-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

^KiomaS a KempiS;

JJ IT HET AT IJ N DOOR

L. PETER S, Pr.

Kerkelijk Goedgekeurd.

Stoom-Snclpersdriik van

P. STOKVIS amp; ZOON.

te \'s-Hertogeubosch.

-ocr page 8-

Kerkelijk goedgekeurd.

Excum et in lucbm edi

PERMIT TJ TUE. Ruraemondae, 8 Decembris 188IJ.

1». J. II. ItUSSKl,, Can. et I»rof,

ad hoc delegatus.

REIMPRIMATUR.

Haklemi, die 11 Juuii 1887.

.1. F. VKEUT,

Viv. Gen. Episc. llarlemen-

REIMPRIMATUR.

Buscouuci, diü 22 Septembris 188U.

J. .1. VEUSTERKEN, Koctor,

(ld hoc delegatus.

-ocr page 9-

INHOUD.

—-KliDf—

EERSTE BOEK.

Nuttige lessen voor het geestelijk leren. Hoofdstuk. Bladz.

1 Over de navolging van Christus en

de verachting van alle wereklsche

ijdelheden....., . . . . 1

2 Over de geringachting van ziohzelven 4

3 Over de leer quot;der waarheid .... 6

4 Over een voorzichtig gedrag ... 11

5 Over het lezen der H.\' Schrift. . . 13 G Over de ongeregelde hartstochten. 14

7 Vlucht de ijdele hoop en den hoogmoed 15

8 Over eene te groote gemeenzaamheid 17

9 Over de gehoorzaamheid en onder

werping. ..........18

lü Over het vermijden van nuttelooze gesprekken.........20

11 Over de middelen tot vrede en den

ijver tot voortgang .....22

12 Over het nut der tegenspoeden. . . 25

13 Over liet weerstaan der bekoringen 27

14 Over de lichtvaardige oordeelvellingen 32

15 Over de werken uit liefde verricht. 34 \'

16 Over het verdragen der gebreken

van anderen . ........35

17 Over het kloosterleven.....38

18 Over liet voorbeeld der hèilige vaders 39

19 Over de oefeningen van den waren

kloosterling.........44

20 Over de liefde tot eenzaamheid en

stilzwijgendheid........49

-ocr page 10-

II

Hooi. jstuk. Bladz.

21 Over de ingekeerdheid des harten . 55

22 Beschouwingen dor menschelijke

ellende...........58

28 Overdenking des doods.....()4

24; Over het oordeel en de straften dei-

zonden ...........70

25 Over de ijverige verbetering onzes

levens...........76

TWEEDE BOEK.

Vermaningen tot het imvendige leven.

1 Over het inwendige leven .... 85

2 Over de nederige onderwerping . . \'Jl

3 De goede vreedzame mensen . . . 93

4 Over de reinheid des harten en eenvoudigheid in bedoeling .... 95

5 Over de beschouwing van zichzelven !)7 (i Over de vreugde van een goed geweten 100

7 Over de alles overtreffende liefde tot

Jezus . . . . ,......103

8 Over den vertromvelijken omgang

met Jezus..........105

9 Over het missen van allen troost . 109

10 Over de dankbaarheid voor de genade

Oods............115

11 Over de weinige vrienden van Jezus\'

kruis............119

12 Over den koninklijken weg. des

heiligen Kruises.......122

DERDE BOEK.

Van dm inwendigen truost.

1 Over het inwendige onderhoud van Chris tus niet de geloovige ziel. . 134

-ocr page 11-

ill

Hoofdstuk. Bl.

2 Do waarheid spreekt in ons zonder

gedrnisch van woorden.....

3 Het woord Gods moet met ootmoed

gehoord worden; velen nemen het

niet ter harte........

-1 Men moet in waarheid en ootmoed voor God wandelen......

5 Over de wonderbare werking van

Gods liefde.........

6 Over den toetssteen, der ware liefde.

7 Dat men de genade onder de hoede

der nederigheid moet verbergen. .

8 Hoe gering men zich moet achten

in het oog van God......

9 Dat men alles tot God, als het laatste

einde moet terugbrengen ....

10 Hoe genoeglijk het zij, met verachting

der wereld, God te dienen. . . .

11 Dat men de begeerten zijns harten

moet toetsen en matigen ....

12 Over het oefenen der lijdzaamheid en

het bestrijden der kwade lusten. .

13 Over de gehoorzaamheid van een

nederig onderhoorige, naar het voorbeeld van Jesus Christus .... 1-J: De overweging van de verborgen oordeelen Gods, een middel tegen zelfverheffing........ .

15 Hoe men zich bij al liet wenschelijke

moet gedragen, en hoe men moet bidden...........

16 Dat men bij God alleen waren troost

moet zoeken.........

-ocr page 12-

IV.

Hoofdstuk. Bladz.

17 Dat men alle zorg op (rod moet werpen. 185

18 Dat men alle rampen des levens,

naar het voorbeeld van Christus, met gelijkmoedigheid moet dragen. 187 IS) Over liet verdragen van smaad. De ware geduldige......1Ü0

20 Over de bekentenis van eigene zwak

heid en over de rampen (les levens. 193

21 Dat men in God boven alle goederen

en gaven moet rusten ..... 197

22 Over het herdenken van Gods menig

vuldige weldaden.......202

23 De vier dingen die den vrede grcote-

lijks bevorderen. ..;.... 205

24 Dat men moet vermijden naar eens

anders gedrag nieuwsgierigheid te onderzoeken ......\' . . . 209

25 Waarin de duurzame vrede en de

ware voortgang bestaan .... 211 2(5 Over de liooge waarde van een vrij gemoed, dat men eerder verkrijgt door nederig bidden dan door veel lezen. 214

27 Dat de eigenliefde van het hoogste

goed ten sterkste aftrekt .... 210

28 legen kwaadsprekende tongen . . 220

29 Dat men in wederwaardigheden God

moet aanroepen en zegenen . . . 221

30 Dat men Gods hulp moet afsmeken

en op de wederkomst der genade vertrouwen.........223

31 Om den Schepper te vinden moet

men alle schepsel laten varen . . 227

32 Over de zelfverloochening en ver

zaking van alle begeerlijkheid . . 23^

-ocr page 13-

. V.

Hoofdstuk. Bladz.

50 Over ile onstandvastigheid des harten en dat Gud onze laatste bedoeling-

zijn moet . ......... 23i

De ware minnaar vindt hij alles en boven alles in God zijn genoegen . 23() io Dat men in dit leven niet yeilig is voor bekoringen ....... 239

ij() Tegen de ijdele beoordeelingen der menschen.......... 241

37 Over den zuiveren en geheelen afstand

van zichzelven om de vrijheid des harten te bekomen.......244

38 Over een goed bestuur in het uitwendige en hoe men in gevaren zich tot God moet begeven.......246

31) Dat men zich aan geene overdreven

bezorgdheid mag overgeven . . . 248 t() Dat de mensch uit zichzelven niets goeds heeft en over niets kan

roemen...........250

tl Over de versmading van alle tijdelijke eer..........253

ti Dat men zijnen vrede niet bij menschen moet zoeken. ...... 254

m de ijdele wetenschap der wereld 250

14 Dat men zich het uitwendige niet

moet aantrekken.......259

15 Dat men niet aan allen geloof mag geven, en over het licht struikelen in woorden.........261

:ü Dat men bij scherpe woorden op God

moet vertrouwen . ......265

Dat men alle lijden om het eeuwige leven moet verdragen.....270

-ocr page 14-

VI.

Hoofdstuk. Bladz.

48 Over deu dag der eeuwigheid eu de

ellende van dit leven......273

-t!) Over het verlangen naar het eeuwige leven; en hoe o\'roote goederen den strijders beloofd zijn......278

50 Hoe in .mistroostigheid de menseh

zich in Gods baud moet overgeven. 28i

51 Dat men zich op geringer werken

moet toeleggen, als men in ver

hevener te kort schiet.....2(J0

52 Men achte zich geen troost, maar eer

straf waardig........292

53 Dat Gods genade niet bestaanbaar

is met aardschgeziudheid .... 295

54 Over de verschillende neigingen der

natuur en der genade.....298

55 Over de verdorvenheid der natuur eu

de kracht der goddelijke genade . 305

56 Dat wij ons zelveu moeten verlooche

nen eu Christus op den weg des kruises volgen........310

57 De menseh zij niet te neerslachtig

wanneer hij in eenigeu misslag valt. 313

58 Men mag geene te verheven zaken

noch de verborgen raadsbesluiten

Gods onderzoeken.......316

59 Dat men alle hoop en vertrouwen op God alleen moet stellen . . . 324

VIERDE BOEK.

Ooer het II. Sacrament des Altaars.

1 Met hoeveel eerbied men Christus moet ontvangen........329

2 Over de goedheid eu liefde, door

-ocr page 15-

vit.

Hoofdstuk. Bladz. God in het heilige Sacrament den mensch bewezen.......338

3 Hoe nuttig het is dikwijls te com-

municeeren.............343

4 Over de groote voordeelen aan eene

godvruchtige Comnmnie verbonden. 347

5 Over de waardigheid van het Sacra

ment en over den priesterlijken staat. 352

6 Ondervraging naar eene oefening

vóór de H. Communie.....356

7 Over het onderzoek des gewetens en

het voornemen ter verbetering . . 357

8 Over do opoffering van Christus aan

het kruis en de opoffering van zicli-

zelven...........300

ü Hoe wij ons en het onze moeten opofferen en voor allen bidden . . . 303

10 Dat men de H. Communie niet licht

moet achterlaten.......376

11 Dat het Lichaam van Christus en

de H. Schrift voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn. . . 372

12 Dat degene die communniceeren wil,

zich met groote vlijt moet voorbereiden 379

] 3 Dat eene godvruchtige ziel van gan-scher harte moet verlangen naar de vereeniging met Christus in het

Sacrament.......... 383

14 Over het vurig verlangen van

sommige godvruchtigen naar het Lichaam van Christus.....386

15 Dat de genade der godsvrucht door

ootmoed en zelfverloochening verkregen wordt........ 388

-ocr page 16-

vnr.

Hoofdstuk. Bladz.

JC Dat wij onze behoeften aan Christus moeten blootleggen en zijne genade

afsmeeken . .\'........ 391

J 7 Over de gloeiende liefde en brandende

begeerte om Christus te ontvangen. 393 18 Dat de menseh aangaande liet Sacrament niet nieuwsgierig mag onderzoeken, maar dat hij Christus nederig moet navolgen en zijne zinnen aan het heilig geloof onder

werpen ...........397

AANHANGSEL.

Morgengebed..........403

Avondgebed...........407

Gebeden onder de H. Mis.....411

Biechtoefeningen.........425

Gebeden vóór en na de H. Communie . 432

Gebeden onder bet Lof......438

Litanie tot de H. Drievuldigheid. . . 443 „ tot den H. Geest. ! . . . . 448 van den Allerheiligsten Naam

Jezus..........457

„ ter eere van de H. Engelen . 4G1 „ tot den H. Jozef ...... 408

van het Allerheiligste Sacrament 474 „ van het Lijden van Jezus

Christus . .\'.......480

,, van de Allerheiligste Maagd

Maria..........490

tot lafenis der geloovige Zielen. 494

„ van alle Heiligen.....502

...-£=*=3—.

-ocr page 17-

EERSTE BOEK.

NUTTIGE LESSEN VOOR HET GEESTELIJK LEVEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

Over de navolging van Christus en de verachting van alle wereldsche ijdelheden.

IVü mij volgt, wandelt niet in de duisternis, zegt de Heer. (Joan. 8) Dit zijn de woorden van Christus, waardoor Hij ons vermaant zijn leven en gedrag na te volgen, willen wij waarlijk verlicht en van alle blindheid des harten verlost worden.

Onze voornaamste bezigheid zij dus over \'t leven van Jezus Christus na te denken.

De leer van Christus overtreft al de leeringen der Heiligen, en wie zijn geest bezate, zou daarin een verborgen manna vinden,

-ocr page 18-

\'j

Maar velen, na \'t Evangelie dikwijls gehoord te hebben, gevoelen er geen groot verlangen naar, omdat zij den geest van Christus niet bezitten.

Wie dan de woorden van Christus ten volle wil verstaan en smaken, trachte zijn geheel leven Hem gelijkvormig te maken.

Wat baat \'t u diepzinnig over de Drievuldigheid te twisten, zoo \'t u aan ootmoed ontbreekt, en gij dus der Drievuldigheid mishaagt?

Waarlijk, verheven woorden maken den heilige en rechtvaardige niet, maar een deugdzaam leven maakt behaaglijk aan God.

Ik wensche liever de vermorzeling des harten te gevoelen, dan daarvan de beschrijving te kunnen geven.

Al wist gij den ganschen Bijbel van buiten, met al de gezegden der wijs-geeren, wat zou u dat alles baten zonder de liefde en genade Gods?

IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdel-heid, (Eccl. i) behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen.

-ocr page 19-

8

De hoogste wijsheid is deze: door de verachting der wereld naar \'t rijk des hemels te streven.

\'t Is dus ijdelheid verganklijke rijkdommen te zoeken en daarop te vertrouwen.

Ook is \'t ijdelheid eergierig te zijn en zich tot een hoogen staat te verheffen.

IJdelheid is \'t de lusten des vleesches te volgen en datgene te verlangen, wat eens zwaar moet worden gestraft.

\'t Is ijdelheid een lang leven te wenschen en zich weinig om een goed leven te bekommeren.

IJdelheid is \'t alleen te letten op het tegenwoordige leven en niet te voorzien wat er op volgen moet.

\'t Is ijdelheid zich te hechten aan hetgeen zoo haastig voorbijgaat, en zich niet derwaarts te spoeden, waar de vreugde eeuwig blijft.

Denk dikwijls aan deze spreuk: het oog wordt niet verzadigd van zien, noch het oor van hooren. (Eccl. i.)

Tracht dan uw hart van de liefde tot \'t zichtbare af te trekken, om t te keeren tot \'t onzichtbare.

i

-ocr page 20-

4

Want die hunne zinlijkheid opvolgen bevlekken hun geweten en verliezen de genade Gods.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de geringachting van ziclizclveu.

Ieder mensch is van nature begeerig om veel te weten: maar wat baat de wetenschap zonder de vreeze Gods?

Beter voorwaar is een nederig landman die God dient, dan een hoogmoedig wijsgeer die, terwijl hij zichzelf vergeet, den loop der hemellichamen naspoort.

Wie zichzelven recht kent, wordt gering in zijn eigen oogen en vindt geen vermaak in den lof der menschen.

Al wist ik alles wat er in de wereld is, en ik had de liefde niet; wat zou \'t mij baten voor God, die mij oor-deelen zal naar mijne daden ?

Ontdoe u van een te grooten weet-lust: want daarin wordt groote verstrooiing en bedrog gevonden.

Die veel weet wil gaarne verstandig schijnen en heeten. Er is zocveel

-ocr page 21-

waarvan de kennis weinig of geen nut aan de ziel toebrengt!

En hij is wel zeer onverstandig die zich op iets anders toelegt, dan op hetgeen zijne zaligheid bevordert.

Vele woorden verzadigen de ziel niet; maar een goed leven verkwikt den geest, en een rein geweten geeft een groot vertrouwen op God.

Hoe omvangrijker en volkomener uw wetenschap is, hoe strenger gij er naar geoordeeld zult worden, zoo gij niet heiliger geleefd hebt.

Verhef u alzoo niet op eenige gave of wetenschap ; maar vrees liever wegens de u geschonken kennis.

Meent gij veel te weten en vrij wel te verstaan; denk dat er nog veel meer is, dat gij niet weet.

Heb derhalve geen hoog gevoelen van uw wetenschap; maar erken liever uw onwetendheid.

Waarom wilt gij u boven iemand verheffen, daar er velen gevonden worden geleerder en in Gods wet ervarener dan gij?

-ocr page 22-

6

Wilt gij iets nuttigs weten en leeren, begeer onbekend te zijn en voor niets geacht te worden.

De hoogste wetenschap en de nuttigste les is, zichzelven wèl te kennen en niets te achten.

Van zichzelven niets te maken, en van anderen steeds wèl en gunstig te denken, is een groote wijsheid en volmaaktheid.

Zoo gij iemand openlijk zaagt zondigen of zwaar misdoen, behoordet gij u daarom niet beter te achten: want gij weet niet, hoe lang gijzelf in \'t goede kunt staande blijven

Wij allen zijn zwak; maar gij, houd niemand voor zwakker dan uzelf.

DERDE HOOFDSTUK.

Over de leer der waarheid.

Gelukkig hij, dien de waarheid door zichzelve onderwijst, niet door beelden noch voorbijvliegende woorden, maar zoo als zij is!

Onze meening en ons gevoelen bedriegen ons vaak; zij zien niet verre.

-ocr page 23-

Wat baat veel twislens over vei borgen en duistere zaken, welke niet geweten te hebben ons in het oordeel tot geen verwijt zal strekken?

\'t Is een groote dwaasheid het nuttige en noodige te verzuimen, om zich te meer met het nuttelooze en schadelijke op te houden. Wij hebben oogen, en zien niet!

Wat vermoeien wij ons met spitsvondige wijsgeerige vraagstukken?

Hij, tot wien het eeuwige Woord spreekt, bekommert zich niet meer met vele twistredenen.

Alles is uit dit éene Woord, alles spreekt daarvan. Het is \'t beginsel dat tot ons spreekt; zonder dat verstaat niemand iets wèl of oordeelt juist.

Hij, voor wien dit éene alles is, die alles tot dit éene terugbrengt, en alles in dit éene ziet, die kan stand vastig van harte zijn en in God bestendige rust genieten.

O God! Gij, die de waarheid zelve zijt 1 maak mij éen met LJ door eeuwige liefde!

-ocr page 24-

8

Het verveelt mij dikwijls veel te lezen en te hooren; in U is alles wat ik wil en wensch.

Dat alle leeraars zwijgen, dat alle schepselen voor Uw aanschijn verstommen! spreek Gij alleen tot mij.

Hoe meer iemand ingetogen en eenvoudig van harte is, te meer en verhevener zaken zal hij zonder moeite verstaan: want van boven zal hij \'t licht des verstands ontvangen.

Eene zuivere, eenvoudige en standvastige ziel zal zelfs in veel arbeids niet verstrooid raken, omdat zij alles doet ter eere Gods en zich van alle zelfzucht tracht vrij te houden.

Wat hindert en bezwaart u meer dan de onbedwongen neigingen uws harten?

Een vroom en godvruchtig mensch ordent eerst bij zichzelf de werken, die hij uitwendig moet verrichten.

Hij laat zich bij zijn handelingen niet door de verlangens zijner bedorven neiging wegsleepen : maar hij schikt die naar de inspraak van de gezonde rede.

-ocr page 25-

9

Wie heeft een harder strijd dan hij die tracht zichzelven te overwinnen?

En nochtans moest dit ons voornaamste werk zijn : onHzelven te overwinnen, dagelijks in krachten over onszelven toe te nemen en in het goede eenigszins te vorderen..

Alle volmaaktheid in dit leven gaat van eenige onvolmaaktheid vergezeld en geen onzer beschouwingen is van alle duisterheid vrij.

Een nederige zelfkennis is een zekerder weg tot God, dan de diepste wetenschappelijke nasporing.

Wel is waar niet de wetenschap of elke eenvoudige kennis eener zaak is te laken: zij is, op zichzelf beschouwd goed en door God verordend; maar een goed geweten en deugdzame wandel zijn steeds daarboven te achten.

Wijl echter de meesten meer haken naar kennis dan naar een deugdzaam leven, daarom dwalen zij zoo dikwijls en brengen geene of weinige vruchten voort.

O, indien zij even grooten ijver had-

-ocr page 26-

10

den om gebreken uit te roeien en deugden aan te kweeken, als om twistvragen op te werpen, dan zou er niet zoo veel kwaads en aanstootelijks onder het volk, geene zoo groote verslapping in de kloosters zijn.

Waarlijk, wanneer de Oordeelsdag komt,- zal men ons niet vragen, wat wij gelezen, maar wat wij gedaan, niet hoe wèl wij gesproken, maar hoe godvruchtig wij geleefd hebben.

Zeg mij: waar zijn nu al die heeren en meesters, die gij zoo goed hebt gekend, toen zij nog leefden en door hunne wetenschap beroemd waren?

Anderen genieten nu hun inkomsten, en ik weet niet of deze wel eens aan hen denken. Bij hun leven schenen zij iets te zijn, en nu zwijgt men van hen.

Hoe ras gaat de heerlijkheid der wereld voorbij! Mocht hun leven aan hunne kennis beantwoord hebben, dan zouden zij met vrucht gestudeerd en geleeraard hebben.

Hoe velen gaan in de wereld niet verloren door hun ijdele wetenschap,

-ocr page 27-

11

dewijl zij zich weinig hekommeren um den dienst van Godl

En omdat zij liever groot dan nederig willen zijn, daarom worden zij verijdeld in hun overleggingen.

Waarlijk groot is hij, die een groote liefde bezit.

Waarlijk groot is hij, die klein is bij zichzelven en den hoogsten trap van eer als niets acht.

Waarlijk wijs is hij, die al het aard-sche acht als vuiligheid, om Chri tus ie winnen. (Philipp. 3)

En hij is waarlijk wèl geleerd, die Gods wil doet en zijn eigen wil verzaakt.

VIERDE HOOFDSTUK.

Over een voorzichtig gedrag.

Men mag niet alle woord noch alle ingeving gelooven; maar men moet eene zaak voorzichtig en bedaard volgens God overwegen

Helaas 1 dikwijls gelooft men en zegt men van een ander eer het kwade dan het goede; zoo zwak zijn wij!

-ocr page 28-

12

Maar volmaakte menschen gelooven niet licht elk verhaal: want zij weten dat de menschelijke zwakheid ten kwade overhelt en licht in woorden zondigt.

\'t Is een groote wijsheid niet overijld te werk te gaan en niet hardnekkig zijn eigen oordeel te volgen.

Hiertoe behoort ook, dat men niet al de gezegden der menschen geloof geeft, en hetgeen men hoort of gelooft niet aanstonds aan het oor van anderen overbrengt.

Beraad u met een verstandig en nauwgezet man, en zoek liever door eenen betere onderricht te worden, dan uw eigen hoofd te volgen.

Een deugdzaam leven maakt den mensch wijs voor God en in vele opzichten ervaren.

Hoe ootmoediger iemand bij zich zeiven is, en hoe meer onderworpen aan God, hoe verstandiger en rustiger hij in alles zal zijn.

-ocr page 29-

13

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over liet lezen «Ier H. Schrift.

Waarheid, geen welsprekendheid moet men in de H. Schrift zoeken.

Men moet de geheele H. Schrift lezen met denzelfden geest, in welken zij gesteld is.

Wij moeten in de H. Schrift meer trachten naar geestelijk voordeel dan naar sierlijkheid van taal.

Wij moeten even gaarne stichtelijke en eenvoudige boeken lezen als verhevene en diepzinnige.

Houd u niet op bij het gezag van den schrijver, af hij van kleine of groote geleerdheid zij; maar liefde tot de zuivere waarheidzette u tot lezen aan.

Vraag niet wie dit gezegd hebbe; maar let op hetgeen gezegd wordt.

De menschen gaan voorbij; maar des Heeren waarheid blijft eeuwig.

Zonder aanzien van personen spreekt God tot ons op velerlei wijze.

Bij \'t lezen der Schrift hindert ons dikwijls onze nieuwsgierigheid, daar

-ocr page 30-

14

wij bevatten en beredeneeren willen hetgeen wij eenvoudig moesten voorbijgaan.

Wilt gij er voordeel uit trekken, lees nederig, eenvoudig en geloovig en beoog nooit den naam van geleerde.

Ondervraag gaarne en hoor stilzwijgend de woorden der Heiligen; en dat de spreuken der Ouderlingen u niet mishagen; niet zonder reden toch worden zij aangehaald.

ZESDE HOOFDSTUK,

Over de ongeregelde hartstochten.

Zoodra een mensch iets ongeregeld begeert, wordt hij aanstonds bij zichzelf onrustig.

De hoogmoedige en gierige rusten nooit, maar de arme en nederige van geest hebben overvloed van vrede.

De mensch, die zichzelf nog niet volmaakt is afgestorven, wordt ras bekoord en door de kleinste, ja nietigste zaken overwonnen.

De zwakke naar den geest en die nog eenigermate vleeschelijk is en tot

-ocr page 31-

15

\'t zinlijke overhelt, kan zich moeilijk van de aardsche begeerlijkheid geheel losmaken.

Daarom heeft hij dikwijls droefheid, als hij zich daaraan onttrekt; ook wordt hij licht toornig, als iemand hem tegenstreeft.

En heeft hij verkregen wat hij begeert, terstond wordt hij bezwaard door \'t verwijt van zijn geweten, omdat hij zijne drift ingevolgd is, die nie\'s toebrengt tot de bevrediging die hij zocht.

Door de driften alzoo te weerstaan wordt de ware vrede des harten gevonden, niet door ze in te volgen.

Er is dus geen vrede in \'t hart van den vleeschelijken mensch, noch in dengene die aan \'t uiterlijke is overgegeven, maar bij den ijverige en geestelijk gezinde.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Vluclit de ijdele hoop cn den hoogmoed.

IJdel is hij, die zijne hoop op men-schen of schepselen stelt.

Schaam u niet, uit liefde voor Jezus

-ocr page 32-

16

Christus, anderen te dienen en in deze wereld arm te schijnen.

Sta niet op uzeWen, maar vestig uwe hoop op God.

Doe wat in u is, en God zal uw goeden wil ondersteunen.

Vertrouw niet op uw wetenschap, noch op de doorslepenheid van eenig sterveling, maar liever op de genade van God, die de nederigen helpt en de vermetelen vernedert.

Roem niet op de rijkdommen, zoo gij ze bezit, noch op uw vrienden, omdat zij vermogend zijn; maar op God, die alles geeft en zichzelven boven alles wenscht te schenken.

Verhef u niet op de groorte of schoonheid des lichaams: want de ge ringste ongesteldheid kan die verminken of misvormen.

Heb geen zelfbehagen wegens uw bekwaamheid of verstand, opdat gij niet mishaagt aan God, wien alles toebehoort wat gij van nature goeds bezit.

Acht u niet beter dan een ander, opdat gij niet slechter bevonden wordt

-ocr page 33-

17

voor God, die weet wat in den mensch is.

Verhel u niet op goede werken; want de oordeelen Gods zijn anders dan die der menschen. Hem mishaagt dikwijls, wat den menschen behaagt.

Hebt gij iets goeds, denk van anderen beter, om den ootmoed te bewaren.

Het schaadt niet als gij u beneden allen stelt; maar zeer veel schaadt het zoo gij u boven een enkelen stelt.

Bij den nederige is duurzame vrede maar in het hart des hoogmoedigen dikwijls ijverzucht en toorn.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over ecne te groote gemeenzaamheid.

Leg uw hart niet voor iedereen bloot; maar spreek over uw zaken met den wijze en godvreezende.

Verkeer zelden met jongelieden en vreemdelingen.

Vlei de rijken niet en verschijn niet gaarne voor de grooten,

-ocr page 34-

18

Voeg u bij de nederigen en eenvoudiger!, bij de vromen en deugd-zamen, en spreek over \'t geen stichtelijk is.

Wees niet met eenige vrouw gemeenzaam, maar beveel alle goede vrouwen in \'t algemeen aan God.

Wensch met God alleen en zijn Engelen gemeenzaam om te gaan, en ontwijk de aandacht der menschen.

Liefde moet men voor allen hebben; maar gemeenzaamheid doet geen nut.

Somtijds gebeurt \'t dat een onbekend persoon door zijn goeden naam schittert, wiens tegenwoordigheid nochtans de oogen der aanschouwers kwetst.

Wij denken somtijds anderen te behagen door onzen omgang, en wij beginnen eer te mishagen door de verkeerdheid van zeden, in ons opgemerkt.

NEGENDE HOOFDSTUK,

Over «1c gehoorzaamheid en oiKlcrwerpinK-

\'t Is een zeer groot iets onder gehoorzaamheid te staan, onder een overste te leven en niet zijn eigen meester te zijn.

-ocr page 35-

19

\'t Is veel veiliger onderhoorige dan overste te zijn.

Velen zijn onder gehoorzaamheid meer uit dwang dan uit liefde; ook Lebben zij moeilijkheid en morren licht.

Zij zullen de vrijheid des geestes niet verkrijgen, voor zij zich om Gods wille van ganscher harte onderwerpen.

Loop ginds en herwaarts, gij zult geen rust vinden, tenzij in een nederige onderwerping aan het bestuur van uw overste.

De verbeelding dat het hun door verandering van plaats beter zou gaan, heeft velen bedrogen.

\'t Is waar dat elk gaarne naar zijn eigen gevoelen handelt en diegenen meer genegen is, die van zijn gevoelen zijn.

Maar zal God in ons wonen, dan moeten wij ook somtijds om vredes-wille ons gevoelen opgeven.

Wie is zoo wijs dat hij alles volkomen weet ?

Vertrouw dan niet te veel op uw eigen gevoelen, maar wil ook gaarne het gevoelen van anderen hooren.

-ocr page 36-

20

Is uw gevoelen goed, en geeft gij het echter om Godswille op, om dat van een ander te volgen, gij zult daardoor te meer voortgang maken.

Want ik heb meermalen hooi en zeggen, dat :t veiliger is raad te hooren en aan te nemen dan te geven.

Het kan zijn dat \'t gevoelen van ieder goed is; maar naar anderen niet te willen luisteren, als de rede of de zaak het vordert, is een teeken van hoogmoed en halsstarrigheid.

TIENDE HOOFDSTUK.

Over het vermijden van nnttelooze gesprekken.

Mijd, zooveel gij kunt, het gewoel der menschen: want het behandelen van wereldsche zaken hindert groote-lijks, al geschiedt het met een zuiver oogmerk.

Wij worden zoo ras door de ijdel-heid besmet en gevangen!

Ik wenschte dat ik meer gezwegen en niet onder de menschen verkeerd hadde-

Maar waarom spreken wij en onder

-ocr page 37-

21

houden wij elkander zoo gaarne, ofschoon wij zelden zonder kwetsing des gewetens tot stilzwijgen wederkeeren?

Daarom spreken wij zoo gaarne, omdat wij door onderlinge gesprekken troost bij elkander zoeken, en \'t door velerlei gedachten bezwaarde hart wen-schen op te beuren.

Ook spreken en denken wij zeer gaarne over hetgeen wij zeer beminnen of begeeren, of over hetgeen ons tegenstaat.

Maar helaas 1 dikwijls zonder nut en te vergeefs: want die uitwendige troost doet niet weinig hinder aan den inwen-digen en goddelijken troost.

Daarom waak en bid, opdat de tijd niet ledig voorbijga.

Staat het vrij en komt het te pas te spreken, spreek over iets stichtelijks.

Een kwade gewoonte en de veronachtzaming van onzen voortgang zijn veelal oorzaak, dat wij geen wacht houden over onzen mond.

Echter bevordert niet weinig onzen geestelijke voortgang een godvruchtig

-ocr page 38-

22

gesprek over geestelijke onderwerpen, vooral wanneer zich daartoe in God vereenigen personen, die éen van hart en ziel zijn.

ELFDE HOOFDSTUK.

Over de middelen tot vrede, en den ijver tot voortgang.

Veel rust en vrede konden wij hebben, wilden wij ons niet bemoeien met de woorden en daden van anderen, welke ons niet aangaan.

Hoe kan hij lang in vrede blijven, die zich met eens anders zaken bemoeit, die steeds buiten zichzelven gelegenheden tot bekommering zoekt, en weinig of zelden tot zichzelven terugkeert ?

Gelukzalig de eenvoudigen : want zij zullen overvloedigen vrede hebben.

Waarom zijn sommige Heiligen tot zulk eene volmaaktheid en hooge bespiegeling gestegen?

Omdat zij getracht hebben a!le aard-sche begeerlijkheden af te sterven. Daarom konden zij met geheel hun

-ocr page 39-

2:i

hart Gode aanhangen, en zich vrij met zichzelven ophouden.

Wij houden ons te zeer met onze eigene driften op, en ontrusten ons te veel over hetgeen voorbijsnelt.

Zelden ook overwinnen wij een eenig gebrek geheel, en wij worden niet tot dagelijkschen voortgang aangevuurd: daarom blijven wij koud en lauw.

Waren wij onszelven volkomen afge storven en van binnen niet in verwar-ling, dan konden wij ook het goddelijke smaken en iets van de hemelsche bespiegeling ondervinden.

Het grootste, ja eenige beletsel is, dat wij niet vrij zijn van driften en begeerlijkheden, en dat wij niet trachten den volmaakten weg der Heiligen in te slaan.

Ook als ons de geringste tegenstand ontmoet, zijn wij aanstonds terneergeslagen en wenden wij ons tot den troost der menschen.

Deden wij ons best om als dappere mannen in den strijd te staan, voorwaar wij zouden des Heeren hulp van den hemel over ons zien neerkomen.

-ocr page 40-

•24

Hij toch is bereid die strijden en op zijne genade hopen te helpen. Hij geeft ons gelegenheid tot strijden, opdat wij overwinnen.

Stellen wij onzen voortgang in \'t goede alleen in uiterlijke oefeningen, onze godsvrucht zal dra een einde nemen.

Laat ons de bijl aan den wortel leggen en onze ongeregelde driften uitroeien, opdat wij een rustig gemoed mogen bezitten.

Mochten wij elk jaar éene ondeugd uitroeien, wij zouden spoedig volmaakte mannen zijn

Maar nu ontwaren wij dikwijls het tegendeel en bevinden dat wij in het begin onzer bekeering beter en zuivei-der waren, dan wij nu nr. vele jaren zijn.

Dagelijks moesten onze ijver en voortgang toenemen, en nu schijnt het al veel, als iemand van zijn eersten ijver een gedeelte kan behouden.

Deden wij ons in den beginne slechts een weinig gewelds, wij zouden daarna

-ocr page 41-

alles met gemak en vreugde kunnen doen.

Zwaar valt het eene gewoonte af te leggen, maar het is nog zwaarder tegen zijn eigen wil te handelen.

Zoo gij nu het kleine en lichte niet overwint, hoe zult gij het zwaardere te boven komen?

Weersta in den beginne uwe neiging en ontdoe u van eene slechte gewoonte, opdat zij ii niet allengskens in grootere zwarigheid brenge.

O, indien gij besefte welke rust gij uzelven en welk genoegen gij anderen veroorzaakt door u wèl te gedragen I ik geloof dat gij voor uw geestelijken voortgang meer bezorgd zoudt zijn,

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over het uut «Ier tegenspoedeii.

Het is ons goed dat wij somtijds eenige moeilijkheden en tegenspoeden hebben, want dikwijls roepen zij den mensch in zijn binnenste terug, in zooverre hij gevoelt dat hij in ballingschap

-ocr page 42-

26

is en zijne hoop op niets ter wereld stellen moet.

Het is goed dat wij somtijds tegenspraak ontmoeten, en dat men kwaad en ongunstig van ons denkt, zelfs als wij wèl doen en het wèl meenen; dit bevordert dikwijls den ootmoed en bewaart ons voor ijdele roemzucht.

Want dan, als wij van buiten door de mens-hen veracht of niet goed beoordeeld worden, zoeken wij beter God tot onzen inwendigen getuige.

Daarom moest de mensch zich zoo geheel in God vestigen, dat hij niet noodig had veel menschelijken troost te zoeken.

Wordt een welgezind mensch bedrukt, bekoord of door kwade gedachten gekweld, dan gevoelt hij dat hij God \'t meest noodig heeft, zonder wien hij ziet dat hij niets goeds vermag.

Dan ook treurt hij en zucht en bidt wegens de rampen die hij lijdt.

Dan verdriet \'t hem langer te leven en wenscht hij dat de dood kome, opdat hij moge ontbonden worden en met Christus zijn.

-ocr page 43-

27

Dan ook ontwaart hij recht dat er op de wereld noch volkomen veiligheid, noch volle vrede kan bestaan.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Over het weerstaan der bekoringen.

Zoolang wij in de wereld leven, kunnen wij niet zonder kwelling en bekoring zijn.

Daarom staat er bij Job; \'s inen-schen leven op aarde is een strijd. (Job 7)

Daarom moest ieder bij zijn bekoringen op zijn hoede zijn, waken en bidden, opdat de duivel geene gelegenheid vinde tot verleiding: want die slaapt nooit, maar gaat rond zoekende wien hij kan verslinden. (Petr. 5)

Niemand is zoo volmaakt en heilig dat hij niet somtijds bekoringen heeft: zelfs kunnen wij die niet geheel en ai ontberen.

Hoe lastig en moeilijk de bekoringen ook vallen, zij zijn dikwijls den mensch zeer nuttig, omdat hij daardoor vernederd, gereinigd en onderwezen wordt.

-ocr page 44-

28

Alle Heiligen zijn vele verdrukkingen en bekoringen doorgegaan, en aldus volmaakt geworden.

Maar zij die de bekoringen niet konden doorstaan, zijn bezweken en verworpen geworden.

Geen stand is er zoo heilig, geen plaats zoo verborgen, waar geen bekoringen of wederwaardigheden zijn.

Zoolang de mensch leeft is hij niet geheel veilig tegen de bekoring : want de bron der bekoring is in onszelven, daar wij met begeerlijkheden geboren worden.

Wijkt de eene bekoring of moeilijkheid, de andere is daar ; en altoos zullen wij iets moeten lijden, daar wij den schat van ons eerste geluk verloren hebben,

Velen trachten de bekoringen te ontvluchten en vallen daarin te dieper.

Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen, maar door geduld en waren ootmoed worden wij sterker dan al onze vijanden.

Wie slechts van buiten ontwijkt en

-ocr page 45-

29

niet den wortel uitrukt, zal weinig vorderen; ja te eer zullen de bekoringen tot hem wederkeeren, en zal hij zich te erger bevinden.

Allengskens en door geduld en lankmoedigheid zult gij ze met Gods hulp beter overwinnen, dan door een hardnekkig en lastig tegenstreven.

Zoek dikwijls raad bij de bekoring, en wil den bekoorde niet hard behandelen ; maar bied hem troost, zooals gij wenschen zoudt dat men ü deed.

Onbestendigheid van geest en gering vertrouwen op Gcd zijn de bron van alle kwade bekoringen.

Want gelijk een schip zonder stuurman door de baren heen en weer geslingerd wordt, zoo wordt een kleinmoedig mensch, die van zijn voornemens al wijkt, op velerlei wijze bekoord.

Het vuur beproeft het ijzer, de bekoring den rechtvaardigen mensch.

Dikwijls weten wij niet wat wij kunnen ; maar de bekoring toont wat wij zijn.

Nochtans moet men waken, vooral

-ocr page 46-

30

bij den aanvang eener bekoring; want lichter wordt de vijand overwonnen, als men niet duldt dat hij de ziel binnentreedt, maar hem, zoodra hij aanklopt, aan den drempel weert.

Daarom heeft iemand gezegd: weersta i7i het begin; als artsenij nood\'g wordt, is 7 te laat.

Want eerst vertoont zich aan de ziel de enkele gedachte, dan een sterke voorstelling, vervolgens het welbehagen, de kwade beweging en de toestemming.

Zoo treedt de booze vijand allengs-kens geheel binnen, als men hem niet in den beginne tegenstand biedt.

En hoe langer iemand wacht met weerstand bieden, hoe zwakker hij dagelijks in zichzelven wordt, en hoe sterker tegen hem de vijand.

Sommigen lijden zwaardere bekoringen in het begin hunner bekeering, anderen op het einde.

Sommigen worden gekweld schier hun leven lang, anderen slechts licht bekoord, volgens de wijze en billijke

-ocr page 47-

31

beschikkingen Gods, die den staat en de verdiensten der menschen weegt, en alles tot heil zijner uitverkorenen voorbeschikt.

Daarom moeten wij, wanneer wij bekoord worden, niet wanhopen maar te vuriger God bidden, dat Hij ons in alle wederwaardigheid gelieve bij te staan: Hij toch zal, volgens het gezegde van Paulas, met de bekoring ook de uitkomst geve7i om haar ie kunen verdragen.

Buigen wij dan bij alle bekoring en wederwaardigheid ootmoedig onze zielen onder de hand van God : want Hij zal de nederigen van geest redden en verheffen.

Welken voortgang de mensch gemaakt heeft, blijkt bij bekoringen en ongevallen. Ook dan neemt de verdienste toe en komt de deugd meer uit.

Het is niets groots dat een mensch godvruchtig en ijverig is, als hij geen zwarigheid gevoelt; maar wanneer hij ten tijde van tegenspoed het geduldig uithoudt, dan is er hoop op grooten voortgang.

-ocr page 48-

32

Sommigen worden gt;oor zware bekoringen bewaard en dikwijls in kleine, dagelijksche overwonnen; opdat zij, vernederd, in het groote nooit te veel op zichzelven mochten vertrouwen, daar zij zich in het kleine zoo zwak toonen.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Over de lichtvaardige oordeelvellingen.

Sla uw oogen op uzelven en wacht u de daden van anderen te beoordeelen.

Wie anderen beoordeelt doet verloren arbeid, dwaalt veel en zondigt licht.

Maar wie zichzelven beoordeelt en beproeft, handelt altoos met vrucht.

Zooals eene zaak ons ter harte gaat, oordeelen wij veeltijds daarover: want door onze eigenliefde wijkt ons oordeel licht van de waarheid af,

Ware God altoos het eenig doel onzer begeerten, wij zouden zoo licht niet ontroerd worden wanneer men onzen zin weerstaat.

-ocr page 49-

Maar dikwijls schuilt er van binnen iets of doet zich iets van buiten op, dat ons nog medesleept.

Velen zoeken in \'tgeen zij doen heimelijk zichzelven, en weten \'t niet.

Ook schijnen zij in goeden vrede gevestigd, als de zaken naar hun wensch en zin gaan; maar valt iets tegen hun wensch uit, terstond zijn zij ontroerd en droevig.

Uit \'t verschil \\an meening en gevoelen ontstaat dikwijls genoeg tweedracht tusschen vrienden en medeburgers, tusschen geestelijke en godvruchtige personen.

Een oude gewoonte laat zich moeielijk afleggen; en niemand wordt gaarne van zijn eigen zienswijze afgebracht.

Indien gij meer steunt op eigen doorzicht of kloekheid, dan op de kracht uwer onderwerping aan Jezus Christus, gij - zult zelden en dan nog laat een verlicht man worden; want God wil dat wij ons volkomen aan Hem onderwerpen, en dat wij door een brandende liefde alle eigen doorzicht te boven stijgen. 2*

-ocr page 50-

34

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Over de werken uit liefde verricht.

Om niets ter wereld en ter liefde van geen enkel mensch mag men iets kwaads doen.

Nochtans mag men vrij, ten nutte van hem die het noodig heeft, somtijds eenig goed werk uitstellen of liever door een beter vervangen.

Op deze wijze toch gaat liet goede werk niet verloren, maar in een beter over.

Zonder liefde kan een uitwendig werk niets baten, maar alles wat uit liefde geschiedt, hoe gering en ongeacht het zij, wordt geheel vruchtbaar.

Want God weegt meer waarom iemand handelt, dan de daad die hij verricht.

Hij doet veel, die veel bemint. Ook doet hij veel, die iets wèl doet.

Hij doet wèl, die meer het algemeen belang dan zijn eigen wil dient.

Dikwijls schijnt iets liefde te zijn en is eerder zinlijkheid: want zelden laten

-ocr page 51-

35

natuurlijke neiging, eigen wil, hoop op vergelding en baatzucht zich buitenslui ten.

Wie eene ware en volmaakte liefde bezit, zoekt in niets zichzelven, maar wenscht dat de eer van God alleen in alles bevorderd worde.

Ook benijdt hij niemand, omdat hij geen vreugd bemint die hij alleen geniet.

Niet in zichzelven wil hij zich ver heugen, maar in God wenscht hij boven alle goederen zijn eenig geluk te vinden.

Aan niemand schrijft hij iets goeds toe, maar brengt het geheel terug tot God, uit wien als uit eene bron alles voortvloeit, en in wien als hun laatste einde alle Heiligen zalig rusten,

O! wie een vonkje der ware liefde bezat, hij zou in waarheid gevoelen dat al het aardsche vol ijdelheid is.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Over liet verdragen der gebreken van anderen

Wat de mensch in zichzelven of in anderen niet kan verbeteren, dat moet hij geduldig verdragen, totdat God het anders beschikke.

-ocr page 52-

36

Denk dat \'t zoo wellicht beter is om u te beproeven en in lijdzaamheid te oefenen, zonder welke al onze verdiensten niet veel te achten zijn.

Nochtans moet gij wegens zulke beletselen bidden dat God u te hulp kome, opdat gij ze goedwillig moogt verdragen.

Indien iemand, eens of tweemaal vermaand, niet luistert, wil niet met hem twisten; maar geef het alles aan God over, opdat zijn wil geschiede en Hij in al zijn dienaren verheerlijkt worde; Hij toch weet wel het kwade ten goede te keeren.

Beijver u geduldig te zijn in \'t verdragen van de gebreken en allerlei zwakheden van anderen, daar ook gij veel hebt dat anderen verdragen moeten.

Kunt gij uzelven? niet zóo maken als gij wenscht, hoe kunt gij dan een ander naar uwen zin hebben?

Wij willen gaarne anderen volmaakt hebben, en wij verbeteren onze eigene gebreken niet.

-ocr page 53-

37

Wij willen dat anderen streng bestraft worden, en wij willen niet dat men ons bestraffe.

Veel toegevendheid voor anderen mishaagt ons, en nochtans willen wij niet dat men ons weigere hetgeen wij vragen.

Wij willen dat anderen door regels in toom gehouden worden, maar zeiven willen wij in niets bedwongen zijn.-

Dus blijkt het hoe zelden wij onzen naaste als onszelven achten

Waren allen volmaakt, wat zouden wij dan van anderen om Godswil te verdragen hebben?

Maar nu heeft God het zoo geschikt, opdat wij leeren elkanders lasten te dragen.

Want er is niemand zonder gebrek, niemand zonder last, niemand zich-zelven genoegzaam, niemand voor zicli-zelven wijs genoeg.

Daarom^ moeten wij elkander ver dragen, elkander troosten, als ook helpen, onderwijzen en vermanen.

Hoe groot dan de deugd van iemand zij, blijkt best ten tijde van tegenspoed.

-ocr page 54-

88

Want niet de gelegenheden maken den mensch zwak, maar toonen wat hij is.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Over het kloosterleven.

Gij moet uzelven in vele opzichten leeren buigen, wilt gij vrede en eendracht met anderen behouden.

Het is geen kleinigheid in een klooster of in een vergadering te wonen, aldaar zonder klachte te verkeeren en getrouw te volharden tot aan den dood.

Gelukzalig hij, die een vroom leven gelukkig voltrokken heeft!

Wilt gij behoorlijk volharden en voortgang maken, beschouw u als een balling en vreemdeling op aarde.

Om Christus\' wil moet gij als een dwaas willen beschouwd worden, zoo gij een godvruchtig leven wilt leiden.

Kap en kruin doen er weinig toe; maar verandering van zeden en volkomen versterving der driften maken den waren kloosterling.

-ocr page 55-

39

Wie iets anders zoekt dan God alleen en het heil zijner ziele, zal niets dan kwelling en smart vinden.

Ook kan hij er niet lang in vrede blijven, die niet tracht de geringste te zijn en aan allen onderworpen.

Gij zijt gekomen om te dienen, niet om te heerschen.

Weet dat gij geroepen zijt om te lijden en te werken, niet om ledig te loopen of te klappen.

Hier dus worden de menschen beproefd, gelijk het goud in den oven.

Hier kan niemand het uithouden, tenzij hij zich van ganscher harte ter liefde Gods wil vernederen.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Over het voorbeeld der heilige Vaders.

Vestig het oog op de levendige voorbeelden der heilige vaders, die uitblonken in de ware volmaaktheid en godsvrucht, en gij zult zien hoe gering het is, ja bijkans niets wat wij doen.

Ach, wat is ons leven bij \'t hunne vergeleken 1

-ocr page 56-

40

De Heiligen en vrienden van Christus hebben den Heere gediend in honger en dorst, in koude en naaktheid, in arbeid en vermoeienis, in waken en vasten, in gebeden en heilige overdenkingen, in velerlei smaad en vervolgingen.

Hoe vele en zware verdrukkingen hebben niet ondergaan de Apostelen de Martelaars, de Belijders, de Maagden en al de overigen, die de voetstappen van Christus hebben willen volgen 1

Want zij hebben in deze wereld hunne zielen gehaat, om die voor t eeuwige leven te behouden.

Welk een streng en verstervend leven hebben de heilige vaders in de woestijn geleid 1 Wat lanhdurige en zware bekoringen hebben zij doorgestaan. Hoe menigmaal werden zij door den vijand gekweld 1 Wat menigvuldige en vurige gebeden hebben zij Gode opgedragen, welke strenge onthoudingen

uitgeoefend!

Hoe groot was hun ijver en vurig-

-ocr page 57-

41

heid tot geestelijken voortgang! Welken harden strijd voerden zij bij \'t beteugelen hunner gebreken! Hoe zuiver en oprecht was hunne bedoeling tot God gericht!

Des daags arbeidden zij, en den nacht brachten zij met lange gebeden door, schoon zij onder den arbeid niet ophielden met den geest te bidden.

Al hun tijd besteedden zij nuttig, elk uur scheen hun te kort, in den omgang met God doorgebracht.

Ja, het lieflijke der bespiegeling deed hen de behoefte der lichamelijke verkwikking vergeten.

Van alle rijkdommen, waardigheden, eer, vrienden en bloedverwanten deden zij afstand: zij begeerden niets van de wereld te bezitten.

Nauwlijks namen zij \'s levens nooddruft ; de verzorging des lichaams, zelfs in \'t noodzakelijke, viel hun lastig.

Zij waren dus arm in aardsche goederen, maar zeer rijk in genaden en deugden.

Vanbuiten hadden zij gebrek, maar

-ocr page 58-

42

vanbinnen werden zij door de genade en den goddelijken troost verkwikt.

Der wereld waren zij vreemd, maar Gode zeer nabij en vertrouwelijke vrienden.

In hun eigen oogen waren zij niets en bij de menschen veracht; maar in de oogen van God waren zij dierbaar en uitverkoren.

Zij volhardden in waren ootmoed; zij leefden in eenvoudige onderwerping; zij wandelden in liefde en lijdzaamheid.

En daarom vorderden zij dagelijks in \'t geestelijk leven en verkregen van God groote genade.

Zij zijn aan alle kloosterlingen tot voorbeeld gegeven, en zij moeten ons sterker aansporen tot gestadigen voortgang, dan de menigte lauwen tot verslapping.

Hoe groot was de ijver aller kloosterlingen bij den aanvang hunner heilige instelling! Hoe groot hunne godsvrucht bij het gebed! Hoe groot hun naijvei tot deugd 1 Welke strenge tucht

-ocr page 59-

43

onderhielden zij! Hoe bloeiden bij allen eerbied voor en onderwerping aan de voorschriften huns Meesters!

Nog heden getuigen de nagelaten sporen, dat zij waarlijk heilige en volmaakte mannen geweest zijn, die zoo dapper strijdende de wereld onder de voet gebracht hebben.

En nu wordt hij groot geacht die geen overtreder is, die hetgeen hij op zich genomen heeft, geduldig kan dragen.

o Lauwheid en nalatigheid van onzen stand! dat wij van den eersten ijver zoo spoedig afwijken, ja wegens vermoeiing en traagheid het leven moede worden!

O, dat toch de zucht tot geestelijken voortgang niet geheel mocht slapen in u, die dikwijls zoo vele voorbeelden van godvruchtigen onder het oog gehad hebt!

if PI

-ocr page 60-

44

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Over de oefciiiiigen van den waven kloosterling.

Het leven eens waren kloosterlings moet in allerlei deugden uitschitteren, opdat hij inwendig zij zooals hij uitwendig den menschen voorkomt.

Ja, inwendig moet hij veel meer zijn dan men uitwendig aan hem bespeurt.

Want die in ons binnenste ziet is God, dien wij, waar wij ons bevinden ten hoogste moeten eerbiedigen, en voor wiens aangezicht wij zuiver als Engelen moeten wandelen.

Eiken dag moeten wij ons voornemen vernieuwen en ons tot ijver opwekken, als waren wij eerst heden tot bekeering gekomen.

Wij moeten zeggen: Help mij, Heere God! in mijn goed voornemen en in uw heiligen dienst. Geef dat ik heden eens recht beginne: want wat ik tot nu toe deed, is niets.

Gelijk ons voornemen, zoo is de gang onzer vordering En die wèl wil vorderen, moet groote vlijt aanwenden,

-ocr page 61-

Want als hij die ernstig voorneemt dikwijls verflauwt, wat dan hij die zelden of min ernstig iets voorneemt?

Nochtans geschiedt het verlaten van ons voornemen op velerlei wijze, en ook bet geringste verzuim in onze oefeningen heelt nauwlijks plaats zonder eenig nadeel.

Der rechtvaardigen voornemen hangt meer af van de genade Gods dan van eigen wijsheid; wat zij ook ondernemen, op Hem vertrouwen zij steeds.

Want de mensch wikt, maar God beschikt, en \'s menschen weg is niet in zijn eigen macht.

Indien uit voorkomendheid of om het nut eens broeders somtijds eene gewone oefening nagelaten wordt, zoo kan dit naderhand licht hersteld worden.

Maar indien men ze te licht uit tegenzin of onachtzaamheid verzuimt, zoo is dat zeer te berispen, en men zal het schadelijke ervan ontwaren.

Doen wij ons best, zooveel wij kunnen, nog in vele dingen zullen wij licht te kort schieten.

-ocr page 62-

46

Maar wij moeten altoos iets bepaald voornemen, vooral tegen \'tgeen ons het meest hindert.

Wij moeten zoowel het uitwendige als het inwendige onderzoeken en regelen : want beide helpen tot voortgang.

Kunt gij niet aanhoudend tot uzel-ven terugkeeren, doe het evenwel somtijds, ten minste tweemaal daags, des morgens en des avonds.

\'s Morgens maak uw voornemen; \'s avonds onderzoek uw gedrag: hoe gij dien dag geweest zijt in gedachten, woorden en werken; want misschien hebt gij daardoor dikwijls God en den naaste beleedigd.

Omgord u als een man tegen de listen des duivels.

Bedwing de onmatigheid, en gij zult te lichter al de neigingen van het vleesch beteugelen.

Wees nooit geheel ledig, maar altoos bezig met lezen of schrijven, of met bidden of overdenken, of met iets nuttigs voor het algemeen te doen. Lichamelijke oefeningen nochtans

-ocr page 63-

47

moeten met omzichtigheid geschieden: zij zijn niet voor allen even dienstig.

Wat niet aan allen gemeen is, moet niet in het openbaar vertoond worden : want de bijzondere oefeningen geschieden veiligst verborgen.

Wacht u intusschen van traag voor het algemeene, en ijveriger voor het bijzondere te zijn.

Maar nadat gij het verschuldigde en opgelegde geheel en getrouw verricht hebt, en u nog tijd over blijft, geef u aan uzelven over volgens liet verlangen uwer godsvrucht.

Niet allen kunnen dezelfde oefening hebben; maar den eene dient deze meer, genen eene andere.

Naar den eisch der tijden behaagt verschil van oefeningen: want deze zullen op de feest-, andere op de gewone dagen meer bevallen; sommige hebben wij noodig ten tijde der bekoring, andere ten tijde van rust en vrede. Deze gedachten behagen wanneer wij droevig zijn, gene als wij ons in den Heer verheugen.

-ocr page 64-

48

Tegen de voorname feestdagen moeten de vrome oefeningen vernieuwd en der Heiligen voorspraak te ijveriger afgesmeekt worden.

Van den eenen feestdag tot den anderen moeten wij ons voorstellen, alsof wij dan uit deze wereld verhuizen en tot \'t eeuwige feest zullen overgaan.

Daarom ook moeten wij ons op die tijden van godsvrucht zorgvuldig voorbereiden, godvruchtiger wandelen en te stipter al onze verplichtingen nakomen, alsof wij eerlang het loon onzes arbeids van God stonden te ontvangen.

En wordt dit uitgesteld, denken wij dan dat wij nog niet genoeg zijn voorbereid, en nog niet waardig die groote heerlijkheid, welke ons ten bestemden tijde zal worden geopenbaard, en trachten wij ons beter tot dien overgang voor te bereiden.

Gelukkig de knecht, staat er bij den Evangelist Lucas, dien zijn Heer bij zijne komst wakend zal vinden i Ik zeg u voorwaar, Hij zal hem steken over al zijne goederen.

-ocr page 65-

49

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de liefde tot eenzaamlieid en stilzwijgendheid.

Kies een geschikten tijd uit om met uzelven bezig te zijn, en overdenk dikwijls de weldaden Gods.

Laat daar hetgeen voor de nieuwsgierigheid is; lees zulke stoffen welke meer het hart roeren dan den geest bezighouden.

Zoo gij u onttrekt aan overtollige gesprekken en ledig rondloopen, aan het hooren naar nieuwigheden en geruchten, zult gij genoeg en geschikten tijd vinden om u aan heilzame betrachtingen over te geven,

De grootste Heiligen vermeden zooveel zij konden den omgang met men-schen en verkozen liever God in de eenzaamheid te dienen.

Iemand heeft gezegd: gt;zdo dikwerf ik onder de menschen geweest ben, keerde ik minder mensch terug.quot; Dit ontwaren wij dikwijls, wanneer wij lang met elkander praten.

8

-ocr page 66-

50

Het valt lichter in huis te blijven, dan zich buitenshuis genoeg in acht te nemen.

Wie alzoo tot \'t inwendige en geestelijke komen wil, moet zich met Jezus van de menigte afzonderen.

Niemand verschijnt veilig in \'t openbaar dan hij, die zich gaarne verbergt.

Niemand spreekt veilig dan hij, die gaarne zwijgt.

Niemand is veilig overste dan hij, die gaarne onderdaan is.

Niemand gebiedt veilig dan hij, die wèl geleerd heeft te gehoorzamen.

Niemand verheugt zich veilig dan hij, die de getuigenis van een goed geweten in zich heeft.

Met dat al was der Heiligen gerustheid altoos gepaard met de vreeze Gods.

En zij waren daarom niet minder bezorgd en nederig, omdat zij in groote deugd en genade uitschitterden.

De gerustheid der boozen daarentegen ontspruit uit hoogmoed en vermetelheid, en gaat eindelijk in zelfbedrog over.

-ocr page 67-

5l

Beloof u nimmer volkomen veiligheid in dit leven, al schijnt gij een goed kloosterling of godvruchtig kluizenaar te zijn.

Zij die in het oog der menschen zeer heilig waren, liepen dikwijls te grooter gevaar wegens hun te groot vertrouwen.

Daarom is het velen nuttiger dat zij niet geheel zonder bekoringen blijven, maar dikwijls bevochten worden, opdat zij niet te gerust zijn, zich niet tot hoogmoed laten vervoeren, ook niet te licht tot uitwendigen troost hun toevlucht nemen.

Welk een goed geweten zou hij hebben, die nooit naar eene voorbijgaande vreugde zocht, die zich nooit met de wereld ophield!

Welk een grooten vrede en rust zou hij bezitten, die alle ijdele zorg afsneed, om slechts te denken aan God en zijne zaligheid, en zijne hoop te vestigen op God alleen.

Niemand is den hemelschen troost waardig, tenzij hij zich ijverig geoefend

-ocr page 68-

52

hebbe in eene heilige ingetogenheid des harten.

Wilt gij hartelijk geroerd worden, treed in uwe kamer en sluit bet ge-druisch der wereld buiten, gelijk er geschreven staat: heb berouw op uwe legerstede. (Ps, 4)

In uwe cel zult gij vinden wat gij dikwijls daarbuiten zoudt verliezen.

Goed gehouden, wordt de cel steeds aangenaam, maar slecht bewaard, baart zij verveling.

Hebt gij ze in het begin uwer intrede wél bewoond en gehouden, z;j zal u daarna eene geliefde vriendin en zeer dierbare troosteres worden.

In de stilte en rust maakt eene vrome ziel voortgang, en leert de geheimen der Schriften kennen.

Daar vindt zij stroomen van tranen, waarin zij zich alle nachten wascht en reinigt, opdat zij met haren Schepper te gemeenzamer worde, hoe meer zij zich van al het gewoel der wereld verwijdert.

Wie zich alzoo van zijn vrienden

-ocr page 69-

53

en bekenden afzondert, dien nadert God met zijne heilige Engelen.

Het is beter verborgen te blijven en voor zich te zorgen, dan wonderen te doen en zich te verwaarloozen.

Het is loffelijk in een kloosterling dat hij zelden uitgaat, vermijdt gezien te worden, ja de menschen niet wil zien.

Waarom zoudt gij willen zien hetgeen gij niet moogt bezitten? De wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid. (Joan. 2)

De trek der zinlijkheid lokt u tot uitgaan ; maar wanneer het uur voorbij is, wat anders brengt gij terug dan een bezwaard geweten en een verstrooid hart?

Een vroolijk uitgaan baart dikwijls een treurig thuiskomen, en een vroo-lijke late avond maakt een droeven morgen.

Zoo treedt, alle zinlijk verinaak aangenaam binnen, maar op het einde kwetst en doodt het.

Wat kunt gij elders zien dat gij hier

-ocr page 70-

54

niet ziet? Ziehier den hemel en de

iTtoch nïl al 06 grondstoffen : daaruit is toch alles samengesteld.

deTon P er?enS Zien\' dat onder

de zon lang kan staande blijven ?

Gij denlct misschien u te kunnen verzadigen, maar daartoe kunt gij niet

En al zaagt gij ook alles voor uw oogen, wat zou \'t anders zijn dan een ijdel gezicht ?

i, Jreirhef ^W, 00gen tot God in den latighéden V00r UW ZOnden en na-Laat den ijdele het ijdele en let gij slechts op hetgeen God u gebiedt.

Sluit uwe deur achter u en roep tot u Jezus, uwen geliefde.

Blijft met Hem in uwe cel; want nergequot;3 zuit gjj zooveel rust vinden_

aart gij niet uitgegaan, noch hadt gU naar reruchten geluisterd, gij zoud^ beter m goede rust gebleven zijn. Van t oogenblik dat gij vermaak orn sorntljds iets nieuws te hooren moet gij ook daarvan de kwelling des\' harten dragen, 6

-ocr page 71-

5b

EEN EK TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de ingekeerdheid des harten.

