tr il. } ttt j t.ïi i. ttkn. — i h ut t j ry i n/j geheel aan de kant of op een rand staan of zitten zooda het ligt om of er af kan vallen ; maar even aanraken van een voeging, zoodat het aangevoegde er ligt \'il kan vallen. Rh. fig. van woorden, die ais hei ware aan den rand der lippen blijven bpijgea, zonder geuit ie worden.

lil i ) Ijtjr.t) i tit)/j en \'jtn ; //f7 kn.; i))))i ij

tj in/ t.ttfj en t It tj m : )/jij i.nt igt; ti,j\\ zich ergens aan vastklemmen, hv. van een kind. dat telkens gedragen worden of ^uigen wil, aan de hals of de


-ocr page 1111-

Dl .\'Ij Ijl lil! /j^

ing;!

\'jgt;r

borst tier moeder y van een drevl i lhitj aan een drij- | vend voorwerp, van een eekhoorn aan een boom , enz. {vrij. i.in 11 r(i? hii/j); jly. bi ij ven anuliomlcMi en dringen, om iemand iets te verkootyen, 1?. ij

Vquot; W quot;IV\'iiquot; \'quot;Hl quot;f quot;quot;7iM

/. O

nf hiitjnn )}! \\ zte i,n if igt;tinj)/)\\

■ ) . O

\'\'quot;7N Zie m f

ij ui njij i-yt i\'fijf\' zie in ij imtnuyw

) ) ) o .

n)i i/jrn KN. zva. ni f i ii i/js ook naam van

een koek, bestaande uit ia té Ja, suiker, en (je-

raspte klipper, elders (jen. Kli.

\'yti ; ifi \'i\'i \'quot;//N 00^ Wi\'1 m •\' gt;/] [lyn p KW. varken:

(J. volf/ens anderen, jong van oen varken (m/. n]

r.m hou). WW-

o quot;) o:).

\'quot;7 OllyIN KN.

oi» -• iijrn (rn/j\\

vet, \'lik v. menschen of dieven.

^ . quot;)

III t I I O I I IN ^/6\' I II I 11 III,\')

»/lt; .•KM. rn f)ji i. jj /// \' i(hn/jy klaar, hel

der, di\'idelijk te zien ot te liooren.

ui {tyj ry :ie m nfjvj v.ri ; \\n

in ! iji ij/ n KN., open, zv/w tv// terrein. — rurnfi/j iji een terrein openmaken, door de hoornen enz. we ij ie kappen, H.

lil; i^i u kx. 1. ledig, onbewoond, v. e. plaats.

Uil. zva. li) 11 rj w 2. zva, ij ui? ij n\'/sw m } i/ji /j en m m .* ijj r»; imn/j^ KN. dwaas , sim-|.et , in Banjoemas volg. Rh. zva. ij i n a a kij gek.

m : i J ij ru \\ KN.; ii) in •\' i/j ij ij) \\ pletten , van metalen. — i)) fijj )jfi:}) r.t Dnns geplet; dnnne plaat van metaal.

in f i jij i.\'n i\\ KN. een soort van bij de int anders zeer geliefde koek van kPlan en klappermeik gein a alt , in vierkanten vorm\\ een ronde soort, heet id u i i ii^ {ook mollig, van V mense,helijk lichaam C. S.).

0)1 s) ii n KN. als beneveld, betiokken , somber, don-\' l\' /

ker, v. e. plaats; Jig. cok van het gelaat, Kh zie

xv\'r

\'//7 quot;\' Y \' \'7 quot;\'N ^ • \'\' • »v(ilg ^ ^ zva ij r) ij i )\\ liet boofd op zij laten hangen, on^ n a \\ k n. tjenamin/j van overzeesche roode sloffen van geweven katoen met elkander kruisende stro-Ven (Ml. jUa^. kembaja t y soort van In-

M/,

7 rquot; !Jjl 7 \' \'^Z/? )y))i\\x KlNf\' quot;

zva. i i \'t i) \\ zie i i i\\\\

ij nu ij i i.n I of 7 ui gt; ij if) i?\\ KN. kwast, franje, bv. van geregen bloemen aan het gevest van een

kris, {vrg. tj inttj (/1 jt in/j en ij tin ij fi ji). —

o quot; . . amp; -j

i li ij ui* if\'! j i? V/ \'* V n 7(quot; j i\' i i iets van

franjes en kwasten voorzien.

in t\' ji \';»ƒ un,^ KN. vrolijk gezelsebap, luidrnehtige vrolijkheid {vrg. H. v. 10. gambijak, spraakzaam) , zva. ui j/ji\'iifj^

in f i j rit ƒ n K\\gt; zva i.iii ni\\ en m .ny ij in j tw in ij i\'i 7^n KN. naam van een rond uitgesneden houten pop, die een dansmeid voorstelt en vertoond wordt aan het einde van een wajang vertooning (zieh als een bruid opschikken. G.).

ij ni? ij : i zie ij iiiirj .t j j2 igt;i)/i

) ) \') )\' ) ....)) in : i i i) iii/j* zva. mj zie bij min niyw

in i\'i KN. naam van een inland se h muziekinstrument (. o

bestaande uit een soort van trog, waarop houten plankjes als toetsen liggen {vrg. iin m on/j en ïn

v?ï)-

lil in/n op de nambanq spelen, ob-co \'

je et en als de toetsen van een gambang naast elkaar ))laatsen, Tj. — n il m^ i i ^s /y/.? daarmee aeeom-pagneren. — m i\'i i iDgt;i/j\\ gelijk een gambang gemaakt of door magerheid duidelijk te zien gelijk de toetsen van de gambang van de ribben: — »)gt; in ij ij ; ook zieh met de gambang vermaken. iiiii\\ KN. romp, ligehaam zonder hoofd {en zonder beenen, Winter, (\'. S.); volg. Kh. ook de romp van een vaartuig, ook zva. n j /■ y in f\'y naam van Pasangan wa (zie de Gramm.}.

miji\') of\' ij niiff\'i KN. ligt selireijen of weoney,

over elke kleinigheid dadelijk sehveijen.

in ij ;\') i \\ zva. ).iiij fn ook naam van een dist rikt op -Java (Pasoeroean). (ini.jij.i\'- verzadigd, overvoerd , bv. fig. met mingenot, in een IFangsaltan: o ij

. r \'i \\ o o )

i. ii i i i.j {oj \'ij i. ii ui ui) gt;\' I I o in ij ij I\' I li j r 11

strekkende in antwoord op ij n it i ; ij i.j ij i)it nji\'i j

stad in Indïó). i.iia^di)lt;/1 ni\\ zakdoeken va/i die

soort. WW. vota. Hh. aew. mm of in/ frtuw

(.• f ( .gt;

W) / w •

id I) i: ii i zva. iij !) i ijjj n zie üij igt;i tij ij in .\') i )■ ))/) \\ in : )) i\'ii )i)} zie beneden.

))) IJ in .• ij ij i ))ij? ).ii j\\

11 gt; i u i. ) j als omschrijving van inijt\'ir (!. S;

zoo ook in P.J.

quot; \' / \'»\' 7 •\' *} *1\' if. \'•\' * j \' a \'/ \' J


dische slof: vcrmillioen; Kambaja, naam van een it

7 \'yj1 \'i

-ocr page 1112-

quot;UX

lost

til gt;/

ui . / kn. naam ran eon muzickinalrament^ beslaande uil een hamhoepijp van ]gt;. m. een el lanij, voorzien ran een (jat, waarover repen van de schil der bamboe ah snaren loopen, en waarop met een houtje (jesluijcn wordt (org. lt;i/n i.ji^ ^ i,m ij uruj). tp.

ooli zva. i n i.i li Ivli. in ; ?//;/./ .• /\\ een stel

Is \' quot;.((O

van zulke bamboepijpen. — n h quot;j \'ls l)V in\' sir urn ent spelen. — am \'in ^ / m op dat instrument accoinpaguuren.

Rs.

zie iii ii ; iw \' (n

7

ij in ij ^

\' \'Co

»/lt; ij ƒ\\ kn. 1. gi\'oot, koningstijijer. 2. nan-

ccngekoppeld, /mw praauwen, waarop een vloer van gevlochten hamboe {i iiihnj) gelegd is, tot overvoer van mens oh en; paarden, wagens, enz. bij een overvaart. a/n »ƒ o/gt; wijze za-

menkoppelon, WW.

Y nu ij ƒ\'/ kn. uitgezaagd, een stuk er uit, in de geheel e dikte, van een paal, balk en derg. {vrg. ijint ■ij i.mnti/j). — .tu ij iiii if f^\\ zóo uitzagen, er uitnemen.

\'/ gt;quot;* 7^VN KN* ^\' zva\' V volg. WW. i/»»

ui? ij iels gedurig niet water betten, 2. naam van een bamboesoort, \'unj ij tn? ij ^\'it zva. ut .onj mu in/]\\ zie bij ui tp\\

ui :\'i kn.j i /i tnêi veel en digt op elkander, bv. van een drom menschen, een drift wolken , dikke kn er els (vrg. »n u igt; n in n in).

ni !\'i kn. zva. o itipi ifii^ volstrekt niet willen, W. I , 95.

■) (O . .O in i zie ui f i\\\\

tr

in in\\ I. KW. zva. 11 {vrg. ih m); ook zva. ii

O / quot;) V

; i\'\\ \\vrg. rj iiuii m min/)). — i m

o o 0 o

iii\\ zva. i i ui in en ht n?\\\\ c. rrn iii\\N. m ni\\ ui f)

K. of lj Pi min \\ N. (lu.m\\) iUfoyinin\\ rijst, • lie o|) lioogc velden of berggrond verbouwd wordt, waarop geen levend water kan gebragt worden , (in een Wang saltan uordt m m omschreven door

quot;gt; n Ö • 0 • ^

hu i,i iurn hu in , i tl Lilt ur (/. ö.; mh i.n m ,ii Cl \'

{:ii n mui zie iii ii\\)) gagil verbouwen. — i\'n •m in\\ i hrni Yii\\ grond tot gaga veld maken. ~

u) m in (Hin ui in r) ui in/j\\ gagaveld.

o . 0

cm mn zie m in\\ amp;.

ui ui kn. hakkelen, vooral de keelletters moeijelijk kunnen uitspreken, ongev. hetz. als ij 11 ili m p

I/ lil ! I , -— III 1 II

\'6\' 7

zie tij inw

in »/i \\ KW. zva. ii ui i.n quot;

m up I. KW. zva. i j .\'i n i en ij i nt uj hij 2. kn. van iels vies zijn, walgen; uit walging ü\'/.y

niet kunnen eten of drinken , zien of ruiken {vrg.

a n n . no. v o ii ui\' i-c tin i^i\\). -:rn m if cm t mi ^/n ij in ^

walging verwekken.

\'7 \'7\' N\'\' quot;M K-gt; 1 quot; quot;Ij t,p ynm vertrouwen, gelooven; gehoor geven, gehoorzamen, i h in »y tl) ui {ook i ii nj gt;y O. a. WP. 152). i // n] m m In \\ over iets zijn gedaehten herhaaldelijk laten gaan {vrg. m iiit-ji/j). — i n iy ij cm 2 i?j i ii ui min \\ iv al iemand zegt, naleven, iemand irc-hoorzamen. im nj y lt;? ia \\ zijn neiging ol

hartstogt volgen. — ui if nuihi/j of nnf 11121.j

r y \'

(Hijl en 11 1 if ni2 ijyi 111 / nnjj \\ m m ui/f of m m hj i.iji en m m in m icijf geloovig, volgzaam, vertrouwend, gehoorzaam {erg. 11^ ij lt;igt;iyj .•//.ƒ 111 ff v rn ciTj, (fflj \' quot;/?)• gt;y 7 gt;1)2 if ui t uiff \\ spr. zie bij isrjny)p\\

vf m if m\\ zie bij if m*

tf 1112 if 1112 {dial, ook if mi if 1112 Kil.) KN.; rh ij if rn2yf 1112 \\ met de handen visselien in ondiepe wateren, waar de visschen zich tusschen steeeen of in holen ophouden. {Li een Wang sallan iniuiij if n.n if ni2\\ vissehende hagedis, d. i\'. i.tii.n kaaiman, (\'.S ) rf 1112 rf 1112 if 1112 if cm? \\ Jlg. polsen van iemands gevoelen {vrg. if[ingt;iifrm2?\\

ui mt\\ kn. gespierd van ligehaam, sterk, kraeliti^, forseh van gestalte, Hink van houding,standvast\'^.

moedig, solide, degelijk {vrg. utifmh\'.ijjj\\

; ) O . \\

m \\ en i.nrjmiw

if i ni i\\ dm an n i \\ iLgt;n if 1112anjf). m int

iviifinni r heldhaftig. — uh cm m {\\ pal staan, bijv. i. d. strijd, 13. J. Kw. Kr it. XXXV 11 , 5, 5 CJ. S. — 177 nm rn gt;i/n ieinand krachtig noemen; hem aanmoedigen, G.; (volg. Rh. ook pal staan, zich schrap zetten, Rs., op iets pal blijven staan, iets stijf en strak blijven beweren 0/* verdedigen; iemand in iets stijven, bv. met geld ondersteiinen WW. volg. Rh. op zijn verantwoording, voor zijn rekening nemen ; bv. de onkosten voor een of ander {vrg. i jj /.y gt; 111) {ook iemand staan in den .drijd-H. J. XXXVII . 5, t; LXIV, 10, 2, C. S.). »» m m {1 ii in m n een rijk met kracht verdedi-


-ocr page 1113-

crnmi^\\

102b

r ^ /

gen. — (/M cm nm ?\\ lt;f ^ tn cru ? oj (fjt cvti cni ook

wol i nm rns of i n mcm gt;\\ wijdbeens staan,

i

wat voor een dappere houdiny geldt {vrij. i n »/ƒ 111 i.n/j), e?» zie hij urii N 0.f quot;quot; gt;n t no^

crij (yu ■gt; \\ kn. ; nii quot;i\'m j (fj en rf r.p K [.) iemand wekken, wakker maken; ieis dal vcrye/en is, weer oprakelen; ook opwekken öv. iems. drift, Uh. uj 11gt;\\ kn. kraehteloos, zwak van ouderdom; oo/c :va. niuntif r.i J.iiw

r, cy . n

Tj iD\'ij ni ?\\ ongebr. urnlt;rj cm rj cm 4 \\ enz. zie r.n tj ij cm rj cm j w

o

tj 11) gt; \'tj cm ? s \\ KN.; a /n ij rn i tj cm t. j cun \\ zva.

ijcrnt^s de Iiand ergens in of onder steken, om er iels uit te halen; met de ingestoken hand iets ergens uitlullen {vrg. ij cmd ij crtn). — 11\'1 rj cmi tf

ij mi;\\ liet plaats hebben van tuh ricm? nlt;mêq

n (un w

iri cm H) ,1 \\ zie h ij o ^ crn w

nmcmiw/j^ KW. zva. cmcrn\\ 1. (li. J. LY li , 18, 2:

\' ) quot;) o (O

m rn dn nn\'f^ n j/j \\ vA\'l. wsin ij mi 1.1 . y / 11 ; w

O ) O ___ O O r f-lX l II

m iij\'manji\\ KW. --n..l. K.rif.\\\\ I I,

, . , o/ a i ) ï a r . 0 .

14, I: iKiiimcmi crn ihn cm an T) (uijj\\ ö.).

tij \'ij im i ïh)/j\\ zie bij n r^ rrp\\

O S ,

rn rnitnsKW. zva.. ti/n gt;1 cun n}\\ n 1 11 nwjj\\ cloj.njj (vrg.

lt;ni tn \\ 1.) (S/cr. gag ana); in Tj. Sc\'iiglc. nnl. il}no cru Si)cm cm cm\\ den weg door de lucht nemen, vliegen. — {nrrtcrncirnttffi n\\ cmcrmnmtn ■miu\\ KW. id. B. J. Krit. XXVIII, 4, 5 -5; LIV, li, 3—4, C. S.).

n ^ O

»/»( m KW. zva. (imm j\\ (r. zva. ?.n gt;» w cm^oiy.i^i 1 hoi \\ zie bij oni v v tfn \\ vel on been , doodmager (y/y.

m(tn\\ kn. niet geslaagd, van een ei, dat niet uiige\' broeid is, ook van padi, zoodat die niet geoogst wordt; bedorven; ////. zva. (m^(hi {yrg. quot;/

cnjoi^ zonder kinderen sterven, G.

/ s\' *

— »crn cm \\ n/n m ^m^cm/j cm cm (hl iin\\

eigenn. van een Wid ad ar i, G. een soort bouquet

van ha(iv) gemaald, waarvan het paar \\n\\/\\^f )

iii heet, zie op ifn (amp;} \\ Hh.

O )

gt;ncni\\ kn. rng; bergrug {vlg. 071071). Oolc crrum n tnin\\ bergrug. — iuh cm rn\\ een rug of als een rug zijn; volf/. WW. ü. 00/c fig. niet kunnen voortgaan, staan blijven, standhouden, van een lener {of van een persoon, B. J. I). E. Krit.

LI II, J: :m n j/jiiAi crn crn/fi)! crh\'rt fans (quot;. S. volg. Rh. zva. tuh cm crn \\ uitsteken boven den wagen);

volg. Uh. in den rug vallen, bv. een leger ; vrg

quot;) • O O-\' o , ...

ni rn^injw cun cm cm f i (ui als een koeijenrug, aan

beide zijden glooijend , bv. van een weg of bergrug

(tonrond, gewelfd van een vloer, C. S.).

7 ... x . ..)(gt;

incrn\\ KN., of (ui ren KI. rug,

00/c bergrug, doch gew. ijncrn\\ of cm crn \\ —o ri

(rn \\ wat als een rugbeen verheven is, zon als een

lange dikke striem, een lange gewelfde uitsiekeude

lijst; in de lengte even boven het water uitsteken zoo-

als bv. een a roof e kaaiman, li. — 17; ni ni- als een j gt; n

gligir opstaan; een gligir vormen, WW. volg. Hh.

o a/ o cv o„ .

een cm m vormen. — lt;m (tu (rn^n (rn p zva. un mi

) (7 gt; O 7/ . .

•Ln i. 11 ^gt;1 .gt; ui gt;hii j w tj\'! n ê Ki ~ 1 w 1 Limn do ^ \\ iets uit een stuk ijzer.

oij lt;n^ - kn. instorten, inzakken, van een berg , van den grond, enz. {vrg. gt;ijyvjym y vervallen, mislukken, niet gelden, bv. van een gebed., als deg een die bidt, gestoord wordt en weer van voren af aan moet beginnen\', gestoord, verward, van den geest {vrg. i.n ihii fu/i* mi (Uj). — a/ii 111 cni \\ aarde of sleenen van een hoogte doen afbrokkelen. — am crr^ tij n \\ mv., ergens op neerstorten, zooals een bergwand; Jlg. iemand overvallen, in zijn werk, enz., in de war brengen, storen (vrg. rj i.yjcrm »y). —(uricn^n^ *77 ijims doen vervullen, bv. een erf portie; doen ontbinden, van een huwelijk. — (ucmny subsi, den.; ook instorting van grond.

\'ijlt;7n 1 j nr kn. opsehudding, verwarring, rep en roer, oproer, in rep en roer zijn; ook ran het hart, verward, ontsteld, L. 152, li. {Ineen Wangsallan

1 n n if m ij 1 n ri u i xn an /j als omschrijving van a, n

o Cy n CJ \\ \' X

vn (Hi n inyj\\ l.. o.; vrg. if crn \\) — vn ij cm rj cnt

rf)\\ in opschudding, in rep en roer brengen, -r-i,n ij cm ij an mm J oj ij cmrjcni \'riao/js in rep en roer gebragt, opschudding.

ij int ij rnt\\ kn. een soort gevlekte, kleine tijger

{verb. v. jaguar?); vrg. ryDiwy.

in n^hiij^KS. ferm, onbedeesd, stout, in het spreken , Rh.

erri [lt;rr^crnji\\ 1. kn.stelsel, mode. tr 1 ^1 ui ^. lt;77^ ij crn Sn (m nijs een nieuwerwetsche filtreer. 7\' {•,\'»( cr^n ij m i de oorvijgen zijn in de mode, WW.

f)5


-ocr page 1114-

(111 tU HH/J\\

C ) (ïlt

102(5

in ini in (Hi/)\\ stcl. dJi mi (Oixrn f^ l (,(\'n

kJj m JI ._j an (

stel. ui hniij an ilt;i on I on mi ia ) \\ OCH sirihdoos

7 joli /

met toebehooreii, r//.v twee doosjes met deksels (/ » 11 hui), één voor f/amhir en één voor tabak, m/ doosje met of zonder deksel {i n gt;j kis igt;ii/)) voor de pinamj, K. {yohj. Rli. do/1 hiervoor (jein. een i » r/ un/js}, een potje voor de kalk, met een spaantje {(ij) ij Lji2.uiq), sirih koker {ij i it ij yn\') en een pinamjschaar (i.d i i iuiq)* 2. kn.; i\'n m in mp alVallon , van bladen of bloemen-, in vervul vsiken, iy. van een gebouw; vergaan, bederven, tww //;/•, \'^yy, d) n on j; ongetrouwd sterven, een vrouw, WW. {vry. Tiqmnmp an mi \\ m tin nip I/ in? ij my mp itn ifioi? mi jy, een plaats verlaten, een gebruik laten varen, een iiainurlijken dood sterven, een doel niet bereiken. G.

) 1 ) / ^ \\

mi ni tnp zva. mi ni {vrg. / « iiriiip.

n ■) .an

in in tup kn. ; i d di /ri^inp zva. iii ii) m imp 2, dor/ van kleine bladen, hij kleine stukjes, afbrokkelen, bv. van lijstwerk, waarvan de pleisterkalk afbrokkelt; uitvullen, van liet haar of de veer en ; fuj. afnemen , verllaauwen , verdwijnen , van hartstoijt, drift vf moed {vry. ij in ij t oi^ rnp) WW.; volg, llh. zva. ii i,i)ii (iiyj^ en verminderen van moed, ongeveer zva, i iil bevreesd worden. — i // »/] ni en) nmi) \\ eaus. doen afbrok-Ijnrn (

kelen, enz.

mp ni 11ip kn. uit zijn verband geraakt, ondermijnd; bij stukkeu neervallen {br. van tanden, door slagen , li. .1. LX 1, 20, 1 . (\'. S.). — 1 i) nj nj^ n^ipi ij i.n i)i ij i,ii * ii nj //j ij i,i)dm ui im p de hoest ondermijnt het ligehaam.

»y ui uipKX. instorten, inzakken, bv. van een pat, zva. iifj nj inj en ij nj ni/j bij ij Di j{pf van een berg, K. J. A, Kit. L, 17.9, C. S.; vrg. Dpin). a ii nj nj mm i ii 11J [ nj nj Dj rm /. j p zva.

I II I II\' III Dl I II I III III Dl gt;1 I II ^ I , III 111 1,1 I.

(■—( Dl C f /1 III \' I Dl I

(fj ïD ij in nip kn. zva. m inni/j en rj ni?^ ny

nip maar van kleinere voorwerpen, doch niet zoo jijn als oii ( nym j (ij ni ? (in in p zva. nj ir^mi/fw

dj dn? if ny in j of ij \'igt; \'p ny di p ook geschreven h D?ij in? nip kn. afvullen, uitvallen, afbrokkelend vullen , ran grooter of grover voorwerpen dan di iij nip bv. bladen of onrijpe vruchten van de hoornen y kalkbrokken uit een muur; er uitvallen, bv. van jonge vogeltjes uit een nest (uit de handen vallen, van wapenen door schrik, B. J. A. 10. Kit. VII, 0, 5, C. S.); bij het ipuim spel uitvallen van die kaarten, waarmede men geen trek kan maken; genezen, bepaaldelijk van de Javaansche pokken (lUirj\'tpofrijj). inii.ii i iijpj ij in?ij( ny id j of ij in ij nioii ]\\ haar vrueht is nitgevalbju, d. i. zij heeft een miskraam gekregen (vrg. ijqn.\') , — flg. afnemen , czw. mi cmrm/j. i)\'D? ij (ijlt in . n ii.\'ip tamarinde-schudding, spr. voor bij bnijen, bij afwisseling hard en zacht, veel en weinig, van den regen. — nm ij m ? ij yim (i^ ij (un eens. doen afvallen, afbrokkelen, enz. i/iivj tmij mi

di ii iiii n i n\\ het hart af brokkelen , .rtw. de bor.st til i

beuadeeleu; {voh/. lib. Jig. het hart doen breken, vermurwen); zoo ook ninj Di?ij ny n^ijuu n n i.ijs de longen afbrokkelen, zva. een borstkwaal veroorzaken , gezegd van het harde slaan op horst of rug. WW. — /ƒ mf ij ny iiym j\\ obj. den ; afgevallen vruchten, hloemen enz.

m ii li h i: /I kn. kraai, raaf (Skr. k dg a, kraai of raai),

,0

vrg. (i\'ii mi hiyjw en mirju ni hiiij — in in hj^ • i\\ naam van een paard, nl. van. Arilt Djipang (1 di mi iw (in/j naam van een kruipende plant én de bloem daarvan WW\'.; ook naam van- een visch

{in een Wangsaltan). W.

) ^ ) ) . ) , gt; gt; • , m ini.ii/i en in in idp KN.; i n in id in) \\ enz. ins

onder allerlei voorwendsels of zwarigheden niet

willen teruggeven of afstaan; iemand op dikwijze

niet willen nitleveren; zich honden aan hetgeen

een ander gezegd heeft; vrg. i.iiihy? {wettigt op

zeker pnnt blijven staan ; vasthouden aan , bv aan

een bewering)-, zich een naam of benaming late»

aanleunen, om daaraan zeker jregt te ontleenen

en er op te blijven staan. WW. i d yd i.i mj

. ■) ) ) ) ) 1 gt; oot\' a i in ni ni/j en i ii in in rui} kn. ; i i i n\'

i * \' \'■ \'•

di nip enz. onder het. gaan plotseling stil staan: {ook van sol dat en die op het komman do: geef acht peloton l een gemakkelijke of ongedwoeijcn houding verlatende, zich in postuur stellen; rrii

) )

n i i

) )

wijze stil staan. - i n : i di\' irr ui ij i. n \\ enz. ie mand in dien toestand brengen. \\\\ W.) en zie nihiij

) ) ■■gt; . . /•. ni gt;gt;i mj. \'quot;// {{\' (,,n \'ids o/) de


-ocr page 1115-

1027

i n

ni m li n/j\\

) quot;)

ni in i li/]-

O O .00 O 1 -) I

ui rn til ni 1111,11^ zvcr. 1 1 mi liii/j v. i.n

Ui?i hup jfani ui in i iiji\\ frcfj. Tj.

quot;/ quot;l \'\'IP KN\' klank iiahootsiiuj van het oud er druil I lachen wet een (jesloten mond\', vohj. Ilh. ook 1 stuipachtig snikken van een schreijende, zie ij ni 7 — a/^ \'7 \'7 \'l/I\' ^ larluMi. !

tf i 1 i^j ii^uii^ naam van een paardy UI.

y m ij in km^KN. , I. t h ijnn ij nihii j om iels zeuren, zunikkcn; op die wijze lastig vullen (wy/. 7 ^37\'?//)• ^ r0\'Jch(\'l\'JU(t (jeluid ah van een sl ervende, W. II. 480; lianlcnah. van. latje hen ; hè, hè, hè! ~zV »ƒ 1^1 ij m hii/js tj in ij iii?i\'ii/j\\ KN. klanknah. van hel (jeluid van een slingeraap. — y lt;rn 7 m? freq. dal ge- |

luid maken, Tj.

»ƒ niïin i\' 11^ KN. naam van een soort roof vogel, on - j

gev. gelijk aan de ril 11 uit \\ (Tj.) llh.

ij ninj mfunijj\\KN. waterkruik (/./; yn) mei langen j hah en wijden mond, zonder tuil. — i n ij mè 11 11 iii?hn/j\\ uit een kan, kruik of Jlesc h drinken, \\ de inhoud zoo maar in zijn keel gieten {vrg. j

(Ui/I\\ ijiis iiiy —• ij in? ij in? 1.11 ,j\\ klok klok! klmicnahoolsend woord voor iel klokken van wa- 1 /er, uit een omgekeerde kan, kruik of Jl es ch ge- 1 goten. — tj rrii ij urn i/11/j ij ry? ij rnii h ti/j if 1^1 f ! ui \'•quot;77 nni/vn/ i.iijj en nj ij ^iZ\'rfcnid tai/j\\ zoo j klokken; ook fig. scheutig, mild; ook zeggen wut ; iem. voor den mond komt. — hu ij iiifijainuii^ vaneen vocht dat te snel uitvloeit, en een klokkend geluid maakt. — /.#;/ƒ ryi ij mt ilt;n nn/i te vol geschonken v. e. glas, zoodat het overloopt, hv. uit een kruiky enz.

o 0 )

m m gt;1 ii/i k N. aanvang, rn m ijijiigt;i \\ N., in in mj jy

in/j\\ K,, aanvang van dcu dag, dageraad, rn m if ij inyhu 1,1 J kn. hetz. \\V W . ( mtn ij 111 ^ n uïi IJ. •F. LX. V, I , 5, (j. S.) ook 0tm i-iihi/js Tj. — n/\'n nini hii/j aanvangen , beginnen , zva. l iiwihiyjW op nieuw beginnen, zva. .1 n ij 1 11 iii/j\\ van ziekten 0f gelreken, of van een behoefte, als dorst, enz m rt/l hnJIN KNJ wicin iij (hiyi\\ vol ijver, voortvarend, WW. — gt;/» iij asHfi of iii} nj A.njjW ilv 111 nj ilii j °f 1 ww} inrnifls vol ijver, vol lust, vol moed, vol vuur, iets doen; vol ijver, enz. — »n ai 111 , hnJ)\' v,)l ijver, enz. zijn, zich beijveren, voortvaren, enz.

in in 1 ii/j\\Ks.; \'i 11 lil 111 1,11 /j\\ iets tusschen de tanden o/in den snavel geklemd houden en telkens drukken (vrg. i \'n in in i n/js 111 »y »y foii/j) ; met de tanden knarsen , G ; van een vochtende vogel, met half open bek van woede tegen een mder blazen , \\i. fig. zva. i \'n in iijj lt;1,11 y. — mi iji inhiij of »/» inxiin het van woede met halfopen mond tegen den vijand blazen of de tanden laten zien, l\\.;vuur,

drift, hartstogtj zenuwachtig, levendig verlangen

, ) ) ) {vrg. hnhnmi/js /.///ƒ ctn nj isiiq). iiym

) \' . \'

nsn ii/y rurijj\\ en on 111 1 n ^I \'lj \' \\ zie / Myy

in iM mi f* in zulk een woede ontstoken z\'jn , dat men met half open mond door de tanden blaast, R. inrn^anp vol vuur enz. zijn, zich verbijten van kwaadheid, (13. J. LX I , 20 , 5, CS). /. n m (iiynri(ni}n/j\\ zva. iirin ihn ikij)\\ ook van iemand, die sterk op iets belust is. VV. — a/n cnictn ihn n ij I* 11 \\ kwaadaardig, wrevelig etiz. maken.

O quot;gt; .01 , ... . .

m nn i\'iifjs KN.; iiininii,ii/j\\ bij te gt;1, met de voorste

tanden een stukje afbijten, zooals men de ai.1,11, n q doet\', n/\'n 1 n 1 n rn 1 lt; \\ zich verbijten van woede.

aii rn invrtmii/j\\ knabbelen, knagen (/v//. i \'il in

quot;) O .

111 lt;111 (vmjj\\ iijiijinj).

iij in riiij\\ kn. aanklagt. — rii ni(m(i.ii/j\\ aanklagen. ook zva. 1 \'1 mi 1 njj of 1 11 rin r.iii\\iems. ouders of voorouders erg. in betrekken, er bij halen, bv. bij uitschelden, kh tij (rn nsiijj of nni^m nni/j\\ aangeklaagd, liii tn m a ihj de aanklager , eischer, i.\'n in »y ni li ij] of rii in rj in 1 ii/j\\ (\'c aangeklaagde, gedaagde. »y \'/{ \'7 elkander aankla-gen. ij quot;\',{j rnasn/j oj rrn m .niijnhi m inp schriftelijke aanklagt. — nii nj inn^ijiru^ iets aanklagen, wegens iets een aanklagt doen; door een ander een aanklagt laten doen. — nirnidiii (in/j\\ de zaak waarover iemand ecu aanklagt doet. — (ü iij (in 1,11 j\\ het aanklagen, de aanklagt (aaii,-kluger, G.).

»y ui rnjj \\\\X. ; i n uj njx.njj^ tusschen de voortanden stuk bijten, knappen bv. van luizen. — 1 gt;11

o , ^

ni in tfin niV. (vrg. ajij Uj i.ii j\\ quot;J\',1/,n j\'

) 00.

in i n j\\ 111 111 i nq).

in 11111,j\\ kn.; 1 ii in 111 (iJijj\\ bij zich z l( overleggen, overpeinzen, nadenken, gew. met weemoed {vrg. ui ui). i ii in in ij in i 1,j lang over iels denken; wikken en wegen. —• rn m inri/ts in-


()5

-ocr page 1116-

n n

crn crn (M/j \\

1028

mi cni crnji \\

dachtig zijn, zich lievinueven; zcor geroerd, door een gedachte gekweld; met kwelling overdacht of nagedacht worden.

in lt;tri tJi/js kn.; ri/\'ri(ïtt lt;init^/j\\ hij heetjes, allengs af- of doorsnijden, zooals ven dief een pager, de schors van een boom van onder rondom insnijden, om hom te doen sterven (/;r//. i/mi//K/^N);kwijnen, verkwijnen, doen kwijnen (wv/. inKjiij).

crn nit ip kn. afgespoeld, afgebrokkeld, met gaten, van den grond, bv. door een- overstroominy; weg-hrokkelen, van de tanden door bederf, afgesleten. icnioflthjip aan den kant of rand ingevreten, zva.

quot;) O ( ll^ iUI (KI fj \\

tij ,w/j\\KN: vermolmd, verteerd, va7i hout of derg., (foor verwatering, wormen of insecten; ook wegslijten , van de tanden, zva. rrtl V tf i n ij mi (Mjjs kn. onophondeiyk hoesten, ook blaffen.

rj crn* ij nt t ii/j* kn.; iAivj »/*?»ƒ rn gt; m (j ^ metdesnnit aanvallen, zooals een wild varken \\ flat van een mensc/i, op het eten aanvallen.

mi(ïii ui itn/j\\ zie in riv.

tncYniuns kn. ontsnappen, ontglippen, zva. ijxjiu

s

i lil .!,n/jw y r/ii2 rj ius r:ni n ijj r.n rut m m n spr. zoo gewonnen, zoo geronnen. [Ojiriitti iinujj voor (Cl i/ii an nu ju ani hij tO/p met geweld of rnw weg elkaar aanpakken, handgemeen worden, vecli-ten zonder wapens, W. I, 00.

crn tn n i/jwm. pen of pin in de gewrichten van wajangpoppen, zie J. Wdb. waar ter egt aan an in ni/j\\ de bet, van ingekeept, enz. Is toegekend i

hei zal ook wel eig. bet. geleding, gewricht {de

, ■) quot;) gt; ) stam is in n iji vrg. cun tn iu Jiyniartnji ly tinihijj

enz). — fi/n in m ly de gewrichten der wajang-

) ■)

poppen van pennen voorzien. — gt;n mi iri ihi/j . van pinnen als boven voorzien.

ni nitu/j (en ori tj tmruji^ WW.) kn. afvallen,zva.

tfn? ; ook nit de hand vallen, Rs.

nimiiiu/j\\ kn. naam van een kruid tegen-de hoest. WW. — uil tn in n i/j\\ (of mi rian iuji* Men.) erg en aanhoudend met schel geluid , gillend hoes-

, O O ... O O ) O

ten [vrg v:i mi m-ijj Oij ■li inim itLjjjs en iiiimtn

lU/j).

O . o

mi ymi?zie iii tn rujjw

nrjam ij tn? iLi/f\\ zva. ij tm lujjs 1. — (uiiti im ij lt;tj ini liifl zva. r.irimit n i,^ ook fig. meestal van desalteilen bij de overheid met kracht aandringen op een verzoek, bv. tot wegneming van grieven of bezwaren. 2. oj. heerendienstpligtigen , C.P. /« TP. i.\\ ijamini^ (midden-Java) o/* i.tj iuw bij df hoofden bep. iui ij r.in nyj.

in in in/j\\ KN.; a/nmi nimjis plat woord voor eleu; ook verslinden. W. I, 316; eig. mot groote happen gulzig eten of vreten; zwelgen, {vrg.

mi/j).

quot;) ó ) , , o

ui rn (ii/V KN.; i i i n rn crn (urj \\ {ook mi tn i ;i ~ i mq

Dam. Woe.), stik donker. — i/ficmctn uijj\\ inliet donker rondtasten, in \'t wilde schermen ; «VA* blindelings doen, zva. inciji\\ maJiam^w {a/ncm nt u Hij \\ spr. zva. cvii cri t i/u^ ; tsr^ pj. w /. II.); volg. Ith. even als in het Mal. stotteren, hakkelen. — m nn iiï igt;j cm (uji\\ naar elkander in het donker rondtasten. — tuiimicmaji Si\\ naar een obj. in \'ietdonker rondtasten, zoeken; betasten, bevoelen [fuj. (mmi u-im rnfois sc. om uw geweten ti onderzoeken, Lakon. C. S.).— rn mi ui op do gis, in \'t wild. — tn^crriiujj^ zie boven, nj njiLn^ kn. zich spoeden, haasten; gejaagd, angstig, ongerust, van V gemoed (li. S. 584; li. .1. XXV1I1, 0, 4; LX1V, 10, 3, C. S.).

crn rn/j thn/j\\ KW. zva. nj rj in i ihi/j iui ui ij iisn 2 quot;O/J ij

tj mi (Tj (Yï n è lil

gt; ■) \' \' o o

mi ttj j (rn/j\\ KW. zva. n n i i w v

mi tniamp;ijj\\ KN. vuist, handvol (grondv. crn ijjjs vrg.

hti iïti iamp;ijj bij icti ifjiji\' en u nnfo wi^ iM hi^nji j) \' i

tncmtamp;i/j\\ een greep, een handvol, i \'n m rn.}

in de vuist gesloten houden, Jlg. in zijn magt lub-•) ) . n

ben {i/\'n tiicrni£iKn(Hijj\\ een vuist maken;/» ///mm

i.j rn f i nni % (Uicm taji beide handen gesloten , niet

gebalde vuisten, Lakon, C. S.). — (Lit crn J\'/

ti.mi\\ tot een vuist sluiten, ballen, ^an de hand,

{iets aan iemand in de vuist geven, in de liand

sluiten, bv. een sirih-pr arm, 15. . XT, 7, t». C.

S.). — (Cl tnmi i ijjs subsi, den.; volg. G. gesloten

hand , gebalde vuist. — tn nuf obj. den.-, volt/-

G. bij vuisten vol.

cm rncmjis

( ) . 1 quot; ■ ) ) tn tn »/»^N Zie mi ttti\'OJln

tj tnmi tn/j\\ kn. trekken, tobben, G.

an tiu I. KN. steel, stengel, van bladen of vrneh-

zva i ) i i w


-ocr page 1117-

) O

III I ll\\

102\'J

t(gt;fi j voly. SG. dep. de gelodiu^cu iiissclion

ileu vcut en lt;loii top der uur; vi\'f/. \'[{[ \' j, bij I,,j iy {vnj. DKtn ii^i hf/j^ ; stok, waarhij men iets vast houdt, ho. van eon parapluie. houder van een pen, enz. — (imoit ri) als ecu mi rits zijn.— 2. of ni in ^ eigennaam van een Djdwata G.

oiM.y\\ naam van een pisangsoort.

rt o

m i:ti\\ kw. zva. ut)m k)ihi/j\\

m rnkn. rijst, die van liet stroo ontdaan, maar nog niet ontbolsterd is; rijstkorrels in den bolster, (/w een fPang saltan mi ngt; un gt; nn ij nnj n i n ni;j\\ omschrijving van u. i nn m (inj^\\ C. S.). —i h voeden, eten geven aan, \\V. 11, 3)9, vrg. nog A. 37. — m I:n {iw van troepen die onderhonden worden, AS.

1 gt; i» i rnr.tifs zva. (tna n iinq en »n m^\\ Ivh.

ry r/».M kn. I. voorhangsel, gordijn (yry. m In viV( \\}. — i hir^in 11 n \\ ïV/i van een gordyn voorzien, niet een gordijn omhangen, afsluiten. — u ini nstinimjis een met gordijnen omiiangen, be-selintte of afgesloten plaats, tent, slaapplaats. — lt;»1 Dj irr» ^ in tenten leven ? Men. 2. tr^r:ti gt;\\

volg. IMi. de bloem die gescheurd is of doorstoken als beneden. i \'n n^i n ^ in repen scheuren , vaa bloemen, of ze opmaken door andere bloemen er tusschen in te steken, bv. de bladen van de tce-nlingahtoem met metati-hloemen doorsteken, bloemen rijgen, een bouquet maken; ook olie met gt;/ƒ » u \\ \\ parlumeren, \\V. f, 30; fig. een gedicht maken {i I} i ) irn rn rn .gt; \\ kleingesehenrde tjampaka-bloemen, B. J. XX, 22, 1. — fig. van V hart door droef held: thi ui hj r:t) % \\ 13. J. LI, 10, 9, ( S.). — tn rn r.n gt; un anjjs met bloemen doorsloken , tot een bouquet zaamgebonden, tot een krans aaneengeregen (vrg. yi ti i,j tjim ij i:in\\\\ in een IKangsaltan: mi gt; i n hj i ^ i i il,u \\

voor i i nn r] iniK (hii/j- C. S.).

■nu ii zie rrnlt;t-j).\\\\

} O . ) O O rn i n im - gt; zie m i n uw

OV

s

nivn\\ kn. geur of reuk verliezen, Kh. zie mi r.ti\\

en x n i:i rn hij i n i n w Cy . (y

kn.; i n rn m\\ met de lippen het geluid brr!

maken, als teek en van afkoer, ongeloof of minachting; met den mond proesten, als een kind, wanneer het de ingegeven medicijn uitspuwt; snuiven , van een paard [vrg. rn ij au nnrrn

in \\ van iemand wien men in \'t aangezicht een veest toost. Lak on , C. S. — xh cm rn ni n i.n \\ iets proestend uitspuwen; over zijn ongeloof of minachting met een brr! te kennen geven. n] kn. gordijn, voorhangsel (yr^. r/?rn\\ rn irri\'). {Volgens anderen een doorschijnende stof, totdat einde gebruikt, WW. vrg. trnf — d/n ni rn

■n v van een gordijn voorzien, meteen gordijn be-

O O*

schutten. — m^m rrrrianjjs met een goruijn beschut.

o cy o cv a o l ,

(in gt;rn \\ nrnx:nmiicn\\ kn. vet, zwaar, lomp.

m^r.n of nm ^ rn \\ kn. een soort oorlogsbekken,

) o

vvg. i n ij(ini\\ ij i n ■ nw

nrj mii\'ri in \\ kn. dim, uitgesleten, van een koperen

muntstuk (/ƒ nm i rii), \\\\ VV.

) i ) ci n ) ■-» o ) o

min n\\ N., miinim{\\ K., zva. un rn n i,n rn

o

irm - n\\

Ol 4

in rn^ J \\ kn. beweging met het linliaam maken, n (i?n rn iu rn^gt;\\ allerlei bewegingen met het ligehaam maken. — rn i n^* in rn^?\\ veel beweging maken, om zijn moed en dapperheid te imwvw, vooral van hoela\'s en derg. groote personen {vrg. i. nij^?) , (uit dartelheid, overmoed enz.: 15. J. IV Krit. XIV, 12, 4; in La kon ook v ere enig d met hil n ; un j \\ C. S.).

ij rn ij 17/ gt; kn. onverschillig, onachtzaam, in heS bedekt houden van die deelen des ligchaams, welke de kieschheid verbiedt te ontbloot en : fig. in wakenden of slap end en toestand eigenschap hebben van geen geheimen te kunnen bewaren.

rjmi kn. veel, lang bloeden, va?i een wond

(in een hongeren graad of van een groot ere wond gezegd dan i.nri). iprn? rt^ gt; ij mgt; rrrgt; gt; geheel met bloed bedekt, {vrg.

26, 4; ook vereenigd met u i n H. J. LXl^, 18, 5. C. S).

(m\\r)jxsn/j en rr^Miyj\\ zva. rn^r^hi/j\\

; ) / /• gt; v quot;•(.\')

m i:n iisn n \\ {Of min rniibii/i) KN.; vu cm minis enz. doorgaan, weghollen. — t/h cm ^rr/^ ij u n \\ met iets aan den hol gaan {vrg. murrta i,.).

mj rt^ isn/j\\ KN. zva. iij rn

miij irn rjjj ZZZ miij narijs

) _ )

in riruiij - un ry ij)\\

in rnri/j\\ klanknah. van het kappen met de liqji


-ocr page 1118-

ni ij \' ijji \' I

1030

mi n 1:11\\

m/j in zachti\'u (jrond, KN.j n/h mikatii .w/j\\ den (jrond niet de paijoel losmuken.

ui H I //^ nkn. ; llanknaboolsend: hel brieschen van een paard; hel snuivoü van een buffel {voly. WW. als hij niet wel geluimd u\\ vrij. un i n), liet ge-nies van een fnensc/i; hel geluid dat de rusé maakt, on freq. niezen, W. I,

105. — v\'n inrj irn^i snuiven, brieschen, {als te eken van weigering of onwil. WW.). — iiinnj tj t i -xivj i n iets brieselicnd versmaden ; iets met zulk een geluid ahvij/en, ontkennen of in den wind shum, WW. — in ij irr^i isnuivende,

brieschende, Tj.

( ) gt;

an if rt^ï ) i/J \\ zva. 111 tjy i J/j a

an uri^njiji kn. vnil, bevlekt, bemorst, hv. met bloed, mi j ^ {vrg. rij rn^hii/j\\ n^iihiij\\ injap^soyi 1/ nis ij iic^n.iq) (ook van het bloed, enz. bemorsen, B. J. JiXl, i\'J, 2: n ïo /ƒ /y rr^ Ki i n n ij i.j\\ \'J. S.). — iLii i iy i bemorsen, bevlekken {J)v. van bloed, H. J. LVII, 38, I. quot;^ifti/ncrr^ i »y »y i.n^i fig. over-

vloeijen, ook in goeden zin. H. J. LX1X, 19, 9. C. S.).

nj i r^ i )ijy kn. klanknab. van het gedruisch van velen,

die aan het praten zijn , Rh.

rn n~r^lt;ruji\\ KW. zva. rn^nijs Jig. het opbreken van een huisgezin; naar elders vertrekken.

cm ^n \\ - o n w^nmji — n^ n^tyrnjjs van

rotsblokkeny neerploffen, Tj.

rin i ^(m/j\\ kn. klanknab. van een doffen slag als op eenploepoeh. — i h mi r.nmi p zoo slaan op bv. de amben , waarop een jonggeboren kind ligt gt; om het voor schrikachtigheid le behoeden. — n^h in i n tn rf i. n \\ een haan naar zijn tegenpartij toegooi-jen, Rh.

nrn :rtinmjj\\ kn. dot\' geluid van een zwaar ligchaam, dat op den grond valt, (B. .F. XXXI, 10, 4: rn mi ~ \'/l\'quot; r) 15)1 x (\'• \'**•)» \'1(!^ geluid van het stampen op den grond j {ypoi, van geweven katoen. WW. zie nitiy.ici j). m^ n ^ n nip ploffen, neer-plolTen , Men. (neêrsmakken, van een zwaar Hg-chaam, B. J. XLIV,9, 4; LX, 19, 7, C. S.); een getuid geven, als door stampen op den grond veroorzaakt wordt. — i ;» m rj nip iets te morsel stampen, bv. stetnen\\ öü/-den grond aanstampen om later te bepleisteren, en derg., vrg. mi i j

nvr

/M.iTwrio^NKW. zva. i n ini tp

mirn inji\\ kn.; nh n^ i^n.injjs ook zich winden, zich slingeren om; een obj. omslingeren,^, sterk bij iemand aandringen, aanhouden, iemand niet loslaten, WW. {(lit volg. Rh. x/hrvt^ rn n i/]\\ en i ii in i n i.i,]); van een kind steeds in de uahijheid van zijn moeder blijven; vrg. ay.inticip fig. ioi nirii w Jiïomslingerd door genegenheid voor iemand

en daardoor belemmerd om onpartijdig te zijn

O v . .O

{vrg. ii.ijj i // » » p). \'— r/f nj \\ n ui /./; cans.; een

object slingeren om. Men.

ij nu gt;i r.u i.npof ij m? ij r.n tn/js KN. geribd mes, om onrijpe vruchten en derg., en een ongeribd mes om tabak te kerven.

m in.Kip kn. voos, droog, sponsachtig van suikerriet en derg.

m i ij i kn. naam van een boom {groole heester, die op moerasachtige plaatsen groeit. Rh.) Alsto-nia scolaris R. Br. Nat. fam. der Apoeyneac, welks hout zacht en kurkachtig, is Fil.; votg. WW. het zachte, kurkachtige binnenste gedeelte (mergVj van sommige houtsoorten, als van de i* n ii mi n nj ij i iz.i/ijs en van een grassoort, n^t m j van welke laatste soms lamppitlen gemaakt worden {vnj. mi ii). {In een Wangsallan wordt ^ .i:n iij omschreven door hrytrni ns C. S ). — turi mi nj een mes op gaboes aanzetten.

crn.r.ï) i i/js kn. — i // ni nt) i.njs in den bek houdende heen en weer schudden, zooals een hond zijn prooi doet, A. 51 ; jlg. aanhoudend kussen, Rh.

mi rji :M/j\\ kn. klanknab. woord van het missen of

zijn doel niet raken: mis!

mi i:rt 11 j\\ KN.; ri iy wtJijjs een schaap met ecu dikke vette staart, zoogen. kaapsehe schaap, Rii. (Perz. jxC \'l\'k, «»«1 gevuld).

rj m ij i n i lp KN. — i ii ij iinji:iiihi/j\\ het gezigt afwenden, ook jlg. zich afkeerig toonen van iemand of iets. ij ni ij rn ij ijij i ii hip het hoofd of den kop heen en weer draaijen tot teeken van afkeer of weigering-, afkeerig of afkeurend het hoofd schudden en afwenden; {vrg. tj mitjin anp ijm ij ij i i mi j).

mi ij n ij kn. bekleefd, beslijkt, bemorst, besto-


-ocr page 1119-

mi i.)i n )ji \\

ven zuouls dooi\' klei aan de voelen, meel en*.. miuujjj^ i. km. eu ini rn:i:n ii i/j\\ zie bij nnni.nn tuns i /j tri in ii i/j uitsickcu van ijraszoden.— rii ui rn ijl \\ mv. cu niet graszoden beleggen ; vo/y. llh. ouk vochtige oj kleigrond omwerken met de patjoel. 2. nm r.n n iyj\\ voorsciiot op de pacht van een land. — .1 \'n lt;rn r.u nhijj of i n im n ii.ni n n ij uij (Mj irn voorschot vragen of nemen. — i \'n ni.vm /Mn mv.; mi en n i j geven aan; voly. W \\V. R, van iemand of op iels voorschot vragen. — in rii ii(i!injj\\ obj. den.\', als of tot voorschot yfgeven.. VV \\V.

(in 11 i:h n ijj\\ kn. in menigte; krielen bv. van men-schicn; in massa, bo. van vrachlen aan een boom, enz. WW.

iiim h kn. de man bij een slagterij , wiens werk het is het slagtbeest met een ruk aan de strik om zijn pooten omver te trekken, WW.; klonters, die aan den slok z ill en, waarmee uien bij het koken van ixiijj ij iuizrjxcii ru/j die pap omroert. — m^ i j^rii n i/js in die staat van koking zijn, dat die papsoort zich om den roerstok klontert, WW. — i n in.cnii.iqs iels omslingeren, aanhangen,

zooals een kind de moeder {vry. .iii i^iii ijmm mij)\', iemand smeekend de knieën omvatten; smee-ken, dringen {org. \'ij r — u i n

dringend verzoek.

in i.n i ifp kn.; i/h lt;rn i.n i. ifj \\ wegvliegen, zich snel

wegbegeven ; vry. i-y i i/j^

in ij rng mijj of (rnrj ry i miq gt; kn. zua. ^ rn t mi;^ klanknab. van een doffen slag of geklop; nm van een soort koek, best. uil rijst met geraspte klapper en zont, te zamen gekneed en gestampt, ongev. zva. ij iu \\ doch deze is van kei an; ook zva.

— i ii rn ij i.ruirnjjs glabog maken ; een

slag geven kloppen als boven {vrg. mi ij 111 ni,j).

• (quot;) r»

— i n \'ïn n i m mi\\ mv.

\' \'l (YH

. )

\'n,n kn.; n/n ni in \'in,^ zich achterover laten

vallen, achterover vallen, ook op den grond uitspreiden, bv. goed om te bleeken, WW.; Jlg. overlijden ; ook een slag met de vlakke hand geven , schertsend dus: i \'n ïii lt;i:ii innin 11 i/j\\ voor een vuistslag geven, W. P. 487. u o ui i n mi/j\\ achterover vallen (vrg. i/ii.iyi hijs iclt; i n rn/j\\ hu \'quot;)

min iii i \\

n _f

1111 r :

If i j:. quot;

li

\'■i. ■■

h ,

l! i\'iquot; \'\'1

i|f -I

1 j

11 ti

lir

J fj ; ^

J l i

■J •i\'i

in iM in kn. 1. grol\', van linnen. (Z7rg. ij : u i,i\\ 2 )

2. zeer dom zijn.

in r.») ni/j ook in nuf kn. plol\'! als 1 usschenwerpsel;

met een doffen slag neervallen, neêrplolTen,

/ c) gt; \\ )

[org* (i 11 ^n lt;rnji \\ nji^iyrn/i^

ploffen. — x/n timmmi,^ zicli ploffend nederwer-

pen; en een obj. met zulk een slag sh.an. — i \'n

) -» . ) I A

rn in in \\ mv. in iiiinrnni.n UOCII m.\'er-\'•lt; in gt;\'i in i

ploffen. — u in iji injjs schrikbarende epidemie,

. ) CK . )

erger dan .ii m n {org. inf^iufi^s 111gt; hi,njj\\

a~j) f\'i )\\\\

co

m ijr»? mi/j\' kn. klopper oan geolochten rotlan, om matrassen , kussens , enz. uit te kloppen , (Vrg. igt;ii ij intnq ). n/h in if iii mp uitkloppen; mei iels plats, bv. de vlakke hand, kloppen {org. in \'/\'»{\'^ quot;\'//); vergulden, van wajangpoppen, W. P. 420, i. pt. o. ii ij ii/f if rn mi jy Rh. zee J5V. —

. ) o . ) -gt; ,

iiidiiriin }ii\\ mv. in tiiiirn in i,n i lt;1 i ias uoom-i \'i rn (nm \'(

wol uitkloppen (org. li in).

)

rn if i:n i rnjf zoa. inifint nyf \\

ij (rn ij r j» iii j gt; kn. in menigte aan een boom hangen van vruchten; in menigte het ligchaam bedekken, bv. van pokken, zweren, enz. Rh.

rnrijji^s kn. 1. iiimiimj^^\\ algemeen; algemeen zijn, een algemeene gewoonte of dragt; overal te krijgen bv. van vruchten in hel hartje van den tijd\', geen onderscheid geven, in smaak bv. v. eten voor iem. die pas ziek is geweest, {dit volg. Rh. ut i ii f ij)); over één kam scheren; iemand behandelen als een gewoon, gering mensch {vrg.

) , ) O O . )

mi n^ I n jj). .i,i viyf.i^A.1 n i,ii i n in i^ij jss mang-ga s zijn nu in overvloed, iri.tjnii?i uh Yii rmj* ij ilii ir»ij cm2 ik 11 in y i ili ^ i mij\\ men draagt nu algemeen gedrukte (niet gebatikte) kleedjes. I\'luu f^

.o. . - ...

rn n n i n i,ii ~ i n in , n in rij j { rn ij i ii \\ in mijn

mond heeft al wat ik eet geen ouderscheid van

smaak. i/nuryiin inicYnr.ijjj^r^api.njj\'i ik wil niet

gelijk gesteld worden met Jan en alleman, WW.

3. dorschen, Rh. 3. de kluiten door de ploeg gemaakt met de patjoel breken of lijn maken, Rh. — (u\'n rii irprn \\ voor de tweede maal omspitten, ut. na het ploegen, SG.

mr riy^s kn. schitterende glans, llikkering i^vrg. .i/y^ ^^Jjln )• Yin ijjj ni i Yjjjs llikkcren, Üonkeren, bv. van een ster. — »/ƒ \'\' \'cUl^ \' H\'kke-

li

1031


Ikf-

-ocr page 1120-

1032

reu, ook Jhj. van schoonheid. — (jru ,}^j])

— (K)cniiryji\'quot;nwq\\ een oogopslag, oogeublik, het eerste oogenblik. — vol//. G. cu mïnil mtiigji of iu asn oma^civ]jj\\ aan nlle kanten een schitterenden glans verspreiden, overal schitteren, llik-keren.

mni)iv\\ 1. kn. klanknah. zva, r»j j. (Jrfg. mti trjp

s C) s Cï / . ) -v O /

v »irr^ \\ (tot r.i^ \\ ilt; r^\\ no) ihiJ ) • — a \'j lf-1 N

plompen, klotsen, enz. zva. irn lij(ujjjs W. P. 39(J.

— am cni rjj js in \'t water springen, enz.1, (tfy. tegen aan klotsen, enz.; vohj. llh. in massa hnn hoofd aanklagen van desalieden. — t?» eni rij ^ gt;i gt;j h n \\ in \'t water werpen, een hoofd zoo aanklagen. — 2. cLhchivjQV\' tegelijk met suiker koken, van koffiey WW.j volg. Kh. heet zoo gekookte kollij : un ? IU y nu ? n i hv/j\\ — ern ^

tegelijk met suiker gekookt, van kofflj. on dwjj t tiji \\ een klanknabootsend woord voor een slag of klap, vooral met de vlakke hand; ook in tweeën splijten, zie a^jjjnn js W. P. 438.

kn. tlesehje, ilacon, o. a. voor welriekende olie.

(\'rn aryji ernjj \\ kn.; uh (riir.iiijrnyjs op iets vlaks slaan of kloppen met een stok of met de hand, hv. om er vuil uit of af te kloppen; ook van een ruiter de voeten of heenen tegen den huik van een paard aanslaan om het aan te zetten, Rh. — (liichi.ir^ .rr» n mv. d/h eni A-njjj ctq rj Kn\\ met iets slaan of

kloppen, als hoven — om tryji irn obj. den.

. o » O • 7 .. ,

ru w - ru t i f\'N aj)i}wcm,\'j zie bij

an ig^riT^^KN. alles door elkander, G. — am nhi rrn/js zva. iuh ern tj i-hjt inijj^ ergens tegen aanklot-sen, van de golven, der zee \\ ook met zijn velen visschen met soesoegs; allen of alles als van een soort beschouwen {vrg. nmrrrjj {\\ niiti —

nm r^irmttn/js een oever van een rivier, waar de stroom regt oj) aankomt j de zeeoever waar de golven tegen aanklotsen, Tj.

od tj djrjjji kn. aan elkander gevoegde planken

, 7 • cy

beschot of wand van een huis. rjturn iB) f mi (in \\

een huis met bamboewanden, rj (un i o p errt y 2

cm/j\\ id. met plankenwand,

id. met stcenen wand. lt;rn rj i rl Tm i,j1 ^ \' ^quot; 77 N de wand is van geschaafde planken; fig. lt;rn rj xpjj* rm ajy^n ^ Tj. (vrg. cm i/iCKni/j). un m \'tnni (ui mi tj i (ïnjjgt; tie mui en zij n niet planken beschoten. — mirhirf.tnjjjtiets, hv. een huis, kamer, omheining, van planken, met een planken beschot, maken.

cm2 oryi\\ kx. (imvjmitarpjicyn,^ door leven, geraas , geklop wakker maken, opschrikken, in rcj) en roer brengen, enz.; Jlg. 0iiwnhs het water 1)0-roeren om de visschen op te schrikken.

rj cm? tj rijjjicrnji kn. naam van een Lak on, door ij n\'nj cm \\ vertoond, llh. — nm ij lt;rn i if ? an^\\ druk, snel op elkaar, zonder tusscheupoozen, op muziekinstrnmenten slaan; zich zoo snel op elkaar laten hooren, (Tj.) llh.

cm vm nt/j\\ l. kn. digt bijeen ; de mazelen {vrg. tui i n cmy). — 2. cmn-nn nrncm^s rood geverwd met de koedoe (vrg. (rrgt;jif cm nnj)^). W W. — a m\'in i n (m/j\\ in menigte digt bijeen zijn, in een digtcu drom.

o __• o

rn r u (m/j - \'/ rm if i :n M/js m nrn rn cm ij /. u \\

in den bek houdende heen en weer schudden; zie ook rj cmirj v.n cin/j^ W. I, 394.

cmamcrryisKX. ledig, van padiaren; voos, onvruchtbaar, van een vrouw; kinderloos {vrg. (rnans O.

/E l fcs ).

cma-:ii cm/j\\ 1. k., zie crii(Cïj,cYr^^\\ — 2. kw. zia. ij vj (mzTj \'rÜ2\\ zamentellen , vereenigen. G. —3. kn. snel loopen. — (mrii iiiini/j\\ velen , die snel loo» pen, zich haasten. G.

mï.n (YYijf\\ iets zachts, om glimmend, glanzig tc wrijven, hv. een zeemenlap, hamboe krullen enz. —

^am cfiTxzrl(mjj\\ iets daarmee poetsen of wrijven,

O

glanzig maken, ook aan iets knaauwen, G. a/\'n w

afn cm i.n (rn/j\\ zva. m.i:ii:i.]aiu i i,i\\ iets mi den ern -J\' gt;quot;

bek houdende heen en weer schudden ö/tegen tien grond wrijven, zooals een jonge hond doet. — ojii cma n cr^ mv. — o?; i Ir n vmj}^ op dien leeftijd zijn, dat het haar glanzig begint te worden, van een jonge koe of buffel, die haast voor den ploeg gebruikt kan worden, WW.; volg. llh. halfvolwassen van een buffel, vrg. wnw — (nir.n m ti^p obj. den.-, glad gewreven, glanzig gemaakt; een kruisje van hout of bamboe niet een draaijend handvatsel om touw te draaijen; ook een zoo gedraaid, touw van boomschillen, door stroodekkers gebruikt.


-ocr page 1121-

I

J

1:11 : \'

crna^omjt\'

, ) M • gt; I/ 00

(Wi(i:gt;l(Hij]N N., mi j.n cmjj^ K- ^;r. iVrt. masu uujj enz. K. 191: l±f \' n rn jn \'/7 \':lt;y hikti m,/ /.) \'i)gt; al bij zich zelf overlegd hebben?

(wvr.rttamjj — miaXi rj.v.ti i mijj\\ Rh.

kn. 1. effen, afsnijden of slijpen\\ ouk zva. lll1 quot; \\]] ,n effen gemaakt. iLi/vi^nrr^ i n

an/j zonnescherm zonder punt iv/* knop in liet

... O o. o Q 1

midden, vu 1.1 tijn[j i:n^ lt; »ƒ i j tti/js de mouwen

van zijn bnis zijn zonder spleetje aan den rand.

1 1 n 1 mi rtj i n (rny (nrj r n orj chn/i S.) een broek van

Ij ui du zonder witte rand, of, van andere stoffen

gemaakt, zonder galon beneden om de pijpen, »ƒ

/ƒ i rn(nijj\\ Enropesche pet zonder klep. /.y

111 koeloek zonder knopje {wti .riasn/j).

.i/yw njr:quot;nri,p effen geslepen landen , zva. uu.ji gt;

1 n n-njj\\ — (uhon^ i n (ïiijj-y effen maken. — (ti^ ihi

cin \'tyi^ C^en ë^maakt. 2. TP. zva. n^tk\\ Rh.

rn,1?^(Ynjj\\ kn. waclithuisjo, bv. op den akker Ier

heveiliginy van den oogst {vry. -ïi ij enid w/j); van

daar ook stnlp, hut {vry. ijmtrj^i unnj). ti^

i il\'7j rn , 1 rj yn \\ benaming van het sterrebeeld het

Zuidcrkrnis.

Y a n ij i n anyi en ij mi ij 1 n ij lt;rn ^ a:n 11 i/j \\ v. dieren, rj eni rjaci ij mi rja.j) cnyj\\ van mensehen. — n h ij ni ij 1 n mi ij i, ii\\ iets met den kop afschudden, H. ij au ij in? (mjj kn. — ivh rj om ij trn ? mi;j \\ onwillig zijn, halstarrig weigeren hv. om mee la gaan, Rh. ij nid im mi/j\\ kn. ben. van een kinderspel bestaande uit een langwerpig vierkant vak met dioarslijnen, tvaarop jongens geposteerd staan om het indringen van de tegenpartij te beletten, IMi.

ij nmj inrni/j\\ 1. kn. een oude (/hinesehe koperen munt met een vierkant gat in het midden. — t/n ij ijint ij:i:iuamjj\\ uitrekenen, nl. met behulp van zulke munt. — 2. plat woord voor oor.

ij (iiifin r^irn rn j\\ kn. heen en weer bewegen, van hel hoofd, de kop, de hand, het ligehaam (B. J. XXXIX, 20, 2: iclt; im asi) ^1 ij mit r.n myim (iii/j\\ van Iemand, die door zijn vijand doodgemarteld wordt, (quot;. S.); meestal van haffels, Rh.

mi in us kn. rillen, beven, sidderen zooals van

koude, v. vrees, enz. Tj.

rniii\\ kn. ledig, voos, WW.; kurkaehtig, sponzig

van hout. (Vrg. mi i n rnj mianjr ip).

quot;iiii\\ 1. KW. zva. ttbh li» 1 )/j\\ 2. KN.; n/n nhi in \\

cm n :n\\ l(m

met den slok van een lans, daas-o/tournooispeer, enz. slaan, afslaan, pareren {zie 1:^on).— i\'nmi i7h 1:1 \\ mv. — 3. naam van een palmboom met waaijerachlige bladen, waarvan zakken, zetlenen netten gemaakt worden. Van de bladstelen maakt men een vrij sterk touw 111 rn m j en 1:11 ijmus {vrg. vu 1 hnii \\ mi iu[j\\ il r:iiu dajj\\ In een IVdng-sallan komt voor iU(uui rn rh \\ zonnesiherm van gëbang, d. i, iisn^nnii,j\'gt; (*) C. S.). 1:11 lyrjapz ikiiij0\\ gehang gom aangewend tegen bloedspuwing en longlijden.

i7n r.7?N kn. met de hand vatten of vasthouden. G.— mi 1:11 i7ina/js hoop, troep j komplot, bv. van roo-vers {vrg. cmlt;f i), WW.

mi rii\\ KN.; ti/hmirfli^ aan repen of spaanders snijden of hakken. — cm 1 niimij. afgesneden reep of spaander, groot er dan asii 111 mjhj; balk, die reeds gekant is {vrg. ij rnt ij niii).

mi l ij\\ kn. bosje, bundeltje, pakjo. ^j f r^ i rm.rip een bosje sigaren {vrg. i iiunniiijj). — i \'h mi (urix tot een bosje of bundeltje maken. — 111 rnr\'iy^i\\ mv. cru rh 171 nnq\\ aan bosjes.

rii(i:ii\\ kn. een windsel of doek om liet hoofd. —

r i^rii n (ifijj meteen m^rn\\ (AS.)., Rh.

ij mi .iTii \\ K N. — i7irjmiiii\\ kwellen, voor den gek houden, G. een schijn aanval doen, om vrees aan te jagen, Rh.; verlokken, verleiden {vrg. rn i\'i).

tj mi 2X711 kn. 1. een groot mes {vrg. ijrirn\\ anij ijmii2). — •tAirj mi2.rii\\ met een rjmi21711 kappen, AS. — 2. een oortje, twee duiten, (nrj(imrii\\ een oortje, tui (vu s ij mi ? r.rj \\ gulden koper; een uitdrukking, bij de kooplieden in gebruik, voor

1J u ihi 1 {(i/rr 1 in onderscheiding van 11 li m s

a O.

mi(rni\\\\

U)

miip^ KW. zva. (V)(Lj)z\\ vat; iets, waarin iets gedaan wordt {Skr. ghata, een groote aarden yot voor water).

mi ifl \\ KW. zva. is- / mn en volg. G. een geluid maken, luiden, klinken, zva. quot;Ifj {gt;Skr. ghati, Indische klok, metalen plaat, waarop de uren geslagen worden).

(*) ,hii ni.n.j ook~ 11 .?jï\\ hoed van gëbang-bladen; een gëbangtak met bladen in den vorm van een zonnescherm.

1

|i 11

lm:!

mi ii

1\'

up

I i l\'li

tip

11«

pi1 ft rquot;

lp ,

II iv 1 -

,|fi|

ji ; yj :i;v

ï lis M\'.:


1

1 ■

j1

-ocr page 1122-

O O

iii li h iifj ■

1084

rn ij ifl t \\

ui li klis KN. ploegijzer, zie lin ari/is S(i.

o o y quot;gt;

ij iiigt;iji.igt;\\ kn. (Lu ij i li it nij ni? if rm? ij 1,12 gt; of lh 11 ili2 111112 \'11 iii i if :ip 2 \\ zie ,1 7? if LLI2 \\ J5 V . (vrlt;J.

rn IJ im\\ WW.).

in li innhi ijn in\\ KW. opvliegend, driftig, G.; onbe-shisd, gek, wild, zva. KiDjL v^Yii(i^\\ o^iui {(r|j if

O O O

»M ; gt; N I II 111 .1 II (Til VN

■ in ifi iioijjs kn. lianknahootscnd woord, ie (jen elkander tikken, met den klank tik elkander aanstoo-ten, aanraken; mef elkadr klinken {vry. innmi); klappertanden; tegen elkander stoeten, van de knieën, bv. hij hel (jaan\\ ook nm. van ons kinderspel: pinken {vry. Lihnji i, n^ ).

ui i^l i,ii j kn. met den klank to e k elkander aanraken (13. J. E. Krit. XL111, 24, 1 , van twee wagens met de kanten, C. S.); zich aan iets aansluiten; zamentrelTen, zamunvloeijen; elkander ontmoeten; zich aan elkander aansluiten, zich vercenigen, overeenstemmen,* het met elkaar eens zijn; ook

wel zva. cm up (kvu0 /1 lt;.-lt; n Men. (vrg. lii

o n v

KUQS (U ^ 1(11 J \\ 0511 .* 1 ^ l L II ij \\ ). If mi 2 ip ini Lji

Lii/f\\ telkens in botsing, twist komen, Men. fuj. ook ronduit, zva. odVt) i^tf i izi.ijjs Men. — v\'n rn ^i im if hii\\ met elkander in aanraking en overeenstemming brengen.

m If ip(inijj kn. ; cnirj ip.ifli(mij\\ vlug van begrip, beval lelijk {vry. (yïii i)

ui if li2 hiij^ kn. nabootsing van een geluid, dat hv. door een kapmes veroorzaakt wordt, wanneer men daarmee tegen iets hards hakt, ook zva. rn if j.12 fKii fs (vrg. crii if ipi mi f). —- ern tu if ip2 /. iiff\\ zulk een geluid geven; weerstand ontmoeten {bij het hakken)\', vast, gevestigd, bepaald, bv. van de be-teekenis van woorden, onveranderlijk {vrg. f\'irf ifcrn2nijf); volg. WW. ook met elkander overeenstemmen, rijmen, harmoniëren; zie rn Lj ini^ zijn beslag hebben, tot rijpheid gekomen zijn, vaneen beraadslaging (bijkans gedaan zijn, G.; vrg. 1,1! nnn i/js iLKhn). uh cnirf (ip2kuif\\ volg. Rh. vlak voor de hand zich bevinden. ern if rp 2 hii in^ff \\ geperst, van olie, {ter onderscheiding van ij 11.i^ Qi n-)(in f) WW. volg. Kh. — ^ir^ if

iftip2urijf\\ met ivi.uis van alle kanten een geluid maken als boven.

\'in cii(ii/)\\ kn. 1. een ui \\ van aarde. Kh. iukhi l i } 1 s i 11 iLi in li ij /.»ƒ \\ sjir. wij zullen zien wat er van komt. 2. klanknab. van het aankomen opeen plaats, zie ip nii/js bv. n 1 if lii21^1 ilj i?i lj {of m if .1,112 ui .Linii j) inipiiiijjs een togt, dat men op den 3den dag aankomt; 6^ cow verder voor een al\'stands-maat, een etappe, {vrg. if tvu 2 if 1:1112 miijf \\) ^ m tup h 11 f\\ wettigt een dagveize. 1 1 rn ip l»/ i ij tLi Kiiy^Tj. rn.ipLiyfs kn. keepje, inkerving, WW. zie rn.ip

tn f\\ ï o

(inup itnjf\\ volg. Rh. \\. zva. ikii yijw 2. zva. in if

1 o O 1 11

if ap 2 kijjj 1 n ip lii nnjj\\ if tn ?. gt; met elkaar wedden wie de verliezende zal zijn en met de knokkels een tik op de knie zal krijgen, Tj.

in ifj. Lii/f\\ kn. 1. naam van een lekker nij, bestaande uit gekookte en gekneede .kh if^n-rus met geraspte kokosnoot. 2. ook zva. an ip luj \\

in if ip liijf\\ kn. de eerste Iiell\'t van den dag. .Ki nnj if tp Kruf \\ een halve {namelijk eerste helft van een) dag, kh if n2 in if Lp kii f (11 iel rj • n2 ern if ip 1.n., 0(11 vu4 (inri ip Kiyi* k. anderhalve dag.

ernrf W2 liijj\\ kn. 1 h 111 if ip2i(iiff\\ kloppen «ƒ tikken met de knokkels {vrg. rn if p/ 21. n/j \\ rf rp 2 if ip 2 l 1/ f), bijv. op de knie, zooals de kinderen doen bij hel spel iclt; 11 lj ilt;l^\\\\ 11 nly ip2 kv/i\\ een knietik; een derde van een kilan als maat.

O O

in ij ip2i,ii/j\\ kn., in\'i en soms n^ njiiii^ ki. i.e nek van menschen en dieren, iets lager dan de li i:i 1l1/f Rh. B. J. XVII, 20, 4, van een olifant.

nj ip mi f\\ kn. afgeschoten vakje, eng vertrek; als

maat voor een kleine ruimte-. (Ki\'in ip i,njf\\\\

rfnm nup kiyis ks. 1. vlot van hout of bamboe.— gt;11

ij lt;rn ifip Kii/js een vlot maken. 2. lidteeken.

nfcni rfip 2i(ii if\\ kn. leugen; liegen {vrg. ifriiif

ifiids). WW.

if oniz if ip2.Kiiji nu: .11] if m 2 kh ij Rh.

(rii ip kh \\ kw. zva. rriiOis hol,-grot, spelonk; zva. \' j ifij\\ put; zva. ; i Kjj LoifLi2^ de vogel bango. ui ern • n nj ip kh \\ op bergen of\'\\\\\\ holen, waar hel ook zij.

if ern 2 ip k w n kw. naam van een mythische slang {Sir. Karkotaka, PK.). (15. J. LXlll, 11, 3; 13, 4, (\'. S.). li-1.1 */en 1 \'ilii ern2(lp.k 11 \\ de if \'»jy rut .n i f van het paleis van Ngastina, A. 09. myf dpasiijfs kn. oneven {vrg. crni ih n if), WW.


-ocr page 1123-

cin ip gt;isu/j\\

zva. mii/ain tui aan elkaar vorboudeu zijn.

\' ) ) n\\ kn. keepje, inkerving, KI», sic miLi

hinw

.»Yn Kiijj\\ beschailigd, gesohoiidcu, gedeerd, öv. van een vechthaan, geschaafd, geschramd, of zva. (im ifji Si n i/js waai\' ecu klein stuk af is.

ij m tj hi i ni;i^ KN. zva. \'tj (Yii yj i \'i d iLii/j\\ selieef, ui-wijkend.

)jitiiirji7ii\'isrijj\\ KN. gespierd, sterk gebouwd.— in i/ rm i^ ip2niet kracht iets verrigteu {ory. i*

rj-miuiij).

on ij •bn \\ KW. 1. binden, vastbinden G. (Skr. y ha-lila, aansluitend, zamengevoegd, verbonden). \'2. ^va. iihtjiu/i* nn irï klokslag, uur, slaan; (uri/. mi iPi). 3. zva. ij a ii cru i ijjj \\ 1 j Ifl spoedig.

quot; i ifj \' 0S quot; quot;V \' n eigennaam van een zoon can Wre kodara bij Arimbi {S/cr. G hat olie al ja).

(ïii i^ iu/j^ eigennaam van een D\'êmang. G, kn. o»i 0f quot;Jgt; \'t/i quot; bakkclen, niet vlot spreken, P. K. Tj. Rs.

rntj i^i ii i^ kn. de eikel van het membrum virile. ern ij tfi ? tujj ~ mi yj crni ? ji i j

) O . ) O 1 .. 1 .

lt;rri ip lu/j \\ kn. — .i ti on ii^\'i tl i j\\ bij beetjes, met in

eens iets verrigteu.

tii u ru/j — ern rjdfin i/js ook voor de penis, Tj.

o

\'ƒ \'n rj ip ? n i j\\ zie ij lt;rn i np n i/jw ij rm ip njjjs ijnm ij ip? iujj en tj cm ij ipi n i/j\\ kn. 1. leugen, liegen, G. — mh cm n rni i tp mn \\ bedriegen , misleiden , zva. ij .* u iy ttu,Hij\\ irrn uj jn ici\\ {vry. ij au tj ip? ilt;n j)\\ zie bij ij rnrrf iluw 2. vjrtmipiLiqs kn. gebrekkig, bv. door hel gemis van een hand, poot van een sloel, enz.; vrg. ij eni2 upw R.

\'/ m t ij up f u i i \\ zie ij rn i ip ihi jw lt;ni ifjs kn.; i/ncm hp zzz i i kj \\ bij i n i^\\ Tj. mirjip kn. vaam van een kinderspel met i,nili.n^p

— nn ij up ii jn j rn ij ip spelen, Tj.

f ) (?) „ ) ,0 . . , . ,

crnip\\ kn.; ni rnips tefs stijt in de vuist houden,

zva. cm nhn /ipjj\\ Rh.

lt;riiip\\ zva. i.iii inj\\ kn. afkeer, haat; liaten, afkeer hebben, vo/g. Rh. afkeer met walging, vies zijn van een of ander. — i h inip iis iemand ha-\'rli ip \\ 1035

ten. i ii in uï i i rj mi. haat veroorzaken. — rn ni Liii nifp een ander of malkander haten; haat, die iemand toegedragen wordt, i ;i i l i i - imcrn ip ri ia/j\\ eig. iets walgelijks bswa/eu, fuj onverzoenlijk, WW. inwendige afkeer hebben van iemand, Rh.

cm ip en ij i ii ip \\ kn. onderscheid, verschil (f/y /.»/ gt;1 i\'i uti/j); verzuimd, WW. ontbreken, onvoltallig {vrg. crjMm n rn); en volg. R. veranderd {vrg. ij gt;11 n * i vi gt;).

Ct ï. t 3.,

cm ip \\ zva. i ^ lis N\\ VV.

o »

ii m ip zie at i ip w

ni ip \\ kn. in zamenst met i nnjiw i o li rn ii~i \\ gitzwart.

ij m?. ip\\ kn. écu poot verliezen of missen, met een achterpoot zijn, van een krekel of sprinkhaan-, ook fig. incompleet enz.; volg. Rh. nnrm ip\\ n. ^ ij rn ip\\ k. dc weerga missen, bv. ci j iprj nrf rm ip\\ aan de achterpooten van i\'en krekel mist er écu.

r rt .

tn\\ 1. k\\v. zva. Tjii2(ij)\\ i.n nnsn/jw i/ri ui m en

(ia n i ij;\\ spt\\ {vrg. rti^i). — 2. kn. Holt. gang, doorloop ter zijde van het hoofdgebouw, waardoor bedienden, paarden en wagens in- en uitgaan.

G) t / is quot; quot; ■ \\ gt;0 ■

ni\\ 1. {Kramavorm van in) en n rn m poezie

zva. im \'in zoo vooral in cni i j ia^ de grootte

er van {xjirin nn \\ lang en breed van gestatte, 15.

J. XXV11, 30, 5, C. S.).

11. in of .i/ï? m gt; kn. het ergens zijn of staan

blijven zonder aangeroerd of gebruikt te worden.

c0 O 0« o o a* n

ii n cm i:i i.ij / /7i/i ii hi^i ii m i n u ij i 12 rnjj i .i rj i n

ij ii i gt; 1.1 l i \\ die pot heeft al een maand ongebruikt of voor niets op het fornuis gestaan. — i i tn\\ iets een wijl ö/* gestadig ergens in of op houden , laten blijven, laten liggen , laten rusten {vrg. lij rn\\ iCicm). — cm m\\ onafgebroken, zonder tusscheuruimte, van een rij of reeks, {zva. r.n rn i:nin ihfi/j). WW. — i // in ni\\ digt begroeid van een gr ooi botch, W. I, (i h crïi n K \\v. bestendig, volhardend? 15. J. Krit. X, 10, 1—6; XLVII, 29, 1—4, C. S.).

iijj \\ gew. in njs I. kw. zva. i n ni\\ groot, menigte, aantal, {zva. innini^); kn. hoog, van water dat hoog staat, zoo als in een put, verheven, aanzienlijk. uh i i i/n i, / n\'ci \\ of ich f i(uncr\\Jï\\ de Aller-


-ocr page 1124-

in I Iv

1030

nunf

hoogste, in is ook do naam van cen Wariug\'ui-boom op de Alocn-aloen le Soerakarta. vurt rii ff^\\ zie bij Mil ij u)2 an/jw in/ia gt;i^ (yry. i ?»(in nil \\ bij aii)gt; — en i y \\ K\\v. de gausclic me*

nigtc, alle (zva. ikkhvy^i noji ^ ij igt;j),bv. I I n\'i (1.1 ri an xn turl \\ al de V orsten. d / »/^ o/ryj rn\\ hoog zijn of staan vaw stilstaand water in imtien , poelen en dergelijke. — igt;n tij i io{i:j\\ zie bij ic^ rj I I Kiiyw I. y f I in r:l (tnjj\\ zva. nj i i yj 1.1 \\ -- i:i cn\'i ci rjvni \\ n., (tTi in m ini an/j (ook i i ni liUMijjy K, hoog doen staan, van water {volg. Rh. in deze bei. iLi crii i i ij mr ); op hooge prijs stellen, verhcften, prijzen, loven. — kn. 1. som, getal, bedrag, totaal. 2. lof, roem. — i/» n^ iljs 1. opsommen, optellen. 2. loven, prijzen j aanprijzen, aanbevelen; zieli beroemen. — quot;/j \'h ty een periode van de dj ago eng: zes tot tien blaren ontvouwen ry m bij padi). SG. — lof, roem, lofspraak. — u ilj n^ 11 hij of n\'j rn ihn,j\\ PJ. voorwerp van lof.

II nj en i/n itj in poezij zva. n/n njw

ijoiis en (Ijii \'J (tri?\\ kn., ij oh? hi\\ ki. (volg. Ilh. ij nits n. rjniiz v,i\\ k.) een groot koperen bekken, met een knop in het midden, waarop met een stak hout, van een elastieken bal voorzien, r/esla-hen wordt, en dat bij de gamelan behoort. — i /I i) rrhds gamelan-dragers, WW. — j.nj oiif tPi\\ op een gong slaan, iets met de gong of met een geluid dat de gong nabootst, accompagneren; eig. op liet eind van iedere gfcnding of air op de gong slaan, m : i ii^i ij in in^lt;rn? j j \\ zoo op de gong slaan bij gamölanmnziek ; op iets, wat iemand zegt niets dan ja! o/\'linm! zeggen. —riii r imi de tijd dat een gënding of air duurt (aan het eind nl. van het air wordt de gong geslagen). :i~ i ij rh ? iTinn/js een stukje, een airtje, W. f, 3. — iu if ij tii? ii ki^\\ kn. naam. van de pandapa op de Aio en-aio en te Soerakarta tegenover de moskee, iv a ar op Zat ar dag middag de gamelan geslagen wordt.

(rr^rjs KW. verblijfplaats, logies, zva. rj \\ji?rjlt;ini? ini (Nl/jS G.

^ m2 (i7i\\ k\\v. herinnering, aandenken, zva. tj i n

Ow r ILl\\ IT.

ii (irii2(in\\ kn. mengsel van koper en tin, daar de gongs van gemaakt worden; het vijlsel van idok-kemetaal, {vrg. ^\'j quot;f )\'» ook k. van ern ) rii^iunp en ki. (volg. Rh. k.) van ii rin (Ski\', kdmsa, klokkcmetaal, pk.). — i ii ii nitnjis iemand met vijlsel van klokkemetaal vergiftigen; en volg. WW. kruiderijen in kokosmelk tot saus braden (vrg. ^ ij hhzij in\\ ijrnny ii\\ thni). — i nj iiiiiis zie boven.

ni / n\\ kn. volg. Rh. voorspoedig opgroeijen vaneen kind (vrg »i n i tii \\) en dan ving, bv.in het weric, lezen of leeren (vrg. erntj .i£i i,n/j); vlot van de hand gaan, van koopwaren (zva. ru iïni/i\\)] voorspoedig van een reis, Rh.; spoedige

vorderingen maken , carrière maken, het tegen-

. i , (O ■gt; , ) ) ) )

overgesteMe van iirninjj* iii.n n ijj en i i\'nn

m,r

iii r i \\ kn. een soort van groote krekel, die zich in

den grond ophoudt, en door de Javanen gegeten

wordt (in een Wang saltan omschreven door i \\

im ii\\ aard-djanu;krik; iu een andere door k \'•\'.O J ö

iiii^ku \'Uiui fin grootc djangkrik met slec-pend geluid, C. S., vrg. nn^utyj); ook een werktuig tot ondergraving, WW. — iiiiurii in\\ als een krekel een gat in den grond maken, Ü\'/a\'ondergraven, bv. een pager of muur, om te stelen {vrg. ili nii hiiijs r.nni\'). — (rri ïn nan/js obj. den. -, liet zoo gegraven gat.

in iii kn. , 17? min f \\ door wrijving gelijk maken, glad maken, polijsten; over het een of ander ligchaams-deel strijken, bv. bij kramp in de buik (vrg. m /»^7 jf) ; (zieh schrammen, bezeeren , G.); ook zva.

i\'i(Ki\\ bij timp

(?ri rn kn. afgeweken, verschoven, van plaats of voornemen veranderen, G. declinatie van de zon naar het westen (vrg. ni Jns); eenig/.ins veranderd van gedachte, principes, inzigt, Rh. (ni j\', rj \\ wijken, bv. om plaats te maken. B. J. XVI, 0, 1; wijken, deinzen, voor den vijand, li. J. .\\\\, 19, 5, XXXVIII, 8, l; van iemands zijde, ih. LVIII, 2, C ook ontkomen , B. J. XLVII, 10, 5; jlg. voor gevaar, beproeving, enz. bezwijken, ib. LX! , 10, 5; afwijken van de trouw, plicht, enz. ib. XXXVI, 10, 7; XL1X, 14, I, 0. S.; verschniven, en volg. WW. ontkennen (van een voornemen afzien, G.). — mi fiïh)\\ afgeweken.


-ocr page 1125-

Ij III t Ij I Ii \\

1037

cm n cim\\

uiini rM/gt;ïii?i verdoold van /in, verbijsterd

■) o . . . i. oX ...

(m/. m t i). — ii\'iicrni i n onrwijken. — i n

cm j i ii n hns iets doen al\'w ijken , versclmiven , verzetten.

iiwinj i n KW. zva. if lt;rii ? ij yn ? rw ty jh w ■ ... o

/r») i i iu J an \' l i}/\'^Jl l\'nz \' ZIC \'\'O quot; \' \',N Tn \' \'

ann\\ ook kl). van an tu f i \\ zie ah!aar.

ni i j ni js KN. I. norseh, bits, brutaal. — n iimi\'i.j ,ius iemand norseh, bits, brutaal, aanspreken, antwoorden. 2. versehil bv. van maal; niet in de

rij, ïj.

cmVv 7quot; \'/ KN* ongelijk, vóór de andere uitstekend ,

van een tand.

iinihïs KN. 1. droog, van iets waar water op geslaan heeft of in geweest is, of wat door wat er-de cleu vochtig was, fw. grond, zand, een rivier, een pol suiker, enz. f rg. turiujiii.n/j\\ m m 2.

- rrhi:t(HTjjs tol, niet een tol spelen (vrg. ij ij i,ii ij h nmvianjj).

(tj (Yii gt;. ij hi KN. — ij (rii2 rilt;h) nn anjp op de voeten, draaijende voortsehniven , zooals bij sommige passen van de ronggong dans, (Tj.) Rb.

tncm\\ KW. zva. ti^ uj {vrg. cm iii\\ I), ook naam van de rivier de Gangges («S\'/v. Gang ga), nitm ii.jIihii\\ de zoon van Gangga, d. i. Bhtsina, li. .F. N. Krit. IV, 9, 5, C. S.

,n,\'li of n/ii(riicrn\\ kn. storen, kwellen, ergens aan raken, morrelen, bv. waar men niet aan mag komen. erh uj(rh np gedurig storen, hinderlijk zijn, op du een ol andere wijze lastig vallen. — nauii quot;jn gekweld worden, voornamelijk door een booze geest, gezegd van een zieke, die aan ijlende koorts lijdt.

tfirut n rn? n kn. i . naam van een groote spinnen- | soort. 2. nm. van oen booze geest, waarmee men kinderen hang maakt. Tj.

\'liioi111j\\ kn. 1. iemand in het aange/.igt zien. G. — 2. ving, ferm, kras, een gezond voorkomen hebben {org. inri^nrn ti l nimi rip kn. onzeker, wankelen of weirelen , iu zijn gevoelen of bestuif {vrg. ii j iii iii\\ i ^ ni^).

\'in ni\\ I. zie in ih \\ 2. II.

o.

rn cm en if ni 2

rii\\ Rh.

(?)

ni iii \\ naam van een wier met kwastvormige bladeren., Uh. in een Wang saltan omschreven door

iiLj^ iijj ^ if \'i ij mi n d) \\ C S. {vrg. mi rh gt; 2). in ij lii/ kn. mondtromp, ee?/. kinderspeeltuig {erg. n h\'i), G. {Mt. ging go eng?} naam van een ba-tiksel.

6) (?) • (?) ui in \\ zie in \\

n i in \\ kn. i. afwijken, van elkander gaan, seheitlen

/ . . co . o i. . . Ov

[Vig• 11 (Yii2 in\\ a:iinm\\ iiJicun), (iiicnii ii.n

i.ii i- rri iu i! oa j\\ afwijken van zijn tronw. —

2. een soort van uitheemsch gestreept of geruit

Oost-Indisch lijnwaao {geen Javaanse// fabrikaat,

nljnuihp).

^ncrij of \'tj (iii7i (iiii\\ kw. zva. ij cmi ijn w

err^ rij zie ni^\\ 1.

y iii ij crii t kn. soort van krekels, ook i\\ quot;fh %

genoemd, \\V. P. 409, en naam v. e. gending.

ij cyii i irin kn. nit elkander wijkon, als bv. door uilwijking eene opening in een voeg komt; kleine

opening, als van een deur, die op een kier staat

. i.. . \\

{vrg. mem en a-.ncm ).

lyj yi)znrj crii f \\ kn. blaffen van een hond, zie i\'? ij i!i gt; \\

i J haji j ij iii 2 ij om 2 gt; zie 11 uijj. gt; v

nj i\'y i j lt;!/)/ƒ \\ zva. ail (in (inqw

in i i ui/j of a/ij\'ii^ ni(iri/j\\ zie bij nm tij \\\\

W • ,

i i ii !i!ji

iir1

j;\' I

■:

, ,, . J\' 1 lit

I...

!i ]■;

i ; .

i :n\\ 1. verk. van un rii \\ (i.

H. kw. zva. i n if I in-i\\ helder, klaar, rnini , helder nitzigi. {Skr. b h d, sehijn, lieht, glans; vrg. ctJis I.) G. — \\ ^r^iniiiim of y iij^ i n

i ii h ii _:•lt; \\ zie boven.

lt;7i\\ kw. (CiiiijMtiri oudste, onderling, G. volg. \\\\. zva. 11 if Mi ? mi jf\\ ook I nitiijj of if,i:iinii/f\\ zva. i ni n\\enz. moedertje! tegen mannen-, verk.

v. (U(E-icmjfs

i ii\\ kw. m (m if i gt;i2iiu/f ^ verwonderd, verwondering, G., zva. cm if i^asiI/f\\ W. ook mi r/M y ini i ip inz. in toespraak ivgl. in).

if I ii of i n if I ii I. naam v. d. Arab, letter i ? en van het zesde jaar v. d. IVindoe.

H ;

n :

gt;■

III

iwH:

ifji i I

j


-ocr page 1126-

iitt tj iL\'n n

j();*8

II. mn ./I i ij 11\\ in ij i m ut\\ zie inrj ,* iw lil. g(5eii gevolg licbbon; onvervuld blijven; bij het spel, zva. (vjn 3. quite!

\' /j ro?\\ 1. lusschenwcrpsel,

i.h 2, ver!,\', v. / /w gt;ƒ rgt;/? en

verschillende plaatsnamen , vry. y lt; o? /lt; ; /ƒ nys p\\ C. S.

17» /» \\--fl7ri 17»» ^ \\ ii.

rri ^ \\ k\\v. cy/7. f^y/. ^ w ^ grondv. v. a n

(i -nj zzz njnfönfW

in gt; \\ 1. in if it of itgt;n f i ? w Vrt\'w //(gt;lt;?

//lt; (Q, y

grootheid: onbepaald, onberekenbaav, B. J.XTilII, J4, I?: i:n^nnnii^i(i\\ zva. oneindiginaal, (\'. S. is»» angt; \\ zie bi} ihni/i?\\ [Of deze laatste vorm

Hf J (sf L J

de beste is, staat nog te bezien. Vyl. niet j

willen, met Mal. m a hoe, willen; en Batav. Mat. ] tahoe! ook tahoe si of stahoe! (voor tahoe siapa? 1 sia]»a tahoe?) ik weet het niet! Wellicht dus ook j a (nihoeh) eig. verkorting van voor i.n |

Gi I ? \\ (J. S.l.

II. 11:^(1:)^?\\\\ — lt; 11 ij \'ti n tj igt;n tets aan iemand opdragen {waarseh. hetz. als onder I.? C. S.).

III. \'».»ƒ, gt;\\ of ,».»ƒ ^n^\\ lloll. b o o g, boogbrug, duiker, enz.

tj i .n l. KW. zva. inhi\\ (l. 2. verk. van hn rj i n bv. in iji7»» gt; n.r:nnnjj\\ om alles, om zooveel als er is, bij dobbelen. — 3. Vóór getallen der eenheid tot en wet negen bet eek ent het in sommige districten dertig; als ij».»» gt;». ? gt; N., tj» »»gt;» »ƒ (rriti.i/j\\ K., een en dertig. » »i ^ii n?\\N., vj i n q

iun}u%\\ k., twee en dertig, enz.

v

17»» .l/»» n k w . zva. i\',»»»»»»w

i.-»».ujj\\ kn. arm, inz. bovenarm (vgl. ry i » i.i/j); stijlen van een deur, (I. {of liever de twee armen 0/\' helften van den boog boven een poort, H. J. II, 10, 5, C. S); brastonw van een inlandsch vaartuig; als vlaktemaat: een bouw (bahoe), zva. m nji \\ zie aid.; ook Jig.—. » »»\\ .n ivy \\ iemands stoun, hulp; regterhand (poet. zzz »ƒ».»»?;-/); zoo van twee personen , li. J. XXV, 7 , 3; » »»1 »»im ».»»»y »ƒ ai) n\\ de regter- en linkerarm van hun partij; in de désa ook zva. ».»».«»#»ƒ/»n assistent vaneen dorpshoofd, in.i/yi iinan^ trawanten en magen, B. .1 Tj , K rit. X X X Y11 , 7- i 3 (Skr. b dl\' o e, arm), i.niy 1 woordenboek, ll\\V. — .»»»»,ƒ iu ».»»kn. bescherming , bewaking. .1 »»/ ».»;»i 11 hn : r beschermen, bewaken. — iVi ma/ui.111 t.i werk van armen en beeuen , d. i. heu-rendiensten. tfam niUY^\\ voor handenarbeid opkomen, in tegenstelling van menschen, die voor oen of ander werk, waar gereedschappen voor nooilig

zijn , als bv. timmer- of metselwerk, opkomen. —

) o o )

i fKtaji.n ajuHjs zie bij ui hjw .» »»\'i^ »j»i»»»»\\ ?\'/■/.

i/»ïi;] n.i/jW lt;» »»ƒ »(»/»ƒ »V\'» lt;»»»» n (vkl. tu iKtj aw i?i

aLi/)\\) zie bij ij»i»»»»\\n U W. — i n 1 n 1/vn 1 an^

\' \' 611 - \'

van schouders, geschouderd, Men., boog van een poort, H. J. V, 10, 9. — » n ».y \\ zie

beneden.

1 )t tj»\'n \\ (in de spreektaal » »ij i n) n. , »ƒ».»».•» »ƒ / »? anji o f ».?» .\' »ij ij» ? \\ k., m tj 1;»? iuyj \\ Md, ^».»lt;»»»»»\\ kw., rt/.? bijwoord, achter het gezegde, in den zin van maar, slechts, bv. ijum rjuxunao vn gt;1».»»tj »y m rj i/n \\ blijf jij maar hier! dikwijls met voorafgaand ^\\ ,»lt;».\'^\\ /\'wxr., alleen uiaar;

7 ^/V/. zonder omslag, beperking, toevoeging, afwisseling , enz.; vandaar zva. eenvoudig;geheel; steeds; van zelf: veelal echter met zoo weinig nadruk, dat het best onvertaald blijft, (\'. S.; 1 n an i n ij r/n\\ a/naj »,»»^1;»»»»am\\ er is altijd wat bv. te zeggen o f te doen. 1^ ^ )J\\arn rj ojn »ƒ ihj \\ niet zoo eenvoudig maar, er steekt wat achter. — »»1 .- »»/ rn ».»»./»» »^ hn\\ iets voor niets of weinig br-teekenend houden of uitmaken, gering achten, er weinig om geven, zich weinig aan storen; een bevel, raad, enz. onuitgevoerd laten, in den winti slaan. — r.»» n \\/nr,»»»»i/»»\\ kn. slechts j\\ pari, gelijk inzetten, hij hanengevechten. — rnrinjnnnj »^»»»tf.»iv voor niet o f om niet gegeven of gedaan.

ai »7»» 1 n \\ verte. v. .»:.»»ƒ» »»^ 1 »»\\ /gt;i\'. gt; »»ƒ ici tf an .1 n w . )

tj imam n kw. unaya.ainns

) in \\ Tj. S. drie

1 »»^ » »» »r»^\\ » »»» »»; » »» »r»^ r.ni nsa n aa/j zva. i n a;n n.i/is bouwmaterialen, balken, planken, en zie K. 21 , 35: lt;» »» anacjij 1 »»p 1/»»tot niets dienen.

» »» ï »»\\ KW. I »» \'HA

o

» n gt; l n » I » ^ » »» ;• » »/» NN

O - 1.

insi.i (en »»»^».;v (t.), kw. zva.

(Skr. w a h n i, vuur, pk.).


-ocr page 1127-

a .r^ I /ii thj (inji n

KN. liet oogvlies, (J.; l lfi iJi hJ l.l j

im Ml lt;m nsnjf\' zie r.n i /7 hj nw/j \\

i n luii igt; iijj^ k N. naam van een yrooit\' roof votjel {grow Ier ilan i— nm/finnunji buit iniikeu, plunderen, gevankelijk wegvoeren . {zva. (\' ^ N

en Vijl. iiJiiyrinnjj). — i n rnmm i n/js plunderen,

o /. n

rooven. — (unlt;nlt;uniuii o ajn (fii:iiun hu\\ vtr.: co \' (O

berooven, uiiplunderen; een land atloopen. — xn i n hu(hi/j\\ buit, liet geroofde.

r^»fun hv/i\\ KN. uitroep zva. d.n ij:/./)nsiyj en tj

ij nsmi:n thj/j VV. II. 40.

inajiiiin/j\\ KN. bedreven, bekwaam, kundig. — m u 1 iijijdciijs K\\v. tun (hji iii yi hu (to/j en u j if-1

in iu- hïniwjl* uux.riajti\'uicmj^s bedrevenheid, bekwaamheid, bv in het zwemmen.

m n v bil \\ zie

0 ^

111 ij 111 Hm \\ irj» 1^1 iv,u \\ 11.

o

1111 11 .i.n\\ zie (U^nmw

111 (urj k n . kamj), kamp zijn, niet winnen en niet verliezen.

un n tujj\\ yir. Ml. . inuilezel; vrrj. r.n minw

in sin of 1 n $ 1 u 1,1.1 \\ KW. ongeluk, tegenspoed, G.

gevaar, moeijelijkheden , Tj. 1/. 70 ,zva. m 111 f. Kijii/n iiji\\ zie 111 i ns TIL

111 in f\'jjs KN. I. baktand, kies; ook 1 11 r/n.\' inn ki ^ \\\\

2. soort van riviermossel, WW.

iiiiAj KN. 1. geh nil vaneen hond; soort van hose.h-

duivelin de gedaante va si een beest, {WW.) naar

het geluid tien. v. d. 1 11 ij v. it w ^ nii n gt; in/j zie bij

\'i\'ti\'i.j IMi.; oo/t- gebruikt voor beer, W., {yrg.

1 n\' i). n ii! u ii\' huilen als een hond. 3. ook h ccs 11

naam van een viscl, zva. ihinj ni gt;\\ Hh.

i n^ijj\\ anjrin/js in T.niljnQ/js een ëmban die

in ja geweest is, zoogmoeder, baboe.

i i/in^ I. gein. 1 n / y /■;/gt; KN. dauw, mist {iSd 1 n r ij \' W/I Ml. ^ V\',{J- ivn(Uj ici ^quot;i xj^acijj^ tun rj

00 ^/nijihi/j \'i^ f 1 1.1 tufi). fi.ij.in.ij

miikij\\ mi dauw, gewoonlijk aan het gras hangende , die ziekten verwekt, bv. schurft of zwelling. (i.Tp wiync) ^ninliaii i.^ 1:1 gt; {pf djn 1 m \' 1 s) \'1\' ,r in/l 8 morgeus dauw, \'s avonds regen: verbloemde spreekwijs om een meisje ten huwelijk fc vragen , met zinspeling op oe vruchtbaarheid; vandaar 1.1 a ij tjihi ^nn in\\ een vrouw ten huwelijk vragen. — \'f.ia.iinyi^ verk. v. n 1 ri ii ui/j poet.

oj 1:11

v. als dauw va?t het schuim van golven,

die op rotsen breken, Tj.— un a y in (mjj\\ bedauwd. — 1:1 .r.r^njrj un\\ in de dauw zetten.

11. of 111 f j (ilt;iji \\ k w. zn (ui hu 1 ci ? (i/n ioji \\ //7n-

ter. — (i^h aa lt;uj tin/i \\ zie bij 111 ^i ao/jw

cy . o

ilAii .ici/js zzz un rj iniHi/j\\ m 1 1 tj liti^mj* zie bij 11

IHUJIW

I. zvct. ij 1 iid u)é/)\\ W. P.

zva.

J i i\'

;■! :

Hl: lit 1

piji\'.

quot; i:

: \'il

I- ! I

U! \' i\'i:i

1

ij i .miin/j\\

quot;fjr

ij I,nf lijwü.zva.hn if 1111iHjjj\\in verschiltendeplaatsnamen als ui i jiï i f 1 j ri]\\ CS. 4. verk. v. if 1 11 i /tin on/j\\ 5. if r.tit iij irnjfs lijden aan ^ryiyfi.n^ m/f zie (iFTji nni/l n i.77lt;kJ\\ kW. 1. zva. ui no \\ boseh; wildernis, woest, onbebouwd. 11100 n 11 en ri in ui u i \\ een zeer groot boseh? W. P. 449; vrg. ook UT. Dj. 110; en \\f

nfi iii f in (lt;li (in \\ Tj. w ilde bogëm?

\' co

II. sterrenhemel, (J.

III. KW. zva. ai m ; vu r.n (Ki of nm ui r.n m \\

I \' * lt;0

aandringen, dringend verzoeken, bidden, smeeken. — 1 n ; 11 11 lu \\ mv.; iemand iets dringend verzoeken.

IV. zva. v 1 r.mihn\\ jiijl, wapen, geweer, (J. (Skr. b i1 u c, pijl)

/ n hj of i mi ij Ar. ^ of (in verhogen naamval)

kindereu , zonen , mv. van ,gt;), zoon. 1 111.1

iiintu.js Ar. / de kinderen Isra-

^ ; u5 •

els; ook voor het land ran Israël.

ini.j T. of vu if iij\\ KN. geluid, stem (iS/v. b d- n i of

w dn i).

m

• ii 1 . \' - 1:

i\' b

L ■ :

I. [ l5

i:i i

:

f

I\' ij n

r

1 n if ly \' zie 1 n i.j I.

vu(hj\\ KN. hoog van stroomend water; {van stilstaand water if n?i n,j\\ JMi.); watervloed , over strooming; overstroomen, van water; overstroomd zijn, ran land {erg. i ni.]n).— im i n iqaci/fs overstroomd zijn.

o o . *

1 n i.j 1 11 i.j 1 n i j \\ zie aid.

1 n /.y \\kw. Jfl. vrouw, eehtgenoole; ook 1 n i.j unj (J. if 1 n 1.1 \\ {en tf i n 1} /.y y \\ W \\\\.), ander , anders , ver-sehillend. (I rg. i nif ij gt; \\ Ditf iy ^ a i if i.j gt; ^).

tf in? i.j zva. i n ncin I en IV , (i.

o o

if i n id,j\\ vn tf nittf in t ijj \\ zie nij ,i nif*i ? in,f

m if hj gt; \\ zva. rfinifiti^ zie bij •rf in i.j\\\\ WW.

l}; Iju

ü I

! 1

nii ii

I o.sy

) ) ) , 1 n i\'j s\\ 1 111 n lij 1 KN. Tl\', zva. it,n (isn 1,11 in\\ opredderen, in orde schikken, of aan een kant doen,

zie i n I* 1 \\\\


1

-ocr page 1128-

W

1040

:VS1

opruhneii, wegzetten. — am ilin?n?i\\ iif. of \'inv.

( OCJ

Rh.

poöt. ,■ (ijn i ylt;^\\ (loüdou, een verwoesting aunrigten onder, Moe.

if i li tf i.j gt;\\ zit\' \'ij l\':il M \\\\ tf liVj lrt\\? Tj.

ai\'/.onderiyk y \' quot; \'/ \'y ƒ 7 \' \'y ^ ieder ulzoiider-lijk, yo/j/. Uli. .tz/ry?\\ vreenulsoortig .eenig in zij n soort. — n\'ii ij 11 tj lij ft ii\' eiy. versenilleii van anderen, zonderling {: i ij iij %t?i\\ A.).

n:n ij 2 o-nji \\ zie t :ri .lii \\\\

rHi\'/KN\' vcrzani(5U^aft^s va,l (^e gesnedene padi op liet veld, Rh.

O o .

triiujihp KW. zien, ü.

o

h n (hj thgjj\\ zie r.ii (tn/js

icn Kj \\ kn. open, rnïin, van een \'plaats, t n un vn iiji ij tj tttt uy riii t ii iij\\ in de vrije Incht, W R. intn \'i,i\\ open, ruime plaats? Tj.

trn (h{j\\ N.; ry (Uwj\\ K/regt, regtop, regt toe regt aan; (nn.M tnjim hijj\\ ki.) waar, juist, wezenlijk, te regt; gelijk hebben; billijk, behoorlijk.

(tl tiu ani,! \\ regtop staan, hn.tnnn.i^ vlak zuid. roe/ i(ocj

(ui (ruirrj in (i(h t n vy \\ de regte, uo/c de ware weg. (i hif^ itj^ tj n i.h t.»\'ifj\\ zijn broeder in eigenlijken zin (niet aangenomen\' of bij wijze van spreken), n n ij i,ii f i i i\\ uw broeder heeft gelijk. ^un? ij

n . orv ,

tj i./ vj (LU mi tt ri^ ti ij ril ai n pj \'! i y i i rj t:i\\ als ge

spreekt, gebruikt ge uw eigen regt, d. i. wilt ge

V\'v

volstrekt gelijk hebben, i^cumn t iiiki\\ ongelijk hebben. (t:ouj7yri\\ (^(UtiJi JaiJjtHijjs eigenlijk, regtens, billijkerwijs, belmoren, t n i.j tj quot; m r i \'Y tji \\ jilj behoorde \'t al te hebben, u \'n ri tl) t n lt;i?l\'i/ ii wat hem regtmatig toekomt. — n.it ni.j

\'ij *i\\ (hia-i^LJiti^Jf! uj ilt;jijjn naar waarheid, naar be-

O (TV ,

hooren, enz. kiki ii i j tyns t is niet naar be

v

hooren (B. J. XI.IX, 22, 3). — n.nx n uj \\ naar

regt zoeken, om regt vragen, Rh. in K. 7, 130;

) . )-un ! ii,j\\ tn

. o )(~y . o \'W

iiTjl i 11 ti i.j \\ voor (i^i r 11 ti i:n t.j w

ji.uQjjjjs regt maken; op iets regt toe, regt aan

loopen. itmxnrjs hu tj u j.i/j\\ passief; ook juist

of toevallig treffen; regtens verpligt of gehouden

.. T .. nCY o, o ct

zijn; geregtigd zijn. — im : ihj ti\\ lt;t n ri tjw^.i\\

juist op ie/s treilen; juist; beregten, vonnissen.

)(.y O . ... n • ,

t u ! t i,j t in^ujs j in si; alwezig zijn. iun ; i i.jh j./i

t\'?i ikii?itin \\ het trof op zekeren dag, op zekeren

i C^cy o, rt

dag. un tn uj n un tjiiji/ ^jiiia^ unrKni) \'i it iin/j\\ juist ter snede, van pas; juist getroffen;

ïO i tl f i t.i gt; i tl /. n \\ cao \'

iiitinnjj\\ regt maken, te regt maken, in orde brengen ; verbeteren; regt naar iets rigten, zenden, enz., voor waar of billijk houden of verklaren, in \'t gelijk stellen. t n t.j ti mjjjs yew. intntj gt;, (hi/js itjiLnivhi.i j.iitHi/j.\\ het regt; geregtigheid , billijkheid, geregt, regtbank, regterlijke uitspraak. i rè,}S KNquot; verduisterd van het gezigt, door te schel

licht, slecht zien.

rniij.htitjs spreektaal zua. n.nujs (Tj.) Rh. t:n(Hiicnji\\ KN. knoop van een kleed, ir.n kj htrtiis

beenen knoo». — n/n .• / tfi \\ een kleed s\\\\\\\\ knou-1 cocy •

pen voorzien. — am •ïriijtniijiHii\\ knoopen aan zot-ten; toeknoopen. — iv.n ilj isii^iht/js met kuoopen,

\' \' V \' § \'\'\'/ ^^ n (^e 1,10,1 l ook noopt, in

teyensielliny van een met een schuif hand (jj gt; i ij 7 V, /? 7 ttiêv

KUIS G.

7 \',c

yini/js

O Cl

r.n t.jiini/js zie t n t j

ii hiiji \\ KN. misselijk, (i. radeloos, zieh niet we-\' ten te helpen; geen uitkomst zien, volt/. Rh. .~ra. tj ii,ni-:njj\\ of \'gt;jtt$ verdriet, bedroefd, verdriet hebben, enz. unu~t^hinwjjs in radeloo/en toestand zijn, P. M. 107. {Vvy. un fj i.njjs \' yy

quot;.t)-

tj m 2 tj \'ijini \\ Port, bone ca gt; pop, marionet, vrij. tj cm2 tj ILI

t n tj hjihn/j\\ Holl. kabinet, geld- of kleerkast. lt;7/tui,(üh\\ Ml. dier, beest.

t a t.j i ijj\\ KN. bij een spel een bepaliny overtreden. die hij het uitspreken van het woord tntji/j onyestrafi blijft.

ttihj ii ~ji it,ii\\ soort van boozen (/eest of mom ter, waar men de kinderen mee hedre\'iyt; ook de vwn-sterachtiye hoofden in Uindoesche ye hou wen worden zoo genoemd, (\'. S. (Skr to an a spa li, heer des wonds, d i. boom, ook een naam van- den yod Agni). ininy.ii~iii\'n\\ op zijn hoofd staan, gelijk de hoela Banaspati in de Wajang doe!, W. P. 447.

o

tn t.j ti\\ KW. zva. t niun ihttw

r» . )

t tiirj t )i n zie t n m ui \'in/j^

t n rj ijj2 (in ihn \\ eign. van de gemalin v. Vorst Soe-jodana, dochter van Salja, Vorst van Mond ar a kit.

regt, waarheid.

It\'ll t l (VI I I


-ocr page 1129-

lTS^

s

in iin

(i ( f

1041

(S/cr. b hdnumatt y vrouwennaam, pk., zoo kw. t.lt;\'ilt;tgt;n\\ B. J. Krit. V, 9—10, C. S.) riiujuujjs kn. verlegen, radeloos (vrg. d^iijhujj). WW.

inintyi^ kn., xmiLitijifjjj. in gloeijende asch gaar

1 1 ) O

maken of bakken. — nwHj nmyjs hei zoo bereide.

KW. zva. ahi (rn m rfi hj/\\\\ Krjrm pjrn j.y \\ zva. hf/\'/ij fj!^ ^ G. (Sh\'. bhinna, gebroken; vrg. Mal. bah i na of bin a, geweldig, enz C. S.).

i n lij \\ zie •iLi vj iiJi {vrg. vvrijs 1).

) -k. . o. q rn hj \\ zie :ilt;i\\ 6.

ij.r.m in\\ kn. soort v. ketels die tot de gamelan be-

hoor en, zie [ttnyrj ri2\\ BV.

iii iïjis kw. zva. (1^if.i ui(Hnji\\ kn. nm. v. e. struik, W W. {bij Fil. b a n tji leuheu r So end een kleine heester, waarvan de bladeren als groente bij de rijst gegeten worden). — (iw irin n.t/i on/j of i n tj rf rjn(bui iHiji ben. v. e. fatsoen v. ni iyiii unw

0 n . . o

r »» rj nil \\ zzz cm it i ti£p aij \\ zie cm y i iimji \\

0 art \' ) ^

r.n rm \\ kw. Ml. zva. (MiTtasn/js r.ii i m \\ kn. naam van een term in het Chin, kaartspel (YjMuti\\ iets derg. als bv. onze quot;honneurs.quot; — ^nm?0 fig. zva. mi v^r.r^s gebragt, gerekend kunnen worden tot de schoonen, bv. van een vrouw.

rrii:ijij\\ kn. zva. njr.ui {\\\\ poöt. zva. iuitlt;%\\ {Vrg.

v ) . ) o S

i\'i rm p n ) — (lh \'H iTtn ? \\ zva. if i iji ?\\ inncniw

Ol s co Os s

n i:n 2 irm s in irm ? \\ kn. verward, in wanorde, lih.

\' a \' n ^ \'

1 n rm an of r n i:in na \\ KW. zzz (Ui ij Mn tUj^s ij rmaji

moeite, moeijelijkheid, onheil, ramp, beproeving,

verzoeking, verleiding (vrg. (iji irin nn\\ n r tn m n

unrintHi teleurstelling, misleiding, pk), n/n

rn n uir.iiiin ihis onheil stichten, imirn vin ruis \' ul 01

door een ramp getroffen.