Wilt gij eenigen voortgang maken, bewaar u in de vreeze Gods, wees niet te viij, maar houd al uwe zinnen ondei tucht en geef u niet aan eene dwaze vreugde over; schik u tot de ingekeerdheid des harten, en gij zult de godsvrucht vinden.

De ingekeerdheid des harten geeft toegang tot veel goeds, dat door uitgelatenheid doorgaans dra verloren gaat.

\'t Is te verwonderen dat een mensch ooit in dit leven recht vroolijk kan zijn, als hij zijne ballingschap en zoo vele gevaren zijner ziele gedenkt en overweegt.

De lichtzinnigheid des harten en het niet letten op onze gebreken zijn oorzaak dat wij de smarten onzer ziel niet ontwaren; dikwijls lachen wij dwaselijk, daar wij met reden moesten weenen1

Er is geen ware vrijheid noch rechte vreugde, tenzij in de vreeze Gods en in (jen goed geweten.

-ocr page 72-

56

Gelukkig hij, die alle verstrooiende hindernis afwerpen en de krachten zijner ziel tot eene heilige ingekeerdheid ver-verzamelen kanl

Gelukkig hij, die alles wegwerpt wat zijn geweten kan bevlekken of bezwaren.

Strijd moedig! een gewoonte wordt door een gewoonte overwonnen.

Kunt gij de menschen laten begaan, ook zij zullen u uw werk laten doen.

Trek u de zaken van anderen niet aan, noch meng u in de aangelegenheden uwer meerderen.

Heb voor alles steeds het oog op uzelven en vermaan uzelven bijzonder boven al uw geliefden.

Hebt gij de gunst der menschen niet, wees daarover niet bedroefd; maar dit valle ii zwaar, dat gij u zoo we\'1 en omzichtig niet gedraagt, als een dienaar Gods en vroom kloosterling betaamt.

Dikwijls is \'t nuttiger en veiliger dat de mensch in dit leven niet veel vertroostingen hebbe, vooral naar den vleesche.

Nochtans dat wij geen goddelijken troost ontvangen of zelden dien ont-

-ocr page 73-

57

waren, is onze schuld; omdat wij de ingekeerdheid des harten niet zoeken en den ijdelen uiterlijken troost niet geheel verwerpen.

Erken dat gij den goddelijken troost onwaardig en eerder velerlei kwellingen waardig zijt.

Wanneer een mensch waarlijk ingekeerd is, dan valt hem de geheele wereld zwaar en bitter.

Een rechtschapen mensch vindt stofs genoeg om bedroefd te zijn en te weenen.

Want hetzij hij zichzelven beschouwt hetzij over zijn naaste nadenkt, hij weet dat hier niemand leeft zonder smart, en hoe nauwkeuriger hij zichzelven gadeslaat, hoe bedroefder hij is.

Stoffen van een rechtmatige droefheid en innerlijk berouw zijn onze zonden en ondeugden, waarin wij zoo verstrikt liggen, dat wij zelden hemelsche dingen kunnen beschouwen.

Indien gij meer aan uwen dood dan aan een lang leven dacht, ongetwijfeld zoudt gij met meer ijver u verbeteren.

3*

-ocr page 74-

58

Zoo gij ook de toekomende straffen der helle of des vagevuurs ernstig overwoogt, dan geloof ik, zoudt gij arbeid en smart gewillig verlragen en geen gestrengheid vreezen.

Maar omdat dit niet tot het hart doordringt, en wij nog gehecht zijn aan hetgeen ons streelt, daarom blijven wij koud en zeer traag.

\'t Is dikwijls bij gebrek aan geesteskracht, dat het ellendige lichaam zoo lichtelijk klaagt.

Bid dan ootmoedig tot God dat Hij u den geest van ingekeerdheid geve en zeg met den Profeet mij, o Heer! met tranenbrood, en laat mij in overvloed tranen drinken. (Ps. 79)

TWEE EN TAV INTIGSTE HOOFDSTUK.

BeschouwinR der menschelijke ellende.

Waar gij ook zijt en werwaarts gij u wendt, zoo gij u niet tot God keert, gij zult ellendig zijn.

Waarom wordt gij ontsteld, wanneer het u niet gaat naar wil en wensch?

Wie is hij die alles naar zijnen wil

-ocr page 75-

59

heeft? Noch gij, noch ik, noch eenig mench op aarde.

Er is niemand ter wereld zonder eenigen druk of kwelling, hij zij koning of Paus.

En wie is er het beste aan? Voorzeker, die iets voor God kan lijden.

Vele onverstandigen en zwakken zeggen: wat heeft die mensch een goed leven! hoe rijk is hij 1 hoe groot! hoe machtig! hoe verheven!

Maar let op de goederen des hemels, en gij zult zien dat al deze tijdelijke niets zijn, maar zeer onzeker en eer tot last, omdat men die nimmer zonder zorg en vrees kan bezitten.

\'sMenschen geluk bestaat niet in overvloed van tijdelijke goederen te hebben: de middelmaat is hem genoeg

In waarheid het is een ellende op aarde te leven.

Hoe meer de mensch naar het geestelijke tracht, hoe bitterder hem het tegenwoordige leven wordt: want te meer gevoelt hij en te klaarder ziet

-ocr page 76-

ÜO

hij het gebrekkige zijner bedorven natuur.

Want eten, drinken, waken, slapen, rusten, arbeiden, en aan al de andere behoeften der natuur onderhevig te zijn is waarlijk eene groote ellende en droefheid voor den godvruchtigen mensch, die zoo gaarne van dat alles ontheven en vrij van alle zonde wezen zou.

Inderdaad de inwendige mensch wordt in deze weield door de lichaa-melijke behoeften zwaar gedrukt.

Daarom bidt de Profeet vurig om daarvan bevrijd te mogen worden, zeggende; Heer\', red mij uit mijne nooden (Ps. 24)

Maar wee hen, die hun ellende niet kennen ! En nog meer wee hen, die dit ellendig en vergankelijk leven beminnen !

Want sommigen zijn daaraan zoo gehecht, schoon zij nauwelijks door arbeid of bedelen het noodige hebben, dat zij, mochten zij hier altoos leven, zich om \'t rijk van God niet zouden bekommeren.

-ocr page 77-

61

O dwazen en ongeloovigen van harte, die zoo diep in \'t aardsche liggen, dat zij in niets dan in \'t vleeschelijke smaak hebben 1

Maar die ongelukkigen zullen tot hunne smart op \'t einde ontwaren, hoe laag en nietig het was wat zij bemind hebben.

De Heiligen Gods daarentegen en alle getrouwe vrienden van Christus gaven geen acht op hetgeen \'t vleesch behaagde, noch op hetgeen in dezen vergankelijken tijd in aanzien was: maar al hun hopen en begeeren haakte naar de eeuwige goederen.

Al hun verlangen streefde naar boven, naar het duurzame en onzichtbare, opdat zij niet door liefde tot het zichtbare naar de laagte mochten getrok ken worden.

o Broeder! verlies toch nooit het vertrouwen op voortgang in het geestelijke : gij hebt nu nog tijd en gelegenheid.

Waarom wilt gij uw voornemen tot morgen uitstellen? Sta op, begin oogen-

-ocr page 78-

62

blikkelijk en zeg: nu is het tijd om te werken, nu is het tijd om te strijden; nu is het de geschikte tijd om mij te verbeteren.

Wanneer gij het kwalijk hebt en gedrukt wordt, dan is het tijd om te verdienen.

Gij moet eerst door vuur en water gaan , voordat gij tot verkwikking komt.

Zoo gij u geen geweld aandoet, zult gij de ondeugd niet meester worden.

Zoolang wij dit broze lichaam omdragen, kunnen wij evenmin zonder zonde wezen, als leven zonder verdriet en smart.

Gaarne zouden wij van alle ellende bevrijd zijn, maar dewijl wij door de zonde de onschuld verloren hebben, is ook het ware geluk voor ons verbeurd.

Daarom moeten wij geduld hebben en Gods barmhartigheid afwachten, totdat de ongerechtigheid voorbijga en het sterflijke verslonden worde door het leven.

Ach! hoe groot is de menschelijke zwakheid, altoos overhellende tot ondeugd 1

-ocr page 79-

63

Heden belijdt gij uw zonden, en morgen doet gij opnieuw wat gij gebiecht hebt.

Nu neemt gij u voor te wachten, en een uur daarna gedraagt gij u als hadt gij u niets voorgenomen.

Met recht dan kunnen wij ons verootmoedigen en nooit eenig hoog gevoelen van onszelven hebben, daar wij zoo broos en onstandvastig zijn.

Ook kan spoedig door onachtzaamheid verloren gaan, wat wij eindelijk na veel arbeids en door de genade nauwelijks gewonnen hadden.

Wat zal er nog op \'t einde van ons worden, die reeds zoo vroeg lauw zijn.

Wee ons, indien wij nu al zoeken te rusten, als ware er nu reeds vrede en veiligheid, daar er zich nog geen spoor van ware heiligheid in onzen wandel vertoont!

Het ware wel noodig dat wij ons, als goede beginners, vannieuws tot betere zeden lieten opleiden, of er nog hoop mocht zijn op eenige toekomende verbetering en grooteren voortgang in de deugd.

-ocr page 80-

64

DT! [E EJs TWINTIGSTE HOOFDSTU K.

Overdenking des doods.

Hier zal \'t weldra met u gedaan zijn; zie maar hoe het met u gesteld is: heden is de mensch, en morgen verschijnt hij niet meer. En is hij eens uit de oogen, dra is hij ook uit de gedachte.

o Blindheid en versteendheid van het menschelijk hart, dat men slechts aan \'t tegenwoordige denkt en \'t toekomende niet meer vooruitziet 1

Gij moest u bij al uw doen en denken zóo gedragen, als moest gij heden sterven.

Hadt gij een goed geweten, gij zoudt den dood niet veel vreezen.

Het ware beter de zonden te vermijden dan den dood te ontvluchten.

Zijt gij heden niet bereid, hoe zult gij het morgen zijn? Morgen is een onzekere dag, en hoe weet gij of gij den dag van morgen hebben zult?

Wat baat het lang te leven, als wij ons zoo weinig verbeteren?

-ocr page 81-

65

Ach 1 een lang leven maakt niet altoos beter, maar vermeerdert dikwijls de schuld.

O, mochten wij ook maar éen dag in deze wereld wèl geleefd hebben!

Velen tellen de jaren sedert hun bekeering ■ maar dikwijls is de vrucht van verbetering gering.

Is \'t verschrikkelijk te sterven, \'tzal wellicht gevaarlijker zijn langer te leven.

Gelukkig hij, die het uur zijns doods steeds voor oogen houdt en zich dagelijks tot sterven bereidt.

Zaagt gij ooit een mensch sterven, denk dat ook gij denzelfden weg zult opgaan.

Rijst de morgenstond, denk dat gij den avond niet halen zult; en is de avond daar, durf u den dag van morgen niet beloven

Wees dus altoos gereed, enleefzóo dat de dood u nimmer onbereid vinde.

Velen sterven schielijk en onverwachts : want des menschen Zoon zal komen op een uur, als men hst niet denkt. (Luc. 12)

-ocr page 82-

66

En als dat laatste uur zal gekomen zijn, zult gij over geheel uw vorig leven gansch anders beginnen te denken, en u zeer beklagen dat gij zoo traag en onachtzaam geweest zijt.

Hoe gelukkig en wijs is hij, die nu bij zijn leven zóo tracht te zijn, als bij zijnen dood wenscht bevonden te worden 1

Want een groot vertrouwen op eenen gelukkigen dood geven eene volko-mene verachting der wereld, een brandende ijver om in de deugd voort te gaan, liefde tot tucht, strenge boetedoening, vaardige gehoorzaamheid, zelfverloochening en \'t geduldig dragen van allerlei rampspoed uit liefde tot Christus.

Veel goeds kunt gij doen terwijl gij gezond zijt; maar wat gij ziek zijnde zult kunnen, weet ik niet.

Weinigen worden door ziekte verbeterd, gelijk zij die veel bedevaarten doen, zelden heiliger worden.

Vertrouw niet op uw vrienden en bekenden, noch stel uw heil tot in de

-ocr page 83-

67

toekomst uit: want de menschen zullen u spoediger vergeten dan gij denkt.

Beter is het nu bijtijds te voorzien en eenig goeds vooruit te zenden, dan op de hulp van anderen te hopen.

Indien gij nu omtrent uzelven niet bezorgd zijt, wie zal in \'t vervolg voor u bezorgd zijn?

Nu is \'t een kostbare tijd, nu zijn \'t de dagen des heil, nu is \'t een aangename tijd.

Maar achl dat gij dien niet beter besteedt, daar hij u toch gegeven is om een eeuwig leven te kunnen verdienen.

Eens zal de tijd komen, dat gij een dag, ja éen uur ter verbetering zult terugwenschen en ik weet niet of gij het verwerven zult?

Ach, zeergeliefde 1 uit hoe groot gevaar kunt gij u redden en van hoe groote vrees u bevrijden, zoo gij r.u altoos in vrees en op den dood bedacht zijt.

Tracht nu zóo te leven, dat gij in het uur des doods u meer verheugen dan ontrusten moogt.

-ocr page 84-

G8

Leer nu der wereld afsterven, op-dat gij dan moogt beginnen met Christus te leven.

Leer nu alles versmaden, om dan vrij tot Christus te kunnen gaan.

I uchtig; nu uw lichaam door boetvaardigheid, opdat gij dan een vast vertrouwen moogt hebben.

o Dwaas! waarom denk gij lang te zullen leven, daar gij van niet éenen dag zeker zijt ?

Hoe velen worden bedrogen en onverwachts uit het lichaam gerukt!

Hoe dikwijls hebt gij niet hoorer. z^êScn . »deze viel door het zwaard, die »is verdronken; deze viel van eene »hoogte en brak den nek, gene stikte »in het eten, deze vond zijn einde onder liet spel?quot;

De eene kwam om door het vuur, een ander door het staal, een ander door de pest, een ander door struik-rooveis En zoo is het einde van allen de dood, en \'smenschen leven gaat als een schaduw schielijk voorbij.

Wie zal uwer na uwen dood gedenken en wie zal voor u bidden?

-ocr page 85-

69

Doe dan, zeergeliefde! doe nu al wat gij doen kunt: dewijl gij niet weet wanneer gij sterven zult, en evenmin wat er na den dood voor u volgen zal

Terwijl gij nog tijd hebt, vergader u onvergankelijke schatten.

Denk aan niets dan aan uwe zaligheid : behartig slechts hetgeen Godes is.

Maak u nu vrienden door Gods Heiligen te vereeren en hun daden na te volgen, opdat zij u, wanneer gij uit dit leven scheiden zult, in de eeuwige woonsteden opnemen.

Houd u steeds als een reiziger en vreemdeling op aarde, wien de dingen dezer wereld niets aangaan.

Houd uw hart vrij en gericht naar boven tot God: want gij hebt hier geen duurzaam verblijf. (Hebr. 13)

Richt daarhenen dagelijks uw gebeden, uw zuchten en tranen, opdat na uw dood uwe ziel verdiene gelukkig over te gaan tot den Heer. Amen.

-ocr page 86-

71)

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.\'

Over het oordeel en de straffen der zonden.

In alle zaken zie op het einde en lioe gij voor den strengen Rechter verschijnen zult, wien niets verborgen is; die door geen geschenken bevredigd wordt, noch verontschuldigingen aanneemt, maar die oordeelt volgens hetgeen recht is.

O ellendige en dwaze zondaar] wat zult gij antwoorden aan een God, die al uwe verkeerdheden kent, gij die soms het aanschijn ducht van een toornig mensch?

Waarom gebruikt gij geen voorzorg tegen den oordeelsdag, wanneer niemand door een ander zal kunnen verontschuldigd of verdedigd worden, maar eenieder zichzelven tot last genoeg zal wezen.

Nu kan uw werk nog vrucht dragen uw geween aangenomen, uw zuchten verhoord worden, uw droefheid tot voldoening en reiniging strekken.

Een groot en heilzaam vagevuur

-ocr page 87-

71

K - heeft een geduldig mensch die, be-leedigingen ontvangende, meer de verkeerdheid van een ander dan het hem en aangedane ongelijk betreurt; die gaar-:er ne voor zijn wederstrevers bidt en van ^n harte het leed vergeeft; die zelf niet e- aarzelt anderen vergiffenis te vragen; ■n die lichter tot ontferming dan tot toorn is overgaat; die zichzelven dikwijls geweld aandoet en het vleesch geheel t aan den geest tracht te onderwerpen. ; \'tls beter zich nu te reinigen van

; de zonden en de ondeugden uit te

roeien, dan ze voor de toekomstige

(reiniging te bewarenreiniging te bewaren

Waarlijk wij bedriegen onszei ven door de ongeregelde liefde, welke wij tot het vleesch hebben.

Wat toch anders zal dat vuur verslinden dan uwe zonden?

Hoe meer gij nu uzelven spaart en uw zinlijke lusten opvolgt, hoe zwaarder gij hierna zult gestraft worden en hoe meer stof gij bewaart voor het vuur.

Waarin de mensch gezondigd heeft daarin zal hij \'t zwaarst gestraft worden.

-ocr page 88-

72

D^ar zullen de tragen met gloeiende prikkels ge token, en de gulzigen met grooten honger en dorst gekweld worden.

Daar zullen de wellustigen en on-tuchtigen met brandend pik en stinkende zwavel overstort worden, terwijl de nijdigen als woedende honden zullen huilen van smart.

Ja geen ondeugd zal er zijn, die niet hare eigene foltering zal hebben.

Daar zullen de hoogmoedigen met allerlei smaad overdekt, en de gierigaards door \'t grootste gebrek benauwd worden.

Daar zal een uur strafs zwaarder zijn dan hier honderd jaren in de strengste boetedoening

Daar zal geen rust, geen troost voor de veroordeelden zijn; terwijl men hier soms van zijnen arbeid uitrust en den troost van vrienden geniet.

Wees dan hier bekommerd en bedroefd over uwe zonden, opdat gij ten oordeelsdage met de gelukzaligen moogt veilig zijn.

-ocr page 89-

Want dati zulle7i de rechtvaardigen met groote vrijmoedigheid optreden tege?i degenen, die hen beangstigd en verdrukt hebben. (Sap. 5.)

Dan zal hij die zich hier aan het oordeel der menschen nederig onderwierp, zelf opstaan om te oordeelen Dan zal de arme en nederige een groot vertrouwen hebben, terwijl de hoogmoedige van alle kant zal beven.

Dan zal het blijken dat hij in deze wereld wijs was, die geleerd heeft om Christus\' wil dwaas en veracht te zijn.

Dan zal elke geduldig verdragen wederwaardigheid vreugde . geven, en alle boosheid de mond gestopt worden.

Dan zal elk godvruchtige juichen en elk ongodsdienstige treuren

Dan zal het gekruisigde vleesch zich meer verheugen, dan wanneer \'t steeds in weelde ware gekoesterd geweest.

Dan zal \'t grove kleed schitteren, en t fijne gewaad zijn glans verliezen.

Dan zal de armoedige stulp boven het vergulde paleis geacht worden.

-ocr page 90-

74

Dan zal standvastige lijdzaamheid meer baten dan alle aardsche macht.

Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid verheven worden boven alle wereldsche sluwheid.

Dan zal een rein en goed geweten meer vreugde geven dan eene groote geleerdheid

Dan zal de verachting van rijkdommen zwaarder wegen dan de schatten der menschen.

Dan zal een godvruchtig gebed u meer troost geven dan de smakelijkste maaltijd.

Dan zult gij u meer verheugen over het bewaarde stilzwijgen dan over een lang gesprek.

Dan zullen heilige werken meer gelden dan vele schoone woorden.

Dan zal een streng leven en zware boetpleging meer behagen dan alle aardsche vermaken.

Leer derhalve nu een weinig verdragen om dan \'t zwaardere te kunnen ontgaan.

Beproef hier eerst wat gij naderhand zult kunnen.

-ocr page 91-

75

Kunt gij nu zoo weinig verdragen, hoe zult gij dan de eeuwige pijnen kunnen doorstaan ?

Indien een gering lijden u thans zoo ongeduldig maakt, wat zal dan de hel doen r

Zie, in waarheid, tweederlei vreugde kunt gij niet hebben: hier in de wereld u vermaken, en naderhand met Christus heerschen.

En hadt gij eens tot den huldigen dag steeds in aanzien eii wellust ge^ leefd, wat zoude u dat alles baten zoo gij op dit oogenblik moest sterven?

Alles is dus ijdelheid, behalve God lief te hebben en Hem alleen te dienen.

Hij toch, die God van ganscher harte liefheeft, vreest noch dood noch straf, noch oordeel noch hel, dewijl eene volmaakte liefde een veiligen toegang geeft tot God.

Maar die nog vermaak in de zonde vindt, wat wonder zoo hij den dood en het oordeel vreest?

Intusschen is \'t goed dat, zoo de liefde u van \'t kwade nog niet terug-

-ocr page 92-

76

houdt, ten minste de vrees voor de hel u beteugele.

Maar wie de vreeze Gods ter zijde stelt kan niet lang in \'t goede staande blijven, maar zal welhaast in de strikken des duivels vallen.

VIJF EX TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de ijverige verbetering onzes levens.

Wees waakzaam en vlijtig in den dienst van God en denk dikwijls : waartoe zijt gij hier gekomen, waarom hebt gij de wereld verlaten? Was het niet om voor God te leven en een gees--telijk mensch te worden?

Wees dus vurig om voort te gaan; want spoedig zult gij het loon var. den arbeid ontvangen en dan zullen vrees en smart u niet meer kunnen naderen.

Gij hebt nog een weinig te arbeiden, en zult eene groote rust, ja eeuwige blijdschap vinden.

Blijft gij getrouw en ijverig in wèl te doen, God zal ongetwijfeld getrouw en overvloedig in vergelding wezen.

Gij moet steeds de goede hoop

-ocr page 93-

77

koesteren dat gij de kroon verkrijgen zult; maar gij moogt u daarvan niet verzekerd houden om niet te verflauwen noch hoogmoedig te worden.

Iemand beangstigd en dikwerf tus-schen vrees en hoop dobberende, op zekeren tijd door droefheid overmand, wierp zich in de kerk voor een altaar biddend neder, bij zichzelven denkende en zeggende: »o, mocht ik weten. »dat ik zoude volharden!\' En terstond hoorde hij van binnen dit goddelijk antwoord : s-zoo gij dit wist, wat zoudt »gij willen doen? — Doe nu hetgeen »gij dan zoudt willen doen, en gij zult »veilig genoeg zijn.quot;

En aanstonds vertroost en versterkt gaf hij zich aan den wil van God over, en — zijn angstig dobberen hield op.

En hij wilde niet meer nieuwsgierig onderzoeken om te weten, wat hem overkomen zoude; maar beijverde zich te meer om den welbehaaglijken en volkomen wil van God te kennen en daarnaar alle goed werk,te beginnen gn te voleinden,

-ocr page 94-

78

Vertrouw op den Heer, cn doe het goede, zegt de Profeet, en gij zult de aarde bewonen, en gevoed worden van haren rijkdom. (Ps. 36)

Iets is er dat velen terughoudt van voortgang en ijverige verbetering: de vrees voor moeilijkheid of de last van den strijd.

Inderdaad maken zij boven anderen in de deugd den meesten voortgang die, wat hun \'t zwaarste is en meest tegenstaat, te ijveriger pogen te overwinnen.

Want daar vordert de mensch meer en verdient hij overvloediger genade, waar hij zichzelven meer overwint en naar den geest afsterft.

Niet allen hebben evenveel te overwinnen en af te sterven.

Maar altoos zal een ijverig strever, al heeft hij ook meer driften, beter in staat zijn tot voortgang, dan een ander die, ofschoon van goede zeden, echter minder ijver heeft voor de deugd.

Twee dingen vooral helpen zeer ter verbetering, te weten, zich met geweld

-ocr page 95-

79

aan datgene te onttrekken, waartoe de bedorven natuur overhelt, en ijverig te streven naar dat goede, wat ons \'t meest ontbreekt.

Zoek ook datgene \'t meest te vermijden en te overwinnen, wat u in anderen \'t meest mishaagt.

Beoog in alles uwen voortgang. Ziet of hoort gij goede voorbeelden, word ter navolging ontstoken.

Merkt gij daarentegen iets berispelijks op, wacht u hetzelfde te doen ; of hebt gij het somtijds gedaan, tracht u ten spoedigste te verbeteren.

Gelijk uw oog anderen beschouwt, zoo wordt gij ook van anderen opgemerkt.

Hoe aangenaam en liefelijk is het broeders te zien, alle ijverig en godvruchtig, en even rein van zeden als gehoorzaam aan de tucht 1

Hoe bedroevend en smartelijk er te zien van een ongerelden wandel, die niet volbrengen waartoe zij geroepen zijn !

Hoe schadelijk is \'t riiet het oog-

-ocr page 96-

80

merk zijner roeping te venvaarloozen, en de zinnen te stellen op datgene waarmede men niet belast is!

Wees uw genomen besluit steeds gedachtig en stel u het beeld van den Gekruiste voor.

Gij moet wel blozen, wanneer gij het leven van Jezus Christus overweegt, dewijl gij u nog niet meer beijverd hebt om Hem gelijkvormig te worden, ofschoon gij reeds lang op den weg van God geweest zijt.

De Kloosterling, die zich aandachtig en godvruchtig met quot;t allerheiligst leven en lijden des Heeien bezighoudt, zal daar alles wat hem noodig en nuttig is in overvloed vinden, en behoeft buiten Jezus niets beters te zoeken.

O, mocht de gekruiste Jezus in ons hart komen, hoe spoedig en voldoende onderwezen zouden wij zijnl

Een ijverig kloosterling verdraagt en neemt alles goed aan wat hem opgelegd wordt.

Een nalatig en lauw kloosterling heeft

-ocr page 97-

81

kwelling op kwelling en vindt zich van alle zijden benauwd, omdat liij den inwendigen troost mist, terwijl hij belet wordt den uitwendigen te zoeken.

Een kloosterling die zich aan tucht onttrekt, stelt zich bloot aan zvvaren val.

Wie een zacht en gemakkelijk leven zoekt zal altoos in \'t nauw zijn : want of het eene of het andere zal hem mishagen.

Hoe maken \'t zoo vele andere kloosterlingen, die onder de kloostertucht zeer streng gebonden zijn ?

Zij gaan zelden uit, zij leven afgetrokken ; zij eten zeer schraal, gaan grof gekleed; zij arbeiden veel, spreken weinig, waken lang, staan vroeg op, doen lange gebeden, lezen veel en onderhouden in alles eene goede orde.

l.et op de Karthuizers, op de Ber-nardijnen, op de broeders en zusters van verscheiden orden, hoe zij alle

-ocr page 98-

82

nachten opstaan om den Heer te loven. Het zou dus wel schandelijk zijn, zoo gij zulk heilig werk traag ver-richttet, als zulke groote menigte kloosterlingen Gods lof begint te zingen.

O, mocht gij niets anders te doen hebben dan onzen Heer en God met geheel uw hart en mond te loven 1

O, dat gij niet behoefdet te eten, noch te drinken, noch te slapen ; maar altoos God kondet loven, en u alleen met geestelijke oefeningen bezighouden 1 dan zoudt gij veel gelukkiger zijn dan thans, nu gij, uit welke noodzakelijkheid ook, het lichaam dient.

Ach! bestonden die behoeften niet, maar slechts geestelijke verkwikkingen der ziele, welke wij helaas! zelden genoeg smaken.

Wanneer de mensch zoo ver gekomen is dat hij zijnen troost bij geenerlei schepsel meer zoekt, dan eerst begint hij God volkomen te smaken, en dan zal hij wèltevreden zijn met alles wat gebeurt.

Dan zal hij zich over \'t groote niet

-ocr page 99-

S3

verblijden noch over Tt kleine bedroeven, maar hij zal zich geheel en met vertrouwen stellen in de hand van God, die hem alles in alles is; voor wien niets sterft of vergaat, maar voor wien alles leeft en aan wiens wenk alles onverwijld gehoorzaamt.

Denk altoos aan uw einde en dat de verloren tijd niet wederkeert.

Zonder zorg en vlijt zult gij nooit deugden verwerven.

Zoodra gij begint te verflauwen zult gij beginnen het kwalijk te hebben ; maar geeft gij u aan uwen ijver over, gij zult grooten vrede vinden en den arbeid lichter gevoelen, wegens de genade Gods en de liefde tot de deugd

Een ijverig en vlijtig mensch is tot alles gereed.

Het is grooter arbeid ondeugden en driften te wederstaan, dan onder lichamelijk werk te zweeten.

Wie kleine gebreken niet vermijdt, zal allengskens tot grootere vervallen.

Gij zult u altoos des avonds verheugen, als gij den dag met vrucht besteedt hebt.

-ocr page 100-

84

Waak over uzelven, spoor uzelven aan, vermaan uzelven, en wat er ook van anderen zij, verwaarloos gij uzelven niet.

Naarmate gij uzelven geweldaandoet, zal ook uw voortgang zijn.

EtXDK VAX HET EERSTE BOEK,

-ocr page 101-

TWEEDE BOEK.

VEKJIANINÜEN TOT HET INWENDIGE LEVEN\'.

EERSTE HOOFDSTUK.

Over het inwendige leven.

Het rijks Gods is bitmen u, zegt de Heer. (Luc. 17) Wend u van ganscher harte tot den Heer, en laat deze ellendige wereld daar, en uw ziel zal rust vinden

Leer het uitwendige versmaden en u aan het inwendige overgeven, en gij zult het rijk Gods in u zien komen.

lVa?7t het rijk Gods is vrede en vreugde in den H. Geest. (Rom. 14) en dat wordt den goddeloozen niet geschonken.

Christus zal tot u komen en u zijnen troost schenken, zoo gij Hem vanbinnen een waardige woonplaats bereidt.

-ocr page 102-

86

Al zijne heerlijkheid en schoonheid is van binnen en daar vindt Hij welbehagen-

Dikwijls bezoekt Hij den inwendigen mensch; liefelijk is zijn onderhoud, verkwikkend zijn troost, overvloedig zijn vrede en zijn gemeenzaamheid bij uitstek groot.

Welaan dan, getrouwe ziell bereid uw hart voor dezen bruidegom, dewijl Hij zich verwaardigt tot u te komen en bij u te wonen.

Dus toch spreekt hij: zoo iemand mij liefheeft, hij zal mijn woord onderhouden; en mijn Vader zal hem liefhebben; en wij zullen tot hem komen tn eene woning bij hem maken. (Joan. 14)

Maak dan plaats voor Christus, en weigert toegang aan al het overige.

Wanneer gij Christus bezit, dan zijt gij rijk, en Hij is u genoeg.

Hij zal u voorzien en getrouw verzorgen in alles, zoodat gij niet noodig hebt op menschen te hopen.

Dra toch veranderen de menschen en ontvallen spoedig; maar Christus

-ocr page 103-

87

blijft in eeuwigheid en is een sterke steun ten einde toe.

Er is geen groot vertrouwen testellen op een broos en sterfelijk mensch, al is hij nog zoo nuttig en geliefd.

Ook mag men zich niet te zeer bedroeven, zoo hij soms tegenwerkt of tegenspreekt. Die heden met u zijn, kunnen morgen tegen u wezen, en omgekeerd; want dikwijls draaien zij als de wind.

Vestig uw geheel vertrouwen op God; Hij zij het voorwerp uwer vrees en liefde. Hij zal voor u verantwoorden en wel alles beschikken, zooals het best zal zijn.

Gij hebt hier ge ene blijvende stad; (Hebr. 13) en waar gij zijn moogt, gij zijt een vreemdeling en pelgrim en zult nergens rust hebben, tenzij gij met Christus inniglijk vereenigd zijt.

Wat ziet gij hier in \'t ronde, daar hier toch de plaats uwer ruste niet is?

In den hemel moet uw woning zijn en al \'t aardsche moet als in \'t voorbijgaan beschouwd worden.

Alles gaat voorbij, en gij tevens

-ocr page 104-

as

daarmede. Zorg dat gij u daaraan niet hecht, opdat gij niet gevangen wordt en u in het verderf stort.

Uw gedachte zij hij den Allerhoogste, en uw gebed onophoudelijk tot Christus gericht.

Kunt gij nog niet hooge en herael-sche dingen beschouwen, blijf bij het lijden van Christus, en houd u gaarne in zijn heilige wonden op.

Want zoo gij godvruchtig tot de wonden en kostbare litteekenen van Jezus uw toevlucht neemt, zult gij een groote kracht bij wederwaardigheid ontwaren, en u weinig aan de verachting der menschen storen, ja lasterende woorden licht verdragen.

Ook Christus werd op de wereld door de menschen veracht, en in den grootsten nood door bekenden en vrienden te midden der verguizing verlaten

Christus heeft willen lijden en veracht worden, en gij durft over iets klagen ?

Christus heeft vijanden en tegenspre-

-ocr page 105-

89

kers gehad., en gij wilt allen tot vrienden en weldoeners hebben?

Vanwaar zal uw geduld gekroond worden, zoo gij geen tegenspoed ontmoet ?

En zoo gij geen tegenstand wilt lijden, hoe zult gij een vriend van Christus zijn ?

Verdraag met Christus en voor Christus, zoo gij met Christus wilt heerschen.

Waart gij eens volkomen doorgedrongen tot het hart van Jezus en hadt gij een weinig van zijn brandende liefde geproefd, dan zoudt gij u over eigen voordeel noch nadeel bekommeren, maar veeleer u over den aangedanen smaad verblijden; want de liefde tot Jezus maakt dat de mensch zichzelven versmaadt.

Wie Jezus en de waarheid liefheelt, wie waarlijk inwendig en vrij van ongeregelde neigingen is, die kan zich vrij tot God wenden, zich in den geest boven zichzelven verheffen en genoeglijk rusten.

-ocr page 106-

90

Hij die alles waardeert naar \'tgeen het is, niet naar quot;t geen men er van denkt of zegt, is waarlijk wijs en onderwezen meer door God dan door de menschen.

Hij die weet zijn inwendigen wandel te bewaren en \'t geen buiten hem is gering te schatten, ziet niet om naar plaatsen noch wacht op tijden om met vrome oefeningen bezig te zijn

Een inwendig mensch is ras tot zich-zelven teruggekeerd, dewijl hij zich nooit geheel naar buiten uitstort.

Geen uitwendige arbeid, noch van tijd tot tijd noodzakelijke bezigheid hindert hem ; hij schikt zich naar alles, zooals het komt.

Wie inwendig wél gesteld en geregeld is, stoort zich niet aan de wonderlijke en verkeerde handelingen der menschen.

Iemand wordt gehinderd en verstrooid, naarmate hij zich de zaken aantrekt.

Waart gij goed gesteld en goed gereinigd, alles zou u ten goede en ter verbetering strekken.

-ocr page 107-

1)1

Veel toch mishaagt u en ontroert u vaak, omdat gij uzelven nog niet volkomen afgestorven zijt en niet geheel onthecht aan al \'t aardsche.

Niets bevlekt en hindert\'s menschen hart zoozeer, als een onreine liefde tot de schepselen.

Ziet gij af van de uitwendige vertroostingen, dan kunt gij \'t hemelsche beschouwen en dikwerf inwendig juichen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de nederige onderwerping.

Geef er weinig om wie voor u of tegen u zij; maar maak en zorg dat God met u zij in alles wat gij doet.

Heb een goed geweten, en God zal u wel beschermen.

Want wien God wil bijstaan, dien kan niemands boosheid schaden.

Weet gij te zwijgen en te lijden, dan zult gij ongetwijfeld \'s Heeren bijstand ontwaren.

Hij weet den tijd en de wijze om u te verlossen, en daarom moet gij u aan Hem overgeven.

-ocr page 108-

92

Het komt God toe u te helpen en u van alle schande te bevrijden.

Dikwijls is het zeer nuttig, om ons in te grooter ootmoed te houden, dat anderen onze gebreken weten en be straffen.

Als een mensch zich over zijn gebreken vernedert, dan bevredigt hij licht anderen en voldoet zonder moeite die op hem vertoornd waren.

God beschermt en bevrijdt den nederige; den nederige heeft Hij lief en vertroost Hij; tot den nederige buigt Hij zich neder; aan den nederige schenkt Hij groote genade en verheft hem na zijne verdrukking tot heerlijkheid.

Den nederige openbaart Hij zijn geheimen en trekt hem zachtelijk en noodigt hem tot zich.

De nederige, al wordt hij versmaad, blijft vast gevestigd in vrede: want hij steunt op God en niet op de wereld.

Denk niet dat gij iets gevorderd zijt, zoo gij u niet beneden allen acht.

-ocr page 109-

m

DERDE HOOFDSTUK.

De goede vreedzame menscli.

Houd gij u eerst in vrede, en dan zult gij anderen kunnen bevredigen.

Een vreedzaam mensch is nuttiger dan een zeer geleerde.

Een hartstochtelijk mensch trekt zeis het goede in het kwade en gelooft licht het kwade.

Een goed vreedzaam mensch keert alles ten goede.

Die in den vrede goed gevestigd is voedt van iemand argwaan; maar die onvergenoegd en licht geraakt is, wordt door allerlei argwaan rondgedreven; hij heeft zelf geen rust en laat anderen niet rusten

Dikwijls zegt hij wat hij niet moest zeggen, en doet hij niet wat hij liever behoorde te doen.

Hij gaat na wat anderen moeten doen, en verzuimt wat hij moest dpen.

IJver dan eerst voor uzelven, en dan zult gij te recht ook voor uwen naaste kunnen ijveren.

-ocr page 110-

94

Uw eigen dader, weet gij wel te verontschuldigen en te verbloemen, en de verontschuldigingen van anderen wilt gij niet aannemen.

Het ware billijker uzelven te beschuldigen en uw broeder te ver-schoonen.

Wilt gij dat men u verdrage, verdraag ook een ander.

Zie, hoe verre gij nog verwijderd zijt van de ware liefde en van de nederigheid, die zich vertoornen of verontwaardigen kan over niemand dan over zichzelve.

Het is niets groots met goede en zachtmoedige menschen te verkeeren: want dit behaagt natuurlijk allen; ook leeft elk gaarne in vrede, en heeft hen \'t meest lief die van zijn gevoelen zijn.

Maar met stuursche en booze, met ongeregelde of ons weerstrevende menschen vreedzaam te kunnen leven is eene groote genade, een zeer roemwaardige, manhaftige zaak.

Daar zijn er die zichzelven in vrede

-ocr page 111-

houden, en ook c.met anderen vrede hebben.

Daar zijn er ook die noch vrede hebben, noch anderen met vrede laten ; zij vallen anderen lastig, maar zich-zelven altoos lastiger

Eindelijk zijn er die zichzelven in vrede houden, en anderen tot vrede terugbrengen

Nochtans is onze geheele vrede in dit ellendige leven eerder te stellen in een nederig verdragen, dan in \'t niet gevoelen van wederwaardigheden

Wie \'t best weet te lijden zal den meesten vrede hebben. Hij is de over-winner van zichzelven en de heer dei-wereld, de vriend van Christus en de erfgenaam des hemels

VIERDE HOOFDSTUK.

Over de reinheid des harten en eenvoudigheid in hedoeling.

Op twee wieken verheft zich de mensch boven het aardsche, te weten: eenvoudigheid en reinheid.

Eenvoudigheid moet in de bedoeling, reinheid in de neiging zijn. De een-

-ocr page 112-

96

voudigheid zoekt God, de reinheid vindt en smaakt Hem.

Geen goede daad zal u hinderen, zoo gij inwendig van ongeregelde neiging vrij zijt.

En zoo gij niets anders bedoelt en zoekt dan Gods welbehagen en uws naasten voordeel, zult gij de innerlijke vrijheid genieten.

Ware uw hart oprecht, alle schepsel zou u een levensspiegel zijn en een boek van heilige leering.

Geen schepsel is er zoo gering en ongeacht, dat Gods goedheid niet vertoont.

Waart gij inwendig goed en rein, gij zoudt alJes onbelemmerd zien en recht vatten

Een rein hart dringt door hemel en hel.

Zooals eenieder inwendig is, zoo beoordeelt hij het uitwendige

Is er vreugde in de wereld, haar bezit voorzeker de man van reinen harte.

En is er ergens smart en angst, een kwaad geweien kent ze \'tbest.

-ocr page 113-

97

Gelijk het ijzer in het vuur gelegd zijn roest verliest en gansch gloeiend wordt; dus wordt ook de mensch, die zich geheel tot God keert, van traagheid ontdaan en in een nieuwen mensch veranderd.

Wanneer de mensch begint te verflauwen, dan vreest hij den geringsten arbeid en ontvangt gaarne uitwen-digen troost.

Maar is hij begonnen zichzelven volkomen te overwinnen en moedig op den weg Gods te wandelen, dan acht hij gering wat hij te voren bevond zwaar te zijn.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over de beschonwing van ziclizelveii.

Wij mogen onszei ven niet te veel vertrouwen, dewijl het ons dikwijls aan genade en verstand ontbreekt.

Een zwak lichtje is in ons, en dit verliezen wij spoedig door onachtzaamheid.

-ocr page 114-

98

Ook merken wij veeltijds niet dat wij inwendig zoo blind zijn.

Dikwijls doen wij kwaad en maken het door verschooning nog erger.

Somtijds spoort de drift ons aan en wij nemen \'t voor ijver.

Het geringe berispen wij in anderen, en het grootere bij ons gaan wij voorbij.

Ras genoeg gevoelen wij hetgeen wij van anderen te verdragen hebben, doch wij letten niet hoeveel anderen van ons verdragen moeten.

Wie zijn eigen daden wèl en recht overweegt, zal geen reden hebben om over een ander streng te oordeel en.

Een inwendig mensch stelt de zorg voor zichzelven boven alle andere zorgen, en die vlijtig op zichzelven let zwijgt licht van anderen.

Nooit zult gij inwendig en godvruchtig zijn, tenzij gij van anderen zwijgt en bijzonder op uzelven let.

Zoo gij u geheel met uzelven en met God bezighoudt, zal u weinig treffen hetgeen gij daarbuiten opmerkt.

-ocr page 115-

99

Waar zijt gij, als gij niet bij uzelven zijt ? En wanneer gij alles doorloopen, maar uzelven voorbijgezien hebt, wat hebt gij gewonnen ?

Als gij waren vrede wilt hebben en met God vereenigd zijn, moet gij al \'t overige ter zijde stellen en uzelven alleen voor oogen houden.

Gij zult alzoo grooten voortgang maken als gij u vrijhoudt van alle tijdelijke zorg; maar gij zult zeer achteruitgaan, zoo gij iets tijdelijks acht.

Niets zij u groot, niets verheven, niets aangenaam, niets genoeglijk tenzij God alleen of wat God betreft.

Houd al hetgeen troostelijks van eenig schepsel komt voor enkel ijdel-heid.

Eone ziel die God liefheeft, stelt alles beneden God.

God alleen, de eeuwige en oneindige, de alles vervullende is de troost der ziele en de ware vreugde des harten.

-ocr page 116-

100

ZESDE HOOFDSTUK.

Over de vreugde van een goed geweten.

De roem van een goed mensch is de getuigenis van een goed geweten.

Heb een goed geweten en gij zult altoos vreugde hebben,

Een goed geweten kan zeer veel dragen en is zeer blijde in tegenspoed.

Een kwaad geweten is altoos vreesachtig en ongerust.

Liefelijk zal uwe rust zijn, zoo uw hart u niets verwijt.

Verheug u niet, tenzij wanneer gij wèl gedaan hebt.

De boozen hebben nooit ware vreugde, noch gevoelen den inwendi-gen vrede : want er is geen vrede voor de goddeloozen, zegt de Heer. (Is. 48)

En zeggen zij: wij zijn in vrede, geen kwaad zal ons treffen en wie zou ons durven schaden ? geloof hun niet; want eensklaps zal Gods too rn zich verheffen, al hun daden zullen tot niets gebracht en hun gedachten verijdeld worden.

Die liefheeft, valt het niet zwaar

-ocr page 117-

101

te midden der wederwaardigheden te jubelen; want zoo te jubelen is jubelen in het Kruis des Heeren.

Kortstondig is de roem, die van menschen gegeven en ontvangen wordt

De roem der wereld is steeds van treurigheid vergezeld.

Der braven roem is in hun geweten en niet in den mond der menschen.

De vreugde der rechtvaardigen is van God en in God, en hun vermaak in de waarheid.

Wie naar den waren en eeuwigen roem verlangt, acht den tijdelijken niet.

En wie naar tijdelijken roem verlangt of dien niet van harte versmaadt, bewijst dat hij den hemelschen weinig bemint.

Hij bezit eene groote rust des harten, die zich om der menschen lof noch blaam bekommert.

Licht zal hij tevreden en gerust zijn, wiens geweten rein is

Gij zijt niet heiliger omdat men u roemt, noch slechter omdat men u laakt,

-ocr page 118-

102

Wat gij zijt, zijt gij; en grooter moogt gij niet genoemd worden, dan gij zijt voor God.

\\\\ anneer gij let op hetgeen gij inwendig bij uzelven zijt, dan zult gij u ei niet aan storen wat demenschen van u zeggen.

De mensch ziet hetgeen in het oog valt, maar God ziet in het hart. (I Reg 16) De mensch ziet op de daden, maar God weegt de bedoelingen.

Altoos wèl te doen en zichzelven weinig te achten kenmerkt een nederig gemoed.

Geen troost van eenig schepsel te willen is het teeken van groote reinheid en inwendig vertrouwen.

Wie voor zich geen getuigenis van buiten zoekt, toont dat hij zich geheel aan God heeft overgegeven.

Want, gelijk de H. Paulus\'zegt, niet hij die zichzelven aanprijst, maar dien de Beer aanprijst, is goedgekeurd. (2 Cor. 10)

Inwendig met God te verkeeren en uitwendig door geene geneigdheid ge-

-ocr page 119-

103

bonden te zijn, is de staat van den inwendigen mensch.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over de alles overtreffende liefde tot Jezus.

Gelukkig hij die weet wat het is Jezus te beminnen, en zichzelven te versmaden om Jezusquot; wille.

Men moet al wat men bemint voor dezen Beminde verlaten: want Jezus wil alleen boven alles bemind worden.

De liefde eens schepsels is bedrieglijk en onbestendig; maar de liefde van Jezus getrouw en bestendig.

Wie zich aan \'t schepsel hecht valt met \'t zwakke schepsel; maar wie Jezus omhelst staat eeuwig onwankelbaar.

Bemin Hem en houd Hem tot uwen vriend die, als alles u begeeft, u niet zal verlaten, noch dulden dat gij op \'t einde verloren gaat.

Hetzij gij wilt of niet, gij moet eens van alles gescheiden worden.

Houd u aan Jezus bij leven en dood, en geef u over aan de trouw van Hem

-ocr page 120-

104

die, wanneer alles u verlaat, u alleen kan helpen.

Uw Beminde is van dien aard dat Hij geen anderen naast zich duldt-maar Hij wil uw hart alleen bezitten en er zetelen als een koning op zijn eigen troon. ë 1 1

W ist gij u van alle schepsel recht te ontledigen, Jezus zou gaarne bij u willen wonen

Gij zult alles bijkans geheel verloren bevinden, wat gij buiten Jezus bij de menschen zoekt.

Vertrouw noch steun op een riet dat door den wind bewogen wordt. Want aik vleesch is gras, en al zijne

(Is 40) ^ af ^ de veldbl°™-

Dra zult gij bedrogen worden, zoo gj alleen het uitwendig voorkomen der menschen aanschouwt

Want zoo gij uw troost en voordeel 2Uquot;gii dikwquot;\'

fewfeWncjUquot; ^ »» Mquot;

-ocr page 121-

105

Maar zoekt gij uzelven, gij zult ook uzelven vinden, maar tot uw verderf.

De mensch toch die Jezus niet zoekt, schaadt zichzelven meer dan de geheele wereld en al zijn vijanden,

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over den vertrouwelijken omgang niet Jczns.

Als Jezus tegenwoordig is, dan is alles goed en niets schijnt moeilijk; maar is Jezus niet tegenwoordig, dan valt alles zwaar.

Als Jezus van binnen niet spreekt, is alle troost niets; maar spreekt Jezus slechts e\'en woord, men gevoelt een grooten troost.

Rees Maria niet aanstonds op van de plaats, waar zij weende, toen Martha tot haar zeide; de Meester is daar, en Hij roept ur (Joan. 11)

Gelukkige stond, wanneer Jezus van het weenen tot de vreugde des geestes roept.

Hoe dor en ongevoelig zijt gij zonder Jezus 1 Hoe dwaas en ijdel, zoo gij iets buiten Jezus verlangt!

5*

-ocr page 122-

106

Is dit geene grootere schade dan de geheele wereld te verliezen?

Wat kan u de wereld geven zonder Jezus ?

Zonder Jezus te zijn, is een ondraaglijke hel; met Jezus te zijn, een genoeglijk paradijs.

Wanneer Jezus met u is, kan u geen vijand schaden.

Wie Jezus vindt, vindt een goeden schat, ja een goed boven alle goed.

Maar wie Jezus verliest, verliest bovenmate veel, ja meer dan de gan-sche wereld.

Wie zonder Jezus leeft is zeer arm; die wèl met Jezus staat is zeer rijk.

\'tls een groote kunst met Jezus weten om te gaan, en Jezus te kunnen bij zich houden een groote wijsheid.

Wees nederig en vreedzaam, en Jezus zal met u zijn.

Wees godvruchtig en rustig, en Jezus zal bij u blijven.

Gij kunt Jezus ras verwijderen en zijn genade verliezen, zoo gij u tot \'t uitwendige wilt keeren,

-ocr page 123-

107

En hebt gij Hem verwijderd en verloren, tot wien zult gij uw toevlucht nemen en wien tot vriend kiezen?

Zonder vriend kunt gij niet goed leven, en als Jezus niet boven allen uw vriend is, hoe bedroefd en verlaten zult gij zijn!

Dwaas handelt gij dus, zoo gij in iemand anders vertrouwen of vreusr-de stelt.

Het ware verkieslijker de gansche wereld tegen te hebben dan Jezus te beleedigen.

Onder al uw geliefden dan zij Jezus alleen uw bijzonder beminde.

Dat allen bemind worden om Jezus\' wil ; maar Jezus om Hemzelven.

Jezus Christus alleen verdient bijzonder bemind te worden, omdat Hij alleen boven alle vrienden goed en getrouw bevonden wordt.

Om Hem en in Hem behooren, zoo vijanden als vrienden, u lief te zijn ; en voor allen moet gij bidden, opdat allen Hem kennen en liefhebben

Verlang nooit bij uitsluiting gepre.

-ocr page 124-

108

zen of bemind te worden: want dit komt Gode alleen toe die zijnsgelijke niet hoeft.

Begeer ook niet dat iemand zijn hart met u vervulle, en gij, laat uw hart niet met liefde voor iemand vervuld worden; maar Jezus zij in u en in elk goed mensch.

Wees rein en vrij van binnen, zonder gehechtheid aan eenig schepsel.

Gij moet ontbloot zijn van alles en een rein hart tot God brengen, indien gij inwendig wilt rusten en zien hoe goed de Heer is.

Doch inderdaad zult gij daartoe niet geraken, tenzij gij door zijn genade wordt voorgekomen en getrokken, zoodat gij, met terzijdestelling en verwijdering van alles, met Hem alleen vereenigd wordt.

Want wanneer Gods genade tot den mensch komt, dan wordt hij tot alles bekwaam; m^ar wijkt die, hij is armen zwak, en als alleen tot slagen overgelaten.

In deze moet hij niet moedeloos

-ocr page 125-

109

worden noch wanhopen, maar zich welgemoed naar den wille Gods schikken, en alles wat hem overkomt ter eere van Jezus Christus lijden; want op den winter volgt de zomer, op den nacht volgt de dag en op den storm groote kalmte.

NEGENDE HOOFDSTUK:.

Ovp.r het missen van allen troost.

Het valt niet zwaar menschelijken troost te versmaden, als de goddelijke daar is.

Maar \'tis groot en zeer groot zoowel den menschelijken als goddelijken troost te kunnen ontberen, en tot Gods eere de ballingschap des harten gewillig te verdragen, in niets zich-• zeiven te zoeken, noch op eigen verdienste te zien.

Wat groots is er in gelegen opgeruimd en devoot te zijn, als de genade komt? Voor allen is die stond wenschelijk.

Hij rijdt zeer gemakkelijk, wien Gods genade draagt.

-ocr page 126-

110

En wat wonder dat hij geen last gevoelt, die door den Almachtige gedragen en door den oppersten Leidsman geleid wordt?

Gaarne hebben wij iets tot onzen troost, en bezwaarlijkontdoetdemensch zich van zichzelven.

De heilige martelaar Laurentius nochtans heeft te zamen met de genegenheid tot zijnen herder de wereld overwonnen, wijl hij alles wat in de wereld genoeglijk scheen versmaadde en zelfs gaarne dulde, ter liefde van Christus, dat Gods Opperpriester Sixtus, dien hij hartelijk liefhad, van hem weggenomen wierd

Door liefde tot den Schepper overwon hij de liefde tot den mensch, en verkoos Gods welbehagen boven den menschelijken troost

Leer gij dus ook een noodzakelijken en geliefden vriend ter liefde Gods verlaten.

En laat het u ook niet te zeer treffen, als gij van een vriend verlaten wordt, wetende dat wij allen eens van elkander moeten scheiden.

-ocr page 127-

Ill

Veel en lang moet de mensch in zichzelven strijden, eer hij leere zich-zelven volkomen te overwinnen en zijn geheele liefde tot God over te brengen.

Zoolang de mensch nog op zichzelven steunt, zal hij licht vervallen tot den troost der menschen.

Maar de ware vriend van Christus en ijverige deugdbetrachter valt niet op vertroostingen, noch zoekt zinlijke genoegens, maar veeleer moeilijke oefeningen en zware beproevingen om Christus\' wille door te staan^

Wordt u dan geestelijke troost van God geschonken, neem dien met dankzegging aan; maar weet dat \'teen geschenk van God is, en niet uwe verdienste.

Wil u niet verheffen, wil u niet te veel verheugen noch iets ijdelijk laten voorstaan; maar wees wegens die gift te nederiger en te omzichtiger en behoedzamer in al uwe daden: want deze stond zal voorbijgaan en de bekoring volgen.

-ocr page 128-

112

Als u de troost ontnomen wordt, geef den moed niet aanstonds op; maar wacht met nederigheid en geduld het bezoek des Hemels af: want God is machtig om u een overvloediger troost terug te geven.

Dit is niet nieuw noch vreemd voor de in Gods wegen ervarenen; want ook de grootste Heiligen en aloude Profeten hebben dikwijls zulke afwisseling ondergaan.

Daarom sprak een hunner, toen de genade bij hem was : Ik zeidt in mijnen overvloed: in eeuwigheid zal ik niet wankeleti.

Maar als de genade week, voegde hij er bij wat hij ondervond, en zeide; Toen gij imlt; aangezicht verborgt, werd ik ontroerd.

Intusschen verloor hij den moed niet, maar bad te vuriger tot den Heer en zeide: Tct U, o Heer! riep ik, en ik smeekte mijnen God.

Daarop verhaalt hij de vrucht van zijn gebed en getuigt dat hij verhoord werd, zeggende: De Heer hoorde mij

-ocr page 129-

113

en was mij genadig; de Heer is mij ten helper geworden.

Maar waarin? Gij hebt, zegt hij, mijnen rouw in vreugde veranderd en met blijdschap mij omgord, (Ps. 2Q)

Is aldus met groote Heiligen gehandeld, dan mogen wij, zwakken en ellendigen, niet wanhopen, als wij ons nu eens ijverig dan weer koud bevinden: want de Geest komt en vertrekt volgens zijn welbehagen.

Daarom zegt de heilige Job :

zockt den mensch in den morgenstond; maar spoedig beproeft Gij hem weder. (Job 7)

Waarop kan ik dan hopen, waarop moet ik vertrouwen, tenzij op Gods groote barmhartigheid en op de hoop der hemelsche genade alleen?

Want hetzij ik bij mij hebbe deugdzame menschen of godvruchtige broeders, of getrouwe vrienden of heilige boeken, of schoone verhandelingen of liefelijke gezangen en liederen; dit alles baat weinig, smaakt weinig, als ik van de genade verlaten en aan eigen armoede overgelaten ben,

-ocr page 130-

114

Dan is er geen beter middel tenzij geduld en zelfondenverping aan den wil Gods.

Nooit vonrl ik iemand zoo vroom en godvruchtig, die niet nu en dan onttrekking der genade had of vermindering van ijver gevoelde.

Nooit was er een Heilige zoo hoog vervoerd en verlicht, die niet te voren of daarna werd beproefd.

Hij toch is de hooge aanschouwing van God niet waardig, die niet om Godswil door eenig leed geoefend werd.

Want een voorafgaande beproeving is doorgaans het teeken eener volgende vertroosting.

Ook wordt aan die door de bekoring beproefd zijn de hemelsche troost toegezegd: Wie ovenvini, zegt de Heer, ik zal hem geven dat hij ete van den boom des levens. (Openb. 2)

De Goddelijke troost nu wordt gegeven, opdat de mensch te sterker zij tot het doorstaan van tegenspoed.

Ook volgt de bekoring, opdat hij zich over het goede niet verhefife. De duivel slaapt niet, en het vle;sch

-ocr page 131-

1115

is nog niet dood. Daarom houd niet n wil 0P u tot den strijd te bereiden: want aan uw rechter- en linkerhand staan oom vijanden, die nimmer rusten.

dan

ver- TIENDE HOOFDSTUK.

Over de dankbaarheid voor de genade Gods.

\'ogen Waarom zoekt gij rust, daar gij geboren zijt om te arbeiden ? \'\'g Zet u meer tot geduld dan tot troost m en meer tot \'t dragen van \'t kruis lt;ian

tot blijdschap.

g Welk wereldsch mensch toch zou

i- niet gaarne geestelijke troost en vreugde ontvangen, zoo hij die altoos kon r hebben ?

Want de geestelijke vertroostingen overtreffen alle wereldsche vermaken en wellusten des vleesches.

Al de wereldsche vermaken toch zijn of ijdel of schandelijk; de geestelijke genoegens alleen zijn aangenaam en eerlijk; zij vloeien voort uit de deugd en worden door God den reinen van harte ingestort.

-

-ocr page 132-

116

Maar niemand kan deze goddelijke vertroostingen altijd naar zijn welgevallen genieten, omdat de tijd van bekoring niet lang uitblijft.

Hetgeen nu het hemelsche bezoek veel tegenwerkt is een valsche vrijheid des geestes en een groot zelfvertrouwen.

God bewijst een weldaad wanneer Hij de genade der vertroosting schenkt: maar de mensch handelt kwalijk, als hij niet alles tot God met dankzegging terugbrengt.

En daarom kunnen de genadegaven op ons niet vloeien, omdat wij jegens den Schenker ondankbaar zijn en niet alles tot de oorspronkelijke bron terugbrengen.

Want altoos wordt de genade geschonken aan hem die behoorlijk dankbaar is, en aan den trotsche wordt ontnomen hetgeen den nederige pleegt gegeven te worden.

Ik wil geen troost die mij de vermorzeling des harten ontneemt, noch zoek die hooge aanschouwig welke tot zelfverheffing voert.

-ocr page 133-

117

Want niet al \'t verhevene is heilig, noch al \'t genoeglijke goed, noch al \'t wenschelijke rein, noch al het dierbare Gode aangenaam.

Gaarne ontvang ik een genade, waardoor ik steeds nederiger en godvreezender en gereeder tot zelfverzaking worde.

Wie door de gave der genade geleerd en door den geesel harer onttrekking onderwezen is, die zal zichzelf niets goeds durven toeschrijven, maar liever bekennen dat hij arm is en ontbloot van alles.

Geef Gode wat Godes is, en schrijf u toe wat \'t uwe is; dat wil zeggen: dank God voor de genade, en erken dat u alleen toebehooren de zonde en de rechtvaardige straf der zonde.

Stel u altoos op de laagste plaats en men zal u de hoogste geven: want \'t hooge staat niet zonder \'t lage

De grootste Heiligen bij God zijn bij zichzelven de geringsten, en hoe meer verheerlijkt hoe nederiger in zichzelven.

-ocr page 134-

118

Vervuld van de waarheid en hemel-sche heerlijkheid zijn zij niet begeerig naar ijdelen roem.

In God gegrond en gevestigd kunnen zij op geenerlei wijze hoogmoedig zijn.

En die Gode alles totschrijvcn wat zij goeds ontvangen hebben zoeken geen roem bij elkander, maar willen slechts den roem die van God komt, en wenschen dat God in hen en in alle Heiligen boven alles geprezen worde, en hierheen is voortdurend hun streven gericht.

Wees dankbaar voor \'t geringste en gij zult waardig zijn \'t grootere te ontvangen.

\'t Geringste zij u als \'t grootste, en t meest verachtelijke een bijzondere gunst.

Als de waardigheid van den Gever overwogen wordt, zal geen gave gering noch te verachtelijk schijnen: want niets is gering wat van den allerhoog-sten God gegeven wordt.

Ja al zond Hij kastijdingen en plagen, het zou ons moeten aangenaam

-ocr page 135-

119

zijn: want Hij bedoelt altoos ons heil in alles wat Hij ons laat overkomen.

Wie Gods genade wenscht te behouden, zij dankbaar voor de ontvangen genade en geduldig bij de onttrekking; hij smeeke dat zij weder kome, en zij behoedzaam en nederig opdat hij ze niet verlieze

ELFDE HOOFDSTUK.

üvcr de wciiiige vrienden van Jezus\' Kruis.

Jezus heeft thans wel vele beminnaars van zijn hemelsch rijk, maar weinige dragers van zijn kruis.

Velen heeft Hij die naar troost, maar weinigen die naar beproeving verlangen.

Velen vindt Hij die aan zijn tafel, maar weinigen die aan zijn vasten deel nemen.

Allen willen zich met Hem verheugen weinigen willen voor Hem iets lijden.

Velen volgen Jezus tot aan\'t breken des broods, maar weinigen tot aan \'t drinken van den lijdensbeker.

-ocr page 136-

12Ö

Velen vereeren zijn wonderdaden, weinigen volgen den smaad zijns kruises.

Velen hebben Jezus lief, zoolang hun niets ongustigs bejegent.

Velen loven en prijzen Hem, zoolang zij eenigen troost van Hem ontvangen; maar verbergt zich Jezus en verlaat Hij hen een oogenblik, dan vervallen zij of tot geklag of tot groote moedeloosheid.

Zij die Jezus om Jezus liefhebben en niet om eenigen eigen troost, prijzen Hem in allerlei tegenspoed en zielsangst zoowel als bij den grootsten troost.

Ja, al wilde Hij hun nooit troost geven, evenwel zouden zij Hem altoos dank willen toebrengen.

O, hoeveel vermag een reine liefde tot Jezus, met geen eigenbaat of eigenliefde vermengd!

Zijn zij niet allen huurlingen te noemen die altijd troost zoeken?

Betoonen zij zich niet meer beminnaars van zichzelven dan van Christus,

-ocr page 137-

121

die altoos aan eigen gemak en voor deel denken?

Waar vindt men hem, die God om niet wil dienen?

Zelden vindt men een zoo geeste lijk niensch dat hij ontbloot is van alles.

Waar toch vindt men den waren arme van geest, los van alle schepsel? Verre en op de uiterste grenzen is die schat te zoeken.

Al gaf de mensch zijn geheel vermogen weg, \'t is nog niets.

En al deed hij groote boetvaardigheid, \'tis nog weinig.

En al verkreeg hij alle wetenschap, \'t is er nog verre af.

En al bezat hij groote deugd en de brandendste godsvrucht, nog ontbreekt hem veel, te weten, het eenige wat hij \'t meest behoeft.

En dat is? Dat hij, alles verzaakt hebbende, zichzelven verzake en geheel zichzelven uitga, niets van zijn eigenliefde overhoude, en dat hij, alles gedaan hebbende wat hij meende te

-ocr page 138-

122

moeten doen, gevoele niets gedaan te hebben.

Dat hij \'tniet veel telle wat veel kon geacht worden, maar zich in waarheid een onnutten knecht noeme, gelijk de Waarheid zelve zegt: Wanneer gij alles gedaan hebt hetgeen u bevolen was, zegt\', wij zijn onnutte dienstknechten; hetgeen wij schuldig waren te doen, hebben wij gedaan. (Luc. 17)

Alsdan zal hij waarlijk ontbloot van alles en arm van geest kunnen zijn en met den Profeet zeggen: ik ben eenzaam en behoeftig. (Ps. 2 )

En nochtans is er niemand rijker, niemand machtiger, niemand vrijer dan hij, die zichzelven en alles weet te verzaken en zich op de laagste plaats te stellen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over den koninklijken weg des heiligen Kruises.

Hard schijnt velen het woord: Verloochen uzelven, neem uw kruis op en volg Jezus, (Matth. 10)

-ocr page 139-

Maar veel harder zal het zijn dit laatste woord te hooren I (jciat weg van mij, gij vervloekten l in het eeuwige vuur. (Matth. 25)

Zij toch die thans gaarne het woord des kruises hooren en volgen, zullen dan niet te vreezen hebben voor het woord der eeuwige verdoemenis.

Dit teeken van het kruis zal aan den hemel zijn, wanneer de Heer ten oordeele komt

Dan zullen al de dienaren des kruises, die zich in hun leven den Gekruiste hebben gelijkvormig gemaakt, tot Christus, den Rechter, met groot vertrouwen naderen.

Wat vreest gij dan het kruis op te nemen, daar het ten rijkszetel voert ?

In het kruis is heil, in het kruis het leven, in het kruis bescherming tegen de vijanden, in het kruis overvloed van hemelschen troost, in het kruis zielskracht, in het kruis geestesvreugde, in het kruis het toppunt der deugd, in het kruis de volmaking der heiligheid. Er is geen heil voor de ziel noch

-ocr page 140-

m

hoop op \'t eeuwige leven, dan in het kruis.

Neem dan uw kruis op en volg Jezus, en gij zult \'t eeuwige leven ingaan.

Hij ging voor, torsende zijn kruis, en is voor u aan het kruis gestorven, opdat ook gij uw kruis zoudt dragen en trachten aan \'t kruis te sterven.

Want zijt gij met Hem gestorven, gij zult ook met Hem leven, en zijt gij deelgenoot geweest van zijn lijden, gij zult \'t ook van zijn heerlijkheid wezen.

Zie, alles is in het kruis opgesloten en in het sterven ligt het al.

Er is geen andere weg tot het leven en tot den waren inwendigen vrede, dan de weg des heiligen kruises en eener dagelijksche versterving.

Ga werwaarts gij wilt, zoek wat gij wilt, gij zult boven u geen hoogeren, noch beneden u een veiliger weg vinden, dan dien van \'t heilige kruis.

Beschik en regel alles naar uw wil en goeddunken, en gij zult bevinden dat

-ocr page 141-

125

gij altoos willens of onwillens iets moet lijden, en dus zult gij immer een kruis aantreffen.

Of gij zult in het lichaam smart gevoelen, of naar de ziel geesteskwelling lijden.

Somtijds zult gij van God verlaten, somtijds door uwen naaste geplaagd worden, en wat nog erger is, gij zult dikwijls uzelven tot last zijn

Nochtans zult gij door geenerlei middel noch troost kunnen verïostof verlicht worden, maar zoolang God het wil, zult gij \'t moeten dragen.

Want God wil dat gij smart zonder troost leert lijden, en dat gij u geheel aan Hem onderwerpt, en dat gij door lijden nederiger wordt.

Niemand gevoelt zoo hartelijk het lijden van Christus, als hij wien het te beurt viel iets dergelijks te lijden.

Er is alzoo altoos een kruis gereed en het wacht u overal op.

Gij kunt \'t niet ontvluchten, wer-waarts gij loopt; want waar gij komt, gij draagt uzelven mede en vindt uzelven overal.

-ocr page 142-

126

Wend u naar boven, wend u naar beneden, wend u naar buiten, wend ii naar binnen, overal vindt gij het kruis en overal moet gij geduld oefenen, wilt gij innerlijk vrede hebben en de eeuwige kroon verdienen.

Zoo gij uw kruis gewillig draagt, zal het ook u dragen en ten gewenschten einde brengen, waar namelijk het lijden eindigen zal, ofschoon het. niet hier zal wezen.

Draagt gij het onwillig, gij maakt u een last en bezwaart uzelven te meer, en toch moet gij het dragen.

Werpt gij éen kruis van u af, gij zult ongetwijfeld een ander en wellicht zwaarder vinden.

Denkt gij te ontwijken wat geen sterveling heeft kunnen ontgaan?

Welk Heilige is op aarde zonder kruis en lijden geweest?

Jezus Christus, onze Heer zelf, immers is zoolang Hij leefde, peen uur zonder lijdenssmart geweest. De Christus moest lijden, zeide Hij, en van de dooden opstaan en alzoo zijne heerlijkheid ingaan. (Luc. 24)

-ocr page 143-

127

Hoe zoekt gij dan een anderen weg, dan dezen koninklijken weg, den weg des heiligen kruises ?

Het geheele leven van Christus was kruis en marteling, en gij zoekt voor u rust en vreugde?

Gij dwaalt, gij dwaalt, zco gij iets anders zoekt dan tegenspoed te lijden : want dit geheele sterfelijk leven is vol ellende en met kruisen omringd.

En hoe meer iemand in het geestelijk leven gevorderd is, hoe zwaarder kruisen hij dikwijls vindt: want de ellende zijner ballingschap neemt toe naar zijne liefde.

Nochtans is deze zoo veel geplaagde niet zonder opbeurenden troost; want naarmate hij zijn kruis draagt, gevoelt hij de heerlijkste vruchten ervan toenemen.

Want daar hij zich gewillig daaraan onderwerpt, gaat ook al de last des lijdens in vertrouwen op den godde-lijken troost over.

En hoe meer het vleesch door \'t lijden verzwakt wordt, te meer wordt

-ocr page 144-

128

de geest door de inwendige genade versterkt.

Ja somtijds wordt men door den lust tot ramp en tegenspoed, uit zucht naar gelijkvormigheid aan het kruis van Christus zoodanig versterkt, dat men niet zonder smart of lijden zou willen leven; daar men gelooft dat men zich te meer bij God aangenaam maakt, hoe meerder en zwaarder last men om zijnentwil kan dragen.

Dit is niet het werk des menschen maar der genade van Christus, die op het brooze vleesch zoo veel vermag en uitwerkt, dat het met ijver des geestes aangrijpt en bemint hetgeen \'t van nature altoos haat en vlucht.

Het is den mensch niet eigen het kruis te dragen, het kruis te beminnen, het lichaam te tuchtigen en dienstbaar te maken, de eer te vlieden, den smaad gewillig te verdragen, zichzel-ven te verachten en gaarne veracht te willen worden, allerlei tegenheden en verliezen te lijden, en naar geenerlei voorspoed op deze wereld te verlangen,

-ocr page 145-

129

Indien gij op uzelven ziet, zult gij niets van dat alles vermogen.

Maar vertrouwt gij op den Heer, dan zal u de sterkte van boven gegeven en wereld en vleesch aan uw gebied onderworpen worden.

Zelfs den vijand, den duivel zult gij niet vreezen, zoo gij met het geloof gewapend en met het kruis van Christus geteekend zijt.

Bereid u dan, als een goed en getrouw dienaar van Christus, om het kruis uws Heeren, uit liefde voor u gekruist, moedig te dragen.

Bereid u om in dit ellendige leven velerlei tegenheden en allerhande ongemakken te verdragen: want waar gij ook zijt, dat zal uw lot wezen; en gij zult \'t dus in waarheid bevinden waar gij u ook verschuilt.

Het moet zoo zijn; en er is geen middel om den druk der rampen en smarten te ontgaan dan die te verdragen.

Drink met blijdschap den kelk des

6*

-ocr page 146-

130

Heeren, indien gij zijn vriend wilt zijn en deel met Hem hebben.

Laat de beschikkingen van den troost aan God over^ Hij doe daarmede zooals Hem behaagt.

Wat u betreft, zet u tot het verdragen van tegenheden en stel daarin uw grootsten troost: want het lijden van dezen tijd is met te achten om te verdienen de toekomende heerlijkheid, weike aan ons zal worden geopenbaard, (2 Cor 12) al kondet gij \'took alles alleen verdragen.

Wanneer gij zoo ver gekomen zijt dat ^ de ^ tegenspoed u zoet is en om Christus\' wil smaakt, denk dan dat het met u wèl is; want gij hebt een paradijs gevonden op aarde.

Zoolang het lijden u zwaar valt en gij het tracht te ontgaan, zoolang zal het met u kwalijk gesteld zijn, en het lijden dat gij vlucht zal u overal volgen.

Schikt gij u waartoe gij verplicht zijt, te weten, tot lijden en zelfverster-ving, zoo zal het ras beter worden en gij zult vrede vinden

-ocr page 147-

131

Al waart gij met Paulus tot in den derden hemel opgevoerd, gij zoudt daarom niet verzekerd zijn van niets tegenstrijdings te lijden. Ik zal hem, zegt Jezus, toonen hoeveel hij om mijnen naam moei lijden. (Act. 9)

Lijden moet gij dus, zoo gij Jezus beminnen en Hem bestendig dienen wilt.

O, mocht gij waardig zijn iets voor den naam van Jezus te lijden! Welk een groote glorie zou u wachten, welke vreugde zou het voor alle Gods Heiligen en welk een stichting voor uw evenmensch zijn!

Maar allen prijzen de lijdzaamheid aan, ofschoon slechts weinigen willen lijden.

Terecht behoordet gij voor Christus een weinig te lijden, daar zoo velen voor de wereld wel meer verdragen.

Houd \'t voor zeker dat gij een stervend leven leiden moet; en hoe meer iemand zich afsterft te meer begint hij voor God te leven.

Niemand is bekwaam om \'t hemel-

-ocr page 148-

132

sche te bevatten, tenzij hij zich onder-werpe aan \'t dragen van rampen om Christus wille.

Niels is aangenamer aan God, niets ii heilzamer op deze wereld dan o-e-wilhg voor Christus te lijden.

Ja zoo gij te kiezen hadt, moest cij liever wenschen voor Christus tegenspoed te lijden, dan door velerlei troost verkwikt te worden: want zóó zoudt gij meer gelijk aan Christus en meer gelijkvormig aan al de Heiligen zijn.

Want onze verdienste en de voortgang van onzen staat zijn niet in veel genoegens en troost gelegen, maar

eer .tr, ,111 het dragen van groote nioeilijkheden en rampen.

Ware er iets beters en heilzamers voor den mensch dan te lijden, zeker zou Christus dat door leer en voorbeeld aangewezen hebben.

Maar Hij vermaant zijn leerlingen die Hem volgden, en allen die Hem willen volgen, uitdrukkelijk om hun kruis te dragen, zeggende; Zoo iemand

-ocr page 149-

133

achter Mij wil komen, die verloochent zichzelven, neme zijn kruis op en volge Mij. (Matth. 16)

Na alles dan wel doorlezen en onderzocht te hebben zij dit eindelijk het besluit: Wij moeten door vele verdrukkingen ingaan in het rijk Gods. (Act. 14)

EINDE VAN HET TWEEDE BOEK.

-ocr page 150-

DERDE BOEK.

van den inwendioen tboost. -----

EERSTE HOOFDSTUK.

Over het inwendige onderhoud van Christus met de geloovige ziel.

De Geloovige ziel. Ik zal hooren tiaar hetgeen de Heere God in mij spreken zal. (Ps. 84)

De Heer, Zalig de ziel die den Heer in zich hoort spreken en uit zijn mond het woord van troost ontvangt!

Zalig de ooren die \'t geftuistei- van t goddelijk woord opvangen en van de influistering dezer wereld niets vernemen 1

Ja, wel zalig de ooren die niet luisteren naar de stem die daarbuiten klinkt, maar naar de waarheid die van binnen leert!

-ocr page 151-

135

Zalig de oogen die voor \'t uitwendige gesloten, maar op \'t inwendige gevestigd zijn!

Zalig zij die tot \'t binnenste doordringen en zich, door dagelijksche oefeningen, meer en meer trachten bekwaam te maken tot \'t bevatten der hemelsche verborgenheden!

Zalig zij die vurig verlangen met God om te gaan en zich van alle hindernis der wereld ontdoen!

Let hierop, mijne ziel! en sluit de deuren uwer zinlijkheid, opdat gij hoo-ren moogt naar hetgeen de Heer uw God in u spreekt.

Dit zegt uw Geliefde: Ik ben uw heil, uw vrede en uw leven.

Houd u aan Mij en gij zult vrede vinden.

Laat al het vergankelijke daar, zoek het eeuwige.

Wat is al \'t tijdelijke tenzij verleiding ? En wat baten al de schepselen, zoo gij van den Schepper verlaten zijt?

Alles dan verlatende, maak u behaaglijk en getrouw aan uw Schepper,

-ocr page 152-

opdat gij \'t ware geluk mooet verwerven.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Igt;e « aarlieid spreekt in ons zonder gedniisch van woorden.

De Geloovige ziel. Spreek, o Heer! 7tjant uw dienaar hoorl. (1 Reg. 3)

tJ\'T-,UW dienaar\' geef mij versland, opdat ik uw getuigenissen kenne. (Ps 118) Mig mijn hart tot de woorden uws monds; (Ib.) dat uwe rede als de morgendauw vloeie.

Weleer zeiden Israels kinderen tot Mozes; Spreek gij tot ons en wij zul-len hooren; maar dat God tot ons niet spreke, opdat wij niet sterven. (Exod. 20) Met alzoo, o HeerI niet alzoo bid ik; liever smeek ik met den Profeet bamuel ootmoedig en vurig: Spreek o ■Heer! want uw dienaar hoort.

Dat niet Mozes noch een der Proeten tot mij spreke, maar spreek Gij lever, Heere God! ingever en verlichter van al de Profeten: want Gij alleen

-ocr page 153-

137

kunt mij zonder hen volkomen onderrichten, terwijl zij zonder U niets vermogen.

Wo orden kunnen zij wel doen klinken, maar den geest schenken zij niet.

Zij spreken voortreffelijk, maar zwijgt Gij, zij ontvlammen het hart niet.

Zij geven letters, maar Gij ontvouwt den zin.

Zij dragen geheimnissen voor, maar Gij doet de beteekenis van het betee-kende vatten.

Zij maken de geboden bekend, maar Gij helpt die volbrengen,

Zij wijzen den weg, maar gij sterkt om dien te bewandelen.

Zij werken slechts van buiten, maar Gij onderricht en verlicht het hart.

Zij begieten uitwendig, maar Gij geeft de vruchtbaarheid.

Zij spreken luid door woorden, maar Gij geeft aan \'t gehoor het begrip.

Dat dan niet Mozes tot mij spreke, maar Gij, Heer mijn God! de eeuwige waarheid, opdat ik niet sterve en zonder vrucht blijve, als ik slechts uitwen-

-ocr page 154-

138

dig gewaarschuwd ben en niet inwendig ontvlamd.

Opdat \'t mij niet ten oordeel strekke het woord gehoord en niet bemind, geloofd en niet onderhouden te hebben. Spreek Gij dan, o Heer! want uw dienaar hoon, en Gij hebt de woorden des eeuwigen leve?is. (Joan. 6)

Spreek Gij tot mij tot eenigen troost mijner ziele en ter verbetering van mijn geheelen wandel, U tot lof en roem en eeuwige eer.

DERDE HOOFDSTUK.

Het woord Gods moet met ootmoed gehoord worden ; velen nemen het niet ter harte.

Christus. Mijn zoon! hoor naar mijn woorden, woorden vol lieflijkheid en verheven boven al de wetenschap der geleerden en wijzen dezer wereld.

Mijne woorden zijn geest en leven, (Joan. 6) en mogen niet geschat worden naar het gevoelen der menschen.

Ook mag men daarin geen ijdel behagen zoeken, maar men moet ze in stilte aanhooren en met allen ootmoed en groote liefde opnemen.

-ocr page 155-

139

De Geloovige ziel. Gelukkig is hij, o Heerl dien Gij onderricht en uwe wet leert om hem in bange dagen te verkwikken, (Ps. Q3) en opdat hij niet op aarde verlaten zij.

Christus. Ik heb van den beginne af de Profeten onderwezen en tot nu toe houd ik niet op tot allen te spreken, maar velen zijn doof voor mijne stem en verhard.

Velen hooren liever de wereld dan God, en volgen liever de lusten huns vleesches dan \'t welbehagen Gods.

De wereld belooft het tijdelijke en geringe en wordt met grooten ijver gediend; ik beloof het hoogste en eeuwige, en der stervelingen hart blijft koud!

Wie dient en gehoorzaamt Mij in alles met die zorg, waarmede men de wereld en hare heeren dient?

Bloos, o Sidon! zegt de zee. (Is. 23) En vraagt gij de reden, hoor, zij is deze:

Om een gering inkomen legt men een grooten weg af; om het eeuwige leven willen velen nauwlijks éen voet van den grond oplichten.

-ocr page 156-

140

Men streeft naar een nietig gewin; om een stuk geld wordt somtijds schandelijk getwist; om een ijdel ding en een beuzelachtige belofte aarzelt men niet zich dag en nacht te vermoeien.

Maar, o schande! voor een onvergankelijk goed, voor een onwaardeerbaren prijs, voor de hoogste eer en eindelooze heerlijkheid is men traag de minste moeite te doenl

Bloos dan, trage en klaagzieke dienstknecht 1 daar genen ijveriger tot hun verdref dat gij ten leven bevonden wordt.

Zij smaken meer vreugde bij de ijdel-heid dan gij bij de waarheid.

En toch worden zij somtijds in hunne hoop bedrogen, terwijl mijne belofte niemand bedriegt, noch die op Mij vertrouwen ledig wegzendt.

Wat Ik beloofd heb zal Ik geven, wat Ik gezegd heb zal Ik nakomen, mits men in mijne liefde getrouw blijve ten einde toe.

Ik ben \'t die alle braven beloon. Ik, die de vromen sterk beproef.

-ocr page 157-

141

Schrijf mijne woorden in uw hart en overweeg ze vlijtig; want ten tijde der bekoring zult gij ze zeer behoeven

Wat gij bij \'t lezen niet verstaat, zult gij begrijpen ten dage van mijn bezoek.

Ik pleeg mijn uitverkoienen op tweederlei wijze te bezoeken, door beproeving namelijk en vertroosting.

Twee lessen ook lees ik hun dagelijks, de eene door hun gebreken te berispen, de andere door ze op te wekken tot voortgang in de deugd

Wie mijne woorden hoort en ze versmaadt, heeft een\' die hem vonnissen zal ten jongsten dage.

Gebed om de genade der devotie te verkrijgen.

Heere mijn God! al mijn goed zijt Gij. Kn wie ben ik dat ik tot U durf spreken? Ik ben uw armste dienstknecht en een nietige aardworm, veel armer en verachtelijker dan ik weet of zeggen durf.

Gedenk toch, o Heerl dat ik niets ben, niets heb en niets vermag.

-ocr page 158-

142

Gij alleen zijt goed, rechtvaardig en heilig. Gij vermoogt alles, Gij geeft alles, Gij vervult alles, den zondaar alleen ledig latende.

Gedenk uwer ontfermingen en vervul mijn hart met uwe genade. Gij die uwe werken niet ledig wilt laten,

Hoe zal ik in dit ellendig leven den last van mijzelven dragen, als uwe ontferming en genade mij niet ondersteunen ?

Wend uw aanschijn niet van mij af; wil uw bezoek niet uitstellen; wil mij uwen troost niet ontrekken, opdat 7nijne ziel voor U niet worde ah een land-zonder water. (Ps. 142)

Heer! leer mij uwen wil doen, (Ib.) leer mij voor U waardig en in ootmoed wandelen.

Gij toch zijt mijne wijsheid, die mij in waarheid kent en reeds gekend hebt, voordat de wereld was en voordat ik in de wereld geboren werd.

-ocr page 159-

148

VIERDE HOOFDSTUK.

Men moet in waarheid en ootmoed voor God wandelen.

De Heer. Zoon! wandel voor mij in waarheid en zoek Mij altoos in de eenvoudigheid uws harten.

Wie voor Mij in waarheid wandelt zal tegen booze aanvallen beveiligd zijn, en de waarheid zal hem bevrijden van de verleiders en van den laster der kwaadwilligen.

Heeft de waarheid u bevrijd, dan zult gij waarlijk vrij zijn en op de ijdele woorden der menschen geen acht geven.

De Geloovige. Heer! het is gelijk Gij zegt; ik bidde dat aldus met mij geschiede; dat uwe waarheid mij leere, dat zij mij beware en tot een heilzaam einde behoude.

Dat zij mij vrij make van alle kwade neigging en ongeregelde verkleefdheid; dan zal ik met U in groote vrijheid des harten wandelen.

De Heer. Ik, zegt de Waarheid, zal u leeren wat recht en Mij behaaglijk is.

-ocr page 160-

144

Overweeg met een groot mishagen en droefheid uwe zonden, en acht u nooit iets te zijn om uwe goede werken.

Inderdaad, gij zijt een zondaar, aan vele driften onderworpen en daarin verward.

Uit uzelven helt gij altoos over tot het niet; spoedig valt gij, spoedig wordt gij overwonnen, spoedig ontrust, spoedig ontmoedigd.

Niets hebt gij waarop gij kunt roemen, maar veel waarom gij u moet vernederen; want gij zijt veel zwakker dan gij bevatten kunt.

Van alles dan wat gij doet, schijne u niets groot: houd niets als groot, niets als kostbaar, bewonderens- of roemenswaardig: want niets is verheven, niets waarlijk prijzenswaardig en begeerlijk dan hetgeen eeuwig is.

Dat de eeuwige waarheid u boven alles behage, uwe overgroote onwaardigheid u steeds mishage.

Vrees, veracht en vlucht niets zoo zeer als uw gebreken en zonden, die u meer moeten bedroeven dan alle tijdelijk verlies.

-ocr page 161-

145

Sommigen wandelen voor Mij niet oprecht; maar, door zekere nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijn verborgenheden kennen en de diepte Gods peilen, terwijl zij zichzelven en hun heil verwaarloozen.

Dezen, daar Ik Mij tegen hen stel, vallen dikwijls door hun hoogmoed en nieuwsgierigheid in groote bekoringen en zonden

Gij, vrees Gods oordeelen, sidder voor den toorn des Almachtigen

Wil niet de werken des Allerhoog-sten beoordeelen : maar doorzoek uw ongerechtigheden, in hoeveel gij misdaan en hoeveel goeds gij verzuimd hebt.

Sommigen stellen hunne godsvrucht allen in boeken, sommigen in beelden, anderen in uitwendige teekenen en vormen.

Sommigen hebben Mij in den mond, maar weinig in het hart.

Er zijn anderen die, van verstand verlicht en van harte gereinigd, altoos naar \'t eeuwige hijgen ; zij willen nauwe-

7

-ocr page 162-

146

lijks van \'t aardsche hooren en voldoen met weerzin aan de behoeften der natuur : en dezen verstaan wat de geest der waarheid in hen spreekt.

Want hij leert hen \'t aardsche versmaden en \'t hemelsche beminnen, de wereld vergeten en dag en nacht onophoudelijk naar den hemel verlangen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over de wonderbare werking der goddelijke liefde.

De Geloovige Ik zegen U, o hemelsche Vader 1 Vader van mijnen Heer Jezus Christus ! dat Gij U verwaardigd hebt mij arme te gedenken.

O Vader der barmhartigheid en God aller vertroosting 1 U zij dank dat Gij mij, allen troost onwaardige, nu en dan met uwen troost verkwikt.

U zegen ik en verheerlijk ik met uw eeniggeboren Zoon en den Heiligen Geest, den Trooster, in de eeuwen der eeuwen.

O Heere God 1 mijn heilige min-

-ocr page 163-

147

naar ! wanneer Gij komt in mijn hart, dan zal alles wat in mij is zich verheugen.

Gij zijt mijn roem en de vreugde mijns harten ; Gij zijt mijn hoop en toevlucht ten tijde mijner benauwdheid.

Maar omdat ik in de liefde nog zwak ben en in de deugd onvolmaakt, daarom behoef ik volstrekt door ü versterkt en getroost te worden. Bezoek mij dan dikwijls en onderwijs mij in uwe heilige leeringen.

Bevrijd mij van de kwade driften en genees mijn hart van alle ongeregelde neigingen; opdat ik, van binnen genezen en goed gereinigd, bekwaam worde om U te beminnen, sterk om te lijden en standvastig om te volharden.

De Heer. De liefde is iets groots, een zeer groot goed

Zij alleen maakt licht al wat zwaar is, en draagt al het ongelijke gelijkelijk.

Want zij draagt den last zonder last, en maakt al het bittere zoet en smakelijk.

-ocr page 164-

148

De liefde tot Jezus is edelmoedig, drijft tot groote daden aan en wekt steeds de begeerte tot het volmaaktere op.

De liefde streeft naar boven en laat zich door niets laags wederhouden.

De liefde wil vrij zijn en van alle wereldsche gehechtheid ontheven, opdat haar innerlijke blik niet verhinderd worde, opdat zij om geenerlei tijdelijk belang in verlegenheid kome noch wegens ongeval bezwijke

Er is niets zoeter dan de liefde, niets krachtiger, niets verhevener, niets uitgebreider, niets genoeglijker, niets vollediger, niets beter in hemel en op aarde.

Want de liefde is uit God geboren en kan niet dan in God boven al het geschapene rusten.

Wie bemint, loopt, vliegt en is verheugd; hij is vrij en wordt niet wederhouden.

Hij geeft alles voor alles en heeft alles in alles, dewijl hij boven alles in het eenige Hoogste rust, uit hetwelk alle goed vloeit en voortkomt.

-ocr page 165-

149

Hij ziet niet op giften, maar wendt zich, boven alle goederen, tot den gever.

De liefde kent dikwijls geen maat, maar is brandende boven alle mate.

De liefde gevoelt geen last, zij acht geen arbeid ; zij tracht naar meer dan hare kracht toelaat, zij wendt nooit onmogelijkheid voor, omdat zij meent dat zij alles kan en vermag.

Zij is dus tot alles in staat : zij volbrengt veel en voert uit, waar hij die niet bemint, te kort schiet en bezwijkt.

De liefde waakt en slapende sluimert zij niet.

Vermoeid, is zij niet afgemat; geprangd, wordt zij niet ingedrukt; verschrikt, ontstelt zij zich niet; maar gelijk een levende vlam en brandende toorts breekt zij uit naar boven en dringt ongehinderd door.

Wie bemint weet wat deze stem roept. Ook is het een sterk geroep in het oor van God, wanneer eene van liefde brandende ziel uitroept:

-ocr page 166-

150

Mijn God! mijne liefdel Gij geheel de mijne, ik geheel de uwe.

De Geloovige, Breid in mij de liefde uit, opdat ik met den inwendigen mond des harten leere smaken, hoe zoet het zij te beminnen en in liefde te versmelten en te baden 1

Mocht ik door liefde zóo bevangen worden, dat ik door haar gloed en overmaat boven mijzelven vervoerd werd!

Mocht ik het lied der liefde zingen en U, mijn Geliefde ! in de hoogte

volgen; mochtmijne van liefde juichende

ziel onder uwen lof bezwijken 1

Mocht ik U meer dan mijzelven beminnen en mijzelven alleen om U, en in U allen die U waarlijk beminnen, gelijk de wet der liefde, van U afkomstig, gebiedt!

De Heer. De liefde is vlug, on geveinsd, vroom, bevallig en aangenaam; sterk, geduldig, getrouw, voorzichtig, lankmoedig, manhaftig en nooit zichzelve zoekende; want waar iemand zichzelven zoekt daar valt de liefde weg.

-ocr page 167-

151

De liefde is omzichtig, nederig en oprecht; niet lafhartig, niet lichtzinnig noch op IJdelheden bedacht; ingetogen, kuisch, bestendig, bedaard en wachthoudende over alle zinnen.

De liefde is onderworpen en gehoorzaam aan de oversten, in haar eigen oog gering en ongeacht, Gode gewijd en dankbaar, altoos hopende en vertrouwende op Hem, ook als zij voor God geen smaak gevoelt: want zonder smart leeft men in de liefde niet.

Wie niet gereed is om alles te lijden en zich naar den wil zijns geliefden te schikken, verdient den naam van minnaar niet.

De minnaar zich behoort gaarne om zijnen geliefde al het harde en bittere te getroosten, en zich door geen tegenspoeden van hem te laten aftrekken.

ZESDE HOOFDSTUK.

Over den toetssteen dor ware liefde

De Heer. Mijn zoon ! gij zijt nog geen sterk en welberaden minnaar.

-ocr page 168-

152

De Geloovige. Waarom, Heer?

De Heer. Omdat gij wegens eene geringe tegenheid uw opzet Iaat varen en te gretig naar vertroosting omziet.

Een sterk minaar staat pal bij de bekoringen en slaat geen geloof aan des vijands listige ingevingen Gelijk Ik hem behaag in voorspoed, zoo mishaag Ik hem niet in tegenspoed.

Een welberaden minnaar ziet niet zoo zeer op des geliefden gifte als op des gevers liefde.

Hij hecht meer aan het hart dan aan het geschenk, en hij stelt al de gaven beneden den beminde.

Een edelmoedig minnaar berust niet in het geschenk, maar in Mij boven alle geschenken.

Daarom is alles niet verloren, al gevoelt gij u eens jegens Mij of mijne Heiligen minder welgezind dan gij wenschtet.

Die goede en lieflijke gesteldheid, welke gij somtijds ontwaart, is het uitwerksel der aanwezige genade en als een voorsmaak van \'t hemelsch

-ocr page 169-

153

vaderland, doch waarop gij niet te veel moogt steunen: want zij gaat, en zij komt.

Maar te strijden tegen de invallende kwade bewegingen des harten, en de ingevingen- des duivels te verachten, is een teeken van deugd en groote verdienste.

Laat u dan niet ontrusten door vreemde voorstellingen, omtrent welke zaak ook ontstaan.

Houd u standvastig bij uw voornemen en uw oogmerk tot Godgericht.

Ook is \'tgeen bedrog, als gij soms schielijk in verrukking wordt opgevoerd en aanstonds tot de gewone beuzelarijen des harten wederkeert: want deze lijdt gij meer tegen uwen zin dan dat gij ze bewerkt. En zoolang zij u mishagen en gij tegenstreeft, strekken ze u tot verdienste en niet tot schade.

Weet dat de oude vijand op allerlei wijze tracht uw verlangen ten goede te verhinderen en u van elke godvruchtige oefening af te trekken: na-

-ocr page 170-

154

nielijk van de vereering der Heiligen, van de zalige overweging mijns lij-dens, van de zoo nuttige herinnering uwer zonden, van de waakzaamheid over uw eigen hart en van het vaste voornemen om in deugd voort te gaan.

Daarom dringt hij u vele kwade gedachten op om u verdriet en afgrijzen te veroorzaken, ten einde u van het gebed en de geestelijke lezing af te trekken.

Ook mishaagt hem eene ootmoedige schuldbelijdenis. Ja indien hij kon, hij zou u van \'s Heeren Tafel afhouden.

Geloof hem niet noch stoor u aan hem, hoe dikwijls ook hij u zijn bedrieglijke strikken spanne.

Werp ze hem met verachting terug als hij u kwade en onreine gedachten ingeeft, en zeg tot hem : »Weg onreine geest! bloos, rampzalige! gij zijt wel zeer onrein, om mij zulke dingen, in het oor te blazen.quot;

»Wijk van mij, snoodste verleider! gij zult geen deel aan mij hebben;

-ocr page 171-

155

maar Jezus zal als een krachtig strijder met mij zijn, en gij zult beschaamd staan.quot;

»Liever wil ik sterven en alle smart lijden dan met u instemmen.quot;

»Zwijg en verstom! Ik zal niet meer naar u hooren, hoeveel moeilijkheden ook gij mij aandoet. De Heer is mijn licht en mijn heil: wien zoude ik vreezen? De Heer is mijne levenskracht: voor wien zoude ik sidderen ? Al stonden er ook legers tegen mij op, mijn hart zoude niet vreezen. De Heer is mijn helper en mijn verlosser. (Ps. 16)

Strijd dan als een goed krijgsknecht, en valt gij soms uit zwakheid, herneem den moed meer dan te voren en vertrouw op nog overvloediger genade, maar wacht u zeer voor ijdel zelfbehagen en hoogmoed.

Daardoor toch worden velen in dwaling gebracht en vervallen somtijds tot eene ongeneeslijke blindheid.

Dat de val dier hoogmoedigen, die zich dwaselijk zooveel verbeelden, u leere behoedzaam en sleeds ootmoedig te zijn.

-ocr page 172-

15G

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Dat men de «enarte onder de hoede der nederigheid moet verbergen.

De Heer. Mijn zoonl het is voor u nuttiger en veiliger de genade der devotie te verbergen, u daarop niet te verheffen noch veel daarvan te spreken en daaraan niet te veel gewicht te hechten, maar eer uzelven te verachten en te vreezen daf, zij eenen onwaardige gegeven is.

Men mag niet te veel staat maken op eene gesteltenis, die zoo ras tot het tegendeel kan overslaan.

Bedenk bij het genot dezer genade hoe ellendig en beroofd gij zonder haar pleegt te zijn.

Ook ligt de voortgang van het geestelijke leven niet alleen daarin, dat gij de genade der vertroosting bezit; maar daarin dat gij met ootmoedige zelfverzaking en geduld hare onthouding verdraagt; zoodat gij dan niet in het gebed vertraagt, en uwe overige gewone oefeningen in \'t minste niet

-ocr page 173-

157

verzuimt; maar dat gij volgens uw best vermogen en doorzicht gewillig doet wat gij kunt en u wegens de dorheid of benauwdheid, die uwe ziel ontwaart, niet geheel verwaarloost.

Velen toch zijn er die, zoodra het hun niet naar wensch gaat, terstond ongeduldig en traag worden.

\'s Menschen weg is immers niet altoos in zijne macht; maar het komt God toe te geven en te troosten, wanneer Hij wil en zooveel Hij wil en wien Hij wil, volgens zijn welbehagen, en niet meer.

Eenige onvoorzichtigen hebben zich om de genade der devotie te verkrijgen in het verderf gestort, omdat zij meer wilden doen dan zij vermochten ; geen acht gevende op de mate hunner geringheid, maar liever de neiging des harten volgende dan het oordeel des verstands.

En daar zij meer ondernamen dan Gode behaaglijk was, daarom hebben zij de genade spoedig verloren.

Aldus werden zij die in den hemel

-ocr page 174-

158

wilden nestelen, beroofd en aan hun nietigheid overgelaten, opdat zij, vernederd en verarmd, leeren mochten niet op eigen wieken te vliegen maar onder mijn vleugelen te schuilen.

Zij die in den weg des Heeren nog nieuwelingen en onervarenen zijn, kunnen licht bedrogen en teleurgesteld worden, tenzij zij zich door den raad van verstandigen laten leiden.

Of willen zij liever hun eigen zin volgen dan meer ervarenen geloof geven, dan zal hun einde gevaarlijk zijn, zoo zij namelijk van hun eigen begrip niet willen terugkomen.

Zij die zichzelven wijs genoeg zijn, laten zich zelden nederig door anderen geleiden.

Beter is weinig kennis en een gering verstand met ootmoed, dan groote schatten van geleerdheid met ijde\' zelfbehagen.

Beter is weinig te hebben, dan veel waarover gij u kondet verhoovaardigen.

Hij handelt niet voorzichtig genoeg die zich geheel aan de vreugde over-

-ocr page 175-

159

geeft, vergetende zijne vorige armoede en de ingetogen vreeze des Heeren, welke steeds beducht is de aangeboden genade te verliezen.

En hij is ook niet sterk genoeg van geest die zich, ten tijde van tegenspoed en het geringste ongeval, te wanhopig gedraagt en zich aan gedachten en gevoelens overgeeft onwaardig het vertrouwen dat Mij is verschuldigd.

Wie in vredestijd te gerust heeft willen zijn, zal dikwijls in oorlogstijd te neerslachtig en te vreesachtig bevonden worden.

Wist gij altoos nederig en bij uzel-ven klein te zijn, en uwen geest wèl te regelen en te besturen, gij zoudt u zoo licht niet aan gevaar blootstellen noch aanstoot vinden.

Het is een goede raad: bevindt gij in u den geest van vurigheid, overweeg hoe \'tzal zijn als dat licht u verlaten heeft.

En gebeurt dit, bedenk dan dat \'t licht ook weer kan terugkeeren, hetwelk ik u voor een tijd ontnomen heb tot

-ocr page 176-

160

uwe behoedzaamheid en mijne verheerlijking.

Een zoodanige beproeving is dikwijls nuttiger dan dat quot;t u altoos wèl ga naar uwen wensch

Want de verdiensten zijn niet daarnaar te meten, of iemand velerlei openbaringen en vertroostingen hebbe, noch of hij bedreven in de Schriften zij of in een hoogen rang geplaatst; maar of hij in waren ootmoed gevestigd zij en met de liefde Gods vervuld; of hij de eer van God altoos zuiver en volkomen beooge, of hij zichzelven niets achte en waarlijk versmade, en meer behagen vinde in van anderen veracht en vernederd dan geëerd te worden.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Hoe gering men zich moet achten in het oog van Gotl.

De Geloovige. Ik zal spreken tot mijnen Heere, hoewel ik stof en asch ben. (Gen. 18)

-ocr page 177-

161

Indien ik mij meerder acht, zie, Gij stelt U tegen mij, en mijn overtredingen geven een ware getuigenis die ik niet weerleggen kan.

1 Maar verneder ik mij en maak ik

mij tot niets; leg ik allen eigendunk af en breng ik mij tot stof, gelijk ik ben dan zal uw genade mij gunstig en uw licht mijn hart nabij zijn.

Dan zal alle zelfverbeelding, hoe gering ook, in de diepte mijner nietigheid verzwolgen worden en voor eeuwig vergaan.

Diiar vertoont Gij mij aan mijzelven wat ik ben, wat ik was en waartoe ik gekomen ben: want ik ben niets en ik wist het niet 1

Word ik aan mijzelven overgelaten, zie, dan ben ik niets en geheel zwakheid ; maar werpt Gij spoedig weder een blik op mij, dan word ik terstond sterk en met nieuwe vreugde vervuld.

En hoe wonderbaar dat ik zoo aanstonds weder word opgebeurd en zoo vriendelijk door U ontvangen, ik, die door eigen zwaarte steeds naar bene-* den hel.

-ocr page 178-

102

Dit is het werk uwer liefde, die mij onverdiend voorkomt en in zoo vele noodwendigheden bijstand biedt, die mij ook voor groote gevaren behoedt, ja om de waarheid te zeggen, aan ontelbare rampen ontrukt.

Want door mijzelven verkeerdelijk te beminnen heb ik mijzelven verloren, maar door U alleen te zoeken en oprecht te beminnen, heb ik mijzelven en tevens U gevonden, en ben ik door deze liefde nog dieper in mijne nietigheid weggezonken, omdat Gij, o Beminnenswaardigste 1 aan mij wéldoet boven alle verdienste, ja boven hetgeen ik zou durven hopen of begeeren.

Wees dan gezegend, o mijn God 1 dat, hoezeer ik al uw weldaden onwaardig ben, uw edelmoedigheid en oneindige goedheid toch nimmer ophouden wél te doen, zelfs aan ondankbaren en verre van U afgewekenen.

Doe ons tot U wederkeeren, opdat wij dankbaar, nederig en U toegewijd mogen zijn : want Gij zijt ons heil, onze kracht en sterkte

-ocr page 179-

163

NEGENDE HOOFDSTUK,

Dat men tilles tot God, als liet laatste einde moet terugbrengen.

De Heer. Mijn zoon! Ik moet uw hoogste en laatste einde wezen zoo gij waarlijk gelukkig wilt worden.

Door deze bedoeling zullen uw neigingen gezuiverd worden, die zich vaak verkeerd tot uzelven en de schepselen nederbuigen.

Want zoodra gij in iets uzelven zoekt verkwijnt gij en verdort.

Breng dus alles tot Mij als de bron terug: want Ik ben het die alles geef.

Beschouw alles als vloeiende uit \'t hoogste goed; waarom ook alles tot Mij, als tot zijn oorsprong, moet worden teruggebracht

Uit Mij putten klein en groot, arm en rijk levendig water, als uit eene levende bron; terwijl zij die Mij vrij en gewillig dienen, liefde voor liefde zullen ontvangen.

Maar wie buiten Mij wil roemen of in eenig bijzonder goed zijn vermaak

-ocr page 180-

164

nemen, zal niet in de ware vreugde bevestigd worden noch opgeruimd van harte zijn; maar hij zal op velerlei wijze belemmerd en benauwd worden.

Gij moogt u dan van het goede niets toeschrijven; ken ook aan geen mensch de deugd toe maar geef alles aan God, zonder wien de mensch niets heeft

Ik heb alles gegeven, Ik wil alles terughebben en eisch ten strengste daarvoor dankzeggingen.

Dit is eene waarheid waardoor de ijdelheid der roemzucht verdreven wordt.

En zijn de hemelsche genade en ware liefde eens binnengegaan, dan zal geen nijd, noch kwelling des harten, noch eigenliefde plaats vinden.

Want de goddelijke liefde overwint alles en ontwikkelt al de krachten der ziele.

Zoo gij recht verstandig zijt zult gij u in Mij alleen verheugen, op Mij alleen hopen: want niemand is goed dun God alleen, (Matth. IQ) die boven ajles te loven en in alles te prijzen is.

1

-ocr page 181-

165

TIENDE HOOFDSTUK.

Hoc genoeglijk het zij, met verachting der wereld, God te dienen.

De Geloovige. Nu, Heer! zal ik andermaal spreken en niet zwijgen. Ik zal in de ooren van mijn God, van mijn Heer en Koning, die in de hoogte is, zeggen:

Hoe groot is het goed, o Heerl dat Gij hebt weggelegd voor hen die U vreezen. (Ps. 30)

Maar wat zijt Gij voor hen die U beminnen, wat voor hen die U van ganscher harte dionen!

Waarlijk onuitsprekelijk is het genoegen uwer aanschouwing, hetwelk Gij verleent aan die U beminnen.

Daarin vooral hebt Gij mij het zoete uwer liefde getoond, dat Gij mij het aanzijn gegeven hebt toen ik nog niet was, en mij toen ik verre van U afdwaalde tot uwen dienst teruggebracht hebt, en mij bevolen hebt U te beminnen.

o Bron der eeuwige liefde! wat zal ik van U zeggen?

-ocr page 182-

166

Hoe zou ik U kunnen vergeten, die U verwaardigd hebt mijner te gedenken ook toen ik verdord en verloren was ?

Gij hebt boven alle verwachting uwen dienstknecht barmhartigheid bewezen, en hem boven alle verdienste genade en vriendschap betoond.

Hoe zal ik U die gunst vergelden;\' Het is toch aan allen niet gegeven om, met verzaking van alles, der wereld vaarwel te zeggen en het kloosterleven te omhelzen.

Is het dan iets groots dat ik U diene, wien alle schepsel dienen moet?

Het mag mij niet groot schijnen U te dienen; maar dit liever schijnt mij groot en bewonderenswaardig, dat Gij U verwaardigt zulk een arme en onwaardige tot, uwen dienstknecht op te nemen en onder uw geliefde dienstknechten te plaatsen,

Zie, al wat ik heb en waarmede ik U dien is het uwe.

In waarheid. Gij dient mij omgekeerd meer dan ik U.

-ocr page 183-

167

Zie! hemel en aarde die Gij tot s menschen dienst geschapen hebt, staan gereed en doen dagelijks het-| geen Gij hun hebt opgelegd.

En dit is nog weinig. Ook de Engelen hebt Gij ten dienste des men-; schen bestemd.

Maar wat dit alles nog te boven gaat, Gijzelf hebt ü verwaardigd den mensch te dienen en beloofd Uzelven aan hem te zullen geven.

Wat zal ik U voor al die ontelbare weldaden wedergeven ?

Ach! dat ik U dienen mocht al de dagen mijns levens ! Ach! dat ik slechts e\'en dag U waardig dienen konde!

Inderdaad Gij zijt allerlei dienst, allerlei eer en eeuwigen lof waardig.

Waarlijk Gij zijt mijn Heer en ik uw arme dienstknecht; ik ben verplicht U uit alle krachten te dienen en mag nimmer in uwen lof verflauwen.

Dit wil ik, dit verlang ik; en wat mij mocht ontbreken, verwaardig Gij U dat aan te vullen.

Het is een groote eer, een groote

-ocr page 184-

168

roem U te dienen en om uwentwille alles te versmaden.

Want zij die zich gewillig aan uw allerheiligsten dienst onderwerpen, zullen groote genade verkrijgen.

Zij die om uwentwil alle vleesche-lijke genoegens hebben verzaakt, zullen den aangenamen troost des H Geestes vinden.

En zij zullen eene groote vrijheid des harten genieten, die om uwen naam den engen weg hebben ingeslagen en alle wereldsche zorgen versmaad.

o Aangename en genoeglijke dienst van God, waardoor de mensch waarlijk vrij en heilig wordt 1

o Heilige staat der kloosterlijke dienstbaarheid, die den mensch gelijk maakt aan de Engelen, behaaglijk aan God, geducht voor de duivelen en bij alle geloovigen achtenswaardig !

o Aannemens- en altoos wenschens-waardige dienst, waardoor het hoogste goed verdiend en eene eeuwigdurende vreugde verkregen wordt.

-ocr page 185-

169

ELFDE HOOFDSTUK.

Dat men de begeerten zijns harten moet toetsen en matigen.

De Heer. Mijn zoon! gij hebt nog veel te leeren hetgeen gij nog niet genoeg geleerd hebt.

De Geloovige. Wat is dat, Heer?

De Heer, Dat gij uw begeerten geheel naar mijn welbehagen schikt en geen minnaar van uzelven zijt, maar een ijverig nastrever van mijnen wil

Uw begeerten ontvlammen u dikwijls en drijven u geweldig voort; maar overweeg of gij meer te mijner eere dan te uwen voordeele aangedreven wordt.

Ben Ik uwe bedoeling, dan zult gij wèl tevreden zijn, hoe Ik ook be-schikke; maar schuilt er nog iets van eigenbelang onder, zie dat is het wat u hindert en bezwaart.

Wacht u dan dat gij u te veel verlaat op eene begeerte, opgekomen zonder Mij raad te vragen, opdat u

8

-ocr page 186-

170

naderhand niet berouwe of mishage hetgeen u te voren beviel en waarvoor gij, als het beste, ijverdet.

Want niet elke neiging die goed schijnt, moet aanstonds gevolgd worden; maar ook elke opwelling van tegenzin moet ons niet aanstonds eenige zaak doen vermijden.

Het is nuttig zich somtijds ook bij goede oefeningen en begeerten te beteugelen ; opdat gij niet door ontijdigheid tot verstrooiing des geestes vervalt, of door tuchteloosheid anderen aanstoot geeft, of ook door den tegenstand van anderen onverwachts ontsteld en terneergeslagen wordt.

Somtijds zelfs moet men geweld gebruiken en der zinnelijke neiging kloeken weerstand bieden, zonder te letten op hetgeen t vieesch al of niet wil, maar dit alleen behartigende, dat liet ook zijns ondanks den geest onderworpen zij

Ja, zoolang moet gij het tuchtigen en tot onderwerping dwingen, totdat het tot alles gereed zij en leere zich

-ocr page 187-

171

met weinig te vergenoegen, in het eenvoudige vermaak te vinden en over geenerlei ongeval te morren.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over het oefenen der lijdzaamheid cn het bestrijden der kwade lusten.

De Geloovige Mijn Heer en mijn God! gelijk ik zie, is geduld mij zeer noodzakelijk; in dit leven toch ontmoeten ons vele tegenheden, en hoe ik ook mijnen vrede zoeke te verzekeren, mijn leven kan zonder strijd en smart niet zijn.

De Hi?er. Zoo is het, mijn zoon 1 Ook wil Ik niet dat gij zulken vrede zoekt, die vrij van bekoring zij of geenen tegenspoed ontware; maar houd \'ter voor ook dan den vrede te hebben gevonden, als gij door velerlei kwellingen geoefend en door velerlei tegenheden beproefd wordt.

Zegt gij dat gij niet veel kunt verdragen, hoe zult gij dan het vagevuur doorstaan ?

-ocr page 188-

172

Van tweederlei kwaad moet men altoos het minste kiezen. Om dan de eeuwige pijnen der toekomst te ontgaan, tracht de tegenwoordige ongevallen om Gods wille geduldig te dragen.

Meent gij dat de lieden dezer wereld niets of weinig te lijden hebben ? Uit zult gij niet bevinden, al zoekt gij de weelderigsten.

Maar, zult gij zeggen zij hebben toch vele genoegens, zij volgen hun eigen zin en daarom achten zij weinig hunne kwellingen.

De Heer. Dit zij zoo. Zij hebben wat zij willen; maar hoelang, meent gij, zal het duren?

Zie, als rook zullen de rijken dezer eeuw verdwijnen, en van de vroegere vreugde zal geen herinnering overig zijn.

Maar zelfs terwijl zij nog leven, kunnen zij niet zonder bitterheid, verdriet en kommer erbij berusten.

Want in dezelfde zaak waarin zij vermaak zoeken, vinden zij dikwijls een gevoelige straf.

-ocr page 189-

173

En hun geschiedt recht dat zij, daar zij ongeregeld vermaken zoeken en volgen, zich daaraan niet zonder schande en bitterheid overgeven.

O, hoe kortstondig, hoe bedrieglijk, hoe ongeregeld en schandelijk zijn alle die genoegens!

En nochtans zoo bedwelmd en verblind zijn zij dat zij \'t niet beseffen; maar, als stomme dieren, veroorzaken zij hunner ziele den dood, en dat om een weinig genots in dit vergankelijk leven I

Gij dan, mijn zoon ! willig uwe lusten met in, maar beteugel uwe begeerten. (Eccli. 18)

Verlustig u in den Heer, Hij zal u geven wat uw hart verlangt. (Ps. 36) Inderdaad, wilt gij waar genoegen smaken en overvloedig door Mij ge-stroost worden, zie, het verachten van al \'t wereldsche en het verwerpen van alle lage genoegens zal u tot zegen zijn en overvloed van troost geven.

En hoe meer gij u aan der schepselen troost onttrekt, te genoeglijker en sterker troost zult gij bij Mij vinden.

-ocr page 190-

174

Maar daartoe kunt gij zonder eenige droefheid en een moeilijken strijd niet aanstonds geraken.

Eene ingewortelde gewoonte zal zich verzetten, doch deze zal door eene betere gewoonte overwonnen worden.

Het vleesch zal daartegen morren maar de ijver des geestes zal het beteugelen.

De oude slang zal u aanzetten en tergen; maar door het gebed zult gij haar verjagen, en daarenboven door nuttigen arbeid den hoofdingang afsluiten.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Over de Kelioorznamheid van een nedoria:

onaerlioorig:c, naar liet voorbeeld van Jezus Christus.

De Heer. Mijn zoon! wie zich aan de gehoorzaamheid tracht te onttrekken, onttrekt zich aan de genade en die zijn bijzonder voordeel zoekt, zal het gemeenschappelijk verliezen.

Wie zich niet gewillig en vanself

-ocr page 191-

175

zijnen overste onderwerpt, toont dat zijn vleesch hem nog niet volkomen gehoorzamt, maar dikwijls mort en tegenstreeft.

Leer daarom ijverig u onderwerpen aan uwen overste, zoo gij wenscht uw eigen vleesch onder \'t juk te brengen.

Want eerder wordt de uitwendige vijand overwonnen, wanneer de inwendige mensch niet in wanorde is.

Geen lastiger noch slimmer vijand is er voor de ziel dan gij uzelven zijt, als gij met den geest niet wèl samen-stemt.

Wilt gij over vleesch en bloed zegevieren, gij moet inderdaad tegen uzelven eene ware minachting opvatten.

Want omdat gij uzelf nog te ongeregeld bemint, daarom aarzelt gij u volkomen te onderwerpen aan den wil van anderen.

Maar wat groots is \'t dat gij, die stof zijt en nietigheid, om Gods wil aan een mensch gehoorzaamt, daar ik, de Almachtige en Allerhoogste, die alles uit het niet geschapen heb,

-ocr page 192-

176

Mij om uwentwil den mensch onderworpen heb?

Ik ben de nederigste en geringste van allen geworden, opdat gij door mijnen ootmoed uwen hoogmoed zoudt overwinnen.

Leer gehoorzamen, stof! Leer u vernederen, slijk en aarde I en u onder de voeten van allen buigen.

Leer uwen wil breken en u tot alle onderwerping schikken.

IJver tegen uzelven en laat geen hoogmoed in u leven; maar toon u zoo onderworpen en gering, dat allen over u kunnen heengaan en u als het slijk der straten vertreden.

Wat hebt gij te klagen, nietig mensch? Wat kunt gij, snoode zondaar 1 inbrengen tegen hen die u bestraffen, gij die God zoo vaak belee-digd en de hel zoo dikwijls verdiend hebt?

Omdat uwe ziel dierbaar was voor mijn aangezicht, daarom heeft mijn oog u gespaard, opdat gij mijne liefde zoudt erkennen, voor mijne weldaden

-ocr page 193-

177

steeds dankbaar zijn, en u altoos tot ware onderwerping en ootmoed schik\' ken, en de verachting, u door anderen aangedaan, geduldig verdragen.

VIERTIENDE HOOFDSTUK.

De overweging van de verborgen oordeelen Clods, een middel tegen zelfverhefling.

Du Geloovtge. Met donderende stem spreekt Gij, o Heer over mij uwe oordeelvellingen uit en schokt al mijne beenderen van angst en schrik ; mijne ziel is zeer ontsteld.

Ik sta verstomd, en overweeg dat ook de hemelen niet zuiver zijn in uw oog.

Hebt Gij in uw Engelen boosheid gevonden en hen niet gespaard, wat zal er van mij worden ?

Sterren zijn van den hemel gevallen, en ik, stof, wat vermeet ik mij ?

Menschen, wier werken lofwaardig schenen, zijn diep gevallen, en die het Brood der Engelen aten zag ik lust vinden in zwijnendraf.

8-

-ocr page 194-

178

Er ,s dan geene heiligheid, zoo Gij o Heer! uwe hand onttrekt

Geene wijsheid baat, zoo Gij na-laat haar te besturen.

Geene sterkte is quot;vermogend, zoo Gij ophoudt die te ondersteunen

bett™? quot; ,eili6 GiJ

Geene eigene behoedzaamheid baat komtUWe h0ede niet daa-rbij

Want door U verlaten, zinken wij en vergaan, maar door U geholpen nehten wij ons op en leven. \'

Want wij zijn omstandvastig, maar worden door U versterkt; wij zj lauw, maar worden door U ontvlamd.

•J, hoe nederig en slecht moet ik van mijzelven denken, hoe gering het

hebben, il \'=

O, hoe diep moet ik mij onder uwe ondoorgrondelijke oordeelen vernederen o Heerl daar ik in mij niets anders v.nde dan een niet, jaquot;louter

-ocr page 195-

179

o Zware last! o grenzenlooze zee! waarin ik van mij niets terugvinde dan een volstrekt niet.

Waar is dan eene schuilplaats voor zelfverheffing? Waar het betrouwen op eigene deugd?

In de diepte uwer oordeelen over mij is alle ijdele roemzucht verzwolgen.

Wat is alle vleesch voor uw aangezicht? zal het leem zich verheffen tegen zijn formeerder? (Is. 29. Rom. 9) Hoe kan hij, wiens hart waarlijk Gode onderworpen is, door vleitaal hoogmoedig worden?

Wien de waarheid zich onderworpen heeft, dien zal de gansche wereld niet verhoovaardigen; en die op God zijn geheele hoop gevestigd heeft, zal door den lof ook van allen niet bewogen worden.

Want ook zij die spreken, zijn allen niets; zij gaan voorbij met den klank hunner woorden; maar des Heeren waarheid blijft eeuwig. (Ps, 116)

-ocr page 196-

180

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Hoc men zich bij al het wenschclijke moet Redragen, en hoe men moet hulden.

De Heer. Mijn zoon 1 bij alles moet gij zeggen: »Heer\' als het U behaa-bjk is, dat het aldus geschiede I

«Heer! zoo dit strekt tot uwe eer iiet geschiede in uwen naaml

»Heerl zoo het U dunkt dat het mij voegt en Gij het nuttig oordeelt, geef dat ik het tot uwe eer aanwende.

»Maar ziet Gij dat iets mij schade-Jijk en het heil mijner ziel niet bevorderlijk is, neem dan van mij zulke begeerte weg.quot;

Want niet elke begeerte is van den H. Geest, al schijnt zij den mensch recht en goed.

Het is moeilijk naar waarheid te beoordeelen of een goede dan een kwade geest u aanzet om dit of dat te begeeren alsmede of gij door uw eigen geest bewogen wordt.

Velen werden op het einde bedrogen, die in den beginne meenden door een goeden geest gedreven te zijn.

-ocr page 197-

181

Wat zich dan ook aan uwen geest als wenschenwaardig vertoone, gij moet het altoos in de vreeze Gods en in ootmoed des harten wenschen en vragen ; vooral moet gij, met zelfverzaking, alles geheel aan Mij overlaten en zeggen:

gt;Heer! Gij weet wat het beste zij. Dat dit of dat gesehiede naar uw welbehagen.

»Geef wat Gij wilt en zooveel Gij wilt, en wanneer Gij wilt.

»Doe met mij volgens uwe inzichten, zoo als U het meest behaagt en uwe eer het meest bevordert.

»Plaats mij waar Gij wilt, en beschik in alles vrij over mij.

»lk ben in uwe hand; draai en wend mij om en om.

»Zie! ik ben uw dienstknecht, tot alles bereid: want niet voor mij, maar voor U begeer ik te leven; mocht ik dat waardig en volmaakt doenlquot;

De Geloovige. Goedertierenste Jezus! verleen mij uwe genade, opdat ze met mij zij en met mij werke en mij ten einde toe bijblijve.

-ocr page 198-

182

Geef dat ik altoos wensche en wille hetgeen U het aangenaamst en meest behaaglijk is.

Uw wil zij de mijne, en mijn wil volge altoos den uwen en strooke daarmede volkomen.

Laat mijn willen en niet willen met het uwe overeenstemmen; dat ik nooit iets anders kunne willen of niet willen dan hetgeen Gij wilt of niet wilt.

Geef mij af te sterven alles wat wereldsch is, en om uwentwil gaarne in deze wereld veracht en onbekend te zijn.

Geef dat ik, boven alles wat ik wensch, in U ruste en mijn hart in U vrede vinde.

Gij zijt de ware vrede des harten, Gij de eenige rust; buiten U is alles zwaar en onrustig.

In dezen vrede dan, dat is in U, het eenig hoogste en eeuwige goed zal ik slapen en rusten. (Ps. 4) Amen.

-ocr page 199-

las

ZESTIENDE HOOFDSTUK,

Dat men bij God alleen waren troost moet zoeken.

De Geloovige. Alles wat ik tot mijnen troost verlangen of bedenken kan, verwacht ik niet hier maar in de toekomst.

Want al had ik alleen al de verkwikkingen der wereld en al kon ik alle genoegens genieten, zoo is \'t zeker dat zij van geen langen duur kunnen zijn.

Gij dan, mijne ziel 1 kunt geen volkomen troost, geen volmaakt genoegen vinden tenzij bij God, den trooster der aimen, den beschermer der oot-moedigen.

Wacht, mijne ziel! een weinig, wacht op de beloften van God en gij zult in den hemel overvloed van alle goederen hebben.

Maar zoo gij de tegenwoordige te ongeregeld najaagt, zult gij de eeuwige en hemelsche verliezen.

Het tegenwoordige zij tot uw gebruik, het eeuwige trekke uw verlangen.

-ocr page 200-

184

Geen tijdelijk goed kan verzadigen, dewijl gij niet geschapen zijt om dat te genieten.

Al bezaat gij ook alle geschapen goederen, zoo zoudt gij niet gelukkig noch zalig kunnen zijn; maar in God, die alles geschapen heeft, is uw volkomen zaligheid en uw geluk gelegen.

Niet zooals dat den dwazen min-maars der wereld toeschijnt en door hen wordt geroemd, maar zooals de goede geloovigen van Christus verwachten, en waarvan de geestelijkge-zmden en zuiveren van harte, wier omgang in den hemel is, somtijds een voorsmaak hebben.

IJdel en kortstondig is alle mensche-lijke troost; waar en zalig is die, welken men inwendig door de Waarheid ontvangt.

Een godvruchtig mensch draagt overal zijn trooster Jezus met zich om, en zegt tot hem:

* Blijf mij bij, Heere Jezus! in alle plaatsen en tijden.

»Dit zij mijn trooost, allen mensche-lijken troost gaarne te willen ontberen I

-ocr page 201-

185

»En wordt ook uw troost onthouden, dat dan uw wil en rechtvaardige beproeving mijn grootsten troost uitmaken.

Gij zult toch niet altoos vergramd zijn en niet eeuwiglijk bedreigenquot;

(Ps, 102)

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Dat men alle zorg op Goil moet werpen.