I. kw. zva. lyij) ij ip mi/js ondiep. 11. kn. overvloedig uitvloeien bv. v. arhi-sap, koemelk, zog, enz.

\'■quot;7yquot;n 1. {of xmrji.m ■ DW.) kw. zva. (iji ern nsn /j ^ bevallig, fraai, prachtig, sierlijk gekleed, kranig v. e. man. wi favj i:irt \\ kn, irnrj ini \\ zijn, Tj. — 2. kn. een riviervisch , volgens sommigen een groote \'pj fji ^jjhii/j\\ ü. geld, dat wordt vooruitgegeven om te dansen, {.1}anjoevias\\ —• un r i ij rin\\ irriij.rni geven.

rm \\ kw. zva. ty n.ji2y irm iixi/j. ij 1:112*1 mi * mnjjs rnrm\\ kn. bloeden, van een wond. WW.

(I (Jbf

) o o - O o , . .

i ni^n tij of 111 rnirj kn. een zwakke maag of

zwakke ingewanden hebben; bij de minste fout in

de diëet ongesteld worden.

D o o \'o o O 1 1 •

:rni7m nasn/i\\ kn. — (i-:n rtn ■ n rn tui\\ schraal, ziekelijk; schraal, kwijnen ook van een plant; zie

quot;) O O

i n lt; m n ? s\\

(h s

r.n im 1,11 1. eigennaam van Pandji s knechtinde

Wajang Ge dog, en van een berg op Java (Adji

Saka). — 2. kn. een wijd gevlochten mand, zemanw

rijst en toespijs gelegd wordt voor een offer, l\'h.

— \\ni (f 11 in ihiiD ■ onder veten verdeelen, met zijn co (1 f IJ

velen ouderling verdeelen. — r n nii kjinn p zoo onderling verdeelen, Tj. rn nii rn inj obj. den.\\ offermaal, (oj) zulk een m rm mij lih.), bestaande in gekookte rijst en toebereide groenten y die bij gelegenheid van de offerande voor een kind, als het vijf dagen, 25 dagen, 7 madkden of een jaar oud is, in een zeef of mand gedaan en aan de kinderen gegeven worden; na die genuttigd te hebben, zingt een van hen kinderliedjes (11 nini tirijj), waarvan het refrein in koor herhaald wordt, een oflermaal geven.

irnvnriniiji kn. iets om op te staan bv. om ergens in de hoogte bij te kunnen komen, voeteubank.

(Vr(j. I » rm n„p MIquot;i/ji j

tj ^n^m nn^/j\\ kn. het werktuig, waarmee de landbouwer, die geen vee heeft, de egge vervangt, SG »ƒ rn ij ring ;oï^\\ kn. nm. v. e. boomkikvorsch met lange achterpoot en, die geweldig springen kan, W W. zie

nxaihh\\ BV.

\' t-

1:11 rj rui it,nji kn. nm v. e. kleine soort kikvorsch ,

WW. een jonge kikvorsch (•*rmiiuuhii/j ) lili rn rj rm iL,ii^\\ .kn. 1 zonnewijzer. — 2. r» // gt; igt;gt; quot;w/l^ met zijn velen iem. die alleen is, verrader-* lijk overvallen.

1711 rin mi^jj n kn. de laatste van een rij, bv. de laatst-geborene van kinderen, de onderste van een tros pisang.

7 \' quot; 2 rm :hdjj\\ Holt. boontjes, inz. snijboonen, K li. rn yjiTirii.iujis kn. grappig, koddig, schalksch, plaagziek. — (vmtj rm2 ii^nnyi grappen maken, elkander foppen, plagen, nt. met daden of ivoor den. (Vrg. rn tj hijj? s dit alleen met woorden , Hh.).


06

-ocr page 1130-

gt;1 I m \'I * ™ N

n o i n I in

1042

rruiii kn. hct ecu olquot; under om l)ij liet sj)el

nice af te rekenen, uls pUjvs, steentjes of ids der if. in de plaats van onze \'/fiches.\' — i/n .\'ii:iï] ru\\ daarmee u trekenen, Tj I:n ii i iii i ii iu \\ kn. een visch; ook ben. van Ue penis%

( I \'

Tj. en fiy. van een doordraaijer, een selielin, IMi.

o . . O

i:ni:in m :ilt;}/) of in iitin ui an/} \\ zie ininiw ( i -J\' J I (A \' H

i:ni:iii\\ kw. zva. i iu)\\ kn. twee of meer tegelijk,

Oh

enz. in rin in n / drie te gelijk, volff Rh. 9il. (I (i

drie kanswi te gelijk in een of ander spel. (omw

m i i,y\\ dubbele gang o/dubbele moeite doen, voor

wat in eens kon (jeschieden? H. lt;) XLVII, 20,

6 ; KI •\' i ~ji.(hi(i7)n n i hl/ nam. laat mij hier sterven, 11 co (i- li

en niet eerst op liet slagveld? {waarvoor echter andere handschriften hebben if i n gt;/ rin quot; i \'• yt C. S.)

— hu n i unntt een soort van strik. — i n i / ir/gt;ninet

01 co (t

een kii tijhwtpri vangen, voltj. Kh. vn riii koord, lijn, touw dwars over den weg of ook boomwortels o/slingerplanten, die dwars over den weg liggen.

— i/n!iriti\\ een touw uitspannen door het met

ro ( i

de beide einden ieder aan een verschillend object vast te maken, en volg. llh. ook twee voorwerpen met een touw aaneenkoppelen, vrg. xn nrrj nns ook fiy. tem. verhinderen , tegenhouden. A.S ni i.y bv. in zijn gang of handelingen.— nn rn i:in\\ op zulk een gespannen touw stuiten en daarin vastraken.

in ti-In \\ kn. naam van een visch, een kleine soort \' t i

van /.y ry(/.n(p WW.

vniiir KW.; in fi ii)i\\ opeen afstand wegworpen. ü (i lt; \'l ( f

gt;11.n gt; i I n 11 n I /Vin omhoog gevoerd en woggewor-f ( gt;1 \'•». I Cl

pen, bv. door een schot. I?. .1 XXV, 1, Ij XXVI,

6 7 in.n.inritii.in iets met een pijl of iets (\'l(i \'

dergelijks wegschieten, H. J. XXVII . 28, 2, 80,

2; XXXI, 18, 4

ii:r}ir))i kn. v. menschen en dieren, zva. lynrrn

ui gt;/]\\ vrg. i ij i in ihti/p

ninntin kn. scheef\', niet regt, afwijken van de \' \' 1 !t

regte lijn : vrg. gt;f .■ /»/»in bij ^ un ij i.in \\ ij id ij tj i-rm n i i.ij {zie bij r.n i-h)) in verschillende richtingen achtereenvolgens naar verschillende plaatsen gaan? of fig. zva. dubbele moeite doen? van hier waarschijnlijk (i. voor de tweede keer, herhalen, verdubbelen? T 8. »ƒ r» rm ^ spr. niet met elkander overweg kunnen, rj in )) iiii r i tuiq verschillend, verschillen, bv. K)injniji/j\\ een verschillende begeerte hebben.

ij i n i ij l in \\--if cm i ij r.in w

i n ihi of i:n imori - kw. zva. an, \\ toorn, gramschui);

ri J (i l!

toornig zijn; ongenade, straf, m m go ujéjd) n /, goddelijke toorn of ongenade. — u nftni i?j\\ iemand zijn toorn doen gevoelen, bekijven, be-atraffen.

voor m :if) njrj^ oji nu \\ spr.

. (isïji ifj) -) en gt;)) iu) w i m rj op i m in

i:n in Hf) zie boven. Ö C

i:))(h)\\ soort van strijdknods {vkl. \'rit di nihjm gt;r (i/i ni ibn /. n fi ern ao \\ Skr. b h i n d ip Cl la , soort van werptuig, pk.). — asn nn \\ meteen bi ndi slaan. gt;j in h] \\ kn. rijtuig met twee wielen, sjees, bemW

{Tamil we ndi, hietz. pk.)-rjum i (X) \\ I. of rjiJi/iHi kw. I lijf, lichaam. 2. worstelstrijd (? de laatste hef eekenis schijnt ontstaan uit misvatting van eenige samengestelde spreekwijzen, C. S.; Skr. band ha, lichaam, Perz. jJu id.), i n ij m ij inuop\\ te lijf vallen, B. S. 271 • y i.))i on r:) tu\\ strijd van man tegen man.

i m piuv^iu:) worstelstrijd, ij i ni(H) nu ) u; i »1 strijd op leven en dood, van man tegen man. ij rj i n ? hi i n ii) v. e. schild , welligt gevaar afwerend? lis. Men. n i.m ho un iu zva. v,)) ii))\\ ol \'c (i

uiig zijn. un y ƒ /? (H) i) i;h ? rn v zich verzetten tegen of weerstand bieden aan.

ii. n., ^ k. , band, touw, alles waar mei

men iemand de handen op den rug bindt; gebonden, gevleugeld. {Skr. bandha, binding, bami)

i n7) •\' )? (hf)\\ n. i )) lt; )) }\\ k., iemand de houden \'ro C- co1,1 ^

op den rug binden, vleugelen, om ij ruimi \'lip

hetz. W . 1, 20;}. .) w nn m do fon \' i ar)n met dv! Inui-\' co c \'

iduï of

den op den rug bv. erg. bijstaan.

11) l:n H. DO Ij I n ij (Hl f) of l n l 0011 g^,lt;)n*

dene, gevangene, arrestant.

a

ijinnins kw. zva. rjOD\'riw

r.n mins kn. gril, kuur, als van een paard\\ leelijk aanwensel, kwade gewoonte, bv. gedurig met het hoofd schudden, {bv. net als een olifant-, vandaar heet het van een paard: x n (Hi tn i\\] •\'i ioj)\\ de handen of voeten niet stil kunnen honaci).

ilt;n.rnii).H)\\ kw. zva. iH))ik]do) rt) {ook ongerust, ontsteld? i\'k.). VV. m) in on xn isr^


-ocr page 1131-

1048

/ t n no \\ S

iii urn i,n iiut] S- quot;i ^ Jf

urn. v. (■■ kwaad leden in het haar (.•//\'/) v. e. paard aan do achterbeeucH.

i.ii!ïn\\ KN. Ml. koopstad, zcehavcii; |) ach tor of chof van ocu tolkantoor. {Perz. zeehaven,

koopstad; jamp;XS sLi» havenmeester, ambtenaar met tolheffing belast.). Wanijsallan: i n m i.n \'ii n ithi SnniiKiwtiyi^ voor Kaligawé (nabij Sa-maranlt;J), (^. S. isw m (Hi\\ havenmeester. — m (uiTKhnjjs havenstad; oo/c zm itni tipi nwyj\\ woning of gebied van een pachter. Wangs, n uji z i.i

i.. / o ~) /

\\ iu n uu t n ui »i ui /J \\ voor i i /.y \\ h n in na nim/js

ook ben. van de kampong, waarin het chinesche

kamp is, Rh. /ƒ u 112 *11011 ti m gt;1 injj\\ tolpoort,

tolkantoor, J.Br.

.i:ij(hi\\ KN. rond, rondte; cirkelvlak, bolrond, (vn/.

r cquot;), o (gt; 1 v

lt;\\mx.n\\ (vnn). rm tmi ims zie m gt; i l iijjw arnni

O 1 . T O O\' . . ^

miLicnifj\' zie tn ii i rn /j\\\\ /y ia rj nn ij au \\ zie ij

tl (ruil (Ciw

in ij tin rri \\ Fori, handeira, vlag, vaandel {vrg. in ij tip rj).

i iuurris hij verkorting i n mi quot;gt;» \\ tui (tiilgespr. nn n ) KiN., KI. lieer, gebieder, meester, ge

biedster, meesteres, ( Vrg. (isr^ tJKHi/js »^/7\\). ivi n

rirm n\\ de böndUnVs, d. i. de echte en onechte f-

lleinzonen en kleindochters van den Vorst, de Pang ér an rij a\'s en Pandjis, de Raden-a/oe s en liaden-adjëng^s. ui ry i i i vrj ^n xji \\ nw. v. e. haar-kronkel bij een paard, een goed te eken.

(itïiiy(ihi liiijis KN. 1. overspel, trouwbreuk, van een man met een anders vrouw gt; of van een getrouwde vrouw of verloofd meisje met een ander dan haar man of aanstaande , valsche sleutel, haak of loo-per om een slot te openen (in verhand met de voorstelling van sleutel en slot a/s man en vrouw, vgl. ii i uj a-I in/j en unjiuizty^ on^ C. S.) lumi of V gt; r/ ii i{ii:ii rj(,jn .uiyi\\ overspel plegen, i u ini-iK^ni of n.i ijuiiy n mifi bloedschande.^;.;? \'/ of in^rm i nyChi mip valsche sleutel.

im t^C™ hvj}\\ overspel plegen met een anders vrouw of verloofde, een slot met een valschen sleutel enz. opensteken. — (un r i rj(ni am \\ met een vrouw overspel plegen. — i n ^(hi ini nnjj of i n l:quot;\'/Cjp iniwp met iemand {man of vrouw) of met ellcnuder overspel plegen; medeplichtige in overspel, boel, minnaar o/minnares, .intiji ii ^

7\'\'V V \'V U}}\'! h\'ll7quot;\'Z 7 quot;v z\'j vriest haar minnaar boven haar broeder. Lak on, (J. S. {Vrg. ijn.n.ibi^ 2. een soort i ^.iniiüjj\\ sorbet, Hh. itiipiii inn,i/j\\ KN. gemeen, van stand of af komst \\

zie (ui(in \\

if rn (m i i ili P zva. ij tn * in ut n r \\V. P. 459. riiyi^ KN., iii r^ipr zonder ophouden doorloopen , doorgaan, onafgebroken met iets voortgaan, volharden , doorzetten.

ili (mi kn. slinger om mee te werpen. — \\ n i(iil) \\

slingeren; een ohj. met een slingersteen werpen.

/ -). o n n 11 ( it i ii\\ mv.

CO /lt;-

,;y7.\'MKN. onklaar, G.

r.r»KN liet stampen in een rijstblok f/oor

Jen {vrg. inijyiy ij 111*1 ik / in/j^ ij i~ii^? ij mi s).

— x u )f: nj(hi/ met zijn velen in het rijstblok

stampen; schieten, beuken, stampen, van velen

tegelijk — J; nnn.n v. e. peloton de geweren

laden en vuren. — iin 111 ii)(i\'i^ i?i mv.: om iets \'co \' r

bv. om een eclips, met velen tegelijk in het rijstblok slaan; op iets vuren, bombardoren. - iji u if(im 1 1 Mifj\\ zamen in het rijstblok slaan, via(Mi,fwc 1 11 mi Miy)\\ Ar. zva. gt; 1 i.j 1 iunq Men.

ni mj it,iijj\\ KW. zva. 1 11 1 1 y\'. KN. naam vaneen

grópte wet tivee geledingen, voor het arbn-

tappen, Kr.

1 HiHimp kn. 1. zva. ilmiihiijjs de vogel diein de kooi zit en door zijn geluid de wilde vogel lokt, lokvogel, in een IVangsatlan omschreven door 11 1,11 Jgt;i i.ii mi.11 i.uj i ii\\ C. S. — 2. niet kleiuzeerig, tegen,een val of stoot bestand, taai, volhardend. riKinniy kn iw/r. schommelen, hangend slingeren,

wiegen. — i n nnn n 1 ff \\ iets heen en weer schorn-

ro d: \'lt;

melen; gaan schommelen, zich hangend wiegen;

een tol uit een koord slingeren, zoodat hij draai-

jend op een afstand neerkomt. 1 n mi m m. j.i\\

\'i \'

schommel hangwieg, hangmat; schommelend , zich met schommelen vermaken. (/Vy. m ini n ip i ÏJ

Mfjhyr)\'

1 11 mi \\ kn. nm. v. e. zeevisch (^Clianos o/Lutodeira orientalis), die in langs het strand aangelegde vijvers in brak water geteeld wordt.

i niji kn. een dam aanleggen. — un ; 1 hi ai\'dam-

(h cos/

men. indijken, bedijken, afschutten, stuiten, te

genhonden. — 1 n .* imi 1 r mv. — 1 n ih i\'tiMi/is

co Cl! (n - \'

60*


-ocr page 1132-

quot;)

V \' quot; tP!H1^

1044

K. dam, dijk, bedijking, af-

i ii rins KN. 1 toevoegsel; bijstand, li nip, voornamelijk in den oorlog {cnj. ■ui lt;[n). i.inniffr helpen, bijstaan. nnii hnipinniteliugen. — (untamp;i

\'// 1 w co

zva. ri ^/i\\ 1. v. ui fn\\ toevoegen, vermeerderen.

V, h\'l

ini nfiHuuf^ erg. iets aan toevoegen,

leis vermeerderen; iemand te lui lp komen. xm : i ij hi? kii -jfi ijKiiv tot hulp (^ln den oorlog) geven. — ivn cpu ui^ wat tot hulp of bijstand dient. iijyie^ nthiiii^jjiHi/js hulptroepen. 2. oo/c zva. rijji iiq\\\\

in))ui\\ kn. zich de scheen stooten , G. — i ntrt n lil co \'

ij tgis iemand met de scheen een slag teuen de kuit

geven. — i ?iij^panj^\\ elkaar uit vermaak zulk

een slag geven.

/,ijihfijn kn. digt, verstopt, versperd {vrg.

!ipthiijiy axi rn Ki Hi^ blinde weg. fig. \' ^^quot;-^\'•quot;\'7

rt n\\ ten einde raad. — uirt im en mn fjiittnz ( CqVty, ai \' «i.

(}Jj\\ digt maken, toestoppen, verstoppen. lt;un amp; m rfn udji uii i ^ if ifri}. /o an \\ naar huis willende gaan vond (hij) den weg door gedrang versperd, Laken, C. S. — an/j digt enz. {bv. ^

(uin\\ buis zonder opening van voren, kiel); soort van mei alen. beslag van een krisscheé (cül,ij (yni iitin) , die geheel digt is, in onderscheiding van r.ii t i gt;,1 »»na i w i.) \'fyii i - ^ \'l jfi 2 iui/j\\ t j i n d é , waarvan \'t middenstuk {hinutm) uitgenomen is; volgens J. Z. 2 1 tjindc zonder zelfkant (non vj-miuujiy

i ii (Hinsii\' kw. zva. (^- TjV 11, 14, 2 en

. Krit. aid C. S.)\\n

i:nM;\\Kn. stelliiij\', twistrede, redetwisten, de waar-

ISI^ C1

heid zijner stelling betoogen (Jf/. 6gt;/. krakeel, twist). — i ii i.\'ii hi j uii ii-n/jn met elkander redetwisten. (Vrg. i?ii:i\'ri\\).

i uinKifi kw. zva. gt;i gt;)firn \\ a.Ji ti(i5iijj\\ (tJi^nanw G. kn. zondebok, slachtoffer {vrg. ititnri iji ^kki^ tj ij (ui % hjïi (ui n ^ u}(intujj\\ ui (isti (ui); ook naam van een vroeger vorstendom op Java , thans de residentie Bantam. — anifai ui in/j ben. van een zekere vorm van tjapil, zooals in Bantam gemaakt en gedragen wordt.

i a ij 0(11 tui j zie i ii inw

\'7 \'V ^ N V,\'fv ij rn in (t{i/]\\ zie )f i:ri(LCi\\\\

.•)

kn. hn i i i ihip schutting.

i ii(Hi\\ kn. een drooge plaafs aan de kant van rivieren, soort zandplaat of zandbank, Rh. ni(i,i ,, (Hi/j\\ met drooge plekken van een rivier, Tj. uri\'^nKN. sterke stroom, snelle loop, bv. van waiec, driftig, voortvarend, vurig, ijverig, overmoedig

(W.

105); streng bv. van vasten, oo/c gestreng

. CY O CY (vrg. (tJi(hfi\\ Wftfi). — ......

met veel ijver verrigten.

i n (^i \\ kw. I. scheur, spleet, gespleten grond {zva.

gt; et s O

i ii ij nij ihn/j^ (Ki(Yii\\ (i:rinji j ntctrijjs ticiiiJi n i/j)

splijten, i7itr. lt;hi \'n iu tun an rn tin \\ li. S. 095; van

troepen: uiteengeworpen, 15. J. XXXVII, 17,0

enz. (ui (h^iiniHi \\ in een Wang sat tan voor itiii n r

dus: gescheurde grond, of het. scheuren van den

grond, C. S.

Tl zva. (KJjj^a volg. Hh. oo/-onvruchtbaar

den grond, ilihn i:ii(pi\\ de verhevenheid vóór

den ingang in den Kraton • de Sitinggil.

) / , O ^ o gt; /

i ri(Hi\\ kn. i. zva. tniHiw — z. djii } i (in \\ , fs»/, ^ o /

gooijen , smijten, volg. Rh. ook zva. n/ii i m ij gt; nt tii/j\\ erg. tegen aanbonzen. — un fi jjuris gooijen

a n if i (in \\ iets met drill ,

CO\'quot;\'-,

■ uiuiï w of n ih^ \\ op die wijze krabhc»

ini if hi \\ kn. warm, warmte, van een zonnig en day {vrg. (UKHjtiJiji), helder, van het schijnen van zon {of maan, WW.), hevige strijd, G. hjuhh trutj (jaw (iji hii(i5ii ^.i(hj(iJijin W. II, 13, eig. ki. dus nn ti^ riirj^w — igt;ii rii ij ijïrn(hi/j\\ door de zon beschenen, verwarmd worden, BvB. M.

r-ri hi of ui fa kn. ijzeren toestet om krabben ie vangen, met twee vleugels, die door een veer dichtslaan, en in \'t midden een rond ijzer, watv-op hei lokaas, vmui genaamd, volg. Rh. im (^i\\ ook een toestel van bamboe met een wijd gevlochten mand van onder waarop het aas gelegd wordt.

vangen, fig. met lokaas vangen, verlokken, Wl\'. 132. Hïix.ri Hr pass.

n:rj, pi v kw. zva. rj uil vj rinè (hii/js m 1j. diy fö) n Lj (ót\\ de uiteinden van de ook uiteinde,

punt van een zweep of een rotian, enz. Men. Hh-kn. onderste gedeelte van de stok eener lans. in ui j 0\\ sawah\'s die het laatst water krijgen, zie ry (f i Jiw SG. — iuii f rni met dat gedeelte slaan of pareren. — furi ry^i ti\\ mv. {vrg. rrn rii gt; 2.) —


-ocr page 1133-

I I.n f ia Ln/j\\

1045

I n m ti \\

nm/i\\ elkander met de (cr^ jgi slaau of pareren • (goede en slechte grondsoorten door elkander , wanneer hier en daar tusschen vruchtbaren nrond onvmehtbare plekken gevonden worden, WW. llh.); eigennaam van een zoon van Patih Lawé y een hoofd van To eb au.

zva. aji t/n . i\'/j en un u t G.

rn m irm\\K.s. naam van een hoogen boom i Cerbera o», t

odallam, Grtn. Naf. fam. der Apoeyneae, uit welks vruchten y die op mad ja gelijken, een bedwelmende olie gemaakt wordt.

ry ui kn. 1. een zeevisch , met een dikke ronde buik, {gew. groen van kleur met. zwarte spikkels en groole voortanden net als een schildpad), die zich kan opblazen; soms ver gij tig, nl. bij slechte bereiding , als de ingewanden er niet goed uitgehaald zijn \\ de harde huid wordt als lantaarn gebruikt. 2. volg. lih. dial, voor ry fti hh/js \' y voty- kort en dik. i/n hji hh/j0 de

bij opgegeven visch.

iii(Hi,hii/js kn. hard, vast, niet goed gerezen, niet luchtig van gebak; ook verhard van een steenpuist, die niet week wil worden.

i n(masrinsKiï. vol, stijfvol, propvol, {niet met vocht: ) .

org. un .rn nfij). \' »rj m ? ? rj j/n t/n .mi i i i.i ij m i ij ij iai!ilt;^(hi nwjin stampvol van gasten of toeschouwers. rm t i ij hii xiii iri iibii/]\\ van iemand die goed-

r

gevuld is, zonder vet te zijn. hi iu tj /1 iln imi/j\\ volle vijf en twintig in tegenstelling van iinin

7,;,ÖrN

o o

r.riwibujfs kn. gezwollen, van de oogleden, tengevolge van schreijen, een mier eb eet, enz. {org. r.n n j ici/j\\ tLn j). — 2 een nacht vogel, wiens gehad quot;titquot; geacht wordt de nabijheid van een dief te voorspellen, WW.

1 rifajgt;v/]\\ kn. zva. i:y, w w uw n i i lt; n iijibiiy de zoogenaamde roode hond. — Ook gaaf, G. {vrg. /.n u] hiijj).

11/ io hii^ kn. staart van een beest, un ij/ | ^yhn j \\

staartriem. — in tirn hu/is als een staart zijn: lt; Q. \' V. \'I J \'

zieh aan een staart vasthouden, Ks.; fig, ook met

iem. overal meegaan. — (u tiwmh/)* lu rniu fi

\' O cq,

staartgeld, eene belasting op rundvee en paarden, un uirr^whii w/j het hazepad kiezen, Rh.

ij i n? [n L,njj\\ kn sterk gekruld, gekroesd van haar,

/ , ■) O O

als van een neger {vrg. \' yyi n i.j\\ \'\' \' quot;

arum ^nnmxi/i): ook van houtkrullen.

(tl CxJ J

rj rn ? ij jn * Mii/js kn. I. een smakelijke watervogel, groeier dan een snip; een waterhoen, llh. — 2. een groot pak, dat aan beide einden toegebonden is, bv. van tabak. — ivn ij ; i gt; tj {n t tii./j iets tot zulk een pak maken (i/n ij: nrj ia? rii ilï f i i n\\ liet lijk van een omgebragten dief in kokosbladen wikkelen, WW.). — y i n\' gt;j ê \'fl\'m/jlt; ip die wijze tot een pak gemaakt; (het lijk van eei omgebragten dief in kokosbladen gewikkeld, WW.V rn Kyj\\ kn. wijdklinkend {in een Wangsallan omschreven door i i n un iji 111 i 11 n\' in s\\ (\' S. V;

O Ï J\'

volg. Rh. ook i n hn uiq\\ en ongeveer zva. i n rni \\gt; zonder ophouden voortgaan, doorgaan j zonder verhindering volbrengen.

r.n ifn iij\\ KN. urn. v. e. vrucht, Tj.

KN.; metMiet hoofd of den

kop even (ook met de elleboog, Rh.), tegen iels stooten. un nnmrn/j• met het hoofd oj den kop tegen iets aaugoloopen, til. niet opzettelijk-, {vrg. in isnrjis Rh.), ook van een schip dat tegen een klip stool; Jlg. ton n:ri v. i w i^.un n tegen een geding aangeloopen; in een proces geraken. — in ; i imKt igt;n\\ met het hoofd tegen iets aan douu stooten. ni j ? ut -tri if un ij lt;ni vfj-n? ^ t0 ij iji ? \\ iemands leugen aan den dag brongen, door hem met een ander te confronteren.

kn. einde, uiterste, bv. uiterste rand van een tafel\\ uiteinde hv. v. e. balk-, in het alg. het einde, «/\'uiteinde vayi een of ander, {vrg. n if lt;nit ern hi^ tfi n t tj mi? /. i j); ook fg. einde van een beraadslaging; volg. WW. tot een eind komen, zijn beslag krijgen, van een beraadslaging-, ver reikend , van een geluid, {vrg. nu in rij n j in 1.1 j ï). — a/n f i^ni.i^\'i if i,ii \\ tot een einde brengen. tjini\'ijitor uif kn. vo/g. Rh. zva. i:n^pui/f? onderste einde, bv van een krisscheé{vrg. y i infiiju). G. ij i ii ? tj :jn?.k / 2i i/tj iji i n j\\ het onderste einde van een boom aa?i de wortels, WW.

QS .o ,

in :in ii ij\\ KN., n.\'i . ; Kb., i.n ik \\ KI. kussen ,

hoofdkussen {vrg. i.n yuun n j), ook de gestikte

kussens, onder een zadel, i/n i n ui n 11\\ tot hoofd-

• j (

kussen hebben, met het hoofd op iets als op een


-ocr page 1134-

1040 i n \'[i? lUjj \\

lussen litquot;eren. — \\;n n in n]\\ enz. van een hout\'d-co» quot;.

kussen voorzien. — j n v / ui ti i ti an \\ enz.. iels co K quot; \'

tot hoofdkussen Iemand laten gebruiken. — \' \'h\'^PA^ euz\'* nie^ een hoofdkussen; voly. lih. ook als hoofdkussen gebruiken.

gt; : ) ■) ) ) ; ) Qv D

ih\'K7 7L^nkN. zva. ninni/jw i.n iD uitrhi ^nrni.n door den nood gedrongen {vry. i. n itJ u uti/j).

kn. zva. i n i i/j\\ of een soort daarvan.

i n ij ia it ij\\ kn twee bosjes bij elkander yebonden jonge rijtlplanlj es, gras of ook dj ago eng en:.,

hij padi tj rn n /Ji genaamd {org. inhntij ij

-•) ) . ;) ij {uil tjthJit ij i i gt; tj n i :i-i i i in.n hu ). — i n ; nj

tf |,7run in bosjes binden. rn »ƒ jn n^i isi/j^ in bosjes, bij bosjes nm .(nnjiji\\ kn. kleine bult, puistje of gezwel op de huid, zooa/s ten gevolge van een mugge- of miere-beel of iets dergelijks {vrg. intninj ). \' \'hW\'/l^ KN- eon sll0cl\' v^u te zaïncn gevlochten bloemen en bladeren van allerlei soort en kleuren, die bruid en bruidegom op den trouwdag om de lenden dragen, of die een haffel om den hals worden gebonden, als hij met een tijger moet veelden {vrg. ij i m i ij rin); ij m rn u; 111 i^ijj\' in If dug saltan als omschrijving van tui f in \'iïfn \' i n\'i/j een soort van gevlamde of gevlekte rotan, S. i.n n\'i.i ij j.) a 1,1 kakelbont, WW. (vrg. i n in nƒ); volg. Hh. tgt;ij yi /J wit aan de to]); wit aan de punt, bv. van een kris enz. of van een hond met een witte punt aan de staart, volg. i,il. bijgeloof een te eken van a ebrok aan trouw en moed. i n ■ ; in itli \\ van een boen tal voorzien.

rn il ru/j^ kn. hulsel, waarin iets gewikkeld of gepekt is, bv. een servet, een zakdoek, stuk papier, enz. / i 11 i,i ui n / i\\ schertsend voor: de dood. / n i.i ni y n i i,^ een slecht tee ken bij een hengst, als de haken {hoektanden) niet kunnen uitbotten. — in n ifH n iqs een bundel maken; iets inwikkelen, omwikkelen, inpakken. )i.ikuj^i nj\\ afkoopen van het onthaal van een dalang; hem alleen gèld

geven , zoodal hij voor zijn eigen vertering moet

/if ) o

zorgen, zie nor/ /. II. - iniiumi mv. —

(\'l ,

,r.7//.; n //.» j bundel, pak. rol, ook zva. hnn\'ii (Ui. \' \'i (

iun geheim plan , (Men.) Kh.

i n 10 n i\\ zie .?://m n i\\\\

i rK (I quot;.

o

r.innnis

\'UL,

rni,ini\\ KW. zva. tnnnni iw

\' 1 (xl

i\'ti maris kn. boni geruit van een kleed , met 4 klcii-\' H u

reu, rood, geel, wit en zwart, zooals de dodot van Uima rn i,j in van een muur om een pul Tj. Rh. Prg. ij m ij )ii\\ \' y i n m tli of iniui u,i\\ K\\v. zva. r.i^iPi {Skr.

bhoétalu, de aarde, de oppervlakte der aardc)\\\\ ook zva. (nnjnrii ijr tui uj ? \\ en benaming van een

fatsoen van krissen.

) . - ) . . )

i n vj j\'y tj i li? of rn ij ui iiy rn^ K N. in; / rj ^i ij .nigt;

neerbuigen, neerdrukken.

rn rjimd tj,uigt; kn. zva. rn tjw ij.iAiis vol, opgezet,

van den buik, zoodal deze hangt of overhangt,

door veel eten, K. 9. 85, ook zwaar beladen, bv.

van- een boom door vruchten, zoodal hij buigt,

of van iemand die veel te dragen heeft, Tj.

rri jfid\'u rinitfs kn. heen en weer loopen, lis. Tj.

enz. Rh.

r:riiuï\\ 1. KN.: rn.inï--.•//?) {zie iihh\'i)- met

Ui 5 rn\'15\'.--- \'-1.

kracht tegen den grond of iets dergelijks slaan,

als waschgoed; op die wijze wasschen , smijten,

smakken. ,rn m ilt;ii rn jïj\\ iji rnsrn i.j uj\\ gesmakt

neervallen, van een gewonde, B. J. XXXIil, 14,

5; LV , fi , 5 enz. rn rïi n ilt;_j ni\\ elkander te^cn

den grond smijten of smakken. -- hn rmms ace.

pass.; niet in evenredigheid, bv. van een groote

man met een klein paard, vaarop hij rijdt: ook

flg. van een man van zeer geringe, met een vrouw

van aanzienlijke afkomst. — tn / / u) ij\\ mv.

co \'liK

i n : i in i i ij iiii\\ met iels tegen den grond smijten:

iets op iets neersmijten. — \'2. een soort van laad-

praauw, gelijkende op een .• miV maar zonder o

lil^HnjjW

i n \\ kn. buikgordel met haken, G.; — alles war men als buikgordel gebruikt. — » n rn rn in \\ een buikgordel omluibben.

in nr KW. zva. n] i\'i\\ vra. ntihw kn l. ordetee-

ij li J i i

keu. i n i.i i.n n ij ti,ifj\\ een gouden, met edelgesteenten ingezette ster, door den Gouverneur Generaal Daendels aan den Soesoehoenan van Soera karta geschonken, en sedert door z ijn opvolgers bij sommige gelegenheden gedragen. 2. een rond houten sciienkblnd, met een Imogen rami, voor theeservies, Rh. vrg. iüii n i } ijj\\ en wj.

I li W


-ocr page 1135-

1047

\'t.r

i7)/.M kn. oon koek van gebraden uieel mei

suiker m w\'u/jcn bestrooid, Rh.

i.Ji^n gt;n*M\\ y ,!•{ of \'/ i~nrfiii!n KN. schiuis,

bolwerk, vesting; ooiï de hooge ringmuur van den

Kraton in Soerakarla, C, S. iugt; i/ \'\'orff tf i:n n quot;gt; 3.. ,

zie n .li i\'ty irt t i\'ii/j\'* trt) r.n ihii \\ scliiiüsüii opwerpen.

_ rjrrn (|y n tiojj\\ verschansing, tn gt;i\'\'/ /ƒ lt; n ij in

i i ni^ n. , m ■ \'ij gt;(l ir/ li\' \' 1 h 1 N gt; ^icli verschiin-seii. — [.iyu ij rn ij hi i i wjjs strijd uit een schans, belegen* ngsoorlog.

i.n ;.7\\ kn. verminkt, afgesneden, afgebroken (vry.

r).itlt;2ini), ho. van iemand, die een of beide arm in 1

of he enen verloren heeft; van een dier, dat lt;je-korlstaart ió\'afgeknot, van een sabel, grasmes of kris {org. i.y \\ ij i rp. rrj, ia ),n n\\ gesnedene, {Arab. — !i\'ncc\\^i verln\'n\'(üUgt; alstompen, kortstaarten. — i/n ^ j ^ mVt\'•\'jj/ij\' \'quot;\'// verminkt; het afgekapte, afgeknotte gedeelte.

o a.

ij r.n ij vi \\ zie i m u i ■

ijunkn. een groote soort komkommer, Illi. i7) m ).^ \\ kn. b int an g or, (yalopliyllum soorten,

in nrns KW. schip, vaartuig [vkl. i:j n rn ki ^ \'%)•(:\'

\'))\'MM\\ KW. dubbel-vondig; en, met, benevens, G.;

kn. zva. ) ) hi \\ uiaiii \\ ii\' ii i of i i mi i i oloed-^ Cti S- \' (,\'

verwant, familie fSkr. hand hoe of b dn d h a w a, nabestaande, bondgenoot), a n ij i n him i n i n nn -van fortuin en familie, d. i. veel goederen en een groote familie hebben, itm riiyniaj^ ri ^)^ een familie van bolden hebben. G.

) )

i ii nii KW. zva. (Kim kn. een soort van brood-

vruchtboom, Artoearpus Blumei Tree., waarvan de

pitten gegeten worden, en de gom als vogellijm

dient\', Wangsallnn \' i n nn un ij 2 of t n yn \' ]

quot;~Tquot; km itj iJi gt; \\ namelijk de vrucht,

C. S.

\' quot; n nil kn bekken, waarop geslagen wordt tot sein. \' oj) een hëndd slaan; alarm

maken, uitbazuinenV vrg. L. 205, en W I. 380. Lakon: njn i rrjirni rn ij lt; i mi li j lj ij rit\\ C. S.

\' quot; (ó 7fquot; \'7 iemand, of den volke iets bij bekkenslag bekendmaken, menschen door de bende bijeenroepen; om iemand of iets op de bende

slaan. — i n f ni nn i,n ~ n n ingt;\\ iets bij bekken-co \' d

slag algemeen bekend maken.

i7) )ƒi))/ )?\\ kn. groot hakmes, kapmes ^a))^.i.))

gt;)» )) /»), — i n. rtinnis met ecu böndo hak-\' \' co \' r,

keu.

rmmn kn. erg dom {vrg. if m / ^ u)? . (fa), WW.

n.rri(rrn\\ naam van een boom, zie m nnw lt; (j uit

tj r.ti (iini \\ kn. goederen; schatten; koopgoederen, handelsfonds, materialen, middelen, volg Kb ook bezittingen, en kosten. {Skr. h h dnd a, kapitaal). a i iij r.n i i ij in xyns afkoopsom voordelevering van bouwstoffen, als bamboe, de kriel, enz. (laun lytyin/j) i ii ff in inn \\ te koste leggen, aanwenden (sie ook hij rn nn). i/n ij^mnin d: i föi an ^ met fortuin en familie; veel fortuin en veel aanzienlijke bloedverwanten hebben, zie \\ n ^ i n^nnwi

\\ i:ain\\\\ (*gt;1

i ii nnn ilt;i\\ iemand van fondsen, ( (gt; C J /

middelen, enz. voorzien; voor iets geld uitgeven, kosten maken , iets bekostigen. ■lt;.

^ rn/ yn ui/js K\\v. zva. ij nn ij i i gt; {vgl. ifi nsnn ui /j) \\ ij lii gt;11 n in irv ut CKji \\ eigennaam van den groot

vader van KJ ai Ag eng Sé sela. — n n ij • i /nn / y

~) ) . , )

KU Ihl/J - tj LI ? ij I I gt; I I 1,11 I.Jjl I II LI 77) \'/ 1 1 ■gt; Lil ij

V (\' f it} l,0Js :i\'s \')cstaaude besehouwen , igno-reereu, veronachtzamen, bv iemands gezag, IKin-ter, C. S. kn. nm. v. e. gending. i n ij ■ i?(nii ari/j oj) die gënding dansen , gew. door een dansmeid als bruid gekleed.

lnmn kn. neerhangen zooals van een zware buik, (Tj.) Rh.

Lii iiam n\\ zva. inniiLgt;i\\\\

i \' (, 1 r

in ij nn i.ii/js kn in West-Java Javaauseh uitspreken op zijn Solo\'sch ?i£ a in pi. van a■ zooals in het westen van Java gebruikelijk is, bv. negara voor negara.

i ii ij nnt i iyj\'. geitebok? \\V. P. — i n i^niu lu(hijj

nm. v. e. struikgewas, Tj. i ij n 11 n ij nm^ii :hijp

nm. v. e. loodkleurige {niet vergiftige) slang mei

breed en kop, Rh.

i m tj\'iin luij\\ kn. i H i nj nn lh/j opentrekken,

verder openmaken, v. e. spleet, v. e. scheur, v.

e. wond, enz. Rh. ook i iin rr\'n w \' (,

lij nn i ii J

Ij \' I 1(1,J \\ WW volg. Kh

) a

i ii ■ i nn i n \\ verwarren . W (V

verwikkelen, bemoeyelijken.


-ocr page 1136-

y i mrjcrrn i iyj ^

1048

tj nu rf iin (LiiQ kn., nm. v. e. g\'énding. — rjimdti \'/\'quot;V /\',c\'1 aau e^aiuler vasthouden, hetzij

van achter y hetzij op zijde, //aW iw of

gearmd {vrg. ^ rn ^ ? /r; a»\'»» iti m/j).

»/ i n ? (rm /ïs7j rj^n? trtn \\ zich aan de slip van een anders do dot van achter vasthouden; handgemeen worden in den strijd, G. — i /? gt;/ ^orma^j\\ zich aan iemand als hoven vasthouden; iemand terughouden, tegengaan, beletten; vrt/. H/nrjaiii tinni ■)

n iw

n.

rus lymi? Liifj kn. slingerwortel o/tak {naam van zeker onkruid^ S.; i?}\' Fil. een drietal

\'planten). t n rjiytuom iets zicli slingeren , als wortels en /er nip plant on. ^ ri^ ?r /1 il iHi~/ntjiErfgt;y(nnglhii ijnif ij tin yn \\ wringin-wor-

f // n \' r

tels slingeren zich om de bén da.

Vquot;(nif \'ih\' (!en ^anSe en ^i\'oote bos te zamen

binden zooals bv. alang-alang) gras, enz. Rh. — ij im ijnny lii an/js slingerwortels door elkander, warstruiken; volg. Rh. oo/c bossen als hoven.

rr^nn i,i/j\\ kn. geschaafd , de huid {vrg. v.rixm Ktifs \'yMJJjKn/j \\ ij m rj (M lunji); volg. Rh. ook gekneusd meest van het hoofd.

merrn!ki\\ poët. zva. itbii irn n i\\ een doodkist, een lijkbaar. Misschien uit Skr. mandjoêsa, korf, kistje. — wi f virij Ki een lijk op een baar of \\\\\\ een kist leggen.

i\'iKttn i \'i\\ RW. zva. wn i\\ draagzeel, G.

irnnm ii.i/j\\KH. 1. slinger om met te werpen {vrg. i n (p)- — wnni ti i/js met een slinger werpen.— ui cini ii^ !hn/j\\ elkander met den slinger werpen j volg. WW. ook soort van vingerring met een steen in hef midden , anders ingevat dan Midtzcm/jw — 2. naam van een groot e heester met kromme dorens Zizyphus oenoplia Miq. Nat. fam. der Rha-mneae.

n:ri irijH r/j\\ kn. ballast, i?i den zin van tegen wigt, hangend gewigt, om iets te spannen, tegen te houden , gelijk te doen hangen; krom hout enz. regt te trekken, of andersom-, looper van een unster; ook de gewigten van een klok, het looden gewigt van een treknet, Rh — run 11 nrj iu\\ ergens ecu

ballast, tegenwigt enz. aanhangen. {Vrg. imn/i n i/i

(O) \'quot;

(tnyn ji t/j\\).

ook wel van een paard-, ook een soort van sa hel, hreed en zwaar aan de punt-, volg. Rh. in Ban-

joemas ook een wild zwijn.

quot;) o ) o , i

immnvu/js kn, — (un wnin tu/j* als een knopje of

knoopje uitsteken, bv. een wrat. iiTnturrnt lujjs freq. (Tj.) Uh.

(.iinn) rh) j\\ kn. 1. bol; van een hoofd achteruitstekend; van een k\'êmirinoot, aan weerszijde bol, ook

hirn n tu:rh\\ geheet en, in tegenstelling van o\'»

O . O quot;) ,

uiKnjjs (imniyinrrriirL}/]\\ jig. zva. arnmicmj\\ de

baas, het hootd, Tj. 2. cim f untj u gezwollen,

dik van de oog en, hv. door huilen.

wt ijirnu rtu/j\\ — iunif^irjlt;mgt;iiru/j\\ met een bult of

knop uitpuilen, uitsteken , Rh.; vrg. ivi ipyn? n i j

ook zva. mti ij cnit ruj]\\ Rh.

{i:r^ctinnkn. geknoopt, vastgeknoopt; mei een

knoop, met een knop, hv. bloem- of bloesemknop\',

in de knoop bv. van een touio ,enz.\\ zamenwoeleu

of te zamen gewoeld , van enkele vogels, hv. de

dj al a les als zij vechten, en dan zoo te zamen

bv. van een hoogte vallen (Tj.) (Wang sail au-, tij

aiy iru/i ZIZ1 ihh riHviU)\\C.S.); kat

met een knoopachtige punt aan de staart, (i/n ii icu

lt;£iarmiru/j\\ speld, iLiii ij i ti?ilt;nlt;rin u i/js zie bij am

rj(vm». twjj\\ ,i:^a:r^(nn rhiq\\ fig. steun, waarop men

zijn vertrouwen kan stellen, {vynn tj ben.

van het désabestuur. Ti.). — (un ifjiarn nir J \' ui u I 1

, ; ) Cl

een knoop vormen. — iii f mnin.is ergens een knoop in leggen; ü\'/y ergens inknoopen ; vertrouwen in iets stellen, staat maken op. iu/iihi

Qv p quot;gt;

nnthi rj 11 i u .m ^jjjiHraji ij \'lt; m » »i.ij U i rr^rin /mn kan ik op uw woorden vertrouwen? —

geknoopt; knoop {vrg. vllrrpiitsiiq).

iji n? ipynt u iijs kn. 1. een vogel, kleiner dan een rijstdiefje. en bruin van kleur, {de mannetjequot;s hebben witte koppen) Tj. Rh. - 2. nm tj ! u iu/j\\ iets in een saboeq of köinbön als pakje oj zakje dragen, Rh.

zva. dm i n w

V

i n ipyn? ij .uit kn. verzameling van familieleden, de geheele familie.

1:11(1111 ifjjjs kn. werptuig, iets dat geworpen wordt, bv. een steen {vrg. luirm n /(ts ccnru); een hooze geest, die voorondersteld wordt steenen te gooyen. — x u ivyn ! )j\\ op of naar iets of iemand wer-


1

rifiprny n i/f kn. ondeugend, stout; baldadig; kurig

-ocr page 1137-

1049

a\' i n I in \\

I Hitm \\ C\\l

j)cn _ d/n (f iafrii\\ mv.; iemand stccnigen. — lit

11(iiii f I ij i\'ii \\ met ie/s naar iets gooijeu ; ook

(o (a) u \'

ZDa. iTiii ui (iQJ *1 hh N v, n ri i (hri /j \\ iem. wegsmijten, AVP. 176.

.1,7)niiin kn. 1. »iiN doorgaan, op hol gaan, van een paard, i n v.mirn irii • hollende, d. i. sterke, gevvehligo overstrooming. — x/n furfn m ij hh\\ met

iets op hol gaan van een paard.

/. o .

jl. mftm of ihii n.i irnmns^., (ibiitij) n inrn^ k. (a) \' Cl\' ( CO Ca.\'

een dik tonw, dat een ruiter in Icrijgskostuum lij

zich in den gordel heeft, a/n ij n.i 2 0\\ de jonge

darmen, die zóo opgerold verkocht en als saté ge-

geien worden, Rh. gt;jnn?ni/jrgt;\\ een loom met wiU e

bladeren, die gestoofd gegeten worden en in smaak

met onze kool eeniqzins overeenkomen, n/n 1

ro

mis met een dik tonw binden; buitmaken, krijgsgevangen maken {vrg. rj v.m if vu?). — amiuii rn mp buit gemaakt goed, krijgsgevangene. Lcmu n dniintHi/js een door een ander meegevoerde, gelokte duif.

1 11 tin kw. zva. in tinw

UI (x.l

kn. 1. groote ronde put.

ii. kw. zva. ui (vi rn 1 in\\ i.nnw — 1 n 1

ri l lt;0

0 quot;gt; /\' / / , ^ / V

»/m m zva. in.-iiyi\' Ki.ijrjnmj {vvl.

te gelijk, twee of meer tegelijk. 1:11 ij tuiin,tin\\

zie rn tj 1 u w Wang saltan: nm gt;v) 1 n lt;un zn: t»

cn Hiny r.nnni {zva. evenbeeld van Krësna ?) —

1 gt; f \\ c,

urK\' vAcrrn \\ (\'. iS.

iii. 7iaam van een hoofdplaats in de Pr ear ger Regentschappen op Java.

) 3. ) O.

( ndin \\ zva. (t:nlt;iiii\\ J{li.

, CxJ \'KW

111 \'j\'rni \\ i/n (S^rjcrny zva. nfni^rinasn^ enz. Rh.

«m-min kn. door den neus spreken, als gebrek. —

wunn niMij kwansuis zoo spreken {Vrg. m mv). o

i nim\\ kn. een soort lijnwaad? zie aant. v. M. ;

^ 1 Ov quot;gt; quot;gt;

i:nrw\\ kw. zva. nun % en verg. ar» \\ Rh.

7 niiji m^ kn. zva. ij u ij rnirn i/j\\ (Tj.) Rh. \'quot;\'^.quot;nkn. rij, gelid, if-ri? irn i:rri\\ twee rijen, (Vrg. \' quot; yjyN 0 quot; quot; )• V7 /n :}n \',7W N pek i n de ge-lieele linie, van een gek, wiens vader of moeder en

kind of kinderen het ook zijn. a/tj iji gt;. 11 ni \\ een

fl fo (rgt;

soort vergif? AS. — Ook zva. streek, in mini

o 1 r . / r

i\'lKicjl 11 ijjs de /uiderstroek ; i n gt; m ij utgt; n

of \'in imuihii h iKiajjs zva. ij tum 41/n (irijj\\ —

* quot;co\'iS\'^\' ,u \'\'\'J611 iduuten, öv. de rn£ of n i?u rijstplantjes in rijen op het land neerleggen, om vervolgens geplant te worden. - mini n (ia/j\\ in rijen, zooals hoornen, bloemen, huizen enz.; rij, inzonderheid, van boomen, laan? B. S. 402, C. S.

mmi HN. overstrooming, watervloed; het stroomen van water over het land {yrg. drri jij), i.nrni in gt;i,ii {\\ bloedbad. — y m i rm 1:11 mi \\ bandjir ot\' zoo iets. — fun/fjrmis als een bandjir,

vaneen die achter elkaar aldoor teint. m v 1 fni -t? \\

co

land overstroomen. uiiirn r.m n^iti/i/j* overstroomd worden; door watersnood lijden. — ami^ni zich in een bandjir vermaken; een geval van b a n dj i r, watersnood.

im irfn of riKh^i n pN., n i 1\'?\\ k. , voortgang, vervolg, voort, onmiddellijk, regtatreeks, daarop, daarna, vervolgens, dan. ti:nmi\\ i:n ojj^njj\\ of (t/n rms njncui(un/j\\ iruiiêlt;\\ voortgaan, vervolgen; regt doorgaan, doorreizen ; u het vervolg.

i.)r.n iri n ij -n vin het vervolg, voortaan.— k n m r/y \\ ini iu i:lt;\\ door een of andere omstandigheid verder raken, verdergaan, tot het een of ander komen of geraken zonder opzei, te ver gegaan, zich vergalopperen, voortgezet, voortgezet raken, voortgang

. a ) .

krijgen, ci -iyi vm jv/mn liet is reeds t^ ver gekomen

, ; ^ v ; ) x-

(vrg. mi i-yipn). ij i/n2 ij n 1 gt;if 1 11 / y ij 1,11.1:11 r/y\\

hij heeft zich verslapen, nn.r.n rni irjip in slaap

geraakt, van iemand die was gaan liggen om uit

te rusten { hihiiy yj yii ihi/j), zva. hniy ii^um/^w

ii 11X7Y) vijniTït (tin \\ van kwaad tot ertrer. — m fi ei Cr). c (o

rm\'ri n,ut)\\ n/n 1:1 irlt; i:i 1,11 in 1 doen voortgaan,

C-q \' ( ny Jl

voortgang doen nemen; voortzetten.

^ Q. ) quot;)

tjiii? ij im ? \\ kw. ^ iim ijh? ri 1.1 f 1 n 1 ^/n if hi if

ij iKM/js (zóo in li. T. Dj. 115)? doch ook nm. van een bamboesoort, Tj. in 13. T. Dj. kan wettigi ook de naam van de bamboe i.pl. v. de daarvan gemaakte vnit\'iw gebruikt zijn kn. zva. ijitn ij i\'gt;n ?

/ v-v . O\'

711:11? iTiii m r 111 \\ zie imi inw \' rv r gt; lt;r-

l) .0 »,)

mi iii(bii/j\\ kn. ij aw 17j (L/i zva. ij bm ij 111 n rn n

rondgaande topèng\'s, meestal jongens, llh.

o

m 1111 iL,n/i\\K.\\v.: 1 11 n 1 m .1 n/i\\ zva. i/n 1^1.1 n,)^ weu;-C\' l \' fo Cl\' 1 co 1

werpen, wegnemen. (J. am^ 1jn ibij/j ui\\ de ziel

wegnemen, doen sterven. CS., vola. Rh. 1 n gt; 1 nn

ro C )

vernietigen, doen sterven, als vervolg op een anderen dood, als de een na den ander sterft,


-ocr page 1138-

, )

en rin i iJJ]^

rr]r

1050

lot eindelijk tlü heele familie vernielujd wordt,

zoo lor plaatse roepl de vorstin ran IViratd, na

den dood van alle haar drie zonen-, ti ui iHcnnn

\' Cf

nuim Goden, iiecint mij ook weg! 15..J.

XV, li, 10. i )i rm i n iij tpr\' i van sterfgevallen de ecu na den ander.

in rni KN. buil op het hoofd of voorhoofd door

een stoot of val.

r.n rin,n i/j KN. al wat dient lol steun, aanvulliiig of behulp {vry. i/y in hu iji iLiijj), hv. maïs ter\'voorziening in gebrek aan rijst, hulpbende ter versterking {erg. i:ii(Hj)i plaatsvervangur, aequivalent.

— un li iin m/)\\ scliray.en , te hull) komen, m ■■ i

co y\' 1 fn

i m ui \\ den strijd se kragen , in den strijd

te hulp komen; (oprukken ten strijde, AV. P. 491,

volg.). — i n .tn in iu \\ Iemand ergens in te hulp

komen, versterking Kenden. — in ) iriii irrif hu

Iets tot stijving of versterking doen diemn.

i iiiiii\\ ben. can een groote mj i. i

i ii rni\\ KN. lange rij, van menschen of halzen; in

15. van vruchtboomen. nn.\'iin) zich in een co r gt;

lange rij seharen, uitstrekken {vrg. inn iii).— i n

rinw(Khp in lange rijen. Zie ook bij 3.

ij mi in \\ zva. ij r.n i in \\ zie »1 inaj^hn/jW a*

»ƒ«:/)/ /i;\\ Zie ij r n\'t^nnjjw

r.n inn\\ KW. zva n m iiw Voor m hi\\ Mal. banoc-

H 1 O

waf {Skr. wanya, silvestris , i\'K., tot het boseh behoorende).

* n njp N., if Hu2 l i i gt; k. , water; 7). sêngk. vier. m iwyi rj m id (hn \\ Salter\'s water, m im ju ki\\ kwik. rninj^fiij^p gouddraad, ook naam van een . residentie op Java. (urj ij m in mj yi n i ? iy n ? \\ amphibie. n/rj iLi t n uj j een waterslang, waartoe de Tropodlnot as en llomalopsis soorten behoor en.

— Vlg. at\'stamming, oorsprong, Ldkon : m nj j

ibii Kii ili hnvan boeta-stam, (\'. S. r\'n m n

iii,ir n., i/h m rmi ii/i? i.i i K. de maandstonden co f Q i »1

hebben, WW. zie iv an n iui bij irii\\\\ mh

■irnnii\\ zva. ill ) .r.n (Hi i \\ Zie nnw rn rn (old I (j

riii N., rjihtidij ui? ni\\ (of rn ij rn t i n ni/f\\ Rh.) en i^rnf ijuaojjs k., wateren j ziju gevoeg doen : volg. WW. ook zich het gezicht of voeten was-scheu [vrg. s\\/nMj {\\ en ii i ï). — i /lt; - iihj N., 11 u) ? gt; i r k. , hanen y die gevochten hebben , was-schen en drenken met ijhiinjri ^ rn ; i hj i i i ns

KN. bij ivijs van boete zieh onthouden van \'t gebruik van water, en van. al wat water bevat, als suikerrut, vruchten, enz.; in plaats van water, melk drinken enz. — i n r i ujjj? iy gt; ij m ?iu i ;,y iets, bv. een bouwland, van water voorzien, bewateren, ook zva. xn si(ifiij\\ nl. een vechthaan, coJ li

un r.n ij (igjjd un ij itm ia i ui/j van water voorzien ; met water bedekt, ynr) ihm (llkhiji wordt ooi-gebïulkt voor un r.n rj en i.nr.n ij i-imi/jw — m \'l Hi,(l KNquot; (\'1 wi ui k. WW.) een vocl/l, dat tot zwart maken van leder en van de tanden, wordt gebruikt, gewoonlijk bestaande uit kokoswater , waarin men gloeijend oud ijzer e enige da-

(jen laat slaan {vgl. ij im i i i mp\\ aldaar en onder

V ■ ) O /.

lUtjlihi/j ;); — m lij j.!-! ui j ij hm m ujanij oj m

\'ii rn lUj ^ lij .uii. i hn ij rn \' 11 ruj :hi p buikloop of

diarrhee hebben, WW.J, volg. Ilh. iirrirnrnn

o . ^

Ij Uijf UI ijs ut liii rn ij (bmii.ii afi.j\\ — ujuijujji

Mifj plaats, waar zich water bevindt, G, yü/y. Uli. zva. i.-N n tuin\\

(O

\'7\'y,/N Kw ~va\' \'Ij\') m ,l!\' \' /?NN

ij rut ij nj jg of gt;/r.n Hf lt;}lt;j,j\' KN. soort van nangka, die week van vleesrh is, WW. zalf, blanketsel; lijn, zacht vel; aarden kandelaar {in deze laotsic bet. wettigl m n ïj r.nt ij iij^ een zekere vorm van kandelaar, Tj.; voorafgaat tu ihp ij ).i ^gt;1 i-j^) G. — rn tj is ij uji^\\{ook i/n if i^ij ^(Ui jis in K. -i, 14. rn i,j ij n i* ij uii\'^ besmeerd), het ligcliaaai met zalf of smeersel (»ƒ lt;m? ij n gt; \\ ajt tvi tuy enz) bestrijken, G. ijim if ujjjt\\ volg. Uh. week, zacht, beursch op het gevoel van een vrucht. 111 nJ\\ vochtige schurft, Ilh. vrg. ij / m tj m j *\\\\

gt;1 urn tj ujnt zva. y hiiiijihgngss IV vrg. ijiinttj

bij if tmnj n^w i n ij :uj 1? ïa/j\\ zie rn ihfJ

* n iijh\'uiji,nj\\KN. onbedachtzaam, in het spreken of handelen. 1 11 uj j m ƒ 1. n uj ƒ ;y j^n j f\'^cj. Men.,

n O\' )41

en 15 zva. r.n nrvt j.} u n n j:t j uii^ .

1 n ?y ƒ \\ KN. nm. v. e. lekkere zeevlsch, eenigzins

gelijkende op onze haring (Tj ) Kh.

i n Hjj^ hn jv KN. gans. rnujji.nn\'is naam van cru

gouden gans , die tot de (ur^ 1 1 mj ■»1 van den l7orsl

behoort, en bij een plegiige optogt gedragen

wordt. IVangs. ui iu i.n 11 i^n rj n\'n 1 1 ui j -- \' quot;

quot;I JHii/j IIh. 11 1 n\\ een soort wilde gans oj


-ocr page 1139-

r.n \'I nil gt; .11 \\

1(151

\'ryrvr

af mie eend. — una iionihir als ecu galis duen .

J (O / 1 \' \'

van een aekeelde l ip, die nog ecu poon rondloopt voordat zij sterft: naar men wil, ontieend aan dc taaiheid van tanghatziy gevogeltegt; als ganzen, eenden, enz. {org. : 111 ^n); ouk in bedwelming roiKldraniJen, hu. door een gevoelig en slag op het hoofd\', radeloos rondloopen, wanneer men in nood

-it {quot;gt;■!/■ \'i \'ü\', \'i1\' «!*)• — rquot; yi ■

rolleiul, klotsend en spattend van een vloed ge-zegd, die onstuimig daarheen stroomt, WW. ujij/.quot;/ƒ\\ kn. geschaafd, geschramd, schram {zva. .i;y mr.ii iiii/j), ranw, ontveld, van een

wondt vooral van een brandwond {zva. ij u i \' ij \'I quot;//\'■?)* — ontveld-, gewond-, enz.

makend.

ij i n ij .hjii mi j\\ kn. papperig, week.

ij int ij hj/j? liH/J j i ii i ij irjijiw

i ii ij,hii? iuji\\ kn. snaaksch / grappig, {vrg quot; f gt; j i n ij nn / ii ij). — i ii ij ij,\'!? ii/l ifijj ó/ i n i:n tj inj/j \'i

iinnjs grappen maken, grap, pots.

. ) \' . ^ . , )

rn hj jihpi kn. — i n i ihj£ lijji* - \'f i arj /

\'W

o ~i . n

i n igt;ll } i i ti\\ K t hj i ] hiis zie i ii ij ij? fi \'Huw

\'\'l i\'\'lZlL\' l\'r/kH]\'I^

i ij hi igt;jiui^\\ zie xm t /

rgt;» mm\\ kn. naam van een zoetwater;isch, ietsgroo-

(er dan i n ij iji \\\\

i n nn i,n ]\\ kn. — i •/) i iin i% u/) n met een stok of (d \' lt;o(J -■/\' \'

iets hards op iets dergelijks slaan, met den stok van een lans afslaan, pareren {vrg. -i n in nii). i \'n hu u ij, in hj 11 ielt; Wangs, op ■ n ij njjji ui/j , V. S.

v ) O a i.ii

in nn i,n,j\\ kn zva m ifi un j liet pmkspel. —uw

) Ci

i \\\'(nl\'\'quot;jV l),n\'ien i ^ oan haffels met (Ichorous

met elkaar schermen , zoodat dé punten tegen elkaar

komen cn het geluid quot;tikquot; geven. ) ) -) \' KN\' zva. \' a {\',y i j i n i i nrj iiiiji\\ met

den klank toek aanraken {vrg. m i.j liiyj); stoo-

tcn , aanstooten. i/n ; i nn mi ^ n nn ki/) het hoofd ) ^ (.(»(.,/ (x Jf

atooten. — ■ n i n nn 1,11 .in/j\\ tegen elkander stoeten.

)

i ii \'I nn i a p kn. barst, scheur, bv. in een innur . plank, aardewerk enz.; gebarsten, gescheurd {vrg. .

\' 1 ^ \'/j \'s\' \' 1 Ln/j)- 1 quot; ■ \' \'l\'Y\'l\' quot;/N «chen- 1 ren {ir.) bv. een pager. - i ii i^nn i^n gt; bij padigroci;

de aren doen de blaren door il : zwelling uit elkander wijken en worden zigtbaar, SG.

i ii ij nnt n.i;^ zva. cmtym n/jjw

i nini\\ kn. — xn 11 nn deftig, kranig, Rh.

(ü coiu 0\' 0\'

m ij nnsKS. wilde stier o/ koe, bos Sindaïcus; ook naam v. e. donkergrijze arhisoort, Kr. Wang saltan: i n inin i n n i i n/i of i n nnni i n i-V - i, n

\' CJÜ - \' quot; \' (u -

nn r)/j\\ C. S. rimi rirnn\\ fiii, zva. steun, toever-

Ub ^ \' Cv JJ

laat, bv. rn rn ij nn ij ri in tn ri i n ini ny

) . , quot;) .

innn\\ KN. - i n i nn zva. i nn bn ijinii\\

(sJ \'IfU (d J (v

wijd uitspreiden, uitrekken, enz.

. ) 1.. ) Ov ) Qv .

rmnn KN. ; nrnn en i n i nn gt; zva. i ii,n\\ lun

Cd Cd (O C^j

van middel.

in nnn i \\ kn. een ^rootc dikke stok: vra. ,rrnn \\ \'Cd lt;7

— i n ni n\'n*\\ daarmee slaan.

co \' cd

gt; - gt; ) . ) ,

in ui Of rniiiii KNrn ; i i t o i n i n i i\' , den

fl \' lt; CO fi \' (O \'

mond digi houden, d. i. noch sirih noch tabaks-pruim noch iets anders gebruiken, zelfs niet ronken of spreken; de lippen zam(Vntrekken ook van kwaadheid. i3 n n n ij i.n ~ n i j i, n ^n j i^i n tj Ij 1 /n w

\'yy bochel, bult op den rug, gebocheld; van rijst, zva. i ij ri i Tj. mei de toespijs er om heen gelegd lUi. (/ y \'.rn m i y n n i n\\). /y; rui \\ ftg. van een berg, de top, Tj.

iirn(hji\\ kn.; ij 1:11 ui ij rndriftig, hartstogtelijk

spreken.

ritdj) KW. het aangeziujt, G.

iirn?iigt;\\ N., ni tj n {in poëzie n ij n) k., kind, niet in betrekking tot de ouders {erg. i n i.j i,n j), jonge», meisje, tj nn n ; n ij i:i? .ni j\\ meisje, in ij ijn i:lt; i jv jonge, ij rm l i gt; i iïi J ui/j mijn kinderen , noemt de ^orst zijn onderdanen, en ook in 7 dagelijksch leven zegt men wel van zijn belli enden ij r iim j i,ii\\ . iiii lli ij im t ui j\\ als een kind , bv. zich gedragen. — i nt ^ rm i i gt; knaiip ia den ruimst en zin van het woord. — nj ^ n i )^\\ N., {volg. llh. ongebr.\\ zie ben.), ruriniij ij ir k., kinderachtig. — m ij ; i * i.i; vn\\ n. , » n ri ij n i j \\ k., het voorkomen hebben van een kind, zoo onnoozel zijn of zich aanstellen als een kind. WW. — /,ii ij imii gt; i,n(uifj\\ igt;n n i ij n in hi/j^ kindschheid , kindsche jaren, nn n ni inu(in/js kindernaam {de naam, dien men als kind draagt , en volgens Jav. gebruik later voor een anderen


-ocr page 1140-

1052 .i:n(tSonji\\

verwisselL ü. S.). —• ij i n trui ? tun anjj\\\' »/ ; gt; / /.y op de wijze van kinderen , kinderachtig. WW. j..\'1 rjicmaj) j dm nrt/j i. n (ijl ru rj m \\ kinderachtig. tj in f rj(irn 2hji qrun (hnn. kindsche dagen.

ui /Sii/YTyiN kn. stank , stinken , als verrot vleesch; ook

van slank in het algemeen {cry. ün rï\\ ij} (K/ï iu

/ (O o .

i;) \\ (l i ls/lt; \\ ï //,/ ).

i kn. een wilde pisangsoort (yry. /jwo!).

/ »/»ƒ gt;0) ?.;) gt; r» fo» 7^ /?j) \'r» /j \\ zva. mi rj ;o) ^ jo) \\ k //

X . /

/ƒ #0) »ƒ; j» • n (nu ij n-Jt \\\\

gt;1 irn if thj}\\ kn. huislioudgold, zva. ifi.ntimw ij

vj ui ij D tj ■ M n tekort komen met het huishoudgeld.

gt;j tj) ij i.i (i:ti ij 11 \\ verteringen en uitgaven?

ij m ? ij rit \\ J. kn. Ml. lek, lekken, lekkage. — 2.

KN. aanhoudend koeren in zijn kooi, van een v

Ktj ry^.injj\'s die zich als in de vrije natuur (je-voelt, eit zonder de minste vreesachtigheid gedurig laat hoor en, volg. WW. ook Jlg. veel spreken, op zijn praatstoel zijn.

riiiCi\'ri\\ plaats, waar een vorst zicii aan zijn onderdanen vertoont, G. volg. \\V. zva. ij i n n.uii yi\\ i /li jij in ruj^ arijj\\ {Sir. prdtjir a , voor-hol\').

in ijl ii \\ Kw. schreeuwen, krijschcn, echo, G.

O . O O

ini i n\\--\' i Kiitiw en if i ui m zva. tui t im

• (ii ui

(hi^ overleggen, beraadslogen mot, /.amen overleggen ; onderhandelen.

m / ) Kiiji of ini l ii wn ƒ \\ KN. drassig, van gronden, die te veel water bezitten, en ongeschikt zijn voor bebouwing.

ni(h^ilt;nji en inrfwiun/js kn, ; i n {lojj uriji of im i,i ifiJitnii/]\\ kappen, hakken; den grond los hakken

met een pat joel {vrg. ui ij m ? i.ii q). — d/n iin^

a •gt;

i,ii\\ d/n it 11) ui ? hii \\ mv. — i ii fKKjiKii li kii i n

\' L ro \' rn fl \'

! i ij ui? hii ij hii\\ met iets kappen c/hakken. — i n ij #oï ? .ilt;ti (hi ij \\ hak, klap, slag, ook obj, den.; verder een balk, die nog maar ruw bewerkt is, en zoo fit/, van een mensch, onbeschaafd, nog onbekwaam, AS.

i.ii7j iJi2 inijj\\ L.zie vtKhJ^Hiip 2. — in • i ij i.:i2 hii/j\\ een paard een touw om de onderkaak slaan , om i het te beteugelen of leiden, ook vi:ii ij.ui? ilt;ii/j\\

\'o ) . . .

i n i :i Hii/j\\}i., i i tj i ii k. , (org. »//.y m,^), mooi, rraui, | schoon, sierlijk, net, goed , deugdzaam, wel, braaf; i {pok edel, fatsoenlijk, in tegenstelling van gemeen.

laag, 15. J. XXVII, 5, 7, XXXIX, 1, 5, enz. C. S.); gaaf, onbeschadigd; wel, niet ziek /,ijii} geen smart of leed hebben, iij iji jui i?i hii^\\ best, beter, ui^ lui.nn/j^ al goed , al in orde ; onverbeterlijk. ui ici hiii:i ui/j^ uitmuntend, voortrefTelijk. j n/l ini tui tip ih]\\ liet is goed. dat het in orde gemaakt worde, i^i ij im i i hu aLii ann zoo is het beter.

o ) 1

UI UI Ij H_j l 11 IJl Kll j^

vvr

Do O o .

i u ui i,ii in ij it ii • het rn •

het mooiste, het best. m utjmi\\ het is gelukkig, dat; zva. nsr^ it^ij i(i\\ Rh.

allerbeste zou zijn, dat. — ifii n hu iji hii.^

en •\'

in alle; opzigten wel, friscli en gezond. — i n ■■ 1 (Ijih?i \\ mi yjnrmu] \\ iets goed of in orde maken, schoonmaken , onderhonden, verfraaijen , herstellen {een lijk ter begrafenis of verbranding gereed maken , afleggen, 13. J. L. N. Krit. XV, 1,5 enz. C. S.); iemand goed doen, weldaden bewijzen. — /. n ui iJi Hii tfnhj) ij i n kj \'HTJjN goedheid, deugd, weldaad, weldadigheid , gunst. — (im } viji /.»/ tj rm ij i/n hu ~/niKii (Kias in orde maken, in goeden staat brengen, herstellen; goed of schoon doen

voorkomen; goed, mooi noemen. kh rti i///

) o ,

Ij Uj ïj Kil i I 11 ! 1 Kil tj 11 tl \\ UI lil 11 I Kil MI l/ll (UI \\ lict-

geen er zoo uitziet, hond je voor mooi, hoe moot het leelijke er dan wel uitzien! — goedkeuren, in \'t gelijk stellen (B. J. G. Krit. LX1, 14-; Jav.

IVellen, 1 87, 8 v. o.; » n ni iui kh ,//»ij kii tj 1)1/ inn

) o . ri u \\ Do

Kiijj in i ui Kij ij kii rj / I/ i ti ui l^.o.). — rn i i igt;n

:Hijj\\ weder goede vrienden worden, zich verzoenen, Rh. — i n i i hnui Kn !Ki/j\\ door vergelijking zien wie iets mooijer heeft, of wedijveren , wie iets

het best doet. un ti m? i n iji /. n ii i.n an iu i n

\' CO quot;KC/fi

kom, laat ons zien, wie \'t mooist schrijft! iirn

iji in ii mi iiKis hoe goed of mooi ook, enz bv. ro \'•»- \' /

o ) ) ■gt; . .

Ij Uil 2 If I J il.ll hll iUI^ \\ I 11 I 1 Ij lill ,71? fl gt; til IjlOli*

ijtj i n ui ij i

h

cyi

karta bewaard. 1

i n i i h ii/j\\ KN. naam van een biïndé, het erfstuk van

m tj iji.un tj i.i n i^ in den Krat on te Soera-

n nui i(iiij\\ kn. met kleine holtens of indruksels v. de huid, tengevolge van schurft of andere ziekten.

tj r.rirj(iJi Klus kn. modderig, drassig van grond , ifli ook naam van een soepachtige vleesch kost, gokonkt schapevleesch.

ijuiii\'ji i\'i,ii/j\\ kn. gewond, met wouden aan den

wel gelukken, r.ii irn i gt;


-ocr page 1141-

i n a-j^ \'Lgt;nji.

ko)», onder het veelden bekomen, van een haan; van een persoon zijn reputatie verliezen, door herhaalde oneerlijke liaudelinpen, ooic. van iemand die dikwijls keunis heeft gemaakt met de justitie.

rnihTj\'iiip zva. iini rinw ziz hn rtirin\\

i ,n if i ■ui \'i n V mtl,n ; 11 ui n gt;11lt; }i w

(O h * \'

inijki2kn. bek, mnilj plat voor mond, smoel.

vn i.iaw/js zva. ti7intlt;nxy]\\ Tj.

r.ii(Ut m/J zie r.r^ (óf w

m kn. met een kap of hak bv. van de schors van een boom, van de huid; {pry. ij gt; ivj ijnj)ti^Ij)- \'1^1*11 )} n nj i i nyjgt; overal zoo gekapt,

overal met wonden.

0 . rquot;)

n:)}flji iti^ ^ kw. zva. a ii j j Mn/jquot;

in i ij tjj \\ kn. njn\'fviij) Mjj in zunr of pekel leggen, inleggen; ook ongeo zva. if/nufi/ii\\ v. wapens.

il.vtt2rj(}3)2\\ WW. volff. Rh. ongebr. zva. invurj 1*12s zie vjwiziinhdw

1 iioSl(o^\\ kw. kn. van verseliillende kleuren, van gemengd ras. h y li in iS ci ? \\ naam van een vroeg er en rijkszetel op Java, ook wel np nm ijm genaamd, im lu nri ni 171 j ■■ onderdanen van verschillende kleuren, van verseliillende natiën, »ƒ v/?in?i?t»/ ^iemand van gemengd ras; (iemand, die met allerlei soort van menschen kan omgaan, WW).

en a.t) kw. 1. zva. lt;un if nu % \\ (ui t) asn ny 1. overal, in \'t ronde, wijd en zijd veispreid. i/nijim gt;i! i /.»\\ naam van een paard in de Bratd-Joeda. — 2. llikkeren, schitteren, fonkelen; vuurrood (zva.

/ 7\'quot; /x \'7quot;\'n 11,1 1 *pf n(^3*111\'\'pjrrfi^\'in

. /) o x

i\'ii i ii i i hti/jw vrg. i-ns).

ins 1. zva, d-jj tf. i .i :ii \\ G. {grondvorm van in i n \\ (f.rj

^ k ) S s

rn\\ t i m enz.; vrq. ui).

11. kw. gebrekkig, ellendig {zva. n.muj\\ tui tui v nfuiwjj), G.

i ii\\ grondvorm van ajrii.ii n r.n i_-n.iri enz.; zie

of im i:ii \\ Holt. bier.

0f unr.ti kn. i. ook i it klanknabootsing van het wegvliegen van een vogel, n ia(Hnjj\\ n., vnivihriJi k. , wegvliegen als een vogel, spreekwijs voor zijn huis verlaten zonder iets mee te nemen. ,ry of r\'r^\\ weggevlogen, verdwenen, verdwijnen, wegraken; vervallen, van een pand

rjnm 1053

, x ) V ) O- ■) /■ ,

{vrg. (Up. ini:ri\\ zva. mi .r — i i r.n\\ doen

vergaan, smelten, te niet doen, G. Kry. njrrp en zie een ander i:i i:r^ bij thi 97^ \\). — iti urn n ii Tj kii\\ een pand laten vervallen. — luy n w j of a:r^ ri zie beneden. — nfif rij nto j of a // ry am ir!^ n !ni/j\\ vervallen, vervallen pandgoed. — .rn riinMyjs gedurig in vliegende beweging zijn af hard loopen, heen en weer snellen. — riiin\\ zie beneden, ff nm(vn^\\ njti en i ïi i n \\ kn. het vliegen, de vlugt, va?i een vogel, \'luojuia/h imv in\\ zva. niiiJih?inritHi/j\\ brief, in onder scheiding van tu(tinm i i w/J\\ boek , W W. zendbi iel\', kondbrief; en volg. IUi. bep. circulaire ter aankondiging van de komst van een ambtenaar , reiziger enz. un kïi ^iLiï vni ii i /i\\ ioopend schrift, in onderscheiding van un un -m ridj)(ui(ynjj\\ gedrukt, staand schrift zooals meestal in de leeshoeken wordt gevonden. — (17/unarr^\\ door elkander strooijen {vrg. i i rtyiun (Uj bij nop. -— n r^. { u litj WW.) ui in \\ vliegen, opvliegen, wegvliegen. — hnr.rjs (ij.hmvyy \\\\ \\\\.) ^ i.n i n\\ ait elkander vliegen, door den wind op- o/meegevoerd, verstuiven. — iki\\ enz. op iets afvliegen, naar iets toevliegen. — iui nrr^ni tj iw \\ enz., op-, weg-of uit elkander doen vliegen, laten wegwaaijen; vliegend wegnemen. — {iw cijiiiin/js WW.) nJii

i n niKi/j^ vliegend als soort, in onderscheiding van pluimvee, dat niet vliegt, rf r.ri iuittm i:n n .ni^ vliegende dieren, gevogelte.

11. Holt. boor. — u i\\ boren. — ïlii^ n

ii un n . voor een ander iets boren; iets laten bo-

/ X J. ) \' ï S .

ren. xty^ccy^^khi^ of un xm i:n iinjj \\ geboord, geboord gat.

\'/ i n\\ \\. of i n ij rn\\Kn. overvloeijou , overloopen, van water-, overmatig, buitengemeen; mild, edelmoedig {vrg. in turn njiji n). iji \'n r.ngt;ui\\ milddadig, edelmoedig, if .rh oi i im of ^ in ui fl ut ris welbespraakt, WW. spraakzaam, tiotii TïmJjiji »»n welsprekendheid, WW. spraakzaamheid,

Tf ia mij \\ stoutmoedig, overmoedig. — ifurnjiiu zie beneden. xm\'/p» \\ vloeijend zich uitbreiden {iets overstroomen, B. J. IX, 4,3, van de zee-. imnimiunriiiiKHi^ ü. S.). — iiiiitin\\ vloei-

\'lt;igt; \'(O

jend iets bereiken, ergens indringen. — nm y .w nvjuns iets er yens heen, door of over iets doen


-ocr page 1142-

1054

vlooyeu. — y rn n\\ overloopcnd op zVAv storten ; zich over iels uitstrekken. 11 mi lt; n mn t ti ; rt

li (Jt \'xy /\'(o

tpf Ij i:n 11 rn ui j r y u i ile recjuisiiie van den Vorst strekt zich niet over mijn gehieil uit. — (lt; ?ij iji t} ij }lt;u \\ doen overvJoeijen ; iets over iets anders uitstrekken (zijn overvloed, of waf menie veel heeft, op een ander overdragen, Jav. wellen

\'i rn t asii Hijj i ii \'i j lil ii / i.j

nam vrachtgoederen , C. S.).

100, li: .• / uj di h )i i) nn i iisif inif] i /»tJ) i{i n i lij ii i i ij i n a ii /. ii \\ abs

if1 \'i quot; 7

O /

ayiji hii ij i i(ui ij i:ii n ij hii f i t) i, n ij ili ij i i .u iij i.y \\ hij spreidt zijne schulden over zijne ondergeschikten uit, legt hun de betaling er van op. — rjnn ij i n n ni/j of am ij i.n vn ij ifii n(mji\\ overvloeisel, overgevloeid; uitgeschreven belasting, algemecne verpligte levering.

ij. kn. klanknabootsing van hel slaan op een groot bekken ( nhjCf i).

ij im \\ kn. een ferm bij hel q .i n 2 spel, nl. omvallen van de baksteen, waarop gegooid wordt.

177» Mn 1. zva. r.itins zie ijn 1 nw i.iiin rn\\ naar co ro

verre j)laatsen gaan en daar tijdelijk vertoeven, (Tj.) Rh.; meer bep. op padi-oogst uitgaan, en op de plaats blijven tot na alloop van den oogst.

II. kw. zva. fihi i?i mogelijk, misschien, indien {vrg. en ilu 2. en imn\'i) — u yim gt;gt; {of u ni:n gt;i\\ WP. 459). n., il jniain k. , mogelijk, het is mogelijk, doch zóó, dat hel toch niet zeker, en alleen maar bij geluk mogelijk is; ook weinig kans, er is weinig kans, t is te betwijfelen; bedenkelijk; nauwelijks te hopen; bv. mu I

O ) . O ) . O 1 1 .

/.ij ili 1.1 %ii ui 1.111 ijj^ wifj\' het is mogelijk, j maar er is weinig kans, dat mijn vader in liet leven blijft; m 11 id t) rhi ij i/i\\ of ajin 1 n »1 rj ili lt;in i jfy het is mogelijk maar niet denkelijk, er is weinig kans, dat hij zal willen. (ui nn n gt;1 ijmnii i 1 ii\'n\\ liet is mogelijk dat hij het kan, maar het is toch niet zeker. Zoo ook ij »Mrn B. J.

XXX IE, 18, 0, u 11 r.n n rj i.j ui m ui .• 1 :1 r.j k i J?i (\\ wie weet of hij niet eenmaal zal kunnen..., enz.

C. S. ivttm ii zva, lu ni n n\\ W I, 205, A. ro

12. — un n in yi zva. tui \'Ji ui n \\ \'t is al veel,

. . -gt; n

dat : 1 n n 111 n tj hu t ij \' 1 y 1W ? »»lt;1x1 1 n ij rrri i ini \\

\'t is al wel, dat je er geen klappen bij opgeloopen j

hebt.

iii. kn. zva. gt;h:iilt;i.li\\ helling, tol, belasting, belofte, toezegging, G.

IV. kn. franje, borduursel. 1.7» /y n\\ (Tj) of ia :iirgt;i\\ Waj. Pr. UI, met franje versierd. —

nnniuyjs met borduursel oj franje.

V. kw. (hi i n \'gt;»\\ zva. \' gt;1 honderd niil-lioen {Skr. jvdra, groote menigte).

vi. kn. een werktuig van bamboe om visch te vangen, {in Wang saltan omschreven door nij-ni

■gt; O .

1 n ; 1 1,11 , n uj 111 i.j 111 n 1.1 j

c:. s.;

0

in 1.1 s i.n n » ui (Hifi

zva, 1 »»»»»» of ij ui »ƒ ■»»?\\ *:»\' ij/ui hlkijis

o \\

vrg 11 ij.ij)).

Vil. d ; tomjjel van li ii ra-

boe d 0 e r in de residentie K e d 0 e op Java. f;algen s Winter is rn n l {wellicht mei het oui/ op sommige beelden van dien tempel\'?) een reusachtig beeld, kolos, en zegt men bv. van een gr ooi zwaarlijvig mensch : aoi 1 ^ ij-n i.n u 1 i n na.ydo^ V. S.; tegen de stijve, onbewegelijke gedaante van den vogelverschrikker, .».»» uj m qji vij, (ij^ gt; K. -i, .\'M r.n gt;7\\N. j zva. iLKHi/j^ 1.1 f i iij/js mot, en, door. aan , tegen, jegens, naar. vit ij(icnjdrn n in ».»^ ver van mij. ui ujxni nucr^ het tegen mij wagen, n

.\'»^n\\ zva, vu rgt;i \\ met, en, benevens.

cn

t ^ n

lm i. kw. zva tn^i uifi en i^j i.y n i,^ (i.

11. naam van een fatsoen van lansen, {toig. Rh. verk. van i n y^unïui\\). uyjjMir.n ry een oude lans onder de erfstukken van den Soesoehop-nan van Soorakarta.

m. mi- ^ nieuw, in aniijuiiy kn. nieuwjaar der Europeanen en (\'hinezen. ihnaynin \'ji i uj\\ het Chinesche nieuwjaar.

in n kn. woest, onbebouwd, braak; onbebouwde, woeste grond (/,j \' »\\ \'versch, onbeproefd, van een haan, die nog niet gevochten heeft, WW. zulk een haan volg, 11 h. vn kii iu/j^ doch in n van een vechthaan, die in langen tijd uicl gevochten heeft, en daardoor verzwakt is. —

1 11 t l^i.n ii\\ woesten grond ontginnen, WW. volff Rh. een verlaten grond bebouwen. — a/11 »»».»»\\ een gromt onbebouwd, braak laten liggen. (1777xrh\'iinn/j* voor het eerst ontgonnen land; WW. woest, onbebouwd, braakliggend.

111 ■ fi \\ kn. arend, griflloen {in Wang saltan omschrc» ven door i i i,ii Jt\'n irlt;\\ C. S.) zva. ern nynw


-ocr page 1143-

1055

^ i a __

j-I) m\\ KW. zva t i ij ia ihnji\\N., r.n rm li.--ilt;n

on o o o o -i ^ o o ,,

i ,ii } i \\n n:n*rrn n J. poet. zva. iHninn\\ iSi.

ieder oogcnblik, telkens.\'

O 11 0 11

.}7gt;j ij \\ ivN. blaaaw. 11 i asnjj\\ zie u i i i mni/j^

hemelshlaauw rfru/d vohj. Kh. de Javaan uil (/oor ril ij gt;i ii/y ihn/j\\ {JVanff saltan : iiit\'irh ij \\ Mii\'i xs — ou/r blaanwachtig, of een lie ar die daarvoor dooryaai, hu. van een moedervlek, Wany-saltan: m a il ij i^ï i i gt; l »gt; v HZ y ^ I , (J.

S.V— i n .\'i n \\ blaauw verwen. —i/rt sl i il n m

cn (l co \'

uix blaauw worden, het yelaat, «lo doodskicur

krijgen; iih. oö/? blaauw, ligtblaauw verwen.

o o • / • • ■ b

— .1:1 rn r.H ijrm iij\\ zie bij tim(V.ri w — i n tj gt;u

aajj\\ blaauwe stof, G.; blaauw geverwd Tj.: het blaauwe gedeelte, de blaauwe grond a/\'vakken wjw een (jebatikt kleedje.

(ïj/i-tIn n., ?gt;ï\\ k., achter, achterste gedeelte (y;y. rtjj »lt;). (vyntamp;i aehler u, La/con C. S.) a\'/rï(L-r^ fl\\ iiwiuïfioï\\ achter, achterop, achteraan, van achteren; naderhand, later. gt; gt; khiu}ï■ n een kind uit een bijwijf o/ vrouw van den tweeden rang.

id. WW. (, in tegenstelling van inijnujl\\ inden zin van voorbij , verleden;

^iitnj(Hi i?n\\ verleden jaar. n rïiaïi.nni

\' ïua 1,1 y11 vertrek, \\V. I, 57. — hu i.n\'r)\\ hu ni iJï\\ ten achter geraakt , voorbyge-streefd, li. J. XVI IT, 5, 2, 7j [itx^g orn w tti—y /jfi Jig. verjedeii; ti^u iiyn /ui Sn irh nm Pi ifln Vrg. mi i\'f a*)ji\\ bij »/^ hij\\\\ Opmerkelijk, dal in ander verband juist o ingekeerd 11 11 iji/j^ i:ii.lt;\\ op hei voorafgegane , » ?] /.?/ op het volgendegt; toekomstige, betrekking heeft, {bv. im i^ gt;] i j ilt;i n i

(•) Ow O» lt;quot;) )

\'1 \' 7 \'}nfls \'/n lut \'n\'1,1 Ij 7 ( \\11quot; gt;n QN eerst heeft hij gezegd dat hij wilde; cn later niet), eene schijnbare tegenstrijdigheidgt; die zich verklaren laat, wanneer men in V eene geval zich tus.se/ten l voorafgegane en V volgende geplaatst denkt, met het eerste achter en V taaiste vóór zich , en in t andere geval, als buiten de zaken staande, alleen op hare onderlinge volgorde let, O. S. i ii

o

ui \'n z^1\' bij i n tbiyi \\ (u if i gt;1 \\ mi ?)i li]ï\\ ach-toiste, laatste, nakomende, (ondergeschikte; W. volgeling, bediende, G. zóo in \'l\'j.). ■■ i\'i» n ui

o. o \\ (il amp;

(,f \'iJïl (Iji ! r gt; i ij vy n ook m iiji if r n ij ï.y n n. , iji

h n i :i iaji qJ* iU ^; ^ l ] f ^ üo/- ;

(Li r:)iPiï i] i k. , naderhand, iu \'t vervolg,

ry »ƒ N. (j.y ^r KW.) cy /.-A K. KI)., vervol

ging. ojiuiu ij n 11(cr^-tiK iu een vervolging slagen ^/. i. winner o/ overwinnaar zijn, in het spel, een redetwist, den oorlog, WW. yö/y. Rh. overwinnaar zijn en daardoor moediger worden. .lt;sn /j;r.ii ■n\\ zie bij asYjmiw nna/neen jager,

crii: i llh. .iv//(M »/x djn f i ïj o f i//ï \'U (ik \\ na-

0 C(l 1 cq. \' Hf l

zetten, vervolgen; jagt maken op; met drift o/*

haast zoeken bij te komen, in te halen; najagen,

bejagen, ook Hg. naar iets streven,^, un^v/

/iisijins zijn verlies trachten in te halen. /i/.»i;/^

»i|N pass.; ook achtervolgd; overvallen worden bv.

door den nacht. Rh. — xm t i (üri ti n »/// i i n / (Q, ^ li i

of (i/n : y ij itj {i iiivi^ n n najjs kw.) jagen, nazetten, vervolgen, met onbepaald voorwerp, nu i ij

cO i\') s . ■

ijn:^ ly ;./m y i x »:y(y /./; / y/f^

h ii i .a li 11 ii i/i.\'/ \\ eig. overal nagezet worden, fig. als van de eene plaats naa.r de andere verjaagd, van het eone ongeluk in het andere vallen.

1 (.0 o . gt;

— i n ; i ii n ? ui i ii •\' i \'k l i i ii / \'it\\ t i * mv. (l\' O ul (l l

n:y ij min/j of r.y ?:y gt;ƒ nrin/j\\ (cr^ fc i /iUi/j of i tj icij. irc i:i tojjx r.yaèj .i i ihi/f o/jyjy/fy i i ki/j^ elkander naloopen, elkander vervolgen; iets of iemand waar jagt op gemaakt wordt; wild beest, wiid; vervolgde (ry riy ij n2(HÏ(ui ij -/«y. wetten,

11, 4 v. o.; 07, 2 v. o. {vrg. x.r^ Tum/j). i.iiKyj

i. . C*7) 1

rj ui i gt;1 ij gt;1\' W/\'n \' quot; \'lt;quot; rn ici; irlt; r.uHij^\\ ue vervolger, J. W . 14j() , Z, C. S.); ook dier in H algemeen. i y ij »»«? na ^ n n i l i/j wouddieren. ry i ?i.ilt;rf ij iin gt;. i li waterdieren. (IPangsaltan : r y y n ^ ^

- T . . _

f i of cy /ƒ rinKi ^mnuMiyj\'rn ij inn — » y / /x i:y^ nt iki ^/ii ij j^i Kj i ni n nrfws C. S.).—

l / V / ygt;»^ Uj KI fj \\ (L// V / J V lt; / (/// /j Of (L/l N

/.- i/gt; lt; ijjijn* hj enz. jagt plaats.

1 . )

iji:ii gt;ilt; kw. ij tin Lii m -1 ui i iiu gong zoy-

«ler knop iu het midden, o/igev. zva. dri (bekken, dat in de linkerhand gehouden en waarop mei een stok geslagen wordt, G.); oorlogsbek-ken (vrg. ni i n); metalen schenkblad {vrg. asnti i i/j\\ Skr. bhéri, keteltrom).

ij 1711 ij Tl \\ KN. nu ij 17/ ij II ij li) ij 1I\\ zva. Uil \'j (IJl rij ij ii ij iu ij ii\\ zie bij ij ui ij n w zva. /. u vj li ij nij rj (üii ^ i ij r/ ihii/j\\

i^/^\\KW. zva. fyi^r.njj G. {Frg. II.).


-ocr page 1144-

(iiniun ihn/js

105(1

ii mm ? \\ - \'m 11, r.n } w

\'O\'

i:irn?\\ kn. i. melaatschachüge zweren

{vry. iv.rjdoyniji). — /t.h■ gt;»^ xm thn/j\\ zulke zweren hebben. 3. glocijende kolon , (iw Men.

vnren, groóte vuren).

n u rj -n ?\\ kn. ongeregeld van houten dakpannen (^m rtnjiji) gezegdt als zij niet goed gelegd zijn. — rj imit)^ i n Ti\'r) ongeregeld ook hv. v. schrift; in de war, hv. v. huisraad niet op zijn plaats; verstrooid, gemorst, gestort hv. v. eten.

d

no T) ^ \\ zie ; \\\\

rjji ïj^n. , a iiii^\\k., daglooner, loondienaar, huurling, arbeider, sjouwer, lastdrager, koeli {vrg. luij nu)j in het algemeen iemand, die zich tot het verrlgien van arbeid verhuurt, hetzij tegen bepaald loon, hetzij, bo. bij veldarbeidy tegen een aandeel in de opbrengst van het land of in de vruchten; iemand die voor een zekere som geld een werk aanneemt , bv. het graven van een put, het overbrengen van huisraad bij een verhuizing, enz.

, O . ■) O .

of ccrr^ arrji 11 {\\ n. , rtt n ^ of i rn im k. {iun r;

(irrjl -n ^ \\ a u r G.), als b o e r o e h werken ;

co O O

d/n rni rj mi 2 iiw mi r.n n

n ri

winnen, am t tn i:u n?\\ zie asn f) mn llcnco 11 co

n ? ajn \\ a li; i n j mi \\ iemand\' als b o e r o e li huren of loon geven. — am ^ ^ ojii ij un \\ i m ri ^ a/n \'un (hij iets door een boeroeh laten verrigten.

— (Cïi\'n ^ajrKHyjs i.iirn fa/n (hi^ werkloon.

gt;1 mi ij n gt;\\n., rjmi2 if ayjji!gt;\\ k., een uit kruiden en bloemen gemaakt smeersel, zalf, blanketsel; het gele van ai al bereide smeersel, waarmee bruid en bruigom en anderen bij plegtige gelegenheden bestreken worden. 0ivi ij \\ een bruine, sterk geparfumeerde soort boreh. — au ijfnijn^a/n\\ ij ijm 2gt;rj (Hjjj? soms met boreh bestrijken, besmeren.

Y w ? ij n {t/n anjj\\ met b o rè h besmeerd, VVaj. I, 37.

arri riam \\ kn. in een toestand zijn, dat men met iets sterk ingenomen is, of er meê dweept, i n -n

a/n irn i. n tji tbn6^*1 ri-i;\\ niet Inst God dienen «/*

tsi^ it gt; •\'

verecren. — In de periode zijn dat men vatbaar wordt voor verliefdheid en daardoor keurig op kleeding. Die leeftijd wordt aangeduid door i n n aJi

;ij),h\'ii \\ a-n nam mr/\'/N verzot op kleeren en bloe-

(ii ro

men, van een jongen van 15 of 16, of een meisje van 12 of 13 sjaar. am •gt; i vu cii/i cm \\ in de periode zijn van veel te eten. a:n naJn asy ny in de periode zijn van veel te slapen: uitdrukkingen, die jongere toestanden aanduiden, waarin de groeikracht het sterkst is. a n n a/n \\ ook Kawi benaming van de.

als boeroeh den kost

i n ! i lt;lt;l

.. o • o r»

zangwijze ö i n o m. — a m -w n rf a/n afj \\ voor u/s liefhebberij toonen door er bijzonder zorg voor /V dragen, bv. rf ajn2 itgt;t 4 ij i/n iia/n2- riaJ irn nya\'iian\\ hij draagt voor zijn hnis geen zorg, WW. i:r^am(mjjs Ar. overtuigend bewijs, teekeu,

blijk, G.

ia na/n asn^ (orr^ajri a-^n ari/j\\ zie bij a n rn (hn^\\ II. imam 111 of (ivrr^?tun ims kn. afgod, afgodsbeeld {ook een heidensehe god, pk.; vkl. ach ijaxi\'in-j^Ljai: am ij IJl2 Mii aji. an if i^? rm^f om rus afgoden aanbidden. (Kit ihiirm {a/11 au\\ een afgodendienaar. (Verbasterd uit Prakrit b h a d dra, Skr. b h at! d r a. de 1 leer pk . Vrg. bh ar dia en b har dl i, in de Malangsche inscripties op pi J in Verhandelingen van t Bat. Gen. van K. en ir. XXVi, reeds door Friederich {blz. 13) als overgang van H Skr. bhattdra tot het Mat. Jav. h r a h a la herkend; C. S.).

, irr^im (nv ij am 2 wi/j of rj im^? 1 n (\'iin ij 1 n 2 /. njj \\ {ook rm^y 0/112 ifli afi/j\\ Rh.), kn. schreeuwen, Inid zingen, razen, tieren, tegen iemand uitvaren.

[am% (fji of itm^\'fyi ^ kn. eigennaam van een Batar a, en van een berg in het oosten v n Java-, po\'èt. zva. criiao en aji alt;j hjij w te dog ja ook K. van nrn i.jw (Skr. Brahimd, eigennaam van de eerste Godheid in de Indische Drie eenheid), im^ 11 of •?gt; ayn\\ vnnrpijl (vkl. IK /1 ^i^rïn 1 vir^ isrj nj an aaïijaximw Skr. brahmdstra, het wapen van Brahmft., een fabelachtig van Brahimd af /(oms/hj wapentuig, zamengesteld uit brahmd en as tra).

1:11 in ünirin iu\\ eigennaam van een uit ijzer gc-Ti\'

schapen wezen, in de Manik-m aja. arr^tti zie beneden.

{arnf (Egt;i an \\ gew. arn 11 an \\ kn. brahmaan, iemand van de hoogste kaste der Hindoes {vkl. oji dili 11,110.1 t ij Skr. hrdhi m a n a); Tj. Shigk. acht; ook eigennaam van een z oon vnn Bat ar a Br a m a. arn^ % n 1 w (ënasn {v. Skr. t\'rtha, bedevaartplaats) een brahmaan, die bedevaarten doet.

ya-.yu His gew. rm^if iajj \\ eigennaam van een zoon


-ocr page 1145-

v3c\'J\' ^\'

van H « / « r amp; B r lt;*■ m o {vkl. ui mi thn 11 tj nn 11, ijl» lt;S/r. b r fih man ï, vrouw van cop brahmaan »ƒ van tic kaste der bralimaneu ; Brahnidn \'^ clyennaaln van de (jenialm van den God B ra hind).

i n i n \'\'3n kw. —: S/rr. hr ah m a r s i, wijze of heili-

0 Ü _ .

ge brahmaan, H. .1. Kw. Krit. Vil, 1—3, XXXI,

K)17, waar het op vergode heiligen betrelkiny heeft. C. S.

tjiin nj ru •/ \'»yv zie rn ij-ri lt;gt;\\\\ kn. ïi et dagelij kseh

onderhond. G.

ui i \'tp 1- freq. v. i u vtp 2. ook zva. Min i-riu/ji* zie \'Uirn\'iM/p WW. * •

1 a hi\\ i. kn. goederen , schatten, rijkdom [vkt. hjii .«i Jquot; • •

ii i/j\\ liini.pïii gt;(Lmanflw S/cr. dbh arana, sieraden,

tooincl). *H(\\ i n^ :Hi\\ zie bij m ire w

11. kw. zva. M/ ^n\\ wond, kwetsuur, steek (67/\'. w rana, wond, buil, zweer). iiiiKj nn x n^ ui een

wond ontvangen of hebben.^—i /n / uj njj \\ verwon -

n

den. — i\'ii i iy^mi^ zva. \'hu ilh ij iim imjj\\ gewond.

Mi. i i^iii\\ ij ij ij\'? \\ // ii^ ij //(j \\ in (te spreektaal zva. l ym \\ rj wtf uii \\ r/ ^ aas 11. WW.

\'\'y j quot;f \' quot; \'\' \'y\' \' JW/. durven, stoutmoedig, dapper {Jav. ui ijj).

II. KN.^magnetiseh, magneetkracht, hij] in n iij\\ magnetisch ijzer, mag\'ueet. t quot;gt;ag-

neet, zeilsteen.

in n ioji^ zie bij (ui igt;j mjj en hij «»»»»gt; IV. m ij »11 ui/p Holt. baron.

ih \'h\'H\'j]\' kw. zva. Ili iji\\ G.

■gt; . O

i ii gt;l*nf inji v zie r.n n\\

i ij u(hij of r.n nfHijjs KN , met ilkiii of ki n.i n/j verbonden, last- of niagtbriflquot; t,ot,opvatting m/ ooort vlug tig e,quot; door den W e d dn a- d jïksct, met voorkennis en het zegel van den Rijksbestierder, verleend aan den Djë ksa , onder wien de voortvlug-hge behoort, of ook aan den aanklager. Men beschouwt het gewoonlijk als een verbastering van \' y,\'/ iitdnqs doch waarschijnlijk is het afgeleid van i:ij \\ j, en beteekent: iemand die zieh gaauw weggemaakt heeft , een voortvlngtige, of wat een voortvlugtige betreft.

^7 7\' 2 onjf \\ zie n \\\\

\'n^Üc?\\ eiyfinnaam van den God der zee, den Nep-

1057

tunus der Indianen (vkl. ij (ia / gt;i i, \'n ij i / /. n ,t i i ti i.r na^i nni Skr. Waro ena). poef, zva. mi ujp in of in \'1 ij i ii C\',!^ .naam van een fa

belachtig wapen , dat water voortbrengt tot bestrijding van vuurpijlen ( gt; .ri(i^), (\'. S.

\' 0f 111 quot;\'■y\'N vruchtbaar, van \'een vrouw of dier {vgl. Mal. h er ana k, baren) fx. j veel van kinderen , li. .). L. J 0 , 8; / 7 n i ^ ki ^ i n i,n n i,j ^ (I). E ; i.ii li tot een vrouw gezegd, CS. volg. Jib. rn^iij?\\ongebr. — V»j\'y ^i/?» gt; ^ in menigte, menigvuldig, talrijk van kroost, ook van dieren-, « veel kinderen ö/jongen hebben.- voorttelen, zich vermenigvuldigen.

\'l31l 0f * quot; zva- i/I/i quot;*\' \' ilt;iji/j\\ gloed,

van kleur, hitte, glam enz.; kn. vuurrood (H.J. X XXV , 25 , 4gt;: i ii ti irj riry i i in\\ vergeleken bij V ■morgenrood, S.). — au (i; \\ er bloedrood^ donkerrood uitzien, een vuurroode kleur hebben. \'quot;vjiLfiw«h\\ zijn gelaat is bloedrood,

i) in i, ii (lt;! i njj\' de lombok\'szien bloedrood, \'co • cocj

i ii i \'n i nf.\' fi.i vuurrood.

Vo /

i.iiiins\\ iiiiiiimgt;\\ of i n ninijs enz., kn. niet J ( i \' \' CA \'m ( l \'

kiesch zijn op het punt van den bijslaap, van

man of vrouw-, zich op dat punt niet bij zijne

vrouw of bijzitten bepalen (vrg. i h 7 ngt; ij int » ;/

ijr/n ^).

( \'i

11^ un j \\ kn. door elkander, van een vereeniging van verschillende of ongelijksoortige zaken of menschen.

i.i ij 1 m gt;il 111 inriii^ zijn gasten bestaan uit allerlei natiën, bv Javanen, Chinezen, Arabierenen Europeanen door elkander {vrg. m iSi 1 1 y m 1 m A. ui f 1 rn rj ui u 7 v / 7 Vy 1 n rin j \\ hij eet en-drinkt alles door elkander; wanneer er onder de tee kens van een paard behalve de slechte ook goede zijn, heet dit \\iyingt;m en wordt het geheel beschouwd als een (/ord teek en.

i

un ij I in? ■ n cie 1 n 1 in ,\\

\' ( f (1 \'

riiin\\ kn.; 1 11 i in \\ iets van een ander in weerwil cod

zijner weigering wegnemen of leenen, niet zoozeer met geweld als wel uit zekere communistische gemeenzaamheid {vrg. i^ury ij 1,11,1 ui i i^iiii/i 11 1,11 - i). un^ 7 ui f nnjj op die wijze weggenomen, geleend;gemeenschappelijk , voor gemeenschappelijke rekening iets doen {vrg. un*) uit najj) * rn vj an gt; ihi 1.1 (Hi^ botje bij botje leggen, een pique-nique


67

-ocr page 1146-

irr^ m i

1058

maken, en dan gemecnsolmppelijk eten.

ip} cm ^ in gemoensohap handel drijven.

.utI n to 2 hi n \\ zie •a ttitnw 1 lt;lt;- J\'- -)(\'l

r.tt ihn lPi (hi/) gt; Iloll. b r a n d e w ij n , GG.

lt;N. ; :iJti(fta

beschieten. — n rtt 2 n cnt? i t • \' J 1 r-

;)• o . n

i tl [i-t tt tjiw (rnut gt; » »fx i~tt f.i ti

n )

sang.

üw. zva. n rrrt \'n\\ t/totttw KN

co r-

volfj. Rh. zva. en gebr. dan ttj tb\\ ook hardnekkig doordraven, en jUj. met opzet iets ongeoorloofds verrigten; in Tj. geweldig van hitte.

rrtiHt^ KN.; uttf tast^ iemand iets in haast laten .V . #

doen in der ijl meenemen {hetz.als i:i^ Ht\\ ajn(if^

hi?) — rrj ut \'t-t (tnjj \\ in haast, gejaagd, ij iv^ohct^

mn (tp tut an /) last, die spoed vereiseht.

u r.rti tt iih2\\ KN. kianknah. van het kort na elkaar \' \' S-

knappen, knetteren, knallen, bulderen, enz.i van daar gepelde maïskorrel^, tot splijtens toe gebra-.den. rjiutyi\'t^ aft? Htuuitt^i iHt^ zulke maïskorrels, • door middel van gesmolten Javaansche suiker tot een bal zatnengckleefd {vry. tj [otjz ^ i^t i tLtjj en zie rjurt 2 rfiitjt?^. art tj (ifuU ij (in2 \\ knappen, knetteren, alsquot; bron dong op het vuui*; gepelde maïs tot b rond ong maken; schieten, vnnnverk afstoken ; bombarderen (Htj^s geknal, gebnlder, enz. La kon: gt;i itytfijt/

(i7)*1 M^ tu ~L-\'t\'tlt;rt np \\ va?i een brand, C. S.

• o __r

t ti^fi\\ tf 1^2 /fa en - t] t^ty hit oj i tt^

a ■ .

ibtt w

h/z^xKN. gekruld, gekroesd haar.

\'/l\'y*!\' quot;V KN \' \' ^ \'iffl In)ïïs zva\'

van een brand, Rh.

- gt;

een soort van pi-

quot;!%\' n \'JI ^0\'quot; 0,1 keurig van li-

gnnr, van een *vrouw.

rttittt ;iuft\\ KN. havelooze deugniet, boef, strooper, i J Ca I \'

muiter, roover, vrijbuiter, gespnis, siroopbende (vrg. [

O O • x / I

..... ..... • ■

CO f .

t (Htji ij Htt ^ ii^intt tu/j).

rooven , stroopen , vrijbuiten , muiten. — rtyiiit tifi (tnp geroofd, gestrookt; ^trooppartjj, muiterij; worden ook genoemd de Javaansche onlusten van 18^5 tot 1830.

lyttii tt t j [xni ytt tt t,j\\ tj utt^tj ytt quot; \'JJ^ gt;/ ^drjiim? tLt)\\ kn. kaal, weinig hoofdhaar o/ vederen hebben {niet (üi^tp Htt/i) y bv door het uitvallen-, bladerloos , van een boom -, fig. uitgeplunderd ,• berooid,

haveloos {vrg. i tt ntt tu/j\\ ij 1:11211 tji2 tt t/js

1 * v / rgt; o -»

ytt ytj ti t/j\\ t ^d^rj\'istyj)- — \' Vj\'N

enz., een boom ontbladeren, een vogel fa uitplukken o/kortwieken, iemand het haar af knip., pen; fig.mvixw alles berooven, ifaakt uitl^leeden; ook intr. van hoornen kaal worden, enz. en fin. kaal, berooid worden, etiz. llh.

\'1 ,u\'l \'z\'t(\' quot;

ij (I\'m2 tjnrn2,11 ijl\\ zie bij ro un n tqw

o . quot;gt;

177? (Ij! (tl 11 tt IJl* freq. v. itt nu tt iji \\

i:nyn iitjj of irn (ui rjriiviji^ KN., oneffen, hobbelig (iet (rvivj ih^ /titï v.r^i^it fLJijj\\ de weg is overal liobbeli};. — nm\'Fjiirm tuf)\\ een kleine verhevenheid, eon

Cf \'

knobbel hebben; verdeeld, niet eenstemmig.; on gelijk toegepast bv. van het regt, Tj, {org. ntttn ti t/j\\) iyii n,?t tj tijd/ti ifj rttt ti.t/j \\ zijn, hart heeft een knobbel, d. i. hij is een weinig gegriefd, ge-krenkt.

rrt r.ht KN. — !un(f i riii\\ uit elkander wijken, niet Z!gt; co lt;?. J \'

goed digt, doorzigtig, van p agërs van gevlochten bamboe.-— v.rt^ tin tt hiji \\ ■ een vogel met gepareld bruine veeren, gelijkende op onze leeuwerik, i j n%0\\ uitstekend vruchtbare grond, bestir.uide uit veel huinnsairde eu weinig zand, Rh.

(vtynts KN. 1. 7 steile top- o/middelvak (»•»/.»;) van de d(ikvorm ttt^t tt mt 2 w i/ti(jn:t\'ti \\ zeer

\' \' \'\' ^ CC}j C )

steil aan beide kanten, van een dak; ooi\' van andere zaken, als een broendjorng, te steil of te regt op en neer, zijn. 2. zva. gt;i iiylt;\\

111 :nt 2 \\\\

\' lt;?gt;

tt : i:ti tt t rn ^ KN. — i tt nC: t ttrins slank van taille, \' \' ( n 1

Rh.

7 1 2 KiN- kegelvormige bamhoe-koxi, die ge-

bruikt wordt om de spijzen om te hangen óij hel

Reboettan der Chinezen; cilindervormine spils

toeloopehde mand van bamboe, om. een varken, of

wel suiker, zand, steenen , enz. in te vervoeren {vrg.

im tins fuiriiltt). n/nrtCm n ihi2\\ het fatsoen ^ r- (I lt; } \' co lt;

hebben van of gelijk zijn aaneen bron d j o n g. -

x 11 tt (■} 12 tl nquot;.ii\\2 .i\'\'i n een obj. in een bron dj 0 11 g \' rn \'

doen.

enz. K h

ƒ»\'/ ^JjV — 7quot;^7:77/?

\' tjtyJI \' tt/l. of \' quot; n (ifpi KtiJI^ KN.; i/ti(fi^itii/j tlt;ti/i lijquot; en doordringend van stem y\'tevens levendig en lie van toon; {volg Kh. zva. tytlt; litijj ) lier van uiloi-lijk of houding; ajn^ quot;(HjjjHtt jij^1v ^ 100 {vrg. t!lt; (tui * 1 isnjj\\ tJt rn lt;1=11,\'/).


-ocr page 1147-

;3hquot;ji

( V o

r;n JJ) \\

1059

,1//m kn. oolgens Winter een soort van glanzig linnen y waaroan mansmutsen nernaali worden, C. S. .voor/ graslinneny tigt blaauw van kleury met een glimmend gemaakt.

i.nirvinmws glanzige zwarte muts. (.ook wel \'I fl.C-O . x

Cr O O ) lt;•) „r- j

blaauw: ^ i. h flori gt;i ^ i gt; ; n Ir inter \\ lgt;.

O V

S. j hH iijnp rt).

r.n gt;11)12 hnjjs ZZZ wrj uit nnjj* •

( K o lt;■ gt; . . ...

itnihnjjs Kil.; vrryihnrjiunj^ een wei mg mottig,

( ^ WW. ^0/(7. lili. trntJiKTijl (Hal. - dT/ ni.ii/j\\

1 o -o

j:y y / » kn.; (u hh/j—n fl.ï kh -gt;l —n slll]) , öco-

lopftx stenura («««/• het geluid lt;ƒ/ • \' dat deze . vogel bij het opvliegen rt^ maakt).

i yifi) n i/js km. kleine gaten o/baksels , «/oor snijden met een mes veroorzaakt.\'tunïtïrj nnj) itAj (tgt;n u) ild uiif jjii rj }j) n i/j ^ overal met gaten

o/baksels van het ines {vrg. gt;j ijt tu/j). ■) »

i n^i.nij of i u \\ kn. 1. klanknabootsing voor

het doorklieven, of * doorsnijden, in tweeën snijden , W. H, 157; yy/j/. WW. voor het scheuren van lijnwaad of derg. rits! oo/* —

gewélclig scheuren, een groote sobeur krijgen,* WW. —7 iun zieli verwijde,11,

(om zieb been vreten, vatteen wond, WW. m\' i:nim{\\); meer dan een treffen, w/. r/t\' m y 7 »0)? ketniri treft * die de andere doet omvallen. ~*e \' 7 ,n!JI * \' * \' Ti». ~yrt. iij} ki {\\ n in ^ lib. //r;//. barak,stalling van de dragonders op Djoejakarta, M. \' inr^i.n^ of (WW.) \'^i nijof tot i iyttyj kn. klanknabootsing, zva. r^.vo///. fili. yrt» het neerkomen van iets zwaars, zwaarder dan zie im iui »gt;i^\\ — t n /j of (WW.) i tn n^m/js in menigte, in boopen bij elkander. — \' quot; 1 0f (WW.) » #\'\'j in menigte, stapel op stapel, bij bóopen, bij zwermen, in ruime mate (in hevigen -graad, WW.). — l,nfn,u,lH 0f (WW.) i n rim/i instorten; volg. Hb. mj n.iiji hep. op den grond neervallen dy van een paard, dat stort. 1 n 1 rnjj 1 m ! } m/j. ook voor i lierliaaldelijk bulderen va?i kanonschot en te gelijk.

tm al, %\' 0f (WW.) wi/j m\\ op iets in- : storten, invallen. — ^/n ri u^Kn\\ of (WW.) 1//) i \'(gt;, \'/] 7 N ^oen instorten, doen invallen* — 1 /i\';// 0f (WW.) »m 7j \\ op iets meteen slag

als boven neerkomen; ergens i:i menigte invallen, een plaats in bezit nemen: ergens mtvvkkvw \\ volg. Ub. t 11 if /. n ^ een huis betrekkem / m m »/j era.

(gt; quot;J, . , J(rgt;; J

in menigte invallen, een plaats in bezit nemen. -

un i n ?Dy\\ 00^ ^ylt;z. Kiry^ii:!^ hn nt/j of hn i y

*1 ïü \',n/) l^b. — t\\n/it\'ll rt nu of 1 nn 111 n rn d lt;m \'l i gt; \' i \' ^ l gt; rn l

zva. i:t ni uil iij. h\\ WW,

\'! gt;• 1 /•

(mv/j »lt;»?/ƒ nkn. ruig, van haren en baard? il

11 nitfi.n nn,i Men.

\' CJ co \'

0f ni ** (ook mi rn/js ?) kn. i. klankna

bootsing van het neerkomen of neerleggen van iets zwaars {maar niet zoo zwaar als i n nifj Hb.), • ook zva. i:rjiihu/j\\ (of van het tot gruis stampen, WW.), fig. van het neerkomen van den last of de verantwoordelijkheid eener zacfk op iemand (org llljitl/l quot;gt; J \'gt;0 IJl l(hll^ hll/j

.vmntti^ Ktij\\ \'3- \'(\'q (^\'j(\'cq quot;\'\'ï**) aan-bonflend met bet.geluid rp^Mii/j neerkomen. B. .1 fj I 11 , 12, 2: J^n\'i KO 7 \' gt;gt;1 \'U { ri .•] 1 1 rn 111 niHTiiJ^s XLlir , 8, 7: iij^iiryi r^i h\\i rn njw 1i^(i,ni.ii/j\\ onversebillig erg. neerleggen, Hh.— t i\'C/y ii/]\\ met kracht n eer ploffen , neerstorten,

neerzakken, instorten. i:i(f i op iets neer-.