De Heer. Mijn zoon! laat mij met u doen zooals Ik wil. Ik weet wat u dient.

Gij denkt als een mensch, uw gevoelen is in vele dingen volgens hetgeen menschelijke aandoeningen ingeven.

De Geloovige. Heer! het is waar hetgeen Gij zegt. Uwe zorg voor mij is grooter dan alle zorg die ik voor mijzelven kan hebben.

Hij toch staat zeer waggelend, die niet al zijne zorgen op U werpt.

Daarom, o Heer! als maar mijn wil oprecht en vast aan U gehecht blijft,

I

/

-ocr page 202-

186

handel dan met mij gelijk U behaagt.

t Kan ja niet anders dan goed zijn wat Gij ook met mij doet.

Wilt Gij dat ik nog in de duisternis

lijve, wees gezegend, en wilt Gij dat ik in t licht zij, wees insgelijks gezegend. °

Verwaardigt Gij U mij te troosten, wees gezegend, en wilt Gij dat ik gekweld worde, wees altoos evenzeer gezegend.

Db Heer, Mijn zoon\' zoo moet gij ge.3teld zijn, verlangt gij met Mij te wandelen.

Gij moet even bereid zijn om te lijden als om u te verblijden; gij moet even gaarne in armoede en behoefte als in overvloed en rijkdom leven

De Geloovigé. Heer! wat U ook behage over mij te laten komen, ik zal t voor U gewillig lijden.

Ik wil onverschillig het\'goede en het kwade, het zoete en het bittere, iet blijde en het droevige van uwe hand aannemen, en U danken voer alles wat mij overkomt.

-ocr page 203-

187

Behoed mij voor alle zonde, en ik zal dood noch hel vreezen.

Verwerp mij slechts niet voor eeuwig en schrap mij niet uit het boek des levens, dan schaadt het mij niet, welke kwellingen ook over mij komen.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Dat men dci\'iimpen des levens, naar liet voorbeeld van Christus, met gelijkmoedigheid moet dragen.

De Hiüsr, Mijn zoon 1 om uwer zaligheids wille ben ik van den hemel nedergedaald; Ik heb uw ellenden op Mij genomen niet uit dwang maar getrokken door liefde, opdat gij geduld zoudt leeren en de tijdelijke rampen gewillig dragen.

Want van \'tuur mijner geboortetot mijn verscheiden aan het kruis, onbrak het Mij nooit aan lijdenssmart.

Ik heb groot gebrek aan tijdelijke goederen gehad en dikwijls velerlei klachten over Mij gehoord.

Met zachtmoedigheid verdroeg Ik b^leedigingen en smaad; voor weldaden

-ocr page 204-

188

ontving Ik ondankbaarheid, voor wonderwerken laster, voor mijne leer be-schimpingen.

De Geloovige. Heer! dewijl Gij in uw leven geduldig waart en daardoor vooral ^ het bevel uws Vaders volbracht zoo is t billijk dat ik, ellendige zondaar\' naar uwen wil in geduld het uithoude en den last van dit verderfelijk leven om mijner zaligheids wille zoolang drage, als het U zal believen

Hoe zwaar ook de last van\'t tegen-woordige leven drukke, het is toch nu door uwe genade zeer verdiensteliik gemaakt. Ook door uw voorbeeld en de voetstappen uwer Heiligen is het

gee™r„kle

En ook is daaraan meer troost ver-

Wet r*1 ^ voorheen onder de Oude Wet, toen de toegang ten hemel gesloten bleef, en ook de weg ten hemel scheen duisterder, toen zoo weinigen moeite deden om het hemelrijk te zoeken.

en 2? 0? ^ die t0en rechtvaardig en ter zaligheid geroepen waren, kon-

-ocr page 205-

189

den vóór uw lijden en den zoenprijs van uwen heiligen dood het rijk der hemelen niet binnengaan.

o, Hoeveel dank moet ik U niet bewijzen, dat Gij U verwaardigd hebt mij en allen geloovigen den rechten en zekeren weg naar het eeuwig koninkrijk te toonen!

Want uw leven is onze weg en door heilige lijdzaamheid gaan wij tot U, die onze kroon zijt.

Waart Gij ons niet voorgegaan en hadt Gij ons niet onderwezen, wie zoude moeite doen om te volgen?

Helaas! hoevelen zouden niet verre achterblijven, zoo zij op uw heerlijk voorbeeld niet konden staren!

Zie! wij blijven nu nog lauw, nadat wij zoo vele wonderwerken en leeringen gehoord hebben; wat zou het zijn, indien wij zulk een groot licht niet hadden om U te volgen?

-ocr page 206-

190

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Over het verdragen van smaad. De ware geduldige.

De Heer. Wat zegt gij, mijn zoon? Houd op met klagen bij de overweging van mijn lijden en dat mijner Heiligen,

Gij hebt immers nog nee/ tol bloedver-gee tens toe gestreden. (Hebr. 12)

Wat gij lijdt is weinig in vergelijking met hen, die zooveel geleden hebben, die zoo hevig bekoord, zoo zwaar verdrukt en op zoo velerlei wijze beproefd en geoefend zijn.

Gij moet u dus het zwaardere van anderen voor den geest brengen, opdat gij het geringere te lichter moogt dragen.

En komt het u zoo gering niet voor, zie toe of uw ongeduld daarvan niet de oorzaak zij.

Doch het moge klein of groot zijn, beijver u om alles geduldig te dragen.

Hoe beter gij u tot lijden schikt, zooveel te wijzer handelt gij en te meer verdient gij.

-ocr page 207-

191

Ook zult gij alles lichter dragen, als gij u door moed en oefening daartoe voorbereidt.

Zeg niet: »dit kan ik van dienmensch niet verdragen, ook behoef ik zoo iets niet te lijden; want hij heeft mij groote schade gedaan en verwijt mij dingen, waaraan ik nooit gedacht heb. Van een ander zou ik \'t gaarne verdragen, en zooals ik zou meenen het te moeten verdragen

Dwaas is dusdanige gedachte, welke de deugd des gedulds niet in aanmerking neemt, noch van wien zij bekroond zal worden, maar eer let op personen en aangedane bekleedigingen.

Hij is de ware geduldige niet, die niet wil lijden dan zooveel hem goeddunkt en van wien het hem belieft.

Maar de ware geduldige ziet er niet op door wien hij geoefend worde, of \'t zijn overste ol zijnsgelijke of een mindere, of \'t een vroom en heilig dan een boos en nietswaardig menseh zij.

Maar hoeveel en van welk schepsel ook en hoe dikwijls hem eenig kwaad

-ocr page 208-

löü

overkome, alles neemt hij zonder onderscheid uit Gods hand met dankbaarheid aan en houdt \'t voor een groot gewin ; want niets, hoe gering ook, indien men \'t slechts om Gods wil lijdt kan bij God onbeloond blijven.

Wees derhalve steeds bereid tot den strijd, zoo gij de zege wilt behalen.

Zonder strijd kunt gij de kroon des gedulds niet bekomen.

Wilt gij niet lijden, gij wilt niet gekroond worden; maar vei langt gij gekroond te worden, strijd dan kloek-moedig, verdraag met geduld.

Zonder arbeid komt men niet tot rust; zonder strijd behaalt men geen overwinning.

De Geloovige. Dat mij, o Heer! door uwe genade mogelijk worde, wat mij van nature onmogelijk schijnt.

Gij weet hoe weinig ik verdragen kan en hoe ras ik bij het opkomen van den geringsten tegenspoed ter-nederligge.

Laat elke oefening van verdrukking mij om uwen naam behaaglijk en wen-

-ocr page 209-

1Ö8

schelijk worden : want om uwentwil te lijden en gekweld te worden is allerheilzaamst voor mijne ziel.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de bekentenis van eigene zwakheid en over de rampen des levens.

De Geloovige. Ik zal Zegen mij mijne ongerechtigheid belijden; (Ps. 31) ik zal, o Heer! voor U mijne zwakheid bekennen.

Dikwijls is \'t eene geringe zaak, die mij terneerslaat en bedroeft.

Ik neem voor mij kloekmoedig te gedragen; maar als een geringe bekoring komt, overvalt mij groote angst.

Somtijds is \'t een allerellendigst ding, waaruit een zware bekoring ontstaat.

En wanneer ik mij, omdat ik niets gevoel, een weinig veilig acht, dan bevind ik mij somtijds door een klein windje bijna overwonnen.

Zie dan, o Heer neder op mijne zwakheid en broosheid, U door en door bekend.

9

-ocr page 210-

1!)4

Ontferm U mijner en trek mij uit hel slijk dat ik daarin niet blijve steken, (Ps. 08) opdat ik niet teenemaal neerslachtig blijve.

Hetgeen mij zoo vaak ternederslaat en voor U beschaamt is, dat ik zoo licht val en zoo zwak ben ter bestrijding van mijn driften

En al komt. het. niet geheel tot toestemming, is mij echter hun aanvechting lastig en moeilijk, en het verdriet mij zeer alzoo dagelijks in strijd te leven.

Ook daaruit wordt mijne zwakheid mij bekend, dat de verfoeilijke voorstellingen altoos veel lichter opkomen dan vertrekken.

Ach! zeer vermogende God van Israël\' — ijveraar der getrouwe zielen I zie op den arbeid en druk van uwen dienstknecht neder, en sta hem bij in alles wat hij onderneemt.

Versterk mij met hernelsche kracht, opdat de oude mensch, het ellendige vleesch, den geest nog niet geheel onderworpen, niet de overhand krijge;

-ocr page 211-

195

tegen hetwelk ik zoolang zal moeten strijden, als ik in dit zeer ellendige leven ademhale.

Ach! wat is dit leven, waar rampen en ellenden niet ontbreken en alles vol is van strikken en vijanden.

Want de eene kwelling of bekoring, wijkt niet, of de andere is daar; ja, terwijl een vorige strijd nog duurt, komen er onverwachts meer andere op.

Hoe kan men dan een leven beminnen, dat zooveel bitterheids heeft en aan zoovele rampen en ellenden onderhevig is ?

Hoe noemt men \'tnog een leven dat zooveel dood en verderf teelt?

En nochtans bemint men het, en velen zoeken daarin hun genoegen.

Dikwijls verwijt men de wereld dat zij bedrieglijk en ijdel is; nochtans verlaat men haar niet licht, wijl de begeerlijkheden des vleesches te veel de overhand hebben.

Want iets anders trekt tot het beminnen, iets anders tot het verachten der wereld.

-ocr page 212-

llJ(5

Tot de liefde der wereld trekken de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen en de hoo-vaardij des levens; maar de daarop billijk volgende straffen en ellenden verwekken haat der wereld en verdriet.

Doch helaas! de kwade begeerte sleept de wereldschgezinde ziel mede, die het een wellust acht op doornen te liggen, (Job. 30) omdat zij de lieflijkheid van God en de innerlijke genoegens der deugd noch gekend noch gesmaakt heeft.

Zij daarentegen die de wereld volkomen versmaden en voor God onder eene heilige tucht zoeken te leven, zijn niet onbekend met de goddelijke lieflijkheid, toegezegd aan alle ware verzakers, en zien het duidelijker in hoezeer de wereld dwaalt en op hoevelerlei wijze zij bedrogen wordt

-ocr page 213-

197

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men in God boven alle goederen engraven moet rusten.

De Geloovige. Gij dan, mijne ziel! rust boven alles en in alles steeds in den Heer: want Hij is de rust der Heiligen.

Geef, o allerlieflijkste en beminnelijkste Jezus! dat ik in U boven alle schepsel ruste, boven alle gezondheid en schoonheid, boven allen roem en eer, boven alle macht en waardigheid, boven alle wetenschap en vernuft, boven alle rijkdommen en kunsten, boven alle vreugde en blijdschap, boven alle faam en naam, boven alle genoegens en troost, boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en verlangen, boven alle giften en gaven welke Gij kunt geven en uitstorten, boven alle vroolijkheid en verrukking welke de ziel vatten en voelen kan; eindelijk boven alle Engelen en Aartsengelen en boven het gansche hemelsche heir; boven alle zichtbare en onzichtbare

-ocr page 214-

198

dirigen en boven alles, wat Gij, mijn Godl niet zijt.

Gij toch, Heere mijn God! zijt boven alles de beste^ Gij alleen de allerhoogste, Gij alleen de machtigste; Gij alleen de allergenoegzaamste en rijkste; Gij alleen de allerlieflijkste en troostrijkste; Gij alleen de allerschoonste en allerbeminnelijkste; Gij alleen dealleredelste en allerroemrijkste; in wien a\'le £;oed, tegelijk en volkomen is, en altoos was\' en zijn zal

Daarom is alles gering en ongenoegzaam, wat Gij mij buiten Uzelven schenkt, of van Uzelven openbaart, of belooft, zoolang ik U niet aanschouwen noch volkomen genieten mag.

Want mijn hart kan niet waarlijk rusten noch ten volle bevedigd worden, tenzij het in U ruste en zich boven alle gaven en boven alle schepsel verheffe.

o Jezus Christus! dierbaarste bruidegom! zuiverste minnaar! Heer van al het geschapene! wie zal mij vleugelen eener ware vrijheid geven om tot U te vliegen en in U te rusten?

-ocr page 215-

I!i0

O, wanneer zal \'t mij vergund worden, geheel vrij te zijn en te zien hoe lieflijk Gij zijt, Heere mijn God!

Wanneer zal ik mij volkomen met U vereenigen, zoodat ik door liefde tot U mijzelven niet gevoele, maar U alleen, boven alle besef en mate, op eene wijze aan allen niet bekend.

Doch thans zucht ik dikwijls en draag mijn ongeluk met smart: want in dat dal der ellende bejegent mij veel kwaads, dat mij dikwijls ontstelt, bedroeft en benevelt, dat mij dikwijls hindert en aftrekt, aanlokt en verstrikt zoodat ik geen vrijen toegang tot U hebbe en die genoeglijke omhelzingen misse, welke de zalige geesten steeds genieten.

Mochten mijne verzuchtingen en menigvuldige kwellingen hier op aarde U bewegen!

o Jezus! glans der eeuwige heerlijkheid ! troost der ziele in hare vreemdelingschap! voor U is mijn mond zonder spraak, maar mijn stilzwijgen spreekt tot U.

-ocr page 216-

200

Hoe lang toeft mijn Heer nog tot mij te komen?

Dat Hij kome tot mij, zijn armen dienstknecht, en mij verblijde; dat Hij zijne hand uitstrekke en een ellendige rukke uit allen angst!

O kom! kom! want zonder U heb ik geen blijden dag noch uur;Gijziit mijne vreugde en zonder U is mijne tafel ledig.

Ik ben ellendig gekerkerd en mei kluisters beladen, totdat Gij mij door het licht uws bijzijns verkwikt, mij de vrijheid wedergeeft en mij uw vriendelijk aanschijn laat aanschouwen.

Dat anderen in plaats van U iets anders zoeken wat zij willen; mij behaagt intusschen niets en zal niets behagen, tenzij Gij mijn God! mijne hoop, mijn eeuwig heil.

Ik zal niet zwijgen noch ophouden met bidden,, totdat uwe genade terug-keere en Gij inwendig tot mij spreekt.

De Heer. Zie, hier ben Ik. Zie Ik kom tot u, daar gij Mij hebt aangeroepen. Uwe tranen en de begeerten

-ocr page 217-

201

i uwer ziele, uwe vernedering en droef-: heid des harten hebben Mij bewogen 5\' en tot u gebracht.

De CiiXOOViGE. Ja Heer! ik heb U ■ geroepen, en ik heb verlangd U te , genieten, gereed om alles om uwent-J wille te versmaden.

Gij toch hebt mij eerst opgewekt, dat ik U mocht zoeken.

Wees dan gezegend, o Heer! die uwen dienstknecht deze goedheid bewezen hebt naar de menigte uwer barmhartigheden.

En wat heeft uw dienstknecht voor U nog meer te zeggen, dan dat hij zich voor U diep vernedere, steeds indachtig zijner ongerechtigheid en nietigheid ?

Want onder al het wonderbare in hemel en op aarde is uwsgelijke niet.

Overgoed zijn uwe werken, billijk uwe oordeelen, en alles wordt door uwe voorzienigheid bestuurd.

Daarom, o Wijsheid des Vaders! zij U lof en heerlijkheid 1 Dat mijn mond, mijne ziel en al \'t geschapene te zamen U loven en prijzen! Q*

-ocr page 218-

202

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Over het gedenken van Gods menigvuldige weldaden.

De Gei,dovige. Heer! open mijn hart voor uwe wet en leer mij naar uw geboden wandelen.

Geef mij dat ik uwen wil versta en met grooten eerbied en eene ernstige overweging uwe weldaden zoo in \'t algemeen als in \'t bijzonder gedenke, opdat ik Ij daarvoor waardig dank betuige.

Maar ik weet en beken dat ik ook voor de geringste zaak U de schuldige dankzegging niet kan brengen.

Ik ben verre beneden al de goederen mij geschonken, en als ik let op uwe verhevenheid, dan bezwijkt mijn geest voor die grootheid

Alles wat wij hebben naar ziel en lichaam, en alles wat wij uitwendig of

inwendig op eene natuurlijke of bovennatuurlijke wijze bezitten, is uw geschenk en kondigt U aan als den lief-denjke, weldadige en goede, van wien wij alle goed ontvangen hebben.

-ocr page 219-

203

Al heeft de eene meer, de andere minder ontvangen, alles is toch het uwe, en zonder U kan men niet het minste bezitten.

Die meer ontvangen heeft, mag niet roemen op zijne verdienste, noch zich boven anderen verheffen, ook niet dtn mindere bespotten; want deze is de grootste en beste, die zichzelf \'t minst toeschrijft en in \'t bedanken \'t nederigst en ijverigst is

En wie zich voor den geringste van allen houdt en als den onwaardigste oordeelt, is \'t geschiktst om grootere gaven te ontvangen.

Die nu minder ontvangen heeft mag zich niet bedroeven noch \'t kwalijk nemen, noch den meer bedeelde benijden : maar liever moet hij op U zien en uwe goedheid te meer prijzen, dat Gij U geschenken zoo mild, zoo om niet en zoo gewillig, zonder aanzien van personen, uitdeelt.

Alles is uit U en daarom zijt Gij in alles te loven.

Gij weet eenieder te geven wat nuttig

-ocr page 220-

204

is, en waarom deze minder en die meer hebbe staat niet aan ons te beslissen, maar aan U, bij wien de verdiensten van ieder zijn bepaald.

Daarom, Heere God! acht ik \'took eene groote weldaad niet veel te hebben, waaruit naar \'t uitwendige en volgens den mensch lof en roem voorkomt; zoodat iemand, bij de beschouwing van zijn eigen armoede en geringheid, deswege niet alleen geen bezwaar of droefheid of misnoegdheid mag gevoelen maar

eer troost en groote vreugde, omdat Gij, o God! de armen en nederigen en bij de wereld verachten tot uw vertrouwelingen en huisgenooten verkoren hebt.

Getuigen zijn uw Apostelen zeiven, die Gij als vorsten over de geheele aarde hebt gesteld.

Echter verkeerden zij in de wereld zonder klagen, zoo nederig en eenvoudig en zoo vreemd van alle list en bedrog, dat zij zich zelfs verheugden om uws naams w lie smaad te lijden en datgene wat de wereld schuwt, met grooten ijver omhelsden.

-ocr page 221-

205

Niets derhalve moet hem, die U bemint en uw weldaden kent zóo verheugen, als uw wil over hem en het welbehagen uwer eeuwige beschikking.

Ja daarover moet hij zoo tevreden en getroost zijn, dat hij even gaarne de minste zou willen blijven als een ander wenscht de grootste te zijn; en evenzoo vreedzaam en vergenoegd op de laagste plaats als op de eerste: en even gaarne veracht en verworpen zelfs zonder naam en faam, als boven de overigen in de wereld geëerd en verheven.

Want uw wil en de ijver voor uw eer moeten boven alles gaan, en hem meer troost en genoegen geven dan al de weldaden, hem geschonken of nog te schenken,

DBIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dc vier dingen die den vrede grooteli.jks bevorderen.

De Heer. Mijn zoon! nu zal ik u den weg des vredes en der ware vrijheid leeren.

-ocr page 222-

206

De Geloovige. Doe, o Heer! wat Gij zegt; want dat hoor ik gaarne.

De Heer. Leg u toe, mijn zoon! om liever den wil van een ander dan den uwe te doen.

Verkies steeds liever te weinig dan te veel te hebben.

Zoek altoos de laagste plaats en aan allen onderworpen te zijn.

Wensch steeds en bid dat de wil van God in u volkomen geschiede.

Zie, zulk een man treedt het gebied des vredes en der ruste binnen.

De Geloovige. Heer! deze uwe korte rede bevat in zich eene groote volmaaktheid. Klein is zij in woorden, maar vol van zin en overvloedig in vruchten.

Kon ik ze maar getrouw nakomen, dan zou niet zoo licht ontroering in mij ontstaan.

Want zoo dikwijls ik mij onrustig en bezwaard gevoel, bevind ik dat ik van deze leer afgeweken ben.

Maar Gij, die alles vermoogt en wien de voortgang mijner ziele steeds ter

-ocr page 223-

207

harte gaat, vermeerder uwe genade te meer, opdat ik uw voorschrift, nakomen en mijne zaligheid bewerken moge.

Gebed tegen de kwade eed achten.

Heere mijn God! verwijder U niet van mij; o mijn God\', zie op te mijner hulpe: (Ps. 70) want zoo velerlei bedenkingen zijn bij mij opgekomen en groote angsten, welke mijne ziel benauwen.

Hoe zal ik er onbeschadigd doorkomen? hoe er doorbreken?

Ik, zegt Gij, zal u voorgaan en de irotschen der aarde vernederen. (Is. 43) Ik zal de aeuren des kerkers openen en u verborgen schatten openbaren (Is. 45)

Heer! doe gelijk Gij zegt, en dat alle booze geachten voor uw aanschijn vlieden.

Dit is mijne hoop en eenige troost, in alle benauwdheid tot U mijne toevlucht te nemen, op U te vertrouwen, U uit het binnenste des harten aan te roepen en uwen troost geduldig af te wachten.

-ocr page 224-

208

Gebed voor de verliehtiiis des geestes.

Verlicht mij, goede Jezus! met de stralen van het inwendig licht, en verdrijf alle duisternis uit de woning mijns harten.

Beteugel de veelvnldige verstrooiingen, en verijdel de bekoringen die mij geweld doen.

Strijd krachtig voor mij en overwin die booze dieren, ik bedoel de verlokkelijke begeerlijkheden, opdat er door uwe kracht vrede zij en uw heilige tempel, die van een zuiver geweten, van den overvloed uws lofs weergalme.

Gebied den winden en stormen; zeg tot de zee : wees stil, en tot den noor-dewind: blaas niet meer, en er zal groote stilte zijn.

Zend mij nw licht en uwe waarheid; (Ps. 42) dat zij de aarde beschijnen: want ik ben eene ledige en woeste aarde, totdat Gij mij verlicht.

Stort van boven uwe genade uit en doortrek mijn hart met uwen hemel-schen dauw. Giet de wateren der godsvrucht om de oppervlakte der

-ocr page 225-

209

aarde te besproeien, opdat zij goede en zeer goede vruchten voortbrenge.

Heur mijne door den last der zonden neergedrukte ziel op, en richt al mijn verlangen ten hemel, opdat \'t mij, \'t liefelijke eener hoogere zaligheid gesmaakt hebbende, verdriete aan \'t aardsche te denken.

Voer mij weg en ontruk mij aan allen vergankelijken troost der schepselen; want niets dat geschapen is kan mijn verlangen volkomen bevredigen noch vertroosten.

Hecht mij aan U door den onverbreekbaren band der liefde: want Gij alleen zijt den beminnende genoeg en buiten U is alles nietig.

VIEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men moet vermijden naar eens anders gedrag nieuwsgierig te onderzoeken.

De Heer. Mijn zoon! wees niet nieuwsgierig en voed geen ijdele zorgen.

Wat raakt u dit of dat! Volg gij Mij.

Wat toch gaat het u aan of deze zus of zoo gesteld zij, of gene zus of -zoo handele of spreker

-ocr page 226-

210

Gij behoeft voor anderen niet, te verantwoorden, maar zult voor iizelven rekenschap geven. Waarmede laat gij u dan in?

Zie, Ik ken allen: Ik zie alles wat onder de zon geschiedt. Ik weet hoe het met eenieder gesteld is, wat hij wil en werwaarts zijn bedoeling gaat.

Aan Mij dus moet alles overgelaten worden. Gij dan, houd u in goeden vrede en laat den onrustige woelen zooveel hij wil.

Wat hij gedaan of gezegd zal hebben, zal op hem nederkomen: want Mij kan hij niet bedriegen.

Wees niet bezorgd om de schaduw van een grooten naam, om de gemeenzaamheid met velen, noch om de bijzondere genegenheid der menschen: want daaruit ontstaan verstrooiing en groote duisternis des harten.

Gaarne zoude ik mijn woord tot u richten en u geheimen openbaren zoo gij zorgvuldig acht gaaft op mijne komst en Mij de deur uws harten opendet.

-ocr page 227-

211

Wees omzichtig, waak in het gebed :n verneder u in alles.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin lt;lc duurzame vrede des harten en de ware voortgang bestaan.

De Heek. Mijn zoon! ik heb gezegd : vrede laai ik u; mijnen vrede srerf ik u, niet gelijk de wereld geeft, Itef ik u dien. (Joan.14)

Allen verlangen den vrede; maar niet allen zorgen voor heigeen tot waren vrede dient.

Mijn vrede is met de nederigen en zachtmoedigen van harte; uw vrede zal zijn in groote lijdzaamheid.

Zoo gij naar Mij hoort en mijne stem volgt, zult gij grooten vrede kun nen genieten.

De Geloovige. Wat moet ik dan doen ?

De Heek. Let in alles op uzelven, wat gij doet en wat gij zegt; en richt ai uw bedoelingen daarhenen om Mij alleen te behagen en buiten Mij niets te begeeren of te zoeken.

-ocr page 228-

212

Vel ook geen lichtvaardig oordee over de woorden of daden van an deren, en wikkel u niet in zaken dii u niet zijn toevertrouwd; zoo is \'t moge lijk dat gij weinig of zelden onrust ont ■ ■ waart.

Maar nooit eenige onrust te ontwarei en nooit eenige ziels-of lichaamskwel ling te lijden behoort niet tot dezer tijd, maar tot den staat der eeuwige ruste.

Denk derhalve niet den waren vrede gevonden te hebben, wanneer gi geenen druk gevoelt; of dat dan alle: goed is als niemand u tegenstreeft; ol dat dit volmaaktheid is, wanneer alles naar uwen zin glukt.

Denk ook niet dat gij dan iets grool zijt, noch houd u voor een bijzonder lieveling, als gij eene groote godsvrucht en vertroosting ontwaart; daaraan tocli wordt de ware vriend der deugd niet gekend, en daarin bestaat niet \'s men schen voortgang en volmaaktheid.

De Geloovige. Waarin dan, He

De Heer. In uzelven van gansc\'.iei

mrt i

kl d alle: een spoi V voll din, har en bel lijd ree wa des da sel

ve da zu lir

-ocr page 229-

\'213

mrte aan den wil Gods over te geven, in niets het uwe te zoeken, noch in t kleine noch in \'t groote, noch in den ijd noch in de eeuwigheid : zoodat gij, lies in dezelfde schaal afwegende, met [een gelijk gelaat zoowel in tegen-poed als in voorspoed Mij blijft danken.

VVanneer gij zoo sterk en in de hoop jvolhardende zijt, dat gij bij de onthouding van inwendigen troost zelfs uw hart toerust om nog meer te verdragen, en gij uzelven niet rechtvaardigt als behoordet gij dit en zooveel niet te lijden, maar Mij in al mijne schikkingen recht geeft en als heilig prijst; dan bewandelt gij den waren en rechten weg des vredes, en er is ontwijfelbare hoop dat gij weder met vreugde mijn aanschijn zult aanschouwen.

En zijt gij tot een volkomen zelf-versmading gekomen, weet dat gij alsdan zulk een overvloed van vrede zult genieten, als met uwe vreemdelingschap bestaanbaar is.

rdee n an i di( fioge t onfj

rare kwel. lezenl wig,

rede

g\', alle: ft; ol alles

\'oots ndei uch( toci: niet nen

\'eer! c\'ier

-ocr page 230-

214

ZES EX TWTNTKtSTE HOOFDSTUK, Over ile lioogc waarde van een vrij semoeil dat men eerder verkrijist door nederig bidden dan door veel lezen.

De Geloovige. Heer! dit is \'t werl; van een volmaakt mensch zijn hart nooit af te trekken van het streven naar \'t hemelsche en tusschen de veel vuldige zorgen als zonder zorg door te gaan; niet uit traagheid, maar door een zeker voorrecht van een vrije ziel, zich aan geen schepsel door een ongeregelde liefde hechtende.

Ik smeek U, mijn allergenadigste God 1 behoed mij voor de zorgen dezes levens, opdat ik daarin niet te zeer verward worde; voor de veelvuldige lichamelijke behoeften, opdat de wellust mij niet oveimeestere; vooral de hindernissen der ziele, opdat ik niet door kwellingen ontmoedigd bezwijke.

Niet slechts bedoel ik zulke dingen, welke de wereldsche ijdelheid met alle drift najaagt; maar ook die ellenden, welke als een gevolg van den vloek over alle stervelingen uitgespro-

-ocr page 231-

215

ken, de ziel van uwen dienstknecht zoozeer bezwaren en beletten tot de vrijheid des geestes te komen, zoo dikwijls zij wel zou wenschen.

o Mijn God 1 onuitsprekelijke zoetigheid ! verkeer voor mij in bitterheid allen zinnelijken troost, die mij van de liefde tot het eeuwige aftrekt en mij ongelukkig tot zich lokt door het lokaas van eenig tegenwoordig genot.

Dat toch, o mijn God! dan toch geen vleesch en bloed mij overwinnen; dat de wereld met hare kortstondige heerlijkheid mij niet misleide; dat de duivel met zijne listen mij niet ver-schalke

Geef mij kracht tot tegenstand, geduld ter verdraging, standvastigheid ter volharding.

Geef mij voor al den troost dei-wereld de allerlieflijkste zalving van uwen geest, en voor eene vleesche-lijke liefde stort in mij de liefde tot uwen naam.

Zie spijs, drank, kleeding en de overige benoodigdheden, tot onder-

-ocr page 232-

Jié

houd des lichaams behoorende, zijn eene naar den hemel smachtende ziele tot last.

Geef dat ik mij van al zulke verkwikkingen matig bediene, zonder ze te vurig te begeeren.

Alle mag ik niet verwerpen, omdat de natuur ondersteund moet worden; maar het overtollige te zoeken en hetgeen \'t meest vermaakt, verbiedt uwe heilige wet: want anders zou het vleesch over den geest de overhand krijgen.

Dat dan, smeek ik U, uwe hand mij bij dat alles geleide en mij leere het overtollige te vermijden

ZEVEN EX TWINTIGSTE HOOFDSTUK

Dat de eigenliefde van het hoogste goed ten sterkste aftrekt

üe Heer. Mijn zoonl gij moet alles voor alles geven, en in niets uws zelfs zijn.

Weet dat de liefde tot uzelven u meer schaadt dan eenige zaak ter wereld.

-ocr page 233-

217

Naar de liefde en genegenheid die gij hebt, zal elke zaak u meer of min aankleven.

Is uwe liefde rein, eenvoudig en wél geregeld, gij zult aan niets verslaafd wezen.

Begeer niet wat gij niet moogt bezitten ; wil niet bezitten wat u kan hinderen en van de inwendige vrijheid berooven.

Het is zonderling dat gij u niet van ganscher harte met alles wat Gij kunt wenschen of bezitten aan Mij toevertrouwt.

Waarom u door ijdelen kommer verteerd ? Waarom door overtollige zorgen vermoeid.

Houd u aan mijn welbehagen en gij zult geen nadeel lijden.

Indien gij dit of dat zoekt en hier of daar wilt zijn om uw eigenbelang en om naar uwen eigen zin te leven, zoo zult gij nooit in rust noch vrij van kommer zijn: want in alles zal eenig gebrek gevonden worden en op elke plaats zal iemand zijn, die u tegenstreeft,

10

-ocr page 234-

\'t Is dus dienstig niet allerlei tijdelijk goed te verkrijgen of te vermeerderen, maar liever het te versmaden en de begeerte daarnaar tot den wortel uit uw hart te roeien.

Dit moet, gij niet alleen verstaan ^an \'t bezit van geld en rijkdommen, maar ook van de zucht naar ijdelen lof en roem, die alle met de wereld

voorbijgaan. , .

De woonplaats geeft weinig veiligheid, zoo de geest des ijvers ontbreekt.

En de vrede, van buiten gezocht, zal niet lang bestaan zoo de staat

uws harten den waren grondslag mist, dat is: zoolang gij niet op Mij rust, kunt gij wel van plaats veranderen, maar u niet verbeteren. Want zoo ras de gelegenheid zich opdoet en gij u daarvan bedient, zult gij vinden hetgeen gij ontvlucht en nog meer.

Gebed om de zuiverheid des harten eu de hemelsclie wijsheid.

De Geloovige. Bevestig mij, o Godl door de genade van den H. üeest.

-ocr page 235-

219

Geef dat de kracht in den inwen-digen mensch versterkt worde, en dat mijn hart zich van alle onnoodige zorg en angst ontledige; dat ik niet door allerlei begeerten naar wtlke zaak ook, gering of kostbaar, getrokken worde, maar alle dingen als voorbijgaande beschouwe en mijzelven als voorbijgaande daarmede.

Want er is niets bestendigs onder de zon; alles is ij delheid en kwelling des geestes. (Eccli. 1)

De Heer. O, hoe wijs is hij die dit aldus inziet!

De Geloovige. Geef mij, o Heer! de hemelsche wijsheid, opdat ik leere U boven alles te zoeken en te vinden, boven alles te smaken en te beminnen, en al het overige zóo in te zien, als \'t naar de orde uwer wijsheid waarlijk is.

Geef dat ik den vleier voorzichtig vermijde en den tegenstrever geduldig verdrage.

Want dit is eene groote wijsheid, niet door allen wind van woorden

-ocr page 236-

bewogen te worden, noch liet oor te leenen aan \'t gevaarlijk gevlei van valsche vrienden; zóo toch zet men den ingeslagen weg veilig voort.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen kwaadsprekende tongen.

De Heer. Mijn zoon! het verdriete u niet als sommigen van u kwaad denken en zeggen wat gij niet gaarne hoort.

Gij moet nog erger van uzelven denken en niemand zwakker dan uzelven achten

Verkeert gij inwendig met uzelven, gij zult weinig aan voorbijvliegende woorden hechten.

Het is geen kleine voorzichtigheid ten kwaden tijde te zwijgen en inwendig zich lot Mij te keeren en zich door geen menschelijk oordeel te laten ontrusten.

Dat uw vrede van der menschen mond niet afhange; want of ze iets goed of kwalijk uitlleggen, gij zijl daarom geen ander mensch.

-ocr page 237-

221

Waar is ware vrede en ware roem? Is het niet bij Mij ?

Wie den menschen niet zoekt te behagen noch vreest te mishagen, zal veel vrede genieten.

Uit eene ongeregelde liefde en ijdele vrees ontstaan alle onrust des harten en verstrooiing des geestes.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Hoe men In wederwaardigheden God moet aanroepen en zegenen.

De Geloovige. Heer\' eeuwig zij uw naam gezegend, die gewild hebt dat deze bekoring en kwelling over mij zouden komen.

Ontvluchten kan ik ze niet; maar tot U moet ik mijne toevlucht nemen, opdat Gij mij moogt helpen en ze mij ten goede keeren.

Heer 1 thans ben ik in lijden; het is mijn hart niet wel, maar ik word door \'t tegenwoordige lijden zeer gekweld.

En nu, geliefde Vader! wat zal ik zeggen? Ik ben omgeven van benauwdheden. Verlos mij uit dit uur.

-ocr page 238-

222

Doch daarom ben ik in dit uur gekomen, opdat Gij zoudt verheerlijkt worden, nadat ik dieper vernederd en dan door U verlost zal zijn

Heer\', dat het U behage mi] te red-den\\ (Ps. 3Q) want ik arme, wat kan ik doen tn waarheen zal ik gaan

zonder U? , ,

Geef geduld, o Heer ! ook ditmaal. Help mij, mijn God! dan zal ik niet vreezen, hoezeer ook bezwaard.

Doch wat zal ik intusschen zeggen ?

_ Heer Lw wil geschiede\'. (Matth. 6)

Ik heb wel verdiend gekweld en bezwaard te worden : ik moet dus wel verdragen; o, mocht het geduldig zijn, totdat het onweder voorbijga en het

beter worde. . , ,

Overigens is uwe almogende hand machtig genoeg om ook deze bekoring van mij weg te nemen of haren aandrang te matigen, zoodat ik met geheel bezwijke; zooals Gij, mijn Uodi mijn ontfermer! te voren dikwijls met mij gedaan hebt.

En hoe zwaarder mij deze beproe-

-ocr page 239-

223

ving valle, des te lichter valt u zink cene verandering van de rechterhand des Aherhoogsien. (Ps 76)

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Uat men Gods Imlp moet fifsmeekeu en op de wederkomst der genade vertrouwen.

De Heer. Mijn zoon! Ik ben de Heer, die sterkte geeft ten dage der verdrukking. (Nah. 1) Kom tot Mij, als \'t u niet wèl gaat.

Wat wel \'t meest den hemelschen troost verhindert, is dat gij u zoo laat tot \'t gebed begeeft.

Want alvorens Mij vurig te bidden, ziet gij intusschen naar veel anderen troost om en zoekt verkwikking in het uitwendige

En vandaar dat alles weinig baat, totdat gij opmerkt dat Ik de redder ben van die op Mij hopen, en dat er buiten Mij noch krachtige hulp, noch nuttige raad, noch bestendig redmiddel is.

Nu echter na den storm uw geest

-ocr page 240-

22i

bekomen is, herstel u in het licht mijner ontfermingen; want Ik ben nabij, zegt de Heer, om alles niet slechts volkomen maar overvloedig en bovenmate te herstellen.

Of is Mij wel iets moeilijk? (Jer. 32) Of zou Ik gelijk zijn aan hem die zegt en niet doet?

Waar is uw geloof? sta vast en volhard.

Wees lijdzaam en een dapper man; de troost zal u op zijn tijd toekomen Wacht op Mij, wacht: Ik zal komen en u genezen.

Het is een bekoring die u kwelt, en een ijdele vrees die u verschrikt.

Waartoe dient die zorg over hetgeen in de toekomst gebeuren mag, dan om u droefheid op droefheid te baren? Elke dag heeft genoeg aa7izijn eigen kwaad. (Matth. 6)

\'t Is ijdel en nutteloos zich te bedroeven of te verblijden over iets, dat nog komen moet en wellicht nooit komen zal.

Maar \'t is menschelijk door zulke

-ocr page 241-

voorstellingen misleid te worden, en een bewijs van een nog zwakken geest zoo licht aan rle ingevingen des vijands gehoor te geven.

Hem toch is \'t om \'t even of hij door \'t ware dan door \'t valsche be-goochele en misleide; of hij door liefde tot het tegenwoordige dan door vrees voor het toekomende ten val brenge.

Dat dan uw hart niet ontroerd worde noch vreeze. Geloof in Mij en vertrouw op mijn barmhartigheid.

Dikwijls als gij meent dat gij van Mij verwijderd zijt, ben Ik het dichtst bij u.

En wanneeer gij bijna alles verloren acht, is er dikwijls de meeste winst te doen.

Alles is noch niet verloren, als een zaak tegenva\'t.

Gij moogt niet oordeelen naar \'t eerste gevoel, noch aan eenig bezwaar, vanwaar het ook kome, zooveel hechten of het zóo opvatten, als ware alle hoop op uitkomst ontnomen.

Denk niet dat gij geheel verlaten

10-

-ocr page 242-

226

zijt, als Ik u voor een tijd eenigen druk laat toekomen, of ook den gewensch-ten troost onttrek: want dus komt men tot het Hemelrijk.

Het is ongetwijfeld voor u en mijne overige dienstknechten heilzamer door tegenheden geoefend te worden dan wanneer gij alles naar wensch hadt.

Ik ken de verborgen gedachten; en weet dat \'t voor uw heil zeer nuttig is dat gij somtijds zonder smaak gelaten wordt; opdat gij u niet bij voorspoed verheffen zoudt en zelfbehagen willen zoeken in hetgeen gij niet zijt.

Wat ik gegeven heb, kan Ik afnemen en het teruggeven als \'t Mij believen zal.

Als Ik het gegeven heb, is \'t het mijne; als Ik het terugneem, ontneem ik \'t uwe niet; want alle goede gaven en alle volmaakte gifte is het mijne.

Indien Ik u eenig bezwaar of tegenspoed toezend, word daarover niet misnoegd en dat uw moed niet be-zwijke ; ras kan Ik helpen en alle smart in vreugde veranderen.

-ocr page 243-

227

Intusschen ben Ik rechtvaardig en verdien grooten lof als Ik zoo met u handel.

Indien gij recht wijs zijt en naar waarheid oordeelt, dan moet gij nooit over eenigen tegenspoed zoo moedeloos treuren, maar eer u verblijden en danken, ja dit als uwe eenigste vreugde achten, dat Ik u mei stnarlen verdrukkende, u niet spaar. (Job. 6)

Gelijk de Vader mij heeft liefgehad, alzoo heb ik u ook lief, (Joan, 1 5) zeide Ik tot mijn geliefde leerlingen; die Ik evenwel niet tot tijdelijke vreugde maar tot zwaren strijd uitzond; niet om geëerd maar om veracht te worden; niet tot lediggang maar tot arbeid; niet om rust te hebben maar om veel vrucht te dragen in lijdzaamheid.

Wees mijn zoon 1 deze woorden gedachtig.

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Om den Schepper te kunnen vinden moet men alle schepsel laten varen

De Geloovige. Heer ! wèl heb ik grootere genade noodig, om daar te komen waar mij geen mensch noch

-ocr page 244-

228

eenig ander schepsel meer kan hinderen.

Want zoolang mij nog iets weder-houdt, kan ik niet vrij tot U vliegen.

Vrij wenschte hij te vliegen die sprak : Ach, had de ik toch vleugelen ah eene duif, ik zou heenvliegen en gaan uitrusten. (Ps. 54) Wat is rustiger dan een eenvoudig oog en wat vrijer dan hij, die niets op aarde verlangt?

Men moet zich dan boven alle schepsel verheffen en zichzelven geheel verlaten, en in den geest opgetogen blijven om te zien dat Gij, de Schepper van alles, niets gemeens hebt met de schepselen.

En alwie nog niet van alle schepselen is losgemaakt, zal zich niet vrij op \'t goddelijke kunnen toeleggen.

Daarom, worden er weinigen geschikt gevonden voor \'t beschouwend leven, omdat weiningen zich van de vergankelijke schepselen geheel weten te ontdoen

Daartoe wordt een groote genade vereischt, die de ziel opbeurt en boven haarzelve vervoert.

-ocr page 245-

229

En zoolang de mensch in den geest niet verheven is, los van al \'t geschapene en geheel met God vereenigd, is alles wat hij weet, ook alles wat hij heeft van weinig waarde.

Lang zal hij klein zijn en op den grond liggen, die nog iets hoogacht behalve \'t eenige, oneindige, eeuwige goed.

Want alles wat God zelf niet is, is niets en moet voor niets gehouden worden.

Er is een groot verschil tusschen de wijsheid van den verlichten en god-vruchtigen mensch, en de wetenschap van een geletterd en leergierig geestelijke.

Veel edeler is de kennis, die van boven door goddelijke ingeving nederdaalt, dan die door menschelijk vernuft met moeite wordt verkregen.

Men vindt er velen die naar de beschouwing verlangen; maar zij trachten niet te doen wat daartoe gevorderd wordt.

Een groote hinderpaal is dat men te veel blijft staan bij \'t uiterlijke en

-ocr page 246-

zichtbare en weinig werks maakt van een volkomen versterving.

Ik weet niet wat \'t is noch door welken geest wij gedreven worden, en wat wij, die voor geestelijke menschen willen doorgaan, voorgeven dat wij zoo veel arbeid en zoo groote zorg besteden aan voorbijgaande en nietige zaken, en zoo zelden met eene volkomen ingetogenheid van zinnen aan ons inwendige denken.

Helaas! na een weinig overwegens storten wij aanstonds weder naar buiten, zonder onze daden door een streng onderzoek te wegen.

Wij letten er niet op waaraan onze neigingen hechten, en wij betreuren niet dat alles zoo onrein is.

Toen alle vleesch zijnen weg bedorven had, volgde de groote watervloed.

Daar nu onze inwendige neiging zeer bedorven is, moet ook de daaruit volgende daad, ten blijke van gebrek aan innerlijke gezondheid, bedorven zijn.

-ocr page 247-

2H1

Uit een rein hart komen vruchten voort van een goed leven.

Men vraagt hoeveel iemand gedaan heeft, maar men onderzoekt zoo vlijtig niet met welk goed oogmerk hij handelt.

Men vorscht na of iemand sterk, rijk, schoon, bekwaam is; of hij een goed schrijver, zanger of werkman is; maar hoe arm hij is van geest, hoe lijdzaam en zachtmoedig, hoe godvruchtig en geestelijk, gezind, daarnaar wordt door velen niet gevraagd.

De natuur ziet op het uitwendige des menschen; maar de genade keert zich tot het inwendige.

Gene wordt vaak bedrogen; deze vertrouwt op God om niet bedrogen te worden.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over dc zelfverlooclieniiiK en verzaking van alle begeerlijkheid.

De Heer. Mijn zoon 1 gij kunt geen volkomen vrijheid bezitten tenzij gij uzelven geheel verzaakt.

-ocr page 248-

232

Gekluisterd zijn alle eigenbaatzuch-tigen en zelfminnaars; zij zijn begeerlijk, nieuwsgierig en ongestadig, zij zoeken steeds hun gemak en niet wat Mij behaagt; zij ontwerpen en ondernemen vaak dingen die geen stand houden; want alles wat niet van God komt, zal vergaan.

Onthoud dit korte en alles bevattende woord: verlaat alles en gij zult alles vinden; leg de begeerlijkheid at, zoo vindt gij rust

Overweeg dit bij uzelven, en wanneer gij het zult volbracht hebben, zult gij alles verstaan.

De Geloovige. De Heer 1 dit is geen werk van een dag noch kinderspel : ja in dit weinige is alle volmaaktheid eens kloosterlings opgesloten.

De Heer. Mijn zoon 1 gij moet zoo aanstonds niet afkeerig noch moedeloos worden, zoodra gij van den weg der volmaaktheid hoort; maar te meer tot het hoogere aangezet, of ten minste daarnaar vurig verlangen.

Och, of \'t zoo met u gesteld ware 1 of gij zoo verre gekomen waart dat

-ocr page 249-

233

gij uzelven niet meer bemindet, maar u volkomen naar den wenk van Mij en van uwen overste schiktetl dan zoudt gij Mij zeer behagen en uw geheel leven slijten in vreugde en rust.

Nog veel hebt gij te verlaten; tenzij gij Mij alles volkomen afstaat, zult gij niet verkrijgen wat gij vraagt.

Ik raad u dat gij van Mij koopt govd, door het vuur beproefd, opdat gij rijk moogt ■worde7i. (Apoc. 3) te weten ; de hemelsche wijsheid, die al \'t aard-sche onder de voeten treedt.

Geef haar de voorkeur boven de aardsche wijsheid, boven alle men-schelijk en eigen welbehagen.

Aldus zeg Ik u: koop hetgeen gering is bij de menschen in plaats van hetgeen kostbaar en verheven is in hun schatting.

Want zeer laag en gering en bijkans vergeten schijnt de ware hemelsche wijsheid, die van zichzelve niet hoog denkt nog op aarde zoekt verheven te worden, die velen prijzen met den mond, maar waarvan ze verre afwijken

-ocr page 250-

284

in hun gedrag: en toch is zij die kostbare parel, voor velen verborgen.

DEIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de onstandvastigheid des harten, en dat God onze laatste bedoeling moet zijn.

De Heer. Mijn zoon! vertrouw niet op uwe tegenwoordige gemoedsgesteltenis : want zij zal ras in een andere overgaan.

Zoolang gij leeft, zijt gij ook uws ondanks der veranderlijkheid onderworpen ; zoodat gij nu eens blijde, dan treurig; nu gerust, dan ongerust; nu godvruchtig, dan zonder godsvrucht; nu ijverig, dan traag; nu ernstig, dan lichtzinnig zult bevonden worden.

Doch de wijze en in den geest wèl onderwezene blijft, bij al deze afwisselingen, staande.

Hij let niet op hetgeen hij bij zich ontwaart noch vanwaar de wind der onbestendigheid blaast; maar hierop, dat de geheele bedoeling zijns geestes naar het behoorlijke en gewenschte einde strekke.

-ocr page 251-

235

Want door dus het eenvoudig oog zijner bedoeling bij zoo velerlei voorvallen onafgewend op Mij te vestigen, zal hij e\'en en dezelfde en onwrikbaar kunnen blijven.

Hoe reiner nu het oog der bedoeling is, hoe standvastiger men tusschen velerlei stormen doorgaat.

Maar bij velen is het oog eener reine bedoeling beneveld; want alras vestigt het zich op iets genoeglijks dat zich voordoet.

Daarom vindt men zelden iemand geheel vrij van de vlek der zelfzucht.

Dus kwamen weleer de Joden naar Bethanié tot Martha en Maria, niet om Jezus alleen, maar ook om Lazarus te zien.

Men moet dus het oog der bedoeling reinigen, zoodat het eenvoudig en oprecht zij en het, boven al \'t geen slechts middel is, op Mij alleen richten.

-ocr page 252-

236

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De ware minnaar vindt tij alles en boven alles in God zijn senoegen

De Geloovige. Zie, God is mijn en mijn al! Wat wil ik meer en wat kan ik zaliger wenschen ?

o Zoet en liefelijk woord 1 doch voor hem, die het Woord des Vaders en niet de wereld noch hetgeen in de wereld is, bemint.

God is mijn en mijn all genoeg gezegd voor hem die het verstaat; terwijl de veelvuldige herhaling ervan genoeglijk is voor hem die bemint.

Want zijt Gij tegenwoordig, alles is genoeglijk ; maar zijt Gij afwezig, alles mishaagt

Gij geeft de rust des harten, een groeten vrede en een feestelijke blijdschap.

Gij doet over alles wél denken en U in alles loven.

Zonder U kan niets lang behagen; maar zal iets aangenaam zijn en goed smaken, zoo moet uw genade daarbij

-ocr page 253-

237

zijn en de kruiderij uwer wijsheid dat toebereiden.

Wat zal hem niet smaken, die in U smaak vindt? En wat zal hem genoegen kunnen geven, die in U geen smaak vindt?

De wijsheid van de wereld en de genegenheid tot het vleesch worden door uwe wijsheid te niet gedaan; want in die dwaze wijsheid is veel ijdelheid en in het vleesch is de dood.

Maar zij, die U door de verachting der wereld en afsterving des vleesches navolgen, worden bevonden ware wijzen te zijn, omdat zij zich van de ijdelheid tot de waarheid en van het vleesch tot den geest laten overbrengen,

Dezen vinden smaak in God, en welk goed zij bij de schepselen vinden, zij brengen het geheel over tot lof van hunnen Schepper.

Intusschen is er een verschil en groot verschil tusschen den smaak voor den Schepper en het schepsel, voor de eeuwigheid en voor den tijd, voor \'t ongeschapen licht en \'t meegedeelde licht.

-ocr page 254-

288

o Eeuwig Licht, al de geschapen lichten ovetrefifende! schiet uit de hoogte stralen, die tot geheel \'t binnenste mijns harten doordringen.

Reinig, verkwik, verlicht en verlevendig mijne ziel en hare vermogens zoodat zij zich aan U in juichende verrukking vasthechte.

O wanneer zal dat zalige en ge-wenschte uur komen, dat Gij mij met uw bijzijn zult verzadigen en mij alles in alles zijnl

Zoolang mij dit niet wordt geschonken, zal mijn vreugde niet volkomen zijn.

Maar helaas\', nog leeft de oude mensch in mij; hij is niet geheel gekruisigd, niet volkomen gestorven.

Nog altoos begeert hij sterk tegen den geest, verwekt inwendigen oorlog en laat aan het rijk der ziel geene rust.

Maar Gij, die heerscht over de woede der zee en hei geweld har er golven stilt, (Ps. 88) sta op te mijner hulpe. {Ps. 42) Verstrooi de volkeren die belust zijn op oorlog; {Ps. 67) verpletter ze door uwe macht. [Ps. 58)

-ocr page 255-

289

Toon, bid ik U, uwe grootheid, en dat uwe rechterhand verheerlijkt worde; want geen andere hoop, geen andere toevlucht is mij over, dan bij U, o Heere mijn God!

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

l)at men in lt;Ut leven niet veilig is voor bekoringen.

De Heer. Mijn zoon! in dit leven zijt gij nooit veilig, maar hebt zoolang gij leeft altoos geestelijke wapenen noodig.

Gij verkeert onder vijanden en wordt rechts en links aangevallen.

Zoo gij dus niet van alle kanten het schild des gedulds gebruikt, zult gij niet lang ongewond blijven.

Daarenboven, houdt gij uw hart niet vast tot Mij gericht, met den zuiveren wil om alles voor Mij te lijden, dan kunt gij die hitte niet doorstaan, noch den palmtak der gelukzaligen bekomen.

Gij moet dus moedig door alles heengaan en een krachtigen arm gebruiken tegen hetgeen u wederstaat.

-ocr page 256-

240

Want aan den overwinnaar wordt het manna gegeven, maar de lafhartige aan vele ellende overgelaten.

Zoo gij in dit leven rust zoekt, hoe zult gij dan tot de eeuwige rust komen?

Zet u hier niet tot veel rust, maar tot groote lijdzaamheid.

Zoek den waren vrede niet op aarde maar in den hemel; niet bij de men-schen of de overige schepselen, maar bij God alleen.

Om Godswil moet gij alles gewillig ondergaan, te weten: arbeid en smarten, bekoringen en kwellingen, benauwdheden en behoeften, krankheden en beleedigingen, tegenspraak en berispingen, vernederingen en beschamingen, bestraffingen en versmadingen.

Dit alles helpt tot deugd, stelt den Christen leerling op de proef en vlecht de hemelsche kroon.

Ik zal voor kortstondigen arbeid eeuwig loon, en voor een voorbijgaande beschaming onvergankelijke heerlijkheid schenken.

Meent gij dat gij steeds de geeste-

-ocr page 257-

241

lijke vertroostingen naar wil en wensch zult genieten?

Mijne Heiligen hebben deze niet altoos gehad, maar vele bezwaren, velerlei bekoringen en groote moedeloosheden.

Doch in dat alles hebben zij zich geduldig gedragen en meer op God dan op zichzelven vertrouwd: wetende, dat, al het lijden van dezen tijd niet te achten ts 0711 de toekomende heerlijkheid te verdienen. (Rom. 8)

Wilt gij aanstonds hebben, wat zoo velen na vele tranen en zwaren arbeid nauwelijks hebben verkregen?

Wacut op den Heer, gedraag n mannelijk en houd moed. (Ps. 26)

Wantrouw niet, wijk niet; maar geef standvastig lichaam en ziel tot Gods eer ten beste.

Ik zal zeer rijkelijk vergelden;Ik zal met u zijn in allen nood.

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK. Tegen de ij (iele l)eoor(leelin^eii der mojisclieii.

De Heer. Mijn zoon! vestig uw hart vast op den Heer en vrees des

11

-ocr page 258-

242

menschen oordeel niet, wanneer uw geweten u goed en onschuldig houdt.

Het is goed en heilzaam dus te lijden, en dit zal niet zwaar vallen voor een nederig hart, dat meer op God dan op zichzelf vertrouwt.

Velen spreken veel, en daarom moet men er weinig geloof aan hechten.

Ook is het niet mogelijk allen te voldoen.

Ofschoon Paulus zocht allen in den Heere te behagen en allen alles werd, achte hij \'t toch zeer weinig door een menschelijk gericht geoordeeld te worden.

Hij heeft genoeg gedaan, ja zooveel hij mocht en kon, tot stichting en heil van anderen; maar hij kon niet beletten dat hij somtijds van anderen geoordeeld, ja, veracht werd.

Daarom gaf hij alles over aan God die alles weet, en verdedigde zich door geduld en ootmoed tegen den mond dergenen, die kwaadspraken, of\'t ijdele en valsche uitdachten en naar willekeur alles uitstrooiden

-ocr page 259-

248

Nochtans heeft hij somtijds geantwoord, opdat de zwakken niet door zijn stilzwijgen mochten geërgerd worden.

Wie zijt gij, dat gij een sterfelijk mensch vreest? Heden is hij, en morgen verschijnt hij niet meer.

Vrees God, en gij zult der menschen bedreigingen niet vreezen.

Wat vermag een mensch tegen u met woorden of lasteringen? Hij benadeelt zichzelven meer dan u, en, wie hij zij, Gods oordeel kan hij niet ont gaan.

Houd, gij God voor oogen, en wil niet twisten noch klagen.

Al schijnt gij ook voor \'t tegenwoordige onder te liggen en onverdienden smaad te lijden, word daarom niet verstoord, noch verminder uwe kroon door ongeduld.

Maar zie liever hemelwaarts tot Mij, die machtig ben om u te redden uit allen smaad en beleediging en een. ieder te vergelden naar zijne werken

-ocr page 260-

244

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over den zuiveren en ffelieclen afstand van

zichzelven om de vrijheid des harten te bekomen.

De Heer. Mijn zoon ! verlaat u, en gij zult Mij vinden.

Doe afstand van allen eigen zin en eigen wil, en gij zult altoos winnen.

Want zoodra gij u zult overgegeven hebben zonder terugtrekking, zal u grooter genade worden toegevoegd.

De Geloovige, Heer! hoe dikwijls moet ik mij afstaan en waarin mij verlaten ?

De Heer Altoos en elk uur, in \'t groote zoowel als in \'t kleine. Ik zonder niets uit, maar wil u van alles ontbloot vinden

Hoe kunt gij anders de mijne en Ik de uwe zijn, zoo gij niet inwendig en uitwendig allen eigen wil uitgeschud hebt.

Hoe eer gij dat doet, des te beter gij het hebben zult, en hoe volkome-ner en oprechter, des te meer gij Mij zult behagen en winst doen.

-ocr page 261-

245

Sommigen staan zich af, doch met zeker voorbehoud: want zij vei trouwen God niet volkomen en trachten daarom zichzelven te verzorgen.

Sommigen ook geven zich aanstonds geheel aan Mij over; maar naderhand, als de bekoring hen overvalt, keeren zij tot het eigene terug, waarom zij in de deugd \'t minst niet vorderen.

Dezulken zullen niet tot de ware vrijheid van een zuiver hart, noch tot de gunst mijner genoeglijke verkeering geraken, tenzij zij zich geheel hebben afgestaan en dagelijks aan Mij opofferen, zonder hetwelk geene zalige ver-eeniging met Mij bestaat, noch kan bestaan.

Dikwijls heb Ik u gezegd en Ik herhaal \'t nogmaals: verlaat u, sta u af, en gij zult inwendig grooten vrede hebben.

Geef alles voor alles; zoek niets, vorder niets terug; houd u zuiver en zonder aarzeling aan Mij en gij zult Mij bezitten; gij zult vrij zijn van harte en de duisternis zal u niet overschaduwen.

-ocr page 262-

246

Streef daarnaar, bid hierom en wensch dit, dat gij u van al \'t eigene moogt ontdoen, en naakt den naakten Jezus volgen, uzelven afsterven en voor Mij eeuwig leven.

Dan zullen alle ijdele voorstellingen, slechte ontroeringen en overtollige zorgen verdwijnen.

Dan ook zal alle onmatige vrees wijken en de ongeregelde liefde sterven.

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over een goed bestuur in liet uitwendige, en lioe men in gevaren zich tot God moet begeven.

De Heer. Mijn zoon 1 vlijtig moet gij daarnaar trachten, dat gij overal en in alle handeling of uitwendige bezigheid inwendig vrij en uzelven meester blijft, dat alles aan u onderworpen zij, en gij aan niets.

Daardoor zult gij heer en bestuurder van uw daden zijn, geen dienstknecht of slaaf; maar liever een vrij en waar Hebreër, tot het erfdeel en de vrijheid van Gods kinderen overgebracht.

Die zich verheffen boven \'t tegen-

-ocr page 263-

247

woordige en op \'t eeuwige zien; die \'t voorbijgaande met \'t linker oog beschouwen, en \'t hemelsche met \'t rechter ; die zich donr \'t tijdelijke niet laten trekken, om daaraan te hechten; maar het veelmeer tot zich trekken, om het goed te benuttigen, zooals \'t door God verordend is en bepaald door den oppersten werkmeester, die in zijne schepselen niets ongeregelds overliet.

Indien gij u ook bij alle gebeurtenis niet ophoudt bij den uiterlijken schijn, noch hetgeen gij ziet of hoort met een vleeschelijk oog beschouwt; maar terstond bij iedere zaak met Mozes in den tabernakel treedt om den Heer raad te vragen, dan zult gij somtijds een goddelijk antwoord vernemen en over vele tegenwoordige en toekomende zaken ingelicht terug-keeren.

Mozes immers nam altoos ter oplossing van twijfelachtige en ingewikkelde zaken tot den tabernakel zijne toevlucht en zocht hulp in het gebed, om uit

-ocr page 264-

248

de gevaren en de kwaadwilligheid der menschen gered te worden.

Zoo ook moet gij uw toevlucht nemen tot de geheime kamer uws harten, om den goddelijken bijstand vurig af te smeeken.

Want wij lezen dat Jozue en de kinderen Israels door de Gabaoniettn zijn misleid geworden, omdat zij niet te voren den mond des Heeren om raad hadden gevraagd, maar vleiende taal te licht geloovende, zich door valsch mededoogen lieten verleiden.

NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zich aan geen overdreven hezorgd-lieid mag overgeven.

Dk Heer. Mijn zoon! vertrouw mij altoos uwe zaak toe; Ik zal op zijnen tijd wel alles beschikken.

Wacht mijne beschikking af, en gij zult daarbij voordeel vinden.

De Geloovige. Heer 1 gaarne genoeg vertrouw ik U alle zaken toe; want mijne overlegging kan weinig baten.

-ocr page 265-

249

O, mocht ik aan toekomende gebeurtenissen niet veel hechten maar mij bereidwillig aan uw welbehagen overgeven !

De Heer. Mijn zoon! dikwijls is de mensch zeer bekommerd over iets, dat hij verlangt; maar heeft hij het verkregen, hij begint er anders over te denken: want de neigingen blijven niet altoos bij hetzelfde, maar drijven eer van het eene tot het andere

Het is dus niet gering ook in \'t geringste zichzelven te verloochenen.

\'s Menschen ware voortgang bestaat in zelfverloochening, en een zichzelven verloochenend mensch is zeer vrij en veilig.

Maar de oude vijand, al het goede wederstrevende, laat niet af re bekoren, maar legt dag en nacht gevaarlijke lagen, om den onbehoedzame in zijn bedrieglijk net te kunnen verstrikken. Waakt en bidt, zegt de Heer, opdat gij niet in bckorimj komt. (Matth. 26)

11«

-ocr page 266-

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Pat de meiisch nit ziclizelven niets goeds heeft en over niets kan roemen.

De Geloovige. Heer\', wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt? oj des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt?

(Ps. 8)

Welke verdienste heeft de mensch, dat Gij hem uwe genade bewijst?

Heer, hoe kan ik klagen, als Gij mij verlaat? of wat kan ik billijk inbrengen, wanneer Gij niet doet hetgeen ik verzoek ?

Ja zeker, dit kan ik met waarheid denken en zeggen: Heer! ik ben niets. Ik kan niets; ik ben niets goeds van mijzelven, maar schiet in alles te kort en streef altoos naar het niet. En zoo Gij mij mij niet helpt en inwendig versterkt, word ik geheel lauw en flauw.

Maar gij, o Heer l ztjt altoos dezelj-de, (Ps. 101) en blijft eeuwig, altoos goed, rechtvaardig en heilig, alles doende met goedheid, rechtvaardigheid en heiligheid, en alles met wijsheid beschikkende.

-ocr page 267-

251

Maar ik, die meer overhel tot afwijking dan tot vordering, blijf niet lang in denzelfden staat volharden: want ik ben veelvuldige verandering onderhevig.

Nochtans wordt \'t ras beter, als \'t U behaagt en Gij de behulpzame hand biedt: want Gij alleen kunt zonder menschelijke hulp helpen en zóo versterken, dat mijn gelaat niet meer gedurig verandere, maar dat mijn hart tot U alleen zich wende en in U alleen ruste.

Indien ik daarom allen menschelijken troost wist te verwerpen, hetzij ter verkrijging van godsvrucht, hetzij uit noodzakelijkheid, die mij dwingt U te zoeken, daar geen mensch mij troosten kan; dan zou ik terecht op uw genade kunnen hopen en mij verblijden over het geschenk eener nieuwe vertroosting.

U zij dank, van wien alles komt, zoo dikwijls het mij wèl gaat.

Ik immers ben voor uw aanschijn ijdelheid en niets, een onstandvastig en zwak mensch.

-ocr page 268-

252

Waarop kan ik dan roemen? Of waarom wensch ik te worden geroemd? Om een niet? dat ware de grootste ijdelheid.

Waarlijk, de ijdele roemzucht is een erge pest, eene zeer groote dwaasheid; want zij trekt af van den waren roem en berooft van de hemelsche genade.

Want zoolang de mensch zichzelven behaagt, mishaagt hij U, en zoolang hij jaagt naar menschenlof, is hij van ware deugd beroofd.

Maar de ware roem en heilige blijdschap is in U te roemen en niet in zichzelven, zich te verheugen in uwen naam, niet in eigen deugd, en geen genoegen in eenig schepsel te nemen tenzij om U.

Uw naam worde geloofd, niet de mijne; uw werk worde verheerlijkt, niet het mijne; uw heilige naam worde gezegend, maar mij worde van \'s men-schen lof niets toegeëigend.

Gij zijt mijn roem, Gij de vreugde mijns harten. In U zal ik roemen en mij verblijden den geheelen dag; doch

-ocr page 269-

253

voor mij is geen roem dan in mijne zwakheden. (2 Cor. 12)

Dat de Joden roem van elkander zoeken; ik zal dien zoeken, welke alleen van God is

Want alle menschelijke roem, alle tijdelijke eer, alle wereldsche grootheid, vergeleken bij uwe eeuwige heerlijkheid, zijn ijdelheid en dwaasheid.

o Mijne waarheid en barmhartigheid! mijn God! gelukzalige Drievuldigheid! U alleen zij lof, eer, kracht en heerlijkheid tot in de eindelooze eeuwen der eeuwen.

EEN EK VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de versmading van alle tijdelijke eer.

De Heer, Mijn zoon! trek \'t u niet aan wanneer gij anderen vereerd en verhoogd ziet, maar uzelven veracht en vernederd.

Verhef uw hart hemelwaarts tot Mij, en het zal u niet bedroeven op aarde van de menschen veracht te worden. De Geloovige. Heer 1 wij zijn ver-

-ocr page 270-

254

blind en worden ras door de ijdelheid verleid.

Wanneer ik mijzelven recht beschouw, dan is mij nog nooit door eenig schepsel onrecht gedaan: derhalve heb ik ook geen reden om mij voor U te beklagen.

Integendeel omdat ik tegen U dikwijls en zwaar gezondigd heb, wapent zich met recht alle schepsel tegen mij.

Mij komt dus terecht smaad en verachting toe, maar U lof, eer en heerlijkheid.

En tenzij ik mij daartoe bereide om gaarne van alle schepsel veracht, verlaten en volstrekt voor niets gehouden te worden, kan ik niet inwendig bevredigd en bevestigd, noch naar den geest verlicht, noch volkomen met U vereenigd zijn.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zijnen vrede niet 1)ij de menschen moeten zoeken.

De Heer. Mijn zoon! indien gij uwen vrede op eenig mensch bouwt.

-ocr page 271-

255

omdat hij met u van éen gevoelen is en met u wèl weet te leven, gij zult onbestendig en onrustig zijn.

Maar neemt gij uwe toevlucht tot de steeds levende en bestendige waarheid, geen scheiding of dood van een vriend zal u bedroeven.

In Mij moet de liefde van een vriend gevestigd zijn, en om mijnentwil moet gij beminnen eenieder, die u als goed voorkomt en in dit leven bijzonder dierbaar is.

Zonder Mij is geen vriendschap goed noch duurzaam; en \'t is geen ware en reine liefde, waarvan Ik niet den band vorme.

Gij moet soortgelijke genegenheden voor geliefde personen zóo afgestorven zijn, dat gij, wat u aangaat, allen omgang met menschen zoudt willen derven.

Hoe verder een mensch zich van allen aardschen troost verwijdert, hoe meer hij God nadert.

Ook hoe dieper hij in zich nederdaalt en hoe geringer hij bij zichzelven wordt, hoe hooger hij tot God opklimt.

-ocr page 272-

250

Maar wie zichzelven iets goeds toeschrijft, belet Gods genade tot hem te komen : want de genade des Heiligen Geestes zoekt altoos een nederig hart.

Wist gij u volkomen te vernietigen en van alle liefde tot \'t geschapene te ontledigen, Ik zou in u met groote genade nederdalen.

Wanneer gij uw oog op de schepselen vestigt, wordt u de aanblik des Scheppers onttrokken.

Leer u in alles, om des Scheppers wil, overwinnen; dan zult gij tot de kennis van God kunnen komen.

Al wat ongeregeld bemind of begeerd wordt, hoe gering het ook zij, houdt van \'t hoogste goed af en besmet.

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK,

Tegen deijdele wetenschap dei wereld.

De Heek. Mijn zoon! laat n niet vervoeren door de schoone en spitsvondige redenen der menschen, ivant niet i7i woorden maar i7i kracht is het Godsrijk. (I Cor. 4)

-ocr page 273-

257

Let op mijn woorden, die het hart ontsteken en den geest verlichten ; die het gemoed vermorzelen en velerhande troost verschaffen.

Lees nooit iets om geleerder en wijzer te kunnen schijnen, maar leg u toe om uw gebreken te dooden. Dit zal u meer nut doen, dan de kennis van vele moeilijke vraagstukken.

Na veel gelezen en verstaan te hebben, moet gij altoos tot \'t eenige grondbeginsel terugkomen.

Ik ben \'t die den mensch weienschap leer, (Ps. 93) en aan de kleinen helderder doorzicht geef, dan men van menschen bekomen kan.

Hij, tot wien Ik spreek, zal ras wijs zijn en in \'t geestelijke grooten voortgang maken.

Wee hun, die naar vele vreemde dingen onderzoek doen bij de menschen, en er zich weinig over bekommeren hoe zij Mij moeten dienen.

De tijd zal komen dat de Meester der meesters, Christus, de Heer der Engelen, verschijnen zal om allen de

-ocr page 274-

258

les te overhooren, dat is, om elks geweten te onderzoeken.

En dan zal Jeruzalem met fakkelt n worden doorzocht; (Soph. 1) aan zal hetgene in de duisternis verborgen was, aan het licht komen, en de menschelijke redeneeringen zulten verstommen. (1 Cor 4)

Ik ben \'t die den nederigen geest in e\'en oogenblik zóo verhef, dat hij van de eeuwige waarheid meer begrijpt, dan wanneer hij zich tien jaren lang in de scholen geoefend hadde.

Ik onderwijs zonder gedruisch van woorden, zonder verwarring van gevoelens, zonder eerzucht, zonder redetwist. Ik ben \'t die leer: het aardsche verachten en \'t tegenwoordige versmaden, \'t hemelsche zoeken en \'t eeuwige smaken, eerbetoon vluchten en ergernis dragen, alle hoop op Mij stellen, niets buiten Mij begeeren en Mij boven alles vurig beminnen.

Want door Mij innig te beminnen, leerde iemand het goddlijke kennen en daarover wonderlijk spreken.

-ocr page 275-

259

Door alles te verlaten vorderde hij meer dan door zich op spitsvondigheden toe te leggen.

Maar sommigen nu zeg Ik gewone, sommigen buitengewone zaken; sommigen openbaar Ik Mij zachtelijk, door teekenen en beelden; aan anderen stel Ik de geheimen in een groot licht voor

De stem der boeken is wel dezelfde maar zij onderwijst niet allen gelijkelijk : want Ik ben de inwendige leeraar der waarheid, de doorzoeker des harten, de kenner der gedachten, de bevorderaar der daden, een ieder gevende wat Ik billijk acht.

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

Dat men zich het uitwendige niet moet aantrekken.

De Heer. Mijn zoon! omtrent vele dingen moet Gij onwetend blijven en u aanzien als een doode op aarde, voor wien de geheele wereld gekruisigd is.

-ocr page 276-

260

Ook moet gij veel met doove ooren voorbijgaan, en liever denken aan hetgeen uwen vrede bevordert.

Het is nuttiger de oogen af te wenden van hetgeen mishaagt en een ieder zijn gevoelen te laten, dan zich met woordentwisten op te houden.

Zoo gij wèl staal met God en op zijn oordeel ziet, zult gij te lichter verdragen overwonnen te zijn

De Geloovige Ach, Heer! waartoe zijn wij gekomen! Zie, om een tijdelijk verlies weent men! men arbeidt en draaft om een geringe winst, en geestelijke schade vergeet men, en nauwlijks komt men laat daarop terug.

Men let op hetgeen weinig of in \'t geheel geen nut doet, en \'t hoogst noodzakelijke loopt men nalatig voorbij.

Want de mensch geeft zich geheel aan \'t uitwendige over, en tenzij hij zich ras bezinne, blijft hij gaarne in \'t uitwendige liggen.

-ocr page 277-

261

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK

Dat men niet aan allen geloof mag geven,

en over het licht struikelen in woorden.

De Gei.dovige. Schenk Gij, o Heer 1 ons redding uit den nood: want men-schenhulp is ijdelheid. (Ps. 59)

Hoe dikwijls vond ik geen trouw, waar ik dacht ze te vinden!

Hoe dikwijls vond ik ze ook, waar ik \'t niet vermoedde!

IJdel is dus de hoop op menschen : bij U, o God! is der rechtvaardigen heil.

Wees Gij dan, Heere mijn God! gezegend in alles wat ons overkomt.

Wij zijn zwak en onbestendig; licht worden wij bedrogen en veranderen wij.

Wie is de man, die zich in alles zóo omzichtig en behoedzaam weet te gedragen, dat hij niet somtijds in eenige misleiding of verlegenheid vervalle?

Maar wie, o Heer 1 op U vertrouwt en U met een eenvoudig hart zoekt, valt zoo licht niet.

En al komt hij in eenig lijden, op

-ocr page 278-

262

welk eene wijze hij ook in verwikkelingen gerake, hij zal toch schielijk door U gered of vertroost worden: want Gij verlaat dengene niet, die op U ten einde toe vertrouwt.

Zeldzaam is een trouwe vriend, die bij al de rampen zijns vriends standvastig blijft.

Gij, o Heer, Gij alleen zijt in alles de allergetrouwste en buiten U is er zoo geen.

O, hoe recht wijs was die heilige ziel, welke zeide: mijn hart is bevestigd eti in Christus^egro?idvest!(S. Agatha)

Ware het zoo met mij gesteld, geen menschenvrees zou mij zoo licht kwellen en geen bitse woorden ontroeren.

Wie kan alles voorzien? Wie de toekomende rampen voorkomen?

Zoo ook hetgeen men voorzag dikwijls grieft, hoe zwaarder zal niet het onvoorziene treffen?

Maar waarom heb ik mij ellendige niet beter verzorgd?

Waarom ook heb ik anderen zoo licht geloofd ?

-ocr page 279-

263

Maar wij zijn menschen en niets meer dan broze menschen, al worden wij ook door velen als Engelen aangezien en aldus genoemd.

Wien dan, o Heer, zal ik gelooven? Wien anders dan U? Gij zijt de Waarheid die niet bedriegt, noch bedrogen kunt worden.

Daarentegen is alle vunsch leugenachtig, (Ps. 115) zwak, onbestendig en licht struikelende, vooral in woorden, zoodat men zelfs nauwelijks aanstonds gelooven mag, hetgeen op \'teerste oogen-blik als klaarblijkelijk schijnt te klinken.

Hoe wijslijk hebt Gij vermaand zich voor de menschen te wachten, en dat ook \'s menschen huisgenooien zijne vijanden zijn; (Matth. 10) en dat men niet gelooven moest zoo iemand zeide: Zie, hier of daar is hij! (Matth. 24) Door mijne schade heb ik geleerd, en ach, mocht het mij zijn tot grooterequot; voorzichtigheid en niet tot nieuwe dwaasheid.

sWees omzichtig,quot; zegt iemand, »wees omzichtig; houd voor u wat ik

-ocr page 280-

204

u zeg.quot; En terwijl ik zwijg en het verborgen acht, kan hijzelf niet zwijgen hetgeen hij gebood te zwijgen; maar aanstonds verraadt hij mij en zichzelven, en gaat henen.

Behoed mij, o Heerl voor zulke snapachtige en onvoorzichtige men-schen; dat ik niet in hunne handen valle, of ooit zelf zoo handele

Leg in mijn mond ware en onveranderlijke woorden en geef mij een grooten afkeer van een arglistige tong.

Wat ik zelfs niet wil dulden, moet ik alleszins vermijden

o, Hoe goed en vredebevorderend is het van anderen te zwijgen en niet onverschillig alles te geloven, noch te licht te verspreiden, zich bij weinigen uit te laten en steeds naar U, den kenner des harten, om te zien; zich niet door allen wind van woorden te laten omvoeren, maar te wenschen dat al hetgeen in en buiten ons is naar \'t welbehagen van uwen wil geschiede 1

Hoe veilig is het ter bewaring van de

-ocr page 281-

hemelsclie genade de vertooning onder de menschen te ontwijken, niet te verlangen naar hetgeen van buiten bewondering schijnt te baren, maar met alle vlijt datgene na te jagen, wat verbetering van leven en ijver bevorden 1

Hoevelen was het schadelijk dat hun deugd bekend en te vroeg geprezen werd!

Hoe nuttig daarentegen de genade stilzwijgend te hebben bewaard in dit gebrekkige leven, dai geheel in bekoring en strijd wordt doorgebracht.

ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men bij scherpe woorden op tied moet vertrouwen.

De Heer. Mijn zoon! sta vast. en hoop op Mij: wat toch zijn woorden dan woorden? Zij vliegen door de lucht, maar bewegen eenen steen niet.

Zijt gij schuldig, denk dat gij u gaarne beteren wilt.

Zijt gij u niets bewust, denk dat gij dit gaarne voor God wilt verdragen,

12

-ocr page 282-

26ö

Het is weinig genoeg dat gij somtijds woorden verdraagt, gij, die nog geen zwaardere slagen kunt verduren

En waarom treffen u zulke kleinigheden tot in het hart, tenzij omdat gij nog vleeschelijk zijt en meer let op de menschen dan behoort; want omdat gij vreest veracht te worden, wilt gij u niet over uw verkeerdheden laten berispen, en zoekt gij de schaduw der verontschuldiging.

Maar beschouw uzelven beter, en gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft en de ijdele zucht om den menschen te behagen.

Want dat gij niet wilt vernederd noch over uw gebreken beschaamd worden, bewijst dat gij noch waarlijk nederig zijt, noch der wereld recht afgestorven, noch dat de wereld voor u gekruisigd is.

Maar hoor naar mijn woord, en gij zult u aan geen tienduizend woorden van menschen storen.

Zie, al werd tegen u gezegd alles wat men boosaardigst verzinnen kan,

-ocr page 283-

267

wat nadeel zou \'t u doen, zoo gij \'t liet voorbijgaan en t niet meer telde dan een strootje? Zou het u ook e\'en haartje kunnen uittrekken?

Maar wie zijn hart niet ingekeerd noch God voor oogen heeft, wordt licht door een smaadwoord ontroerd.

Doch wie op Mij vertrouwt en niet op zijn eigen gevoelen wil staan, zal zonder menschenvrees zijn.

Want Ik ben de rechter en kenner van alle geheimen. Ik weet hoe de zaak is geschied; Ik ken den belee-diger en hem die het verdraagt.

Van Mij is dat woord uitgegaan, door mijn toelating is dat geschied; opdat dt gedachten van veler harten zouden geopenbaard worden. (Luc. 2)

Ik zal den schuldige en den onschuldige oordeelen; maar beiden wilde ik eerst door een heimelijk oordeel beproeven.

Der menschen getuigenis bedriegt dikwijls; mijn oordeel is waarachtig, het zal standhouden en niet omvergeworpen worden.

-ocr page 284-

268

Meestal is het verborgen en bij weinigen tot in \'t bijzondere gekend; het faalt nochtans nimmer en kan ook niet falen, al schijnt het in der dwazen oog niet billijk.

Bij alle oordeel dan moet men zijn toevlucht tot Mij nemen en nooit op eigen goeddunken steunen.

Want de rechtvaardige zal niet gestoord worden, rvat hem ook van Gods wege overkome. (Prov. 10)

En al wordt iets ten onrechte tegen hem in gebracht, hij zal zich dat niet veel aantrekken.

Maar ook zal hij zich niet ijdel verblijden, al wordt hij door anderen verschoond.

Want hij overweegt dat Ik, die harten en nieren doorzoek, (Apoc. 2) niet oordeel naar \'t uiterlijke van den menschelijken schijn.

Want vaak wordt in mijn oogen berispelijk bevonden, wat naar het oordeel der menschen loffelijk gehouden wordt.

De Geloovige. Heere mijn God! rechtvaardige Rechter! machtige,lank-

-ocr page 285-

269

moedige! die der menschen broosheid en bedorvenheid kent, wees mijne sterkte, mijn gansch vertrouwen : want mijn geweten is mij niet genoeg.

Gij weet hetgeen ik niet weet; en daarom moet ik mij bij alle berisping vernederen en ze zachtmoedig verdragen.

Vergeef het mij ook genadig, zoo dikwerf ik mij niet zóo gedragen heb en geef mij weder de genade van een grooter geduld.

Want uw overvloedige barmhartig heid baat mij meer ter verkrijging van vergiffenis, dan mijn ingebeelde gerechtigheid ter verdediging van een verborgen geweten.

En al ben ik mij niets bewust, toch zou ik mij daarom niet kunnen rechtvaardigen; want buiten uwe barmhartigheid zal niemand die leeft voor uw aangezicht rechtvaardig zijn. (Ps. 142)

-ocr page 286-

270

ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men alle lijden om het eeuwige leven moet verdrasen.

De Heer. Mijn zoon! laat u niet ontmoedigen door den arbeid dien gij om mijnentwil op u genomen hebt, en dat geen kwellingen u ooit terneder-slaan; maar dat mijn belofte bij alle voorvallen u trooste en versterke.

Ik ben genoegzaam om u te vergelden boven alle maat en grenzen.

Gij zult hier niet lang arbeiden, noch altoos door smart gedrukt worden.

Wacht een weinig, en dra zult gij het einde uwer kwalen zien.

Ee\'ns zal een tijd komen, dat alle arbeid en onrust zal ophouden.

Gering en kort is alles, wat voorbijgaat met den tijd

Doe wèl hetgeen gij doet; arbeid getrouw in mijnen wijngaard: Ik zal uw loon zijn.

Schrijf, lees, zing, zucht, zwijg, bid en draag de tegenheden moedig; \'t eeuwige leven is dit alles en grooter strijd waard g.

-ocr page 287-

271

Eens zal de vrede komen op een dag den Heere bekend, en het zal geen dag met een nacht zijn gelijk van dezen tijd, maar een eeuwig licht, eindelooze klaarheid, vaste vrede en verzekerde rust.

Dan zult gij niet zeggen: Wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods? (Rom. 7) noch roepen: Ach mij! dat mijn vreemdelingschap zoo tang duurt. (Ps. 119)

Want de dood zal vernietigd worden en de zaligheid onafgebroken zijn; geenerlei angst doch volmaakt genoegen in een liefelijk en schitterend gezelschap.

o, Hadt gij de onverwelkbare kronen der Heiligen in den hemel gezien, als ook in welke heerlijkheid zij nu juichen, die weleer in deze wereld versmaad, ja als \'t leven onwaardig geacht werden — waarlijk gij zoudt u terstond tot in het stof vernederen en liever trachten aan allen onderworpen te zijn, dan over een enkelen gesteld te wezen.

-ocr page 288-

272

Ook zoudt gij in dit leven geen blijde dagen begeeren, maar liever u in lijden om Gods wil verblijden, ja bet voor een zeer groot gewin houden bij de menschen als niets geacht te worden.

o, Mocht gij hietin smaak vinden en het diep tot in uw hart doordringen hoe zoudt gij ook maar een enkelen maal durven klagen?

Moet men niet om \'t eeuwige leven allen arbeid verdragen ?

Het is geen kle:niguoid het rijk Gods te verliezen of te winnen

Hef dan uw aangezicht naar den hemel. Zie Mij daar en al mijne Heiligen met Mij, die in deze wereld een zwaren strijd gehad hebben. Thans verheugen zij zich, thans worden zij getroost, thans zijn zij veilig, thans rusten zij en zullen zonder einde met Mij in t rijk mijns Vaders verblijven.

-ocr page 289-

ACHT EN VEERTIGSTE HOOFD,STUK.

Over den dag der eeuwigheid c» de ellende van dit leven.

De Geloovige. o Allerzaligst verblijf der hemelsche Stadl o allerhelderste dag der eeuwigheid, dien geen nacht verduistert, maar de opperste Waarheid steeds bestraalt; altoos blijde dag, altoos veilig en nooit van staat veranderende!

O, ware die dag reeds aangebroken en hadde al \'t tijdelijke een einde genomen 1

Voor de Heiligen ja, schittert hij met eeuwigen, luistervollen glans; maar niet dan van verre en door een spiegel voor ons reizigers op aarde.

De burgers des hemels weten hoe zalig dat alles is; de kinderen van Eva zuchten over het bittere en vervelende hunner ballingschap

De dagen dezes tijds zijn weinig en boos, vol van smart en kommer; als waarin de mensch door velerlei zonden besmet, door velerlei driften verstrikt,

12«

-ocr page 290-

274

door velerlei vrees gejaagd, door velerlei zorgen gesprangd, door velerlei nieuwsgierigheid verstrooid, in velerlei ijdelheden gewikkeld, door velerlei dwalingen omgeven, door velerlei arbeid afgemat, door bekoringen gedrukt, door wellust ontzenuwd, door gebrek gepijnigd wordt 1

o. Wanneer zal het einde van deze rampen zijn? Wanneer zal ik van de ellendige slavernij der zonden verlosv, worden?

Wanneerj o Heerl zal ik alleen uwer gedenken, wanneer mij volkomen in U verblijden?

Wanneer zal ik zonder cenigen hinder in ware vrijheid zijn, vrij van alle bezwaar naar geest en lichaam ?

Wanneer zal er vaste vrede zijn, een onverstoorbare en zekere vrede, vrede van binnen en van buiten, een van alle zijden gevestigde vrede?

Goede Jezus! wanneer zal ik voor U staan om U te zien? Wanneer zal ik de heerlijkheid van uw rijk aanschouwen? Wanneer zult Gij mij alles in alles zijn?

-ocr page 291-

275

o, Wanneer zal ik met U zijn in uw rijk, hetwelk Gij voor uwe geliefden van eeuwigheid hebt bereid!

Ik ben arm gelaten en een balling in een vijandig land, waar dage-lijksche strijden en zeer groote rampspoeden zijn.

Vertroost mijne ballingschap, ver zacht mijne smarten: want al mijn verlangen hijgt naar U, omdat alles wat de wereld troostrijks aanbiedt, mij geheel tot last is.

Ik verlang U inniglijk te genieten ; maar ik kan er niet toe komen!

Ik wensch mij aan \'themelsche te hechten; maar de tijdelijke zaken en onverstorven driften trekken mij ter-neder.

Met den geest wil ik over alles heerschen; maar door \'tvleesch word ik mijns ondanks tot onderwerping gedwongen.

Zoo ben ik, ongelukkig mensch! met mijzelven in strijd en mijzelven tot last geworden, daar de geest naar boven, en het vleesch naar beneden wil.

-ocr page 292-

276

Ach 1 wat lijd ik inwendig, als ik met den geest \'t hemelsche overweeg, en ras een drom van vleeschelijke gedachten mij onder het bidden bestormt!

Alijn God! wees niet vei- ran mij (Ps. 70) en wijs uwen diensiknecht niet af in uwen ioorn. (Ps. 62)

Schiet uwe bliksems, en verdrijf ze, zend ime pijlen af. (Ps. 143) en dat alle ingevingen des vijands verstrooid worden

Vestig al mijn zinnen weer op U, doe mij al \'t wereldsche vergeten; geef dat ik dadelijk de zondige voorstellingen afwijze en verachte.

Eeuwige Waarheid! help mij, opdat geen ijdelheid mij ontroere.

Kom neder, hemelsche zoetheid! en dat alle onreinheid voor uw aanschijn vliede.

Vergeef ook en verschoon mij genadig zoo dikwijls ik in het gebed aan iets anders dan aan U denke.

In waarheid ik beken dat ik gewoonlijk zeer verstrooid ben.

Want veeltijds ben ik niet daar,

-ocr page 293-

277

waar ik lichamelijk sta of zit; maar veeleer ben ik daar werwaarts de gedachten mij voeren.

Ik ben daar, waar mijn gedachte is; en mijn gedachte is doorgaans daar, waar is hetgeen ik bemin.

Datgene vertoont zich terstond aan mij, wat mij natuurlijk behaagt of door gewoonte bevalt.

Daarom hebt Gij, o Waarheid! gezegd; Waar uw schat is, daar is ook uw hart. (Matth. 6)

Bemin ik den hemel, ik denk gaarne aan \'themelsche; bemin ik de wereld, ik verblijd mij over haren voorspoed en bedroef mij over haren tegenspoed.

Bemin ik \'tvleesch, ik denk dikwijls aan hetgeen des vleesches is; bemin ik den geest, ik vind vermaak in geestelijke overdenkingen.

Want van hetgeen mij liet is daarvan spreek ik en hoor ik gaarne, en draag ervan de beelden met mij naar huis.

Maar gelukkig de mensch die om uwentwil o Heer! aan alle schepselen

-ocr page 294-

278

vaarwel zegt, die der natuur geweld aandoet en door den ijver des gees-tes de lusten des vleesches kruisigt; opdat hij met een kalm geweten U reine gebeden opdrage, en zoowel van binnen als van buiten al \'taardsche uitgesloten hebbende, waardig zij tot de reien der Engelen te worden toegelaten.

NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het verlangen naar liet eeuwige leven; en hoe groote goederen den strijders beloofd zijn.

De Heer. Mijn zoon 1 wanneer gij u van boven het verlangen naar de eeuwige gelukzaligheid voelt ingestort en wenscht de tente des lichaams te verlaten, opdat gij mijnen glans zonder schaduwe van verwisseling moogt aanschouwen, verwijd dan uw hart en neem deze heilige ingeving met alle begeerte op.

Betuig den ruimsten dank aan de hoogste goedheid, die dus genadig met u handelt, u zoo goedig bezoekt, zoo

-ocr page 295-

279

vurig opwekt, zoo krachtig ondersteunt, opdat gij niet door eigen zwaarte naar \'taardsche moogt nederzinken.

Want dit hebt gij niet aan eigen beleid of poging te danken, maar alleen aan de gunst der hemelsche genade en van Gods aanblik: opdat gij in deugden en meerderen ootmoed zoudt vorderen, u tot toekomenden strijd bereiden en u toeleggen om Mij uit al de neiging uws harten aan te hangen en met brandenden ijver te dienen.

Mijn zoonl veeltijds brandt het vuur, maar de vlam stijgt niet op zonder rook.

Zoo ook branden sommigen van verlangen naar -quot;t hemelsche, en nochtans zijn zij niet vrij van de bekoring eener vleeschelijke begeerlijkheid.

Daarom gaan zij niet geheel zuiver om Gods wil alleen te werk in hetgeen zij van Hem zoo vurig afsmeeken.

En dusdanig is ook dikwijls uw verlangen, hetwelk volgens uw verklaring u zoo zeer kwelt.

Want al wat met eigenbelang is besmet, is noch zuiver noch volmaakt.

-ocr page 296-

280

Vraag dan niet hetgeen u genoeglijk en voordeelig is, maar wat Mij behaagt en verheerlijkt.

Want zoo gij recht oordeelt, moet gij Mijn beschikking boven uw verlangen, ja boven al het verlangde, stellen en najagen.

Ik ken uw verlangen en Ik heb uw menigvuldige verzuchtingen gehoord.

Gij zoudt reeds in het bezit der vrijheid, der heerlijkheid van Gods kinderen willen zijn; gij schept reeds behagen in het eeuwige huis, in het hemelsch vreugdevol vaderland

Maar die uur is nog niet gekomen ; thans is \'teen andere tijd, te weten, een tijd van strijd, een tijd van arbeid en beproevingen.

Gij wenscht met \'t hoogste goed verzadigd te worden; maar daartoe kunt gij nog niet komen

Ik ben dat goed. Wacht op Mij, zegt de Heer, totdat \'t Godsrijk kome Gij moet nog op aarde beproefd en in vele dingen geoefend worden. Nu en dan zal u troost gegeven.

-ocr page 297-

281

maar geen volkomen verzadiging vergund worden.

Versterk u dan en houd moed, (Jos. 1) zoo om te doen als om te lijden hetgeen der natuur tegenstaat.

Gij moet den nieuwen mensch aandoen (Eph. 4) en in een ander man veranderd worden.

Dikwijls moet gij doen wat gij niet wilt, en laten wat gij wilt.

Wat anderen behaagt, zal wèl slagen; wat u behaagt, zal niet gelukken.

Wat anderen zeggen, zal gehoor vinden; wat gij zegt. als niets geacht worden.

Anderen zullen vragen en verkrijgen; gij zult vragen en niet bekomen.

Anderen zullen groot zijn in den mond der menschen, maar van u zal men zwijgen.

A an anderen zal dit of dat worden toevertrouwd, maar u zal men tot niets geschikt achten.

Daarover zal de natuur zich somtijds bedroeven, en het zal u groot voordeel doen, als gij \'t zwijgende verdraagt.

-ocr page 298-

282

In dit en meer dergelijks wordt de getrouwe dienstknecht des Heeren doorgaans beproefd, hoeverre hij zich zal kunnen verzaken en in alles breken.

Er is nauwelijks iets, waarin gij u zóo moet afsterven, als in \'tzien en dulden van hetgeen met uwen wil strijdt, vooral wanneer er dingen be volen worden, die u onvoegzaam en min nuttig schijnen.

En daar gij, onder een ander staande, geen hooger gezag durft wederstreven, daarom schijnt het u hard u naar den wenk eens anderen te schik ken en alle eigen gevoelen er aan te geven

Maar, mijn zoon! overweeg de vrucht van dezen arbeid, het naderend einde ervan en de overgroote belooning, en gij zult geen last ontwaren, maar den allerkrachtigsten troost van uwe lijdzaamheid.

Want voor het gewillig opgeven van uwen eigen wil in dit geringe, zult gij in den hemel altoos uwen wil hebben.

Daar toch zult gij alles vinden wat gij begeert, alles wat gij kunt verlangen.

-ocr page 299-

283

Daar zult gij voorraad hebben van alle goed, zonder vrees van het te verliezen.

Daar zal uw wil, altoos met den Mijnen een, niets vreemds noch bijzonders begeeren.

Daar zal niemand zich tegen u verzetten, niemand over u klagen, niemand u hinderen, niets u in den weg staan; maar alles wat gij wenscht zal aanstonds daar zijn, en uwe geheele begeerte voldoen en op het volkomenst vervullen.

Daar zal Ik voor geleden smaad heerlijkheid, voor droefheid een eerekleed, voor de laagste plaats een zetel in \'t eeuwige rijk wedergeven.

Daar zal de vrucht der gehoorzaamheid blijken; daar zal de smart der boetvaardigheid in vreugde veranderd en de nederige onderwerping heerlijk gekroond worden.

Buig u dan nu nederig onder de hand van allen, en let er niet op, wie dit gezegd of bevolen hebbe.

Maar zorg bijzonder daarvoor, dat

-ocr page 300-

284

gij, hetzij uw overste, hetzij uw mindere, hetzij uwsgelijke iets van u vraagt of verlangt, alles ten goede opneemt en \'t met oprechten wille tracht na te komen.

Dat de eene dit, de andere dat zoeke, de eene hierover en de andere daarover zich beroeme, en duizende en duizende malen worde geprezen, verheug gij u noch in \'t een noch in \'t ander, maar in de geringachting var, uzelven en in het welbehagen en de verheerlijking van Mij alleen.

Dit moet gij wenschen, dat zoowel bij leven als bij sterven God altoos in u verheerlijkt worde.

VIJFTIGSTE HOOFDSTUK,

Hoe in mistroostisbeid de inenscli zicli in Gods hand moet overgeven.

De Geloovige. Heere God! Heilige Vader! wees nu en in eeuwigheid gezegend; want gelijk Gij wilt, dus is geschied, en wat Gij doet is goed.

Dat uw dienstknecht zich verheuge in U, niet in zichzelven noch in iemanci

-ocr page 301-

285

anders: want Gij alleen, o Heer! zijt de ware blijdschap, Gij mijne hoop en mijne kroon. Gij mijne vreugde en mijne eer.

Wat heeft uw diensknecht, tenzij wat hij van U ontving, en wel zonder zijne verdienste ?

Alles wat Gij gaaft, alles wat Gij deedt is het uwe.

Ik ben arm en in verdrukkingen van mijne jeugd af, (Ps. 87) en mijne ziel bedroeft zich somtijds tot weenens toe; dikwijls ook wordt zij in zichzelve ontroerd wegens het lijden dat haar dreigt.

Ik verlang naar de vreugde des vre-des; ik smeek om den vrede uwer kinderen, die door U met het licht van uwen troost worden verkwikt.

Indien Gij den vrede schenkt, indien Gij mij de heilige vreugde instort, dan zal de ziel van uwen dienstknecht vol gejuich zijn en U vurig loven.

Maar onttrekt Gij U, gelijk Gij zeer dikwijls gewoon zijt, dan kan hij in den weg uwer geboden niet wandelen; maar veeleer buigt hij de knieën om

-ocr page 302-

2èé

zich op de borst te slaan, omdat het met hem niet meer gesteld is gelijk gisteren en eergisteren, toen uw licht scheen over zijn hoofd, en hij onder de schaduwe uwer vleugelen tegen de aanvallen der bekoringen gedekt was.

Rechtvaardige en altoos prijzenswaardige Vader! het uur is gekomen dat uw dienstknecht beproefd zal worden.

Binnenswaardige Vader! het is billijk dat uw dienstknecht in dit uur voor U iets lijde.

Immer aanbiddelijke Vader! het uur is gekomen, door U van eeuwigheid voorzien, dat uw dienstknecht naar het vleesch voor een weinig tijds bezwijke, maar naar den geest voortdurend bij U leve.

Hij moet een weinig bij de menschen geringgeacht, vernederd en ontmoedigd, door lijden en smarten vermorzeld worden, opdat hij met U in den dageraad van een nieuw licht weder verrijze en in den hemel verheerlijkt worde.

Heilige Vader 1 Gij hebt het zoo be-

-ocr page 303-

287

schikt en zoo gewild, en het is geschied wat Gijzeif bevolen hebt.

Dit is toch voor uw vriend eene genade in de wereld om uwentwil te lijden en verdrukt te worden, zoo menigmaal en door wien ook Gij dat laat geschieden.

Zonder uw raad en voorzienigheid en zonder reden geschiedt er niets op aarde.

Het is mij goed, o Heer! dat Gij viij vernederd hebt, opdat ik uwe gerechtigheden leere. (Ps. 118)

Het is nuttig dat schande mijn aangezicht bedekte, opdat ik liever bij U dan bij de menschen mijn troost zoeke.

Ook heb ik daaruit geleerd uw ondoorgrondelijk oordeel te vreezen, daar Gij den rechtvaardige met den boosdoener bedroeft, doch niet zonder recht en billijkheid.

Ik dank U dat Gij mijn verkeerdheden niet verschoond maar mij met zware slagen vermorzeld hebt, door mij smarten aan te doen en mij uiten inwendig benauwdheden toe te voegen.

-ocr page 304-

288

Van allen die onder den hemel zijn is er niemand die mij troosten kan, tenzij Gij, Heere mijn God, hemel-sche arts der zielen, die slaat en heelt, grafwaarts voert en terugbrengt.

Uwe tucht over mij en uwe roede zelve zal mij tot leering zijn,

Zie, geliefde Vader! ik ben in uwe hand; ik buig mij onder de roede uwer kastijding.

Sla mijnen rug en mijnen nek, opdat ik mijn onbuigzamen wil naar uwen wil buige.

Maak van mij een vroom en nederig leerling, gelijk Gij zoo wèl weet te doen, opdat ik naar al uw wenken wandele.

Ik geef mij en al \'t mijne ter verbetering aan Q over: liet is beter hier dan hierna gestraft te worden.

Gij weet alles in \'t gemeen en in \'t bijzonder en niets is voor U in \'s men-schen geweten verborgen.

Gij weet het toekomende eer \'t geschiedt, en Gij hebt niet noodig dat iemand U onderwijze of berichte aangaande hetgeen op aarde gebeurt.

-ocr page 305-

28\'J

Gij weet wat tot mijn voortgang dient en hoeveel de kwelling bijdraagt om den roest der ondeugden af te schuren

Doe met mij naar uw wil en welbehagen ; versmaad mij niet om mijn zondig leven, aan niemand beter en vollediger bekend dan aan U alleen.

Geef mij, o Heerl dat ik wete wat ik moet weten, beminne wat ik moet beminnen; dat ik prijze wat U t meest behaagt; dat ik achte wat voor U kostbaar, verachte wat in uw oogen verachtelijk is.

Duld niet dat ik naar den uiterlij-ken schijn der oogen oordeele, noch naar hooren zeggen van onverstandige menschen vonnis veile; maar dat ik volgens een juist oordeel het zinlijke en geestelijke onderscheide, en boven alles altoos den wil uws welbehagens betrachte.

Vaak laten de menschen zich bij hun oordeel door de zinnen misleiden.

Ook bedriegen zich de beminnaars der wereld door alleen het zichtbare aan te hangen.

13

-ocr page 306-

290

Hoel is daarom een mensch beter, omdat hij door een mensch voor groot gehouden wordt r

De bedrieger misleidt den bedrieger, de ijdele den ijdele, de blinde den blinde, de kranke den kranke, als hij hem dus verheft, en door hem ijdelijk te prijzen onteert hij hem inderdaad te meer.

Immers wat een mensch is in uw oogen, zooveel is hij en niets meer, zegt de ootmoedige H Franciscus.

EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zich op geringer werken moet toelegden, als men in verhevener te kort schiet.

Df, Heer. Mijn zoon! gij kunt niet altoos in \'t vurigst verlangen naar deugd volharden, noch u op den hoog-sten trap van beschouwing staande houden; maar wegens uw oorspronkelijke bedorvenheid moet gij !omtijds tot t lagere afdalen en den last van dit gebrekkige leven, ook uws ondanks en met verdriet, dragen.

-ocr page 307-

291

Zoolang gij \'t sterfelijke lichaam omdraagt, zult gij onlust gevoelen en bezwaar des harten.

Dus moet gij in \'t vleesch onder den last des vleesches dikwijls zuchten, omdat gij u niet onophoudelijk met geestelijke oefeningen en hemelsche beschouwingen kunt bezighouden.

Alsdan is \'t u nuttig tot mindere en uitwendige oefeningen uwe toevlucht te nemen en u in goede werken te verlustigen, met een vast vertrouwen mijn komst en hemelsch bezoek af te wachten, en uwe ballingschap en dorheid des geestes geduldig te verdragen, totdat gij weder door Mij bezocht en van allen angst bevrijd wordt.

Want Ik zal u uw arbeid doen vergeten en inwendige rust doen smaken.

Ik zal voor u de weiden der Schriften ontsluiten, opdat gij met een verruimd hart op den weg mijner geboden moogt beginnen te loopen.

En dan zult gij zeggen : het lijden van dezen iijd is niet te achten bij de toekomende heerlijkheid, welke aan ons zal worden geopenbaard. (Rom. 8)

-ocr page 308-

292

TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Men achtc zich geen troost, maar eer straf waardig

De Geloovige. Heer 1 ik ben noch uw troost noch eenig geestelijk bezoek waardig: daarom handelt Gij naar recht met mij, wanneer Gij mij arm en hulpeloos laat.

Want al kon ik als eene zee van tranen storten, nog zou ik uw troost niet waardig zijn.

Dus verdien ik niets dan getuchtigd en gestraft te worden, omdat ik U zwaar en dikwijls beleedigd heb en in vele dingen zeer misdaan.

Zoodat ik, alles wèl overwogen, zelfs den geringsten troost niet verdien.

Maar Gij, o genadige en barmhartige God! die niet wilt dat uw werken vergaan, opdat gij den rijkdom uwer goedheid in de vaten uwer barmhartigheid zoudt tentoonstellen, Gij verwaardigt U uwen dienstknecht, zelfs zonder eenige verdienste en boven alle menschelijke mate, te troosten: want

-ocr page 309-

293

uwe vertroostingen zijn niet geliik de troostreden der menschen.

Wat heb ik dan, o Heer! gedaan, dat Gij mij eenigen hemelschen troost zoudt schenken?

Ik herinner mij niets goeds gedaan te hebben; maar wel dat ik altoos tot t kwade genegen en traag ter verbetering was.

Dat is de waarheid, en ik kan \'t niet ontkennen. Sprak ik anders. Gij zoudt tegen mij opstaan, en niemand zou mij verdedigen.

Wat heb ik voor mijne zonden verdiend, tenzij de hel en \'t eeuwige vuur?

Ik belijde het oprechtelijk dat ik ailen smaad en spot waardig ben, en dat \'t mij niet voegt onder t aantal uwer dienaren genoemd te worden.

En hoe ongaarne ik dit hoore, zoo wil ik toch naar waarheid tegen mij-zelven mijne zonden belijden, opdat ik te eer bij U barmhartigheid moge vinden.

Wat zal ik zeggen, schuldige die ik ben en geheel van schaamte bedekt.

Ik heb geen mond om te spreken

-ocr page 310-

294

dan dit eenig woord: ik heb gezondigd, o Heerl ik heb gezondigd; ontferm U mijner, vergeef mij.

Gun mij tiog een oogenblik, opdat ik mijne ellende bcweetie, eer ik henen ga naar dai duistere land, onhuld met de schaduwe des doods. (Job 10)

Wat eischt Gij van zulk een schuldig en ellendig zondaar, dan dat hij zich met een vermorzeld hart om zijne zonden vernederer

Door de ware vermorzeling en vernedering des harten wordt de hoop op vergeving geboren, het ontrust geweten bevredigd, de verloren genade herwonnen, de mensch tegen den toekomenden toorn gedekt, terwijl God en de boetvaardige ziel elkander met een heiligen kus ontmoeten.

Der zondaren nederige vermorzeling is U, o Heerl een welgevallig offer, voor uw aangezicht veel lieflijker riekende dan brandende wierook.

Zij is ook de aangename balsem, dien Gij over uwe heilige voeten hebt laten storten: want het vermorzelden

-ocr page 311-

295

verootmoedigd hart hebt Gij nooit versmaad.

Daar is eene schuilplaats tegen de woede des vijands; daar wordt alles verbeterd en afgewasschen wat misdreven was en besmet.

DEIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat Gods genade niet bestaanliaar is met aardschsezindlieid.

De Heer. Mijn zoon! kostbaar is mijne genade; zij laat zich niet met uitwendige dingen noch aardsche genoegens vermengen.

Gij moet dus afwerpen alles wat der genade hinderlijk, is, indien gij wenscht dat zij u ingestort worde.

Zoek de afzondering, verkeer gaarne met u alleen, tracht naar het onderhoud met niemand, maar stort liever voor God een vurig gebed, opdat gij een vermorzeld hart en een rein geweten moogt behouden.

Acht de geheele wereld als niets; stel den omgang met God boven al \'t uitwendige.

-ocr page 312-

206

Want gij kunt u niet met Mij bezighouden en te gelijk u in \'t vergankelijke verlustigen.

Gij moet u van uwe bekenden en vrienden verwijderen en uwen geest van allen tijdelijken troost vrijhouden.

Zoo toch vermaant deHeiligeApostel Petrus de geloovigen van Christus, dat zij zich in deze wereld als reizigers e7i vreemdelingen onthouden (van de lusten des vleesches, dte tegen de ziel strijden.) (1 Petr. 2)

o, Welk een vertrouwen zal een stervende hebben, die door geer.erlei gehechtheid aan iets in de wereld teruggehouden wordt!

Doch dus het hart van alles los te houden, bevat een krank gemoed nog niet; evenmin als een zinlijk mensch de vrijheid van den inwendigen mensch kent.

Nochtans wil hij waarlijk naar den geest leven, hij moet zoowel van het afgelegene als nabijzijnde afzien en zich voor niemand meer wachten dan voor zichzelven.

-ocr page 313-

297

Hebt gij uzelven volkomen overwonnen, te lichter zult gij het overige tenonderbrengen.

Over zichzelven te zegevieren is de volkomenste zegepraal.

Wie nu zichzelven zóo onderworpen houdt, dat de zinlijkheid aan de rede en de rede in alles aan Mij gehoorzaamt, die is in waarheid overwinnaar van zichzelven en heer der wereld.

Wilt gij tot dat toppunt klimmen, gij moet met mannenkracht aan het werk gaan en de bijl aan den wortel zetten, om uit te roeien en te verdelgen alle verborgen ongeregelde neiging tot uzelven en tot alle bijzonder en stoffelijk goed.

Want aan dit gebrek, dat de mensch zichzelven te ongeregeld bemint, hangt bijna alles, wat hij tot den wortel toe heeft te overwinnen.

Heeft hij dat kwaad overwonnen en tenondergebracht, er zal aanstonds groote vrede en gerustheid zijn.

Maar omdat weinigen trachten zichzelven volkomen af te sterven en teene-

13«

-ocr page 314-

298

maal zichzelven uitgaan, daarom blijven zij in zich gewikkeld en kunnen zich niet in den geest boven zichzelven verheffen.

Wie dan met mij in vrijheid verlangt te wandelen, moet noodzakelijk al zijn verkeerde en ongeregelde neigingen dooden, en aan geenerlei schepsel met een bijzondere liefde hartstochelijk gehecht zijn.

VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Over ile verschillende neigingen der natuur en der genade.

De Heer. Mijn zoon ! geef vlijtig acht op de neigingen van de natuur en van de genade: want zij werken zeer tegenstrijdig, en wel zóo fijn, dat zij nauwelijks, tenzij door den geestelijken en innig verlichten mensch onderscheiden worden.

Alle menschen zoeken, ja, het goede en wenden bij hun woorden en daden iets goeds voor; maar daarom worden velen door den schijn van \'t goede bedrogen.

De natuur is listig; zij trekt, verstrikt

-ocr page 315-

299

en misleidt er velen, en heeft altoos zichzelve ten doel.

Maar de genade wandelt in eenvoudigheid, mijdt allen schijn van kwaad, zoekt niet te bedriegen en doet alles zuiver om God, in wien zij ook, als haar doel, rust.

De natuur wil ongaarne zichzelve afsterven, noch gedrukt, noch bedwongen, noch onderworpen, noch onder het juk gebracht worden.

Maar de genade legt zich op zelf-versterving toe. wederstaat de zinlijkheid, zoekt onderworpen te zijn, verlangt overwonnen te worden, wil geen eigene vrijheid genieten, maar gaarne onder tucht gehouden worden.

Zij begeert over niemand te heer-schen, maar altoos onder God te staan, te leven en te zijn, en is steeds bereid om uit liefde tot God voor alle mensche-lijk schepsel nederig te bukken.

De natuur werkt om haar eigen voordeel, en let er op welke winst zij van een ander kan trekken.

Maar de genade ziet niet op hetgeen

-ocr page 316-

300

haar nuttig en voordeelig is, maar meer op heigeen velen van nut kan zijn.

De natuur ontvangt gaarne eer en hulde.

Maar de genade wijst getrouw alle eer en roem Gode toe.

De natuur vreest schande en smaad.

Maar de genade verheugt zich om Jezus\' wil smaad te lijden.

De natuur bemint ledigheid en lichaamsrust.

Maar de genade kan niet ledig zijn; zij neemt gereedelijk den arbeid op zich.

De natuur tracht \'t zeldzame en fraaie te bezitten; zij heeft een afkeer van wat gering is en grof.

Maar de genade vindt vermaak in \'t eenvoudige en nederige; zij schuwt het ruwe niet, noch weigert een versleten kleed te dragen.

De natuur ziet op \'t tijdelijke, verblijdt zich over aardsche winst, is over verlies bedroefd en wordt toornig over een gering smaadwoord.

Maar de genade let op \'t eeuwige,

-ocr page 317-

301

hangt niet aan \'t tijdelijke; zij Iaat zicli door geen verlies van zaken ontroeren, noch door harde woorden verbitteren, omdat zij haren schat en hare vreugde in den hemel plaatst, waar niets vergaat.

De natuur is inhalig en ontvangt liever dan zij geeft; zij wil gaarne iets alleen bezitten.

Maar de genade is liefdadig en mededeelzaam. Zij mijdt het bijzondere, is met weinig tevreden en oordeelt dat \'t zaliger is te geven dan te ontvangen. (Act. 20)

De natuur neigt tot het schepsel, tot het eigen vieesch, tot ijdelheden en rondloopen.

Maar de genade trekt tot God en tot de deugd, ziet af van de schepselen, vlucht de wereld, haat de lusten des vleesches, beperkt het rondzwerven en schroomt in t openbaar te verschijnen.

De natuur heeft gaarne eenig uitwendig genoegen, waarin de zinnen zich verlustigen.

Maar de genade zoekt haren troost in God alleen, en haren lust in \'t hoogste goed boven alhet zichtbare.

-ocr page 318-

302

F De natuur doet alles om eigen winst en belang; zij kan niets doen om niet, maar hoopt altoos voor weldaden of iets evenredigs of iets beters, of lof of gunst te bekomen, en begeert dat men hare daden en giften hoogschatte.

Maar de genade zoekt niets tijdelijks, noch eischt ter belooning een anderen prijs dan God alleen, ja verlangt van de aardsche nooddruft niets meer, dan zooveel haar ter verkrijging van \'t eeuwige dienen kan.

De natuur verheugt zich in vele vrienden en nabestaanden, roemt wegens adel en hooge geboorte, is beleefd jegens de machtigen, vleit de rijken en juicht haarsgelijken toe.

Maar de genade bemint ook hare vijanden en verheft zich niet op de menigte harer vrienden; zij let noch op rang noch op geboorte, tenzij daarmede eene grootere deugd gepaard ga.

Zij begunstigt meer den arme dan den rijke; zij neemt meer deel in het lijden van den onschuldige dan van den machtige; zij verheugt zich met

-ocr page 319-

303

den oprechte, niet met den onoprechte, en wekt steeds de goeden op om naar grootere gaven te streven en den Zoon van God in deugden gelijk te worden.

De natuur klaagt licht over gebrek en ongemak.

De genade draagt de armoede geduldig.

De natuur brengt alles op zichzelve terug, strijdt en twist voor zichzelve.

Maar de genade brengt alles weder tot God, van wien het oorspronkelijk afdaalt; zij schrijft zich niets goeds toe, noch matigt zich vermetel iets aan; zij twist niet noch stelt haar gevoelen boven dat van anderen; maar bij al hare gevoelens en begrippen onderwerpt zij zich aan de eeuwige wijsheid en het oordeel Gods.

De natuur zoekt geheimen te weten en nieuwigheden te hooren; zij wil uitwendig schitteren en veel door hare zinnen ondervinden; zij wenscht bekend te zijn en te doen wat lof en bewondering baart.

Maar de genade zoekt niets nieuws

-ocr page 320-

30i

noch zeldzaams te vernemen ; want dit alles komt voort van de oude verdorvenheid, daar er niets nieuws en duurzaams is op aarde.

Zij leert alzoo de zinnen beteugelen, ijdel zelfbehagen en vertooning vermijden, het roem- en bewonderenswaardige nederig verbergen, en bij al ons doen en weten nuttige vruchten en Gods lof en eer beoogen.

Zij wil zichzelve noch het hare geprezen hebben, maar wenscht dat God in zijne gaven geprezen worde, die alles uit loutere liefde schenkt.

Deze genade is een bovennatuurlijk licht en eene bijzondere gave Gods. Zij is eigenlijk het kenmerk der uitverkorenen en het onderpand der eeuwige zaligheid; zij, die den mensch van het aardsche tot de liefde voor \'t hemelsche verheft en van vleeschelijk geestelijk maakt.

Hoe meer dus de natuur wordt terneergedrukt en overwonnen, hoe overvloediger de genade wordt ingestort; terwijl de inwendige mensch door ver-

-ocr page 321-

305

nieuwden toevloed dagelijks naar het beeld van God hervormd wordt.

VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke genade.

De Geloovige. Heere mijn God 1 die mij naar uw beeld en gelijkenis geschapen hebt, schenk mij die genade, welke, zooals Gij mij getoond hebt, zoo voortreffelijk en te mijner zaligheid zoo noodig is, opdat ik mijne zeer booze natuur, die mij tot zonde en verderf wegsleept, overwinne.

Want ik gevoel in mijn vleesch de wet der zonde, die de wet mijns ge-moeds wederstreeft, en mij gevangen wegvoert om aan de zinlijkheid in vele dingen te gehoorzamen; en deze hare aandrift kan ik niet weerstaan, tenzij uw allerheiligste genade mijn hart vurig ingestort worde en mij te hulp kome.

Uwe genade, ja een groote genade is er noodig om de natuur te overwinnen, die van der jeugd af altoos ten kwade geneigd is.

-ocr page 322-

306

Want sedert zij door den eersten mensch Adam ten val gebracht en door de zonde verdorven is, gaat de straf dier vlek op allemenschen over; zoodat diezelfde natuur, welke door U goed en recht geschapen was, nu vervangen is door het gebrek en de zwakheid eener verdorven natuur, omdat hare neiging, aan zichzelve overgelaten, tot het kwade en aardsche trekt.

Immers de weinige kracht, die haar is overgebleven, is als een vonkje onder de asch verborgen.

Dat vonkje is de natuurlijke rede, met dikke duisternis omhuld, het oordeel tusschen goed en kwaad en de onderscheiding tusschen waar en valsch nog overhoudende, ofschoon zij onmachtig is om al hetgeen zij goedkeurt te volbrengen, en niet meer het volle licht der waarheid noch de gezondheid harer neigingen geniet.

Vandaar, o mijn God! dat ik naar den inwendtgen mensch vermaak vind in uwe wet, (Rom. 7) wetende dat uwe bevelen goed, rechtvaardig en heilig zijn.

-ocr page 323-

307

(Ib.) ook leerende dat men alle kwaad en zonde moet vlucliten.

Maar ?iaar het vleeseh dien ik de wet der zonde, (1b.) daar ik meer aan de zinlijkheid dan aan de rede gehoorzaam, Vandaar dat wel het goed te willen bij viij is, maar het te volbrengen, dat vind ik niet. (Ib.)

Vandaar dat ik mij dikwijls veel goeds voorneem, maar als mij de genade ter ondersteuning mijner zwakheid niet overvloedig toestroomt, wijk ik bij den geringsten tegenstand en bezwijk.

Vandaar dat ik wel den weg der volmaaktheid ken en klaar genoeg zie hoe ik handelen moet; maar neergedrukt door \'t gewicht mijner verdorvenheid, hef ik mij niet tot \'t volmaaktere op.

o, Hoe volstrekt noodig is mij dan uwe genade, o Heer! om t goede te beginnen, voort te zetten en te voleindigen!

Want zonder haar kan ik niets doen; maar door uwe genade versterkt vermag ik alles in U.

o Waarlijk hemelsche genade, zonder

-ocr page 324-

308

welke alle verdiensten, ook alle natuurlijke gaven niet te achten zijn!

Noch kunsten noch wetenschappen, noch rijkdom noch schoonheid, noch sterkte noch vernuft, noch welsprekendheid gelden bij U, o Heer ! iets zonder de genade.

Want de gaven der natuur zijn aan goeden en kwaden gemeen, maar de genade of de liefde is eene den uitverkorenen eigene gave; wie daarmede gekenmerkt zijn, worden het eeuwige leven waardig geacht.

Zoo voortreffelijk is die genade, dat zonder haar noch de gave van voorzegging, noch de kracht van wonderwerken, noch eenige beschouwing hoe verheven ook, iets te achten is.

Ja, zonder deze liefde en genade is noch geloof, noch hoop, noch eenige andere deugd U behaaglijk.

o Zegenrijke genade, die den arme van geest in deugden rijk maakt, en den met velerlei gaven bedeelde nederig van harte doet zijn; kom, daal in mij neder en vervul mij vroeg met

-ocr page 325-

309

uwen troost, opdat mijne ziel niet van vermoeiing en dorheid des harten bezwijke.

Ik smeek u, o Heer! laat mij genade vinden in uwe oogen ; want uwe genade is mij genoeg, al verkrijg ik ook al het overige niet, dat de natuur verlangt.

Al word ik dan bekoord en door vele tegenheden gekweld, zoolang uwe genade bij mij is, zal ik geen kwaad vreezen.

Zij is mijne kracht, zij geeft raad en hulp.

Zij is machtiger dan alle vijanden en wijzer dan alle wijzen.

Zij is de leermeesteres der waarheid, de leidster tot tucht, het licht des harten, een troost in druk; zij verbant de droefheid, verjaagt de vrees, voedt de godsvrucht en brengt tranen voort.

Wat ben ik zonder haar, tenzij een dor hout en een onnutte stam, die uitgeroeid moet worden?

Dat dan, o Heerl uwe genade mij altoos èn voorkome èn volge. Zij doe mij steeds bedacht zijn op goede werkéh, door Jezus Christus uwen Zoon. Amen.

-ocr page 326-

810

ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat wij onszelven moeten vcrloochencn en

Christus op den weg des kruises volgen.

De Heer. Mijn zoon! hoe meer gij uzelven kunt uitgaan, hoe meer gij tot Mij kunt ingaan.

Gelijk het den inwendigen vrede bevordert niets uitwendigs te begeeren, zoo vereenigt men zich met God door zich innerlijk te verlaten.

Ik wil dat gij leert u volkomen verzaken geheel naar mijnen wil, zonder tegenspraak of klachte.

Vb/g Mij: (Matth. 0) Ik ben de weg, de waarheid e7i hei leven. (Joan. 14)

Zonder weg gaat men niet, zonder waarheid kent men niet, zonder leven leeft men niet.

Ik ben de weg dien gij moet volgen, de waarheid die gij moet gelooven, het leven dat gij moet verhopen.

Ik ben de onbedrieglijke weg, de onfeilbare waarheid, het onvergankelijke leven.

Ik ben de rechtste weg, de opperste

-ocr page 327-

311

waarheid, het ware zalige, ongeschapen leven.

Indien gij blijft op mijnen weg, gij zuil de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maliën, (Joan. 8) en gij zult het eeuwig leven verwerven.

Wilt gij lot het leven ingaan, onderhoud de geboden. (Matth. 19)

Wilt gij de waarheid kennen, geloof in Mij.

Wilt gij volmaakt zijn, verkoop alles. (Matth. IQ)

Wilt gij mijn leerling zijn, verloochen uzelven. (Luc. 9)

Wilt gij het zalige leven bezitten, veracht het tegenwoordige.

Wilt gij in den hemel verheven worden, verneder u op aarde.

Wilt gij met Mij heerschen, draag het kruis met Mij.

Want alleen de dienaars van het kruis vinden den weg der zaligheid en des waren lichts.

De Geloovige. Heere Jezus\' daar uw weg eng is en door de wereld veracht, geef dat ik U ook met verachting der wereld volge.

-ocr page 328-

312

l-Vant de leerling is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer. (Matth. 10)

Dat dan de dienstknecht zich in de navolging van uw leven oefene: want daarin is mijn heil en ware heiligheid.

Wat ik leze of hoore buiten uw leven, verkwikt noch verlustigt mij geheel.

De Heer. Mijn zoon! daar gij dat alles weet en gelezen hebt, zult gij gelukkig zijn indien gij het nakomt.

Die 7nijne geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij liefheeft. Ook Ik zal hem liefhebben e7i Mijzelven aan hem ofgt;enbare7i, (Joan. 14) en zal hem met Mij doen aanzitten in het rijk mijns Vaders.