Cil 1

vallen; Jig. op iemands hoofd neerkomen. — ti (ff. \')!(y w doen neerstorten, vallen, ploffen, ^//. op iemands hoofd doen neerkomen, zva. 1 1 arntiyi 7irn\\\\ 11 riihti/j^ loslijvig zijn. —11 \\(tr!^ hnv op een voorwerp iets anders met het geluid {ivrjj tdiji - neerzetten ; op iets met dat geluid neerkomen, neervallen; aan iemand de zorg voor iets opleggen , te zijnen laste * doen komen. —* n irtt nn^ tji, 11 \\ iets als boven ergens op neerzetten. laten vallen, op iemands hoofd doen neerkomen, \'• voorover vallen, t— .17

met de vlerken slaan uf een slag geven zooals de broeikippen doen; of een objtct slaan, ^)v. met een mand, enz. (K 15, 34).

\'•na:!^vrtj^ Knji\\ met een diepe sömbab voorover vallen, Men.; neervallen van vogels; Men., erg. on-verwaebts binnenvallen, Men.

11, TIoll. h roe k, en brug 7 it^i-n/j of im rj i i^tiii/j\\KN. zva. iiy.ii/)\\\\

gt;1 trt^i iniij of 1 n 7 t^i tm/j\\ zva. en 7 ut 1

kquot;J\\ kn. verblijf, het ergens belanden, t ij, nt 7 7 t r^?iin/j\\ ergens blijven en zich niet van daar


07*

-ocr page 1148-

verwijderen, als om de wacht te houden. — » /»/

ntt i.tiiy neerzijgen, neerrollen van vermoeije-

) ■ o - quot;) o /• gt;

nis. — ../ tf iy hn zon. i oj \'

o il o

/• ii \\ en i.M.yy/./i Men.

rn nh}iij\\ kn. veedief. — a/n f rti mi j\\ beesten stelen , bv. uil de weide of van (ten stal {vrg. i n not Mtij), — in n i.n if) een gestolen beest, tw.

uit de weide o[ van den stal.

n , 0 /• quot;» ti

r;r»M.7^\\KN. I. \'JZZ tij) m u tt/j OJ n\'i ni.ii/j\\ Z. — in

nl im nnji \\ tijdelijk heerselicnd gebruik , mt bijye-loovigheid, bv. een ring van k lapperdop aan den vinger dragen, als behoed and del tegen een hecr-schen.de kiekte, de een of andere kost als ojjerantic aan de booze geesten geven met hetzelfde doel. — ij i n * n it iï nhnj]\\ zie aid.

in ij-n itnj.s kn. ; i/n 11 ij gt;ihn/j\\ Hink van iignur en

met smaak gekleed zijn, WW.

i.ii.uhn/j\\ oj. zva. rn li hiiji kn. bedorven, vooral van visch , Tj.

lil ni\'iiv kn. — i ii i n hii/]\\ met de horens stoo-• co s\'

ten , Kb. — in »i ^»1 inyj \\ kn. met «Ie koppen tegen elkander drukkend, wederkeerig been en weder duwen, zooals karbouwen en bokken doen, WW.

volg. Rb. elkaar niet de horens stooten , org. i n

n \' ) o 1

ik rrt/is — lt;untiyin nii\\ niv. _

- \' co •

i ii i^ ntiji\\ !. kw. zvct. Hntj ifimijjw 2. kn. waterschepper o/ drinknap vaneen doorgesneden klapperdop, maar zonder handvatsel, WW deze heet volg. Rh. ti ]:in ü\'iij \\ met een steel : iïdjj doch i n iji.n^ een groote klajgt;perdop mot een kleine opening van boven , dienotde gew. voor rijst maat en inhoudende ongeveer 2 2 kati. Wangsallan : im ij^uii i ni\\ d. 1. klapperdop met steel, voor il \\ C.^S.

1.11 111.li-, een buik bobben als een böroek.vrtw co 11 \' •

een veelvraat, van iemand, die eet als of hij niet te verzadigen is.

in 11 n unj)\\ kn. 1 schadelijk, van aardvruchten, als wi iji i/j\' fni f i -^ u ijj enz., als de grond, waarin zij geplant waren , niet de vér eischic zorg gehad heeft, in welk geval de vrucht, gekookt zijnde, altijd hard blijft en jeukte in de keel veroorzaakt,

WW. 2. i 11 ij ti hii ij n miluid builen, sebreen-

... quot;) o , ) o

won, gillen, zva. 1.; u.i gt; i\\ iu;\\\\

O O

lil 11 1,11 fjKW. zva. Ill nin/jW It.

1 y 111.11 ijs I. kn.; 1 n ; 1 n 1.iijjK wegjagen, verjagen.

WW., volg. Rb. in duigen vallen, uit elkaar vullen. — \'i ti (/ iiiniijs nit elkaar nomen ,-halen ; ui\', breken. Kb. {vrg. ii/iin iiii/j^ rli ni.nji).

II. Ar. hvt Paa^d of fabelachtig beent)

waarop Mohammed, volgens den JCoran, ten hemd gevaren is.

iij n nii/]\\ kn. polcdalig, gespikkeld, van metselstee-•nen, als er voor het branden regendroppels op gevallen zijn {vrg. iintKiij).

i) liiiji Ml. Sd. bedorven, rottig, verrot, vorguan {vrg. ijivm«/ƒ »)? 1.uy), G. — ,1:^ ^ htimi/j of r.11 i ij ij /. y (hfi/j^ kn. aas, kreng, prooi\', door een tijger algovreten gedeelte van een lijk {vrg. rrnuin

O . x

Hi/js fut itJi ihnjj).

ij m ij n hii/p kn., fun iji i ij n niij^ iels zagend snijden ; slagten, den hals afsnijden {tui t yj m gt;). run ij • / \'ifurj k\'ij 2 n 11 een nan ka opensnijden. wal zagend geschiedt wegens de dikte van de schil.

y t n rj m hh/j\\ kn. 1. 1 l^if mii\'r)* liii/f laugbarijfe bok mot oen sik, qok zva. ij ivm 1/ 1 \')?unfj\\ ven ecu mensch mot een langen baard, Tj. 2gt;. verb. v.h. Holl. werf.

if i nnj m hnjjs l. k*. van het Mal. boeroek? door Ji. opgevat in den zin van\\ verrotting, door bederf vergaan (KT.); groote wond, meestal vonemch, gew. aan de kuiten of aan de scheetien, grjote invretende wond of open zwoor — ? 7 r)r}\\\\\\ u)/j\\ daaraan lijden. — lui ij ; u ij gt; 1 ? uiijj\\ hot verrotten . KT. {Vrg. vj un?»\'»\\).

II. naam van een visch in een IVang saltan ,1. II. W.

Y i iu ij i n 2 j kn. J. kleedormand met deksel, of toestel van twee zulke manden met een draagstok door gaten in d^ boveneinden gestoken, en voorzien van stutten om op te rusten, als de drager stil hoadt\\ volg. Rh. ook een groot soort un niuiinn/j geic. bruin gekleurd, van tuij 011 bamboe, langwerpig vierkant, met oen deksel en twee ooron van rottan waardoor de pik o elan gestoken wordt. —

2. kn. i n lift 1 rii um gt; s een ofTerande vangc-\' lt; o \' \' ^

kookte rijst met ik i i uiiuj {volg. CP. en

tj m ij n 2 \\) en iiJi(ÏJ) ili 1 itsn ilt; njj doen ten he-

hoeve van een kraamvrouw , oude ziekelijke men scheii. of bij vertrek en thuiskomst van een han-


-ocr page 1149-

I II h II ihll

1001

i ii i. n i n/j i n i.n i n i

\'f\'1 quot;\'v

) O

ie i n h a i i/j\\\\

)

i ii ii kij ni/j\\ Z\'e r.n /.»/

gt; ^ \' y y j m I

i ii i.n i i i\'ii j\\ KN.; i n i.n i.i i.n i.n i i i\'ii js woest, Wild, \' (n \'

\'! quot;1 quot;T.

i n 11 in i i j

quot;TT

(Itilavaarlaiij — »/ i iy t/ mv ■, „ 1.1 j do oflers^ij-

zen hij xalke gelegenheden.

- 5 /

m mi{ of I ii i nj ziC 1 n I\'quot; i iif/^

CY ■ r ■ )

, „ z.y ivhr:n hii.iyt of i nhr^s zie i n i.ij gt; w

1 if 1? *N KW y\\\'\'n \'ia/is

I ii I. m I 11\' ii Jn kn. klanknab. van het aanhoudend je-i*

druppel van water, {van oliedrwppels, Tj.)

hHi i mijj I in i i\'ii,i Jig. van aanhoudend gepraat,

gesnater, lih.

fgt; . ) 1 \'

I II .1.1 I\'ll KlljJ^ ZM 1711 ilOl I\'ll jW

)

i n iU ii i\'iit igt;ii/i^ zie i n tj um hiinw I n I. n i\'ir K w. zva. ijt^ I j ini jnjj \\

t i^nn isnjj\\ KW. gonozoii, herstclil, G. Vrg. i n un .Ibll/jW

i.masnp KN. het bijten van een paard. \\n I ij I, n ? bijten , ook j)lat van menschen, voor gulzig afbijten, bv. van vruchten, Rh.

i.ij i,ii/j\\ of vm rr^ iibiyjs KN. digt, goed sluitend, ondoordringbaar, dv. van een omheining of slagorde, H. J. XIX , 18, 5 ; LX III, U, 3, (J. S.j digt besloten, bedekt, overdekt, om-heiiid,verborgen, enz. — vn lij tj /.ij digt gesloten, beschut, bv. door troepen, li. J. XXIV, 0, 2, C. S. — vn(fyi.y i-yx geiiee] om-sluiten, bedekken, overdekken, Tj. beschutten. Men. enz. — irtj i.t^ ,/vy m/j soort van praauw,

die van achter tot voren geheel onder dak is.

s Y , -S

ini.ndn/j uj ini\'H\'\\ ini.niiii/js tri un [Ar. XSji

har a kat of barak ah) zegen, geluk, voorspoed;

weldadige invloed, bv. van voortutAne of algemeen

geachte personen; wat men van een m / j i^ii ui y\\

mee naar huis ueetnt, of daarvan aan iemand,

die er niet bij tegenwoordig kon zijn, toegezonden

wordt; de rijst en toespijs iemand aangeboden,

die zijn ui n./i komt hreltffen j van een voor) aad,

lang strekken: V tegenovergestelde van gt;n m gt;) ut

CY

\'i\'Jquot; i i inij nm zegen ontloenen bv. door een kris te gebruiken, die als \' j\' i \'• n n zegen of ge-tuk heet aan te brengen; [ook zva. 11 rij rp\\ ww0- yy/\' quot; im mi ihn p naam van een kleine koperen rijstpot, afkomstig van den heilige Soe-11 a 11 b i\' P è n of Kali I) j a g a, waarin de rijst gekookt wordt, die op de Gare beg Moeloedvan het jaar Dat op een groot porceleinen bord, i.n/j i ii rn tj i u genaamd, op een tafeltje voor den

6\'o e so eh o e a a n in So e r a m b i staat, en, nadat de Vorst naar de9Sit%nggH teruggekeerd is, door den Rijksbestierder aan \'.v Vorsten beat nb te fl wordt uitgedeeld. Deze rijstpot bezit volgens het bijgeloof de bo ennatuurlijke magt, in hongersnood met de weinige rijst, die er in gekookt wordt velen te spijzigen, iets dat tijdens de regering van Sftltan Ago eng her he aide malen

ondervonden zou zijn. — lt; n : 11. n lii/i\\ of i n .• i ccgt; 1 J (O

hu iets van iemand, bij wien men te gast is geweest, naar huis meenemen, bo. wijn, gebak, vruchten of dergelijke, wat den Oost er se hen gast heet aangenaam is; ook el alge me ener een of ander van de reis mee thuis brengen bv, een paard. — in t i ilt; o nn enz., rttunvii/i\' geven aan; zegen aanbrengend,

tot zegen zijn, heilzaam, gezond, va7i voedsel-, —

CY • , \'gt;

i it i.n Tn m/f of ruin i\'ii i^n Kif enz., zva. 9 \' 1 of iit\'^iLu \'hnq\\ in den zin van erfstuk, ze-gefi aanbreugejide reli(iuie; fabelachtig lijfstuk, bij geboorte meegebracht, als een ring of zwaard , li. S. 305, 401, (J, S.; ook van velen r.n nv Hjii/j* meenemen, Rs.

ongemanierd. i n nn.m nn mins soort van booze geesten of boetas, die zich op bergen en in bos-schen ophouden: berg- of boschgeest, berg- of boscl^duivel.

iji.nf ui. ii i^mt/js zva. ytr/ï i u/ j ini ; \\ WW. volg. Rh. met strepen^ krabben, schrammen door elkaar; ook van slecht schrift, met «chrappen en doorhalingen, zva ijt i * 11 ho n nn/j\\

^irnM/ ip KW. zva. i j njw 4

■gt; ■gt; .)

i n^i.n hl KW. zva. i.i ({ nhii/jw

i^i/ninfnh of rrlij i.n ij i.n x KN. — i n ■ i ij /. h if tj i. ii of i n ; i ij i,h ij h \'n l m. aan weerszijden bij armen en beenen vasthouden of erg. aan vastbinden, WW. [volg. Rh. hi deze bet. vn f hi nn n nii •

O . • . v , (0

en r.n if i. n rj nn \\ —• i i ij i.n tj nn w).

y gt; .

i n ij i.iigt; gt;1 i.nf\' ijl rj nn i rf n n

17) \'ƒ\'•\'/ ()f \' quot; \'ƒharde wrijving, schuring; kneuzing.— /.»; i n ij i.ij geschuurd,gekneusd,

te rn i.n itjii/jw

_ cy

---(üi /. i

gt;

-ocr page 1150-

1062 \' *

rn tyuiji of x-.n ^.b//y\\kn^•schram, ecu sohram hebben {yry. mi (isn^ ^ irrtt/nda/j). —

met striemen, krabben, schrammen.— u ii t i ijtun/j schrammen. — (hiiditi ^\\ euz. bij ongeluk een schram krijgen, zich schrammen. WW.

iinfridoji {of in tj-rt ihn/js WW.) 1. zva. r.n

maar van I Leiuere of fijnere schrammengt; bv. van een doren, of puntig voorwerj).2. kn. zindelijk, net, op kleéron, hiaar enz., als eiyerischUp , onyev zva. i.iiKijïij WW. volfj. Rh. wulpsch,.manziek can een vrouw.

i n ij-mit-cijf {of AVW.^ l. KN. t/n f ]ij

ij tiiinj\\ zich in weerwil van verbod verwijderen, zich niet laten beteugelen, zich losrukken\', doorgaan, van een paard of sapi, WW, met geweld voorthollen, niet te beteugelen van een paard, (of sapi, dfl/ aan een touw wordt oaslgehoudeti)\\ fiy. niet te beteugelen, niet te bedwingen, niet te verbieden van een mensch-, vooruit dringen, vooruit-streven, Rh. — 2. naam van een visch, een (jrouie

• O O ik i i li quot;a

y .. a. o..

i.tidcj ui i KW. vk(, ti/n ■ gt;i i,j in u i i\'M l-lt; i ) fi^ i,j en

rjom f i -1 ij ») nu ld n.j ^ j Ki/jy in W. 1, 202; un 0 v

zva. een gemeene boetamp;.

17?» ibTi^jA k w. Mal. ~ I n gt;1 mu I n/j {vnj. tyLii^w tui

irn ,111:10/1 .Li trtiihn (Hl/)\' zie .irn.b/fV

i /j / nq kn klanknabootsing van het scheuren van een

kleed: rits! maar van een kleinere scheur dan door

l \'Jgt;100\'\'dl aangeduid, .WW. volg Rii. van

een kleedje dat gemakkelijk scheurt, hv. door slijt-

aadje. jf — 1 n f ii c:r^ibiijj\\ oud en

dun door het gebruik, dat het ligt Scheuren kan,

. van een kleedingsUik; fig. van een mensch, W.

r A

II, 514; Men.

I r^foit j ij rn^t ihiiys kn. klanknah. van het

geluid als van een veest; vrg. ij

nrr^ibn K.vf. l. zva. ij riy.i n ook. heftige beweging,

bv. het woeden van den strijd (13. J. XLV , 22,

10: (ui 1 i(hn foii i!i 11); droefheid, bv. over den co a y

dood van een zoon, J3. J. LXVI , 14, 7. gt; \\ijmz in irn 1,11 \\ door een verlies in rouw gedompeld, Li. J. LXV , 7 , 8, C. S.

II. vkl. it/I/// . mi.iy tun ij) \\ {Skr. wrata, aan iets of iemand toegewijd, gelofte). — v / » ƒ (ihuuu (G. rf n 1 gt; ni rmfony boete doen. irn.unif

ij /v/ hi\\ bijnaam vim Wr %kodara. /re m/a

door godsvrucht zegevierend V B. J. Kw. Krit. XLV 11,*29 , 1 —4 ; ook bijnaam van Ardj0enas gemalin Se mb adr !x. -is//O /u\\ een soort van cactus met een erg bitter sap, als medicijn yu-bruikt. — lt;n iin tui \\ gt;{.1 in am (urn zier) mui

\' v_gt;gt; ~

.■/.ifjw — (un(f^tisiiiuj\\ boete\'doen; voor iemand boete doen. — rnyiw (htji\\ izz it^itsii (li iw/js G. — Hii iiji (hn xr^itmthn,-! (v. Skr. p ati-w r at d, den echtgenoot toegewijd). Kw, de trouw aan den echtgenoot, B. J. LVII, 18, 1, en Krit. aid, C. S.

111. quot; ivuj u\' Skr. K w. b h d rat a-g o e d d /1 a, de strijd der liharata\'s, naam van een heldendicht, lm zingende den oorlog tusschen de V dn-d atv a\'s en Kauraw a\'s om het bezit van het rijk van Ha s tin a i ook tiuM} rw^ üiis als\'naam van dien oorlog, B. J. 11,4, 1. — nu iri^ i iia/vj uw algemeen voor vechten, Wangsallan: *nii iu i,ii im vrr^isnnjvj. ui\\ de vechtende vogel, d. i. m n hh/jw dn im V) asn tinjj\\ ook geschreven n/tccn\'nNi inji of (ui (hl/js vkl. iui [iu^rn }njf\\ ,Ci ij lt;rn ijj

hi : Jf \\ eigenlijk veld (Ier B h A )• a t a\'s V alg. slagveld-, B. J 1, 0, 4 j vgl. Kw. in IJ. J. Krit. XLV, 9, 4; LVIII, 1, ö—10, C S.

i.n vn)n nj/bn Rh. •

riji\'r^ kn. voorschot bij \'t spel, dobbelkap taal doorgaans verstrekt door den gastheer, soms ook door personen die er hun bedrijf van maken, en daarvoor hooge rente, soms ook kleederen inpaiul, nemen. 1 ii(.lt; i ij um in^ iemand- bij het spel geld schieteu.

1 ij 1 1^ \\ kn. stuit van een vogel {vgl. ij iiy ifihiit •nij)-ook wel fit/, van een mensch, stuitbeen.

I./) r) (Lgt;iiff\\ I. kn wind, windvlaag; en meer bepaald

49

westcuind, als scheepsterm. gt;j f i2x.n rn ^11 hi/j\\

ook wel zva. ij/iz :ki tui mn w m rn.hi./j\\ een

soort groot e aar d- champignon, voor ik fj gebruikt.

ifc } 1 ~ r ri nn dlii w i u dp ij 1 ,fahelachtig werptuig,

dat wind voortbrengt, — Wangsallan: timniLii^ o S)

\'ii t\'iyi^ uti ■ * 1 iisn ^11 riiiUiiitu f 1 i.) ni/j\\ rm ^nbi)-n ïi^ iw ij /ji? n n i^iji\\ omschrijvingen van if n n j ii/j^ C. S. — Hn.vm^idoorheen barat

overvallen. — r.ii rii rit .hn iinjjs bv. am ^ 1:11 tf 11

/ ■)

\'|^// (ilt; 1 /j\\ zva. i.n 1 111 11 ui nyjw — (Ui en »/afom/p zie bij (1,7//v»; n 111.


-ocr page 1151-

vn ij Tl tuit/i

11. benamliKj van een feest up vollemaan m de üste maand Roe wak, vlij. aha. nn n hnjj ey, i/iiib\\iji\\ ook yen. (Pers een

nacht iu \'le acHsle maand). —nrw-n s i 11

junnjj of l dat feest /touden of vie

ren, JK.

nni riMi/i ~ Rh.

,r»,rubn/p ^^.hnnn//\\ zie hij n 11.

r.u-riibnjjs zie h\\n^uij)\\\\ WW. in! ryrn ijMiiys KN.-grof, rimpelig vati vel, huid of schil\\ vrij. trlt; i,n

i:/7 /) \'gt;) .is/» ^ \\ —• .irn y ■ n i(t/j \\n VV W.

) . . )

dmrj t)2 iisriji\\ zie i~r)lt;rj nit (LajjW

itti \'rxiM/js kn. — n/n vvegdoLiif^rurw ij deren,

[vry. iw.jrii»), verbannen, vry. tjin tj —

iui/nriibLÏin\'gt;gt; N verwijdering (verzoening, liet boeten) vim Jmmen.

j y n (i5)jƒƒ \\ KW. 5 Vrt. /ƒ 777ï i gt;1 11 gt; w — d/n i£i -n as^jj \\

0

. zva. un tj t t? tj\'t) jiunw — (hnjjs ilt;n d ij i y

verschillende soorten welriekend hout, tta, — V \'

rt/ó\' luuMVjjiüoirrj (hi\\ ioi ni\'j. tn fj \\ enz. Tj.

ntinip kw. zva. /i rj-flw kn. sodomie, G. — in ir r^ltisnjjs sodomie plegen, O. — (ut *^asnjj\\ so-domiet, G. zie irlt; ij ^\\ — fiiiynm/js kn. uehlererf van een huis, vry. ui u./m hi/j\\ gt;11 n ij n(bHjj\\ kn. — i n tj heimelijk weg-

dnipen; zich onttrekken aan bv. -een belasting, (Tj.) Rh.

gt;j i n ? ij-n? ihii/js kn. lek, lekken, van tonnen , potten en denj. (vrij. ij rtn rt i.it); ook zich heimelijk verwijderen , vnj. gt;i f n tj mi M/j, (klappen, (ï.)-— y

gt;1 uHDf tidUjntHii sluikhandel, G.

O / s\' ry

» »r gt;» t ^ \\ KW. zva. Ij) Ml IJI iH) \\ (r.

in)isiirjW(Hi\\ andere ben. van Bh na of IVreko -

il ara.

KHtf un da uji\\ kw. zva. njjni\\ nnjiw y ty.)/iho2 jiijl kn. het zalaiehtige deel onder de

stuit van een vogel {vnj. irrj irj).

\'\'( - /N Kvv• Êpa- \'j,\'(PjP l:quot; N {ükr. b h r ety a, te onderhouden ; onderdaan ; dienaar). —

kw. zva. ifwajnhi] 15. • ,1. Krit. XI, 7, 2, •C. S. 4

ly ip zie r.)i dmjw

1 ƒgt; ^Nkn. klanknaboolsimj van een ptolsehny opkomende harde reijenbni; ook van een peloton e uur,

• jjj- 1063

{gt;1 i.rn //j); itP A , 21 zva. ,i »» quot;\'//N {zie irr^nn^ ) in eens veel tegelijk bv koopmi — zie

boven.

,iW- Bil 7 \'UIM/JW

r j njiji zzz ern [dry iKiq\\ /ie ook irn \'ija.i/j \\ ij zva. ijK rj ctri i/j {v/\'j. i i i ook

k/anknab van het blazen van een kat. zva. n.i^n]Uh itjvv/n kw. zva. niuiw

7 Q7\'M 2^ f/^nrja )gt; gt;1 I I? of ifi-^i.ni

kn. knorren; knorrig, wrevelig, G rm n v /} \\ \' kn. rij, bv. v. booinen , huizen, {v\'y m nii/j); de Arabische klankteekeno boven en onder r/e letters-, gelid, gewapende sehaar; in gelederen staande of zich bewegende gewapende manschap pen; in gelederen geschaard staan, gelegerd, gekampeerd zijn, van troepen\\ exerceren; vohj. Kh. ook postuur, houding, rmnlui ^iah\\ ri^ i\'i hinderlaag liggen , van manschappa?/,; volt/. Kh. ook een verborgen talent-. (Kinj fi^r^xni niK)^ de troepen, die uitrukken of pitgerukt zijn, W. 1 , I0o.

— I-?)if i■ f!iKi J*\\ van klankteekens voorzien; van co

troepen voorzien, met troepen bezetten (belegeren WW.). 0(ult;irn:f}/j in liinderlaag legden v. troepen, WP. 849. — rn n n ^irin J troepen, WP.; gelegenheid, waarbij troepen gekampeerd zijnj weerbare manschappen, in tijd van oorlog te wapen geroepen , landweer: benanimg van een corps p r a-djoer its op Madoera; ook zva: u,i n gt;» ki mjj\\ of uiifrftii-vitHi/p kamp, legerplaats, .m.itïiti lt;K\')an/f\\ ook troepen, WP. 859.

ii. kn. de spichtige veêren om den nek en op de heupen van een haan\', WW. zie n iliij

iii. kn. pak of bundel van iels, dat in een blad, doek, stuk papier enz. gewikkeld is, met een punt zaamgebonden, w dar hij men het vast houdt {vrg. injniii\'j). een bundel ongekookte rijst. — iiij\' \'l i i/p iets (fis boven\'\\\\\\\\)fi\\i-

keil of inwikkelen. — \\jr\\ 11(M\\ ?nv. — ini ro

riiiJiihnjis ^)ak of bundel, ats boven, WW. i ii kn. i ook \'vyji f/p met een slag vallen,

paf!, Vrg. KUJi WW. — 2. ntfam van een

plaats op Sumatra, waar de kamfer vandaan komt die daarom mi i j i n j.i^ genoemd wordt in ij n i ijj\\ kn. eenvoudig, opregt, openhartig; van


-ocr page 1152-

1064 I n ij n i (hnji \\

#

uitdruk kin (j en, zvd. uliiix in \'eigenlijken zin, niet ligiiurlijk. • ,

i.n tj ti? v. 11 kn. een hooye. boom, die cenyoed buuwen meubelhoul levert i Munglietin glanea, Bl. in n of , rj gt;L)) ? of ivn ij vi 2 K.,

outbolsterile rijst, imm h) ~ \\ witte rijst, irii rijst van mindere hoedanigheid, rijst voor de bedienden ijnti i in/ns fijne rijst, tafel-rijst, rijst voo\'* de heeren. ij hm di/ r/j kollie

ontdaan van den bolster, zooals die aan het Gouvernement nioet geleverd worden. 0jji r:i in imjj\\ een opgeblazen buik hebben door het gebruik van ongaar gekookte rijst.

y gt; 1 i.iji\\ kn. I. een ruwheid van de \\\\mi\\ ^ yewoon-lijk op de wangen van zuigelingen, naar men wil door% de scherpte der daarop druipende moedermelk veroorzaakt. — 1 ij-r) 1.1 ~ ! hi/j\\ van zuiye-linye/i daaraan lijden, WW.

II. rijst met geraspte klapper, gekookt en in een pisangblad gevouwen als hij-Lnuij^ vry. ij ij rui ij (yii ê \\\\

i ij 1. zonder gebreken, zuiver; van hout /.ow-

der knoesten; van een haan zonder sporen; zonder streken, eerlijk, braai\' zva. \'Jy/ {or,J-

) .) v O

iihnnijp n^ rjj (Kiji \\ im ij nr i/jy z. zva. ijin?

vturir 1L #

n im irm kn. I. verkwistend, niet spaarzaam [vry. m/l); van een spoedig verminde

ren , niet strekken, versnipperd {vry. 1 n mi i n j). — tun ij tn ij m w \\ verkwistend, (Moe.) 6?//m: i n I/ ij-ri rjmi vermorsen , vermindering

te weeg brengen — im tj rn? y»»2 a imfis verkwisting.

II. na (Mi van jonye koentji (specerijwortel), tj 1112*1*)? 1 ijjlt;r)i cm 4 \\ Jonye y I ay a h, die yes toofd gegeten ivordt als onze asp ery iéquot; s, lih.

O ( 1 f) „ O . . . ,

.i.ïiyhi^ i nv-)? oj (irn viiUt4\\kn rem, zuiver, onbesmet; schoon, schoon op, geheel verteerd; schoon gejaagd van een bosefi, zoodat er geen wild meer in is; afgeoogst, van een land. Brieven, 44, 7. fretten, 72, 4, 12; tot op het gebeente verteerd, van een lijk, KT., van fouten of moeijelijkheden gezuiverd, klaar, rigtig {vry. lua^nnji). 1 n / ]jdin 1 j mcnin van een lijk, waarvan het vleesch geheel verteerd is, KT. im /i/rwf ij ia 11 n . ,1 n l/ j 1 ^lt;icn i jjii/js k., een offer in de maand Roewah, na ajlëoj) van de algemeene rijstoogst, bij de dorpelingen in gebruik en aan den eersten ontginner van het dorp toegewijd, iu ïj) hu m \\ hetz. Rh

i:riIm:tPi^\\ zich reinigen; ook de graven der

afgestorvene familieleden schoonmaken en herslcl-

, O iquot;gt; . 00 00

leu. — (un 111-1 gt; 1 ii \\ oo/cii iiKi?ci ii.\\ zva. 1:1111,11

tp, 1 p ^ i5 \'■»

bv. een pasgeborene afwasschen, li. T. Dj. 55; v. een kaal \'hoofd-, imin^uhu(hnjj Men.; voly. IJh. ook in het algemeen van voorwerpen, hv. meubelen , het voorplein, enz.\', iemand de voeten was-schen, B. J. N. Krit. XII, 12—14; een lijk reinigen, 13. J. XV, 1, 8, C. S. -r r.n i\'l j i/n ihjjj uf r n ifJ.i 110fji\\ kn., iiji rn mi ilt;i/jx kl. ronde houten doos met deksel, waarin de bènoodiydheden voor het toilet eener Javaansche vrouw bewaard worden, als blanketsel, h aar olie, reukwerk, enz.-, toiletdoos.

\'irty i .\' en ,rni^^^\\kw. zva. [vrg. iii ij n; ■

fkj.rij). — simkn. in verwarring ont

steltenis , {uan het yemoeit) WW. kn. krenking van het verstand, Z. II. II.— nn(vm 1 lt;• verward

door elkaar loop en, zva. u n yj mi ri nrn (mjj \\

-gt; . 1

i n 111 1 gt; zie vil j 1 - v.

s f*

rn n zie ijI gt; w

1 iyi) i\'OJI^ kn. grof, ruw, op het yevoel; fiy. raw, onbeschaafd , varn een mensch {vry. vnniniq i.n (hJiaji/j)

O \'■gt; • quot;gt; O quot;O ,

/ / KilJi zie T:n a 1 mi/jw d/ihirc stilte:

rri hji rj 1.11 tci j kn . onmiddelijk, dadelijk, gaauw. 11

Sj hn ijl rji^iizich overal haasten; uit elkander

loopen, zich naar alle kanten verspreiden {vry. 1 n

!Li i-i itgt;n/f bij i n Ki .iiii ƒ). G.

1 ii^thji \'Miijj \\ in nj.iibiiy of i.irn i.hhii/pKW. zva. nj

i iiijiji\\ ryi:nN mi v.r^ \\ ij, ki kiiqw(ini(~fri. i 1,11^

, (V

zva. !th(hji\\ (jia^Kii/j* — hn i-ti^ki(hn/j enz. zva. /.;/voly. Rh. ook opgejaagd, W. II , 64, verschrikt niteen gaan, de vlugt nemen, Tj H Bli. — sunC\'ii-tiqni Kn\\ allen op de vlugt jagen.

— (i^ijiifëfjinjjN ohj. den.\', het opgejaagde wild, li. Vry. ^ iy 11 1(1,11 jjw

ij iyi.1.1 .Lii/f kn. ontglippen, wcgloopefl , bv. van een haan, die uit den strijd woyloopt; lijden aan onvermogen om het zaad op te honden {vry. ij

^ K t {\\ li V.).


-ocr page 1153-

v \'y r quot; quot;Ji

10()5

\'V

kn 1. klauknal. van hel zich los

rukte of lostrek keu van een of ander, l\\li. — i ii ifCf i\' hoiinclijk weggaun , ecu slip

per makenquot;, zich ouder ecu of ander voorwendsel verwijderen, WW.; met geweld ot\' opzet zich. ver-wijder.Mi, zich losmaken uit ecu kring, Rh. {vry. i ii if i n ij a n i\'ii y/ * gt;y \'/\' )2(un/j\\ ontglipt. ill]ij irn^? ij(i^gt;2aPi 7 ij \\ zijn geheim is hom ontvallen. — ilt;inj in* ij i id i^i wjj-s bij ongeluk e^ veest laten. 2. jong van -een rhinoceros, vry.

)

I I I III w

gt;i. ( I

iiiiiiifrii.js zie innh/ttisii/i*

rn ij ij i )2 \'Vjii/j n zva*. 7 \'f i M (üiijj\\ WW. 11( \') 11vn eigennaam van een zoon van Sal-j a , den Vorst van Mo n d a r a k a {Skr. H h n r i-sj r a w d h, id).

Lii ij Kt2 ij ii i\\ kn. naam van een langwerpige vrucht, waarvan de pit (jebruikt wordt voor medicijn; fig.

voor penis, A. 44.

/- o , . n .

urn i hintn/js zie i trKijw

i nw.zva. ijii\'y \\ li om \\ (Skr. hhras-

ta, gevallen, beroofd; h h re s t a, geroosterd, gebraden).

7 I I^ij 1.12 \\ KW. ; ij rrii^ m ij in^ij Ljr^ of rj ia i ij jm ij UI 2^ zva. yj n in n IJ iu.i2 gt;\\\\ WW.

iiihii\\ ij in ut i of .17» if t) 2 rv \\ kw. {unidi nti\\ okl. •\'ƒ ij f if y12 f-I) ontzagge

lijk , zeer groot, van hoogen rang, majestueus; bijnaam van. Bat a rit Kal a {Skr. bh ai r a ma , verschrikkelijk; eign. van eene der openharingen van den God Sjhoa).

r n .o 1

if i ii\' 11 i is uf in if ntt i\\ zie ri rtw Lijr):)s kn. j unCt^ ui j \\ smullen, zich tc «goed doen.

KN1 n\'■((\'i \'\'Ij\'lrJlx ^la^groenten zoe\'ken, bv. i,hi,y\\ op de saw ah* s, \' // \\ }*i^ lu tuinen,

71 n 17 \' ^9 \'7 1,11N de bosschen , Rh. vrg. Lil 1,1 w

O

ni ij rtui j--\' ^ 7jj\' ^/N zie i^ • w

\' \'y* I\'i KN-J \' n((: ,^,JI \'a/j^ zva. i in ij in f\\ zich iets wederregtelijk toecigeiion ;«aan zich, tot zich trekken. — un^ri^ o mi^ zva. ilt;n t.i ij 11 ~ 7 nyfrnjoi^ kn. ruig van knevel en baard, Rh. ook een zware baard,-hebben; {vrg. ij 112 xlt;n is tf 7 1112 .hn/j \\ if err) 1 if /,\'»(Yti f 1 ij if 1 1 i- jj),

v quot;yi

in nil hu iuu. \\ knv. zva. iiin2fiiiiini/)\\

t m. JJI I co \'

i ry 111 iijf\\ kn. verward, onduidiilijk , bv. van schrift,

van \'\'t*gezigt, ook van V hart {vrg. i^i il ui/j). KTpj riasiijp kn. haar bij de anus, Rh.

[cvyjifni lange bakkebaard ,\\V\\V. zw^iar, van

baard en knevels, G. volg. Rh. ruig (ju verward van haard of knevels. Vrg. if iiyfin? lu f\\\\

/1 nkn. twist, woordenstrijd, WW. vrlt;j. \' ui\' 1 y ril 1 bij urmw

112. kn.\' Sd.

lu 111. 111\\ zie ruw

-J O

11 j) vi n 1. k w. zva. un ui 1..

[ry iJi^ j. kw. zva. A/y .ni i f en rit if

vergit\', venijn (A.S.); volg. G., giftige paddestoel. — 2. kn. beer; ook t-n ij 1)1 (R. v. K.).* kw. rn ni ? zie bij (inirfhiw ri^iLi/j\\ kn. klanknab. van het losgaan van iets .

dat vast }:ati Rh.; zie att ri^iijjj\\

yiyi ti tfl kn. nabootsing can H geluid van de uit i t ~ f trtjj\\ ook zva. if iiy 11 hfw

quot; ;^nKN- klanknabooising wm het plotseling uitkomen , uitschieten, tc voorschijn komen, ter wereld komen; ook voor het uitkomen of opbreken van een menigte, en van het met wortel en al •uitgetrokken worden, van planten, afvallen, van haren y van vruchten enz. — i/rt if(^n ii t^ in menigte uitstroomen, uitloopen, bv. van water\\ 3oor-. breken , van een dam ; van het slagveld in menigte wegloopeu , H. T. Dj. 305; in menigte uitgetrokken worden, afvallen als boiïbns vrg. 1 ?n tf 1 r.it^t 11 rf

rit n i\\K\\\\. zva. ntiutw ook naam van ten wapentuig van, IJ o e r sasit n d {een verdacht woord in B .1. XXXIX, 15, O; vrg. Krit. aid. (J. S. J$kr. b\'h a l-luy zeker geschut in \'t algemeen, pk.).

.rn ti 1 hi mi I gt; Holt. bril la ut, diamant.

» n ti 1 11 itfi/f\\ kw. zva. if j n jw ■

1 n ii 1 u t ^ n., rn iclt; \\ k. , de eerste, voornaamste, jmd-ste {vrg. 11t .1t 11 f)-, ook zva. (u rru 1 ijs ti., 11 v » jr? k , 11 firit m f\\ ki., eerstgeborene, oudste kind.

a. )

rn rn gt;1 1 i t rrn n t.tf^ zva. 1 t 1 1 1 n tj

voorste , aanvoerder. — 1 n .■ 1 m m m 7 zich aan co ^

het hoofd stellen, poët. zva. «f t n rt vt \' 1 ^ zie 111

ijl iiJt^ \\ 15 V,

) n S T

/ y t.t t^it - t\\ zie tl■»ƒ I

1 n i^i d tiii\\ kn , (ijn(f t ijt •m/t volq. Rh. in het al ___gt; \' cn * \'

gem. zva. lyvt^mnp ontweldigen, met geweld af-

Men.


-ocr page 1154-

ij (\\ n\' ijdCtg n 11

gt;1 i ij Liiê\\

nciueu j bcroovun, uo/c zva. n/ii f i n nn/]\\ zie hi}

co \'

.iTn \'n }i »ji\\\\

\'V V2 ,l \'ij ()Jf 1 quot; 7\'*\' ^\'/ ^? ^1^// ^fc\' bij 7 »»»lt;»

2 H l/J\\

. rM i.v \\ . poüt. v/cl, cnKnuhi iHtjjs wapen : blijkbaar verbastering van (k//k»/-y \\ ,»7n

i^iun i.ii ~j \\\\ ,1,11 ïi^ Jrx n «Zó\' omschrijving van (for^^inis li. J, L, N, Krit. XXXI, 2—4; ü S.

q/quot;

if t ik» (kj (H) „ii m ^^iclt; \\ een corps soldaten van.den 6 o e s o e h o e n a n. jtjj .jk un lt;ri.i\\ de derde poort van den Kr at on naar de Aloe n-a l o e n toe, volgende op de Kam and o en g a n ; ook een soort van said a ten of poortwachters, ihiiru^ j irin.iclt; \\ zie bij .Lnn^fW

II. eenvoudig, opregt, zonder aehterlioudeiid-heid, G. #

lil. oo/c irn^ h^i \\ \'zva. ,r.n »i ir n ijlt;r\'i («S\'/r/*. w rd-djiy windvlaag), Vrg. ini iclt;\\\\

ir^.irv n i/j zva. ij r.y ij iclt; t n i/js maar van kleinere voorwerpen.

i iih^ h i/j\\ kk. een soort ploeg op hooge gronden

in gebruik j mei een kïhii quot; zonder blad, die

dus regie voren maakt, en de kluiten niet op tij

werpt, zie (unn^uij^w . ) quot;

If I iyi Iss ;ïi IJI\\ 1,11\'if trn\'i 1« n i js zva. \'/v\' J 7

ontgaan, ontglippen, K, 21, 3.

) quot; -tj irlt;i.ru/i\\ r.n ij m ij jk?n i/j oj vu ij gt;id7^itlt;2

li i j\\ 1. afh ijifu ff Lo n i/js zva. ij \'y if i lt; ? ru/jw

2. regtaf, niet hoekig, zonder vorm, van schouders.

ini ja ijCn u ij i^ s ii iy\\ iloseh van den vorm van

li/jnwijnflesschen; zeker fatsoen van krissen, die

./.onder b^gten regt afloop en ^ i-n.ói 7^»\' 7 i/j\\

zie unajtw 8. y * n i\'p ook klanknab. zva.

\'il3*,nv

(vyp ij \\ zie i iyult;y 111.

r/yirv nnfjSüS. ijnitiê riin,j\\ soOi\'t van voetangels , die niet geplant, maar uitgestrooid worden.

( v •

inifikt 111 verbastering van r// gt;ƒ lt;,\'lt; t m ? kn. :loi 11 i , v .

I 11 ij iilt; è in\\ improvisator, die voor geld op staande voet, over al wat hij ziet, in dichtmaat voordraagt.

i ii^lu of {.imiuiiip kn. maagsehap, huisgezin (^/y.

ii (i li ihiijj).\' 11 rn m iji.j of n. i i n 111 ij .hir met zijn vrouw {of met haar man), kinderen en gezin. (iji iyn ^rri^ttAi \\ boete wegens roof, (niet met moord gepaard, (i.) waarvan de daders niet gevat kunnen worden, opgelegd aan de bevolking der désa, waar de misdaad gepleegd* is. — uu irn^ui in f of i,n i n i u i^ ii (hnjj kinderen en }iuisge»ooten hebben, in de spreekwijze 1011 11 m an irr^ uji hi q of h u ivi^ n 1« n

w/J*

VÖV,tu?N rf ^ur^Lii if [r^if^iu\\ zie bij tf.rm^if 1 it\\\\

, ;it?ï (bui gt; \\ kn. I. \\.ii(iyini gt; \\ een diute drom vonncii. ^ \' co

%van menschen, 11. vrg. ncr^ f.yu^s bij .iiym-s^, zva. vni^ iii iLiijj en ongeveer zva. if i-h 11 1 stam, familie.

o o .

r.n nimjw ifdnitqqimrn niiigt;\\ oenaming van een

vrouwelijke beambte van den Vorst.

r.n if gt;)ii ü uij\\ een plaats bij V a tji t a n, waarheen

vroeger misdadigers van J0gjaka rt a gebannen

werden.

rn i i i zie rrr^ i u n\\

rï^tinjj^hiijis • kn. 1. naam van twee wajangpoppen, man en vrouw, {elk kleine kinderen dragende, ah een zinnebeeld van buitengewone vruchtbaarheid^ die in een wajang voorstelling bij een ting k^êbfeed te pas gebragt worden. 2. itm omslin

gerd, omwondun , Rs. — njii{i^ i(iJi^(t1iiff\\ zva. \' \'

. ) o c )

(Hii/j zie in }yiii/f\\ rn /.ƒgt;).omwonden, B. T. Dj. 371. — rtiobj. dquot;.n.\\ bindsel, omwindsel, K. 4, 57. •

.irnaAA(biijigt; kn. vol en in menigte aan een\'boom zit- .

ten, va?i vruchten. Men.; zie //haj^n^iijf\\

■if yVii^if iLVit (uiyf\\ kn. — .111 tf(i / rf 1112 iLii.f n zwaarbeladen zijn door verschillende voorwerpen, bv. iets over den schouder, en tegelijk iets in de hand, onder den arm, en\'z. dragen, WW.

if .r.iy if,iiUihiiij\\ zva. ^ri^ LLi lt;ibi^\\

ny ijf \\ of r.n ij : 1 f KM. een kleine soort van wek-jes van meel met H uitgeperste sap van tape, ver dikte tapé. in ri 7 ui \\ oudere benaming van een bedwelmenden drank uit iet an bereid) thans ruif i,n myj genaamd, WW..

if in a 1i/j of\' if r.n hji / j i\'i/j^ KN. ligt blaauw, slechts eenmaal {of op zijn hoogst tweemaal) in de wëdöl-lan gedoopt, Wr I, 295, Kil.

r.n ! i \\ 1. zie ^ r» ^ .f l \\n

II. KW. zn tikr. bh ra ma, wenteling, rónddo-ling? 15. J. Kw. Krit. X, 11,—-15. Vrg. rn f / /y C. S.


-ocr page 1155-

I li .• I n I n

1007

(L/

l:niLi(H)\\ ~ie ^ry i hi.w

n amp;

iCn M Kjj \'lt;yi ZLe 1-

i:;»; ƒ,lt; k\\v. haf v itfëjN \'V(V\'. /y // /• ff ff nta-tj lila, verbijsterd van geest? 15. J. AW. XXI, 0—7, ^rtffr f/W. ^/üor i n unm C.S.

/^y. rM.\'i\\ 11., rry n a^jj^ \\ x .n .\' / j y w

A ^et\'S Mi * ^ ^ KW- zva\'

\'■y ,!{i/\'n\' KW\' Lvurrtw

quot;yftijr zie l3 u ^jr

i ty: rn óf .t7»j.£.ï r» \\ KW. ^üff. tjiinzws ihii ij un Jnjjs

[S/cr. b kram ara, groote zwarte bij); uo/c nm. v.

e. (jendlmj. ^ivivu(M Obit\\ een Kawi zany-

wijze. i n ijr.^rrn ijs ecu slecht leek en in

hel haar van paarden, WW.

ryuiiajij of KW- zva.dniijt^ groofb

toorn , gramscliaj) (v/cl. /lt; n hji /.y u. i ^ri a/u ; w

i u 7. / v II, t\'ff 5/t. bra h m a h at yd, moord aan

een Bnilimaanj gruweldaad, pk.).

rR U.:M\\ zie bij i.riq iamp;iw

kn.; it/hisni\'Hnbont gespikkelde

kip (vrr/. ij i :ni ij m mi/i).

rnf\'i^KH. I. ajuin, roode uijen , Allium asealonicum.

Nat fam. der Siliaceae; {org. n/nvh . irn #;r (iirt

\'\'gt;).• —• i n(f i i \\ traanootren. — iirrt t\'i i:i (hi/i\\ lcs roco ö vlDfo quot;

als door^uijen, ^/. i. kunstmatig schreijen. u ^ i,n

[lt;Ln /\'i i t m,j\\. een soort van (/ras.

coco « J

II. (unCuif^ niet zijn zaagvormigen rug kwetsen , yff» een aalsoort {iliiiu) gezegd.

»^j »gt;)^\\KN, l\'lanknahootsing van een slag, bijv. met de hand, op de tafel (vrg. crrlrrnfj). *— i.iyQni

■iv.vr !gt;va- \'/■(•y\'Kw\'niquot;quot;/*

i o hijs zie i /» u ii jw

KN- 1* \' y i H/j 2. zware houten stamper gew. met een bamboezen steel om grond aan ie stampen,ook rn\\n^mi/j of ■in j^ij »)»,y gen,— r./i^ry »»»^ daarmee stampen. 3. ook verb, van lloll brug.

rl r,i)rri,H^ zva- wirtnns — 7) n\\ii((ïii rii(Hii)\\ KN. J \'\' J ■\'* \',gt;gt;\'■ CO^gt;\' - \'

been en weer loopen, in rustclooze b.eweging zijn, bv. van een vróuw in hare huishouding, of van een d) uk, levendig kind {vrg. ij nyrj uw ~yif» nojj). i li on\\ KW. zva. ir^ f j ^ i \'rïnn ijt asiijj\\ (15.).

r.nijimi/js klanknab. gew. verk. tol cnmiq W. 11, 466.

/■ ^

i n LjI (ïii/j oj i n t)t (niijx

) , ) / gt; \\ r.n u \'tn^ 1. zva. in ti Ji nti/j (vrg. i i ui rn j) — (un

ruvinn^ {poel. ook i~n v.n iu Men.), jagen, vervolgen, van achter dringen, aanzetten; nazetten, Van een vijand. 2. klank nab. van het afgebroken, stoot end gebral van een leeuw!\' {vrg. iun nern/j) W. 1, 43, llli.

ijjmniarna, kn, lustig. Hink, opgewekt zieb voordoek-, parmant, parmantig, lier; (met moed ü/geestdrift, blijmoedig, B. J. G, Krit. XLIV, 3—14 ; LIV, 33, C. S.); volg. lib. ook zva. i:n »gt; j ii\\ bv. tj ij ir» ni r»7 -^i (yn \\ enz.

o quot;gt; r,

1777 •\'! I 11 (Y)l 2 N KW. 7.7 lU tL)} IjUltia QW (r.

77// lt;t7i^ \\ kn. ij tru uit^rm ^^ ~0ff. Ij ^y t,t, i*

lïjt \\N R.

r?/ rn?\\ c^ff. imyinfw (kw. schrik aanjagen, (i.).

gt; \'. . ry • . v

r.Ttnrt\'UHt of .17// »// quot;/ \\i\\n.; ///.\'/ ut.ut o uti .• / »//

17 (o r J ml

yi\\ zva. finn^ts doordrijven, dwingen,

sleuren, mét geweld trekken (^)y. /mitV/n //// irn

ï v

tiii/j\\ rtiKUti n tqs .vryrtKUKni,\']).

i n nt ia \\ //c//. brigade, groote leg er afdeeling. t i0\\ een troep, een zwerm yffw meuschen of vogels , J5; m/; /.7 rrn iet w •

i ticrti ic^ui/js kn. — iinif i tiinrjyhjs in zijn dwaling volharden, hardnekkig, halsstarrig zijn (vrg. ui tj ij t,mibitfl), volg. Rh. eig. ongevoelig, bv. voor vermaningen {jlg. vóór ww dikke huid hebben, m/. rn rttdj^ ixr/j). — /i ?/^7 rm .to \\ zich tegen iemand halsstarrig toonen, tegen iemands raad of verbod in handelen.

i // // /.to /// ƒ \\ kn. 1. i/n ifoi crtimi mi j\\ roodachtig, rosachtig, van het haar, wanneer /^/.rosachtig aan de punt is of door gebrek aan zorg een rosachtig

aanzien heeft: ook zva. i tt \'■} tm tn WW. — 2.

co S-

.i://(r/7 /./lt;/7/ isi/jn reis, maal. 7.m:// »//io m./o ? een-

iJ (tn \'I * f) in i

maal, in \'eens.

quot;gt;

i// »//\'? ij ii(i2 irit/j\\ kn. ; i tt ft ij ertt i ij ut f itij zva. \'

ik «■,/] n maar met kracht. *

i:/j r/z^/^v kn. IVisch , welgedaan, gezond er uitzien (tji //); IVisch , keurig, i\'ffw zaken\', ook kranig, opgedirkt, parmantig, (W. [, UI.) Rh. i7/7 )7gt;/j/ iS/r. Bhdrgawa, een naam van P a rati j oer d vi a , en van een kluizenaar in F a n tj a l a, gastheer der Pdudawa\'s. wznmnjti \'fcftof i^tmt in \'/71T7 n ook iui hj j of (t.t i nt 1,11 ir:n hilii \\ naam


-ocr page 1156-

3068 i n

van een werplaUj van Wrelodara, li. J., (\'. S.

/ . /

I n (tri zie i ti tn i ;\\\\

V. J

(y • ( ) )

I n i^nu ij irlt;2,ii I \\ zie rn i:lt; an ii ijk Kh.

I m I n chi gt; v zie mi ni j w

an . ) o n i n iiidti J y zic i n an rnjw

,V \' \' ,

i.mj nnnfnxnm uiifj zva. (iji ijcrmii m z gt;Hri,p —

ry quot; rn

I ii {^ij aiig tjcrm im i\\ of * i if tm ij im i.H/js KN. ergens stil zitten of neerhurken;.:\'^. .• m?. ij

II (mi km .J ^ zie it/hj (nit 7i am Kii/i \\

t) Oquot; • ) )*

I aym ni an zie an crn Kiijjw

Ian I mi 2 if imanj\\ KN; van nubij zigtbuur zijn, (i. ra^rii ^an\\ KN. zicli wild of ruw aanstellen, zicli

boos aanstellen.

i iy ai{ of xai ■ r\\ vai) \\ KN. schreeuwerig , Inidrnehtig, heftig in het spreien, als cujenschap van iemand, . die niet zacht kan spreken , (in L. 335 , van toorn) vrtj. i ij 11 mi q\\\\

KN. un^rn m mi/j^ bezwaard, zva. ijn ij ut lai J? Rh. overlast hebben; groote zorg ondervinden, Men.

I II IJl l ai { \\ zie 1711 1^ 7 ,7i V \\N

iai ij tai y n kn% verwarring, radeloosheid, kommer

het hart {vry. \' \'hquot;^ *1 ry ki gt;\\ ia^ ;).

i ii a^.iaj \' of {(vaj(i:ry \\ [. KN. zva. an ayrr^w

II. N., Kil ia til \' of iinai gt;\\\\\\.: i n lt;t\'l i) ril? of

s /J \' CO li\' !)

n/iihi i rij gt; ■ n. , i n ta iji.iai gt; of i n /; 1711 s \\ k., om-(if i\' ro s \' \' . 1

hakken, omkappen, trv. vail hoornen: om- of neerslaan, bv. met een knods, 15. J. XLf 7, 5; LXI I, 14, G, enz. C. S. {vry. n.ir^). — kiivii ijrijgt;\\ K, 36, 45, i— Kit LJ^ uni/j of ajj.unVyOok zva. ij

in,quot; van velen. Men. —(imCiiTiijims^., i/n f i

-gt; 1 i y Cfh

i i\' f i n \\ K. i li f 11 ai % of i/n : i ni; i n ; i ni\\ den weg

onbegaanbaar maken, versporren, met boomen, ra \'ujte

enz. i { j rij rij.gt; een soort champignon, zonder

steel, die zoo maar tegen de boomen groeit, lili.

III. ongeregeld, niet met regelmatige lijnen ol\'

strepen, der zwarte veer en van de rntimq bij

(Jemaks, BV.

)

» ii mat zie rn xtti ? \\\\

J \'

\\ iyi rm ju/) KN. naam van door middel der koedoe rood geverwde kleedjes, van Praniïraga afkomstig {vrg. arrrn niiHtfj). WW. .

i n rn ui/j of m n.iai (i/iy\\KN. Inidruehtig, geraas maken , B, J, N, /Crit. X, 4, 18; li J. L, Kr it. XXXVIl, 7—13: op beide plaatsen als verklaring

i ii n m rii tf ii 2

van Kw. iLai.n ifn C. S.; inz. veel en luid praten, G.; praten, babbelen over iets, wat gezwegen moest worden. Vrg. rnipiai^wlt;uii tin r n rj \\ een slapende of een die slapen wil, storen door gepraat, geraas, enz. — rn i ay n rjlt;Ki/j\\u\\ den slaap gestoord worden of hinder hebben van gepraat, geschreeuw, geraas, enz.

i nti i)2 i ii gt;1 KN. praehtig, sehitterend gekleed, getooid met juweelen, Kh.

raii^n Kiljj of in iirairnifs zie rnrai i ai kiijjw

) . )

i gt;/ » ii i.n j zie i n r n nnq*

i:ii.L7ri uiji\\ KN. — i i rai^rarui iinys wt;/1 een oogeiw blik, van een voorwerp, dat voorbijgaat, bv. van

geur, enz. lilt. zie ri^rn bn:j\\

x o . x .

if r n rri ici \\ zie ij r n \\ l.

i nrn i.n/j\\ KN. I. ook jrn rrj nip klanknabootsing van het fladderen van een klamp;ed om de boenen van iemand, die snel voorbijgaat, rl ! WW. — 2. of Tj ! n^ij rn snelle, vlugtigo

aanraking, sehamp ; Jig. w ij ij rn .rn ij n i.ij zooveel als een schamp met de dorens van ecu doerian: d. i. niet te ver gedreven, van scherts, die geen diepe wond geeft. LiiCtrrn i j of i n ijft irj ragt; Ln/j\\ in \'t voorbijgaan raken, sehain-pen, strijkelings; voon een oogenblik in ken of gebruik nemen {vrg. ij ryj f i . i^(rni ij 11 /

(m/j). r ii la^rn lii/j\\ uil *) r^if :i7ii v.r) hi] ongeluk, in haast o/\'in oogenblikkelijken nood gebruikt, van iets dat een ander toebehoort, WW.

i Urai rnq ks. klanknabootsing van het snel voorbijtrekken\' van een aangename of onaangename lucht {l\'euk) vrg. r^ rn nip WW. (of ij rn^ij rn in ^ van het scheuren van lijnwaad, rits!) tuiten ol\' suizen in de ooren door den wijid; fig. vai., een voorbijgaanden onaangenamen indruk, bv. vaneen vinnig woord, dat als brandend voorbij snort, of

van het hinderlijk gevoel van den winlt; 1*1 u de * )

oogen. rij ri i r n rnof ( i hu i n rn j lilljli ooren suizen, bv. tengevolge van een beteedigend woord. rii^irai rn ij un warm maken, van de

ooren, als uitwerking van een hatelijk woord {vri/.

) :

i n m ni ifii gt;i kh).

i n i ij rii/j\\ zie riy ai i n/j\\ I. volg. Kh. klanknah, v. h. uittrekken v. gras en derg , het grazen van beesten {freq. v. ry rn j). \\ iy ii(yyri^i n^ mo.


-ocr page 1157-

7 1.^7\' quot; \'quot;yV

niririj iniulllj^ 1. tie ^iTiynt (blijf, 2. «» i mi

ii. ij :iwifi™tuHJI^ kn. mi\'c\'s/n/ herh. klanknnh. can het (jeluid van een wapperende vlaij; en van hel slaan op de trom (tamboer).

i iirii i i/f zie i n r\'i \'■» \'-lij *

mi i niiji/)\' knt \'naam van een*afdee\'ing van de resi-

) V •)

dcniie Te tj a l op Java. — i n .• t i n i i/j of .1 1 1 ti

i.i/)-, ongeveer zva^amC^ o 1 i/j en ito

)TO , )\' o o • CY o ,quot;) •

/ i /j /. j ui\' ook / r /1 \'M / 1 /»j jy ^ \\

triiaiioogen, tranen storten. Vrg. aji iirn

m M/j*

. )

1 y ry r i/fï KN. (wm het grondwoortl (Vrr^(k/)/j zieirlt;ccr^ 1 iq) k1ankn(bbodlsiny van- hel uit den grond to voorgchijn konien, opwellen, opborrelen, van wa-U\'ï-y opwal uien, van dampen, tui itÏÏï rrrj N vai1

alle kanten opborrelen, opwalmen, W W. Rb. iijklanknah. van het gesis van inbrand gestoken buskruid. tij t 1 ^,1 m/j gesis als hoven, z ooals van een aangestoken voetzoeker, die niet knalt; volg. Rh. ook fiet zacht geblaas van een veest, en zva. hlt; (i:r^ kijj of ik ivn tuji\\ \'7 rm tfir.ni u/j KN.; (istivj(i i^2vjn.n2.^7^ door een gat of opening kruipen, ^ i n oji ^ i.n t^ iimn ti i/js spr. bij wil door ecu gat kruipen, maar blijft haken door zijn kleêren of kris, enz. voor hij heeft nog kleêren enz. aan zijn lijf; hij bezit nog iets.

- i n ij (i / 2 r^.m 11 --7 \\ d 00 r een opening enz. beendringe#, kruipen. — oq i n ? /ƒ rttzii-ip het gat of de opening, waar iemand door gekropen, gedrongen is {yrg. (wi un n y).

) -111 gt;iiniM/j\\ 111 rit ii (ki/j of i^rtKKjyi\'\' kn.; n/n

6 /11111/j\\ doorzijpelen {vrg. ui: l. i/j i»m »!; ; /), doordringen, van lucht, rook, water; iutrekkeu, van vocht, in aarde, papier enz.; vloeijeu, van papier {org. (Ijii i rrj ii n^.i.iig^) •, druipen van zweet of water van de voeten, Tj. ook zva. nv.m nm iijj\\ spoedig verteerd zijn, gaauw opraken, wegsmelten, van een voorraad.

v. kw. vruelifbaar , G.; vkl. \'y 1-1

\'rc ïiifn dj] mijj\\ Q. i ui ^ blijkbaar alles misvatting van \'S/r. Kw. b h o ar b h 0 e w ah {of b h o e w a s) s w ah, aarde, luehtruim cn hemel, zva. t ri-bh oew ana, de drie werelden: zoo B. .). kw. Kr it. IX, 12; aXVIII, 8 waar V verklaard wordt door i/rt ui 1 1 ui \\ Frg. vry r.y ui tKjjjs (J. S.

l ij uidjijs \' 1009

1 iji il ui Ki js kw. vk/. lis\' tiKiojfy de wereld, G.; zie

b ij 11 j, lut^ i :i i w i ii)i:niinj\\ kn.; 1 n f 1 i n 11 i/p uitstroomen , lt;y/w//yf-71 en, gudsen, van bloed {ygl. un i iuui/j); ook zva. 1 n(fiur^in 1 j\\\\

! i.n^r.i] n i/js kn. 1. naam van een gending. 2. schapen-, geiten-«/\'hertcukcufels ,00/- tm.un if uiinm.ijj •i. ongepeld gedroogde kollie.

riji ij iujiy kn.; \' \'ft n,rj^ (Men.) of i/nCi uv.ij,

tri/ijs in menigte achter elkander strooalen, van m enschen en dieren,\' zie lunc^r^diJi/jW »1 uwrj ini 11 i/js kn.; iunrjCt i ijuuni/j naar een ander toevloeijen , van iemands bezittingen , geld enz., waarvan een ander wordt medegedeeld; schitteren, naar alle kanten een blinkend licht verspreiden.

VV. P. tfy.\'i. — (un li (11 ti 1:11 iu \\ iemand iets van \'co\' \'K

het zijne geven, meedeeleu.

tj 1 y ij im 1L1 ij\\ kn. —~ u n ijff u ij 1 nt 111/j\\ of if ij \'ly ij 1 ni ni/j\' uitkomen, uithangen bv. van in gewand en, Tj. nitstroomen , van water , bloed, en zie ij imij.1112\'iLi/js i:n ij riuLii (hi/j of i n \' 1 ijn ii 111 ori/j kn. ingewanden, darmen, van een rnensch {vrg. ir^ij 112 ijïi iuij \\ iiJ

quot;) s n

1 utium p uidJi 111.11x1^ cm ij.ui 2 % tl/tl (Hljj); li. — un 1 i^ij 1 n 1.11 (in/j\\ zie bij unrj unlt;gt;w i.iiyi 11 in/js i. zie bij i;n i 11 hn j\\ nm. v. e. plaatsen gewest in Këdiri.

li. kn. : 1 iuf 11 11 i n\\ iemand hinderen, storen,

\' f.a, 111

van leven, geraas, gepraat, dat de ooren onaangenaam aandoet, oorverdoovend, ow^v. zva. rn i n rn/j\\ Vrg. tui\'jw ^

1 n i n r.11 un 1 of 1 1),1 11 hnl)\\ kn. ; i nff 1 u.n un hiui J \' J Lj \' (o \'

i n(t 11 n hnpi} {i n i n i,n/j\\ gloeijeu van gramsciiaj), van het gelaat {vrg. fuuuuii i), rood worden van de oog en, Tj.

ro n 1. zva. 11,1^ in zamenstellingen als ij \'ii \'i2 \\ un^ 1, n .i iji 1 li ij \\ W W.

ii. kn. of ij i\'i^s klanknabootsing van het vallen van een dun metalen voorwerp, als een schenkilad enz. ook liet geroffel van ecu trom , {vrg. cinCf\'i). {(^ r^ u.i an/j geroffel van een trom.

iTii \\ kn. klanknabootsend woord om een opbreken of vertrek aan te duiden; ook lu sschen werp set hij een e enklaps opkomende {aangename of, WW.)


-ocr page 1158-

1070 * rtrjjN

onaangename reuk (y;y/. r n i n huq); ook een soort van groote for. i »//7 / een klein soort van for. (vrtj. rni n).

i\'n \\ KN. nabootsing van 7 geluid van een handtrommel { Li r:n); of van een wegvliegen {vrg. r\'n\\

if irn^s kn. nabootsing van V geluid van de m

ook zva. nir^w )j iiry\\ k^. klanknabootsing = (rn r^/uw i ti ii\\ kn. I. cenige zaak, (;ei»ig ^oed, iets; lt;ling, tlingon, goed, goederen; eenig, een of ander, i n iini vrn ■ ruim tui \\ wat is dit voor ecu ding? r.» »»j.ii i.ir h\\ iets {ook zva. ki i:n tï /. \'n ny ti \\ al) wat ontbreekt, dingen die ontbreken, mnhiuru/} of lt;1 m iamp;i tLi/j\\ zie lt;fit u i/jw v.n r\\ ut tjihihkj) iojjs eenig goed. jim ■ n h n uji ij cut -1 \\ r.n -V» un vivj uiIietgeen men wil, al wat men wil; in KT. verkeerd voor: wanneer men wil. Ook zva. o.ir.ti n\\ eenig, in den zin van V ling, any, zva. elk. rn hui i t iiïi.ii ij iijiui/js al wrtt hij zegt of beveelt,-15. .T LXVIIF, 10, G. i ii h rj gt;»}? in ij ia ui ~jii v.1 n waar-lieen hij ook vliede, ib XL1I1, 18, 2. rnh uh n wie of wat ook, al wie, al wat. C. S. n i/mn irti n\\ komt te Soerakarta gewoonlijk niet alleen voor, maar ter versterking eener ontkenning ach-teraangevoegd . bv. un ij i m n .• i i i m/j yim m:n h\\ ik bel) in het geheel niet gegeten, .m-»! i.Ti »»\\ ook irn V» ii l.h ij h\\ eenig ding, wat het ook zij, alles. 0(ix) iLvrtummt ^nrjut^ naar alles vraagt hij. ij ijvinn ~ni\'in0\\ als er liet

een ,of ander is, zeg het. Lakon : irti tiwi nirj ii ■ tun ui tSl i) k) i ij tut ^ in alles\'is hij geheel als gij, C. S rji/tid nnm\'h urt h of ^(\\/rt2murn-rtij i:i) rj if h\\ tj.1771 / i n m t,j tut i ^ i.j ut K. in het geheel niets; om niets, zonder cenige vodvn. 0.hii hn/tn il

om niets hnilt (hij), unrh tntrn n., am rt

o . • . .

i.n i)fM/j\\ k., zva.. nn m:n n\\ jj(hJi(Lmni\\ {of

)j) n h\\ TP. Rh.) kn. alle, alles, wat het ook

lt; o .

zijn mag. 0tnt cut i](ut ~Jt\\ al wat hij wil. 0^ vti\\ alle menschen, wie ook. 3 iun it\\ alle regtszaken, alle zaken. — K t irrt\' h r.i m/t {op de strandplaatsen ook Kt i t^ itirttnj^Y alledaagseh. van dien aard als alle andere dingen, rjn i.^f J^0\\ dat is geen alledaagsehe vijand, tin /.y ij .•^ inini ntrj ij ut0\\ ik bedank er voor, op een minachtende

(vm u \\

s

wijze (als een nit den groeten hoop) behandeld te worden (vrg. t t oi uvt; fit ujt j). n utt h \\ w t j i u \'h\\ zie boven.

ïl.\'vt.ót? nrt h of.tmnrrt^h^ rondreizend knnste-naar of speelman, imum rt^ rondgaan om iets voor geld te vertoonen tiïh Jrc n als goonheliiar rondgaan ; Jlg. nm h^Jtt\'f/i ^ttj^s zva. amok verkoopen, schertsend, in Lakon, CS. volg. Hh. ook in ernst eig. amok vertoonen, nf. op een anders gebied] (.im ut *h uttji VV, 1, 79.) .vrg. ij \' t? rj gt;is% i n f j (trn^y r.n\'h(Vgt;tt(tp\\ \'—: [tv^iLttiiij\\ zie bij d tt u/\\\\

— (urtiEgt;t h of Lm f t in h\\ rondgaan om ietswoor

co ro ö

geld te vertoonen {vrg. i tt \')• i\'1\' { \\ quot;

tf uit i ij (tJt \\ rondgaan om een gemnakerde tooneel-voorstelling te gev.en. n/tth ütt tjnp t.n,^ mtft al-gerigte apen rondgaan, om die voor geld kunsten te laten vertoonen. —.ivn ^ rhvts ergens of hij iemand als boven gaan om kunsten te vertoonen.

— nmift hun rj Mn \\ als boven rondvoeren. — r.n

co \'

h t:t \'.Htji\\ hetgeen door een rondgaand kunstenaaf vertoond wordt, of waarmee men als zoodaniij rondgaat.

tn een gamme in het gamölanspel, in zatnen-

stelling met hel woord n/t tp utt/i bv. .t/t ip ihn^y n

) ) ) i)t n vrg ut tp lt;gt;/j njjjj »i \\ ut ip iy {t/j\\ ut ip i i i

lt;\\rt \\\\

irrt ut \\ N., rt.it ui \\ K., tegelijk, gelijktijdig; toen, nn, • guneer, tijdons (vrg. im tp ut ui)*i n ui i kui lt; j op denzelfden dag. — urn irn ut \\ zva. nnut .u gelijktijdig gebeuren. —t n : nu fit i:inui i:i\\ poet. (ut ut i.7 n met iets zamentreiïen, iets gozii\' mentlijk doen ; mét iemand in gezelschap gaan. — itm { t ui tn tjuns i tn tui an iitt wt/js iets tegelijkertijd met iets anders doeii gebeuren , iemand een ander doen vergezellen. — trrt .ut trtctn^ rrn imut i ti}o^\\ ui ujt i:t ut/j^ (tji(hj) ut m (Kt/js gezamentlijk, gelijktijdig; iemand met wien men te gelijk iets doet of ondervindt, bv een reisgenoot; iets wat rr.et ie/s anders zamengaat, bv. al.f bijlaag tot een brief; zamen, tegelijk of gelijktijdig met een ander of met elkander.

V.yj\'rMKN. zot, gek, zinneloos, (x. WW (Adji S. 108.).

nrn-mKW. zva. un ut {vrg. un tj Y —un ty meedoen, met een geluid, accompagneren. —


-ocr page 1159-

irrt if t\'» ? N

,T . \' 0

rV iets accompagneren, zva tmrwrn i:i\\ — ,:n ry:nn/j\\ (of r.H iij nj) gelijktijdig, te zamen spelen, hv. op de fluit, of zingen enz.

O

1717/ \'ni\\ KW. zva. \'IJ cygt;l2rl \'-\'[fj* W\'invm ti \'ni,

zie Sïam \\ ei ff. een tijger met manen, d. i. een

leeuw. — k\\v. fmrt/ri.tr»-^n hetzelfde ? h. Krit.

IX 9—10; IjX, I—6: op beide plaatsen echter

twijfelaclitifi of één qf. twee verschillende dier so or-

• ten (rïi\'n \'en quot; irn) bedoeld zijn {vgl. ^ó).C.

S. 0nm ijvj} (U imi/js een batiksel; ook cgn figuur

op een zadelblad [rj tun vjrm nmji) geleek end. --- un

o . . \'

: i ij nzva. i n ij i rj(£Aji2tni \\ kn. iets ergens vieê\' bedekken, omsluijeren, bv. een paard met floers of een nel\\ optooijen, opschikken, A , 37; Men. — iimvf intn(hij\\ boscli van doornige takken. onder om de stoel van bamboe-boomen; wat als met een barongan overdekt, omsluijerd is, bv. de vermomming van een persoon , die een tijger of een y root en vogel voorstelt, en een kar o eng-zak om heeft, met paauweveeren als manen omhangen , of met een houten kop van eeiï heest, • welke pel\'soon onder gam elan-spel alterlei bewegingen maakt; (volgens Rh. bij de voorstelling van een tijger meestal 2 personen), .ah m * i ij ns 11 (Hiji een barongan voor geld laten spelen. m ij n i (i.7i iHjuj) nj na/j \\ tijger-b a r o n g a n. r n tj ut 11 uj ,jy ho (injj\\ vogel *b a r o n g a n.

\' quot; kn.; irnifoiy stijfhoofdig, halsstarrig doordrijven (vrg. i/n iii cirmc^nu/j), W VV. volg. Rh. doorgalm , doorhollen van een paard; hardbekkig voorthollen ; fig. onverbiedelijk, onverzettelijk voortgaan, PJ.

\'»» kn. een bijzonder fatsoen van lansen. 0n nij i nxij een soort int) waarvan het temmer in het midden aan weerszijde een weinig bol is,

(P.T.), Rh.

kn. onduidelijk, van schrift of teekening, bv. van een b ati k-patroon , dat in elkander gevloeid is, duister, beneveld, bezwalkt (vrg. (t.j iu iMjj gt; m iw/i). iiji£.yi / tj uja:r^ aji \\ de maan is beneveld. (uwièf.tjunzijn gezigt is bengeld. — a n ajf i i onduidelijkheid, ineenvlocijing veroorza-* ken. — am f ^oj) i:t ij nris onduidelijk, beneveld maken.

tj i:n n\\ kn. soort van groot kapmes, (vrg. ^ m?

riamrU *1071

i h am n (tin i). — i//» n ifji n\\ niet een be r a n u: \' (yl \'ro

kappen.

rfoi-M\'xKN. scheel\', naar een zijde overhangen, sehnin. auimyithj tian} hij looj)t scheef, bv. mei een schouder naar voren. ,aj^amrya:j a jam ;m de sehnit hangt naar een kant over. Jrrg. tu ^tw ij i.n yn \\ kn . zweeren aan de lippen , aan den rand der vrouwelijke schaamdeelen, of aan den aars,

bv. ten gevolge van onzhtdelijkh eid, WW. een

*

soort roode uitslag van de huid, meestal met ontvelling \'gepaardbv. tusschen de dijen , tu zen , in de oksels, enz. Kh. n rr^i ijam ij gt; i \\ zie bij a.n n w ij rn rj nt\\ kn. am ■ n ij a in tj rr) ? \\ zva. nnjt \'ia n »oi

gt;ƒ\' t)2. zie aj uj) eii9\\\\

iiyrm\'ii\\kh. voetangel, puntige bamboe in den grond • gestoken met de punt schuin naar boven (vrg. (ii:n ik fttyj)- — to */ gt; i \'i3 \\ iets van b or a n g\'s voor-•zien. — vn tj {ti it art tj utt \\ bij wijze van borang . geveld houden, d. i. schuins •♦naar boven, nl. een lans (vrg. a n a/in); pijlen als b o r a n g\'s in den grond schieten, 13. J. XXVlll, C, 5, (\'. S. y rnF. zie tja tt? tj m^ w

11. a/n tj v u tj-rt2 \\ kn. iets in \'t groot koopen , veel,of alles l^open (vrg. wiytlt;tt/j). — am tj i t? tj iti vtv mv.; ook van iemnnd veel of alles koopen , opkoopen, W W. — am tj t u tj n 2 antj ilt; 1 \\ voor een, ander iets in \'t groot of opkoopen; iets in het groot enz. verkoopen. —aja:rt d tj\'n2 a\':t tut/j\\ obj. den.; in \'t groot, enz. koopen of verkoopen.

rntj t 12 tlt;tt/j\\ freq. van am ij t iinna \\V 11, -511.

o

, tj ti tt \\ KW. zva i.|/ fët ti tt fj\\

kn. het onderste gedeelte van een boom met de wortels (vrg. tja.hitj ttt2iia/j); ontworteld, met wortel en al uit den grond geraken, zva. ij nttiiafj. — amC(f Y\'\'! ontwortelen, met de wortels uit den grond halen. • . , \'\' \'f 1 t\'1) kn.; an ft i.tiattpf\\ onder een zware last

gebukt gaan.

o .....

a.r^ i,r^ (inttiJijjs zie bij i

fre(l\' van \' \'/i \'•y , v//N

tj a^ tj a, tt ojiji\\ — tj lart^ ij h ti i./) _ thn/j \\ een soort tj

Tj aji tj oji 11 anj} • van geraspte klapper met ka (tele

of iets anders er door en a:n raa 1 fiat ia\\

V lt; lt;l (O

t/ i tyrjtlt;ti2(ui/j\\ kn. een spijs met kloewak toebereid, in pisangblad gewikkeld, ongev. zva. tj


-ocr page 1160-

tj l il5»\' \\

107^

lgt; M »U/j \\

ij i n / ij vu ilt;n/j\\ ij i\'jyrj i.n? {^ n i/J^ (jezcgd van tie wijze van hoofddoek te dragen, door dn \'inlanders te Batavia, die het haar plegen af te scheren, in den vorm vau ecu met een \'/ /ƒ /lt;»/? omwikkelde kool; eig. dus zva. /ƒ vjK/j2w

rtyhn niij KN. stuk of brok van baksteen , puin {vry. miititi tujis ij kh n.i/j). — ti n(ynlt;n n i/j ie/s, bv. een weg of modderige, plek met jmiu ophoogen uf gelijk maken. -- a/n(.\'} hu n gt; iemand dat

werk laten doen of daartoe veroordeelen, een weg met puin laten beleggen. — .r\'M /cw trKhn/j of tui 1 iih )i m i/js puinhoop; aan ^brokken , van met-selstefinen; b r a 11 k a 1 - stra f; vrg. tmuti ii( 1

1 u hil njjjs k n. volg. li. zva. i* n .m/js (unC wu nj/j^ baatzueht\'g, sefiraapzuehtig, kleingeestig e7i als gevolg daarvan prutttdaehtig zijn. — txm[ir\'itin tu t(5gen iemand baatzuchtig* enz. zijn.

ij i\'ti h)i ti/ijis KN.; n nif[\'f\'huu.n.ijf\\ iets dat vjist in den grond zit; omkantelen ,\'uitsteken , ƒ//. er uithalen wat in ien and zit,kennis. Ij. Vrg. 1\'n

V ry

\'3

\'J*

. .. 1. O irj in rfhnni/js zie by 1 nun m/jv

rt) tn.Di n i/)\\\\

1 \'tfii trujj en% 11 ^ m n \\

ijCfn i\'H n i/i\\ g route kluiten uitgraven, uit den grond halen , Rh.

/quot;lt;/1,nvj n ii\\ KN.; nsn jj \'■ n ///»/«» altijd gelijk willen hebben, zijn zin willen krijgen, eigenzinnig, zva. 7 ») WW. wettigt zva. 1 n itjiuï

Rh.

r\'tnntLM of ini,?iru\\ KN. klein, maar stevig, gespierd, AS.

i\'ti fih of rn KN.; lt;1 nf.\' i i.h\\ on handen en

j J 1

voeten loopen, kruipen {oVy. iif iuii bij

nnw). ■ amCv ruhws naar iets toekruipen. — [irniiai 11 itnjj of (i:)yn h\'}} rianjj\\ in een kruipende houding, kruipend zijn, ook viervoetige dieren. t Ji 111; iry hi) 1:1 nri/p leeftijd van- een kind van ongeveer G maanden oud.

rij /.^ KN. — krom van rug; ook wel

van verlegenheid of vrees den rug krommen, Rh.

).....

1r.1t »gt; »o; \\ zie 1:1^ igt; 11 gt;\\

urn -r1 ik\'111:1 (ïn/}\\ zie i\'i\\ tlt;»\' ^

i\'iiin of n 1 rtl mii \\ ook iijit) .1:11? 111 en n./) i\'iiin\\ j \' 1 J II \' I

kw. minnepijn, van liefde kwijnen {vrg. nu ij rn)\',

droefheid over het verlies can dierbare betrekkingen, J5. J. XV, 3, 0; XXII, 18, 4, C. S ; ook toespeling op de dichtmaat As m a r a-d a n a. {Sir. b hrdnti, ronddraaijiug, roudslingering; bhrdn-ta, rondgedraaid, rondgeslingerd. Vrg. i iiiisu\\ \\.).

Cl

ij 1 nu \\ zie ihii w

r.^ i,i)/f \\ KN. 1. zva. wrj\\\\ 2. klanknab. van hel plotseling te voorschijn koeien, van een verscheurend dier, a/s een tijger, wild varken. Ji. /.;/ iy«

AS.

zva. 1,11 i:i( 11 1 1 gt;1 i iid i) m(hiyi^ KN.

\' ) * quot;i

f 1 y if v.inhiiji^ KN.; iiiiflinifi:i?.iiif\\ iets [bv.

v/eeseli) in een v/avimend vuur branden, zengt\'ii.

— tio if viytf i:i2(tgt;nji fnj. vuur vatten, boos wor-

.den. — \\ u i)(1 f n ru iiü)^ mv. — n/n 11C* 1* n i n \' (n \' • \' ro \'

ii\',n if i,ii\\ iels, bv. een nrfmn ifiufiuu/f\\ gebruiken om iets anders te zengen, verbranden, af ty bran-• den, WW.

vi^iiii/j\\ KN. heet zijn, kwaad, toornig,\' (J.

a nf! 11 111/)* \'vertoornen, toorn verwekken (i. —

co

gezengd, verzengd, vau buiten door het vuur gezengd en van-binnen nog ongaar, ooi uitwendig aangebrand, \\{\\\\. fig. driftig,, vertoornd, WW. (fji.itn hii i iy .m.iji door de hitte van dt zon tot vroege en ziekelijke rijpheid gekomen, van vruchten {vrg. if lïi^am). r^i.ta^i .antnjfi^ driftig, opvliegend, ge?v. van een wan {vrg. (rvi i.j gt;

1 ly1^ KN- halster {vrg. ; n\'^ n uri f). — 1 n( .■» iTji ij)jj\\ een paard een halster aan doen (vrg. 111 (f^ifjj)2igt;ii/j); een paard een touw om den neus slaan; fig. iem. den mond snoeren, Vi\\\\.volg. WW. ook Jlg. iemand misleiden {vrg. lt;un (ui (uijf 1 n lt; f,

Mfj).

1 ^ if m2dJjjf of \'Ctj (ut if an2(i-Jiif • N. of kn ,--D i n i.i^ k. , riuis ki., knevelbaard, knevels, {vrg. ij if n iif infcnji)- a/s valsche knevel (je-

bruik/; ^ij nnf riitjii/j n/n/i.ytJijj* een lijne knevel

met roet gemaakt, Tj.

f) O if iy if vuwj mi if 1 m Yf rn2iiJtJi - tun iiyiiij

zie bij ri) n cuijf \\ Rh.

vf rfnii 2 mof if 1:^1/ if ijl n KN. fond raai of overtrek,

omwindsel, bij wijze van muilkorf {vrg. \'Ïji^);

korf om de vruchten aan den boom, om ze voor

de vogels te behoeden; overtrek, van /aken 0/

andere stof, om het gevest ajt^ un inji en de ü)


-ocr page 1161-

I n in i

i3

gt;1 ntmi quot;an een kris, ecu soort fouilraal {yry. I r\'y ioi wiii\'i)\'\' iiifMen uversolioile van cm ov/-hd of day en , over tie /iouieu(gt;n n :inj); voltj. WW. ooh- liamboo-rlperwork «ƒ imvttcn, om tie vertjulde stijlen van een fiandapil tjehouden-, vnj.

in ■/quot;Ijquot;soort van zijde, altfslof van

quot;{O \' \'

ten do dot. La kon, C. S. — iun\'if(.(iJiit)tiirè\\ dni ,t,iji/ijjii\'/ \' iels viln eel1 blongsong voor-zicn, WW.; op ceil bloiigsong gplijken, of een obj. nis hloiigsong omsluiteii. — urn ijCtnijM» i:n ,i/h,j i/j ij i.y i i/n\'ii m \\ t\'t\'H oiy. vim con

■gt; O

blongsong voorzien; jhj. ifuwrn i iiJi a n in iHi/is zicli niet kunuen onthoudeii van stelen, ij )l i nrr) i:u(Ki0(i i htl .\' iijjs geen geheimen kunnen bewaren, of zich niet knnnen onthouden van te \'snoepen; vry. dj tjw {0m iytp niet van werken honden, WW.). — rj i:nut^\\ tj».j»ivj t\'i?

runjj van een blongso 11^5 voorzien.

n\'n nt ■ kn. l iictn n m vu groot en sterk gebouwd;

ook Jhj. uitgebreid van kennis, Tj.

» 7j »i 1 kn. naam van een (jroote wilde duif {groen met bruine horsl)t groot er dan /. n ici i. n/j in de wandeling genaamd notenkraker, (Tj ) Rli. 1//»/» m kn* zwaar, veel of wijd getakt, van horens en hoornen {erg. mui?); Jlg. welgekleed, nl. mei een kris in den gordel, firn m; in amok . sterven, zijn leven duur verkoopen ifi\'iyjHt; kn. zva. rnrnj \\ ook dubbelhartig, valseh.

»/ i\'tyrih\\ kn. — vn ijfiu rh\\ een opening, een

bres maken in iels dal gesloten is, of aaneengè-

vlochdeh , hv. een bamboe pïlyVr , maar zonder heu{

te breken , Tj.

1^1:1 unjj. zie r.11 * II.

i n 1.1 ii7j?\\ — (ui an 1 j gt; w,

/J i3 • ♦

quot;gt; O o

\' \' \' 7 \' •\' ^N a. n i i ij 1 1 j w

\'/i 7 \' ,rl1:1 \' UI KN- grijnzend , zoodat het tandvleeseh of de tanden te zien zijn ; zoo grtjnzbn , een eigen-schap van Boela\'s, PJ.

\' 1 \'\' \' kn. gegons van de 1 1 ui 1:1 an/j^rg. r.irii 11 w O amp; , . \' iJ

\' KN- gebrom, gegons, van bijen {vrg. \'hij

\'1 })\' — quot; 0 /. gt; r rii \\ brojnmen , gonzen.

\'ft\'l\'l KN-va- \'•ƒ\' \' ^\' /n maar doffer of zioaardor

van geluid, bv. van den windof i/i r; brommend

builen of drenzen, als van kinderen.

i .r} gt;j 1 :i rj ui \\ 1073

1 1111 111/ i\'i\\ zva. ( ii 11 \' maar van kleinere vuor-tJ \' \' t*

werpen.

trnihHji\\ kw. zva. [K iy * 1. of i n un^ \\ grondwoord

\' quot; ) quot;) ■gt;

van 111 1 11 i.n/j\\ i.n rn i.n/jw 1 nuf hn ./.;y pool. Ij.

mr i,?i 1,1 m 1,^1 in ij «vol gevuld.

II. bij het iii,i]\\ spel, drie van gelijke kleur

ot\' liguur , lih.

lil. rni.ni,n/i\\ klanknab, van hef met de vler-

(O \'

ken slaan van een haan \\ zie ii:n i.^i/j ry i. n p IV (\'hin. Chinesche ot\' Oost-rudisehe inkt.

r:fi JiUjj\\ zie i:n 1,11,1 \\ I. ook verk. van un •\'11,11/1 \\\\

o , to ...

ini.ii^\\ verk. van i ninhn/j zie 0ij 1 nw

y )

inijf of 1 u 1.1^1.11 jj\\ I. kn. iin^hiiji mees fat her//. 1 1 r.y i.y , n n:n ini/^ met de vlakke hand zacht slaan op, bv op kussens, op de buik, enz.\\ {fig. iem. li. zijn nek zien; operediet koopen, om nimmer te betalen, XWi.vrg. t 1 rij i.ti/jb/ji //^;nlaijj^. iSi Kina\' \'ij uu .ti 1 \'1! alles mogen doen, naar eigen willekeur, NV , II, l.iJ.

II. vereffend,.betaald, van sphulden {vrg. ni n*

•) • i

iKiy). — i:ivnii,tn* een-schuld Mouw , vereffenen.

— i iury luiy 1,n\\ voor voldaan, vereflend houden;

mei iets een schuld vereffenen. WW. — tninrn

t (}

.ni/l\\ kamp op, gelijk op, niet winnen en niet verliezen {vrg. i n iyn tu/j)-, \'niets te vorderen en niets te betalen hebben.

III. ook i.ij i,n\\ lloll. boek, gew. notitieboek, memoriaal, koopmansboek, tj i n r gt;1 /. n iy f 1 a.r^ mhjP spr. voor niet in tel komen, Rh. — luair

/.»;n iels inboeken; te boek stellen, beschrijven,

bezingen, B. .J. Krit. L, 9, 7, C. S.

1111:11 hiijj kn. I. wat iem. als zijn deel toekomt,

WW. wat iemand als zijn deel of aandeel heeft of

beschouwt, •Rh. — injin yx iels als hot zijne

in bezit nemen of houden; zich iels toeëigeneu

{vrg. . (uncyn t.ij). — i i iji n hn tjun iels aan

iemand als zijn deel of aandeel toewijzen, geven,

i

\\\\ W. iets als zijn deel of aandeel hebben of beschouwen. — \'1 rn\'I\'igt;\\,)!,Llt;tlt;yis onclcr elkander ieders deel of taak bepalen.

II. verk. van i.n i^nminnji^ zie inw

III. Uoll. w ij k , als verkorting van wijkmeester, inlandsch kampongshoofd te Batavia, C. S.

7 1 m unp I. zie tun if t u hnjfw* tf. ook wel zva.nn tui gt; 1 n tj lt;!£2 unjj\\ ach ! Rh. Ook alleen zva. tj i n * i^ii ij ui\\ als voegwoord, in den zin van uit vrees


()8

-ocr page 1162-

V/j Hquot; \'

1074

Ml hll

dat misscliifn , opdat niet, H. J. XXIV , 20, 7; :i/n if)n\\ ,lt;n ^(Li,y\\ zoo ib. I/ 12,0;

LXVI1. 1(1, O, (J. S. »1 t:m nun ij vmnnfj telkens* ijiriii Hu[)\\ roejieu van iem. die zijn moezel\' (ö/\'ouders) maar voor zijn oten on drinken en slapen laat zorgen. iim 7.^ f / n \'j\'Wquot;fj \' ^ gt;ï ^i-tj?

vn nn\\ kvv. sva. tj m us 1. een watervogel {Skr. ^ ^ , ooijevaar, pk.).

11. eign. van een reuzen vorst van Pr a m h a n a\'n. rij. Ar. Hiu KN- blijvend, duurzaam, onvergankelijk, eeuwig. ult; de .eeuwigheid. im nn\\ Holt. bakje, kn. schenkblad.

r.tt tni\\ kn. stam van een boom of yeslacht, G.; grond, grondslag van iemands bestaan, hv. ambt, beroep, rang, waardigheid, vaste verdienste*; het eigenlijke, ware. do ware, regte persoon of zaak, principaal, hoofdzaak, hoofdonderwerp, hoofdbestanddeel , hoofdbegrip, hoofdbeginsel, hoofdbedrijf; titel \'van een hoek {vrg. vastheid, duurzaam

heid ; iets als grond van bestaan\', iets vast hebben. iDhiyjias zva t j» (K) if n iu den grond, eigenlyk , inderdaad, i n kii i j (ij) viji\\ eerste en voornaamste grondregel, rnrjojis vast werk , vast bedrijf; een vaste betrekking hebben, ui lij i:h uij\\ sawah\'s waarvan de toewijzing door het desabestuur vastgesteld wordt, tegenover ui i ij^},?ituyi of mi i n ui Hi/j eigen sawah\'s. hu ij i n2an kii\\ vastte,

go regelde Aro^tuinen, in tegenstelling van die,

/ o 4X - gt;

waar hv. rj um tui ti/i rn 0/ ij 1.11 tiiiniu i.jjjs geplant wordt. in im 1.11 \\ grondregel, rigtsnoer; ook magt hebben, G. —1 im f iij nn?uj\\ iets als principaal besturen, Adji S,

^ gew. 1 m f»ij inns verk. van lt;iïn urij uti2\\\\ tn /. y een soort van in a ngg a.

ro/./^x KN. .hiï éitinlifns een gesp met een gebogen

rand. i.ïi ui^ r.?i ays Mal. met bogtou.

iiy.us kn. opening, begin; gedurende de vasten weer beginnen te eten, dagelijks na zonsonder gang Tj. (»ƒ »»gt; jy »ƒ x 11 ui \'i jj 1^ yf (ui (u^ ij in rj im/ni:r^i^?u y (un(in^ihn\\ beginnen, een aanvang maken bv. met da ».m v \'l\'j. — arnay *lt; u \\ begin, aanleiding, (in^an^ 1A1 njki^n asn/js aanhef van een brief, inleiding van een book. 1 ij.r.ir i.n ui ilt;ij\\ naar aanleidifig van. ^— isn ri uii \\ openbaren, ontdokken, bv. een geheim \\ poët. zva. un ^ j /. n uujj, een deur oj vertrek openen. — (urimi\\ zie boven.

— i /1 v ;n.r^ im\\ inlichting vragen omtrent iets, W. Pr. 5.; wettigt aldaar 1 j /y tui:h 11 iyi(un a iii ij /,„ un(ixi aii(Lui ikiji wilt u het geheim openbaren r/. geopettbaard hebben van bovennatuurlijke \'magt?

nm f/i nii ig\\ aanvangen met iets. — h\'ikhi.h

mlt;(\\ CJ Cii

\' un ij un\\ iets openleggen, zigtbaar maken; uitleggen, verklaren, G.

jy ilt;?i \\ k N. zam en trekking van * hu j.y xir^ mn un\\ Rh.

) . OO Qv (D

(Ui Kj(KMf uj mm (i^ji j ij i7»/ ?(ui j \\ tin a i (u^uy/n \\ or nog

jong uitzien, maar werkelijk oud zijn; tegenover tj ia

/ / ■■ o ei 1 S o., o

naar de spreekwijze: ij 11 tj uj n m (ui gt; aai a j tin 1 111

Kj inianas jong sehijnen maar oud zijn; iw/y. WW.

oud van vruchten of van menschen. iamp;ihu iii iiu

gt;1?nun\\ oude 111 al i n dj o-vruclvten.

vn\' y zie 111.

ij 1 11 un\\ kn. zich moegelijk maken, gemelijk, verstoord, in kwade luim (mokken, mopperen, pk.); drenzen, dwingen, als een kind {vrg nhji?up gt;); moeijelijkheid, bezwaar, ongelegenheid, ongeval. (un cm ij ui ij 1 11 h 11 \\ k well ing aandoen. ij ii:ri un ui rw(hi\\ beproeving en verzoeking, kwelling en verdriet. — umrjwmi \\ iemand kwellen, plagen: • een kind in kwadequot; luim brengen {vrg. mn if lt;! 1 na); bij iemand drenzend of pruilend aanhouden, ten • een kind of vroujv, B. S. 243: v n ijuiiunwirii mtujij an/js C. S. ook intr. drenzen, dwingen, nis een kind.

.i7n\'wd,mkw. zva. Ks\'ij ti?^ G. kn. breed uitgespreid; breed zooals van een boom. met breede. takken: v. e. dn dot breed van onderen met een sleep ; wijd uit elkaar staan van uitstekende punten of toppen bv v. de punten van horens, ijajid i m i~ii dfn zit hoven.

i:ri un j \\ kn. zva. ajiicn%\\ stevig, hecht, vast, sterk, standvastig pal staan, in den strijd, B. J. XX X V 11L «, 6; Lfi; 7* 7; B. S. 290,.C. S.

iTnri i.n2^ dial, tzh x:nun%\\ Men.

r tiun^ kn. élanknabootsing van een zucht uit ontevredenheid: och, ach, hè! PJ. —

v

O • r,*. ^ O )

r.77 ? zeggen, znohten. 111 uij sn^n ur^? x 111 hn^

vhtunqs herhaaldelijk zuchten, Tj. ,(t?n(un uj (of (L/iii?iï(im uiif \\ Lakon* {). S.)\\ van alle kanten zuchten.


-ocr page 1163-

c y

ij cm h n \\

TV\'

1075

Jgt;oM. W»j Ir.)

eerbiedig voorovergebogen zitten.

)

IHI.II JIIMp Zie

ooi V ) ) )

, nmi 0/ «3» \'• \'jr

1?)

\\ n ti}{}]?. nui? h

• n/i i.i i

, „ gt;ƒ hunj tg/j*\'1™!}

) t a ; ) « n .quot;) ■-gt; o

i n igt;ii i 11\'n/)\\ KN • un ///.»/ ujilt;i, nn zva. n u t i nn i v

\'l co co

mp —nu (hi\\cii /0) \'ilt;\\i \\ tegen iemand valsch spelen, WW. vry. nm }lt;?! u\\nsnjj i]i i.ij(hJii\'^^kn. — njn f}h^(hj^ iiii/j\\ murmelen van het wafer, koken, razen van wateri vra. t.tj n\'.yK/) w

i,7? ij i\' ii gt;i i i kii/i n KN. — i/n ihJ ij mi rj \'ki /hu/j \\ veel praten, snateren.\'

uirj mi ij i

u::r

Kii iiij}2 Hn/jsRU. boomslak.

in] mi l i wjj\\ Verkeerde spelling voor i n rnéQ/tijj ? (W. V. 450)\\ KN. ingezouten, en door middel van gist of rijst verzuurde visdi, \'171 onderscheiding van

dVKidn gezouten viseh , in het znur gelegtl {org.

, ) O gt; gt; V

/ li ui f t/jx frji iJidnjjs i.ihnn 11 f ifj).

1 111\' 11 \\ KN.; -ihn/1/1^1 thn ifn\\ brandliput. — n/ii f iiiiis

\'1

op het vuur bakken, bv. zooals viseh ; ijzer heet maken om het te smeden, G. — utmi hii\\ geblakerd, i\'k. — in mi 1)(Hifi\\ obj. den. op het vuur gebakken.

r.nhr^s kn.; im i.yimhiy (volg. Rh. ongebr.) zva. ip i.y i;i i.y\\ veel beweging bij het spreken maken.

kn- \'.t koeren van een duif.— vn j\'koeren. — nmïJi.yn]* er tegen koeren, als de doffer tegen de% duif.

inifi/n liet liinnckcn van een paard {vrg. 11^ quot; 7 quot;lt;). Knrj hnilnij iai telkens hinneken, WW. voir/. Rh. irnif im\\ een kort of stooteitd gekrijseh bv. van een paard dat vechten wil, ook ongeveer zva. in js iK\'finsnp gegil, nuïnronjij

freq- .Tj.

o cv\'

miais kn. een kinderspeelgoed van klapperdop gemaakt, soort van tol. — innnum^ daarmee spelen, {ook zva. irn ini\\ in )Vangsallan omschreven door 1 a r( np 1 mi ^ni iu asSyj i j kv -taihnjjs d. i. kleine klapperdop met steel ? C. S.).

1 kn. een groote geribde zeeschelp, n/n nn a\')\'\' ^ % si\'\'ïli kalk van de boe koer gemaakt (vrg.

\' ^ njj unji 1, n ij i m gt; rrj i/ij \\ zie i/r^ yi itAjf

\'inn BV.

C7

nt w S /t w S / 1\'^

k vv. v/ft. fj un ? \' m ; iiiw v.ïj 1. n i 1 1:} ■ 11 i n } 1

riiij- een gebouw hij den ingang van de Moera-

laja-y B. J. LVU, , 1. — ri^ i n gt; 1 ihiji zva.

ILJI*1 ihi^as^fifyi\\ IUI1 };i,^ G.

i/i:iii,n\\ kn. — n\'nri / i i.n den hal.lt; krom naar be-\' \' co

neden gebogen .hebben vooral van een pmird. nrn iji,n kn. druk in de weer zijn, zich druk bezig houden ; zijn Jianden vol hebben , met een of ander gt; hv. met bedienen {Banjoemas) Rh.

gt;1 i n t rf i. n t \\ kn. metalen kom met een rand van onder als voetstuk {vrg. / j ^(UiiriJi gt; i t ij h n ?. zie ui wji gt;\\\\ irlt; ^ in ij i^i gt; een soort djeroek ihet zeer losse schil, Rh. —»- rj r:ni ij /. ni n :Ki:j\\o\\) de wijze van een bok or: een bijzondere wijze van opmaken van het hUar, gebruikelijk a/s bruidskapsel.

i 111 itn imn kn. klanknab van het schelle geluid van een wild hert, voorat als het \'s nachts, onraad merkte gil, schril geschreeuwv — njn ?. nuiijj -dat geluid maken. (B. J. LX VU, 1, 2, van de uitdagende stem van Wrekodara. i nirn mi ^/11 (3^ i/ lei yjj r/quot; x v/m wilde zwijnen en boet a\'s B. J. LXIII , 10, 4; B. J. A Kr it. XXVII, 30, 5, C. S. — mi lun r.n ui i/ij i\'ii/js van alle kanten dat geluid doen hoeren. — inxiihiihnim/ys mv. Tj.

rni.iji i(njj\\ kn.; in ii 1,1^ 1 n^ iets oi^buigen , krom buigen, vouwen, na in nnjjs den nek om- \'

gedraaid worden door een tijger, Kh vrg. i ni.r\'

n .

1, njj x mn ifij, hn /j \\

^ c) \' ) .

1 n ij hij? hnjjw n n 1 rj 1,111 1,11 ^ zva. i n 11 /.,gt; nn volg.

Rh. zva. 1 11 hn 1,11 /j\' maar doffer. 1 n iji rj un t hd^\\

freq. WP. 403,

i n h n unfj zie nnun hu^

o • o

fiTr^ Kii /.h^\\N. , 1 11 i\' n i\'\'/^\\ k., — i /j 7 ; un un/js n nfi

mi unji\\ iets open maken , bv-. een boek of

kleed openslaan, een /. n njj un/]\\ afnemen, eig. -liet

hoofd ontblooten ; een un^0!^ losmaken . en uittrek-

quot; (O

keu uit\'eerbied, voordat-men in tegenwoordigheid van den Vorst komt-, een \'deksel of deur openen , ook zva. iin /-?iiuifj\\ *de stokkaarten openen bij het riumuiq of iji hn\\ spet; een geheim openbaren

/..., ^ \\ O O iquot;gt;

[.vrn. ui 1:1 \\ 1:11 kii). — n n\'f i 111 un \' iiifiiiHun\\

\'li \' Clt;\\ m. co quot;i.

mv. — n:r^hii uii^m/j obj. den., ook vacature.

Kï^ un injcyn\\ kw. zva. w uijnpi^


68*

-ocr page 1164-

1070 lt;uihn lh^hnji\\

amp;:ii hu kn. ; i nhn i.y.H anj v knkulend hocit

cn wetjr loopen, om ecu yeschille plaals {e vinden lot het leggen van een ei; onbesuisd, in verwarring, als een gek rondloopon, bü.uuni iets te zoeken, WW. volg. Rh. iu wanorde, verward, van zaken ,• vrg. t n nï in^\'\\oolc zva. i in.n i i /.»/ ; j i.n i.n i.ij hh/j kn. aan liet spit gebi aden of geroosterd , bv. van een varkeu, een schaap, en (/erg. \'i\'j (in deeg nagebootst? bv. in i n i.n hiihn.^}iirjiu)?\\ een pop van deeg, bij een operande) \\\\ \\\\., a y rim.»/ innKn/j\' uitspruitsels van wilde bamboe-soorten, boven smeulend vuur gebrand, en zoo geschikt ge-maakt om verder tot spijs bereid te worden. — tun ! rii n i.n .m/^\\ iets , bü bamboe-uit spruit seis (j.y), zoo behandelen. \\V W.

ii:ti un un hinjj\\ kn. bastaardkip, uit een u.ui.nu.j en een gewone hen; ook een bijzonder soort van boschkippen, Hh., gebroken, gebrekkig of met vreemd accent een taal • spreken; volg. Rh. meer bep. met gemengd accent «preken, bv. half So en dasch , half Jauaansch: n in^in.n sÖmangka in pl. v. sëmangka, sangu voor sangil, enz. vrg. hn w ij n nf cmtw tf ui? iri) unhii iemand die niet volkomen tot een of andere soort behoort, bv. iemand die iets van een stedeling, en iets van een landman heeft, volg. SG. grond best. uit

hall\' klei en half zand. — nm .\\rhu i.n htjs pogingen doen om na te praten of beginnen te praten, va?i een vogel, als bv. de iin 2

fig. van een knaap , die naar de meisjes begint te kijken, volg. HU een jonge haan, die begint te . kraai jen.

am un ilt;h 1 i/j of dJ tnt mi (kii/j\\ Ml. gereedschap, tuig,

igt;. )

{org. tiA } 1 n t,n . m /.i sv

) , ) .

u.n /.y tap zie u n mj /.y

*0 h t) if kii \\ kn. — un flrf mivf iiii\\ knevelen, boeyen.

ir.nKtis Ar. , na; kn. na het einde (-»ƒ den afloop van een gebed, vast en, feest, enz. 1 n i.ii i-] uit \'t avondgebed. :i ii h\'n \\ wordt ook ivel ellipt. gebruikt voor 0 nun *11 w «Jttvaansch nieuwjaar.quot; (inhns zie (ïiunu {Skr. hh a kta. toegedeeld , gekozen , tot zich genomen).

n n hn\' 1. kn. (kd. lt;// gt;^1»?^//^?) eerbied, hnlde, eerbiedige huldej blijk van eerbied, onderdanigheid of

(l:,lW

f

dienstbaarheid ; iemand onderdanig, dienstbaar zijn-

een blijk van onderdanigheid enz. geven {Skr. b h al-, j ■ • \\ ^ n r ) ct

t i, vereenng). \' quot;y oj hai(thn^a n i.n• som gelds of geschenk , buiten de gewone pacht, voor een ambt voor de opvolging of voor .de huur van \'een stuk land gegeven. J it i^.uni/ns eerbiedige hulde, als groet in een brief aan een ouder Hoed verwant {org.

) . ) v ) o . ...

; ij uu f h n ; 1 ff), th\'itfii n f 1 ; hju zie bij tui ifi/nta^ip il. — a.ij, nuj u.n i/n \\ zie beneden. {.uni:n Kn \\ geld voor oen ambt geven, Gf).— i ni n inju iemand m-biedige huldfe bewijzen, eerbiedigen, vereeren, ook zva. uin /1{\\ en onderdanig, gehoorzaam zijn,zoo-als de vrouw jegens haar man, A. — tiJiluuun i,?i\\ het bewijzen van eerbied, eerbiedenis, eerbiedige groete. — n n rf Kn na/f \\ tu 1 ^uyi n if /. y an/f \\ geldelijk huldeblijk.

11. kw. waar, wezentlijk , waarheid, G.

• o . 1

aiy^n oj j. kw. zva. (uui umjf\\ if.\'ui:uilt;ijf\\

{Skr. b hoek li, spijs; genot), un gegeten,

b. s. 29. C. s. — 2. kn. zv\'n. uitsunw

O O -(

unhnuiijf oj u.n Knivgt;igt;jf\\K\\\\. zva 1 n 1 u\\ Kn 1 n i n i n

^ . quot;) o , il

muf oj wn a n ilt; n n\'^i (thjf zva. Kn uruui tmjf (vrj. m i

it I Ml/f)\\\\

i n i.i^un/jsK^. druk bezig zijn, het druk hebben (/w/.

it./ n /.n (hn/j).

ttiiyih Hn/fs kn. geleiachtig dik, bv. van een sens,

gebonden van een of andere vloeistof \'vrg.

A^nifs volg. WW. ook treurig, bedrukt, misnoegd

(met-betrokken gelaat); vrg. luj .uinKn/fw

un.mlii,n/f\\ kw. Ml. berg, heuvel (vry. njj un).

a:r^ 1. n i^njfs kw. zva. htuf^ni^ 1, ^ ^ iu^ tjun/f.KH.

zva. Kurrj /. y v.n/f\\ Rh.

) . ) o

\' a 7 w K\'/f\' zte quot; quot; \'kV nn

■) \' . ■) O

u.n if \'ai iajif- zie urn i^ii w

un u n jsy uijf of lurun uif ni/f kn lij ne il e d a k of zemelen, waarvan gebak gemaakt wordt, tcihjui] dmasnttujf\\ brij van fijne /emelen.

un i. n 1 f ilt; n/f \\ naam van een vogel, H. J. Krit. lx111, il—■]2, kw. aid. a.ri .isïjj ha itrn ff vnj-

tun nu abT) (Ut, aotit \\ C. S. volg. Rh. nebr n \'• 1, h (1 Jf ^

u:y i. n i j Knp naam van een nachtvogel, behoo rende tot het geslacht der uilen. tun riKy

itnif hu/fs aanhoudend praten, zwetsen.

.1 O 0 0 P m •

m n i\' n 1 n 1 n i- n \'foo \\ zva. i n »/) lun^n\'ri \\ l\\li. Zii. 11

n *

an isïi


-ocr page 1165-

c)

I

rni.n-\'i^ ook hm ns zie bij ij i:lt; lt;■ if m 1.1 j \\

mm.m /x k\\v. vM. i j 1 j J {S/cr. b h i# a) bo-

dcliirij; aalmoes; Icvonsonderlioud). ij.in /.u . i\\zie boo en •

j;7»K1 N ^ Së/ty/c. zevuu. {Sfrr. b h i-

\\v o o, bedelmoiniik).

riihu\' i/j of idtfi.nihj^ kn. klanknabootsend tus-schenwerpsel van afkeuring of verbod-, kis!—int! mm V/N kis! zeggen; bits spreken, 15. J. V, 2, 5. — iu i?iïnrn aj hii Kyi \\ overal zulk geluid doen hooren.

i n i\'iiof i ilij i\'ii? I ij kn klanknabootsend woord koes! in denzelfden zin als ui i. gt; ijjw ook liet sterk uitstooten van den adenj door den nens, bv. van een haffel, als hij bang of niet in goede luim IS; volg. Rh. in dezen zin i n tj hn?:Kyj\\ {vrgf rri 7 1 yi i/j^) \'— \' quot; ■\' \'I JlN koes! zeggen; den adem als boven uitstooten, van een buffel; snaauwen. liibh irmri I\'lj i ij^ van alle kanten zulk een

geluid maken.

) .) a

■i:n tj h ii i-1zie ini.nJij^

\') . quot;)

i ii ij hm i i/j zie ni ki^ i i^w

\'T\'W sie quot;lquot;T-\'quot;r

ij i ii ij i.ii 111 ongeveer zva. ij i n ij i. nw i ii hn-mins kw. zva. Lii:iiin/i\\ W. II, (Hi, {Skr.

baks ana, \'t eten).

ni^n i i\\ kn. bastaardki|), uil een boschhaan meteen gewone hen {vrg. i ii i n rij i,n/j), Gallus aeneus, \'rcMinn.

,:ykw. zva. \'iiii Lj \\ ook de bol o»/* het bovenste gedeelte van een ij i nt tj i\'it of f i hii ifiw Wang\'

sal tan: ir^h n [i^l* \'\'\' \'ilt;i n--\' n\\ (\'. S.

i ii i. na i i ijj\\ kn. i ii hn ui * iqs in in .tri :f-i\\ kw. zva. iiJ fm - / / m u\'j /. ip r.n i.^ii \\ kw. zva. ij ii i\\\\

^ . O ) O •gt;

\' quot; \'• ii ui i iij\\ zva. vu i. o i 11. o/jw i gt;i i n ii i/j\\}i., m tj i i\\k., toekomend , aanstaand; zullen-, willen of gaan dóen, ook in den zinvanw\'wi terstond doen-, voornemen; iets zuilen worden, het gevolg van iets zullen zijn; wat iets of iemand worden zal, dus nog niet is {inz. aanstaandeeeht-genoot WW.); stof, grond- c»/bouwstof, waaruit iets gemaakt zat worden, bv. het laken, wae^uit^ een bleeding stuk, of het hout waaruit een tafel ge-iiiaakt zal worden; materiaal, bouwstof, enz : bla-

1077

den van o ej aii-oej ah a n of u w a r-aw a r, lijn gekorven en gedroogd, om mei ma dat tot tiké gemengd te worden, i n ij m i,j \' ïï in \\ \' ir-ii hijj

wat daarvan komen moet, zal wol twist zijn. i ;»

(O ■ o

,i:ii ijici ij ij rj 11 ilii ^ n ij in ? hi ii i j zijn voornemen

was, later een andere plaats te zoeken, 15. J. LVIH, 19, 5. tn ij ui ia f\'i \\ de aanstaande dë-m a n g, Brieven 129. gt; r n ,ui rj i -t i, n n i i i in^ ontwurp van een vonnis, ib. 145. Wang saltan: air} hu ij iifi tj i n 11 ii i^ii ij 1111 hi \\ grondstof .van \'t buskruid, d. i. m pi n salpeter, nn ij hjgt; i. i ij .hi a/i

ii\'j\\ steenen om een toren van te bouwen, i jifjinn

a -gt; j.. .

l il ij iji ij 11 i.nfty.i^ ii liiii ij (u\\ lt;lit is mijn aanslaande schoonzuster. ».y hiihjiï i \'h i.i^ n m ii i\'-rj 11 i.n i.i ij {elliptisch voor: i n ij ici m m ?) deze

stel ik ii voor als (zijne) aanstaande (vrouw). La-

, n o -gt;

hon. i ii i i s i ii h ii ii i/js an in . i ; i:ii ij rn nog in

wording, in leering, ongeoefend, bv. van een jongeling, die nog geen levemervdring heeft; van een ambachtsman, van -een paard; van eey,gemak, die nog nooit gevoehten heeft, enz. »/ƒ gt;ƒ /i

zie iij .vmhiinij of i ii rn i,n n i/js n.inj ui of i n i o ij /:r met iets beginnende zijn , in een nieuwe zaak lt;gt;ƒ loopbaan zijn, een nieuw werk beginnen, iets voor hot eerst doen, van voren af aan iets beginnen, ontginnen, nieuweling zijn, en daardoor ongeoefend of vreemd , bv. op een nieuwe woonplaats, in een nieuwe dienst, enz. iluw iq ilii i.n dm 111 ~ ii un i n ij hii tj hj\\ N. heeft zich hier gevestigd om iets nieuws te beginnen, ij rns ,hn m i.n nip het zal (je) niet vreemd zijn, tiaar aanleiding van KP (90); doch schijnt beter aldus verklaard te worden: (Allah is als Hij wat wil) geen ongeoefende, (zoodat als 11 ij iets bepaalt of onderneemt, het onmogelijk is dat te veranderen ofte verbeteren). —- i/n v ; /ƒ ij ui \\ ril i.j ij i i enz., zie beneden bij i ii ij uiw — i y gt; i

1,11 II i of I II lil 11 I, II I /7 N ,i;/» ■ I 11 ui i,] of i n f I 1.11 I) (o \' / * co \'

ij ii /.j ^ aan tets de eerste hand leggen; iets tot

wat het worden moet, vormen, afritten, i nu 1,11

0 co

iifi 1 v n in/js een paard afrigten. li ijnin? 1.11^ iu an

dsn.hin.ii .rn\\ aan uw krissehee ben ik bezig de

eerste hand te leerden. 1.11 fjiwi in.ni nmi de 0 r.gt; •

gi\'ondslagen van een rijk leggen. — mmi tii hij kn. ivat nog in den eersten, ruwen vorm is, van hetgeen het door verdere bewerking worden moet.


-ocr page 1166-

1078

quot;) ) . i;n hii

•o

i.7) h n n^jj\\

iu wording {vrf/- gt; gt; èi wni/j^ i i ^ »1/2 /.y \'quot;//n) WW.

r/i/f vo/y. Rli. 1 M mi t quot; \'«H V,; \'r\'/ att,18^aau^ü

echtgenuot, zuiueu verloofd zijn j m/. (uilt;u)iVi ilnjj\\ t.n hii tu(hijp N., rmah (in (htjj\\ k., ojj den weg zijn van zijn ongeluk, WW.; vult/. Hli..voorbe-schikt ot\' bestemd zijn ten goede ot\' ten kwade; in de opgejeven bet. ellipt. voor rn 111 (vn n\\ — r.n uit HrriUiHiji voorteeken, voorbode, G.

1 ui.n mi kn. niet wel met elkander zijn, WW\'. ./»/./ƒ/lt;#/ƒgt; kw. zoa ijr^ ij tit lt;• n kn. kleinhanfleliiur, slijter van een ^gt; lt;rn ttnjj\\ koojèvi\'ouw in het klein {want de kleinhandel wordt gewoonlijk door vrouwen gedreven); ook zva. (Li 11 n {bij iL./ »gt; \\ IV), kleiniiaii\'iel drijven.. 1111,1^ {}/\'»gt; iüjj\\zie ■n^cn lu/j^

• • / • ^ / II 1,11 n I I I I J H7/1N Zie 01/ f I 11,1^ -- I II ! I l.ll II l\\

li OCJ 1 fo \\]

van iemand iets ter slijting koopen of ontvangen. —

1 11 1 / \'■ y ii^i ij igt; 11 \\ ter slijting ««w iemand geven. — .1:11 i.ijj njmji of aim i.n it^innjj\\ kleinhandel, kleiniuuidel drijven.

^ gt; 1 .

1 111.11 :ii/j\\ l. kw. £0«. j.iiltjjw*

11. kw. oh iiiihp kn. ondergesehikt hoofd,

i/i tegenoverstelling van zijn loei ah ^ in oj. ben. van het onderdistrictshoofd, in Tl\'.zva. /♦- of /.n lUi u i uii ti l ji {Mddioen) ii\'iliOn (oj.) desahoofd. rii iigt;i ij n 1 i.is dorpshoofd, staande ónder den mini f i^uiaJi of do f\'iw Tegenover den n^ri gt; .111 ij .1 nf inji wordt ook zoo gedoemd de Europese/te hnnrder {org. nj »»^).—ui un hii iijjj\\ bekel s

ot\' zulke niensehen. — infiuniu over een dorp co 1

of landquot; enz. nis liekfil gezag voeren. — mii i ii ) •

1,11 iri Ni/j^ pass ; b ë k 6 lantbt. ö/ gebied van een 1) ë k ê 1. - j 11 t n. 11 iri tj h 11 ■. landerijen onder een bfeköl stellen, verhuren.

7 111 n i\'ii 11 i;j\\ kn. 1. naam van een visch, een jonge ibii if rnqw 2. den buik hoog hebben zitten, van iemand wiens maag meer vooruitsteekt dan zijn huik\\ ook van de buik, van boven dik.

. O . Qv

lil 1,11 lip kw. ZVa. li II foil 11 \'Ij IL7I\\

in i.yii ihii m/f\\ dial. v. ïlh 01 ^ rj tvi t an ij v. 13.

1 11 h^\\ verk. van mm nu ^iiiaa\\ zie m ij f n kh.jw i:n kijji 1,11/]\\ kn. een soort nrn n ^i niHijj met een

leeren riem over den voet.

1 n h ij \\ zamengesteld uit 1 n hnjj\\ zooals de Chinezen het varken {babi) noemen, en }]\\ %. een soort yosivx van spek en vermicelli.

itti hu (m/is kn. 1 naam van een visch. — 2. 1 n.gt; I

) . \' .fo un itjijj\\ iemand den mond sluiten met een opgc-

• i quot;gt; 1 ) o

vangen wind, vrg. .uiirjihi^.1 imojjv — ajuin.ni,

mv. i\'.f.

1:11 h 11.11 n ijl\\ kn. ingezouten, van eijeren, vrg. i,„ LIIUJI Tj.

\' \'I \'cquot;\'»\'/ s*ü \'■yquot;quot;1] tl- {valgenj G. ouk een wortel, die, in dei| grond gebleven, op nieuw uitschiet).

vn niiicrhnji of ry hii wiiii/p kn. troebel dooi\' vuiligheid; vuil, smerig, drabbig, vet.

i n if I, n? ii ip mti/i of r.11 ij mi 17^ dfi 9iUiiji\\ kn. naam van een kost.

.r.n\' 1,\\ kw. zva. .1//^ m\\\\ kn. een plant met lange en hreede bladen als de p a n dan , van het geslacht dm- lelièn, Crinum asiatienm, Nat. f am. der Ania-ryllideae, met trompetvor^nige witte bloemen en lang golvende of spiraalvormige meeldraden, im .■\'irnii i^ n., i^iai tm iiii \\ k., een patroon van batik k an of lo er ik. rj n tl i n in ^ l \'• \'jN 1,(111 schoon golvend haar, Rh.

r.n 1/ iih?\\ Banjoemas aia/ect voor .rn irun^

irninii \\ een gebak van rijstmeel , \'zva. rï nn w vrg. rm\\ {irangsallan: 1 n hii vn vu iliiji -—- \' \' »» C. S.).

kw. zva. ir^ri^ni^ G. volg. WW. ook zva. .Hiy.ip zonder staart, van \'kippen en\'gevogelte, waarvan de staart uitgetrokken is; wettigt zva. i^ii\'y volg. Rh. een kromme neus, een.rams neus hebben, als kent eek en van valse hheid van een paard, fig. ook wel van een mensch. —

i,7n een vogel de staart uittrekken..

ii .1 m tj ii \'m\\ kn ; ij r.ni ij 1011 of 11 iu i if itz^W-, bil, billen, achterste {vrg. njinii\'m); fig. iets waarop men zit, WW. n., ititi ifij

nni\\ k. ; het op zijn billen {of lieve)\' de huiken) gaan, bij het verschijnen vóór oj hd zich verwijderen uit de tegenwoordigheid vm den Forst, waarbij men, hurkend voorovergebogen, op de voeten voort kruipt, en met de toppen der vingers , beurtelings van de r egt er- en linkerhand, op den grond steunt {terwijl de bitten beurtelings op de yyler- en op de linker hiel rusten, WW); volg. Kh. wordt met deze beschrijving waarschijnlijk bedoeld een gebrekkige navolging van ecu


-ocr page 1167-

) ov a.

, CriHIIHtlS

huffelijkeii cerl»iedigüii gang, clu\'n onder(jeschtkten in tegenwoordigheid van aanzienlijke personen aunnemen, waarbij zij zich met een bevallige en lenige wending van het .bovenlijf hurkende voortbewegen -y deze wijze van zich bewegen, wordt, evenals bv. dansen, eerst door oefening verkregen. ,i jj i i.)yi r.n 2 tf h rus / r i u s\' ij cn i tj n\'n t op die wijze zich voortbewegen. — \\m tj f n tj i.rg\\ iets met liet achterdeel doen, bv. een schait afduwen \\ volg. llh. ook in den rug*aanyallen. — ^ n rm n niu r.i wi/js achterste gedeeUe, bv. van een oorknop {•t\'i\'i); onderste gedeelte, bv. van een pot witte suiker {in de fabriek)} dat nog onuitge-lekte stroop bevat; (onderdeel, bv. een klein stuk sawah-veld, dat tusschen andere inligt, en behoort bij een groot er elders gelegen stuk. WW.). i h hu im\\kn. soort van huisjesslak (vrg. r.n tj tf i u .hn/js). — inv n.lïhlïs schraal, mager, bonkigyrtM menschien (vrg. - bij (iiJ^aAJj).

i:ii /.ij i. \'y of r.n myïïy kn. j. val i^ytr een tijger of 9klein wild, als vnlde kat of muskusdiar, in den vorm van een kist met een valdeur {vrg ij ij i n f gt;gt;2//n Uït \'l^ irJjxrr}\'\' y quot;hN den

val geraken, door list gevangen. — i/n i» t^l \\ in den val vangen. 2. volg. Kh. ook zva. \' i

r.iiid/js grondwoord van .i/r^ im io/j en .rilrn ici/jw iji nt ui) of un ij irmin/j^ kn. afgedaan , afbetaald, geiieel voldaan, van een schuld {vrg. ijvurijj n {i -1 gt;rn/j\\ ivrj unjj I 1.). — i;/ij rmx?) een schuld at betalen, geheel voTdoen. — in ij rn ? in ij un \\ voor iemand of met iets een schuld vcrelVenen.—ijx.m \'I / \'/ )n / uf\' quot; \'I rn 1 \'Ln \'/\' ilt;yi geheel afdoende, tot volledige afdoening, als saldo-betaling; met elkander afrekenen.

i n.m zva. rtrtntw Zoo noemt uien \'t feest bij V eind van de vastenmaand, en rn ui i*ii i i dat aan 7 eind van de kleine vasten, na Moe-loed.

i n i i of m r.n,ui {A^. eerste voortbrenger

van iets, scln;|)per)\\ doen ontstaan, een oorsprong doen nemen. ^

\' \'fi\'1 1. kw, \' of ry nrru »gt; \\ Woensdag,

hoed, h a, de planeet Mereurius; wdra, w\'eekdag). i-ij ui toi u r.) Woensdag VVagó. — 2. kw. kn.

Kljj UI \\ ^ ]07(J

Boeda, Boedistisch {Skr. 1$ -j.ed dh a, de Wijze, de Meester; ook als eign.; en Bauddha, aanhanger o/quot; volgeling der Boeddha\'s, iioedist). iftn i n n s Boedist, Heiden. i lt; f i m ri\\ de Boeda-eenw,

II CC},

Boeda-tijd, vóór de invoering van het Mohammedanisme op Java.\' — 3. zva. ry ia \\ — 4. zva. 11j ixi w

? yiijvkn. wat er in iemand zit, geest, verstand, rede, vernuft, beleid, overleg, oordeel, umleg, inborst, geaardheid, gevoel {vrg. gt; i ,vgt;n h inj i; begeerte, verlangen, toeleg, wat men onderstaat; naar iets streven; iets dringend verzoeken {vrg. ij ui); tegensparteling, verzet; tegenspartelen , zich teweer stellen, zich van een last zoeken te ontdoen, door allerlei beweging met het ligchaam te maken [vrg i n Ln \\ i n nn n.i j u i?n Skr. b o e d d h i, verstand ; wetenschap; meening, enz.), rnmi ~ it:n i?i\\ zonder gezond verstand; gevoelloos; zonder eergevoel, zich niet kunnen verzetten. .iïii tLin/j of /.»/ i i ihn i,; ia \\ ten einde raad. in nj mthjiij ii \\ eigenwijs. vtyJ i inp n i/j\\ gierigheid, rtina i n 11\\ begcorlijkheid, hartstogt. ry iPi i n .• rti ri^i^ losbandigheid. r.r^.LC) hnlt;ri ut f i rfyjs edelmoedigheid. i:y ii» gt;i i\'it Ki tjivh f zinnelijke lust. rnw.Lci uis dat, waartoe men al zijn best doet, bv. een onderneming \',~volg, W. ook al zijn best ^ doen (middel, vond, list, B. J. XLV, 9. 10; r^iiniadvis een middel verzinnen, C. 8.).

i/n nt) iu/f\\ verstand, overleg, i ^ rr^iwaPi

un inj n i n i.j wat gij ook moogt onderstaan, ik

ben uw man. tridni/i igt; rn u r.n \\ zie het van

( //

je vader gedaan te krijgen, wn (i.r^iwiir kom, wring je los! — infrii]^ n., i \\ k., i/hnn /u{\\ ki. zba. f ]nn\\/; indenken, doorgronden ; naar iels streven, het er op toeleggen, met krachtsinspanning of overleg iets Roeken gedaan te krijgen, i/n v j ici .n ten \\ naar den dood streven, den dood zoeken; ook over den dood (den staat der ziel na den dood) peinzen, rn j ru] ili i n rj ij fi) ?\\

naar iemands leven staan infiiaiaui alle mo-lt;1

gelijke pogingen in het werk stellen, tot het een

of ander. — r\\ lu kn., li ii ujgt;K. gt; (uicm

nigt;\\ ki. zva. u f?) un \\ ook mecning, gevoelen,

denkbeeld, vond. i n i im ^rn.ws een list vinden dl

VV \\V. {vrg. i n hn n iji). — i n 11 ij ui i.j \\ van iemand


-ocr page 1168-

1080 ^ rj cn ui \\

iets zoeken te verkrijgen. — .n/^ ;n voor iemand iets zoeken ie verkrijgen; nuav iets streven. — ij r;j wjj\' geaardheid, inborst.

^ 1. KN., tj r.n jifi !K!/j\\ Ki)., onderscheid, vcrsehil;

anders, verschillend, onderscheiden {vrg. n 1.1. ij n i t .ij) , ; ihiiji\\ rj ■gt;»i gt;ƒ v ƒ \\ gt;ƒ ir»(Ui ^ w ó*/quot;?\'. h hólt (1 , verdeeling, scheiding), o* / 7 tiï ij toi ia i.n ij gt;n ij.i)igcvi? itdH}\\ een geringe is anders dan een aanzienlijke. — d/i {Slcr.pra-

hhéeta, verschil, scheiding). — on

derscheiden. onderscheid maken. — a n n i ^

\' crgt; J

.van iemand of iets verschillen (w//. » h ti m gt;f a.); i)i). — i/n tj ^ / dn titt ~jt) ij mi \\ hot een van het ander onderscheiden, schiften. — 2. tnwniLci of

0 \'

i n y •\' i tj(i7}ian\\ iemand plagen , metim. den draak

steken, tergen, sarren, lt;jcw. om. zicjt vrolijk met

hem te maken, jöw/. bespotten (wy. lt;uii iui/i ■

j /» 7 i tiuh i ii am i) i7ji.hu).

ro 1(1\' 1 co \'

\'tj(i.n iut %\\ KN. x ii rn ui \\ êw de spreektaal (jehruit f in den zin van-., iets anders, een ander preval is hef, als., enz. (vrg. aji rj turi ^ inn i gt; of r.n n.i?\\ WW.

/ r T - ) ■gt;

n:n (Ui .ui /j^ KN. (61/ K., iniri\'Hj N. , iki trn oj i i n i •»»nki.) ligchaam, lijf, persoon, i nunflon^ mijn persoon. i:ii ici ilt;riu fl hel lijf van een huis. v » »» \'i imxi ui js genoegzaam naakt, haveloos; of alleen met gewone kleederen er (j ens komen, WW. yo/y. Hhtf zonder wapenen opkomen; zonder ge-reedschappen ten aj\'beid komen voor handenarbeid. Zie verder bij djri .Di i.oi j\\\\

um y(U^\\ h w. zva. 11lt;riii \\. ii/i / i n / no p nir^ iici \\ {o/t. bhadra, gelukkig; deugdzaam, uitnemend; geluk, enz. ; H h d dr a of B had ra-pa da, naam van een maand) in ui nm n m/hi,; {Sir. hddrerdvdn, een regenwolk in de maand Hadra) vkl. firyiiui iu i i if.ni,hjy f jcm^ Jly. groote droefheid, donkerheid des gemoeds, G. gt;ij lji 1711 nx^ of f ir.ti

BS. i:ii(iaji i n,iui\\ zie i.iiihvi\\ — mi * 11 n i.i\\zva.

i ^ l ces J

o

l I •\' I H I ili I ) I ril /1 I t l) 1X1 w 1 lt;1 t\'

a\' . ck

i n tin \\ zie if ^ iziiiUiw

in ii ii(i2\\ KN. naam van eender Chinese he speelkaarten.

o o

a n ui iiiiji\\ zva i hianni/fw

i.ii i.irfiuu i.u j\\ wijd uit elkander gevlochten mand, van binnen met bladen belegd, waarin de dorpe-linyeA onbekookte rijst als yeschenk naar de stad brengen, WW. volg W. een soort van \'\'f • gt; waarin keukengereedschap bewaard wordt; vnj. i.^rinw

iïn icj^tui Mi/j of i i iK^ ui hi j zie bij x/i^.ir^ ki jw r.ii.ui iui (iiijj\\ KN. met de beenen wijd van elkiiar,

hinkende loopeu, Rh.

) ■gt; .__) o

r il li (ui \\--uhuihci*

Cl Ov O □.

i n i.i i.i zie i i(ui an w i ii ij ui ? ij had \\ zie ! i iftuit ij(üi 2 w i n uj Ar. Si 0f ) Si Bedoeïen, landbewoner woestijnbewoner.

rtiui iii/js I. Ar.,kn plaatsvervanger, gemag-tigde, vrg.\'i i.ui ii i/jw i n i niut .iu j\\ id.

II. KN.; lt;i/n it i ui.n id\\ iets- van zich afstooten;

CO

verwerpen; wraken, er zich tegen verzetten, inn

dei •\' i \' j\' nui/f lt; een vonnis wraken (vrg. i nu

iPi i). — a \'n ii i ui (ïli \\ zva. -f i iflt; ui gt; i n \\ iets of f\' (O . I s •\'

iemand bestrijden , van zich weren , er zich tegen verzetten,

j;y »iyy\\Kw. zva. a:iina\\ Tj. Shigk. zes.

ci na/

i y nel .i ii\\ K w. zva. (Utj ixi u i urn ntii 11^.1:1 ni

ui j\\ met verstand toegerust, verstandig, G. 1 y j.] .* 1 ddkw. Ml. wijs , verstandig. {Skr. b oe dh i-

n dn, hetz.; eign. van den vorst der vogelen). \'I i n (ui (ïiifj of *11 11 ijiUi2\'rn js KN. hinken , doornat

hef céne been langer is dan het andere, Rh. Y .1 m axi zie bij n 1 ij f / n\\

111.112 rj (102 \\ KN. uitpuilen van* den navel, navel-hreuk.

1 11 ui r.i ^\\ kn. zich het goed van anderen toecigcneii;

voorgeven, veinzen, huichelen {Ar. bid\'aii,

nieuwe leer, ketterij).

111 u\' i ) i ijl^ zva. ii 1 yn 1 ij 1 ijjs plotseling met de ynuit

voor den dag komen zooals van een wild varken,

fig van mensehen, Tj.

1 11 111 j\\ KW, zva. uihij :. KN. tusschenwerpsel: schoon

op! jsrg. ni.iiilii^w (glad af, W. J. XXlir.lö, 5:

1 ii in 11 ri n 1 n 1 li i ri n \\ van» een afaesehoteu arm, I co J

(/. S.), WW. volg. Rh t^en -interjectie voor: glad afgesneden, gehouwen, enz. af! rits!

iii.i.uj^s grondm. van n inein asiijj en r.n irn iniyj^ ii n/j of 1 11 1 i^di-n/j\\ K\\\\. zva. n^un uijw KN. oin strijd, om het meest, om het best. 111 \' \'P zie beneden. \\ ] 1 nn n/j\\ met overmacht aanval-


-ocr page 1169-

gt;! ni? itiii/js *

lei). — I.IIJI/I\' p accid. fassief. . uvyt-nj !

\'Igt;rquot;r)

i tigt;-i quot;/j^ I (/rondwoord {cn volg. Rh. oerk. o.) ij ijim ijruiiün/i en van i n y ,c»?i \\ n., i n /j mfj k. {jfOW. tyunjj), rit bii js imr^yv^s kw., zwaar, wigtig, tlrukkeud, van een last; moeljo-lijk, bezwaarlijk, met moeite; zwaarte, gewigt, iiioeijelijkheid; zwaar te vveerstuaii, styrk (li. .1. I.XVl, (J, 3); kracht, vermogen; waarde- aanzien, enz.; fig. zwaar of het zwaarst wegen; na aan quot;t hurt liggen\'; door een last gedrukt, bezwaard, oo/c Jhj. door leed enz.; tot iels, als het zwaarste, overhellen, daaraan de voorkeur geven (wry. rf mivni/j

. ■) O .-gt;

ij •\' i/ .i ii j\\ hh ij .n t ^ii js mi tyunjj). (vutp un i.ij i // if .i iuiLii J* die kist is zwaar, .ui ui tu /fy ryuiyjs een inoeijelijk* werk. (ki~jii mn/ii ij en? i n J {of ij i.ri ? i^) ifi rl \'■quot; \'l, 1 \'l\' quot; ills liet zwarigheid of moeite heeft, »ƒ i:mij iiyi ij Lii^n/js bezwaren en moeijelijkheden, nm ij riu i n -n /.y lai i l i,i hiiljs een kind weegt {b\'J de ouders) zwaarder dan een nabestaande, mm i liïiuj i u i iiiinn CJ (J 1

ij i n t riuj in n i ^iÏ .l^\\ de vrouw van een edelman mag geen bezwaar maken , zieh niet bezwaard tooneu, om door hem achtergelaten ie worden, als hij ten oorlog gaat, B. J. XIX, I t, 0; XLVIl, .\'?4, 3. i/ii ij ^iit hii■ nquot;i i i,j ),ii/fa zijn kind voorttrekkend li. J. XLVl , 20, 4; zoo ook B. J. I),

l\'), h rll. WA , 15, 7 — H ,\'C. S. — i n i i i n . u

J)

ny^n.n)j\\ (y i ut ij i^ rn i.i ƒ lis.) bezwaar voelen, aarzelen, li. .). (i, Krit. IJ . 5—0: i n ri i n n

) c« \' ^ O .

\' y\'t\'l\' V If? l n \' \'\'•--\' I Ij l\'H f l\'U N I I If I II t

rr \\ it {iv.iiï iets zwaar maken, verzwaren,

bezwaren. u?i i, ^ ii,i tj iji n i ] n] i n ^ rm rn gt; i ] /.} i-iij het zon goed zijn den laamp;t iets zwaarder te 1 maken. gt; i ij t ngt; rnlt;ni tj t i .-I »» n i)it viemands werk 1 verzwaren, r.i if nu i J i n m i n j een bezwaard . bedrukt gelaat toonen? !gt;. .). XIX, It, 4, S.

. in ij iiiifyi (hi/j i,ii / riji in/j bezwaard, overladen, groote moeite hebben ; het te kwaad krijgen, te fan den tij and, {Brieven, 108,\' r. 4); Jlg overladen, ()om met gunst. i. n ij m\' i^i ij iy s ij n i i\'ii i i i mi,^ groote moeite hebben zijn brood ie verdienen, i,ii \' yijj jo iy met liefde bezwaard worden, het niet langer kunnen nithouden van lielde. i\'n ij rut i, n i ^ i.n i, j j te zwaar. — gt; i

1081

.) o o

/ƒ X II t IjII ^11 Ij III? (Ifll \\ I I Ij I lit lil . II Ij l 11 i il.ll \\ I I

i ri ii -ii \';y ^ drukkend zwaar maken, drukkend

bezwaren, overlast doen. — lt; /y iiitiyn ifuu n

■) . .

iiii\\ ii ryiwixii hij-, iets zwaar, moeijelijk, drukkend maken, verzwaren, iets te zwaar enz. maken; zeggen dat iels te zwaar enz. is; zwarigheid maken; rekenen dat iets zwaarder weegt of nader aan het hart ligt. n ij r.m ij i n t ihn p. n., /.7 o hu jsK., gewigt, wegen (intrans ); gewigt van duit -aan opium; fig. verhouding , evenredigheid, gewigt van een persoon of zeuiic, in vergelijking met anderen, beteekenis, waarde, vermogen, magt, aanzien, stand, edz. ;• tegen iets of iemand opwegend, tegenwigt, portuur, t/rn ij iiinn.mit y My hoeveel weegt het ? hetzij eig. of fig. ni ut ntf 71 int ij i:iit i hij niet in verhouding staan tot; niet opwegen tegen.quot; vw l// mi u i y i\'i \' m {pf lu\' ni n\'i) ij i nt ij i iigt; ij tij/11 ii i js wie kan N. weder-

sfliumV (li, .1 XXV, 11, 5. 14. 1; l,XI\\, 2.!, 5)

rgt; quot;gt;

nj it j ii i i i^i i i i\'yjuij n i ij 1.1 i ijjj i i /y i^in n i j nergens zal men een portuur vinden voor... 13. J. XLV, IJ, tj j.» rj ici i gt;i rihnjjs geen portuur,

niet opgewassen tegen iemand. I). N. 208, 4, (\'.

c, gt; Q- \'gt;

o. ij gt; if i m yj i ii t tj in i i i ii ill in Hij i* gt;i

i ii ^ ii I, y I- ii 111 * I I I •i^i/f\\ voor iemand van het gewigt (den stand of de middelen) van N , is de prijs van die kleedjes te hoog. if i:ii*rf i nt tf i^n \\ ook: bij het gewigt van, d. i. in weerwil van, niettegen-siaande dat, hoezeer, i i if int gt;\'in\' i i m \' •/

ii i /j \\ naar evenredigheid, bv. van iemands leeftijd, vermogen , enz. — i u if .• rt rfiiitlt;L,n f\\ f i lyui f\\ Wegen {transit.) ; tegen elkander afwogen, gelijkmatig regelen , hr. lasten of wtrkzaamheden\', over-Wegen-, in overweging nemen; oordeelen over een of rtwr/#?/1 in verhouding tot een of ander, onderling vergelijken , keuren hv. van eene soort ko(Jij me( of tegen andere, if i, ut «]»ƒ/.y kj ij hu if i ut if i n 11 iwf\\ de kollij is nog niet gewogen of gekeurd, i n »/ \'y\'

Ov O O O gt;V O quot;gt;

ff i:ii t in i ii i y i.i\\ iii.ii\\ mni\' overwogen

worden, overwogen bij zieh zelf. — i nrf.\' i\' tf rut

• ... ) (O

hu.fs 1:1 \'\'\'i4.11/f zwanger; zie vij tiinw --- 1 n yf if : it if ruti,?i \\ iem. iets opdragen, Kh. — lt;u if

gt;f 1\' if 1 111 hu \'f \\ Ki. zwangerschap. 1 n if fitrf

) . ) iO

if rut 1^1 tf 1,11 \\ .\'/ 1 iifii 1, n lojf :ie iiinw — - if

gt;f nit if in t 11 in ff ui 111,11 ii) /j\\ gewigt van een


-ocr page 1170-

.vTVs

1082

r.n ib//

weegschaal, uitslag van overweging * eiiidoordeol,

kuus; zijn behoefte doen (zie hij uii tJ); vruclit

in den moederschoot; ongeboren staat; zwanger-

sehup {ïie bij ut Si).

11. »va. i:n hn\\ tj irn è /^ \'O/\\Kw. zva.

innit\'i un tui if i 11 (}nn\\ G.: ol\'l. ct m ru ni rit Oen (l(o 1 (O) v (o

! i\'tm i i tui iïjj tn ti(i tj Hj\\ niuur^of inetselwerk om een vijoer, bron, enz., fonteinbak, gemetselde waterkom.- Wangsaltan; .lt; i n* ; i,n tf m ^ gt; om-inuurdü lAiisbron , d. i. ^ pnt, C. S. •

i n i.n \\ n. , k. , baksteen , metselsteeir(i;gt;y.

\' / /-/p. iu mi un ,i:ii o f r.rt iisn m i ^ , / / tm rn

* . o .

»/ hj t ui/i oj vnif m? Jti i-t)\\ k., rniginnnr van

inetselstee\'n, muur, (\'wy. ijnsti ij r n i-n/j). oi hu\\

ook - tj imr\'n u}n\\ 1 Q Uijut. roede, im i n

n hi\\ een gelijk geplaveide grond , G. / // /.y mi gt;/

/?gt;N nht 11. i7// rjujiui uj t » \\ bijnaam can

b^mbadra. — /-///rn is//s metselen . G. — i.v f i

co

i n\\ als een muur, in de uitdrukking ///.*// gt;5 ^ spr., en bv van een steenliarden buik \\ ook \'een muur maken, iets, bo. een plonk en beschot, veranderen en van metseisteeuen maken , tot een muur maken.

/ // vyj \\ /)//. 6V. steen {vrg. un n * in hn). rn m i n i ijl kandijsuiker. / ^nh rn /■.» \\ metselaar, y »// // niiri\\ zie iyyi \\.u ni^\\

i // /^ /;//n KW. rny^w i:n icj in ij .t;// in ij in \\ ma

lienkolder (y/\'y. ihin\'-n).

) ^

rii(bi)\\ voor itt/is/in //ïow

O / d/ 7 / \'7 ) O . quot;»

/t// /-■//\\ kw. (o/;*. b/i iia) zva. gt;ui(ui\\ zie uivuhiiw i.n isu\\ 1. KW. t\'/\'/. mnidJis mi ri i nu/js ijm kiwn., jia ui tji\\ k., dérnou. Titan o/reus; 7y. Senyk. vijt\'; fry. gt;//.// „■\'/ ;./\\ (.S/r c (//«., een wezen, derheid een boos wezen.) —m» ry^ l//n kw /.// (niiucrniir G. {verwarring met i C. S.)

\' , r / quot;gt; ^ iquot;) 0

11. i^ ibii^k.yr.\'zva.n ri i kiijs ui i^n gt; .uniujw i y hu hn n i\\ blindelings , onbezonnen (onvoorziens, G.); f/y. itjiMuisy iiï\\ bij ujunw lij i ip slechte schrijfwijze voor /y/r»vgt;

///////gt; kn. lid van het huisgezin (wy. nnihn/j .//»

n o

\'/ /,/ Il.li/j). - / // ƒ / (toll J \\ zva. (I yxi 1 llfl lt; {hll lil HlfS

tot de familie gerekend worden, ().). — ru i iiqin

kIjI\\ gt;/ iti ^iim/i als inan\'en vrouw zamen

leven.

i ii uu j gt; 1. K., i./^rn^w

II. kn. het kunnen uithouden, goed tegen kunnen, kunnen verduren; üc/t uniih^j (het cry. goed kunnen uithouden), 6\'^. naar. zijn zin zijn; aanhoudend, regen, in Wang saltan omschreven door ur^,io y /,/ ^.iki.j y gt;lt;// mn (; S. .t)// jlt;ru^ ij i \'i\\ den honger niet kunnen verdragen. im ui)% i i if ui uiijis tegen waken kunnon. / / »/ Vinihii? i^iï.iluui toovermiddel tegen den hon-

(O \'

ger. (nu im ui j standvastig, G.). —iw n 1114111 • ij kii \\ iets trachten uit te houden, te verduren, er zieh tegen inzetten. — uii-lh{.t/ntrijs veel kunnen verdragen j iets kunnen uithouden, het vennu-gen om lang en veel te verdragen, taaiheid, li. S. 200. — ni iuii % un tin 4(un m/i\\ wedijveren om iets het langst uit te houden.

lil. nu mi riri // ; een boom, .die aan hei strand groeit, welks hout tot brandhout dient; de gom wordt als gevaarlijk voor de 00(jen beschouwd, Rh. IVangsaltan: i n n r.h ri in ui / / u. rrn: .m bu 4 \\\\

ny ij \'\\KN., {ook rn imi ^\\K.) aan iets gebrek helnen, iets zeer van noocle hebben , om iets in tijdelijke verlegenheid zijn {aam. \'aan of nabij \'t eind oan een voorraad, (J. S.); behoefte. / /^ / y gt;\'i^ / / «/ ,ƒ \\ om geld verlegen zijn. r.n,1511\' ifii Jr^uu\\ huiselijke behoeften, liet ^u huis benoodigde. .6//^ MjMjj. zie un ri iuji^ — /.»/ ry/.yM kn., lamni tn gt;\\ h., in verlegenheid, in nood, en ongelegenheid gc-bragt. iKiihluhnvyurrqifiuns uit nood, door den nood gedrongen. — 1 w v 1\'// gt;ƒ/.»/\\ un i rrnf 111 ilt;irir)jj\\ iemand in nood, in verlegenheid, in het naajiw brengen. — un rnunfwi in/js hirrn tun ^ mn rnji gebrek of nood . lijden j dat waarom men verlegen enz. is; lenoodigd zijn. — / y\' tj rn ,ui j of t?y / y / y ^ i/ii./r/ y . urmsn gt; m lo/j \' of rn rn i,n \' un mi zva. m i?uu ^ uin j- des noods, ingeval van nood, bij gebrek van beter.

ij m ij hii 4 n kn. redetwist, betoog, verdediging; redetwisten {vrg. un^fi \'). — ^ r.n if rni n nojjs tegen elkander betoogen, Redetwisten, enz. VV^V.

rj rm ruum gt; kn. speler, dobbelaar {vrj. tf mhi4), WW. at. speler bij een hanegevecht, een gevecht van gemak\'s enz. ook bij het hanengevecht een persoon, die de haan van een ander verzorgt en laat vechten, altijd tegen loon, doch niet altijd wedt hij; ook zva.

ê


-ocr page 1171-

• .trn iüntiajj

.irlt; iicrni\\ een \' deskmidigc in dergel\\jke gevechten of spelen; iemand die du zuuk van een ^n-ler be-stuurl, zaakwaarnemer, procnrutiehtJnder.— )yx:m »11 O è tj lt;hti dj of rn rf uti ? tj tint 2 4 \\ dobbelen ; W W. jHuikwaaruemer, bestnurdar. y rn ? /ƒ v.n ? y .bii 2 s ij iji/nnjn 11 iwi ut heet Kresua hij de V au da\' ioas , B. J. X, 11 , 9, (\'. S. — xjnrj 12 tjibtti^

i \'n\\ iemands zaken bestieren; rtn;rt2 n i n2j\\ zijn

van of voor; voor iemand zijn vechthaan oppassen.

111 ij * 12 ij rit 2 gt;1 iv,ii 2; 1 it \\ voor iemand het bestuur

voeren, B. J. XL III, 22, 7. C. S. — tu n 11271

\' co \' .

ij 1112 41 it if igt;it\\ iets aan iemand in beheer geven ; een vechthaan aan iemand ter verzorging toóver-trouNven. — nxiri2 ij mtti j .t/n iHyj of \\ n ij rn 2 tj hu 2 ^ 111 hijs meteen ander 0/ met elkander dobbelen, spelen. — /1 ij 1112 ijnsit 2 jn/tt :ni,y\\ speel- of doh-bolpartij; speelbaan, dobbelhuis, WvV.j het bedrijf van een 1^1112 ij rm gt;\\ uitoefenen, als zijn broodwinning, 72I. voor een ander het gevecht, den wed-slrijil als deskundige Mdvw; {de ij i:tt2 ij in 2 j wedt dikwijls zelf mee, maar een dobbelaar of speler in het aUjemeen is een ist^hin^i i.n uyi of0ninj ij u Kt tj \\ het werkiooord spelen: f 11 n (tnjj \\ het spel: 1 \\

7 \' i2\'f td/tt ut js); ij ft2 i:t ij i n 2 tj asn 2 j (urt ;Hijj\\ speler; spel, dobbelspel, WW.

miiïinj [Ar. ^LLO N., ..Th ij lgt;ii2 I i/j k., inwendig, innerlijk, van binnen, in het hart. Jlïi ii

libit lift j n dc inspraak van zijn geweten volgen, Rh. ■

^ • i .. O* CtS J)v

n t i n i :ft .bit ld/)\\ zie int 1 i.irt \'n Y\\ i \'ii 1111 n ,t)ij / 1

. . . * \'J~quot; rnibitiHi/js uit-«en innerlijk, opregt gemeend —

\' quot; \' quot; 7 \'ij t tt ij Lit2 t t^i ijihnjj\\ inwendig , innerlijk; inderdaad, in wcykelijkheid. —\'itJtt (ft t,ïi itnu^

co \'

in f iij Lttz 11js ids jjij zici1 zeif denken, gissen; iels innig, in waarheid, werkelijk meenen , het oprecht, innerlijk met iemand houden, WW., goed genftend, bo. tj 1/112 ïj n 1 gt; ij i iri. ii^ u 1 nm^nfiin

i t.j zijn vriendschap is welgemeend.— mt \\Tri tuit t^f m rt

iojj\\ 1,11 int ij.i,iit k) ujjj\\ het inwendige ; iemands

binnenste; de inwendige zin, zooals men het inwendig meent, opregtheid.

()

1 \'tij gt;1,112(mji\\ kn., \'pit van de n a n k a, soms ook

van de k10 e wèh-vrtUht {vrij. rjtjitrjcni).

1 *11 \' \'It U}1N een hebben {volgens sommigen

van voren en van achteren). WW. t:lt; ui n 111 m t

hn I) I

een soort van groote strand- ik ri nup ook naam

vt^riihtttJ-njjs 1088

va?i een boom, die brandhout te verf: liarringtonia speciosa L.

n\'ijj ij 1112 (Htjj\\ zie bij i n rit ^

) .

tj rm .hit iHtjj\\ k. , zie ij(i/it 2

111 bit (ut I,it ut rA\\ KW. bijnaam van M a doek a r ii,

de woonplaats van A r dj oen a.

unsrt i. kn fondament boven den grond, bv. van een. miiur\\ dc verhoogde gemetselde houten (;ƒ bamboe rand, waarop bv. de verschillende stijlen van een panda pa rusten; de rand van eci 1\' \\

waarop de t- t tlt;it cm ^ rusten; stoep. 1 \'jwn gt; t.t i t , -)• •

\'ttn iu ^111 .ut 111 \\ beneden lt;lc b a t o e r, d i. op

(,) (ico ê 1

de djogau /Minn, of ook wel beneden tie iji gt;2 ut trtfj op dc pëlataran zitten; (want buide, èn ^ / j) hi tj irlt;2 lt;yn int,j hebben een nut rij ). 1 n i ij 7 \' \\t r.y rrtoiyjs dc zijden van den opgehoogden vlopr zijn van planken, met planken bcschoeid {bij geringe Javanen zijn ze gewoonlijk van aarde). —

bïjj\\ een 1 n iti (naken; dc mimte waar een huis zal komen te staan , of waar écu verhoogde vloer is of komen moet, met hout- of metselwerk zóó hoog omsluiten, als de vloer is of zal worden , om daarna de ruimte daartusschen op te hoogen ; een schoeijing om den vloerrand maken. rSt ut rij •n /snx gelijk bcschoeid, hetzij dan met ecu op-

staanden rand van metselstecnen of planken, enz.

/.110/ .. ..

nt mC m j \'\' \' j n naam van een p a 71 a a p a

vóór het residentiehuis te Soera kar la, waar de Rijksbestierder Maandags en Donderdags verschijnt, om den Resident over dienstzaken te spre kan.

II. n., rj ■rtritis k. , makker, metgezel, deelgenoot, in \'t algemeen iemcyid met wien men iets zanten doet ;helpor, ( j /m /m ki.) bediende j nageboorte {vrg.\' ij-ni i t/nquot;nnt m). .i;r»mj i:t ij(ici2 Htjj^ dienstmeid, nt ir^ttyj utt 2 ilt;tjj\\ slaaf, sljivin. nt i^i tj iii.i i,ipj!tajj\\ haar minnaar tj/* zijne minnares, Lak on, C.« S — \\ n rrt \'ii^Ht/j^ 7 ^»7 ijrri nn ui w/js niet elkander als makkers omgaan.

ij rit2tf bn2\\ kn. erwten van ile uitini i t die gebraden en gegeten worden tj 1:112 rii i n zie ij i n 2 ibtt -}\\ II

rr^bi^ 11 111\\--- rn^ibtrLi\'iu\\ Ij.

1 y bit nj tut -1 utfj \\ zie t.t^ ru rt ,1 ;/j \\\\


-ocr page 1172-

1081\' nzn nsn ih tijjs

m

i n i mun^ uf .lt; / .* t uu ilt;n/j\\ voortltinsor, vooriluusc-rus (iU ii:i i i iUi ?ï i n ij) ilvi) j voorganger, coryphee. (»ƒ /. n tj n aji f i n u hu/ƒ\\ een arm gewörilcn rijke, VV VV.).

in tinitn/j kn.; 1. i n f i^ihn hn/j\\ trekken, stijf aantrekken {vry. .hu nhn,j); niet kraelit en spoed doorzetten bv. een werk, strijken up een viool, Ji. 2.

vola, Kh. (Ui if i ihn khd - iui /1 mti

J co \' - co \'

i n tj iibii hnjj\\kn. (ffew. iD in i i^jjMi.) nagelaten spoor, gevolg, teeken , blijk, WW.

Ml. troebel {vrg. rtj in.n/j).

i y ry ,» i (Uljj (nil i y i n/j en i n n/i r,J \'ls\' \'\'

. •)

of vtjjj.n tui m anjis n,, / s n .ioip k.,

jaloersch ; jaloerseliheid, minnenijd; verdenking van

optronw in de liefde; d;c»/«/. llh. ook naijver. — n n

/ \' \'tyi \'s\' L\' i ij hn\\ tun *1 tifli (irlt; ri at n ihajj \\ iemand

van minnehandel verdenken.

:i:}i a,n i n n in KN. hjI avï0 bestaan uit verschillende

kleine deelen, öv. van kleeding\\ ah: een xhaiolfje, een

dofkje, enz. (Tj.) I?li.

(O . .

./ y ir^n iinjjs zie a tj r y i i i i jw

rj i ti ihii iin tti kn. ylr. i »• i sehatkainer,

schatkist, thesaurie.

a ii rj ihn è ii/j zie in injn/jw

):)).vgt;))\\ kw. zva. f I en w

O h

.).)) fou i}i ofx.u hu /.imlioll. lia tav ia, Bataviaasch.

gt; n /• )

,i u i-ij i)i ^ \\ 111 tji i gt; oj rti iwi-i gt;\\ zva. ijiii.tiK ni

j\'1 iliiibii/j^ erfstuk. fHiniliestnk, reliqnie; vry. ui f i gt; w Mei iii i\'i verbonden, zva. i i ij ihn * in/j n j /\'•/ (1*71 ti i» ; y \' quot; \'/ » urn i n in - daar is geen voorbeeld noch grond voor, WW.

o . o

i ii i n i 1111 gt; zie i ii m 11

• .1 \'ii liiii ii iii\\ ylr. .\\\\ U\\ kn. ij del, vruchteloos, ongel-\' U

dig, f/ew. alleen yezeyd van door den islam voorgeschreven verriglingen, als hidden, zich reinujen, vasien, enz. {vry. i n«o»)j oorzaak van nietigheid. ,j u i irnïi ii i i i a . ii u i n wat maakt liet tnsschen-

quot; cf

hnwelijk^ongeldig.\'5\' J. Z. 2()gt; 8 v. o. C. S.— un .• / \'in ii^rj hu ongeldig maken, vernietigen; ook zva. if I ri ui ij im \\ verijdelen.

i n i\'ti uj /js kn. door, door en door, met een «loorgang .c»/* doorloopend gat; ergens \\\\\\Wo\\\\\\vï\\) van een deur\',

bersten , een gat krijgen, Men., Us. (^vry. ii^n ii i i/jY

o ) )

ij i n ê n mi i. i.ry i rj n i }\\ n., if in? i n m _ i rui ui

n^ni^ k., ondoordringbaar -7 I II2 Ij ib/J 2 gt;1^1/1 \\ •

zich ergens een doorgang maken, een muur

{vrg. A nrf f uifasiiini j); aan den eenen kant in-

en aan den* anderen kant uitkomen. — n n fiiu • (.1 li

ii i ij in)\\ in iels een doorloopend gat of doorgang

maken. — t y » y doorgang, iMisschendeni\',

kleine deur, klinkdeur, achterdeur {vry. ij nyij

rj \\~m 1.1 ~ \'i K I /j).

ijr.n i ij\'hm n.i/j \\ 1. kn. zva. .r^ hï^ n i/j - inz. van iels

dal een (jat in den bodem heeft. — xm ii a isrii m

* co \'

n i/j\\ zva. (i/ti f j r/y n i/jsook iels den bodem inslaan. — ij i lt;lii 2 ili in p gat in een bodem.

II. lloll. bottel, flesch.

ry i n in\\ kw. zva. inyani nis tjif.ijw

■gt;i\' lt;•\'quot; [quot;/\'■quot; gt;■gt;1 eiy-(,c iiI:iiiIs

■ van het heiligdom, van den heiligen tempel, d. i. Jeruzalem.

) )jj kifj i j )i))q\\ kw. vkl. inx^i^ifn/js naam van een

vogel, H J. Kril. LXÏIl, 11—12, (J. S .) y t )) irlt; r.) !K),j \\ zie i y .1.n ri ili/j w i y i ii i) ii i/j kn. volgens sommigen verbastering van ij i ii ibn it) )i i/j\\ eigendom, bq/itting, volgens anderen zva. tiJ) {!)f)\\ corpus delicti.

. . . . gt; .

iiiiii\\ I. kw. zva. \' ) im i n l) \\ 111 in U))irii )\')i

*■ (■ f i-i,

ao/j ij i,)i21\'lj ii^i ii) jw na. zekere wijze waarop een .vechlhaan de stalen spoor xoordl a ang eb en

den , nl. onder den natuurlijken spQOr {k uj). WW. — ir» t,)i i ) )i)/j\\ zva. ij)ih)) r) Kiij\\ riii\'n

r:) .)lt;)/j\\\\

II. kn.; i ii f 11 \'ij \\ iels voorspellen , voorzeggen, waarzeggen, raden, gissen; vuwiemand iets vooronderstellen {vrg. i.mjm ui) n n tf.\'ri \'n i h ijri^)),)^ een droom uitleggen, uit een droom waarzeggen. — un fnuh\' voorspelling, waarzegging, verwachting, liet uitleggen o/ raden. — .in iiii) onjj\\ of i:)) i n vgt;h i ) iHiqi te verklaren of te raden; het voorspelde, geradene, enz.; elkander iet\'s Voor-* speflen, enz.\', elkander te raden geven, bv. of een schol raak zal zijn {geen raadsel -\'KT» ;. /j .•

III. naam van een af deeling in Pékalongan. i:)) i liquot;gt; kw. slaau , vechten, G.

i n ii,)ï\\ 1. kn. speld of naald vafi bamboe of t gt;\' ^

om een zaamgevouioen pisang- of plash-blnd

i

meó vast te steken. Ti», zva. !kjIiU)\\ Rh. —

tv.i, i )^ een blad met een biting vaststeken. — ii) uï i) i)n/j\\ met biting\'s vastgestoken. — 2.


-ocr page 1173-

C-)

urn (bus

zca. r:n jtï\\\\ — 3. KN. een (jewigl om goud ie wenen, door zes sluis s a(ja-hoentjes verjeyenwóor-

diqd. — 4. KW. honderdtal, u honderd, G.

•) : ) ) , kw. zvu. rpiiii hnjjs en u i rni/j KN. kort

aangebondpn, driftig; ook norseh, knorrig, Kli.

O Ov

ij i n ij hii n zie i ni)n\\\\

i n.i n i j v hij ril. o}gt; Hintungor: Callophyllum soorten. i))n^jj of (t n i niM/j 1. KN. tonw van de bladsteel van de gëbangboom, AS. ^

II. Holt. baas, werkbaas. — i i mn.i J?i\\ • over een werk als baas liet opzigt voeren.

n.njijjs klanknab. van het uitgaan van vuur; inkrimpen hv. van een spons, en derg. ^ verkorting van i ? t ij i t/j\\ ook klanknabootsing van een gesis als van een brandende lont of sisser {vrg. j — n:r^ i zva. iiji i i-i\'im/js uk i iiinjj of nnjj . ook fug. afkomst? PJ.

lyxui K)^ KN. verk. van ijaim(K)^ vj »r»»^ ^ ; /lt;» i i ^ pijj), om iets uit ie laten, be. aan een

blaasbalg, K . zie n/n gt; i:i. i -m tuin bij ti ni iwn\\ B. V.

mi i\\ 1. km. spraak, taal in het algemeen, iemands ■ woorden; wijze van uitdrukking; gebruikelijke uitdrukking, bewoording, betiteling; aich op deze oC (fine wijze uitdrukken, enz.; beleefde taal, de beleefde taaisoort, liet Krilmii; zich beièeefd of in I Krama uitdrukken. {Skr. taal, spraak,

stijl; tongval; spreektaal, in tegenstelling van de heilige taal of t Sanskrit% enz.). (Hiibn ui Si t n i i\\ zijn woord houden. ^ i nh/ii/mmi kinr) / jJ\\ mij noemt

bij jongere zuster; volg. Rh. i. pt. v. a /// wiiifim

o . , ro

.quot;jn liever \\ de K r a m a-taal.

,c)i *1\' quot; 11N \' translateur. ^ i,m ^ ibn in /\')» »» ki\\ zonder beleefde vormen gt; Ngoko spreken, R. V.

gt; aJnii7)i(ha^ onderscheiden ge

bruik van uitdrukkingen , J. Z. {eig. ,1/iyrn ^i/i^

-ie bij ajr^ ^ n ^ i ic-,f,? , n , n /K/l nnjjs of 0(ini .m i n w imtijis (W. 1, 480, VV. IF, 541.) volg de gewone spreekwijze niet, spreek een ander niet na. o

lt;f n Ma.,)/tas tot iemand deze of gene uitdruk-king of taal bezigen; iemand met den een of an-dei en naam , tiiel enz. toespreken, betitelen; iemand beleefd , met onderscheiding of in K ra ma toesjire-ke». li. S. 112. anay

nm «v-) n 1085

aaji li. J. XL, S . 6.— » n i ii.i i.n ./» \'ïj(hh\\ tot of van iemand of iets een uitdrukking, enz. gebruiken; van eene uitdrukking, iets beteeke-

neu , ook vertalen , zva. hj }j ihi/j bij lt;i^ n (injj .1 n

quot;) quot;) o )

nnii n hi tjci.itt i m ij icitnn i n .1 i hn ij i,n tui iigt;ii

tLii h)i n i, u \\ waar gebeurt het, dat men van een

meisje zegt /k] i n i,uihii tj un ? J. Z. 51, 4. —

O quot;) quot; ) ) li./

(H i h ii i // ■\' i ii igt; ii •\'lt; u \'igt; i . 111 i (ij) i \'i ii.\'i) \\ dit, bv.

a co ^ i

een spreekwoord, is een uitdrukking voor, beduidt

misverstand. WW. iw i.ilt;inj\\ een mtdrukking van

verwondering. i // /i-\'i ilt;jj \\ ut if ilt; n gt; ij /. n / ini y ij m ; ^

iiU\')fijj\\ kijk eens aan! bij wordt om een booüscha)*

gezonden, en daar gaat ^ spelen. —/r;lt; i niki

de voor iets door het gebruik voorgeschreven uHt

drukking; spreekwijze, spreekwoordelijk gezegde

(vrg. iu) nin(Ki). * \'i n i i)(M ~i-ti. ij jy \\ bij wijze van

spreken, A. 33. an mi ini y ru Ij ifj)2 Ij hji r.Dti n

i. ) 10 \'V7 tt r:)) i dj) j u 1 in\' ()()U\')H 1.11 \'i) li o zetrt men O \' \' (7 \' n

van jongens, J. Z. 51, 5. 1 amp;i m uj) ij :hi ,//i ? ^ ? li ))(Lgt;)) ui\\ het spreekwoord zegt; «011 tong lia-tawiquot;; liataviaasch geluk is tot een s]) reek woord geworden. igt; n ui it 1 ili r.)) 1 ly^i f 1\'/\' /2 dfijj slechts bij wijze van spreken, niet letterlijk te verstaan, J.Z. 282/9.

W.zva. \\ ))a\')\\ n., ntüs k , toen, nu,zoodra;

s s

tijdens, wanneer; wat aangaat, wat betreft, id 1.1 itJiiUil(ij)(W)i )\\ nu het (kind) groot geworden is, gaat liet (van mij) heoii. 4 .

r/M/N I. Jllt. {(\'I/in. KN. opgeld, agio.

II. zva. n i n i tw i:»(k/)\\K\\\\. zva. 1 iid.j s 1 /i f.ƒ i i/j {vrg. quot;i i j^s tJij )i,i\\ ihn ij i,)i hnnw \'Ij. Sengk. acht. {Skr. w a so e , een soort goden, acht in getal), h.h in 1 ))(i.j\\ N., nn

i.di 1 :))fu^\\k. , hftudedrek.

) _ quot;)

1.77 (11 --tv:)) )lt;)) ~iD w

D o 1.., , ) o. 0)0 o

tim(hi\\ ML. ijzer {vtg. \' 1 ui). (Dii iii ii.i i n., i^i^ m

ili)(iJi\\ k , ijzer afval, roest.

r?» ^;\\N., !hi cr))iU)jj en ^rnio/i K. , kiinmüi [van het subject; vrg. inrin), in staat zijn; bekwaam, kundig, bedreven; verstandig (Skr. wisd, verstand). Y 1 ui D nrr) 1 1 di) 111 J. 1 j hij kan niet, hij is niet in staat te schrijven. Dit actieve kunnen wordt ooi-

wel aan 7 object toegeschreven, ah: tj \'quot;\'j

) o * . , .. \'

tui ui i)j) u\'j)^ I, ij ril tui r I (}) jw wanneer kunnen mijn

schoenen af zijn (beter: wanneer kan je mijn selojij-


-ocr page 1174-

a:n n.r^ \\

)

1086

non at hebben?). r;»,M (muak) |

dat zij (de. sohoencn) overmorgen at\'kuiiucu zijn. 1 In dit geval vordert ons spraakgebruik dikwijh willen, tu nni ii ij un lt; n rn r^,) if?) tnjde deur wil niet diyt, nl. ik kan ze niet digt krijgen {ook zo aar die omzetting niet wel mogelijk is, als R. P. 97, «r): y r.m iv,u }lt;) ^iarnfiQ\'t)lt;hn\'n\\ de vegen wilde niet ophouden , C. S.). lt;io i:u/kj)\\. wees bekwaam of wees verstandig! tul of i n .K/nai moge of kunTie ! bv.0 ij\'fjièvf w ? Li a^^ -7 ) moge hij voor zijn broers»en zusters zorgenj hun lot • steun zijn , vrg. L\'. 1](). im w «ru i n(K} hy \\ zooveel ik maar kan. (uirm kigt;;(^\\ zooveel mogelijk. tl i n ? n nzn k /*■ rj r.n i iiïnim lt;rti(ut /j \\ ook niet kunnen verdragen of weerstaan; weerloos, li.

r v r v rv i • • Ct Ci /quot;

.1. A lA, / , I : y »oj ï tui Tl tj dfi s \' r) rr» (Ul ui i^ fi^ \' 11 :ifiij \\ XXV, 4 , 1 : h l \'hn uit nn -1 r.n ma LXVI ,

i v Z o/ -gt; n G ■) n

y , i: 1.1 i, i asn ihn . / t u (ui \\ y.\'. o. »ƒ r.n ? asn hn ~gt;i a /»

O , ) Q-O --O

uL/j of ij i ii i .i,ii ij ui an - ijaimihii (Hl ^n^tui/j

\'\'\'i%yilt;ijl zij kon het niet van zich verkrijgen om

achter te blijven . of zij wilde niet achter blijven.

O 0*1

w.n r.n ui \\ turn n oirui/p de geleerden, de deskundigen. — m (Ui i n r i ijiuj ijiji ij iji gt; dat heeft hij int zijn eigen, uit zijn duim gebogen, te M.; volg. Rh. ook (zijn, haar of hnn) verdichtsel, verzinsel. — Sii {in poezij (ür^ ri ut)^ o^it in n iin/j\\ vrg. irrj\'/»§n\\ zich verbeelden bekwaam te zijn, verwaand {vrg. fjuyn kh). — 17» /7 fui tfj \\ r.nichiui in iets zich bekwamen, bekwaam zijn, ook ieiu. door uu r.n uinnjj\\ traehten te overvlen-gelen. - * n 1 1 ui 1, n if un \\ 1 111 mi ui run ui/j^ iein% bekwaam enz. noemen of als zoodanig beschouwen; iemand of zich* tot iets bekwaam of in staat ma-

1 ^ ^ ^

Ken. — Kn i:r» ui(in^\\ mi wm iti mi/j oj i.ni icrn

ui ui/j\\ bekwaamheid, knnde, bedrevenheid rhir/p kn. stom, sprakeloos, va\'i zijn spraakvermogen beroofd. — un (uit^^ zich stom honden. — co I

(i/n f 1 r it un -juij unn doen verstommen, stom maken. G.

rj 1.1 v zie 7.7^ /ƒ (K 1 w

m in kn. (Eng. basing) groote schotel, schaal. rj m 2 nn^u zva. im ui^ (vrg. ij umtju. it rn j) fi. kn. c\'f?n soort van riviervisch , nagenoeg in vorm gelijk aan onze snoek, maar kleiner, Rh.

(an ui 4 \\ I. kW. zva. naminfMd nn/j\\ bv. van lijken.

B. J. L VI , 10, 7 : Ii V 11 ,1,3.

II. Kfti.; (cn(ui^ivniki^ een staatsiekleed j -aan li ebben , aandoen {vrg. ijtuid ii^ag ^nnnj). — aoufi (t.ii^n/n\\ iem. een un (M ja/n iui/j aandoen, r n rja^i gt; un in staatsie gekleed, uitgedost, G. La kon: ïli m (fyia:» 1.1 fiJi • (un(injj\\ als een aangekleede tijger, van een moedig kampvechter. C. S.

Hl. Turkseh bassa, paeha, krijgsbevel lubber. lWlKJjS\\ KW. zva. 75^ UUlJlJj ^

v * 0 /• 0

un { rn y(kj)f\\ ifi n 2 ui j 1:11 u 1 gt; oj ij 1 n 2 u 1 h j/ i i i. 11 j kn. door elkander, overhoop gehaald, in wanorde, bv. van boonten of van een slagorde, H. .1. II. #14, 2; XXIV, 2, 7; .XLL, 8, 7, C. S., in de war, van gedachten, K. 3,93. iui thlï mi ui j?/j \\ tui itilurn mjiui ^ of lt;ui (i?n rn (uiïut un/j\\ hetz WW. rf m uiitaji^nii. zoo noemen elkander de wederzijdsche ouders van getrouwde lieden, rjunwff^in\\ mijn bésan, d. i. de schoonvader «/moeder van mijn kind, .Brieven, 838, 5 v. 0. —isn tf iwj rn lt;ui ijj\\ zich quot;met iemand vermaagschappen door zijn kim! met het zijne te laten trouwen. — tj mn-.i i.j idj of ij rn ij i n ukuj vtji^ in de betrekking van b és au tot elkander staan 0/komen, zich met een ander als .b é s a n vermaagschappen. Lakon. ri tin an . n ui

. O ^ /^10

tui : ij iniun ^ui ui i n tf riru)ujtuijis v.. b.

rfrti 2irhfuj kn. van iets of iemand genoeg^?/* te veel hebbenzat, moede zijn, verveling of tegenzin hebben, yj 1112*11 tin yn arii(i~i \\ het leven zat zijn:

C. S. 2S1, C. S. vrg. ik gt;ƒ in gt; 2. — unij nf (Ui(hj of 1]ij r:n? i.]iij\\ verveling wekkend. —m gt;1 f 11 (iji uj i) un \\ maken, dat men iets moede wordt, enz. \'

n . ) - o o . o ii

1 n 1 m n KW. zva. ern ijdoi \\ un ri ui f(un\\ (Lm (nuii\' n 1

lij {Ski\', b his ana, schrikwekkend)^ un rn 1 un

tiji .1771 tui dnN hetz. (vrg* iv r n r^.(Yrn). rn un r n .1.no

of hui un tui (in zva. aui uy mi rjani ajijj\\ iri uijtvi

1^q.\\jns tuilt;hti n rn {Skr. atibhisanaj vrg. 1quot;

0 1 r ^

■1511 \\ I 1. j

in\\ KW. zva. (Ui it? ijrm2^ warm 1:1 iui/j itJiw-{Skr b hoés ana) versiering, versiersel, prachtgewaad. urj, 1 ) itj uj ui iu oorlogsdos. 1 11 (cr^ ui iui \\ zve. i7) vj (rn 2 ruit 7) rn 2 \\ zidi kleeden , uitgedost zij n. n quot; ui 1.1 uj i?j iemand kleeden uitdossen, opschikken; ook zva. uirj cmi tm Sn ij rni 2 uj nn xnKUKhj\' zva. ifz ^ rn^i un uijp (irelligt 1 n 11


-ocr page 1175-

/

Vj vn tjthJi \\

108?

11 uit hi

0 0 •• / • j(/\\ zva. cnirjiJ} \\ en .i:i) n nu no/)\\ \\n denzin van

verontrust, gestoord; vry. lultK/jiHjs en Sir. wi-

s ann a, neerslachtig, mistroostig, uTTnliopig;

w I sjaid, ruim).

rn\'t /jojfHidOfi (,iTn0^1*1 (Hi t (Hi ? C S.) K\\v. zva.Mijnjp

{zva. ihii /.y Lj v een viinuer, G.) ook naam

van het hoofddeksel van G aio t ka tja.

i nfj hiiföv* 1. {Skr. bhdsanta} zva. aji f ytu

iHi/jW \'

1 f. {Skr. was ant a 111 a k a) naam van een Kaivi dichtmaat. • ^

i:r) iCi n zva. i:m£n G. {Ar. gezift, doorzigt,

inz. van God; org. nn all \\ w KjUHun^ in Tj. om-

j \' / t 6-) o ) - ) o

schreven ± n v. 1 / u to kji /.y cru j (hn rt) oj) ^ 1

ci

lib}! tl) Ml \'run\\

(~j \'—■

i:n lui Jr. jX^ii helderziend G. kw. altoos-

durend, eeuwig)»

i /Vm 1 Ml. (1(! Groote Huer, henaminy

voor den Gonvernenr-Generaal, v.

het Eur. hoofd van gewestelijk. bestuur {den Resident em.) y ook wel de vader van -een huisgezin, en de zoon 1 n unjij 1?) nuys Ml.

II. kn. de twaalfde maand van het Mohamme-daansche jaar, anders i\'cj ïu «f: s genaamd\', nn hm i.n y) Ki V feest op den tienden dier maand, het At\' (jb.iil) tixc fer gedachtenis van de offerande van Ismavl.

III. i nod) r)(U)^\\ een soort moerbeiboom., waarvan de bladeren tot voeder dienen van de zijwor-men.

quot;) • r ) ) \'

n i. KW. zva. i-j) ij iiji 1 ijitmi):,ii}njj\\ (niet

goud bezet; versierd, G.) B. J. XVIll, 11, 2. van een vorstelijken krijgsdos; r.n irtvKj tn \' J quot; . \\ vkl. .1 7; ojj (/;i) y (i^i 21, n /y lt;1^ mi • *»dü] :i,?i rni \\

C. S

H. kn.; nmiFj^M stont, ondeugend, van een kind, dat overal met zijn handen aanzit (vrg. \\m \'Hmji lt;Ynjj), WW. volg. Kli. ongehoorzaam in het volbrengen van een last, Bli. onverbiedelijk van

een kind, ongezeggelijtc, doordrijven, lts. •

d s , •

vwr^a^} N kn. schram, kleine snee (wr//. amTjru).

tvnwrjws een sehram geven. afui~ri een

s^bram krijgen .• — un fji ngt;»1/ mi \\ een sehram cn \' 1

veroorzaken, WW. ; vrg.

KW. naam van een wapen, vkl. asnirjMs

sehi 1 d , mi tj y n n» boog, .ty j3; - speer, a u u. 1 \\ blaaspijl {Ml. boe so er boo^). — nm rhuj \\ de boe^oer gebruiken. lt;1 (AS.) elkaar

met de fl-yM bcvceliten.

rjani naji \\ kn. gedurig moeten waterei., bijv. door gevatte koude, of ziekte; dikwijls vrueht\'dragen, Tj.

rntuim zva. un(^irn\\

(i)n ij ik 1 y m of im rj M . Port. Spaansch p r a-

céro, in associatie zijn.

O ^ kt O o „ p rgt; .

iwthi HHjn kn. xm i nrKj) ifnjj of i 11 den

grond, inzonderheid van familiegraven, schoon-muken , van gras en onkruid zuiveren , gew. met een of iét!tjaji? (tn j soort schoflel.

din(t/jihvjj kn. zwarte klei met lijn zand, SG.

^ 3/# I O . /• ITO

Ml.; rm r.tt \' \' Ktyj oj tt.nt mi 1:11 w hti/js KN. Ünisteren {vrg. /lt;j)itPi hvjj\\ ntyuj). — ,* 1 m/. y \\ iemand iets toellinsteren; heimelijk inlichten of onder ri gten , B. J. XL V F, 1 %y 4; tut t, n nut ut (p

quot;» quot;) O O - O O 1quot;)

1^1 (HtI^W - i;tt 1)1^1 Ht/j Of I tt I it I I t^ll 1.1 J

zamen (luisteren (wat men iemand toefluistert, (r.); KW. naam. bijnaam, zva. iclt; icjrut titiji\\ W. I *2i2. Wangsaltan: i:n tft hij mi ^ri.y ut gt;) \\ naam van den Apenkoning. d. i. Soebali, C. 8. (—jI http (uauïri^iStwji aan alle kanten fluisteren. — i~niT^vji hti/j eenig gerucht maken door (luis-teren¥ WW.). trrr^ttShti/j zva. uttiw Hnjj Rh. en zva. (tnjj leven makcMi. *

ry Ktmijj\\ kn. verward, door#elkander. — ^y i ht^ti tHi/js in beroering, bv. van de zee, door instortende pijlen (B. ^. XLIl, 9, 9); meest van een menigte menschen of dieren, in verwarring door elkander loopen of woelen, B. J. IX, 10, 5; XIII, 4, \\T enz. {vrg. vt ru i.tij).

(ütiHtijj\\ kn. schilferig, met witte schilfers. van de huid, een soort van \'ziekte, erger dati 11 gt;.ƒ.

tj\'Hj {eig. i.t^ti i tjiftu) ui ,111 vnuS t.tip voor in het

minst niet gedeerd, eig. (tvjij tut ij utTè niijnrj

x

ri ni tt 1 v.j if )\\\\

\' O co

(Ktj/h/jint)q kn. onwetend, dom, domoor {vrg. ajj i.ti tnt/j); slecht, gemeen, valsch, G. zoo welligi K . 2, 48. rnirj uifiTi^rhJiiiniji voor dom houden of mi maken, — 1 m f 1 vrj,(t ^ N iemand voor b 0 e s 0 e k uitschelden, in vocatief verk. tot ) jt,)^ stommerik! — vri t )().,j ht] zich dom aanstellen,zich dom


-ocr page 1176-

rj I:))/)) ).)) /J\\

1088

houden, or dom uitzien. — i/gt;/..*/«,7/.»gt;/khn voor \' lt;.i h gt;\'1 (

dom houden 0/ verklaren.

gt;11))\') j).))^ n. , ojO) ) )i) \\ k., illt;! tockómt»t, tockom-

stig, iu de lockomst , met der tijd, ntulerhund; op

cm toekomende tijd; veelal niet te verlalen dan,

voor zooveel noodhj, door den toekomenden tijd

.van V werkwoord i ziet echter altijd op eene meer

vtrwijderde toekomst dan i / ).m\\ minstens op

den volgenden day, (!. S. (vry, ;ƒ r/M a n

)l i ))it 1)\'))/!\'\' f1)\') )f 1 t) rjj) \\ iu de toekomst-, met der

tijd, later, naderhand, vj i:))(tJi 10) (ui\\ i n) . 1. o

/1 nn i,i\\ wanneer r /ƒ 1 ))/) ^ 1*» - /* 1.1 i j iu »ƒ» ))^ aanstaanden Woensdag. n »» in)n )) nï il i j ixij^\\ later als Iiij groot is. )} gt; ))itjj)f nn ^mrj.).))^ of ).))/! zie gt;11 )i\') 1 ))/j ook verk. »lt;»^\\ Tj.

• )j i )) ili) ^ i /» )p) \\ morgen. » r» igt;,n tj /y gt;\\ if 1 ))

))hfi)iiJs uaderhaud weê);, voortaan, bij weder r * . 1 r»

voorkomende gelegenheid, ij) )) ) n) gt; 11 j ny in \'t

vervolg. I). N. 140, O, (\'. S. 1/1 ƒ /^

ie ju. uitstel vragen van den ééuen dag op den anderen , Djo.

i:)\\ ijn.) in ^ kn. mandje van (jev tocht en bamboe {van

een soort van biezen, S.), een kleine )^{i\\ )j))i2)ji }iut)fi^ kn. rót, verrot, verrotten, in een staat van ontbinding zijn quot;{vry. dii.i )! (.))* rj Kgt;ir\\ 1:)) jj).) \\ gt;1 im rj r)é ilt; ))jj). ^ )0.) ) l i {\\ 1/» ^jquot;ij \'/ gt;1 i:)ig )j(K/it roodachtig geel, gelouterd of gezuiverd goud, •quot;als verrotte eureuma. — niDj ju

))t)j)t ),?) en 1)) if n/ i.))2)/t n )gt;i) \\ beginnen te rot-I ».1, (O 1 * \'

ten, rot makend. — iu))^!)^ )f ).)f /.n y /.»;n aan een land voor eenigen tijd vrijdom van pacht schenken, om er bv. menschen op te lokken, of het tot • voriyen bloei ieruy te brenyen. WW. — \'ƒ\' quot; ^ wat aan het rotten o/verrot is; rottig; benaminy van zekere kleur van eenden, zwart «sn bruin door elkander met witachtige vlekken, als een rottiye miLü )f i ))t \'r))/j\\\\ WW.

1 ))(t j gt;, h ^ K w. zva. \' 1 ; I n a/i^ {zie n ; 1 o ik ) geluk k ig, nam. vrij van leed, tegenspoed t\'wz.; welvarend, behouden, li. S. 235, 15. J. XX], 7, I enz.; ook eigennaam van een yew est {residentie) in O. \'lava {Skr. IF a so ek i, naam van een Slanyenkoniny uit de fabelleer\'). i.d\'T) iiiiin)O j i.?i\\ vaarwel\' li. S. 257, C. S.

.rni rj(tj)). o KW. )gt;) 1 n ij )gt; hi) \\ vkl. aiyif^ri^ /.))/( {vry.

10. i .

A:)),.)). ));,n/fix dj) i./y 1 )) j /y j ))\\zva. 1 o ,1 ; i / ui

versierd, verfraaid, (J. {Skr. abhiseka, besprei».-

kclin^, inwijding een vorst).

.1.)) j ) gt;)\\ KW. de zou {Skr. hh ask ara); vry. ))i,11

//-ijn bij i)i gt;)) D^njW i.)i) a ri )) :)lt;ijj \\ door de zon

bestraald.

rjxiy)ibn/jsKH. vest mut mouwen.

r.71 j ^ gt; 7 iiyj \\ Holt. b e s c h uit.

\' \'\' \':/f\'\'\'//N .; »/»/ 7 iuji ■. wegnemen , i u beslag ue-

meu 0/houden, WW. voty. Uh. twijfelachtiy .Ja-

^aansch y in J.Bih 440; i. pl. v. /.)) / ) iij

iiever te fa en: xu )•)! /./y ui/j ?

gt;11 )UiM ).))) i )i))/]\\ zie tn ))t) gt;1 s i))) 1

1 m; ^ k» / Vv eiyennaam van een Vorst van M (i d0 e-

r a , vader van B a l ii déwa, Kr ë snit . n S o\'e-

bad r ii {Skr. IF a s o e d ewa).

rrti.is \\. {Perz. basta, gebonden, geboeid) k. ;ie

)) 1 n mn w \' /

II.\' kn.: 1))\'.\')) ) in een pan met suiker bakken \' t (OhK

zooals Javaansche krakelinyen , W W .

1.71 ƒ 7 of i n / tj (Skr. wast oe, iets wezenlijks, reëels),

-gt; ó , . ^ KW. zva. ))U)\\ i) )■■)■gt; 1))) ),)) {vry. \'/* quot;{.*)• ft.J 1

i.nKN. bepaald-, zeker {thans zoo yoed als in on-

„ bruik yeraaki). — bepalen, ij i )) gt; ,1 n i.j

quot;) ) quot;)

en f i) \\ onbepaald. (^ 1 :n ï il*)) yj iff) 1 1 )lt; n 1 )) ) ^\\ met juist te bepalen , wisselvallig, Z. II, 2).

\\ / 1 ^

i,7»ik/ïiIsh^\\ KN.; ) )i t) ^njfs zva. 1amp;1 tiJi{zie u k) iLgt;n/j)\\ ook ontwikkeld, opgeschoten, opgegroeid: zich ontwikkelen, 1M. — dJi i^niin (iji )? iigt;)ijj naar alle kanten heen vliegen of stuiven.

initi.bnjl^ kn.; *) )) ;^ i,))jj\\ met een mes of iets deryelijks af- of gladsehrapen , lijn, zacht, slap of dun strijken, bv. een maïsblad {).)) ij )i it ifi 1 ))/j) glad maken, tot dekblad voor een ciya\'oUe; — een ananasblad\' afschrapen tot op dv vezelen) die tot yaren, koord, enz. yebruikt worden ii in i) 7,7 L))ji\\ zva. ti) 1 )i\')j)\'Ln/j\\ ook gescheurd vu1» Heer en.

r:n )f ).it tLgt;njj\\ kn. ; ) n f njr iin)^ door vuur zuiveren lt; louterey , van metatVn {vry. tj iui )] (ut f). ,1:11 il bn/js naar het yeluid wordt zóo de 74»//.\'»gt;/1

genaamd, Tj.

) ij-gt;ƒ )ji i,)) i\\ in Banjo ema s een uitroep, zva. ij a

rj tent i n iru/jw

s f,

i n^ D) \\kw#. zva. b.


-ocr page 1177-

oen slingerplant, behoorende ioi de Oucurbi-tac«ao; de jonge komkommerachlige vrachten worden als groente gegeten \\ van de oudere dienen de elkander kruisende vezelen gedroogd, hij.de Chinezen tot onderlegsel van hun trekpotje, hi Wang saltan omschreven door trn .r / tiï C. S., vrg.

\' quot;/.} \'l 0f i:quot;:h\'i rpKii\'J l Mi\'/ nr,a\') 0f 11quot; rquot; /urj-m uyi^ onbedaohtznam, onachtzaam, onverschillig, slof; uit anhteloosheid\', door het juiste ooqenhlik tot handelen ongebruikt te laten voorbijgaan, zich beiuidcelow; verssuimen iets te doen. {org.

i n ij.i.i/\\KH. donderbus.

vr^i ^s {Perz. , tuin, bloemlezing) kn.

naam van een der gewijde Arabische boeken. inijii/js kn. keurig, not, sierlijk, zwierig, statig, (lullig, hoffelijk, van een man, in zijn kleeding, manieren, uitdrukkingen, enz. WW., volg. Rh. meec fraai van gestalte en schoon van gelaat, v. een man, beschaafd, ongedwongen in zijn manieren, en smaakvol in zijne kleeding j oneig. van vrouwen\\ ook van vogeltjes, die met zwier van

een kruk vliegen; ïj. DW. AS. — un wijj

en l\'

ijl-l#ïj iiii\\ net, sierlijk, deftig enz. maken. — kii i:ïiti~i mzucht naar netheid, é?w2r. (pronkzucht. WW.); schoonheid, ongedwongenheid, enz. Rh. — tin \'Kj w ja-j-nji of rn i n i ƒ ki injj \\ zich

opdirkenj pronkerig, (pronkzucht. WW.).

) _ D

r.n ij) -lh \\ - rn un \\\\

\' \'j, gt;1 i i -■gt; of i:^ ij QJi \\ een uitroep : hetzelfde als t) (M nsuji \\

Satanse he ben. van de iziirj mu èi gt; volg. llh. ook dial, van Banjo etnas.

^ ^ • 7 .. O

j n m hi j oj (i.n rM ij i. ) j \\ zie bij n im t n gt; r.n i i j w

0 o quot;) o

l:n(Ij)(i^l uiiji\\ zva. l.l) IJI.WPW

\' quot; \'1 i i i ^ i\' i^jj n zie bij tj i/)i i.j i,ii/J \\*

lupins of (im(M mKw. (^Skr. bhdsw a r a) schijnend, stralend, de zon.

^ O O quot;) O O

1 n ui ui ihnjjs zva. rn i,ii ui .ibii/j^

() O

amp;-ti (Kn (vi tLi/j\\ k\\. tusschenwerpsel voor het zonder klank erg. instoppen van een of ander, als bv. een

zakdoek in een zak.

) . ) . ■) )

\' quot; \' ,nll\\ 0J \' n i n i i iujf\\ kn. geschenk tot omkoo-

ping (vrg. »ƒ rn2 iui^ \\ rj im). w r n.im i l n i/j*

tin rj/Kii rj nl i gt; 1089

omkoopen. kn. — i ii ; i k/i tfls omkoopen.

in gt;/ l i? ij ii i een vrucht , die tot de inlandsche officinal ia behoort -^2 i n rj in nmiw

quot;)

i n ). ) ij iu m/!\\ zie n* i i rj n i in/jW (ün i i rj irviM/js kw . zva. i i tj n? m/jw i n i i y ili uijj\\ kn. smederij; (volgens sommigen ook schoen- of zadelrnakerswerkplaats. \\V W.). r.n xj^ i n gt; ) ij n i tin j smidswater. n:n i ij i n i.; tj / u dnn \\ srnidskoelbak. (^rg. kw. i^ij rij i i liï of tj rm ui imn .smidsbaas, smid, vermoedelijk het Sir. k a u sj a l i, hausja-ly a, bekwaamheid, handigheid; vrg. ook a i ij yn \\ in^ii/l\\ pk.) .

vu ui umnkn. snuiven, (t.

o rt

nm i-1 ik \\ kw. zva. u 11111^ (1.

irh ri u/i kw. zva. ui ui h// tl gt; {waarschijnlijk te le

zen ibii ut ut \\ Skr. atisjaga, overmaat, hooge

mate, pk.)n\\

rn tl ibi of i / j 1111 \\ Port, pass e a r, wandelen, toert\'». ui tl LU in 11 ) rj ki^ ihn\\ ^inet een rijtuig toe-ren. vf ijina m /.1 ui overleden bij gelegenheid van een rijtoer; bijnaam van Sultan A m $ n ko e B o e-w a n a 1 lr van Jog ja, (\'. S. u ici lil ta 11 tft ut u .uijl^ toerweg. — un ri t5i lu ii /. iuutj]^ laten toeren, e?iz. — rn uulu 11 (hijjgt; spelevaren, toeren. \' quot;ciN zva. ui iij\\ ui i i lj r*! (Skr. b h a s-

tn a, asch, vrg. i n rj \\ am rj u). — rn zva.

ui iZj-Uri ii ilt;i/j\\ iiinnii.ii/ ij /.m ij r\'n?\\\\ — 2. wrat op de huid, G.

nrjvvjv kw. zva. rn/lw (Skr. bh as mi, in sommige za m en s telling en , als h ha s m i-b h 0 et a, tot asch verteerd , b h a. s m \'i-k arana, aachvorming, verbranding; vrg. rnt i i).

o . •

rn tjj\\K. zie oij 1 n ut ijimifrntw

17» j, j (Skr. B h i s m a) eigennaam van een p a n di t a

en krijgsoverste in hel rijk van Ngastina.

1 :n ui un\\ kn. het waas of de kleur der frischlieid

verloren hebben. lt;7^. van bloemen. — un «• ui ]j t

J co U

ij un iletsch maken, het waas der frischheid doen verliezen.

rm ut tui kw. 2va. itlt; rmw

.i:nujii\\ kw. zva. yji/nt ij riut w un rn 1 yu.tu,^ zva.

tj 1 it i rj rii / • -rj tun ij r\'m r.uurjs vrg. rnui\\ 1. iii i.i un\\ (Skr. Bhismaka) eigennaam van een Vorst van Koe mbina , jonger broeder van B a-s o e-dé wa.


09

-ocr page 1178-

O

O O

1 ()0() i.i) \'fy f n gt; i /y »m. // gt; i/)

i n k! tri J im n ; .• i /y gt; lt; /. ?i \' y n ///•. vjv-^i)cd!^

J) in den naain van fiod , den geiwuligo,\'leu

r^j

l

1.7) (IJ^ f ■)

buniiliartigu; yewoon aavhefsfonnulier der Mohammedanen.

ir» M(rr) m v KW. i.ïik; tfw in iiii) zoa. tunini

T) W

».7» rj J. J lt;» N K w. v ; /ƒ M / \\ \'ƒ /v7 ? ^ mitn/jw tuyi 11 )i

ij 1,11 \\ spr. van een weduwnaar, die arm aan kin- | deren, wirtwr ry/\' aan geld is.

kn. o/ i./ƒ /quot;ƒ i n /• J waterzucht, waterzuch- | tig. (iTYj^fijj tj.kii ij i* ii tering, als de lijder ge- j zwollen be enen heeft, bij vermagering der overige | ligchaarnsdeelen. i ^ \' j \' j \'• quot;f soort van water- ! zucht, gepaard met bleekzaclit. J.y ij \\ ook bezet vannen kat. ii^ij^iii.ijs aan lijden.

in i nj i i hu j\\ kn. soort van spijs, meestal van geroosterde kip met lij f r — m /tot i n ï inii igt;iimaken.

cn}l\'i:i ihn/j^ kn. stuurschlieid , ouvriendelykheid, van het gelaat\\ stuuiseh, onvrieiulelyk. — imf riri:^ iLn,j\\ btnurseli zien {vrg. m irj nsiyi \\ iMiuvy •biijj).

O ■gt; O )

r.ri iJt\\Kyt. zva. ^rii\\ iynpj\\ \'Ji v* l i\'/] \' mj»\\ wyus lfij yij ii I frti ihiifj^ ij ui ij ui KM. stem, geluid {vrg. i iintJi)\', voorzanger, voorbidder;• (op zich zelf, zelfstandig, WW.) wijze van zijn of doen-, aard, inborst, manieren, gedrag, toestand, gesteldheid (.S\'/r. hhawa, staat, toestand, begin, oorsprong; werkelijkheid; uitnemendheid, enz.; bhilwa , toestand; zelfstttudigiieid j geaardheid; een wezen; bovcnmcnschelijke magt, utyii\'iii ui of ti iu gt; i.n 11\\ zva. gedragen inanieren (B J. G. Kr it. LV III, 7; .T Z. II, 58, 13). ij w ihfi ii.is i ii i-Ii\'j n\\ geef acht op uw gedragB. | S. 570, (C. S ) waar het niet goed verklaard is? JVeiligt beter: rigt uw gedrag, enz. in naar de omstandigheden, in welke gij u zult bevinden. Wang saltan: in ui (tgt;ii zva. iets uit inkt bestaande? d. i. lt;un hiin\\ een letter, C. S. in o O /. quot;gt;

di ij i.j \\ n. , m ui u\'j i jj mjj oj i ii rj i.)i i j i. i/j \\ k. de toestand van . . . zoo zijnde; door de omstandigheid , da\' ; daar, omdat, dewijl. Lakon: vu 11 lij 11 jtrni In \' \'quot;mt/? tupj n n ij j iv if u i if .• 11 \\ daar ik een vreemdeling ben, zal ik (ze) misschien niet onderkenuen, C. S. i n wnajis de

aard van het overleg; zamon overleggen, (t., voly, Rh. naar het gevoel zich verbeelden, voorstellen;

een gewaarwording hebben , bv. iej h] gt; i i i.u ij

o o , ...

m hi ui ri di hii i.u rj uit i i {i ..,i\\ van ue reis terug.

gekomen, verbeeldt hij zich gedroomd te hebben, (zooveel heeft hij gezien en ondervonden), ui i.niih i:ii ui \\ (urnnTii :ui\\ zie boven, tm i i ui kw. zva. (Ui ili{ iirj-r) gt; (voorgaan in \'t gebed, voorzingen, G.). — i/n f rui hj\\ besturen, aanvoeren, regelen, begintieii, de eerste zijn in üVa-(voorbaan, vooruitgaan, G.).

(i:yui\\KS. Uotl. boei; de boeijen, gevangenis mi / /^v iemand in de gevangenis (boeijen) zetten. — ». ii(i:n ui\\ in de boeijen (gevangenis) gedaan worden {vrg. i n ij ii iiMiyi\\ II .). — tuy ij uiaoij of u t / ij ui nnjj^ gevangenis, ook i 11 / ij ui ihnjjs 1.7} ui gt; l. kn. onder, ouderhoorig, onderhoorigzijii; onderhoorigheid, gebied, mi mi vm ui s of iuiï rn i» \\

ouder iemand staan, ti/iirii ui fiuii ti i m/j^ onder dun wind, d i. oost. hnuj s nn iui qtyii ui tni;i Java of de Ind. Archipel, in tegenstelling van de ivestelijl vandaar gelegen landen, B. .1. LXIX , 22, 8{orq, ur: a ii!Ki/j I [.) C. S. — i ii f vi gt; zich onder ietnandt gezag of afdeeling stellen; {in poêzij zva. (un gt; m p (L iiri hii onder zijn beheer hebben , W. P. mi r.n ui j % onder iemands bevelen staan, tol iemands gebied behooren, aan iemand ondtrgi\'-schikt zijn {vrg. untj \'VlWj)- — nn r.n uiq i/iruij ouderhoorig; tot-een gebied behooren; gebied, G. — m f i i.i f ui ij iiii\\ onder zijn gezag hebben; ouder eens anders gezag stellen. — i n i ij i\'iiiuh,\\ gebied, G.

II. kw. zva. iu 771 n\\ 17i ui; i ii li ijj kN. feest, bruiloft, besnijdenis- of ti ugk8b-feest. — nnii^ ui j l il \\ voor iemand ecu feest geven , iets feestelijk vieren.

17» ui j zie (urj ujj*

in ui j \\ KW. M/. ajr^ if ui2 gt; w ook zva. ui u 1 u i urj a

w /. n n vrg. m tUTj i gt;i f w diïjj \\ kn., i:n ui q \\ k. , zva. uv{vrg. rj^u^Y

i n f i ui •» i /»^ zva. i in } i w

cci P (CCS

k n. bereide

KW. .zva. OU f I Jl \\ (r

r

7) i n rj ui; \\ kn. bereide i lt; ij ioié iLijf ■ nl. door :f drie of vier dagen in vochtige aarde ie begraven en zoo minder schadelijk ie maken. Rh.

-ocr page 1179-

gt;1 r.n a ijiq\\

1091

I ii tv mi I

kn. l.

i imvi r.n i;} r

r.n i i fcii.p

i:n 11 (i^\'i \\ Ar i n i)i ii i/j

i iirf umnji kn. zva. 4 gè d è u g; aandeel voor\'t suij-deu van padi, vohjens summiijen een denijs) \'per amet, volgens anderen ] j(. (4 lt;/lt;gt;-den(js)\\ vol(j. 1^1». afhangende, van de J/ooyere of lagere prijs der padi, 1/(., , 1 vrtj. \' t\'y\'y , n bij \\ \'I\' quot; \' j ^ Iemand ziju

bawon geven (het aandeel voor het snijden van de padi vragen o/nemen , G.). — amx.n y tm ui \'quot;J / ui Qfj\'yi vh oj) ui) /j i aan ieder wordt als ba-won \'/j. ot \'/. gegeven. — niii t u t,n ij hn\\ WW. volff. Jlli. ffebr. vn wif uh hj ^ mi \\ een deel als bawon aan iemand geven.— riuj du ihj w/j zva. t:» n in (in/j of tegen bawon bv., en niet ie-(jen betaling.

in li an of (üi^ ui ki \\ KW. zva. u; iii.ui/j\\ de wereld; zva. kreits. (Skr. b haw ana y een verblijl\'-

plaats , plek, woning; b ho ew a n a, een wereld, hemel), ia inyy^ uiariii \\ zie u i,y\\\\

x /1 1

i n ui lij KW. zva. n i jy x (x. i n titn i j\\ zzei.ni iw

i;y /1ym/i kw. zva n/ii n i i i in/j (kn. blind, een verzwakt gezigt, (i.) — un a:i^ iJi i,j m/j of i.n (üty n ihj i,ijj\\ blind, door ver duist er intj van het kristallijnen vocht in het oog i^vrg. nirrp i~)i hj^ m ij ij ui2 min).

iiiojis kn. verward, dooreengehaspeld, verwikkeld. en daardoor niet wel te ondcrsohciden of te herkennen, onduidelijk; beneveld, verdni8terd;(«;^. n igt;ii\\ i ^ mi i,ii bij iiinj). .•/mi lt; »i . benevelde i oogen {met vlekken op hei hoornvlies), mi i,?i ij i.i inuj^ zijn hart of geest is beneveld, verward.

[i^ini yiypi(iimjis de zaak is verward, duister.

/ / , s s ,

iJi iu -ij,ini fUjjS zie u» r i —/j^\\ — ix/ii ruais iets^ met

iets anders verwarren, verduisteren, rninni

den.y verduistering, en middel tot verduistering, enz. un.fi^ui ins aanleiding geven tot verwarring, enz. njii\'u u^ ritj mi \\ maken dat iets beneveld , verward, enz. is.

r.n ii uini KH, zva. ruim van een plaats.

^ -co 1

- o (D , o

i.n ur gt;i\\ KW. zva, njj iui j cm ijaoi {vrg. tnrn i:i)\\ 1^ ijj

n i\\\\ kn. ili u i r.n ui tin N,, (Kjjni .L,n k., be-

Co

wijs van de regtbank aan iemand die een aangifte van diefstal heeft gedaan, waarin de verloren goederen stuk voor stuk omschreven zijn {vrg. in

T\'V

lisnj) k., staatsie-zoniiesch(T;n , dat niet gesloten kan worden , van fijn gevlochten bamboe {vroeger, naar men wil, van de bladen van den talboom, n ii id hi): een onder scheiding Wecken van den Vorst, van de Vang e r a n - A d i pat is, van den Rijksbestierder en van de W % d a nas, naar ieders rang verschillend gekleurd en verguld, even als de gewone p ajo e n g s.

11. op zieh zeil\', zelfstandig {vrg. 1111 i.iq i n i i). r.ij ui .ibiiq zva. i:ij / i i,ii,j\\\\

ij rn y ui ri j kn.; i n ij ; i tj ui i i j\\ zva. rnmiuris • onophoudelijk, het een na het ander, onafgebroken volgen, toevloeijen.

aambeijen; vrg. uuuiw naam vaneen visch quot;ZZZ n / ,»? ii\\\\ rrtivj uii2lt;ivt/j kw. zva. unijui\' w G.

•rj inirj iuim.yjs zva. ij n ij ; i n i/j^ spottende toeroep: in (IjI ui ij \' O ij ri n rj\\

ij im 2 ij ui2 ni/i - ij nu ij vm 2 n i i\\ 1\\ .

ny i i i ii (kw. ij^iii ui) zva. r.n nis iii.

rn ui\\ kn. knoflook o/witte uijen, Allium Sativum, L., Nat. f am. der Liliaeeae ; Ml. uijen; vrg. {irn ri ; ook ben. van and. bolgewassen, bv. (rn ui ij ij xn^2 ij rlt; 2 iLi/j\\ een smakelooze, oneetbare bol. r.n uuj i ii21 in \\ Allium Porrum, preij. mthi uhi ii\\ naam van een gending, r.n ui ij m2 rj u2\\ zva.

\' Il \' i f\'\' N 11 Lll \' quot; 7111 \' 1 (l\'rJ) ,{1( n een

heele rn ui\\ in tegenstelling van rn mm mtuii\\ een part van een b a w a ng; snoer van me lat i-bloemen , op een bijzondere wijze geregen, i irm ui\'i i

09*

in ni. iij kn. houten blad van een ijiitiii/j\\ zie

aid. — in tnii kus een patio et van het blad co \'\'

voorzien.

i ji iyini/j\\ kn. besehimmeid {vrg. i.-: i^i ui/j) ■, ook door vuiligheid zwart of gr(js geworih-n van witte zaken, Rh.

/1 i-ii/js zva. t.ij i\'i a ij i n f i mi p Eur. {Hoogt/. B c i v ach e) h i v a c of b i v o a a c.

mei n). i-if) nin (Ui n\\ IJ. ,1. N. Kr it. VIT,

I- li: schrijftoui voor in nut? C\'. S.-— unmui

co

n mi ^/n ii h ii. iets algemeen bekend maken, zva.

IM .1,11/j ^KW. ZLC Ij I II I tl;j\\\\

- y n., ij i i f ii w2.1.11 i \'

-ocr page 1180-

J 092 I im-\'M

(El n t (\\\\ . II. 164: iinnmiiifi) spr. cell beetje.

ry/\'»\\N., iirrii ) n i/i\\K. wegwerping, verbanning, enz.

— un n lt;i\'i \\ im 11 » iu i gt; werpen , «/5 dobbclstce-i(l (\'1 1 1

nen; con anker, ncf of dieplood uitwerpen; wegwerpen, wegdoen; schrift uitwissclien; een hrïef zenden; geld verkwisten, een gewoonte of neiging uileggen ; een pligt verzaken; een vrouw verstoo-ten; verbannen. ^ i,h vi gt;bti hnui i 1 m ^ni }ri:i\\ •je houdt veel van (je geld) weggooijen, verkwisten. fi/ti ^m.90) /1 / - 7 /n\'/ i getnigengeld betalen {zie ,u mm uifj). nni f rt-Ji n irtp den blik afwenden, AS. Tj. intyjiniin \' N regelen der wellevendheid verzaken. — rf), /3» mri iyói\\ elkander van zich afwerpen, van worstelenden, li. .1. Will, It, 1, C. S. — lt;\\fi}} t

lt;a

ói it)n ivn f j u) \\ w/y.; op in ic/óf gooyen; naar of aan iemand zenden, van een brief. — 177 iamp;iiut (ei ij kh\\ iels ergens heen werpen , wegwerpen, B. J. A. TTnil. XXVII, 28, 2, C. S. —

:nI/j\\ lt;111 in \'m hiji\\ weggeworpen, weggedaan, verbannen; weg te werpen, weg te maken; al\' te leggen , bv. een verkeerdheid \\ verstooteling, balling; trïj tn nzri ui (ei w ^ vondeling, yo/y. WW. üo/1

lui 1 iji 11 (hn/tw — l; u hji \\ li / 11 1 1 li/)^ het cci Jf cci (f

wegdoen, enz. — tui ; 11 hi^\\ aj) rj 1 i iluhi/j^ ballingsehap, ballingsoord.

kn. eirkelvormig, hoepelrond. 1111 fjri^ i:i\\ precies rond; een ronde som, of rond getal, W. 11. 07, (volg. llh. ook zva. m w). —i ^

een eirkel maken. — tun hl 1 1 uij/\\ eirkel.

, ) ... ) o

mivu/j^ en crti vi) tLyj iDii^ionjjs zie uij rnnorm

\'ldJls

r.n lu/j^ 1. klanknah, zva. i:)iii ijj\\ 2. verk. van n n

S

iegt;) n i/)\\

co ^

i.ij n.t/j\\ grondwoord van i iifyi i/i en r.y w}fl\'

kn. klanknabootsing van het plotseling voor den

dag komen, voornl. van een vlam of rook, enz.

(vrg. ! i hn n.ijj^ ïi hh il}/j\\ iii 11 i j), volg. [Uï. r.ij

)li/j\\ niet van vlam, wel van rook.

v) 11:))2 )i i/t of luilrj r.)) t )i i/j\\kn. 1. aarsdarm {yrg.

)ltinttjiwniru/j). — 2. irlt; v 1 y / ))i )i 1 fj\\ ben. van

djamboe soorten met donkerroode of rozeroode

schil, .Tambosa domestiea spec. div. Nat. fam. der

Myrtaeeae

tm 7iv/\\

vrrttiLn i. kw. zva. (umi {vrg. hji ili)\\\\ a:)) r.n n 1

(Lm *1 jm \\ ftfinn zva. mi f 1 uji (vro. rmiiAw co Co cqt N ^

II. kn. gewapende magt, troep, krijgsbende, h*. ger, volk, onderdanen {Skr. bala, sterk, sterkte; legermagt, leger), ni^imni {of im 1:11:11.1) d 1 ^ een vorst, die een leger van vorsten o/* vorsten tot. onderdanen lioel\'t (I?. P. 104, 114). vnujjj i n n i\\ zie uiiip/j\\\\ m 11.1 ij zie )j(ugt;ii

mi or) \\ troepen, die in de lueht strijden, nitctu

111\\ vorsten die onderdanen zijn , G.). lti luhij 11

j .. ) o 0.

zie bij tj mi 2 i^\'i \\ ii :ri iLi iL/nt-j) ^ zva. mi rnt u i n \\

blekende waar. 1:11 n 111,10•ui eign van een vorst

van Mn do era, ouder broeder van Kresna en

Se m b a d r a (Skr. .Hal a d e w a). — (Lm if 1111 ilj -

van troepen of volk voorzien.

UI. een soort van mangga, G.

IV. naam van den Wisten zoon van IF a toe

Go enoeng, 13. T. Dj.

x n nu \\ I. n., i\'i(i-jji n i/j of irrKiJji ili/js k. {volg. Kh.

ii:ii(hji)uji\\ kd.) terug, terugkeer, terugkomst; te-

rugkeeren, -komen, -gekeerd, (maal, keer, KT.),

, O -) ■) . O 1. (I

{vrg. iVy )LI ■! \'I n 1 \\ l il II 1 hii/j) ; li:)) )) ,i Ij) u i ij rjartni* of vm tu iuirjiytyw tweemaal plaats hebben; ook nog eens herhalen. ió)iiLijj\\ ook zva. tot de zaak terug! ter zake! hii1 n n]\\ de gevlugten keeren weder in den strijd (H. .1 XIV, 11, 7). thii iiiïiKi rm.iiï ijihniifiitj (men) kan niet weder jong worden (B. J. L, 7, 3). 1»» iumi n\\ omzetting van woorden in zamenstellin-gen Z. I. 334. rn iu rti iu \\ ói11*11 j )ljjj\\ bij herhaling, keer op keer. tj i:n? )lj o) jji i~i )u (K/j 1 Lij! of irj iji 2(h/i )Ljjj • heen en weer, telkens terugkeeren. — 111 /1 )u\\ zva. r/n ir iitu oi^ 0 co ro -J\'

O O

m: im n 111 f 1 kii \\m 11 rn )a igt; n \\ spr. — 1 11 t ni (o [1 \'\' (^ \'

)fi)Lir{j\\ rtjj^i^i\\ naar, tot of. om eeti object terngkeeren, bv. tot zijn vorige vrouw, op iets terugkomen, bv. op een vraag of verzoek\', iem. iets teruggeven, bv. wat te veel betaald was\\ een brief beantwoorden. — n/n^ /ciihjs :t. 1 njn j in of yjiM? 1 1 )Cj(^i iets gedurig hervatten. — ijti ! / rj )li 1,)i ij ii)i \\ f 1 njj iLi ;h 11 in j {ook ivn }\'ii}i^nn,ii ui/jY terugbrengen, terugzenden, te-

ruirbezorKen. — 111)) m 111 liiiri )li 101 11 .iir \' \'(O co 1 \'

) . . gt; , 1 1 n 11 J iri 1. n 10 j\\ ij : is i 1 n 111 j ii.i 1,11 nofjy Meen

en weer brengen, enz. in^ui ui/^s ijiiu/i m\'


-ocr page 1181-

i n ij ii I *

lO\'J.\'i

\'/ \'Iquot;1

i ifj obj. den. n I i n i n ij n I m j\\ untwoord (.; ie I ouk Oij \'\'in I ii i j) i l,ve1\' 011 wuJor tcmiigevcn,

h. i/cru\'M was; onderling oji lict verrigte, bo. up j een overeenkomst, ruiling, enz. terugkomen. — j

ii fin), terugkeer.

rn

II. kn., \'\'\' j j of j* K., het eiland

li;ili beoosten Java. Iklineeseli. is n i.u ii]\\ een

l co

(jruote limoensoort, n mm n i (yew. «ji gt; 11:11 rj ru , ui j)\\ kn., ijiti vnhyu/j^ k , op zijn Baliueesclij ecu soorf van (ja m el an naar het eenvoudige Ball- \\

nesche toonstelselt alleen bestaande uit ^ r.iui\'j

) ) . . O

i,u t j kiiji\\ kn ij2\\ tj(rii2\\ (ui ij nji ijcrrt) ? en i.n j

a in w ook naam van een krijgsdans \\ volg. Rh. heel de gamelan eig. ij rit a n\\ en is i i nr:n h] de nm. v. de gending , die daarop gespeeld wordt, een soort I krijgsmuziek.un i.n tj n i :in p do Baliueschc wijk, o/) verscheidene plaatsen op Java, waar Balinezen \\ vroeger woonden, \\V\\V.; thans nog de naam j oa it een kampong te Sa la, Kh.

i n ij h i\\Valt;. lig- of zitplaats, bunk (yry. unrj j rui;j)\\ i zitplaats om bij bijzondere gelegenheden in te zitten, als een paviljoen of p a n d up a {vrg. rn ki j quot;\'//); volg. Rh. een pandapa of zitplaats van een j geringe Javaan, i n ij n 11 i ij i gt;i i \\ naam can een iuoverpa v ilj o en of bank, die van zelf muziek maakte als men er zat i n ij iLi f inn zie if i i.j \\\\ in ij ni un i:in \\ plaats achter een tempel, waar men overnachten kan, G., IVangsallan : i n n n m n i\'ii n zva. zetel der ziel, d. i. i n iiin ^n ii iHhj de zinnen, C. S. .i:n ij n i f ^(hjy.i^nin zie bij f r.n rj n i n.^ ip zie bij iri^irn\\\\ rn ij n i ij i m it i ^ n., r.n ij n i ny i ii\\ k., woonhuis, haardstede (huis on have, G.). / gt;» ^ uj een dnbbele «;///ƒ /»; ,

aan weerszijden van een huis.

! O )

r.mi n is KW. zva. .Lgt;n (Ui n.ijj ii:i i?i i, n ^

m ij ii if \\ kn. , i n i j hiipKi)., veulen van een paard

of ezel.

r.nijims kn. blind aan een oog, als de oogappel

een staar heeft.

\'y(ngt; KW. zva. njjjins — .i;^//J.ry/?n Ml. een slcciien kruik, gelijk b». onze bier- of Setters kruiken, Rii.

\' y, quot;/ 1. kn. naam van een groot en boom met breede bladen, een Artoöarpea; de vruchten worden door de vogels gegeten, \\\\ 1 , lü?.

II. ij.y //^ x:i] titijv zie aldaar.

km. een albino nl. .net witte, roodachtig witte of vleeschkleurige huid, wit blonde haren en ligtgrijze oog en; van een buffel, met een huid als boven en witte oog en. rqujuccnrj n r albino. gt;! mi u i \\ 1. KW. y vn n lijccnm i zva. inyijij lh Sin in n an\' wantrouwen koesteren.

II. kn. zva. •ru gt; i it n, niedesterven , iu den dood volgen, hetzij door zelfoffer, als de weduwe, die den man volgt, of buiten eigen toedoen, als de vijand die ten zoen of tot wraak voor een ander valt; deehju in iemands lijden of lot ün droefheid, B. J. Kw. Krit. XliV, i—2, (\' S.); in V algem. iets met iemand, inz. te zijner eer of dienst , meedoen; iemands deelgenoot in den dood, enz. {ook bv. van knapen , die ter gelegenheid van \'/ besnijdenisfeest bij een aanzienlijke die bewerking tegelijk mee ondergaan, (\'. S ); volg. Rii. in het algemeen zelfopoffering; zijn 4cven of bezittingen veil hebben in het belang van ecu ander, of van een of andere zaak; verder de persoon, die zieh opoffert; doch ook de persoon, die met een ander te gelijk sterft, zooals de wreker van een moord en het slagtoffer van zijn wraak, B.* T. Dj. 201 (Vrg. Skr. weld, o. a. zachte of snelle dood, ziekte, enz., en voor den overgang der begrippen n i iij j niet n ix.ii^ xa ! lt; \\ en derg. i -i r.n \'ain ^ i\'k.). n i n rj i n n i \\ voor iemand als héla sterven, li. J. XXI, , S. f i en ij i n ii.iii.i f i ~jigt;\\ tegelijk met den vijand sneuvelen, \'tb. XXVHl, 18, ni.i* n i%i j i j \\ met Iemand modesnenvelen, nl. in de La kon Poepoewan. ij i n n i ijiujn j .i n\\ ten zoon voor uw zoon gevallen, B. J. XXI, 4, 8. ij i :n n i (}.! ii 11. ii i, 111 ^ i • i i mede schieten , B. J. LI V , 5, 5, C. S. ij m ii i ij ii i ij f i\\ iji:n hihjii lci :ni ,i^ui hj ni/j\\ mee drinken, - in dei^ regen baden. — ij i n n i ij hut f i . i\\ n., nnnnvinsn : i ] k. , zich (mede?) bedoeld wanen met hetgeen een ander wordt toegevoegd; (in dien zin?) iets verkeerd opvatten, misvatting, {vrg. echter iemand iu den dood volgen ; vrijwillig deelen in iemands lijden, zich voor iemand opofferen ; iemand ten genoegen iets mof hem mededoen [vrg. r/ » y j i n). — i n ij .• i n ri.n ij rus iemand in iets als boven doen deelen; iets,


-ocr page 1182-

. ■)

ivni ij w) j \\

I OU4

7quot;\' quot;I

bv. zijn leven, voor iemand of lefs opoftcren. — j i ij r.n iLi toys plants o/ inicldcl van zeltolTcr, öo een brandstapel: 11 nn i.n 11 .i:ti iu(hi^\\ B. J.

XXII, 7, 4.

III kn. anders, .verschillend, verkeerd {Sh\\ h h el a, onverstandig, dwaas), i n n rn n i\\ iels ver-k(!erd doen. j n ij rm n i n iisiu f i ~ i\\ iels verkeerd verstaan, (r. (vry. echter 11).

iv. k\\v. zva. tj m m ij rn in\\ kn. zva.

ij in mij in ni\\ duidelijk zigt- of hoorbaar, Rh. ij i:n ii j \\ kw. zva. tarrhw

rj iufnj kn. 1. een kruipplani, met*zeer bittere gt; doch prachtiy roode vrachten, onqeveer zoo groot als een citroen, Rh. —- 2. zeker tachtig gebak. —- 3. i n ij ip?tj iniiriq bovenste deel van een doorgezaagde klapperdop; daar waur de noot aan den stengel hing en waar de vleeschachtige kern zich bevindt, maakt men een gat, en steekt er een bamboepijpje in; zoo wordt het als trechter gebruikt, WW. volg. Rh. het onderste gedeelte van een klapperdop, waarin een gat gemaakt wordt %

enz. {vrg. rnt rj ipz uiin^s

n . a o i u i n \\ zie i ii n /1 ii \\n

rn iijf gew. rn m ir^ gt; \\ kn. I. makker, helper, in een twist of gevecht; iemand als zoodanig ten dienste staan {vrg. im ilt;^). luti ij i n ni^neen groot soort wespen, die zich gew. in boomen nestelen , en een nest maken gelijk een groot e rond a korf. — uil ! i ii^iin iemand als boven helpen, zijn zijde kiezen {vrg. i n riti rj rm i ii). 2. run ij\\ ook zva. rri\'fiiiifW Rh.

nnij ili2 j \\ kn. quot;het gewigt van een unster (mi i Ki/f), en van een treknet; ook een soort vischtuig bestaande uit een zworen dobber, waaraan visch-

haken. rnfinni2?\\ daarmee vissohen, \\V. f o \'

I. 7.

rn 11 /^nkw. splijten, barsten (inlrans ); zich in tweeën scheiden; gespleten, gebarsten, gekloofd {vrg. rn nq). ri^fj rXrui^ • de aarde splijt. kn. half, helft, bv. in een halve ^nrn ij ri padi,

dus zva. w n ii/ld niiJidW a.i tit uki i n inanderhalf vadem, i.n ij m rn ji i j {voor rn n »gt;i rn ru gt; inini)j)\\ n., tol ori q ti^ti n.i m k., anderhalf honderd, 150. hu iijim hijs\' derdehalf honderd, 250, enz. i.n ij ni rniLijntunnji^ anderhalf flnizend.

1500, {zie Grai/un.). rnnijicm de borstholte. r n n i gt; m i.J.ki.p een buis met aan de pols gespleten mouwen, waaraan een rij knoopen is. rn n n mi i:i ij Mm Hyj\\ benaming van de twee bovenste mid dent and en, als er een kleine ruimte tusschen is, hetgeen als een kenteeken van slechte eigenschappen beschouwd wordt , bv. als van huichelarij, echtbreuk, enz rn inq i/ii (ui \\ moedermond; den bijslaap uitoefenen {vrg. inniin/niuj bij n/iihj). G.

in.\'iiii:gt;\\ in tweeën splijten, kloven enz. — j n .lt; ] ui )iiyn n viv., padi in schoven van l gè-dong binden; door midden scheuren WW.), vrg. rndJiqs — hji /1 ui?\\ roerganger, van voertuigen m binnenwateren, waar het roer in een tangen riem {ncrmrj mi* iLijj) bestaat, aan den achtersteven door een strop verbonden, WW. vnj. hniri iciw (roeijer, varensman, zeeman, G. vrg. uriii q w

) T n - ■ o

rii\'inigt;\\ I. kn : \\ n ! 111 nis enz. zie ii \'f i nn ;n\\

\' CO \' cc) 1

II. {of ^n iuj AV. II, 171), TP. zva. nmi

m w

III. zva. (un ri mi ~\'i /.y hii/j of .Lt ty unj) jen-gen werpen, ter wereld brengen van dieren.

i n ui j \\ zie rn n i gt;\\ en n ru j BV.

n o . )

rn iu gt; \\ zie (Ei tj rj icnqw

rn nis Of i.niiif \\ KN. zva. ijrnaxiq (uirjaii ets

anders, enz. WW.

n rm m t Ml. {Port. b o l a) , kn. bal ; zva. 7 Mal. b\'énang bolah, klnwgaren, naaigaren aan kluwen; — ook billardbal. mi n ij inii n i billard-kamer, sociëteit, f i ijnmij (rrrèm billardspelcn. ij leji iftTj r.m ni qs billard.

ij rn i n ni ^ 1. geiv. ij rn i rj .rm t ij m gt;\\ KN. , raadgeving, aan- of afraden, opstokem (y/y.

,/ gt;/ƒ). — I n Ij f u If n IS 1 n oj i n ijiiii ijnir ifnijrn iemand iels aan- of afraden, opstoken.

— iw ij f n rj r.m ij n i jnm ij mi\\ iemand tegen een ander opstoken, G. WW., voly. Rh. /ƒ rn j ^ i m

tfri ijs TP. rapporteren, kennisgeven. —it/n ij \' ii ijrm iimotin rapporteren, enz. aan. —m ij rjrm^ u i i ii ij mn rapporteren enz. van of over.

II. itK ri rj rm ij ii i gt;\\ in Wang saltan omschreven door irlt; i.\'j gt;ƒ in g rif n i An ihh :ri^ \\ ongare dj h n a i» g dodól {zie C. S.


-ocr page 1183-

17/1 II I I II \\

mi«1.1 «in of rii.unN kn. ungeluk, tegeii«iiu«d, raini); ongelukkig (wellic/it verkorting Daw rjun i ii i?!? zio aid. C. S.). mi Ij ril a n/i\\ ongeluk ou-derviudcu, stnif krijgen. — iiv iï.ri i ijiviiiinx onheil veroorzakend, gevuurlijk, verderfelijk. — tmnttHMtn» of ijVquot; verongelukt, door

een ongeluk lioloopen.

i n ii i n KN.; l i .\'.li \' ti 7J vn \\kwijlen, ivru vele nienscheu

»J. f \'

gezegd, , wrt roedjalcgoyoten te hebben, door hc! brandend gevoel den mond openhouden, waar het water of de kwijl uitloopt — ry gt;j 1.77 n t ifijt \\ als boven kwijlen, tappelings, van het slijmachtig vocht, dal hij het bral-en den mond uitloopt, WW. braken en kwijlen, meer algemeen ook van teveel vruchten eten, Moe. of van te veel drinken, Kli.

i:it n i uiiiU in of .miii i Liibii\\ eigennaam van een deurwachter aan het paleis van B at dr a G 0 e ro e.

111111 ju i£jifj\\ verb. v. B i 1 e a in, (J, I1.

r.ij u 1 ioji^ Ml. maan, maand, {Jav. iJjii KHijj)-, kn. gew. alleen in de uitdrukking 1.111 i.ij ili ma-iK\'scliijn, liehte maan (vrg. ;li f 1 n)(Ui/)\\ WW.).

.i:iii,jini j\\ naam van een brakwater visch, ee?i Mu-gilida of harder, zeer fijn van smaak , vooral de kuit, Rh.

vu 1 j \'H/J of r.ll ifj hiiij KN. ; III IJ ijj hu \'•quot;/

■ ) quot;gt; 1 O Ö ! 1 1 .

zva. li ij i.ii tj r u jw r.n 1 j i.j i.ii infl\\ bij kleine deelen, uittreksels van een geheel; bv. i l n \'ro\'/\'y\'n7s een dat uittreksels nit ande

re geschriften bevat: bloemlezing. WW.

J^y^KN.; lh rliLj hj Liiq . ondeugend, zedeloos; wt\'êrsparinig, hardnekkig, halsstarrig; wangedrag, ondeugd. — /j \'fsV 7r\'/x vo^ ondeugende streken, deugniet.

\' »» Y n if ij i.ji ;^y\\ kn. ; 1 n f i i\' n 1? ij i.jdM/js ledig, zonder iets bij zich te hebben; ook zva. inii.-it

\' CD

tj mt.i ijjw •

v * aS

\'»{\'W 0f V7JVTN KN\' sc\'ll\'ll:llgt; dun en lang van

planten.

\'\'\'/ V\'fquot;v \' quot; 1 \'/\'.7J \'/j\' ^ungt; schraal opschieten van een boom, plant of mensch, WW. volg. Rh. zva.

ï. . 0/ ,,,

\' V \' \'!\'\' zie 1 111 in bi) i iinnw ld •\'((h J \'1,(1

V\';{\' 7\'//\'^ KN- gfoole koperen lamp met een tuit, waar een dikke pit uithangt bij een wajang-vertooning boven den da lang achter het scherm opgehangen.

idri 11*1 in fiiiji \\ 1095

o rgt;

l:n 11 HU! lgt; 11 /j \' kw. zva. Lil ; 1 11 i I i ll hi\\ «f 1 11 n 11 1 \\ kn. balken die de lange zijden van een dak dragen {vrg. m nj /gt;), dak-gording, kj»^/»///.»/de blanda: waarop de iigt;huj m it j rust; deze blandar rust up de 11 im gt;1 rm ij r.n pi iLi ill 11 ihn die, waarop de iU ij n d:ti/f\\ rust, deze rust op de iin.nn.i.n — \' 1 -hijj\\ van een blandar voorzien; w/y.

WW. als een blandar zoo lang, bv. van een piekstok {in if(rm ukhi/j) .

Y rj» if in of i n f/nni in KN. ; t 11 1 ij 1. . ij 1,1 opzij giiau, uitwijken, van een vechthaan, die zijn tegenpartij ontwijkt, om hem op eens weer aan te vliegen. WW — x.n ij n 1 »ƒ ui dmi trouweloos, geveinsd, va9i taal {vrg ili.u i iji) ; ontuehtig, hoerachtig {vrg. iiuihjijsinbn/j), WW. volg. Rh. coquet, eoquetterie.

i niii.hi\\ kn. — .1 1111 ni hi op iets losgaan, gew. van een buffel, WW. — mjuy nanjj\\ tv. zva. iniLiii-ihif^ K, 7, 20.

r; rnn/Cy j KN., i.n ij i.nt ijfni s hnj^ zich vergalopperen , gew. in hel spreken, koop en of verkoo-pen, waardoor men zich zelf benadeelt. —

ij im tj(hi i 1,^1 ij hif\\ iemand er in laten loopen, door hem bv. opzettelijk een verkeerden raad of aanwijzing te geven.

j7»(j.\'/\\kn. \'t bijnungsel van i n 1,111 1 f 1 j pekel met

gekookte rijst rj i.n(hi • kn. ben» van zekere saus van (Uii n i i j met meel vermengd, waar uijen, tamarinde, laos, enz. bijkomen, gew. door dorpelingen bij de koepat gegeten, WW. volg. Rh. heel dit ii in 1 ; j / v.

in ijij mi gt; kiiji of i.n ij pi i 1. n js kn. gom, liars {vrg. 1 quot; )l \' ijO- \'t\'J\'l p\'\' \'i.\'i\'f1\'\'v \'f\' \'quot;\' ^\'an(JS(dlan : 1.11 iij^ li^i.ti 1 j ij hi n.ÏÏ groote boom mot giftige

. . ■gt; )

gom , d. i. hii H\'l i 11 1 1 1 l/jw en r.n .y hid ij hu - 1 n i\\

zva. steenhars, nam. wal uit steen komt, gelijk

hars uit een boom, d. i. is. ri\\ schimmel, C. S.

r:n ijij un\\ kn. onecht, valseh G.

quot; gt;

i n gt;1 11 If ^1 hl j K. Tl). Zit\' i ll if 11 1 f gt; 1 \\\\

.1:0 n 1 hi /.»/ f oj\' i.y hl hu fs kn. handelaar in paard ch , runderen, kippen, eenden, ook wel in wapens: paar-denkooper, enz. — {\'/dien handel ar ij-ven, ook zva. .1.1 \'•{» fn markt van zulke

zaken.