De Geloovige. Heere Jezus! het geschiede gelijk Gij gezegd en beloofd hebt en moge het mij gelukken zulks te verdienen

Ik heb het kruis opgenomen; ik heb het uit uwe hand ontvangen. Ik zal het dragen, ja dragen tot aan mijn yood, zooal\'s \'Gij het mij opgelegd hebt. In waarheid het leven eens vromen

-ocr page 329-

313

kloosterlings is een kruis, maar een kruis dat ten hemel leidt.

Ik ben begonnen; teruggaan mag ik niet, en stilstaan betaamt niet.

Welaan, broeders! laat ons te zamen voortgaan: Jezus zal met ons wezen.

Om Jezus namen wij dat kruis op: laat ons om Jezus bij het kruis volharden. Hij zal onze helper zijn, die onze aanvoerder en voorganger is.

Zie! onze Koning gaat ons voor; Hij zal voor ons strijden.

Laat ons moedig volgen; dat niemand iets verschrikkelijks duchte! Zijn wij bereid in den krijg heldhaftig te sterven ! laten wij onzen roem de smet niet aandoen dat wij voor het kruis zouden vluchten.

ZEVEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dc menscli zij «iet te neerslaclitis, wanneer hij in ecnigen misslag valt.

De Heer. Mijn zoon! geduld en nederigheid in tegenspoed behagen Mij meer, dan veel troost en ijver in voorspoed,

li

-ocr page 330-

314

Waarom bedroeft u eene kleinigheid, die tegen u gezegd wordt?

Al ware het iets grooters geweest, het had u niet moeten ontroeren.

Laat het dan nu voorbijgaan ; \'t is niet \'t eerste noch iets nieuws ; \'t zal oolc \'t laatste niet zijn, zoo gij lang leeft.

Zoolang u niets kwaads ontmoet, zijt gij moedig genoeg; ook geeft gij goeden raad en weet anderen door woorden te versterken; maar vertoont zich onverwachts eenig ongeval voor uwe deur, het onbreekt u aan raad en sterkte.

Let op uwe groote broosheid, welke gij zoo dikwijls bij de geringste voorvallen ondervindt.

Stel dit leed naar uw best vermogen uit uw hart; en heeft \'t u geraakt, dat \'t u toch niet ternedersla noch lang hindere.

Kunt gij \'t niet blijmoedig dragen, draag \'t ten minste met geduld,

Ook zoo gij t ongaarne hoort en li verontwaardigd gevoelt, bedwing u

-ocr page 331-

315

en laat niets onbehoorlijks uwen mond ontvallen, dat den zwakke aanstoot geeft.

Spoedig zal de ontstane ontroering bedaren, en de inwendige smart door de terugkomende genade verzoet worden.

Want Ik leef nog, zegt de Heer, bereid om u te helpen en buitengewonen troost te schenken, zoo gij op Mij vertrouwt en vurig tot Mij roept.

Houd goeden moed en bereid u om nog meer te lijden.

Alles is niet verloren, al gevoelt gij u dikwijls gedrukt of zwaar bekoord.

Gij zijt een mensch, en geen God; gij zijt vleesch, geen Engel.

Hoe zoudt gij altoos in denzelfden staat van deugd kunnen volharden, daar dit den Engelen in den hemel en den eersten mensch in het Paradijs niet heeft mogen gebeuren.

Ik ben quot;t die de bedrukten opbeur en red, en hen die hunne zwakheid erkennen tot mijne Godheid opvoer.

De Geloovige. Heerl gezegend zij

-ocr page 332-

316

uw woord, mij zoeter dan honig en honigzeem in den mond. (Ps. 18)

Wat zou ik onder zoo vele rampen en benauwdheden doen, indien Gij mij door uwe heilige woorden niet versterkte?

Als ik slechts ten laatste de haven der zaligheid mag binnenzeilen, wat is er aan gelegen wat en hoeveel ik geleden heb ?

Geef een goed einde, geef een gelukkig verscheiden uit deze wereld.

Gedenk mijner, mijn God! en geleid mij langs den rechten weg naar uw rijk. Amen.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Men mag geene te verheven zaken noch de verborgen raadsbesluiten Gods onderzoeken.

De Heer. Mijn zoon! wacht u over te hooge zaken en de verborgen oor deelen Gods te redetwisten: waarom deze zoo verlaten, gene tot zulke groote genade opgevoerd worde•

-ocr page 333-

317

waarom deze zoo bedroefd, gene zoo hoog verheven worde.

Dat gaat al \'s menschen bereik te boven; en geen rede of onderzoek is vermogend om Gods oordeel te doorgronden.

Wannneer dan de vijand u zoo iets ingeeft, of wel sommige nieuwsgierige menschen daarnaar vragen, antwoord met den Profeet: rechtvaardig zijl Gij o Heerl en billijk is uw oordeel; (Ps. 118) alsook; des Heeren c.or deden zijn waarachtig, rechtvaardig allemaal. (Ps. 18)

Mijn oordeelen moet men vreezen, niet onderzoeken, vermits zij ontoegankelijk zijn voor :s menschen verstand.

Wil ook niet onderzoeken noch twisten over de verdiensten der Heiligen, wie hunner heiliger of grooter is in quot;t hemelrijk.

Dit brengt dikwijls onnutte twisten en krakeelen voort, voedt ook den hoogmoed en ijdelen waan: waaruit nijd en tweedracht ontstaan, daar de

-ocr page 334-

318

eene dezen Heilige, gene een anderen trotschelijk tracht te verheffen.

Zulke dingen te willen weten en te onderzoeken doet geen vrucht en mishaagt eer den Heiligen, wijl Ik geen God ben van tweedracht, maar van vrede; welke vrede meer in waren ootmoed dan in zelfverheffing bestaat.

Sommigen worden meer tot dezen of genen getrokken, maar door eene voorliefde die meer menschelijk dan goddelijk is.

Ik ben degene, die alle Heiligen geschapen heb; Ik heb hun genade gegeven; Ik heb hun heerlijkheid geschonken.

Ik ken ieders verdiensten en heb hen met mijne heilzame zegeningen voorkomen.

Ik heb voor eeuwen mijne geliefden gekend; Ik heb hen uit de wereld verkozen, niet zij hebben eerst Mij verkozen.

Ik heb ze door genade geroepen, door barmhartigheid getrokken; Ik heb ze door velerlei bekoringen henengevoerd.

-ocr page 335-

319

Ik heb ze groote vertroostingen ingestort; Ik heb ze volharding ver leend; Ik heb hun geduld bekroond.

Ik ken zoowel den eerste als den laatste ; Ik bemin ze allen met onschatbare liefde.

Ik moet boven al mijne Heiligen gepre zen worden ; Ik moet in alles gezegend en in elk hunner vereerd worden, die Ik zoo hoog verheerlijkt en daartoe voorbestemd heb, zonder eenige voorafgaande eigen verdiensten.

Wie dan een mijner geringsten ver acht, eert ook den grootste niet: want ik heb den geringste en den grootste geschapen.

En wie éen Heilige te kort doet, doet ook Mij en al den overigen in \'t hemelrijk te kort.

Want zij zijn allen éen door den band der liefde ; zij hebben éen gevoelen, éen wil, en beminnen elkander in éenen, in Mij.

Ja, wat veel meer is, zij beminnen Mij meer dan zichzelven en hun verdiensten.

-ocr page 336-

320

Want, boven zichzelven verrukt en aan alle eigenliefde ontrokken, gaan zij geheel in mijne liefde over, waarin zij ook genoeglijk rusten.

Niets is er dat hen kan aftrekken of nederdrukken, daar zij, met de eeuwige waarheid vervuld, door het vuur eener onuitbluschbare liefde branden.

Dat dan vleeschelijke en zinlijke menschen ophouden over den staat der Heiligen te twisten, daar zij niets dan hun bijzonder vermaak weten te\' beminnen.

Zij geven of ontnemen hun volgens hunne neiging, niet gelijk het dei-eeuwige Waarheid behaagt.

Bij velen is het onkunde, vooral bij hen die, weinig verlicht, zelden iemand met een volkomen geestelijke liefde weten te beminnen.

Zij worden nog te zeer door natuurlijke neiging en menschelijke vriendschap tot dezen of genen getrokken; en gelijk zij zich in \'t aardsche gedragen zoo denken zij ook over \'themelsche.

-ocr page 337-

321

Maar er is een oneindig verschil tusschen de gedachten van on volmaakten en hetgeen verlichte mannen door een hoogere openbaring zich voorstellen.

Wacht u dan, mijn zoonl u met zulke zaken die uw begrip te boven gaan, nieuwsgierig in te laten; maar beijver u liever en leg u hierop toe, dat gij ook maar de minste in \'trijk van God moogt bevonden worden.

En al wist iemand wie boven anderen heilig en groot in \'t hemelrijk gehouden wordt, wat zou hem die kennis baten, zoo hij daardoor voor Mij niet nederiger werd en opgewekt om mijnen naam te meer te loven?

Hij die over de grootheid zijner zonden en de geringheid zijner deugden nadenkt en hoever hij nog van de volmaaktheid der Heiligen af is, doet een Gode veel behaaglijker werk, dan hij die over hunne meerderheid of minderheid twist.

Het is beter de Heiligen met vurige gebeden en tranen aan te roepen en

li*

-ocr page 338-

322

hunne heeilijke voorbidding nederig af te smeeken, dan door ccn ijdol onderzoek hun geheimen uit te vorschen.

Zij zijn wèl en zeer wèl tevreden: wisten de rnenschen maar wèl tevreden te zijn en hun ijdel gepraat te be-dwingenl

Zij roemen niet in hun eigen verdiensten, daar zij zichzelven niets goeds toeschrijven, maar alles aan Mij, die hun alles uit onbegrensde liefde geschonken heb.

Zij zijn met zulke groote liefde iot de Godheid en met zoo eene overmaat van vreugde vervuld, dat er niets ontbreekt aan hunne heerlijkheid en niets aan hunne zaligheid ontbreken kan.

Alle Heiligen, hoe meer zij in heerlijkheid verheven zijn, des te nederiger zij in zichzelven en des te nader en geliefder zij Mij zijn.

Daarom vindt gij geschreven; zij wierpen hunne kronen neder voor God en vielen op hwine aangezichten voor het Lam en aanbaden Hem, die tot in de eeuwen der eeuwen leeft. (Apoc. 4 en 5)

-ocr page 339-

323

Velen onderzoeken wie de grootste is in het rijk van Godj zij, die niet weten of zij waardig zullen zijn onder de geringsten gerekend te worden.

Het is groot ook de geringste in den hemel te zijn, alwaar allen groot zijn, omdat zij allen kinderen Gods zullen genoemd worden en zijn.

De geringste zal er tot duizend worden, terwijl ook de ho7iderdjarige zondaar sterven zal. (Is. 60 en 65)

Want toen mijn leerlingen Mij vroegen, wie de grootste is in het hemelrijk, vernamen zij dit antwoord: tenzij gij u bekeert en wordt als de kinderen, ztdt gij niet ingaan in het rijk der hemelen. Alwie zich derhalve zal vernederen, gelijk dit kind, die is d e, grootste inhetrijkderhemelen (Matth 18) Wee hun die weigeren zich gewillig met de kinderen te vernederen: want de lage poort van het hemelrijk zal hen niet laten binnengaan.

Wee ook den rijken die hier hunnen troost weghebben: want terwijl de armen het rijk Gods zullen binnengaan, zullen zij buiten staan en weenen.

-ocr page 340-

324

Verblijdt u, gij nederigen! juicht, gij armen! want u is het rijk van God, mits gij in waarheid wandelt.

NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men alle hoop cn vertrouwen op God alleen moet stellen.

De Geloovige. O Heer! welk is in dit leven mijn vertrouwen r Of welk is mijn grootste troost te midden van alles wat onder de zon beslaat? Zijt Gij het niet, Heere mijn Godl wiens barmhartigheid grenzenloos is?

Waar bevond ik mij ooit goed zonder U r Of wanneer kon \'t mij kwalijk gaan, als Gij bij mij waart ?

Liever wil ik arm zijn om U, dan rijk zonder U.

Liever verkies ik op aarde met U om te zwerven, dan zonder U den hemel te bezitten

Waar Gij zijt, daar is de hemel, en waar Gij niet zijt de dood en de hel.

Gij zijt mijn verlangen: daarom moet ik tot U zuchten, roepen en smeeken.

-ocr page 341-

325

Er is overigens niemand op wien ik volkomen kan vertrouwen om mij in mijnen nood ter rechter tijd te helpen, dan op U alleen, mijn God 1

Ja Gij zijt mijne hoop, Gij mijn vertrouwen, Gij mijn trooster en in alles mijn getrouwste vriend.

Allen zoeken het hunne; Gij beoogt alleen mijn heil en mijnen voortgang en doet mij alles ten goede keeren.

Ook wanneer Gij mij aan velerlei bekoringen en wederwaardigheden blootstelt, dan beschikt Gij dat alles te mijnen beste. Gij die gewoon zijt uw geliefden op allerlei wijze te beproeven.

Bij deze beproeving moet Gij niet minder bemind en geprezen worden, dan of Gij mij met uwe hemelsche vertroostingen vervuldet.

Op U dan, o Heere God! stel ik al mijne hoop en vertrouwen; op u werp ik al mijn kommer en angsten, dewijl ik alles, wat ik buiten U opmerk, als zwak en ongestadig bevinde.

Want noch vele vrienden kunnen

-ocr page 342-

326

baten, noch machtige beschermers helpen, noch voorzichtige raadslieden goeden raad geven, noch de boeken der geleerden troosten, noch kostbaarheden van welken aard ooquot;k redden, noch eenige verborgen en aangename plaats beveiligen, zoo Gijzelf niet nabij zijt, helpt, versterkt, vertroost, onderricht en bewaart.

Want alles wat den vrede en het geluk schijnt te kunnen bevorderen, is zonder U niets en brengt in waarheid geenerlei geluk aan.

Gij alzoo zijt de voltooiing van alle goed, Gij de volheid des levens, de bron der wijsheid, en op U boven alles te hopen is de krachtigste troost voor uwe dienaren

Tot U zijn mijn oogen gericht; op U vertrouw ik, mijn God, Vader der barmhartigheden !

Zegen en heilig mijne ziel met uwe hemelsche zegeningen, opdat zij U een heilige woning en uwer eeuwige heerlijkheid een zetel worde; opdat er in dezen tempel uwer opperwaardigheid

-ocr page 343-

327

niets gevonden worde, dat het oog uwer Majesteit mishaagt.

Zie op mij naar de grootte uwer goedheid en de menigte uwer barmhartigheden en verhoor de bede van uwen armen dienstknecht, die verre van U, als balling in het land van de schaduw des doods omzwerft.

Bescherm en bewaar de ziel uws armen dienstknechts onder zoovele gevaren van het vergankelijk leven: dat uw genade haar vergezelle en haar leide langs den weg des vredes naar \'t vaderland des eeuwigen lichts. Amen.

EINDE VAN HET DERDE BOEK.

-ocr page 344-

VIERDE BOEK.

over het h. sacrament des altaars. ---

Vurige uitnoodisini? tot de heilige Communie

De Heer. Komt allen lot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken. (Matth. 11)

Het brood dat Ik geven zal, is mijn vleesch voor hei leven der wereld. (Joan. 6) Neemt en eet: dit is mijn lichaam, dat voor u zal overgegeven worden. Doet dit tot mij 7ie gedachtenis.

(Matth. 26. Luc 22. I Cor. 11) Die mijn vleesch eet en mijn bloed dritikt, blijft in Mij, en Ik in hem.

(Joan. 6)

De woorden die Ik tot u gesproken-heb, zijn geest e7i leven. (Ib.)

-ocr page 345-

329

EEESTE HOOFDSTUK.

Met hoeveel eerljied men Christus moet ontvangen.

De Geloovige. Dit zijn, o Jezus Christus! eeuwige Waarheid, uw eigen woorden, ofschoon niet op e\'enen tijd gesproken, noch op éene plaats geschreven.

Daar zij dan de uwe en waarachtig zijn, moet ik ze alle dankbaar en ge-loovig aannemen.

Zij zijn de uwe, omdat Gij ze hebt voortgebracht; zij zijn ook de mijne, daar Gij ze tot mijn heil gesproken hebt.

Gewillig neem ik ze uit uwen mond aan, opdat zij te dieper in mijn hart geprent worden.

Woorden zoo teeder, zoo vol zoetigheid en liefde wekken mij op; maar mijn verkeerdheden schrikken mij af en mijn onrein geweten houdt mij terug om tot zulke groote geheimen te naderen.

De liefelijkheid uwer woorden lokt

-ocr page 346-

330

mij, maar de menigte mijner gebreken hindert mij.

Gij beveelt mij met vertrouwen tot U te naderen, zoo ik deel met U wil hebben, en het voedsel der onsterfelijkheid te nemen, zoo ik \'t eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid wil bekomen.

Komt, zegt Gij, allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken.

O Liefelijk en vriendelijk woord in \'t oor des zondaars, dat Gij, Heere mijn God! eenen behoeftige en arme noodigt tot deelneming aan uw allerheiligst Lichaam!

Maar wie ben ik, o Heer! dat ik mij verstoute tot U te naderen?

Zie, de hemel der hemelen omvat U niet, en Gij zegt: Komt allen tot Mij.

Wat wil die liefderijke toegevendheid en eene zoo vriendelijke uitnoodiging?

Hoe zal ik durven komen, die mij niets goeds bewust ben, waarom ik het zou mogen ondernemen?

Hoe zal ik U in mijn huis binnen-

-ocr page 347-

331

leiden, die zoo dikwijls uw goeder-tierenst aanschijn beleedigd heb?

De Engelen en Aartsengelen zijn vol eerbied; de Heiligen en rechtvaardigen vreezen, en Gij zegt: Komt allen tot Mij.

Zoo Gij, o Heer! het niet zeidet, wie zou \'t voor waar houden? En zoo Gij \'t niet geboodt, wie zou durven naderen?

Zie Noë, een rechtvaardig man, werkte honderd jaren aan \'t maken der arke, om met weinigen gered te worden: en ik, hoe zou ik mij in éen uur kunnen voorbereiden om den Bouwheer der wereld eerbiedig te ontvangen?

Mozes, uw voortreflijke dienstknecht en bijzondere vriend, maakte een ark van onverderfelijk hout en overtrok ze met het zuiverste goud om de tafelen der wet er in te leggen: en ik verdorven schepsel, zou U, den Gever der wet, de bron des levens zoo licht durven opnemen?

Salomon, de wijste der koningen Israels, bouwde zeven jaren aan een

-ocr page 348-

332

prachtigen tempel, ter verheerlijking van uwen naam. Acht dagen lang vierde hij \'t feest der inwijding; duizende dankoffers slachtte hij; onder trompetgeschal en gejuich bracht hij de arke des Verbonds plechtig ter plaatse, haar bereid.

En ik, ongelukkige en armste der menschen, hoe zal ik U in mijn huis binnenleiden, die nauwelijks een half uur godvruchtig weet door te brengen? En mocht \'t ook maar e\'ens een half uur waardig geschieden!

o Mijn God! hoeveel hebben deze niet getracht te doen om U te behagen! Acht! hoe weinig is \'t wat ik doel Hoe weinig tijds besteed ik, als ik mij tot uwe H. Tafel voorbereid!

Zelden ben ik geheel in mijzelven gekeerd, zeer zelden vrij van alle verstrooiing.

En voorwaar, in uwer Godheids heilrijke tegenwoordigheid moest geen onbetamelijke gedachte bij mij opkomen, ook geen schepsel mij bezighouden, vermits ik geen Engel maar

-ocr page 349-

333

den Heer der Engelen als gast moet ontvangen.

Intusschen is er een zeer groot verschil tusschen de arke des Verbonds met hetgeen zij bevatte en uw allerzuiverst Lichaam met zijn onuitsprekelijke krachten; tusschen die offers der wet, louter afbeeldsels van het toekomstige en het ware offer uws Lichaams, de vervulling van alle oude offers.

Waarom dan ben ik niet vuriger bij uw aanbiddelijke tegenwoordigheid?

Waarom bereid ik mij niet met meer zorg tot het ontvangen van uw heilige geheimen, daar die oude heilige Aartsvaders en Profeten, zelfs Koningen en Vorsten, met al het volk, zooveel god-vruchtigen ijver voor den dienst van God hebben getoond?

David, de allergodvruchtigste koning danste uit al zijn krachten voor de arke, zich de weldaden herinnerende, weleer den vaderen verleend. Hij deed velerlei speeltuig vervaardigen, dichtte liederen en liet die met vroolijkheid

-ocr page 350-

334

zingen; hijzelf bezield door de genade van den Heiligen Geest, zong die dikwijls bij de harp; hij leerde Israels volk God van ganscher harte loven en dagelijks met eenstemmigen mond zegenen en verheerlijken.

Werd toen zooveel godsvrucht betoond en voor de arke des Verbonds de lof van God vermeld, welken eerbied en godsvrucht behoor ik en het gansche Christenvolk dan nu te hebben, in tegenwoordigheid van het allerheiligste Sacrament, bij de nuttiging van \'t allerkostbaarst Lichaam van Christus!

Velen loopen naar verscheiden plaatsen om der Heiligen overblijfsels te bezoeken; na hun daden aangehoord te hebben, bewonderen zij de groote tempelgebouwen; zij bezichtigen en kussen hun heilige, in zijde en goud gewikkelde beenderen.

En zie; hier zijt Gij bij mij op \'t Altaar tegenwoordig, mijn God! de Heilige der Heiligen, de Schepper der menschen, de Heer der Engelen!

Dikwijls is \'t de nieuwsgierigheid der

-ocr page 351-

335

menschen, en de nieuwheid van hetgeen zij niet gezien hebben, die hen tot die reizen uitlokken; ook wordt er weinige vrucht van verbetering wegge dragen, vooral waar die tochten zoo lichtzinnig, zonder ware ingetogenheid geschieden.

Maar hier in het Sacrament des Altaars zijt Gij, Christus Jezus! God en mensch, geheel tegenwoordig; daar ook oogst men een overvloed van vruchten des eeuwigen heils, zoo dikwerf men Uwaardig en godvruchtig ontvangt.

En hiertoe lokt geenerlei lichtzinnigheid, noch nieuwsgierigheid, noch zinlijkheid, maar een vast geloof, eene levendige hoop en eene oprechte liefde.

O Godl onzichtbare Schepper der wereldl hoe wonderlijk handelt Gij met ons 1 Hoe minzaam en genadig gaat Gij met uw uitverkorenen te werk, aan wie Gij Uzelven in het Sacrament tot spijze voorstelt!

O, dit gaat alle verstand te boven! dit vooral trekt de harten der god-vruchtigen en ontvlamt hunne liefde.

-ocr page 352-

336

Immers uw ware geloovigen, die hun geheel leven tot verbetering besteden, ontvangen dikwijls in dit allerheiligst Sacrament éene groote genade van godsvrucht en liefde tot de deugd.

o Wonderbare en verborgen genade van dit Sacrament, alleen bekend aan de trouwe dienaars van Christus, en welke de ontrouwen en zondedienaars niet kunnen ondervinden.

Door dit Sacrament toch wordt de genade des H. Geestes geschonken, de verloren zielskracht hersteld en de schoonheid, door de zonde misvormd, terugverkregen.

Zoo groot is wel eens deze genade dat, wegens de volheid der erlangde godsvrucht, niet slechts de geest, maar ook \'t zwakke lichaam, vermeerdering van krachten ontwaart.

Intusschen is \'t zeer te betreuren en te bejammeren dat wij zoo lauw en onachtzaam zijn en niet met sterkere drift getrokken worden om Christus te ontvangen, op wien alle hoop en verdienste rust dergenen, die zalig zullen worden.

-ocr page 353-

337

Hij toch is onze heiligmaking en verlossing; Hij, de troost der reizigers en \'t eeuwige genot der Heiligen.

Het is dus zeer te betreuren dat velen zoo weinig acht geven op dit heilvol geheim, dat de vreugd is des hemels en \'t behoud der gansche wereld.

o Blindheid en verhardheid des men-schelijken harten, dat men zulk een onuitsprekelijk geschenk niet meer acht, en zelfs door dagelijksch gebruik tot onachtzaamheid vervalt.

Werd toch dit allerheiligst Sacrament slechts op e\'ene plaats gevierd en slechts door cenen Priester over de geheele wereld geconsacreerd, met welke geestdrift, meent gij, zouden niet de men-schen naar die plaats en naar dien Priester Gods henensnellen, om de goddelijke geheimen te zien vieren !

Maar nu zijn er vele Priesters aangesteld en wordt Christus op vele plaatsen geofferd, opdat Gods genade en liefde tot den mensch te meer uitblinken, naarmate de heilige Communie meer verspreid is over den aardbol.

15

-ocr page 354-

338

Dank zij U, o goede Jezus! eeuwige Herder! dat Gij u verwaardigd hebt ons arme ballingen, met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken, en zelfs tot \'t ontvangen van deze geheimen met de woorden van uw eigen mond te noodigen, zeggende: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u verkwikken.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de grootc goedheid en liefde, door God in het heilige Sacrament den menseh bewezen.

13e Geloovige. o Heer! vertrouwende op uwe goedheid en groote barmhartigheid, nader ik kranke tot mijnen redder, hongerige en dorstige tot de bron des levens, behoeftige tot den Koning des hemels, dienstknecht tot mijnen Heer, schepsel tot den Schepper, verlatene tot mijnen liefderijken trooster.

Maar vanwaar gebeurt het mij, dat Gij tot mij komt? Wie ben ik, dat Gij Uzelven aan mij schenkt? »

-ocr page 355-

889

Hoe durft een zondaar voor U verschijnen? En Gij, hoe verwaardigt Gij U tot een zondaar te komen?

Gij kent uw dienstknecht, en weet dat hij niets goeds aan zich heeft waarom Gij hem deze gunst zoudt bewijzen.

Ik beken dan mijn onwaardigheid, ik erken uwe goedheid; ik prijs uwe barmhartigheid en dank U wegens uw overgroote liefde.

Want Gij doet dit om uwzelfs wille, niet om mijn verdiensten, opdat uwe goedheid mij te meer kenbaar, ik in liefde te meer ontstoken, en de ootmoed te volkomener aangeprezen worde,

Daar dit U dan behaagt en Gij \'t dus verordend hebt, behaagt mij ook deze uw goedgunstigheid. O, mocht mijn ongerechtigheid geen beletsel zijn !

o Allerminnelijkste en liefderijkste Jezus 1 hoeveel eerbied en dankzegging met onophoudelijken lof is men U niet schuldig voor het ontvangen van uw heilig Lichaam, welks hooge waarde te verklaren geen mensch in staat bevonden wordt.

-ocr page 356-

840

Maar welk zullen mijn gedachten zijn bij deze Communie, bij \'t naderen tot mijnen Heer, dien ik niet naar waarde kan vereeren, en nochtans godvruchtig wensch te ontvangen ?

Wat kan ik beter en heilzamer denken, dan mij geheel en al voor U te vernederen en uw oneindige goedheid jegens mij te verheffen?

U loof ik, mijn God! U verheerlijk ik in eeuwigheid. Ik veracht mijzelven en onderwerp mij aan U in den afgrond mijner nietigheid.

Zie, Gij zijt de Heilige der Heiligen, en ik ben de slechtste der zondaren. Zie, Gij buigt U neder tot mij, die niet waardig ben tot U op te zien.

Zie, Gij komt tot mij; Gij wilt met mij zijn : Gij noodigt mij aan uwe Tafel.

Gij wilt mij hemelsche spijze, het Brood der Engelen, te eten geven, ja, geen ander dan Uzelven, het brood des levens., va?i den hemel nedergedaald, dat aan de wereld het leveti geeft. (Joan. 6} Ziedaar, vanwaar de liefde voortkomt en hoe zich de goedheid vertoont!

-ocr page 357-

341

Welken grooten dank en lof zijn wij U daarvoor niet schuldig 1

o, Hoe heilzaam en nuttig was uw besluit, toen Gij dit insteldeltl Hoe liefelijk en aangenaam het gastmaal, toen Gij Uzelven tot spijze gaaftl

o Hoe wonderbaar is uw werking, o Heer! hoe vermogend uwe kracht! hoe onfeilbaar uwe waarheid!

Want Gij spraakt, en alles is geworden, en wat Gij geboodt is uitgevoerd.

Wonderlijke zaak en alle geloof waardig, maar \'s menschen verstand te boven gaande, dat Gij, Heere mijn God! waarachtig God en mensch, geheel onder de geringe gedaante van brood en wijn bevat wordt, en van degenen die U ontvangen genuttigd wordt, zonder verteerd te worden.

Gij, Heer van het heelal! die niemand behoeft, hebt nochtans door uw Sacrament in ons willen wonen: bewaar mijn hart en mijn lichaam onbevlekt, opdat ik, met een opgeruimd en rein geweten, dikwijls uw geheimen moge vieren en tot mijn eeuwig heil ontvan-

-ocr page 358-

342

gen hetgeen Gij bijzonder te uwer eere en eeuwige gedachtenis verordend en ingesteld hebt.

Verheug u, mijne ziel! en dank den Heer voor zulk een edel geschenk en zoo bijzonderen troost, u in dit tranendal nagelaten.

Want zoo dikwijls gij dit geheim viert en het Lichaam van Christus ontvangt, zoo dikwijls vernieuwt gij het werk uwer verlossing, en wordt gij al de verdiensten van Christ.is deelachtig.

De liefde van Christus toch vermindert nooit, en de volheid zijner verzoening wordt nooit uitgeput.

Daarom moet gij u altoos met een geheele vernieuwing des harten daartoe voorbereiden, en dat groote geheim des heils met groote opmerkzaamheid overwegen

Ja, hetzij gij de H. Mis leest, hetzij gij ze hoort, zoo groot, nieuw en behaaglijk moet \'t u schijnen, alsof op dienzelfden dag Christus voor \'t eerst in den schoot der Heilige Maagd neder-

-ocr page 359-

843

dalende mensch wierd, of aan \'t kruis hangende voor \'theil der menschen leed en stierf.

DEEDE HOOFDSTUK.

Hoe nuttig het is dikwijls te commnnicceren.

De Geloovige. Zie, ik kom tot U, o Heer! opdat uw geschenk mij te nutte worde, en ik mij aan uwen heiligen Maaltijd verheuge, dien Gij. 0 6W/ in uwe goedheid voor den arme bereid hebt. (Ps. 67)

Zie, in U alles, wat ik kan en moet verlangen: Gij zijt mijn heil en verlossing, mijne hoop en sterkte, mijn eer en roem.

Verblijd dan heden de ziel van uwen dienstknecht: want tot L o Heere Jezus, verhef ik mijne ziel. (Ps. 85)

Thans verlang ik U godvruchtig en eerbiedig te ontvangen; ik wensch U in mijn huis binnen te leiden, opdat ik met Zaccheus verdiene door U gezegend en onder de zonen van Abraham geteld te worden.

-ocr page 360-

\'SU

Mijne ziel haakt naar uw Lichaam, mijn hart verlangt met U vereenigd te worden.

Schenk U aan mij, en het is genoeg; want buiten U geldt geen troost;zonder U kan ik niet zijn, en zonder uw bezoek kan ik niet leven.

En daarom moet ik dikwijls tot U naderen en U als een middel mijner zaligheid ontvangen, opdat ik niet bij gebrek dier hemelsche spijze op den weg bezwijke.

Zoo toch hebt Gij, o allerbarm-hartigste Jezus 1 toen Gij den volke predikte en verscheiden kwalen genaast, eens gezegd: 72 wil hen niet nuchter naar huis laten gaan, opdat zij onderweg niet bezwijken. (Matth. 15.)

Handel dan ook zoo met mij, die U tot der geloovigen troost in het Sacrament nagelaten hebt.

Want Gij zijt eene lieflijke ver kwikking der ziele, en wie U waardig eet, wordt deelgenoot en erfgenaam der eeuwige heerlijkheid.

Mij toch, die zoo dikwijls val en

-ocr page 361-

345

zondig, die zoo ras verflauw en te kort schiet, is het volstrekt noodig, dat ik mij door een veelvuldig bidden en biechten en door \'t ontvangen van uw heilig Lichaam hernieuwe, reinige en ontvlamme: anders mocht ik door een te lang verzuim van mijn heilig voornemem afwijken.

IVant van der jeugd af zijn \'s menschen zinnen ten kwade geneigd, (Gen. 8) en tenzij dat goddelijk geneesmiddel te hulp kome, vervalt de mensch dra tot erger.

Dus trekt de heilige Communie van het kwade en versterkt in het goede.

Want toch als ik nu reeds zoo dikwijls onachtzaam en lauw ben, wanneer ik communiceer of de H. Mis lees, wat zou het zijn, indien ik dat geneesmiddel niet gebruikte en een zoo krachtige hulp niet zocht 1

En al ben ik eiken dag niet bereid noch behoorlijk gestemd om het heilig Misoffer op te dragen, zal ik echter mijn best doen om op gepaste tijden de heilige geheimen te ontvangen en

15*

-ocr page 362-

846

eener zoo groote genade deelachtig te worden.

Want de eenige voorname troost voor een geloovige ziel, zoolang zij in dit sterfelijk lichaam verre van U omdwaalt, is dat zij dikwijls haren God gedachtig zij en haren Geliefde met een godvruchtig hart ontvange.

o Wonderbare voorkomendheid van uwe goedheid tot ons, dat Gij, Heere God! Schepper en Levensbron van alle geesten 1 U verwaardigt tot eene arme ziel te komen en haren honger met uwe geheele Godheid en mensch-heid te verzaden 1

o Gelukkig hart en zalige ziel! die waardig is U, haren Heer en God, godvruchtig te ontvangen en U ontvangende met geestelijke vreugde vervuld te worden!

o Welk een groot Heer ontvangt zij! welk een beminnelijken gastvriend neemt zij op 1 welk een aangenamen metgezel verkrijgt zij! welk een getrouwen vriend vindt zij\' welk een schoonen en edelen, boven alle gelief-

-ocr page 363-

347

den en boven al wat wenschelijk is beminnenswaardigen bruidegom omhelst zij!

Dat, o dierbaarste Beminde! hemel en aarde met al hunne schoonheden voor uw aanschijn zwijgen : want wat zij lofwaardigs en schoons hebben, is een geschenk uwer milddadigheid, en nimmer zullen zij de heerlijkheid uws naams nabijkomen, wiens wijsheid gcene palen heefi. (Ps, 146)

VIERDE HOOFDSTUK.

Over de jfroote voordeelen aan eene godvruchtige Communie verbonden.

De Geloovige. Heere mijn God! voorkom uwen dienstknecht met de zegeningen uwer goedheid, opdat ik verdiene tot uw hoogverheven Sacrament waardig en godvruchtig te naderen.

Wek mijn hart tot U op en ontdoe mij van die groote loomheid. Bezoek mij met uwe heilrijke genade om in den geest uwe zoetheid te smaken.

-ocr page 364-

3i8

die in dit Sacrament, als in eene bron, overvloedig schuilt.

Verlicht ook mijn oogen om zulk een groot geheim te aanschouwen, en versterk mij om het met een onwankelbaar geloof te gelooven.

Immers is \'t uw werk, geen werk der menschen; uwe heilige instelling, geen instelling van den mensch.

Ook is niemand uit zichzelven bekwaam om dit te bevatten en te verstaan, hetgeen zelfs het vernuft der Engelen te boven gaat

Wat zoude ik dan, onwaardig zondaar, stof en asch, van zulk een hoog en heilig geheim doorgronden of bevallen kunnen?

Heer! in de eenvoudigheid mijns harten, met een oprecht vast geloof, en op uw bevel nader ik tot U met vertrouwen en eerbied, en geloof dat Gij waarlijk als God en mensch hier in \'t Sacrament tegenwoordig zijt.

Gij wilt alzoo dat ik U ontvange en mij in liefde met U vereenige. Waarom ik uwe goedertierenheid bidde en U

-ocr page 365-

349

smeeke mij deze bijzondere genade te geven, dat ik geheel in U versmelte, mij in uwe liefde verlieze en mij in geen anderen troost meer inlate.

Want dit verhevenste en hoogwaardigste Sacrament is een heilmiddel voor ziel en lichaam, een artsenij voor allerlei geestelijke kwalen. Daardoor worden mijn gebreken genezen, de driften beteugeld, de bekoringen overwonnen of verzwakt, een grootere genade ingestort, de ontloken deugd vermeerderd, het geloof bevestigd, de hoop versterkt en de liefde ontvlamd en uitgebreid.

Want Gij, mijn God! steun mijner ziel! hersteller der menschelijke zwakheid en schenker van allen invvendigen troost, hebt in dit Sacrament aan uw geliefden, die er godvruchtig deel aan nemen, vele goederen geschonken en schenkt hun die nog dikwijls.

Gij tocht geeft hun velerlei troost tegen veelvuldige wederwaardigheden; Gij verheft hen uit de diepte hunner neerslachtigheid tot de hoop op uwe

-ocr page 366-

350

bescherming; Gij verkwikt en verlicht hen inwendig door een nieuwe genade, zoodat zij, die vóór de Commnnie zich eerst beangstigd en liefdeloos gevoelden, zich daarna, door die hemelsche spijs en drank verkwikt, in betere menschen veranderd bevonden.

En gij handelt zoo vrijgevig met uw uitverkorenen, opdat zij in waarheid erkennen en ten volle ondervinden hoe zwak zij uit zichzelven zijn, en hoeveel goedheid en genade zij van U ontvangen.

Want uit zichzelven koud, ongevoelig en ongodvruchtig, verdienen zij door U vurig, ijverig en godvruchtig te zijn.

Wie toch nadert ootmoedig tot de bron der zoetigheid, en draagt niet daarvan eenige zoetigheid weg?

Of wie staat bij een groot vuur en krijgt er niet eenige warmte van?

Gij nu zijt eene altoos volle en overvloeiende bron, een altoos gloeiend en nooit verflauwend vuur.

Daarom, is \'t mij niet geoorloofd

-ocr page 367-

uit de volheid dier bron te scheppen en tot verzadigens toe te drinken, zal ik toch mijnen mond aan de opening der hemelsche ader stellen, om er tenminste een drupje van op te vangen ter les-sching van mijnen dorst, en opdat ik niet geheel verdorre.

En, kan ik nog niet geheel hemelsch, noch brandende zijn zoo als de Cherubs en Serafs, zal ik toch trachten mij op godsvrucht toe te leggen, en mijn hart voor te bereiden, opdat ik dit levendmakend Sacrament ootmoedig ontvangende, ten minste een klein vonkje van dat goddelijk vuur verkrijge.

Wat mij nog ontbreekt, vul Gij dat, goede Jezus 1 heiligste Verlosser! voor mij liefderijk en genadig aan, die U verwaardigd hebt allen tot U te roepen, zeggende: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt: Ik zal U verkwikken

Ik toch arbeid in het zweet mijns aanschijns ; de smart mijns harten foltert mij; ik ben beladen met zonden; ik word door bekoringen ontrust, door

-ocr page 368-

vele kwade driften gekluisterd en gedrukt; en er is niemand die helpt, niemand die verlost en redt, dan Gij, Heere God, mijn Verlosser, wien ik mijzelven en al \'t mijne toevertrouw, opdat Gij mij moogt bewaren en tot \'t eeuwig leven brengen.

Neem mij aan tot lof eh verheer lijking van uwen naam, die mij uw Lichaam en Bloed tot spijs en drank bereid hebt.

Geef, Heere God, mijn Heiland 1 dat, naarmate ik aan uw geheim deelneem, de gevoelens mijner godsvrucht toenemen,

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over do waardigheid van het Sacramen t en over den priestelijken staat.

De Heer. Al hadt gij de reinheid eens Engels en de heiligheid van den H. Joannes den Dooper, nog zoudt gij niet waardig zijn dit Sacrament te ontvangen of te behandelen.

Want aan der menschen verdiensten is men \'t niet verschuldigd; dat een

-ocr page 369-

353

mensch het Sacrament van Christus consacreert en behandelt en het Brood der Engelen tot spijs neemt.

Groot geheim! en groote waardigheid der Priesters, wien vergund is wat den Engelen niet wordt toegestaan.

Want alleen de Priesters, in de Kerk geldig gewijd, hebben macht om de H. Mis te lezen en het Lichaam van Christus te consacreeren.

De Priester is wel de dienaar van God, gebruikende het woord van God, volgens Gods bevel en instelling; maar God is aldaar de voorname persoon en onzichtbare bewerker, wien alles onderworpen is wat Hij wil, en alles gehoorzaamt als Hij beveelt.

Daarom moet gij bij dit hoogwaardigste Sacrament meer den almachti-gen God dan uw eigen zinnen of eenig zichtbaar teeken gelooven.

En daarom ook moet gij mèt vreeze en eerbied tot dat werk naderen.

Neem u dan in acht, en bedenk wiens bediening u door de oplegging van \'s bisschops handen is toevertrouwd.

-ocr page 370-

354

Zie, gij zijt Priester geworden en gewijd om de H. Mis te doen ; zorg dan dat gij te zijner tijd met geloof en godsvrucht aan God het offer daar-brengt en uzelven onberispelijk gedraagt.

Gij hebt uwen last niet verlicht, maar zijt aan een nauweren band van tucht gelegd en tot een hoogeren trap van heiligheid verplicht.

Een Priester moet met allerlei deugden versierd zijn en anderen het voorbeeld geven van een goed leven.

Zijn omgang zij niet met de wereld-lingen noch met \'t gemeen der men-schen, maar met de Engelen in den hemel of met volmaakte menschen op aarde.

Een Priester, met \'t heilige gewaad uitgedost, bekleedt de plaats van Christus, om God voor zichzelven en voor al \'t volk eerbiedig en nederig te smeeken.

Hij heeft vóór en achter zich \'t teeken van \'s Heeren kruis, om zich \'t lijden van Christus steeds te herinneren.

-ocr page 371-

Hij draagt van voren op de kazuifel het kruis, opdat hij de voetstappen van Christus vlijtig naga en die ijverig poge te volgen.

Hij is van achter met het kruis ge-teekend, opdat hij allerlei tegenheden hem door anderen aangedaan om Gods wille geduldig verdrage.

Hij draagt het kruis van voren, opdat hij zijn eigen zonden betreure; van achteren, opdat hij ook die door anderen bedreven uit medelijden beweene, en wete dat hij als middelaar tusschen God en den zondaar gesteld is en dus in \'t gebed en heilige offer niet verflauwe, totdat hij waardig worde genade en barmhartigheid te verwerven.

Wanneer een Priester de H Mis leest, dan eert hij God, verblijdt hij de Engelen, sticht de geloovigen, helpt de levenden, bezorgt den dooden rust en maakt zichzelven aan allerlei goed deelachtig

-ocr page 372-

356

ZESDE HOOFDSTUK.

OndervragiiiK naar eene oefening vóór de H. Communie.

De Geloovige. Wanneeer ik, o Heer ! uw waardigheid en mijn onwaardigheid overweeg, dan sidder ik zeer en sta over mijzei ven beschaamd

Want treed ik niet toe, ik vlied het leven; dring ik mij onwaardig op, ik val in ongenade.

Wat zal ik dan doen, o mijn Grod! mijn helper en raadgever in den nood.

Leer Gij mij den rechten weg: schrijf mij eenige korte oefening voor, op de heilige Communie passende.

Want het is nuttig te weten, hoe ik namelijk godvruchtig en eerbiedig U mijn hart zal voorbereiden, om uw Sacrament met vrucht te ontvangen, of ook om zulk een groot en goddelijk Offer op te dragen.

-ocr page 373-

:i57

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over het onderzoek des gewetens en het voornemen ter verbetering.

De Heer. Voor alles behoort Gods Priester om dit Sacrament te vieren, te behandelen en te ontvangen, zich met den grootsten ootmoed des harten, met diepen eerbied, een vol geloof en met \'t zuivere oogmerk van Gods eer daartoe te begeven.

Onderzoek nauwkeurig uw geweten, naar uw vermogen reinig en zuiver het door een oprecht berouw en een ootmoedige biecht, zoodat gij niets bezwarends overhoudt, noch ontwaart dat u iets knage of den vrijen toegang verhindere.

Heb afkeer van al uwe zonden in \'t algemeen, en bedroef u en zucht meer in \'t bijzonder over uwe dage-lijksche overtredingen.

En laat de tijd het toe, belijd dan voor God in \'t binnenste uws harten, al de ellende uwer driften.

Zucht en betreur dat gij nog zoo

-ocr page 374-

358

vleeschelijk en wereldsch zijt, zoo weinig uw driften afgestorven, zoo vol ongeregelde bewegingen.

Zoo weinig waakzaam over uw uiterlijke zinnen, zoo vaak ingewikkeld in allerlei ijdele voorstellingen; zoo overhellende tot \'t uiterlijke, zoo onachtzaam omtrent \'t innerlijke.

Zoo licht vervoerd tot lachen en ongebondenheid, zoo verhard tot wee-nen en berouw; zoo vaardig tot verslapping en vleeschelijk gemak, zoo traag tot strengheid en ijver.

Zoo driftig om iets nieuws te hooren en iets schoons te zien, zoo flauw om \'tlage en verachte te omhelzen; zoo begeerig om veel te hebben, zoo karig in quot;t geven, zoo taai in \'t behouden.

Zoo onbedachtzaam in \'t spreken, zoo onwillig tot zwijgen; zoo ongeregeld van zeden, zoo ontijdig in uwe handelingen.

Zoo gulzig bij \'t eten, zoo doof bij \'t woord Gods, zoo gretig naar rust, zoo traag tot den arbeid.

Zoo wakker bij beuzelachtige ge-

-ocr page 375-

359

sprekken, zoo slaperig bij t heilige nachtgebed, zoo hakende naar het einde, zoo onbestendig in aandacht.

Zoo onachtzaam bij het opzeggen der getijden, zoo lauw bij \'t Mislezen, zoo dor bij \'t conimuniceeren.

Zoo licht verstrooid, zoo zelden volkomen ingetogen; zoo ras in toorn ontstoken, zoo geneigd om anderen misnoegen te geven; zoo gereed tot oordeelen, zoo streng in het berispen.

Zoo uitgelaten in voorspoed, zoo teneergeslagen in tegenspoed; zoo dikwijls veel goeds voornemende, en weinig ten uitvoer brengende.

Wanneer gij deze en andere gebreken met smart en een groot mishagen in uwe zwakheid beleden en beweend hebt, maak dan een vast besluit om steeds uw leven te veibeteren en in \'t goede voort te gaan.

Offer vervolgens met een volkomen afstand en een oprechten wil uzelven ter eere mijns naams op \'t altaar van uw hart als een gedurig brandoffer, door namelijk mij uw lichaam en ziel

-ocr page 376-

360

getrouwelijk over te geven: opdat gij dus verdienen moogt waardig te naderen om Gode het offer op te dragen en het Sacrament van mijn Lichaam met vrucht te ontvangen.

Want er is geen waardiger offer noch grootere voldoening ter uitwissching der zonden, dan zichzelven zuiver en volkomen met het offer van Christus, Lichaam, onder de Mis en bij de Communie, Gode op te dragen.

Heeft de mensch gedaan wat in hem is, en heeft hij een waar berouw, zoo dikwijls hij bij Mij om vergeving en genade komt, zoo waar ik leve, zegt de Heer, ik heb geen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve: Ik zal zijner overtredingen niet meer gedenken: (Ezech. 22 en 23) alle zullen hem kwijtgescholden zijn.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over de opoffering van Christus aan het. kruis en (Ie opolferins van zichzelven.

De Heer. Gelijk ik mijzelven, naakt en met aan \'t kruis uitgestrekte armen

-ocr page 377-

861

voor uwe zonden vrijwillig aan mijn hemelschen Vader heb opgedragen, — zoodat in Mij niets over bleef, dat niet geheel in een offer ter verzoening met God overging — zoo moet gij ook uzelven dagelijks, bij de H. Mis vrijwillig uit alle uwe kracht en neigingen op \'t innigst als gij kunt, tot een rein en heilig offer aan Mij opdragen.

Wat eisch ik meer van u, dan dat gij toelegt om uzelven volkomen aan Mij af te staan ?

Alles wat gij Mij buiten uzelven geeft, acht Ik niet; Ik toch zoek niet uwe gaven, maar u.

Gelijk het u niet genoeg zou zijn alles te bezitten buiten Mij, zoo kan ook Mij niets van alles wat gij geeft behagen, zoo gij uzelven niet aanbiedt

Offer u aan Mij op en geef uzelven geheel voor God: dan zal uw offer behagen.

Zie, ik heb mij geheel aan den Vader voor u opgeofferd; Ik heb u

16

-ocr page 378-

362

ook geheel mijn Lichaam en Bloed tot spijze gegeven, opdat ik geheel de uwe zij, en gij de mijne raoogt blijven.

Maar staat gij nog op uzelven en offert gij u niet gewillig aan mijn welbehagen op, uw ofier zal onvolkomen en onder ons geen volmaakte vereeni-

ging zijn.

Eene vrijwillige overgave van uze. ven in de hand Gods moet dus al uw werken voorafgaan, zoo gij vrijheid en genade wilt verwerven

Want daarom worden zoo weinigen verlicht en innerlijk vrij, omdat zij zichzelven niet volkomen weten te

verzaken.

Mijne uitspraak blijft vast: Wunzet alles verzaakt, kan mijn leerling met zijn. (Luc 14).

Wilt gij dan mijn leerling zijn, zoo offer uzelven aan Mij op niet al uwe neigingen.

-ocr page 379-

368

NEGENDE HOOFDSTUK.

Dat wij ons cn al liet onze aan God moeten opofferen en voor allen bidden.

De Geloovige. Heer! alles wat in den hemel is en op de aarde, is het uwe.

Ik verlang mijzelven aan U tot een vrijwillig offer op te dragen en eeuwig de uwe te blijven.

Heerl heden offer ik U mijzelven in eenvoudigheid des harten op, om voor altoos uw dienstknecht te zijn, U te gehoorzamen en een offer van eeuwigdurenden lof te worden.

Neem mij aan te gelijk met dit heilige offer van uw dierbaar Lichaam, hetwelk ik U heden in het bijzijn der ons hier onzichtbaar omringende Engelen opdraag, opdat het mij en al den volke tot heil strekke.

Ook leg ik, o Heer! op Uw zoen altaar neder al mijn zonden en overtredingen, die ik voor U en voor uw heilige Engelen heb begaan van den dag dat ik \'t eerst heb kunnen zon-

-ocr page 380-

364

digen tot nu toe ; opdat Gij die alle in \'t vuur uwer liefde aansteken en verbranden moogt, al de vlekken mijner zonden uitwisschen, mijn geweten van alle misdrijf reinigen, mij uwe, door de zonden verbeurde, genade teruggeven, door mij alles volkomen kwijt te schelden en mij tot den kus van vrede barmhartig op te nemen,

Wat anders kan ik voor mijn zonden doen, dan ze nederig belijden, be-weenen en onophoudelijk uwe barmhartigheid inroepen?

Ik smeek U dan, verhoor mij genadig nu ik voor U sta, o mijn God!

Al mijn zonden mishagen mij zeer; nimmer wil ik ze weder begaan; ik betreur ze en zal ze betreuren zoolang ik leef, bereid om boete te doen en voldoening te geven naar mijn vermogen.

Vergeef mij, o God! vergeef me mijn zonden om uws heiligen Naams wille; red mijne ziel, die Gij rnet uw dierbaar Bloed hebt vrijgekocht.

Zie, ik vertrouw mij aan uwe barm-

-ocr page 381-

365

hartigheid en geef mij over in uwe handen. Handel met mij naar uwe goedheid, niet naar mijne boosheid en ongerechtigheid.

Ook offer ik U op alles wat ik goeds heb, ofschoon \'t zeer gering en onvolkomen is, opdat Gij \'t moogt verbeteren en heiligen, \'t met welgevallen aannemen en U behaaglijk maken ; opdat Gij \'t steeds tot een hoogere volmaaktheid en mij tragen, onnutten, nietigen mensch tot een gelukkig en loffelijk einde brengen moogt.

Ook leg ik op uw outer neer al de vrome wenschen der godvruchtigen, de noodwendigheden van mijn ouders en vrienden, broeders en zusters en van allen die mij dierbaar zijn; ook van hen die mij of anderen uit liefde tot U eenig goed gedaan hebben; desgelijks ook van degenen, die verlangd en verzocht hebben dat ik gebeden en de H. Mis zou opdragen voor hen of de hunnen, het zij dat ze nog leven of reeds gestorven zijn.

Ik bidde dat zij allen door deze

-ocr page 382-

366

H. Offerande mogen ondervinden de hulp uwer genade, den steun uwer vertroosting, de bescherming in de gevaren en de bevrijding van hunne straffen, opdat zij, aan alle onheil onttrokken, U blijmoedig den ruimsten dank toebrengen.

Nog draag ik U gebeden en zoenoffers op bijzonder voor hen, die mij in eenig opzicht beleedigd, bedroefd, gesmaad, of mij eenige schade of moeilijkheid toegebracht hebben; alsmede voor hen allen, die ik somtijds bedroefd, ontiust, bezwaard of geërgerd heb, door woorden of daden, wetende of onwetende; opdat Gij ons allen gezamenlijk onze zonden en weder-zijdsche beleedigingen moogt vergeven.

Neem, o Heer! uit onze harten weg allen argwaan, verbittering, toorn, twist, en alles wat de liefde kan kwetsen en de broederlijke genegenheid verminderen.

Ontferm U, o Heer! ontferm U over allen die uw ontferming afsmeeken; schenk genade aan allen die ze be-

-ocr page 383-

367

hoeven, en doe ons zoodanig worden, dat wij waardig zijn uwe genade te ontvangen en voortgang maken ten eeuwigen leven. Amen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Dat men de heilige Gommnnie niet licht moet achterlaten.

De Heer. Dikwijls moet gij uwe toevlucht nemen tot de bron van genade en goddelijke ontferming, tot de bron van alle goed- en reinheid, opdat gij alzoo van uwe driften en gebreken moogt genezen worden, en verdienen tegen alle bekoringen en listen des duivels sterker en waakzamer te zijn.

De vijand wetende welke vrucht en allerkrachtigst geneesmiddel in de heilige Communie gelegen is, tracht op allerlei wijze en bij alle gelegenheid, zooveel hij kan, de geloovigen en godvruchtigen af te trekken en te verhinderen.

Sommigen inderdaad, als zij zich tot de heilige Communie trachten voor

m

-i

i

i

-ocr page 384-

368

te bereiden, ontwaren dan de ergste ingevingen des Satans.

Want die kwade geest komt, gelijk er in het boek Job geschreven staat, midden onder de kinderen Gods, opdat hij ze door zijn gewone arglistigheid in verwarring brenge, of te zeer bevreesd en verlegen make, om alzoo hunne liefde te verminderen, of door zijn aanvallen hun\'t geloof te ontnemen; of zij misschien de Communie gehe\' i zullen achterlaten, of met lauwheid naderen.

Men moet zich echter aan zijn listen en voorstellingen, hoe schandelijk en afgrijselijk ook, volstrekt niet storen, maar hem al die ingevingen in het aangezicht terugwerpen.

Verachten moet men den ellendeling en bespotten, en om zijn aanvallen en de ontroeringen die hij verwekt, de heilige Communie geenszins nalaten.

Dikwijls ook wordt men verhinderd door een te groote bezorgdheid om devotie te hebben, en door een zekeren angst omtrent de voorafgaande biecht.

-ocr page 385-

369

Handel volgens den raad van verstandige menschen en leg uw angst en bezwaren af: want deze verhinderen de genade Gods en verstoren de godsvrucht des gemoeds.

Wil niet om eenige kleine ontrus-ting of bezwaar de heilige Communie achterlaten, maar ga des te eerder te biechten en vergeef gaarne aan anderen al hun beleedigingen.

Of hebt gijzelf iemand beleedigd, vraag hem nederig om vergeving, en God zal u gaarne kwijtschelden.

Welk nut doet \'t met biechten lang te wachten of de heilige Communie te verschuiven ?

Reinig u ten eerste, werp spoedig het vergift uit en haast u de artsenij in te nemen: gij zult u daarbij beter bevinden dan met lang uit te stellen.

Indien gij \'t heden om deze of gene reden uitstelt, morgen zal er zich wellicht iets gewichtigers opdoen en, zoo kondet gij lang van de Communie afgehouden en te ongeschikter worden.

Ontdoe u, zoodra gij kunt, van de

1GS

iM i m

\'

. s m

-ocr page 386-

370

tegenwoordige bezwaren en loomheid: want \'t baat niets lang in angst en ongerustheid voort te leven, en zich door dagelijksche beletsels van de goddelijke geheimen te laten afhouden.

Integendeel schaadt het zeer de Communie lang uit te stellen; want doorgaans brengt het groote lauwheid te weeg.

Helaas! sommige lauwen en or,ge-bondenen stellen gaarne het biechten uit en wenschen daarom de heilige Communie te verschuiven, opdat zij niet verplicht worden strenger wacht over zichzelven te houden.

Ach! hoe weinig liefde en zwakke godsvrucht hebben zij, die de heilige Communnie zoo licht verschuiven!

Hoe gelukkig en Gode behaaglijk is hij, die zóo leeft en zijn geweten zóo rein bewaart, dat hij bereid en wè! genegen zoude zijn ora zelfs eiken dag te communiceeren, werd hem dat ve\'oor-loofd en kon hij \'t zonder opspraak doen.

Indien iemand somtijds uit ootmoed of ora eenig wettig beletsel terugblijft.

-ocr page 387-

371

dan is hij om zijnen eerbied te prijzen.

Maar loopt daaronder lauwheid, dan moet hij zichzelven opwekken en doen wat hij kan; en God zal zijn verlangen te gemoet komen om zijn goeden wil, waarop Hij inzonderheid ziet.

Wordt iemand wettig verhinderd, dat hij dan een goeden wil en godvruchtig voornemen hebbe om te communi-ceeren; en dus zal hij van de vrucht des Sacraments niet verstoken zijn.

Want ieder kloosterling (vroom christen) kan eiken dag en elk uur met vrucht en ongehinderd, in den geest, tot den Maaltijd van Christus naderen.

Nochtans moet hij op zekere dagen en ten gestelden tijde, het Lichaam zijns Verlossers werkelijk met hartelijken eerbied ontvangen, en meer Gods lof en eer beoogen dan zijn eigen troost zoeken.

Overigens men communiceert in den geest en wordt onzichtbaar veikwikt, zoo dikwijls men \'t geheim van de menschwording en \'t lijden van Christus godvruchtig overweegt en in liefde tot Hem ontstoken wordt.

-ocr page 388-

372

Wie zich anders niet voorbereidt dan bij \'t naderen van een feest of door gewoonte gedwongen, zal dikwijls onbereid zijn.

Gelukkig hij, die zich den Heere ten brandoffer opdraagt, zoo dikwijls hij de H. Mis leest of communiceert!

Wees gij intusschen bij het Mislezen noch te langzaam noch te overhaastig ; maar volg het gewone goede gebruik dergenen, onder welke gij leeft.

Gij moet anderen geen last noch verveling baren, maar den gewonen weg houden naar de instelling der voorvaderen, en meer het nut van anderen dan uw eigen godsvrucht of genegenheid beoogen.

ELFDE HOOFDSTUK.

Dat liet Lichaam van Christus en de heilige

Schrift voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn.

De Geloovige. o Beminlijke Heere Jezus ! hoe groot is \'t genoegen eener godvruchtige ziel, die met U eet aan

-ocr page 389-

373

uwen disch, waar haar geen andere spijs te eten wordt voorgesteld dan Gij, haar eenig Beminde, wenschelijk boven al de verlangens haars harten!

Ook mij zou \'t genoeglijk zijn in uw tegenwordigheid uit het diepst mijns harten tranen te storten, en met de godvruchtige Magdalena uwe voeten met tranen te besproeien.

Doch waar is die godsvrucht ? waar die overvloed van heilige tranen ?

Voorwaar mijn geheel hart moest voor uw aanschijn en dat uwer heilige Engelen gloeien en van vreugde weenen,

Want in het Sacrament zijt Gij waarlijk tegenwoordig, ofschoon onder eene vreemde gedaante verborgen.

Want U in uw eigene en goddelijke klaarheid te aanschouwen zouden mijn oogen niet kunnen uithouden, ja de geheele wereld zou tegen den schitterenden glans uwer Majesteit niet bestand zijn.

Hierin derhalve voegt Gij u naar mijne zwakheid, dat gij U in het Sacrament verbergt.

-ocr page 390-

374

Ik bezit in waarheid en aanbid Hem, dien de Engelen in den hemel aanbidden; maar ik intusschen nog in geloof, en zij in aanschouwing en zonder sluier.

Ik moet mij met \'t licht des waren geloofs vergenoegen en daarin wandelen, totdat de dag der eeuwige klaarheid aanbreke en de schaduwen der beeldnissen verdwijnen.

Maar is datgene gekomen, dat volmaakt is, dan zal \'t gebruik der Sacramenten ophouden; want de gelukzaligen in de hemelsche heerlijkheid behoeven niet meer \'t geneesmiddel der Sacramenten.

Zij toch verblijden zich onophoudelijk in de tegenwoordigheid Gods, daar zij zijne heerlijkheid van aanschijn tot aanschijn aanschouwen. En, van klaarheid tot klaarheid der ondoorgrondelijke Godheid overgaande, smaken zij het vleeschgeworden Woord van God, gelijk het was van den beginne en in eeuwigheid blijft.

Als ik deze wonderen overdenk.

-ocr page 391-

375

dan wordt mij zelfs elke geestelijke troost een groot verdriet: want zoolang ik mijnen Heer in zijne heerlijkheid niet openlijk aanschouw, acht ik ailes, wat ik op aarde zie of hoore, als niets.

Gij zijt mijn getuige, o Godl dat niets mij vertroosten, noch eenig schepsel mij bevredigen kan, tenzij Gij, mijn God! dien ik eeuwig wensch te aanschouwen.

Maar dit is niet mogelijk, zoolang dit sterfelijk leven duurt.

Daarom moet ik mij zetten tot groot geduld en mij met al mijn verlangens aan U onderwerpen

Want ook uwe Heiligen, o Heer 1 die nu reeds in het hemelrijk met U zich verblijden, hebben gedurende hun leven de toekomst uwer heerlijkheid met geloof en geduld verbeid.

Wat zij geloofd hebben, geloof ik ook; wat zij gehoopt hebben, hoop ik ook; waar zij aangeland zijn, vertrouw ook ik door uw genade te zullen komen.

-ocr page 392-

376

Intusschen zal ik, door het voorbeeld der Heiligen versterkt, in het geloof voortwandelen.

Ook zal ik de heilige boeken tot troost en levensspiegel hebben, en boven dat alles uw allerheiligst Lichaam tot een bijzonder geneesmiddel en toevlucht.