-ocr page 1184-

/y i n 11 in I

loyc)

r/i i a van de kikvuisch naar hei ye luid ^ii dat

hij maakt, zie H V.

\' /\' V {// x kn. bont, gevlekt, vlek {vry. r/J \'/itfy)- *■gt;gt;

Vti/ÏV\'m quot;f \'IvÊ^VVSlr kukelbont, gevlokt, ook van den grond die. niet gelijk begoten is, maar hier en daur drooge plekken vertoont, bij sprongen, met leemten, niet geregeld, van iemands geheugen (vry. \' quot; \'y l in (bn/j).

\'l n \' j \'l\'ltf* 0f \'lïy \'IH$ds KN* gevlekt (vry.\':i:n

\'Ui(Mti\'jjï ijfyii overal met vlekken. V ? klappermelk , die zich

bij liet koken van de klapperolie atseheidt, 6\'w ac/dig van smaal\', door de Javanen hij de rijst

gegeten wordt (vrg. hn oa i.-n/j^ Rh.

gt; O\' quot;gt; rxquot; , .

KN\'; un f 11 i.nyns zwaarlijvig, pappigdik ,

{vry.

V\' (quot;I \' \'i I --ÜU^ wel van een \' onde

hoop aarde, of berg, Tj.

O a.O , 1 . •

gt; m / n KN. ui.Ln \\ van een verhaal {niet Mj\'if

fonjj) niet naar volgorde, verward.

jni gt;1 nnu ilii i yebr. ii.n ijonitnsii p kort en dik, ge-

. zet, Kh.

nquot; 71\'V? 1 \'V verb. v. nviuns \\V. 1, 34.

iriirLicmt KN. kaai, zonder bladeren o/ haren,

O O

vrg • n n i/j en 11 n i ujj w Men. I j.

quot;,:in,lcyVi KN- houtaankap, boomen vellen en tot balken verwerken in het boseh, boschwezen, tti

O

(fóV\'iP man tri bij den houtaankap o/het

boschwezen, {i/n ifjtLi ijnrn f \\ hout hakken, ruw

bewerken, bv. i/ii 11 n i rinrrn? un Llt;m i }nl i j jn/i\\ • fo \' (^ n. (i

i\'K.). — un ijcrni 11 i m/j\\ houtkapperij, de plaats waar boomen geveld en tot balken verwerkt worden , (bewerkt stuk hout; onbeleefd, ongemanierd, G.). r.ri ijnni i L:nin/j\\ of ook een drink

bak in ecu paardestal, C. P. zie fonriiti.n f i •li ii /f\\ BV.

fquot;/N of i n ijnrny KN. — i/n-if ijj.v.y tiTn\\ dik en

gespannen , van den buik, zva. n n i in f ifl.r.\'n \\

o r /y

scheldend i /wvianis dikbuik! Rs. (vro. iirnn \\

) , ) h\' quot;\'r{\' \'WT

^ ) Q.. quot; quot;)

■inning KN. j djn tifliti rirn \\ zva. itlt;!i/iin\\ enz. quot;Ci/ * \'I. Cx) \'~J\'

\'/7 }quot;} N KN\' gcl)el(le mu18» k atj a n g, enz., door koking in gezwollen staat gebragt, om mei suiker of geraspte kokosnoot gegeten te worden.

7 \'^1\' KN,gt; ,/n T117 \' J teleurstellen, bedriegen , bv. door een belofte niet te vervullen. 7 n.niini of ,l:ii ij iLiti^ni. KN. vast loon, soldij; kosten , uitgaven , geld voor dagelijksehe uitgaven {vry.

ui u i l ui \\ cruquot;K ?s (L\'inn mi irvi(Hi,i). ti rn? i in ,1 m C/ \'«, J * \'K I

ij iiv 2 a-nj \\ uitgaven voor de kei ken , voor brandhout, groenten, vleesch, enz. {meestal met uitzondering der vruchten), ij:i:n2 liii oji i.i\\ marktgeld, dagelijks aan de keukenmeid gegeven om het bovengenoemde , alsmede vruchten, te koopen. inw lU hn tiii ij iiit i-rnn uitgaven doen {yew. huishoudelijke) , een en ander koopen, inkoopen doen. — iun .n jfTj in t i:ni\\ iemand bezoldigen, vasl loon geven, vjKfUdvii geven; oofc im. onderhouden, de kost geven. — .i/n mv. — nniajj

in rih i,ii ij i,ii voor een ander als boven \\\\\\-koopeu doen, uitgeven. — r.yrniMLp tegen vast loon, soldij, bv. gehuurd.

irinri (hi/i\\ zie tiwitimw

cpgt; ^ r-

.v.ri iijrji\'inn— n/ii * i ry ij im? i.np iem. niet een beschuldiging, zonder verdere navraag of onderzoek overrompelen, Rh.

luna^rm (Liiji\\ dial, zva. aji .v^ irfri iüiyj\\ \'

VV|quot;/^S quot;f \'l li\'ini;qJIquot;\'V KN. (xpa.

WW.) geheel en al, volkomen, precies, van ge\' lijkenis.

7 \' 17 i\' zie liim2 7 (vrü-

— (Lil it i/j ij i:n ? ij iVjjji T1\'. zva. if li i ij ayijê ; \\ v.

ij nan rj 00^2 f w zva-

r» (pjjj Ku ƒ1 KN.; *i\\\'\'^/j ^ niet vlof, niet

geregeld, bij brokken, bij stukken, WW.

l^\\

(inii^a^Hiyi^ 1. kleine gezouten tLirSi\\ met andere ingrediënten tot balletjes gemaakt. 2. een wort

van mangga.

. quot;) _ )

.L:II i^y n i ,LII J\\--vritjariuasii/js

KN. een kleine soort van tijger {vrg. ri / )

anp tj(niè ij out), nl. een lange soort met sviisen

kop, een soort groote muskuskat, Rh.

i/\'-irnj i »? hv/is kn. gemeen, grof, slecht van soort,

van inferieure kwaliteit.

in a lis 1. of irnii p KN. striem of schram op de

huid\', een striem of schram op de huid hebben.

i ii if^r.n.rij of Lrnn^drnirip vol striemen of


-ocr page 1185-

\'I\'„quot;quot;I\' quot;P

10U7

I ii n j \\

scliiummen {crt/. ,nrj\\ r«n|). — j..»»

ijiiiis strieiiien of scluatniiioti

vcriioizakeu, ivditcrlutcu.

II kn. ben. van eau visch in dc lemjlc yekor-vcn, die gedroogd in den handel gebragt wordt,

\\\\ \\V. das zva. de mal. g a b o e s, H h.

quot;gt; / • /

v.n n^ zte i.n \'n j w

I riit^i KN.; stout,omlougcnil (vrg. i iinnin

cj COCJ (i\'

\'quot;ft-

rnrj ius kn. ? n if !ij iu\\ de oppcihuid snijden met eon mes of scherpe bamboe;, /ig. 0a.n ,b?i zva. riuK) ~jn .111\\ van een aandoenlijk gezang, het hart treffen, hartroerend, Tj — unr.iiY^ tu \\ zich bij ongeluk zoo snijden.

i.n i] iui\\ kn. bril met gekleurde glazen {vrg. i i hiiq). WW. — trnj n.iiri (htji of n :hi/j\\

zie ij ii 12ti\\ I.

/ƒ 1.7»? »ƒ /I /- of Vj 1\'iH 2 IJ ! li ^ mr ij in l Ijllld uf t) l:)l ?

vj ii n iu \\ kn. wormstekig, tengevolge van het gat door de i/ij vi »/^ u gemaakt, mee si al van de mangga gezegd-, ook fig. rot, Rh.

i u quot;n kn. wellustig, gewoonlijk van een vrouw,

hysterisch {vrg. (kil»ƒ fi \\ nji n i iHj i j (un nnji)• iniinni ii/\\ kn. niet niet elkaar overeenstemmen,

van muziek instrument en of stemmen.

■ ) ) . ) quot;) rn jf .im ns 1. kw. zva. t il i ti iyw kn., l il ij n lij\'i

i.ijjWiM., naam van een regentschap op \'lava. r.n yj nii\'rmnjj of i irij iucikhi^ modderpoel; waterige, drassige grond.

11. kn. iets, wat een zwaar gelnid maakt, WW. \'/\'»/\' \'\' ^ n kn. scheel ui. als de oog en naar de bulten/toeken zijn gerigt, Tj.

i.n niiii^ of rn iuT) kiias kn. oude of drooge kokosbladen {iil. liot blad met de d injij).

kn. ligtblaauw, grijsachtig v. d. kleur der oog en , UI».

:)

r.nn^ioi/j kn. zva. 1:11 i j i i ihii^s

i;y n 1,11 j kn. met kleine (witte of grijze) spikkels o/\'

streepjes {vrg. tjr.y ij n 1, ny \\ ij rn irj ni ioi

grijsachtig, van oogen, zooals men bij Europeanen

vindt, WW. dit volg. Hii. n — fjj

000. . \'

■\'ij\'quot; \'».7N 111 een gebatikte stof de va kjes, die

wit moeten blijven, met was dekken {vrg. 7\'quot; 7

7 W l\\!lp 7 ™7 ia i •gt;lt;■quot; /), W W.

7 \'/l\' 7/ flt;a\'V KN- zva. i.n n i.n/j maar met gr00tere

spikkels of strepen, WW. —- 1 n 1 /y7 r»/ ^ »»/.//y■ visch spouwen, Kh.

ijir.rn ij gt;u hiip(\\ kn. met groote spikkels {of strejjen WW.), gew. van gevederte\\ fig. ook onopregt {vrg. rn-yl i. ii p rj rn 7 \'nhty).

i 111:^! n itii j\\ freq. v. 1 11 7mi f 1»/ 7 » ///.»//ƒ Tj. jr/i ^(ïi 11/j- kn. — \'»{\' verwoesting, verdel

ging, G.; een gelegenheid waarbij veel menschen te zamen komen, algemeene vergadering, opkomst, corvee, enz. {org. ;».• n 1 i^isii j), WW

ƒ .»i ihiifl of 1 n 11 ^ ■»ƒ ihri/jx kn. ; i 11 tin j ri hn p in de schemering {\'s morgens of\'s avonds) in een huis sluipen om te sivAvw {vrg. 1.1 n 1 v.gt;ijj\\ a/)^ 1 j * ij 1 ^ gt;bn/j\\), ook zva. i nii\'p ontfutselen, zakrollcn. —

gt;(7/iTi)ti 1 //.\'hijn bestolen, als boven. — nrri.i.n quot;l l I \' quot;/ h «U

la/j^ gestolen, als boven; dieverij, zakrollerij.

x.n ij ,iji iis»,ƒ of r.n li i u j \\ kn. de toestand van 1 n 11 j in i\'i,Liii\\ niet helder, duister branden, van een

M, s

licht {vrg. in 1.1 i,ii/j\\ rij ii).11 1 1 j lh j 1 ^11 tj i.ii\\

iets donker doen branden.

/ ■gt; . / o

Alfl ll^.Lgt;ll\\ Zie i:u\'7lj riiLUW

L:ri rj\'t)t\\ kn.; r.n yj h2 1:1 nn/j zich verspreiden, van

de lacht van een kreng, stinken, WW

vu h\'jis kn. ; \'j\'J \'j \'iy\'1 n duister, onduidelijk, niet goed

kunnen zien, bv. na in een schel licht te hebbtn

gekeken {vrg. 7 ij lj\\ ij \'quot;// ) - liy \'l\' ï^ini/j\\

of 11.11 (Ci ii.ui )\\ verblind door een schitterend licht.

— 7i if.i ] i:ii iin i i \\ verblindend.

\' \'. s

7 rn-gt;\') of ijirjirfrn KN. gestreept, gemarmerd , *;«// de huid van een tijger, van een koe enz. \\ vrg. 7 ilhi211 niw Rh.

ij rn 7 ni\\ kn. naam van een gespikkelde aren- • soort, Kr.

gt;1 r.11 ij ■)i2\\ kn. een groot louw om iets vast te binden, Kh.

ij.r.iL2 ij n2\\ KN. zva. tj.r.y n of 7 ».ji 7ti\\ maar

van groot ere strepen, Tj.

7 ri\\u 7 (,f 1,1,1 quot; 7 7 ^x k n . de Geld godin, of een geest in de gedaante van een groote vrouwelijke slang met verblindende schubben, wier invloed om rijk te worden, volgens het bijgeloof, door offeren en vasten te verkrijgen is. maar ten koste van de ziel, die dan na den dood in hare magt valt. — in n Lj 1 1 ij f 11.11 ij 1112 ij 112 \\ •\' h n 1\'/ N.

hoft Blórong voor zich gewonnen; daarom is


-ocr page 1186-

\'/?\'/ VN

)

rn

I 098

li ij rijk. — ij rm ? ij n t ij rj? ? /ƒ m «\\ zwurt eu. wit bout, G.

7 \' quot; •\' 17 N kw. y 11 // /ir» g n I , /1 ,lt;}/ w \\V, r)} nrjj 1:1 rjitj ti? n Mi/j Rll. {iu AS. rri ru

h i-nno/l)-

_ )

1 n 1.1. - n h i n isu iw

\'I. t \'K \'

rni.tij kn. klanhiahuotsing van \'plotseling vallen : pof! ook van het klapwieken, ha. van een haan: rn i,i} 1^1 nu/p zie x.u ^ bij 1111 i\' »jp

a:h 111 lt;Hh j\\ kn. — mi ïriLum^ terugzendeu,

a fw ij zou {vrg 1 i^iu uii/j).

omgekeerd, in tegenovcrges\'eld geval, daarentegen ; van den anderen kant; van iets anders gesproken. — i/n ;»/ w kn. tul den vijand of tot een andere partij overloopen, afvallig zijn, van gevoelen verf,mieren, ul. ontrouw zijn aanzijn beginsel. Wang saltan: i\'y 1 n-ij i)/j r.n

liïi.iiij nam. in den strijd als een wervelwind omdraaien? (\' S.; (yrg. rh iL^iiti.j). rn i.)iii] nn j\\ omgekeerd, omgeslagen, 00/c verkeerd {vrg. i n fi

quot;gt; \\ O ft o

II I l\'H/* ) ij rm n 11^11 II I 1(11 -J 0) Ij i n? »1 hH\'rt Hll/j

in groote wanorde, door elkander liggen {vrg. ui lu hii/j), rd. het eene op de voor- het andere op de achterkant, enz. omgekeerd, 1?8. — vriiiuhii i.i/j^ zva. daarentegen (W. P. bl. 501);

ook* het zou beter zijn, dat* til. in tegenoverstelling van iets anders, bv. dat je uit ging , in plaats van thuis te blijven, en derg 1 11 ij 11 it 1,11 j\\ IIoll. balk {vrg. ij ryirjrrim ui rlï riMji).

.1 11111 \\ kn. naam van een voe\'- en handeuvel, dat jeukt en waarhij de zolen en palmen, teenen en vingers door schubbige barsten ruw en hard worden en witte vlekken krijgen {vrg. inn\'is \' y\'y quot;\'/)/ {een ziekte bij kleine kinderen, waarhij dv huid in de plooijeu van hals en armen barsten krijgt. WW.). — nri 11 un tn/j aan dat euvel lijden.

ijonjs Men.) kn. eig. dik van rook, walmen ook van geur (Tj.) Rh. verdtr veel, in menigte, drok, stampvol, m ij n ij ij i n gt;yimij\\ hij heeft druk werk. ij i n111 • ij i n i n i^khj zijn huis is stampvol (meuschen).

iniuinij\\ kn. I. waterbron, waterput, waterbak door een wel gevormd; {vrg. i loirn quot; j

II slechts in kleine hoeveelheid te krijgen ü/tu

zien zijn , schaarsch, van vruchten In het begin van

den tijd; de eerste vruchten geven, van een boom,

WW. — (ifn ifiiiiï ml \\ hetz.

co

III. in niiHiriLi linjjs aanhoudend gillen van liet lachen, Adji S. 43, AVH. zva i--?ij n 1 f ir-?ij n 1-w

,) -» ) ) o r I

IV. 1,11111 111 i n : zva. am 1 1 1111,11 j 0/ kii rnj if irvi gt; nn

r.}} n^i.ii ^ kn. 1. zva. kji rn (zva. 111 ri uii^ Rh.).

II. een ziekte in het rijstgewas, volg. SG. veroorzaakt door eene larve, die zich in den padl-stengel ontwikkelt, dien doorvreet, en de aar geheel voos doet zijn. — r.u njijJi.iij\\ door die ziekte aangetast.

III. zva. ij ii 111 ij 1,n? in^rrui un/j\\\\

IV. Tl», zva. 1 iiijhn/j\\ — itm :^(riy.ii;j\\ iemand luidkeels toeroepen, toeschreeuwen, niiij 1,11 n^ un Ij of r.n m 111 hnjj ^ hij herhaling. La/con: • quot; quot;ƒ

) /0« \' n o

hirn^myin n 1 111 ij n\\2 n£1^ u j /lt;» ij v.y m n nu} 11

o ) / . o

en im tk^ .m 111 m ij\' \\ un ij \'hj ffj f mi) 11\\

c. s.

nrri ij n 1 kn. ; 1 w irrj n 1 i.nj insnijden, opsnydeu, een weinig opensnijden, t/n ^ij n 1 ni m un j\\ eon krnissnee maken, bv. in kastanjes, W. — .i:,!ij ij u 1 i.n }lt;i/j\\ insnijding, spleet door insnijding; oy/,-snit, ongev. zva. wi ui % nm tnjj \\

i:n Tj li 12 iiitjj\\KH. 1. modder {vrg. ry rjipz un/j ); ook zva. \'Li mido/j\\ vuil, smerig, meestal door modder.

. II. Holt. blok. — cn ij n i? ini tiny\\ kn. blok, voetboei; houten toestel waarin de voeten van ecu gevangene gesloten worden; de plaats waar zulk een blok is; gevangenis (yrg. ry /1). tFangsaUan: i n ijiin i^n ja tyu Jï i n n .m j blok aan de armen

d. i. r.n C. S. — 1 n 7^ ij ilk 1.njj \\ iemand-in het blok zetten.

-) -gt; ) » O O * -»

i niiinn/j\\ KW. zva. ui ip i.n j\\ uimhun/jw r.n m rn liï nnys kn. naar klassen 0/rangen , trapsgewijze, naar de rangen geregeld o/* ingedeeld, W W. rn 11 j 1. n* of ij 1 n ri j 1.11 j^ kn. de behandeling van 1 quot; hii/j of rn ij : nrj mi j wenden, zwenken, bij-draaijen van een vaartuig \\ volg. WW. van gevoelen oj partij veranderen, tot den vijand overgaan {vrg. rn iu foij).


-ocr page 1187-

1

) ; quot;) ril mi ifi i, ,i y

lO\'.n)

r.tj^ n 11. ii j\\

rij ui hu ^ kn. open veld, .quot;w tvw busch of Ireu-pelbosch, vlakte bv. Umc/en dorpen, (y?y. inn/}\\ cnnj ^i mi .).

zie \'vquot;nihquot;]s ,1 rn ij u i hiipKN.. ook mm ijm »ƒ / / y uiifj* oogzieklej

zie n \'I \'ij\' quot;quot; I \'/\' quot; V7quot; \'/ ^.\'/\'7 M\' quot;L\' / oogziekte in den hevigsteu graad, li h (iu in ijrii ^ n i i,iip de planeet Mars, om zijn roodachtig licht aldus door de dorpelingen genoemd, WW.). — irnnij n nïijiHi j\\ zoêre oogen hebben.

mninn of vni n i igt;ii \\ kn. rondborstig, openhartig, oubewimpeld, zonder omwegen, onverbloemd; eerlijk, rondnit enz. zeggen o/verklaren, in KT. (2e druk, 157, r. 10, vlgg.) ook, even ah hei Mal. btla-ka: al te gader, geheel (vgl. ri ii ikiiw Skr. b d-l a ka, een kind, een dwaas), xrn nu rj rj \\ ronduit gesproken. — iltïn gt; mi uj\\ iemand iets onbe-wim|ield enz. zeggen. — (t/n iamp;riu i.ii ^ii ijmii^ iets onbewimpeld enz. zeggen.

) . ) ) /. O O: quot;) quot;) , ) )

rn hii hj hiyi oj .rii i.iihji.nj]\\ kn. — i n i/j.rii i. n ijj

i,ii/j^ kort en gedrongen, als een hoopje; vrg. iti kii i^ un j\\ K, 5, 62.

yti i.r^ Kii^ kn. klanknab. woord voor het loopen in den modder, irii io) ifti^ r»/ /. y isnj \\ bij het loopen in den modder dat geluid maken; ook bv. bij onduidelijk spreken.

rn ij.nn? niiji\\ kn. naam van een witten watervogel,

met geelbruine kop en rug, Rh.

ril tj i,ii HiijjsKN.; ril mi*^ \'/ \'• » i \'hj of r/j i,ii i.n quot;ij)n kn. klanknabootsing van pogingen om te braken. — i ii uy rnij i,ii i.iiji dat geluid maken j misselijk worden.

O O

Viquot; V\'fg? V,n !/eiv- kn. een mat van ge-

vloehten klapperbladen, vrg. i?ii!irn,i\\

iquot;quot;r — WW\'

\' ^ \'x {zva. ij nu 11 mi y i ii in p) zoo werden de gewapende volgelingen van JJipa Negara genoemd, Rh.

O a o quot;gt; o ^ o i

rn i,n \\ zva. rr^hii i£)\\? i,ii ,ui hu ij i.i n i r^n hu

ip Dam. Woe., Men. (achter elkaar in me

nigte loopen), -\'gelijk mieren over een steenquot;, v r// ) -gt; gt; . • ( l \\-nKiii.is een mierenlucht d. i. een scherpe lucht

hebben , WP. 83.

(_ ■)

\'\'l O KN- vuil, gemeen van aard van een mensch, PM.

. ) ) . -i • ) ) ) rri i.n ijl.hii/j\\ KN. morsig, /Uli, U. , zte rn i,n ui

(Kn/js

. ) \') gt; . . _ quot;) :) i

rn i,n ip liii/js KN. —- i n i,ii i,i i ny

i^i i;n tip dxii is KN. naam van een groot e inkt vise h,

groot er dan de ij i.i? ij in g BV. Rh.

rn i ij i,n j en n n i j t.n i,ij t.j kii ^ kn. opbruischen;

opborrelen, van water\', fig onophoudelijk babbe-

, . ) i ) ) ) ) len , zwetsen ; zva. ry i.n ip i.n j rn f i/]i:y [ i

■i,ii ƒ n maar sterker en doffer.

ym h iij ifj \\ een soort van boo ze geesten, G. in Tj. .rn

\') /

(Kii r^ iquot;! w

jj}ii,ii\\ kn. het onderste gedeelte van de 11 n gt; of bladsteel van een kokos- of ar hip alm, die den stam omvat, in Tj. xrn i,ïi w i i \\ zoo dik als een ril.i,n of i:jrhh\\\\

gt;1 rn? yj i.\'n kn. de twee stukkeu van een door midden gekloofde jonge kokosnoot, waaruit de pit of het vleesch genomen is.

i.m ii^ injj Of ,:n ii jihiri KN. gezwollen., van de oogen, gew ten gevolge van schreijen, { rn n/i/iajj vkl.

• . ^ x v 0

tXA thn irn i.7 iiJ). rrg. ivi i^j .ni/js i j kj u i p ,Ln n j

na C)

rn,j\\ ii .ri Mii/js u i illi tri p

~~ mi ii i n ii i\\\\

1, = I »\'(/;,). Uil.

11. Port. veludo , 11 uweel.

^|7»m!»n Holt. borduren {vrg. iri n i -i^hii ij rn f ni\\ borduurder, borduurster. — i n f i/fij rnlt; ri\\ borduren. — ij r.nim m p geborduurd, borduursel; ook zva. 11 ij r j\'? m n m/p borduurders-wijk.

rn i^dci nnjj v KN. — x/n hii/i--riin^ri

rii;p overmoedig.\'3 W. I, 29(5.

in nhir^ hii p kn. overstroomen, overvloeijen, G. imiuiujjnp verpligte heerediensten, G.

r:nr^na iii/j\\ kn.; iiifii^iamp najagen (Men.), nazetten , hard achterna loopen ; Jig. iemand met vragen in het naauw brengen.

r.nijrpmq of ir^i iic^rni/js I. KJS. stuivend stof; stol-ferig {vrg. ^» y). — x u iijr^ic^iiip

ook .\'irjincin/p stuiven, opstuiven, verstuiven; als stof zijn of worden (fig. van legerbenden , uiteenstuiven, B. J. XJ11, 7, 5 enz., (\'. 8.). ilii* i ii i irn uym/j tot stof of gruis gebroken. —

i ii tin rn icicYii en fii:j.iiirm\\ bestuiven. — i,n »L. (j (tn j 1 ut

1 quot;\'{T?llclV?i*luquot;s

ij rn l ij ILIMIJJ kn. -

V

rnliis

l -X vr \'/

\' I

bestoven.


-ocr page 1188-

1 loo \' n 11 /tl\'cr!2JI

doen btuivcu ; tot stol\'o/ gruis nuikeii, vuniietigou.

II. het jong van een olifant, G.

i n nj lci mi/i of i iyiccni/^ KN.; i n i h j i.i mp ook

irria m,j\\ overloojjcu rfoo)\' (jistinij) kuklny, upbü)\'-

reling enz., soms ook ovcrstroomcml water; fly. zva.

nini.n\\ mild: overmoculiü:. — i n ■\' i ui id »n \\ (i \' * (n (i

overloopcnd op iels storten j met mild

heid behundelen. WW.). — un 11 ii itianrn n hii\\ \' co h rn l

v i ut doen overloopen, enz.

i:i) tlu zie t ii li^ :ici^\\

) i •

l :ll(l?.l tll,1 I. Zie i ll Ij ILI ? \\\\

IJ. zva. nii ij tip 2 Kii y modder, i^n in/j^ wa-

rontjkas of geve sten van wit hout in den modder

leggen om ze zwart te maken, llli. — miiirii

■i n/js in den modder vastgeraakt, ook Jhj. in de

liefde, DW.

III. i.ii r-n i jiun j\\ anndrang gevoelen tot het doen van behoefte (ï,^ iiA/jq of

\'\'\'/ \' / 1 quot;1 (gt;f rrl\' J lcJJIs zva% \'l \'yi-n fl üf quot;/\'y\'quot;//NN uilr.rj uixajis zua. i.n i?i ij..hii/j\\ van een vlag, 13. .1. G , Krit. XL1, 12. — j n rtj, r ij j y ry door-eengeslingerd, van boomtakken, 13. J . G, Krit. 11, 10—11, C. S. ook zva. i.rj, hjcrn/j^ (Tj.) Rh.

.»./» gt;! n n .LiijjsKS.; i li gt;11 / tj n igt; Miyi^ onwillig zijn, traag zijn in het voldoen aan Iemands verzoek of be velen : vnj. tjirrii ij i i f igt;n/j\\

ij i ii ? ij n ii ihiiij - KN. vuil dat zich aan het thjehaam zet: vrg. ij r.m tj i.u^ii/jv yj i n g ij it 11 hn iinfl-het ligehaam vol vuil hebben, als kwaal. — i u ij ij * it ij n it hutjs zich opzettelijk niet reinigen, om vuil te worden, als boete-, uit onzindelijkheid vuil blijven.

rn n i ij lii of itfi \'j \'- n \\ KN. met allerlei soort van m.n-sehen kunnen omgaan, over allerlei onderwerpen kunnen meespreken; van alle markten thuis, wereldburger. \' iCfn rn vrijzinnige geestelijke, die bv. (jeen bezwaar vindt in 7 gebruik van sterken drank, enz. WW.

i ii ui i ji \\ k w. koper of brons.

» n i \'ip KN. naam van een worm, die gew. in wonden voorkomt, ook wel in excrementen, (Tj.) Rh.

o . . quot;gt; .

zie i ii n 11 n\\\\

Jrr)/»M J577 of itn.i ii\\ het eiland Billiton; soort van

staafijzer, G.; tinerts van Billiton, ij1i?ij tin.

\'yi\'

(13.). n rn ril \\ soort van pisang {waarschijnlijk van Billiton afkomstig \'!\').

rii i-ijjn KN. klanknabootsing van een plotseling ver-dwijuen, door-, voort-, heengaan: Hap: weg! l\'nj, (Uii/j\\ irn riri^w — n/n uijr.yiri/js voorgoed verdwenen, -weggaan, -wegblijven, bv. van ecu bode, die uitgezonden wordt, maar niet teruy-komt. — iiyi Ki/jr.yw ihfi/js zva. n i iiji in . i m j telkens weg. — rn.riri.i^ kn. door en door, door en door gaan, doordringen {vrg. iUi rii i /y, t ir r^ 1\'/ \' rti n \'\'O\' /\'ü,K\'ül\' stilstand , regtstrcoks (oi het doel komen, doeltreffend; van een ziekte, zonder instorting, geregeld alloopen, {en zie noy bij rir.rirri/j\\ onder riin j). — i n t rr^ * gt;-■gt;\'j ij kii\\ onafgebroken door laten gaan, doorzetten, bv. een onderzoek, om tot de eerste aanleiding door te dringen; ojt die wijze iets navragen.

rn ii ij of rn ij ihj\\ klanknabootsing van een in- of doorheeugaan: vrg. f i 1,11 jiriii.ij\\ :Ki/j\\\\ (in.ujjrirKyjs in of door den grond zinken, verdwjjnen (ook in- t»/doorzinken, als een wipplank, bv. van een wagen onder den druk van den voet, 13. J. G, Krit. XL1V, 10—11. ii. iij rn i i -\' ^ \\ in den grond verdwijnen, als ecu mol, Lakon, C. S.). — m rrri i j.ii ij kii \\ in Jen grond doen zakken of zinken, diep insteken. — {.1.11 rn i omhoog vliegen en schier iii de luolit verdwijnen, va 71 een vogel, pijl of derg., verbeen gaan; goede vorderingen maken? WW.j dit volg.

Rh. rn .ril i.ijfs). t

o , gt;

rn ik 1 ij oj rn 1111 1 j\\ verk. van rn i .y kiijw

■\' quot; )

rn u i j\\ ij jvjï 2 hJiij\\ zva. rn i i jw «

ijini^ijj\\ verk. v. iSij rn i.iji in ij ici2 Kii/j rj i^i i.ip

volkomen gelijk

1 rn k 1 ? kii i n 1 1 \\ zie aid.

n n

) . ) ..

rn 111 zie n nii.i/j\\ II.

) ^ . ( quot;)

rnrj:Klj\\ Zie rniij

n . o

rn n ii)Jiij\\ zie rn 1 1 j\\

ijl i\\i(Kiij\\ kn. zich afspoelen met schoon water, bo. na een bad in zee- of troebel water; jhj. de hamlen van iets afwasschen (rein, zuiver, G).— i n tlm iKi\\ iets met schoon water afspoelen. — n nKi^yi tj nn \\ water tot spoelen gebruiken. — 11 1111 1 mjj wat dient om af te spoelen ; spoelbak, spoelkuip. *


-ocr page 1189-

rrj thj zwarte (soms ook wel gevleide of witte)

riviersohililpad (Trionyx, v. Min Wang saltan omschreven door h-y ni n 11^tj mt,i;m »»«j/oojj\\ (\'. S.). — (rnoj Ki t hh/j of rj ui* tj p i \'(quot; quot;i \' \'J\' schild vftn een schildpad. — rimi[\\lll 7-;7N 11)8 eeu hoe-locs, d. i. schaamteloos zijn; vrij. i.fyvii.i/jw van (females die den strijd niet opgeven, doch zich ooi-niet verdedigen en zich maar laten pikken, totdat de tegenpartij van vermoeijenis het op moet (jeven, Rh. — (vrjiuiaji^ icm^s vlak of bord (bovendek?) van het achtergaljoen (wyl} hh/j) van een hinncnlandsch handelsvaartuig; volg. \\i\\\\. ook fatsoen van een vlieger.

gt;1 i:n ij n kn. een oogkwaal, zva. ij ^ n i s \\

of ijtvr) ij\'tualt;ïiji^ {ook naam van een visch y VV.). ij iDi tj n /? ^/gt;^\\kn.; ij2 ij n 12 \\ zich heimelijk

wegmaken {vrg. vj ili? ij n.12 ki/j).

) ■ ■ )

1:11 iuuji {• zie eni luaji q\\\\

S O S * s ) ^ ,

1 11 ni li\\ i n ilkk.i of 1111.1 \\ KN ; 1 n 1 111 hi\\ van den

cn

gebaanden weg afgaan, van liet regte pad afwijken; fi(j. op verkeerde wegen gaan; dwunsheden begaan.; ondeugend, koppig, losbandig; uitspatten, zicli

verliederlijken. Vrg. waCi \\ (cpri (Ui miyx intui t u

C ^ X o

f» u i Ki \\ zie (irn ui w

(O (1

/ CJ„ X , . ,

i iii.j_nji\\ kn.; (uiast» r.nanjKis overal verspreid, verstrooid (uit elkander, nit den band, los, dv. van de deel en van een bezem, die van zijn band beroofd

is, J. L. 55, r. II v. 0. C. S.).

; quot;) x . x

i n 1 li vis zie im irij!K/i\\\\

rn iJihiijj oj 111 u i KiiHiijj\\ KN. ; ujii t 1 aui 1.1 un/j\\ zva. un /ui ki\\ (hi ui 1, n/js vrg. /. 11 tyi 1 w — uu mi i- ii ia/j\\ zva. (hivj) hn(iJi!Hriji\\ ook in het wild, inliet honderd; eigenzinnig {en naam van een muziek-instrument, G.),

V\',f)Jl quot;,^n KN\' J hh uywuii/j\\ zva. un nri i iw

gt; ) , ) O . \'

\'•\'XN 1Jn f ^ \'ij w gt;1 un \\ iets ergens induwen.

ƒ■»»\' / zie (un rui-ii uiiqw

quot;I KN.;flyw f i/ju.tyuj KU/j\\ergens insluipen, in- of

onderkruipen {vrg. i-iiüi mijj\\ ij nri t y 1 iiuii/j) uuiu

})y}^mi f ij) r./j / j un Jtïny 7?» \'gt;gt; /in/f\\ de leguaan is

in de modder gekropen. — kh \\ ergens

mei de voel of voeten in geraken, hv. inde modder,

in een hamhoe-vloer, enz. — tfy wwijjuva i uri^

zonder vragen of aandiening ergens onbescheiden

binnen komen; verward, onzamenliangcnd , van de

V) 17112 i j U I 2 gt;lt;ii/j\\ 1 101

hak op de tak, hv. van een verhaal. — a/niei/jui^

rIi\'%fl,/\',nis wt* ergens insteken, op cene ruwe

wijze induwen; iemand er in htcn looneu. un 1 \'V

hn (Hl /j \\ zva. r.y j xi ini/j r/; i.j 1, n /j \\

7 2V \' ,f 7 \'l}\'* 7 \' ut\'ii/j^ enz. zva. u 11 n 1

ilt;n i ini j un/js enz.

uiuui^d ung of 1 v 11 k 1 unij\\ ifotl. bultzak, matras.

( quot;)

un 111/M liiijjs zie un uiim/j

O C» (-) O

un 111 .ui i.ii )* KW. ; n/n f 1 11 / / 1 igt;iui\\ zva. J i.uinui^ ro \' fo \'

(?) RVV.

rn 111 ui hiun^iu/j 1.11/j oj 1.11 l uuujj u.n i j 1,11^ , cvy.\' /jij

wi}fyis

wikjf = \'-■quot;Cuf-

o -gt;

un lui itJi\\K\\\\. zva. ij n utjihj uifj — t/n / iiuuui.j \\

zva (i.i ui ihnjj \\ 11 VV.

unotj 111 ui j kn. open, met eeu spleet, van V metalen beslag van een kris schee, wanneer het die niet (fell eet omsluit (\'•\'/, 71\'/\' idhar in V midden van de eene zijde overlangs, van de punt {ij 1:112 ij^12 1 i j) af tot boven toe , ongeveer een duim. hreed het hout bloot laat. — ij u.y 1:1; un mi/js opening. i n n 1 (ui^ kN. 1; a/11 di4 \\ groot, breed, van den mond; overmatig, hv. aj^am^ajn$\\ bovenmate rijk. 2. een koelbak; zie uiuui ij nnm^s

\'/\'„quot;\'/ \'-v quot;f \'i iiquot; vquot;un 7quot;,f

ij un ui ? (i7i aojj v zie un ij ili ui j \\\\

i :n 11.1 no \\ k w. zva. ij n \'ii 2 7 (iin 2 mi y \\

un n 1 ui in nrijj\\ zie ili ui uyj \\

iri)njj\\KN. door dkaiulcr gemengd, gevloeid, egt;i danr-door onduidelijk, moeijelijk te omlei-soheiden (oo/-seliimmcl, (r.); vry. i gt; 17.^ \\ i/j? \\ gt;gt;gt; quot; j \'quot;ƒ ■ (VI) n IIN KN. -— r.i) if iui nimfl kwijlen, Men. iSimnkn. door elkander, niet goed teondcisclieiden, ooi\' fii/. :vn. ;iTr)(t7\\ verstrooid van zinnen, duister van begrij)? Tj. Rh. (mistellen, in de war «djn.

rgt; \\ n \'

ti.); vn/, i-yaji^ i n nifvnw ;:ji quot;n kn,; J. i in liet slijk loo|ien. —

i.ni:iyji\\ oj) ecu modderige plaats te regt komen, met de vonten in \'t slijk zitten. Vrij. (utiuigt;\\ n.)

i.y (quot;) i

iis»\\ IUI Ifiipi tuq\\ i-, riiij iptunys iji

■ gt; f v \' / i r

ffjjw — i.iuui gt;uinfj\\ zva. fyifon

modderige plaats, WW. — a. trechtervormige kolk, zooals door een draaikolk veroor-•nakt, Hh.


-ocr page 1190-

I lOSi ^.Tl 111 DKi ln

(i:niu viiii?n i.d ij ilii i\'i i.n of i.ilotjih?i \\ Purl, b u-luartc (houlcvnvd, bolwerk), kn. stadsmuur, vest. Vrg. toiu-n* ,

i n 01 im.iN kn. Hanknab. van hel sloppen van iels

■ •I

tvee/i\'S in een (jal, be. van een pap in den mund, Rh.; wofer. WW. »«« hel ingaan in iels wee/*, idi. iirtw t\'Cii voet in het slijk.

ij i.iuiiui/kn. — 1.1) if ff ft) gt; melden

voel of de hand iu uun gut geraken; fig. er in loopeu , in ecu val of strik geraakt. — \'i n quot;J 7 I tt f ij ui 11* 11 Qj h li \\ in een kuil euz. doen vallen; or iu laten loopeu. — \'7 Mquot; V quot;quot; \'i\'iquot;quot;quot;■ \'/ 1^ 1 li 11/ mi i\\;{ \'2Jls \'iu\'\' quot;/ f?quot;\' dquot;quot; \'Jr0quot;d gt; ^eP spoor, wijde spleet, ens. {yrg. 7 1,11\' ifln hu^ 7 ncrniijuii\'hiiJl)-

,jhi/j. kn. vuilwit, aschkleurig (vaal, grauw?), sommige apen. 1111^1.1 ~\'ii 1 11 ^ vnilbruiu, quot;/■ï een vleermuis.

I.1111,1^1^ ir.i^rv^Kyi of KN.

luiii/p? grauw, niet zindelijk, (seliimmel, beseliim-meld, G.) - - a 11 1 hii.^ i j i i,^ niet zindelijk gekleed ; volg. Ril. bestoven {vrg. niiirj nit 7 untiojj); ooi- sva. rya ijifl (bij .h/^hi/j) en m 7 n/ii m.j onbesehaaind {vrg. a/n tiri^ uj).

i 11 y i!im kn. groote soort rotian , Rh. injjji n rji 7 i;i?\\ «i(? iy rii i.ii bii,^

riiwiu/S kn.; h/ii11111) 111?\\ zijn eigen zin doen;

II,1 i.i \'

iijY/. I ll I^w WW.; volg. Ril. ouverseliillig,1ialatig.

1 • ^

zie 1 11 11 inuw

0 h

I 11 IU II; o/quot; »mn 111111\\ kn. rebellie; afvallig, oproerig, aan deu Vorst of de Regering geboorzaambeid weigeren; vrg. yu.n^ion ■■ 1 \' i\' \'■\'/

^niuiijj of 11$ lip KN » i.Jiuii/i\\ KI)., dom, bot; onervaren, onkundig; onnoozel (valscb , sleeiit, G. iiri/. 7 i .n a 7 ui ?). — im \'i niïihp zieb dom iiou-den, (»« lt;/«;» si» oo^ trnwiutf-iuthj L. 304); iemand iets wijs maken (voor dom honden, (i.).

O

i » y iu^ias zie iTnau gt;u\\\\

n

yriitU Hnjjs zie n.n iu iu hh/}^

\' 1

1^11 n 1 mi/j^ zie xm ri^ i. njj ijijni ijiiLn inijj^ zie :\\m if gt;li2 i) ilii i,nfj\\ em«u*u»m/i of iwiudoijis volg. and. hiijiy

IUIgt;HJ\\ KN, groot (Ml levendig, van de oog en gt; ah schoonheid-, van paarden witte of hluauwe oogen hebben, (B.) Rb.

1:11 njj 11J h 11 ft of i-n^ ii j /.«^n kn. jonge kokosnoot, voordat zij i liXi heet (in IFanysaltan omschreven door iuiyj iu ji^i \'IJl\' c. S.; vry. (Uinm hij).

1.11 ij n.u ij n.i* unjj of tj irn i ij \'iu2 khJ)n KN. zva. i n ,j ij 11.12 ij nul \'• quot;/ƒ n vuil van de oogen. — i n ij n u ij ij 11.12:1^0 iKijj vuil in de oogen hebben; fuj, zieinlo blind, verblind zijn ipok ir.rlij tui ij n.r2hii iajjs Lakon, 221 ; cn ij iu2 ij n i2 hijpj lt;lgt;ii t j« zeyt iemand tol een ander, die hem niet herkent, O. S.).

,i7w i jihiijjs zie bij i ii iiiHjjjW

i,ii njiip KN.; .1 I bh ril IIJ W^ van een zwerm bijen of laroHS door elkaar vliegen , Ith.; verder overal door elkander, her- eu derwaarts loopou, in wilde haast of verwarring roudloopen. — tennjtnu^ 11 i.ij verbijsterd door elkander loopen. doelloos rond-loopen, van een menigte.

r.ii ii nvijl of .1 il -w uii l/j•. KN. 2y«. vu . .m \' \\ streven, wedijveren, strijden, rennen, (vrg. imilh/i bij mi n vifl ) iJii i i n i tlhj-* of r.n iugjjhj gelijk willuii hebben. — i.h n i\'i,i ~,i.iri| of .1111 i:n.ivi,vi . i i.rp wédlooji, wedren, met elkander wedloopen , o/wed-rennen ,1/. van paarden {onuig.vau krygei tje spelen,

om elkander te vangen, Lakon:. m i^uuwr.n ni

1 quot;i . *»

iLii ^ I up /j \\ d.ii hfi 1,11 niiiJi nn hu ij m ii(i in iLif ij 1 n*

vrg. (\'. S.; dit heet ij ik2 i:hin tp.

(irlt; tj f i \'/»111 mi,)); ook zva. nji\'ij 1112 ij ui^ m uji i

anji reiibaun , {volg. Rh. n/i tji(u^/j0). ajn yi in

nji ~ 11) 1,11 \\ laten wedloopen.

ii jji li I tui lift \\ zie iij ■\' Ij\'quot; \',i//NN

ir.n \'H.i xj! ibiis zie nn 1 l/ ii/i^ Uji it-n w

quot;) o ) o

/1 y /1 j lüi ilii \\ zie rij 1 i j i 11 \'. y ^

i.im^x volg. Rh. sea, ■iii»ygt; fig. kn. overvloedig,

van koopwaren op de markt.

i;ii n,!oiü\\ luih\'iiTriiiiJiis de morgenster (Venus), n

11 l \'quot;L, gt;1 1

n . ) o .

de spreekwijs 71-11/ niun 1 17 lii hi ij fii

iiiijiz (vrg. 7 ijk 7 i imli/^), JR.

ivii \\ kn. modder, slijk.

,,1).(j) 11 kn. — 1/11:i-iij iii ui gt; \\ een opening make», in i?^« heining, beschot enz. ook de wanden va* een huis tijdelijk afnemen om ruimte te makeu hi} feestelijke gelegenheden, ïj.; volg. Rh. verder dooi alles heen gaan, bv. itoor heiningen enz., niet laniji een gebaand pad of weg\\ ook intr. ruim, open, van een plaats, Tj.


-ocr page 1191-

i ,quot; \'1\' quot; quot;!f

1 l():i

iirii n hl) gt; \\ ui

111111:1*\' kn.; . i/n wj iji ? i. smakeloos, luf,

n ( lui \'

niüt hartig; grondig, van den smaak van visch, \\V\\V. — 2. ontbloot, tc zien zijn, van hel voorste gedeelle van het ligchaam , voorn, vun de 11 buik , door hel afzakken van den buikband. — 1 n f 1 1 1 ij ui { un ij 1,11 de borst oj buik ontblootcn. 1 /n f t t-i ijaj) ^it/n rj h 11 /ij) 1 o \\ fuj. zijn moed too-ncn.

)

r.ll iiytj IJl f N (LV \'1 S \\ Zie IVJi rjdJi ^

in iJi \\ KN. modder, slijk; vrg. luaJn rnup ry i:/w

— f i \\ een slijkerigen bodem hebben. — khVjmjm in \'t slijk geraken. — yn ui n inji\\ modderige plaats, modderpoel.

rnm HU/js zie i.trn.KiJt hnys

\' quot;Jl^ KNquot; — tiw rntiiï\'Hii^ week, rul zijn.

— rritiji in TJ. van mi zacht geworden voetzool.

rn zie 111 \'tij »/y n

v.u n 111 hi)fj quot;f ij» vti! 1^ i) t ui )• 11 ij\\ van

den gebaandei) weg afgaan; Jlg. van het pad der deugd afwijken, ongezeggelijk zijn; vrg. 1111 i.n n 1 i.i w W W. zie ■ 1 ui i.n/i

I I111^ liCj I, DQ Of 1.1) ,ty l ll/j KN. — I I) f / I Lj lOJ /. li J \\ or melig, bloemig uitzien, van dj a y o e n (j, als de korrels stuk zijn gekookt \\ los, niet hard en vast van den grond, WW., meel worden van de was , als het gebatikte na geverfd en ged) oogd te zijn-in zuiver maler gedompeld en geweekt wordt, v. M.

11111.11,1 kii \\ KW. Skr. h alitdhikay legerhoofd, of in V alg. aanvoerder, B. J. kw. Kr it. XXXiil, 2—3, C. S.

rii ui:i-jj\\ kn. kianknab. van het verdwijnen onder water, (lui a iq viiaji i. iq wegduiken.

invnijijuiijf of r.y ij tjit i^iji^ kn. klanknabootsing van het met een slag barsten, springen, knappen, knetteren; vrg. r.y ij uit cm/js —ljii v gt; r^ ijajii \' met een slag barsten, uiteenbarsten , springen, ont-plofTen , als buskruid of kastanjes in het vuur; ook van het uitbarsten van een vuur spuw end en berg of van vulcanische wellen; fig. van het hart. dn l \'jin 2 k) ^4 ij hu \\ doen springen, enz,

1 gt;) 111\'l^. Kijj of i.iyiyi i/j kn.; 1 i) ■ / n jijj, 1 i/j ergens in- of onderdoorslnipen of -dringen; (duiken, geheel onder water gaan, VV W.); Jlg. zich indringen gt; onbesehaamd , onaangemeld bij iemand binnentreden; vrg. i.jyi.j nn/j — r//1njj /. 1 ^gt;1 ikijj\\ freq. of mv. Tj

iv/j lyui 2 rfti^\\ nn. ; (im lyi/jrm ijdJiz arn j \\ zva. * t liii/js {maar met eengrooter voorwerp, Kii.) luikkL\'ii, houwen, kappen.

rn ui in/j of 1 111 j ui kn opening, groote sehenr of barst in den grond, in een muur, enz. — 111 ii ri^,iji 11 iQ\\ zieh openen, een gapende barst hebben, van een muur of de grond; volg. Uli. ook een hamboe in tweeën spouwen om lt;}//ƒ ; ƒ;. »/^ van te maken-, en trans, doen scheuren, doen barsten,

\\V. T, 214. — (L7i /;r i ui in \\ door middel van een c o J v»

wig hout splijten , Tj.

r.n^ kn. modderwel of slijkvulkaan.

jyi ij ij) wi/j oj 1 11 i j ij ui 9iyj^ kn. zva. inn nuiij .

bliksemslag, bliksem; vrg. rfyto^m^w rni ij ui f tiijj of i n rj ui t cnifj ■. kn. klanknabootsing van het knappen uan hout oj bamboe, met een slag barsten, ook van een geweerschot, knallen; vrg. itn ij uu:uijj\\ unijmz ui^ knallen of barsten , van hout of bamboe.

ij itiit ij uii Di/j- kn. benaming van een hagedisachtig modder kleurig visch je, {in Fet/i s Ja-a beschreven als ik an betokh I, 218), dat in de strandmodder leeft en zelfs op overhangende takken springen kan; de kop gelijkt op dien van de g e k k o.

quot;)

vn(id iJt (iii/js zie rn ui . \' )

i n 1J tj uu m/j zie L.y ij uit mp

zva. r.n icijj ij r.m jLrLlt; \\ of iniri i.m n.i ? (\'. S. een fatsoen van krissen.

O ) \' .

r.ii iK i:yi oj rn ijh: ui/j\\ kn. zva. ij rn ij i^ ui j ook

volkomen, van gelijkenis; vrg. .rn an/jN 7^\',}\'7

7^NX

1/ i.y 7 i:lt;icij of ifiWi ij 1.^ t tui/j kn. moedernaakt, of zoo goed als moedernaakt, soms met bijvoeging van Ujui {vrg. rj ij tj ii,L,n/j rn / c uips — in n/j ij rn tj itlt; ty, of n/n f ijj ij rywj trlt; gt; 1/\' ^ naakt* uit-kleeden, uitschudden. — (un 11 jyj.irii ij i.lt; ri ij 1. n\\ tEyjijx^ièrj iKZiui ijilt;ri\\ naakt, kaal, arm doen worden. — ij rn ij 1 lt; ui m/j ij rn t ij ).-; t ui ui/j\\ naakt of zoo goed als naakt uitgekleed , geen klee-


-ocr page 1192-

)

i:H I .J lrlt; (UI/j

1104

i n tU U\\

(I co

ren aan zijn lijf hebben, hu. geen hoofddoek of buis.

^ i zie tj ijt ij tKiut/js

\' ) \' . quot;) quot;)

i .n i j ici q Zie i :ri IK (in/j\\

r.V» ij ik (\'in ^n kn. j i ti f I rj ij »rx «• iemand overvallen , overrompelen, voorstel of verzoek,

en vorderen, dat er dadelijk aan voldaan worde.

O quot;) ) quot;gt;

i .li I -. iii 1 i.y rj iilt; d Hi/j\' zva. hji i ni u i i n/jiJi i ninjj

\\i,iiji\\ oneften van den grondy Rh.

a

i n ui in K\\\\. zva. I ii ii 11,ii/j\\

-gt; / ^ ^ / j . • o o x,

i./mmn KN. in I li I.ii I ii \\ {Oij (i. in n.i n I in ii 11 n)

onduidelijk zien, lih.

o O 0 ^ 1 • .

i nn iui^ en i n ilihaj i n/j\\ KN.; r//vakerig,

slaperig; door slaap bevangen, van de oogen, willen toevallen, K. 20, 0; Jlg. vadsig (vrg. mi m

l) a C Y o Cy . o o

ii/rrnM/j\\ n i ru n i ni\\). — r.n iimi i n 111

(MJi\\ duttend en door den slaap bevangen, nog

niet goed wakker; tussehen waken en droomen ,

en volg. WW. daardoor onduidelijk zien, zie rj;

/1,1.1 w

0 -) • / • • \'

i ii n i m i ii in ij i \\ zie or/ i n n i

1 . o S i:n 111 (ijijj, igt;ii/j\\ zie \' ii 111 (lAjw

j»;ru\\KN.: in ij niiii^ rondzwerven, lanterfanten.

gt;1, co .

wt lli 11 .yijj\\ gedurig aan het lanterfanten 0/ zwerven zijn (landlooper, G;; vrg. •niu\'iri

rnti.mjs KN. zva. tm 1 .i\\ Uh. ook wel smeulend padikaf, dat in een aarden pot gedaan wordt om muskieten te verdrijven.

\'#/\' / ^Kvv* naam van een hooge grassoort, die gew.

in moerassen groeit, grover dan ^j\'1^

• Uh.

) Qv , r,

rn f / \\ k N. een lans werpen; van \' J • ^ ^T-

■ quot; in ?ï of 1 n ?ï\\ kn. ee?i sapnioe en frissche boom-co ■ . quot;. co

vracht, ili Sï ii ili Averrhoa bilimbi L., Nat. \'\', lt; O (! Il

fam. der Oxalideae, met cilindervormige zeer zure vruchten, die aan den stam van den boom groei-jen. i?n; 1 i j ii/j\\ Averrhoa Carambola metgroo-t ere, rinse he vruchten , die ov erlang sche groeven hebben {in Wang saltan omschreven door 1 1 .ui n n 1 1111 ui2 f 1^1 tui- n\\ C. S ). i.n /;»-/) Ph b lim b i ng-bloesem; ook een patroon van inlandsch lijnwaad.

— l?ii Pi 1.1 ni/js b 1 i m b i n g-vormig , met over-langsche groeven, ook zes- of aehtkantig , van de loop van geweren, of buksen, Rh.

i-.n7u t\'i^ of ijn v\'j\\ KN. vijver, waterkom, ooi- ge-graven sloot, Alen. — d/n*1 ri^ v gelijk een ba-loembang, Tj. volg. WW. een vijver maken; fin. iemand er in laten, loopen. — ilwtiji w eiiinjjgt; do plaats, waar zich een vijver bevindt; op een vij-ver gelijkend; poel.

naam van een rijk in het oosten van Java, in den ouden tijd.

rn mji of i n r.y kn. I. klanknabootsing van

een val, of zwaren doffen slag, zie tamp;i ifn/jin tup ook geheel en al, volkomen, frappant van gelijkenis-, massief. »^ hji ij hjx.n tn ijj\\ hij lijkt volmaakt op een \'Chinees. ifyKKJi/jijn rn/j massief goud, geheel van goud. — un Wffii ii^/j\\ pass. op iemand neerkomen, op iemands verantwoordelijkheid komen. — i rrn in volkomen op iels of iemand ge*

( ^ o o . O quot;)

lijken {vrg. ii/ii wn.ij uti li — m.i.n {{{ 7 \' n

volkomen aan iets gelijk maken. — i n marien0

een slag of val, Tj.

II. in 1111 11 ij i\' n/j naam van een vogel; zie in 11^ ij un j en vrg. 1 n ^ \'ij \' h \'•quot; /

III. in mins zie aid. II.

j .11 (in ,ƒ klanknab. — \',7J trnff ij rn 111 j kn. klanknab. van het vallen op den grond van iets plats, of een slag met een plat voorwerp. -- .1//gt; f in ij r ji lt;Yïi/j\\ zie boven.

\'I \'^i * (rrij]\\KX. klanknab. zva. y rn maar doffer;

zie verder bij i//i

o . O

» 1111 ril i \\ zie l.ii 11111 om2 a

1:11 ij lumifi^ Ar. kn zva. un ^ y ui 11 gt; meer

derjarig , tot de jaren van onderscheid gekomen, {volg. Rh. ook zva. iji^nnis)-, geschiktheid bezitten (tot iets bekwaam, berekend, bv. tot den oorlog of de liefde, B. J. XXXVII1, 0, 7:Xlil,

.\'i, 6; L, IJ, 2, (J. S.) — rn in n.i tj 111 mi)

\' * \' co \' \'

o

zie nyn uv n.i/j\\

ry n j nip KN. ongev. hetzelfde als miucm/i alge-rond , niet met scherpe hoeken, Rh.

!

i rn iiiar» ? zie 1 n »li lt;m \\\\

rn iu nmiz of ivgt;r^ m?\\ kn. kauwoerde, kalabna, pompoen, Nat. fam. der Cucurbitaceae. (f olgens Wangisaltan • UI^ 7 ri2 gt; uhy un? inj 11 »ƒ f i 2 un ^ i n \'iu 7 rn f \\ en omgekeerd rn /1 ] 7 m ? 1 n 11 gt;j r i i j ij 1I.12 mis C. S.).

i.n n 111 hinKW. zitplaats van een vorst, O.; ook » »


-ocr page 1193-

O ^

rtyn ctn \\

im ju on of nw\'i™ injt cm (htji ? B. .T. N, Krit.

_ . o /T o

XT 11, (), 4; in in n i\'tn if }j (li; in in n i in ij

ij Hl) voor KW. wi f l!ï {of IfJlV/w) •gt;»

/ip) \\ C. S.

i n nr KN. stokstijf van tem. die door zioaarlijvin-n

held lonip en stijf in zijn bewegingen is, W. II,

o- o cy

301 ,• vrr/. zoo n.y in mi iu i n ij n i? kiijjs

i :ii iii mi i j nu/j zie mi i j mij \\

ïn(m i~n\\ I. KN. water met modder o/* aarde vcr-gt;i s- ^ ^

montrd , slijk, G. ri/n ini iigt;ii /iiiim iii\\ kokende C\\Jl \' \'\'.

modder; een liel bij de Boedisten.

If. kn. muilezel, muildier {verbasteriny uit Ar. muilezel, en ÏjIl) rijdier); vry. rtiuirns

ct

ii-.nn/n (tuji^

vn(tri(tcj\\ kn. groot en dik van een hangbuik; vrg,

n.j) (hjj^ dsn if \\ K. , 33.

O o o quot;) o o O , ,

iniiucKriip KN. — in in iri rnin/i walden door n i n ^ o)) J(

te veel vet gegeten te hebben, Hh. •

) ■)- ■) . ,. iii njui mioj njnoi lt;n\'i/j\\\\ kn. een soort saus, die

bij de rijst gegeten vwrdt, bestaande uit jonge nanglca y palmiei of jonge i okoshloesem met klapper melk en de noodige ingrediënten.

■) . „„ O O ) 1. .

rnrj ni?\\ KN. — un i.ii ij itit\\ zva. ilt; n irlt; ij ni ? \\

WW.

iJi ii i i:ii\\ kn. mild, milddadig, vrijgevig, gulhartig,

roijaal — i/n 11 n 1.1:11 tlt;j\\ iemand mild enz. been CJ

luuuleleii.

quot;,7\'«•quot;^n kn. veel, overvloedig, van regen of oogst, |

van levensmiddelen , zva. \'fi n ? HjI i i an^ Tj. \'lm óij.r:ii^\\ KW. zva. iji jw

7\'

kn. veel van

eten en slapen houden

Us

(tjnran

zie

r.n iLiriiw

; ■) \' X .1,quot;

zie zie

v ■) /

1777 fllJi r.l^W

CV

azna^imw

#

ii^ii i^i \\ of nyn\'iiriin^ kn. jonge nog niet rijpe! maijggistan of madj a-vmieht die bij het door

rjiim2riivngt;2\\ quot; 1105

met losse {niet als tllu isn/fs alangalang,

die met i^rj hij r iq wordt vastgemaakt, Rh.

if i.iit ij i.rit\\ zie i n ij ii /1 ij i iigt;\\\\

iiinnn of t il u i j 77n KN. I. gespanncji lijn o/touw,

hv. om een strijdperk, om. den toegang te beletten-, zoo ook een derg. van icjnlt;ufj met gebrande ho* ren berookt of in pis gelegd, dat o.n een veld of plantsoen gespannen wordt, om wilde zwijnen door de lucht af. te toeren {vra. u rï\\ inliïns i.ii /i)i

(yJ ^

rijggaren, waarmede hv. met losse steken is aangegeven , hoe men iets zoomen moet, V geen dus tot v\'v^iamp;wmwmdient; bies, aan den zoom tan een broek of van een schabrak, rn i n un n in/j metalen draad of lijn, W. P. 440. — .i w 11/j ry i n of /f irvi i.ii \\ doek -touw tot b 1 a b a r maken of zoo gebruiken (vrg. ifuwi ni). i n : i n i i ïi fl of /f i nirii iets, bv. een veld, met oen blab ar omspannen; van een blab ar voorzien; iets met

wijde steken rijgen {vrg. am uXvijia-. »]). — in ut

p c) ^

v.n n uifj of t.iii.i rn r}(in/f\\ geregen.

II. het zieh naar alle kanten uitbreiden, vloeijen, stroomen , van water of een menigte menschen. — 111 co quot; \'1,1 ^ over iets heen loopen of stroomen , zieh uitbreiden , hv. over den vloer , als ijestorl vocht (vry. n nniiji). K-nitiiim ft o/ tintin ii\\ vloeijend iels bereiken, zieh uitbreiden over; over iets heenvloeijen {bv. i.nrninn iHiSn-iifs B. J. G, Krit. XLV, 1, C. S.). — i:n tLt rn ii iH/j of titurnyianf naar alle kanten vloeijend (1 en 11 beiden waarschijnlijk te verklaren als freq. van i n am in den zin van .-i. d. lengte of vlakte uitgestrekt, uitgebreid , uitgespannen? vrg. rfniirfiii r.n if n , ij rn\\ C. S.).

III. iemand geregtelijk ter dood brengen, exe-euteren. G.

I V- i\' ij j i n rn rli \\ eign. van een kris als terf-stuk.

lt; y p o o/ t /• o cv

:n i j i )t of rn 17/)nkn. I. {freq. van i n rn grondw.

^ _____ / o V

van in i7n \\ i n m) klanknabootsing vaneen

voorbijsnellen, voorbijvliegen , bv. bij een sprong wip! links! (Ui rn r:n i~i rn bv. van een menigte, naar alle kanten heensnellen, enz. \'nrnrniii\\

\'I, M,

heen en weer springen, enz.

I I jonge dj a m b é, p i n a. ng-vrucht {vrg. / ril rti/j).

bijten kraakt, en zoeter is dan do rijpe. —njii iii r o s o

(lyin-ni-ns een onrijpe vrucht, als boven, schillen; nog onrijp zij n, van een m a n g g i s t a n of m a d j a. —

\' V\'f\'cc)quot; quot; quot; 0f i n kn. dienstmuts

voor een gering ambtenaar, van dungeschrapte\' bamboe, met wit katoen O\' ertrokken -, vrg. i.nilj ui n \\

\'\'1(1 KN ^ van een dak gedekt


70

-ocr page 1194-

J IOC) * «777 rt tui rjnn \\

nrn iir)i ruyjs

s . /

C17Ï1VJ IL) 11 (17M N tj I 11 tj l il \\

/ Sr S

ii;n yj m? if in r .vu rigt;tut lyc.n i of ij vil i ij 1:11 ? n km.;

vu mj n niy in r \\ vloeijen , als papier, of katoen

dat niet tjoed gesteven is, hij hei hat ikken. ) /\' r s i /1 T ^

i n n i ry of r il v.tj,- kn i. vl\'l. irti i in r.n tj n i ij i.m

• overvloeijcy; overvloedig, t/ew van spijzen enderg.

) / quot;) /ci (V

i ii f i ii i i n en t n .lt; i m i ii-d \\ zva. »gt;».\'/; m fo v co t ro

m\\ öö/1 overladen, overvloedig «V/.? voorzien;

. , ~) / O v3/\'

overvloedig. v.m iv»)^ gt;gt;iui^\\ zva. hii i in ni n m,^ ook overvloedig van spijzen voor/ien zijn; door overvloed van iets overstelpt.

11. soort van mangga, WW. •

r.n i iii,ii zie rn i n rii/j^ WW. volg. Rh. heeft xn i n uii/i\\ de hel. die hij r,n i n m/j zijn opgegeven\', bovendien is het een Iclanknahootsing waw iets scherps dat erg. doordringt, Af. i irnviiuiiiii,-^-\' iir^ i.ii ij i.n fi mitf r.y i n hn j ■ daarentegen is i.n i n tn/j\\ klanknah van het suizen of tuilen in de ooren, hv. door een schel geluid of door een slag.

mi iiii n(rii ki/)\\ dool\' worden dooreen sehel ge-n m l

Inid of gesehreenw, of slag; vrg. rin n niq\\

ii li i, iiji zva. i i • j / it:^ /. tvj \\ Ril.

rn « ^ /. n j zie .vij, n^hiij^

ij (irntj 1:11 ilt;ii/jy KN. plat stuk , plaat o/blad, hv. van ijzer of hout, hij telling, hv. iLgt;n f i rnui ij r.n ïj i:n ^njj\\ een blad geplet koper. — .un fi^ij n nj r n hn/j iets pletten ; nit een htok hout een plat stuk kloven (vrg. .- mm bij ti/i ;); falen, hv. van een middel of een voorspelling j niet nagekomen, hc. van een belofte. v/n ^nj m ij irn tt^ij \\ mv. van pletten, kloven. — r.n ^r.n i^n nnjj^ geplet; gekloofd; plaat; gekloofd stuk.

ij r.ntrf r.m iiii/j\\ zie im ij irn ij i:m h ii/js

r t

i n n i r.n inyjs I K\\v. zva. i \'\'y ^ V\' ü • quot;

quot;T

II. kn. een der Të ng a h a n-zang wij zen.

■) . ;■):quot;gt;

a u ij rn h ii/i\\ Zie r.n r.n nijj\\

-gt; _ -gt;

ini itin.i^ ilt; nj!\\kn. - t l u l i:ij v

vmiiim ijirm im.i of ij i ■» ? ij m è nnjl« i/rnt\'i ij ii li niiA en ijrni t ij rn 2\\\\

rn ij ii i ij.rii Kii/p zie tj rn ij rn hn/j\\

^ o . O amp; r ) quot;gt;

i ij ru rn lyti \\ ook r ij ripu) /.y of r ij ny ojI i n \\ KN.

schatting, belasting, cijns, hn /y ? y i n gt;.gt;]\\ schat-i)iigtig, cijnsbaar. (Wellicht uit Skr. hali, schatting , cijns, en hhakti, hnlde, dienst; dus .\'cijns als bewijs van onderdanigheid? pk. — prg. mi

n i .

(ui rtiiJ ).

rnriiLü j KN. zva. n ut nti/j\\ drooge suikerrietbladeren.

l . ) O

i li L tl i.ri\\ zie t il un ui/js gt;i I gt;_ v

rni.ii iü/j\\ KN. zva. i ijixt/j\\ (smaad, hoon, G.).

\') . ■) )

m i rr.tt Lci/j zie t ii i n l(yjs

rn i it i t ij\'. 1. KN. liniaal, door metselaars g eb ruik l hij het pleisteren van lijstwerk of een hoek van een muur, waarvoor zij soms den maatstok {(utitut n tut i.iji) gebruiken, die dan ook crmrni t/j genoemd wordt. — i n : i^t j v.iui^ijjs met een bl 6 hes slaan.

n • ^ ^

li. zie t:ii r.iuh\'i j\\

quot;gt; • /.. quot;gt;

ij r.m nnxndi n zie bij am it tw rrn ir.n tnjj \\ ,zie um i t lm rn/j

rn rn rnjj of irn t\'it i.itp KN. klanknabootsing van het klokkend opborrelen van water uit den grond (van het ftiloopen van water in een ingedompeld vat. Winter, C. S.; in rjt;n unjjs door het water yaan , G.) t .n t ium t i t ii m i aanhoudend stroo-

. 0 \' 7 co./ \'

men, gedurig opborrelen. — nm ru^rn riijj k\\v.

zva. nj ^rrii (tiyjs t/n hrryiu ctii/j {hv. van vlroo-

mend bloed, li. J. XXXII, 8, 5, C. S.)\\\\ kn.

iemand tot stikkens tge te drinken geven, doch

niet met geweld {vrg. i:in rt hij t trn); ieti tot

overloopens toe begieten. — inlry rriciiijj oii\'ier

water raken , onderloopen ; in het water gestikt;

verdrinken, verdronken (li. J. LVHI, 19, 1: \'•»

r.n rn t.n Siï * r n lt; \\ water binnenkrijgen, ook zva.

uit trnu it un j\\ vrg m ili rn yiijj II.) — (un j

rn\\ mv.; ook zva. HJII ■\'I rn in\\ hv. a iufinm crii lt;f}gt; m coc/.

rni.nn ïw — tun (i t tjin m n mn \\ iets onderilom-in li co 7 071 (

pelen, om het te vullen; doen verdrinken (yt

iiji i ij mi); iets tot overzadiging toe te d \'inken

. . t ) geven; iefy over iels anders uitgieten. — mm »»

\\n tnJ}^ hcl,haa](lelijk 0,1 mc^ overmaat, Ay

drinken, WW. zie het. opgegeven door Kli hu

.r n rn mi n »i - gt;

rn ui i;n ni/j\\ (i.n nnm nijj of irri v:n nm/j i kn. plank, bord, volg. Rh. dikke plank; dikke ijzeren plaat, (plaats; ii^ini ^i^^ii^rnirn nrtfjs ga liet oj) de plaats zelve onderzoeken, WW welllgl naaide Mal. het. van papan); volg. Rh. rm rnnijjs ook jig. de betrokken persoon, het gegeven voorbeeld. ///.»/ -t t.t in in/i m i n ij i)i\\ doe onderzoek hij den

icj rl \'C \'


-ocr page 1195-

:i:n fiyi*

persoon, wiqn de zaak betreft.—ivn .\'^ni.\\m(rn^/j\\ als een\'plank zijn, hard en styf.gespannen, van buikof many; vrg. rn hu \\ i\'n rnni/j II. i.iri:)! luiit m/j verdronken, verdrinken;

vrg. in ruim hiijis cmi irn niyj\\ WAV.

■) . ^. quot;) )\'

iKiiij in rnqs zie ru r.n nyj

i ti ij tur ii \\ kn. l/en. van een model van krissen , WW.

x.u »/1:\\ ^ KN. ;zz ui i. nq\\ en nj i.i^uijj\\

in gt;1 i:i2 ini/p kn. modder, slijk; vrg. i: ij riumjis

— rn if vi t ilt;ii ilt;i/j modderige plaats. *

V\' KN\'\' im i \'ffj h,)ll verschalken, mislei

den , bedriegen {vrg. . i i Lj ^ en i:y i:i^ hii/j ).

— a n ruiu ifi ini ij i.ii mot iets bedriegen. — a^ii n\\i\'}{iJls ^oor verkregen; elkander bedriegen ; volg.quot; Rh. oo/c bedrog.

v/.i:n? rj ip? \\ kn. zva. nj ip i.n/j\\ drab, moer van olie (i zij va.i dj arak, katjang of kokos), in den bodem van de ion of pot, waarin zij bewaard wordt; ook zva. tir^hn n ?

i n kn. klanknah. van een (isncii of i.n nii\\ Rh. volg. WW. ook van de val van een plank, en — irj» i.n ui (hOjj zva. i:n ki/j i.i) i i .hi/j\\

.■) \' ■) jV) •

rn of in i:n\\ K-N. 1. klanknah. van hei ingaan, vrg. fo v iq — tri rn\\ lang onder water zetten, bv. van een veld of saw ah.

rn\\ \\.zva. d^jw 2. of rn ry warme bron , zout bron. \'o ui,hm mineraalwater, (tm ui { rn\\ zout uiteen zoutbron. — {li rn rinaam van een plaats op den L a w o e, waar zulke bronnen zijn, C.S.). rn\\ ook zva. i/riu en zva.

rir kn. klanknab. van het met een doffen klank in hel water vallen van een voorwerp, groot or dan bij iuw

7— 7 |jquot; \' gt;/l in de uitdr. tj rp i hn /j zie

bij iftpii.np

quot;/rjm zva. if firt of rn\\ flg. zva. vfiutijrifs niet opkomen op een werk. — » /y j niet opkomen op o/bij een werk. 0 bet lag

clien laten, inhouden, Tj. of ook rhf r.in i;i i/inis een werk of zaak onvervuld laten. rn n.)\\ kw. zva i. ï (hj) nijj kn. of r.nrnni iets waarmee men werpt (v/\'g. ü rrrrri^\\ .rnr.nii.i\\ fig- bode, zendeling, Lakon, C.S). r.n iu poet. im cc) n,s — co\'N werl)engt; gooien; iemand

vmrh\\ 1107

of iets met iets gooijen. nifiiiiinin^ eig. met

un r/n * werpen, met ondankbaarheid beloonen;

tegenover tun lt;t i iu i.n m\\\\ m i n i n mv — co ro co

im fiiLi nij hir een obj. wegwerpen, mei iets werpen (weg- of ergens heen werpen , 13. J. XXV 11, 28, 2; LV, 9, 3 C. S. ook A. 24). — r.rrrri i*» (mji of rn rn irrn ynji\\ elkander iets toewerpen;

spelend gooijen, bv. met steenen. unni het

co

werpen, enz.; worp als afstandsmaat: i 111 /1 nj\\ een worp ver.

\' quot; \'y kn. stinken , stank Vim onrein of stilstiianil

water; zie rn riw rn ? ^ \\ KN.; ij (isnt m (hijj \\ kl, been, beenderen, knokkel; geleding van riet {vrg. ni iu \'/ quot;2/^). IVangsaltan -, t.n u i n ij rn iuj u ij mg i.t.^

mn iiji i i to \\ C. S. rniii ,\',y rihnrf een slerkmakend heen, volg. legende der Javanen, van een tijger; een sterke araksoort heet r] vui: i n i. ijj naar derg. beenderen die daar ingetn)k-ken zouden zijn \\ rn ii j van een haan, sterk, zwaar geleed. — (ini f^nj als beenderen*zijn, yerbeenen. — rn ilj n.in,i of i;n rn iu rtihi,j* geraamte, het voornaamste houtwerk bij hei ; in geraamte;

gespierdheid van een leeuw, W. 11,(56; volg. W W.ook sehets, hoofdtrekken, hoofdinhoud van een werk; in hoofd- of grondtrekken.

rn ii irii\\ kn. laag van land, waar veel water op

staat. Ki ui gt; rn ri itit \\ moerassige sawah\'s.

rnirü kn. witgevlokt, bont, {Perz. Üiij - bont, gevlekt, Jb.) witte vlek vp de huid, zooals bij ziekte aan de handpalmen of voeten ; zie ij im ij 11 mi^ BV. {in minder graad dan in in un/j en zonder bar sten) lidteekens van puisten, sehnrft, brandwonden, enz. x ikiji rn iu\\ bruine of zwarte hond met witte vlekken, bonte hond. uz gt;imili\\ bont paard,geiv. irj(if2 higt;\\ gen. in n\'ittin\'iiji\\*{volg. Rh. 0iri}ti in? nnij) , bont met drie kleuren, itïj /i.idrnliq^ {ook ^ m è ij tins Rh.), kakelbont, tiuin.rn iri\\ afstekende dag, die van andere versehilt. R. iu\\mz ■n iai inaa pj ri) ili\\ zonder een dag over te slaan , IIP. 130.

rn rj \\ zie rn w

rn i?\'i kn. porcelein, verglaasd fijn aardewerk; seherf

porcelein of glas {Wang saltan: n ui 11 mimi -////»

s s t\' r .

___ ^ ri Q • quot;\\

^3 ~~ ii:i} quot; \'s n-iVrg. ij I^IJ i i IDI kii).

70*


-ocr page 1196-

1 100 * irti gt;11 ui ri inn \\

afli tim

/ . ^

rmrj n i zie t] wrj r.n\\

ii:n rj ti.tt n • i:n nnu? fjant of tj Wi 2 ij ii:u ? \\ KN.; i?» f nj n tirjr-n? \\ vloeijen , als yapler , of katoen dat niet goed gesteven is, bij hei hat ikken.

) - ^ i /1 cV quot;)

in n iri^ of 1:11 r.tjj• kn i. vl\'t. ril rui i.n ij n ) ij i:ii \\

• ovevvloeycn ; overvloedig, gew van spijzen en cl erg.

gt; ) s c\\ et/

i ii f i n 11 ii en i ii i n i i n 11 \\ zva. i n f i r.in co v co i co

m\\ ooit\' overladen, overvloedig van iets voorzien;

, ) /• p V.v\'

overvloedig. - v.n i-nnij iim/js zva. i.iii iii ni n (infjn ook overvloedig van spijzen voorzien zijn ; door overvloed van iets overstelpt.

11. soort van m a n g g a, \\V VV. •

i /1» lil,nis zie i ni n mis \\N NV. volg. Rh. heeft i.n

ii i \'H 1 # ^ ,

i:ii iiiii\\ de het. die bij ru i nanij zijn opgegeven\', bovendien is het een tianknahootsing sww iets scherps dut erg. doordringt, bv. i n niiuiiiii^-\' cic^ ». y un fiKiiQ im i ii hii/j gt; daarentegen is i.n in riyj\\ Idanlcnab van het suizen of tuiten in de ooren, bv. door een schel geluid of door een slag. ilt;ni:iii:ri(riiin/)\\ doolquot; worden dooreen schel ge-luid of geschreenw, of slag ; vrg. iinnmp iirh xr.ii h ii/j zva. j i ƒ / ] igt; ii^ij \\ Rh.

^vy iiji zie

ij lyn\'i i:ri i\'iiIf KN. plat stnk, plaat o/blad, bv. van ijzer of hout, bij telling, bv. iibii if^riiiji i^nriyj rii hn\\ een blad geplet koper. — i n quot; i quot; ]

iels pletten; uit een blok hout een plat stnk kloven {vrg. /1 ii ) bij \\iji n i); falen, bv. van een middel of een voorspelling\', niet nagekomen, bv. van een belofte. in i j if in ij i:n lyij \\ mv. van pletten, kloven. — ^ geplet; gekloofd; plaat; gekloofd stnk.

n irntrir.m Hii^ zie im ij nu if nu it fi/j\\

T 1

«n ru im nvjj\\ i kw. zva. injfijj vrg. inniin \'nijs

ii. kn. een der T\'ê n g ah a n-zang wijzen.

nm vn i n un/js zie r:n r:ri (Yii/is

o _ lt;rgt;

ini 11 / i i^ hiijj^KN. - i nu(LTjj hiijj v

ril ij n n nrm hui of if 1:111 if mz rjr.y tif

ij im nii/i en ï^rnzw

i.ri ij 111 ij.v.r} nii/j\\ zie tj rn ij i 11 i\'ii f

quot;) o , O O ) rt

I y nj i.n i,h \\ ook r.ij n^ 111.y 0/ /.y 1tui u/\\ KN.

schatting, belasting, cijns, hii i.j rij ru^ i n lt; ?i\\ schat-pligtig, cijnsbaar. (Wellicht alt Skr. bah, schatting, cijns, en bhakti, hnlde, dienst; ^/w.9; cijns als bewijs van onderdanigheid? pk. — Vrg. nj})

n o v (UI (Lil ).

rn rn(Ui/j kn. zva. nnJiKti/js drooge suikerrietbladeren.

00 • ) O

rn v.n ui js zie 111 111 \'Uiy \\

i.n ri^ia/js KN. zva. (smaad, hoon, (J.).

) . quot;) )

1 11 1 j-rn in/j zie 1 ni n in/j^

riii.nii/f 1 KN. liniaal, door metselaars gebrui/d bij het pleisteren van lijstwerk of een hoek van een muur, ivaarvoor zij soms den maatstok {iuimi ij 1,11 i.jj) gebruiken, die dan ook rninii/j genoemd

wordt. 1 11 (ijijis met een hl 6bös slaan.

... V ï .

II. zie 11.11 r.111.1.i\\

ij rm n Kivi nus zie bij vm n.iw r.n m nifl \\ .zie rn 1111:11 tii/j \\

111 nrinji of (iyi rilr 11 kn. klanknabootsing van

het klokkend opborrelen van water uit den grond

[van hei Moopen van water In een ingedompeld

vat, Winter, C. S.; rn rji.n hii^ door het water

«man, G.) nirn (in rn.irni 1 aanhoudend stroo-0 \' 7 ener

men, gedurig opborrelen. — i/n lï^ir^rn rujj k\\v.

zva. ti^ rrrncriyi^ i/n lt;in r^tixi cyiijj (bv. van siroo-

mend bloed, 13. .T. XXXII, 8, 5, C. S.)nn kn.

iemand tot stikkens tge te drinken geven, doch

niet met geweld {vrg. rm ri bij m i.m); iets tul

overloopens toe begieten. — nnaripLW viiji oivier

water raken , ondorloopen ; in het water gestikt;

verdrinken, verdronken (B. J. LVIII, 19, 1 :

rn tn 1.11 Sn m r3lt; \\ water binnenkrijgen, ook zva.

un r.iri^ un j\\ vrg m 111111 mfj 11.) —- 1/11 \' j \' quot;

rn\\ mv.: ook zva. iijii fi rn /n\\ bv. (in ifi rint 111 (f}gt; in coc/.

rn /, 11 irïw — (Lm f i i i rii rri iiihii^ iets onderdoin-(ïii 11 co j m \'

pelen, om het te oullen-, doen verdrinken (|tquot;j

dji ^rif Kii); iets tot overzadiging toe te drinken

gt; )

geven; iefrs over iets anders uitgieten. —

\'lcr\'iaa^^e^J^ cn met overmaat, bv.zamen

drinken, WW. zie bet. opgegeven door i?li bij )

x n i n nn \\

n

i niLirn m/js rnnirniii/j of i.iirnrmq t- kn-plank, bord, volg. Rh. dikke plank; dikke ijzeren plaat, (plaats; .1^ rn ini ia hj fj iry m amjj \\ ga bet op de plaats zelve onderzoeken, WW welilgt nanr de Mal. bet. van papan); volg. Rh. ajrirn rnjjs ook fug. de betrokken persoon, het gegeven voorbeeld. /; u 11 ^i i.j nrinn rn rn 11 nis doe onderzoek hij (hu

^ J(; rl \'i. \' in


-ocr page 1197-

persoon, wicu de zaak betreft,—dm rj^m als een\'plank zijn, hard en stijf, gespannen, van buik- of many; vrg. i n k»/\\ rij rn iu/j II. i.n r.n iLinti (m/j verdronken, verdrinken;

vrff. in iLt :i:}l h\'tjjs .r.ïi r.tt n i/j \\ WAV.

•) . \' ) V

i }i r j i n hkjs zie r nm rrtjj

(i:iin iu i:ii\\ KN. ben. van can model van krissen, WW.

i.n gt;/^ KN. ;— ir^dJi HVJis en irn^ i.tjjs

li7\' 7 KN. modder, slijk; vrff. i: ij i.n gt; onji\\

— \';p 7 V? nl1 aft/) modderige plaats. %

|j\'\'y ,\'^N KN., njn irrru ^ wi/j. verschalken, misleiden , bedriegen (v/y. . i ^ en nm r ).

i n f iu i i.i i.n if un met iets bedriegen. —r- n:ri

cct (l: quot;i i .

M ifli injl^ door bedrog verkregen; elkander bedriegen ; volff.quot; Rh. üo/c bedrog.

rj i.ri? rj 2\\ KN. zva. iij vt i,ii/j\\ drab, moer van olie (V zij vau dj arak, kaljany Of kokos), r/fw bodem van de ton of pof, waarin zij bewaard wordt; ook zva. i:r^ nu iuj ?

•rn KN. klanknab. van een asu i n of i,ii ini\\ Kh. quot;• r,

volff. WW. ook van de val van een plank, en —

ivj\' r.h lt; ;j tinji zva. a ii kii) i .h i i mi fj \\

of fun.ijp\\ KJ*. 1. klanknab. van het in ff aan, vrff.

intijns king onder water zetten, bv.

van een veld of saw ah.

rn y i.zva. (uji^w 2. ofx.ili\') warme bron , zont bron.

\' quot; N mineraalwater, cun m % i:ii\\ zout uit een

zoutbron. — ( u im r:) tn/js naam van een plaats

op den La woe, waar zulke bronnen zijn, C. S.).

{jquot; n ook zva. ij itï) è en zva. ij n.)i ri ijhw

;■»» KN. klanknab. van het met een- doffen klank in

het water vallen van een voorwerp, y root er dan

bij (|yj\\\\

7 ? — V \',jquot; \' IQ 1,1 de uitdr. ij vu hnj »ƒ r ii \\ zie bij i]ip2.hni\\

7\'jj7?N zva- \'/\'ty* 0f \'•{\'N fiff- zva. vjrunjriis niet opkomen op een werk. — i?i ^ i.ii2 ri\\ niet opkomen op of by een werk. het lag

ehen laten, inhouden, Tj. of ook — 1:1 ij i.hi m gt;/Kti\\ een werk of zaak onvervuld laten.

i n iu\\ KW. zva kiw uyj kn. of iets

waarmee men werpt (vrff. ü tn.tu^ r.ih nn\'i\\ fiff. bode, zendeling, Lakon, C. S ). imi i poet. imibhwts m i i iCiw werpen, gooijen; iemand

of iets met iets gooijen. i n f i n\'i lh i n \\ eiff. met

iigt;ii(ut)\\ werpen, met ondankbaarheid belooner»;

tegenover tiw it t iu hn fhw — run u\' j h i m mv — co ro co

rw/M n\'i li ij nu een obj. wegwerpen, met iets werpen (weg- of er ff ens heen werpen , B. J. XXVII, 28, 2; LV, », 3 C. S. ook A. 24). — in ft li i\'; ti^/j of vm in il,i 1:1 thfiji\\ elkander iets toewerpen; spelend gooijen, bv. met steenen. u.fiiii het werpen , enz.; worp als afstandsmaat • i / 11 : i iu \\ een worj) ver.

\' quot;kn. stinken , stank van onrein of stilstaand

cy

water; zie im iiw

kn.; tjnsiidw^ithn/js Ki., been, beenderen, knokkel; geleding van riet {vrff. i y n\'i tj ndu

Wany saltan-, nu ui li ij i.n lujj --- 11 tj iu?/• i,/)\\

rmfrvi i^ ih — d ki\\ C. S. i ii 11/ •. n 11 een

sterkmakend been, volff. leyende der Javanen, van een tij ff er; een sterke arak soort he óf 1 ] ma iii) tinji naar deny, beenderen die daar imjetrvi-ken zouden zijn; t u vaneen haan, sterk, zwaar geleed. — i n i^iu als beenderen zijn, verbeenen. — r.n ii I ui jn/j of i.ni.n iui 11 hi^ geraamte, het voornaamste houtwerk bij het bouwen ; in geraamte; gespierdheid van een leeuw, W. 11, 06; voly. W W .ook schets, hoofdtrekken, hoofdinhoud van een werk; in hoofd- of grondtrekken.

i nijiiKs kn. laag van land, waar veel water op staat, m ui 1 i n rf ilit \\ moerassige sawah\'s.

lh ru kn. witgevlekt, bont, {Ferz. ixlj , bont, ge-

v

vlekt, Jb.) witte vlek vp de huid, zooals bij ziekte aan de handpalmen of voeten ; zie ij ui2 ij ut 1 n BV. {inminder yraad dan l.ilili hn/j en zonder har-steii) lidteekens van puisten, schurft, brandwonden, enz. */iiihJiL:ii iu\\ bruine of zwarte hond met witte vlekken, bonte hond. i^: n 1,1 iu\\ bout paard,yew. Tj ii^2 ui* \\ yen. i iin\'i.Liiiij \\*{voly. Rh. ^iLiXjni? nn/j), bont met drie kleuren. 1.11 n iiiii^a n i,^ {ook ij lui ij 1U1 \\ Rh.), kakelbont, iulkj .r.iiiu\\ afstekende dag, die van andere verschilt. R. nn/iu n i n innPi pi Lii ili\\ zonder een dag over te slaaii . RP. 130.

17» 1 j\\ zie tiyiw

111 n \'i kn. porcelein, verglaasd fijn aardewerk; scherf porcelein of y las {Wany saltan: tui iji i ^ ilt;ij nn -/////

_ ) Jv r. 0 . 3.. \\

^ — l:iiiii\\ l.. a., vry. ij hn^ij / 1 l i un).

70*


-ocr page 1198-

vni ij rti i i ^ \\

T »

(177) rj.

1108

artt tjj of in zva. tnnn* dwaas, mal, onwijs, WW.

O . , quot;)• O . O .

iD iv^s ver/c. van u n t injw — rit i i injjs naam

van een plant, Tj.

(i:y \\j zva. \'rjj i juiip van rook (,i; m), die in huis

blijft hangen en de Icombuis niet uit wil; zie ui

in J \'in lt;h/

ti kh ii)i\'.i 2 n k#n . (mot. ccu zwarten kop) en witte vlek boven de wangen, van een mnp i\'ti/j; kale-plek als lid te eken boven de slaap, WW.; volg. fih. een volwassen oni p \'• ^// n die een rooden bek lioeft; de jonge {t/iiijii gt;i lt;io/) \\) hebben een zwarten hele.

n in ? iu \\ kn. I. touw waarmee een vechthaan de stalen spoor aangebonden wordt. — un^j i een vechthaan de spoor aanbinden \\V. 3. een boom met breede bldren, die na eenige toebereiding met vrucht op wonden van dieren worden geappüceerd, llli.

\'Yjxtïi2!et\\ ■ kn. wormstekigheid van een vrucht of rietsoort , vrg. if t n ? ^ quot; \' •— wi rj if in\\ tp. zva. rt gt;ihn/j v. ij nunj aan stukken snijden of hakken,\' bv. een geslagt beest. — iii.m n n\'i t.inan^ bederf als boven hebben.

nr.m ij u\'kn. gat {doorloopend of niet) \\ een gat hebben; imihn0 muntstukken uit den ouden tijd,

met een vierkant gat in het midden, {vrg. i n iin

(ju

en tj rn ê n r:n / nyj ); jlg. opgelucht, verruimd , van 7 gemoed {vrg. ^rfn y vn

een gat in iets maken, WW. volg. Rh. een gat

■gt;

vormen, een gat zijn. — vu /ƒ ; u ij n nri een .gat maken in, en mv. (in *1 \'/\'tv? 1:1^101 \\ maken, dat ergens een gat of opening in komt ; fig. iemands gemoed verruimen, zijn bezorgdheid wegnemen — ij in? yj ili? 1 1 mp opening, gat.

itiiu ii\' v kn. ; gewf .r.rt tu t 1 gt;in tiï nj poezelig, mollig, van een kind, met een blanke, geelachtig of lichtbruine tint {en met mooije grootc oogeji , G.); blank en mollig van een kind, quot;Rh. (freq. van

• quot;gt; M quot;» x

xn rr» ? vrg. r.n tuxr^ {^ irti ij u 11 1 q).

1 n n?i 1.1 ^ \\ KN. I. r.ti nj r:ij r.n wiayj of 1 n lu xy^rn het hoofd gedurig regts en links draaijen, wild om zich heen zien (gednrig omzien, bij 7 ver: laten van een geliefd voorwerp, B. J. LI , 5, ;), C. S.; vrg. tuuriiHj). 2. zva. r.n iu 11 qw

,rn ij m /1:1 s\\ zva. am iu r.tqw \\ï. J. LX ,1,7: (r.n ij ru

gt;.i)i, y /.y v van twee groot e kampvechters, li h im a

en S0ej0 dhana, C. S.

n:nri\\ kn. een bedwelmende stank, bv. zooals van n.

gas. rn rn 11 \\ dientengevolge bedwelmd, ook door te veel drank, enz. . — 1 n iaji rn ri n\\ rn u

11\' (y \'y

makend , vrg. trn ri \\ /lt; n rj riw

rrn kn. jonge gans; r/y. rn (hn ^njjW Wang-

saltan: r t) it(pjrn ^ zn: rn ry C. S.

jTimn kn.; rnrnrr verdraaid, verkeerd, verkeerd n \'

handelen of een verkeerde opvatting hebben , zich laten bedriegen, {vrg. n/nri). — xmu/jiji \'rrtiij rit nn \\ iem. op een dwaalspoor brengen, om den tuin leiden; verkeerd doen handelen, of een verkeerde opvatting doen hebben.

rprnijiis kn. \'ij r.n ij rrtj i:n ij ri\\ zva. ij mj 11 ij 11 tj i.i\\ roode lippen hebben, WW.; volg. Kh. aan-hondend glimlagchen; vrg. v- 77,\'\'/

zie vj tLi ij 1:1 ij 1 rn z ij ri? KN. herh. zva. / ? /11 rit \\.

cr/Vy „ . Cy , , lO-V (O )

rnrn of rn 1 j\\,n kn. hoepel, vrg. rnunw rn 1.11 nï ifiyn 1 1 iKtj)\\ de hoepel vaneen wiel om de vd(j\\ ook van een iJ) lt;ij] /.»n zich krom

men , buigen, ineenrollen, als de miereneter.

i n .lt; 1 i j nn n\\ iets van een hoepel voorzien.

(OCT

rn \\ kn.; lUitenm of r.n rj 11\'1 i^ngt;\\

alles ondersteboven, in wanorde, ongeregeld ; vnj.

/ 1 n iu 1.1/ s* — i/J7 I iri un gt; onderste boven kee-\' j co \'

ren ; bij het zoeken overhoop, door elkander hallen ; vra. mnn i.nun ri typnji sw — t imni (aJI _^\' en

rn^in\\ mv.

cu

rn tj n i x w \'\'1 ^

rnihnrn/j\\ kn. — rn rjgt; nnun/j- in verlegenheid,

in de klom zitten, in het naauw gebragt. i n ifnjj\\ zzz BvB.

rnrj iu ti nn rn/j Ml. zie tj iü if nn (hn^s rn rn \'c.i/js KN.; irfu.niliHi/j of i:h Hnry:Hijj\\ ifit ver veling trek hebben cm hei een of ander te eten of tó snoepen; behoefte hebben tot praten na een tang vervelend stilzwijgen \\ volg. Rh. tengevolge van lang te zwijgen een soort van mondklem hebben , niet kunnen pralen.

v v/f\'2 v \'-i?s 7 77 \'? ^

rn ri\'Y?)\\ kn. gegarneerde rand, bv. onder aan reu do dot, van de in wiekjes zaa mg ed raaide inslag-


-ocr page 1199-

i;n t \'j tn \\

.110«)

i n ij?*

draden oan den daarvoor oen handbreed losgera-feldcn onderrand (Wanysallan : / / //1\' i.n ; i

intrr C. S.).— i n f i .1 ni\\ een do dot vun

n lt;\'

\\\\.n m(Hi/i\\ met zul/re

Tj.

zulke franje voorzien.

franje versierd; oo/c gegurueQj.\'d vau een koéloek of

r.

\'7N KN\' {}Vany saltanrti ij nu ht)

/j .ui jn hn r i ZZZ r.rt\'ih: tip C. S.).— in\'iij

de handen in een boei sluiten, iemand een I

• o

handboei aandoen {fuj. i j rt i n ij gt; j njn n ,

|\' o *\' \\ ^an(Jsa^an S.).

(ijmifhs zie

iji.miurnnï^ KN. kettingkogel.

rj i:n ? iu tj xm? n\'n KN. nit allerlei kleuren zamengc-steld , kakelbont; vry. in n\'i ? ^ h) n iij\\

zie vrh w .it/)(ui\\ 1. KW. gond. G.

II. ()ƒ r.n u unji KN., n i KI. valt;ler, oo/c als ver eer end e titel. Zoo noemt de So e so eh oen an den Resident van So er ak arid in i iv teriöijl bij den Gouverneur-Generaal als tj i n iii betitelt {mi uji in poe zij ook, even als i n /. n \\ in toespraak tot een jongman, B. J. knv. Krit. XLV 111,1—2,

van Sal ja tot iïakoela, vkl. aAi n m \\ C. S.).

n. ) o \' . i •-»

i 11 )t ij i, n ,// m waar ia vader r m ini \'in \\

\' ei

in iwrj hn \\ m (ui rj hij of rn u im lypj \\ zijn (haar, hun) vader. iu hmjjs verk van rn u nn,j in toespraak, {ook toel (vi ij hu \\ vader!) en in zamen-stelling met den naam van V eerste kind, naar \'t gebruik hij de mindere klasse der Javanen, als n 11 (hn/i*. v a k a s i m a n , de vader van Kas i man; rrnuhi^ia uu r) i.j ^ n ij i.h ^i ij hiy ij nu i.njl W ira-troena, naar zijn kind genoemd Pa k Doj o k • — soms ook met den nieuw aangenomen naam van den man zelf, vii.nm vader j in onderscheiding van zijne vrouw: \\ n ti I (0f \'^i lu)is in\\ moeder Djaja. Door \'

..

zijne vrouw wordt hij veelal naar \'t eerste kind genoemd ui ij /gj.» rj m of (li i. m ij uj ij 1,1 gt; ij n r vader van t knaapje, of tut tj iAi\\ muiiij i.j i?i ij vader van \'t meisje, of ook wel eenvoudig i iiiuijiiys (de) vader. — l; i^jjijon grootvader {vrg. 1,111.11). li i.ij iu ilt;ii j\' kn., 1l/1101 ^11 il](Isii,j\\ k. of Ki. zva. ij n hij\\ oom, vaders of moeders jonger broeder. (U hn ij ui\\ kn., .vii.ii ,n(rli\\ k.

of KI. zva. iiynn ook zva. 1,11 hnw tui hn Sn igt;n ■bii/p pleegvader, WW. i n i i i.n 1 yN zie uri.i:n\\\\

iii\'iiis iemand vader noemen, als vader er-

co

kennen, eeren, zieh liet air geven van een vader. un (izn 1 \'i \\ pass. — rn n uis\'op den leeftijd gekomen van vader te zijn, ongeveer van 25—40 . jaar, //quot;/ /.^0n dien leeftijd te boven. — 1 n f 1 11 ijj \\ vader o/ als vader zijn over; ook in Men zva tin i:ri A.nnfls zijn vad\'r gelijken, sluehteu.

vniijj- kn. sterk, stevig, forseh, Rh.

o ) y , iM

irn iL^nKW. zva. ni ri\\ n/n ij 1 n j (u m v {Skr.wa-

pra; wal, poort. enz. B. J. kw. Krit. V. 2, 8;

■gt; (\'y , r

vrriiL^iia igt;irni\\\\ r.n .i ; nz in jy\'iï ? XLVi,

23, M: in i\'inji\'iï vkl. ini. iil\'i\'ïjh nén \\ (\'. S.).

/ co 1

m zie :i:n i-j^w rr? (ui i. n j zie rn tui \\ II.

m ;?\\kw. zva. \'tii ij {Skr. hhoépati, vorst/^7 bhocy aarde, en p ati, lieer), kn. iniiij.unèii^s k., heer, landvoogd; bepaaldelijk titelvati een Regent op dava. ^ k1 aji i n\\ de Vorst. — ; 1 y u .uit \\ kw. vkl. uiini ij .uri2 w Jnii.i^.ui un ww — igt; n 1:11 iijirjosn dn^ regentseliap; tot de waardigheid van een Regent behoorende. —- xn

o n

/ 1 li 11 ui i.j \\ kn., uil ! i ui li iUn ? 1.1 .7 \\ k. , een clt;f 1 y gt; (.1 1 \' .

landschap als Regent besturen; zieh als een-Regent voordoen.

o

IIJLIiyi-.mi.l^\' ZIV ll^iLILIiW

r.n tui ïyi kn. een borstplaat, meestal van koper,

als distinctief - R h.

vrn (lx kn. bijnaam van de wajang figuur Doersasana d\'*e met de armen links en regis, niet ten olie uitgestrekt, maar e enig zins krom naar beneden, of ook hoog in de zij, en met levendige bewegingen en stotterend wordt voorgesteld met de armen als hoven, in de spreekwijs 1 n him lui/i. i fai 11 Si (vrg. nn\'ui \\ i:lt; ui u n ook ben. vaneen w a j*a n g-spef, G.) (iiiirii i\'i zeker fatsoen van oor krabben , nl. breed aan de voorkant; een bijzonder soort daarvan: f 11\'^ i.ij B.; volg. Rh. ook \'een soort van lange mangga. in n 1 iuui zie tun n ■un/iw — i n f 1 üi\\ de armen uitstrekken of uit •gestrekt honden als boven, een houding aannemen als Bapang, bv. uit overmoed, vermetelheid, enz. {als gebaar van opgetogen blijdschap, 15. J XIV, • 12, 4; v.n (uiun i,?i 1 y i/n uy li. J. N. Krit.


-ocr page 1200-

n

I :n i.i {

1110.

I ll II

XVI, 9, ?; m nun i i li n S.V intii\'i

ro fo

j I ij mis dè armen uitstrekken, dwajs hoiuieii,uls boven. — ir.niLiiinrj\' soort van vlieger; velg. CP. ook een bijzonder fatsoen van huizen, m ij] \\ kn. gtoote lange ooren hcblaen , G. z am entrekking uit \'/j nu ^ ; en i. n rï\\ als scheldwoord\' of spotnaam. •

if nu -.) iu kn. valkkleur, van een paard, nam. ligt geel met/.warte manen (j»i staart; volg. Hh. witvaal en zwarte beenen ; {pok naam oan een bloem, WW). — i n gt;i ; u ij :r u\\ op de armen dragen , bv. een kind \'of zieke {of een lijk, B. J. G, Krit. LXV , 4, C. S. zoo ook in Men.) j ook zva. ij ut ifiyiu\\ zie bij ij i ii rjaintw — i ntf t u ij i\'u rï mv. — i ij i iu ij i\'i s i i ui j wat op die wijze gedragen wordt; i in de armen dragen, ook bv. gras of hout dat j men zóo omvat en wegdraagt, li.

i u ui kw. zva. \'umi iaji li gt;i kuji n. in de spreektaal zva. urn {volgquot;. Rh. dial. o. a. in Sama-rang en BagHèn).

Cl O

i n i.oi \\ kw. zva. ijiniris org. i imii.n y

tm ij i n 1. zie im kii ru/js\\ — 2. of imri ui khjjs j

KN. ; i ii ! i ii i i \\ of i li i ii ici i,ii/} ook i ii } i ii ici i

( ^ gt; j . co \' « * ( o \'

uii^\\ iets gissen, raden.* voorspellen, verklaren ! {i i] rj ij ici\\ zva. ij iji\\ B J. XXI, 7, 10; hj | Ln^iii ij ij n ii fre n l. ). — i n ; i ij ui ij \\ 7nv. j

- ccn ij h i uj hi/js gebr. i n ij ut itu iny. of i:ri tj ui

ini ,hijj\\ obj. den.-, elkaar raadsels opgeven, raad- :

i • 0 sel, vrg. ui in^ f i injj\\

vnuu kw.--i iiPi\\ zand, B. J. Krit. LX, 0, 5,

C. S.

irn ij ui? am. zva.. uj ip en irna/r^ ui^ quite, pa

ri, remise; kamp niet winnen en niet verliezen;

1

• .zva. i.i 11 \\ i^w ijn w ij ui i h ii ij i. ii \\ zva. (u ^

(171 ij kil \\\\ WW.

ih ij m kn. eeti roofvogel met grijze verren, groo-

ter dan de uj rvj \\ de staartoeéren zijn zeer gezocht

... ■gt; ) i * quot;) o

voor pijlen. i ii ij uii i n n i i.iijj oj 11 i.i i.^i n i i.n/j

een kleine sóórt geparelde i ti ij ui i \\ twee groot ere

soorten zijn innmi.nj en, tiinjKinw

iji.niJis kw. zva. .i iiiii ri/j\\

ij mig iji \\ kw. T. zva. n n i?i in/j\\ Skr. de hei

lige vijgeboom, licus religiosa {vrg. nj n).

11 O o quot;gt;

II. zva. v.iiij riiiis i.ii iji {vrg. i n i i jvgt;

ijx.\'ii i tj ui i n kn. , \\ k. {of ki. ? of beiden kn.?), onwetend, onervaren, onnoozel, dom m ij in? ij 11 i hu i j ii i \\ naar mijn c\\om verstand, nederig, voor naar mijn oordeel, vj i\'i nnj uiu n ni (Ui\\ tj si? i i ij i~iu ij gt;uni\\ (gij) zult o/* (hij) zal niet onnoozel zijiu, het wel begrijpen, voor: (ik) laat het aan (uw, zijn) kennis, oordeel of inzigt over; waarvoor men in Oost-Java zegt-, yjuiuij\' ij-ti u*l ij iuiw i/n ij fu ij in iemand iets zoeken wijs te maken, WW. volg. Rh. zich dom enz. houden, — txw iuj rru ij uu of (un ij * ri ijwi ij iem. iets wijs zoeken te maken; ook iem. voor dom houden of uitmaken , ook fig zva. ./ /1 n ij uu\\ zie u » n gt;j ia ?n\\ — » n gt; / ij im ? ij ui t i.J boter willen weten. — m ij f u rj uu i ii\\ tot iemand zeggen, n ,\\i ? 1.1 tj irn 2 rj ui ? i:i \\ aan zijn beleid overlaten, W. P. 490. — un ij f urj ui 2 mi , ij kii\\ iemand voor dom honden o/* uitmaken; {iemand iets wijs maken, W.). iiiijtuijijiiun^nijiai {i/nijiuij

IJ l il 2 IJ UI }. /. U ,7» IJ I, II \\ li II IJ f 12 IJ il 2 l \'l IJ 1W N (r.) ,

n., i n ij t n ij iu i i lin.injj\\ k., iets geheel aan iemands beleid of inzigt overlaten , toevertrouwen, aanbevelen.

lil ui gt; \\ kn. scheur, bv. van een kleed, snede, bres; gescheurd doorgebroken, bv. van een dam; lie-magtigd, ingenomen, bv. van een stad-, scheurtn, doorbreken {intrans.); het scheuren, enz. {vrg. i j gt;i •rjuinfnjjs irn iu gt;\\ l^ïji gt;). i ii fuui%\\ scheuren, in iets een scheur maken, bv. in een kleed-, een muur of daw doorbreken ; een bres o/opening daarin maken ;. een rijk of stad veroveren ; im\'ii ui j nj ij in2 iisyjs de sio£ voor een buis aan den hals uitknippen, (-.i n ; iui s cru ij(Ui2\\ de voorraadkamer aanspreken, groote uitgaven doen, WW.), i n i lt; -ri! rn \\ gezegd van heel hard spreken, alsom de i.ii

i ii .■ i ui gt; i \'i mv.,

c.n

iii\\ te doen barbten, Men.

ook uit een stof een kleedingstuk quot;knippen (i\'i iels een scheur of snede of opening maken, G.). — i ii f hui j tun rj kii maken of veroorzaken , dat scheurt, doorbreekt of veroverd wordt; iets laten knippen tot een kleedingstuk. — im ui qnjn un^ obj. den. het doorgebrokene, de gemaakte scheur, bres of opening; geknipte stukken voor een kleedingstuk, snit.

o • .

mncii.i/S kw. zva. (Wikiiki/js

) o Cl ^

v.ii icirjrmi2\\ kw. zva. kii .u ki ir^/js ij riii\\ cm t*


-ocr page 1201-

^ a ii

Jill

,iiiclt;(rii/i\\ KN. tussclien Jioop en vrecb dobberen,

) rgt;

op twee geduohten hinken. — ii/ri*ruin*ilt;rnit iij\\ zul/c een toestand veroorzaken gt; inconsequent makend.

,i7ï? io»n KN. niet doorgaan, verijdeld,. geen gevolg hebben, ho, van een voornemen of gelofte {vrg. \'j^\'p :ut) ibii n ip (Fj^niui)\'; volg. WW. ook ontdekt, openbaar gemaakt, van een plan\', vrg. in i:ri\\ ijïai nij ri — Jlt;nvnui njU/j ontdekt,

uitgelekt. — (vn f n\'on-ivj i^n \\ verijdelen.

m i^i l. zie .li ïi. een soort aardvrucht, die in

tijd van hongersnood» gegeten wordt; {ook i:i rii \\ of in i.i. nit^ Ki/js gen.) de bloem i n i:i gt; heeft

een zeer onaangename, slinkende lucht.

s ... , ry

kn. een nviervisch gr ooi er dan een iiinw

mi ij 11 rh \\ fKangs. op t n l i i^ij i i j \\

r»r/j)V\\ ij^jjij im toi\\ Mal. ongev. zva. lej i.iy meestal

van écu boomstam gemaakt, Rh.

i hfiyt\\ }iS. een opzwelling van de huid met puistjes. zooals de roode homi , vergezeld van hevige jeukte ook bv. ten gevolge van te veel gal. — nn . 7^, »)n zoodanige opzwelling veroorzaken.

i \'l\'f t\'-\'i\'rivhtöjj zie m r* VII.

»ƒ i n ij ijm kn. ijzeren of stalen pijlspits.

LiLULi. n/j^s kw. zva. f i y) iiiijjw kn. ili.iiii ici h n/js paau-weveeren . iuz. de staart, i n /j» mi/j of un it i nn i.i hiiji\\ waaijer van paanweveeren, (Ks ) Rh. un i y ui Kihiiji voor i,n 1:11 Ln i n l i i,n,waaijer van paauweVeêren, zoo als er twee tot de onderschei\' diugsteekenen van den Vorst -, van zijne echte kinderen en van den Rijksbestierder behooren; soms ook bij den op logt van een bruidegom door twee personen achter hem gedragen {Wang saltan : xm gt;ii L:n ici \'iCi\'^\' iJf i fi \'i —— \'«nvyiui j\\ C. S. volg. llh. lii n if.n net ifCi\'^i^^JLi\' *\' \\ ), volg. CP.

\'• nJ\\ bij de oi lC/i hii rj u) jli/j nn nj nni.i.niq bij de nnnvt i j ui w

iiiiJLi.n/j\\ {of rix.ni i?iilt;ii,i\\ WW.), new. m lx kii n . • ^0 !

Litiiiif.s KN. soort van ponjaard, door Boeginezen i

algemeen als kris gedragen {vrg. r.ii x?iY — x/n *

n \'

met de imd^nnin steken.

rnijxzi I.j^s isiiflifMhioi^ zie xn ij li, 2.

\'ij lx i,ii j kn. slaaf, slavin, bediende, ins. bij Europeanen en Chinezen, die vroeger slaven plagt en te houden\', anders geiv. ixi (vrrj \\\\ — iiifiicii,n/j

{of if\'h /, i inr/i WW.) als boedak dienen.

1 y zie i y uy 11 jf \\

a a

ij r.ii iui it ii/JN zie iniii.jip

iiKK^iu/j {of riitvc/iasiyjs ww.) .kn. grappemaker, hansworst. — »ƒ r»» y it» zie y i n ij

gt;! i.ii xuijj — x.n li l^i?i\\ bij iets de rol va*i hansworst vervullen. — imc^ynhi^ limsworsterij; een publieke vertooning geven met hansworsterij. i riicnui/js {pok i n ici bn j w. 11, 4v7) kn. 2va. Ij (K I lf IJl 21-11 IS P.I.

O

(i:ii ij ui 2 ii:ii/j\\ KW. zva. isj i.ii i n lt;f- /(IJ) i lt;. \\gt;

i f i ii i

ro \'

zva. i nam i,n hi \\ G.

lt;J !} Ö

(cdij).bim\\ kn. los, losgegaan, losgerukt, bv. van

een slot-, ook fig. los van zeden; vrg. i:ii itlt;x:ir\\ lxiuji xus {volg. Rh. Samarangsch) zva. iLi:iJiiLn\\ nn najiiLi/p kw. en oj. aap; ook een uitroep van verbazing zva i^li i r.fj of ij lt;1,112 xrn iLi/f\\ gew. her hi. Lii )j lx Lnj lx 1.1 j\\ PJ. {in Bag eten en Kedoe .Rh.; zie nog in WP. 414 bij x.n ij ui li ij 1.1 biijj\\ aan lil 1. onbekend).

)

rn li i i\\ kw. zva. ti 1 1 n i ( n

o 00

l.ll 101 01 \\ kw. zva. 1 LII 11 hllfU ij\'LU l I w

ï .

Lil 101 LI II MJjS zva LI LI \' ; 1:1 I, I J N

rti.ici n i/j kn. klef, sigaar, volg. Kli. gebr. uilx

il LI fj \\

x.n i.i n i,i\\ kn. zieh losrukken, van een paard dat vastgebonden is, Rh. op hol gaan,doorgaan, van een paard. WAV.

i n Lx iLijj\\ kn. grondw. van 1 n 1 1 nx/j \\ fig. ligt kwetsbaar ook van de huid of heenderen, murw, broos, in tegenstelling van lt; j week los,

in staat van ontbinding-, enz. —- i n f n:x iLi/j of.

II (ioim/j* in dien staat van zaehtheid zijn {door bederf, mufheid, rotheid, of over gaarheid), dut het zieh gemakkelijk stuk laai trekken of uit elkander halen, als touw, laken, katoen of vleesch; ook van hout door vermolming. — 1 n .• lijivvi ij ij ilt;n \\ raus. {een man moet niet huilen want dan

is het gevolg)-. ulij iu 1,11/j\\ W. 1 , 52.

) o , 1 ...

/ n ici 1111 I. n., 1 1 rni i n k. , schietgeweer. — 111

t i i x 111 )\\ 1 in nn 1 11 \\ met een geweer schieten; iets

CO \' C\'

of op iets of iemand schieten; ook zva\'. \'111 ,• 1111

co

Lini/fS i:in 1 m i.ii \\ schieten met onbepaald voor-

■ • / ~) v 1 1

werp, jagen {vrg. rylh lx riiff). — iiifiix

a quot;) 1 ^ -) . )

III \\ mi mi (üii :i±i mv. — 1 n lx 11 i .ki 1 1 1 r.in ihn

^ Cl quot;. \' r.


-ocr page 1202-

1112 i n if.iiï n ijj«

hjQOfl\\ met ccn uuder of met elkumlel•, tegen of op elkunder schieten ; een nagemaakt geweer voor speelgoed, l?h. — li ! riPt njjj\\ luia^jjirm tbii \\ liet

schieten . schot, m .• i ij} /i /zin kn. (of r : ri i n gt; 1 tJi

c o - • / (i lt; o

vLi/js N., iityy^i:ini.nii^ii\\ K.) schutter {vry. f i)*, ook geweerschot als afstandsmaat; ) 11 111 ] n -ijMiN. (Ki.ui ui gt; i iïki rm (Lii\\k.) een geweerschot ver.

II. kn. grootc open wond met een harde rand, \' meestal aan de be enen, Rh. (kanker, melaatsch-heid; melaatsch, G.). — icria.oiti i.inij zulke zweren of wonden hebben.

i n ij i:i JJ ^ kn.; i n c\'l\'n obj. het lijf

openscheuren of -snijden (li. S. 417, 440. r/My rjdji n i j van den persoon, Lakon: i i rn n r.i lh i,n rj ici iijjj•. C. S.). — (i n f n/(iJiiu iets open-scheuren of -snijden, Gf.

:h)i tj tm n i/js kn. uit den grond gerukt, uitgetrokken ; poët. van de plaats weg, vertrokken, van vele menschen {yry.

— iji) ! rn uiê tLi/)\\ uit deu i^rond rukken , uittrek-

co \'

ken, een /tuis opbreken, wegnemen; overbrengen

van een- familie naar een andere plaats, Men.,

een tand uitrukken, \'in ; i ii n i i.\'n gt; het anker cm-\'

-i • i quot;) *gt; )

iltften. — lii / i ti uii n i\\ mv. lii .• i yt ui ? m ti

0 co I \'K (o \' \'

nmi\\ maken dat iets uitgerukt enz. is; ook poët.

zva. n ii •\' i ui ii i n i ri\\ doen vertrekken / uitrukken, ccf n, \'

in liet veld voeren, van troepen. —

[hi^\\ uit den grond gerukt, uitgetrokken; plantje

dat met de wortels uit den grond getrokken is

CY

{vrg. iJfi ihirninjj).

■gt; ■ 0

ii:ii li ii ijjs zie i) it/I ? ij (ui t n i fj z.

amtiJi iwijj\\ zie ijcvnid ij.Kn2 n^j 1 en 2.

Vj mm «1 (UI 2 .LLI/j. kn. 1. {ook ITÏ^dJI (TUJI ? Vrlt;J. .Lij LI

/m^n) uitvallen, losgaan, uitgerukt, van haar of

veêren. (xjh ij t u ^ i ili^\\ ruijen {vrg. nfii(;)

nih in), {vn .lt; i umi 11. poët. ? uitrukken, bv. de (j n v ai - l 1

ingewanden uil iemands lichaam, li. J. XL, 8,

1 , nm ihr^x\'ii li^ in ui n i li iu gt;/ m? » n ij lj \\ C. S.).

— n.\'ii i) (f.i *. ii ui ? / m n iets, als haren of veêren,

\'ro \' quot;.

uittrekken; vrg. nnmaar ruwer, en bij vlokken, uit elkaar halen, bv. van een vlot, Tj. en intr. uitvallen, ruijen, enz. — un ij lu if icu doen uitvallen., doen losgaan. ij.v.m ij ijii ii innjjs wat uitgevallen, losgegaan o/quot; uitge-r»

Ij Llli UI l(ILUI

trokken is. — 2. ook {fig. Rh.) zva. iviii i tn^ kn., rh l:i i lijs k. , het uitrukken, opbreken, op marsch gaan , vertrek, afreis, van of met velen {vrg. i n hii i\'^/j). — i a I/(f(y ij uiè iu ij /.n \\ enz. laten of doen uitrukken enz. — ijmu ij un iilhi,^ enz ; gezamenlijk uitrukken, e?iz.

tjr.n? l i m,j ui.li i j overal aan Harden , zva. ij i n iiliillj\\ llh. ook fig. berooid en uitgepluu. derd.

i n tj ui tjui gt; s ~ ar.n ij ui s 2\'. (Tj.) Rh.

in iniji\\ kn. 1. een vergiftige slangensoort,\'\\\\\\. gonocephalus rhodostoma ea Bothrops punicens {vrlt;j.

) . v O ..

. \'.mm); uiidjiuimi grijs van kleur mei

zwarte stippen om den hals. , / 7» n met rood gestiptt schubben om den hals en aan den fop van dfi staart. mi t ïajicu}(Hiyj\\ onverschillig zijn, het zicii gemakkelijk maken, bv. van eene hen, die hare eieren builen H hok of de bestemde plaats legt, waar het valt; (verkeerde wegen gaan, een

slecht leven gaan leiden , JR.). miici an n ili? i m i n

^ co \' c-gt;

^ Lujjuidfnjjs loon trekken voor niets, zonder er iets voor te doen , WW.

II. in J ifiy li ini/f in menigte uitkomen, als mieren uit een gat — uili^ ui lii in j\\ een dans van al de vrouwen die bij een bruiloft hulp verleend hebben, op den avond vóvr de zamenkomst van bruid en bruidegom, in de desa in gebruik bij het huwelijk van het oudste of jongste kind, WW.

OMpj»? ijLii Asrvjf 1. enz. zva. (ini (ni^ hnjj gt; ouk fig. zich erg. schuil houden, Rh. 2. ook een soort van vischnel, Rh.

f n ui (ui lt;rny?N KN. J 11 quot; /(yLJ} \'ïr}Jls opengaan , gt; ich breed uitbreiden bv. van een bloemknop, zva n nu Rh. (dik, gezwollen van de buik, WW. op-gezet, Tj.).

) O .,)),) O ), )

lh li i.i (iiijj oj int ili in kn. — in t i li li ui)

of ilkiolui an/j opgeblazen, met wind gevuld,^ den buik; opzwellen, uitdijen, van iets, dat in m V water geweekt wordt; fig. van \'l hart, zva. ij iirif inucrryjs hooghartig worden. — (un iy i ui on \\ opzet\'ing veroorzakend, bv. van moeijelijk te verteren of ongare spijzen.

Liidyuy ui j\\ kn. ; n n f IfKj. i j in/j\\ dik,- opgevuld, opgezwollen van den buik, zat van H eten;


-ocr page 1203-

i nn ren rf Ij} i gt;gt;gt;/!

eva. aTti w üi rrri/j* maar dikker, enz. (y r;/. x :in !i. i cmjj\\ r.i^cmj)\', ook Jly. van het hart.

inrjuit iiuifiii/p kn. lunifii/iio.iyjvicnyi. zich uitspreiden , uitbreide», iv. als een paautoeslactrl, 0Ï een vogel, waarvan de voeren overeind gaai\\ staan, Tj. nl. zva, .(uniJiiJi nn/f of (tzvtiiïMncnip maar van grooter voorwerpen.

.r:n iji?jin kn. fel koud, felle koude , winter; ^

t\'r hTV:^

xni ici 111 of i n u} lt;i u\\ KN. hofdanseressen , waarvan negen een rei vormen, die, onder het branden van wierook, door g am ela n* en koorzang van mannen en vrouwen begeleid wordt {vrg. /, ; u /; J7) — am / rui lli\\ als badaja dansen, den badaja-

dans uitvoeren; vrg. .tnoiLuw

) 0 iinridmyuws--ui ijlt;ioi2 tj i i id a

quot;) O \' s )o. ... quot;) .

rn ui iiu of dnidj) m zie bij w.i.uw

ryrl ni \\ zva. fvjj.$ utti i li •gt; uitroe}) van Boeta s, — W.

11^ 241 j zie ny m 2 ij iA \\

i ii i i ri\\ ook iUKioitus I. k\\v. vkl. i/iriiiui rn f i m /

CJ

//7 lij\\ Dam. Woe. 86. {ern m hji.ii bits AV. 11, 27.) — t ii\'triJiiEi met de b ö d am a vechten.

II. N., gew. ccriiiji m of u ui lamp;l\\ kn., vrede, vrede maken (vrg. .ui rui xmiui iliij iji illi) , WW.

Mal.? vrg iLgt;n ff) im n \\ ,

) ^

.iiiuiiii\\ zva. im (to /l i ij ui ui w G.

ir/j ui i ij / :i nu \\ KW. zva. ij ui uj ij mi ^ n uj iriyj \\ iels

op zijn gemak verrigten , G. — Vrg. (Qi tui (fi II,

)

rj\' i nu \\ iinui .fjw \' O

vmiuiamji zzz .unuicrnjj WP. 81.

1 .

ini ia irnjj\\ kn. stinken, een bedorven lucht vanzicJi

geven, geiv. van vloeistoffen, vrg. rn tJi rnq i n rj ui cni p kn. een sterke drank van mi rj iu mi i n ■^fj 0f quot;quot;Dj iJir.iinKiq bereid. — t ti /1 rj n cniys bad eg maken. — r»? yof im mirjtui ni ,nJ\\ zamen badèg drinken.

imfiuuciiyi kn. j un yjifajiicrnjis plat «;o£?r eten ; niet gulzigheid of smullend eten, vreten, schransen, verslinden, bv. van boetas, booze geesten, enz.; zoo B. J. VII, 5, 2; XXV11I, 8, 7, van godheden die de aarde verslinden, C. S. — \\rn \'Hj.ij\'Ui?crrijis verslonden, bv. door booze geesten {of door het vuur, B. J. LXVI1I, 13, 5, C. S.).

ƒ ietf, om op te slikken, W. P.

uniCKrn.\'i lil.)

i ii ui in i. kn. 1. jagt op viervoetig wild; volg. Rh. TP. zia. Tj en k. v. a-.r^ iyy\\ {vrg.

aji ru/js ^rn^ iiyi); fig. ruim lt;rgt;i j \\ zoeken iets als huurling te verdienen,/WW.; volg. Rh. zva. ni f n als bedrijf. un rnji (.iijj of i n t i i n n VU)^ inëengt; jugt maken, op groot wild {tnflui ri^/j • ook iemand naioopen om hew. te vangen, bij V krijgertje spelen. Lak on, C. S.); zva. in i / rp naloopen, najagen, oek flg. iems. liefde of gunst zoeken te verkrijgen, WP. 435, 435. — miui ^ ann obj. den, wild, waar men jagt op maakt, gevangen wild; {ook zva. tui fluirtii i^\\ jagtplaats,

WW.). 2. ook Ti», of Ki). v. tji.\'iw

o ) d

mi ui cm/js as. het vergaan van vleesch, G.; vrg. x n

\' O

tui diiji \\

unayriyi kn. (froote, zware trom, die in de moskee hangt, en waarop een priester slaat, om de vijf dagelijksche bedestonden aan te kondigen, en bij andere gelegenheden, i iia^an ^n i iihi^\\N., iuavi m ^tiiLLi k. \'t slaan van de bb do eg om twaalf uur des middags. n:ii aii 11 \\ N., unmi itp K. id. des middernachts, ook genaamd i iuuy tii ui\\ N., un(Uj, ni ..i um\\ n., [volg. WW. omdat de trom \' zich dan hunger laat hoor en dan bij) i nuy rijn p N., iiuijinQi iir\\ \' k., drie slagen op de bcdoeg \'s morgens om half vier, op andere plaatsen om half vijf, ook gen. uikui nrui^ rn hii

nip een groote trom bij een gamelan, gew. bij

s ) ï 1 o n

if fold (in oj ui mi ij ii,n ui j\\ un \'U^, \'ti i ai i \\ zva. rn

(Uj. of ihy (rn rn /j \\ Rh. (ui ui imperii/js zoo groot als een bëdoeg (trom); ook als tijdmaat, een halve dag, zes uur; 111ij uui ui un irn j\\ een halve dag (zes uur) gaans. — iim i^lt;ui in\\ den tijd met bödoegslag aankondigen. •

i:n ij ui2(in j\\KS. 1. (tol : 1 ij.ui 2cm^\\ pluimvee dat zich buiten de woning des eigenaars bevindt, stelen; • (in N.oneig. 0 ui iui \\); een vromo of kind, dat buitenshuis is, ontvoeren {vrg. uiun mi n .r.iuui .i,iij}\\

• v ) i ) _

ijii t ij n u). — a/n / i rjiyji 2 ,ni\\ mv. —■ i »»»ƒ/»/ (ni:m/j\\ als boven ontstolen, ontvoerd.

II. kn. een schoflel met korte steel , Rh. {Ban-joemas); vrg. (Ui ij uin 2 \\ — un ij ui 2 rnjj, daarmee wieden.

(Ui^ ui cniji \\ kn. hardhoorig, doof {in deze bet eekenis ook (in ti j tL/i (Li iui of (1^1 tici lt;Liiiui iui (Ui \\ K.); geen


459.

-ocr page 1204-

l ,n quot;-\' r

lil 1-

(.7/ Ij 1.1 i\\

geluid gcviui {fjv. van een keielf als het water niet

spoedig koken wily WW.) van een noot die hij H

schudden geen gerammel van de kern- of gehlok

van vocht laai hoor en \\ dof klinken , valsch

geldstuk) een gong, klok, enz. — l/j t v ui anjjx

zicli doof houden. — (ln li rcicrn ivnici gt;/»/} ma-cq, lt;m t i

kend; ook beginnen vy ict crryi tü worden {vrg. iun

11 intn). — in rnj rnn iiU\\ doof maken, ver-fy, cni\' (rn \' *

dooven; doof noemen. — voor een

doove spelen, op de wijze van een doove iets doen.

i \'h\'^ rrtjj (of WW.) KN. {vkl. ,j:y; /\', \\

mi.jiJi) melaatsehiieid of lazarusziekte, lepra. In K. T. art. 324, vv a at hh ly (mji v naar V schijnt voor Ar. djodsdm, elephantiasis,

de uiteinden der ledematen wegrotten; (dikbaikig, door veel eten, van eten zijn hoofdzaak maken.— irnjy^ïti^ hetz.; vrg. .ut^ i^iio^ rn/j), WW.— i y io). nrtl ,nf (\' y \'»1 \'i\'j W •) melaatseh. iji n/i i m i KN. groote mand met een wijde opening zonder deksel, bv. voor ongekookte rijst, aardappelen , vruchten en derg.

ry kii\\ G.; vrg. u \'j^üi til w

in/.i 11111,1 of (iniSmi ui ^/infi/p woest en wild zieh aanstellen., (tv.

Ill KW. ZVU les r

W. II,

hu ill I ii n nii I I I 1,11,1 \\

\' (d I I , (zich verlegen toonen, G.).

O

) ■) i ii / , in n ii

(lm r i in n I js KN. — in f^ici in iijji iem. forceren, geweld aandoen, met kracht aanpakken, om hem onder zijn magt te krijgen, W. II, 511.

quot;) quot;)

zie in / I in it ijis

111/01111111,1 KN erg stijf vaneen of

andere e tens kost-, fig. gespierd, Rh. 2. stoutheid j ondeugendheid , ZVa. (Ufj. in ii i/j — j ii i iPi in ii i/j zva. i ii nij ui ii ijf\\ stout, ondeugend, baldadig zijn, WW. 8. de larve van de hni\'iói? WW.

O O • O

iiinrnni^ KW. zva. mi ni n ^ {vrg. in ici m ni j*

0 \\

.1:11 ii i iu)\\\\

i ii ry nj 111 /j \\ k N. — in flay o ij ni/j zonder krib zijn, WW. vrg\'. il niji bij inn^mjs BV.

\'in ij icu KN. 1. metalen borstplaat, die met een kei- \\ ting om den hals hangt; een dergelijke befworende 1 tot den krijgsdos van een Javaansch pa ird; metalen plaatje, dat vóór de schaamdeelen van een nog naakt loopend jong meisje aan een handje

om de heupen hangt (ki. de vrouwelijke sehauni. deelen, G.). — xjh i i n.uiir:i van een badoiiL\'

• fO \' • b

voorzien. 2. zva. ri iiij)i\\ een soort fuik, W. 1,5.

(Yii niinw 2.

fuif i it \\.

o . D .

i ii i:i\\ . kw. zva. iLj im nnji^ vrg. i n irlt; \\ kw.

0 . . .

r.mi^\\ zie gt;1 :i:ihiOp\\

j»\\ KN. zwart lood, ook zva. iijii^w n 17)7:ijin KN. overspeler, boeleerster (overspel, (i.; vrg. l:ii ii(ni huq). — uii r/ iji overspel ö/\'ou» tucht bedrijven. — i/n rj iMji i?^ mv. — ^ i i u 1,1 of ijnm ifr.n iji i:iinijj\\ persoon, die meteen ander in overspel ö/* ontucht leeft; minnaar, minnares; boel; met elkander in overspel o/* ontucht leven.

ij innu^ of i \'ïi icj \\ KN.; i ii gt;j v / loj. i ii ^iaJ^\\ bedringen, fopj)en, misleiden j volg. Rh. iem. met velen in de war brengen, foppen, en zoo tergen, plagen, kwellen Ks. {vrg, i » ny iJ ij ui i\\).

ii nu gt;i m of 711711 ici. JIoll. bedding, tuinbeddiug (bed?) — xjii ij 11 ij th* beddingen maken, in Jed-dingen leggen, een stuk grond.— i^.i.in^iiji ri ^ gemaakte bedding; in beddingen.

ii miiur KN. een klein kapmes, Rh.

1 ii\' \' njjl —quot; .i.iidOj. ry quot; \'y/N \' j-

i ii11 ii i/j KN. plotseling voor den dag komend y/

zich vertoonend; vrg. f i i.iiia^ n i/p i niS\\ KN. zva. n uiiKi\\ liet zal wel niet, dat (W.

I , «7).

in ir j of rniji:! I. KN. Ml. {vanwaar ons b a ad j e) . buis c»/* kiel {vrg. uiiui n^ vjasntii m). »

II. vkl. ryihii 11 i\'i^\\ reuzen van den overwal, waaronder waarschijnlijk te verstaan de Ba dj os, eene af deeling van de zoogenaamde liajats, een Maleische volksstam of klasse, die meest op zee, van visch vangst en roof, leeft, in iic^in\' n ct\'ii soort van onzigthare boet a?s of hooze geesten; vrg. oji iicjj vm ri (isii/)\\\\

ll,jS\\

) . ■) i:iiiclt;\\ zie r.ri inw

,i,y( i:\\ \\ kw. zva. m i ip nu i i iiiijs ook zva. )ji.iii irlt; ,L7 i i uiji\\ B. T. Dj. Tj. Süngk. twee (sterk, gespierd, magtig, G.; urg. ij.i.ui iK II *. Sh\'. b h o e dj a , arm , hand). — .• i jy .»lt;m- \\ soort van edelgesteenten? B. J. XVIII, 11, 3, C.. S.


-ocr page 1205-

) / l:n ij \\

11J 5

\'t! I n Irs

ijt n ik n ki). van ll5rjjlisrjj ien \' 1\'quot;? ■)\' Sh\'.wé-

(I,, a, tc welen; te onderrigten. — inyiti ln.kjn j * \'co cj

zva. quot; (uri ij ^nnj nn^ zva. ity.isrj

■}l Ij l\'H \\\\

iiriiiP:\\ kn. waterbekken, waterkom, wel (^ry. ./.y iM/ ) — rjri)^isi}nji\\ zeker falsoen van oor Ir alben , gelijkend op een y im tKW /ƒ! »»? ire \\ I. »/ .r;n ? vjii a:jy i^jj \\ KW. lt;i/i ».»itn y ,l/«/ ihn p n I tij J n {S/rr. h ho djy a, eetbaar , spijs). if i;n2iixiiiir^fyisKN. {ook ijiiigif:{iho^.fCi\\ k.) onthaal, gastmaal, feestmaal; nildlieid, weldadigheid j ook zva. iu.f ujcms welkomstgroet. — tai

n t it ik \\ zva. li xn ihnn \\ ook zva. i /i //.•/? ix, /. u Ito 1 \'co -Jgt;

11 \\ iJri gt;1 1^\' if 1 s gastvrij ontvangen, feestelijk

onthalen: verwelkomen. — .wi)mLlt; irn ti subsi.

1 eo

den. {pok welduc^r, 11.).— nmj fj? iclt;(i^\\zva. i / ij o

iji n i j \\ \'isn ij \'Li i »a/i— rj nu ik ah an \\ gul-hoid jegens (jasten. —. i n ijnzm ix i:i (hn \\ gul uf rijkelijk onthalen. Vrg. n rnriKan\\\\

11. KW. — a^n ik n\\ /y /. n 2\' it 11 ij ,v:n 1 ik \\ (te sterke gespierde K 0 r a w a\' s , G. {u aanc/ijnlijk alleen gegrond op ééne bedorven plaats in li. J. B. -■— hel door G.^gebruikte handschrift —, Krit. VI I,

0

9, 1, waar alle andere handschriften, even als het KW., hebben tj 1,112 n uibi 1:112mi\\ (J. S.^. gt;11112 i s kn. een araai8lijj)steen, fijner dan nian\\ WW. [naam van een wapen , G.); vrg. gt;111121P1 w Ijl IK Ij IK2N kn. gt;fi 12 !!{ echtgenoot, man of vrouw (voor vrouw: ki. m 1:1); ookzva. ij llt;2 ri ici 2 \\ wedergade , dyksel bij een doos, enz. ij 1 ti 2 ij 1:2 } 1 ■ W tien inautri tot fditgcuoot hebben (oo/\'

een mantri getrouwd zijn, PK.). - tun lyiamp;u Ij UiI iai iets van eeu wedergaile, een deksel voorzien. — t,n \'j : u }j t hn ~ n r/ i n \\ iets als deksel voor iels doen dienen.

\'■ \'ƒ \'/ f ^ ---- gt;j ir; 11 111 y \\

of KI^MS kw. zva. t.irjMjf* ii vii.j

nij\' »,ƒ.(ƒ ;, iM.y\\ 1111 uip vry. gt;1111/irlt; I.{Sir. \\

h h 0 dj ana, voeding; liet eten; fis). - nni.ir 1 . I

i/\\ onthalen. — -ry1 ?.ik h 1 un vw-w 1.u \\ieü 1

tot onthaal doen dienen. — m n ikalt;i cmn\\ (W.

((l ( I

11 gt; 431) 1 n rflt;tLi0\\ eetzaal ?

i n iry kw. vkl. cmdn int cru .nanjjs ivit .i7gt; m i {ook eign. van eene widadari, G.; Skr, loadjra, donderbeitel, diamant, PK.; ook wapen; bliksem-sehieht ? vrg. i^n i » ). rrn i ic^ i n 1. n \\ een slagorde (-S\'/v. w adjra-t ixna, zva. de bliksemfelle)^ i^ n ^ 1 nn lt;.ik\\ een windpijl, die wind voortbrengt. r»/ ik.l-ï^n kw. zva. tins

■ ry^ ut mi ir^ of (rij ui 1:11 \\ic^\\ naam van een eiland, B. S. 11 , 193, C. S.

ivii n iflt; \\kn. een oogziekte, naar men wil een chronische , als het onderlid door zwakte als neêrgelrokken is, \\V\\V. volg. llh. zva. ij un ij , u kh j of ij ij ik ij n i gt; zoo wordt spottend Semar gen. m 1:11 iiiks {iemand, die roode randen om de «ogen heeft. — lt;./?/ƒ ik u/?/!/ƒ\\ roode randei. om de

oogen, W. P. 401).

■gt; r» .00

i~ii ik mi/js zie am ik m js

/cn.i.k ini/js kn. misleiding\', verleiding; mooije bedrie-gclijke woorden, lokaas {vrg. loijuiij). 1, n m 1:1^ritj inï ij 1 t2n ; \\ door booze inbluzii\\gen verleid, B. S. 580, C, S. — rijhj 1,11 it-\'j \'.11 ^ op allerlei wijze zoeken te bepraten of te verleiden, {volg. Hh. naar het Maleisch). — verlok

ken, ovorhalen, bepraten. — iiifiii^te^i.n zoeken te verleiden.

a.:r^ ik liu .gt; kw. eten. (ki,i:i^ ik igt; gt;1 ■gt; zva. 1 i aji ijjiJi aj

(HI/JW

n . o

1 n ik .1. n ,1 in \\ zie 1 111 1,11 ~ i niw (un tGii:i/i of i n i lt; ilii/i^ kn. uit zijn verband, los- oj uit elkander geraakt; vrg. ijcvmiy 1 lt; 2(Ui/j\\ — 1/11 fiiKinp losrukken, openbreken, bv. een slot. -

hjii j nkdiis mv. -i irik 1.1:1,1 wat uit elkander

(O S- s - 4

geraakt is; losgeraakte deelen; versleten, onbruik-• baar, onbekwaam, afgekeurd, ironisch van een persoon, die afgedankt, of ge pensionneer d is, bv.

naam van

r.ijisi.ij zie ij 1:112 ij iui 2 (in j\'

if rn2 ij i:lt;21.1/j (i:n iK(inji zva. i ii iKiici j^ ook flg. afgesloofd , afgewerkt en zoo niet meer beftwaam om te werken; ongetgt;. zva ikii t / itw Rh. van een 1 u.tcj uit elkaar, waarvan tie naden l«»s zijn, van een rijk regeringloos, Men. — tun ij •\'1* i] 11 ik 2 uijj uit elkander halen, enz., hv. een omheining, van wilde zwijnen, H. J. LX lil, 10, 3, C. S. — ij 1112 ij ik 2 ui acijj zva. 1 n i\\ ri i-i/j\\ bv. dan een rijtuig, B. J. XXXIII , 1\'.), 10,

C. S.

,) • , ï l :n IK L il/j x Zie LUI ik Ul/j \\


-ocr page 1206-

I I U)

,#.y / zio yr/j i ij i--\\ 2 ito fj n

\'ƒ / /»lt;» y \' \\ gt; ijji \\ n. plat woord voor irn j.iw \\v w. :)

vry. iu (hjji i i/j ij uit ij i,i i i/js \' quot; \' } KNquot; kaaiman of krokodil; vnj. ij nu ijthns \' quot; quot;; v lil. rj ip ij tri /j i/j\\ (13. .F. L, Krif. XXXV LU, 1, dient het tot verklaring van knv. I-. lu\\ ten onrechte opgevat in den zin van kaaiman , (3. S.).

\'^quot; \'^MvN. stompvonnig, knopvonnig van de vingers, of ook van de armen, als zij aan de pols eindigen, doch aangeboren, niet door ver-min king,

r)^irlt;iuj\\ kw. zva. im i-V klein, Hh.

i/ in i tj tk x kn. geiquot;, herh. uitroep van verwondering door Boetas geslaakt^ zva. rji^sniiviï rufj\\ w. i, 103.

quot; \'iici/r z^e 7 i7na \'tv \'•

i n i.lt; rrtjj\\ kn. zocroover, zceschuimur, kaper; vrg.

II. — n/ri j-ccrryj\\ op zee rooven. i nhlt; myi (oj i d h; i.n/j\\ Lr.) kn. ; m 7./i\\ elk

ander met den kop of de horens stoo-ten; vrg. nj

~) quot;gt; . TO . ,

t^rnjs i rrr}hiijj\\ aji^oiw — i/n !rirlt; tn,p als oo-

ven stoeten; ook meer algem. met de kop of do

horens stooten tegen , Men. — n n .\'1 ik(rrj\\ mv.

CQ\' lt;rn

\' 111 \'/ / uilrvep van. verba

zing, in Hagelen {vrg. i ni/j) , w. p. 414.

i ^ r-c cm\\ zie A.rj^rjukï irn I.

o

i ik frn \'ta zva. .177/ ik u -ïsi .u) \\ zie / ; / » u n ^

(Hl N\\

im:ik\\ kn. klein in zijn soort, dwergachtig, dwerg,

{maar welgemaakt; anders y / j y uit n /,ƒ); oö/l

hoornen, vrachten, tanden, enz. dïe hun ouderdom

al bereikt hebben, maar klein gebleven zijn. {jVang-

sallan: I.nninf 1:)I uk zn htinm ^i/l\\ (3. s.).— nt \' (d. it\'ll J* J l

ink of )nrtik\\ dwergachtig zijn. n^!H\'lt;rjuu gt;j ri\\ benaming van een kind van omstreeks $ jaar. 0i) ut) gt;; lii ,i n van een kind, op den aar dig en leeftijd van een jaar of twee, drie, dat zich verstaanbaar begint te maken, Kh. vrg. ie i hw — r.rt tk rnin/j of .ik.t:w i7im/is ifrnd ijij0, (jen kind welks hoofdhaar van zijn geboorte af ongeschoren is gelaten, dat nog het haar heeft, waarmee het ter wereld gekomen is i u i. A 1. zie i n 1/ 11,7 lt; ook zva. / ; .•» /- ? AVP. 392.

s \' . Uf

o •) O (O

— .i. i/n.} 11lt; \\ zva. Lnfiiinw lv ii .ielt; i.h u\\ in

C(f (C) c. (Q

lange evenwijdige rijen zitten, die aan de niteimica zameiiloopen, 15S. WW. ook in Tj. i.nr.nikii iinji\\ in dergelijke rijen.

ini\\\\ kn. eekhoorn, Scinrns; de in hossen gebonden alangalang boven de nok van een dak, Kh. eenigeins gelijkende op de staart van een m\\ in het groot, (zie tj igt;m ij^tg mn S?cm mn

benaming van de. mannelijke roede {WangsaUan •. (CDiiK ij) im1 roode eekhoorn, d. i. .ik ii rgt;t\\ C. S.). — .1777 ikquot;i- 7 \'in/j\\ straatdief, straatgespnis, WW. zwervende dieven, ZG.

1777 77 ik2 kw. zva. I ) (1gt;H fan,1 kn. , (1/77 if l lllSj\\ { (Ai UI * C() I

iemand met water uit een plas bespatten door het met den voet naar hem toe te schoppen*, zooals de kinderen elkaar wel doen hij het baden -, ook wel met zand of steenen wer^n, Tj. 1/7/7 i/yj^ uiibii/js iu ^ï\\ Tj.), iemand een lonk toewerpen. — 17/7 ^ ik 211 /11 /j\\ elkander als boven hv-sj)atten; (voor gemeenschappelijke rekening, öv. iets koop en, WW.).

17^/rv kw. vkl. 1.77,/^ (vrg. i.y^ irlt;)\\ ijiin

7/w kn. (volg. Rh. njik 1 iukj) lastdrager, kocsli, vrije koelie 71/. geen gouveruementsèoeli, {vrg. i.n iu \\ tvrir^-), *ok, zoo als in V Mal., een ongehuwde, K.T.

intj, /.-gt; \\ zie 1:/^ nj w it^/kn zie

Ij 1777 2 Ij tk 2\\ kw. ZV.i. U \'171 71 /^ \\

luy ij ik? .r/7 n i. k w. (Skr. h h o edja ngg a en bh oe-dj a g a), slang, draak. irlt; im / ^ m i i n\\ een boom, b. j. kw. Kr it.

(J S

II. of urirj ik 2 rn\\ zzz 11 ij ik i om \\\\

/ 7/ /11\' i. of /777 17/7 ///\\kw . kn. zva. itinj HO l n) // / i ?i\\ moeijelijkheid, hagchelijklieid, nood, gevaar; ongeluk, ongeval {Skr. bhaja, vreeslijk, dreigend, gevaarlijk ; vrees). 1/7 iu 1:11(1 een slecht te eken U het, haar van paarden, meestal onder achter den buiksingel, Kh.; ook het gebrek, dat een paard heeft om als hel een rivier doorwaadt, met zijn ruiter in hel water te gaan liggen, iisn1 ii\\ zva. mil in tj liii rj j * 1,7711/17/(5// mensehen van liet gevaar (?), d. i. i ri^ n hnq* krijgslieden, G. kw. zva. 11 1,1 m\\ W. /!/ ///1/1 benaming van een corps soldaten van den So e so e hoen an {Ükr.

.hl ill 10-1.1,,


-ocr page 1207-

1117

art) vm

nir b h a J a, zonder vrees). iMum tui ui n.n of /; nmnuQ.iiuiih?^ in alle nood en dood, hv. verhon-ileiu {vnj. nwn-vi imim\\ rit n). mi in i,ii 11

ij I, a ij \\ een slecht te eh en in het haar van \'paarden. u:n(cniL}i\\ gevaar, vervaarlijk, B. J. XXXVTIT, 5, 5,- LXVIII, , 7; LXJX, 2;i, 10, S. — hiirm (U/iirn a.vi \\ zva. ikihvjY^ n I i n n n

door liet ongeluk vervolgd worden. — i/n .* i ni in

a f0

of (t rim iii uj gt; gevaarlijk (ykl. vn yy / gt; r i JU\\

G.; zoo B. S. 103? C. S.), en K. 3, 57. 11. poët., met of zonder Jussief, mogelijk, denkelijk (Djo.), wel ligt; misschien dat; mogt liet zijn dat; al was het dat; al zou \'t ook zijn dat {ei;/., volgens\' I; het is te vreezen; er is gevaar of uit vrees dat.. .? zoo laat het zich althans opvatten^ ho. in B. J. Kw. Kr it. LX V IT , 5 : »lt; lt;u ».;• ^ ^ »» v/cl. nn haji ij i, ii ? ij a n ? irlt; cru ibn/jw vandaar misschien enz., inz. in onyunstigen zin, B. S. 286, 27^, 329. 593; veelvuldig in vrayen als %n de volgende voorheelden, C. S.) v. / nMn u i \\ wie mug het zijn P r.nnji hn \'ui ijilvi\\ hoe mag wel. . ? i uj j i.i (Hjr:ri ui \\ waarheen mag wel... ?

Hl. ooh\' ti.i^un.iii of 1:^,1)1(111 (futnnKii/is kw.)n krokodil, kaaiman (in Wangsallan omschreven door \' 1 xm n\' ^\'1 0f 1 quot; \'\'squot; (Ki i n ui i n tj ;*i ? i i ik ipj\\ i^ \'1 iiDj ibn ? lui (Lu t,ii \\ mi ui rj lt; t tj m i \\ nu na i, ii} i ij irh if lh i m C. S.; vrg. ir/» iiezn i^. — \' ni^i iii\\ als een kaaiman.

in n., jtï? (rti k. , zva. njrji r.n (lvi \\ ayr^ r:h rrn \\ (eig., volgens I, gevaar, vandaar bedreiging, en dan aanzegging?) i.n iPïcni.rn m spr, {Alleen op deze, nog tamelijk duistere, spreekwijs schijnt het geheele v.n tw IV te berusten-. zie J. Z. II, 23, toaar het vertelaard wordt door \\.n nJm m Sn ik echter met uitdrukkelijke opmerking, dat mi die beteckenis niet heeft, en het dus ten minste zijn. moest nn i?ïermmmus C. S.). VV. geeft werkelijk op mi haa zva. iklt;i£\\ en Rh. kent de spreekwijs wel degelijk, en ook wel uu u.) n U1 trs ,K {eig. ics i.\\-1, n /?/ u injj i?i uj uyu nn/j of (isihuyuijf) vervallen van een overeenkomst, doordat de tijd verstreken is; waarin i:nnïm.vijj wclligt verbast, van mi hli\' mw vrg. de spreekwijze mz. vkl. onder — mux.u

\' i gt;gt; zie aid.

min kn. klein (pas- of volg. WW, ook nog on-

geboren) kind, zuigeling, wicht; poet. of bij wijze

van spreken ook meer uitgestrekt, hv. in toespraak

tot een jong man, zva. nnp?rimis B. S. 599

{zoo mi nnau \\ B. J. B. (\', A\'rit. LfX, 13, 2,

minachtend, van Na koel a en S a de wa, (\' S.).

(trj^l i rt n i u\\ in de kraam liggen, ■vtmqr.n rus

baarmoeder, its mi rm a u zie irlt; i h w

I. kw. zva. (unm(uiij* ook naam van een dé-

. wa, zoo in B.; Tj. Sengk. vijf (zes, G.; Sir. wd-

joe, wind, ook als Godheid), r.ndAJirn ».-s vkl.

(i/ti minrniJi (uit Skr. wdjoe, wind, eyi w a d j r a,

bliksem, die ergens inslaat, donderbeitel, VW ).mi

iic^\\ vkl. t // i^i in , nty urm/n ici any w / n uij

i ^ mi . of mi (ijhj i j ^hi^\\ (Skr. w dj o e-so e t a of

-poet r a), zoon van den Windqod: bijnaam van

ir r ë ko dar a en II a no man.

if. kn. spier, ader; kracht, asn un - i mi (ijüi \\

krachteloos, nj ijr.nOAjs iem. krachteloos maken

door een tooverformulier. i n m n n u i.]\\ iemand co.\' ( /

sterken d or een gebed. — mi i n ij 11 naam

van dat gebed.

mj u u kw. zva. mj r\'^ nazetten (waarschijnlijk het

yude JVg. van nr^ i:lt;). — i ti i.r^.hiinrnnu kn. zva.

O ) .quot;)

tnnmi i u mi rv) \\ ..nvy i. n irj ^nni hn

vrg. li ijj m inj li i - :m^ i ii n.r^ ru h n/j niiriihvis kn. (of uh rn\\ k.; in WP. 234, ook zva. oji ij iui iHi/ts) tol, cijns, belasting, ongelden en volg. WW. tol of belasting betalen, (Skr. wj a j a, uitgaven, onkosten, PK.; zoo ook in Sri T. en B. T.\' Dj. 288. ij r.ni yn ij.r.n lu\\ uitgaven en onkosten. f j /.jj ij r.n ru\\ (E^^dThnns tol of belasting heffen (vrg. nni). ^ ij !^(lu\\ tolvrij. ij ij tollenaar, ijiim(lutiafjs ongelden en onkosten. Vrg. r.n ti [[[. — ivntjmiLi hj mi (inj m ri\\ van iemand tol, belasting, vragen f iem.

ij r.n lu\\ opleggen; voor iets tol, belasting betalen.—

; )

mi ij .lt; m li un jn rj . i, \\ un ri tj ru i, n ^n un ^2/ls (J0(t\' deren voor tol of belasting aangeven — (Lj\\ tj i nn.u on/is kn, plaats, waar tol of belasting geheven wordt, tolpoort, tolhuis (ook zee, die de kust be-spoolt; zeestrand, G.). — m rj i n ru\\ zie boven

iji:nijiu2\\ kn. Ml. zva. ij\'iijrnnw

ijrntiu (uit te spreken b ojd\\ of ni nmu uiiijs


-ocr page 1208-

1118 •gt;ƒ i :t) t ij hijiis

in de hoftaal; en hier en daar, Tl\', zva. n i/m

•7)\\\\

in2 y }h11 v KN\' verzwakt van ouderdom, G. volg. WW. zva. ijim n mii ^ zoo in Rs.

unjjj? kw. zva. i rixhu . vn tj nj i n kn. in menigte uitkomen, opkomen bv. v. padi, v. vruchten gt; vaii vissc/tm,. \'L\'j. ook zich verspreiden, iiil-bréiden van oen menigte gt; fig. van weldaden over-vloeijen, Tj.

r.ijjiii kw . (Skr. wjoeha) slsfgorde, gew. in za-

mensiellingen, a/s .•\'//.»/ de slagorde van

den kreeft {Slcr. m a kar a-wjo e/ a) / m » n vnj^

)

zie m .1-71 »n\\

I km. (irij rt/y (in Banjoemas, Kh.).

ilt\'Iviq zva. i.h Uis als uitroep: oeli! VVP 432.

~gt; r, O ^

I.HUJI IHlJJsKVf. zva. IV\'LHW (l. Ht Itt lU Ift/J 0/ Ifl l.tt

\' • r.t} kw. zva. (ui gt;» i tn irh i nuuniw KN.

\' t o -\'

{Mal.) een soort \'parkiet.

o * o o i quot;» ri.

i tt ij in Kt/i of i t: tj i t trtjj [van i.n i r voor r; »/) KN. vroeger, te voren, voorheen, eertijds, i.nni i.titim.mjl {poet. ui i.ii^ 11 n i.t/f)\\ ia. iii.ttt^m ini/js verleden. Frg. i\'l tj lu /.;^n m 11 ij m t. jjs 11

quot;T

dTï^ uji jnj) KN. gek, dwaas. WW. «

a quot;)

\' \'JJl \'tti N Kw- i:tl i l\'Lll/js

n

r-ijji }n\\ zie m ui ^i\\\\

tui u ihn j of j tt i ».j igt;ti^\\ Ar. h a ij i11 a 15 duidelijk of overtuigend bewijs, bewijsstuk. 1 tuu - i 1 tt 1 u i,j its//fj \\ deugdelijk gei nige. -- /.// / n 1 n /.j igt;ii i.t/j\\ door deugdelijke getuigen gezien, geiioord of bevestigd.

j7j i.n of ijtjj jry en gt; j i n m jn of 1 1 i:i)/j jn\\ KN. vereenigd, eendragtig, eenstemmig, verbonden; za-menspannen, zich in boudgenootsehap of gemeenschap vereenigen; vrg. a-n) m\\ r.tt ij up i mi/jw — mi il itt ij jn t ij of un ri J ij fit / iij\\ zich mat iemand of met iemands gevoelen vereenigen, tot zijn partij bohooren, zijn zijde kiezen, metzamenspan-

nen , hem bijstand bieden, hulp zenden.

/. o

\'UflKf ** 0f iniuh(i/it\\ kw. zva. v:injiajijj\\ 1 1 tji

(vi - ? !tnjj\\ {Skr. ab hj ant ar a, midden). Vrg. itt

3..

u t,/ ,tt 11 w — itt tjjj ut 11 \\ zva. un 1 1 tui (ut . t n/t/jw — 11 v i i/ji tjjj in u tiit ij t,ii\\ iemand of iets in iemands tegenwoordigheid brengen, bekend maken, G.

urn iLit (hi iiitt \\

■ht^

1.11 li 1 ut 1.11 \\ kw. zva. (Ui (Lti {/fangsa/lan: in .1 uijfi 1,11 mr (U(h?i\\\\ Skr. bhaja: zie bij r.11 ut I, e,, antaka, beëindigend, doodelijk j de dood: — de zamejistelling waarschijnlijk te verstaan in den z\\n

van nm 111 (uiihi] ? vrg. irridvi un im \\ C. S.).

/ \' O / ) /

iijjj of (iJiimjjp kw. zva. ij rn tj 1 tt n mniw kn.

klanknabootsing van een plotseling opengaan, Id. van de hand *u\'.teengaan bv. van een zwerm vogels, Tj. {of elkander loslaten, bv. van worstelaars, B. J. LX, 0, 4, (i^jjjiut(i\'ji viict O. S.); ie voorschijn komen, van 7 lichaam, door onthloo-ting; verschijnen, opkomen, van de zon; helder worden, van \'t gezigt; jlg. opklaren, ophelderen, opgeruimd worden van een bedrukt gemoed L. 101; tot bewustzijn komen , van een bezwijmde; vrg. lt;1 ij i -tjjj gt; miirQjjs i.ijjji,iij\\ {iSrtjj n i n i,j\\ \'t aanbreken of bij \'t aanbreken van den dag, met zonsopgang, B. J. XV, 8,2; XXII ,22, 1 ; zoo ook alleen ib. V, 4, 6. — y /,/ in inq ^

oj) eens. Onverwachts y La kon, (gt;. S.y iMjj u in/j zie Li d.ti j\\\\111 IJJl zie a^aar (ö0^ verseliij\' nen? B. J. LXII, 12, 6, C. S ). — gt;1 iJjj nij ti kh ^ openmaken, bv. een vuist; tot zonsopging, bv. feestvieren. :l^JJj l^JI t1(inJI^ open, bloot, van de natuurlijke sporen van een vechthaan, niet omwoeld met een lap ka then, ook bv. v. e, openslaand buis, Rh.

lt; . , - c / Q/

\' fjp kw. vtcl ij nu t^.12 i ttint\\ [OJj »»ƒ

nn KN., ook 1 11 ri) j\\ klanknabootsing van gepions

of geklots van water tegen iets aan , of ats er iels

,d W C) • 1

zwaars in valt: vrg. iukyii \\ 1 1 i:tj\\ njt f i^y m

rijjs ook zva. ii)jjs zich verspreiden; vr^vnvt)^ Tj. {gebr. rtj ^kii/j of rpf) mi/js Rh.)j van geverjde stoffen en derg. overal gelijk^, eiïen. ut n 1 ■11 j geheel verguld, van een zonnescherm, ij tin gt; geheel wit geverfd. (uitj.i.p in t waterj)loffeu. — iquot;i fi/i ri\\ naar iemand of iets in \'t water

Wh ^

springen. — voor een haan, die los

loopt, een anderen, dien men vasthoudt, werpen, om te zien of ze vechten willen. — \' \' ^

in ry j u tj Mi\' tets in t water ploffen, f/ quot;\'/ ij trn n een haan, als boven , vo(5r een anderen werpen. — ivy jj gt; gt; uifj of 1 11 t n (nji n in/j\\ spélend zamen in t water springen, als kinderen bij V baden in een rivier.


-ocr page 1209-

:

v^ir

\'j m I? of lil rj i-tj/j\' ïook wel Ml 7 g£/l? N kn. zva.^i vmp {inz. rondom in menigte schitteren, flikkeren, ^/5 sterren , edelgesteenten gt; bloemen, wapenen enz. B. J. XI, 3, 3; 4, 3; XVII, 19, 2 ; XLT, 17, Cj LXIT, 13, 3, C. S.)

\\ u / u.nKN. betaling, wat betaald wordt of te betalen is, betalen; onmiddellijk of gelijktijdig terugslaan, van een vechthaan, (yin?»//»» n 1 )i 1 n tia tn fis goederen tegen een rijk op liet spel zetten. 15, S. i n in ook {vohj. Rh. oneig. voor) de mij

■ toekomende betaling\', mijne bezoldiging enz. Brie-

oen. 332, r. O v. o. C. S.). — .1 n,/11 u \\ betalen.

co

— (i/n(fin 1/1 n mv.\\ ook afbetalen; voor iets in betaling geven; tegen iets inzetten, li. S. 431.— »// 1111 n ij hh\\ iets afbetalen; in betaling geven, met iets afbetalen j voor ander zijn schalden betalen. — i:ii~iijiohj. den.-, het betaalde, uitbetaalde, betaling; voor betaling, tegen betaling. jj rhcjtm (hii ■ n jfijj\\ betaaldag.

kn. zich naar alle kanten verspreiden, niteen-stniven , -vliegen. — 1 iK/ yi.u nrjn \\ uiteenjagen, naar alle kanten vèrdrijven.

7v.mriAAiizs kn. waggelend, niet vast op de beenen

staan, vrg. 7 nrp 2 7 1 mw i.ii j im/jsKW. wijze, houding, gedrag, G.; v/d. inn ^11 \\ igt;ii iai\\ uy 11 f 1 (vrg. tirgjj iai\\ waarschijnlijk aan gezien voor zamenst. uit irtj/j i n^ en iud ? C. S.). kn. Jclanknah ooi sing van splijtend opengaan, vallen 0/breken; roef! rits! Men. — W. P. 102, 9 v, 0 : 1^1 ini i i ~ 1 iu foiijj f?,!

Qc O O \' ^ , -rr o

u) qiunnj) (bii\\ van een mensen, rrg. 1111. nj 11

n /

m myi rn w imj\\ iryjj\\ i^yni^ — miiiryjj up^

Mijl\\ poot. ook wel umipjj hiyjs PM. zva. inrri

lt;iiii.:i/j\\ ontdekt, geopenbaard, bekend.— inwi/i . O\' \'

zie l O I\' n/J\\ ry/j nn j iui uy \\ overal heen en rond loopen, als een bezetene, lib. \'lt;^///quot; / 0f 1 quot; \'\' \'itfN KN• klanknabootsing van het noervMlcn van lichte, weinig gedruisch makende voorwerpen, als lijnwaad, een hoop gras, ketni-t i not en enz.; vrg. \'• ^// n ir\\u 11 ]N ^ v

~ ij hVfl 0f \' ^ V tn zu^e voorwer

pen, neervallen; ergens in menigte neerkomen, neerstrijken; op iemand of iets in menigte aanvallen {bv. van zwermen insecten, R. P. 145: 1

, m quot; , \'§ \'i t-J quot;\' N ^ S.). — } I rij j ifi

1119

ergens een hoop gras, bladen enz. in of opwerpen; op iets met het lijf vallen; in menigte aanvallen, in bezit nemen; op iemand indoen neerkomen, te zijnen laste brengen, wn \'j\'/ ^? (un het water op zijn lijf krijgen, {zoo hii rijii^i \'tnviijns in een brand. La kon. C. S.). in K, 4, 33, aanhoudend plassend, plassen — \' quot;V// V\' \'qJJ x dikwijls verbonden, gezamenlijk er op los gaan, van strijdende troepen, li J. XX, 20, 2, enz. C. S. — i.jVy7 k/j 7./lt;»/\\ iets als boven ergens in of opwerpen; iets op iemands hoofd doen neerkomen; in menigte laten aanvallen.

Vr£JlgKt1/l^ zva\' ]n n10*

nigte te zamen iets doen, Tj.

ïm(uiAwij\\ kn. op een rij, naast elkander,

gaande (van pijlen en dergelijke in dichte zwei-

men ? B. J. XVI, 5,4; XLT, 15, I; XLII , 0,

7; LIV , 5, 3, (\'. S.). i\'.ii 1111:111111,11 \'3\\ rij aan

(o \' •\'

rij gaan (als boven, li. iT. Lil, 11, 5, (.\'. S ), WW. volg. Rh. in menigte zich erg. neerzetten of

bewegen. — rn hd i.ai mi,, bij zwermen.

o o . .

1.77 in kiijj\\ zva. (i.v 1L111,11/jw djii 11 in ijjj 77.111\\ spr.

i.t^iiiuii^ kn.; rw ^yiii liii,^ zva. luh 111 a.) j \\ weg-

jagen , verdrijven; vrg. i.y iw (lli\\ (itt^i us a/11

a 111,11 ^

\' quot; / KN* 11\' 1\'h-boom , een lange soort van palmboom, die op moerassige gronden voorkomt; WW. vrg. lt;l l il OplOJljW 7 rn I (bin k o/1 zie 7 n n ? 77 / w

tj .1777 ? 7 \'\' ifi\' 11/j n kn. de lenden, nl. all jen de streek boven het stuitbeen (het onderste gedeelte van \'t rnggebeen, de stuit, G ). Vrg. vji iPi iomns 77.7-777 ij ini2 7117 ? loyi\\ liet spit.

7 111 rjiiui aai nu ij--7 m ( 7 7 bi 2 /. li^ of rii 7 /. n /. n

dnjis A. 24.

rijjjiQjsKVf. vkl. nn nu lidtuui //\\ (Skr. wjitkfa, duidelijk, zeker, PK.; vrg. .rijjjihiijj)^ waar, van een bericht, BS. 92; ij 111/ui 1 gt;1 uri n i.ij i ij^ hnw in B. J. KW. dikwijls bloote bevestiging, of bijna overtollig, Krit. X, 2—3; XXXVI, 8, enz.-, zoo ook ia] (j ini }oj\\ Kr if. VIII , 21; X , 8, C. S. — \'• H (iryjl \'(7/ nnIj \\ zva. 1.11 iu ij hii 2 7 ; -ü» 7.; /j \\

i -V J, \'j 11N KW. zva. myjj h n \\ (Skr. wj 0 eki a, verkon -

digd, verklaard , enz. C. S.).

i iKbhiiicis Kw. (vkl. 11 u t i ni\\ (i.) dienende vrouwen


-ocr page 1210-

1120 iirnn (hit^s

o/. danseressen in de So er A-l Hj Fij ookzva. f\'i tïp

a / i Jj en zva. (ui gt; gt; iman \\ vronwelijke bedienden

in de knvton, van den eersten rang.

1 i ■ kw. zva. ij rti2iKH/fv mntj in?nnt/j* n j

o

II. kn. gebruik, gewoonte, G.

i M/M/V,»/-)-kn. : n n ri uiihn,}\\ onder don last buiiren; \' co \'

zware lasten dragen; zwaar beladen, Rh.; ook v. o. boom, volgeladen, en van padi, waarvan de aren geheel vol zijn, en de si eng vis als buigen onder dien last.

ir.iinnij^i.ukn 1. aohterkleinkind; overgroot-vader

of in\'oeder, gew. met voorafgaand* i.n i.n of /H if!\\

) . n

kn. ; i ii\'? i ?\\ k. . gt;i i ii uin ki. i ii \'f mjiji hu \\ een ro * \' \'«/ II quot;t*

acht er kleinkind enz. met iets begiftigen, WW. —

i ii : id/in titi ri i. ii \\ iets aan een achterkleinkind enz. ai ll \' » l

ten gesehenke gevon, WW. — it.n inp beven

van hei hoofd of de handen, uit ouderdom of zenuwachtigheid. un ri^a/vj^ voorwerp

uit de oudheid, gew. zva. i i ifïi tempel, gedenk-teeken ,. voorouderlijke grafstede; oo/c zva. i.iuhii h ii (i^rjn/bj hii tinjj\\ ( ki » y n/v^ nui (in^ of iii.ijvij i if ii\'l i\'iimiWW.), erf- of doodvijand. 2. ongev. zva. u n iifi/j doch \'zioakker, ongeoorloofd, verboden door de vooronders, van het eten van een of andere spijs, of het er op nahouden van een of ander, dat bij overtreding ziekte of ongeluk ie weeg brengt. — x/n rnAJ^ \'a^ een ziekte of ongeluk annbrengend van zaken als hoven genoemd, ibv. in Banioemas mogen de afstammelingen van IVira Saba. geen roodschimmel in gebruik of in bezit hebben ; ook het eten van een boschhóen of gans is ongeoorloofd).

)

riimin n KW. zva. y lsii ij nsn rii\\ ti-j) ip \\ vrg. i^Jji

o

^7ni\\\\ — un i:ii iuidbirns zva. uii,isii^n\\ kji ii.ii ihn i\'iiji\\ meest in ongunstig en zin.

r:n mi n.n i. ii\\ kw. {voor rr» om (hi i. n ^ ;lt; n i n 111 asn h ti n kw. r egt si er m., van iemand wien de doodstraf is opgelegd , voor den dood bestemd.

iijjjiinihii^ i.iijfcy am \\ (of i.iini (til \\ G.) kw. vkl.

G) quot; \' O Q O .....

im ui \\ (hu (Ui - / iiyij^ i i mi -1 id/j i ar) nrtyi\\ m poezij

gebruikt hij verandering van onderwerp. (5/7*. wja-

tita, voorbijgegaan, vorleden; kw. zva. i,n tip

IV J. Krit. liVIII, 10 -19; LXI , 21; LX 11

5 0 ; ook i ijjj i n i ii nnjj n ib. XL V11 , 8 ; XLVIII,

(1711 (LUI (Kyi \\

23. :r.ij j un (Lu n waarschijnlijk als Jussief van i iJjIayj\\ als ware i^jjjii.u — i ir twee woorden, C. S.).

i n m i kn. naam van een visch.

iii nri i/)\\ilt;.N. (volg. Hli! u m i i/i\\) bleek, va?/ gelaat of kleur (org. i.r^nji i,j\\ uy i i i n/j); en volg WW. helder van het weder, na. den regen. —au m ki^i ij i.n doen verbleeken ; (doen ophelderen, van het weder, WW.).

j i ui ;hi\\ i \'li i li i l l i i of ii ll r.ijjl i i \\ kw. vkl. n j i?i \\ nri.fji ^(ici/js asnii/r^ zeer bedreven , zeer kundig; gewend of gewoon iets te doen (Skr. abhjdsa, oefening, gewoonte, ervaring, opvoeding-; vrg. ril i i); eigennaam van den (/rootvader der Van da-, w as en Kor aw a\'s (Skr. Wjdsa), (\'. S.

r.ijjj n n \\ zva. n .n 111 ui mw

i n u i or tr kn. aangifte of kennisgeving van een zaak aan de bnren, bv. van iets gevonden of verloren te hebben , waarbij meji geen menschen kan noemen {vrg. 11 n II); zulke aangifte doen. - nu t i i n n ■limi .li ij u li \\ zulk een zaak aan iemand aangeven, bekend maken ; iemands aankomst in het rond bekend maken, verkondigen, publieeeren. Vrg. ruj n

urns firn ui\'uw

\' o

i n in i KK/i n i,p Zie i n i n n i u iw

■i .

r.n m in n r n., r:ii 111 okij^ hijs k., naam van een

plaats, 18 palen van »S oer a kar t a, op den icey naar Sa latig a (Wang saltan: tj nu irl i.tj gt;f n )gt; an (hi iin im iaji iu rrl^ C. S.).

a

in J ui kw. vkl. it if .i.ijji^ uil n (ui \\ [Skr. wj dp ja,

doordringbaar, vatbaar voor een eigensehap).

cvrQjl (ui u a \\ kw. vkl. fl ij ui ui gt; (17^ t i (ui(Hj (Skr. wj d-paka, zieh wijd uitstrekkend).

utujs kn .; (un ^jjj uui mi; onbestemd, wr.nke-lend, onbesuisd, ronddwalen, WW. — nrijj rn ioj (hi/j overal rondtasten en rondgaan, als of men iets zocht.

mi in} i(i\\ kn. een moeskruid, beh. tot de familie

der Amarantaeeae, spinazie, vni o iji m i*i uri ri ijj\'

soort van b ajem, die 7 meest gegeten wordt;

andere soorten zijn: im in /1 w i j\\ de ware ti

spinazie A. retrollexns 151. rm tiiI ri Jn\\ een oneetbare soort vol dorentje s, A. spinosus, b-^uiKHii (Uin\\ een soort met breede bidden -, enz.

X) . . )

• ij iJi 11 rr ii \\ na am van een bloem, hanekam. inin


-ocr page 1211-

rriïii tu/j* zva. in-ifon\\ biandnetel (Wangsallan:

) O r O _ (O

r.i) U hfohbihiu/j oj ir.H tl i n

ld t ut i n i.ii h n mi rncun\\ C. S.)-

n ^co h (,xi

X C) X l y Ij tj } I\' KW. Z va. i-j ».71 x.u w

ij iamp;i s ^vv- ILlt quot;ji i/n ut \\\\

kn. nm. van een groote soort duizend-

pool, meest in hamboehosschen op de heryen te

vinden; de heel is zeer vergiftig, Rh.

i,/ƒƒƒ n kn. J. klanknahootsing van het vallen , bv. van

een metalen schenkhtad, zva. , rV» ook een uitroep ,

zva. tuniïa\'i \\ in scheldwoorden zva. r.n iuw iij j i i

ZUU iMoer.

II. ijjji lujj ui in i rusteloos zijn , ook van den geest, onbestemd in doen en laten.

anjj zva. t-p u)^ fi.).

v kn. klanknah. van het zich in beweging zetten v. velen, (Tj.) Rh.

kn. klanknahootsing van het gonzend uit elkander vliegen van een zwerm insecten {vrg. fy\\ i,r\'y

SP\' \' ,nc* ^011 st,,()lt;),quot; \'neêgaan, nieegaaude. — zwerm van hij en. - lij j

i {of r \'tj j i n jj^ri hn^ G.y bij zwermen, va7i vliegen en dertj. in ijj js in verwarring de vlucht nemen, G.\'— rriQirnao/js poét. uiteenstuiven, in verwarring naar alle quot;kanten de vlugt nemen {of dooreenloopenP 15. J. XL1, 4, Ji, C. S.).

i iiuis kn i. (vn } i ui of (un / / mitii \\ iemand met

• «O • CO

tweeiin of meer aan vvoerszijden oiulersteunen o/opnemende wegleiden, linksen regts vasthouden, als bij ons een boosdoener lusscheu twee (jereglsdie-naars; iets met zijn tweeiin afmeer met de handen wegdragen, bv. een tafel an rjjp)..— iniücmnjn KW. zva. i.-c »j „i „j i.j) ao,^ *)gt;,,{gt;/ \'L^w kn. wat als hoven weggevoerd wordt; dood mensch £gt;ƒ beest, als prooi van een verscheurend dier (vrg. gt;11,» h,^). _ •nwm,-?,-, iemand als bruidegom of bruid feestelijk uitdossen, eer bewijzen, in staatsie begeleiden

(quot;\'lt;/. \' \' V \'— rSiHj ui un gt;] of i iïi.j i h ,.ii

wwrr.M passief. 2. volg. CP. ooi- zva.

\' CD

M/jS

\' of quot; quot;«\'if^ kn., . ».Kr^ KI., moeder; oot ah

uttroep van staart, — minder teederdan ,

• » , , lt;0 Kn/l^ »» t Salasr/ie hel laatste meer gebruikelijk

Ci , •

r. // (iju \\ 1121

lev hoofdplaatsy het eerste op het land en wel meest i n LLjw {als vocatief in ui a/s uitroep hv. van verwondering: t n i ü \\ IMi.) i n ijij of) j i 11 vij

/ • j a • \\ ^ 1 • . ■»

{mee m ui) hjumi i ipi waar is moederV i n 1y

\'/0f u i ij in\\ zijn (haar . hun) moeder, t il

i u i i ij uj of ijjjjj i nj }j\\ scheldwoord: zijn moer !

\\in ohscoenen zin? vrg. ijmiè iji:lt;i(nin (\'. S o .

rn) in ij an hiifu^ iji/j\\ - ij wi y iu - ij ï ii \\ moeder van den jongen ü/* van \'t meitje, noemt de man zijne vrouw naar 7 eerste kind. Vele vrouwen dragen ook als eigennaam dien van haar eerste kind, en heet en dan hv. in ui m / / i.in j \\ moeder van Kasiman {soms ook met den naam van haar man , als i ^ li!ajij isi u i j un \\ Uric

ven, 42, r. 4, C. S.).

o . ^ .

i nvbi \\ zie i ui li i w

\' KN\' 0J\' en T\'gt;quot; zva- \' j }lt;\'i]s soort van pot

om water te halen.

rf in tj uu\\ kn.; ijnti ij ili i i i onjis jongv koetoek-viseh , WW. fig. voor jong v. c. mensch . Tj. zie

tj t l) 91! lll?\\

ij lii/ ij u\'i f \\ kn. verhuizen met have en goed-, en een soort van gending, ook wel i n /ƒ i n s tj ii is NV. I, 248; Ij. 221. — u n ij i? ij u\'it naar een andere plaats overbrengen, in gevangenschap, slaver nij of ballingschap wegvoeren, inzonderheid vrouwen. — \'tn tj :f i? ij .tu ? il \\ mv. — ijdm i ij i n ? rii,iy\\ wie of wat als hoven overgebragt wordt, gevangene, pandeling; aan het verhuizen als hoven zijn. (» // im ij luï i i tn/* zich in slavernij enz. overgeven, van vrouwen, H. S. 851: vrg. in

Lu v.nyn/j C. S.).

o r . . .

rnoM hn li of i n ui hn n u zie r.n mw

\\ vjl\\ijjl\'\'\'\'\'Is z^e iy/iss

ijj j lij j in (ni/j\' zie

r^fjj KI rj (Hj\\ zie i:n luw 4

■ O .

i^jjj i i i^jjj i i in/js zie . ii/j v.

rjjjjj i j gt;rijj\\ zie .i.ii i\\\\

t n njj iiiin.\'ij* van steenen zoo geordend: ixi x.n:^ Tj.

v.n njj\\ kn. klanknahootsing van den slag met de vlakke {gew. r egt er) hand, op de h reed ere , d. i. de haskant van de Jav. trom (echo, Cr.; vrg. riLi tyjs i.ij .• loni).

rgt;l},J lt;)f Holt boom, kn. boom vaneen

. 71


-ocr page 1212-

f 11^1 dsn \\

J122

rm fj) \\

• rijtuig\\ ook de Boom uf\\ havenkantoor, {Mal.

ooi\' wel ijiinn i Rh.).

i-.n i.i\\ kw. zva. ibiiivjnj (hand; bekwaam, kundig, G.; Skr. wa m d, linksch).

quot;) DO o quot;) T •

i n : i\\ KW. zva. i n m nt n i i j f i iji j w cigeniKtam

van den tweeden zoon van F a n d o e, andera Wr e-l\'o dar a (jenaamd {Skr. h h vm a, id.; ook cvn naam van Sjiwa: eig. vreeslijk, verschrikkelijk). rn i)! ! h?i of i ii !ii iihn\\ volgens sommigen de Melkweg, volg. and. een donkere plek in den Melkweg , waarin de -Javaan hel w aja ng-beeld van ir r ë kodar a herkennen wil. .1 u f i ij 11 naam van een lahon en ge dicht, behelzend de geschiedenis, van \'Bima, het wal er des levens zoekende, (rn i i ] l i gt; i\' eigennaam van een zoon van\' Dj a-na ka, G.).

r.i^ .ris zie n^n .n 2 /. / ^

» ^ mnN., hu \\ k., aarde, aardbodem ; grond, bodem, land, landerij; landstreek; Tj. Sengk. een {Skr. bho cmi, de aarde ; plaats , oord ; xit i, id.); vrg. ijfijw n.ij f0! k u (u isr^ \\ de /.even (verdiepingen der) aarde, of de zevende verdieping, i.i iri\\ de navel der aarde, d. i. Mekka. ( Wangsatlan-. (i.ij f^iUi i ii hiip zva. grond van lt;le lueht, d. i. het

.. . O C \\ ^ quot;)0

uitspansel: ni n wyi \\ U. o.j. .• i rj to kiï iiojii (tjjt j(if)ji desa-land, landerijen met de dorpen. tj óu i.n f0! of ij i. ii gt; i m r.y rr de opgezetenen van de plaats of» landerij, ingezetenen. / m in /In landstijger, d. i. die in de landstreek als 7 ware thuis hoort. Vrg. i n i.n ^i\\ l ïi vrj iJifw (uy .«] an hu \\ (c.n /1 (Ui u i gt; vtj aji (h?i {Skr. zamenslel-lingen met n d i h a, p d I a, pat i, meester , hoeder, heer) \\ k\\v. zva. ^uij\\ {nn ri iUi n i \\ aardvrucht, G. Skr. p h a I a, vrucht), m mn \\ (fi /. i^ nj

eigenn. van prinsen, ioi vn if.! asn ^ het Boe rn i -

o . A i 0 o a

ii a t a sclie. — » n t j ij f i IJ \\ » n npj if i n hj \\ gezag over iets voeren, met de verantwoordelijke zorg over iets belast zijn, WW.

ifiun iF.t\\ kw. zva. q r.i) mi\\n

ij (i ,7» / d l of i iI f i K w. I. vkt. (Kj k ii i^ii iiin \\ \'ii isrji i n iÏ i j \\ droog gras; ook eign, van een vorst. Tj. Sêngk. nul, G. u i * i -1 gt;(uii ij yu f i \\ naam van een toóneelstuk. ij k- ? f i mi ? djj B h a u ma-kdw j a, naam van een gedicht, hehelzend de geschiedenis van B h n u m a, zoon der aarde {Skr.id).

II. zva. ij i, ii i ij i iit i i ui ledikant, iii.mi) i.i/j slaapplaats, G, ook zva. ij nu n (ni/j\\ vohj. CP. ./i:n* fi ben. v h. midden binnen»erlrck tgt; e. Jav. huis.

i.ij : riHi .hu \\ zie bij

T

vii i hui ii\\ kw. zva. .man nw f\'

ij im f ;en iftirm i ftfi n n i\\ kw. vkl. i n i n n i\'i \\ ut ii i u i.i ij gt;.y iiji i. ii -5) y \'u} \'\'Jgt; \'l\'quot;NN angsaltaii ■. 11 i^iï i.lt; gt;1 nu IF.I (tfrii (vr^(uit}n,j\\ (\'. S. (Skr. w y o m a n , Inch tr u i m ; a nl ar a en anta r dia tuöschenruimte).

iidnit iamp;i i n \\ kw. zva. onuts q \\\\

rt o • / •• quot;gt;

i.n f i ui foil \\ zie bij r ^ i w

anyM tui •ili\\ zie b ij r. r^ / / w \' quot; / if of rm nj. Ml. bamboeriet, vrg. ( rn\\ \'\'//j n kn. specerij, kruiden, en al wat dient om den smaak der spijzen te verhoog en gt; als kokos, kern i r i en andere noten-, in het algemeen ingrediënten, bij spijsbereiding (grondstoffen hij katoen verwen; dit volg Uh. (vu ij acudnjj) {vrg. i \'n (i ?i(uii crn). ij uh (it/i -^i(i.Tj ri^0 i^ (Hijj\\ Lakon, C. S. — niyffi i^ crn (f i\\ zoo oud zijn, bv. van een kokosnool, dat zij voor boem boe het geschikst is. — \'quot;//

nm i?i\\ iets van boemboe voorzien.

\' ro cJ

i n ( i^ mjj n k n . t. soort van riet zonder geledingen, die gekloofd zaarngeregen bij de dorpelingen als lignal {lampil) dient\\ (Maranta dichotoma, Wall. Nit f am. der (Jannaceae), bijna = ni in ilw

II. beginnen, pas aan den gang zijn, gew. van spelen\\ {in ; nti iiïgt; hervatten, bv. tijdelijk af (je-

broken lessen , Winter-, t lï(iJ) oji i*j j. n /. ii ili ui ii i

. ) a .

• an i iiin/i\\ hi rmci if i m ili ; i n \'fi n.i un ki ii f.i . i m

UI -J\' cocot) tl 1

IH1/JS C. S.) 1

.111. zva. ij i ni gt;ƒ ;\'u 2? B. T. Dj. 501- en welhgl

ook in K. 28, 4, Rh.

7 \' 11V V \' KN- 8erust gt; verruimd van hart, opgerninul

enz. W. II, 854, WW.

rjiL.mriC\'i^ kn.; i iiii fj?ii(f\'igt; ouffeklecd. iu nc-\' \' co \'co \' co

gligé. meestal van vrounen (li. J. V, 3, I); vrg. ij r.yi nu (en r^iriii? ^(tyu V zie bij C. S.).

\' quot; /\' \'HVJiN K w::vaquot; \' ^ ^ ? ir)Qx

iii:\'i of i n ih\\ een zoon van een pandita of vorst

bv. i ii i ni ii .\'i\\ zoon van Dronai zie verder hij CJ

r n i n en au i ii vN Wangsatlan-. iji ili tvi ini ^ d. i


-ocr page 1213-

Ov

i u ! I \\

co

112«

,c,.T

rootle vrucht, vkl. .i n ;\'ii i imp in welken zin, blijkt niet, C. S.

i.ii ?)\\ KN. niet in evenwigt j naar éen zijde overhel-co ^

len, van een \'vaartuig; scheepsterm zva. n i 2.

Rh. kant, rand, zijde van een vaartuig, ti.

zva. ibii mn Ti. — »/i terug-

co coco

slaan, terugkaatsen, öv. van een geworpen steen,

Rh. — ,t 9gt; f i 1 ) y \'\'quot;N doen overhellen óï?////?

aan den kant u/ oever brengen, W.).

• i)] \\ KN. overal even dik, cilindervormig, zooals fo

Z-y. ^/fc\' poolen v. e. olifant, Rh.

t . )

i iit\\ KW. zva. 11 ihii igt;i)/j\\

tl. r l. ■». ir ) :i. )-I. ..

iii;i\\ o in in \\ KN. zva. wi 11 in / i \\ qew. v. die-

co * . er» CO 17

(B), Rh.

(j.jj.wN KN. koker, holle cilinder, hamboe .hlik, hl \' \'

7^5, enz. ld wyt cilindervormiü;» als een

J \' CQCCJ

boem boeng zijn, vöjw beenen: org. i n ; i \\ (Wang-sal/an: \'i in intini\'i 1771 liiriiw iiii lud.ii .\' i ~r.\' ry } i i:i i^/jw i n ii la.ij^ i^ of vol;). Rh. v j /\'/ -— i ] ij iti s C. S.).— kokervonnig,

een derg. voorwerp.

n.. Qv

l)d:ltt l I 1,7» / ;\\\\

\' co • co

iii iuii;\'n\\ kn. 1. vechthaan. — tn ij ntri rii\\ \' \' co • co \' co

yy/y. Rh. 6V« vechthaan onderhouden, verzorgen, opleiden voor //tV geveeld; ook een vechthaan op den arm dragen {vrg. y* »\'gt; 7 c\'\'?). i ?i 7 .•;? 7 Lyniiis de zaak lt;?lt;?w ander voorslaan ^bepleiten. 2. gerust, van gemoed, tevreden, rustig, onbekommerd, (Tj). Rh.

\'r.ij iiip kn. zva. it 11 inr.ïjmyi\\ m ij(i:r^ iiip klanknabootsing van een stap of doffen val-, dreunen. ~ quot;\'\'{/J n nj\'Mi/\' klanknabootsing van iemand, die hard loopt, VV. P. 422 i ti iriy i. kn. een doornig struikgewas.

II. Kvv. vkl. ij tü\\ 111 rj i.ii/f\\ k.n. muskuszakje va7i een civetkat, Z. II, 273, (lt;S/t. bhaga, deel, vrouwelijk schaamdeel).

III. KW. zva. irn 771 tut (Kijf \\ deel, gedeelte (Skr. bhaga, id.; vrg. r.r) ifm gt; T.), (hi^ii:rini\\ drie deelen ; in drieën gedeeld. iv,ii (l,ii m of hn tin * 1 -11 ((bnvn }n\\ regtsterm • schadeloosstelling voor twee derden van de waardo. ii»; » gt;/1 in drieën gedeeld, driedeelsgewijze geschieden.

IV. kn. rang, stand, WW.

■gt;

. 111 zie vDrf m t.

irn 111 nkn. zva. if ib 11\\ iJiqnrs (t.

i.nifnis kn. X. aandeel (Skr. kw. bh dg ja-, zie bij 111 njjf \\ vrg. ook Skr. bhdgi, deelhebbend , bedeeld). —\' lh : i ijern of un f / in\\ verdeden (on-. derling deelen, B. S. 390; uitdeden, 15. J. X, 15, 4, C. S. — r./7|y in\\ po\'èt. bedeeld, elk zijn deel

ontvangen, B. J. *XLVII, IJ, 4, C.S.). — ui] n

co

\'/ » » ook ii/n t i 11 m gt; nr iemand met iels be-\' \'/ co • \'

deelon, zijn deel geven. — mn ^ if m nn ~./n if 1,11 \\ iets aan iemand als zijn deel geven, toewijzen; om-der anderen verdeden. — 1.11 if iiulli tiny of am in lli(hn/f\\ deel, .aandeel.

11. geluk , heil j gelukkig , gezegend, welvarend : vrg. 111 m\\ ili 1 (ijii/f\\ {Skr. b hdgj a , ook lot, fortuin), x.u if n 1 lli {of vollediger ii:ri n rn .111 aJ/v. 1 ^yki c) \'n wees welkom! ij j.iï i.\'y i igt;

ifcrns gelukkig. God dank! — cisn in if m lh ^/nif 7f:h)i\\ iemand welkom heeten, verwelkomen, begroeten. 1:11 tf ernlj if 1111,11 ^11 if Lii *[of .111 if m fym\'/niihu^nifLiis L. 70, 10 v. o.)\\ elkander begroeten, verwelkomen. — ajii 111 mi of 11

co \' • J

FLif rm- begroeting, welkomstgroet, lu l^ ikhi ,; In7!cm 0f \\ ontvang mijn welkomstgroet! 13. S. 404, 499. — 1:11 if au lh ernjf of 1:11 in n .711 lli iKijf\\ een ander of elkander begroeten.

lii iflt;rm\\ kn. vezels van de bast van den s o-boom of F i iLi if Lni2\\ waarvan men touw maakt. Vrg. n/) 1iijijf\\ .1111 rf mi 1 w tf i.mcrii\\ I. kw. zva. (Ui m nnjf \\ cl/i li i j n-njf^ {Skr. bhóga, genot, inz. van spijs, woadsal; vrg. if nu quot;Jjl gt;f fJ)t rn) Ti), zva. .ik »n {ook een bijnaam der Kor a wa s, G., waarschijnlijk misverstand uit B. J. VII , 9,1: if im2 n /ui ij (i:ii t cm \\ de weerspannige Korawas? (J. S.)^ njti if i is .m\\KVf.zva. ,Lj1 ivn (H7jf\\\\ tui if f; 2 711 \\ zva. il/i ie 1171 ihnjf \\\\ — if » . lt;• rf cm 2 oj! if ».c? lt;111 \\ kw. zva. allerlei spijzen? B. •T. kw. Kr it IV, 8—9 {iiit Ski\'f bhoga en o epa bh oga, leiden genot; het eten of driu-ken), C. S.

II. if un 2 HQ if i n 2 cm zie hij u n lj j^i w ffr.m rf 771 i kn. een soort LijiiiLiif. niet groot er

dan een duim. Rh.

111 nis kw. vkl. ii lil7i^\\ nm ili\\ iitif^fiunjf{Skr.

hhagna, gebroken)\\ overwonnen, B. J. kw. • Krit. XVII, 1, 4; XLIV , 3—14; verijdeld,


71*

-ocr page 1214-

ij i ii ij in :tn/)\\

c )

I II III ui ui \\

i \\ M

verbroken, van eene gelofte, ib. Vil, 9, .1 , (J S.

ij i ii.ij diKhfi/j^ zvu. 1,11 11 ij (ui i do j ? \\V. 1\'. 430,

voly. lin. dialed v. Banjoemas.

ij i ii in ij i\' i* in\\ {verbastering oaa ij ; i m ij in ? io) too vei\'for muiier, om mensehen in slaap ie breng en; ook eign. van een zoon van Da sa-moe ha en Dew i Ta r i (S/cr. m ég h a-n a da , donder; bijnaam van In dra dj if, den zoon van Tl d-wa na).

xnij niyns Ml. iemand van vorstelijke af lom si, titel van een rorstefij!\' persoon: Zijn Hoogheid, i n ij int ii) hu i,i naam vnn een voy stel ijlquot; en tuin , W. P. 421.

iii ij in s yiyi i/j\\Kfi. o nil enjesch i kt en vaneen hoofd, aan wie, als dienstpligtigen , eenig werk wordt opgedragen, zooals het snijden van gras , \'t zorgen voor de paarden, of om het hoofd te vergezellen naar- he!* een of ander werk, li volg. Ilh. begeleider van een n ja yn in j in m ij rni? hnji KN. naam van zeker fatsoen van huizen, waar hei bovendek af geseheiden is van

het bene dendak, ongeveer gelijk de Jav. moskee?

\\

Kb.; in W. I , 121, verb. v. rj m11 ni i,ijjj,

i n ij in? KN. hii K^ihii/j n:ii rf rntn) m/js

mei goed van b a g o r gekleed, zooals bij een optogt v. e. ptênganthi door de op ix n n mi ~ni ij i n hi j rijdende i ikuimi/j gedragen wordt, (Tj.) Kb.

i.ii in\\ KN. zva. !i:ncrn\\ WW.

ii n ii in \\ KN zva. iKrj ifi Wquot;\\V. jong, vrolijk, zonder * zorgen, G., votg. Rh. zva. i n mw

i:ii rj iiit KW. vkl. ijrii nrn/j H. J. KW. Krit.JiW,

no ^ ^ \' O /quot;i rj

2—.); vrg. i n/ni \\ rn ri m \\ i;n an ^ ( . ö. zva. fi 7i ii rn? \\ en klank na,b. van het geluid van een hekken {rj i\'n); vrg. ook ij rnrw /7» m KN. dartel, dartele sprongen* niJikcn (nitdarte • len ?) als een paard dat na lange rust uit dee

stal komt \\ stalvrolijk, Kb. vrg. rn uim\\ £

/ n / x r» ^ „

nn\\ irr; cm i.iiiiciii\\ v.nrj ciniw

tj nu ? ii cru ? n KN. de gëbang boom, WW. uitgestorven aren palm, die zijn kmin verloren beeft. Kb.

Ook eign. van de af deeling en hoofdplaats Buiten zo iv;.

i.ii ij in? i,iikiï. soort van vogel. Bench. v. ïiat.bl.

54, PK., volg. Rb. t.h ij m2lt;iii)\\ ook ij imw ■ Hii/js zie aid.

in in ui hi \\ eign. van een Vorst van Sr aio anti-

p o er a (Skr. B h ag a dat t a, PK .).

rn (ifi i ii {Ml., zoo, op die wijze)\\ K\\v. rn in i.n rj,

O TOO »...

TM i\'lj \\ zva. i^in in^rnw N\\ \\\\.

inmajis \'KW.zva. ij mojis kn. gezond, er frisch

uitzien, r.n (in ^ i 11 ki/j \\ l\'rise.h en gezond, ook wel

r.u in kj m of i n in \'M ^i n}\\ de zon (vrg. rn

r i n ). i ii m i i na rn i.i ~ i Mn \\ einn. van den sehoon-y m. \' io J

vader van Vorst Sa t ja. — (tn f icnia^,) zva.

co

: ) i)

ij i u Kitun jii i, ii na/i uilarin niuj mi najj\\ spr. —

o

i v v / m (KJi -; (hu gt; zva. i. n ij m laj) m ij 11 \\

spr.

rno^K/^xKN. mooi, fraai; netjes;-schoon, knap,. een jongen of man; titel van een fatsoenlijken Javaan, minder dan 11 ki/j\\\\ . f i i^ n^n^iji of -n ii.n iij i i/j zie bij f itujjw n ij ui in lt;11^ zie bij n tjtia chOjjw —- (hji i n kijj\\ de jonge prins, G. (vrg. u 1,1] lai/j). — Bij verk. ni mjj \\ in beleef d e toespraak tol eiken knaap of jongman: vriend, lieersebap ! — gt;11 11 ij of crii f 1 ii^ uijis (in W. II, 159 ifji.i n ii^zich verbeelden knap te zijn , fat, behaagziek. — (mi m njtMaajis schoonheid , G.). uniHjnrtjWjfs ba go es genoemd, als bag o es geprezen worden, WP. 453 {po\'ót.zca. rn \'tri M /j gt; ii. J. A. JCrit. XI, 2, (i, C. S.). ?:^ \'iii w/j\\ landschap op Celebes, tjiónn i^ rn 11 ^ Boeginees.

o

r:ri cm quot;n \\ lt; /) crn ui ^1 asn \\ zie 111 111 ki/jw rn cm \'tJi anjf \\ ooic wel tui 111 ui kw. kn. zva. 11 isn (ui inimil\\ een vorst, die zijn waardigheid heeft nedergelegd, en als kluizenaar of p a n d i ta leeft bh a g a w(i n, vereerenswaardig; benammj van een vorst of godheid; titel van een god geworden heilige). — 111 ƒ / 011 ui dojj of : 1 m 11 !Hi/j\\ zva. ij K / »ƒ 11.1 J\'un lu^ij v.niaaijs het leven van een ba ga wan leiden of aannemen.

j.tï ij ui? 11 ii]\\ kn. ; un fj ij ern? iuijj goederen voor oj bij zich bonden, WW.

rn iniuijjs kn. een kort, dik stuk hout, Tjquot;. volg.

Cy

WW, ook zva. ly fi ~ 1 \\ stuk brandhout dat niet brandt, of uitgedoofd is.

vini ni ni/js kn. straatroover, bij dag of nacht, op den openbaren weg (of op de rivier, JZ. I , fi, S


-ocr page 1215-

7\' quot;quot;/\'quot;quot;tir

I 125

n m 111 \\

v o.; JL. 13,3 yvrff. \'f uhm). — am \'/ wmi njjjs uj

i ii tf •\' / ij vn tn n i/j^ rooveii, straatroof plegen, a n ij

ii .\'Knnur iemand ah boven, fovvwcw] ook op

a

weg naiiranden, W. 1,122. — n n\'/V/N rnv.-— Ku tj in iii ii)i^^JIs- straatroof lijden. — /ƒ i:»» m i^i uij\\ straatroof; als boven geroofd goed.

»j rmrj mi rwj lt; KN. dc eikel halfontbloot hebben; fi(j. ie korte mouwen hebben van can buis, zoodal de arm er .uitkomt; van een vechthaan een langt; hals met korte vecren hebben, een toeken van

zwakheid, JMi.

) . ) . . .. ) o

x u m ij lu inji oj iiJhfn ij tiiwjj zie bij miniw

rii niiiy ni/j KN. bulderen, rommelen (uitbarsten,

G.) van vulkaneni vrg. oijducrnjj 2, en nlnoj

an/jw W W.

i:n lt;rn rj u i mi/j - zie u i ij ij ui i iw/j n bij 11 w

im n \'ïniM ij r.mnm zie iji n^ mw rniiii(vynyi\\ KN.; grof, rnw, gerimpeld, bo. van

zeildoek, leder , enz.

mem ivf inilt;\\ kn. door het noodlot loebeschili deel, lot; inz. gunstig lot, geluk, gelukkig (Ükr. bhidtjja\\ zie bij nn fVJj)- iii m m \'tis mijn

lot, mij beschoren, hetzij ten goede of ten kwade.

o G) o O quot;)

irt ru/jS xjd ;in s vn iamp;i j (U^ mi^ ^ ij i nint

/ ) : ■) o ) o o c \' )

i.i.i // „• / uj i,i va ij uj im tamp;jjr:n iunn \\ ij .• i(i.) /.u

m un.wPjhii -rn J7i. I, 12, 1. {Ook in zulke za-men hang echter waarschijnlijk veelal opgevat in den zin van tot iemands geluk toebeschikte bezoeking^-. vrg. rn ini \\n en meermalen bet. het bepaald-. geluk, gelukkig, bv. J. Z. 119, r. 13; B J.XV1, 19, 2; XXXI X, 18. 1 , C. S.). i n cm i.n v i i n r i ^/J\' zie \'bimw iisnttrin i.ii ij hu gelukkig maken. — ,irrjcm(Hin of dm mnn inim/)\\ t tt is. hi i of r. h ik anjjs op goed geluk. — /. n i ii (ir) (hnjj of i.iinniKihnjj\\ met voorspoed begunstigd; voorspoed, geluk; belang, voordeel.

man ie\\ iu/j\\ kv. klanknab. van het plotseling uil een gal voor den dag komen , zva. i n rj nn t ij irlt; t ui.) spottend voor een, die overal door kan komen, Tj.

of i~n irnjj \\ kw. — im,m\\ ril,,,

{Sier. bha/jjd, te doelen; lot, lortuin). — ,u ,•,

rn

2//N — \'L\' 7 \'n \'t i w iWj rii nnjjj\\ zie i ii np\\ y^nicrajl^ kw. zva. 7m l. {Skr. bhogja, eetbaar*; spijs; koren).

: un cm du \\ kw. zva. njyj.i.Lit m\\ (j.

; ~)

1 ijtciii rn nm ip kw. zva. i/ r.nt nis sp/.

i r:ii ern if-ijjs kw. zva. ij ui vf tp \\ G.

gt;1 rn f cm } i/i kn. naam van de vrucht, v. d. Sonne-ratia aeida, Ij. 1«. m iU ickiji Kh.; een ronde doos met deksel, meestal van loper of blik, ilh. o. a. door juweliersiers gebruikt, diquot; er, nevens dc kostbaar heden, ook een schaaltje en gewigten in hebben.

i n ij in? criyi\\ kn. in dialed van Banjoemas, ~va.

iji iij n\'i\\ Kh. en zie r.n tyormchvqs

) y . v

i n m cm j\\ kn.; I II f i in in ^ .- i n ni in ■ o/ ■ l

lt; n \' \' J

rn im j zie bij in m j\\\\

Ito . . O O )-)-gt;.

i:nni ni?\\ OOK Wet ii^ni ni j k n. ; i n f I cm m ^ of

in .\' icrn ril f met tegenzin de handen uit de mouw

steken, frg. \' i iti (i. ineengekrompen zitten of

staan. — i n .lt; i in ni gt; ineenkrimpen, ongev. zva.

fy , % q,, )

•ti rij hip vrg. nhii Ki/jy Kh.

) - rr quot; quot; • gt;

i n ij in ij ni \'s oj rri n 11111 rn gt; zva. 1 n m iiigt; oj ( v

\' n num gt;\\ maar minder breed of uiteen.

in uj iijurij^ KN.; 1 n !quot;f quot;j\'quot;/)\' pal blijven staan of zitten, WW.; vrg. itiij mtij rm h gt;.•,/ iiini till { w

^ . )

: 1 n rj rm ifcmt mi zie ii.i ij nu ^ m * hn ,j\\

0 ) ) .. ) ) . ) )

1 n m m in 1 of 1 i^ m m m j zie tn tuin j

I 1:11 rn eniji\\ zie ? y 111 tj tiit ■ kn. eigennm. v. e. zoon van Sé mar, elders {iij irj tiij gen.; wegens zijn eigenaar dig e wijze van spreken en ivoordverdraaijing kunnen weinig dalangs hem voorstellen ; deze gebruiken dan een anderen zoon van Semar, nl. Tjémoeris. Kh.; ook tp. zva n cmi.rh w .17^ rrt\\ kw. (kn P) zva} 1 j •gt;lt;h \\ ƒ (been, van de heup tot en met den voet? H. J. XLlll, 4, 7; volgens G. kn. hét onderste gedeelte van \'tligehaam, de lendenen en de voeten; dus zonder de heenenV V. S.).

nm * 111 \\ kn. hier en daar korrelloos vau dj ago eng

W W. van padi, Tj.

t ry . \'v

t u tj mrjnms zz= u tj mij m\\ van /;gt;ƒ»/gt;»■ƒ tii \\ zie

HV. ecu drieste houding aannemen; Tj.

i n i n J I. kw. zva. f h 111 j\\\\ G.

ii. kn. artikel, paragraaf, hoofdstuk; punt,

geval; wat betreft, aangaande {Jr. lt;_)[gt; ingang,

deur; aanvang van een artikel of hoofdstuk, avtiVc],


-ocr page 1216-

O

nn i n j

I 120

I n I n

hoofdstuk) / m/m.j/r.ï»^N ciMi punt, v an bespre.-l\'iny of ondervraging. r./i j m .///.»i\\ tedieii opzigtu; ook verk, v. i~it n\'s» ho. i:n i n -jn m \\ out wat

rcdeu?

r.it i n j of I n i n i ii/}\\ kn. i. klanknahootsing van den gcsmoorclen slag op de hasaijde van een Jao. trom, als da hand op den anderen kant gelegd wordt {vrg. i n -i/j). 2.. — (invrtrn^ water afdammen

of opstuwen, dal. het blijff staan, Rh.

n n

in i:n \\ KW. zva. ii.im yr\\ (r.

ani ii:n \\ KN. tam varken, vrg. rj qji rj \'uw vn i.yn KN. min, voedster, volg. Üh. ook zva. t nj^ poM. moeder, id li i:n r.rj,\\ ^ nan/j KI. vader en moeder. *i gt; i /.i:» 11 / i i nvolle broeder of zuster, K. T. 208, i n\\uh .-1 i)(ijj2 hn i.n

O. O.. O ) v i j

i 11 n j.y i.j 11 t j i ii rn i,] s irlt; 11 i. i i:i i ii \\ die tot vu-

\'7\'

der en móeder (d. i. tot beselierincr) verstrekt van ui de Vorsten van Java. — n~nii r.n? nn/j\\ kn. volwassen kip, leghen; kapitaal dat rente geeft; origineel bv van een afschrift, v. e. tuov erf or muiier , dat tot voorbeeld kan dienen, voorbeeld, exempel, UP. A. 02; bron, hv. van aanhalingeni een lieii, die op het punt staat eijeren te leggen, een weinig onder dan iin ; kopje doos, mand, enz., in tegenstelling van het deksel {dat dikwijls un uj ini mijl genaamd wordt) ibij i rji ij li iii xjd f n ij irc ? rj ia i i.ii ij r}? i nijar.n i ij ij i.j \\ het deksel past niet op de doos (Wang saltan : rn »1 inn ui.^lii i.ij i^ nnjf C. S.). — xii : lïji iitiujs een kind als min zogen; v. e. m ij 7 /71 ■jn/j\\ voorzien , iemand een origineel geven • om af te sehrijven. — n/n fninrm iiii ^ri ijini\\ (in i in un . n ij i n \\ L JOli), een kind laten zuigen van een min (niet zelf zogen).

r.ïirj i nz\\ poet. tusschenwerpsel, zva. i n i^^ enzva, rj imw Tj.

o o o . *

irii lii\\ KW. zva. v.nisi/jjs iJtia^j,^ m ij i:n?^ ferz

il i niji.ijs ook i n ij i n liii rjiuj\\ zijn (haar oj\'Inm)

moei. — 1 ii /li n\\ iemand tante of moei noemen, ro

als neef of nicht, of om iemand te believen, im i ns ^ \\. kn. eig. opening; fig. aanleiding, tot een daad, hoist, enz. WW. volg. Rh. plaats, terrein, zva. qui ij in? in m j\\ W. 1,73, ook zva. uw v / \\ u gt;\\ zich erg. plaatsen, nederzetten W. II, 889. ijim y n i? i.ii rn fig. plaats of gelegenheid tot een of jquot; ande,\\ vinden. — im rrr.ii{\\ een opening of gat maken, inbreken, doorbreken, ook zva. niminiis ondergraven; vrg. if rn z ij nm 2 utijj\\ ij 1:11 ? ij im n iip

o

irr» im ai\\\\ — m s i nn gt; ? ?/ \\ 171 v. — a.n ini^ d/nwjj-\\ opening of gat, door inbraak gemaakt: vrg. (mi j lw (inji w irn .Lm ^ (ürt ui(ht iin \\ zie bij in uw ook pas ontgonnen grond, zva. urn inici

II. of verkort rn\'t\\ titel van half bloed-(\'hinc-zen, in toespraak of vóór namen oj andere titels-, vrg. i ijij i nw ook als titel van voorname inlanders te Batavia, bv. awo-iri j i.^ linniin/j\\ njjtuj^L.n i n gt; (of i ?i uj iy y ufi alt;ijf)\\ half bloed (\'hinees, in tegenstelling van iiJ) uj r inrj dai n n/jw i n r n ^ x zie bij arrinir^w .

nj r.n gt;\\ kn. toegevoegd, bv. van een tweede inzet in V spel bij een eersten, van een tweede gelijksoortig geschenk bij een eerste, van verwijtingen of slagen hij die, welke dezelfde reeds van een under ontvangen heeft-, vrg. (Uiajj^ss WW. volg. Uh.

zva. im mi it hi a n n i ui)\' kn. (of i n i 11 ii;\\ (gt;[ \' quot;l l\' • cv

k.) er het zijne bijdoen, gew\'. in kwaden zin. i. n ir.i^ gt; gt; een toevoegsel ontvangen, bv. een

\\\\i\\\\r 0 ; )

nieuwe ramp. ww. — am r nni^ n., quot; i njin k , iemand iets als taak of aandeel toewijzen , opleggen, opdragen; de zorg over een of uuler toevertrouwen aan, P. L.I, 12. — uur.r^^am hiijs hn nri nn ^i/n au ijs iets tot# taak o/aandeel om te ver rig ten krijgen of hebben (toegevoegd deel oj


£ ^ gt; huisvrouw kn. {pok zoel i:n Kii/j ofvrri ij taak, G.); vrg. un ij (Ui? ijuii ^ m arij \\ qsii tj rv i y

riLni nf) moei, tante (vaders of moeders jongere zuster; vrg. iiin \\ bij ris ll\\) \\ zoo worden de bijzitten van Jav. groot en , ook door haar eigen kinderen, genoemd; betiteling vaneen onbekende bejaarde vrouw uit den minderen stand {meestal verkort tot i gt;1 ij i n unfj zie aid.); te Soerabaja ook wel zva. als de betiteling tj i:m mi *jrihaaw irn tj rj rn ? gt; (Lm im/jw — r/n ?; (i:r^ ; im ij /. n \\ r/»/ .■ irn gt; (unaïn nnfi\\ iets aan iemand opdragen om te ver-rigten. — r.nr^^iun (m/js i n rn gt; rn nijj-s iemands aangewezen taak o/aandeel van werk, toezigt enz.; ook, maar dan gew. hierh., rr^ x.ri -gt; i.ij itij gt; • n wj\\ \'een wer.k taaksgewyze onder elkander verdeeieiv. \' ƒ xnj KYj. % run rj \\ dat iö mijn werk niet, lui gaat


-ocr page 1217-

gt;! r.iH tji tu gt;\\

) ■ y i tl i li

1127

mij niut aan, dat hoort niet tot mijn competentie, J. L. 52, r. 2.

rjnmiii.ni^ — kii ij r.u t tj in f ^ i n zva. nii ry

vniiLTHHi/js zie r^,i:y.N WP. 500.

( ;i Y i jj ? m j\' sic \' ii ry ^ oo/c «ra, igt;. e.groote

om arhi te tappen. Kr.

/ / , ) S Ss

iiiiii\\ KW. zvci. Ilini Iji.ns ü) 1.1 \\ »ƒ i/n ? y r j \\ v / / n

ij in ii m w kn. {eiff. ontwikkeld, ontrold, uitgespreid j zieli ontwikkelen, enz. C. S.; vandaar) zigtbaar worden, voor den dag komen; geboren worden (ki. v. m vn); uitkomst, ontknooping vatt een verhaal-, rnim, breed, veel worden, zieli uitbreiden, uitzetten, uitdijen van rijst of ongebluschte kalk; in Lakon herhaaldelijk, met eenc nadere bepaling, in den zin van de gedaante hernemen van . . ., veranderen in . . ., nam. in de ware, oorspronkelijke, slechts tijdelijk verborgen gedaante, hü. i n irn ia ij uu y ij tiw.r) i ii ; i liïq i v /y .» Wang-s all au : m o /ƒ i u ? (ij) hiLnr m aft i u » n \\ (\'. S.). rnrn iu i) in/j\\K.N., :i:ii in iïyn ;\\ KI), (oo/c i n i n iquot; van in eens, te gelijk; te eenen-

male, voor goed. — iw^m hnki. v. fiiji.n.j of icyi i n/n ly i.ii/f baren, bevallen; kn. ontrollen , zva. i n ij trij t ii als zeilen [of een tapijt, B. J. N , Krit. J11, 89 ; of een stuk lijnwaad hij Y beschilderen, C. S.; vandaar) gew. ba tik of iets anders afwerken, voltooijen {een geheim of bedekte bekoorlijkheden onthullen ? IVangsallan: gt;ƒ» m ui

^ a C\\

i:n rm t.i i.i w:hn hi ~ n n ik 11 r C. S.V - i~n 1.1

S J CJ

nn\\ afgewerkt, W.*P. 410. — n n .• /1 n gt;1 j

co C7

in eens geheel afkomen, van een werk, li.; ook

s Cl „ -)

;va. lw j^i ii , 11 i kjii kii of i n ; u.ii 11 i.i i.n . a ij

igt;ii\\ in eens afwerken, afmaken, dooden; afdoende,

doodelijk. — i n .lt; i n\\ mv. zeilen ontrollen; aan

co

iets de laatste hand leggen (een geheim openbaren,

G.); ontvouwen, uitleggen, ook Jlg. bv. een spreek-

woord of raadsel. ajn rn h^rtrj hïi\\ ki. ter\'ween \'

rela brengen; kn. iets openbaren, een raadsel oplossen; ontmaskeren, zijn oorspronkelijke gedaante teruggeven, bv. in een w aj an g-ver tooning, aan tijdelijk vermomde figuren\', doen uitdijen, vermeerderen , toenemen; zoo ook un mn in i:ii nu

co \'

\'/quot; n öeld op rente uitgezet, i n rrii r irinj^ O quot;)

zi\'a. h ian,i.„iri^ \\V. P. 413. — rn t n gt;i,uij\\ ki. wat ter wereld gebragt is; kn. het afgewerkte,

voltooide; afwerking, voltooijing; van ee/t batiks el

bep. van met soga gekleurd batiksel, nadat door

middel van ziedend water de was afgeweekt is (/; m*

gt;1 gt;»? ui/j); öö/ voltooijing van een afschrift, WW. ,i m

j./ï »i.^i i n up I,ii, a u rj hu/1 ii ij 1.1? in j \\ verkoop je

het door je afgewerkte batik? {i n in gt; i ui wi jü

if f iiy mi . ii ui i:i ui \\ waar is liet door je afgewerkte

nl afgesehrevene, boek Ménak? WW.) iii iSi im

1 o

rn ii ij ijj\\ goed afgewerkt, m rn n ij ui ijiayn iu i.n/f het is bleek afgewerkt. — ui firn \\ ki. bevalling; kn. suhst. den.-, het voltoorijen, ^»^.; ontdekking, openbaring, ui i igt;n i l osten van aangifte van een moord aan de Var én (ah, W. — iii n rn \'iiQrin\\ kw. zi.eh (viugteud) verstrooijen, 15. J. kw. Kr it. LX VII, 0—8, vkl. uu ij cin if ni

mj (\'. S. — tr niu i n zie aid.

ï O . ... /

rn rn zie (fij i n\\\\

• O y . z\'

rnrn\\ zie r.u \\

o V **

i ii i n kw. zva, ii uii f iw \' (o

rn rn \\ n., ui rn \\ k , uiteengaan, van velen, die bij elkander geweest zijn. uit elkander gaan, zieli verspreiden , {pok van twee personen, en, naar het. schijnt, van eUc in 7 bijz., die uit eene bijeenkomst heengaat, 13. J. \\ III, 22, 1 ; XLVI, 18, 3, enz. (\'. S.); in menigte uitvliegen, van bijen uit een korf bf nest; (verloopeu, van eene bevolking, J. li. 08, r. 4-; J. Z I. 104, r. 0; uiteen-vlugten, can troepen, B. J. X li I , 7, 5; XXXI, 20, 4, C. S.); het uiteengaan, de afloop van een vergadering, feest, gevecht, enz. ; alloopen, geein-\' digd, als hoven: volg. Ilh.\' ook Jlg. verstrooid van gedachten, ook TP en o.i. zva. n n iJiinjs rnionifis W P. 480. ^ IVang sail an \\ mn ij biJlJU (\'\'t, de lucht krijgen, nam. van onraad, —• i y rii\\ (\' S ). OJ.? en Madoereesch

ook zva. riuiituis W P. 801, 315. — f n i.i r.u 1 (i Cq

mi inis i n j urn iii.niiUj\\ doen uiteengaan, doen alloopen, als boven. — .r.ij r\'n gt;;anjj rn rn trui^ uiteengaan, als boven-, tijd om uiteen te gaan of uit te scheiden.

\'\'/n kw. zva. rj ry x jlJl. kn. pap, brij; vrg. lk i\'j \\

(zamen of in elkaar gevloeid, G.). — inii/ii^ / 1

zoo zacht als ry/ys pap koken; pappen, bv. een zweer \\ (in elkander doen vloeijeu, van een.sehrift, het onleesbaar maken, G.). — vn rnljnrj mi


-ocr page 1218-

r.n i in» injj\\

I 12S

ij i n iji n\\

voor.» iemand pup koken, tol piip maken.

ij.i^i \\ KW. zvu: G.; KN. uitgerold, nit-

gosprcid {vry. i.n.in\\ l). ui lli ijium n i^n \\

IP aj a n g-fujurcu (jeicekend up papier, da/ bij do vcrlouning uitgerold wordt. — i u ij v / ij i n \\ uitrollen , uitspreiden. — i n M ij rm n over iemand of ic(s uitspreiden, ƒ/ r.n ij 7U ^.nmKN.; xjii : rij n i tj i n zva. i n ij f vloeijeud zieli uitbreiden, cry ens heen vloeijen. — i/n ij ru ij int] zva. i i ij i t n vloeijeud bereiken, vloeijeud zich uitbreiden over, ergens indringen. —xm y iwrjini n i tj i, ii zva. i i ij N ids ergens heeuy door

of over iels doen vloeijen.

rumii.ctns KN. mislukt, niet geslaagd van gewassen. broedsels, enz. Jig. in duigen vallen van een onder neming of plan ; vrg. ^ ^ \\\\

i n i nj KN.; i ii f i r^i zieli uitbreide.n , in omvang toenemen, van opene wonden, zweren, enz.; fig. ook van een perkara zich verder uitstrekken, hv. over meer personen, zoodai de zaak belangrijker wordt.

i n i n gt; zie i n i n sw l ^

rij i n^^ KN. uit elkaar geraakt, uit elkuiir gehaald; zwaar beschadigd, vernield; onbruikbaar, bedorven, verrot, rot bv. door sf/p/iilis of\' lepra; van een lijk of kreng in ontbinding verkeeren; uit de maat geraakt, van dansen\', de dressuur verleerd, van een paard, (verstoord, van dg openbare orde. Brieven, 229, r. 8, C. S.); verbroken , nietig, van een overeenkomst {vrg. (cn rm gt;lt; : ^ ij vu 2 ri^i.ii^ ij.iiti iniji). 1:^ rri^j aei n 1 ij rr)\\ zie

bij (inruw — i 1:11; of (un j! 111 ;\\ uit elkaar

(-QXlJ ■ J foO\'

halen, enz. afbreken, sloopeu , vernielen, slech-ten , van huizen, bruggen, enz.\\ bederven, enz.

{eene deur openbreken. J. L. 181, r. 13, C. S.).

000 i /ï } I im gt;n 11 \\ i\'ii ; 1 rn 1 ii \\ mv. — \\ u i 1 1 11 gt;

co__J

in ii 1,11 \\ in .n in gt; in hu hi 1 maken dat een ob-\' co O • \'

ject uit elkaar gehaald, vernield, enz. is {het versland krenken, als het misbruik van opium, J. Z. 92, r. C, C. S.); 0xm 11 \\ de taal bederven. — .rr^.nuKi^ 1:11 m4 un(hijj\\ obj. den., wat uit elkander gehaald, bedorven enz. is.

\' y 1 1^ ; i:y rm\\ een term in het kaartspel, als er lusschen de opvolgende honneurs eén ontbreekt, \'O\'1\'\'/

v. xm rn^ gt; n\\

r.rjj ujun/j\\ volg. WW. zva. v c\',i

ook fig. ongetrouwd gebleven,wïw meisjes.

ijr:n ij iii Kiijjs zie ij ri^ iiii^\\

ijtni 1 km /.uKN. omgehaald, van den grond, door

een schop of ploeg: vrg. l y i n 1,njw — 1 11 ij ■ 11

rninrrjhns den grond omhalen, WW.

ij r.ni7j i n^f hii/jy KN. in een vervallen toestand, zoo

van personen als zaken; beschadigd, bouwvallig,

zwak; tot onvermogen vervallen, bankroet; vrg.

\' li i ijlt;S vjMl gt;f tyd hii/l^ rjX7mrj(um injj l.

1 11 n ïi i n nu hu 11 iiii\\ doen vervallen, e9iz. \'co \' \'

ij rm ij r^iMfi (in/]\\ obj. den. wat door zijn vervallen toestand onbruikbaar te achten is.

ij nu ij nu ,1,11 j\\ KN. — m ij /u7j^^2(wyj\\iïOïn\\)Viiiim

\\\'v\\\\,van veesten, zie i.n.riyj ijln^m/jtj^rtiixi^jj

\'sa. /quot;

1 n 1 111* n zie r n rn \\\\

rn .1 irin^ KN. 1. ii/n ; 1 iri^ciiiij\\ hoog, ongemakkelijk draven, v. e, paard, vrg. n icz 2 ijiKt aiijj 2. volg. WW. zva ril au [rrnh nj 3. rn yrr^ een plaats bv. een soort avibèn of parapara gexv. in de keuken om een of ander op te leggen, Rh. i.n rn hn KN. 1. door wrijving, schuring, schaving of drukking ontveld, gewond, gekneusd, doorgereden zoowel van den ruiter als van het paard\', ook wel van een boom waarvan de schors geJeel-telijk af is; Uloor trappen gekneusd, B. J. LXl, 19, 4, C. S.); afgeschaafd, ook bv. van verw; kneuzing, schaving enz. — 2. {voorafgegaan va). een telwoord) stukje van zang of dans, als maatstaf van betaling voor straatkunstenaars. — \' quot;

tfirniMn/i\' een boom, bv. meteen mes. een\'stuk co

of stukken van de bast afnemen. — tm t rim 1.11

co

jj h u \\ maken, dat iets als boven ontveld , gekneusd, geschaafd, enz. is. — rmrrn yn in/j\\ stukken boombast, als boven afgenomen, afgesneden ; ook stuk, stukje, een deuntje van een géudiug; rn rn ini m ~\'ii i j i ni u iq\\ als sein om de gënding ij nu ij

zoodal hel geheet niet lelt -, ook fig. in duigen val-

leu van een plan.

,/n zie

1111 11 n 1,1

i n \' \' zie ivi ^i r^ 1,11 /j \\ ■)

rririiuii/}\\ zie 111 /. 11,1 \\

r t*

n

hu 1:11.1 111.111 „va. i.n 1 11 1 11 ■

pass


-ocr page 1219-

if i n ij I ii i.n i\\

I I 89

I I) I ij !• n J

ij I us Icspolen, L. Ü8 ifiiiiuj hctz. voorde

gëinling (iim AS.; bij liet stuk, bij

stukjes,* dansen enz., als hoven (fragment,

afzonderlijk stuk, afzonderlijk verhaal, bijzondere

geschiedenis, G.).

! u ry /. Ny/N kn.j (Uti «\' hi.y hti fsinoi den kop njquot;de horens

op zijde stooten (met voor- of aehterpooten stoo-

ten, G.; op eten aanvallen.

.1)1 ij urn uupKü. ; irio tiftijniyrjutiw/js zie

in} i:n i\'ii/i^ kn. {zva. n rj rtji.n ^G.) ; x ii flim i njj of

i/n tot gruis stampen. (Lint^xm iiUn

rijst of koffij stampen om ze van den buitenslen

bolster te ontdoen, vóór hei fidsbh, dus zva. 7.7

dsn\\ zie bij {zie ij km tj 1 12 s\\\\ Vry r.nt n

nijj). — xrnniri tni iWyf obj. den. wat tot gruis of

poeder gestampt is. — n r.iPid i,n j of r^.r.n rn j

— x i of n/n lt; 1 iln nifj\\ vermolmen. —

i:nrn 11 aan of rni~yi rriiiJO/)\\ molm, stof, van igt; quot;i. J( •\' m — f

hout (een ander j t ii m/t zie boven).

) ) .....) \' ) gt;

i nriihiij zie 0ij .incnnn/j en »/M »/ m^\\

no 00

urn i n hiiq\\ zva. rn i:rt\\\\

o na

ivrn ij r.n hn/js zva. arn 1:11 w

zva. /Wi/jifW KN. ryi:ri/.///M naam van de sasrah a n, als de dochter het oudste kind is. — i n ; / i.n injjj\\ den grond omwoelen , omgraven mei ploey of patjoel ontginnen j uit den grond halen, met een w any lil, 01 graven , rooijen, bv. katjany, voly. Kh. ontginnen van woesten yrondt, onyev. zva. ij im rrni.}!^ heelemaal uit elkaar halen tot kleine stukjes bv. een nanyka vrucht {iemand het lijf met de nay els openrijten, B. J. XXXIX, 2Gj XL, 8, C. S. zoo ook L. 160). — ,i7)//r.»M MN mv, — xmimnn

Cif 11. (; .1.1

• ^ het a/s boven omgegravene, enz. rrJ)(V\'rj)een insect, dat vermolminy veroorzaakt: rijstworm, houtworm, mijt; vermolmd, tot slot, tot poeder vergaan, tot poeder gestampt of gemalen, bv. koffij. rj 1 v i a (r y rti hu q \\ zie ifDtah bij ij uinn ry ry 1,11 j of ni nii ? tunny

zaagsel {vry. n ry .— 1,, ; / f y tot poe

der enz. stampen, malen. — Ky ry lahnq\\quot; vermolmd ; door ziekte of ouderdom verzwakt, jj rri

quot;f KN\'i \' quot;/\' iT stof of poeder

zijn, bv. aarde. — 1.77 i y stof- of aseh-

aelitig; warme asch. \'y \'\' ^\',7»» y\'.yfijne.

losse aarde, mi.j ^n. , iu 1 y s k) ryi ij laj

stotvuur ; aseh met vuur. i.n ini n iinin hi li v n

\' quot;l

katéla inrekenen, bakken, onder de

aseh.

ij i n ij uti in}ji\\KH. {i.n m/j KD.) eendvogel. 1 \'n nj iji niir.ni.nqs eendewijn, spr. drinkwater, u tvij ij i n If i:)i ),)i J een eemlehoedershoed, yew. van yevlochten kokosbladen, die nek en ruy bedekt i voly. Uh. \' if igt;))? t\') i ) iin/f rf

if 1 a if 1 n rj r.n rf .iin ii))/f\\zie bij rfj^it »• fi2\\\\ {ira?iy-saltan: if in if cn in) aj) of \'rf in nin i,)i iu.i n -i/i

—— 0 ^ n O \\

r.n ui) — }))iivi)if\\ o.). if rn )gt; m if). i) if

if rn in)nofi in het water stoeijen, van mannen en vrouwen, Tj.

if rn v )f .i7))2 )lt;))/j KN. — tun rf f ) gt; )f(i~)) i notjf li; een muur of beschot, yew. van een huis , een gat of opening maken; in een slijt, paal en dery. een gat slaan of steken ; vry. r.n r.)) ; • if m s )f r)) t h )jj :r)):rn )uji\'\\\\ rf r)) * )f o) t rn iH),f\\ gat, bres, opening als boven.

II. smeersel, zalf, yew. van ye maten specerijen

met medicinale bladeren voor huid of uitwendiye

ziekten, dial, ook wel zva. if hji? if .ru iin/fw —

nrn )) ! )gt;i) im )i))\\ met bobók besmeren. \' co \' quot;i.

) • ) ...

nr)) .r)i I. ), !H) f\\ zie rn ^n \\ otj 111 i:)\\\\

m rn hn-L irris kn. een cilindervormige duizendpoot yrooter dan ). n ru rh w maar onschadelijk.

id in to is kn. I. pens; het uit buffelpens yemaakte overtrek van een Jav. viool, WW. voly. Rh. het binnenste ruwe gedeelte van de maag; de pens heet

quot; U) IxJ h )l f\\

II. schoonmaken, van een bosch of begroeide plaats, door de boomen om te hakken, de struiken en het onkruid uit te roeijen. rnr n in ^/n )i 1 )^\\ een bosch of woeste streek ontginnen. — \\ n 1) i n in/lx boomen, struiken enz. omkappen ; kmet een sabel {of knods, Ji. J. XIV, G, Oj XVI, 1, 8, ( \'. S.) een drom vijanden {wayens, olifanten enz.) wegmaaijeu, neerhouwen {vry. rnnl hny). — /,) im iftff n KW. id. Kr it. XXXVIII. 2, (\'. S. — \\n f rr)i(u]\\ mv. — mm ia mfj afgemaaide of omgehouwen planten {hv. 1 mm m m 1 r \'i li. S. 29H); ontgonnen land.

III. geschiedverhaal, jaarboeken van een rijk {eiy. ontginning?).


-ocr page 1220-

1 \'I I gt;11quot;

11 w

i n zie i n ni (i.iiji\\

l:ll 1,11 i, I ij \\ kn. {ook k.). ki., Ja-

vaansoh manskleed bestaande in een slul\' lijnwaad ter lengte, van 4s\\ tol 5 el, (/at, om het middel vastyemaakt, het bene denlijf dekt {vrg. vu l,i i i quot;ijs »73^ irri nciji n^iirici^ (jrondvor^n i ii day), in niri iu\\ zie bij i:i /11 3. ni r.n y icii ip n zie bij

gt;7 lid ip w (W any saltan; i. h vi^yu w f i ^ k\'j111

_ n ) ) ■) o ( -) __

— ru i n ui p\\ x n r.n in ~/n i:i n ^ J - 7^ 7-1 liijj —

i Kirrj^mi ijiiu,, (\'. S.). — i n .f rintciji\\ iets omwinden, omwikkelen, een wond verbindenj («ligt, in menigte om iets heen hangen, van vruchten aan een boom. W W.). — i n ; 11 ni.l (i:ni .«i ?ï ils

CO S- v

Ki.) iemand van een b eb 8 d voorzien , een bö b ë tl

aandoen (oo/r iets omwikkelen, enz, G.). — i n r.n

.ifi ihi^ rm ; i ?] gt;:i .in/j\\ met een b 6 b ë il, een b 6-

böd dragen of aandoen, een levensperiode van een

ionyen y die niet meer naakt wil loopen, op den

leeftijd\' komen {tusschen 7 en 10 jaar) om een

i n i n tii^ aan ie hebben, nofm ij i n

t.i/j \' omwindsel. — njn gt;• n j in uijj iets met iets

omwikkelen; i?itr. fiy. als een ini ji nni/j nl.

draaijen , met streken omgaan, Tj.

o\'

\' y \' y,\'/ \'ojl\' zie anxiinw

i.n i n ten j * kn. ; tin f i i:n tbn,j\\ zwaaijeinl slaan {tr. en intr.) of treffen, bv. van een sabel, van den staart van een kaaiman {van een knods, li. J. LX, 8, 0, C. S.)j vi{y. in Liij iji n nn iVgt;njj\\\\ — i ii / in 7 n gt;j uii \\ ie/s, bv. van arm of been, zwaai-jend van zieh al\'slingeren; met arm, been, enz. t zwaaijend afslaan.

\' n ry m y of i n i)j(U)j^\\KN. tapijt, vlo\'erkleedj sprei,

van een matras, VV. P. p. 58.

lt;/ tninj! kn. oorsprong, aanleiding, begin {vry. m i^i ii n j)-, wat tot voortplanting q/\'voortteling dient,

1 • , . O quot;gt; 1 O

Kiem, zaad ; {vry. i:i ;y v en 111 ij i n ij vm^njj 11.) /.n ii /1 n i n Mi /; f n / ƒ niji\\ bij \'t eerste begin,

li r ie ven 251, r. 2. — i/ii/].i:ii.Lnni,n\\ tot bib it

co I

maken, voor iemand bi bit zoeken, iemand b i b i t* verschaflen. — i.n i n i^n imjjs tot bi b i t* gemaakt, wat tot bi bit dient, tot bi bit bestemd, tot aanlokking , bv. van vee, {nl. de vrouwelijke\', merrie, koe, leghen enz. Rh.).

\'ij in Kiifj of tj i n? in i a kn. paardenhaar, ook het haar aan den staart van een olifant, AVW.

.kn 1. i n t i^ry i.n/j\\ nitplnkken , bv /laai\', vecren, onkruid enz. — im ! ri i^ i^n mv.; een voyel, kip enz. plakken.

I f. i r^.un r.i^(i:r^i,nj^\\ draaijer. —

iets op een draaibank draaijen. — \' y\',:y op die wijze gedraaid {ook draaibank, G.; hiervoor te Sa la iS) ijnpg nn j).

111. een. kleine nil, ook hlt; i,n a.yenaamd, WW. voly. Rh. een voyel niet onyelijk aan onze koekoek, hrulnachtiy zwart van kleur, meteen I any en staart; naar het geluid dal hij maalt aldus yenaamd.

ij r.n iji.nasn/i^ kn. [. geslacht, familie (afstamming,

afkomst ? ^ ,m i-nid.n nn ij i ?» t n ilt;j m i/n

amp; O ( )

ij i i ili n i ij mi i ij iij f -■ n n i i ij i.j ij ilt;n rj r.n .