Want twee dingen ontwaar ik in dit leven zeer te behoeven, zonder welke dit ellendig leven mij ondraaglijk zou wezen.

In den kerker dezes lichaams opgesloten, beken ik twee zaken noodig te hebben, voedsel en licht.

Derhalve hebt Gij mij zwakke uw heilig Lichaam gegeven ter verkwikking van ziel en lichaam, en mij uw woord tot eene fakkel voor mijn voeten gesteld.

Zonder deze beide dingen zou ik niet goed kunnen leven: want het woord van God is het licht mijner ziel, en uw Sacrament het Brood des levens.

Ook kunnen deze genoemd v/orden

-ocr page 393-

377

twee tafels in de schatkamer uwer heilige Kerk wederzijds geplaatst.

De eene tafel is die des heiligen altaars, waarop het heilige Brood, dat is het Lichaam van Christus, rust.

De andere is die der goddelijke wet; op deze ligt de heilige leer, die ons in \'t ware geloof onderricht, en met vasten tred tot binnen het voorhangsel, waar het Heilig der heiligen is, henenleidt.

Dank zij U, Heere Jezus 1 Licht van \'t eeuwige Licht! voor de tafel der heilige leer, die gij ons door uw dienaren de Profeten, Apostelen en andere leeraren hebt aangericht!

Dank zij U, Schepper en Verlosser der menschen! die om der gansche wereld uwe liefde te bewijzen, een groot Avondmaal hebt aangelegd, waar Gij ons geen zinnebeeldig Paasch-lam, maar uw allerheiligst Lichaam en Bloed tot voedsel voorstelt, verblijdende door dat heilige gastmaal al uw geloovigen, en hen verkwikkende uit den beker des heils, die al de

-ocr page 394-

378

geneugten van het Paradijs bevat; terwijl ook de heilige Engelen met ons gastmaal houden, ofschoon met zaliger genoegen.

o, Hoe groot en waardig is het ambt der Priesters, wien \'t gegeven is den Heer der heerlijkheid door de heilige woorden te consacreeren, met hun lippen te zegenen, in hun handen te houden, met hun mond te nemen en aan anderen toe te reiken 1

o, Hoe rein moeten die handen, hoe rein de mond, hoe heilig het lichaam, hoe onbevlekt het hart eens Priesters zijn, bij wien zoo dikwijls de bron van reinheid haren intrek neemt!

Uit den mond eens Priesters mag geen woord voortkomen, dat niet heilig, niet eerbaar en nuttig is, daar hij zoo dikwijls het Sacrament van Christus ontvangt.

Zijn oogen moeten eenvoudig en kuisch zijn die het Lichaam var. Christus gedurig aanschouwen.

Zijne handen moeten zuiver en ten hemel geheven zijn, die zoo dikwijls den Schepper van hemel en aarde aanraken.

-ocr page 395-

379

Tot de Priesters vooral wordt in de Wet gezegd; Wees/ heilig; want Ik de Heere uw God ben heilig. (Lev. 19).

Dat dan uwe genade ons helpe, almachtige God 1 opdat wij die \'t Priestersambt op ons genomen hebben, U waardig en godvruchtig, met alle reinheid en een goed geweten mogen dienen.

En kunnen wij ons leven in zoo een onschuld niet doorbrengen als wij moeten, geef ons ten minste dat wij de misdrijven, die wij begaan hebben, behoorlijk beweenen en U voortaan in den geest van ootmoed, alsmede met t voornemen om \'t goede te willen, ijveriger dienen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Dat degene die commnniceeron wil, zich met groote vlijt moet voorbereiden.

De Heer. Ik ben de minnaar der zuiverheid en de gever aller heiligheid.

Ik zoek een rein hart: daar is de plaats mijner ruste.

Bereid mij eene groote welversierde

-ocr page 396-

380

eetzaal, en Ik zal met mijtte leerlingen bij u hetpaaschmaalhouden. (Mare. 14. Luc. 22)

Wilt gij dat Ik tot u kome en bij u blijve, zuiver u dan van den ouden zuurdeesem en reinig de woning uws harten.

Sluit de geheele wereld en al het gewoel der ondeugden buiten.

Zit als een eenzame musch op het dak en overdenk in de bitterheid uwer ziel uw overtredingen.

Want alwie liefheeft, bereidt zijnen geliefden vriend de beste en schoonste plaats; daaraan toch wordt de genegenheid van hem die zijn vriend ontvangt gekend.

Weet nochtans dat gij door de verdienste uwer werken niet aan deze voorbereiding voldoen kunt, al zoudt gij u een geheel jaar voorbereiden en op niets anders bedacht zijn.

Maar alleen door mijne goedheid en genade wordt u toegestaan tot mijne Tafel te naderen; evenals een bedelaar, die aan de tafel eens rijken genoodigd,

-ocr page 397-

3Sl

niets anders heeft om diens weldaden te vergelden, dan ootmoedige dankzegging.

Doe wat gij kunt, en doe het vlijtig. Ontvang niet uit gewoonte, niet uit dwang, maar met vreeze, eerbied en liefde het Lichaam van uwen geliefden Heere God, die zich verwaardigt tot u te komen.

Ik ben \'t die genoodigd heb; Ik heb bevolen dat \'t geschieden zoude: Ik zal aanvullen wat u ontbreekt; kom en ontvang Mij.

Wannneer ik u de genade der godsvrucht schenk, dank dan uwen God: niet omdat gij ze waardig zijt, maar omdat ik Mij over u ontfermd heb.

Hebt gij ze niet, maar gevoelt gij u veeleer dor, volhard in het gebed, zucht en klop, en laat niet af totdat gij verdient een kruimeltje of druppeltje der heilrijke genade te ontvangen.

Gij hebt Mij noodig. Ik heb u niet noodig. Ook komt gij niet om Mij te leiligen, maar Ik kom om u te heiligen en te verbeteren.

-ocr page 398-

382

Gij komt om door Mij geheiligd en met Mij vereenigd te worden, om nieuwe genade te ontvangen en opnieuw ontstoken te worden ter verbetering. \' .

Wil deze genade niet verzuimen. maar bereid uw hart met alle vlijt en leid uwen Geliefde bij u binnen.

Overigens moet gij u niet slechts vóór de Communie tot godsvrucht voorbereiden, maar die ook zorgvuldig bewaren na \'t ontvangen van het

Sacrament.

En geen mindere behoedzaamheid wordt daarna vereischt, dan te voren godvruchtige voorbereiding.

Want eene goede behoedzaamheid daarna is weder de beste voorbereiding om grootere genade te bekomen.

Daardoor toch wordt iemand zeer ongeschikt, als hij zich aanstonds te veel aan uitwendige vertroostingen overgeeft.

Vermijd het veelvuldig gepraat; blijt afgezonderd en geniet uwen God; want Hem bezit gij, dien de geheele wereld u niet kan ontnemen.

-ocr page 399-

383

Ik ben \'t aan wien gij u geheel moet overgeven, zoodat gij voortaan niet meer in uzelven, maar in Mij zonder de minste bezorgdheid voortleeft.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Dat eene godvruchtige ziel van ganscher harte moet verlangen naar de vereeniging met Christus in het Sacrament.

De Geloovige. Wie, o Heer! geeft mij dat ik U alleen vinde, dat ik U mijn geheel hart opene en U geniete zooals mijne ziel begeert, zoodat niemand mij verachte, noch eenig schepsel mij bewege of op mij acht geve, maar Gij alleen tot mij spreket en ik tot U, gelijk een geliefde gewoon is tot den geliefde te spreken, en de vriend met den vriend te verkeeren.

Dit bid ik, dit verlang ik, dat ik geheel met U vereenigd worde en mijn hart van al het geschapene aftrekke, en dat ik door de heilige Communie en het menigvuldig Mislezen meer en meer leere \'t hemelsche en eeuwige te smaken.

-ocr page 400-

384

Ach, Heere God! wanneer zal ik geheel met U vereenigd en in U verslonden zijn en mijzelven geheel vergeten ?

Gij in mij, en ik in UI vergun dat wij dus te zamen vereenigd blijven!

Gij zijt waarlijk mijn Geliefde, uit duizenden uitverkoren, (Cant. 5) bij wien mijne ziel verlangt te wonen al de dagen haars levens.

Waarlijk Gij zijt mijn bevrediger, in wien de hoogste vrede en ware rust, buiten wien niets dan last, droefheid en eindelooze ellende gev onden worden.

Waalijk Gij zijt een verborgen God. (Is. 45) Uw raad is niet met de godde-loozen; uw onderhoud is met de oot moedigen en eenvoudigen.

o, Hoe liefelijk, o Heer! is uw geest die om uwen kinderen uwe teederheid te toonen, U verwaardigt hen te vei-kwikken met het smakelijkste brood van den hemel nedergedaald.

Waarlijk er is geen ander volk, hot groot ook, hetwelk Goden heeft, hut zoo nabij, gelijk Gij, onze God! nabij

-ocr page 401-

885

zijt (Deut. 4) al uw geloovigen, wien Gij, om hen dagelijks te troosten en hun hart hemelwaarts te heffen, Uzel-ven te eten en te genieten geeft.

Want welk ander volk is zoo geacht als dat der Christenen ? Of welk schepsel onder de zon is zoo geliefd als een godvruchtige ziel, tot welke God zijn intrek neemt om haar met zijn verheerlijkt Vleesch te voeden.

o Onuitsprekelijke genade ! o wonderlijke goedheid 1 o onbegrensde liefde den mensch alleen betoond !

Maar wat zal ik den Heer voor die genade, en voor eene zoo uitnemende liefde wedergeven ?

Niets aangenamers kan ik geven, dan dat ik mijn hart geheel aan mijn God schenke en met Hem op \'t nauwste vereenige.

Dan ook zal geheel mijn binnenste juichen, als mijne ziel volkomen met God zal vereenigd zijn.

Dan zal Hij tot mij zeggen; »wilt gij met Mij zijn. Ik wil met u zijn en ik zal Hem antwoorden: »Ver-

-ocr page 402-

ü8(i

waardig U, o Heer, bij mij te blijven. ik wil gaarne bij U zijn Dit is al mijn verlangen dat mijn hart met U vereenigd zij.\'\'

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Over het vnvis verlangen van sommige gort-vruclitigen naar liet Lichaam van Christus.

De Geloovige. Hoe menigvuldig, o Heer l is het goed dat Gi] weggelegd hebt voor hen die U vreezen. (Ps. 30.)

Als ik overweeg, o Heer! hoe sommige godvruchtigen met de grootste godsvrucht en liefde tot uw Sacrament naderen, dan word ik dikwijls bij mij-zelven beschaamd en bloos, dat ik zoo lauw en koud tot uw altaar en de tafel der heilige Communie toetrede; dat ik zoo dor en zonder aandoening des harten blijve.

Ik word verlegen dat ik voor U, mijn God! niet geheel ontstoken ben, noch zoo sterk getrokken en aangedaan als vele godvruchtigen waren, die wegens hunne sterke begeerte naar de Communie en hevige liefde des harten

-ocr page 403-

387

hun tranen niet konden weerhouden; maar tegelijk met den mond des harten en des lichaams naar U, o God ! de levensbron, innig haakten, hunnen honger niet anders kunnende stillen of verzadigen, dan nadat zij uw Lichaam met de hoogste verrukking en \'tvurigst zielsverlangen ontvangen hadden.

o, Hun waarlijk brandend geloof strekt tot een overtuigend bewijs van uwe heilige tegenwoordigheid 1

Want zij erkennen waarlijk hunnen Heer bij het breken des broods, wier hart zoozeer in hen brandt, als Jezus met hen wandelt.

Maar, ach! dikwijls zijn zulke aandoeningen en zulke godsvrucht, zulke sterke liefde en gloed verre van mijl Wees mij genadig, goede, beminlijke en goedertieren Jezus 1 en vergun aan uw armen bedelaar bij de heilige Communie tenminste somtijds een weinig van dien liefdegoed jegens U in zijn hart te ontwaren, opdat mijn geloof meer in kracht toeneme, mijne hoop op uwe goedheid vermeerdere, en mijne liefde

-ocr page 404-

388

eens goed ontstoken en met dit hemelsch manna gevoed nimmer bezwijke.

Uwe barmhartigheid immers is machtig om mij ook deze gewenschte ge nade te bewijzen, en mij, wanneer de dag uws welbehagen zal gekomen zijn met den geest van vurigheid allerge-nadigst te bezoeken

Want al blaak ik niet van zulk een vurigheid als uwe zoo bijzondere god-vruchtigen, verlang ik echter door uwe genade zulk eene brandende begeerte te hebben, wenschende en smi ekende dat ik van al deze uwe ijverige beminnaars deelgenoot en onder hun heilig gezelschap medegerekend worde.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Dat de genade der godsvrucht door ootmoed en zelfverloochening verkregen wordt.

De Heer. Gij moet de genade der godsvrucht ernstig zoeken, vurig af-smeeken, geduldig en met vertrouwen afwachten, dankkaar aannemen, in ootmoed bewaren, vlijtig daarmede arbeiden, en aan God den tijd en de

-ocr page 405-

389

wijze van \'themelsche bezoek overlaten, totdat Hij kome.

Gij moet u vooral vernederen wanneer gij inwendig weinig of geen godsvrucht gevoelt, maar er niet te neerslachtig noch te zeer bedroefd om worden.

Dikwijls schenkt God in éen oogen-blik wat Hij langen tijd weigerde. Somtijds geeft Hij op \'t einde wat Hij in den beginne uitstelde te geven.

Werd de genade altoos onverwijld geschonken en ware zij naar wensch steeds daar, de zwakke mensch zou zulks niet wèl dragen kunnen.

Daarom moet de genade der godsvrucht in goede hope en nederige verduldigheid worden afgewacht; nochtans wijt het uzelven en uwe zonden, wanneer zij u niet gegeven of ook heimelijk onttrokken wordt.

Het is somtijds iets gerings, dat de genade hindert en verbergt, zoo men gering en niet eerder groot moet noemen hetgeen een zoo groote weldaad onthoudt.

Maar hebt gij dat geringe of groote uit den weg geruimd en geheel over-

-ocr page 406-

390

wonnen, dan zal uw wensch u geworden Want zoo ras gij u van ganscher harte aan God zult overgegeven hebben en niet meer dit of dat naar uwen eigen zin of lust begeert, maar u geheel aan Hem overlaat, zult gij u vereenigd en bevredigd vinden: want niets zal u zoo wèl smaken of behagen, als het welbehagen van den goddelijker! wil Wie dus zijn bedoeling in eenvoudigheid des harten omhoog tot God gericht en zich van alle ongeregelde liefde of misnoegen over eenig geschapen voorwerp zal ontdaan hebben, die zal \'t best geschikt wezen om de genade te ontvangen en de gave der godsvrucht waardig zijn.

Want God zendt zijnen zegen daar, waar hij ledige vaten vindt.

En hoe volkomener iemand van \'t aardsche afziet, hoe meer hij door zelversmading zichzelven afsterft, des te schielijker komt de genade, des te overvloediger dringt, zij door en des te hooger verheft zij \'t vrije hart.

Dan zal hij zien en overvloeien en verwonderd staan, zijn hart zien ver-

-ocr page 407-

391

wijden, omdat des Heeren hand met hem is, en hij zich geheel en voor eeuwig in zijne hand gesteld heeft.

Zie, zoo wordt de mensch gezegend die God van ganscher harte zoekt en zijne ziel niet zet op ijdelheid. (Ps. 23) Zulk een verdient bij het ontvangen van \'t heilig Sacrament de groote genade der goddelijke vereeniging, om dat hij niet ziet op eigen godsvrucht of troost, maar boven alle godsvrucht en troost op Gods eer en verheerlijking.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Dat wij onze behoeften aan Christus moeten blootleggen en zijne genade afsmceken.

De Geloovige. o Allerzoetste en beminlijkste Heer 1 dien ik nu wensch godvruchtig te ontvangen. Gij kent mijne zwakheid en mijnen nood ; Gij weet hoevele kwalen en gebreken ik onderworpen ben ; mijn menigvuldige zwarigheden, bekoringen, ontsteUenis-sen en zonden zijn U bekend.

Ik kom bij U om een hulpmiddel, ik smeek U om troost en verlichting. Ik spreek tot den alwetende, wien

-ocr page 408-

392

geheel mijn binnenste bekend is, en die alleen mij volkomen kan troosten en helpen.

Gij weet welk goed ik boven alles noodig heb en hoe arm ik ben aan deugden

Zie, arm en naakt sta ik voor (J, smeekende om genade en barmhartigheid inroepende.

Verkwik uwen hongerigen bedelaar, ontvonk mijne koudheid door het vuur uwer liefde, verlicht mijne blindheid door den glans uwer tegenwoordigheid.

Doe mij al \'t aardsche in bitterheid, alle bezwaar en tegenheid in geduld, al \'t lage en geschapene in verachting en vergetelheid overgaan.

Hef mijn hart tot U hemelwaarts op en laat mij niet op aarde rondzwerven.

Wees Gij alleen van nu af tot in eeuwigheid mijn vermaak: want Gij alleen zijt mijn spijs en drank, mijne liefde en vreugde, mijn genoegen en eenigst goed.

Ach, mocht Gij mij door uwe

-ocr page 409-

3Ü3

tegenwoordigheid geheel ontgloeien, ontbranden en in U doen overgaan, zoodat ik een geest met U wierd door de genade eener innerlijke vereeniging en de samensmelting eener vurige liefde!

Duld niet dat ik hongerig en dorstig van U vertrckke : maar handel met mij barmhartiglijk, gelijk Gij dikwijls met uwe Heiligen wonderlijk gehandeld hebt.

Wat wonder dat ik door U geheel ontvlamme en in mijzelven vertere, daar Gij een vuur zijt dat altoos brandt en nimmer vergaat, eene liefde die \'t hart reinigt en \'t verstand verlicht.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Over de gloeiende liefde en brandende begeerte om Christus te ontvangen.

De Geloovige. Heer! ik verlang U met de meeste godsvrucht en eene vurige liefde, met al de genegenheid en den gloed des harten te ontvangen, zöoals vele Heiligen en godvruchtige personen bij de Communie naar IJ hebben verlangd, die U door de heiligheid

17s

-ocr page 410-

394

van hun leven zeer behaagd en in de brandendste godsvrucht verkeerd hebben.

o Mijn God! eeuwige liefde! mijn eenigst goed en eindelooze gelukzaligheid! U begeer ik met het allervurigst verlangen en den diepsten eerbied te ontvangen, als ooit eenig Heilige gehad heeft of gevoelen konde.

En schoon ik onwaardig ben al die gevoelens van godsvrucht te hebben, draag ik U echter geheel de aandoening mijns harten op, als bezate ik alleen al die vurige en U behaaglijke verlangens.

Ook alles wat eene godvruchtige ziel bedenken en verlangen kan, bied ik U aan en draag ik U op met den diepslen eerbied en den innigsten ijver.

Niets wil ik mij voorbehouden, maar mij en al \'t mijne U gewillig en zeer gaarne opofferen.

Heere mijn God! mijn Schepper en mijn Verlosser! met zoodanig gevoel, eerbied, lof en eer, dankbaarheid, waardigheid en liefde, met zulk een

-ocr page 411-

395

geloof, hoop en zuiverheid, verlang ik U heden te ontvangen, als waarmede uwe allerheiligste Moeder, de verheerlijkte Maagd Maria, naar U verlangd en U ontvangen heeft, toen zij den Engel, die haar het geheim der mensch-wording boodschapte, nederig en godvruchtig antwoordde: Zie des Ilccrcn dienstmaagd! mij geschiede naar uw woord! (Luc. 1)

En gelijk uw gelukzalige voorlooper, de voortreffelijkste onder de Heiligen, Johannes de Dooper bij uwe tegenwoordigheid in de vreugde des heiligen Geestes vroolijk opsprong, toen hij nog in \'s moeders lichaam opgesloten was, en Jezus vervolgens onder de menschen ziende wandelen, zich diep vernederende, met teedere aandoening zeide: De vriend des bruidegoms, die staat en hem aanhoort, verblijdt zich zeer over des bruidegoms stemme, (Joan. 3) evenzoo wensch ik in hevige en heilige verlangens ontstoken te worden en mij van ganscher harte aan U voor te stellen.

-ocr page 412-

396

Daarom draag ik U op en bied U aan he( gejuich, de vurige aandoeningen, zielsverrukkingen, bovenzinlijke verlichtingen en hemelsche vizioenen van alle godvruchtige zielen, met al de deugden en lofzangen door al de schepselen in hemel en op aarde aangeheven en nog aan te heffen, voor mij cn voor allen, die zich in mijne voorbede hebben aanbevolen, opdat Gij door allen waardig moogt geloofd en eeuwig verheerlijkt worden.

Neem, Heere mijn God 1 mijn wen-schen aan, alsmede mijn verlangen om U in \'t oneindige te loven en bovenmate te zegenen, zooals U, wegens de grootheid uwer onuitsprekelijke waardigheid met recht toekomt.

Die bied ik U aan en verlang ik U aan te bieden eiken dag en elk oogenblik. Ook noodig ik uit en smeek ik door innige gebeden al de hemelsche geesten en al uw geloovigen, om met mij U lof en dank toe te brengen.

Dat alle volken, geslachten en tongen U loven en uwen heiligen en

-ocr page 413-

397

liefelijken naam met vroolijk gejubel en vurige godsvrucht prijzen!

Dat ook allen, die eerbiedig en godvruchtig uw hoogwaardig Sacrament vieren en met een volkomen geloof ontvangen, genade en ontferming bij U mogen vinden, en voor mij zondaar ootmoedig bidden.

En, als zij de gewenschte godsvrucht en zalige vereeniging genoten hebben, en goed getroost en wonderbaar verkwikt van uwe heilige en hemelsche Tafel wederkeeren, dat zij dan zich verwaardigen mij behoeftige te gedenken.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Dat dc meiisch aangaande het Sacrament niet nienwsgieriK maft onderzoeken, maar dat hij Christus nederij; moet navolgen en zijne zinnen aan het heilig geloof onderwerpen.

He heek. Wacht u naar dit ondoor grondelijke Sacrament nieuwsgierig en nutteloos te onderzoeken, wilt gij niet in een afgrond van twijfel storten.

Hij die Gods Majesteit wil doorgronden, zal door den glans onderdrukt wor-

-ocr page 414-

398

den. (Prov. 25) God kan meer doen dan de mensch begrijpen kan.

Een nederig en godvruchtig onderzoek naar de waarheid is te gedoogen, mits het altoos bereid zij om zich te laten onderrichten en trachte voort te gaan volgens de gezonde leer der Vaderen.

Gelukkige eenvoudigheid, die de moeielijke paden der vraagstukken verlaat en den effen en zekeren weg van Gods geboden bewandelt!

Velen hebben de godsvrucht verJoren, terwijl zij verheven dingen wilden doorgronden.

Men eischt van u geloof en oprechten wandel, geen diep doorzicht noch doorgronden van Gods verborgenheden.

•Verstaat gij niet, noch bevat gij wat beneden u is, hoe zult gij begrijpen wat boven u is?

Onderwerp u aan God, en buig uwe zinnen onder het geloof; en u zal \'t licht der kennisse gegeven werden, zooveel u nuttig en noodig is.

Sommigen worden ten aanzien van

-ocr page 415-

399

het geloof en het Sacrament zwaar bekoord; maar dit moet men niet aan hen maar veelmeer aan den vijand wijlen.

Stoor er u liever niet aan, noch twist met uw bedenkingen en antwoord niet op de twijfelingen, door den vijand ingeblazen : maar geef geloof aan de woorden van God ; geloof zijne Heiligen en Profeten, en de booze zal van u vluchten.

Dikwijls is het zeer voordeelig dat Gods dienstknecht op zulke wijze beproefd worde.

Want ongeloovigen en zondaren brengt hij niet in bekoring, als welke hij reeds zeker bezit; maar geloovigen en godvruchtigen bekoort en kwelt hij op verscheiden wijzen.

Ga dan voort met een eenvoudig en onwankelbaar geloof, en nader met diepen eerbied tot het Sacrament.

Wat gij niet begrijpen kunt, laat dat gerust aan den almachtigen God over.

God bedriegt u niet; maar hij bedriegt zich, die zichzelven te veel gelooft.

God wandelt met de eenvoudigen; Hij openbaart zich aan de nederigen;

: -V

ffl ■ P\'

i l-

H

IM ■|

.-.il

■ M

M

-ocr page 416-

400

Hij geeft den kleinen verstand, Hij opent den geest aan reine zielen, maar verbergt zijne genade voor nieuwsgierigen en hoogmoedigen.

\'s Menschen rede is zwak en kan falen; maar het geloof is waarachtig en kan niet dwalen.

Alle rede en natuurlijk onderzoek moet het geloof volgen, niet voorafgaan noch bestrijden.

Want geloof en liefde heerschen bier bovenal en werken in dit allerheiligst en voortreffelijkst Sacrament op ver borgen wijzen.

God, de eeuwige en onmeetbare en oneindig almachtige, doet groote en ondoorgrondelijke dingen in hemel en op aarde, en er is geen onderzoeken aan zijne wonderbare werken.

Waren Gods werken zoodanig, dat zij van \'s menschen rede licht konden bevat worden, men zou ze niet wonderbaar noch onuitsprekelijk mogen noemen.

E1XDE VAN HET VIERDE BOEK.

-ocr page 417-

ÏÏHNHSNGSEL

-ocr page 418-
-ocr page 419-

MORGENGEBED.

In den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.

Onze Vader.

Wees gegroet Maria.

Ik geloof in God den Vader.

O mijn God! ik geloof dat Gij hier tegenwoordig zijt en al de gedachten en begeerten mijns harten kent; ik kniel voor U neder om U te vereeren en te aanbidden.

Allerheiligste Drievuldigheid in een God, quot;Vader Zoon en H. Geest 1 ik erken Uw opperheerschappij over mij en over alle schepselen en onderwerp mij geheel aan Uw aanbiddelijken wil.

Ik dank U voor al de genaden en weldaden die Gij mij naar ziel en naar lichaam bewezen hebt, inzonderheid voor uwe bescherming gedu-

K\'

-ocr page 420-

404

rende dezen nacht. Ontvang, bid ik U, de hulde mijner vurige dankbaarheid, en laat niet toe dat ik zoovele gunsten misbruike, en den kostbarer tijd verlieze, dien Gij mij geeft om t te dienen en om mij waardig te maker eens met U \'t eeuwig geluk des hemels te deelen.

Doordrongen van liefde en dank baarheid draag ik U op al mijn gedachten en verlangens, mijn woorder en werken, mijn lijden en strijden ge durende dezen dag. Moge dat alles, c mijn God! strekken tot uwe grootere ver heerlijking en tot vermeerdering mijne) verdiensten voor de eeuwigheid\'

O mijn God 1 ik vraag U vergiffenis van al mijn zonden en nalatigheden ik verlang daarvoor boetvaardigheic te doen en van heden een nieuw, er U behaaglijk leven te beginnen; zacht moedig en ootmoedig van harte tt zijn, geduldig en liefdadig, rein er zuiver niet alleen voor de oogen dei menschen, maar vooral voar U, di{ harten en nieren doorgrondt. Verleer

-ocr page 421-

405

mij daartoe de machtige hulp uwer genade, want uit mijzelven ben ik enkel zwakheid en ellende.

O Maria, mijne machtige voorspreekster bij Godl gedenk mijner en verlaat mij niet gedurende dezen dag; na Jezus zijt gij mijne eenige hoop en ik vertrouw op u als een hulploos kind op zijne moeder. O! laat niet toe dat ik zondige en wederom mijnen God verlieze.

H. Jozef en alle Heiligen des hemels ! bidt voor mij opdat ik mijnen Heer en God getrouw diene en Hem alleen beminne.

H. Engel 1 mij door Gods goedheid en wijsheid tot bewaarder gegeven, geleid mij heden op al mijn wegen, voer mij ongeschonden door al de gevaren van dezen dag; sterk mij in bekoringen en bewaar mij voor alle kwaad naar ziel en naar lichaam, totdat gij mij binnenleidt in de eeuwige gelukzaligheid. Amen.

Bid driemaal het Wees gegroet, Maria.

-ocr page 422-

40(gt;

De Heer zegene ons en behoede ons voor alle kwaad en leide ons ten eeuwigen leven en de zielen der afgestorvenen rusten door de barmhartigheid Gods in vrede!

In den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes. Amen.

Met kan het morgengebed besluiten met de

Litanie tot den Allerheiligsten Naam Jezus, bladz 457.

*

-ocr page 423-

AVONDGEBED.

In den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.

Onze Vader.

Wees gegroet, Maria.

Ik geloof in God den Vader.

Almachtige Godl ik werp mij op \'t einde van dezen dag in aanbidding voor U neder. Ik loof en prijs U met al uw Engelen en uitverkorenen. Ik dank U voor alle weldaden die Gij mij heden en ooit bewezen hebt; voor spijs en drank, voor de gezondheid en al de krachten van lichaam en ziel, voor al uwe heilige inspraken en verlichtingen. Uit dankbaarheid daarvoor draag ik U op al hetgeen ik vandaag gedaan en geleden heb: voor- en tegenspoed, lijden en verblijden, kruisen en wederwaardigheden, tegelijk met al het goede dat heden in de gansche wereld verricht werd.

-ocr page 424-

408

O, dat ik toch zoo dankbaar ware geweest jegens U, mijn God en Vader! als Gij goed en liefdevol zijt jegens mij 1 Dan ach ! in weerwil van mijne goede voornemens heb ik U wederom dikwerf beleedigd. Hoe weinig ijver toch toonde ik U in het vervullen mijner plichten, hoe dikwijls was ik te bezorgd omtrent het aardsche, te onbezorgd omtrent het eeuwige; aan hoe-vele zonden en nalatigheden ben ik wederom schuldig 1

Ik heb berouw, o mijn God 1 over al mijne overtredingen ; het doet mij leed dat ik U, mijnen grootsten Weldoener, vergramd heb en ondankbaar geweest ben. Vergeef al mijne zonden en onttrek mij Uw gunst en genade niet; neig mijn weerspannigen wil in de toekomst tot de trouwste gehoorzaamheid aan al uw geboden.

Laat mij ook dezen nacht onder de bescherming uwer heilige Engelen rusten, en deze rust mij tot heil verstrekken van ziel en lichaam; behoed mij voor alle kwaad en ongeval, sta

-ocr page 425-

409

mij bij in iedere bekoring en gevaar van zonden.

Zegen, o Heer, al mijne bloedverwanten en weldoeners, vrienden en vijanden; verleen den kranken, lijdenden en bedroefden den troost en de genade van een standvastig geduld; schenk Uwen bijstand aan de stervenden, opdat zij in Uwe genade verscheiden en in U eengenadigen Rechter vinden mogen.

Eóns, misschien al spoedig, zal ook mijne levenseinde komen; geef mij de groote genade vroegtijdig en wèl voorbereid de laatste H. Sacramenten te ontvangen en in Uwen vrede zalig te sterven.

In Uw moederlijken trouw, o zoete Maagd Maria 1 in uwe trouwe bescherming, o mijn H. Bewaarengel, in uwe voortdurende voorspraak, o mijn H. Patroon (Patrones) en alle lieve Heiligen, beveel ik mij aan en al de mijnen nu en altijd, maar vooral in het uur van mijnen dood. Amen.

Bid driemaal: Weesgegroet^ Maria,enz.

18

-ocr page 426-

410

Moge ons zegenen en bewaren de almachtige en barmhartige God, de Vader, de Zoon en de H. Geest, en de zielen der afgestorvenen rusten in vrede !

In den naam des Vaders, enz.

Voeg bij \'t avondgebed een of meer tientjes van het Rozenhoedje en de

Litanie tot de H Maagd, bladz. 400.

(rC

Mi zo

-ocr page 427-

n de

, de GEBEDEN

-gt; enl o.NiiF.n-n in

D £ HEILIGE M

•*

Bij het begin.

Verleen mij de genade, o mijn God 1 mi met aandacht en eerbied, liefde n ootmoed bij het heilig Offer tegen-voordig te zijn. Ik draag het U op, n vereeniging met den priester, om Jwen allerheiligsten Naam te aanbidden ;n te verheerlijken, om U te danken roor al Uwe weldaden, om te voldoen oor mijne zonden en om alle genaden te verkrijgen die voor mijn tijdelijk en eeuwig geluk noodig zijn.

Confiteor.

Ik beschuldig mij voor U, o mijn God! voor de Allerzuiverste Maagd Maria en al de Heiligen, dat ik gezondigd heb door gedachten, woorden

neer de

*Q0

-ocr page 428-

41-2

en werken; daarom bid ik de Allerheiligste Maagd en al de Heiligen, dat zij bij U voor mij vergiffenis van mijne zonden afsmeeken. O mijn God! om de verdiensten van onzen Heer Jezus Christus Uwen Zoon, vergeef mij al wat ik tegen U misdreven heb.

Kyrie Eleison.

Almachtige Vader, die onze zielen hebt geschapen, heb medelijden met het werk Uwer handen

Eeuwig Woord des Vaders, voor ons mensch geworden en gestorven aan het kruis, maak ons deelachtig aan de verdiensten van Uw dood en dierbaar Bloed.

Heilige Geest, Trooster der zielen, ontferm u onzer en verlicht ons met Uw goddelijk genadelicht

Gloria in Exoelsis.

Eere zij God in den hemel en vrede op de aarde den menschen, die van goede wille zijn. Wij prijzen U, wij

-ocr page 429-

413

aanbidden U, wij verheerlijken U, wij danken U om uwe groote glorie, Heere God, Koning des hemels, God, Almachtige Vader 1

O Jezus Christus, Heere God, Lam Gods, eeniggeboren Zoon des Vaders, Gij die de zonden der wereld wegneemt, ontferm U onzer! Gij die de zonden der wereld wegneemt, zie genadig neer op ons gebed! o Gij, die gezeten zijt aan de rechterhand des Vaders, ontferm U onzer! want Gij alleen zijt heilig, alleen Heer, alleen de Allerhoogste, o Jezus Christus, met den heiligen Geest in de heerlijkheid van God den Vader. Amen

Oremus.

O Hemelsche v ader! zie genadig neer op het gebed uwer H Kerk; verleen ons de hulp eti den hijstand, die uw dienaar, de priester, voor zich en voor ons van U vraagt Ik vereenig mijn gebeden met de zijne en draag ze U op voor allen, voor wie ik verplicht

-ocr page 430-

414

ben te bidden, vooral voor N. N., en ik verzoek van U, o Heer, voor mij en voor hen al de genaden die wij behoeven om het eeuwige leven te verkrijgen, in den naam van Jezus Christus, onzer Heer. Amen.

Epistel.

Welken dank zijn wij U niet verschuldigd, o mijn Godl voor al de heilige leeringen die Gij door Uwe Profeten en Apostelen tot ons onderricht geschonken hebt. Geef, o Heerl dat wij niet slechts Uw woord mogen aanhooren, maar het ook volbrengen, opdat onze ziel dien akker gelijke, waarin het zaad van dat goddelijk woord niet slechts opkiemt, maar ook honderdvoudige vrucht voortbrengt ten eeuwigen leven. Amen.

Evansklie.

Goddelijke Heiland! hoe groot is uwe goedheid en genade, dat Gij zelf

-ocr page 431-

415

van den hemel wildet komen en onze leeraar zijn, om ons te verlichten en te troosten door het weldadige licht van het Evangelie. Laat mij de waarheid die Gij verkondigd hebt gewillig en eerbiedig aanhooren, de deugden die Uwe leer voorschrijft standvastig beoefenen en aldus der eeuwige gelukzaligheid meer en meer waardig worden.

Credo.

Indien de Priester het leest, bid dan het Symbolum der Apostelen: Ik geloof in God den Vader, almachtig, enz.

Offerande.

Heilige Vader! almachtige en eeuwige God ! hoe onwaardig ik ook ben, draag ik U echter deze offerande op dooide handen des Priesters: tot erkenning van Uwe opperheerschappij over mij en alle schepselen; tot uitwissching mijner zonden; tot dankzegging voor al de weldaden die Gij mij verleend

-ocr page 432-

il6

hebt; alsmede om voor mijzelven en voor mijne ouders, voor mijne bloedverwanten en weldoeners, vrienden en vijanden al die genaden ter zaligheid te verkrijgen, welke aan geen mensch kunnen geschonken worden, tenzij door de verdiensten van Hem, die zich voor ons aan het kruis slachtofferde.

Ik beveel U ook aan, o mijn God! geheel Uwe H. Katholieke Kerk, onzen H. Vader den Paus, onzen Bisschop, al de Herders der zielen, al de Christenvorsten en volkeren, die in U ge-looven

Wees ook gedachtig, o Heer, de geloovige zielen, en geef haar, om de verdiensten van Uwen Zoon, eene plaats van verkwikking, licht en vrede.

Vergeet, o Heer! noch Uwe, noch mijne vijanden; heb medelijden met alle ongeloovigen, ketters en zondaren: vervul met Uwen zegen allen die mij vervolgen; vergeef mij mijne zonden, gelijk ik hun het ongelijk vergeef dat zij mij hebben aangedaan of zouden willen aandoen. Amen.

-ocr page 433-

417

Orate kratbes.

Wij bidden U, o Heer! dat. Gij deze heilige Offerande wilt aannemen tot uwe verheerlijking, tot onze zaligheid en tot verheffing uwer Heilige Kerk.

Prefatie.

Maak onze harten los, o Heer! van alles wat ons aan de aarde boeit, opdat wij ze ten hemel mogen verheffen

Gedoog dat wij U onzen lof en dankbaarheid, gelijk billijk en betamelijk is, toebrengen, onze zwakke stemmen met de koren der gelukzaligen geesten vereenigen en in dit tranendal hun jubelend loflied zonder ophouden herhalen:

Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God der heirscharen! hemel en aarde zijn vervuld met zijne heerlijkheid. Dat de heiligen Hem loven in den hemel ! Gezegend zij Hij die tot ons komt op aarde, God de Heer!

18s

-ocr page 434-

■118

Canon.

Almachtige en eeuwige God! wien alleen de hulde onzer aanbidding toekomt, wij naderen uwen troon, om U de zuivere offerande, de eenige waardoor uw groote naam verheerlijkt wordt, op te dragen, voor de verheffing uwer Kerk, voor haar zichtbaar Opperhoofd den Paus van Rome, voor alle bisschoppen, voor onzen herder en voor allen die uw heilig geloof belijden; voor onze ouders en bloedverwanten, voor onze vrienden en weldoeners, en ook voor hen die mij beleedigd hebben.

Delg hunne en mijne zonden uit, maak ons deelachtig aan de vruchten van dit offer en overlaad ons met uwe zegeningen in dit en het toekomstig leven.

Wij vereenigen ons met de allerheiligste Maagd Maria en met al de Heiligen, om door hunne voorspraak te verwerven, hetgeen wij om onze zonden onwaardig zijn te verkrijgen. Verhoor

-ocr page 435-

419

onze gebeden en zie op ons offer genadig neer, o God van ontferming 1

Elevatie.

Jezus, eeuwig Woord des Vaders, waarlijk God en waarlijk mensch, ik geloof dat Gij hier op dit altaar tegenwoordig zijt; ik verneder mij geheel voor U, ik aanbid U, ik bemin U en draag mij geheel aan U op. Ik aanbid het dierbaar Bloed dat Gij aan het kruis vergoten hebt; o, dat het toch voor mij niet te vergeefs uitgestort zij, maar mij zuivere en versterke ten eeuwigen leven. Laat mij deelachtig worden aan de verdiensten van uw Zoenoffer; mijn leven offer ik U op, o mijn Jezus, uit dankbaarheid voor die liefde, waarmede Gij voor mij den dood des kruises hebt willen sterven.

Gkueu voob de Overledenen.

Ontvang, o Heer, dit onbevlekt offer uit onze handen en verhoor ons

-ocr page 436-

420

kinderlijk gebed. Gedenk, barmhartige Godl de zielen der afgestorven, die nog in de plaats der zuivering door de smetten der zonde verhinderd worden, om in uwe vlekkelooze tegenwoordigheid te worden toegelaten. Ik bid u inzonderheid voor de zielen mijner ouders, vrienden en weldoeners, voor de ziel van N, N., alsmede voor die welke geen bijzondere voorbidders op aarde hebben

Pater noster.

Bid hier aandachtig met den priester: Onze Vader enz.

Aonus dei.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer!

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld ontferm U onzer!

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, schenk ons vrede!

-ocr page 437-

421

Bij de Communie van den Priester.

Lieve Jezus! ik geloof dat Gij waarlijk tegenwoordig zijt in het allerheiligste Sacrament. Welk geluk zou het voor mij zijn indien ik U in mijn hart mocht binnenleiden, U daar den schuldigen eerbied bewijzen, U daar mijne noodwendigheden vertoonen, en deelachtig worden aan de genade welke Gij geeft aan die U wezenlijk ontvangen. Maar dewijl ik dit thans niet werkelijk doen kan, zoo smeek ik U om ten minste op eene geestelijke wijze in mijn hart te komen. Zie ik omhels U, als hadde ik U reeds ontvangen en ik vereenig mij geheel en al met U; laat niet toe, o mijn lieve Jezus, dat ik mij ooit van U afscheidel

Na de Communie.

Ziel van Christus, heilig mij.

Lichaam van Christus, behoed mij.

Bloed van Christus, drenk mij.

Water uit de zijde van Christus, [reinig mij.

-ocr page 438-

422

Lijden van Christus, versterk mij. o Goede Jezus, verhoor mij.

In uwe wonden verberg mij.

Duld niet dat ik mij scheide van U. Tegen den boozen vijand verdedig mij. In het uur des doods roep mij En laat mij dan komen tot U, Om U te prijzen met de Heiligen In de eeuwen der eeuwen. Amen.

Ondeb de laatste Gebeden.

Mijn God! Gij slachtoffert U voor mijne zaligheid; ik wil mij ook slachtofferen voor uwe glorie; ik aanvaard gewillig de kruisen en wederwaardigheden, die het U behagen zal mij toe te zenden; ik neem ze uit uwe hand aan en vereenig ze met de uwe.

Ik zal getrouw zijn aan uwe wet; ik zal de gelegenheden der zonde vluchten, bijzonder van die waartoe mijne booze neiging mij met geweld vervoert; ik ben vast besloten liever alles te verliezen, alles te lijden, dan U te vergrammen.

-ocr page 439-

423

Dk zegen des Pkiesteiis.

Zegen, o God, deze heilige voornemens, zegen ons allen door de hand van uwen dienaar, en mogen de uitwerksels van uwen zegen eeuwig op ons rusten.

In den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes. Amen.

Onder het laatste Evangelie.

o Jezus, eeniggeboren Zoon des Vaders, die uit den hemel zijt nedergedaald om ons den weg daarheen te toonen; ik aanbid U met den diepsten eerbied; in If alleen stel ik al mijn vertrouwen; ik geloof vastelijk dat Gij, mijn God! mensch geworden voorliet heil der menschen, mij de noodige genaden zult schenken om op deze wereld mijne zaligheid te bewerken en U eens in alle eeuwigheid te bezitten in den hemel. Amen.

-ocr page 440-

m

GEBEDEN NA DE H. MTS

(Voorbeschreven en met een aflaat van 300 dagen verrijkt door Z. H. Paus Leo XIII)

Driemaal\'t Wees gegroet Maria.

Vervolgens:

Wees gegroet, o Koningin, Moeder van barmhartigheid! ons leven, hoop en zoetheid, wees gegroet!

Tot U roepen wij, verbannen kinderen Eva\'s : tot U smeeken wij zuchtend en weenend in dit tranendal.

Welaan dan, onze Voorspreekster wend tot ons uwe zoo barmhartige oogen, en toon ons na deze balingschap de gezegende vrucht uws lichaams, Jezus.

o Goedertieren, o meedoogende, o zoete Maagd Maria!

V. Bid voor ons, H. Moeder Gods.

R. Opdat wij de beloften van Chriaus waardig worden.

Laten wij Mdden.

o God. onze toevlucht en kracht, zie genadig neer op \'t U smeekende volk; en door de voorspraak van de roemrijke en Onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria, van den H. Jozef, haren Bruidegom, van Uw gelukzalige Apostelen Petrus en Paulus en van alle Heiligen, verhoor barmhartig en welwillend de gebeden, die wij storten voor de bekeering der zondaars, voor de bevrijding en verheffing onzer Moeder de H. Kerk. Door Christus O. H. Amen

H. Aartsengel Michael

verdedig ons in den strijd, bescherm ons tegen de boosheid en lagen des duivels. Gods macht be-dwinge hem, zoo bidden wij ootmoedig; en gij, aanvoerder der hemelsche legerscharen, verdrijf Satan met de andere booze geesten, die tot verderf der zielen in de wereld rondzwerven, door de goddelijke kracht naar de hel terug. Amen.

-ocr page 441-

425

Biechtoefeningen-

Gebed tot dek H. Geest.

Eeuwige f oorsprong des lichts, H. Geest 1 verlicht de duisternissen mijner ziel; geef mij eenige stralen van dat groote licht, hetwelk in het uur van mijnen dood mij al mijne zonden zal doen zien. Duld niet dat mijn hoogmoed ze nu voor mijn oogen verberge; maar geef dat ik ze erkenne gelijk zij waarlijk zijn, opdat ik ze verafschuwe en verzake zooveel zij het verdienen.

Gewetensonderzoek.

Onderzoek zorgvuldig uw geweten; zie of gij in uwe voorgaande biechten aan niets ontbroken hebt, of gij met de noodige voorbereiding tot de H. Tafel genaderd zijt of misschien een ander Sacrament ontvangen hebt. Doorloop daarna de 10 geboden Gods, om ernstig na te denken wat gij daartegen met gedachten of begeerten, met woorden of werken bedreven hebt; zoo ook de 5 geboden der H. Kerk, de 7 hoofdzonden en 9 vreemde zonden; ondervraag u over de plichten van uwen staat, over de plaatsen en personen waar en waarmede gij verkeerd hebt. enz.

-ocr page 442-

426

Na uw geweten vlijtig onderzocht te hebben belijd voor God uwe vrees en vertrouwen, uwe liefde en leedwezen over uwe zonden.

Mijn Heer en mijn God 1 nu ik mijne zonden aan den priester, die uwe plaats bekleedt, ga belijden, wehsch ik met eene oprechte droefheid te zeggen: het is mij van harte leed dat ik uwe goddelijke Majesteit door mijne zonden vergramd heb; het is mijne schuld, o Heer ! het is mijn allergrootste schuld. Ik haat die nu als uwen en mijnen grootsten vijand, en verzaak ze als het grootste kwaad uit liefde tot U, die alle liefde waardig zijt ; ik maak een vast voornemen, om door uwe hulp en genade niet meer te zondigen, de gelegenheden van zonden te vermijden; niet meer naar de ingevingen van den boozen geest te luisteren, de slechte voorbeelden der bedorven wereld niet meer te volgen, mijne kwade driften te beteugelen en zoo in alles mij te beteren.

Vermeerder toch, o Heer! dit mijn berouw; doe mij meer en meer de

-ocr page 443-

427

leelijkheid mijner zonden inzien en de oneer kennen, die ik uwen H. Naam heb aangedaan en die ik nu verlang te herstellen ; vermurw mijn hart door een oprecht leedwezen, dan mag ik vertrouwen dat Gij door dit Sacrament mijne zonden zult vergeven ; want ik weet, o Heer, dat Gij een vermorzeld en verootmoedigd hart niet zult ver-stooten. Amen.

Nader tot den biechtstoel met dien eerbied alsof Jezus Christus zelf zichtbaar en in persoon inde plaats van den priester was. Kan men zich wel genoeg vernederen, wanneer men de hel verdiend heeft en genade zoekt te erlangen? Vraag,wanneer gij in den biechtstoel zijt neergeknield, den zegen van den priester; maak, terwijl gij dien ontvangt het teeken van het H. Kruis, en zeg de

VOORBIEOHT

Ik belijd voor God almachtig, voor de H. Maagd Maria, voor alle Hailigen en voor u, vader, dat ik zeer gezondigd heb met gedachten, woorden en werken, door mijne schuld, door mijne schuld, door mijne allergrootste schuld-

-ocr page 444-

428

Mijne laatste biecht is geleden (noem hier het getal der dagen, weken of maanden.)

Biecht uwe zonden op eene klare, eenvoudige f-n eerbare wijze, met ootmoed en oprechtheid alsof gij tot God spraakt; en waarlijk gij spreekt tot God in den persoon van zijnen dienaar. Zeg liet getal uwer zonden; indien gij het juiste getal niet zeker weet zeg dan het naaste; druk de omstandigheden uit die de zonde van soort kunnen veranderen of hare boosheid merkelijk vermeerderen of verminderen. Indien gij twijfelt eene zonde bedreven te hebben of dat eene zonde doodzonde is, geef dat alles aan uwen bif chtvader te kennen opdat hij er over oordeele.

Zeg na al uwe zonden beleden en eenvoudig op de ondervraging van den biechtvader geantwoord te hebben met een vernederd en vermorzeld hart de

Nabiecht.

Deze en al mijne zonden, bekend of onbekend, zijn mij van harte leed, omdat ik God, dien ik bovenal bemin daardoor vergramd heb; ik beschuldig mij ervan en vraag de heilige absolutie en eene zalige penitentie.

-ocr page 445-

42!)

Geef hierna nauwkeurig acht op al wat u de biechtvader zegt, wetende dat hij in den naam van God tot u spreekt; let met aandacht op de middelen die hij u voorschrijft om in het vervolg de zonden te vermijden, en op de penitentie die hij u oplegt.

Dankzegging na de Biecht.

o Barmhartige God! hoe groot is uwe goedheid jegens mijl hoe groot is uwe liefde jegens den mensch, dat Gij mij. ondankbaren zondaar, in genade hebt willen aannemen en zoovele zonden vergeven; hoe zal ik U daarvoor genoegzaam dankbaar zijn? Ik beken, o Heer, dat ik door mijne zonden de eer uwer goddelijke Majesteit gekwetst heb en de eeuwige straffen der hel verdiend; maar Gij hebt nu, uit loutere goedheid en liefde, mij zoowel de schuld mijner zonden als de eeuwige straf, zooals ik vertrouw, ten volle vergeven.

o Goedheid van mijnen God! welke dankbaarheid zal ik U bewijzen? Ik erken mij hiertoe geheel en al onbekwaam.

-ocr page 446-

430

Het dunkt mij echter, o Heer! dat Gij tot mij zegt ■„ Ga in vrede, wil voortaan niet meer zondigen en daardoor zult gij mij de verschuldigde dankbaarheid geven.quot;

Daartoe ben ik thans bereid, o mijn God! versterk mij door uwe genade. Ja, ik ben bereid van nu afmijn leven te beteren en den raad van den biechtvader op te volgen als een les door Uzelven gegeven. Verleen mij, o Heer! uwe genade zonder welke ik in mijn vroegere zonden, ja in nog zwaardere zou vervallen. Gij, die mij vergiffenis hebt geschonken van het kwaad, geef mij ook kracht tot het goede, opdat ik een nieuw leven beginne, U altijd getrouw en dankbaar blijve en in alles uwe meerdere eet betrachte. Door Jezus Christus, onzen Heer. Amen

(Volbreng hier uwe penitentie, indien ze niet op een ander tijd bepaald is, en sluit ze met het volgende gebed:)

Allerheiligste Vader ik offer U deze biecht en de thans volbrachte penitentie

-ocr page 447-

481

in vereeniging met alle boetplegingen, welke ooit ter verheerlijking van uwen H. Naam gedaan zijn. Ik bid U, door het lijden van Jezus uwen welbeminden Zoon, door de voorspraak der gelukzalige Maagd Maria en van alle Heiligen gelief ze goedgunstig aan te nemen en mij tot zaligheid te doen strekken. Bevestig in den hemel de kwijtschelding, die de Priester op aarde over mij heeft uitgsproken en doe mij tot aan mijnen dood in uwe liefde volharden. Verhoor mij door Jezus Christus uwen Zoon. Amen.

-ocr page 448-

GEBEDEN

vóór

DE HEILIGE COMMUNIE. (1)

Geloof.

o Mijn Jezus! ik geloof vastelijk al hetgeen Gij geopenbaard hebt, bijzonderlijk geloof ik dat Gij waarlijk tegenwoordig zijt in het allerheiligste Sacrament des Altaars, omdat Gij, de eeuwige en onfeilbare waarheid zelve, gezegd hebt: »dit is Mijn Vleesch, dit is Mijn Bloed.quot;

Aanbidding.

o Mijn Jezus! in vereeniging van alle Engelen en Heiligen aanbid ik U in het H. Sacrament, in hetwelk Gij

(I) Het geheele Vierde boek der Navolging bevat heerlijke gebeden bij de H. Oommnnie. Vóór de H. Communio leze men vooral: Hoofdstuk 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 17. Na de H. Communie: Hoofdstak 8, 9, 11, 13 en 16.

Uit

aanl mijn

zijn doo alle heb ze

1

tot

ger

in

spr

zal

tig

-ocr page 449-

433

(1)

uit liefde tot mij verborgen zijt; ik aanbid U als mijnen Heer en God, mijnen Schepper en Verlosser.

Berouw.

o Lieve Jezus I al mijne zonden zijn mij van harte leed, omdat ik daardoor mijnen goeden God, dien ik boven alles bemin, vergramd en beleedigd heb, en ik maak het vaste voornemen ze nooit meer te bedrijven.

Ootmoed.

Mijn Heer en Heiland 1 hoe durf ik tot U naderen na zoovele beleedigin-gen ? Waarlijk ik ben niet waardig.U in mijn hart op te nemen. Doch spreek slechts een woord en mijne ziel zal gezond worden.

Hoop.

Ja, liefdevolle Jezus! uwe barmhartigheid is zonder einde; Gij komt tot

19

-ocr page 450-

m

mij, wilt wonen in mijn hart. Zoo zult Gij ook, ik hoop het met vertou wen, mij heiligen en vervullen met uwe genade.

Liefde

o Mijn goede Jezus 1 Gij hebt mij bemind tot aan den dood des kruises en uit liefde tot mij wilt Gij ook het voedsel mijner ziel worden. O! hoe kan ik U uwe liefde vergelden! Uit liefde tot U wil ik leven en sterven

Verlangen.

Kom, o Jezus! Kom, en neem bezit van mijn hart; het zal geheel U toe behooren; kom, bezoek mij, versterk mij en bewaar mij in uwe genade. Amen

(Bij \'t ontvangen van het H. Sacrament zeg:)

O Jezus U leef ik, o Jezus U sterf ik, o Jezus, ik ben de uwe bij leven en dood.

-ocr page 451-

NA DE H. COMMUNIE.

(Na de H. Communie blijf eenigen tijd in axelven gekeerd en lees dan langzaam het gebed :gt;

Ziel van Christus, heilig mij bladz. 421.

Oefening van ootmoed.

O Mijn Jezus! vanwaar gebeurt het mij dat Gij, mijn God, U gewaardigd hebt, bij mij armen zondaar uw intrek te nemen.

Dankzegging en opoffering.

Liefdevolle Jezus! hoe kan ik U ergeldsn hetgeen Gij aan mij gedaan hebt. Ik offer U mijn ziel en lichaam en alles wat ik heb. Alle mijne gedachten en begeerten, woorden en werken zullen zijn om U en voor U.

Liefde.

O Jezus! ontsteek mijn koud hart met het vuur uwer liefde, opdat ik (J beminne meer dan alles, meer dan mijzelven.

-ocr page 452-

436

Vkbzoek.

O Mijn Heer en mijn God! verleen mij arme alle genaden die ik noodig heb; want Gij zijt, ja, oneindig rijk en oneindig goed.

O Goede Jezus ! blijf bij mij met uwe genade, versterk mij door de kracht van uw allerheiligste Sacrament nu en in het uur van mijnen dood. Amen.

(Bid hier vijfmaal het Onze Vader en het Weet (jei/roei volgens het inzicht van den Paus van Rome, om den vollen Aflaat te verdienen; daarna voor een kruisbeeld geknield om dien te winnen voor de geloovige zielen het volgende gebed met 5 maal het Otnc Vader en Wees gegroet.

O Goede en allerzoetste Jezus! zie ik buig mijne knieën in uw tegenwoordigheid en bid en smeek U met de grootste vurigheid van mijnen geest, dat Gij u verwaardigt in mijn hart te verwekken levendige gevoelens van geloof, hoop en liefde, alsmede een waar berouw over mijne zonden en

-ocr page 453-

437

een vasten wil om mij daarvan te beteren, terwijl ik bij mijzelven overweeg en in den geest aanschouw uwe vijf wonden, voor oogen hebbende hetgeen de profeet David reeds van U zeide: »Zij hebben mijne handen en voeten doorboord, zij hebben al mijne beenderen geteld.quot;

-ocr page 454-

GEBEDEN ONDER HET LOF,

Allerbeminnelijkste Jezus, Gij zijt hier waarlijk tegenwoordig in het allerheiligste Sacrament; dat geloof ik vastelijk, omdat Gijzelf het gezegd hebt. Ik aanbid U met den diepsten eerbied als mijn Schepper en Verlosser, mijn Heer en God, als mijn opperste goed.

o Heer, zie genadig neer van uw heilig altaar op mij, zwakken zondaai. Met een vermorzeld hart bid ik U, o mijn God, vergeef mij mijne zonden, zij zijn mij van harte leed; ik haat en verfoei ze uit liefde tot U. Ver werp mij niet van uw aanschijn, keer uw aangezicht van mijne zonden af; schep in mij een zuiver hart en vernieuw den rechten geest in mijn binnenste. Maak mij naar uw voorbeeld zachtmoedig en nederig van harte, kuisch en ijverig, getrouw aan mijne

-ocr page 455-

439

plichten, standvastig in uwen dienst en in alles onderworpen aan uwen goddelijken wil.

Steunende op uwe vaderlijke goedheid, o mijn Zaligmaker, smeek ik U ook voor al degenen met wie ik door de banden van het geloof en van het bloed ben vereenigd. Zegen onzen H, Vader den Paus, de bisschoppen en de priesters, beziel ze met een vurigen ijver voor uwe glorie, met eene teedere liefde en bezorgdheid voor de zielen, die Gij hun heb toevertrouwd ; ik bid U bijzonderlijk voor den herder dezer parochie ; geef. Heer, dat zijne onderwijzingen vruchten dragen in onze harten, dat hij ons de H. Sacramenten waardig toediene, en door uwe genade zoo leve dat wij door zijn voorbeeld steeds gesticht worden.

Ik bid U ook voor het welzijn mijner ouders, die zooveel voor mij gedaan hebben, dat ik het hun nooit vergelden kan: loon Gij ze, o Heer, voor al die weldaden, geef hun alles wat zij

-ocr page 456-

4iO

naar ziel en lichaam noodig hebben voor tijd en eeuwigheid. Schenk, o Heer, uwe genade en bijstand aan\' al mijne weldoeners en bloedverwanten, vrienden en vijanden indien ik er mocht hebben.

Geef, Heer, dat alle menschen die in doodzonden leven zich tot U be-keeren, ontferm U over hen, o Jezus, en laat het kostbaar bloed, dat Gij ook voor hen aan het kruis hebt gestort, hun genade verwerven.

In uwe goedertierenheid beveel ik U ook aan de zielen der overledenen, die nog in het vagevuur lijden , verlos ze, o Heer, uit hunne pijnen en vervul het vurig verlangen dat zij hebben om uw beminnelijk aanschijn te aanschouwen

Om niemand in mijn gebed te vergeten bid ik U ook voor de zieken en zwakken : verleen hun, o Jezus, den troost en de genade van een stand-vastig geduld; sta de stervenden bij en geef dat ze in uwe liefde u:.t deze wereld scheiden en in U eenen genadi-gen rechter vinden.

-ocr page 457-

ju

Heere Jezus! als ik overweeg hoe genadig en wonderbaar Gij hier te genwoordig zijt in het allerheiligste Sacrament, dan moet ik vol verrukking uitroepen : o Heer, hoe goed en groot zijt Gij 1 Gij woont in ons midden als een vader bij zijne kinderen, als een geneesheer bij zijne kranken, als een liefderijke vertrooster te midden van veriatenen. Ach! mocht ik en alle menschen U hartelijke wederliefde toedragen, mochten wij U steeds in dit ondoorgrondelijk geheim vurig aanbidden en vereeren en ons gelukkig gevoelen dat wij vrijmoedig U onzen nood en zwakheden mogen klagen, vast vertrouwende dat Gij ons niet ongetroost zult laten heengaan.

(tebed tot Maria.

Lieve Moeder Maria, hoe zou ik u kunnen vergeten, terwijl ik hier voor het Allerheiligste Sacrament ben neergeknield. Gij hebt ons Jezus geschon^ ken, dien wij hier onder de gedaante

-ocr page 458-

4-12

van Brood aanbidden. Wees onze voorspraak bij uwen goddelijken Zoon, \\raag voor mij en voor alle menschen eenen grooten afschrik van de zonden ; eene teedere, oprechte en standvastige liefde jegens U en Jezus, uw goddelijk kind, de genade der volharding in zijnen dienst en een zalig sterfuur. Amen.

Wanneer de zegen gegeven wordt.

Zegen mij, Heer Jezus, met den Vader en den H. Geest, en geef mij de genade om uwen allerheiligsten wil in alles en altijd te omhelzen en te volbrengen. Amen.

hij deze gebeden kan men voegen: de Litanie tot Jezus in het Allerheiligste Sacrament bl. 474, of van den allerheiligste Naam bl 457, het Rozenhoedje of een gedeelte daarvan.

-ocr page 459-

LITAMEEN

OP AL DE DAGEN DEE WEEK.

LITANIE

TOT ÜE

H. DRIEVULDIGHEID.

(Op Zondag.)

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

God, Vader, uit wien alle dingen zijn,

ontferm U onzer.

God Zoon, door wien alle dingen zijn,

ontferm U onzer.

God Heilige Geest, in wien alle dingen

zijn, ontferm U onzer.

Heilige en ondeelbare Drievuldigheid,

een God, ontferm U onzer. Onbegrijpelijke Majesteit, ontferm U onzer,

-ocr page 460-

444

Onbeperkte Macht, onferm U onzer. Oneindige Wijsheid,

Onuitputbare Goedheid,

Heer der Heerschappijen,

Eeuwige Wet,

Eeuwige Waarheid,

God, almachtig Koning,

Die alle\'en God, en éen God zijt, In wien wij leven, ons bewegen en

het aanwezen hebben.

Wiens Majesteit de aarde vervult, Aan wien alleen alle eer en glorie toekomt,

Die ons troost in onze droefnissen. Die alle\'en groote wonderen doet. Die zijt, en waart, en wezen zult, Rechtvaardig en verschrikkelijk in

uw oordeel.