•hn lm nh n i van haar moederskant heeft niemand znlk eene kwaal; misschien heeft zij \'t va» vaderskant? Lak on, 215. C. S.). nxm ijrn ui i n (ixy.iUi^ van hansworsten familie, voor zotskap

II quot;gt; o

II. o.i. zn r:n r n i.n.j vj.r.n i .r.n iisnjj\\ zie (rn i n mn/j

ifr.m ij rmtuiiji^ zie tj rm rn,^

Q O / O O O \'quot;) * r

m in oj rn r.n i rjj kn.; i n irrn i i/j of i/n ! i gt; j

rn i 1,1 .i\'/gt; f i jrn rn i i/j {zie yrondw. rn gt; i/j) niet

willen vuur vatten bv. van vochtig hout of kruid-,

weigeren van een vuunoapen, niet aan \'t winiun

kunnen komen, in V spel; gedurig verliezen {lt; .i

li/rri rjrnrijj altijd ongelukkig in zijn onderne-

minyen, achteruitgaan van iems. fortuin, \\V. II,

432), ook onyev. zva. triji i f of / riJv.i \\ ten

einde volhouden, met zoeken, naspeuren enz.

DO .

rnirni ij kn. i. een water-insekt, op een kiene kakkerlak gelijkende, maar met een harde schaal, houdt zich meestal In de sawa/i s op, en ivordU

wel gegeten, W any sallan •. i /y yi ij m? i u of

t o i , n\' gt;

\'ii tj ui hi -1-7 r:n n dsn i i li .in in rnrijiw {mini\'

quot;gt; s\'\' s*. o \\ 0 n

i ii\'ii/j ; — (\\/i^ in hi n u. o.j. — i irvni rm 1.1 j\\

naaldemaker, S. — i/n nr.y ui,^ kn. met de vin-co 1

ye/fs kap as van de pitjes zuiveren, ka pas nit-plivizen. — rnrii i^rn ii-iri jn beslag ö/* opgelegd versiersel aan een hoofdstel of zadel, denkelijk in den vorm van de b ib is.

H. naam van een boom of yew as? Tj. \' \' y, * kn. gekookte 1 o e m b o e-bladen met specerijen, als toespijs bij de rijst, WW.


-ocr page 1221-

gt;11 n\' if I ngt; /I //r

Jl.TL

ij I n i n I i/f\\

rumniip KW. zva. irtijiihnp KN. gchenl en al, quot;ehecl uit, klaar of op, geheel ten einde; buiten de kost, vrij van onkosten, alles er. onder begrepen, als voorwaarde, ho. bij luit huren van een da lang , lt;j a me lan y enz. {nam. in dier voege, dat de j/ehuurde uit zijn loon zelf alles be/ensli-gen moet). —nw frv» n ~ i rj i,n\\ geheel op- of uitnraken ; iets a/s boven vrij van alles verhuren, laten aannemen. — rjo?mi. ?.7n/j\\ als boven gehuurd, aangenomen, WW., volg. Hh tiimi.n i.ijj geheel afbetaald, geheel afgerekend, alles er ouder begrepen, va7i een schuld, een rekening, enz. v?) tj uj^nii i^ poet. in Men. v. d. i n ru (fji/j die ten geschenke, worden gegeven met inbegrip va ij alles wat er op is, vrg. 11 (Di^

i n in i.ianjj\\ zie tma.i\\\\

ij i ii f ij i ii 2 i i \\( i ,1}--ij «-7? rj i.in yj a n tj i in \\\\

iin i n li }jj\\ KN. T. volg. Rh. met gewold érg doordringen bv. een vogel door de tralies van zijn kooi; ook losbreken bv. uit een hesloien plaats, doorbreken, van een tijger bij het rampokken, door de dubbele rij gevelde lansen; (uitwijliend een door-togt laten voor den tijger, van depiekeniers, als boven\\ vrg. ij rm ijnm mjw iiih ii ij^\'in^ ligt, dikwerf uitwijkend een doortogt geven of laten, als boven, WW ).

11. hen. v. d. zeer jonge nangkavrueht, waarvan ij i, ii/j gemaakt wordt (W. 11, 08) vrg ij m t-n ij ui ij jo; /. nq Ith.

i n i n mj Ar. JAj, Babel.

) ) - * O; )

ininiiij\\ ongeveer zva. tionui n ook v. hetgeen

in een buis of iets derg. zit er niet uit of door

«illen, stroef blyven zitten, Rh. rjyn! n ia.

zie boven.

i ni:niu/js zva. iPitonjji\\ ook afgeschilferd bv. v. pleisterwerk, (Ti.).

\'\'/ \' 7 K\'V- \'\' \' I \' 1\' \' \' \'Z \' y quot; \' J ccn slecht soort van i j i i mw volgens anderen roestig van i j i i m\\\\ WW.

11. zweer (spaansehe pok, Rh.) aan de voetzool [vkl. i in i.\'n i ■}) /ƒ /\'j(to lil; i f. y , , j G.). rr^ l y ii i m (of WW.)\'blinde boe boel, die

niet opengaat. »? y rn kiem van de doerian. — * \'/t \'ylj\'ynp aan zulke zweren lijden.

lil. vkl. ij rn? ij in 17t;^\\ asn tni . i ij uit rn i y ij gt;/ ^ G.; ook zva. ijn h: iui ■ \\ a n i^.■ 11 n i p h \'ii i,ii ; n doorzakken, wijken , sehenron, van den grond of den hemel, ii. .). IX, 12, 2; XXVIII, 8, 2; uitstroomen, van zwermen pijlen, troepen enz. 15. J. XV, 13, 4; XXIV, 11, 5, enz. V,. S. nm i unm i/n ,1:1^(1:1^11^ ii/j of mi do i j nnj mg an , 7/v / ii:iyii)/j\\ van zwermen vogels, Tj.» troepen, Rs. /ƒrij 11 zie boven.

ij i.m ij i\\m n 1 fj w. zva. 1 n 1 n n i^j\\ I. oo/* een doorbraak bv. in een dijk. — (i n n u/ iii.m nif)\\ door-\' co \' \'

breken, r.n ij \'rnrimmn i^ freq. 15. zie ook boven.

ityi r.irhrri/p KN. veel, druk praten, Rh vrg.

rilt rn 011 jj \\ aanhoudend getrommel van do i\'.n

lt;rrn \\\\

(,

i n i.n 1, iiij\\ zva. ij 111 ij i i ilii/j^ ontveld.

i:n rnhii/)\\ zie 1 111 11 \' \'\'.

1 1 1 /

\'nilmii)/j\\ KN. met de zweep klappen, (J.

) ) . . )

i:n 1111 1/]^ zie 1 n i ii)

n, yi gt; 1

miiiinjj. zva. iniji.np veel, in menigte, WW. (geen plaats of ruimte overseliieten (\'); geheel vol, in menigte voorhanden , (r.).

.111111 11 fÓN zie 11 (?^v*

i nr.n rri^s KN. gelijk of omtrent gelijk zijn of staan met iemand of iets-, passen van het cene voorwerp hij het andere-, tegen elkaar opwegen, i.i.imni mis gelijkvormig, gelijksoortig: zva. een stel of een span, een gelijk paar. — in in m m/J^ aan elkander gelijk zijn; met iets gelijk staan; van dezelfde soort, geval., categorie; in het geval van, ter zake van; wat betreft, A. 40; ook steiger, kade, landingsplaats, (eig. een eenigzinjs gelijk gemaakte steile kant van een rivier\'), jj m iui 11 cmjjs zie hoven.

iiirn »77/7\\ KN. gesloten, afgesloten, versierd, als een stroom door een dam., een weg door veel men-sehen: fig. van het hart, wanhopen, vertwijfelen (mismoedig, I?. P. 141, r. 1, van Mo zes, door de verstoktheid van Farao en de zijnen, C. S.), zoo ook W. II, 313 , wanhopig. / n .• z*/ n m j afsluiten, opsluiten; afdammen; geld of sehatten ongebruikt bewaren, opgaren, potten. —• i n .• ? in gt;|]\\ een stroom afdammen; /quot;m. den weg a(\'snijden; fig. iem. verhinderen iets te doen.


-ocr page 1222-

o

i n ij ici H ijl

ij iim I n m j\\

ij i n-f i n nip KW. svu. }■! i\'ii ngt; oiigLTijmd

11 ii?i zicli hut voorkomen van oen oud muu geven , (i.).

i n i ii KW. sluiten (stuiten?), niet door kunnen, G.

— I-n i ii i.ii\\ kn. L\'if/. verstopt; vem een klad dat in liet moederlyf, üf van de moeder, die zwanger gestuI\'ve n is; 7 fjeen de Jaoanen beschouwen als een (je-vohj van verstoppliuj, ook Jhj. zva. (i-ij ffi \\ van het versland, radeloos, niet meer weten lioe er uit te komen, B. — i.tnn in dam in hel water, G.

ruift \\ kn. winst, óv. in den handel, voordeel, nut; winst enz. behalen, winnen (Skr. ^/////i, loon , PK.), rn 11 iiiznnfi winst enz. veroorzaken, WW. - i n m 1,1 \\ van ietn. winst nemen, Hh. volf/.

WW. dep. van iehiand stille, onwettige winst ne- i

/ ) o

men , bv. i n i.y ij rm n m gt;y f i , n t / i.i ij i.ns ij uw !

i/y//y\\ Iemand winst geven. — i n ij i^i \' liij of i gt;11 ii ij ifi hij]\\ met winst, winstgevend,^. van handel; het gewonnene.

xn i.i \\ kn. met een ander van één bord of schotel eten. WW. — lti nifiZHi^ deelgenoot, compagnon; {m de rekenkunde-, gezelschapsrekening, i n i ri m My ); ookquot;^^ i n i n ij i.irni,ilt; met een ander of mei elkander een compagnieschap aangaan; compagnieschap, m i n if iprui n v i j \\ met een-ander deelen m een erfenis.

i nu kn. vuist, gesloten hand, om mee le slaan.

ui\'m ui ?i li (of un nn iu u WW.) du vuist fo ^ co \'

ballen. m i:i \\ zoo groot als een vuist. — un

uipi^ met de vuist slaan; een ohj. met de vuist

ro ■ ^

slaan, J5. T. i)j. 98. — i/n u ij mv. — r.n

ij ip;hn/j\\ elkander met de vuist slaan, boksen; vrfjf. ij hlt; i IJ bn 2 \\

i n i.j ■ kn. ui i lt i.p opgezwollen , opgezet; voly. Kh. met bobbels, met bulten van gezwellen of dert/. zoodal het gelaat mismaakt wordt, (Tj.). 7 \'/1\'*1 kn.; tun ij ruj ifii\\ met den mond, de handen of uit de oksels, ook wel met de achterknie door lucht persing allerlei geluiden maken of nabootsen {pry. ij i i.uip); die kunstenvertoo-nen tegen betaling (i:n n ij ui ij i;i ^).

i n li j \\ kw. zva. h n ia {\\ kn. 6en. van boo ze (j eesten , Tj.

quot;gt;

i n ij ici tnj zie r.n tpw

O \'l o

r.n tj ip zie r.n ipw

inipnhs kn. dun van middel, Rh.

amp; . gt; ......

\'11 n 1.1 \\ - ij i m /. n \\ w w .

r.riifi n\\ KN. God , • godheid van den eersten rang,

of incarnatie van zulk een god {ükr. bhal tdra,

vereerenswaardig; h h at t draka, id.; ook ceu

heilige, godheid, vorst; vrg. mi ip ■ n \\ ^rn i.n n i). »

ip n gt;i^ -rj r: ip »i iji rj^ \\ i. i^i n hi^ \\ j de (i od

Goeroe, W i 3 n o e , K r e s n a [incarnatie van

Wis71 o e). ■ vriipni[Mty bijnaam van den God

Goeroe, G. {wettigt de drie goden Wi snoe,

Siwa en Br a ma te za men? vrg. A^fj.Ln). n

u rn li us de b a t amp; r a • s. — 1 n f 1 li gt;i\\ iemand

co \'■

b a t a r a noemen, als bat ar a beschouwen, ver-eeren. ii ni.j^rn^ als b at ar a vereerd {ru n u up ti heet Kr ë s n a, 15. .1. XX V11, .10, J-, C. S.).

ui rp » j \\ kn godin, enz. het vrouwelijk van .ui li uw r. ip\' ^quot;7\\ godin Doerga.

.imip.unjj\\ kn. iii r),hii/j\\ k. gebatikt, nitdehand geschilderd, van lijnwaad, door de plaatsen die ongekleurd moeten blijven, met kokende was le bestrijken; {te begieten met een 1 1 un vervolgens het geheele stuk in de verf te brengen enz. (\'. S ); vrg. ij (Ui ij f u ilt;n^\\ op die wijze gèschilderd iijii-waad. im up un rood Samarangsch batik, uili ntn // \'Ti 2 jlt;ip nagemaakt batik; naar het voorbeeld van batik gedrukte sloffen, als veel uil Europa aangevoerd worden, (\'. S. — am ip hu ^ \\ k n ., un riteii] k., batikken, f£\'iplt;*niji\\ iemand

die batikt, G.). — (U) m vj un \\ rni quot;gt;» rn \\ mv.

co

rfi f rip i^ns kn. iemand raad geven, WW. —r.n ip i.n ilt;yj\\ quot;-1 \'\' ë e^) ut i k t, het g ob a 1 . li

te ; b a t i k s e 1; batik werk , hetzij reeds voltooid of nog onderhanden {ook patroon van bal ik bv. rn ip i,tn /.y 1 j m . r »quot;/ ia quot;quot;;/n gt; 11

(gt; v. o. C. S.). im ip v KN\' zame11 raadple

gen, WW.

i:n iginnjfs KN., mnu^irnp KI., het voorhoold, ook ben. van de venusheuvel, Rh.

rn rj ipi i.njs KN. klapper- ü/* kokosdop ;

houten schaal van de kokosnoot; schaal of schild van een schildpad, enz.; zva. 7 ip i^ ipi nn/js WW. halve, midden doorgezaagde klapperdop als waterschepper of drinknap zonder steel {vrg. r.n ty.nj)\',


1

n if ip 2 thiij\\ zie i n i^iw

-ocr page 1223-

11

0

1 n gt;i \'.i ? \'\'quot;/I\'

n

mi up n tyj\\

bedelsnhaal, ffew. van een klapper dop gemaakt; \\ koperen pinang-doosje zonder deksel, in een s i r i /t-doos, W W. {vry. w i i tmj en rn w/j);

koneren doosje om amlioeu in te koken, ook wrj 1 ij i rs ij i.it i\'lff wq\\genaamd, W Wvolg. Kh. wordt : daarvoor gew. een ^ gehruikl; ook hen van

hel ligchaam van de viool, da/ nl. met dun leder \\ overtrokken en waarop dé kam bevestigd is, Rh. |

tu r.tti) ct2 tgt;n^ ring nit het hout van de klapperschaal gemaakt. i irinj ki? i,ti \\

gloeijende kool van dat hont, WP. 438. mi rj up ? j hji i i ui ij de holle hand ? (AV l\'.)!!. ivell\'igt, de hand ; als ut ijdpi int/js gebruiken, bv. om te drinken. \\

rrirji^n ij hiniu gt; zie ojxmri^ III. {Wang saltan-.

o o a si\' r. 1

nnnjupi hu ^ni tti iihi lij, i iiii/j zrz r n nu \\ C.

S.). hii ilihtiitj up / nii/j \\ een op den rug liggende ba- j

tok van strikken voorzien waarin een of ander

aas, om vogels of hoschkippen te vangen, llh. —

ii/n i rrj up / hn/j\\ als een batok zijn, w/. zoo hard

en stijf (wy. ifiuii ijipi lityj \\ ^ \'fï 2 y 1.12 mi/i). in

\'I V1*1H1\' i!y/N H\'s een vooi\'overliggendc b a-

tok, van een steile paardenhoef, ook van een

fatsoen van aïinins WW. — rn ij ip 2 hii ihij \\ wat

bij een batok te vergelijken is; b a to k-vorniig

{bv. van een muts of kap, in Wang saltan: n ui 2

\'1 \\3 \'■ ï rl/j co\'/ ^2 quot;\'iVll 7 quot; quot; *,rC r quot; 7 quot;P? \'hllnj\'\'Fj1 \'\'\'h W ^1quot; 7 ? 7 N ^• ^-)• \'u

rn* ) O ■)

I j. van een oji hj 1*1^ : t. y 1 ij ij ini 1 11 rj tip 2 u ri tu 1 ^1 {Holt. streep, rand?).

i.u ip Kiins zie. hij nciw

) \') f) ■gt; Q

i n ip hiifj zva. irn ip hvjj\\ — rn ip /r^\\ een kook-

plaats, Rh.

) O )

inifip inyj\\ kn. zva. ajia^i hn/j naam van een zoet-

watervisch , WW. volg. Kh. evenwel minder plat

dan de i i ui tisu^ en kleiner dan iifn ijnpimiji\\

m if op hiijl\\ kn. een vlechtwerk van bamboe met

ruiten, vroeger gebruikt als omheining voor een

gearresteerde; vrg. on y 7jj rrn^w — (un l r?/ ip uiij \\

als een bë^èk. — am Firiip ».»7\\ van een bëtek co \' r \'•»,

voorzien; iemand in arrest zetten 0/honden (zonder op te sluiten), hv. een Jav. ambtenaar, wien in de pendapa van zijn hoofd een plaats wordt ttanf/pwezen t wanr hij eenige dagen fin nachten moet blij oen, en eten vau huis ontvangt, WW. volg. llh. iu ouden tijd op de aloen-nloen in een met :i-)i ij ip i.ii,j\\ afgezette plaats i n ijnp i.u mi,), een met b fitö k «Ig^lnten o/omlicimle plimts, plaats vau arrest als boven i:n tj ):i f h 11 j kn. naam van een zoetwater visch, groo ter dan i-n:ip nn/j\\ Kh. een fatsoen of model van krissen, WW. een mn. v. e. beroemde kris, in H. I\'ailj. 4: 1^1}jj 1 n t ,1 ij gt;ip * 1, ti j:

a-.iy.i I.iijf- kn. I. kaal, ecu kale pbk op liet hoofd

hebbon; kaalheid; kale plek op hel hoojd.

T 1 1

II. zva. amipuiijjw

kyip i.hj/sKK. troebel, drabbig; vrg. i-.ti r.i kh q i.ii niiiIhiy/w — vniu^iiar. troebel makend; troebel worden, van een vloeistof, als er zich iels in oplost. — t/Tiv ; 1.in troebel maken. .

kn. rot, bedorven zooals vlecsc\'; of

visch , \'l\'j.

\'ij rnvjiifi inifj-. kn. een soort valies, 111 ij .li i.ii/j\\ f Kh.

tj i-ntrr/ ^it nii^ kn. jonge\'1\'dj a go eng of kadfilé met of zonder gehakt vleeseh of viseh en gerasjite klapa iu een pisangblad gewikkeld en gekookt. — lm ij in i/.ipi i.n/j^ bfttok maken, ooi,- zva. ij i u ijip/i. ii/j\\ zie bij gt;1 i-l gt; ,j rp gt; i,.

i/ irnti/ ipijijMi/is kn. la-kastje voor geneesmiddelen.

: i.ijj•. id. piramidaalviinnig met laadjes. 1 11 (.1 kn, zva. m tp x,iy)\\ id. ■— i n 11 ip i u

1 \' O .

zva. * i ip asnjj \\ ini.-i.i* zich rukken, zich losrukken; van den regten weg afgaan, een zijweg nemen. \\V.

in y kn. het haakje van het werktuig ij» ^

\'Zoo genaamd naar het geluid i^iuii/j hj iu/j\\ door dat werktuig voortgehragt, Uh. — i n rïry iL,iif)\\ den vorm van een i ii\'./iistiji hebben van een kris-gevest, Tj. {een leelijke vorm, Uh.); met de iu ii^ihii/js kapas zuiveren, B. \\\\ tl, 28.

in ij ip2 iiiijj\\ kn.; vu ifJ ij ipt un/js uittrekken, uithalen, CJ. Vrrj. i n i:) dsnh\\ — a u ini i.i gt; i n mv.

CO \' ■ \'

k, stuk trekken, uittrekken,quot; bv. van touwtjes, haren , grassprieten en derg.

O ■) O ■)

miiphii/ KW. zva. irlt; ip nsiifj\\

rj tril ij ip tun p kn. een vogel met groene veer en ,

kleine soort van papegaai, of groote soort van

slin dit, Psittacus pondicerianus. — nm gt;j ,lt; nj in \'

hijis van iemands neus, als die van een papegaai

zijn, d. i. gebogen. — id i/:) )gt; 1,1,) n\\ een visch f f o \' ■ ü\'.


-ocr page 1224-

1184 . un (i~]}ujj\\

{of kip WW.) de iiigcwaudon uithaluu, scliooniua-kcn; boomwol uitpluizen {org. iniuiKi/j)\\ geld zuiveren, d. i. in bepaalde /oopjes (/ƒ èjy.i^/j of gt;1 l yuyjs Rh.) verdeelen. — y i.n ij i.i hu ui/js uitgehaalde ingewanden nl. vaneen visch of vogel, Rh. opengesneden of nehoongeinaakt, als boven, van een visch of vogel; iels dat op een papegaai-jekop lijkt, bv. hei heft van een sabel.

i nuiiij (of .i.n gt;1 li \'Liij) KN. na{tm van een spijs, G. mijnui/j^ kort geknipt; gekortwiekt,. AS. — nv riip ii^ een schaap de wol afknippen, een i paard de manen of ataartharen korten;\'/- spol-

isnd ïem. kortwieken. — r.n iPiii^ui^ obj. den.

■»

Ij », W K7 lUfj \\ U H \'I ; Ij tp ILI \\ -JHZ tj M gt;f LI ILlJj l

enz.

i ii ip f i/j\\ um. v. e. visch, Tj. ook zva. i i] lj i n lj w j t n op i.hLii/j^ of i ii iip ip ihitjjs KN. klanknah. van het ; geluid dat een louw of koord maakt, als het tot \\ een strik wordt vastgeknoopt, stijl\' aangebonden, Rh. en zie hieronder.

\'i n up up i ii/j \\ kN. geheel i ngeslo^en (i n ip lhun -ju i ] dij i n\\ iemand digt omsluiten, van een drom vij-

anden, B. J, XX, 5, 7, 0. S.). iui i nn r.n ip ip

o V)quot;) | i •

a njj zva. \'lj lii/js — \'P V L^//x ge\'lcel

sluiten, geheel bedekken, bv. als wolken de.lucht; \\

volg. Rh. zich zamenpakken van regenwolken, ook |

-) o ■quot;) quot;)

zva. i ii .• i m ui \'Ln,]\\\\ r.n i:i li rn in zva.- i n np li ;

en 1 1 wf c c «l,

ILII ua/jW WW.

O quot;) ) O -)

i\'.iï lp ip ii\'jii/j\\ KJJ. zva. rn ipipinyw tvi hu r.n Op n^l \'Ln/j\\ naauw aan elkander gesloten. — rn fiip ip LH/j den buikband stijf aangehaald hebben, en ! ■daardoor vlug en strijdvaardig zijn, van soldaten\\ I ook schriel, karig, niet scheutig, eig. de koorden van de beurs goed gesloten \'houden, Rh. (— rn ip ip rji an(jv met de klceren strak aan het lijf, om vaardig te zijn, WW.) vrg. (ui ipcyijw bij li ;

L I \\N .

m lj Lj .i.njj\\KN.; » n i n/j gt; zuur, stuursch zien,

met zaamgetrokken wenkbrauwen, WW.

i n gt;/ ip ? ij li i i o/l K N. ; i n lt;f ij ip gt; ij ip ? iriyj \\ stroef u:aan, zich niet gemakkelijk laten spinnen, van de tot po esoeh gerolde boomwol.

m ip\\ KN. kreng, aas; ook {of rn i n ip\\) in min.-achtenden zin, van een menschelijk lijk, ligchaam, persoon (B. J. XLV1, 9, ^; iLnuribii ^ mïi j jri^ rl

117)1 ij ft i \\

/ 3.. O o) \'/-i o x

ivi(. n j rn ip tj n ki li ij i. n f if rj t\\ b.). — i n ; gt;

li als een lijk zijn, zich houden als een lijk; op zijn rug zwemmen. —• rn ip m iHyj\\ hetzelfde, d. it»-zwemmen als een lijk, de plaats waar zich een kreng of lijk bevindt, G.; denkelijk is daarmee bedoeld de plaats van dien naam op de hoofdplaats So er ak art a, waar hel lijk van ilt;nrnip\\ ligt.

rnri ipi\\ KW. venijn, vergif, G.

i n.ip KW. gesloten, digt, G. — hirrn ip ■ zva. i n

«.//lt;37? j in verlegenheid, in nood zijn. \'Linn ip ilï

iuii ia iilt;i/j\\ door den regen verhinderd worden.

\'•y,\'-n kn. kort van stof, kort aangebonden, driftig

van aard, Rh.

rn kj x kn. 1.\'liet kruis van een paard-, 3. opgezet

door veel water in het lijf te hebben, WW.

rn\\ 1. verk. van uil i\'is zie aid. — 2. verk, van i n co

rh \\ in zamenst. als iic^rnis zie njn uj en rn ip

i\'n\\ zie bij r.n ai mi/inn v:h.vh\\ rn.Lis zie bij rn co 17 \' ~-( co ^

um \\\\

rn kn. (in, te, binnen. wiiy/Pis Waar? G,^ waarschijnlijk verk. van u.n ?j\\ bv. ilïij u r voor rn /i ij nis aan de noordkant, \\VP. 495; vrg. ook in v\\\\\\ (B. J. XXIV , 21, 2; rn if rn ij nj lh i ti i j in nam. in welke rigting? C. S.), vrg. rii\\ verk r.

T .

mi f i w co

ry of i n ri)\\ kn. jonge pas uitgebotte bamboe, (die wel gegeten wordt), jonge veêren van vogeU\\

O O O

vrg., n fj quot;N v oj^hw *1 rii of i n iri ii kn. meisje, in toespraak, of verbonden met een voorvoegsel, als in/iiïi ij rh in den derden persoon, bv. door de ouders gebruikt {ook een voorzetsel voor den naam van een meisje

r. ■gt;

(tJ; vrg. i ii ntj nnys ij i.i)gt; of i n iir.iiis kn. 1. besnijder van een jongen,

WW. 2. een Chineesch kerkhof rn i?i\\ kn. aas, lokaas voor visschen, enz. zie n mnnjfs

i)i ij i u\\kn l. een groot e langhe enige donkergrijze watervogel van het geslacht der ooijevaars, Cico-nia .Tav. of Capillata, Temm. (v. M ), ook wel gen. \'/ *p *\'/ \'rrn i \\ of 0(i:r^ ip /. n^ in de wandeling dominé vogel gen. 0(i^ .rns \\ gelijk onze ooije-o

vaar , zie ri ij uuw i )i rj n ? i~ir n i i,n/js Wltge-vlekte ba u go , donker blaauw of zwart geverwd melt;


-ocr page 1225-

r. n i,j rm/j \\

O n

.177? I I N

1135

wit in het midden, vafi hoofddoeken, en khnhhi s zonder batikkan, ook verb, tof xni taijj\\

(uiiinuip nl. meteen randgew. van \'y gt;gt;lt;k?n passement of garneersel van gouddraad.

Tl. nm. v. e. werktuig, waarmee de besnijdenis wordt verrigt, bestaande uit een krom hout van 8 of 10 duim lang, aan belde einden spits toe-loopende; bij deze operatie wordt in de voorhuid van het mannelijk lid, slechts een spleet gemaakt; bij fan ibti i. ii -1 aii lyi v vfordt een gedeelte van de. bovenvoorhuid afgesneden, Rh. foh lgt;h k/j ij» »?\\ 6\'^« van besnijJun, door de voorhuid slechts open te snijden, WW.

III. open loods, loodsje of huisje op de markt of aan den weg, waar hei een of ander verkocht wordt; tolhuisje aan den weg bij een overvaart. {De tegenwoordige groot e en lange loodsen voor de verkoopers, op steenen pilaren en met pannen gedekt, die op de groote markt te Soerakarta staan , noemt men thans n gt;ƒ frii of ij // ;? ki/j loods).

) ) o

•rt) i i zva. ui a n w

i n i i de bloem van de uiaij \\ qf intio^ (Wang-

s all an : i j iiini un of aji ht crii i^i^ rui gt; (lil) m m i /m./ n C S.), volff. SG. ben. van de bloeitijd v. d. dj arak,

quot;gt; . *

« ti / zie r.rj r gt; ? \\\\

\' y \' ^\\n., iai uis k , blijde, verheugd, vergenoegd, opgeruimd ; zich verblijden, enz.; blijdschap, vreugde {ook vermaak, aich vermaken, C. S.).

a:i^\\ i;ni:n inj\\ iets, dat blijde maakt (vermaak); ook blij, enz. maken, B. T. Dj. 007. ~ i i gt;

ii:n vn J v1)} \\ zeer verheugd e?iz. zijn; 1 ook zva. njjj!Hïi(UjiKn-\\ zich vermaken, feest vieren.

(im u\\ l7t 1N quot; 111N verheugen, blijde maken, n/n rnin^hjii (i\\n ij^7juirj ui zich vrolijk maken, zich verlustigen. — itrn fi r.i?ttfi\\ run

0 af ^

uitgelaten zijn, overmatig in iets genoegen scheppen, WW. blijde m?. .makend , vreugde wekkend. — nmr» gt;,i /gt; \\ mn .«1 tinjj

blijde enz, maken.— i n i i ^ i n m/js

hetgeen vreugde verwekt, G. —

wi i:u wqn/niHyts blijdschap, vermaak.

II. (waarschtynlijk van het Mi, ^, bloem, bloesem, en rente), arr^ \'imjjx i-ii m q (tn aojj {soms ook (rja/trnu^ n:n.criri^)\\ rente, interest, van kapitaal (volg. Rh. Mal.; 7 Jav. is rnini.n

,uu co lhJ)\'\'n N t;r^\'oo* * ,jjt irt xjn J*1 })\'\' \'

n b/j «w i i ■gt; tun iHiquot;Woekeren — tun gt; y i gt; n n .

uit 11 :i ? i n iemand rente betalen , WW.

co

cr)nT^on/i^ KW. I. zva. uj ru ) \\ ibn tlt;Pi\\ (opstaan uit den slaap, B. J. XXIX, 14, 5; ook ten strijde oprijzen, ib. XVII, 20, 2; li. J. L. N, /(rit.

XXIV, 1-—2, enz,, voor kw. C. S.). kn.

■gt;

uixus im nr^thn,j\\ i u n ^ ij )o in ?rj mi \\

het laatste gedeelte van den nacht, «le tijd tegen

liet aanbreken van den dag {waarschijnlijk eig,

de tijd van opstaan, bij landbouwers gewoonlijk

omstreeks half vijf of vijf uur \'s morgens WW.).

r.7? htJj (ï|j hi \\ wel ligt het opkomen van de nl.ni-fini

of morgenster , \' Rh. m iu n i.m lt;.}i r.i .hl\'iia.i t lt;

fji Ju injn \\ tegen \'t eind van den nacht, een uur

voor den dageraad, r.ti^ \\ zie bij ij

a

ihnjjw — .{11 ii (ct uin gt; kw. zva, mifoiiiiw

ii quot; rv )

li. zva. uj» i^ niji \\ rj lE/i iti ^ i \\ ht)\'Lu\\ »/»/]/(gelijk^ li. J. kw. Kr it. XXXII, 10. XXXIII, 17; alsof met volgenden Jus sief, ib. l\\ , 1—2; XL, 4, C. S.)\\\\ kn. xm(lunairu zie y mw — Km^u-njj\\ zva. fatsoeneren, vormen.

vernieuwen , enz, t/n a / iri in (ut \\ zva. 11 i i ui iu co 0\'s\', r,s\'.

zie bij iKL^iui^w xn ti uj i, u (Hi-^hii ii \\ zva, tfj) rui on. v»/ ui \\ PM.

i u ij ii niq of rt) rj w in (hi/i\\ kn. gewild, van een koopwaar; van een vrouw, spoedig aan den man, • van een man, spoedig aan een betrekking komen (bij de hand zijn, G.^, WW. gelukkig in de vangst, bv. van een hengel-, gelukkig van een geweer, veel onder schot krijgen, {de Javaan nl, als hij ge-* lukkig is\' in de vischvangst, schrijft hij dat toe aan de deugdelijkheid van den hengel; alk hij veel onder schot krijgt, aan zijn geweer; vrg. i.) n

rgt; n

vu rj in ernjj\\ zva, an) ij n i (hnji ^

cy

r.r) ».j\\ kn. 1. stinken, gew. van modderig of

stilstaand water {van vergane lijken, li.

S. 84, C. S.) iets stinkends,*

stank, B. J. I), E, Krit. LXVIIl l.\'i, 7,

C. S.). 2. ook naam v. d. negara Praba-lingga.


-ocr page 1226-

n

l.ll I j KH/JS

cV 17») I I \\

11 ;i()

i n ri\\kw. spits, puntig van den neus (platte stomp-

uous, G.) tegenover t » /1 w i n y i i \\ k\\. klanknah. van het (jeluid van de (fêmal\';

ook van het schrei jen van een klein kind.

iM rn kn. helder zm//. gelaat; frisoh f«w kleur; vrolijk , opgeruimd.

kn. de neuswortel, llii. zie ik hiisy rjn-.ii tj i:it\\ kn. — »1771 i\')gt;.i r.ui ^ opgezwollen, otitvold , uitgebeten lt;gt;ƒ gebrand, met blaren ,\'van den mond of de lippen*, door het kaamoen van betel met te veel kalk, WW., volg. Rh. rj rn i) /j in* zoo opgezwollen van de binuenwang. ^ r;; tj i:ii ilj iSifj\\ daaraan lijden hv. door het gebruik van te veel kalk in de sirih.

y\\ Hull, bank, kn. bank, rustbank ; lage tafel.

O O

i.n ij htis kw. zva. n nnii\\ i.\'lt; i. i ri/j- i:}i ipw i n t.n kn. opgezet, van den huik door winden. Vrg. gt;1 r /j? hnw

ijrntnn \\ l. kn. hard, van eene vrucht, die niet

tot rijpheid\' komt (J. /. li , 274, 4); of can een

deel van eene vrucht, verhard, versteend, {van

den grond, uitgemergeld, uitgestorven, WW.); de

ontbinding nabij , bedorven, bv. van geschoten

V)ild\\ van een beest, van zelf gestorven of sterven,

een lijk of kreng worden {vrg. t h n hn\\ . i \'ni.n

i n/j). ■\' Kin ii i:r)2Kn\\ van zelf sterven, van een

heest, hn i i ij i ht hu \\ een harde, grove soort van

matjes, WW. volg. Rh. matten van Bangka. rn

h n ui ijï^ m /j hen. van een zeer vergiftige slang.

qroen met een roode staart, Rh. i n mtinHhn^

\' (n

spr. voor mi mnryi o rttjiw uji i i n i n t nn i i 1 ro \' \'V \'

.ui m oorvijg, muilpeer, G. volg. Rh. juist, de vingers nl. worden bij pisangs vergeleken; zie

^ iA\') O*) / cy

nog Ij 201. m s (rut irlt; xo i^ in tr/n mi

ui i :h i Kn i i iu t\'i \\ volgens Winter letterlijk te

verstaan van een tros harde pisang, als toeken

van Misnoegen, C. S.

11. naam v. e. boom, die aan de stranden groeit,

de vrucht heet f.imiuioiw

U)

MI. kn. eign. van het eiland Ban ka.

y i h i tj i,n2\\ kn een toespijs van gekookte go e dé-boonen, WW. volg. Rh. dit ij i n t j in? nn/j en ri gt;1 i iigt; n nti? n een lekkernij van rijstemeel met suiker en schijfjes pisang , in pisangblad gewikkeld en gestoomd.

:r.im:jiin/j\\ kn. volg. Rh. een klimplant, met peulvruchten, gelijk onze boerenboonen, gt;■ n ;\'i \\ hm

co

van een batikkan.

i n rj 11* i.ii,j\\ kn. gebulk , gebalk, volg. Rh. gegil. — i/n ï rrj bulken , balken , hard sehrueu-

wen, Inid roepen, votg. Rh. gillen, (loeijen, ran den wind, i). N. 30 , r. 3 v. o. (J. S.). — i n 11

) s ï )

ini^rj i.itiirn/j oj wi ij in hirij .i:i? unys mv. — n Sn i iij tj i n iifnji \\ freq.

i n mi; \\ kn. gespleten , gescheurd, van den grond, van een berg, muur van groot aar (fewer k; het

gespleten enz. zijn; Jlg. scheuring, tweespalt, van

... G) . n 0

een ruk : vrg. nn rii\\ tyi ioisw — mn /t.i un; iets \' co \'

als boven splijten, scheuren. — mi ifrun jiun ij in doen splijten, scheuren. — ién Hiiqiun(in/js spleet, scheur, groote barst; groot afgescheurd of gespleten stuk; ligt scheuren enz., als slecht metselwerk.

i n i,ii\\ kn. bolrond, van vrouwehorsten \\ (kort en dik van lichaamsbouw , WW.) ook zva. i iii.n

\' a

hoepel. — i n j run •-r]\\ van een hoepel voorzien.

X X . /

i iii.n K\\\\. zva. (bJi, /.n w — n n f i hn\\zva. t nuiii i.nw t !/ (ajI

ook van een schip, lossen ; ontladen, afladen; hel anker ligten, vrg. ajii\'rruiyw tiin un\\ kn. niet tot zijn vollen wasdom of ontwikkeling gekomen, bv. van vingers, v. vruchten, van de spaansche pokken, enz. ook v. e. broedei dat wel tot ontwikkeling is gekomen, maar door uit-wendige oorzaken niet kan uitbroeden, verschrompeld , zamengekrinkeld , ineengekrompen ,

. gt; D . ï

oj! ij li unmi \\ zva. i:rj, ci:y^ tri ilii \\\\ tri tij i.n scheldwoord, B. S. 424, misschien in den zin van een verwensching, zva. verdor! C. S.; ook in Rs.

rn aoj? n kw. zva. irf) rj im \\ lijk, kreng, G. kgt;. i» r\'*tl zva.- (171^ \' Rh. zva. r^rnnj iimrn,/)\\ verrot; rottig, met zweren of wouden overdekt; een partij gebroken of uit elkander geraakte deelen van allerlei soort van huisraad enz. meestal van houtwerk, als armen of poot en van stoelen , losse wielen of stukken van een wagen , enz. liHd/ty ii uu gt; omliggende \\)ooni ü/quot; takken, die den doortogt versperren, ■ vrg. .rn

; . WW. i n r \'n i-n^; scheldwoord, B. J. A.


-ocr page 1227-

\'i \':ys

Kr it. XXIV, IC); waarschijnlijk in den zin van verrot! C. S.

kn. zva. d.t^ xi^gt; Rh.

quot;\'V \'15\'N KN\' ëe^l(-\'e^ e^aal,gt; bo. v./mis

raad, v. c. woning-, zie gt;.*) ^ \\\\

uii.nil n\', KN. vim vechten (bijten en snlioppqu) houden, van een paard, fitj. van een meusch, twistziek.

, \',1 hjj i\'gt;iijs zva. n j^yi n/j^ zie a ii hjj 1*11,1 \\ Rh. j1,\'» vjeU\'ujt verb, van i n i.n ij n:\\ twisten,

vechten, Tj.

ij rit I-a/j of tj i ii i-i^i-ii injj\' kn. zva -y / id i:i \\ blufferig; viff. i?n i^ i^n hi/j WW.

ij i.iit tj i,tt h t^jj KN. gemeen, van de gemeenste soort. tj cii[MnwjjN i^ts van de gemeenste soort;

Q-

vry. in hni^i i\'n i,tt gt;ƒ\'rt2mmnKN. ruw, van vel of schil, WW. itt i.ttini(ift/j* KN. een gemeen meusch, iemand van de laagste klasse, G. Vï\'f/. ij t it iri^igt;iii-\\ tf cirgrj hn uiys

\' ii llj^ kn. krom. — 17; \\ een kromme houding hebben _ o/ aannemen; een kromme rug zetten. 0/ hebben.

LO . 60 1 . ) ) .

imn^s kn. — t:tl 1,11 hl t:} fHyi\\ zva. i.tihu u m

iin/f\\ m

(\') o.. • 11

t tt t.ty kn. naam van een ziekte, die vermagering

te weeg brengt, tering.

i\'tttut.ttj kn. verhard, verstijfd van wonden, van een bloedzweer, van ledematen door kwetsuren, fig. van den grond, Rh.

x ti tj 1, ti i\' HJi^ KW.; 1 ti rrtj 1, ti nn/j zva. ut t.n \\ difn van .middel zijn. — rgt;ï tj nn iwunjjs ki. tu .• t hti t,ti/j\\ lendenen, middellijf.

111 igt;n tnyisKH. een dof geluid van zich geven, G. frg. (L.ïj^ mi nn/j-

1 mni iwjjsku. bijeengebonden pakje, bos, bundel bij telling, gewoonlijk van zachte voorwerpen, als siga-ren of ala n g - alang: vrg. gt;j tiu rj 1,11 ? irti/]\\ — i \'71 en\' quot; \'i\'C 111 een ^os 0f ^\'^cubinden. —

rij /.tt /.»} 10fj\\ in bundels o/bassen ; bos lt;?ƒ bundel, zonder telwoord, WW.j dit \'volg. Kh. i\'iïI

Cr) ) O o

,/nIJ)\'\'quot; enz\'i en t nictinn^ zva. Mal. beng-

kahi. gezwollen.

G)

iiii.tytttji\\ kn. krom, gebogen,//^. va7i een lig- 1

chaamsdeel; gebogen houding. — Pquot; fl\' tl ilt;ti/j\\

i n tj titii i.ti/i 1137

krom zijn, enz. zich krommen, plat voor sla-

(y) :x .) )

pen , zva. letnns org i :ti /. ^ /. ti j\\ tj

\'1h,,r

i tt tj t.tin.njjs kn een stuk grond in vruchtgebruik, door een 1/oofd-bë k e 1 o f hoofdpachter aan een be kë! of d e s a man tegen levering van zekere dien • sten afgestaan\', ooi de gezamenlijke landor^jeu dit een be kei in haar heeft, en waarvan hij de pacht verantwoorden moet, ni onderscheiding van zijn loenggoeh (bezitting van rijstvelden in eigendom, G.). — tm 1 /tjtt ?. i. ?i , iemand een b \'é r. g k 0 k geven. — ujtt ;; ij 1, a 2 it, ti tj h tt als b të n g k o k aan iemand geven.

ivnt.tihti^ kn. opgeruimd, buitengewoon vrolijk, bv. van een per koet 0 et die na lang stil te zijn geweest op eens vrolijk wordt, en op nieuw en herhaald luide gaat slaan, Rh. ook fig. van een mensch, buitengewoon vrolyk, wel gehumeurd ^viy.tii.ti .1 \'Kjji 11 hj opgewekt, luid,\'*, in het spreken, overmoedig, snoevend van taal? B. J: N , Krit. \\ X V 11, 0, 2, voor kw. ttyn rnm(h\'t:rji\\ C. S.). i j gt;1 t ij h 11 1, tt j \\ bewaard rijstwater, dat begint te gisten, als medicijn gebruikt ? Rh. — d n /:y i y u ti 1^] \\ poët. herhaaldelijk en zwaar geluid geven van donderslagen , Tj.

i\'tj 1. n 1, tt j\\ kn. niet de behoorlijke^rootte hebben, niet groot willen worden, door gebrekkige ontwikkeling, va?i menschuti, dieren Of gewassen. fy tj n iiiq\\0 een kleine soort icj^ gt;/ niui/j\\ I\'s. ■ / 7^/ï/y nti t, tiyn scheldwoord: vrg. /.y / in B\\ . en t.\'u u ti w ry /.y i-njj^ KW. zva. ^ ;,y ti ti /

tj 1 it tj t.ti 1,11 j pijn in de lenden, Rh.; zie 7 7 tj. titi 1, tt j\\

tj 1 it i tj 1,11 f 1,11 k N. bos , bundel, bij tel ling, gew. van harde voorwerpen, als hout, bamboe, suikerriet, lansen enz.;vrg. i.d t,ti i.ti/j {eig. 1 tt 1,n.in/) Hh.) \\ d gt;! cu tj t.tu un/js tot een bos, enz. maken als boven. — 111 tj ;7 utu hij mv. in een bos of bundel als boven zamenbinden {bv. de wapenen, bij overgaaf, RP. 109, 7 t it t 7 /. tt i 1^1 ki i. i ij rjtHjrttt m hiiilt;Y C. S.). — tj i.ii gt; tj t.ti/t. t, },, p bossen of bundels, zonder telwoord; in bossen of bundels. 1 ?j m j 7 vit i tj irn 2 taj gt;hi/j\\ nam de wapens, li. J. li., Krit. XTil, 7, 1, waar andere handschriften hehlen i n iyt tn m : inn^ C. S.,


-ocr page 1228-

n n hn f i. n hi/)\\

■). n

l .H I, H 1.1,1

1188

Jhj. zicli onderwerpen , zich op genade of ongeniule overgeven, met lie wapens tot ij i gt;1**1 hut inijp gebonden).

i n ti hiid ui} no ^v kn. een yroote aap, baviaan {ook een

zeer yroote kikvorach , G.).

•) * •

\\ H i,n /.#y in/} kn. eiy. met de lianden wijd gt;iit elkaar bij

het bespelen van de tn y w of C\'j) inde

hoogte en de laagte een gelijken toon aanslaan.\' r/

(f iih) /. tiqs Rh.

1:11 /. n i.ii ^ kn. ; in ;\'i /. n ^njj \\ bekwaam, in staat zijn

~7ot iels (li. S. 358; B. J. XLV , 8,9, C. S.):

a

vrg. iiiii.niii/i i n i,n lii^ i:n hu iLgt;njj\\

O ■ o

in hh bii/j\\ zie i n i, n (t,ii^\\

i li /. n i n/j^ kn. in een bundel gebonden, in nii n ijj di niiihii/i — in.rhirin ineen bundel of in

(l co ^ J

bundels o/ bijeenbinden, zie hij 111 mi uiij\\ • gt; (O

i ii i.ii gt;liijj\\ kn. ; i ii f / Ky ibii/js zva. l ii ri /./^ i,i^\\ zie i hj n ii \'üiiji \\

tjiiit mi i\\snn {of i^cii hu i^jjs WW.) kn. een kinderspel met b én (/a-boo/ien, die men schoppende over den yrond taai glijden om daarmede de hoon en der tegenpartij, die op kleine afstanden achter elkander overeind op den grond geplaatst zijn, om te werpen; vrg. xn »»y \\ mcnriw— if .iwikh in m/js zamen béngkat spelen.

gt;1 i n ij hii i hii/j kn \' — i ii ij f\'i yf i.nKhn/js met het lijf of hoofd draaijen als teek en van onwil, zich onwillig toonen.

gt;1 i iit ij i.ns i hj] kn. het dikke eind van langwerpige voonverpen {in tegenstelling van { t(tJii.ii^) bv. van den stam van een boom of struik: de stronk, • schacht van een pen, boveneind ran de dij, enz. — i ii i^i\'if ij utn Lii/js den vorm van een bong-kot hebben, met een bongkot slaan. — ifi:iiiii tj i,in iMnrijx een stuk van het dikste uitemde iets, bv. een stuk suikerriet. \' ^

, )

Ij 1 ui 1.1 , /I iKi Uil 11 K) Ij ihQ^ \'I I ngt; \'1 \'Ut Mi rj Ij hl M

i ii 111 \'ii \\ een spr. aan het suikerriet ontleend, hoe zou de top smaak kunnen hebben (zoet kunnen zijn), het onderste gedeelte zelfs is laf, voor hoe zou de zoon iets kunnen beteekenen, daar de vader zelfs niet ieuiand van beteekenis is; of laat staan de onderdaan, zelfs de aanvoerder is rnij te laf, d. i. te zwak tegenover mij , Kh

n- ii

\\ ii idi KinsW. zva. ii i n i n i ijl N.

o

i ii 11 i.u i 11\\ enz. zva. co \'

7 u Ij LI lJUs

if iEi ij iui Ki/js enz. Rh. vrg. \'/ i^ rf ioi i i/j\\ A h?i \'d\'l

ii^h i, ii Kjjj \\ zva. i\'j a ii (iJi q \\

r.i^ i.y kn. zva. ijf i.i^ n/j (hulsel, bundel, pakje, bij telling, bv. van garen: r.n ij Hrie-

ven 235, r. 10; ook zva. ^i.ii\'Ki^la^.hi!i.np hersenvlies, de zoogenaamde helm, waarmee sommigen geboren worden, C. S.). i n n r.r^ gt; ^i i j {of i i r.y hij^d^y bijnaam van IVr $ k u da r a [in zijne kindsheid, als geboren met den helm; Int. B. J. n. U, C. S.).

i n i, ii /. i^\\ L. zie ij r.ii mi .bnjjs

11. kw. zva. i-t^ Li liii/js en ijd-iivtii ki^

(B. J. L , 2 , 4 ; ri ibYj jjj I I i^ KI uii rj 1:11 t ij i \'n i. n

-i.. -gt; a. n Ü \\

i i ^/n i i ri(ij^aj^(Hiji\\ ö.). — nm ij 11 uiuijijj\\ k\\v.

zva. r-ivrj \\ Ki ini/j nitroeijen, B. Padjang [,

17, volg. Rh. ook cun iamp;KuriiKi JkiHiiiLUs \\ ^

rui Ki Jï! ui ii ui \\ een zaak afdoen.

O o ,

11 1.11 i li 11 UI 1LI 1/11 N KN. - Uil II ! U 1,11 UI 1 LI 1 li ^ te

\' \' CO

genstribbelen, zich verzetten tegen; weerspannig zijn, Rh.

inrj i, ii è ui\\ kn. {of qj.) een slingerplant en haar welbekende knolvrucht {te Sa la i-iiiKj/i^), ko,u!en verfris schend van smaak, die als lekkernij tje-gelen wordt, Pachyrrhizus angnlatus Klt;ch. Fil. ?

iTii ij i,ii n.i/j KN.; i ii v » ij i.n ui/] zva. 1,1^ iu myj\\ koo-pen om weer te verkoopen. — i n f iny hu iri ij kii gt; iets, dat men gekocht heeft, aan een ander overdoen, WW. volg. Rh nil if im iu/j\\\'K.iï. twistziek, strijdlustig.

i\'u ij 1,11 i iLijin kn. metalen of hoornen haak, vóór aan den buikband van een ruiter in hel to urnooi • spel bevestigd om de teugels aan vast te haicen, als hij de lans hanteren moet, ook zva. i i lt;ƒ yi\' iLi/j en iriirj 1,112 ilivrg. mij yiii iLifj\\ i nif nij* lu/j — imihi^rj uiii ii^iVj ini\\ de teugels ann dien

co

haak hechten.

quot;)

(?)

Rh.

iij 1,11 iuq\\ zva. i:ii^i^ifn/f\\

ii:r^ u ii il-Ij)\\ kn. katjang-koek, van de tot olie ye-perstegt;k atja ng tjina, meestal gebezigd tot bemesting van den grond gt; soms ook als noodvoediel van arme lieden bij duurte van levensmiddelen. — i ii i, n n i/js als b o e n g k i 1 zijn, van harde slof

Ov -gt; I n 1,11 Ki i


-ocr page 1229-

1J 30

bij ontlasting, {ory. i i i.u n\'t ^); ^oA/. WW. oo^r

hard en daardoor sleolit bramloii, van ven lampe-

pif, sigaar of tiké; van een meusch zva. gierig.

rin.n (hi/i^ met boeugkil bemest, bv. van

suikerriet\\ en volg. WW. harde klis of klont van

tïkéy vrg. vry.» iii/j\\

ivy i. ij n ijj\\ kn. knop, bv. van een g a mp a r a n;

stok, p a j o eu g ö/bloeniknop , bo. van een roos \\

knopvormige vrucht van de kap as en derg. {bij

telling ?): \'•quot; ui i i~^ ry /./^ /1 ijj i n iji w l y y n i j

eén (heele) ku pas-vrucht. é(:u heele ui, enz. ( Frg.

ij) i.n u i/is — i // f\'i i.i) iu\\ iets , als een stok enz.. I: h - \' C(i (1 \'i,

van een knop voorzien. — igt;n 1,1^ van een knop voorzien zijn.

// vri 11 hn iujj\\ kw. zva. ij dJi ij \'h ïi itJJjs WW. volg.

Uh. een verharding in de maag, ook (u^ 111 mjiy\\ ij 1 iit ij I.ut 11 ^jj kn. in de armen sluiten, met de armen omvatten, (t. Vrg. t) hu 1 n ijjs i n hn iL/fn/fl \\ Ml. b ë rka la hi, vechten ; gevecht, kloppartij (eigenzinnig, koppig, naar geen raad

luisteren , G.); zie rj vu t ku n n m/nw •1*

i nrj liiirfiut ihu^/js zva. njiirj iu 2 ,L,ii/j\\

i ii hu rj. kn. volg. Rh. itn ji^iiii i\'i gt; zich* tot een klomp vormen ; zich als een klomp vertoonen, niet bij stukken en brokken, d. i.. in zijn geheel; 1 1 i?i\'ilt;jinQ0* een heele dag, Tj.

i.iiil i.iid nis kn. werpstok , lang stuk hout gt; voorheeft in gebruik om slingerend geworpen, iemands bee-nen te treffen en hem kreupel of weerloos te ma-keu gt; {pngev. zva. ). — -rn gt;quot;?gt;» hiitiLi\\

-gt; ( O \'

iemand of iets met een btëugkolang, een lang

stuk hout of iets derg. werpen. — iiifliirnt

■ V \'

ru 11:1 \\ mv.

amp;

1 11 ij un t ij.i,li if}, 11 /j. kn. schurftige uitslag met .etterbuiltjes, Rh. - , iiïi y ilt;n i ij tui 2 ini on/1 \\ daaraan lijden, AS.

Ó7) . (T) .V

r.11 h 11 m\\NN.; a/ii itji 1,n.tii. zva. nninis opgezet, v.

d- tgt;quot;ik, maar sterker, Rh.; stijfhoofdig, koppig,

niet meegaande, niet toegevend van aard, WW.

i n nii iu n zie r h iw/u* en vrg. fyiim illi\\\\

c) ^ ^

quot; \'/1quot;quot; KN- gesloten zijn ca/t den mond-, fig. gocn

mond open doen, niet spreken. — . n(i\'n.n : i/)

iemand de hand op den mond leggen j het zwijgen

opleggen of een heest den bek toehoiiflen , om hem

het bijten o/blaffen te beletten j den bek toebinden, miiilbunden, den geheolen snavel van de tegen-partij in den bek pakken, van ge maks; een object betooveren, zoodat hij of het niet spreekt, bijt, em. —• iim f.rhii rj ij i,ii\\ caus. ook bv. met geld iemand den mond stoppen, omkoopen. — /ry/./Z fj i\' i/l\' (ff rt-/jV/ gt;, 11 f 1 anji n {met of zonder mi i£) toover- of ander middel om het spreken enz. ie beletten.

riïi u \'n \\ kn. naam van een geribde zeeschelp met zeer . harde schaal, irn // u h \\ als een bai. gkang zijn; fg. onbuigzaam, hardnekkig, weerspannig, onge-hoorzaam, oproerig zijn, zich tegen een hoogcre magt verzetten. — tui 1quot;/ u 11 \\ weerspannigheid, hardnekkigheid , enz.

Ov . )

i n hu \\ kw. zva. r nrj nu Kiyj^ en ni iin dim van middel, llh.

17//\'soort van gr00te kikvorsch , (ook i,ii gt;li,\'ut) volg. Rh. bergkikvorsch, ook een groote

A*

soort n ij i,ii t i,ii/i , (Ut iijii ih ij i, ii t \\ zie bij 1 11 y en 1,11 nw i,n ij ijji fïi gt;1 i,\'n 11 1 nnjj een kënong in den vorm van een ,i.////./r»/?\\ komt volg. Rh. thans minder voor, {vrg. y/.//* y /j/? /,//,ƒ).

iii hu s kn. - 111:1111 /.// w

(O . lt;\'■) . . . 0

! ///.// • kw.; 1 11 1 11,11 \\ zva. 1 11 f 1 ihi\\ vra. 1111,11 w kn.

0 co 0 (amp;() • /

krom, gebogen; kraamband, sluitband, die een

•kraamvrouw gedurende e enig en tijd stijf om de

heupen gewonden wordt , (snoer, R ) ; vrg. 1 tii.n ■) . (^) .

\'11,\']\' \'\'Ij III hip iUhlj\\ If l II if h II 2 \\ If II If Hit

an iff ^ — I // h ii v iets krom buigen, WW.; volg. Rh. een haarwrong tot een knoop draaijeu, en ook een gebogen vorm geven, zooals bij de wa-

...

jangpoppen. — mn if y.ij i is een vrouw een slmi-baud omdoen. — r.n hii 1:1 nn^ een sluitband omhebben.

- CO . - O gt; . . ) .

.17/1 /. // \\ kw.; h ïi } 11,11 zva. 111 f 1 in n vra. irihnw 0 (nfï j h

ijirh ij nil\\ kn. dial, voor a.11 h \'us stijfhoofdig, van

een kind, W. P. 431. Vrg. i;//,/.//\\\\

ij r.hii h\'ntsKN. krom, gebogen ; /ƒ lt? tj 1,112 1, nj \\

17/? 1\'I iniji\\ n., 1K.1 ui biijs k., zeer, uitermate, onge meen, grootelijks, erg, hevig, fel, geducht, bijzonder, innig, vurig van gang, snel; hevigheid ,

O\'

enz.\\ zva. t /i ui\\ — i n f 111 hu 1 m 1 1 m iets met bi, co

hevigheid, vuur enz. verrigten. — mm ///.?i^i^/n^v .

1,11 Kt 1:1 hn(inji\\ te erg, overdreven, enz.


72*

-ocr page 1230-

gt;1 iiii IJ/.Ii\\

1140

Y t it I f (L-iiys

tfj.n 11(bnfj\\ kn. geloof, godsdienstleerWW. een

godsdienstige verrigting? Tj. vry. abiiri t ti r.i^njjs

bij i!,ii üti Lu ivgt;iijj\\

n ih i HJ» ^ kn. volk, natie, gèslacht, soort, ook van

zaken; vry. ij óu kiw ij r.m i i i n ; ; .• i,] Islamiet.

ijuilïi ij.i:iiin*) i-ijj iu lii ztap hijjj\' blanke, m firj

ijiHtii landgenoot, landsman, ij i tu i.i ili

zva. i n a i ui) s naam van een Kawl dichtmaat.

tj vu t iKi i /7 r.u rt qnjj zie i:ii\\ ijiinj iri gt;» n (ij dele)

klanken? liever al wat men je zegt, praatjes,

n/. e\'uj. al wat geluid of klank geeft, klank, toon,

gelnid in het ahj: lt;u iet (l.i lo ij i. \'n i jj) rj n\\ tj uin

n j n ut \'lt;i) LUi^.t quot;n #.y ivi i n i n/j mi i i injj^üu (Liij

Ln ~ ii in n i.n ^ ii hn \\ van alle klanken en geluiden,

is er niet een gelyk de klank van de rëbab zoo

wegslepend en betoóverend. fVany sail an: mi ik w

tin ii / Sn i vi »ƒ i:hi j) riu\\ C. S.

m ii i-ip KN- het laatste oordeel {Ar. l \'\' deqp-

standing, C. S.).

j;n n^i M/jix kn ., gew, i n i n vj i.i j\\ bedrog ; misleiden,

inz. (/oor opstol\'iny. —(un i id i hi j« gew, mi rrc.n

\'üia^ijjs {vrg. iniyii,)-, Jlg. oj)ruijen, ophitsen,

door ophitsing misleiden, ook zva. i n(j

zie bij vm^iüji.ijjs (in V Oud-Jav. is in^^hi/js

V h eden daagse he i.j ii/j\\) vrg. mi ij kifj\\ an ij o

/ r.i V) dJi^iw

10 \' quot;) ■»

i n zva. 1 1 n i ijj

r.ni ii.iip kn. uiterste grens, kant van ie/s, Tj., P.J.

x.n itti.iji\\ zva. ijvij inijs 2. WW.

nin ilm/j\\ kn.; 1. n n f j 1P1 uijj iemand de lippen afsnijden , oudtijds een straf voor leugen, 2. snoot of snuit van een varken , Rh.

ongeveer zva. 1:^ 11 Ki,j\\ maar mei een punt uitloopende y K h.

ij r ti it ma ijj kn. 1. een\'snede in de huid maken. G. Vrg, tj i tt ij 11 i^jj\\ 2. lippen of tanden-zwart-sel, dat niet zoo goed houdt als nt ij n/j jt .nt/js — ij t it rj ii,i0^) ^A.alt;tj)\\ Jlg. niet kleur houdend van sitsen en derg.; geveinsd, luiielielaohtig, WW. .j/^ iU i n ij 1 n ij 1111^* irt/p sehijnheilige, valsohe woorden.

ij x ttrj i t?mtj KN. ij i n 1 t tj i i^irj 1*12m/js zva. ij t t 1 t rjnjt ij r»? 11 ij zie tj 11 è tj 1 11 v ijj\\

% KW lans met langen steel, (r. Vrg. itji jw

ij in / ij Si i \\ kn. voordeelig opgroeijen, Rh; vrg. /7

1 li a i 1 en u j (i \' tjj nn x\'.tttK/tnsnjj\\ kn. schelm , bedrieger, afzetter, valschc

speler; straatgespuis.

xm tl mi iww. paviljoen, kiosk, pan dtlp d «ƒ b ulc, waarschijnlijk een verouderde Kr a m a vorm van

irtj rj u i\\ vrg. x itit-^ tuj bij i tt tj iLtw — ntt t in^

O S , Cl

ut btijj\\ i n h t ti t htt itrt\\ i:tt Ki t^uKji htj Lii t\'tt n ijj\\

, o /

zie bij n ut fottjjs tui (utt (hi ■\\ ir 1 .jaw

o

i nn-jt tLi/j\\ zie int tu en v ti ij tl 1 w

„ 1 ^ s ï o

ntt 1:1 ut tutfj oj r.tt 11 ut itft/j N. , i.n tjj ut oj r n i.j ut

k., groote rivier, landstroom; gewone benaming

van de S a l a-rivier. quot;( Wangsa/lan; x n 1 1 lt; 1 in .lt; 1 ut

ijtimi { nnt j\'IZZ iKi/fj ii/»\\ C. S,).

■gt; o

utt 1 1 KW. zva. ibn ut.uin\\

11. .1

m ij ru kn. een medicinale wortel, volg. llh. gew. gemengd met u^ij i tiw 1 ti 1 it y {•/ voor mt j rij rt\\ W. 1, 27, als mi tj in\\ nl. lichtgeel van kleur. un uttu/j kn. weerspannig, ongehoorzaam, onhandelbaar, bv. van een paard, vrg ut utt tuj\\

; ) ; quot;) quot;) \\ e\\ { ■) ) o

rtirttuji zva. it ar^ \\ hootdpyn. — tuit w rt /m n zva.

i rrj tLii ht^s WP. 517.

uy ut iujj\\ kn. — tvt^m t^i(Kt j\\ van een hanesj.oor,

zwart met witte punt, W. 11 , 473.

ut^ij utiui/j\\ kn. soort van hagedis-, kameleon. Vrg.

iLtt mw

9j Utt 2 ij UttH5tt/j\\ I . KW. zva. 1 I rn IHt/j\\ d.j ! I lil { (15. J. KW. Krit. XXXI1, 0—7 ; XLV , 4 -5 , vkl. (i.t iLmAJ^\\ mtnin tuitoiji^ S.). kn. zva. tj ritgt; ij

\'tj 1112 OStt j x

n. kn. hard hout. (i.

int ij of r:n i j\\ kn. onwijs, mal, suf; verdoofd, bedwelmd.

111 t uut/i of t n 11 utt/j • kn. opgezwollen, opgezet, van hel aangezigt (li. J. LXI , IS, G; LX 11, 3, 2, . C. S.).

»\'»» ttt\\ zie 1 tt tt 11, t.n ut I V , tjutt tu en tjiiif mi n\\

n

tj l it i art n KW. zva. üt ij t.tt? (i ti/j tj u rtjati? httfj^ \' \' li tt \'rt \\ 7jriii.i\\ (B. J KW. Krit. Vil, 9; liXl . 10—11 , C. S.) kn. {ook rn tn K. G.) weerspan nig, weerstand; weerstand bieden, zich verzetten, bv. tegen de policie; onhandelbaar, ook fig. van een paard-, moeijelijk te lezen van schrift, le/Iers Hs. %{Skr. b h a ngg a, breuk, storing; arglistig-


-ocr page 1231-

l\'il if n)

huid, valsclilieid, PK.; bhanyiji, id.). qviu KW. zoa. t Krn rn/j kn. dwaas, omiadcn-kcad , onzinnig, driest; dwaasheid , enz. WW.; vo/t/. Kli. eigen schuld als gevolg van dwaasheid, roeke-. loosheid, onverschilligheid, onachtzaamheid. {Ifany-sail au : gt;/ til ?III Hl 1/ Ui in tri n:^ gt; mi y öi i i n fn ; j \'t is onzinnig, zich op te offeren voor iemand die ii niet liefheeft. — i n hjminnjj^ B. .T. kw. KrU. LXI, (J , vhi. in hj.i nnrti(ni/i^ mishandeld? (\'. S.). i n ij .\'\'is m i.j ij hu\\ bcschouwen als if i.in imm f als door eigen sclmlil verrigt of gedaan. — n r.i)? cm liy/ io i/ fji\\ het is je eigen schuld. — \' 3 7 ri.irriiqnis zva. ijirh 2 nni w B. S. 535,

.17» if \'in .in fs kn. een deuntje, ecu deuntje spelen Rh.

if r.ri i irrt anjj \\ zie l il ?. m w

r.n m n ij\' zva. u \'m in/f\\ WW. kn. hard, stijf op \\ hel gevoel, W. II, 473, Rh.

airirf in ni/j\\ kn. den kop draaijende of uaar achter keerende van een heest, tem. of iets bijten hu. v. e. hond, dien men aan den staart trekt, ook van de léléviseh die zich omdraaijende tem. of iets met zijn zijstekels (■mi.niij^ ) prikt, Jiy. iem. een wederverwyt doen, met een tegenbesehuldiging treffen.

ïnymi nif\\ kn. dik meestal aan het éene einde, of met een knop, bv. op een wandelstok.

__cV

■inrf ni? a if\\ - rnrjon n ///rt\'^r.met een groo-

ter knop , of dikker , dik door zwel liny, van een

scheenbeen, W. 11, 870.

q. ) gt; .

rn nimjis Kl. v. dn n i\\\\

if irh if imii i j\\ kn aanvoerder van een rooverbende; ook naam van een voorrnaiiye koperen muut {ter waarde van een stuiver, WW.); volgens Rh van 2 i duit.

\'gt;}vhiif iitfmji kn. het *\\\\V\\\\vc.\\\\\\{\\ van een lany voorwerp, een bladsteel, zweep; het dikke ondereind, wortelstuk van een boom o/* het hart, kruis

of liet inwendig vervolg van den steel van sommige i vruchten, als nang/a, srikaj a, ananas; vry. | \'f rn ?gt;],lt;„? „uup - .wil tutfcrmiup

iemand of iets meteen honggol slaan; als een

bonggol zijn, nam. dik aan \'t einde. — i »i/,

mv\'

quot;quot;quot; kn. Hengalen, liengaiilseli. (un.hM i\'l m n i \\ soort mn dik, zwaar papier? C. S.). I.» l uirna-n \' ■ 11/\\ spiege l (vry. m rj n n bij .i n if n n), ook apr. li. {IVanysaUan-. gt; rt] y /.y un 11 til .un i \\ bloem vim hnigiuiiscli s|iiügclgliis, tl. i n;i.n kwik-zilver, (\' S.).

i n iii\\ kn. een weinig uiteengeweken, gapen, niet digt, van een voeg, ook zva. r:n crii (l:i m/j reet, enz., en Jig. van elkander, gescheiden . eenigzins verwijdert!, bv. van vrienden {vrg. ,u ,ii\\ tf r.ii rh), ook fig. eenigzins afwijken bv. van de gewoonte, Men.

— rm j i rh een weinig oyonen, enz. bv. een deur, ent. of een pagër om er door te zien of te komen.

— \' ^/oquot;Mn van iemand een weinig terugtrekken. — am (/•rrlt Ki rj nn \\ maken, dat er een kleine gaping enz. tusschen twee voorwerpen ontstaat; iets, bv. de afzonderlijke woorden, aticheiden. — i n in n m.f reet, opening, ifier, verwijdering, afstand, als boven.

cn if mi i\\K\\y. zva. if ni i if isi 2\\

■ • \'O . „

71 a ni^ zva i n iii\\ (i.

) ) \'. ) )

i n i 11 ii,)\\ zie i ii i i iijijis .

i n t:ii zie i ii 11 w ( (q.

i.iiii.ii zie bij 1/11.1:11 en aiiihw i.n i.ij of rii i i^ {volg. I\\li. liever i.h 1/1) 1, kn. naam van een groot e zwarte tor, die zich meestal in mesthoopen ophoudt, Rh. 2. klanknabootsing van het geluid van de nn nn of de terbanrjy of klanknab. van aS/ if .itj» ? chi f ■

V O •

i II r 11 \\ ; — 1:11 f i\\\\

(o

r.ri rii uw. zva

y im kw . zva gt; f \' 1 aid. ui ij iii vkl. inuteri

\\:

B. J. LX III , 0, 5, en kw. y rj\' i C. S.).

vu ri\\ kn. venusziekte, daaraan lijden.

t . .

1 n kn. suf, versuft, Rh.

111 if 1 11\\ kn. stom, verstomd voor zich zien, Kh. e?» 1?/\\kn. het spoor bijster zijn, verdwalen, verbijsterd, verward van zinnen, in de war zijn, verlegen zijn hoe te handelen of zich te reddén. 1 n {■]

fo

jyv zich aanstellen als 111 i.jw — » 11 i0i 11? 1 in \\ met opzet iemand in de war brengen of zoeken te brengen, WW. in deze bet. volg. Rh. 111 nirn ris doch het transit, bet. ; in de war enz. brengend. — 111 i jij 1 1 if m s oorzaak zijn of maken dat iemand als boven in de war raakt. — inrinui/js onderhevig aan verwarring , van iemand die ligt in de war enz. raakt.


-ocr page 1232-

) O O lt; ;» i M ; ■ n

I l-tó

) -gt; ï ) a

a.ii ri i:t j\\ ZOU. v.n ri 11 i.i q\\\\

i it i] ij i i ; of aii^ i / ij j ^NKN.gchimiL\'k van ecfl paard

i nii ij ij i i gt; oj (tsiifiiiri ij i liinnolceii.

til i /V/\\ ZZT ju / ii i \\ ook van het y aio ei van den wind.

\'c*N

gt; ^

LI KW. zva. Ihn Ij . ƒ / \\ (r.

n o

^7\' KW. Hnill hl/p (r.

/y\\KW. zva :t:niici•hnjj\\ G.

up. zva. twrjihiiqs hiicini }aijt\\ (r. I\'rf/. min^) j bij ij uu gt;\\\\

\'(y ; \\ \'» ii i.j i of ,i n KN. uiiroep hij bedreiging

van voorgewend slaan met do hand, of slaan of steken met een wapen, en daarmee gepaarde beweging , wee u! ook (bOj,gt; en i ii,iOj, gt;\\ — m i i gt; of iii,ij\\ i j 1 mz. uitroepen j «Vw. zoo met cyn voorgewenden slag dreigen, (\\V. 11,130: ia ) gt; Kh.

\'f*;! gt; KW. zva. run ij iLuw

7 \' \'^7 \'\'Jquot;l \'jquot;*\'/ \'j\'gt;0 [jszoa-ij : i i ij ^ji 2 ij f u i/.ryfs

KN. schoon en vol van gelaat, van een vrouw. \'/ \'ip* ij) vi hjs eigennaam van een persoon, G.

ij i/i t ij inil \\ KN. kap .van een rijtuig of lamp.

op ni n - zzz np yi ^

. ) 1.0 (-) (O

\'i£l y uquot; nz: l i ip w

t a. n. i.

tfrin n i \\ — wnpw

* (u «- £

•ï , 0 /• (O .

i.\'l yif^ zva. rn i.j (nn uj zva. i i rn i^j iiii \\ zie i i

mw KN. ,i i stijl\'op zijn stuk blij

ven staan, bij zijn eiseh blijven van een verkooper; iets stijl\' vasthouden, niet afgeven; onverzettelijk weigeren.

7 V 71N 7 \' 7 \'Vgt;NN

Y \' / ^ y quot; N lp * 7 \'p * ^

/ ^ 1 ^ ri

(\\ kw.zva. \' i axï \\ G.

Ll \\ KAV. /gt;»/;?.*/N (j.

£ \' ƒ O

//ï n // ip en I/ li 2 \\ KN. klanknah. van de ver se lallende geluiden van het klappen van een zweep, klats! klets!

V . v gt;\' cy /

ip oj , .i n li \\ zva. i ii a i n {org. ir i 11), ook het snorren van een pijl; rigting van iemands loop of gamj; en —li li ip gek or van hoenders , wanneer zij een roofvogel boven zich zien, of van een overwonnen vechthaan, WW. vrg. hnlt;ip\\ alt;iii\'.i\\ — iinnps eci\\ geluid ats boven maken; een ander lizie beneden. — :i.7 lip \'-n om of tegen iets dat geluid maken. — »•; .r~n niini\\ caus.; brengen, luiden, eij. de rigting aanwijzen; vrg. an -hn-urj in, bij i/ii asii w

o/ r. /ciS a / S o/

li\\ KW zva. rv; li i ii G, tui li zva. i:in/n i i nns

cr» \' 1/- y

snel loopen, Z. II, W. KN. 1. — lji ip of un np r) w j ben. v. de gooteu die langs de galëngan\'s loo-peude, liet water in de sawah\'s brengen, SG. 2. KN. klanknab. van het geluid van een krekel.

i 0

1. KW. ZVa. Lil (Kj nn

TI. of ♦/My KN. //^spuiten o/uitgegoten worden van water uit ten tuit, met een boogvormigen straal [vrg a^\\ li i iii) A/nun n hetz. doch met een groot er boog. — n nrin \\ met ecu boog spuiten. — i i Lj n i kiiii n in iels gieten met een boog.— li li mij hii\\ iets met een straal uitgieten. zie boven.

S T ) o ^

ip\\ I. KW. zva. UI (IX) \\ lx.

• 11. zie up n\\

/ . ^

ri ip2\\ zie ip w

, O . lt;gt; .

ip \\ KN. - (hi rityijs of a::ityii unn^n \\ lil

de felle zou zitten of staan, Kh.

Lnirm nnjm \\ KN. — ari irmyiïjm doorsehijneud, \' \'Cd \' \' (d

dcorzigtig bv. van een dü.yc//, waar tussehen de boj

men de lucht te zien is;///, ook zva. er een gat

in zien, opgeruimd, enz. Tj. vrg. 7 dsn? if ft\'n ? li 11 (Krtj) KN. /. n 1.1 n nnm iinijj zva. nen tj Lp ij n )) *1 \'p 7 quot; z^e b\'J 7 \'c1 7 \'quot;NN

o o . -gt;

ip munfl . zva. dei n 1. n/j\\ zie ili n L iyj .

ip (Ui h ti/j KN. ip a i Lii Li L n ^ klanknab. van hel

geluid als van een kip, die een roofvogel ziet.

ip n Ln/j\\ KN.; ip \'j ^ zi;a- ^ 7 7 ,nl

m)/j\\ zitten zonder iets te zeggen of te doen,

leeg z i tten. ip Un ■ ^ \'ni n/j Li-\'jun^ \\ spr. van een

ledig, werkeloos leven, a/s van een waarzegger.

O O OOOO O quot;gt;

LI ni.ih] KN.; LI n Limi I.n )\\ zva. ipni.ii t)i,n \\

\' i (d \' Cd

WW.

rgt; . o

ij op 7 t) Atnjj \\ KN. zva. ipnLii/f\\ zie irwriun^

7 V 7 gt;\'7 \'^77 WTj-ri ij irn rj h l oj}s enz.


-ocr page 1233-

i.i n hl

j i 4a

V/ quot;

\'t(i n KN.; iuïnapmii/)^ overal aan alle hui

zen gaan om iéts te zoeken of te vragen, Kh. ip ■ t i iïi hu iHi J viv. ,

Ifi n fii\'iij kn.; ti(rr]:firty)\\ in menigte op rijen öv. van stecnen y (Tj.). — zoa- (\'c\'

\'l?/ quot;[[/1x

i.i ij i.j hn^ kn. ; :in rj ifj i/nj- rillen o/klappertanden van kou of angst, Kh.

éifi 7 \'gt; 7 V1 N lp\'r) Ar\' h quot; I (*p u n i/f kn. j /.j li n i j^ veelvuldig knipoogen , als gebrek; druk, aanhoiulend de gamelan slaan, Tj.

) quot;) • ■ » v (quot;)

I.jnp Hij yeuj. Q :ip hnj) —.inip iii/j —

W. H, 503.

V V\'V ,\'1N KlNr *] tpy gt;quot;» // ^ 7 gt;quot;/ n met moeite iemand bijhouden in het gaan; ook zva. liiloi niaoi n\'iw en hu ntio ij *) ija.Ji rjrr)\\ met moeite den kost verdienen.

V \'c1 * \'Iquot; KN. zzzi \'ƒ ui i rj n w

ifit\'H/p tp un/j\\ i j i.ii i liank-

nabootsingen van kloppen of onderlinge aanra king van harde lichamen, ;/««;• gelang van dun meer of min zwaren klank; zie verder -, i.l iniji enz. beneden. — i^i Liy,ii/j\\ zie bij l n/j w — up kt; V/^n in de haast, 6»/onbesuisd handelen , alles maar aangrijpen, vrg.

li i.ii zie dpunjw ip LnLiiiH^f aanhoudend met

de handen bezig zijn, de handen niet stil houden;

/ ■gt; ■gt; o o ¥ ■» O

v)g. (,\\p \'tinp i,ii (hnji\\ a ip ip i,ii i\\ I. kn. j (ia ip i, ii i\\

tikken, vuur slaau. — miip y im \\ voor iemand

vuur slaan. — $ lP ^ ^/}s vuurslag. — II. het

druppelen j druppel, droppel. ip tpeig. een

droppel (vrg. i n ipihn/j aS ip lii/j) , N.; i, n iji kh,)

✓ ^ 0 . . . . . . oj hi.nniisi hnjis k., een weinig, weinig, gering in |

hoeveelheid, een kleinigheid. iKiup ip ijihii^ het

minst, o]) zijn minst, eig. i i ini iPi hii iPin i,ii\\ het ■

Csü

allerminst. 7 urn % d.i 1,1 zi ^ 1.^1 \\ zie bij nwiqs a-i

Lu 11 ip ip 1,11 /j\\ bij beetjes, langzamerhand (15. S. !

5()7; 7 ut m ^11 nj kviPii ki /. / ip Lii/p li. J. LI, 4,

4; .Lu iHjni h 11 ,fpfi ip hl ijj \\ (\'. S.). i.i i.ï IJ i,n n o . . «\'S-

\'P ip \'i!^ hoe weinig het ook zijn moge. i iimi -i ) ..

lii^hijiii^rii 1 \\ ik weet er weinig \\i\\i\\, in an/woord op eene vraag, ook bij wijs van spreken, hetzij uit j nederigheid) of beleefdheidshalve voor-, ik weeter { niets Viin. — i ni ip\'ip liij^\\ i in iin i?inniji of 1,ui |

^der een weinig. — .irm ip 1,1 Mij \\ r in linaPi i

^ /• i ^ et t , ,

\'»// 0J \' \' \'j//x ten aanzien van een persoon of

zaak iets verminderen — im ip 1.1 Lfii n mi \\ nu Lihi,?i i^iMn 11(1,1 of 1 :il-i i.u Lihini^ iets verminderen, minder opgeven, op zijn minst stellen.

•gt; o o o )-gt;)■gt; ) O

L I lp ip Lil lp LU 1(1,1* I I 1,11,01 nu l\'l Lij L / ^ of LIIL\'I

injici.Ltu (ki/j om een kleinigheid. — ili ip ip 1,11 (in/I enz., te weinig.

^jLu j\\ zie 1.11, u 1 \\\\ klanknabootsend van een do (Jen slag, tof! VV. 1\'. 430, zva. i u Lj 1,111 en 1 u i.j LUfj stam van li /y \'-up tn ip Lii/j enz.

11- ^ quot;» - lp /. U LU IN Vtrt. L 11 »ƒ (LCl Ij Ml KI (IjI lU ~ 1 1 f

quot;) O gt; ( ) »

,V I M I I ~ I Lil L 11 en I I ! I ~ I L 11 \'II IK II im -JU L 11 n l.l 7 m IJJ KI \' h \'Hl ] ^lim. II. \\\\ . II L I Ljiijj\\ kn. iets waarmee men op iets hards klopt, bv. een steen, sleutel of iets derg , waarmee men een spijker ergens inslaat, of iemand op het hoofd, de knie of knokkels een tik geelt. — fy\'1quot;/ a^s .boven tikken, kloppen; stompen, meteen steen een tik geven, van nabij gootjen : vrg. ty] i j .ku,i\\ W. I\'. 434. — (Kjj ^ iQi \\ viv. ii ïi lj Lii/js zie boven hij .l./ l^ l^ lii i

H LI 1, IJl N I. zie LhiniflW - ïf lp II LI LU I KN. ; 7 (KI

^l ipKiiji^ op iets hards slaan, kloppen; likken, bv. aan de deur {ook wel \'f \'p \'j ip tj lh gt;i 7 li luy \\V. II. 307), losslaan of -klinken, als een keten, een klamp, een spijker uit een plank, enz. — *ƒ m li Kjj \\ mv. — ip 7 li ku lijs iets waarop men slaat, bv. bij het spel met kemiri-noten, om te hoor en of er geen barst in is, ook een snort van boo ze geesten, die han aanwezen verraden door getik of gekletter van doodsbeenderen, die zij tegen elkander slaan -, volgens sommigen een sprinkhaan, die dat geluid mankt. //\'£»7 7 7 lh j\\ — / ip li lii J bij 1 1 li li min

BV.

II. verk. van a.-i u li mu/j\\

III. verk. v. ii(j 7 1.1 lii p voor Lj 7 / tLD 1 v eig. \'I \'I.\'\'/ 0f 11 J, 7 voor 7 11 Luw

7 ipi Ku/j\\ I. l 1 llij.w 7 /,/z 7 /./ f luij\\ kn. tikken met den klank tok; hersenpan of herscnbekkeii van plat koppige visschen , dat bij 7 aanslaan ~alk een geluid geeft\', schild of schiwil van schaaldieren. — 7 tn i ^i ip i l u \\ tikken als boven, niet de knokkels een tik tegen het hoofd geven , kloppen , aankloppen aan de deur-, stampen, bv. in een rijstblok of vijzel, (1. ; vrg. 7 ta 7 ip k u/i am *7 arn ?


-ocr page 1234-

tiiut tni} n i nu ij ici? — ij i.u ./ /./gt; i^ij !■ i j elk- |

ander op hul hoofd tikken; om hou lil of knietik- ;

!

ken, in plaats van om geld, bij kinderspden, | waar\'lij de verliezer eenitje likken op het hoofd of op do knie krijgt.

II. of i n I/1,11 in i\\ (ook i n yj mi? i.ii/i \' dial?)

KN. zuiver, onvermengd, alleen, sleehls. n i.n \'■quot;

lt; co

ij i ii \\ enkel maar. (ij /.i? in - hij i.i* \' kwanswijs, (J.; zie \'ij i ii ij i.i t ilt;ii/i\' \'i \'-it 1i i n j versterking van ij lt;.it hii,-] ij irii ij i/it i.njjs {ij liivj lh iin/j\\ 1 is de ware spelliny voor hel bij ii hun iiihm niiij opgegeven dier, Waarvan de schual meestal wil : zief; vandaar dil woord voor Europeanen ge brui kt, Rh.): / \'lij n ii hi ij i.i? gt;f i,igt; igt;n/j\\ een blanke Ej- | ropeaan, tegenover 0i?ii\'i\\ voor oen Afrikaan; | volg. and. echt, van onvermengd bloed, gew. 1 van Europeanen en Chinezen {ook of inz spottend, i in den zin van baarseh: /.v ^ n r? hi if ipgt;. ij hii i.n : ! een echt I lolltuuler, die nog geheel op zijn Hol-landsch leeft, zich kleedt enz C. S,).

III. verk. van if inu rj i,ig mi.^ in de uitdrukking ^i.ni.ij of0if r:\'n\\ frappant gelijk.

i gt; quot; \' o •quot;gt; I

i.i i, ii \\ KW. zva i n h ii .yi n n^iuiij n i n.i \\ tm an \\

i a {Skr. l i kd, eommentarie, uitlegging van een |

geschrift),

.iri hiiq kn. hebzuchtig, inhalig, G. hi i n s i.i i.n gt;\\Kii. aanmatigend, zich regteu aanmatigenj zichü\'^on-regtmatig toeëigenen. — ini i.i ini ;.i.ii ir^p id.; ook het overmatig druk hebben, WW.

\'f\'7 \' \'\'\'\'/ \' ^N. /\'\'c^ ^11 eeu g^sp1\'6^ mengen, G. ■ pihy us.; h:hi^\\ krabben, zooals een paard uil on- ■ geduUt niet een der voorheenen den grond doet; i asch met do vingers omkrabben om er bv. vuur of kolen uit te halen: vrg. yj ip gt;j i.n w

) gt;

lp h II \\ KN.

i.n hi i. ii \\ zie aid.

ij i,i ij i,ii KN.; if hi tf hu if hi tj i n zva. if i i if i*ii -f / i

if i,ii a if ui if h ir zva if mi if i.nw if hi if i.n?\\ kn. I. een bak van te zamcn gevouwen iuij^u gt;\\ kómt gew. voor in de manden van olie verkoopers, bij de met olie gevulde blazen (i /»11 i i i f), en dient ou de bij het overgieten gestorte olie op\'te vangen, (L J H.\'i. \\ ij ij i.u i.i ; i if in rf nni\\ nam als bord of schotel voor gekookte rijst : .i. i 1.1^ ii / \'/ l\'jcji\' 1 ~j:1 V \'f\' \'7 N (\'nz\': blijkbaar echter in strijd met gebruik en welvoeg el ijkheid,

C. S.). 2. krom van de beenen , poolen of klaau-

wen; kromme beenen enz. hebben.

o n

i.i i.ir zva. i m.ow

7/(i,i ij v kn. bengelend , slap neerhangen bv. van de horens van een buffel; van een buffel zulke horens hebben; ook van ar men ^ zoo heet Nala Gar eng, die zulke slap neerhangende armen heeft, air if vi ff i^i gt; W. II, 02, {volg. Kh. heeft hij

kromme armen, if hi if un ? n i f).

■) ) O O • quot;) gt;

/,/i.M/U^NKN.; iLi iri un ii i f\\ zie a i hl mi itujf

hhi.i^ rvijf^ kn. — f i ip hijnu f\\ zich druk bezig honden met een o/ander, (Tj.) Rh.

i/l hun i j\\ kn. kiemen, uitbotten, als de kiem maar even uit de pit of het zaad te voorschijn gekomen \\s : vrg. hj h ij ihif w — ifï i.n ii^i uifs spoedig kiemen; kiem, uitspruitsel.

hij ihiif. {of njjiia^lt;rui/f\\ llh ), kn. uitspruiten, uit den grond schieten, uitbotten, ultloopen; in Tj. opkomen bv. van een boeboel; fig. van een gedachte, {goede of slechte?) {Jllt;j. ontkiemen , bo. van moed, 15. J. XXII l, (i, / ^ n\'j quot;

h n/Yici Mjjj £ V 00^ y a^s \'JeV()t\'J u^s

voortspruitei : nu ix/j, t j ajnjry.y n i una ii ih^un m n nii i lil li ^i ify]\\ misdrijf voortspruitend uit drukperszaken, drukpersmisdrijf, (\'. S.): vrg. qji

rt -1

u y n if i.i uii ii i f\\ rf hi if uil n i f\\ if i,il if uu l n.i^w — hj (f j uy ihi/f\\ zva,. i^ uij thi.f^iu^ iirj nu \\ be-groeijen (■meest al passief: mi hj uij ii^i !in/j \\ begroeid); fig. in iemind de kiemen leggen voor goed of kivaad\\ iemand aanzetten, WW.— urj rui ifun^ doen kiemen, enz.; doen ontstaan. — ^ un ryiHi/j of i.j hj uij ihi(in/j\\ spoedig kiemen, enz.; wat uit don grond geschoten is, gew. van een plantje, kruid, enz., dat van zelf opgekomen {nietgeplant) is, planten , gewassen , G.

rf hi if uu ii /,ï\\kn spruitje van een uitgeloope i kokosnoot {i?i un ii i;j); nieuwe spruit uit den stam, bv. van een arenboom, bamboe en derg ; :ulk een spruit vormen; aan den stam nieuw uitspruiten, WW. {vrg. ifji-ij iti/f\\ if hi? if un? ii i f). ielt; n^ if i(i gt;f un nif uitgebotte hanespoor, die klein en stomp blijft; votg. Rh. if ip if uii ii i f\\ ook van een persoon klein maar stevig, (ju^ u^if hi if uu rt i fs miswassen horens van een huff el, nederwaarts gebogen en langs den kop gegroeid; WW. zie if iprf hu^).


-ocr page 1235-

ti LH i.n n hi zie i.i I/ ip\'i i\' \'i nj/l ^

i.ii if igt;h* a //ƒ\\kN.• I. voly. Rh. van ecu hertonhoorn, die uitbot maar kovi en amp;U)\\\\\\\\) blijft. — \'/ iri? 7 ifhii? iifi \'Kijl^ wk iiitgcloopeu k u tj u 11 g-boouon, als (jroenle (jekoohl.

II. vuu gekruisd rus, v. e, paard, Tj.

VV\'VTIV\' = 7^7\')lnN

U h?i It 11^ kn. {ly\\i \'{\'hiy quot;H/j voetje voor voetje,

lang/uain gaan; vrt/i \'yiitui unj Jlh.

i, 11, ii h njjv amp; n 1 1 /j!• n j kfi 1 n k u i k kebulle 11.

t/ ip ij ini l. }yf\\KN. zva. \'/\'j\'\'\' ü\'/ 00^ gVa\' 7 \', \'7

7

Ij 1,1 Ij un t UH ff- KN. If lrl\'1 K,\\l IfHJI\' VU gt;1 I.I gt;1 illfj) \\

fuj. slaj), zwak vaiï het ligchaam, Tj.

ap h iij k » ^ zie hij i^i i,ii p

mh un an i \\ zie hij k i nn i\\

1 (fj \' ■ 1 - \'

O O | .. O

V\' ifquot;\'i!{110 ]s zie hij niunjfs

ip i ihp kn. lianknah. can het yeluid, dat bij het

aan stukken trekken of stuk springen van een

touw, snaar of iels denj gehoord wordt ; vrg. )

ui n ijjW

i.iiigt;j\\ ^j.ijiijjs ij 1,1 fotip if ipzobiijp kn. lianknah. van het trompetteren vuu veesten ,. m i verschillende geluiden.

i-i i\' 7\' ij} \'(l kn. klanknab. van het geluid als men iets kleins stnk drukt.

O ■quot;gt; O O

i.i i i -jij i,i 1.1 -ti ooji \\ of i,i 7.) i.i 1.1 -ij in fj \\ zie bij

o • •

un vi h i/j \\

1 rn-

7 \'p 7 gt; gt; HIJ ZIZ LI 7 1,1 Ij ki vil j l J .

1,1 ij ui \\ kn. ipij i:i i~i tj i:gt;\\ een voor- en. acliter-waartsehe beweging met de handen maken mei de handen of voeten trachten to grijpen, vrg i.il «p 7 ui * oneig. van de voeten, Tj. •

i.i\'iiiiijs kn. i.i r n.n i 11, ii js volg. WW. zva. Ph.ï

Qv ) ^

\'quot; i iii /ys volg. |{li. kort en dik, een prop, vooral van meisjes.

ij i,i ? tj i 11 Kn/j\\ kn zie in 7 ki ^ 7 1:1? /. ii j hij i, 11 7 n 1 mij.

\' I 7 \' I H l -s KN. 1,1 ij 11 MJ 77 I mjj ZZZ I.y I,I \'j ui n ij

yi ljUl n i/)\\ BV.

^ o 1

\'■\'quot;quot;liquot;Jl \'lt;N\'s v 7 y quot;jji^

verward, in de war, van het haar, Uli.

KN\' \'rf y1!1\'\' quot; 1 j\' ~ I.H Ifj.rlii I 1.1 I 1

quot; \'7* \'\'/i\'1quot; /^N KN* \'rfi *\' [\' i\'\'\'\' v/\'L)i quot; i/l\\ BV\'.

\'.y 7,^N Kigt;J- 7 \'\' / \'^x i\' a I^I ij ui iu \'■/\'I1-\' quot;T

cv quot; klanknabootsing van het breken van een touw,

met een kan doorgesneden, {vrg. .iii.nnn\\ en 1:1

Cd -/

111 j\\) fig. van ar uien en heenen} Men.

un ij volg. Illi. gehr. voor 1 / rij {grondw. van ui3ni/j\\) ook slechts, alleen maar, ongeveer zva. tj ki 11,111 Tj.

ij 1.11 iijjj\\ l. tiisschenwerpsel van het pikken met de snavel {stam van ij 1.1 è tj i.i?\'tufj)\\ f.]iij^ ii^uiijjyj 1,1?

ni/j\\ 2. in locatief verk. van n 1.11 ijoi^i 111^

0 /

/.//m kw. zva. ■i.)iim\\\\

i?i 7u\\ naam van een bloem, G.

7 1.1 7 /«;\\KN. 7 1.1 ij 111 ij 1.1 n n 1 n zva. i-j.7 \' / \'y 7 \' / • zie bij i j ij 11 {volg. Rh. tj m ij intj iu ij 11).

Qv : )

7 i,i rj tuis zva. 1 ) hu 11 i/js kn. — ij 1/1 ij tut ij 1,1 tj ij nu door ziekte, bezwijming of dronkenschap het hoofd slup laten hangen, ah heeft\' de hals geen kracht meer het overeind te houden.

rj i^n ij ui (verkort 7//;) kn. , jongen, jongeling,

toespraak of verbonden met een voorvoegsel, als

o .

i.nj i,inj nis vrg. hij (ui/j 7 in \\\\

ij 1.11 ij 11 it\\ kn ij i.i\'ij u n ij 1:12 tj n it \\ dik en bol

van hoofd en uaugezigt, meest van kinderen, Rh.

Vï^// rciz Uquot;ij\\ zva. i n rnij i.n ini/j.

ij li) /5/ in kn. net glimmend en glad gestreken

van hel hoofdhaar \\ smal en klein van gestalte,

Rh.

\' M y kn oog, oogen , getv. in hel kaartspel, bijtel ling: (ki. of kn. het zwart in de oogen, oogappel; ook i.i 1.1 i\'j\\ vrg. i-nj . 1 ij mi js G.)j vrg. ook a 11 hi \\ (ui nn ij w \\V W.

1 ■ 1 . . . O . O ./.My kn.— /.// 1,1 i j oj inj 1,1 hj \\ zie hoven,— 1.1 gt; j 1.1

1 1x de oogen niet kunnen slniten van een slapende, staroogen, Rh*.

)

ij 1,11 n 1 \\ kn. ij ipiii iij ipiiixis ■.— inniniihnij

zie ook BV.

O ,.) O ) .-»

1,1 ijl li 11 j oj .mi 1,1 u 1, u j /.// / //,m/.//y n

■ij 1,1 ij 1111 ij yi rj nu.hihj* kn. kwuken van een kikvors ch , G.

■\\eia/ui n i/j\\ kn. nieuwe, nog onervaren, publieke

dansmeid; Ti\', ontuchtige vrouw, straathoer.

ij 1,1 ij nu n 1 j zie rj im ijn/m n hj


-ocr page 1236-

11.46 fCï tiHjj\\

*

a t rt a a ^ quot;) gt; -» ) n i

KI .11 nnjj KN. yi ,f iihfi if imij\\ — /.»gt; l / i /. n i, / lt;} /

15 V.

)

\'7 *fUa/l KN.; (UH if £ if-\'h *gt;quot;/] — --

/^n i(i dAJj /. 7/ J enz.

ifi tl uy)\\ KN. mef een telwoord er vóór, een beetje, ecu kleiniyhieid. w ry untq /1 n i ^\\ ecu of

twee heelc kleine stukjes. — t?i njjj\\ een klein \'stukje afueiueu , ook zva. iL\'nnrnj n.i/i\\ BV. uiaar even aanraken; vry. mi\'tyjiww/j Kh.

\'7 V \'/111 nJH KN* (t/hWW.

II. kleverig, vry. iicirjiiyi njjjs •tj li gt;1 f rt m/j KN met een telwoord er voor, hv. oji it i,i ij lu zooveel als men met een greep in

de hand krijgt van iets weeks; van iets, dat gekookt is, bv. visch of rijst, enz. ij ip f i ij n yji u }i i/j of i n tj li ij m iijnn j\\ bij grepen, Tj. — ^oaij m gt;tyj\\ erg. als een klont of kluit tegen aankleven, een greep nemen van als hoven.

\'r\' U\' \'31 0f **/ \'fi\' \'•quot;.1 =gt;bnM^Hrijj\\

)

V 7 U1 ? 7 \' f 7 1 /j

^ iri 7 f(i\' j-ï\'M \\ ij tj f\'i ? n \\ klanknab.van de verschillende gel u i d e n der g a m ê I a n-i list\'rum ent en van het fijnere lot het zwaardere , inzonderheid van de y un^ ij iluw i.i ifi ^ K w. zvO\'. (uii iHj \\ .hïi rr} \\ G.

t/J ff/ \\ KW. zva. *j1 r].Lii/fs buitengewoon , ontzagwekkend. G. f i ,ll/ifi iy/\\ zie hij i?i i.1 nn kj i.-i \\ KW. zva. (vi kj imiqs gezwollen oogcn, G. 7 i.i 7 i.\' \\ KN. ben. van hetgeen men voor de oorzaak houdt van het bederf van raauwe rijst, brood, kaas enz., wanneer die zaken als vermolmd tot stol\' overgaan; vrg. \'(i:r^a:r^.un/f\\\'— 7 ki ij 1.1 iUi tin^ door 7 lt;:/ gt;/ m \\ aangestoken, ook ironisch vaneen pokdalige, WW. of liti rj ki 7 ki yi nn/j los neerhangen,^^. vafi kleeren, van een huikhand\\ klee-ren, enz. als boven los of slordig aanhebben, fig.

in mocijelijkheden zijn

o T .... o

ki nci mi/j\\ zie bij ip HU/js

KjKj.nn/p zie bij V/ U]U\\N

7 V 7 \'• ^ 7

7 1,11 7 zie bij 7 kh

i.ii.i.hï)a\\ KN. weerlicht zonder donder, bliksemflits zonder weerlicht, «««

wolken, aan den horizont; oo/- naam van een hoofd, G.

(D

7^ Llétp

tj ifii irnui js KN. {Chin.!\') een spel met ( h in es cite

kaarten ; dat spel sjtelen.

1P11P1 KN. ktanknab. van het ge flail door een straatkunstenaar gemaakt, die den een oj anderen vogel nabootst, soms zittende in de ha-rong an, die een vogel voorstelt.

ip i^ini/p KN. afvallen, van iets kleins, bv. het roofje van een wond, enz, bij beetjes alvallen of uitvallen bv. oan oogharen, zva. \' i0y!ïnjj)\\ ook hdt oog-vuil dat aan de wimpers hangt, Uh. —va if} n 1^ iets kleins als boven aftrekken, afplukken, enz.\\ bij stukjes cu brokjes van iets eten. — a?i if] tun mv. bij kleine hoeveelheden afnemen. — nf]:i?i

obj. den. afgeplukte stukjes ^t^iJi ctnjj*

) rt o ■gt; -gt; o -x i • • ••

ff.uipKiujjj tiiKiKiiu/js uiterst gierig zijn, gierig zijn met bv. zijn goed uit te leenen; vrekkig.

7 7 V ru/\\N KN- zvn- \'-7 iPimjj doch van gr ooi ere stukken, losgaan , losgetornd , van den naad van een kleeding stuk. ij ihi ij aji iuji\\ tornen; los-, uit», aftornen. — i)tn )j ip ij^i\\ mv.\\ ook zva. all i?i in \\ maar van grootere stukken, en dial. zva.

IJl 7 I L l ^l \\ v. I. II 7 II / lill^N - \'7 I. / 7 ip 7 71 I 7 l.|

in in/j\\ wat als boven af- 0/uitgenomen of getrokken enz. is.

tj ki2 ij ifit ni/j\\ KN. 7om 7^127ii/js met den snavel pikken, bijten (of vasthouden, in den snavel houden of nemen. W.). — 7naz 7 ^ig ii^j\\ mv. — 7 kii 7 \'I \'h\'ja Is elkander pikken; het gepikte; door

pikken veroorzaakte wond. (.1/11 /1 71;/? 7 kh tj hni/j

- ■) o quot; \')

of lui ki i tj ki t ifyis zva. .101 j i tjm tj

lui/js Waj. Ir.).

k u of a v ifi\\ KN. klanknahootsing van een rel ah-

• snaar, als men die doet trillen ; het gonzend voo \'bij-

vlief)en hv. van een bij; voorbijsnorren van een

pijl. ki k A heen en weer gonzend vliegen. — 11

ki\\ regt toe, regt aan, bv. naar huis gaan.

ki\\ KN. ktanknab. van het klinken van wijngiazen,

van een kleine saron, enz. ook zamen klinken

met wijnglazen, grondw. van ap u\'n mAmii enz.

it.j ^ 1. zva. (\\m Kj \\ bv. i^j (bi (hj w 3. klanknab. v. h.

geluid v. h. rijststampen gt; doffer dan 7 ip i \\\\

7xp\\ KN. klanknab. van hel geluid van mdalen

voorwerpen of gebakken aardewerk, zwaarder dan

k\'i \\ en zie ben. hij 71/17 ;ip w


-ocr page 1237-

\'j ip i \\

ii in? kn. klanknab. van een yfluid, zwaanier dan \\ )

ij 01^ bv. v. hnrjy\'tf? j.i(ki/j of van een leege | rin yj im i \\ als men er op klopl; \'/ \'j\'/ 7 *N !

7 /1.1 ri of 1.1 gt;j %/\\i k 1 gt;f 111 kn. sprakeloos of verstomd zijn, bv\'. van verwmclering of spijt; vra.

r gt; x

iii is en rjdiïdrf iuw

iini.in kn. ti ii?iiuri i?i ihii,;\\ moederziel alleen bv. I \' (d \'

ergens zitten.

) gt; )

\'h \'• KN - gt; Y) \' l quot;VJI* zvaquot; ,\'y\' / \'v\'j N \\V. 11, 353. — v,/iM\\ stil zittende een wakend oog houden op.

00 rgt; n .I -gt; 1 i • • /. • quot;gt;

li 11 \'• quot;/J\\ kn. 1.111 i,h 1 i kh/js klem en lijn, wv/. / »

\'■ ■ (sj

D .

ni nrt/j\\

1.1 ij ^i^? in)/j\\ — 11 1:1 nrf ui^i u n \'^ zm gt;11 1

lil ij 1^2 v\\

np ij iiins KN. ; wip ij i\'iy\\ m.quot; f 1 ru ij \\ zie

Om o

J ƒ r/ V/\'y. \'t; ip lill^ KD /j \\ it l.l ïj li^.UllljW

7 V\'? i/^*s KN- vf uil HV/js maar niet zoo

laag, (Tj.) Rh.

) ) . ,quot;gt;■)■)

1.111 mijs zie (Viurn 11 /1 /,?.

\' U7 \'

vivjiii/j- kn. wfl\'rtïw mi middelsoort olieschep-pcr en, tegelijk maat van oliekoopers.

O quot;) tO e OO li!

1.1 i i iijjj KN. ; iU 1,1 i injji of Lnyii r.t lujj gt; net verb, uw. van (V! ip a?i luji of u yn ri tu^ uitbotten, ontkiemen, van een bloem of blad knop; ook wel van een tand, van iets kleins, llli.

^.r| n. 1 fjs zva ajf ry 11 i/j\\

ij ip ij vi ruji TP. zva. ij i.n^ij iun\\ een jong van een kaaiman, Rh.- u.) ij 1.1 ij 1 1 n i/j^ AS.; ook.zva. ij

ij ipf ij 1:12 njjjs maar van kleinere voorwerpen.

quot;) )

ij l 1 z ij nn2 in/js kn., ijcyn 2 ij lt;1712 rujj\\ zva. if.i ij 1:1112

^ QvO /. ,,

ij imiu/jw ip ij 112 ij i n riyjihn freq, K ,

17,36.

Vj 1,12 I I \\ - gt;j ip 2 ILI \\\\

ip lis of li nhi \\ KN. hl li li ^ of 11 1.1 mis - } 1

\' (d \' \' J \' (d

li li mot de beenen wijd van elkaar staan, zitten

of liggen.

. (^) . (gt;)

\'pips zie np\\\\

£)Cy) f ) (pi (Of.O - ) -O

ipips of ipyij gt; kn.; L\'i ip ip of li ipauj\\ een

stijf gespannen .toestand; /ty. strakheid, ernst van

het gelaat. — //mm of li li (tins in dien toe-

\' Cd

stand zijn, Jlg. een strak, ernstig gezigt zetten; ook aanhoudend, dringend bv. verzoeken, Tj. vast. stellig van een gerucht, Tj.

ipips 1147

li li of 1.! yïi \\ kn. //et klinken van iets, vjaarop men fikt, om bv. aan de helderheid van toon de echtheid ie herkennen. (Kiïps klagend geluid; jammeren, weeklagen, WW.). — tinirpquot;ƒ\\ klein en smal van figuur, dun van middel, WW. iui

O. - O dv 1.. a.. r o

L1 Lis 0/ ±jI ip am - if I LI LI \\ Oj (Dip

(nh \\ ook ivninjhs bv. door een stijf aangetrokken Cd Cd

buikband, goed om het lijf of de beenen gespannen of sluitend van kleéren, of van den persoon met zulke sluitende kleeren, verder zva. nf!op) ss

V\'i KNquot;J L1\' / \'7 l \' \'1 l\'c\'l 0^)\'

geblazen , opgezwollen , opgebolde enz. toestand van iets. — f iLi^\'j of fj) i^j(mi s in dien toestand zijn.

ij ip ij li of ij ip i( yrjs kn. ; 1. li ij ip ij li oj a i ij ij l i ij (UiJ s een stout, trotseh voorkomen, een moedige houding. — d iijipijip of \'ï i ij ci rjnirfs die houding hebben, zich in postuur (sehrap) zetten, een moedige houding aannemen, manhaftig staan. — rj ipij ipin iKijs het praten of kakelen vaneen vrouw; een kinderspel met saw o-pitten, G. (volg. Rh, rj ui2111 rj iih \\) zie cru tj ip\\\\ 2. naam van een

gebak van katjang tjina met suiker , Rh.

- . , )

ijLi2ijLi2 of ij L12 ij\'nij2s kn. zva. (Hiirjcriin 11)iHi j

ijip2ijLi2 ^(hiijp een soort van zware bellen.

ij 1.12 ij li2 yji~nt ij iits naam van een tooneelsiuk

voor de /f ajang, G. — x n rj» »2 ij ip2 ij yn 1 \\

bijn van de ban go. \'dul tj (in 2 ijrrm 2 \\ naam van

een soort van bhidê, een ketoek gelijk, die als

een rj riii gehangen en bij de rna i ii^iannum ij

rj n idn^s of ij 1,112 ij m ij iny ij n }ni/j\\ gebruikt

wordt.

I I s

r.ifj of 1 1 s als aanvangs- of sluitletter, I. KW. zva. 1,11 s hetzij als betrekkelijk voornaamwoord of als bepalend lidwoord ? B. J. kw. Krit. Ill, 5; jI gt;1 (ui gt;;.•// 1 iy} ii\'/ nni lii v XXV, 10—12; aj li IjT^(uj I /) ^\\ X LIV , 10—17: \' 7 mi asii Jii ini ui, ia s Vrg.


-ocr page 1238-

II Hi *

o • gt; n o a c* \') gt; i ) o i

Ki (i nai/i KN. hn Iihj} if Izzz mi li I t.n KiI

lt;-y, (ju vy\' L \'

15V.

KN-; tyH\'i1!/!\' —

: )

ilt;n in(vu^ ini J enz.

KN. met een telwoord er vóór, een beetje, een kleinigheid, hjj iu./ j j^ y m ? y iamp;i n i/j\\ een o/ twee heele kleine stukjes. — een klein

\'stukje ufiieineu , ook uva. mncrnj/i tLi/j\\ BV.maur even aanraken j vry. on tw/j i-m ini/j Rh.

irj vi ij ili tujj KN. I. zva. (Lm cni y ?n\\ WW.

II. kleverig, vrg. doirj^ji rujjs •rj ic\'i ij f li m/j KN wet een telwoord er voor, bo. m ij li zooveel als men met een greep in

de hand krijgt van iets weeks j exiw iets, r/w/ gekookt is, hv. visch of rijst, enz. tj li f i if tu ili/j of d n tj i£i I/ liiiti^inpji\\ bij grepen, Tj. — nan71 ni gt;tLgt;n\\ erg. als een klont of kluit tegen aankleven,

een greep nemen van als hoven.

quot;f ^ ?

, )

V! If fl 2 MVJI ZH. IL\'.I I j f I ? iniJI

)Q. \' ) . D . ■) . ■gt;•///ƒ

l 1 iti\\ 1.1 ij gt;gt; v 1.1 if i \\ 1.1 gt;1 f i ?\\ l i v j n klanknab. van

de verschillende gein i d e n der g a m quot;él a n-i n-st ra ment en van het fijnere tot het zwaardere , inzonderheid van de if Ktyi tf lt;Li2\\\\

li li gt; K\\v. zva. djiHuis .mieris G.

i?i u n KW. zva. /j) n iunji\\ buitengewoon , ontzagwekkend. G. O,.LU li ifi N 6ij l i ipi v\\

kw. zva. (u itj ayyj\\ gezwollen oogen, G.

Zi li n li S KN. ben. van hetgeen men voor de oorzaak houdt van het bederf van raauwe rijst, brood, kaas enz., wanneer die zaken als vermolmd tot stol overgaan; vrg. air^aTr^jfn/jv— 7/ V \'/ \'P ll(\' lr) \'ls door n 1:1 gt;ƒ 1.1 \\ aangestoken, ook ironisch vaneen pokdalige, WW. of hti rj ip tf Linn/j^ los neerhangen, bv. van kleeren, van een buikbandklee-ren, enz. als hoven los of slordig aanhebben,

in moeijelijkheden zijn

o -» .... o

li li nu/j\\ zie bij ip htin \\

\'4 w1\'quot;r amp;ie ,j\'j \'lt;■/ \'-a/t\'

7 V 7 [\'l h,,/fs tic bij fj LI Htl;J\\

7 \'c\'1 7 z^e hij \'/ Lit nn/j^

li iPiLii/p KN. weerlicht zonder donder, bliksemflits soms zonder weerlicht, aan den rand der wolken, aan den horizont; ook naam van een hoofd, G.

o

Ij If Ié lip (Ugt;ll/J\\

\'j li* ipilii j\\ KN. {Chin, ?) een spel met Chinesc/ie kaarten ; dat spel sjielen.

i?i i~i (Lii tt» ,1,11/)\\ KN. klanknab. van het gefluit door

1 (e./

een straatkunstenaar gemaakt, die den een of anderen vogel nabootst, soms zittende in de ba-rong an, die een vogel voorstelt.

ip ip // s kN. afvallen, van iets kleins, bv. het roofje van een wond, enz, bij beetjes alvallen of uitvallen bv. oan oogharen, zva. rypnyjs ook h(?t oog-vuil dat aan de wimpers hangt, Rh. —(laipni,^ iets kleins als boven aftrekken, afplukken, enz.\\ by stukjes en brokjes van iets eten. — tïiip iu* mv. bij kleine hoeveelheden afnemen. — ap ip tLKHi^s obj. den. 0 rij i7\\ irn^Nafgeplukte stukjes dj}mi/jgt;

o -gt; O \'x x • • ••

ii 11 li li tu/j if i ipip iuys uiterst gierig zijn, gierig zijn met bv. zijn goed uit te leenenj vrekkig.

7 \\p 7 ip.rLi/j\\ KN. zva. ip ipnij doch van grooiere stukken , losgaan , losgetornd, van den naad van een kleedingstuk. — ij ao ij ip tujjs tornen; los-, uit-, aftornen. — ij an 1/ ip ii^i \\ mv.\\ ook zva. ml

ip iu s maar van grootere stukken, en dial. zva.

) quot; -gt; gt;

IJ/ gt;ƒ /1 / .(^1 \\ v. i, ii if iii ilbliji \\ •— li tj li if ii V ^ /. (

lu iojjs wat als boven af- o/uitgenomen of getrokken enz. is.

li 2 ij li 2 tu/j \\ KN. rj (ilt;i2 ij li2 ni/js met den snavel pikken, bijten {of vasthouden, in den snavel houden of nemen. W.). — 7andrjup211^1 \\ mv. — tj upz ij 7 ip2 iujnp elkander pikken; het gepikte; door

pikken veroorzaakte wond. {hu fl ij lit ij i.u tijnnij

.. ■) o \' )

of 1.1 ij l 12 rj Lp 2 ii(i iinjj \\ zva. lt;hii * 1 ij 0.12 ij a^i t vm

(hfi/i\\ Waj. Ir.).

li\\ of (iw li\\ KN. klanknabootsing van een rehah-• snaar, als men die doet trillen ; het gonzend voorbijvliegen bv. van een bij; voorbijsnorren van een pijl. li lis heen en weer gonzend vliegen. — 11 ips regt toe, regt aan, bv. naar huis gaan. ip\\ KN. klanknab. van het klinken van wijnglazen, van een kleine saron, enz. ook zamen klinken met wijnglazen, grondw. van i^ïLn enz.

1^1 \\ 1. zva. (un Lj\\ bv. Lj hi w 2. klanknab. v. h.

geluid v. h. rijststampen, doffer dan niptw nap\\ KN. klanknab. van het geluid van metalen voorwerpen of gebakken aardewerk, zwaarder dan li \\ en zie ben. bij 7 \\p ij a^i \\\\


-ocr page 1239-

lr l 2 \\

/ƒ»/?? kn. klank nab. van an y el aid, zwaarder dan

■tj ips bo. v. ? c»,/ afi j of van een laage

cï) I n n%m\\ als men er op klopt; /.quot;/ ^ y V\'2 N \' (sJ

nriurïi of hi rj rit 1,1 nari kn. spnikcloos of verstomd zijn, bv.\' van verwondering of spijt; vrn.

7j Kl d ij f

11111,o i kn. i:i i hn}i l i hn,;\\ moederziel alleen bv. 1 \' Cu w\'

er(jcns zitten.

ï ) )

x., i j i.n/js KN.; i.i ^ ry i.j /.(y ir^ ^n

W. [I, 353. — ^L^ii n\\ stil zittende een wakend oog houden op.

o o r} n rt t i i • • iquot; quot;gt;

li ii /jn kn. r.i i i hn 11 hti/is klem en lijn, vrg. 11

■ _\' \' CsJ -\'

rgt; .

n I un n \\

I,I lt;!, I^?HIIJ\\ — mipfj inj^l htiji^\'---ifi ij \\ dl

of { iLi(t(in\\ in dien toe-

lt; • J (1)

O

li hui\\ kn. ; \'fji ip ij in rLni^iiiiis zie

O* O

I I Ij hll^t \\N V\'/y. il I Ifl 1,1^ hu /)\\ lit 1.1 \'Yj UU^i II fj \\N

rj üi ij i.irts kn. zva. to f ij i:u maar niet \'zoo

laag, (Tj.) Rh.

gt; ■gt; .norquot;)

li i i n i/j\\ zie iuilyn i i n iq ,

li r:^ ii Ifj • kn. naam van een middelsoort oliescliep-per en, tegelijk nuiat van oliekoopers.