Heerlijk en wonderbaar in uw rijk. Die alle\'en de onsterfelijkheid bezit en het ongenaakbare licht bewoont, Eeuwige Vader,

Eeniggeboren Zoon,

Heilige Geest van beiden voortkomende,

Heilige Drievuldigheid, éen God,

-ocr page 461-

445

Wees genadig, spaar ons, Heer. Wees genadig, verhoor ons, Heer Wees genadig, verlos ons, Heer. Van alle kwaad,

Van alle zonden,

Van alle ongeloovigheid en dwaling, Van de overtreding uwer geboden. Van het veronachtzamen en misbruiken uwer genade,

Van de verwaarloozing der heilige zaken.

Van den eeuwigen dood,

Door uwe almacht,

Door uwe wijsheid,

Door uwe oneindige goedertierenheid,

Door uwe overgroote barmhartigheid.

Door uw geduld en lankmoedigheid. Wij, zondaren, wij bidden U, verhoor ons I Dat Gij ons de genade wilt verleenen om altijd en overal te belijden, dat Gij de ware God zijt, wij bidden U, verhoor ons.

Dat Gij ons de genade wilt ver-

-ocr page 462-

446

leeuen om U te vereeren e\'enen God in de Drievuldigheid van Personen, en de Drievuldigheid ^ in de Eenheid van uw wezen te aanbidden, wij bidden U, ver- 2^ hoor ons. amp;

Dat Gij ons de genade wilt ver- § leenen om U uit geheel ons hart cj lief te hebben, quot;

Dat Gij het volk, hetwelk uwen £? heiligen Naam is toegeheiligd, wilt o\' behouden en zalig maken, °

Dat Gij de dwalenden op den weg o der gerechtigheid wilt terug leiden, S Dat Gij U verwaardigt ons te ver-hooren,

Heilige Drievuldigheid, verlos ons. Heilige Drievuldigheid, maak ons zalig. Heilige Drievuldigheid, maak onslevend. Heer, ontferm U onzer,

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Onze Vader, enz.

v. Laat ons loven den Vader, den Zoon, en den Heiligen Geest,

a. Laat ons hen loven en verheerlijken in alle eeuwen.

-ocr page 463-

447

v. Wees geloofd, Heer! in het uitspansel des Hemels.

a. Zeer geprezen, en verheerlijkt, en hoog verheven in eeuwigheid.

v. Dat God ons zegene. God, onze God zegene ons.

a. Dat de gansche aarde Hem vreeze

v. Heer! verhoor mijn gebed, a. En mijn geroep kome tot U.

LATEN WIJ BIDDEN

Almachtige en eeuwige God 1 die aan uwe dienaren de genade verleend hebt, door het licht van het ware Geloof de heerlijkheid uwer eeuwige Drievuldigheid te erkennen, en, in uwe opperste Majesteit hare Eenheid te aanbidden, verleen ons dat wij door de kracht van datzelfde geloof ten allen tijde van alle kwaad mogen bewaard worden. Door Jezus Christus, uwen Zoon, onzen Heer, die, waarachtig God, met U leeft en heerscht, in de eenheid des Heiligen Geestes, in alle eeuwigheid. Amen.

-ocr page 464-

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

ChristUF verhour ons.

God, Hemelsche Vader, ontferm U onzer.

God Zoon Verlosser der wereld,

God, Heilige Geest,

Heilige Drievuldigheid, een God, o

Heilige Geest, die van den Vader 2.

en den Zoon voortkomt,

Geest der waarheid, die alle waar- ^ heid leert, cj

Geest van wijsheid en verstand, o Geest van raad en sterkte, S

Geest van wetenschap en godsvrucht, r Geest van de vreeze des Heeren, Geest van liefde, blijdschap en vrede,

~,ees

LITANIE hc

01

T0T DEN \' Gee

HEILIGEN GEEST. re

Gec

(Op Maandag.) Ge«

s

H.

Ge Ge Ge

H

-ocr page 465-

«9

leest van lankmoedigheid, weldadigheid en goedhartigheid, ontferm U onzer,

leest van zachtmoedigheid, trouw

en matigheid.

Geest van eerbaarheid en reinheid. Geest des Heeren, die de gansche

aarde vervult,

H. Geest, die in ons woont,

Geest van genade,

Geest van heiligmaking,

Geest van kracht en wijze gematigd- g heid.

... ^ H. Geest, door wiens ingeving de g

heilige mannen hebben gesproken, H. Geest, die de dolende zondaren ^ terecht brengt, o

H. Geest, die alle uwe ware geloo- n vigen een van hart en ziel maakt, lquot;1 H Geest, die de ware vrijheid verleent,

H Geest, die dubbelhartigen en vein-zaards ontvlucht, en niet woont in een lichaam, dat aan de zonde is onderworpen,

H. Geest, die aan onzen Heer Jezus Christus zonder mate gegeven zijt,

-ocr page 466-

450

H. Geest, ziel van het lichaam der Kerk van Christus, ontferm U onzer. H. Geest, die ons het duistere der heilige Schriften door de onfeilbare Kerk verklaart,

H. Geest, die alleen ons Gods Wet

kunt doen volbrengen,

H. Geest, die zelf de gever van het

bidden zijt,

H. Geest, die zelf voor ons en in ons met onuitsprekelijke verzuch- o tingen bidt, 2.

H. Geest, die ons hart van droefheid 5quot; en kwelling bevrijdt, ^

H. Geest, die de liefde Gods uitstort cj in onze harten, 0

H. Geest, die in uwe geloovigen, ^ als in uwe tempels woont, 3

H. Geest, die uit uwe geloovigen stroomen van levend water doet voortvloeien,

H. Geest, door wien wij nu niet meer slaven zijn, maar kinderen en erfgenamen Gods,

H. Geest, door wien wij niet meer in gedurige vrees van welver-

-ocr page 467-

451

diende straf leven, maar zooals kinderen hunnen vader uit liefde eeren en dienen, ontferm U onzer. H. Geest, die ons doet verzuchten naar het volkomen bezit van het voorrecht der aanneming tot g kinderen Gods, ït,

H. Geest, die in ons wonende onze g sterfelijke lichamen zult levend maken, cl

H. Geest, die ons in onze zwakheid 0 te hulp komt, S

H. Geest, die onze harten door het ^

geloof reinigt,

H. Geest, Trooster, die met ons

blijft in eeuwigheid.

Wees genadig, spaar ons H Geest. Wees genadig, verhoor ons H. Geest. Wees genadig, verlos ons H. Geest. Van den geest der dwaling, verlos ons, H. Geest.

Van den geest der onkuischheid, verlos

ons, H. Geest.

Van den geest der godslastering,

verlos ons, H. Geest.

Van alle verhardheid in de boosheid en van vertwijfeling, verlos ons H. Geest.

-ocr page 468-

452

Van alle laatdunkendheid en van het bestrijden der geopenbaarde waarheden, verlos ons, H. Geest. Van alle boosaardigheid en van

zondige gewoonten,

Van het krenken der broederlijke liefde, J

Van onboetvaardigheid. vooral in

ons sterfuur, lt;

Van allen kwaden geest, 2.

Van allen geest, die maar eenigs- ° zins met U strijdig is, o

Door uwe eeuwige voortkomst van

den Vader en den Zoon, X

Door uwe onzichtbare zalving, -L Door de volheid der genade, waar- ^ mede Gij de heilige Maagd Maria ~ steeds hebt begiftigd, ff

Door den invloed van heiligheid, i waarmede Gij de Moeder des\' Heeren bij de ontvangenis des Woords als overstroomdet.

Door uwe heilige verschijning bij den

Doop van Christus,

Door uwe heilrijke nederdaling over de Apostelen,

-ocr page 469-

iö\'ó

Door de onuitsprekelijke goedheid, waarmede Gij Gods Kerk bestuurt, de overheden doét eensgezind zijn, de Martelaars versterkt, de leeraren verlicht en de Geestelijke orden instelt, verlos ons, Heilige Geest. Wij zondaren, wij bidden U, verhoor ons. Dat, gelijk wij in den geest leven, wij alzoo naar den geest wandelen, Dat wij de werken van het vleesch

door den geest dooden,

Dat wij U nimmer bedroeven, Jj; Dat wij U, o Geest der genade! cr geene versmading aandoen, g Dat wij altijd trachten de eenheid g door den band van vrede te onderhouden, -

Dat wij naar U leven, en de begeer- ^ lijkheden des vleesches niet in- Er-volgen, o

Dat wij alle geesten niet gelooven, o maar beproeven of zij uit God a zijn.

Dat wij steeds gedachtig, dat wij uw tempel zijn, vreezen onszel-ven te schenden,

-ocr page 470-

454

Dat wij degenen die tot misdrijf zijn vervallen met den geest van zacht moedigheid terecht brengen, wij bidden U, verhoor ons.

Dat wij in U zaaien en van U het

eeuwige leven inoogsten,

Dat het U behage, ons een nederig gevoelen van onszelven te doen hebben, en onze harten van den rijkdom los te maken, Dat het U behage ons zachtmoe- ,2 dig te doen worden, q-

Dat het U behage ons de genade amp; van eene zalige droefheid en g heilige tranen te verleenen,

Dat het (J behage ons hongerig -en dorstig naar de gerechtigheid ^ te doen worden, 3-

Dat het U behage ons ware ge- o voelens van liefde en barmhar- o hartigheid in te boezemen, 3

Dat het U behage, in ons een zuiver hart te scheppen, en den rechten geest te vernieuwen, Dat wij vredelievend en waardig zijn den naam van kinderen Gods te dragen,

-ocr page 471-

455

Dat wij alle vervolging om de gerechtigheid kloekmoedig en standvastig verduren, wij bidden U, verhoor ons.

Dat wij vrij zijn van de zonden, welke noch in deze, noch in de toekomende wereld vergeven worden, wij bidden U, verhoor ons.

Dat Gij nimmer van ons wijket, wij bidden U, verhoor ons.

Dat wij U nimmer weerstaan, wij bidden U, verhoor ons.

Dat Gij ons tot het einde toe in het goede wilt bevestigen, wij bidden U, verhoor ons.

Geest Gods, wij bidden U, verhoor ons.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, stort uwen Heiligen Geest over ons uit.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, zend over ons den beloofden Geest des Vaders.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, geef ons den goeden Geest.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Onze Vader, enz.

\'f zijn

-ocr page 472-

456

v. De genade des Heiligen Geesten a . Verlichte onze zinnen en harter Amen

LATEN WIJ BIDDEN.

AU

¥. Chr Het Jez\' Jez Go

Gc Gc H Je Je H A V 1\' c 2 (

O God! die de harten der geloo vigen door de verlichting van den H. Geest onderwijst, verleen ons uwe genade, opdat wij door denzelfden Geest leeren verstaan wat goed is en ons ten allen tijde over zijne vertroos ting verheugen. Door Jezus Christus, uwen zoon, onzen Heer, die met U en den H. Geest, een eenig God, leeft en heerscht in eeuwigheid. Amen.

—MaW-—

.

-ocr page 473-

LITANIE

ALLERKEILIGSTEN NAAM JEZUS

(Op Dinsdag.)

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Jezus Christus, hoor ons.

Jezus Christus, verhoor ons. God, hemelsche Vader, ontferm

U onzer.

God, Zoon, Verlosser der wereld. God, Heilige Geest,

Heilige Drievuldigheid, (\'en God, c Jezus, Zoon van den levenden God, ; Jezus, Zoon van de H. Maagd Maria, [ Heiligste Jezus,

Almachtigste Jezus, c

Volmaakste Jc-ius, o

Rechtvaardigste Jezus,

Ootmoedigste Jezus,

Zachtmoedigste Jezus,

Geduldigste Jezus,

ïestei arter

ïloo-den uwe quot;den en

30s-

tus, ; U od, en.

3

20

-ocr page 474-

458

Zaligmaker der wereld, ontferm U onzer.

Jezus, Middelaar tusschen God en ons menschen,

goede Herder,

onze toevlucht.

Vriend van reine zielen,

Waar Licht der wereld,

eeuwige Wijsheid,

oneindige Goedheid,

Spiegel van volmaaktheid, §

Toonbeeld aller deugden, y

„ Vader der armen, g

3 Trooster der bedroefden, ^

^ Vreugde der Engelen,

Koning der Aartsvaderen, a

Ö _ N

Verlichter der Profeten, lt;]gt;

Meester der Apostelen,

Leeraar der Evangelisten,

Sterkte der martelaren.

Licht der Belijderen,

Bruidegom der Maagden,

Kroon van alle Heiligen,

Wees genadig, spaar ons, o Jezus. Wees genadig, verhoor ons, o Jezus, Wees genadig, verlos ons, o Jezus

-ocr page 475-

Van alle helsche aanvechtingen, verlos ons, o Jezus.

Van de overtreding uwer geboden, Van alle ongelukken,

Door uwe menschwording,

Door uwe geboorte,

Door uwe besnijdenis, -•

Door al uw lijden, quot;

Door uwe geeseling, §

Door uwen dood, quot;

Door uwe opstanding, 0

Door uwe hemelvaart. quot;7^

Door uwe heerlijkheid in den hemel, c Om de voorspraak van uwe heilige quot;

maagdelijke Moeder,

Om de voorspraak van al uwe Heiligen,

Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, spaar ons, o Jezus. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons, o Jezus. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer, o Jezus. Jezus Christus, hoor ons.

Jezus Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm U onzer.

-ocr page 476-

4(50

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Onze Vader enz.

v. Gezegend zij de Naam des Heeren, r Van nu af tot in eeuwigheid.

LATEN WIJ BIDDEN.

O God! die den roemwaardigsten Naam van Jezus Christus, uwen Zoon, onzen Heer voor uwe geloovigen liefelijk en aanminnelijk, voor de booze geesten daarentegen vervaarlijk en verschrikkelijk doet zijn; verleen, genadiglijk dat allen die den H. Naam van uwen Zoon op aarde eerbiedig vereeren, hier in dit leven het zalige der heilige vertroosting ontwaren, en eens, daar boven, aan de eeuwige vreugde en de oneindige zaligheid des Hemels deelachtig worden. Door Jesus Christus uwen Zoon, onzen Heer, die met U en den heiligen Geest leeft en heerscht, waarachtig God in de eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 477-

LITANIE

TER EERE

VAN DE HEILIGE ENGELEN.

(Op Woensdag, i

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons. God, Hemelsche Vader, ontferm U onzer.

God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer.

God, Heilige Geest, ontferm U onzer H. Drievuldigheid, een God, ontferm

U onzer.

Heilige Maria, bidt voor ons.

Moeder Gods, ?!

v Maagd der Maagden, S1

.Jf Koningin der Engelen, g

quot;S Michael, °

^ Raphael, o

Cherubijnen,

-ocr page 478-

462

Heilige Serafijnen, bidt voor ons Tronen,

Heerschappijen,

Overheden,

3 Machten,

^ Krachten,

Aartsengelen,

Engelen,

Engelen, die Gods verheven troon omringt,

Die ten allen tijde het aanschijn

des Vaders aanschouwt, Die onophoudelijk Gode het driemaal Heilig toezingt.

Die des Heeren bevelen volvoert, o Die aan de menschen den godde-

lijken wil bekend maakt.

Die U over onze boetvaardigheid verblijdt,

Die tot onzen dienst wordt uitgezonden,

Die ons bewaakt en in bescherming neemt,

Die ons leert en onderricht,

Die ons vergezelt en leidt,

Die ons waarschuwt en vermaant,

Cl

-ocr page 479-

463

Die onze gebeden aan God opdraagt,

bidt voor ons.

Die voor ons bidt,

Die de geboorte des Zaligmakers aan de herders bekend maaktet, Die bij de geboorte van den Verlosser den Allerhoogste met gejuich en gezang verheerlijktet, Die den Heer in de woestijn diendet,

Die, in sneeuwwitte kleeding, bij het graf van den verrezen Mid- ~-delaar waart neergezeten, quot;■

Die onmmiddellijk na de hemel- ^ vaart van den Zoon Gods aan ° de Apostelen verscheent, o

Die eenmaal met verschrikkend ba- 5 zuingeschal alle menschen zult dagen om voor den rechterstoel van Christus te verschijnen. Die den Zoon des menschen zult omstuwen bij zijneplechtigekomst ten gerechte der wereld,

Die, bij de algemeene opstanding der dooden, de uitverkoren zult verzamelen,

-ocr page 480-

464

Die de werkers der ongerechtigheid uit het Koninkrijk van den Zoon des menschen zult verwijderen, bidt voor ons.

Heilige Engelen Gods, bidt voor ons.

Alle koren der zalige Geesten, bidt voor ons.

J ezus, vreugde der Engelen, wij bidden

U, hoor ons ootmoedig smeeken.

Van alle rampen en gevaren, verlos ons, Heer.

Van alle listen en lagen des Satans, verlos ons, Heer.

Van alle scheuring, ongeloof en ketterij, verlos ons, Heer.

Voor het eeuwige verderf, behoed ons, Heer.

Wij zondaars, wij bidden U, verhoor ons.

Dat het U behage ons, door uwe Heilige Engelen, voor de lichaams-en zielsgevaren te behoeden, waaraan wij gedurig zijn blootgesteld, wij bidden U, verhoor ons.

Dat het U behage, door uwe H.

-ocr page 481-

41)5

Engelen, in al onze behoeften te voorzien, ons bijstand te verleenen, wij bidden U, verhoor ons.

Dat het U behage ons, door uwe H. Engelen, in de ure van bekoring te ondersteunen, opdat wij staande blijvendeoverwinnen, Dat het U behage ons. door uwe Jl-H. Engelen, tot ware boetple- cr ging op te leiden, 5.\'

Dat het U behage ons, door uwe 2 H Engelen, in onze droefenissen en rampspoeden, onder- -c:\' werping troost en bemoediging ^ te doen verwerven, ~

Dat het U behage, door de veel- § verrnoRende voorbidding uwer H. ~

O O Q

Engelen, uwe rechtmatige ver- 3 bolgenheid van ons af te wenden, quot; Dat het U behage, door uwe H. Engelen, ons op ons doodbed verkwikking en lafenis te doen erlangen.

Dat het U behage, onze ziel na het verscheiden, door uwe H.

20*

-ocr page 482-

4()()

Engelen te doen opnemen en tot U ten hemel voeren, wij bidden U verhoor ons.

Jezus, vreugde der Engelen, wij bidden U verhoor ons.

Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons, Fleer.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons, Heer.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Onze Vader, enz.

Looft den Heer, gij al zijne Engelen,

Gij, sterke helden, die zijn Woord volbrengt, gehoorzaam aan de stem van zijn gebod.

Looft den Heer gij, al zijne heirscharen.

Gij, zijne dienaars, die wat Hem behaagt, volvoert.

God heeft zijne Engelen wegens u bevolen.

Dat ze u bewaren op uwe wegen.

De Engel des Heeren zal zich legeren rondom degenen die Hem vreezen.

-ocr page 483-

407

En Hij zal hen uit allen nood verlossen.

In de tegenwoordigheid der Engelen, zal ik U, o mijn God! lofzingen, zal naar uwen heiligen tempel bekeerd, U aanbidden, Heer! amp; En uwen Naam verheerlijken.

Heer, verhoor mijn gebed,

En mijn geroep kome tot U.

LATEN WIJ BIDDEN.

Almachtige God, onuitsprekelijk liefderijke Vader! die U verwaardigt, uwe Engelen ten dienste van ons, zondige menschen, uit te zenden! geef, dat wij, ten allen tijde, hunne bescherming en bijstand, het vermogen en de kracht van hunne voorbidding ontwaren, en eenmaal, door de verdiensten van Jesus Christus in hunne zalige gemeenschap U en uwen welbeminden Zoon, altoos en eeuwig, dankbaar verheerlijken Amen.

-ocr page 484-

LITANIE

TüT DEN

HEILIGEN JOZEF.

iOp Woensdag.;

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, hemelsche Vader, ontferm U onzer.

God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer.

God, H. Geest, ontferm U onzer. H. Drievuldigheid, éen God, ontferm

U onzer.

H. Maria, bid voor ons.

H. Moeder Gods,

H. Jozef, 2quot;.

Beschermer van Jezus,

Bruidegom van Maria, ó

Man naar Gods hart, -lt;

Trouwe en wijze dienaar, o

Bewaarder der zuiverheid van Maria, y Medehulp van Maria,

-ocr page 485-

46Ü

Leidsman en troost van Maria, bid

voor ons.

Die om Maria met bijzondere genaden begunstigd zijt,

Allerzuiverste in reinheid. Allernederigste in ootmoed. Allervurigste in liefde,

Allerverhevenste in beschouwing, Die door den H. Geest zeiven

rechtvaardig zijt verklaard,

Die in de goddelijke verborgenheden boven anderen verlicht E?! zijt geweest, ^

Die door den Engel in het geheim o der menschwording onderwezen ? zijt, o

Die, met Maria uwe bruid, naar iquot;

Bethlehem zijt gereisd,

Die in de herberg geene plaats vindende, in eenen stal zijt gaan vernachten,

Die waardig geacht zijt bij Christus te wezen, toen Hij geboren en in eene krib gelegd werd,

Die met Maria het kind Jezus in den tempel hebt opgeofferd,

-ocr page 486-

470

Die, op het woord van den Engel, met Jezus en zijne Moeder naar Egypte gevlucht zijt, bid voor ons. Die, na den dood van Herodes, met Jezus en zijne Moeder naar het land van Israël zijt wedergekeerd,

Die het kind Jezus, dat te Jerusa- g. lem gebleven was, met Maria, ü zijne Moeder, vol droefheid ge- lt; zocht hebt, g

Die Hem na drie dagen met blijd- c schap gevonden hebt, zittende g in het midden der wetgeleerden, Aan wien de Heer der Heeren op de aarde onderdanig geweest is, Wiens lof in het Evangelie vermeld wordt,

Onze voorspreker, hoor ons, H. Jozef. Onze beschermer, verhoor ons, H. Jozef. In al onzen nood, help ons, H. Jozef. In al onze benauwdheden, help ons

H. Jozef,

In het uur onzes doods.

Door uwe allerzuiverste trouw, help ons H Jozef.

-ocr page 487-

471

Door uwe vaderlijke zorg en teeder

heid, help ons H. Jozef.

Door al uw arbeid en zweet, help ons H. Jozef.

Door al uwe deugden, help ons H. Jozef.

Door al uwe verdiensten, help ons H. Jozef.

Door uw eeuwig geluk, help ons H. Jozef.

Wij, die u als beschermer aanroepen,

wij bidden u, verhoor ons.

Dat gij Jezus de vergiffenis onzer

zonden wilt vragen,

Dat gij ons steeds aan Jezus en ,5;

Maria gelieft aan te bevelen, o-Dat gij voor alle maagden en on- cL\' gehuwden de gave van zuiver- ngt; heid wilt verwerven,

Dat gij voor de gehuwden eene onbevlekte trouw en heilige een- ^ dracht wilt verkrijgen, 3-

Dat gij voor alle vergaderingen eene § volmaakte liefde en overeenstem- M ming wilt verwerven, §

Dat gij de vaders der huisgezinnen quot;

-ocr page 488-

472

in het christelijk opvoeden hunner kinderen wilt behulpzaam wezen, wij bidden U, verhoor ons.

Dat gij alle oversten in het bestuur ^ der hun toevertrouwden wilt be- \';:i: hulpzaam zijn,

Dat gij alle vergaderingen, die u è bijzonder zijn toegedaan, wilt S begunstigen, ^

Dat gij allen die op uwe hulp vertrouwen, altijd en overal wilt

beschermen, ^

• ^

Dat gij alle geloovige zielen door g uwe voorbede wilt helpen, 0

Beschermer van Jezus, S

Bruidegom van Maria,

Heilige Jozef,

Lam Gods, dat de zonden der wereld

wegneemt, spaar ons Heer. Lam Gods, dat de zonden der wereld

wegneemt, verhoor ons. Heer. Lam Gods, dat de zonden der wereld

wegneemt, ontferm U onzer. Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm U onzer.

-ocr page 489-

473

Christus, ontferm U onzer,

Heer, ontferm U onzer.

Onze Vader enz,

LATEN WIJ BIDDEN.

Wij bidden U, o Heer! dat wij door de verdiensten van den Bruidegom uwer allerheiligste Moeder geholpen mogen worden, opdat wij door zijne voorspraak verkrijgen, hetgeen wij door ons zeiven niet kunnen bekomen. Die leeft en heerscbt in de eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 490-

LITANIE

VAN HET

ALLERHEILIGSTE SACRAMEM7

(Oi\' Donderdag.)

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons,

Christus, verhoor ons. God, Hemelsche Vader! ontferm onzer.

God, Zoon, Verlosser der wereld 1 God, H. Geest,

H. Drievuldigheid, een God,

Levend Brood, uit den Hemel nederdalende,

Verborgen God, onder zichtbare

gedaante schuilende,

Tarwe der Uitverkorenen,

Wijn die Maagden kweekt. Voortreffelijk brood en vermaak der Koningen,

-ocr page 491-

475

Gedurig offer, ontferm U onzer.

Reine Spijs-offerande,

Onbevlekt Lam,

Allerreinste Tafel,

Engelen-Spijs,

Verborgen Manna,

Gedenkstuk van Gods wonderen,

Bovennatuurlijk Brood,

Vleesch geworden Woord, onder

ons wonende,

Heilig offer.

Drinkbeker der zegening. Troostvolle Verborgenheid van ons geloof.

Hoogwaardig en uitmuntend Sacrament,

Allerheiligste Offerande,

Zoenoffer voor levenden en dooden, Hemelsch Behoedmiddel waardoor wij tegen de zonden behoed worden

Wonder van Gods wonderen, Allerheiligste Gedachtenis van het

lijden des Heeren,

Geschenk, dat alle volheid te boven gaat,

-ocr page 492-

i76

Voortreffelijk Gedenkteeken der goddelijke liefde, ontferm U onzer, Overvloeiende Bron van Gods milddadigheid,

Doorluchtig, overheilig Geheim, Krachtige Spijs der onsterfelijkheid, Levendmakend, aanbiddelijk Sacra ment,

Brood, dat door de almogendheid

des Woords zijt Vleesch ge- o

worden, 5-

\' •-\'-i

Onbloedig, rein Offer des Nieuwen quot; Verbonds, -

Spijs en Gastheer, Cl

Allerheiligste Maaltijd, waarbij de o Engelen tegenwoordig zijn en n dienen, r1

Teeken van genade,

Band van liefde,

Hoogepriester, die zelf het Offer zijt,

Geestelijke Spijs en Verkwikking

onzer zielen,

Teerspijs dergenen die in den Heer sterven.

Onderpand der toekomende glorie,

-ocr page 493-

477

Wees genadig, spaar ons, Heer!

Wees genadig, verhoor ons. Heer! Van het onwaardig nuttigen uws Lichaams en Bloeds, verlos ons Heer, Van de begeerlijkheid des vleesches, Van de begeerlijkheid der oogen, Van de hoovaardigheid des levens, Van alle twijfeling, ongeloovigheid, verblindheid des harten en ketterij, Van alle oneerbiedigheid en mis-bruik ten opzichte van dit Hoog- S. waardig Sacrament, o

Van alle zwakheden en zonden, die © de heerlijke uitwerkselen van dit S aanbiddelijk Sacrament kunnen ^ verminderen en tegenhouden, re Van alle gelegenheid tot zondigen, r1 Door de groote begeerte, die Gij hadt om dit Paaschlam met uwe leerlingen te eten,

Door den diepen ootmoed, waarmede Gij de voeten van uwe leerlingen gewasschen hebt.

Door de onuitsprekelijke liefde, waarmede Gij dit Hoogwaardig Sacrament hebt ingesteld.

-ocr page 494-

478

Door uw dierbaar Bloed, dat Gij voor ons op het Altaar hebt nagelaten, verlos ons. Heer,

Door de vijf kruiswonden, welke Gij in het allerheiligste Lichaam voor ons hebt ontvangen, verlos ons. Heer, Wij zondaren, wij bidden U, verhoor ons 1

Dat het U behage ons geloof, eerbied en godsdienstigheid ten opzichte van dit allerheiligste Sacrament te onderhouden en te vermeederen, 5;

Dat het U behage ons door eene ^ oprechte belijdenis onzer zonden 3 tot het dikwijls nuttigen dezer Cl geestelijke spijs voor te bereiden, lt; Dat het U behage de onschatbare ? hemelsche vruchten van dit al- êT lerheiligste Sacrament in ons ° overvloedig uit te storten, 0

Dat het U behage ons in het uur van onzen dood met deze Hemelspijs tot de reize naar de eeuwigheid te versterken,

Zoon van God,

-ocr page 495-

479

Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, spaar ons Heer! Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, verhoor ons, Heer! Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, ontferm U onzer!

Heer, ontferm U onzer!

Christus, ontferm U onzer!

Heer, ontferm U onzer 1 Onze Vader, enz.

Heer, verhoor mijn gebed,

En mijn geroep kome tot. U!

LATEN WIJ BIDDEN.

Heer Jezus! die ons in dit wonderbaar Sacrament eene altoosdurende gedachtenis van uwe liefde en van uw lijden en sterven hebt nagelaten, geef dat wij de geheimenissen van uw Lichaam en Bloed met zulk een ware godsvrucht vereeren, dat wij al den zegen, al de heilrijke gevolgen van onze Verlossing onophoudelijk mogen ontwaren, Gij, die met den Vader en den Heiligen Geest, e\'en eenig God, leeft en heerscht in eeuwigheid. Amen,

-ocr page 496-

LITANIE

VAN IIET

LIJDEN VAN JEZUS CHKTSTUS.

(Op Vrijdag.)

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer ontferm U onzer,

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons Cod, hemelsche Vader, ontferm U onzer. Cod Zoon, verlosser der wereld, Cod Heilige Ceest,

H. Drievuldigheid, éen Cod Jezus, die na het heilige Avondmaal, o dat eeuwige gedenkstuk van uwe amp; oneindige liefde, ingesteld en den 5 lofzang gezegd te hebben, van 3 Jerusalem over de beek Cedron d naar den olijfberg uitgingt om o uw gebed te doen, n

Jezus, die door het voorgevoel van r-den smaad en de smart, en ook van die vernedering waarvan

-ocr page 497-

481

Gij het slachtoffer wezen zoudt, be droefd en diep beangst werdt, ont ferm U onzer.

Jezus, die tot het Lijden bereidvaardig, U aan den wil van uwen hemelschen Vader onderwierpt, Jezus, die bij uwen afmattenden lijdensstrijd door een Engel versterkt werdt,

Jezus, die door Judas, e\'en van g uw geliefkoosd twaalftal leerlin-gen, werdt verraden,

Jezus, die door eene bende huurlingen werdt geboeid,

Jezus, die door al uwe leerlingen § werdt verlaten, ^

Jezus, die geboeid naar Annas en ^

Caiphas werdt gebracht,

Jezus, die van een dienaar een

kaakslag ontvingt,

Jezus, die door valsche getuigen

werdt beschuldigd,

Jezus, die getuigenis der waarheid gevende, als een godslasteraar, ter dood werdt veroordeeld.

21

-ocr page 498-

Tezus, die Petrus, nadat hij U had verloochend, door een blik van medelijden en ontferming bekeerd hebt, ontferm U onzer,

Jezus, die aan Pilatus, een heiden,

werdt overgeleverd,

Tezus, die voor Herodes gebracht, door hem en door zijn hofgezin bespot werdt,

Jezus, die gesteld werdt achter g den oproerigen moordenaar Ba- ^

rabbas, ... 3

Jezus, die onmenschehjk werdt ge-

geeseld,

Jezus, die ter bespotting met een o

purperenmantel werdt omhangen, s

Jezus, die ter bespotting met r

doornen werdt gekroond,

Jezus, wien men ter bespotting een riet tot schepter in de hand gat, Jezus, wiens kruisdood door de Joden onder een ontzettend ge-schreeuw geëischt werd,

Jezus, die door Pilatus \':ot den kruisdood veroordeeld en aan

-ocr page 499-

483

de woede der Joden overgeleverd werdt, ontferm U onzer.

Jezus, die bij het dragen van den kruisbalk, onder dezen zwaren last diep gebukt gingt,

Jezus, die, als een schuldeloos lam,

ter slachting geleidt werdt,

Jezus, die van uwe kleederen ontbloot werdt,

Jezus, die voor onze boosheden 0 gewond werdt, S

Jezus, die vol verschoonende liefde SJ uwen Vader om vergeving voor 3 uwe vijanden en moordenaren d gebeden hebt, o

Jezus, die met de booswichten S werdt gelijk geacht, r1

Jezus, die nog aan het kruis gelasterd en bespot werdt,

Jezus, die den geloovenden en be-rouwhebbenden moordenaar in genade aangenomen en hem het Paradijs beloofd hebt,

Jezus, die uwe Moeder aan den heiligen Joannes hebt bevolen.

-ocr page 500-

484

Jezus, die aan het kruis hangende uitriept: mijn God 1 mijn God 1 waarom hebt gij mij verlaten! ontferm U onzer.

Jezus, die in uwen dorst met azijn

gelaafd werdt,

Jezus die betuigdet dat alles volbracht was, wat wegens U stond geschreven,

Jezus, die stervende uwen geest g in de handen uws Vaders hebt gi aanbevolen, g

Jezus, die uw hoofd buigende onder een luid geroep den geest hebt gegeven, a

Jezus, door wiens sterven de hen- S derdman en velen van het volk bekeerd zijn,

Jezus, wiens zijde met een speer

doorstoken werd,

Jezus, uit wiens doorstoken zijde

water en bloed vloeide,

Jezus, wiens lichaam door twee eerwaardige mannen van het kruis afgenomen en begraven werd.

-ocr page 501-

485

Jezus, die na uwen dood zijt nedergedaald ter helle, om de zielen der afgestorven rechtvaardigen te troosten en te verlossen, ontferm U onzer.

Jezus, die op den derden dag na uwen dood, vol heerlijkheid uit uw graf zijt verrezen, ontferm U onzer. Jezus, die levenden en dooden zult komen oordeelen, ontferm U onzer. Wees genadig, spaar ons, Jezus.

Wees genadig, verhoor ons, Jezus. Van alle kwaad, verlos ons, Jezus, Van alle zonden,

Van een haastigen en onvoor-

zienen dood.

Van grampschap, haat en allen lt; kwaden wil, tL

Van de listen des duivels, §

TT I • ^

Van den eeuwigen dood, 0

Van pest, hongersnood en oorlog, g

Door uwen doodstrijd en uw bloe-,_,

dig zweet, g

Door uwe geeseling en ondergane P

mishandelingen,

Door uwe doornenkroon,

-ocr page 502-

486

Door uw kruis en lijden, verlos ons, Jezus,

Door uw dorst, tranen en naaktheid,

verlos ons, Jezus.

Door uw dood en begrafenis, verlos

ons, Jezus.

Door uwe verrijzenis, verlos ons Jezus. Op den dag des oordeels, verlos ons, Jezus.

Wij, zondaren, wij bidden U, verhoor ons.

Dat wij de dwaasheid van het Kruis hooger achten dan alle ^ menschelijke wijsheid, ^

Dat wij er naar streven U, o Jezus 5; Christus 1 vooral als gekruist en g-gestorven voor onze zonden, te 3 kennen, -P

Dat wij, het voorbeeld van uw lt;, lijden ons voorstellende, uwe 3, voetstappen navolgen, g

Dat wij dagel\'jks ons kruis opne- ^ men en U volgen, g

Dat wij, daar Gij onze zonden op quot; het kruishout in uw Lichaam hebt gedragen, den zonden afgestor-

-ocr page 503-

487

ven zijnde, voor de gerechtigheid leven, wij bidden U, verhoor ons. Dat wij op U, o Aanvoerder en voltrekker van ons geloof! steeds het oog gevestigd houden.

Dat wij naar uw voorbeeld, als wij gescholden worden, niet weder schelden, als wij beleedigd worden niet dreigen, maar het aan =5 U overlaten, die rechtvaardig oordeelt, ^

D-i

Dat het verre van ons zij op iets g-anders dan op uw Kruis, o Heer a Jezus ! te roemen,

Dat uit liefde tot ü, de wereld lt; voor ons gekruisigd zij, en wij zulks voor de wereld zijn, g

Dat wij hetgeen ons tot winst was, quot;■ om uwentwille voorschade achten, g Dat uw bloed ons van alle doode quot; werken reinige, om U, o levende God, te dienen,

Dat wij, die zoo duur gekocht zijn, ü in ons lichaam verheerlijken, Dat wij ons vleesch met zijn hartstochten en begeerlijkheden kruisigen.

-ocr page 504-

48S

Dat gelijk wij deelgenooten uws lijdens zijn, wij ook der vertroosting deelachtig worden, wij bidden U, verhoor ons.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, spaar ons, Jezus.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, verhoor ons Jezus.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm u onzer, Jezus.

Jezus Christus, hoor ons.

Jezus Christus, verhoor ons.

Heer ontferm U onzer.

Jezus Christus, ontferm U onzer.

Onze Vader enz.

Heer, verhoor mijn gebed.

En mijn geroep kome tot U.

LATEN WIJ BIDDEN.

Laat, o Heer Jezus Christus, al de zegeningen van uw lijden en sterven over ons komen. Verwek in ons den levendigsten afkeer van de zonde. Verleen ons uwe genade, dat wij de zonden, welke ons zoo diep verlagen,

I

I

-ocr page 505-

489

den Hemel ontrooven en scheiden van U, die uw bloed voor ons vergoten hebt, in ons geheel en al uitroeien. Verleen ons het vertrouwen dat onze zonden om uwentwil, die tot onze verzoening zijt gestorven, genadig zijn vergeven. Schenk ons uwe hulp, opdat wij heilig worden: maak ons getrouw, en versterk ons in alle beproevingen van dit vergankelijk leven; geef rust en verkwikking aan ons hart in dagen van droefheid en lijden. — O! Gij, die ons tot uw eigendom gekocht hebt, wees ons genadig en, daar Gij zelf, goddelijke, dierbare Verlosser I met den dood geworsteld hebt, zoo verlaat ons niet in ons sterfuur. Laat, zoo lang wij nog hier op aarde leven, het denkbeeld ons steeds vergezellen, dat het onze zonden zijn, die U ternedervelden, verwondden en aan het kruis brachten Laat ons, zalig in hoop, van hier gaan, en doe ons in ons laatste uur uwe stem hooren: «Heden zult gij met mij wezen in het Paradijs.quot; Amen.

21*

-ocr page 506-

litanie

VAN UE

ALLERHEILIGSTE MAAGD MARIA.

1 Op Zatisbuaö.)

Heer, ontferm U onzer!

Christus, ontferm ü onzer!

Hegr, ontferm ü onzer!

Christus, hoor ons!

Christus, verhoor ons! God, Hemelsche Vader, ontferm U onzer.

God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer.

God, Heilige Geest ontferm (J onzer! Heilige Drievuldigheid, e\'en God, ontferm U onzer 1 Heilige Maria, bid voor ons !

Heilige Moeder Gods, o-

Heilige Maagd der Maagden. cLquot; Moeder van Christus, g

Moeder der goddelijke genade, ° Allerreinste Moeder, g

Allerzuiverste Moeder, quot;

Ongeschonden Moeder,

-ocr page 507-

491

Onbevlekte Moeder, bid voor Beminnelijke Moeder, Wonderbare Moeder,

Moeder des Scheppers, Moeder des Zaligmakers, Allervoorzichtigste Maagd, Eerwaardige Maagd, Lofwaardige Maagd,

Machtige Maagd,

Goedertieren Maagd, Getrouwe Maagd,

Spiegel der gerechtigheid. Zetel der wijsheid,

Oorzaak onzer blijdschap. Geestelijk vat,

Eerwaardig vat,

quot;Uitmuntend vat van devotie. Geheimzinnige roos,

Toren van David,

Ivoren toren.

Gulden huis.

Ark des Verbonds,

Deur des Hemels,

Morgenster,

Behoudenis der kranken, Toevlucht der zondaren,

-ocr page 508-

492

Troosteres der bedrukten, bid voor ons. Hulp der Christenen,

Koningin der Engelen,

Koningin der Patriarchen,

Koningin der Profeten, 2^

Koningin der Apostelen,

Koningin der Martelaren, g

Koningin der Belijders, quot;•

Koningin der Maagden, g

Koningin van alle Heiligen, ?

Koningin zonder erfsmet ontvangen. Koningin van den allerheiligsten

Rozenkrans,

Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, spaar ons. Heer 1 Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, verhoor ons. Heer 1 Lam Gods, dat wegneemt de zonden

der wereld, ontferm U onzer 1 Christus, hoor ons!

Christus, verhoor ons 1 Wees gegroet, Maria! enz.

LATEN WIJ BIDDEN.

Onder uwe bescherming nemen wij onze toevlucht, heilige Moeder Gods

-ocr page 509-

493

versmaad onze gebeden niet in onzen nood, maar verlos ons altijd van alle gevaren, o roemrijke en gezegende Maagd! Verzoen ons met uw Zoon, beveel ons aan uw Zoon, vertoon ons aan uw Zoon.

v. Bid voor ons, o H. Moeder Gods!

r. Opdat wij der beloften van Christus waardig worden.

Wij bidden U, o Heer! stort uwe genade in onze harten: opdat wij, die door de verkondiging des Engels de Menschwording van Christus, uwen Zoon, gekend hebben, door zijn lijden en kruis tot de heerlijkheid der verrijzenis gebracht worden. Door den-zefden Christus, onzen Heer. Amen.

-ocr page 510-

LITA NlE

TOT

LAFENIS DER GELOOVIGE ZIELEN

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, hemelsche Vader, ontferm U over

de lijdende zielen.

God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U over de lijdende zielen. God, H. Geest, ontferm U over de

lijdende zielen.

H. Drievuldigheid een God, ontferm

U onzer.

H. Maria, bid voor haar,

H. Moeder Gods, cr;

H. Maagd der Maagden, Bi

Alle heilige Engelen, lt;

Alle H. Aartsvaders en Profeten, o Alle H. Apostelen en Evangelisten, ^ Alle H Martelaren, g

Alle H. Bisschoppen en Belijders, ^

-ocr page 511-

495

Alle H. Leeraars, bid voor haar.

Alle H. Priesters en Levieten, bid

voor haar.

Alle H. Monniken en Kluizenaars, bid

voor haar.

Alle H. Maagden en Weduwen, bid

voor haar.

Alle Gods lieve Heiligen, bidvoor haar. Wees genadig, spaar haar. Heer!

Wees genadig, verhoor ons, Heerl Van alle straffen en pijnen, verlos haar. Heer.

Van de ijselijke vlammen.

Van de verschrikkelijke duisternissen. Van het schromelijk klagen en weenen, c

\' (T)

Van de pijnen, die zij door de dagelijksche zonden verdiend ^ hebben, gquot;

Van hetgeen zij voor de doodzon- Sj den, waarvoor zij nog niet ten ^ volle hadden voldaan, moeten fT lijden. 1?

Van de straf voor hare onachtzaamheid om U te dienen.

Van het droevig zuchten over het

-ocr page 512-

496

verzuimen der gelegenheden, welke zij gehad hebben om in de deugd te vorderen, verlos haar Heer. Van het gejammer, dat zij maken over den tijd en de werken, welke zij tot uw dienst en glorie niet besteed hebben.

Van hetgeen zij ondergaan voor het verzuimen van het gebed en andere goede werken.

Van hetgeen zij lijden voor hare

gebreken tegen de overheid, lt; Van hetgeen zij moeten betalen g-voor het onbreken in de zorg w der onderdanen, pquot;

Van hetgeen zij lijden voor kleine ^ onmatigheden, ijdele voldoenin- ^ gen en kleine begeerlijkheden, re Van hetgeen zij verdiend hebben r door afkeerigheid en weinig beduidenden twist.

Van de ellenden, waarin zij nu zijn om hare vroegere onlijdzaamheid, Van de pijnen, welke zij verduren om het overvloedig of kwalijk spreken,

-ocr page 513-

497

Van hetgeen zij lijden voor kwade gedachten, begeerten en andere inwendige zonden, verlos haar, Heer. Wij zondaren wij bidden U, verhoor ons.

Dat wij door uwe genade in deugden mogen aangroeien, en haar door goede werken behulpzaam zijn.

Dat wij door werken van liefdadigheid barmhartigheid voor haar mogen verkrijgen, cr

Dat wij door onze ootmoedigheid gj voor hare onboetvaardigheid g kwijtschelding mogen verwerven, Dat wij, met ons te versterven, voor -hare zinlijkheden en kwade drif- ^ ten mogen voldoen, 3-

Dat wij, door onze verduldigheid, o vergeving voor hare onverdul- o digheid mogen bekomen, 3

Dat wij door onze zachtmoedigheid de zuivering van hare opvliegendheid en gramschap mogen verdienen,

Dat wij door ijverig en naarstig

-ocr page 514-

498

te bidden, U over hare traagheid in het gebed mogen verzoenen, wij bidden U, verhoor ons.

Dat wij door het oefenen van alle deugden, vergiffenis van al hare fouten mogen verkrijgen, wij bidden U, verhoor ons.

Dat Gij de zielen van onze ouders, vrienden en weldoeners, die in U gestorven zijn, van de pijnen des vagevuurs wilt veilossen, wij bidden U. verhoor ons.

Dat Gij aan alle geloovige zielen de eeuwige rust wilt verleenen, wij bidden U, verhoor ons.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geef haar de rust.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geef haar de rust.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geef haar de eeuwige rust.

Heer, ontferm U, onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Onze Vader, enz.

-ocr page 515-

499

Psalm, 129.

Uit de diepte heb ik tot U geroepen: Heerl Heer! verhoor mijne stem,

Laat uwe ooren luisteren naar de stem mijns biddens.

Indien Gij, Heer! de ongerechtigheden gadeslaat, Heer, wie zal bestaan?

Omdat er bij U genade is, en om uwe wet heb ik U, o Heer! lankmoedig afgewacht.

Mijne ziel heeft op zijn woord gewacht, mijne ziel heeft op den Heer gehoopt.

Dat Israël van den morgestond af tot den nacht in den Heer hope,

Want bij den Heer is barmhartigheid en bij hem is overvloedige verlossing,

En hij zal Israël uit al zijne ongerechtigheden verlossen.

v. Heer, geef haar de eeuwige rust.

r. En het eeuwige licht verschijne haar.

v. Van de poorten der hel.

-ocr page 516-

500

R. Verlos, o Heerl hunne zielen

v. Dat zij in vrede rusten.

R. Amen.

Gebed voor Vader en Moeder.

O God, die ons geboden hebt vadei en moeder te eeren, ontferm U genadig over de zielen van mijn vader en moeder, vergeef hunne zonden, en maak, dat wij hen in de vreugde van het eeuwige licht mogen aanschouwen Door onzen Heer, enz.

Voor vrienden en weldoeners.

O God! gever der genade en minnaar der menschelijke zaligheid, wij bidden uwe goedertierenheid, dat Gij de broeders, vrienden en weldoeners onzer vergadering, die uit deze wereld gescheiden zijn, op het voorbidden van de heilige Maria, altijd Maagd, met al uwe Heiligen, tot de gemeenschap der eeuwige zaligheid wilt brengen. Door onzen Heer, enz.

-ocr page 517-

501

Voor alle geloovige zielen,

O God, Schepper en Verlosser van alle geloovigen I verleen aan de zielen van uwe dienaars en dienaressen de vergeving van al hunne zonden, opdat zij de genadige kwijtschelding, naar welke zij altijd verlangd hebben, door godvruchtige gebeden mogen verwerven. Die leeft en heerscht in alle eeuwigheden. Amen.

v. Heer! geef haar de eeuwige rust. r. En het eeuwige licht verschijne haar.

v. Dat zij in vrede rusten. r. Amen.

^quot;VVW VA/VV-

-ocr page 518-

LITANIE

VAN

ALLE HEILIGEN.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons. Cod, hemelsche Vader, ontferm U onzer.

God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U onzer.

God, Heilige Geest, ontferrr. U onzer. Heilige Drievuldigheid, een God. ontferm U onzer.

H. Maria, bid voor ons.

H. Moeder Gods,

H. Maagd der Maagden, £

H. Michael, ^

H. Gabriel, o

H. Raphael, S

Alle heilige Engelen en Aartsen- o gelen, y

AlleheiligeKoren der zalige Geesten,

-ocr page 519-

503

H. Joannes de Dooper, bid voor ons, H. Jozef,

Alle heilige Patriarchen en Profeten,

H. Petrus,

H. Paulus,

H. Andreas,

H. Jacobus,

H Joannes,

H. Thomas,

H. Jacobus,

H. Philippus,

CT

H. Barholoméus,

SI

H. Matthéus,

lt;1

H Simon,

O O

H. Thadde\'us,

H. Matthias,

O 3

H. Barnabas,

?

H. Lucas,

H. Marcus,

Alle Heilige Apostelen en Evangelisten,

Alle heilige Leerlingen des Heeren, Alle heilige onschuldige kinderen, H. Stephanus,

H. Laurentius,

H. Vincentius,

-ocr page 520-

504

H. Fabianus en Sebastianus, H. Joannes en Paulus,

H. Cosmas en Damianus, H. Gervatius en Protasius,

Alle heilige Martelaren, H. Silvester,

H. Gregorius,

H. Ambrosius,

H. Augustinus,

H. Hieronymus,

H. Martinus,

H. Nicolaus,

Alle H. Bisschoppen en Belijders,

Alle heilige Leeraars,

H. Antonius,

H. Benedictus,

H. Bernardus,

H. Dominicus,

H. Franciscus,

Alle H. Priesters en Levieten,

Alle H. Monniken en Kluizenaars, H. Maria Magdalena,

H. Agatha,

H. Lucia,

H Agnes,

H. Cascilia,

-ocr page 521-

505

H. Anastasia, bid voor ons.

Alle H Maagden en Weduwen, bidt voor ons.

Alle Gods lieve Heiligen, bidt voor ons.

Wees genadig, spaar ons, Heer.

Wees genadig, verhoor ons. Heer.

Van alle kwaad, verlos ons, Heer.

Van alle zonden.

Van uwe gramschap.

Van een haastigen en onvoor-

zienen dood,

Van de listen des duivels. Van gramschap, haat en allen kwa- ^ den wil, g-

Van den geest der onkuischheid, 1/1 Van bliksem en on weder, §

Van den geesel van aardbeving, -t/gt; Van pest, hongersnood en oorlog, W Van den eeuwigen dood,

Door het geheim uwei menschwor-

ding,

Door uwe komst.

Door uwe geboorte.

Door uw doopsel en heilig vasten, Door uw kruis en lijden,

2

-ocr page 522-

506

Door uw dood en begrafenis, verlos

ons, Heer.

Door uwe heilige verrijzenis, verlos

ons, Heer,

Door uwe wonderbare hemelvaart,

verlos ons. Heer.

Door de komst van den H. Geest, den Vertrooster, verlos ons, Heer. In den dag des oordeels, verlos ons, Heer.

Wij zondaren, wij bidden U, verhoor ons.

Dat gij ons wilt sparen,

Dat Gij ons onze misdaden kwijt- 3. scheldt,

Dat Gij U gewaardigt uwe H. Kerk cH te besturen en te beschermen, S\' Dat Gij U gewaardigt den Paus ^ van Rome en alle geestelijkheid i-* in den heiligen Godsdienst te lt; bewaren, X

Dat Gij U gewaardigt de vijanden g

der H. Kerk te vernederen, Dat Gij U gewaardigt aan de § christen koningen en vorsten ■ vrede en ware eendracht te geven,

-ocr page 523-

507

Dat Gij U gewaardigt aan alle christenen volkeren vrede en eendracht te verleenen, wij bidden U, verhoor ons

Dat Gij U gewaardigt ons in uwen heiligen dienst te versterken en te bewaren,

Dat Gij onze gemoederen tot he-

melsche begeerten wilt opwekken, 2. Dat gij U gewaardigt al onze wel- ^ doeners met de eeuwige goe- 5; deren te vergelden,

Dat Gij U gewaardigt onze zielen 3 en de zielen onzer broeders, vrien-den en weldoeners van de eeuwige lt; verdoemenis te behoeden, g.

Dat Gij U gewaardigt de vruchten g der aarde te geven en te be- ^ waren, g

Dat Gij U gewaardigt aan alle .c/1 geloovige overledenen de eeuwige rust te verleenen.

Dat Gij U gewaardigt ons gebed

te verhooren,

Zoon Gods,

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt spaar, ons. Heer.

-ocr page 524-

508

Lam Gods, dat de zonden der wereld

wegneemt, verhoor ons, Heer. Lam Gods, dat de zonden der wereld

wegneemt, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Onze Vader, enz.

Psalm 69.

God! kom mij te hulp, haast U Heer, om mij te helpen.

Dat zij beschaamd en bevreesd worden, die mijne ziel zoeken.

Dat zij terugwijken en zich schamen, die mij kwaad willen.

Dat zij terstond met schaamte terug-keeren, die mij in mijne bedrukking bespotten

Dat zij allen, die U zoeken, zich in U verheugen en verblijden, en dat zij, die uwe zaligheid beminnen, altijd zeggen : groot geacht zij de Heer.

Doch ik ben behoeftig en arm, o God! help mij.

-ocr page 525-

509

Gij zijt mij helper en Verlosser, Heer, vertoef niet.

Eere zij den Vader, enz.

v. Maak uwe dienaars zalig, r. Mijn God, die in U hopen, v. Heer, wees ons een sterke toren. r. Tegen onze vijanden.

v. Laat de vijand niets tegen ons vermogen.

r. En laat de zoon der boosheid zich niet vertouten ons te beschadigen.

v. Heer! handel niet met ons naar onze zonden.

r. Noch vergeld ons naar onze boosheden.

v. Laat ons bidden voor onzen Paus N.

k. De Heer spare hem, behoude hem in het leven, make hem zalig op de aarde en levere hem niet over aan den wil zijner vijanden.

v. Laat ons bidden voor onze weldoeners

r. Heerl ge waardig IJ allen, die ons goed doen om uwen naam, met het eeuwige leven te vergelden. Amen.

-ocr page 526-

510

v. Laat ons bidden voor de ge-loovigen, die overleden zijn.

r. Heer! geef hun de eeuwige rust en het eeuwige licht verschijne hun. v. Dat zij in vrede rusten. r. Amen.

v. Voor onze broeders die afwezig zijn.

r. Mijn God! rnaak uwe dienaars zaüg, die in U hopen.

v. Zend hun hulp uit de heilige plaats.

r. En uit Sion bescherm hen, v Heer! verhoor mijn gebed. r. En mijn geroep kome tot: U.

LATEN WIJ BIDDEN.

O God! wien het eigen is altijd genadig te zijn en te sparen, ontvang ons gebed, opdat uwe goedertieren barmhartigheid ons en al uwe dienaars, die met de kluisters der zonden gebonden zijn, genadig ontbinde.

Wij bidden U, Heer! verhoor de gebeden der ootmoedigen, en spaar

-ocr page 527-

511

hen, die hunne zonden belijden, opdat wij te zamen vergeving en vrede van uwe goedertierenheid verwerven.

Toon ons genadig, o Heer uwe onuitsprekelijke barmhartigheid, en verlos ons van alle zonden en tevens van de straffen, die wij daardoor verdiend hebben.

O God! die door de zonden vergramd en door de boetvaardigheid verzoend wordt, zie genadig neder op de gebeden uws volks, hetwelk zich voor uwe goedheid nederwerpt, en wend de geesels uwer gramschap, welke wij door onze zonden verdienen, van ons af.

Almachtige en eeuwige God! ontferm U over uwen dienaar, onzen Paus N, en bestuur hem, volgens uwe goedertierenheid in den weg des eeuwigen levens opdat hij door uwe gunst begeere hetgeen U behaagt, en dat met alle kracht volbrenge.

O God! van wien de heilige begeerten, de goede voornemens en de rechtvaardige werken voorkomen geef uwen dienaars dien vrede, welken de

-ocr page 528-

wereld niet geven kan, opdat onze harten genegen zijn tof. het volbrengen uwer geboden, en wij, van de vrees uwer vijanden ontslagen, door uwe bescherming in rust mogen leven.

Ontvlam, o Heer! onze nieren en harten door het vuur van den H. Geest opdat wij U, met een zuiver lichaam dienen en met een rein hart behagen.

God, Schepper en Verlosser aller geloovigen 1 verleen aan de zielen uwer dienaars en dienaressen vergiffenis van alle zonden, opdat zij de kwijtschelding naar welke zij altijd verlangd hebben, door godvruchtige smeekingen mogen ververven.

Wij bidden U, o Heer! voorkom onze werken door den invloed uwer genade, en voltrek die door uwe medewerking, opdat al onze gebeden en werken altijd van U beginnen, en, alzoo begonnen, door U voltrokken worden.

Almachtige, eeuwige God! die over levenden en dooden heerscht, en U ontfermt over allen, die Gij te voren

-ocr page 529-

513

weet, dat door het geloof en de werken de uwen zullen zijn; wij bidden U ootmoedig, dat degenen, voor wie wij ons voorgenomen hebben onze gebeden te storten, hetzij die nog in de wereld leven of reeds overleden zijn, door de voorspraak van al uwe Heiligen, door uwe genade vergiffenis van al al hunne zonden mogen verkrijgen. Door onzen Heer, enz.

v. Heer verhoor mijn gebed r. En mijn geroep kome tot U. v. De almachtige en barmhartige Heer verhoore ons.

r. Amen.

v. Dat de geloovige zielen door Gods barmhartigheid in vrede rusten. r. Amen.

-ocr page 530-

512

wereld niet geven kan, opdat onze harten genegen zijn tof. het volbrengen uwer geboden, en wij, van de vrees uwer vijanden ontslagen, door uwe bescherming in rust mogen leven.

Ontvlam, o Heer! onze nieren en harten door het vuur van den H. Geest opdat wij U, met een zuiver lichaam dienen en met een rein hart behagen.

God, Schepper en Verlosser aller gcloovigen 1 verleen aan de zielen uwer dienaars en dienaressen vergiffenis van alle zonden, opdat zij de kwijtschelding naar welke zij altijd verlangd hebben, door godvruchtige smeekingen mogen ververven.

Wij bidden U, o Heer ! voorkom onze werken door den invloed uwer genade, en voltrek die door uwe medewerking, opdat al onze gebeden en werken altijd van ü beginnen, en, alzoo begonnen, door U voltrokken worden.

Almachtige, eeuwige God! die over levenden en dooden heerscht, en U ontfermt over allen, die Gij te vo.\'en

-ocr page 531-

513

weet, dat door het geloof en de werken de uwen zullen zijn; wij bidden U ootmoedig, dat degenen, voor wie wij ons voorgenomen hebben onze gebeden te storten, hetzij die nog in de wereld leven of reeds overleden zijn, door de voorspraak van al uwe Heiligen, door uwe genade vergiffenis van al al hunne zonden mogen verkrijgen. Door onzen Heer, enz.

v. Heer verhoor mijn gebed r. En mijn geroep kome tot U. v. De almachtige en barmhartige Heer verhoore ons.

r. Amen.

v. Dat de geloovige zielen door Gods barmhartigheid in vrede rusten. r. Amen.

-ocr page 532-
-ocr page 533-
-ocr page 534-

Afd.

APOSTOLAAT DES GEBEDS

OCTOBER 1935

Eerste graad: dagelijksche Morgenopdracht. Goddelijk Hart van Jesus, ik offer U door het Onbevlekte Hart van Maria mijn gebeden, werken en lijden van dezen dag,-tot herstel onzer beleedigingen en tot alle intenties, waarvoor Gij U onophoudelijk op het Altaar opoffert : in het bijzonder offer ik ze U op voor de intenties van het Apostolaat des Gebeds en voor de intenties, door Z. H. den Paus voor deze maand aanbevolen. Amen.

Voor de Pauselijke intenties : Goddelijk Hart van Jesus, moge ons H. Geloof bezieling geven aan de kunst, wij bidden U, verhoor ons.

Goddelijk Hart van Jesus, moge de Unio Missionaria onder de Priesters bloeien, wij bidden U, verhoor ons.

Gedurende den dag: Alles voor U, Allerheiligst Hart van Jesus ! Heilig Hart van Jesus, Uw Rijk kome !

Tweede graad : eiken dag één Tientje van den Rozenkrans voor de Pauselijke Intenties

Derde graad : ik zal een eerherstellende H. Communie doen op ........................

No.

-ocr page 535-
-ocr page 536-

^ H. MIS-KRUISTOCHT.

1 Officieel is onze H. Mis-Kruistocht met

quot;5 September geeindigd. Maar wij gaan

§ voor ons eigen er mee door, nietwaar ?

n Minstens één keer door de week de

| H. Mis bijwonen, liefst op Vrijdag, ter

w eere van het H. Hart. Denkt U maar aan

S het rijmpje :

Jl \'s Zondags krachtens Kerkgebed,

iS üoor de week uit liefde tot Ood !

3 . . 0

-2 Maandpatroon; H. Franciscus Borgia, S.J.

•§ Feestdag 10 October.

N

quot;§ De algemeene Communie zal zijn ............

| Het „Heilig Uurquot; ................................

*2? De maandelijksche vergadering ............

•| Schatkamer : 1. H. Missen ..................

quot;S 11. H. Communies.................................

^ III. Bezoeken bij het Allerh...................

® IV. Andere gebeden ........................•••

•a V. Goede werken .................................

\'■2 VI. Offers ..........................................

q*

gt;

O

i Uitgave v. h. Nationaal Bureau v. h. Apost. des Gebeds.

S Bestel-adres : v. Oldenbarneveltstraat 21, Ni,tnegen

-ocr page 537-

MAAND VAN EERHERSTEL.

Heer Jesus, in Uw Sacrament U offerend tot \'s werelds end,

En in onbluschbren liefdegeloed Ons voedend met Uw VIeesch en Bloed : Ach, van wat ondank, hoon en haat Wordt dagelijks Uw Hart verzaad! Wij knielen vurig dankend. Heer, Aan \'t gastmaal uwer liefde neer, U offrend heel ons minnend hart Ter boeting van die smaad en smart.

■a

S

M

N

-ocr page 538-
-ocr page 539-

Afd.

MAANDBRIEFJE VAN HET APOSTOLAAT DES GEBEDS

JUNI 1933.

Eerste graad: dagelijksche Morgenopdracht. Goddelijk Hart van Jesus, ik offer U door het Onbevlekte Hart van Maria mijn gebeden, werken en lijden van dezen dag, tot herstel onzer beleedigingen en tot alle intenties, waarvoor Gij U onophoudelijk op het Altaar opoffert : in het bijzonder offer ik ze U op voor de intenties van het Apostolaat des Gebeds en voor de intenties, door Z. H.

No.

-ocr page 540-
-ocr page 541-