O t quot;) O r i*gt; O tii

i.i i i n i/i kn. ; li li i i ni/j of (Lhyn m njjj^ net verb, nw. van in iPi i?i n.i/j of hi ijn il ili^ \\ uitbotten, ontkiemen, van een bloem of blad knop; ook wel van een tand^ van iets kleins, llh.

(ifj^ jii/js zva ajj/Lj n i/)\\

ifKiij üijuji tp. zva. if.in^tf ani\\ een jong vaneen kaaiman, Rh.* n.ni i.irf i:i.n i/j\\ AS.; ook.zva. ij

ij Li/ij i n njjj\\ maar van kleinere voorwerpen.

gt; )

ij Li2 tj in iu/i\\Kii.) iht tjcyni tj ar.it rufls zva. iei ij rtm

quot;) QvO r ,r

iji ti tLi/jW — i-/ tj iii ij ini rvyiihii freq, K,

17,36.

7 V\'? {i\'N yj l i ? u i \\\\

S . ) . . -. ) - )

1,1 ci \\ of Linrtis kn. i i li t.n of it t,iuiti\\ it

■ Cd \' \' J 1 Cd

\',-rü met de beenen wijd van elkaar staan, zitten of liggen.

vi i i ^ zie w

j9lt;\'\'gt; r \' «,0 1 O

[■it-i\\ of Limit gt; kn.; i i li li of LiLiattts een Cd \' \' \' Cd

stijf gespannen .toestand j Jig. strakheid, ernst van

het gelaat.

stand zijn , fig. een strak, ernstig gezigt zetten; ook aanhoudend, dringend bv. verzoeken, Tj. vast, stellig van een geruchty Tj.

li li of i/ia/n \\ kn. het klinken van iets, vjaarop

\' Cd

nwn fikt, om bv. aan de helderheid van toon de echtheid te herkennen, {l\'i Ln klagend geluid; jammeren, weeklagen, AVW ). — uncivil \\ klein en smal van figuur, dun van middel, WW. iui

CK O* * O Ov O.. O. r O \'

/.i li \\ of iU t/ryn \' t li li\\ oj iEj! ip (i^h \\ ook iithyns bv. door een stijf aangetrokken buikbandy goed om het lijf of de beenen gespannen of sluitend van kleéren, of van den persoon met zulke sluitende kleêren, verder zva. iUKutt a

I (quot;I KN * \'■/\'y 0f \' / (\'\'/ (\'c 01)\'

geblazen, opgezwollen, opgebolde enz. toestand van iets. — l.1 i^ tf\'i of f t Lj (iui \\ in dien toestand zijn.

ij VI tj l/l of tj lp t( \'tm \\ kn. j 1. UljKltjLl OJ il.ltj tj hi tflt;ini\\ een stout, trotseh voorkomen, een moedige houding. — ij i:i tj li of ik-i tji,irj(ri\'n\\ dio

houding hebben, zich in postuur (schrap) zetten,

. * » . een moedige houding aannemen, manhaftig staan.

n ipn Lir:iiKijj\\ het praten of kakelen vaneen

vrouw; een kinderspel met s aw o-pitten, G. {volg.

llh, lt;rj \'Ui2 n itj A/? \\) zie (Yti tj li \\\\ 2. naam van een

gebak van katjang tjina met suiker , Kh.

- . . ) .

tj Lis tj t.12 of tj 1,12 tjytj 2 \\ kn. zva. l.tlljaillllDuij

ij ü2 ij li?^cmiLitfls een soort van zware bellen.

t j li 2 ij li 2 tj drn 2 tj-~h2\\ naam vaneen tooneelstuk

voor de Wajang, G. — i tt rj 112 tj ip 2 tj cr^n 2 \\

bijn van de b ang 0. hji gt;j tn 2 tjnni 2 \\ naam van

een soort van bhicjê, een ketoek gelijk, die afs

een rj rit 2 gehangen en bij de rn ti^i aa rnn ij

\' rjiimn/j^ of tj igt;n 2 tj ut i rj 2 tjquot;ti tnyj\\ gebruikt

wordt.

itj 0f ,quot;\'N ats aanvangs- of sluitletter, l.Kw.^iY^. l \'n n hetzij als betrekkelijk voornaamwoord of als bepalend lidwoord? B. J. kw. Krit. Ill, 5; .i?i it

.11 riftii 1.1 ii 11111 LII x \\ X V , 10—12; IJ LI t\'n(fQ

r.\' O l l

iini^ns XLIV, 10—17; \' j ti nt\'ti ~ti in 1:1 (r.^\\ Vrg.


-ocr page 1240-

1118

T

C

So end. r.i n n i,ii\\ ii tu ; i enz.

II. zva. in\\ in knv. vi\\ » » meest vóór klin

kers of half klinkers, ins. in \'plaatsnamen, als n

o n c

11\\ i ru) enz. L. S.

* ï * n o o o ■gt;

/ »\\ K W. / /.iv Lr. .17/ r/\\ » ; l i ~ J /I J;i w

ry I

o n ^

\\ KW. T) rj i. ti ^i\\ (x.

r;»,mk\\v. ui i.j iU) i n \\ verzocht, gebeden. G.

kn. of i n rn{ yrondw. van i.M ; »\\ i

^ n o __o

of (in i 111 \'ii--n i i tj i ) j iun n\\

7 \' »j n kw. iu i i\\ g. nmtjKif of ij in / i j

i/o \\ zie ben.

i i ID \\ KW. .tt// L\'/» (mji \\

tr-j i/rji j \\ zie hij ajr^xjj^ 2.

o * o

ii in k t ij oj ii rj d/n iiiiji KW. zva. .uiiini/j noAJif w

kn. liet wczcniiyke, het wan;, het bekende, wat zich heeft geopenbaard en doen kennen; verwezent-lijking {Jr. xcgt; \'^nk , substantie). — i i i n i.i \\ 11 tj i n iij iels venvezentlijken, vervullen , öq. een belofte.

t n ,, . O

i 11 ii t.j \\ of i i /ƒ i ji uj \\ zie rt un im/i gt;

O O . )

i i \' i \' j tie itjrrj sw

i.\'i i ii L.i/j zie ! wi wjj n

p \'• Cl

i i iv iisnjj\\ zie i. ii i.i) ihiij^s

) ■gt;

/ ici i. n/j

quot;l

i i vn amijs knv. zva. nn 11 ^ o , ) O O ...

v.ii zva. f.i i.i i\'ii\\ WW.

i \'ll ivijj i n J zie (ur^ an j\\

i i rj i n). ihiiq zie h ii ij i ii ? ihii/i

O . .

i i ij un è ijj rj zie n/n irlt; II; i

,?lt; in.

1 II l il 2 / I I

) .

zie ii nih^),

) gt;

ut ij :im\\ kw. zva i. y i i .ui v\\

) O

in if hj \\ zie i,ii ij ij \\

ij i ii ij iji\\ in de spreektaal zva. u ijum ij ijzw o

ij r.} ij lij ^.ii \\ zie ij ui ij ij {%\\

i i nj nn/js zie. i. ii tig injj^

i 1 ijj ij zie i.n hj\\ dikwijls zonder bepaald voonverp, doeltreffen, raken, 13. J. -XXNMIl, 10, 2, enz.— imuoiij(injj\\ dooi* iets getroffen, overwonnen, öo. door list (B. S. 454: ihn S, n iai ihi J?iV; ij f.i ^ j mi); ook in iets getroffen, d.i. van iets beroofd? B. J.

V | \\/ 1 O O • \'quot;i (■\') )

AlV, Iti, /1 nu iiHiHj. fjan nsiiw — \' \'iJJ \'•»\'

\'ifi/jn toestaan, B. J. XXX, 8, 2, C. S.

quot;) 1 . ) ^ O

i i ij i j i j \\ zie i\'ii ij ijj en .i n ujv

17/ ?,j n K N. op iets bedacht zijn, G.— ,ti ijj\'yi vn m/j

(171 hj /. // ,\'// hj tj l, n zie ,1/11 hj

t i /.y i, ii .y// ij mi \\ zie in itn w

0 • L )

1 / hj i, ii -jti rj i, ii \\ zie I, ii ij w

) C) )\' ) o ■)

ij i,j i,ii jy^ ij i\'ii/j* ij. hj i,ii ■ r^ ijj uiis zie

i ii ij iinvinjj ^ zie bij i,iiij\\ BV.

) ;/) . ^ . ) )

n ij i)jj\\ zie ti ii ij i ijj\\

o • quot;gt;

/.ƒ rj ij /?/ ^v kw. zva. tuy i iKUiw

tiuj /li/jn kn. vlug gaan, zonder oni te zien, yew.

van een vrouw, WW.; voly. Kh. yew. r;/»//i

(lt;/

zva. 7-7 in,n n\\ PJ.

rur

IJ n IJ Ij 11 IJ)

I J 77 I J\\

-gt;0 o o n . .

/ ƒ/y /1//y\\ kw. zva. ii/nnin i //.//\\ iemand\' voorgaan,

voorkomen, m\'/ eerder te doen (bv. in \'t sjiel,

den eersten worp doen, li. S. 374, (\'. S.).

Hij iji zie mnjijiw

i . \' . ct .

I I ij\' zie I,II\'j^

ij ij 7 7 :inj)\\ zie i ii izyin/js

y 1 . quot;

i i mi \\ ^^6\' /.»/ / /// v\\

t f r f

o . o

/ / i:iti \\ zie /.//////\\N

^ C f t Oè

r / ? /ƒ /:/»/,? \\ ij mi z ij i./// ^ w

/ . /

rii ni\\ zie vn i in w

( gt;1 67,

/// /// MN of i:iij) ri\\ iemand vriendelijk oj beleeld

nitnoodigen, G. {alles wellicht ontstaan door mis-

vat tiny van den lijd. vorm Sn v.i i^nnnojjs als loare

V van / n /o» ? (J. S.). F/y. i.iiji n ij\\ bij mn*

zie ook bi} i n ini w J (h

7 \\ Grauim. § 2i(J » ; in naamwoorden ah j f) tjj\\ kvv. ui ujtjw {verk. u. iijj . (i.

) \\

\'17» l i),

) ) ^ / Qv ) O..

; KW. v.; v //y \\ (i. (vu r:i t j zzn » /»da n / ,uij\\


1

i ii/rj tri \\ zie hui/i^ni,

; jf of i o | r KW. zva. (Lnlt;fp alleen, slechts,B. •J. kw. Kril. TiVI, 5: rfj^ ijmm /f) u?i\\ slechts | een bediende. /quot;Vy. nn rï rï\\ C. S.

ij xif (j rond ie. van arj nj injj \\ i/n i:^ m ij laj en ! ijl üj my {zie tni^inyi)\\\\ (ir^v^ia^ ook zva. owi-stellen, bv. van iemand die door een pijl getroffen j wordt, 15. J. XIII, ] 2, 3. — .t i r;^ » ƒ m ook blij - . de verrukking, B. J. UVIII, 15, 9, bij aankomst in den hemel, en blijde verrassing, liS. 45 j — i i yi !iii j\\ van verschillende aandoeninyen, B. J. kw. Kril. XLV1, 19—23; XLVMI, 19, 0. S ).

ij *\' \'^N \' quot; 7 \'\' \'?n//N zie iXm 7i::u quot;\' I

zie uti rj i 11inji\\

-ocr page 1241-

1149

i ■ a « tin n\\

fl

,\'■gt; o s fy\' ■ O\' O • . ... O\'

i nmn quot;gt; ) ö/ iVi rin (i/ii i~£n ni\\ zie bij n/niiiiw

ridwvf w^ zie frfihmijirmw

c) cy . o (TV ■-» C X

-i i i»/»• n igt; ï. w n \'L quot; *\'jn en u n i:m w

\' (i lt; ( h lt;-l-

a . o

nj i i? i ngt; ihii -ju r:m (ünjf \\ zie r.in tenjj\\

(i;nin t i/j\\ zie n/n 17m KIfj\\ i:n:iniKi ^\'n 1 in t )/j\\ zva. \'\' \'^y

Lii:iniuni.ni\\ do regte rioting aaugevou, van de

(Jh Oh-

liyginy eener ver verwijderde plaats, Rh.

■•■(VU\'W ~ie \'-mw

1 1 uji \\ zie un tTtnw Wanyamp;allan : mi \' m // (i\':i rj *.112 \'ïjtbigt; d ru ^ tui (H\' als \'t ware de sleutel van eene

llesch , d. i. de kurk: asrj isti uifj■■ (gt;. S.

D . . .

ii:i i:nix zie itiii.inw

01 c Ot ■

1 111 r.iri gt; zie hu 11 r hi w

\' 01\' 1 (Jh

o . . o .

r.ii.ms zie (hu i jnw

Oh Oh

ili i:in\\ zie hiirm \\ BV\'.

(i a h ( h

i:ii.in i:i\\ zie htrnnw ui n gt;gt;i\\ werktuiu; om mee te (h (t. (i ^ 0

spannen. Wang sail an: ui 1 1 i:in ri iuih 11^ h Ihj \\ C. S.

rj jm KW. regenwolk, G. Blijkbaar eene lt;jlosse, up H. J. LX[II, 2, 1, volgens de lezing van sommige handschriften: n n ?ï(hi 1 ï \\ voor 1 n 1] ih] 1:ƒ /y •

van (h^^ heuvel.

;■)/- \' o . o /

it ,7 \\ zie (hn tin w

kin zva, iuiiüi\\ G.

cy o o-

/ƒ lt; »w \\ kw. ,i 1. / w

1 o n . ■)

7\'\' r»VN 7 \'\' \' \'»V\'\'r\' (gt;ni\\ zw 7 K1\' \'yx quot;/n ) \' ;•) \' \'

lt;*»y ^m en ninnj^\\

O . O

\' \' \'W \'\'quot;N k»; »/7 iru/j

)) . )\'fS

\' \'V 7 quot;N ^ !*lt; n (Hl\'U I/js quot;\' WfiJJIN \'- »/ • M w

verk. van dji dn ij rpi ati/j zie nm i?i\\\\ \'

rgt; O . ei

zie himiw

^ . rgt; o

\' \' Zie quot; 7\' \'\' ^ ^

quot;V\'^\' quot;quot; tVNN

o /

quot;Tlj^vKW. fi/n Ij ! nilll/l^

7\'quot;71??v KN- ^011 K^\'oad gelijk innken, door water

afspoelen, G ; ij im ^ ^)f\\ liV. 0 • lt;-»

\'tV n \'iN zie 1:1 iisn -71 gt; w

\' \' \'t ai ,nJJ}s zva\' l:) ^ G. en (im fin \\

\'I \' KN. tekortsehieten , o niel. bijlialen, G.;

: Y (Cl? ^ 1471^ ? »ƒ /, 11 ? in 1 u/j\\

7 \' iV7-7 */ \'• quot; ^6\' Ij hn (ffl l-Jl/j \\

7 \'\'^ IV Vj\'^ n 2ilt;? \'} 1^1 mjjjj\\

\'■/ \'«V quot;:,y/NKW\' iemands gezag niet erkennen, in opstand komen, G. {Lees fy » »*//\'^ zie bij f 7 |.7\\ naam. van een herijk G.

OO rt : ) ) o . , . ...

aj)m(M~yt.\\ zva. a:i mi ai ^-,1 gt; inkrimpen, kleiner worden vair omvang, v/y. (i hi.h ki^ BV. cn 1.11 i,j

7.y hj, gt; 1\\ schrijffout of dial voor i:i in i. 1 J?i ? H.

\' S quot; .

(l:i n 1 /J \\ zie ihti 1,1 n iq s

) \' 7

7 7 lt;ƒ//lt;» .L/Ï^X «KW. zva. {7 Y V./ / .N

\'i:i iinjii2\\ zie .hu iicnmw \' ui \' (xl

o

i:i(riii\\ zie mi ui n en i.i)(rin\\\'

v CO v r (1 (ai

vj(iTi t(rrn zie tj 1,112 nu 2. {6\'kr. k/1 an dhool\'dstuk, at\'deeling van een boek). .

C)

17 nrn hq\\ zie itci in \\\\

(J V\' (J

o . ,

171 m 11 hj\\ zie ij 1/112 nn en ifthmtain 2.

i:i nn^r}\\ zie hinini n\\\\

Ut

)

Kiij nn rj nj \\ zie im ijcrin ij h jw

\' quot;) * . ( quot;)

n-dinij i^ kiijI zie i.iKnn i^ hnq*

o

11 erf 11 »»{bijjj \\ KW. zva. (L/nanrn ihn 1 1 ij ij (hjji u n v:iri pj \\ van (joden die op aarde verschijnen, 15. J. LXIX, 27, 3; kw. Krit. XXVIII, 8—!); I.XIV, (ij LXIX. 32, C. S

, r.i nn mi ^ii li 1,11 \\ zie iimh 2niii 2.

/■\'

I I ij nn2 i,ii ^ ini nu (zie i.n 1111112 )\\ i \' rv \' \' r.\'

0 ^ . /

7.7 lt;rr^ /. n N\\

oA n )

1 1 nn 1,1111 hii\\ zie 11 iidin liiri en liii nn 1,111 \\

CxJ quot;K \' UI \' ( 1 \'

quot;T quot;quot; . ^)

(KKnn ihii/j\\ zie im nii iisn/js

1 d\'ii 111,11 \\ zie 1,11 erin 1

^ s 1(1111 ..

(I\' \'

quot;\'hp

) 7 . quot;) ;7

f /(»;/lt; /1 /. utinin n 1*

(J (,

07. o

?.) mi it^i\\ zie \'ij i n?/.» n i/j^

1 liiin ri KN. bedaren van (oom, (i.

. r. \'

) ) . . ■» )

i inni/ni2\\ zie i,ii\'ini 11 11.12^

(i \' (i\' \'

1 Knneen dikken buik hebben. * i.7 7»n hiiiiinw

co w

) .•) . ^

1 1 nn\\ zie liihimw

(O U\'

yihn\'n\\ kw. oj) het water voortgedreven worden. G. — yniafn 11 ij hiis zie if himins en BV.

o . 7

» 7 1 in . zie 1, ii 1.111 w

c-gt;

i\'i 1111 ■ 11 \\ zie kii 1.111 n 2.

O ^ o . )

1:1 If (Kjjj^iUII \\ Zie h11lflijJI?\\\\

n

if i i2iflt;nj/jisii\'ii\\ van if u 112 if lij j?zie if 1.11 ? if tf • » 1 f w


-ocr page 1242-

1150

m KN. zich onbeleefd voor iemaiul plauisen , G.

— i i jiji n meê^eveu, door buigzaamheid; llh.

cgt;\' rgt; . cv

(Ly ihjjj iiyrj ihgjj \\ zie (utj nj/j • JJ V.

ujjj n KN. beschuldigen, G.

7 \' \' in\' \'/

i ^ \'iïj.\'l (uijjquot;\' KN. ten einde brengen, volbrengen, G. i iini\\ zie i}lt;n(rm\\ h ij inim ^ betreleid , J. XVII,

cd cu a cd 0

20, 5 j iHti tHjnnfajn bij de hand geleid, B. J. V, 1, 8, C. S.

innnr KW. I. nabootsen, nadoen, O. schrijffout voor o ..

r iajn r zm n i:)np) w Cd 1 Cd

IE. zeer, uitermate. zeer dapper, G.

(iKnnMiin zich krachtig inspannen of te weer

stellen? li. J. kw. XXXV l[,7—KijXLIV,

]3 --14; li IX , 2; vrr/, C, S.

itii:ii(rn)\\ zie )i nu ^nn gt; liV.

\' (d 1 fd

i i mj vny ijs kw. /.iel» haasten, G. kn. zva.

7.77 \'l\'j \\ WW.

^ ii

zie i i un\\ II.

) k . ; o/\' „ -gt; y ... o /

i.» »//#\\ zie n/n nn en ir/w / ra. iii nns on a iiii/nw

fa f . \\ t •\' /„• /- f

6.

r.J

(£} ut \\ zie inn it \\ BV

o/\' . i-

» / flJ» \\ /. i ) \\N

) / . /

i i ij m\\ zie ij i i è \\n .

».ƒ/»• T. KN. zich onzigtbaar maken, verbergen, (i.

cv

zie di y i i w

11. kw. murmureren. G.

7 /? 7 i M i s zie ij igt; ii f 7 jj» i \\\\

r.i.i rn^ \'poël. verk. van mui m(u]\\ zie bij ijim w

vrg. (i.i riim w

o . o

\'Mn i.y urnw •»

i ; /o) ni ujs zie i i nw

y o . quot; z\'

»7) 7 \'quot;» » \\ /. /; 7.11 N\\

0 o- -» . ) )

1 i tui ri \\ hu r iw

(quot;) / o . /quot;

\' m \\ zie oji\'

i j n\\ zie ajh w

l ji \'0i • (hij \'-y^)

)

zie lin^atnijis

: ) .O

\' \' \'/ l yi.n/j zie nn ij i^hiijjs quot;gt;

xnrj yi^g ^ vjihïijj\\

O o o . \'i o

i:i i i.yiji M/J Zie iri i i^i p

) \'quot;) _ quot;) ) •

\' 7 / / M/ y - ^»i 7JI /. 0^\\


HTjiyrj (üh/js zie rn ij nn ihn p

) quot; . O

t l rjy tj i ijj \\ zie mi ij

i:iirm n.i^ zie hij wihj ili/j vrg. ti i/j\\

t . o

(i.i iin,tu/}\\ zie n.nrim ili,i\\

Cd \' Cd \'

) c) ., ■ ) »

ii:i yn tLijs zie iinlt;ynnip

) o • o \'

i ietui iLi/j zie /.n rjn n.i/)\\

(d -\'

Cf -gt;

im

C d

Cd

riajn tujis zie liii yijtLifj

zie y uuf ij y \'f gt; n i j\\

i i ijn ili\\ zie inngt;iin 11 i.iw hu hnoni n i/}s ook zva. Cd \'K Cd 1 Cd J{

nn hnyti iujj\\ B. J. G, K/\'it. LVIIE, 8; en zoo

zent men ook ii i,m tin n i nh u in voor aanhan-l/ 1 Cd Cd -J\'

gen, overal volgen, enz. Vrg. \'7 ^tm iujj enz. C. S.

BV.

(.0 . iPf

i i im\\ KN. zie ./(nlt;nn \\ (d (d

quot;\'VT

r i ii oin i \\ zie uu n nrn i nn

,\'r . Oc^\'J \'

(i7ï(Tgt;/i\\ zie i.n iinw

Cd Cd

\'i vi quot;i\'r *va- vvy

7 zie t) nn w

•) CO

1 i nn i ii mi \\

(d . Cd

n ■ r : ■) . ■) - . )

in 7 /0)2 o/ in 7 iijyi ^ zie nu 7jj»?gt; q/ i. u ij ij^? sw

) T ) .O . ^

i i ij iji? ^in \\ van nn iji n zie Lii i(j\\ ook mv. v. )

iniij)?^ zie o ij hnrfiitjw

o . r»

rjl IJilJ) :h{J\\ Zie )lt;))70)N\\

^v,j}s sie \'\'YT

O 0- • O C-)

/ I IJ) I l\\ Zie Hll 1J) 7 :)\\\\

Cd

»7. »r^\\

O O . Ct Cl

r.t tji i,tyi\\ zie i,iii i hn/j\\

7 I:;I 7 / » /.»»^ 7 /i 7ui )v)) ƒ)

ij imu) hii/js zie ijkih iji ihijjs

rj r n rj oo) 2 i.iij\' zie tj ini2ij m mii ij \\

o

i i ij 70) \'• )ƒ n ini rjdj) igt;ii,j\\ zie mi ij i/n ti.njjs o o . n

)^ / i ni i,j\\

) o

Zie 7. // / » .70) N\\

iriiL^/j KN. verdringen, verstooten. G.

, )

l :i(hJ) (UIJf\\ Zie DJI (UljJ v ^

) 7 iL/ï /J \\

i ]ij l i? aji S]\\ zich op de plaats van ander nederzetten, (i., lt;rj.tj)2(Lnji\\

) • ■)

).) )0)^ 7 /ƒ ) )) \\ *2/? )^ / ) iFJI J

\' la-Ji f ijf i.y of i i rj in d ijjn.^i \\ zie i,ii(}^ (t^i/ju :n\\enz.

BV.

r.)7 / /7 n mh ï.-) tis nl. rood, ilt; n i\'J ri s HJ.

co co co

XX, 23, 5.

quot;) . ) lO • UO

».) i i ii i2\\ zva, i i f i^ zie hu } i\\\\

«co co co

D (7v^ 7\'.)^ N ).)) (hJji ) .y \\\\

/;) )0) N 7(7) 7 j) w

O O ^

»7 kw. zva. tuiiamp;i(m/js (t.

/. // / » /.

» / 70» /. M

j 77)\\ kw. ^rt. (rhcrr^\\ a^i nn ■ n\\ iemand lastig vallen, G.

I Cl\' UI\' , ,

rt.T)\\ kw. (uiym n uifjs het gevest van (M

kris, G.

CK

r. ) 7 ) 7 7 -) \\ zie 70) (ui n en i n

(!(JU


-ocr page 1243-

■ [VW

JI5I

*T

it IN K\\v. liever willen; pry. ■uiia.p Gew. inj ? .to^.u „„j,-, k\\v. imperatief af gerundium V li. .1. Krit. I / IX.

s—11, c, s

n x.t of vnijvt\' *i» •7«.»» II. — vfKt-tf n\\ zie he-

nellen, tui/\'.iminiji zie hoven en ijirjntj 11 gt;1

.... /

zie bij y 11 y 1 iw

,1:1-\') Mi n II.

1,1 i|\\

^ ii\\ i. \'lquot;) i/\'tiw

ii. km. iemand in liet midden laten gmugt;, links

eu regts naast iemand gaan. G. vnj. t n 11\'; 1.n )j

u i i\\ ~va. i\'M m 1 ü 1.11 lt;] \\ zie bij i n 1 ii w I co

III. zie uii i/ tiw

L . O

I i ij n\\ zie \'nu ijiiw

O • Cl

zie w-nw

O • ^

ij ui\' 11 \\ zie ij un T) w

m iv»\'ïj n\\ zie vf tm tj 11 \\\\

i j -tim ;ci gt; tun ij u n gt; u tl ^ nn

f.r »7 j\\ // n ^ \\ ooX* . in gt; gt; ^ un n q \\\\

o

i^\'rt?ii/n \\ zie i. iyn f\\\\

o

17JIHH\'DfW O

II gt; im \\ zie (un ^ ^ w

000.00 ,

i ) n^nni\\ zie nn o j % w

kn. (t;/\'/. uim KihuLii^ G.) verslimmereu, erger worden, van het lijden, door ziekte hartzeer , honger en dorst t enz., lis. WP.

r.jj Xj! naji \\ tiji tm^

1 :i ij 11 lij {zie tun •gt;) ii)a rnrj niia {zie thii if \'yid)\\\\

l \'Jf Vj ?s z^e 7 t

o . o

».» rm zie h h rni n i/j\\

ilruy ipri «ïV 7f hi^i 1:111 n i j\\

zie

o . O \' :\'Èquot;r,27N ^ \'n %, (ïnJls

\' geen gevftiir ontzien , onbeschroomd, G.

0/ Hti/j uy .in it it if gt;

\'fiV \'1J) ?N ^ \'lt;7j 7\'?NN • \' quot; 7\' ^ ^ nn

imijjs zie ij ini^ ij QJ) h u\\

i] \'J* 7 ? quot; quot;//N zi-6 7 ? 7 \' »i i\'ii/f

(JJ^^\\ I. Kw. vau koude bibberen, G.

li. CiW. (l.^jiJ^W

\\ nnij^w

.1 f U iljl \\ of (1.71 (ly| (ƒ.) ^ ï \\ (IJl (U) \\\\

s •\' S s

r^m i i inp zie gt; i il m^w ook onafhankelijk van af ~

stand, welluidend ruischen? ii.J. LXH , 7, !;.lt;// dTW ^ aju ty,yniri (IOJI\\ (\'. »S.

) o

»

C. S.

(O ^ /j zie uh n u ii/js :i/i dji i\'ii/j \'Kw. maken , vervaardigen, G.

. i r n ilt;mj v .1 //] 1 gt; 1,11/j waaruit zich des noods laat verklaren het gehruikin J5. J. L } N , Krit. X, 2—3, XXVIII , 11 ; waarschijnlijk echter uit het aldaar door iïi%ii liiiji verklaarde kv.gno. i,^i,ii/j\\ quot;kw. geraas; 111 1^1,11/j of ti^i^hn/j geraas maken, öu. van den donder, krijgsgeschrei, gejubel , enz., even als elders (XX X VIM, 1) rï 1 n iuiè i.i \\

mede vkl. 11 n h nj Vrg. 1 rnaihp (gt;. S.

) :quot;)

.1 ;i (Ui h lijf zte /. u oji h 11/j \\

c ) o . quot;) O ) ■)

(ui\'ti uiij\\ zte (ijyitiihiij] en (hir n nnjj\\

O quot; • i quot;gt;

(rntl\'iii ilt;iijf\\ zie \'hu Tj\' 111 h 11 /J\\

ij 11 ij n iiii/j\\ zie ifii 11 ij n hnjj en ij 1,11 if nun/j

ij an2ij\'n Kii/js zie ij nut ij ii liiijjs

rj .171 i lym un j\\ KN. snorken , ronken. ij 11 nj n? hii

{zie ij hm tj a 2 KHjj),

^rnhviiU n i/jsKX. ineengekronkeld, (J.

1.11 iia /j\\ zie ihi^ u 11 na ij \\

\'3 \' \'h \'gt;1 laiiici^

0 0 . o o

[(v^uiiiLaji\\ zie 11 iLajj\\

zie

{(L^ if un i Lnjf \\ iie 1^ if kii 2 ihii,jn

00 .00

(ii^ un (bn/j\\ zie [iio^i.n mn/js

(it-; (Vi un iifii ij Kn \\ zie niii,ni^ii^\\

7/(vyr} hn kijj^ zie if ni^ij 1.111.1 j\\

rfuc^iij(un2zie 7[Mni if i\'n2 iJi/j\\

{ii^hn 11 Uji\\ zie laym n i/j\\

gt; ) • . )

in h 111 u/jn zie i.iriiii in

00 .00

un 1 ti jlt; hn^nn nu js

rf hn 11 i/f zie ifyhiyjmn 11 i j\' *

1.7 *11^ nji/js KN. met de hand iets bij elkander brengen ,

zamensehuiven, samenpakken, zamenvoegen : vrg.

h)i ,nl ^ en UTjxrnjjs zie i,y i o

^ yn ,1777 \\ ^26\' /.»/ I vrj/y \\

unans zie ojioaw Vrg. un lci 2.

rquot;) .0

17 .17» (1X1 ^ \\ .076? /.»/ rt-\'/ UI /j \\

O . )

lt;1.7 ^ /j zie n n ^

O

/ v» Uil

IJ I nrf-ruuis zie ij 1.11\' ij gt;11.1 j\\


-ocr page 1244-

, V

115^ tj i » ij -ni ia tfnn\\

1 i:yui 101 /js zie (iim (Ui uni/j \\

ir^iLn/j uf h hi n^ihn/j Kw.yf/rw. i vl\'l. \'•/ (UiL t,

huw tj mif n i/j\\ stroc£, met moeite 0/tcgcuziu ,

sch.orvootend»? 13. J. LI , 5, 7; kw. KrU. aid. en

XLV, 4—5, C.\' S. — it) (Ui (bn;,\\ zie 1,11 \\i iLiiys ■)

^ (t,n^\\ zie ^tyhinj cn \\.n i

ie/ quot;ti asnij^ zva. r.rn fio^\\ (tm n .ici/p

I t ij gt;)zie nn ij-nihii/js

\' y A . o

an \'i n v ,1 /1 w

quot;)

II 11,111 j zie i.ii ri 111 j\\

) ^ (1 iiil ir/iiii,j\\ zie ut 1111 ilia iij^\\

gt;0 $ n . a o ,

lining zva. rm lujj\\ zie urn naxi/js een ander

... o o

zie bij \\m ■ * 1 nsiyi\\

fi^ ij ii:^ zie iij)j n^(Vgt;njj\\

iKj n tf hu thj\\ k N zva. lj, \'11*1 fói nj \\ zie 1. ij n jfy (liet

oog op ie/s houden, bewaken, beschermen, (t.).

a

zie iinrij ^ii/j\\

(j^l isr^ miji zie ^hii tTij cin,j\\

ij 1 yi .bn on js zie tj lt;ilt;ii^ gt;1 i n r.i 1jj\\

ij tj(i.i2\\ zie ifii.iytjti iiw

n i ii i/)s zie (Ui \'i. 1

quot;) o . O o

rrni.i^ zie nn gt;i 1.iq\\ r:» tui liiijj \\ ca\'ö\'. lyfi.iLiijs zie (i/i (Li ^,1 i.ii/j en n

(ui Lu J hij iUiiULii j

0 o . . .0 V iyui Liijj\\ zie l^j\'Ui Lii ^\\

/ƒ I L2 Ij\'UI 2 Lil/l\\ zie lj Liy Ij (Uli L II fjS

(ui(uiii(iijj\\ zie (ui iu HHjjV Vry. r:^ (ui liij^

i.iyui ui\' u lj li ^ii :in/i\\ KW. j)lni 1 (A 10 e n - aio e 11)

voor het paleis van H a ta r a - (i o (; r ou. (J

o . quot;)

\'Uyi lUl j Zie •!, Uj \'.IJl L I/) \\

Tl o . \' O

1 1 ui iui ^ 1 v zie (L11 ui (ui i \\

S s w\'(

;

1 yui ^1 ij du zie l iuu (Uiji

O

ij ty rj ui uli Lj \\ zie rj (Uil/ rj aji injj gt;

r.uujjj LiTjj\\ zie KiHU^(UJJjlUri^ \'

U^XK LUjs - r.LU^LIUj\\ zie (UllU\\ !Kri/j\\ \'

1 n 1 quot;)

1 n x d n fj zie 1,1^ l lt; un j

1 yMj \'•quot; 1 ^ zie \'■quot;//-

uyAJjLii/js kn. verwikkelen, verwringen. G.

Ij ryij IU2 L ll/j^ Zie Ij Ll^i tj LUI LU lj\\

t -gt; . o quot;gt; o o 1quot;) . ■gt; * • ■ n o

y;uiiui/j\\ zie Lii gt; t ui j \\ 11 11 fol .11 n ri/js zie in n

1 ^ i 1 uijj\\ zie l^ ui ini/j\\

uyuiuj \\ KW. verliefd op iemand zijn, G.


\'Kj \' 11 I l/j \\ Zie h Ij 11 fMfi \\

O . O .

(Lj, iii.izie 1(1111(1.1^

vj 1 n n(iJijjs zie bij l/ii Ddi/js

ij 1 1 ij ii:Kijj\\ zie tj(mily n Li/j\\ P\'t\'O- \'/ \'/ ^

ij ,i7» i n (Mji \\ zie rj it 111 1) (ijïji \\

s . s *

it^i i(in\\ zie (un iHdnw

\'Ui.7,1 -,1 \\ zva. rui, 11.. 1 w zie bij :uin . 1 w tJ iJ s n

\'i j ui (in \\ zie (irt li^

(!3 ^ \' ^NN

UIIWÏI/IS Li-j \' * \' quot;j/ quot;ié Lij J.» 1,11/j\\

a ■ 1 n

[J / ui KIJJI Zie bij l,lj 1 I Lll/j\\

I/ uyi t l inyi zie ij Li^tj VI i, ii/j\\

*1 [:uy uii(njf\\ zie ij 1,112 ui liij\\

o

7 \':y 7 \'\'1\'»//N V 7 \' gt;l

ly iiun/j zie \'luuuhir/j en m^niienyjs ^1^11/}\' zie ^\'m ^i p

^ fi \' \'\' \'1 ; / N \' o . Cl

ui/ui 1 u zie Lii 1 11 i\\\\

0 6J O r«j

a.. . a.

/1 \\ zie 11 \\n

anm(tui/j- zie (vu ti in/j\\

^u^ 11 \\ zie n i jw

( ~) . )

1 1 K»; iiiuiij\\ ui i) iui }, 11 -Jii LH lt;ifgt;/j\\ zie Liyii\\ en niji

II 1 -Lrl\\ Zie Lil { I LI

^ui UI iLjp zie, lj f i 1 Lijj \\

ij i?y iui - 1 of r.j ij \'li 2 ui ~ 1 zie ij n 2 ui . 1 w

-)-■gt;. o

UI I I ^1 \'UIjj oj I 1 UI , I Uil/J Zie 11 f I \' (li!Ij \\

quot;) . rquot;)

I I li I . 1 11 1/1 zie Lil lt;ui -1II l;l

i3

7j vyrj ui ^li lujjs zie gt;j ^,iy ij •\' 1 ~ 12 11 i/j^

, ) • O

Hiei ^i ivj \\ zie (mi s j -1 ij

1*3quot;èr ** \'■yèt

ij (u.iij \'f 1 Ji2\\ zie ij 11 ij ! 1 Si?\\n

II nii ij lii zie li\'n i) ui/j\\

BV.

11 »1 \\ zie 1. n \' u?

Vcc) ten\'

ui f uli] kw. verwoesten, verdelgtm , G ; lees 11111 Jgt;ca \' J

flv/j ? zie gt;\' 111 ui \\\\

i^iLi KW. raadplegen, overleggen, G.

ui uii kn. zie (ui f\'i iw (egt;l

1 1 f 1 (uli \\ zie ui 1 ruLi w s cq I ^ c q, I)

^l/c\'y soor* van boete {lapa): vohj. som.m. /.irli op

liet water laten drijven, quot;W. P. 400; vrg. lii »»/»

zie kh uiw co

ij 1 y in j oj iiif nt ni/j^ zie ij n? m/j

S ... Ou / -1. .

1 uiii\\ poel. zul (I.111 h m : ~ 1 11 nj kiw

xy\\a

r*


-ocr page 1245-

\' \' *)s

J15;i

i.i tiyi xiti mi1 n

■) n • : ) c)

(f,/ u »n^N hn n(rn/j\\

) o • )

i.i ri \'iiij\\ zva, tl ilt;n/j\\ zie uu yy^ij^s

rhj mcrn/j^ I. zva. tj ziv ij nt tn/jw 2.zva.

) . )

!»;gt; 2 //7?/ƒ \\ /- ii ij *12 ii n j\\

Ij m Ij n ori/1 * zie ij hu lt;rj ^ t crnjj \\

rj tui 2 rj\' m nrn/i zie ijum ij gt;i2anjf\\

i rj ui iin\\ zie \\4jy}n(icijj\\

ij ii ij cniriuji^ den gek spelen, gekheid maken, G. welligt freq. van ij ti rjom iuj^\\ — ij .• nj nu luns zie bij ijnjnrjmu nj^ telkens met het ueh-terste regts en links draaijen, lili.

ij i^i rj crii ■iujj\\ zie tjannrjcrn (HjIji\\

monms k\\v. een vrouw geweld aandoen, G.

O

i rn in ii cni (

o O

zie torricrti/is

n

i i ninj^ i. kw.j i i n^urt)ii:)^p vkl. \'•,l ^^i\\ I?. J. kw. Krit. LIV, 10, C. S.

ii- of nnjjs jr. t ^ kn. Arabisch, ó-b» im~gt;rn6^irnnrriju Arahisehe.letter, y /3»/ i.inr.n^ Arabier.

0 s () )

(LiMam/j oj it/i(ui Lrri^p zva. 11 hji iui/j zie aj^njijiw Vrg.

cl \' w \'

hjtl iu i:ii j\'

s . /■

l\' quot; \'- j v\'\'quot;n \'\' \'hr:quot; /

UWquot;!* (*** ooi4 mi ƒ ■ li. ,1

Tj , N , hri/. a\\ 1 V , 5—i\'). \'\'uhj gt;ƒ / y i ii ƒ \\pf/xx.

li. Lil, 10, 7; 1,111,4, 5. yi y

mv. 1$. J. N , Km. XXXII , 4, C. S

1\'l ~\'e mj;n,hii\\ zie i.i i ii hu Tj.

^■V\'Vd/l\' KW- hatelijk, G.

~\'e

\'i \'yi~ie \'i \'firoji\'quot;lijp ^mifid^ {-ie i^i.ii)\\ volgens sommigen verbast, uil 7 \'y i/jl iy /elf. vooi\'deel opdryven , .1. /, 11, A/j. Gi, n0. 402, W. rfcic^ Ai; li ^ ■

1 i \'i ™\'quot; zie i i n im* i.

O O

\' KN. zich een goede uitkomst beloven.

^ 7 ^ \' \'/ \'J\'171 ^ \'\' quot; jn i:y /, y w. (l\'\' \'\' co\'/quot;x z^e \'r\' 17)1 \'1s

(lv7 gt;,N ^ hfrnw — m ti\\ nam. ijl (van

loof)? geheel of yrootendeels ontbladerd, kaal, •quot;Vijnen, H. S. 033, 651 = ïu rin als kul.-dj ati-boomen, van de masten van schepen, na 7 reven der zeilen, G. S., fu/. [/Ie djafihoom nl. verliest zijn blad in de drooye moesonY \'\'quot;h zie mi V) w lt;i;h/ nè\\ zie rrm en i) niw

TT zie \' TT

tj(cii tj ii ^ zie ij i,ii? rj ii w

ij ui/ij ni kn. versmachten van dorst (vurig verlangen, G.j eenvoudig als I. van riiumi^ dorst hebben P bv. in antwoord op een aanbod van drank: /. // /i / /ƒ /.;»? ,6/r/ƒ j/j t ij t\'i i ik heb geen dorst, C. S.); volg. Rh. ti\', zva. (tïrLi/hfnjjs nnrricut^ 11£ zie i.n -iiw

\\S:j 1 \'/j (zi# 1 gt;gt; ^ \' f/j) liefkozen , ook lichamelijk streelon enz., IJ. J. V, 14 vlgg., XLIX, 7, 0. n *1 fjl/l e^ander liefkozen, li. J. V, i M, 4,

van vrouwen, C. S.

o c\\ . a o

hujjs zie nri i.H/i

zie h i.y rij ci.. .

ny.ym/j kn. het gezigt 0|) de lianden in den schoot leggen. G. zie bij n en vrg. /l/Ii hijfi^w

(3^ i.n in,

o

zie iii,iii.u/i\\

ij i.n i.iiji^

(ipyjihKHiji of (verbast?) a^vjjjun aojj kw. ca us. 1. van (ia(irj \\ B. J. kw. Krit. XX, 17: imiu i^ ini i iiii :in/j\\ vkl. ln in i.n n i hn.ni ^ de wenkbrauwen if i:jj\\ ib. L V IJ , 4—():

gefronst; 2. van u gt; \'

s o

^ i .. i . ) n jn ii i.mm ii\\ vkl. h n tui t/i ui n ii (injw

18. — i,n au r r

- o

11

r

\'7 nn n f j i.i ? ib. XLVI

c - 7 77

(injj -hz uh ij i liiHi/j. ib. XXX 1 V , li. frg. i » i ijj C. S.

i\'.^ gt;^\\kn. tot een bos of bundel maken. G.

nyi ni gt; zie n ij m j I,, Krit. X XXIX, 21 —22 , voor kw. itji ii Ki\\ van een worstelende, ( quot;. S. , telkens naar de hoogte grijpen. \\rrg. i\'iiff (rn i.ii

wj\'

Kw- — ^j\'t^ quot;quot;i\'quot;m-

v 1,2 \'ui ,n in ^r{1 • \'•\'//

/) . O quot;. ) v

i.ini uis zie (Uiini\\\\

O . o . v ■) . \'

xn m i7i zie kii (ui w

Cl * Cl .

lt;17/T)(i2i\\ zie (i;ïi uw

» O

ttjj n (m , zie k y 11 w

n kw. vkl. f ikiiiui bfiftgt;r ik\'h i,ii mi\\ van plaats en tijd: daar, toen? B. J. kw. Krit IV, 7—8;X,

enz., C. S.

7: XXVI , 11—12

O . O

i:ikii\\ zie kil kil w


7;i

-ocr page 1246-

r I, fin 21

1154

lt;ƒ ./ i.y \\

• o . ..

(ct k^\\ x nfuui ijjs zie hit o.

ij inivt hnt\\ zie ij /,u?w o

»: gt; km gt; d/ii \\ zie nn itoi 4 \\\\

o

17/M/; fiy»j \\ ^ I, }l q w

.quot;) o •

lt;;» w»; y j // \\ ^2/? /. y y f w

aTi^i^ms zic ^yoy^

ncvm rj Kii i ^ (i n 11 /. n \\ zie tj \'■ u i f » tm? ; w

o r) ) • ..

f »/.////7^\\ 1:1101 un ^innnHin zie i.ii o. en hni.nw

)(.y\' . .) o-

t:i nm zte KHitniw

\' ) / ) / i * . ) / /

i.Tï /.y \\ I ;i.nm^ en w

O cV\' . O OX

in.n\\ zie khi.hw

S . s \'

füj 1, y v ^26\' iiyy /. /. y /. y w

Y ».»/ \\ ^26\' /. w

tj d\'l tj uii ^fvjj zie tj toi tj j}nhhHfj\\

tjivn?[hn/Hti^s zie hn

:) IT

j.) k w H-// ,1^;^ zte i n iu Liq 11.

rj *7 yti ^nt tj 1, n \\ zie i.rj 3 , en k»i /.y \\

i-n nti ist/j\\ Jr. j.ür • het sluiten van een verbindtenis, verbincltenis. — . 11 khhu uian/j\\ met elkander een verbindtenis aangaan.

h,iM.\'r zie K\'i\'-fuir Vrf-

000 . a t m Kit na zie /.»; /. n ^

o n

17? ?. » (IbW^X J 7/ Mi (bit j

r.j }lt;r^ ^ zva. i j h y lt;10^ n

hihnj.j] kn. aan iels bijten, knagen ; G. zie ook üu un Ki/js

OO O quot;)

»7» mn Kjjj \\ zie h 11 gt;■ 11 (mjj

zie \' V V-A\'

tj it) rj f,)i ki/j\\ zva. tj m ij m 1 i/j

0

in hu :i ) ^. n hii \\ zie hn nq

. o . o

iiTivj Kn -jij KW. zva. n igt;ii - i \\ r n hn^iw (1.

C . )

1 ) Ky 7.1 m 1.ij 11.1 qs

a o .00

1:1 hn luji zie Mn 1, n m j\\

O ^ ■ O quot;)

cï j. n iUjj\\ zie th) 1, n lu/j

/.y J ijj zie ajfj un lyi/j en /. y ». y \\

vj .1 } (/ƒ »/ ? ij h n 17i ii n f (U/j

O ) . 1

r.iMniamp;tjjs zie nn.u^

W ~ie

O • O

(1.7» ?.\'»gt; //; .gt; \\ Kw /£/» ^ \\

J quot;) • O O

* r1rfn :r.njjK zie ,un un imjjs

rt o o . 00 j #. lt; .7/ \\ /, ti un :r.n/]^

co Jf

1*1 amp; zie w uii zie nni.hw

nt hipinijj k.n. snateren, G.

o . o

LJ lil n J 11.Hl W

I I tj ui? gt; 1 1 ij ui ?} \\ zie ij ui? ? w IFangsallan\'. lt;m ,iigt;/lt;

1 / ■)

I L7 1511 II I 1,1 777 gt; » !- f I Ij iUU f W

O ó

\'i:iu)^\\ zva. nniuisw o

7^ 7 .7 7,7 q a n \\ zie ij 1. n rui s \\\\

i0t iw(un ,ui kn. bedreigen, G. Vry tj i.i ij axi rj vnrjtUïw ij 11 yj ui ij i n ij ui ^ iem. niet gekke gebaren uittarten , Rh.

o . ,

17; 1U1 ij \\ zie iun ui en in ui ui/j

) cv ..

II .ui 11 ij h 11 \\ zie (ui w

\' / r) quot;N ~ ^6\' ll(]i v 1 1 ij u^ n t/j^ zie ij uyn i/j\\

a

n uj inis zie un 1 cj un/j\\

r iia üi (eiy. (rjiïïtui) langs de dijen öv. stroomdn van bloed, Tj.

) , (quot;) o quot;)

\' ^ ^ If!\' \' \' ir7y 77 N r \' \'^jfy ; ; 7 N ZU\' Mij quot;

(7 •

UI Ij ICI l 7. 7 -.7 ,\'tO ? 7. )Jj \\ 7//7 UI \\\\

i7iii/j^Ujii i/j zie un(iannru/j\\

O .

171 df^ Uj, I I Zie lilKKj IjW

n o

i:tujni/j zie (un(i^}i.t/j\\

uiaxi tu\\ naam van een land, G. Q n ) ) . n

171 U) ll^l N \' 7 UI 71,7 Uil (Ul/j\\ ZIÜ (Ut i n W

tv? (ui 71.. 7 tl \\ naam van een land, G.

7 o o o

r.7 (Ui i-lt; iiJjj \\ zie 17 its i.-s\' 71.7 ƒ

7^ 10 717 N K W. 1 . zva . lt;1.77 (UI (LU \\\\ 2. zie (Ut ilA\'l \\

7 O » O (7

r.» to ui (ixi n ^^lt;7. 17 j.i (L/n (U) i czt\' (un ui w

i7i(u)(Eijj\\ Ar. het niet bestaan, iiet afwezig zijn

, van iels.

\' O

M l^ 7.7 /j \\ Zie (Ujj itljj •

r^ iUt intij kw. een begeerte hebben, G.

■)V • : ) ) ) mu^itjKu ifj zie unnx^ fci nvijjs vry. rj u n i -jii .lt; i

tUJjs

■) ■) o c , ) . )

7.7 tut m \\ 17 ui \'t ti gt;i iun \\ zie tun dn iftjj\\

i:j dcj i n n ! (un \\ {beter vy irj i i] i ^ 11 ii) \\ bil verl\'orliny

quot; V,\',\'Ar- iüHj J^cl ik neem mijn toevlngt tot God! God help! uitroep van ver-baziny; vollediger: u.j i n t^i; 7 7/ J] i.j rj 7.7 tun hj

\'Jf\' ^^1\' ^UoaA-) * iX. Ib

d. i. ik neem mijn toeviugt tot God van (voor) Satan , den gesteenigden ( Vrg. r:n n /1 il \\) , ook verbazend , ontzettend bv. gróót o f mooi, rttttjijtrj(h,j

of 111 njvj ij hj \\n ) .

I 1 (ut\\ zie 1.»v

7 » . %

i:i(Ui\\ zie un (ut \'s

O . . 7 .

uku) zie h 11 (in \\\\

II dli zie t.nii\'iw


-ocr page 1247-

TV !!!quot;

1155

TV

pvöf- f I i n-*i ^V. 11, 386, Hli.

ri.Lii/j kn. opwarmen van eten, i?iiri,rt^ subj.

■) , ) , • • ) O •quot;gt; •

pass. i i rii Ki/j oijj. imp. ri m iifli -gt; zie nog

op idi i i i njl

o • o

11 mil n ~\'tf mi biiw

r.j.l?I\\ kw. in Siw G.

,/.ƒ lt; /ƒ 15/^^ li. J. liV I I I , 21 , 5 ; »•/ ;

\'IT

^ininnin

hxi

ij 11 gt; 11 fan i N r~r ^

J . J (1511% (Uil Vj Kil \\ zie Ij I\'ll gt; 2.

) quot;) ) r ,

11 if thii? fi n \\ r.i ij .Lii ? ? 111 ij 1.11» zie ij i.n? ) M n

/y rl li gt; VII foil ? 1 \'II Ij I* II N Zie I I I II gt; w

) C) . )

n biinfi/j zzz ituKH iv,v nfiji^

1:1 rj ihii i zie ij mn (on/j \\

1) 11 ibii cm fj \\ zie rj ui foit (htji

a/ . a\'

1 1 tin zie Knobiiw

TOP ,

1.1 1.11 n ; iirmnj\\ fining 1 irj d irn gt; oj i 1 ij in »»;nkn. rood, bloedrood van tie 00yen, door toorn of ziekte, ontstoken, roodheirl, ontsteking, ooicvan een wond.

quot;gt;0 O

I./hq\\ in on .11 i.j 1,11 gt; ij ))gt; mrj 1 n rr

i.nmnjj volg. anderen hludrijk, van Icruipge-wassen, WW.

TTquot;^ ^

) - ) . ,

11 hui i.ri fi of 1 1 gt;11 u i j zie i.nininj,

ï .-) o . ) c\'0

11 tbn 1:1 \\ zie ntiLiiw

11 (ish rj rh n zie gt;■ 11111 tj arii \\n

i]ii\\ [. of 1:1 1 1 \\ Ar. ^czns. nn vilm

i/m} ri iifi \' \\ lt;le Profeetquot; 1 sa , de Geest Gods, mo-hamm. benam, van Jezus.

11. {Ar. tw.c \' (1g eerste nachtwaak, van t naderen dei* zon aan de kim tot de scliemering, Kicli.) liet gebed of de bidstond in den voornneht, om liail\'

ïtniJi\' ? v. d. Tuuk). zucht; een zucht.

acht na n gt;11 i n

11\'i j \\ zie vu n./i s ook bijn. van Wisnoe. G. {waarlijk misvatting, uit li. J. XL TI I , 18, 4, u\'i Mjjjini.j iiyi?i 1^1 zie de aa\'nt. op de vertaling aldaar).

ij vuifi it\\ zie 111 111 rj :h 11 \\\\

) ^

v.kkifs kn. stenen, kermen, zwaar zncliten {grw.

iiiiii\' gesteen, ge-

ii«j 1.11, zie

■) o O

I I I I 1 I IV VI J


zie nnihiinw

: 1 O\'

vimunis zie kiki.iiw

11 hnnin

.u-y .d

)

O

)

11 hu ini/j\\ zie liivvn mi/I\'

i:)tj.himniji\\ zva. 11 ij tun? mi,^

rjiDis zie vj (isin (in/js

H mi\'quot;] zie h 11 ïtw h n fj \\

V ) 1

11 (hll/j\\ I 1 l ij IjIJ Ij I, II \\ Zie VïJ hli I \\

ij 1 11rj mn Kyj\\ zie ij li iuvj inn 1.1 j\\

11 ij vu t (Vi ^,1 rj (tin i zie VD ,v?i 1.

11 ij gt;hii 11 i/j^ zie hu ij (tin n i/j\'

0 • O

1 iiLgt;ii(ujj\\ zie ten (ut fj en irn asn ini/j\\

11 ij lt;i5iiij iv^o-jtjjs zie dm ij ,bii ij a^ K ijj\\

PO ) gt; C) ^

i vhinvm ij zm vi ip Li ii iq zie mv^ti ini/j

\' 1 ij hu dj} \\ zie ii 11 tj ihii dji \\\\

, . o o o i . Cl t

I I Lil 1.1.1 (1511 \\ zva. :l I (1511 vu VU \\ Zl(\' i u 1 II 1 .

\' i isri lis zie vu isri ïi w li co hco

vioj (bin cni/j\\ in ij (vu 2 in j zie vj Lii ? a n r

O w .

n (hu crii/j\\ zie (uti nni mi/j^

o o n o

tinhii nmjj zie vivlh m/j\\

o n

\'\'\'\' \'11V1HN zie uquot;\'\'/ V2II

vi isrj (rn \\ kn. oj) een grooten hoop, G een grooten hoop vormen, L. 184, viku^iiu ivi ij 1.1 ui gt; (Uj ij

)

1 1 11 vu\' 1.11 , n

gt;j iii.i^iu ij in vi {nu vu (hn j\\ zie ui r:i \\

W . /

viaji\\ zie (Ujw

O / . /\'

mij m 2 zie ij i v2 w

S . / s s

V vi ij i i s zie ij i,u ij •— ij in ij l i tji u ij i im^ i

ifi^is zich voortslepen, van. een gewonde, B. .1.

XXXIV , 3, 7, C. S.

tj m 2 ij l i \\ zie ij i ii 2 ri vi \\\\

(1 o )

i I ii u n m i i^ ; a/u ij i. u \\ zie viq v

-r

i V(VjU\\ zie vj % \\

O )

i u \\ in in.

vi{in j i a }j i. a \\ zie i. ii nn ? A

sa. / 0 vi i rn\\ zie mi i i 6.

(v o . c-v

n:^Krn\\ zie i.ijviw

in m,i /? ï^nkn. in de vlngt tiaar iets grijpen! G., vrg. [0^\\ ^ enz.

in/SI hun \\ iusschenwerpsel; lie, G.; zie echter hij ;]

vu ij ^ en zie bij iniinim^

ij l:i 2rj(hJi ii ii fj n zie tj i, u ? ij i i uu j \\

Ij (1.77 2 Ij (IJl 2 uil j zie Tj VU 2 Ij VI 2 Kil [) \\

O O

Ij 171 2 V/I VU II VI 1,11 j\\ Zie Ij 1 11 2 (VI 1,11/j

quot;)

vntKihij zie vivvié,ujj\\

■) ■)

I 1 \'VI (UI\\ Zie lilKVldOJj\'

O

Ij in 2 Ij \'hl 2 (KI \\ Zie Ij vul Ij 1-12 (l(IJf\\


78* •

-ocr page 1248-

\' y i n ■ n 11 hu \\

1150

in \\ verk. van i ) KrLii\\ (i., of veeleer van S/cr. a s foe, (hut) zij: vrt/. yniiK^w rV; 11I. v. li. Ji N, Krlt. XII, 5, C. S.

it) uj^ . zie /. n (k^

i» /) ij 0Ji2asii/j\\ zie if ku .t,njj\\

quot;\'■rvw *ie quot;ww

gt;1 i;i rj !KI d zie r/ \\nt ij ki 2 ihn/j r.i jf] }.j \\ naam van een rijk of rijkszetel in de li r a-t a-jo e d a , de residentie van So ej o d a n a ITdsf ina-po er a, eiij. dc olifautstad, van /tast i, olifant); ook eene daarnaar genoemde plaats op Java., Adj! 8akil; volg. Rh. zou aan Pékalongan in vroeger tijd die naam gegeven zijn

(T . „ ) O l .l }~1 hll \\ Zie K I III L,n w t

17) iki ui \\ zie h u i i i i w

\'H, . \'l.

O . O

».i Ki iJi/j\\ zie hu i i i in\\

\'nrzie \'-vs-

171 OJ) LjI/J zie h II K ) I I

Is

ATI(tJt v:tyj\\ zie i tt i.i nn/is

O quot;) p • / • •

ij i 121.1 i it/p zva. rj i ti Kt i ti/j r zie bij \\ it ut\\.ttfi\\

i:i(kii:ii^\\ Ar. , «Ie eigenlijke erfgenamen.

i tn\'j^ zie (i\'p\\ n\'i of i ifi.\'p geven, in den meest uitgestrekt en zin , ook fig. cene hoedanigheid bijzetten, een toestand toebrengen, hv. utta^Jtlt;uj(i.tij\\ 15. J. XLIV , 20, 7; — in V k\\v. inz. zva. i tt [ckji% \\ overgeven, afstaan. — iC] n poët. zzz iki h\'^ i »anjj\' tunj ut uijl li. J. LXlt, 10, 0: L/Kiiti u) asn oty iijtfi^ gift, 15. J. KW. Kr it. LX VII, 08 enz. vrg. iji\'i\'/ja^ onder i jw — \'rƒ •\' j quot; td/i KW. iets aan iemand Aanbieden, li. J. kw. Krit. IV, 8—9 ; XVI, 21, C. S.

/ » /\'vn zie tut i / \\ ook naam van een regentschap op

dava; \'vrg. utruiw

o . o

l:l .1)1 \\ Zie 1,11 (Ut \\\\

i.i ui ss kw. bespotten, G.

o

it) (Ui ^ \'i/it \\ zie Kit ut q w

17^ Ij I ) ^ .1 It \\ Yj ut gt; t/lt Ij 1,11 \\ V. lit Ij Ut ? \\ bij Ij

\'ïj UI { II.

a o o o j, n a ~t a o ■gt; ,o o

i)utiL/n ut oj i:iuii:tiui\\ erg. nuts bij in nw

T . O O

in dim tip zie k tt uutnjj\' en uit i t Kt j \\

.17) rj ui 2 (in/j\\ zie hit i lijs — i i ij i 12 i,j \\ 11 ij ui ? )y Kn itn/j\\ zie (L\'tt fijt en i, tiiu?\\\\

(V^ . .1 ^

(i7j ut \\ zie 1,11 1 /w

00 ■ gt;\' • K „

11 ui^t\' kw. zva. 1 1 ui [zie 111 i)i)\\ (i.

o .1^

1 11 n gt; int \\ zie 11 i)

•\' rv

(Cj (U^n ij mi \\ zie igt;ii LTjW Vrg. \'Uj \\ uy uj \\

r i nN naam. van een district op Java (i.

•» . )

l ^ UI HIIJJ Zie /. Ij Öl HII /\'j lt;

O O

ui i. ii/j \\ zie /. y \' n i. n/j \\

tq oj^ h ii fj zie 7, it (Uj h ijji \\ •

ij ij i hii p KW. zva. ijmiiii G

ij in rj /n i Kfyjs zie ij /. n ij ut 2 h njj \\

gt;1 nt ij /vng zie gt;i igt;ii2 tj uit hn/js

n ru r i i.ti ^i L» i, )ij]\\Kti. om zich liccn aluau , (J. :it\' o

vu t!ihn/j\\

o

Ij I I2 Ut ./j)/ \\ Zie rj 1,112 UI ,1,11 fj

ij i n ut htt tj i\' n \\ zie jyti i)i.nnjj\\

quot;) . n

i:i rtLii/j^ zie hit (iJtiuti/js

n ij ut (istjjj \\ zie i zit ij ui ihii/j\\

HIJJs

T

t lij 1 t Ui

i) ^),

aS

1

0

vl •1 •quot;

\'\'x

0

I t UI 1 II K

77l

a (-gt;

\'7 \' 1

zie

IC t\'t^iVKhltW

1.^ rj ui 2 un \\ zie ij ut 2 htt/j \\ ut ui i ii ui hu

i;lJl\'U1

V

(Ui ut rj (vit ? 1 1 - t « zie 1,11 11 •bit

/17) ukkiji (zie iLii ujj^)\\ ook k. van i.t n; \\ W V. 47S.

quot;gt; ■gt; . • # • o n

— 1 ;i ui Kt~~i- Zie nrn bij i/ii\'i)\\ l.l(Ui Ki .11 1 1

a

ut _f),\\ zie uit n i w o

iL\'h 1)1 (Kil frij \\ lUj UI (Ut t, 11 ~\'ll Ij 1, II \\ zie 1, II 1 1 ui w

•gt; -n 0.0

17^ 11 UI _ ) \\ r.^ Uj. KI -L I \\ Zie I )t l-IJj \\

I t i)i «v) ij ). )) \\ zie ui k 1 j .

ic) (Ujj 1-1 - t if 1, n \\ zie 1,11 ij£ Kijj \\

quot;gt;

i7j \'Ui ij ui I,j \\ zie 1, tj 11 ut w

o . o • .

II ut 11 ijl zie t.n 11 nt/j\\

iui int j\\ Ar. \',(\'t equivalent, dat de sehul-

denaar bij een contract geeft.

) . )

1.^1 iiti/j\\ zie 1:11 utiujj\\

ij i t 1 i 7Li/j\\ zie tjn 11 ut n t/js

1.) (Uj )L) n zie h )).i^ nnw o

ut ut ry n zie kii ut 11 i,j\\

fcjl ut 111 uj \\ zie 1,1^ 11111 \\\\

gt;11 jj^ Ou iituhiifgt;\\ quot;)

i t ut nui

ui ^ kw. 1. zva. tlii 1 li ui ih(t/j\\ 2. zva. oJti uu ei(j. zva. ti \'it ij ut2 {dit laatste mede gebezigd voor ik, H. J. X MX , 5, 2)? en uit ut ontstaan uit misvatting van

i r ? C. S.

c.

1 t ui\\kN. overheen hangen, G.izva.miwstuhiitiïïs

zie mn / )i

uy\')u iii^ uu zie ijtj uu ( \'. S.


-ocr page 1249-

\'i\'r

I Ifi V

i \'I\'

\'l\'y \'I\'l\'l quot;I\'I

ml i\'i/ Irn uauiH van een lanUschivp,1iel Vorstendom van Vraboe-Karnli, in de Brcita-jooda {H/er. W an (J (jo)-

. S}\\\\

I I,/;) t:i \\ Stti ft™

ynriMN iqtaMlt;qnMtn\\ sic «pnó^cn ij r, ,j,

si»

,ƒ/\'m ƒ\' mkn. liet suizen van do» wind.G.j loeljon, lluiteii den wind, van bamboe-riet, door den windbewogen, li. J. IA [11, 7, 4;|

.i*-!\\ c. S,

rjin ruj) KW. vennoeijcnis, \'t moe zijn ; (jrondv. oan I\'ll ri l i njjj

a ni\\ zie vn ru II. — r.i nj i n n i siemniu 2.ri,,ii,y \\ ti/n ti i%,cn\'hiirLi II,— i,i m kii-u

ii hii i nV i n n i a,

i . \'■) i) .1 run.n quot;li n.iw i:i nuunnis sie i n n i «

iiVijn km., i; ü7\\ Ki,, hoofdpijn, hoofdpyn hobbon

nw^xü

(ooi I ii.^iJii^ J. Z. 389, 9 v. o. C. S).

i7}ni\\ zie i.nnis

a • no 11 i:i /1 /n ^^6\' n i \\

.ri^ — 1.71 r^NN rj ruqs zie Htrthijw

inruq zie {rjnts .untf^ms ru gt;)\\ Uranijsaltan \\ nrj

So/ o ,, o

if K)i iu (lOiim afj/j hti lijiii zzz (tnn.i^w i . h.

) O

awi{\\ zie Hn.ruqw

) O r • 0

I7tuiq\\ I. «26? ruqw

H. zie \'l^l/;n {blijkbaar hetzelfde

woord, e\'uj. uitgeput, vermoeienis, honger

enz.? H. J. KW. Ar//. XLI , 12. — nu ihvn ni/)\\ KW. y/r/. in Ti/j .\'Mboombladeren, 2V/. X LV lil.quot; 19, C. S.

quot;) ^ 0 i 1

irlt; »iru){\\ zva. i.nruj M.

ijmtjuus* zie ij i.m ij nid

)

l.il li l { w

ijvnwip zva. r; i//ï \\ rtiun w

nniunni^s kn. inschikkelijk zijn, vooreen ander

underdoou. G.; jammeren, klagen, stenen, lili m uI li n 1} 1 /j\\ kn . bloemen in linnen weven , borduren , Cr.

Viinl,quot; *,]s KN- ül) Z\'J11 cJemak liggen c»/ zitten ; fig. zich igt;nn niets storen, VV. I, 122

) O

\'filings zie u)i ÏLI mi/V ï . ï \' n (l Zie

) \'ƒ 11; n £7J tj n u \'}n^\\

/.1 Y quot; \' ^ \'\' \'

i li ii i t li n iw

i i tj n i in) ~ /(/ i.y

» i n i in\\ zie i,n n I 11.

O o . \' )

11 ij ti 12 /y \\ /.»/ /ygt;

quot;) a - o

i:iurè,j\\ zie i ii ui ui/jw

o o . o o . TO

r / liming zie tun I li I, ett int ili w

17 \'i\'^yN

1/jJI^N

O\'.X . oC) riita^ zie }lt;ni\'i\\\\ n !Gi I j .«I

)

I ri iui irri\\ zie I

I I II KI II

II ( hl l

V v !■/ 7

kn. dun, mager, G. Vrtj. \'yv^«

V Ti\', 7^/1 ~ie

: ) o ^ • ) o ^

zie

wpt\'jvr zie

1 11 in zie i.n 1:111 w

n, r~gt;

v.V . ) y

WW Zie WW x\\«jjl\'u!r zie ww-^a/r 7wyiw\'zie VWamp;l\'T \'/ W* 7 W W zie 7 \'m\'/ 7 W \'f!\'iN

17,13.07n zie hum nrrn w C/ cJ c7 (J

170777 \\ i-nainw

n.OJ quot;fd

) . . ) .

1 ihii\\ zie hii rrnw

quot;,( / quot;,(cJ

O Qv quot;gt; Q.

I \\ /./lt; »;//v\\

quot;,rJ \'C O;

» / »/\'/» N ~ /.»/ gt;771 W

\'V(:/

H V v/y. js^ /1

7.\'1\'/zie \'IWI\'YU\'*

7|,7?7^^N ^

rr,\',r\'

\'t.

^ 17 /ƒ / 7 gt; inijj zie ij kw/ 770)^ \\

^7 7 n .L-T^ ~^ I II J

17)11 ii 1^ zie ijiinw r.) ij n if zie ij li uw

) s /

1,7 M./N zie \'ruw quot;)

ij n 1 zie ij n ) \\\\

ij 11 ij n i\\ zie 7j|ïlt;7jr^ n.iw

) x o 1 1 id m \\ zie mi ui iO) w

ClS .. ) 1\' . ei\'

17 i)iii,ii oj 1 I nrriij 1,11 \\ zie niw

w rj riJiTi ijji zie nu ij u t m cut

i i niiii)/j\\ kn. dorst, dorstig, dorst hebben: ui

hii/js tf miy niw

, ) o - quot;gt;

1 1111 iiii/j\\ zie in 1111,11 /j\\

T

I ) )i.) Knjjs zie 1,1111.) hiijjs 177 iii.i zie h n ii ) uiiji

/. ij ij n 12 Ki p

,,,r


-ocr page 1250-

7 quot;[\'quot;i

\'nquot;l

I ^ gt;. N zio /.^ \'lt; quot;/ƒ I I •

gt;1 m h i h n/j gt;. zie *1 /. n * tu t, tu ij».) 2 gt;1 ii n i \\ zie tj un i ij i. n t w

V l»\'? V(^3^\\ KaN- ^08» n\'c^ ë()t5(l gebonden Ov. van touwwerkgt; fuj. slap worden, verminderen, B. vry. ook ij rud ij

ij (1.77 iai \\ zie ij nu nn\\\\

s . s .

irjriïji.ms zie rji.tnjhmw

X . ^

ij irtd ij i. ii\' zie gt;j i.iu ij um*

i i

njj /. ti kn. stokoud zijn, (i.

O • ( )

;M I. n I I I Zie /.M 1,11 LI j

\') ^ . ) ) \'

i n ii ij zie iw i.ii iii

ij ^tiMji zie ijjtii ini (uijs

Wjquot;quot;^ zie \'rnquot;/quot;quot;u,JI

ij ri f ij h n i Lij \\ zie ij ini ij i,n i i/js (i:i itj i.i/j of rn ftyia/i \'{zie iij ui j) ook zich bij iets anders voegen, er bij komen? li. J. XXVI1,9, 4. C. S. zie BV.— iLi(Hiiicijjs vergezeld van, gepaard met, achtervolgd, K J. L, 1, 3; B.«J. knv. Krit. XXXI II; .1? enz. wclliyt vervolgd hv met liefkozingen , mei paaijeu, IVanjsaltan: i,u r.iii ikhi7! i^ ixi ^ n ij ml i.ni (vastgeiieehl ?) ;:- i ii .LiyLi^ ^ (\'. S. ingedreven V

■) o

•quot;\'i\'/

) . )

i I n i i.n j\\ zie i. ii n.i thiijj\\

C) , V

hji r....... .......

■ )

zie hu ii

l \'^r

i rj.(bi}jj\\ 1. zva. Ill Ijiia/j\\ :i r^ihn/j

0

1 \'li^ Lii/j^ zie iijuij

a ■ o

i i.iLiasnji zie ilt;ii ui(inijj\\

o . rgt;

(ix.1 (isnji zie i. y thi iJiijj\\

.i^ ij m hujj ie i/ti ij n i i n j

C ) o . ) ,-■»

i;j Tj ni o^rs zie i. n ij u i iüu/j\\\\ rry. rn iLia,u \'Z.

L^tu^ir. 1. zie iUi^irvihii/^ 2. zva. i iijnnhij* G

quot;) o zie i a i i it ii ] n cJl

quot;y^r

, )

Zie III Lijs

O

7 \' \'\' J \' \' / LU LI K IJj

SS s

7 ij1* 7 , ? 7 N VCln i\'j 1 gt; ? ^ zva. hll lj ILI 2 Ij I 11\\\\

O quot;) - O (V

} j/ !L I li II j Of LI n ILI I, fl j

5 quot;) quot; . S .

/;? li ixi/j zie i.ii i i i.i i

n. v_y( », J//

7 \'i\' 7 ; ^6\' 7 \'JN gt;/ \'M (ici/j

V \'in \'/w™/! zie ij i.iit ij i n Li j

O ^ o .

(IJl Ij ILI.KI ~ I ■ Zie Ij Ili LI j\\

ui \\ knquot;. ombuigen, intr. van de sneé van een snijdend werktuig, Rh. vrg. rj i.i n hij ijin.uiw.

iif i vi \\ zie j.^i mw

) o . ) a .( )

\'in^tis zva. iiiL^gt;L\'n\\ zie min

(lt;*

| 1 lij iJl il.p ziê lol Ij Dl è l\'^ij \\

O

ij ai i;i /.ƒ \\ zie ij i ii i:i w

(Y \' (Y

i i i i \\ zie i. ii nw \'i, quot; \'

km//;, zie yiif/r*

\'jiri\'quot; zie 7\';{\'7^v

rifitMf kn. een zachte beweging maken, G., IWij

lt;ni i i dsnïï\\

i i irui i njj \\ zie ii nj hijjj \\

\'i}quot; f\'\'\'}N \'it\'i\' \'1 \'2J1 n

t . r t . . o

i j in i I I j i.! {of n i n i ^ici) :.w / rrji m

\'\'/ \'\'/ \\ 6011 SU\'Z0IU\' geluid veroorzaken, lj vj n j i\'^ suizend geluid oan de hamboe, wanneer die door

den wind heioog en wordt G. (H ,1. LX 111,0: ii

gt; o ó

i ii i. ii i.j i i hi j if j ij iuj i j ui füjjS KW. aid. f i r.j u j

vkl. »y C. S.). Vrg. i.y .ijj,w

ii ii i\'r zie ri ii ii ui w f n, l n _

i i n i u i.j\\ zie i.ii ii.i /I ///\\

rj u! n 11\\ Ar. gt; verzet van den wa ti tegen \'t

huwelijk van de pupil.

ij riiru\\ zie ij n i m . — ij ri n i ij n i n i kn. een kind

up den arm in slaap brengen, susseil (Z^/rcm 229:

in in n n I ij m ij iia n I ij n I n i\\ C. S.).

o

i Lj n w

Ij i(i2 ij ili? l i \\ . zie ij i^n t ij iL ittui js

gt; o -) ■ O lT

i i ii i ii i (iji ~ i \\ zie i.ii ili tu (Ui/i\\

; ^

ri ij n.i ij ui i.ii fj zie ij i li \'ij i J, I, nj

i i ili f i i n \\ zie li n i : i i n \'i gt;1

)gt; . y v i iivis zie i.niuw

7 liquot;/ \'3^ ™ VM\',\'/

7 ri2 ij U 2 l.ll/j ~ie ij 1.^^12 ij aJl2 LIIJIS i i ij iu (L/i h iyi^ zie i.n ij m iu .i. ii/j\\ i i ij ili ij (Ui Kii,j\\ zie hii ij ii i (ui i. ii/j\\

Ij ! gt; I I uu/js. zie ijuv iUUL ii^

a a . o

li ili lt;ui .is zie i(iiiLiajui\\

LiiLiij(uu\\ zie ijiicni en iiiunji n i

llijlLlljlCULJS Zie LUI) ILI IJ 11 2 L I

•j II I ij LI i LI j\\

\'1

i i iïli iji iu ij zva. li ijiiu ijj\\ zie n idtp

\'rr -t- \'iamp;T

quot;l

j / 11 Li.n/j zie i.tii i LLLii/j\\ O . . -) .

i i ili zie i n ii n n \'t

) • \' .

i i n i i j\\ zie i.ii ui f i/j\\

) : ) / My zie i.n

I .ILI \\

Cl

i/ri*ijiLi2\\ zie 101.(1/1/1,w


-ocr page 1251-

11 59

v17v; 0f \'» v; O- jjb n.. -/ gt; - $ -

Vj \' m yl\\K., kunde, wctoiischai).

) gt; . v\'X

( » / / \\ /. /J f l\\\\

■gt;

zie -y.^s

I I .1 I M gt; /w

.} i ihi\' j zie ii if.iirjii j n\'uii!gt;)yj\\ oolg. Kh. riif i inj i^n i.i i i jy 11 n / lii ti i lt; i i nji of ui\' lihn/jW Ar. ,

KN. {goed of kwaad) vi-orteckcn, voorbode, opschrift, adres. — ii,ii?.\\ \'iemand iels door een voorteeken voorspellen. » / ilili i(n \\ id. niet onhe-paald voorwerp : tot voorteeken verstrekken, B. J. LXI LI, 3, 5, C. S.

O O quot;gt; O

I I f i i.i ,^7?. ii h iiv zie hn {i i i/j i\\ I ny Ji

) . )

i i ij n it f i ^ zie linijnwt i -jna

i i i i KN. zie ui f i . i riw gt;K Cf

u i n ~ i iiiili\\ Us. zva. i) ii u * ~ n,ti/j zie iin iii ,i n fj ZJl \' \'i, J ~ i .J

ioi/j\\ BV. en zie n i lt;\'\' \\,n,Jl

j 11 \'\'quot;IJN z^c\' \'■ 1\'

ii 11 }.i i mi \' \'i,

ri ri ^j^ y^iiiijp KN. ongevouwen, of niet in orde ei gens liggen van linnengoed of kleeren, fig. ineen zakken , helz, als ri 11 ~j i n/j bij •\' \'\'quot;// •

i 1 : 1 - 1 l,li n \'

| \\ li i i

T

o

1 1 IJ LI . M

i/j zie i,

ii i

O

o

1 1 11 1 11

zie i.n i

/ N\\

\'CO J

O

-gt;

1 1 11 f 1 \' 1,1 S

1 ( o bCJ

zie /.|/

/ . (•1

i\'-yLl ■quot; \'r

i i mfri KN. zwerven, ronddwalen.

(O

7 1\' V mlt;^ KN. statig, deltig , G. rja^N zie Y/j en i^ ^

i i ri in i i n zie \'

i i )i n I

? \'yV

ri rj in if ui gt; \\ zie ny */ ïn \'/ \' quot; ^

ij 11 ij tLi ij in KN. lokken, bepraten, G.

ii nrr.iijjs zie i.niui ii js grondstoi\', G.

17) /»11 nq zie /. /N

irr.nnm/i zie i.n i:ii i.n/i\\

quot;, - « \'\'. \'

\'»} \'■\'//\'\' \'jy/s \'//J\' ^ \'• N

i i iiam(hiuj\\ zie n^i ij i n hiijjs ij ri im\'isri/j \' zie if uy kii if n if i n ilgt;ii/i\\ zie gt;f nn if im i ii,^

l i n i if nys een geheim verraden, G.j welligt uil misvatting van i iituf i i? {zie if imy

T

i i H 11.li \\ zie lii i n

co \'\'

) quot;gt; . •

i i ijj i ii \\ zie t;j r:n ff \\

) .

i i if n i rn \\ zie if u 11 iijf

7quot;;y v\'ó ue

i i t il\' zie /. ii i h a

ii /./ ). ii/i \\ zie ini iip i\' ii f

) . quot;)

{j\' V\'^6\'\' \'■! I\'ll f^

) ï . ) )

i 11,11. ii i \\ zie i\' ii i.i ^

n ^ / gt; i ^ /f

lzui ,\',y \'(i \'0\'

\'/,V\'/\'c\'\'■quot;// ^ ï-nf n i ij ici hiif\\ zie \'/ V

7 V\'7\' ij nn if :(ci hiyi \\

7ij\'/7\' quot;\'\'quot;i zie -) -» . - ■)

» / /i ) /;/ /. //1 ^26\' /.// up hn/f\\

■) o . ) .-gt;

» / /,/1 i.i \\ zie i n i.i i.i ij ■- _\' n ■ I

» o .

i//i/\\ i n ni en /.// /lt;./w — u tliii zie ii\'n n i ^

quot;) . .

/ / /I./ if n i\\\\

Ov . -1.

if i li n i ijii n i ^ zie if i n f n i ^

i irjhii KN. naam van hel eiland Ceylon {JSkr.

Lang ka).

O ■ quot;gt;

ij lt; i \' t/j^ zie n i i 11 i,f

i\'i tii zie n\'is.

n _

rfrii rn ze ifiLilcrnw ^

(O gt; . . gt;\'

{,\'\'»/gt; l~i I\'ll ^ ^

i i n\'l il \\ zie in lip^

)

riiiii.is zie if .ii*

o . O

n i 11 i\'i zie if i,ii2 i iw

n in ii dJi? \\ zva. i iivi\\ zie i n i n\\

) ■ )

j -/ lt;17/ { zie /. // ;Ly/ { w

i 111 ■. zie \' ƒ ,\'NN Wang saltan; //r/ (o/* iKi if n .ui q)

— 7

o •

- /. // T) LI ILI l,ll/J\\

If I li If UI f \\

r

i i i i i j i. i \\ zie i. ii i\'iw

I I ihJl If! \\ 11 I I U ljJ \\

II if ju lij ilt;n\\ gt; i if u \'• j \'«// \'•\'/ ^ zie bij tf i n uj i, n/j\'

) T • ) O

•f / ,t,/ / /// /lt; i,ii I i i in li i/f

vr\'\\ quot; O V

» / U \\ /.»/ L/ N

1,11 iiiLii en tf i ii if i i

V\' / 7\'

(6\' /. II If

I I u n hij zie ui\\ n .\'i. raadsheer in i schaakspel {Perz.?) gt; ook i.in-.n m uu genoemd S. volg. Rh. is raadsheer m j w

i i 11 u i in \\ zie un 11 gt; 11 inw

ll lt; i ll (i

) ■ quot;)

i / ^iLi h u f \\ zie i,ii f\\

) • quot;)

I I If 111,11/) Zie (hll If Myl\'ll f^

lit) 11*1,11

V

V-LI derg. Rh.

zie i,ii if i i,i i n

i i tf [jui i jjf zie I, n If tj i i/f n

, ■) . ; ■)

ii.iy.i/j zie hu i.y if\\

i ii hi fy en i.iifirn n i .// /^/ ƒ

C. S.

// iLIl ^


-ocr page 1252-

•n\'-T

I Ui(l

I I 11 I. n ,y\\

\'\'\' // zie

I I if tu t ini if kh \\ zie 101 rj tuu h n:p

i K\\v. vcrfrauijen j v/rl. rv if n i é ni {ti/cr.

oepadêsj a, ouderrigting, voorwendsel, (gt;.).

0 . o

J ) ivi tetifjN t,)i I I

xr^dj} asnji^ zie mj iu) lun/js

iiT) i i mi^nj IJ^ ihiiij \\ .i//^ I j LII^

) ) o . n i

1 I LI LU \\ Zie h 11 iLI ihltJI

n .) • o )

i quot;) iui n ijj zie i, ii iui /17/) \\

( quot;) \' c )

r^njinij zva. f i ^i ili^

i »(Ui I u \\ »/»J tui n I w

i:i,ijihiifj\\ kn. erg grijs, totaal wit *gt;«// haren

^VIV£0,

0 • lt;) ..

•r,/ jyj \\ * // ifj 11, n/j\\

■ )

» » Y iriènrnjjs zie i,n if rii hn/js quot;) )

1 ri oji lai vj i, n \\ zie /. /; y i j /. \\

: ) O Qu ) quot;) Qv

» ; ui ilj \\ ziz \'K t;i n\\ ij.

O

7 \'\' ^ \'vj/i ?711 zie 7 quot; •\' ^ ^

dsn Os • . ) /

,i i itj rus I I 7 }i n N \'•quot; ^ v

xi^jjjhiij^s zie im(U)jiiayi\\

n . .)

f ) iujjl i, njj zie /. n .i i, n/j\\

ii i ijji uvj) \\ zie :i\' n (tj j u n /jx

) .

I I If OJJijd HH/J Zie Ilt;H ij I Ijj i l\'il/j^

ij i mj mi/j\\ zie if i n i ij i Jijt igt; ii p

) a Qwquot; . o . ) quot;gt;

ui iui ip \\ zie (Ui i^i n i». i.hli^iw

iifV*

n * ■ ) .

ei i^\\ zie h it 11 w

1 ■ o

nyicit zie u i^ioi \\\\

Tl quot;quot; \' ï \'-\'t\'

n i 7 WfW) \\ zie if mi 11 loi \\\\

ij inui ij in 11 / ■gt; kn. in het water plassen, G.

Ij I I n dj) \\ zie ij !• ii ij ui \\\\

quot;) . . )

11HaTj, im/j\\ zie /. n hji uii,j\\

■) _ . . )

I I ij ici? i.n j\\ zie i\'ii I j ici i

Ij i:uij i.iz inij\\ zie ij igt;iii ij in? itii js

) ( quot;) • , ) . )

/ / i i Iiii lijj\\ zie uiuLoi un •uins

i .i ia ij ibii i tin j \\ zie «.ji mi \\\\

a . ct

i iiji iij, zie ioiiji i ijw

a

innji ui\\ kw. zva. m ij ui t ij en mi if ut/I

i i ui (Dj \\ zie / gt; n ret iui w ui 10» ii11 j zie it n(Ui n jis

ij i n rj icn n I j* zie n hm iruid n i/p

n

I j I \'i i wt qli ^\'ii (ici u.i/j\\ zie a/rjui iu/i\\

Q • gt;

i iuiiujl zie i.iiiciii i/j\\

. (Tj.)

\'7\'/ quot;I \'ie

) o ; )

i i ij iui (Ui - I \\ zie iiii if lci lui/f

, ) . . .)

riiui iui \\ zie unaoiaiw u, n

) o • \'quot;gt; )

ij 11 loi iUt -1\\ zie i-ii I Ji ii\'i/j\\

I I Ij 0.01 Ij U) ? Ifll f \\ zie Ij 101 Ij (UI è IUI ;f N

/ . X

I / rj i:i ij rot \\ zie nm ijtioi ij ioi w

inifi/f {zie i:i f i/i)\\ zich ergens bestendig ophouden, blijven zitten, G.; zoo li. J. LVlll,.lf), 9;

18, 8, van iemand die zich in V water schuil houdti G. Krit. ib. van een vise//, in zijn hol gedoken , C. S.

Op • * Op

• i /1 \'i li itii.f\' zie i,n ioi:iit ii/j\\

, ) quot;) \' ; ) ( V O O

i i loi tn ni/js van nu ut ut ii i/j zzz nrrtiot ritni/j\\

.

I 1 ILC^ N Zie L II \\\\

i ] ij rot \\ zva. tf i tij ici \\ bij ij i n tjiotw

(O o O • (P)

Ij 11 2 101 II Ij i u 101 » / 7 Lil ^ Zie Ij lilt i 101 w CU ). . Cl. O.

i 11:i till \\ zie k tt rot

in i\'j rhj \\ zie intny, hyw

i t ij rot rj l\'^\\ zie loitf iot rf t,\'i^\\\\

i t if iót i if Lt^i \\ \'zie l it if rot.g tf hi^t \\\\

i ) . . . .p * .

i i iót in^ zie idioot un\\\\.

LjdCj.i.r.is zie Lijri^w ,

O

if n? irlt; s n it \\ zie tf l n i ik q w

Ou *

i j ic\\ in \\ voor i ii tjrj^ irlt; ut \\ zie i ij ixjjf igt; t n\\

O . lil/\' ^

lll:lt;Lf\\ Zie OJTI U\\ II. rrlt;J. LI II Ir\'W

yy\' . ( kx

LI l£\\ \\ Zie 1,11 IK \\\\

) ^ . /•

LltU^S Zie (If^NN

S S y S\' • ^

I I If lrlt; OJ I I If IK \\ Zie If IK w

quot;) / . /

I I If IK l \\ Zie If IK 2 \\N

II i^vniit i j* Ar. naam van den Doodsengel

cy er . , n v \' ^

i t ik(l u ik n kn. vaststaan , (i. Vrtj. ik ik \\ zie mms

üij i n i L iw

li if ik ? rm ~jii rf uu \\ zie m ikw

n o . n LI IK l^ll Zie UU IKtütl/J\\

l i ik ^u if int \\ zie hit ik ihnjf

ï •. )

I I If IK 2 J^U Ij UU \\ Zie L 11 Ij IK ? (Lgt;ll,n

) ) 9 •. o

l t lKI I\\ I I IK I I* Zie IK I I ü.

, LjiKiitisi^ifs kn. een vriendelijk gelaat toonen (vry. j li ik \' t iifU ut if). iTi ik iji x\'n \\ iemand toelonken als tee ken van genegenheid % li. S. 357, 423, van vrouwen tot een man; ook met de oogen een wenk geven, ii. J LX, 16, l.

a n /js G. Vrg. if ik i ril ff \\


-ocr page 1253-

■) O

I I If Ir; I.I - I ^

1101

I I I I.I I ft)

1.7 Ij IK iLJI /J)

i:i:ltyi^\\ ZIC

\' ) . ) X

/ / /ƒ IK ^ »ƒ IK ^ \\ Zie UII If IK 2 If Id ? \\N

on .DO - -)

I I Its lrlt; II If 00k I hl(l Irï lUJf OJ I\': II tlX I I r-i II Iff \\ SKJ. II

irlt;iriiii/f {Jr. booze geest, demon, dui

vel, oo/r wel iM rwrf i/n mi ihiif0 Adji Sdka , 77. / uk i/f\\ Ar. . Perzie, Jb. vreemd gebruik van dat woord, in de uitdrukking: ubiiiiaqajjif riasii iij i i iclt; (ta ff A dj i vS a.

{Zie if iKz (rn/f)\\ ook op iets vallen, storten , springen, zich werpen, B. J. XXVIII 13,4, C. S. — if jk2on/f \\ snel, niet een sprong, ih. XIV, \'1, l • if ik i cm t i (IJ) h n inïni Lgt;n gt; XVI, 17, 6 ; if ik f t n i, ii n bii w if ik ? if cm ~jii i^ isnjf zva. i jj j J V , 4, 4. IKangsallan: if ui ui i i n isu f zrz i n if r w i cmjf\\ C. S.

)

i / ik irn mi ^/n if mi \\ zie ik m \\\\

li .ik n . zie (HYI ik nn

tf i7i ik in \\ KW. zva. ngt;iiii in n i/f - zich vertoonen,\'

Rh. zie ifiLiiik\\x i iik iis KW. niet toestemmen, weigeren. Vrg.lt;Qik\\

en dhi\'iks BV,

rfjjsKW. zva. rf(i/n\\ ,inij(Hifi\\

ir^ i i.i \\ zie kii iii \\

i i (in % \\ zie (Uil .n i j en un m j w i i \'i/vj gt; \\ zie iim nu gt; w

kn. aanhoudend op de gamëlan spelen, G., aanhoudend, onophoudelijk.

o

i i lt;iii ijj s zie (Kn ui w

in xjii (zie isii .ui) oo/r met de hand vissehen, G.

cïS . (^

i im\\ kn. voor iemand staan, G.; lees im.ii ? zie

O (hn (in w

i 1 (IAJ K UJf Zie I. II MA 1,11 ,f\\

O . O

i 1(1.1^1(11 jf\\ zie uri(i/i/i i,n,f\\

if -in 2 if (in 2 unjfs zie if 1112 if im un/f en if my if m * . 1111,1 \\ (waar men if 112 if nuhnq zzz if i ii if iiu

Kii f schrappe).

n ■ .

I I If I 112 Klif Zie If HI2 lil f\\

II rf uix(mjj\\ naam van een rijk in indiö, het tegenwoordige Oude («S\'/r. Aj6 dlgd, d. /. onbestrijd-

baar).

o

» ; (ui^ (ifii \\ zie h 11 ii/bj in f \\

a . gt;

\' I ill ,i£ij if u 11 \\ zie ininiiii/fS

Zie Hl (KI w rt O . quot;)

ri .111 ki zie mi m lt;kiif\\

11111 ui cu \\ kn . verward, wartaal spreken; vkl. ia 1 1

) ■gt; . ) yi lt;10mi . / Ui if ip2 i.if ki f.iA^ un di un if i n t .un if ni 2

ini m ■ 7 un f nn 1 j. m/fs zamengesteld uit 1 1 ui 1 voor

11 ha4 11 uj en 1:1\'n (nn^asij? J. Z. II,

63 , 11°. 426 : — ook ui iai o f un /111 m ui n Zoo

ai

zegt Winter van een duistere plaats in een Jav.

. . ) ) o ■ ) ) .

boek: i^iini.ijii / m kj i j m 111 1 i.j m t 1 1 1 111 1 1

/ O \'.().) jr

ri\\ i.ji ui i,n yn 111 m -1 i n lt;rri i ifw vrg. \' idAj ui -n\\ C. S., onzamenhangende woorden uitkramen, onzin praten, Rh.

1 1 haji ui ■ris zva 11111 m nw

1 iia^ ui 111 kii ^11 if kii^ onmeedoogend tegen iemand te werk gaan, G. zie dm oaa. u/n rn mi ~jii k n iri/f in La kon : ifl (ia t j m/f) kiuiiliui u 1 nn ^11 if mi \\ verongelijkt, onmeedoogend mishandeld worden; mishandeld worden. .De grondv. is dus KiiHAui fimii *11 if kus PK.).

iri hi 7 1 un Lifs KW. hopen, verwachten. G. en zie

bij (L7I I UI (eajj s I I if Iui?criyji \\ zie if 1112 ruw 1 1 tia^ u:ii/f\\ zie 1 n ,un i:iyf\\

iti .111 \\ zie .miuiiw

1 j ji/v^ kj\\ zie laj dnp

If 171 If 1112 ^ ZIZ rf (UI If (Lid 2 Nv

UI III II (KI

\'h

van kii 111 1 1 ind zie kii mm\\

zie kii f 1^

1 1 ui gt; zie mi !f,i]\\

) *gt;

1 1 if12 gt; d/n \\ zie if ia ? ^ w

00 na

I 1 (Eid n li (Uit.Ki mis zva. 1 1 ui 1 11 .• 1 1 n kiiw

I ik,

1 o

II (Ui i 11 f 1 wi k n \\ zie bij 1 n 1 u

vA uidoffs Roll, mijnen, op een publieke veiling bij afslag koopen ; ook in den zin van koopen eener courant bij abonnement, PK.

1 ui 1 kj 1 kj if kii (zie { uiiiff\\ iets met den meesten

ijver behartigen, bv. kii uj, ma 1 f i^Jjj\'\' }\' \' j •\'\' \' f

) . na* ) To

k 11 m -11 if cm jn aj^ u 1 1 1 mi 1 11 ui 1 111 (tjj, 1 1 dn ^i if f 1

Hl (Kl/f \\ C. S.

IA fd dn K iu(lf I 1 2 If fA2 (KI miMf I 12 1 1 jP \'•quot; No/\' I lf \' I 2

dn i(fi\\ spelfouten) zie mi 11 dn mis V rg. uui ma Kirgt;

. ) . )

lA \'f ldlIIJS Zie KII f Idlll \'S\\

(il S (i! \'

) O . . )

d.^ f Kiiii kj s zie m^ 11 un m/fs

i i kiiii \\ zie d, ii f i mi \\s (igt; (,i

. ) • )

rui uKjip zie muf uifjps

S ) s . /

iVAIfiLldS UI If UI 2 S Zie dfDliW


-ocr page 1254-

I I I ^ i ij I. n \\

)

11 tj f I

111.2

iquot;! f I Ar. mansnaam () in a r.

naam van den rijkszetel van Vorsl Joe-dis tir a.

11 tj f.i zie ij ui Jny}^

. ) quot; )

r:) if iKrif^s zva. i i if i i (r.

n ^

r.i tf HjI Htijj zie if.fi}, ni

tl f i.ui nn\\ zva. I) / hi I.ii G. Men. »/ » /? ,\' immnw

s 1 a

o Of,

11 (E\'l (1:1 \\ zva. I I IF 1 l.i (t.

hs- vs-

(C^ f i in r I zie mi l.i i i \\\\

0 ; ~)

(in u tetyi zie /. /gt; /; «i» if

rquot;)

1 I if i I ? bil f\\ „ie if it 12 ii ii/fs

O o o . . O quot;gt;

I I if .lt;) . I Ki i,n \\ zie ii I f in „i iwji \\

) )

iifi.ini/j zie hnfi^/jjini

■i:^ f I 1 nijj kx. vertwyteleu , G. Vry. .lto /u^n

■\'\' ZLe u,l *\'

III I -1 fl il

iiiii^n {zie hn-i!L,ii,i)\\ KW. troepen aanvoeren VB f / y m \\ kn. bladerrijk , G.

zie in f i ~ I n\\\\

i i lt;• I uji\\ kn. nemen, zich loeeigcncn, v. vn ti/j

) ^ . ... ■)

i^i i i/f zie o ij ti \'iiU fx

ï \\ ■ . )

I I i I I \\ KN. Zie nil f I ~ I A

n n

\' I •\'I :jjf i\' ii f\\ kn. in het wilde, alles door elkander, G. vry. i;» .* / overal roiidsnulTelen, in het

wilde rond zoeken, bv. in een bosch , Kh.


J. KW. Krü. Til, IC)—17: (i in fn.ijnamiLis vkl. iyf i mi ^ i\\ C. 55.

» i if i n^i/js zie nn j j i iqs

n ct c) gt;

l l il\'ltl-\'l/JS Zie I. II iVI I l/f\\

( ^ O O

r » / / ;_^ï\\ KW. zva. ( i ijiéW

iifini/f kn. teregtwijzen, op den regten weg brengen, G. iifiiuji\\ of iii.\'iiLi/j\\ Ar. werk; kn. iuz. iemands werken, liandelingen, met het ooy op de daarmee behaalde verdiensten {ook ten kwade f). Wangsallan: ini «l /y ri i v ili t i f i ru ui\\ wat (n) overkomt, is slechts het loon van (uwe)werken, (nw) verdiende loon, C. S.; vry. iUiiiqs — n t) u i f Zie ook mi f i n i p ri!fiiuj\\ kn. smullen, met smaak eten, Rh.

nr^(Ei n.i\\ zie i.y ri iv)\\\\

i i (En iLiun ^\'ii Tf aoi n zie cei iiiw

quot;) o . : ) ) O • y y n T

i i f i ii^i \\ zie /. ii 1n i f\\\\ i i (Ej n.i mi wjjs ICl. r 13. .1.

XLVIir, 2, 2 en kw. Krit. ib 0. S,

■) ^ ) O

/ ; .*ƒ ;}y uu an ff \\ zie i i\'Ej m}7NN

quot;gt; n o n

i i li~jjj zva. i i 11 ~ j\'*\'2/J^ zie 11/11 u ^ inp quot;•

) ■)

iitfEi ^^i.i.i/fs zie i,ii ti f 11 hjji\\

ii ei // {jjrondv). in.\'/ Jys) het geluid van het gonzen of suizen, gonzend naderen, zooals van vliegen, bijen enz. gonzen, gonzend naderen ,ƒ(?. zich ergens vertoonen , van iem. die zich zelden laai zien, Rh. WP. 41-8

i I ,• i ?ï\\ ~zz: rm f i zie i i ei fV AS.

ii ; i. i nn/j\\ zie un ei . i mifw W angsallan: tyiyum

ei ih i n if ijs ia -- un 11 ~.J S

) . ^

1 1 1f ! I ^1 KH/J\\ Zie I II If f I —ï gt;\'gt;1^

) O , • \') O v quot;) -) -) O

il.i.liiif (:/e h II I ~ I I II f) I l .• l spr. zijn iiandcn vol hebben , Rh.

i i f i i ii,f\\ zie un (Ei-jh^hd\\ •tvw

n

i n f i\\\\

Óen

i i ; i \\ kn. snuiven, va?i een beest-, vrn. a n i in,] G. t\'l ^

zie mn k. i w

cq

: ) S . Cï s i I i zie i,ii fiw co co

iiiuiitns zie n i.n t ti •\'i tw \' \'co \' \'co

quot;gt; . O

i i f i ii i/i zie i ii f i ii i/i\\ ■

co co - \'

o

en liii.\'ini/j^

co

fii ï»/1 / ^ /.» / 7 L / N\\

y lt; o ven

ï -) . )

i i f i ii i\\ zie i,ii ei u i/is

Cq, 1, dcj V/

\' \' / \' /H1 l! I,n /\'Nquot; roult;^zwt,I,vcn gt; omdolen

» ; .\' V zie m co

werker. G.

0 • • ) ■

1 i Ei-^ zie kii iiw

co co

■) C-quot;) • ■) CO I I f l\\ Zie I, tl ! »NN co co

quot;) , , ) .

i I II Ell \\ Zie 1,111) •

\' ( O • c O

//.//? MW

ii i i i, zie ri in f f i^ Den \'\'

ii)}!\'}/ sie ihiiji}/ en {zie r/ui^ ook bij o/over iets toeziet houden, bv. in dun strijd, IS. .1. WXII, 13, !J, C. S. i-i ij gt; n bel. vohj. Rh. zijn

vijand met toegevendheid behandelen, hem niet met dezelfde munt betalen. ;

l ufyn iji.ii {zie ooi üich met zWi vergonoegen, mi\'/ ge/uigenis van anderen in plaats van zelf to zien, 1!. J. IjVI , 3, 2; J,. 3, C. S.

rji } 11} ^ ii/n \\ zte ij i\'}} quot;JV*

) . o . quot;) ,

i I i ~j ii i\\ zie i,ii .\'i~i iw

) lt; l x éJl

ll EI!iyj\\ Zie I.II EI

ii f i\\ zie hn iw co co

W sie \'1W

({l

, , . , )1 i i .\'ii.i zie hu ,■ i in/j^ cncj co

\'f, , lt; 7I /o \' JN ZlC\' \'11 quot;* V ( \' c\'n

O O . quot;gt;

i I f i ii i, zie i ii i ii 11

(D \'i. lt; .* \'

L/i i ;/;\\un. tegenstand ; tegen-


-ocr page 1255-

♦ in m I ii ,1111 m i ii\\

1108

I l ij miiiii Jn ij in hi£\\ zie mi ij niiisirjs

n

I I ij mttyj \\ zie h n ij on n n/j

iiyfanihiJj\\ kn. afsiiijdcu, doorbiiijdcn} (i. Pry. *1 lUrjon rip

u m j kn. iemand op den weg ufwachteu. G. sn zic unnrtf BV.

\'l,:irla,VV zva- \'/\' 1\'/\'i(M ongedekt zijn, 15. T. Dj. 41S.

o 1

i I ij in? \\ I I \'1 ili ij mi Ii^i \\ zie i/n if rnt n i p

II ii ij in \\ zie gt; 11 nfrf rnw Pry. iitnw zie mi ri] (tip

ti 11 int I I \\ «ie 11 oil ^ nn

i iijrnt zie hnrj.i:n?\\\\

o - o .

I I ij (mi jti ii oj I I if vm I n \\ zie /. u »ƒ i n j w

gt; • T

I I a :r^ ; i ti ij hu \\ zie ^ i.

) • O

i:i ij .v.m (injj\\ zie i.n tyarm lt;Hii]\\ ,

)

\'1

i j ij im uj ij I.II\\

, ) o o i 11 ii inns

s

n i ij\\ zie » /ƒ 11 en .ini»:i^\\\\ IVanysallau: i i nn »y

M I 11 gt;1 (bil è .1 11 - K1 (L^ l . O.

quot;l\'T \'TT

) 1 C \\ O O

/1 i n- ri zie i. mm mw i i rijinijj zie ? y 1.

il iiiiPi\\ Ar. j\\.A£,kn. Ilebrecuwseli. ; gt; »m » i ii

JJCT O

i j de Hebreeuwaclie taal. »ƒ vu i ; rn i.j \\ llebrecr,

Jood.

/ ei . x

yj ri tnini zie ij i n i nv

) i . c gt;

tf i i? in n zie yj int in w

i isirijj mi j zie i.n ryriij bij r.Yj un,j\\

i i ij irnt i,n/j\\ zit\' ij v.iy un p ) o

\' / \' \'J \')\'/N zie \' \'i u quot; P

() o . 1 \'

i i bij ion zie [by i,n/)^

i ri n mi/j zie ilt;n i n i.n j\\

P-ï

iiii^mip zie in i y i.n j\\ cn r.i^nn^

ij i n ijiiTni hu/i ■ zie tj i.m ij i n t iiii;j\\

) O y» ) 1 O . )

i 11 ii hii of iiini.n zie i-niiii iii

lil^ •\' KJ, (

. quot;) o . , , ,

\'quot;/\'•quot;/ L II.

) o .

i i gt;i i:ii ijii zie ij i n i gt;

^ o . 1 )

» m:m /.»/ i 71.1,11 i.n/j\\

O o . ) i \' m /; zie i n i, n\\s

hl bi

iiyj-nf,/ jmj/s Ar ^U^!) Jiciinav tics Bunn-liartigon, d. i. Gods: een der namen van de Por-

hll 71 I

sten van Sal a en Djocja.

O

biiihnji zie mirnfoii/j^

. )

i^i^ i o j\\ zie ,mi i.i^tni/j \\

quot;quot;iiy )

m ni^s ^

o

\'It/ in 11 I N Z/.e hll rj in ILHj \'11

■gt;

. .. \'-»gt; ni.i\\

\' I. (Til

t ,r

nirtj^n-ns lie ijj j., njjji.nj zie inarri J ini.js

) ■ ... ) )

i i iD ji.n j zte bij i ii gt; i j i iijf en i n i ij/jj,n

iiiojjbnp zie

. \' )

11 \'i i\'H /n zw i\'\'i 7iigy? \'

I n il Y ; kn. een toovergebed uitspreken (Sh1.

a b h im a ntru, zegen); vry. gt;/ .

\'LijV,N zie \'\'YcV^

.i.Wnn

o

I J frï .11 11 N ?D) CJ gt; «id? Vf li 11 J w

CV . cy i 1 bi zte h n bi \\

i i r] n kn. vuiligheid. (Een ander zie bij ip)w v

n i ; J/ bi gt; ^6\' y \'\'quot;7\'V^nn quot;) s Cl • / ^ ^ li \\f

/ /»,/ m /ys ^ nn i:£\\ lgt;\\.

i i ii :iprii\\K.w. ijdel, vruchteloos, vergeefs, mislukt, G. ivh. onyeveer zva. \' / gt;ƒ \\ni2 \\ bij » n ^

ij crui t\\ BV.

T O O ^ f \'

i i bi i n.f zie mi bi i.n /jw \' i \'ip mi gt; n ifi bn j {Zte i n Ki nii/iY RP. 39, 6 v. o.

i i ij i.n i.n/j zie i n ij iprmijj\\

tquot;) o • O o

\' ; i£i i, n j zie i, n (ifl b n j\\

) • )

i i if ipri,n j zie i,n if bil mi j\\

ini/j^ zie \'-\'h p ij i 11 ij bi i b nj \\ zie ij i, ii i ij i:i tbit j\\ ij inij (ip ? ij bn t ij bii\'mi.j zie ij i n t ifi igt;n/j\\

\' 1 \' 1 s ) gt; \' ,, )

i i li mi {zie bn brmi)\\ rzi 1,11 i.i i.n n bi.j^ VKl. /.|i uu uijjs voorkomen, schijn, eiy. inwendige neiging, uit iemands voorkómen te gissen. {Zón iets schijnt bedoeld In Wiany saltan : 1, n ip /. 11 • n ij in i m ■ bii^ m iw ibi rni C. S.).

BV.

)

1 1 i£i H ij zie n n i^i idi \\

n ï ■ . ■) o

1 1 bt 1,11 n iji zie bn 1.1 mi 111 p

c ^ o

if i n t i n I J. Wanysaltan: i n ic^ n

I nj I

tlJ),S 7) I LI 1/ KI n mi gt;111 1,11 LLI HI • ri \\ C. S.

^ 1 \' 1 \' Cn cJ

) ) . ) ) I 11 ii lii ij Kn Zf-0 i.n in t .n.p

Ur. , Abbas, oon: van Moliummud.

) o . )

\' I r.r^ ii^ \\ zie i.n t tj, )i ip

) ) -gt; . gt; .

- 117(1 i n \\ zie .17») niy^\\

•) T . )

i i(i:tiiiii,j\\ zie i.n i n Ii J ui J

1 1 bi ij \' 1 n zie 1,11 mij 1 }i \\\\

r

1 1 bi ii bn/: kn. vindingrijk, vernuftig, veel kunstsmaak bezitten ie, scherpzinnig, WW.

) . quot;) 1 1 ifj 11 h ij zie hii bj 11 n i/j\\

1 1 ifj 111 bi ft zie 1,11,^1 f 1 n 1


-ocr page 1256-

) O 1

i i i,i i \'i n i/j\\

) ■gt; o I I I I m ;

11(14.

■) o rgt; ) o i

f I /;■/ / ; h n i^i i i n i/j

) o • \'. )

iii,i ui n.ijj zie tlt;n ifi 11 a i/j -

; ) (?)quot;\'• ) lt;0 nift ms zie i. u ipi gt; i vgt;

»; /ƒ ip n i/js zie I. ii ij ip /lt;

■) . )

\' \' \'•\'/ \'V V N \'*quot; \' / quot;

i i if ip {\'TA KnjJ zie quot;quot; \'/ \'j\' (Uj KH/p

) ) . c~) n

ii i.i 11 iii.ii/p zic i.n i.i if I yii/js

~) ^ . n )

I I I.I.LI II I J Zie It II 1.1 LI

) o n . ^) o o

ii i.i li ii i,i zie i.n i.i tJi hi js

~) o o . loo

\'\' \'r1 i,\' h quot;Ii ZLe Hn \'•quot;//N

( quot;) \' • cquot;)

I i /t J hiyj zte i.n i.j flj/i /.»^n

) • quot;)

f / jy Ltï \'i\'/ij zie i, a (lAJ^ lx II ƒ \\

» ; /. / .\'-MN /./i 1,1 t i/j\\

) o . ) o

I I i.i ri n i/j zie Kil i.i tbi iijjj\\

i y quot; \' )quot; y ... gt;\' gt;■ .

II i.i 1,1 \\ kn zva. niiiihii bij ui Lm vooral van

kou of ziekte: inzonderheid van pluimveey vrtj.

quot;) /

UII I; J. ^ NN

) / • O Z\'

n i~j y \\ zie h ii ifj i^ w

I ! IJ I, id if Ki i \\ zie i, il 111.11 if ifi i en H V.

H I 111 ki \\ ongev. zva. 11 if »o? ijj\\ v. tui kj bij nu

maar sterker.

Ov • Ov,

u n zie an m w

. . o t

if m \\ zie n.ii liw

i i »1n kw. zva. i ii (Ln 7 ^\\ Vry. i/n ilw G. volff. W.

zva. i/\'n if rmiji\\ (K. T. 2e dr., 101, o. mo el het een andere bet eekenis hebben; misschien schrijjfoiii voor riilm^ zva. n n irl nnjf \\ KW. trek of lust tot iets hebben ? 11).

(i:i lt;}7^\\Kyv. zva. rfmifLnMjtwjis verliefd zijn , G.

ii zie iniigt;\\ en li^w

if in if li gt; iw kn. voor iemand van zoal men eet of drinkt, neemt enz. overlaten of overhouden. gt;.» if 11 if r:} q (LH in ff * /. v. — if ii if i.i; am alt;yf of if n if n I ii Hijf ook if I I if i^i wat men van eten, drinken, enz. overhoudt en aan een ander geeft.

i:\\ i:^ injf \\ zie i7^anjj\\

if o 2 rf i 11 an,f n zie i n if 111 in,f\\

) o . )

iiriij\\ zie ui rnw

iiif vm l\'j \\ kn. naar een k o n au g gelijken : zie if i f in u piw

if i i if I t\\ kn. dienen, in dienst zijn {ook transit, hij iemand dienen, J. Z. 101, 12. iii i if li i ia.n np 0 V. o. if i i if li ) if aci if\' 111, u/f\\\\ if iti rf i i Yf li if lis onbepaald in dienst zijn, dienen, Lakon C. S.);

y/\'y. if i i if 11 if I I n\\ hij iemand in dienst zijn, iemand dienen; iemand te wille zijn. — li n i i if i i 11aun\\ iemand hij wien men iu dienst isj WP. 434, en de dienst zelf. ifticifiparri nifri/in anamajiif li if li niü/js wees vlijtig in je dienst!

■ ) O O ) O O o . ,

i i rmi j kn. vermanen. — i i i i gt; i q i/n \\ lemafia wv-

manen, G. Vrg. h?i nsw iy i i n in /j \\ naam van een plaats in Sam ar any:

Oengaran.

) •

i ii ^ f i/j zie iii i.yrijf\\

vyS/ quot; rl ,L^

, ) . . .

ia li\\ zie liw

if i I if *kn.; i-1 n if if zva. if -ii if ii \\ if -ii if n

li (Kijf {zie af-ii) C. S.

) ^ .O

n a i mi ju nun \\ zie ui i i w

» :quot;) •

i i Ktiaojfs zie i.y 6

h h Kit inj\\ kw. voor iets aangezien worden of kunnen doorgaan, gelijkt li. .1.

kw. Krit. XL VI , 23: /. u i,?i li irn asi ili n i ui \\ Ml

f.oO

, . . O O C*7) quot;) li I l

1: nj^Ki rKUjjj ... imun an ^.i tin ai i, njjs 15. «J. 1-,

N. Krit. XII, 10 11: .7.7^ i(j uil kh an , j j /»

hii\\ C. S.

ie i/ mi 2 anjf \\

ie I/ iniê in

if \' i ij kii ilt;gt;

If L\'l 2 If \'Ktl l IKlJf V. If LII2 If ini2 KIJI Ate If

/f v. if mi if iman

LLi?nrn\\ kn. voor iemand of iets uit den weg gaan;

Ov a/ a* a/ o n vrn. iiilt;ii\\ i in mi n\\\\ Ir.

~)

if i 11 if ii il2 mi -ju if h ii \\ if li if mi »lt; n ju i, n anjf zie if if mi 2 an /j\\

ï\'i if mi2 lm \\ kn. bekennen, belijden, GW. {Ma do er

: un hrjs dus i i

o .r v (?) o -gt;

ajj\\ V.) LI If mi 2 KIKLim

f i^ Iiiiif zich zelf onregtnmtig toeëigenen, onregt-

matig in bezit nemen, Uh.

uiini\\ zva. if in 2 in I \\ zie if t/iuini \\ G. (oo^ zich ver

heffen ? Wang saltan: i n 11i.ii if m jn if m ,112 if

if ili j in j a iïo tiiafi \\ misschien van in^i, ii\\

zich opblazen? gelijk een i,i^ilt;ii trotseh, verwaten

zijn C. S.

iTjj Krj \\ zie .injinps

if 11 »ƒ kn. keffen G.

if 112 if uh2 \\ zva. if Li2ifani2\\ bij if n? if ini2\\ Tj. ook een holle maag hebben, hongerig zijn, Rh.

• 1 .• gt;

*1 ri Liiji zie bij ui miuii/f^

, D . O

nif i iis zva. 11

\'1 \'l \'di KWquot; wrijven, om vu

if l i2if a\'i \\ zie if 1

tl 07J Lj| n zie lii^ft

Tiiii zie h

1111 (zie ili)\\

1 ;i0, 7, c. s.

Lri(Kl\\ ZVU. I.IIIKIW

O

am if mi 2 mi/f of if iKa if h n ? mijf

l i cm s zie 1 1 rwAN if 1121:17,7 /f \\ zie 1 n 11 a. 1 q \\


1,^0

•ti v

-ocr page 1257-

ó„

cm ij * it \\

s

I j (K I l \\\\

. twee stukken hout tegen elkander lur te maken, G. zie i n an w li \'h? n (Kiiw fJI^W

th\'G

l?P. 4, 0 v. o.; (uil riiHii v J. W.

bifci \\ li 05

O (pi

\' \' •\' j\' N ~ ie ?^NS

Mij; kn. openbare veiling. — openlijk

geveild worden, C. S. Vrg. uÏuli\\ bij ij m n\'iw rj l i ij i i lli injin /ƒ r/ » i jh ii w

d\'ncnj pKW. zva. i rif rrm\\ zie (uii ^nrmw

G) (Pgt; ■ c O n

» i (»/» \\ (T/J I I .

. O- O . ( )

ij 11 i 11 i\\ zie hu i,j \\\\


-ocr page 1258-

mm

-ocr page 1259-
-ocr page 1260-
-ocr page 1261-
-ocr page 1262-

.

-ocr page 1263-